ocr page 1

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1599. te Boulogne door wederzijdsche afgevaardigden onderhandelingen aangeknoopt, waarvan
men niet slechts in de Republiek maar zelfs in
Frankrijk een einde voorzag, hetwelk
HENDRIK IV weinig minder dan de Staten betreurd zou hebben. Reeds in November
1599 had
elizabeth hun kennis gegeven, dat zij meende in het belang harer onderda-
nen niet te mogen weigeren, met den vijand over den vrede in overleg te treden, en
hen uitgenoodigd, aan de onderhandelingen deel te nemen. Wel gaf zijde verzekering,
dat zij de haar verpande steden,
Brielle en Vlissingen, nimmer in handen der Span-
jaarden zou stellen; maar het was toch altijd twijfelachtig, of de laatsten er niet in
slagen zouden haar van dit besluit af te brengen i. In elk geval was het reeds eene
gevaarvolle omstandigheid, dat
elizabeth op nieuw aan Spanje's voorslagen het oor
had willen leenen. Nog altijd was een gedeelte der burgerij zeer geneigd y om haren
raad als de hoogste wgsheid te eerbiedigen en het was dus te vreezen dat hare
handelwijze velen minder afkeerig zou maken van eene voorwaardelijke onderwerping,
waarin de Hollandsche staatslieden met regt den ondergang bleven zien van de vrije
staatsinstellingen en den bloei der Republiek
De Staten wor- Intusschen werden zij van alle zijden op nieuw gedrongen, naar Spanjé's voorslagen
verscMllenL luisteren. De koning van Denemarken had zich laten bewegen hun met dat doel

gedrongen"^ gezantschap te zenden. De keizer yan Duitschland liet insgelijks vrijge-

leide vragen voor eenige gezanten, wier lastbrief niet twijfelachtig kon zijn. Te gelijker
tijd doorkruisten geheime zendelingen van
Spanje de Republiek, om de gemoederen
op eene vereeniging van al de Nederlandsche provinciën onder denzelfden schepler
voor te bereiden, terwijl onder de burgerij eene menigte van geschriften werd verspreid,
waarin de volharding in den stryd als ten hoogste roekeloos en verderfelyk afgeschil-
derd , de huldiging van
isabella daarentegen als overeenkomstig met de ware belangen
der Vereenigde Gewesten aangeprezen werd
Standvastiglieid Te midden van al deze tegenspoeden en moeijelijkheden, verloor 's lands regering
(Ier Staten. echlcr geenszins den moed en de vastberadenheid, waarvan zij gedurende den strijd
met
Spanje reeds zoo menig blijk had gegeven. De Staten van Holland besloten tot
het uiterste te volharden , schreven nieuwe belastingen uit, verkochten domeingoederen,
openden nieuwe geldleeningen en lieten niets onbeproefd, om zoowel de vloot als het

1 bor, IV bl. 551, 560, 584, van «eyd, bl. 403. van meteren, f. 447 c. Lettres de buzak-
val,
p. 297, 309, 312, 315. gachard, Actes des États-Générauxt p. XIX—XXXII.

2 Lettres de büzanval, p. 315.

3 Lettres do buzanval, p. 290, 296, 299. Vgl. bor, IV bi. 540—543.

bor, IV bl. 580. Lettres de buzanval, p. 27, 128; Cod. Dipl. ρ. 177.

ocr page 2

DES VADERLANDS. Â· 127

leger in staat te stellen in het volgende voorjaar aanvallendervpyze te vï'erk te gaan 1599.

Prins maurits, die minder dan iemand het denkbeeld van voorwaardelijke onderwerping Gezindheid vau

C · 1 1 . Â·Â· 1 ii .1 1 1 wr . 1 λ MAURITS.

aan üpanje verdragen kon, en met vrij van bezorgdheid was, dat de Vereenigde Ge*
westen den aandrang van
elizabeth en van de overige gekroonde hoofden van Europa
niet op den duur zouden durven weerstaan, overlegde reeds in het geheim met
eenigen zyner vertrouwden, om zich in dat geval van het eiland
Walcheren meester te
maken en te trachten zich aldaar zoolang mogelijk staande te houden. Zelfs verwit-
tigde hij graaf
Willem lodewijk van dit voornemen, en spoorde hem aan om op eene
diergelijke wijze in
Friesland te werk te gaan , wanneer de Stalen den moed moglen
laten zinken Er was echter nog weinig reden om de vrees te lioesteren, dat men

tot dit uiterste zou moeten komen. Wel werd hier en daar met de vrijheid van spre- stemming der

burgerij.

ken, sints overoude lijden den Nederlanderen eigen 3, over de lasten van den oorlogen
de voordeelen van den vrede geredekaveld, maar de burgerij was nog te afkeerig van
de Spaansche dwingelandij en koesterde te veel wantrouwen in de gezindheid van
Al-
bertus
en isABELLA, om zich ligtelijk vóór eenen vrede te laten stemmen, die haar
andermaal aan het gehate geloofsonderzoek dreigde prgs te geven. Nog geen vier ja-
ren geleden had de rederijkerskamer
de witte Acolye te Leiden een wedstrijd voor al
hare Hollandsche zusleren geopend, waarbij onderscheidene prijzen werden uitgeloofd
voor het beste referein, welks coupletten met de spreuk zouden eindigen dat »voor
een beveynsde pays een rechte kryg Ie prijzen is Hoe innig een groot gedeelte
der Hervormden zich nog aan koningin
elizabeth verknocht mögt gevoelen, hare wan-
kelmoedigheid en vredelievendheid hadden reeds vele gemoederen van haar vervreemd, ea
ondermijnden haren invloed, niet slechts bij de regering, maar ook bij het volk In-
zonderheid was men in
Holland ten hoogste afkeerig van elke gedachte aan eenen vrede,
waarbij de vrijheid en onafhankelykheid der Republiek niet volkomen zouden worden er-
kend: en zoolang het voornaamste gewest met dien geest bezield was, behoefde men
4e hoop op den goeden uitslag van het gewapend verzet niet Ie laten varen

1 Resol V, Holl. 1599, bl. 332, 361, 393, 487, 492, 503, 544, 606, 632; 1600, bl. 67,93.

van reyd, bl. 410. Lettrcs de büzanval {Cod. Dipl.) ρ, 315.

3 Lettres de büzanval, ρ. 52: »Nous sommes parmy un pcuple, qui estime une partie de la
über té en la franchise de parier."

4 BOR, IV bl. 202.

5 Zie een brief van Hendrik IV, aangehaald in de Lettres de büzakval {Cod. Dipl.) p. 336:
»Elle va tousjours perdant le credit en Heilande."

- ® Lettres de büzakval , p. 268: »J'oublie k vous dire qu'a la vcrite il se Irouve assez de person-
nes par de^a, qui parlent de la paix et cn privé et aux feelins, et même qui e'ingèrent d'en

III Deel. 2 Stük. 17

ocr page 3

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1599. . Op het voetspoor van Holland werkten de Staten-Generaal volijverig mede om de
Toestand der eensgezindheid te herstellen en de algemeene opbrengsten te verhoogen. Hoogst wel-
^ kom waren vooral in deze dagen de onderstandsgelden , die op aandrang van
buzanval

geregeld uit Frankrijk werden toegezonden; en niet minder eene bijdrage van /"100.000
van den keurvorst van de
Pallz, die meer dan eenig ander Duitsch vorst begreep, welken
invloed de uilslag van den strijd tusschen
Spanje en de Republiek op Duiischland moest
uitoefenen Κ De door den Raad van State ingediende oorlogsbegrooting voor het jaar
1600, ten bijdrage van ƒ 481.000 'smaands, behalve /"800,000, die terstond zouden
moeten worden opgebragt, werd aangenomen. Ook besloot men de onderscheidene ge-
westen dringend aan te manen, om hunne quoles geregeld in de generaliteitskas te stor-
ten. Niet overal hadden deze pogingen echter den gewenschten uitslag, en ook thans
moesten de bereidwilligheid en ijver der provincie
Holland de traagheid en den onwil
der overige gewesten vergoeden.
Zeeland verklaarde zich builen staat om zijn aandeel
Ycrdeeldhcid in in de oorlogslasten te blijven dragen. In Friesland nam de twist over de verdeeling
l'imlancl. ^^^ belaslingen tusschen de sleden en het platte land zulk een gevaarlijk karakter
aan, dat men voor een burgeroorlog begon te vreezen.
Ooslergoo en Westergoo scheid-
den zich van de steden en de
Zevenivolden af, hielden afzonderlijke vergaderingen te
Franeher, en besteedden de door hen opgebragte penningen om eigene ambtenaren aan
te stellen en zelfs om krijgsvolk te werven, ten einde zich tegen den wettigen land-
dag, die te
Leeuwarden gehouden werd, en den stadhouder staande te houden. Met
groote moeite >verd deze oneenigheid door het wyze beleid van graaf
willem lodewijk
en de tusschenkomst der Staten-Generaal bijgelegd; doch zij droeg niettemin de treurige
vrucht, dat
Friesland eenige tonnen gouds minder opbragt, dan met de uitgestrektheid
en het welvaren dier provincie overeenkwam 2.
Groningen Ecne meer gewenschle uilkomst had de poging der Staten-Generaal, om Groningen tot
werpi^^'gcbragt. eerbiediging hunner besluiten en afbetaling der sints lang verschuldigde gelden te
dwingen. Niet slechls was het onverdragelijk, dat een gewest, met zooveel moeite en
kosten aan het geweld der Spanjaarden ontrukt, op den duur door inwendige twisten

