A^LGEIEENE GESCHIEDENIS
. 'f..·
VKOEGfSTE TOBJEHi TOT OP ΗΕΟΈΙΙί.
DOOR
ΛΜΈΝΏ.
VAN HET JAAR 900 TOT 1581 NA CHRISTUS.
K £ 1I& @ ΊΓ s: STUK..
IWIKT liAARTKi^ E^ PiiRTIlKTVIi:^',
TE AMSTERDAM, BIJ
J. F. !§€ΙΙΙ.£υΐ:Κ.
1841.
V
Α IL Cl ΜΕ
»4 ii
iE
id. Λ
IV
BIS
U) Ο ύ Μ
BLi65,
Te AM.VTEmMM,MJ
J ο F <. .SCHEIE jLU El
r
h
ι
BERDE BOEK.
yan de
ERFELIJKHEID DER GROOTE LEENEN IN NEDERLAND,
lOT AAIt DE
WKKKKMIQlIVGi ΤΛΐν lIOLlvAIKD WET IlËXECIOIJWKli.
ooo->intoo.
-ocr page 4-ü
-ocr page 5-EERSTE HOOFDSTUK.
van de
ERFELIJKHEID DER GROOTE LEENEN IN NEDERLAND,
tot aan de
liAATSTE IMVAIitEIir 19KU Λί«0«ΜASiSÏKlV AlillAAR.
000—103».
Door de vereeiiiging des Rijks van Lotharingen met dat van Duitschland, Avas ÜOO—
Nederland onder éénen beliecrscher gekomen , Avelko de gewesten bezuiden den Rijn
als Koning van Lotharingen, en die benoorden deze rivier, als Koning van Ouitsch-
land bestierde. Lodewijk de Jonge of het Kind, welke onder den titel van Keizer,
deze beide kroonen torschte, was naauwelijks de jaren der jongelingschap ontwassen,
toen hij overleed, en met hem de Karlovingische stam in Duitschland, wegstierf.
Karel de Eenvoudige [simpele), thans de eenig overgeblevene telg uit het geslacht
van KAKEL den Groote, maakte aanspraak op de*staten van zijnen neef, dewijl men bij
het verkiezen van een opperhoofd des Duitschen Rijks uit de Vorsten van zijnen stam,
steeds het erfregt had in het oog gehouden. Doch do Duitschers, beducht voordeScIa-
ven en Hunnen, Λvelkc onder roDEwuK den Jonge het Rijk geteisterd hadden, waren
geenszins geneigd , hunne kroon eenen Vorst op te dragen, wiens botheid ten spreekwoord
geworden was. Op den Rijksdag te Worms viel derhalve hunne keuze op οττο , Her-
tog van Saksen, en toen deze zich wegens zijne hooge jaren verontschuldigde, werd op
zijn voorslag en aanbeveling, koeskaad , Hertog van Franeonië, gekozen (1).
Intusschen was karel de Eenvoudige naar Lotharingen getrokken, en aldaar pleg-
tig tot Koning gehuldigd. De Grooten van dat Rijk gaven dezen onbeduidenden Vorst, on-
der wien zij ongestoord hunne eerzuchtige plannen konden bereiken, de voorkeur, bo-
ven een dapperen gebieder, die hunnen overmoed kondebeteugelen. Welligt ontsproot
Ü12
(1) WiTicüüKDüs, Lih. p. 634. Ditmarüs, Lih, I, p. 325 in ΐεΐκηιτζπ Script. Rerum
Brunsvic. T. I.
10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
yOO— mede, voor een groot gedeelte, de genegenheid Toor den Franschen Vorst, uit de
meerdere overeenkomst van do zeden, gewoonten 'en taal der Lotharingers met die der
Franschen, dan met dio der Duitschers. Reinier , Graaf van Henegoinven, welke het
meest tot de verheffing van karel had bijgedragen, werd ter belooning zijns ij vers, tot
Hertog van Lotharingen verheven, welke waardigheid, na zijnen dood, op zijn oudsten
zoon gislebert of gijsbert ovcrgïng. Hij had het gehecle bestier in handen, terwijl de Ko-
ning slechts in naam regeerde (1). Koexraad , wiens dapperheid en staatkunde geroemd
worden, wilde den zwakken Franschen Vorst geen Rijk laten, op welk hij insgelijks
regten bezat. Hij toog derhalve met een aanzienlijk heir derwaarts, doch de invallen
der Hunnen, en de opstand van Hertog iiEifDRiK van Saksen noodzaakten hem weldra
terug te trekken, zonder andere aanhangers in Lotharingen te behouden, dan de Graven van
den Elzas , den Graaf van TeiVierÄaHi/en den Bisschop van i/irecAi. Sedert veroorloofden
hem de omstandigheden niet, zijn heroveringsplan weder ten uitvoer to brengen (2).
Terwijl de Hunnen Duitschland verwoestten, zetten de Noren hunne strooptoglen
langs de kusten van Friesland voort. Zij waren nog steeds in het bezit van Utrecht,
waar zij zich meer en meer met de overgebleven bevolking bevredigd, en langzamerhand hare
meer beschaafde zeden aangenomen zullen hebben. Do Bisschopsstad was nu de zetel
der Noordsehe Godenleer in Nederland gcAVorden , ofschoon het niet geheel onwaar-
schynlijk is, dat het geloof der Christen inwoners door de Noormannen , althans later , on-
gehinderd gebleven, en zelfs door eenigen van hen is omhelsd geworden. ïen blijke
hunner verdraagzaamheid, heeft men aangevoerd, dat terwijl zij Utrecht nog in bezit
hadden, twee ütrechtsche Bisschoppen, odilbald en egilbold, aldaar zijn begraven
geworden (3). Het is echter mogelijk, dat de lijken dezer Kerkvoogden eerst na het
vertrek der Noormannen uit Utrecht ^ derwaarts zijn overgevoerd (4). Anderen komt
het zelfs hoogstwaarschijnlijk voor, dat deze berigten voor niets anders dan bijvoegsels
van eenc latere en onbedrevene hand zijn te houden, dewijl nergens iets aangaande de
herbouwing van eenige kerk in Utrecht, maar integendeel gemeld wordt, dat die
stad, bij het vertrek der Noren, geheel woest lag (5). Even onzeker zijn de lotgeval-
(1) Annal. Saxon. ad ann. 912.
(2) Chron. Sancti Galli, ad ann. 913. p. 101.
(3) Van ascii van wijck , Over het oude Handelsverkeer der stad Utrecht, bl. 186.
(4) De bekaj p. 31, 32. Heda, p. 69, zeggen althans niet bepaald, dat deze overbrenging ge-
durende liet verblijf der Noormannen in Utrecht, geschied is.
(5) Van bolnuts, de Noorrn. in Nederl, bl. 180.
-ocr page 7-DES VADERLANDS. I 11
len der beide genoemde Bisschoppen en weinig is van hen bekend. Odilbald moet
een en twintig jaren (van 878—899) do Bisschoppelijke waardigheid , en met meet
vrucht dan zijn voorganger, bekleed hebben (1). Onder zijn bestuur bevestigde en
vergrootte Koning zwentibolch de giften en vrijheden, door vorige Koningen aan de
Utrechlsche Kerk verleend (2). Men prijst den ijver met welken hij vele misbruiken
weerde en do belangen der godsdienst bevorderde (3); ook wordt hij uitdien hoofde door
oenen tijdgenoot, een heilig man genoemd (4). Schaarscher nog zijn de berigten om-
trent zijn opvolger egilbold ,, egilbert of eilbold , mede een Fries van afkomst, die
slechts eenigc maanden den Bisschopsstaf voerde, en van daar door sommigen niet on-
der de Bisschoppen van Utrecht geteld, door anderen voor denzelfden met obilbalu
gehouden is. Hij wordt als een man van een onbesproken levenswandel en van groole
geleerdheid afgeschilderd (5). Tot hoogere vermaardheid steeg radboud, welke om het
jaar negen honderd een het geestelijk gebied over Utrecht moet aanvaard hebben. Hij
was uit den ouden Frieschen Koningsstam gesproten, en had bij zijn oom guïïtuekus
of gontiiarius, Bisschop van Keulen, den grondslag tot die kundigheden gelegd, Avelke
hij vervolgens aan de hofschool van karel den Kale, onder leiding van den geleerde
MANTs'o of nawko van Stavoren, met zulk een gevolg voorlzelle, dat hij weldra in
geleerdheid verre boven do meesten zijner tijdgenooten uitblonk, waarvan zijne ge-
schriften ter onwraakbare getuigenis verstrekken (G). De voorlrell'elijke gaven van den
(1) De beka, p. 31, echter [reeft hem ccn kerkelijk hestuurvan 34 j heda , p. G3 ,en j. a. leydis,
Lil). VI. c. lö, p. yy, een van 13, en liet Chron. Tiel. p. 51, eon van 24 jaren.
(2) Zie het Diploma van den 24'ΐβ" van Zomermaand, 8(59; bij iieda , p. G3. Van biieris ,
Charterh. v. ΠοΙΙ. D. I, bi. 28. Hoadam, Charterb. ν. Gelderl. St. I, bl. 43.
(3) SciioTAitüs, Fr. liisi. bl. 69.
(4) Regino , Chroii. JAh. II, p. 98.
(.5) De beka, p. 31. Heda p. 69. Chron. Tiel p. 53—57. Een vrijlatinjjsbriefvan eene slavin,
op verzoek van dezen Bisschop, heeft, benevens üeua, vait hieris en anderen, ook bondasi in
liet Charterb. ν. Gelderl., St. I, bl. 47, opijenomen, ΛνεΙΙο tevens in eene {jcleerde aanteekenin{{, het
])estaan van dezen egiidold boven alle {jegronde bedenkinjj {jesteld heeft. Hij plaatst den sterftijd van
dezen kerkvoo[jd op den 25""' van Herfstmaand 900, en dien van odilbaid op den van
Wintermaand 899.
(6) De schriften van kadboud , zoo in gebonden als in on(;ebonden slïjl, worden opgeteld door
joii. tkituemics in Catal. vir, illustr. aangehaald bij heda, p. 72, enbij ματτπαεπβ, Α7ΐαΙ.Ύ.ΙΙΙ,
ρ. 60. suffridus ρετκι, do Script. Fris. ρ. 56, 57. Batavia Sacra, D. I, bl. 608 , 609,
waar bl. 113, eene vertaling van radbotids Lofzang op sbidbertos gevonden wordt. Dc Hoog-
66 ALGEMEENE GESGHÏEDENIS
yOO— geest, werden daarenboven in hem door uitstekende deugden opgeluisterd. Zijne
nederigheid, ootmoed, matigheid, milddadigheid, godsvrucht en uitgebreide
kunde werden algemeen erkend, toen de eenparige keuze der Geesteliykheid en des
volks, hem den ütrechtschen herdersstaf aanbood. Niet dan met moeite en ondanks
zich zeiven, konde hij bewogen worden dien op te vatten, en over zijne verkiezing
drukt hij zich aldus uit: »Ik, radboud , een zondig mensch, ben waardig geoor-
deeld , om onder de dienaren der Utrechtsche Kerk gerekend te worden. God geve,
dat ik ook waardig mag bevonden worden, hun bijzijn in den Hemel te genieten." De
schoone verwachting, die hij van zich had ingeboezemd , werd niet te leur gesteld. Vol-
ijverig in de vervulling zijner pligten, reisde hij gedurig rond door zijn geestelijk ge-
bied , om de geloovigen te versterken, de ongeloovigen te bekeeren en de armen door
ruime bijdragen , te ondersteunen en te bemoedigen. In het bijzonder was zijne aan-
dacht op de herstelling van Utrecht gevestigd. Hij begaf zich dikwijls, niet zonder
gevaar, als kerkelijk opperhoofd derwaarts, om zijne nog overgebleven gemeente te be-
zoeken, dewijl hem, tot zijne smart, niet vergund was hier blijvend zijnen zetel te
vestigen. Men verhaalt, dat hij de Noormannen uit de stad zou verdreven hebben; doch
dit strookt niet met het berigt, dat zij hem gedurig bleven verhinderen, de hoofdplaats
van zijn Sticht te bewonen, en hij uit dien hoofde genoodzaakt was te Deventer zijn
verblijf te houden, alwaar hij ook begraven is. Eene koorts had te Ootmarsum een
einde gemaakt aan het leven van dezen achtingswaardigen kerkvoogd, welke, overeen-
komstig het meest aangenomen gevoelen , de Bisschoppelgke waardigheid zeventien ja-
ren bekleedde, en zoojuist zijne hooge roeping had begrepen en opgevolgd (1). Toen
het Franscho Hof hem eens poogde te bewegen, zich in staatszaken te laten gebrui-
ken , antwoordde hij, » dal zijne taak slechts was voor den Koning en het volk te bid-
den , en voor het heil der zielen te zorgen (2)." Hij was Keizer KOEiïfiAAD getrouw
lecraar r. πογγμιιν peerlkahp, heeft in zijne bekroonde Verhandeling: de vita doctrina et facul-
iate Nederlandormn qui carmina latina coviposuerunt, Harl. 1838, p. 11, 12, en glasiüs,
Gesch. d. Christ. Kerk in Nederl. D. I, bl. 18, uit "Heda , eene proeve van radnoons diehterlijk
talent medegedeeld.
(1) Dë beka, p. 32. Heda, p. 71, Conf. nccnKtiDS ad bekam et hedam in 1. c. Chron. de
Traj. p. 321. Chr'on. Tiet. p. 57. J. a. leydis, Lib. VII. o. 7. Batavia Sacra, D. I.bl.605—
613. Glasius, t. a. p. bl. 188—191. Vau boiiidis, de Noorm. in IVederl., bl. 180. JSijl. en
Bijv. bl, 90—93, Van ascii vam wijck, Over het oude Ilandelsverk. v. XJtr, bl. 188—193.
(2) Wagekaab, D. H. bl. 104.
-ocr page 9-DES'VADERLANDS. '
gebleven, wien hij als wettig opperhoofd eerbiedigde, en die onder hem, de giften en UÜO—
yrijheden aan de Kerk Tan Utrecht Terleend, bevestigd had (i). >
Hendrik, Hertog van Saksen, den Vogelaar bijgenaamd, opvolger van dezen Vorst
ivelke in hetzelfde jaar als Bisschop radboud was overleden , betwistte evenzeer karel i/e»
Eenvoudige hel bezit van Lotharingen, waarop hij, als Koning van aan-
spraak maakte. Lotharingen toch was sinds de overeenkomst van acht honderd negen
en zeventig, zonder tegenspraak, in het bezif der Koningen van Duitschland geble-
ven (2). Hendrik beschouwde zich uit dien hoofde als dén wettigen Heer, en karel
den Eenvoudige, ofschoon door het volk gekozen, als eenen overweldiger. Doch meer
dan zijne vermeende of gegronde regten, begunstigden hem de zwakheid en onbe-
kwaamheid zijns mededingers, die zich geheel·aan de leiding van iiagano, een gehaten
gunsteling, overgaf. De Lotharingsche Grooten, hierdoor verbitterd, wendden het
oog naar den meer verstandigen en dapperen Hendrik , met wien de veelvermogende,
doch onrustige gislebert , aan wiens vader karel de kroon van Lotharingen verschuif
digd was , in onderhandeling trad. De Franscho Koning trachtte ondertusscheïi^zijη
gezag door de wapenen te handhaven, doch Avas, na het verlies van Mets en de on-
derwerping van bijna geheel Lotharingen aan Hendrik, genoodzaakt naar vredesvoor-
waarden te luisteren. Nadat de voornaamste zwarigheden door de wederzijdsche gezanten
waren uit den weg geruimd, verschenen de beide Vorsten te Bonn, karel aan deze ea
HENDRIK aan gene zijde des Rijns, beloofden elkander, van den tegenovergesteldenoè^
vér, vrede en vriendschap, en sloten vervolgens den zevenden van Slaglmaand des jaars
negen honderd een en twintig, op een schip, dat in het midden'der rivier voor anker,
en tot hi^nne ontvangst gereed lag, een plegtig verbond ,(3). i Daar van het vredesverdrag y21
zelf, waarin karel , Koning der Westfranken, en Hendrik , Koning der Oostfranken ge-
noemd wordt, slechts het slot of de bevestiging met eede door debeide Koningen, gelijk
mede door hunne wederzijdsche leenmannen en kroonambtenaren, onder anderen door
den Bisschop van Utrecht, Graaf dirk Holland ?) , en Graaf walger van Jeii-r
terhand, afgelegd, is overgebleven, zoo wordt in het. onzekere gelaten, Avat eigenlijk
de eene Vorst den anderen hierbij heeft afgestaan. Men vooronderstelt., dat zij vnor«
namelijk omtrent het Rijk van Lotharingen overeengekonien zijn , dewijl daarom alleen
'ä Ί
(1) liet diploma is van den 9 van Hooimaand 914, én Ie vinden bij heda , ρ,·72; Vak mie-
eis , C/iarierÄ. iioW. D.I. hl. 29. CharlerbA,τ. Gelderl. J). l.
(2) Algemeene Gesch. d. Faderl. D. I. bi. 416, · ■ hi j; ' s,·.;;;;« - -.ft - 'j ·
(3) SiGEBERTcs GEaiBiiCEKsis plaatst dït ^Tedeverbond in 923, eri de AnnaKsta Saxo \n
ierwïjl aan 1 het hoofd van het verdrag zelf, 92Θ gelezen wordt. Op' onwèdersprekelijke gronden
hebben ecliter sirjiokd, mibaeis, van look, wagen.tak, bokdam en anderen dït vè'rboild tof lièt
■gaar021 itéruguebragt, . ' ' ' · .l· .. ui .,.·......\ -i · v'/
il. deel. 2
-ocr page 10-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
yOO— de oorlog gevoerd was, enTermoedt, datkare^bij ditverdrag , niet geheeli/oiA^^
raaar sleclils een aanzienlijk gedeelte van dat Ryk, aan ϊϊΕΤίΏΕΙκ heeft afgestaan. Welligt
Werd hierbij hoofdzakelijk hds landvei^deeling van het jaar acht honderd zesventig ge-
volgd , zoodat KAaEL iü het bezit bleef van het tegenwoordig Νoord-Brahand, de
Ζeeuwschö eilanden en een gedeelte van Zuid-Holland, terwijl henbrik de landen
tusschen Rijn en Maas ontving, en eerst later aan bet bezit van geheel Lotharingen
geraakte {!)* Indien men dit aanneemt, lost zich van zelf de zwarigheid op , hoe kakei,,
na het'verdrag van Bonn, nog gebied vóerde over een gedeelte van Nederland, en
hoe hij door het geven van eeneü giftbrief aan Graaf dire , den grondslag konde leggen
van het erfelijk graafschap Holland (2).
De graafschappen , zoo min als de hertogdommen, waren in den beginne erfelyk; zij
Werden voor levenslang, of gedurende een bepaalden tijd, door den Vorst in leen
weggeschonken, en vervielen dan weder aan de kroon. Eerst onder en na kakel den
Eenvoudige werden de Groote Leonen in Ν éderland ev{(i\ï]\ naar re^i, hetgeen zij reeds
in de daad onder de onmiddell^ke opvolgers van karel den Groote geworden waren;
en het leenstelsel ving toen aan zich in al zijne kracht te ontwikkelen. Verschillend zijn
de gevoelens over den oorsprong van dit stelsel. Terwijl eenigen meenen, dat het reeds
in het oud Romeinsche regt gegrond is, beschouwen anderen het daarentegen als geheel
van Gennaanschen oorsprong, en als van zelven uit den aard van de staatsregelingen,
of van het krijgswezen der oude Duitsche volken, en uit de omstandigheden voortge-
vloeid (3). Zeker is, dat het der nieuwe heerschappijen, ΛνοΙΙίο de Germanen, en in
hel bijzonder de Franken en Longobarden, op de bouwvallen van het Romeinsche Rijk
stichtten, tot grondwet strekte, nit Avelke de overige staatsinrigtingen voortsproten; en
«lat zijn invloed op zeden , gewoonten en gebruiken , in de meeste gewesten van Europa
nog niet geheel verdwenen is. In Frankrijk en Engeland vindt men daarvan,
vooral in oude instellingen, nog enkele sporwi; en het zou geene moeite kosten, om
zelfs in de grondwet van het Rijk der Nederlanden, belangrijke punten aan te wijzen,
welke zich alleen als gevolgen van het leenstelsel laten verklaren (4). Het Vas de
(1) Alg. Gesoh. d. raderï. D. I. lil. 411.
(2) Van iooft. Aloude Holl. Ilist. D. Π. M. 142. Wacekaar, D. 11. W. 106, cn bo-
venal, BONpAM, Cha/rterb. v. Gelderl. St. I. bl. 51·—.54.
(3) ho.jiiEYm, Esprit ,o)*ig{ne et progrès des Jmlitutionsjudiciatres en Europe. T. I.ch. 13.
j) C'est une erreut assez cotiimunément regue que de cliprclier les principes du {jouvemement féo-
dal dans Ie Nord. C'est une vérité que l'établissement des Germains dans les Provinces Roma^es
a donné naissance a ce gouvcrneraent j maïs il est tout auesi e'lrangcr aus forêts de la Germanien
les GÏrconstances seuJes 1'ont amoRé." if
(4) Mr. j. d. meter, uit wicn wij dit aanvoeren, rekent liicrtoe de wijze van rerkiezing der
-ocr page 11-DES VADERLANDS. I 11
gewoonte der! Germanen, bij de veroTering der-RomeinsGbe ATingeweslen, het land eu ÜOO—
de inboorlingea onderling, mar elks rang en aanzien, te verdeelen, dewijl de belpo-
iiing voor bewezene diensten, door gebrek aan baar geld, op geene,: andere wijze
geschieden kon. De grondeigendommen, op deze Avyze verdeeld en in bezit genomen,
werden allodiale of erfelijke goederen genoemd, en warende Tolle eigendom van den
bezitter, met al de daaruit voortvloeiende geregtigheden (1). v-De gronden die onTer-
deeld bleven liggen, en, daar zij niemand behoorden, gemeén(Wgendom wareriiii.wer-
den aan de beschikking des Konings overgelaten, en Koninklijke domeinen ge-
noemd (2). Den Fränkischen Koningen waren op deze Avijze, bij ■ het, veroveren van
Gallië, uitgebreide erfgoederen,, tot Avelke eene menigte lijfeigenen behoorde, en groote
domeinen ten deel gevallen. Om hunne gunstelingen, en bijzonder de vrijwilligers,
Avelke heïi op de krijgslogten vergezelden, die zij op eigen gezag, zonder toesteniming
der volksvergadering, ondernamen, naar eisch te beloonen,hen naauweraan zich te ver-
binden , hun getal te vermeerderen en daardoor hunne eigene magt te versterken,
stonden zï} dezen, tot tijdelijk vruchtgebruik j een gedeelte dier goederen af;'en deze
overgedragen bezillingen werden beni/icta of geschenken, naderhandof leenen,
genoemd (3). Het allodiwn (erfgoed) Avas dus van oudereni oorsprong dan fmdum
(leengoed), en had natuurlijk, Avegens het erfelijk bezit zoo ATel,ials wegens degrootero
regten en vrijheden, eene hoogere waarde. Maar toen onder, do eerste Vorsten uit den
Karlovingischen stam, vrije mannen zelfs door de omstandigheden gedwongen waren, of
door een begrip van eer aangedreven werden, hunne allodia aan de Koningen op te
dragen, om die van hen in leen terug te ontvangen, verkreeg bet leenstelsel dien
invloed, welken een tijdverloop van duizend jaren niet geheel heeft kunnen vernietigen.
De Vorst was nu niet-meer het hoofd, maar de eigenaar des Staats; Hertogenen
Graven Avaren niet .meer ambtenaren, maar leenmannen; de slaaf, de lijfeigene, de on-
derhoorige, werd de eigendom van dengenen aan wien het leen, .waarop htj woonde,
-.-^ -·Λ.·«·κ„· Α; ■ 1ί> J-^.·· , ... ·: :
leden van de Tweede Jiamer der Staten-Generaal door de Provirielale Staten, cn van deze döor dé
steden en xiddcrschäppen. De oiimiddeïïrjke volkskeuzen in Frankrijk Qn Engeland ziyn vrij van
deze {jevolgen van het leenstelsel Over de verantwoordmg der héden'of ondcrstandsgelden-, door
de Graven van Holland, in liet zesde Deel der Verh, van de tweede klasse das KeninkL 'iVe-
derl. Instituuts, h\. 1Q2. , , , . vt
(1) Od of ode beteckent in het oud Germaanscli bezitting, eigendom. AHod (allodium)^ alle
bezitting, volkomen cigendotn. Dit woordje ode liehben vyij nog i# Idein-oßd, kleine bezitting.
Zie BILDERDIJK, D. I. bl.. 302. , , I . t f -i f f . f I Λ
■:'!/ i . , !··;Γ;!·;ΐ.·.ί::-.ιΙ jjif »·.(» atiosaGJia iu-v iJmloi ih sn jjttihttLu.A
(2) Biiderdijk, D. I. bl. 116.1 , t - ■ · : ·■ ' ·;/ ■ f - i-t- i ι t ·
' .U,. , / inioüvs-; J-uI j-.i ■:·;!£!■![ m ·:,ι5ΐ!ϋΐ; χηην,ή .·. i (toS , ui J'.i
(3) Verg. VAS xooif, Aloude /ïegeem/gwicya raw/Τ^οί/ακ^, Di I. b. 1,59.^ κΐ^«.erdijIC ,,
D. I. bl. 331. n» ".lu .i Ä ΛίΛΐί^Λ i v. .b .^bmiU
2 *
-ocr page 12-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
ÜOÜ—geschonken werd (1). in vervolg van tyd echter .-werden de leenmannen den Vorsten te
magtig; eene menigte kleine dwingelanden steeg op, welke, spottende met het gezag
der Koningen , de schroomelijkste daden van wreedheid , - geweld en knevelarij , ongehin-
derd en ongestraft uitoefenden (2). '
1 Er waren velerlei soorten van leenen : 1". Roofdleenen [feiida capitalia oïregalia,
2)leins fi^fs), onder welke men die goederen verstond, welke door den Vorst zeiven
verleend werden; de beleende heette Vasallus ^ wel Capitaneus, bij ons Man.
Zulk een hoofdleen was Holland. 2°. Achterleenen [suhfeuda, arrière fiefs) of die
1 eenbezittingen , met welke een leenman weder eenen anderen beleende, die deswege
f^alvassor , Acht er leenman of ilfant?ma/? genoemd Λverd. Zeeland, eigenlijk ^cii-
Zeeland, was eenigen tijd zulk een achterleen, want de Graaf van Vlaanderen hield
het a\s feudum van het Rijk; en de Graaf van Holland weder als leen van den Graaf
van Vlaanderen, wiens leenman hij gevolgelijk Avas, gelijk deze die des Keizers. Zij
die goederen van eenen Valvassor m leen hadden, werden Valvasini, en die weder
een trap. lager waren, Valvasini minores genoemd. Keerde het leen tot den opper-
leenheer terug, dan verloren de achterleenmannen, en gevolgelijk ook de Valvasini
en Valvasini minores, insgelijks hun regt, ten ware de uitgifte des onmiddellijken
leenheers steunde op den uitdrukkelijken wil des opperleenheers; in dit geval werd de
Valvassqr een Vassaal. 3°. Zonneleenen [feuda solaria) dus genoemd, dewijl de
houder van zulk een leen zeide, niemand boven zich te kennen dan God en de zon. Zij
waren inderdaad vrije goederen.; zulk een zonneleeu'Was Waterland dat aan de pek-
SYNS behoorde. De leenen werden nog gescheiden in Ridder leenen [feiida equestria)
en in Boerenleenen (feuda rustica), in Gegeven leenen {feuda data) en in Aangeboden
leenen [feuda oblata); in Goede- en Kwade leenen ; en in Mans- en Vrouwen-, of zoo-
genaamde Zwaard- en Spillen- [spinnewiels) leenen. De uitgifte van leenen bepaalde zich
niet alleen tot landen en goederen. Men beleende alle posten, bedieningen en betrekkingen
van eenig gewigt of waarde, die deswege feuda ojficiorum genoemd werden., Onder
deze behoorden de slotvoogdijen of kastelenijen, de baanderheerschappen; de schout-en
baljuwschappen en andere aanzienlijke ambten, zelfs die van geestelyken. Immers de
Bisschoppen en Abten behoefden de Koninklijke beleening met ring en slaf, Avegens de
landerijen en kroongoederen, welke zij in bezit hadden. Voorts leest men van Vaa\i-
leenen, Schept er leenen, Geldleenen. Verscheidene regten werden in leen gegeven , zoo
(1) Mr, 3. D, jiEYER, t. ai p. bl. 92.
(2) Zonderlinjr is de lofrede van bilderdijk op het leenstelsel, D. I. bl. 123 vergeleten met
U. 117, 125, 333, 338. Minder eenzijdig en juister is het gevoelen van Mr. vas hees vanberkel
over dit punt.'j&escAoMii?. over Gesch. en Staatsr., H. 29—32. en dat van Mr. g. groen vak
tRiNSTERER, Hatidb. d, Gesch. van het Faderl, D. I. bl. 16. Leiden 1841.
DES VADERLANDS. I 11
als het regt van tollen en van tienden in een gewest; dat van advokaat te zijn van 900 —
kerken en in andere bijzondere gevallen; het regt om de benoodigdhedenvan 'sVorsten ^^^®·
tafel te leveren én dergelijke. De voornaamste bedieningen aan het Hof, als die van
Maarschalk of Opperstalmeester, Groothofmeester, Opperschenker, Kamerheer en Avelke
betrekkingen meer.i werden als leenpligten waargenomen (1). In Friesland èri Gro-
ningen zouden geene leenen ooit bekend geweest zijn, en de Friezen de goederen, die
zij bezaten, als allodiale of erfgoederen bezeten hebben (2). Oude wetten en bepa-
lingen schijnen niet alleen het tegenovergestelde te bewgzen, maar men kende ook vóór
zeventien honderd vijf en^negenlig, twee leenen in Friesland, het Jiroersma-leen bij
Kollum en hei Hemmema-leen (3). Het is echter wel te denken, dat de Friezen altyd
tegen het leenstelsel zich, zooveel in· hun vermogen was, hebben aangekant, en dat het
nooit algemeen in Friesland aangenomen geweest is. In Holland en Zeeland, doch
bovenal in Gelderland en Utrecht, vond men daarentegen eertijds eene menigte leenen.
De Bisschoppen van Utrecht telden de Hertogen van Brahand, of liever van Lotharing'
gen, de Graven van Holland, van Gelder, van Kleef, van Bentheim en anderen; de
Heeren van Heusden, van Arkel, van Altena, van Amstel, y^wWoerden, vanGro-
ningen en van Coeverden, onder hunne leenmannen (4). j ' ;
De verpligting des leenmans jegens den leenheer bestond in trouw, en deze trouw
door raad en daad, goed en bloed te bewijzen. Hij verbond zich het leven, goed en
eer van zijn leenheer als zijn eigen te verdedigen, hem in persoon en met eigen man-
schap , gewoonlijk een van de honderd man, in den strijd te vergezellen; in één
Avoord , al die krijgs- ^ huis- of hofdiensten te betoonen, Avelke uit den verschillenden
aard van het leen voortvloeiden, op verbeurte van het leen, zoo hij niet in alles zijne
verphgtingen nakwam. De vassoal moest zijnen Vorst op eigen kosten, tegen al zijne
vijanden en ten allen lijde, in den krijg dienen, terwijl de vrije mannen slechts hiertoe
verphgt waren, wanneer de krijg bij de volksvergadering besloten was. De vassalen
vormden als zoodanig bet staande leger, en moesten tevens, zonder eenige vergoeding,
's Vorsten beraadslagingen en teregtzittingen bijwonen. De geestelijke leenmannen
waren wel niet, zoo als de vrije geestelijken, van alle dienstpligtigheid te velde ontsla-
gen, doch hun hoofdpligt bestond, zonder eenig voordeel, in de behoefte der open-
(1) Bilderdijk, Gesch. d. Faderl. D. I, bl. 320—330. J. d. meijer, t. a. p. bl. 97.
(2) Verhandelingen van het Genooischap: Pro excolendojurepatrio.Ji.l.hX^OB.Gron.m^.
Magki«, Geschiedk. Overzigt van do Besturen in Drenthe, bl. 67.
(3) Oude Fricsche Wetten, D. I, § G. Aant. bl. 24.
(4) Chron. de Traj. p. 331-334. Verg. dewez, Hist. Gén. de la Belg. T. H. p.278.
-ocr page 14-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
900— baro godsvereering te Toorzien. De leenmannen waren hunnen Vorstelijken leenheer
1010, onderslandgelden verschuldigd, Avanneer buitengewone omstandigheden hem
tot buitengewone uitgaven noodzaakten, welke zijne inkomsten, die niet uit de domeinen
voortkwamen, niet bestrijden konden. De achterleenman had, uithoofde zijner dubbele
betreèking, tweederlei trouw te vervullen: namelijk aan den leenheer en aan den
opperleenheer. Hij moest dus Λτelen Avie deze laatste was, en dit werd in zijn ver lei
uitgedrukt. De leenheer Avas daarvoor jegens zijne beleenden tot schut en scherm ver-
bonden; schoot hij hierin te kort, dan verloor hij zijn regt. Zeer juist is derhalve
BiLDERBiJKs omschrijving van feudum of leen: »een goed, door zijnen bezitter aan
eenen anderen gegeven, onder verpligting van hulde, trouw en manschap, en tegen
verpligting van bescherming (1)." Hugo de groot had het reeds beschreven als een
»erfelijke onsplitsbare togt op eens anderen ontilbaar goed, met onderlinge verbind lenis
»van schat aan de eene zijde, en pligt van manschap en heergewaden aan de andere
»zijde" (2).
Het beleenen, in de taal des leenregts ver lei [investitura) en verhef (^rélief)
genoemd, gescliiedde zeer plegtig (S). De leenheer zat op een zetel; de leenman
knielde voor hem, en ontving in die houding de verleiteekenen, en zwoer, meer bij
handtaslen, dan bij eed. Dit bandtasten was namelijk dus: op de uitgestrekte regter-
hand des leenheers, legde de leenman, de regterhand, waarop de leenheer weder zijne
linker leggende, deze drie handen ten hemel verhief, dien hij tot getuige aan-
riep. Somtijds geschiedde de beleening met een schepter of staf, ook wel met eene
banier, die, na de handtasting en trouwbelofte, den leenman in de hand gegeven
Averd, waarop de verheffing met trompetgeschal Averd verkondigd, en de banier aan het
volk gegeven, dat haar verscheurde, dewijl elk daarvan, als van een heilig pand, een
stuk verlangde. Het volk Avas hier tegenAvoordig, omdat de verheffing altijd plaats had in
het land zelf, waarvan de verhefling geschiedde, en dit door eenen Afgevaardigde des Kei-
zers , meest door een Hertog, verrigt werd (4). Toen later de leenen erfelijk werden,
en op den zoon overgingen,, moest, builen het verheffen, hei li^en. verheergetmad
(1) Kluit, GescL· d. Holl. Staatsreg. D. IV. bi. 41)6. D. V. bl. 443. J. d. meijer, t. a. p.
bl. 93, Ü5, 97—99. Bilderduk, D. I. bl. 303, 304, 323.
(2) Inl. tot de Holl, rcgtsgel. B. U. § 41.
(3) » Fcr/ej/ is eene vfirleeninjj cn inve&tiging; hetgeen geschiedt, Avaimeer het leen-voor de
eerste maal gegeven Avoidt:. jnaai·'l-erA^ is eene min plcgtige vernieuwing, dan alleen plaats
hebbende, zoo er of een ander leenheer, of een ander leenman komt." Budeedijk, D. Lbl.305.
(4) Bilderduk, D. I. bl. 305,,306. Verg devneï, /itai. G^n. de la Belg, T.II. p. 276 (6).
-ocr page 15-DES VADERLANDS. I 11
[heergewed), dat ié, liet regt van den heer door het geven Tan mi of ander voorwerp, yoO—
erkend worden. Deze vernieuwing of overdragt van hel leen moest binnen een jaar en ^®^®·
zes weken geschieden. Indien de leenheer vermogend, of het leen aanzienlijk was,
schonk men een sperwer of valk; bij geringere leenen een havik, een windhond, soms
een paar ijzeren handschoenen, sporen of iets anders van gelijke waarde. Deze verpüg-
ting kon echter door eene kleine som gelds voldaan worden.
De leenen waren oorspronkelijk geene blijvende en erfelijke foezitlingen; zij vervielen
weder aan den leenheer bij den dood des leenmans of door verbeurte , wanneer hij den
leenmans eed verbroken, felonia begaan had. Of en in hoe verre hij zich had ver-
grepen, mögt niet door den leenheer, maar door de andere leenmannen, de gelyken
(j>arës) des beschuldigden, wettiglijk bijeengeroepen, beslist ΛVordcn ; en uit deze bij-
eenroeping (curia feudaiis) zijn later de leenhoven ontsproten. Dit s|eunde op den
grondregel van het regt, dat niemand dan door zijns gelijken, evenhoortigen, even-
kniën mögt veroordeeld worden. » Van hier," zegt bilderdijk , » heeft de gewoonte,
die door geheel Europa en ook in ons Vaderland bijzonder plaats greep, zijnen oor-
sprong , om namelijk niemand te doen oordeelen dan door zijns gelijken: geen edelman
dan door een edelman^ geen Vorst dan door een Vorst hem in magt gelijk; geen burger
dan door een burger; geen militair dan door een militair, toen het militaire wezen,
na verloop van tijd, van het burgerlijke werd-afgescheiden (1)."
Onder de zwakke opvolgers van karel den Groote, waren de leenen allengs erfelijk
geworden; en het voorbeeld van dezen Vorst zelf had hiertoe aanleiding gegeven.
De kroon, welke eertijds slechts als in leen konde beschouwd worden, ofschoon zij
gewoonlijk van den vader op den zoon overging, had hij erfelijk gemaakt, en zelfs in
het jaar acht honderd zes, over het Rijk als zijn erfgoed, onder zijne drie zonen,
naar goeddunken, beschikt. Dit moest de hooge ambtenaren des Rijks, de Hertogen en
Graven, op het denkbeeld brengen, ook hunne posten en titelen erfelijk to maken; en
KAUEL de Groote zelf had het verdriet, te zien, dat velen de inkomsten, en zelfs som-
tyds de domeingoederen, over welke zij gesteld waren, aan zich trokken. Het kAvaad
verergerde onder lodewijk den Vrome, en onder kabei, den Kale waren de groote
leenmannen reeds in de daad erfelyke Heeren geworden (2). Naar regte werden iig
dit in Nederland onder karel den Eenvoudige, welke hun deze groote iewilliging
verleende, om hen, wier ondersteuning hij behoefde, om zich in ,zyne nieuwe heer-
(1) Gesell, d. FaderL B. 1, M. 308. "
(2) Raepsaet, Oeuvr. Camp. T. I, p. 128. T. III, ρ. 129.
-ocr page 16-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
DOO— schappij slaande te houden, te meer aan zich te verbinden (1). Het erfelijk werdender
leenen lag trouwens in het grondkarakter des leenstelsels zelf opgesloten. Daar gewoonlijk
het leen van den vader op den zoon overging, moest wel datgeen, wat slechts een
gebruik was, eindelijk als een , beschouwd worden, welk de groote leen-
mannen, die onder de noodlottige omstandigheden des Rijks en de zwakheid der be-
heerschers, steeds onstuimiger, heerschzuchtiger en stouler geworden waren, zich niet
zouden hebben laten ontnemen. Het belang der Vorsten vorderde daarenboven, dat zij zich
van de verkleefdheid hunner Icenbezitlers verzekerden , en zij waren, uit dien hoofde dikwerf
genoodzaakt, daden van geweld en overheersching te veroorloven, althans te gedoogen.
Ondanks de erfelijkwording der leenen en de toenemende magt hunner bezitters, welke
den Keizers dikwijls ontzag inboezemden, bleef echter de oppermagt des Rijks, zoo wel
als het leenheerschap bestaan, en de Keizer werd als opperleenheer van alles in het
Rijk erkend. Men beschouwde hem niet als meester, maar als een opperhoofd, dat
meer uitwendigen luister dan wezenlijke magt bezat. Als zoodanig erkenden hem ook
de Graven van Holland voor hunnen leenheer, en dat graafschap bleef leenroerig van
het Duilsche Rijk, tot dat het zich bij dejafzwering van Spanje, daaraan ontrukte, en
bij den Munsterschen Vrede vrij en onafhankelijk verklaard werd (2).
Holland es zeelano. De oorsprong en instelling van dit beroemde graafschap , kun-,
nen niet met zekerheid bepaald worden. De oude kronijk van Minden meldt, Avel is
waar, dat het in acht honderd i^cht en veertig een begin heeft genomen, en bilderdijk
(1) Βελυεζ, Ilisi. Gén. de la Belg. T. II, p. 27G,.
(2) Bilderdijk, D, I, M. 121, 122. De leenroerinheicl van Holland aan liet Duitsche lUjt,
is onder anderen door de groot {Oudheydt der Batav. Republique, bl. 27) cn p. var der sciiELr
ma, {Hollands Aloude Vrijheid, bl. 303—413) bestreden, docli op goede gronden betoogd ger
Avorden door van loon {Het Graafschap van Holland, een Leen des Oiiitschen Rijks, Leiden
1748), van mieris {Over de leenroerigheid van het Graafschap Holland,l,cï(ien 1748), simos
stijl {Opkomst cn bloei der NederL, bl. 404. Ainsf. 1774), Kluit {Gesch. d. Holl. Staatsreg.
D. I, bl. 10) cn dilderdijkl {Gesch. d. Vaderlands, D. I, bl. 121, 122). De schrijver der Erf-
Graveliko Bedieninge in Holland en JVest-Vriesland, (Amst. 1083), betwist, even als die
van de Historie der Gravelike regeering in Holland, (Amst. 1062)^'dat de Frankische Konin-
gen en Duitsche Keizers ooit Heeren dezer landen geweest zijn, doch beweert,'dat de Graven van
Holland » om over de ingeseetenen in steede van die te beregten te tonnen heersen" hun graaf
scliap aan het Duitsche Rijk opgedragen, Aveder in leen ontvangen, doch zich vervolgens geheel
daarvan gescheiden hadden, bl. 159. Volgens bilderdijk daarentegen, hadden de Keizershet
summum imperium over deze gewesten; de Graven Avaren in hun gezag gesuccedeerdj dc Staten
van Holland \yeèv'm dat der Graven." D. I, bl. 141. . .T νΓ; , ■■ · h' _
DES VADERLANDS. I 11
wil hieruit afleiden, dat liet onder den naam van-ffo/ΖαίΐίΖ reeds vroeger lieeft bestaan (1); ygQ_
doch liever vereenigen Avij ons met het gevoelen eens anderen Geleerde, welke den 1010.
zin van de Avoorden des ouden Kronijkschrijvers, die blijkbaar veel later leefde,
dus verklaart: »omstreeks acht honderd acht en veertig zijn de Graven, welker nako-
melingen thans Graven van Holland heeten, opgekomen of in magt beginnen toe te
nemen (2)." Vrij eenparig brengen de oude berigten de stichting van dit graafschap, in
het jaar acht honderd drie en zestig onder kabel den Kale (3); de latere geschied-
onderzoekers daarentegen, mede vrij eenparig, tot het jaar negen honderd twee en twin-
tig of drie en twintig (4). Zeker is het, dat de naam van Rolland, als graafschap,
het eerst in duizend vier en vijftig voorkomt, ten tijde van Graaf dirk III, die
in een Charter van duizend drie en tachtig, Comes JloUandensium wordt (5).
Μ
(1) Gesch. d. Faderl. D. I, bl. 150, 168.
(2) Yan bolhuis, de Noorm. in Nederl,, bl. 245.
(3) Maerlant, Spiegel Jlist. aanjrchaald hij euoerdijk , D. I, bl. 1C8. Melis stoke, B. I,
1)1. 41. Chron. Egmund. apud kluit, Jlist. Crit. Comit. II. et Z. T. I. P. I. p. 15. de beka,
p. 28. .T. a. leydis, Chron. Lib. VIII. c. 2. Crontca de Ilollant apud ματτπαει'μ in Jnalect.
T. V, p. 525. Chron. v. Holl, van den Klerk uit de laage landen, bl. 25. J. van letden, Äron.
V. Egmond, bl. 7. Het oude Goudtsche Kronycxken, bl. 18. De Oude Holl. Divisie Chron.
Vierde Divisie, bl. 96, en bij w. v. gocdiioeyen, bl. 23U. BIeijeeüs, Annal. Flandriae, Lib. II,
p. 13. Antv. 1561. .Tani docsae Annales, f. 14. Hagae Com. 1590. J. heygehsbebcen , Chron.
van Zeclandt, D. II, bl. 3. Äliddelb. 1614.
(4) Ja>-cs dousa, Batav, Holland. Annales, p, 172 sqq· 308. 377. L. B. 1591. P. scRivERicg,
Holl., Zeel. en de Vriesche Chronijck, bl. 1. 'sGravcnhage 16.., cn in den Toetssteen op het
Goudtsche Kronycxken, bl. 209. J. eykdics, Chron. Zelandiae, p. 169, Middelb. 1634.
C. wacritendonp, liijm-Kronijk, B. IV. Amst. 1645. Bccdelics ad bekam, ρ. 29. Μ. vossius,
Annales Hollandiae, Lib. I. ρ. 16. Van ι,οον, Aloude Holl. Hist, D. II, bl. 144. Wace-
«air, D. II, bl. 108. Bijv. cn Aanm. St. II, bl. 44. Van miebis. Charterb. ν. Holl. D. I,
30. Α. kluit, Hist. Crit. Comit. H. et Z., T. 1. P. I. p. 15. T. II. P. I. p. 13. Hist. d.
Holl. Staatsreg. D. IV , bl. 47. Te water , bruining , van kampen , miors, volgen in hunne
Ferkorte Geschiedenissen des Vaderlands, bet gevoelen dezer Schrijvers. De lange redekaveling
van BiLDERDiJK (D. I, bl. 167—208) over dit punt, beeft de zaak niet beslist. Er wordt in
erkend, dat zoo men den bewusten giftbrief aan kabel den Eenvoudige in 923 toeschrijft, cr
mindere zwarigheden zijn (bl. 172, 173). Doch de daarin bepaalde schenking, wordt door bil-
derdijk , als eene toevoeging of vergrooting van een graafschap beschouAvd, dat reeds in 848 den
jiaam van Holland droeg (bl. 23.5), maar welks stichting hij, zonderling genoeg, eerst in 863 ver-
moedt (bl. 176), en in 868 erfelijk Tooronderstelt (bl. 190.).
(5) Kluit, Hist. Crit. T. I, P. II, p. 33—54. Deze Geleerde houdt den naam van Holland
II. deel. . - 3
-ocr page 18-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
000— Onget^γijfeId heeft zich dit graafschap allengs ontwikkeld, en is, naar het gevoelen van
de beka en heda, tcr beteugehng der Noormannen opgerigt (1). Hoe dit zij, het
gewest, later Holland genoemd, heeft naar alle Avaarschijnlijkheid, in en vóór dezen
tijd, verscheidene Graven gehad. Sinds acht honderd zes en twintig, bezat de Noorman
RORUK , en later zijn neef GODFRIED , aldaar onderscheidene graafschappen, hetzij onder den
titel van Hertog, of onder dien van Graaf, als leenman des Rijks (2). In achthonderd
zeven en vy flig wordt van twee Graven , geroli? en thietbold , gewag gemaakt, wier graaf-
schappen vermoedelijk in Holland gelegen waren; althans in dat gewest sneuvelden zij
tegen de Noormannen (3). Welligt is deze gerolf de zoon geweest van den Frieschen
Graaf van dien naam, welke in fVsstergo goederen bezat, doch zich in acht honderd
zeven en dertig aan weérspannigheid schuldig maakte, waardoor zijne bezittingen
verbeurd verklaard, doch hem later terug gegeven werden (4). Zijn grootvader zou die
Graaf dirk geweest zijn, welke in het vertrouwen van karel «/en Grooie deelde, wienhij
in namaagschap bestond (5). Eene halve eeuw later ontmoet men weder eeneuGEROLP,
die vermoedelijk een zoon van den gesneuvelden Graaf, en diezelfde gerolf geweest is, welke
door godfried aan Keizer karel den Dikke gezonden was (6). Hij schijnt diep in de
gunst der Keizers gestaan te hebben (7). Althans in het jaar acht honderd negen en
tachtig, op den vierden van Oogstmaand, werd hij door Keizer arnülf , »in eigendom
voor eene verbastering van Ilolt-land. J. smits , in zijne Verh, over den alouden Staat van Zuid-
Holland, 1)1. 56. Dord. 1824, gelooft met meudla, van oudesnoven en anderen, dat de namen//o/-
land cn Zeeland reeds door de Denen aan deze gewesten gegeten zijn, in navolging van de namen van
landscliappen in liun eigen Vaderland.
(1) De beka, p. 28, 31, 35. IIedv, p. 59, 60, 61. Cron. de Ilollant in jiattiiaei ^nalect.
T. V. p. 526-52Ü.
(2) Alg. Gesch. d. Faderl. D. I, bl. 391, 404, 407, 409, 418.
(3) Alg. Gesch. d. Faderl. D. I, bl. 408.
(4) Alg, Gesch. d. Faderl. D. I, bl. 39G. Zie voorts over dezen gerolf, van loos, Aloude
Holl. Hist., D. II, bl. 63, en zijne Aant. op klaas kolijn, bl. 187. Kluit, Jlist. Crit.Comit.
T. II, P. I, p. 1, 2.
(5) Alg. Gesch. d. Faderl, D. I, bl. 354, 358, 359, 373. Verg. ueda, p. 59, van loow,
Aloude Holt. Hist., D. II, bl. 11.
(6) Alg. Gesch. d, Faderl. D. I, bl. 420, Tussclien deze beide gerolfeu stelt men nog een
Graaf dirk, die in 869 met goederen door Koning lodeavijk zou begiftigd zijn. Wagenaar, D. II.
bl. 73. Op afdoende gronden heeft men bewezen, dat deze gift bonderd jaren later moet geplaatst
worden. Kluit, Hist. Grit, T. II, P. I, p. 32. Bijv. en Aanm. op wagenaar, St. II. bl. 26.
(7) Bijv. en Aanm. op wagehaar, St. II, bl. 39.
-ocr page 19-DES VADERLANDS, 19
" ; ^ ^ üoo-·
(^in jiroprttim) eri len eeuwigen dage [inperpetuum), begiftigd meteenboscli {silva) en lOlü
een bouwakker [terra arahilis iina) gelegen in zijn eigen graafschap [incomitatuipsius)
tusschen den Rijn en Sidthardeshage, in twee plaatsen, Northa en Ospretashcm ge-
naamd; voorts met eene hoeve [hola) in Bodokcnlo, twee hoeven in Allnirchf eene
hoeve in Hörnum, eene mansa (twaalf bunderen lands?) in Iluui, eene in T/teo/e, en
eene in Aske: alles met de renthoeven, huizingen, slaven, velden, weiden, beemden,
wouden, wateren, molens, visscherijen en wegen, benevens al wat er toebehoort, met
magt, om dit alles vrijelijk te blijven bezitten, of te vervreemden, naar eigen wel-
gevallen (1)." Zijn zoon dirk volgde hem op in het graafschap, terwijl men beweert,
dat hij nog een anderen zoon, waltger genaamd , gehad heeft, wien denkelijk het
bewind over het graafschap Teisterhand is te beurt gevallen (2), Beide Graven moeten
in groot aanzien ten Hove geweest zijn, en hunne namen worden gespeld onder de
Rijksvorsten, in zekeren giftbrief ten behoeve van den Abt van Prumen, in negen
honderd zesden door karel i/ew-Ê'emtjomj/^e bevestigd (3). Men heeft gegist, datdeze dirk
dezelfde geweest is met zekeren Graaf odokab. , die deel genomen had in den opstand
der Lotharingsche Grooten tegen zwentibolgh (4). Met meer zekerheid mag aangeno-
(1) Deze giftbrief is opgenomen door melis stoke, IJ. I, bl. 58, van ioon, Aloude Holl.
Jlist., 1). II, bl. 130, vaif mieris, Charterh. v. Holl, D. I, LI. 27, kuut, Bist. Crit. Comit.
T. II, P. I, p. 6—13 , BOKDAM, Charterb, ν. Gelderl,, St. J, bi. 42. De ligging der mccsie plaatsen, in
dien brief vermeld, tan bezwaarlijk met juisllieid bepaald worden. Onder Sidthardeshage verstaat
j. a. lEYDis [Chron. c. Λ'^Ι, ρ. 6) Jlillegommerbeek, en wordt hierin door scriveriüs,
iioxiioRs, van leeuwen, kluit, bilderdijk cn anderen gcvolgd. Bruikikc ecliter beweert, dat
men er 's Gravenkage onder verstaan moet [Gesch. d. Nederl. 1). I, bl. 50). Northa ïs onge-
(wijfeld Noordioijk j Ospretashcm zou ßrechtgerswaard, (cn zuiden van Haarlem, geweest zijn
(kluit, ]. c. p. 8, ü). Bodokenlo liouden eenigen voor Bodegraven, anderen voor Boekhorst, en
sommigen voor Bockel, digt bij Alkmaar. Albtirch, door van loon [Aant. op kolyn, bl. 135)
voor Alphen geliouden, wil kluit (1. c. p. 10) liever in liet plaatsje Alburch,hï^ Heusdenam de Maas,
gevonden heliben. Alting [Not. Germ. Inf, Ρ, II. ρ. 07) zoekillormim in Delfland; van loon [Aant,
Op kolyn, bl. 137) in liet dorp Oudshoom in Rijnland; en kluit, naar liet schijnt, in de stad
Hoorn (1. c. p. 10). Huui Avordt door alting (1. c. p. 101) bij Loosduinen, en Theole, door
liem Theolf gespeld, bij Delft geplaatst. Anderen houden Theole voor Thiel (üondab, Char-
terb. V. Gelderl. St. I. bl. 42). Aske is misschien Assendelft.
(2) Bondam, Charterh. v. Gelderl, St. I, bl. 49, 50, 51.
(3) Bondam, Charterb. ν, Gelderl., St. I, bl. 50. Bijv. en Aanm. op wagenaar, St. II, bl. 41.
(4) Wagenaar, D. 11, bl. 101, welke zich op couDnoEVEif, bl. 77 beroept, waar wij dit echter
piet gevonden hebben. Van wijn heeft de onjuistheid dezer gissing aangetoond in AüByv cnAanin
3 *
-ocr page 20-ALGEMEENE GESCHIEDENIS
^I^IO .worden, dat hij onder de eersten behoord heeft, welke in negen honderd twaalf,
KAKEL den Eenvoudige toevielen, en dat hij hij het verdrag i^Bonn, tegenwoordig
-was (1). Het is voorzeker geene gewaagde onderstelling, dat deze Vorst, ter belooning
der hem bewezene diensten, ten behoeve van den Graaf, en om dezen te meer aan
zich te verpligten, eenen open giftbrief heeft uitgevaardigd, welke als het eerste oor-
spronkelyk bewjjs van de instelling van het graafschap in het oude Hollandsche stam-
huis, aangemerkt wordt (2), Men vermoedt, dat deze giftbrief op den vijftienden van
Zomermaand des jaars negenhonderd twee en twintig te Pladella of Bladelle gegeven
werd (3). Hij behelst, »dat ka rel , Koning der Franken, op verzoek van den achtbaren
Graaf uagako , aan zekeren zijnen Getrouwe, dirk genaamd, gegeven heeft de kerk te
Ekmunde, met al wat er naar regt bij behoort, van Suithardeshage tot aan For-
irapa en Kinnem toe, met alle lieden, landen, bosschen, weiden, Avateren, slui-
zen , om dat alles geheel (ex integro) en onafhankelijk {liheré), voor zich en zijne
nakomelingen te blijven bezitten, met magt om daarmede, naar welgevallen, te han-
delen , zoo Avel als met zijne overige goederen, welke hij door erfregt (van zijn vader
gerolf) verkregen had (4)." Men kan zekerlijk uit dezen brief geeno instelling vaneen
op WAGENAAR, St. II, LI. 41—43, OuoKAR of ODOACER was Graaf van Ardenncs, volgens bruinikGj
Gesch. d. Nederl., D. I, bl. 47.
(1) Wagenaar, D. II, bl. 104. JSyv. en Aanm. op wagesaar, St. II, bl. 49.
(2) KiuiT, Ilisl. Grit. Comit. T. I. P. I. p. 15 in nolis. T. II, P. I, p. 13.
(3) kmit, in loco cit. van loon [Aloude Holl. Jlist. D. 11, bl. 146), en naar licm λυαοε^ααρ
(D. II, bl. 108), zoekt Bladelle in Kcmpenland, Meijerij van ^s Hertogenhosch. IIoydecoper op
aELis STOKE (D. I, LI. 217) daarentegen, in het land van Beauvais. 'sMans bewijzen ontzenuwen
echter geenszins die \'an van loon, evenmin als zijn betoog tegen liet gevoelen, dat de bewuste
gift in 922 zou gedaan zijn (bl. 213). V^erg. kluit, in I. e. en bovenal de Bijv. en Αα,ηιη. op
wagekaar, St. II, bl. 44—51. I
(4) Zie dien brief bij melis stoke, B. I, bl. 41 vs. 333. Oude Jloll. Div. Chron. Vierde Divisie, bl. 97.
De Klerk van de laage Landen, bl. 20. J. van leyden , Chron. v. Egmond, bl, 8. Veldenaar ,
Chron. V. Holl,, bl. G, docli verminkt; scriverids, floll., Zeel. en Vriesche Chron,, bl.2—4.
Van loon, Aloude Holl, Ilist., D. II, bl. 145. Van miekis, Charterb. ν. Holl., D. I, bl. 33.
Kluit, Hist. Crit. Comit. T. II, P. I, p. 13, met ophelderende aanteekeningen. Kinnem
is het bekende riviertje do Kinheim bij Alkmaar. Fortrapa wordt ten Noorden van Suithar~
deshage, en volgens eenigen, op het eiland JFieringen gezocht, dat voorheen met het vaste
land zamenhing. Klüit, Ilist. d.Holl. x^iaaisregf, D. IV,bl. 48, en hierin gevolgd door üilderduk ,
D. I, bl. 186. Vele oudere Schrijvers plaatsen i^brirajsa in iieue/aijci, en dit gevoelen heeft in
den Heer j. ad utrecht dresseliiüis eenen verdediger gevonden. De Provincie Zeeland, in hare
aloude gesteldheid enz. bl. 66—68. Middelb. 1836. Met welk regt karel de Eenvoudige, en
20
ιψψψ'
DES VADERLANDS. I 11
graafschap Yan Holland opmaken (1). Bij deze gift worden slechts de oude bezittingen 'j^i^io
der Kerk van Egmond, die zich van Hillegom tot voorbij Alkmaar uitstrekten, en
niets meer, weggeschonken (2). Uit do laatste Avoorden van dien brief evenwel, kan
men met grooto waarschijnlijkheid besluiten, dat dirk toen door Koning kakel in
zijn vaderlijk graafschap, is bevestigd geworden (3), Onder Graaf gerolf, wien de
oudste giftbrief in het jaar acht honderd negen en tachtig gegeven Averd, schijnt dit
graafschap reeds erfelijk geworden te zijn. Dihk wordt alzoo ten onregto, de eerste
Erfgraaf van Holland, de stamvader der Hollandsche Graven genoemd, daar deze
naam veeleer zijnen vader toekomt (4), Om echter alle verwarring in de getallen te
voorkomen, zullen wij met hem de reeks der Hollandsche Graven openen. Het is niet
vreemd, dat hij door onze oude Jaarboekschrijvers, als de eerste is beschouwd geworden,
dewijl zij of Egmonder monniken waren, of Egmondsche kloosterschrifien raadpleeg-
den , in welke zij hem als stichter van een Nonnenklooster, en herstichtèr van de
houten kerk te Egmond, den H. adelbert gewijd, docb door do Noormannen ver-
woest, het vroegste vermeld vonden (5). Hoe ver zich zijn erfgraafschap heeft uitge-
later Koning ι.οιπαικ van Frankrijk, goederen konden wegsclicnken, die volgens de Rij^sverdee-
ling, niet in hun gebied behoorden, onderzoekt bilderdijk, D. I, bl. 195—200.
(1) Bildekdijk, 1). I, bl. 174, Avelkc deze opmerking aan kluit, Hist. d. Holl. Staatsreg.
D. IV. bl. 44, 45, 49, verschuldigd is.
(2) Chron. Egmund. p.20, not. 57, apud kluit , Ilïst. Crit.T.l.V.I. Bilderdijk, D. I, bl. 187.
(3) J. λυ. te water, Fadcrl. Hist. verkort, D. I, bl, 125. Arast. 1784.
(4) Kluit, Ilist. Crit. Comit., T. I. V. I. p. 15, 16. Bilderdijk, D. I, bl. 202. Men ver-
gelijke intussclien de aanmerking van vah rhijs , op de Batavia Sacra, D. I. bl. XLHI.
(5) Wageuaar , D. II, bl. 113. Kluit, in 1. c. T. I. P. I. p. 20. Wij hebben
reeds vroeger (D. I, bl. 354) opgemerkt, dat de oude Kronijken, melis stoke, B. I, bl. 51,
het Chron. Egmund. bij kluit, Hist. Crit. Comit. T. I, P. I, p.25, iiot. 72. j. debeka, p.28.
ueda, p. 58. de Cron. de Hollant,hi\ mattdaeus, Analect. T. V, p. 526. j. a. leydis , CAron.
Lib. VI, c. I. j. v. leyden, Kron. v. Egmond, bl. 8. de Oude Holl. Divisie-Kronyk, Vierde
Bivisie, bl. 96. de Klerk van de laage Landen, bl. 26· het oude Goudsche Kronijkje, bl.17,
eenparig getuigen, dat Graaf dirk I uit liet bloed der Frankische Koningen is gesproten. Indien
de meening van heda op ecnigen goeden grond berust, en dirk I een afstammeling van dien Graaf
dirk geweest is, welke aan karel den Groote vermaagschapt was, zou men zijne geslachtlijst aldue
kunnen bepalen:
Dirk, bloedverwant van karel den Groote, door zijn huwelijk met τπεοόκαρα, ecnc dochter
van berkdard, den natuurlijken zoon van karel martel. Verg. vak loon, Aloude HolL
Hist. D. II, bl. 12. vas mieris, Charterk Holl., D. I, bl. 31.
mm-
22 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
ÜOO— ^ ^ ■
1010 strekt, is mocijelijk to bepalen. Naar eenigeii, zou het van deQ-ßyw bij Ä'aijfyÄ;, lot aan
Alkmaar en Egmond, doch zijn leengoed of henejiciuin zich verder Noord- en Zuidwaarts
uitgestrekt hebben, en door latere giften , erfelijk en als eigendom in zijn geslacht zijn over-
gegaan (1). Naar anderen, bepaalde het zich im?.c]ien Zuid-B eveland en Alkmaar (2).
Van zijne lotgevallen is weinig Lekend. Hij zou met de Denen en Friezen hevigen krijg
gevoerd hebben, doch dit is even onzeker als de lijd zijner regering (3). Men beweert,
wel is waar, dat hij kort na de schenking van het land lusschen Siiithardeshage en
Fortrapa, is overleden, doch de oudste en beste Kronijkschrijvers geven hiertoe geene
aanleiding (4). Daar wij lezen, dat hij in eenen vergevorderden ouderdom, het
klooster en de kerk te Egmond stichtte, welke hij met verscheidene goederen begif-
tigde, is het hoogst waarschijnlijk, dat hij langer geregeerd heeft dan men gemeenlijk
vooronderstelt (5). Wij willen echter niet met bilderdijk beweren, dat hij dezelfde
is, welke door Koning lothair , in het jaar negen honderd negen en zestig,
met het ForeestVFoirfa beschonken werd (G). Mogelijk is hij die Graaf dirk geweest,
welke, gelijk eenigcn beweren, in negen honderd negen en dertig, Andernach,
■ Geroif I; zijn zoon. in 839 door iodewijk den Vrome in zijne goederen hersteld. Verg.
van loon, t. a. p. D. Π, 1)1. 63, en zijne Aant. op kl. kolijn, bi. 187. Sedert
is deze geiiolf monnik geworden, en in 876 in de abdij van Corbei overleden. Kldit,
Jlist. Crit. Comit., T. II, P. I, p. 2. Bijv. en ^awi. op wageha\r , St. II, bl.40.
Gerolf II, gesneuveld in 857.
Gerolf III, in 88Ü door arjiuif begiftigd. Klüit (in 1, c.) houdt hem echter voor den zooa
*■ van gerolf I.
Dirk, den Eerste bijgenaamd, en door karel den Eenvoudige in 922 begiftigd.
(1) Bilderdijk, D. I, M. 187.
(2) J. AS UTREcnT DHEssELHuis, De Proviucie Zeeland enz., bl. 66.
(3) Oude Holl. Divisie Kronijk, Vierde Divisie, bl. 96.
(4) Maerlant van dirk I sprekende zegt alleen:
» Van Lern en sagh ie nie,
Hoe lange Iii was in den liue (leven)."
Melis stoke erkent mede, dat hem liet jaar onbekend was:
)) Daer Iii ,sinen ende in dede. )
En: Hoe langhe dat Iii Grave Avas." Β. I, bl. 57.
(5) Melis stoke, Β. I, bl. 55. Chron. Egmund, p. 20. J. v. leydeh, Kron. v, Egmond-
bl. 10, die hierin door dc Oude Holl. Divisie Kronijk, veldekaer, do Klerk nit de hage
landen, en het Goudsch Kronijkje gevolgd Avordcn,
(6) Bildeudijk, D. I, bl. 202.
-ocr page 23-DES VADERLANDS. I 11
sneuvelde (1). Hoe dit zij, hij ^τerd met zijne gemalin geva te Egmond begraven, eu
naar het gemeen gevoelen, door zijn zoon dirk II opgevolgd (2).
Nevens het graafschapjSToiianc^jWaren onder karel denEenvoudige^ ook de graafschappen
van Vlaanderen, van Henegouwen, van Ï^avien en van Luxemburg, naar regte erfe-
lijk verklaard (3). Doch de gunsten door dezen Vorst den Lolharingschen Groolenbewezen,
wier ondersteuning hij behoefde, om zich in zijne nieuwe heerschappij te handhaven,
konden zijnen val niet voorkomen. Kort na de gift aan Graaf dirk I, werd hij ont- 923
troond, to Chateau-Thierry gevangen gezet, en rudol]? , Hertog van
door de Groolen des Rijks tot Koning uitgeroepen. Hendrik de Vogelaar hernieuwde
nu zijne eischen op Lotharingen, en deed zijn regt door de wapenen gelden. Gislebert ,
de magligsle der Lolharingsche Vorsten, Aviens staten zich tusschen Maas en Rijn uit-
strekten, verklaarde zich voor den Koning yan Duitschland, en wist den Graaf van
Vermandois te bewegen, dezen insgelijks als leenheer te huldigen. Lotharingen Averd y25
nu onder de beide kroonen verdeeld; maar het was bijna onmogelijk to onderscheiden,
waar het gebied van rubolf eindigde, of dat van hekdrik begon, dewijl do Graven en
Bisschoppen afwisselend dien der beide Vorsten huldigden, welke hun het meest gene-
gen toescheen, hunne heerschzucht den vrijen teugel te laten (4). De meeste Ne-
derlandsch-Lotharingsche Stalen geraakten, buiten twijfel, onder de leenheerschappij
van HENDRIK of des Duitschen Rijks, waartoe reeds vroeger het overig gedeelte van
Noord-Nederland behoord had.
Inmiddels verwoestten de Hunnen of Hongaren te vuur en te zwaard Duitschlatid,
Frankrijk en Lotharingen (5). Hun inval in Friesland wordt met reden in twijfel
getrokken, even als dat de beide zoogenaamde Hunneschansen op do Veluwe, van hen
■ ïS
-ίί
(1) Wagenaar, D. II, bl. 122.
(2) Melis stoke , B. I, bl. 57. Chron. Egmund, bij klüit , p. 20, 22. J. v. letden , Kron. v. Egm.
bl. 12. In tegenspraak met al de oude Kronijken, die Λνί] konden raadplegen, verkaalt liet zooge-
naamde Goutschc Chron. bl. 18, liet volgende: » Dese Grave diderick (1) doe liy langte ghere-
geert liadde, doe loogli liy uylen Lande: soo dat men niet en weet, boe langlie dat hy regeerde,
of hoe langhe dat liy levede, of waer dat hij starf. Maer geha (geva) syn wyf die leyt lolEgmond'm
dat cloosfer begraven." Over de Gravin geva , handelt kleit uitvoerig in liist. Comit. T. I. P. L
p. lÜ, Not. 50.
(3) Dewez, Uist. Gén. de la Belg. T. Π. p. 275.
(4) SisMOKDi, Ätsi. tZ. FmMc. T. Π. p. 271.
(5) Regiwo, ChroH. Lib. IL in pistorii Rer. Germ. Script. T. III. ρ. 102. JIerm. coktrac-
ti Chron. in pisTOBii Rer. Gertn. Script. T. III. ρ. 257. Sigebbbtis gbsblaceksis , Chron.
in PISTORII Rer. Germ. Script. T. III. ρ. 808.
10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
fiS™™·
den naam ontleend, en Graaf dirk tegen hen zou gestreden hebben (1). Eindelijk
werd met deze Barbaren een ^γapenstiIstand voor den lijd van negen jaren getroffen (2),
welken Hendrik aanwendde, om de grenzen te versterken, en het volk in den wapen-
926 handel te oefenen. De steekspelen der Edelen, en, naar men Avil, de schutterijen inde
sleden , zijn hieraan hunnen oorsprong verschuldigd (3). Het was den grooten Vorst niet
vergund de vruchten van zynen arbeid te plukken. Hij overleed in het jaar negen hon-
936 derd zes en dertig, en werd door zijn zoon οττο I opgevolgd, wien de Duitsche en
Lolharingsche Grooten, uit vrye keuze, tot deze hooge waardigheid verhieven (4). Bur-
geroorlogen verontrustten niettemin den aanvang zijns bestuurs. Hendrik, zijn jongste
broeder, veelvermogend in Saksen en Thüringen, verklaarde hem den oorlog, en
vond een magtigen steun bij den heerschzuchtigen en ondernemenden gislebet , Her-
tog van Lotharingen, Zij vereenigden hunne strijdkrachten aan den linker oever des
Rijns y en vielen, niet ver ydiïi Β urick in het land van Kleef, de benden van οττο aan,
93Ü doch werden geslagen en op de vlugt gedreven (5). Gislebert en zijne aanhangers,
onder welke zekere dirk, waarschijnlijk de Graaf van Holland, genoemd wordt, droe-
gen lobewijk i/' Outremer, den zoon van karel den Eenvoudige, en welke thans
in Frankrijk regeerde, de kroon van Lotharingen op (6). Lodeavijk nam het gevaar-r
lijk geschenk aan, om het spoedig Aveder te verliezen. Zijn aanval op den Elzas mis-
lukte ; gislebert werd bij Andernach door de bevelhebbers van οττο verslagen , en
verdronk, op de vlugt, in den Rijnstroom (7). Men wil, dat Graaf dirk. toen insge-
lijks zou omgekomen zijn, welke, indien hij de Graaf van Holland geweest is, niet
de tweede van dien naam kan geweest zijn, welke vele jaren later overleed.
(1) Vak wijs in dc Bijv. en Aamn. op avagenaar , St. II. 1)1. 52—54. Biiderdijk, zonder xich
dc moeite te geven, dezen Schtïjver te raadplejjen, heeft liet verhaal van wagenaak, gelijk meest
altijd, blindelings gevolgd (D. II. bl. 2), en zelfs dc Ilunehedden in Drenthe j van dezen inval der
Hunnen afgeleid !! De geleerde verhandeling van avestendorp over de Hunehedden schiint liij niet
gekend te hebben, evenmin als Mr. groeij van prinsterer , avelke in zijn Handboek voor de
Geschiedenis des Vaderlands^ Ail. I. bl. 8, de Drentsclie Hunebedden, voor graven van de Hun-
nen houdt.
(2) SiGiBERTus GEMB. Chroti. p. 809,
(3) Wagen-var , D. II. bl. 118. De instellingen, wetten en voorrcgtcn der ridderspelen, door
UBKDiiiK I gegeven, vindt men bij van mieris, Charlerb. v. Holl. D. I. bl. 36r-40.
(4) AViTicniüDtis, Lib. H. p. 642. Regino, Chron. p. 103.
(5) WiTicnisDDs, Lib. II. p. 645. Reqiso , Chron. p. 103.
(6) Frodoardi Chron. ad ann. 939. p. 193.
(7) WiTicHiKDus, Ζιέ. II. p. 648. Frodoardi CAron. p. 193. ·
-ocr page 25-DES VADERLANDS. I 11
Do dood Tan gislebert herstelde de rust in Lotharingen, dat Linnen korten lijdAve-
der onder het gebied van οττο gebragt werd, en sedert, benevens al de ISederlandm,
als tot het DuilscheRijk behoorende, is aangemerkt geworden. Hendrik, en waarschijn-
lyk met hem het grootste gedeelte der Kijksgroolen, Averd door οττο in genade aan-
genomen, en hij met Lotharingen, onder den titel van hertogdom, begiftigd (1). Eenige
jaren later geraakte dit gewest onder het bestuur van 's Keizers anderen broeder
BRüNO, Aartsbisschop van ÄTeii/m , w elke het onder Keizerlijke goedkeuring, in twee dee-
len , in Opper- en Neder-Lotharingen, splitste. Opper-Lotharingcn omvatte al de landen 959
tusschen Maas en Rijn, van den mond der Moezel Zuidwaarts, uitgezonderd,
Spiers, Pforms en eenige andere plaatsen aan den Rijn, alzoo den Elzas, het eigen-
lijke I-jotharingen {Lorraine) , Luwemhurg en het bisdom Trier ^ het werd Mosel-
iane genoemd, omdat de Moezel, van haren oorsprong tot haren uitloop, deze uiige-
strektheid lands besproeit. Neder-Lotharingen omsloot de landschappen tusschen den
Rijn, de Zuiderzee en den Oceaan, namelijk het aartsbisdom Keulen, de latere her-
togdommen Limhtirg, Qulih cn Gelder, het bisdom Lvik, voor een gedeelte het her-
togdom Braland, de graafschappen Namen en Henegouwen, een gedeelte van het
bisdom Kamerijk en van het graafschap Vlaanderen, aan deze zijde der Schelde,
met de andere landen, welke de Schelde, de Maas en de Rij7i naar hunne monden
doorloopen, namelijk Zeeland, een ^fnAG^X^ym Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland
en Noord-Braland. Frederik, Graaf vanger, schoonbroeder van uugues gapet, werd door
»runo lot Hertog over Opper-Lotharingen ), en godfrie» , Graaf van Verdim, over
Neder-Lotharingen aangesteld, terwijl hij zelfden titel van Aartshertog aannam , waar-
schijnlijk dewijl hij Hertogen onder zijne vassalen telde. In dc beidebleef
hij, in naam des Keizers, het hoog gezag uitoefenen tot aan zijnen dood , in hel jaar negen
honderd vijf en zestig (2). De Hertogen van Opper- zoo wel &\syanNeder-Lotharin- Ü65
gen, schijnen slechts Keizerlijke Landvoogden (praefecti) of Opperkrijgsbevelhebbere
geweest te zijn, die voor hun leven of tot opzeggens loe aangesteld werden, zonder dat
de verschillende Graven en Heeren, behalve in krijgszaken, aan hen onderworpen wa-
ren. Men vindt althans niet, dat de Hertogen van Neder-Lotharingen eenig gezag in
Gelderland, Holland of Utrecht, hebben uitgeoefend (3).
» Binnen den tijdkring eener eeuw," zegt de Geschiedschrijver bakiel , » was Lotha-
ringen verscheidene raaien van meester verAvisseld, nu eens den Kmiingen van Frank-
rijk, dan weder dien van Duitschland onderworpen; nu eens verdeeld, dan weder
(1) Regiso , Chron. p. 104. Fkodoard in I. c.
(2) fnodoardi Chron. p. 212. Sioebert. gemdiac. p. 810. Βε^έϊ, Hist. Gén. de la £elg.
T. Π. p. 294.
(3) Va5 spaek, Hist. v. Gelderl. D. bl. 26. Inl tot de Eist. v. Gclderl D. IV;bl. 102—112.
II. deel. 4
-ocr page 26-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
ÜOO—vereenigd; nu eens geheel of gedeellelijk door de Koningen van Frankrijk aan do
Koningen van Duitschland, en dan iTcder door dezen aan genen afgestaan; nu eens
bemagligd door de eenen , dan weder door de anderen (1)." Den Franschen Koningen
Avaren echter nog vele goederen, op welke wijze ook, in Lotharingen verbleven, en
lotiiair Π, Koning van Frankrijk, schonk eeuige jaren nadat dit gewest een deel
des Duitschen Rijks was geworden, op verzoek zijner gemalin emma , άάπ zekereïi zijnen
U69 Getrouwe, Graaf dirk , een foreest asda genaamd, met de weiden , akkers, wate-
ren, vaarten én al Avat er meer toe behoorde, om het geheel en erfelyk te bezitten (2)."
Over de ligging van dit Wasda zgn de gevoelens meer verschillend, dan dat de ge-
noemde Graaf diuk , de Graaf van Holland geweest is. De giftbrief zegt slechts, dat
IVasda in hetzelfde graafschap [in eodem eomitatu) , dat is, of in het graafschap
van denzelfden Graaf dirk , of in een graafschap van denzelfden naam, gelegen
was; doch het eerste is het waarschijnlijkste (3); en het meest aangenomen gevoelen
houdt ÏVasda voor het Land van Waas (4), Men heeft beweerd, dat onder fo-
reesten. Vorstelijke Avonden of bosschen, tot de jagt bestemd, bedoeld Averden; en
dat Graaf dirK alzoo, door dezen giftbrief, alleen lot Forestier, eene soort van op-
perhoutvester, Avas aangesteld (5). Doch hiertegen strijdt de inhoud des briefs zelf,
in welken van eeno wéizenlijke gift in erfeigendom, van geene ambtsbeklecding gespro-
(1) Dewez , Hist. Gén. de la Belg. Τ. II. ρ. 295.
(2) Λ'αν mieris, Charterb. ν. Holland, D. I. bi. 22. Kluit, Hist. Crit. Comit. T. II. p. 178.
Melis stoke, B. I. bi. 47 sciinjflt dezen giflbiief toe aan Koning lodewijk van Dmtschland in
868, cn wordt hierin genoegzaam door al onze gescliiod-cn tronijlcsclirijvers gevolgd. Λιτιιτβ,
Notit. Germ. Inf. Ρ. II. ρ. IS, 93. Rldit , Hist. Crit. Com. Τ. Π. Ρ. I. ρ. 32. Τ. I. Ρ. Π.
ρ. 178, en van AViJN, Êijp. en Aanm. op avagbnaar, St. II. bi. 26—29 hebben echter aange-
toond, dat deze gift geschied is door lotiiair II, in het jaar 969. Bilderdijk houdt ook dit
gevoelen voor aannemelijk. Hutmcoper daarentegen. Avil deze gift tot het jaar 849 teruggebragt
liebben. Aant. op melis stoke , D. I. bl. 226. |
(3) Bilderdijk , D. I. bl. 203. Vroeger (bl.179) had liij meer naar het tAveede gevoelen overgelield.
(4) IIUYDECOPER op MEiis STOKE, D. I. bi. 221. Kluit, Hist. Crit. Com. T.II. Ρ. I. ρ. 31(2).
Vait wijn, Bijv. en Aanm. öp aaagenaar, St. II. bl. 29. Smits, Over den aloudcn staat van
Ztiid-Holland, bl. 49, 102. Bilderdijk. is liet Jiier met zichzelven Avondcriijk oneens. D, I,
bl. 175 houdt hij het met van mieris [Aant. op den Klerk van de laage landen, bl. 29) voor
mogelijk, dat onder Wasda, Wassenaar, altlians niet het Land van Waas verslaan wordt. Op
bl. 179 wankelt liij echter, en betoogt de mogelijklieid ^ dat onder dien naam het Land van Waas,
wel kan verstaan Avorden. Op bl, 185 evenwel is Wasda, misschien Wassenaar, misschien
Heusden; maar op bl. 202 is Wasda Aveder het Land van Waas.
(5) nuvDEcoPER op sioKE, D. I; bl. 221,
-ocr page 27-DES VADERLANDS. 27
ken wordt (1). Het is echter mogelijk, dat de Graven in Hólland, even als dio
van Vlaanderen, in den beginne, den naam van ForeHter voerden, ora de nabij-
heid en gesteldheid der landen, dio meest boscli waren (2). Wat men hier van boude,
het Land van Waas behoorde tot het burggraafschap Gmt^ dus genoemd naar den burg door
ottoi gesticht, toen hij de gracht, Ae FossaOttoniana, uit de lie/ieWe naar zee liet gra-
ven, welke Frankrijk van zijne staten scheidde. Om de grenzen te beschermen., gaf
hij dezen burg aan Graaf λυυομαν of wicnsiAii, welke dus onder zijn bestuur hel Land
van Waas ^ van Aalst, en de vier ambachten. Hulst ^ Axel, Boekholt m Assenede
vereenigde. AVvcmaks dochter hildegaarde, werd de gemalin van Graaf dibk Π, welke
zijn schoonvader in het jaar negen honderd een en zestig of twee en zestig opvolgde; en
van hier dat hij, zijn zoon arwotjt en kleinzoon dirk III, Graven van Gent geweest
zijn en de Gentenaars genoemd werden (3). ' ·
De goederen van Graaf dirk II werden aanzienlijk vermeerderd door otto III, die zijn
vader οττο II, in het hoog bewind was opgevolgd. Ter bede der Keizerin-weduwe theo-
PHAWA, eene Grieksche Prinses, aan welko weleer het tiïlmd Walcheren, benevens
Tiel, Herwerde en Nivelle in vruchtgebruik ten huwelijk waren afgestaan (4), en
door tusschenkomst {interventu) van den Aartsbisschop van Trier, egbert, en van
Hertog hendrik vau Beijeren, geeft de Keizer aan zijnen Getrouwe, don Graaf dirk ,
in eigendom, {in proprium), wat deze lot mi toe slechts in leen, of in vruchtgebruik
{in heneficium) gehouden heeft: 1°. al wat gelegen is tusschen de stroomen Liora
en Hisla (de Lier en de Hollandsche IJssel); 2°. de villa Sunnemere {Sonne-
maar op Schouwen?); 3". al wat ligt tusschen de twee stroomen Medemelacha (de
Leek bij Medemhlik?) en Chimelosara, Gemarchi {Marken?) genaamd; 4°. al het
regt des Keizers in het landschap Texla, behalve het schot en lot dat de onvrijen be-
talen moesten , en Huslade {huisschatting) genoemd werd; en ten 5**. al wat dirk ver-
der in leen bezat in de graafschappen Masalant {Maasland?), Kinhem (Kermemer·'
land) en Texla {Texel); alles met volkomen vrije beschikking. De giftbrief is gelee-
kend te Nijmegen, den vijf en Iwintigsten van Oogstmaand negen honderd vijf en tach-
tig (5). Hoe onzeker de ligging van de meeste der daarin aangewezene plaatsen kan
985
(1) Shits, f. a. p. LI. 53. Bubebdijk, 1)1.178. ^· '
(2) Bildehdijk, D. I, bl. 17G, 189. c
(3) Kluit , Ilist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ. 176—179. Τ. II. Ρ. I. ρ. 23—27. Bildeedwic
heeft dit, gelijk zoo vaak, stilz\vijf[end overgenomen. D, 1. LI. 202, 203, Verg. vav βραέκ, Inl. lot
de Mist. V. Gclderl. D. I. LI. 55—62,
(4) Zie het Diploma Lij κιυιτ, Hist. Crit. Com. Ύ. II. Ρ. Ι. ρ. 33. ,Bilderdijk noemt ten
onregte τπεογπλκι de gemalin van οττο III, D.' ί. LI. 181. w.
(5) Kleit, liist. Crit. Com. Τ. Π. Ρ. I. ρ. 57:' ' '''
4* '
-ocr page 28-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
ÜÜO— bepaald worden, er blijkt ten minste uit,, dat Graaf dirk daarbij aanzienlijke eigen-
dommen verkreeg in het tegenwoordig Holland, PTest-Friesland of Friesland aan
deze zijde "van het VUe··,. en waarschijnlijk ook in Zeeland. Dit nu beschouwt men,
als de ware en natuurlijke oorsprong Tan hetgeen naderhand de Graaflijke oi Graaf-
lijkheids Domeinen genoemd werd; en hieruit zijn later al do uitgiften der Hol-
landsche leenen, al de hoogc en lage heerlijkheden, mot allo regten, reglsgebied en
gevolgen, daar uit voortvloeijende, naar uitwijs der leenbrieven, ontsproten (1). Indien
men nu al de giftbrieven, ter gunste der Ilollandscho Graven verleend, bijeenvoegt,
zal men mogen aannemen, dat de bezittingen dezer Graven destijds zich van do Strijne,
een tak der Schelde, welke zich in de Maas verliest, lot aan het Vlie uitstrekten.
Ook in Friesland over hoi F He bezaten zij goederen, en van daar, dat zij altijd Fries-
land als het hunne beschouwd en als .zoodanig nooit hun regt opgegeven hebben;
maar van daar ook dio gedurige opstanden en wederspannigheden tegen hun gezag, de-
wijl de Friezen zich als onderdanen des Duitschen Rijks beschouwden , en behalve of onder
den Keizer, geenen anderen Vorst duldden. Na langdurige oorlogen werden de Westfriezen
door de Ilollandsche Graven onderworpen , en in onderwerping gehouden; άού\ Fries land
988 tusschen het FHe; en do Lamoers, werd dit niet dan gedeeltelijk en gebrekkig (2).
Der Friezen zucht naar onafliankelijkheid, zoo niet veel meer hun toomelooze aard,
openbaarde zich reeds onder het bestuur van dirk II, wien zij gewapenderhand aanvie-
len. Zij werden door dien Graaf bedwongen, doch hernieuwden weldra weder hunne
vijandelijkheden. Immers in het volgende jaar vrerd Alkmaar door de West-Friezen
stormenderhand ingenomen, geplunderd en in de asch gelegd. Geheel Kennemerland
Averd te vuur en te zwaard verwoest, het klooster te Egmond vernield, en Leiden met
hetzelfde lot bedreigd, toen de Graaf, zijne strijdkrachten bijeengebragt hebbende, den
overmoedigen vijand tegentrok. Niet ver van het tegenwoordig Rijnshurg viel een he-
vig gevecht voor; de Friezen werden verslagen en gedwongen zich aan den Graaf (e
onderwerpen, Avelke uit dankbaarheid voor de behaalde overwinning, op de plaats des
slrijds eene kerk stichtte (3), Naar luid eener oudo Kronijk, is dit omstreeks het jaar
negen honderd twee en zeventig voorgevallen (4). De oudste Jaarboekschrijvers maken
van dezen krijgstogt geen gewag. Slechts melden zij, dat Graaf dirk II de kerk
te Egmond van steen opbouwde, en de abdij aanzienlijke grondgoederen schonk, doch
haar met Monniken bezette in plaats der Nonnen, welke 1o veel aan den overlast der
(1) Kluit, Gesch. d. Holl Slaatsreg. D. IV, bi. 51.'
(2) Buderduk, D. I. LI. 204—206. 253—25.5. Verjj. scnoiAHcs Fr. Ilist. hl. 79.
(3) J. a. leydis, Chron. Lib. YII. c. 3. Occo scarleksis, bl. 78.
(4) Cron, da Ilollant, in ματτπαει Analect, ï. V. p. 528.
-ocr page 29-DES VADERLANDS. I 11
Friezen blootgesteld ^varen (1). De Nonnen Aveiden naar Bennehroek Tciplaatst, en 900—
onder het opzigt van arlinde, 'sGraven dochter, gesteld; doch daar deze geene
nieuwe zusters mögt opnemen, is dit klooster spoedig uitgestorven (2). Welligt was
de gift van οττο III aan dirk II een gevolg dezer vijandelijkheden, om daardoor den
Graaf schadeloos te stellen, en hem te beter gelegenheid te geven, do Friezen te beteu-
gelen en te straffen. Hoe dit zij , dirk genoot niet lang de vruchten dezer aanzienlijke
schenking; hij overleed drie jaren later in hoogen ouderdom, en -werd, gelijk zijne
gemalin iiildegaarde , in do abdijkerk van Egmond begraven (3).
Arkgut, zijn zoon, te Gent geboren, en deswege in het bijzonder de Gentmaar
genoemd, volgde hem op in het graafschap van Holland en het burggraafschap van
Gent. Men vindt niet, dat zijno opvolging en bevestiging in deze graafschappen, door
Keizerlijke brieven is bekrachtigd geworden (4). Dit niet vinden is echter gccne genoeg-
zame reden, om de zaak in twijfel tc trekken; en dit te minder, dewijl de erfopvol-
ging, ook in andere Nederlandscho graafschappen, gelijk die van Zutphen en Gelre,
(1) Melis stoke, B. I. bi. 01. Chron. Egmund. αγ-αά κιυιτ, ρ. 28. J. bb dkka , p. 31. J.van
leyden, Kron. van Egmond, 1)1. 13. Behalve uit{icstrckte landgoederen, door melis stoke en
het Chron, Egmund. in 1. c. opgenoemd, schonk dc Graaf aan de Egmondsche Kerk een afschrift
der vier Evangelisten, in een gouden met edelgesteenten versierden omslag; en zijne gemalin
iiildegaarde, door de bera uildegomde genaamd, ccnc gouden tafel met kostbare stccncn ingelegd.
Zie melis stoke, de βεκλ in 1. c , cn heda, p. ÜO, welkelaatstc van deze kunstig bcAveiite tafel cone
uitvoerige hcscluijving geeft. Ilct is opmerkelijk, dat j. var letden in zijne Erotiijk van Eg-
mond, van deze schenking geene melding maakt. Volgens smits (bi. 106), is het gemelde af-
sclirift der Evangeliën, doch van zijn uitwendigen looi beroofd, thans de eigendom van eene der
Roonisclie kerken te Utrecht. ,
(2) J. a. letdis, Lib. VII, c. 2, 3. Aulinde λυββ niet, gelijk wagekaar (D. II, bl. 116) zegt,
de zuster, maar de dochter van Graaf dirk II. Κοκ, Vaderl, TVoordenl·. D. IV, bl. 1256.
(3) Melis stoke, B, I. bl. 87. vs. 790, bepaalt het overlijden des Graafs in Ü87. Chron.
Egmund. in kluit, Hist. Crit. T. I. P. I. p. 36, de beka, p. 35, j. vah leyder , Kron. van
Egmond, bl. 17, do oude Holl. Div. Kronijk, bl. 110, cn anderen stellen het in 988. Wage-
raar, welke door bildeudijk gevolgd wordt, plaatst het met van look , in 989 (D. II. bl. 128.)
(4) Wagenaar, D. II. bl. 128. Uit de woorden van melis store zou men bijna besluiten, dat
arkodt, als naaste erfgenaam, zonder den Keizer te kennen, opgevolgd zij.
Arrout, des ander diedric sone,
Wort Grave van Hollant, als de gone
Dient van rechter gheboerlen an quam. 15. I. ν. 861, bl. 94.
-ocr page 30-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
'^j^niet Yóur de helft der elfde eeuw gevonden wordt (1). Zeker is het, dat arwout zich als
leenman des Duitschen Rijks aanmerkte, en onder de Rijksvorsten op het steekspel te Rothen-
burg ^^oorkomï (2). Do West-Friezen weigerden hem te huldigen (3), en men wil, dat zij
hiertoe door den Utrechtschen Bisschop yolkmak aangespoord werden (4), ofschoon noch de
zeer korte regering, noch het zedelijk karakter van dezen Kerkvoogd, dit vermoeden eenig-
zins begunstigen (5). Doch wat de West-Friezen dan ook moge bewogen hebben, zijstonden
openlijk tegen hem op, en arttout trekt, Avaarschijnlijk langs den duinkant, in het hart van
West-Friesland, Op eene vlakte, Winkelmade genoemd, nabij of ter plaatse ταη
het tegenwoordig dorp Winkel, niet ver van Schagen, slaat hij zijn leger neder, en
weldra ontwikkelt zich een bloedig gevecht. De Wesl-Friezen zegepralen en arnout
zelf sneuvelt met eene groole menigte der zijnen (6). De overwinnaars bleven, naar oud
krijgsgebruik, drie dagen op het slagveld, en Tergunden inmiddels, dat het lijk van
den Graaf, met de gewone plegtigheid, in het Klooster te Egmond, door hem met
aanzienlijke goederen beschonken, ter aarde werd besteld (7). Eenparig heeft men deze
nederlaag op den achttienden van Herfstmaand, negen honderd drie en negentig btv
paald; doch dewijl er nog een brief voorhanden is door Graaf arsoüt, ten behoeve van
(1) Vau wijs, Bijv. en Aanm. op wagenaar, St. II. bl. 56.
(2) Van looh, Aloude Holl. Ilist. D. II. bl. 217. Wagesaar zegt, dat dit tornooi te Maag-
denburg gehouden vvcid. D. JI. bl. 129.
(3) In stede van hesticdes (becstaclitige) Fresones, in het Chron. Egmund. bij kiüit, T. I.
P. I. p. 38, wil scKtVERics, en Avelligt juist, gelezen Iiebben: vestrales Fresones (West-
Friezen.)
(4) Wagenaar, D. II. bl. 129. Hoewel deze Sclirijver zich hier op den onechten klaas kolts
beroept, wordt hij niettemin door liiLDERDijK gevolgd. D. II. bl. 5.
(5) F. sjoERDs, Fr. Jmrb. D. Π. bl. 150.
(6) Volgens een oud Schrijver, door van Looii {Aloude Holl. Ilist. D, II. bl. 234) aangehaald,
zou arhotjt, onder het vlugten, gesneuveld zijn. Onze Kronijkschrijvers melden dit niet. Zie melis
moke, B. 1. bl. 97, 98. Chron. Egmund. apud kwiτ , ρ. 38. De beea , ρ. 35, welke tevens verhaalt, en
hierin door het Cron. de Ilollant (siATTnAEts Anal. Τ. V. ρ. 529), de oude Holl. Divisie Kro-
nijU (zesde Divisie, bl. 91) en anderen nageschreven wordt, dat lort v(5dr het gevecht de Graaf,
begaan met zijn volt, dat afgemat en vermoeid, door gebrek aan zoet water van dorst versmachtte,
zich in het gebed begaf, en daarop eene plaats aanwees, waaruit, bij het graven, drinkbaar water op-
borrelde. Wagenaar (D. II. bl. 130) schijnt met vaiï icon {Aloude Hall. Hist. D. II. bl.234)
nog eenig gewigt aan deze vertelling te hechten, welke door den ouden Vertaler van de bek α , door
GOOTnoEVEN, DousA en scRivERiüs onder de sproolijes is gerangschilt.
(7) Ε. BESiHGi, J/isi. van Oostfriesland, bl. 93.
-ocr page 31-DES VADERLANDS. I 11
het Blandiner klooster bij Gent ^ vijfjaren later gegeven, moet deze ongclulikige veld- 900—
slag in of na liet jaar negen honderd acht en riegentig voorgevallen zijn (1). Arnodt
liet drie zonen na ; adelbert , -waarschijnlijk de oudste , volgde hem op in het burg-
graafschap van Gent, dat nu voor altijd van de Graven van Holland gescheiden, en
tegen het einde der twaalfde eeuw, met Vlaanderen vereenigd averd; dirk was zijn
opvolger in Holland, en sigfried , sivaard of sikko , werd de stamvader van de adel-
lijke geslachten der van τεγιινοεν en brederoden (2).
Diric III, den kinderjaren naauwelijks ontwassen, aanvaardde het grafelijke bewind, 1006
vermoedelijk onder de voogdij zijner moeder luitgarde , die met Keizer Hendrik II
vermaagschapt was (3). Do Friezen zetteden hunne vijandelijkheden voort, doch werden
door eene Keizerlijke vloot, ten behoeve der Gravinne-weduwe uitgerust, tot onder-
werping gedwongen (4). Terwijl hierdoor de rust in dit gedeelte van Nederland her-
steld was, werd zij in Utrecht en Gelderland door de hernieuwde strooptogten der
Noormannen, onzacht gestoord.
Utrecht, Deze volken, als ten krijg opgewiegd , 6troopten steeds langs de kusten
van Nederland en Frankrijk. Ongeveer eene eeuw hadden zij Utrecht in bezit,
en het bisdom in onrust en verwarring gehouden, toen deze stad, ten tijde van
Bisschop BALDERIK den Vrome, van hen ontslagen was gewordeaw Dezo Kerk- ■
voogd, gesproten uit het geslacht der Graven of Heeren van Kleef ^ en beroemd wegens
(1) Vau loon, Aloude ΙΓοΠ. Ilist. D. I. M. 234. Waoekaar, D. Π. bl. 130. Klüit, in
Crit. Comit. T. I. Γ. I. p. 38, belooft, in Not. 2G, te bewijzen, dat aenoüt eerst in 1003 of 1004
gestorven is, doch is dit bewijs scliuldigf gebleven.
(2) Var loos, t. a. p. D. 11. bl. 23.5. Wagekaau, D. 11. bl. 132. Buderdijk, D. II. bl. 0.
Verg. met j. a. lktdis, de Orig. etreb. gest. Ώ. D. de Brcd-erode, in mattiuei .^«a/ecf. T. Γ, p. G08.
BockerbEbg, Hist. et Genealog, ßrcderodior., ρ. 1. L. Β. 1587. Vau oöuïnoEVKK , Chron. von
Holl. bl. 249. Scriveriüs , Chron. van Holl. bL 43—47. Ινοκ, Faderl. Wöordenh. in vocis
lirederoüe en νΑΛ TEitJKGEK. Boxborn, in zijne Aanteekcningen op de Kronyk vanxziDEiSAhh,
bl. 151, Λνίΐ den naam Brederode, van bet woord ßrederoede afleiden, welk hij in een oud
Germaanseli Lexicon gevonden liad, en zooveel als » Landregler, en Opperste, gesteld om regt (e
doen en te plegen" beteekende. Onder al de verklaringen van dit woord, is deze wel de aanncmelijlsté.
(3) Meiis stoke, B. I, bl. 09.
(4) Ditmarcs, Ciiron. p. 380, in leibnitzii Script. Rer. Bnmsv. T. I, //««. 1701, Hetgefn
vatï loon [Aloude Holl. Hist. D. Π, bl- 238), avagenaar (D. 11, bl. 133} en budebduk (D. II,
bl. 6, 7) verder verhalen \an de balsstarriglieid der Friezen legen Graaf dibk, en op welic voor-
waaiden zij, beducht voor zijne raagt, bem huldigden en tienden beloofden, eteunt alleen op het
gezag van den verdichten klaas kolijs.
10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
ToicT kundigbeden, Avas door Bisschop radboud tot opvolger gewensclit, cn liem dc her-
stelling van Utrecht aanbevolen. En inderdaad, ondersteund door den gevvapenden arm
van BRUNO, zijn voormahgen kweekeling en zoon van Keizer πενββικ I, gelukte het hem ,
den Bisschopszetel aan dc Noormannen te ontwringen (1). De gewaarwordingen' welke
den Bisschop overstelpten, toen hij de stad na hare bevrijding bezocht, drukt hij zeifin
de taal des vromen vveemoeds uit. »Toen ik de stad voor het eerst binnen trad," dus
Ü37 spreekt hij, »haar, door de Denen vernield , en, ο ramp! geheel verwoest aanschouwde ;
toen ik zag, dat de kerken van den heiligen martinüs en salvatok. vernield en ver-
brand Avaren, Averd ik diepgetroffen en konde mijn gevoel niet bedwingen. Ik
heb, onder een vloed van tranen, de hulp des hemels afgesmeekt, en gebeden, dat
Hij , die Zijne heilige kerk op oenen vasten rotssteen, welke iscnRisTUS, gebouwd heeft,
zich verwaardigen mögt, tot den Avederopbouw en het herstel der kerk, mij aanbevo-
len, mede te Averken (2)." Balderik: herbouAvde nu den muur met do bohverken en
de poorten der stad, Avelke hij tegen de aauA^allen des vijands met eene gracht, brug
en torens versterkte. De bouAVvallen der verbrande kerken liet hy, zoo veel in zijn
vermogen Avas, Aveder voor de eerdienst inriglen, riep de gevlugte en verstrooide kano-
niken terug, Avelko hij wederom voltallig maakte, cn begiftigde hen met aanzienlijke in-
komsten. Nu stroomde eene menigte geloovigen van alle kanten naar de bisschoppelijke
slad, waardoor balderik , die niet aarzelde hel oorlogszAvaard op te vatten, waar het
geestelijk gezag geen invloed had, zich spoedig in staat gesteld zag, de vijanden gewa-
penderhand uit de bezittingen der Utrechtsche kerk te verjagen (3). Met ijver bleef
hy steeds Avaken voor do lijdelijke belangen dier kerk, aan Avelke reeds inkomsten, zelfs
tot aan de uiterste grenzen van het tegenwo^ordig Noord-Hollaiid, toebehoorden (4).
Hij volgde de schreden zijner voorgangers, om niet alleen haar geestelijk, maar tevens
wereldlijk gebied, meer en meer uit to breiden, waartoe hem zijne betrekking lot
de Keizers uendrik I, οττο I en οττο II bijzonder in staat stelde, en van Avelke de'
vrome Bisschop zich uitmuntend Avist te bedienen, Hendrik I hernieuwde te zijner
gunste, de voorregten vroeger aan de Utrechtsche kerk geschonken (5). Οττο I,
(1) De leka, p, 33, 34. IIeda, p. 75, et büciielids in nolis, p. 89. Chron. Tiel, p. 62,
63. Chron. de Traj., p. 323. Ruotgerds, Vita brunoiVIs in leibsitzii Script. Rer. Brunsv.
T. I, p. 274j de Oude Holl. Div. Kronijk, vijfde Div. bl. 107. Verg. van uoliilis, de Noorm.
in Nederl, bl. 181, 182. Bijl. en Bijv. bl. 03-95.
(2) Heda, p. 75.
(3) IIeba, p. 76. ^
(4) Heda, p. 65, 60.
(5) Heda, p. 79.
-ocr page 33-DES VADERLANDS, 33
wieus ^vetenschappelijke opleiding hem loevertromvd ge^γcest was, schonk der slad
Utrecht het munlregt weder, en aan haren Kerkvoogd het jagtregt in de bosschen
yan Drenthe, die onder het graafschap Tan everhard behoorden, en het regt van fe
visschen in de F echt, in Almere [Ag Zuiderzee?) en Ainuson^ benevens het tol-
regt te Amuda {Muiden), de Huslade of huisschatting, en de zoogenaamde Cog-
schuld (1), Men πϋ, dat deze laatste eene schatting geweest is, hetzij tot levering en
onderhoud van gewapende koggen, hetzij ter vervulling, of tot afkoop van de scheeps-
dienst (2), Bij deze voorregten voegde de Keizer, wiens dankbaarheid jegens zijnen
leermeester geene perken scheen te kennen, do landstreek tiisschen de ZeÄ en den
IJssel, tot aan de uitmonding der Maas in de ]Soordzee, welke weleer Graaf -wal-
ger, en na hem zijn zoon badboüd , van het Rijk in leen gehouden had; de be-
Kittingcn van zekeren Graaf hatto , langs de boorden van de Fecht tot aan den mond
van dien stroom; waarbij later Loenen en Muiden gevoegd werden; het klooster en de
nieuwe van steen gebouwde kerk \.GTiel aan de TV aal, en al wat den Keizer behoorde
in de Villa of heerlijkheid van Dorestad, toen TVijek genaamd; lerAvijl de Bisschop
bevestigd werd in al de goéderen, door vroegere Koningen of Keizers aan de kerk van
Utrecht verleend (3).
Bij deze giften stelde men zich blijkbaar de bescherming van den handel ten doel. Zij
waren alzoo niet het uitvloeisel eens overdreven ijvers, ter begunstiging van de geeste-
Igkheid, maar veeleer het gevolg eener wel doordachte staatkunde. Door den Bisschop
van Utrecht in bezit te stellen van de landen langs de Lek, den Gelderschen en ïlol-
landschen IJssel, en de Vecht, even als van de landstreek, welke door de monden
van de Maas en de Schelde doorsneden wordt, zoowel als door hem het heffen der
schattingen, voor do scheepsmagt bestemd, op te dragen, werd de handel onder zijne
bescherming gesteld, en de Rijnvaart van Ä'ewZew lot aan zee beveiligd. Utrechten
Tiel waren in die eeuw de tusschenplaatsen voor den handel dier stad; Utrecht naar
het Noorden door de Vecht, en Tiel naar Engeland door de Waal (4). Men ver-
wondere zich niet, dat juist aan een geestelijk opperhoofd deze zorg werd toevertrouwd.
Κ (1) Heda, ρ. 81, 83—85, Verg. van ascr v, wijck, Over het oude Handelsverkeer der stad
1 i7i/-ecAi, bl. 21G—218.
4 (2) De jonge, Gesch. h. ÏÏecrl Zeeioezen, D. I, hl. 10. Vaä aschτ. wijck, t. a. p. bl.222,
(3) IIeda, p. 81, 83, 86, 88. Van mieris, Charterb. ν. Holl. D. I, 1)1. 40—49. Bokdam,
Charterb. ν. Gelderl. St. I, Η. 55, 59. Scuwabtzendeug , Charterb. ν. Friesl. D. I. Η. 58.
Verg. ν. ascii ν. wijck, t. a. p. tl. 223—225.
(4) Vak asch v. wijck heeft dit uitmuntend ontwikkeld in het Loven aangehaalde werkje ,
bl. 225—255.
Π deel. 5
-ocr page 34-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
800— De bisschoppelijke landvorslen , slechts aan den Aartsbisschop onderhoorig, stonden ge-
heel ondei' het gezag en do bescherming der Keizers, Λνο11ί.6 hen in dien tijd aanstel-
den, en dus als Yoorname staatsbeambten konden beschouwen, juist geschikt ora hunni^
bepalingen en verordeningen, met kracht en klem te handhaven. Noch Hertog, noch
Graaf, noch Markgraaf, mögt eenig gezag over hen uitoefenen. Zelfs Averd hun eenc
hoogere magt of hel oppertoezigt verleend, over graafschappen in hun geestelijk gebied gele-
gen, en hieruit ontstond, in vervolg van lijd, de leenpligtigheid van onderscheidene
graafschappen aan het bisdom van Utrecht. Waren de Bisschoppen nu hierdoor reeds
beier dan de kleinere wereldlijke landvorsteu in staat gesteld, om de kooplieden tegen
geweldenarijen en aanvallen te beschermen, zoo bezaten zij daarenboven in den gees-
telijken ban nog een geducht wapen, om roovers en geweldenaars te beteugelen (1).
Het Sticht Utrecht, uit zulke geringe beginselen ontsproten, Avas nu een magtig vor-
stendom geworden, en balderik spaarde geene moeite, om het aanzien en den bloei
daarvan to bevorderen. Zijne tegenwoordigheid bij hel vredeverbond tusschen hewdrik I
948 en karel dm Eenvoudige (2), gelijk later op eene kerkvergadering, door den Paus te
Ingelheim, ter bijlegging van staatkundige en kerkelijke geschillen bijeengeroepen , ge-
tuigt Tan het hooge aanzien waarin hij ook buitenlands, deelde (3); terwijl zijno reis
naar Italië niet minder pleit voor de werkzaamheid en den ijver, welke hem beziel-
Ü66 den. Ondanks zijne hooggeklommen jaren trok hij de Alpen over, om Keizer οττο I
over de belangen der ütrechlsche Kerk te raadplegen. Ofschoon do uitslag hiervan niet
gemeld wordt, werd de togt echter niet vruchteloos geacht, dewijl balderik, als een
geschenk des Keizers, eenige overblijfselen van Heihgen medebragt. »Onder het geschal
van eenc menigte stemmenzegt een tijdgenoot, »heeft deze Kerkvoogd God hiervoor
geloofd en gedankt; en de heilige overblijfselen met grooten luister, gelijk betaamde, Ie
welen met al zijne Geestelijkheid en met eenen grooten hoop volks, ingehaald" (4). Dit
moest de Kerk van Utrecht, in welke zij met grooten eerbied opgenomen en bewaard
werden, rijkelijk bevoordeelen. Het bezit van dergelijke voorwerpen immers was toen, in
het bijzonder, voor de kerken eene bron van rijkdom, door de veelvuldige giften, welke
haar deswege gedaan werden, en de scharen van vrome bedevaartgangers, Λvelko
(1) Vak ASCII v. wijck, t. a. p. bl. 215, 230, 231, 232.
(2) Zie hiervoor bl 0.
Batavia Sacra, D. I, bl. 015..
(4) Batavia Sacra, D. I, bl. 617. De beka, p. 34. Heda , p. ld. Cron. de Traj,, p. 323.
Chróft, Tiel, p. 63. De Schrijver van Batavia Sacra, t. a, p. stelt deze reis in liet jaar 964;
en wordt hierin door kwit, Eist. Crit. Comit., T. I, P. I, p. 27, No. 78, gevolgd.
DES VADERLANDS. 35
haar Lezochlcn. Geen wonder derhalve, dal Bisschop baldërik, die den vervallen slaat 90O—
des hisdoras trachlle op te heuren , hei gelal dezer heilige overblijfselen nog vermeer-
derde, toen hij de heenderen van lebuiwus, jeroen, odulphus , hadboub en van andere
Heiligen, in de St. Maartenskerk en elders plaatste (1).
Door dezen günstigen zamenloop van omstandigheden, bereikte hot bisdom onder
BALDERiK, cencn hoogen trap van bloei , en de ^vereldlijke heerschappij der Ulrechlsche
Bisschoppen was gevestigd. Deze strekte zich reeds ver in Overijssel uit, dewijl
balderik het sladjo Oldenzaal, Avaarschijnlijk door de Noormannen verwoest, herstelde, 968
en in plaats van de vorige , eene prachtige kerk , ter eere van den H. plechelmüs , en
een kapittel van Kanoniken slichlfe (2). Na eene ongemeen lange en gelukkige rege-
ling , overleed deze Bisschop in eenen hoogen ouderdom , en werd waarschijnlijk in de
St. Maartenskerk te Utrecht begraven (3). Hij was ontegenstrijdig een man van uit-
stekende begaafdheden, onverpoosden ijver en zeldzame geleerdheid. Minder het toon-
beeld eens Christelijken herders dan zijn voorganger radboud , versmaadde hij rüel,
gelijk deze, zich in staatszaken te mengen en het oorlogszwaard aan tc gorden , maar
hierdoor werd het hem ook mogelijk, de groote laak, de herstelling van Utrecht, Ie
ondernemen en gelukkig te voltooijen.
Onvolledig, verward en uiteenloopend zijn de beriglen omtrent den onmiddellijken
opvolger van dezen grooten Kerkvoogd. Er wordt van zekeren egbertus als Bisschop
van Utrecht gewag gemaakt, doch die waarschijnlijk ten tijde van dalderik , slechts
Koor-Bisschop geweest is. Naar anderen zou popo den Utrechlschen herdersstaf, doch
Ie korten tijd gevoerd hebben, dan dat men waardig keurde, hem onder het getal der
Bisschoppen op Ie nemen (4). Genoegzaam even weinig wordt gemeld van folkmar ,
eenen Fries, die gewoonlijk voor ealderiks opvolger gehouden wordt, en vóór of in
het jaar negen honderd negentig overleed. De beka noemt hem een vroom en heilig yy^
man, welke het Sticht dertien jaren bestuurde (5). Hem volgde baldevvijn, die de
bisschoppelijke Avaardigheid slechts vier jaren bekleedde (G). Men wil dat hij een kleinzoon
(1) De btka, beda, Cron. de Traj., Chron. Tiel. in I. c. Bat. Sacra, D. I. LI. 617.
(2) IIeda,, p. 79. Chron. Tiel. p. 67, Bat, Sacra, D. I. h\. 622 , 623.
(3) De beka, p. 34. Heda, p. 79. Cron. de Traj. p. Chron Tiel. γ. 67. Ifij moet
onrjevccr 60 jaren liet IJissclioppelijk bestuur {jevoerd hebben. Zijn grafiiclirift heeft bockekbebq
bewaard, en is opgenomen door giasics, Gesch. d. Christ. Kerk in de Nederl. D. I. bl. 198.
(4) Glasibs , t. a, p. bl. 1Ü8.
(5) J. de deka , p. 35. IIeda , p. DO. Chroti. Tiel. p, 67. Magnum Chron. Belgicum , p. 93.
(6) J. db beka, p. 35, 30.
5*
-ocr page 36-36 ALGE MEENE GESCHIEDENIS
ÜOO— van ARNOUT, Graaf van Rolland^ geweest is (1); docli dit kan met de tijdrekening
niet vereffend ATorden (2). Hij was een zusterszoon van arnout , Graaf van Kleef, en
welligt beeft dezo naam aan den Graaf van Holland doen denken (3). Hij wordt
als een deugdzaam man afgeschilderd, en schijnt de eerste geweest te zijn, die van het
muntregt, zijnen voorzaat balderik verleend, gebruik maakte. Althans de kleine munt-
stukjes, in zijnen tijd geslagen, zijn de oudste, die tot heden van de Utrecbtsche Bis-
schoppen zijn bewaard gebleven (4). Ansfrid of aüfridüs werd door de Utrecbtsche
geestelijkheid in zijne plaats gekozen. Hy zou de zoon van Lambert, Graaf van Lo-
ven, en van gerberga, dochter van karel, Hertog van Lotharingen, geweest zijn,
en alzoo, van moederszijde, uit Koninklijken Franschen bloede zijn gesproten (5).
Zeker is het, dat hij een der magiigste Edelen uit Srahand, Graaf van Hiiy en Teis-
terband, Heer van Altona en onderscheidene andere plaatsen geweest is (6). Onder
de leiding van zijn vaderlijken oom, redbertüs , Aartsbisschop van Trier, en nader-
hand onder die van bruno , Aartsbisschop van Keulen , was hij tot al die deugden ge-
vormd, welke door zijne tijdgenooten boog in hem geroemd worden. In negenhonderd
een en zestig vergezelde hij οττο I naar Italië, en werd bij 'sKeizers intrede te
Rome, lot Keizerlijk zwaarddrager aangesteld. Zijne dapperheid en wijsheid schijnen
hem ook de gunst der Fransche Koningen verworven te hebben, dewijl hij de gift
goedkeurde, bij welke de Koningin gerbreght , in negen honderd acht en zestig,
Mersen bij Maastricht aan de kerk van Rheims afstond (7). Hij was gehuwd
geweest met naswiNDis of hersint. Gravin van Strijen , welke met hem den gees-
telijken staat omhelsde , en nevens hare eenige dochter, Benedicta , zich naar het
klooster te Thorn of Thoren bij Jia-ye^Äaan de Maas, begaf, welk zij uit hare eigene
(1) Heda, p. 92.
(2) F. SJOERDS, Fr. Jaarh. D. Π. M. 149, 150.
(3) Cron. de Traj. p. 423. Oude Hall. Div. Chrontjk, zevende Divisie, c. VI. Dezo kronijlc
echter noemt liem , even als liet Chron, Tiel. p. 72. » geboren van Hollant."
I
(4) Rücueliüs ad bekab, p. 36. Van mieris, Bcschr. d. Bisschopp, Munten en Zegelen,
bl. 123. Lcyden 1726.
(5) D'oütrejion, van Γσ/eMcyM, aangehaald in κοκ, Vadert. Woordenb. D. IV.L·]. 1143.
Verg. Bat. Sacra, D. I. bl. 634. Var sfaen , Inl. tot de Mist. v. Gelderl. D. III. W. 163.
■ · 'p .
(6) IIeda, p.92. sigebertds gemblacensis, CÄroM. p. 824, nocmt Iiem Graaf Van j&raÄflMci; dat ϊβ:
Graaf van een aantal dorpen, landerijen en goederen in dat gewest gelegen. Bat, Sacra, i. a.p,
bl. 635. Vas 8paer, t. a. p. bl. 162.
(7) Vak spaek, t. a. p. bl. 166.
Κ
1
-,........- I · IIIIIII1I ·|ΐιιηίίιί·ιΓι1ηιιιίιιιί|·ίί11ίι li
-ocr page 37-BES VADERLANDS. 37
goederen geslicht, en, gelijk haar gemaal, rijkelijk begiftigd had (1). De reden, ÖOO—
welke dit edel paar bewoog zich aan de ·νν'6Γ6Μ te onttrekken, keninerkt den
geest dier lijden. Ansprid , die gewoonlijk te Driel bij Bommel zijn verblijf
hield, werd door een zijner bedienden onderrigt, dat de Graxin zich eiken nacht,
in het geheim, gedurende eenigen lijd verwijderde, zonder dat men wist Averwaarls
zij zich begaf. Door ijverzucht ontstoken, Tolgde hij haar, doch zijn minnenijd Yeran-
derdo in de hoogste achting, toen hij haar bij de deur eener kapel, onder eenen vlier-
boom, met het hoofd ter aarde gebogen, hare gebeden zag uitstorten, terwijl een he-
melsch licht haar omstraalde. Getrofïen door de vroomheid zijner gemalin , besloot hij zich
met haar van de wereld af te aonderen, en schonk op hare bede, den dienaar vergiffe-
nis, die in hem zulk een kwaad vermoeden had opgewekt (2). Anderen echter bewe-
ren, dat hij eerst na den dood zijner gemalin, den geestelijken stand omhelsd heeft (3).
Zieker weet men, dat hilswindis overleden was, toen ansfrid met de bisschoppelijke
waardigheid bekleed werd, welke hij, die onder de wapenen was grijs geworden, niet
dan met moeite en ondanks zich zelve, op last van οττο lil, aanvaardde. Hij legde
toen zijn zwaard op het altaar van St, Maria te Aken, en werd tot Bisschop ge-
wijd (4).
Ton bisschoppelijken zetel van Utrecht verheven, begiftigde hij het Sticht met een 997
groot gedeelte zijner aanzienlyke bezittingen; eenigen evenwel nieenen , dat hij die on-
der zijne bloedverwanten uitgedeeld hebbe, onder voorwaarde , dat zij deze als leenen
van het bisdom zouden bezitten (5). Ten behoeve van het klooster icllohorst, of den
Heiligen herg bij Amersfoort, door hem gesticht, stond hij af al wat hem toe- 1005
behoorde in de buurtschap Driel, benevens onderscheidene vlekken, hoeven, bos-
(1) Heda, p. 93. Vak mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 51. Vak spaeit, t. a. p. bi. 167.
(2) Oude Holl. Div. Chron. zevende Divisie, c. en bij τ. goüthoevek , bl. 254. De beka
noch HEDA maken hiervan eenig gewag. Dit heeft eenigen bewogen, dit verhaal als een verdicht-
sel , in later tijd uitgedacht, te beschouwen. Doch uit het stilzwijgen van eenige Schrijvcrs kan be-
zwaarlijk tot de onwaarheid van hetgeen een ander verhaalt, besloten worden. Wanneer wij de
tijden in aanmerking nemen, is er niets in dit verhaal, welk het ongelooflijk maakt.
(3) PoNTAsrs, Kist. Gelrica, Lib. V. p. 72. SticniENnoBST, Geldcrsche Gesch. Β. V. bl. 51.
Ainh. 1659.
(4) Van spaes, t. a. p. bl. 169.
(5) Heda, p. 93. Bohdam, Charterb. «, Gelderl. St. I. bl. 79. Vak spaeh, t, a. p. M. 170.
Kok, Faderl Woordenh. D. IV. bl. 1142.
■
/
-ocr page 38-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
..... :4P
sehen , meiden, kerken, en de helft van den lol en de munt Ie /''«c/iie (1). Laler
werd dit klooster, uit Trees voor vijandelijke aanvallen, in do stad Utrecht verplaatst.
De abten stonden eertijds in groot aanzien, en zaten onder de voornaamsten op
do landdagen. Z,ij oefenden in hun regtsgebied, buiten do stad, het hoog gezag
uit, en hadden ook binnen de stad eenen reglsban in burgerlijke, maar niet in
halszaken, over welken een schout het opzigt had. Hun hofstoet Avas vorstelijk,
ook hadden zij hunne leenmannen, dienstmannen, regters en een leenhof (2). ·— Ans-
FEiD Avas niet minder werkzaam, dat ook anderen zijn Slicht bevoordeelden, en
Avist zekeren fhethibold te bewegen, verscheidene goederen, in het graafschap Teister-
band gelegen, aan de kerk van Utrecht, tegen eene jaarlijksehe uitkeering, af te
slaan (3), Keizer οττο ΠΙ schonk aan dezelfde kerk, onder andere regten, ook
het Tol- gruit- en loissel-re^l te Bommel^ benevens de goederen, Avelke zekere poppo
in Teisterband en Arkel bezeten had (4). Hendrik. II bevestigde deze giften en ver-
meerderde die, door het jagtregt in Drenthe aan de ütrechtscbe kerk af te staan (5).
Belangrijker Avas 'sKeizers gunst, dat geen onderdaan van het Slicht, anders dan voor
den beschermer zijner eigene kerk {advocatus ipsius ecclesiae) mo^i , en dat
de goederen van vreemde priesters, binnen het gebied des Bissehops geslorven, welke
voorheen aan het Rijk vervielen, het bisdom zouden loebehooren (6). Niet op allen echter
had de ijver des Bissehops denzelfden bevredigenden invloed. Immers wordt geweldig
geklaagd over zekere Heeren van If ezemale , die eenigo goederen , reeds aan het bisdom
van Utrecht geschonken , met geweld aan zich gelrokken en der abd.ij van Tongerloo
gegeven hadden. »Maar," zegt deda , »die groote heeren hebben onzen Heer
niet kunnen bedriegen; want hun geslacht en naam, die weleer zoo beroemd waren ,
zijn nu reeds uitgestorven (7)."
Intusschen was de volijverige awsfrid blind geworden, en had zich, omtrent dezen
lijd, in het klooster Ie Ilohorst begeven, waar hij het monnikskleed aantrok en, naar
(1) De giflbricf wordt medegedeeld door büchelics ad dedam, p. 106; beter bij v. mieris, Char-
terb. V. Holl. I). I. bl. 57 j en met geleerde aant. bij dondam, Charterb. ν. (ielderl. St. I. bl.öS.
(2) Ilist. ofte Beschr. van 't Utr. Bisdom. D. L bl. 351, 356. Leiden „1710.
(3) Hed4, p. 94. Bondam, t. a. p. bl. 80. ' v" ■ '
'(4) Heda, p. Ü5. V. ïheris, t. a. p. bl. 55, maar bovenal bondam, t· a. p, St. L bl. 83. (
(5) Heda, p. 100, 101.
(6) IIeda, p. 99. Verg. glasiüs, Gesch. d. Christ. Merk in Nederl. D. I. bl. 201.
(7) IIeda, p. 93. Sed non potuerunt tanti domini fallere cdristüm: nam co deventum est, ut
et nomen et familia, alioquin clara, jam penitus cxtincta, et in oblivionera cedat.
1000
DES VADERLANDS. I 11
9
do M'ijze dier eeuwen, een vroom en slichtelijlc leven leidde. Om zijne liefdadigheid, '900—
oolmocd en godsvrucht Ic bewijzen, wordt verhaald, dat hij hier niet alleen dagelijks
twee en zeventig behoefligen spijsde, «laar hen met eigene handen verzorgde (1). Hij
overleed in hoogen ouderdom, bemind en geacht als een vriend van regt en waarheid, jqq^
Avien giften noch gaven van den weg der deugd konden afleiden ; die even leerzaam als be-of 1010
minnelijk was in den omgang, en wiens adel'van ziel die zijner geboorte evenaarde (2).
Ongetwijfeld moet hij hoog in de achting des volks gedeeld hebben, dewijl men het bezit van
zijn stoiTelijk overblijfsel aan zijne dochter, de abdis bünedicta , betwistte. Met geweld werd
het lijk door die van Utrecht ^veggevoerd, om de uitvaart in de Bisschoppelijke zetel-
plaats te kunnen vieren, in wier hoofdkerk het plegtstatig werd bijgezet (3). Kort daar-
na , zoo niet bij het leven van ansfäid , vertoonden zich de Noormannen, en bragten,
door het verwoesten der stad Tiel, aan het bisdom eene aanmerkelijke schade toe (4).
Het volgende jaar verschenen zij met eene vloot van negentig schepen door de Merue
op de Lek, die derhalve toen reeds bevaarbaar moet geweest zijn (5). Onmiddellijk
schaarde zich een deel ruiters en voetvolk langs den oever der rivier, welke daarenbo-
ven met eenige schepen werd bezet gehouden, en wachtte moedig de aankomst der
vijanden af. De voorhoede der Noormannen, niet verdacht op zulk eene krachtige
voorzorg, liet verschrikt, midden in den stroom het anker vallen, om de komst der
overige schepen te verbeiden. Daar het niet mogelijk scheen, met geweld door te drin-
gen, besloot men, na gehouden krijgsraad, om vrijen doorlogt te verzoeken, welke
werd toegestaan , onder voorwaarde, dat men zich van alle beleediging zoude onthouden.
Doch naauwelijks Avas den volgenden dag het voorste gedeelle hunner riool hij Duurstec/e
den /li/n ingevaren, of de landzaten vielen, met eenige weinige schepen, onder een ver-
(1) Batavia Sacra, D. I. bi. 632.
(2) sigebektus gejiblacensis , p, 824. Batavia Sacra, D. I. LI. 630.
(3) Ai-pehtcs, de Divers, temp. Lib. I. c. 16. Bat. Sacra, D. I. LI. 633. De zucht, om
de lijrcliiimcn, οΓ ten minste eenirje overblijfselen der Heiligen te bezitten was sinds dc vroegste
eemvcn, onder de Cliris(encn algemeen. In later tijden ging dit zoo ver, dat gemeenten, ja zelfs
steden en landen, dikwijls over het bezit daarvan, hevig getwist, ja, niet zonder bloedstorting,
gestreden liebbcn. Eist. v. h. Utr. Bisdom. D. I. bi. 133.
(4) Het sterfjaar van aksfrid wordt door de beka, p. 37. JIeda, p, 102. het Chron. Egmund
bij KLUIT, Ilist. Crit. T. I. P. I. p. 42. het Cron. dc Traj. p. 324 en anderen, op 1008 ge-
steld, Alperti's, een tijdgenoot, in 1. c. en ια]ηβεκτγ3 scuarnabcbceissis, de Reb. Germ. ρ. 316
in pisTOBii Script. Rer. Germ. Τ. I daarentegen, stellen het in 1010, endorden hierin door eenige
Schrijvers gevolgd. Bat. Sacra, D. I. hl. 633. Kuit in 1. c. p. 42. Not. 36.
(5) Va!( BOinuis, de Noorm, in Nedcrl. tl. 195.
-ocr page 40-40 ALCrEMEENE GESCHIEDENIS
1010 geschreeuw, op de achterhoede der vijanden aan. Op dit gerucht, wendden
de voorsten den steven , deden de Irouwlooze aanvallers terugdeinzen, en bezeilen den oever
met gewapenden, len einde hunne bestrijders den toevoer af Ie snijden. Den volgen-
den morgen verspreidde zich op de Stichtsche schepen het loos gerucht, dat de ruiterij
den TÏjand in een scherp gevecht had overwonnen, en dat reeds eenige zijner schepen
geplunderd Avaren. Hierdoor aangemoedigd , stormen de landzaten, zonder aanvoerder,
onbesuisd en met een woest getier op den vijand aan, wiens digt aaneen gesloten drom-
men het Sveinig moeite kost, de ongeregelde menigte spoedig uit de schepen en op de
vlugt Ie drijven, waarbij een groot aantal door het zwaard der najagende Noormannen
sneuvelt. De tijding dezer nederlaag en van den aantogt der Noren, brengt Utrecht in
beweging. Men maakt zich tot den dappersten tegenstand gereed , en verbrandt de woningen
der voorstad of haven, opdat do vijand zich er niet in zou nestelen. Deze echter verklaart
bij zijne aankomst, dat de veroorzaakte schade hem van harte leed is, dat hij tegen de
stad geen kwaad bedoelt, maar verzoekt, tot godsdienstige vereering, binnen gelaten
te worden. Toebereidselen tot eene moedige verdediging zijn het antwoord op dit schoon-
schijnend verzoek; en do vastberadenheid der inwoners, voorzeker meer dan de Toorge-
Avende eerbied voor de heiligheid der plaats en van haren Bisschop , noopt de Noormannen,
de welbevestigde stad te verlaten, zonder haar eenig leed aan te doen (1). Dit verhaal
van eenen tijdgenoot, die daarenboven met de Ulrcchtsche zaken byzonder schijnt be-
kend te zijn, verdient de voorkeur, boven dat van latere Schrijvers, welke in algemeene
bewoordingen melden, dat Utrecht door de Noormannen verbrand werd, en vele inwo-
ners sneuvelden (2), waartoe het verbranden der voorstad , ligtelijk aanleiding kan gegeven
hebben (3). De Noormannen verlieten hierop Nederland ^ en hebben het hoogst waar-
schijnlijk, nimmer weder door hunne roofzieke invallen verontrust. De reden hiervan
moet in de toenemende magt der Graven en Bisschoppen in deze gewesten , welke hen in
slaat stelde, den roovers eenen krachligen wederstand te bieden, maar voornamelijk in
de veranderde omstandigheden der Scandinaviërs zelve gezocht worden. »De ruwheid
hunner woeste zeden was, door verloop van tijd, door den omgang met de Westersche
volken, en bovenal door de aanneming des Chrislendoms aanmerkelijk verminderd; de
trek naar het zwervende zeeleven en bloedige strooperijen was grootendeels met den
.iv,·
Λ
(!) A-ipeetïs, de Divers. Tempor. Lil·, I. c. 10. Verg, van loos^ Aloude Holl, llist. D. II,
LI. 241. WagenaaB; D. 11. 1)1. 137; cn vak uoincis, de Noorm. in Nederl. bl. 1Ü7.
(2) Sigbbeut. gemb. p. 827. Chron. Egmund. apud ku'it, T. I. P. I. p. 42. Melis stokE;,
D. I. 1Ί. 105, lOG. Kluit schijnt mede dit {jevoclen te omhelzen.
(3) Vak leedwe;^ ad Chron. Tialense p. 78. not. ρ. Vau uoxnuïs, t. a, p. 1)1. 198. ^
-ocr page 41-DES VADERLANDS. I 11
dienst van othin Ycrdwenen , en door toeleg op den landbouAv en andere vreedzame be- yQQ_
ziglieden vervangen. Voor hen, die zich aah deze rustigere levensΛvijze nog niet konden 1010
gewennen, had zich eeno ruimere Laan geopend; zij bezochten verder afgelegene slre- ι
ken, die aan hunnen trek naar avonturen en begeerte naar rijkdommen , eene betere
en meer gemakkelijke voldoening beloofden. Maar voor het gros der natie ^vas het tijd-
vak van onrust en volksverhuizing, dat hare ontwikkeling vooraf ging, voorbijgegaan,
om nimmer weder te keeren (1)." Welligt heeft inwendige zwakheid, het natuurlijk
gevolg hunner veelvuldige togten, welke het land van inwoners beroofden, hen einde-
lijk genoodzaakt, Eurojya in rust te laten.
Ongeveer twee eeuwen hadden deze woeste en wreede zonen van het Noorden, schrik
en dood en verderf over Nederland verspreid. Het bisdom Utrecht, in het bijzonder ,
was het tooneel geweest hunner ruwe en teugellooze woede. » Door der Denen wreed-
heid bijna geheel verM'oest," zegt de beka , «en het land van bebouwers ontbloot,
bragt het eenen tijd lang, niet anders dan doornen en distelen voorl. De armoede ver-
hinderde de Bisschoppen naar Rome te gaan, om zich lot Aartsbisschop te laten
inzegenen, en noodzaakte hen de wijing te ontvangen van den meer nabij wonendeu
Keulschen Kerkvoogd, dien zij daardoor als hunnen Bletropolitaan erkenden; zelfs lieb-
ben zij eenen tijd lang, even als abten, zonder bisschoppelijken mijter dienst gedaan.
Eerst GODEBALD, die in elf honderd een en twintig den bisschoppelijken zetel beklom,
kreeg van den Paus verlof, om dit kenteeken zijner waardigheid te dragen (2)."
Er moeten echter andere redenen dan de invallen der Denen en Koormannen beslaan
hebben, welke de Utrechtsche Kerkvoogden van den titel van Aartsbisschop beroofden ,
welken willeerokd en bonifagius gevoerd hadden. Het Slicht Utrecht was reeds in
zeven honderd acht en veertig aan het aartsbisdom van Ments onderhoorig gemaakt,
en vier jaren later beweerde do Aartsbisschop van ^TewZew, dat het aan zijn geestelijk gebied
onderworpen was; alzoo ruim honderd jaren vóór dat de stad Utrecht in het bezit
der Noormannen geraakte (3). Het laat zich echter natuurlijk verklaren, dal men den
Noren geweien heeft, dat Utrecht tol de helft der zestiende eeuw den rang van aarts-
bisdom moest missen. »De nadeelen en rampen welke men van hen had geleden,
hadden zich zoo diep in het geheugen der nakomelingen geprent, dat men tot hen, als
lot eene algenieene bron, alle onheilen lerugbragt, waarvan de oorsprong door den loop
der lijden , onbekend of duister was geworden (4)." Zulk een schrik hadden zij verspreid, dal
(1) Van BOLnuis, t. a. p. bl. 202. ßtjl. en Bijv. bi. 102—104; en de aldaar aanjicliaal de
schrijvers.
(2) De beka, p. le, 43. ΙΙεολ , p. 3ö.
(3) Jlg. Gesch. d. Vaderl. D. I. bl. 333.
(4) Vas ?olubis, t. a. p. J)I. 221.
π. deel. β
-ocr page 42-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
yOO~ openbare godsdienstoefening in dien lijd , de eersle en voornaamslo bede was:
1010 »ijeer! verlos ons van de Noormannen (1)." Zij hadden do Bisschoppen en Gees-
telijken genoodzaakt het Slicht te verlaten, do stad was ten deele door hen vernield,
en de kerkelijke goederen en bezittingen waren overheerd geworden. De traagheid der
Vorsten Avas oorzaak, dat degenen, Avelke deze bezittingen den Noren ontrukten,
die niet aan de kerk teruggaven, maar voor zich zeiven hielden, als op den vijand
veroverd; en ieder nam er zoo veel van, als zijne krachten hem toelieten (2). Doch
sinds üirecht Aveder in het bezit der Bisschoppen gekomen was, wisten deze gees-
telijke Herders, gelijk wij zagen, van de gunstige omstandigheden voortreiTelijk gebruik
te maken, om de goederen en voorregten hunner kerk te herkrijgen en uit te brei-
den. » De rampen, door de ongeloovigen over het bisdom verspreid , bewogen niet
alleen Keizers en Koningen tot ruime giften, maar ook bijzondere personen beijverden
zich, de kerk met geschenken te verrijken, en aldus de zahgheid hunner zielen te ver-
Averven (3)." Hierdoor zagen zich dan ook weldra de Utrechtsche Bisschoppen onder
den rang der aanzienlijkste Avereldlrjke Vorsten vaii Nederland, die den magtigen Gra-
ven van Holland moedig het hoofd durfden bieden. Doch niet voor het bisdom van
Utrecht alleen, maar over het geheel, waren de rooftogten der Noormannen, hoe ver-
nielend ook , in vele opzigten weldadig in de gevolgen. Zij hadden, wel is waar , den
invloed der Geestelijkheid bevorderd, en voedsel gegeven aan het bijgeloof der tijden,
dewijl men aan de voorbede der geestelijken, en aan de hulp der Heiligen of de
Avonderkracht hunner overblijfselen toeschreef, wanneer ginds of elders eenig voordeel
op do schrikverwekkende stroopers behaald was (4). Maar daarentegen hadden zij
den oorsprong aan een groot aantal steden gegeven, en daardoor den grondslag lot den
later zoo gewigtigen burgerstand gelegd; zij hadden nieuwe bronnen van handel geopend,
en langs dien weg de nijverheid en het volkenverkeer bevorderd, de kennis van zeevaart
en scheepsbouw aanmerkelijk uitgebreid, en eindelijk dien riddergeest ontwikkeld , vvelke
van zulk eenen gewigtigen invloed, ook op den staat en de letterkunde van Nederland,
geweest is (5). ''
Geldek-LANd. Niet minder dan Utrecht, werd Gelderland bij den laatsten rooftogt der
Noormannen, geteisterd. Dit gewest was, gelijk vroeger Holland en al de overige Nederlan-
den, in verschillende graafschappen, van meer ofmindere uitgestrektheid, verdeeld, van
■)
(1) Van Wijn, Ilist. Avondst. B, I. bl. 222. Vcrjr. yllg. GcscL· d. Fadcrl. D. I. bl. 414.
(2) IIeda, p. 108, 109.
(3) IIeda, p. 78, 7Ü. Verg. v. boliiüis, de Noorm. in Nedcrl. bi. 223—22G. l i.)
(4) V. BOLHUIS, t. a. p. bl. 224, 225. ·, )
(5J Van vijs, Rist. Jvondd. ΰ, I. W, 2Cö. hüme, Hist. of Engl. Ch. III, ρ.41.London 1838.
DES VADERLANDS. 43
Avelke de \oornaainsle Avaren dat van Teisterband, ταη Kameland ^ Yan Gelre, en van ÜOO—
Zutphen. Teisterband omvatte , Avaarschijnlijk , den Tieler- en Βommelericaard, Buren,
Kuilenhurg en de landen van Fianen^ Arkel, Ileusden en Altena, tot aan deOwc/e
Maas (1). Van dit graafschap Avordt niet vroeger dan op het einde der zevende
eeuw, onder den naam van gouw [Pagüs), melding gemaakt; doch het is in de rijks-
verdeeling van acht honderd negen en dertig, een graafschap genoemd. Men stelle
zich echter niet een graafschap voor in den zin, welken M'ij thans aan dat woord
hechten, maar ecne gouw of landschap , waar de Vorst één of meer Graven, als amb-
tenaren aanstelde, en die alzoo wel Graven in Teisterband, χαΆΆν ïïkï van Teisterband
waren. De verbeelding der middeleeuwsche Schrijvers heeft niettemin , eene geschiedenis
of geslachtlijst van Graven van Teisterband voortgebragt, in welke vaak het onmoge-
lijke door het belagchelijke, het onwaarschijnlijke door het tegenstrijdige wordt afgewis-
seld. De naam van den eersten dier Graven zou waltger geweest zijn, terwijl echter
tevens zekere elias graius of elias grasilis , voor den eigenlijken stamvader der Graven
van Kleef en van Teisterband gehouden, en op hem het bevallige sprookje van den
Zicanenridder toegepast wordt. Immers verhaalt men , dat dieberik , de laatste Heer
van Kleef, bij beaïrix , de dochter en erfgename van avaltger, Graaf van 7
ecne eenige dochter, insgelijks beatris genoemd, had nagelaten , welke al hare voorou-
derlijke goederen genoot, en den Keizerlijken burg te Nijmegen, bewoonde. Op eenen
schoonen dag zag men langs den stroom, die haren burg bespeelde, eene sneeuwwitte
zwaan met eene gouden keten óm den hals naderen. Zij sleepte een bootjo voort,
waarin een moedig'jongeling, omhangen met een jagthoorn, een kostbaren ring aan
den vinger en een verguld zwaard in de hand, zich bevond. Een zilveren schild, in
een rood veld, waarop acht gouden Koninklijke schepters, kruiswijze gelegd, en ία
het midden met een schoon groenkleurig edelgesteente getooid, lag vóór hem. Hijkwam
uit het aardsche Paradijs; zijn naam was elias. Aan den burg te Nijmegen trad hij uit
zijne boot, en begeerde Beatrix te spreken. De schoone maagd naderde, heette hem
vriendelijk welkom, en geleidde hem naar haar verbhjf, Reeds te voren was haar in
eenen droom voorspeld, dat de heerlijke jongeling zou komen, haar gemaal worden,
en een gelukkig en zegevierend kroost de vrucht dezer vereeniging zijn zou. De ver-
zekeringen van ELIAS stemden met dien droom overeen, terwijl hij haar betuigde,
dat hij gekomen was, om hare talrijke vijanden te verdrijven, die na den dood haars
vaders, op hare erfgoederen vlamden. De echtvereeniging volgde weldra, doch onder
ééne voorwaarde van de zijde van elias , dat zijne gemalin nooit naar zijn geslacht of
afkomst moest vragen, dewijl zij hem dan dadelijk en onherstelbaar verliezen zou. Het
(1) WiGEKAiB, D. 11. 1)1. 138. Van sfaes, Ilist. t. Gelderl. D. I. bl. 27.
. 6 *
-ocr page 44-000—
1010
44 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
geluk vervulde zijne beloften en wenschen ; hij versloeg al zijne vijanden, deelde in de achting
der Vorsten en werd tot Graaf van Kleef verheven, welk land hij van het Rijk in leen
zou houden. Drie zonen verhoogden zijne huwelijksvreugde, en onder hen verdeelde
hij zijne goederen. Dirk , de oudste, ontving met het schild cn vergulde zwaard
des vaders, de graafschappen Kleef en Teisterband^ godfreed , den jagthoorn met
het graafschap van Loon, en koesraad , de jongste, den ring benevens het land-
graafschap Hessen. Vrouwelijke nieuwsgierigheid maakte een einde aan dien voor-
spoed, Beatrix kon zich ten laatste niet langer bedwingen, en vroeg in een ver-
trouwelijk oogenblik: »Heer! zult gij dan iiwo kinderen niet willen zeggen, van waar
gij gekomen zijt?" In stede van een antwoord, verdween elias onmiddellijk op deze
vraag, cn nooit mögt de troostelooze vrouw hem wederzien, Beromv en zelfverwijt
knaagden in haren boezem , en voerden haar, binnen het jaar , naar het graf. Latere Schrij-
vers , welke in deze vertelling eene opgesierde waarheid vermoedden, hebben aan het
bestaan van dezen elias niet getwijfeld, maar gegist, dat hij een man van eene geringe
of onbekende afkomst geweest is, en onder karel martel , in eenen veldslag legen de
Saracenen, sneuvelde. Zijne nakomelingen handhaafden zich nog eeuwen lang in het
Graafschap Teisterhand. Volgens dezelfde berigten , huwde de dochter van een hunner
met waltger, zoon van Graaf gerolf en broeder van dirk I, wien zij al hare vader-
lijke goederen aanbragt. 'Aksfried , Bisschop van Utrecht, zou hun achterkleinzoon
en de laatste Graaf van Teisterband geweest zijn, zonder dat gemeld wordt, wat
daarna van dit graafschap geworden is. Moeijelijk is het de waarheid, temidden van zoo
Tele verdichtselen, op te sporen. Zoo veel echter schijnt zeker, dat in den loop der
tiende eeuw, zekere walger. of waltger aanzienlijke goederen , misschien wel een graaf-
schap , in Teisterband bezat. Hij wordt voor een broeder vanGraaf dirk I van ^oZZawi/
geliouden, hetgeen evenwel bij eenigen niet boven alle bedenking verheven is. Na hem
komt het eerst ansfried voor, welke, nadat hij den Utrechtschen herderstaf had aanvaard ,
tJSROcn, een zijner nabestaanden , lot opvolger gehad , en wien hij mogelijk , een gedeelte
zijner goederen vermaakt heeft. Het graafschap van uiiROCH werd na diens dood, im-
mers voor een gedeelte, door den Keizer aan het Sticht Z7irec//i geschonken. In zekeren
bevestigingsbrief, eenige jaren later gegeven , vindt men voor het laatst, van eenen Graaf in of
^VLwTeisterband melding gemaakt. Allengs was dit graafschap deels in het bezit der Gra-
Ten van Holland, deels in dat der Bisschoppen van Utrecht, der Graven van Gelre
en der Hertogen van Brahand geraakt, cn werd eindelijk geheel ontbonden (1).
Even onzeker en in Terdichtselen gehuld als de bescheiden omtrent de Graven van
(1) Van spae5, Inl tot de Hist. v. Gelderl. D. III. bl. 122-202. Hist. v. Gelderl. D. I.
M. 27.
DES VADERLANDS. I 11
Teisterhand, zijn die betrekkelijk de GraTen van Hameland. De grenzen van dit ge- 1)00—
west kunnen, zoo min als van eenig ander Graafschap dier lijden, juist bepaald worden.
Men meent, dat het eeno groole nilgestrektheid lands beoosten Afin Rijn geweest is, die
zich langs de beide zijden van den IJssel uitstrekte, en in verschillende graafschappen en bij-
zondere gouwen verdeeld was, Tan welke zeer waarschijnlijk één, in eenen meer bepaal-
den zin, Hameland genoemd werd , en het lalere graafschap Zatphen, of althans een
gedeelte daarvan, omvatte. Men heeft zekeren avighman , een aanzienlijk Heer, lot stam-
vader der zoogenaamde Graven van Hameland verheven, en even onoordeelkundig als
eigendunkelijk, allen, welke onder dien naam in de geschiedenis voorkomen, onder
zijn geslacht geleld. Ondanks de verwarring en duisterheid hieruit ontsproten, kan
echter als zeker aangenomen worden, dat ·ννιαιΐματί, in het midden der tiende eeuw,
Graaf in Hameland^ of liever aan de oevers van den Rijn, geweest is en aanzienlijke
erfgoederen zoo Avel als Keizerlijke leenen, in deze streken bezeten heeft. Naar alle
waarschijnlijkheid had hij het graafschap, naderhand Zut^hen genoemd, onder zijn be-
wind; doch hoe verre zijn regisgebied zich eigenlijk uitstrekte, is niet mogelijk te be-
palen. Men wil, dat zijne voorouders het bewind over een gedeelte van Germant'é,
langs den Oceaan, gevoerd hebben, en hij zelf de kleinzoon geweest is van meginhakd , die
voor een Hertog yan Friesland gehouden wordt. Onder het weinige dat van hem isop-
geteekend, behoort de stichting van de abdij van Elten , welke hij aan het bestuur zij-
ner oudste dochter, de abdis luidgardis , vertrouwde, en met aanzienlijke bezittingen in
Hameland, op de /^e/wiije en elders begiftigde (1). Deze vrome mildheid mishaagde's Gra-
ven andere dochter, de befaamde adela, welke na zijn dood, een gedeelte dezer giften
als haar erfgoed terugeischle, dewijl haar vader, volgens de Saksische wellen, deze ,973
goederen, builen hare toestemming niet had mogen vervreemden." Na een langdurig
geschil, gelukte het Keizer οττο III daaraan een einde Ie maken. Adela deed af-
stand van al de giften, len behoeve van Ellen gedaan, behalve, vier hoven (curtes), >
die haar teruggegeven werden, en bleef overigens in het bezit van al des vaders aan-
zienlijke goederen (2). Zij was gehuwd met baldeaick, een broeders zoon van god-
FftiED, den Keizerlijken landvoogd [Praefeclus] in die streken, toen eene talrijke vloot
der Noormannen, Merwe en ^ααί tot aan Tzci opstevende. Bij het berigl hunner aan- jQQy
(1) De jjiribrief wordt gevonden bij bondam, Charterh. v, Gelderl. St. I. bl. 64; en hij schwaht-
lESBERG, Charterh. van Friesl. D. I. bl. 60,
(2) Van spaeä, Inl. tot de Hist. v. Gelderl. D. I. bl. 32—151. Tlist. v. Gelderl. D.I.bl.3l.
lict komt dezen Schrijver zeer waarschijnlijk voor, dat deze vvicniUN e'én is met dien Graafwicn-
11AX, welke in de Geschiedenis van Flaanderen, als Graaf van het slot Ic Gent voorkomt. Wst. v.
Geldcrl D. I. bl. 32; 33. Verg. hiervoor bl. 27.
-ocr page 46-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
ÜOO— komst, bevingen schrik en ontsteltenis de oeverbewoners, dio ia alleryl hun behoud in
1010 jg ^j^gj zochten , en den vijanden al hunne goederen ten prooi lieten, » behalve hun
geld, want zij waren kooplieden." Godfried , hoewel hoog bejaard en afgeleefd, steeg
te paard, en belette, ofschoon met moeite, het verdere vlugten der landzalen. Onder-
tusschen hadden do vijanden, zonder tegenstand, het half verlaten Tiel ingenomen,
geplunderd en in brand gestoken; het klooster van st. Walburga , door Graaf
WALGER gesticht en begiftigd, in puinhoopen veranderd, en de kerk van hare
kostbaarheden en sieraden beroofd. Godfried had middelerwijl eene groote me-
nigte volks onder de wapenen gebragt, en het bevel daarover, uithoofde zijner
hooge jaren, aan balderick en unrocu opgedragen. De Noormannen, die reeds
met den buit naar hunne schepen teruggekeerd waren, liglten onmiddellijk het anker
op het gezigt dezer bende, welke zij zoo spoedig nic't verwacht hadden, en voeren
half vlugtende, de PVaal af. Dit verlevendigde den moed der landzalen, welke, onder
ligte schermutsehngen, de roovers langs do beide oevers volgden, doch iiiel beletten
konden, dat deze eenige gehuchten, digt aan dien stroom, in de asch legden. Den
volgenden morgen echter sprongen de Noren onverwachts aan land, schaarden zich in
slagorde, en daagden hunne vervolgers ten strijde uit. Doch deze, meest landliedenen
onbedreven in den krijg, hielden zich, op last der beide bevelhebbers, in hunne stel-
ling, waarop de Noormannen zich weder inscheepten, en ongehinderd hunnen weg
vervolgden, zonder cenig merkelijk verlies bij dezen inval geleden te hebben (1).
FiiiESLAND. Meer dan Utrecht en Gelderland was Friesland, in dit tijdperk,
blootgesteld aan de roofwoede der Noordsche zeeschuimers, schoon de Christen geschied-
schrijvers er weinig of geene melding van maken; welligt dewijl deze rooflogten, bij
de vorigen vergeleken, niet noemenswaardig waren, of niet te hunner kennisse
kwamen (2). Men leest ondertusschen, dat de Noorweegsche Koning harald haarfa-
ger, zijnen twaalfjarigen zoon erik, vijf oorlogsvaartuigen gaf, met welke deze gedu-
rende vier jaren, de kusten der Oostzee, die van Denemarken, Saksen en Friesland
verwoesUe (3). Friesland was waarschijnlijk, te dien tijde, in drie hoofd-graafschap-
pen, Oostergo , fVester go en Staveren , en in verschillende kleine of onder-graaf-
schappen gesplitst, over welke tijdelijke Graven, in naam des Keizers, het bewind
zullen gevoerd hebben. Geheel Friesland, van de Kinhem tot aan de Wezer, om-
vattende het tegenwoordig ]Soord-Holland, Friesland, Groningen en Oost-Fries^
(1) AtPEUTBS, dc Divers. Tempor. Lib. I. c. 8. p. 96, 97, in eccard , Corpus Ilistor. mcdii
fleta. T. I. Lips. 1723. Ifct Chron. Tiel. brengt dezen togt lot liet jaar 1007 terug. p. 78.
(2) Van Doinuis, de JVoorm. in Nederl. hl. 188.
(3) Van bolhuis, t. a. p. bl. 177.
-ocr page 47-DES VADERLANDS. I 11
land, Lenevens Drenthe en een gedcelle Tan Overijssel, was in zeven gou\ven ver- 900—
deeid , welke do zeven Fricsche Zeelanden genoemd werden, en die gemeenschappelijk ^^^^
hunne kuslen tegen de Noormannen beschermden (1). Vele dezer zeeroovers bleven
achter en vestigden zich in Friesland; het zij, door zich met geweld van eenige
plaatsen meester to maaken , het zy , door de Christelijke godsdienst te omhelzen, en
alsdan werd van zelf hun het verblijf toegestaan, daar men hen niet meer als vijan-
den , maar als vrienden beschouwde, van welke niets kwaads te duchten, maar
veeleer, in geval van nood, zelfs hulp en bescherming te wachlen was, vooral wan-
neer zij, door huwelijken, zich met do landzaten vermaagschapt hadden (2). Het be-
hoort derhalve niet tot het gebied der onwaarschijnlijkheden, Avat van zekeren ODO,
denzoon eens Hertogs van Bothnie, in het Noordoostelijk gedeelte van Zicet/m, verhaald
wordt. Minzaam van aard en dapper, zou hij, bij een dezer strooptogten achtergebleven , 927
de achling der Friezen gewonnen, en zich met zijn neef frederik , in Ooiier^o nedergezet
hebben, alwaar hij een fraai slot of stins bouwde, en eene dochter uit hel adellijk geslacht
van camminga huwde. Uit hem , Avil men, ontsproot de vermaarde stam van botkia ,
die eeuwen in Friesland gebloeid heeft, doch reeds over lang is uitgestorven (3).
Wat men ook hiervan houde, alle berigten komen daarin overeen , dat de Noordsche volken
op hunne strooptogten , meermalen cn onvoorziens Friesland verwoest en bezet heb-
ben (4). Ongetwijfeld' heeft het gedurig gevaar, Avaarin de Friezen zich, uit hoofde dier
aanvallen bevonden, aanleiding gegeven, tot het vergunnen van het bekende vöori-egt,'
dat zij, om Avelke reden ook, niet buitenlands ten krijg mogten opgeroepen Avor-
den (5). De moed en Avak'kerheid van Keizer Hendrik I, boezemden den Noren geen
ontzag in. Zij deden te water en te land eenen plunderenden aanval op Friesland y 934?
doch werden door <ien dapperen Vorst overwonnen , schatpligtig gemaakt, cn ecnhunner Ko-
ningen , chiupiam of chusipiam , gedwongen, het Christelijk geloof te omhelzen (6). De De-
nen bleven echter nog steeds gevaarlijke naburen,en al het geluk en de dapperheid van eenen
I . ί - -Γ.
(1) LüLors, Verk. Gesch. d. Nederl. D. I. W. 77, 78. " ' ; ' ' '
(2) Tegenw. Slaat v. Friesl. D. I. bl. 283. '
. /3) Occo scAiiLEssis, bl. 79. . : ■ . ,i . ,r
^■ ' ■·'■ ..liiii·.: ·■ . ' ; . -iiu i ' - .■,) . it
(4) Wihsemhis , vC/iJOii. V. Vrjiesl. bl. 115, , , ? : . jj „.y
(5) ScnoTANDs ,' iV. Ilist. hl. 78. F/sjoebds,.Fr. Jaari.f D.>il. LI: V. Koinuis, t. a. p,
1)1. 281. _ _
(6) German. Chron. bij pisTonics, T, II. p. 718. ^ Sigebert. gemdlac, p. 811. Regino,
Chron. Lib. II. p. 103, spreekt Jiicrvan op het jaar 931, Icn vVarc aldaar eert' ander Deensclie Kó-
ninjf dan cdiupiam bedoeld vvierd. E. bekuhga brengt, ten önregtC; dit voorval tot het jaar 923te-
ru-j. IIist.v.Oostfrteslh\.dO,m. \
10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
ÜOO— otto I werden Tereisclit, om hen Ie Leleugelen. Hun Koning haralb bla.tasd ,
doo;' den Keizer overwonnen , liet zich met τγοπλτ en zoon doopen, en bevorderde
met nadruk de Christelijke leer in zijne staten. Jutland werd nu in drie bisdommen
gedeeld, en aan het aartsstift van Hamburg onderworpen, zoodat eindelijk het plan
van KAREL den Groote en lobeituk den Vrome verwezenlijkt werd (1). De invoering
der nieuwe godsdienst viel intusschen den meeslen Denen ondragelijk, en verwekte
een hevig misnoegen legen harald , die meer dan eens van zijn zetel verdreven Averd , en
eindelijk door de hand eens verraders sneuvelde. Velen verlieten uit wrevel en
wraakzucht hun vaderland, en verwoestten de omliggende, in het bijzonder de
Friesche kusten, zoo dat Friesland, gelijk men verhaalt, nooit te voren zoo schrikke-
lijk dojar de Noordsche zeeroovers was geteisterd geworden als thans (2). Omstandig
wordt een dezer rooftogten door eenen Schrijver geschetst, die zeker niet later dan in
de twaalfde eeuw kan geleefd hebben, en zich door naauwkeurige en eigenaardige schil-
deringen, voordeelig onderscheidt. Hij verhaalt, dat de Deen egil, zoo wel door zijne
dapperheid als skaldenkunst beroemd, na velerlei lotgevallen en strooptogten, zich omtrent
het midden der tiende eeuw, met den Noorweger arisbiorw vereenigde, Saksenland
plunderde en in het begin van den herfst, Friesland h^zochX, waar hij en de zijnen
des nachts, bij stil weder, zekere rivier opvoeren, »want men vond daar geene goede ha-
vens , maar breede ondiepten voor de kust. Hoogerop waren ruime vlakten, en niet
ver van de rivier, lag een bosch. Het veld was daar nat, dewijl er zware regens gevallen
waren." Hier landende , lieten zij een derde deel hunner manschap tot bewaking der
schepen , en trokken met de overigen, tusschen de rivier en het bosch voort. Spoedig
kwamen zij aan een welbewoond vlek, welks inwoners, zoodra zij merkten, dat er
» Vikingar'' waren, haastig de vlugt namen, welligt minder uit vrees, dan om zich op
een bepaald punt te vereenigen en de roovérs verder van de schepen te lokken , teneinde
hen gemakkelijker te overwinnen. De najagende Noren vonden nu een tweede en derde
vlek. »Hier strekte zich het vlakke veld in groote ruimte uit; het land was overal met
grachten doorsneden, met welke de bewoners hunne akkers en weiden haddpn omgeven.
Op sommige plaatsen waren groote palen in den kant der grachten geslagen, en plan-
ken lagen, als bruggen over het water." Ook hier vloden de ingezetenen en verspreid-
den zich in het bosch; doch vielen, meer dan drie honderd sterk, uit hunne schuilhoe-
ken op den vijand aan , toen deze ver genoeg was opgerukt. Een hevig gevecht volgde;
de Friezen namen op nieuw de vlugt en verstrooiden zich, vermoedelijk uit krijgshst,
(1) Van bolhtjis, t. a. p, bl. 187. i
(2) Ubbo ejijims, de Rer. ßris. Hist. Lib. VI. p, 86. ScnoTAifte, Fr.Hist.hh 78. F.sjoerdï,
Fr. Jaarb, D. II. bl. 122.
DES VADERLANDS. I 11
naar allo kanten, waardoor de heii vervolgende Noormannen insgelijks uiteen raakten. ÜOO—
Egil, slechts door eenigen vergezeld, drong stoutmoedig op een grooter getal vluglen-
den aan, die achter eene gracht teruglrokken en de plank wegnamen. Terstond sprong
hij over de gracht, en daar het niemand waagde zijn voorbeeld te volgen, zag hy
zich geheel alleen door de terugkeerende Friezen aangevallen, doch verdedigde zich zoo
dapper, dat hij zijne aanvallers, elf in getal,; in hel stof deed bijten. Nu legde hij de
lirugAveder over de grift, en begaf zich, langs het bosch, om desnoods daarin eene schuil-
plaats te vinden, naar zijne schepen, die zijne medgézellen reeds bereikt hadden. On-
derlusschen was door de roovers een rijke buit aan strand gebragt; doch terwijl zij bezig
waren dien in te schepen , stortte zich een groot aantal Friezen , geregeld en met werpschich-
ten gewa[iend, op eenen digt gesloten drom Noormannen , die met het, schild aan '
den arm, de wacht hielden. Egil, dus in zgnen togt verhinderd, Avierp zijn schild op
den rug, en viel, met snelle vaart, in het midden der vijanden , door welke hij zich , met
béide handen eene zware spies voor zich uit zwaaijende, eenen weg baande, en behou-
den bij de zijnen aankwam, die hem reeds verloren achtten. Hierop gingen zij scheep en
stevenden naar Denemarken (1). Wij hebben dit eenigziiis uitvoerig medegedeeld, ten
einde men zich een dénkbeeld Yorme van. de wijze, op welke deze zeeschuimers*;"?!"·;
hunne jooftogten uitvoerden. Uit het onbepaalde der beschrijving, durft'men geene
gissing wagen, waar dit gevecht is voorgevallen, en twijfelt zelfs, of de geschiedenis onzes
lands er wel aanspraak op kan maken (2). Wij zien echter even weinig, dat debeschryving in
strijd is met de toenmalige natuurlijke gesteldheid van ons Friesland, als dat het ver-
haal zelf, op dit gewest geene betrekking kan hebben, ο De Noormannen toch gaven steeds
»heinde en verre het bloed van menigen Fries den zwarten wolf te drinken." De Friezen
bleven, viMi hmme zijde , niet in gebreke, steeds ijverig deel te nemen in hel tuchtigen dezer
roofzuchtige vijanden, en οττο 1 wordt door een Noordsch Dichter » deidappere Koning
der Friezen" genoemd, die »luide zijne scharen ten strijd*e riep (3)." Ten tijde van οττο Π
stroopte de Deen qlafr langs de kuslen van Friesland, en na hem suEïf tiwgusgegg ,
de zoon van haäald blaatanp, wiens krijgsmakkers het misschien waren , welke gedu-
rende de minderjarigheid van οττο III, Slavoren, benevens andere plaatsen op deFrie- Oül
(1) Müller^ Saga Biblioth. S. 93, 94, bij van boiucis , rfe Noorni. in JVederl. Bijl. cnBijv,
hl. Ü6-ÜÜ. ^
(2) yah bolhüis, t, a. p. bi. Ü9. ''-i''^·'- ' -
(3) Vau Botnuis, t. a. p. bl. 188, 189.
Π, deel. 1
-ocr page 50-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
iiOO— sehe kuslen, plunderden en vernielden (1). Tusschen het Vlie en do Lauwers maakte
zich in dien tijd, het geslacht Tan joulsma zeer verdienstelijk in het bestrijden der
Noormannen, tegen wier strooptogten het ten slagboom strekte. Do begraafplaats
van vier helden uit dien Vermaarden stam, vond men op het einde der veertiende
eeuw, omtrent een uur gaans van Leeuwaarden, aan den dijk der Middelzee, in een
dorp, dat naar britsa joülsma, den oudsten dier broederen, nog heden den naam van
Britsum draagt. Uit het Latijnsche opschrift van den rooden vierkanten grafsteen 151eek,
dat BRITSA, do beschermer van Friesland genoemd, in negen honderd twee en negen-
tig, en een jaar later zijn broeder ilsta , overleden was; terwijl de derde, jeltse ge-
heeion, hen in het jaar negen honderd acht en negentig volgde, nadat hij door zijne
dapperheid, den Noormannen zulk een schrik en vrees had ingeboezemd, dat zij hel
bij zijnen tijd, niet waagden het land door hunne strooperijen te verontrusten. De
vierde broeder, met name noTSA, had het stedeke Vitgong geslecht, nadat hij menig-
Averf de zeeschuimers er uit verdreven had. Zijn sterfjaar wordt niet gemeld,
maar wel, dat hij de laatste van dit heldengeslacht geweest is (2). Na dien lijd
schijnen de Noormannen Friesland beoosten het ΓΊίβ, niet Aveder verontrust te hebben,
1007 ? ofschoon zij hunne strooptogten niet geheel slaakten. In hel begin dor elfde eeuw , ver-
scheen do twaalQarige olafr, haualds zoon, met eenigo schepen voor het strand van
Kinnlim {Kennemerland), waar hij door een zwarcn storm beloopen werd, doch het
geluk -had, de schepen op de ankers Ie houden. Terstond bij zijne landing vlogen de
inwoners te wapen, om den verdelgenden vijand te Λveren, en op het strand viel een
hevig gevecht voor, het vijfde op dezen logt, waarin olafr de zege behaalde. »Gij,
die de lafaards ter nederwerpt," dus spreekt sigvatr skald den Zeekoning aan , »hebt
in den vijfden helmen-vernielenden strijd gezegepraald. Voor de hooge kust (de dui-
nen) van Kinnlim hebben uwe schepen eenen hevigen storm doorgestaan. Intusschen
reed het leger met schitterende rusting op uwe bodems aan; doch uwe krijgsgezellen
trokken er tegen ten strijde (3)." Ondanks deze overwinning vertoefde olafr niet
lang in deze gewesten, maar stak naar Engeland over, Hij sneuvelde in duizend
(1) Vak boluüiS; t. a. p. bl. 190.
(2) WiKSEMiüs, Chron. v. Friesl. bl. 177/178. ScnoxAHCs, Fr. IIlsl. bl. 78. Bij het openen
Tan liet jjraf, vond men het lijk van ilsta joülsma η lanct thiende half voet met een vreeselyctcn ßroo-
tcn bacrdt, die, welclct! gerocrt ende bewojjen zijnde, terslont acn stoffende assclien ghevallen is.",
WiKSEJtius, t. a. p.
(3) Va3 boincis; ds Noonii. in JVcdcrl. bl. 192.
-ocr page 51-DES VADERLANDS. I 11
drio en dertig; en nadat hij, wegens zijnen ijver τοον de uitbreiding der Christelijke
Godsdienst, Hei Hg wag verklaard, Averden mJSederland ojiderscheidene Kerken aan
hem gewijd,
De invallen der Noren in Friesland, de langdurige ^γorsteling en de dappere, on-
vermoeide verdediging der Friezen, welko eindelijk door denschoonsten uilslag bekroond
werd, hadden eenen gewigligen invloed op het karakler van dit merkwaardig volk.
»Hierdoor was de krijgshaftige geest aanhoudend gevoed en versterkt, de liefde tot den
geboortegrond, voor welken men zich zoo vele opofferingen getroost had, aangekweekt en
do zucht voor vrijheid en onafhankelijkheid zoo diep in hun binnenste geprent gewor-
den, dat zij nog lang daarna, alle vreemde heerschappij verfoeiden, en zich alleen aan
den Keizer en het Rijk onderworpen rekenden. Van daar dat de Friezen hunne vrije
regtspleging toeschreven aan den wederstand, dien zij den Noormannen geboden hadden;
van daar die bloedige oorlogen met de Graven van Holland en allen, die hunne vrij-
heid durfden belagen; van daar die eigenaardige trek in het Friesche volkskarakter,
waardoor zij nog heden zich van de overige ingezetenen der verschillende rijken , waarloo
zij behooren , zoo kennelijk onderscheiden (ί)." >
Terwijl de Noormannen Friesland nog in vrees en onrust hielden, Stavoren in negen
honderd zes en negentig, voor een groot gedeelte, door eenen hevigen brand vernield
werd, en hongersnood en besmettelijke ziekten het gewest teisterden, dreigde eene
hevige tweespalt tusschen de adellijke geslachten van ehckema en jongama. , op het einde
der tiende eeuw, de algemeene ellende nog te verhoogen., Hï;ssei. aedes josgama , een
voornaam Friesch edelman, was door daitse ejfckema en ζφ'η neef solcke , bij de reg-
iere des gemeenen lands aangeklaagd, dat hij voor eene aanzienlijke som en andere voor-
deelen , aangenomen had , Friesland aan den Graaf van Holland te leveren. De mare
hiervan verspreidde zich weldra door het geheele laqd, en bragt aller gemoederen in
beweging. Johgama Averd in regte geroepen, veronlschuliligde zich, en beloofde zijno
onschuld, volgens regelen van regte, iehewyzen, onder aanbieding τλο genoegzaine
borgen, tot dat hij zich zou verantwoord hebben/ hetgeen hem Averd toegestaan. Hij
bepleitte zijne zaak ten genoegen der regiere, eischte nu, onderateund door zyne
nabestaanden en vrienden, dat hem do namen zijner aanklagers zouden genoemd worden,
ten einde op hen de eerroovende verongelijking te verhalen. Men maakte hierin zwa-
righeid, dewijl men zich verbonden had, die geheim te houden. De beide aanklagers,
welke als leden van het gemeene regt in Friesland, in de vergadering zitting hadden,
werden niettemin, te hunner beschaming en schande ontdekt, en verklaarden openlijk,
(1) Vau bolhcis, t. a. p. bi. 286. ^
-ocr page 52-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
'ki1(.7 Hunne aantijging alleen uil eencn ouden, ingeworlelden haat legen jongoia. was
Toorlgevloeid. Woedend over deze laagharlighcid , zou iiesset. zijne lasteraars lerstond
met zijn zwaard doorsloken heb])en, indien hij niel door anderen daarin Avare verhinderd
geworden. Op zijn verzoek,· Λverd hem echler, Ier verdediging zijner eer, een kamp-
gevecht met zijne beschuldigers vergund, onder "voorwaarde, dat daarmede voor altijd
do oude wrok zou vergeven en vergeten zijn. JoifGVHA., ondersteund door dien moed
welken de onschijld inboezemt, zegepraalde in dezen ongelijken strijd. ILvitse werd
het hoofd bijna geheel gekloofd, en solcke derwijze gewond, dal beide kort daarna
overleden. En zoo eindigde een twist tusschen twee aanzienlijke en vermogende ge-
slachlen, welke aan Friesland heillooze gevolgen scheen te voorspellen (1).
