|
KLI.
|
|||||||||||
|
KLÎ.
|
|||||||||||
|
»SîS
|
|||||||||||
|
désgronds, enz., zonder eenige opzicht op de lengte
van den langden dag.
' KLIM-BOONEN, zie BOON (TURKSCHE).
KLIM-OP, Klim, Veil, Boom-veil, Eiloof, Klijf;
in het latijn!Jïérfera ; Hedereaarborea. Men heeft van dit altijd groene gewas de volgende twee zoorten, als ■ i. De gemeens Klim - op ; Hedera arborea vulgaris ; '{Hedera foliis ovatis lobatisque, Linn. Spec. Plant.) ' 2. De kleine Klim:op; Hedera minor; Hedera poëtica; Hedera helix. Befchrijving. De eerfte goort, fehlet uit de wortel een
kruipende bogtige fteng met veele diergelijke takken of ranken; Uit welke op veele plaatzen kleine vezel-worte- len fpruiten, waar mede ze zich aan de muuren, boo- men,, ftaketten, en andere dingen, die ze raakt, vast hegt, daarbij opklimt, en dezelve geheel bekleed: Ze word bij ons zeer zelden boomagtig gezien, maar wel in warmer landen, als in Zuid-Frankrijk, Italien, Alien en el- ders; haare bladen zijn hoekig of gelobt, maar boven- waarts na de uiterfte takken meesttijds langwerpig-rond en puntig; voorts donker-groen, effen, glad en blinkend; haare bloemen koomen meest aan de bovenfte takken kroons- of troswijzevoort, en zijn naakt, of uit louter helmftijltjes beftaande ; waar na ronde zwarte of geele befiën volgen, die van binnen verfcheide zaad-korrels bevatten, en in de winter of'tvroegevoorjaar rijp wor- den. De tweede zoort, verfchilt niet van de eerfte , dan
dat ze meest op de grond langs kruipt, en langwerpiger hoekige bladen heeft ; ook onvrugtbaar is. Veele Kruid- kundigen zijn van gedagten, dat dit dezelfde zoort met de voorige is, en dat alleen de ftandplaats en ouderdom, verandering in de gedaante der bladen en groei wijze, enz. veroorzaakt. Men vind twee veranderingen van deezekleine zoort,
de eerfte met vergulde of geel-bonte bladen, en de twee- de met verzilverde of Wit-!bön'te bladen. Plaats. Deeze planten groeijen in Europa, zo wel als
in Afia, op veele plaatzen in het wild , bij de boomen oploopende, of op den grond voortkruipende, enop meer ' andere fteen- of rotsagtige plaatzen, inzonderheid in de bosfeben, of daar boomen groeijen. Men ziet ze ook veel groeijen aan oude gebouwen, kerken en torens, enz. ; dog daar zijn ze dan met opzet geplant; en 't is verwon- derenswaardig, dat dit gewas heelhoog bij de muuren kan opgroeijen, zo dät 't zeer hooge gebouwen, en zelf torens, tot boven toe, cierlijk kanbekleeden, dat een aangenaame vertooning maakt. ' Kweeking. Deeze planten worden zeer ligtelijk voort- gekweekt, door inlegging of fteeking der takken , die ras bewortelen; ze willen in allerlei gronden zeer wel groeijen, dog voomaamelijk in die wat vogtig zijn, en verdraagen onze fterkfte winterkoude. Men plant ze meest tegen muuren van gebouwen en elders, inzonder- heid tegen oude, onaanzienlijke muuren; welke ze van zelf, zonder eenige hulp en moeite, digt met groente beklee- den, en een aangenaame bevallige vertooning te wege brengen , inzonderheid in de wintertijd; ookbefchermen ze zulke muuren, voor de indrang van lucht, regen en Wind, en doen ze dus langer diiuren. Eigenfchappen. De bladen van dit gewas, zijn iets
zaamentrekktnd, verwarmend, zuiverend en wondhee- lend; wordende inzonderheid het afkookzel daar van met wijn bereid, geprezen tegen de fchurft en dauwworm, «n de uitteering der Kinderen, alsmede tègèri detuctee- |