ccrire a Bruxelles. C'est une liberté propre de ces peuples d'y dire et discourlr tout ce qu'on
pense; mais cela n'a aucun fondement jetté en cette facon; tant que Ie ventre et les contoirs ne
crient poïnt, il ne faut faire aucun état de tout cela." Vgl. ook
Cod. Dipl, ρ. 269: »Tant que
cette Province de Hollande, qui est la mouelle et l'ame de cet Etat, aura de la vigueur pour
se soutenir, je ne voy pas que les autres membres de ce corps puissenfc ou veulent attenter quel-
que nouveauté. Etc."

1 Lettres de büzanval {Cod. Dipl) p. 223. van heyd, bl. 421.

2 VAN RETD, bl. 418—421.

ocr page 4

DES VADERLANDS. 151

verscheurd werd en onwillig bleef tot de oorlogslasten bij te dragen, maar het scheen 1599.
ook dringend noodig het gezag der algemeene regering te handhaven in eene landstreek,
die de Republiek in het noorden tegen vijandelijke invallen moest beschermen, en welker
bevolking nog voor een groot gedeelte uit Katholieken en Spaanschgezinden bestond.
Men besloot dus met klem te werk te gaan. Eenige vendels krggsknechten werden
naar
Groningen gezonden, om het garnizoen dier plaats te versterken. Toen de magi-
straat, zich op oude privilegiën beroepende, weigerde de nieuwe troepen in te nemen,
liet de stadhouder met geweld de poort openen, en volbragt daardoor bij vollen dag
uit naam der Staten-Generaal eene daad van oppermagt, die de Spaansche veldheer
VERDUGo, hoezeer van 'skonings bevelschrift voorzien, slechts heimelijk des nachts had
durven ten uitvoer brengen. Niettemin was noch de magistraat, noch de burgerij, tot
inschikkelijkheid te bewegen. Heviger dan ooit klaagden zg over de uitspraak vaa
1S97, waarbij zy naar hun gevoelen tegenover de Ommelanden in het ongelijk waren
gesteld, sloten de vergaderzaal hunner Gedeputeerde Staten en Heten daardoor het ge-
heele bestuur der provincie acht weken stil slaan, liever dan te gedoogen dat deze zich
Gedeputeerden van de stad Groningen en Ommelanden zouden noemen, terwijl de stede-
lyke regering beweerde dat hun wettige titel van ouds die van
Gedeputeerden van de
stad en Ommelanden van Groningen
was geweest i. De afgevaardigden der Staten-Ge-
neraal, tot beslechting van dit geschil naar
Groningen gezonden, zagen al hunne
pogingen lot eene minnelijke schikking op de halslarrigheid der burgerij schipbreuk
lijden, en moesten eindelijk tot krachtiger maatregelen hun toevlugt nemen. Nadat
de gansche bezetting onder de wapenen was geroepen, werden huis aan huis alle
wapenen van de burgers afgevorderd. Twaalfhonderd arbeiders werden aan het werk
gezet tot het bouwen van een kasteel, waarmede men niet alleen bedoelde het gezag
der Staten-Generaal voortaan binnen
Groningen te handhaven, maar ook de stad legen een
vyandelyken overval van buiten of verraad van binnen te beveiligen. Voorts werden drie
der voornaamste onruststookers naar
Gravenhage gezonden, om hun gedrag aldaar by
de hooge regering te verontschuldigen. Groot was de ontsteltenis en het misnoegen
van
Groningen^s burgers, toen zij binnen korten tgd eene vesting zagen verrijzen, die
tegen hen zeiven werd opgerigt. Herhaaldelijk zonden zij afgevaardigden naar
Hólland,
om de Staten-Generaal van hunne bereidwilligheid in het opbrengen der gevorderde
gelden te verzekeren, en tegen het onregt, dat hun werd aangedaan, een krachtig
protest in te dienen. Het verbond der Vereenigde Gewesten was, naar hun gevoe-
len, op »rehgie en vrijheid" gebouwd, waarmede niets meer in strijd kon zyn dan
kasteelen, die de Nederlandsche steden ten allen tgde verafschuwd en alleen door

1 Hiervoor D. 111 St. 1 bl. 489, en daar vooral noot (2).

17*

ocr page 5

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1599. dwang geduld hadden. Zij ontvingen echter ten antwoord, dat Groningen zoowel onder
de Spaansche overheersching als na de herwinning zijner vrijheid zoovele bewijzen van
hardnekkige onbuigzaamheid, baatzuchtige terughouding en misdadig verzet tegen de
Staten-Generaal had gegeven, dat deze hi^ns ondanks wel verpligt waren tot zulke
maatregelen over te gaan, indien zij het welzijn der gansche Republiek niet in de
waagschaal wilden stellen. Door het in 1594 bg de overgave gesloten verdrag herhaal-
delyk te overtreden, had de stad alle aanspraak op toegevendheid verbeurd, Zg be-
hoefde echter niet te vreezen dat van het kasteel ooit tot verkorting harer regten mis-
bruik zou worden gemaakt: het zou alleen den kwaadgezinden tot eenen breidel, maar
den goeden lot bescherming strekken. Door deze gestrengheid werd de provincie Gro-
ningen eindelijk tot rust en onderwerping gebragt, en tevens het gezag der Staten-Ge-
neraal op eene wijze gehandhaafd, die zelfs in het buitenland den eerbied voor de
veelhoofdige regering der Republiek verhoogde

Terugkomst Intusschen waren de aartshertogen, gelgk men gewoon was Albertus en isabella te

van ALBERTUS en Ï€ . i ut i τ j 11

ISABELLA. uoemcn, in het laatst van Augustus 1599 uit Spanje m de Nederlanden teruggekeerd,
en hadden de regering der hun afgestane gewesten aanvaard, waarop de kardinaal
an-
DREAs weder naar Oostenrijk vertrokken was 2, Met verlangen was hunne komst door de
Belgen te gemoet gezien, als het aanvangspunt van een beter tijdvak, waarin, ondereen
zachter en wijzer bestuur, vrede en welvaart allengskens zouden wederkeeren. Onder-
scheidene omstandigheden schenen echter deze verwachting reeds terstond te logenstraf-
fen. Spaansch bleef zoowel de taal als het ceremonieel van het nieuwe hof. Slechts
met gebogene knie mögt men de nieuwe souvereinen naderen, en voor hunne hofhou-
ding vorderden zy zulke schatten, dat zij den toestand van het uitgeputte en met een
geduchten kryg bezwaarde land niet schenen te begrijpen. Spaansche raadslieden, als
de admirant van
Arragon, verkregen in den raad eene overwegende stem. Spaansche
troepen werden by voorkeur aangeworven en boven de inlandsche gebruikt en be-
gunstigd, alsof de regering vreesde zich op de trouw harer onderdanen te verlaten.
Vooral griefde het velen, dat
filips III in zgne brieven herhaaldelijk eenen toon aan-
sloeg, alsof de band tusschen
Spanje en de Nederlanden nog in het geheel niet ver-
broken was, en zelfs de algemeene staten door zgnen gezant als
zijne staten liet aan-
spreken. Alleen van eene nationale en onafhankelijke, hoezeer door
Spanje krachtda-

1 bor, IV bl. 605. van beyd, bl. 414—418. grotius, p. 385. Lettres de buzakval, {Cod.
Dipl.)
ρ. 303: »Ce coup a fait paroitre plus de fermeté aus aiFaires de ces Messieurs que tout'
autre cliose que je leur aye veu entreprendre depuis que suis par decaj et croy que les Archi-
ducs seroient empeschcz de pratiquer choses semblables ès villes de leur sujétion,"

2 bor, IV bl. 577. van reyd, bl. 395.

ocr page 6

DES VADERLANDS. Â· 127

dig ondersteunde regering, kon men verbetering van 'slands toestand verwachten; wat 1599.
baatte het, of de zuster des konings in zijne plaats den schepter zwaaide, zoolang
dezelfde beginselen bleven heerschen, waaronder het land te gronde was gegaan ^ ?

