Praktijkkennis van ervaren talendocenten

Verschillen en gemeenschappelijkheden in praktijkkennis op het gebied
van tekstbegriponderwijs in de bovenbouw van het vwo

p.c. Meijer, N. Verloop en D. Beijaard

Samenvatting

In dit artikel wordt de praktijkkennis van der-
tien ervaren talendocenten op het gebied van
tekstbegriponderwijs in de bovenbouw van het
vwo in kaart gebracht. Recente inzichten in de
'pedagogical content knowledge' van docenten
werden gebruikt als uitgangspunt om de
inhoud van en patronen in deze praktijkkennis
(de kennis
van docenten) te beschrijven. Uit-
gaande van de veronderstelling dat docenten
professionals zijn, is tevens getracht de ge-
meenschappelijke elementen in de praktijkken-
nis van docenten vast te stellen. Met behulp van
een stimulated recall interview, een semi-
gestructureerd interview en een concept map-
ping taak is de praktijkkennis van de docenten
onderzocht, uiteindelijk resulterend in een
beschrijving van drie typen praktijkkennis, met
een focus op respectievelijk (a) de vakinhoud,
(b) de leerlingen en (c) leerprocessen en begrips-
vorming van leerlingen. Het artikel besluit met
een discussie over de manleren waarop de prak-
tijkkennis van ervaren docenten op een syste-
matische manier bij de opleiding van docenten
l<an worden betrokken.

Inleiding

Docenten-in-opleiding geven regelmatig aan
dat theorieën die zij krijgen aangeboden op de
lerarenopleiding niet overeen lijken te stem-
men met wat ervaren docenten, die hen bege-
leiden tijdens stages, weten en doen in de prak-
tijk. Wat ervaren docenten weten is veel beter
afgestemd op de praktijk van het onderwijzen
en is dus een onmisbare bron van informatie bij
het leren onderwijzen (Verloop, 1992). Deze
opvatting sluit aan bij een beweging die met
name in de Angelsaksische landen al enige
tientallen jaren gaande is. Tot de jaren zeventig
waren veel onderwijskundige theorieën geba-
seerd op onderzoek waarin het gedrag van
docenten centraal stond en waarin dit gedrag
gerelateerd werd aan leeruitkomsten van leer-
lingen (zie bijvoorbeeld Anderson, Evertson &
Brophy, 1979; Gage, 1978; Rosenshine & Ste-
vens, 1986) - het zogenaamde 'proces-pro-
duct' onderzoek. Een doelstelling van dit type
onderzoek was om docenten effectief gebleken
gedragingen voor te schrijven en via leraren-
opleidingen en schoolverbeteringsprojecten
'effectieve docenten' op te leiden (Creemers,
1991). Op deze manier leverde dit onderzoek
verschillende modellen op over bijvoorbeeld
effectief onderwijs (vgl. Rosenshine & Ste-
vens, 1986).

Het gebruik van dergelijke modellen bleek
in de praktijk echter niet eenvoudig. Docenten-
in-opleiding konden met theorieën die geba-
seerd waren op dit type onderzoek vaak niet
rechtstreeks uit de voeten en ervoeren proble-
men met het leggen van verbanden tussen deze
theorieën en de onderwijspraktijk (Zeichner &
Gore, 1990). Ook schoolverbeteringsprojecten
die gebaseerd waren op resultaten van proces-
product onderzoek mislukten regelmatig indien
deze niet aansloten bij ideeën van ervaren
docenten over wat werkt in de praktijk (Har-
greaves, 1996).

Vanaf de jaren 70 werd steeds duidelijker
dat resultaten van onderzoek naar enkel het
gedrag van docenten een eenzijdig beeld gaven
van wat er in klassen gebeurde. Schön
beschreef in 1983 een 'kloof tussen acade-
misch onderzoek en wat mensen in de praktijk
van hun beroep doen. Hij was van mening dat
deze kloof werd veroorzaakt doordat er geen
aandacht was voor praktische of professionele
vaardigheden (zie ook Beijaard & Verloop,
1996; Richardson, Anders, Tidwell & Lloyd,
1991). In het geval van onderwijzen resulteer-
de dit, volgens Hargreaves (1996), soms zelfs