Op do lijst der waarschijnlijkheden en geloofbare gebeurtenissen, welke de Friescho
Jaarboeken, uit dit tijdperk hebben opgeleekend , behoort de vlugt vansiGFRiED of sikko ,
den tweeden zoon van Graaf arnout van Holland. Men verhaalt, dal hij een van
'sGraven hovelingen in een tweegevecht had geveld, en nu, beducht voor den toorn
zijns vaders, naar Friesland vlood, alwaar hij te Stavoren, door den Potestaat gösse
LUDïGMAW , minzaam ontvangen werd (2). Na eenigen tijd gaf deze Regent hem zijne
dochter tetta of tetburga , eene jonkvrouw van uitstekende schoonheid, ten huwelijk,
en nu besloot sikko, zich voor vast in Friesland te vesligen Graaf arnout echter ont-
bood hem verzoenend terug, en schonk hem eenige landgoederen, benevens het slot
lusschen Haarlem en Beverwijk. Het geslacht van Brederode , ten naauwsle aan de Hol-
Jandsche Graven vermaagschapt, zou alzoo, volgens dit verhaal, van moeders zijde, uit
Fricschci bloode ontsproten zijn (3).
Noord-braband ew limburg. Was Nederland, benoorden ^eMaas, het afwisselend
tooneel van oorlogen, strooplogten, verwoestingen en vernielende landplagen, ook de
gewesten , bezuiden dien stroom , deelden in de rampen dezer woelige lijden. Godevaart I,
wien BRUNO, ouder zijn oppertoezigt, het bestuur oyax Neder-Lotharingen oi Lotte-
rijk, had toevertrouwd:, was ïdoor zijn zoon godevaart Π, een zwak en werkeloos
Vorc'i, opgc^ olgd. Niet in staot den last Ie torschen, dien hem was opgelègd, werd
Lotharingen, οηύ,αί zijn bewind ^ bijna eene prooi der regeringloosheid, toen de dood
(1) Occo SCARLEMSIS, bl. 81, 82. WiKSEMius , Chron. r. Friesl. hl. 120. i
(2) Wage\aar , steunende op liet ijezag van den verdicliten klaas kolun , wil aan TFesl-Fi ies-
lund {jcdacht hebben. D. II, bl. 150.
(3) Occo scARLEiisis, LI. 80, WiMSEMics, Chron. v, Friesl, bl. 118. Verg. f, sjoerds, Fr.
Jaarh. D. II. bl. 149.
DES VADERLANDS. I 11
vau OTTO den Groote, liem \an dien raagligen arm beroofde, welke hera onderschraag- ÖOO—
de (1), LoTHAia, Koning Tan Frankrijk, achlle dit eene gcwensclile gelegenheid,
om het reeds lang gevormde plan, de vcreeniging van Lotharingen met zijne kroon,
Ie verwezenlijken. Uit dien hoofde trok hij zich de zaak van de Leide zonen des Graven van
Henegouwen aan, welke, door eruno van hunne erfgoederen en waardigheden beroofd, 973
naar Parijs gevlngt waren; en zond hen, terwijl οττο II zich 'm DuitschlandhG^onA,
aan het hoofd eens legers ih Henegouwen. Zij overwoinien do bevelhebbers des Keizers,
die beide in den slag sneuvelden, en vestigden zich vervolgens in het kasteel tZe ^oiitti,
Avelk zij versterkten, en van waar zij hunne verwoestingen over de omliggende
gewesten uilstrekten. In denzelfden tijd trok karel, de broeder van lotiiaib. en neef van
OTTO, in Lotterijk, om er eenige leenen weder te krijgen, op welke zijne moeder aan-
spraak maakte, als een gedeelte vau de weduwgift, welke haar door haren eersten
echtgenoot was aangewez^en (2).
Otto II noodzaakte, het volgende jaar, de zonen van den Graaf van Henegouwen 974
naar Frankrijk terug te keeren. Ondersteund door eenige Fransche Grooten, drongen
zy echter op nieUAv in Henegouwen, dat nu het tooneel werd van vele kleine gevech-
len en schermutselingen, in welke de beide Graven, en bovenal Prins karel van Frank·
rijk, blijken gaven van moed en beleid, maar nog meer van roofzucht en wreedheid. i)7()
De Keizer, die toen door de bewegingen van eoleslaus , Hertog van Boheme, en de
listen en oproeren van Hendrik, Hertog Beijeren, werd bezig gehouden, wenschte
van zijne grenzen een kleinen oorlog te verwijderen, die iiadeehge gevolgen konde .
hebben; hij schonk uit dien hoofde Νeder~Lotharingen in leen aan karel van ,
Frankrijk, onder voorwaarde, dat hij het tegen de aanslagen des Franschen Ko-
nings zoude verdedigen, en herstelde tevens de beide Graven in hunne goederen en
regten (3).
Lothair hierdoor in zijne plannen en berekeningen teleur gesteld, ontveinsde, in den
beginne, zijn misnoegen, om lijd te hebben, de noodige schikkingen en maatregelen
te beramen, ten einde zijn doel te bereiken. Onverwachts, eh in vollen vrede, valt hij 97S>
met eene uitgezochte bende, in Lotharingen, en dringt verwoestend en moordend door
Luxamhurg en de Ardennes, naar Aken, waar de Keizer, op niets kwaads bedacht,
zich bevindt. Te naauwernood ontsnapt οττο met zijne gemalin en gezin, doordevlugt
naar Keulen, aan de handen van lothair, die eenige dagen in de stad vertoeft, terwijl
zijne benden , ongehinderd , de omliggende streken verwoesLen. Doch op zijnen terugtogt
(1) Dewez , Ilist. Gén. de la Belg. T. II. p. 297.
(2) SiGEcERTDs gemblacessis , p. 820. SISMOHDI, Ilist. d. Franc. T. II. p. 334.
(3) SrCEBERTCS gemblacensis, p. 821.
-ocr page 54-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
^^κΓ wapenheraut van οττο, in naam zgns meesters, dat do Kei-
zer , verre van gelijk hij , verrassing en trouwloosheid te bezigen , hem verwittigde, dat
hij hem den eersten van Wijnmaand aanstaande, een bezoek in zijn Rijk zal brengen.
En inderdaad, op den bepaalden tijd valt οττο aan het hoofd eens magtigen legers in
Frankrijk , rukt verdelgend voort tot aan Parijs en plant zyne standaarden op de hoogte
van Montmartre. »Dit is voor het oogenblik genoeg," zegt hij, en trekt af, nadat
hij een groot aantal priesters, als tot schimp, een Halleluja heeft laten aanheiTen, op
zulk eene luidruchtige wijze, dat de inwoners van Parijs het hoorenkonden. Lothair
verzamelde zijne strijdkrachten en volgde den v^and, doch het blijkt niet, dat tusschen
de beide legers slag geleverd is; en de Franschen togen terug, toen de Keizer de
Ü80 Maas was overgetrokken. Kort daarop troffen de beide Vorsten eene overeenkomst,
waarbij lothaik. , door eenen plegiigen eed, van alle aanspraken op Lotharingen
afzag (1).
HertogKAREL bleef in het hem toevertrouwde bewind, en vestigde den zetel zijns be-
stuurs in Brussel. Zijn gedrag was echter niet geschikt, om de hefde des volks te verwer-
ven. Weelderig, wreed en inhalig werd hij zelfs vreesselijker voor zijne onderdanen , dan
de vijanden, welke hij moest bestrijden. Door openlijk deel ie nemen in de zamen-
zwering tegen οττο ΠΙ, den onmondigen zoon en opvolger zijns Aveldoeners, verwekte
hij door deze zwarte ondankbaarheid en trouwloosheid, de algemeene verontwaardiging , en
men liet hem geheel aan zijn lot over, toen hij bij den dood van lodewijk V van
Frankrijk, zyn regt op de Fransche kroon, als naaste erfgenaam, deed gelden. Met
geweld van wapenen trachtende to verkrijgen, wat de keuze der Franschen hem weigerde,
werd hij te Laon gevangen genomen en te Orleans in een toren opgesloten, uit welken
hij, op welke wijze is onbekend, ontslagen Averd of.ontvlugtte (2). Het is ten min-
1001 ste zeker, dat hij eenige jaren later to Maastricht is overleden (3). Οττο, zijn
zoon, Averd door den Keizer in liet bewind over Neder-Lotharingen bevestigd. Hij
regeerde in vredo en overleed zonder kinderen na te laten (4). Van zijne verrigtingen
(1) SlGEnËHTtS GEIIBIACENSÏS, p, 821, 822. IIeIIM. COiNTB.VCTl'S, ChrOH.^. 2G0. IaMII. ScnAFNA-
burg, p. 315. Heum. corïïeui Chron. p. .543.
(2J slgebeutüs gemlacessis, p. 823.
(3) Dettei , Uist. Gén. de la Belg. Toqi. II. p. 307.
(4) SiGEBERTis GEjiDi.vcEïfsis, p. 826. Mogii. <,Chron. Belg. p. Ü6, Dewez , t. a. p. p. 3ÜD, merkt
aan, dat met llcrfog οττο, de mannelijke slam van karel den Grootc eindigde. Sismokdidaaren-
tegen, verhaalt, dat Hcriojj karel nog twee andere zonen, karel en lodewuk genaamd, acliterliet,
die vervolgens eene sehuilplaats in Dmtschland zocliten, waar het geslacht van lodewuk eerst in
DES VADERLANDS. I 11
wordt nergens melding gemaakt; trouwens de geschiedenis leent hare stift, om gerucht- 900—
makende daden, die dikwijls het ongeluk dor wereld berokkenden, tot het nageslacht
over te brengen , maar verwaardigt zich zelden , die stille deugden te schetsen , welke
het geluk der volken uitmaakten (1). '
1248 uitstierf, llisl. d. Francais, T. II. p. 381. liet Magnum Chron. Belg. zcjjt, dat kaiiei cn
LODEWiJK uoj bij liet leven Jiuns vaders, stierven, p. 89.
(1) Βελυεϊ, f. a. ]). ρ. 308.
-ocr page 56-TWEEDE HOOFDSTUK.
van de
LAATSTE INTALLEiV DER ΝΟΟΗΜΑΓ<ίΝΕ]\ ÏIV NEDERLAND.
tot op
GERHARD I, GRAAF VAN GELRE.
! ÏOIU—10§S.
1010—Holland en zeeland. Do Graven van Holland, ofschoon zij toen nog dien naam
niet voerden, bezalen van ü^Kinhem tot aan do Maas, vele leen-en erfgoederen, die
ten Oosten, omtrent Bodegraven, aan het Slicht grensden. Hmi gebied was echter
nog niet een aanéén geschakeld graafschap geworden, en de Bisschoppen van wa-
ren , deels door giftbrieven, deels door aanmatiging, in het bezit geraakt van onder-
scheidene aandeelen in visscherijcn, jagten, tollen, belastingen en regten, hetgeen den
Graven zeer lastig was, en voel gaf tot duizenden geschillen, die eindelijk onder Graaf
DiKK III, in cenen feilen oorlog'uilbarstlen (1). Do hoofdaanleiding tot dien krijg ie
eenigzins duister. Men meent haar te vinden in 's Graven aanspraken op zekere boscli-
rijke landstreek, Mereweda genoemd, waarschijnlijk tusschen de oude Maas, AeMer-
we, Lek en IJssel ingesloten, welke door de Bisschoppen van Trier, Keulen
en Utrecht, hetzij als eigen goed, hetzij als rijksleen in gemeenschap, bezeten
werd, of in welke zij zich ten minste, het regt aanmatigden van te visschen en te jagen.
Graaf dirk zou, om zijne billijke of vermeende eischen te ondersteunen, de vesting op-
geworpen hebben, die weldra tot eene matige stad aangroeide, Avelke hij den naam
(1) verft. bilderdijk, D. II. bi. 8.
-ocr page 57-DES VADERLANDS. I 11
Tan Dordrecht gaf, en M'ier inwoners Friezen genoemd Avcrden (1). Anderen voegen 10^0^
er bij , dat de Graaf deze sterkte slichtte, om de Friezen , Λ\χ11ίο zich in Merxceda
hadden nedergeslagen en Morsaten of Moerasbewoners genoemd worden , in bedwang te
houden, dewijl hij hen , als des Bisschops mannen, verdacht hield van kwade en voor
hem nadeelige oogmerken (2). Hij belette nu niet alleen den Utrechtschen, om in deze
streken te visschen en te jagen, maar belemmerde ook hunnen handel, en bezwaarde
dien door eene schatting af te vorderen van de schepen, die van en naar Engeland voe-
ren (3). Het heffen van eenen tol, zonder Keizerlijke vergunning, was eene inbreuk ,
op de regten des Rijks, daar het zeker den bijzonderen Graven, zoo lang zij geene
landsheerlijke oppermagt (superioritas territorialis) bezaten , niet vrij stond , eigen-
dunkelijk belastingen op te leggen ; men achtte dit eene soort van roof (4). Het is
echter vreemd, dat de beide Utrechtsche Geschiedschrijvers, de bkka en heda, ja zelfs
Schrijvers, die om dien tijd leefden, volstrekt geen gewag maken van de Bisschoppelij-
ke bezittingen in Merwcda, noch van de zware schattingen, welke de kooplieden af-
geperst werden (5). Men zou derhalve dezen krijg evenzeer aan eene andere oorzaak,
als aan de opgegevene kunnen toeschrijven, en niet onwaarschijnlijk is deze in de
erkende heerschzucht van den Utrechtschen Bisschop te vinden. Adelbolb , thans iii
het bezit van den Bisschopsstaf, moet althans reeds eenigen tijd vroeger, het voorne-
men gekoesterd hebben, de aanwassende magt van Graaf dirk te beteugelen, doch liad
zich door den Deken waldebold, nog steeds van alle dadelijkheden laten terughou-
(1) Alpeutüs, de Divers. Temp. Lih. Π. c. 20. In navolging van μάοελαακ (D, II. bl. 140],
licweert bildekduk (D. II. LI. 9), dat Dordrecht ter plaatse van liet vroegere Durfos gesticht
werd, en \indt zelfs, dat de beide namen aaneen hangen, hetgeen reeds door van oudemioveh
uitvoerig is wederlegd geworden in Oudt- en nieuw Dordrecht, bl. 2. Ilaarl. 1666, ofselioon deze
Sclmjver vroeger van dit gevoelen niet afJceerig was in zijne Jieschryv. v. Ztiyt-Holland45.
153. Verg. onze aanmerking in de Algi Gesch. d. Vadcrl. D. I. bl. 424. Over den naamsoorsprong
van Dordrecht, Hollands oudsie, en vroeger Hollands eerste slad, worden verschillende gevoelens
opgegeven hij v. ouDEsnovEir, Beschr, v. Dordr. bi. 1—50. Beschr. v. Zuyt-Uoll. bl. 43—45,
m. balen, Jieschr. V. Dordr. bl. 77—82. Dordr. 1677. Zie mede de opheldering van den lieer
tvdejian op bilderdijk8 Gesch. d. Vaderl. D. II. bl. 319.
(2) Kluit, Ilist. Crit. Com. Τ. Ι. Ρ. I. ρ. 32-56. Τ. II. Ρ. Ι. ρ. 68.
(3) Baldeeicl's Chron. Camerar. Lib. III. c. 19.
(4) Van wijn, Bijv. en Aanm. op wagenaar, St. II. bl. 59.
(5) Van euijk in Batavia /Sacra, D. I. bl. 643.
II DEEL. 8
-ocr page 58-58 ÄLGEEEENE GESCIllEDEiNiS
lÜlO—den (1). De tolheffing to Dordrecht bood hem eene geschikte gelegenheid aan, den
Graaf bij Keizer ιιεϊνόβικ H , die Ie Nijmegen het Paaschfeest was komen vieren, in
een ongunstig licht Ie plaatsen. Hij werd hierin ondersteund door de kooplieden ταη
Tiel, welke beweerden, dat zij, indien deze tol niet werd opgeheven, noch naar
Engeland konden OTersteken, noch de Engelschen bewegen , om herwaarts te komen
handelen, en alzoo eindelijk buiten staat zouden geraken , den Keizer de gevyone schatting
op te brengen (2). Het belang van den handel woog zwaar bij iitewDRtK , en begerende,
dat deze onbelemmerd zoude blijven, beval hij godfried , Hertog ΜΆηΝeder-Lotharin~
gen, in welks ring Utrecht zoo wel als het land Merweda gelegen was, Dordrecht ie
slechten en 's Graven onderdanen van daar te verjagen (3). Te vergeefs trachtte
Graaf υιιικ, die zich mede op den rijksdag bevond, cene zachtere uitspraak te verwer-
ven; hij vertrok derhalve om geweld met geweld te keeren , en voerde, bij het Aveg-
gaan, den Utrechtschen Bisschop hooghartig te gemoet, »dat hij wel middel zou vin-
den , om zijn goed regt te verdedigen , en de uitvoering des bevels te verijdelen (4)."
Terwijl godfiiied zich bereidde, de bevelen des Keizers, Λvier billijkheid en regtvaar-
digheid zeer twijfelachtig zijn, ten uitvoer te brengen, opende Bisschop adelbold de vijan-
delijkheden tegen Graaf diric, door zekeren dirk bavo of bavoos zoon , die het graafschap
Bodenlo [Bodegraven) van het Sticht in leen hield, en waarover vroeger eerst zekere
werich , daarna een godezo , tot mark- of grensgraven waren aangesteld. Graaf dirk III
toefde niet, eene aanzienlijke magt bijeen te brengen, om de vernielende aanvallen van
bavo te beteugelen, wien hij weldra verdreef en zich van zijn gebied volkomen meester
maakte. Adelbold snelde terstond met talrijke benden zijnen leenman te hulp , doch werd
10 vau"^ eenen bloedigen veldslag, omstreeks den Rijn, door den Hollandschen Graaf over-
Hooi- wonnen, die nu het land beoosten dien stroom bij Bodegraven en Bodegraoem^XiacAw
maand .. , . , , , , ,
1018 zijn gebied hechtte (5).
Gloeyende van wraak over deze nederlaag, welke door het bloed van zoo vele Utrecht-
sehe ridders en knapen was bezegeld, trok adelbold het overschot zijner krijgsrnagt
bijeen en vereenigde zich met Hertog godfried, wiens strijdkrachten doo^ de benden
des Aartsbisschops van Keulen, der Bisschoppen van Trier, Kamerijk, Luik en
(1) PoiSTANüs, Ilist. Gelr. Lib. V. p. 77, A. suciiTiiniioRST, Geld. Gcsch. B. V. LL 3:.i.
(2) ALrERTLS, de IHvcrs. Temp, Lib, II. c, 20.
(3) Altertus in I. c. Lib, Π. c. 21.
(4) Vah ioorf, Aloude Holl. Eist. D. II. bi. 274.
(5) De BERA, p. 37. IIeda, p. 1Ó7. Chron. Tiel. p. 85. Oude Holl. Div. Chron. zevende
Divisie, LI. 116. Verji. kiüit; Bist. Crit. Com. ï. I. P. Π: ]>. 34, 35.
DES VADERLANDS. 59
hunne leenmannen, tot een ontzaggelijk {immensa) leger waren aangegroeid. Zeker
eiland, Yermoedelijk de Betmve, slrekle tot algenieene verzamelplaats der boudgenoo-
ten, AYelke zich op de Waal, bij Nijmegen^ inscheeplen, om dien stroom en do
af te zakken, en zich Tan Dordrecht meester te maken. Weldra Terscheen de TÏjan-
delijke τΙοοΙ in Merweda, en daar het juist hoog tij Avas, ontscheepte Hertog godfrieu
dadelijk het groolste gedeelte zijner benden, en gelaslte do overigen, met de schepen
de diepte te houden, opdat zij bij het vallen van het water, niet aan den grond mogten
geraken en door den vijand overvallen worden (1). De bewoners dezer landstreek, ver-
baasd over de talrijke legerscharen der bondgenooten, vloden naar iiort/rec/if, dal
Mu, van verre, door den vijand werd ingesloten. Het omliggende land was met grach-
ten doorsneden, vermoedelijk om het voor den vijand ontoegankelijk te maken , zoo wel
nis om zich van het overlollig zeewater, dat hier met de springvloeden hoog stond, te
ontlasten. Op dit lage en gebroken land verhieven zich hier en daar terpen of hoogten.
Op ccne dezer hoogten λ\ΐχ& Dordrocht gesticht, van waar men de bewegingen des vijands
gadesloeg , en verbeidde wat hij ondernemen zoude. Hertog Godfried , bevroedende dal
het onmogelijk zoude zijn, den Graaf in deze sterkte aan Ie tasten, trachtte hem tot eenen
veldslag uit te lokken. Derhalve beval hij eenige ligigewapende benden naar do hoog-
ten of verschansingen op te rukken, de bezellingen ten strijde uit te dagen, en daarna
onmiddellijk geregeld af te trekken; 's Graven volk hen achterna zetlende, zou dan door
bet hoofdleger op ruimer slagveld ontvangen en ligtelijk overhoop geworpen worden.
Men gehoorzaamde, en werd weldra handgemeen op het moerassige en gebroken land.
Do aflogt was niet geregeld geschied , gelijk bevolen was, maar mei overhaasting, en in
cene geheele verwarring ontaard , op het loos gerucht, dat Hertog godfried zelf was 29 van
aangetast, en op de vlugt gejaagd. Een kreet: vliedt, Heeren, vliedt, besliste
gcheelen slag. Het vluglen werd nu algemeen; velen sneuvelden onder het zwaard der lOlij
verbolgen Hollanders; een groot aantal, te zwaar gewapend, zonk en versmoorde in
de moerassen ; anderen , die den slroom konden bereiken , zwommen of waadden naar de
schepen , van welke echter sommigen , door de menigte der vlugtelingen, te gronde gin-
gen ; en de weinigen, die in de vaartuigen hun leven redden, roeiden in allerijl den
stroom op , zonder zich om hunne spitsbroeders te bekommeren. Vrcesselijker werd de
(1) Alpertïs in 1. c. Lib. Π. c. 21, noemt hef gewest, waar de vloot ankerde, Flartdingun
{Flerdttigen, Vlaardingen). Dit was waarschijnlijk toen de aijjemeene naam van de uilgeslrekte
landstreelc, lot welke ook Merweda behoorde. Yau λνυλ , ßijv. en Aanin. op vvagesaar , St. H.
lil. 00. Men acht, dat het graafschap Flartdingun zich oudfijds (en Noorden, Ier plaalse waar thans
Delft ligt, uilslrekle. Kluit, ƒƒ/«<. Crit. Com, Τ. II. Γ. 1. j). 70, 71. Ν. 8, De oorsprong der
stede Vlaardingen verliest zich in den diepsien nacht der Middeleeuwen; men wil, dat hare kerk
reeds in het midden der achtste eeuw wa« ingewijd.
8*
-ocr page 60-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
lOlO—slagling loen ook Graaf dirk, met een gedeelte der bezetting uit Dordrecht dc A'lug-
tende vijanden achterhaalde en hunne nederlaag voltooide. De Avegen lagen bezaaid met
dooden, stervenden en gewonden. Vele leenmannen, ridders en geestelijken van het
Slicht, en bijna al do Luikscho en Kamerijksche benden ^yaren gesneuveld. Men ver-
baart, dat in do drie naastbij gelegene gewesten zich geen gezin bevond, dat niet ten
minste het verlies van één der leden te betreuren had. Naar men meende, was na de
tijden van karel den Groote, in deze landen geeno zoo zware slagting voorgevallen.
Adelbold Avas in een bootje ter naanwernood ontsnapt; doch Hertog godfbied , zwaar
gewond, gevangen naar Dordrecht gevoerd, waar hij, naar het schijnt, met veel on-
derscheiding door Graaf DIRK behandeld , en zonder losgeld ontslagen Averd. Hij bemiddelde
daarop 's Graven verzoening met den Keizer en den Bisschop van , en, ofschoon
geenszins ten genoege van dezen laatste, Averd de overwinnaar in het bezit van het graaf-
schap Bodegraven en het land Merweda, het tegenwoordige Zuid-Holland, bevestigd,
welke hij voor altijd aan zijn gebied hechtte, hetgeen ongetwijfeld aan het gehecle graafschap
den naam van Rolland heeft gegeven (l). Wagenaar vermoedt, dat Graaf dirk deze
goederen van den Bisschop in leen heeft gehouden , wiens Maarschalk hij genoemd wordt (2j.
Het Charter echter, waarin dirk dien titel voert, is onwedersprekolijk in later tijd, dan
de dagteckening, zamengesteld , of verdicht, althans met onwaarheden en tegenstrijdig-
heden opgevuld (3). »Mij heugt niet," zegt van wijn, »schoon het zijn kan, elders
in oude geschriften genoegzaam bewijs gevonden te hebben, dat onze Graven Maarschal-
ken van den Bisschop, of van het Slicht van Utrecht ^ geweest zijn (4)."
' Wij hebben do oorzaken, het beloop en de gevolgen van dezen belangrijken krijg,
wiens uitslag zoo aanmerkelijk het aanzien van Graaf dirk deed rijzen, naar zij ons het
waarschijnlijkste voorkwamen, ontwikkeld, en lioofdzakelijk gelijktijdige, doch buiten-
landsche Schrijvers gevolgd (5). Onze inlandsche Jaarboekschrijvers, alle uit later tijd-
perk , zijn vaak met hen in tegenspraak, doch hunne verhalen zijn uileenloopend en
(1) Kluit, ïlist. Grit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ. 47.
(2) D. Π. hl. 148. ^ ,
(3) IJoHDAM, Charterb. v. Gelderl. St. I. bi. 'J5—'J8.
(4) Vau λνυκ , Bijo. en Aanm. op wagesaar, St. II. bl. 62.
(5) Alpeutüs, de Divers. Temp. Lih. II. c. 10—21. Baidericus , Chron. Camerar. Lib. III.
c, iy_22. Ditharos, lÄh. VIII. p. 42a, 426 en sigebertüs gemblic. p. 829, Verjj. kluit, Ilist.
Crit. Com. T. I. P. II. p. 64-90 en T. I. P. I. Not. 39—44.
DES VADERLANDS. 61
verward (1). Eenigen verhalen, dat Graaf dtrk , na tweemaal met grool voordeel legen den 1010—
Utreclitschen Bisschop gestreden te hebben, de West-Friezen aanlasUe, ora op hen den dood
xijns vaders te wreken; dat hem, door den Keizer, Hertog godfivied van Lotha-
ringen ter hulp Averd gezonden, doch dat op de vreesselijke slem,: vliedt, vliedt, het
Grafelijk leger do vliigt koos, en de Friezen het veld behielden (2). Anderen voegen
bij dit verhaal nog de bijzonderheid, dat Bisschop aüelbold, in den tweeden slag, door
Graaf DIRK gevangen genomen, en drie jaren lang in het kasteel IJsselmonde werd
opgesloten. Eindelijk verbond hij zich, doch met tegenzin, orn den Graaf in den oorlog
legen de Friezen behulpzaam te zijn. In het midden des gevechts, ging hij trouweloos
lot den vijand over, en dit verhaastte de nederlaag van het grafelijk leger. Weldra her-
stelde zich de Graaf, en viel nu met vernieuwde woede op de Friezen aan, die hij in
een bloedig gevecht bij Heiligerloo overwon (3).
Dirk III heeft, naar het schijnt, bij voorkeur, zijn verblijf in het nieuw verworven
gebied gevestigd, en zijn broeder sigfivied of sikko , het bestier over het Noordebjk ge-
deelte zijns graafschaps, -als landvoogd (P ra es es) , opgedragen. Sigpiiied had hem,
vermoedelijk na de Avederzijdscho verzoening, wakker bijgestaan in den strijd tegen dirk
BAVO, en wordt een fel krijgsman [nxiles acerrimus) genoemd (4). Het is gansch niet
onwaarschijnlijk, dat hij één is met dien sikko, een magtig, rijk an zeer dajiper man
{vir fotens divitiis et viribus fortis) , >velke poppo , den Aarlsbisschop van Trier,
door eene hst, van den overlast zijns mededingers adeleert. Proost van Sl. Pau-
liniiis aldaar, verloste. Onder den schijn van dankbaarheid voor eene genoten
vcrfrissching, wist hij zestig uiigelezene gezellen, in dertig vaten, die, zoo het
heette, met wijn gevuld waren, binnen het slot van adelbert te voeren, en
hem die ten geschenke aan te bieden. Adelbert , op geen kAvaad bedacht, aan-
vaardde het noodlottig geschenk, en nu sloegen de dragers eensklaps, op een gegeven
(1) Van r.riiJN liceft in zijne geleenle en oordeelkundijfc aanféekeningen op Sacra, D. Ι·
bl. 044 j de onderscheidene berigtcn over dezen irijjj, tegen elkander vergeleken en gewogen.
(2) Melis stoke, I). I. hl. 107, 103. Uitg. v. jiüijdecopen. Chron. Egmond. apudkluit,/iw/.
Crit. Com. Τ. I. Γ. Ι. ρ. 43. De beka, ρ. 37. De onjuistheid van dit verhaal is reeds aangetoond
door ncciiELiüs ad bekam, ρ. 38, 3Ü.
(3) Occo SCARLEHSIS, LI. 84. Oude Holl. I)iv. Kron. Div VUL c. 13. hl. 117, en bij w. v. goud.
HOEVEN, bl. 253. De Klerk uit de laage Landen, bl. 43—47, en het otide Goudsche Kron. bl. 24—27,
welke gcdccllelijk gevolgd worden door pontasüs, Ilist. Gelr, Lih. V. p. 77. Übbo emmics, üfer.
Fris. Jlist. Lib. VI. p. 89, ÜO en schotanus, Fr. Hist. bl. 80, 81. J. a. leydis, Lib. V.c.y.
schrijft Graaf dirk in dezen krijg, de zegepraal in vijf veldslagen toe.
(4) Van wijk, Bijt. cn Aanm. op λυαοεναακ, St. II. bi. G8.
-ocr page 62-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1010—teeken , do Talen open, grepen luui geweer en vielen met de ingeslotcne knapen,
die tegelijk oj)sloven, van alle zijden, de verbaasde omstanders aan. Adelbert en do
zijnen sneuvelden, het slot werdl geslecht, ea sikko , voor zijn trouweloos dienstbetoon,
rijkelijk door den Aartsbisschop begiftigd (1). De tijd waarin deze verrassing geplaatst wordt,
strookt volkomen met dien van onzen sigfried; en de waarschynlijkheid , dat hy de persoon,
hier bedoeld, geweest is, stijgt, wanneer men bedenkt, dat hij, naden dood van aksodt,
vermoedelijk medeërfgenaam geweest is van zijn vaderlijken oom egeert , Aartsbisschop van
Trier, en alzoo eenige goederen in dat bisdom kan bezeten hebben (2). De Aartsbis-
schop poppo, een Friescho naam, is zelfs veelligt een van zijne namaagschap ofFriesche
bekenden geweest (3). Iljj overleed omstreeks hel jaar duizend dertig , en rust, nevens zijne
echlgenoole , in de abdij van Egmond, -welke zij beide rijkelijk begiftigd hadden (4). In zijn
grafschrift Avordt gezegd, dat hij »het graafschap heeft nedergelegd, en door na te jagen
heigeen hij beminde, minder geworden is dan hij van zich zeiven (van geboorte?) was."
Daar deze laatste zinsnede duidelijk slaat op zijn ongelijk huwelijk, is het zeer waar-
schijnlijk, dat hy , uithoofde dezer echlverbindtenis, genoodzaakt is geworden, den Gra-
ventitel en het Grafelijk gebied af te staan, Avelke Iiij , als medeopvolger van zijn vader
ARïiouT, naar geboorte- en erfregt bezat (5).
(1) Vita meinweuci, Episcopi Patcrhrmiensis, c. 41 ad annujn 1017, in leibsitzh ëcript.
Brwisv. T. I. p. 542, 543.
(2) Egbert was overleden in ÜÜ'i. Chron. Egmond. in klüit, Ilist. Crit. T. I. I'. i. p. 41.
(3) Van wijk, Naleezingcn op de Fadcti. Ilist. bl. 123, 124.
(4) Melis stoke , B. 1. W. 101, 102.
(5) De oude E;;mondsclie Kronijk, hij kluit, Tlist. Crit. T. I. p. 39, zc^t uitdrukkelijk, dat
dirk de III® van dien naam, maar de vierde Graaf, te gelijk met zijn hroeder sigfried (««α ciim sifri-
Do fratre suo) zijnen vader arnoi't ojt^jevoljjd is. En dal sigfried een huwelijk aanging met eene
vrouw uit lager sland, scliijnt waar te zijn. Melis stoke, li. I. hl. 95 zegt van hem:
— ie Castrichem lustc hem das,
Dal liiere een wijf nam dor haer scone (schoonlieïd), '
Of dor der lovericn hone (bedrog).
Het hewuste grafschrift werd, op last van den abt van Egmond, dooriEo, een Egmonder monnik,
omtrent het jaar 1370, afgcsciircven. Sigfried avordt er slechts Praeses, zoo veel als plaatsbe-
Mecder, stedehouder, landvoogd of drost, in genoemd, en het luidt aldus:
Saepe stalu morum status immutalur bonorum,
(}uod comos exo^-il, quem lapis iste tegit.
DES VADERLANDS, 33
Ondertusschen bad de dood van Hendrik II, den Herlog ^an Zwahen, koekraadII, 1010—·
ten Keizerlijken zelel Terbeven, en Graaf dirk bevond zicb onder de Vorsten, welke bij jq3()
(leze plegligbeid op den rijksdag tegenwoordig waren. Hij wordt dibk van Fries-
land genoemd, even als bij eenen volgenden rijksdag te ïlirschfeld, welken bij
insgelijks bijwoonde (1); betzij, dat bem deze benaming gegeven werd, dewijl zijn
graafschap toen nog onder dien naam bekend stond; betzij , dewijl bij sedert bet verdrag
met den Keizer en den ütrecbtschen Bisschop, inderdaad de Friezen beoosten bet FUe,
beoorloogd en verwonnen bad, gelijk eenigen, doch naar ons inzien, niet op genoeg-
zaam gezag verbalen. Volgens hen, zou de Graaf in duizend zes enlwinlig, bet FUe
zijn overgestoken, vele vlekken en dorpen geplunderd en in de asch gelegd, eene
menigte volks gedood, en de landen tusscben bet /^ίΐ'β en do Eems onder zijne beve-
len gebragt hebben, met welke bij zijnen jongslen zoon floris beleende, die alzoo de
zevende Potestaat in Friesland zou geweest zijn (2). Meer zeker is, dat do dood van
siGFRiED, wiens onrustige aard steeds vrees inboezemde, en de vrede, die na het eindi-
gen van den ülrecbtschen krijg heerschte, Graaf dirk aangespoord hebben, eene bede-
vaart naar Jeruzalem te ondernemen. Sinds eeuwen waren deze bedevaarten door ge-
heel de Christenheid gemeen, en duizenden bij duizenden, uit alle rangen en stan-
den , bezochten den beibgen grond, als bet zekerste middel, om de zabgbeid te ver-
werven. Doch thans, in het bijzonder, stroomden Vorsten, Bisschoppen, en andere
zoo wereldlijke als geestelijke Grooten naar Palestina^ om de kerk des H. Grafs, door
de moeder zelve des Sultans, die haar omvergeworpen bad, herbouwd, Ie bezigtigen
Sicco, genus comitum, comitatum ponit avitum
Dam, quod amat, sequitur, se minus efjicitur.
Qui fundis, servis, aerisque nitcbat acervis,
Inferior solo Principe fratre suo.
Qui dum perpcndit quo mundi gloria fendit,
Juris multa sui tradidit liuic Domui
Stirps de siccoke processit in hoe regione.
Fljorens divitiiS; viribus, ingeniis.
Junius in Nonis (ulit bunc vi conditionis, ,
Qui sit vcra quies, pcrpeluusque dies. — Zie scriveribs, Chroii. van Holland, bl. 64.
De lloogleeraar tydemam is van gevoelen, dat de verbalen nopens sigpried, deels onzeker, endeels
ontstaan zijn uit verwarring van 'tgeen p]aa(s vond met de latere twee broeders, dirk. VII en
wili.e3i I. Bilderbijk, Gescfi. d. FaderL· D. L bl. 319.
(1) Vila SIÈISWERCI, c. 03. p. 557. c. 102. p, 559. , s r ^
(2) Scuotancs, Fr. Ilist. bl. 81. ^
-ocr page 64-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1010— cii te begifligen. Met dit oogmerk toog ook dirk III naar de heilige stad; en \ele
Edelen, onder anderen jaif, Heer van arkel , Tergezelden den Graaf, Avelke dien togt
gelukkig volbragt, en daaraan den naam van Jeruzalemmer verschuldigd is (1). Hij
keerde niet vóur duizend vier en dertig terug, dewijl in dat jaar de Heer tan arkel
op de reis overleed (2). Wie gedurende zijne afwezigheid, het graafschap bestierde,
hoe lang hij te Jeruzalem vertoefde, en Avat hij op dezen togt en na zgiie terugkomst
verrigt heeft,, wordt niet gemeld. Hij eindigde zijne dagen in rust en vrede, achterla-
27 vauteiide twee zonen dirk en floris, bij zijne gemalin othilde of witiiilde , eene doch-
rnrinti Hertogs οττο van Saksefi, die vijfjaren later hem in het graf volgde (3). Door
1039 zijne belangrijke veroveringen was, in den eigenlijken zin, het graafschap van Holland
gevormd en een aanzienlijk geheel geworden. Geeslelijke afgunst en partijdigheid in
eenen tijdgenoot, mogen hem, uit dien hoofde, met eene zwarte kool geschetst hebben,
de nakomelingschap daarentegen heeft hem, en met meer regt, onder de dapperste,
verstandigste en godvruchtigste Regenten van Holland, eene plaats aangewezen (4).
Dirk IY aanvaardde nu het bewind over Holland, dat is, over de Graafschappen
Zuid-Holland, Maasland, Rijnland en de overige goederen van dirk III. Aan
fi.oris Averd , waarschijnlijk, gelijk weleer zijnen oom sigfried , Kennemerland^nJVest-
Friesland, als grafelijk Stedehouder, ter bestiering overgelaten. » Dit schijnt ook na-
derhand veelal tusschen de Graven en hunne jongere broeders geschied te zijn, ofschoon
deze laatsten dikwijls als eigenmagtig handelden. Het kan zeer wel zijn, dat hun een
klein gedeelte van deze landstreek tot onderhoud [in appanagium) voor zich en hunne
nakomelingen gegeven werd; en dat zij dit gedeelte te hunnen eigen behoeve, het ove-
rige als lasthebbers hunner broeders en voor hen bestierden. Op hoop der toekomstige
opvolging, behielden zij de volle titels, wapens en verdere kenteekenen der waardigheid;
de oppermagt, meent men, bleef altijd aan den eerstgeborene (5). Bisschop BERifULF
(1) Chron. Egmond, apud klüit, T. I. P. I. p. 39. J. a. leydis . Lib. IX. iii fin. J. de
ΒΕΚΛ , p. 39.
(2) Ώο Vita et rebus gestis dominorum de Arkel, in hatineus, Analect. T. V. p. 208.
(3) Chron. Egmond. apud kicit , Jiist, Grit. Com. T. I. P. I. p, 39. 45. Melis stoke , B. I.
bl. 109. J. a. LEYDIS, Lib. IX. c. 1.
(4) Bisschop ditmarüs, die kort na dirks zcfjcpraal overleed, noemt hem: infaustus praedicti
Antistitis satelles, een lieilloos dienaar van den Utreclitselien Bisschop; juvenis ncfandus, een
rampzalig jongelinjj, en vloekt dan, even als david het gebergte Gilboa, het land, waar hij deze
overwinning behaalde, Lib. VIII. p. 425, 420. Bilderdijk , D, II. bl. 13. '
(5) Bilderdijk, D. IL bl. 13-—17 vergeleken met wagesaar , D. II. bl. 153, en kidit, Hist.
Crit. Com. ï. I. P. I. p. 45. N. 48. T. I. P. H. p. 49.
DES VADERLANDS. I 11
Λαη Utrecht bevestigde echter het vredesverdrag tusschen zijnen Toorganger adelbol» lo^—
) lüoo
en dirk III gesloten, zoo wel met floris als met birk IV zeiven (1).
De schoone en vreedzame lockomst, Avelke deze verbondsbevestiging voorspelde,
verdween Aveinig jaren later, in geschillen over het bezit van Zeeland bewesten de
Schelde, welk zoo lang een twistappel tusschen de Graven van en die van
J^laanderen gebleven is.
Het burggraafschap Zeeland, een gedeelte van Neder-Lotharingen , omvatte naar
het meest aangenomen gevoelen, in de Middeleeuwen de eilanden tusschen de Bornesse
en de Heidynzee, ofschoon deze wateren nergens afzonderlijk en onbewimpeld, als on-
twijfelbare grensscheidingen der Zeeuwsche eilanden beschreven worden (2). Do lior·^
nesse liep tusschen het Land van Voorne en Putten door, en droeg, in het bijzonder,
dien naam bij Geervliet en Heenvliet aan de Maas (3). Onder Heidynzee moet on-
getwijfeld do Hont of Westerscheldc, verstaan Avorden (4). De Schelde, ihans Ooéier-
schelde genoemd, verdeelde van alle tijden af, Zeeland'm Oost- en JVest-Zeeland,
of Zeeland beoosten en bewesten de Schelde. Het oostelijk gedeelte, of Zeeland tus-^
sehen de Oosterschelde en do Maas, ook Avel het land tusschen 31aas en Schelde
genoemd, wil men, dat een eigendom der Graven van Holland geweest zij, waarop de
Graven van Vlaanderen zich nooit eenig regt hebben aangematigd (5). Do Hertogen
(1) De ueka, p. 39. ' »
(2) N. AVKSTESDORP; Verhandelingen ovcv ondertcerpeii Uit dfi Oudheidkunde cti Godciileer. Delft
1S2G. hl. 123.
(3) Wagenaar, D. II. bi 252. Klüit , Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ. 102-112. Van wijk.
Bijv. en aanm. op λυαοεναακ , St. II. hl. 84-^86. Ν. westekdorp , t. a. ρ. bl. 123—126.
(4) Kluit heeft omslagfig beweerd, dat men weleer den naam van Heidynzee, Iledinczie ,
Iledencze, Hendeneze, Ucdinese, Heidenzee, Heidynszee, Heydene zee en Hedenesse, gé-
jjeven heeft aan het Ziü/m of de Zwine, een zeeboezem'bij Sluis in Vlaanderen. Hist. Crit. Com.
Τ. I. Ρ. II. ρ. 112—170. Λ'^αλ wijn omhelst mede dit gevoelen, Bijv, en Aanm. op wageitaar,
St. II. bl. 86—80. De geleerde westendorp daarentegen heeft, naar ons inzien, op onwederspre-
kelijke gronden het gevoelen van wagekaar (D. II. bl. 253) verdedigd, dat men onücvHeidynzee^
de Hont of Westerschelde verstaan moet. Verhandelingen, bl. —152.
(5) Klcit in l. c. p. 316. Het komt westesdoep (t. a. p. bl. 141) voqf, dat de stroom, die zidi
tusschen het eiland Schouwen en het eiland Goederede in den Oceaan uitstort, en thans onder
den naam van de Krammer of de Grevelinge bekend staat, toen voor deri alouden en voornaam-
sten tak der Oude Maas werd gehouden; en dat niet de Bornesse, maar deze tak, toen even als thans,
de Noordelijke grens van Zeeland uitmaakte; dat men derhalve onder de zegswijze: Zeeland tus-
schen de Heidynzee en Masemude, de eilanden moet verstaan tusschen de Wester-Schelde en
II. deel. 9
-ocr page 66-66 ALGEMEENE GESGHÏEDENIS
1010—van Νeder-Lotharingen of Brahand daarentegen hadden er nog oude aanspraken op,
^ die later door eene overeenkomst tussclien πενηκικ: van Lotharingen en Graaf dirk van
Holland, vereiTend zijn (1). West-Zeeland kende men onder den naam van Zeeland
tusschen de Ooster-Sehelde en de Ileidynzee, en bevatte de eilanden Walcheren, Noord-
en Zuid-Beveland, TVolfaartsdijk en Borselen. Het schijnt ook onder den naam van
JValcheren begrepen geweest te zijn, en was door Keizer πενοιιικΙΙ in duizend en zeven ,
indien niet eenige jaren later, aanGraafsouDEWus IV van/^iaawf/ere« in leen gegeven (2).
De Graven van Holland meenden er echter regt op te hebben, doch op ΛναΙ grond, is
mooijelijk aan te wijzen. Indien Fortrapa, door karel denEenvoadige aan zijnen getrouwen
DIRK geschonken , in Zuid-Beveland moet gezocht worden, gelijk eenigen beweren (3);
en het foreest Wasda, waarmede lothair II Graaf dirk II begiftigde, in het Land
van TVaas gevonden Averd , en dit land in het graafschap van dirk gelegen was (4), dan
schijnen do aanspraken der Ilollandsche Graven o^^ fVester-Zeeland, niet ongegrond ge-
weest te zijn; en do daad van Keizer Hendrik II Avas » eene aanranding van Hollandsch
overoud bezit, strijdig tegen alle regt, maar dat men zich moest laten welgevallen , dewyl
men geene magt had, zich tlaartegen met genoegzamcn nadruk te kanten (5)." Iloedit
dc Icjjcnwoordige Krammer of Grevelinge, η Indien deze Lescliouwinjr aangaande Zeeland he·
oosten do Schelde, of lussclien Schelde en Blaas, en voor het gelieele gcAvest, tusschen de
Jleidynzec en Blasemude, juist is, leert zij ons eene meer beperkte, gebruikelijlce en in lateren
lijd nojj geklijer grensscheidinj; van Zeeland kennen, dan die, welke aangeduid mögt worden dooi·
de Bornesse en de Jleidijnsee. De eerste toch sluit de vrije lieerlijkheid van Oost- en West-
Foorn uit; de andere neemt dezelve daarentegen op. Lang en veelvuldig \varen de twisten, welke
geleerde mannen uit Zeeland en Holland, wegens dezen omvang voerden, zelfs Iiel)ben hooge
geregtslioven somwijlen de deswegens ontstane verschillen moeten beslechten. Dat deze uiispraken
de door ons gewezene grens vaststeldenj dat dit begrip algemeen en gangbaar is geworden, pleit
niet weinig voor de opvatting van de hoegrootheid van: Beoosten Schelde of van: Zeeland tus-
schen de Schelde en Maas, of eindelijk, van Zeeland tusschen de Ileidynzee en ßiasemude."
Westeijdorp, t. a. p. bl. 145. 140.
(1) Kluit in l. c. p. 109—111, Bilderduk, D. I. bl. 257.
(2) Ditmarcs, Lib. VI. p. 383. Sigedertus gemblacensis , p. 826. Meyercs, Annal. Flandr.
Lih. II. p. 22. kidit, Rist, Crit. Com, Τ. I. Ρ. II. ρ. 184—188.
(3) Zie hiervoor, bl. 20.
(4) Zie hiervoor, bl. 20.
(5) uiluerdijk, D, I. bl. 2.58. Minder juist, naar het ons voorkomt, leidt «ilderdijk het regt
vaa Holland op Zeeland hieruit af, dat indien de gracht van οττο ten zuiden van Zeeland ge-
legen was, hetgeen genoegzaam zeker is, en alzoo daar het Fransche gebied van dat des Duitsclien
DES VADERLANDS. G7
zij , sinds dien tijd ontsproten de bloedige twisten tusschen Holland en Flaanderen 1010—
over het bezit van Zeeland, Avelke vier honderd jaren geduurd hebben (1).
Inmiddels was Hendrik III in het Rijksbeslier zijnen vader koenraad II opgevolgd,
wiens ijver ten behoeve der Utrechtsche Bisschoppen, in hem eenen weerklank vond,
Onder voorwendsel, dat dezen Kerkvoogden de landen aan Merice, Waal en Rijn pn-
vegtvaardig ontweldigd waren, trachtte hij hen in het bezit daarvan te herstellen. Te 1040
dien einde werd, waarschijnlijk op de Maas, eene aanzienlijke vlootbijeengebragt, met
welke de Keizer, nadat hij en zijne Greoten het Paaschfeest te gevierd hadden,
den stroom afzakte, Graaf dirk in het betwiste gebied [Phladirtinga) verraste en
hem de vermeesterde landstreek ontnam (2). Verbitterd over dezen onvcrhoedschen
aanval, en door het verlies van een aanzienlijk gedeelte zijner goederen tot wraak ge-
tergd, sloot DIRK een verbond metcoDFRiED, Hertog van Neder-Lotharingen, welke
op nieuw do wapenen legen Hendrik had opgevat, cn door wiens aandrijven, boude-
WIJN V, Graaf van Vlaanderen, ten nadeele des Rijks, hel land van AaUt had over-
rompeld , terwijl 's Graven zoon, robert , bijgenaamd de fries , in Walcheren, door
de benden des Keizers bezet, gevallen was (3).
Rijles scheidde, Zeeland zigtbaar aan Jlolland behoorde (waarom?), èn Flaahderen cr {jeené
aanspraak op kojide maken, de\vi)I dit graafschap een leen van Franhijk Avas, tn Franlmjk ^(icti
grondregt in Nedcr-Loiharingcn, waartoe Zeeland Lchoorde, konde hebben. « En die lijn,"
dus gaat hij voort, » die aldaar Frankrijk van JJuilschland scheidde, scheidde ook Frankrijks
leengrond van Duitschlands leengrond, cn nam dus alle regt van F/aawrfcren Aveg, zoo het al
eens bevorens een deel van Vlaanderen geweest λ\όγο." D. I. bl. 257. Nogtans had, na hot gra-
ven dezer grensscheiding, de Koning van Frankrijk Graaf dirk met het foreest Wasda besehen-
J<en, dat ouder Duilsch gebied behoorde, indien men onder dit foreest, gelijk hoogstwaarsehijnlijt
is, het Land van Waas verstaan moet. Zie hiervoor bl. 26. Daarenboven levert de geschiedenis
dier lijden van verwarring en doorcenwoeling, verscheidene voorheelden, dat de Vorsten vaak met
goederen beleenden, op welke zi] een zeer betwistbaar, dikwijls volstrekt geen regt hadden. Ook
was het niet de Koning \an Frankrijk , maar de Keizer van Ouiischland, welke den Graaf van
Flaanderen να,ΐ,ί /Fes<er-Zee/a?icZ beleende.
(1) Meyerüs, Annal. Flandr, Lib. II. p. 22.
(2) Herm. cohtuactus, Chron. apud pistonitsi, T. I. p. 286. Ofschoon van wijn, in de Bijv.
en jdanm. op wagehaak, St. II. bl. 65, juist heeft opgemerkt, dat hetgeen bij wagekaar, D. II.
bl. 15Ü, 161, 162, over Dordrecht en Keenenhurg gezegd wordt, slechts gtcunt op het verhaal van
klaas konjn, heeft dilderdijk echter, D. II. bl. 19, dezen Geschiedschrijver, zonder eenig on-
derzoek, gevolgd.
(3) sigederti's gemßlacensis, Chon, p. 834. IIerm, cohtractcs, Chron, p. 209. Lambektcs
pcifAFHABtRGEssis, de rchiis Gerpi. p. 318. 310» J. a. i.etdi8, Lib, XI. c. 5, Mevebi'8, Annal.
9 *
-ocr page 68-10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1010— Dood en verderf kenmerkten alom de schreden der bondgenoolen. Nijmegen Averd
door Herlog Godfried bernagligd, en het prachtig paleis, door karel den Groole ge-
sticht, in kolen gelegd. Hierop yi^vA Opper-Lotharingen het tooneel der Yerwoesting ,
terwijl birk, met een vliegend leger, in het gebied des Bisschops Tan Utrecht en dé
omstreken, de vreesselijksto yerwoestingen aanrigtle (1). De Keizer ontving hiervan het
1047 berigt to Spiers, waar hij het Pinksterfeest vierde, en besloot oogenblikkelijk een voor-
genomen togt naar Pannonië te staken, ten einde aan deze vijandelijkheden met nadruk
paal en perk te stellen. Ondertusschen Avas Paus leo IX, in Lotharingen geboren,
herwaarts gekomen, om door zijne tegenwoordigheid, de rust in zijn geschokt vader-
land te herstellen; en het gelukte hem, godfried te bewegen, om, bij monde vaneen
gezantschap, zynen opstand bij den Keizer te verontschuldigen, die hierin , ten minste
bij voorraad, genoegen nam (2). Doch eoudewijn bleef onverzettelijk en onderwierp zich
eerst tien jaren later, waarna hij door den Keizer , ten blijke van de opregtheid der
verzoening, niet slechts in het leenbezit vau //^a/c/tere» hersteld werd, maar hem ook
de vier Amhaehten in het land van Waas afgestaan werden (3). Ondertusschen be-
sloot hesdrikGraaf dirk tot onderwerping te dwingen, en verscheen tegen den Herfst,
op nieuw meteenc oorlogsvloot opdciliaai. Rij ushurgGnV laar dingen {Rineshiirg
Fleerdingen) , twee zeer versterkte steden {urbes niunitissimae) , Averden ingenomen,
doch overigens kondc wegens het ongunstige jaargetijde, den doorweekten grond, de
menigvuldige wateren en ondiepten, weinig uilgerigt worden. Men gaf derhalve bevel,
om weder scheep te gaan, doch nu zette Graaf dirk met kleine, ligte maar welbeman-
de vaartuigen de Keizerlijke bodems achterna, maakte zich van het grootste gedeelte
meester, en rigtte eene groote slagting aan onder de vijanden (4). De slrijdmagt des
Keizers was bijna geheel vernieligd , de krijg geëindigd , en Graaf dirk weder in het bezit
Flandr. Lib. III. ρ. 24. Wat mgenaar (D. II. bl. 15G), op {jezag van jieyerus, van boudewijns
inval ia Friesland op het jaar 1045 veiliaalt, moet misscliicn tot dezen togt gebragt -wordeiu
Kluit, Jiiii. Cni. Com. T. I. P. II. p. lyO.
(1) LaSIB. SCIIAFHAU. p. 318. IIeRH. COKTRACT. p. 2SÜ. SXGEDERT. GEMB. p. 834.
(2) Dewez, Rist. Gén. de la Belg., T. II. p. 334.
(3) Meiis stoke, li. I. bl. 112. J. a. levoisj Lib. XI. c. 5. In strijd met de eenparige ge-
tuigenis der oude Sclirijvcrs, plaatst bilderdijk, D. II, bl. 18, deze verzoening en leengift in
3047. Verg. kluit, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ. Gö—Gü, 121, tegen iiuynecopeus -iiahwt.
op welis store, D. I. bl. 58G. Zic ook IValeez. op de Faderl. liist. bl. 125.
(4) Lamb. scuafhab. p. 318. IIerm, contractüs, p. 28Ü. De overige bijzonderheden van dezen
togt, bij wagenaar, D. II. bl. 162, 163, steunen alleen op het gezag van klaas koiijn. Verg.
van -wijn , Bijv. en Aanm. op wagenaar , St. II. bl. 66. Bilderdijê evenwel heeft ze weder qj-
genomen in zijne Gesch. d, Faderl, D. 11. bl. 19, 20.
DES VADERLANDS. I 11
ran alles, ΛγαΙ hem Ie voren ontweldigd Avas. )) Men ziet hieruit hoe de inriglingen Tan 1010—
dien lijd geene eigenlijke oorlogen, maar alleen krijgsloglen toelieten, met wier misluk-
ken alles over was, en Avier gelukken zelfs niet baatte, -svanneer zij wat veno yan huis
geschiedden (1)." -
Niet lang smaakte Graaf dirk de Truchten zijner zegepraal. Op een steekspelte ZmÄ,
door een groot aantal Ridders en Edelen -vergezeld, had hij het ongeluk den broeder
des Aartsbisscliops van Keulen doodelijk te kwetsen. Oogenblikkelijk werd zijn gevolg 1048
aangevallen, twee zijner ridders, volgens anderen, twee natuurlijke zonen van zijnen
vader, verloren hierbij het leven, en hij zelf redde zich ter naauwernood door de vlugt.
Verbolgen over deze trouwloosheid, verbrandde hij , Dordrecht teruggekomen, de
Keulsche en Luiksche schepen , doodde, uit weerwraak , eenigen van de kooplieden uit deze
bisdommen, en hield de overigen in hechtenis , lot dat zij en hunne goederen voor een groe-
ten losprijs vrijgekocht Avaren, terwijl hij levens allen handel met do beide stalen ver-
bood (2). Deze daad van overijUng en geweld, had voor den Graaf het noodlottigste
gevolg. De beide Bisschoppen , vereenigd met die van Utrecht en Metz en den Mark-
graaf van Brandenburg, bragten een aanzienlijk leger bijeen, en trokken over de be-
vrozene wateren op Dordrecht aan. Door verraad van binnen geraakten zy in het bezit dezer
vesting, waar echter Graaf dirk, op zekeren nacht, door hulp van Heer gekard van
VUTTEN, ongemerkt en met eene genoegzame magt, wist in te dringen. Onmiddellijk
schaarde de Graaf zijne benden langs de stralen , en viel de verraders en vijanden aan.
Vier honderd Edelen met eenigen hunner bedienden werden geveld; velen, benevens
de Bisschoppen en den Markgraaf, ontvlugtten, onder bescherming van den nacht, het ]4 vau
bloedbad, en de overigen hielden zich in do huizen verscholen. Door een van dezen
werd de Graaf, als hij des anderen daags onbezorgd met een klein gevolg, langs de 1049
muren wandelde, met eenen vergiftigden pijl gewond , Avaaraan hij den derden dag over-
leed, De straat waar hom djt ongeluk trof, is nog onder den naam vaü Gravenstraat
bekend, en men;wijst het huis aan, gebouwd, zoo men meent, in de plaats van dat
iiit welk de schoot geschiedde, en Holland genoemd wordt (3).
Zioo eindigde Graaf dirk IV, Aviens onbetwistbare moed vaak de grenzen der yerme-
(1) Bxlderdijk, D. II. bl. 20.
(2) Florarium Temponim, en Manuscript. Vet. bij scbiveriüs , Chron. v. Holl. Zeel. cn Vriesl.
hl. 68 , 70. ileda,ip.'125,.et bbcüeiiüs ad hedaM; p. 127. Magnum Chron. Belg. ajmd ΡΐΒίο-
κχυΜ, T, III. p. 114. i..·. : -
Ό !
(3) Florar
iuni Temp, cn ßlatiuscript. Vet. Lij scriveutos^ t. a. p. Magnutn Chron. Belgt
j). 114. ilera. cortractus, p. 290. Melis stoke, U. I. LI. 110. Chron. Egmond. apudKLtiT,
Hist. Crit. Com. ï. I. P. I, p. 46Jii Cron, de Hollant, apud mattdeacji^, Anal. Τ. V. ρ. 530.
ΙίλίΕΝ, Beschr.
ν. Oovdr. 1)1, 699, Volgens De Klerk uit de Iciage Jjandew ^ bl. zou Graaf
dirk door een der llecrcn van kbik gclroffen zijn.
10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1010—teJheid naderde, een onrustig besluur van ruim negen jaren. Daar hij niet gehuwd
10S5 *
geweest Avas, werd hij door zijn broeder floris I opgevolgd, hoewel men betwijfelt,
of het regt van erfopvolging toen reeds gevestigd was (1). Eenigen willen, dat floris
door de Heeren of Aanzienlijken [Barones sive proceres) lot de regering geroepen
werd (2), in wier gerust bezit hij echter niet terstond geraakte, de\y\j\ JDordr echt,
althans het omliggende land Merweda, zoo het schijnt, kort na 's Graven dood, door
de bondgenooten weder veroverd en aan den Keizer onderworpen was geworden. De
op nieuw raüitende godfried van Lotharingen vermeesterde echter niet lang daarna,
cn waarschijnlijk ten behoeve van floris, deze streek lands, welke nu in het bezit
bleef ran den Graaf, ook nadat godfried in een gevecht tegen de zamenverbondene
1054 Bisschoppen was geslagen en op de vlugt gejaagd (3). TcUtrecht hield men floris wel
voor eenen overweldiger, doch trachtte niet eer door de wapenen het verlorene en af-
gestane te herwinnen, dan toen willem, een broeder van λνιαπακη III vanGe^re, den
Bisschoppelijken zetel beklommen had. Heerschzuchtig van aard, en ten Hove ongemeen
gezien, wist deze Kerkvoogd bij de Keizerin-weduwe agnes , welke als voogdesse van
haren vijfjarigen zoon, Hendrik IV, het rijksbeslier in handen hield, al zijn invloed te
doen gelden, en haar tot eene heirvaart legen ZToZZawi? aan te sporen. Hij zelf mengde zich
niet openlijk in dezen krijg, welketezynen behoeve ondernomen werd; en debelangen van dc
1058 kerk van st. maarten, werden toevertrouwd aauayichard van Ge/re, den Aartsbisschop
van Keulen, den Bisschop van , den Markgraaf van , den Graaf
van Leuoen en aan den Heer van Kiiik, wier vereenigde benden naar Holland opruk-
ten (4). Zonder wederstand te ontmoeten , werden eenige sloten door hen vermeesterd (5),
dewijl Graaf ploris, die Dordrecht en het land Merweda als het hoofddoel van dezen
logt aanmerkte, daar zijne strijdkrachten verzameld, en besloten had, den overmagtigen
vijand Teeleer door eene krijgslist dan in een openbaren veldslag te overwinnen. Te dien
einde liet hij de toegangen naar het punt van verdediging, met diepe kuilen of grach-
ten doorsnijden ^ die met ligt rijswerk en dunne zoden bedekt waren (6); eene krijgslist, die
(1) biiderdijk , d. ir. bi. 21.
(2) De beka , p. 40. de Oude Holl. Div. Kron., Nc[jende Div. c. 2; bij vas godtuoevex ,
bi. 259. De Klerk uit de laage Landen, bl. 50.
(3) hersr. contractüs, p. 290, 291. Waöenaar, D. II. LI. 165.
(4) J. a. leydis, Lib. XI. c. G. In plaats van Markgraaf van brandenburg, -nillen cenigen
liever gelezen hebben: 'ίίΆΐΙίζΐΆΆΐ ßrahand οΐ Anticerpen, Scriverius, Toetssteen op hei
Goud. Kron. bl. 233;
(5) SlfiEBERTUS gehblac. p. 837.
(0) J. α LEYDls in 1. c. liet Oude Goud.sche Kron., bl. 31. Scbiveritts houdt deze krijgs-
list, in cle gegeven omslandiglieid; voor ongeloofelijt. Toetssiein op het Gouds, Kron,, b].235.
DES VADERLANDS. I 11
reeds aan de Egyptenaren wordt toegeschreven, en van A\elke de geschiedenis der Mid-lOIO—
deJeeuwen onderscheidene voorbeelden oplevert (1). Wel toegerust en onverschrokken
wachtte floris te Dordrecht do vijanden af, die onbezorgd, en als zeker van do over-
winning, aanrukten, toen plotseling de voorhoede, over elkander tuimelende en de een
den ander verpletterende, in de bedekte pulholen stortte. In dit oogenblik der aller-
uiterste verwarring, valt FLORIS met zijne geregelde benden, de verbaasde vijanden
in den rug, maakt onder hen eenc vreesselijko slagting en behaalt eene volkomencover-
winning. Men begroot, doch zeker buitensporig overdreven, het getal der gesneuvel-
den op zestig duizend, en onder hen de Bisschop van Luik met vele Edelen en Ridders.
WiGHARD van Gelre, naar het schijnt do opperbevelhebber des legers,! benevens de
Graaf vau Leuven waren gevangen genomen en werden niet dan na bet Tohioen van
eenen aanzienlijken losprijs, voor ieder tweo duizend marken zilver, ontslagen (2). Graaf
FLORIS heeft nu ongetwijfeld de veroverde sloten hernomen,* .immers wordt gemeld,
dat hij thans zijnen vijanden derwijze do kracht zijner wapenen deed gevoelen, dat zij
zich niet langer veilig achtten in do sterkten, die door hen bezet waren (3).
De bloedige nederlaag der bondgenooten had hen slechts voor eenigen tijd tot rust
gebragf. Dorstende naar wraak en steeds vlammende op het bezit van het'b'etwiste
grondgebied, rukten na weinige jaren, do Aartsbisschop van /Tew/c», de Markgraaf van lOü'l
Brandenburg, en de Heer van Kuik met een nieuw en talrijk leger naar de Holland-
sche grenzen. Graaf floris , die thans over eeno aanzienlyker heiriiiagt konde beschik-
ken dan bevorens, trok hen legen, en ontmoette hen tusschen Maas en Waal^
nabij het dorp Neder-Hemert in den Bommelerwaard, tegenover Ileusden, Hevig en
bloedig was de strijd, doch ook hier zegevierde floris en sloeg den vijand,pp de vlugt.
Vermoeid en verhit van het gevecht, verspreidden zich zijne benden ginds en herwaarts
om uit te rusten, en hij zelf zette zich nabij het slagveld onder een boom, waar hij in-
sliep. Hier werd hij door den Heer van Kuik overvallen, die de verstrooiden^ en vlug-
lenden had bijeengebragt, en door de hulpbenden van allaerd , den broeder des
Graven van Leuven, was versterkt geworden, en vond met honderden zijner
dapperen, na de sehitterendslo overwinning, den dood ' Weinig tijds daarna
Λ
Μ
(1) Bccheliüs ad deoaji, p. 127. Van deze krijf[slist maakten, onder anderen^ do Noormannen
{jcbruik tegen Ilertog Hendrik in 887. Regino, Chron. Lib. II. p. 80., .'. ,.
(2) J. α leydis, Lib. XI. c. 6. Oude Holl. Div! Kron. Nefjende Div. c. 3. Van οοϋτποΕνε»,
1)1, 259. Onze oudste jaarboeken, het Chron. Egmund l»j kluit, en beiis stoke, spreken even-
min van dit gevecht als De Klerk mn de laage Landen, en Hlq CrotitcadeIIollanth\\ mattiiaecsj
Analect. T. V, p. 530. ^
(3) Melis stoke , B. I. bl. 114—110.
(4) Melis stoke, B. I. bl. 116. De βεκλ, γ. il, Chron. Egmunda^vAs.LMit, p. 4i). J. a. leydis,
Lib. XI. c. 7. Cron. de JloUant, in μαΙτπαει Anal. Τ. V. ρ. 530. Het Oude Goudsch. Kron. bl. 32.
10 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1010—rukte de achterhoede ταη het grafelijk, leger, Avelke, naar het schijnt, geen deel in
den strijd genomen had, niet verhaaste schreden op den Heer van Kuih aan, versloeg
hem met al zijne manschappen, en voerde 'sGraven lijk naar Egtnond, waar hetplegt-
slatig in de kloosterkerk werd bijgezet (1).
De ontijdige dood van den wakkeren Graaf, wikkelde den staat, en bijzonder het
grafelijk Huis, in de uiterste moeijelijkheden. Nevens twee dochters, bestha en hach-
teld, had floris slechts een minderjarigen zoon, dirk genaamd, achtergelaten, die
hem, onder de voogdij der Gravin-weduwe, geertruid van Saksen, opvolgde. De
xwakheid dezer vrouwelijke regering moedigde den Bisschop van Utrecht aan, zijne
eischen op een gedeelte van het graafschap Holland te vernieuwen; en daar zijn boe-
zemvriend ANNO, Aartsbisschop van Keulen, die zulk eene voorname rol in dekrijgstog-
10C2 len tegen Holland gespeeld had, thans den jeugdigen Keizer bijna geheel beheerschte,
viel het liem niet moeijelijk, zijne aanspraken door Keizerlijk gezag te dekken, en van
den dertienjarigen Vorst te verwerven, Avat hij begeerde. Hekdrik » die alles deed wat
hem bevolen, ialles leekende wat hem voorgelegd werd (2)" schonk den Utrechtschen
1064 Bisschop, bij éenen giftbrief, den dertigsten van. Grasmaand , in eigendom, het geheele
graafschap dat dirk III in Westßinge {^bewesten het VUe) en langs de oevers van den
Rijn bezeten had, met de abdij van daarbij behoorende (3)." Den tweeden
van Bloeimaand daaraan volgende, Averd hier bijgevoegd een aantal goederen wijd en
zijd van Petten tot aan de Maas toe, verspreid, welke de » gemelde Graaf dirk III
en zijne beide zonen dirk IV en floris I der Utrechtsche Kerke anregtvaardig ont'
weldigd hadden" Zoo als ook »het geheele graafschap in Holland^ met al wat tot
do Koninklijke schatkist behoort; en daarboven nog het leengoed welk Graaf wirigu
van Bisschop adeleold plagt te houden , na hem door godezo , vervolgens door dirk ,
bayo's zoon, was bezeten, en zich uitstrekte vnn Sigeldrecht tot aan Rinesmut hen, en
boven, van do westzijde des Rijnstrooms, lot in Rodegraven (4). Indien men onder
het graafschap in Westßinge en langs de Rijnoevers {ad oras Rheni) geheel Noord-
"Holland, en onder het graafschap in Holland {comitatus omnis in Hollandt) geheel
Zuid-Holland,'yan de Maas of Rijn tot aan de Schelde toe verstaan moet, dan bleef
(1) Oude Holl, Divisie Kron, Negende Div. c. 3. bl. H4i Vak goutnoeveff, bl. 259.
(2) Lamb. sciiafkadurg. p. 330.
\
(3) Diplom. herr. IV, apud hedam, p. 128. V. mieris, Charterb. D. I. bl. GO. scrivtkui
•wil liever, volgens de HandschiiFten, fFcsterlinge gelezen hebben. Chron. v. Holl, bl. 82,
(4) Diplom. heisr. IV. apud ued4M, p. 129. V. mieris, 1, c. bl. 67.
-ocr page 73-DES VADERLANDS. I 11
er weinig over voor den erfgenaam van flohis I (1). Men reglvaardigl deze beschikking lOlO-f
, . τ 1085
aan 'sKeizers zijde, dewijl men zekerlijk Icn Hove liet regt van opvolging in floris 1
niet heeft ΛνίHen erkennen, daar het niet bewijsbaar is, dat het broederen erfregt in ,·.. i
leen toen reeds gevestigd was, ofschoon het gebruik wel medebragt, dat bij het kinder-
loos overlijden des leenmans, het leen op zijnen broeder overging, doch de-bepa-
ling daarvan verbleef geheel aan den Keizer. Bij het opvolgen van floris I schijnt
men het Opperhoofd des Rijks niet erkend te hebben; de Keizer konde met den dood
van DIRK IV, overeenkomstig de wellen van het leenwezen, het leen van Holland als
aan het Ryk terug gevallen beschouwen, en zich alzoo geregtigd achten, den Bisschop
van Utrecht met zulke uilgestrekle goederen te verrijken (2).
Het was echter ligler zich door giflbrieven een regt op deze graafschappen en goede-
ren te verschaiTen, dan zich daarvan met de daad meester te maken. Bisschop Willem
althans beproefde dit vooreerst niet, maar trok nog in den herfst van hetzelfde jaar, ver-
gezeld door eenen luisterrijken stoet, en gevolgd door eene menigte volks, ter bedevaart
naar het Heilige land; terwijl in Holland eene verandering in den slaat van zaken was
voorgevallen, die hem den weg, om zijn doel te bereiken, moeijelijker scheen te ma-
ken. Immers waren de belangen van dit gewest niet langer aan de magtelocze be-
scherming eener vrouw toevertrouwd, maar aan de zorgen van robert de Fries, die
zich reeds door daden van dapperheid en moed had bekend gemaakt. ' ï Γ
Hij was de jonger zoon van boudewijn V, Graaf van J^laanderen, die bij de min-
derjarigheid van FiLips, Regent van Frankrijk geweest was. Meer ridderlyk en heersch-
zuchtig van aard, dan gelukkig in zijne ondernemingen, had hij te vergeefs beproefd
dc Saracenen uit een gedeelte van Spanje te verjagen, en voor zichzelven in Gallicië,
een nieuw rijk te stichten (3). De verkoeling door het mislukken van dezen togt, tus-
sehen hem en zijnen vader ontslaan, schijnt hem naar het Hof van flobis I gevoerd to
hebben, waar hij minzaam ontvangen werd (4). Na den dood van dezen Graaf
was hij met eene gewapend^e magt in Holland gevallen, om zich Tan de regering meester
te maken, doch tweemaal afgeslagen en terug gejaagd geworden (5). Daar hij echter
besloten had te overwinnen of te sneuvelen, en door den Graaf van Vlaanderen,
r
(1) Bilderdijk, D. II. W. 26. Vcrjj. wagenaak, D. II. LI. 173, 174.
(2) Bildehdijk , D. II. bl. 25, 26. »
(3) Lasib. scnafkabueg. p. 344, 345.
(4) Van look, Aloude Holl. Ilist. D. II. bl. 313. Wagenaar, D. II. LI. 176. Kluit, Ilist.
Crit. Com. Τ. I. Ρ Π. ρ. 72, en de aldaar aangelmalde sclirijvcrs. , ,,
(5) Lamb. sciiarsaecna., p. 345. '
XL deel. 10
-ocr page 74-ί 74 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1010—openlijk of in het geheim, ondersteund Averd, begon men naar zijne Toorslagen
tot een huwelijk met de Gravin-weduwe te luisteren, en na eenige onderhande-
1003 lingen, werd dit te Oudenaarde Toltrokken (1). JVest er-Zeeland met het land
van Aalst en de vier Ambachten, werden door eoodewijw ter huwelijksgift aan
robert afgestaan (2), die volgens hel gebruik van dien tijd, naar zijn voorzaat flokis,
de Fries genoemd werd (3) , Avelke naam zijn geheele geslacht is b'ygebleven (4). On-
der Avelken titel hij het bewind over ^oZ/anc? gevoerd heeft, is twijfelachtig. Terwijl
eenigen hem Graaf van Rolland en Friesland noemen (5), beweren anderen met
meer waarschijnlijkheid, dat hg slechts onder den naam van Voogd, het bestuur in han-
den gehad heeft (6). Hoe dit zij, de verandering, welke zijne komst tot de regering
in den staat van zaken voortbragt, is waarschijnlijk eene der voornaamste drangredenen
geweest, welke den Bisschop van Utrecht terughielden, zich, althans vooreerst, met
geweld in het bezit te stellen van de landen, welke hem de milde gunst des Keizers ge-
schonken had. Robert immers Avas nu van vijand, de beschermer van Holland gewor-
den, terwijl zijne naauwe betrekking tot den magligen Graaf van Vlaanderen, en de
gift van BOUDEWiJN zijn aanzien en vermogen aanmerkelyk vergroolten, en denUlrechl-
echen Kerkvoogd ontzag inboezemden (7). .
Zeven jaren had Holland onder zijn bestuur, de voordeden des vredes geno-
1070 ten, toen de dood zijns broeders boudewijn VI, een feilen krijg deed ontbran-
(1) Ιαμπ. sciiafnabürg, p. 345. Chroti. Egtnond. apud κιείί Ilist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. p.Sl.
Melis stoke, B. I. 11.118-120.
(2) Meterus, Annal. Fland. Lib. III. ρ. 25. Kluit, Ilist. Crit. Com. Τ. 1. Ρ. II. ρ. 77.
(3) Melis stoke, li. I. bl. 121, cn cle aant. van hutdecoper, LI. 2G0.
(4) Oude Holl. Divisie Kron. Negende Dir. c. 5. Bilderdijk, D. II. Oph. en L'ijd. hl. 321.
(5) Wacen\ar,D. II. 1)1. 177, docli hij den aldaar aangchaalden iiekiiaaus contkactüs, Iicbbcn
wij hiervan niets gevonden,
(6) Melis stoke, B. I. bl, 121, Cron, de Eollant, apud hatthaei Anal. Τ. V. ρ. 531.
Oude Holl. Div. Krön. Negende Div. e. 5. Van goothoeven, bl. 2G1. Verg. klüit , in 1. c.
T. I. V. II. p. 78.
(7) Het Olie! hat Jammerlijk! dal bilderdijk (D. II, bl. 27) over Avagenaar uitroept, wanneer
deze (D. II. bl. 177) robert » zulk oenen dapperen Ijesclicrmer noemt, dat Bisschop willem, voor
eenen tijd van zijne eisclien afzag, enz," valt, met meer regt, op liem zei ven terug, Avanneer hij,
eenige regels vroeger, geertruid » de weduwe van Graaf dirk noemt," en voorts beweert, dat men
robert," den Fries noemde, »dewijl hij de weduwe van den Fnesclien Graaf ploris trouwde, en
Fries in Vlaanderen nog synonym van Hollander was." Melis stoke cn hutdecoper hadden hem
beter kunnen onderrigten.
DES VADERLANDS. 75
den (1). In gevolge eener uiterste wilsbeschikking van dezen Graaf, en die geheel 10I0--
üverecnkoraslig \>as met de gewoonte dier lijden, eischte kobert de Fries de voogdij-
schap over arifout, den oudsten zoon van eoüdewijh , doch vond hierin tegenkanting bij
RicuiLDE, de moeder des jongen Graafs, eene trotsche en heerschzuchtigo vrouw, Avelke
zelve de voogdij over hare beide zonen aannam (2). Robert viel in Vlaanderen,
oin de inbreuk op ziyn regt te wreken , en voor de handhaving van 's Graven uitersten
wil Ie strijden. Richilde nam hare toevlugt bij den Koning van Frankrijk en den
Keizer van Duitschland, als leenheeren van het graafichap. De Keizer omhelsde hare
belangen, en stelde haar in slaat, robert met kracht van wapenen te verdrijven, ter-
wijl aan GODFRIED met den Bult, als Werio^ydinNeder-Lotharingen, opgedragen werd,
Holland in handen van Bisschop willem te stellen (3). De Utrechtsche Kerkvoogd ,
om 's Hertogs ijver te verdubbelen, gaf dezen in achterleen geheel de gift, die hem
door den Keizer Avas geschonken, en nu in bezit moest genomen worden (4). Godfried
viel onverwachts in Holland^ dat zich zonder Hoofd bevond, en hij was reeds tot aan
Leiden doorgedrongen, eer robert de Fries herwaarts kwam en een leger gevormd
had. Niet ver van deze stad werd een bloedige slag geleverd; robert;werd geslagen
en weldra gedwongen met gemalin en stiefkinderen het land te ïverlaten (5). Eenigen
(1) ΛΛ'';ιΙ liiiibertüs scnarkabceceiisis, p. 345, en naar licm van ioon, Aloude Holl. Hisi.T).l\.
lil. 321, cn wagenaau, D. II. M. ί78 van den oorlog lussclicn dezen dotbewiju en robeut de ir/cf
veilialen , is in strijd met de berigten der Vlaamsclic Selirijvers uit dit tijdperk. Deze {je(ui{jcn een-
parig, dat bol'de\vij."f VI in rust gercgeevd, met zijn broeder iiobeht in vriendschap geleefd lieefl,
en zijn natiiuilijlven dood gestorven is. Ηγϊοεοορεκ op jielis stoke, D. I. bl. 279—200, Kluit,//»'si, Cril.
(Jom.'ï.l. IM. p. 51. P. II.p. 70 etc., οηνΑΜΛνυΝ, Jiijv.en Aanm.opwiiC,m\ki\, St.II.bl.66—08,
Jiehbcn liet meer dan waarschijnlijk gemaakt, dat lajibertcs schafhaburgeksis hier geheel het spoor bijster
is, en dezen oorlog benevens het sneuvelen van boddewun, verwart met hetgeen onder diens zoon
irsoüt is voorgevallen. Zonder het gevoelen dezer beroemde Critici tc ontzenuwen, volgt bildeb
DIJK het verhaal van den ouden Kronijkschrijver. D. II. bl. 27, 28.
(2) MEïEKes, AnnaL Flandr. Lib. III. ρ. 27. J. α. i.eïdis, Lib. ΧΙΙΓ. c. 4.
(3) LaSB. SClIArtiABUUG. p. 340.
(4) J, a. LEÏDIS, Lib.WN. c. 1. IluDERDiJK, D. II. bl. 20.
(5) Melis stoke, B. I. bl. 125. IIütdecopervoegt hierbij deze schampere aanmerking: » 'Ti»
aanmerkelijk, dat dees BODREcnx, dc eerste vreemdeling, die Graaflijk bewind over//o//antigevoerd
heeft, nietlegcnstaande anderen zoo breed van zijne dapperheid opgeven, zich zoo schandelijk,met
wijf cn kinderen, uit den lande liet wegjagen j zulks^, dat hij er niets overig bcliieldt,^ Dit it
pooit eencn geboren Graave van Holland gebeurd, schoon zij somtijds magtiger vijanden tegen
gehad hebben. Integendeel 't geen kobbecbt, toen hij 'thadt, niet bcwaarcn kon, wist zijn stief-:
10*
-ocr page 76-ί 76 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1010—willen, dal hij dadelijk ιλάάυ F^ laander en, anderen, dat bij naar zijn schoonvader in
Saksen vluglte (1).
Richilde had zich ondertusschen dc afwezigheid van roeert ten nutte gemaakt, en
de landen , hem door boudewun V afgestaan, in bezit genomen. Hare eigendunkclyk-
heid, wreedheid en hoogmoed, maakten haar echter derwijze gehaat bij de Vlaamsche
Edelen, dat deze robert de Fries uilnoodigden, de wapenen tegen Richilde op te vat-
ten , met belofte hem te zullen ondersteunen. Robert kwam hierop te Gent en stelde
zicli aan het hoofd der misnoegden. Richilde vond steun bij filips van Frankrijk,
en de toorts des burgerkrijgs was in Flaanderen ontstoken, doch werd spoedig
J072 uitgebluscht in den gedenlovaardigen slag van Cassel, Avaar robert op den
Koning van Frankrijk de zege behaalde, doch zijn neef arptout sneuvelde (2).
Filips werd genoodzaakt den overwinnaar het leen van Vlaanderen op te dragen, dat
door den dood des jeugdigen Graafs was opengevallen , en Avaarop nu robert aanspraak
kondo maken, zonder eigenlijk de regten van rigiiilde's tweeden zoon te krenken,
dewijl de broeder-opvolging nog geen regt was (3), Robert, in bet bezit van FlaaU'
deren, zond thans ook gezanten naar Keizer iiendrik IV, om hem hulde te bewijzen voor
liet land van Aalst, de vier Ambachten en TV ester-Zeeland (4).
Middelerwijl had Hertog godfried geheel Rolland aan zich onderworpen; bij do
20071 diederik, (ocn liij 't kwijl was, Aveder to krijgen. MaarROBitEcnis linrt liong over Vlaan-
deren, zijn Avicg cn bakermat. Om dat te winnen, schoon hij 't plegtiglijk Iiad afniezwooren,
was hi] een alexandek , om Holland te verdedigen, een Robbert Leverworst. Zoo veel verschilt
het, geregeerd te Avorden door Inborelingen, of door Vreemden, die, veelal elders een trelipleisler
hebben." Bilderdijk daarentegen schrijft den onspoed van kobertdaaraan toe, dat de »Hollanders
zoo weinig met zijne regering verkulscht waren, dat zij het ruim zoo aanzienlijk voor zich rekenden,
onmidtlelijk onder den Hertog van Lotharingen, den zoon van Graaf diederiks bondgenoot te
staan, dan onder een Vlaming, wien zij verachtten, en in geene opzichten een goed hart konden
toedragen. Zi] deden dos eenen geringen tegenweer of onderwierpen zich als van zclven." D. II. bl. 2ΰ.
(1) Κι,υιτ, Jlist. Grit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ. 86.
(2) Chron. Egmond. apud kluit, Ilist. Crit. T. I. F. I. p. 54. BIeuerus, Jnnal. Flandr. Lib.
III. ρ. 27—2S. Verg. hutdecoper op melis stoke, D. I. bl.276. Kiunin 1. c.T. I. P.II. ρ, 87,88.
(3) Zie hiervoor, bl. 73; cn dilderuijk , I). II. W. 30, 31.
(4) Kluit in I. c. p. 88, 195. In bet verhaal der Vlaamsche geschillen hebben wij klcit ,
Jlisè Crtf. dom. T. I. P. I. p. 54. P. II. p. 81—88, gevolgd. Alles hangt dan beter te zamen,
hetgeen ook door bilderdijk (D. 11. bl. 31) erkend wordt, ofschoon hij echter wagekaar blijft
volgen.
DES VADERLANDS. D ! · 568
West-Friezen alleen ontmoette hij ernstigen tegenstand (1). Negen AYeken achtereen 1010—
hielden zij hem in Alkmaar belegerd, en hij was bijna tot het uiterste gebragt, toen
Bisschop WILLEM hem ontzette. Het verlies van eeni'ge duizenden belegeraars had der
West-Friézeft magt gebroken, en ook zij moesten voor de zegevierende ATapenen des
Hertogs bukken, die nu, als Leenman des Utrechtschen Bisschops, over Holland het
gebied voerde (2). Men beschouwde hem niettemin als eenen geweldenaar, die, om
zich tegen de landzalen, zoo Avel als tegen de aanslagen van robert de Fries te ver-
zekeren, een sterk slot aan de F^liet bouwde, waaruit de stad Delft ontsproten is (3).
Niet ongegrond was 'sHertogs vrees voor de lagen zijner vijanden. Toen hij met roerri
bedekt, van den krijgstogt 'm Duits chlahd, ten behoeve van Keizer Hendrik IV gevoerd,
in zijne staten was teruggekeerd , werd hem te of, volgens anderen , ie Antiverpen,
op het geheim gemak, van onderen eene gevaarlijke wonde toegebragt, aan welke hij 107(j
weinig dagen later te i/irecAi overleed. Men vermoedt, dat de sluipmoordenaar een
huurhng van robert de Fries, of van den jongen Graaf dirk geweest is (4). En in-
derdaad, niemand konde uit dezen moord meer voordeel trekken, dan hij wiens heer-
(1) Kluit, Uist. Grit. Com. Τ. L Ρ. I. ρ. 52 (72) heeft aangemerkt, dat de woorden ulterio-
res Fresones in het Chron. Egmond, p. 54, en bij πεοα , ρ. 131, niet de Friezen aan
gene, maar aan deze zijde van het Flie beteekencn. Alzoo vervalt het verhaal van godtrieds logt
naar en zijne \eroverinjj van het tegenwoordig Friesland, door scnoxAKCS, Fr. Ilist, bl, Ö0, en
anderen verhaald. Melis stoke noemt echter ook deze Friezen » Oest Vresen." B. I. hl. 137.
En de Cron. de Hollant Lij matthaeds, Analcct. Té V. p. 531 zegt, dat godfbied Oosl- en
West-Friesland aan zich onderwierp.
(2) Melis stoke, B. L bl. 13G. J, α leydis, Lib. XIV. c. 2. De beka , p.42. ΙΐΕΟΑ,ρ. 131.
(3) Heda, ρ. 131. en de.Aant. van BUcnELiüs, p. 134. Cron. de Hollant, apud mattiiaeüm,
Anal, in 1. c. p. 531. liet Chron. Egmond, melis stoke en de beka, weten van deze stich-
ting niets. Hun slilzwijgen is echter geene genoegzame reden, om coDrniED niet voor den grond-
legger van Delft te houden. 3) Men zou met gelijke bondigheid kunnen besluiten," zegt de ge-
leerde en geestige van rdijn, »dat Delft dan van niemand tot een stad is gebouwd, dewijl zij
(de genoemde oude kronijkschrijvers) niemand voor den stigicr opgeven: ten waar dat ze Delft
al te jong wilden maken" Aant. op Bat, Sacra. 1). II. bl. 11.
(4) Lambert scnafnabüeg. p. 404. Deze echter verhaalt, dat de Hertog door een der schild-
wachten in den buik gewond werd, toen hij, om aan eene behoefte der natuur te voldoen, op
zekeren nacht was opgestaan. Sigebertüs gesiblab. p. 842. Chron, Egmond benevens de aanmer-
kingen van kluit, Eist. Grit. Com. Τ. I. Ρ, I. ρ. 56—59. Melis stoke, Β. L bl. 137. Hdv-
decoper wil in eene breede aant. D. I. bl. 290, het jaar van godfrieds dood op 1075 bepaald heb-
ben j doch kluit, in 1. c. N. 73, § 5 toont overtuigend aan, dat het in 1076 zijn moet. Heda,
ί 78 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
II
1010—schappij in de magt des Vreeradeliiigs gevallen nas (1). Doch schuldig of onschuldig,
1 lOSo jjg dood van den dapperen en vermögenden goderied van Lotharingen baande Graaf
DIRK den weg tot de herstelling ia zijn gebied (2).
Kiet minder bevorderlijk lot dit doel was het overlijden van Bisschop wiLLEm van Utrecht,
welke slechts twee maanden zijnen Leenman godfrxed overleefde. Met hem toch nam
ook die geweldige tegenpartij een einde, welke zich te zijnen behoeve gevormd,
en den vader en oom des gevlugten Graafs zoo veel leeds berokkend had. Ter bescher^
ming van Merweda tegen de Vlamingen , en ter dekking van den IJssel, waren door
I hem aan den mond dier rivier, de grondslagen tot een slot gelegd, dat door zijnen op-
volger, KOENRAAD , vollooid en met eene sterké bezetting voorzien werd (3). De storm ,
welken deze Bisschop νλϊ Vlaanderen to gemoet zag, slak spoedig op. Ίχο-άέάύ de Fries,
door den vrede met Richilde in slaat gesteld, de belangen van zijnen stiefzoon ernstig
te beharligen, bragt, met behulp van zijnen zwager, \yillem den Veroveraar, Koning
■van Engeland, eene aanzienlijke vloot bijeen. Met deze trok Graaf dirk op ter bestorming
van het slot IJsselmonde, waarvan do bemagliging zgns Graafschaps geheel afhing,
doch ontmoette op de Maas of Merwe de Ulrechlsche vloot, om hem den doorlogtder-
waarts te betwisten. Lang en hevig werd gestreden, eer zich voor Graaf dirk deover-
ivinning verklaarde, die door het bloed van vele Stich tscho Ilidders en Edelen bezegeld
was. Dirk spoedde zich nu naar IJsselmonde, waar binnen koenraad zich met eene
1070 sterke bezelting bevond. Zeslien dagen werd het wel versterkte slot met gelijke hard-
nekkigheid en moed aangevallen als verdedigd. De voorburg en de torens waren reeds
voor de zware steenen uit de blijden der belegeraars bezweken, en vele hunner dappere
verdedigers door de schichten der geoefende Vlaamsche boogschutters gesneuveld,
toen het slot eindelijk in brand geschoten werd. Bisschop koenraa.d hierdoor tot het
uiterste gebragt, moest tol de overgave der geteisterde vesting besluiten. Hij bedong
voor zich en de zijnen vrijen uitlogt ίχάάχ Utrecht, en beloofde, Graaf dirk het bezit van
Holland niet meer te zullen betwisten. Anderen verhalen, dat hij in eenen uitval gevan-
gen genomen, en onder de genoemde belofte, is ontslagen geworden. Het slot werd
p, 131 en de Aant. van BrcuEiiis, p, 184. Voljjcns de Oude Holl. Div. Kron. Avcrd cod-
FRiED te Antiocrpcn gewond, en vau daar naar Maastricht gevoerd. Negende Div. c. 9. Bi|
τ. goutuoeven , bl. 203.
(1) J. DOÜSAE {Filii) Holland. Jnnal. Lib. X. p. 498!
(2) Lambert, scuafnabürc. p. 404, getuigt, dat godiried, kort van geslaUe en gebogclield, alle
andere voi'sten zijns (ijds in voorzigliglieid, beleid en moed overtrofj en dat geen hunner met hem
in magt van rijkdommen en dappere krijgsbenden kende wedijveren.
(3) Melis sioke , B. II. bl. 348. De beka , p. 42. Heda , p. 137-
-ocr page 79-DES VADERLANDS. D ! · 79
met den grond gelijk gemaakt, en men wil, dat de plaals waar hel eenmaal slond, terlOlO—
herinnering van het geweldig bestormen, de stormpolcler genoemd Averd (1).
Zegepralend trok de jeugdige overwinnaar naar Holland, waar hij juichende ontvan-
gen Λverd. Spoedig zag hij zich in zijn vaderlijk gebied hersteld, en regeerde in rust
en vrede (2). Latere Schrijvers echter spreken nog van eenen krijgstogt tegen de Frie-
zen (3), hetgeen door sommigen ontkend (4), en door eenigen in twijfel getrokken
wordt (q), ter\YijI, naar het gevoelen van anderen, er geene voldoende redenen beslaan,
dien togt tegen te spreken, dewijl in het verhaal daarvan niels gevonden wordt, dat met
het beloop der geschiedenissen van dien tijd strijdig is; en er ook nicis van belang tegen
wordt ingebragt (6). Door de nevelen, Arelke de oude geschiedenis vanbedek-
ken, is het dikwerf moeijelijk een straal van licht op te vangen. Het blijkt inlusschen,
dat Keizer hekdkik iV, eenen Markgraaf egbert van Saksen, daarna zekerenothelrip
van Godesheim en eindelijk Bisschop koenraad van Ulrecht, met die Graafschappen
in Friesland beleend had , op welke de Graven van Holland aanspraak maakten (7).
Het is waar, men heeft dezen Graven alle regt op Friesland, zoo λυοΙ aan deze als aan
gene zijde van het J^lie ontzegd. Indien echter hunne aanspraken zoo geheel uit de
lucht gegrepen waren, hoe zouden de vrijheidlievende Friezen, ook in Oojie/'^o en
Westergo er ooit toe gekomen zijn, al Avare het huns ondanks, hen nu en dan als
hunne Heeren te huldigen (8) ? Hun regt op een gedeelte althans, van Friesland tus-
(!) Chron. Egmond. apud klüit, ï. L P. L p. 59—61. Melis stoke, B. Π. LI. 348, 349.
De'beka, p. 43. Heda, p. 137. De Klerk van de laage Landen, LI. 54—50. Het Oude
Goud. liron. bl. 30. J)e Oude Holl. Ώίν. Krön. Tiende Dir. c. 6. Vasαουτποeven,W.265.
Υαλ loon, Aloude Holl. Hisl. D, II. bl. 353.
(2) Chroti. Egmond. apud kidix, T. I. P. I. p.-61. Melis stoke, B. Π. bl. 350.
(3) IIeda, p. 33S. De Oude Holl. Div. Kron. Tiende Div. c. 6. Yaiï goütiioevek , bl. 266.
J. veldekaer, Chron. v. Holl. bl. 20. Het Oude Goud. Kron. bl. 38. E. behihga, Hist. v.
Oost-Friesl. bl. Ü7. Schotanus, Fr. Hist. B. III. bl. 86, 87. Winsemius, Chron, v. Friesl
β. IV. bl. 126. Ubbo emmiüs, de Rer. Fris. Hist. Lib. VI. p. 96, 97.
(4) Bccuelics ad hedam, p. 138. Sckiverius, Chron. v. Holl. bl. 111.
Wagenaar , D. II. bl. 193.
(5) J. dorsa, Annal. Lib, VI. p. 144. J. dobsa {Filius), Annal. Lib. X. p. 483.
(6) F. SJOERDS, Fr. Jaarb. D. II. bl. 259 , 260.
(7) Heda, p. 138, 139. Analist. Saxo, ad ann 1075, bij vak icon, Alotide. Holl. Hist. ί).\\,
bl. 344. Groot Charterb. ν. Friesl. D. I, bl. 67.
(8) Zie de beoordeclinj van d. fockema's Schotsen van de Friesche Geschiedfnis/mdcFaderl.
Leiteroef, voor 1842.
ί 80 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1sehen het en de Lauwers schijnt onbetwistbaar, wanneer zij afstammen, gelijk
men met eenigen grond vermoedt, van dien Frieschen Graaf gerolf, welke in/i^ejier^o
goederen bezat (1). Zoo men dit mag aannemen, en Avij zien geene gegronde redenen,
om dit te betwisten, was er voorzeker niets natuurlijker, dan dat Graaf dirk zich ook
van dit gedeelte des voorouderlijken gebieds trachtte meester te maken. Men verhaalt,
dat hij eerst de West-Friezen aanviel, welke hem, naar het schijnt, niet wilden erken-
nen , en op hen Iwee overwinningen behaalde. Na alles te vuur en te zwaard verwoest
te hebben, trok hij in den ongemeen feilen winter van duizend achtenzeventig, welke
tot het laatste van Lentemaand des volgenden jaars aanhield, over het ijs naar Fries-
JÜ79 land beoosten hel Flie, Avaar men hem geene hulde doen, noch eed staven, maar
keizcrvrij zitten wilde. Hij zegevierde op eénen dag in twee moorddadige veldslagen,
en schrikkelijk was het lot, welk de verbolgen overwinnaar het gewest op zijnen door-
legt bereidde. Al Avat mannelijk was en boven de twaalf jaren oud, werd, zonder
genade, over de kling gejaagd en duizenden kwamen om in deze vrcesselijke slagting.
Vrouwen en kinderen werden gevangen weggesleept; vlekken, dorpenen gehuchten
aan de vlammen opgeofferd; geheel Friesland tusschen de Läuwcrs en het Flie, was
een tooneel van verwoesting en moord. Te vergeefs verduurde de stad Stavoren het
geweld eener belegering van drie weken; zij moest bukken, doch ontving vergiffenis op
voorwaarde, »dat de inwoners zich ootmoedig zouden onderwerpen, en veertig aan-
»zienlijken uit hun midden tot gijzelaars stellen; dat zij den Graaf als hunnen Heer
)) huldigen en hem eene aanzienlijke somme gelds tot brandschatting zouden betalen."
Nu deed de Graaf zijne plegtige intrede in de stad , doch bezoedelde zijne zegepraal
met het bloed der gevlugte West-Friezen en vreemde krijgsknechten, die niet in het
verdrag begrepen waren, en op zijn bevel onthoofd werden. Voorts werd hij in alle
plaatsen van Friesland gehuldigd, naar de Germaansche wijze, op een schild op de
schouderen omgevoerd, en door het volk als Heer begroet (2).
Utregiit. Overijssel. Βαεντηβ. Het immer magiiger worden yan Holland, schrikte
de Bisschoppen van Utrecht niet af, om steeds de vijandelijkheden te hervatten, welke
reeds zoovele stroomen bloeds gekost hadden. Geheel ongelijk aan hunne voorgangers,
die te midden van duizenden ontberingen en gevaren, het geloof onder woesie volksstam-
men verkondigden, waren zij door de vrome milddadigheid der Grooten aanmerkelijk
in gezag en rijkdom gestegen, en door hunnen invloed op de Keizers, zelve magtigo
gebieders geworden. Zij schroomden eindelijk niet, zich in openbaren oorlog tegen de
Vorsten te verzetten en de zaden van twist en oproer uit testrooijen, in plaats van vrede
(1) Zie liiervoor bi. 18, 21 , 22 (5).
(2) Zie de Schrijvers hiervoor, bl. 7Ü. Aant. i, G, Ί aangehaald.
-ocr page 81-DES VADERLANDS. D ! · 572
Ic verkondigen en menschengeluk Ie bevorclerën (1). Bisschop adelbolb atüs een'der
.cersle Utrechtsche Kerkvoogden , Avelke zijne groolscbe bestemming verloochende, en niet
gelden den bisscboppelijken mantel vOor het harnas ,'den geestelijken herdersstaf voor
het krijgszwaard verwisselde. Uit edelen Friesehen bloede ontsproten , en gunsteling van
Keizer Hendrik II, Avas hij door den invloed van dezen Vorst, uit het Luikscheklooster
Lobes, na aksfrid ten bisschoppelijken zetel van ZZirecAi verheven (2); Men roemt
iijne geleerdheid en zucht voor de letteren , door hem in onderscheidene geschriften , zoo
wel in gebonden als ongebonden stijl, bewezen (3). Niet minder wordt zijn ijver ter
bescherming en bevordering vg,n de belangen der Kerk geprezen, .welke men in die
dagen met godsvrucht pleeg te verwarren (4). Toorn en oploopendheid bestuurden on-
gelukkig zijne aangeboren heerschzucht, welke door doM^erheiling tot de bisschoppelijke
waardigheid , en het groot aanzien waarin hij ten hove verkeerde, steeds meer ontvonkt werd /
en hem van eenen priester des vredes tot eenen oorlogzuchtigen Vorst omschiep (5).
Gelijk zijn voorganger ANSFRiD, noemde hij zich niet slechts : alleen door de genade Gods,
Bisschop ran Utrecht ^ maar ging verder dan deze, en het 'svas^zeker zijns ondanks, dat
hij zich niet inderdaad van alle wereldlijke gezag onafhankelijk maakte (6). Niet bij magte
zich tegen den Keizer te verzetten, bezigde hij diens invloed, om zichbij deHollandsche
Graven gevreesd te maken, wier aanwassend vermogen hem inde oogen schitterde (7). De
ongelukkige uitslag dezer poging zelfs toont ons, lot welk eene magt het bisdom was ge- 1018
siegen; ook verminderde deze teleurstelling in geenen deele de eerzucht des Bisschops (8).
Immers indien al de lijst van de Leenmannen der Utrechtsche Kerk, welke aan adel-
BOLD wordt toegeschreven, de kenmerken van verdichting, althans van latere verval-
(1) Glasiüs, Gtsch. der Christ. Merk in Nederl. D. I, hl. 204.
(2) De bek.a, p. 37. IIeda, p. 107. Sigebertcs gembl. p. 826.
(S) Alpertcs, de Divers. Temp. Lib. II. c. 2, on de Schrijvers aangehaald 'm Batavia Sacra,
D. l. bl. 63ϋ—642, vergeleken met κοκ, Vaderl. Woordenh. D. I. bi. 283, 284-/waar men
cenige dezer scbriften, ofsclioon zonder gronden op Ie geven, in twijfel trekt, "Het leven van Kei-
zer iieïïdrik II, aan adelbold toegeschreven, is opgenomen in leibbitz, Script. Rer. Brunsv.
T. I. p. 430.
" ■ ■ Λ'Ιί - .ici'üi. : ^ ,
(4) Heda, p. 109, Vita meikwerci, apud leibhitï^ T. I. p, 556,
(5) Uit het Vita meihwerci , p. 647, 551 enz, leeren wij, dat adelboid zich dikwerf onder het
gevolg des Keizers bevond. ' >
(6) Heda, p. 93, 111. ■ ' ' ' / =
(7) Verg. olasi'üs, t, a. ρ. p^ I, W. 207 , 208. , ' '· . ^
(8) Zie hiervoor, bl. 57-60. , · -
II. deel. ■ 11
-ocr page 82-ί 573 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1010— sehing met zich voert (1) , bewijst zij echter » dat men Tan de oudste lijden af hem
s trolsch genoeg geacht heeft, om de aanzienlijkste Nederlandsche Vorsten als zijne Leen-
mannen te durven aanmerken (2)»" Daar de krijg zijne eerzucht niet bevredigde, tracht-
te hij haar door het stichten van grootsche gebouwen te voldoen. De Kerk van st. wal-
burg in Tiel, door de Noormannen verwoest, Averd prachtig doorhem herbouwd, en
met een kapittel van Avereldiijke kanoniken voorzien (3). Vroeger had hij de St. Maar-
tenskerk te Utrecht, door Bisschop balderik begonnen, voltooid (4); of, naar ande-
ren, het werk van zijnen voorganger vernietigd, en het tempelgebouw van den grond
af opgehaald (5). De inwijding dezer kerk werd opgeluisterd door de tegenwoor-
digheid van Keizer Hendrik II en twaalf Bisschoppen met een schitterenden stoet van
1023 Ridders , Edelen en Geestelijken (6). Bij deze plegtigheid beschonk de Vorst het ütrechtsche
bisdom met het graafschap i7reni/te, en deze gift werd door zijnen opvolger, koesraad Π,
1025? bekrachtigd (7). Ook in dezen Keizer vond adelbolb een grooten begunstiger, in
wiens bijzondere vriendschap hij deelde, en die de ütrechtsche Kerk in het bezit van
Teisterhand bevestigde (8). Na een onrustig bestier van omtrent achttien jaren over-
27 van leed adelbold , avelke door eenigen, wegens den ijver waarmede hij de belangen der
nmnd voorgestaan, onder het getal der Heiligen is opgenomen (9).
1027 Do Terschillende gevoelens der Ütrechtsche Geestelijkheid bij de verkiezing van eenen
nieuwen Bisschop, voerden Keizer koenraad II ïivt^r Utrecht, om de hieruit voortsprui-
tende geschillen tc bemiddelen, en schandelijke tooneelen te voorkomen. Te vergeefs
trachtte hy de gemoederen ie vereenigea; doch eindelijk besloot het Kapittel aan hem
de keuze over te laten. Juist op dit oogenblik, brengt beritoi-f of bernold , do Priester van
(1) Zie hiervoor, bl. 60. Verg. suchel. ad bedam', p. 117, en vau leeüweh, in Chron. Tiel.
p. 94-98.
(2) Glasiüs, Gesch. d. Christ. Kerk in Nedcrl D. I. bl. 211. , .
(3) ïïeda , p. 110. i
(4) Dk beka , p. 38.
(5) IIeda, p. 110.
(6) De beka, p. 33. IIeda, p. 110. Chron. Tiel. p. 99.
(7) Heda, p. 112. Volgens liet Chron. Tiel. p. 99, zou hEixdrie Π in Utrecht overleden zijn.
(8) Heda, p. 114. ; . „i . f
(9) Bat. Sacra, D. I. bl. Θ42. ίί^ί Chron. Egmond. apad κιυιτ, Jlist. Crit.Com. T, I» P. I.
p. 45. De beka, p. 38. Chron. Tiel. p. 100, en J. a. leydis, Lih. IX. e. 13, plaatsen het sterf-
jaar van adelbold in 1027. De Oude Holl. Div. Kron,, zevende Dlv.' t.' 17; 'stelt zijn overlijilen
een jaar vroeger; en heda, p. 110, een jaar later. -^''i · - ! > rii ; m ·; j
; !· . ' " |··ί i
-ocr page 83-DES VADERIANDS/
Oosterbeek bij Arnhem, hem de blijde boodschap , dat de Keizerin gisela. , -welke men 1010-,^
Ïildaar, wegens haren hoogst zwangeren slaat, had achtergelaten, van eenen zoon verlost
is; eJi de dankbaar verheugde Vorst plaatst onmiddellijk den gelukkigen bode, door
het óverreiken van ring en staf, op den zetel Tan Utrecht (1). Het was gebruikelijk
■bij den dood van eenen bisschoppelijken leenman, zijn ring en staf den vorstelijkenleen-
heer te overhandigen, welke deze eerteekenen den nieuw gekozen Bisschop over-
gaf, ten bewijze dat hij, als leenheer, de bezitting zijner leenen aan hem toevertrouwde.
De ring was het teeken van het huwelijk met de Kerk; de staf dat der herderlijke re-
gering. De Bisschop, op deze wijze door den Vorst beleend, werd vervolgens door den
Aartsbisschop , onder oplegging der handen, in zijne geestelijke dienst gewijd (2). Ber-
sULF was de hooge onderscheiding, hem ten deel gevallen, niet onwaardig. Reeds
vroeger moet hij een man van aanzien in de Kerk geweest zijn, dewijl hg tegenwoordig
was op de Kerkvergadering te Frankfort in het jaar duizend vijf en twintig (3). Hij wordt
als een man van kennis en wijsheid afgeschetst, die in den aanvang zijner regering, zich
aan het gedrag zijner voorgangers scheen te spiegelen, ep zich meer ansfrid dan adelr-
BOLD ten voorbeeld koos, overtuigd, dat de Kerk meer voordeel trekt uil den vrede, dan
door het zwaard. Hij bevestigde althans spoedig het vredesverdrag tusschen adelbold
en DiKK III gesloten, en wijdde de eerste jaren zijns bestuurs aan de verbetering der uiter-
lijke Godsvereering, en de verrijking van het bisdom (4). In Utrecht zelf stichtte hij
de St. Jans- en St. Pieterskerken, welke hij met kapittels van kanoniken voorzag. De
St. Lebuinus kerk te Deventer werd door hem hernieuwd, en met de kerk te Zwolle
beschonken.; ook wil men, ofschoon dit door anderen betwijfeld wordt, dat hij een ge-
deelte der kanoniken van St. Sahators kapittel derwaarts verplaatst heeft (5). Hijbragt
de abdij, door aissfrid Ie Hohorst gesticht, binnen Utrecht (6), en wijdde hare kerk
aan den H, paulus , vanwaar zij sedert den naam van St. Paulus-abdij gedragen heeft (7),
Daarenboven herstelde hij, door het geheele bisdom, de bouwvallige kerken en rigtte
in vele plaatsen nieuwe op (8). Evenzeer beijverde hij zich , ora de inkomsten van hel
(1) De beka , p. 39. Heda, p. 118.
(2) Bat. Sacra, D. 1. bi. 658. (2). Via mieris, Bisschop. Munten, bi. 133.
(3) Bat. Sacra, D. I. bl. 651.
(4) De beka, p. 39, ,
(5) De bera, ρ. 40. Heda, ρ. 118. Bat. Sacra, D. I. W. 652, 659. a
(6) Zie hiervoor, W. 38.
(7) De bera en πεοα in 1. c. Chron. Tiel. p. 104.
(8) Bat. Sacra, D. I. bl. 051. ■
•r
11 *
-ocr page 84-ί 84 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1010— Λίβ/ιί door giften en gaven van anderen te verrijken, en bediende zich hiertoe uitmuntend van
zijnen invloed bij de Keizerin-weduwe gisela, welke thans als voogdesse van haren on-
mondigcn zoon, Hendrik III, het Rijk bestierde. Op naam van den jongen Vorst wer-
den hem do uitgebreide bezittingen üphelte, Witthelte mPithelo [Uffelte,PFittelte,
en Peelo) in Drenthe, benevens andere goederen, wier hgging tot heden geheel on-
bekend is, geschonken, doch welke zekere ïlffo en diens broeder in eigendom be-
zeten, maar >vegens ongehoorzaamheid of wederspannigheid tégen het Rijk , verbeurd
1040 hadden (1). Belangrijker Avas eene andere gift, ten zelfden jare en dage verleend, en
Avelke later tot de hevigste geschillen en bloedigste oorlogen heeft aanleiding gegeven.
Hendrik erkent in den giftbrief, dat hij aan de kerk van den Heiligen μχκ&ύέ^ te Utrecht,
in Avelke de ingewanden van zijnen vader koehraad II begraven waren,» zoodanig land-
goed [tale praedium) schonk, als hij bezat in de villa (hoQ\e, huis, slad?), Gronin-
gen genaamd, gelegen in het graafschap Drenthe, met al de daartoe behoorende er-
ven , gronden en gebouwen, lijfeigenen, bebouwde en braak liggende akkers, weiden ,
wateren en afwateringen, visscherijen, wegen en paden, benevens alle inkomsten,
welke thans of in vervolg van tijd, daaruit getrokken werden." Daarenboven, en hierin
bestond het moer belangrijke dezer schenking, werd de Ütrechtsche Kerk begiftigd » met
de gansche regterlijke magt in burgerlijke en halszaken binnen den omtrek van dit
landgoed [praedium), benevens het regt, om geld te slaan en tollen te heiFen." En
opdat »Keizer, Koning, Bisschop noch openbaar Ontvänger, zich immer zou verstouten,
op deze Koninklijke schenking cenigo inbreuk te maken," werd de giftbrief door den
Vorst eigenhandig onderteekend, en het gouden zegel er aangehecht (2). Men wil,
dat het geschonken landgoed niet anders kan geweest zijn AanDrentherwolde^i^e Woudstreek
in Drenthe, naderhand Ghoe en, Wold, of het Goo' en Woldregt, later alleen het
Goor egt genoemd, Avaartoe ook de kleine landstreek Selioert behoord heeft (3).f Minder
eenstemmig wordt gedacht over het regt, dat de Bisschoppen van i7irec/<i door dezen
giftbrief op het wereldlijk gebièd der stad Groningen zouden verkregen hebben, de-
Avijl eenigen beweren, dat het Gooregt alleen in deze schenking begrepen was, en de
Ütrechtsche Kerkvoogden alzoo nimmer, naar regten, aanspraak gehad hebben op dat
gezag, welk zij zich als Graaf-Bisschoppen van Drenthe, bij herhaling op Groningen,
(1) Zie de {giftbrieven bij ueda, p. 120, 121. Verg. magnin, Oversigt van hef bestuur in
Drenthe, St. I. 1)1. 122—132, Picard vermoedt, dal vele goederen, tusschen de JEews eii de
Lauw ers, mede tot het graafschap van ulffo behoord hebben, Chron. v. Drenthe, bl, 172, 173.
(2) Heda, p. 121—123.
(3) Maghim, t. a. p. bl. 137, 138.
-ocr page 85-DES vaderlands. 85
avaar zij cenen Burggraaf hielden, aangematigd hebben (1). 'Zes jaren later slond uen-1010—
' 1 Aßr*
»rik den reeds zoo hoog begunstigden Bisschop, bij eenen open brief, het "graafschap '
in of over Drenthe af, welk door het overlijden van οοζει/Οττ^ Hertog van Lotharin-
gen en Graaf van Drenthe , te zijner beschikking gekomen of aan het Rijk vervallen io46
,was (2). Hierdoor werd de gift of toezegging van Keizer Hendrik ii, in duizend vier
en twintig aan de kerk van i7/rec/ti gedaan j bevestigd, en hare Bisschoppen , ten eeuwi-
gen dage »in het bezit van dat Graafschap gesteld met zulk eene uitgestrekte magt,
dat noch Graaf, noch eenig ander meerder pi minder persoon, aldaar eenig gezag of
bewind zou voeren, zonder bewilliging van den Bisschop, aan wien de Vorst alle in-
komsten en voordeelen , door de Keizers lot nu toe uit ijrewi/ie genoten, overdroeg (3)."
Daar deze giftbrief evenwel geene eigenlijke overdragt van het Keizerlijk gezag, noch
van de regten des Duitschen Rijks in en op Drenthe bevat, en het ook niet te voor-
onderstellen is, dat hendrik iii bedoeld heeft, dit landschap zelf geheel weg te schen-
ken of van het Rijk af te scheuren, zoo vermoedt men, dat alleen de bediening- van
Graaf van Drenthe, zonder meer, aan de Bisschoppen van Utrecht is gegeven, en
dat deze Kerkvoogden, injmers in de eerste lijden, geene vrye Heeren van dat gewest,
maar slechts Keizerlijke Ambtenaren of Stedehouders geweest zijn, die gelijk everhard ,
balderik, temmo, gozelijn en audcrcn, welke vroeger als Graven van Drenthe voor-
komen, aan de wetten des Ryks en aan do Keizers onderworpen waren. Zij behoef-
den slechts niet dé inkomsten des graafschaps in de Keizerlijke schatkist to storten,
en vereenigden met het wereldlijke Jevens het geestelijk bestuur over dat gewest. In
vervolg van lijd echter gedroegéil zij zich,,op grond yari dezen giftbrief, aJs onafhan-
helijke Heeren of Graven van Drenthe, en bekommerden zich even weinig als de Gra-
ven van Holland en andere Nederlandsche Leenmannen des Rijks, om den Keizer en
zyne regten (4). ^ ^ . ^^^^ ^^ , ,
De milddadigheid van hebdrik beperkte zich niet bij deze giften. In hetzelfde jaar
beschonk hij bernulf met al wat de Keizer in Deventer bezat, benevens het graafschap
---.;■ i /.-.-■V·,; 11 m\T ; '
(1) Uuno EMMics, dc Jgro Fris. inter Lavic. et Amas, p. 19 en de lier. Fris. Eist. Z/Z». VI.
ρ. UI, 92, betwist met m. altisg, Notit. Germ. Infcr. P. II. p. 183, het regt der Bissclioppen
op de slad Groningen. Hoewel dit regt, onzes inziens, op betere gronden verdedigd wordt door
A. MATTDAEUs, in Notis ad Anoiiym. de Reb.}U.Ilraj. γ, ik, vas rhijm ih dé Aanteekeningen
op de Kerkl. Oudh.v. Groningen, W. 37, enMAGNirr, t. a. p, bl. 140—155, blijft (ocli de zaak nog
steeds eenigzïns duister. Lülofs, Kort overzigt v. d. Gesih."l N^^derl. I^. I hl' 7ΰ. Verg.
kok, Faderl. Woordenb. D. VI. bi. 490.
(2) heda, p. 124.
(3) Verg. MAGRiN, t. a. p. LI. 155—158.
(4) MagriK; t. a. p. bl, 15S; 159, IGO.
-ocr page 86-ί 577 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1010—in Hameland (1). Reeds vroeger was Deventer gelijk Drenthe, aan het Utrechtsche
^^^^ bisdom afgestaan (2); doch in die lijden van onrust en Terwarring, in welke zoo dik-
werf den bezitter hot regt van eigendom betwist werd, was het noodzakelijk en gebrui-
kelijk , gedano giften door opene brieven nader te bevestigen, die dikwijls in dezelfde
bewoordingen als de giftbrief waren opgesteld, en zonder welke niemand gerekend werd ,
met grond , op eenig hem geschonken goed of voorregt, aanspraak te kunnen maken (3).
Ook bijzondere personen bleven niet in gebreken, hunne godsdienstigheid door geschen-
ken aan de Utrechtsche kerk te bewijzen. Van zekeren ridder adolf ontving zij Goor
met al de daarbij behoorende landgoederen (4); en bertda , eene aanzienlijke vrouw, droeg
zich zelve met haar gezin aan st. maarten op (5). Door zulk eene opdragt verbond
men zich, eene jaarlijksche schatting aan zoodanig eene kerk op te brengen; en ofschoon
anderen bij dergelijke toewijding, zich voor altijd eenen ketting om den arm lieten sme-
den, en zich voor slaven van de Moedor Gods verklaarden , bedingt bertha daarentegen wel
uitdrukkelijk, »dat zij en hare nakomelingen vrije lieden zuUen blijven, en tot geene
dienstbaarheid verpligt zijn (6)."
Hebzucht wordt gewoonlijk door datgeen aangekweekt, wat haar moest bevredigen.
Moedig door de gunstbewijzen der Keizers, en begeerlijker geworden door zoo vele rijke
fichenkingen, hernieuwde thans de voorheen nederige en vredelievende Kerkvoogd de
eischen van zynen voorganger op Holland. Ongetwijfeld op zijn aanzoek, en zeker te
1046en behoeve, werd de tweejarige wisselvolle krijg gevoerd, welke ten voordeele van
1047 den Hollandschen Graaf eindigde (7). Bernulf zelf nam geen openlijk deel aan dezen
oorlog, uit vrees, naar men gist, dat zgne landen, nabij do Hollandsche grenzen gele-
(1) Zie den giftbrief bij heda, p. 123. Pontanus, Hist. Gelr. Lih. V. p. 81. Revius, Da-
ventr. illiistr. Lih. I. p. 20. Dómbar, Kerk- en WereldL Deventer, D. I. B. IV. bl. 443. Van
KiEuis, D. Γ. bl. 64, en met geleerde aant. bij bondam, Charterb. ν. Gelderl. St. I. bl. 115.
Over de \ernioedelijkc ligging van Hameland, zie liiervoor, bl. 45.
(2) Deventer door Koning zwESTinotcn in 893; Drenthe door Hendrik II in 1024. Zie heda,
p. 63. p. 112.
(3) Bohdah, Charterb. t. Gelderl. St. I. bl. 86 (a).
(4) Den giftbrief deelt jnjcueliüs mede, ad hedam, p. 127, en hij is vertaald opgenomen in Bat,
/Sacm, D. I. bl. 653. .....'
(5) Heda, p. 118. .
(6) BDcnEtiüs ad hedam, p. 126. . ^ .··
(7) Zie hiervoor, bl. 67. . · ^ ' ■ ' ^ ■·
-ocr page 87-DES VADERLANDS. D ! · 87
gen , het eerst aan de wraak des vijands bloot stonden, indien de togt ongelukkig af-1010—
liep (1). Hij wordt echter genoemd onder de Bisschoppen, welke het daaraan Tolgend
jaar Dordrecht en het land Jlierwerfe aan zich onderwierpen j tot dat zij er door Hertog
godfried van Lotharingen uitgedreven werden (2). Bebnulf liet nu zijne eischenop
Holland rusten, en besteedde den overigen tyd zijns bestuurs, tot het stichten en vol-
loogen van geestelijke gebouwen. Zeven en twintig jaren voerde hij den herdersstaf,
en daar hij in den reuk van heiligheid overleed, werd zgne grafplaats in de St. Pie- jy γ^,ι
terskerk te i7irec/ii, weldra door wonderteekenen berucht, en eeuwen lang door
ren van bedevaartgangers bezocht (3). 1054
" Geweldiger, krijgszuchtiger en overmoediger van aard was Willem , die thans ten
bisschoppelijken zetel van Utrecht werd verheven. Steeds vlammende op de uitbreiding
xijner staten, versmaadde hij geene middelen, welke tot dat doel konden geleiden, en
Holland smaakte de wrange vruchten zijner heerschzucht en invloed ten hove (4). Vóór
dat hij echter zelf het oorlogszwaard ter behartiging zijner belangen tegen dat gewest
aangordde, trok hy , vergezeld door de Bisschoppen Siegfried Tan Mentz, ουκτπΕΚ
van Barnherg en οττο van Regenshurg met een aanzienlijk gevolg van Ridders,
Edelen en knechten naar het Heilige Land (5). Het bestuur van het ^iic/ti zal hij waar-
schijnlijk gedurende zijne afwezigheid, aan de verschillende kapittels', of aan eeiien
Wij-bisschop, onder bescherming zijner zuster adelheide , hebben toevertrouwd (6). On-
gelukkig was de togt. De omzervende Arabieren, uitgelokt door do gouden en zilve-
ren sieraden der bedevaartgangers, overvielen hen en bragten een aantal om het leven.
Bisschop WILLEM zelf Averd deerlijk gewond, en bijna naakt uitgeschud op het veld
achtergelaten. De overigen redden en verdedigden zich op een kasteel, tot dat het hun
voor eene groote som gelds gelukte, den Hertog van Ramula te bewegen, hen naar
Jeruzalem en van daar naar hunne schepen te geleiden. Van de zeven duizend bede-
vaartgangers kwamen slechts twee duizend met Bisschop willem behouden terug (7).
(1) GLASits, GescÄ. d. Christ. Kerk in If^eäerl. D. L tl. 21Ö.
(2) Zie liiervoor, W. 69. ι " ' - .
^ ' ' ü'N) MO i(i. ds U"
(3) De beka, p. 40. Heda, p. 118. Verg. Bah Sacra, D. L M. 051, 655—657.
(4) Zie hiervoor, R 70. ^^ r ,
(5) Chron. Affligeniicnse apud dedam, ρ. 132. Labb. scHafhab, ρ. 332. : r . ^^
r6) GtASiüs, Geseh. d. Christ. Kerk in Nederl. D. L hl. 223. „ · i ,
(7) Lambertus scnafkabceg. p. 332—33$., j. Mawarbs scotvs ^in PisïoBii Scriptf Rer. Genn.
ï. I. p. 651, 652. Magn. Chron. Belg, p'. 126.''
ί 88 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1010— Niet aJleen deelde de Ulrechlsehe Kerkvoogd in de sunst des Keizers, door wiens
lOiio ■ O σ
beschikking hij thans Holland tot een achterleen Tan het Sticht vernederde (1),
maar tevens genoot hij; de achting van Paus gregoriüs VII, ^velke hem zijn mede-
1075 hroeder noemt in eene Bulle , wegens een geschil met den Bisschop van Noyon,
ten voordeelo van Willem uitgevaardigd (2). De Utreehtsche Bisschoppen hadden
sinds ongeveer lAvee eeuwen, de inkomsten der st. .domatiaaks kerk te ^rii^^e, tol
onderhoud hunner kanoniken genoten. Roboth , Bisschop van iV^oyon en Z^ooï'ni'/ï, schont
het voor eene ongerijmde en onbillijke zaak gehouden Ie hebbenj dat eene Kerk, in
iyn bisdom gelegen, aan eenen vreemden Bisschop zou toebehooren; hij trok haar al'
thans aan zich, Willem bragt hierover zijne klagte in bij den Paus, op wiens aanma-
ning de zaak in eene groote kerkvergadering bepleit, en ten gunste van den aanklager
beslist Averd (3). Dit belette echter niet, dat wi^lem , door staatkunde, "gekrenkte eer-
zucht en eigenbelang aangedreven , de regten zijns Keizerlijken Aveldoeners en Avettigen
Meesters tegen den overmoed van den geweldigen Paus hardnekkig verdedigde, eii
gelijk de meeste Duitsche Bisschoppen van dien tijd, den dond<;r des Vatikaans durfde
trotseren. j GaiEGOiuus had zich_ dc voltooijiug van het stoute ontwerp len doel gesteld,
de Kerk en geestelijkheid aan het gezag der Vorsten te onttrekken, en aan de eigendun-
kelijke raagt der Pausen Ie onderwerpen. Dit plan had ongetwijfeld van de zijde der
geestelijken geenszins zoo vele tegenkantingen ontmoet, indien niet de Paus zich mej
zoo veel drift en hevigheid tegen eenige heerschende gebreken in de Kerk verzet had,
hetgeen de Duitsche.Bisschoppen in het bijzonder, bevreesd maakte voor inkrimping van
bun gezag, en vermindering hunner voorregten (4). Eene vergadering van wereld-
lijke en kerkelijke Grootenwerd Worms bijeengeroepen , en onder de ^even en twin^
, lig Bisschoppen hier tegenwoordig, bevond zich pok willem van Utrecht. De
Roomsche Kerkvoogdjwerd jvan Terscheidene wandaden belicht, en zijne verkies
zing onwettig verlflaard. De· Bisscl^oppen ymif^urzhtirg én Met:? alleen maakten
eenige zwarigheid, om de afzetting van den Paus te onderteekenen. »Gij zijt dit ver-
pligl" riep willem op hoogen loon uit, »indien gij uwen eed van Irouw, den Keizer
gezworen, niet wilt schenden." En hierop werd, onder genoegzaam algemeene goed-
keuring , het bevel ter verkiezing ,van penen niemven Paus uilgavaardigd. Gregorius
bleef zijne tegenpartij niets schuldig. In de hevigste vervoering der wraak, slingerde
hij zijnen banbliksem op den Keizer en onderscheidene Bisschoppen, onder welke ook
(1) Zie hiervoor, bl. 75,
(2) Heda, p. 13a. ' " " ■ ·'■ ■
(3) Heda, in. 1. c. Bat. Sacra, D. II. bl. 7: :Jani. van vak ruijjv, bl. 14, 15.
(4) Verg. BosDEiH, Kerk, Gesch. D. IV. bl. 83—110.
-ocr page 89-DES VADERLANDS. D ! · 89
die van Utrecht behoorde, en verklaarde hen vervallen van hunne waardigheden
Deze stoule daad bragt aller gemoederen in beweging, en de A\oede van Bisschop atillem
kende gecne grenzen meer. Men wil, dat hij een openlijk beschuldigingsgeschrift tegen
den Paus heeft uitgegeven, hetgeen echler anderen betwisten (2). Meer zeker is het, dat hij
HENDRIK, Avelke te i/irecAi hel Paaschfeest vierde, versterkte en aanmoedigde het Pauselijk
banvonnis als krachteloos in den wind te slaan. Immers, schier eiken feestdag voor den *
Keizer predikende, voer hij hevig uit tegen gkegoriüs , dien hij cenen meineedige , over-
speler en valschen Apostel noemde, welke door hem en de overige Bisschoppen, als den
Roomschen stoel geheel onwaardig, Avas afgezet en in den ban verklaard (3).
« Waarschijnlijk bevond zich de Keizer nog in Otrecht toen Bisschop willem overleed. 107ö
Wat men verhaalt van hel berouw, dat deze Kerkvoogd over zijn gedrag tegen den Paus
zou getoond hebben, en van zijn schrikkelijk en Avanhopig einde, omniette spreken van
zijne verschijning na den dood (4), is mei te vele verdichtselen vermengd en Ie blijk-
baar door pausgezinde partijzucht verzonnen, om er eenig geloof aan te hech-
ten (5). Hij zou ook buiten het genot van de laatste vertroostingen der Kerk gestorvenen
zijn lijk , dewijl hij in den kerkdijken ban overleden was, zoo lang onbegraven zijn geble-
ven, tot dat hiertoe, uit vrees voor besmetting, door den Paus verlof gegeven werd (6).
Onze jaarboekschrijvers welen niets van dit alles. De eeka integendeel zegt uitdrukke-
lijk, dat Bisschop willem in den Ilecre ontslapen [requievit in Domino) en bij zijne
voorgangers in de Hoofdkerk te Utrecht begraven is (7).
(1) LaMB. ScnArKAEUEG. p. 403, 404. SlGEDEIlTCS ge3idlac. p. 842.
(2) Buchelius ai bekam, ρ. 42, Bat, Sacra. D. II. bl. G. IIüydecoi-er op bielis stoke,
D. I. hl. 295.
(3) Lamb. schafmabrec. p. 405. AtinaUsta Saxo, apud eccabd, Corp. Jlist. medit aevi, T. I.
p. 533. Ilct is opmerkelijk, dat noch de bera, noch iieda, noch cciiig ander onzer oudste jaar-
boekschrijvers, van WILLEMS worstelitig legen den Paus ecnig gewag maken. Zij wordt echter door
LAMDERTüs scDAFiiABBRGEKSis, ccn tijdgcnoot, cii door te veel andere Luilenlandsche schrijvers Le-
vestigd, om met iiutdecoper te kunnen beweren » dat gedurende het leven van Bisschop willes,
gecne openlijke vijandschap tusschen uehdrik en gregorus geweest is." .^ant. op melis stoke ,
D. I. bl. 296.
(4) Lamdertes scuafnaiiurg. p. 405 j cn de schrijvers aangehaald in Bat. Sacra. Ώ. II. LI, 12,
benevens van look, Aloude Holl. Hist. I). II. bl. 347.
(5) licciiELics ad bekam, ρ. 42. Van rhu», op de Bat. Sacra, D. II. LI. 12—15.
(R) Lamb. sciiafxabrrc. in I. c. Annalista Saxo, in 1. c.
(7) Chron. p. 42.
II. deel. 12
-ocr page 90-ί 90 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
KoENRAAD van Zivaben volgde hem onmiddellijk op den bisschopszetel van C/irec/ii , en
tevens in zijne gehechtheid aan het Opperhoofd des Rijks, zoo ^yeI als in ijver legen het Pau-
selijk geweld. Trouwens, hij was leermeester des Keizers geweest, door dezen tot
de bisschoppelijke waardigheid geroepen, en op dien lijd Kamerling van den Aartsbis-
schop van Mentz, welke mede in het banvonnis van den Paus begrepen was (1). Ge-
voel van dankbaarheid, persoonlijke verpligling, zucht naar vermeerdering van gezag,
of welke andere inziglen en berekeningen hem, even als ayillem , mogen gedwongen
hebben, do belangen des Keizers te omhelzen, hij spreidde, gelijk zijn voorganger, in
dit opzigt eenen moed ten toon, die bewondering verdient, en bewijst, dat hij zich
boven de vooroordeelen en de bekrompene denkwijze der eeuw Avist te verheffen (2).
Onverwrikt getrouw aan zijne beginselen, opende hij eens eene vergadering te Ger~
Hungen met deze Avoorden: » Ziet, wij zijn bijeen gekomen, om door de getuigenis
der Kerkelijke regelen te beΛvijzen, dat onze Koning uendrik niet gedoemd of door
den ban gebonden is. En indien de wellige bevelen des Heeren, Avelke willen, dal
den Koningen behoorlijke eer bewezen worde, hem bij zijne tegenpartij niet hebben
mogen balen, zoo vergunt hem ten minsle dat regt, Avaarvan de geringste in de Kerk,
volgens de Kerkelijke regelen, gebruik mag maken (3)." Hij beweerde bij die gele-
genheid openlijk en met vuur tegen Gebhard, den Bisschop van Salzburg, die voor
do aanhangers van den Paus het woord voerde, )) dat geen Paus of Bisschop , de onder-
danen van den eed, eenmaal hunnen Vorst gezworen, mögt ontslaan; dat men daar-
door Hem hoonde, bij wiens naam men gezworen had , en het bevel van guristus en
der Apostelen overlrad , die vermaand hadden, zelfs tiberiussen en nero's , hoe veel te
meer dan goede en Avetligo Vorsten, gehoorzaam te Avezen, dat heerschzucht en hoog-
moed alleen do woorden des Heeren: » wat gij ontbinden zult op aarde, zal in den
Hemel ontbonden zijn," zoo onbeschaamd en verkeerd durfden uitleggen; en datcREGO-
Kius zich de magt van den onslerfelijken God had aangematigd." — »Onze wapenen,"
voer hij voort, »zijn geest, geen staal, geen roof, geen moord, geen meineed; ons
borstharnas, onze helm, ons zwaard, ons schild, is vrede, liefde, geregligheid en
waarheid, Gods woord en het geloof (4)."
Ondanks deze schoone betuiging, had koesraad niettemin, doch ongelukkig, het
oorlogszwaard gevoerd (5). Hij trachtlo'derhalve langs een anderen weg, zijn gebied
(1) Li^mb. scuafit. p. 405. De beka, p. 43, IIeda, p. 137.
(2) Verg. glasiüs, Gcsch. d. Christ. Kerk in Nederl. J). I. hl. 22Ü,
(3) Een ongenoemd sclirijvcr in Bat. Sacra. D. II. bi. lü. De vergadering is in het jaar 10ö4;
1085 of 1088 gehouden.
(4) Branut, Jlist. d. Reformatie, D. I. bl, 10.
(5) Zie hiervoor, hl. 78.
1010-
1085
DES VADERLANDS. 91
uit te breiden, en slaagde hierin beter. Ter opbouwing van de Sl. Pieterskerk te i7irec/ii , lOlü·^
welke door de aciileloosheid van 's Keizers hovelingen was afgebrand , werd hem het
landgoed Bruoehe oï JB7·oekenhof, het tegenwoordig Billioen op Ac Felmce, geschon-
ken (1). Deze gift echter komt in geene aanmerking bij die van het graafschap Sta-
voren, en Tan dat in Oostergo en Westergo, door Hendrik aan den oproerigen bezitter 107(5
egbert ontnomen, later teruggegeven , doch in Avier bezit eindelijk Bisschop koenraad weder 1077
bevestigd werd (2). Do Uirechlsche Bisschoppen hebben sedert op deze giften hunne
regten en aanspraken op Friesland gegrond (3). Bij deze bezittingen voegde, twee
jaren later, zekere Gravin adelheide, nog de landhoeve Ortenm Ν oord-lirahand (4).
Gelderlawd. Terwijl Bisschop icoenraad , op het voetspoor zijner voorgangers, de
grenzen van het Sticht uitbreidde, Averd Gelre tot een graafschap verheven; althans
in dien tijd vindt men het eerst van Graven van Gelre melding gemaakt. Dit gewest
was niet tot rust gekomen, ofschoon do Noormannen het verlaten hadden (5), dewijl
spoedig daarna onlusten tusschen balderick en zekeren wiciinan ontstonden, wier oor-
sprong hier moet ontvouwd worden. Balderick was van geene edele afkomst, maar
een vrijman {ingenuus) van vermogen en erkende dapperheid, Avelke de grafelijke be-
diening verkreeg, en doorgaans, hoewel ten onregte daar hij kinderloos overleed, tot
stamvader der volgende Graven van Kleef Avordt aangenomen. Het is echter zeer waar-
schijnlijk , dat het latere land van hem toebehoorde; doch hij zelf wordt Graaf
van Üjilathe of Houberch genoemd, eene streek lands in den omtrek,van Ellen (6),
Zijne reeds aanzienlijke goederen waren door het huwelijk met adela, niagtig vergroot
geworden, en strekten zich uit langs den linker oever ècS'Rijns. Adela toch, hoewel
do tweede dochter van wiohman, Graaf in Hameland, was de rijke erfgename haars
vaders, dewijl hare oudere zuster , luitgardis, zich den geestelijken slaat gewijd had. Terwijl
deze om hare voortreffelijke hoedanigheden en deugden geroemd wordt, is adela daar-
entegen, als een gedrogt in menschelijke gedaante, als eene oude slang beschreven ge-
(1) Dc giFtbrief bij iieda, p. 137. V. mieeïs, Charterl·, ν. Holl. D. I. 1)1.09. Bokdaji , CÄar-
ierb. ν. Gelderl. St. Π. bl. 142. .
(2) De giflbrieven Avorden {jevondcn bij heda, p. 139. V. mieris, Charlerb, v. Holl.D.l,
bl. 73. Charterb. v. Friesl. D. I. bl. 07—71.
(3) Wagebaar, D. II. bl. 1Ü0.
(4) Hepa, p. 140.
(5) Zic liicrvoor, bl. 4C. ■ .
(0) Van spae3, Inl. tot de Hist. v. Gclderl D. I, bl. 135. Ilist. v, Gelderl. D. I.
bl. 30, 37.
12 *
-ocr page 92-ί 92 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
KMO—worden, en hare daden hebben den slempcl op deze getuigenis gedrukt (1). Haar ge-
^^^^ laat en oog kenmerkten Yalschheid en bedrog, hare daden wispelturigheid cn snoodheid
van geest, cn hare woorden, die schel en krijschend werden voorlgebragt, zedeloozo
ligtzinnigheid en diepe Terdorvenheid van hart. Men prijst echter hare kunst eii vaar-
digheid in vrouwelijke handwerken, en dat zij steeds door een groot aantal jonkvrouwen
omringd was, die haar in het weven, borduren en vervaardigen van kostbare kleederen
behulpzaam waren. Zij moet omstreeks het jaar negenhonderd vijf en vijftig geboren
zijn. Haar eerste echtgenoot was ιμλ,β, gesproten uit een adellijk Nederlandsch ge-
dacht , in den omtrek eener bekende haven, hetzij Tiel of Duurstede, onder bet
bisdom Utrecht. Hij was de erfgenaam van de deugden en dapperheid zljnec voorou-
ders , die zich door de verdediging huns vaderlands en van hunne landgenooten beroemd
gemaakt hadden (2). Zijn graafschap was in het Sticht gelegen, doch strekte zich
zeker uit over een gedeelte van de F'eluwe , van TeiVierÄanc? en het kwartier van iV^y'me-
gen. Hij bezat ten minste talrijke goederen in deze streken, en woonde op het slot
Redichem, misschien ter plaatse van het latere Doorenweerd, waaruit men vooronder-
stelt, dat hij Graaf van Redichem geweest is (3). Na zijn dood leidde adela in haren
weduwenstaat, een buitensporig leven. Godizo , een harer bloedverwanten , hierover
verontwaardigd, overrompelde het slot waar zij in verboden omgang met balderigkver-
keerde; zoo dat beide ter naauwernood ontsnapten. Zoo lang de abdisluitgardisleefde,
.waagde zij het niet, hare hand aan balderigk te schenken, dewijl hij, hoewel dapper, rijk en
magtig, niet uit zulk een luisterrijk geslacht afstamde als zij , en slechts door zijne aan-
stelling als Graai, Λvaarmede men somtijds lieden van lage geboorte vereerde, geadeld
werd (4). Adela was echter de vrouw niet, welke zich in haren williet beteugelen, wanneer
zij de bevrediging daarvan door eene gruweldaad koopen kpnde. Zij bragt derhalve
hare zusier door vergif om het leven, en huwde haren miiinaar, die thans met haar
ι
de geestelijkheid door het stichten van een klooster en het schenken van aanzienlijke
goederen, aan zich verbond (5).
To dien tijde leefde te Vreden een rijk Heer van Hertogelijk Saksische afkomst,
wiGHMAiT genaamd, wiens uitgestrekte bezittingen in Westfalen ^ op de grenzen van
' (1) ditmircs; Lih. YII. p. 411. in ιειβλιτζιι de Rer, Brunsmc, Script. T. I.
(2) Fita meinwebci ajiud leibhitz. iu 1. c. T. I. p. 518.
(3) Van sraei*, Inl. tot de Jlist. v. Gelderl. D. I. bl. 121—125. Ilht. v. Gelderl D. I.
bl. 34, 35.
(4) Aipektüs, de Divers. Temp. Lih. Π. c. 2. Vila meiawerci, p. 540.
(5) Verg. v. swes; hü. tot de Hist. v. Gelderl. D. I. bi. 128—134. D. IV. Codex Diploma-
ticiis, N. I.
DES VADERLANDS. D ! · 93
Munsterland, gelegen Avaren. Hij bezat niets aan den linker Rijnoever, waar balde-1010—
rick maglig was, dan do goederen zijner vrouw, eene dochter van Godfried , den Keizer-
lijken landvoogd tussclien Rijn en Waal. Zijne namaagschap, door dit huwelijk, met
BALDERiCK (1), Verhinderde echter niet de spanning, welke tusschen hen uit zucht
naar gezag en bezitvermeerdering bestond, en die na den dood van godfried, in open-
bare vijandelijkheden ontaardde, Godfrieds zoon was door Keizer dewdrik II met de
landvoogdij (jpraefectura) begiftigd; doch daar hij zwak was zoo wel naar ziel als naar 1011
ligchaam, liet hij zich door zijnen zwager avighman naar welgevallen leiden, zoodal
deze, ouder zijn naam, het bewind voerde. Dit sluitte BALDERrcK, maar bovenal de
irolsche adela , geweldig tegen de borst. Wichman , welke hunne oogmerken voor-
zag , wist de landzaten aan den linker Ilijn-oe\er voor zich te winnen , door wier
hulp hij, niet verre van de 31aas, op een sterk punt, een slot bouwde ter onder-
schraging van zijn gezag, en ter verdediging zijner linkerrijnsche bezittingen, tegen
de aanslagen van balderigk. Doch deze vond hierin juist een geschikt voorwendsel,
om zijne vrienden en aanhangers bijeen te roepen, vvien hij het stout bestaan vanwicu-
MATf voor oogen stelde , en aantoonde, welk gevaar daaruit voor hen zou voortvloeijen. Kort
daarop belegerde hij de sterkte, en dwong haar door honger, tot do overgave, terwijl
de bezetting genoodzaakt werd, de vesting met eigen hand in brand te steken en te
vernielen, waarop haar de bedongen vrije aflogt werd toegestaan (2).
WiGHMAN liet zich door dit verlies niet ontmoedigen. Hij trok in het geheim, ten
tweedenmale den Rij7i over, en versterkte helslot Monna ^ nu Μ onreber^'m Kleefs land
bij Kalhar, op eene hoogte gelegen. Balderick trachtte het insgelijks door insluiting
te dwingen , en vervulde de omstreken met verwoesting en moord. Ondcrtusschen ont-
ving hij een bezoek van Bisschop adelbold van Utrecht, die te scheep langs den Rijn
terugkeerde, doch wiens paarden bij Aspola [Aspel), niet ver van Rees, doorooDizo,
een vriend van wichman, geroofd werden. De Kerkvoogd hierover ten hoogste gebelgd,
vereenigde op het spoedigste zijne benden met die van balderick, en sloeg, op het
onverwachtst, het beleg voor Aspola, dal wegens een moeras, slechts aan eene zijde
toegankelijk was. Te vergeefs werden eenige dagen alle bedenkelijke middelen beproefd ,
om de plaats te bemagtigen, welke met gelijken moed verdedigd als aangevallen werd.
Eindelijk werd hel beleg opgebroken, zoo wel uit vrees voor ontzet, als wegens de
voldoening, welke godizo den vergramden Bisschop beloofde. Nadat het bestand ge-
tfoffen was, werden de twistende partijen voor den Keizer gedaagd, door wiens bemid-
deling do vrede voor eene poos hersteld werd (3),
(1) Verjj. hiervoor, bi. 45.
(2) Alpertds, de Divers. Temp, Lib. Π. n. 2.
(3) Alpertüs, in 1. c. Vcrj. v. spae.x, Inl. tot de Hist. ό, Gelderl. Ι). I. bl. 19. lüö.
-ocr page 94-ί 94 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1010_ Terwijl wichmas·, steunende op dit verdrag, in bedevaart naar i^ome was getrokken,
1085 balderick, door adela daartoe aangeliitst, zich tot den Keizer, van wen hij
de landvoogdij, in plaats van godfkieds onbckwamen zoon, ΛνΪ8ΐ te verwerven; en
maakte zich, bij zijne terugkomst, door list meester van het kasteel Gennep [Ganipa]
dat dezen toebehoorde, WicnaiAW, welke zich in het Alpische gebergte bevond,
snelde op dit berigt onmiddelhjk terug, en het gelukte hem, den Bisschop van Utrecht
in zijn belang over te halen, door wiens bewerking weder een nieuw verdrag gesloten,
doch met even weinig trouw als het vorige onderhouden Averd. Den volgenden dag
reeds werd balderick, met een klein gevolg den Rijn overgevaren, om zijne zuster
te bezoeken, terwijl de ontzadelde paarden in den omtrek weidden, door de bezet-
ting van Monna overvallen. Hij ontkwam het gevaar door de Tlugt, doch zijn gevolg
dat na dapperen tegenweer, in de kerk eene schuilplaats gezocht had, Averd gevangen
binnen do vesting gebragt. Deze onspoed en andere nadeelen, wekten misnoegen onder
BALDERICKS benden, dio daarenboven geeno andere belooning ontvingen dan de
schampere woorden van adela , en voor het minste vergrijp gebannen, of met het verlies
van neus en ooren gestraft werden. Welligt heeft deze wrevel balderick andermaal
tot het sluiten van een vreéverbond genoodzaakt, dat echter spoedig weder verbroken
1012 ■^'''erd. Verstoord, dat wigiiman met Hertog godfried door den Keizer tot bevelhebber
des legers tegen Νeder-Lotharingen gekozen was, heulde hij, in het geheim, met
den vijand (1). Uit dien hoofde werd hij op eeno reis naar , door een der dienst-
mannen van wicnsiAw opgeligt en naar Monna gevoerd, iwaar men hem met hoon en
verachting behandelde en dwong, zijne vrijheid voor de overgave van het slot Aspel
en vier duizend ponden zilver te koopen , die echter, door tusschenkomst van wigiimait ,
op vier honderd verminderd werden. De vrede gesloten zijnde, leefden de beide Hee-
ren, eenige jaren althans, in schijnbare vriendschap, en bezochten elkander (2).
De snoode adela maakte zich middelerwijl aan eene gruweldaad schuldig, van welke
5 geen tweede voorbeeld do bladzijden onzer Geschiedenis bezoedelt. Hetzij uit eigen
' beweging en om - liare ouverzadelijko hebzucht te bevredigen; hetzij op raad en aan-
drijven van balderick, liet zij liaren oudsten zoon, diederik, uit haar eerste huwelijk
ontsproten, te Ujilade, nixln} Elten, waar hij zijn verblijf hield, door éenige omge-
1014 kochte booswichten vermoorden. Baarde dit vreesseÜjk feit algemeen· afgrijzen, niet
(1) SiGEBEBTi's GEMDLicENSis plaolst den kiiJsstogt in Nedcr-Lotharingen op Let jaar 1012. Zie
p. 827, 828.
(2) Alpertcs, do Divers, icmp. Lib. Π. c, 5—1^ Yer{j, v. spaeV, lui. tot dc Jlisl. t·. OH-
dcrl. ü. L 1.1, 107~llü!
DES VADERLANDS. D ! · 95
ininder trof hel meinwerk, haren tweeden zoon en Bisschop-van Paf/erAorii, welke zich 1010—
onder het gevolg des Keizers in Lomdardijë bevond. Zoodra hij teruggekomen was,
daagde hij zijne onnatuurlijke moeder Toor het gerigt ie Dort7nund ,ναι&ν zij van den ge- ΙΟΙβ
pleegden moord overtuigd, en ter dood veroordeeld Averd. Daar hij \\ΆΆτ )> aan het
leven tvilde straffen, om hare ziel te Zie/ioz/(/en" bleef hij lang doof voor desmeekslem
harer vrienden. Eindelijk liet hij de zaak aan de beshssing des Keizers, welke aan adela
genade schonk, ouder voorwaarde, dat zij en balbekick eeiiige hunner erfgoederen aan
de kerk yan Paderborn zouden afslaan (1). Dit geschiedde; doch weldra hief adela,
de bewezen Aveldaad onwaardig, over dezen afstand luide klagten aan, en schonk,
uit wrok en haat op haren zoon, eenige landgoederen op dep berg Lare bij Heimen-
herg in de Nederlanden , aan de Kerk Tan Elten, Meihwerk kwam op dit berigt
onrniddellijk herwaarts;^ adela trachtle hem te ontvluglen, doch Averd aan het wa-
tertje Emma, dat uit den berg Lare vloeide, achterhaald en als een gedrogt dat
hare zonen vermoordde en onterfde , gevangen genomen. Meihm-erk vermaande haar
ernstig tot verbetering van levenswandel, doch bekrachtigde 'de gifte aan de keik van
Elten gedaan (2).
De vermaningen en bestraffingen van eenen zoon vermogten echter weinig op eeno
moeder, Avelkc onder de misdaden was grijs geworden. Zij en haar echtgenoot gingen
voort in hunne snoodheden. Men verhaalt, dat balderick op het slot te T^erfic/im,
terwijl hij uit eeno der zalen den bekoorlijken en vruchtbaren omtrek beschouwde, zichdezo
vermetele woorden liet ontvallen: «Men zegt, dat God almagtig is; maar zou hij mij
wel van mijne grootheid, uit mijne rijkdommen, in armoede en ellende kunnen dompe-
len? De voorbijvlietende ^t/ii biedt mij een verrukkelijk gezigt aan, en deomfiggende
velden verschaffen mij rijkelijk ai het noodige; het is onmogelijk van zulk cene hoogte
in het verderf gestort te worden (3)." Doch weldra werd de zoo lang getergde hand der
wrekende vergelding over het schuldig paar uitgestrekt, dat met eene schrikkelijke
daad, het tooneel van zoo vele gru^^elen zou eindigen. Balderick had λύιοιιματϊ bij
zich \Q Uplade genoodigd, en hem met alle teekenen eener ongehuichelde, vriendschap
en achting ontvangen. Buiten zijne voorkennis had echter de afgrijsselijke adela ge-
(1) Vita MEiHWERct, c. 34, 36. p. 540, 541. Dewijl de gelijktijdige aiperti's, veelte anders
Je ondaden van adela niet bewimpelt, geen woord van dit gruwelstuk spreekt, en de schrijver van
het Fita meikwerci, de eenigste welke liet vermeldt, ee'nc eeuw later leefde, meent van spaeh,
liierom zoo wel als uit andere omstandigheden, aan dezen tindcimoord van adela te moeten
twijfelen. Inl. tot de Rist. v. Gelderl. D. I. W. 135—139,
(2) Fita meisweuci, c. 37, p. 541.
(3) Fita MEiswERCi, c. 40, p. 542.
-ocr page 96-ί 587 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1010—tracht den gast door vergift om te brengen, en dewijl dit, men weet niet door welk
toeval, mislukte, liet zij hem, bij zijn vertrek, onvoorziens op den weg, door Iwee
harer handlangers vermoorden (1). Balderigk hoewel, gelijk verzekerd wordt, on-
schuldig aan dit schelmstuk, hield zich evenwel in hel sterke Uplade verborgen, dat
o{) eenen kleinen heuvel gelegen, en door eenen steenen muur, iets zeldzaams in deze
streken, omgeven was. Spoedig werd hel door wichmans vrienden en nabestaanden be-
legerd ; doch BALDERiGK , bevreesd voor slraf en wraak, vluglte lafhartig in hel geheim,
naar den Aartsbisschop van Keulen. De verdediging van de plaats was nu aan adela
overgelaten, en zij kweet zich van hare taak met evenveel beleid als moed. Op haar
voorbeeld schaarden zich gewapende vrouwen achter de borstweringen, en van beide
zijden Averd dag en nacht met hardnekkigheid gestreden. Slechts op hel berigt, dat
de Keizer zelf in aantogt was, ontzonk haar de moed; en onder beding van vrijen af-
togt voor haar persoon en goederen, werd het slot aan Bisschop adelbold van Utrecht
en Hertog Bernhard van Saksen overgegeven. Op hun bevel Λverdhet in brand gestoken
en geslecht, niettegenstaande de Aartsbisschop van Keulen bij den Keizer verworven
had, dat de plaats tol nader uitspraak, in zijne handen zoude gesteld Avorden (2).
Balderick ondertusschen poogde zich voor het verlies van Uplade schadeloos te stel-
len, en maakte zich door verraad, meester van Monna. Kort daarna Averd echter deze
sterkte, op last des Keizers, met den grond gelijk gemaakt, en ealderick voor den troon
gedaagd, om zich wegens avichmans dood te regtvaardigen. Hij bood aan zich, naar
de gewoonte van dien tijd, door eenen plegtigen eed te zuiveren, maar de Hertogen
GODFRIED en BERNHARD vcrzetleden zich daartegen, dewijl hij reeds meermalen zijnen
eed geschonden had, en dreigden hem zelfs van het leven te berooven. Doch de Kei-
zer, op Aviens vrijgeleide hij verschenen was, liet hem ongehinderd naar ZTew^eÄacA
trekken, alwaar hij bij een zijner vrienden, eene veilige verblijfplaats vond. Naderhand
,,ΐίΐ/>·ι verwierf
hij vergiffenis, doch ten koste van het grootste gedeelte zijner goederen, en
stierf in de uiterste armoede (3). Een zelfde lot loefde adela. Na de overgave van
Uplade \ϊΆά zij zich naar Keulen begeven, waar zij, ontbloot van alle eigen middelen j
(1) De Schrijver van liet leven van meinsverk, c. 40, p. 542, verhaalt, dat de Keizer twee
edele Heeren naar baidebick en adela gezonden had, om lien over hunne wandaden te onderhou-
den , doch dat deze lieden bij Imn vertrek, uit eene hinderlaag aangevallen en gedood werden.
Buiten twijfel ziet dit verhaal op den moord van wicnman. Van spaen, Inl. tot de Jlist. v. Gelr
dcrl. D. I. hl. 141. ^ .
(2) Alpertcs, de Divers, temp. Lib. IL c. 12, 13. Annal. Saxo. adannuin 10J6. Ditmakvs,
p. 412.
(3) Alperti's in 1. c. c. 17. Annal. Saxo, p. 449. Ditkarus, p.412. keikwerci, p.542.
-ocr page 97-DES VADERLANDS. D ! · 97
uit mededoogen door de geeslelijkheid ΛveΓd onderhouden, en een jaar laier overleed (1). 1010—
Zoo somber eindigde het doorluchtig geslacht der Graven van Ilameland. Hunne rijke
bezittingen, benevens die van ealderick , waren ten deele verbeurd verklaard , lendeeleaan
de geeslelijkheid gekomen, en hunne leengoederen, bij gebrek aan mannelijk oir, we-
der aan het Rijk vervallen; immers vindt men nergens eenig blijk , dat balderick kin-
deren heeft nagelaten. Meinwerk was geestelijke, doch bezat nog eenig regtsgebied
op de Velmce en in Teisterhand (2). Hij overleed in duizend zes en dertig, en de
Kerk heeft hem onder het getal harer Heiligen opgenomen (3).
Wy hebben de onlusten tusschea balderick enwicnman eenigzins uitvoerig geschetst,
dewijl zij den noodlottigen toestand der maatschappij onder het leenstelsel, door som-
migen zoo hoog geprezen, leeren kennen. Men ziet er uit, hoe niet slechts de groote
leenmannen der Kroon, maar ook do mindere leenbezitters, vermetel het gezag der
Keizers durfden trotseren; en de volkeu aan de heerschzucht van kleine dwingelanden
en woestaards, Taak ongestraft Ier prooi strekten. >
Nadat de grafelijke stam van Hajneland onder de misdaden van den laatsten telg
Avas weggestorven, ontwikkelde zich meer en meer die der Graven van Gelre. De
eerste bezitting dier Graven moet in het zoogenaamde of Opper-GeldeV'
land gezocht worden, en wel in de omstreken, waar thans de stad Gelder ligt, van
welke Gelderland zijnen naam zou ontvangen hebben (4). Het Over-KwartiermninkiQ
in de Middeleeuwen een gedeelte uit van de Maasgouw en. lag tusschen Rijn em Maas,
waar oudtijds Gugerni, later Ripuariërs woonden, en welk het tegenwoordig arron-
dissement Roermonde in zich bevatte. In het geestelijke behoorde het ten deele onder
het aartsstift Keulen, ten deele onder het bisdom Luik; terwijl in het wereldlijke de
Graven yan Gelre ongetwijfeld aan de Hertogen van Neder-Lotharingen onderworpen
{\) Tita MEiK\vERcr, c. 40. p. 542. Verg. vak spaeï» , Inl. tot de Jlist. v. GelderL D. 1.
hl 143. Jlist. u. Gclderl. D. I. hl. 44. ^ i·, '
(2) Vab spaen, Inl. tot de Eist. v. GelderL D. I. LI. 144τ-Ι51. Ilisi. ν. GelderL D. I.
hl. 45.
(3) Behalve in \ict Vita meikwerci, vindt men , een uitvoerig berigt over dien Kerkvoogd bij
TAS sPAEs, Inl. tot de Ilist. v. GelderL t. a. p.
(4) Vak spaes, InL tot de Ilist. v, GelderL D. I. fcl. 1. D. IL bl. 5—10. Over de naams-
afleidingen van Gelder, zie postanus, Ilist. Gelr. TAb.l. —28. V.strcnTENnonsT, GeWeric/te
Gesch. L. I. bl. 22, 23, tracht te bewijzen, wat poktakcs, t. a. p, slechts Ier loops en weifelend
had voorgeslagen, dat Gelderlatid nameliik , zoo veel als Kelterland, het land der Kelten,Betee-
l·enen zoude. Bilberduk schijnt mede niet afkeerig van dit gevoelen. D. I. H. 233. Verg. Jlg.
Gesch. d, FaderL D. I. bi. 2Ü, Aant. 1. '
Π. DEEL. 13
-ocr page 98-ί 98 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1010—waren, doch aan wier bewind zij zich , bij de verbrokkeling van dat gewest, spoedig onttrok-
ken(l). Zij werden eevslFoogden genoemd, eene soort van Keizerlijke ambtenaren, wier
eigenlijke bediening Iwijfelachtig is, en tegen wier bestaan vele bedenkingen zijn opgewor-
pen , zonder dat men evenwel de mogelijkheid daarvan heeft kunnen betwisten. Zoo veel is
zeker, dat de geschiedenis dezer Voogden vele tegenstrijdigheden en ongerijmdheden bevat;
en de berigten, hoewel over het algemeen eensluidend, echter in vele bijzonderheden,
jaren en omstandigheden verschillen (2). Men leidt hunnen oorsprong af uit het geslacht
der Heeren vaw pokt , welke met karel den Groote, indien niet vroeger, uit Frank-
rijk herwaarts zouden gekomen zijn. Een dorpje of gehucht van dien naam, wordt
nog in het Roermondsche, tusschen Gelder en Stralen gevonden, welke streek, tot
op het einde der achttiende eeuw toe, den naam van de Foogdij behouden heeft (3).
Zekere οττο van pont zou ten tijde van karel den Kale geleefd en twee zonen, lu-
poLD en wigiiard genoemd, nagelaten hebben. Er bestaat een aloud sprookje, dat in
die dagen een vreesselijk ondier, hetwelk onder een grooten eikenboom zijn verblyf
hield, de omstreken onveilig maakte, menschen en beesten, zonder onderscheid,
verslindende of met zijnen vergiftigen adem doodende. Lupold en wighard velden
het monster, naar welks sterfgehuil » Ge^reGelreP'' do beide broeders dien naam gaven
aan het slot, dat zij ter herinnering van deze overwinning, niet ver van de Maas,
bouwden (4). Na den dood van lupold regeerde avighard alleen , welke de eerste Voogd
van Gelre genoemd wordt. Men wil, dat hij gehuwd geweest is met de dochter van
HERMAN, Graaf van Zatphen, en van acht honderd negen en zeventig lot negen hon*'
derd tien, naar anderen slechts tot negen honderd vier, het land vervoegde, en opge-
volgd werd door zijn zoon
Gerlagu I, die zes en twintig jaren het bewind voerde, met eene dochter des Graven
van Kuik gehuwd was, en eenen zoon, godfried , tot opvolger achterliet. Hij zou
den Keizer groote diensten bewezen hebben tegen de Bohemers, Hongaren en Sla voniërs;
en karel den Eenvoudige tegen zijn neef robert van Anjoa ter hulp gekomen zijn.
Eenigen stellen zijn dood in het jaar negen honderd zes of zeven en dertig; anderen in
negen honderd een en dertig.
(1) Van spaeif, Inl. tot do Hist, v. Gelderl Β. I. bl. 5. D. IL LI. 10.
(2) Van sraeii, Inl. tot de Ilist. v. Gelderl. D. II. bl. 22—29. In zijne Hist. v. Gelderl.
D. I. bl. 55 , veiUaart hij al die edele Geldersclie Voogdbn, voor hersenschimmen.
(3) PoKTAHus, Jlist. Gelr. Lib. V. p. 59. V. sLicnTEanoRsi, Oeldersche Geseh. B. V. bl. 43.
Waarschijnlijk hebben J. v. reïgkrsberg en anderen, wegens deze Ileeren van pont beweerd, dat
Gelderland oudtijds Ponthis geheeten was. V. siicutekuorst, t. a. p. B. I. bl. 22.
(4) postahüs, üist. Gelr. Lib. I. p. 27. V. sucuteäüorst , Geldersche Gesch. ΰ. I. bl. 21,22.
-ocr page 99-DES VADERLANDS. 99
Godfried I vergezelde in negen honderd zeven en veertig, Keizer οττο op zijnen 1010—
ikrijgslogt tegen arnolp, Graaf van Vlaanderen, Zijne gemalin was adela, eene doch-
ter van ARwoLD , Graaf van Kleef, en moeder van
WicnARD II, welke in negen honderd acht en vijftig, naar anderen eenige jaren
vroegei·, zijnen vader in de Voogdij opvolgde. Hij zou in den slag bij legen
de Hunnen, zich dapper van zijnen pligt gekweten hebben. Door huwelijk was hij aan
de Graven van Zutphen vermaagschapt, en overleed in de laatste helft der tiende eeuw;
doch het jaar zijns doods wordt even verschillend opgegeven, als dat zgner voorgangers.
Men wil, over bet algemeen, dat
Mengo of megingoos, welke de vijfde Voogd van Gelre genoemd wordt, zijn zoon
geweest zij. Deze is de eerste van wien men iels met geschiedkundige zekerheid Aveet,
daar zijn naam in onderscheidene giftbrieven dier eeuw gespeld wordt, uit welke blijkt,
dat hij Graaf was, of een grafelijk ambt bekleedde (1). Hij was ongetwijfeld Landvoogd
{praefectus) in deze streken, en in het bezit van Gelre, alwaar hij overleed, en moge-in 1004
lijk ook van Wassenberg (2). Met zijne gemalin gerberga, dochter van zekeren Her- "ilOll
tog GODFRIED, Stichtte hij het klooster Wilich bij Bonn^ waar beide rusten, en zijne
overblijfselen in eene vergulde kast bewaard worden (3). De Kerk heeft hem en zijne
dochter α leid , de eerste abdis van Wilich^ onder de Heiligen geplaatst, ,en zijn feest-
dag op den negentienden van Wintermaand bepaald. Men geeft hem tot kinderen:
wiking of "widighem, dien men tot zesden Voogd van Gelre verheft, ofschoon geene
echte bescheiden van zijn aanwezen melding maken; godpried , welke vóór hem kinder-
loos in eenen slag tegen de Bohemers sneuvelde; en, benevens aleid , nog twee andere
dochters, die aan voorname geslachten vermaagschapt werden (4).
Wiking , zijn opvolger, zou deel genomen hebben in den krijgslogt van Bisschop
(1) Van spaïk, Inl. tot de Eist. ν. Gelderl. D. Π. W. 30—34.
{2} Van spaek, Ilist. v. Gelderl. D. I. bl. 50.
(3) Op deze kast staan de volgende vereregcl»
Rcjjum dulcis amor, patriae pater al tor egcntium.
Ecce megekgardbs liic tumulatus inest.
Seit servare Deo fidem, gerberga marilo,
Quam mors non separat conjugis a gremio.
Hoc templum proprüs slruxerunt ruribus ambo.
Foelicis quorum praedia praeda Dei!
Cum quartus decimus sol volvitur ante horizonlem
Janum, func senior rapfus ad astra fuit.
Vaj spaen , Inl. tot de Hist. v. Gelderl. Β, H. bl. 38.
(4) Vak spaeh, Ilist. τ. Gelderl. D, II. bl. 34—39.
ii;;·.'
f
13
-ocr page 100-ί 100 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
lÜlÜ—ADELBOLD tegen Graaf DIRK III; en Inj de inwijding der St. Maartenskerk te Utrecht
geweest zijn (1). Hij overleed na een vier en twintigjarig bestuur, en liet uit zijn hu-
Avelijk met elizabetii , de dochter des Hertogs Tan Beijeren, Tier zonen achter, Tan
JÜ2S of welke de oudste, wicIhard , hem in de/^oö^rfy volgde, terwijl de overige bisschoppelijke
zetels bekleedden ; willem , dien van ütreeht, κιαπ^^,ηβ of gerlacb , dien van Luik
en MEiwwERK , dien van Paderhorn (2).
1058 wighard III mengde zich, te zijnon nadeele, in de geschillen van Utrecht niet
lOGl Holland, en overleed kort daarna (3). Zijne dochter en eenige erfgename, adelueide,
huwde aan οττο, Graaf van Nassau, welke door Keizer Hendrik IV tot eersten Graaf
van Gelre werd aangesteld, van waar Gelderland het wapen van Nassau zou voeren.
Otto huwde naderhand sofia van Zutphen, en bragt hierdoor dit graafschap met dat
van Gelre onder één wapen en één bestuur. Beide graafschappen waren leenen van het
Duitsche Rijk, gelijk de Veluwe van het bisdom Utrecht, en bleven bijzondere stalen , tot
dal gerlagh , otto's zoon van het tweede bed , kinderloos overlijdende , zijnen halven broe-
der GERHARD zijnc bezittingen naliet, waardoor met Géi/re vereenigd werd (4).
De Graven van Gelre zouden alzoo uit het grafelijk huis van Nassau zijn voortge-
sproten. Tegen deze afstamming echter,' hoezeer eenparig door alle vroegere Schrijvers
aangenomen, zijn bewijzen en gronden aangevoerd, welke haar ten: uiterste twijfelachlig
maken, zoo niet geheel tot het rijk der fabelen en hersenschimmen terugbrengen (5).
Men heeft, op grond van eenoud handschrift, den oorsprong der Geldersche Graven van
elders, en wèl uit' Filaanderen afgeleid. ,Hier leefden, naar men Avil, in het begin
der elfde éeuw twee broeders, gerhard en rütger , édel, vermogend, en beroemd
als dappere verdedigers van hun vaderland. Steeds blootgesteld aan de heerschzucht
der omringende Vorsten, tegen Avier magt zij niet waren opgewassen, zagen zij zich
eindelijk genoodzaakt, hun land te verlaten en bij den Keizer bescherming te zoeken,
van wien gerhard , bij Wassenberg, en rutger , bij ä'/ee/, vele goederen in leen
ontving. Men vermoedt, dat dit omstreeks het jaar duizend twintig geschied is. De Graven
van waren afslammelingen van geruard, cn dit verkrijgt eenigen graad van zeker-
heid , dewijl zij dikwijls onverschillig , nu eens Graven van JVassenberg, en dan van Gelre
. (1) Zie liicrvoor, Ll.CO, Ö2.
(2) Hoe veel vertrouwen dergelijke geslachtlijsten verdienen blijkt, daar MEiswERK. de zoon was
van imad en adela. Zie hiervoor, LI. 95. |
(3) Zie hiervoor, bl. 70, 71.