Ook in de hulp, die men verwachtte dat filips III niet aan isabella. onthouden

zou, scheen men zich bedrogen te hebben. Door de herhaalde zeetogten der Engelschen

en Hollanders in zgne inkomsten beperkt en levens gedwongen steeds grootere sommen tot

beveiliging van zijn eigen grondgebied en van zijne koloniën te besteden, kon de koning

van Spanje niet meer dezelfde schatten als zgn vader naar de Nederlanden zenden 2,

Met moeite had de admirant van ArmgoUj die nog een geruimen tgd in de nabijheid

van den Bommelerwaard was blijven h'ggen, de muitzucht zijner troepen bedwongen.

Toen hy echter in het laatst van December de hoop opgaf, dat welligl een vroegtijdige Nieuwe muite-
rijen in de zuide-

vorst hem gelegenheid zoia geven een nieuwen inval te doen, en dien ten gevolge het leger lijke Nederlan-
uiteen deed gaan, kon hi] aan zyne soldaten slechts zulk een gering gedeelte der ach-
terstallige soldij voldoen, dat .hunne ontevredenheid andermaal lot geweld en plundering
oversloeg. Wijd en zijd verspreidde zich het gerucht, dat de aartshertog hen alleen
van den dag zijner inhuldiging af zou betalen, en hen voor het overige tot den koning
van
Spanje verwezen zou, by wien zij zich voorzeker daarvoor te vergeefs zouden aanmelden.
Ten einde de gevaarlgke gevolgen Ie voorkomen, die deze stemming van het krggsvolk
hebben kon, werd
mendoza. te rade zijne troepen bij kleine afdeelingen in onder-
scheidene van elkander verwijderde plaatsen in garnizoen te leggen; doch hy benam
zich daardoor tevens de gelegenheid om gebruik te maken van den buitengewoon
strengen winter, waarmede hel jaar 1600 aanving. Prins
ma.urits had inmiddels niets
verzuimd, om den vyand het binnendringen in de Republiek over het ys Ie beletten
Ook was op zijn aandrang een nieuw kanaal door den Bremerwaard gegraven, om de
schepen in slaat te stellen van de
Waal in de Maas te komen, zonder door het ge-
schut van fort
St. Andries gedeerd Ie worden Κ

Verre van de Staatschen in het naauw te brengen, begunstigde de vorst integendeel Wachtendonk
eenen aanslag, waaraan zy anders voorzeker niet gedacht zouden hebben. Op den 22"'®° gehen verrast.

1 gachard, Etats généraux de 1600, p. CXXIIL bor, IV bl. 293 , 577. van rkyd, bl. 395.
van METEREN, f. 442 c. CROTios, p. 241. Lcltres de bdzanval {Cod. Dipl.) ρ. 301, 315.

2 groen van prinstereb, AvcMves 1 p. 449. Leilves de büzanval {Cod. Dipl.) ρ. 341. Volgens
gacüard, t. a. p. p. C had filips 111 beloofd voort te gaan maandelijke 250,000 kroonen over te
zenden. Zie echter
van reyd, bl. 409, 423 b.

hor, IV bl. 563, 580. Lettres de büzanval {Cod. Dipl.) ρ. 184, 197. Res. ν. Holland
1599 hl. 583; 1600 bl. 52.

4 Resol. V. Holland, 1599 bl. 363. bor, IV bl. 562.

ocr page 7

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1600, Januarij toog lodewijk: gukther van Nassau met eenig krijgsvolk naar het afgelegene
Wachtendonk t welks zorgelooze bezetting grootendeels op buil uitgetogen was en zelfs
verzuimd had eene bijt in de vastgevorene gracht te hakken. Zonder moeite werd de
stad bemagtigd, waarop de gouverneur ook het kasteel overgaf, hetwelk door Slaatscli
garnizoen bezet en van levensmiddelen en krijgsbehoeften ruim voorzien werd i. Min-
der gunstigen uitslag had een gevecht, dat weinige dagen later op de Vuchtsche heide
tusschen eenige ruiters van beide partijen voorviel. Een jong edelman uit
Normandië^
Gevecht tus- charles de bréauté , onlangs als ritmeester in der Staten dienst gekomen, werd door
en LECKERBEET- GERARD ABRAHAMsz., bijgenaamd LEGKERBEETGEN, luitenant van den heer van Grohbendonk ^
wiens kornet binnen ^s Hertogenhosch Idig^ uilgedaagd om met twintig Fransche ruiters
tegen een gelijk getal Spaansche eenen strijd op leven en dood aan te gaan. Hoewel
bréauté, zoowel wegens zyne adellijke geboorte als omdat legkerbeetgew tot de ver-
raders van
Geeririiidenberg behoorde, zonder krenking zijner eer de uitdaging had
kunnen afslaan , en dit hem zelfs dringend werd aangeraden, daar men de goede trouw
der tegenpartij betwijfelde, liet hij zich door het vuur der jeugd verleiden om den strijd
aan te nemen. Op den Februarij kwamen de wederzgdsche ruiters op de kamp-
plaats.
liegkerbeetgen werd terstond door bréauté neergeschoten, doch toen ongeveer
de helft der strijders aan beide zijden gevallen was, sloegen de meeste Franschen op de
vlugl. Na zich nog eenigen tijd met uitstekenden heldenmoed verdedigd te hebben,
gaf BRÉAUTÉ zich gevangen, onder voorwaarde dat hg het leven behouden zou. Op
den weg naar
Hertogenbosch werd hij echter koelbloedig vermoord 2.
Maukits ver- Inmiddels had prins maurits reeds toebereidselen gemaakt, om de forten Crèvecoeur

o\eït Crèvecoeur, Î» 1 · ' Â· Â· ι·.ι

en bt. Andnes, wier garnizoenen insgelijks aan het muiten geslagen waren, vroeg m
het voorjaar aan te tasten. Ten einde den vijand te misleiden en tevens aan zijne troe-
pen eene betere huisvesting te bezorgen, dan de hutten opleverden, die gewoonlijk in
het veld ten hunnen behoeve werden opgerigt, verzamelde hij hen bij
Dordrecht op
i eeno menigte schepen, alsof het zyn voornemen geweest ware naar
Sluis of Hulst in

Vlaanderen te varen. Op den 20"®" Maart voerde hij echter zijn leger onverhoeds voor

to

Crèvecoeurj hetwelk vier dagen later door de bezetting werd overgegeven, die, door
gunstige voorwaarden uitgelokt, geheel in Staatsche dienst overging. Men had gehoopt
door deze toegeeflijkheid ook het muitende garnizoen van
St. Andries te winnen,
hetwelk terstond daarop door
maurits belegerd en met grof geschut beschoten werd.
Doch de Spaansche krygslieden, door de toezending van geld uit
Hertogenbosch eem-

J bon, IV bl. 679. van reyd, bl. 411, van »ieteren, f. 444. campana, III ρ. 175.

2 bor, IV bl. 601. campana, ρ. 176. Lettres de buzanval, ρ»·91, 236j Cod. Dipl. ρ. 175.
van wijn op avagenaar, IX bl. 37. Nalesing&if I bl. 313.

ocr page 8

1

DES VADERLANDS. 155

germate bevredigd en met de hoop op ontzet gevleid, boden een wakkeren tegenstand 1600.
en schenen volstrekt niet geneigd naar de voordeelige aanbiedingen der Staten te luis-
teren. Daar de gezwollene rivieren en de doorweekte grond niet toelieten het fort met
loopgraven te naderen, besloot
maukits zich vooreerst tot de afsnijding van allen toevoer
te bepalen. Op Brabandsch grondgebied liet hij echter eenige schansen aanleggen, om
elke poging lot ontzet te kunnen verijdelen. Inderdaad vond
velasgo, die weldra aan
het hoofd van 8000 man naar den
Bommelerwaard oprukte, alle toegangen zoo goed
verdedigd, dat hij onverrigter zake aftrekken en het fort
Si. Andries aan zijn lot over-
laten moest. Naauwelijks had de langzamerhand opgedroogde grond in het laatst van
April meer vastheid gekregen, of
maurits begon met buitengewonen gver en spoed de
aanvalsvverken tegen het fort aan te leggen. Bevroedende dat het zaak was, nog bij en
S(. Jndrics.
tyds goede voorwaarden te bedingen, traden de belegerden nu met den prins in onder-
handeling , en sloten op den Mei een verdrag, waarby zij beloofden voor eene som
van
f 126.000 St. Andries aan de Staten over te geven. Door de veelvermogende lus-
schenkomst van
oldenbarnevelt die zich destijds in het leger bevond, werd deze
som hun reeds den 11''®" Mei uitbetaald, waarop zij het fort Terlieten en insgelijks in
dienst van
maurits overgingen, wiens leger op deze wijze met 1200 uitmuntende sol-
daten vermeerderd werd. Voorzeker hadden de Staatschen, die ten vorige jare aan de
Spanjaarden spottenderwijze hadden toegeroepen, dat zij wel goed waren zulk een voor-
trelTelyk fort voor hen te bouwen, weinig vermoed, hoe spoedig deze voorspelling door
maurits' krijgsbeleid bewaarheid zou worden In plaats van een doorn in het oog van
Holland en eene brug voor de Spanjaarden Ie zijn, waarover zij gemakkelijk in die
provincie konden doordringen, werd
Sk Andries thans een der krachtigste bolwerken
van de zuidelyke grenzen der Republiek. Zoo hadden, volgens de uitdrukking van den
geschiedschrijver
van reyd, de Spanjaarden zei ven de laatste poort voor den Holland-
schen tuin gebouwd