|||||||||||
|
ring of vermagering van maar een lid (atrophia), tegen
het neus-zweer, en tot zuivering van oude gezweeren,, zo wel in- als uitwendig gebruikt ; dog inwendig moet zulks voorzigtig, en in kleine giften gefchieden. De befiën puïgeerén van onderen en boven, en wor-
den zelden anders gebruikt dan van het gemeen , tegen de koude koortzen. Daar vloeit in de warme Landen ook een harsagtige
gom door infnijding uit de Klim-op ; Veil-Gom (Gummi Hedera) genoemt': Dezelve moet, als hij opregt is, in traanen of kleine ftukjes, en geel- of bruinagtig-rood, droog, harden doorfchijnend zijn, en een fcherpe fpe- cerijagtigen fmaak, en aangenaame balfamijken reuk heb- ben, inzonderheid wanneer ze op het vuur geworpen word; ze is afvaagend en wôndheelend, en word ge- preezen, om de gezweeren op te droogen: Men ge- bruikt ze meest in pleisters. Ook heeft ze haar ge- bruik in de vernisfen der Schilders en Verlakken. De oude Heidenen hadden de Veil, zeer waarfchij-
nelijk om zijne aangenaame groente, aan hunnen God Bacchus toegewijd, en vlogten er dikwilskranfen tot des- zeifs eer van ; weshalven men ook deezen Afgod altijd met een zodanige krans om het hoofd afgebeeld ziet. De oude Romeinen gebruikten de veil of klim-op ook tot de kranfen , daar ze de zegepraalende Overwinnaars mede kroonden. Ook wierden bij ouds de Poëeten daar mede gekroont, waar van hij de naam van Hedera poëtica: draagt; gelijk men dit, om kort te gaan, bij de oude Schrijvers, en vermaarde Poëeten, enz. leezen kan ; zie onder anderen Vikgil. Elog. 8. en Horatius Lib. I. od. i. en Epifi. 3. L. 1. KLIM-OP (AMERICA ANS CHE), zie TROM-
PET-BLOEM. KLINSEN, zie COLARE.
KLIP HOPPE, zie HOPPEtt, n. IV. p. 1144.
KLIPVISSCHEN,- in hetlatijn 'Chœtodon; is een plats
agtig Visfchengeflagt, uit Visfchjes beftaande, die in de Zeen van de heete Oost- en West-Indifche luchtftreeken huisvesten, en meerendeels zeer aardig geftreept, of met vlakken getekent zijn. Men heeft hun de naam van KlipVisfchen gegeeven, om dat zij zich meest aan'de klippen onthouden. De Heer Linn^eus, heeft twintig zoorten van dit ge-
flagt J en zijn Ed. fielt toc kenmerken, de tanden bors- telagtig, buigzaam, zeer digt geplaatst en talrijk; hec kieuwen-vlies met zes ftraalen; het lijf fchilderagtig ge- tekent; de rug en aarsvin vleefchig en gefchubt. Hier zoude kunnen bijgevoegt worden, dat het lijf rondagtig, zeer dun en plat is. Zommigen hebben eenige ftraalen van de rug en aarsvin zeer lang, ftijf en borstelig fcherp; in eenigen is de fnoet lang en cijlindrisch rond; in vee- len de ftaart gevorkt. Zie hier kortelijk de befchrijving der onderfcheidene
zoorten, I. Grijsagtige Klipvisch ; in 't latijn Chostodon tanes-
cens ; (Chœtodon fpinis dorfalibus duabus, radio tertio longisßmo filiformï, aculeo utrinque ad os, cauda bifida, Linn. Sijß. Nat.) Zie hier de befchrijving van dit Visch- je, zodanig Artedi het opgeeft; deszelfs lijfis breed en dun; de bek klein; de neusgaten dubbeld, digt aan de oogen, die boven op zijde van den kop ftaan ; ' de navel in het midden tusfehen de buikvinnen en de aars- vin; de tanden elsformig, op eenerijdigt aan elkander, wit van koieur, in de beide kaaken; het kieuwen vlies hééft vïer beentjes ; de fchubberi zijn klein, harden T t ruw ;
|
|||||||||||