(4) Verg. poKTANüs, Jlist. Gelr. Z^Z», V. p. 59—89. ZiÄ. Vi. p, 90—93 , 95. Α. ν. sucn-
TEfluoRST, Geldersche Gesch. li. V. bl. ώ—57., b1 VI. W. 69, 73.
(5) Vah spaen , Inl. tot de Jlist, v. Gelderl. D. II. LI. 44—89.
-ocr page 101-DES VADERLANDS. D ! · 101
Eenoemd worden. De achterkleinzoon van den Vlaamschen gerhard, zou dio Gerhard 1010—
van Gelre geweest zijn, welke de ^'eri-ie,genoemd -wordt, eiirwien men gist ééutezijn
met GERHARD , Graaf van TVassenherg, welke op last des Keizers, den abt van St. Truijen
gewapenderhand in zijne abdij binnen leidde (1). lu dit alles, men moet het erkennen, 1085
heerschl echter mede nog veel duisters, nog veeLdat op enkele gissing en op bloot ver-
moeden berust. ^.y. . ·:!) : ;d·.
Even onzeker blijft de oorsprong viin de aloudelErfheeren en.Graven van Zwi/JÄm ,
die reeds vóór de Graven' van Ge^re bestpudéuii; In het imiddenfder elfde eeuw wordt
het eerst y^n Zutphen, als eeno plaats in jïawe/i??«!^ gelegen, melding gemaakt, en het
eene stad {oppidum) genoemd. Ofschoon men hier slechts, aan eenen burg met huizen
en woningen moet denken, welke eerst op het einde der twaalfde eeuw stedelijke reg-
ten ontving, wordt Zutphen e^mvid. onder de oudste .steden, van C^eWc/Vanc? gerekend,
welke geenszins voor Nijmegen of Thiel behoeft te zwichten (2). Het landschap Zut-
phen zelf was bepaald binnen de Ilamelandsche- en IJsselgouw, en behoorde, even als
alles wat aan de overzijdei des IJssels gelegen was,oOuder Saksen of Westfalen,
Er waren vele bijzorulere kleinoaheerlijkhßden,; geheel·;.onafliaukelijk van de oude Erf-
heeren, later Graven ym^Zutphen, wier''bezillingen j deswege zeer beperkt waren,
en zich waarschijnlijk, in dien, tijd, niet verder dan. de stad of burg, en het
schoutambt, met een ,gedeelte van hetjilanddrost-anjJ^t^ uitgestrekt hebben. jVelo
dezer Erfheeren en Graven voerden den naam jvanioWiGHHAif, .;doch de maagschap
en betrekliingen van den een tot den ander, en de opvolging berusten op en-
kele gissingen (3). De eerste bekende Graaf van Zutphen, οττο genaamd, leefde
in het begin der elfde eeuw. ^ Niets wordt van hem gemeld, dan dat zijne doc)iler mecii-
tild huwde met lüdolf , zoon van den Paltsgraaf ezo. Men gist, dat uit dit huwelijk
Gravin adelheide is vojirlgesproten, welke met haren echtgenoot. Graaf godeschalk ,
en hunne beide zonen, gebehard en οττο, zich in duizend negen en vijftig met willêm ,
Bisschop van Utrecht y over eenige tieïideifi én 'ändere -punten» verdroeg. Gebeb^rd
vóór zijn vader overlijdende, werd^j deze laatste'döo^^ οττο opgevolgd , wiöns'dochter
erming'ard in de eerste helft der twaalfde eèuw, Zutpheh ΆΆη Gèlr^htagï
; ii rr ,!■.■· 'I·!·.·!; . ■ : 'ia iii i: ,ΐΐ',ίι . ff) [.«liMigiSO
V -u'! \ke,K j 7·!!?': :.·.;.V i'.^ ifmil·?:} π·.> nobfiiihli •."i'i.'ini^.a ^Ofcsai hc-.'.."l:Ji--jKfi«.nsfi |«ιίιι ι^^η-ββ
(1) Van spaên tot deHist. ν: Gelderl. Dill, bin 894-105.. SjSTiii. v.wGvlderl.:J).l.
bl. 48-^2;ί:;7 Π'!!1·.:ί l< · -.'.μκ, ί;·..,' t'!^" Γ.' . ·ί \\··.; ■ ' ·,.„;.VV ΙΙΟϊ n'.igifl'»!! .(btlilim? '
(2)^Van sFAEs/in/. tot de Hist. v. Gelderl. D. bl. 167. -Φ .vit
■ι
(3) Vah spaen, t. a. p. D. I. H. 32—119, 167-171. fftsi. v. Gelderl. D. '1. bl. 66-68. Zie
hiervoor, bl. 45. . . /i: ^' .! .« Λν·'^ / ^uj
(4) Van spaeis, Inl. tot de Htst!vl^'Gelderl. D. I. 172—256," alv^äär de bewijzen voor liet bo-
venstaande worden bijgebragt. Hist, v, Gelderh Ji. I. H. 68—73.!'': .!ii q .i; j ,,;.,,,,tf: -T)
102 ALGEMEENE GESCHIEDEIXIS
1010— Friesland. groniivgepr. Is de Geschiedenis van Gelderland, in dil tijdperk,
1085 ^jj duisternis en verwarring gebuid, niet minder die van Friesland, over welke meer
hij gissing dan met zekerheid kan gesproken worden. Immers is de togt van Graaf
1026 ^^^ Friesland beoosten het p^lie, aan veel twijfel onderworpen (1). Even-
zeer blijft het een punt van geschil, of men onder villa Cruoninga, door Hendrik III
1040 Ulrechtsche kerk geschonken , de stad Groningen, en niet slechts een goed of ge-
hucht van dien naam te verstaan hebbe (2). Eenigen meenen, dat het tegenwoordig
Gföningen op Frieschen bodem gebouwd is, reeds jaren vóór dien schenkingsbrief eene
vrye Rijksstad was, van Drenthe zoowelAÏs van Drent herwolde afgescheiden, en dat het,
even als het omliggende Groningerland^ steeds tot Friesland is blijven behooren (3).
De fabelgeschiedenis der Friezen noemt den grondlegger en naamgever van Groningen,
«runo, den kleinzoon van friSo (4). Tot dezelfde hersenschimmige λvezens behoort
welligt ildegardus Van Groningm, dio onder de Friesche helden, welke karel den
G^rooie dienden, geteld wordt (5). Even onzeker is het, dat Grom'M^ew reeds in de negende
•èeuw eene beroemde koopstad of marktplaats was, toen het door de Noormannen verwoest
^vcrd (β). Men betwist zelfs, dat het in duizend twintig met eenen houten wal of beschut-
ting werd omgeven; en beweert, dat zoo het in duizend veertig bestond, het eene stad
of dorp van weinig beleekenis moet geweest zijn (7).
Meer zeker schijnt te zijn, dat de Bisschoppert van Bremen oudtijds Voogden
en Grietmannen naar dat gedeelte van Friesland zonden, welk door kakel
(1) Zie hiervoor, bi. 63.
(2) Zie hiervoor, bl. 84.
Magnih f Omrzigt van de besturen in Drenthe, bl. 139.
5(4) Alg. Gesch. d. Faderl., D. I. bl. 310. Menso alting, NoL Germ. Inf. Ρ. U. ρ. 73,
•leidl den naam Van Groningen af van het groene der omliggende χνεΐάοη. übbo emmics, de
Agro Fns. inter Lavic et Anias, p. 17, ofschoon dit gevoelen niet verwerpende , is echter niet
ongezind te gelooven, dat Groningen gesticht of beheerscht is geworden , door zekeren crcno of
grtns, niet den naneef van Fiuso, maar een inlander en geboren Fries. Van bdijn, Aant. op de
Oudh. v^yGron., Jbl. 73,.wil den naam,hebben afgeleid van het woord gronia ofgmna (moeras
of veenland). Naar eenigen zou Groningen .reeds in de oudheid onder den naam van Phula^um
bekend geweest zijn. Ptolemaeüs (JSMropa, Tab. IV)/,ten minste stelt in deze omstreek eene
plaats Philaeum genaamd. ^
φ) Alg. Gesch. d. Faderl., D. I. bl. 360. - , . ,
,, ,(ÖJ Heda, p. 27. UocnELiCS,.heeft dit gevoelen tegengesproken. Not. ad ιΐΕΟΛί« , ρ. 32.
(7; MicaiK, {. a. ρ. bh 141r^l47, 153-.-155. , /
-ocr page 103-DES VÄrDERLANDS. loa
den Groote aau hunne Kerk geschonken was, Men wil, dat zekere edo die Yoor een lOlO—
Fries gehouden wordt, verbitterd, dat zijn grootvader door den Bisschop van j^rmm uit
eene dergelijke voogdij of bediening was ontslagen geworden, uit wraak de'stad Bré'^ 1042
men, met den Dom en het bisschoppelijk paleis in brand stak. Anderen meenen, dat
hij dit gruwelstuk uit wrok pleegde, dewijl niet hij maar zijn neef, insgelijks edo ge-
naamd , met de proostdij van Bremen was begiftigd geworden. Hoe dit zij, men ver-
haalt , dat EDo's vader, om de schuld zijns zoons te verzoenen, al zijne goederen aan
de kerk van Bremen vermaakte, terwijl de grootvader, met hetzelfde doel, eene bede-
vaart naar Jeruzalem ondernam (1). Later werden de bezittingen dier kerk nog
aanmerkelijk vermeerderd door den Keizer, welke haar met een aanzienlijk graaf-
schap in Friesland, Fingo, Fevelingo of Fivelgoo, een van de kwartieren der Gro-
ninger Ommelanden, begiftigde, Welligt maakte dit graafschap een gedeelte van het
Saksische markgraafschap uit, en was thans in het bezit van egbert , die deswege melden
Bisschop in eene minnelijke schikking moest treden. Hij bleefin het bezit des graafschaps,
onder belofte van jaarlijks duizend ponden zilver daaruit te zullen opbrengen, doch heeft
nooit meer dan twee honderd opgebragt (2). Nog verkreeg genoemde Kerkvoogd van den
Keizer eene vergunning, om twee marktplaatsen in de landschappen i/iiWie^oo en Ftwi^oo
aan te leggen, terwijl hem levens al de munlwisselreglen en tollen, te water en te lan»
de, met den geheelen ban, welke lot het keizerlijke regtsgebied en onder 's Keizers mngt
behoorde, werden afgestaan (3). De Bisschop, steeds hakende naar meer, zou op
naam des jeugdigen Keizers, Hendrik. IV, eene gewapende xaAg\.\Vi.Friesland gezonden
hebben, welke zich van eenige kasleelen meester maakte, en hierdoor den opstand der
Friezen dempte (4). Welke deze opstand geweest zij, is onbekend; en blijkbaar moet hier aan
Holland, niet aan het eigenlijke Friesland gedacht worden (5). Minder bepaald kan
dit van den krijgstogt van Godfried met den Bult naar Friesland beoosten het FUe y
beweerd worden. Men verhaalt, dat hij, na het ontzet van ^/Äwöor door Bisschop 1072
WILLEM, derwaarts trok, de Friezen in een moorddadig gevecht overwon, en tot onder-
(1) TJiiBO EMJiiüs, de Rer. Fris. Eist, Lib. VI. p. 91. ScüOTASiis, Fr, Mist, II. ΙΠ, bl. 82.
F. SJOERDS, Fr. Jaarb. D. II. bl. 198.
(2) SciioTASüs, t. a. p. bl. 82. F. sJöBtiDs, t. a. p. bl. 201. WESTEpfDoisp, Jaarb. v. Gron.
D. I. bl. 161. V
(3) Westehdorf, Jaarb. υ. Gron. D. I. bl. 161,
(4) scnotanrs, Fr. Eist. β. III. w. 82. Verg. sïgebertüs gembiac. p. 837.
(5) Zie hiervoor, bl. 70. F. sjoerds, Fr, Jaarb. D. II. bl. 216.^
-ocr page 104-ί 104 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1010—vverping, iiOöd^aakle (1). Hunüe'bendeqr sqhaarclen' zich im onder zijne vanen; en
EGBERT II, Marligraaf van Saksen, Graaf van St'ßvoren , Oostergoo en Westergoo ,
1 reikte hem de; behulpzame hand in het verdrijven'.yah ivobert de Fries (2), Het is
niet duidelijk, welkö beweegredenen dezen egbert aangespoord hebben, zich na den
107(> dood van godfrïtjd , openlijk tegen den Keizer te verklaren, die hem, naar men
meent , .(>;ier., jaren , te voren met de genoemde Friesehe graafschappen beleend had (3).
Zeker is het, dat hij de zaak der weerspannige Saksers tegen het Opperhoofd des Rijks
omhelsde, hetgeen hij rnet het verlies zijner Friesehe graafschappen moest boeten,
Avelke aan zekeren otiielRik van; iroc/ej/teïm, tfr erkentenis zijner getrouwe diensten,
in ieen opgedragen werden (4). Wie deze otuelrik geweest is, en waarin zijne dien-
sten bestaan hebben, is vrij onzeker. Zoo veel blijkt, dat hij niet lang deze landen,
of een gedeelte daarvan, behouden heeft, dewijl het graafschap Stavoren, twee jaren
1078 later aan den Utrechtschen Bisschop geschonken Averd , »daar egbert," dus luidt de
giftbrief, »zich niet ontzien had, om, zoo het in zijne magt geweest ware, den Keizer
van zijn gansche gebied te ontzetten; en dat uit dien hoofde van dé goederen, Avelke
hem, naar een regtvaardig vonnis, ontnomen waren, het graafschap Stavoren, aan de
kerk van Ό treckt gegeven werd (Γ»)." Deze schenking voerde Graaf dirk V van //b/-
1079 land naar Friesland aan gene zijde van het Vlie, waar hy al^ Heer begroet én ge-^
huldigd werd (6).
Niet lang echter oogstte hij de vruchten zijner overwinning. Het gelukte egbert de
ontnomene goederen Aveder te bemagtigen. Denkelijk heeft hij zich met den Keizer ver^
zoend , die rnet leede oogen den gehaten Holiandschon Graaf in het bezit moest zien
van zoo vele landen en goederen, en daaronder het graafschap , nog on-r
langs door 1 hem der Utrechlsche kerk geschonken. De Friezen waren zéker ook veel
aflieeriger van het Hollandsche dan van het Saksische bestuur , waaraan zij sinds lang
gewend waren. Het is derhalve zeer waarschijnlijk, dat egbert, ondqr medewelen en
r
(1) ScnoTATsts, Fr. nist. B. III. LI. SO. F. sjoerds, Fr. Jaarb. D. II. bl. 242. Verg. hier-
voor, bl. 77. yiant. I.
■ I
(2) Van loow, Jloiide Holl. Bist. D. II. bl, 337. Men meent, dat egdert Π, zoon van
EGBERT I, zoo wel aan den Keizer als aan de Graven van Jlolland vennaag-sehapt Λναβ. Zie de
f {reslaclilUjst bij tan loon, t, a. p..bl. 345, en r. sjoerds,· t. a. p. hl. 251—25.3.
(3) F. SJOERDS, Fr. Jaarb. D. II. bl. 253. ^
(4) Heda, p. 139. Zie liiervoor, bl. 79 (6). '
(5) Groot Charterb. v. Friesl. D. I. bl. 67,
(6) Zie hiervoor, bl. 79, 80. , , ,, -
-ocr page 105-DES VADERLANDS. D ! · 596
oogluiking des Keizers gehandeld, en aan den kant der Friezen weinig tegenstand onl-,10jl0—
moet heeft (1). Doch wat hiervan zijn moge, uit alles blijkt genoegzaam,' hoe
weinig hel Keizerlijk gezag in Noord-Nederland, over het geheel, geëerbiedigd werd.
Nog stouter werd het echter dfeor de groote leenmannen in Neder-Lotharingen miskend
en als met Toelen getreden. ■ s i - ,
Noord-Brabahd en Limburg. Na den dood van Hertog οττο, Avas dit uitgestrekte
gebied door Keizer Hendrik II aan Godfried III, rfm, ook wel Godfried wow jEen-
\
/iam genoemd, Graaf van /^eri/ji« , opgedragen, niettegeniitaande Lambert III, Graaf
van Leuven, en robert II, Graaf van Namen, beide aan Hertog οττο vermaagschapt·,··
hierop aanspraak maaliten (2). Verbitterd over deze inbreuk op hun vermeend regt,
vatteden zij de wapenen op tegen den Keizer en vonden, spoedig magtige deelgenooten
in de Graven van Henegouwen, van Vlaanderen , en van Holland. Na eenen hardnek-
kigen krijg, verzoende zich boudewun IV van Vlaanderen met den Keizer, welke
hem, op raad en met toeslemming der Rijksvorsten, Zeeland heicester Schelde in leen
afstond (3). De rust was echter hierdoor in niet hersteld. DeGraafvaii
Leuven, de geduchtste onder de misnoegde Grooten, rustte zich uit, om dit graafschap
te hernemen, dat hij als een erfgoed zijner voorouders eischte, doch door den Keizer
als een rijksleen beschouwd werd. Hij maakte zich meester van de stad Leuven-, welke
daarop te vergeefs door Hertog godfriedIII, op last des Keizers, belegerd Averd, Zijne
weérstandbieding herlevendigde den moed der voornaamste Neder-Lotharingsche Vorsten ,,
welke zijne zaak omhelsden. Slechts de Bisschop van T^uik, balderik , bleef Hertog
godfried getrouw en versterkte Hougaerde, om Lambert aan dien kant pp te houden^i
De Graaf deswege vertoornd, verscheen spoedig als verklaard vijand op Luiksoh grond-
gebied, en noch de vermaningen, noch de banvloek des Bisschops , konden verhinderen ,
dat hij bij Hougaerde post Talle. Hier Averd hij door den Luikschen Kerkvoogd, die
middelerwijl eene talrijke bende had bijeengebragt, overvallen , en slechts de lrou\yloosheid 1015
des Graven van Namen konde hem eindelijk van de overwinning ^-erzekeren. Doch kort
daarna werd hy verslagen en sneuvelde in eenen bloedigen strijd tegen Hertog Godfried ,
welke nu in uendrik I, 'sGraven zoon en opvolger, eenen moedigen verdediger der
vaderlijke regten moest bestrijden. Eindelijk Averd de lAvist, in het bijzonder door de
tusschenkomst van gerhard , Bisschop van Kamerijk, en adelbold, Bisschop van
Utrecht, beslist. De Graaf van ZfMüm verzoende zich met den Keizer, enAverd in het
--- ·. - ur.j..· ■ ^ .,·· .■ -
(1) üubo ejimiüs, da Rer. Fris. Ilist. Lil·. VI. p. 97. F. sjoirds; Fr. Jaarb] D. II, LI. 260.
(2) Sigedertus gebiblacessis, ad annum 1005, p. 826". Magnum Chron. ÏSe/^.p, 104. Meijerus,
Annal. Flandr. Lib. II. p. 21. '
II. deel. ■ 14
-ocr page 106-ί 597 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1010—vreedzaam bezil zijner goederen hersteld, welke hij, zonder tegenspraak, op zijne na-
komelingen overbragt (1).
Bisschop ADELBOLD had Lij deze bemiddeling niet zonder bijoogmerken gehandeld,
en teregt begrepen, dat hij van Hertog godfried III geene hulp tegen Graaf dirk III konde
1018 hopen, zoo lang de vrede in het overige ISeder-Lotharingen niet hersteld was. Nu
toefde hij ook niet, den Keizer tol een krijg legen den gevreesden Graaf aan te sporen , welks
1024 ongelukkigen afloop Hertog godfried slechts weinige jaren overleefde (2). Hij werd door
1026 zijn broeder gotuiloI, Markgraaf van Anticerpen, opgevolgd, juist toen Keizer koen-
raad Π te Aken was gekroond geworden. Ggthilo weigerde dien Vorst te huldigen,
en verscheidene Groeten volgden zijn voorbeeld. De twist werd echter zonder bloed-
storten bijgelegd; inen zwoer den Keizer trouw en verkreeg vergiffenis (3). GoTnito
zelfs ontving naderhand tot loon zijner uitstekende diensten, den Keizer zoo Λνοί in de
1033 raadzaal als op het slagveld bewezen , ook hel bestuur over Opper-totharingen (4), en re-
geerde . met eene wijsheid, die hem den naam van: den Groote, meer heeft waardig
gemaakt, dan de uitgebreidheid zijner magt door het bezit der beide Lotharingen (5).
J044 Het jaar waarin hij overleed kenmerkte zich door eenen vreesselijken hongersnood,
door veepest en misgewas veroorzaakt, welke Frankrijk, Duitsehland en Lotharin-
gen verwoestte (6). De edelmoedige liefdadigheid en wijze maatregelen der Bisschop-
pen van Kamerijk, Luik en des abts van Gemhloux, lenigden in deze streken
don algemeenen nood van welken elders een ijzingwekkend tafereel door tijdgenooten ge-
schetst wordt. De bewoners der geteisterde gewesten, door het wreede gebrek gemar-
teld, Avaren genoodzaakt menschenvleesch te verslinden, en vermoordden de reizigers,
om hen te eten. Duizenden ongelukkigen, van oord tol oord voor de ijsselijkheden des
hongers vluglende, werden des nachts door hunne gastheeren geslagt, Aiien zij dan ten
spijs verstrekten. Hier lokte men kinderen , door een appel of ei, naar afgezonderde
plaatsen, en doodde hen dan, om de woede des hongers te bevredigen; daar werdende
lijken opgedolven en het walgelijk overschot verzwolgen (7).
(1) Baldric. Ckron. Zii. ΙΠ. c. 5—10. Sigebeb.tïis gemb. p. 828. Magnum Chron. Belgic.
p, 104. Dewez , Hist. Gén. de la Belgique, T. II. p. 314—320.
(2} Zie hiei'voor,, W. 58—61. Skieberujs gemdiac. p. 830.
(3) Sigeuertus GEMBtAc. p. 830. Magn. Chron. Belgi, p. 108. Dewez, t. a. p. T. II. p. 323.
(4) SiGEBERxus GEMBiAc. p. 832., Magu. ChroH. Belg. p. 108,
(5) Dewez, t. a. p. T. II. p. 324.
(6) SlGEnERTDS GEMülAC., p. 834. IIeRBANSI C05TRACXI ChroH, p, 284
(7) Dewez, Ilist. Gén. de la Belg. T. 11. p. 325.
-ocr page 107-DES VADERLANDS. ί, 107
Bij deze naamlooze ellende Tereenigden zich in Neder-Lotharingen staatkundige on- 1010—
lusten en geschillen. Gothilo I had twee zonen achlergelalen, Tan welke de jongste
hem, naar den wil Tan Keizer Hendrik III, in het bestuur ταη Neder-Lotharingen
opvolgde, terwijl godfriedIV, de oudere broeder, in het bezit van
of Mosellanië, welk hij gedurende het leven zijns vaders bestuurd had, bevestigd werd.
Godfried IV echter berustte niet in deze Keizerlijke beschikking, en eischte, op grond van
eerstgeboorteregt, Neder-Lotharingen mede voor zich, doch op eenen toon, Λvelke
den Keizer bewoog, hem ook datgeen te ontnemen, wat hij reeds bezat. Hierdoor
tot wraak getergd, stond hij openlijk tegen'neifdrikIII op, en deze, om aanallemoeije-
lijkhedeu een einde Ie maken, bepaalde eene nieuwe deeling, waardoor Neder-Lotha-
ringen aan godfried als den oudste, en Opper-Lotharingen aan gothilo II werd toe-
gekend. Godfried echter, even onbillijk als onverzadelijk in zijne eischeii, wenschte
ook Opper-Lotharingen voor zich, en zwaaide ten tweedenmale de vaan des oproers,
toen hem deze vordering ontzegd was. Zoo veel stoutheid en hardnekkigheid zette ein-
delijk grenzen aan het geduld des Keizers; godfried IV werd op nieuw van zijne Avaar-
digheden en titels beroofd, en Νeder-Lotharingen aan gothilo Π , doch Opper-^Lotha-
ritigen aan albert van Oostenrijk of van den Elsas gegeven.i Zonder magt, zonder
bondgenooten, en geheel aan zich zeiven overgelaten, poogde gödfriäd door eene spoe-
dige onderwerping, weder genade bij den Keizer te verwerven, doch de vertoornde
Vorst liet hem in eene naauwe gevangenis werpen, uit welke bij eerst het volgende 1045
jaar ontslagen Averd (1).
Het schijnt, dat hij niets dan vergiffenis heeft ontvangen. Althans het bestuur over 1040
Neder-Lotharingen werd bij den dood van gothilo II, aan frederik, zoon des Gra-
ven van Luseemlurg, opgedragen (2). Godfried hierdoor meer dan ooit vernederd en
verbolgen, bewerkte een nieuwen opstand tegen het Opperhoófd des Hïjks, in welken
de magtige Graaf van Vlaanderen zijne" belangen omhelsde.' Tïa een liievigen krijg,
welke België verwoestte, onderwierp zich godfried op nieuw aan den Keizer, tegen
Avien hij echter eenen geheimen wrok bleef koesteren (3). In teïmógeii en aanÄien ge- 1047
stegen door een huwelijk met beatris , weduwe des Hertogs van Toskavie, teieenigde 1053
hij dan ook weldra zijne wapenen met die des Graven van Vlaanderen^ welke den
krijg steeds had voortgezet. Een groot gedeelte van Neder-Lotharingen werddeprooi
(1) Herïï. costractcs, p. 286. Laihdebtcs schafkabcrg. p. 318. Sigebebtis cejiii. p, 834.
Magn. Chron. Belg. p. 119. Deweï, t. a. p. p. 325—327.
(2) IIekh. comuact. p. 287. Sigebektüs gembiac. p. 835.
(3) Zie hiervoor, bl. 67 , 68, en de aldaar aangehaalde Schrijvers.
16*
-ocr page 108-ί 108 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
lÜlO—van moord en vorbeiging; en slechls de dood van Hendrik III konde een einde maken
1056 aai deze noodlottige en langdurige geschillen (1). Op aandrang van de Keizerin-
Weduwe AGNES, en van Paus vigtor Π, werd eene vergadering van Rijksgrooten te
1057 Keulen bijeengeroepen; en onder de vredesvoorwaarden was ook deze begrepen, dat,
ua den dood van frederik , Godfried IV het bestuur over ]Seder-Lotharingen zou er-
langen. Dit werd stiptelijk nagekomen, en godfried geraakte uit dien hoofde, einde-
1065 lijk aan liet bezit van Ν eder-Lotharingen (2). Hij regeerde slechls vijf jaren, in
Avelke zijne rust somtijds door de ondernemingen der oorlogzuchtige Graven, die onder
1070 zijn gebied behoorden, gestoord Averd.
De groote bekwaamheden van "sllertogs zoon en opvolger, godfried V, bijgenaamd
met den hult, zouden ongetwijfeld den overmoed der Lotharingsche Gi ooten beteugeld
hebben, indien hij niet door het moordtuig eens verraders, in hel midden zijner schitte-
1076 rende loopbaan gevallen ware (3). Hij was gehuwd met de Gravin Mathilda, de doch-
ter zijner stiefmoeder beatris, en de befaamde vriendin van Paus gregorius VII.
Daar hij kinderloos was overleden, begiftigde Hendrik IV zijn oudsten zoon , koen-
raad , met IS eder-Lotharingen, waarover de Keizer, als een mannelijk leen dat thans
aan het Rijk vervallen was, beschikte, ten nadeele van godfried van Bouillon ^ den
zoon van ida, zuster van godfried V (4). ) ,
«i
li.!
(1) IIeRMANMÜS COKTRACTUS, p. 297. LaMBERTÜS βαΠΑΗΗΑΙΙϋΕαΕΛβΙβ, ρ. 320, 321. Sigebertüs
gemblacedisis, ρ. 835, 837, 837. Een uilvociig verhaal dezer onlusten wordt {jevonden bij dewe/, ,
Hist. Gén. de la Belg. T. II. p. 335—340. Verg. ook Meijeuüs, Annal. Flandr. Lib. III.
ρ. 24—26.
(2) Sigedertus gemblacehsis, p. 837, 839. In plaats van gerardus, Lij dozen Kroniitschrijver ,
moet ongetwijfeld godefridus gelezen worden. De eerstgenoemde was Hertog van Mosellanië of
Opper-Loiharingcn. Verg. hem ad annum 1070, p. 840,
(3) Verg. hiervoor, hl. 75—78.
(4) SlGEBERTÜS GEMBLAC. p. 842.
-ocr page 109-■ ϊί
mm.
DERDE HOOFDSTUK.
VAN GERHARD I, GRAAF VAN GELRE,
tot op ! ; t
DEN DOOD VAN GRAAF FLORIS III VAN HOLLAND.
loes—1190.
Holland ek Zeeland. Hertog koenraad liel dirk V van Holland in het ongestoord
bezit des heroverden gebieds. Men heeft "van dezen Graaf nog een brief ten behoeve
der abdij van Egmond, in welken hij do giften, haar door zijne voorzaten geschon-1085—
ken, bevestigt (1). Aan liet hoofd van dien brief, gegeven den zes en Iwiiiligslen vau
Zomermaand, duizend drie en tachtig, noemt hij zich: dibK, door Gods genade,
Graaf van Holland (2). Voorts verklaart hij »de onderhoorigen der abdij, door de
gcheele uilgestrektheid zijns graafschaps, tolvrij, en scheukt den abt de zoogenaamde
hooge en vrije heerlijkheidsregten 'm al do landen der abdij-, terwijl hij hem'en zijne
opvolgers, op verzoek zijner gemalin otuelhilde'van »^cätfe« tevens * de regterlijke
(1) Hüydecoper op melis stoke, D. I. bl. 494, 495, heeft met BucUEiits , od uedam , p. ül,
de echtheid van dezen giflbrlef bestreden, welke echter door kluit , Rist. Crit. Com. Τ. II. Ρ. 1.
ρ. 128—139. boven alle bedenking is gestaafd geworden. Zie mede vah wijn opwAGEKAAR,St.Ii.
bl. 68. Eene overzetting van dezen brief Leeft van hieuis, 1). I. bl. 71 uit de vertaalde ZCrowyA
van Egmond, bl. 22, overgenomen.
(2) Eenigen \czcn. noUandensium οΐ Jloldlandensium Coi/ies (Graaf der Hollanders of HoUlandere)j
anderen Hollandensis Comes ; doch kluit, welke de beste uitgave van dezen giflbricfbeeft bezorgd,
leest: ' HoUlandensis Comes. Ilist. Crit. Comi T. II. P. I. p, 119. Zoo werd reeds vroeger
eeertrüid, Comitissa Iloldlandensis, en robert de Fries, Comes Holdlandensis genoemd. Zie
KiüiT, in 1. c.'p. 138. Verg. liiervoor, bl. 17. .Men beeft de woorden: door Gods genade,
bewijs tegen de ecbtlieid van dit Charter^aangevoerd, daar dirk, als leenman des DuilscbenRijks,
EicU van deze spreekwijze, tonde nocb mögt bedienen. jMen bedenke echter, dat deze, evenals
andere soortgelijke uitpakkingen, in die tijden, slechfs irpom- of zcdigbeidslialve gebruikt
werd; minder ten teeken van oppermagt, dan van nederigheid cn godsdicnsligheid. Zie kluit in
1. c. p. 129—131 j ook wagehaae , D. h. bl. 197 (2).
ί 110 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
of het schoulambt (^judiciariam potestatem) in ^/Amaar afslaat (1)." Meer
bijzonderheden bcfreffende, dezen Graaf, welke in hooge mate de liefde des volks be-
zat, vindt men niet opgeleekend. Bij zijn dood ging het hoog bewind van den staat,
welken hij met de wapenen herwonnen en gelukkig bestierd had, op zijn zoon floris
over (2). Twee jaren later ontsliep roeert de Fries, en twintig jaren daarna do Gra-
vin geertruid Van Saksen (3). Zijne zuster bertha was gehuwd aan filips , Koning van
1091 Frankrijk, en adela , zijne halve zuster, aan kawut , Koning van Denemarken en
JSoorwegen. Wij voeren dit aan als een blijk, lot welk eenen aanzienlijken rang het
oude Hollandsche gravenhuis was opgestegen, dat trouwens reeds sinds lang ten naauw-
ste aan de eerste huizen van Duitschland en Frankrijk vermaagschapt, en door zijne
uitgestrekte bezittingen, rijk en maglig Avas geworden.
]Vog gelukkiger dagen dan onder nirk, loefde Holland onder floris Π , de Vette
bijgenaamd, die nog jong geweest moet zijn, toen hij het grafelijk bewind aanvaardde.
Men wil uit dien hoofde , dat hij door Keizer Hendrik IV onder voogdij gesteld werd , eerst
yan koewraad, Graaf van JVerla, en daarna van Hendrik, Graaf van Norlheim ; de
eerste een volle, de tweede een halve broeder van de Gravin othelhilde (4). Bewijzen
hiervoor heeft men echler te vergeefs opgespoord (5). De oudste en echtste bescheiden
melden slechts, dat floris zijnen vader opvolgde, en al zijne voorzaten niet alleen in
magt en rijkdom, maar ook in deugden en voortreil'elijke begaafdheden van den geest
orvertrof (6). Boven alles waardeerde hij den vrede, en slechts éénmaal, gedurende zijn
bewind, werd deze bedreigd, toen hij zich met Keizer Hendrik V tegen roeert II,
Graaf van Vlaanderen, vereenigde, welke in het bezit van Zee^anc^Aeweiier ΛΛβ^β ge-
1108 bleven was, waarop de Hollanders aanspraak maakten (7). Zoo vermenuitdevoorwaar-
(1) Tcjjen dezen afstand van het schoutainbt worden eenige bedenkingen opgeworpen door s. ei-
KELEKBERG, Alkmaar cn zijne Geschiedenissen., hl. 37. Rotterd. 1747. Misschien heeft men
zich in den naam vergigt. Hüydecoper op melis stoke, B. II. bl. 351.
(2) Chron. Egmond apud kleit, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. L ρ. 63. Melis stoke ,Β.II.bi. 351.
(3) Meijertjs, Annal. Flandr. Lib. III. p. 31. Lib. IV. p. 37.
(4) Va« LOOK, Aloude Holl Jlist. D. II. bl. 355. λ ,
(5) Wagehaar, D. ίΐ. W. m V
(6) Chro7i. Egmond apud klcit,^/«;. Crit. Com. T. I. P. I. p. 63. jDe beka, p. 43.Melis
stoke', Β. II. bl. 354. 358. ä
(7) Eenige Schrijvers mcenen, dat Graaf floris reeds in het jaar 1ΌΘ5 over de landen bewfister
Schelde met de Vlamingers geoorloogd heeft, dat hij toen met Keizer heudrik IV verbondeai was»
en 'waarscbijnlijt ook gemengd geweest in den stiijd tnsschen dien Vorst en Graaf bobebt in
1102. Ilüit, Jlist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ. 1Ö7, 198. Vait wijs, Naleez. op w^genaar.,
hl. 127. Be Klerk uit de ïmge Landen zegt van floris » hyi en· badde binnen synre tyt, dat
hy Grave te Hollant was, geen onlede van oirlogeil." bl. 57. Verg. heli» store, B. II. bl.351.
DES VADERLANDS. D ! · 602
den des onderlingen verbonds kan nagaan, rekende de Keizer, dat robert II al λταΐtot 1085—
F^laanderen hehoQv^Q, onwettig bezat. Immers Averd bepaald ,» dat men , met vereende
magt, Flaanderen en Zeeland beicester Schelde zou pogen te -winnen, ^\aarna-ί/α?ίί
en de F^ier Jmhachten aan den Keizer, het overige gedeelte van aanboü-
bewijn III, Graaf van Eenegouwen, kleinzoon van bighilbe , en Zeelajid hewester
Schelde aan Graaf floris zouden gelalen worden (1)." De moed en het beleid van
ROBERT verijdelden deze bepalingen; hij schijnt echter Zeeland hewester Schelde en het
land van Waas den Hollandschen Graaf in achterleen gegeven te hebben (2).
Floris II beminde overigens te zeer de rust en de vermaken, dan dal hij niet steeds
in goede verstandhouding met de naburige Vorsten zou geleefd hebben; in het bijzonder
verkeerde hij in broederlijke eendragt met den Bisschop van Utrecht, dien hij som-
tyds bezocht (3). Strijden was zijn vermaak niet. Terwijl andere Nederlandsche Groeten
cn Edelen duizenden gevaren in den Heiligen krijg trotseerden, genoot zijn Staat de voor-
deelen des vredes. Zijne hofhouding was schitterend, zijne feesten muntten uil door ryk-
dom en pracht, zijne geschenken waren vorstelijk (4). Vandaar welligt, heeft de be-
gunstigde geestelijkheid zijn karakter eenen lof toegezwaaid, die niet door*het weinige
dat van hem is opgeteekend , geregtvaardigd wordt. Althans geheel iels anders dan belang-
looze hulpvaardigheid en zuiver pliglbesef, is zijn gedrag tegen den abt van Trwt/'m, 1108
wiens yoorstander (advocatus) hij was. Het is waar, hij bragt teweeg, dat zekere kerk te
Alburg, van welke de Bisschop van Utrecht zich had meester gemaakt, aan dezen abt, welke
oordeelde er alleen regt op te hebben, werd teruggegeven, doch door welke middelen
hij tot dit verpligte dienstbetoon moest overgehaald worden, getuigt de klooslervoogd zelf in
deze Avoorden. »Hoe veel arbeid, zorg en kosten," zegt hij, »ik drie weken achter-
een besteed heb, om deze zaak ten einde te brengen, zou te lang vallen, om te ver-
halen. Ik moest den zeer rijken en zwaarlijvigen Graaf (florews , onzen advokaat) met
zilveren koorden, uit Holland naar Utrecht trekken; en 'sBisschops onbuigzamen
nek, met eenen hamer van hetzelfde metaal, te mijwaarts neigen, enz (5)."
Evenmin pleit bijzonder voor zijne goedaardigheid het voorval met den Frieschen Edel-
man GALAMA, dat echter door eenigen voor meer romanesk' dan waar (6), door ande-
(1) Meijerïis, Annal. Flandr. Lil. IV. p. 35. Wagehaar , D. 11.1)1.210. Kloit,
Crit. Com. Τ. I. Ρ. Π. ρ. 199—202.
(2) Wagewaae, D. II. bl. 210. Klüix in l. c. p. 201,
(3) Heda, p. 145, 147. .
(4) Melis stoke, K II. LI. 554.
(5) Wagkkaar , D. Π. 1)1. 215.
(6) Lclofs, Gesch. d, Nedcrl. D. I. LI. 91.
-ocr page 112-ί 112 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
ren'Toor geheel verdicht gehóuden wordt (1). Er is echter, op zich zelve, volstrekt niets
ongerijmds noch ongeloofelijks in, en do zaak eenvoudig deze (2) : Graaf floris in het
Kreiler bosch jagende, ontmoet daar de jagers van gale iges galama , het hoofd van
het voorname Friesche geslacht van dien naam, wien hij eenige honden, met hetgeen
zij'gevangen hadden, laat ontnemen. Galasia stuift op bij dit berigt, en zweert zich
op den Graaf, al ware het'ook tea koste van zijn eigen goed en leven, te wreken.
Kort daarop treft hij hem in het bosch aan, eischt op bitsen toon, van hem schade-
vergoeding, en trekt, op 'sGraven weigering, zijn zijdgeweer, waarmede hij hem den
arm doorboort. De lijfstoet van den Graaf snelt onmiddellijk ter hulp en valt op galama
aan, doch is, na het verlies van twee hunner, genoodzaakt te wijken (3).
Niet lang daarna overleed Graaf floris II, door wiens vreedzamen aard en wijs
beleid, Holland magtig en rijk was geworden, in den bloei des mannelijken levens (4).
Eenige z'jner onderdanen echter hadden , omstreeks hét jaar elfhonderd zes ,
(1) SQRivERirs, Oudt ßatav. bl. 130. Anist. 1G'3C,
(2) Van wijii op wagena.vr, St. II, bl. Tl.
, (3) Occo SCAULESSIS, bl. . 92, 93. ΛΛ'·ι«8ΕΜΐυ8, Chron. ν. Γηβ«/. Β. V. bl. 131. Ver.-j. ΛνΛ-
GEHiAK, Ό. II. bl. 214. F. sjoerds, Fr. Jaarb. D. II. bl. 318—321. Tegcnw. staat ν. Friesl.
D. I. bl. 315, 31G. Sjoerds brenjjt wagehaar, welke in dit verhaal den onccliten klaas kolijn
gevolßd was, cene dubbele vergisssing onder het oog: namelijk, dat galama door's Graven volk Averd
cmj^ebrant, en een IVestfriesch Edelman zou geweest zijn. Het adellijk geslaclit der galama's
behoorde te huis in Friesland beoosten het , waar liet nog eeuwen daarna gebloeid lieeft, en op liet
einde dor acbltiendc eeuw, ofschoon vervallen, niet geheel was uilgcs(orvcn. (Vak Λνυΐί op ΛνΑ-
sEiVaar, St. II. bl. 72). Graaf floris Avas alzoo niet zijn Landsheer, daar dit Friesland toen niet
onder het 'gebied stond van de Ilollandsclie Graven, maar onder dat van den lÜsschop van Utrecht.
Zie sjoerds t. a. p.. bl. 320. De bescheiden taal van den Frieschen dorpssclioolmecsfcr s(cekt gunstig af
bij den even belagchelijken als liatelijken uitval van den hooghcroemden bilderdijk (D. ίί. bl. 3.5)
tegen wagen aar , welke de (daad van. galama » eene moedige verdediging van zijne vrijheden'" genoemd
had. En het was inderdaad éei^é verdediging van zijne, regten, dewijl het bosch Äm"/ in eigendom
aan hot geslacht van galama behoorde, volgens sjoerds, t. a.p.bl.318,cn wissemiüs, Chron. v. Friesl.
bl. 131. Daarenboven verhalen de Friesche Kronijken eenparig, dat beide partijen hunne zaak vqor
denllertog van Neder-Lótharingën hragten, doch dat het geschil onbeslist is,gelaten. Waar(oedit,
indien de uiagtige Graaf van Holland, gelijk bilderdij.k meent, het regt onwedersprckelijk en
onbetwistbaar aan zijne zijde gehad, indien hij galama, aïs naar stijle, behandeld had?
(3) Hcvbecoper op melis stoke, D. I. bl. 489 enz. beweert, dat ploris II in 1112 overleden is,
eu wordt hierin door van kajipes , Vaderl. Karakterk. D. I. bl. 93, gevolgd, ofsclioon kluit,'op
voldoende gronden, het gevoelen van nuroEcoPER wcdcilegd, en het sterfjaar des Graafs oj) 1122
bepaald had. Ilist. Crit. Com. Τ. I. ρ, 67. (100). ^ ! ,. '
1 Οδο-
ί lyo
lllü
2 van
Ijcnte-
maand
1122
DES VADERLANDS. D ! · 113
hunne haardsteden verlaten, en Bisschop prederik van jyamitir^/Terzocht, zich in ^
kere onbebouwde en moerassige streek van zijn gebied te vestigen. Tégen eene bepaajde jaar-
lijksche opbrengst, Averd hun dit vergund en tevens veroorloofd, in het geestelijke , naar de
wetten en instellingen van het Utrechtsche bisdom te leven; en in het burgerlijke hunne
eigen regtdagen en vergaderingen te houden, ter vereffening van, onderlinge zaken, doch
bij belangrijke geschillen moesten zij zich tot den Bisschop van wenden en hem
de beslissing overlaten (1). De oorzaak dezer verhuizing is onbekende doch gelijk een
weinig later, geweldige overstroomingen , bederf van granen, en het daaruit voortsprui-
tend gebrek, vele Vlamingers noodzaakten naar Engeland over tp steken, is het niet
onwaarschynlijk, dat eene dergelijke reden by de minvermogenden , aaiïleiding tot dit
vertrek gegeven heeft (2). Graaf floris toch trachtte, zoo veel mogelijk, zijne onder-
zaten aan zich te verbinden, en hen van onbillijke of drukkende lasten te ontheffen.
Hiervan getuigen zijne voorregtbrieven aan de burgers Rillegorri qm ^^n Alkmaar
verleend (3). Geene vroegere handvesten en voorregtbrieven der Graven \an Holland,
waardoor dikwijls de eene plaats ten koste van de andere begunstigd werd, zijn voor-
handen. Immers het groot handvest aan Ouderkerk^ in duizend ïjeven en n.egentig ver-
leend, wordt door eenigen tot latere dagteekening teruggebragij!(4). . · 1··· , In
Floris II was gehuwd aan peteonella , dieook oeertruid genaamd wajs ,V,dp dochter van
DIRK, 'B.Qïiogyixu Opper-Lotharingen, en halve zuster van ï.otbair, Hertog van ι^αΑίβ«,
welke later tol de Keizerlijke waardigheid verhevêniwerd (5). . iHij Avasaljzoo, gelijkzijne
voorgangers birk III, floris I en dirk V, aan het Saksische huis vermaagschapt. Deze
herhaalde echtverbindtenissen tusschen deze beide huizen, heeft men beschouwd als een
blijk of uitwerksel van beider gemeenschappelijken haat tegen!den Keizer (6), ila|ioder,- -t·};
daad geen wonder, dat de Hollandsche Graven op de Keizprs, in dit, tijdperk, gebeten
waren, welke steeds de eiechen der XJtrechtsche Bisschoppen legen het immer magligec
(1) Zie het Diploma bij vak mieeiS; Charterb. v. Holl. D. I. M. 79! :üh· - .
(2) Van wijn op wagekaar. St. II, bl. 73.
(3) Van mieris, Grooi Charterh. v. Holl. D. I. bl. 80, 83. Bovérf tién-^Voorrcgtbri«f'aaa de
Hillegommers aldaar, staat verlieerdelijk Heiloó. .5Kluit, Hist.. CHt. Com. Ί. IL· P. L p. 147—
157. jJIüYDEcoPER , op.^BEiis sTOKED. I. bl. 491—494, ΙφυίΙ. beide giftbrieTC^ voor vfrcüclit;
doch KLüiT lieeft de echtheid verdedigd. Ilist. Crit. Com. I. Ρ. I. Ρ-^.βΖ. j ^
(5) Chron, Egmond, miii^ ami.ydiL^^imt iiiist. Gnï. Coif»; Ii ρ. 04 (8δ) et jp. 7jli (^).
Melis stoke, B. Π. bL 3§4,.,^55/ enjde aant. ν.νϊΐουβκεοτεβ jialdäar. .nVlnli^ kua,skoivjr,
bl. 415 (1). Wagenaar, D. II. bl. 207 (6), en van wijn op wacenaab,, St. Π. bl. 71. ,, ,,
(fij Wagenaah, D. II. 1)1. 207, 208.
H. deel, 15
-ocr page 114-ί 114 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1085—wordend Hollandnaar de voorschriften eener gezonde staatkunde, ondersteun-
den (1). Hieruit vloeide voort, dat in de geschillen tusschen Hendrik IV en Paus qre-
GORiüs VII, en dikwerf later, de Graven van Holland den Paus aankleefden, terwijl
de Bisschoppen vaiv Utrecht de regten des Keizers verdedigden ; en zoo ontstond hel
zonderling verschynsel, dat een geestelijk Vorst door het Opperhoofd des Rijks, en een
wereldlijk Vorst door hel Opperhoofd der Kerk, geschraagd werd.
De vredesgezinde flqris II had zich echter, verstandig en voorzigtig, buiten deze
twisten gehouden, en zelfs zich met den Keizer vereenigd, toen zijne belangen dit
schenen te vorderen. Evenmin had hij deel genomen aan de kruistogten , welke toen den
godsdienstigen ijver door geheel Europa ontvlamden, maar zich van de algemeene geestver-
voering , to zijnen voordeele bediend (2). Hij liet, behalve eene dochter hadewich,
drie zonen na, dirk, floris , bijgenaamd de Zwarte^ en simos ; de eerste volgde hem
1124 op, onder voogdijschap der Gravin-weduwe petroivella (3).
Petrop«ella was eene vrouw van uitstekenden moed', en bewees dit in den oor-
log legen Keizer Hendrik V. De oorzaken zoo wel als de geschiedenis van dien krijg,
zijn duister. Hetzij dat petronella eigendunkelijk de voogdijschap over haren zoon had aan-
vaard , waardoor hesdrik zich beleedigd achtte; hetzij dat de Gravin haren broeder,
LOTHAiR van Saksen, tegen den Keizer eenigen onderstand verschaft, en diens wraak daar-
door had opgewekt, het blijkt, dat bij baar aan het hoofd eens magiigen legers in
Holland kwam bestoken, doch niet dan na zeer veel moeite, bedwingen en noodzaken
konde , zich van het Rijk afhankelijk te erkennen (4). Do staat van zaken nam echter
'Spoedig eene gunstiger wending voor de vernederde Gravin, daar Hendrik V het vol-
1125 gend jaar te Utrecht overleed, eh haar broeder lothair met de Keizerlijke waardigheid
bekleed werd. De vijandschap , welke langer dan eene eeuw tusschen de Opperhoofden
des Rijks en de Graven van Holland bestaan had, werd nu in eenenaauwe vriendschap
herschapen (5). Petrosella , even heerscluuchlig als moedig, wist zich van deze ge-
lukkige omstandigheid zoojVOortreiTchjk to bedienen, dat den Utrcchtschcn Bisschop do
! (1) Biiderdijk, D. II. bi, 33. ρ ; ; j ·,
-·Τ(2) va« kabpbb/ Verk. · D. I. bl. 71V ' . = . . ;
,1 I t':.., 1 . '' ' ' j —- ■ ■ f ■
[Ά) Chron. Egmönd. αρ. kluit ;'lÏist. Cr'it. Coni. T. I. P. I. p.·04,67. MeIis stOKE,B.II.bl. 355,
358. J. Α LZYDia, cÜon. ΐΒφ-'Ζ'Λ.IVÏ. c. l'. ' ', '· ' ' . [>
(4) CoKRADDS LicHTESAD, Abbüs Uspcrg. adann. 1123; en AiBEnxus οκΑητζιυβ, Ätta^ow/a ji Zii. V^
• e. 44", bij'scriveritsHoll. Zeel."· Fi'^ies. 'Ghronl\>\j}2i, 125<iVA?r'i6os op klaas kolti», ΙΐΓ43ί).
, Wagemaai» , D. H. bl. 2i0. i KiDiT , Wet. Crit. Coin, T. I. P. 1. p. 69 (2). · - -i
i
(5) WAG^Aar, i). II. bil'^iT.
ili
?.t
-ocr page 115-DES VADERLANDS. ί, 115
Friesche graafschuppeii Oostergo cii f'F fester go door deu Keizer ,,ouluomeii cn aan 1085—
ïlolland werden (1). · ■ , .;; . r.'
- Steeds hediiclit op de belangen baars zoons en op de uitbreiding zijns gezags,
maakle zij aanspraak op Vlaanderen^ toen/Graaf karel de Goet/e, kleinzoon van
iiobert de Fries en geertruid , uil hunne dochter adela , te Brugge Toor hel altaar
biddende, met zyne beide zonen Avas Terraoord geworden, en geene kinderen had na-
gelaten (2). Ofschoon staatzucht meer dan eenig gegrond regt, dewijl karel nog eene na- 1127
dere betrekking achterliet, Vrouwe petkosella naar het graafschap van Vlaanderen
deed dingen, vond zij echter onder de Vlaamsche edelen cn burgzaten veel aan-
hang. Do vereeniging van Vlaanderen en Holland onder ééne heerschappij , zou voor
altijd het langdurig geschil over Zeeland bewester Schelde beslecht hebben (3)» Petro-
nella dan , steunende op de genegenheid der Vlamingers, trok straks , op raad van eenige
Vlaamsche Grooten , met haren zoon cn verzeld door een vorstelijk gevolg, naar Brugge ,
waar een landdag der Staten gehouden werd , naar het schijnt, om in de opvolging des
graafschaps te voorzien (4). Zij liet geene middelen onbeproefd cn spilde veel gelds,
om onder de talrijke mededingers, de keuze op haren zoon te bepalen, doch konde
niet beletten, dat Koning lodewuk VI van Frankrijk willem van ]Sormandijë, ilcn
zusterszoon van Graaf karel , mei Vlaanderen hchmAci (5). ;
Dirk VI avas ondertusschen den jaren der onmondigheid ontwassen, doch pe*
TRONELLA hield nog steeds de teugels van het bewind in handen (6). Hij heeft die
ïeker niet vóór elf honderd twee en dertig, aanvaard, toen^de West-Friezen, die 1132
hulde weigerden, hem noodzaakten do wapens op, te vatten,. HdAxJVmt'Friesland, uit
(1) De beka, p. 46. De (jlflhrief is niet meer vooihanden. Behalve uit de πεκα, ontwaart men
deze sclienking uit een diploma van Keizer koekhaad III in 1138, Lij ueda, p. 157.
(2) Chron. Egmond. ap. kluit, Jlist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 72.
(3) Wagenaai» , D. II. Μ. 218. ' i
(4) Galbert. brug. , de Vita etMariyr, Caroli, bij sgrivkrius, ΠοΙΙ. Zeel, m Vries. Chron. hX. 132.
Klwt , Hist. Cril. Com, T. I. P. I. p. 73 (6), Kilderdijk zegt geheel verkeerd, dat petroref-la liet beleg
sloeg voor de stad Brügge! D. II. bl. 38. Immers oisitiio, in het Fransdie Handsciir. asite^emeni,
moet niet door belegering, maar door zitting of/a^irfda^ vertaald worden, gelijk scriverius, t. a. β.
gedaan heeft, cn uit den geheelen loop des verbaals blijkt. Het is opmerkelijk,dat de naauwteurige
Vlaamsche Geseliiedschrijver meijekbs, evenmin als onze oude Landskronijkcn, al ware het. elecKti
ter loops, melding maakt, dat onze Graaf dirk mede naar Vlaanderen gpsti^ heeft. Het wcrl
^..t. . . . .. .t ι ,.j , iii , έ . · χ» .
Tan galbertus brugem8i8 vvas hem ,echter hekend. ' , . . -i .......
(5) Meijerus, Annal. Flandr. Lih. IV. p. 40.
(6) Chron. Egmond. .np. kluit ad ann. 1130. Ët p. 75 (14). p. 76 (17): vas wijh op wagesaar,
St. II. bl. 76 (z).
16*
-ocr page 116-ί 116 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1085—hoofde der menigvuldige meren, poelen, moerassenen onlanden, bezwaarlijk anders
dan bij drooge zomers, in felle winters, of te scheep konde bestookt worden, zoo trok
DiBK in den winter des genoemden jaars, die zeer streng was, over het ijs naar Alk-
maar hun te gemoet (1). Beducht voor zijne overmagt, vloden de Friezen al strijdende
dieper landwaarts in, hunne verlaten dorpen en gehuchten werden geplunderd en Ter-
brand, en do Hollanders keerden met rijken buit en Tele gevangenen naar Alkmaar
tot den Graaf terug (2). Do logt had echter niet aan het doel beantwoord. De West-
Friezen waren wel Terslagen, maar niet tot onderwerping gebragt, en de op hen be-
haalde overwinning dreigde, in de gevolgen, den overwinnaar zelf den ondergang.
's Graven broeder, flouis , dien men den Zwarte noemde, een Ridder bij edel en
onedel, geestelijken en wereldlijken bemind en geëerd wegens zijne held haf ligheid, ver-
stand , welbespraaktheid , en buitengewone minzaamheid, had juist door deze hoedanig-
heden , en niet minder door zijnen heerschzuchtigen aard , achterdocht en misnoegen bij
de Gravin-weduwe en Grave dirk verwekt. Maar hoe meer hij dengenen mishaagde, die
hem het naast bestonden, hoe meer hij anderen zocht te behagen, en ook inderdaad
behaagde. Eenige Edelen waren hem genegen , en het gemeen , wuft van aard en thans,
uit eene verandering van meester, » grooter vrijheid hopende," vloog van zijne wen-
ken (3). De West-Friezen bedienden zich van de verwijdering, Λvelke lusschen de
beide broeders heerschte, om floris het bevel over hen tegen Graaf dirk , en ter be-
looning, hem het gebied over West-Friesland op te dragen. Floris stelde zich on-
middellijk aan het hoofd der beweging, en deed eenen tijd lang zijn broeder alle moge-
lijke afbreuk. Alkmaar werd overvallen, geplunderd, en de kerk met een aantal
huizen verbrand. Er wordt niet uitdrukkelijk gemeld, dat floris zelf hieraan deel ge-
had heeft; wij zien echter geene reden, om dit, met sommigen, te betwijfelen (4). Ze-
(1) Vaw looit; op klaas KoLYN, bi. 2C3 (1). bl. 445 (1).
(2) Chron. Egmond. ap. klüit , Ilist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 75. BIelts stoke ; Β. II.
hl. 360—364. J. α ieïdis, Lib. XVII. c. 7. Doch Vam-Emvs, de Rer. Fris. Hist. Lib. VI.p. 102,
en scBOTANüs, Fr. Ilist. B. III. bl. 00, verhalen, op welk gezag is ons onbekend, dat de Friezen
den Hpllandsclien Graaf moedig tegenstand boden, doch door hem in ecnen grooten slag, midden
op lipt ijs, overwonnen en op de vlugt gejaagd werden. Het dooi weder zou hem genoodzaakt heb-
ben, zijne verdere krijgsverrigtingcn te staken, en de West-Friezen in rast te laten. Verg.r. sjoerds
Fr. jaarb. D. II. bl. 336. Uit het Chron. Egmond. ap. klüit in I. c. p. 75, blijkt integendeel
dat de Graaf zelf de Friezen niet achtervolgd, veel min lian slag'gelevérd heeft.
(3) Chron.Egmond. apud klcit , Jlist, Crit. Gom. T. I. P. I, p. 76. Melis stoke , B. II. bl, 364—368.
(4) Bilderdijk , D. II. bl. 39.
-ocr page 117-DES VADERLANDS. D ! · 117
ker allhans oogslle hij de rrucht van den gelukkigen uilslag dezer Onderneming, dewijl 1085—
de Renneraers erdoor aangespoord werden , zich met hem Ie verslaan, en hem als hunnen
Heer te huldigen , in de ijdele hoop , van onder zijne banieren , zich vrij Ie vechten van den
Ilollandschen Graaf, wien zij tot nu toe zware schalling moesten opbrengen. Hel stroopen,
plunderen en blaken der vereenigde Kennemers en West-Friezen op grafelijk grond-
gebied , kende geene perken meer. Om Haarlem werden de sloten of lusthuizen der
Graven van Holland met de omringende gebouwen en woningen , in kolen gelegd, onder
de oogen zelfs van Graaf dirk, welke in den omtrek zijn leger had neergeslagen.
Hierop trokken de Friezen, die zelden buiten hunne grenzen vernachtlen,; bij het ^val-
len van den avond , met floris binnen hunne palen terug. Graaf dikk laat hen on-
gehinderd trekken, om de alleengeblevene Kennemers te overvallen, die nu geheel
ter prooi aan zijne wraak en beleedigde eerzucht, hunnen opstand met de wreedste
opofferingen moeien ontgelden (1). Eindelijk werd door tusschenkomst en invloed
Tan Keizer lothair , de broedertwist met veel moeite bijgelegd, en in den zoen tevens
elk opgenomen, welke in dezen strijd partij gekozen had (2). Men heeft gelracht het
gedrag van floris den Zxcarte, sleeds door ouderen en lateren als trouwloos be-
schouwd, op regtsgronden te verdedigen, en den opsLandj tegen zijnen broeder,
wellig gevonden, dewijl hem dat appanagium, of die landstreek tot onderhoud, ont-
houden werd , welke hij, als jonger zoon, regt had te eischen (3). Dit regt echler
moest men bewezen hebben of bewezen zijn, vóór dat men er gevolgtrekkingen uit
afleidde. Doch al ware dit regt zoo onbetwistbaar,'als het nu kan betwijfeld worden ,
dan zou het nog, ondanks alle reglskundige inziglen, ten hoogste gewaagd zijn, met
bilderdijk, uit het voorbeeld van Graaf floris I te beweren , dal i^Wci/anrf (^iii-jFViej-
land) tot dat ajjpanagium bestemd was (4). Het berust immers slechls opeenetcaar-
schijnlijkheid, eene gissing, dat floris I het hGsirnxx oyet Kennemerlanden PFest-
Friesland, door dirk IV werd opgedragen (5).
(1) Chron.'Egmond. in 1. c. p. 77—79. Melis stoke, t. a. p. bl. 368—375. Dat de Kennemers
lich onderwierpen, gelijk wagenaar, klaas kolth volgende, beweert, en bilderdijk. hem nazegt,
blijkt niet uit de beide aangehaalde oude jaarboeken , evenmin alsuit de bera ,p. 48, en deda , p. 156.
(2) Chron. Egmond \n 1. e. p. 79. Melis stoke, t. a. p. bl, 375. Wagehaak en buderdijk
meenen, dat bij den vrede tusschen de broeders, dc zaken in statu quo zouden geblevcfi zijn, en
FLORIS de Zwarte liet bewind over West-Friesland zou behouden hebben; dit is ons echter uit
de aangehaalde schriften niet gebleken. ^ ' ^^^ V ^ ' ^^
(3) Bilderdijk , D. Π. bl. ..... , .. ■ ^ ^ . , ,: ; " '
(4) Bilderdijk , D. II. bl. 40.
(5) Zie hiervoor, bl. 64. Bilderdijk beschuldigt κ. vossirs, dat hij een roman Annales ge-
-ocr page 118-ί 609 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1085-* Floris de Zwarte overleefde iiiel lang deze verzoening. Welgevormd van ligcliaam,
^^^^^ ridderlijk Tan geest en fier Tan moed, bad hij liet hart van de sclioone helwina, de
rijke erfdochter des Heeren \Άη Rothe7i in het land van der Mark, en levens de toe-
genegenheid en het vertrouwen harer leenmannen gewonnen, die geen anderen Heer dan
hera wenschten. Keizer lothair gaf gereedelijk zijne toeslemming lot dit huwelijk, doch
herman, Heer van Arnsberg, oom en voogd der jonkvrouwe, en zijn broeder God-
fried van Kuilt, onverzoenlijke vijanden van het Hollandsche Gravenhuis, weigerden die (1).
Floris tracbtle thans door het geweld der wapenen, zich meester te maken van hetgeen
by , langs eenen minnelijken weg, niet mögt verwerven; hij viel in de bezittingen zijner weer-
stk'evers, en'daar godfried· tevens Burggraaf van Utrecht was, wiens broeder
of neef, andries van Kuik, den bisschoppelijken zetel bekleedde, had ook het Sticht
Teel te lijden. De stad Utrecht zelve echter strektes-i floris , die Taak in dreigend
leTensgevaar verkeerde, ten wijk- ien wapenplaats, dewijl de burgerschap, uit vreee
voor den Keizer, zoo wel als uit genegenheid voor den Graaf van Holland, hem ten
allen tijde den toegang opende. Van hier uit Toerde hij dan ook zijne krijgs-en plunder-
loglen, en Testigde er eerlang zijn gewoon Terblijf, na den Bisschop , dien hij wantrouwde,
Tcrdreven Ie hebben, ' en wiens slot of stad Leksmonde, hij aan de vlammen geofferd
had. Dus ontzaggelijk geworden, maakten zijne weêrstreTers, vvien geweld niet langer
baatte, van list gebruik: zij overvielen hem toen hij, van een klein gevolg verzeld, onbe-
zorgd ter jagt uit Utrecht reed, en beroofden hem van het leven, terwijl hij door het
struikelen zijns paards, belet werd te vlugten. f^an Arnsherg en van Kuik werden
door'Keizer lothair in den Rijksban gedaan, en van hunne heerlijkheden vervallen ver-
klaardwelke Graaf dirk aan het hoofd eener talrijke legermagt, te vuur en te zwaard
verwoestte. Zij zwierven eenige jaren in baUingschap om, tot na den dood van Keizei
1137 l^otiiair, toen zij zich met Graaf dirk verzoenden, Tan wien zij hun Toormalig land in
leen ontvingen (2). Eenigenmeenen, dat zij hunne allodiale heerlijke goederen aan dirk. op-
droegen , en welke dus feuda ohlata werden; anderen, dat lothair hunne leenen aan
noemd lieeff , cn uit gebrek aan reg(slcundi(j inzigt, den wakkeren flobis den Zwarte eene
schandelijke rol laat spelen. B. II. bl. 40(1). Maar in oiLDEnDUKS redeneringen over dezen flokis,
erkent men evenzeer meer den dichter, dan den bezadigden en wikkenden onderzoeker der
gcschicdcriiS.;'"■ ' · ■' ■■ ' ' ί ■
(1) Bilderdijk., D. II. bl. 41, noemt godfried van Kuik, medevoogd van delwina ,docli op Avelk
gezag is ons onbekend. Het Chron. Egtnond, Melis stoke en j, α ieydis, noemen alleen'uerjiüt
als voogd. Zie kluit, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 79 (24). Öi (27). ' '
(2) Chron. Egmond, apud kluit, Hist, Crit. Com. Τ. I. Ρ. Ι.ρ.81—83. Melisstokk, Β.\Π.
bl. 378—384. De beka, ρ. 48. IIeoa, ρ. 156. J. α. leydis, Zjä. XVIIi c. 9. ■
DES vaderlands. 119
DIRK gegeven had, die zo hun als achlerleenen lerug gaf (1). Het is waarsishijnlijkj 1085—
dat 1 zij er niet zoo wel afgekonien zouden zijn, indien niet ^γeder een:-vijand der Hollandi"
scho.Graven, lothair op den troon gevolgd ware (2). ......, i j;! '
KoENRAAD III, welke thans den Keizerlijken zetel besteeg, was de zusters zoon avan
Kéizer iiehdrik IV (3). Geheel natuurlijk was het, dat hij de s|aalkunde van dezen Vorst
volgde, door wiens aanhang hij verkozen was,-van welken hij , in een rbepaalden zin,
afhing (4). De Aartsbisschoppen ym Trier en Ä'ew/en, steeds ingenoméh tegen de
Hollandsche Graven, hadden inzonderheid tot zijno verheffing medegewerkt, en waar-
schynlijk ook de Utrechtsche Bisschop attdrtes , welke onder het geestelijk regtsgebied
des· Aarlsbisschops Tan Keulen behoorde (5).'' Dit wordt nög iversterkt, dewijl deze
Bisschop uit den huize van Jiuik gesproten, voorzeker ongaarne dendrik: van
Beijeren, den schoonzoon van lothair, den vervolger van zijn geslacht en vijand
Tan het Ctrechtsche bisdom, door dozen tot opvolger benoemd, op deo troon zou gezien
hebben. Hoe dit zij, k.oenraad gaf terstond den Bisschop een bewijs zijner gunst, door
hem in hel bezit te herstellen van de Friesche graafschappen Oosiergoo en PFcstergoo,
welke onder Keizer lothair der ütrechlsche kerk ontnomen en ^Graaf dirk VI ge- 1138
schonken waren. J)eze hergift zal wel de hoofdoorzaak van 's Graven krijg tegen het
Sticht geweest zijn, welke in Drenthe, na 'sGraven (terugkomst van eene bo»·
devaart naar ««α,'geopend werd. Den weg over /iowte nemende, had DiaKl,
in spijt der Bisschoppen yan ' Utreclvt, de kloosters yaiv^Egmond .'«n Rijnsbiirg^
aan den H. petrus opgedragen, 'immers hièrdoor stonden de beide stiften .niet meer
onder de Utrechtsche Kerkvoogden j in wier'kerspel zy gelegen waren, maar onmiddellijk
onder den Paus, hetgeen den Utrechtschen invloed in Holland mtvk&W^k verminderde,
maar dien der Pauzen verhoogde (6). Dit onttrekken van geestelijke gestichten aan het
(1) Klcit, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 82 (32). Biiderdijk, D. ,Π. bl. 42,(1). .
(2) IJiiDERDiJK, D. II. bl. 42 (1). »LoinARis," zcjjt bilderpuk , D. II, bl. 42, »lict ecncn
uitmuntenden naroem achter." Naroem achterlaten is een onliollandsche plconasmus, en,voorzeker
liet minst te verwachten in eenen man, die -wagehaar hard valt, dewïïl deze erijena het land plat
. , .K Λ ','i . .-r.iü ·>ίΐ;;>ΐ·.)ίίί
te hopen, in plaats van afto loopen geschreven had. D■ I. W. 101, ι ^ -γ^
Chron. Egmond. ap. kldit, Hist. Crit. Com. T. I. P. I. p. 85. ,· -: . „'n-.h
. 1(4) liiLDERDUK, D, II. hl. 43., „Lar^-on.·; '.b ; .U.:/ i.i .q , ν,Λί .OS -q .»(1
, (5) \yAGESiAR>\D. II. bl. 229,-li ^OM :ui ■...) 'jIj-tR«;pu Ad .1! .(1 , nuv.at:ïï .mifitj
{6) Ghron. Egmond, ^apud: kluit, Hisl, Crit. Com: {ï.d. p, 85 (36): Murs stoke, B.j II.
bl. 385. De beka, ρ.».δΟ. Heda, ρ. 163. HuïDBcopEn , op-MELis βτοκΕ, Β. II. bl. 348_, οηΐ·
tent de echtheid van het privilegium exemiionis voor de, kloosters ί yan ligmond en Rynsburg,
het laatst üitge{;cven in tas msAia , ïCharterb. Uolland, D. I. bl,)ö2,, en door κΐϋΐτ, in,!·;.«?,
p. 87 (37) verdcdijjd. tC ! .'Γ ,ί " .sV{!5 / v: .j ,
ί 120 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1085—plaatselijk gezag-der Bisschoppen, strekte om den Paus een legönwigt tegen de magtig
ilJO wordende Mijtervorslen te verschaffen (1). De abten van Egmond moesten voor deze
gunst, jaarlijks vier Friesche schellingen aan de schatkist te Ro^ne opbrengen (2). In
deze vergunning vindt men de reden, waarom in den gevelsteen van do Egmonder
abdij, St. pieter de hoofdpersoon is, en niet St. adeleert , ter wiens eere zij gebouwd was (3).
1143 Graaf dirk, van zyne bedevaart teruggekeerd, maakte gebruik van de ontevreden-
heid, Avelke in Drenthe over het bestuur des Bisschops heerschte, om hem in dat
gewest afbreuk te doen. Hij verbond zich met zijnen schoonbroeder οττο,
Burggraaf van JBenlheni, welke onverhoeds in Drenthe viel, en groolc verwoestin-
gen aanrigtte, doch eindelijk door de ruiterbenden des Bisschops in een bloedig
gevecht geslagen en gevangen τχάάχ Utrecht gevoerd werd (4). Dirk sloeg onmiddellijk,
op het berigt daarvan, het beleg voor deze slad , en omsloot haar van alle zijden , terwijl de
opgerigle stormtuigen eerien vreesselijken aanval dreigden. . In dit hagchelijk oogenblik
plaatst Bisschop herdert zich aan het hoofd zijner geestelijkheid , treedt statig in plegt-
gewaad, met een boek in de hand, de gewijde veste uit, en dringt onverschrokken te midden
der verbaasde vijanden, tot den Graaf door, om inet priesterlijk gezag, den banvloek
der Kerk over. hem uit tö spreken, indien hij niet ijlings het beleg opbreekt. Schrik
en ontsteltenis overstelpen den vromen Graaf; het krijgszwaard ontglijdt zijne bevende
handen, en blootshoofds en barrevoets smepkt, hij, diep in het stof gebogen, den
heerschzuchtigen Priester om genade. Nu eerst geeft hem de trotsche Kerkvoogd den
kus des vredes, welke door éene verzopning gevolgd werd, die niet weder tusschen hen
verbroken is. Οτ^ύο van JBenthem ontslagen, doch moest zijn burggraafschap den
Bisschop opdragen, van wipn hij het als een feudum ajierturae ïn ontving (ó),
/
(1) Wagehaab, D. II. bl. 232, en bilderdijk, D. ΙΠ bl. 44,
(2) J. v. LEYDE«, Kron. v. Egmond, bl. 38.
(3) bitderdijk, D. II. bl. 44. ' - 1 - ' ' ' ■ > , .
(4) DE ΒΕΚΛ, i^. 49, SO.yllEf^^Vp· 162. '
(5) Chron. ^^mond. apud κχυιτ, ïlist. Crit. Cóm. T. 1. P, I. p! Ül, 92 (48), die echter gccnc
melding maakt van dibks vernedéring;^ welkc'^uit dien hoofde door'nrYDEcoPER , op melis stókè , D. I.
bl. 507—511; een louter verdichtsel genoemd wordt, lictgeeh zeer juist is ΛveêrIegd geworden door
den scherpzinnigen en geleewldn klUit', in 1. c. p. S8 (39). ' Melis stoiCe, B. Π. bl. 385—38Θ·.
Bb beka, p. 50. Heda, p. 102. In welk jaar de genoemde krijg voorviel is moeijelijk té/be-
palen. Wagekaar , D. II. bl. 227, afgaande op de beka , πε0α ) de Oudé^Holl. JJiv. 'Kron.,
het Goudsch'Krótujkje en andpren^ plaatst dien ^vóór dirks ilogt riaar hqt.H; Land. Wij^ hebben
cchter liever mct 'iiELls stoke, en den' 'Ä/erÄ uit de laagc Zawcie»./het-oude Chron. Egmotid,
•door KLiiiT uitgegeven, en de bron,Uit Avelke al deze Schrijvers groótendcels geput hebbon,-gevólgd,
en'deze gebeurtenis' na 's-'Graven-bedevaart gesteld. Zij moet ,'fusschen de jaren 1144 en 1148
voorgevallen zijn. Zie κιητ, Hisl. Crii. Com. ï. I, P. 1. p. 91 (44).
> ί ^^ Β Ê S VADERLAND S.
OiKlertusschen was de moedige ι doch heerschzuchtige PETRosELtA. Tan ^ίαλίβ^ΐ'óver-1085-—
leden (1). »Vraeght men Λvat dese Heldinne gedaen heeft? den Kéyser ,.(hen-s 1144
orik V) in roer gehouden; rycken nae haer oni doen sieh;;;haer Broeder (tothaiß)-
lot de Keyserskroon gevorderl; haer soon. iri gevoert,' oru den-Graet-
felycken hayr-bandt, door j stemme der Landls^Staten, alhoewel het niet goluckte, op
haers soons hooft te doen daélen (2)," Teregt'moet mcri zich derhalve verwonderden,adat
zy niét door de-inlandsche schrijvers ■ onder het getal der Gïayen van Holland.,. οΐ
der regerende Vorstinnen is opgenomen, ierwijli men'onder; déze eenë plaats inruimt:
aan Vrouwe geertruid , die nogthans ongelijk^minder'tgd; en vlijt in dè handhaving der.
heerschappij besteed heeft (3).Mminers Schynt'zij veél invjoed» ten Hove en op het be-
stuur behouden ie hébben ook nadat dirk zelf de teugels van »het bewind had. opge-
vat (4). Zij ligt te ÄyWÄwr^ begraven, welk'klooster door haar gesticht en met geeste-
lijke zusters mï. Sakmh , ' die \lezen. en"zingen konden ] bezet wias^ geworden (5·). f o
Slechts weinig jaren genoot Holland de voordeden des vredesj Graaf DiRiC j 'als eeii
der voornaamste leenmannen Van het i^iic/tiwikkelde^ zictó diep 4n de geschillen over 1150
eenen opvolger van Bisschop herbert, 'en plaatste eindelijk gewapenderhand)'· herman
van Moorne o^ den ledig geworden Jjisschopszetél· (6). De West-Friezen , . steeds be-
dacht, zich : op de llollandsche Graven ie wreken^ - vonden, tiaair hét schijnt ,. in dezè
twisten , eene gewenschto gëlegenheidï omi eenénÏinval.op het grafelijk grondgebied te
beproeven, terwijl de Graafi elders wérd bezig gehouden. ' Althans in dit tijdstip viel 1155
eene ! talrijke bende uit jöreeÄier-amÄacAi, in Kmmmerland en rukte plunderende
ea verdelgende yoótt tot aan het doirp [Zandpoort toen zij door de-pöortérs
van Haarlém en de geburen van Osdorp aangetast en mettcen verlies van negen hon-
derd man, op de vlugt gejaagd, werd (7). ( :ά , i;(,· ; ' : ■; ; 1 . i·. !»
T\Vec jiiren daarna eindigde Graaf dirk VI zijne loopbaan. Kort te voren had hij iich
\ i-fV;.].. !:-;;:-roo
.r ony?·
.5>ί'·-·.\\·Λ\ r.ivi tier
(1) C/irön. Egmond. ap;· κιητ //Tisf.- Crii: Coni. T. I. P. I. p.
(2)'ScRivERics, Tocts-siéen'op^hk Goudsche Kron. El. 244'.
, r ■ ■-■· 'Λ. 'i'! üo'. gaO'ili i'ißijJäl
(3) ScRivEBiüs, t. a. p. bi. 241.'
(4) Van wijn, op νναβενααΐι, St. II, bi. 76.
(5) Chron. Egmond in 1. c. p. 94· en κΐϋΐτ, ϊη h. 1.; (50). Melis^stoke II. J. v.
tEïDEiï, Kron. v, Egmond. bl. 33. Verfj. de Kerkelijke Oudh. v. Rhijnland, hl. 517.
' (6) Chron. Egmohd, apud kldit , ρΓθδ—Ö9. De beka^ p. 52." ÏIeda, p. lÖÜ. ^^^
- · .li - , -r: ■ .i . - ■
1211
5 van
Oogst-
inaand
1157
(7) Chron. Egmond. p. 102 en de Aant. van kluit (61—66). Melis stoke,· B. II. bl, ,391 en
nutdecopebs Opmerkingen aldaar. De beka, p. 52. IIeda , p. 170. De Heer van Noordwtjk,
beziniït dezen toj^t in zijne Annales de Rer. Holland. liiVviIL p. 209.^ ·''■ -
bezingt
II. deel.
16
-ocr page 122-algemeene geschiedenis
1085— nog te Nijmegen bevonden, eu aldaar een giftbrief van Keizer frederik , in wiens
achting hij deelde, ten behoeve der Lieve Vrouwe kerk van Antwerpen ^ onderteekend.
In het laatste tijdperk zijns levens had hem de abt van Epternach, tegen eenige landen
in Schouwen, alle aanspraak op do kerken van Flaardingen, Kerkwerve en andere
afgestaan, op welke die abdij , in gevolge eener gift van willebrord , meende regt te
hebben, en Avaarover men zoo lang met haar, doch bijzonder met deUlrechlscheKerk,
ook mot de wapenen getwist had. In elfhonderd een en veertig had het genoemde stift
bij den Keizer beweerd, dat het nog in bezit was van de oorspronkelijke giftbrieven der
uitgestrekte goederen aan willebrord geschonken, en door hem en eenige volgende
Epternachsche abten bezeten, doch sedert door de Frankische Koningen en Keizers aan
Terschillende Nederlandsche Vorsten weggegeven, tot onderhoud van legers tegen de
Noormannen, Men vermoedt, niet zonder grond, dat de goederen, tusschen den Rijn
en Snit har des hage, in acht honderd negen en tachtig aan Graaf gerolf afgestaan ^
hieronder moeten geteld worden (1).
Tijdens het bewind van Graaf dirk VI hadden vele Hollandsche, Zeeuwsche, Friesche
en Utrechtschb huisgezinnen hunne haardsteden voor andere aan de oevers der Elbe
verwisseld. Op voordeelige voorwaarden waren zij hiertoe uitgenoodigd geworden door den
Hertog van Saksen en den Markgraaf van Brandenburg y welke van daar de Obodriten,
die er door karel den Grooie,'in stede der weggevoerde Saksers , geplaatst waren , ver-
dreven hadden. Den Hollanders werd de Utinenser, den Friezen de Süseler land-
streek ter bewoning en bebouwing aangewezen. Van de eerstgenoemden leest men, dat
zij zich, in vervolg van tijd, langs den Zuider-Elhe^oever, van Saalfeld af, neder-
gezet en de twee streken, Balsemerland en Marscienerland, met vele steden en
dorpen, lot aan het Bohemer woud, bewoond hebben. Hun hoofdbedrijf was de vee-
teelt , welke zoo veel voordeel opleverde, dat zij spoedig onder de rijkste landlieden
dier oorden gerekend weiden (2).
Uit het huwelijk van Graaf dirk VI met sofia , dochter van den Paltsgraaf aan den
Rijn, waren verscheiden kinderen ontsprolen. Dirk , verrapedelijk de oudste, was in
zijne vroege jeugd overleden (3). Floris werd de derde van dien naam onder de Gra-
ven van Holland. Pelgrim droeg den titel van Burggraaf van Zeeland, en was Heer
■ f ^
■ .31 -uZdi .
(1) Van wijn, op Wagenaar, St. II. bl. 77, 78.
(2) IIermoldi , presbyter^ bosoviehsis Chvoti. Slavor.um, Lib. L c. 57, 8S, in leibnitzh
Script. Rar. ßnmsv.'T ÏL ρ. 586, 612. Wagenaar, D. II. bi. 231. Van wijs, op
WAGENAAR,bl. 127. _ .. "^^^^^' ;:" "' " ^^ . ·
(3) Chron. Egmond. ap. klcit, ίΤΐβί. Crtl, Com. Τ. I. Γ. I. (58).
122
DES VADERLANDS. ί, 123
van Foorne, hoewel dit, naar het schijnt, door eenigen Ijelwijfeld avordti(l). Otto 1085—
geraakte na den dood zijns moederlijken ooms, die kort na de slaking uit de ütrecht-
sche gevangenis, vermoord was, in het bezit des burggraafschaps van .ffeiif/iöOT (2).
Boudewijn of balbewijn besteeg later denbisschoppelijken zetel van Utrecht (3). Een zesde
zoon, DïRK geheeten, werd Domproost van Utrecht, en kwam na den dood zijns broe-
ders, als opvolger in het bisdom in aanmerking (4). Van robert wordt slechts opgetee-
kend, dat hij met zijnen broeder floris , de kerk van Flaardingen aan die-Tan Eg-
mond terugschonk (5). Eene dochter huwde aan Graaf dirk van Kleef (6); en eene
andere, sofia genaamd, werd abdis van Rijnshurg (7). '' '
Vreedzaam en heilspellend waren de eerste regeringsjaren van floris III. De West-
Friezen, welke zijnen voorzaten vaak zoo veel werks verschaften, en zelfs de kilteloorige 1161
Drechterlanders, na eene worsteling van meer dan dertig jaren tegen de Graven van
Holland, huldigden hem als hunnen Heer (8). Het volgende jaar huwde'hij met ada,' 1162
4e zuster van milcolombus IV, Koning van Schotland. De Prinses werd met eene
aanzienlijke Hollandsche vloot, te dien einde prachtig uitgerust, afgehaiald en in den
mond der Maas aan land gezet. Op dit huwelijk grondde floris V naderhand zijn regt
en aanspraak op de Scholsche kroon (9). De staatkundige rust werd echter kort daarna
gestoord, toen Graaf floris III in de ütrechtsche onlusten betrokken werden Bisschop
godfried, met eene genoegzame magt ondersteunde (10).' Tot'loon zijnerbewezenedien-
sten , wilde hij zich in zgn regt op Oostergoo en Westergoo hersteld zien. Godfried ,
niet in staat zijne zaak met het ZAvaard tegen den Graaf te bepleiten, nam zijne toevlugt 1205
tot Keizer frederik, barbarossa , welke te Utrecht^ met overleg van zijn Hof en zijner
(1) Van wijk, op wagesaaR; St. II, LI. 78 , 79.
(.2) De βεκλ, p, 50. ................ '
(. ,. : I ■.
i p. 56. . ^ , ^ ^ . ^^ i.. ^ _ Moli '■.U "IvVU
(4) De βεκα, ρ. 65, : - ■ . 7
(5) Chron. Egmönd. apud kluit, Jlist. Crit. Com. Ύ. I. Ρ. I. ρ. 110.''i 'iiim >'ir/.·
(6) Kluit, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ.Ί. ρ. 124 (7). ' '' ' '^nv' ' -'■·■
(7) Chron. Egmond. ap. klcit in 1. c. p. 135.'
(8) Chron. Egmond. ap. klïit in 1. c. p. 109 (80). Melis stoke, B. 11. 1)1. 395. -
(9) Chron. Egmond. αρ.. Kit« in 1; c. 109 (81). vMtxis ixoKE, B. Il.lijbl; 895 μ3Ββί,ί cn
do aant. v. nuroECorER, aldaar.
m .i); :: .i.l .α -ISA7/ /[
(10) In de gescliicdcnis der Utrechlschc zalen', zäl orei'"dcM onluitcn nitvoeriger ■ {jehan-:
deld worden.
16*
-ocr page 124-ί 124 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1085—Gelrouvyen of". leenrtialVóen , het geschil beslechlle (1)'. Te zelfden lijde werd door den
Keizer nog éon-'andere twist! hemiddeld tusschen den; Utréchlschén Bisschop en den
Qraaijm -Holland, in j^Velken ook de Graten xan Kleef eii Gelre belang hadden. Hel
hetrofndö regeling ?an den Rijnloop , orn de rampen te voorkomen, Avelke.de overslroo-
mingen gedurig, veroorzaakten. Door het verschillend belang der onderscheidene N.cder-
landsche B^nslaten, waren hieruit vele oneenighcden ; en twisten pnlslaan. ^ Imnaers,
Avanneer;de;;cQn, op zeker punt, eenen dijk of dam begeerde, wilde de aïider,' dat.het
water daar zijn vrijen loop zou behoudeu.. Thans beklaagden zich die yan Ulriechl ten
hoogsto over eenen dam, door G^aaf ELORis'oralrcnt ZimtZe/iiir^ (^^Zwammerdapi) ge-
legd, hetzij om Holland van het overtollig Piijnwater te bevrijden ji-dewijl de Rijnmond
bij Katwijk^izoo geheel verstopt , zekerlijk merkelijk veruaau\y.d was geworden, en
welligt-geenen /behoorlijken uillöop tlicG;r had ; heizij om door opstopping , Utrecht tfe
kunnen beuadeelen en ie doen ;onderloop.cn. Op Keizerlgken last werd deze dam , welke
in het i5V/d/ii vele oyej-slroonjingen én den dood van oen overgroot aantal menschen ver-
potoaklthad, voor allijd weggbnomeh 5 en óok daarna-heeft Utrecht van fetore Holland-
Hche Gtaven bedongen, dat hij liiet zou hernieuwd worden. De aloude dam in dén/?:yVd
bij fFijk te-Duurstede, Avelke, naar het schijnt, streklé; om het Rijnwater
in de XeÄ af :le leiden,' Averd, ten'bchoeve van Z/iree/ii, hersteld terwijl aan de Oos-
lelijke grens viin hét Sticht'f dóor)de iVoc?a;i 'een'weinig'boven Rhenen , eene"water-
loQzing ^egrayen iWerd γ Λο Grehbe' (^reMe) genoemd j · welken naam zij lot heden
behóudon/^heeft (2^., η·)';·Μ·;')νί -''h^fMl·; :: Vr.,·.'··:::. ; j ;;■· IrJ:
. deze ios[èchling:'en orefeenkamst, Avordt door eenigenr, de krijg tusscheri Graaf
FLORis en vihivs yan p^laanderen, gesteld. Anderen daarentegen beweren, dat deze
reeds in elf honderd zeven en vijftig ontsproot, en wel als een gevolg vaTi het heffen
eens tols te Geervliet in hel Land van Patten, ναη,alles wal de Oude ϋίααί op- en
afvoer, waartoe Keizer frederik aan Graaf floris regt en vrijheid verleend had. DcVIa-
mingers klaagden, doch te vergeefs, over dit bezwaar. Daarenboven vielen ook klagten
over de Hollanders, alsof zij do zee met hunne schepen onveilig maakten', en den
Vlaamschen handel groot nadeel toebragten. Filips, die thans in"stede, zijns vaders,
wolko naar hel Heilige Land vertrokken") was, bostierd;e ,,,;"in den; bloei
der jaren , dapper en oorlogzuchtig ,, ι;·η&ΙΙο dadelijk ^ ceno vloot uit,, om de Hollaud-
sche scheepsmagt hel hoofd te bieden, en viel levens met een leger in
,11
u,------ ·λ
ΟΙ.! :!., ψύ) «jO: .([ .a
ίΐ (1)'BroederÄali dit·ih Sc jeiohiedértis'van'iF/tés^/ond;, uit'dit tijdperkrj;:uLteun«;.c?ct worden, (i:;
(2) Heda, p. löl. waoe.-iaar, D. II, bl. 246. Κιυιτ, Eist. CHt''CömV T. Ir'ï'. a.-'p^^^
:, nl (Or·
■k'lymu )j·
(87)yAvien bildèrdijk^'DI H. bi,-'55y gevólgd heeft-':
-ocr page 125-DES VADERLANDS. D ! · 125
Waas, datv Ftoßis toen bezat, doch vooc wien het nu voor altijd verlören! gingt Hij 1085^
moest zich zijn verlies getroostendewijl'dej ütrechlsche onlusten hem beletlcO i» oiamid-
dellijk zich tè Avreken .waartoe zich eerst de gelegenheid aanbood, nu dö geschillen
met den Bisschop van i/irelc/ti waren bijgelegd (1);;πν ! ,ι e; νΛ,ίΛοί 1165
Men begrijpt échter riiet,,hoo en ónder Avelkentitèl, de Graaf van
van Waas in bezit zou gehad hebben , en'vermoedt, dat Waas met Zeeland·, heicester
Schelde verward zal zijnhdoor een schrijver,'wien anderen blindèlings volgden. Maar
even weinig begrijpt men, hoe floüib indien hem dat Zeeland ontweldigd geworden
ware, aan diep kant zoo viele jaren Avorkeldos zou gebleven! zijn , zonder-jeriistig te be-
proeven, het verlprene.. .tO: herwinnen schoon: liij over eène vloot en eene; aanzienlijke
legermagt beschikken kondè.n· In ,de Utrechtsche geschillen werd hij toch eerst;na liet
jaar' elf hónderd vier eiï,.zeslig betrokken; ook bevonden zich in zijn leger Vlaamsche
boogschutters, waaruit men op éene vrfedelievendo stemming t'usschen hem en den
Graaf van ^/aaiji/eran mag besluiten, (2); Men iwil derl^alve, dat de· Vlaamsche krijg <
zoo belangrijk Wegens den ongelukkigen uitslag voor FLORiSj liiet onder het regéntschap
van iitips, maar eerst nä elf honderd Tier en zestig ontstaan zij, toen hij zynen vader j
ofschoon') deze inog Jeéfdei als: jGiaaf w.asi opgevolgd, en hem bij'hét v.érlei·,' dpof don
Kéizer .ondersch'éidene vrghéden , . en daaronder ook ontheffing {{mmuniteit)\ydii\ de tol-
len langs den ißtjV verleend waren;(3). Dewijl nu de Waal ofiWerto^), als een arm de»
Rijns, hierin mede betrokken en'de tol te Dordrecht daardoor aanmerkelijk benadeeld
Averd, Avas het niet onbillijk, en zeer waarschijnlijk, dat de Keizer door een nieuw tol-
regt, den Hollandschen Graven vergoedde, wat hij hun elders ontnam (4). De tol te
Geervliet zou [derhalve toe« .cer,st\zijn opgerigt, eiihet ^chijn^^t datlrie^rin , Qok mogelijkjin
bet heffen van andere tollen, zoo wel als in do zeeschuimeryen der Hollanders, de oor-
zaken van' dezen krijg, rnoeten ,gezocht ^^worden'(5). ,Men .spreekt nog van eenen^'per-
sooüiiiken haat, Avelke tusschen dp beide Graven zou beslaan hebben, ontsproten, . zoo
... .: i.ii·:!i'.i;iI0::ij/ 'lüs i ; , ■ .; i :: tr u !· , ^ -.oiij-'-uE.·^'
■ ■ ^ ' ■·-__^ ; "t lY.sriiv,' oJijiV iin , i:oi.i iKc^::'··; tnlilc ■. : .s !:μΪχ -.Ih
(1) MeiÄ^ÄW.' ;WiGEKÄAferD. II. bl: 238-240
' ' /.I \\ .i :. .wov'i . ·., ··■.·,ήw->V'\ Λ - · :o5'4 · ius: .b-jo.·· YjiiiTr· si
(2) Chron. Egmond. apud kluit, Uist. Crit. Com. Τ. I. P,^ J, μ. 107 (72). . ,^
onder
Hist.
ΐ)ΐιίέ'ΐηίΐ68.'
;;·ιΟ jvj!) :· i.. . lel? ^ ΐΊ·,'::;! IjmjjiDhoro , .h' .1 eia.ii: ηο
(4) Biiderdijk , D,. II, 51 , ,gcy,olsd p. 251.
(5) Vas wus^ïop wagesaar^ Sti, Iii ϋ1'.,82. sV^rg. mbybbws/ ^^««α/. Flandr. XtijLV,' psiiSj
ad ann. 11G5. ^'.ν.τ ii jrioif/jd 'loftóv nps ftr./ p-UJn isi;c qoi'Älß'ng ivn κ ψ,ηύΆ. ^n w/in
ί 126 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1085—men meent, uit minijver, sinds filips Tan Vlaanderen gebuvvd was met de docbterdes
liyO Qj.jYgjj Yjjjj Vermandois, naar wier hand weleer Graaf floris gedongen had (1). Wat
hier Tan zij, in het naderland gesloten Tcrdrag erkent floris , dal de oorlog door zijm
schuld was ontstoken, doch er wordt niet in gemeld, waarin die schuld bestaan heeft.
Een scheepsstrijd opende en eindigde, naar het berigt van eenige schrijvers, den oorlog.
1165? Floris, niettegenstaande hij eene magt had bijeengebragt, welke hem tot meester Tan
de zee scheen te verheiFen, werd door de Vlaamsche vloot derwijze ingesloten, dat hg
zich spoedig moest overgeven. Hierop werd hij gevangen naar Brugge gevoerd, en
een aantal zijner zeeroovers met den dood gestraft (2). Naar anderen, werd de krijg
te land gevoerd. Floris had zich met de Graven van Kleef, Berg en Gelre
Terbonden, en viel met een leger van twaalf duizend man in het land van Aalst, alles
te vuur en te zwaard verwoestende. Eene sterke krijgsmagt, onder bevel van Graaf
riLips en zynen broeder, den Graaf van Boulogne, trok hem weldra te gemoet. Hevig
en hardnekkig was de strijd, in weiken floris, door zijne bondgenooten verlaten eii
gevaarlijk gewond , met vier honderd Edelen gevangen genomen en naar Brugge gevoerd
werd. Men wil, dat hij vijf duizend gesneuvelden en twee duizend zwaar gekwetsten op
het slagveld achterliet (3). De overwinnaar liet, naar stijle van het leenregt, door zijne
leenmannen (Baroenen), floris van het leen Tan Zeeland hewester Schelde Tervallen
verklaren. In de vredesvoorwaarden eischte hij echter zoo veel, dat de gevangen Graaf
lot geen verdrag besluiten konde. Eindelijk werd, door tusschenkomst en bemiddeling
(1) Ms. Chron. v. Vlaanderen Lij scbiverics, JIolL Zeel, Friesl. Chron. bl. 154. )
■J : ■
(2) Meïerüs, Annal. Flandr. Lib. V. p. 48 ad annum 1165. Verg. van >vijn , op -wagesaar,
St, II. hl. 82. Het is zonderling, dat wagenaar, D. 11. bl. 249, uit den genoemden Vlaamschen
gcseliiedsclirijver verhaalt, »dat floris, voor eenJgen tijd, ter zee volkomen meester scheen te zi]n."
Bilderdijk, die zich zeer zelden getroost de bronnen, uit welke wagenaar putte, te raadplegen,
volgt dezen ook hier zonder eenig verder onderzoek. »De aanvang van den krijg," zegt Iiij, » die
te water gedaan werd, was voor floris, dit erkennen de Vlamingen, triomfant!! D. II. bl.5y.
C'cst ainsi qu'on écrit Vhistoire!
Λ ) ....... .. ... , ·:>;) i.' . i,·. ' . .<! )
(3) Oude Holl. Div. Kron. Dertiende Div. c. 7. De Ms. CAroit.c, bij scbiveuiüSjJïo//.
Zeel. Vriesl, 'Chron. bl. 154, met welke het verhaal van j. leydzs, Z/ä. XVIII. c, 10 , zeer veel over-
eenkomst heeft en door wagen aar ,D, II. bl. 248, gevolgd wordt, noemt, even als iieda, p. 171, het topneq!
van dien krijg, den Élzas, λν^ΐίο aan den Graaf van Vlaanderen behoorde. Schoon nu hutdecoper ,
op melis stoke, D. I. bl. 520 , oYcrtuigend heeft aangewezen, dat de Elzas, niet den Graaf van
Vlaanderen bêhóörde,-maar" ien'erfgoed was van 'Keizér freöiiriiit, volgt bltoehduk ," D. II. bl. 59,
echter Λvéder.blindelings tVaoesaar^ en noemt,r zonder de tegenhcAvijzen-van nuYDEcoPEn te ontze-
nuwen, den Elzas »een graafschap dat aan filips van zijn vader bestorven was." /i Γ .
DES VADERLANDS. D ! · 127
van DIRK, Fiups vader, eii van de Graven van Boulogne^ van Gelre en'van Kleeft ^^ ^lllflT
Brugge eene overeenkomst getroffen, wier stijl en inhoud getuigen,in welkeenen nele-
ligen en vernederden toestand FLORis zich bevond. Hy ontving Zeeland hewestcp g
Schelde, doch als tm feudum commune, of gemeenschappelijk leen, van Flaandei\en
terug, dewijl hij, behalve andere voorwaarden, met den Vlaamscheh Graaf de inkomsten 11^7
moest dealen. Daarentegeii verkregen de Vlamingen vrijheid van tol- en geleigelden
[vectigal, quae conductus vocatur) door Holland, terwijl al wat hu,η voorheen afge-
nomen was, hetzij bij wijze van schatting, belasting, tol, bede of ter kaap, door flg-
Ris zou vergoed worden. Tot waarborg van dit verdrag moest hij gijzelaars geven
van welke niemand, zelfs niet onder borglogt, buiten toestemming des Graven· van
Vlaanderen, aan hem mögt uitgeleverd worden (1).
Floris Avas twee of drie jaren te Brugge 'gevangen gehouden. Het is derhalve geens-
zins te verwonderen, dat in dien tusschentyd, eenige ongeregeldheden en verwarringen
in den staat van zaken ontstonden, welke \an 's Graven afwezigheid getuigen. De Haar-
lemmers) met andere Kennemerlanders, en waarschijnlijk ook de ingezetenen van Alh·^
maar, hadden in den winter van het jaar elfhonderd zes en zestig hetiWesl-Friescho
dorp Schagen overvallen, geplunderd, in de asch gelegd, en de bewoners ten deele
in koelen bloede vermoord, ten deele onder de wreedste mishandelingen gevangen "weg-
gesleept (2). De West-Friezen , hierdoor tot wraak getergd, trokken weldra met ver-
eenigde krachten , naar het stedeke {opidulum, portfikijn) ^/Aiwtear,,dat terstond
werd ingesloten. Eenige Kennemerlanders rukten aan , om de plaats te ontzetten ,: docK
lieten haar, op het gezigt Van de ontzagwekkende magt der Friezen, den vganden'ter
prooi,, die het stadje plunderden, en behalve de kerk, alles aan deiVlammcn opofferden.
Tachtig Alkmaarders, tot wanhoop gedreven, vochten met leeuwenmoed tegen do
plunderende Friezen, en stierven allen den schoonen dood voor het vaderland. .'»VVant''
zegt onze 'oudste jaarboekschrgver, »is het eene deugd voor het vaderland'te strijden..
(1) Kluit, Hist. Crit.Com. T.I. P.II. p.251—255. Hüydecoper, opheusstoke, D. I. R .521,
heeft dit verdrag, en den {jelieelen oorlog van fioris met ritips voor een louter verdicJitscI gebonden.
Dit vredesverdrag is celiter sedert naamvkeurïg in het licht, en deele op koper gebragt, naar het
oorspronkelijke, welk met de aanhangende echte zegels, in de Iserl van st.dokatiaam (e^fw^^e be-
waard wordt. Kldit, Hist. Crit. Com. Τ. II. Ρ. I. ρ. 184. 8qq.,>_Vcrg, var^wuit., ,^ορ ^agehaab,
St, II. bl. 81. Noch het oude Chron. Egmond, noch meiis stoke, noch ue beka, nochdeÄ/eri
van de laage Landen, noch teldekaer, noch het Goudsch-Kroinijkjè, m^hcitMagnum Chron.
Belgicum maken van dien Vlaamschen oorlog eenig gewag.-) .1 ni γ· ·ι;ϊ .ffo .1·' " .1 . .'λ 'β·]
χ,Chron, Egmond. .klbit..T. I. p.-^llS.« Meiisjstoke:;·Ii. II. hl; i^ )
i·^ .q
-ocr page 128-ί 128 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1085—lian is het ook een geluk voor het vaderland Ic sterven (1)." Het verraoeden, dat de
West-Friezen door ülrcchtschcn invloed tpt dezen inval werden aangespooinl (2) , wordt
'"door de getuigenis der oude Egraondschc^Kronijk, gelijk reeds gebleken is, evenmin
onderschraagd, als dat de uillandigheid van ïloris, hen aatigeprikkeld zou hebben »den
lang geloomden moed eens weder tegen Holland te koelen'(3) ." MeUt weet slechts, dat
de haat tusschen do Hollanders en West-Friezen, ofschoon^ zij. onder één Hoofd stonden ,
in dien tijd zoo groot wa's,'» dat beide de een den ander niet alleen de goederen, maar
zelfs het leven zóu benomen hebben, indien het slechts in hunne magt geweest ware (4)."
s- »'s Graven gevangenhouding in Vlaanderen, bewaarde slechts de West-Friezen voor
zijne oogenbhkkelijke wraak. Naauwelgks ontslagen, trekt hij met eene aanzienlijke
1168 magt ruiters en voetvolk, in den winter, door Kennemerland en legert zich te ι^βοοί'ί,
op de grenzen der West-Friezen. Terwijl hij hier het plan tot den veldtogt beraamt,
zetten eenige roekelooze jonge ridders, op eigen gezag, het dorp 6'c/m^enin vlam. Doch
22 verwoestingen verder voortzetfende, vallen zij άη de hinderlagen der Friezen, en
slechts weinigen brengen de tijding hunner ramp te iS'coori. Graaf floris keerde, naar
llfiü het schijnt, op dit verlies terug, zonder verder iets te ondernemen, äDe'West-'Friezen,
hierdoor aangemoedigd, verontrustten gQ^nr^g/KennemerJand, cn la^^en Alkmaar,
den volgenden zomer , andermaal in de asch, ' Hier werden zij echter door de bewoners
der omliggende streken, onder aanvoering van ccnige dappere Edelen, zoo wel te land
als te water, in het vernielen gestuit, en naar hunne landpalen terug gejaagd (5).i ι
Het voortzetten van den krijg werd Vvaarschijnlijk verhinderd door den geweldigen
3170 watervloed, welkeZeeland, Utr'ßcJit ca''Friesland zoo wel aan deze als
aan gene zijde van het p^lie, teisterde. Op eenen heeten zomer was in den herfet een
hevige storm gevolgd, welke de zee over duinen en dijken heènjoeg. Woningen, slo-
ten, geheele dorpen i zelfs, met menschen en vee werden door de instormende golven
weggespoeld. Dof Kennemerland ers bergdén^ zich te naauwernoód op dé daken , waar
zy van gebrek en ongemak zouden omgekomen zijn, indien niet de bewoners van
.V. ,i 1■ :■·■,.■.. ■:·; 1 ; ' . ■ . ' | .li .'J . ■
(1) chrono Egmond. ap. KmiT ,·■ ä'ä/. Grit. Co«». Tv I.' Ρ-'ϊ. jp. 114. 'Zie voorts melis stokk,
J{. Ii. bl. 397. De deka, p. 54. Verg. s. eikeikkberg,· ^ίίΜτηααΓ en zijne geschiedenissen',
bl.;47, 48. ■■ ! ■· ■-·
/J' Λ\'ί'.·; Λ ■, .■ ,·.·
i; 1!
;■') . .;i :η-· . I ,
.κ . .
'·:·Λ
1
(2) bilderdijk, D. H. bl. 56. '' ' " "
. l il ι'·;;)ϋ . 1 .- i . ■ ' :!
(3) IJiLDERDiJK. , D. II. bl. 50.^ Verg, oude Holl; Div. Kron. Dertiende Div. c·. 5.
(4) Chron. Egm. ap. κι-πτ in 1. c. p. 116. υ ' · ' i f»; ! / n.:/ :: ■
(5) Chron. Egm. apud rltit in 1. c. p. 116-rl21. Melis stoke, B. H. bl. 402—411. De
beka, p, 54.
DES VADERLANDS. D ! · 129
Diemen, met kleine vaartufgen'äf en aanvarende, hen uit den nood gered hadden. Vele;1085—=
der Zeeiivvsche zecdijkëri bezweken, emin het sLond het zeewater: zoo hoogV t^at
niet alleen· geheel Amstelland oxm&i'CQmx^maar zelfs zéevisch,, holkloi wijting, met
groole nellen bij de muren ym Utrecht gevangen werd?" Het meeste leed Friasland
aan beide zijden /vanv het /^/ί'β^; dewyl de landen om Stavoren geheel overslroomd eii'
eener bare zee gélijk'werden ni L·;.;.. ■ ο ? ν ' ;r > ;i .vy
De rampen, welke deze overslrooming alom verspreidde \ werden eenigzins gelenigd door
het vruchtbaar jaar elf honderd twee en zeventig. Men verhaalt, dat door den ongemeen
zachten winter, reeds in Louwmaand de weiden zich in haren vollen tooi vertoonden,
en omtrent Maria Lichtmis de vogels eyeren legden, broeiden en jongen kipten (2);i
Doch in Bloeimaand van het volgende jaar, verwoestte weder een vernielende watér- j 173
vloed veler hoop en geluk. Door het smelten der veelvuldige sneeuw was de /Zi^?»
buiten zijne oevers getreden , en had een gedeelte van Holland en Z/irip/ii overstroomd ,,
toen een zware storm uit het Noordvvcslen, de rivieren zoo geweldig deed zw.el-
len, dat boomen, huizen (en kerken door deuLfellen stroom omvergehaald werden;,
zoodat velen voor .eenen tweeden zondvloed vreesden. Men twijfelt niet jiof het ware
met ütrecht en andere sleden gedaan-geweest, indien de storm zoowél lang hadjaan-
gehouden als hij hevig Avas. Maar na drie dagen stoof het rivierwater zeewaarts, en
vele plaatsen werden voor den gevreesden ondergang bewaard (3). Men heeft gegist,
dal deze geweldige inbraken der zee, het land tusschen Stavoren, Medemhlik en
Enkhuizen verzwolgen, en de eilanden Wieringen, Texel en Vlieland van het vaste
land afgescheurd hebben (4), Doch dit kan niet overeengebragt worden met de oudste be-
rigten over Noord-Nederland aanwezig. Men denkt uit dien hoofde, dat slechts de
(1) Chron. Egmond. hij ματτπαεε®, Analect. T. II. p. 464. Klcit ccbtcr verklaart deze plaals'/
cn al wat in de uitgave dier troiiijk hij ϊΐΑΤΤΠΑΕϋβ , van liet jaar 1170—1173 verhaald wordt, voor on-
derfjesclioven. Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 121—123. Meiis stokë , de Nederduilsche berijmer
dier kronijk , cn de Klerk van de laage landen, maken ook van deze overslrooming geen gewag.
Maar daarentegen godefridcs nosAcncs, bij kicit in 1. e. p. 126, (12). De beka , p. 54.
IIeda, p. 173, cn do Oude Holl. Div. Kronijk. Dertiende Div, c. 6". Wij'zien derhalve vólsfrckt
gcene reden, om aan deze gebeurlenis te twijfelen, < \\ . u ; ,! ■
(2) Chron. Egmond. apud ματτπαεγη, .Analect. T. ΙΓ. p, 465. Oude Holl. Div. krbn%. a'.'p]
(3) Chron. Egmond. apud κιητ, Hist. Crit. Comll. I. P. I. p. 126. JJs beka/p. .55, Öude
Holl. Div. Kr<m. t, a. p. Γ i .....' ' · " ^
(4) JüHiM, Batavia, c. 3. p. 67. · ■■ ^ ' - Ή
II. deel. .yoi- .iti j· ^^ , V. (ly
ί 130 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1085—zeegaten er door .Tcrwijd AYei-den, gelijk 'waarschijnlijk doör do overstroomingen en
^^^^ inbraken, die ruim tweo eeuwen later voorvielen, ook geschied is'!(l).
Do rust welke thans in ^eii-Friei/oiirf beerschte , spoorde Graaf FLORis aan, om
het verdrag mei: FtLïPS'Tan Vlaanchren op te zeggen en .^Teiier-ZeeZaiic? (gaaf) van
hem terug te eischen. De zaak Averd echter door tusschenkoróst van verscheidene Groe-
ten , in der minne bijgelegd. Althans floris zond in het jaar elf honderd een en tach-
tig een groot aantal Hollaudsche dijkwerkers [optimos artifices et constructores) naar
Vlaanderen ', om iiQïiG dijkbreuk udXAy JBrugge te herstellen, die men niet meester
konde worden. Immers vertelt men, dat deze dijk door een vervaarlijken zeehond
daar ter plaatse telkens Averd uitgehold, tot dal een Hollander hem bij den staart
grijpende, in het midden des hols slingerde, waarin het monster, bestelpt met zoden
en aarde, versmoorde. De waarheid is, dat de Hollandsche werklieden het ingezonken
land wisten te behouden, en door het leggen van een zeer zwaren dam , dat gedeelte
van Vlaanderen voor het dreigend gevaar te behoeden. Graaf filips schonk dengenen
hunner, die blijven wilden, al het land dat zij bedijken en op de zee herwinnen mogten ,
van den opgeworpen dam tot aan Aardenburg. Velen maakten hiervan gebruik,
en zoo ontstond allengs, uit de opgeslagen koeten en hutten der arbeiders, de stad
Damme (2). r i :
Onderlusschen was Bisschop godfried ΎΆη Vtrecht overleden, en zijn zetel door
botidewijn, broeder van Graaf floris , vervuld. Van daar de ongestoorde vredo tus-
schen de Hollanders en Slichtschcn, gedurende het bestuur van dezen Kerkvoogd,
117y welke zich met floius in eenen heirtogt tegen dè Friezen, vereeiiigdo (3). Wel-
ke Friezen hier bedoeld worden is onzeker. Sommigen meenen de Ooster- en Wester-
Gouwers (4); anderen de West^Friezen (5). Van dezen logt, welke het doel
miste, Avorden geene bijzonderheden verhaald, en de inlandsche Schrijvers maken
er zelfs geeue melding van. Het volgend jaar viel Graaf floris met eene over-
1180 groote magt in West-Friesland, verbrandde Niedorp (Nïerop) en Winkel, doch
• il-
(1) Wagekaar,, D. 11. hl. 264. · . . . , ■
(2) J. α tEYDis, c/iron. Belg. Lib. XVIII. c. H. p. 164.^ Oude Holl. Dimsic Kron. Dei-
liendc Div. c. 7. Λ^ογ^ klüit, Ilist. Crit. Com. Τ. I. Γ. Π. ρ. 204. (t). ^........ ^ .. · ,, ,,
(3) Godefridus iioKAcnts, ad annum 1179; bij waceaaar,. 1). II. LI, 2Ö7; va kluit, Jlist.
Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 132 (25). ' ^ . ...
(4) Bilderdijk , ΰ. II. bl. 57, in navolging van kldit in 1. c. ,, . , · i^·
(5) F. SJOEBOS; lu·. Jaarb. D. II. bl. 409. ·
-ocr page 131-DES VADERLANDS, ^^a Λ 131
kon de West-Friezen niet beteugelen (1); :Deze zetten de Tijandelijkheden yqort, en stroop- 1085—
ten lot aan Akersloot in Kennemerland, ΛvaaΓ zij hunne stoutheid met een zwaar ver-
lies boetten (2). Eindelijk gelukte het den ;Graafdie lan Jffieringen en Texel aan HS'ii
zich te onderwerpen en te noodzaken, van hem den vrede'voor vierdüi/xnd mark
zilvers te koopen (3). vi j ),i : ;! η;·. ,
Terwijl hierdoor de rust in deze streken hersteld was, nam floeïs III het kruis aan, 1184
of deed veeleer eene bedevaart naar het Heilige Land ,' daar JerutaUm toen nog in het
bezit der Christenen was (4). Welligt wilde hij het graf zijner godvruchtige moeder
sopi.v bezoeken, welke op hare derde bedevaart, te yerwza/em)in elf honderd zes en
zeventig overleden en in het Hospitium der Duitscho orde begraven" was (5), Na zijne
terugkomst werd hij in do onlusten tusschen Ό trecht, Ν ^er-Lotharingen m Gelrehe·
trokken, en stond als leenhouder van hel Sticht, met Graaf dirk van Kleef den
·-■ V): '·|:}Λ
.V'r:
(1) Chron. Egntond. apud klüit, Hist. Crit. Com. Τ. L P. I. ρ. 13J. Melis stoke, B. II,
bl. 41fJ. .
O
(2) Chron. Egmond, in 1. c. p. 133. Melis stoke, t. a. p. 1)1.417. ' > j
(3) Chron. Egmond in 1, c. p. 134. Melis store, t. a. p. bi. 418, 419.· De Klerk van de
laagc Landen, bi. 75. IIüijdecoper , op melis stöke, D. L bl. 529-^5^2, en klüit, in Chron.
Egmond. p. 134 (35) stellen hier Friesehe marken of ponden van vijftien'stuivere. De vredespiijs
zou dus niet meer dan /3000 geweest zijn. Naar Duitsche zilvermarken berekend, zou hij echter,
volgens scrïvbriüs, JloU. Zeel. Vries, Chron, bl. 147, ƒ 72,000, en naar ddijdecoper, f. a, p.
bl. 530, eene som van ƒ 100,000 uitgemaakt hebben. Zekerlijk verbazend veel in dien tijd^ en
deswege door scriveriüs en wagesaar voor ongclpofelijk gehouden. » Doch de juiste waardij der
Friesclie ponden," zegt van wijn, op wagesaar, St. II. bl. 90, »is Iiier te moeijelijker te bepa-
len, dewijl men uit de Friesche Λν^ίεη, kan gpmaken, dat er groote en kleine marken waren, en
liet niet blijkt, van welke soort bier gesproken wordt." ' ^ ' " '
(4) Chron. Egmond. apud kluit in 1. ,c. p. 134. ,Melis stoke, B, II. bl. 418· Beiden stellen
dezen togt op bet jaar 1184. j. v. leijdek daarentegen in de Kronijk van Égmond, bl.
plaatst dien'tusschen 1180 en 1182. Hij wil, k^en aXs^ie Hollandsche Div. Krm^
Div. c. X, dat' FLoRrs 'dien to'gt met ritips van F/aajlderé«gevolgd door ém'iuififci'riijkén-'stófct
van' Edelen en ïliddefs, gédaa'ii he'dft.'' Dit'echter is nief: VaarséliijnHjk,'lén ónie óiidile jaarbóé·
ken ,"'n:ocb' ïhIijeri Annal. 'Flhndr. y gèvéri'hi^oe aanleiding. ' öngetwiji^d'teeftj taw' teijdtin dè
gebeurtenissen Mcti elkander verward ; een algertèènVgebrel der «liddel^eflpwsobé'jlronijkstshrijvtffi,
Het is vreemd , dat noch de naamvkeurige waÓehaab , noch zijn doorkundige aafntë^kenaar, vaic wiïk !,
dezen togt gedenken; minder vreemd, dat bilderdijk er geen gewag van m3äkt.""i'^i bn;;l. .hsy!
(5) Chron. Egmond. ap, klcit , in 1. c. p. 129. Melis stoke , B. II. bl. 412. Ikiden roemen
hare godsvrucht hemellioog. En geen wonder. De kloosters van Egmond en Rijnsburg hadden
. 1 ir Γ 'M-II· ' .'1 .1 .·■ .sn-üO Λ·' '..ή , tnjyi i-M-p; .'.•■·;«»ικνj.
m liare weldaden gedeeld.
- :
Oüj j
Ii.; r ]
Jxir.Cl:)
oui:
17*
-ocr page 132-ί 132 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1085— Bisschop ijverig bij , tot dat eindelijk, weder door Keizer frederik , het geschil be-
J li^O
middeld werd.
Ondertusschen had het berigt der verovériiig van Jeruzalem door saladin , het
Cbrislelijk Europa in beweging gebragt, en zelfs in het verwijderde Noorden den ijver
ontvlamd, om het kruis ter herwinning der Heilige slad, aan te nemen. Hiertoe verbond
zich, öp aandrang van Paus GLEMEHs III, oök Keizer κκΕίχΕκίκ. Deze Vorst koos den weg
over land; en onder de zoo "geestelijke als wereldlijke Gróoten , welke dien togt bijwoon-
den , bevonden zich .de groote Graaf yiLU Hólland {Comes magnus de Holland) en
llöü zijn broeder otxo, Graaf van \Bê7iÏhem, in de vierde legerafdeeling bij den Keizer.
Men overwinterde Ie ^(/Wöwdjye/, vanwaar Hertog eertold \άιι Merun en Graaffloris
werden afgezonden, om eenige benden kruisvaarders, onder bével van verschillende
Bisschoppen Ie Philippoj)olis gekomen , veilig derwaarts to voeren. Bij hunne aan-
komst vernemende, dat de Grieken eenige achtergeblevene kruisvaarders bij deze slad
vermoord hadden, trokken zij onmiddellijk naar zekere plaals, Baccon genaamd , waar
deze Grieken met het doel gelegerd Avaren , om de overige kruisvaarders in Philippo-
polis om te brengen. Zij overvielen cn versloegen de verraders, verwoestten hierop
Philippopolis en keenlen, na eenèn verdelgenden en plunderenden togt van drie en
twintig dagen, in Adrianopal terug.
Tot deze Yijandelijkheden en do strooptoglen, welke floris, bij zijn verblijf te
Adrianopel, tegen de Grieken cn Kumanen ondernam, hadden ongetwijfeld de trouw-
loosheid en het bedriègelijk gedrag des Griekschen Keizers tegen de Latijnsche Christe-
nen , aanleiding gegeven. Niet dan door geweld kon frederik van dien Vorst do
vaartuigen verwerven , met welke hel Westersche leger den Hellespont overtrok. In
Azië gekomen, werd aan Hertog frederik van Zwaben ^ en aan Graaf floris III het
bevel over de voorhoede des legers, tegen het sterke Iconium, de hoofdstad van Zy-
J8 Λ;^ιχ^αοηί'έ, toevertrouwd. Na een hevigen en hardnekkigen strijd van zes uren, slorm-
Bloei- Je Kruisridders in do stad , welke zij bemagligden. De Turken, die haar wilden
maand ^ ·. j i
1190 ontzetten, werden door den Keizer verslagen, welke nu tot in Cilicie doordrong, waar
hij, badende in eene rivier , deu dood. vond. Met onbezweken moed en onder tallooze
rampen rukte echter het leger op άάάϊ Antiochië \n Syrië. Terwijl men hier vertoef-
1 van overleed floris III aaa eene besmellelijke j^ziekle, welke eene groote verwoesting
Oogst- onder het leger aanrigtte. Hij wer,d in de St. Pieterskerk dier stad , niet verre van het
'jiyo graf des Keizers, bijgezet. Zijn zoon willemV welke hemj tegen zijnen wil, op deu
kruistogt gevolgd was,'en Graaf όττο van-ffmi^ém, kwamen later behouden in het
vaderland terug (1). ; i ^ ,
.'.ijr .;<i .i)
K·: . ^ ,.:...^'· . '
(1) Chron. Egmond. apud klüit, Tlist. Crit. Com. Τ. 1. Ρ. I. ρ. 130—141 (.18, 41,45; 47).
-ocr page 133-DES VADERLANDS, 133
Geen der Holländische Graven ^vas ooit ongelukkiger dan FLoaisIII','en geen welligt zou
i 1 y t/
gelukkiger dan hij geweest zijn ,> indien slechls deugden of groote hoedanigheden, en
niet dikwerf toevallige omstandigheden alleen , het lot der stervelingen beslisten. Im-
mers, dapperheid en inoed in het strijd veld., wijsheiden behoedzaamheid in den raad,
grootheid en standvastigheid in den tegenspoed^ "Tereenigd met opregtheid Tan hart,
zuiverheid van zeden en ongeveinsde godsvrucht, kenmerkten floris III (1)^ Hoog stond
hij in de gunst van Keizer frederik I, een monarch, welke de voor eenen Vorst onmis-
bare gaaf bezat van mannen van bekwaamheid te onderscheiden en te bezigen. Niet
alleen ontmoet men floris dikwerf als getuige in de opene brieven dezes Keizers , maai-
bij wordt ook onder de Rijksvorsten geleld op de landdagen te Worms in elf honderd
drie en vijftig, en vijf jaren later te Roncaille in Noord-Italië, tusschen Plaisance
en Cremona. Als Rijksvorst beëedigde en onderteekende hij het bestand eu den daarop
volgenden vrede, door den Keizer met Sicilië in elf, honderd zeven en zeventig gesloten,
en noemt zich daarin floress, Graaf van Holland ,\{Flor ent ius, Comes Jiolmi~
diae) (2). Hij liet vier zoaen en even zoo vele dochters na. Dirk, de oudste, werd
Graaf van Holland; willem , Graaf van Friesland; floris, Domproost xan Utrecht,
en ROBERT, Landvoogd [Praeses) van Kennemerland; zijne vier dochters heetten
BEATRIX, ELizABET, ALEiD CU MARGARETE, Gravin vau Kleef (3).
Utrecht. Overijssel, Drekthe, Tijdens het beΛvind van floris III en dal zijner beide
voorgangers , waren verscheidene Bisschoppen van Utrecht elkander opgevolgd. Koehraam,
welke bij den dood van Graaf dirk V dien zetel bekleedde, deelde steeds in de gunst
van Keizer heïsdrik: IV. Ondersteund, naar het schijnt, door dezen Vorst, zag hij zich
Melis stoke , B. II. W. 438—440. J. de beka, p. 56. IIeda, p. 17Ö—181. De Klerk van dc
laage Landen, bi. 75. J. v. leijdem , Kron. v. Egm. bl. 49. Mr. j. dirks, Noord-Nederland
cn de Kruistogten, bl. 172—177, in de: Vrije Fries, D. II. St. IL . ^^
(1) Het oude Chron, Egmond, p. 41, noemt lieift » Vir, in quo (otius honesfalis ct probifalis
foniia:iBe aptaverat." En melis stoke, B< 11. bl. 446, ze^t vati hem: ' ' - J · '
- bi was stout cn 'wijs van rade,
En van Kerstinen manieren, " l " ' ' ' -
Des te opmerkelijker is deze gfetuigenis van den Egmond^· moimik., daai^etnietblijkt^^dati-Luitis
de fjeestelijke gestiebten, gelijk vele zijner voorz^tp, bijzonder begiftigd beeft. .....
(2) Wagehaab, D. Π. bl. 236, 237. r-· . o'' .1' · .! nv 'i
(3) De beka , p. 53. Cronica de HoUant, apud
BlATTHiBrJU % J^HOi· T«
p., 533. MIE-
BIS, Charterb. υ. Holland. D. I. bl. 131—135. 5·^: j,-· . ,-κτ . ' m ·> Μ .-w?
-ocr page 134- -ocr page 135-D ES,VADERLANDS/. ' D 1 135
veld winnende despotische vórm , s in ons Tadedand loti nogjibe, geringen ingang go^^ 1085—
Yonden had (1)."!··· ) . ■();■' ■· ]\\i,U·. ïCi !·. ^^^^
Even als Bisschop koéwhaab , droèg ook zijn opvolger ruurghaud veel bij , onii de
Kapittels magtig te maken , en in het bijzonder wérden.dieATan st. maarteh , van
SALYATOR en yan st. JArr door hem Hevóorregt enibegiüigd (2)"WeinigiTindt meu
van dezen Kerkvoogd opgetéekend , wiens afkomst onbekend is, doch wiens godsvrucht,
wijsheid en Treedzame aard geroemd worden. i Ijveriger in'het naauwkeurig vervul-
len zijner herderlijke pligten, dan de mcesten zijnerf voorgangers, en «nietihakendo , ; ge-
lijk zij, om door oorlogen of Keizerlijke brieven zijn wereldlijk gebied te vergroolen,
deelde hij in do algemeene achting en eerbied (3).-· Zoo hoog wus zijn aanzien geste-
gen, dat Graaf λττο I hem naar zmijj/jm noodigde, om de nieuw iopgebouwde Sti 1105
Pieters- en Walburgskerk aldaar, in persoon in te wijdén (4). Ofschoon niet heersch-
zuchtig, wist hij zijn gezag,! waar dit gevorderd werd, met nadruk te handhaven, zoo ^
als blijkt uit een vonnis, door hem over zekeren twist lusschen de lieden \an Slidrechi
en· Jlouivetiingen uitgesproken (5). Van Irolschheid en ijdelheid schijnt hij niet geheel
vrij te pleiten, wanneer hij in zijne giftbrieven , de dienstmannen van st. maarten opsomt^
onder welke yan de aanzienlijkste geslachten genoemd worden , en' Ie jvier overstaali
deze giften geschied zijn (6); terwijl zijn afstand van^de kérk te getuigt, dftt
hij niet onverschillig voor het goud geweest is (7). , ; ι t.^'!) [ " ■Sh.'.i.i ;·ί:ιΗ·;
Burghard had dertien jaren het Sticht in rust en .vrede bestuurd, toen hg door
denv. dood, plaats maakte aan godebald , een Fries van geboorte. Met jlpfwaariligo ge- 1112
strengheid en ernst trachtte deze verstandige Kerkvoogd , Ide bedorven zeden der Jie-
derlandsche geestelijken te hervormen,, en, in het bijzonder , de diep!Terbasterde mon-
niken tot de oorspronkelijke kloostertucht en regel terug te brengen. Tc dien einde,
en als ten voorbedde, slichtte hij eene nieuwe abdij to Oosthroch, eene eenzame moe- 1121
rassige plaats nabij Utrecht, Hier hadden eerst twee Ridders, herbian en dirk , met
verscheidene anderen , het krijgsmansleven en do wereld moede, eene kerk ter cere van
maria en den H. laurestiüs gebouwd. Godebaed' schonk hun 'die plaats mèt^al Hare
— ;■■.·" .1 .il . .■1'· > Viil W» ÄOilU
(1) Glasius, Gcsch. d. Christ. Kerk in Nederl. 1). II. bï. 234. ^'''' '' ' ■ '
(2) Zie de Diplomala by ueda, p. 144, 145. ' ^ '^· .UhAO .;> .Ari^^ .iJis/jO i}]
(3) J. de beka, p. 45. Heda, p. 145. -Aii-Niv .ï .iuvviVi . κ,ιοίααΓί Kr f ίή i'··;· ■ (Γ.^
(4) PPSTAHPS; nist. Geltw LiL· λ'Ι. j>. 9β. , SticuTEKUOBSi;, IJ^f^l. ;W.;
(5) hbda,.p. 145. liiii:.' .!,■:: .U·;,·,· ·-.' ·,»! -ilnilii--ni!f ;)i) fidj: <ru.a3cioo -loub ■rrihn'·.
(6) Heda, p. 144—147. ■ ; :. , ... ,ι.^^^^,ρ·· [id nmniqlO loil (tj
(7) Zie hiervoor, bl. 111. ,ΓΓ ,Ι.ί .1 Λ\
-ocr page 136-164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
1085—onderhoorigheden in vollen eigendom, terwijl later. Keizerin hathildk de inliomsten
daarvan vermeerderde, Dc abdij bestond uit een monniken- en een nonnenklooster,
waar do lucht van den H. eekiedigtus zoo naaiwkeurig werd in acht genomen , dat het
eerlang den naam van: kerker'der or</e ontving (1). Weldra steeg dit gesticht tot
magt en aanzien; de abt had zitting, onder de Staten van het gewest, een eigen regls-
gebied en zeer aanzienlijke inkomsten. In het vrouwenklooster werden geene andere
nonnen dan van adellijke geboorte opgenomen. Zij stonden onder opzigtsters, die
naderhand , bij aangroeijenden rijkdom en luister, den titel van abdissen verwierven (2).
Gestreng handelde godebald met ' de losbandige Kanoniken te , welke
hij door monniken uit de abdij van st. ηγοηλει, te Antwerpen, deed vervangen (3).
Hel schijnt, dat hij het klooster te Middelburg tot eene kweekplaats voor geestelijken
bestemd heeft (4). Het werd door hem tot eene abdij verheven, Avier uitgestrekte
1122 bezittingen, haar lot het rijkste geslicht van maakten en den abten oenen
grooten invloed op den gang der staatszaken verschaften (5).
Everi milddadig jegens de geestelijken, die hunnen pligt vervulden, als gestreng tegen
hen , welke dien verwaarloosden, deed hij verscheidene giften aan de Kanoniken van
St. maarten, Avien hij onder anderen, de kerk van Medemhlik met al wat er toe
behoorde, afstond (6). Hij zelf ontving veel van den Keizer, welke hem in het begin
zijner Bisschoppelijke regering, in het bezit der Friesche graafschappen, weleer der
Utrechtsche kerk geschonken, bevestigde (7). Hij was echter minder dan zijne voor-
gangers , een getrouw aanklever en verdediger der Keizerlijke belangen. Op de Kerk-
vergadering te Fritzlar in elf honderd negentien gehouden , had hij de zijde van den
Paus omhelsd; en indien geene ziekte hom verhinderd had, zou hij het volgend jaar
tegenwoordig geweest zijn op die te Rheims , waar het banvonnis over Keizer Hen-
drik V werd uitgesproken, welke, tegen Paus galixtüs II, het Keizerlijk regt, deBis-
(1) De beka, p. 45, 46. Heda, p. 147. Bat. Sacra, D. II. bl. 42.
(2) ßcsch. van het Vtr. Bisdom, D. I. bl. .584—597, 606.
(3) De dera , p. 45. Heda, p. 147,
(4) Glasiüs, Gesch. d. Christ. Kerk in Nederl. ü. I, bl. 240.
(5) Retgersbergen en vas boxhorn, Chron. v. Zeelandt, bl. 152—154. i
(6) Heda, p. 151--156. Vajt hieris, Groot Charterb. ν. ΠοΙΙ. D. I. bl. 85. Diplomata tan
andere giften, door godebald aan de Utrechtsche gceslelijten verleend, vindt men bl. 87—90.
(7) Het Diploma bij vah hieris, Charterb. van Holl. D. I. bl. 83. Groot Charterb. ν. Vriest.
D. I. bl. 71.
1, iiiPESiyADEBri/AiirDS.^ Λ m
sfihoppen/ doof, rii}g[,en,:§tftf lerj^pj,gütigen,j wili(J«'liätidha;Teno(il)wio Dp;iUlrfl^tscb^Igflesjfri ^^^^
lijkfaei^:9 s^hijatj, hierin ^t,^^isifipr^ig,toEiet ibqcein. BisäcjippigteiEk^ilt Ifii hitiïjanik;iJ^PiW
Pj:posten»oj0q()r Mheiwis
nen (a)).j -iidfttw
^Tordt GODEBALDS naam onder de Duitsche g.ijyoBilen i)iWelke hißraanihupuc
tocstemiiiiiig ga?ieöjo(3)kiilDQfl[rx djtßi>Heii llftdiib^" (kl gewgeijhtó^ iVan.deß ,P/au^
TcOp Av^iipj.heni; hijiaelAle^^ij^ftfcvi ^pivfrwltii\ TerpOrlopfd<?.,hei ύϋΐί!
hoofdsieraad j deqj JMijfcer i ile Hdiages»,' tan·· iWelken ^ .UtreQhtsch*? iBi^schoppéa iaifijb,
s.edèrt laiigsÏniet.J3S«er«bediendjha.dden (^)i ■ ' ·;> .-.y u-jvjs uii oiH·)·,·»· ,η^Βτ.»// uomoiiJiio ÜSlI I
Het is derhal^ .geètiszinsi te Térivondéren , dat db :K:ßiz.e)}, den Bisschop
en het gerucht .èén«r zamenzwering tegéïi '?ijn ίρβΓεόοη ί: iftrNvijlühij tef i/jirec/iii iheiiKfcr?n
feest '^jierde, gereedeJijk; geloof Tond. i. Een. twistu.tussohéiï zijnfe;hflje^ingenifin η,νιί-
schops dienaars jji^fi hiertoe aanleiding. f>ljTecslphll^i!l00gl mienwtßl «ap^sn riidößhina éea ι,,',',!;
bloedig gevecht s.TOQestenilde Bisschoppehjken,zwichten vilTan. ^velk« '>(élen(g^vangetejl e» '
velen genoodzaaM'iwjérden y ^ich/in, eerien. sterkoni i'Pr^n tp)il)ergcnir,GQpfipAï<D zeifjsjvQrA
als schiildigi.aa'ö Jietioproer enjal'ioo wegèhsr hetffplcgen van.' niajesteilßscbtonis , :.iW,dé.
gevangenis. geworpeui, vjDopi" de \Ylugt';\ of^ het■ betalejä. van; éeai feroqtj Iqsgel^ >! yertefjßg;
hij, doch met. veeli'.rijceite, zijne: vrijheid'weder;^· en' niet'dan ido'or) itusschénkèiöst
van eeiiigß! Vorstenyi^vooral des: Aartsbisschops van Keulen, gejukteijhet-hein;,josfich
met den ,Keizerjitè.verzoenen, j Zekere öxselbrecjaf j iTopr den'bewerker des op;rqi;rs
houden , werd later :op last van heSdrik Vj, pnljhoofdj:(5)'»h..!o ,7 ivosw^'a -iJ ioJ oohi
Den geledfiil hoon konde; godeba^d naar het .schignt/jiDiet verkroppen. Hij,trad aU^
in bondgenpólschap met iHérlog L0THAiR;sva0n$aÄi·?« eni de Gravin-\^edmv« jPETfeorfEtiiA., 1124
van Holland „ tegen den Keizer.yi HEwpaiKitrpk hierop onmiddellijk zijiie krygsniagl feijeen,)
en vermeesterde Deventer, bpnevens andeile,·plaatsen , welke, onderjhet tS'iicÄiabehpprTi
den. Vervolgens berende hy het sterke slot Sehulenhurg in Salland, vóór dat de aan-
rukkende vijanden er voorraad en manschappen konden inwerpen. Hij meest echter
__- .. . -ηΙ (i^
• i-i; .üi Y
(1) De bek4, p. 45. Hed*, p. 148. Bat. Sacra, D. II. bl. 44—46.
' .'ai :,! ".onm! -tjV (f.)
(2) Zie Bullavi calixti II. apud hedam, p. 148 en vertaald in Bat. Sacra, D. II. bl. 47.
'"ï" .ij .·■ . ' ·*Μ"} .' \'i' ■■■' fxifii: ^••'."la; ..:ο··:\'.>
__.li.' _______· r>_e f»_____ r^ tt li λίΐ* λτ__— vfil
(3) Dit bevelschrift wordt, Revonden in Bat. Sacra, D., II.,bl. 40. Verg. de aanm. van vah
• i ' . :ι·ΐ2ΐ.ηι:;.. . v ·.'.. .uoVi ,ϋέΐ t /.oia ,ϊί^· ..j . ·
(4) De beka f ip.: 45, Heoa , p.; 148.;;,! Over den Mijter wordt uitvoerig gehandeld door vaw bhub
in de aant. op Bat, Sacra, D. II. bl. 68—80.
(5) Abbas tjspergehsis apud eedam, ρ. 147, 148. Annal, Saxo, ad ann. 1123.' Oude Moll.
Diu. Krön. Elfde Div. c. 8. bl, 134. · > ^ «i Γ VS- .«f ^ ■ (t)
II. deel. 18
-ocr page 138-138
Α L G Ε ΜΕΈ Ν Ε G Ε S β ΗIΕ Ö Ε ΝIS
htel 'beleg opbreken, om.de slad Deventer tê'öntóétlériv wétke door lotha'ir heyig
IIHU I j _ I . · ■
werd aailgövallen. Op zijn , naderen begaf zich' de'Hertog', itóngs-eenen- andéreiV veeg ,
nsAii-^KuUnhurgf Voorzag het slot 'van de^ndddigé'versterkiüg, èn'keerde, zonder
verder ^lets iiil Ig \ nSAV^ Duitschla'nd terug (1)." De Bisschop ^ werd nu lot rede ,
eniiÈTBOSELi/i tdt onderwerping gebragl'{2)'. ' S' 'i·
- ■ Slechts ■ wrange vruchlen oogsite ftéöËBAM)''tan'> zijn huJplïetoon.. ïiaauwelijks
J125 was Keizer uendrik te Utrecht overledöq, en löthair lo zijne plaats met'de öpper-
magt des Rijks bekleed, toen hem de Friesche graafschappen Oostergo en Westergo
1120 ontnomen werden, welke nu zeven en dertig jaren aanhetiSiic/ti behoord hadden (3).
Gedrukt door zoo Yelo:wederwaardigheden, viel hij in eene kwijnende ziekte, en nam
in'hef laatste tijdperk zijnj levens, in zijne ixhAïyOosthroek het Benediktijner monniks-
4 van kleed aan. Hij overleed aldaar na een bestuur van vijftien; jaren, met den roem, het
maand zedebederf der geestelijkheid bpleugeld, en de kloosterlingen tot tucht en regel gebragt
112Ö [e hebben (4). De Utrechlschei Kerk was onder hein tot zulk éen aanzien opgevoerd,
dat zelfs magtige Vorsten het als eene eer beschouwden, onderidte'Kanoniken van het
iSi-re/ii jgerekendi te worden, Hiet alleen liet GraafipLORis II van! Äo/Zanc?, zich in de
broederschap der iUlrechlsche [confrater Ecclesiae Trajectensiß) opnemen , maar
weldra hadden ook de Keizers hnnne praelmdA\m het Domkapittel (5). '' " ' ^ l··
GoDBBALDi'opvolger, asdries vau Κuik\\¥toos\. van 2>wiä , trad inde schreden zijns
voorgangers ter hervornnng en verbetering der priiesters en monniken (6).' In het
klooster te Egmond avas ondet doa abt ianselmus of anseujn ,' dc 4ücht ten eenenmale
vevwaarlooM geworden.' Dé GraViq petIionëlla had op raad'van eenigé Grooten, dien
-J: eenvoudigen en 'onkundigen priester, haren kapellaan,' tot^ deze waardigheid verheven,
doch hét bestijiHi' der kloostergoederen aan drie vetzorgcrs toevertrouwd,, welke zich ,
ten koste van hel geslicht, Verrijkten , terwijlS de monniken zich aan de'grófste builen-
;.;;;!;ίί,·; i
•Λ··ν\ J:;' ; Ο.ΙΐΊΐΛ ]θίί
'hli'yj ίΐΟΟ'Π .ί' : : ■ ■ , > j ' '· Π > 1/
(1) Dumbar, Kerk- cn JFereldlijk Deventer, D, I. IjI. 44ö.
X-.i'! .r , ; i; . it
(2) Vcrff. liicivooi', bl. 114.
(3) Vem. hiervoor, bl. 115.
-Vi .·ιί ,Π .U . S. .V;..^ !U i '
f 4) Chron. Eemond. apud kldit , Ilist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. Ι. ρ. 73, stelt de dood des IJis-
■ ^ 'V! :. ■ -'Ί ί , . '' \ I _ ■ η ;!i . j!· ,Ι'ΐν κΐ Lil {<'
schojis in 1127. Dit jaartal wordt door bdcuelius ad bekam, ρ. 47, de voorkeur ^<;gev<?n. üe
beka, p. 46, beda, ρ. 149, Croti. de Traj. apud mattuaech, Jnaleet. T. V. p.'327,
Chron. TiekÏise',''-p. 126) Oude Holl;'Div. Kron.' Twaalfde Èiv. c. 2,''geveii hétjrfar 1128 aan.
(5) Heda, p. 147. Bdcueuüs ad uedam, p. 149. 16S. Magnum Chron. Belg. p.' 144.
(6) De.beila, p. 47. Heda, p. 156. Magnum Chron. ßelg.,^. 169., , ;{[ .λο·<Ά . 'λ
.J'V::
-ocr page 139-Mr DES VADERLANDS.;! ο J/ 139
sporighëdeö' overgayen. Hetigehikte Α'ΐίηκίΕβί,ί met ;lodslemiBiDg van jPETaoHÉiLi.:, den 1086—^
zwakken klo9slervoogd af te Zeilen ,-."en ;\νοϊίτΕ» een monnik .Van· CT.j-PJETfea·, ie Gewi,
lot abt van Egmond in te wijden door wien weldraiihet Terlareeè hersteld, len het 1129
klooster hervormd 'Averd (Ij)..)! Even gestreng handelde hij met tie Kanoriikeri van hét
kloostex St. OdolpJms \x%yßtttvoren, wier weelde.eiiii onglehondeDheid hem noopten;
hunne plaats door Benediklijner monniken .uit het klooster Ooslhroeki \.G vervullen (2).
Do giflhrief, hij welken hy dit kloostermet al de heziltingen én voorregten ,' aan den
nieuwen abt eri monniken gegeven heeft, is nog voorhanden· (3), ij , Ju; ,;»]!; «)·.!
Des Bisschóps pogen strekte zich niet alleen uit tot de! zedelijke verbetering, maai'
ook tot de wereldlijke belangen i zijner onderjioorige kerkdijken. Verscheidene geeste-
lijke!, gestichleh en inrigtingen, bijzonder hbt'Kapiltel„van st.!salvadoh,teiZ/irec/«/^
werden rijk ο door hem begiftigd (4). Hg trachtte tevens het opbouwen "Van klóosters
en kerken te bevorderen>! 'Door zijne tusschenkomst, stichtte πεκμα» van Kuik, ;;
in elf honderd acht en twintig, ■ de abdij Marièmcaard, niet verre van Kuilenburg,
om de bloedwraak van Graaf dihk^VI te bevredigen, wegens den manslag aan floris I
gepleegd (5). Uit deze abdij, . .spoedig berüemd door het aanzien, den rijkdom en
de godsvriucht harer bewoners, werden eenige)monniken in het,kliQpster te ^ar««,
aan de Maas mhïf Beusden, geplaatst, . hetwelk-, .'doör den ; :ridder'j3FUi.K0LD van
Kleef geslicht was, ten zoen van den manslag aan flokis begaan y^en
uit dankbaarheid voor zijne redding uit'de'handen der Woedwrekers (6),.:,,; friü ·
Gelijk de meesten zijner voorzalen, wist Bisschop andries zich levens uilmunlénd van de
omstandigheden te bedienen, om het ^icAi iè he.voprdeolen. Toen Keizer κοεκΛΑΑρΠΙ
den rijkstroon had 'beklommen , begaf hij'zich onmiddellyksnaar^iew/^i» en ontving;, op
zijn verzoek, van den nieuwen Vorst de graafschappen Ooifier^o en/Teiiér^p terug; eene 1138
gift die genoegzaam het geheel tegenwoordig Friesland bevatte, maar van welke de Ulrccht-
U."-'· . . , i 1
(1) J. v.' iet-den, Kron. vJ ÉgDÏond. ih 'iX—M. VergJdö Aant.^an vaiir'tihiik op'tfè"J?aV.
Sacra, D. Π. bl. 62. ' -^ .
(2) De «εκλ, ρ. 48. Heda, ρ. 157.
(3) Oudh. en Gestichten van Friesland, D. I. bl. 470—479. Charterb: ν. VYtesïand, D. I.
14,· . wofpiia,. ^tt^^aarit. J). bl. ·338—347., ^^-..-..-.-^jV. .- »ar.-.zsjrxi?..''^ (i-j
" (4) iiEDA i jl' 158. 'lÄ'^Äiijr: D. II.bL84. ' Boittiiin; Ärferi;Geliërlist. «Γώ. 1771.1^32]
nLüi · if(7'ut<:«! , Kbfü'I >ί·ί!·.ιΐίί«».1·Λ;»:ίΙ hil a:ib·.'/ · τ^ΐφ»! .hvO'· „ birenti. »«ivc«! noa iAo-M'J
{5) De BBKi, 'p. 47, Hepa., ρ. (i&^f?.) , yerg. .j
(6) De beka, ρ. 48. Heda, ρ. ·ρ/4·80. ''ΦίίΒίΙιίϋΤ/^ί' Gèlf^m. VI.'
J). 100. ,Λ in ■·· J i i'OI .η ,./'uU .Ιϊί^ .<{ · Λί
18*
-ocr page 140-164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
J985i^8che BisschoppenJ, evenrainials de Hollandsche G-Tavëh, ooitveel genot gehad hetben (1).
Hij', óverleed rnog.'hetzelfde'jaar, op den drie en twintigsten van'Zornermaand , na een
' bewind ,Van! tien jaren, waarin de rust i des bisdoms slechts voor korten tijd, door
den ridderlijkeni.FLORis den Zicarte \y3is gestoord geworden (2). Men roemt zijne gods-
vrucht, wysheid en vredelievenden aard (3). Eenigen echter verdenken hem , den
opstand van de West-Friezen tegen inirk VI, aangevuurd te hebben (4).
Stornaachtiger was de regering van πεκεεκτ of uekibert , een Fries van geringe ge-
boorte, uit het dorp -Berum in de Ommelanden ^ welke thans ten bisschoppelijken
zetel Avprd verheven (5). In het begin zyns bestuurs naar Λοίηβ getrokken, om den
Paus over belangrijke zaken te raadplegen, vond Iiij bij zijne terugkomst, de Groningers
en Drenthenaars in vollen opstand tegen de Utrechtsche gezagvoerders. Reeds lang was
het vlek 'of stadje Groningen in twee hoofdaanhangen verdeeld geweest. De eene,
1143 der bisschoppelijke regering toegedaan, Averd thans geleid door egbert van Groenen-
herg, Heer van een slot van dien naam , en Burggraaf van Groningen en het Gooregt;
de andere, de Gelkingen genoemd , had rudolf , ^èotvoogd van Koeverden, aan het
hoofd. Beide aanhangen lagen gedurige met elkander overhoop , en eindelijk gelukte
het den Gelkingen, do st. walburgs kerk te irronm^en in te nemen, als een slot
door wijkhuizen of burgen te versterken, en van daar uit den bisschoppelijken stede-
houder te beoorlogen en te noodzaken, hetgeen zij begeerden in te willigen. Vruch-
teloos >verd deze sterkte door egbert hevig bestormd; hij moest zich vergenoegen haar
in te sluiten, en de komst des Bisschops af te wachten. Herbert rukte onmiddellijk
op het'berigt dezer verregaande ongeregeldheden, met eene aanzienlijke krijgsmagtaan,
én d>vong de wederspannelirigen weldra tot dé overgave. Zij moesten hem als hunnen
wettigeiv Heer huldigen , en plegtig zweren, de kerk nimmer weder tot eenen-burg of
. . '.ii') ■ : li ) ·... ■ ■ ■ η
(1) Heda, ρ. 157, Groot Charterb. ν. Friesl. D. I. bl. 73, 74. Verg. hiervoor, bl. 119.
De giltbiief spreekt sleclils van liel {jiaafscliap Oostergo, doch uit eene bulle, zeven jaren later
gc{][even, (iied\ , p. 166) bh'jlct, dat ook Westergo aan de Utreclitsche kerk werd afgestaan.
(2) Zie hiervoor, bl. 118.
^ (3) Di 47. ^ ^ .1»??..." . · .1,: ■ , t
(4) S. eikelehderg, Gesch. v. yiïkmaar, bl. 39. F. sjoerds , Fr. Jaarb. D. II. bl.335. Λ'^οΐ-
gene hei.^Magn. Chron. Belg. p. 160 , zou ten tijde van dezen Bisschop iNDRiEs in 1131, in
Utrecht een hevige brand gewoed hebben, welke liet Dissclioppelijk Paleis, benevens onderschei-
dene kei-ken, verwoestte. De beti en heda maken'ïiidmn geen gcwa^ j ook schijnt'dit ongeval
met een later, door dezen ]ijQoijks(fhrijver verward^_ .
(5) De »era, p. 49. Heda, p. 162 et bccnelius in h. l. 1
^ 8!
-ocr page 141-' 'D Ë S ν Α D Ε R L Α Ν D S. ^ ^ 141
Vechthuis te maken ,- noch oólï'"de stad, zoridër zign góedVihdéta/Imét muréhi of to
te Verstehen. Tot straffe'des iopslands) werd hun 'ééne zMre'i^eldlioéiërópgéiygd 1'c^
EGBERT van- Groenenherg\' 100 wel als'iRUDOtF,'-van^ zijti'ambt''öhtzétV'^ D
droeg sedert''zijnén^ibroèders ,'LBFFËRT)'en LtiDOLï'^ het burg^ääfsciäp''vah kroningen
en de slotvoogdij van erfleen op , »ten'nadeéle''dëii''I)i^ómszegt
BE BEKA » daar te voren de Bisschoppen of zelve,'of door hiinfto landvoo^dèft (m/^iicoi)
(lezer h'eerlijkhedén·, zonder hindernis ën'vrij plagtch iië bêrégtèri (Γ).'"·' r i'^irio '-'o'
I^aar 'den uiterlijken schijn was de opstand 'gestild ,S'(jóch het:iriishoegèn ibleef in'hët
geheim voortsmèülen. In dien 'stand Van zä'keii bragt οττο, Bürggraaf y&i^li^uhem.,
op· 'aansporen van 'Graaf dirk VI yaii -lÏolland ,'^óP gelijk änderen nleenen , van^den
gewezen"^ slotvoogdf'van Koeverdeh^ üem krijgsraagt bijeen, om in Drenthe te vallen.
In Twente hüü hij reeds groote verwoestingen aangerigt, toen Bisschop iiérbert hem 1144 v j
eenige uitgelezene ruiters, onder aanvoering van hügo de boter zoon'of bróédei·''Van -jj
JAN III, Heer van Arkel, een ridder van óngemeene dapperheid, Jegenzond. Te
Hemsheini of Omersheim, nall^ Ootmarsum, werd op οττο eene aanzienlijke over-
winning bevochten, welke niet^alleen'het dreigend gevaar van Z^reni/je afwendde,
maar door het daarop gesloten verdrag tusscheii' den Bisschop'en Graaf οττο ,-ook den
vrede in deze oorden bevestigde (2). ' -'-'iii-; ■ ■ -i''^»
De' onverschrokkenheid en het zelfvertrouwen van herbert hadden tevenä <lé''§tad
Utrecht, door dirk VI belegerd, voor groot onheil bewaard (3). Haar trofechtbrwel- lJ4f5'
dra een verschrikkelijker lot, toen zij bijna*^ geheel door de vlammen v-erniéld werd J'De
kérken vah -st. 'maartew, van si*.' rieter'en paülus , die van st.'jan' en de 'kapfel van
bét H, Kruis, waren in puin en asch verkëérd; de st. salvadors-kerk alleen'bleef als
door' een Avonder(behouden. Terstond beraamde men 'middelen, om in hèt vei-volg
ί:..jq J i·'· ίίαα'ϊ - iviivrri ntuiui·;' , _
f
(1) J. de beka, p. 49. Heda, p. 1()2. Cron. de Traj. p. 327, 32Ö. Chroii. Ticl. p. 133.
Chron. Magn. Belg. p. 179, i«0. j. α leydis', Ziä. XVII. c!''12, ' TJbbo imntsy de Rcr.
Frïi. nisl. Lih. VI. p. 103. 'Schotanus, i^n V/ts^ R.III. bl. 91. Ε.βεπινοα,
bi. 102. Deze laatste plaatst dit voorval in 1148. losi^oA-f 'ΐΠιΙϊ^Ο^ ,'verdedigt ^
Bisschop tegen de beka en anderen, wegens het beleenen van Grouitigen en Κ oeverden ^^άλώ
zijne biOcders. ■'·' ■ i i'i'-ia'b;?·] , ■n-oivi'iuv . i.''^)
(2)'J. de beka, p; 49. 'Heda, p. 162.^ ChroH. Tiel. γ>. 133. Magn. Chron. Belg. p. löO.
De P'ita et reb. gest, domin. de Arkel, apud matthaecm', ^mrt/. ' T. V.p. 201. Oude Holl. Div.
Kron. Twaalfde; ..Div. c. .13. Overijsselsciie Chron. in »üübar's Analect, T. II. p. 214.;3 Vcg.
hiervoor, bl. 120. Bij den onfjenoemden Schrijver de Reb. l/ïirq/4tvotdt do plaats dc8 gevbchte
^i^/siad, ,gehecten,. Ongetwijfeld heeft,hij een algemeen voor epp bijzonder naamwoord genomen.
Noff heden wordt in het Hoogduilsch, de naam van WahUtadi aan het «lagveld gegeven. ,
".·-■:.-'■. V . (-.«ftoi· ·«-.·: ■ j n.Hj.H IJ : .χμν'κΐ
(3) Zie hiervoor, bl. 120. . ■ : r;'τη/t'j· ·:!?·(ι
-ocr page 142-142 ALGEfflEENE GESCHIEDENIS
1085—eeiie dergelijke, ramp te ;yqork,o«ienv en;de zoogenaamde Oude gracht werd gegraven,
welke hel Rijowator, binnen de stad voerde (1). :,:Twee jaren later, overleed Bisschop
HEBBERT;,,;)) een inanioi^y^ervaard en stout, dreigend met woorden en oogen en met ge-r
Jjar^n, die ;Zi9hMa]s,,yerwoed aanstelde^ om anderen te doenizwjiphten-j en |wien=Graven
eu Hertogen Yrfiesdenj.,(2)." Zoo wordt hij afgefechilderd en 7,00 heeft hij ^ipji iu zijne
daden betoond. Door het zwaard j en den banvloek was hij niet minder ontzaggelijk
geworden, dan door de gunstbewijzen van Keizer K-oenkaäd III. Deze Vorst had sin elf
honderd vijf en veertig, op zijn verzoek , den Utrechtschen stoel in het bezit van Oos-
tergx^ en ^ejier^o, Avaaronder buitenjtwijfel ook de graafschappen van Stavoren
en J^legouwe moeten begrepen Morden, bevestigd, ,on eene boete van pluizend ponden
louter goud {mille libras auti purissimi) bepaajd voor hem, die.eenige inbreuk op
dezen schenkingsbriéf mögt maken j de .eene helft'ten behoeve van 'sRijks schatkist , de
aijderc ten behoeve der Utrechtscheikerk (3). 7i! .;; ■■.■y j . " ^
In hetzelfde jaar, beweert men ,]iad Keizer Jii,QErfRA.A,D eenen anderen giftbrief^ welke
door Paus eugesios UI werd bekrachtigd, op aanzoek van Bisschop herbert en 's Kei-
zers broeder, k.oewraad, Domproost 105 gegeven , welke a^u de St. Salvadors-
en Domkapittelen, bij uitsluiting vajQ alle anderehet regt verleende j, om ibij het over-
lijden eens Bisschops, vrij en onafhankelijk eenen anderen te mogen kiezen (4), De
pn echtheid van dezen vergunningsbrief , naar ons inzien, voldingend betoogd gewor-
de.ii ■ (5). Maar er had reeds vroeger eene verandering in het verkiezen der Bisschop-
pen plaats gehad. Voorheen werden zij, althans die van Utrecht ,άοοί het volk cn de
geestelijken, b^J meerslemming, gekozen, doch zonder verlof des KeizersjWerd^geene
Jj^uze gedaan,, :en zonder zijne toestemming was zij van geene waardp. Aan hem stond
hel verlei met staf en ,ring {investitura per baculum et annulmn), en zonder dit ver-
lei mögt geen Bisschop gewijd worden. Doch Keizer uendrik V deed op den Rijksdag
!d . iO^-r
(1) Chron. Egmond. a.piid κινιτ, Hist. Crit. Com. Τ. I. V. I. ρ.-04^52, 53). ChroiK regia
St. Pitntc^leon. apud eccabp^ Corpus Hisior. Med. aevi. T. I. p. 934. De beka, p. 50· Heda ,
j>. 1,1(53!,et bucneiirai in notis p. 1G8. A. mattdaeiis ad Chron, .äucf. J. de Beea in Analeot,
(2) Chron. Egmond, apud kluit in I. c. p, 8ü. j
bij πεοΛ, ,p. ,106 eil Cf^rßefth- sjoebbs ,
/(4^ iidgèkii; en anniVlli^^tapud dedamj ρ. l]63-r.]6Ö,ivertaald
u'iii.;·. : - η ju, .O
.L
■ '{3)'Ταν toidè D^ï/'-bl. 247—253;-'';Önclanks ovcrtiiigéh(ie
bewijzen van 'äc^cn' scÏerpzinnif^^^^ gesckiedo'ucterzoeie'r; lioüdcn'bubérdijk'^ ciasIüs' en 'liriüerén
dien brief ηοκ steeds voor ech(. ''"i - - ··! (}'■!
1150
DES VADERLANDS. " 143
lea-^öim«. in 1 elfhonderd twee en twintig > afstandtvan dièj-terlëi adn^den'-fia'^: mÖèiriW^^'
bfehleUli'dat Tan'het wereldlijk' [invëstitum règalia), Wielk dböpdibu'sichep'tfer^·
stiliibddö , aan iïéh-^ eö zota zelft,»gelijk eenigeri béwerettV ίο a'le'kefkéh'des Krjka , dfe
terkiezingféri'iöWijdihg dér Bisschóppeii éh' äbt'en hebbèin vrijgesteld ^l)·]'Hieruit ó'ntfe'proöt
éene ^röd 'vani Meeds hWmeuwde· twisten en geschillen.. Het-'ütrfebhtsche bisdom wäs
thansiiwel'onafhaTik'elijker Tän hét Rijk géwordén', maar werd dtiörtentegch biööfg'estelil'
aaii al de heersöhzücht eri kuipergen der'^groote Leenmanhen-^en· nabteige Vorstea] -die'
üti'i'bij'ééne verkiezing, als om strijdhunne gunstèlingen'dén kie'zei's wilden opdringèn.
Hieruit'rezen-dikwerf gwote onluslen y iioodat Sedert Vteinig-Bisschoppen»,'i'den stoel'^an
ST, maMten ongehinderd,en zbtidér 'sirfd, beklommen bebbén'(2).·-De invloed'enhvé-
i<eldlijke liiagt dëï'bisschoppen' zdtöV w^dèn hoe langer zoo bepéiktéri, daar deze géestè-
lijke Heeren thans meèr en'meer afbingfcil'ivan den aanhang, dbor'Welken zij gekozen
waren, 'èn telkèiis ook'tegeDparlijen te ontzien hadden. » Men'mag'et'bijioegen zegt
BitDERDiJK , »dat dit ook den' Graven-van jiTo^iowc? eenen'invlóedi op'i/^r^c/ji gaf,
waardoor zij zelfs onafhankelijker van den Keizer werden (3)."i* ΐ;;; . t; ixuu :
Het verderfelijke van dezen maatregel Week ten volle bij de véikiezing van Herbert^
opvolger. Graaf diek VI λάϊχ-Holland/m overeenstemmirjg riièt'ye Giaven Vaö öeiï'è ,'
väö ifiee/ensandere JLêenmannen-V^^^ 'Wensehle'HÉRMAir van n'ooRii'/'Proo'^i* ^
vanisTCi'JEKÓEN itiiiJ^tó/eOTvi töt de bisschjöppielijke'V4èi^igheid'te'Terheffé do Ulreéht^-i'"
sehe eri' DeventerscÜé''dieflstmannén ^ l/nrgërs en landliédèn begeerdëri'
dadrenlégétt' PÄEDERiK,", "déh"'Zöon van'zeketen Graaf · adöSlfH' hiinAen'geestelijken
He)['öerO'(4)i'ii Indien^ het·'volk wèrk'elgk·· dèiór 'éen' -''Kdairlgk'O besliiifj^ 'iW·· wdtiig
sjii 'liiiiij , iij;·»'''·; -iï :1·.ι·:·;:ηο :. ; ■ i'ifiotiü nyi οΛι^^ bbfi
, ir-j ■ ■ iJ i;.· .» , . ' ; ύ ' ' Ïï' . ^ i'· -1 4·.|·
(1) Mist. Grit. Com. iT.' I. Ρ. I. ρ. 95—98 (54). Dit dczcnv voorUcüelijJien gescliied- ·
kundige heeft bilderdijk ontleend, wat liij over dit punt aanvoert. D. IJ. bi. 48. Verg. de Aanf.
van V. RHiJN op Bat. Sacra. D. II. bi. 107, Zie hiervoor, bi. 136, 137.
(2) J. DQD8A, Rer. Holl. XiA.ΛίΙΙΙ, ρ. 208. ^Bcuieuis ad db bekam, ρ. 52»ί ν>ϊ.0 .\> . . ■ ■
' {^ Gikhi'd. Fadèri. D'ΐί. bl:''48·; 49. - · ! 'i' ' '
.:;'.;iio:i:v;;tjD (ift.K ·ί·)5!:ί
(4) Chron. Egmond. apud kltjit, Hist. Grit. Gom. T. I. P. I. p. 95—98. J. de'beka , p. 52.
Heda', pf lÖÖ. ^ Verscliillend'wordt de naam-'van den- tweeden· medeäingernaar'dehbiseclidppelijiten
gtoel opgegeven. BEKA-iioemf-lifirQ' Γκίί)Β»ί«.'·ΐ)ΐ''Π4ΜΒϊ.^' en'zijn bliflë 'Néderd. vertaicff'^ΒΕΒέκίκί
"ITff'v* den bult) ι HEDA, DE. HAVEL Jj het ^udeC/iroi^
> fJ"^?,, , een ,lijdgenopt, ^ he}»-ele£|ilSjfBpERi|i»,' Ajp.pin Co·^
milis fiUum. Zie BCceELics,,ajl,BEKAM, p,. 52 37^ (b).,. Kfcn in p, 9«
(55). Volgens van spaes, Jlist. v. Gelderl. D. I. bl. 82 (2), was liij de zoon van adolf, Graaf
van den Berg cn Altena. Hij werd in 1156 tot Aaitsbiéechop vatt i^cttVeW Verhfevin'^ en Stierf-W.
Pavia in 1159. IIermas van hoorn sproot niet uit het grafelijk geslacht ra«/foorn, gelijk clasiis,
164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
geleden, !,vaa; het Jii^egi7beroofd en'iizulli»'alleea .aarii-hétVDoiïikapjtlèl ep;
dat ,Tan y^rgund. was gewordeii^idzou 'dit! fliet ,geischied;;^ijh!')(l).i
De Kijizer,) bevestiging der I^issßhpppe^nKin het >vereimijk; gel;iied! ver-
bjev.epinwas, jVerklaacde zic}\ aanstonds ten yppEdfieleiijyan HEH,iiiA^;;l.doc}i de teg0npar,tij
>vist daarna nog.izqp. Teelj^ie verwerven, da.Vdö s^erkiiQ^iijgjfipbeßjist zouiMjyen!, ^
op ,hei,aanitaandeiKfirsffieäti,) Avajj^ ^de, Vorst, zelf ite
tenaars, dreven echtef inmiddels herwan stad ui,ti waar zijf iPRpni5iJiii;.::l:^fit)'gtootie ipraa^^
inhaalden , .hetgeen, dooi'jden Keizer, zeer euvel )iy,erd opgenomen. - Hij Yedeende· hup
niettemin .vrijgeleide,, ora te Nijmegett hun -.gedrag voor ,hem tejyprantwoordeiij,jen
vermaande ,ben ,toon ernstig, de zaakl.ïneft .htiQüe:tegen;par|ij, zoijd^^^^ pleitgeding , te
vereffenen. Doch te lyergeefs, en nu \Yerd ;höt vpfinis te hunnen mdeele gewezein , ^waarop
zij verstoord ,vertiokken'> bewerende, ^Βΐ.^μη. geschil alleen door; den jPaus kondebeslist
worden^ .1 Koenraad over deze stoull^eid ^eüiuilerste verbolgen, dreigde de stad (//recAi
niet eenen aanval en.was op het punt, hqt verleende vrijgeleide te breken. j Waarr.j
schijnlijk op zija bevel, ongetwijfeld met zijne toestemming, plaatste Graaf dihk. ge-/
wapenderhand uerman op den zetel s welken deze inhield, f dewijl niet alleen de
Utrechlsche Edelen hem, toevielen, , maar, oqk de Pauselijke gezant, (l^gaatj iQiLf^iJfy,
1152 de-, verkiezing j te zijner gunslq, bey,cstigdß\(2)>^;iKoi?er .pkiiderikII
zijijien i oom .KQBivaAAD in, heti|Ili}K^bewind| opyplgdo ,) ;§tra.fte ^de ,.Ufci;echtenaarA;-met,
cene^ ;Zv\'are [.geldboete , ,voor hunne^vot-n^el.gjhpid. {3),n ilje.t geSishU.ihad'ondßrtussehfin
lw,ee jaren geduurd , αμ tot grpote pugerqgeldhedon aanleiding'gegesven ,->velke degoed-i
aardige doch zwakke, en' trage,herman niet kond,e .beteugeleny;,frln zijne teg0iiwoQi;dig-]
heid zelfs werden doodslagen en allerlei misdrijven ongestraft gepleegd, daar hij
noch het regt, noch zijn gezag wist te handhaven. Na een krachicloos bestuur, waar-
aan de oorsprong der volgende burgertwisten én verdeeldhedeh' in i/irecAi^Wbrdt toe-
.·\···
Gesch. d. Christ. Kerk in JVederL D. I. bl. 252, op gézag van heda , p. 169v. beweert. ^ Bocm-
tirs heeft te dezer plaats op heda aangetoond , dat de Graven-cart; Hoorn eerst drie .honderd jaren
later zijn opgekomen.
. . . .(j ' ' ' . Λ Vt SvJd Λ '::· .τπ.!;ι Ijuqi; .b-v..«ίι-,
(1) ν. snKHy'Inl. tot de Rist, ν. Gelderl. D, 1. opkl^er^ daAdö
pen niet door de beide genoemde, maar door al de vijf ILapittela,gekozen,werden. , , ^ j, i,
(2) Otto' frisïngensis , de reb. 1. Imp. Lib. 1. c. 62, 63. apud'ktrit', Hist.
Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 98 (57). De'beka, ρ. 52. 'Heda, ρ. 169. Cron. de Traj. ρ. 328(1).
lUagn. Chron. Belg. p. 189. J. α leïdIs CA/om. Bèlg. Lib. XVII. c. 19. >
1 . λ Λ :·Λ ■·■·;- - -η ■ ν .
(3) Otto fhisimgewsis, Lib„ c. 4. ia;l.
-ocr page 145-DES VADERLANDS, 145
geschreven, overleed hij in elf honderd zes en i'ijflig, zonder iels ten nulte Tan
Sticht verrigt te hebben (1).
Van geheel tegenovergestelden aard was hermans opvolger, godfried van Rhenen,
Domproost te Utrecht. Hij werd op aanbeveling van Keizer frederik I, welke te Z7irecAi
was gekomen, om de op nieuw ontstane geschillen tusschen de Kapittels over de keuze
eens Bisschops, bij te leggen, met deze waardigheid bekleed en betoonde zich harer
waardig (2). Immers wordt hij afgeschilderd als een eerlijk man , van grooten moed , even
ijverig in het voorslaan van het Bisschoppelijk gezag, als in het uilbreiden en bevesti-
gen zijns gebieds, en die van zichzelven getuigde »dat hij zich aan gevaren blootstelde,
en zelfs geen strijd oritzag, om de regten zijner Kerk te verdedigen (3)." De waar-
heid dezer getuigenis werd reeds bevestigd in de eerste jaren zijns besluurs, bij de
onlusten, welke uit het kiriderloos overlijden van xefferd , Burggraaf van Gronin-
gen ^ voortsproten. Bisschop godfried begreep, dat dit burggraafschap als een 1159_
Uen y thans bij gebrek eener zuiver mannelijke nederdalende linie, weder aan den
Utrechtschen stoel vervallen was en te zijner beschikking slond (4). Geheel an-
ders begrepen dit lefferds kleinzonen, rudolf , mekso en herbert , uit het huwelijk
eener vooroverledene dochter met godschalk van Sepperothe, verwekt. Niet alleen
weigerden zy hunnen oudoom Lambert van Peixe, welke zich, ofschoon in geenen
deele wettig (5), tot de opvolging geregligd'achtte, de slotvoogdg over te geven, maar
wisten zich, ondersteund door Utrechtenaars en leenmannen des Bisschops zelven, in
het bezit daarvan te sicllen. Ecnigen betwisten hun het erfleenregt, daar zy het uit
eene vrouw moesten afleiden (6); terwijl anderen meenen, dat zij zich op het Keizer-
regt beriepen, volgens wélk ook leenen op dochfcrs overgingen (7). Hoe dit zij,
gorifbied besloot, hen mei de wapenen te d\ungcn, waarop zij zich tot Graaf hewdrik
(1) Chron. Egm. aj). κιΐ!τ, in 1. c. p. 103. De beka, p. 53. Ued* , p, J, α i.eydis ,
Lib. XVII. c. 22.