Op den 19''®° Mei keerde maurits naar 's Hage terug, na graaf eekst gasimiiv met De gezanten vaa
eenige troepen in den
Bommelerwaard te hebben achtergelaten, om velasco in het keizer worden
oog te houden. Weinige dagen later werden de gezanten van den keizer van
landj die niettegenstaande de beleefde weigering van vrygeleide het toch gewaagd^®"'

1 Den November 1600 schreef büzakval aan den Franschen minister {Cod. Dipl. ρ. 303):
»Le même credit et maniemeut est c8 mains de Bemefelt, qui a tousjoure cete et augmente
plutost qu'il ne diminue."

2 bor, IV bl. 579, 603, 609—616. van reyd, bl. 413. van meieren, f. 447 d. gbotius,
p. 384. carnebo, p. 469. caupana, III p. 178. BEKTivoGLio, bl. 663. Lellres de büzahval {Cod,
Dipl.)
p. 216, 222 ss. van der kemp, t. a. p, III bl. 60, 240-246.

ocr page 9

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1600. hadden binnen de Vereenigde Gewesten te komen, door de Slalen-Generaal len gehoore
toegelaten. Nu de forten
Crèvecoeur en St. Andries veroverd en de vijanden voeder
over de grenzen teruggedrongen waren, scheen het minder gevaarliyk de vermaningen
tot voorwaardelijke onderwerping aan te hooren, die men ook thans weder van hen
verwachtte. Inderdaad kwamen de Duitsche gezanten, na de ontruiming van de door
de Staatschen bezette plaatsen, met name van
Emmerik en Schenkenschans^ geëischt
te hebben, op hun gewone onderwerp terug, en verklaarden dat zij volgaarne het
verlangen der Staten eerbiedigden, om niet over vredehandel met
Spanje te worden
lastig gevallen, maar toch niet konden nalaten op te merken, dat de laatsten zich bij
gansch
Europa van onverantwoordelyke hardnekkigheid en laakbare heerschzucht
verdacht maakten, door elke poging tot verzoening van de hand te wijzen. Men gaf
hun hetzelfde antwoord, waarmede des keizers tusschenkomst reeds meermalen was af-
geslagen.
Emmerik werd echter aan de Duitschers teruggegeven, daar de Spanjaarden
ook
Rees verlaten hadden. Ten opzigte van Schenkenschans bleef men volhouden,
dat deze sterkte op Geldersch grondgebied gelegen was en dus met volle regt tot de
Vereenigde Gewesten behoorde

Plan van eenen De Staten waren op dat tgdstip verder dan ooit van de gedachte aan onderhandelingen
veldtogt in , .. , Â·Â· i i τχ i

Vlaanderen. met den vijand verwijderd. Door den voorspoed der laatste jaren en het vertrouwen op
de krygskundige talenten van prins
maurits aangevuurd, en tevens door het verlangen
gedreven om de toenemende en bijkans ondragelijke oorlogslasten te verminderen, had-
den
zij tot eenen veldtogt besloten, waarmede zy niet minder bedoelden dan de gansche
zeekust der zuidelijke
Nederlanden aan hun gebied te hechten. Het plan was, dat de
prins met een talrijk leger nabij
Nieuwpoort landen, zich van deze plaats meester maken
en daarop terstond
Duinkerken aantasten zou. Onberekenbaar waren de voordeden, die
men zich met grond van eenen goeden uitslag dezer stoute onderneming voorspiegelde;
en de omstandigheden, waaronder zij werd aangevangen, schenen inderdaad de hoop
te wettigen, dat men langs dezen weg in korten tijd aan den kryg eene geheel
andere gedaante geven en de aartshertogen in eenen toestand brengen zou, waarin
zij gedwongen zouden zijn tot eiken prijs met de zegevierende Repubhek vrede te
sluiten.

Vooideelen, Reeds sedert den aanvang van den langdurigen krijg hadden de Duinkerksche kapers
zich daarvan aan den handel der Hollanders en Zeeuwen zware verliezen toegebragt. Wel kruisten
voorspiegeldeu. ^^ Staatsche oorlogschepen voortdurend langs de Vlaamsche kust, en hielden ook op
de haven van
Duinkerken een wakend oog; maar tegenwinden en stormen verijdelden
vaak hunne pogingen, om hel uitvaren van elk verdacht vaartuig te beletten, en de

BOB, IV bl. 639—648. Lettres de buzanval [Cod. Dipl.) ρ. 224.

ocr page 10

DES VADERLANDS. Â· 127

galeijen van spinola, die in Sluis eene Teilige wijkplaats hadden gevonden, vermeer- 1600.
derden het gevaar en de schade, waaraan de kooplieden, die op Frankrijk en Engeland
handel dreven, voortdurend waren blootgesteld. Met grond was men beducht dat de
koning van
Spanje^ zoo al geen nieuwe Onoverwinnelijke vloot, althans meer schepen
naar de Vlaamsche havens zou zenden, om de scheepvaart zijner oproerige onderdanen
te belemmeren en hen door gedurige en onverwachte aanvallen af te matten. Was
eenmaal de Vlaamsche kust in der Stalen magt, (Jan scheen dit gevaar voor goed te
zijn afgewend, dan zou de volkomene veiligheid aan den handel nieuw leven geven
en de opbrengst der in- en uitgaande regten doen verdubbelen, terwijl de belangrgke
uitgaven, aan het onderhoud der Staatsche wachtschepen verbonden, daardoor levens
zouden vervallen. Bovendien kon men dan gerust afwachten, of
elizabeth op hare
Wankelmoedigheid en geldgierigheid de kroon zou zeilen, door
VUssingen en Drielle
als prijs van den vrede aan Spanje af te slaan. Wat zou het bezit dier plaatsen den
Spanjaarden balen, wanneer beiden zoowel in het noorden als in het zuiden lusschcn
vijandelijke havens waren ingesloten, en geen schip haar verlaten of binnenvaren kon,
zonder door de Staatsche oorlogschepen opgemerkt en achtervolgd Ie worden? Was het
te vermoeden, dat de aartshertogen zich éénc maand in die nieuwe bezitlingen Äouden
kunnen handhaven?

Het bezit van Nieuwpoort en Duinkerken, na wier verovering men meende dat Sluis
slechts een onbeteekenenden tegenstand zou kunnen bieden, zou bovendien den Stalen
het voordeel opleveren, dat
België van allen toevoer ter zee afgesneden, en daardoor
in het verkrijgen van zijne noodwendigheden, vooral van troepen en krijgsbehoeften,
groolelijks belemmerd werd.
Vlaanderen, het rijkste der Zuid-Nederlandsche gewesten
zou daardoor grootendeels in de magt der Staten komen, en door zijne hulpbronnen
hunne lasten aanmerkelijk verminderen. Tol nog loc hadden de brandschattingen der
Vlaamsche landlieden reeds eene belangrijke bijdrage voor de generaliteitskas uitgemaakt;
doch in het vorige jaar waren op aandrang der staten van
Vlaanderen verscheidene schansen
rondom
Oslende aangelegd, waardoor de bezelling verhinderd werd hare uitvallen en
strooptogten voort te zetten Niet zonder grond vermoedde men dat een ernstig beleg
het behoud dier plaats eerlang zeer twijfelachtig zou maken, en het scheen dus van
het uiterste gewigt haar niet slechts legen dat gevaar Ie behoeden, maar zich tevens
van eeu grooter en gewisser aandeel in
Vlaanderen^s opbrengsten te verzekeren. Zoo
zouden de Staten, door vermindering van uitgaven en vermeerdering van inkomsten,

1 Lettres de buzanval {Cod. Dipl.) ρ. 269: »cette Province est aus Archiducs ce que la Hol-
lande est a l'Etat de deca."

2 vA!f der kemp, t. a. p. 11 bl. 57 , 226.