(2) Chron. Egmond. ap. kluit, p. 99, 100. De beka , p. 62. Heda, p. 169. '^Magn.
Chron. Melg. p, 189. Croii. de Traj. p. 329. Chron. Tiel.p.U2. J.aleïdis, /,i7».XVlI. c. 19.
(3) Heda, p. 175, in des Bisschops brief, belrekkclijk eödert ra« ^wji/e/. Verg. uÈ beha ,
p. 53. Chroji. de Traj. p. 329. elc. ' . , i. >
(4) Vers. "· groot , ƒ«/. tot de Holl. Rechts-gheleerdk B. II, d. 41. bl. J21—130. d. 43.
hl. 131. Buderduk, D. II. bl. 53. tó ! μ i;
(5) IUldehdijk , D, JI. W. 53. „ , .. ^ . , , . ■ ., ·., .....■ . -^,-νιν . ;;
(6) Buderduk , D. II. 1)1. 52. , .-..'.O .·■. - > - ' ' -Γ" ;
[Ί) Νyiimt, Vorher, des Oatfr. Landr. S. m. ' · ·· ' ■ ' 'i'mV' !
n. DEEL. 19
algemëene geschiedenis
iVïenddeii, wien zij, ^ètiburggraafsèhap opdroegen, om het Tan hem weder in
leen Ie onlvangen. Gesterkt door do vereenigde magt Van Gelre en Drenthe, Avaav
do Bisschop, naar het schijnt , vele vijanden lelde, verschenen de sepperothen onTer-
wachts soof'.'Utrecht, drongen er binnen en belegerden daar Godfried in zijnen bnrg,
>vflarin.'<hij zich door hulp des GraVen duik van Kleef, ter naauwernood met de vlngt
gered littd (1). Verbitterd en: Ntoedend werd aan beide zijden-gestreden ; hetzomerver-
blijf cn het) 1 winterpaleis des Bisschops waren weldra eene prooi der vlammen, en de
Opgerigte stormtuigen dreigden den burg met eenen onvermijdelijken ondergang* Godfried
iiii dezen' uitersten nood, en bijna·door al de zijnen verlaten, riep de hulp in van flo-
sis JII, als leenman van het ÄiV/ti. Terstond bragt de Hollandsche Grüiif öene ont-
zagwekkende, krijgs- en scheepsmagt bijeeu, mot welke hij den Bisschop meor onder-
steunde dan dezen dienstig was. Immers versterkte hij het slot IFoerden, legde er
, eene talrijke bezetting in, èn maakte het omliggende land tot een tooneel van moord en
verwoesting. In do stad Utrecht zelve werd over de negen maanden lusschen den
Bisschopj en Graaf floris aan de eene zijde, en den Graaf van Gelre met dirk: van
£ßtenhurg aan de andere, hevig krijg gevoerd, tot dat de twist, op last van Keizer
irederik , door den Aarlsbiissqhop van Keulen werd bijgelegd." De sepperotuen ontvin-
gen vaUi den Bisschop , het burggraafschap ^Άη Groningen met nieuwe voorregten, doch
legen eene bepaalde somme gclds, in leen terug (2). De belangen van den Graaf van
Ge/re schijnt men bij deze lovereenkomst, geheel ter zijde gesteld te hebben. Evenmin
wordt verder van lambertjva/i P^ize gewag gemaakt. Waarschijnlijk had hij vóór het
Vicrdragi ,ziijno aanspraak laten varen, of Was misschien toen reeds overleden. Hot blijkt
niet', schoon eenigo latere Schrijvers dit beweren , dat de zonen van ludolf , den slotvoogd
(1) De Klerk van dc laage Landen, LI. 71, du Oiido Holl. üiv. Kroii. Derliendo Div. c. 'A.
liüNiNGA , Hist. ό. OostfrJ.hL 104. Scdotamus , Fr. Ilist. 15. IV. bl. Ü8 , avagex,\ar , D. II. bl. 242 .
cn anderen, bcjjann een missla,if, wanneei· zij vcrlialcn, Jat Eisscliop Godfried 7.k\i ΥΑι\ G i'oningen
meester maakte, doek doorGraaf ue:(drik van Ge/re genoodzaakt werd do plaats te ruimen. Ziö khjit^
Hist. Crie. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ.; 104 (07) j en in navolijing van dezch· sclierpzinnigen gesoliicd-
onderzoeker;,. euderdijk , D. II. bi. 53.^ Ondanks deie juiste teregtwijzing, hebben van spaen ,//isi.
r. Goldcrl. D» I. en glascis, Gesch. d. Christ. Kerk in N'ederL 1). I, 1)1. 25,4, het vei-'
Kaal van wagenaar gevolgd. Westemdorp geeCt eene andere wending aan de zaak, doeli welke, naar
ons inzien, niet door de getuigenissen der oudste Schrijvers, gebillijkt wordt. Jaarb. van cn
roor Gron. D. I. bl. 188.
(2) C/tron. Egmond. apud icicir, Hist. Crtt. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 100—108 (70—78). De
BEKA, ρ. 53. IIedaj ρ. 171. Magn, C/iron. Belg. p. 202. De onlusten moeten tqsschen llijü
cn 11Ö4 hcl)bcn plaats gehadi Vide κτλίτ in l. e, p. JOO in Not. · , i. . r·// ;
14fi
DES vaderlands;^ ί4ί
.....- - -
van Koeverden, eenige aanspraak op hei > burggralalfsfchap van' Gro^ί/ί^^<?n''gèiυaalü]085—
hebben (1). .!. ,i;Gd Itn-i-i^--·; η-'-Μΐ',οΙ ,^ΛίΊ,·;, lli^»
De rusl ·\να8 hierdoor in hel· 5'iic/if'hèrst(M'»' 'Bn59iÈ"-\Tijsheid zoo wel als h'èt ïidrizien
van Keizer frederik verhinderden v dati zij door de. gßsehillfen'lüsschen den Utreëhlstheti
Kerkvoogd en den Graaf van ^ÈTo/Zawc? over liet bezit der Friésche graafschappen j'en Wegens no'G
den Rijnloop, openlijk gèstoórd werd (2). E^Ïazeer" handhaafde deze Vorst den Bisschop
legen egbert , Heer van^/i^jjiiie?,-een der magiigsleti-gedienstmannen i^Ministeriahi^
van het Sticht. Ofschoonüdo bewijzen onlbfekenj-ife^iihfet echter zeer waarschijnlijk,
dat EGBERT een zoon geweest is van ΛΛ'ΟΐίΟΕίνwelke men in'het begin'dezei^ eeuw
als schuUotus (schout) van ^meiii;^/« ,' 'öridéri dé'andere dienstmannen der Kerk ran
Utrecht gemeld vindt, en die tevens de édrsleder·^ Heeren van' Jmstel is, van welken
eenig berigt gevonden wordt, indien men' althans dc lijst der Stichlsche'leenmannen
van Bisschop adelbdld , als' verdacht of valsch verwerpt (3). Hoe ver 'of
Amstelland zich oudtijds heeft uitgestrekt, is zelfs niet naar gissing, te bepalen , dewijl
de gedaante des lands door de -veroveringen van en op de zee,'geheel veranderd is.
Bij de bezittingen/, welke· de Hoeren van Amstel, als dienstmannen van de Utrechlsche
Kerk hielden, bezaten zij voorzeker eigen erfgoederen; hel blgkt ook'l'dat'zij elders
aanzienlijke goederen en gerigten bezaten^· tèrvvijl'daarentegen andëre Heeren, binnen
den ban van Amstelland, Υαήι^τα en landerijen van de Utrechlsche Bisschoppen inleen
hadden (4). Gedurig ontstonden er'botsingen "en ^geschillen , daar nu eéns deBisschop ,
en dan weder zijn dienstman, aanspraak maakte op goederen, welke de'* andere bezaVj
Reeds ten tijde van Bisschop ïierbert'j had egbert mn Amstel met hét'Kapittel van
ST. 31ΛΕΙΑ over het bezit.i'an eenigé>onfgönnen landeryen''geschil'gehad, 'hetwelk niet
te zijnen voordeele Avas bijgelegd j (6).^ Een nieuwe twist herrees onder Bisschop God-
fried, welke zich beklaagdey dat-egbert alle diensten en 'dienslgelden, >velke der
Utrechlsche Kerk uit Amstelland'en de omliggeöde gerigten toekwamen, aan zich ge-
trokken had. Zoo hoog werd dit· door Keizer frederik opgenomen','dat hij den wecr-
spannigen. dienstman 'in den ■ rijksban deed. Eindelijk ""werd"· op zijn bevel, door den
Aartsbisschop van Keulen het geschil vereffend, Egbert moest onder eede, aa"]]72?
(1) Tegenw. Staat v. Drenthe, bi. 70.
(2) Zie hiervoor, bl. 124.
(3) Wacenaar, Jieschr. v. Amsterd. St. 1. bl. 2. Vaw spaeff, Jlist. d. Heeren tan Amstel.
11 η ! TT 1ΗΛ-7 r .! .<i .Vvi'»Vu> .1 AilW ,7..u.~- ,· (4-
bl. 0. 'sHage 1807.
(4) Va. spae«, f. a. p. bl. «. - 'ä
(5) Wage.aab, f. a. p. bl. 79. V. m«, t. a. p. bl. ö. ·■ ^
19 *
-ocr page 148-148 ALGEMEENE GΕSCH IΕ D Ε Ι S
i 185—den Bisschop afstand doen van alles, wat hij zich weleer, in den ganschen omtrek zijns
gebieds, naar ieenregt toegeëigend had, om het voortaan, als 'sBisschops ambtman of
stedehouder [in officium villecationis), te bezitten, en daarin, na zijn dood, opge-
volgd te worden door zijn zoon gijsbert, mits deze zijn ambt wel waarname en den
Bisschop getrouw bleef. Hij moest tevens voor altijd, het veen Bedelmerhruc [Bijle^
mermeer?) en de halve tienden in fVispe [ffecsp) , der Utrechtsche Kerk overla-
ten (1). In hoe verre de klagten van godfried tegeii egeert op regt en billijkheid
berustten, kan niet beslist worden, daar wij slechts de getuigenis van eenen kant hooren.
Maar het schijnt, dat de Heeren van Amstel over hel geheel, weinig met de gecslelijk-
hcid ingenomen geweest zijn; althans bijna al de kloosters in ^/n^ierJam, dagteekenen
hunnen oorsprong, na de verdrijving van dit adellijk gesl.t it (2).
Denkelijk in denzelfden tijd , moet het verschil tusschen Bisschop godfried cm Graaf
FLORis III, over de vrije leenmannen des Stichts, door den Graaf van Gelre, ten
overstaan van den Aartsbisschop van Keulen, als gevolmagtigde des Keizers, beslist
zijn geworden. Men bepaalde, » dal geen vrijman, tot de Rijksdienst verpligt, zich
en de goederen , voor welke hij dienstpligtig was, door huwelijk of eed , van het Rijk
vervreemden mögt" (3). Ofschoon nu de Graaf van hierin berustte, was hij
echter ontevreden over deze uitspraak , dewijl hij iiu verscheiden Stichtsche vrije leen-
mannen verloor, die zijne dienstmannen geworden waren (4).
De bescherming, welke Keizer frederik steeds den Bisschop verleende', konde, naar
het schijnt, de woelingen der dienst- en leenmannen van het S^ic/if beperken, noch de
vijandelijke bedoelingen der omringende Vorsten verinetigen. Godfried ten minste,
vond aanleiding tot,het bouwen van vier sterke sloten, Horst, Montfoord, Vollenho
en Woerden, tegen Gelre, Holland, Friesland, en ter beteugeling zijner eigene on-
derzalen (5). Stormachtig was zijn bestuur, en de onheilen, welke de staatsberoeringen
en elkander afwisselende onlusten over het Sticht verspreidden, Averden nog vergroot
door oenen schrikkelijken brand, welke kort na cene vernielende overstrooming, de
stad iJ/rccAi, voor een grool gedeelte, in asch en puin verkeerdeί(6). Openhjk wer-
. Λ.,;
(1) (lonefridi Diplom, ap, iied.oi, p. 17J. \A.igeäaae, JJeschr. v. Amstcrd. St. I. bl. 80.
ÜOBDAM, chartevb. v. Gelderl. bl. 217 ({j). V. spaes, Jlist. d. Heeren tan Jmstcl, bl. 10, 11.
(2) Gusu's, Gesch. d, Christel. Kerk in Nederl. D. I. bl. 2óC.
(3) Bokdam, Charlerb. v. Gclderl. bl. 210-219,
(4) V. spaeh/i/ik i>. Gciderl.O. 1. bl. 87.
(5) ])e bek4, p. 55. IIeda, p. 174.
(f)) Verg. hiervoor, bl. 128.
If
-ocr page 149-DES VADERLANDS. " 149
♦
tien deze beide rampen aan eencn diefslal inde Maria- en St, JacoLslierken aan de hostiën 1085^
gepleegd, toegeschreven. »Kort na de Tcrlossing xiit den watersnooddus verhaalt
de bek\ in den smaak en geest dier tijden, »hield hildebrafd,^Verwaardig abt van
st. paulus, te Utrecht eme preek, in welke hij de gerneènte tot västen, bidden en het
geven van aalmoezen vermaande, opdat God z^nen toorn mögt afwenden ,' >vegens den
gepleegden roof van hel ligchaam des Heeren , dewijl anders binnen kort, de stad èéne
nog zwaardere ramp zou treffen. Deze voorspelling Averd' niet gelogenstraft; Want
nog dien zelfden avond ontstond er een groote brand, welke onze Lieve Vrouwe Kerk
en een 'gföot gedeelte der stad in kolen legde. Bisschop godfuied 'bevreesd voor den
toorn Gods, riep derhalve zijne geestelijkheid bijeen, en gebood dén gelopvigen van
zijn sticht, te vasten. Hij'zelf bezocht barrevoets, den vijfden dag ϊιά Pinkster ^
godvruchtiglijli verscheidene heilige plaatsen," »met devotién biddendevoegt de
oude vertaler er bij, » dat Godt sinen toorn woudo laten vallen, ende riep die Santen
au, dat sy bidden woude voir ons (1)." ^ i ^^ '
Weinig jaren na deze ramp, overleed Bisschop godfried (2). '" Men kan hem den J17H
lof niet ontzeggen, dat hij in alle omstandigheden, gelijke standvastigheid, moed en
vertrouwen heeft ten toon gespreid. Ondanks zijne, over het geheel ongelukkige rege-
ring, was echter het uiterlijke aanzien des bisdoms niet verminderd, welks bezittingen
hij door eene schenking van zijn vaderlijk goed Rhenen, had vermeerderd (3)1' 'Hoog
stond hij in gunst bij Keizer fiiederik I, en zijn naam wordt gespeld onder de ledeji
dor belangrijke cn aanzienlijke Rijksvergadering te Roncaille, in elf honderd acht en
vijftig gehouden, op -oelke bepaald werd, wat al Koninklijke voorreglen waren (4).
De achting in welke de geestelijken deelden, de rijkdommen over wélkb zij beschik-
ken konden, en de invloed, welken zij op Vorsten en onderdanen'uitocfenden {'spoorden
dikwerf meer dan beginselen van godsvrucht en vroomheid , de zonen van veelvermo-
gende gebieders aan, den geéstelijken Stand te omhelzen!' Zoo helderde onder Bis-
. .(;·=, ' .(ΙνΊ π;:' ,i Ί .· .^v··;:
-----—— ■ 'V, : . : α 1 J. . · i Μ! ψ Γ:; I ,;:;;■■'··■ l;^ ,! viji'ii^'i^'l·;
(1) De bek4, p. '55;' Chron: Auctius jóiiXsmis dë beka'; 0ρ'ύύ''ί1\ττιΐΛΕϊϋίι ["W
]). 105. Vergelijk Chron. Egmond. apud kluit, Ilist. Crtl. Com. τ. i. ρ. i. pt 126^127'.'
Cron.idc Traj, p. 33ü. .»..ii/ ·ιιΐίί ui jü , unlbf/j o::!«: 1'> . -ijaiinn: ^'v .όγ; .ij . .;(? (γ·
(2) C/iron. Egmond. apud kliit in 1. c. p. 131. heda , p. CA/oi^ißl/^; p!iil2.'
Cron. άβ,Ττα'ι.γ, 33ii .Slcchts:BEKA, .p>;i55, slehihet sterfjaar idcS'Iiiiechofis'iri 117ί·.' Hij nloct
ccn/man van ccne < rcusaobti{je lißchaams{jcstahc>'^eltiebsti äjriKic» flit- zegt öUcnEttüs^ ój")'iiEöi'^"
p. 17G, )■ is mij gcl)]cl£cn nit zijn.bckktncd; ch3;5ijfie artdtrb)3jccflder<riy tiit hbl
-raf gif^qld lYerdcn.;/^.,.,^,.,, i'V .-n·// SU .({ .itmii: Ιηιψ J! mar.m (öj
.'(3) hEDAvp· ^ . '.«r, .wji-bl".! jii .vi .ü .vv^vsö .vi'al il. . ο.'ΐί
(4) Wace>a4r, I). 11. 1)1. 237. AVfstewdoup, Jaarb.'tüH en toói' GróiiJ üyii Idi, 18i-i-185.
-ocr page 150-150 ALGEfflEENE GESCHIEDENIS
1085— schop GöpFUiEp. 'vmi RhenerP^ ïoudeWun', riaär zijiie moeder, van j&mi/iem bijgenaamd,
zoou van iGraaf iDiiiK VI van Ä^o^^aitfi?,'de waardigheid van Proost der Kapittels van
st, mapia en ϊβ) Ol^enzaali eü zijn broeder dirk van ^o^^awc?, die van Proost aan
het Dom-kapittel 5 te Utrecht Boudewun zélfs werd na den dood van godfried ,
ten bisschoppelijken/Zetel .verheven.' )Men möge betwijfelen, of Graaf floris III bij deze
verkiezing, wel geheel oiizijdig gebleven zij; maar zeker is hel, dat de keus voor ΖΓοί/αίίίί
staalkundig goed , en in do gevolgen heilrijk geweest is (2). Boudewijn wordt als een
voorbeeldjvan rpgivaardigheid, -zachtmoedigheid, zedigheid en bovenal van kuischhoid af-
geschilderd (3). Zijne daden hebheu echter niet onvoorwaardelijk, den stempel op deze
getuigenis gedrukt; Het zy om te toonen , dat de regten der Utrechtsche Kerk hem ter harte
gingen, hetzij om de grootheid zijner magt voor het oog der wereld te ontvouwen, hij
ontbood, kort na het aanvaarden van den hêrderstaf, al de leenmannen des bisdómsvoor
zich, ten einde zy hünne leenen van hem zouden verheilen (4). Slechts de Hertog van
Brnhand, of liever van Ν ader-Lotharingen ^ welke de p^elmce \Άη het jSiicA/in leen
bezat, doch 'als achterleen aan gerhard, zoon des Graven van GeZre, had afgestaan,
verscheen niet, )) beiverende, dat hij'dit leen van den Keizer hield (5)." De Bisschop
daarentegen maakte aanspraak op het gansche Graafschap van de Veluwe, als door de
Keizers aan zijne voorzaten afgestaan (6). Zeker is, dal reeds in de negende eeuw
verscheidene goedqren in die. landstreek , aan de Utrechtsche Kerk gegeven waren , bij
(1) JDe beka, p. 50. IIeda, p. 17Ö. . ,
(2) Zie hiervoor, bl. 130. Bilderdijk, D. II. bl. 57, nccnil het den geleerden kluit bijzon-
der kwalijk af, dat deze, op zijn wagenaars, bij de benoeming van boudewijs lot Bisschop, ge-
zegd had: » Yides quanlopere liollandoiuni Comifum ambitio in rebusTrajeelinisinvaluerat." Ilist.
Cril. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 130 (22). Hij geeft echter geene enkele reden op, welke zijne
afkeuring moet regtvaardigen, terwijl het gevoelen van kluit reeds door het gedrag van
Graaf υιηκ YI, bij de Bisschopsverkiezing na den dood van herdert, ondersteund wordt. Zie hier-
voor, bk 143. j .
(3) De beka, p. 56. Vir mansuetus, et adeo castus, ut in fine vitae suae virgo credatur essic
mortuus. Heda , p. 176, 177. ^ , ; , - .,. , ,. ^ ■ ν
j (4) De lijst! dezerJeeiimannen, iwelke j docli onvolledig^ door heda,'p. 111, aan Bisschop adel-
noLD is toegeschreven ,ï wordt gevonden in het Cron.. de Traj[ p. 332—335, maar door/mattdaids
voor onecht gehouden, of althans tot later tijdperk tbruggebragt. : t i : «
(5) Diplom, hehrici VI, apud πεοαμ, ρ, 177. Verg. vas wijk, op wagenaar , St. II. Bl.'öl—93.
V. SPAEN, Inl. tot de Rist. v. Gelderl. D. IV. bl. 1.58—1G3. Eist. v. Gelderl. D.I.bl.89-.93.
(ß)iheda, ρ. 177 in Diplom^ uekrici VI. \ · i
-ocr page 151-DES VADERLANDS,
ioi
1Ü85-
1190
1179
1180 of
1181
1186-
1187
118S
IIÜO
welke sedert, Keizer Hendrik. IV nog een stuk lands gevoegd had (1). r Uit dit verzuim
of deze nalatigheid des Hertogs, ontstond een bloedige twist, ^i'iclke afwssblend, tot
aan den dood des Bisschop voortduurde. Boüdéwïjn verklaarde terstond het leen ver-
beurd, ten behoeve van st. maarten. Geriiard ;\vas> weliswaar, niet den Kerkvoogd ,
tnaar zijnen onmiddellijken leenheer, den Hertog, hulde verschuldigd; doch nu deze
het verbeurd had, möesl hij het van gene verheffen (2)1 In stede hiervan, vatte hij de
wapenen op:,! doch werd Aveldra door de bendenides Bisschops uit rfe Velmce gejaagd',
die te vuur en te 'zwaard verwoest werd. Nu doeg hij het beleg voor Z>cvm#ei·, 'welke
stad, reeds,lang der Utrechtsche Kerk geschonken i (3), eeni ge dagen werd ingesloteii'',
toen door tusschenkomst en op gezag van Keizer frederik Iv de vijandelijkheden ge-
sehorst .werden (4). Maar by dén dood van gerhard ontbrandde op- nieuw en heriger
het vuur des oorlogs! Otto had waarschijnlijk'als erfgenaam ïiijïis broeders, hoewel
niet van dezelfde moeder, zich in het bezit der Veluice gesteld, hetgeen dobr'derf'Bis^
schóp, als eène inbreuk op het leenregt, zeer euvel werd opgenomen (5). Ondei'sleund
door de Graven van Holland en van ÄTiec/, viel eoudewïjn , ofschoon de wapenstilstand nog
duurde , in de Feluwé, aldaar en in het graafschap Zutphen , alles plunderende en verwoes-
tende. Otto was iri den beginne niet niagtig genoeg , zich'tegen dit geweld te verzetten , doch
versterkt met de hulpbenden der Bisschoppen van Keulen en Μ unster, des Hèrtogs vnn Lo-
tharingen en des Graven van ^er^, sloeg hij het beleg voor , waar de vijand den
roof geborgen had. Reeds was de nood der belegerden tot hel uiterste , en de wederzijdschc
Avoede tot het hoogste gestegen, toen Keizer feederik wederom tusschen beide trad, en
de strijdende partijen, die openlijk en in het geheim elkanders verderf zjochlen , Ie J/ew/^
tot een.verdrag wist te bewegen. Ilierbg werd bepaald, dat Graaf οττο in het'bezilder
Feluice zou blijven, tot dat men nader over zijne regten zou beslissen (6). Twee jaren
later erkende Keizer bekdb ik VI, zoon: Tan frederik I,, datVe Vehme door het Rijk aan
den Bisschop j en door. dezen aan den Hertog van)Zoi//«riwym moest verleid worden (7).
Ofschoon nu hier geene de minste melding van Graaf» ottd geschiedt, is helechter buiten
iV).
(1) Heda, ρ. 51, 137.
(2) Bildèrdijk, D. π. bi. 64.
.7 'Πι
Λ' .i» .'■ïHjiV'.t^ ..'V
Zie liierywr, Μ. i .l' .(1 λ-,^λ-ίγ? .η λύ'λ Vj.1.' , riüvè 'ύί
(4) De beka, ρ. 56. Heda, ρ. 177. Chron, Tiel ρ. 155. J, α ieydis, Ith. XVlH.^ c.
(5)-vait spaesf ΐ);ίΐ. k1. ü8, '' " ^ ^ ' · '
(6) De beka, p, 56. heda, p.· 177.' J/og-«} ChrónyBclg?\). 2\2J' Chron:' Tiet.
(7) Diplom. bbflr. VI ap. bbda«, p. 177. i .M v.- »
-ocr page 152-152 ALGEMEENE GESGHiEDEMS
1085—eenigen twijfel, dat hy en zijne nakomelingen (/e Meluwe van JVeder-Zoi/iat'in^efi in leen
bezeten hebben (1).
Gelderlawd. Bij het bezit der e/uwe vereenigde οττο ook dat van Geh-e en Zut-
phen. Het laalslgenoemde graafschap avas na den dood der Graven πεκοβικ en
DIRK, zonen van Graaf οττο van Ziitphen, welke in elf honderd dertien overleed ,
AanGelre gekomen. Van Graaf Hendrik vindt men gemeld, dat hij Keizer ueisbrik V
het leen {heneficium) Altej, bij ruiling terug gaf tegen een graafschap in Friesland,
waaronder men welligt de Felmve moet verslaan, die weleer onder F/'i'e^^ani/begrepen
werd. Daar hij Altej als een erileen bezat, ontving hij dit Friesche graafschap op gelijken
voet met alle voordeden, gerigten en inkomsten, volgens grafelijk, dat is, heerlijk regl.
Hieruit en van elders blijkt, dat de Graven van Zutphen, behalve de stad en het gebied
van Zutphen^ hun eigen goed (allodiuni), ook nog aanzienlijke leenen van bet Rijk
hielden (2).
Veel meer is van Hendrik niet bekend, dan dat hij als bondgenoot desAarlsbisschops
van Keulen^ des Herlogs van Lotharingen en des Graven van Are legen den Keizer
in elf honderd veertien opstond, en meer dapper dan gelukkig gestreden heeft f3}.
Negen jaren later overleed hij kinderloos en werd als erfheer van Zutphen, door zijn
broeder dirk, Bisschop van Munster, opgevolgd, welke met Hertog lotiiair ya.n Sak-
sen en den Bisschop van Utrecht ^ den Keizer dwong, het beleg voor het slot Schu-
lenburg op (e breken Bij zijn dood kwam Zutphen aan zijne zuster ermingard ,
door wier huwelijk met Graaf geruard 11, Zutphen en Gelre onder één bestuur ver-
eenigd werden (5).
Van de daden en lotgevallen des Graven Gerhard I van iie^re is bijna niels opgeteekend.
1108 Men weet slechts, dat hij Beschermer (advocatiis) van het Kapittel st. ναάϊα. Ie Utrecht
1114 geweest is, en waarschijnlijk geen deel genomen heeft aan den opstand iegeh Keizer
HEWDRiK V. Hij komt voor in verscheidene brieven, nu eens als Graaf van Gelre ^ en
1117 dan als Graaf van Wassenberghet laatst in een giftbrief, ten behoeve van het klooster
Sißeck verleend. Hij moet kort daarop overleden zijn, nalatende twee zonen en twee
dochters, van welke ceno , jutta genaamd »//^atfie/iier^ tot huwelijksgoed ontving, welk
(1) V. sPAEïv, Hist. Gelderl. D. I. bl. 99.
(2) Var spaek , Inl. tot de Ilist. v. Gelderl. D. i. 1)1, 225—227, 230. Tli'st. v. Getderl.
D. I. 1)1. 73. . < , Λν
(3) Van sPAEtf, Inl. tot de Tlist. v. Geldcrl. t. a. p. bl. 232. Hist, x>. Gelderl. D. I. bl. 74.
(4) V. sPAEn, Inl tot de Hist. v. Gelderl. 1). I. bl. 234—236. Zieihiervoor, bl. 137, 13ä.
i ■ ·
(5) Ver{;. hiervoor, bl. 101. ,
-ocr page 153-DES VADERLANDS. " 153
graafschap daardoor Tan Gelre gescheiden -vverd. Hieruit blijkt, dat dit niet alleen een 1085 —
vrij eigen goed [allodium) moet geweest zijn, dewijl het bij deeling, op eene dochter
overging, maar tevens, dat de dochters, bij afgoeding, heerschappijen en landerijen kre-
gen, al was er een broeder aanwezig, wien het graafschap en de leenen uitsluitend
ten deel vielen
Gerhard II was nog jong toen hij zijnen vader in het gebied over Gelre opvolgde.
Hij moet in groot aanzien geweest zijn, en in het vertrouwen van Hendrik V gedeeld 1118
hebben, daar zijn naam in vele onderhandelingen genoemd wordt. Op den Rijks-
dag te Worms werd hij van kwade bedoelingen tegen Keizer lothair beschuldigd,
en verwierf vrijgeleide, om zich voor den Keizer van dien blaam te zuiveren, doch 1128
verscheen niet. Maar in het begin des volgenden jaars onderwierp hij zich Ie Keulen
onvoorwaardelijk aan de genade des Keizers, en verkreeg die, onder belofte, dat zijne
bloedverwanten en vrienden voor dit gunstbewijs en zyne slaking, duizend mark betalen
zouden (2), Men vermoedt, dat hij met den Aartsbisschop van Keulen, zijnen leenheer 1129
wegens goederen te Hennep el, in het geheim, koenraad III, die in iiciiëtolRoomsch
Koning verkoren was, tegen lothair ondersteund had. Spoedig echter herwon hij
het verloren vertrouwen , daar hij ééne maand na zijne onderwerping, in 's Keizers
gevolg te Duisburg, onder den naam van gerhard den Lange, Graaf van Ge/re, aan-
gelroffen wordt (3). Naar het algemeen gevoelen , overleed hg twee jaren later, en werd 1131
door zijn zoon Hendrik opgevolgd. Ermikgard , zijne weduwe, huwde met koenraad ,
Graaf van Luxemburg, en zijne dochter met Graaf Hendrik van Oldenburg (4). Be-
halve het klooster te Mariënweerd door herman van Kuik, werd ook in zijn tijd, do
abdij van Camj) , tusschen Gelre en Rijnberg, door den Aartsbisschop van Keulen ge-
slicht, welke verscheiden Gelderschen Graven ter grafplaats gestrekt heeft (5).
(1) Van spaeh, Inl. tot de Jlist. v. Gelderl. D. II. hl. 105—130. Ilist. van Gelderl. J). I.
bl. 5.5--.51).
(2) Anausta saxo ad annum 1129, apud eccaud, Script. Rer. Gcrm. V. I. p. 662.
(3) Van spaek, Inl tot de Hist. v. Gclderl. D. II. LI. 134. Hist. v. Gelderl. Ώ.Ι. hl. GO,βί.
(4) Chron. Tiel. p. 130. Poktarus, Hist. Gelr. Lib. VI. p. 101. A. v. sLicnxEnnonsT, Gel-
ders. Gesch. Β. VI. bl. 73, 74. V. spae«, t. a. ρ. hl. 137, 140; bl. 61. Of geriiard Π eerst
rnet nEDWicn, dochter van Graaf floeis II van Holland, gehuwd geweest ie, gelijk pomtanüs en
slicntennorst in 1. c. op het gezag van it. α ieydis, Lib. XVI. c. 1. beweren, ie zeer onwaarschijn-
lijk. Welligt is hij aan haar verloofd geweest, doch het huwelijk niet voltrokken. V. spaen , ƒ«/,
tot de Hist. v. Gelderl. D. II. bl. 138—140. Jlist. v. Gelderl, D. I. bl. 61, 62.
(5) Vau spae5, Jlist. v. Gclderl. D. I. bl. 64. Verg. hiertoor, bl. 139.
II. deel. 20
-ocr page 154-164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
Hewdhik. , wien Gelre Tan zijnen Tader gerhard II, en Zutphen Tan zijne moeder
ÉRMiNGAaD ten erfdeel was gevallen, nam don tilel van Graaf van Gei/'e en Zt^ip/ten aan.
Het is opmerkelijk , dat sedert dien tijd de grafelijke titel van Zutphen steeds van dien van
Graaf en Hertog van Gelre is. onderscheiden gebleven; terwijl al de andere graafschappen
in de Nederkicartieren, door de Geldersche Graven aan zich gebragt, onder den alge-
meenen naam van Gelre verdwenen zijn. Dit sproot waarschijnlijk voort, dewijl de oude
Erfheeren van Zutphen, geeno Keizerlijke ambtenaars, maar vrije Heeren geweest wa-
ren , die wel den Keizer of het Rijk trouw, en hunne dienst in den heerban verpligt
waren, maar over'gens hunne goederen, in den uilgebreidsten zin, in vollen eigendom
bezaten. Zij hadden dus land en lieden , hunne bezittingen behoorden tot den stam,
waren erfelijk, deelbaar tusschen de zonen, en bij gebrek daarvan, tusschen de dochters
volgens de Saksische wetten (1). De bezittingen der Graven van Gelre in de Neder-
kwartieren, de Betuwe en Teisterland, zoo wel als op de Feluwe ,νιΆν&η daarente-
gen slechts leenen of achterleenen van het Rijk, welke in de elfde eeuw erfelijk waren
geworden (2).
Graaf Hendrik was nog niet den kinderjaren ontwassen , toen gerhard II overleed,
en heeft welligt uit dien hoofde, het bestuur onder de voogdijschap zijner moeder aan-
vaard , met wie hij in eenen giftbrief van het jaar elfhonderd vier en dertig voorkomt.
1138 Vier jaren later verschijnt hij als Graaf te Keulen, en is getuige van de gifte van
Oostergoo aan de Kerk van Utrecht, door Keizer koenraad (3). Dikwijls wordt hij
naderhand in deze betrekking aangetroffen, en moet in hooge mate de gunst van Kei-
zer FREDERIK. I bezeten hebben (4). Men roemt zijne groote begaafdheden, zedelijke
hoedanigheden, godsvrucht, welbespraaktheid en schoone gedaante (5). Als eender
aanzienlijkste leenmannen van het Sticht, wikkelde hij zich diep in de geschillen over
1150 de verkiezing van eenen nieuwen Bisschop, bij den dood van iierbert, en schaarde
zich aan de zijde van Graaf dirk van Holland, welke zegepraalde (6). Met gelijken
(1) Van si'aeif, üist. v. Gelderl D. I. hl. 78.
(2) Van sp.ven, Hist. v. Gelderl. D. I. bi. 52—55. Over het hoe cn Avanncer de Graven vaa
Gelre aan hunne bezittingen in de Nederkwartieren en elders {jckoinen zijn, raadplege men liel
III en IV Deel der Inl. tot de Hist, v. Gelderl. '
(3) Bondam, Charlerh. v, Gelderl. Iii. 18G. PoiMakcs, Hist. Gelr. Lih. VI. ρ. 104,
Α. ν. slicutbbhorst, Geld. Gesch. Β. VI. LI. 77. Verg. hiervoor bl. 139.
(4) Bomdam, Charterb. «. Gelderl. bl. 18G—233. Vab spaen , Inl. tot de Hist. Gelderl.
1). II. bl. 154—161. il
(5) Pontanus, Hist. Gelr. Lib. VI. p. 102. . '
(6) PoKTANtis, in 1. c. p. 107. Van sucnTENHORST, t. a. p. bl. 78. Verg. hiervoor bl. 143.
1085—
1190
li
DES VADERLANDÖ. I5ß
ijver verdedigde hij bij Keizer frederik I, de zaak des Kapittels van st. maria Ie 1085—
Utrecht, welks beschermer (advocalus) hij was, tegen egbert van Amstel (1). Daar
zijn grootvader, geriiard I, mede deze bediening bekleed had, denkt men, dat zij
erfelijk in het geslacht der Graven van Gelre geweest is (2). Onrustig en krijgshaftig
van aard, volgde hij den Keizer naar Italië, en bevond zich bij de belegering en ver- 116Θ
delging van Milaan (3). Naanwelijks teruggekomen , mengde hij zich in dc onlusten
tusschen Bisschop godpried en de onderdanen van het Sticht, doch met meer krijgs-
roem dan voordeel voor zich zei ven (4). Nuttiger en eervoller was zijue belangstelling
in het nemen van maatregelen met andere Nederlandsche Vorsten , ter wering van de
gedurige overstroomingen der rivieren, welke dagelijks de landen der ingezetenen met 1165
zware vernieling en-verwoesting, hen zeiven met den dood dreigden. Hel weldadig ge-
volg hiervan was het graven van de Grebbe, wier voordeel door het tegenwoordig ge-
slacht nog genoten wordt (5). Groot moet zijn aanzien en invloed geweest zijn; en het
pleit voor zgne bekwaamheden en karakter, dat hij in het vertrouwen der naburige
Vorsten deelde. Immers wordt zijn naam gespeld onder de middelaars, welke het ver- 1168
drag tusschen de Graven van Vlaanderen en Holland, betrekkelijk Zeeland bewegter
Schelde, ontwierpen (6). Ook werd door hem hel verschil, betrekkelijk de vrije
leenmannen des Stichts, tusschen den Bisschop van Utrecht en den Graaf van Kol- 1170?
land, beslist (7).
Men heeft derhalve, geheel ten onregte, den dood van dezen Vorst omtrent het jaar
elfhonderd twee en zestig bepaald (8). Twintig jaren later wordt nog van hem melding
gemaakt als getuige te Ments, bij de vernieuwing der stads regten van t^/erj door Keizer 1182
FREDERIK I (9). Niet lang daarna echter moet hij overleden zijn , dewijl zijn zoon οττο in
(1) Bokdam, Charterb. v. Gelderl. bl. 205. Verg. hiervoor bl. 147.
(2) Van spaen , Inl. tot de Hist. v. Gelderl. D. II. bl. 157. Hiit. v. Gélderl. D. I. bl. 83.
(3) PoNTAKüs, Hist. Gelr. Lib. VI. p. 107, 108. V. sUchtbrdokst, Geld. Gesch. Β. VI.
1)1. 78.
(4) Zie hiervoor bl. 145, 146.
(5) PoNTANDs, Hist, Gelr, Lib. VI. p. 109. SticuïEHHonsT, Geld. Gesch. Β. Vf. bl. 79.
Vab spaen, Ilist. V. Gelderl. D. I. bl. 86. Verg. hiervoor, bl. 124.
(6) Zie hiervoor, bl. 127. Bokdam, Chatierb. v. Gelderl. bl. 212 (a). Vab «paei», Inl. tot
de Hist. V. Gelderl. D. H. bl. 157, 158. Hist. v. Gelderl. D. I. bl. 86.
(7) Bondam, Charterb. v. Gelderl. bl. 21β. Zie hiervoor, bl. 148.
(8) PoKTAsrs, Hist. Gelr. Lib. VI. p. llO.
(9) Bonda*, Charterb. v. Gelderl. bl. 233—236, 237 (a).
20*
-ocr page 156-156 ALGEfflEENE GESCHIEDENIS
hß'zelfde jaar , als Graaf ταη Gelre voorkomt (1). Door zijn huweJgk met agnes , naar men
vermoedt, de dochter eens Hertogs van Braband oi Lotharingen , zou de f^eluive
een achterleen, aan de Graven van Gelre gekomen zijn. Voorts gist men, dat zijn en
AGNES zoon, GERHARD, zijnc moedcr in het bezit der Veluwe opvolgde, en van daar,
gedurende het leven zijns vaders, eenen grafelijken titel voerde. Hieruit ook laat zich
verklaren, dat niet Graaf Hendrik , maar geriiaud legen Bisschop boudewijn de wapens
opvatte; en dat οττο , uit een tweede huwelyk vau hendbik met de Gravin van ^rrtiiem
gesproten, na den dood van Gerhard, zoo vele verschillen had over deF^elmce, dewijl
hij, als halve broeder, naar leenregt, geene aanspraak op dat gewest konde maken (2).
Gerhard, vóór zijn vader gestorven zijnde, moet niet op de lijst der Graven van Gelre
gevonden worden, waarop hij, onder den naam van Gerhard II, weleer geplaatst
werd (3). Hij komt menigmaal voor in brieven van dien tijd, en bevond zich op het
ridderspel door Graaf floris III van Holland, te Keulen in elfhonderd negen en ze-
ventig gegeven. Twee jaren daarna overleed hij kinderloos. Eeno zijner drie zusters,
maria, huwde met gerhard , Graaf van Loon , en was moeder van lodewijk van
Loon, aan wien ada van Holland uitgehuwelijkt werd (4). i
Otto I nam onmiddellijk na Hendriks dood, de teugels van het bewind in handen,
en vereenigde nu de graafschappen Gelre, Zutphen en de Veluwe onder één bestuur.
Men verhaalt, doch betwijfelt tevens, dat hij vroeger, onder den Aartsbisschop van
Keulen, in den krijgstogt tegen Hertog uendrik den Leeuw van Brutistcijk, welke
in den rijksban was verklaard , betrokken en bij de belegering van JBrunswijk dooF
den Keizer, tegenwoordig geweest is (5). Hoe dit zij, de Keizer was hem genegen,
en bewees dit, zoo al niet door de erfelijke beleeniug met den burg van Nijmegen ^
hetgeen bezwaarlijk te gelooven is (6), dan toch ondubbbelzinnig, door zijne uit-
(1) UoBDAM, Charterh. v. Gelderl. bl. 241.
(2) Van spaen, Inl. tot de Hist. v. Gelderl. D, II. LI. ΠΟ—ΙΤΖ. D, IV. bl. 155. Hist. v.
Gelderl. D. I. bl. 88—93. Verg. hiervoor, bl. 151.
(3) Zoo als bij pontahüs, Jlist. Gelr. Lib. VI. p. 110, en zijne volgers. Verg. bohdam, Char·
terb. V. Gelderl. bl. 241 (a). Vas spakn , Inl. tot de Hist. v. Gelderl. D. II. bl. 170.
(4) Vam spaeN; Inl. tot dc Hist. v. Geldcrl. D. II. bl. 168, 174, 175.
(5) PoKTAHts, Hist. Gelr. Lib. VI. p. 115. SucnTENnonsT, Geld. Gesch. Β. VI. bl. 82.
V. SPAES, Hist. ν. Gelderl. D. I. bl. 96. Uitvoerig wordt deze kiijgsiogt, Avelke van 1178—1182
duurde, verhaald in de Chron. Slavorum, Lib. II, c. 24—36 in leibhitzii. Script, ßntnsvic.
Τ. II. ρ. 644-653.
(6) Bokdam, Charlerb. ν. Gelderl. bl, 236 (a). S»ehüs, Chron. v. Nijmegen, Bl. 60(a).
-ocr page 157-DES VADERLANDS. " 157
spraak in de zaak van de J^eluwe, welke landstreek sedert aan οττο en zijne nakome-1085 —
liiigen gebleven is (1). ^^^^
Het was welligt dit gunstbewijs, welk οττο aanspoorde, den Keizer naar het Heilige
Land te volgen. Uit gebrek aan berigten is niet te bepalen, of vroeger Geldersche 1188
Graven aan de krnislogten hebben deel genomen; onwaarschijnlijk is het echter niet (2).
Geldersche adel, ten minste de eerste Heer van Lijnden, was reeds onder godfried
van Bouillon, ter kruisvaart getogen (3). Nadat οττο te Ments het kruis had aan-
genomen , begaf hij zich met den Bisschop Tan Bremen, den Landgraaf van Thürin-
gen, en den Graaf Tan Teklenburg, van Brundasium in Itali'é, over zee naar Paie^- 118Ü
tina, en landde te Tyrus aan (4). Hier gelukte het den Landgraaf van Thüringen,
den Markgraaf koenraad van Tyrus te bewegen, met hen het beleg van Ptolemaïs te
ondernemen, waar zij zich tusschen den berg Twron en de slad, aan den oever van
den stroom ^e/wif legerden. Spoedig ontstond een woedend gevecht, waarin de Land- 4van
graaf van Thüringen en zijne Ridders, eene volkomene overwinning op saladik be- j^and
haalden. Graaf οττο van Gelre had met de Tempelridders de reserve aangevoerd, en ^^^^
zich door ligchaamssterkte, onwrikbaren moed en een vurig geloof onderscheiden. Het
is niet onwaarschijnlijk, dat hij den Landgraaf vervolgens in de gevechten ten behoeve
van LusiGNAN, Koning van Jeruzalem, ondersteund, en met hem het Heilige Land
verlaten heeft. Hij was een dier weinigen, welke uit deze vernielende togten, behou- 1190
den in hun vaderland terugkeerden (5).
(1) Zie hiervoor; bi 151. Van spaen, Uist. v. Gelderl D. 1. bl. 99.
(2) Van spaem, Mist. v. Gelderl. D. I. bl. 101.
(3) ^nnales de la maison de Lynden, p. 55.
(4) Volgens wilken, aangehaald door Mr. j. dirks, Noord-Nederland en de Kruistogtcn, in
de Vrije Fries, D. Π. St. II. bl. 171. De Chronica Slavorum, Lib. III, c. 36, in ieibmtziI
Script. Brunsv. T. II, p. 682, geeft de namen der opperhoofden verscliillend op » Primates erant
Cannes de Gehen, et henricos, Conies de Aldenburg, et widekihdfs, advocütus de Reeden
et adelbertbs, Comes de Poppenherg, et alii complures episcopi et nobiles, Vah kabipen telt
oTïo van Gelre ten onregte, onder de togtgenoofen van irederik tc land, en verwart liem met
otto van Benthem. Gesch. d. Kruistogten. D. I. bl, 398. Het Chron, Egmond. ap. kluit ,
Ilist. Crit. Com. Τ, I. Ρ. I. ρ. 138, zegt: οττο, comes Gelrensis navali itinere Jlierusalemvadit.
Even onjuist beweert vak spaen, Hist. v. Gelderl. D. I. bl. 101, dat οττο in gezelecliap der Graven
van Vlaanderen en Holland, ter zee naar Jeruzalem vertrokken is. Verg. hiervoor, bl. 132.
(5) Chron. Slav. in 1. c. p. 682, benevens de schrijvers aangehaald door Mr. m«Ks t. a. p.
bl. 162—172. In 1191 was οττο ongetwijfeld terug. V. spaeu, Inl. tot de Hist. v. Gelderl,
D. II, bl. 179.
164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
lOyS— fiiieslaind. Groningen. Gecii der Noord-Nederlanclsche volken nam njeer deel aan
deze kruisvaarten dan de Friezen, en verscheidene hunner Edelen logen naar het Oosten ,
terwijl de Graven van Holland en de Bisschoppen van Utrecht^ om het bezit van
Friesland twistten, dat gedurig van Heer verwisselde, en nu aan dezen dan aan genen
geschonken werd. Immers de schijnbare verzoening van Markgraaf egbert II met Keizer
πενβΐιικ IV, was van korten duur geweest (1). Egbert had zich op nieuw meteenige
Duitscho Vorsten tegen het Opperhoofd des Ryks verbonden, en was deswege van al
zijne staten, doch bepaaldelijk van zijne Friesche graafschappen, vervallen verklaard,
1086 die nu aan Bisschop koenraad van Utrecht geschonken, en omtrent twee maanden
later met het graafschap Islegoo, aan den IJssel, krachtens eenen Keizerlijken gift-
brief, vermeerderd werden (2). Deze gift werd echter spoedig, en niet zonder merk-
1087 baren tegenzin des Utrechtschen Kerkvoogds, weder ingetrokken, daar egbert de
gunst des Keizers spoedig herwonnen had (3). Hij verbeurde die weldra andermaal
door nieuwe vijandelijkheden, en men aVII , dat hij zich toen van geheel Friesland,
tusschen het ITlie en de Lauwers, meester maakte (4). Schoon geschiedkundige
bewijzen ontbreken, is het echter geheel niet onwaarschynlijk, dat egbert zich onaf-
haukelyk zocht te maken in een gewest, waarover hem het grafelijk bewind, althans
1089 voor een gedeelte, naar zijn oordeel, onbetwistbaar toekwam. Keizer Hendrik bragt
onverwijld een talryk heir bijeen en rukte in Thüringen, waar de voornaamste bezit-
tingen des Markgraafs gelegen waren. Hij ontmoette een dapperen tegenstand, en werd
door EGBERT genoodzaakt, met achterlating dor Keizerlijke eerleekenen, ijlings naar
Bamberg te vlugten. Weinig voordeel verschafte dit den overwinnaar, welke kort
daarop, door bestel van de abdis aleid , 's Keizers zuster, vermoord werd (5). Nog vóór
zijn dood, was hij ten derdenmale van de Friesche landen beroofd geworden, met welke
nu weder de Kerk van Utrecht »ten eeuwigen dage" begiftigd werd , » zoo datvoegt
de Keizer er bij, »niemand onzer nazaten. Koningen noch Keizers, noch wij zelven,
de magt zullen hebben, deze goederen ooit aan de Utrechtsche kerk te ontnemen (6)."
(1) Zie lüervoor hl 104.
(2) Zie de schrijvers hiervoor, bi. 01 (2) aangehaald. D. II. M. 105.
(3) Bucuelu's, ad hedam. p. 140 (a).
(4) IJwio EBBIDS^ de Rer. B is. Ilist.. Lih. VI, ρ. ÜS.
(5) Additiones ad lanbeiitusi scnAFKABURG. p. 426', in pfsTonii de Rer. Germ. T. I.
Wagehaab. D. IL Μ. 190. . ij
(6) De giftbrief wordt {jevonden bij vak mieris, Charterb. V, Holland, I). I. bl,73, 74. Groot
Charterb. ν. Friesl, D. I, bl. G9. In dezen brief wordt hot wispelturig en halsstarrig gedrag des
DES VADERLANDS. " 159
Bisschop koenraad had hierdoor een onvervreemdbaar regt op Friesland verworven, 10Ö5~
en om hem daarin met de daad te bevestigen, ontvingen eeuige der omliggende Mark-
graven bevel, dit gewest gewapenderhand voor den Kerkvoogd te bemagtigen. De Hol-
landsche bezettingen, zoo wel als die van egbert , moesten het land ruimen, dat nu 1Ü92
door den Bisschop in bezit genomen, en door" hem aan het bestuur van adolf van Fro-
nenberg, zijn leenman of stadhouder, toevertrouwd Averd (1).
Schoon thans onder het bewind van eenen geestelijken Vorst, is het echter te betwijfe-
len, of dit veel invloed gehad heeft op der Friezen ijver, om het kruis, ter herovering
van het Heilige Land, aan te nemen, dewgl Bisschop koenraad , ten uiterste ingeno-
men tegen den Paus, de bedoelingen des Heiligen Vaders niet bijzonder zal ondersteund
hebben (2). De onrustige aard der Friezen, hunne vrijheidszucht en krijgslust zoch-
ten en vonden bevrediging in deze roemruchtige buitensporigheden, Λvelkβ den lijfei-
gene, zoo ras hij er deel in nam, de vrijheid verschafte, en den Edelman met de hoop op
schitterende wapenfeiten en rijke bezittingen in hel Oosten, begoochelde. Men vindt,
dat verscheidene edele en geringe Friezen, reeds den eersten togt onder peter den
Kluizenaar^ mede gemaakt hebben (3). Daar echter dit leger uit zamengeraapte en
berooide benden, zonder ruiterij, zonder tucht en regel, was samengesteld, vermoedt
men, dal de Edelen althans, niet den Kluizenaar, χάάάχ Godfried van Bouillon ga-
volgd zijn, onder wiens banieren zich ook Hollandsche en Zeeuwsche Edelen geschaard
hadden (4), Zij logen met hem door Duitschland, Hongarije en Griekenland naar 1097
Marl{jraafs met sterke kleuren gesclietst. Yerjr. winsEjiics, Chron. t>, Vriesl, B. IV. bl. 126.
Ubbo emmiüs, de lier. Friste. Lib. Vf. p. 97. Scdotasds, Fr. Hist. R. 111. bl. 87. F. sjoerds,
Fr. Jaarb. D. 11. bl. 260—269.
(1) SciroTANüs, Fr. Hist. li. III. bl. 87.
(2) Verg. hiervoor, bl. 90.
(3) Occo scaelehsis, U. 87.
(4) üibks, Noord-Nederl. en de Kruistogt. bl. 145. Ook tasso telt de Noord-Nederlandcit
onder de benden van godfried tan Bouillon·.
Sejjuia la gente pol Candida e bionda,
Che (ra i Franchi, e i German!, c 'I mar si giace,
Ove la Mosa ed ove il Reno inonda,
Terra di biade e d'animai ferace.
E gl 'isolani lor, che d 'aïta sponda
Riparo iansi all' océan vorace;
I/ocean, cbe non pm· Ie merci e i legni.
Ma interg inghioUe Ie cittadi e i regni.
Gerusalemme Uberata, Canto I. St. 43.
164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
1085-^ Klein-Azië. Bij de belegering Tan Nicaea sneuvelden van hen sicco tYAucKAJiA, epe
hartman en tjepke forteman, met λγΐβη dit geslacht uitstierf. Eelke lyaugkama , een
neef des vorigen, en feike botnia werden, uit hoofde hunner betoonde dapperheid,
elk tot bevelhebber eener talrijke ruiterbende benoemd. Lyaugkama zelfs zou het bevel
over het veroverde Nicaea zijn opgedragen, hetgeen echter ten hoogste onwaarschijn-
lijk is. Hij volgde de kruisvaarders op hunnen overwinnenden togt door Klein-Azië
en Syrië, op >velken igo galama en ubbo iiermana zwaar gewond werden. In Cilicië
ontving men eeno versterking van Friesche, Hollandsche en Vlaamsche zeeroovers , welke
onder aanvoering van zekeren guiwemer of winemar uit Bouillon, sinds acht jaren do
Middellandsche zee onveilig hadden gemaakt, maar zich thans by de kruisvaarders
voegden, om door het veroveren van Jeruzalem en het H, Land, hunno misdaden
uit te wisschen. Met hunne hulp veroverde tancredo voor zich een klein vorstendom
in de omstreken van Mamistra, en vermeesterde vele burgen in de bergpassen van
Cilicië. Toen deze veldheer daarna deel nam aan de belegering van Antiochië,
heeft hij hen waarschijnlijk in Cilicië achtergelaten , opdat zij met hunne schepen in
de levensbehoeften van de belegeraars dier stad voorzien konden, In stede hiervan ver^
overden zij de stad Laodicea, ofschoon in het bezit van den Griekschen Keizer,
bezeilen de wallen en leverden haar aan Graaf raoiukd van Toulouze. Hun aanvoerder
wiNEMAR, viel kort daarop in de handen der Grieken , en werd eerst na langen tijd,
op aanhouden van Godfried van Bouillon, ontslagen. Nu volgden zij met hunne schepen
1098 het hoofdleger der kruisvaarders, langs de kusten. Ondertusschen was Antiochië in
de magt der Christenen geraakt, en onder de Friezen, welke voor die stad bleven, telde
men den edelen galama, welke aan zijne wonden, in het beleg van tWejai-ea bekomen,
overleed. Zijn togtgenoot herpiana bleef in Antiochië bij boemond, Vorst van Ta-
rente, doch de overige Friesche Edelen trokken met het hoofdleger naar Jeruzalem.
In het bestormen dier stad werd lyaugkama zwaar geAVond, en feike botnia , zijn
boezemvriend en getrouwe medgezel in de gevaren, had men reeds onder de ge-
J099 sneuvelden verlaten, toen de dienaar van lyaugkama hem vond en naar de woning
van zijnen meester bragt, alwaar de beide helden, doch langzaam, van hunne wonden
herstelden. Tot loon der dapperheid, werden zij door godfried van Bouillon, thans
Koning van Jeruzalem, tot ridders geslagen (1).
Ondertusschen hadden andere Friesche Edelen, als πομμα homminga , godfried
(1) Occo scaeiensis, hl. 87—89. Wihsemius, , C/tiom. V. Friesl. B. IV. bl. 127, 128. Ubbo
esimhjs, dc Rer, Fris. Hist. Lih. VI. p. 98, 99. E. ben inga, Hist.v.Oostfr.h\.^^. F. sjoeeds,
Fr. Jaarb. D. II. bl. 271—281. Mr, diuks, Noord-Nederl. en de KruistogU bl. 143—151 en
de aldaar aangehaalde scliiijvers.
DES VADERLANDS. " 652
BOORDA, SIXTUS GAMMINGA CD TJALLiHG \ALERius AB OCKITÏGA, Uli JtaU'è, Waar zig zich 1085—
in de letteren en wetenschappen oefenden , den togt naar Palestina aangenomen. Har-
telijk was de ontmoeting met i.yaügkama en botkia , die hen aan Koning boudewijk I
Tan Jeruzalem Toorstelde, welke hen minzaam ontving, en in wiens dienst zij ijverig
deel namen aan de gevechten tegen de Saracenen. Mei den roem eener uitstekende
dapperheid, Terlieten zij dit gewest; de Koning zelf deed hen met honderd paarden uit- 12 van
geleide naar Jaffa, Avaar zij zich naar Venetië inscheepten. Van daar bezochten zij
Home en kwamen, na eenen togt van lier maanden , behouden in Ji^riesland asn, al- HOO
waar zij door de blijde menigte, met omgangen, kruisen en vanen, plegtstatig werden
ingehaald (1).
In hetzelfde jaar had hekdrie , bygenaamd de Dikke, Hertog van Saksen, getracht
Friesland te overweldigen. Gehuwd met geertruida , de zuster van Markgraaf eg-
bert II, maakte hij aanspraalc op al de bezittingen zijns schoonvaders in dat gewesl,
welke, naar zijn gevoelen, willekeurig aan de Kerk van Utrecht geschonken Avaren.
Te dien einde sloot hij een verbond met frederik ^ Graaf van Oldenburg, om zich
derwaarts ongehinderd eenen weg te banen. Oldenburg toch was de sleutel van Oost-
Friesland, waarvan het door moerassen en heidevelden gescheiden was; en de Olden-
burger Graven zagen niet ongaarne, dat de Friezen weder onder hel bestuur van Sak-
ten kwamen. Met eene sterke krijgsmagt was hij reeds, brandende en roovende, over
de moerassen tot aan Norden doorgedrongen , eer de Friezen ter weérstandbieding ge-
reed waren. Hier echter vielen zij, met beleid en moed op hem aan, en behaalden na
een moorddadig gevecht, eene Tolkomene overwinning op den vijand, wiens ruiterij zich
wegens den moerassigen grond , niet bewegen konde. Hebdrie sneuvelde met het groot-
ste gedeelte zijnet benden; hij was op zijne vlugt achterhaald, en zwaar gewond , door 1100
de verbitterde Friezen in zee geworpen (2). De vr^heid van Ooii-jPrici^aTifi bleef door
dezo nederlaag, voor dien tijd ongeschonden, en de graafschappen Oostergoo en
IVestergoo genoten eenige jaren, eene gewensehte rust.
Deze staat van kalmte en vrede strookte voorzeker te weinig met den aard der
(1) OccoscARLEKSis, of liever j-VLYTAfip, CArow.p.jRries/.'bl. 89—91. Aan het einde des verhaal«,
•voegt hij er Mj: η dit alles was bij den veldschrijver en dienaar van tyatckama, gehelen wiiko /aebsma ,
opgetekend j hoe lang zi] op yder plaatse vertoefd en gelegen hadden, bij malkander geschreven, daar
liij nog in 't brede verhaalde, wat heilige plaatsen en aflaten zy daar al bezogt, verworven, en
Terdient hadden, die ik om kortheids wille hier overgeslagen en verbijgelopen behbe, wanl het
den lezer door langheid van dien, verdrietig zoude geweest hebben," Zie dibss, t. a. p. bl.155.
(2) e. besikga, Rist. v. oosz-irice/. bl. 100, plaatst dit voorval een jaar later. Wiwsemiü»,
CAron. v. Vriesl. ΰ. V. hl. 130. Ubbo ehbiis, de Her. Fris. Bist. Lil. VI. p. 100, 101.
scnotaküs, ί·Γ. Hist. b. III. bl. ö9. f. ejoeeds, Pr. Jäarb. D. II. hl. 287—269.
Π, DEEL. 21
-ocr page 162-164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
Friezen, dan , dat niet hunne Edelen zouden getracht hebben, elders krijgslauweren te
plukken, en hiertoe bood slèeds het Oosten.'genoegzame, gelegenheid aan. Eelkelyaug-
κλμα, gefolterd door berouw," dat hij het Heilige Zrt«c? verlaleni had, besloot met zij-
1101) nen getrouwen feike botnia, nogmaals derwaarts te trekken.' Zijn neef epo ltaüc-
KAMA, GODFRIED RooRDA cn· WATSE HERAMA vcreenigdcn zich met hen. Te Venetië
gekomen, werd roorda ernstig ongesteld, en men besloot, dat watse derama bij hem
zou blijven, terwijl de beide lyauckama's en botnia, door heiligen ijver bezield, de
reis voortzetten. Tegenwind dwong hen eenige dagen op Kandia te vertoeven, entoen
zij weder onder zeil waren, Averd eelke lyauckama door eene ziekte aangetast, Avelko
hem, op den dag hunner aankomst te/α^^ά, in het graf sleepte. Naar den wensch
des Ridders, werd zijn lijk, met groote kosten naar Jeruzalem gevoerd en plegtstatig
aldaar ter aarde besteld. Slechts ééne maand later vertrokken botnia en epo lyaucka-
mA, onder Koninklijke vergunning , iweder naar /^e/ieiié', en hier vernemende, dat
roorda en derabia, Weinig weken na hun vertrek, huiswaarts getogen waren, volgden
zij hun spoor, en kwamen, even als deze, behouden in Friesland terug (1).
RoemYoller dóch ongelukkiger voor de Friesche kruisvaarders, eindigde tien jaren later
een andere togt. Watse herama had het onbevredigd en steeds wakend verlangen naar het
Heilige Land^ niet langer kunnen bedwingen , en eenige Edelen bewogen , hem derwaarts
' te volgen. Langs den gewonen weg over Venetië Gn xJaß'a, kwamen zij te/e?'M2a^em,
en boden Koning boudewijn II hunne diensten aan. j In, een groeten strijd tegen de
Saracenen , Averden watse herama en πομμε homminga weldra de slagtofTers hunner ver-
metele dapperheid, en sneuvelden. Om hen te wreken, vielen hunne spitsbroeders woe-
dend op de vijanden aan, die echter, hoeAvel ten koste van veel bloed, eindelijk zege-
praalden. Boüdewijn zelf, watse van ockirfga en sikko van gamminga met vele an-
dere Edelen en Ridders, vielen in hunne handen, en godfried roorda benevens hessel
HERMANA werden zwaar gewond'; deze herstelden, genen echter werden later' voor een
zeer groot losgeld vrijgekocht. Walter eindelijk van hen geworden is, Avordt niet
gemeld (2). ·■ "wf >? ·; ■ b.xioo?· '_>'·.'■■ ■ - · -
^ (1) Occo scARtEnsis, bi. 91, 92.(, V. Vriesl. B. ΠΙ. Wf 129.
(2) Occo'^sciRLEHSisj bl. 93, 94. HViRSEMifis} \ a. p. bi. 131, 132.i übbo'emmïijs > trfé Äer.
Fris. ^Tisf."'Ztii Vi. pi 101', 102." 'EuMitis^schijnt echter de waarheid dezer gcbeurteniissen te be-
t'wijPèlen, wänneer' hij'ze^t :Ciijüs natrationis fidem autoribus'suis tuendam rellnquo." Wij zien
echter inct f. sjoerds/'i?r/JaarS, D. II;'bl.'322, volstrekt niels in'dit verhaal, welk het onwaar-
schijnlijk maakt. Dat de Kronijkechrijver zich in het jaartal Ixecft vergist, en Koning bocdewijn niet in
1120 maar drie jaren later werd gevangen genomen, is weUigt aan de onleesbaarheid vanhethand'
schrift, Avelk hij bezigde, toe te sclmjven. ^ Zie dieks, Noord-Nederl. en de Kruist. h\. 155.
DES VADERLANDS. 163
Ondertusscheu slortle de vrede over i^/'/öé'/awc? zijne zegeningen uit, en Groningen^^^^
in het bijzonder, sleeg door den steeds toeneraenden handel, in bloei en Avel vaart. Om
zich te beter tegen de omzwervende roovers te verzekeren, werden de houten ΒίαΙιεΙ*·
seis of omheiningen, met welke do plaats slechts gebrekkig gedekt en versterkt \va8,
afgebroken, en door eenen muur, grachten en torens vervangen, welke haar het aan-
zien en de gedaante eener stad verschaften. Bisschop godebald van t/irec/ii achtle 1110
zich hierdoor in zijne regten als Graaf-Bisschop, beleedigd, dewijl zonder Bisschoppe-
lijke vergunning, deze Averken waren opgehaald, en dwong do Groningers, muur en to-
rens te slechten, en alles weder in den vorigen staat te herstellen (1). Dit echter ge-
schiedde niet zonder groote tegenkanting van de zijde der Gelkingers, een aanzienlijke
aanhang, die zich in Groningen tegen de Utrechtsche Bisschoppen gevormd had. Zij
vatten de wapenen op tegen den bisschoppelijken stedehouder, en veel volks sneuvelde
in de afwisselende gevechten. Gromenherg, het slot des stedehouders, nabij Euvel-
gunne aan de Hunse, Averd door hen belegerd en in puin verkeerd (2). 1112
Het moet om dezen tijd geweest zijn, dat godebald in het bezit van Ooiier^oo en ^cj-1112—
tergoo, door hehdeik V Averd bevestigd. In den giftbrief verklaart de Keizer, dat hij
deswege dit geschenk vernieuwde en nader bevestigde,» opdat godebald en zijne op-
volgers , het vrij en zonder tegenspreken zouden genieten, zoo dat niemand der Konin-
gen en Keizers, zijne opvolgers, noch Mj zelf, ooit de Utrechtsche Kerk daarvan; be-
rooven konden (3)." Hoe Avoinig echter zulko sterke verzekeringenbeteekenden, wanneer
eigenbelang, staatkunde of wraakzucht voorschreven , eènen anderen weg in te slaan, bleek
reeds toen Hendriks onmiddellijke opvolger lothair , den Graaf van Bollatid met de
beide Friésche graafschappen begiftigde (4). Deze schenking stiet de Friezen zeer 1132
tegen de borst. Men wil, en het is geheel niét onwaarschijnlijk, dat zij den opstand
hunner stam- en naamgenooten, de West-Friezen, aangevuurd en ondersteund hebben.
Na het ten onderbrengen van zou de Hollandsche Graaf het op hen
gemunt hebben, indien niet de invallende doói-, en de onlusten metflohis t/ereZwjarie^
(Ί) Occo scaelessis, bl. 85. E. bcmikca , Hist. v. Oost-Fricsl. hl. 100. Unoo emmics, de
^ ' , . . ' · ;·.Ηί . ο; ' . - ■ - ■
iïer. Fris. Hist. Lih. VI. p. 101. ScnoiAKUs, Fr. Hist, Ά. III. bl. 89. ,F. sjqerds, Fr. Jaßrh.
D. II. bl. 308. AVestehdorp , Jaarb. van en voor Gron. D. 1. bl. 173. Zie over het regt dat
de Bissclioppen zich op Groningen zelf aanmatigden, hiervoor, bl, 84, 85, en voeg bij de aldaar
aanjrehaalde Schrijvers, idsikga, Staatsr. D. I. bl. 40, 65 enz.
(2) Westekdoep, Jaarb. v. Gron. ü. I. blü 173. J,! ■ . ν. .
(3) Zie hiervoor, bl. 130 (7).
f,
(4) Zie hiervoor, bl. 115, 138. . !
21»
-ocr page 164-164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
1085—dit doel verijdeld hadden (1). Oostergoo en Westergoo werden ook kort daarop door
J1 öO
Keizer koenraad III, op nieuw aan den Bisschop ymn Utrecht geschonken, en deze
gift werd zeven jaren later bevestigd (2).
De rampen, welke uil dit over en wederschenkeu, uit deze gedurige verwis-
seling van gezagvoerders voor Friesland moesten voortvloeijen, werden door
inwendige twisten en geschillen verhoogd. In dit tijdperk immers ontwikkelde zich
tusschen eenige voorname adellijke geslachten, de beginselen dier oneenigheden uit
welke naderhand zulke verregaande verdeeldheden, noodlottige partijschappen en
vernielende burgeroorloogen zijn voortgesproten. Douwa te Harns, geweldig, trolsch
en opgeblazen van aard, en steunende zoowel op zijnen rykdom, als op de sterkte van
zijn slot of stins tusschen AlmenummDijkshorne , trachtte van tijd lol lijd , zich boven
de anderen te verheffen, £n den Edelen, uit dien omtrek, de wet te slellen. Zekere
reed of opweg over zijne landerijen, gaf aanleiding tot eenen binnenlandschen krijg in
welken verscheidene adellijke geslachten betrokken werden , en die jaren geduurd heeft.
1133 Immers sigko douwes te Gr at inga ^ oordeelende regt te hebben op het gebruik van
dien opweg , zond zijn zoon met een hooiwagen derΛvaaΓts , heigeen door douwa zoo
hoog werd opgenomen, dat hij den edelen jongeling op de plaals, en met eigen hand
doorboorde. Sicko te Gratinga, overstelpt van smart, en gloeijende van loom en
wraak, roept onmiddellijk zijne nabestaande» cn dienstmannen bijeen, verovert en ver-
nielt het slot van den algemeen gehaten douwa , die met vrouw en kinderen wordt
omgebragt. Zulk eene daad konde niet ongewroken blijven, Saskeu en edo , broeders van
DOUWA, gordden het wraakzwaard aan, en bezaten genoegzamen invloed, om eenige
Edelen tegen sigko te Gratinga, en zijn deelgenoot edo edes te Gerbranda, in de
wapenen te brengen. De toorts des burgerkrijgs was nu ontstoken , Avelke eerst na vijftien
jaren van vernieling en moord, werd uilgebluscht. De tusschenkomst van den abt van
st. odulfüs, en dien van Bethanië, beide vredeminnende en aanzienlijke mannen, on-
dersteund door eenige voorname Edelen, als hermawa en eelko te Nyenhitis, tako ger-
rolts to Herama, ritske takis tzaartza , douwa ubbis te Hiddama en jouka te
Harliga, bewerkte toen een verbond van bevrediging, dat echter den ingekankerden
wrok, wellcè zulke diepe wortelen had geschoten, niet geheel konde vernietigen (3).
Terwijl deze inlandsche twisten Rriesland teisterden, de graafschappen Oostergoo en
' l-ifi ·! .
(1) Zie hiervoor, bl. 115—118, en de aldaar aangehaalde Schrijvers, benevens F. sjoerds, Fr.
Jaarb. I). II. LI. 335-337.
(2) Zie hiervoor, bl. liy, 139, 142. ^ . ,
(3) ügco 8CABtEnsi8, bl. 94, WiKSEMiüs, Ckron. V. Vriesl B. V. bl. 134.
-ocr page 165-DES VADERLANDS. " 165
Westergoo weder in het bezit der Utrechtsche Kerk geraakten, en de opstand der Gro- ^ j jy^
ningers een hevigen krijg deed ontbranden (1), werden de Friezen, Melken de Süseler ]i38_
landstreek was afgestaan, door de Troeger verjaagde Obodriten aangerand (2). Het vlek ^^^^
of stadje Süsel, door omtrent Tier honderd Friezen bewoond, doch van welke drie
honderd ter regeling hunner zaken naar Friesland waren getogen, werd door drie
duizend dezer SlaToniërs overvallen. Zij ontmoetten een dapperen tegenstand en moesten
wijken. Woedend van spijt en schaamte, draalden zij echter niet lang, om met verdubbeld
geweld, eenen tweeden aanval Ie beproeven. Het honderdtal Friezen trotseerde eenen
geheelen dag de bestorming des overmagtigen vijands, welke, hoewel steeds door nieuwe
benden versterkt, met schande werd afgeslagen. Eindelijk wanhopende de plaats door
geweld te bemagligen, nam men list te baat en trachtte door schoone woorden en be-
loften van lijfsgenade, de inwoners tot de overgave te bewegen. Reeds luisterden eenigen
naar den verleidelijken voorslag; reeds poogden zij anderen daartoe te overreden, toen
priester gerlach zijne wankelende land- en togtgenoolen met nieuwen moed bezielde.
»Mannen," dus luidde zijne taal, »Mat gaat u aan? Mat wilt gij? Denkt gij door do
overgave uw leven te redden , of dat de barbaarsche on-christenen hun woord zullen
houden ? Mijne goede landgenooten, gij dMaall; gij verkeert in eenen dwazen waan!
Weet gij niet, dat onder al de vreemdelingen, die zich herM-aarts begeven hebben, Avij
Friezen, door deze Slavoniërs het meeste gehaat Morden? Wij staan bij hen te eenen
male in eenen kwaden reuk. Waarom wilt gij dus um o zielen λτegm'erpen, door uwen
dood te verhaasten ? Hi bezweer u bij God, den Schepper van het Heelal, M'icn het
niet moeijelijk is, door weinigen te helpen, dat gij nog eene poos uwe krachten be-
proeft , en de handen tegen umc vijanden m eert; want zoo lang MÏj door dit bolwerk
omsloten blijven, zijn wij onze handen en Mapenen magtig, en er is hoop voor ons
leven; maar eens ontwapend, blijft er voor ons niets anders overig, dan als het rede-
looze vee geslagt te worden. Neemt dan uwe zwaarden weder op, die de vijand van
u eischt; keert die in zijne ingcM-anden om, lot Λvraak van uw bloed. Laat hem mve
dapperheid proeven, en deze u eene bloedige overwinning bezorgen." Deze moedige taal
Mordt door eene nog stoutere daad gevolgd. Geriach plaatst zich, gelgk een andere
HORATius cocLES, slechts van één man vergezeld, voor do poort, drijft gchcelc ben-
den terug, en sloot met eigen hand, vele SlavoniërS- ter neder. Noch het verlies 'van
een oog, noch eene wonde in den onderbuik , kunnen zijn moed doen wankelen. 3Iet
(!) Zie hiervoor, LI. 139~14L
(2) Verg. hiervoor, bl. 122.
164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
1085—omyéderstaanbaai· geweld stormt hij op de vijanden in, 'en de ben'aauwde veste is einde-
lijk gèred (1). . ; ' ■)'■ : -.i/'
Ondcrtussclien had Graaf Ȋdoif yan Sehauenlurg cn Holstein, zich met de
Denen, Saksers^, Westfalingers en Friezen, te'gen de heidensche Slavoniërs, welke
langs (de Oostzee woonden, ter kruisvaart ιTercenigd. Op het berigt van de ver-
1147 woestingcn .welke de Wenden en Obodriten aanrigtlen , rukten de.kruisvaarders, in
twee grootef legerafdeelingen , over de Elbe tegen hen aan. Gebrek aan eensgezindheid ,
afgunst, kwalijk geplaatste eerzucht en slecht berekende hebzucht onder de bondge-
nooten ,1 verijdelden dezen togt. De Wenden lieten zich wel doopen, doch keerden
spoedig tot hunne oude godendienst en rooftogten terug (2). ! ' '
Hot blijkt niet, dat de Friezen, in dezen tijd, deeligenomen hebben aan den grooten
doch mislukten kruistogt onder Keizer koewraad III en lobewijk VU τanJF!rαM7εr·yΆ;,·
ten ware zij bedoeld zijn geworden of behoord hebben onder die Nederlanders (Bataven)
van welko »melding gerïiaakt, en wier ongelukkig lot, door het verraad der Grieken
berokkend, betreurd wordt (3). Men vindt daarentegen, dat zij zich aansloten aan eena
vloot van twee honderd Engelsche en Vlaanische schepen, welke in hetzelfde jaar , onder
aanvoering van den Nederlandschen Graaf arsold van Aerschot, eenen togt naar hel
Heilige Land ondernam. Verstrooid door eenen hevigen storm op>de kusten van
licië ea Portugal, liepen verscheidene dezer schepen iu een haven niet verre vaniSa»
Jago. De kruisvaarders, w'elke met deze schepen gekomen waren, deden eene bede-
vaart naar het graf van den Hi jakobus, en gingen vervolgens, op aanzoek!van Koning
ALFoifSüs, oïider zeil naar Lissabonom met hem die stad aan de magt der Saracenen
21 van te ontrukken.) Na een langdurig en bloedig beleg, werd zij bij verdrag· aan Koning
mlimd alfowsus overgegeven, en! de onmetelijke buit onder de kruisvaarder« verdeeld. ■ Deze
zetten iin het begin des volgenden jaars,. vrolijk , vol moed en voorspoedig hünnen zee-'
togt!naai- i^^We voort, eni.trokken op Palmzondag Jeruzalem binnen, alwaar zij het
Paaschfeest vierden (4)/rii : ih-ii'V J'H \ ..;.) ' ^ λΙ ; r:-
Men; jverhaalt Lissabon, in het heir der Friezen, zich oen bevelhebber jbe-
iCn-b Jinoi,'
rrj; Vf ■■■.,1 iVhi
(1) HEtMOLD, Cfiron. Slavor. Lib. I. c. 64, in ι,ειπνιτζπ dp Rer^ Brunsv. xScnpi. Τ. IL ρ. 590.
Ε. bemiiïga, Hist. v. Oost~Friesl. \i\. lÓl. ^Übbo emmiüs, deReri Fris. Hist. Lib. VII. p. 105.
B. lil! p. 93. F. D. II. bl. 361—364. '' '
(2) IIelmold , Chron. Slav. Lib. I. c. 65, p, 5Ü0; benevens de bovenaangehaalde Schrijvers f
en die, geraadpleegd door Mr, dirks, Noord-Nederl. cn de Kruistogt., bl. 158, 195—202.
(3) Mr. dikks, t. a. p. bl. 157. Verg. helbóld, Chron. Slav. Lib. I. c.^èo. p! 587', 588.0
(4) Chron. Slavor, Lib. I. c. 61. p. 588. Dodechihi Appendix ΆΑ, τΜί^. scoii CAron.'-670.
AnsBtiai oemblicebsis Chron. p. 964. Mr. dirks, t. a. p. bl. 160—162 ; 209—214.
DES VADERLANDS. " 167
vond, POPTATUS gehecten, een oud man , zeer godvruchtig, en geboortig van ΛΓΜίίβ. 1085^
Deze POPTATUS riep met luider stemme, toen zij in den strijd gingen: )> Mijne lieve
broeders! al onze hoop en troost zullen wij op God stellen; strijdt Gods strijd met opge-
ruimdheid, en beschermt ons land, want, hetzij wij den strijd winnen, hetzij wij dien
verliezen, of allen verslagen worden, het eeuwige leven wordt ons zeker ten deel."
» Als hij dit gezegd had,'' dus luidt de legende verder, »werd de Hemel geopend, en
siHT MAURiciüs, met eenc groote schaar ridders ging in de lucht het Friesche hèir voor-
uit, en verjoeg al de Heidenen. Als de strijd gewonnen, de stad ontzet was, en pop-
TATüs zich ontwapende, werd hij door eenen heiden ter neer geschoten, welke aan den
berg verscholen 'lag. Zoo slierf hij in God almagtig, en is een martelaar Gods gewor-
den , want hij streed voor het Christelijk geloof, en op zijn graf wies een zeer schoone
palmboom (1)." De geschiedkundige feiten op Avelke deze legende berust, worden
door eenigen verworpen , door anderen daarentegen aangenomen, welke meenen , dat
deze gebeurtenissen, in den mond des volks bewaard, van tijd tot tijd met zoogenaamde
wonderen opgesmukt, en alzoo honderd jaren na het voorgevallene, door eenen schrij-
ver geboekt zijn, wiens gebrekkige keunis zoowel als do onkunde zijns vertalers, van
eene ingenomene, eene ontzette, en van eene Portugeesehe eene Friesche slad ge-
maakt hebben (2).
Terwijl de Friezen elders den roem hunner dapperheid handhaafden, genoot^r/ej-
land zelf vrede en voorspoed, ondanks den wrok, welke tusschen eenige adellijke ge-
slachten steeds voortduurde. Slechts voor- korten lijd werd de rust van buiten gestoord
door HESDRiK, bijgenaamd de Leemo, Hertog van Saksen en Beijeren. Om den ne-
derlaag zijns grootvaders, hekdrik rfm Dikke, op de Friezen te wreken, bragt hij eene 1155
heirmagt bijeen (3). Zijn plan , hoe zorgvuldig ook beraamd, mislukte, dewijl de Frie-
zen hem verhinderden zyne r^uiterij te ontplooijen, in welke de kracht zijns legers be-
stond. Hij moest, even als zijn voorganger, met verlies terugtrekken, doch had het
geluk zijn leven te redden (4). Ongestoord en met ijver werd nu en later het stichten
van Kloosters en Kerken in Friesland voortgezet, dewijl de welvaart ruimschoots mid-
(1) Gesta Fresonum, in de werken van het Provinciaal Friesch Genootschap, D. II. afl. 2.
bl. 128—130, vertaald in DIRKS aangehaalde verhandeling, bl. 203.
(2) DiEM, t. a. p. bl. 206—209.
(3) Zie hiervoor, bl. 161.
(4) E. BEICINGA, Hist. V. Oosti Friesl. bl. 103. Scbotahcs, Fr. Hist. ]}. III. bl. 93. Ubbo
EMMios, de Rer. Fris. Hist. Lib. Vil. p. 10Θ, 107. F. sjoebds, Fr. Jaarb. D. II. bl. 374.
164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
J085- delen verschafte, aan de wenschen ταη de godsvrucht dier lijden te voldoen (l). Die
welvaart ^werd echter een gevoelige slag toegebragt door den zoogenaamden Juliaans-
vloed, welke van het tot aan de maar bovenal in het tegenwoordig
de vreesselijkjste verwoestingen aanrigtte. De Noordzee, boven gewoonte gestegen
en door stormen gezweept, stroomde in eenen donkeren nacht, over de dijken en ver-
In spreidde zich over Frieslands welige landouwen , die in één oogenblik in den allerellendig-
sten toestand herschapen werden. Nooit had dit gewest eene grootere ramp getrolFen ; hetzg
Sprok- naen lette op de menigte menschen die omkwamen, en wier getal op honderd duizend
k-cl"
maand begroot wordt; hetzij men acht geve op de verbazende hoeveelheid vee, door de golven
weggesleept, en de uitgestrekte weiden door hét water verzΛVolgen; hetzij men eindelijk
het groot aantal huizen beschouwe, welke alom of weggespoeld, of door de geweldige
onweders in brand gestoken werden. De Juliaansvloed is met schrik en ontzetting, in
de geheugenis der volgende geslachten bewaard gebleven (2).
Nog gevoelde men de naweeën dezer overstrooming, toen het steeds smeulend
vuur van twist tusschen de Graven van Holland en de Bisschoppen van Otrecht, over
bet bezit van Oostergoo en IVestergoo, dreigde in lichlelaaïje vlam uil Ie slaan. Het
schijnt, dat Graaf floris III reeds bij den aanvang zijns bewinds, bedacht geweest is,
zich van deze Friesche graafschappen meester te maken. Men vermoedt dit uit een brief
van Paus adriaan IV in elf honderd negen en vijftig, ten verzoeke des Bisschops van
i/iree/ti gegeven, in welken hij het Sticht, met al wat er toe behoorde, zoo als het
Friesche graafschap, hel slot van Erfurd, het land van Drenthe, de Tienden in Hol-
land, in zijne bescherming neemt, en de overtreders met den pauselijken vloek .be-
dreigt (3).: Men denkt, dat na dien,lijd devBisschop, door het toezeggen van hel een
of ander dezer goederen, het verlangen des Hollandschen Graafs bevredigd heeft, die
anders, ofschoon een leenman van h^l Sticht,, dei^; K,erkvoogd zoo ligt geene hulp le-
gen de , GrQningers en hunne bondgenooten zouoiVerschaft hebben (4). Hoe dit zij ,
FLORIS gordde· reeds het strijdzwaard aan,(,om zijn regt,op Friesland met de wapenen
IIOS te i ondersteunen, toen Keizer frederik , door Bisschop godfried ter bescherming
Α
. ä'-,
(1) Ocpo SCARL. bl. ys. WINSEMIDS, Ckron. V. Vriesl. B. V. bl. 136, 137. Oudh. en Gesticht.
V. Friesl. D. i.'bl. 386. D. II. W. 132 enz., F..sioEBDs, Fr. Ja^rb. D. II.bl.377—385,397—
410, 412-422. Tegemo. Staat v. Friesl. D. 1. bl. 345—351, 357-362.
(2) IkniHGA, Hist. v. Oost-Friesl, bl, 103. Ueno emmics, de Rer. Fris. Hist. Lib'Vil. p. 110.
Gabbema, Nederl. TFatervloeden, bl. 32. Ootdoff, Verhaiid, der fFßtervl, h\. 2f)l.i ,
, (3) V.· »lEBis, Charterl·. Eoll .H. I. bl. 107. Charterb. ν. Friesl. Ώ. l. bh 77.
(4) Vau wub, op waoehaar, St. II. bl. 79, SOi Verg. hiervoor, bl. 145, 146. ' > ^
Ot
DES VADERLANDS. " 169
ingeroepen, hem υοογ zich te Utrecht ontbood en den twist verefl'ende, bepalende:
dat de Bisschop cn do Graaf gelijk regt op het Friesche graafschap zouden hebben, en
de inkomsten en schaden evenredig door hen verdeeld en gedragen worden. Uit beider
naam zou een Graaf, door beide gekozen en door den Keizer bevestigd, het gewest
beregten, onder eede, den eenen Heer niet boven den anderen te bevoordeelen; bij
verschil van keuze, zou de Keizer bevoegd zyn eenen Graaf te benoemen. Met we-
derzijds genoegen, mögt elk eenen pleitbezorger of zaakwaarnemer aanstellen, om voor
elks bijzondere belangen te AVaken, Jaarlijks in Bloeimaand, waarin van ouds de land-
dag gehouden werd, moesten de Bisschop en de Graaf op denzelfden tijd in Friedand
komen, ieder van dertig, of een gelijk getal ruiters vergezeld. In de eerste acht we-
ken zou do Graaf de Avereldlijke regtszaken afdoen; de kerkelijke regtsgedingen daar-
entegen , zouden door den Bisschop, in de volgende acht weken insgelijks beslecht
worden. Eindelijk verbonden zich de wederzijdsche partijen lot eene boete van vijf
honderd mark zilver, ten behoeve der Keizerlijke schatkist, op het schenden van dit
verdrag (Ij.
Uit de wijze waarop deze twist tusschen den Bisschop en Graaf floris beslist werd,
heeft men, en naar ons inzien te regt, beweerd, hoe duidelijk het blijkt, dat de Kei-
zer Opperheer van Friesland was, en dat derhalve tot den rang der sprookjes moet
teruggebragt Avorden, wat eenigen over de vrijheid der Friezen in die lijden, verha-
len (2). Het is intusschen waar, dat de Friesche Kronijken van de aanstelling eens
reglers of Graafs over Friesland, op den bepaalelen voet, geen gewag maken, maar
integendeel melden, dat sake reinalda toen nog Potestaat was en bleef. Reeds
vroeger zou hij deze waardigheid tweemaal bekleed, doch telkens met hel jaar we-
der neergelegd hebben, »dewijl dit," zeide hij, »het gebruik der voorvaderen
medebragt (3)." Men meent, dat zoo lang hij het roer van zaken in handen hield,
er niets ten nadeele der vrijheid ondernomen werd, maar dat na zijn dood, de Friezen
zich vrijwillig onder het bestuur der Graven van Holland en der Bisschoppen van
(1) Zie het Conlract bij heda , p. 171. V. mieris, Charterb. ν. Holl. R I. hl. 110. Char-
tcrb. V. Vriesl. D. L bl. 78. Verg. occo scarl. bl. Ü6. Übbo emjiiüs, de Eer. Fris. liist.
Lih. VII. p. 112. Schotanus, Fr. liist. B. III. bl, 96. Wihsemu's, Chron. v. FriesL B. V.
1)1. 138. Kluit, Rist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 110 (8öj.
(2) Klüit, Jlist. Crit. Com. T. I. I'. I. p. 112.
(3) Occo scarleksis; bl. 97. WiivsEMiüs, Chron. v. FriesL B, V. bl. 139.
II. deel. 22
-ocr page 170-164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
10Ö5— Utrecht begeven hebben (1), Zeker is het, dat men geen bescheid vindt van heigeen
dienaangaande, is voorgevallen (2).
Tol een nader bewijs van der Friezen ondergeschiktheid aan den Keizer, strekt de
Keizerlijke uitspraak in het oiido geschil tusschen den Graaf, van Rolland en het ge-
slacht van GALAMA, betrekkelijk het Kreiler Bosch (3). Het pleit, door den Hertog
1107 van Lotharingen onbeslist gelaten, werd nu, na verloop eener halve eeuw, door
Keizer frederik I beslecht. Den Graaf van Holland werd een derde gedeelte van den
eigendom, en juw galama en zijnen erven, de vrije jagt in het geheele bosch toege-
wezen (4). Galama , de roem van zijn geslacht genaamd , overleed reeds het volgende
jaar, en kort daarna zyn zwager wilko keinalda , die insgelijks onder de voorlreii'c-
lijkste Friesche Edelen van dien tijd , gerangschikt wordt (5).
Even lo voren was de oorlog tegen Hendrik den Leeuw, in welken de Friezen
betrokken Avaren, geëindigd. Door krijgsgeluk stout en trolsch geworden, had hij
zich de omhggende Vorsten , en in het bijzonder Graaf gheistiaan van Oldenburg ^ ten
vijand gemaakt. Deze, om den Leeuw Ie breidelen, sloot een hulpverbond met do
Friezen, Avier haat legen den Hertog niet uitgedoofd was (6). Onder zijne aanvoering,
terwijl uendrik door de Wenden ten Oosten, en door de Saksers aan den kant der
EUm bestookt werd, rukte het vereenigd leger naar Bremen, dat sinds eenigen tijd
iu handen des Hertogs geraakt Avas. Gering was do tegenweer, de stad werd spoedig
1107 beraagtigd, en het omliggende land door de Friezen afgeloopen en geplunderd. He??-
DRiK echter , de Wenden bevredigd en do Saksers beteugeld hebbende, trok naar den
JVezer, heroverde Bremen, en bragt het gewest op nieuw onder zijnogehoorzaamheid.
Inlusschen was het heir der bondgenooten door vele gevlugte landzalen aanmerkelijk
versterkt geworden; de Graaf besloot derhalve, den vijand den overtogt van het riviertje
Gera en het verder voortrukken te beletten. Hier lagen de beide legers vier dagen
werkeloos tegenover elkander, toen eindelijk de Graaf zijne benden in vier groote af-
deehngen splitste, om den vijand aan Ie tasten. De Friezen, wier ligchaamsslerkt«
en moed geroemd worden, schijnen de voorhoede uitgemaakt te hebben. Op deze bc-
(1) scnotantjs, Fr. Ilist. li. ΠΙ. bl. 9G. Van een geheel tegenovergesteld gevoelen is wisse-
Hics, Chron. v. Vriesl. B. V. bl. 140. Verg. uoco emmujs, ric/ier. Fm.//tsi. Xt'i. Vil.p. 112,113.
(2) F. SJOERDS, Fr. Jaarb. D. II. bl. 3Ö4. )
(3) Zie hiervoor, bl. 112.
(4) Occo SCARLENSIS, bl. U6. WlHSEMIÜS, t. a. p. bl. 138.
(5) Occo sciRLENSiS; bl. Ü7. WiNSEMiüs, t. a. p. bl. 140. ScnoTAncs, Fi\ Hist. B. IV. bl.ü7.
(6) Zie Liervoor, bl. 157.
-ocr page 171-DES VADERLANDS. 171
weging week de Herlog ijlings achterwaarts en verschanste zich op een punt, waar bij 1085—
niet gemakkelijk konde aangetast worden. Daar hij zich echter evenmin tot een gevocht
liet verlokken, scheidde het grafelijk leger vaneen; een gedeelte wierp zich in Olden-
hitrg, en de Friezen togen naar hun land terug, zonder zich verder met den afloop
des krijgs te bemoeijen (1).
Trouwens de strooperijen van Noordsche zeeroovers om dezen tijd langs de Friescho
kusten, vorderden hunne wapenen, ter verdediging van eigene haardsteden en altaren (2).
Te vergeefs hadden zij over deze geweldenarijen bij Waldemar I, Koning van Dene-
marken, geklaagd, en het was welligt dit vruchteloos pogen welk hen aandreef, zichin
de binnenlandsche geschillen der Deensche Vorsten te mengen. Het is echter «iet on-
waarschijnlijk , dat men onder Friezen liier niet de bewoners tusschen hel Vlia en de
Eems, maar de Neder-Saksers verstaan moet, welke namen dikwijls niet elkander ver-
wisseld en dooreen gebezigd werden, en wier geschiedenis, in dit tijdperk, dikwijls
ineen loopt (3). Kanüt (VI) , een der Deensche Vorsten, door swen v\ïDenemarken ]]7t5
verdreven, zou zijne toevlngt bij de Friezen gezocht en gevonden hebben. Zij brag-
ten, verhaalt men, te zijnen behoeve een talrijk leger bijeen, staken over de rivier
[Eems? PFezer? Elbe?) en daagden do Denen ten strijde uil. Doch door eenc
krijgslist verschalkt, werden zij geheel geslagen en tot eene zware geldboelo ver-
oordeeld (4).
Geene buitenlandsche aanvallen en oorlogen werden gevorderd, om den
toestand van Friesland in dien tijd, betreurenswaardig te maken. Wat de stor-
men en watervloeden niet met zich sleepten (5), werd gedeeltelijk vernield door
de onderlinge twisten der Edelen, welke moord, roof en verwoesting vergezel-
den (6). De voornaamste adellijke geslachten, welke toen tusschen het Flt'e en dc
Lamoers bloeiden, waren die van lupikga , adelek , πεκμαΐία, kempiivga of kam-
μικαα , jü>yinga of jongema , dodinga of bonia , douwma , galama , reisalda ,
(1) F. sjoERDs, Fr. Jaarb. D. II. hl. 394-397.
(2) winsejuus, Chron. v. Fricsl. B. V. bl, 141. übbo emïiüs, de Rer. Fris. Hist. Lib. VII.
p. 114.
(3) AVESTEHDonp, Jaarb. v. Gron. D. I. bl. 200.
(4) Occo scAKt. bl. 100. Win.sEJiits, t. a, p. M. 141, 142.
■ (5) Zie hiervoor, bl. 128—130. Verg. occo scart. bl. 100—102. Outhoffs fFatorvl. bl.
200—20«, cn GABBEBiA, Nedcrl. Watcrvl. bl. 39—52.
(0) Occo scißLEnsis, bl, 97—103. WinsEiiios, t. a, p. bl. 140. ScnoTAnos, Fr. Jliet. B. lY,
bl. 99, 100.
22 *
-ocr page 172-164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
1085—ROOfiDA, LYAUCKAMA, mekkema , BOTNIA of BOTTINGA , RING IA , OCKINGA , GOSLINGA ,
1190
gratinga , etsinga , aylva , eurmakia , hiddema , herema , heringa , ποββεμα , ob-
bema , gerbranda , hartman , uaniama , dekeiia , sjaarbema , tjaardema , tadema ,
haarda, noMMiNGA , offingahuizen , mokkema en walta (1). Brccd wordcii (Ic hel-
denfeiten Yan velen dezer Edelen , in dienst van vreemde Vorsten, uitgemeten (2).
Doch geen geslacht blonk thans meer uit dan dat van martena, avelk reeds lang in
Friesland gebloeid had. Hessel doekes martena stond in hooge gunst bij Keizer
FREDERiK I, wien hij in verschillende krijgstogten vergezelde. Uit hoofde zijner dap-
perheid en verdienste, ^verd hij door dezen Vorst in den ridderstand verheven. Hij
sneuvelde in den Italiaanschen veldtogt nabij Milaan. Niet minder krijgszuchtig en
dapper Avas zijn bastaard-broeder doeke doekes martena , welke insgelijks den Keizer
vele jaren diende. Hij zou hem eindelijk naar Azië gevolgd , en aldaar met hem in
den vloed verdronken zijn (3). Ofschoon deze laatste omstandigheid eenigzins verdacht
voorkomt, daar elders nergens gemeld wordt, dat iemand met den Keizer omkwam,
behoeft evenwel het geheele verhaal niet in twijfel getrokken te worden. Men weet
althans, dat vele Friezen in dien kruistogt dee] namen. De zucht om Jeruzalem aan
het gezag van saladin te ontrukken, had den sluimerenden lust voor deze togten doen
ontwaken, in Avelke do Friezen, sinds het midden dezer eeuw zich, naar het schijnt,
niet gemengd hadden (4). Men vindt alleen verhaald, dat douwe yan burmania het
Heilige Land bezocht en onder Koning boudewijn IV diende, door wien hij lot
Ridder van het Heilige graf werd geslagen; dat hij naar Bahiloni'è {Bagdad?) reis-
1180 de, en na een afzijn van dertien jaren, in terugkeerde (5). Een ander
(1) ScnoTAifüs, Fr. Kist. B. IV. 1)1. üü. Volgens dezen Sclirijver, wijst de uilgan}»; a, welke
den meosten Frieschen adellijken namen eigen is, de vaders aan, uit welke zij gesproten zijn.
Kammimga, bij voorbeeld, is zoo veel te zeggen als kempes zoon, jongema als jüws zoon, martera
als HARTENS zoon, GALAMA als GALES zoon, REiifALDi als REINODDS zoon enz. Deze uitgang der ge-
slaclitsnamen dient tevens, om de adellijke familiën van Fnesclie afkomst te ondersclieiden van
zulke, die daar te lande, in de middelecmvcn nog onbekend waren, doeli naderhand, bij ver-
schillende gelegenheden, uit andere gewesten, herwaarts overgekomen, zich met Friesche fami-
liën vermaagschapt, en hier gevestigd hebben. Verg. Tegenw. Staat van Friesl. D. I.bl. 137.
(2) Occo scarlëksis., bl. 100, 101. Winsehiüs, Chron. v. Friesl. IJ. V. bl. 142. übbo ek-
Mius, de Eer. Fris. Hist. Lib. VII. p. 114.
; (3) Occo scarlëksis, bl. 95, 9ö, 99, 100. Wissemius, Chron. v. Friesl.^. V. bl. 141.
ScnoTAHDs, Fr. Hist. B. IV. bl. 100. |
(4) Zie hiervoor, bl. 16ö.
(5) Occo SCAULESSIS, bl. 101. WiHSEMiüs, Chron. v. Friesl. B. V. bl. 143.
-ocr page 173-DES VADERLANDS. " 173
edelman, watse πεκεμα, moet in denzelfden lijd als burmania , bij eenen kruislogt in 1085—
Palestina geweest, doch gesneuveld zijn (1).
Thans echter rustten vele stoute zeevaarders, zoo λγοί Friezen als Denen, zich lot
eenen zeetogt naar het Oosten uit. Men verhaalt, dat zij zich op 'vijflig bodems in-
scheepten , en, Terbonden met de Vlamingers en Hollanders, naar Spanje voeren ,
waar zij met de Saracenen slaags raakten. Bij Sicilië vereenigden zij zich met Ila-
liaansche Kruisvaarders, Avaarschijnlijk die van Pisa, en landden ten getale van twaalf
duizend man, na oenen voorspoedigen overlegt, voor Ptolemais. Deze » krijgshaf-
tige , rijzige, onversaagde mannen, gewapend met strijdbijlen en voerende ronde sche-
pen , die men ijsnaehen noemdelegerden zich aan de reede dier stad , om de aan-
komende bedevaartgangers te beschermen. In den bloedigen slag tegen saladis , streden Ιΐδϋ
zij in de derde legerafdeeling onder aanvoering des Landgraafs van Thüringen , welke
inmiddels was aangekomen, en behaalden eene volkomene overwinning (2). Wie in het
langdurig beleg van Ptolemais en in de afwisselende gevechten, den moed mögt
verliezen, de Friezen verloren dien niet. Zij plukten krijgslauweren, doch genoten
na het overgaan van Ptolemais, welks belegering twee jaren geduurd en hel bloed
van tweemaal honderd duizend dappere krijgers gekost had, niels van den rijken buit,
dien richard leeuwenhart Van Engeland en filips augustus van Frankrijk, wil-
lekeurig zich uitsluitend toeeigenden. Van de twaalfduizend Friezen waren deslyds,
naar het berigt van een ooggetuige, geene honderd meer overig, en deze keerden eerst
eenige jaren later met andere Kruisvaarders, in hun vaderland terug (3).
Noord-braband en limburg. Hoe vele Nederlandsche Vorsten en Edelen in deze
kruistogten zich door dapperheid, moed en zelfopoffering onderscheidden, geen van
hen had schillerender roem verworven , en was door den uilslag luisterrijker bekroond
geworden dan godfried van Bouillon, de held van tasso (4). Piiellegenstaande «
(1) Westesdorp, Jaarb. v. Gron. 1). I. bi. 197.
(2) Verg. hiervoor, bl. 157.
(3) IIeljioldi Chron. Slavor. Lib. lil. c. 36. p. 682. E. bekiisga , Ilist. v. Oostfriesl.
bl. 101. scnotasus, Fr. Jlist. B. IV. bl. 123. Dieks, Noord-Nederl. en de Kruislogt.
bl. 162—178.
(4) De eerste uitgaven der Gcrusalcmme liherata voeren ook den (itel van: 11 Goffredo, Tasso
■wilde godfried als den held zijns gedielils beschouwd hebben, ofschoon risaido die eigenlijk is.
Hij bezingt reeds in de eerste stanza, uitbundig zijnen lof.
Canto 1'armi pietose e '1 capitano,
Che 'I gran sepolcro liberè di Cristo.
164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
1085—Keizer henduik IV hem Neder-Lotharingen onthield, bleef hij dien Vorst getrouw (1).
In den slag hij Merseburg, droeg hij, twintig jaren oud, den Keizerlijken standaard,
cn velde, in het beslissendst oogenblik des strijds, 's Keizers mededinger rudolf van
Zwahen, ter neder (2). Niet minder onderscheidde hij zich in den Italiaanschen krijg
legen Paus gregorius VII. Hij beklom het eerst de muren van Rome en opende de
poorten voor de benden des Keizers (3). Zoo vele dapperheid en trouw vormen eene
treffende tegenstelling met het gedrag van koenraad, den begunstigden zoon van Hen-
drik IV. Dertien jaren had deze het hoog gezag in Neder-Lotjiaringen gevoerd, toen
hij , de stem der natuur en der dankbaarheid versmorende, zich onder de tallooze
108Ü vijanden zijns vaders en weldoeners schaarde. Tot straf zijner trouwloosheid, werd hij
van zijne waardigheden beroofd, en Godfried van Bouillon daarentegen , in al de be-
zittingen van zijnen moederlijken oom, godfried met den hult, hersteld.
Als GODFRIED VI, oudcr de Hertogen van Neder-Lotharingen uit den huize van
Ardennes, had bouillon zeven jaren met wijsheid en in rust zijne staten bestierd, toen
lODO hij deel nam in de kruistogten naar het Oosten, welke geheel Euroj^a in beweging
bragten, en die, naar zijn beste begrip, de belangen van het Christendom en der dienst
van God vorderden. Met zijne broeders Eustachius en boudewijn , Graaf roeert II
van Vlaanderen, boudewijn, Graaf van HenegouiBcn, en de voornaamste Nederland-
sche Heeren, onder welke een van borselew , een der brederode's , een der van ar-
KEts en verscheiden Friesche Edelen, aan gene zijde van het Flie, geleld worden ,
trok hij met een uitgelezen heir, over welk-men hem het opperbevelhehherschap had
waardig gekeurd, naar Palestina. De gouden kroon vat) Jeruzalem werd het loon
zijner uitstekende daden; met tegenzin nam hij die aan, omdat ie Jeruzalem zijn
Heiland eene doornen kroonhv^A gedragen (4). Reeds het volgende jaar moest hij haar ,
1100 door den dood , aan zijn broeder boudewijn achterlaten. Weinig karakters prijken in
Molto egli oprö col senno e con la mano,
Molto sofli'i nel glorioso acquislo.
Ε invan 1'inferno a lui s'oppose, e iiivano
S'annó A^Asia e di Libia il popol misto;
Chè il ciel gli die' favore, e sotto ai santi
Segni ridusse i suoi compagni erranti.
(1) Zie hiervoor, bi. 108. )
(2) Marurcs scotüs, Chron. Lib. III. ρ. G5fi. Sigedertus gemblaceksis , p. 843.
(3) Mariani scoti Appendix, p. 657. Sigedebt, gembl. p. 845. Verg. dewez, IJist. Gén. de
la Belg. T. II. p. 350. . '
(4) Pauli lasgii, Chrojiieon apud pistoriüm, T. I. p. 1147, 4θ.
-ocr page 175-DES VADERLANDS. " 666
do geschiedenis met zulk eenen onbenevelden luisler als dat van godfried van 1085—
Ion, in wen zich die deugden en hoedanigheden gelukkig vereenigden, welke den
grooten held, den echten ridder en den voortreffelijken mensch vormen (1).
De Nederlandsche stalen van dezen uitstekenden Vorst, Νeder-Lotharingen en het
Markgraafschap van Antwerpen, 'geraakten nu, nevens het bewind o\er Maastricht
en andere goederen, aan het vorstelijk huis saa Limburg. IIeisdrikII, Graaf van
Limburg, zoon van Graaf hendrik I, welke het eerst als eene spruit uit dat huis
Toorkomt, en van juditii, dochter van frederik van Liixemhurg, Hertog yaa ISeder-
Lotharingen, noodzaakte Keizer Hendrik IV, sleeds gewikkeld in de onlusten, welke
Duitschland en Italië beroerden , hem het Hertogdom en Markgraafschap zijns groot- 1101
vaders af te slaan, over Avelke gobfried van Bouillon, gedurende zijn verblijf in
het Oosten, hem reeds hot bestier had opgedragen (2). Diens broeder EusTAcnnis
kwam het volgende jaar uit den kruislogt terug, doch deed geene pogingen, om zijne
regten op ]Seder-Lotharingen te doen gelden. Welligt was de opvolging in de zij-
linie destijds in dat Hertogdom nog niet gevestigd (3). Niet lang echter smaakte iiek-
drik. van Limburg het genot der heerschappij, 's Keizers ontaarde zoon, uendrik ,
in Rome tot Keizer gekroond, veinsde zich met zijn vader te verzoenen, doch zette
hem in een slot bij Ments in hechtenis. De jammerlijk geslingerde Vorst ontvlugtte
cn vond eene schuilplaats bij den voortreffelijken Bisschop obert te Luik. De gewe-
lenlooze vaderbeul volgde hem op de hielen, en liet een gedeelte zijns legers tussclien
L^uik en Maastricht oprukken, om zich van de brug over de Maas nabij J^ise mees-
ter te maken. Onmiddellijk zond uendrik van Limburg een gedeelte zijner benden 1106
ten einde hem den overtogt te beletten, en zegepraalde na een hardnekkig gevecht. In
hetzelfde jaar nog overleed de ongelukkige monarch, onder oberts bescherming, en
HENöRiK. V bleef niets anders overig, dan zich aan het lijk en den aanhang zijns vaders
te \vreken (4). Hendrik van Limburg Averd aan majesteilschennis schuldig verklaard,
en toen hij, onvoorzigtig, den verbolgen dwingeland om genade kwam sineeken, in
boeijen geworpen en van zijne waardigheden ontzet (5). Godfried de Baardige,
Graaf van Leuven of Braband, werd nu met Neder-Lotharingen verleid, om het
»naar de gewoonten, regten en voorregten zijner voorgangers, erfelijk te genie-
(1) Verg. v. kampeh, T^aderl Karaktcrk. D. I. bi. 80—88,
(2) sigecertcs gemblacensis , p. 854. Magn. Chron. Belg. p. 155.
(3) Dewez, Jlist. Gén. de la Belg. T. H. p. 352.
(4) üoDEcniHi Appendix, p. 067. Sigebertds cemblac. p. 858. Magn. Chron. Belg. p. 155.
(5) Sicebertcs cEas. p. 858. Magn. Chron. Belg. p, 155.
-ocr page 176-164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
1Ü85—ten (1)." Sinds dien tijd verdwijnt allengs de naam van Neder-Lotharingeti in dien
van Brahand t ofschoon de Hertogen van dat gewest bij hunnen tilel, steeds dien van
Lotharingen gevoegd hebben.
Godfried, de Ρ van dien naam uit het huis Leuven, en de VIP in de algemeene
opvolging der Lotharingsche Hertogen, werd spoedig gestoord in het nieuw verworven
gebied. Terwijl do Keizer, door zaken van het uiterste gewigt, in Duitschland werd
1107 bezig gehouden, had hendrik van Limburg, uit zijno gevangenis ontsnapt, de wa-
penen opgevat, om zijne verloren stalen te herwinnen, en zich van Aken meesier ge-
maakt, waar hij al zijne strijdkrachten vereenigde. Godfried trekt over de Maas,
herneemt Aken, en ΠΕίίοκικ van Limburg ontkomt ter naauwernood door de vlugt,
doch moet zijne gemalin en een groot aantal Heeren vun den eerslen rang, die zich aan zijn
lot verbonden hadden, in handen des overwinnaars achterlaten. Deze, even grootmoe-
dig als dapper, zendt de echtgenoote zijns vijands onverlet, zonder losprijs, terug; en
zegepraalt door zijne kieschheid en minzaamheid over de harten der gevangen Groe-
ten, die hem als hunnen Heer, huideen trouw zweren. Hendrik van Limburg,
dus ontwapend, doet afstand van zijne aanspraken, en elk legi nu den eed af aan
godfried (2).
Do geschillen over de keuze eens Keizers, na hel kinderloos overlijden vanHEisDRiK V
Π2δ te Utrecht, beroofden hem echter weldra van een gebied, welks bezit hij zich door
zulk ecne edele en verstandige handelwijze had waardig gemaakt. De zijde van koen-
raad , Avelke naar de kroon dong, aanklevende, benam hem lothair , die tot Keizer
was verheven, het hertogdom Lotharingen, en beleende daarmede walerah , zoon
van HENDRIK van Limburg. Sinds dien tijd hebben de Graven van Limburg den
Herlogslitel aangenomen, van welken godfried evenwel geen afstand deed, maar zelfs
in een gedeelte van het gewest, het gezag, daaraan verbonden, uitoefende. JVede?'-
Lotharingen was, als het ware, in twee deelen gesplitst, zoodat terwijl waleram
de landschappen aan deze zijde der Maas, de stad Maastricht en het gebied van
rrmjen bestuurde, al het overige door godfried met den titel van Hertog, in
naam van koenraad , geregeerd werd (3).
Duurzame vrede tusschen deze beide gezagvoerders, konde niet verwacht worden,
bijzonder in eenen tijd, toen de minste botsing het sein was tot eenen onvermijdelijken
(1) SiGEBERTUs GEMB. p. 858. Magn. Chron. Belg. p. 155. Dewez , Ilist, Gén. de la Belg.
T. II. p. 357, 358.
(2) SiGEBERTus GEMBtACEKSis, p. 858. Mogti. Chvon. Belg. p. 159.
(3) Magn. Chron. Belg. p. 159. Miraei Chron. Belg. p. 2'39. Dewez, Hist. Gén. de la
Belg. Ύ. II p. 360.
DES VADERLANDS. " 177
krijg, en de geringste geschillen , niet door onderhandelingen, maar door het zwaard 1085~
vereffend werden, ten ware het Opperhoofd des Rijks genoegzanien invloed en magt be-
zat , om den twist te beslissen. Weldra ontbrandde dan ook een hevige oorlog, toen !
gislebert, Graaf van Duras, door waleram van hel onderbeschermheerschap der
abdij van St. Truijen was beroofd geworden. Godfried, welke, als Hertog van Zo-
tharingen, het opperbeschermheerschap dezer abdij bekleedde, maakte 'sGraven zaak ?
tot de zijne, terwijl de Bisschop van Luik en de Abt van St. Truijen zich aan de
zijde van waleram schaarden. Het grondgebied der beide geestelijke Heeren werd nu , s]
door de gedurige strooptogten van godpried en gislebert , een jammerlyk tooneel van
roof en moord. De Bisschop van Luik verklaarde , onder voorwendsel , dat de Graaf 'i
zijn leenman was en den leenmanseed verbroken had , zijn graafschap verbeurd , en sloeg Ιί
met waleram het beleg voor Duras. Godfried, ondersteund door dirk c?m ji
Elzas, Graaf van p^laanderen, snelde den belegerden te hulp, en spoedig geraakten j
de beide legers handgemeen. Hardnekkig en bloedig was de strijd ; de zege bleef wel 20 ν,ιη ^
onbeslist, doch de Luikenaars waren genoodzaakt het beleg op te breken. Godfried |
verscheen kort daarna met nieuwe strijdkrachten in de ommeslreken van Duras, en H^O j;
boód , door een wapenknecht, den Bisschop van Luik den strijd aan. Waleram nam
dien , in naam desKerkvoogds aan, en het slagveld werd bepaald in de vlakte van/FV- ji
lore bij het kasteel van Duras, niet verre van St. Truijen. Hier behaalden de Luike- 7 van j;
naars eene volkomene overwinning, en Hertog Godfried verloor zijn grooten standaard, ί
een kunstig werkstuk , hem door de Koningin van Engeland geschonken , hetwelk hg ^ ^^^ |
op ccnen prachtigen wagen, door vier ossen getrokken, met zich voerde. Vandaar |
is deze strijdplaats langen tijd den Standaard genoemd geworden, en het beroemde
veldteeken zelf werd , eeuwen door , ter herinnering van deze overwinning , te Luik , \
ft
bij pleglige omgangen, als een zegeteeken omgevoerd (1).
De troonsbestyging van koesraad III, na den dood van lothair , herstelde eindelijk
godfried in het geheele en erfelijke bezit van Νede^'-Lotharingen. "Walekam deed,
op last des Keizers, afstand van het bestuur, doch behield den titel van Hertog, welke 1130
ook op zijne nakomelingen is overgebragt. Reeds het volgende jaar overleed Godfried , 1140
wiens vorstelijke deugden, grootmoedigheid, dapperheid cn trouw, met roem gemeld
ΛV0Γden (2). Hij werd de ^aarrfi^e genoemd, naar men wil, dewijl hij zijnen vader
gezworen had, zijn baard niet af te leggen , vóór dat hij in het bezit van Lotharingen
getreden zou zijn. Indien deze bijzonderheid op waarheid berust, zoude zij bewijzen, dat
(1) Magnum Chron. Belg. p. 15Ü. Dewiz, Hist. Gén. de la Belg. T. II. p. 36] , 302.
(2) H. BARLiBDi Chron. Ducum Brab. p. 28. Jntv. 1590.
II. DEEL. 23
-ocr page 178-164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
1085— de gewoonte der oude Germanen, en van welke men in civilis een voorbeeld aantreft,
den baard niet te scheren vóór dat de vijand overwonnen is, in Zuid-Nederland al-
thans, toen nog in wezen was (1).
Godfried II (VIII) volgde ongehinderd en als naar erfregt» zijnen vader in het ge-
bied, doch had naauwelijks de teugels daarvan aanvaard, toen hij de wapenen tegen
hendkik III van Limburg opvatte. Hertog waleram , welke in hetzelfde jaar als God-
fried I, zijn mededinger, λναβ overleden, had bij zijne gemalin jutta , de zuster van
Graaf gerüard II van Gelre, drie zonen nagelaten, van welke de oudste, hendrik ,
hem als Hertog van Limburg opvolgde. Deze was nog in het bezit van eenige goede-
deren in ]Seder-Lotharingen, en maakte tevens aanspraak op het beheer van dat ge-
deelte des hertogdoras, dat weleer onder het bestuur zijns vaders geweest was. God-
fried II, om hieraan eens en voor altijd een einde té maken, rukte met zijne benden naar
St. Truijen, nam die stad in, en vorderde gijzelaars tot waarborg hareronderwerping
en trouw. Nu trok hij met zijn geheel leger de Maas over, hetgeen hehdrik hem niet
konde beletten , welke zijne komst niet waagde af te wachten, maar de vlugtkoos. Zonder
tegenstand trok Godfried naar en in Aken, nam de inwoners den eed van getrouwheid
af, en bevestigde, door krachliga maatregelen, zijn gezag en vernietigde dat van zynen
mededinger (2), Hij regeerde weinig meer dan een jaar, en werd door zijn eenjarig
1141 zoontje, godfried III (IX) , overwien hij vier voogden had aangesteld, opgevolgd (3).
Dit bewijs van vertrouwen en onderscheiding was den magtigen bertdolds, Heeren van
Grimbergen en Mechelen, wier bezittingen zich tot aan de Schelde uitstrekten, ge-
weldig legen de borst. En daar de voogden hen noch in adel, noch in inagt, noch
in rijkdom evenaarden, weigerden zij , den jeugdigen Hertog den huldigingseed af te
leggen. Dit was de voorbode van eenen verschrikkelijken en vernielenden binnenland-
schen krijg, onder den naam van: Grimbergschen oorlog, in de oude volksliederen
bezongen. Men verhaalt, dat in eenen veldslag, niet verre van Grimbergen^, de jonge
Hertog in eene wieg aan eenen boom werd gehangen, om den moed der strijders
aan te vuren, en dat hij van daar godfried in de Wieg is bijgenaamd geworden (4).
Met zoo veel hevigheid werd gevochten, dat de nacht alleen den strijd konde afbreken,
(1) Dewez, Jïist, Gén. de la Belg. T. II. p. 363. Jlg. Gesch. d. Faderl. D.L hl US ,167.
(2) Anselm! gembiac. Chron. p. 260. Magn. Chron. Belgic. p, 182.
(3) Akseldi gemblagensi8 CliTon. p. 962, stelt het sterfjaar van dien vorst in 1143.
(4) Deze bijzonderheid wordt wel door geene (jelijklijdiije Geschicdsclirijvers vermeid, en de
waarheid daarvan door bütkens in twijfel getrolvken, doch daarentegen door eenen gedenkpenning
bevestigd. Oudh, en Gesticht, van 's Ilertogenbosch. bi. 8. Leiden 1743.
DES VADERLANDS. ί7θ
welke de twee volgende dagen met -vernieuwd geweld hervat werd. De verdedigers van 1085—
GODFRIED behielden wel, ten koste van veel bloed , het veld, doch konden echter Grtm-
hergen niet bemagtigen. Achttien jaren Avoedde die krijg, in welken ook de Graaf 1141—
van F laanderen gemengd werd, met afwisselend geluk, tot dat eindelijk deEERTHOLOs
moesten zwichten en het oppergezag des jongen Hertogs huldigen. Fier was de taal des
jeugdigen helds, toen de Graaf van Vlaanderen^ voor de bewezen hulp, en naar
de belofte der voogden, van hem huldiging eischle wegens het hertogdom Χοί/ια-
ringen. »Stoot mij vrij dit zwaard in de borst," zeide hij, hem zijn ontbloot rapier
aanbiedende, » maar vorder mijne hulde niet voor zulk een edel hertogdom aan eenen
Graaf." De VlaamscheGraaf getroiTen door dezen moed en standvastigheid, welke zoo
juist de Bidderzeden dier tijden kenmerken , hield zich met de hulde wegens Termonde
of Dendermonde , tevreden (1).
Het zou eene weldaad voor Ui eder-Lothar in gen geweest zijn, indien godfried III
bij deze fierheid, minder heerschzucht gepaard had. Doch steeds vlammende, om zijn ι
gebied uit te breiden, en weinig kiesch in de middelen, om zijn doel te bereiken, |
geraakte hij , een tiental jaren later, in eenen hevigen krijg met boudewijn IV, Graaf
van Henegouwen, in welken ook de Graaf van Vlaanderen en die van Namen en 1170
Luxemburg betrokken werden. Brahand werd vreesselijk geteisterd, en godfhied
genoodzaakt, den vrede aan te bieden, welke hem , onder redelijke voorwaarden, werd
toegestaan (2). Deze schande konde hij niet verkroppen, en in het geheim koes-
terde hij steeds de hoop, haar uit te wisschen. Te dien einde trachtte hij bedek-
telijk, Hertog hewdrik van Limburg, zijn schoonvader (3), voor zijne belangen te
winnen en vond gehoor. Hebdrik , verbitterd op den Graaf van Namen, die als
Graaf van Luxemburg, hem wegens het markgraafschap Arlon, hulde afvorderde,
viel in 'sGraven staten, verwoestte Namen en bragt Luxemburg in opstand. Boude-
AviJN van Henegouwen rukte, op het eerste berigt dezer vijandelijkheden, in Namen,
versterkte de hoofdplaats , drong tot in Luxemburg door, en keerde, na de opstandelin-
gen beteugeld te hebben, naar Henegouwen terug. Hertog dehdrik nam dit oogen-
blik waar, en wierp zich op nieuw in Namen en Luxemburg, welke aan de vreesse-
lijksle verwoestingen werden prijs gegeven. Doch weldra werd ZimAwr^ zelf het tooneel
van moord en verdelging door den Graaf van Henegouwen, terwijl het grootste ge-
deelte der Limburgsche benden in Luxemburg lag, en Hertog hemdrik zich in Arlon
(1) Akselbi cEMctAc. Chron. p. 962 , 973. Magn. Chron. Belg. p. 183. Bablabdd«, Chron.
Ducum Brab. p. 32. Dewez , Hist. Gén. de la Belg. T. Π. p. 363—370,
(2) Dewei, Eist. Gén. de la Belg. T. II. p. 370, 371.
(3) abselmi 6ejibiac. ChroH. p. 970.
23*
-ocr page 180-164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
1085—bevond. Deze stad, wel versterkt doch slecht van krygs- en levensmiddelen voorzien,
werd door den Graaf van Henegomcen ingesloten, aan wiens genade zich Hertog heit-
DRiK, na eene belegering van acht of tien dagen, moest onderwerpen. Hij werd in
zijne stalen hersteld , onder voorwaarde, dat hij de landen , vie\kg \άη Namen gw Luxem-
burg afhingen, zoude verheffen, en de schade, door hem aan do beide graafschappen
toegebragt, vergoeden. Godfried ΠΙ, die intusschen zijn verlies hersteld en zijne strijd-
magt versterkt had, zette den krijg tegen den Graaf van Henegouwen, met vernieuwde
woede voort. Door tusschenkomst van den Graaf van J^ laander en, werd Avel een wa-
penstilstand gesloten , doch spoedig ontbrandde de oorlog op nieuw , in welken ^raZf««t/,
Vlaanderen, Henegouwen, Namen en Luxemhurg beurtehngs te vuur en te zwaard
J]86 verwoest werden, tot dat eindelijk BOUDEWUïf zegevierde (1).
Ondertusschen had godfried ΠΙ, door kwalen afgemat, het bewind over Neder-
Lotharingen, aan zijn zoon uendrik: I opgedragen (2). Dezen behoorde, naar regt van
opvolging, de abdij van St. Truijen, welke door den Hertog van Limburg aan God-
fried was afgestaan. In spijt van dit regt, had de Hertog den Grave van Los [Loon)
vergund, zich van de genoemde abdy en van de heerlijkheid Duras meester temaken,
waaruit gevolgelijk een nieuwe krijg geboren werd. Immers Hendrik van Zoi/iarm^m,
verbolgen over deze daad van onregtvaardigheid en geweld, plaatste zich aan het hoofd
van een magtig leger , nam en sloopte de sterkte Duras, verwoestte het land van Los,
en belegerde de stad St. Truijen, in welke de Hertog van Limburg en de Graaf van
Los zich mei twintig duizend man geworpen haddeq. Hij Avas echter genoodzaakt het
beleg op te breken , om zijne eigene stalen tegen den Graaf Henegouwen te hulp te
' snellen , welke moordende en brandende tot aan Leuven was doorgedrongen. Eindelijk
werden na vele onderhandelingen, door tusschenkomst van den Koning van Frank-
rijk , den Graaf van Vlaanderen en den Aartsbisschop van Keulen, de geschillen
1189 bijgelegd, en de rust in Νeder-L^otharingen door een vrede bevestigd (3). /
Godfried III had sinds zijn afstand van het bewind, zich buiten allo staatszaken ge-
houden. Hij bewoonde dikwerf een zeer schoon landhuis of jagtslot, Orten genaamd,
gelegen in een zeer aangenaam oord, door bosschen omringd. Zijn verblijf aldaar maakte
deze plaats zeer bezocht, en in den omtrek werden verscheidene woningen opgerigt,
die spoedig eene kleine stad vormden, welke de Hertog met muren liet omringen en
1190 U Hertogenhosch noemde (4). Hij overleed in elfhonderd negentig en werd in Leu-
(1) Dewez, Eist. Gén. de la Belg. T. ,11. p. 371—376. Amselmi ge«b. Chron. p. 092, 995.
(2) Waarschijnlijk in of om het jaar 1183. Zie dewez in 1, c. p. 184 (a).
(3) Dewez, Hist. Gén. de la Belg. T. 11. p. 381—384. ^
(4) OtnJh. Qti Gesticht, van 's Hertogenbosch, bl. 1—9,
-ocr page 181-DÉS VADERLANDS. 181
ven begraven (1). Even als zijne voorgangers voerde hij den titel van Hertog van Lo- lOö.j—
tharingen of Lotrijk, en lijdgenoolen geven hem dikwijls dien van Hertog van Leuven.
Nooit noemde hij zich Hertog van Brahand, ofschoon hem en zijn zoon Hendrik, dien
titel door den Bisschop van Mcnis, in zekeren open brief, gegeven wordt. Zijne op-
volgers namen dien titel aan, Aem^l Nedcr-Lotharingen, nadat ZTo/ianti en andere
graafschappen de banden, welke hen aan dat gewest hechtten , hadden losgerukt, zich
hoofdzakelijk alleen lot Brahand bepaalde, dat zich toen, niet zoo als oudtijds, tns-
schen de Haine, de Dijle en de Schelde beperkte, maar zich ten Noorden en Oosten
over de Dijle uitstrekte. De naam van Lotharingen en Lotrijk bleef echter bestaan,
en werd door de Hertogen van ^ra^ö/jc? gevoerd. Immers, indien deze aloude benaming
verdwenen Avare, zou het landschap Brahand noch den eersten rang onder de Belgische
gewesten bekleed, noch zijne beheerschers den titei van Hertog gedragen hebben, daar
het nooit eigenlijk en wettifj tot hertogdom is verheven geworden, en de Graven van
Leuven of Brahand het nimmer zouden gewaagd hebben, den titel van Hertog aan te
nemen, indien zij niet Hertogen van T^otrijk geweest Λvarcn. Het voeren van dien naam
is gewettigd geworden, sinds de Blijde Inkomst van filips den Goede, welke beloofde
» te sullen aennemen den tytel en wapenen van Lotrijck, van Brahandt ende IJm-
borch (2)."
(1) Barlasdi Chron, Ducum lirab, p. 32.
(2) Dswez, Hisl. Gén. de Ia Belg. T. II. p. 38Ö,
-ocr page 182-VIERDE HOOFDSTUK.
VAN DEN
DOOD VAN GRAAF FLORIS III VAN HOLLAND,
tot op
HET SNEUVELEN VAN KONING WILLEM II.
IIOO—
^ΙΙ,ςρΉοΐ'ΐ-ΑΡίο en Zeeland. In hetzelfde jaar als Hertog godfried III, wasGraaf ïloris III
van Holland, in het Oosten overleden (1). Op de tijding van zijnen dood , aanvaardde
dadelijk zijn oudste zoon , dirk , nu de VII® en laatste van dien naam, de teugels van
het bewind. Inmiddels >vas ook filips, Graaf van Vlaanderen, bij het beleg ianAcre
gestorven; en daar hij noch kinderen, noch broeders naliet, ontstonden er geschillen
over de opvolging. Koning filips Tan Frankrijk, verklaarde het leen van Vlaan-
deren, bij gebrek van mannelyk oir, aan zyn rijk vervallen, tervvgl daarentegen
eoudewijs, Graaf van Henegouwen, gemaal van Margaretha , eene zuster van Graaf
filips, zich op grond zijns huwelijks, in het bezit daarvan stelde. Graaf dirk trachtte
zich van de spanning en verwarring, welke hieruit ontsproten, te bedienen, om
zich van de leenroerigheid aan Vlaanderen, door het verdrag van Brugge in elf
llö' honderd acht en zestig bekrachtigd, te ontslaan. Ernstig, doch te vergeefs, drong
hij bij Keizer Hendrik VI aan, om Zeeland hewester Schelde , voortaan onmiddellijk van
het Rijk in leen te ontvangen (2). Boudewun , die zich in Vlaanderen handhaafde,
bewees den Keizer hulde, wegens de landen van en Aalst, do vier Ambachten en
de Zee-eilanden {insulas marinas) (3). Dirk VU werd in de tolheffing te Geervliet,
(1) Zie hiervoor, bl. 132. ' i
(2) Meïerus, Annal. Flandr. Lib, VII. p. 58.
(3) Meyerüs, yénnal, Flandr, Lib. VII. p. 59. Kloit , Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. II, ρ. 2ö.>.
-ocr page 183-ALGEMEENS GESCHIEDENIS DES VADERLANDS. 183
bij een open Keizerlijken brief, bevestigd, en hem vergund » eenen tol van vijf ten 1190—-
honderd te eisclien van alle voorbijvarende schepen, die honderd of meer marken waar- jjy3
dig waren, en van kleinere vaartuigen, naar evenredigheid," terwijl tevens bepaald
werd, dat »zoo wel de Vlamingen en de onderzaten des Rijks, als vreemdelingen,
dien tol moesten betalen, op verbeurte van de Keizerlijke gunste, en éene boeto van
dertig ponden gouds; de eene helft ten behoeve van 's Ryks schatkist, de andere helft
ten behoeve van hem, die het ongelijk geleden had (1)." Men wil, dat hieruit de eerst-
volgende oorlog met Vlaanderen voortgesproten zij , daar niet alleen de Vlamingen,
bij het verdrag van elfhonderd acht en zestig, van dien tol vrij verklaard waren, maar
men hen nu in plaats van vijf, dikwijls tien ten honderd afperste (2). Anderen zoeken
den oorsprong van dezen krijg, inde weigering van den Graaf yixn Holland, om dien van
Vlaanderen, nopens de Zeemvsche leengoederen bewester i^c/ieWe, te huldigen (3).
Beide oorzaken hebben waarschijnlijk, dien oorlog doen ontbranden (4).
Ondertusschen was jonkheer willem, broeder van Graaf diek VU, uit het Oosten
teruggekeerd, waar hij nog vijfjaren na den dood zijns vaders, vertoefd, veel oorlogs-
roem ingeoogst en de inneming van PtoUmais bijgewoond had (5). Hartelijk werd hij
aan het grafelijk Hof ontvangen, doch dra rees geschil tusschen de beide broeders, en 1194of
willem, die wel eens zonder land wordt bijgenaamd, begon de rol van floris rfen
Zwarte te spelen. Het «chijnt, dat hem, door den onvcrwachten dood van floris III,
of geen vaderlijk erfdeel bepaald was aangewezen, of dat hem dit niet behoorlijk werd
uitgekeerd, en hij noch van de gunst eens broeders wilde afhangen, noch zich verge-
noegen met hetgeen deze heiii toelegde (6). Hoe dit zij, er ontstond groote onmin en
(1) Diploma dehrici VI bij τ. mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 129. Kluit heeft aange-
toond ^ dat deze brief niet in 1195 kan gegeven 2ijn, maar waarschijnlijk tot 11Ü3 moet teruggebragt
worden. Eist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 157. Τ. Ι. Ρ. ΙΓ. ρ. 266.
(2) Meijeri ΑηηαΙ. Flandr. Lib. Vil. ρ. 60. ad annum 1195. Wagenaar, D. II. bl. 277.
liiLDERDijK , D. II. 1)1. 65. Zie lucrvoor, bl. 127.
(3) V. wijk, Naleez. op wagenaar, bl. 129.
(4) Klbit , Hist. Crit. Com. ï. I. P. I. p. 156 (81}.
(5) Chron. Egmond. apud kldit, Hist. Crit. Com. Τ. L Ρ. I. ρ. 141, 154(74). Mehsstoke,
Β. II. bl. 447—450. De bek.α, ρ. 57. Chron. de Holl, apud matthaecm, Jinalect.T.Y.p. 53S.
De Klerk uit de laage Landen, bS. 79.
(6) Kluit, Hist. Crit. Com. T. I. P. I. p. 161, 162 (89). Bii.derbijk, D. II. bl. 67. Onze
oude Schrijvers melden niet de oorzalcen van dezen broedertwist. De bek α zegt slechte: « susurronum
exosa suggestio seminavit intidiae zelum inicr fratrcs p. 57. Hij Μ ordt hierin gevolgd docr den
Klerk uit de laage Laiiden, » die locgenaars en fistelaars," zegt hij bl. 79, »sayden haer on-
nutte saet tusschen deze twee broederen."
184 ALGE31EENE G Ε S CHI Ε D Ε Ν l S
■verwijdering, welke, naar men meent, adelheide van Kleef, gemalin van dirk VII,
niet weinig bevorderde (1)- Willeji vluglle met eenige vrienden of aanhangers naar
/Fest-Friesland, Avaar hij door de Drechterlanders met open armen ontvangen werd ,
en de vaan des oproers tegen zijn broeder ontrolde. Dirk had reeds oen aanzienlijk
leger bijeengebragt, om de vijandelijkheden van willeji , welke in het bijzonder dc
Kenneraers drukten , Ie beteugelen, toen de inval der Vlamingen in Zeeland, hem
noodzaakte zijne strijdkrachten te verdeelen. Hij zelf snelde met een deel zijner krijgs-
benden naar Walcheren, «waar uil hoofde van den magiiger vijand, het gevaar bet
dringendst was," en stelde hel ander gedeelte onder het bevel zijner heldhafligegema-
lin, aan wie hij de verdediging van Hollands Noorderdeel, had opgedragen (2).
Beide krijgstogten slaagden gelukkig. Adelueide was onmiddellijk ιυλάχEgmond go-
logen , om de grenzen te beschermen, en had mei haar gevolg het klooster betrokken,
over welks goederen zij onbeschroomd beschikte, lot onderstand harer benden (3).
Hier bezocht haar Bisschop eoudewijn van Utrecht, om , ware het mogelijk , cene ver-
zoening Ie bewerken, doch te vergeefs. Veeleer werden de wederzijdsche daden van
vijandschap voortgezet, welke niets beslisten en slechts den haat verhoogden. Adelheide
ondertusschen handelde met veel beleid en schranderheid, en wist in het geheim de
bewoners van Niedorp en TVinkel voor zich Ie winnen, die uiterlijk met de overige
West-Friezen nog één belang schenen te hebben. Zelfs schaarden zij zich Gnder de
vanen van Willem , toen deze met eene zeer aanzienlijke krijgsmagt naar Alkmaar
was opgerukt, om in hel open veld zijn geluk te beproeven. Onverschrokken trok hem
adelheide met hare ridders en de Kennemers te gemoet, en bood hem den slag aan.
Bij het aangaan van den strijd hielden echter de aanvoerders der Niedorpers en Winke-
lers , door Hollandsch goud omgekocht, hunne benden aan gene zijde van het riviertje
de Rehen of Rekere, eeno voorname grensscheiding lusschen Holland en West-
Friesland, terug; waarop de overige Friezen, vrezende van achteren ingesloten te
zullen worden , langzaam naar de ondiepte der rivier, nu eens als vlugtende weken,
en dan weder stand hielden, alsof zij handgemeen wilden worden. De Kennemers
en Alkmaarders vielen, zonder de ridders af te wachten, moedig op hen aan, en joe-
gen hen naar den anderen oever der rivier. Willem , slechts door Aveinigen vergezeld,
JlUil
I·
·"-■> ^ T»·· '.
(1) Chron, Egmond. apud kluit, Hist, Crit. Conti T. I. P. I. p. 154. Melis stoke, B. II.
•hl. 450, 451, is de eenige Schrijver, welke adelheide hiervan beligt. Zou misschien liet nadeel,
welk zi] den kloosterbroeders van Egmond later toebragt, ooi invloed op zijn oordeel gebad hebben?
(2) Chron. Egmond. ap. kluit in 1. c. p. 154. Melis stoke, t. a. p. bl.451. Debeki,p, 57.
J. i leydis, Lib. XIX, c, 2. De Klerk uit de laagc Landen, bl. 79, 80.
(3) Chron. Egmond. ap. »luit in 1. c. p. 154, 155. Melis stoke, t. a. p. bl. 451, 452.
IIÜO-
125G
DES VADERLANDS. " 185
verweerde zich eenigen tijd dapper in de ondiepte zelve, doch zoude iDgesloteii ge- 1190—
■\veest zijn, indien hij zich niet tijdig door de vlugt gered had. De zege van adelueide
\Tas beslist (1).·
Juist ontving Graaf dirk de blijde mare dezer overwinning, toen hij , na een aller-
hevigst gevecht op Walcheren, Graaf boüdewijn van Vlaanderen geslagen en ge-
noodzaakt had, Zeeland te ruimen (2). Spoedig snelde hij Εgmond, waar adel-
heide steeds haar verblijf Jiield. Nevens zijne moeder, αβλ van Schotland, kwa-
men hier, nog vóór het einde des jaars, zgne drie ooms, Bisschop boudewiin van
Utrecht, de Domproost dirk en Graaf οττο van i?eniAem bijeen, om de geschillen
lusschen de beide broeders, te vereffenen. Lang werd er onderhandeld , tol dat eindelijk
willem, door den Domproost overreed, zich naar Haarlem begaf, waar Graaf dirk
en Bisschop botjdeavijk zich bevonden. Hier werd dan op een vroegen morgen , voor
het bed van Graaf dirk, een verdrag gesloten, en daarin bepaald: 1) dat aan
WILLEM, voor vaderlijk bewijs of erfdeel (pro patrimonia), jaarlijks uit de Geervliet-
sche tollen, driehonderd ponden zouden aangewezen worden; 2) dat hij het graafschap
van Ooster- en JVestergoo [Oost-Friesland, Comitatus orientalis Frisiae) van
zijn broeder in leen zoude ontvangen; en 3) dat hij, naar hel gewest, hem afgestaan,
vertrekken en Graaf dirk in het gerust bezit van het geheele graafschap Rolland laten
zoude (3). Willem nam nu den titel en het zegel van Graaf van Friesland aan (4).
(1) Chron. Egmond. apud kleit, Ilist. Crit. Com. Τ. I. 1'. I. ρ. 158, 150. Melis stoke,
Β. IL bi. 453, 454. De bek α, ρ. 57. Occo scaniessis, bi. 104. De Klerk uit de laage Lan-
den , bi. 80. Oude Holl. Div. Kron. Veertiende Div. c. 3. S. eikelenbekg , Alkmaar, bi. 57.
Volgens liet oude Goudscke Kronijkje, zouden vier duizend Friezen omgekomen zijn, bl. 48,
hetgeen door scriverius met rede wordt in twijfel getrokken. Toetssteen, bl. 247, 248,
(2) Chron. Egmond. apud kluit in 1. c. p. 15G. 159. Conf. T. 1. P. Π. p. 267. Melis stoke,
li. II. bl. 452, 455. De beka , p. 57. J. α leydis , Lib. XIX. c. 2. Het Goudscke Kronijkje
begroot het getal der gesneuvelde Vlamingen op 38,000. bl. 48. Zie hierover den Toetssteen,
bL 248. De Vlaamsche Schrijvers melden niets van deze heerlijke overwinning; zij schijnt echter
niet geheel uit de lucht gegrepen te zijn. Meyerds erkent zelf, dat wegens den Gecrvlietschen
tol, groote twist tussclien de Hollanders en Vlamingen gerezen en niet zonder oorlog geëindigd
is. Annal. Flandr, Lib, VIL p. 60.
(3) Chron. Egm. apud kluit, Hist. Crit. Com. Τ. 1. Ρ. Ι. ρ. 159—102 (88—ϋ1). Melu
stoke, Β. IL bl. 455—457. J. de beka, ρ. 57. Oude Holl. Div, Kron. Veertiende Div. c. 3.
en in gelijke bewoordingen bij den Klerk uit de laage Landen, bl. 81, 82.
(4) KxiiiT, Hist. Crit. Com. Τ. 1. Ρ. IL Excurs. VlII. ρ. 400.
II. deel. - 24
-ocr page 186-164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
J190—Eenigen vergrooten zijn gebied met West-Friesland (1); doch dit is niet waarschijn-
lijk, dewijl Graaf dirk in den winter van hel jaar elfhonderd acht en negentig, in
Drechterland \iel, en het op eeno vreesselijke wijze verwoestte (2). Het was het te-
genAvoordig Friesland ten Zuiden tot aan de Lemmer, en ten Noorden tot aan de
Lautoerzee, wat hem len deel werd (3). Hij vertrok onmiddellijk derwaarts, en werd
door de Friezen met vreugde als Heer gehuldigd (4).
Men vraagt, hoe kon dirk VU zijnen broeder dat Friesland in leen geven, daar hij
er, volgens de overeenkomst van elf honderd vijf en zestig, slechts de halve inkomst
van bezat (5)? Het komt eenigon waarschijnlijk voor, dat boudewijn, hetzij vroeger
aan dirk VH , zoö niet reeds aan floris III, hetzij thans, als oom, aan Jonker Wil-
lem, zijn gedeelte van Friesland in achterleen heeft afgestaan (6). Hiertegen is aan-
gemerkt, dat BOTiDENviJN, hoezeer oom der beide broeders, toch als Bisschop, het
regt des Utreohlschen zetels zoude noch konde weggegeven hebben (7), Men vermoedt
uit dien hoofde, dat na 's Keizers beslechting in elfhonderd vgf en zestig, er Aveder
eene nieuwe overeenkomst betrekkelijk het Friesche graafschap, tusschen Holland en
Utrecht moet getrolTen zijn, waardoor de Graaf van Holland daar over beschikken kon-
de ; ten waro Keizer frederik I, in het opgenoemde jaar , niets beslist, maar alleen
eene vereeniging tusschen partijen tol stand had willen brengen, Avaarbij inderdaad het
regt van floris ΠΙ, als Graaf van dit Friesland erkend, maar alleen het genot daar-
van omschreven werd, door er den Bisschop deel in te geven (8). Daar echter een
(1) Occo sciklensis, bl. 104. Ubbo emmiüsj de lier. Fris. liist. Lib, VII. p. 115. '
(2)'CArow. Egm. apud kldit, Hist. Grit. Com. Τ. I." Ρ. I. ρ. 168. Melis stoke^, Β. II.'
LI. 474. Verg. wagenaar , D. II. bl.. 280. '
(3) --- en had in hant
Toter Zapecen al de lant. Mens stoke, B. II.L·!. 458. BildekDijk , D. II. bl. 69.
(4) Melis stoke, IJ. II. LI. 457. Occo scarieixsis, bl. 104. De Klerk nit de laage Landen,
bl. 82. Uiioo EMMios, de Rer. Fris. Eist. Lib. VII. p. 115. , iV
' ■.■» .r,(i. ■;! ' i ,11 .· ' .
(5) KniiT, //ü/. Grit. Com. t. I. P. II. p. 403. Verg. hiervoor, bl. 169. ; ■
» (6) Kluit ' liist. ACrit'i Com. Τ. I.j Ρ. ίΐ. ρ. 404, 405. Broihikg, Gesch. d. Nederl. D. I.
bl. 119. Verg. Occo scarlensis, bl. 105. ^
(7) BiLDKRDiJK ,6 D. II. bl.|68. Reeds de Klerk uit de laage Landen , was van dit gevoelen.
»Hterby mach mcnfmerken," zegt hij, »dat die Bisicop van Vtreckt met onrecht hembewynden
wil die Graefseip yan 'Oistvrieslant; want liaddc> een Bisscop ι recht daer toe gehadt, dese eedelc
Bisscop hads neyt overgegeven." hl. 82, i · . ■[ 'j j '»»O ■
(8) Bilderdijk, t. a. p. ^ Κ'ητ,ίΐ
-ocr page 187-DES vaderlands. 187
Graaf over Friesland, zoo door den Bisschop van Utrecht, als door den Graaf van 1190—
Holland, die gemeenschappelijk het land bezaten, moest gekozen worden (1), zoo
schijnt het vrij duidelijk, dat ook thans Bisschop boubewijs zijne keuze op willem
zal bepaald hebben (2),
Boüdewijn overleefde niet lang de verzoening, welke voornamelijk door zijne lus-
schenkomst was bewerkt geworden, doch spoedig weder in onmin ontaardde. Men ver-
moedt op goeden grond, dat willem in het geheim, οττο van Gelre begunstigd hebbe 1196
in het geschil met Graaf dirk , betrekkelijk de keuze eens nieuwen Bisschops van
Utrecht (3). Hieruit laat zich verklaren, waarom zijne moeder , ada vanÄ/joi/aiwi, en
eenige vertrouwde vrienden, hem zoo bepaald boeijen konden voorspellen, wanneer hij
zyn voornemen, een bezoek bij dirk af te leggen, verwezenlijkte (4). Willem echter
sloeg deze vermaning in den wind, en verscheen op het slot ten Horst in het Sticht,
waar dirk , wien Keizer Hendrik VI het wereldlijk bewind des bisdoms tijdelijk had
opgedragen, zich thans bevond, onder den schijn van hem geluk te wenschen, over
de zege, door de Hollanders in een hevig gevecht op οψΊΟ van iïeirc behaald (5).
Reeds de onvriendelijke ontvangst, moest willem opmerkzaam gemaakt hebben; hij
bleef echter en werd onverwachts, terwijl hij, zijno handen gewasschen hebbende, zich
aan tafel wilde zetten, onder de oogen van dirk , en ongetwijfeld op diens bevel, door
HEKDRiK DE KRAAN in liechtenis genomen (6). Men beweert, dat de HolJandscbe 1197
Graaf hiertoe genoodzaakt was, dewijl de Kuinder, het graafschap van Hendrik de
kraan, en waaruit willem dezen verdreven had, een leen der Ütrechtsche kerk was.
Dirk nu, als voogd des bisdoms, was aan de khaan , die bij hem toevlugt gezocht
bad, voldoening en bescherming schuldig (7). »De komst van Willem," dus rede-
neert men voort, η bragt derhalve dirk in eene verregaande belemmering. Hg zag aan
(1) Zie hiervoor, bl. 169.
(2) Van wus, op wagesaar, St. II. bl. 96. }$ildebdijk schijnt dit belangryk werk nimmer
{jeraadplecßd te hebben.
(3) Kluit, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 163 (92). Ook schijnt ecnigzins van dit gevoelen
de Klerk uit de laage Landen, bl. 85.
(4) Chron. Egm. apud kluit,. T. I. V. I. p. 163. Melis stoke, B. II. bl. 469.
(5) De beka , p. 61. De Klerk uit de laage Landen, bl. 84.
(6) Chron. Egm. apud· kluit, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 163. Melis stoke, Β. II.
bl. 469—471. De beka, ρ. 61. J. α leydis, Lib. XIX. c. 7, 8. Oude Holl. Div. Krön.
Veertiende Div. c. 7. De Klerk uit de laage Landen, bl. 85.
(7) Bildebdijk, D. II. bl. 71. Verg. kliit, Hist. Crit. Com. T. I. P, I. p, 163 (93).
24 *
-ocr page 188-188 algemeene geschiedenis
1190—de eene zgde zijne voogdij door Graaf οττο, aan de andere door zijn broeder willem
aangetast; al wilde hij met het broederlijkst hart willem begunstigen, hij kon hem
niet ontvangen, zonder zijne achting en goeden naam te wagen, en zich als trouwloos
en verraderlijk ten aanzien van zijne voogdij , verdacht te maken. Willem beging dus
de grootste onvoorzigtigheid en haalde zich dezen smaad op den hals; en het was eene
schrandere streek van dirk , die gevangenneming door be kraan te laten doen,
Avaardoor hij alle achterdocht van collusie wegnam, terwijl hij de gelegenheid wel wist
te verwekken, om den gevangene, zonder dat hij er deel aan had, te laten ontko-
men (1)." Doch indien Graaf dirk slechts een geveinsd misnoegen toonde; indien nood-
dwang alleen hem tot deze gevangenneming deed besluiten; indien geene veetetusschen
hem en zijnen broeder bestond; indien willem op zijn bevel of toelating ontsnapte,
van waar dan dal deze eene toevlugt zocht bij οττο van Gelre, dirks grootsten vijand?
Dit laatste versterkt integendeel het vermoeden van Willems verstandhouding met den
Graaf van Gelre, die hem reeds vroeger in Palestina had leeren kennen (2), door
wien hij met open armen ontvangen werd, en met wien hij tegen zijnen broeder eene
vyandelijke houding aannam, Οττο zelfs gaf hem, in Friesland tèruggekeerd, zgne
dochter adelheide ten echt, met wie bij te Stavoren, onder het vreugdegejuich der
^lyy menigte, zijn huwelijk voltrok (3).
Ongetwijfeld waren het wederzijdsche belangen, welke kort daarna eene verzoening
tusschen Graaf dirk , zijnen broeder willem en Graaf οττο van Gelre bewerkten (4).
Dirk beloofde zijne dochter aleid aan Hendrik, den zoon van Graaf οττο, ten
huwelijk. Dit werd echter verijdeld door den spoedigen dood van dien zoon, welke te
Rijnshurg begraven j en weldra door aleid in het graf gevolgd werd (5). Het verbond
(1) Bilderdijk, D. II. bl, 71, 72,
(2) De beka, p, 61, De Klerk uit de laage Landen, bl. 85. Oude Holl. Div. Äron. Veer-
tiende Div. c. 7.
(3) Chron. Egm. apud kluit , Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 1G4 (94). Melis stoke , β. Π.
1)1, 471, 472. De βεκ\, de Oude Holl. Div. Kr. en de Klerk, op de bovenaangehaalde plaatsen.
Occo scarlensis, bl, 105, Heda, p. 184. ^
(4) Wij kunnen niet deelen in het gevoelen van bilderdijk, D, II. M. 73, dat de vijandifjc
aard van Bisscliop dirk tah der aare, de oorzaak dezer Vicrzceninjj; {jeweest is. Het blijkt immers,
(lat deze Kerkvoogd eerst daarna, ten bisschoppelijken zefel van Utrecht werd verheven. Chron.
Egm. apud. klüit , Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 167.
(5) Chron. Egm. apud κιυιτ, Hist. Crit, Com. T. I. P. I, p. 165 (98). Melis stoks, B. II.
bl. 473, 474. De deka, p. 57. Cron. de Hollant, in matthaei Analect. T, V, p. 534,
J. a. leydis, Lib. XIX. c. 1. De Klerk uit de laage Landen, bl. 86.
DES VADERLANDS. " 189
werd echter ongeschonden gehouden, en hel nut daarvan bleek dadelijk, loen dikic 1190 —
VAH DER AARE tot Bisschop vau Z7irecAi vvas verhevoD. De nieuwe Kerkvoogd, om
den schuldenlast van het Slicht te verligten, besloot tegen den geest van het verdrag
door tusschenkomst van Keizer fkederik I aangegaan , en in spijt van Graaf willem ,
eene geldheffing in Friesland te beproeven (1). De Graaf van Holland hierover, zoo
wel als wegens andere daden van vijandschap , op den Bisschop verbitterd , enGraaf οττο
die het verwoesten der eluioe door de Stichtschen onder BOUDEWUii, niet verkroppen
konde, vonden hierin, na aanzoek van willedi , eene geschikte gelegenheid, zich op
den ütrechlschen Kerkvoogd te wreken (2). Terwijl οττο het zoogenaamde Over sticht 1202
bestookt en Deventer bemagtigt, valt Graaf dirk in hot Gein, .verbrandt de kerk van
JVoerdm, en rukt, het Neder-Sticht verwoestende, voor Utrecht. Hij breekt ech·-
ter het beleg dier stad op, en snelt, even grootmoedig als onbaatzuchtig, naar Bra-
hand, om Graaf οττο , die in handen des Hertogs van Lotharingen , 's Bisschops bond-
genoot, gevallen is, te verlossen. Na Tiel, toen onder het gebied van Bruland y in
asch gelegd te hebben, slaat hij het beleg voor 's Hertogenhosch, en maakt zich met
die stad tevens meesier van eenen rijken buit en vele gevangenen, onder welke Λνιι.-
leitt yan parwijs, 's Hertogs broeder, en hendkik , Heer van Kuik, zich bevonden, aan
Avio de verdediging der veste was toevertrouwd. Op den aftogt werd hij echter door
den Hertog, met Limburgsche en Vlaamsche hulp, nabij Heusden, waar bij onbezorgd
met^weinig volks gekomen was, aangevallen, na een roekeloozen tegenweer geslagen, 4 of7Uc
en gevangen naar Leuven gevoerd. Holland enGelre, van Graaf beroofd, werden
nu door de Stichtschen, doch ten koste van vele Utrechtsche ridders en knapen, vrees- maand
selijk geteisterd; en het verlorene geraakte weldra weder in het bezit van Bisschop
DIRK (3). De Graaf van Holland sloot echter spoedig met den Mijtervorst eenen vasten
vrede, nadat hij door den Hertog voor een losgeld van twee duizend mark zilver, ge-
slaakt was (4). Men heeft tevens de opdragt van het eiland van Dordrecht aan Bra-
(1) De deka , p. 63. Heda , p. 185.
(2) Kluit, Hist. Grit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 169, cn aldaar in de aant. 5 aangehaalde Schrijvers,
bij welke nog kunnen gevoegd Vörden: de Klerk uit de laage Landen, bl. 87. Jon. α levdi^ ,
Lib. XiX. c. 11. 12.
(3) Chron. Egmond in kluit, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 169-173 {5, 6, 7). Melis
stoke, Β. II. bl. 476, 477. De beka, p. 62. Heda, p. 185. Chron. Tiel. p. 175, (q.) J. *
LEYDis, Lib. XIV. c 11, 12. De Klerk uit de laage Landen, bl. 87—89.
(4) Chron. Egm. ap. κιοιτ, Τ. I. Ρ. I, ρ. 173. Melis stoke, Β. II. bl. 477. De bek λ , ρ. 63.
IIeda , ρ. 185.
164 ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
JJ90—band, als een gevolg \an zijne gevangenschap beschouwd (1). Anderen daarentegen,
hebben betoogd, dat deze opdragl ruim twee jaren vroeger geschied is, en op dit voor-
val niet de minste betrekking heeft (2). Het blijkt uit een Charter van het jaar elf
honderd acht en negentig, dat Graaf dirk toen nog volkomen meester in Zeeland vas,
en men rekent, dat hij eerst op het laatst zijns levens, aan boudewijw van/^^»««i/eren,
manschap gedaan heeft (a). Doch omstreeks dezen lijd (1200?) hernieuwde de Hertog
van loeder-Lotharingen of Brahand, de geschillen over het andere gedeelte van
Zeeland, tusschen Maas en Schelde, die reeds voorlang, tusschen zijne voorzaten en
die des Graven van Holland gevoerd waren. De bron dezer geschillen is onbekend.
Er zijn die meenen, dat de Hertogen van Neder-Lotharingen , sedert Hertogen van
Brahand genoemd, hun regt en aanspraak op Zeeland tusschen Maas en Schelde
daarop grondden, dat de grenzen van het oude Kijk van Lotharingen zich tot de
eerstgenoemde rivier uitstrekten. Dit regt werd hun, naar het schijnt, door de Hol-
landsche Graven betwist, sinds Νeder-Lotharingen onder verscheidene Heeren was
verdeeld geworden, die alle onmiddellijk van het Keizerrijk afhingen (4). Doch Avat
van dit regt te houden zij , Hertog uesdhik. I van Brahand deed het thans gelden ,
en het geschil werd door tusschenkomst van wederzijdscho gevolmagtigden, op deze
wijze beslist: »In stede van het land in geschil, slaat de Graaf aan den Hertog af: de
»stad Dordrecht, Ier wederzijde van het water, Dordrechtswaarde ^ Herestcaarde,
1) Dassen en hel geheele land tusschen Strijen en fVaalwijk, tot aan het gebied des
» Hertogs toe. Al dit land ontvangt hij echter wederom in erfelijk leen, naar Bra-
» bandsch regt, van den Hertog, wien hij tevens al zijn regt op Breda afstaat, en be-
» looft, hem tegen alle vijanden , behalve tegen het Keizerrijk, Ie zullen dienen. Daar-
»tegen verbindt zich de Hertog, den Graaf te zullen beschermen, tegen al zijne vijan·
)) den, hot Rijk alleen uitgenomen (5)." Men bewondert de staatkunde van biiik VII,
welke, zonder het regt des Hertogs op het betwiste gewest, toe te stemmen of tegen
te spreken, van hem bedingt, dat hij van alle aanspraak daarop zou afzien. Het is
(1) Wagenaati, D. II. bl. 292—296. Huijdbcoper , op meus stoke, D. II. bl. 5.59—568, be-
twist de echtheid dier opdragt, welke echter door kltjit , Hist. Crit. Cojn. T. I. P. II. p. 413—449,
boven alle bedenking gesteld wordt.
(2) Kluit, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ. 413 sqq. Vak wijs, op\vagesaar,Sf. II.bl.97,98,
hllderdijk , D. II. bl. 66. '
(3) Zie dit Charter bij kluit, Hist. Crit. Com. Τ. II. Ρ. I. ρ, 218. Verg. bilderdijk, D. II.
bl. 66.
(4) Wagekaar , D. II. bl. 293.
(5) V. mieris, Charterb. ν. Holland, bl. 137. Vas de waii, Uandv. v. Dordr. D. 1. bl.lü.
\
: 1
-ocr page 191-DES VADERLANDS. " 682
waar, hy droeg hem iu de plaats het Zuid-Hollandsche eiland op , doch door het in 11 yO—
erlleeii terug te ontvangen, bragt hij dit stuk lands, waarover nog altijd geschil met
Utrecht te duchten was, inderdaad onder 's Hertogs verdediging; en ontlastte »dus
zichzelven aanmerkelijk , om met meer nadruk de Friezen en Vlamingen tegen te slaan,
met wie een eeuwige strijd onvermijdelijk scheen (1)."
DiKK VII overleefde niet lang zijne slaking uit de Leuvensche gevangenis. Hij
stierf te Dordrecht ten gevolge eener zware ziekte, slechtséénedochter, adagenaamd, 4 van
achterlatende (2). Heerschzucht is, over hét geheel, zoo ingeweven in des mcnschen
natuur, dat men naauwelijks behoeft op te merken, dat ook zij een hoofdtrek in het 1203
karakter van dirk VII, zoo wel als in dat van Willem van Friej/anrf uitmaakte. Beiden
vereenigden met haar onverzaagden moed en dapperheid, doch ontbrak het hun wel eens
aan die waakzaamheid en behoedzaamheid, welke de veldheer, niet slechts bij het aangaan
van den slag en in het gevecht, maar ook na de overwinning, nooit uit het oog mag ver--
liezen. Ridderlijkheid van aard kenmerkte niet minder dirk dan willem , toen gene de
voordeden, welke de onvermijdbare vermeestering van hetbenaauwde £/irec/ii hem in het
verschiet aanbiedt, Iaat varen, om zijnen bondgenoot οττο , uit de banden der gevangenis
te redden. Zij ging echter bij dirk met meer beleid en staatkunde gepaard, dan bij
WILLEM, wien fierheid vaak tot daden verleidde, welke niet van onvoorzigiigheid en roe-
keloosheid zijn vrij te pleiten. Meer onrustig dan ongelukkig was de regering van di»k
geweest, welke door nog stormachtiger tijden zou worden gevolgd. Hij had die voorzien
en getracht to voorkomen. Te dien einde had hy op zijn sterfbed liggende, gewenscht
Graaf willem te spreken (3). Gewis niet om zich met hem te verzoenen, daar het immers
niet blijkt, dat hij in onmin 'met zgn broeder leefde, nadat hij hem tegen den Utrecht-
schen Bisschop had bijgestaan (4). Slechts uit broederlijken pUgt [dehito germani-
tatis), liet hij hem ontbieden (5); en zoo een later Schrijver er bijvoegt, om zich met
hem te verzoenen (6), dan schijnt men dit niet op hem zeiven en zijnen broeder, maar
op dezen laatsten en 'sGraven gemahn adelheide, te moeien toepassen (7). Haar haat
(1) Bildehdijk, I). II. LI. 06.
(2) Chron. Egmond. ap. kluit, Hist. Crit. Com. Τ. 1. Ρ. I. ρ, 17.5 (12), Melis stoke,
Ii. II. 1)1. 478. De beka , p. 63.
(3) Chron. Egmond. ap. kluit in 1. c. p. 176. Melis stoke, B. II. bl. 478. De beka, ρ.β3.
(4) Van wu», op avagehaar, St. II. bl. 98.
(5) Chroti. Egm. ap. klbit in 1. c. p. 177.
(6) Melis stoke, B. II. bl, 478. » om den moet te maken sochier."
(7) Vau wijn , op wakkhaab , St. II. bl. 99.
-ocr page 192-ALGEMEENE CtESCHIED ENIS
1190—tegen avillem λυ38 meer dan ooit ontgloeid, en zij had hem den toegang lot den Graaf ge-
weerd , toen zij was overtuigd geworden, dat deze hem, als broeder en naasten bloedverwant
(Agnaat), de voogdij over zijne vijftienjarige dochter aba , wilde opdragen, en met hem
en de overige voornaamste leenmannen of baroenen, die schikkingen beramen, welke
de belangen van het graafschap vorderden (1). Immers Holland was toen nog een
mannelijk erfleen van het Rijk , waaraan het, bij gebrek aan mannelijk oir , weder moest
vervallen (2). Eerst later werd het een gemengd leen {feudum promiscuum), dat zoo
Λνοί op de dochters als op de zonen overging. Do Hollandsche Graven, in wier geslacht
het bewind nu drie eeuwen geweest was, hadden echter , vooral in de laatste lijden , door
de inwendige beroeringen des Rijks, zich weinig om hunne leenpligten bekommerd, en
Holland zelfs wordt door een gelijktijdig Schrgver, hun erfelijke grond genoemd (3),
Het blijkt dirks bedoeling geweest te zijn, dat de onmondige ada hem in het bewind
zoude opvolgen. Vroeger, naar het schijnt, had hij adelheide tot de voogdijschap be-
stemd (4), doch was hiervan teruggekomen, en had even voorzigtig als staatkundig,
besloten, den oorlogzuchtigen en naar gebied hakenden willem aan zich to verbinden ,
ten einde Holland voor inwendige beroerten en buitenlandsche kuiperijen te bewaren,
door hem de belangen zyner dochter in handen te stellen , daar hij , als de eenige man-
nelijke telg uit zijn geslacht,' ook de eenige zijn zoude, die de opvolging zijner dochter
konde betwisten en haar regt twijfelachtig maken (5). Immers in het grafelijk bevfind
was steeds de vader door den zoon, en bij ontstentenis van dezen, door den broeder op-
gevolgd : en men had nog geen voorbeeld , noch vond eenige melding van vrouwelijke op-
volging (6). Ada had slechts aanspraak op de rijke allodiën, welke haar vader in Hol-
land bezat, doch waaraan het grafelijk bestuur niet verbonden was (7). Adelheide,
de moeder van ada, wist dat de opvolging eens broeders door zijnen broeder, onder oog-
luiking of goedkeuring der Keizers, van wier wil dit afhing, in de groote Rijksleenen wel
genoegzaam ten regel, maar nog geenszins tot een wettigen regel was geworden ; het was
haar ook tevens bekend , » dat het zeer gemeen was, wanneer een der eerste leenmannen
(1) Chron, Egmond. ap. kluit, Ilist^ Crit. Com. Τ. I.P. I. ρ. 177 (15). Melis stoke, B. II.
bl, 478, 47y. Dedeka,p. 63. , -
(2) Kluit, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 176 (13). ' . . , ^ U·
(3) Vak wijn, op wagetraar, St. II. bl, 99. / - ' '■>■
(4) Vau wijh, op wagenaar , t. a. p. feU - ^ '
(5) Kluit, Hist. Crit. Com. T. I. P. II. p. 454." Vcrg. bilderdijk , D. II. bl. 78.
(6) Klüit, Hist. Crit. Com. T. I. P. I. p. 175 (13). . .Ai .i' . . . « ■ ,ί ;
(7) Kluit, Hist. Crit. Com. T. I. P. 1. p. 181 (20), gevolgd door buderdijk, D. II. bl. 77.
V \
»mm
-ocr page 193-DES VADERLANDS. " 193
des Rijks , eene gehmvde dochter als eenige erfgename naliet, dat do Keizer, in
opvolging van het leen, den schoonzoon des verstorvenen, allen anderen voortrok (1)."
Zij konde derhalve, op eenigen grond de hoop koesteren, ook deze gunst voor hare
dochter van den Keizer te verwerven, waardoor levens haar haat op willesi en hare
heerschzucht moglen bevredigd worden. De hoofdzaak was slechts, voor hare dochter
eenen gemaal te vinden, onder welken zij de teugels van het bewind in handen hield,
wien zij door de meerderheid harer bekwaamheden konde beheerschen, en door wiens
betrekkingen zij in slaat gesteld werd, willem en zijnen aanhangers, die, gelijk men
gemakkelijk konde voorspellen, dit met leede oogen zouden aanzien, met nadruk weer-
stand Ie bieden (2). Zulk een gemaal vond zij in lodewijk, Graaf van Loon of Los,
een zoon van Graaf gehhard van Loon, en van maria , dochter vnn Hendrik, Graaf
van Gelre. Kort te voren had hij zijn graafschap , om het tegen den Hertog van Lotrijk
of Braband te beschermen, aan den Bisschop van Luik opgedragen en hel van hem als
een mannelijk leen, terug ontvangen (3). Door de betrekkingen, welke lusschen den
Bisschop van Luik en dien van Utrecht bestonden , konde adelheide te meer op dezen
laatslen, den onverzoenlijken vijand van vvilleh , rekenen; terwijl lodewijks namaag-
schap, als zusterszoon van οττο van Gelre, levens de vrees voor tegenkanting aan do
zijde van dezen Graaf, ofschoon Willems schoonvader, aanmerkelijk verminderde. Nog
minder ondersteuning had willem uit Braband en Vlaanderen te wachten, waar men
veeleer den jongen Graaf van Zoon, dan den krijgs-en heldhafligen Graaf van i^ViCi^ciici
aan het hoofd der zaken in Holland geplaatst wilde zien (4). Adelheide wist daaren-
boven haar voornemen aan οττο , Graaf van Benthein , oom van dirk VU, en aan vele
Hollandsche Edelen smakelijk te maken (5). Onder deze bevonden zich eenigen, als
(1) Bilderdijk, D. II, bi. 79. Verg. kldit, lii&t. Crit. Com. Τ. I. Ρ. Π. ρ. 458—464.
(2) ßlLDERDiJK, D. II. 1)1. 7ΰ, 80.
(3) KmiT, Ilist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ, 178 (16). Dt Graven van Loon sproten uit een
zeer oud, en weleer zeer beroemd jjeslaclit. Zie bocuelics, ad hedam, p, lüO. Hunne geslacht-
lijst wordt gevonden bij van loos, Aloude Holl. Hist. D. II. bl. 276.
(4) Bilderdijk, D. 11. bl. 80, 81.
(5) Chron. Egm. apud kluit in 1. c., T. I. P. I. p. 179. Melis stoke, B. II. bl. 479. Klcxt
beweert, t. a. p. (17), in navolging van ddtdecoper, op melis stoke, B. II. bJ. 671, dat men
onder οττο , avunculus ojusdem comitis genoemd, niet den graaf van Benthem, maar dien van
Gelre verslaan moet. Wij vereenigen ons liever met liet gevoelen van vak spaeit, Jlist. v. Gel-
derl. D. I. bl. 114 (14), en gelooven, dat uit het verband duidelijk blijkt, dat men bier met
melis stoke, aan den graaf van Benthem, den oudoom van ada, denken moet. In die (ijdcn werd
avunculus vaak \oor patruus gebezigd. Hij leefde nog in 1207. Adelheide, in haren brief aan
Π. deel. 25
-ocr page 194-194 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
IJÖO—rutger van Merem oi Μ eer heim en oost van Β orne o{ F orne ^ die teyens leenmannen
van Holland en van Loon ^τaΓen , en zich alzoo niet tegen lodewijk konden verklaren (1).
Pligtbesef, gevoel voor het betamelijke, of eenige andere beweegreden, Avederhield
adelheide, hct jongc paar, terwijl dirk op het uiterste lag, en onder voorwendsel
van zijnen last, met elkander in den echt te vereenigen. In het geheim had zij van Looif
ontboden, en dezo onthield zich op het slot Altena, welks bezitter, Heer dirk ,
geheel zijno belangen omhelsde, om den dood van Graaf dirk af te wachten. Op het
berigt daarvan snelt hij naar Dordrecht, Avordt met ergerlijken spoed, terwijl het
lijk des vaders, zonder eenige gebruikelijke praalvertooning, boven aarde slaat, aan
de dochter gehuwd; en de vreugde van het trouwfeest, dans, gezang en snarenspel
vervangen do sombere plegtigheden der lijkdienst, welke naauwelijks begonnen zijn.
De doode Graaf wordt vervolgens te scheep naar Egmond gevoerd, en den monniken
de zorg overgelaten , hem naar hun goeddunken en op hunne kosten , bij zijne voorouders
te begraven (2).
Willem , die zich in Friesland bevond, spoedde zich op de lijding van 's Graven over-
lijden , naar Holland (3). Aan de Zijp, op de grenzen van JTewMCiiierianc?, gekomen,
verzocht bij vrijgeleide, om de lijkdienst zijns broeders te Egmond te vieren; doch dit
Averd hem op eene wijze geweigerd, welke hem noopte, overhaast naar zijn gebied
terug te keeren (4). Deze weigering, Avelke welligt de staatkunde van adelheide vor-
derde , wekte de verontwaardiging eeniger Edelen tegen de Gravin-Aveduwe op, en
ontvlamde het smeulend vuur huns misnoegens tegen "een bewind , waarvan zij minder to
Koning JA« van ^«g-e/aiid, veillaart zelve, dat de Graaf van Loon zijne hruid ontvanjyen had,
»uit handen van Graal'ο τ το van ßenthem, oom van dii\k: VJI." De manu Comilis ottonis de
Bentheym, qui fiiit patruus Domini piae memoriae. V. mieris, Charlerb. v. Holland, D. I.
LI. 152.
(1) IIdydecoper, op melis stoke, D. I. bl. 577—580. Rxcit, llist. Crit. Con\. T. LP. I.
p. 180 (18, 19), gevolgd door duderduk, D. II. bl. 81. i
(2) Chron. Bgm. apud klïit in I. c. T.I. p. 182, 183. Melis stoke. B. II. bl. 482, 483.
De beka , p, 63. Magn. Chron. Belg. p. 226.
(3) Chron. Egm. ap. kluit, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 183. Melis stoke, Β. III. bl. 1.
In strijd met de getuigenis dezer beide Kronijlisclirijvers, zegt bilderdijk , D. II. bl. 82, dat
WILLEM, »op liet gerucht van zijns broeders , naar TZoZ/antZ snelt." Waaronder nu de
fraaije gevolgtrekkingen moeten gebragt worden, welke bilderoijk uit deze valsche stelling afleidt,
behoeft wel niet aangewezen te worden.
(4) Chron. Egm. apud. kluit, T. I. P. I. p. 183 (22), Melis stoke, B. III, bl, 3 (7). Va»,
wijk, op wagehaae , St. II. W, 100.
DES VADERLANDS. 195
hopen dan te vreezen zouden hebben, Filips van Wassenaar, ATclke verklaarde, Ij^O—
» dat men zich niet ontzien moest, Graaf willem met geweld in de voogdij te handha-
ven, die hem van regtswege toekwam," jan van Rijsioijk , simon van Haarlem ,^νΐί-
lem van Teilingen, avoüter van Egmond, axbert banjaard , jacob van JVassenaar,
Burggraaf van Leiden, en anderen, noodigden willem heimelijk naar Holland
bewind te aanvaarden, daar zij adelheide , noch den nieuwen Heer, trouw wilden zwe-
ren, en beloofden, hem te zullen ondersteunen. Op een donkeren nacht, in het diepste
geheim, komt hy bij filips op het slot Wassenaar, tusschen Leiden en den Haag,
en vertrekt voorts, in slecht gewaad, met een afhangenden hoed op het hoofd, en
alleen door twee vertrouwden vergezeld , in een scheepje naar Vlaardingen. Door de
Zeeuwen, welke hem daar toefden, werd hij op het hartelijkste ontvangen, en onder
de luidste vreugdekreten, dat zij den wettigen Heer, den zoon van Graaf floris III
teruggekregen hadden, in allerijl naar Zierikzee overgevoerd, als Graaf gehuldigd,
en hem door jong en oud, met algemeen gejuich, eer, vrede en oen lang leven toe-
gewenscht (1).
Inmiddels hadden wouter van Egmond en albert banjaard de Kennemers aan de
zijde van willem gebragt, en besloten nu de Gravin-weduwe en het jeugdige paar to
Egmond, waar zij tot viering van het lijkfeest van den dertigsten dag, verwacht wer-
den, op te ligten, en alzoo met éénen slag het pleit to beslissen (2). Het is gansch
niet onwaarschijnlijk, dat de Egmonder monniken, verbitterd op adelheide , dio zoo
ruimschoots over hunne kas beschikt had, hierin de hand gehad hebben (3). Het plan
echter mislukte. Door walter van rtjven , een aanhanger des Graven van Loon, van
het dreigend gevaar verwittigd, bevinden adelheide , lodewijk en ada , die drie dagen
vóór den dortigsten dag te Haarlem waren aangekomen, zich in de uiterste verlegen-
heid. Het Sticht alleen kan hun eene veilige schuilplaats aanbieden; en gijsbreght
vait Amstel, een leenman des Utrechtschen Bisschops, gelukt het, bij nacht, de Gra-
vin-weduwe en Graaf lodewijk , midden door de in oproer gebragte bewoners van Os-
dorp en Aalsmeer, onverlet en behouden, in eene schuit naar Vtrecht te geleiden.
Ada echter vlugt met meerheim en borne , gevolgd door eenigo ridders en knapen , naar
den burg to Leiden, die, naar het schijnt, door de partij des Graven van Loon was
(1) Chron. Egm. apud kmit, T. I. P. 1. p. 183-180. Melis stokï, B. III. bl. 3—6. Di
beka, p. 63.
(2) Men had destijds drie dagen, op welke, behalve de gewone zielmissen, de Hjldienst pleg-
ti(j gevierd werd; deze waren de zevende, de dertigste, en de veijaardag van het overlijden. Bil-
DEitDiJK, D. II. hl. 83, in navolging van Kttix, Eist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 187 (33).
(3) Brüirirg , Gesch. d. JVederl. D. I. bl. III.
25*
-ocr page 196-196 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
- ^ ^P^T ^eiuagligd geworden, nadat de Burggraaf, jagob van PFassenaar, zich aan de zijde
van WILLEM geschaard had. Spoedig wordt zij hier door de Kennemers, onder aan-
voering van wouter van Egmond en albert banjaard , belegerd. Bij hen voegen zich
FiLiPS van Wassenaar met zijne benden; de bewoners der omliggende dorpen vliegen
loe, en weldra is het hevig bestormde slot gedwongen zich, door gebrek aan voorraad,
over te geven. Biet moeite bedingt men behoud van lijf en leden; ada Avordt ier be-
Ti'aring aan haren bloedverwant, Λ\η,υίΜ van Teilingen, toevertrouwd; meerheim en
BORNE, in ketenen geklonken, moeten met de overige gevangenen hun lot van Graaf
WILLEM afwachten. Deze, uit Zeeland teruggekeerd, werd met zijne gemalin te Eg-
mond, door de juichende menigte, met open armen ontvangen en als Graaf gehuldigd.
Op zijn last werd ada , ter meerdere zekerheid en veiligheid, naar het Friesche eiland
Teivel gevoerd en overeenkomstig haren staat behandeld. Zij toefde hier echter niet
lang. Op het laatst van hetzelfde jaar werd zij, ingevolge eener overeenkomst tusschen
hare moeder en haren echtgenoot met Graaf willem, naar Engeland overgebragt en
aldaar eenige jaren opgehouden (1).
Het huwelijk van ada moge, met een staalkundig oog gezien, nietig geweest en als
zoodanig door Graaf willem beschouwd geworden zijn, wiens toestemming, als naaste
Agnaat, vereischt werd; het moge waar zijn, dat, den Keizer in dit huwelijk niet te
kennen , cene daad Avas waardoor ada van het graafschap afstand deed (2), zeker is
het, dat vele Hollandsche Edelen en dienstmannen, althans in den beginne, in een te-
genovergesteld gevoelen deelden. Immers onder hen op wier raad en goedkeuring het
bewuste huwelijk gesloten was, worden genoemd Graaf οττο van Benthem, oom van
dirk VII, uit wiens handen lodeavijk van Zooïi zijne bruid ontvangen had, rutger
van Merem , oost van Borne, dirk van Altena, simoïf, jan en ijsbrand ua» ^ear-
Um, willem van Teilingen, volpert en floris van Leede [Leerdam), arnoud en
hendrik van Rijswijk en woüter van Egmond (3). Ofschoon nu vele dezer Edelen,
reeds bij het uitbreken der onlusten, zich voor willem verklaard hadden , ontbrak het
II evenwel den Graaf van Loon, noch aan bloedverwanten, noch aan magtige vrienden,
om hem met nadruk te ondersteunen. Geschenken noch beloften sparende; won hij
(1) CA/o». Egmond. apud kluit, Hist. Grit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 184—lül. et not. Melis
stoke, Β. III, 1)1. 7—9. J)e beka , LI, 63. De Klerk uit de laage Landen, LI. 92, 93.
(2) Bildekdijk, D. II. bl. 85-90. Verj;. klüit, Hist. Crit. Com. T. I. 1'. II. p. 46.5. etc.
(3) Zie den brief van de Gravin-weduwe αοειπειπε , aan Koning jan van Engeland, uit rijmek's
Poeder. Angl, overfjenomen door van mieris, in het Charterl·. v. Holl. D. bl. 1. 152. De eclit-
lieid van dien brief is door nuïdecoper, op melis stoke , D. I. 1)1. 580, bestreden, doch door
KiBiT verdedigd geworden in zijne Eist. Crit. Com, Τ. I. Ρ. II. ρ. 465 sqq.
3
DES VADERLANDS. " 197
den Bisschop van Luik, den Herlog van Limburg, den Jlarkgraaf -van Namen en 1190—
Graaf of Voogd van Vlaanderen, den Graaf van den Berg en den Graaf van der
Are, broeder des Bisschops \iinÜtrecht, in zijne belangen. Door hunnelusschenkomsl
en die van Graaf OTTO van Gelre, welke zich echler later onzijdig hield, Averd hij
door den Bisschop van Utrecht, lot leenman van het Sticht aangenomen, en voor
levenslang met de leengoederen verleid, welke dirk VU van de Utrechlsche Kerk bo-
zeten had (1), Daarenboven moest hij den bijstand of de voorspraak van den
Mijtervorst bij den Keizer, aan wien het leen Holland vervallen λυββ, voor twee
duizend mark zilvers of meer koopen, en zijn broeder als gijzelaar achterlaten (2).
Vele Hollandsche Edelen en ridders, van welke ijserand en gerakd van Haarlem,
aknold en hendrik vün Rijswijk, jan persijn , en later ook simon van Haarlem,
met name vermeld worden, voegden zich, zoo uit liefde tot do Gravin, als uit haat
op WILLEM, openlijk onder zijne banieren (3).
Ondersteund door zoo vele aanzienlijke bondgenooten, had Graaf lodewijk. een 1204
magtig leger tegen willem bijeengebragt, die thans in eenen hagchelijken toestand ver-
keerde, Immers, op de trouw dos volks, kon deze zich uog niet genoegzaam verlaten, cn
zijne strijdkrachten waren te gering, om eener groote krijgsmagt wederstand te bicden.
Hij besloot derhalve, naar het schijnt, om van zijne zijde, verwerender wijze te oorlo-
gen , stelde het bewind van Kennemerland in handen van ΛνουτΕκ. van Egmond en
albert banjaabd , en gaf aan zijn broeder ploüis , Domproost van Utrecht, aan zijn
behuwdbroedcr οττο, Proost van Xanten., aan willem van Teilingen, aan filips van
ïVassenaar en andere getrouwe leen- en dienstmannen, de plaatsen, welke voor de
Stichtschcn bloot lagen, tegen wier invallen twee verschansingen, eene te Zwadcnhurg
[Zwammerdam) aan den Rijn, en ecne te Bäsch {^Boskoop) aan de Gouwe, werden
(1) Heda, p. 188, 190. V. mieris, Charterb. ν. ΠοΙΙ. D. I. bl. 140, 145, Verg. kiüit ,
Ilist. Grit. Com. Τ. I. Γ. V. ρ. 1ϋ2 (40).
(2) Chron. Egm. ap. kluit, Rist. Grit. Com. Τ. I, Ρ, I. ρ. 194 (51). Anonym, de rebus
Vltraj. c. XIV. ρ. 11. Melis stoke, Ii. III. bl. 10.
(3) Chron. Egm. ap. kldit in 1. c. p. 194, 195. Melis stoke, B. III. bl. 11.
Velc van Hollant maren met hem (tan ioon).
En alle leglien den Grave wiileji.
Waardoor mag biiderdijk zijn gevoelen, over deze Edelen, D. Π. bl. 91, geuit, slaven? Zij
moeten van dm eersten rang geweest zijn, daar zij, uitgezonderd jan persijK; als getuigen
voorkomen, in het verdrag lussclien den Hertog van Lotharingen cn Graai 0IEK VH in het jaar
1200 gesloten. Zie van iiieris, Charterh. v. Roll. D. 1. bl. 138, 139.
198 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
llpO—opgeworpen. Hij zelf begaf zich naar dat gedeelte van Holland, Ayaar liet eerst de
vijandelijke aanval te duchten was (1).
Van Graaf Λνΐίΐ.ΕΜ3 zijde Averd nogtans do krijg geopend. De Kenneraers over de
bewezen hulp aan het grafelyk gezin, op den Heer van Amstel Tcrbillerd, vielen on-
der aanvoering hunner beide bevelhebbers, in Amstelland, staken den Amsteldijk
door, zetten het lage land onder Avater , verbrandden de veenen en vernielden het deftige
slot van gijsbreght met den daarbij gelegen boomgaard. Plunderende en verdelgende
drongen zij nu door Muiden en Wcesp, die in de asch gelegd werden, de Vecht
lot JBreukelen door, alle plaatsen die, naar het schijnt, onder het regtsgebied van
Amstel behoorden, en keerden, zonder eenig merkelijk verlies, met rijken buit en
gijzelaars voor de bedongen brandschatting, terug (2). Zulk eene daad van vijandelijk
geweld aan eenen leenman van het Sticht gepleegd, wien alzoo de Hollandsche ge-
schillen eigenlijk vreemd Avaren, konde door den Utrechtschen Bisschop niet ongewro-
ken blijven. Hij rukte weldra mot eene aanzienlijke magt voor de sterkte te Boskoop,
wier verdediging den Domproost flokis was aanbevolen , en bemagtigde haar met weinig
moeite, door do werkeloosheid der Kennemers en de trouwloosheid der Hollandsche
bezetting, welke tot hem overliep. Floris zelf werd gevangen genomen en naar het
huis ter Horst gevoerd. Nu trok do Bisschop roovende en brandende lot Ze/rfm voort;
nooit was het een zijner voorgangers gelukt, gewapenderhand zoo diep in Holland
door te dringen (3).
Ondertusschen rukte vah loon , doch minder vernielend dan de Kerkvoogd, met
een groot heir voet- en paardenvolk in Zuid-Holland. Dordrecht werd ingeno-
men , en Graaf willem , voor de overmagt zwichtende, week naar Zeeland, waar
twee vijandelijke voorraadschepen werden opgebragt. Ada. van Schotland, Willems
moeder, met zijne gemalin adelheide, en zuster ada , die Markgravin van Branden"
burg genoemd wordt, onthielden zich te Oudorp , in het Land van Voorn, en velen
van het grafelijk gezin waren hier en daar door Friesland verstrooid. Geheel Zuid-
(1) Chron, Egmond. apud kltiit, Hist. Crit. Com. Τ. I. IM. ρ. 195. In de aant. 53—56
■worden de misslagen, door wagemaar , D. II. LI. 314, op liet voetspoor van melis stoke en dk
BEKi, begaan, aangewezen en verholpen.
(2) Chron. Egni. ap. kluit Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 197, 198. Melis stoke, Β. III.
bl. 14—16. De deka , p. 64.
(3) Maar, » hi mocht lichte doen wil;
Want als een lant in tween hem sceet
So ist te Avinnen ghereet." zegt melis stoke , Β. III. bl. 18 in navolging van liet Chron.
Egm. ap. kltjit, Bist. Crit. Com. T. I. P. I. p. 198. De beka, p. 64.
DES VADERLANDS. " 199
Holland onderwierp zich, zonder legensland Ie bieden, binnen korten lijd aan lodewuk , 1190—
die nu te Leiden zijne magt bij dio des Bisscliops voegde, StMoir van Haarlem, wiens
gedrag bij den logt der Kennemers reeds Avantrouwen had verwekt, verklaarde zich
aldaar openlijk voor den Graaf van Loon, die met het vereenigde leger naar Haarlem
optrok. Van loon werd hier door de onstuimige Kennemers, die te scheep afkwamen, be-
dreigd , doch hij dwong hen , den vrijen aftogt Ie bedingen voor vijf honderd talenten,
marken of ponden zilver, ter schadevergoeding van het in Amstelland gepleegd ge-
weld. Den Bisschop in Haarlem latende, trok hij steeds noordwaarts voort, verbrandde
St. Aagtendorp, nu de Beverwijk, met het slot van albert banjaard ; ook dat te
Egmond Averd in asch gelegd, maar het dorp en de abdij bleven gespaard. De Edelen
vlugtten, en hielden zich verscholen (1). Bedwelmd door dezen voorspoed, oordeelde
van loon onvoorzigtig, den verderen bijstand des Bisschops overbodig, en op zijn
nadrukkelijk verzoek, trok de gebelgde Kerkvoogd naar het ι5'ί^ί?/tί terug (2). Een
tijdgenoot beweert, dat do Bisschop door gebrek aan levensmiddelen en uil vrees, dat
hem do terugtogt mögt afgesneden worden , ^aai-^eï/i, na een kort oponthoud, verliet (3).
Niet slechts in Holland maar ook in Zeeland werd willem door lodewuk bestookt.
OvereenkomsLig een verbond met filips , Graaf van Namen en thans voogd van Vlaan-
deren , Avaarbij van loon den Vlamingen vrijstelling van den Geervlielschen tol ver-
leende , en het verdrag van elf honderd acht en zestig bekrachtigde, maakte filips zich
van Walcheren meester, terwijl nuGO van Voorne bijna geheel Zeeland heooster
Schelde, aan lodewijk onderwierp. Graaf avillem ontsnapte te naauwernood in een
visschersschuilje, waar hij, onder netten verscholen, te vergeefs door zijne vervolgers
gezocht Averd. Spoedig echter keerde het lot te zijner gunste. Hugo van Voorne^
door overmoed en misbruik van magt hatelijk geworden, werd door de Zeeuwen ver-
dreven , en WILLEM, uit zijne schuilplaats gehaald, op nieuw als Heer en Graaf gehul-
digd, Onmiddellijk werd wouter van Egmond door willem gelast, uit Kennemer-
land naar Loeiden, met zoo veel magt van schepen en volk als hij konde bijeenbrengen,
op lo trekken, doch volstrektelijk elk gevecht te mijden, lot dat hij zelf, op den be-
paalden dag zoude gekomen zijn. Egmond Averd getromvelijk door willem van Tel-
lingen en filips van Wassenaar ondersteund (4).
(1) Chron. Egm. apud klüit , Ilist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 199—201. Melis stoke, Β. ΠΙ,
bl. 18-20. De deka, ρ. 04. Ve Klerk uit de lange Landen, h\. , Qö.
(2) De bera, p. G4. De Klerh uit de laage Landen, bl. 90.
(3) Chron. Egm. ap. kidit, in 1. c. p. 201 (70), cn haar vertolker melis stoke, B.III.bl. 21.
Jlct Goudsch Krqn. bl. 55.
(4) Chron. Egmond. ap. kluit in 1. c. p. 202 , 203. Melis stoke, B. III. bl. 21—20.
-ocr page 200-200 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
Van loon was onderlusschen uit Eennemerland met verlies van eenig krijgs-
volk teruggekeerd (1). ïwee zijner Edelen, ijsbrand van Haarlem, en diens
moederlijke oom , allijn , waren gevangen genomen en naar Oudorp aan de Gravin-
weduwe ADA van Schotland gezonden, waar zij tot na de vereffening der geschillen,
opgesloten bleven (2). Hij legerde zicb nu in en om ^oorschoten, waar eene grooto
jaarmarkt Λverd gehouden, welke zijn leger allerlei verkAvikkingen en vermakelijkheden
aanbood. Doch dit genot werd. weldra vergald, door de lijding van den afval der
Zeeuwen en den aanlegt der Kennemers. Deze laatsten verschansten zich nabij Leiden,
om van loon aan dien kant den doortogt te beletten, wanneer hij door willem en de
Zeeuwen van den anderen kant bestookt of aangevallen werd. Om dit te verijdelen, be-
sluit Graaf lodewijk zeer verstandig, om', zonder uitstel en vóór dat avillem in Hol-
land zijn konde, de Kennemers aan te tasten en zich aan dien kant met het zwaard in
de vuist j den gesloten weg weder te openen. Moedig trekt men naar de vijandelijke
bolwerken en dempt de grachten met veldstroo, takkehossen, puin of wat men verder
bij do hand heeft. Hierdoor getergd vallen de toomiBlooze Kennemers, tegen het bevel
van Graaf wïlleh , zonder tucht of beleid op de geoefende krijgsbenden des Graven
van Loon aan, doch worden geslagen en op de vlugl gejaagd. Nu stormen de be-
legeraars in de vesting; het vlieden naar de schepen wordt algemeen ; velen, Avelke
deze niet kunnen bereiken, bieden weerstand op eene brug, die onder de menigte be-
zwijkt , en vinden hun graf in Jiet water. Filips van ff^assenaar , wouter van Egmond,
AiBERT BANJAARB cn anderen ontkomen door de vlugt; vele Edelen echter zijn gedood ,
gewond of gevangen genomen. Onder deze laatsten bevond zich avillem van Teilin-
gen, die vruchteloos met eenige ridders en knapen, den vijand eene poos heeft opge-
houden. De Kennem.crs lieten hunne schepen en oorlogstros in de handen des over-
winnaars , die met de gevangenen en den buit zegevierend naar Voorschoten terug
trok, in den zoeten maar vcrderfelyken waan, dat hij thans voor allen aanval verzekerd
zoude zijn (3). ~ ^
V/anneer alles hopeloos schijnt, vertoont de ware held zich in al zijne grootheid.
Hij wordt standvastiger naar male de gevaren stijgen, en te fier, om voor het lot te
(1) Het Oude Goudsche lironijhje, bi. 55.
(2) C/iroti. Egm. ap. kluit, Hist. Crit. Com. Τ. 1. Ρ. I. ρ. 203 (77). Melis stoke, Β. III.
bl. 27, 41 en aant. van nuYDEcoPER. ^
(3) Chron. Egmond. apud kluit , Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 203—205 (76—82). Melis
8τ0κε, Β. III. bl. 26—33. De beka, p. 65. De Klerk uit de laago Landen, bl. 97, 98 (1).
De Oude Holl. Div. Krön. Vijftiende Div. c. 3. bl. 144, zegt dat de bovengenoemde brug,
» tot catwyck euer den ryn lach." /
1190-
1256
■i
-ocr page 201-DES VADERLANDS. " 201
zwichten, waagt hij het moedig, daarmede in het strijdperk te treden. Willem
Teinsde zijn leed over dit onheil, waarvan hij al het gewigt gevoelde, doch dat hem
niet kon ter nederslaan; het verdubbelde veeleer zijn moed. Terstond voerde hij zijne
Zeeuwsche benden over de Maas in Holland, waar de vlngtenden zich met hem
hereenigden , en vertoonde zich , als door een tooverslag, met een aanzienlijk heir, zoo-
wel van Hollanders als Zeeuwen, aan de tolbrug bij Rijswijk. De Hertog van Lim-
burg, LODEwiJKS bondgenoot, en bij uitstek ervaren in krijgszaken, werd uit het leger
van f^oorschoten afgezonden, om dat van willem te bespieden. Hij is verbaasd
over de talrijkheid, de voordeelige ligging, de krijgskundige inrigting, en de wape-
ning des vijandelijken heirs, en biedt den vrede aan. »Men heeft mij verdreven,"
zegt wiLtEM, » mijn vaderland is verwoest, mijne vrienden zijn gedood. Thans ben
ik gekomen, om te overwinnen of te sterven." Met dit antwoord keert de Hertog
terug, en verspreidt door zijn verslag en onmiddellijken aftogt, de vrees in het leger
van lodewijk, wien hij, in het dreigend gevaar, aan zijn lot overlaat. Willem rukt
inmiddels nader, de schrik snelt hem vooruit, en lodewijk, zijne ridders, zijne ben-^
den, en al wat vlieden kan, nemen in allerijl de vlugt, en laten tenten, wapenen,
krijgstuig en kostbaarheden ten prooi aan hunne vervolgers. Men verdringt elkander,
en derwijze is de moed verlamd, dat zij zelfs geen weerstand bieden aan de Riju-
landsche vrouwen, die hen najagen. Eene menigte stort zich onbesuisd in de Zijl ea
vindt daar den dood; anderen slaan langs den Rijn, den weg in naar Utrecht, doch
bedekken dien met hunne lijken , w ant slechts weinigen gelukt het, geheel uitgeschud en in
de uiterste ontsteltenis, die stad te bereiken. Hier was reeds lodewijk met zijne onlangs
gevangen ridders en edelen gekomen, welke hij den Bisschop, -op rekening van de
beloofde som, in handen gaf. Hij werd derhalve vruchteloos door willem nagejaagd,
doch een groot aantal zijner strijders viel in de magt des overwinnaars, terwijl de
Zeeuwen met de veroverde vaartuigen, oorlogsbehoeften en wapenen in zegepraal terug
keerden (1). »Dus wan Grave willabi tlant," zegt melis stoke , en gelijk later van
HENDRIK IV gezongen werd, »zoo wel door regt van oorlog, als door regt van ge-
boorte." Hij werd voor Graaf erkend, en van loon keerde nimmer in i/'o^iwic? terug (3).
(1) Chron. jE"^»». apud κιιιιτ, Hist, Crit. Com. Τ. I. Ρ. I, ρ, 205—207. Melis stok κ,
Β. III. bl. 33—39. De beka, p. 65, Chron. de Ilollant in ηλττιιαει Anal. T. V p. 534.
De Klcrk uit de lange Landen, bl. 09. Ilet Goudsch Kronijkje, bl. 50.
(2) De beka, p. 65. Hepa, p. 186. De Klerk uit de laage Landen, bl. 09. Godefridi}«
morfacnos, ad ann. 1204, aangehaald in de Hist. Crit. Com. T. 1. P. I. p. 206 (86). Kluit
beweert, dat van dit oogcnblik af, willeb ook door den Bisschop van Utrecht, als Graaf van Hol-
land werd erkend,
Π. deel. 2C
-ocr page 202-202 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190—Keizer filips erkende ook de regten van willem, wanneer hij in een open brief van
hetzelfde jaar verklaart: η wij moeten aan willem, Graaf van Holland, do leenen,
die zijn vader en broeder van het Rijk gehouden hebben, vrijwillig opdragen (1)."
De oorlog duurde echler voort. Graaf willem verdreef folbert en floris van Leer^
dam, die den Bisschop van Utrecht ondersteund hadden, uit de heerlijkheid van
yisperen, welke hij aan zijn gebied hechtte, en vernielde hun slot. Daarentegen ver-
meesterden de Stichtschen met eenige gevlugte Hollanders, onder gekard van der are,
broeder des Bisschops, de stad Dordri^clit, nu onder Willems bewind teruggekeerd,
legden haar in de asch , en roofden en vernielden eene overgrooto hoeveelheid wijn,
granen en andere goederen (2). Het bloedvergieten en verwoesten eindelijk moede,
werd een verdrag aangegaan tusschen Graaf willem en den Bisschop van Utrecht, op
dezelfde voorwaarden en genoegzaam in dezelfde bewoordingen als dat, in het begin van
hetzelfde jaar, door den Bisschop , die steeds de opgaande zon aanbad , met den Graaf
van Loon gesloten (3). Men voegt hierbij, ofschoon er in het verdrag zelf geen woord van
gerept wordt, dat hendrik du k;raan in zijne bezittingen hersteld werd, en den Bisschop, lot
schadevergoeding, duizend mark zilver door willem betaald zouden worden (4). Eenigen
daarenboven beweren, dat avillem den Bisschop, Avegens do aangedane beleedigiug te
Stavoren, met vijf honderd Edelen in wollen kleederen en barrevoets, voor de Domkerk
te Utrecht, vergiffenis moest smeeken (5). Te vergeefs trachtte de Graaf van-ÉTo^ianf/
de vrijheid zijner gevangen ridders van den Bisschop te verwerven; zij moesten zich zelve
daarna voor groote sommen van den steeds geldbehoevenden Kerkvoogd , vrijkoopen. Flo-
Ris de Domproost echter, werd uitgewisseld tegen de Edelen, die willem in handen geval-
li
(1) Zie liet Diploma bij vam mieris, Charterb, ν, ΠοΙΙ. D. I. bi. 145, 146. Kluit, Ilist. Crii.
Com. Τ. I. Ρ. I, ρ. 481. Vergelijk bildekdijk, D. Π. 1)1. 98, 99.
(2) Chron. Egm. ap. klüit in 1. c. p. 207 (87, 88), Melis stoke, B. III. bl. 39. \ De beki ,
p, 65. Heda, p. 180. Oe Klerk int de laage Landen, bl. 99, 100. : /
(3) JIeda, p. 188. V. mieris, Charlerh. v. Hall D. I. bl. 140—142. Kluit, Rist. ^Crit. Com.
Τ. Π. Γ. I. ρ. 273. De eclilheid van dit Charter lieeft kluit, Uist. Grit. Com. Τ. I. P.I. ρ.208
(89) tegen duydecoper, op melis stoke, li. III. bi. 39, 40, vcrdedi^-d. Verg. hiervoor bl. 197.
(4) Chron. Egm. apud kluit, Hist. Grit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 208. Melis stoke. Β. ΠΙ.
bl. 39, 40. De deka, ρ. 65. Heda, ρ. 180. De Khrk uit de laage Landen ^ bl. 100.
(5) De deka, p. 65. Heda, p. 186. De oiide Holl. Div. Krön. Zeventiende Div. c. 3.bl. 156.
De oudste Ilollandsclie Jaarboekschrijvers , de Ghron. Egm. Melis stoke , wilhelmus procubatob ,
de Klerk uit de laage Landen, liet oude Gondsche Kran, melden hiervan niets. Het is ook
geheel ongelooflijk, dat wiliem zich zulk eene vernedering, en wel, naar het schijnt^ buiten
noodzake, zou getroost hebben. Zie bücoeliüs, op de beka, p, 67 (r).
DES VADERLANDS. äoä
len , eil icOudorp opgesloten waren ; de andere gevangenen werden eerst later geslaakt, 1190-^
IJsbrand en allyn van Haarlem, arnoud en uendrik van Rijswijk, werden door
WILLEM in genade aangenomen en in hunne bezittingen hersteld. De inkomsten en
goederen [hona feudalia?) dier Edelen daarentegen, welke den Graaf van Loon gene-
gen bleven, Averden door Willem aan zijne getrouwen en aanhangers weggeschonken.
In hot bijzonder Averd do Proost floris rijk bedeeld, welke zich deze onderscheiding
waardig maakte. In hel midden des winters deed hij strooptogten door Zeeland, ver-
brandde het slot te Scharpenisse op Poortvliet, toen een eilandje, doch naderhand
aan Thohn gedijkt, dat aan iiügo van Foorne behoorde, die met zijne maagschap
uit hel land verdreven werd (1).
De Graaf van Loon was , hoewel door den baatzuchtigen Bisschop, echler niet door
al zijne bondgenoolen verlaten, en bezat hierdoor nog magt genoeg, om zijne eischen
op Holland en Zeeland met nadruk te ondersteunen. Het merkwaardig jaar van twaalf
honderd vier was naauwelijks teneinde gesneld, tocnpiLiPS, Graaf van A'^amere en Voogd 1205
van Vlaanderen , ten behoeve van lodewijic een groot heir bijeenbragt en in Schou-
wen viel. De toegang tot dit eiland was te gemakkelijker, daar vab loow den Vla-
mingen voor Zeeland heioester Schelde, manschap gedaan had , en zij alzoo daar meester
waren (2). Graaf wxllem bevond zich in een nclcligen toestand, doch het vertrouwen
der Schouwenaars bezielde hem met nieuwen moed. Het was edeler op het veld van
eer tc sneven, dan als balling buiten het vaderland rond te zwerven (3). Door (usschenkomst
vah de Vlaamsche Gravin-weduwe Mathilde, en den Proost van ^rj/^^e, Kanselier van
'Vlaanderen, werd echter de zaak verefl'end, en atillem als vredesprijs, do betaling van
tien duizend vijf honderd mark zilvers opgelegd (4). Voorzeker eene aanzienlijke som;
maar ^villem had geen duimbreed gronds verloren , hij had zijne grenzen , waar zij het
meest voor eenen aanval openlagen, gedekt, en aan van loon den raagtigsten bondgenoot,
en daardoor de hoop ontroofd, van ooit zijn doel te bereiken (5). Geweldig was dan ook
(1) Chron. Egm. apud kluit, Bist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 209 (93—96), Melis stokk,
Β. III. LI. 40, 42.
(2)Klüit, Ilist. Crit. Com. T, I. P. I. p. 211 (97), \vien ηαοεηουκ. hier weder volgt,
D. II. bl. 99.
(3) Chron. Egm. ap. KLtiT in 1. c. p. 211.
(4) Chron. Egm. apud kldit, Uist. Crit. Com. T. I. P. I. p. 210—212, Melisstoke, Β,ΙΙΙ,
bl. 42—44. Meyeri ^nnal. Flandr. Lib. VII. p. 62. Bat wagenaab, D, II. LI. 324, zieh ver-
gist, is reeds door kluit in 1. c. p. 213 (1), uit dezen door van wijn, Bijv. en Aanm. op
•wigesaau, St. II. bl. 103, cn door bildekdijk, D. II. LI. 100, opgemerkt.
(5) KmiT, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 211 (98). Bildehduk, D, II. bl. 100.
26*
-ocr page 204-204 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1100—de indruk, dien de tijding -van dat verdrag op lodewijk en abelheide maakte. Zy
bevonden zich te Utrecht, vol vertrouwen van weldra, door vreemden bystand, geheel
Holland te veroveren, toen het berigt van dezen onverwachlen vrede, hen, voor het
oogenblik, ten eenenmale ontmoedigde, en zij , teleurgesteld en hopeloos, naar het
land van Loon terugk-eerden (1).
Graaf willem bleef echter niet gerust en ongestoord in het bezit van Holland. Van
loon wendde zich tol Hertog iiendbik I van Lotharingen of Brahand, die hem,
onder zekere voorwaarden , van zijnen kant beloofde: » te goeder trouw te zullen be-
werken , dat willem en van loon met elkander vereenigd Λverden, en bij weigering,
aan beiden dag te zullen beteekenen, en dan, naar mannen uitspraak, aan van loon
voldoening verschaffen (2)." Het blijkt niet, dat dit van eenig gevolg geweestis, of dat
WILLEM zich hieraan onderworpen heeft. Door gebrek aan bescheiden is het moeijelijk te
bepalen, en kan slechts bij gissing opgemaakt worden, Avat hem kan aangespoord heb-
ben lot do nadeelige overeenkomst met van loon, door middel van den Graaf van Na-
VAOB men, later aangegaan (3). Het komt ons het waarschijnlijkst voor, dat filips van ^awe«
weder de Avapens, ter gunste des Graven van Loon opgevat of hem ondersteund heeft;
en dat eene vijandelijke magt in Schouwen gevallen is. Immers vindt men opgetee-
kend, dat villain, broeder des Graven van Loon, in Sprokkelmaand van het genoemde
jaar, voor Goes sneuvelde (4); terwijl ook tevens van eene voorgencmene belegering van
Zierikzee door de Vlamingen wordt gewag gemaakt (5). Willem , vermoedelijk niet
bestand legen do overmagt zijner vijanden en tot het uiterste gebragt, zal in een ver-
drag genoegen genomen hebben, waarby het land en gebied lusschenhem en van loon,
(1) Chron, Egm. ap. kluit ; Rist. Grit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 213. Melis stoke , Β. UI.
1)1, 44, 45. Hiermede eindigt de oude Krön, van Egniond, wier schrijver men gemeend heeft,
dat pieter meernoct licclte. Hdydecoper, op melis stoke, D. Π. 1)1.46. Vergelijk de
van klüit, p. XXIII. Hij was de leidsman van melis stoke , wiens berigten nu zeer kort en
schraal worden, tot hij aan zijn eigen leeftijd genaderd is.
(2) Zie de overeenkomst of compositio bij κιητ, Jlist. Crit. Com. Τ. I, Ρ. II. ρ. 292—299. Vau
wijh, op wacehaar, St. II. bl. 106(1) vermoedt, dat lodewuk van Zoon, vroeger met eene dochter
des Hertogs van/irßi&amci gehuwd geweest was. Verg, kluit, Hist.Crit. Com. T.II. P. I. p. 293(2),
(3) Zie wagenaar, D. II. bl. 324. Van wijn, op wagen aar , St, II. hl. 104. Bruihihg, Gesch.
d. Nederl. D. I. bl. 115. Uilderdijk, D. II, bl. 102—105, wiens oordeel, hoezeer uit de hoogte
voorgedragen, ons het minst aannemelijk voorkomt.
(4) Mahteli Eist, Loss. p. 140, apud kluit , Hist. Crit, Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 211 (97).
(5) Meyeri ΑηηαΙ. Fiandr: Lib, VH. ρ. 62. Hij brengt dit blijkbaar verkeerdelijk, tot het
jaar 1203 terug.
DES VADEBLÄNDS. 205
door FiLips yimNamen verdeeld werd, op eene wijze, die genoegzaam Ie kennen geeft, J190—
in welke allerliagchelijksle omstandigheden hij zich moet bevonden hebben , daar men
het waagde de Tolgendo voorwaarden van hem Ie bedingen. Lodewijk , in dit ver-
drag Graaf van Loon en y^n Holland genoemd, werd geheel ^o/iawtZ toegewezen , met
uitzondering van het huwelijksgoed van Willems moeder, hetwelk na haar overlijden,
op den zoon vervallen moest. Scharpenisse ^ Duiveland, Stavenisse gjx Drischire
(thans Dreischor), io dien tijd afzonderlijke eilanden, werden hem insgelijks toe-
gekend. Hij moest die echter, even als den burg en stad van Leiden met de overige
goederen des burggraafschaps, als leenroerig van Vlaanderen ontvangen. Aan avil-
LEM, die eenvoudig Heer genoemd wordt, verbleef, naar het schijnt, geheel het ove-
rige Zeeland van de Maas tot de Schelde {tota alia terra ex parle Moise adversus
riandriam). Tevens zou hij jaarlijks vierhonderd ponden uit de Geervlietschc tollen
trekken. Hij moest daarentegen zijn leen (Oostergoo en Westergod) "den Bisschop van
Utrecht weder opdragen, de ingezetenen van Holland van den eed, hem gedaan, ont-
slaan , hen lot huldiging van lodewuk dringend aansporen en trachten, hetzij in persoon ,
hetzij door gezanten, zijne nicht uit Engeland weder te krijgen, om haar aan haren
gemaal terug te geven. Tot nakoming van dit alles, moest hij zijne zuster, zijne doch-
ter, en tien mannen van het eiland Schouwen^ ten gijzelaars geven. Ten overstaan van
vele Edelen werd dit verdrag te Brugge, den veertienden van Wijnmaand twaalf hon-
derd zes geteekend, en door willbm met zijn zegel, zoo wol als door dal van filips
en vAw loon bekrachtigd (1).
De bepalingen in deze overeenkomst vervat, werden echter niet in werking gebragt (2).
Men beklaagde zich deswege bij Paus iNNOCEifTius III, welke eene bulle uitvaardigde:
» over den roof der edele vrouwe, gemalin van den Graaf van Loon, landen en an-
dere zakenen den Aartsbisschop van Trier magtigde » den zoen of schikking door
tusschenkomst van zekeren pilips , Graaf van Namen, goedwillig aangegaan ," te ach-
tervolgen. De uitspraak des Kerkvoogds was tegen wïllem , die zich daaraan niet wilde
onderwerpen , en in den ban gedaan werd. Paus honorius III, opvolger van hïnogentius III,
die een weinig later het pleit moest beslissen, ontsloeg Willem van den ban, doch er-
kende openhartig »dat hem in zulk eene groote strijdigheid der beweerde regten, niet
(1) Matthabcs, Analect. T. III, ρ. 126—130. V. bieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 147—
151. JLlcit, Hist. Crit. Com. T. II. P. I. p. 299—315, welke tevens (ρ. 315—320) de echt-
heid van dit Charter verdedigt tegen ddtdecoper, op meli8 stoke, D. II. bl. 151—154. Verg.
ook KiiJiT in 1. c. T. I. P. II. p. 473—476.
(2) Verg. BiLDERDiJK; D. II, bl. 103, 104.
-ocr page 206-206 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190—bleek wat waarheid was,'' Hij stelde de zaak in handen van den abt en der geeslelij-
^^^^ ken van st. laurens in Oosthi^oek nabij Utrecht (1).
1207 De Gravin-weduwe adelheide had inmiddels Koning jan van Engeland eenen brief
gezonden, om hem lo overtuigen, dat het huwelijk harer dochter met den Graaf van
Loon wettig ea onder toestemming der Hollandsche Edelen geschied was, hetgeen zij zelfs
door getuigschriften van οττο ydiXïBenthem, en den Bisschop van i/irec/ii staafde; terwijl
zij hem tevens smeekte, geen geloof te hechten aan de inblazingen des lasters en der
afgunst (2). Men heeft hieruit vermoed , dat van de zijde van Graaf willem, de Koning
in den waan is gebragt geworden, dat het bewuste huwelijk onwettig was, en dat om
het land in rust te bewaren en aan den wettigen Graaf te brengen , geen beter middel
bestond, dan aba in Engeland te houden (3). Van loon zelf begaf zich derwaarts,
cn om den Koning voor zich te winnen, erkende hij zich als dienstman van de-
zen Vorst, welke thans in eenen oorlog met Frankrijk en in binnenlandsche onlusten
gewikkeld was; tevens belovende, 's Konings neef, Keizer οττο IV, welke het rijk
aan filips betwistte, overal ten dienst te staan (4). Hij ontving nu zijne gemalin ada ,
welke meer dan vier jaren gevangen was geweest, terug; doch moest zijn broeder
ARNULF, tot waarborg dezer verbindtenis, achterlaten , die aldaar tol het jaar twaalf
honderd zestien gebleven is (5).
Het bezit van ada hielp echter van loon niet aan dat van haars vaders graafschap,
Avelk hem wel toegewezen, maar door willem niet was afgestaan. Vruchteloos wendde
hij zich lot Hertog HENDRIK van ^raiaMcZ, wien hij te zamen met zijne gemalin , al de on-
leenbare cn vrije goederen, welke ada in Holland behoorden, behalve den burg ende
slotvoogdij van Leiden, welke aan Vlaanderen moesten gaan, met al de andere leenen ,
welke hij bezat, opdroeg, cn die weder in leen terug ontving (6). Terwijl de Hertog
(1) Diplom. π0η0β1ι III apud matthaecMj Analect. T. III. ρ. 130. Van mieris, Charterh. v.
Holl. D. I. bi, 168. Klüit, Ilist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ. 47ß, 4üü—493. B^^derdijk,
D. II. 1)1. 105, 108. '
(2) Litterae adeldeidis Commitessao de Ilollandta m Aa Litter. Tesim. apud vak mieeis ,
Charterh. v. Holl. D. I. bl. 152. Kloit, Hist. Crit. Com. Τ. II. Ρ. I. ρ. 330—335.
(3) Wagekaär, D. π. bl. 330.
(4) Zie deze overcenkorost bij v. mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 152. KLDiT,//isi. Crit.
Com. Τ. IL Ρ. I. ρ. 335. '
(5) Kluit, Rist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ. 469 , 477. Τ. II. Ρ. I. ρ. 338 (4). Verg. van
wijh , op wagenaan , St. II. bl, 106.
(G) Zie den verdrajjsbrief bij ν, mieris, Charterb. ν. Holl, D. I. bl. 145. Klüit, Hist. Crii.
Com. T. II. P. I. p. 321.
DES VADERLANDS. " 207
van Braband naar de uitspraak van het hangende reglsgcding wachtte, om van loow 1190—
te ondersteunen, schaarde zich willem , na den dood van Keizer filips , aan de zijde
van otto IV tegen frederik II, wien van loon nu schijnt aangekleefd te hebben. 1208
Willem won hierdoor do genegenheid des Konings van Engeland; en Keizer οττο IV,
die nog onlangs vernielend in Willems gebied gevallen was, verleide hem, ofschoon nog
onder den Pauselijken banvloek, met al de leenen, welke z^ne voorzalen , floris en 13 van
DIRK, Graven van van het Rijk gehouden hadden (1). Kort daarop, t^en
negen en twintigsten van Lentemaand, sloot \villem een verbond met Koning jan, wien 1213
hij daarin beloofde »tegen eenen gedreigden inval uit FrawÄryÄ, vijfentwintig ridders
[milites) kosteloos te zenden, doch die, in Engeland, op 'sKonings kosten zouden
dienen (2)." Hij veroorloofde tevens den Vorst, in Holland en Zeeland, vijfhonderd of
duizend, zoo niet meer mannen te werven, voor ΛνίοΓ trouw hij instond. Daarentegen
zou hij eene leengift van vierhonderd mark 'sjaars van den Koning ontvangen (3).
Uit hoofde van dit verbond , zoo wel als om do belangen des handels , en dewijl men niet
gaarne Engeland door Ïrankrijh overheerd zag , verecnigden zich willem en ferrasd
of ferdinand, Graaf van Vlaanderen, tegen filips augustüs van Frankrijk, welke
een magtig leger toerustte, om Koning jan, door Paus'iNNOCENTiüs III in den ban gedaan
en van zijn rijk vervallen verklaard, uit Engeland to verdrijven. De Graaf van/^^αα«-
deren, die een geheim verdrag met den Engclschen Vorst had gesloten, was de eenig-
ste der groote leenmannen van Frankrijk, Avelke zich tegen deze onderneming ver-
klaarde, en weigerde zijne krijgsmagt bij die zijns leenheers te voegen (4). Filips
AUGUSTUS, om zulk een gevaarlijken vijand niet achter zich te laten, wendde het eerst
zijne Avapenen tegen den weerspannigen Graaf. Cassel, Tperen, Brugge, Gent,
Rijssel en Douai werden door hem ingenomen, en de Graaf van Vlaanderen vlugtte
naar het eiland Walcheren, Avaarop hij naar Parijs terugkeerde, om zijne eigene sta-
ten te verdedigen, die op verschillende punten, door eene ontzagwekkende menigte
vijanden bedreigd werden (5). Naauwelijks was hij vertrokken, of feurand, gesterkt
(1) Zie het Diploma, te Nijmegen {jc[ieven, bij v. mieris, Charterb. ν. Holl. Ρ. L bi. 156.
Kluit, Ilist. Crit. Com. Τ. Π. Ρ. L ρ. 344. Verg. kluit, Τ, I. Ρ. Π. ρ. 482, 483.
(2) Onder een miles verslond uien toen een ridder of Edele, geharnast en te paard, nevens zijn
gevolg, bestaande gewoonlijk uit tien ruiters behalve de voetkneehten. De hier beloofde vijf en
twintig milites zullen, waarschijnlijk, twee honderd vijftig ruiters, benevens een aanzienlijkgelal
voetvolk, uitgemaakt hebben. Wagesaar, D. II. hl. 334 (3).
(3) V. mieris, Charter!), ν. Holl. D. I. bl. 157. Ridit, Htst. Crit, Com. Τ, I. Ρ. Π. ρ. 483.
Τ. II. Ρ. I. ρ. 349.
(4) ιιομε, Bist, of Engl. Ch. XI. ρ. 112. London 1838.
(5) Meyerus, Annalium Flandr. Lib. VIII. p, 60.
-ocr page 208-208 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190—door de hulp van Keizer οττο IV, Terscheen met Graaf wildem van Holland weder
in Vlaanderen, aan hel hoofd van een talrijk heir. Yperen^ Doornik en Rijssel,
waar allard van Borselen, een Zeeuwsch Edelman, bij een uitval der belegerden werd
gevangen genomen, geraakten spoedig in handen des Graafs. Op dit berigt ruktefilips
augustus in Vlaanderen QU hernam Rijssel, waar fehrasd zich versterkt had. Deze,
begunstigd door den dikken rook, die van alle kanten der brandende stad opsteeg,
onlvlugtte, en viel in Brahand. Hertog Hendrik van Braband, Avelke otto's zyde
verlaten en zich bij Frankrijk gevoegd had, werd door de Graven van Vlaanderen
en Holland binnen Brussel belegerd, en tot een verdrag genoodzaakt, waarby hg be-
loofde , zich met hen tegen den Franschen Koning te vereenigen. Tot waarborg,
moest hij zijne beide zonen afslaan, Avelke naar het kasteel van Geni gevoerd werden (1).
Men wil, dat om dezen lijd, Graaf Willem het verdrag van elf honderd acht en zestig,
lusschen filips van Vlaanderen en floris III gesloten, bevestigd heeft (2). Uit een
giftbrief van willem , en een van ferrand blijkt, dat het gebied over Walcheren
lusschen de beide Graven verdeeld was (3).
De Graaf van Loon bleef onderlusschen niet werkeloos. Onversaagd en allerdapperst
streed hij voor zijnen leenheer, den Bisschop van ZmVe, in eenen moorddadigcn veldslag ,
tegen den Hertog van Brahand, wiens leenman hij tevens Λνββ, doch welke, om Keizer
OTTO cene dienst te bewijzen en zyn eigen wrevel te koelen, het land van Luik te
vuur en Ie zwaard vernielde. De Bisschop zegepraalde, verwoestte een deel van Bra-
hand, en de Hertog zag zich gedwongen, op de knieën, hem vergilfenis te smeeken (4).
Willem daarentegen, onder wiens bevelen een gedeelte der Engelsche vloot gesteld
was, noodzaakte de Franschen nog vóór hel einde van hetzelfde jaar, Vlaanderen te
ontruimen, en Douai slechts bleef in hunne handen (5). Deze gelukkige omstandig-
heid verlevendigde den moed der bondgenoolen tegen den Koning van Frankrijk, Bij
hen voegde zich do Hertog van Limburg, en reeds verdeelden zy ouderling de land-
schappen , welke zij niet twijfelden te zullen veroveren. De Graaf van Vlaanderen,
bedwelmd door deze hersenschimmen, zond Keizer οττο IV, welke met do meeste Vor-
sten des Rijks te Aken gekomen >vas, een gezantschap, om hem de verzekering zijner
verknoclitheid te hernieuwen, en ontving wederkeerig 's Keizers belofte van bescher-
(1) Meïerüs, Annal. Flandr. Lib. VIII. p. 67,
(2) WiGEKiAR, D. II. bi. 336. |
(3) V. mieris, Charterb. t. Holl D. I. bi. 159, 160. Kluit, Hist. Crit. Com, T. I. P. II.
p. 274.
(4) Dewez, Hist. Gén. de la Belg, T. II. p. 412—416.
(.5) Wagekaar, D. II. bl, 336.
DES VADERLANDS. " 209
raing. Het naderen Tan het talrijk leger yan οττο, bragt den Bisschop van Luik
beweging. Zonder tijd te spillen, plaatste hij zich, vergezeld door den Graaf van
Loon, aan het hoofd zijner onderdanen, en liet de brug over de Maas, nabij
Maastricht, afbreken. Door tusschenkomst van den Graaf van J^laaiideren,
veroorloofde hy eindelijk den Keizer den overtogt, die nu te Maastricht zijn
heir met de benden der Graven van Luxemburg, Holland en karnen versterkte, en
hierdoor eene magt van meer dan honderd vijftig duizend man byeenbragt (1). Had
Graaf wiilem zich onlangs naar Keulen op eene rijksvergadering begeven, om do zaak
van OTTO to bevorderen, thans trachtte hij den Hertog van Brahand, die slechts
schoorvoetende tot het verbond was toegetreden, sterker aan dien Vorst te verbinden.
Immers schijnt het zijn werk geweest te zijn, dat thans 'sHertogs dochter, makia van 1214
Brahand, te Maastricht met οττο in den echt verbonden werd. Opmerkelijk is het,
dat de ondertrouw niet door eenen Geestelyke, naar het gebruik dier tyden, maar
door den Graaf van Holland verrigt werd; en dat deze laatste, weinig jaren daarna,
de hand van dezelfde Vorstin, toen reeds ten tweeden male weduwe, voor zich ver-
wierf (2). Nahet vieren der huwelijksfeesten trok de Keizer naar/^öYeiiCiemïe^, waar
hij door Graaf ferrand op het prachtigste ontvangen werd.
Ondertusschen was filips augustus met een leger van slechts zestig duizend man in
Vlaanderen gedrongen, en Doornik had voor hem de poorten geopend. Om het verder
voortrukken der Franschen te beletten, besloten de bondgenoolen te Falenciennes, al
hunne strijdkrachten te Mortgagne, drie mijlen van Doornik, te vereenigen. Filips
AUGUSTUS, vreezende dat men hem op deze plaats, waar de vijand al zgne magt kondc
ontplooijen, den slag mögt aanbieden, versterkte Doornik en begaf zich naar Bijssel.
Vandaar trok hij naar Bouvinesy een dorp bij Cisoing aan de Marqué, en Het zijne
benden over de brug bij Bouvines, dit rivierlje overtrekken. De voorhoede had ree'ds
den anderen oever bereikt, toen de bondgenooten onverwachts aanstormden en de ach-
terhoede bereikten. Onmiddellijk liet de Koning de voorhoede de brug weder overtrek-
ken en stelde zgn heir in slagorde, zoodat hij de zon en den wind in den rug had.
Hij zelf plaatste zich in het midden des legers. Οττο had zyne magt in drie hoofdaf-
deelingen gesplitst; hij zelf besloeg het middelpunt (centrum) , de Graven van Flaande^
ren en van Boiilogne hadden het bevel over de beide vleugels, en eene bende keurlingen
werd bestemd, om slechts den Koning te zoeken. Hevig en moorddadig was de strijd. 27 van
Filips augustus reeds in den hals gewond en van zyn paard gevallen, is op het punt
1214
(1) Dewez, Ilist. Gén. de la Belg. T. II. p. 4J7.
(2) Van wijk, op wagehaar, St. II, bl. 100. Naleez. op de Vadert. Eist. bl. 132, Vorg.
heerman, Gesch. ν. Graaf wiubm, Roomsch-Soning, D. I. B. I. bl. 110, 117. 'sHage 1783.
II. DEEL. 27
-ocr page 210-210 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190—van gevangen Ie worden, toen de Graaf van Auxerre aansnelt en hem weder te paard
helpt. Do Franschen , verbillerd over de Avoede der vyanden tegen hunnen Koning, her-
eenigen zich, en bedoelen nu, op hunne beurt, den Keizer alleen. Een Fransch ridder
vat den toom vaii otto's paard, een ander grijpt den Vorst zeiven aan , een derde kwelst
hem in den buik, en niet dan met de grootste moeite ontsnapt hij , door de vaardige
hulp zijner Duitschers en de snelheid zyns paards, aan hunne handen. Zijne vliigt be-
sliste hel lot van den slag. Te vergeefs streden nog met onbezweken moed de Graaf
van Boidogne nevens den Hertog van Braband aan den regier-, en de Graaf van/^/ααη-
dercn aan den linker vleugel, na de nederlaag hunner medgezellen in het midden,
tegen het overwinnend heir; zij moesten eindelijk zwichten en dertig duizend hunner
dapperen bloedden op het slagveld. De Herlog van Brahand, welke zeven honderd
ridders had verloren, ontkwam door de vlugt; doch do Graven van Vlaanderen, van
Boulogne, van Salisbury, en, naar rnen wil, ook Graaf ayillem , λverden met
zulk een groot aantal ridders gevangen gemaakt, dat de kerkers op vele plaatsen in
Frankrijk geheel bezet werden (1). Onder belofte van nimmer weder de wapenen
tegen den Koning van Frankrijk op te vallen, werden de meesten dezer gevangenen,
en ook Graaf wii.lem, voor een aanzienlijk losgeld geslaakt (2).
De nederlaag van Bouvines maakte een einde aan het bewind van οττο. De tegen-
keizer frederik , zoon van Hendrik VI, trok onmiddellijk na otto's teruglegt, den
Rijn en de Maas over, en werd door onderscheidene Nederlandsche Vorslen , waaronder de
Herlog van Braband, erkend en gehuldigd. Ook willesi van Zfo^/a««/verhel do zijde van
otto, en wist een huwelijk van zijn zoon floris , ofschoon slechts vier jaren oud, met
MAGiiTELo , de doclitef des Herlogs , te sluiten. In de overeenkomst werd met onderling
5 van goedvinden bepaald, dat de leenmannen van Holland cn Zeeland zouden zweren: »alle
^'^ίί'· landen, welke Graaf willem bezat, voor floris, ziine bruid of beider erfgenamen
maand ' '' °
1214 te bewaren," terwijl voorts bedongen en door wederzijdsche leenmannen bezworen werd ,
dat »de Hertog en Graaf elkander, tegen allen en een iegelijk, naar vermogen
zouden beschermen en bijstand bieden (3)." Dit verbond moest de hoop des Graven
van Loon op het bezit van Rolland vernietigen. Hij rustte echter niet en tr^ichtte zich
elke omstandigheid ten nutte te maken. De mislukte logt van lodeavijk , zoon van
(1) Meyerds, Annal. Flandr. Lib. YIII. p. G8. Desis saüvage, la Cronique de Flandres,
Ch. XV. p. 34. De\ve2, Jlisl. Gén. de la Belg. T. II. p. 418—423. De Auctor Aquicinctus,
een tijdjfcnoot, isdeecnigste oude Sclirijver, Avclkc Graaf\yillem onder de gcvanjjcnen telt. PisTORiüs;
Rer. Germ. Script. T. I. p. 1014. Verg, vam wuit; op wagenaar, St. II. bl. 107.
(2) Wagekaar, D. II. bi. 337.
(3) V. iiienis, Charterb. ν. Holl D. I. bl. 1G2, Kiüit, nist. Crit. Com. Τ. II. P.I. ρ. 360.
Cf. Τ. I. l\ II. ρ. 486, 487.
DES VADERLANDS. äoä
FiLiPs AUGUSTUS, naar Engeland, strekte om zijne uitzigten te Ycrlerendigen. Deze HöO—
jonge, dappere prins was op uitnoodiging der Engelsche baronnen, welke hem bij
hunnen opstand tegen Koning jan, do kroon des lands hadden aangeboden, naar
Engeland overgestoken , waar, onder meer andere Grooten , Graaf willem; hem met
zes en dertig ridders en hun gevolg vergezelde (1). Do banbliksems van den Paus op
lodewijk en willem geslingerd, zoowel als het wantrouwen der Engelschen tegen de 121G
Franschen, redden Koning jan ; en I;ODe\yijk was genoodzaakt met den Graaf en zijne
overige toglgenooten, naar het vaste land terug te keeren (2). Over de trouwbreuk van
WILLES! verbilterd, dorstte de Engelsche Vorst naar wraak. Op zijn aanzoek verklaarde
van loon, die even als willem , nu deze dan gene partij aankleefde, zich bereid, om
OTTO'S zijde weder toe te vallen, waarop do Koning in eenen brief den Keizer aanspoorde ,
van loon iii het bezit des graafschaps van Holland en der andere goederen, welke hem
nog onthouden werden, te herstellen (3). Dit bleef zonder gevolg, daar οττο magten
invloed verloren had , en Koning jan kort daarna overleed. Ondertusschen had van loon
zich lot Paus honokius III gewend, welke, ingevolge het verslag (advies) van den abt
van Oostlroek, bij eene bulle do vroegere uitspraak van filips van Namen bevestigde
en de uitvoering daarvan den Aartsbisschop van Trier aanbeval (4). 1217
Willem, en geheel Holland mGlh^m , uitgezonderd de abdijen van jE'^g^ïiionc? en Äi/ntf-
hurg, lagen nog onder den Pauselijken ban (5). En ofschoon de wakkere Graaf niet
gewoon was zich om de geestelijken veel te Lekommoren, wanneer dit met zijne belangen
streed, zoo dat hij zelfs vroeger te Falenciennes Keizer οττο het regt had toegekend,
hun do tienden te ontnemen, om daarmede het leger te betalen (6) , oordeelde hy het
echter thans raadzaam, hen te ontzien en het kruis aan te nemen. Immers onttrok hij
zich hierdoor niet alleen aan den kerkban, maar stelde zijn land onder do heilige be-
scherming der kerk zoo lang hij op dien togt afwezig zoude zijn (7). Van loon had
(1) Meyercs, Annal. Flandr. Lil·. VIII. p. 69. "
(2) Epist. noKoRii III apud butthaeum, jdnalect, T. III. ρ. 132. ΙΙπΆτ., Jlist.of EngLCh.W.
ρ. 117. Kluit , Ilist, Crit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ. 488. Τ. II. Ρ. I. ρ. 375.
(3) V. mieris, Charterh. ν. ΠοΙΙ. D. I. bl. 169. KmiT , Jlist. Crit. Com. Τ, I. Ρ. ,11. ρ. 489,
4Ü0. Τ. II. Ρ. I. ρ. 370.
(4) Kluit, Hist, Crit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ. 490—493. Τ. II. Ρ. I. ρ. 375. Verg. hier-
voor, bi. 204.
(5) Epist. noBORii ΠΙ ap. matthaeum ct klüit in 1, c. Cf. Kloit , llitt. Crit. Com. Τ. Ι. Ρ. Π.
ρ. 488.
(6) V. mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 161.
(7) Buderdijk, D. II. bl. 110.
26*
-ocr page 212-212 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190—insgelijks, om den Paus τοογ zijne belangen lewinnen, zich reeds voor kruisvaarder ver-
klaard (1). Men twijfelt echter, of hij dien logt wel zou ondernomen hebben; zeker is
het, dat hij dien niet uitgevoerd heeft. Hij overleed den negen en Iwinligsten van Hooi-
maand des jaars twaalf honderd achttien, in den bloei des levens, naar men wil, door
vergif, hem en zijnen broeder henbrik, gewezen Domproost λάά Maastricht, ^onv
eene onbekende hand toegediend (2). Uileenloopend is het karakter van dezen Vorst
beoordeeld geworden. Terwijl hij als weinig beteekenend in onze geschiedboeken wordt
voorgesteld, verheilen de Luiksche Schrijvers daarentegen zijne deugden en begaafdheden ,
en verhalen, dat zijn dood door geheel Luiker land, als eene algemeene ramp beweend
werd (3). De roem van moed, dapperheid en krijgsbeleid kan hem voorzeker niet betwist
worden, en deze deugden werden ook zoo algemeen in hem erkend, dat in den slag bij
Steppes, de Herlog van Brahand hel bijzonder op van loons leven raunlle, openlijk be-
tuigende, dat na 's Graven dood, de overigen niet bestand zouden zgn (4). Evenmin mo-
gen zijne onverwrikte standvastigheid, zijn rusteloos streven ter bereiking van het eenmaal
voorgestelde doel miskend worden, doch waren de middelen die hij bezigde, niet
altijd van onberadenheid en overijling vrij te pleiten. Niets echter getuigt meer voor
zijne bekwaamheden, dan dat al de schranderheid, al het geluk zijner tegenpartij, en
zijn eigen ontijdige dood zelfs, vereischt werden, om Graaf Willem I het gerust bezit
van Holland te verzekeren. Zijn broeder arïïoud , die voor hem in Engeland gijze-
laar was gebleven, volgde hein op in het graafschap van Loon, en huwde met λ leide ,
eeno jongere dochter des Hertogs van Brahand, waardoor hij zwager van Graaf
WILLEM werd toen deze, na zijne terugkomst uit hel Heilige Land, in tweeden echt was
getreden melde Keizerin-weduwe maria van Brahand^ van Avie reeds gesprokenis (5).
Wat ADA betreft, dit ongelukkig slagtoffer van heerschzucht en staatkunde, had zich
sinds hare slaking uit Engeland, in Luik en in het graafschap Loon opgehouden.
Beroofd van dien luister en rijkdom, op welken zy door hare geboorte aanspraak
maakte, sleet zij , uit yaderland en erfgoed verjaagd, hare treurige dagen in godsdien-
stige oefeningen, en in het begiftigen van kloosters en geestelijken. Zij overleefde haren
(1) Epist. HoiToiiii III, apud klüit, llist. Crit. Com. Τ. IL Ρ. I. ρ. 375.
(2) Klüit, Hist. Crit. Com. Τ. L Ρ. II. Excurs. XI. p. 493.
(3) Reiher, lkodieks. ad annum 1218. p. 60^ aanjjeliaald hij kluit in 1. c.
(4) Van wij« , op waoehaar , St. Π. bl. 108. Verg. hiervoor, bl. 208.
(5) KlciT; Hist, Crit. Com. T. I. P. II. p. 494, 495. Verg. hiervopr, bl. 209.
-ocr page 213-DES VADERLANDS. " 213
gemaal, en werd bij hein te Herkenrode begraven (1). Hare moeder, de schrandere, 1190—
heldhaftige, doch door heerschzucht verblinde abelheide van Ä'Zee/, leefde zonder cenigen
invloed , nog eene reeks van jaren. Immers onder de regering van Graaf willem II,
begiftigde zij het klooster van Rijnshurg, waarin zij wenschte bggezet te worden (2).
Toen de dood des Gi-aven van Loon, Graaf willem I van eenen rusteloozen vijand
bevrijdde, bevond hij zelf zich in het Oosten. Hij had eovdewijn , Graaf van JBent-
hem, het bewind over Holland, als voogd of stadhouder, gedurende zijne afwezigheid
opgedragen (3), en was den negen en twintigsten van Bloeimaand met twaalf welbe- 1217
mande koggen uit de Maas in zee gestoken. De vloot der Duitschers, onder bevel des
Graven georg van Wied, uit het gebied van Keulen, voegde zich bij hem, zoodat
de geheele scheepsmagt uit meer dan twee honderd bodems bestond, welke te Dar-
mouth met de Friesche vloot, uit meer dan tachtig kielen bestaande, versterkt werd.
Na het afkondigen der krijgswetten, naar welke het kruisleger zich moest gedra-
gen, en het nemen van de noodige maatregelen, nam de Graaf van ^«W het be-
vel over de voorhoede der vloot, en Graaf willem, wien.het geheele leger reeds tot
opperhoofd had gekozen, het bestuur over de achterhoede op zich. Met gunstigen
wind staken de schepen des Graven van Wied in zee, doch werden door een ge-
weldigen storm verstrooid en een schip verbrijzelde tegen de klippen. De Graaf van
Holland bragt zijn smaldeel behouden te St, Mattheus, volgens eenigen eene haven in
Neder-JBretagne, binnen. Hier werd hem het bevel over de voorhoede en den Graaf
van Wied, dat der achterhoede opgedragen. Men stevende van daar met eene gunstige
doch flaauwe koelte naar Phare in Gallicie, door eenigen voor hel tegenwoordige
Ferrol, door anderen voor Corunna gehouden. De kruisvaarders trokken van hier in
bedevaart naar Sant Jago di Comjiostella, eene der meest bezochte bcdeplaatsen,
en werden, teruggekeerd, negen dagen door tegenwinden te Phare opge-
houden. Daar echter de wind ongunstig bleef, om uil die haven naar Lissabon
te stevenen, keerde Graaf -willem , zoo het ons voorkomt, naar de haven van
(1) KiüiT, Hist. CriuCom. T. I. P. II, p. 496, 497, wien bilderdijk gevolgd heeft, D, 11.
bl. 112.
(2) De sclienliinjjsbrief is van den 12 van Lentemaand 1237, cn te vinden bij vab mierts,
Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 213. Klüit, Hist. Crit. Com. Τ. IL Ρ. L ρ. 479. Bctkebs, Tro-
phécs de Brab. T. L p. 566, meldt, dat de ^7cduwe van dirk VII, met aritoüd , Graaf van yi/feno,
gehuwd geweest is. Zie v. mieris, t. a. p. »
(3) Dit blijkt uit een cliarler van dien Graaf (er gunste der abdij van Middelburg in het jaar
1218 verleend. Κι,υιτ, Eist. Crit. Com. Τ. IL Ρ. Ι. ρ. 413.
algemeene geschiedenis
1190—St. Mattheus terug (1). Weinig dagen kier ondernam men weder de reis naar Por-
tugal. Niet zonder gevaar en met verlies van drie schepen, liep een gedeelte der
vloot Oporto binnen, terwijl de overige buiten de haven en in het gezigt der klippen,
voor hunne ankers rijdende, den nacht in grooten angst doorbragten. Bij het aanbre-
ken van den dag, zette men met günstigen wind den togt voort, doch was genoodzaakt
in de haven van Silere, waarschijnlijk het dorp Salir do Mato, binnen te vallen.
Eindelijk bereikte men den vijf en twintigslen van Hooimaand Lissahon. Terwijl de
kruisvaarders hier vertoefden, om volgens afspraak, eeno versterking van schepen af te
wachten, werd hunne hulp door de Porlugesche Grooten, zoo wereldlijke als geestelij-
ke, legen de Saracenen ingeroepen, wier overmoed ondragelijk was geworden,
daar zij niet alleen een slot (alcazar) nabij Lissabon hadden vermeesterd, om die stad
te bedwingen, maar jaarlijks honderd Christenen vorderden, als eene schatting aan den
Sultan van Marocco. Zij smeekten derhalve de kruisvaarders, hen tegen dit geweld
te verdedigen, en dat slot, den sleutel en voormuur van het Saraceensche Hispanië,
te heroveren. De gevoelons waren op dit punt zeer verschillend. De Friezen inzon-
derheid braglen hier veel legen in, bewerende dat men, in gevolge 's Pausen begeerte,
onverwijld naar het Heilige Land moest vertrekken, en zeilden met meer dan tachtig
koggen, den dertigslen van Hooimaand, de haven uit. Een groot gedeelte hunner
toglgenooten, onder de Graven van Holland en van /^«W, bleven in Portugal achter
en begonnen den dag van hun vertrek, de belegering van het slot. Ab dallau
EBif MOHAMMED EBN wASiR voerdo hierin het bevel en verdedigde zijnen burg,
die hevig werd aangetast, met groote dapperheid. Eerst den vier en twintigslen van
Oogstmaand stortte, na ongeloofelijken arbeid, een der torens in, doch de bres was
hierdoor niet geopend, daar de binnenzijde des muurs niet bezweken was. Hierop
rukten vier der Saraceensche Opperhoofden aan en sloegen hunne tenten op niet verre van
de legerplaats der Christenen. In den vroegen morgen van den tienden van Herfst-
maand, schaarden zij zich, als der overwinning zeker, vrolijk len strijde. De Christe-
nen , geringer in aantal, doch slerker door zedelijke kracht, riglten hunne slagorde
naar het Oosten, » zoodat do zon in hunne vergulde schilden schitterde, en de tegen
»hen over liggende bergen verlichlte, hetgeen der krijgeren moed niet Aveinigsterkte."
Bloedig en hardnekkig was de strijd; godsdiensthaat vuurde dien aan, duizenden sneu-
velden. Eindelijk verklaarde zich de overwinning aan de zijde der Christenen. Twee
(1) Anderen mcenen, dat de Graaf van Holland naar de Britsche kasten zeilde en in Darmouth
binnenliep. Dirks, Noord-Nednrl. en de Kruistogten, bl. 230. Daar Willem ecliterden 26van
Zomermaand Phare verliet, en reeds vijf dagen daarna Oporto bereikte, komt ons voor zulle een
«
togt, de tijd veel te lort voor.
214
DES VADERLANDS. " 215
Khalifen met veertien duizend Saracenen, bedekten liet slagveld; cn een veel ^rooter 1190—
aantal viel in de handen der overwinnaars. De vijandelijke tenten werden geplunderd,
en hunne galeijen, welko den burg moesten ontzetten, door de schepen der kruisvaar-
ders op de vlugt gedreven. Nu werd met vernieuwden moed het beleg der veste voort-
gezet , die na het vallen van eep tweeden toren, op den een en twintigsten van Wijn-
maand, in de magt der Christenen geraakte. Meer dan duizend Arabische ruiters werden
in koelen bloede onthoofd, en de overige bezetting, mannen, vrouwen en kinderen,
als slaven verkocht. De gevangen genomen bevelhebber kreeg voor een losgeld zijno
vrijheid weder, en het slot kwam in handen der Ridders van St. Jago de la Spada.
De kruisvaarders keerden naar Lissabon terug, alwaar zy overwinterden (1).
Men Avenschto hen ook, den volgenden zomer in Portugal te houden, om de Sara-
cenen te bestrijden. Graaf willeh Avendde zich met dit verzoek, in eenen brief, tot
Paus noRomus III, in welken hij z\o\\Opperbevelhehher der kruisvaarders {crucestg-
natorum comestahulus) noemt en betuigt, dat hij »als een gehoorzaam zoon bereid is,
's Pausen bevelen stiptelijk op te volgen (2)." De Paus drong in zijn antwoord ten
sterkste aan, den togt naar Palestina, voort te zetten (3). Uit dien hoofde stak Graaf
WILLEM, in het voorjaar met zyne vloot uit Lissahon 'm icc. Een hevige storm in 31 van
den Paaschnacht, verstrooide de schepen; eenige \\Q\)Gn Barcelona, andere , jj^aa,^^
en sommige tusschen Sardinië en Corsika doorzeilende, Genua, Pisa of Messina ^^^^
binnen, cn van daar dat zij niet alle te gelijker tijd voor Jcre kwamen. Den zes en
twintigsten van Bloeimaand verlieten zij die haven en wierpen, drie dagen later, het
anker voor een eiland in den Nijl tegenover Damiate, Men vermoedt, dat de Friesche
kruisvaarders daar reeds geland waren, dewijl zij bij hunne L'omist in ^^ypie, den
Graaf van Sarbriick tot opperhoofd kozen, hetgeen vermoedelijk niet het geval zou
geweest zijn, indien Graaf willem van Holland tegenwoordig geweest was (4). Dever-
(1) Comitis Ilollandiae Expeditio in Syriamo, in emokis Chron. apud matthaeüsi, Analect.
T. II. p. 26—29. Godeiridus mokacuüs, in freueri. Rcr. Germ. Script, T. I. p. 384—386.
Argent. 1717. LiUcrae ad ποκοκηΐΜ III. Papam, de actis crucesignatorum in Porlugaita; et
Litterac wiluelmi Jlollandiaé Comitis iiokorio III, bij tan mieris, Charlerh. v. Holl. D. I.
bl. 174—176. Oliteri Eist. Vamiatina in eccard, Corpus Jlist, T. II. j). 1401. BIr. dirks,
Noord-Nederl. cn de Kruisiogt, bl. 225—236, 251—255 en de aldaar aangehaalde Sclirijvcre.
(2) Litterac wildelsii in 1. c.
(3) Epist. 820 nokorii III bij fleert, Bist. Ecclesiast. T. XVI. p. 423, aangehaald door
wagekaar, D. II. bl. 345, cn dirks bl. 256.
(4) Mr. DIRKS t. a. p. bl.257.
-ocr page 216-216 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
overing ταη Egypte beschouwde men als den weg, welke ter vermeestering van Syrië
en Palestina geleidde , en het bemagtigen van Damiate zou den veldtogt openen. Wei-
nig belegeringen zijn zoo beroemd als die van deze stad, Avaarin bijzonder de Hollanders
en Friezen, door onversaagden moed en stoute daden zich boven de overige dapperen
onderscheidden. Damiate [Dimiad) ligl in Neder-Egypte, ten Oosten aan eenen
arm des Ν ijls, welke er langs stroomt. Het was met torens, muren, bolwerken
en grachten versterkt. Daarenboven stond in den ISijl zeiven, tusschen de slad en een
eiland in den mond dier rivier, een toren, welke zeventig gewelfde kamers bevatte, ieder
met drie schietgaten, en wel voorzien van manschappen en krygsbehoef ten. Deze sterkte,
door eene of meer zware kettingen aan de stad gehecht, welke den toegang derwaarts
afsloten, moest ingenomen en de kettingen verbroken Avorden, vóór dat men aan het
beleg van Damiate zelve koude denken. De kruisvaarders sloegen zich op het genoemde
eiland neder, en weldra werd de toren bestormd. De steenen, pijlen en het Grieksche
vuur der vijanden echter vernielden de stormtuigen der aanvallers, die na tweemaal her-
haalde pogingen vruchteloos moesten aftrekken (1). Reeds begon bij de belegeraars,
onder welke ook de buikloop vele slagtoffers maakte, de moed te verzwakken, toen
door oLivER, welke dezen logt beschreven heeft, een allerkunstigst stormtuig werd
uitgedacht en in werking gebragt, waarvan hij deze beschrijving geeft: »Wij zagen
dat de toren niet konde ingenomen worden door het beuken met slingerwerktuigen
en stormrammen {petrariorum et trahuculorum ictihus) ,οϊάοοΐ insluiting uit hoofde
van de diepte der rivier, of door honger, uit hoofde van de nabijheid der slad, of door
ondermijning, wegens den stroom. Daarom sloegen de Duitschers en Friezen (Neder-
landers) op hunne eigene kosten, handen aan het werk. Zij hechtten twee koggen
met balken en sterke touwen, op eene zeer stevige wijze, aan elkander. Op deze sche-
pen riglten zg vier hooge masten op , benevens even zoo vele sprieten, en stutten door
deze een toren , welke uit planken en vlechtwerk zamengesteld was, en waarvan het
dak en de zijden, door huiden, tegen het Grieksche vuur beveiligd waren. Aan deze
kleine sterkte werd eene ladder aangebragt, die dertig ellen buiten den voorsteven
van het schip uitstak. Binnen in den toren was nog eene valbrug van geringere leng-
te (2). Met veel moeile, dewijl de Nijl hoog gezwollen was en sterk stroomde, werd
dit werktuig legen den toren stroomopwaarts gevoerd. Do Saracenen weerden zich
(1) OLrnïRi Hist. Damiatina, p. 1402. Gesta Fresonum, uifg. door het Prov. Friesch Ge·
nootsch. Worlcum 1837. bi. 140.
(2) Oliver in 1. c. p. 1403. Dc Schrijver der Gesta Fresonum, voegt liier nog bij, bi. 141,
dat de toren zoo kunslig gebouwd was, dat men dien, naar begeerte, wel 20 tot 30 voeten, ver-
lioogen en verlagen konde J
1190-
125Ö
DES VADERLANDS. " 217
dapper, en slingerden onophoudelijk zware sleenen, zoo wel uit de torens der
stad als uit dien in den Nijl, op het ontzagwekkend werktuig, terwijl het Grieksche
\uur, schrik en ontsteltenis onder de kruisvaarders verspreidde (1). Menig gevecht
werd met afwisselend geluk gestreden, en steeds heviger en woedender werd de strijd.
Te midden der steenen , des vuurs, der werpschichten, knodsen, zwaarden en an-
der moordtuig der belegerden, gelukte het eindelijk den Nederlanders de lad-
ders op te rigteu. Een jong Luiksch ridder sprong het eerst in den toren, onmiddellijk
gevolgd door een Fries, hajo geheeten en uit JVolvega geboortig, die, gewapend met
eenen dorschvlegel van ijzeren kettingen voorzien , alles was hem ontmoette ter nedersloeg en
een vaandeldrager des Sullans velde, wien hij het vaandel ontweldigde. Andere kruis-
vaarders volgden, en de vaan des kruises wapperde weldra van den toren. De ver-
overing was echter hiermede niet voltooid, DeSaracenen, die naar binnen gevlugt waren,
staken vuur aan onder in den loren. De hitte en rook joegen de overwinnaars over
de valladder naar hun werktuig terug, welks valbrug nu aan den voet des torens werd
iiedergelaten, die met vernieuwd geweld bestormd en verdedigd werd. Onder belofte
van lijfsbehoud gaf zich de bezetting over, wier welverdedigde burg de kruisvaarders25 van
vier maanden had opgehouden. De kettingen , welke den iVy7 afsloten, werden ver-
broken en hierdoor de bemagtiging der stqid voorbereid (2).
Het beleg van Damiate kon echter niet terstond met kracht doorgezet worden. De
Saracencn hadden voor de stad verscheidene schepen laten zinken, en er verliep eenen
geruimen tijd, eer deze en andere hinderpalen te boven gekomen waren; ook veroor- 29 van
zaakte een storm op de kusten van Egypte en op den IS ijl, eene groote schade
aan do bodems der kruisvaarders. Eindelijk sloegen deze laatsten, bij een opstand
in het leger der Saracenen, eene schipbrug over den Nijl, welke hunne leger-
plaats aan den Avesteroever dier rivier met den oostelijken oever vereenigde. Kort 1219
daarop werd eene tweede schipbrug gelegd, en de belegering met nadruk voortgezet,
ofschoon vele kruisvaarders, het lange dralen moede, huiswaarts getogen waren. Na
vele gevechten en herhaalde stormen, besloot men lot eenen algemeenen aanval op het 29 van
Oo{;sl-
______maand.
(1) Dit vernielend vuur kon, naar liet gevoelen van dien lijd, sleclits door azijn, zand cn
urine gebluscht worden. Beide laatste bezigden de Friezen hier ter blussching. Zie de aant. op
de Gesta Fresonum, bl. 187.
(2) Oliveri Ilist. Dam. p. 1404, 5. Gesta Fresonum, bl. 141, 142, E. beribga, Hist. v.
Oostfr. bl. 110. Verg. Mr. dibks, IVoord-Nederl. en de kruistogt. bl. 264—272, en de aldaar
aangehaalde schrijvers. Waarop zich het verhaal grondt, door biiderdijk, D. II. bl. 327, van
4eze belegering gegeven, is ons onbekend. Het schijnt geheel uit de lucht gegrepen, is althane
in strijd met de schrijvers, die wij konden raadplegen, en onder welke zich een ooggetuige bevindt.
II, deel. 28
-ocr page 218-218 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190— leger der Saracenen, die echter ongelukkig afliep. Onder hen, -welke moedig weerstand
boden en het Christenleger van een geheelen ondergang redden , behoorde de Graaf
van Holland. Intusschen ontvolkten hongersnood en pest de ingeslotene stad, welke
g malek kamel stecds te vergeefs poogde te ontzetten, Na eene belegering van ongeveer
Slajjt- zeventien maanden, werd het uitgehongerde en bijna uitgestorven Damiate door de
Christenen overweldigd (1).
' De overlevering wil, dat de Haarlemmer kruisvaarders onder willem I, door koggen
met ijzeren zagen voorzien en met ijzer beslagen , de keten tussehen Damiate en den
Nijltoren verbroken hebben. Dit sprookje, op goede gronden reeds voorlang te-
gengesproken en wederlegd, heeft niettemin in onze dagen eenen vurigen verdediger
gevonden, die echter meer door ongepaste taal en gissingen, dan door geschiedkundige
bewijzen zijn gevoelen meent te staven (2). Hot is voldoende op te merken, éat geen
der ooggetuigen of tijdgenooten, geene onzer oudö kronijken vóór het einde der vijf-
tiende eeuw, daarvan eenige melding maken (3). Integendeel, de eerstgenoemden verkla-
ren eenparig, dat men zich eerii van den toren meester maakte en c?aar/ia de ketting ï/je^r-
nam (4). Maar van waar dan die scheepjes in de groote Kerk te Zfaar/em, deDamiaten
scheepjes geheelen, en welke in zestien honderd zes eri tachtig zijn vernieuwd geworden ? Van
waar die Damiaten klokjes of Datniaten, van Korinthisch koper, hangende in het boven-
ste gedeelte van den toren derzelfde kerk , en welke alle avonden te negen ure luiden , zonder
met poort- of boomsluiting in eenig verband te staan ? Van waar eindelijk het wapen
der stad Haarlem, te voren vier sterren op een rood veld , doch waarin thans een zilveren
zwaard met een kruis daarboven, hetwelk haar, naar men zegt, door den Keizer en den
Patriarch yaw Jeruzalem , ter gelegenheid der inneming van geschonken werd ?
Men geeft van dit alles deze verklaring. Graaf willem I, die in Haarlem zyn gewoon
verblijf hield, zal eene afbeelding van de koggen , met welke bij naar het Oosten was ver-
(1) Oliveri Eist. Dam. p. 1409—1412. Dirks, Noord-Nederland en de Kruistogien, bl;
273-278.
(2) Bilderdijk, D. II. bl. 327, 328. Het sprookje \fa$ reeds bestreden door van leevwen,
Batavia lllustrata, D. I. bl. 183. Mehso xltihg, Not. Germ. Inf. Ρ. Π. ρ. 81. L. smids,
Schatkamer dor Nederl. Oudh. art. Haarl. en Damiate. Vak oosten de bkuyh , de Stad Haarl.
en hare Gesch. bl. 47 enz. Haarl. 1765. Κοκ, Faderl. Woordenh. D. XI. bl. 32. Nieowenduis,
Jfoordenb, in voce. bl. 271. Hamaker, Commetltatio^ ad /ocwm takyoddiki admedis al-ïïakrizii,
de expeditionibus α Graecis Francisque adversus Dimyatham , ab. anno. C. 708—1221 susceptia,
in het III D. der werken van het Kon. Nederl. Instit. 1824. p. 81—89.
(3) J. α leydis, Lib. XVIII. c. 20, is de eerste onzer schrijvers, welke dit berigt.
(4) Zie de getuigen aangevoerd door Mr. dirks t. a, p, hl. 283. Verg. wagenaar , D. 11. bl.
350, 351.
DES VADERLANDS. äoä
trokken , tot eeno dankbare nagedachtenis van zijne belioudene terugkomst, aan de stad 1190—
125C
zijner hofhouding ten geschenk gegeven hebben; dergelijke geschenken toch zijn in
Roorasch-KathoHjke landen thans nog zeer gebruikelijk (1). En wat de klokjes betreft,
ook deze zijn Avaarschynlijk door Willem uit den buit, welke hem ten deeleviel, tot het
bovengenoemde gebruik, ter gedachtenis der verovering, afgestaan. »Want Haar-
lem de verblijfplaats der Vorsten zijnde , was het zeer natuurlijk, dat daar de gewon-
nen zegeteekenen plaats kregen en de gedachtenisviering geschiedde (2)" De veredeling
van het stads wapen wordt door de inlandsche jaarboekschrijvers, die de inneming van
Ptolomais in elfhonderd een en negentig, met die van Damiate, acht en twintig ja-
ren later, verwisselen, geheel onjuist aan frederik barbarossa toegeschreven. Men houdt
het echter voor niet geheel onwaarschijnlijk, dat Keizer frederik II, om eene openlijke
hulde te bewijzen aan de dapperheid van willem en zijner onderdanen, dit op geeno
gepaster wijze meende te kunnen doen , dan door aan 's Graven hofplaats een wapenschild
te schenken, waardoor het geheele volk zich vereerd konde rekenen. Men weet, dat
de Graaf in hooge gunst bij den Keizer stond , en daar het destijds zeer gebruikelijk was ,
dat een Vorst, om de dapperheid eens leenmans te beloonen , hem een nieuw Avapenschild
gaf, zoo kon frederik Π, als vriend van willem, dit eerbewijs ligtelyk aan de hoofd-
stad zijns lands schenken (3). Het eenvoudige en natuurlijke is echter te zeer in strijd
met de algemeene zucht naar het wonderbare, dan dat niet in verloop van tijd, eene
andere oorzaak hiervoor werd uitgedacht en zoo hel sprookje ontstond, hetwelk door
den Haarlemmer Karmeliter monnik jan van leideii, op het einde der vijftiende
eeuw, welligt om zijne stadgenooten te believen, het eerst geboekt en door zijne
naschrijvers, zonder verder onderzoek, is gevolgd geworden (4). Men vierde te Haar-
lem reeds voorlang een gedachtenisfeest ter eere dezer overwinning, en in de zes-
tiende eeuw liepen op eiken eersten dag van Loüwmaand, de kinderen met scheepjes
van eene zaag voorzien en op slokken geplaatst, de stad rond (5). Deze gewoonte
was in het begin der volgende eeuw nog niet buiten gebruik geraakt (6),
(1) Dirks, Noord-Nederl. en de Kruist, bl. 282, 283.
(2) Buderduk, D. 11. bl. 329, vergeleken met bl. 62. Dieks, t. a. p. bl. 283.
(3) Biideudijk, D. II. bl. 329. Dirks, t. a. p. bl. 286, 287.
(4) S. vam leebwek, But. Illustr, D. I. bl. 183, mede aangeliaald door dirks, bl. 288, en
zijne Beschr. v.· Leiden, bl. 332.
(5) H. jusii Batavia, c. XVII. p. 434. Ed, 1652. ï. sciireveucs, Beschr. v. Haarl. B. L
bl. 39. Haarl. 1754.
(6) ScnREVEUCs, t. a. p. bl. 40.
26*
-ocr page 220-220 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
Raariem heeft in den betwisten roem der verovering van Damiate, in de sladiJoÄ;-
hum ecne mededingster gevonden. Zeker is het, dat door een ooggetuige, die alles
naauwkeurig heeft opgeteekend, het hemagtigcn van den Nijltoren aan de Friezen of
Nederlanders en aan doDuitsehers wordt toegeschreven, zonder van de Haarlemmers, die
echter onder hen kunnen en ook waarschijnlijk zullen geweest'zijn , een enkel woord te ge-
wagen, gelijk toch zulk een uitstekend feit wel zou hebben verdiend ((). De Schrijver der
Gesta Fresonum, welke ongeveer eene halve eeuw later leefde, schryft de vermeeste-
ring des torens aan de Friezen toe, maar spreekt even min als gene van Haarlemmers,
of van het doorzeilen van den ketting (2). Hiervan zwijgt mede een zeer oud Friesch Kro·
nijkje, ivaar echter in het bijzonder de Dokkummers onder de eerste veroveraars van Damiate
genoemd worden (3). Beninga kent den val dier stad toe aan het beslieren van een sterk
koggeschip , van voren met staal voorzien en beboerende tho Doecum in FFestfreesland (4).
Ook blijkt uit een brief van het jaar twaalf honderd achttien, dat inderdaad Dokkum-
mers bij deze belegering geweest zijn en zich zoo zeer onderscheiden hebben, dat
er bijzondere zorg gedragen werd , dat zij bij hunne terugkomst in het bezit hunner
goederen gesteld werden (5). Idsinga verhaalt, dat de toren van Dokkum, die sedert
vóór eenige jaren is afgebroken, ter gedachtenis met een koggeschip als weerhaan voor-
zien was (6). Ook meldt de overlevering, tegen de getuigenis der geschiedenis aan,
dat het werktuig, waarmede men den kettingtoren bestormd en veroverd had , naar
Dokkum gebragt en aldaar lang bewaard zou zijn (7). Welligt is een der kleinere
Friesche koggen in die stad binnengevallen, aldaar bewaard gebleven en een afbeeldsel
daarvan, ter herinnering op den toren geplaatst (8). Ook verdient opmerking, dat
het oudste wapen van Dokkum slechts drie sterren bevatte, maar later met een kwar-
tier maan vermeerderd is, » ter erkentenis," naar men wil, η van de overwinningeii
in de heilige oorlogen op do Saracenen behaald (9)."
(1) Olivebi Hist. Dam. p. 1404.
(2) Blz. 140-143.
(3) Zie DIRKS, Noord-Nederl. en de Kruist, bl. 328.
(4) Hist. V. Oostfriesl. bl. 110. i
(5) ScnoTAKüs, Brieven cn Documenten, dienende tot de Fr. Hist. bl. 11 ^ 12. V. mieris
Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 176. Charterl·, ν. Friesl. D. 1. bl. 87, 88.
(6) Staat$regt der Fereenigde Nederl. D. I. bl. 126. 'Dirks, t. a. p. bl. 289.
(7) Dirks , t. a. p. bl. 289.
(8) Dirks, t. a. p. bl. 290.
(9) Tegemo. Staat v. Friesl. D. II. bl. 261, 262.
1190—
1256
DES VADERLANDS. " 221
Graaf willem moet kort na de inneming van Damiate, zoo niet Troeger, en waar-llöO—
schynlijk over Itali'è Qn Duitsehland, ηΆΆτ Holland zijn teruggekeerd. Zyn naam jy
wordt gespeld onder een giftbrief van Keizer frederik II te Frankfort aan den Main Gras-
uitgevaardigd (1). Hetzelfde jaar voltrok liii zijn tweede huwelijk met de Keizerin-weduwe 1220
MARIA van Brahand, en eindigde drie jaren later in vrede zijne onrustige en wisselvolle 4 yan
loopbaan (2). Men heeft hem tot een toonbeeld van Christelijke deugden verheven (3).
Zoo in roekelooze togten naar het Heilige Land, in het begiftigen van kerken en kloos- 1223
ters, en in het kiezen van een zegelring, voorstellende een biddende door een Engel
getroost, met het opschrift: Wilhelmus Comes Frisiae, het ware Christendom bestaat,
dan kan men Graaf willem I den eernaam van een opregt Christen niet betwisten. "Wie
echter juister en zuiverder begrippen over de Christelijke leer koestert, zal voorzeker dien
titel niet toekennen aan eenen man, welke niet tevreden, zich regtens den gravenhoed
op het hoofd gedrukt te hebben, tevens zijne nicht, wier belangen hij moest be-
schermen, van hare vaderlijke erfgoederen gewetenloos en tegen alle regt beroofde.
Daarentegen mogen zijne verdiensten als Regent niet vergeten worden, door zijn streven
ter vestiging en bevoordeeling der poorters in de sleden, waarvan zijne handvesten ter
gunste "van Geertruidenberg, Middelburg en Dordrecht getuigen (4). Uit zijn hu-
\velijk met aleid van Gelre liet hij drie zonen en twee dochters na. Floris , welke
hem in het gebied en erf van dirk VII opvolgde; οττο , Graaf van en later,
na den geestelijken staat omhelsd te hebben , Bisschop van Utrecht; willem , welke tijdens
de minderjarigheid van willem II, Voogd ύάώ Holland νιβτά-, ada , abdis , en rycharda
non te Rijnsburg (5).
Floris IV was in zyn dertiende jaar getreden toen hij het bewind over de landen
tusschen de Heidenesse en de Lauwer aanvaardde. Men betwist, dat hij onder de
(1) Van mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 178. Kleit, Ilist. Crit. Cojm. T. II. P.I. p. 428.
(2) Van wun , op wagenaar, St. II. bl. 109, 110. Naleez. op de yaderl. Hist. bl. 133.
Het ßrafschrift op Graaf willem fc liijnsbiirg, stelde zijn dood in 1223. Zie vah mieris , aant. op
de Klerk uit de laage Landen, bl. 104. Dit jaar wordt oot aangegeven door wildelmds pkocC-
RATon, p. 500. Maria van Brahand leefde nog in hel jaar 1260, en schijnt zich meest te Hel-
mond opgehouden te hebben.
(3) Bilderduk, D. II. bl. 113.
(4) Van mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 158, 172, 264. Kluit, Hist. Crit. Com. Τ. II.
Ρ. Ι. ρ. 388, welke de echtheid der leuren door willem aan Middelburg verleend, bondig ver-
dedigt tegen bbydecoper, op melis stoke, D. II. bl. 306' enz. Halen, Besch, ν. Dordrecht,
bl. 420. Wagenaar, D. II. bl. 352.
(5) Cron. de Hollant, ap. matthaecm^ Analect. T. V. p. 535. Veldenaar, Chron, v. Holl,
bl. 29. Goudsch Kron. bl. 58.
algemeene geschiedenis
voogdij van zijnen moederlijken oom, den Graaf van Gelre, zou gestaan hebben (1), of-
schoon ons dit zeer natuurlijk en overeenkomstig de gewoonte van dien Igd voorkomt.
Hoe dit zij, het is blijkbaar, dat hij door dezen oom in de Geldersche onlusten met C/irec/(f
betrokken werd (2). Naauwelijks waren deze vereffend , toen hij met den ütrechtschen Bis-
schop in geschil geraakte over het leggen en onderhouden der zeven sluizen in den Wendel-
dijk. Men weet niet, welke die/F^ewi/e/of i?raaye«c?e rfy'Ä geweest is. Zeker niet dien van
Ainerongen tot Schoonhoven langs den Rijn en Lek, daar deze waarschijnlijk eenige ja-
ren later door floris is gelegd geworden. Men meent derhalve, dat het die dijk geweest
is, welke reeds vroeg van Velzen langs het //, tot aan Muiden gelegen heeft, ter
ontlasting van het Rijnwater dat sinds het toenemend vernaauwen van den uilloop bij
Katwijk, dikwijls buiten zijne oevers liep (3). Bij onderlinge overeenkomst werd be-
paald , dat de Bisschop vier der zeven sluizen zou bekostigen. Tevens werden de
geschillen uit den weg geruimd betreffende de grensscheiding en de lyfeigenen in beider
gebied woonachtig, terwijl ook eene nieuwe bepaling gemaakt werd met betrekking tot
de voordeelen, Λvelke de Bisschop en de Graaf uit de jaarlijksche teregtzitting in de
Friesche graafschappen zouden trekken (4). Intusschen waren er onlusten met F/aanc?e-
ren uitgebroken, dewijl floris Domburg en fVestkappel op ffalchei'en versterkt en
met handvesten voorzien had, zonder den Graaf van Vlaanderen te kennen , wien hij
weigerde voor Zeeland bewester Schelde te huldigen. Hij moest zich echter hieraan on-
derwerpen en beloofde, dit gedeelte van Zeeland voortaan, even als zijne voorzaten,in
het gemeen met Vlaanderen te bezitten (5). De rust werd echter Aveder spoedig door
de onlusten inliet Oversticht gestoord. Om den opstand aldaar te dempen, voorzag Graaf
FLORIS den Bisschop van eenig krijgsvolk, doch in een hevig gevecht in de moerassen
van Drenthe, werd de Utrechtsche Kerkvoogd omgebragt. Een nabestaande van flokis,
welke Vorst, als leenman des Stichts, bij de verkiezing eens nieuwen Bisschops was
(1) Bildebdijk , D. 11. bl. 117. In stede van lalFe scherts j ware het beter gew^iest als bil-
deudijk. de gronden van wagenaar voor het tej^cnovergestelde gevoelen ^ in eenen hïief aan vas
WIJK medegedeeld, belioorlijlc Avederlegd had. Misschien was hem dien brief onbekend, welke
in de Brieven van en aan j. wagenaar , bl. 158-t-162, gevonden wordt.
(2) De beka, p. 69—71. Anonym, de Rel·. Vltraj. c. 20, 21.
{Ά) Wagenaar, D. II. bl. 3G0 (1). Biloerduk , D. II. bl. 119.
(4) Heda, p. 200, 201. V. mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 194. Charterb. ν. Vriesl.
D. I. bl. 88. Kluit, Hist. Grit. Com. Τ. II. Ρ. I. ρ. 448. Wij vennoeden met v\n wij«, dat
dit Charter niet in 1225 maar een jaar later grgeven is. Bijv. en Aanm. op wag. St, Ii.
bi. 112. , I
(5) Kuit , Hisl. Crit. Com. Τ. I, Ρ. II. ρ. 280-286. Τ. II. Ρ. I. ρ. 460—466.
222
1J90-
1256
1225
1226
21 van
Blo«i-
niafuul,
27 van
Jlooi-
inaand
DES VADERLANDS. " 223
tegenwoordig geweest en zijne slem had uitgebragt, volgde hem op en beteugelde 1190—
binnen eenige jaren de misnoegden, A\'ier aanvoerder zijn leven op een rad eindigde (1).
Omtrent dezen tyd werd het kruis tegen de Sladingcrs-gepredikt, welke op de gren- 1230
zen van Friesland en Saksen aan de ffezer woonden, en door den Aavtsbisschop van
Bremen bij Paus gregorius IX, van groote ketterden beschuldigd waren. Het schijnt
echter, dat hunne ketterijhoofdzakelijk in het weigeren der tienden aan den Bremer
Kerkvoogd bestaan heeft, wiens wereldlijk regtsgebied over hen zij niet wilden erkennen,
en wien zij onlangs eene zware nederlaag hadden toegebragt (2), Niettemin werden hun
de beuzelachligste en ongeloofelijkste dingen aangedicht, die op last des Pausen door
eene menigte kruisvaart predikende monniken A^vi Rijn ^'m Westfalen ^Brahand
Vlaanderen, Holland en Friesland verkondigd, de vorsten en volken tegen hen in
beweging bragt (3). Graaf flobis rustte wel driehonderd schepen uit met welke hij naar
de PFezer stevende (4). Daar vereenigde hij zich met zijn schoonbroeder, den Hertog
van Braband, wien de Graaf van Kleef en andere Nederlandsche Grooten met talrijke
benden gevolgd waren, en aan wien het opperbevel werd toevertrouwd (5). Men wil, dal
hier eene magt van veertig duizend strijders was bijeengebragt, tegen welke de Stadin-
gers naauwelijks elf duizend man konden overstellen. Doch de wanhoop gaf hun moed ^^ ^^^^^
in. Met geweldige krachtinspanning sloegen zij den eersten aanval af, en vier duizend Zomer·
kruisvaarders beien reeds in het stof, toen de Graaf van Kleef, terwijl floris in een j234
allerhevigst gevecht gewikkeld was, den vijand van ter zijde en in den rug aantastte.
Dit besliste den strijd. De Sladingers zich op eenmaal ingesloten ziende, moesten voor
de overraagt zwichten, en vreesselijk was het bloedbad dat onder hen werd aangerigt.
Twee duizend, naar anderen, zes duizend dezer ongelukkigen, bedekten het slagveld
met hunne lijken, en velen, die het moordend zwaard ontsnapten, vonden den dood
in de moerassen of in de golven der Wezer. Het rampzalig overschot vlugtte te ver-
geefs max Friesland ,\iÏiax het schijnt, dat zij aanhang hadden. Immers, gelijk eenigen
beweren, werden zij door Graaf floris, op zijn ierugtogt achterhaald en verstrooid (6).
(1) Anonym, de Reb. Ultraj. c. 22—28. De beka , p. 70 , 72 , 73. IIeda , p. 204. Wil-
iieimüs procunatob, p. 501.
(2) Herm. corneriüs, Chron. p. S62 , 863. Verg. wagekaar, D. II. bl. 367—372. Bilderdijk,
D. II, bl. 121~125, wiens redenen wij echter verre zijn 'van te beamen.
(3) WiLHEiaiüs proccratoe, p. 501. Emokis Chron. apud matthaeüm, Analect. T. p. 97.
(4) Chron. Luneburg. ap. eccard, T. I. p. 1406. Meyerbs, Annal, Flandr. Lih. VIII. p.73.
(5) Eïïoiiis Chron. p. 98.
(6) Voeg bij de Schrijvers door wagenaar , D. II. bl. 373—375, aangehaald, de beka , p. 205 ;
wiLn. PROCCRITOR, p. 501. Mügn. Chron. Belg. p. 249. DmEüs, Lib, X, ad ann. 1234.
Fraai en nitvoerig beschrijft übbo εμμιιιβ dezen Iruisfogt, de Rer, Fris, Μίί. ZitÄ, X. p, 143—146.
224 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190— Eeiiige maanden na deze weinig roemrijke overwinning werd floris IV in een steek-
spel Ie Corhie, of te Novimagum (Noyon in Picardië?') of ie Clermont 'm Beauvais
vermoord (1), Even moeijelijk als de plaats waar die moord geschiedde, kan men over
de daders van liet gruwelstuk beslissen (2). Graaf floris, beroemd door zijne ridder-
lijke oefeningen, schoone gedaante en edel voorkomen, had de belangstelling eener
jeugdige Gravin van CUrmont voor zich opgewekt. Zij wist uit dien hoofde den
hoogbejaarden Graaf, haren gemaal, te bewegen een steekspel aan te leggen,
12.35 Avaar do manhafte en luisterrijke Graaf van Holland verscheen, en op elk ridder den
prijs behaalde. De uitbundige lof, hem door de schoone Gravin toegezwaaid , ontvlamde
argwaan in den boezem des ouden echtgenoots. Met eenigen zijner Edelen overviel hij
verraderlijk den te gelukkigen overwinnaar en offerde hem zijner ijverzucht op. Het schelm-
stuk werd door den Graaf van Kleef, welke den moordenaar doorstak, onmiddellijk ge-
wroken. De heer van iV/e^/e, een der handdadigen , verzoende zich met de vrienden des Hol-
landschen Graafs, onder belofte van een klooster te stichten op de plaats waar de moord ge-
pleegd was (3). Zoo luidt genoegzaam eenparig het verhaal bij de oude Kronijkschrij-
vers. Latere nasporingen echter hebben bewezen, dat Clermont in dien tijd geen ouden
Graaf had, maar eene jonge Gravin, welke driejaren daarna voor het eerst huwde (4^,
Hel is evenwel aan geenen twijfel onderworpen, dat Graaf floris in een steekspel om-
gekomen is, dewijl een tijdgenoot dit getuigt (5). Men moot derhalve vermoeden,
dat de naam eens Graven van Clermont verkeerd bij latere Schrgvers is ingevloeid (6).
Floris , gevallen in den schoonsten bloei des levens en na een bestuur van elf jaren ,
(1) Van wijn, op wagenaar, St. II. LI. 113, merkt teregt op, dat 's Graven dood niet, zoo
als algemeen gesteld wordt, in Hooimaand 1234, maar eenige maanden later is voorgevallen, dewijl
uit een brief van Paus gregorius , den 27 van Slagtmaand des genoemden jaars, blijkt dat hij
toen nog leefde. Zie ook meekmaw, Gesch. ν. Graaf wiiiem II. D. I. bl. 2, 3. J. α leydis, avelke
'sGraven overlijden in 1235 plaatst, zal wel gelijk hebben. Lib. XXII. c. 16.
(2) Huydecoper, op melis stoke, 1). II. bl. 49—51. Deze geleerde sceptische Geschiehvorscher
houdt de gescliiedenis van het tornooi te Clermont voor eene fabel. |
(3) Melis store, D. II. B. III. bl. 49—56. De beka, p. 75, 76. IIeda, p. 205. Oude Rij-
men ^ door boxiiorn op de Chron. v. «eyoersberg, D. II. bl. 67, 68, aangevoerd. J. α leydis;
Lib. XXII. c. 16. De Oude Holl. Div. Kron. Zeventiende Div. bl. 163. De Alerk uit de laage
Landen, bl. 107—109. Cron. de Holl. ρ. 536 enz. Bilderdijks fraaije dichterlijke Romance;
Graaf floris IV, is algemeen bekend.
(4) Hütdecoper, op melis stoke , t. a. p.
i
(5) Albertus stadebsis , ad annum 1234.
(6) Van wijn, op wa^pkaar, St, II, bl. 114,
-ocr page 225-DES VADEELÄNDS. 225
werd onder het luide geween des volks, te Rijnslurg hegraven (1). Op bet voet-1190—
spoor zijns voorgangers, had hij getracht de steden door handvesten en keuren op tß
beuren en te bevoordeelen; en voorregtbrieven door hem aan Westkappcl en Dom-
burg op het eiland Walcheren verleend, Avelke genoegzaam met die van willem I
aan 3Iiddelburg gegeven, overeenkomen, zijn nog voorhanden (2). Behalve willem,
welke hem opvolgde, was uit zyn huwelijk met biachteld van Brahand nog een zoon,
FLORis genaamd, en twee dochters gesproten; de eeno aleid of adelheide , die met
jan van avennes, Graaf van Henegouwen, huwde; de andere maghteld of Mar-
garetha , welke aan herman, Graaf van Hennelerg, werd getrouwd en van wie
het sprookje der wonderlijke kinderbaring bekend is (3).
Willem II was, naar men wil, in twaalfhonderd acht en twintig te Leiden gebo-
ren en in de Pieterskerk met groote praal gedoopt (4). Hij kon dus ten hoogste ze-
ven jaren bereikt hebben toen zijn vader hem ontviel, doch werd niettemin voor Graaf
erkend en gehuldigd (5). Het grafelijk huis telde in dien tijd vele leden. De weduwen
van drie op elkander volgende Graven, aleid van Kleef ^ maria van Brahand eh
maghteld van Brahand waren nog in leven (6}. Behalve eeno weduwe, stiefmoe-
der , moei en vier onmondige kinderen, had floris IV nog twee broeders en even zoo
vele zusters achtergelaten. Aan den oudsten dier broeders, οττο, Bisschop van Ot-
(1) Melis stoke, D. II. B. III. LI. 56, benevens de op W. 228. aant. 3, aangehaalde Schrijvers.
(2) V. mieris, Charterh. v. Boll. D. I. bl. 182—187, 188—193. Rldit, Eist. Grit. Com.
Τ. II. ρ. I. ρ. 434—442. Floris verleende ook vrijheid van tol aan ecnig;e poorters van Gorin-
chem. V. mieris, t. a. p. bl. 193.
(3) Melis stoke, D. II. B. III. bl. 57, 58 en de aant. van iictdecoper. Melis stoke noch Wil-
helmus proccrator, nocli de beka, maar latere Kronijksclirijvers zoo als deda, bl. 206, ïiKiMagn,
Chron. Belg. p. 249, de Oude Holl. Div. Kron. negentiende Div. bl. 178, en de Klerk uit de laage
Landen, bl. 109, verhalen met een verwonderlijk vertrouwen, het fabeltje betrekkelijk de Gravin
van Hetmenberg. Men zie hierover uitvoerig vak goctnoevens Kron. bl. 304—306. Scrivebics
Holl. Zeel. Fries. Chron. bl. 241. Oudh. v. Delft, bl. 4G5—468 , waar de oorsprong van dit
sprookje, op eene geestige en natuurlijke wijze verklaard Avordt. De Gravin van Hennebergnam^-
lijk, verloste op goeden Vrijdag 1277, des morgens ten 9 ure, van tweelingen, en dus van zoo vele
kinderen, als er in het kerkelijke jaar, dat met Zaturdag vóór Paschen eindigde, nog dagen gere-
kend werden. Het zoontje λveγd joban , het dochtertje klizabeth genoemd. Zij overleed op den-
zelfden dag, en werd in het noordelijk gedeelte van het klooster te Loosduinen begraven.
(4) J. λ LEYDI8, Lih. XXII. p. 196.
(5) WiLBELMDS PROCBRATOB, p. 503.
(6) Meerman, Gesch. ν. Graaf willeb II, D. I. B. I. bl. 115—118.
Π, DEEL. 29
-ocr page 226-226 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
^jyO—»"ecAi, werd de voogdijschap over den jongen Graaf toevertrouwd (1). Het schijnt ecVi-
ter dal hij, belemmerd door de steeds' voortdurende onlusten in Drenthe en de zor-
gen der regering van zijn eigen bisdom, aan zijn broeder willest , die als Praeses
(stadhouder , voogd, regent) van Holland voorkomt, onder zijn oppertoezigt en on-
dersteund door eenen raad van aanzienlijken des lands, het bestuur Tan het graafschap
heeft afgestaan (2). Inwendig gerust en van builen ongemoeid, verliepen de onmon-
dige jaren van willem II voor Holland in vrede en geluk. Slechts éénmaal werd
5238 de rust bedreigd, toen Graaf dirk van Kleef Holiandsche hulp inriep tegen den Aarts-
bisschop van Keulen y door wien hij zich beleedigd achtte. Het is niet onwaarschijnlijk ,
dat de Gravin-weduwe albid van Kleef dit aanzoek ondersteund heeft. Er Λverd al-
thans ecne viool Holiandsche schepen do Waal opgezonden, met welke de Graaf van
Kleef \iei gebied des Aartsbisschops overviel. Door tusschenkomst des Graven van Ge/re
werd echter eerlang eene verzoening bewerkt (3), en weinig maanden daarna viel Wil-
lem, do Voogd, in een steekspel (4). Het schijnt, dat boudewijn van Bentliem in
zijne plaats door Bisschop οττο verkozen werd. Hij was een volle neef van willem I
en had reeds, tijdens den togt van dien Graaf naar het Heilige Land, de regering met
lof waargenomen (5). Hij bezat in /Toi/a/ici aanzienlijke goederen, had onder floris IV
zich hoofdzakelijk in dat gewest opgehouden, en in verscheidene openbare stukken van
dien tijd wordt zijn naam genoemd (6). Het gevoelen, dat hij thans aan bet hoofd des
10 van besluurs geplaatst was, is gegrond op de uitspraak van hem en yviii^vM van Teilingen ^
ηιαΓικί scheidsmannen in zekeren twist tusschen de abdij van Middelburg en twee Zeeuw-
^240 sehe Edelen, over de tienden te Melisherke (7). Zijn naam wordt aan het begin van
dit Charter naast dien van willem Π gevonden en komt daar ongetwijfeld in eene andere
(1) öe βεκλ, p. 70. Chron. de Traj. p. 340.
(2) Mkermak, Gesch. ν. Graaf viiLtm II, D. I. B. I. bl. 122. In 1236 schonk deze willem j
in nomine Sanctae et individuae Trinitatis ^ ecnige goederen aan het klooster te Bijnsburg.
In dien brief noemt hij zich; Tutor Ilollandtae, V, mieris, Charterb. ν. Holland, D.I, bl. 212.
(3) Waoenaar; D. II. bl. 377. Meermatt^ Gesch. ν. Gr. willem II, D. I. Β. I. bl, 126.
(4) Albertus stadensis, ad ann. 1238. p. 308.
(5) Zie hiervoor, bl. 213.
(6) KiriT, Uist. Grit. Com. Τ. II. Ρ. I. ρ. 481 (1). 'Meerman omhelst mede dit {bevoelen in
de Gesch. ν. Graaf ·νν'αΐεμ II, D. I. Β. I. bl. 128. Bij van mieris. Charterb. ν, Holl. D. I.
bl. 213 wordt op het jaar 1238 eene overeenkomst gevonden tusschen boudewijn en den Graaf van
Holland, Avaarbij de eerste eenige zijner mannen aan den laatsten afstaat, doch van dezen weder
andere in vergelding ontvangt.
(7) ritit, Uist, Crit. Com. Τ. II. Ρ. I. ρ. 481.
-ocr page 227-DES VADERLANDS. äoä
heirekking voor, dan in die Tan eenvoudig scheidsman. Men ziet ondertusschen uit 1190—
dezen brief, dat de Regent zijnen kweekeling met zich naar Zeeland had genomen,
en reeds trachtte hem aan regeringszaken te gewennen (1).
Weldra nam dan ook wiliem II zelf de teugels van het bewind in handen. Schoon
ran gelaat, rijzig van gestalte, levendig van geest en geoefend in den wapenhandel,
daar hij van zijne vroegste jeugd » het harde staal boven het glinsterend goud ver-
koos (2)" , aanvaardde hy in eenen ouderdom van ongeveer veertien jaren, het bestuur
van den slaat. Het is echter zeer waarschijnlijk, dat een man van die bekwaamheid en
ondervinding als Graaf boudewun , nog een tijd lang invloed op den loop dér zaken gehad
heeft (3). Hij staat althans aan het hoofd der getuigen, en zelfs vóór 'sGraven broeder 5
floris , in eenen giftbrief ter gunsle der Duilsche orde door willem II uitgevaardigd, Zomer-
en met welken, naar men gist, deze Vorst zijne korle doch schilterendo staatkundige 1241
loopbaan opende (4). Reeds van Willem I en floris IV hadden do Duitsche ridders,
welke do pligten van den edelman met die van den monnik vereenigden, verscheidene
gunstbewijzen ontvangen; en de Nederlandsche ridders dezer orde, welke te Utrecht
hun hoofdverblp hadden, geraakten met der tijd in het bezit van vele reglen en goe-
deren in Holland (5). Willem II schonk hun in dien brief, in welken hij zich »door
Gods genade Graaf van Holland^'' noemt, het jmj patronatus over de kerk van
Valkenburg, onder welke ook die der beide Katwijken behoorde, en over de kerk
van Maasland (6). Meer dergelijke schenkingen verleende hij nu en later, zoowel aan
geestelijke gestichten als aan bijzondere personen (7). Deze giften ΛναΓβη voorzeker minder
belangrijk en weldadig, dan het geven van keuren en voorregten aan Haarlem, Delft
en 's Gravenzande, waardoor deze sleden aanmerkelijk in bloei en welvaart stegen (8).
Ondertusschen was op eene kerkvergadering te Zyowi , onder voorzitting van Paus inno-
CENTius IV, Keizer frederik II van zyne waardigheid vervallen verklaard. Men weet, dat ^245
(1) Meerman, Gesch. υ. Gr. wiilem II. D. I. Β. I, LI. 129.
(2) De deka/p· 70, Vcrg. iiattuieos pabisiensis, p. 630. BIelis stoke, 1). II. B. III. bl.i)3,
(3) Meermai», Gesch. v. Gr. avillem II, D. I. B. I. bl. 131. Boodewijn lecfcle nog in 1247.
Zie van mieris, Charterh. v. Holl. D. I. bl. 243.
(4) V. MIERIS, Charterb. v. Holl. D. I. bl. 216.
(.5) Kerkel. Oudh. v. Utr. D. I. bl. 338—348. Pars, Katwijk. Oudh. bl. 543 enz. Uifg.
van 1745.
(6) Mattuaecs, de fundat. et fat. Eccles. p. 568.
(7) Meerman, Gesch. v. Gr. wulem II, D. I. B. I. bl. J34—14Ö.
(8) V. mieris, Charterb. v. Holl D. I, bl. 219, 228, 236.
26*
-ocr page 228-228 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
llüü—die Vorst reeds sinds jaren in onmin met het Hof van/?o»ie verkeerde , hetwelk afwisselend
nu eens den banvloek over hem uitgesproken, dan weder hem daarvan ontheven had (1),
Was reeds uit dien hoofde door Paus gregorius IX in twaalf honderd negen en dertig,
het keizerrijk aan robert , broeder des Konings van Frankrijk aangeboden, doch dit
aanbod met Terontwaardiging van de hand gewezen j had de trotsche Kerkvoogd reeds
te vergeefs getracht, de Rijksvorsten tot het afzetten van frederik te bewegen, thans
beproefde dit, en met me'er geluk, zijn doorslepen, niet minder heerschzuchlige opvolger
J2van innogentius IV.' Te HoehJieitn aan den Main werd op eene vergadering van verschei-
inland geestelijke en wereldlijke Grooten des Rijks, onder welke men meent, dat nevens
1246 Hertog heitdrik II van Braband, ook de Graaf van Holland geweesl; is (2) , in tegen-
woordigheid van den Pauselijken gezant, de Landgraaf ύάπ Thüringen , Hendrikraspo ,
tot Roomsch Koning verheven, welke zich deze benoeming liet welgevallen. Niettemin
vond koewraad IV, zoon van frederik II, welke vroeger tot deze Avaardigheid was
verheven , eenen magtigen aanhang, en geheel Duitschland werd aan de ellenden eens
burgerkrijgs ter prooi gegeven. De Landgraaf van Thüringen, spotsgewijze der Papen
Koning genaamd , ondersteund door het goud van den Paus, behaalde eene overwinning
op KOEHRAAD niet verre van Frankfort, doch werd kort daarop door zijnen tegenstan-
1247 der geslagen, en trok naar zijne staten terug, waar hij aan den buikloop overleed (3).
Hoezeer dit voorval den Paus mögt smarten, het ontmoedigde hem niet. Onverwrikt
in zijnen haat legen Keizer frederik II, welke nog steeds den ryksstaf in vaste vuist
klemde, spreekt hij over hem en zijne aanhangers op nieuw den banvloek uit. Hij draagt
door zijne gezanten, aan den veelvermogenden riguard van Cornwall, broeder des
Konings van Engeland, en vervolgens aan hago , Koning van iVoorice^en de gevaarlgke
kroon op, welke deze Vorsten voorzigtig weigeren. »Ik wil de wapenen wel opvatten
tegen al de vijanden der Kerk ," zeide hago , » doch niet tegen al de vijanden van den Paus!"
Even weinig was hij geslaagd bij den Graaf van Gelre en den Hertog van Braband,
Avelke laatste hem zijnen neef, den jeugdigen Graaf van Holland, had aanbevolen (4).
(1) Meermah, Gesch. ν. Grart/willeji II, D. I. Β. I. bl. 104—112, 124—126, 146. \
(2) Meerman , t. a. p. bl. 154. ·
(3) Additiones ad iahb. scnafhabcrg,, in pistorii Rer. Germ. Script. T. I. p. 431, 432.
öireredi presbyteri Epitonics, Lib. II. p. 1044, apud pistoriüm, T. I. Hist. de Landgr. Thu-
ring. c. 52, apud pistorium, T. I. p. 1328. ΜλττπΑΕϋβ parisiemsis , p. 538 , 561, 602. Menco-
Mis Chron, in matthaecs, Analect. T. II. p. 142. Magn. Chron. Belg. p. 265.
(4) mattnaeds parisieksis, p. 634 , 698. Magn. Chron, Belgic. p. 266. Zie over den Graat
van Gelre aan wien liet Kijk werd aangeboden, behalve scriverids, Holl. Zeel. en Vries, Chron.
bl. 200, 201, wagekaar, D. II. bl. 381 (3), en meeumak, Gesch. ν. Gr. Willem II, D. I.B.II.
LI. 163, in het bijzonder vak spaeh, Hisl. ν. Gelderl. D. I. bl. 206. i
\
I
-ocr page 229-DES VADERLANDS, 229
Hetzij vrees voor don moedigen en eerzuchligen jongeling, en om bom elders \Yerli Ie 1190—
verschaffen (1); hetzij opreglo vriendschap voor den zoon zijner zuster (2) , den Hertog
hiertoe aangespoord hebbendo Paus die niemand konde vinden, welke zich door het
aanbieden van dien hoogen rang liet begoochelen, nani genoegen in dezen voorslag.
Door goud , beloften en bedreigingen , gelukte het den H. Vader eindelijk in eene ver-
gadering van eenige geestelijke en wereldlijke Grooten op het slot te Woeringcn^ niet
ver van Keulen, na vele onderhandelingen, willeh tot Roomsch-Koning te doen ver- 3 van
kiezen. Met uitzondering van wenceslaus , Koning van Boheme , wien als vreemdeling
het kiesregt door velen betwist werd, waren te ^oeringen slechts do drie geestelijke
Keurvorsten, de Aartsbisschoppen van Keulen, Trier en Ment ζ , tegenwoordig; ook
ontbraken er vele Duitsche Stenden, hetgeen niet Aveinig de wettigheid dezer verkiezing
kon doen betwijfelen. Nevens de meeste Kerkvoogden, onder Avelke οττο III van
Utrecht, hadden van de wereldlijke Vorsten alleen de Koning van Boheme^ de Hertog
van Brahand, de Graven van Gelder en van Loon zich voor willem verklaard; ter-
wijl de Hertogen van Saksen en Beijeren, de Paltsgraaf aan den Bijn, do Markgraven
van Brandenburg en Meissen, de adel van Oostenrijk en Stiermark, de Aartsbis-
schop van Maagdenburg, eenige Bisschoppen en de meeste Stenden de zijde van fre-
DERiK II bleven aanhangen (3). Er blijkt hieruit, en het is niet het eenige voorbeeld,
dal men in dien tijd zich om het erkende of vermeende regt des Geestelijken Opperhoofds
te Bome, om het wereldlijk Opperhoofd des Rijks naar willekeur af en aan te stellen,
weinig bekommerde; een regt, dat men vroeger vaak betwist, doch later, om het gedrag
van Graaf avillesi II te verdedigen, op reglsgronden getracht heeft te betoogen (4).
Willem , zoo hij al niet in de vergadering van fFoeringen als Rijksvorst zitting had
genomen, bevond zich ten minste in do nabijheid. Hij verscheen aldaar zoodra zijne
verheffing was bekend geworden, en ontving de gelukwenschingen-en hulde der Vor-
sten , en de Bisschoppen beloofden, bij plegtigen eede, hem met raad en daad te on-
dertseunen (5). Zoo het waar is, heigeen men, hoewel slechts gissende beweert, dat
(1) Melis stoke, D. II. bl. 63,
(2) Harliecs, Annal. Dtic. ßrab, ρ, 258. Verg. scriverius, Holl, Zeel. Fries. Chron.
bl. 199, Meermas, Gesch. ν. Graaf wiliem II, D. I. B. II. bl. 170, 171.
(3) Mattdaeüs parisiensis, p, 636. Chron. Luncburg. apud eccard, T. I. p. 1411, Al-
bertus stade5sis, ad annum 1247, p. 313, 317, Mencomis Chron. ap. βαττπαει Analect.
T, II. p. 145. Magn. Chron. Belg. p. 266. J. α llydis, Lib. XXIII. c. 5. p. 197. Melis stoke,
D. II. B. III. bl. 63. De deka, p. 76. De Klerk uit de laage Landen, bl. 111. Verg. wa·
gehaar, D. II. bl. 382. Meermaä, Gesch. ν. Gr. willem, D. I. ß. II. bl. 172—175 , 234,235,
(4) Bilderduk, D, II. bl. 128,332—335. Verg. meerjiait, Gesch. v. Gr, willem II, D. II. B. V. bl.179.
(5) Meermu, Gesch. v. Gr: willem II, D. I. B. II. bl, 170.
-ocr page 230-230 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190—de Vorsten, welken het Rijk vroeger door den Paus was aangeboden, dit afsloegen uit
vrees » om den strijdbaren en wijdgeduchten frederik het hoofd Ie bieden; of wel om-
dat zij zich niet aan de kans wilden blootstellen, hetzg v^n eene verzoening van den
Paus met frederik, hetzy van 'sPausen sterfgeval, dat welligt een geheel anders
gezinden Kerkvoogd kon doen optreden (1) ," dan is Graaf willem niet van vermetel-
heid en onberadenheid vrij te pleiten, loen hij het waagde eene kroon aan te nemen,
welke de voorzigtigheid en het welbegrepen staatsbelang van ouder en magtiger Vorsten
dan hij geweigerd hadden (2). Verblind door den luister, welke hem zijne jeugdige
verbeelding als vertegenwoordigde, voorzag hij de zwarigheden niet, in welke hij zich
wikkelde, noch de verdrietelijkheden en teleurstellingen welke hem toefden. Men
vergeeft deze kortzigtigheid aan eenen eergierigen Vorst van twintig jaren, maar moest
die niet in hem verontschuldigd of zelfs geprezen, hebben.
De nieuwverkoren Koning was uit hoofde zijner jeugd, nog niet onder het
getal der ridders opgenomen. In dien stand echter moest hij, naar do gebrui-
ken dier lijden, verheven zijn, vóór dat hij tot Koning konde gekroond worden.
De domkerk te Keulen werd derhalve ten spoedigste, voor deze plegtigheid op het
prachtigst ingerigt. Eene luisterrijke schaar van Rijksgrooten, Aartsbisschoppen,
Bisschoppen, Hertogen en Graven was tegenwoordig (3). Na het lezen eener hoog-
mis , leidde de Koning van Boheme den aanstaanden Ridder tot den Kardinaal
Legaat pietro be gapütio , aan wiens onvermoeide pogingen ia het bijzonder, wit-
lEM zijne verhelTing verschuldigd was, en voor wien hij thans zijne geloften als rid-
der zou afleggen. Deze Geestelijke, in zijn bisschoppelijk plegtgevvaad, hield hem
hierop de pligten voor, ΛνοΠίβ op den waren ridder rusten. » Hij moet van edelen
bloede, milddadig, bescheiden, opregt, dapper en standvastig zijn in de tegenspoeden.
Hij moet den dag openen met het aanhooren eener mis, ter eerbiedige herinnering van
's Heilands lijden; voor het Christelijk geloof moedig bloed en leven wagen; de Heilige
Kerk en hare dienaren beschermen; Aveduwen en weezen in den nood bijstaan; onregt-
vaardigo oorlogen vermijden; ongepaste belooningen afwijzen ; voor de vervolgde onschuld
in het strydperk treden; geene steekspelen bezoeken dan alleen om de ridderlijke oefe-
ningen; den Roomschen Keizef of zijnen Stedehouder, in wereldliyke zaken onderdanig
gehoorzamen; do regten des Rijks ongeschonden bewaren; geene rijksleenen vervreem-
den , en onberispelyk voor God en de wereld leven. Indien gij deze voorschriften , naar
uw vermogen, vervult," voegde de Kardinaal er bij; »zoo zult gij tijdelijke eer in deze
(1) Bilderdijk, D. I. bl. 129. Verg. scriveriüs, ΠοΙΙ, Zeel. en Fries. Chron., bl. 201,
(2) Verg. nutdecopek, op melis stoke , D. II. bl.,67.
(3) Uit een Latijnsch stuk bij 8. van xeeuweK; Batavia Illustrata, bl. 733.
-ocr page 231-DES VADERLANDS. " 231
wereld, en na dit leven, eeuwige rust in den Hemel verwerven." Hierop legde hij
zamengevouwen handen van willem in een toegeslagen misLoek, op het Evangelie
waaruit men had voorgelezen , en vroeg hem, of hij »in den naam des Heeren, zich
in den ridderstand wilde begeven en de pligten daaraan verbonden, naar vermogen
opvolgen?" Op het antwoord: w ja," las de jonge Vorst den voorgeschreven riddereed
raet luider stemme voor: »Ik willkm , Graaf van Holland, wereldlijk Vorst en vrije
Leenman van het Heilige Rijk, zweer in tegenwoordigheid van den Pauselijken Legaat,
de voorschriften der ridders te zullen onderhouden, bij dit Heilig Evangelie dat ik niet
mijne hand aanrake." De Kardinaal antwoordde: »deze belijdenis zij de vergiffenis
uwer zonden." Nu naderde de Koning van Boheme en gaf den Vorst den schouder-
slag met deze woorden: » Ter eere des Almagtigen Gods sla ik U tot ridder, en neem ü
volgaarne in ons genootschap op. Gedenk steeds, dat de Verlosser der wereld voor den
Hoogepriester anwas (gajaphas) , om uwentwil eenen kinnebakslag ontvangen heeft; voor
den Stadhouder Pilatus bespot, gegeeseld en met doornen gekroond is ; voor den Koning
HERODES met eenen mantel omhangen en belagchen is; en voor al het volk, naakt en
gewond aan het kruis is geslagen. U dan raad en vermaan ik, steeds aan zijnen smaad
te denken, zijn kruis op u te nemen en zijn bitteren dood te wreken." Hierop werd
weder eene mis gelezen, en nu kondigde de krggsmuzijk een steekspel aan. Driemalen
trad do jonge ridder met den zoon des Konings van Boheme in het strijdperk, waar hij
zijne vaardigheid in de behandeling van het zwaard, zoo wel als in die van de lans tentoon
spreidde. Daarna verhief hij den Graaf van Holstein tot den stand in welken hij zelf
zoo even was opgenomen, schonk hem de gouden sporen, en hield drie dagen achtereen
te Keulen luisterrijke feesten , waar hij onder do Rijksgrooten kostbare geschenken uitdeel-
de (1). Met vorstelijke pracht werd hij vervolgens door de drie voornaamste Aartsbisschoppen
des Rijks, in hunne zetelplaatsen ingehaald en ontvangen. De Paus konde zijne vreugde
over de verheffing van willem niet bedwingen, van wien hij in eenen brief getuigde:
»Hij is een goed Katholijk, vtjorzigtig, dapper, maglig, aan vele Vorsten vermaag-
schapt; die drift zijner jeugd wordt door de ondervinding getemperd; van zeden en lig-
chaamsgedaante is hij bevallig; elk bemint hem. Wij hopen derhalve, dat hij den ver-
volger spoedig onder zijnen voet vertreden en den kop der kwalijk gezinden zal verplet-
ten; en dat de Almagtige door hem het Katholijk geloof, den vrede der kerk, de rust
der vvereld en den slaat der geloovigen luisterrijk herstellen zal, dewijl reeds eene me-
(1) Albertus stadeksis ad ann. 1247. p. 317. J. de beka, p. 77. Magn, Chron. Belg,
p. 266, 267. Chro7i. de Hollant, ap. ματτπαεομ , Analect. T. V. p, 53Ö, 537. Oude Holl.
Div. liron. Achlficndc Div. c. 0. De Klerk uit de laagc Landen, bl. 113—117. V. miebis,
Charterb. ν. Holl D. I. bl. 243.
232 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
liyO—nigte Groolen zich terstond aan hera onderworpen hebben (1)." Tevens dankt hij in
eenen anderen brief de Vorsten, welke tot die verkiezing het meest hadden toegebragt,
hen tevens vermanende, onder belofte van vergeving der zonden, den nieuwen Koning,
naar vermogen te ondersteunen ^2}.
Niets was noodzakelijker dan deze vermaning. Immers het grootste gedeelte van
Duitschland, in spijt der banbliksems van het Vaticaan, had zich voor Keizer fre-
»ERiK II verklaard, een Vorst boven zijne eeuw verheven, evenzeer uitblinkende in
beschaving van den geest, als in krijgsbeleid en staatkunde, en die door een dertig-
jarig Rijksbewind in de groote kunst van te regeren was doorkneed geworden. Aken,
waar de Roomscho Koningen naar oud gebruik moesten gekroond worden, en verschei-
den andere belangrijke steden aan den Bijn, waren in handen 'van 's Keizers bekwamen
zoon koenuaad IV (3). Alle krachten van Willems zijde moesten derhalve ingespan-
nen worden, wilde hij den aanhang van dezen geduchten Vorst fnuiken en zich in
het opgedragen gezag vestigen, zonder welk zijne verheffing slechts eene bespottelijke
vertooning zou zijn. Om zich hieraan onverdeeld te kunnen wijden , had hij het be-
>vind over Holland aan zijn broeder floris opgedragen. Het bestrijden echter van zulk
eene ontzaggelijke tegenpartij, vereischte eene legermagt wier onderhoud het vermo-
gen van "WILLEM te boven ging. Zijne gewone inkomsten, noch de onderstand van eenige
Duitsche Vorsten, noch de aanzienlijke geldsommen te zijnen behoeve door den Paus
uil Duitschland en andere gewesten bijeengezameld, waren genoegzaam. Hij was
genoodzaakt uit geldgebrek, en hoezeer ook tegen de algemeene belangen van het Rijk,
de stad en het gebied van Nijmegen^ die geen ander Heer dan hel Opperhoofd
des Rijks erkenden, voor zestien duizend mark zilver aan Graaf οττο van Ge/re te ver-
panden (4). Kort te voren had hij Daislurg^ ofschoon eene rijksstad wier oude voor-
regten hij onlangs bevestigd had, voor twaalf honderd mark aan den Hertog van Z/m-
burg, zijnen bloedverwant, verpand (5). En hoewel het bekrachtigen en verleenen
van handvesten veeltijds bij den aanvang eener regering gebruikelijk waren, is bet ver-
moeden niet ongegrond, dat de vele gunstbrieven, welke Willem in dien tijd gaf,
(1) De beka, p. 78.
(2) Meebjiah, Gesch. ν. Gr. willem II, D. I. Β. Π, bl. 241.
(3) Wagehaab, D. II. bl. 383. Meerman, Gesch. v. Gr. wiliem II, D. I. B. II. bl. 235,
(4) Meerman, t. a. p. bl. 264. V^an sfaen, Jlist. v, Gelderl. D. I. bl. 208. Den pandbrief,
jjeteekend den 15^«" ταη Zomermaand 1248, heeft van mieris opgenomen in het Char(erb, v, Holl.
D. 1. bl, 249, en βοηβαη in liet Charterl·, ν. Gelre, D. I, bl. 467.
(5) Meerman, Gesch. ν. Gr. wilieh H, D. I. B. II. bl. 257,
-ocr page 233-DES VADERLANDS. " 233
uit de nelolige omstandigheden in \Yelke hij verkeerde, en uit behoefte aan geld zijn^l^sö"
voortgevloeid (1).
Ondertusschen hadden de Aartsbisschop van Bremen, do Bisschoppen van fVurz-
hurg, Straatsburg , Munster en Spiers benevens verscheidene steden , zijne belangen
omhelsd. Het was hem gelukt hemdbik van Gelre, broeder des Graven οττο, op den
Luikschen Bisschopszetel geplaatst te zien; een man , Avel is waar, van de loshandigste
zeden, maar in wiens dapperheid en verknochtheid hij eenen magtigen steun vond. In
het bijzonder trachtte do Paus aan de zaak van willem kracht bij te zeilen. Niet
alleen bedreigde hij al de aanhangers van frederik met den banvloek der Kerk, maar
boval het kruis tegen dien Vorst aan te nemen, onder toezegging van vergiffenis van
zonden voor elk, die in dezen heiligen krijg de wapenen zou opvallen. ïïij begeerde levens ,
dat de Duitsche Bisschoppen hunne strijdkrachten bij die des Hertogs van ^raiaric? zouden
voegen, ten einde met vereende magt, den algemeenen vijand der Kerk te bestrijden.
Om FREDERIK in Italië werk te verschaffen , had hy den opstand der Ilaliaansche sle-
den tegen het keizerlijk gezag aangestookt; terwijl koemraad zich nog steeds in Zwa-
den ophield, alwaar insgelijks oproer en oneenigheden losgebarsten waren (2).
Willem spoedde zich thans tot het belegeren der stad Aken waar hij moest ge-
kroond worden, en over welke reeds de kerkelijke banvloek was uilgesproken. Nog
vóór het einde des jaars had hij haar voor een groot gedeelte ingesloten, en naar
het schijnt, te gelijker tijd het beleg voor Keizerswaard, een sterk slot op een eiland
in den Rijn, geslagen. Ofschoon verscheidene Duitsche en Nederlandsche Vorsten ne-
vens eenige Hollandsche leenmannen zich hier bij hem voegden, konde hij echter, bij
gebrek aan de benoodigde middelen, zich slechts tot eene insluiling bepalen; en hij zelf
verliet nu en dan het leger, om de zaken in Bolland te regelen. Hel beleg der beide
plaatsen werd eerst mei eenigen nadruk voortgezet, toen de Bisschop van Metz en do
Hertog van Opper-Lot/iaringe7i, door de pogingen en beloften van hel Hof van Äome,
aan zijne zijde gebragl waren. Een aanzienlijk geschenk in geld en ontslag van eene
gelofte om naar het Heilige Land te trekken, hadden de trouw des Herlogs aan zijn
Heer doen wankelen. Merkwaardig voorzeker is bij deze gelegenheid de toezegging
van den Paus » dat zoo hij ooit mögt besluiten, mot den Keizer of zijnen zoon eenen
vrede te treffen, de Hertog daarin begrepen zou worden (3)." Dit bewijst, hoo juist
de Vorsten, welke de aangebodqn kroon hadden afgeslagen, den Paus kenden en hem
(1) Wageraab, D. Π. bl. 384. Μεεκμαν, Gesch. ν. Gr, willem II, D. I. II. bl. 258.
(2) Meebman, t. a. p. bl. 243, 244.
(3) Meermah , t. a. p. bl. 256.
II. deel. 30
-ocr page 234-234 ALGEMEEN! GÉSCHIEDENIS
1190— leregt wantrouwden : en dat Willem slechts tot een werktuig moest strekken , om de
1256
belangzucht en Λvraak des Heiligen Vaders te bevredigen.
Door geheel Duitschland had zich inmiddels het verdelgend vuur des opstands ver-
spreid. Duizenden krijgers hadden op de prediking der monniken, om het kruis te-
1248 gen den Keizer op te nemen, de banieren van koenraad verlaten en waren voor Aken
verschenen. Evenwel achtte men het leger nog niet toereikend, om deze magtige stad
te bedwingen. Op verzoek en raad van willeh , ontsloeg de Paus, hoezeer hem de
verovering van Palestina ter harte ging, die Nederlandscho onderdanen des Konings,
welke hel kruis hadden aangenomen, om onder het bevel van lodewuk IX van Frank-
rijk, dit jaar een togt naar het Reilige Land te ondernemen, van hunne gelofte,
indien zij voor Aken hunnen Vorst de behulpzame hand wilden bieden. Althans de
Kardinaal-Legaat gaputio ontving den last, de Friezen op die voorwaarde, van deze
verpligling te ontheiTen, en nu stroomden niet alleen talrijke scharen van dit manhafle
volk, maar ook uit Holland^ Zeeland, Gelderland, Utrecht, Luik en Henegou-
wen , naar het leger des Konings. Vele Nederlandsche Grooten en Edelen volgden hun
voorbeeld, en onder de voornaamsten behoorden ongetwijfeld, nevens den Herlog van ^ra-
hand, de Graaf van Gelre, die van Kleef m jan van Amnnes. Hierdoor λvas Wil-
lems heir tot een gelal van tweemaal honderd duizend man aangegroeid, die allen even
als hun Vorst, het teeken des kruises droegen. Men besloot, zich vooreerst alleen tot
de belegering der krooningsstad te bepalen, qu Keizer stcaardin^Gsloim te houden (1).
Omringd door een schitterenden stoet van geestelijke en wereldlyko Rijksgrooten,
van Edelen, Ridders en geoefende krijgsbenden, zette willem het beleg met kracht
door. Daarenboven kwam hem eene dier omstandigheden te hulp, welke menschelijke
scherpzinnigheid vooruit niet kan berekenen, en die zoo vaak het lot van volken en
Vorsten beslissen. Had de opstand in Zwahen koenraad reeds verhinderd aan de spits
eens legers. Koning willem, toen het gezag van dien Vorst nog niet genoegzaiim was
gevestigd, het hoofd te bieden en van den waggelenden troon te stooten, thans door de
oproerlingen geslagen en genoodzaakt naar Beijeren te vlugten, moest hij Aken aan
zich zelf overlaten (2). Slechts konde hij den moed der getrouwe inwoners, welke men
te vergeefs getracht had goedwillig tot de overgave te bewegen, door belofte op een spoe-
dig ontzet onderschragen. Onvermoeid waren zij ijverig in het versterken der stad,
en menige uitval getuigde van hunne dapperheid. Deellende steeg echter ónder hen ten
top, toen na eene allerhardnekkigste verdedigingeene uitgelezene bende Friezen,
(1) Wageraab, D. IL bi. 385. Meerman ' Gesch. ν. Gr. willem Π, D.L Β. Π. bl.261--264;
26Ö, 282.
(2) Meeumik, t. a. ρ. bl. 259 ; 260.
-ocr page 235-DES VADERLANDS. äoä
zich van eenige sterke punten om de stad meester maakte, die nu zoo eng werd inge-HyO—
sloten, dat alle toegang van en naar buiten volstrekt onmogelijk was geworden. Do
honger waarde vreesselijkrond in do benaauwde veste, de verdedigingsmidden vermin-
derden, ziekte en gebrek maaiden vele slagtoffers weg, terwijl de belegering ondertus-
schen dag en nacht, zonder verpoozing werd doorgezet, en afgematte, halfverkwijude
burgers de versehe en moedige benden dér vijanden, die elkander gedurig afwisselden,
moesten bestrijden. Hun trouw echter wankelde niet. Eindelijk sloegen de Friezen
den Koning voor, de stad door haar eigen water te benaauwen en alzoo Ier overgave
te dwingen. Aken ligt in een dal en ontvangt van de omringende bergen, bij stroo-
men, zijne beroemde wateren, die in het laagste gedeelte der stad hunnen natuurlijken
uitloop vinden. De Friezen damden dien uitloop of stroom af, waardoor een groot ge-
deelte der stad onderliep en het water, ondanks alle pogingen, tot zulk eene hoogte
steeg, dat de burgers in de bovenste verdiepingen hunner woningen cene schuil-
plaats moesten zoeken. Wanhopende aan het ontzet, gefolterd door het nijpendste
gebrek en niet wetende werwaarts zich te wenden tegen eenen overmagtigen vijand,
wiens geduld zoo lang was getergd geworden, waren zij eindelijk genoodzaakt, zich te
onderwerpen. Moed , trouw en standvastigheid zijn altyd aanbevelingen bij den held, die
de deugd ook in vijanden weel te waarderen. Koning willem ontving de gezanten
der tot het uiterste gedrevene stad, op die wijze als de betoonde dapperheid en verknocht-
heid aan hunnen Vorst verdienden. Hij schijnt slechts eenige schadevergoeding van oor-
logskosten tijdens de belegering, van hen gevorderd te hebben; zij daarentegen be- jo van ■
dongen do bekrachtiging hunner oude voorregten. Hierop ging de stad over, zwoer
den Paus en den nieuwen Koning trouw, en twee dagen later bevestigde en vermeer- 1248
derde willem door eenen nieuwen giftbrief, do voorregten haar door zijne voorzaten
geschonken (1).
Prachtig was .'s Konings intrede. Aan het hoofd van een aanzienlijk leger, met zijn
broeder. fxoris aan de zijde en omgeven door vele Vorsten en Grooten, begaf Wil-
lem zich zegepralend naar eene stad, » die den onweêrstaanbaren vijand in hem had
leeren vreezen en den weldadigen Vorst beminnen." Do geestelijkheid trad in haar
plegtgewaad hem buiten de muren te gemoet, en geleidde hem naar het paleis tot
zijn verblijf ingerigt. Allerheiligendag was tot de krooning bestemd. Al de geeste-
lijke en wereldlijke Rijksvorsten in het gevolg des Konings, vergezelden den Vorst
(1) Matthaeds pabisiehsis, p. 651. Melis stoke, D. II. li.IILbl.6U Οεβεκα,ρ«78. Mehcohis
Chron. in mattbaei Analcct. T. II. p. 145—148. Magn. Chron. Belg. p. 207. Bekihga , Jlist.
Oostfr. bi. 116. Ubbo emmios, de Rer. Fris. Hist. Lil·. X. p. 149. Verg. meeemak, Gesch.
V. Gr, wiLLEH II, bl, 283—291, bij wien ook de inhoud des voornoemden giftbriefs te vinden is.
26*
-ocr page 236-236 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
naar de hoofdkerk. Hier werd hij in het vereischte gewaad gekleed , en door de Bis-
schoppen van Luik en Utrecht voor den koninklijken troon gevoerd. De Aartsbisschop
van Keulen, Kanselier ysLü Italië, liet hem dien bestijgen onder het uitspreken van deze
woorden : » zit met luister op den troon des Rijks, en oefen regt en geregtigheid op
aarde." De Aartsbisschop van Mentz , als Kanselier des Rijks, vatte 's Konings regter-
hand, zalfd.e die met de heilige olie en zeide: » de Almaglige, die dayid door den
profeet samuel tot Koning der Hebreen liet zalven, heilige u lot eenen waardigen
Koning des Roomschen Rijks." De Aartsbisschop van TWe/·, Kanselier van ,
legde hem de handen op, zeggende": »do geest der wijsheid en des verstands, der ken-
nis, der godsvrucht, der dapperheid, en der vreeze des Heeren dale op u neder." Daar
de vier wereldlijke Keurvorsten ontbraken, naderde hij, die den Groot-Kamerheer
voorstelde, den Koning, wien hij met deze woorden den zegelring overhandigde:
» ontvang dit teeken der heerschappij, bewaar het Roomsche Rijk in zijne kracht, en
bescherm het met onverwonnen moed tegen de aanvallen der woeste volken." De plaats-
vervanger van den Groot-Hofmaarschalk reikte den Koning het zwaard over en riep :
»ontvang den koninklijken schepter, tuchtig er de weérspannigen gestrengelijk mede,
en regeer in vrede over de goed willigen." De vertegenwoordiger van den Groot-Hof-
meester gaf hem den gouden kloot en zeide: »ontvang dezen bol, onderwerp alle
volken der aarde aan het Roomsche Ryk, opdat gij met regt vermeerderaar des
Rijks moogt genaamd worden." Eindelijk zette hem een der Vorsten, uit naam des
Konings van Boheme, als Groot-Schenker, en met toestemming des Aartsbisschops
van Keulen, de kroon op. »Ontvang" dus sprak hij, »deze schitterende kroon;
munt hier op aarde zoo uit in deugdzame daden, dat gij in den Hemel de kroon
der eeuwige zaligheid moogt verwerven." Nu verhief zich een algemeen gejuich on-
der de menigte, en het geroep: »leve de groote Koning, hem zij heil en eer!"
weergalmde driemaal door de gewelven van het ruime kerkgebouw. Elk der Vor-
sten naderde nu den troon, boog zich voor den Koning en zwoer hem manschap
en trouw (1).
De krooningsplegtigheid werd door luisterrijke en kostbare feesten aan het Hof ge-
(I) De βεκλ, ρ. 78, wiens verliaal wij luer met het Magn. Chron. Belg. p. 268, dcCronicade
Ilollant, p. 539, de Klerk uit de laage Landen, \ΛΛ19, en de oude ΠοΙΙ. Div.Kron., RcMtiends
Div. c. 8, alleen gevolgd hebben. Verg. meerman, Gesch. n. Gr. wiliemII,D.I.B.II.bl.291—297.
Allen noemen de vier wereldlijke Keurvorsten als Lij deze plegtigheid tegenwoordig, hetgeen ecliterniet
liet geval was. Andere Vorsten namen hmine taak bij de krooning op zich, en van daar, dat
deze bij velen van geener waarde gehouden werd. Matth. pa.risiessis , p, 651. Ook ontbraken
bij deze plegtiglieid de Rijkskleinooden; alzoo moeten die, welke men thans bezigde, daartoe bij-
zonder vervaardigd geweest zijri'.·* Zie μεει\μλν, t. a. p. bl. 297. ^
'M - -
1190-
1256
DES VADERLANDS. " 237
volgd , op welke willem de Grooten, die hem zoo nadrukkelijk ondersleuiid had- 1190-r·
den, prachtig onthaalde en Torstelijk beloonde (1). In het bijzonder deelden de Frie-
zen in zijne hooge gunsten, en Aken zelfs vond in hem eenen weldoener (2). Door
het bezit dier stad was echter het gewigtig pleit geenszins beslist, en veel was er nog
te verrigten, eer willem zich in het gerust bezit des Rijks konde verheugen. Om hem
den last der regering te helpen lorschen, zouden de Rijksvorsten op den achtsten dag
na do krooning, den jeugdigen Koning eenen bijzonderen Raad, uit eenige bekwame
mannen zamengesteld, hebben toegevoegd, onder wiens leden de Hertog van ,
de Bisschop van Utrecht, en de abt van Egmond, als onder-kanselier, genoemd wor-
den (3). Wat hiervan zij , want de zaak is aan eenigen twijfel onderworpen (4), Wil-
lem, ondersteund door het goud van den Paus, trok met een gedeelte zijns heirs
naar Keizerswaard dat nu met ernst werd aangegrepen. Terwijl hij zich voor deze
hardnekkig verdedigde vesting ophield, toog een ander gedeelte zijner krijgsmagt, on-
der aanvoering des Aartsbisschops van Mentz en der Bisschoppen van Metz en Straats-
burg, Koning koewraad te gemoet, wien het gelukt was weder een leger bijeen te
brengen. Beide heiren naderden weldra de plaats op welke het lot der beide
Vorsten zou bepaald worden, en dit bleef niet lang twijfelachtig. Koehraad werd
geslagen en vlugtte naar Italië tot Keizer frederik, wien ook daar het geluk niet
aanlachte (5). Men verwondert zich met reden, dat willem zich niet zelf aan hel hoofd
van een heir geplaatst heeft, aan welks zegepraal zijn lot zoo oogeuschgnlijk was verbon-
den , en hetwelk hij nu aan gemijterde veldheeren had toevertrouwd. Immers, indien
de overwinning zich voor zijnen mededinger verklaard had, zou hij toch buiten twijfel
gedwongen geweest zijn het beleg voor Keizerswaard op te breken (6). Gernand ,
de wakkere verdediger dezer vesting, wederstond langer dan een jaar al het geweld
van WILLEM, en besloot niet eer tot do overgave, dan toen verdere tegenstand dwaas-
heid zou geweest zijn. Hij werd in genade aangenomen, en tot loon zijner dapperheid
(1) Meerman, Gesch. ν. Gr. wulem II, D. I. Β. II. bl. 297-301.
(2) Ubbo ejimius, de Rer. Fris, Hist. Lib. X. p. 149. F. sjoebds, Fr. Jaarb. D, III. bl. 32.
Meerman, t. a. p. bl. 301.
(3) De beka, p. 79, hierin gevolgd door liet 3Iagn. Chron. Belg p. 268, de Klerk uit de
laage landen, bl. 121. De otide Holl. Div. Krön, achtt. Div. c. 8. J. v. leiden. Krön. v.
Egm,, bl. 72 en anderen.
(4) Zie meebman , t. a, p, bl. 302.
(5) MaTTHAEUS PARISIENSIS, p. 651.
(6) BIeerjian , t. a. p. bl. 307.
-ocr page 238-238 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190—en trouw beleende do grootmoedige Koning hem en zijne nakomelingen met dat slot,
welks verdediging hem zoo wel was aanbevolen geweest. Willem gaf hem daarenbo-
ven zijne nicht, kathariiia van Brederode, ten huwelijk, wier broeder, willem van
Brederode, nevens vele Hollanders en Zeeuwen, hem in dit beleg belangrijke diensten
bewezen had (1).
De onderwerping van Keizerswaard had die der meeste plaatsen en vestingen aan
den Rijn en Moezel ïgti gevolge, welke den nieuwen Koning vrgwillig voor hunnen
Heer erkenden. Slechts weinige , gelyk Ingelheim, een steedje aan het riviertje »S'eiis^,
1249 tusschen Mentz en Bingen, moesten door de Avapens bedwongen worden. Koen-
raad had inmiddels weder eene krijgsmagt bijeenverzameld, met welke hij op Wil-
lem eenige voordeelen behaalde (2). Het is echter zeer te betwijfelen, of deze
voordeelen zoo aanmerkelyk geweest zijn als later is opgegeven geworden (3). Na
1250 den dood van fkederik II, toen koenbaad als opvolger zijns vaders, zich het Kei-
zerlijke purper had omgehangen, verflaauwde veler moed en ijver. Het is mo-
gelijk , dat de afgunst der Duitschers tegen een Hollandschen Vorst wakker werd,
en zij liever den landgenoot koenraad , dan den Hollandschen Graaf aan het hoofd
des Rijks geplaatst zagen (4). Zeker is het, dal de Paus in eenen brief aan Koning
WILLEM, welke zich loen waarschijnlijk in Zeeland bevond, klaagt »dat de gene-
genheid voor de zaak der Kerk en des Rijks in velen begon te verkoelen in plaats
van to ontbranden." En uit de vermaning, Λvelkθ hierop volgt, zou men op eene ver-
1251 koeling en weifeling in willem zeiven besluiten. »Wij vermanen u" zegt do Paus,
» werk zelf met ij ver ^ werk mede met de regterhand des Allerhoogsten; bevorder dege-
nen , die getrouw zijn in den arbeid; tracht de ongelrouwen, met eene behoorlijke
voorzigtigheid, tot hunnen pligt terug te brengen. Hierdoor zult gij met grooter roem
tot het bezit der Keizerlijke kroon geraken, waarmede wij, onder Gods hulp, u van
ganseher harte begeeren te versieren. Laat uwe Koninklijke uitmuntendheid geen ligt-
geloovig oor leenen aan de kwaadsprekendheid van sommigen, die u mogelijk het te-
gendeel voorhouden, en die met de kronkelende loosheid der oude slang, uwe opregte
(1) Meiis store, D. II. B. III. bl. 74, 75. De beka, p. 79. WitnELaus procurator, p.505.
Chron. Luneb. p. 1412. Lodewijk van velthem. Spiegel Histonaal, B, I. c. 3. bl. 5. Amsl.
1727. Jt a. leydi8, de Orig. et Reb. gestis. D. D. de Bred, in matthaecs , Analect. T. I.
c. 22. p. 621. !
(2) Matthaeos parisiensis , p. 652.
(3) Meerman, Gesch v. Gr. willem II, D. I. B. O. bl. 353, 354, <
(4) Bilderdijk , D. II. bl. 130.
. \ ■
-ocr page 239-DES VADERLANDS. " 239
gevoelens zoeken te vergiftigen, met geen ander oogmerk, dan opdat zij de liefde,
gij voor de Kerk koestert, en waarmede deze u in alle opreglheid bemint, verminderen
of wegnemen zouden, en u traag maken in het voortzetten van het groole werk dat
op handen is. Bewaar dan uw hart met de grootste omzigtigheid voor de zoodanigen;
sluit uwe ooren voor zulke vleijende oorblazers, die u als een doornenheg omringen;
tracht altijd toe te nemen in genegenheid voor de Kerk, die u opregt heeft lief gehad
en nog lief heeft, en die, niet ophoudende u met moederlijke teederheid te beminnen,
u, zoo het Gode behaagt en gij in het leven blijft, welhaast tot de kroon des R^ks
verheffen zal (1)."
's Pausen bemoediging was ontijdig noch overbodig. Koenraad immers, steeds be-
dacht zijnen mededinger het bewind des Rijks te ontwringen , had in het begin dezes
jaars zijne vereenigde strijdkrachten naar den Äy« gevoerd. Reeds was hg tot Spiers
doorgedrongen, toen willem met een aanzienlijk heir hem tegensnelde en nabij Op-
penheim slag leverde. Woedend Averd aan beide zijden gestreden en slechts eene tij-
dige versterking van hulpbenden, door den Bisschop van Metz aaiigevoerd, verschafle,
na eene geAveldige slagling, de overwinning aan willem (2). Koenbaad vlugltc en ver-
trok kort daarop naar Italië, waardoor vele sleden en gewesten in Duitschland ïich
aan zijnen gelukkigen tegenstander onderwierpen, die eenigen tijd te voren door het
Opperhoofd der Kerk , in eene groote vergadering van Bisschoppen te Lions , tot Opper-
hoofd des Rijks was bevestigd. Intusschen waren nog onderscheiden Duitsche Vorsten
koenraad gctrouw gebloven. Om hen te verdeden en Willems betrekkingen in het Rijk
te versterken, bewerkte de Paus een huwelyk tusschen hem en elizabeth , do dochter
van OTTO I Hertog van Brunswtjk en Lunenlurg, een magtig Vorst in die dagen,
en welke aan de voornaamste huizen van Duitschland vermaagschapt was. De echt-
ifiövaii
verbindtenis werd te Brunswijk op den burg van iiEKDRiK den Leeuw, met alle Louw-
plegligheid en luister voltrokken. In den bruiloftsnacht ontstond er brand op helslot, en °j®252'
spoedig hadden do vlammen het slaapvertrek der jonggehuwden bereikt. Willem ont-
snapte ter naauwernood naakt aan het dreigend gevaar door behulp zijner gemalin, welke
met de gangen van het kasteel bekend was. De Koningskroon, verscheidene kleinoo-
den en prachtige kleedcren gingen daarbij voor allijd verloren (3). Willem verleefde
(1) Innocehtii IV Epist, ap. Καυκαιογμ ad annum 1251. c. 9, 10, vertaald doorHEERSAH,
Gesch. V. Gr. willem II. D. II. B. IV. p. 7, 8. i
(2) Meerman, t. a. p. D, II, li. IV. bl. 1Θ, 17. ^
(3) AiBERTts stadeksis, ad annum 1251, p. 319. Chron. Rythm. Principum. Brunsv. in
leibnitz, Scrijjt. Brunsv. T. III. ρ. 134. Herb, cornerii Chron. ap. JEcaRD, T. IL ρ. 894,
240 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
IJÜÜ— nog een geruimen lijd te Brumwijk, alwaar de beide Markgraven van Brandenburg
eu de Herlog van Saksen, allen aan Hertog οττο I na vermaagschapt, hem als Vorst
huldigden en trouw zwoeren. Hunne onderwerping werd door die van onderscheidene
Duitsche Grooten gevolgd, zoodat de staatkunde van den Paus ook hier niet Λverd
teleurgesteld (1). Doch terwijl de zaken in Duitschland zich meer en meer te
zijner gunste regelden , riepen hem de onlusten tusschen den ütrechlschen Bisschop
en eenige leenmannen van hel Sticht, naar Utrecht. Hij slool een verdrag met
die slad, en nam de burgers, wier voorregten hij bekrachtigde, in zijne bescher-
ming (2), Hij was echter naauwelyks teruggekeerd, toen de geschillen met Vlaan-
deren zijne tegenwoordigheid in Holland vorderden, werwaarts hij zich, na de Rijks-
vergadering te Frankfort, begaf.
Het beruchte en voor Holland nadeelig verdrag van het jaar elfhonderd acht en zes-
tig was door al de opvolgers van FLoais III, hoewel schoorvoetend, bekrachtigd gewor-
den (3). Willem I was wel door Keizer frederik II, welke aan de Gravin johasna van
Vlaanderen de Rijksleenen ontnomen had, bij een besluit in twaalfhonderd achllien,
met Zeeland hewester Schelde verleid en daardoor van den leenpligt aan Vlaanderen
ontslagen geworden; maar 's Keizers zoon dendiuk had drie jaren later, het vonnis
zijns vaders vernietigd en JonAwwA in hare leenen en regten hersteld (4). Men kan het
895, welke te onregte de bruid van willeM; πειεμα noemt. Helena was hare zuster en gehuwd
aan den Graaf van yinholt, Bothonis Chron. Brunsvic. piciur. ap. Leibhitz in 1. c. p. 363.
Door scKivEiims, Chron. v. Holl., Zeeland en Friesl. bi. 195, λυαοεναακ , D. II. hl. 387, bil-
derdijk , D. II. bl. 130 en anderen, Avordt deze huwelijlcsvcreeniging, in navolging der meeste
Kronijken, een jaar vroeger gesteld. Wij echter bepalen haar liever met meermah , Gesch. ν. Gr.
WILLEM II, D. II. ß. IV. bl. 51, op het aangegeven jaar, overeenkomstig de getuigenis van een
tijdgenoot, den Schrijver van de aangehaalde Rijmkronijk, bij leibnitz , T. II. p. 134.
Nach Gottes gebuvt, so man geyt,
Tausend zwey hundert zwey und funfftzig jar
Gab der Lohe Fürst dar V·
Zie Braunschweig sondre hone
Seine liebe tochter schone
Konig ΛΥΙΙΠΕΙΜ von Holland, u. s. w.
(1) Meermait , t. a. p. D. II. ß. IV. bl. 59—61. '
(2) De beka, p. 84. Heda, p. 209, 210. Van biebis, Charterl·, v. Holl. D. I. bl. 266.
. (3) Kldit, Hist. Grit. Com. T. I. P. II. p, 270—287.
(4) KitiT, Bist. Grit. Com. T. I. P. H. p. 279, 280, vien BUDERDiJK*volgt, D. H. bl.
132, 133.
\ „
-ocr page 241-DES VADERLANDS. " 241
derhalve geenszins veroordeelen, dat Margaretha van Vlaanduren ^ in Holland mei
ΙώΟυ
den mam Tan Zwarte margriet bestempeld, hare regten op Zeeland tegen willem U
wilde handhaven. Zij was eene dochter van Graaf boudewun IX, avelko in twaalf
honderd vigf als Keizer van Konstantinopel overleed, en had vyf jaren daarna hare
hand geschonken aan bouchard , Heer van Acmnes in Henegouwen. Reeds waren
uit dit huwelijk twee zonen, jan en βουηελγυν, voortgesproten, toen het verbroken
werd, dewijl men ontdekte, dat avenwes weleer de kerkelijke gelofte had afgelegd, en
de kerkvergadering van Lateraan in twaalf honderd vijftien, bovendien verklaarde,
dat hij zyne gemalin te na in den bloede bestond. Margaretha was hierop in tweeden
echt getreden met willem van Dampierre, wien zij, behalve twee dochters, drie
zonen schonk, willem, gdi en jan geheeten (1). Met eene onnatuurlyke partijdigheid
trachtte zij deze zonen, ten koste der beide anderen van het eerste bed, die men de
bastaarden noemde, te bevoordeelen. Zoodra zij hare zuster jouanna in twaalf honderd
vier en veertig als Gravin van Vlaanderen was opgevolgd, nam zij den oudsten dam^-
piERRE tot mederegent aan, welke naar hare beschikking, met zijne beide broeders
de graafschappen van F laanderen en Henegouwen zouden erven, terwyl haar oudste
zoon, JAN van Avenues, van alle opvolging werd uitgesloten, dewgl zg steeds beweerde ,
dat hij uit een onwettig huwelijk gesproten was. Avenhes daarentegen betoogde de
Λvettigheid zijner geboorte, welke door den Keizer en den Paus erkend was , en schroomde
niet als eerstgeborene Ier verdediging zijner regten op Vlaanderen en Henegouwen,
de wapenen tegen zijne moeder op te vatten. De meeste adel van Henegouwen, en vele
Grooten in Vlaanderen schaarden zich aan zijne zijde; Koning willem was hem ge-
negen , en de reeds begonnen vijandelijkheden dreigden eene'n vreesselijken burger-
krijg , toen door tusschenkomst van den Koning van Frankrijk en den pauselijken
Legaat, in twaalf honderd zes en veertig bepaald werd, dat Vlaanderen aan willem
van Dampierre, Henegouwen aan jan van Aoennes zou komen, mits elk zijn jonge-
ren broeder een behoorlijk erfdeel aanwees. Margaretha echter zou de beide graaf-
schappen blijven regeren, en de bepaalde schikking eerst na haren dood ten uitvoer
worden gebragt (2).
Maar avennes , in den bloei dpr jaren , onstuimig, dapper, stoutmoedig en heersch-
zuchtig, eischle daarenboven voor zich en zijn broeder boudewun, geheel Zeeland
hewester Schelde, het land van Waas en de vier Ambachten, welke hij beweerde,
(1) Meteri'S, Jmml. Flandr, Uh. YIU. p. 05 , 69 , 70.
(2) miyerds, Annal Flandr. Lih. IX, p. 75. Klüit, Hist. Crit. Com. Τ. IL Ρ. I. p,4ü8.
Τ. II. Ρ. II. ρ. 6Ί8. Meebmai», Gesch. t\ Gr. wulem II, D. IL B. L bl. 154—159.
II. deel. 31
-ocr page 242-242 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190—dat niet lot Vlaanderen behoorden (1). Ter ondersleuning van dezen cisch wendde
hij zich om hulp lot Koning willem , welke echter door het beleg Tan Aken , builen
islaat was hem die te verschaffen. Om evenwel avennes aan zich te verbinden, gaf
de Vorst hem zijne zuster aleid ten huwelijk en schonk hem zijn bijzonder vertrouwen
en vriendschap (2). Deze gunstbetooning aan eeneii gehaten zoon ontvonkte de woede
der trotsche mabgahetha legen willesi , welke buitendien nog niet den leenmanseed
v/QgQns Zeeland bewest er Schelde bij haar, die reeds vier jaren V laanderen YG^eexAc,
had afgelegd. Hij had niet slechts het leen niet verheven, maar zelfs zich in open brie-
ven y> Graaf van Holland en Zeeland" genoemd, en de inkomsten der Zeeuwsche
eilanden, die tusschen Vlaanderen en Holland moe.^X.Qn verdeeld worden, geheel aan
zich getrokken, waardoor de Gravin aanzienlijke sommen van hem te vorderen had (3).