III Deel. 2 Stük. 18

ocr page 11

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

ICOO. lot verdubbeling hunner strijdkrachten in staat worden gesteld, terwijl de aartshertogen
te gelijker lijd een hunner belangrijkste hulpbronnen tot voortzetting van den krijg zou-
den verliezen. Voorzeker was het een aanlokkelijk plan, dat de bereiking van dit
gewigtige doel beoogde, en kan het niet bevreemden dat het door de Staten met geest-
drift omhelsd en met vurigen ijver bevorderd werd.

Omsiaudighe- Immers schenen alle omstandigheden zamen te loopen, om een gunstigen uitslag
(leu, welke die on-
derneming sehe-
te voorspellen. De muiterijen der Spaansche troepen duurden voort en waren tot zulk

gen. ÃŸcne hoogte geklommen, dat Albertus , naar het scheen, onmogelijk binnen korten

tijd cene aanzienlijke legermagt bijeen zou kunnen brengen. De ontevredenheid van
de teleurgestelde bevolking der zuidelijke
Nederlanden voedde de hoop, dat de voor-
spoed der Slaatsche wapenen haar welligt tot eenen opstand zou bewegen, die de aarts-
hertogen in nieuwe moeijelijkheden brengen en waarschijnlijk eenige hunner provinciën
van de overige afscheuren zou i. Bovendien was H
endrik: IV met den hertog van
Savoye in eenen twist gewikkeld, die ligtelijk het oorlogsvuur tusschen Frankrijk en
Spanje op nieuw kon doen ontbranden. Het markgraafschap van Saluzzo^ door den
eersten als zijn wettig eigendom beschouwd, werd door den laatsten wederregtelijk te-
ruggehouden Ongetwijfeld zou de hertog het niet gewaagd hebben zijnen magiigen
nabuur op deze wijze te tergen, indien hij niet op de ondersteuning van
Spanje
gerekend had; en daar iiendrtk IV bereid was tot handhaving van zijn regt het
zwaard te trekken, waren de Staten niet zonder hoop, eerlang in hem op nieuw eenen
bondgenoot te begroeten. W^erd deze verwachting verwezenlijkt, dan scheen het lot
der zuidelijke
Nederlanden, beslist te zijn. Van drie zijden te gelijk besprongen, zou-
den de aartshertogen onmogelijk aan hunne vijanden het hoofd hebben kunnen bieden;
en eene verdeeling van
België tusschen Frankrijk en de Republiek, waarbij de laatste
zich met het bezit der kust zou hebben tevreden gesteld, zóu aan den oorlog een voor
de Staten hoogst wenschelijk einde gemaakt en
Spanje voor altijd van zijne INederland-
sche provinciën beroofd hebben. Reeds had
oldenbarnevelt herhaaldelijk aan den
Franschen gezant den krachtigen bijstand der Stalen toegezegd, indien
Hendrik IV zich
van
België wilde meester inaken; en prins maurits was reeds met het plan van den
veldlogt gereed, dien hij in dat geval tot ondersleuning van den Franschen vorst onder-
nemen wilde

Gevoelen van Dc prins was echlcr geenszins ingenomen met het voornemen der Stalen, om terstond

MAUKITS over

dien veldtogt. ___

1 Leltres de buzanval {Cod. Dipl.) ρ. 247, 254.

2 VAN REYD, LI. 434. Mémoircs de sully, III passim, schlosseii's WeltgcschicJUe, XIV s. 23.

3 Letircs de duzanval {Cod. Dipl.) ρ. 198, 246, 293, 295, 304, 315. Resol. ν. Holland, 1600
bl. 185.
van reïd, bl. 424. van meieren, f. 450 h.

ocr page 12

DES VADERLANDS. 151

Nieuwpoort en Duinkerken aan Ie lasten. Hoe gaarne hij den oorlog ook op vijandelgk 1600,
grondgebied overbragt, en aan eenen veldlogt in
Vlaanderen zijne volkomene goedkeu-
ring schonk: zich met eene talrijke krijgsmagt tusschen de zee en 's vijands vestingen te
legeren, kwam hem voor het minst als eene zeer gewaagde onderneming voor. In de
landing zelve zag hy geen bezwaar; maar wie kon de zekerheid geven dat
Albertus
niet spoedig een leger bijeenbrengen en de Staalschen lot eenen veldslag dwingen zou,
waarvan de uitslag uiterst twyfelachtig en het verlies voor de Republiek hoogst noodlottig
zou zijn. Voorzeker zou de stoute inval in
Vlaanderen de aartshertogen nopen al hunne
krachten in te spannen, om het dreigende gevaar Ie keeren: en de muitende soldaten,
door geschenken en beloften aangevuurd, zouden met vreugde eene gelegenheid aangrij-
pen om te gelijk hunne beurs Ie vullen en hunne eer Ie herwinnen. Zoolang de Staat-
sche troepen alleen over zee van levensmiddelen en krijgsbehoeften voorzien konden wor-
den, waren zij geheel van wind en weder afhankelijk en kon de aartshertog, ook zon-
der eenen slag te wagen, met eene geringe krijsmagt hunne bewegingen grootelijks
belemmeren. Wel was
Duinkerken in slechten slaat van tegenweer en met een zwak
garnizoen bezet; maar een oponthoud van weinige dagen kon den Spanjaarden gelegen-
heid geven de slad behoorlijk te versterken, zoodal men Ie vergeefs voor hare bolwer-
ken zijne krachten verspillen zou. De prins achtte hel dus veel raadzamer met hel beleg
van
Sluis te beginnen en van daar zijne veroveringen in Vlaanderen voort te zetten. De
aanzienlijke onkosten, aan het vervoer der benoodigdheden voor het leger over zee ver-
bonden, zouden daardoor bijna geheel wegvallen, terwijl de Slaatschen tevens het groolc
voordeel zouden hebben van onophoudelijk versterking Ie kunnen ontvangen en zich bij
tegenspoed lerstond op hun eigen grondgebied terug te kunnen trekken. Dit gevoelen
van
maurits werd niet slechts door graaf 'willesi lodewijk gedeeld, die reeds vroeger
eenen veldlogt in
Vlaanderen volgens het beraamde plan ten sterkste had afgeraden,
maar ook door
tratsgis yere, wiens raad insgelijks door de Staten werd ingewonnen, en
die niet aarzelde te voorspellen dat
Albertus binnen veertien dagen na de landing met
een even talrijk leger tegen de Slaatschen zou overslaan

De Staten van Holland en Zeeland waren echter niet te bewegen om eenige ver- j^g suten ge-
andering in hun plan te brengen. Eerst
Sluis aan Ie tasten en daarna slap voor stap leden-

in Vlaanderen voort te gaan, kwam hun te langzaam en te kostbaar voor. Men had kingen.
ondervonden met hoeveel kosten de voorziglige maar doeltreflende lakliek van
maurits,
wegens het onafgebrokene graven en verschansen, gepaard ging, en duchlle in dit opzigt
de gevolgen van een langdurigen veldlogt, die bovendien slechts geringe voordeden

1 Letlres de buzarval {Cod. Dipl.) ρ. 234, 239, 240. van keyd, bl. 424. bob, IV, Aulhentyke
Stukken,
bl. 3. van der kemp, t. a. p. 11 bl. 62, 247.

18*

ocr page 13

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1600. scheen aan te bieden. Immers zou Duinkerken^ en zelfs Nieuwpoort, gedurende
het beleg van
Sluis zoozeer versterkt kunnen worden, dat beiden in staat waren lang-
durigen en hardnekkigen tegenweer te bieden. Het gansche voordeel van de beraamde
onderneming lag juist in de verwarring, waarin de plotselinge verschijning van een
magtig Staatsch leger midden in het vijandelijke land eene met geldgebrek en muit-
zucht worstelende regering moest brengen. Alleen door van de eerste ontsteltenis gebruik
te maken, zou
maurits het beoogde doel kunnen bereiken. De Staten verklaarden
dien ten gevolge alleen voor deze onderneming de zware onkosten te willen dragen,
die het onderhoud van een leger op vyandelijk grondgebied vereisohte. Hoezeer
geenszins overtuigd, gaf de prins eindelijk aan hunnen heftigen aandrang toe, en nam
het opperbevel op zich. Hy verzocht echter dat het collegie der Staten-Generaal hem
vergezellen en bij de ontscheping der troepen tegenwoordig zijn zou, opdat hij, in ge-
val van tegenspoed, terstond met hen over de noodige maatregelen zou kunnen beraad-
slagen. Dit verlangen werd ingewilligd, en tevens besloot men dat de graaf van//oAew/o,
met wien
maurits nog steeds in onmin leefde ^, gedurende den togt met drieduizend
man in den Hemertschen waard de zuidelijke grenzen der Republiek bewaken zou,
terwijl graaf
Willem lodewijk in het noorden zou blijven, alwaar de toestand der
provincie
Groningen, de geschillen tusschen de stad Embden en haren Spaanschgezin-
den opperheer, benevens de twisten in
Friesland, alwaar beide partijen eindelijk de
■ Slaten-Generaal als scheidsregters hadden ingeroepen, zijne tegenwoordigheid dringend
vereischten 2.