Met reden was zij beducht voor hare regten, Avanneer het geluk willem in Duitsck-
land begunstigde en hem ten troon verhief, daar zij dan verpligt zou zijn, dat zelfde
Zeeland van hem, als Roomsch Koning, te verheffen, hetwelk hij van haar, als Gra-
vin van Vlaanderen, in leen had (4). Om dit te voorkomen vat zij, terwijl de Vorst
al zijne geldmiddelen en strijdkrachten ter bedwinging van Aken noodig heeft, de wa-
- ' penen tegen hem op , zegepraalt, en dwingt figris , den Voogd van Holland, de be-
lofte af, welke door de Zeeuwsche leenmannen mede geteekend Avordt, » dat hij de oude
regten der Graven van Vlaanderen op Zeeland zal erkennen , en bewerken, dat zij ook
door AViLLEM crkend en bekrachtigd worden. Indien de Graaf van Holland dit mögt
weigeren, zullen floris en de Zeeuwsche Edelen hem legen Margaretha geen bijstand
mogen bieden. Ter nakoming dezer beloften zoowel als lot waarborg, datflorisbinnen
twee jaren al de achterstallen der inkomsten, welke de Gravin niet ontvangen heeft,
zal uilkeeren, zullen gijzelaars geleverd worden. Daarenboven zullen floris, de
Zeeuwsche Edelen en willem zelfs, den Paus verzoeken, de overeenkomsten, met be-
trekking tot het regt der Graven van Vlaanderen op Zeeland, met zijn heilig gezag te
bevestigen, en den banvloek over hem uit te spreken, welke daartegen mögt handelen."
Voorts behoorde onder de voorwaarden van dit vredesverdrag, den zevenden van Hooi-
(1) Mevehbs, Annal. Flandr. Lib. IX. p. 75.
(2) V. mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 239. Kluit, llisl, Crit. Com. Τ. I. Ρ. Π. ρ.212.
Ilct huwelijk is waarschijnlijk tusschen den 20 van Oo{jstinaand en den 25 van Wijnmaand 1246
voltrokken. D. groebe, Ferh. over Graaf floris V, in I). VI. St. I. bl. 15 (1) van de Fcrh.d,
tweede Klasse d. K. N. Instit. Amsf. 1836.
(3) Kluit, Hist. Crit. Com. ï. I. P. II. p. 292. y
(4) Kldit, in 1. c. p. 287. « En dit scheen," voegt bilderdijk, D. II. hl. 133, bij de op-
merking van KLtrr, » een confusio meé te hrenjjen, qtiae ioUit debitum."
DES VADERLANDS. äoä
maand twaalfhonderd achl en veertig gesloten, »dat floris , benevens eeni ge Edelen in 1190—
_ , ΙώΟΙ)
persoon, der Gravin vergiffenis zouden afsmeeken en zich in hare magt stellen, doch
na acht dagen weder in vrijheid gesteld worden; dat hij de verraders, die uit Zeeland
gejaagd of tot maegaretha overgeloopen waren, genade schenken , en de gevangenen
met al hunne goederen vrijlaten zoude" (1). '
Op aanzoek van floris bekrachtigde willem , denderden van Oogstmaand van hetzelfde
jaar, het verdrag van elf honderd acht en zestig, en weinig weken daarna ook de ver-
nederende overeenkomst tusschen de Gravin en floris te jsrïi^^e aangegaan, betrekkelijk
de Zeeuwsche achterstallen, ten bedrage van zes duizend Vlaamsche ponden, benevens
twaalf honderd ponden tot schadevergoeding voor eenige Zeeuwsche Edelen bepaald (2).
Willem had nu wel erkend der Gravin manschap schuldig te zijn, maar die nog niet
gedaan. Margaretha drong hierop ten sterkste aan, doch vergenoegde zich eindelijk,
door tusschenkomst van den Kardinaal gaputio , met's Konings verklaring, »dat dit uit-
stel, door do belegering van Aken veroorzaakt, Avelke zijne tegenwoordigheid vorderde,
geene inbreuk zou maken op hare regten of die harer erfgenamen, noch hem en zijne
opvolgers in het Graafschap van de verpligting der leenverheffing zou bevrijden." Willem
bleef ondertusschen zijn gezag in Zeeland uitoefenen en scheen hel gedrag van Marga-
retha af te Avachlen , wanneer hij tot Roomsch Koning gekroond zou zijn (3). Weldra
echter gaf hij zelf aanleiding, dat de vlam des oorlogs tusschen Vlaanderen en Hol-
land met vernieuwde Avoede iosbarstle.
Verbitterd op do Gravin, welke hem tot een even nadeelig als honend verdrag ge-
dwongen had, toen de gewigtigste belangen des Rijks hem elders riepen, stelde λυιιι,εμ
na de inneming van Aken, eene talrijke krijgsmagt ter beschikking van zijnen schoon-
broeder en boezemvriend avennes , vyelke zijne zijde gedurende het beleg niet verlaten
had. Onverwachts viel de verbolgen zoon in het gebied zijner moeder, het land van
Aalst en Waas, de vier Amlachten en de geheelo streek tusschen Geertshergen^m
Dendermonde plunderende en verwoestende. Margaretha bragt in allerijl eenige
strijdbenden bijeen, welke zich bij Artevelde ^ Biervliet en Hulst legerden en die
(1) Rlcit, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. Π. ρ. 287—293. Het Charter zelf, waaruit deze oor-
log , van ΛνεΙΙίειι noch de Vlaamsche noch de Ilollandschc Kronijken eenige meldinjj malcen, on-
wedorsprekelijt blijkt, wordt gevonden bij klüit in 1. e. T. II. P. Π. p. 524—530. Verg. mser-
kaïf, fxesch, υ. Gr. willem II, D. I. II. bi. 268—275.
(2) V. HtERis, CharterL· v. Holl. D. I. bi: 250, 251. J^LCif, Hist, Crit. Com. Τ. I. Ρ. II.
ρ. 293-207. ϊ. IL Ρ. II. ρ. 532-535, 544,
(3) Klcit , Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ. 297—300. Τ. Π· Ρ. Π. ρ· 648. Biidebdijk ,
Β. II. bi. 135.
26*
-ocr page 244-244 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
IjyO— zij door woord en voorbeeld tot dapperheid aanspoorde. Na vele schermutselingen en
het verlies van veel volks was zij genoodzaakt, ierviï^X Rupeltnonde te land en te wa-
ter belegerd werd, den vrede aan te bieden, Atennes deed ten behoeve der bampierres.
afstand van het graafschap Namen en voor zestig duizend ponden dien van zijne aan-
spraak op Zeeland heioester Schelde, het land van Aalst , JVaas en de vier Am·
hackten. Het verdrag werd in het begin van twaalf honderd negen en veertig gesloten
en FLORis van Holland als ggzelaar naar Vlaanderen gezonden (1). Men vermoedt,
dat FLORis in persoon avenues in deze krijgsonderneming bijgestaan, en althans een tijd
lang, do Hollandsche benden of schepen aangevoerd heeft (2).
Om aveknes te believen verleide hem willem, in naam des Rijks, op nieuw met het
graafschap Namen, dewijl boudewijn II, Keizer van Konstantinopel, verzuimd had
dit gewest, een leen van Henegouwen en achterleen van het Duitsche Rijk, van avenues
te verheffen, en gelastte alle Edelen en leenmannen des lands, voorlaan den Graaf van
Henegouwen voor hunnen Heer té erkennen. Daarenboven schonk hij hem op denzelf-
den dag ten huwelijksgift, al hetgeen de Graven van Holland van de Koningen van
Schotland in leen gehouden hadden (3). Hoezeer dit alles Margaretha moest grie-
ven welke, ondanks eene nadere pauselijke beslissing te Rheims en te Luik, steeds
de Avettige geboorte van hare beide oudste zonen betwistte, werd zij echter nog heviger
op WILLEM verbitterd, dewijl hij alles in Zeeland op eigen gezag regelde, zonder haar
in iels te kennen. Sinds twee jaren had hij de Zeeuwsche inkomsten geheel aan zich
gelrokken, waardoor de verschuldigde achterstallen van zes duizend op zestien duizend
ponden geklommen waren; hij beweerde het alleenregt op de strandgoederen, op de be-
den en giften der Zeeuwsche leenmannen, op de geheele regterlijke raagt te bezitten,
en gaf, naar eigen goeddunken, vrijheden en voorregten aan verschillende plaatsen in
Zeeland. Margaretha dringt op nieuw hare regten bij hem aan, doch vindt geen gehoor.
De meeste Zeeuwsche Edelen scharen zich aan 'sKonings zijde als de magtigste; slechts
weinige blijven der Gravin getrouw. De spanning ^vordl grooter en grooter, en het uit-
barsten van den feilen krijg, die later ontbrandde, kan slechls door tusschenkomst van
' (1) Mkykrüs, Annal. Flandr. Lih. IX. p. 75, 70. Klüit, Eist. Crit. Com. Τ. II. Ρ. I. ρ. 504.
Meermin, Qesch. ν. Gr. wiium II, D. I. B. III. LI. 308-312.
(2) Meermak , t. a. p. bl. 312. )
(3) Vam mieris , Charterb, v. Holl. B. I. bl. 249. Klüit , Hist. Crit. Com. T. II. P. I. p.
216, 301. T. II. P. II. p. 553—559. Verg. ν. mieris, t. a. ρ. bl. 247—249. Meerman meent,
dat het goed, door de llollandsclie Graven van de Koningen van Schotland in leen gehouden, dé
landstreek Garviat in het graafschap Aberdeen geweest is, welke aan ada , de gemalin van floris
III, in 1162 tot een huwelijksgoed geschonken was. Gesch. ν. Gr. Willem II. D. I.B.III.hl.343.
DES VADERLANDS. " 245
den pauselijken Legaat, den Bisschop van Alhano ^ Yoor eenigen lijd verhinderd worden. ^J^sê"
Op eene vergadering van Nederlandsche Groolen, Geestelijken en Edelen te Brussel^
den negentienden van Bloeimaand twaalfhonderd vijftig, worden de hangende geschillen
tusschen de beide partijen beslecht. Bij een verdrag tusschen Willem en floris aan do
ééne , en Margaretha, aan de andere zijde gesloten, wordt het regt der Gravin op ZeeZajici,
naar de overeenkomst van elfhonderd acht en zestig, erkend, maar daarentegen door
haar afstand gedaan van den eisch op de achterstallen, mits de Koning of zijne erven
het thans gesloten verbond eerbiedigen. De Hertog van Brahand, deGraaf van Ge/re ,
die van Kleef en de Bisschop van Luih stellen zich ter wederzijde borg vöor de uit-
voering van het verdrag, hetwelk ook de Paus met eene bulle bevestigt. De zaakgelas-
tigde van den H. Vader bewerkte daarenboven, dat Margaretha aan willem op nieuw
uitstel van leenverheffing wegens Zeeland verleende. De Koning echter verklaart, dal
zy het regt heeft deze hulde van hem te eischen, en » dat, schoon het van hem al nim-
mer geëischt mögt worden, de volgende Graven van Holland evenwel in dezelfde ver-
pligting zouden blijven, terwijl Margaretha , ten opzigte van hem , in denzelfden slaat
bleef van de hulde te kunnen vorderen, Avaarin zij te voren verkeerde." Voor deze
vergunning van uitstel belooft hij, wanneer zij het mögt begeeren, haren zoon, den
Graaf van Vlaanderen, zonder bedenking, den eed af te nemen wegens de landen,
welke hij van het Ryk verheffen moest (1). Dit verdrag laat niet raadselachtig, wie
der beide partijen het meest in de gunst der scheidsmannen deelde. De Gravin werd
slechts in regten erkend , welke haar niet konden betwist worden; de Koning daaren-
tegen , zonder iels op te offeren, bleef in het bezit der aanzienlijke sommen, ivelke hij
zich eigendunkelijk had toegeëigend, en nog steeds verschoond van heigeen hem zoo
geweldig tegen de borst was: het heffen van zijn leen (2).
De geschillen Avaren aldus, voor het oogenblik, door het Brusselsche verdrag bijge-
legd. I et was echter te voorzien, zoowel uit den aard der gemaakte bepalingen zelf,
als uit de gemoedsgesteldheid der kilteloorige Gravin, en van den eerzuchligen, ligt-
geraakten Koning, dat spoedig nieuwe twisten tusschen Vlaanderen en Holland zou-
den geboren worden. Wrevelig en onverzoenlijk van aard, leefde Margaretha nog
gedurig in onmin met hare beide oudste zonen. Om te beletten, dat jan van Aoennes
bij haar leven het gebied over Henegouwen zou voeren, liet zij de bevelhebbers der
steden en sterkten , alle Henegouwers, door Vlamingers van beproefde trouw vervangen ;
(1) Van mieris, Chartcrb. v. Holl. D. L bl. 258—260, 282. Klüit, Hist. CriL Com. Τ. I.
Ρ. II. ρ. 302—309. Τ. IL 1>. II. ρ. 572—598. Verg. meerman, Gesch. ν. Gr. wuleji Π, D. L
Β. in. bl. 382—393.
(2 ) μεεβμαγί, Gesch. v. Gr. willem II. D. L B. III. bl. 392.
-ocr page 246-246 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
llüO—^ een onvoorziglige slap, welke in Henegouicen Ae algemeene verontwaardiging legen
II haar opwekte (1). Willem, om zijnen zwager te wreken en zijn eigen moed op eene oude
inaand koelen, verklaart onedelmoedig genoeg, naar vonnis der Rijksstenden, op
1252 den landdag te Frankfort aan den Main, de Gravin van Vlaanderen vervallen van
Zeeland bewester Schelde, do landen van Aalst, Waas en de vier Ambachten,
op grond, dat zij verzuimd heeft deze leenen, naar de rijkswetten, binnen een jaar
en dag, op straffe van verval, van hem als Roomsch Koning te heff'en. Onniiddel-r
lijk daarna beleent hij avennes met dezo goederen, op dezelfde voorAvaarden als
stARGARExnA dic to voren bezeten had , en bevesligl hem tevens in hel leen van Na-
men (2). Hierbij bleef het niet. Hij trachtte avenhes door kracht van wapenen,
in het bezit Henegouwen Ie stellen, en rukte waarschijnlijk zelf, met den Bisschop
van Luik, aan het hoofd der hulpbenden in dit gewest. Men wil, dat hij toen en niet
twee jaren vroeger Valenciennes heeft ingenomen (3). Hoe dit zij , do Henegouwers,
op MARGAftETnA Verbitterd, vormden tegen haar een magiigen aanhang. Weldra ge-r
raakte hel geheele land in beroering, de Vlaarasche bevelhebbers Averden overvallen,
velen om het leven gebragl, en hunné vrouAven, wreedaardig verminkt, naar maega-
retiia gezonden. Woedend zwoer zij den opstandelingen den ondergang, en wachlUj
/ slechts een gunstig oogenblik af, om ook den Koning al hare Avraak te doen ge-
voelen (4).
Met al dien ijver, welke door de dorst om zich te wreken wordt opgewekt, bragt
zij een heir van honderd duizend uitgelezene Vlaamsche en Fransche krijgslieden,
1253 Edelen en ridders bijeen, over hetwelk haren beiden zonen , αυι en jan van ZJamp/errt;,
het opperbevel werd toevertrouwd (5). Steunende op deze magt, vorderde zij thans,
in overeenstemming met haren Raad, van willem onverwijlde leenverhefling wegens
Zeeland. » Hoe !" riep de fiere Koning , » zal ik de dienaar van mijne dienaresse zyn!
Zal ik leenman worden daar ik leenheer ben! Veeleer zou zij al wat zij heeft, vatimij
houden. Van haar wil ik öiets ontvangen. Zij zal voor het land van de Schelde, met
regtï mijn" onderdaan zijn. Het ware schande, indien ik haar manschap bewees voor
goed, dat aan hel Rijk behoort. Ik ben Koning, voor het overige mag zij doen, wat
(1) Mevekus, Annal. Flandr. Lib. IX, p. 76.
(2) Vak mieris, Charterl·, ν. Holl D. I. hl. 268, 269. Klcit, Bist. Crit.^ Com. Τ. I. Ρ. Π.
ρ. 217. Τ. II, }\ ΙΓ. ρ, 621, 624-632. I
(3) Meehman , GescA. ν, Gr, willem II. D, II. B. IV. bl. 101.
(4) Meverus , Aiinal. Flandr, Lib. IX. p. 76. ^
i
(5) De beka, p. 86, en de Klerk tiit de laage landeti, bl. 127, begroolen het gclal der «(rij-
ders op 150^000 man.
DES VADERLANDS. " 247
haar goeddunkt (1)." Zonder de betrekking in het oog te houden, in -welke willem,1190—
als Roomsch-Koning, legen over haar geplaatst is, verklaart de Terbolgen Gravin op
<lit schamper antwoord, onmiddellijk den Graaf van Holland Tcrvallen van zijn leen, en
maakt terstond toebereidselen, om hare krijgsmagt naar Zeeland over te schepen. Alles
dreigt eenen bloedigen oorlog, Avant ook willem heeft een aanzienlijk leger, schoon
veel minder tahyk dan het Vlaamsche, byeengebragt en welk gereed is, onder hel
bevel van flokis van Holland en den Graaf van Kleef, in Walcheren te rukken (2).
(1) Melis stoke, D. II. Β. III. bl. 78.
(2) Meus stoke, D. II. B. III. bl. 75—79. De ββκλ , ρ. 85. Meyekcs, Annal. Flandr. Lib,
3X, ρ. 7ö. —Kluit, Jlist. Crit, Com. T. I. P. II, p. 3J0. Meermas, Gesch.v. Graaf swLvmW,
]). II. B. V. LI. 309, en anderen hebben het gedrag van wulem^ len opzifjte van de Gravin van
Vlaanderen, van dubbclharliglieid en kwade trouw bcscliuldigd. Men heeft hem verweien, dat
hij zijne betrekkiji[j als Graaf van Holland met zijne waardigheid als Roomsch Koning vermengde
oF liever verwarde, en van de magt, welke deze laatste hem verleende, misbruik maakte, om
zich op margaretha te wrcken. Bilderdijk (D. II. hl, 138—143) heeft dit echter als eeia ligt-
vaardig vonnis veroordeeld, en getracht 's Vorsten karakter van die snief te zuiveren. Hij verde-
digt den Koning slechts volgens de beginselen van regt en billijkheid j en geeft geenszins in be-
denking, of niet wclligt noodzakelijkheid en gezonde staatkunde Willems gedrag in dezen bestuurd
hebben. Toetsen wij derhalve 'smans verdediging naar dezelfde beginselen van welke hij is uit-
gegaan. Men behoeft zich niet met hem (bl. 138) op te houden, noch moet zich ophouden met
vooronderstellingen en gissingen, wanneer daden duidelijk spreken; en weinig beteefeent de getui-
genis van eenige schrijvers over Willems aard en inborst, wanneer hunne woorden in stiijd zijn
niet Eijne daden. Hoe hard, nadeelig en vernederend het verdrag van elf honderd acht en zestig
voor Holland zijn mögt, gaf dit aan willek geen regt het te schenden; het was nietonregt-
vaardig, gelijk bilderdijk beweert (bl. 139. Verg. hiervoor, bl. 126', 127), maar op cene wettige
wijze verkregen; het was door al de opvolgers van iloris III, door Willem Ilzelvcn, als geldig
erkend en bekrachtigd geworden (1). Even zoo had hij zich de overeenkomst tusschen de Gravin
i^n zijn broeder floris laten welgevallen. De verkrachting daarvan moge staatkundig, maar kan
niet regtens verdedigd worden, ook dan niet wanneer het meer dan louter gissing ware, dat flo-
Ris overrompeld en verrast is geworden, cn genoodzaakt was in zijne gevangenis terug te kceren,
/00 willem het gesloten verdrag niet bevestigde. Wij gelooven, dat willem liever de zaak met
de Avapenen zou beslecht hebben, doch willen niet beslissen, of gebrek aan magt, dan wel zijn
(1) Zie hiervoor bl. 222, 223, Onjuist wordt door bilderdijk, D. II. bl. 143, dc zaak ran het verlei
Tan Zeeland door Keizer ïiiedebik II aan wiilem I voorgesteld. Verg. hierroor hl. 240. DaarenboTcti
had WILLEM II ook hierin herust, cn ofschoon dit de zaak der leenTcrhefllng van de Gravin voor hem
nog veel grievender mag gemaakt hehhcn, gaf het hem volstrekt geen regt zicli daaraan te onttrekken.
248 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
llüO—Het ontvlammen ταη dien krijg werd door den Hertog van iïraiaiit/eene poos ver-
traagd, welke door zijne tusschenkomst, hel bloedvergieten Iraclille voor te komen.
Op zijne uitnoodiging verscheen de Koning, welke Aveder gaarne het geschil door een
vergelijk wilde \ ereflenen, Ie Antwerpen, werwaarts ook Margaretha hare gezanten
zond , waarschijnlijk meer om den Hertog genoegen te geven, dan op nieuw in rerdra-
broederminnend hart, gelijk bilderdijk bcAvecrt (bl. 139. Terg. hiervoor, bl, 242, 243), dit
verliindeid beeft. In de gescliillen met fflARGARETBA had hij zich aan de uitspraak van scheidsman-
nen onderworpen, en hoezeer hunne bepalingen hem ook fegen de borst mogen geweest zijn,
eens door liem aangenomen en bekrachtigd, stond het niet aan liem, naar het gevoelen van zijnen
verdediger (bl. 140, 141. Yerg. hiervoor bl. 243, 245), die te verbreken, toen hij daartoe de
niagt meende te hebben. AVij Avillen volgaarne erkennen, dat willem » den wensch koesterde,
zich van het bcAvuste hatelijk verdrag door de xvapenen te bevrijden, wanneer er een wettige grond
van oorlog ontstaan mögt" (bilderdijk, bl. 140); doch wij erkennen tevens, dat wettige redenen
lot oorlog niet door euRGARETHA, maar door hem gegeven zijn, en dat juist dit hem de smet van
dubbelhartigheid en kwade trouw heeft aangewreven. Immers is het onwaar, wanneer bildeedijk
(bl. 141) zegt, » dat Margaretha slechts zoo lang niet bij den Koning op de leenverheffing aan-
drong, als zij rekende hem in de geschillen van hare familie te moeten ontzien j en dat hij van
zijne zijde als llooDjsch Koning, ook niet op haar verhelfen aandrong, maar dit slepende hield als
uit wederzijdsche inschikkelijklieid, tot eindelijk, getergd door Margaretha, die nu begreep de han.
den weder ruim te hebben om leed te doen, en van hem leenverheffing vorderde, hij op den Rijksdag
haar van hare rijksleenen vervallen verklaarde, en besloot zich door de wapenen te wreken," Het te-
gendeel'had plaats. Willem had reeds de Gravin van hare rijksleenen vervallen verklaard, omdat zij
bij hem, als Roomsch Koning, de hulde niet had afgelegd, toen zij hem liet aanzeggen, dat hij,
als Graaf van Holland, haar manschap Avegens Zeeland beicester Schelde zou hebben te doen.
(Zie hiervoor bl. 245. 246.) Door het uitstel dezer plegligheid moge de Gravin zich stilzwijgend
verbonden hebben, deze niet van den Koning te vergen ; willem zelf echter had verklaard >i dat
dit geen inbreuk zou maken op haar regt, deze hulde van hem te eisclien. Maar thans had zij
niet meer te eischen op een gewest, waarmede naar uitspraak der Rijksvergadering, een ander verleid
was; WILLEM had hierdoor zijn vurigen wensch bereikt; daar hij de » dienaar zijner dienaresse'Λ niet
zijn konde, had hij zich aan de verschuldigde leenhelfing onttrokken; al hetgeen aan heti Rijk
behoorde der Gravin ontAvrongen, en weder aan avemses gegeven, dien hij naar zijnen wil konde
leiden, en met wien hij alzoo liever wilde te doen hebben, dan met makgaretua of naderhand met
de dampierres, ZOO als bilderdijk Zelf erkent, bl. 136, Waar is hier rondheid, eerlijkheid, regt-
ichapenheid en goede trouw in willehi te ontdekken ? Of zijn déze welligt meer te bespeuren, wan-
neer hij, spottende met de overeenkom.<!len en bepalinj^en, de gchcele opbrengst van het gemeen-
schappelijk leen, Zeeland, eigendunkelijk naar zich trekt? Wanneer hij willekeurig, zonder naar
pligt de Gravin van Vlaanderen te erkennen, aan Zeeuwsche plaatsen wetten en vrijheden uit-
deelt ? Wanneer hij de aan Margaretha verschuldigde achterst allen inhoudt, zonder de voorwaar-
den te eerbiedigen op welke deze hem zijn kwijtgescholden? Of wanneer hij, om de Gravin te
Λ
-ocr page 249-DES VADERLANDS. " 249
gen te treden, die steeds, men moet het erkennen, door willem zoo weinig geëerbie-1190—
digd werden. De sluwe Gravin althans, de goede trouw des middelaars misbruikende,
zocht do onderhandelingen, door het gedurig opwerpen van nieuwe voorstellen en zwa-
righeden , te rekken, om inmiddels in Zeeland to vallen. Men verhaalt zelfs, dat er
een bestand voor eenige dagen gesloten was, toen zij dit verraad ten uitvoer bragt. Te
Waterduinen y eene plaats op de kust ^άπ F laanderen, moest zich het Vlaamsche
heir naar Zeeland inschepen. Margaretha, zelve begaf zich naar het strand en nam
afscheid van haren zoon güi' van Dampierre, den Opperbevelhebber. »God geleidde
u, mijn zoon!" sprak zij, »doch verschijn nooit weder onder mijne oogen, dan als
overwinnaar van Zeeland." — » Moeder was het antwoord , » het moge gaan hoe het
wil; ik zal overwinnen of sneven. Vaarwel." Onder het vreugdegejuich der menigte,
stapte DAMPiERRE in de boot en vertrok naar het schip (1).
Met welken spoed ook de vloot was uilgeloopen , zoo ontving echter willem hiervan te
Antwerpen tijdig berigt en haastte zich heimelijk huiswaarts (2). In Holland was
men intusschen van het voornemen der Gravin niet onkundig gebleven; en floris had
tergen en te verbitteren, avenkes ondersteunt en dc vlammen de« oproers in Vlaanderen en Hc'
negouwen ontsteekt? Hoe tan biidebdijk (bl. 143) na deze feiten nog in goeden ernst beweren,
)» dat zoo iets in het gedrag van willem aan te merken valt, het is, dat hij al te cordaat, al te
edelmoedig handelde." Hoe slaande houden, dat het aan de zijde van Margaretha alleen eene
aaneenschakeling is van plagingen, tergingen, misbruiken van tijden en omstandigheden, om tc
grieven, om te dwingen, om te verrasschen, om te versclialken (hl. 142)," terwijl de geschiedenis
leert, dat WILLEM zich evenzeer zoo niet meer dan zijne vijandin, aah dit alles schuldig gemaakt
heeft? Het is waar, hij erkende de verdragen, maar deed die nooit gestand ; hij onderwierp zich
aan de uitspraak, der scheidsmannen, doch slechts zoo lang hem de magt ontbrak naar vrijen wil te
handelenj en dit noemt men: toegeeflijkheid in alles, ten aanzien van bakgaretha (bl. 142)!
Het kan niet ontkend worden, dat de getergde Gravin het eerst de wapenen opvatte. Indien men
echter met bilderdijk (bl. 144.) wil afleiden, dewijl zij op krijg voorbereid was, dat zij den
oorlog gezocht en bedoeld heeft, dan zal men even weinig willeb hiervan kunnen vrijpleiten.
Zijn gedrag immers met betrekking tot μαβοαβετπα, wier hevigen ςη opbruisenden aard hijkende,
voorspelde het onweder, dat over hem zou losbarsten, en zijne toebereidselen ten krijg ge-
tuigen, dat hij het verwachtte. Men verontschuldige deze lange aanmerking. Bilderdijk wordt
door velen een te groot en te beslissend gezag toegekend, dan dat het niet nuttig, ja zelfs nood-
zakelijk zijn zou, 'smans veelvuldige echeeve oordeelvellingen, in het belang der gesciiiedcnis
zelf, aan te toonen en te ontzenuwen.
(1) Melis stoke, D. 11. B. III. bl. 79, 81. De beka, p. 85. De Klerk uit de laagc Landen,
bl. 125—127. Cron. de Hollant in ματτπαει Analect. T. V. p. 541, 542. Meterijs, Annal
Hand. Lih. IX. p. 76, 77.
(2) Melis stoke, D. II. B. UI. bl. 80, 81.
II. deel. ?2
%
-ocr page 250-250 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
IIÜO—zich reeds met Hollandsclie, Zeeuwsche en eeniVe vreemde benden in de duinen gele-
1256
gerd nabij fVestkappel, eene blooyende, maar sedert door de zee verzwolgen slad
op Walcheren, waar mon den vijand verwachtte (1). Geenen tegenstand vermoe-
4 van dende, stapte eene der vier hoofdafdeelingen des Vlaaraschen heirs vrolijk en onbe-
inaand ^'"'gd aan land. Floris op zijne hoede, stormde onmiddellijk, onder een verdoovend
1253 geschal van hoornen en trompetten, woedend op den naderenden vijand aan. Van schrik
en verbazing getroffen , vloden eenigen naar hunne schepen ierug, of verspreidden zich
ginds en herwaarts door het land; anderen hielden stand en ontvingen steeds nieuwe
versterking van do vloot. Er werd moorddadig gevochten en het strijdveld in een
slaglplaats herschapen; men plaste tot aan den enkel in het bloed. » Even als de maaijers
onder do stoppelen, woedden de Hollanders onder do Vlamingers (2)." De eerste vijan-
delijke hoofdafdeeling was reeds teruggeslagen; de tweede en derde ondergingen hetzelfde
lot. Men verhaalt dat de mannen van floris geheel afgemat waren van het nedersabe-
len en bloedvergieten, toen do Vlamingers hunne vierde en schoonste legerafdeeling
ontscheepten, om legen hen aan te voeren. Het gerucht, dat Koning avixlesi naderde,
onderschraagde echter de bezwijkende krachten der Hollanders, en deed den moed
der vijanden zinken (3). Op raad van een Hollandsch ridder, die onverschrokken naar
' den vijand was gerend , gaf dc Graaf van guines zich zonder slag of stoot over (4). Gui
van Dampierre , die bij een vorig gevecht in den voet was gekwetst geworden , zijn broeder
jan, tiiiboud, dc Graaf de barre of Ba7· Ie Duc met de aanzienlijkste bevelhebbers en
twee honderd dertig ridders, vielen, benevens de geheele vloot met al haar toebehoo-
ren, in do handen van floris (5). Tusschen de dertig en vijftig duizend Vlamingers
en Eranschen waren op dien bloedigen dag deels onder het zwaard gevallen, deels in
zee verdronken (6). Naar men verhaalt, zouden uit ééno Vlaamsche stad alleen tien
(1) Melis stoke, D. II. B. III. LI. 80. wunelmus proccratoR; p. 507.
(2) wlldellhüs l'ROCtEATOR, p. 511. > ·\
(3) WUUELSIÜS PROCURATOR, p. 511. '
(4) Melis stoke, D. II. B. III. bl. 83. Bilderdijk, D. II. hl. 145, lioudt met de beka,
p. doch in strijd met meverus, Lih. IX. p. 77, wien wij hier liever met buchelius volgen,
den Graaf van oüimes en jak van Dampierre voor cenen pcrsoön.
(5) Meverüs, Annal. Flandr. Lib. IX. p. 77.
(6) Melis store, D. II. B. III. ρ. 84. Wilh. procürat. p. 512. debeiia,p.86, de Owt/e//o//.
])iv. Kron. aclittiende Div. c. 20. — De Klerk uit de laage Landen, bl. 128, en liet Goudsch Kron.
bl. 03, maken zich ongetwijfeld aan bespottelijke overdrijving schuldig, wanneer zij verhalen, dat
50000 Vlamingers gedood, 50000 in zee verdronken en 50000 gevangen genomen zijn. Van mieris
DES VADERLANDS. äoä
duizend man gesneuveld zijn (1). Groot was het gelalder gevangenen; die» met hopen , 1190—
oft scape warenToortgedreven werden, terwijl eene menigle naakt en berooid rond-
zwierf (2). Ondertusschen is Koning willem te Arnemuiden aangekomen, waar
hij met de mare der behaalde zege verwelkomd wordt. Hij snelt naar het slagveld ,
om den dapperen floris op het tooneel der overwinning zelf, tot ridder te verheiFen.
Op don weg stroomen hem geheele scharen weerlooze, naakt uitgeschudde vluglelingen
te gemoet, welke om zich te bedekken, groene erwtenstruiken om de lenden gestren-
geld hadden, en hem met opgeheven handen, genade srneeken (3). Ilij dankt God;
en met het lot dezer ongelukkigen bewogen , laat hij hen, doch » also naket als si wa-
ren," bij hoopen met schuilen naar Vlaanderen overzetten (4), Het medelijden van
zijne moeder, machteld van Braband, avas voorzeker van een edeler aard. Om de
gekwetsten op te zoeken en te verplegen,, trok zij m^cc Walcheren, waar zij reeds eene
aanzienlijke vrouw met dit werk van liefdadigheid bezig vond. — De krijgsgevangenen
werden naar Holland gevoerd en den aanzienlijksten het slot te Wateringen tot kerker
aangewezen (5).
Zoo zag dan Margaretha op éénen dag, binnen het kort verloop van weinig uren,
haar ontzaggelyk heir vernietigd, hare beide geliefdste zonen, hare uitstekendste be-
velhebbers , het puik harer ridders, hare dapperste krijgsbenden, hare talrijke vloot,
alles, alles in het bezit van eenen gehaten cn gelukkigen vijand. Niels konde haro
spijt over het mislukken harer bedoelingen evenaren; niets haar over dit onherstelbaar
verlies troosten. In de bitterheid harer smart zendt zij eenigo aanzienlijke Geestelijken
naar willesi , om met hem den losprijs harer zonen te bedingen. » Zeg uwe Meesteres
is het antwoord, )) dat de Koning in geen de minste onderhandeling met haar wil treden,
Tóór dat zij zich in persoon bij hem verontschuldigd en voldoening zal gegeven hebben,
Λνϊΐ liever voor iedere vijftig duizend man, vijf duizend stellen. Aant. op den Klerk uit de laage
Landen, bi, 128. De Ylaamsclie Gescbicdschrijver beterïis, p. 77, echter, bepaalt zelf het getal
op 30000 en meer. Verg. gobdhoeveks Kron. hl. 316. Dewez, llist. de la Belg, T. III. ρ. 11.
(1) Evndii Chron, Zelandica. Lib. Π. c. 15. p. 243. Middelb. 1634.
(2) Melis stoke, D. II. B. III. W. 84, 85,
(3) WltllELBlUS procdrator, p. 512. i
C4) Melis stoke , D. II. B. III. bl. 86.
(5) ÄIEERM45, GescA. v. Gr. ννιιίεΐιι II, D. II, B. IV. bl. 129. Ter gedachlenis van deze luii-
lerrijke overwinning werd jaarlijks op den 4''®» van Hooimaand, bet gebeente van λυιι,ιεββοβο, den
beschcrmbeilig van Westkappel, in plegtigcn omgang, door Walcheren rondgedragen. Zie
REïoEBSBERGEN cn BoxuoRH, Chroti, V. Zeel. D. II. bl. 72. Middelb. 1644.
26*
-ocr page 252-252 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190—voor de menigvuldige misdrijven, die zij tegen hem gepleegd en bgzonder voor
de trouwloosheid met welke zij het verdrag geschonden heeft (!}." Op dit uorsch
doch niet geheel onverdiend bescheid, ademt do Gravin slechts woede en wraak, en
de teederste inspraken der natuur zwichten voor de ingevingen van gekrenkte eer
en heleedigden trots. Avennes waagt het in eenen minzamen brief haar ten behoeve der
DAMPiERREs aan te raden, den voorslagen des Konings gehoor te geven. » Om mijner zonen
wilantwoordt zg, » zal ik mij tot niets laten overhalen. Zij zyn in uwe raagt en aan
uwe willekeur blootgesteld. Slagt hen, bloeddorstige beul, slagt uwe broeders. Kookt
hen, zoo gij wilt, met peper, braadt hen met knoflook, en verslindt hen (2)." Kort
daarna werd haar op pauselijk bevel aangemaand, aan het vonnis van den Rijksdag te
Frankfort binnen zes weken te voldoen, op straffe van den kerkban en opzegging
van gehoorzaamheid aan de bewoners der landen van Aalst, van }Vaas en de vier
Amlachten (3).
In dezen hagchelijken toestand wendde Margaretha zich tot kakel van Anjou, den
broeder van lodewijk IX. Vertrappende de regten der natuur en der geboorte,
opdat slechts geen gehaat Hollandsch bloed ooit iels van hare landen zou erven, stond zij
de η vreemden Vorst Henegouwen voor altijd af, indien hij haar tegen den Roomsch-Koning
15 van ondersteunde (4). Deopdragt van dit gewest door den Bisschop van Luik, als leenheer,
aan jan van Avennes, noch de bekrachtiging daarvan door willejh (5), verhinderden
1254'
(1) ΜετΕκυβ, Atinal. Flandr. Lib. IX. p. 77.
(2) Mattuaeus parisiensis, p. 780.
(3) Van mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 277.
(4) Melis stoke, D. 11. B. III. bl. 92-94.
Si wilde hem Henegouwen op ghcven
* Dat de van Hollmt niet in bleven
In haren lande glieervet iet.
Meyerïs daarentegen, Lib. IX. p. 77, zegt dat mabgaretha bepaalde, dat κκτίΈ,ί Henegouwen
zou bezitten zoo lang zij leefde, maar dat dit gewest na haren dood lot jan van Avennes zou te-
rugtecren. Meyercs echter schijnt dit te verwarren met hetgeen vroeger was bepaald geworden. Zie
hiervoor, bl. 241.
(5) V. mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 270. Kluit, Hist. Crit. Com. Τ. II. Ρ. II.
ρ. (J44—646. Beide Schrijvers hebben niet, gelijk meerman, Gesch. ν. 6V. Willem II, D. II.
LI. 152, bemerkt dat de dagteekening dezer brieven, 1253, onjuist zijn moet. Immers verklaart
de Bisschop daarin, dat de Gravin van Vlaanderen hem had herigt: » Qu'ele avoit donet au oonte
d'Anjo la conté de Haynau, a lui et ä ses oirs a tous jors." Dit nu geschiedde eerst in het laatst
van 1253 of het begin van 1254. — Wagekaar plaatst de dagteekening ook ten onregte in het begin
van Oogstmaand 1253, D. II. bl. 395. ί
DES VADERLANDS. " 253
(lat KAREL van Anjou bioDen Aveinig weken, deels door de Avapenen, deels door 1190—
onderhandelingen, geheel Henegouwen, eenige sleden uitgezonderd, aan zich on-
derwierp (1), Jan van Avennes zond zijne gemalin aleid naar Holland^ cm de hulp
van haren broeder, Koning willem , in Ie roepen. Deze Vorst echter Tond zich op
dat pas in eencn krijg met de Westfriezen gewikkeld, en konde deswege elechts
KAREL minzaam, by geschrifte verzoeken, » afstand te doen van hetgeen hem niet naar
regt toebehoorde (2)." Het is ligt te begrijpen, dal zulk een verzoek vruchteloos moest
zijn bij eenen veroveraar, te midden zijner overwinningen (3). Het werd dan ook met
spotlenden trots afgewezen, en door karel tergende geantwoord, »dat do Waterko-
ning maar uit zijne moerassen moest opdagen, en tijd en plaats bepalen, om hem onder
de oogen te zien; hij zou dan zoo met hem omspringen, dat men er ten eeuwigen dage
van zouspreken (4)." Middelerwijl onderwierp hij zich nog menigHenegouwsche stad, en
sloeg het beleg voor Enghien [Adinghen) (5). Willem was ondertusschen de man
niet, die zich ongestraft liet honen. Hij bepaalde den Graaf van Anjou dag en plaats op
de heide te Assche ^ niet verre van Maastricht, tot het leveren van eenen veldslag , on-
der bepaling, dat hij, die het eerste kwam, zijnen vijand ten minsten éénen dag zou
Λτachten (6). Deze even onverwachte als mannelijke taal, bragt den overmoedigen
Graaf van Anjou tot nadenken. Hij wendde zich tot zijn broeder lodewiJk om tij-
stand , doch ontving tot bescheid : Β Nimmer heeft de Rüomsch-Koning iels tegen mij
ondernomen. Ik zal hem derhalve nooit reden tot misnoegen geven, zoo lang hij in
zijn land blijft en mijn volk ongemoeid laat, vooral niet om eens kwaden Μijfs wille. Dit
zou even dwaas als schandelijk zijn. Doe gij inlusschen wat u goeddunkt (7)." Op de
verzekering van Margaretha echter, dat willem het strgdzwaard niet zou aangorden,
zoo wel als door het uitzigt op het bezit van Henegouwen, nam karel de uitda-
ging aan, en meldde den Koning, dat hij hem zou afwachten, onder beding , dat de eerst-
komende den anderen op de bepaalde plaats drie dagen zou beiden (8). Welliglhoopte
(1) Meyehüs, Annal. Flandr. Lil·. IX. p. 77. Μεεκμαν, Gesch. ν. Or. wiilem II, D. II.
B. IV. 1)1. 152—156.
(2) Melis stoke , D. U. B. III. W. 95.
(3) Meerman, t. a. p. bi. 156.
(4) Melis stoke, D. II. B. III. bl. 95—97. De Klerk uit de laage Landen, bi. 130.
(5) Melis stoke, D. II. B. ΠΙ. bl. 97.
(6) Melis stoke, D. II. B. III. LI. 102.
(7) Melis stoke, D. II. B. III. bi. 99, 100.
(8) Melis stoke, D. II. B. III. bl. 102.
-ocr page 254-254 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190—hij, dal inmiddels de pogingen van den Paus, om eenen krijg te voorkomen, bij Wil-
lem zouden gelukken; ook \Yaren reeds als eene schrede van toenadering aan 'sKonings
zijde, eenige hoogaanzienlijke krijgsgevangenen, hoewel voor groot losgeld, uit den
Hollandschen kerker geslaakt geworden (1).
Willem verheugd , dat hem do gelegenheid werd aangeboden, nieuwe lauweren te
])lukken , riep niet vruchteloos vele Duitsche vorsten en al zyne leenmannen op , om den
hoon hem aangedaan te Λvreken. Nevens hen schaarden zich de Hertog van Brahand
met jan en boüdewijn van Avennes aan zijne zijde, en ten bepaalden dage verscheen
hij op de aangewezene plaats, aan het hoofd eens heirs van weinig minder dan honderd
duizend strijders. De Graaf van Anjou, welke slechts eene magt van vijftig duizend
man hier tegenover konde stellen, had op de mare van 's Konings naderen, het be-
leg vah Ënghien opgebroken en was naar Valencimnes gevlugt. Maar ook hier
volgde hem do vrees voor willem , welke, na drie dagen te vergeefs hem op do
heide hij Asselie gewacht te hébben, zijne tenten in het gezigt dezer vesting had
opgeslagen. Hij vertrouwde derhalve de verdediging dezer gewiglige en welver-
sterkte stad aan iiugo van Bouchain, en vlood naar Douai op de uiterste grenzen van
Henegouwen.
Na eene korte belegering gaf Valenciennes zich over aan avillem ,
voor Λνίοη ook Enghien de poorten had geopend; Bergen en Β inch geraakten in han-
den van aveniïes (2). Hierop werd, eer awjou voor altijd het gewest ontruimde, een
wapenstilstand gesloten , die echter den toestand van Margaretha niet verbeterde, de-
wijl daarbij de zaken in dien staat bleven, in welken zij zich thans bevonden. Zij
trachtte uit dien hoofde , door tusschenkomst des Konings van Frankrijk, met Wil-
lem over den vrede en het losgeld harer zonen te onderhandelen; doch de voorwaarden
des overwinnaars waren zoo hard en vernederend, dat· zij die met verontwaardi-
ging verwierp (3). Zij was echter genoodzaakt het hoofd in den schoot te leggen
en bij een verdrag, niet zonder medewerking van den Paus gesloten, Henegomcen
benevens het land van Aalst, van Waas en de vier Amlachten aan jaic van
«ei te verzekeren , waartegen de beide dampierres uit de gevangenis ontslagen werden (4).
:____ i\·
(1) Meermah, Gesch. ν. Gr. λυιιιεμ II, D. II. Β. IV. hl. 158—101.
(2) Melis stoke, D. II. B. III. bl. 104—107. Verg. meerman, Gesch. ν. Gr. wiliemII, D.II.
B. IV.bl. 200-211.
(3) Meerman, Gesch. v. Gr. wihem II, D. II. B. IV. bl. 211-213, 257, 258, en de aldaar
aangehaalde Schrijvers.
(4) Melis stoke, D. II. B. III. bl. 107, 108. J. de beka, p. 86. Vak mieris, Charterb.
Holl. D. I. bl. 281, 282. Kluit, Hist. Crit. Com. Τ. I, Ρ. Π. ρ. 220, 221. Τ. II. Ρ. II,
ρ. 657—659. D. groebe's Verh. over Graaf iioms V, hl. 23 (1). Verg, dewez, Hist. Gén. de
la Belg. T. III. ρ. 12-22.
DES VADERLANDS. " 255
Kort na den gelukkigen afloop van dezen krijg overleed Keizer koehhaad IV. Wil- 1190—
LEMs gezag werd nu bijua door geheel het Rijk, zoowel aan dezo als aan gene zijde ^^ ^^^
der Alpen, erkend en hem ontbrak slechts, naar oud gebruik, 'sPausen krooning te liloei-
Rome, om den Keizerlitcl aan te nemen. De zwarigheden , welke deze plegtigbeid j254
steeds verhinderd hadden, waren thans uit den weg geruimd, en innocewtius IV ont-
bood WILLEM legen het aanstaande Kersfeest te Rome, om de kroon des Rijks uil zijne
handen te ontvangen (1). Later werd dit weder, en waarschijnlijk lot het Paaschfeesl
des volgenden jaars verschoven, doch vóór dien tijd was de Paus overleden, en de 7 van
Keizerskrooning van willem naar . eene onzekere toekomst verwezen, die nooit voor
hem is aangebroken. Sommigen beweren, dat hij werkelijk Ie Rome gekroond
is: doch dit wordt door de zaak zelve wedersproken, dewijl hij zich nergens Keizer
noemt, noch met dezen litel gedacht wordt (2). Hij vernam 'sPausen afsterven op
oene reis naar Duitsehland, waar hij gelukkig, reeds als wettig Hoofd des Rijks was
gehuldigd geworden. Welke toegenegenheid hij alom ontmoette, getuigt hij zelf in 1255
een brief uit Spiers aan den abt van Egmond, » Opdat gij u over den loestand onzer
zaken verblijden moogt, zoo weet, dal toen wij onlangs de bovenste gedeelten van
Ouitschland omtrent den Rijn bezochten, wij iedereen zoo begeerig gevonden hebben,
om onze heerschappij te erkennen, dat eene moeder zich over het weder levend wor-
den van eenen eenigen zoon, dien de dood haar ontrukt had, niet meer verheugen
kan, dan men zich over onze legenwoordigheid verheugde, en ons welbehagen en onze
bevelen naauwkeurig opvolgde. En opdat niets aan ons genoegen mögt ontbreken,
hebben wij ook reeds het slot Trifels met de Keizerlijke sieraden, eene menigte hei-
ligdommen , een onbeschrijfelijken schat, de speer en de kroon in onze raagt, en be-
zitten die in vrede (3)." De onlusten met de West-Friezen riepen hem uit Duitseh-
land terug, werwaarts hij zich, na een verblijf van eenige maanden in zijne erfstaten,
weder begeven, op nieuw algeraeene welwillendheid ontmoet en het Rijnsche verbond
pleglstatig bekrachtigd had (4).
(1) Zie Epist. iknoc, IV apud de dekah, p. 86. V. mieris, Groot Charterb. ν. Holl. D. I.
bl. 291, 292. Dat vvillem na deze ontbieding eene reis naar Genua (niet Gcneve, zoo alswAGE-
«AAR zegt, D. II. bl. 3ü6) ondernam, en aldaar door den Paus met grooten luister ontvangen werd,
gelijk DE beka, p. 86 en de Klerk uit de laage Landen, bl. 135, verhalen, kan met den loop
der zaken in dit tijdpunt, niet Λτεί overe'engebragt worden.
(2) Bilderdijk , D. II. bl. 148. Reeds vroeger had vak mieris dit opgemerkt in een aant. op
den Klerk uit de laage Landen, bl. 137.
(3) V. mieris, Charterh. v. Holl. D. I. bl. 279.
(4) Uitvoerig beschrijft meerman den togt des Konings door Duitsehland en zijne verrigtingen.
I). 11,. B. V. bl. 226—236, 261—278.
256 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
Sinds meer dan eene halve eeuw hadden do Wesl-Friezen, onder den naam van on-
derdanen des Graren ran Holland, hunne vrijheden en regten ongestoord genoten,
toen zij, naar eeniger meening, op aandrang van Koning koehraad IV, hetHollandsch
grondgebied door hunne invallen verontrustten (I). Althans, Willem Π had ia twaalf
honderd twee en vyftig het slot te Heemskerk in Kennemerland gesticht, ora hen in
bedwang te houden, en het bevel daarover aan gerrit van Heemskerk opgedragen,
Avelke hen twee jaren daarna op den elfden van Bloeimaand, in eenen scheepsstrijd op
de meren, welke Kennemerland van ff^est-Friesland sc\iGiAAen, overwon, waarbg
zij vijf duizend man verloren (2). Willem zelf, vergezeld van een aanzienlijken stoet
Duitsche en Nederlandsche Grooten, moet nog dieper en verwoestender in West-Fries-
land zijn doorgedrongen, en Vronen nevens Ouddorp vermeesterd en van keuren
voorzien hebben (3). Doch deze nederlaag ontvlamde slechts de wraak der West-Frie-
zen en Kennemerland bleef steeds blootgesteld aan hunne invallen en slrooploglen,
terwijl Koning willem elders werd bezig gehouden (4).. In den nazomer van het
jaar twaalf honderd vijf en vijftig rukten zijne benden öp nieuw in West-Fries-
land, en vermeesterden eenige dorpen, terwijl de weerspannige beAvoners tot de be-
lofte gedwongen werden, voortaan de tienden van al hunne bezittingen aan do Hol-
landsche Graven af te staan. De Koning echter begreep te regt, dat deze onvolkon>en
overwinning de vijandelijkheden der West-Friezen niet zoude beteugelen; en om
aan den steeds hernieuwden strijd voor allijd een einde te maken , besloot hij den
heirtogt met nadruk voort te zetten, wanneer de meren, moerassen en onlanden,
Avelke West-Friesland doorsneden , en hem thans verhinderden verder voort te trekken ,
zwaar bevroren zouden zijn (5). Geheel Holland en Zeeland werd derhalve tegen het
begin van den naderenden winter ter heirvaart opgeroepen, en ten oosten van Alk-
(1) Naccltïrüs ad annum 1256, aangehaald bij orlers, Beschr. v. Leijden, bi. 291. Ed. 6141,
en WAGENAAR, D. Π. LI. 400.
(2) Leeuw'old vam horthof Lij orlers, t. 3, p. bi. 290. Oude Holl. üiv. Kreit. Achttiende
Div. c. 13. "Verg. s. eikelesberg's Alkmaar, bl. 63—65, welke het verlies der West-Frieicji
ilechls op vijf honderd man bepaalt.
(3) Dit blijtl uit een zijner giflbrioven van welken het onderschrift luidt: Datum in castris in
depopulatione West-Frisiae, ultimo quinto Cal. Junii indiotione duodecimo anno, Domini
1254. Zie Chron. Episc, Mindens, apud pistorium, T. II. p. 830. Meermaiss Codex üiplo·
tnaticus, bl, 383-385. Meerman, Gesch. ν. Gr. willeb II, D. II. Β. IV. bl. 169. Verg, wabε-
kaaRjD. II.bl.401. en croebe's Vcrh. over Graaf floris V. bl. 7. (1).
(4) Zie hiervoor, bl. 253. , )
(5) Meebmah, t. a. p. bl. 247. ' '
-ocr page 257-DES VADERLANDS. " 257
maar een nieuw slot, Toornhurg genaamd, tot dekking van Zewwcmerianc? opge-
... 1256
worpen (1).
Hoe gaarne willeiii zich in dien tijd naar Italië h^ik begeven, om de Keizerlijke
kroon te ontvangen, kqnde liij het echter niet van zich verwerven, de Hollandsche ■
grenzen ondertusschen aan den moedwil dor West-Friezen prijs te geven (2). Hij
vertrok derhalve uit Diiitschland én kwam te Utrecht. Door groote voorregten en
uitstekende gunstbewijzen, was deze stad ten hoogste aan hem verpligt, en hij had zelfs
iich onder hare burgers laten opleekenen (3). Terwijl hij op de St. Mariënplaats zich
met de geestelijkheid minzaam onderhield over het stichten eener nieuwe kapel ter
eero van st. joris , of over het verrijken van het bedehuis, aan dezen Heihg toe-
gewijd, slingerde eeno onbekende hand een zwaren steen digt langs zijn hoofd (4).
Elk is ontsteld, verbaasd, verontwaardigd. »Heb ik dit aan u v.erdiend, Burgers
van Utrecht?" riep de Koning-getroiTen uit, terwijl hy den steen in zijne handen
woog. )) Is dit het loon voor de weldaden, die ik u bewezen,' voor de trouw, die
ik u als medeburger geloond, voor den ijver, de gevaren, de moeite en opofleringeu
met welke ik u en uwe regten verdedigd heb! — Z.oo waar God leeft en st. joris !
binnen liet jaar zal deze vorstenschennis gewroken worden." Hierop steeg hij dadelijk
te paard en snelde de stad uit, welke kort daarop eene oorlogsverklaring van hem ont-
(1) De dekAj p. 87. BucnELnis ad bekam, ρ, 90, ÜI. Meksokis Chron. in ιιαττπ.\ει Analect.
T. II. p. 157. Oude Holl Div. Kron. Div. XVIII. c. 27. Übbo emiiüs , de Rer. Friste. Hist.
Lib. X. p. 156. Eikelenbekgs Alhmaar, W. 78, 79, en do»aldaar aangehaalde Schrijvers.
(2) Melis stoke, D. 11. ΰ. III. bl. 112—114. De beka, p. 87. De Klerk uit de laagc Lan-
den, hl m, 137.
» Soudic varenzegt willem bij stoke , » in vreemden landen
En dwingen tote mincn handen
De lieden, en niyns selfs lant
Soude blivcn butpn miere liant?
----Het Avarc sconde,
Lietic de al openbare,
En voer hier en voer dare,
Ander liede te doen tonder,
En laten de mine al besonder
Onbeduonghen sonder danc."
(.3) De beka , p. 80.
(4) Biiderdijk, D. II. bl. 150, schrijft in navolging \dn de Klerk uit de laagc Landen, bl. 137,
dat deze steen den Koning eene zware wonde toebragt. De beka zegt slechts: caput Jere contri-
verat." p. 87.
II. deel. 33
-ocr page 258-258 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190—fing. Den dader konde men in spijt aller nasporingen, nergens onldekken, en zijne
liillevering Avas noglans de voorwaarde op welke avillem den gezanten, die gezonden
waren om zijnen toorn te rerzachten, verklaarde, de stad voor een geheelen ondergang
te willen bewaren. Men zag derhalve met angst de toekomst te gemoet (1).
Hetzij de zucht om zich op Utrecht te wreken , hetzij een edeler beginsel den Ko-
ning aangespoord heeft, hij beproefde althans met de West-Friezen in onderhandeling
25 van te treden. Zijne voorslagen Averden echter met verontwaardiging van de hand gewezen ;
terrn' "" hoofd van ongeveer dertig duizend strijders , door Alhmaar
1255 naar f^roonen, om van daar in het hart van FF^est-Friesland te dringen. Een groot
meer, denkelijk de Heer Huigenwaard en de Schermer, sinds in vruchtbaar
land herschapen, schorste hier voor eenigen tijd zijnen iogt. Toen men het ijs
sterk genoeg oordeelde, om dien voort te zcitcn, verdeelde ayillem zijn leger
in Iwee hoofdafdeelingen. Hij zelf nam het bevel over de grootste helft op zich, welke
naar de zijde van Iloogwoude zoude oprukken, waar de vijanden hunne hoofdmagt bij-
een getrokken hadden. De tweede afdeeling werd" aan het geleide van willem ί^α«
Brederode en dirk van toevertrouwd, welke de Drechterlanders, ten Zuiden
van Medemhlih, moesten bestrijden. Hel krijgsgeluk was hun gunstiger dan den Ko-
ning, wien het tot nu toe zoo onafgebroken verzeld had. Niet verre van Iloogwoude
stonden de Friezen in digte drommen op het ijs geschaard. Gekleed in ligte linnen
wapenrokken, en gewapend met werpschichten, strijdbijlen en halve pieken , wachtten zij
den vijandelykon aanval af, terwyl anderen , met polsstokken voorzien, achter de rietbosschen,
die hier en daar tusschen het ijs opschoten, verscholen lagen. De Hollandsche Ridders
en Edelen waren zwaar geharnast, in het bijzonder de Koning, Aviens groot en moe-
dig ros mede in volle wapenrusting en met ijzer bedekt Λν38. De trage togt over de gladde
en bedriegelijke baan, was geheel in strijd met de voortvarendheid vanwiLLESi. Onge-
duldig en even als hij op het veld gewoon avbs , rent hij zijn volk vooruit, doch onver-
wachts breekt het ijs en zijn paard-zakt er door. Eensklaps en woedend vliegen eenigo
28 van Friezen van achter de rietbosschen op den worstelenden ruiter aan, dien zij, naar men
' ' welke, te vergeefs een groot losgeld aanbiedende , onder hunne
1256 slagen bezAvijkt. Het baart verwondering en heeft het vermoeden van verraad of kwaad-
willigheid opgewekt, dat niemand van'sKonings volk, onder wier ο ogen, als het wa-
re, hij vermoord werd, hem gevolgd of te zyner redding is toegeschoten. Welligt
was dit ondoenlijk; ook beweert men, dat hij reeds te ver was vooruit gereden, om
hem ijlings ter hulp te snellen (2). Het verlies des Opperhoofds verspreidde al-
(1) De beka, p. 87.
(2) De Klerk uit de laage Landen, bl. 139.
-ocr page 259-DES VADERLANDS. 259
gemeene verslagenheid , schrik en wanorde in het leger, dat nu door de West-Frie-
zen werd nagezet, welke er eene vreesselijke slagling onder aanrigtlen, en de overwin-
ning van E^EDEROKE op de Drechterlanders behaald, bloedig wreekten. Het lijk des
Konings Averd heimelijk onder de haardstede eener woning te Iloogwoude, begraven,
waar het zeventien jaren verborgen bleef (1).
Kort Tan jaren maar rijk aan roemruchtige daden, was het leven van Willem 11.
Met hem verdween de selioone dageraad van rust en geluk, welke over Duitschland,
na zoo vele stormen, scheen aan te breken; en ook Eol land betreurde in hera het verlies
van een zijner grootste en beste Regenten. Hij Avas door de natuur gevormd voor
groote daden en eene glansrijke loopbaan. Immers de voordeden eener schoone en krach-
tige gestalte, welke in dien tijd vooral in aanmerking kwamen, en een gelaat waarop
adel en innemendheid Avaren vereenigd, werden bij hera verhoogd door voortreffelijke hoe-
danigheden van hart en geest. Hij wordt afgeschilderd als een regtschapen en god-
vruchtig Vorst, goedhartig en weldadig, rondborstig en afkeerig van alle onregt, ver-
heven boven alles wat naar valschheid , laaghartigheid of onedelheid zweemde, grootmoedig
tegen vganden , en bovenal erkentelijk jegens vrienden voor bewezen diensten, eene
deugd te meer in de Grooten der aarde te bewonderen, naar mate zij zeldzamer in hen
gevonden wordt. Oorlogsmoed en beleid paarde hij met voorzigtigo staatkunde, onver-
poosde werkzaamheid en eene onwrikbare standvastigheid in het doorzetten zijner wel-
doordachte ontwerpen. Meer door ongeveinsde minzaamheid, dan door de rijke ge-
schenken en voorregten, welke hij met eene bijna verkwistende hand uitdeelde, boeide
(1) Mattdaeus parisieksis, p. 793. MelisstokEjD. II. B.III, bl.114—120.Lodeavijk ναητείτπε»^
Spiegel Historiaaï, B. I. c. 38. bl. 50. Wilhelmüs pkücijuator, ρ. 514. Mencoms Chron. ap.
ΜΑττπΑΕί Aiialect. T. IL ρ. 157. De ceka, ρ. 87, öS et iiücheliüs ad cundcm p. 91. Chron.
de liollmit. apud jiattiiaedm , Analect. T. V. p. 543. Magn. Chron. Beig. p. 270. J. α leïdis ,
de Orig. et reb. gest. DD. de ßrederode, in mattbaeds, Analect. T. I· p. 622. Oude Holl,
Div. Krön. Achttiende Div, c. 27, bl. 172, en van gouthoeven, bl, 318, De Klerk uit de
laage Landen, bl. 138—140. E. benikga , Bist. v. Oostfriesl. bl. 118. Verg. ïbbo emmds,
de Rer. Fris. Hist. Lib. X. p. 150, 157. Schotakus, Fr. Hist. B, IV. bl. 13Θ. BIeermam ,
Gesch. v. Gr. Willem II. D. II. B. V. bl. 284—293.
Hdydecoper poogt in eene brecde aanteckening op melis stoee , D. 11.1)1.170—180, tebcwijien,
dat met dezen Kronijksclirijver en vele andere, zoo Avel Duifsclie als Nederlandsclie, liet slerl-
jaar van AviLLEa II in 1255, op den 28 van Louwmaand moet gesteld worden. Ondertusschen heeft
v. mieris, Charterh. v. Hall. D. I. bl. 292, 293, vier, kimt, Hist, Crit. Com, Τ. IL Ρ. Π.
ρ. 669—675, twee, en meerman in zijn Codex Diplom,, ρ. 388—394, aclittien brieven bijge-
bragt, welke alle door wiHEii II, na den 31 van Louwmaand 1255 zijn uitgegeven. Men zaltocli
wel niet willen beweren, dat de tijdmerken van al deze slakken onjuist of vcnninkt zijn? Daar-
enboven begunstigt ook de gelieele loop der gebeurtenissen niet het gevoelen van hütdecoper.
33*
-ocr page 260-260 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
IjyO— liij Vorsleu cn yolken aan zijno belangen. De locgang tot zijnen persoon was voor elk
zijner onderdanen , zonder onderscheid , geopend ; en ieder konde op hem , als den onpar-
lijdigen handhaver cn verdediger zijner regten , rekenen. Den haldadigen adelin
land had hij door den landvrede gebreideld; rooverij en geweld beteugeld, en regt,
orde en rust in het Rijk teruggeroepen. De zaden tot eenen geregelden burgerstaat in
Holland, reeds door zijne beide onmiddellijke voorgangers uilgestrooid, ontwikkelden
zich voorspoedig en heilspellend onder zijn bestuur, en zouden ongetwijfeld tol eene
verrassende hoogte zijn opgeschoten, indien niet het bemagligen der Duitscherijkskroon
cn de geschillen met Flaanderen, hem verhinderd hadden, zich geheel cn onverdeeld
aan de bevordering van Hollands Avelvaart toe te wijden. Veel nogtans heeft hij in
een onrustig bewind, len nutte van het algemeen en ter gunste van handel en nijver-
heid verrigt. Wegen en vaarten zijn onder hem aangelegd , bijzondere Heemraadschappen
tot onderhoud cn verbetering der dijken ingesteld, de regtspleging en straffen op eenen
meer algemeenen, geregelden en duurzamen voet gebragt, terwijl in het bijzonder
de bouwkunst, door het stichten van verscheidene gebouwen, zoo als het Hof bij den
Vijver in ^sHage, het Stadhuis te Haarlem, en een verblijf of paleis Ie Alkmaar,
benevens vele geestelijke gestichten, die aan hem Avorden toegeschreven , bevorderd en
aangemoedigd werd. Alkmaar , Haarlem, Delft, Middelburg, Zierikzee eil misschien
nog meer plaatsen, beurde hij op, door met oordeel gegevene keuren, wetten en voor-
regten. Domburg en TF^est-Kappel begiftigde hij met stadsvrijheden , en zag met wel-
gevallen zijn naam onder die der burgers van Utrecht opgenomen. Met schranderheid
wist hij de Edelen en Leenmannen , welke dit begunstigen en het aanwassend vermo-
gen der sleden met leede oogen aanzagen, te bevredigen en hunne toegenegenheid ,
welke hij zoo zeer behoefde, te bewaren. Niet minder was hij gezien bij de geestelijk-
heid, dewijl hij uit staatkunde, of uit overtuiging, misschien wel uit beide drangrede-
nen Ie zamen, de voorregten der Kerk in zijn gebied vermeerderde en hare diena-
ren verrijkte. Zoo gelukte het hem , zich bij de drie standen der maatschappij, den
adel, de geestelijkheid en den burgerstand, bemind te maken; een bewijs van zijne
groole begaafdheden als regent, van de onbekrompenheid zijns Verstands, en van de
buigzaamheid van zijnen geest.
Zoo vele verdiensten Averpeu eenen verschoonenden sluijer over die daden , welke uil eene
aangeboren zucht naar roemen heerschappij; uit zijnen trotschen en opbruisenden aard , of
uit staatkunde en noodzakelijkheid voorlsprolen , en jWelkc dikwerf strijdig Avaren met zijn
hart, zoo wel als met de voorschriften van regt, billijkheid en waardigheid. Het aanvaarden
van eene kroon met zoo vele doornen omzet, als die des RoomschenRyks, getuigde meer
van moed dan van doorzigt; meer van jeugdige ijdelheid dan van mannelijke beradenheid.
Daar hij niet door eigen middelen het bezit dier kroon konde verwerven, geraakte hij
van den Paus geheel afhankelijk, en zijn gedrag Ie Li ons, waar hij verpligt werd , den
DES VADERLANDS. ,207
stijgbeugel vast Ie houden, wanneer de H. Vader Ie paard steeg, was diep vernederend
voor zijnen rang, en is onverklaarbaar in zijn karakter. Zijne blinde gehoorzaamheid
aan de bevelen van Rome ^ zonder die aan de wetten der billijkheid to toetsen, ver-
leidde hem tot het plegen en dulden van wanbedrijven, van welke hij anders een natuurlij-
ken afkeer had, en die hij voor de regtbank van zijn eigen hart nietkonde verdedigen,
ook dan niet, wanneer men hem in den geest zijner eeuw beschouwt, en gelooft,
dat hij in gemoede, van de oppermagt der Pauzen over de Vorsten overtuigd ge-
weest is. Door het verpanden van Nijmegen, Duisburg en Arles, een onvermijde-
lijk gevolg zijner oorlogen om de koningskroon, beroofde hij dezo sleden grootendeels
van hare onschatbare vrijheid, en men heeft de vraag geopperd, » of het verlies dier
vrijheid niet do oorzaak geweest is , dat de oude zetel van karel den Groota aan do
JVaal, de beroemde rijksstad, zoo gelukkig voor den koophandel gelegen, thans niet
meer dan eene malige landstad is van elfduizend zielen?" Om zich geld en vrienden
te verschaflen schonk hij ook andere rijksgoederen, tollen en onderdanen weg en
droeg dus by tot de latere armoede der Keizers, die slechts oenen ijdclen titel, en in
het geheele Rijk geen duim breed gronds meer hadden. Te regt is zijne onbe-
grensde milddadigheid jegens jan van Avenues gelaakt geworden, en dat hij aan
dezen op nieuw Zeeland hewester Schelde, met het Land van Aalst, Waas en
de vier Amhachten uitgaf, hoezeer hij zich nu ipso jure van den middel-leenheer
ontslagen kon rekenen en hel betwiste Zeeland geheel vrij bezitten. Zijn gedrag
met betrekking tot Margaretha van F laanderen is niet van trouwloosheid, wraak-
zucht en trotschheid vrij te pleiten, doch van den anderen kant moet erkend wor-
den, dat de sluwe, verraderlijke en overmoedige Gravin, hem wel eens noodzaakte de
grenzen van regt en rede te overschrijden. Alles te zamen vattende, wegen de deugden
ruimschoots op tegen de gebreken van Koning ayillem Π, een Vorst, welke op de
dankbaarheid des nageslachts de onbetwistbaarste aanspraak heeft. Aan hem toch is
Nederland, voor een groot gedeelte, »die burgerlijke en staatkundige voorregten ver-
schuldigd, welke hel boven zoo vele volken in Europa gelukkig onderscheiden (1)."
Utrecht. Overijssel. Drenthe. Onder willem Π bereikte hel oude grafelijk huis
van Holland de middaghoogte van zijnen luister; en twee telgen uit dat beroemd ge-
slacht bekleedden in dit tijdperk, den bisschoppelijken zetel van Utrechte Bisschop
boudewijn, de broeder van Graaf floris III, had de laatste jaren zijns levens aan
het bedwingen van het oproerig Drenthe moeten toewijden. Het vuur der Iwee-
(1) Vcr{r. wagekaar, D. Π. bl. 403—406. Meerman, Gesch, v. Gr. wiuem II, D. If. B. V.
J)l. 301—313. V. kampes, Faderi. Karaklerk. D. I, bl. 100—112. Budebduk , D, II, bl. 143,
352-158.
262 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190—(Iraet aldaar was, naar men vermoedde, door οττο van Ge/re aangestookt, ofschoon
deze Graaf, door lusschenkomst des Reizers, metboudewijn Avasverzoend geworden (1).
De bron dezer twisten ontsproot uit do knevelarijen van floris van Vorenborgh, welke
voor zijnen stiefzoon tolker , de slotvoogdij van Koeverden en het drostschap van
Drenthe waarnam , en verpligt was, van 's Bisschops wcge, de lollen te heffen. Zijne afpersin-
gen drukten in het bijzonder de onderdanen des Graven van Β ent hem, welke zich daar-
over bij zijnen broeder, den Bisschop van Utrecht, den leen- en opperheer van het ge~
λνββΐ, beklaagde. Na vele vergeefsche vermaningen, werd eindelijk door boudewijtï de ban
over den Aveérspannigen slotvoogd uitgesproken. Floris bekommerde zich weinig om deze
uitspraak. Hij versterkte zicli op het -slot te Koeverden, dat echter weldra door boude-
1195 WIJN belegerd en na eene dappere verdediging, tot de overgave gedwongen werd. Beide,
TLOiiis en yolker, vielen in handen van den overwinnaar en werden in het slot Ter/forii
opgesloten. Inmiddels averd do Ridder gijseert van Postekein [Persyn?) en nader-
hand, tegen den zin der Drenthenaars, Graaf οττο Benthem ze\ï, welke reeds
lang daarnaar getracht had, door den Graaf-Bisschop in hunne plaats aangesteld (2).
Ondertusschen had volker in zijne gevangenis do teedere gunsten verworven van de
dochter des rijken Ridders albert de leeuw , en haar dan ook gehuwd. Op haar aan-
houden, en geschraagd door cenige vermogende bloedverwanten, Averd hij ontslagen en
hem vergund, zich op zijn ouderlijk erfgoed te Anze, onder Ruinen, neder te zetten.
Slecht beantwoordde hij aan dit gunstbewijs; Avant misnoegd, dat hem zijne leenen niet
teruggeschonken Averden , hetgeen in den Bisschop een staalkundige misslag zou geweest
zijn, woelde hij zoo lang, tot eindelijk de Drenlhenaars in vollen opstand kwamen. Aan
hun hoofd , en versterkt door de Groningers, die middelerwijl in onmin met het
Sticht geraakt waren, viel hij plunderende en verdelgende op de bisschoppelijke goede-
ren in Drenthe aan, en legde hot stadje Koeverden met den voorburg des kasteels in
do asch. Om deze geweldenarijen te beteugelen en te tuchtigen, rukte de Bisschop,
ondersteund door οττο van Β ent hem, met eene aanzienlijke heirmagt in Drenthe, dat
nu uit weerwraak, naar men wil, der roofzucht en verwoesting werd prijs gege-
ven. Door tusschenspraak des Graven van Gelre werden spoedig de vijandelijkheden
gestaakt, en zestien gijzelaars, vier uit Groningen en de overigen uit Drenthe, den
Bisschop in handen gesteld en naar Deventer gevoerd , alwaar de geschillen vereffend
zouden worden. De onderhandelingen werden begonnen, maar de Utrechtsche Kerk-
voogd tegen den Graaf van Gelre argwaan opvattende, brak die plotseling af en wierp
de gijzelaars, tegen regt en rede, zoo als van de Gcldersche zijde beweerd werd , in de
(1) Zie Mervoor bi. 151.
(2) I)e neka, p. 5S, Magn. Chron. Belg. p. 212, 213.
-ocr page 263-DES VADERLANDS. ,207
263
gevangenis. De vyandelgklieden \Terden hierop hervat; volker verraste by afwezigheid 1190"
des Graven van Benthem, het slot Koeverden en nam de Gravin mei haar gevolg ge-
vangen. Boüdewijn viel in Drenthe en sloeg het beleg voor Koeverden, hetwelk he-
vig beslorrad werd. Door tusschenkomst van den Aartsbisschop Tan Keulen en den Bis-
schop van Munster, werd onderlusschen te Deventer een verdrag getroflen en bepaald,
» dat al het geroofde en verwoeste op de bisschoppelijke goederen in Drenthe zou wor-
den vergoed en hersteld ; dat den Bisschop duizend, den Graaf van Bent hem en den
raden, denkelijk de zoo evengenoemde scheidsmannen, honderd Friesche Marken zou-
den worden uitgeteld; en dat aan rubolf , zoon van volker , Koeoerden, Drenthe
en de dienst des Bissehops overeenkomstig de oude en nieuwe voorregten, zouden wor-
den gegeven." Nu waarschijnlijk eerst werd de gevangene Gravin tegen de gyzelaars
uitgewisseld en in vrijheid gesteld (1).
Door deze overeenkomst echter verloor de Graaf \OiujBenthem het gebied oycv Dren-
the, hetgeen hem geweldig legen de borst was. Op zijn aandringen, welligt ook door
het niet nakomen der voorwaarden aan de zijde der Drenthenaars, valle de Bisschop
weder de wapenen op, en legerde zich met eene aanzienlijke krijgsmagl nabij
Koeverden. Op den avond vóór den dag lot den slag bepaald, geraakte men
handgemeen door de onbedachtzaamheid van cenige jonge krijgslieden, welko op
de Drenthenaars aanvielen, doch naar de legerplaats teruggeslagen werden. Hunge-
.schreeuw bragt hier alles in beweging; schrik en verwarring verspreidde zich alom;
het vlugten werd algemeen. Te vergeefs bragt do manhafte Bisschop een gedeelte zijner
manschappen bijeen en drong op den vijand aan, die steeds in getal aangroeide, lerwyl
zyne bende gedurig verminderde. Na een hevig gevecht was hij genoodzaakt aan zelf-
behoud te denken, en ontkwam naauwelijks het gevaar door de vlugt. Dertig zyner
dapperste mannen waren gesneuveld en honderd ridders met eene menigte volks en
wapentuig, in handen der vijanden gevallen. Verbitterd op den Graaf van Gelre, welke
de Drenthenaars ondersteunde, viel bij met het overschot zijns heirs in rfe /^e^wwe,
van welke een groot gedeelte te vuur en te zwaard verwoest werd. De Graaf bleef hem
niets schuldig; hij viel in Twente, verbrandde Ootmarsmn en bemagtigdeverscheidene
Overijsselsche sloten; eindelijk bestormde hij Deventer elf dagen achtereen, zonder
zich daarvan meester te kunnen maken. Inmiddels bewerkte de Hertog van Braband
een vredesverdrag lusschen den Graaf en den Bisschop, waaraan zich echter de Dren-
thenaars zoo weinig gehouden oordeelden, dat zy al de bisschoppelijke inkomslen van
(1) De beka, p. 58. Magn. Chron. Belg. p. 213. BIaghiw, Gesvhiedk. Overzigt van de bc'
sturen in Drenthe, D. II. St. I. bl. 12—14, verhaalt den loop van het gebeurde eenigzins andere,
doch op welk gezag ia ons onbewust.
264 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
llüü—^hua gewest οττο van Gelre toevyezen. Boudewijn wendde zich nu om hulp legen
zijne weerspannige onderdanen, tot den Keizer, wien hij te Mentz aantrof. Hij ontving
21 van de stelligste verzekeringen van bijstand, doch mögt de vervulling daarvan niet beleven,
maan'd 'iägen na zijne aankomst te Mentz, maakte de dood een einde aan zijne onrustige
1190 loopbaan. Het lijk werd naar Ütrecht gevoerd en in de Hoofdkerk begraven (1).
Achttien jaren had boudewijn in bijna onafgebroken oorlog met den Graaf van Ge^re,
het Sticht beregt, en zijn dood baarde nieuwe onlusten. Er ontstond Aveder eene dub-
bele verkiezing door de kuiperijen der Graven van Holland en Gelre,AÏGn het niet onverschil-
lig konde zijn, Avie den Utrechtschen zetel bekleedde, en welke deswege gewapenderhand
in Utrecht getrokken waren. De keus der Kanoniken ZAveefde tusschen den Utrecht-
schen Domproost, dirk van Holland, broeder des overleden Bisschops, en ARNOLovan
Isenhurg, Proost van Deventer. Do Graaf van Holland verklaarde zich voor gene;
die van Gelre voor dezen. Men kwam tot geen besluit. Eindelijk bevestigde Keizer
hendrik. VI zijnen bloedverwant, den Domproost dirk, met ring en staf [fer annulum
et pastoralein haculum), tot dal de Paus tusschen de beide mededingers , welke zich naar
/?ome begaven , uitspraak zoude gedaan hebben (2). Het is opmerkelijk, dat ook in deze
verkiezing de Aartsbisschop van Keulen, onder wiens stift i/irccAi behoorde, niet ge-
kend word; een bewijs, dat destijds in het kiezen en bevestigen der Utreclilsche Bis-
schoppen, weinig of geen acht op hem geslagen werd (3). Het Avereldlijk beheer des
bisdoms werd ondertusschen door den Keizer aan Graaf dirk VII van Holland o^gcAm-
gen, die zich derhalve in het bezit der stad ütrecht en van het Nedersticht stelde, in
spijt des Graven van Gelre, Avelko zich van OfcryVie^ of het meester maakte.
Een bloedige oorlog tusschen deze beide gezagvoeders was hiervan het onvermijdelijk
gevolg. Dirk VII deed eenen vernielenden aanval op de Veluwe, doch werd , met rij-
ken buit beladen, op zijnen terugtogt door οττο van Gelre achterhaald. Aan den
Heimenherg nabij Rhenen, kwam men tot een beslissend gevecht. Οττο werd gesla-
(1) Chron. ligm. ap. kuiit, IHst. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 147. De βεκλ, ρ. Γ)8. cl C/i>oh.
Magn. Belg. |). 213. Πεβα , ρ. 183. Chron. Tie!, ρ. IßG. J. α leydis, Lih. XIX. c. 5.
Verg. ricardt, Chron. v. Drenthe, LI. 181—184. Düjibar, Kcrkel. en Jf^ereldl. Deve7itcr,
447—^50. Tegcmo. staat ν. Drenthe, LI. 71—78. Westekdorp, Jaarb. van en voor Gran.
D. I, bl. 204—208. Magnin, Geschicdlt. Overztgt. D. II. St. I, bl. 8—15.
(2) Chron. Egm. apud kluit in I. c. De beka, p. CO. JIeda , p. 184. Chron. deTraj. apml
mattiiaei Anal. T. V. p. 335. AnoiiVJips, de lieb. Ultra], c. x. p. i). Melis stoke, 1). I.
11. II. bl. 459. eil de aant. van iiüydecoper , LI. 553.
(3) Vas bnun, Aant, op Bat. Sacra. D. II, bl. 128.
SfTi·'' ,·η
-ocr page 265-DES VADERLANDS. ,207
gen en redde zich te naauvvernood, door de snelheid zijns paards, OTcr de Grehhe roet 1190—
de vlugt, vele dooden en gevangenen achter latende (1).
Inmiddels Avaren de l\vee Tcrkoren Bisschoppen te Äome gekomen. Paus coELESTimTs III
Lesliste ter gunste van arnold van Isenburg (2) , welke echter , volgens anderen, reeds
vóór het uitwijzen des geschils, zou overleden zijn (3). Zeker is het, dat hij ie Rome 1197
slierf, en birk toen met de bisschoppelijke waardigheid is bekleed geworden. Doch
ook hij overleed op de terugreis te Papta of Pavië, en de Utrechtsche Geestelijkheid
koos eenparig in zijne plaats dirk van der j^are, Proost y^n Maastricht, den gunste-
ling van Keizer iiekdrik VI, met wien hij zich op dat tydstip in Sicilië bevond (4).
Onmiddellijk spoedde zich de nieuwe Kerkvoogd naar het Sticht. Hy vond het zeer ver-
armd , gebukt onder eenen drukkenden schuldenlast en nog voor een groot gedeelte
in handen van Graaf dirk VII, welke zich in het slot Ter Horst genesteld had (5).
Om in de dringendste behoefte te voorzien, trok hij, kort na zijne aankomst, iu
persoon naar Friesland, met oogmerk aldaar op eigen gezag, eene schatting te heffen.
Dit nu was in strijd met het verdrag door Keizer frederiks tusschenkomst in elfhonderd
vijf en zestig aangegaan, en Λverd door willem mxii Holland, die als Graaf in T^r/ei/ür/idf
het gebied voerde, euvel opgenomen (6). Hij overviel den Bisschop gewapenderhand
in st. odulps klooster te Staveren^ en voerde hem gevangen naar zijnen burg te Oos-
ierzee, welken hij aan dio zijde ten bolwerk tegen het ^^ί/οΛί had opgeworpen. Eenige
monniken en Friezen verlosten echter den Kerkvoogd met geweld, en voerden hem te
scheep in veiligheid naar ütreeht (7).
(1) Chron. Egm. ap. klbii in 1. c. p. 148. Mkus stoke, t, a. p. LI. 45Ü—461. De beka,
]>. 61. Magn. Chron. Belg. p. 22Ö,
(2) De beka, p. Gl. IIeda , p. 184.
(3) Meiis stoke, D. I. B. II. bl. 461, 462, en nuyoecoi-ers Aanm. aldaar, vergeleken met die
van klcit in Chron. Egmond, p. 149 (60 , 63), en die van vak leedwen in Chron. ΤίεΙ.γΛΊΟ.
Aunold was afkomstig uit het huis der Graven van Isenburg, hetwelk nog ten tijde van bdcbeiius ,
in magt en aanzien bloeide. Zie de Aanra. op heda , p. 184.
{i) Chron. Egm. ap. kluit, c. 149, 167. ÄIelis stoke, ïi a. p. LI. 462—464, De beki ,
p. 61, 62. IIeda, p. 185. Chron. de Traj. p. 336. Bucbeliüs zegt, dat dibk mnder j4are nii
een grafelijk· geslacht van dien naam gesproten is, maar dat Iiij niet heeft kunnen opsporen,
waar dit graafschap gelegen was, Βίοί. ad hedaM) ρ. 189.
(5) Melis stoke , t. a. p. bl. 469. De beka , p. 62,
(6) Zielliervoor, bl. 169, 185, 186, 189.
(7) De beka, p. 62. IIeda, p. 185. Chron. de Traj. p. 330. ''
II. deel. 34
1190—
266 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
12o6~ lioogsle over dit alles gebelgd, ATcndde zich willem tot de Graven Tan Hol~
land en Gelre, >Yelke, sinds de Terkiezing van dirk van der Aare ^ hunne oude veelen
hadden bijgelegd, en slechts eene gelegenheid schenen af te wachten, om hunne
wraak- en heerschzuchtige oogmerken ten opzigte van het Sticht, te voldoen (1).
1202 Het verlangde tijdstip hiertoe Avas thans gekomen; er ontbrandde een felle krijg, die ech-
ter door den onvervKachton aanval des Ilerlogs van Braland^ ten voordeele van Utrecht
eindigde (2). De Bisschop had een gedeelte van ΖΓοί^α«^ geplunderd , dekerk te^oer-
den verbrand, de /^eliiice yevwoest, Ziitjihen yeroverd , Z>eyenier hernomen en was
met rijken buit teruggekeerd (3). De voorwaarden van het vredesverdrag tusschen hem
en Graaf dirk gesloten, zijn onbekend; doch blijkt het van elders, dat de Graaf, waar-
schijnlijk na dit verbond, zich voor een leenman des Utrechtschen Sloels erkend heeft (4).
De wrok des Bisschops op willem van Holland, was evenwel hierdoor niet bevredigd.
Hij nam dan ook een werkelijk aandeel in de onlusten tusschen dezen en den Graai
1204 van Loon, en bragt hem op den rand des verderfs. Eindelijk erkende hij hem,
bij een voor het.Äic/ii gunstig verdrag, als Graaf van Holland (5). Thans beijverde
hij zich, de verwarde geldmiddelen des bisdoms te herstellen, loste in wat verpand
was, voldeed het verschuldigde te Rome, en bragt zijne sloten en burgen in beteren
toestand (6). Met de Drenthenaars had hij reeds vroeger een verdrag getroffen, dat
stiptelyk werd nagekomen, en waarbij hem eene vergoeding van negen honderd pon-
den , voor de nadcelen, welke zij het Sticht berokkend hadden, verzekerd was ge-
Avorden, Hij behield do regten op Drenthe, welke zijne voorzaten bezeten had-
den , doch bevestigde rudolf , den zoon van yolker , in de slotvoogdij van
Koeverden (7).
Ook dt3 belangen der ütrechtsche Geestelijkheid ontsnapten zijner opmerkzaamheid
niet. Hij bepaalde dat » het gevangen houden van een kerkdijken persoon door eenen
(1) Glasius, Gesch. d. Christ. Kerk in Nederl. D. I. bl. 262. Verg. κΐητ in Chron, Eg'
mond, p. 169 (5).
(2) Zie Iiicrvoor, bl, 189.
(3) Anohym. de Reb. Traj. p, 11, 12. Dk beka , p. 62. ιΐεολ,ρ. 185, j,αleydis,ZiZ«.XIX.
c. 12. Uct Chron. Egmond. ap, kluit, p. 173, Aveidt over deze overwinningen zoo breed niet uit.
(4) Compositio inter Episc. Traj. et Comitis Uollandiae, apnd heoah , p, 188. V. kueris ,
Charterh. v. Holl. D. I. bl, 140, 141. Verg. Wagehaar, D. Π. bl. 291.
(5) Zie hiervoor, bl. 193—203.
(6) De deka, p. 65, IIeda, p. 186, ί
(7) Tegenw, Staat v. Drenthe, bl. 79. j
-ocr page 267-DES VADERLANDS. 267
wereldlijken, en λτεί Lijzonder door de Graven van Holland en Gelre, met ban en
I40U
schorsing der openbare godsdienstoefening moest gestraft worden, wanneer geeneverma-
ningen baatten en de gevangene niet binnen eenen bepaalden tijd was geslaakt geworden.
Even gestreng moest de leek getnohtigd worden, die openlijk en zwaar eenen ker-
kelijke beleedigd had; zelfs werd het kerspel, waartoe hij behoorde, met dezelfde
straf bedreigd, wanneer hij do Kerk of eenigen geestelijken persoon goederen ont-
vreemd en niet ten bestemden tijde teruggegeven had. Bleef hij steeds hardnekkig wei-
geren , dan moest de Heer, Aviens onderdaan hij was , op straffe van godsdienstschorsing,
hem tot wedergeving dwingen. Ook de pachters van kerkelijke of geestelijke goederen
moesten in den ban gedaan worden, wanneer zij niet op hunnen tijd betaalden. De-
zelfde straf werd toegepast op Kanoniken, die de praebende van een ander aantastten,
of de verpachting van kerkelijke goederen verhinderden; hunne inkomsten werden daar-
enboven zoo lang ingetrokken, en indien zij langer dan een jaar in bun misdrijf vol-
hardden, werden zij van hunne eigene praebende geheel beroofd. Mögt de Bisschop of zijn
Officiaal zich aan de geestelijke goederen vergrypen, dan moest hij, na vergeefsche ver-
maning, door het stilstaan van de kerkdienst tot teruggave gedwongen, of zoo dit niet
baatte, bij den Paus of den Aartsbisschop van Zeii/m aangeklaagd worden. Hij was verpligt
de Kerk met raad en daad, en zelfs met zijne schatkist bij te slaan, terwijl de Kanoniken
gehouden Avaren , de onderscheidene hooge feesten der Kapittel-kerken onderling bij te
Avonen. Geen Kanonik mögt in geschillen met eenen ambtgenoot, zich tot eenen ande-
ren regier dan zijn Deken vervoegen. Ongehoorzaamheid werd, wanneer hij zich niet
binnen het jaar onderwierj), met het verlies zijner plaats geboet. Slierf een Kanonik
zonder uitersten Avil, dan was, bij ontstentenis van andere bewijsbare beschikkingen,
het kapittel erfgenaam van do goederen, welke hij van dat kapittel ontvangen had."
Voorts vindt men hier, behalve eenige bepalingen van minder belang, voorschriften be-
trekkelijk do diensten en pligten der Kanoniken, het begraven van geestelijke personen,
en de straffen gesteld op het onwettig trachten naar geestelijke goederen en bedieningen,
op hel plegen van gewelddadigheden in de kerken, en heischenden of misbruiken van den
kerkdijken vrijdom (1). Merkwaardig is dit gedenkstuk , dewijl er niet alleen uit bhjkt,
hoe de geestelijkheid zich meer en meer boven de wereldlijke magt poogde te verheffen,
en zich daartoe uitmuntend ook van hare geestelijke wapenen wist te bedienen, maar
tevens ook, dat het gezag der Utrechtsche Bisschoppen over do Ncderlandsche kerk en
geestelijkheid toen niet onbepaald geweest is (2).
(1) Batav. Sacra, D. II. bl. 131—137. Glasii's, Gcsch. d. Christ. Kerk in Nedcrl. D. I.
bl. 204-207, 208.
τ
(2) Verg. GLASIC8, f. a. p. bl. 206.
33*
-ocr page 268-759 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
Bisschop DIRK van der Aare eindigde zijn onrustig dertienjarig bestuur in vrede te
Deventer, en werd in de Domkerk te Utrecht bijgezet (1). Zijne verdiensten omtrent
het Sticht mogen niet miskend worden, ofschoon de middelen , ^γelke hij bezigde, niet
overeenstemden met den oorspronkelijken aard zijner geestelijke bediening ; middelen echter
die in eenen tijd, toen de geestelijkheid zoo vaak den herdersstaf voor het oorlogszwaard
verwisselde, geen opzien baarden noch veroordeeld werden. Door moed en beleid was
het hem gelukt het bisdom, dat hij in zeer verwarden en vernederden toestand had
gevonden, als een welbevestigden staat zijnen opvolger na te laten. In zijne plaats
werd OTTO, broeder van geriiard III van Gelre en van aleid , de gemalin van Wil-
lem I van Rolland, door den invloed dezer beide magtige Graven, en ondersteund
door de Bisschoppen van Keulen, Munster en Omabrug, gekozen. Staatkundig was
deze keuze, dewijl hierdoor het niet gering belang, welk de Graven van Holland
en Gelre er in hadden, dat een lid uit hun geslacht den Utrechtschen Bisschopszetel
bekleedde, aan beide zijden werd bevredigd; ook schijnt het, dat zelfs builenlandsche
Bisschoppen hiertoe medegewerkt hebben. Minder echter scheen zij in het belang des
Stichts zelve, Otto toch, hoeAvel reeds Proost van Xanten, had slechts achttien ja-
ren bereikt toen hij tot de bisschoppelijke Avaardigheid werd geroepen, wier bekleeding,
naar ceno aloude doch dikwerf overtredene wet, zoowel in de Gricksche als Latijnscho
kerk, eenen dertigjarigen ouderdom vorderde. Ondanks zijne uit-en inwendige voortref-
felijke hoedanigheden, moest het hem thans nog aan die ondervinding, zelfstandigheiden
deftigheid ontbreken, welke in het Opperhoofd der kerk van vereischt werden.
AVelligt bleef uit dien hoofde de Paus huiverig, hem van de wet betrekkelijk den ouder-
dom der Bisschoppen , to ontslaan, en loen οττο, in het derde jaarna zijne verkiezing,
zich naar Rome wilde begeven, om dit te verwerven, overleed hij op dien logt, en
werd in de St. Maartenskerk te Utrecht met groote praal begraven (2). Men getuigt,
dat hij met meer voorzigtigheid en beleid, dan men van zijne jaren konde verwach·
ten, de zaken des Stichts bestierd, en vrede en geregtigheid met nadruk gehandhaafd
J190-
1250
5 of6 v,
Win-
term.
1212
1215
(1) De πεκα, ρ. G5. IIeda, ρ. 186. Vcrfj. de Aant. van v. leeuwen op het Chron. Tiel.
p. 180, 181. Het Chron. dc Traj. p. 330; stelt met de Eoll. l)iv. Kron. Zestiende Div. c. 5,
het sterfjaar des liisscliops in 1214.
(2) De beka en de Schrijvers, welke liem {jcvol{jd hebben | noemen Ν ο or dimt zen, in het graaf-
schap van der Marli, als de plaats waar οττο overleed. liet Chron. Tielense, p. 182, daaronte-
f;en, spelt Foerthuijsen {Voorthuizen in Gelderland), lictgeen ons wel zoo waarschijnlijk voor-
komt. Verg. de Ottde Holl. Bivisie Kron. Zestiende Div. c. 7j en de Aant. van eüchelics op
de bera , ρ. 68.
-ocr page 269-DES VADERLANDS. ,207
heeft (1). Met den slotvoogd ταα Koeverden had hij de goede Terstandhouding bewaard 1190—
en daardoor de rust in Drenthe verzekerd (2). Misschien minder ten Yoordeelc des
bisdoras, was het beleenen van zekere tienden, vermoedelijk op de Vduwe, aan zijnen
broeder Gerhard van Geli'e (3).
Op aanbeveling van dezen Graaf en van -willeh van Holland, benoemden nu de ka-
pittelen, den lltrechtschen Domproost οττο, zoon van Graaf burnard van der Lippe,
lot Bisschop, Avelke door den Aartsbisschop van Keulen te Frankfort gewijd en door
Keizer prederik II, als wereldlijk Vorst bevestigd werd. Onrustig'en krijgshaftig van
aard, vertrouwde hij in de eerste jaren zijns bewinds, na het behoorlijk bezetten zijner
sloten en sterkten, de belangen van het Sticht aan zijnen broeder herman van der
Lippe, en nam deel in den kruistogt naar het Heilige land (4). In de haven van 1217
Spalatro, in D al mat ié, voegde hij zich, nevens andere Duitscho Bisschoppen , de
Hertogen leopold Oostenrijk, casimir van Ρ emmer en en den Hertog van Meran,
de Graven boudewun ^κά Vlaander en , lodewijk van iSayoy e en den dapperen wouter
van Avennes, bij het leger van andreas , Koning van Hongarije. Een groot gedeelte
dezer kruisvaarders landde nog in hetzelfde jaar voorspoedig op de kusten van Syrië,
doch voerde weinig uit en ging weldra uiteen. Na het vertrek van Koning akdreas ,
bleven de Duitscho Bisschoppen, onder Avelken ook οττο II van Utrecht, in het
Oosten, en waren den Koning van Jeruzalem en Hertog leopold behulpzaam in het
versterken en herstellen van den burg van Caesarea, Avelken de naam van Pel-
grimshurg werd gegeven. Eerst na vijf jaren keerde οττο II in zijn bisdom terug;
hij had zich waarschijnlijk een langen tijd in Italië opgehouden (5). j222
De vrede, in welken hij zijne staten wedervond, werd weldra door eenen krijg met
Gelre verstoord. De ware beweegreden hiervan ligt eenigzins in het duister (6). Het
schijnt echter, dat van de zijde des Bisschops de eerste 'aanleiding hiertoe gegeven is,
(1) De beka, p. 08 cn dc Aant. van bücueliüs. IIeda , p. 192. Chron. Magn. Jielg. p. 239.
Chron. Tiel. p. 181, 182. Chroiu de Traj, p, 336, 337. Verjj. foktakus, Jlist. Gelr. Lib.Vl.
p. 125, 120, Bat. Sacra, D, II, bi, 151 en dc Aant. van v. riiijn, M. 153. GtASiDS, Gesch. d.
Christ. Kerk in Ncderl. D. 1. bl. 271, 272,
(2) Tegenw. Staat τ. Drenthe, bl. 80. Magrin, Geschiedk. Oterzigt, i). II, St. I, bl, 10.
(3) Pontanus, Rist. Gelr. Lib. p, 126. Slichtehhorst, Geld. Gesch. Β. VI, bl.88.
(4) De bera , ρ, 08. Heda , ρ. 192.
(5) Dirks, Noord-Wedcrl, en de liruistogten, Μ. 258, cn de aldaar aangckaalde Schrijvers.
Verg. GLAsirs, Gesch. d. Christ. Kerk in Nederl. D. I. bl. 273.
(G) Vak spaen, Jlist. v. Gelderl. D. I. bl. 122. Vcrji. budebdijK; D, II. bl. 118.
-ocr page 270-270 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
3190—dewijl zijne ambtenaren de Geldersche leenmannen in Salland, zware schatlingen afpers-
ten. Graaf gerhard III liet tot weerwraak, Terhoogde tolreglen te Lohith van de
Slichtschen afvorderen, en bewerkte zelfs eenen opstand in Salland, waar hij de
Heeren van Buchhorst en van Voorst tot zijne belangen overhaalde (1). Onverwijld
1223 bragt οττο Π, ondersteund door zijn broeder herman en den Bisschop van JfttWiier, te
Deventer een leger bijeen, verraste en versloeg de oproerlingen te Herhelo ^ nabij
Zwol, ofschoon de gelieele landstreek onder water stond, en bemagtigde de sloten
Voorst en Buckhorst. Met een aantal gevangenen keerde hij zegevierend naar De-
venter terug, waar hij, naar het gebruik dier tijden, zijn leger afdankte (2). He zaak
was daarmede niet afgeloopen. De Graaf van Gelre legde nu meer openlijk het
1224 mom af. Hij verbond zieh met walraven, Hertog van Limburg, Hendrik , Graaf van
Sain, en met zijn vollen neef. Graaf floris IV van Holland, terwijl hij, naar men
giste, in het geheim onderschraagd werd, door engelbert , Aartsbisschop van Keu-
len, den zoon zijns ooms van moederszijde. Hierdoor vereenigde hij aan den Rijn
een leger van twee duizend ruiters en voetvolk naar gelang, tegenover welk οττο II,
met behulp zijns broeders, den Aartsbisschop van , slechts eene raagt van duizend
ruiters en voetvolk naar evenredigheid, konde stellen. Aan de Himnepe, een watertje
dat bij Deventer zich in den IJssel ontlastte, geraakte men handgemeen; de Bisschop
moest voor de overmagt zwichten, werd naar Deventer teruggejaagd en daar belegerd.
Middelerwijl voer eene Ilollandsche scheepsmagt langs de Lek, in het Nederstieht;
en het Gein, digt bij Utrecht, werd aan de vlammen opgeofTerd. Minder gelukkig
slaagde de aanval der Gelderschen op de Veluwe, welke zij moesten ruimen. Dit
welligt bragt den Avapenstilstand te weeg, welke daarna door tusschenkomst van den
Pauselijken gezant, koenraad , Bisschop van Porto, door eenen vasten vrede gevolgd
1226 werd. De Graaf van Gelre deed, ten behoeve van οττο II, afstand van een graafschap
in Salland, waarschijnlijk de heerlykheid Salk , welk gerhard van ^mcä/iorii van hem
in leen hield. Hij ontving daarentegen van den Bisschop, Eist in de Betuwe en
Odili'ènhurg bij Roermond, in eigendom » benevens elf honderd Utrechtsche ponden.
Reeds vroeger waren de wederzijdsche verschillen over Salland, het Kore- gerigt, het
Maalgoed, do NovaU'én en andere punten , bij eene overeenkomst, op den negentienden
van Wynmaand des vorigen jaars in de Nöda of Grebbe geteekend, aan goede man-
nen verbleven. Men sloot tevens een onderling hulpverbond en bepaalde, dat alle toe-
komende geschillen door wederzijdsche scheidslieden zouden beslist Avorden. ffol-
land ontving tot schadeloosstelling, acht honderd ponden van den Bisschop tusschen
(1) De βεκλ, p. 69.
(2) Αβοκγτιι. de reb. If/iraj. c. XVIIT. p. 14, 15. De bek λ, ρ. 69. Heda, ρ. 192.
-ocr page 271-DES VADERLANDS. ,207
wien en Graaf floris IV, tevens nog ecnige andere belangrijke geschilpunten vereffend ^J^^T
Averden (1).
De verzoening met de Graven van Holland en Gelre wasvoor οττο Π van het uiterste
belang, dewijl hij tot het bedwingen der op nieuw ontstane onlusten in het Boven^
of Over-Sticht, beider hulp behoefde. Rudolf, slotvoogd van ä'oewerrfm was, wel
is vvaar, bij de overeenkomst van elf honderd vijf en negentig, in de Drentsche lee-
nen bevestigd, doch het regtsgebied , door zijne voorzalen in Z>reni/ie bezeten , naar het
schijnt, aanmerkelijk besnoeid geworden. Ten minste wordt in dien tijd van eenen
»Schulte vanZ>rmi7ie" gewag gemaakt, welke zijn verblijf te We hield , en denkelijk
niet een ondergeschikt ambtenaar van den slotvoogd van Koeverden, maar even als deze,
regter over een gedeelte van Drenthe geweest is (2). Hetzij deze beperking van
magt en invloed, hetzij de zucht om zich van het Sticht geheel onafhankelijk te
maken, of welke andere redenen ook, den haat van rüdolf tegen de Bisschoppen van
Utrecht ontvlamd hebben, het blijkt genoegzaam, dat hij en zijn broeder frederik ,
nevens menso en Hendrik van Gravestorp (van Peize?), hunnenbisschoppelijkenleen-
heer , in onderscheidene oorlogen, de verpligte trouw niet bewezen j cn zelfs zijne
goederen en bezittingen door rooven en branden, vernield hadden. De hoofdoorzaak
echter van den krijg, welke kort daarna losbarstte, ontsproot uit de burgerlijke onee-
nigheden te Groningen, in welke rudolf en zijne vrienden den aanhang des Bisschops
openlijk bestreden, en zich de buitensporigste geweldenarijen veroorloofden. Om hen te be-
teugelen , en Groningen aan den kant van Drenthe, tegen hunne aanvallen te dekken,
trokken de Sallandscho ridders (milites) met hunne manschappen , op last van οττο 11, naar
Ommen, doch werden onderschept en verslagen. Rudolf rukte hierop met eene aanzienlijke
krijgsmagt, gedeeltelijk binnen de grenzen van Drenthe^ in do dorpen Dalen en
Loon, gedeeltelijk daar buiten, in Steenvoort, Goor en elders geworven, naar Gro-
ningen, terwijl onderweg vele Friezen, door de Gelkingen aangevoerd, ziehender
zijne banieren schaarden. liet beleg werd voor de stad geslagen, doch spoedig weder
opgebroken na het berigt, dat de Bisschop in aantogt was en]het op Koeverden
gemunt had. Gesterkt door do hulp, welke Graaf Gerhard van Gelre in persoon aan-
bragt, cn door de ridders en hulpbenden der Graven van Holland, van Kleef, van
Benthem en der Bisschoppen van Keulen en Mumter, zag zich οττο II aan het hoofd
van een aanzienlijk heir, hetwelk te Ommen door hem in oogenschouw genomen werd.
(1) Anobym. de rel·. Ultraj. c. XVIII. p. 14. XIX. p. 15. XX. p. 16. XXI. p. 16. XXV. p. 21.
De BEKi, p. 69, 70. Heda , p. 192,193. Magn. Chron. Belg. p. 246. H. brcmahi , res Transisalanae
in ddjibar's^«a/eci.T.II.p.88—92. Uomdah, Charterb.v. Gelre, bl. 338. Verg. hiervoor,bl.222.
(2) Magkis , Geschiedk. Overzigt, D. II. St. I. LI. 16.
-ocr page 272-272 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190— Van daar trok hij naar Nijenstede, Avaar sedert Bisschop willibrand het slot Harden-
berg slichtte; voorts naar Bergen, nu Gramshergen, en eindelijk naar Anen, Avaar
hij zijn leger nedersloeg, en langs de Ooerijsseïsclie Vecht te scheep van leeftogt,
stormtuig en andere krijgsbehoeften voorzien Averd. Rudolf had zich inmiddels naar
Koeverden gespoed, en zich tegenover den Bisschop gelegerd, van 'svien hij , ter
breedte eener halve mijl, door een naakt moeras, thans de Bomnierijte geheeten, ge-
scheiden werd. Men trachtte door onderhandelingen tot een verdrag te geraken,
doch vruchteloos. Rudolf en zijne aanhangers -werden door οττο in den ban, en
hunne goederen verbeurd verklaard; hetgeen slechts verbittering, geen schrik ver-
wekte. Men tartte nu zelfs den Bisschop ten strijde uit, en weldra kwam het lot
eenen veldslag tusschen de beide legers. Het Slichtscho heir, door het vergunnen
van aflaten en het uitspreken van den zegen aangemoedigd, werd door kudölf van
Goor, welke den standaard van st. maarten droeg, aangevoerd; οττο zelf, de Graven
27 van ^an Gelre, van Benthem en andere Grooten maakten de achterhoede uit. Het gevecht
maand ^^^^^ op de moerassige streek gronds, die geheel onder water stond, geopend. I)e
1227 zwaargewapende voorhoede konde op den doorweekten bodem geen vasten voet zetten
noch zich bewegen, en hare Avaggelende en zinkende gelederen werden door do ligt
gewapende Drenthenaars van verre met schichten en werpspietsen, van nabij met
het zwaard afgemaakt. Schrik , ontsteltenis en verwarring verspreidden zich nu door
geheel het bisschoppelijk leger, en weldra werd het vlagten algemeen. Met verbitterde
woede schoten de Drenthenaars, mannen en vrouwen, de Avijkende benden achterna,
van Avelke eene menigte, die in de moerassen bleef steken , zonder genade werd om
hals gebragt; anderen, die dieper gezonken Avaren, versmoorden van zelf, en velen
bezweken, door de ondragelijke hitte van dien dag, onder het vlieden. Rudolf snelde
des nachts met cenige ruiters het rampzalig overschot des vlugtenden vijands achterna,
vernielde het, en keerde met rijken buit naar Koeverden terug. Meer dan vijfhonderd
ridders en gewapende mannen, waaronder de bloem des Stichischen adels, Avaren ge-
sneuveld. De Graaf-Bisschop zelf had in dezen slag het leven gelaten. In een moeras
vastgeraakt en achterhaald, was hem Avreedaardig met een zwaard de priesterlijke kruin
(tonsuur) met vel en vleesch afgeschoren ^ de keel afgestoken en zyn lijk in de modder
getrapt, waaruit het later heimelijk werd opgehaald en te ütrecht begraven. Zijn
broeder dirk , Proost van IJeventer, die kort daarop aan eene hoofdwonde overleed, de
Graaf van Gelre, gijsbregut van Amstel en eenige andere Edelen, allen zwaar ge-
kwetst, waren gevangen genomen, en al do voorraadschepcn, welke op Vecht
lagen, den Drenthenaars irj handen gevallen (1).
(1) A-tBERTos stadensis ad annum 12?7. Asonïm. dc reh. Ullraj. c. XXV. p. 21. De bekU,
-ocr page 273-DES VADERLANDS. ,207
Do mare dezer Treesselijke nederlaag dompelde het Sticht in algemeenen rouAV, lipp-
en onlvonkle aller wraak. Hagchelijk inlusschen ATas de toestand in welken OTToIlhet
bisdom had achtergelaten, en zoo ooit, thans de keuze eens opvolgers belangrijk. Men
behoefde eenen man wien het aan moed noch beleid ontbrak, om de weêrspannigen
te breidelen, de misdadigers naar eisch te straffen en den vervallen staat van zaken
te herstellen. Op het eerste berigt' van 's Bisschops omkomen, had de jeugdige Graaf
van Rollandy flokis IV, met de voornaamste leenmannen des Stichts, zich naar
Utrecht gespoed, om den Kapitlelheeren zijnen bloedverwant willibrakd , Bisschop
van Paderborn, uit het geslacht der Graven van Oldenburg, ter vervulling der open-
staande waardigheid aan te bevelen. Terwijl de Kanoniken hierover raadpleegden, wer-
den de Graaf van Gelre en de Heer van Amstel, voor eenen bepaalden lijd onder borg-
togt ontslagen en nog niet geheel van hunne wonden hersteld, op draagbedden in dé
vergadering gebragt. Het gezigt hunner wonden, de weemoedige ernst met welken zij
op hunne slaking uit de banden des vijands aandrongen, en de nadruk met welken zij
het verlangen des Graven van ondersteunden, bepaalden weldra de keus der
geestelijkheid. Wiixierand werd gekozen , daar hij voor een krijgsman van beproefde
dapperheid en schrander staatkundige bekend stond, van wien men derhalve de hoop
konde voeden, dat hy de geleden nederlaag op eene treffende wijze zou wreken.
Hij bevond zich thans in Italië bij Keizer fredeuik 11. Men zond gezanten af,
zoowel om hem van zijne verkiezing kennis te geven, als om de vergunning tol het aan-
vaarden dezer waardigheid, bij het Hof van Rome te verwerven, dewijl de kerke-
lijke wetten verboden, twee bisdommen levens te bezitten, of van hel eene bisdom
tot een ander en rijker over te gaan. Van de verpligting aan deze laatste wel ontsloeg
hem Paus gregorius IX, in M'iens bijzondere gunst hij deelde, en nu trok hij in allerijl
naar Utrecht (1),
3Iiddelerwijl trachtte rüdolf van Koeverden zich zijne overwinning ten nutte te ma-
ken. Hij sloeg nogmaals , doch vruchteloos , hel beleg voor Groningen , en deed daarna
eenen inval in Ticente, welke met even weinig geluk bekroond werd. Vele zijner man-
nen , en onder hen twee Ridders, zweder van Gravensdorp en bertram van Hoven,
vrerden gevangen genomen, en ofschoon beide een groot losgeld aanboden, terstond om
p. 70, 71. Magn. Chron. Belg. p. 247. Chron. Tid. p, 191. Chron. de Traj. p. 337,338,
alwaar door matthaeds eene naamlijst wordt medegedeeld van meer dan 140 ridders, ΛνοΙΙίο aan
den kant des Bisschops sneuvelden. Verjj. πεμβ, bbcmaki, Rca Transtsal. p. 93—Üöj en
de Overtjsselsche Chronycke, bl. 228, 229 in bümdars Analect. T. II. Unno emmius, de lier.
Fris. Lib. X. p. 134, 135. Mvgnis, Gesch. Overs, der besturen in Drenthe
(1) Akokym. de Reb. lUtraj. c. 26, p. 23, De beka , p. 72, Heda , p. 204.
II. deel. ' 35
-ocr page 274-274 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
liyO—hals gübragl en hunne lijken op hel rad gelegd. Dit alles verhief den zinkenden moed
der Slichtschen, die nu aan alle zijden den Drenthenaren moedig weérstand boden.
Veertig welgewapende ridders, welke van Utrecht ter hulp van den stedevoogd egbekt
naar Groningen gezonden waren , rukten aan dien kant in Drenthe en veroverden het
slot Peize, waar vele aanzienlijken in hunne handen vielen, van welke eenige dade-
lijk in koelen bloede vermoord, en de overige gekluisterd naar Groningen Averden
opgezonden (1).
j228 Hierdoor Avas de rust in deze streken cenigzins hersteld, toen Bisschop wiLUBRAJiD to
rec/ii aankwam. Hij verklaarde onverwijld bij een vonnis, den Graaf van Ge/re en de
andere gevangenen ontslagen van allo verphgtingen en beloften aan rudolf gedaan,
sprak over dezen den banvloek uit, als moordenaar van zgnen wettigen Heer, en ver-
leende op pauselijk en bisschoppelijk gezag, aflaten aan elk, welke tegen den oproe-
rigen slotvoogd en zijnen aanhang het kruis zoude aannemen. Spoedig zag by zich
dan ook in het bezit van cene genoegzame krijgsmagt, om Drenthe te gelijk van zes
zijden aan te tasten. Do eerste afdeeling zijns legers, onder bevel des Graven bode-
kun van BentKem en οττο van Horstmar naar Groningen gezonden, trok van daar
over Mitzpete, nu Midlaren , in Drenthe , doch werd zoo moedig ontvangen , dat
zij genoodzaakt was met verlies terug te keeren. De tweede afdeeling, meest Friezen
uit Westergo, drong aan den kant van Bakkevecn in het vijandelijk gebied door,
legde eenige -woningen in de asch en keerde, zonder verder iets uitte rigten, met
den buit terug. Gelukkiger dan beide slaagde eene derde afdeeling, insgelijks Friezen ,
uit de omstreken van Staveren en Lemsterland, welke over Brohope in Drenthe
rukte, en zulk oenen schrik onder de bevolking verspreidde, dat deze , onder aanbieding
van gijzelaars, beloofde den Bisschop voldoening te zullen geven. Twee afdeelingen waren
van de Overijsselsche zijde in aantogt; do eene uit Twentsche manschappen beslaande,
trok voorbij Koeverden landwaarts in en verbrandde het dorp Emmen, met eenige
omliggende gehuchten; de andere uit Salland, Deventer en de streken langsrfe/^echt
bijeenbragt, nam den weg door Ommen, over het noodlottig moeras, trok daarna de
Reest over en verbrandde eenige dorpen en gehuchten tegenover ^«««en. Met de zesde
en aanzienlijkste afdeeling had zich de Bisschop zelf op do grenzen, tusschen Steen-
wijk en Ufelte, gelegerd. Op hel zien van den rook der brandende plaatsen, storm-
de hij met geweld op de Drenthenaars aan, sloeg hen op de vlugt en legde, onder
het najagen, het dorp Anzen in de asch. De nacht verhinderde hem, zich met de
afdeeling van Ommen te vereenigen, ten einde gèzameulijk den vijand op het lijf te
vallen, Doch do Drenthenaars, niettegenstaande zij eene aanzienlijke magt in het veld
(1) Tegenwi Staat mn^ Drenthe j bl. 88.
-ocr page 275-DES VADERLANDS. 275
hadden, legden het hoofd in den schoot cn slolen met den Bisschop een verdrag,HyO—
waarbij zij zich verbonden, hem binnen zekeren tijd, voor oorlogskosten en schade- jq van
vergoeding, drie duizend, en zijnen raadslieden vier honderd Keulsche marken Ie voldoen.
Zij beloofden levens, tot boele voor de zielen der gesneuvelden, na verloop van een
jaar, honderd gewapende mannen naar Lijßand te zenden, om op eigen kosten legen
de ongeloovigen te strijden, en dat zij bovendien genoegzame goederen zouden aamvij-
zen, om ter plaalse waar Bisschop οττο II gevallen was, een nonnenklooster en een
kapittel van vijf en twintig Kanoniken te stichten. Rudolf en zijne broeders waren
daarenboven verpligt, afstand te doen van het huis te Lare, hetwelk Averd afgebroken,
van het slot te Koeverden met de aanhoorigheden, cn van alle reglsgebied in Drenthe,
Tot waarborg van de nakoming der voorwaarden, werden veertig gijzelaars geboeid op
het slot te Vollenhoven geleverd. De Graaf-Bisschop dankte nu zijne benden af en be-
gaf zich naar Friesland, doch keerde eerlang over Groningen, in Drenthe terug.
Met de uiterste teekenen van berouw, hoogachting en^'onderdanigheid ontvangen, ont-
sloeg hij de Drenthenaars van den ban en werd door hen als Heer gehuldigd. Met
groole plegtigheid nam hij voorts bezit van Koeverden, en stelde eilard van Benthcm
lot slotvoogd van die plaals en bisschoppelijken stedehouder over Orenthe aan, in
welke waardigheden hij door rudolf en zijne broeders erkend werd. Door de onder-
vinding geleerd, bepaalde avillibrand , na zijno terugkomst in Utrecht en bij het
openleggen der vredesvoorwaarden , dat deze beide waardigheden in het vervolg, nim-
mer weder erfelijk zouden zijn (1),
Spoedig echter noodzaakte hem de loop der omstandigheden, deze wijze bepaling in
te trekken en op nieuw het krijgszwaard aan te gorden. Rudolf , welke hel gemis van
gezag en invloed niet konde verkroppen, had mot ongeduld eene gelegenheid afgewacht,
om zich in het bezit van Koeverden te herstellen, en eindelijk was hel hem gelukt 30 van
door verraad van binnen, het welversterkte slot, bij overrompeling te bemagligen. De
Graaf-Bisschop rukte hierop in Drenthe en sloeg zich bij ISijenstede neder, alwaar 122ί)
hij inmiddels het slot Hardenberg liet,opwerpen, dewijl Koeverden in dit jaargetijde^
uit hoofde der omringende moerassen, niet met stormtuigen te genaken was. Dagelijks
vielen er met de muiters schermutselingen voor, doch het kwam tot geen hoofdtreifen.
Ten laatste brak do langgewcnschte winter aan, en zoodra het ijs dit veroorloofde, werd
het schutgevaarle voor het slot gevoerd en de belegering met nadruk ondernomen. Ecu
schielijk opkomende dooi, verzeld van Avind en regenvlagen, noodzaakte echter den
Bisschop, met achterlating van al den toestel, hel beleg op te breken. Hij begaf zich
(1) De eeka, p. 72 , 73, Tegenw. Slaat v. Drenihe ilicms, Geschiedk. Oterz.
D. II. St. I. bl. 20.
33*
-ocr page 276-276 ALGEJWEENE GESCHIEDENIS
1100—naar Groningen en Tan daar, bij het hernieuwen van do vorst, ώάάχ Friesland,
waar hij genoegzame ondersteuning vond, om zijn toeleg op Koéverdcn uit te voeren.
Doch ook andermaal werd dit voornemen door een zwaren dooi en een geweldigen slorm ,
welke het ijs deed scheuren, verijdeld. Do Bisschop trok naar FoUenhoven terug,
vermeerderde zijne strijdmagt en versterkte hel slot Äeenit-yÄ , welks verdediging eenigen
ridders werd toevertrouwd. Zij lieten zich echter door rudolf tot eenen uitval verlok-
ken en werden deels geslagen, deels gevangen genomen, waardoor het gelieele gewest
voor den gewezen slotvoogd openlag.
Deze zamenloop van gelukkige omstandigheden deed den moed der oproerlingen
zwellen en hunnen aanhang vermeerderen. Binnen kort had geheel Drenthe zich
weder voor rudolf verklaard, wiens afzetting men trouwens met leede oogen aan-
schouwd had. De wakkerheid des Bisschops echter, de zorg met welke hij de gren-
zen versterkte, zijne groote toebereidselen, om in den aanstaanden zomerden krijg
geweldiger dan ooit voort te zetten, en bovenal de talrijke Friesche hulpbenden, welke
in Oostergo en Westergo gereed stonden, om op zynen wenk op te rukken, boe-
zemden den Drenlhenaren en Koeverders vrees en ontzag in. Om het dreigend
gevaar door eene tijdige onderwerping te verijdelen, wendden zij zich lot de Friezen,
door wier tusschenkomst zij den verloornden willibrahd , welke henzelven niet hooren
wj'Ide, trachtten te Tcrzoenen. Na veel moeite werd de zaak aan de uitspraak van
eenige Abten in Friesland overgelaten, welke bepaalden, dat rudolf en zijne broeders,
mot duizend hunner aanhangers, eene naijl h\i\\.c,n Koeverden, den Graaf-Bisschop knie-
lend om vergiiTenis zouden smeeken, hem op eene aangewezene plaats tusschen Ilar-
denherg en Koeverden, in tegenwoordigheid der Drenthenaars, al hunne erfgoederen,
ter waarde van twee duizend mark, »in eigendom, en der Kerk twaalf hunner leenen
opdragen, een geheel jaar als ballingen rondzwerven, en plegtig beloven, daarna
hunnen Heer en het Sticht overal en legen elk ten dienst te staan." Rudolf en de
zijnen werden, na het beëedigen dezer voorwaarden, in genade aangenomen, van den
ban ontslagen en in het bezit hunner goederen hersteld. Rudolf .zelfs onlving de slot-
voogdij van Koeverden mei het reglsgebied in Drenthe terug.
Doch ook deze verzoening was kort van duur. De Drenthenaars weigerden eene
schadevergoeding van ongeveer drio duizend marken zilver, hun bij het vredesverdrag
opgelegd, den Bisschop te voldoen. Rudolf spande met hen zamen, en vruchteloos
herinnerden hun do Friesche scheidslieden de bezworene voorwaarden. Zij werden
derhalve voor eerloos, meineedig en van de gemeenschap der Kerk vervallen verklaard.
Dit echter strekte slechts, om hen te verbitteren. Gewapenderhand overvielen zij Äcen-
wijk en rukten naar Gieteren, om voorts het geheele land van Vollenhoven aan zich
to onderwerpen. De Bisschop trok uit Zvool met eenige benden hen te gemoet. Doch
op het punt, dat hel gevecht zou aangaan, werd een wapenstilstand van vijftien dagen
"v
~ÜÉ
DES VADERLANDS. ,207
gesloten, terwijl men in dien tusschenlijd eene nieuwe verzoening zou beproeven. nüO—-
Steunende op dit bestand, begaf zich rudolf met eenen zijner vrienden, zonder
vrijgeleide naar het slot Hardenberg ^ orn met den Bisschop zelven lo onderl]a,n-
delen. »Hoe durft gij het Magen, slechts door één vertrouwde vergezeld, onder
u\yo vijanden te verschijnen?" vroeg hem de verwonderde Kerkvoogd. En ierslond
schoten eenige trawanten toe, welke den slotvoogd, ondanks den wil des Bis-
Echops, met geweld naar do gevangenis sleepten. Ten hoogste hierover gebelgd en
verontwaardigd, dreigde willibrakd allen dio aan deze schending der goede Irouw
schuldig waren, met zijne ongenade; hij zelf snelde naar Utrecht, om bij de ka-
pittels , hoewel te vergeefs, op de bevrijding der gevangenen aan te dringen. Rudolf
yan Koeverden en zijn vriend uendrik: van Gravestorp werden onder een grooten loc-
vloed van Edelen en gemeenen, levend geradbraakt en hunne lijken met dat van
MF.Nso van Gravestorp, welke door de dolle menigte was neergesabeld, op het rad ten j23ü
toon gelegd. Drenthe verloor in rüdolf van Koeverden een man van onbetwislbaren
moed en krijgsbeleid, en vvelke een krachtige steun des bisdoms zou geweest zy π,
indien niet hcersclizucht en trouweloosheid hem daarvan ten geesel gemaakt hadden.
Ilij liet slechts eene eenige dochter, maar eenen magtigen aanhang na, welke van ver-
langen gloeide, zyne onteerende doodstraf, die ook elders het medegevoel voor hem had
opgewekt, te wreken. Willibkand kon dó verdenking van eenigen niet ontgaan, dat
zij met zijnen wil en op zijn bevel was uitgeoefend. Sommigen zelfs willen, dal hij ge-
noodzaakt werd in eene openlijke vergadering te Utrecht, zich deswege te zuiveren en
plegtig zijne onschuld te betuigen, om eenen openbaren opstand der morrende menigte
te voorkomen. Men voegt er bij, dat zelfs do lusschenkOmst des Graven van Holland
moest ingeroepen worden, om de rust in het Sticht te herstellen. Welligt echter ont-
sproten deze onlusten uit eene andere bron dan do tereglstelling van rudoif. Het is
echter opmerkelijk, dat de Utrechtenaars weigerden, in den op nieuw ontvlamden
oorlog tegen Drenthe deel te nemen.
Bisschop \viLLiBRAHD begaf zich derhalve om hulp en ondersteuning naar Friesland,
en bragt door den invloed der Friescho geestelijken en de afkondiging van aflaten aan
allen die hem volgen zouden , eene talrijke menigte gewapenden bijeen. De magt der
weerspannige Drenthenaars was intusschen door een verbond met de bewoners van Lan-
gewold, Vredewold en , aanmerkelyk versterkt ge\Torden. De ingezetenen
van Eunsingo daarentegen, hadden zich aan de zijde der Groningers of des Bisschops
gevoegd, en gaven den anderen in wreedheid weinig toe. Willibrakd verdeelde zijn
leger in twee afdeelingen; met de eene trok hij over Groningen op den vijand aan,
en zond de andere, onder het bevel der Dekens yan St-averenmfFestergOy mfxr Sak-
keveen. Daarenboven waren uit het Over sticht nog drie afzonderlijke afdeeb'ngen in
aantogt, van welke de eene in Twente, tegen Koeverden, de andere bij Ommen,
278 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1190—en tie derde, uit zestien honderd ruiters en vier duizend man voetvolk bestaande, zich
1256
bij Folienhoven nedersloeg. Het doei was, al deze strijdkrachten lot één leger te vormen
en dan op den reeds bepaalden dag, den vijand met vereende magt aan te tasten. De
Overstichtschen echter maakten weinig spoed; zij verteerden of vernielden slechts den
oogst der Drenthenaars en lieten voorts alles op de Friesche benden aankomen. Dit
gebrek aan eenstemmigheid verijdelde, gelijk altijd, den goeden uitslag. Do afdeeling
bij Bakkeveen werd door verraad van binnen, daags vóór zij zich ten strijde toe-
rustto, door do Drenthenaars overvallen, geslagen en verstrooid. Weinig gelukkiger
was de strijdmagt, welke de Bisschop zelf aanvoerde. Wiet verre van Mitzpete had zij
zich in slagorde geschaard, toen een, zware regen het gevecht verhinderde. Op het
berigt der nederlaag bij Bakkeveen, trok zij terug, even als de Overstichtsche benden,
zonder iels belangrijks uitgerigt te hebben. Ter naauwernood ontsnapte willibrand
zelf aan de handen der muitelingen. Het gelukte hem echter in het midden des win-
ters , Groningen van eene aanzienlijke versterking te voorzien, De Drenthenaars daar-
entegen, Aviorpen eene verschansing op bij Mitzpete en voorzagen haar van eene talrij-
ke bezetting , welke zij uit de inkomsten der omliggende bisschoppelijke goederen be-
taalden. Den geheelen winter was men van weerszijde in de wapenen, en bij eene
der vele schermutselingen, in welke de Fivehngoè'rs meestal het onderspit delfden,
werd de nieuw opgeworpen schans veroverd. Willibrawd bleef niet in gebreken deze
voordeden te vergrooten, om de zijnen te meer te bemoedigen. Hij zelf bevond zich in
Friesland, het volk met zoo veel ijver, niet hot woord des vredes maar des krijgs
verkondigende, dat eene groote menigte Averd overgehaald, om op den eersten wenk
het harnas aan te schieten.
Eene fello vorst opende omtrent Lichtmis, over de'bevrozen moerassen en onlanden
eenen Aveg naar Drenthe, Duizenden Friezen kwamen nu in de Λνβρεηεη en verwekten
1231 zulk een ontzag onder de Drenthenaars, dat déze aan vrede en verzoening dachten,
ofschoon een schielijk opkomende dooi hel oogenblikkelijk gevaar van hen had
afgewend, Door tusschenkomst der Friescho Abten, liet Wiixibrawd zich ten laatsle
tot eene onderhandeling bewegen, en het verschil werd ha veel over- en wederspraak,
aan eenigo goede mannen, en daar dezo het niet eens konden worden, aan den Abt
van Liidingakerk en Iwee andere geestelijken oviergelaten. In eene bijeenkomst ie
Mitzpete bepaalde men, ten aanhoore van béide partijen, dat: »de wederzijdsche
gevangenen terstond zouden geslaakt, en elk in hetgeen hij vóór de onlusten be-
zeten had, zou hersteld worden; de Bisschop moést in het bezit blijven van het slot
Hardenherg en ongehinderd zijn regtsgebied over Drenthe uitoefenen; daarente-
gen zou uudolfs broeder, fuederik, met Koeverden en.de aanhoorigheden op den-
zelfden voel beleend worden, als zijne voorzaten dat leen ten tijde van Bisschop dirk
■ ,· . . .Y ■ -ü: : -
■ i
-ocr page 279-DES VADERLANDS. ,207
bezeten hadden (1), Eindelijk zou door de Drenllienaars tot schadevergoeding, den 1190—
Bisschop en Friezen, op bepaalde tijden, tien duizend ponden Groninger munt betaald,
en daarmede alle geschillen als vereffend beschouwd -svorden." Tevens \Terd de oude
veele tusschen de slotvoogden van Koeverden en die van Groningen plegtig bijgelegd.
Beide beloofden al hunnen invloed in hot werk te stellen, de nog bestaande moeije-
lijkheden tusschen de Hunsingoërs en Fivelingoërs, uit den weg te ruimen. Bisschop
wiLHBRAND vertrok nu van Groningen naar Friesland, betuigde zijnq erkentelijk-
heid \oor de bewezen diensten, en begaf zich over Folienhoven en Deventer naar
Utrecht terug.
Het blijde uitzigt op eenen bestendigen vrede na eenen verderfelijken burgerkrijg van
v^f jaren, Averd spoedig beneveld. De Drenthenaars bleven niet slechts nalatig in het
aflossen der schadevergoeding, maar pleegden vijandelykheden tegen de Groningers.
Zij herstelden het slot te Mitzpete, welks bezetting, gelijk vroeger, uit de inkomsten
der bisschoppelijke goederen werd onderhouden. Na een vruchteloos en kortstondig
beleg van Groningen, werden zij door den stedevoogd egbert aangetast en geslagen · het
dorp met de kerk van Zuid-Laven werd in de asch gelegd, en het slot Mitzpete ten 1232
gronde toe vernield. Deze openlijke schending des gemaakten verdrags, bragt do Bis-
schop in de wapenen. Door de Groningers en Friezen uitgenoodigd om de vredebreuk
ie wieken, begaf hij zich terstond naar Friesland, alwaar op eene vergadering tc
fVijns eenstemmig besloten werd, Drenthe ie beoorlogen en het weder van ver-
schillende oorden te bestoken. De zamengevloeido gewapende menigte werd in drie
hoofdafdeelingen gesplitst. De eene, vier duizend ligt gewapende Friezen uit de Kuinder
en de Lemmer, trok o\er Brokope in Drenthe, doch voerde weinig uil. De tweede
en minder talrijke afdeeling legerde zich bij Steenwijk, om hel Stichtschc gebied aan
dien kant te dekken en den vijand ontzag in te boezemen. De derde afdeeling, door
den Bisschop zelven aangevoerd, telde zes honderd uitgelezen ruiters en vier duizend man
voetvolk, welke naar Koeverden bestemd waren. Zij rukte langs Ancn over het toen
opgedroogde moeras , hetwelk voor Bischop οττο II zoo noodlottig was geweest, naar
het stadje Koeverden, tastte het tegen den avond aan en overweldigde het bij den eersten j/y
aanval. Geslacht noch stand , ouderdom noch onschuld kon de woede des overwinnaars Herfst-
maand
ontwapenen ; alles werd ter nedergesabeld, en wat niet ten buit werd medegevoerd, aan
de vlammen ter prooi gegeven. De Bisschop toog met zijne afgematte benden naar ^«en
(1) Hij is echter denkelijk slechts tijdelijk.en als, Too^d zijner nicht, rcdolfs dochter, met dit
leen begiftisd {geworden, dewijl reeds in hot volgende jaar besdbik van .öorculo, de echtgenoot
dier docliler, als burggraaf van/ioecerc/e« voorkomt, Mkusis ,'"GeteMedk, Overzigt der JJetturen
in Drenthe, D, 11^ St. I. hl. 22.
280 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
lJUO—terug, om uit te ruslen eu des anderen daags het slot Ie bestormen. Doch de Drenlhenaars
hadden er des nachts eene aanzienlijke verslerlung ingeworpen , en niet ver van Haïsvorde
zulk eene niagt bijeen gebragt, dat de Bisschop den volgenden dag alle hoop moest op-
geven , het slot te bemagligen, en, om niet door den vijand ingesloten te Avorden, ge-
noodzaakt was, onverrigter zake naar Anen terug te keeren. Te vergeefs wachtte hij
hier op den onderstand der Friezen, van ΛνεΠίο een gedeelte te Bahkeveen, het andere
te Groningen was bijeen getrokken. De Drenlhenaars hadden hen bij de eerstgenoemde
plaats op do vlugt geslagen, en vertoonden zich thans met zulk eene ontzagwekkende
menigte in de omstreken van Koeverden, dat de Bisschop voor erger beducht, naar
Jlardenherg terug trok, en zijne hulpbenden afdankte, nadat hij de sloten en sterkten
in staat van tegenweer gebragt had.
Niet gunstiger was het lot des krijgs den Groningers geweest. Het was hun den vijf-
tienden van Herfstmaand gelukt, do verschansingen van 31itzpete te veroveren, en
moordende en brandende in Drenthe te rukken, doch den volgenden dag waren zij , na
een hardnekkig gevecht, waarin Avederzijds veel volks sneuvelde , genoodzaakt geworden ,
met groot verlies over de grenzen terug te trekken. Na drie dagen verschenen zij ech-
ter weder bij Mitzpete , waar thans de Drenthenaars, na do overwinning bij Bakkeveen,
al hunne strijdkrachten met die der Ommelandsche bondgenooten hadden vereenigd.
Doch de aankomst van een groot getal hulpbenden uit Westfalen, onder aanvoering
van HENDRIK van Borculo, een Geldersch edelman, cn door huwelijk met de doch-
ter des gewezen slotvoogds rudolf , thans Burggraaf van Koeverden, dreef het Friesch-
2i van Groningsche leger, bij het eerste gezigt, op de vlugt. De najagende Drenlhenaars
nmnd ™aakten er velen gevangen', en onder de gesneuvelden werd hessel van Leeuwarden ^
Deken van geheel Oostergo, met elf priesters geleld (1).
De verdere afloop van dezen krijg wordt niet gemeld. Het is zeer waarschijnlijk , dat de
Graaf-Bisschop , na zoo vele tegenspoeden en zonder uitzigt op verdere ondersleuning, zijne
plannen ter onderwerping van Drenthe, heeft opgegeven (2); en den Drenthenaren zal
(1) liet veiliaal der Drentlisclie onlusten is ontleend uit den ongenoemden Schrijver, de rebus
Vltraj. c. 27 sqq, welke voor een gedeelte den krijgslogt, dienhij besclirijtt; onder Bisschop wittiBRAWD
heeft biigewoond. De beka, p, 72, 73 en zijn naschrijver het yl/ag'm. Chron. Belg. p. 251—253.
Joh. α leibis, Lib. XXII. c. 4—11. H. drdmani, Re$ Transisal. p, 105 sqq.. Overijsselsche
Chron. in dumnars Anal. Τ. II. ρ. 230. Cornelius zaktfliet, ad annuni 1231, in Mr. j. de wai ,
Bijdragen tot de Gesch. en Oudh. v. Drenthe, LI. 121. Gron. 1842. Verg. Uedo emmids,
de Rcr. Fris. Ilist. Lib. X. p. 134—143. Idsikga, Staalsr. d. Ver. Nederl. D. l.bl. 281—294.
Tegentp. Staat, v. Orenthe, li. 88-r-llü. Magki«, Gesch. Overs, d. Besturen in Drenthe,
D. II. St. I. 1)1. 20^22.
• ■ Λ
(2) Tegcnw. Staat van Drenthe, bl. 110, 111.
-ocr page 281-DES VADERLANDS. ,207
liei ook aan lust èn middelen ontbroken hebben, om zijne rust testoren. Hij moet ^j^së"
ruim twee jaren het Sticht beregt hebben, toen hij na een achtjarig bestuur, te Ztcol
overleed zonder aan de hooge verwachting, welke men van hem gekoesterd had,
voldaan te hebben. Gering waren zgne verdiensten als geestelijk herder, althans
nergens worden zij herinnerd, noch zijne geleerdheid en \Yelenschappeliike beschaving
vermeld, terwijl zijn krijgsmoed, vroeger in Palestina en in Italië, later in het
Oversticht ten toon gespreid, algemeen geroemd wordt. Zijne geestelijke pligten liet
hij geheel door Wij-bisschoppen verrigten, en alles wat hij in zijne kerkelijke betrek-
kingen als Proost te Zutphen, Utrecht en Hildesheim, en als Bisschop van Pader-
horn en van het Sticht heeft uitgevoerd, bepaalt zich, naar het schijnt, tot het stichten
van een klooster binnen Utrecht, Avaarin hij de St. Servaasnonnen, welke te Ahstede
haar verblijf hielden, heeft overgehragt (i).
Gelukkiger dagen toefde het Sticht onder οττο III, broeder van Graaf floris IV
van Rolland, welke door de Kanoniken mei eenparige stemmen tot Bisschop werd
verkoren. Hij was vroeger den krijg gevolgd, en had in naam des Graven van
het hoog gezag in Friesland uitgeoefend. Thans was zijne eerste zorg, door wijze spaar-
zaamheid en overleg, het bisdom van den drukkenden schuldenlast te bevrijden, ouder
welken het door de Drenthsche oorlogen , gebukt ging. Met eene zeldzame belangloosheid
verkocht hij te dien einde zelfs zijn vaderlijk erfgoed, endeed later afstand van de voog-
dijschap over Holland, om zich geheel en onverdeeld aan de belangen zijns stifts te
wijden. Eene zijner eerste bemoeijingen Avas tevens, om door doeltreffende middelende
Avatervloeden te weren, welke steeds het ]Seder-Sticht teisterden , en op zijn verzoek
was door floris IV een zware dijk langs de Lek , van Amerongen tot Schoonhoven , opge-
worpen (2). 'De Drenthsche geschillen werden door hem met het zwaard,gelykeenigen
beweren, doch naar anderen, door de vrijwillige onderwerping der Drenthenaars ver-
effend (3). Men trof eene overeenkomst, waarbij de stichting van het klooster, reeds
in het vredesverdrag met wilmbrahd belopfd, den Drenthenaren werd opgelegd, en
hetgeen sedert door hen ten uitvoer is gebragt. De overige voorwaarden zijn onhe-
il) De beka, p. 74. Heda, p. 204. Cron. de Trqj. p. 339. Chron. Ttek p, 195. Bat,
Sacra, D. Π. hl. 167—169, en van rijns aant. bi, 173 (6).
(2) De beka, p. 75. Heda, p. 205. Cron. de Traj. p. 339. Verg. hiervoor, bl. 225, 220.
(3) Heda, p. 206. Cron. de Traj. p. 340. Oude Holl. Hip. Kron. Div.XVIH. c. 11. W. 163,
ScnoTANüs, Fr. Hist. M. 126. De beka meldt hiervan niets. Ubbo emmiüs, de Iter, Fns, Mist-
Lib. X. p. 146. Tegernv. Staat v. Drenthe, W. 111.
II. DEEL. 36
-ocr page 282-282 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190—kend; doch ongetwijfeld is nwnTiVA^vanBorculo in de slolvoogdij van Koeverden enhcï
reg[sgebicd over Drenthe beresligd geworden, in wier bezit men hem jaren daarna nog
aantreft (1). Nu genoot hel bisdom eene gewenschle rust, die slechls door de steeds
Toortdurende partijschappen der Groningers , aan de grenzen van Drenthe gestoord werd,
en dit gewest zelfs niet geheel ongemoeid lieten (2).
Bisschop otto III mengde zich echter niet in deze burgerlwisLen. Daarentegen nam hij
^verkelijk deel in de verhefling zijns neefs, wiliem II, tot doRoomsch-KoninklijkeAvaar-
1247 digheid. Hij schonk hom zijne slem op de Rijksvergadering ioWoeringen
1248 krooning lo Aken tegenwoordig, en werd lid van dien bij zonderen raad , welke den jeug-
digen Koning, naar men wil, is loegovoegd (3). Het was ongetwijfeld door zijnen invloed
dat de erkentelijke en milddadige Vorst aan vele geestelijke inrigtingen in iVerferZa/ic?
het aanzijn gaf, en Utrecht belangrijke Toorregten verleende, onder anderen, dat geen
burger buiten de stad mögt gedagvaard worden (4). Willem, om zijne genegenheid voor
Utrecht, waar hij met plegiigen luister door priesterschap en burgerij was ingehaald,
nog sterker te betuigen, liet, op het voorbeeld van vroegere Vorsten en Grooten, zich
als Ulrechtsch burger opschrgven (5). De belangen van den bisschoppelijken zetel gingen
hem steeds ter harte. De Graaf van Goor, een der Slichlsche leenmannen, verzorger
(adDocafus) der St. Maartenskerk en vaandrager des Bisschops, had zich met twee
andere leenmannen, de Heeren van Almelo en oorsf vereenigd, om do toenemende
hebzucht der Ulrechtsche Kerkvoogden legen Ie gaan, Avelke steeds, len koste van an-
deren, hunne leenen uilbreidden en vermeerderden. Reeds had dit driemanschap menig
landgoed, welk zij zich ontroofd rekende, den Bisschop ontwrongen, loen οττο den
Graaf dagvaardde , welke echter niet verscheen. Hierover len hoogste gebelgd, bragtdo
Kerkvoogdzyne aanklagto voor den Koning, welke onmiddellijk den vermelelen Graaf,
doch even vergeefs, ter verantwoording riep. Willem gespt uit dien hoofde, aan den
voet des altaars der St. Maartenskerk, hel harnas aan, en snelt aan het hoofd eener ge-
wapende bende in Twenthe. Den overvallen Graaf levert hij gevangen in handen des
(1) Tegemv. Staal van Drenthe, hl. 112. ÄIagmih, Gesch. OverAigt, D. II. Sf, I. bl, 22.
(2) Tegemo. St. v. Drenthe, bi. 112—114,
(3) Zie hiervoor, bl. 229, 237. ^
(4) Ζϊαί. ^Sacra, D. II. bi. 178.
(5) Hëda, p. 206, et bocnbliüs ad hedah, p. 209.
-ocr page 283-DES VADERLANDS. 283
Bisschops, berooft hem van iileï üd -waardigheden, en slelt zijne goéderen Ier beschik-
king Tan de Utrechtsche Kerk (1).
Otto UI overleed het volgende jaar (2), Grooteïijks had hij de stoiïelijke λυοΙvaart 1249
Tan Aei Sticht, door ^ijs beleid zoo wel als door aanzienlijke giften, bevorderd cn
het bisdom , dat hij uitgeput en verarmd binnentrok , onbezwaard en rijk achtergelaten (3).
iMinder, naar het schijnt , hebben zich zijne zorgen over het geestelijk welzijn der Kerk
hem toevertrouwd, uitgestrekt. Trouwens, in dien tijd werd dit ook niet van eenen
Bisschop gevorderd, dan in zoo verre hij daardoor zijn wereldlgk gezag uitbreiden,
zijne schatkist vullen konde. Yeelligi werd οττο door de omstandigheden gedrongen ,
een groot gedeelte zijner herderlijke pligten den Wij-bisschop theodorigus , Bisschop
van Firone, op te dragen, welke onder anderen, in die betrekking te Egmond
werkzaam geweest is (i). Zijn grafschrift prijst dan ook slechts zijnen ijver in het aflos-
een der staatsschulden en vertrouwt, dat hel hem deswege in de eeuwigheid wei zal
gaan (5).
Koning wiiLEM had ondertusschen in dezen wakkeren Kerkvoogd eenen vaderlijken
vriend en wijzen raadgever verloren. De Duitsche oorlogen, welke hem elders riepen ,
maakten het thans meer dan ooit voor Holland belangrijk, dat de zetel van Utrecht
door eenen man bekleed werd, welke aan het Hollandsche gravenhuis Termaagschapt
was, of daarmede in vriendschap leefde. Ondanks de vele weldaden en gunsten aan de
Stichtsche geestelijkheid bewezen, moet echter willem weinig invloed op hel verkiezen
«ens opvolgers hebben uitgeoefend. Immers verkoren de Kanoniken gosjewuw van
Amstel, aoon van egibius van Arnstein sinds twaalf honderd vijf en twintig
(1) De beka, p. 80. IIeda , p. 207, 210. Oude Holl J)iv. Kron. XVHI Div. c. 15, Π. nac-
maisi lies. Trans. p. 105, Overijs, Chron, LI. 232, in dujibar's Analect. T. II.
(2) Den 27°'' van Lentemaand, of 4·'" van .Grasmaand. Zie v. mieris , Charterb. v. Holl. D· 1.
W. 251.
(3) Heda, p. 207. Verg. v. hteris, Charterb. v. Holl D. I. bl. 213, 216, 218, 228,
243, 251.
(4) J. V. LEYDEN , Kron. Egmond. bl. 74. GiASirs, Gesch. d. Christ. Kerk in Nederl.
D. Π. bl. 280.
{ïï) Dat. Sacra, D. II. hl..Ii51. Bisschop οττο liet eene dochter aieib na. liet blijkt niet
clatliij, vóór het aanvaarden der geestelijke Avaardighcid , géhmrd [[εΛνεββΙίβ. Graafftobis V huwde
haar in 1269 uit, met eene bruidsgift, v,m 200 ponden, aan bobdkwijk van N^oordwijk. Zie
mieris, Charterh. v. Holl. D. I, bï, 251 , 349.
■ ■ · ■ 36*
-ocr page 284-284 ALGEJWEENE GESCHIEDENIS
IIÜO—Proost van st. jaw to Utrecht, een goedaardig, opregl en eenvoudig man, doch
geheel ongeschikt, om den last eens slaatsbesluurs Ie torschen (1). Had willesi
^veinig onderstand van hem te verwachten, hij had evenwel een weinig van hem te vreezen.
Do Heeren van jdmstel, wier aanwassende grootheid hem zorg baarde, konden den
zwakken Bisschop tol ondernemingen verleiden, welke strijdig waren mot de belangen
van Holland. Daarenboven had de Aartsbisschop koenraad van Keulen^ de vriend
van \YiiLEM, gaarne zijn neef, den Keulschen Aartsdiaken Hendrik van Vienne
of Fianden, aan het hoofd dos Slichts gezien , en dio wensch werd spoedig bevre-
digd. Gozewijn, naar eeniger meening, meer ervaren in den Bijbel dan in den krijg,
kondo zich bezwaarlijk staande houden, in eene, weliswaar geestelijke betrekking,
maar wier regten en belangen men reeds lang gewoon was, door het wereldlijk zwaard
to verdedigen en te onderschragen (2^. Hij werd dan ook na een bestuur van een of tweo
jaren, voor do regering onbekwaam verklaard en beschuldigd, door zorgeloosheid en
onkunde den bloeijenden staat des bisdoms lot diep verval en in verwarring gebragt
Ie hebben. In een algemeen kapittel, door do opzieners Qirovisores') der Utrecht-
sche Kerk, Ier beraadslaging over den slaat van zaken bijeengeroepen, moest hij, in
tegenwoordigheid Tan Koning \tillem, den Kardinaal-legaat cappocni en den Aarts-
schop van Keulen, zijne bisschoppelijke waardigheid nederleggen. Op voorstel des
Aartsbisschops, beval de Kardinaal-legaat onmiddellijk Hendrik van Vianden den bis-
schoppelijken zetel Ie bestijgen, terwijl de Koning den nieuwen Kerkvoogd in het we-
1250 reldlijk regtsgebied, door ring en staf bevestigde. (3), Aan gozewijn werd , lot ver-
goeding, het aartsdiakenschap van Keulen afgestaan. Men wil, dat hij in die stad
overleden en begraven is (4).
Een gewiglig bezwaar werpt zich op tegen de naauwkeurigheid en juistheid dezer
berigten. In een echt stuk van den twaalfden van Hooimaand, twaalf honderd negen
en veertig, komt hendsik van Tiandmi reeds te Mentz als verkoren Bisschop van
Utrecht voor (5). Eenigen hebben hieruit de een- of tweejarige regering van gozewijit
ontkend, en beweerd, dat deze Bisschop het slagtoffer is geworden van de kuiperijen zijns
(1) De beka , p. 83. Heda, p. 213.
(2) Glasids, GescA. d. Christ. Kerk in Nederl. D. I. bi. 281.
(3) De uera, p. 83. Heda, p. 213, Magn. Chron. Belg. p. 272, Cron. de Traj. p. 341.
Oude Holl. Div. Krori. XVIII Div. c. 16.
(4) Bucheucs ad dedax, p. 214. Bat. Sacra, D. H. bb 194.
(5) Meermah, Gcsch. v. Graaf willes Π, D. I. B. III. bl. 349 , 353.
-ocr page 285-DES VADERLANDS. ,207
wereldlijken en geesielijken Opperhoofds ^ Koning willem en den Aartsbisschop van IIUO—
Keulen. Op hunne aansporing, en om üendrik het bisdom te verschaffen, kwam do
ütrechtsche hooge geestelijkheid bijeen; en de nadeelen, welke het Sticht van de on-
bekwaamheid des tegenwoordigen Bisschops te wachten had, werden met zulke sterke
kleuren afgemaald, dat de zwakke gozeavijn zelf, vrijwillig den mijter nederlegde.
Het is immers niet denkbaar , dat hij binnen vier maanden, van den zeven en twintigsten
van Lentemaand, toen οττο III overleed, tot den twaalfden van Hooimaand, het bisdom
tot zulk eenen staat van verval zou gebragt hebben, dat men genoodzaakt Avas, het
kapittel bijeen te roepen en den onhandigen regent af te zetten (1) ? Anderen daarente-
gen , hebben uit dit belangrijk stuk afgeleid, dat na den dood van οττο III, eenedub-
bele verkiezing, hetgeen niet ongewoon was, te iZ/ree/ii heeft plaats gehad. Een ge-
deelte der Kanoniken zal zich voor uenbrik , doch de meerderheid voor gozewun ver-
klaard en hem aan het bezit des wereldlijken gebieds geholpen hebben, terwijl zijn
mededinger, bij Koning willem, welke hem erkende, ondersteuning zocht. De ver-
vallen staat tot welken gozewuiss ongeveer tweejarig bestuur het Sticht gebragt had,
voerde het kapittel byeen , en hewdkik van J^iandeno]} den stoel van Utrecht (2),
De nieuwe Bisschop was geheel het tegenbeeld zijns voorgangers. Moed, schran-
derheid, heerschzucht en zorg voor de belangen en regten zijner Kerk, openbaarde
hij straks in den krijg, welke uit do afzetting van gozewun voortvloeide. Gus-
BREcnT van Amstel was gevoelig over den hoon zynen bloedverwant aangedaan, en
Avelligt had ook de wijze, op welke Bisschop iiendeik zijn gezag handhaafde of uitbreidde,
do wraakzucht heviger in bem ontvlamd. Hij verbond zich met den Graaf van Gelre, 1252
en HERMATf van fVoerden tegen den Bisschop; de Graaf van Goor met de Heeren van
Voorst en Almelo voegden zich bij hen. Na eenige roof-en strooptogten in Äei »SVic/ιί .
(1) Meerman, Gesch. ν. Graaf viillï.u Π, D. I. Β. ΠΙ. bi. 349, 350.
(2) V. spaek, Rist. d. Heeren fan Amstel, bl. 25—27. »Hendrik van p^iandeitzegt deze
Geseliiedonderzocker , bl. 27. »komt in den brief van 1249 als e/cc<Ms, verkoren Bisschop, cnnietals
postulatus, benoemden Bisschop, voor; anders zou men aan cenc benoeming door den Paus kun-
nen denken. Dezen titel van Electus draagt liij nog in brieven \an 1250 en 1251, en eerst in
1252 wordt hij Bisschop, Episcopus, genoemd. Dit doet mij gelooven, dat het algemeen kapit-
tel, alwaar gozewun afstanjl moest doen, eerst in 1250 gehouden is. Hierin worden wij beves-
tigd door een briet van 1250, door den Domproost gobertcs gegeven, over zaken waarvan door-
gaans de bisschoppelijke bevestiging vereischt werdj deze is alleen met zijn zegel voorzien, hoewel
in den brief van andere zegels gesproken wordt j hij zal iusschen de beide mededingers geen parlq
hebben willen kiezen. Geen brief van gozewun is voorbanden, en de eerste van demdeik, dienmj
kennen, is den 1 December 1250 gedagteekend.'^
286 ALGEJWEENE GESCHIEDENIS
1190—die telkens met moed gekeerd ^Terden, bepaalde men dag en plaats, op welke een be-
slissende veldslag de zaak zou slechten. Do bondgenooten Terschenen met eeneaanzien-
Jijke magt op bet aangewezen oord; Ook Bisschop hekdrik bragt zijne mannen bijeen.
De Aartsbisschop van Keulen, welke zich in Utrecht bevond, moedigde hem tenstrgde
aan, verzekerde hem van de overwinning door het vermogen van st. maarteh , en
beloofde, do stad in zijn .afzijn, met de Kanoniken en vrouwen te bewaken en des
noods te verdedigen. Onderlusschen was Koning avillehi te Jlntwerpen van den voor-
genomen strijd verwittigd, dien hij, door eene gezonde en vredelievende staatkunde
vooTgelicht, poogde te voorkomen. Hij plaatste zich derhalve aan het hoofd zijner ben'
den, om vóór den dag, tot het gevecht bepaald, in Utrecht te zijn en door zijne
lusschenkomst hot bloedsLorlen te verhinderen. Doch juist toen hij met zijn volk door
<]e Weerdpoort de slad binnenrukte, was Bisschop Hendrik, onder bazuingeschal, met
een heir do Kalharinapoort uitgelogen. Hij wilde hem onmiddellijk volgen, doch vond
do poort, op last des Aarlsbisschops, gesloten. Reeds had hij bevel gegeven, haar met
geweld open Ie breken , toen de Keulsche Kerkvoogd , die, gevolgd door de geestelijkheid en
vrouwen, de ronde deed, over deze onverwachte komst verrast en verschrikt, hem te
gemoet snelt, en dus aanspreekt: »Leen een gunstig oor, ο Koning, aan mijne Avoor-
den i Het voegt uwer Koninklijke mogendheid , «w onderdanig volk in vrede te hou-
den en regt en geregtigheid in den lande te bandhaven; doch veroorloof mij te
zeggen, ο lieer! hiertegen getuigt uwe komst met gewapenden te dezer plaatse en uw
bevel, de sloten te verbreken en de poorten te openen. Wilt gij tegen regt en billijk-
heid , belgeen ik niet hope, de burgers die uitgelogen zijn, buitensluiten en ben door
nieuwe bewoners doen vervangen, om deze stad in uwe magt te houden, dan zoudt gij
mij, uwen Kanselier, beschamen en uwen eigen roem bezwalken. Ootmoedig bid en ver-
maan ik derhalve uwe genade, dat gij mij deze veste wedergeeft en den bewoners ge-
weld noch moeijelijkheden aandoet." » Mijn eerwaardige Vaderis het antwoord van
WILLEM op deze onbezonnen en wantrouwige taal, )) uwe vrees is ten eenenmale onge-
grond. Gij weet, dat het der Koningen pligt is, strijden en oorlogen, overal waar
zy slechts kunnen, te beletten en de wrevelmoedigen gestreng te tuchtigen. Hoe zeer
zou hel derhalve ons tot smaad en schande verstrekken, indien wij op de grenzen van
ons gebied een gevecht, en zelfs tusschen landgenoolen , gedoogden! Om dit te voorko-
men en den Bisschop met zijne dienstmannen te verzoenen, zyn wij met ridders eri
gewapende'mannen in dezé stad gerukt. Toen wij echter hier vernamen, dat men reeds
-t6n'«trijde getogen was., hebben wij met bijlen en hamers de poorten laten qpenen, lom
'de bisschoppelijke benden to achterhalen en ons plan te voltooyen. Denk dus niet,
dat'Wg tegen Bisschop ΠΕΙίηκικ, in wiens 'verkiezing wij bewilligden,'iels kwaadsin den
'zin hAben, noch tegen deze slad, wier burger en beschermer wij zijn. En om üiiier-
van geheel te overluigen, stellen wy de slad weder in uwe handen en zullen, door het
DES VADERLANDS. ,207
slekea der Irompetlen, onzo mannen bevelen zich te ontwapenen, en het orerige van 1190—
den dag aan do vreugde te wijden (1)·" Het is denkelijk, dat Koning wh-lem op aan-
drang en ter gunste van den Aartsbisschop, den hoofdbewerker van dit gevecht, zijn
heilzaam en vredelievend plan heeft opgegeven. Ook lag de kampplaats niet verre van de
stad, do strijd was ongetwijfeld reeds begonnen, en in de hitte des gevechts tusschen
beide te treden, zou niet mogelijk geweest zijn (2). De Bisschop was ondertusschen 16 van
Ïlomcï*
in eenen Avreeden en hardnekkigen veldslag gewikkeld. Vele vijanden sneuvelden en juay^d
menig weerspannig leenman, verzekert men, viel in zijne handen. Tegen den
avond reed hij zegevierend, met den gevangen gusbrecht van Amstel en eermant^an
Woerden, als in triomf een aan elke zijde van zijn paard gebonden , binnen Utrecht
werd door den Koning en den Aartsbisschop met vreugde en onder gelukwenschingen
verwelkomd. Op hun verzoek werden de beide aanzienlijke gevangenen geslaakt, het-
geen door eenen vrede en verzoening tusschen hen en den Bisschop gevolgd werd (3).
Koning willem vertoefde een korten tijd in Utrecht, en gaf de stad op nieuw blij-
ken zijner gunst en genegenheid. Met hare regering en burgers sloot hij een verdrag,
waarbij deze zich verbonden, » onder geen voorwendsel hoegenaamd, Holland of Zee-
land aan te vallen, noch de ingezetenen dier graafschappen in persoon of bezittingen te
benadeelen. Indien een Utrechtsch burger eenen Hollander in het Sticht van zijne
goederen beroofd had, zouden zij de schade herstellen; en bij het ontstaan van eenen
oorlog tusschen het graafschap en het bisdom, do goederen van een Hollander of
Zeeuw, welke binnen hunne muren gebragt werden, voor den eigenaar bewaren."
Daarentegen beloofde do Koning » dat zoo een zijner onderdanen do goederen van een
Utrechtsch burger buiten het Sticht in handen kreeg en behield, hij zorgen zoude,
dat zij ten vollo teruggegeven wierden Don volgenden dag nam hij de 18 van
Zomer-
-— maand
(1) De beka, p. 84, 85. Overgenomen in liet Magn, Chron. Belg, p. 273 en vertaald in de
Oude Holl. Biv. Kron. XVIII Div. c. 18.
(2) Meemah, Gesch. ν. Gr. -sviiiem II, D. II. bi. 75.
(3) De beka , ρ, 85. IIeda , ρ. 214. J. α ieydis , Lib. ΧΧΠΙ. c. 21. Oude Holl. I)iv, Kron.
XVIII Div. c. 18. Brühahhi Res. Transtsal. in, düsbar's jindlecf, T. II. p. 104, Wut bilder·
dijk, D. II. LI. 150, in navolging van wagenaab, D. II. bl. 398, verhaalt, dat » gusbrecht van
Amstel met zijne aanhangelingen, ten getale van 500, barrevoets en in wolle kleeding (inhei
hemd) boete moesten doen, en in de Domkerk geknield, aan den Bisscliop vergeving vragen, en
hem voorls trouw zweeren," geschiedde eenlge jaren later onder rioRis den Voogd. Zie vam
SPAES, Eist. d, Heeren van Amstel, bi. 34. Verg. hiervoor bl. 202,
(4) V. mieris, Charterb. ν. Holl. D. Ι. bl. 266. Heda, ρ. 209. Boxhors's Aant. op do
Chron. v, veldesaer, bl. 163, 164. Leiden 1050.
288 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
burgers van Utrecht en hunne goederen in zijne en des Rijks bescherming, verleende
ΧΔοο
hun vrijgeleide zoo tc ovaler als te land, door Rolland en Zeeland, en beloofde te
zullen zorgen , dat hunne gewooulen en regten , naar erkentenis van do schepenen dier
stad, ongeschonden bewaard bleven (1). Eindelijk bepaalde hij, bij een afzonderlijken
open brief, tot loon hunner trouw en der hem bewezen diensten, dat geen » Prins, Mark-
graaf, Hertog, Graaf of ander adellijk persoon, kerkelijk of wereldlijk, eenen hunner
medeburgers of ingezetenen , builen de muren van Utrccht ten gerigt mögt roepen, dag-
vaarden , of zelfs zich met hem voor iemand als regter stellen, behalve alleen voor den
Keizer of Koning, en slechts over zaken, die tot de Avereldlijke regtbank behoorden.
Voor hunnen Bisschop of den stadsregter, door dezen aangesteld, konden zij echter te
allen tijde beroepen worden. Eene boete van honderd marken gouds Averd dengenen
opgelegd, welke hen het genot dezer voorregten betwistte (2)." Willem zelf bewees
kort daarna, dat hy deze voorregten eerbiedigde, en gaf hierdoor levens een schitterend
blijk van ongemeene belangloosheid en liefde ^ot regtvaardigheid. Hoe zeldzamer zulke
voorbeelden zijn, hoe meer zij verdienen den volgenden Vorsten ter navolging voorge-
steld te worden.
De Kapitlclheeren van st. jaw te Utrecht klaagden, dat de Koning op hunne regten
op zekere goederen en tienden te Ooerdrecht, Westoeen en do omliggende plaatsen,
inbreuk maakte. Willem, wel verre van Avillekeurig en halsstarrig op zijne eischen aan
te dringen, kiest, onder goedkeuring van den Kardinaal hugo , en in overeenstemming
met den Proost van sx. jaw , zijnen Kapellaan, den Abt van St. Truijen, tot scheids-
man , aan wiens uitspraak men beiderzijds beloofde, zich onvoorwaardelijk te onderwer-
pen. De Kardinaal gelast hierop den Abt, zoo spoedig mogelijk, deze zaak, naar God
en zijn geweien te beslissen; terwijl Willem zijnen broeder rLoms en do Hollandsche
Edelen dringend aanmaant » den Abt in het onderzoek des geschils te ondersteunen,
zoodat zijn grafelijk regt er niet door verkort,,noch de Kerk er door benadeeld wierd (3)."
Na rijp overleg, stelt de Abt, twee jaren daarna, werkelijk zijn meester in het 'onge-
lijk, wijst, op raad van leglsgeleerden en goede mannen, de betwiste beziltingen hel
kapittel toe en gebiedt zijnen Vorst, zich naar dil vonnis te gedragen, waaraan deze zich
gewillig onderwerpt (4). » Een hoveling, bij wien waarheid en billijkheid boven het
(1) HeoAj p. 209. Boxuorn op veldenaer, bl. 1G3. V. hieris, Charterb. v. Holl. Ό. I.
bl. 267.
(2) Heua, p. 210. BoxnoRK, t. a, p, bl. 1G4. Groot JJtr. Placaath. D. III. 1.1. 270, 277.
V. MIERIS, t. a. p. bl. 267. Kerk. Oudh. v. Ulr. D. I. bl. 267.
(3) Kluit, Hist. Crit. Com. Holl. ï. Π. Ρ. Π. ρ. 03ö—042.
(4) Klcit in 1. c. ρ. 661—665. Heda, ρ. 207. ,. :r ^ . i
-ocr page 289-DES VADERLANDS. ,207
bijzonder belang Tan zijnen Vorst zoo edel zegepralen, is builen twijfel zeldzaam; maar 1190 —
nog zeldzamer een Koning, die zicli zulk eenen vriend der geregligheid betoont, dat
het eene fijne doch edele vleijerij in zijne hovelingen wordt, geschillen, waarin het on-
gelijk aan zijne zijde is, ook lot zijn nadeel te beslissen (1)."
Willem vertrok uit ütrecht naar Holland en van daar naar den Rijksdag KaFrank-
fort, werwaarts οττο van Gelre hem vergezelde (2). Daar deze Graaf niet in den zoen
met GIJSBRECHT va7i Amstel begrepen was, maakte zich de Bisschop zijne afwezigheid
ten nutte en viel in de Feluive. Dood en vernieling volgden zijne schreden, en tever-
geefs bood men hem tegenstand. Met rijken buit en een groot aantal gevangenen keerde
hij in Utrecht terug, en vond hieruit ten deele de middelen lot het vesten van het
slot Vredeland aan do plecht, om de Heeren ra/i^miie^ of hunne onderhoorigen in toom
te houden. Graaf οττο werd tot den vrede gedwongen, en beloofde toen den Bisschop J2o.3
ondersteuning en bijstand tegen al zijne vijanden; terwijl men tevens onderling, middelen
beraamde, lot het vervolgen en uitleveren van boosdoeners (3). Hierdoor werd de rust
in het Sticht hersteld, die echter door de beleediging eens onverlaats Koning ^YILLEM
m Όtrccht aangedaan, welhaast gevoelig zou geschokt worden (4). 1255
Gelderland. Graaf οττο II van Gelre, met wien Bisschop Hendrik sedert in ge-
wenschte verstandhouding leefde, was de kleinzoon van οττο I, welke in het jaar elf
honderd negentig uit het Oosten was teruggekeerd, en een werkelijk deel had genomen
in de geschillen lusschen boudewijn van Utrecht en de Drenthenaars (5). De voor-
waarden op welke zijne twisten met dezen Kerkvoogd werden by gelegd , geven veel ophel- 11Ü5
dering over den staat van zaken en de wijze van handelen in dien tijd , en komen hierop ne-
der : Elke party zal twaalf goede mannen benoemen, om allo twistzaken te vereflenen. 1190?
Zakeïi, die in het vriendelijke niet kunnen gevonden worden , zal men op de volgende
wijze uit den weg ruimen: Indien de Bisschop aanspraak maakt op regten en goede-
ren, welke de Graaf in bezit heeft, dan zal deze laatste bij eede op de overblijfsels der
Heiligen verklaren, dat hij die wettig bezit. Hetzelfde zal ook gedaan worden door drie
der eerste dienstmannen van de ütrechtsche Kerk, bij ontstentenis van eenen Bisschop,
(1) Meerman, Gesch, v. Gr. wilieh II, D. II. bl. 107, 1Q8.
(2) De πεκλ., ρ. Ö5. Meermaw, Gesch. v. Gr. wiliem 11, D. II. LI. 78. Vajt «paek, Jlist. v.
Gel4erl. D. I. bl. 217, 218.
(3) De beka, p. 85. ÏIeda , p. 214. Chron. de Traj. p. 341. Chron. Ttei p. 218. Bohdab,
Charlerb. v. Gelre, ü. I. p, 487.
(4) Zie hiervoor, bl. 257.
(5) Zie hiervoor, bl. 157 , 262 , 264. V. spaeb, GeiJer/. D. I, bl. 103.
h. deel. 37
-ocr page 290-290 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
liyO—met betrekking tol goederen en regten, welke door den Graaf geeischt worden. Ten
aanzien van Salland echter, alwaar dc Graaf vermeende een wijd uitgestrekter graaf-
schap te bezillen, dan hem de Bisschop toekennen wilde, zou de Bisschop in eigen
I)orsoon eed aileggen, om de regten van zijne kerk te bepalen. De-dienstmannen zul-
len met elf medezweerders eed doen, of zij tot den Bisschop of tot den Graaf behooren."
Voorts werden cenige bepalingen gemaakt over de ruimgelden en wildban, en overeen-
gekomen , dat beiderzijdsche mannen niet op des anderen heimaal mogten gedagvaard
Avorden, terwijl levens vastgesteld werd, dat men het regt zijnen gang zou laten gaan
en alle rooverijen verhinderen (1).