Het leger wordt Naauwelyks was het besluit tot den togt naar Vlaanderen genomen, of prins ma.u-
vcrzameld/^'^^" rits,
door nieuwe muiterijen der Spanjaarden overtuigd dat hij althans op Vlaamschen
bodem vasten voet zou kunnen zetten, voordat de vijand hem kon aantasten wijdde
zich met zgnen gewonen yver aan de volvoering der hem toevertrouwde taak, terwyl
de Staten van
Holland en Zeeland met inspanning van alle krachten de bereiking van
' hun oogmerk bevorderden Spoedig werden twaalfduizend voetknechten en driedui-

zend ruiters met dertig kartouwen en zeven veldstukken bijeengebragt. Op ongeveer twee-
duizend schepen, visscherspinken en platboomde vaartuigen werd dit leger op den 17''®"
Junij naar het eiland
Walcheren overgevoerd, alwaar de leden der Staten-Generaal, door
tegenwind opgehouden, drie dagen later insgelijks aankwamen. Onder hen bevond zich

1 Renol. υ. Holland, 1600, bi. 114.

2 van reyd, bl. 425, 443. van deh kemp, t. a. p. II bl. 63, 248—256. van wijn op wage-
naab,
IX bl. 37. caOTiüs, p. 386. Hiervoor bl. 101.

3 Lettres de büzanval [Cod, Dipl.) ρ. 242.

4 Zie 0. a. Rcsol v. Holland, 1600, bl. 206, 219, 222 enz.

ocr page 14

DES VADERLANDS. Â· 127

johaw van oldenbärnevelt benevens de griffier gornelis van aerssen Prins maurits 1600.
liad reeds vroeger de plaats der zamenkomsl bereikt. Hij was omstuwd door eene schaar
aanzienlijke vrijwilligers uit
Frankrijk, Duitschland en Engeland^ herwaarts gekomen
om onder den bekwamen veldheer ondervinding en roem te verwerven. De vijftienjarige
frederik hendrik, die voor weinige maanden zitting in den Raad van State gekregen
had vergezelde zijnen broeder als bevelhebber van het regiment Nieuwe Geuzen,
gelijk de in Staatsche dienst overgegane bezetting van
St. Andries genoemd werd.
jusTiNus van Nassau, Luitenant-admiraal van Zeeland, maakte den logt als vrywilliger
mede.
Lodewijk Gunther van Nassau was generaal der cavalerie. Z.ijn broeder ernst
casimr
had, even als de ridder vere , het opperbevel over eene der drie legerafdeelin-
gen. De derde werd door
george eberhard, graaf van Solms, aangevoerd 3,

Terstond werd nu beraadslaagd, hoe men langs den kortsten en besten weg in Tegenwind be-
let naar
Osietide

Vlaanderen zou komen. Tegenwind maakte hel onmogelyk het aanvankelijke plan ten te varen,
uitvoer Ie leggen, om het leger over zee naar Ostende Ie voeren en aldaar Ie ont-
schepen. Een beteren wind af te wachten, was onraadzaam, omdat de vijand daardoor
tijd zou winnen om zich tot krachtigen tegenweer voor te bereiden. Men besloot
derhalve de troepen met vier stukken geschut te
Philippine aan land te zetten en
tusschen
Gend en Brugge door naar Nieuwpoort te trekken, terwijl de krygsbehoeften
en levensmiddelen gedurende dien tyd met de schepen naar
Ostende gevoerd zouden
worden

Op den 21''·=" Junij landde de voorhoede, onder bevel van ernst Casimir van Nassau, Het leger trekt

over land der-
bij het fort Philippine, hetwelk door de zwakke bezetting terstond by verdrag werd waarts.

overgegeven. Den volgenden dag werd het gansche leger in minder dan vijf uren op

^ De overige ledcu der Staten-Generaa , die aan dezen togt deel namen, waren jonkheer jacob
van egmoxd, jacob huigensz. van der düssen, burgcmcester van
Delft, Mr. nicasius de sille, pen-
sionaris van
Amsterdam, gerard coren, burgemeester van Alkmaar, jacob boeleksz., burgemeester
van
Amsterdam, Mr. jan van santen, pensionaris van Middelburg, Ferdinand alleman, lid van den
Raad van State,
nicolaas jansz. de huijbert, burgemeester van Zierikzee, jonkheer gerard van
renesse
, Mr. abel franckena en egbert alberda, burgemeester van Groningen.

2 bor, IV bl. 586.

3 Vgl. de naauwkeurige aanteekeningen van Mr. c. l. Schüller tot peürsüm in zijn geschrift:
Verzamelde herigten omtrent de krijgsbevelhebbers bij Nieuwpoort, Utrecht, 1836.

^ van meteren, f. 450 c, wijdt aan dezen aanvankelijken tegenspoed de mislukking van het
hoofddoel van den togt, daar
Nieuwpoort volgens hem reeds geheel door het Staatsche leger om-
schansd had kunnen zijn, voordat
Albertus eenig krijgsvolk bijeen had kunnen brengen, indien
de wind gunstig geweest ware.

ocr page 15

142

ALGEMEENE GESCHIEDENIS

igoo. Vlaarasclicn bodem overgebragt. Op bevel van ma.urits slaken de schepen terstond
weder van wal, opdat zij niet, na den aftogt der Staalsche troepen, door den vijand
beschadigd of in brand gestoken zouden worden. Elk soldaat ontving nu voor zes da-
gen levensmiddelen, welke hy bij zich moest dragen.
Maurits zelf reed door de gele-
deren heen, sprak zijne manschappen toe en vroeg of er ook onder hen waren, die
zich over de betaling der soldij te beklagen hadden, daar de Stalen gereed waren hun
in dat geval voldoening te geven. Allen verklaarden echter volkomen tevreden te zijn
en^ voor de Slaten te willen leven en sterven. Daarop trok het leger in vijf dagreizen
over
Assenede, Eekelo, Male, langs Brugge en verder over Jabbeke en Oudenburg υχάλχ
Ostende. Hoewel de Slaten door vooruilgezondene ruiters overal een gedrukt plakkaat
verspreid hadden, waarby zy verklaarden niet als vyanden maar als vrienden Ie komen,
om het land van de Spaansche dwingelandij te verlossen, en de inwoners uilnoodigden
om zich onbevreesd onder hunne hoede te begeven, in welk geval hun veihgheid van
personen en goederen gewaarborgd werd, zoo had deze verzekering toch geen vertrouwen
gewekt. De boeren waren uit de dorpen in de bosschen gevlugt, en sloegen uit hunne
schuilhoeken alle manschappen dood, die van het leger afdwaalden. Zelfs hadden zij
overal de pullen onzuiver gemaakt zoodat het leger op den logt naar
Ostende groot
gebrek aan water leed. Hunne vijandelijke handelwijze had het natuurlijke gevolg, dat
verscheidene dorpen geplunderd en afgebrand werden, hoezeer
maurits diergelijke uil-
spallingen zooveel mogelijk tegenging.

Van Osiende rondom Ostcndc gelegene forten, met uitzondering der schans Albertus, werden,
jmiwA'ïe«^ nadering van het Slaalsche leger, zonder slag of sloot door hunne bezellingen

verlaten. Maurits besloot nu aan zijne soldaten een paar dagen rust te gunnen, waar-
toe hy door de tijdige aankomst der Slaalsche vloot met de benoodigdheden voor het
leger, die onder het beleid van
joiiaw van duvenvoorde, heer van Warmond, reeds
den 26'"··° Juny behouden de haven van
Osiende was binnengezeild, in slaat werd ge-
steld. Eenige schepen met levensmiddelen, aan bijzondere personen toebehoorende,
die uit winstbejag het gevaar gelart en zonder voldoende bedekking twee dagen vroeger
Avaren afgevaren, werden daarentegen door de Spaansche galeijen uit
Sluis overvallen
en vielen meerendeels in 's vijands handen. Na ook de schans
Albertus bemagligd Ie
hebben, trok de prin» den 30""" Junij met zijne hoofdmagt naar
Nieuivpoorl, terwijl
de Staten-Generaal hun verblijf te
Ostende vestigden. Ten gevolge van den moerassigen
grond eerst den volgenden dag bij
Nieuivpoorl aangekomen, liet maurits terstond ver-
scheidene schansen bezetten, die verlaten waren of spoedig werden opgegeven, sloeg
zijn leger aan beide zijden van de haven neder en maakte terstond de toebereidselen
lot een beleg, waartoe honderd Slaalsche schepen, die voor den mond der haven ble-
ven liggen, de benoodigdheden hadden aangebragl.