Door het vredesverdrag van den Bisschop van Utrecht met den Hertog yan Braband,
den zesden van Lentemaand elf honderd zes en negentig gesloten , was οττο I in het
leenbezil der Vehnoe hersteld ^ (2). Uit gebrek aan echte stukken en door de veeltijds
tegenstrijdige en uiteenloopende beriglen, kan met geene zekerheid bepaald worden,
wanneer en met wat regt, de Feluwe aan de Graven van Gelre gekomen is. Weleer
had deze landstreek, als een gedeelte van Friesland, in de lotgevallen van dat groole
Ryk gedeeld. In het midden der achtste eeuw kwam zij onder het gebied der Frankische
Vorsten en werd denkelijk in verschillende graafschappen gesplitst, of althans door on-
derscheidene Graven bestuurd. Duister en verward is echter alles wal betrekkelijk den
ouden slaat van dit gewest gemeld wordt, welks naam hel eerst in eenen giftbrief van
het jaar zeven honderd drie en negentig voorkomt (3). Der Utrechtsche kerk waren
reeds sinds eeuwen goederen op de Veluwe geschonken (4) , en men gist, dat eenige
der verbeurd verklaarde bezittingen van balderik en adel.i , in handen der Hertogen
van Braband gekomen zijn, welligt onder de verpligting, die van het Sticht in leen
te houden (5). Do Bisschoppen van Utrecht beweerden, dat hun de geheele Veluwe
door de Keizers was afgestaan. En inderdaad, uit een brief van Keizer hendrik VI
(1) Zie deze orcreenkomst bij dondam, Chartcrb. v. Gelre, D. 1. LI. 263, met Avien wij haar op
het jaar 1196 stellen en aks een uitvloeisel van liet vredesverdrag beschouwen,tussclien den Bisscliop
van Utrecht en den Ilèrlog-van-^raZ>öWii "^f Zo/ryA, den 6 van Lentemaand des genoemden jaars
gesloten. Verg. v. spaen , Jlist. v. GeMl. D, I. bi. 105. OveT dc ruimgelden ai tcildban Taad'
plegc men v. spaen's Inl. tot de Hist. v. Gelderl. D. IV. bi. 260; en over liet heimaal, de ver-
handeling van s. DE RHOEU in D. 1,, bi. 367 der: Verh. van liet genootscli.: Pro excolendo jure
patrio,
(2) Verg. hiervoor, bl. 151, 152. '
(3) Vak spaen, Inl. tot de Ilist. v. Gelderl. D. IV. bi. 132, 133.
(4) Verg, hiervoor, bl, 150. V. spaeh, Inl tot de Hist. v. Gelderl. D. IV. bl. 148, 149.
(5) Vas spaëk, Inl, tot de Hist. v. Gelderl. D. IV. b. 149. Vergelijk hiervoor bl. 97.
■ i ί
-ocr page 291-DES VADERLANDS. 291
Wijkt, dat oudtijds wezenlijk zulk een giftbrief moet beslaan hebben (1). Er wordt IIÜO—
echter beweerd, dat een gedeelte der Feluwe aan de Graven Tan Zutphen behoord
heefl en met dat graafschap aan Gelre geraakt is (2). Aan geen twijfel is onderworpen,
dat do Graven van Gelre met een gedeelte der Veluwe en een graafschap in Sa Hand,
als achterleenen van het Slicht, door de nerlogen'Tan''.5/'aian(i zijn beleend gewor-
den (3). Doch in welken tijd en onder~welke bepalingen de Hertogen dit leen van do
ütrechtsche Bisschoppen ontvingen, is onzeker (4).
De dood van Bisschop boudewijn wikkelde οττο I in ernstige geschillen met dirk Vlï
van Holland, over het bezetten van den ütrechtschen stoel (5). Weldra echter sloten
de beide Graven een naauw verbond tegen den nieuwverkoren Kerkvoogd , dirk van
der Aare, Avien zij gewapenderhand aanvielen (6). De Hertog van Braband, 'sBis-
schops bondgenoot, rukte hierop in Gelre·, doch Keizer οττο IV, wiens zaak Graaf
otto I tegen den tegenkeizer, filips van Zwahen, met nadruk had geschraagd , daagde ]202
de twistende partijen voor zich te Maastricht. De Hertog van Braband liet echter
Graai'OTTO onder weg opligten en in eenen kerker werpen. Men wil, dat dit op aan-
zoek des Keizers zei ven geschied zij; doch anderen beweren, dat de Graaf in eenen
veldslag gevangen genomen werd (7). Niet zonder groote opofferingen kreeg hij de
vrijheid weder. Bij een vroeger verdrag te Maastricht gesloten, had hij zich voor
ledigrnan des Hertogs verklaard; dat is, zich verbonden, op straffe van verval zijner
leenen, hem tegen elk, zonder uitzondering, te dienen, de vriend van den vriend, en
do vijand van den vijand zijns leenheers te zijn (8). Het blijkt duidelijk, dat οττο,
welke door het verbond met dirk VU hierin de trouw geschonden had, van zijne lee-
nen vervallen is verklaard (9). Ora deze en zijne vrijheid te herkrijgen, moest hij,
(1) Zie BOKDAMs Aant. (a) op dien brief in liet Charterl·, ν. Gelre. D. I. H. 25.'>.
(2) Vas spaen, Inl. tot de Ilist. v. Gelderl. D. IV. bl. 155.
(3) Zie hiervoor, bi. 150, 151, 156.
(4) Verg. v. spaen, Inl, tot dellist. v. Gelderl. D. IV. bl. 149. Bokdam, Charterb.v. Gelre,
D. I. bl. 256.
(5) Zie hiervoor bl. 264. Poktaküs, Eist. Gelr. Lil·. VI. p. 118, 119.
(6) Zie liiervoor bl. 188, 266. Pomtawüs, Hist. Gelr. Lil·. VI. p. 120-
(7; Vom-ïkms, Hist. Gelr. Lil·. VI. p. 120. SLicnxENnonsT, Geld. Gesch. Β. VI. bl.85. Veq;.
van teedwen ad Chron. Tiel. p. Γ73 (o). V. spaeh, Hist. v. Gelderl. D. I. bl. 109, 110.
(8) Bondam, Charterh. v. Gelre j D. I. bl. 276 en de aanm, üf waarin uitvoerig over de vcrplijj-
ün{jen van eenen ledigman gehandeld wordt,
(9) Bokdam, Charterh. v. Gelre, D.I. bl. 278. (a).
37*
-ocr page 292-292 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
IIÜO—voorloopig den Hertog twee duizend vijf honderd mark beloven, en tot waarborg der
^^^^ voldoening daarvan, zijne twee zonen en vijf en twintig zonen zijner mannen tot gijze-
1203 Jaars geven; of het land tussqhen Maas en Waal, den Tieler- en Βommelerwaard,
verpanden (1). Niet lang daarna Averd een eindverdrag gesloten, waarbij οττο »zijne
regten op Megcn en op de Eninge {ünitas) van Kempeland afslaat, de vrijheid der
Brabanders, bijzonder der burgers van '<? Hertogenbosch, van de Gelderscho tollen be-
vestigt, en zijn vrij eigen goed te Oosterheek met den berg aldaar aan den Hertog,
wiens ledigman hij beloofde op nieinv te zullen worden, opdraagt en het wederom in leen
van hem ontvangt. Daarentegen verbindt zich de Hertog, den Graaf in alle oorlogen te
ondersteunen en buiten hem geenen vrede te maken (2)." Otto ïerzoende zich insge-
lijks met den Bisschop van Utrecht, doch do juiste tijd kan niet bepaald worden. On-
der andere voorwaarden moest hij beloven, zijnen schoonzoon , Graaf atillem van
Friesland, te verhinderen iets wegens het graafschap t/e XwiWer, het Sticht
te ondernemen; ook te Zutphen geene munt te slaan van de gehalte en met den Utrecht-
schen of Deventerschen stempel, en οττο van Saksen voor Roomsch Koning te er-
kennen (3).
Graaf οττο verliet echter spoedig de zijde van dien Vorst en verklaarde zich voor
FiLTPs van Zwahcn, even als de Hertog van Brahand, met wien hij thans in vrede
leefde. Het vorig verdrag Avas door een naauwer verbond van vriendschap ge-
volgd , waarbij de Hertog zyne dochter Margaretha aan gerhard , den oudsten
zoon des Gelderschen Graafs, ten huwelijk beloofde, en indien zij vóór de voltrek-
king overleed, de daarop volgende dochter; insgelijks zou dit plaats hebben, indien
GERHARD stierf, met een volgenden zoon. De vijftien honderd mark, welke de Graaf
nog aan den Hertog voor losgeld schuldig was, zou tot bruidschat van 's Herlogs doch-
1204
(1) Bohdam, Charterh. v. Gelrc, D. I. bl. 279—281.
■i
(2) lioKDAM, Charterb. v. Gelre , D. I. bl. 281—284..
(3) BoriDAM, Charterl·, ν. Gelre, D. I. bl. 274. De ffeleerde uilgever van dit Charterhoel meent
het genoemde verdrag in 1199 of in het begin van 1200 te moeten plaatsen, dewijl Graaf οττο ί
daarin belooft, οττο van Saksen voor Roomsch Koning te ertennen. Er beslaat ecliter geene ge-
gronde reden, op welke men zou kunnen vermoeden, dat de Gelderselie Graaf, toen althans, de
zijde van οττο IV, voor wien hij zoo sterk geijverd had, zou verlaten hebben. Het komt ons
waarschijnlijker voor, dat hij eerst na zijne gevangenneming door den Hertog \a.n Brahand, andere
gevoelens heeft opgevat voor een Vorst, welke hem zoo slecht ondersteunden geheel aan zijn lot
had overgelaten. De Bisschop van Utrecht daarentegen gevoelde zich misschien door dit gevangen-
nemen en gevangen houden des Graafs, aan den Keizer eenigzins verpligt; het Avas hem ten minste
aangenaam geweest, dewijl het hem in de gelegenheid gesteld had, zich op den Gelderschen Graaf
te wreken. Verg. hiervoor, bl. 189, 266.
\
l.
-ocr page 293-DES VADERLANDS. ' ' 293
ter verstreliken (1). Twee jaren later beeft men over dit punt nader onderhandeld en 1190—
de voorwaarden van het huv>'elijk bepaald, dat zeker gedurende het leven van οττο I
niet voltrokken is (2). De redenen, welke den Graaf in dien lijd aangespoord hebben,
zijn eigen goed, tusschen Maastricht en Roermond, aan den Bisschop van Luik op
te dragen en van hem in leen te ontvangen, liggen geheel in het duister (3).
Inmiddels waren de onlusten over het bezit van Holland liisschen otto's schoonzoon
WILLEM, en zijnen neef, den Graaf van Zoore, losgebroken. In eenen twist partij te kie-
zen , waar de beide mededingers door banden des bloeds zoo naauw aan hem ver-
bonden waren, was ten uilersle moeijelijk. Hij wordt echter onder do middellaars
gevonden, door welke het vredesverdrag tusschen den Bisschop van Utrecht en den
Graaf van Loon \Yerd opgemaakt, doch komt ook tevens voor als getuige van den vrede,
in hetzelfde jaar door dien Kerkvoogd met Graaf willem gesloten (4). Welke bedoe-
lingen zijn weifelend gedvag bestuurd hebben, is twijfelachtig. Later evenwel heeft hij
de striktste onzijdigheid in dit geschil bewaard.
Deelende in het vertrouwen en de gunsten van Keizer filips , verschiynt οττο als ge-
tuige van dien Vorst, in den leenbrief, bij Avelken de Hertog van Brahand met de
leenen, welke hij vaii het Rijk hield, verlijd, maar waarbij hem tevens JSijmegen ont-
nomen en onder de Rijksdomeinen terüggebragt wordt (5). In dezelfde betrekking
komt otto voor bij de bevestiging van het hertogdom Westfalen aan den Aartsbis- 1205
schop van Keulen (6). Voor de laatste maal wordt hij genoemd in een verzoekschrift
aan den Keizer, om tolvrijheid te Keizersweerd aan den voor de burgers van
Zutphen, hetwelk gunstig werd opgenomen (7). Hij overleed in den bloei des 120fi
mannelyken leeftijds, na een onrustig bewind van vijf en lAvintig jaren (8). Zijne
weduwe righardis , zeer waarschijnlijk .^^ene dochter van robekt, Graaf van iVa^-
sau, overleefde hom vele jaren. Zij nam het geestelijk gewaad aan, en stierf als eerste
abdis van het klooster Munster, door haren zoon geruakd III, te Roermond ge-
(1) Bojnd.vm, Charterb. ν. Gelrc, ΰ. I. bl. 288.
(2) Bokdam , Charterb. ν. Gehe, D." I. bi. 300.
(3) Pontanus, Hist. Gelr. Lil·. VI. p. 124. V. spaen, Hist. v. Gelderl. D. I. bi. 113.
(4) Bokdam, Charterb. ν. Gehe. D. I. bh 291—294. Verp,. hiervoor, LI. 197, 202.
(.5) Bondam, Charterb. v. Gelre, D. I. bl. 295,
(6) Bokdam, Charterb. ν. Gelre, D. I. bl. 299.
(7) Bondam, Charterb. v. Gelre, D. I. bl. 301.
(8) Chron. Tiel. p. 178. Bondam, Charterb. v. Gelre. D. I. bl. 303 (a). V. spaeN; Hiit. if.
Gelderl. D. I. bl. 115, 117.
294 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
^ l^rg" (^J· Belialven dezen waren uit haar huwelijk met οττο nog drie zonen Toortge-
sprolen: Hendrik , in vroege jeugd overleden, οττο, Proost van Xanten, later
Bisschop van Utrecht, en lodewijk , Domproost te ütreeht; benevens twee dochters;
adelheide, de gcmalin van Graaf willem I van Rolland, en Margaretha, gehuwd
aan lotuarius , Graaf van Hochstade en Are. Men zweeft in het onzekere, of magh-
teld, de echlgenoote van hesdrik den Rijke, Graaf van iVaiißii, Grootvader van
Keizer adolf van Nassau, en elizabeth , de lAveede abdis van het Munster te Iioer~
mond, dochters dan wel kleindochters van οττο I geweest zijn (2).
In vrede verliepen de eerste regeringsjaren van Graaf geriiard III. Slechts weet men,
1207 dat hij bij den aanvang des bewinds , aan de St. JValhurgs kerk iG Zutphen, toteene
Jaarlijkscho lijkdienst voor zijnen vader, eenige goederen afstond; getuige was bij een
1208 verdrag, lusschen den Aartsbisschop van Keulen en den Hertog van Bralandgcsloien,
120Ü en zich in het volgend jaar op een steekspel te fVornis heyoivA (3). Weldra echter
werd hij in de geschillen der omliggende staten gewikkeld. Dooi^^zijne medewerking
1212 immers beklom οττο II den bisschoppelijken zei el van Utrecht (4). Kort daarna trok
hij zijn schoonvader, den Hertog van Brahand, te hulp tegen den Bisschop van Luik,
4 van en was tegenwoordig bij de verrassing der bisschoppelijke hoofdstad, Λvelke door zijne
maand manschappen in het bijzonder, vreesselijk geplunderd werd. Overdebeide Vorsten sprak
^^^^ de Bisschop den banvloek uit, Avelken de Paus bekrachtigde. Niet vóór de geheele bevre-
diging met Luik, ongeveer Iwee jaren later, werd de vloek opgeheven en de openbare
dienst hersteld (5).
Ondertusschen was frederik van Zicahen, in slede van den vermoorden tegen-
0'van keizer filips, door pauselijken invloed, in weerwil van οττο IV, te Mentz tot
AVin-
icrjii.
1212 -
(1) V. spaen , Inl. tot de Ilist. v. Gelderl. D. II. bi. 185—187. Ilist.v. Gelderl. D.I. bl. 115.
(2) V. sPAEN, Inl. tot de Ilist. v. Gelderl. D. II. bl. 187—191. Hist. v. Gelderl] D. I.
bl. 115—117.
(3) BondajIj Charterb. ν. Gehe, D. I. bl. 303, 306. Volgens van spaen, Ilist. v. Gelderl.
D. I. bl. 118, zou Graaf geruard III, onder de afgevaardigden behoord hebben^ welke in het begin
van 1207 gevolmagtlgd werden, de bruid van den zoon des Ilertogs \an lirahand te Sintzig te
begroeten en te ontvangen. Daar echter in het huwelijksverdrag^ ü van Sprokkelmaand 1207, de
eigen naam des (ieldersclien Graafs niet uitgedrukt wordt, is het twijfelachlig, of men hier ook aan
Graaf οττο I moet denken. Bokdam ; Charterh. v. Gelre, D. I. bl. 304 (a).
(4) Zie hiervoor, bl. 268.
(5) Pontanus, lïist. Gelr. Lib. VI. ρ. 125. Sliciitenuorst, Geldersch. Gesch. Β. IV. bl. 88.
V. spaek, Hist. v. Gelderl. D. I. bl. 119,
DES VADERLANDS. ' ' 295
Roomsch Koning gekroond. Gerhard verklaarde zich voor hem , doch moest
duurste boelen. Uit wraak verwoestte Keizer οττο , op zijnen togt naar i^raiiAryA,
het gebied van Geh'e te vuur en te zwaard, en nam zelfs den Graaf gevangen, welke 1214
echter, op voorspraak des Hcrtogs van Brahand, die zich weder met οττο verzoend
had, ontslagen en in genade aangenomen werd (1). Men acht het zeer Avaarschijnlijk,
dat hij zich ia den ongehikkigen veldslag van Bovines tegen de Franschen, bij den 27 van
Keizer bevond, welke naar Brunswijk vlugtte en het Rijk zijnen mededinger moest J214
overlaten. Frkderik II w erd te Aken gekroond , en gerhard , welke deze plegtigheid 25 van
bijwoonde, verbond zich , op het voorbeeld des nieuwen Keizers, nevens vele andere jgis'
Rijksvorsten, tot eenen kruistogt naar het Oosten, welke echter door den dood van
Paus iNKocENTius III verijdeld werd (2)„
Een nieuwe krijg met het Slicht vernietigde onverwachts de rust, welke Gelrc sinds 1223
dien tijd had genoten (3). Graaf gerhard verzoende zich na driejaren strijds met den Utrecht- 122β
sehen Bisschop, doch werd hierdoor in de Drentsche onlusten betrokken, waar zijn moed
niet door het geluk bekroond werd (4). Hij schijnt zich verder in geencbuitenlandscho
zaken gemengd te hebben; ook werd zijn levensdraad spoedig afgesneden, toen hij 22 van
naauwelijks den ouderdom van veertig jaren konde bereikt hebben. Een praalgraf in
de Munsterkerk te Roermond wijst de plaats aan waar hij en zijne gemalin , margare-
tiia van Brahand, die hem slechls weinig tijds overleefde, begraven liggen. Van zijne
beide zonen volgde hem οττο op in het bewind over Gelre, nEWDRiK werd later Bis-
schop van Luik, en zijne docliter Margaretha huwde sedert met willem van Gm^ïA (5).
Men prijst zijne dapperheid en godsvrucht; gene is door krijgsdaden buiten t\tijfel ge-
steld , en deze zal hij waarschijnlijk, naar den geest dier tijden, door het stichten der
(]) Pontanus, Ilist. Gelr, Lil·. VI. p. 125. SircnTENnonsT, Gelders. Gesch. Β. VI. bl. 88.
V. SPAEN, Ilist. ν. Gelderl. D.I. bl. 120.
(2) V. Spaen, Ilist. ν. Gelderl. D. I. bl. 110. ( ).
(3) Zie liiervoor, bl. 270. Verg. Chron. Tiel. p. 188. Bondam, Charterl·, ν. Gelre, D. I.
bl. 338—356, nevens de aanmerkingen van den uitgever.' Pojstasus, IHst, Gelr. Lil·. VI. p. 127,
128. SiicnTEsnoRST, Geld. Gesch. Β. VI. bl. 89. V. spaek, Hist. ν. Gelderl. D.I. 1)1.122—125.
(4) Zie hiervoor, Μ. 271—274. Verg. Chron. Tiel. γ. 191—193. ΡοκτΛπυβ, Gelr. Ziä.VI.
ρ. 129, 130. Sliciitekdokst, Geld. Gesch. Β. VI. bl. 90. V. spaen, Ilist. v. Gelderl. D. I.
bl. 126-129.
(5) Chron. Tiel. p. 194, 195 (a). Postaküs, Bist. Gelr. Lil·. VI. p. 132. V. slicntesnorst,
Geld. Gesch. B. VI. bl. 91. V. spaen, Hist. v, Gelderl, D. I. bl. 130. Inl, tot de Hist. van Gel·,
derl. I). ir. bl. 196-202.
296 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
beide kloosters te Roermond., en het rijk begiftigen Tan de Kerk of hare dienaars,
beloond hebben (1). Hoe hoog hij in het vertrouwen der naburige Vorsten en van
Keizer predebik II deelde, bevestigen de vele belangrijke verdragen, in welke hij
als getuige voorkomt (2). Door Koning ΠΕίίΒκικ: VU, bij wiens krooning te ^Ae«
hij onder de Rijksvorsten geleld Avordt, ^verd hem in twaalf honderd zes en twintig,
het wereldlijk regtsgebied over Munster opgedragen, welks Bisschop, op de beschul-
diging van den Gelderschen Graaf en de Keulsehe dienstmannen, als medepligtig
aan den moord van engelbert , Aartsbisschop van Keulen, in zijne waardigheid Avas
geschorst geworden (3). Do moordenaar des Kerkvoogds zelf, Graaf frederik van
Isenburgs tusschen Liiih en Huy opgeligt, Averd voor tweeduizend mark aan Ger-
hard uitgeleverd, welke hem naar Keulen voerde, waar bij het loon der misdaad
ontving (4).
Gerhards opvolger, oïto II, was nog jong van jaren toen hij, welligt onder zekere
voogdijschap, het bewind over Gelre en Zutphen aanvaardde (5). Spoedigechlermoet
hij hlijken van die deugden en bekwaamheden gegeven hebben, door welke zijne
langdurige regering tevens eene der gelukkigste voor Gelre geworden is. Immers werd
hij reeds in het begin zijns bestuurs, door de kapittelheeren van ^'i/imeWA , diesleeds
blootgesteld waren aan de geweldenarijen van naburige Edelen , tot Kerkvoogd of Be-
schermheer aangenomen en bij eene overeenkomst, met aanzienlijke voordeden
begiftigd (6). Hij daarentegen beschonk kort daarna, op keizerlijke vergunning,
Emmerik met stads vrijheden en regten (7). Daar echter de Proosten van het
kapitlel van Emmerik onder de Stichtsche geestelijken behoorden, was het gesloten
verdrag met Graaf οττο, den Bisschop van Utrecht onaangenaam, ofschoon ook zijne
regten daarin >varen geëerbiedigd geworden. Er ontstond uit dien hoofde eene spanning
(1) Pontanus, Eist. Gclr. Lil·. VI. p. 133. V. si-aen, Jlist. v. Gelderl. D. I. bl. 121, 129,
131. Inl. tot de'Hist. v. Gelderl. D. Π. hl. 1Ü3. A^'erg. bosdam, Chartcrb.v, Gelre,]).i.Sl. III.
No. 121, 122. Chrou. Tiet. p. löü, 200.
(2) Bondam, Chartcrb, v. Gelre, D. 1. St. III. No. 102, lOG, lOö', lOü, 113, 115, 123, 133.
(3) Emonis Chron. apud mattiiaeüm, Analect. T. II. p. 83—86.
(4) V. spaen, Hist. V. Gelderl. D. I. bl. 125.
(5) Bondam, Charterl·, ν. Gelre. D. I. bl. 379 (c). V, spaen, Inl. iotde llisl.v. Gelderl. O.U.
bl. 204. Ilist. V. Gelderl. D. I. bl. 195.
(6) Bondam , Charterl·, ν. Gelre, D. I. bl. 386-398.
(7) Bondam, Charterb. v. Gelre, D. I. bl. 398—404.
■dtlmh
-ocr page 297-DES VADERLANDS. ,207
tusschen hem en den Graaf ταη Gelre, Λτεΐΐίθ echter door eene overeenkomst werd
opgeheven.' Was bij het vorig verdrag bepaald, dat Graaf οττο »den regier van Em-1\ van
merik aanstellen, de voordeelen des geregis, der munt, der tollen en der jaarmarkten ^235'
met den Proost deelen, maar daarentegen de personen, goederen en vrijheden des ka-
pittels verdedigen zoude," thans >Yerd overeengekomen, » dat hy de stad Emmerik
van den Bisschop in leen zou bezitten, met hem de inkomsten deelen, en het dezen ook
vergund zou zijn oenen tweeden regier aan te stellen; de burgers waren verpligt do
beide Hoeren in den krijg te dienen, maar moesten daarentegen door beiden beschermd
worden (1)." Het schijnt echter, dat naderhand Bisschop hendrik van Ulrecht al
zijne regten den Geldcrschen Graaf, legen eene jaarlijksche uilkeering van tien ponden,
heeft afgestaan (2).
In den roemloozen togt tegen de Stadingers had οττο onderlusschen deel genomen (3).
Evenzeer mengde hij zich in de twisten van joïian en walleram van Limburg met
den Bisschop van Lidh, en ondersteunde hen, ofschoon hij den Kerkvoogd onlangs als 1230
leenheer gehuldigd had (4). Minder zeker is zijn krijg legen den Bisschop van
Munster, in welken hij , gelijk beweerd wordt, gevangen genomen en verpligt werd
tot losgeld, de heerlijkheid Goije aan den Bisschop op Ie dragen, van wien hij haar
in leen terug ontving (5). Inmiddels hadden de onlusten tusschen de Pauzen en
FREriERiK υ, het geheele rijk in beroering gebragt. Aanvankelijk bleef Graaf οττο
met zijnen oom, den Hertog van Braland, den Keizer getrouw, van wien hi] do '
verzekering ontving, dat hij in eene mogelijke verzoening met Paus gregoritjs IX be- 1241
grepen, voor zijne diensten schadeloos gesteld , en niet dan met zijn Avil opgeroepen zou
worden, om over de Al-peh te trekken (6). Hij verklaarde zich echter voor den Landgraaf
van Thüringen toen deze, door Pauselijken invloed, tot Roomsch Koning was verko- 124fï
zen. Na den dood van dien Vorst werd hem zeiven de gevaarlijke kroon door iwno-
GENTius ΙΠ aangeboden, die hij echter weigerde, maar daarentegen met den Hertog van
(i) bosdam, Charterl·. t\ Gelr. d. l 1)1,412. Verg. v. spaen, Ilist. v. Gelderl. d.i.
1)1. 196—199.
. (2) Pontanus, Ilisf. Gelr. Lib. YL p. 148.
(Ji) pontamis, Jlist. Gelr. Lib. vl. p. 137. y. sltcntesnobst, Geld. Gesch. β. vi. bi. ί)3.
Verg. liiervoor, bi. 223. ^
(4) v. SPAEN , Hist. v. Gelderl. d, i. bL 201. ·
, (5) poktarüs, Ilist. Gelr. Lib. vl p. 145. v. sucutekdobst, Geld. Gesch. li. vl fal. u6.
Verg. v. km, Bist. v. Gelderl. d. i. bl. 202 , 203.
(6) Bokdam,. Charterb. ν. Gelre, i). l bl. 4,34. ·
IL deel. 38
-ocr page 298-298 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
IVdO—Bruland, de belangen van zijnen neef, Willem van ondersteunde (1). Zijn
dienslbeloon bleef niet onbeloond. Was reeds , door Insschenkomst van willem , zijnjeug-
1247 ilige broeder, iiendrik Tan Gelre, op den Bisschopszetel Tan Luik geplaatst, hij zelf
ontving Toor eenige duizenden mark zilvers , den Koning voorgeschoten , de stad iVtj'me-
1248 ^e« met het Keizerlijk paleis of den burg in pand, welke nevens al wat er toe behoorde,
het zoogenaamde Rijk van Nijmegen, bij ontstentenis van mannelijk oir, erfelijk aan
zijne oudste dochter zouden komen (2). Deze vergunning Averd met nog eenige andere
voorregten , onder anderen het erfelijk bezit der tollen van Lohede, vermeerderd, en
bepaald , dat al de leenen van οττο , bij gebrek aan een zoon , op zijne dochters zouden over-
gaan (3). Onmiddellijk gaf de Koning den leen- en dienstmannen van Nijmegen be-
vel, den burg Graaf οττο in handen te stellen en hem in alles te gehoorzamen. Het
schijnt echter, dat do burgvoogd Keizer frederik was getrouw gebleven, en οττο de
sterkte met geweld aan zich moest onderwerpen (4). Ook de Paus betoonde den Gel-
derschen Graaf zijne genegenheid. Hij beval den Ütrechtschen Bisschop, de novale
tienden der F^clmoe, tegen eene jaarlijksche uilkeering, aan οττο in leen af te staan,
Avien hij Iwee jaren later, het ongestoord genot van alle tienden in zijn gebied toe-
kende, onder voorwaarde, dat hij een gedeelte daarvan ten behoeve der Kerk en van
Koning willem zou bezigen (5). Ook vergunde hy hem, bij een open brief, om ééno
zijner dochters, zelfs in den vierden graad van namaagschap, uil te huwelijken (6).
Aken Avas intusschen gevallen. Οττο, welke den Koning in. de belegering dier
stad met raad en daad ondersteund had, Avas ook onder de Rijksvorsten bij do krooning
tegenwoordig, en behoorde met zijn broeder, Bisschop Hendrik, onder de talrijke en
hoogaanzienlijke getuigen , Avelke den Koninklijken voorregtsbrief aan de krooningsstad
(1) PoKT^Mus, Ilist. Gelr. Lib. VI. p. 139. V. sv\m, Hist. v. Gelderl. D. I. bl. 205. Verij.
liiervoor, hl. 228.
(2) Bondam, Charterl·, υ. Gehe. D. I. hl. 46G, Verrj. Chron. Tiel. p. 211 en de 'aant. v.
van leeuwen (s. /,) pontabus, Eist. Gclr. Lib. I. p. 62; Lib. VI. ρ. 140. V, slicniehnorsx,
Geld, Gesch. Β. VI. LI. 94. J. sbietiüs , Chron. v. Nijmegen, bl. 61. V. spaen , Inl. tot de
llist. v. Gelderl. D. II. LI. 212. Hiervoor, bl. 232, 233.
(3) V. SPAEN, Eist. v. Gelderl. D. 1. bl. 209. -
(4) Bondam, Charterb. v. Gelre, D. I. bl. 475 (a). ι
(5) Bondam, Charterb. ν. Gelre, D. I. LI. 458. V. spaes, Inl. tot de Eist. v. Gelderl,
D. II. bl. 213. )
(6) Bohdam, Charterb. v. Gelre, I). I. bl. 469. ' '
-ocr page 299-DES VADERLANDS. 790
Terleend, bekrachligden (1). Hij sloot kort daarna een verbond van onderlinge hulp
en bijsland met den Hertog van Brahand, den Graaf arnottd van Loon, en zijoen
broeder Hendrik , Bisschop van Luik, en was met deze Vorsten deelgenoot in de bele-
gering van Keizerswaard (2). Hierbij bepaalden zich niet zijn dienstijver en gehecht-
heid aan Willem. Hij vergezelde waarschijnlijk dien Vorst in den krijg tegen mahga-
iiETHA van Vlaanderen·, ten minste bevond hij zich bij hem te Bergen in Jlenegou-Vd van
loen, en stelde zich met Bisschop Hendrik van Luik, lot Avaarborg van het verdrag ^250'
ter vereffening der geschillen , tusschen den Roomsch-Koning en de Gravin te Brussel
gesloten (3).
Indien οττο na den dood van Keizer frédehik II, eenige verüaauwing in zijnen ijver
voor de belangen van willem betoond heeft, moet deze van korten duur geweest zijn (4).
Immers bevond hij zich bij den Koning op den landdag te Frankfort, en zal onge-
twijfeld gestemd hebben in het vonnis, aldaar door de Rgksstenden over mabgabetha n ^an
van Vlaanderen uitgesproken (5). De verwoestingen door den Bisschop van TJtrecht^^^^^
op de Veluice aangerigt (6), waren het welligt, welke hem verhinderden deel te nemen
in den op nieuw ontvlamden krijg tusschen de Hollanders en de Vlamingen, in welken 1253
zijn broeder, Bisschop Hendrik van ΖΐίίΑ , eene groote rol speelde (7). Hij gordde echter
het slagzwaard aan, om do grenzen des Rijks tegen karel van Anjou, welke Ilene-
gouwen was ingerukt, te verdedigen. Koning Willem beloonde zijne diensten en op- 1254
üfferingen door eene verhooging der pandpenningen van Nijmegen met vijf duizend
mark, en schonk hem het slot met de heerlijkheid Oye als een rijksleen (8). Nijmegen
bleef sedert met Gelre vereenigd , en uitgezonderd een verschil met Keizer rudolf over die
stad en haren burg, dat niet beslist werd, hebben de Keizers noch het Rijk ooit eenige
pogingen aangewend, om de pandschap telossen, ofschoon nadere Keizerlijke brieven , de
(1) Meerman, Gesch. ν. Gr. Willem II, D. 1. B. II. bl. 288, Verg. hiervoor, Η. 233—238.
'(2) Bondam, Charterb. ν. Gelre, D. I. bl. 471.
(3) Bohdam, Charterb. v. Gelre, D. I. bl. 478. Meerman, Gesch. v. Gr. mitm, D. I. B. III.
bl. 390. Verg. hiervoor, bl. 245.
(4) V. SPAEK, Hist. v. Gelderl. D. I. bl. 215.
(5) Zie hiervoor, bl. 246.
(6) Bokdam,· Charterb. ν. Gelre, D. I. bl. 487. Pontakus, Hist. Gelr. Lib. YI. p. 143.
V. slicutekiiorst, Geld. Gesch. B. VI. bl. 95. Yerg. hiervoor, bl. 289.
(7) V. spaen, /i/si. v. Gelderl. D. I. bl. 219, 220. Verg. hiervoor, bl. 24G—252.
(8) PoKTAHtJS, nist. Gelr. Lib. VI. p. 144, 145. Y. SLicHiBNnoRST, Geld. Gesch, B. VI.
bl. 96. Verg. hiervoor, bl. 252—254. Bokdam, Charterb. ν. Gelre, D. I. hl. 495.
37*
-ocr page 300-300 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
llp^T bevesUgerule , voorhanden zijn. Tegen het algemeen gevoelen aan , heeftmen
Nijmegen het regt van Rijksstad belwisi, dewijl nergens blijkt, dat die stad slem en
zilling onder de Rijkssleden gehad heeft. Zij was slechts de eerste der Geldersche
hoofdsteden en men heeft opgemerkt, dat de Graven hare keuren en voorregten, alleen
in algemeeno bewoordingen bevestigd hebben (1).
Friesland. Groiviwgen. Graaf οττο verloor kort daarna in Koning willem een
veelverniogenden vriend, die ook do Friezen beoosten het p^lie, niet ongunstig ge-
Aveest was, wier gewest rijkelijk gedeeld had in do staatkundige woelingen der tijden
en in de verwoestingen der natuur. Men verhaalt, dat in het begin van dit tijdperk,
IIÜO het sledeke Ütgong, aan de Middelzee gelegen ter plaatse van het tegenwoordig dorp
Berlikmn of Belkmn, bloeijende door zeevaart en koophandel, door de Noordsche
zeeschuimers geplunderd en verbrand werd. De gevlugle inwoners, zich niet meer
aan zee betrouwende, trokken grootendeels landwaarts in en gaven, naar men A-sil, de
eigenlijko opkomst aan de stad Franeker. Do naam van Utgong is echter nog langen
tijd in stand gebleven en nevens dien van Belkmn gebruikt (2). Ongeveer eene halve
eeuw vroeger, wordt het eerst van Zeewirarrfeit gewag gemaakt, en over den slechleu toe-
stand der Kerk aldaar, zoo wel als over de zorgeloosheid van eenige harer Prieslers ge-
klaagd (3). Men vermoedt, dat beide, Leeuwarden en Franeker , uit vrees voor de
aanvallen der Ilollandsche Graven gebouwd en bemuurd zijn geworden (4).
Friesland werd echter thans van eene andere zijde en door hendbik de kraan ,
Graaf van de Kuinder, bestookt. Dit graafschap, welks naam in een Overijsselsch
plaatsje op do Friesche grenzen is bewaard gebleven, was in dien tijd van geen geringe
magt en aanzien. Het omvatte Urk, Ens, Emmeloord, nevens andei'e plaatsen
sinds door de Zuiderzee verzwolgen; en de Graven, wier afkomst in het duister ligt-,
bezaten het teeken van oppermagt: het regt van gouden en zilveren munt te slaan.
Zy voerden krijg rnet Bisschop boudewijit van Utrecht·, doch in een gevecht
vyf honderd' man verliezende, Averden zy gedrongen zich aan den. wil des overwin-
naars te onderwerpen. Onder do vredesvoorwaarden was ongetwijfeld de hardste, dal
(1) V. sPAEu, Hist. v. Gelderl D. I. bl. 211.
(2) Occo scariehsis, 1)1. 103. übbo emhicsj dc Rev. Fris. Hist. Lib, VII. p. 114, Wisse-
niüs, Chron. v. Vriest, li. V. W. 145. F. sjoeuds, Fr. Jaarb. D. 11. bl. 429.
(3) Occo scarlensis, bl. 104. V. mieris, Charterb, v. Holl. D. I. bl, 90. Charterb, ν. Frtcsl.
D. I. bl. 70.
(4) WiKSEJims, Chron. v. Vüesl. B. V. bl. 145.
-ocr page 301-DES VADERLANDS. ,207
al hunne bezittingen, bij versterf ran mannelijk oir, aan het Utrcchlsche bisdom 11^0—
moesten vallen. Hunne magt >vas echter door deze nederlaag niet zoo gefnuikt, dat zij 1195
hendrik de kraaw Verhinderde steeds Friesland te verontrusten; en niet onwaar-
schijnlijk is het, dat de Friezen "willem van ZTo/^aiJc? deswege zoo gewillig als Heer
huldigden, dewijl zij in hem eenen moedigen beschermer verwachten konden. Hij 1195
had dan ook naauwelijks het bewind over Friesland op zich genomen, of hij liet
een slot naby Oosterzee, niet verre van de Kuinder opwerpen, om den onrustigen
Graaf te bedwingen. De krijg Averd aan weerszijden een tijd lang met hevigheid
gevoerd, tot dat eindelijk in een hardnekkig gevecht, hehdrik de kraan, na een
aanzienlijk verlies van volk, geslagen en uit zijne bezittingen verjaagd werd (1). H^ß
Minzaam ontving men hem aan het hof van dirk VII, en dit heeft het vermoeden
opgewekt, dat hy door dezen Graaf, in het geheim, was ondersteund geworden (2).
Ofschoon de Kuinder door deze overwinning , onder het geweld van willem geraakte ,
is dit graafschap evenwel in stand gebleven en twee eeuwen later aan den Bisschop van
Utrecht verkocht (3).
Terwijl Friesland thans rust genoot, geraakten do Groningers ^ op hel voorbeeld
der Drenthenaars, tegen Bisschop boudewijn in opstand. Door yolkert van Koever-
den aangestookt, versterkten zij op nieuw de fFalhurgs Kerk, hun regt daarop
grondende, dat dit gebouw oorspronkelijk tot sterkte of burg tegen de invallen der
Noormannen bestemd geweest was eiï hun toebehoorde. Bisschop boudewun daarente-
gen beweerde, dat deze Kerk steeds tot een bedehuis voor de Bisschoppen, zijne voor-
zaten , gestrekt had, en de Groningers er geene aanspraak op hadden. Daar zij hard-
nekkig volhielden, werd de banvloek over hen uitgesproken, en hierdoor bevreesd ge-
worden, braken zij de kap dier Kerk weder af. Ondertusschen was rüdolf van
Seppenrothe, de Burggraaf van Groningen, op eencn kruistogt naar het Heilige
(1) Chron. Egmond. ap. kluit, Hist. Cnl. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 162,163 (93). Melisstoke,
D. I. Β, Π. bl. 470. De beka , p. 58, et bochelics ad eundcm, p. 60 (ä. /.). Occo scarlejvsis ,
bl. 105. Brdmani Res Transissal. in dumbar's Analect. T. II. p. 79, 80. Ubbo emmiüs,
Her. Friste. Hist. Lib. VII. p. 115, welke echter ten onrep.tc πεηοκικ de kraaw en den Graaf
van de Kuinder voor twee verschillende personen houdt, f[elijk reeds door scnoTASüs wordt aan-
j^ewezen, Fr. Hist. B. IV. p. 101. Wihsebics, Chron. v. Vriesl. B. V. bl. 146. F. sjoeros
Fr. Jaarb. D. II. bl. 435.
(2) Wagenaar, D. II. bl. 282. .Vei'S- hiervoor, LI. 187,
(3) De beka, p. 58. Van rijn, Aant. op de Oudh. en Gestichten van Friesland, T). I,
U. 491, 4Ü2. Kluit, IIist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. I. ρ. 163 (93). Vcrj. hiervoor, hl. 202.
302 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190 —Land, overleden, ca had slechts eenen onmondigen zoon, albert geheeten, nage-
lalen. Onmiddellijk nam zijn oom herbert de voogdijschap, en gevolgelijk het ambt
van Burggraaf op zicli; terwijl de Graaf-Bisschop, bewerende dat hem als leenheer
de voogdij behoorde, berthold van Groningen met deze waardigheid bekleedde.
Alles geraakte hierdoor in beweging; eerthold werd door Herberts aanhang vermoord ,
en de slad versterkt (1). Men sloot zich naauwer aan do Drenthenaars en bestreed met
lliiG hen den Graaf-Bisschop, wien het niet gelukte de wederspannigen te bedwingen (2).
Dit bleef voor zijnen opvolger, dirk van der Aare, bespaard, wiens onberaden
1198_togt naar Friesland eenen vernielenden oorlc/g ontstak, Avelke echter te zyner gunste
^^^^ eindigde (3). In dezen krijg, zoowel als inde onlusten over het bezit van Holland
tusschen Graaf willem en lodewijk van Loon, zullen de Friezen ongetwijfeld deel
genomen hebben (4), Friesland althans werd in het verdrag desBisschops van Z7iree/ii
met Graaf WILLEM I begrepen , 'en betrekkelijk dit gewest bepaald, » dat de Bisschop
niet zou beletten, dat eenige kooplieden uit het graafschap jFViei^aii«/, Oostergo
en fVestergo in zijn gebied overkwamen," terwijl tevens de voorwaarden, vroeger
tusschen Bisschop Godfried en floris III aangegaan, ongeschonden zouden onderhouden
worden (5). Weldra zag zich willeh meester van al het land tusschen de Honte
en do Lauwers, en men wil, dat hij zijn verblyf in Äo^/awc? vestigende, zijnen zoon
OTTO tot Graaf over Friesland heeft aansteld (6). Dit wordt echter door eenigen in
twijfel getrokken, dewijl van οττο, in deze hoedanigheid, weinig gewag gemaakt
Avordt en hij op dat tijdstip, den kindschen jaren niet konde ontwassen zijn (7). Het
is eohler zeker, dat hij eens Friesland beregt heeft (8). »
(1) Chron. v. Gron. en dc Ommelanden, bl. 10. Westendori·, Jaarb, v. Gron. D. 1. ])1.
206, 207.
(2) Zie liiervoor, LI.' 262—264. Verg. ubbo emmius, Rer. Friste. Jlist. Lih, VU. p. 115,
scuotanüs, Fr. Rist. B. IV. bi. 101, 102. F. sjoerds, Fr. Jaarb. D. II. bl. 438—442.
(3) Occo scarlensis, bl. 105. AVinsemiuS; Chron. v. Friesl. bl. 147. Zie hiervoor, LI. ISÜ,
265, 266.
(4) Zie hiervoor, H. 191—202, 266.
(5) Zie hiervoor, LI. 169, 202. Verg;, schotakds, Fr. Hist. B. IV. bl. 104. F. sjoerds, Fr.
Jaarb. D. II. bl. 451. Charterh. v. Vriesl. D. I. bi. 81.
(6) ScnoTAKDs, Fr. Ilist.B. IV. bl. 105.
(7) F. 8J0ERDS, Fr, Jaarb. D. II. bl. 463.
(8) Zie hiervoor, bl. 281.
-ocr page 303-DES VADERLANDS. ,207
Thans bereikte dit gewest een aanzienlijken trap Tan welvaart en bloei. Stavoren
in het bijzonder, de gewone rerblijfplaats der Friesche gezagvoerders, was door uitge-
breiden handel en zeevaart, rijk doch levens weelderig en brooddronken geworden.
Ten bewi/ze daarvan verhaalt men, hoe zekere bemiddelde weduwe een schip naar
Dantzig zond en den schipper gelastte, met het kostbaarste dat hij daar vinden
konde, terug te keeren. Zij nam het ten hoogste euvel op , toen bij haar ebne lading
van de voortreiTelijkste tarwe medebragt, en beval het edele graan, aan bakboord in-
geladen , aan stuurboord in zee te werpen. Dit verhaal ligt voorzeker niet buiten de
grenzen der waarschijnlijkheid, indien men slechts geloof ontzegt aan de wonderen,
welke daarop , als eene straf des Hemels, tot ondergang van Stavoren, zouden gevolgd
zyn, en onder welke bet opkomen van het zoogenaamde Vrouwenzand met zijne
onvruchtbare koornaren, gerekend werd (1). Natuurlijke oorzaken hebben den val
dier stad verhaast. Het verzanden van havens en riviermonden noch het verhoogen
der stroombeddingen zijn zeldzaam in Nederland. Men weet daarenboven, dal om dien
lijd de inbraken der Zuiderzee, voornamelijk lusschen Stavoren en Enkhuizen, veel
lands wegspoelden , hetwelk »elders weder aanslibte; het is alzoo zeer waarschijnlijk ,
dat door zulk eene aanzanding of aanslibbing, de haven van Stavoren allengs is verstopt
geworden. Toen nu hierdoor zoo wel als wegens de verkwisting, do weelde en pracht-
zucht der inwoners, koophandel en zeevaart in verval geraakten, zal men als eene straf
voor den moedwil der weduwe beschouAvd hebben, wat slechts een gevolg was van de
omwentelingen der natuur en van de misslagen der menschen (2).
Friesland strekte inderdaad dikwerf in dit tijdperk ten prooi der stormen en golven.
Zoolang de Noordzee zich geenen weg tusschen FUeland en Terschelling gebaand,
noch zoo veel gronds ten Westen van Friesland verzwolgen had, waren de landen
langs de Middelzee aan veelvuldige overslroomingen blootgesteld. Dit binnenwater
ontlastte zich door eenen wijden mond in de Noordzee, en trad bij eenén Noorden en
Noordwesten storm, niet zelden buiten zijne oevers, waardoor alom de schrikkelijkste
verwoestingen werden aangerigt. De ingezetene veeltijds niet in slaat het geweld des
waters door behoorlijke dijken Ie breidelen, wendde zich tot de kloosters, welke voor
hun hulpbetoon een gedeelte lands, benevens het regt van eigendom op den aan leslijken
(1) Occo scarlensis, hl. 105—106. wiksehiiis, Chron. v. FnW. B. V. p. 147. Vcr^;. r. sjoeuds ,
Fr, Jaarb. D. II. bi. 473—479 j cn de aanteckcning van mauviiion in η Auswahl Niederländi-
schen Gedichte." Β. 11. S. 396-401. Essen, 1339.
(2) Verg. r. sjoebds; Fr. Jaarb. t. a. p. Mauviliok, t, a, p.
-ocr page 304-804 ALGEMEEN Ε GESCHIEDENIS
] 190—grond voor zich bedongen; somtijds zelfs droeg hij hun al zijne landerijen op, alleen
onder beding, dat zij zouden zorgen, dat hij die gerust bezitten en bebouwen konde.
Op deze wijze hadden de monniken van Ludingaherk reeds op het einde der voor-
gaande eeuw, veel land onder Weidiim aan zich gebragl, en nabij den dijk der Mid-
delzee een aanzienlijk slins gebouwd. Naar de stichters ontving het den naam van Mon-
nikenhuis, en den armen reizigers werd hier, gelijk in de kloosters, door de Conver-
sen of leekebroeders , welke de omliggende landerijen tot koornvelden en weiden bewerk-
ten , een gul en vriendelijk onthaal aangeboden, Ondersteund door een voornaam edel-
man , viGLius ΠΑΝΙΑΜΛ. (iiAwiA ?) Welke in de nabijheid w oonde, slichtten deze leeke-
broeders de kerk te fVeidum, doch bleven slechts Aveinig jaren in het bezit van het
slins. Dekama van Jelliim, een man van aanzien, verdreef hen en maakte zich mees-
ter van hunne bezittingen, dewijl zij zich, naar het schijnt te zijnen nadeele, in de op-
komende geschillen der Friesche Edelen gemengd hadden. Het was trouwens in dien
tijd niet ongemeen, dat de Edelen zich met geweld kloostergoederen toeeigenden (1).
Onderlusschen hadden andere dorpen, vooral aan de westkust der Middelzee, door
dezelfde oorzaken gedrongen, het voorbeeld van JVeidmn gevolgd. De bewoners van
Mantgum stonden vele landeryen aan de abdij \ai\Oldeklooster άϊ , wier leekebroeders
de zeedijken opmaakten, een slins bouwden en eindelijk, met behulp van den abt, eene
Kerk slichlten. Even zoo namen de ingezetenen van Boxum hunne toevlugt lot den
abt van Lidlum, en droegen hem vele hunner eigendommen op , Avelke zij niet tegen
do woede der zee konden beschermen. Er werden leekebroeders gezonden, welke de
dijken herstelden en een zwaar slins slichtten, Avaar zy hun verblijf hielden. Hierdoor
zoowel als door aankoop voor eenen geringen prijs van de verarmde landzalen, geraak-
ten do kloosters in het bezit van vele schoone landerijen. Hel ontbrak hun geenszins
aan middelen , om deze met weinig kosten te bewerken, en de zeedijken in behoorlij-
ken staal te brengen en te onderhouden. Vele dier geestelijke gesliclilen immers telden drie,
vier, vijf, lot zes honderd bewoners, cn wat deze niet konden, was men in slaat door
anderen te laten verriglen, dewijl het ontzag voor de geestelijken, zoowel als hun
vermogen, den arbeider geldelijk te beloonen, eene menigte werkzame handen voor
hen in beweging bragt. Zoo ontstond, bijzonder in Friesland, de ongemeene aanwas
der klooslcrs en de rykdom der geestelijkheid (2).
(1) Occo scARtEssis, W. 107, 108. wiksemics, Chron. v. Vricsl. B. V. bl. 148. Scuotakus,
Pr. Ilist. B. IV, hl. 105, lOG. F. sjoerbs, Fr. Jaarb. D. II. bl. 480—482. Nasporingen
over de Middelzee, Leeuw. 1834, bl. 66 , 67.
(2) Zie cic zeo even aangehaalde sclirijvers.
-ocr page 305-DES VADERLANDS. ,207
Dankbaar echter moet de ijver erkend worden, mei Avelken de kloosterlingen veld-IIÜO—
bouw en veeteelt aankweekten, land trachtten aan te Λνίηηβη en de Terwoestingen des
waters te Toorkoraen. Niet slechts golfde de Borne of Middelzee tusschen Ameland
en Terschelling ^ met geweld Friesland binnen en stelde het gewest daardoor bloot
aan veelvuldige gevaren; maar haar Avalerschat werd daarenboven vermeerderd door
den IJssel of een tak dier rivier, welke met snellen loop uil Overijssel strooraende,
zich voorbij Sloten in haar ontlastte. Om eene afleiding aan dit overtollige water te
verschaffen, bedachten de kloosterbroeders van Ludingakerk, die reeds zeer vele
eigendommen op Texel en Vlieland bezaten, aan de zee eenen anderen uitloop te geven.
Zij groeven uit dien hoofde een kanaal tusschen Vlieland cn Terschelling door, be-
nevens verscheidene binnenvaarten, welke in deze gracht uilliepen; en delfden in ver-
eeniging met de bewoners van Dijkshorne ^ een dorp dat sedert verdronken is, een
kanaal tusschen Harlingen en Grind, Gewigtig waren deze vergravingen in do ge-
volgen. Men wil allhans, dat zij der Noordzee gelegenheid gaven , met meer geweld
in den mond van het Klie lo dringen, Λvaardoor eindelijk de Zuiderzee ontstond, en
aan de Aveslkust van Friesland verzwolgen werd, wat in de Middelzee weder aan-
spoelde. Hierdoor en uit hoofde van den verminderden toevloed des rivierwaters, dewijl
de JJssél, door de verwijding van het Flie, eene sterkere uitwatering gekregen had,
werd deze zeeboezem allengs opgestopt of opgeslykt, en in eene der schoonste en
weligsle landouwen herschapen (1). Wat echter menschelijko vlijt en vernuft hier aan
de golven ontwoekerden, werd elders, door de krachten der natuur, aan het water prijs
gegeven. Door do brandende hilte van eenen droogen zomer uitgedroogd, ontvlamde 1204
do veenachtige bodem van het bosch Fluiso, hetwelk geheel afbrandde, waardoor een
klein meer ontstond, de Pluizen of het Fluizertneer genaamd, dat later een der
grootste waterplassen van Friesland geworden is (2).
Terwijl do Friesche Geestelijken hunne lijdelijke belangen te huis behartigden, stre-
den de Friesche Edelen en gewapende mannen voor de zaak der Kerk in het Oosten.
Do verovering van Ptolemais in elf honderd een en negentig, had ook der Friezen
lust en ijver voor de kruistogten verlevendigd. Hunne schepen, vereenigd met die
der Bremers, Lübeckers en Denen, λvaren onder Bisschop uartwijk van Bremen in
elf honderd zeven en negentig uit de Elhe naar Lissahon gestevend, . en aldaar met
de uiterste gastvrijheid ontvangen. Na de stad Silves [Silviam) , uit welko de Sara-
(1) Occo SCARLEMSIS, 1)1. 111. ScHOTiHiis, Fr. Hist. B. IV. bl. 106. F. sjoerds, D. II.
bl. 482—484. Naspor. over de 3Iiddelzee, bl, 67, 68.
(2) Occo scarlensis, p. 110. Westerdqrp stelt het Flmsertneer, ter plaatse waar thans de
Zuiderzee is. Jaarb. v. Gron. D. I. bl. 224.
II. deei<. 39
-ocr page 306-30G ALGEJHEENE GESCHIEDENIS.
1190—eenen Lissabon benaauwden, veroverd en hare vestingwerken geslecht te hebben, had-
den zij hunnen logt naar Ptolemais, Avaar zij binnenliepen en na eenigen tijd door
andere kruisvaarders gevolgd Averden, spoedig en gelukkig voortgezet. De uitslag had
echter aan het voorspoedig begin niet beantwoord. De logt was mislukt, en de meeste
kruisvaarders hadden zich reeds in het begin des volgenden jaars, in de havens van Γΐ-
' rus en Ptolemais weder ingescheept. De Friescho schepen echter waren, naar het
schijnt, eerst ia elf honderd negen en negentig, met haetwijk van Bremm onver-
rigter zake teruggekeerd (1).
1204 Het blijkt niet, dat de Friezen aan den daarop volgenden kruistogt deel genomen
hebben, in welken Konstantinopel veroverd, en op de puinhoopen des Byzantijnschen
troons een Lalijnsch Keizerrijk werd opgerigt. Met niemve kracht daarentegen, ont-
vlamde hunne geestdrift, toen zekere olivier , opziener der kerkelijke scholen te
Keulen, op last van Paus innocentiijs III, door verscheidene geestelijken vergezeld,
in WestfuUn^ Friesland en Bruland het kruis ter herovering van Palestina pre-
dikte. Eene menigte Friezen, van beide kunne, waaronder vele geharnaste rid-
1213—ders en schildknapen, namen het kruis aan, terwijl rijke giften, door middel van
groote bussen in de kerken, voor dezen togt werden ingezameld. Om de gemoe-
deren des volks te meer tot den heiligen strijd aan te sporen, liet men het aan
geene verhalen van wonderteekenen en verschijnselen aan den hemel ontbreken. De
opgewonden verbeelding zag in de toevallige speling der wolken, in het dorp Sui-
derhuisen in de grietenij van Achtkarspelen, een blaauw kruis by de zon; gelyk
te Dokkum, juist bij den jaarlijkschen sterkbezochten omgang ter eere van den
ii. bowifagiüs, een groot wit kruis dat zich langzaam van het Noorden naar het Zui-
den bewoog (2). Er verliepen drie jaren vóór de Friesche kruisvaarders, op aan-
^PJqpj" schrijving van olivier, met hunne koggen uit de Lauwers in zee staken (3). Te
"ll^l^ vereenigden zij zich met de Duitsche en Hollandsche vlooten., van welke
ao van zij zich echter in Portugal weder afzonderden, om onverwijld naar Palestina te
llooi-
jnaand
(1) ScnoTAHDS, Fr. Hist. B. IV. bl. 123. Dirks, Noord-Nedcrl. en de kruistogten, bl.
178—181.
(2) Oliveri Eist. Damiatina, p. 1401. Gesta Fresonum, p. 139. Emomis Chron. p. 16.
Ubbo emmios, Rer. Fris, Ilist. Lib. VIII, p. 118, 119. Winsemids, Chron, v, Friesl. B. VI.
bl. 153. ScnoTANDS, Fr. Iliêt. ϋ. ÏV. p. 108. DibkS; JVoord-lVéderl. en de kruistogten,
M. 221—225.
(3) Zie de aansclirijvingsbrieven geteekend 5 van Zomermaand 1214, in liet Groot Charterl·.
V. Vriesl D. I. bl. 86. Emoj^is Chron. p. 26.
wm
-ocr page 307-DES VADERLANDS. 307
steyenen (1). Zij Helen Lissabon liggen en zeilden voorbij de kapen St. Vincent 1190—
en Sagres, de steden Alcor, SHves, 'Almacha en het sterke kasteel Tan Al-
hufegra. Een hevige storm verspreidde des nachts de vloot; vijf en twintig bo-
dems lieten voor Santa Maria, toen in de magt der Saracenen en ïïairin genaamd,
het anker vallen, waar zij in den vroegen morgen , de afgedwaalde schepen zagen
opdagen. Men trachtte terstond de reis te vervolgen, doch werd hierin door tegen-
wind verhinderd en genoodzaakt weder te ankeren. Santa Maria was eene zeer sterke
stad, aan twee zijden met water omgeven, en omsloten door een met torens voorzienen
muur, zoo breed, dat twee ruiters er op konden wedrennen. De gevoelens >varen ver-
schillend , hoe men in dezen zoude handelen; doch tegen den avond >vas het »alsof
de Friezen door eene hemelsche geestdrift bezield werden." Zij hieven hunne banieren
ten Hemel, en na met gezang de hulp der H. Maagd ingeroepen te hebben, tastten zij
moedig den vijand in het veld aan en joegen hem in de stad terug. Een Saraceen,
die langs een touw den muur afklom, werd terstond door eenen Fries gedood, die zich
van hetzelfde touw bediende, den muur beklom en zyno banier op eenen toren plantte.
Hierop werd eene poort overweldigd en zijne krijgsmakkers stormden binnen. Do
stad werd geplunderd, in brand gestoken en de buit naar de schepen gevoerd. Deze
verovering verspreidde zulk een schrik in den omtrek, dat niemand zich op het Jand
veilig achtte, en het den Friezen ten beste gaf. Den eersten van Oogstmaand ging men
van daar onder zeil, en kwam den volgenden dag aan den burg Rota, welke veroverd
en verbrand werd. Terwijl velen den volgenden morgen met den buit naar de schepen
terugkeerden, geraakten eenigen, door hoop op roof uitgelokt, tusschen de wijnbergen
verstrooid en werden door eene talrijke bende Saracenen overvallen. Zij verdedigden
zich den geheelen dag moedig en met geluk tegen den overmagtigen vijand, terwijl do
hulpbenden van de schepen aanrukten. Bij het ondergaan der zon kwamen de Sarace-
nen in sterker aantal bijeen , en vielen , onder een vreesselijk krijgsgeschreeuw, met
Avoede op de Friezen aan, welke hen onmiddellijk op de vlugt sloegen, en zegevierende
naar hunne vloot terugkeerden. Vrolijk verlieten zij des anderen morgens vroeg do
reede, en stevenden naar het eilandje Kadix, » waar zij stoutmoedig aan land stapten,
en regt op de stad van dien naam aanrukten."' Ofschoon met vele torens versterkt,
viel de plaats, door hare verschrikte bewoners in allerijl verlaten, zonder eenigen
tegenstand in handen der Friezen, welke haar een vreesselijk lot bereidden. De ge-
bouwen uitstekende door kunst, werden geplunderd en met hunne heerlgke tuinen
vernield; de prachtige moskeen met den grond gelijk gemaakt, en de overblijfselen der
(1) Vergelijk hiervoor, bl. 213, 214.
33*
-ocr page 308-308 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
scboone stad, nadat de barbaren zich eenige dagen met buit hadden verzadigd, balda-
dig aan de vlammen prijs gegeven.
Onder vele gevaren, stormen, tegenwinden en ontberingen vervolgden de kruisvaar-
ders hunnen togt langs de kusten van Oost-Spanje, Zuid-Franhrijk en Westelijk
Italië, tot zij eindelijk , niet zonder groot gevaar, in Civita Vecchia binnenliepen.
Daar echter deze haven te beperkt was, om zulk eeno talrijke vloot den geheelen win-
ter over te bergen, was men genoodzaakt achttien Friesche schepen ter overwintering
naar de haven van Corneto, insgelijks in het pauselijk gebied, te zenden. De
Friezen werden hier en in de omliggende plaatsen gastvrij opgenomen en met de meeste
onderscheiding behandeld. Inmiddels maakten zij de noodige toebereidselen tot het
voortzetten van den togt; en staken in het voorjaar met onderscheidene Italiaansche
kruisvaarders, welke hunner hoede en trouw waren aanbevolen , uit Civita F^eechia
in zee. Na afwisselende rampen en menigvuldige vermoeyenissen bereikten zy de
haven van Aci'e oï Ptolemais , Λν33Γ het gcheele heir der Christenen, naar men wil ^
^chtig duizend man sterk, zich bevond (1).
Terwijl hunne togtgenooten, >velke in Portugal waren achtergelaten, te Acre ver-
wacht werden, trokken zij naar Egypte, en bewezen vervolgens de gewigtigste dien-
sten bij de belegering van Damiate (2). Vele Friezen en Duitschers echter, onge-
duldig over het dralen des belegs en ongezind den tijd in ledigheid voor Damiate to
slijten, waren in het najaar met hunne koggen huiswaarts gekeerd, zolder dat het
blijkt, wanneer zy het vaderland weder bereikt hebben (3). Aan de onversaagdheid en
moed hunner teruggebleven landslieden was men, voor een groot gedeelte, de ver-
overing van Damiate verschuldigd. Zij immers vermelden de nieuwe schipbrug, welke
Sultan maiiek kamel over den Nijl had geslagen, om de vrije vaart op die rivier te
stremmen, door middel van- hetzelfde kleine schip , met welk zij vroeger het groote
dubbele schip aan den kettingtoren gebragt hadden (4). Slechts tien dezer dappere
kruisvaarders beklommen ,in het gezigt van de heiren der Saracenen en Christenen, de
schipbrug , vernielden haar en namen vier van de schepen, op welke zij gerust had»
(1) Emonis Chron. in iuttiiaei Analect, T. II. p. 29—35. Ubbo emhius, Rer. Fris. Uist^
Lib.ym, p. 119—121. ScnoTAKiis, Fr. Ilist. B. IV. bi. 109;, 110. BiViKS, JVoord-Nederl,
en de hruistogten, bl. 236—250.
(2) Zie hiervoor, bl. 215-218, 220. :j
(v-"
(3) Ojliveri llist. Ddm. p. 1405. \
i j
(4) Yerg. hiervoor, bl. 216.
1 ί
1190—
1256
9 van
Wijn-
maand
3217
28 van
Lontc-
maand
1218
26 van
Gras-
maand
1218
DES VADERLANDS. ,207
zegepralende raat zich (1). En toen een opstand in het vijandelijk leger gelegenheid 1190—
verschafte, den Nijl veilig over te steken om Damiate te omringen, -vrerd de bewa- i2l9
king van de voormalige legerplaats der kruisvaarders aan den westelyken Nijloever,
welke tevens eene veilige landingplaats opleverde, den Friezen en Duilschers toever-
trouwd. Door tvree schipbruggen werden de oevers aan elkander verbonden, en het
beleg van Damiate nam nu eigenlijk eerst een begin, waaraan ook de Friezen,
een werkelijk deel namen (2). Gering echter was hel deel dezer dapperen in den rijken
buit. Ofschoon zij met onverwrikten moed de geheele belegering bijgewoond, met
hunne koggen het leger van levensmiddelen en krijgsbehoeften voorzien, den Nijlloren
bemagiigd , de Nijlbrug vernield , de oevers versterkt, rivierbruggen gelegd en andere
belangrijke diensten bewezen hadden, Averd hun bij de verdeeling van den buit, van
de torens en huizen der stad, bijna niets toegekend (3). Zulk een indruk maakte
dit gepleegde onregt, dat er, voor een gedeelte, het spoedig verlies van Damiate aan
wordt toegeschreven door een ooggetuige, Avelke vroeger in eenen brief aan de
geestelijke en wereldlijke magten in Friesland, verklaard had, dat de Friezen voor
Damiate zich door ijver voor de goede zaak , wehvillendheid, gehoorzaamheid en stout-
moedigheid hadden onderscheiden; » schrikkelijk zijnde voor de Saracenen, en bemind
door de Christenen." Eene getuigenis, welke door den Patriarch van Jeruzalem in een
brief aan de abten van Friesland, bevestigd wordt (4). Waarschijnlijk zijn de Friezen,
kort na de verovering van Damiate, huiswaarts gekeerd; er wordt ten minste geen
spoor gevonden, dat zij aan den ongelukkigen togt naar Kairo, welke het verlies van
Damiate na zich sleepte, deel genomen hebben (5).
Een vreesselijke Avatervloed had ondertusschen Friesland, Groningen en de omrin- iQ van
gende gewesten geteisterd. Het had reeds eenige dagen achtereen geweldig uit den
Zuidwesten gestormd, toen even na zonnenondergang, terwijl de maan zich boven den 1219
gezigteinder vertoonde, de verbolgen zee, verzeld door eenen verschrikkelijken hagel,
nog heviger begon te woeden, waardoor de zeedijken op vele plaatsen doorbraken.
(1) Oliveri Jiist, Dam. p, 1408. Verg. dirks, Noord-JVederl, en de kruislogt. bl. 274.
(2) oiiveri liist. Dam. p. 1409—1412, 1419; 1420. Dirks, Noord-Wederl en dekruistogt,
hl. 274—278.
(3) Oliveri Eist. Dam. p. 1439.
(4) Oliveri Jiist. Dam. p. 1439. De beide genoemde brieven Avorden gevonden bij de schrij-
vers hiervoor, bl. 220 (5) aangewezen, en in de Kerk. Oudh, en Gesticht, v. Friesland, D. 1,
bl. 26—28.
(5) Dirks, Noord-Nederl, en de kruistogt, bl, 280.
-ocr page 310-310 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
De storm duurde den geteelen nacht onafgebroken voort, en werd woedender toen bij
de morgenschemering , de wind naar het Noordwesten schoot. Hierdoor ontstond op nieuw
een vloed , tenzelfden tijdo als het water , naar den gewonen loop, moest ebben, zoodat
het scheen, alsof thans eerst do vloed eenen aanvang nam. Het steeds aanwassende
water stortte zich eindelijk over geheel Friesland en Groningen uit, en leverde een
tooneel van ellende en verwoesting op , zoo als de herinnering uit vorige eeuwen er
geen aanbood. De golven schenen de hoogle der torens te bereiken, en bij het aan-
breken van den dag, na dezen akeligen nacht, zag men over de velden, menschen
en vee, woningen, stallen en huisraad op het water dobberen. Velen hadden
zich aan de boomen vastgeklemd of zaten op de daken der hoogste huizen,
welke het geweld des storms Aveerstaan hadden; anderen dreven op een stuk dak,
plank of hout op de genade van wind en golven, en zouden ongetwijfeld in het
lot van zoo vele ongclukkigen gedeeld hebben en in zee omgekomen zijn, indien niet
de wind, welke des daags Zuidelijk geloopen was, zich nu weder Noordelijk had ge-
wend , waardoor nog velen het dreigende gevaar ontworstelden. Eerst toen de zee het
land verlaten had, vertoonden zich de verwoestingen, welke zij had aangerigt, in
al hare yzingAvekkende grootheid. De zeedijkenAvaren gescheurd of omgewroet, enkele
huizen niet alleen, maar stevige gebouwen, kloosters, kerken, zelfs geheele dorpen,
omgeworpen, weggespoeld of bedolven, cn vele duizenden menschen en beesten verdron-
ken. Friesland geleek een groot slagveld, bedekt met lijken en overblijfselen der
verwoesting (1).
ΠϋΟ-
1256
Do dijken aan do Eems hadden door dezen zwaren vloed geweldig geleden. De
landerijen, grenzende aan de goederen der kloosterbroeders van Wittewierum aldaar,
waren bijna geheel verwoest, en vele ingezetenen verdronken, verarmd en weggeloo-
pen , waardoor de dijken ongemaakt bleven liggen. Over dit verzuim klaagden de zes
dorpen, wier dijkpanden niet geleden hadden, en eischten , dat de genoemde klooster-
broeders , benevens eenige andere opgezetenen, tot het herstellen der dijken zouden
gedwongen worden. Op dczo aanklagte velden de regters (eonsules) van dit jaar,
ongetwijfeld op grond eener bepaling in het ou^c FiOelingoër landrcgt y dit vonnis,
dat elk, onder die dijken behoorende, en derhalve ook de zes klagende dorpen, tot
dien last gehouden was, »dewijl do dringende noodzakelijkheid deze herstelling beval
en zij gezamenlijk moest gedragen worden." Het vonnis der reg(crs werd in den
wind geslagen, en men beleedigde zelfs de broeders van Wittewierum, deAvijl dezen
(1) Urbo emmiüs, Rcr. Fris. Hist. Lib. IX. p. 128. ScuotasuS; Fr. Bisi. B. IV. bl. 106.
Gadbeku, IVcdcrl. Jf'atervloedcn, bl. 57.
É-iMaa
-ocr page 311-DES VADERLANDS. ,207
niet al de last was opgelegd. Gelukkig -vergaderden iij dat tijdstip de aanzienlijk-1190—
sten {majores, grietnians ?) der zeven aan de kust gelegene dorpen, en henoemden
onmiddellijk gezworenen, om het geschil te onderzoeken en naar bevinding te oordee-
len. De vorige uitspraak werd door dezen bekrachtigd , en daar de veroordeelden zich
hieraan ook nu niet wilden onderwerpen, moest men hen met geweld dwingen, waarbij
een der onwilligen het leven verloor (1).
Nog gevoelde men de onvermgdelyke gevolgen dezer gevreldige overstrooming: är- 1220
moede en gebrek, toen in het volgende jaar, omtrent driekoningendag, een tweede
watervloed niet minder geducht dan de vorige, Friesland bedekte. Er ver-
dronken echter minder menschen en vee, dewijl de meeste ingezetenen, door de vo-
rige ramp gewaarschuwd, dieper landwaarts en op de terpen (wierden) met hunne
have geweken waren. Nogtans wordt het getal der verongelukten op eenige duizenden
begroot (2). Velen hadden hunne dierbaarste betrekkingen, hunne woningen, hunne
bezittingen, hun geheel vermogen voor altijd verloren. En even alsof Friesland
en Groningen in dit tijdperk tot een speelbal van stormen en golven veroordeeld wa-24 van
ren, zoo stortte weldra weder de zee , door «en hevigen Zuid-W^estenwind opgejaagd , zich
over de geteisterde gewesten uit. Na eenen droogen en uiterst onvruchtbaren zomer,
volgde een nieuwe storm en watervloed, die bijna al de zeedijken wegsleepte. De llcifsi-
iiitgeputte inwoners Λvaren niet in staat deze te herstellen, waardoor het land aan
eiken hoogen vloed was prijs gegeven, en eene onbeschrijfelijke ellende zich alom
vertoonde (3).
De rampen werden nog verhoogd door de onderlinge twisten dej: Edelen, die
naijverig op hun gezag, met geheele benden tegen elkander ten strijde logen en
het land met roof, brand en moord vervulden. In Oostergo onder anderen, voerden
twee Edelen, wieger , te Middelstum in de Ommelanden geboren, en tjaer» ,
een Fries, eenen langen en hardnekkigen krijg, in welken gene door het gemeen, deze
door eenige aanzienlijken ondersteund werd (4). Het twistvuur dreigde zelfs den band
(1) EjioNts Chron, p. 49, 50. Westekdorp, Jaarb. v. Gron. D. I, bl. 242;
(2) Ubbo e3im1ds, Rer. Fris. Hist. Lib.W. p. 129. ScnoTAsts, Fr, Ilist. R. IV. bl. 106,
ΟλΒηΕΜλ, Nederl. Watervloeden, bl, 65, 66.
(3) Emonis C/iroji. p. 58. übbo eïïmiüs , Jler. Fris. Ilist. Lib. IX. p. 129. E. besusga,
Hist. V. Oostfr. bl. 107. ScnoiAncs, Fr. Jlist. B, IV. bl. 106, Gabbema, Nederl Watervl.
bl. 66, 67. .
(4) Occo scaeleksis, bl, 110, ScnoTAKUs, Fr. Hist. B. IV. bl, 107. F. sjoerds, Fr, Jaarb,
D. II. bl. 509.
312 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
llüö— Tan Tereeniging lusschen Hunsingo eu Fivelingo te Ternieligen. De beleediging
^^^^ eenen Hunsingoer, op aanstoken van zekeren eppo rhembada , een rijk en aanzien-
lek man in Fivelingo, aangedaan, braglde gemoederen in beweging. Verbitterd , daar
zij zich te vergeefs bij de regters van Fivelingo beklaagden, vielen de Hunsingoërs
in die landstreek en staken uit weerwraak, eppo's woning in brand, waarbij tevens vele
Eivelingoërs het leven verloren. De twist werd door tusschenkomst van goede mannen
bijgelegd, toen zij op het punt was in eenen burgerkrijg te ontaarden (1).
Niet minder leden de verarmde ingezetenen van de onverzadelijke hebzucht der Geeste-
lijken , dan van de heerschzucht der Edelen. De zware overstroomingen en inbraken der
zee mogten den kniisprediker joaknes xantensis , eenen voorgenomen togt door de Om-
melanden verhinderen; zij hadden den Bisschop van 7¥i/niierniet belet, dit gedeelte van
zijn kerspel, met een aanzienlijk gevolg van geestelijken, naar gewoonte te bezoeken
en, ondanks de algemeene verarming, het seendgeld af te eischen. Daar de landzaat
echter, over het geheel, door de vernielende vloeden genoegzaam van alles was beroofd
geworden, stortte al de last op de kloosters, welken hierdoor grootendeels hel vermogen
benomen werd, om, gelijk in Friesland, den behoeftigen opgezetenen in het herstellen
der dijken en het bebouwen der velden, de ondersteunende hand te bieden (2).
Slechts weinigen zochten de bron der rampen, welke Friesland en Groningen
teisterden, in natuurlijke oorzaken en in de misdaden of dwaasheden der men-
schen (3). Blen wist eene andere reden hiervoor op Ie sporen, welke den staat der
godsdienstige verlichting en van de verstandsontwikkeling des volks treffend leert ken-»
non. Zekere Friesche kampvechter geheel aan den drank verslaafd, keerde op een tijd
met een berooid hoofd naar huis, waar hij een priester vond, om zijne gade welke,
zijne gewone mishandelingen vreezende, zich gevaarlijk ziek geveinsd had, het gewijde
misbrood toe te dienen. Onbesuisd biedt hij een kroes bier, welken hij in de hand
heeft, den geestelykc aan, die zich verontschuldigt met de woorden: »ik draag
het ligchaam des Heeren, en daarom drink ik niet." Vertoornd over deze weiger
ring, slaat de Fries met den kroes den priester de doos uil de hand, zoodat de
gewijde ouwels over den vloer vliegen. Maar ziet! voor de vrouwen, daar tegen-
woordig om do gewaande kranke te troosten, vertoont zich op eiken ouwel
eene stralende ster, terwijl de priester hen, zuchtende en kermende opneemt, en ont-
steld naar huis terugkeert. De kampvechter werd voor den deken van het gewest ge·«
(1) Emohis Chron. p. 59. Schotanüs, Fr. Hist. B. IV. bl. 107.
(2) Ebosis Chron. 57, 58. Sckqtahüs, Fr, Hist. B. IV. bl. 1Q7.
(3) Emohis Chron, p. 50.
-ocr page 313-DES VADERLANDS. " 313
dagvaard en in den ban gedaan, waarover hij zich echler weinig bekommerde. Ten ΠϋΟ—
laatste evenwel vond hij en de Priester zich gedrongen, het kruis aan te nemen en
naar Rome te trekken, ten einde Paus honorius III om vergiffenis te smeeken. Hun .
werd drie jaren dienst in den heiligen krijg tegen de ongeloovigen, tot boete op-
gelegd, Daarop togen beide naar het beleg van Damiate, viaar do dood hen reeds
het volgende jaar, in twaalf honderd achttien, wegrukte. Door deze onvoltooide
boete was do misdaad niet geheel uitgewischt, en de onbevredigde Hemel zou uit dien
hoofde, de daarop volgende vernielende vloeden en landplagen gezonden hebben. Om
deze af te weren, werd door eene rijke vrouw uit het geslacht van den kampvechter,
eene kerk gebouwd op do plaats waar de hoon geschied was, hetzij te Wielsrijp in
ÏVestergo, te Sixhierum of te fVittwerd bij Uskwerd in Groningerland, waar
naderhand het klooster van st. jan gesticht is. Anderen zagen in deze rampen do straf-
fende hand Gods, wegens het niet voldoen eener boete, door den Bisschop van Mun-
ster den ingezetenen der Ommelanden opgelegd (1).
Waar zoo veel bijgeloof en" onkunde het verstand benevelden, was het geen wonder,
dat elke prediking ter kruisvaart naar het Heilige Land met ijver aangehoord, en met
geestdrift in deze zinnelooze togten deel genomen werd. De kruisprediker olivier 15 van
van Keulen, bezocht dan ook thans deze gewesten wederom niet Yruchteloes.
Te Groningen uitstekend ontvangen, begaf hij zich naar Bedum en ffinsum, waar J223
vele vermogende lieden het kruis aannamen. Hij doorreisde Fioelingo, vertoefde te
Loppersum, Fermsum, Termunten en in Ruder I and, en rustte eenen dag uil bij
den proost emo in het IlXoosIgï Bloemhof FFitteioierurn. Hierop troE hij naar
en Husum in Emisgo, doch keerde, aldaar in zijne verwachtingen te leur gesteld ,
naar Hunsingo, en vervolgens naar Keulen terug. Intusschen had hij , op last van den
Paus, vier regters (judices) aangesteld, welke in zijne afwezigheid de veeten en ge-
schillen vereffenen, doch in het bijzonder de zaak des'kruises, zoowel in Groningen
als in de Ommelanden, het Oldamlt en Ruder land, bevorderen zouden. Hij onder-
rigtte de priesters nopens het kruisprediken , het teekenen met het kruis, hel uitdeelen van
aflaten, en beval hun niemand het kruis te geven, die noch met lijf noch met have der
heilige zaak van dienst konde zijn. Even als bij de vorige kruisprediking, liet hy in
elke kerk eene bus stellen, ter inzameling van geldelijke giften, en de priesters moes-
ten elke maand eenen omgang houden endengenen, welke naar vermogen bydroe-
gen , eenen zondenaflaat van tien dagen verleenen. Vijf van deze dagen mogten in de
veertigdaagsche vasten, en vijf in de jaarlijksche boete in rekening gebragl worden;
doch van den aflaat van veertig dagen werden veertien gerekend tot de eerste, en de
(1) ScDOTiHcs, Fr, Hist, B. IV. bl. 107. Oudh, en Geslicht, v. Groningen, bl. 456—-458.
II. deel. 40
314 ALGEME'ENE GESCHIEDENIS
1190— overige tot do laatstgenoemde boete. Verzoening met de Kerk werd dengeen ver-
leend , welke het kruis aannam en den togt zelf bijvvoonde; daarentegen was het niet
geoorloofd, dat gezonde en sterke lieden het kruis aannamen , met het doel, om zich
naderhand weder van hunno gelofte vrij te koopen (1).
Om de geestelijken van dit gewest tot volharding aan te sporen , en het aannemen
des kruises ook in Friesland te bevorderen , schreef hun olivier uit Keulen: » De
magtige en dappere Landgraaf van Tharingen, nevens tien Graven, vele ridders en
eene ontelbare menigte volks hebben het kruis aangenomen. De Denen, Bremers en
Keulenaars rusten ecno vloot uit. Deswege vermaan ik u, de schepen tegen den door
mij bepaalden tijd, in gereedheid te brengen. Weel ook, dat de Keizer op de Sara-
cenen in Sicilië eene overwinning behaald heeft (2)." 's Keizers afwezigheid veroor-
zaakte, 'dat de rijksvergadering te Keulen werd uitgesteld, hetgeen olivier aanspoorde,
om ter bevordering van den kruistogt, middelerwijl Friesland ie bezoeken. Hij kwam
te Groningen, en trok, verzeld door eenige geestelijke en wereldlijke, doch omdat zij
het kruis hadden aangeuomen, ongewapende personen, door Frodaicalde {Vrede-
wold) en Sutterhusum [Zuurhuizen) naar Dokkum en ovev de 3Iiddelzee (Bordena).
Uitslekend werd hij door de Friezen ontvangen en tot scheidsregter gekozen in de
veelo (usschen tjaard en wieger. Het schijnt, dat hij den eerstgenoemde, door het
volk wegens zijn onrustigen aard gehaat, in het ongelijk gesteld heeft. Allhans op zijne
terugreis naar Groningen, met hel doel om in Emisgo [Emderland) de geschillen
te vereffenen, naderde tjaard hem in schijn vreedzaam , doch viel weldra op eenenkruis-
C van vaarder, den edelen en achlingswaardigen elterus iw den oert , Hoofdeling (eapita-
jnrind Middelstum aan, en kloofde hem het hoofd. De moordenaar en zijne mede-
1223 pligiigen redden zich door de vlugt. Verbaasd en ontzet over dit gruwelstuk vervor-
derde OLIVIER zijne reis naar Emderland, waar hij de twisten bijlegde, en velen het
kruis aannamen (3).
Met helzelfde vredelievende doel als olivier naar Emderland, had Bisschop οττο II
van Utrecht in dezen tijd zich naar Groningen gespoed, waar weder ernstige oneenig-
(1) Emohis Chron. p. 64, 65. Ubbo emmiüs, Rer. Fris. Hist. Lil·. IX. p. 132. Schotanus,
Fr. Hist. B. IV. bl. 113. Dirks, Noord-Nederl. en de Kruistogt. bl. 290—294.
(2) EaoKis Chron. p. 65, 66. Men vindt dezen brief opjfenomen in het CAaiVeri. τ?. ίΤο/ί.
D. I. bl. 169 en Charterb. ν. Fricsl. D. I. bl. 86, doch verkeerdelijk op liet jaar 1216 gebragt,
gelijk Mr. dikks, bl. 294, en vroeger ubbo emmiüs, Rer. Fris. Hist. Lib. IX.p. 132, scnoTANOs,
Fr. Hist. B. IV. bl. 113, sjoerds, Fr. Jaarb. D, II, bi. 517, teregt hebben opgemerkt. 1
(3) Emokis Chron. p. 66. Udbo emmids, Rer. Fris. Hist, Lib. IX. p. 132, 133. Scuotahbs,
Fr. Hist. B. IV. bl. 113, 114. Dirks, Noord-Nederl, en de Kruistogt. bl. 295—297, !
I -
-ocr page 315-DES VADERLANDS. 315
heden lusschen den bisschoppelijken Sledevoogd egbekt van Groningen en de Gelkin-1190—
gen, eén Toornaam en rijk Groningsch geslacht, gerezen Avaren. Door egbert hot
vorige jaar in een hevig gevecht binnen de stad overwonnen, hadden do Gelkingen zich
om hulp lot RUDOLF van Koeverden gewend, welke als naaste erfgenaam der Seppen-
rothen, met zijnen broeder fhederik , op de sleevoogdij van aanspraak
maakte. Verbitterd op den ütrechtschen Kerkvoogd, \Yelke zich om zijne eischenwei-
nig bekommerde, had hij zich hiertoe ligtelijk laten bewegen , en het slot van egbert be-
legerd. Het beleg werd echter dadelijk bij de komst des Bisschops te Groningen
opgeheven; οττο gelastte beide aanhangen, zich van alle geweld en dadelijkheden te
onthouden, en hunne geschillen in den weg van regten voor hem te brengen. Hij deed
hierop uitspraak , ΛνβΒΓΒβη de Avederzijdsche hoofden zich onderwierpen , doch waartegen
RUDOLF, en op zijnen raad, eenige Gelkingen, zich met nadruk verzetten. De Bisschop,
niet in staat de rust geheel te herstellen, beval allen, op straffe des doods, zich tot zijne
wederkomst stil en rustig te houden.
Bevelen echter zyn vruchteloos, wanneer de magt ontbreekt hen te handhaven.
Naauwelijks was dan ook de Bisschop vertrokken, of de twist ontbrandde op nieuw.
De Gelkingen sloten zich naauwer aan de Drenthenaars, en van beide zijden werd veel ge-
roofd , geplunderd en gemoord. Rudolf van Koeverden tastte den burg te Glimmen,
door EGBERT opgeworpen, aan, nam het geheele huisgezin van den Sledevoogd gevan-
gen en slechtte het slot ten gronde toe. Egbert , ter naauwernood ontsnapt en van alles
ontbloot, nam de wijk naar Friesland, waardoor rudolf zich gemakkelijk van Groijf/?- 122G
gen meester maakte, en hier eenigen tijd, het gezag van Sledehouder uitoefende. Eg-
bert ondertusschen bragt, met behulp zijner vrienden en betrekkingen in Friesland
en de Ommelanden, eene krijgsmagt bijeen, met welke hij naar Groningen rukte en
die stad, na eene hevige belegering, met geweld vermeesterde. Rudolf ontkwam niet
zonder levensgevaar; een aantal Gelkingen werd gevangen genomen, de stad geplun-
derd en ten deele in de asch gelegd. Daarna werden de wederzydsche gevangenen tegen
elkander uitgewisseld. Uit vrees voor een nieuwen aanval, versterkte egbert do St. Wal'
hurgskerk, bragt de hem genegen burgers allengs bijeen en wapende zich tegen hu-
dolf , welke zich weder ten strijd loerustto. Groningen werd andermaal door den
overmoedigen Slotvoogd van Koeverden belegerd ; doch egbert , ondersteund door Sticht-
sche ridders en knapen, verdedigde zich dapper, tot dat Bisschop οττο opdaagde en
RUDOLF noodzaakte het beleg op te breken (1).
(1) Anonym, de Reb. VUraj. p. 17 sqq. Émonis C/iron.p.88. VVageraar ,D. Il.bl. 362—365.
F. sjoebds, Fr. Jaarb. D. II. bl. 625—531. Westehdorp, Jaarb. v. Gron. D. I. bl. 247,253 ,
269—271. Verg. hiervoor, bl. 271, 272 en de aldaar aangehaalde Schrijvers,
33*
-ocr page 316-316 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
/
Π90— Te midden dezer onlusten en beroeringen, waren tevens ernstige oneenigheden tus-
schen de geestelijkheid in de Ommelanden gerezen. De Bisschop van Munster, welke
alle vier jaren in persoon of door zijnen Koorbisschop aldaar de seenden moest houden,
had HERDERiGus, proost Tan het Schildwolder klooster, tot ontvanger der seend-
gelden in dit gedeelte zijns kerspels aangesteld. De schraapzucht van dezen man,
zijne Irotschheid, willekeurig beheer en grove buitensporigheden, doch bovenal de ge-
strenge wijze , op Avelke hij de inning der seendgelden uitoefende, maakten hem gehaat
en verachtelijk. Het volk schaarde zich dan ook aan do zijde van den proost emo ,
Avelke zich tegen de afpersingen en onregtvaardigheden van 'sBisschops ambtenaar ver-
zette. Herderigus , ondersteund door eenige aanzienlijke geestelijken , deelgenoolen zijner
brasserijen en ligtzinnigheid , bewerkte dat emo naar Munster gedaagd \verd, en daar
deze niet verscheen, deed hij, als ofliciaal des Bisschops, hem met zijn klooster in den ban.
Emo beriep zich van dit vonnis op de vergadering van Bisschoppen te Keulen, en
vond eene voorspraak bij haar in den kruisprediker olivier , svelke zich op dien lijd
in Friesland bevond. Doch de pogingen van dit aanzienlijk ligchaam, om het geschil
te slissen, baatten niet. De twist werd steeds heviger, dewijl er zich ook de Avereldlijke
magt mede moeide, lot eindelijk de Kardinaal-Bisschop coxradus lusschen beide kwam ,
en nadat over uerdericüs en den Bisschop van Munster de ban was uitgesproken, een
vergelijk getroffen werd. Emo, aan wien de regeling der voorwaarden was opgedragen,
werd kort daarna door den Bisschop van Munster tot abt gewijd. Hiermede was
echter de haat des volks op herderigus niet gestild, welke door eene nieuwe daad van
geweld en onregtvaardigheid, heviger dan ooit ontvlamde. De woedende Schildwolders
vielen zijn klooster, en toen hij zich door de vlugt gered had, in'twraak, de hui-
zen zijner namaagschap aan, Avelke zij verbrandden. Dit lot trof het klooster bij eenen'
tweeden aanval; slechts het bedehuis bleef voor de vlammen gespaard, doch werd ge-
heel uitgeplunderd. Later bewerkten de Bisschop van Munster en de regters des lands
eene bevrediging. De proost deed voor allijd afstand van de kerk van Schildwolde,
welke hij zich met geweld geheel had toegeëigend; de kerspellieden beloofden hem
voor brandschade, eene vergoeding van zestien honderd marken zilver, en de Munster-
sche Kerkvoogd trok voor zijn regt negen honderd marken. Kort na deze vereifening
Averd de Bisschop voor de kerkvergadering Ie Luik geroepen, als medepligtig aan den
moord des Aarlsbisschops van Keulen. Daar hij zich niet voldoende van deze aantijging
zuiverde, werd hij van zijne waardigheden ontzet, en ludolf ten bissohoppelijken
zetel verheven (1).
■ί·
(1) Euoms Chron. p. C6—83. übbo EMMits, Rcr. Fris. Hist. Lih. IX, p. 12i>, 132. Scho-
TAsüs, Fr. nist. B. IV. bi 115. Westekdorp, Jaarb. v. Gton. D. I. bi. 259—268. j j
DES VADERLANDS. ,207
Onderlusschen hadden de Friesche kruisvaarders, op oliviers prediking en door Π90—
brieven van Keizer fhederik II en Paus norforius III aangespoord, eene vloot bijeen-
gcbragt. Een der schepen, ten dienste van arme kruisbroeders, was door den ijver
on zorg van den abt emo en andere Ommelandsche geestelijken, uit liefdepenningen, ten
bedrage van wel twee duizend marken zilvers, uitgerust. De vloot kwam op d& Eems
bijeen, en slak bij het eiland Borkum, volgens anderen, uit de Bordene oi het Boer-y^n
diep, in zee. Veel leden de toglgenoo[en door stormen, ziekle en hongersnood. Te maand.
Brundusium vereenigden zij zich met andere kruisvaarders, en kwamen merkelijk
verzwakt in Palestina aan. Indien het Engelsche en Duitsche kruisvaarders geweest
zijn, met welke zy zich vereenigden, zullen zy ongetwijfeld deel gehad hebben aan het
bouwen en herslellen van de burgen te Sidon en te Caesarea. Hoe dit zij, toen Keizer
FREDERiK II, kort na zijne aankomst te Ptolemais, eenen tienjarigen wapenslilsland 1228
met de Saracenen sloot, keerden de Friezen, zonder iels bijzonders verrigt te hebben,
naar het vaderland terug (1).
AVas den Friezen in het Oosten de gelegenheid benomen, hunnen krijgslust bot te vie-
ren , zoo veel te meer werd deze door den oorlog der Drenlhenaars met dep Bisschop
van Utrecht bevredigd, in welken zij met belangloozen ijver deel namen (2). De be- 1230
ΛΥΟηοΓΒ lusschen het J^lie en de Lauwers, do Groningers en de Hunsingoërs, hielden
zich aan de zijde des Bisschops ; de Langewolders , Vredewolders en do Fivelingoërs kozen
die der Drenlhenaars. De Hunsingoërs en Fivelingoërs voerden daarenboven nog onderling
kryg met elkander. Uit do willekeuren, onder den naam van primum plehiscitum
Fiwelgumanum bekend, en om dezen tijd verzameld, blijkt de treurige slaat der Om-
melanden, waar plundering, roof en moord elkander afwisselden. Fivelingo icMsvias
wegens manslag in de Rijp aan eenen priester gepleegd, door ludolf , Bisschop van
Munster, in den ban gedaan, doch de misdadiger slechts in eene boele van twee dui-
zend marken geslagen, die tot op zeven honderd marken boele en twee honderd
ponden voor de regten des Bisschops, leruggebragt werden (3). De vlammen des bur-
gerkrijgs woedden met gelijk geweld.aan de oevers der Eems. De Ruderlanders, aan
gene zijde dier rivier, verbitterd op de Boven-Emisgoërs, welke hunne te markt gaande
kooplieden beroofden, trokken met eene gewapende magt over de Eems. De Emis-
goërs, ondersteund door eenige Westfaalsche edelen, vielen, ofschoon geringer in ge-
(1) Emonis Chron. p. 87. Occo scabl. p. 112. \viksemits, Chron, v. Friesl, bl, 160—162,
Uiiiio e511hics, Rer. Fris. Hist. Lib. IX. p. 135, 153. Schotands, Fr. Hist. B. IV. bl. 114.
Dirks , Noord-Nederl. en de liruistogt. bl. 207—301.
(2) Zie hiervoor, 1)1. 274-281.
(3) Ejio«is Chron. p. 87, 88. Ubbo emmius, Rer. Fris. Hist. Lib. IX. p. 135, 136. Sciio-
tahcs, Fr. Hist, B. IV. bl. 117. Westerdobp, Jaarb. r. Gron. D. I. bl. 272 , 273 , 270.
374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1190—tal, moedig den vijand aan en dreven hem weldra op de vlugt. Velen sneuvelden door
het zwaard of zonken onder het gewigt hunner zware Avapenrusting, in den stroom;
slechts weinigen bereikten hunne vaartuigen, en bijna al de Edelen en rijkste huis-
lieden vielen den overwinnaars in handen. De vijandelijkheden duurden evenwel nog
eenige jaren voort, toen eindelijk de zoen getroffen werd (1).
Inmiddels had Graaf floris IV van Holland zich ter inhuldiging, naar Friesland
1230 beoosten het Flie begeven. Deze plegtigheid, hoofdzakelijk, naar het schijnt, om
's Graven minderjarigheid tol nu toe uitgesteld, geschiedde te Franeker, waardeaan-
zienlijken des lands bijeengeroepen waren (2). Kort na zijne inhuldiging bezocht Bis-
schop AViLLiBRAKD dit gewcst, Avaardoor deze Kerkvoogd in staat gesteld werd, den
krijg met de Drenthenaars krachtdadig voort te zetten (3).
Der Friezen deelneming in dien krijg pleit te meer voor den oorlogzuchtigen aard
dezes volks, daar op dien tijd een vermeiende watervloed zich over geheel Friesland
van het Flie tot aan de Elhe, verspreidde. Het verhaal moge overdreven zijn, dat
wederom honderd duizend menschen hierbij omkwamen, bezwaarlijk echter is te looche-
nen , dat de uitwerkselen dezer overstrooming allertreurigst geweest zijn. Het stadje
Wartena, aan een zijtak der Middelzee gelegen, Ezonstad aan de Lauicers, het
stins Kammingahurg nabij Leeuwarden en Britsenlurg aan den oostelijken oever
der Middelzee^ Averden, naar men meent, grootendeels weggespoeld. Het schijnt al-
thans aan weinig tegenbedenking onderhevig, dat Friesland eertgds plaatsen van dien
naam en van merkelijk aanzien, bezeten heeft, wier ondergang in geweldige overstroo-
mingen moet gezocht worden (4).
Niettegenstaande deze rampen, duurden de binnenlandsche onlusten in de OmmelaU'
1231 den voort. In het verdrag tusschen den Bisschop van Utrecht en de Drenthenaars aan-
gegaan , was do twist der Hunsingoërs en Fivelingoërs niet bggelegd, en van weder-
zijde werd slechts in eenen wapenstilstand van eenige maanden toegestemd (5). Zij ge-
raakten weder op nieuw handgemeen, door het oude geschil over zekeren aanwas of
(1) ÜBBo EMMiüs; Rer. Fris. Hist. Lib. IX. p. 138. Schotanus, Fr. Hist. B. lY. bl. llü.
(2) Occo scarlensis, 1)1. 112. wihsebucs, ChroH, v. Friesl. IJ. IV. bl, 159. Beide stellen
deze plegtigheid, doch onjuist, op liet jaar 1224.
(3) Zie liiervoor, bl. 277.
(4) Occo scarlensis, bl. 113, 114, wihsëmics, Chron. v. Friesl. B. VI. bl. 163. E. βεκιν-
ga, Mist. Oostfr. bl. 111. Gabbema, Ferk. v. d. Watervl. bl. 71. Odthof, Ferh. v. d.JFa-
tervl. bl. 108, 308. F. sjoerds, Fr. Jaarb. D. Π. bl. 543—546. Tegenw. Staat v. Friesl.
D. I. bl. 393 , 394.
(5) Verg. hien'oor, bl, 279. ' ■
-ocr page 319-DES VADERLANDS. ,207
uiterwaard (insula), op welken de Emerensers of Ernerensers (in Hunsingo?) en dellöO—
1256
Uilhuizers (in Fivelingo?) beide aanspraak maakten. De gezworenen der zeven Frie-
sehe Zeelanden bij den Opstalboora , hadden de zaak ten voordeele dezer laalslen beslist,
doch partij zich hieraan niet onderwerpende, werden de Fivelingoërs opgeroepen, om
het vonnis met geweld ten uitvoer te brengen. De Emerensers, door den Stedevoogd
EGBERT van Groningen en eene dappere schaar geoefende strijders ondersteund,
joegen hunne vijanden op de vlugt en groeven, uit vrees voor wraak, de oude gracht,
waarover steeds getwist was, tot aan zee wederom op. Do Fivelingoërs, op den Stede-
voogd verbitterd, vereenigden «ich met do Drenthenaars en Drenthewolders, en versloe-
gen, lerwyl deze Groningen belegerden, de Emerensers, Avelke thans uit die stad geen
bijstand konden ontvangen. Ondertusschen had men, door eenen uitval der Groningers
en Hunsingoërs, na drie dagen het beleg, met verlies van zes honderd paarden en
krijgsbehoeften moeten opbreken. De Stedevoogd schoot nu met een drom boogschutters
den Emerensers te hulp, welko op hunne vijanden eene schitterende overwinning be-
vochten. Vele Fivelingoërs werden Verslagen, gewond of gevangen genomen; doch
bovenal betreurde men het verlies van den weisprekenden, regtschapen en algemeen
geachten egellus , den moedigen verdediger der volksregten van Fivelingo tegen den
Bisschop van Munster, Avelke op den derden dag aan zijne Avonden overleed. De
Emerensers, door de zege moedig geworden en bovendien door nieuwen onderstand van
krijgslieden uit Groningen en de omstreken versterkt, vielen, onder aanvoering,
naar hel schijnt, van zekeren oppo , eizo en den Stedevoogd egbert , in Five-
lingo ^ waar zij alles te vuur en te zwaard verdelgden. De ban, welke over hen wegens
het verbranden der kerk te üskwerd, door den Bisschop van Munster uitgesproken
en door Paus gregoriüs bekrachtigd werd, heeft welligt den voortgang hunner ver-
woestingeti voor eenigen tgd geschorst. Do Fivelingoërs zochten inmiddels op nieuw
hulp bij de Drenthenaars , en belegerden met hen de stad Groningen , doch even vruch- 1232
teloos als te voren (1). Terwijl de hernieuwde krgg, welke uit deze vredebreuk met
den Bisschop van Utrecht voortvloeide, de Drenthenaars elders werk verschafte, deden
de Groningers en Hunsingoërs in Fivelingo eenen inval, lot welken men op eene pleg-
tigo bijeenkomst to Groningen, onder het rondgaan van den berkenmeijer, besloten
had. ϊ,οο wel te paard als te voet trokken zij, door eenen nevel begunstigd, ongemerkt
voort, en rukten tegen den avond in het schoone dorp Wester-Emden. Op het luiden
der stormklokken verschrikt, besloten zij hier tot den terugfogt, doch werden door het
zamengevloeide landvolk achterhaald. Velen werden onder hot vlugten geveld, velen
gewond. Vier honderd van de voornaamsten des lands waren gevangen genomen en in
(1) Zie hiervoor, bl. 279.
-ocr page 320-374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1190—kerktorens opgesloten, doch zoo slecht bewaakt, dat de moesten ontsnapten (1). Dit
I aanzienlijk verlies belette evenwel de Hunsingoërs niet, met de Friezen en Groningers
in den krijg des Bisscbops van Utrecht tegen de Drenthenaars en hunne bondgenoolen
de Fivelingoërs, deel te nemen (2).
Het eindigen van dien krijg, noch de stormen, watervloeden en landplagen, welke
1233 Friesland, Groningen en,de Ommelanden teisterden, verzoenden de strydende par-
tijen (3). Veeleer verschaften do onlusten des Aartsbisschops van Bremen met de
Stadingers of Stedingers in Rustringen, den Hunsingoërs eene gelegenheid den Five-
1234 lingoërs hunnen wrok te doen gevoelen (4), Onder de geestelijke Vorsten, welke het
zwaard tegen de Stadingers aangordden, behoorde de Bisschop van ^fjwiiier, welke
kruispredikers tegen deze ongelukkigen, inde Ommelanden zond, doch die slecht ont-
vangen en te j4ppingedani zelfs mishandeld werden. De Groningers en Hunsingoërs
ondersteunden de kruispredikers, en beweerden met hen, dat de Drenthenaars
en de Fivelingoërs, door hunnen opstand legen den Graaf-Bisschop van Utrecht, aan
de Stadingers gelijk waren. j4j>pingedam werd in den ban gedaan , en niet dan na
eene ernstige en smadelijke boete , gelukte het den bewoners zich met de Kerk te verr·
zoenen. Zij moesten namelijk op naakte knieën en met ontbloote ruggen om vergiffenis
smeeken, en door eenigen met het kruis geteekende beden met roeden gegeeseld
worden (5). Het getal dergenen, Avelke in dit gewest aan den Stadinger kruistogtdeel
namen, Avas echter zeer gering. De Fivelingoërs schijnen, over het geheel, niet door
ijver voor do godsdienst, of bever voor de belangen der geestelijkheid , te hebben uitgemunt.
De buitensporigheden hunner priesters, de veelvuldige boeten en breuken tot welke zij
veroordeeld waren, doch niet voldeden, de moord aan eenige geestelijken gepleegd,
en daden van oproer tegen den Bisschop van Munster zeiven, hadden hen , na velo
voorafgaande doch vergeefsche vermaningen, den kerkban op den hals gehaald. De
zaak werd echter spoedig in der minne bijgelegd, en de rust hersteld (6).
Aan de oevers der Eems daarentegen waren hevige geschillen lusschen de Benedenr
(1) Eüiosis Chron. p. 90—93. E. βεκινολ , Ilist. v. Oostfr. \A. 111. Uobo emjiics , Reu
Fris. Hist. Lib. IX. p. 139. Sciiotands, Fr. Hist, B. IV. bl. 120, 121. Westesdorp, Jaarb,
V. Gron. D. I. bl. 282—289.
(2) Zie liiervoor, bl. 280.
(3) Emonis Chron. p. 93, 94. Ubbo emmius, Rer. Fris. Hist. Lib. IX. p. 143. H
(4) Verg. hiervoor, bl. 223. ■ U
(5) Emokis Chron. p. 95, 96. i\ ■
(6) Emohis Chron. p. 96. Westendorp, Jaqrb. v. Gron. D. I. bl. | ■
-ocr page 321-DES VADERLANDS. 321,
Emisgoërs en de Reidlanders gerezen, dio op eenen slrijd waren uilgcloopen , in welken
gene de dijken van dezen doorgebroken en de naaslbijgelegen dorpen aan zich onder-
Avorpen hadden. De Reidlanders trachlten zich legen de geweldenarijen hunner nabu-
ren, door een verbond met de Fivelingoërs in het vervolg te verzekeren; doch deze
>iilden , uit vrees voor de Hunsingoërs en de met hen vereenigde Friezen, zich niet met
vreemde zaken inlaten. Daar echter hunne roofschepen op en omtrent de Eevis stroop-
ten en do Friesche kooplieden benadeelden , maakte men aan de zijde der Friezen aan-
merkelijke toerustingen ten krijg, hetgeen door de Fivelingoërs gevolgd werd. Er werd
evenwel van weêrszijde weinig belangrijks verrigl, deels dewijl de Friezen, door on-
derhngo vijandschappen verdeeld, elkander wantrouwden; deels dewijl de Groninger on-
lusten omstreeks dien tijd op nieuAV ontvlamden en de Fivelingoërs noodzaakten voor
zich zeiven te zorgen (1).
Ondertusschen was Bisschop 'willibrand door οττο UI, vroeger Graaf of grafelijk
Stadhouder in Friesland, op den zetel
van TJtvecht gevolgd. Fvieslcind geraakte hier-
door weder onder het onmiddellijk bestuur van plokis IV van Holland, Men verhaalt,
op welk gezag is ons onbewust, dat deze Graaf, Avelke weleer in hooge mate de gunst der
Friezen bezat, die geheel verbeurde, dewijl hij door het omkoopen van dén adel, de
vrijheden en voorregton des volks zocht te belagen; en door zijnen logt tegen de Sta-
dingers, de gemoederen ten eenenmale van zich vervreemd had (2). Uit dien hoofde
zouden de Friezen op het berigt van 's Graven dood, een hunner Edelen, sikko sjaar-
DEMA , lot hunnen Potestaat gekozen hebben, Λ'\aaraan Bisschop οττο, hoewel Voogd
van den jongen Graaf, zijne toestemming gegeven had. Eenigen beschouwen dan ook
dit tydstip als het einde der Hollandsche regering in Friesland, ofschoon de Graven
van Holland later herhaalde pogingen gedaan hebben, om dat gewest onder hun be-
heer terug te brengen (3),
(1) Ehonis Chron. p. 99. Ubbo emmics , Rer, Frisic. Jlist. Lib. X. p. 147. Scdotakcs , Fr.
Eist. B. IV. bi. 127.
(2) übbo e3imius, Rev. Fris, Ilist. Lib. IX. p. 138. Schotakds, Fr. liist. li. IV. W. llö.
F. ijoerds, Friesche Jaarb. D. II. bl. 539, 558. Occo scarleftsis, of liever vlttarp , in zijne
Chronik van Friesland, getuifjt juist het legenovergestclde. Van Graaf floris sprekende, zegt hij
bl. 112: floris heeft de Friezen in goede rast, vrede en welvaart (gelijk ook zijn vader te voren
liadde gedaan) na Lare Privilegiën luit, onderhouden, zodat de Friezen onder Iiaar leefde, regt
of ze in haar eerste vrijheid hadden geweest, want zij vrijwillig van haar waren aangenomen,
niets dat ze niet.zouden ntlentcren, iet dat contrarye baar Privilegien waar."
(3) SciioTARüs, Fr. Ilist. β. IV. bl. 118, F. sjoerds, Fr. Jaarb. D. Π. hl. 558. Tegenw.
Staat V. Friesl. 1). I. bl. 397. Occo scirieksis of vlytarp, maakt van dit allee geene melding-
Π. BEEL·. 41
-ocr page 322-374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
^125^ VerderHijker yijanden dan de Graven van Holland^ koesterde Friesland in zijn eigen
) boezem. De aanzienlgksle Friesche geslachten waren in gedurigen twist met elkander
over den rang, ^velke aan hunne bijzondere kerken moest toegekend worden. Hier-
voor ijverden zij op het buitcnsporigste, en bezoedelden zich met de gruwelijkste mis-
drijven. Moord en brandstichlitig werden menigvuldig en ongestraft gepleegd ; alle schuld
meende men door het stichten van kerken en kloosters, die dan ook in groote getale
oprezen, en het verrijken der geestelijken uit te Avisschen (1). Do nadeelen , Avelke
1237 hieruit noodwendig voor de landzalen voortvloeiden, Averden nog vergroot door eenen
hoogen Malervloed, Avelke een groot gedeelte van Friesland overstroomde. De Avind
waaide uil hel Westen, doch liep vervolgens naar het Zuiden en Zuid-Oosten, waar-
door hel Avaler eerst uit zee en daarna uit den vollen IJssel in de gegraven vaarten
met zulk een geweld aanstroomde, dat genoegzaam al de lage landen tusschen
en het tegenwoordig Noord-Holland onderliepen. Zeker stins tusschen Texel en
Dijkshorne, spoelde met do oiiderhoorige landerijen weg, en de landen van Z/f/Äama,
tusschen Westergo en de naburige ^Xd^iA^ViFlieland^wTerschelling ^ gingen grooten-
deels verloren (2).
Wat Friesland door de veelvuldige Avatervloeden , van welke ermeer dan twintig in de
dertiende eeuw geleld worden, de inbraken der zee en misschien door aardschuddingen,
vooral ten Westen aan de golven moest overlaten, Averd door het allengs aanslibben en in-
dijken der Middelzee vergoed. Dit binnenwater, hetwelk Oostergo van Westergo scheid-
de, moet om dezen tijd reeds aanmerkelijk opgeslijkt en in heerlijke bouw- en Avei-
landen herschapen gCAveest zijn. Leeuimrden immers, thans voor het aanspoelend zee-
Avater beveiligd en ten Westen door hoogc landen omringd , Averd eene der aangengam-
ste en bloeijendste steden des lands. Verscheidene adellijke geslachten, wier sloten
verAVoest of bouwvallig Avaren, vestigden zich in den vruchtbaren omtrek dier stad en
bouAvden er sterke stinsen, ter verdediging hunner personen en goederen tegen de aan-
vallen van binnenlandsche zoo Avel als buitenlandsche vijanden (3). Deze onzekere staat
Wjhsemiüs verhaalt wel uit ecnc oude Kronijt, de aanstelling eens Potestaats, maar verre Aan
hieruit tot een einde der Hollandsclie regering in Friesland te bcKluiten, schijnt hij juist het te-
jjendeel te Avillcn aanduiden. Chron. v. Vriosl. bi. 1G5, 107.
(1) Occo scarlehsis, W. .114—117. AVihsejiiüs, Chron. v. FriesL hl. 165. Oudheden v..
Friesl, I). l. 1)1. 391, 3.92, 423, 425. F. sjoeros, Fr. Jaarh. D. Hl. bl. 13—17. Tegenw.
Staat v. Friesl. D. I. bl. 398—400^ 402-406.
(2) WiHSEJiius, Chron. v. Friesl. B. VI. bl. 166. Οοτπογ, Fcrh. v.d. JFatervl.hl 311
'(3) F.' SJOERDS, Fr. Jaarb, D. III. bl. 10. Vergelijk Nasporingen ^ betrekkelijk de Middel·
. iec, bl. 68 sqqi"^ : - ii-^r ^ ; .1 , i ■ ^ ■ ί ;
DES VADERLANDS. 323
van zaken zal levens de West-Lauwersche Friezen verhinderd hebben, mei nadruk deel 1190—
Ie nemen in de onlusten, welke zich ihans in Groningen mei vernieuwd geweld open-
baarden.
De Stedevoogd kgbert, welke met onverwrikte trouw de belangen der Utrechlsche 1240
Bisschoppen had behartigd , was overleden en door den oudsten zijner drie zonen , Ru-
dolf , in het bewind opgevolgd. De aanhang der Gelkingen, welke zich een lijd lang 1241
had stil gehouden, verhief nu weder het hoofd en vereenigde zich met de Popelingen
(Popingen) , een ander Groningsch geslacht, tegen het huis van egbert. De Drenlsche
Schout rutger en zijne broeders, de ridder τπιζο en rudolf , waarschijnlijk een neef van
EGBERT, voegden zich bij hen. De Stedevoogd werd overvallen en doodgeslagen; doch
zijne broeders, egbert en godschalk , ontsnapten het gevaar en versterkten hun huis of stins
met mannen en wapenen, ondersteund door hunne neven rddolf vanNoreh en menzo
benevens de ridders van peize. Do ecdgenoolen daarentegen hadden de ^aY^wr^jÄcrÄ
en het huis van menzo met nog twee woningen, bezet. Beide partijen bestreden elkander
met onverpoosde w oede , tot eindelijk τιιιζο en het overschot der zijnen , want velen waren ge-
sneuveld , zich gedwongen zagen , de stad te verlaten. Hunne huizen werden ingenomen ,
gesloopt of in brand gestoken. De vlam sloeg, naar het schijnt, tot de andere woningen
over; althans bijna de geheele stad werd aan kolen gelegd. Hierop werd hel slol De-
nerdewinkel, de hoofdwijkplaals der Gelkingen, ingenomen, met den grond gelijk ge-
maakt en vervolgens het dorp Eelde, Avelh'gt een goed van den ridder thizo , overval-
len en verbrand. Van do andere zijde bleef men niet schuldig in het vernielen. Het
slot Gronenburg aan de Hunse nabij Groningen, door een tijdgenoot do bron van
al de tweedragt genoemd , werd door thizo verwoest. Een zelfde lot trof het welver-
sterkte huis der ridders adolf en rudolf van Peize, en dat hunner neven, welk met
al het huisraad, do kostbaarheden en boomgaarden aan de vlammen Averd opgeof-
ferd (1). De rust werd hierna voor eenigen lijd hersteld en de stad Groningen met 1245
muren omringd, welke haar bescherming, veiligheid en bloei verschaften (2).
Onderlusschen was Keizer frederik Π, op aandrang van den Pai^s, door eene ver-
gadering van Bisschoppen te Lions afgezet, en geheel het Christelijk Europa tegen
dien Vorst, welken men als afvallig en ongeloovig afschilderde, in de wapenen geroe-
pen (3). Op last van den Paus, zond de Aartsbisschop van Mentz den minnebroeder
(1) Menconis Chron. apud ματτπαει Analect.T. II. p. 137. Ubbo emmiüs, Rer. Fris. Hist.
Lih, X, p. 147. ScüoTAKcs, Fr. Eist. B. IV. bl. 127. Westewdorp, Jaarb^ v. Gron. D. I.
bl. 300.
(2) Westehdorp, Jaarl·, v. Gron, D. I. bl. 302.
(3) Mehco, Chron. p. 140.
41*
-ocr page 324-374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1190--wiLBRAKD naar Friesland, om den kruislogt tegen den verfoeiden Keizer Ie predi-
1246 (1)· belofte van ruime aüalen, bewoog Inj velen het kruis aan Ic nemen,
doch daar hij als minnebroeder niet de taak der predikheeren mögt vervullen, beschul-
digden hem de Friesche geestelijken van ongehoorzaamheid aan zijne orde, en nood-
zaakten hem, zich naar den Paus te begeven, om zijne zending nader ie laten bekraeh-
1247 tigen. Het geld, welk hij uit Friesland medebragt, en de verzekering, dat men daar
grooten onderstand zou vinden, verschaften hem een zeer gunstig onthaal. Hij ontving
nu van den Paus den last, om den Friezen den kruislogt naar het H. Land, onder
Koning lodewijk IX, Avelke reisvaardig was, te prediken; en om zijner prediking
kracht bij te zetten, werd albert, Aartsbisschop van Lijfland, met hem naar FrieS'
land gezonden. Hier had ondertusschen zekere eeinald nevens een anderen minne-
hroeder uit Rome, zich met pauselijke brieven vertoond , om de gelden, ter bevorde-
ring der kruistogten afgezonderd, ten behoeve en in naam van den Paus in te vorderen.
Door den moedigen tegenstand van sicco, Deken van Fernsum en de Edelen des
Lands, moesten de zendelingen onverrigter zake vertrekken, en naderhand bleek, dat
zy bedrog gepleegd hadden, en hun uit dien hoofde door hunne geestelijke broeders,
de gevangenisstraf was opgelegd (2). Wilbrand en zijn togigenoot, met volmagten ,
aflaten en geestelijke voorreglbrieven rijkelijk voorzien, slaagden heter. In cene ver-
15 van gadering te Groningen, uit de abten en andere Friesche kerkvoogden, de gezwo-
'naami (juraii) van Friesland, de Edelen, en vooral hen, die het kruis hadden aan-
1247 genomen, zamengesteld, toonden zij hunnen lastbrief en begeerden, dal men legen
den aanstaanden Bloeimaand tot de overzeesche reis gereed zou zyn. Dit tijdperk
werd eenparig voor het maken der toebereidselen te beperkt beschouwd, en derhalve
met nog een jaar verlengd (3).
1248 Doch het beleg van Aken door Koning willem, waaraan de meeste Friezen,
welke het kruis hadden aangenomen, op pauselijke vergunning deel namen, verijdelde
hier te lande den voorgbnomen togt naar het Oosten (4), Na de onderwerping der
krooningsstad, werden de Friezen, op verzoek van menco , abt van het klooster Bloem-
(1) Mencowis Chron. p. 143. Wilbrahdos pracdicavit crucem super γκεοεκιοομ de STOPir,
quondam liomanorum impcratorem, Dc Ilcer dirks daarentegen is van jjevoelen, dat wilbrasd
toeii naar Friesland werd gezonrlen, om den kruislogt naar het IL Land, onder lodewijk IX,
te prediken. Noord-Nederl. en de Kruislogt, bl, 303. Dit ecliter schijnt het doel van's raonniks
tweeden togt naar dat gewest geweest te zijn.
(2) Menconxs Chron. p. 143. .
(3) Mehcohis Chron. Ui. ,
(4) Yerg. liiervoor, bl. 234. 1 \
-ocr page 325-DES VADERLANDS. 325,
hof te JVittevoierum ^ Avelke zijne laiidgenoolen in Aken bezocht, en op aandrang 1190—
Tan den Edelman tiiidard dodiwga , die hun voornaamste aanvoerder schijnt geweest
te zijn, door den Koning en den Kardinaal caputio , hoewel ongaarne, met dankzeg-
ging ontslagen. Bij hun afscheid erkende willem , dat zij op den moeijehjksten post
geslaan en drie malen de aanvallen der belegerden mannelijk afgeslagen hadden (1).
Tot loon hunner dapperheid en beloonde diensten, vernieuwde en bekrachtigde deze
Vorst, bij een open brief, hunne aloude voorregten en vrijheden van karel denGroote
of anderzins bekomen, schonk hun het vrije gebruik der Akensche baden, eene open- 3vau
lijko herberg aldaar en eene bijzondere standplaats, ten einde de omgangen met
overblijfselen dor Heiligen, te kunnen aanschouwen (2). 1248
De vrengdo over 's Konings gunstbewijzen werd door eenen vreesselijken zeevloed, 19 van
>velke ook Holland, Zeeland en Vlaanderen teisterde, spoedig uitgewischt. Een
slorm, verzeld door een verschrikkelijk onweder, joeg de verbolgen zee over de 1248
hoogste dijken, en ongehinderd stroomden eenige dagen, do baren over de velden
van Friesland en Groningen. Het zilte Avater had naauwelijks de landerijen ver-
laten, toen een tweede vloed, welke kort daarop door een derden gevolgd werd, de 12 van
ontluikende hoop des landmans weder geheel vernietigde. Do wei- en bouwlanden
door het zoute water uitgemergeld, leverden slechts een schraal gewas op. Armoede 1249
en gebrek vertoonden zich alom, en werden -door eene vernielende pestziekte onder
menschen en vee gevolgd (3). Het land tusschen Stavoren ^ Harlingen^ Enklmizen 1250
en Kampen had in het bijzonder veel van de geweldige inbraken der zee geleden (4).
Men konde echter, naar een oud berigt, in dien tijd nog met eene plank of deele
van Stavoren langs de landen naar Enklmizen komen. De Friesche edelman Hart-
man galama zou cvenwel zijne goederen in die streek verkocht hebben, dewijl hij een
haring in eene wel gevonden en daaruit besloten had, dat deze landerijen weldra door
de zee zouden verzwolgen ^γorden (5).
(1) Menconis Chron. p. 148.
(2) tjatling aykema, cfoh. in dc Aualccta van dboceriüs van kidek, bi. 490. Amst, 1725.
wissemiüs, Chvon. v. Vriesl. B. VI. LI. 168. Ubdo emmius, Rer, Fris. Ilist. Lib. X. p. 149.
scnotabus, Fr. Ilist. li. IV. bl. 129. V. mieris, Charterb. ν. ΤΙοΙΙ. D. I. bi. 252. Groot
Charterb. ν. Friesl, Ό. I. Li. 94. F. sjoerds, Fr. Jaarb. D. III. bl. 29—34. μεεκμαΐί, Gesch.
v. Gr. WILLEM II, D. 1. m. 297.
(3) Menconis Chro». p. 149—153. Ubeo esimiüs, Tier. Fn's. Eist. Lib. X. p. 150.
(4) Petrus τπαβοκιτα, of ρ. j. vait τπαβοη, Ilist. ν. Vriesl. in \νΛ. Archief voor Vaderl. Gesch.
Oudheid- en Taalk., van visser en amersfoordt , D. I. bl. 3. Leeuw, 1824.
(5) Occo sciBiEssis, bl. 119.
-ocr page 326-374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
IjyO— To midden dezer ellenden, scheurden binnenlandsche onluslen de geslagen avonden
^ woedend en verder vaneen. De twist lusschen do Groningers en Ommelanden Avas
wederom en heviger onlvlamd , en de ridder τπιζο door rudolf van Peize en de zij-
nen doodgeslagen (1). Niet slechts verhoogden de Groningers, zonder de minste barm-
hartigheid , voor do uilgepuUc landzaten onmatig den prijs der van elders gehaalde
granen , maar pleegden daarenboven legen hen veel moedwil en geweld. Aangevoerd
door koeniiaad van Groningen en küdoi.f van Peize, ontroofden zij den Ommelan-
ders de beste paarden , namen vele edellieden uit Fiuelingo gevangen, en verschoon-
den niet de bevriende Ilunsingoërs. Dil even wederreglelijk als onstaatkundig bedrijf,
noople de beide landschappen, op raad van den schranderen Deken sikko van i^eriuum ,
hunnen twee en twinligjarigen Iwist bij Ie leggen en zich weder niet elkander te ver-
eenigen. Hel geschil lusschen de Emersen of Emerensers en üilhuizers werd hierdoor te-
vens uil den weg geruimd, en onder anderen bepaald, dat de eerslgenoemden een
vierde deel van den betwisten uiterwaard , en de laatstgenoemden drie vierde deelen
daarvan zouden bezillen; dal het mangeld voor de gesneuvelden aan Avederzijden, naar
de landreglen, vergoed en ter schadeloosstelling voor roof en brand, door de Emersen
aan de Fivelingoërs en üilhuizers vier en twinlig duizend mark zilver, Fivelingoër
munt, en door de üilhuizers aan de Ilunsingoërs negen honderd mark zouden belaald
worden. Zonder zich lijd te geven het ontworpen vredesverdrag behoorlijk te bekrach-
tigen, trokken geheel Ilunsingo en Fioelingo, meer door den baal op Groningen,
dan door de liefde lot vrede vereenigd, als één eenig man onder de wapenen en op
den algemeenen vyand aan. Ilel slot Gronenburg, voornamelijk tegen de Drenthe-
wolders opgerigl, moest den eersten schok doorslaan, doch werd veroverd en tot den
grond toe geslecht. Onmiddellijk werd nu hel beleg om Groningen geslagen, doch
wegens het ongunstige jaargeltjde spoedig opgebroken en lot beier gelegenheid ver-
schoven (2),
1251 Inmiddels bekrachtigden do Fivelingoërs en Ilunsingoërs door wederzijdsche gijzelaars ,
het onderling gesloten verbond, en namen do Menlerners, in het Oldamht, daarin op.
Groningen werd nu len tweedenmale belegerd en zag zich, na eene dappere verdedi-
ging van vier weken, lot overgave bij verdrag genoodzaakt. De muren Averden grooten-
deels afgebroken en do steen- of wijkhuizen (slinzen) tot op de kelders geslecht; de
kooplieden bleven veilig met hunne goederen in de slad, doch de vijandelgk gestemde
ridders en krijgers moesten, zonder wapenen, haar verlaten, ende eerslgenoemden
zich verbinden, er nooit weder een gevestigd verblijf te houden. Het slot der ridders
(1) Mehcoris Chron. p. 149.
(2) Mekconis Chron. p. 153, 154.
-ocr page 327-DES VADERLANDS. 327,
VAW PEizE werd vernield; het verdrag met de stad door den Bisschop van Utrecht be- ^Igsß"
vestigd , het geslacht der Gelkingen op hel kussen geplaatst, en de rust in'Gro«/«^w zoo
wel als op de grenzen van Dï-enthe, hersteld (1).
De parlijhaat was echter hierdoor meer ontvonkt dan vernietigd, en horst weldra met 1252
vernieuwde woede uit. De gebannen ridders overrompelden de slad en beroofden πεκόκικ
BUTTEL, een der opperhoofden, bij den eersten aanval, van het leven. De mishandelin-
gen aan welke de Gelkingen thans ten doel stonden, bragten de Hunsingoërs en Five-
lingoërs weder in de wapenen en voor Groningen. De gebannen ridders, voor de
overmagt beducht, gaven zich op genade over, en koenraad van Groningen moest
zich, nevens den sledevoogd egbert, ten waarborg van het nakomen des gemaakten
vredes, lot gijzelaar stellen. Op hunne- schoone beloften ontslagen, rukten zij
met gewapende manschappen in Groningen, en bezetten het minnebroeders kloos-
ter gelijk de nabijgelegen steenhuizen. De Gelkingen wierpen zich in de St. JVal-
hurgs- , de St. Maartens- en de St. Nikolaas-Vcvliea, doch werden zoo hevig 1253
door de Gronenbergers aangevallen, dat zij de hulp der Ommelanders moesten in-
roepen. Do Fivelingoërs waren terstond bereidvaardig, en poogden to vergeefs de
thans ongenegen Hunsingoërs hiertoe te bewegen. Moedig vielen zij de ridders aan
en dwongen hen, na vele bloedige gevechten, tot onderwerping. Koeisbaad van
Groningen, op wien men het meest gemunt had, ontsnapte, doch eudolf van
Peize, de stedevoogd egbert benevens drie andere ridders, Averden gevangen naar
Appingedam gevoerd en in eenen toren opgesloten, tot dat zij na zes weken, op'
hunne verzekering van alle doodslagen en verwondingen te zullen vergoeden, onder
borgtogt ontslagen Averden (2).
Koekraad van Groningen beraamde ondertusschen de middelen, om zich weder van 1254
de stad meester te maken. Op zekeren na'cht geraakte hij er in het geheim binnen,
beklom met zijne bende het dak der St. Maartenskerk en verborg zich lot aan den 1255
morgen, op het verwulf. Toen sloop hij met de zijnen naar beneden, en stortte zich op
do verbaasde menigte in de kerk. Negen mannen werden gedood, de overigen tendeele
gewond, sprongen uit de vensters of redden zich waar zij best konden, door de vlugt.
Een rijke buit van veelsoortige voorwerpen, van levensmiddelen, wijnen, zelfs van
vee, welke men in dezen tijd van beroering, hier als aan eene veilige plaats be-
waarde , verhoogde den moed des sloulen aanvallers en strekte ter bestrijding zijner
uitgaven. Zgne bende verspreidde zich door de stad , welke een tooneel van moord en
(1) Mekcokis Ckron. p. 154 ,' 1.54.
(2) Mehcokis Chron. p. 155, 150.
-ocr page 328-374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
liyO—verwoesling zou opgeleverd hebben, indien niet stephanus van Winsum en een paar
andere ridders, zich lusschen de slrijdenden geworpen en hen bevredigd hadden. Hierop
werd overeengekomen, dat alles vergeven en vergelen zou blijven, en beiderzijds van
allen eisch op schadevergoeding afgezien Avorden. Egbert Averd in zijne waardigheden
als stedevoogd of burggraaf en regier ya^Groningen erkend, en hiermede eindelijk de
gewenschle rust voor langen lijd hersteld (1).
Terwijl Friesland lusschen de Lauwers en de Eems door burgertwisten geschokt
werd, Friesland aan gene zijde van hei F He, lot bloei en welvaart geslegen zijn,
ondanks de vernielende watervloeden en de strooptogten der Noordsche zeeschuimers ,
aan welke dit gewest, naar het schijnt, tot nu toe afwisselend blootgesteld geweest was.
Immers vindt men verhaald, dat om dezen lijd hel land niet meer aan de roofzucht
der Denen en Noren ten doel strekte. Do velden werden veel beploegd en bezaaid,
elk zat op zijn eigen erf, het volk was ryk, en veel goud en zilver in omloop geko-
men, Bijiia elk edelman bouwde een slot of slins, ζοοά-Λΐ Friesland vol burgen ge-
raakte, zonder dat hierdoor inbreuk gemaakt werd op de vrijheij der Friezen, welke
^elve hun land door reglers en grielmannen in elk deel of ambt, bestuurden (2), Men
wil, dat Koning \yillem deze vrijheid verraderlijk belaagde, om zich lot Heer van
Friesland te verheffen, en toen hij bij de Friesche geestelijkheid niet slaagde, door
ryke beloflen, den Potestaat sicco sjaakdema aan zijne belangen trachüe dienstbaar te
maken, hetgeen evenzeer mislukte (3). Het verhaal echler, zoo geheel in sirijd met
do gewone wijze van handelen in Koning willem , is zoo wel als de overfraaije, niet
weinig brallende brief van sjaardema aan dien Vorst, blijkbaar een verzinsel uit later
tijd, en dat te vergeefs bij de oudsle berigigevers gezocht wordt (4). Het sneuvelen
van v\'iLLEH bevrijdde de Friezen van alle vrees, zoo die ooit bij hen mögt beslaan heb-
ben, voor dezen in vele opzigten voorirelTelijken Vorst, en baande tevens den weg tot be-
vrediging van F laanderen met Holland, door tusschenkomst van den Hertog van Braband^
(1) Mercohis Chron. p. 156. Verg. vbbo emmius, lier. Fris. Ilisl. Lib. X. p. 150—155.
ScnoTANiis, Fr. IJist. li. IV. LI. 133—135. f. sjoerds, Fr. Jaarb. I). III. Η. 43—43, 54-58.
(2) Pethcs τπλοοκιτα, jlist. ν. Vriesl. D. I. hl. 4.
(3) wihsemius, Chron. v. Vriesl. B. VI. p, 169. F. sjoebds, Fr. Jaarb. ü. IIIj LI. 62— 64.
Tegento. Siaal v. Friesl. J). I. 1)1, 407.
(4) Dc Hollandschc Jaarboekschrijvers, dc oude Friesciic Rronijken van vlttarp en petrü»
τπαβοκιτα, noch het oude Chronijhje van Friesland, door de haan πεττεμα uiljjpjeven, maken
hiervan cenifj gewag'. Het slilzwijgen van ïbbo emhius duidt aau, dat deze schrandere gesclüed·
schrijvers aan deze zaak geen geloof hcchlle, ( ^
DES VADERLANDS. 329,
Noord-Braeahd en Limburg. Bij het begin van dit tijdvak bekleedde Hendrik 1,1190—
den zelel van dat hertogdom 1). Om den moord aan zijn broeder albert, verkoren,
Bisschop van Luik, ten gevalle van Keizer ïiendrik. VI gepleegd, te wreeken, veree-
nigde hij zich met den Hertog van Limhurg en verwoestte het gebied van den Graaf 1190
van Kir stad, welke de hoofdbewerker dezer misdaad geweest was (2). Het gelukte
den Keizer den vergramden Hertog te bevredigen, die nu met den Hertog van Lim- 1192
hurg en eenige andere Nederlandsche Vorsten, onder welke ook de Graaf van Hol-
land, een bondgenootschap vormde ten behoeve des Graven van Ν amen ^ welke, door
nood gedrongen, zijn graafschap aan boüdewijn , Graaf van Vlaanderen en Henegou-
wen , had afgestaan. Namen werd het tooneel van den kryg, waar boüdewijn aan hel
hoofd zijner Vlaamsche en Fransche benden, het meer talrijke leger der bondgenooten Ivaii
aantastte. Met gelijke woede werd aan beide zijden gestreden, en lang bleef de over- j^ag^ij^.
winning twijfelachtig , welke zich eindelijk voor boüdewijn verklaarde. De Hertog van H^·^
Limburg, zgne beide zonen en honderd achttien ridders vielen in handen van den
overwinnaar. Vyftien ridders, die zich wilden redden, versmoorden in een moeras, en
groot Avas het getal der gesneuvelden, zoo wel in het gevecht als in de vlugt. Boüde-
wijn maakte nu toebereidselen, om den oorlog in Brahand over te brengen, toen de
Keizer tusschen beide kwam en eene verzoening bewerkte. De Hertog van Limburg
en zijne zonen werden zonder losgeld geslaakt (3).
De dood van Keizer Hendrik VI wikkelde het Rijk in eenen burgeroorlog, welke20 van
ook op de meeste Nederlandsche staten terugwerkte. Filips van Zwahen en οττο j^aand
van Brunswijk dongen beide naar de kroon. Hertog Hendrik van Brahand ver-
klaarde zich voor οττο, en bewerkte door zijnen invloed, dat de meeste Nederland-
sche gezagvoerders dien Vorst erkenden en trouw zwoeren. Het weérspannige Jken
werd na eene belegering van meer dan veertig dagen, door hem bedwongen, en οττο
trad zegepralend binnen de stad, waar hij zich aan maria , de dochter des Hertogs,
verloofde, welke hij zestien jaren later huwde (4). Even gelukkig slaagde Hendrik
tegen de Graven van Holland en Gelre, wie hij noodzaakte, hem als leenheer te er-
kennen (5). Doch de trouw, welke hij van deze Vorsten voor zich vorderde, vergat 1202
(1) Zie hiervoor, h\. 180, 181.
(2) P. DivAEüs, Rer. Brai. Lib. X. p. 102, 103. Anlv. 1610. Magn. Chron. Belg. ρ.22δ.
Dewez, Hist. de Liege, Τ. I. ρ. 107—121.
(3) Meyeküs, Annal. Flandr. Lih. VII. p. 59, ad annum 1194.
(4) Dewez , Hist. Gén. de la Belg. T. II. p. 396.
(5) Zie hiervoor, bl. 189—191, 266, 290—292. Verg. dewez, Hist. Gén. do la Belg. Τ.IL
ρ. 396—398.
Π. deel. 42
-ocr page 330-374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1190—hij zelf ten opziglo van Keizer οττο, wiens zijde hij verliet, om den magliger geworden
mededinger filips , als Keizer te huldigen. Toen echter deze Vorst onder het staal eens
1208 moordenaars was gevallen, verzoende hij zich weder met οττο en verklaarde den oor-
log aan den Bisschop van Luik onder voorwendsel, van de eer en de regten des Kei-
zers te verdedigen. De geschillen werden door een verdrag bijgelegd, doch onlbrand-
^ ^an den spoedig heviger. Luik werd nu door den Hertog ingenomen , en vier dagen aan
1212 lïioord, roof en verwoesting prijs gegeven (1). De gevlngte Bisschop wendde zich lot
de Graven van Vlaanderen , van Namen en van Loon, doch hun bondgenootschap
werd door den sluwen Hendrik verijdeld , die zich liict den Koning van Frankrijk
vereenigde, wiens dochter μακιλ , Gravin-weduwe van Namen, hij ten huwelijk
ontving. Doch de verbiudtenis met filips augustus bragt hem in botsing met Keizer
οττό IV j welke de zaak van Koning jan van Engeland verdedigde, Aviens kroon
door Paus iNNOCENTiüS IV aan den Franschen Vorst was weggeschonken Door de
Graven Vlaanderen cn Holland gedrongen, verklaarde ιιενβιιικ zich echter weldra
weder voor den Keizer, wiens belangen hij na hot verlies van den slag bij Bouvines,
1214 op nieuw verraadde (2). Hij zwoer nu frederik: II hulde en trouw, doch moest zijn
zoon tot waarborg den Keizer achterlaten (3).
Twintig jaren van vredo bezigde Hendrik tot de inwendige verbetering zijner staten.
'0 van Op het einde zijner regering nam hij deel in den kruistogt tegen de Stadingers , over
ricrlst"
maand ^^'dken zijnen oudsten zoon en naamgenoot het bevel werd opgedragen (4). Hij over-
1235 jgej ijef volgende jaar te Keulen na eene kortstondige ziekte, en werd te Leuven in
de St. Pieterskerk bijgezet, waar een praalgraf de plaats aanwijst, die zijn gebeente
omvat (5). Meer dan veertig jaren had hij den staf des bewinds gezwaaid en was do
eerste, welke den titel van Hertog van Braband met Lotharingen oi Lotrijk
vereenigd , en in zijn schild den Belgischen Leeuw, als volkszinnebeeld , gevoerd heeft (6).
Den moed en onverschrokkenheid des krijgsmans, paarde hij met al de list en sluwheid
des staatsmans, welke gewetenloos met woord en gelofte speelt, wanneer zijn belang of
het gevaar des oogenbhks dit vordert. Onsterfelijke verdienste heeft hij zich echter verworven,
door het vestigen der gemeenten of van eeneu onafhankelijken burgerstand in de steden,
(1) Verg. hiervoorbl. 294.
(2) Zie hiervoor, bl. 208—210, Divaeus, lier. Brabant. Lih. X. p. 108—112.
(3) Divaeüs, lier. Bral·. Lib. X. p. 112. Dewez, Hist. Gén. de la Belg. T. II. p. 423.
(4) Zie hiervoor, bl. 223. Divaecs, Rer. Brabant. Lib. X, p. 114.
5) Divaeijs, Rer. Brabant, Lib. X. p. 115.
(6) Deweï, Eist. Oén. de la Belg. T. II. p. 426, \\
-ocr page 331-DES VADERLANDS. 331
zoo als XeFihorden , te Leuven en \q Brussel. Sinds zijne regering ilagteelicnt zich dan 1190 —
ook het begin van den val des leenstelsels en de aanvang van dien nieuwen slaat van zaken ,
welke zulk eenen weldadigen invloed gehad heeft op het geluk der volken en Vorsten (1).
Zucht naar ijdelen roem noch streven naar uitbreiding van magt en aanzien, ken-.
merkten zijnen zoon en opvolger hendrik II. Slechts bedacht, om zijn volk devoordee-
deelen des vredes te verschafTen , had deze voortreiFelijke Vorst den moed of de wijsheid
de aangeboden Keizerskroon van de hand te w^zen (2). Hij overleed spoedig daarna en 1248
te vroeg voor den staat, welken hij met versland bestierde en kort voor zijn dood door
het afschaffen van het regt der doode hand {jnorte main) voor altijd aan zich ver-
bond (3). Dit regt bestond in de verpligting om, wanneer een huisvader gestorven
was, het schoonste stuk huisraad of vee den Heer der plaats af te staan. Blen kende
dit afkoopen door de reglerhand van den overledene af te kappen en haar den Heer aan
te bieden. Dit Avalgelijk en hatelijk regt, Avas hel teeken der dienstbaarheid (4).
Even vredeminnend van aard Avas πενοκικ III, Avelke zijn vader opvolgde. De
omstandigheden eu de namaagschap met Koning willem alleen, konden hem bewe-
gen in de belegering van Aken deel te nemen. Hy vergezelde dien Vorst by de zege-
pralende intrede in de bedwongen stad, en werd aldaar onder de leden van 'sKonings
bijzonderen raad , zoo deze ooit is aangesteld , opgenomen (5). Zeker is het, dat hy Wil-
lem steeds met zijnen raad ondersteunde, hem op den belangrijken Rijksdag te Frank~
fort volgde, en ijverig trachtte de geschillen met Vlaanderen in der minne te vereffe- 1252
nen (6). Hoezeer hij den vrede boven alles stelde, schroomde hij echter niet de wapenen
op Ie vatten, Avanneer do handhaving zijner regten, of do zaak der onderdrukten dit ge-
biedend vorderden. De onwaardige Bisschop van Luik , Hendrik van Gelre, had door bui-
tengewone belastingen en afpersingen , het misnoegen der geestelijkheid en inwoners in
hooge mate tegen zich opgewekt. Uit geldgebrek was hij genoodzaakt geweest ZTow^aerrfe ,
Bavenchi en de helft van de stad Mechelen voor dertien honderd marken zilver aan den
Hertog vante verpanden , zonder dat hij hiertoe de toestemming van zijn Kapittel
verkregen had. De kanoniken van ZwiA beschouwden uit dien hoofde deze onderhandeling
(1) Verg. DEWEz, nist. Gén. de la Belg. T. 11. p. 426—430.
(2) Magn. Chron. Belg. p. 259. Verg. Jiiervoor, bl. 228 , 229.
(3) Divaeds, Rer. Brabant. Lib. XI. p. 118.
(4) Deze belangrijke gunsibrief is gedagtcekend den 22 van Louwmaand 1247. Zie dewez IJist.
Gén. de la Belg. T. III. ρ. 3, 4.
(5) Zie hiervoor, bl. 234-237.
(6) Zie hiervoor, bl. 245, 248.
41*
-ocr page 332-332 ALGEMEENE GESGHIEDENiS DES VADERLANDS.
1190—als onwettig, eischten van den Hertog, dat hij deze steden zou verlaten, en deden hem,
1256 2^-j ^yeiggfiijg daarvan, in den ban. De Bisschop hief den ban op, en de Hertog deed aan
het hoofd eener talrijke gewapende magt, zyne regten eerbiedigen en bragt de stad
St. Tndjen tot onderwerping. Do voorwaarden, welke hij den bewoners had opge-
legd , waren matig en billijk, doch gunstiger voor hem dan voor den Bisschop. Deze
laatste ontveinsde in den beginne zijne spijt, doch wreekte zich, zoodra zijne magt
dit veroorloofde, door alle soorten van onderdrukking, opbrengsten en bedreigingen,
op de inwoners van St. Truijen, om hen te straffen, dat zij bepalingen , die voor hem
zoo nadeelig Avaren, hadden aangenomen. De verdrukten riepen nu de hulp in van Hertog
HEïïDEiK als hun beschermer en middelaar. Hy kwam met een aanzienlijk gevolg en verbood
den inwoners, den Bisschop iels meer op te brengen , dan de som, welke in de voor-
waarden , die hij hun had voorgeschreven , bepaald was. De Bisschop had zich onder-
tusschen tot den Paus gewend en volmagt verworven, om een twintigste gedeelte te
heffen van de inkomsten van al de priesters zyns kerspels, ten einde de drie verpande
sleden te lossen. Daar nu het geestelyk gebied van Luik zich over een groot gedeelte
van Braband uitstrekte, kon en mögt de Hertog niet dulden, dat de geestelijken zijner
heeischappij , door een vreemd Vorst mot zulk eene zware belasting gedrukt werden. Hij
verbood hun derhalve daaraan te voldoen, met de bedreiging, dat zoo zij den Bisschop ge-
hoorzaamden , hij de tiende voor zich zou vorderen. De Bisschop , om zich te wreken,
deed hierop den Hertog in den ban. Door tusschenkomst der voornaamste Zuid-lVeder-
landsche Grooten, werden te Brussel de geschillen, doch slechts in schgn , vereffend.
De trouvvlooze Kerkvoogd immers, overviel spoedig de stad St. Truijen^ maakte er
zich meester van en pleegde er de grofste buitensporigheden. Reeds stond de Hertog
op het punt, zich met de wapenen regt te verschaffen, toen door floris , den Voogd van
Holland^, welke zich te Leuven bij hem bevond, οττο , Graaf van Gelre, broeder des
Bisschops van Luilt, jan van Avenues en eenige andere Grooten, als scheidsmannen,
1255 vergelijk getroffen en hiermede deze twist geëindigd werd (1).
(1) Dewez , Ilist. Gén. de la Belg, T. III. ρ. 17—20.
V
1.
V!JFI)E HOOFDSTUK.
VAN HET
SNEUVELEN VAN GRAAF WILLEM II,
tot op
DE VEREENIGING VAN HOLLAND MET HENEGOUWEN.
ISOO.
Holland eh Zeeland. Bij den dood van ΛΛ'illem II, koude zyn zoon en opvolger 1250_
FLOKis V, naauwelijks den ouderdom van anderhalfjaar bereikt hebben (1). Hij werd l^^O
evenwel terstond door de Edelen en het volk van Holland, voor Graaf erkend (2).
Doch zgn oom floris , naar regl Voogd van den jongen Graaf, hield in deze hoeda-
nigheid, het hoog gezag in handen dat hij als stadhouder san Holland, bij het Ie- j256
ven zijns broeders had uitgeoefend (3). Spoedig sloot hij een verdrag mei Margaretha
van Vlaanderen, en daar dit een vrerfeiverdrag genoemd wordt, wil men hieruit af-
leiden , dat de Gravin den Voogd van Holland overvallen en hem met do wapenen tot
eene schikking gedwongen heeft (4). Doch geene geschiedkundige berigten ondersteu-
nen dit gevoelen. Zoo veel slechts schijnt te blijken, dat het vuur des oorlogs tusschen
(1) Maerlakt , M. S. 'Sp. Hist. bij buderdijk, D. II, bl. 158. Melis stoke zegt, dal floris V
{juboren werd, terwijl willem II Falcnchijn belegerde, D. II. B. III. bl. 109j en orlers Bcschr.
mn Leyden, bl. 298 uitg. v. 1641, geeft hem Leiden, doch ten onregte in 1255, tot geboorte-
plaats. Verg. groebe's Verh. over Graaf floris V in de Verh. d, 2de klasse van het Koninhl.
Nederl. Inst. D. VI. Si. I. bl, 7—11.
(2) WiLiiEtJHis procdrator, in ματτπαει Analect. T. II. p. 518.
(θ) Vetg. niiderdijk, D. II. bl. 158.
(4) Bilderdijk ; D. II. bl. 158.
-ocr page 334-374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
^130ö" β" avesnes, op nieuw dreigde te ontbranden, toen Koning lodewijk IX
24 van van Franhrijk ^ te Peronne de moeder met hare zonen verzoende en tevens eenen vrede
inMiid. Aussehen haar en flohis van Holland bewerkte (1). De voorwaarden werden kort
1256 daarna te Brussel, onder medewerking van Hertog iiekdrik van Brahand en Graaf
13 van otto van Gelre, door flgris en Margaretha geteekend, uitgegeven en acht dagen
later door gui van Flaanderen, welke sedert zijne slaking uit de Zeeuwsche gevange-
nis, nevens zijne moeder regeerde, nader omschreven en bevestigd. De hoofdpunten
des verdrags komen hierop neder: 1". flokis de Voogd zal huwen met Margaretha,
de oudste dochter van güi van Vlaanderen. 2". Hem zal daarvoor door de Gravin en
haren zoon ten vrijen erfleen worden afgestaan Zeeland lewester Schelde, hetwelk
weleer gerekend werd aan Vlaanderen te behooren. 3°. Floris moest, als leenman
ΛΆΠ laander en, wegens dit gedeelte λΆη Zeeland aan Margaretha hulde doen, en als
Voogd van Graaf fi-oris V, het' andere deel van Zeeland insgelijks van haar heffen.
4°. Indien de Voogd van Holland kinderloos overleed , zou Graaf floris V ook eene
dochter van gui van Vlaanderen huwen , en met haar Zeeland hewester Schelde ont-
vangen. 5®. Mögt floris V ook zonder kinderen sterven, dan moest met Zeeland he-
wester Schelde dien der zonen van Graaf gui beleend worden, welke met maghteld ,
de dochter van Koning willem , zou huwen. Eerst na haren dood zou Zeeland
hewester Schelde aan den erfgenaam van het graafschap Holland komen, die het ech-
ter van do Vlaamsche Graven in leen zou blijven houden, en hun daarvoor tienduizend
marken sterlings betalen. 6°. Werd dit gedeelte van Zeeland te eenigen tijde onder de
erfgenamen van den Voogd, van zijn neef floris of van machteld verdeeld, dan zou
elk voor zijn aandeel aan Vlaanderen hulde moeten doen. 7°. De geschillen over
de lollen, door de Vlamingen in Holland te betalen, verbleven aan do uitspraak van
Hertog UEïiDRiK van Brahand. Deze besliste dit punt ten voordeele van Holland,
waaraan Margaretha beloofde zich te onderwerpen (2). 8°. De wederzijdschevrijheden
der Ilollandsche, Zeeuwsche en Vlaamsche kooplieden zouden, naar de bepaling van
elf honderd acht en zestig, vernieuwd en bevestigd worden. Eindelijk ten 9° werden
aan floris, zijnen vrienden en aanhangers alle beleedigingen den Vlamingen aange-
daan, van harte vergeven (3). Dit verdrag werd niet alleen door een groot aantal Ede-
(1) ktrit, Kist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ, 312. Τ. II. Ρ. II. ρ. 677, Biiderdijk, D. II.
hl 159.
(2) Zie de brieven bij kluit, Hist. Grit. Com. T. II.-P. II. p. 695, 702.
(3) Kluit, JIht. Grit. Gom. Τ. I. Ρ. IL ρ. 313—319. Τ. IL Ρ. IL ρ. 677—690. De be-
denkingen Tan hüydecoper (melis stoke, D. IL hl. 299—310) tegen de echtheid van dit ver-
DES VADERLANDS. 335,
len van beide zijdeu , maar ook door de steden Gent, Brugge, Yperen, Rijssel en 1256—
Douai, bekracliligd. Een be^γijs, tot welk aanzien de groote sleden in dien tijd reeds
gestegen waren, en ΛτοΠίεη invloed zij met de Edelen op de staatszaken uitoefenden (1).
Van beide zijden werd daarenboven bij eene afzonderlijke overeenkomst bepaald, do
Avcderzijdsche ballingen noch te ontvangen , noch te dulden (2). Het sluiten van dit
merkwaardig verbond, vooral wat het derde punt daarvan betreft, heeft floris den
Voogd in verdenking gebragt, dat hij om zijn bijzonder voordeel, de belangen van den
jongen Graaf schandelijk en trouwloos verwaarloosde. Men heeft beweerd, dal hij niet
slechts aan de Gravin van Vlaanderen hulde beloofde voor Zeeland bewester Schelde,
maar ook voor Zeeland leooster Schelde, waarop voorheen de Graven van Vlaande-
ren nooit eenige aanspraak gemaakt hadden (3). Doch niet over geheel Zeeland., maar ^
alleen over Zeeland bewester Schelde wordt in het verdrag gesproken. Flokis heeft
dan slechts aan margaketiia hulde beloofd voor dat gedeelte van dit Zeeland., welk
onder het gebied λάπ Vlaanderen behoorde; terwijl hij als Voogd en in naam van den
onmondigen Graaf floris , der Gravin van Vlaanderen manschap toezegde voor dat
gedeelte van Zeeland bewester Schelde, welk Koning willem en zijne voorgangers als
een leen van Vlaanderen, gehouden hadden (4).
Flokis de Voogd bleef niet in gebreken, voor zich en zgncn onmondigen neef bij de 21 van
Gravin van Vlaanderen den leenmanseed af te leggen (5). Hij verbond zich tevens , Wijn-
om bij meerderjarigheid van'floris V dezen lot het bekrachtigen des verdrags aan te 1256
sporen en beloofde, in geval van weigering, Margaretha, haren zoon güi of hunne
opvolgers, tegen hem in alles te zullen dienen en te ondersteunen (6). Mogl bij over-
lijden van den jongen floris , Holland aan hem vallen, dan zouden hij en zijne nazaten
den geslolen vrede ongeschonden en in alle deelen nakomen (7). Niets bleef nu aan
drafj, zijn uit den wejj {jcruimd door kluit, Eist, Crit. Com. Τ. II. Ρ. II. ρ. 690—695j cn
GROEBE, Over FLoais V, fal. 25—27.
(1) Wagenaar , D. III. LI. 5.
(2) Klcit , Ilist. Crit. Com. T. II. P. II. p. 704.
(3) Kltjit , Hist. Crit. Com. T. II. P. II. p. 694. Te water , Vaderl. Ilist. verhort. D. I.
bl. 218. Bilderdijk , D. II. bl. 161—163.
>
(4) Mr. j. c. de jonge, Levensschets van floris, Voogd Holland, in Let Derde Deel,
Eerste Stuk van de Werken van de Maatsch. v. Nederl. Lctterk. te Leidon, bl.'267, enz.
Groede, over floris V, bl. 27, 28. Verg. van wur op wagesaar , St. III, bl. 1, 2.
(5) Kluit, Hist. Crit. Com. Τ. II. Ρ. II. ρ. 708.
(6) Kluit, Ilist. Crit. Com. T. II. P. II. p. 710.
(7) Klcit, Ilist. Grit. Com. T. II. P. II. p. 712.
-ocr page 336-374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1256— zijno zijde meer overig, dan dc uilvoering van het eerste punt des verdrags, hetgeen
echter de nog zeer jeugdige leeftijd der verloofde niet gedoogde, en anderhalfjaar
later door zijnen dood geheel verijdeld werd (1). Margaretha van Vlaanduren be-
vestigde nu ook jan van Avenues in het erfregt op Henegouwen, na haren dood, met
iiiaand. helofle, dit graafschap op geene wijze te zullen vervreemden (2). Ruim een jaar later
22 van werd tusschen hare vier zonen, gui en jan van Dampierre aan de eene zijde , en jan
lli'57 boudewijn van Avennes aan de andere, een verdrag gesloten, waarbij güi het
graafschap Henegouwen met al de onderhoorigheden aan jan van Avennes loekenl;
terwijl deze daarentegen afstand doet van alle regt en aanspraak op Vlaanderen Zee-
land bewester Schelde, de vier Amhachten, de landen van Aalst en Waas en an-
dere goederen , welke de Graven van Vlaanderen in leen hielden van hel Rijk (3).
Zeeland was thans onder het beheer van floris den Voogd , welke waarschijnlijk in
dit tijdperk, diü merkwaardige Zeemosche Keur heeft gegeven, naar welke het gewest
beregt moest worden. Even als Koning avillem door het bevoorregten der sleden , den
bloei en welvaart der gemeenten bevorderde, trachtte floris door deze heilzame wetten,
de te hoog opgevoerde magt en hel steeds toegenomen gezag des adels, zoo veel moge-
lijk , binnen behoorlijke grenzen Ie beperken (4). Hoezeer deze bepalingen naar de be-
hoeften des volks waren ingerigt, blijkt niet alleen daaruit, dat zij tot het einde der
dertiende eeuw in volle kracht bleven , maar zelfs twee honderd jaren later nog niet
geheel vergeten waren, en op haar teruggewezen wordt (δ).
Dit was niet het eenig gelukkig gevolg, welk uit de bevrediging met Vlaanderen
12van voortvloeide. Er werd tevens door bewerkt, dat de krijg tusschen Bisschop Hendrik
muTml Utrecht en FLoais den Voogd, door gui van Vlaanderen en oïto III van Gelre ^
1257 als middelaars, te Bodegraven bijgelegd werd. Wel maakt geen geschiedschrijver van
dezen oorlog gewag; doch uit het nog aanwezig verdrag zelf blijkt die onwederspreke-
lijk. Builen twijfel heeft Koning willem, diep gevoebg over den hoon hem in Utrecht
aangedaan, zynen broeder flokis met een aantal Hollandsche en Slichlsche leenman-
nen afgezonden, om den krijg te openen, welken hij zelf niet mögt voltooijen, doch
(1) Te water, FaderL Hist. verk. D. I. bl. 216. Vak wijn op wagexaar, St III. bl. 3.
(2) Kluit, ïlist. Crit. Com. ï. II. P. II. p. 717.
(3) KmiT, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. Π. ρ. 323-325. Τ. II. Ρ. II. ρ. 724.
(4) Zie deze keur Mj τ. mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 302—316. Melis stoke, D. U,
B. IV. bl. 181.
(5) Hüydekoper op 3ielis stoke, D. II. B. lY. bl. 181; 182; jV
'i
-ocr page 337-DES VADERLANDS. 337,
die door floris , en naar het schijnt gelukkig , is voortgezet. Immers werden de bur- ^
gers van Utrecht, dewijl zij den Koning en zijnen broeder floris zwaar beleedigd en
oorzaak tot het opvatten der wapenen gegeven hadden , veroordeeld, den laatstgenoemde
vijftien honderd Keulsche marken te betalen, en daarenboven af te zien van alle
aanspraak op hetgeen de overleden Koning en zijn broeder hun nog schuldig waren.
De Bisschop moest beloven, dat de Stichtsche leenmannen, aanhangers van floris ,
» onpartijdig behandeld , op hunne klagten goed regt uitgesproken , en de opgegeven lee-
nen door de leenheflers weder zouden ontvangen worden." Daarentegen moesten » gijs-
brecht van Amstel en Giselbert uit den Goije, welke floris den Voogd ondersteund
hadden, met vijf honderd hunner mannen, in een wollen gewaad en barrevoets, den
Bisschop op hunne knieën om genade smeeken, die zij zouden verwerven, indien zij
hem trouw en hulde zwoeren. De Graaf van Benthem, welke insgelijks tegen den
Bisschop gediend had en krijgsgevangen was, werd geslaakt, terwijl de wederzijdsche
ballingen herroepen en in hunne goederen hersteld zouden worden (1)."
Niet lang smaakte floris de Voogd de vruchten zijner beraoeijingen. Hy overleed te
Antwerpen aan de gevolgen eener wonde, hem op een dier steekspelen, welke hy
hartstogtelijk beminde, toegebragt, en werd te Middelburg begraven (2). Slechts in 26 van
later tijd heeft men het karakter van dezen Vorst de smet van trouwloosheid en schande-
lijk eigenbelang aangewreven (3). Een naauwkeurig en onpartijdig onderzoek zijner daden
echter heeft den weldoener van Holland en Zeeland^ den overwinnaar der Vlamingen ,
den wreker zyns broeders, den wijzen regent, den dapperen en goedertieren held, gelijk
hij door melis stoke genoemd wordt, de ontroofde eerekroon teruggeschonken (4).
Aleid, zijne zuster, omtrent een jaar weduwe, nam nu met de opvoeding van den
jongen Graaf ook de voogdijschap des lands op zich, » want si de naeste was gebo-
ren (5)." Zij noemde zich F oogdes van Holland en Zeeland (6) tegen den zin van
vele Edelen, welke de regering eener vrouw niet over zich duldden en eenen magti-
(1) Y. HiERis, Charterb. ν. Holl. D. I. bi. 319 , 320. Meerman, Gesch. ν. Gr. witLEM, D.II.
Β. V. bl. 280 -284. V. wijs op wagenaar , St. III. bl. 3. V. spaek, \Hiit. d. Beeren ν. Amstel.
bl. 33, 34.
(2) Melis stoke, D. II. B. IV. bl. 184, 185. De beka, p. 88.
(3) Behalve kluit en te water, in het bijzonder bilderdijk, D. II, bl. 161—104.
(4) Zie de reeds aangehaalde, doorwrochte verhandeling van den Archivarius be johge, in het
derde Deel, eerste Stuk der Werten van de Maatsch. v. Nederl. Letterk. te Leiden, bl. 209—310.
(5) Melis stoke, D. II. B. IV. bl- 186, Verg. v. wu» op wagehau, St. III. bl. 5. '
(6) Kluit, Hïst. Crit. Com. Τ. I. Ρ. II ρ. 328, 329. Τ. II. Ρ. II. ρ. 734, 735 caet.
II. deel. 43
374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
gen aanhang vormden (1). Het is blijkbaar, dat deze Edelen hierbij meer hun belang,
dan dat van den jeugdigen Vorst beoogden (2). Elk van hen wildo voogd wezen en de
heerschappij voeren; hierom streden zij onderling met elkander en bragten Hoi' en
Land in onrust en verwarring (3). Aleid zag zich genoodzaakt, ter schraging van
haar wankelend gezag, naar eenen medevoogd om Ie zien, en koos haren neef Hertog
iiemdrik III van Brahand, den Zachtmoedigo bijgenaamd. Even als godfried van
Kruiningen, huldigden hem de Zeeuwschc Ridders gerolf en iiendrik van
Kats en beloofden, hem met hunnen raad, daad en ondersteuning te dienen,
lot dat Graaf floris zelf het bestuur zou aanvaarden (4). Minder gunstig waren de
Hollandsche Edelen voor den Hertog gestemd , wiens bestuur door het wangedrag zij-
ner dienaren, steeds hatelijker en ondragelijker werd. Hij trok uit dien hoofde weldra
naar zijne staten terug, waar hij kort daarna overleed (5). Het misnoegen in Holland
tegen het bewind van aleid ontwaakte, naar het schijnt, op nieuw en heviger dan te
voren. Immers nam zij hare toevlugt tot Keizer eichard , van wien zij het verlij {in-
vestituur) van de voogdij over Holland en Zeeland verkreeg (6). Dit versterkt niet
de beschuldiging , maar schijnt die veeleer krachteloos te maken, dat zij zich de voog-
dijschap builen regt en eigendunkelijk had aangematigd (7). Righard bevestigde tevens
het twee jaren vroeger gegeven verlij der landen van Aalst, Waas, de vier Am~
hackten en Zeeland hewester Schelde aan Margaretha van Vlaanderen , Avaardoor te
gelijk het Rijks-vonnis van twaalf honderd twee en vijftig, waarbij dit Zeeland aan jaw
van Avennes in leen werd uitgegeven, en hetwelk nog bestond, vernietigd werd (8).
Ondanks het verlij des Keizers, boden de meeste Hollandsche Edelen Graaf οττο III
van Gelre, welke in denzelfden graad als de Hertog van Brahand aan den jongen
floris vermaagschapt was, de voogdijschap aan, terwyl de Zeeuwen aleid getrouw
Π,
(1) Melis stoke, D. II. B. IV. bl. 188. Bildeedijks bctigting van aleid (D. II. Ijl. 165) is
veel Ic overdreven. Melis stoke noemt liaar de goedertiernc, D. II. B. IV. bl. lUO. Zij moet
ook in de beste ovcreensteinminf; en vriendschap met dc moeder en gTootmoeder van rioRis V ge-
leefd hebben. Zie v. wijh op wagenaak, St. III. LI. 5.
(2) Verfj. v. wijn op ·\να€ίενααΐι, St. III. bl. 2. Guoebe, over plobis V, bl.34.
(3) Melis stoke, D. II. B. IV. bl. 189, 100.
(4) Kluit, Eist. Crit. Com. T. II. IMI. p. 731,732. V.mienis, Charierh.v. Holl, D.I. bl.329.
(.5) L. v. velthem, Spiegel Hist. c. 39, 40, bl. 51, 52. De beka, p. 88, J. α levdis, Chron.
Lih. XXIV. c. I. p. 212.
(6) V. MiEBis, Charterl·, ν. Holl. D. L bl. 338. Kldit, Hist. Crit. Com. Τ. II. Ρ. II. ρ. 7^63,
(7) Groebe, over floris V. bl. 37 (1). Verjj. diloerdijk, D. II, bi. 105. ^
(8) Kluit, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ. 32ί. Τ. II. Ρ. II. ρ. 753. Bilderdijk, D.
bl. 162, m
J256-
13Ü0
30 van
Gras 111.
1258
1261
4 van
Uooini.
1262
DES VADERLANDS. 339
bleven (1). Zij bevond zich met den jongen Graaf in Zeeland, leen οττο van GcZre 1256—
naar Dordrecht kvvara, waar Inj terstond, gelijk spoedig daarna door geheel //o/-
land, als Voogd erkend werd. Om aleid ie bedwingen, trok hij met eene krijgsmagt
naar Zuid-Beveland, waar zij hare strijdkrachten had vereenigd , en behaalde in eenen 22 van
liloedigen slag op Vornouds-ee {Voornouts-ee) nabij Remaers-wale [Roemerswaal) , ,„aand
de overwinning. Zij werd yan de voogdij ontzet, en οττο sloeg zelfs de geweldige
hand aan haar huwelijksgoed in Holland, zonder daarvan ooit eenige rekenschap te
geven (2). Men schijnt haar echter evenmin de opvoeding van floris ontnomen , als
het land ontzegd te hebben, welks bestier aan οττο en zijn broeder Hendrik , Bisschop
■van Luik, was opgedragen, die beiden uitdrukkelijk Foogden van Holland en Zee-
land genoemd worden, ofschoon, in het algemeen, aan οττο alleen die betrekking
wordt toegekend (3).
De veelvuldige geschillen en ongelegenheden in welke de Graaf van Ge^/'c steeds gewik-
keld was, zoowel als de korte duur zijner voogdij, maken het zeer waarschijnlijk, dat ^
hij weinig, zoo al iels, belangrijks ten behoeve van den jongen floris of ten nutte des
lands verrigt heeft (4). Ongetwijfeld begon floris V op eigen gezag te regeren, toen
hij twaalf jaren, den ouderdom voor de meerderjarigheid der leenen , bereikt had (5),
Men meent echter, dat hij Tan dien lijd lot aan zijn achttiende jaar onder eene ge~
wijzigde voogdij gebleven is, welke na het vertrek van οττο van Gelre, en met be-
williging van floris zeiven, aau kikolaas van Kats werd opgedragen, die ook inder- 12Gö
daad onder de voogden van floris V genoemd wordt, maar Λνϊεηδ gezag niet kan
vergeleken worden bij dat aan floris van Holland, aleid en οττο van Gelre toege-
kend (6)i Naar het schijnt, heeft floris V intusschen of kort daarna, zijn bepaald hu-
welijk met beatrix, de dochter des Graven gui van Vlaanderen, voltrokken (7). 12GS?
(1) Melis sioke, D. 11. 13. IV. LI. 1'Jl. De «eüa, p, 88.
(2) Melis stoke. D. II. B. IV. hl. 101—Wó, en de aant. v. ubydecoper. De beka, p. 88. l)c
Klerk uit de laage landen, bl. 148, 149, Verg. v. wijs opwagekaar, Sl. III. Ιή.ϋJVnleez.
op de Faderl. Hist.hl. 137. V. spaen ,/Zisi. GcWeW. D. I. bl. 236. Groebe , oper floris V. 1)1.36.
(3) Var wijn op wagemaar, St. III. bl. 8, Groebe, over floris V, bl, 37—40.
(4) Groebe, over floris V, lil. 44. Verg. v. spaen, Hist. v. Gelderl. D, I. bl. 237—241.
(5) Van wijn op wagehaar, St. III. bl. 9. Naleez. op de Faderl. Jlist. bl. 138—140. Bilüeu-
dijk, D. II, LI. 167. Groebe, over floris V, bl. 44—48. Het eerste Charter door floris V
als Graaf van Holland gegeven, is van den 10 van Hooimaand 1266, Zie klüit, Hist. Crit. Com.
Τ. II. Ρ. II. ρ. 771. V. MIERIS, Charterb. τ, Holl. D. I. bl. 342, deelt er een mede van den 14 van
Louwmaand des genoemden jaars, dochwelLs eclitlieid, of juistheid van dagteekening ,betwijfeld wordt.
(6) Groebe, over floris V, bl. 46 (1), 47. Verg. bl. 45 (3), 53 (1).
(7) Melis stoke, D. IL B. IV. bl. 193. De Klerk uit de laage landen, bl. 149. Den vollen
43*
-ocr page 340-374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
^^g^^Door tusschenkomst van dezen Vorst en andoren, \Tord ook om dien tijd zijn geschil
24 van ™et aleid , over haren eisch, betreffende de erfenis harer ouders, haars broeders floris
Wijn· Holland en diens zuster kighardis , te Brugge bijgelegd (1).
maand σσ ju ο /
1268 Inmiddels was er in Kennemerland een geweldige opstand gerezen. Men gist, dat
de overmoed des adels liet geduld des volks geheel had uitgeput, en de lang verkropte
wraak eindelijk losbarstte, toen de meerderjarigheid van Graaf flokisV, waarop de on-
derdrukte landzaten steeds hunne hoop gevestigd hadden, geene verandering te hunner
gunste had voortgebragt (2). Hoe het hiermede gelegen zij , de Kennemers ten minste
vereenigden zich met do West-Friezen en Waterlanders, niets minder bedoelende, dan
de Edelen uit het land te jagen, hunne sloten te vernielen, en het geheele Sticht
zelfs aan zich te onderAverpen [in vulgarem communitatem redigere). Vele kastee-
len in Kennemerland werden door den woesten, hoofdeloozen hoop overvallen en ver-
nield. De Edelen vloden naar Haarlem, waar zij zich versterkten. De Kennemers
vielen in Amsteiland, en gusbreght van Amstel, om zijn grondgebied voor hen te
beveiligen en zich tevens op de Slichtschen te wreken , spande met hen zamen en plaatste
zich aan hun hoofd. Onmiddellijk voerde hy hen naar het slot Vreeland, dat om hem
te beleugelen Avas opgeworpen, en belegerde het eenen tijd lang. Daar echter de last des
oorlogs inzonderheid drukte, van waar het leger zich met geweld en brood-
dronkenheid , van levensmiddelen voorzag, overreedde hij de Kennemers, om bij nacht het
beleg op te breken en met hem naar Utrecht te trekken, ongetwijfeld dewijl daar onmin
heerschie tusschen het volk en do regering , van welke hy niet verzuimen wilde, tot zijn voor-
ouderdom van veertien jaren bereikt hebbende, mögt men in liet huwelijk treden. Zie άα Holland-
sehe Sachsenspiegel, aangehaald bij gr gebe, ocer Graa/floris V, bl. 45. Datzulkc jonge echtver-
bindtenissen bij de Vorsten niet zeldzaam Avaren , bewijst ΛνΑΛΕΐϊΛΑΚ in z\\ne Brieven, bl. 160. Bil-
derduk, (D. Π. bl. 174—183,193, IÜ4) slelt met khjit, dit huwelijk , en wel tien of twaalf jaren,
later. Ui] verzint een romannetje en geeft, zonder cenig geschiedkundig bewijs, aanFLORisV eene
geheime echfgenootc, Kamts van der Sluyse (οίvati Jleusden), de moeder van νιΠΊΈ van Haamstede,
vóór het huwelijk met beatrix (bl. 183—191. Opheld. en Bijv.hl. 340,341. D. IIL· bl.223—230.)