Nog had men in het Slaalsche leger niets omtrent den aanlegt van vijandelijke

1 -

ocr page 16

DES VADERLANDS. Â· 127

krijgsbenden vernomen, en hel scheen inderdaad alsof de raeening der Slaten, dat 1600.
de aartshertogen eenige >Teken zouden noodig hebben om eene voldoende raagt bij-
een Ie brengen, door de uitkomst bevestigd zou worden. Zij hadden zich echter in
dit opzigt deerlijk bedrogen. Indien de uitgezondene verspieders , die allen ontdekt en
gevat waren, berigt omtrent hunne bevinding hadden kunnen geven, zouden zij tot aller
verbazing en ontsteltenis hebben medegedeeld dat
aleertus reeds aan het hoofd van b^- |

kans twaalfduizend man op weg naar Nieuwpoort wm. Naauwelijks hadden de aartshertogen snelle en doel- \
het berigt gekregen, dat het Staatscbe leger op Vlaamsch grondgebied was ontscheept, '

of zij hadden het gevvigt van het oogenblik ingezien en begrepen dat alleen een snelle
en krachtige tegenweer de bedreigde havens redden kon. Alle beschikbare troepen 1

waren ijlings bijeen gebragt. Isabella, zelve begaf zich naar JDiest, waarvan de mui- !

tende troepen zich hadden meester gemaakt, en wist hen met mannelijke welsprekend- |

heid door een beroep op hun eergevoel lot hunnen pligt terug te brengen. Reeds j

den 29'*™ Junij werd een leger van tienduizend voetknechten en vijftienhonderd ruiters I

door ALBERTUS in de nabijheid van Gend gemonsterd. De infante hield eene aanspraak, i

welke de geestdrift der troepen zoozeer ontvlamde, dat zij zwoeren zegevierende tot 1

haar weder te keeren of voor haar te sneuvelen. Op denzelfden dag, waarop maurits Î¯

}

voor Nieuwpoorl kwam, trok aleertüs in de rigling van Osiende op, nam verscheidene :

•5

schansen weder in, waarin de prins slechts zwakke bezettingen had achtergelaten., en i

sneed het Staatsche leger den terugtogt af. Johan van uytekbogaert , predikant te I

's Gravenhagef die den prins op zijn verlangen als veldprediker vergezelde, en zich
nog te
Osiende bevond, werd daardoor verhinderd hel Staatsche leger te bereiken; en
de Staten-Generaal, die in het geheel niet op eene diergelijke gebeurtenis waren voor-
bereid, zagen de uilkomst van de ontmoeting der beide krijgsmagten met te meer be-
zorgdheid te gemoet, daar de onverwachte aankomst der Spanjaarden hun de vrees
moest inboezemen, dat zij de Slaalschen welligt overvallen zouden, voordal déze zich
behoorlijk in slagorde hadden kunnen stellen

Eerst in den nacht ontving de prins, te gelijk met het eerste berigt omtrent de vij- Onverwauhie
andelijke krijgsmagt, tevens de tijding dat deze de meeste schansen rondom ^ικαιίΙΐιΓ^^^

heroverd had en reeds op weg naar Nieuwpoort was. In den krijgsraad, die terstond
belegd werd, waren de gevoelens verdeeld. Sommigen meenden dat het slechts weinige
troepen konden zijn, die in aanlogl waren; doch dit gevoelen,·waarin ook suuRiTg
aanvankelijk schijnt gedeeld te hebben, werd spoedig door berigt op berigt gelogenstraft.

' Zie over den toestand en de handelingen der Staten-Gcncraal, wier ernstige bezorgdheid door
vele schrijvers ten onregte in een bespottelijk daglicht wordt gesteld:
van wijji op wagekaar, IX
bl. 40, 112—115.

ocr page 17

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1600. Twee wegen stonden thans den prins open: met zijne gansche magt den vijand te gemoet
Ie trekken, waarop
Francis yere met onstiiiraigheid aandrong, of wel hem te Nieuw-
poort
af te wachten. Het eerste achtte maurits onzeker en gewaagd ^ Hij besloot
derhalve zyn leger aan de oostzijde der haven tusschen het strand en de duinen in orde
te scharen en den aartshertog slag te leveren, indien deze tot
Nieuwpoort poogde door
te dringen. Daar het grootste gedeelte zijner troepen echter aan de westzijde gelegerd was
en wegens het hooge water niet spoedig kon worden overgezet, achtte hy het raadzaam
tijd te winnen.
Ernst Casimir van Nassau, op wiens moed en trouw hij zich verlaten
kon, kreeg derhalve last aan het hoofd van vyftienhonderd man voetvolk en vijfhon-
derd ruiters naar de brug bij
Leffmgen te trekken, welke den eenigen toegang door
de moerassige landen naar
Nieuwpoort opleverde, en den vijand aldaar zoo lang mogelijk
op te houden. Tevens werd een bode naar
Ostende gezonden, om de Staten-Generaal
van dezen maatregel kennis te geven, en te verzoeken dat eenige compagniën der be-
zetting de poging van graaf
ernst zouden ondersteunen.
ERNST CASIMIR Mct hct aanbreken van den dag bereikte deze het hem aangewezene punt, doch
CT^en^ttja op^^bemerkte terstond dat hij te laat kwam, daar het grootste gedeelte der vijandelijke troe-
pen de brug reeds was overgetrokken. Hoewel eene nederlaag, waarby slechts dood of
gevangenschap te Avachten was, onvermijdelijk scheen, en het nog mogelijk was zich
door een onverwijlden terugtogt te redden, besloot
ernst Casimir aan het Spaansche
leger stoutmoedig het hoofd te bieden. Hy wist van hoeveel gewigt ieder uur opont-
houd voor
maurits wezen kon, en stelde dus andermaal met koelbloedige zelfverloo-
chening zyn leven voor het welzijn der Republiek op het spel Eene engte bespeu-
rende van omstreeks honderd schreden breedte, waar de Spanjaarden door moesten trek-
ken , stelde hy zijne troepen daarvoor in slagorde, rigtte twee veldstukken tegen den
vijand en hield dezen geruimen tijd staande. Eindelijk door de overmagt teruggedron-
gen en in verwarring gebragt, sloeg de Staatsche ruiterij op de vlugt, waarop ook het
voetvolkj dat met uitstekende dapperheid gestreden had, aan het wyken geraakte. Ge-
lukkig slaagde graaf
ernst er in, zich met een gedeelte der zijnen binnen Ostende
te redden; doch meer dan achthonderd soldaten en zeer vele officieren waren ge-
durende den hardnekkigen strijd gesneuveld, en de gevangenen werden door de Span-
jaarden meedoogenloos afgemaakt. In den waan, dat hij de voorhoede van het Staatsche
leger verslagen had, schreef
Albertus aan zyne gemalin, dat hij haar weldra maurits
van Nassau hoopte te leveren, en de aanvankelijke zegepraal werd te Gend en te

^ vere zegt, in zijne beschrijYing van den slag, bij die gelegenheid van maüiiits: «leComte es
de nature tardif a resoudre cpoy que seur,''

2 Vgl, hiervoor, bl. 117 v.

ocr page 18

Illipipiliipiipapp^^ ÎŠ^ικίμι

DES VADERLANDS. 14i>

Brugge door kanongebulder en klokkengelui aan de inwoners verkondigd. Te Ostende 1600,
verkeerden de Slalen-Generaal daarentegen in de grootste bekommering. De weg naar
den prins was thans geheel afgesneden, zoodat raen hem zelfs geen brief kon doen toe-
komen. Er bleef derhalve niets over dan de noodige maatregelen Ie nemen, opdat prins
MAURiTs, in geval van nederlaag, binnen
Ostende en het nabijgelegene fort Albertus,
hetwelk nog in Staatsche handen was, eene veilige wijkplaats zou kunnen vinden.
Nadat de Stalen hierop de beste orde hadden gesteld, vereenigden zij zich in hunne
vergaderzaal, om onder leiding van den predikant
uytenbogaert een vurig gebed voor
het heil des vaderlands en het behoud van den prins uit Ie storten