Een bewijs hiervoor meent hij in het wapen van witte van Haamstede te vinden, hetwelk geen
filet voert, ΛΤ33Γν3η zich geen bastaard, naar zijn gevoelen, ontslaan konde. Zeker is, dat dit wa-
pen , door het rad op de borst van den Hollandschen Leeuw, inderdaad gebroken is. Het is echter
niet mogeliik omtrent het breken der wapens in die tijden, een bepaald stelsel aan te nemen; en in
het Uittreksel eens briefs van den Baron yats svses, bij biiderdijk,D. III. bi. 222, wordt open-
hartig erkend, »dat de zaak niet uit te makenis." Doch de onjuistheid en Ket onvoldoende der
gissingen van bilderdijk worden oordeelkundig tot het niet teruggebragtdoorcROEBE (0i?erFL0Ris V,
1)1.01—70), met wien wij in dezen het liefst de leiding van beiis stoke volgen,
(1) V. mieris, Charterb. Holl. D. I. bl. 347. j\
(2) BilderdijK; D. II. bl. 109.
-ocr page 341-DES VADERLANDS. 341,
deel gebruik te maken. Gereeden ingang Tond dan ook do raad eens welbespraaklen Ken-125()—
nemers , die bij hel aanbreken van den dag, op de vraag der verbaasde inwoners, » λυβΙ men
voorhad?" antwoordde: »Burgers van i/irecAi en goede vrienden, het vrije volk van ifcn-
nemerland groet u en begeert, dat gij al de Edelen, welko de gemeente bezwaren en ver-
drukken , ter stad uitjaagt en hunne goederen den armen geeft." Straks werden de sche-
penen en vroedschappen voor andere, uit de overlieden der gilden gekozen, verwisseld,
en de aanzienlijkste burgers uit de stad gebannen. Men sloot een ouderling verbond van
vriendschap, waarbij zich eerlang de gemeenten van Amersfoort en Eemland voeg-
den. Ondertusschen had do nieuw verkoren Bisschop van Utrecht, jan I of van Nas-
sau , zich niet to vergeefs tot den Graaf van Gelre om bijstand gewend; doch bij eene
monstering hunner strydkrachten, achtte men het onraadzaam iets tegen den overmag-
tigen en steeds aangroegenden volkshoop te ondernemen. In het Sticht geen weerstand ont-
moetende, besloot GiJSBKEcnT zijner bijzondere wraak den ruimen teugel te vieren, en
weldra waren de sloten van gijsbrecht van Ahkoude, willem van Rijzenburg en
HuiBERT van ^mnen , zijne persoonlijke vijanden , in puinhoopen veranderd. Zijnen wrok
bevredigd hebbende en thans meer beducht voor de woeste menigte, in wier behoeften
hij tegen den aanstaanden winter moest voorzien, dan voor den beleedigden Bisschop
van Utrecht ^ trachtte hij zich van haar te ontslaan. »Dappere spitsbroeders en geliefde
vriendendus sprak hij het volk aan » gij ziet hoe wij het geheele bisdom binnen één
jaar aan ons onderworpen, do Edelen verdreven en hunne sterke sloten verwoest heb-
ben. In het volgend jaar zullen wij den Graaf van Gelre tuchtigen en zijn gebied
vernielen, omdat hij zich legen ons verzet heeft. Doch daar thans de oogsttijd op han-
den is, zoo laat ons ten onzent terugkeeren en den oogst inzamelen lot onderhoud
onzer vrouwen en kinderen." Zijn raad vond ingang en de Kennemers trokken af. Op bun-
nen logt naar huis echter sloegen zij het beleg voor Haarlem, waar zich nog steeds de
gehate Edelen ophielden , welke met de burgers de muren dapper verdedigden. Eene
stoute daad van den Ridder jan van Persijn^ Heer van Waterland., wiens onderzaten
in den opstand deel genomen hadden, verloste de benaauwde stad en tevens het land
van deze teugellooze gasten. Hij deed op zekeren nacht eenen uitval, onlnam hun eenige
wagens, rende er spoorslags mede naar Kennemerland en slak een aantal dorpen in
den brand. Op hel gezigt der vlammen verlieten de verschrikte Kennemers in der
haast hunne legerplaats en bagaadje, om to gaan blusschen, doch werden terstond door
de belegerden nagejaagd, ten deele achterhaald, gevangen , gedood, mishandeld en ge-
plunderd (i). Gusbrecht van Amstel moet ruim twee jaren later zich met den Bis-
(l) De ceka, p. 92, 93. J. α ieydts, Lib. XXIII. c. VI. p.214—21G. De Klerk uit de laage
landen, bi, 142—146. De beka geeft het jaartal van dit oproer niet aan. Zijn vertaler en uitbrci-
374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1256—schop van Utrecht verzoend liebben (1). Ilom averil loen het slot Vreelandeven als
(lat van Montfoort aan herman van Jf^oerden, voor eene somme gelds door den Bis-
• schop in handen gesteld (2).
Graaf floris V bad in al deze voorvallen geen openlijk deel genomen, ook was de
opstand der Kennemers, naar het schijnt, zonder tusschcnkomst der Hooge Regering
gedempt en alles in dien hoek tot rust gebragt. Aleid oefende nog steeds een groot
vermogen op zijnen geest, en gaarne schikte bij zich naar haren raad (3). Eenigc gra-
felijke brieven, toet haar zegel bekrachtigd, zijn voorhanden (4). Ongetwijfeld door
30 van baar ingeven, droeg hij haren zoon floris van Henegouwen, voor tweejaren het bewind
nmn(l Zeeland op, onder toezigt evenwel van albreght van Voorne, Burggraaf van
1272 Zeeland en eenige andere Zeeuwscbe Edelen (5). Welligt trachtte hij bierdoor in bet
Zuidelijk gedeelte zijns gebicds de rust te verzekeren, welke hij in bet Noorderdeel
Avildo schokken. Door de aanhangers van Graaf οττο van Gelre te bevredigen, bet
land zelf door te reizen en het regt naar de beschreven keuren ie bandhaven , zoo Avel
als door bet aanzien van den Burggraaf en den invloed, Avelken aleid in Zeeland be-
houden bad, gelukte bet floris van Eenegouicen de rust in dat gewest tc herstellen
en te bewaren (6).
Middelerwijl bad Graaf floris V zijn achttiende jaar bereikt, den buderdoui be-
paald om do wapenen tc voeren en bet opperbeΛvind, in den geheelen omvang,
op zich te nemen (7). Geen hooger wensch koesterende, dan den dood zijns va-
ders op de West-Friezen te >vreken en dit teugellooze volk tc breidelen, gordde
hij thans zelf het slagzwaard aan, en trad voor de eerstemaal als zelfhandelend re-
gent op. Hij trok eene aanzienlijke krijgsmagt, zoo voet- als paardevolk , bijeen en
toog daarmede naar Alkmaar, om langs Ouddorp over het gebroken land en de
der plaatst het, doch ten onre{jtc, in 1274. J. λ leidis meer ΛνααΓ8θ1ιίϊηΗ]ΐ£: in 1268. Oe Klerk
uit de laage Landen seliijnt liet nog vrocfjer te stellen.
(1) V. ΒΓΛΕΝ, Hist. d. Heeren ν. Anistel, bl. 38.
(2) De βεκλ, ρ 95.
(3) Melis stoke, D. II. 1]. lY. bl. 194.
(4) V. balen, Beschr. v. Dordrecht, bl. 429. V. mieris, Ckarlerb. v. Holl. D. I. bl. 367, 368.
ίδ) Melis stoke, D. II. B. IV. bl. 194. V. mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 362. Kleit,
Hist. Grit. Com. Τ. II. Ρ. Π. ρ. 792.
(6) Melis stoke, D. II. Β. IV. bl. 194, 195.
(7) rt Als si hebben XVIH iaer soe moegben si haar heerlieheit op laten" zegt de Hollandschc
Sachsenspiegel, bij groeee, over Gr, floris V, bl, 45,
DES VADERLANDS. 343,
ondiepten , in het hart van West-Friesïand te dringen. Hierbij bediende hij zich van 3256—
dykwerkers, welke onder bedekking Tan eene bende boogschutters en speerdragers , ^^^^^
voor het leger eenen Tasten TFeg OTer den lossen grond moesten banen. De West-Frie-
zen , nabij Vroonen gelegerd, verjoegen met geweld deze werklieden en sloegen het
grafelijk leger, dat thans was toegeschoten, op de vlugt en dreven het door Alk-
maar tot aan Ileiloo terug. Hier op den harden zandgrond, hield het vliedende heir 20 van
stand en werd door Tcrsche benden versterkt. Er ontstond een bloedig gevecht waariη'^''iï®^"
° ° maand,
den Friezen een verlies van achthonderd man, en eene volkomen nederlaag werd toegebragt. 1272
Maar ook vijf honderd Hollanders waren gesneuveld, onder welke vele voorname Edelen
uit de geslachten y&n Egmond, ^tm Wassenaar , ύάπ Ilaarlem en ^άϊι Raaphorst zich
bevonden. Het doel van den togt was geheel mislukt; en met meer schande dan roem
keerde de Graaf, na het begraven der gesneuvelden, terug (1).
De krijg tegen de West-Friezen werd echter met afwisselend geluk nog eenige jaren
voortgezet, doch bijzonderheden zgn hiervan niet opge teekend (2). Slechts zoo veel weet
men , dat de Kennemers thans floris de behulpzame hand boden , en de ingezetenen van
Akersloot, Uitgeest en PFornier, zoowel om hunne bewezen diensten te beloonen ,
als om hen aan te moedigen, aanzienlijke voorregten van den Graaf ontvingen (3).
Het was niet het misnoegen van aleid over deze oorlogen, welk het ongenoegen
van FLORIS V tegen haar opwekte (4). Zij en hare zonen hadden verregiaand misbruik
gemaakt van de argeloosheid en h«t goed vertrouwen des jongen Graafs, en hoe lan-
ger zoo meer getracht door onwettige middelen, zich in het gebied te vestigen. Floris
van Henegouwen Terstoutte zich in 's Graven land vestingen op te werpen , en van eenige
Edelen de leenmanshulde te ontvangen (5). Zijn broeder jan y^nUenegouwenytocg^n 1276
erlangde van den Keizer het verlij van Holland, wanneer Graaf floris zonder wettige ,
erfgenamen overleed. Hetzelfde vroeg en verkreeg ook Graaf herman van Hennenberg
(1) Meus stoke, D. Π. B. IV. bl. 195-198. De beka, p. 93. J. α leydis, itZ«.XXIV.c.IX,
dc Oude Holl. I)iv. Kron. XIX Div. c. 9. De Klerk uit de laage landen^ bl. lëO, 151, welke
ten onregte dien togt tien jaren later stelt. Ocüo scarlehsis; bl. 120.
(2) Melis stoke, D. Π. B. IV. bl. 199.
f _ · >
(3) V. MIERIS, Charterb. ν, Holl. ü. I. bl. 380, 410. : , . ,
(4) Wagekaar, D. III. LI. 17, 18. _ ■
(5) De bewijzen zijn te vinden bij v. mieris, Charterb. ν. HoU.. Ό. I. bl,358 , 364,307,^389,
376 , 387—389 , 392 , 414. Verg. v. wijm op waabwab, St. Hl. bl. 11—13. Groebe, over
nonis V, bl. 42. ^
374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
voor zich, Toor zijne gemalin, eene zuster van aleid , en voor zijn zoon boppo (1}. Deze
woelingen van de zijde zijner naaste betrekkingen, schynen Graaf floris eindelijk de
oogen geopend te hebben voor den neteligen toestand in wolken hij gebragt Althans
na zyne terugkomst van een steekspel te ^s Hertogenbosch, waar hij door Hertog jäh I
van Braband tot ridder was geslagen , zette hij aleid en haren stoet ten lande uit (2).
Zij bleven echter voor hem gevaarlijk, gelijk blijkt uit zekere overeenkomst met Bisschop
JAN van Utrecht t waarin hij voor zich hulp bedingt »tegen zijne bloedverwanten van
Henegouwenfloris en diens broeders (3)." Ongetwyfeld zijn er vele en ernstige on-
derhandelingen aangeknoopt, vóór dat het vereffenen der geschillen aan goede mannen
iverd overgelaten, aan wier uitspraak, ten meesten voordeele van Graaf flokis , men zich
sedert schijnt gehouden en in vriendschap met elkander geleefd te hebben (4). Jan'
van Henegouwen werd twee dagen later door Keizer küdolf met de landen van
Aalst, van Waas, de vier Ambachten en het land naast do Schelde {Zeeland he-
wester Schelde?) beleend (5). Om dien tijd kocht hij , de Gravin van Hennenberg
overleden zijnde, van haren gemaal, de eigen of allodiale goederen, welke haar uit
de nalatenschap haref ouders ten erfdeel aanbesterven en in gelegen Avaren (6),
(1) V. mieris, Charterl·, ν. Holl, D. I. bl. 381. In de dubbele uitgifte dezer verlijbrieven,
meent wagenaae , ü. III. bl. 27, een bewijs te vinden van de erkende liebzuclit des Keizers,
vi'elke vaak gewoon was gunsten om geld weg te schenken j en tevens van zijne weinige genegenheid
voor Graaf ilokis V. Bilderdijk , D. II. bl. 190, betwist teregt deze laatste gevolgtrekking, maar
stemt de eerste toe. Van icon daarentegen meent, dat »de Keizer deze verlij brieven, met volko-
men medeweten van den anderen, tot beider geruststelling heeft gegeven, op dat het llollandsche
leen geenszins, ter oorzake zij beide maar langs de vrouwen van het vorige grafelijke huis van
Holland afstamden, aan het Rijk zou vervallen, en zoo, om hen in zijne belangen te trekken, als
om daarna ieders regt te onderzoeken en naar hetzelve uitspraak te doen." Hij vindt hierin tevens
eene onwedersprekelijke bevestiging van de leenroerigheid van het graafschap Holland aan het
Duitsehe Rijk. Historisch Bewys , dat het graafschap van Holland tot op fiiips II altijd een
leen, des Omjtschen Rijks geweest is enz., bl. 66, 67. Leiden, 1748.
(2) Melis stoke, D. IL B. IV. bl. 200, 204. I
(3) V. mieris, Charterb. ν. Holl. D. Ι. b, 388 , 389,
(4) Υ. mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 414. Verg. ν. wijn op wagesaar, St. HL bl. 13.
Groebe , over Graaf plobis V, bl. 43.
(5) V. MIERIS, Charterb. ν. Holl. Ί). 1. bL 415, 416.
(6) V. mieris, Charterb. ν. Holl. I). I. bl. 418. Verg. ν. wun op wagehaar , St. HL bl. 16.
waaruit tevens blijkt, hoezeer bilderdijk., D. H. bl. 191, zich vergist, welke hierin, zonder verde?
onderzoek, wagenaar, D. IH. bl. 28, 29, gevolgd heeft.
1256—
1300
1277
3 van
Lente-
maand.
1277/8
' 3 van
Oo{;st-
maand.
1281
DES VADERLANDS. 345,
Er blijkt hieruit, dat hg geene middelen onbeproefd liet, om zich ταπ de erfopvolging 1256'—
op FLORis V te verzekeren, en tevens, dat de Graaf Tan Bolland in dien tijd geeneu ^^^^
wettigen mannelijken opvolger bezat, 's Graven dochtertje ΜΑΚολΚΕΤΠΑ. was kort te
voren aan den zoon des Konings van Engeland verloofd, Wat hiertoe aanleiding gaf,
moet eenigzins hooger opgehaald worden.
Reeds sinds eeuwen had de Avederzijdsche handel tusschen Engeland en Holland gQ'
bloeid, toen hij omstreeks twaalf honderd vijf en zeventig gestremd werd (1). Hetvorigjaar
had Koning eduard van Engeland, bij eenen oorlog met F^laanderen, den uitvoer van
wol, een allerbelangrijkste tak van handel in Holland, naar de Overzeesche gewesten
verboden (2). De Zeeuwsche of Hollandsche zeevaarders nu geen werk vindende,
rustien zich ter kaapvaart uit en bragten der Engelsche koopvaardij aanmerkelijke na-
deden toe (3). Prijzenswaardig waren de pogingen van Graaf Ftoais, om in het belang
zijner onderdanen, den handel en de goede verstandhouding mei Engeland te herstel-
len , toen do geschillen met Vlaanderen waren bijgelegd en het verbod van uitvoer,
onder zekere bepahngen, was ingetrokken. Eerst bewerkte hij den ouderlingen vrijen
handel tusschen de Engelschen en Hollanders, en twee jaren daarna, in twaalfhonderd
tachtig, dal ook voor de Zeeuwen, op welke de Koning het meeste verbillerd was,
de handel op Engeland werd opengesteld (4). De beslissing der nog hangende ge-
schillen werd door den Koning en den Graai aan een tweelal van weerszijden gekozen
scheidsmannen overgelaten, welke deze taak buiten twijfel tot beiderzijds genoe-
gen voltooid hebben (5). Er Averd althans weldra, ten blijke der Avederkeerige vriendr
schap, het reeds genoemde huwelijk tusschen Prins alfoksus van Engeland en Marga-
retha van beraamd. Graaf floris ontwierp de voorwaarden van het huwelijks- 5 vau
verdrag , welke den Koning te Westminster werden voorgelegd, en hierop nederkwamen ;
»Margaretha zou de helft der landen van floris, ter keuze des Konings, ten huwelijk l'^öl
ontvangen, doch indien do Graaf zonder mannelijk oir overleed, zou zij alles erven.
Zoo FiORis eene weduwe en dochters naliet, moest eduard voor deze zorgen. Bij het vol-
trekken des huwelijks tusschen ALFONSUS en MARGARETHA, ZOU liet paar in het bezitvap
{1)'Van mieris; Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 378,
(2) Rijmer, Acta publ. Angl. Τ. I. Ρ. II. ρ. 137 aangehaald bij wagewaar, D. III. bl. 21.
Meijerüs , ad annum 1274.
(3) Van mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 378.
(4) Van mieris, Charterh. v. Holl. D. I. W. 382 , 409.
(5) Vat* mieris, Charterl·, ν. Holl. Ü. I. bl. 409.
II. DEEL. 44
-ocr page 346-ALGEMEEKEGESCHIEDENIS
Iiun aandeel geslclcl worden, doch floeis de inkomsten daarvan blijven genieten zoo
lang hij leefde. Wanneer de Koning de keuze gedaan had , moest dit verdrag door do
Edelen en steden bevestigd worden; en floris zou alles aanwenden, om hel door den
Koning of de Keurvorsten des Rijks te doen bekrachtigen." Dit zonderling verdrag
■wordt door floris op deze zonderlinge wijze besloten: »Indien de punten dezer over-
eenkomst mei do wetten en gewoonten van ons land strijdig zijn , moetalles wal ik beloofd
heb, als niet gedaan en van onwaarde gehouden worden (1)." Men merkt aan ,
dal floris op dien voet alles beloven kon en dat Koning eduard , indien hij in een
verdrag met zulk een toevoegsel genoegen nam, geen groot doorzigt en nog minder
kennis van de geaardheid der Hollanders moet gehad hebben (2). Anderen zien in deze
overeenkomst niet meer dan een Engelsch ontwerp , dat stof tot vele aanmerkingen kan
opleveren , maar zoo als het daar ligt, niet konde aangegaan worden (3). Ons komt
zij, in de tegenwoordige gedaante althans, geheel verdicht voor. Doch wat van haar al
of niet moge geweest zijn , zij werd weldra nulleloos gemaakt. Het blijkt ondertusschen , dat
Graaf floris om dezen lijd bij hel Duilsche Rijk heeft aangedrongen, dat zoo hij geenen
zoon achter het, hel graafschap op eene dochter mögt overgaan, dewijl Rolland niet
slechts een Rijksleen , maar levens een Duitsch Mansleen was, dat alzoo zonder loe-
stemming des leenheers niet op eene vrouw versterven mögt. Immers werd hem bij
eencn Keizerlijken brief toegezegd, dat indien hij zonder mannelijken erfgenaam over-
leed , zyne dochter of dochters hem zouden opvolgen in het graafschap en in de goe-
deren , welke hij van het Duilsche R^ijk in leen hield. Mögt bij eenen onmondigen zoon
achterlaten, dan zou de voogdij aan zijno gemalin worden toevertrouwd (4).
Het was in dien lijd, dal floris een nieuwen logt tegen de West-Friezen ondernam,
om zoo mogelijk, dit halsstarrig volk voor altijd te breidelen. Met eene welbemande
vloot stevende hij langs de Zuiderzee en landde te fVijdenes. Do West-Friezen wa-
ren op hunne hoede, en welhaast werd nabij i5'c/ie/imMöMi een bloedige slag gele-
verd. Onder het bevel van nikolaas van Kats, behaalde het grafelijke heir de zege
en vervolgde den vijand twee mijlen yer, toen do overwinnaar terugkeerde, hetgeen
hem zeer euvel Averd genomen. Floris zelf stelde zich nu aan het hoofd eener uitge-
lezene bende en drong verdelgende, allerwege de ontstelde Friezen Tcrslaande of ver-
drijvende, tol aan Hoogicoude door. Hier verdubbelde de herinnering van het lafhartig
(1) V. mieris, Charlerb. v. Holl. D. I. bl. 412.
(2) Te water, Faderl. Hist. D. I. bl. 227. Verg., wagenaar ; D. III. bl. 23—25.
(3) Bilderdijk, D. Π. bl. lUS.
346
1250-
mo
19 van
Zoincr-
inartiiil.
1282
(4) RmiT; Ilist. Crit, Com. Τ. II, Ρ, Π. ρ. 86Ί-803.
rU
tAÊÈÊ
-ocr page 347-DES VADERLANDS. 347
vermoorden van Koning willem aller Avoede, en eene geweldige slagling onder ^^' j^qo"
weerspannelingen getuigde van de schrikkelijksle wraak. Eenen ouden man onder de gevan-
genen Averd lijfsbehoud geschonken, dewijl hij de plaats ontdekte Avaar het lijk des Ko-
nings verborgen lag, hetgeen do moordenaars, naar men wil, elkan(ler plegtig gezwo-
ren hadden, nimmer te zullen openbaren, Floris liet het overschot zijns vaders naar
ütrecht, en nadat hier eene plegtige lykdienst gevierd was, naar Middelburg voeren
en in de abdij aldaar bijzetten (1). Graaf willem III stichtte in dertien honderd vijf
en twintig, in de Kerk dier abdij eene kapel voor de rust van 'sKonings ziel; en meer
dan twee eeuwen later werd aldaar, op last van Koningin maria , Landvoogdes der
Nederlanden, een praalgraf ter nagedachtenis van den gesneuvelden Vorst opgerigt.
Dit gedenkteeken van de dankbaarheid des nageslachts werd door de vlammen en de
beeldstormers verwoest (2).
Het blijkt niet, welke beweegredenen Graaf floris thans weerhouden hebben, de
West-Friezen geheel te bedwingen, daar hij , naar eigen getuigenis, » deze zijne dood-
vijanden viermaal achtereenvolgend geslagen en te eenenmaal overwonnen had (3)." Om
Drechterland in ontzag te houden, werd het ύοί ia fVijdenes gebouwd, hetwelk
menigen aanval van de Friezen moest verduren, maar welks dappere bezet ting hen
eindelyk , met zwaar verlies ten aftogt noodzaakte (4). Welligt heeft de geboorte van
's Graven zoon jan I, welke men vermoedt dat om dezen lijd plaats had (5), den
voortgang des West-Frieschen krijgs gestuit. Deze gebeurtenis moest eenigo nood-
wendige wijzigingen in het huwlijksverdrag met Koning edüard van Engeland te
weeg brengen; en het is niet onwaarschignlijk , dat Graaf floris deze belangrijke zaak
wilde vereffenen, vóór dat hij zich in eenige andere mengde. Hoe dit zij, men \2 va»
vindt, dat dit twee jaren later geschiedde, en er levens onderhandelingen werden
geknoopt, omtrent een huwelijk fusschen 'sGraven zoon en 'sKonings dochter eliza- 1284
BETH. Er werd bepaald, dat de Graaf zijner dochter honderd duizend ponden zwarten
tournois tot bruidschat zou geven, waarvoor een vierde gedeelte des graafschaps van
Holland, ter keuze des Konings, zou verpand worden, doch dat len allen tijde los-
(1) Melis store, D. Π. ]}. IV. bl. 210—215. J. de πεκα, ρ. 94. AVilhelmüs pkocdrator ,
p. 526'. De KkrTt uit de laage landen, bl. 154. J. α ieydis, Lib. XXIV. c. 14. p. 218.
(2) Meerman, Gesch. ν. Gr. wulem, D. II. Β. V. bl, 294.
(3) Zie den merlcwaardigen brief van floris in de Fransclie faal aan Koning eduard I van En~
geland {icsclirevcn, bij v. mieris, Chartcrb. v. Holl: D,. I. bl. 431.
(4) Melis stoke, D. II. B. IV. bl. 21.5. , .
(5) Vak wijn op wagesaar , St. III. bl. 15,
41*
-ocr page 348-374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1256—baar zou zijn, Avanneer de Graaf of zijne nakomelingen, de bepaalde som op eens kon-
den aflossen, 's Graven zoon jak zou den Koning toegezonden en aan eene zijner doch-
ters worden uitgehuwelijkt; waarna Graaf floris aan de Prinses vier duizend en zij-
nen zoon zes duizend ponden tournois jaarlijks zou toeleggen. Indien jan kinderloos
overleed, zouden Holland en de andere goederen van Graaf floris op alfowsus en
margaretha versterven (1)." Men ontwaart hieruit, hoezeer floris streefde en niets
onbeproefd wilde laten, om zich naauw aan eduakd te sluiten. Of nu dit streven uit
staatkundige en baatzuchtige oogmerken, dan uit het welbegrepen belang des lands
voortvloeide, zal hot vervolg der geschiedenis ophelderen (2).
Deze huwelijksontwerpen echter ondergingen weder eene geheele verandering door
den dood van alfoissus, welke zeven dagen later voorviel. Men kwam nu overeen,
dat )) de Koning, op bepaalde tyden, vijftig duizend ponden zwarten tournois, ter
zake van het huwelijk zijner dochter met 's Graven zoon, zou uitkeeren; het reeds
ontvangen geld echter zou terug gegeven Avorden, wanneer het huwelijk door den
dood van een der verloofden verijdeld Averd. Jonkheer jaw moest als hij zeven jaren
bereikt had, naar Engeland gezonden Avorden en daar zijne opvoeding ontvangen.
Stierf een der verloofden, dan zou de overlevende aan een ander kind van den Koning
of den Graaf uilgehuwelijkt worden." Behalve deze hoofdpunten, werden mede de
bruidschat en het onderhoud van het verloofde paar door Graaf floris , de weduwegift van
de Gravin eeatrix , en andere zaken van minder gewigt geregeld. Tot nakoming
des verdrags stelt floris zich en al zijne goederen ter beschikking van den Paus, aan
wiens ban hij zich onderwerpt; en geeft den Koning van Engeland, den Graaf van
Vlaanderen en den Hertog van Braland vrijheid, om hem en alle ingezetenen van
Bolland en Zeeland te bekommeren en aan te tasten, tot dat aan het verdrag voldaan
2 van is. Hij bezwoer deze voorwaarden plegliglijk in tegenwoordigheid van den Engelschen
raland gezant en van vele Hollandsche Edelen (3).
Inmiddels was hij in den twist gewikkeld geAvorden, welke tusschen den Bisschop
van Utrecht en de Heeren van Amstel en van Woerden op nieuw ontstaan was. Hel
algemeen misnoegen in het Sticht over het bestuur en gedrag van Bisschop jan I, had
FLORIS reeds in twaalf honderd vier en zeventig eene ongezochte gelegenheid aangebo-
den , om zich , te zijnen voordeele, in de Utrechtsche zaken te mengen. Hy was toen
in een bijzonder verdrag getreden met de wethouderschap en burgerij der stad
(1) V. uiiERis, Charterb. ν. Holl. D. I. Μ. 438.
(2) Verg. te water, Faderl. Eist. D. I. H. 229, en bilderdijk, D. II. bl. 200.
(3) V. mieris, Charlerh. v. Holl. D. I. bl. 455—458. Wagewaar, D. III. hl 31—33.
1285
DES VADERLANDS. 349,
benevens den Raad en geraeene gezworenen van Muiden, Arnstein Mijdrecht ^
Loenen, hetwelk vier jaren laler nader bekrachtigd werd (1). Do Utrechtenaars verbon-
den zich hierin , ten overstaan van eenige Stichtsche Edelen, » om de stad te allen tijde
voor den Graaf en zgne nakomelingen open te houden, en in het verkiezen van Bisschoppen
zich steeds naar hem te voegen; mits hij hun van zijne zijde, bescherming en handhaving
hunner regten verzekerde." Hij had daarenboven beloofd, zonder medeweten der stad
Utrecht, in geen verdrag met eenigen landsheer (van het Sticht?) te zullen treden (2).
Allergewigtigst was deze verbindtenis voör floris. Zij toch deed hem over het bezetten
des bisschoppelijken zetels grootendeels beschikken, verbond voorname Stichtsche Ede-
len en gemeenten aan zyne belangen, en maakte hem genoegzaam meester van de
hoofdstad der Bisschoppen, wier overmoed en heerschzuchtige oogmerken tegen Hol-
land hg door dit alles te gemakkelijker zou beteugelen (3). Welken invloed hem deze
overeenkomst verschafte, bleek welras toen Bisschop jah" I zijne geschillen met gus-
BREGHT van Amstel en met de mannen der stad en lande van Utrecht aan de uit-
spraak des Hollandschen Graafs onderwierp (4). De twist werd bijgelegd, en de Bisschop
verpandde in twaalfhonderd zes en zeventig, het slot Vreeland met de heerlijkheid van
Maarsen en van Evenerzele aan gijsbrecht van Amstel, gelijk het slot Montfoort
aan hermaw van Woerden (5).
Dit vervreemden van twee zulke belangrijke punten, welke men teregt als de sleutels
van het Sticht aan de zijde van Holland beschouwde, vermeerderde in het bisdom het
misnoegen tegen den zwakken Kerkvoogd, welke te laat zijnen staatkundigen misslag
bespeurde. Op aandrang van Graaf floris moest hij echter beloven , steeds den raad van
gijsbrecht van Amstel en jan van Kuik te volgen, waartegen de Graaf wederkeerig \
verzekerde, hem in alles behulpzaam te zullen zijn (6). Het schijnt evenwel, dat de
invloed en het vermogen des Heeren van Amstel spoedig den naijver des Utrechtschen
adels en de bezorgdheid van floris V hebben opgewekt. Eenige Stichtsche Edelen,
met zwEDER van Zuilen aan het hoofd, sloten met den Graaf een verbond, waarin
(1) V. MIERIS, Charterb. ν. Holl. D. I. Μ. 375, 397, 398,
(2) Klüit , Hist. Grit. Com. Τ. II. Ρ. II. ρ. 802.
(3) Verg. BiLDERBijK, D. II. bl. 196.
(4) V, HiERis, Charterl. ν. Holl. D. I. bl. 376.
(5) De BEK4, p. 95. Verg. Naleez, op de Faderl. Hist. bl. 140. Gboebe, ocerïLORisV. bl. 81.
(6) Zie den brief van den 3den van Lentemaand 1277/8, bij vak mieris, Charterb, v. Holl.
D. I. bl. 388.
374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1256— zij hem bijstand beloofden in het beraagtigen van Utrecht, welke stad, zoo zy het al
met GiJSRKEGHT niet eens, toch den Bisschop ongezind was (1). Dat dit van een ge-
wenscht gevolg geweest is, blijkt uit een verdrag van vriendschap, acht dagen laler tus-
schen den Graaf en de stad Utrecht gesloten, waarin plokis aanneemt daar binnen alles
tc zullen schikken, overeenkomstig den raad der Edelen (2). De Bisschop verzoende zich
eenige maanden daarna met zijne zetelstad, en gijsbrecht en arhoud van Arnstel wor-
den in dien zoenbrief, zijne »getrouwen" genoemd (3).
De vriendschappelijke betrekking tussehen h2n en den Stichtschen Kerkvoogd , Averd
spoedig verbroken. Gijsbrecht van Amstel was door het bezit van het ύοΐ Vreeland,
gebouwd om hem in toom te houden , meester van de Vecht geworden , en kwelde nu
de Stichtschen door het heflen van eenen tol op dien stroom. Om hieraan een einde te
maken, eischte'de Bisschop het slot Vreeland, eerst naar het schijnt, onvoorwaarde-
lijk (4) , maar vervolgens, even vergeefs, tegen voldoening der opgeschotene pandpen-
ningen terug (5). Men trachtte nu gijsbrecht mn ^miie^ door de wapenen te dwingen ,
doch de Stichtsche benden werden door hem en herman van Woerden in een hevig
gevecht bij Zolderinge geslagen en tot aan Amersfoort vervolgd. Herman werd zwaar
gewond, en aan de zijde des Bisschops sneuvelden steven en frererik van Zuilen (Q).
Graaf floris schoot ter hulp van den benaauwden Bisschop en belegerde Vreeland,
hetwelk door arwoud van Amstel verdedigd werd. Gijsbrecht trok aan om het slot
te ontzetten, doch w erd bij Loenen door eene bende Zeeuwsch krijgsvolk, onder bevel
Tan K.OSTIJN van Renesse, geslagen en gevangen genomen. Hij zelf moest nu de over-
gave van Vreeland bewerken. Men bragt hem voor het belegerde slot, hetwelk ar-
woiTD, na een mondgesprek met zijnen broeder gijsbrecht, onder behoud van lijf en
(1) Zie den brief van den 28slen van Oogstmaand 1278, bij van mieris, Charterh. v. Holl.
D. I. bi. 397.
~ (2) Zie den brief van den 5den van Ilerfslmaand 1278, bij van mieris, Charterh. v. Holl.
D. I. bl. 398.
(3) V. spaen, Ilist. d. Heeren ν. Amstel, bl.. 44, Verg, groebe, over Graaf floris Ύ,
bl. 83, 84.
(4) Groebe, over floris V, bl. 82.
(5) Zie de uitspraak van eenige Hollandscbe Edelen,'bij vak mieris den 21s(en van Louwmaand
1279. D. I. bl. 399.
(6) De beka, p. 79. IIeda, 225. Dat deze beide schrijvers ten onregte en tegen de getuigenis
van stoke, dit voorval onder Bisschop jan II of fa« Zerk plaatsen, is reeds aangetoond door wage-
haar, D. III. bl. 37.
DES VADERLANDS. 351,
leden, den Graaf in handen stelde. De beide IIqgvgïx van Anislel viGvèen gevangen 125fi—
naar Zeeland gevoerd (1).
Meer tegenstand bood het kleine, minder sterke slot Montfoort, doch rnoest ein-
delijk ook zwichten; en floris liet onedelmoedig, de dappere bezetting, welke hem
ongeveer een jaar had bezig gehouden, op twee na, onthoofden. Herman van Woer-
.den, wiens gebied door 's Graven volk was verv^'oest geworden , had inmiddels het land
geruimd en werd sedert, door een bisschoppelijk vonnis, gebannen (2). Graaf flouis
liet zich zijne bewezen diensten betalen, en voor de zes duizend ponden, welke hij als
oorlogskosten en schadevergoeding eischte, werden hem iJfwiWe/i, Weesp, Diemen ,
Windelmerhoscli en de ambachten van Oudewater, JVoerden en Bodegraven , alle
Stichtsche leenen, door den Bisschop van Utrecht verpand (3). Hiermede was echter
niel alles met den Graaf vereffend. Floris toch vorderde eenigen tijd later van den
Bisschop gelden terug, welke hij hém, ten behoeve des bisdoms, verstrekt had. De
Kerkvoogd was niet alleen ongezind hieraan te voldoen, maar schijnt zelfs de wapenen
legen den Graaf opgevat te hebben. "Wat hiervan het gevolg geweest is, wordt even-
min vermeld als de uitspraak der goede mannen, aan wie de beslissing van dit gelde-
lijk geschil was opgedragen. Zoo veel blykt, dat over den Bisschop, wegens onder- G van
scheidene vergrijpen, door den Pauselijken gezant de kerkban was uitgesproken, doch ^1285'
dat hij hiervan, op verzoek van floris, ontslagen werd, onder voorwaarde den Graaf
de voorgeschoten som te voldoen (4). Weinig dagen later erkende de Bisschop in t/e» lü van
Haag do wettigheid der schuld, en de onderhnge vriendschap werd hersteld (5). 1285"
Door tussclienkomst hunner magen en vrienden werden thans ook de Heeren van
Anistel uit hunne langdurige gevangenschap in Zeeland geslaakt en met floris ver-
zoend , wiens harde voorwaarden zij, door den nood gedrongen, eindelijk hadden in-27 van
gevfilligd. Gijsbreght moest, ten behoeve des Graafs, afstand doen vau j
land, Muiden en Muiderpoort, fVindelmerhroek en het Reigersbosch, welke goe- ^^^^
(1) Meus stoke, D. II. B. IV. bi. 205—207. De beka, p. 98. J. α leydis, Ziä. XXI. c. XX.
p. 222. De Klerk uit de laage Landen, bl. 152, 154. Cron. de Hollant. apud matthabi
Analect. T. V. p. 546.
(2) Melis store, D. II. B. IV. bl. 208. De beka, p. 98. J. α leydis, Lib. XXI. c. XX.
p. 222. Wagenaar , D. III. bl. 38.
(3) (troebe, over Graaf floris V, bl. 86—88.
(4) V. mieris, Charterb, ν. Holl D. I. W. 449, 450.
(5) V. mieris, Charterb. v. Holl. D. I. bl. 449, Verg. v. wijs op wagbnaar, Sl. III. bl. 22.
Groebe, over Graaf floris V, hl. 96—98.
ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1256—deren floris , evea als Troeger de Heer van Amstel, van het Sticht in leen zou
houden. Hij moest beloven, buiten 's Graven bewilliging nergens eenige veste of
sterkte op te werpen, en zich met zijne beide broeders, arnoud en willem , verbin-
den nooit legen Holland of Utrecht te dienen. Hunne eigen goederen {allodia) ont-
vingen zij als regte leenen van den Graaf terug, uitgezonderd Amstelredamme, waar-
van de gift aan jan perstn bevestigd werd. Ter nakoming van dezen zoen, van wel-
ken wij de overige punten stilzwijgend voorbijgaan, moesten zij eenige in-en uitlandsche
borgen stellen, onder welke de Hertog van Brahand met de Graven van Gelre en
Kleef genoemd worden (1).
Genoegzaam op gelijken voet en Aveinig gunstiger, werd later herman van Woerden
van niet Graaf floris verzoend. Hij moest zijn eigen goed, binnen de heerlijkheid van
maand ^oerden of elders gelegen , den Graaf opdragen , om het weder in leen van hem terug
te ontvangen; het sleenen huis te Woerden te allen tijde voor den Graaf openhouden,
en bovendien een vasten burg bouwen, welken hij insgelijks van den Graaf in leen
hield, en die ter bescherming van Rolland zou strekken. Hij verbond zich, zijne
dochter niet dan met 's Graven bewilliging uit te huwelijken, noch Hollandsche ballin-
gen eene schuilplaats te ver leenen. Eenige Edelen met hunne mannen stelden zich tot
borgen voor do getrouwe vervulling dezer overeenkomst (2). Zulk eene afgeperste ver-
zoening, gepaard met zoo vele opofferingen, moest natuurlyk de beide Edelen zwaar
drukken. Graaf floris begreep dit en trachtte hen door eerbewijzen aan zich te ver-
binden. Hij verhief hen tot zijne voornaamste Raadsmannen en gaf hun boven anderen,
deel in het bewind (3). En zoo hy ooit eene Ridderorde van st. jakob heeft ingesteld,
hetgeen nog geenszins beslist is, dan was gijsbreght van Amstel onder hare eerste
leden opgenomen (4).
Geen minder voordeel trok Graaf floris uit den twist tussoheu Hertog jan I van Brahand
cn Graaf reinoud van Gelre over het bezit van Limburg, waarop beide aanspraak
maakten. Immers is het blijkbaar, dat de Hertog, om den Graaf van Holland aan
(1) Van siiEiiis, Charterl·, ν. JIoll. D. I. bi. 460—463. j V
(2) Vak mieris , Charterl·, ν. Holl. D. I. bl. 467—470.
(3) Melis stoke, D. Π. B. IV. bl. 257.
(4) V. mieris, Charterb. ν. Holl. D. 1. bl. 524. Wagenaar, D. III. bl. 42, noch bilderdijk ,
D. II. bl. 198, betwijfelen, gelijk van wijn op wagenaar, Sf. III. bl. 21, de Baron d'yvov van
MIJDRECHT en anderen (zie de Letterbode voor 1826), de instelling dier Ridderorde, wier bestaan
de tioee Brieven over de Ridderorde van St. Jacobs-Broederschap, van den Baron van lykben
tan hemmen, niet buitcn twijfel gesteld hebben. Verg. groebe , over noRis V. bl. 94(2),
352
DES VADERLANDS. 353,
zich te binden, hem yan de leenhulde υοογ het eiland van Zuid-Holland^ welke de 1256_
Hollandsche Graven sedert twaalf honderd drie, aan de Hertogen van Braband verpligt ^^^^^
waren, geheel ontheven en hem hulp tegen al zijne vijanden, behalve den Keizer enden
Graaf van Vlaanderen, heeft toegezegd (1). Bij het uitbarsten van den krijg tégen
beinoud, sloten zij een verwerend verbond met elkander, en floris ondersteunde den
Hertog mei krijgsbenden (2). Na eenige vijandelijkheden werd door partijen het geschil
aan de beslissing der Graven van Vlaanderen en Henegouwen overgelaten; en floris
sloot hierop een afzonderlijk bestand met reinoud , waarbij men zich aan eene teruggave
der gevangenen, en verder aan de uitspraak des Konings yauEngeland onderwierp (3).
Doch alles bleef zonder gevolg, en de krijg ontbrandde op nieuw en heviger. Graaf
floris zond Zeeuwsche schepen en krijgsbenden onder bevel van wolfert van JBorse-
len en jan van Renesse den Hertog ter hulp (4). Gelre werd vreesselijk geteisterd.
Het geluk bekroonde de wapenen der twee bondgenooten, welke overeenkwamen, dat
de oorlog op beider kosten en baten zou worden voortgezet; dat men niet, dan tezamen,
vrede zou sluiten ; en dat, zoo de Graaf van Gelre kinderloos overleed, de helft der
goederen, welke hij van den Hertogin leen hield, namelijk de Veluwe, de Tieler-
en Bommelerwaardi vrij op floris zou komen (5). Te vergeefs trachtte men Holland
met Gelre te verzoenen (6). Floris bleef 's Hertogs medehelper, en toen waarschijn-
lijk werd door zijne benden de Geldersche hmg Ten Νieuwen Grave, verwoest (7). Bij
den vermaarden slag van Woeringen, den vijfden van Zomermaand twaalf honderd
acht en tachtig, was hij niet tegenwoordig, doch werd als's Hertogs bondgenoot begrepen
jn den vrede, Avelke het volgende jaar geteekend werd (8).
Middelerwijl had hij zich in eenen krijg met de West-Friezen gewikkeld. Door
de ongemeen groote watervloeden, welke in den winter van twaalf honderd zes en
(1) Zie de brieven van 10 van Wijnmaand 1283 bij v. miebis, Charterb. ν. Holl. D.I.bl. 433,
434. V. WIJN op WAGENAiR, St. III. bi. 18. Verg. bilderdijk, D. II. bl. 201.
(2) RijmkronijJi van jan van heeld, uitjf. door i. F. Willems, Brussel 1836, B, I. bl. 107.
Verg. noydecopen op melis stoke, D. II. B. IV. bl. 316—318. V.wijm op wagenaab, Sf, III. bl. 18.
(3) Van mieris, Charterb. ν. Holl. Ό. I. bl. 437, 448.
(4) Van heelu , B. I. bl. 108.
(5) Vak mieris, Charterb.- v. Holl. D, I. bl. 465. De overeenkomst is van den 24 van lierftt-
maand 1286.
(6) V. MIERIS, Charterb. v. Holt. D. I. bl. 466.
(7) V. heelü, B. I. bl. 128. ^
(8) Van wijn op wagesaar, St. III. bl. 20. V. spaen, Hist. v. Gelderl, D. I. bl. 2Ü8, 318.
ΪΓ, deel. 45
374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
zeven en tachlig een groot gedeelte van Zeeland, Zuid-Holland en de landen aan deze
en gene zijde van het Vlie overstroomden, was in /^eii-i^rieiia«c?eenegroolemenigte
volks omgekomen en de onderlinge gemeenschap der inwoners, door het onderloopender
lagere landen tusschen de dorpen, grootendeels gestremd geworden (1). Den West-Friezen
was het hierdoor ondoenlijk geworden den Graaf, welke hen thans voor altijd wilde breide-
len , eene genoegzame krijgsmagt tegen te stellen, te meer dewijl het hun aan vaartuigen
ontbrak, om zich te vereenigen en den vijand van hunne kusten af te houden. Het viel
derhalve υικκ van Brederode, Bevelhebber van 's Graven scheepsmagt op de Zuider-
zee, niet moeijelijk het eene dorp na het andere aan te tasten en te onderwerpen (2).
Graaf floris volgde hem , toen het water gevallen was , met een talrijk leger en stichtte,
ter bedwinging der West-Friezen, vier sterke sloten: een te MedemMik, om den toe-
gang te water naar Drechterland open te houden; een ander, Nieuwenhurg genaamd,
nabij Alkmaar tot dekking der grenzen van Kennemerland; niet ver van daar een
derde slot, Middelburg; en aan den oostkant der Zijpe , het slot Eenigenhurg, om
den weg naar West-Friesland te verzekeren. Een vijfde burg, Nieuwendoorn, werd
door hem aangelegd doch niet bij zijn leven voltooid (3). De West-Friezen van het
Houtwouder [Hoogwouder) Amhaclit verzoenden zich het eerst met den Graaf en
zwoeren hem op_ het slot Toorenburg, hulde en trouw (4). De Drechterlanders, welke
de tusschenkomst des Bisschops van Utrecht hadden ingeroepen, volgden weldra hun
voorbeeld en ontvingen, even als zij, van floris keuren en wetten (5). Weinig dagen
later verleende de Graaf aan Medemhlik en Monnikendam onderscheidene handvesten,
voorregten en stadsvrijheden (6). Men meent, dat hij ook om dezen tijd te ,
gelijk in Holland, eene munt heeft opgerigt (7). Texel yyaxA een jaar later onder-
(1) Melis stoke , D. II. B. IV. bl. 218-221.
(2) WiLUEiMUS PROCURATOR iti ΜΑΤΤΠΑΕΙ Afialect. T. II. p. 531. Uit dezen Sclirijvcr blijkt niet,
dat floris loen alom voor Heer van Friesland crVanü werd, gelijk, wagekaar , D. III. bl. 44,
uit hem verhaalt en bilderdijk , D. II. bl. 199, getrouw navertelt,
(3) Melis store, D. II. lï. IV. bl. 223—227. Occo scariensis, bl. 124. Eenïgen melden, dat
bet slot te Medemhlik uit de vervallen werken eens kasteels, weleer door Koning radbotid bewoond,
werd opgetrokken. V. mieris op de Klerk uit de laage Landen, bl. 158 (1). Nog heden worden
te Medemblik, de bouwvallen van dit slot, bet kasteel van radboüd genoemd.
(4) V. mieris , Ckarterb. v, Holl D, I. bl. 473. Verg. Oude Hall, Div. Kron. XIV Div. c. 14.
bl. 179. De Klerk uit de laage Landen, bl. 157.
(5) V. mieris, Chartetb. v. Holl. D. I. bl. 473—478.
(6) V. mieris, Ckarterb. v. Holl. D, I. bl. 478—492. /, . . , | ^ ..
(7) Wagesaar, D. III. bl. 45. ■■ . .
■ ■ «
1256^
l.JUO
20 Tan
liOuw-
niaand.
1288
21 van
Lenfe-
uiuaiid.
DES VADERLANDS. 355
ΛΤΟΓρεη en West-Friesland, door het leggen van wegen en dijken, toegankelijk 1256—
1 1300
gemaakt (1).
Ondertusschen was in Zeeland grooi misnoegen gerezen. Hel fnuiken cn inbreuk
maken op de regten des adels, het handhaven van den landvrede, het bevoorregten der
sleden en het beschermen der gemeenten tegen het geweld en de onderdrukking der
Grooten, hadden in het bijzonder de Zeeuwsche Edelen steeds meer en meer van Graaf
FLORis vervreemd (2). Het heffen en invorderen van zekere ongewone belasting door
den Graaf, uit welke beweegredenen dan ook opgelegd, voedden dien haat (3). Het
misnoegen liep eindelijk zoo hoog, dat twee en dertig Zeeuwsche Edelen zamenspan- 12^9
den, Graaf gui van Vlaanderen hulde en manschap zwoeren voor hot land tusscheii
Schelde an Heidenzee en beloofden , hem te ondersteunen legen floris , die hoe
dikwyis daartoe aangemaand, de vergrijpen tegen hunne voorreglen en gewoonten niet
Avilde herstellen (4). Güi van Vlaanderen had evenzeer grieven tegen zijn schoonzoon
als de Edelen. Floris , tot mondige jaren gekomen, had niet alleen de overeenkomst
Tan twaalf honderd zes en vijftig door zijn Voogd met F laanderen aangegaan, wat do
Zeeuwsche leenhulde betreft, niet, zoo als beoogd was, bekrachtigd , maar zelfs bij den
Keizer in twaalf honderd zeven en tachtig bewerkt, dat het verdrag, met betrekking
tot dit punt, voor nietig en van onwaarde verklaard werd (5), Later wendde hy zich
op nieuw tot den Keizer, welke in cenen brief de Edelen, met name jan van Renesse,
dirk van Brederode, λνοίρεητ en floris van Borselen , sich van Maelslede ^ ηυο,οναη
Kruiningen, nicolaas van Kats en hunne aanhangers, dreigend vermaande, zich aan
den Graaf van Holland, hunnen wettigen Heer, te onderwerpen (6). Ten zelfden dage
(1) WAGESAiR , D. III. bl. 46.
(2) Wagenaar, D. III. bl. 47. V. wijs op wagenaar, St. III. 1)1.23. Bilderdijk,D.II.bl.204,
vergeleken met melis stoke, D. II. B. IV. bl. 230, 231.
(3) wilneimus procurator, ad annmn 1287. p. 532. Verg. buderduk, D. II. bl. 205 , 206.
(4) Kluit, Uist. Grit. Com. Τ. II. Ρ. II, ρ. 893. Τ. I. Ρ. II. ρ. 342.
(5} V. mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 407. Kleit, Hist. Grit. Com. T. II. P. II.
p. 884. T. I. P. II. p. 317, 341. Floris moge het weigeren der leenhulde aan Vlaanderen ά\»
regt beschouwd hebben, volgens bilderdijk , D. II. bl. 203,; het was echter in hem evenmin regt als
het in Gra?f willem II geweest was. Zie hiervoor, bl, 247 (2). Op voorwaarde \an leenhulde had
hij met beatrix, gci's dochter. Zeeland bewester Schelde ontvangen. Zie hiervoor, bl. 334.
(6) V. mieris, Charterb. ν. Holl. D, I. bl. 505. Kluit, Hiat. Grit. Com. Τ. IL Ρ. II.
ρ. 904—907. Over den brief zeiven, den ästen van Bloeimaand 1290 gegeven, raadplege men
KLüiT in I. c. T. L P. II. p. 236, 339. sqq. 351 (I).
45 »
-ocr page 356-374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1256— erkende echter de Keizer ook hel regt dezer Edelen op hel derde gedeelte in do beden,
hetwelk floris hen betwistte, en waarover zij zich bij het Hoofd des Rijks beklaagd
hadden (1).
De krijg met Vlaanderen was inmiddels uitgebroken. Graaf gui , van den onderstand
des Zeeuwschen adels verzekerd, was op Walcheren geland en had onmiddellijk het
beleg voor Middelburg geslagen. Doch hoe geheim men alles gehouden had, was
echter de aanslag floris niet verborgen gebleven. Hij had zijne gemalin en zoon jan
naar ßliddelburg gezonden, heizij om hierdoor zijn schoonvader, welken hij trouwens
beter moest kennen, van de belegering af te houden (2); hetzij om den inwoners een
blijk van vertrouwen te geven en hen lot een gedrag te verpligten , dat daaraan beantwoord-
de (3). Ook had hij do stad door een bemoedigenden brief, tegen alle geweld zoo van
12 van binnen als van buiten, gerustgesteld (4). De burgers, gedekt door de Mortier, eenwel-
imam^i voorzien en welbemand Kasteel, boden den Vlamingen aan de eene zijde en den Vlaamsch-
12Ü0 gezinden Zeeuwen aan de andere eenen hevigen tegenstand, tot zij na eenige weken,
zich gedwongen zagen met robert , zoon van Graai gtri, overeen te komen, dat zij hem
lÜ van do stad zouden overleveren , wanneer niet binnen eenige dagen ontzet opdaagde, of de vrede
geiroiTen werd (5). Doch bet berigt, dat floris met eene vloot Zierikzee genaderd is,
met oogmerk om Middelburg te ontzeilen , geeft weldra eene geheel andere wending
aan den loop der zaken. Het beleg wordt opgebroken, de Vlamingen verlaten JVah
dieren, en Graaf gui beweegt Hertog jan Ivan Braband, om als middelaar lusschen
hem en den Graaf van Rolland op te treden. Na de slerksle en opreglsle verzekerin-
gen van de vredelievende stemming des Graven van Vlaanderen, gelukt het den Her-
tog, den argloozen floris Ie overreden, zijne benden terug te zenden en zich met
hem naar Biervliet te begeven, waar gui, hun beider schoonvader, gelegerd was en
de geschillen in der minne wenschle te vereffenen. Eerst bij hunne aankomst ontdekt
floris het laaghartig en schandelijk verraad, toen hij onverwachts in verzekerde be-
waring Averd genomen. In de eerste opwelling zijner drift, beschuldigt hij sxT^yan Bra-
band van deze verfoeijelijke trouweloosheid , en vaart in de bitterste bewoordingen tegen
(1) Kluit, Hist. Crit. Com. Τ. II. Ρ. II. ρ. 907. IJoxiiorn op reygersueug, Chron. v. Zeel.
D. II. bl. 94. Verg. oroebe , over floris V. 1)1. 101 (1).
(2) Wagbnür, D. ΠΙ. bl. 48. ^
(3) Bilderdijk , D. II. bl. 207.
(3) Kluit, Hist. Grit. Com. Τ. Π. V. Π. ρ. 900.
{5) Melis stoke, D. Π. Β. IV. bl. 231—233. Wilheimüs procurvtoB; ρ. 533. Klüit, Hist.
Crit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ. 344. Τ. II. Ρ. II. ρ. 909.
DES VADERLANDS. 848,
hem uit. De Hertog bezweert zijne onschuld en dringt, om zich Tan alle Terdenking 1256__
te zuiveren, ijTerig aan op het ontslag van floris , Toor wien hg zich ten gijzelaar aan-
hiedt, en dat het geschil aan de uitspraak van drie goede mannen zal worden overge-
laten. Graaf gui bewilligt hierin slechts onder voorwaarde, dat hij zelf met zijn oudsten
zoon robert en Hertog jan , dit drietal, zullen uitmaken. Floris geene keuze heb-
bende , belooft zich aan hunne beslissing te houden en tot de geheele vereffening van
zaken in Biervliet te blijven (1).
Aan de uitspraak dezer scheidslieden onderwierpen insgelijks jan van Renesse, *wol- 2 vau
FERT van Borselen en do andere zamengespannen Edelen, hunne geschillen met Graaf
floris (2). Dit was nog niet genoeg. Floris moest den Hertog beloven, binnen eenen 1290
bepaalden tijd den Graaf van Vlaanderen brieven van zekerheid te geven, omtrent de
verschuldigde manschap, en zoo lang in Gent te vertoeven, tot hij aan den inhoud
daarvan zou voldaan hebben (3). Onder dezelfde verbindtenis moest hij aannemen, den
Graaf van Vlaanderen ter vergoeding van oorlogskosten, twintig duizend Parijscho
ponden te betalen, Avaarvoor de Hertog zich wederom tot borg stelde (4). Dien dag
deden jan van Renesse en dirk van Brederode op nieuw hulde aan floris en be-
loofden hunnen »lieven Heere Haren florense , Graeve van Hollant, Ie staede sullen
staen euwelicke," en zoo er eenige twist tusschen hen mögt oprijzenzich aan dcjj
beslissing des Hertogs van Brahand ie onderwerpen (5). Den volgenden dag onderwier-Zomer-
pen zij zich allen gezamenlijk met floris , aan de einduitspraak der drie benoemde scheids-
lieden , welke hierop hoofdzakelijk nederkwam (6): 1®. De vrede lusschen Vlaanderen
(1) Melis stoke, D. Π. B. IV. bi. 233—237, wilnelmcs proccbator, p. 532. Kluit, Ilist.
Crit. Com. Τ, I. Ρ. U. ρ. 345. Τ. Π. Ρ. 11. ρ. 913. Over het gedrag des Kevtogs yanBraband,
is BiLDERDijK liet Avondcrlijk met zieh zelven oneens. D. I. bl, 273 zegt liij, geheel tegen de ge-
tuigenis van melis stoke,, Β. IV. vs. 734 enz, dat de Hertog vanjßraiawd tusschen gci en flows
den schelm speelde. D. II. bl. 208, daarentegen verliaält liij de onhegrijpclyke ontsteltenis des
Hertogs (bij het gevangen nemen van floris) , die zich tot het werktuig gemaakt zag mn zulk
een verfoeijelijk verraad; en beweert, hl, 210, dat de Hertog de man niet was om te bedriegen,
enz,; een man wiens edelmoedge aart telkens doorblinkt, bl, 214.
(2) rmit, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. Η. ρ. 346. Τ, Π. Ρ. II. ρ. 917.
(3) Kluit, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ, II. ρ. 346, Τ. II. Ρ. II. ρ. 919.
(4) Kluit, Hist. Crit. Com, Τ. I, Ρ. II. ρ, 347 , 348. Τ. II. Ρ. Π. ρ. 924 / 927.
(5) V. mieris, Charterb. ν. Holl D. I. bl. 506. Kluit, Hist. Crit. Com. T, I. P. IL p.348.
T. II. P. II. p. 928.
(6) Kluit, Hist. Crit. Com. T. L P. II. p. 348. T. H. P. H. p. 930.
-ocr page 358-374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
en Holland zal vast en onverbrekelijk zijn. 2°. De wederzydsche gevangenen en gij-
zelaars zullen uitgewisseld en in al hunne bezittingen hersteld Avorden; alleen jan van
Renesse wordt voor leenman van Vlaanderen erkend wegens zijn burg van Renesse en
honderd gemeten lands daaraan gelegen. 3°. De Graaf van Holland en zijne erven
zullen Zeeland tusschen de Schelde en Heidenzee van de Vlaamsche Graven in leen
houden, en hun daarvoor hulde en manschap bewijzen. ¥>. Wat door Koning wii-lem
of zijne opvolgers in hel Rijk strijdig met deze leenroerigheid aan Vlaanderen verrigt
is, zal van geen gevolg zijn. 5°. Flokis zal trachten de bevestiging dezer overeenkomst
van hel Rijk binnen één jaar to verkrijgen, en den Graaf van Vlaanderen hulp bie-
<len, wanneer de Keizer hem, uit hoofde dezer leenhulde, den oorlog aandoet of be-
nadeelt. 6°. Het verdrag van twaalf honderd zes en vijftig, tusschen floius den Voogd
ea margaretha, vau Vlaanderen aangegaan, zal Graaf floris goedkeuren en bekrach-
tigen. 7°. De Vlaamsche ballingen zullen voortaan in Zeeland hewester Schelde mo-
gen Avoncn, onder voorwaarde, dat zij Vlaanderen geen hinder toebrengen. 8°. Zeven
en zestig personen zullen in Zeeland aangesteld worden, om als gezworenen, alle ge-
schillen te vonnissen , uitgezonderd die welke de leenen en lands zaken betreffen. 9°. Bij
verval van een leen, bij gebrek van erfgenaam, zal do dochter of naaste bloedverwant
(agnaal) hei binnen jaar en dag voor eene bepaalde som, naar zyne grootte, van den
Graaf mogen verheflen. 10°. De Graaf zal een Baljuw stellen , die alle jaar twaalf we-
ken , en tusschen Schelde en Heidenzee acht Aveken regt houdt." Wederzijds Averd dit
verdrag bezegeld. Floris bezwoer vrijwillig [de no grei et de no honne volontei),
zoo het heette, voor zich en zijne erven deze voorwaarden, doch mögt Biervliet niet
verlaten, vóór dat zij nagekomen waren (1). Ondertusschen wist hij te bewerken,
dat Keizer rudolf bij een open brief verklaarde » niet te bewilligen , noch op eenige
wijze te zullen bewilligen, in hetgeen door floris betrekkelijk Walcheren apugegaan,
verrigt, of beloofd was (2)." Hel blijkt, dat hij inmiddels geslaakt en op vrije voeten ge-
steld was (3). Immers gaf hij niet lang na het sluiten van het bewuste verdrag, eenen
byzonderen brief, bij welken hij zich verbond, op verbeurte van dertig duizend Parijsche
Ponden, zich op een bepaalden dag te Gent in gijzeling te stellen , tot dat de Edelen en
Steden van Holland en Zeeland, den Graaf van Vlaanderen aldaar genoegzame verze-
kering betrekkelijk het achtervolgen der bepaalde voorwaarden , zouden gegeven hebben.
(1) KmiT, Rist. Crit. Coift. T. I. P. II. p. 349 'sqq. T. 11. P. II. p. 936-959.
(2) V. MIERIS, Charterb. ν. Holl. D. I. W. 507. Kluit, Rist. Crit. Com. Τ. II. Ρ. II. ρ. 9G7
(3) Melis stoke,,D. Π. Β. IV, bl. 236, 237.
1256—
13Ü0
6 van
llooi-
niaancl.
129Ü
22 van
OofTSt-
maand.
ÖES VADERLANDS. 3δ9
Hiervoor beloofde do Herlog van Braband met hem gijzeling te houden, tot dat aan 1256—
alle punten van het gewijsde zou voldaan zijn (1). ^^^^
Als een uitvloeisel van den gesloten vrede, verzoende zich Graaf floris achtervol-
gend met woLFERT van Borselen, dien hij voor levenslang tot zgnen Raad aanstelde,
met willem van Strijen, dirk van Brederode, voor M'ien verscheidene Edelen borg
moesten zijn, en jan van Renesse (2). Hij gaf levens eene nieuwe keur άάχχ Zeeland,
welke echter, naar het algemeen gevoelen, die van floris den Voogd niet heeft verdron-
gen (3). De geheele voldoening aan het· afgedwongen verdrag met F'laanderenhlcd
zoo wel aan zijne zijde als aan die des Hertogs van Bruland, achterwege (4). Het is
ook niet waarschijnlijk, dat hij, zoo als elders verhaald wordt (5), den Graaf van
Vlaanderen de verpligte manschap en hulde bewezen heeft; te meer dewijl deze belofte
hem door list en geweld was afgeperst, en de Keizer het verdrag, met betrekking tot
Walcheren, van onwaarde verklaard had (6).
Inmiddels was Koning alexander III van Schotland kinderloos overleden, en onder
de dertien mededingers naar zijne kroon, bevond zich ook floris V, weJke in regte
lijn afstamde van ada, de dochter van Koning hewbrik van Schotland, en moeder van
Graaf willem I, zijn overgrootvader (7). Men heeft over het meer of minder wettige
zijner aanspraak op den Schotschen troon, uitvoerig gehandeld zonder lot eene be-
paalde beslissing te geraken (8). Genoeg is het, dat hy naar Engeland trok om zyn
eisch te ondersteunen, en de eerste genoemd wordt onder de mededingers, welke te 5en6
Norham den Koning van Engeland tot regier kozen, en wien zij het gebied over ^merm.
1291'
(1) Klüit, Bist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. Ιί. ρ. 300. Τ. Π. Ρ. Π. ρ. 960.
(2) V. MIERIS, Charterl·, ν. Holl D. Ι. LI. 509-512, 524, 526—534.
(3) V. BiiEnis, Charterb. ν. Holl. D, I. W. 511—523. Ποχποκν op reygersbebg, Chron. D.
Zeel, D. II. bl. 86. Groebe, over floris V, bl. 107 (I). Verg. hiervoor, bl. 336.
(3) Het is met het karakter van floris V onvereenigbaar, dat hij, in ^ο//αηίί teruggekeerd,
den Herfog van Braband, zi]n gijzelaar, voor zichzelven liet zorgen en zich zijner, noch zïjnce
borglogts bekreunde, gelijk biiderdijk, in navolging van melis stokebeweert.D. Π.bl.209. Reede
Van wijn moest onzen Dichter van deze dwaling overtuigd hebben. Bijv, en op wacehaar,
St. m. bl. 29, 30 Cq). Zie ook groebe, over floris V. bl. 108 (3).
(5) Wilhelmus procurator , p. 532.
(6) Verg. bilderdijk, D.I.bl274. Π.ΙΙ.Η.218. Gkoebe, ocer floris V,bl. 109. Hiervoor bl. S.«)».
(7j Verg. hiervoor, bl. 123.
(8) Zie scRivERlcs, Chron. v. Holl. Zeel, en fvies/. bl. 238—241. Hotdecojbr op SIEUS stoke ,
D. H. bl. 321--324. Bilderoijk^ Ü. Π, bl. 222-225 , 234.
374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
Schotland afstonden, tot dat het verschil vereffend zou zijn (1). Hij was de eerste,
β van ^velke op de vergadering te Berwick, ter verdediging zijner regten gehoord werd. De
''1'®«»^· uitspraak geschiedde echter ten voordeele van jan t?e ^a^/io/, uit eene kleindochter
des Graven van Huntington ^ een zoon van Koning Hendrik van iScAoi/awc?, gesproten
en Graaf plokis deed elf dagen later openlijk afstand van zijne regten op de kroon (2).
Men wil dat hij door eene som gelds werd afgekocht (3). Dit is niet onwaarschijnlijk.
Hij zal te regt begrepen hebben, voor een onzekeren troon in een land vol verdeeld-
heden, het behoud zijner voorouderlijke nalatenschap, welke door zoo vele binnenr-
en buitenlandsche vijanden bedreigd werd, niet te mogen wagen (4).
Vóór den afloop dezer zaak was Graaf floris uit Engeland teruggekeerd en met
eene scheepsmagt naar Friesland getogen. Welligt hadden de Friezen aan gene zijde der
Zuiderzee, de Weslfriezen in den laatsten krijg tegen den Hollandschen Graaf onder^·
steund, hetgeen deze niet ongewroken wilde laten. Stavoren onderwierp zich na eene
belegering van drie weken en huldigde floris als Heer (5). üit erkentelijkheid verleende
hij der stad verscheidene voorregten en vrijheden (6). Er blijkt echter niet, dathijeenige
pogingen heeft aangewend, om Friesland verder te bemagtigen. Trouwens, de op
nieuw losgebarsten krijg met Vlaanderen, vorderde elders zijne tegenwoordigheid.
Het was voorzeker niet vreemd, dat uit de weigering van floris , om aan het verdrag,
hem door gtji afgedwongen, te voldoen, het oorlogsvuur ontbrandde. Wolfert i^a«*
Borselen nevens andere, zoowel Hollandsche als Zeeuwsche grondeigenaars , hielden de
zijde van Vlaanderen. Men meent, dat zij een nieuw voorwendsel lot wederspannigheid
gevonden hadden in de keur, welke floris V aan Zeeland had gegeven, en die met
de inzigten des Vlaamschen aanhangs niet strookte (7). Met afwisselend geluk werd
de krijg gevoerd, tot dat door tusschenkomst van Koning eduard van Engeland^ een
bestand gesloten werd (8). Hiertoe zal ongetwijfeld hebben bijgedragen, dat qux
van Vlaanderen tevens in eenen krijg gewikkeld was met den Graaf van Uenegou'
(1) V. MIERIS, Charlerb. v. Holl. D. 1. bl. 538—540.
(2) Wagenaar , D. III. hl. Ö7.
(3) MELIS stoke , D. II. B. IV. LI. 240,
(4) Biiderdijk, D. II. bl. 225.
(5) De Klerh uit de laage Landen, bl. 158. Occo scarlessis, bl. 125. Wissemius , Chron,
V, Friesl. bl. ^
(6) Zie den brief van den 1·""' van Grasmaand 1292, bij v. mieris, Charterb. //ο//. D. I. 544.
WiKSEMics, Chron. r. Friesl. bl 179.
(7) Klüit, Hist. Crit. Com. Τ. Π. Ρ. II. ρ. 980. Bilderdijk, D. II bl. 222.
(8) RmiT, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ. 365. Τ. II. Ρ. II. ρ. 973. i
-ocr page 361-DES VADERLANDS. 852,
wen, welke door Keizer adolp van Nassau aan den bijstand der Rijksleden was aan- 1256'—
bevolen (1). Men vindt wel niet, dat deze Vorst zich in den krijg tussclien floris en 31 yg^
GUI gemengd heeft, echter bevestigde en bekrachtigde hij de aanschrijvingen en verkla-
ringen door zynen voorganger rddolf, ten behoeve van floris gegeven (2). Het be- 12Ü4
stand tusschen Vlaanderen en Rolland schynt zich slechts lot eenige maanden bepaald
te hebben. De vijandelykheden werden hervat, en Koning eduard trad weder als mid-
delaar op, vermaande tot vrede en zond jan van Kuik, die zich kort geleden,
uit geheime oogmerken, voor twee duizend Ponden 'sjaars aan zijne dienst ver-
bonden had, herwaarts, om, zoo het heeten moest, het geschil in der minne tc veref- 28 van
fenen (3). De uitslag was, dat floris den Vlamingen een Avapenstilstand van drie of ^™®™·
vier maanden inwilligde (4). Hieruit blijkt, dat het kr%sgeluk gui van Vlaanderen 6 van
niet moet begunstigd hebben. Ook volgde het' hem niet na het einde dezer wapen^
schorsing. Hij had zich in het land van Kadzand nedergeslagen, terwijl de benden
van FLORIS het Walchersche strand, van VUssingen tot Zoiitelande bezetten. De
West-Friezen, welke thans de Hollandsche banieren getrouw volgden, vielen onder
aanvoering van dirk van Brederode in Kadzand en keerden met buit terug, terwijl
JAN van Renesse naar Sluis, toen misschien Lammins vliete genaamd, overstak en
het in kolen legde. Hierdoor getergd, bragicn de Vlamingen een aantal schepen
byeen en landden met drie duizend man te Baarland in Zuid-Beveland ^ alles in
den omtrek plunderende en blakende, kerken noch bedehuizen sparende. Geheel
Zeeland geraakte op dit berigt iii rep cn roer, en alles vloog te wapen. Da-
delijk trokken doedyh van Everingen en die der vak borselens, welke floris ge-
trouw gebleven waren, aan het hoofd van drie honderd wakkere Zeeuwen, van tvveo
kanten den vijand tegen. Doch reeds bij den eersten aanval maakte de schrik zich van
de Vlamingen meester, welke in de uiterste verwarring naar hunne schepen terug vlo- ^^
den. Door de Zeeuwen nagejaagd, vonden meer dan duizend vyanden al vlugtende Wijn-
hun graf in de golven of smoorden in het slijk, terwyl twee honderd op 'hel slagveld
bleven liggen. De aanzienlijkste gevangenen werden door.Graaf floris , welke midde-
lerwijl in Zeeland was gekomen, voor losgeld geslaakt, en de overige naakt uitgeschud
(1) Zie den Brief van den 29 van Bloeimaand 1293 bij kluit, Jlist. Crit. Com. Τ. Ι. Ρ. Π.
ρ. 365. Τ. II. Ρ. II. ρ. 975.
(2) Klcit, Jlist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ. 364, 365. Τ. II. Ρ. Π. ρ. 977, 978. , V. μιεβιβ,
Charterb. τ. Boll. D. I. bi. 559, 560.
(3) V. hieris, Charterl·, ν. Holl. D. I. bl. 56.5.
(4) V. MIERIS, Charlerl·. v. Holl. D. I. LI. 566. Κιυιτ, liist. Crit. Com.T. l. P. II. p. 306.
T. II. P. II. p. 979.
II. deel. 46
-ocr page 362-374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1256—(moedernaeckt) naar ^Zaanrferm terug gezonden. Een hevige slorm sloeg vele Vlaam-
1300
sehe schepen van hunne ankers; een daarvan strandde aan de Zeeuwsche kust en
Averd bemagtigd (1). Hiermede eindigde deze krijg. De ridders wolfert , rase en
JAN van Borselm, welke bij het begin des oorlogs het land moesten verlaten, on-
derwierpen zich op nieuw aan Graaf floris , cn de rust bleef in Zeeland voor eenigen
lijd verzekerd (2).
Ondanks de wederzijdsche vriendschap tusschen floris en eduard , had de Koning
onder verschillende uitvluglen steeds geweigerd, den Graaf hoezeer deze er op aan-
drong, in den Vlaamschen krijg den beloofden onderstand te verstrekken (3). Hij had
zich onzijdig gehouden en slechts getracht de strijdende Vorsten met elkander te ver-
zoenen , om beider hulp tegen Frankrijk te kunnen inroepen, met welk hij in eenen
oorlog gewikkeld was. Gui van Vlaanderen reeds misnoegd op fiiips den Schoone,
liet zich gemakkelijk door een huwelijk tusschen Prins edtjard en filippe zijne doch-
ter , de betaling van honderd duizend pond zwarte tournois voor rekening van reihoiid
van Gelre, en door het verplaatsen des voordeeligen Engelschen wol-stapels van Dord-
recht naar Brugge en Mechelen, tot een verbond met Engeland o\c,vhdXcn (4).
Zulk eene naauwe verbindtenis van zijn bondgenoot met zijn grootsten en geslagen
vijand, moest natuurlijk den billijkdenkenden floris geweldig grieven. Bijzonder ging
hem de verplaatsing des wolstapels naar elders ter harte. Hierdoor toch werden niet
alleen zijnen tollen eene aanmerkelijke schade toegebragt, maar ook zijne nijvere en
handeldrijvende onderdanen geweldig benadeeld , wier welvaart hij steeds beoogde zoo
veel mogelijk te bevorderen en te verzekeren (5). Door een verbond met Frankrijk
trachtte hij zich op de Engelsche belangzucht en trouwloosheid te wreken, doch ver-
haastte hierdoor slechts het treurig lot dat hem wachtte.
De eerste aanleiding tot dit verbond gaf builen twijfel robert, Graaf van Artois,
Neef van floris en brocderszoon des Konings van Frankrijk. Hij was geheel in de
belangen van het Fransche hof, en had in het geheim den Graaf van Holland naar
Henegouwen genoodigd, waaraan deze in den zomer van twaalfhonderd vijfennegentig
had voldaan. Hier zal de grond gelegd zijn tot het verdrag, welk nog vóór het einde
(1) Melis stoke, D. II. U. IV. bl. 246—254. Oe Klerk uit de laage Landen, bl. 161, 162.
J. A. LïTDis, Lib. XXIV. c. 24. Oud. Holl. Div.Kron. Div. XIX. c. 20.
(2) Zie het verdrag van den I van Bloeimaand 1296 bij v. hieris^ Chai'terh, v, Holl, D. I·
bl, 570. KitiT, Eist. Crit. Com. Τ. II. Ρ. II. ρ. 980,
(3) Melis stoke , D. II. Β. IV. bl. 255,
(4) Wagenaar , D. III. bl. 58.
(5) Verg. wagehaar, D, III. bl. 59.^ Groebe, over Gr. rtoRis, bl, 112,
-ocr page 363-DES VADERLANDS. 46
(les jaars , toen floris zich in Parijs bevond, ontworpen en weldra tot stand gebragt 1256—
werd (1). Getuigen en medebezegelaars van dit verbond waren dirk van Brederode,
jan 'oan Renesse, willem van Egmond, Hendrik (van Heldam ?) willem (jan ?) Louw-
maand
van Arkel, nikolaas van Putten, ïilips van VFassenaar en jan (willem ?) van 1296
Tellingen (2). Er blijkt hieruit genoegzaam, dat floris niet op eigen gezag, maar in
gemeenschappelyk overleg met deze Edelen gehandeld heeft; een maatregel van \oor-
zigtigheid, waardoor de nadeelige gevolgen, welke uit deze overeenkomst mogten
voortvloeijen, hem althans niet alleen konden te last gelegd ,worden (3). Bij dit ver-
bond , of liever leenverbond , begiftigt Koning filips van Frankrijk onzen Graaf met
vierduizend Ponden tournois 'sjaars en vijf en twintig duizend Ponden in eens , van
welke bij het sluiten des verdrags , reeds zeventien duizend vijfhonderd Ponden ont-
vangen zijn. Daarvoor belooft floris hem hulde en manschap, in het bijzonder bij-
stand tegen al zyne vganden, uitgenomen de Koningen μάά DuitschlandmEngelatid,
ten ware deze den aanval begonnen; zelfs zou hij den Koning van Duitschland mo-
gen helpen, indien de Koning van Frankrijk het Duitscho Rijk aantastte. Daarente-
gen verbindt hij zich, de bondgenooten en geldtrekkenden van Engeland y uitgezon-
derd den Koning van Diiitschland, welke onder deze laatslen behoorde, te zullen
beoorlogen, zoodra do Koning het begeerde. Do vrienden en bondgenooten van den
Franschen Vorst zouden vrijen toegang hebben in 's Graven landen, en zich daaruit
van schepen en krijgs- en mondbehoeften mogen voorzien. Dit alles zou niet alleen
aan 's Konings vijanden geweigerd , maar deze zelfs vóór den eersten van Bloeimaand aan-
staande uit het grafelijk gebied verdreven worden, de ongewapende kooplieden en
Duitschers uitgezonderd. Koning filips daarentegen, mögt geen vrede öiet eduard
sluiten, zonder floris er in te begrijpen en te bedingen, dat 's Graven zoon jan te-
ruggegeven werd, wien hij eene andere geraalii^ beloofde, wanneer het huwelijk met
(1) Melis store, D. IL Β. VI. bl. 254. Gdilladme guiaht , Branche des Royaux Ltgnages,
publice par j. a. büchon , in de CoUcction des Chroniques nationales de Franoe, T. VIII, p.
160, VS. 4138. Paris 1828.
Après vint flohent de Hollande
Se ge ci ne vueil faus diter,
Paris et France visiter;
Bele compaingnie gnia;
Par fiance au roi s'alia
Contre edodart qu'il deslie'rite.
(2) Zie over de namen dezer Edelen, Naleez. op de Vaderl. Ilist. bl. 142, 143.
(3) Groebe, over Gr. floris V. bl. 113,
41*
-ocr page 364-374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
125ß—etizabeth van Engeland niogt dfspringen, of floris schadeloos te stellen, wanneer
deze genoodzaakt mögt worden, de reeds ontvangene vijf en twintig duizend kleine
Ponden tournois den Koning van Engeland wederom uit te keeren. Eindelijk, zoo
Fi-ORis in den krijg tegen do vijanden van Frankrijk eenig land verloor , of zoo hij
of een der zijnen gevangen werd genomen, beloofde filips geen vrede te zullen ma-
ken , dan onder beding, dat de veroverde landen teruggegeven en de gevangenen ge-
slaakt zouden worden. Ook zou hij niet gedoogen, dat eenig leenman van Frankrijk ,
zoo lang dal verbond stand hield , Grave floris eenige moeijelgkheid aandeed (1). Op
denzelfden dag werd door Koning filips een afzonderlijk stuk uitgegeven en daarin
bepaald, dat Graaf floris niet allen Bondgenooten van eduard den oorlog behoefde
aan te doen, maar alleen den Heeren van kuik en valkesburg (2).
Opmerkelijk is deze uitzondering. De grond hiervan lag waarschijnlijk, althans wat
den Heer van kuik betreft, in den ouden haat welken zijn geslacht reeds sinds eeu-
wen het Huis van Holland toedroeg, tegen welk het vaak de_wapenen had aange-
gord (3). Die erfelijke haat was ongetwijfeld gevoed, sinds Graaf floris het slot te Γοη-
gelare, een erfgoed der Heeren vas kuik., in leen verkeerd, en hem het slot ier Zfor^f
afhandig gemaakt had (4). Jan van T{uik deelde daarenboven in do hooge gunst en
het vertrouwen des Konings van Engeland^ en het is geheel niet onwaarschijnlijk, dat
zijn invloed nadeelig gewerkt had op hel gedrag van dezen Vorst ten opzigte van
Holland, hetwelk aanmerkelijk veranderd was (5). Zijne vyandige gezindheid open-
baarde zich toen hij als handlanger van de bedoelingen des Engelschen Hofs, zich in
do zamenzwering tegen floris wikkelde.
Dit Hof was ten hoogste misnoegd over het verbond van Graaf floris met Frank-
rijk, ofschoon de verbindtenis van eduard met Vlaanderen zelve er aanleiding toe
gegeven, en het sluiten daarvan als wijs en nuttig gewettigd had (6). Het is intusschen
vreemd, dat acht dagen vóór het verdrag tusschen filips en floris geteekond werd,
de Koning van Engeland vier gezanten naar Holland zond met volmagt, om eene
(1) V. mieris, Charterb. ν, Holl. D. I. bl. 562—564. Wagesaaii, D. ΠΙ. bi. 60—62. Hcy-
decopek op melis stoke, D. 11. B. IV. bl. 324—326.
(2) Vam wijn , Nalees, op wagenaah , bl, 145 (n). Bijv, op wagehaar , St. Hl. bl. 66.
(3) Wagenaar, D. 1Π. bl. 67. Biiderdijk , D. II. M. 233.
(4) V. mieris', Charterl·, ν. Holl. D. l.bl. 425, 449; Groede,oj^er Gfraa/floris V.bl. 116,117.
(5) Hüydecoper op mélis stoke, D. 11. B. IV. bl. 246, Aant. op vs. 901. Groebé, over Gr,
floris V. bl. 117.
(6) Verg. wagesaar, D. UI. bl. 63, 65. Buderduk, D. Π. bl. 238.
-ocr page 365-DES VADERLANDS. 856,
overeenliorast to vollooijen, λτααπη florïs dien Vorst, in den aanstaanden oorlog tegen 1256—
Frankrijk bijstand belooft (1). Daar men echter niet vooronderstellen kan, dat edu- ^^^^
ARD, welke zoo vele aanzienlijke vertrouwelingen in Holland telde, met de bedoelin-
gen en de reis van floris naar Frankrijk onbekend gebleven was, en het tevens
ongerijmd is te meenen, dat hy door deze onderhandeling Graaf floris van een ver-
bond trachtte af te houden, hetwelk reeds in het laatste gedeelte des vorigen jaars was
tot stand gebragt, zoo schijnt men de echtheid dier volmagt, ten minste wat hare dag-
teekening betreft, in twijfel te moeten trekken (2). Hoe dit zij , floris was te ver ge-
gaan om terug te treden, indien hij ook dat voornemen gekoesterd had. Niet dan na
rijp beraad en in het ware belang des Staats, had hij zich aan Frankrijk gesloten,
en niets kende hem aan het wankelen brengen. Te vergeefs dreigde hem eduard in
de eerste opwelling van drift, dat hij 's Graven zoon jan in hechtenis zou houden,
indien het verbond met filips niet verbroken wierd. Met waardigheid gaf hij den
Koning tot antwoord : » Mijn zoon is in uwe magt, gij kunt met hem naar welgevallen
handelen, maar ik zal mijne maatregelen niet veranderen." Van nu aan besloot eduard
het verderf van den Graaf door een schelmstuk te bespoedigen. Hij echter wilde voor
het oog der wereld onschuldig blijven; zijn besluit moest in het geheim door jan
van Kuik ten uitvoer gebragt worden (3).
Zijne heerschzucht had reeds lang op een bijna onbeperkt gezag over het graaf-
schap van FLORIS gevlamd; zijne daden en onderhandelingen laten in dit opzigt gee-
nen twijfel over (4). Doch deze uitzigten werden door het verbond jan floris
met Frankrijk, den bodem ingeslagen; de ^ gevolgen daarvan moesten derhalve,
al ware het ook ten koste van 's Graven vrijheid, verijdeld worden. Te meer
werd hij hiertoe aangespoord door de vrees, dat floris , om den Engelschen in-
vloed op de zaken des Graafschaps ook na zijnen dood to weren, zijnen zoon jan,
welke zoo goed als vermaagschapt was aan eduahd , zich immers geheel in de magt
van dien Vorst bevond, van de opvolging mögt uitsluiten (5). Een Engelsch Schrij-
ver uit het begin der volgende eeuw getuigt, dat floris zijn beminden zoon wittb
van Haamstede, tot zijnen opvolger en erfgenaam bestemde, doch daarin door de
(1) Vak mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bi. 568. Nalees, op de Faderl. Bist. bl. 144.
(2) Hcï-decoper op heus stoke, D. II. B. IV. bl. 326. Groebe, over Gr. floris, bl. 118,119.
(3) L. v. υείτπεμ, Spiegel Hist. B. Ui. c. 43. H. 201, 202.
(4) Bondig heeft dit groebe aangetoond in zijne meermalen aangehaalde Verb, over floris V.
bl. 120-122.
(5) Wagenair, D. m. bl. 71.
-ocr page 366-374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1256— Edelen verhinderd werd (1). Ofschoon nu geene anderen hiervan melding maken,
en de zaak zelve niet zeer vvaarschynlijk is, zoo blijkt toch uit een brief van eduarü
aan Keizer abolf van Nassau, dat hij niet gerust was met betrekking tot de opvol-
ging in het graafschap Holland, dewijl hij 'sGraven zoon in de gunst des Keizers
aanbeveelt, op dat hij door den vader niet roogt onterfd worden, terwijl hij niet
aarzelt, floris van ondankbaarheid en ontrouw te beschuldigen (2). Floris zelf schijnt
daarover den Keizer niet aangezocht te hebben. Uit alles blijkt, dat hoofdzakelijk
het verbond met Frankrijk, floris den dood heeft aangedaan (3). Het misnoegen des
Hollandschen en Zeeuwschen Adels bragt echter ook niet Aveinig toe, om 's Konings
plannen te bevorderen en den val van floris te verhaasten.
In Zeeland waren de Edelen door het inkorten hunner vaak misbruikte voorregten,
het beteugelen hunner aanmatigingen door heilzame inriglingen en wetten, en het be-
perken van hun gezag, op den Graaf verbitterd. Hun wrok werd van builen , zoo-
wel van de Vlaamsche als Henegouwsche zijde, steeds aangestookt en onderhout
den, en had [floris reeds eenmaal aan den rand des verderfs gevoerd (4). Uit
hen ontsproot wol niet de heillooze zamenzwering tegen Graaf floris , doch sommigen
van hen uit de geslachten van ev,eringen, mallant, van der hooge , oostende en
anderen namen er deel in (5). Jan van Renesse had er kennis van, cuwolfert van
Borselen, schoon onlangs nog door een plegtig verbond met den Graaf verzoend, moet
er zelfs diep ingewikkeld geweest zijn (6), De vlookgenooten bostonden voor-
namelijk uit Hollandscho Edelen en leenmannen, wier hoofdgrieve, naar het
schijnt, voortvloeide uit het schijnbare of wezenlijk streven van den Graaf, den
adel van zich afhankelijk te maken en tot onderdanigheid te brengen. Jan
van Kuik was zijn leenman gewrden (7). Do Ridder Hendrik van Aske, en
(1) TnivETDs ad annum 1290, bij wagenaar, D. III. bl. 70. Van wijs meent, dat Let gerucht
van 's Graven overdragt zijner landen aan een ander, betrekking had op den jongen zoon zijner
nicht, κατπαηικε de ddrbuv, weduwe des Heeren van Voorne. Bijv. en Aantn. pp wage^aar,
St. ΠΙ. bl. 31 (u).
(2) Zie den brief van den 26 van Zomermaand 1296, bij van iueris, Charterb. v. Hall. D. I.
bl. 572. Verg. bilderdijk, D. II. bl. 242—245.
(3) Melis stoke, D. II. B. IV. bl. 245.
(4) liiLDEKDiJK, D. II. bl. 131, 232, hierin volgende scriveuiüs Graven, bl. 226, en goüd-
noEVEK's Chron. bl. 337, 341. Zie hiervoor bl.l '
(5) Te water , Vaderl Hist. D. H. bl. 239.
(6) Melis stoke, D. II. B. IV. bl. 272, 294. B. V. bl. 364. D. Hl. B. VH. bl. 2, 3.
(7) Zie hiervoor, bl. 364.
-ocr page 367-DES VADERLANDS. 858,
ΛΚΝουτ van Steijne hadden hem hunne goederen afgestaan, en waren er Λveder ^
mede beleend geworden (1). Jan van Heusden had insgelijks aan fiobis zijn erf-
goed , de stad en vrijheid van Heusden, opgedragen en het weder in leen van hem
ontvangen (2), Hij was met van kuik naauw bevriend, Aviens dochter aan zijnen zoon
gehuwd, en met wien hijvvoor immi^Tn van boerden in twaalf honderd zeven en tachtig,
borg gebleven was. Men meent, dat hg op den Graaf in het byzonder was gebeten,
dewijl deze de eer zijner dochter geschonden had (3). Zeker is, dat Hertog jan de II
van Jiraband, welke geheel aan de belangen van Engeland gebonden was, in twaalf
honderd zes en negentig, twee duizend Ponden tournois en honderd Ponden Brabandsch
beloofde » voor al zulken dienst, als die Here van Heusden den voorsz. Hertoge, on-
der denConinc ^anYngelant, tegen den Coninc van ^i-aMCÄry'Äe , louede te doen" (4).
Amstel en woerden waren insgelyks leenmannen van floris geworden, en noch de
gunstbewijzen met Avelke hy hen overlaadde, noch het vertrouwen dat hij hun schonk,
noch de onderscheiding en hartelijkheid welke hij hun betoonde, konden de herinne-
ring van de vorige onafhankelijkheid, noch de spijt over de harde vernedering Avelke
zij ondergaan hadden, uitwisschen (5J. Gerrit van Velzen, met floris opgevoed en
(1) V. MIERIS, Charlerh. v. Holl. D. I. bl. 392, 550,
(2J V. MIERIS, Charterh. v. Holl. D. I. Li. 505.
(3) V. GouTiioEVEN , ChroH. v. ΠοΙΙ.ΙΑ. 341. De moeder van-witte can J/aaiMsietie was eene doch-
ters van aarkoüt, een jonger broeder ymim van Heusden, volgens bilderdijk, D. II. bi, 186,187.
(4) V. ΛνπΝ op AVAGENAAR, St. III. 1)1. 32. bilderdijk twijfelt evenwel nog, of vak iiecsden deel
gehad heeft aan het verraad tegen tldris , D. II, bi. 240 , 259.
(5) Melis stoke, D. II. B. IV. hl. 257, 265, 266, 267, 281. Verg. hiervoor, hl. 351, 352.
Herman «α» Woerden schijnt in het bijzonder's Graven vertrouwen bezeten te hebben. Melis
STOKE roept hem verwijtend toe, hl. 266:
Ay πεκμαν! bi avat zaken
Wilstu der quader name ontfacn?
Was di niet ghenoech ghedaen?
De Grave hadde di ghemaket rike,
En dinen buren al ghelike.
Hi belrouwede alles di.
Oec so weet ie wel, dat hi
Sinen oversten raet di hadde gheaet.
Hi betrouwcde di vele bet,
Dan du hem naer deels an scyn ♦
Du drocghes oec de cleder syn,'^ Dat ie, de hofklceding, die hij als hoogc
dienstman van floris droeg.
374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1256— in aanzien aan hel grafelijk Hof (1), was met woerdews erfdochter gehuwd , en betreurde
dus mede wat zij hem ten huwelijk had moeten aanbrengen (2). Hij vond eene andere
reden van misnoegen tegen floris in het onthoofden, op 's Graven bevel , van zijnen
Neef jair, welke te Leiden den grafelijken regier gewond en tevens eenen manslag
begaan had (3). Floris zou daarenboven naar het eertyds algemeen gevoelen»
VAW VELZEN als echtgenoot, grievend beleedigd hebben en aan dat feit eigenlijk
zyn dood verschuldigd zijn (4). Bij hen voegden zich aresd van Benskoop, gerard
(1) Melis stoke, D. II. B, IV. bl. 267.
lin du, Glieraert, felle man ,
Droeghes oec sinc cleder an.
Du hads van kinde met licm {jliewcscn.
(2) Bilderdijk, D, II. bl. 234.
(3) L. V. vELTiiEM, Spiegel nisi. B. III. c. 45. bl. 203, 204.
(4) Lodewuk van velthem, Spiegel Hist. B, III. c. 42. bl. 202.
Ander seggen: dat om eene Vrouwe quam,
Dat men liem (flouis) syn leuen nam,
Daer bi met soude hebben te doene ,
Die Wijf was een van sinen Baroene. *
Zie voortsj. α levdis, CÄmt.Z/iÄ.XXIV. c.26,27. B. skoiZfai.Zii. VII,p. 102. Übboemmiüs,
Rer. Fris, Hist. Lib. XII, p. 181. Men beeft dit in latei· tijden voor een kwaadaardig sprookje ge-
houden., uitgedaclit om de nagedachtenis des Graafs te bezwalken en zijne moordenaars te veront-
schuldigen. Zie bilderdijk, D. Π, bl. 234—238. Ondertusschen is deze Sage, welke blijkens van
VEiTHEH, reeds in den tijd van FioRis zeiven algemeen verspreid was, van geslachie tot geslachte over-
gegaan en in versregelen in den mond des volks beAvaard gebleven. Dit blijkt uit eenige rijmen, nahet
slot van een afschrift van melis stoke uit de 15de eeuw. Zie wagenaab, D. III, bl. 68 (3). Van
wijn op -wagenaar, St. III. bl. 33. V. mieris op den Klerk uit de laage Landen
COPER, Proeve van Taal· en Dichtkunde, D. II. bl. 370, Later heeft men op liet schutblad
van den geschccvenen Rijmbiibel van j. v. maeblakt, een oud volkslied over hetzelfde onder-
werp ontdekt, welk volgens het slot van het eerste couplet, uit het laatste gedeelte der I4de
of het begin der 15de eeuw afkomstig is. Lelijveld heeft het medegedeeld in zijne Aant. op
nuYDECoPEu's Proeve van Taal· en Dichtkunde, D. II. bl. 371—376. Verg. des Hoogleeraars
tijdeman Aant. op diiderdijk, D. II. hl. 346. Velzens gemalin heet aldaar isabele van Ben-
them, welke men nergens elders ontmoet. In het Register der Leenkamer wordt gesproken van
sinen wive niLüEGONDE, V. -wijn op wagenaar, St. III. bl. 33 (w). Weinig overleveringen, zoo
eene, zijn geheel van geschiedkundigen grond ontbloot. De onderhavige is niet in strijd met het
karakter van Graaf floris, welke geheel niet onverschillig was voor de schoone kimnej en zij
DES VADERLANDS. 860,
van Kraaijenhorst, mallem van Teilingen, willem van Zaanden , hugo van Baar- 125f?—
landf kostijn van Hoternisse, alewijn en meer anderen (1). Het blijkt niet, λγοίΐίο
hunne grieven tegen den Graaf ge\Yeest zijn. Welligt had hg hunnen haal opgewekt,
doordien hij iich had onderwonden, Teertig der rijkste huislieden lot den adel- of rid-
derstand te verheffen (2). Uit de zeden van dien lijd verklaard , komt dit hierop ne-
der , dat de Graaf eenige onvrije of schotboortige landlieden , Avelke zich bij hem
verdienstelijk hadden gemaakt, van alle slaafsche dienst ontslagen, hun land van het
schot ontheven, en hen voor welgeborenen verklaard had. Dit welgeborenschap gaf hun
regt op ambten, zij konden leenen beuren, Heerlijkheden verkrijgen en lot hooger
stand opklimmen (3). Anderen meenen dat flokis misschien eenige afstammelingen
uit jonger takken van adellijke huizen gegoed, en alzoo uit hunne duisterheid weder in
aanzien zal hersteld hebben (4). Dit is echter minder waarschijnlijk, daar hij door
sommige Edelen en Ridders uit schimp ; der Keerlen God geheeten Averd (5).
In deze spanning der gemoederen tegen den Graaf, welke door het Engelsche goud
nog hooger was opgevoerd, kwam jan van Kuik mi Engeland [<o). Onder voor-
wendsel van eenen manslag te verzoenen, werd te Bergen op Zoom eene bijeenkomst
gehouden, op Avelke vapt velzen , vaw λνοεηϋεν, van heusden , ongetwyfeld ook van
amstel en eenige andere Edelen verschenen. Van kuik verzekerde dengenen, die nog
om deze of gene reden wankelden, van den bijstand des Konings van niet al-
geeft Avelligt de verklaring;, waarom van velzek meer dan een der andere zaraengczworenen, op
den Graaf verbitterd was. Hij Arordt zelfs door melis stoke als het liooid des eedgespans beschouwd.
D. II. B. IV. vs. 1152-1162. Verg. scrivekics Chron. v. Holl. Zeel. en Vriesl. bl. 224, 228,
gobdnoeven, Chroti. v. Holl. bl. 340. Het is waar, noch melis stoke, noch de Klerk uit de
laage Landen, noch wilhelwus procurator, noch de beka, bijna alle tijdgenooten, melden
hiervan iets. Doch )) van zulke euveldaden der Vorsten wordt zelden in de schriften hunner tijd-
genooten gerucht gemaaktzegt λυαοεναακ , D. III. bl. 69. Het geval moge betwijfeld, maar kan
bezwaarlijk voor ongeloofelijk of onwaarscliijnlijk gehouden worden.
(1) Melis stoke, D. H. B. IV. bl. 287,
(2) De Klerk uit de laage Landen, bl. 162, 163.
(3) Klüit, Ilist. d. Holl. Staatsregering, D, IV, bl, 92, hierin gevolgd door bildebdijk,
D. II. bl. 241.
(4) V. mieris, op de Klerk uit de laage Landen, bl. WS (4), hierin gevolgd door bilderqijk ,
I). II. bl. 242.
(5) De Klerk uit de laage Landen, bl. 164. Keerlen beteckende oudtijds boeren. Zie πυτ-
»ecoper op stoke, D, II. bl. 83.
(6) L. v. velthem, Spiegel Ilist. B. III. c. 43, bl. 201. Melis stoke, D. II. B, IV. bl.267,
en de aant. yan iii'tdkcopeb op vs. 1195.
II, deel. 47
-ocr page 370-374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
1256—leen, maar ook van dien des Graven ουι van Vlaanderen en des Herlogs jan II van
Brabandy welke aan ma-rgaretha, eene dochter van eduard gehuwd was; terwijl
bij hen waarborgde, dat zij niets van de wraak van 'sGraven zoon jan te vree-
zen hadden (1). En nu werd een schriftelijk verbond bezegeld, hetwelk den val van
FLORis voorbereidde (2). Op eene tweede vergadering, te Kamerijk gehouden, werd
het plan nader overwogen en lot stand gebragt. Hier waren in het voorjaar van twaalf
honderd zes en negentig, ten overslaan van twee Pauselijke afgezanten, onderhande-
lingen over eenen vrede of bestand tusschen Frankrijk en Engeland aangeknoopt.
Graai floris avas door eduard , even loos als geveinsd, tot een zijner gemagtigden
benoemd (3). Hij verscheen natuurlyk niet, maar van kuik kwam er in naam des
Hertogs van Braband; en in overeenstemming met den Bisschop van eduards
zaakgelastigde, en de beide gemagtigden des Graven van Vlaanderen werd besloten,
den Graaf op te ligten, naar Engeland te voeren , hem daar levenslang gevangen te
houden en inmiddels zijn zoon jan in het grafelijk bewind te stellen (4). Ofschoon
velen hierin niet wilden treden, lieten zij zich echter de zaak welgevallen en zwegen
stil, zoodat den Graaf niet het minste van den aanslag ter ooren kwam (5).
Om het laaghartig verraad met den sluijer van rondborstige eerlijkheid te bedekken,
zond van kuik eenen geestelijke aan floris met eenen brief van dezen inhoud:
»Eenen grooten Heere, eenen edelen man. Haren florense, Grave y^n Hollant, ende
van Zeelant, ende Heere van Vrieslant. lek jan , Heere van Cuyk, ombiede u
minen dienst. lek sende aan u Haren heinric , minen Cappellaen, ende ghelovet hera
der woorden die hy u segghen zal van minen Λvegen. In orkonde der lettere, besegeit
5 van met minen segel, in 'tjaer ons Heeren MGGXCVI, des Vrydaeghs naer ons Heeren op-
niaand "V'aert (6)." De goede kapellaan was, naar het schijnt, ontsteld toen hij spreken moest
vm
(1) Wij liebbcn Lier de vcrtlarino· van stoke's Avoordon, D. II. LI. 270, vs. 1220—1225,
door wagehaar cn iniVDEcoFER, gcvolgd. Bilderduk echter meent, dat de zaak neerkwam, »op
)) liet bewaren van 't recht van den Jonkheer jan , en dezen te dienen tegen oogmerken, waarvan
.ie Graaf zwanger was!" D. II. bi. 246.
(2) Melis stoke, D. II. B. IV. bl. 267—270. L. v. veithem, Sp. Rist. B.III. c. 45. bi. 204.
(3) Wagekaar , D. III. bl. 73.
(4) De beka, p. 98. Meus stoke, D. II. B. IV. LI. 270. Cron. de Hollant, ap. ματτπαει
Analecl. T. V. p. 547. ^
(5) Melis stoke, D. II. B. IV. bl. 271, 272. Verg. hutdecoper aldaar, met nuderduk,
D. II. bl. 246.
(6) V. MIERIS, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 571.
-ocr page 371-DES VADERLANDS. 862,
en een weinig achterwaarts geweken. Althans floris riep hem toe: » Kom nader en 125(1—
spreek vrijuit, u zal geen leed geschieden." Hierdoor aangemoedigd, verklaarde hij
zijnen last, welke daarin bestond, dat »indien het gebeurde, dat vak kuik met Hee-
ren te rade ging, zoodat floris er aan lijf of eer door benadeeld mögt worden, hij
tü allen tijde deswege jegens den Graaf buiten opspraak wilde zijn (1)" Floris
van niets wetende en niets ergs vermoedende, schertste hartelijk met deze boodschap
en zeide lagchende: » Waar zal het thans met mij heen ? Do Heer van Kuik verklaart
mij den oorlog! Nu zoo hij mij uit het land jaagt, zal er Avel niemand in blijven."
Hierop liet hij den Priester veilig vertrekken en bekommerde zich verder niet over
deze zaak (2).
Doch de slag die hem moest treffen was naderbij dan hij zich verbeeldde. Om
den zoen tusschen de maagschap der gesneuvelde Heeren van Zuilen en do Heeren
VAN AMSTEL en WOERDKN te bewerken (3) , en hiermede tevens de reeds door hem
aangevangen bevrediging der Stichtsche Edelen te vollooyen, ontbood hij de strij-
dende partijen tegen eenen bepaalden dag binnen ütrccht (4). De Eedgenooten
beschouwden dit als eene gewenschle gelegenheid, om het verraad uit Ie voeren,
hetgeen in Utrecht ligter viel dan in Holland, waar de meeste en aanzienlijksto
Edelen, en ongetwijfeld al de gemeenten aan den Graaf verknocht waren (5).
Daarenboven was Bisschop jan van Zierik, de neef en vriend van floris , onlangs
naar den zetel van Toul verplaatst en door Willem van Mechelen opgevolgd, welke
het Hollandsche Gravenhuis ongenegen zijnde, welligt den aanslag begunstigen
zoude (6). De zoen Avordt getroffen; do edelmoedige floris geeft, ter verligting
van amstel en woerden , vier honderd Ponden van do vijf honderd op welke het zoen-
of weergeld door de -van zuilens gesteld is, en noodigt toén opgeruimd en vrolijk,
hen allen ter maallyd (7). Men verhaalt, dat op den morgen van dien dag eene ge-
ringe vrouw den Graaf onder weg, of in de kerk terwijl hij de Mis hoorde, een briefje
in de hand drukte, waarop deze woorden stonden : » Conincx kynt, eedel Heere, ge-
··'■ r-i '. Sfii^f
(1) Melis stoke, D. II, B. IV. bl. 273, volgens de verklaring van nuYDEcoPEK, welke ook door
liitnERDiJK gevolgd wordt, D. Π. bl. 248.
(2) Melis stoke, D. II. B. IV. M. 272—276,
(3) Zie ΙύοΓτοοΓ, bl. 350. Verg. wagehajir, D. III. bl. 40 , 74.
(4) Melis stoke, D. II. B, IV, bl. 279 , 280.
(5) De Klerk uit de laage Landen, bl. 167.
(6) Wacehaar, D. III. bl. 75. Budebdijk, D. II. bl. 249,
(7) Melm STOKE; D. II, B. IV. M. 281. L. v. vkltdek, Spiegel Hi$l. B. III. c. 43. bl. 202.
47*
-ocr page 372-374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
denct (lat die geenc, die den Zouter maeckle, propheteerde endeseyde: Etenim homo
pacis meae in quo speravi, qui edebat panes meos, magnificavit super me sup-
flantationem (1)." Flokis echter sloeg liglzännig dezen waarschuwenden wenk in
den wind (2).
Het was de dag vóór St, Jan (3). Amstel en woerden zalen ter wederzijden van
den Graaf aan den vrolijken disch. Beluigingen van gehechtheid en trouw werden bij
de schuimende bekers den Graaf toegedronken, en geen spoor van wrok of haat was
te. bespeuren. Men besloot de tafelvreugde door het vermaak der valkenjagt, een lie-
velingsgenot van FLoais , af te wisselen , en terwijl de Graaf zich door een middagslaapje
verkwikte, alles daarvoor in gereedheid te brengen. Doch de verraders begaven zich
buiten Utrecht, waar verscheidene andere Eedgenooten in volle wapenrusting bijeen
gekomen waren, om te zorgen, dat niets de uitvoering van hunnen heilloozen toeleg
belemmerde; en gewapende manschappen werden verborgen op den Aveg dien zij zou-
den inslaan en langs de Vecht gelegd, om den aanslag te ondersteunen. Niet lang
had floris gerust, toen gijsbreght van Amstel hem wekte, hetgeen geen edelknaap
zou gewaagd hebben ^4). » Gy slaapt te lang, Heer Graaf," zeide hij op gemeenza-
men toon. »Het weder is te schoon; op, op ten vederspel!" »Gij hebt gelijk, van
AMSTEL," is het antwoord van den Graaf, »ik heb te lang geslapen. Roep een van
mijne lijQonkers." En toen GUSBRECnT hierop vast vooruit naar het veld Avilde gaan,
zeide fi-oris: »Wacht, Heer gijsbregut, eerst wil ik nSinte Geerie Jfimie geven (δ)."
De huichelende verrader ledigde den beker van de hand des Graafs, wien hij een
» God hoede u" toewenschte, en snelde naar het vloekgespan. Floris beval onmiddel-
lijk de paarden te zadelen, en reed met eenen schoonen sperwer op de hand, verzeld
door zijn neef jan van Avenues, den oudsten zoon des Graven van Henegouwen, en
(IJ Psalm XLI. 10. « Zelfs de man mijns Vredes, op wien ik vertrouwde, die mijn brood at,
heeft de versenen tegen mij opgeheven."
(2) De Klerk uit de laage Landen, bl, 166. De bek*, p, 98.
(3) Zie nutdecoper op melis stoke, D. Π. B. IV. bl. 282.
(4) » Dat en dorste doen {jlieen enape," Melis stoke, D. li. B. IV. vs. 406.
(5) St. Geerte Minne was de gewone dronk van afscheid of behouden reis, zoowel in Duitsch-
land als in Holland. Zie onze aanm. D. I. bl. 306 (2) en de aldaar aangehaalde Schrijvers,
benevens j. grimm, Deut, Mythol, S, 36—38, en v. wijs, Naleez, op de Faderl, Ilist.
bl. 146, 147.
1256-
1300
23 van
Zomer-
maand,
1296
DES VADERLANDS. 864,
Jonker gehard van JToorne, beide nog jong, nevens een klein gevolg, vrolijk de stad 1256—
uit (1). Zijn hofstoet zou volgen, zoodra men gereed zoude zijn (2).
Omlrent een half uur gaans van Utrecht^ naar den Vechtkant, kreeg hij vanwoer-'
DEN in het oog en reed op hem aan, om te vragen waar het vederspel gehouden werd.
Woerden , amstel , velzen , van benskoop , van kraaijenhorst , van teilingen en
van zaanden, met ccnigen meer, ijlden terstond den Graaf te gemoet, >Yelko hen met
zijne gewone minzaamheid begroette. » Uwe hooge sprongen , Heer Meester, zijn nu
gedaanbeet hem woerden toe, en greep 's Graven paard bij den teugel. » Gij zult
nu niet meer den baas spelen. Of het u lief zij of leed , gij blijft onze gevangene."
»Ik weet wel beter," zeide floris lagchende, die nog alles voor scherts hield. »En
ik zweer u, dat het ernst ishervatte arend van Benskoop, welke hem ondei-
honende woorden, den sperwer van de hand rukte, terwijl woerden er op norschen
toon bijvoegde: » Zoo waar God leefi:, gij zult Holland nooit wederzien." Nu gaan den
verraden Graaf de oogen open; hij slaat de hand aan zijn zwaard, doch wordt omsin-
geld. Van amstel, even lafhartig als geveinsd, houdt zich of hij nergens van weet;
doch VELZEN, met ontbloote kling dreigendezweert den Graaf » het hoofd tot de tan-
den te klieven, indien hy zich verweert." Te vergeefs vliegt een van 's Graven gevolg
tusschen do verraders, om zijnen meester te beschermen; hij wordt gevaarlijk {sere)
gewond en zijn paard aan den hals gekwetst. Inmiddels vlieden avennes en voorne
spoorslags naar ütrecht, waar zij de "mare van de gepleegde wandaad verspreiden , welke
bij eenigen vreugde, bij anderen verslagenheid opwekte (3).
Men voerde floris in allerijl naar het slot Kroonenhurg aan de Vecht, een eigendom
dos Heeren van Amstel (4). Van hier werd hij naar het door hem gebouwde of her-
bouwde slot te Muiden gebragt, welks ligging aan de Zuiderzee den Eedgenooten de
(1) Te onrcgte noemt biideudijk, D. II. bl. 251, van avkrkks en voorhe Mnderen. Zie ucY·
DEcopER op MELIS sTOKE, D. II. B. IV. VS. 1437, 1442.
(2) Melis stoke, D. II. B, IV, bl. 281—287. L. τ. velthebi, Spiegel Hist. B. ΙΠ. c. 44.
bl. 202. De Klerk uit de laage Landen, bl. 166—170.
(3) Melis stoke, D. II. B. IV. bl. 287—291. L. v, yzLTUE^iSpiegel Ilislor. B. III. c. 44,
bl. 203, De beka, p. 99. De Klerk uit de laage Landen, bl. 170, 171.
(4) Wilhelmus procurator, p. 536, 540. IIutdecopeu op melis stoke, D. II. B. IV. bl. 291,
ontkent, dat Graaf floris eerst naar het slot Kroonenhurg gevóerd werd. liet zal ook wél niet bet
oorspronkelijk plan der verraders geweest zijn, liet genoemde slot aan te doen; maar vrees of toe-
val kan er hen gebragt hebben. Hun vertoeven op Kroonenhurg heeft hun hoogst waarschijnlijk
de mogelijkheid benomen, floris naar Engeland oyar ia \oetm. Zie oroebe, ocer floris V,
bl, 126(1),'
374 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
ί256— geschiklsto gelegenheid aanbood, om hun prooi naar ^«^e/aMc? in te schepen, ofzelvea
in geval van nood, te onlkomcn (1), Men verhaalt, dat do Graaf hier in boeijen ge-
sloten, doch dien nacht, door hevige darmpijnen aangevallen, weder Tan zijne ketenen
ontslagen werd ; dat vaw woerden inzonderheid, hem door woorden en daden wreedaar-
dig mishandelde, hem, toen hij zijne slaking voor aanzienlijke goederen wilde koopen,
den dood aanzeide, eenen biechtvader weigerde, en op een houten blok twee treu-
rige nachten en meer liet doorbrengen (2). Do zaak is echter niet geloofbaar. Teregt
is opgemerkt, dat noch woerdeti, noch het eedgespan ten oogmerk had, floris te
dooden, maar hem over te leveren (3).
Ondertusschen had zich het gerucht van 's Graven ongeval alom verspreid. Zoodra
het Utrecht bereikt had, waren de jonge avennes en voorne door Aen^eer van Arkel
in bescherming genomen, en in veiligheid naar het slot te Gorinchem en voorts naar
Dordrecht gevoerd. Van Utrecht had zich ook wolfekt van Borselen derwaarts
gespoed, en de ontstelde burgers bewogen hem twee gewapende koggen te verschaffen,
om Zeeland tegen een waarschijnlijken aanval der Vlamingen te dekken. Filips
van Wassenaar y de zegelbewaarder van floris, sloeg dadelijk na'sGraven ge-
vangenneming, ten overslaan van den Raad , het Grafelijk zegel, in tweeën , en » pensde
wel, doe hi dat dochte (4)." De adel over het geheel, bekommerde zich niet om het
lot van den Vorst en hield zich stil; het volk daarentegen geraakte in beweging en
besloot den beminden Landsheer te verlossen of voor hem te sterven (5). In geheel
Holland, zelfs in West-Friesland Terhief zich de dankbare, diep getroffene gemeente,
en de naastbijgelegene Kennemers, Waterlanders en West-Friezen snelden aanstonds naar
Muiden, Zonder aanvoerder , zonder stormtuigen kon echter deze zamengeraapte menigte
tegen het slot zelf niets ondernemen , doch op raad van klaas de grobbere , een West-
Friesch Edelman en in dienst van den Graaf, bezetten zij den toegang, terwijl kleine
vaartuigen in de Zuiderzee kruisten , om de Edelen te beletten van dien kant floris weg
(1) Wagekaar, D. III. bl. 79. IIdydecopeb op melis stoke, D. II. B. IV. bl. 291, λνίοη nil-
derdijk volgt, D. II· bl. 252.
(2) L. V. τΕίτπΕΜ, Spiegel Historiaal, Β. III, c. 45, bl. 202—205.
(3) ΒαοΕκυυκ, D. II. bl, 253,
Ι
(4) Melis stoke , D. II. B. IV. vs, 1580, » En wist wel waarom hij dit deed." Zie hhydecoper
op VS. 1576.
(5) Melis stoke, D. II. B. IV. bl. 295, 29Θ.
\
-ocr page 375-DES VADERLANDS. 866,
te Toeren (1). Mèn meent, dat dit alles reeds op den eersten, uiterlijk op den tweeden 1256—
dag üa het gepleegde verraad geschied zij, dewijl hel anders onbegrijpelijk is, dat de
Eedgenoolen j die ongetwijfeld een Taartuig in gereedheid hadden, niet dadelijk den
Graaf te scheep yervoerd hebben (2). Het is echter zeer ligt mogelijk , dat windstilte of
tegenwind hen hierin Terhinderd hadden. Thans noodzaakten zg floris lot hel afzenden van
cenen brief, om het verbitterde volk dat hen van alle zijden omringde, gerust te stel-
len en te bevelen af te trekken, dewijl » hij mögt vertrouwen, binnen kort in der
minne geslaakt te Avorden." Natuurlijk sloeg niemand geloof aan dien brief. »Men
heeft er hem toe gedwongen," riep elk en zwoer tevens den verraders dood en ver-
derf (3).
De Zamengezworenen oordeelden het thans niet raadzaam, zich daar langer op te
houden en besloten langs een anderen weg* te vlieden, om den Graaf zoo niet naar En^
geland, dan naar Braband of Vlaanderen te vervoeren (4). Zij trokken hem een
graauwen rok aan om onbekend to blyven, zetlen hem te paard, knevelden hem de han-
den , snoerden zijne voeten onder den buik van het paard stijf aan elkander, en slaken
hem een handschoen in den mond (5). De logt ging langs omwegen en door moeras-
sen naar aarden (6). Doch de Naardingers en Gooilanders hadden het plan der
Edelen vermoed of vernomen, en lagen op eenigen afstand van het Muiderslot in
het koren verscholen, om hunnen Heer, zoo mogelijk, te onderscheppen en to bevrij-
den. De Eedgenooten werden hen bij Mmderherg gewaar, en gerrit van Velzen
vooruitgereden, vroeg hun wat zy zochten ? » Datgene," is het antwoord , » dat gy met
u voert, onzen Graaf." » Dat zal niet waar zijn ," herneemt van velzew en rent spoor-
slags naar de zijnen terug. In Aveinig woorden verhaalt hij zijne ontmoeting, schetst
het gevaar waarin zij verkeeren en trekt, aangedreven door van-woerden , zijn zwaard,
om den Graaf het hoofd te kloven. Floris tracht dit to ontwijken en zoo gebonden als hij
(1) Melis stoke, D. II. B. V. bl. 349. L. v. velthem, Spiegel Ilist. B. III. c. 46. üe
Klerk uit de laage Landen, bl. 171. Wilheljiüs procdrator, p. 537.
(2) Wagenaar , D. III. bl. 80. Groebe , over Graaf fiokis V. bl. 126 (1).
(3) Melis stoke, D. II. B. V. bl. 350.
(4) WlLHELBllJS procurator, p. 537.
(5) Melis stoke, D. II. B. V. bl. 301. L. v. velthem, Sp. Eist, B. III. c. 46. bl. 205. Ih
Klerk uit de laage Landen, bl. 171. V. veltdem meldt als een men zegt, dat den Graaf de
vingers opgesplefen werden, opdat hij zijne banden niet zou kunnen gebruiken, wanneer die los
geraaklcn. Wagejtaar twijfelt te regt aan deze barbaarsclie jnishandeling, welke bilderduk ecli-
ler als geloofwaardig aanneemt.
(6) Dk beka , p. 99.
-ocr page 376-;ί76 ALGEMEENE GESCHIEDENIS
was, met zijn paard over eene sloot te ontkomen, doch het dier stort er in met zijnen weer-
Joozen ryder, wiens zamengevleugelde handen nu de slag treft, die beiden in eens afhouwt.
Van velzens bloeddorst is hiermede niet gelescht; hij stijgt van zijn paard en brengt den
worstelenden Graaf in het Avater nog verscheidene wonden toe. De anderen volgen dit
voorbeeld en laten den ongelukkigen floris, met meer dan twintig steken doorboord ,
voor dood liggen. De aansnellende Naardingers en West-Friezen hadden de moorde-
naars uiteen gedreven, en naauwelijks Avas velzen , door de edele zelfopoffering van
een zijner knapen, doch niet zonder eene wonde te ontvangen, aan hunne woede ont-
snapt. In de hitte zijns ijvers was zijn paard hem ontloopen; grootmoedig bood in het
dreigend gevaar zijn schildknaap hem het zijne aan, en ontrukte daardoor ten koste
van eigen leven, zijnen Heer aan eenen onvermijdelijken dood. Hij werd met een
of twee andere knechten gegrepen en op staand en voet geradbraakt (1).
27 van Men vond den Graaf zieltogende en nog eenige woorden uitende (2). Zijn lijk werd
nieim. Muiderherg gebalsemd, van daar naar Alkmaar gebragt en in het Koor bijgezet,
doch later door zijnen zoon te Rijnshurg bij zijne gemalin beatrix μάά F laander en ^
die hij slechts weinig maanden had overleefd, plegtstatig begraven (3). Hot ingewand
bleef echter te Alkmaar en wordt daar in eene fraai gebeitelde steenen kist, in het
Hooge Koor der Groote Kerk bewaard (4). Men Avees vijf en twintig Ponden aan, om
(1) Melis stoke , D. Π. B. V. bi. 351—354. L. v. velthem , Spiegel Hist. B. III. c. 47.
bl. 206. De Klerk uit de laage Landen, bl. 171, 172. Wilhelmds procdrator, p. 537,538.
DE ΒΕΚΛ, p. yy.
(2) De Klerk uit de laage Landen, bl. 172. De βεκλ , ρ. 99. Hutdecoper heeft denjuistcn
da^f van iloris dood buiten eenigen twijfel gesteld. Breede Aant, op melis stoke, D. 11. B. V.
bl. 439—442.
(3) Melis stoke, D. II. B. V. bl. 354, 355. De Klerk uit de laage Landen, bl. 172.
WiLiiELMLs procürator, p. 540. De beka , p. 99. J. a. leydis, Lil). XXV. c. 6. Beatrix was
den 23 van Lentemaand 1296, op Goeden Vrijdag overleden. Melis stoke, D. II. B. IV. bl.262,
en HiiYDEcoPER op vs. 1130. Melis stoke zegt van haar, dat zij
De prijs hadde boven andren wiven
In dogheden en in oetmoedicbeden.
Noch prijst men op den dach van lieden,
De horen spreken van haren levenc,
Hoe heflike si de beghevene,
En aide heden, plach tontfaen. B. IV. vs, 1134—1140.
(4) J. α leydis , Lib. XXIV. c. 29. Eene afbeelding van deze kist, of liever van het eergraf
zelf, vindt men in eikelehbergs Alkmaar, bl. 96, Het verhaal bij melis stoke van de twee
\
I
-ocr page 377-DES VADERLANDS. 377
hier zielmissen voor hem te houden, hetgeen later naar ^s Hage werd overgebragt (1). 1256_
En ongeveer dertig jaren na zijnen dood, Averd lot rust zijner ziel door Graaf avil- ^^^^
LEni UI te Muiderberg Avaar hij was overleden , eene kapel geslicht (2). '
Treffend is de overeenkomst van plokis V, zoo wel naar ligchaam als geest, met
zijn vader "willem II (3). Een welgemaakt, krachtig en bevallig uiterlijk, werd bij
hem opgeluisterd door innemende zeden en beminnelgke hoedanigheden. Weldadig
en edelmoedig, reglvaardig en vergevensgezind, rondborstig en gulhartig, welbespraakt
en minzaam, had hij zich do liefde des volks verworven welks afgod hij genoemd werd (4).
Die liefde bleek ondubbelzinnig uit den ijver der gemeenten en zelfs der West-Friezen,
Avelke hij eerst onlangs aan zich geheel had onderworpen, om hem uit de handen der
Eedgenooten te redden en daar dit mislukte, zijnen dood op de onverlaten te wreken.
Zijne opregtheid en goedhartigheid, welke veinzerij noch ondankbaarheid in anderen
vermoedden, of wel zijn gebrek- aan doorzigt en menschenkennis, maakten hem min-
der omziglig dan eenen Regent betaamt en beletten hem den valstrik te vermijden
door gui van Vlaanderen, en later door eenige Edelen gespannen. Hij beminde
de gezelligheid en trachUe onder den adel beschaafdere zeden in te voeren. Van dar-
telheid en wellust daarentegen heeft men te vergeefs getracht hem vrij te pleiten (5).
Zijn omgang met de jufferschap op het Hof in den Haag en het lusthuis de Vo-
gelenzang, was niet altijd onschuldig (6). Deze ongebondenheid is dan ook de
zwaarste beschuldiging, welke legen hem wordt ingebragt en die eene schaduw werpt
op zijne vele en velerlei voortreffelijke hoedanigheden. De oorlogen tegen de West-
windhonden , die bij Graaf floris waren leen hij gevangen werd genomen, hem voorts niet veriie,
ten, zijn lijk naar Aïkmaar en Rijnsburg volgden, cn noch eten, noch drinken, noch zijn graf
verlaten wilden, wordt door uüydecoper in de^Aant. op melis stoke, B. V. vs. 96 te regt voor
ondergeschoven verklaard. Men vindt het mede opgeteekend bij de Klerk uit do laage Landen,
bl. 173. Oude ΗοΙΙ.Ώίν. Kron. Div. XIX. c. 25. Het Goudsch Kron. bl. 74.
(1) Wagenaar, D. m. bl. 84.
(2) Μλττπαει Analect. T. HL p. 184 (1). _T. Π. p. 538.
(3) Zie hiervoor, bl. 259.
(4) De beka beschrijft floeis als: » Princeps valde gloriosus, slaturd proeerus, virtute robustus,
aspectu decorus, sermone facundus, corde magnaniinus, agilitafe etrenuus, in dando largifluus,
peroptimus Musicus, et acquirectus Justiciarius." p. 99.
(5) Bilderduk , D. H. bl. 258.
(6) De vermeerderde beka, bl. 182. V. kampen, Vaderl. Karakterk. D. I. bl. 120. De ge-
meenzaamheid van FLORis niet AGKES vQ,fi dcf ^luts ^ dc moeder VAU ΛνιττΕ van HacLmstcdc cn
II. deel. 48
-ocr page 378-378 ALGEMEENE CrESCHIEDENIS
1256— Friezen, gevolgd door de onderwerping van dat hardnekkige volk; de Limburgsche
1(300
krijg; die met do Heeren van Amstel en ffoerden en legen gui van Vlaanderen,
getuigen van zijn moed, dapperheid en krijgsbeleid. Het geluk waarmede zij ge-
kroond werden voedde ongetwijfeld de zucht naar uitgebreider magt, hooger aan-
zien en uitgestrekter heerschappij, welke hij niet minder door staalkundig beleid dan
door het zwaard bevredigde (l). Holland werd onder zijn bestuur ten Noorden door
het beteugelde West-Friesland, ten Ooslen door de aanwinst der goederen van amstel ,
van -woerben en door Nardingerland, eene gift dor abdis goedele , en ten Zuiden door
de hecrlykheid Heusden, Altena en do stad Woudrichem, aanmerkelyk vergroot (2).
Hij had zich van den leenpligt voor Zuid-Rolland aan Brahand bevrijd, en door het
verwerven der Keizerlijke vergunning, dat de opvolging in het graafschap aan eene
dochter mögt opgedragen worden, Holland in een zoogenaamd goed leen veranderd.
Men wil ook, dat het gezag hetwelk bij in Utrecht voerde, den grond gelegd heeft
tot den lateren grooten invloed der Hollandsche Graven op het Sticht (3).
Groot en edel vertoont zich floris als Regent. Hem behoort de onsterfelijke
eer, de vrijheid en den bloei der gemeenten in Holland tot stand gebragt te heb-
ben. Tredende in do voetstappen zijns vaders, deelde hij met onbekrompen hand
. voorregten, vrijheden en vergunningen aan de sleden uit, dewijl hij »syne lieve
Poorters altoos gaerne wilde vorderen (4)." Sinds den aanvang zijns bestuurs had
hij zich deze schoono laak onwrikbaar ten doel zyns levens gesteld, en geen zijner
voor- of nazaten onder de Graven van Holland, heeft den ingezetenen zoo begun-
stigd en ondersteund als hij. De veelvuldige keuren, wellen, bepalingen en instel-
lingen welke hij verleende, strekten zoo wel om hunne veiligheid en vrijheid te
met KATHARINA de Durbuy, vrouw van Foorne en burggravin van Zeeland, dc weduwe van
ALBERT van Voorne, slrekt liicrvan ten bewijze. Deze laatste had grooten invloed ten llove^ en
van FLORIS aanzienlijke goederen ontvangen, Avelke zij beloofde ΛvcdeΓ te geven wanneer zij mögt her-
trouwen. Zie van mieris, Chaiterb. v. Holl, D. I. bl. 554. Zij huwde na den dood van tloris ^
welke bij liaar een zoon had verwekt, met den bekenden -wolfert van Borselen. Zie v. wijn op
wagenaar, St. III. bl, 31 (u). Men wil ook, dat floris de dochter van jak van Heusden, op het
huis de Vogelenzang tot zijne bijzit hield en haar naderhand aan gerrit van Velzen tot vrouw
wilde opdringen. Dit echter wordt even als het schenden van velzeks gemalin, voor een leugen-
achtig vertelsel gehouden. Zie bilderdijk , D. II bl. 230,
(1) Groebe, over Gr. floris V. bl. 129. ^
(2) Bilderdijk, D. II. bl. 259 , 260.
(3) Van kampen, Faderl. Karakterk. D. I. bl. 121.
(4) V. mieris, Charterb. v. Holl. D. I, bl. 342.
-ocr page 379-DES VADERLANDS. 379
verzekeren, als om landbouw, nijverheid en handel te bevorderen, welken laalslen hij 1256—
als de hoofdbron van 's volks welvaart beschouwde en naar vermogen ondersleunde (1).
To dien einde verleende hij ook onderscheiden buitenlandschen kooplieden bijzondere
voorregten (2), en hield een naauwkeurig loezigl op wegen, vaarten en dijken, waar-
van veelvuldige doeltreffende wellen en inslellingen getuigen (3). Heilrijk waren de
gevolgen dezer onvermoeide en weldadige pogingen, uil welke ongetwijfeld Hollands
latere grootheid en rijkdom zijn ontsproten. Onkreukbaar handhaafde hij regt en ge-
regtigheid, bewaarde den binnenlandschen vrede, onderschraagde zoo wel Regenten als
onderdanen in hunne wederzijdsche regten , en beschermde het volk legen de aanma-
tigingen der geestelijkheid en des adels (4). Hierbij beperkte hij zich niet. Hij gaf
de Steden nevens de Edelen deel in het raadplegen over de belangen van den Staal,
deed haar als getuigen en borgen bij huwelijks- en handelsverdragen optreden, en liet
soms zijne handvesten en keuren door haar zegel bekrachtigen (5). Voorzeker ging
hij in do prijzenswaardige zucht, de gemeenten uit den staat van vernedering op
te heffen Avaarin zij gedompeld lagen, met meer y ver dan voorzlgtigheid te werk
en berokkende zich daardoor hoofdzakelijk zijnen val. Bij het knotten van het vermo-
gen en aanzien des adels, hetwelk hieruit reeds van zelf moest voortvloeijen, kon hij
niel verbergen, dat ook heerschzucht en eigenbelang zijne daden regelden, en dat
het bevoorregten der burgerijen slechts moest strekken, om hem legen de beleedigde
Edelen te sterken, wier gezag bij kortwiekte, wier goederen hij aan zich gelrok-
ken , of welke hij van onafhankelijke Heeren tot zijne dienstmannen gemaakt had (6).
Hierin handelde hij dikwerf geheel in strijd met die zucht voor regt en billijkheid ,
welke hem wordt toegekend en waarvan hij een treffend bewijs gaf, toen hij bij eene
uitspraak over een geschil met willem van Brcderode, niet schroomde te erkennen,
dat hij zich omtrent hel regt der vrye heerlijkheden van dien Edelman vergist had,
en dit grootmoedig door een open brief bevestigde (7).
Gelijk elke deugd, Avanneer zij overdreven wordt, in eene ondeugd ontaardt, zoo nam
(1) Zie hiervan veelvuldige voorbeelden Lij v. mieuis, Charlerb. v. Holl. D. L bl. 342—550.
(2) V. MIERIS, Charterb. ν. Holl. D, I. bl. 385, 3U4, 396, 534.
(3) V. MIERIS, Charterb. v. Holl. D. I. LI.403 ,419,445,447,451,452, 501,509,535,564,
(4) Y. MIERIS, Charterb. v. Hall. D. I. bl. 403 , 410 , 435 , 441, 454 , 500 , 501, 503 , 534.
{5} V. mieris, Charterb. v. Holl. D. I. bl. 385, 389, 395, 404, 412, 314. Kluit, Hist.
Crit. Com. Τ. II. ρ. 960.
(6) Verg. hiervoor, bl. 366 , 367,
(7) V. MIERIS, Charterb. v. Holl. D. I. bl. 431, 432.
48 ^
-ocr page 380-580 ALGEIilEENE GESCHIEDENIS
1256— niet zelden de milddadigheid van floris het karakter der verkwisting aan. Onder de
velen welke in zijne weldaden deelden doch hem met ondank loonden, behoorde in de
eerste plaats het huis van Aoennes, waardoor hij een adder in eigen boezem koester-
de (1). Spaarzaam daarentegen was liij in het begunstigen der Geestelijken, wier over-
moed hij. niet schroomde Ie breidelen (2). Dienstbetooningen bleven bij hem niet on-
vergolden, Den Wormers, onder anderen, verleende hij vrijheid van jaarlyksche bede
en lol, om den bijstand welken zij hem tegen de West-Friezen verleend hadden (3).
Bij de voortreffelijke hoedanigheden van het hart, vercenigde floris vele begaafdhe-
den van den geest, waaronder ook die van een goed zanger te zijn genoemd wordt (4).
Zaag- en dichtkunst waren in dien tijd, de eeuw der minnedichters, niet gescheiden
en behoorden tot het wezen van den volmaakten Ridder (5). Op aanmoediging van den
Hollandschen Graaf vervaardigde de Vlaamsche Dichter maerlawt zijnen Spiegel Histo-
riael, en hel blijkt, dat onder denzellden invloed de oude Egmonder Kronijk in Nederduitsch
rijm overgebragt en door melis stoke, een Grafelijk beambte, voortgezet werd (6). Ge-
lijk zijn vader moedigde hij inzonderheid de bouwkunst aan , en Avijdde bovenal zijne zorgen
aan de waterbouwkunde (7). Hij voltooide het Hof in'i jSTa^e, door avillem II begonnen ,
en stichlle daarbij eene kapel voor den adel, bouwde het lusthuisje Vogelenzang lus-
schen Haarlem en Leiden, en stichtte of verbeterde onderscheidene kasteden ter verdedi-
ging der grenzen en ter handhaving van de inwendige rust. — Onwillekeurig verheft zich de
Avensch , dat eenen Vorst, versierd met zoo vele deugden , bekwaamheden en bevallige vor-
men , een beter lot ware ten deel gevallen; en »men geraakt in verzoeking met hel lot te
twisten, dat de weldoener des volks het slagloffer moest worden van eenen adel, welke
'slands welzijn aan buitenlanders verried, om zijne eigene heilloozemagl te behouden (8)."
(1) Zie t. mieris, Charterl·, ν. Holl. D. I. bl. 350, 351,353,361,369,377,379; 395,453,554.
(2) V. MIEBIS, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 555.
(3) V. MIERIS, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 410.
(4} De heka , p. 99.
(5) Bilderduk, D. Π, bl. 258.
(6) J. v. maerlant, Spiegel Eistoriacl^ D. I. bl. 3. Leiden 1784. Melis stoke, D. I. B. 1.
bl. 7. Verg. v. Wijn, Hist. Avondst. D. J. bl. 280. Ypey, Gesch. d. Nederl. Taal, bi. 335.
(7) Dit blijkt uit verscheidene zijner brieven bij v. miebis, Charterl·, ν. Holl. D, I. bl. 403,
404,419, 445,447, 448.
(8) Verg. de karaktersclietsen van fioris V door simom siuij Opkomst en Bloei der Nederl.
bl. 37, 38. (Uitji. 1778). V. kamfen, Faderl. ÄaraÄierÄ, D. I. bl. 117—123. Bilderduk,
D. II. bl. 257—259. Groebe, over noRis V, bl. 128—135. Vah hees van BERKEi,,Ot?ei· Gesch.
en Staatsregt, bl. 45-48, bl. 120, 121.
DES VADERLANDS. 381
Door 's Graven dood was het land hoofdeloos geworden daar de wettige, doch 1256—
jeugdige opvolger zich nog in Engeland bevond. Vóór dat hij herwaarts komen of ^^^^
zelf de teugels des bewinds aanvaarden konde, moest in het bestier des lands worden
voorzien. Reeds op den derden dag na de gevangenneming vanFiORis, en dus op
Maandag eer deze op Woensdag vermoord werd , waren de Edelen van Zuid-Holland
te Dordrecht bijeengekomen, en hadden het ongeval wijd en zijd aan 's Graven vrien-
den en betrekkingen, aan Keizer adolf, den Aartsbisschop van Keulen en bovenal
aan den Graaf van Henegouwen door boden bekend gemaakt. Zij hadden tevens dezen
laatsten verwittigd , dat zijn zoon jan in Dordrecht was en hem den wensch te ken-
nen gegeven, dat hij als naaste bloedverwant van flokis , spoedig mögt overkomen,
om hen met zijnen raad in deze hagchelijke oogenblikken te ondersteunen. Hy vond
echter niet geraden aan de uitnoodiging te voldoen, maar zond zijn broeder gui, Kan-
nonik van Luik, naderhand Bisschop van Utrecht, om alles behoorlijk op Ie nemen,
de gemoederen te winnen en allen te verzekeren, dat hij eerlang zelf zoude volgen.
Gui werd te Dordrecht met open armen ontvangen en trok na het voltooijen zijner
zending, door een aantal burgers vergezeld naar Kroonenhurg, om ook te zien wat
daar omging (1).
In dit slot was velzen met andere zamengezworeneii gevlugt, doch onmiddellijk door
de verbitterde,Kennemers en West-Friezen omsingeld geworden, die vastbesloten had-
den het huis niet te verlaten, vóór dat zij zich op de verraders en moordenaars van
hunnen Heer gewroken hadden. De Waterlanders en de Hollanders, ten Zuiden en
ten Noorden van de Maas, waren zoowel uit de sleden als van het platte land der-
waarts gesneld. Bij hen hadden de Heer van Zuilen, gusbreght van IJsselstein en
later loef van Kleef zich gevoegd, aan wien het bevel der belegering was opgedra-
gen (2). Deze loef van Kleef was Graaf van Hulkenrode, Heer van Tonnenburg
en broeder van dirk , den regerenden Graaf van Kleef (3). Uit naam der Edelen van
Holland had hij den brief aan Koning eduard bezegeld, in welken dien Vorst van
's Graven omkomen kennis gegeven werd met verzoek, »dat hij den jongen Graaf
ten spoedigste wilde herwaarts zenden en van eenige manschap verzeilen, opdat
hem de moordenaars zijns vaders niet overvällen en op gelijke wijze mishandelen mog-
ten (4)." Men vermoedt, dat er tusschen loef en den Graaf van Henegouwen, wien
(1) Melis store, D. li. B. V. bi. 364—367.
(2) Melis stoke, D. II. B. V. W. 361-364.
(3) Hütdecoper op melis stoke, D. ΙΓ. bi. 363 , 364.
(4) Y. MIERIS, Charterb. ν. Holl. D. ί. bl. 572. IIuYDEcorEii houdt dien brief voor onecht.
Aant. op mei,is stoke, D. II. bl. 382, 383.
378 ALGEMEENE CrESCHIEDENIS
1256— men niet geheel onschuldig hield aan het verraad, betrekkingen bestonden en dat
^^^^ hij, om de oogmerken van den Graaf, Avelke zoo lang heimelijk en openbaar naar de
erfenis van floris gestaan had, te bevorderen, zich naar het beleg van Kroonenhurg
had gespoed (l). Het is echter meer waarschijnlijk, dat hij met den Koning van
Engeland heulde en met betrekking tot den Henegouwer, eene geveinsde rol speelde;
hetgeen door zijn later gehouden gedrag en zijnen briefwissel met eduard ondersteund
wordt. Hij ontving voor Kroonenhurg güi van Aoennes ten uiterste minzaam en met
schijnbare vertrouwelijkheid; zette, door de Dordtsche poorters versterkt, het beleg
met meer nadruk voort en liet de stormtuigen tegen het slot oprigten (2).
Middelerwijl verscheen Graaf dirk van Kleef aan het hoofd van zes honderd man
voor Kroonenhurg en nam als de voornaamste en de regerende Vorst, het opperbevel
'over de hier bijeengevloeide menigte op zich (3). Naar de oudste berigten, die ech-
ter onder het bewind van het huis van Henegouwen zijn opgesteld , was hij door den
Heer van Kuik aangespoord, om de belegerde verraders aan de volkswraak te ont-
trekken, en daar hij dit toonde door zijn broeder loef, doch te vergeefs berispt
geworden (4). Later heeft men dit in twijfel getrokken en het gerucht, alsof hy al-
leen gekomen was, om do moordenaars te redden of te beschermen, voor eene list van
de Henegouwsche zijde gehouden, om do verdenking die legen Henegouwen Avas, op
den Graaf van Kleef ie werpen, dezen bij het gemeen in wantrouwen te brengen,
het volk tegen hem wederspannig te maken en dus eene verdeeldheid te wekken , waar-
van het gevolg den belegerden voor een gedeelte te stade kwam. Het geslacht van Ä^/ee/
immers was altijd naauw aan het huis van Bolland verbonden, Graaf dirk zelf had flo-
ris bijzondere blijken van vriendschap gegeven, en daar hij in den zoen met van amstei.
borg was gebleven, zoo verpligtten hem eer en geweten den gruwel, door welken die zoen
geschonden werd, te wreken (5). Hij kan evenwel belang in do Edelen gesteld en ge-
tracht hebben hen voor de beleedigingen des volks te beschermen, niet om henzelven,
maar om hunnen stand of adel. Daarenboven waren allen niet even schuldig, velen zelfs
(1) Bilderdijk, D. II. 1)1. 262. Verg. wageSaae , D. III. bl. 88. '
(2) Melis stoke , D. II. B. V. bl. 367.
(3) Wagenaar, D. III. bl. 89, zegt dat vak kuik. met zijn volk voor Kroonenhurg gekomen;
zich al liet gezag over het beleg aanmatigde, enz. Hij heeft het verhaal van stoke niet begrepen,
gelijk door nuyoEcoPEn, D. II. bl. 367—370, juist is opgemerkt, en ook door de Klerk uit de
laage Landen, bl. 175, bevestigd wordt,
(4) Melis stoke, D. II. B. V. bi. 367—372. De Klerk uit de laage Landen, bl. 175,
(5) Verg, B1LDERDIJK, D. II. bl.'263, 264,
-ocr page 383-DES VADERLANDS. 381
met den eigenlijken toeleg niet regt bekend geweest; hij wilde alzoo, gelijk billijk was, 1256—
over elk een regtvaardig oordeel houden en straffen op eene wijze, welke den adel niet
beleedigde.
Het slot Kroonmhurg werd door hem hevig aangetast en onophoudelijk bestormd,
tot dat VAN VELZEN, die zich schuil gehouden en zelfs niet gewaagd had zich te ver-
toonen, door gebrek aan mondbehoeften zich moest overgeven (1). Tegen verwach-
ting vond men by hem arend van Benshoop, kostijh van Boternesse, alewijn den
geschutmeester [met siere smisse), willem van Teilingen ■Willem van Zaanden en
eenige anderen wier namen niet gemeld worden (2), Alles geraakte in rep en roer
toen de Graaf van Kleef de gevangenen in zijne magt wilde houden, om met hen
naar eisen te handelen, heigeen natuurlijk met den woesten Avraaklust van het verbitterd
gemeen niet overeenkwam. De Kennemers en West-Friezen vlogen terstond te wapen,
elk den dood dreigende, die zich vermeten zoude 'sGraven moorders levend weg Ie
voeren. » Geef ons de booswichten, of gij en al de uwen laten hier het levenschreeuw-
den zij den Graaf toe, welke hen bevredigde door eene verdeeling te maken. Velzen ,
VAW ZAAWDEH en nog twee anderen, welke hy alle deernis onwaardig en buiten alle wet
gesteld achtte, werden aan de woede des volks prijs gegeven (3). Arekd van Bens-
koop en willem van Teilingen geraakten in handen van loef van Kleef, om hen in
bewaring te houden en voorts aan Graaf jah van Henegouicen ter straf over te leve-
ren. Hij voerde hen naar het slot Kervenheim in Kleefsland^ doch leverde hen niet
uit, en zij bleven vrij van alle onderzoek en straf (4),
Velzen en van zaanden werden geweldig aangegrepen, alsof men hen levend ver-
slinden wilde voortgesleept, en hunne beide lotgenooten vermoord (5). Er is be-
(1) De beka, p. 99. J. α leïdis , Lib. XXIV. c. 30, welke echter den Graaf ua>i Kleef met
flon Graaf van Gehe verwisselt.
(2) Meus stoke, D. II. B. V. bl. 372.
(3) Bilderdijk , D. Ii! bl. 264.
(4) Meus stoke, D. II. B. V. bl. 373, 374.
(5) Melis stoke, D. II. B. V. bl. 374.
Giieraebde van Velsen en willeb van Zoenden
Trecten de Ifnechte en (eenden,
Al of sise alle wilde eten;
En doden daer toe, zaldi weten,
En dander tuee, als hem bctaqic. ' ^ ,
-ocr page 384-378 ALGEMEENE CrESCHIEDENIS
1256— vveerd, dat vau velzek op eene verschrikkelijke wijze zijn leven eindigde (1). Het
schijnt echter, dat hij slechts gevangen genomen en kort daarna ontsnapt of geslaakt
is (2). Uit brievenzeven jaren later, blijkt althans ten duidelijkste, dat hij toen nog
in leven was , en , oven als κυικ, heusden , amstel en woerdek zich buiten 's lands be-
vond (3). Eenige zyner medestanders ontvingen te Dordrecht hunne straf. Hugo van
Baarland ten minste, met nog drie of vier anderen, ^γelke den Jonkheer van voorne
in handen gevallen waren, werd aldaar op het rad gelegd; en gerard van Kraaijen-
horst , wien van voorne zelf hel schelmstuk had zien uitvoeren, Λverd door dezen,
welke hem onder weg opving, onmiddellijk op dezelfde wijs ter dood gebragt. Het
slot Kroonenburg werd afgebroken en Muiden, door zijne bezetting verlaten, aan birk
van Haarlem toevertrouwd (4).
De Graaf van Kleef begaf zich hierop naar Dordrecht en nam tegen den zin des
volks, het landsbestuur op zich (5). Men verhaalt, dat hij met gui van Avenues het
bewind deelde, zoodat deze te Geertruidenberg over Zuid-Holland regeerde, terwijl
hij Noord-Holland beregtte en in ^sGravenhage zijn verblijf hield (6). Het blijkt
echter, dat hij het alleenbewind voerde tot dat do komst van jan van Henegouwen
daaraan een einde maakte (7). Avennes was de naaste bloedverwant van floris V
en een zoon van aleid, wier beminnelijke hoedanigheden, bij de Zuid-Hollanders
eenen günstigen indruk hadden achtergelaten. Hij werd dan ook onder het blijde
gejuich des volks te Geertruidenherg ingehaald, en voorts met uitbundige geest-
drift te Dordrecht ontvangen. Men verwachtte in hem den wreker van den beminden
Heer y en weldra hadden drie duizend mannen zich te zijnen voordeele verklaard. Hij
begreep te wel zijne belangen, om van deze algemeene opgewondenheid geen gebruik te
maken, en het volk door eenen eed aan zich verbindende, toog hij met vele Zuid-
Hollanders naar Delft. Hier onderhandelde hij zeven dagen lang met den Graaf van
(1) Verg. wigesaar, D. ΙΠ. bl. 91. Bildeedijk, D. II. bl. 265.
(2) V. wuN op wagenaar, St. III. bl. 39.
(3) V. mieris, Charterb. ν. Holl. D. II. bl. 27, 28, 31. Verg. ν. wijn, t. a. p.
(4) Melis stoke, D. II. B. V. bl.^380—383. De Klerk uit de laage Landen, bl. 176, 177.
De beka, p. 99.
(5) Melis stoke, D. II. B. V. bl. 383. i
(6) De bera, ρ. 99. De Klerk uit de laage Landen, bl. 177. Hutdecoper houdt dit voor
verdicht. Melis stoke, D. II. B. V. bl. 385.
(7) Melis stoke, D. II. B. V. bl. 383-385.
-ocr page 385-DES VADERLANDS. 385
Kleef over de landvoogdij , van welke deze eindelijk afzag en het land ruimde (1). 1256—
Men geeft dien Vorst na, dat zijn kort oponthoud in 'i Hage zich door buitensporige
verteringen, ten laste der gemeente, onderscheiden had (2).
Loef van Kleef hlecÏ'm Holland. Hij deelde zoowel in het vertrouwen des Konings
van Engeland als in dat des Graven \Άτι Henegouwen , hetgeen een vermoeden opwekt,
dat er toen tusschen eduard en avennes , ten opzigte van jan van Holland^ over-
eenstemming heerschte. Het huwelijk van dezen laatste met de Engelsche Prinses was
nog niet voltrokken, en dit strekte edüard ten voorwendsel, om den jeugdigen Graaf
nog in Engeland te houden, ondanks het verzoek dor Hollandsche Edelen, van Avelke
reeds eenige uit de aanzienlijkste geslachten zich te Haarlem bevonden, om de komst
van hunnen Avcttigen Heer af te wachten (3). Hij zond twee Ridders, curistiaan va«
Raaphorst en reinoud van Jermeny, nevens twee Geestelijken, righard van Have-
ring en walter van Brugge, naar Holland met verzoek', »dat uit elk der voor-
naamste gewesten van het graafschap ten minste drie Edelen, en uit elk der goede
steden ten minste twee mannen, tegen den elfden van Slagtmaand naar Engeland
Avierden afgezonden, om met jan van Holland, den zoon en erfgenaam van Graaf
FLORis, over het voltrekken van zijn huwelijk, over de bevestiging van het verbond,
ΛνοΙοβΓ met den overleden Graaf aangegaan, en over den toestand des lands te hande- 14 van
len." Deze brief in welken de Koning met afgrijzen spreekt over den moord aan l^c^'st^
Graaf floris gepleegd , is gerigt aan de Baroenen , Ridders, Schepenen, Burgeren , 1296
goede Mannen en alle andere ingezetenen der graafschappen en landen van Hol-
land , Zeeland, Kcnnemerland en Friesland (4). Twee dagen later zond hij zijnen ge-
zanten een vrijgeleide voor de Hollandsche afgevaardigden qaar Engeland, en tevens
brieven aan de Hollandsche Edelen, aan de gemeente van Dordrecht, de gemeente
van Zeeland, de burgers en goede mannen van Zierikzee, aan woLrERT van Bor seien
en LOEP Da« Kleef, welken laatste, onder vele dankbetuigingen, ernstig verzocht wordt,
»in die genegenheid voor den Koning te volharden, van welke hij lot nu toe zoo vele
blijken gegeven had (5)."
Middelerwijl was de Ulrechtsche Bisschop willem van Mechelen, ofschoon aau
FLORis V vermaagschapt, geheel onverwachts in Holland gevallen; naar eenigen uit
(1) Meiis stoke, D. IL Β. V. Η. 387.
(2) Melis stoke , D. IL Β. V. bl. 384.
(3) V. MIEBIS, Charterb. ν. Holl, D. Ι. bl. 672. Zie hiervoor, bL 381.
(4) V, mieris, Charterb. ν. Holl. D. L bi. 573. Waoemaar, D, III. hl. 03.
(5) V. MIEBIS, Charterb..,v. Holl. ϋ. L bl. 573 , 574. ■ ' l'
h, deel.
49
-ocr page 386-378 ALGEMEENE CrESCHIEDENIS
spgt, dat hy de verraders op Kroonenhurg niet ontzet had; naar anderen om denver-
vallen slaat des bisdoms te herstellen (1). Hij verraste Maiden en rigtte de blijden
en andere stormtuigen, welke hij daar van floris aantrof, tegen het slot dat hevig
werd aangetast. De dappere dikk van Haarlem Averd door de bezetting, van welke
slechts vijf man het uiterste met hem wilden verduren, tot overgave gedwongen. Hij
verwierf lijfsbehoud doch ten koste zijner vrijheid; en de inwoners van ver-
klaarden zich op nieuw voor onderdanen des Bisschops en der Kerk van Utrecht. In-
dien de belegerden slechts twee dagen langer weerstand geboden hadden, meent men,
zou JAN van Henegouwen hen ontzet hebben, welke tot dat doel reeds te Amstelre-
danime gekomen Avas (2). Bisschop willem trok nu naar West-Friesland en bragt
de ligt ontvlamde bevolking, wier hulp hij reeds tegen de Keunemers en Waterlanders
had ingeroepen (3), door de hoop op vrijheid en onafhankelijkheid, met weinig moeite
lot opstand en afval. Van de sloten die floris ter beteugeling van het gewest ge-
bouwd had, werd ïVijdenes ^ door boudewun ï^an iVaoWici^'Ä verdedigd, hel eerst
aangetast, welhaast bij verdrag ingenomen en ten gronde toe geslecht. Eenigenhurg
en het nog onvoltooide Νieimenduren ondergingen hetzelfde lol. Medemhlik werd
verbrand, om het slot aldaar van rondom te kunnen bestormen. Doch de wakkere
slotvoogd floris vuH Egniond of van Kennemerland, tartte het geweld der twee
blijden van Graaf floris , welke Bisschop Willem gezonden had. Men besloot toen de
sterkte in te sluiten en hare bezetting uit te hongeren (4).
Met'het berigt hiervan ontving jan van Avenues^ die zich nog in Holland bevond,
tevens de mare, dat de Vlamingen onder guyot , den zoon van Graaf gui, Middel-
burg belegerden (5). Deze stad , die geene andere beschermers telde dan hare eigene
(1) Melis stoke, D. 11. B. V. bl. 388. De beka, p. 101. Willem va7i Mechelen was een
kleinzoon van aleid van Braband, de zuster of moei van MAcniELD, de groolmoeder van floris V.
Hoïdecoper op melis stokE; D, II. li. bl. 388. vs. 561. Bilderdijk , D. II. bl. 270 (I).
(2) Melis stoke, D. II. B. V. bl. 388—390. De beka, p. 101. Heda, p. 226/228.
(3) V. mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 574.
(4) Melis stoke, D. 11. B. V. bi. 390—392. De beka , bl. 101.
(5) Wij voijjcn hier bet {jcvoelen van otydecoper in cencAant. op melis stoke, D. II. bl. 392,
vs. 650, ook door dilderdijk omhelsd, D. II. bl. 271. Het is ons echter zoo geheel duidelijk
niet, dat wolfert van Borselen, althans heimelijk en onder de hand, niet met de Vlamingen
geheuld heeft. Hij deelde in het verlrouwen des Konings van Engeland, blijkens den brief bij
van mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bl. 51 i, en die Vorst was thans naauw aan gui van Vlaan-
deren verbonden. Hij had daarenboven; naar de getuigenis vah melis stoke, D, II. B, V. vs.670,
Ι25β-
1300
DES VADERLANDS. ^ 49
inwoners , Avas, zonder vaardige hulp, in het uiterste gevaar van verloren te gaan, ter- 1256—
wijl de bezetting van het slot te Medeniblik, thans slechts omsingeld om haar door
den honger te bedwingen, zoo schielijk nog geen nood had (1). Avenues spoedt zich
dan terstond naar Zeeland, doch vindt bij zijne aankomst de vijanden reeds verdwe-
nen, en Avordt door de Middelburgers met gejuich en speeltuigen ingehaald (2). Hier
raadpleegde hij met wolfert van Borselen cn andere Heeren, over het ontzei van het
huis te MedemMih. Daar Zeeland echter bloot stond voor de aanvallen van Vlaan-
deren en Brahand, zoo konde men hem slechts eenige manschappen afslaan, om na
Nieuwejaarsdag gereed te zijn. Hij nam hierin genoegen en vertrok naar Holland,
om heirvaart te gebieden, bevelende dat zij hem aldaar zouden volgen (3).
Hoezeer avennes zich inderdaad verdienstelijk maakte, dat hij bij deze aanvallen het
hoofdelooze land bewaarde en bestuurde, zoo waren echter zyne bedoelingen, om
eens meester van het gebied te word«n, uit zijn vorig en tegenwoordig gedrag
te blijkbaar, dan dat do Edelen geenen argwaan tegen hem opvatten en naar
hunnen welligen Heer verlangden, aan wien hij niet scheen te denken (4). Hun
verlangen werd te meer opgewekt, dewijl hij de genegenheid der gemeente in
Holland trachtte te verwerven en den adel betoomde, zoodat deze het niet
waagde zich tegen hem te verzeilen (5). Er werden eenigen uit hun mid-
den gekozen die, verzeld door twee Poorters uit elke stad, naar Engeland over-
staken, om uit naam van Holland en Zeeland^ hunnen Graaf en Heer op te
vragen (6). Men wil hier alleen aan Zeeuwsche Edelen en Zeeuwsche Poorters
van Güïot aanzienlijke sommen ontvangen, om, zöo als ποτοεοορκκ meent (bl. 395), ook andere
Zeeuwsche Edelen Ylaamschgezind te maken. Ons komt derhalve de redenering van wageuaar ,
D. III. bl. Ü9—102, niet zoo geheel ongegrond, veel min zoo dwaas voor als uUDEttrnjK, D. II.
bl, 271, haar noemt.
(1) Hüydecopek op melis stoke, D. IL bl. 450.
(2) Melis stoke, D. IL Β. V. bl. 394, 395. De bijzonderheden, welke λυλοεκαλκ, D. IU.
bl. 101, van de belegering van Middelburg verhaalt, berusten op eenige ondergcsehovene regel»
in melis stoke, gelijk huidecoper , D. II. bl. 442—453, overtuigend beeft aangewezen.
(3) Melis stoke, D. IL Β. V. bl. 396; en de aant. v. iiijydecoper op re. 692 en 698. Bu-
bebdijk, D. IL bl. 272.
(4) Bilderdijk, D. 1L bl. 272 , 273.
(5) Melis stoke, D. IL Β. Υ. bl. 398.
(6) Melis stoke, D. IL Β. V. bl. 400. *
49*
-ocr page 388-378 ALGEMEENE CrESCHIEDENIS
125G— gedacht hebben (1). Het blijkt onderlusïchen, dat dirk. van Brederode^ die op eigen
kosten vaartuigen had uitgerust, willem en gerard van Egmond, hekdrik, Burg-
graaf van Leiden, sigolaas van Persijn, jan van Teilingen, simon van Benthem
en JAw van Renesse, benevens den Abt van Egmond met meer andere, zoo geeste-
8 van Igke als wereldlijke personen uit Holland en Zeeland, zich te Gipwich in Engeland
inaand bevonden en getuigen waren der belofte van Graaf jan I, zijne geschillen met den
1297 Hertog van Brahand aan de uitspraak des Konings van Engeland over te laten (2).
Het is opmerkelijk, dat deze Edelen aan het Eiigelsche Hof verschenen. Nevens an-
deren hadden zij het leenverbond tusschen fxups van Frankrijk en Graaf floris V ,
zoo nadeelig voor Engeland, bekrachtigd en onderteekend, en niet een hunner
was, althans openlijk , betrokken in de zamenzwering tegen dezen Graaf (3), Naar
het schijnt, waren zij den dag te voren tegen\Y00rdig geweest bij het huAvelijk van
Graaf jan met elizabeth , de dochter van eduahd , te Gipicich voltrokken. De Ko-
ning voldeed nu zijnen schoonzoon vijf duizend zes honderd en veertig Ponden zwarte
Tournois van do vyftig duizend welke hij, ingevolge de overeenkomst met Graaf
floris, verschuldigd was (4). Hij benoemde reinoud ferker en uighard de have-
KiNG, »om de morgengave van acht duizend ponden jaarlijks der Gravin toege-
legd , in Holland uit de inkomsten der grafelijke landerijen, bosschen en andere
goederen in den Raag en door het gansche land tusschen de Maas en de
Zijp gelegen, en indien deze zoo ver niet strekten, uit andere grafelijke inkomsten
te vorderen niet alleen, maar zelfs het bestuur over de goederen, uit welke die in-
komsten vallen moesten, te eischen." Graaf jan moest plegtig beloven, de beide
genoemde Engelschen, die met Iiem zouden gaan, tot zyne geheime Raden aan te
stellen; of eigenlijk, hetgeen echter weinig verschilt maar fijner bedacht schijnt, slechts
diegenen tot Raadslieden te kiezen, welke zij hem zouden voorstellen, en nooit tegen
het gevoelen van dezen te handelen dan met goedvinden van eduard , aan wiens uit-
spraak tevens al de geschillen van Holland met Vlaanderen zoo wel als mclBraband
moesten gesteld worden. De Koning trad ook in nadere onderhandeling met loef van
Kloef en met wolfert en floris van Borselen, die in zijn byzonder vertrouwen
deelden, en drong bij Keizer adolf van Nassau ernstig aan, zijnen schoonzoon het
(1) hliïdecoper op mélis stoke , D. II. B. V. \8. 728, cn eilderdijk, D. II. bl. 274.
(2) Vak mieris, Charterb. ν. Holl. D. I. bi. 576. Verg. de Klerk uit de laage Latiden,
bl. 179. wilnelmbs i>roctiuator, p. 541. De beka, p. 101.
(3) Van jiiekis, op de Klerk uit de laage Landen^ bl. 179 (3).
(4) Zie liiervoor, bl. 348.
-ocr page 389-DES VADERLANDS. 381
verlei te schenken, dewijl deze niet in persoon verschijnen kon om het van hem te 1256—
ontvangen (1). Strekten deze maatregelen om den invloed van to fnuiken
en den jongen Graaf aan het geweld en de listen zijner bloedverwanten te onttrekken,
zij toonen niet minder, dat eduard daarbij zijne eigene belangen niet uit het oog ver-
loor, ten einde dat gezag op het bestuur van Holland te verwerven waarnaar hij
steeds getracht had.
Onderlusschen had avennes ,>in ZTö^/öwc? teruggekeerd, heirvaart beschreven om nog
vóór den winter het slot Mcdeniblik te ontzetten. Nevens de Zeeuwsche Edelen, van
Avelke slechts eenigen hunne belofte waren nagekomen, namen jan van Arkel en
NicoLAAS van Putten, en van de sleden in het bijzonder de burgers van Dordrecht ^
deel in dezen togt. Men stapte te EnkJmizen, toen nog een dorp, aan wal, verdreef
terstond de zich verwerende Friezen en stak de plaats in brand, wier vlammen den
belegerden op het huis te Medemllik, Avaar reeds groot gebrek heerschte, ontzet
aankondigden. Naauwelijks was avennes genaderd, toen de slotvoogd hem door eenen
uitval ondersteunde, waarop do vijand de vlugt koos en zijnen voorraad achterliet. Uit
hoofde dor opgekomen felle vorst werd den burgzalen gelast, de levensmiddelen en
krijgsbehoeften uit 'sGraven schepen, die voor de haven van JiecieOTÄiiÄ op stroom
lagen, te halen. Hierop trok avenues uit West-Friesland, doch verstrooid en met
moeite kwam zijn leger in Rolland terug. Te Haarlem vernam hij de komst van
Graaf jan, waarop hij zich naar den Raag en voorts naar Dordrecht begaf, om
zijnen neef to begroeten (2),
Jan I was ten minste veertien jaren oud, en alzoo naar hot leenregt huwbaar en
ter regering bevoegd (3), toen hij met zijne prachtig getooide schepen te Veere in Zee-
land aankwam. Hij was verzeld door een aanzienlijken stoet van Engelsche Grooten be-
nevens den Heer van Brederode, en werd door wolfert van Borselen, Heer van Veere ,
ontvangen (4^. Ongetwijfeld liet men hier en niet in Holland den jongen, onervaren
(1) Van mieris, Charterb. υ. Holl. D. I. bl. 576—580.
(2) Melis stoke, D. II. B. V. bi. 402—409. De Klerk uit de laage Landen, bl. 179. De
beka, p. 101. wiiiielmüs procüratob , p. 541. Het Goudsche Kron, h\. IQ, n. .Bijv. eil
Aanm. op wagehaar, St. III. W. 35.
(3) Verg. hiervoor, bl. 339, 347. Kluit, Hist. Crit. Com. Τ. I. Ρ. II. ρ. 335 (ra). Bil-
derdijk, D. II. 1)1. 276—278.
(4) Wilhelmüs procübator , p. 541,542, benevens de Aant. van matthaecs aldaar, en in de Analeci.
T. III. ρ, 188. De beka , ρ. 101. Uit melis stoke blijkt, dat 's Graven gemalin elizabeth niet met hem, zoo
als de beide genoemde Sclirijvers en anderen willen, maar eerst later uit Engeland overgekomen is.
378 ALGEMEENE CrESCHIEDENIS
1256—Graaf binnenloopen, om hem aan den invloed van avennes te onttrekken, die nu,
om do vrienden van floris te believen, zich voor geheel Franschgezind uitgaf en in
het Zuidelijk gedeelte van Holland bovenal, eenen magtigen aanhang telde welke
hom in Zeeland ontbrak. Daar avas wolfert van Borselen door zijne vermaagschap-
ping aan het grafelijk Huis van Holland^ de aanzienlijkste persoon die even alsEDUARD
en GUI van Vlaanderen, tegen Frankrijk Avas ingenomen. Tvree zijner zonen zaten
er gevangen, en de Koning van Engeland had beloofd, indien wolfert »hem
zekere dienst bewees," geen vrede of bestand mei Frankrijk te sluiten, wanneer
zij niet geslaakt werden (1).
Van borselen deed zich aanstonds gelden. Hij verwijderde allengs van den Vorst,
die zich geheel in zijne magt bevond, allen welke hem niet aanstonden. Avehnes
verliet het land. Vóór zijn vertrek, verzocht hij den Graaf in Dordrecht te komen,
waar hij hem de regering overgeven, doch bij hem blijven zoude, indien zijn raad den
Graaf nog langer van dienst konde zijn. Het antAvoord Avas, λ dat zoo atenhes den
Graaf van Holland wilde spreken, hij te Bridorp in Schoutoen, doch met niet meer
dan honderd man, moest verschijnen en dat men hem te dien einde goed geleide
zoude geven." Avenhes ontvonkte in woede op dit bescheid. »Ik heb het geleide
van mijnen neef niet noodig," riep hij uit en zwoer zich op diegenen te wreken,
•welke dit den jongen Vorst hadden ingegeven. De burgers van Dordrecht boden hem
hulp aan, om zich met geweld van den Graaf meester te maken. Hij wees dit als een
schandelijk middel van de hand en vertrok met den Heer van Arkel, zeggende: »Er
zal een tijd komen, dat de Graaf van Holland blijde zal zijn, mij te zien en te
spreken (2)." Vruchteloos bezette wolfert van Borselen de wegen en legde vaar-
1 tuigen op de stroomen, om hem te onderscheppen. Reeds had hij te dien einde vijf
duizend Ponden verspild, toen men berigtte, dat avesnes behouden in Henegouwen
gekomen was (3). Ondertusschen werd cr een Raad tot het landsbestuur onder den
Graaf, uit de aanzienlijkste en rijkste Heeren zamengesteld (4). Het lijdt echter geea
D. II. B. V. vs. 1075—lOiSO. Woifert van Borschn had Veere in 1282 van floris V getocht,
het vervolgens aan de Gravin beatrii opgedragen en van liaar, met 's Graven toeslemming, als
erfelijk leen terug ontvangen. Zie boxuorn op reigersberg, D. I. bl. 213—215.
(1) Melis stoke , D. II. B. V. bl. 414.
(2) V. mieris, Charlerb. v. Hall. D, I. bl. 579. Wagesaar, D. II. bl. 103, Bilderdijk ,
ü. II. bl. 278.
(3) Melis stoke, D. II. B. V. bl. 409-411,
(4) Melis stoke, D. II, B. V. bl, 411, 412. WiinELMCs procürator, p, 642.
-ocr page 391-DES VADERLANDS. 381
twijfel, dat wolfert van Borselen de klem van het bewind in handen hield en alles 1256—