Met groote tegenwoordigheid van geest verbood maürits op doodstraf aan de wei- Maubits schaart
nige vlugtelingen, die hem de tijding der nederlaag van graaf erhst kwamen brengen, orde!''^^'^^'^^ ^
iets van het gebeurde ruchtbaar Ie maken, en liet hen terstond naar de schepen bren-
gen, die op de reede lagen. De troepen werden opzettelijk in den waan gebragt, dal
de Staatschen zich door den vijand heen eenen weg naar
Ostende hadden gebaand, en
gereed waren dien op het geschikte oogenblik in den rug Ie vallen. Intusschen was
het doel der zending van den graaf bereikt. Zijne kloekmoedigheid en zelfverlooche-
ning hadden aan
maurits den tijd gegeven, zijne troepen naar de oostzijde der haven
van
Nieuwpoort over te brengen en in slagorde te scharen Lodewijk. Gunther van
Nassau, die de ruiterij aanvoerde, snelde de overigen vooruit, om den vijand, die
zich reeds in de nabijheid bevond, lot slaan te brengen. Hij werd terstond door den
Engelschen veldheer
frangis yere gevolgd, wiens voetvolk niet had gewacht, totdat
de in aller ijl geslagene schipbrug gereed was, maar tot den hals door het water
wadende de haven was overgetrokken Een uur later kwam prins
maurits met
de slaglinie onder graaf
eberhard van Solms en de achterhoede onder olivier
vati den tempel
, heer van Corbeek, op de plaats, die vere de geschiktste had geacht

1 van revd, bi. 427, is zeker niet van overdrijving vrij te pleiten, wanneer hij berJgt dat dc
Staten tot elkander zeiden, »nu voortaen nimmermeer prins
maurits te willen porren of dringen
om eeniglie gevaerJijcke Tochten te beginnen, die hy niet selfs t' eenemael goed vonde."

2 uytenbogaert sclireef den volgenden dag naar 'sGravenhage (bob, IV bl. 657), dat de vijand,
zonder liet door graaf
ernst veroorzaakte oponthoud, het Staatsche leger overvallen zou hebben,
voordat het nog bijeen gebragt en geordend was, waarop ongetwijfeld eene nederlaag gevolgd zou
zijn. Vgl. LA pisE,
Ilist. d'Orange, ρ. 683: »11 avoit laissé Ie Prince non encor en estat de
recevoir l'Ennemi, et il ne doubtoit point qu'estant surprins en desordre il ne se perdit, et que
toute 1'armeée ne fut defaitte."

3 Toen de soldaten bij deze gelegenheid zich van hunne kleederen wilden ontdoen, riep VEnc
hun toe, dat zij die moeite zouden sparen, daar zij die óf niet meer noodig zouden hebben, óf
wel droogcre en betere zouden krijgen om den volgenden nacht in te slapen.

III Deel. 2 Stuk. 19

ocr page 19

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

icoo. om eene voordeelige stelling in Ie nemen. De prins keurde de door dezen reeds geno-
mene maatregelen goed, liet zes stukken geschut legen de duinen op eene bedding
Tan planken plaatsen om den regtervleugel te dekken, en beval de ruiterij zich Ier lin-
kerzijde aan den zeekant te scharen. Het voetvolk werd tusschen de zee en de duinen
in drie liniën geplaatst en in kleine van elkander verwijderde afdeelingen gesplitst,
die gemakkelijk achtereenvolgens in hel vuur konden worden gebragt, terwijl de open-
gelatene ruimten aan de voorste gelegenheid gaven door de tweede linie naar de ach-
terhoede te wyken, zoodat de vijand, ook al mögt hij de voorhoede verbreken, terstond
weder op eene geslotene linie stuiten zou. Zoodra het gansche leger, omstreeks elf
ure des voormiddags, in orde was gesteld, deed
maurixs eene poging, om den vijand
in eenen valstrik te lokken.
Lodewuk Gunther van Nassau kreeg last met de
vijandelyke ruiterij, die langs het strand naderde, eene schermutseling aan te gaan,
en voet voor voet te wijken, ten einde haar onder het bereik van het geschut te
lokken, terwijl eene afdeeling voetvolk haar in dat geval uil eene hinderlaag in de
duinen onverhoeds in de flank zou vallen. De drift der konstabels, die te vroeg vuur
gaven, verijdelde echter deze krijgslist. De Spaansche ruiterij week bij tijds ter zijde af.

Aluertus Le- Intusschen had Albertus zijn leger stand doen houden. Zijn doel, om de Staat-
sluit de Staat- , .. . , â– Â· i i i nr·

sehen onverwijld ischen te verrassen, voordat zij zich aan de oostzijde der haven van J\teuwpoort in

aan te vallen, hadden kunnen stellen, was gemist, en hij begreep dus aan zijne door den snel-

len en langdurigen marsch vermoeide troepen eenige rust te moeien geven, eer hij
hen met den vijand in aanraking bragt. Middelerwijl riep hij den krijgsraad bijeen,
ten einde zijne meest ervarene bevelhebbers te raadplegen over de beste wijze, om de
Staatschen in het naauw Ie brengen. Onderscheidene oflScieren, met wier gevoelen de
admirant van
Arragon zich verecnigde, achtten het raadzaam geen veldslag te wagen,
maar de duinen tusschen
Nieuwpoort en Ostende te bezetten, en daardoor den terug-
weg over land voor
maurits af te snijden. Van alle zijden door vijanden omringd
en zoowel door gebrek aan levensmiddelen als vooral aan water gekweld, zou de prins
zich dan weldra genoodzaakt zien het leger in te schepen, bij welke gelegenheid de
Spanjaarden, door het garnizoen van
Nieuwpoort en snel opgeworpene kustbatterijen
ondersteund, hem de grootste verliezen zouden kunnen toebrengen. Deze raad, welks
opvolging hoogstwaarschijnlijk den ondergang van het Staatschc leger ten gevolge zou
hebben gehad werd echter heftig door
la barlotte bestreden, wiens stoutmoedige en
ondernemende geest het denkbeeld niet verdragen kon, dat men de schoone gelegenheid
zou verzuimen, om den vijand als met éénen slag te vernietigen. Hij stelde vooral
in het licht, dat de Staatschen er volstrekt niet op gerekend hadden, zoo spoedig te

1 vAJi REYD, bl. 432. van DER vïNCT, III bl. 457. Lettres de büzanval {Cod. Dipl.) ρ. 2o6. s.

ocr page 20

DES VADERLANDS. 147

worden aangetast, en in de eerste ontsteltenis veeleer aan de vlugt dan aan ernstige 1600·
tegenstand zouden denken. Een krachtige en onyerwijlde aanval zou lien zonder twijfel
aan het wyken brengen. Zijne vurige rede sleepte de meeste overige bevelhebbers mede
en deed ook
Albertus besluiten, eenen veldslag te wagen.

Gedurende dit oponthoud had prins maürits insgelijks met zijne hoofdofficieren be- Maurus be-
sluit dan vijaud

raadslaagd, of hij de Spanjaarden afwachten of te gemoet trekken zou. De meesten wa-af te wachten,
ren van oordeel, dat men terstond tegen den afgeraatten vijand moest oprukken. Francis
VERE meende daarentegen dat men de voordeelige stelling, die men thans had ingeno-
men, niet moest verlaten. Prins
maurits volgde des laatslen raad, en besteedde den
hem vergunden tijd om het terrein te verkennen en de noodige beschikkingen voor den
slag te maken. Overtuigd dat eene nederlaag de vernietiging van het Staatsche leger
en welligt den ondergang der Republiek ten gevolge zou hebben, besloot hij aan zijne
soldaten de mogelijkheid te benemen, om langs eenen anderen weg dan dien der over-
Avinning hun behoud te zoeken. Hij gaf bevel dat de schepen zee zouden kiezen en
dat de brug over de haven van
Nieuwpoort zou worden afgebroken. Door broederliefde
gedreven, zocht hij echter
frederik Hendrik te bewegen zich Ie scheep te begeven,
ten einde zijn kostbaar leven voor 'slands dienst te sparen; doch de jeugdige held be-
zwoer zijnen broeder met tranen in de oogen, hem die oneer niet aan te doen, maar
te vergunnen aan zijne zijde te leven en te sterven. Daarop reed
maurits de gelederen
door, en vermaande zijne krijgslieden met korte maar krachtige woorden, om zich kloe-
kelijk te gedragen en van God de victorie te verwachten. Alle ondergeschikte bevel-
hebbers, ook
frederik hendrik, volgdeu dit voorbeeld en wezen hunne onderhoorigen
op de omstandigheid, dat er geen andere keus was dan te overwinnen of te sneuvelen.
Luide bijvalskreten verkondigden van alle zijden, dat de Staatschen den strijd met moed
en vertrouwen te gemoet zagen.

Thans gingen een paar uren van spanning voorbij, Avaarin men de komst van den slag bij MVwif-
vijand met ongeduld verbeidde. Eerst legen drie uur na den middag trok deze weder
voorwaarts. Het Spaansche voetvolk, dat zich deels op het strand deels in de duinen
bewoog, was in vier groote slaghoopen verdeeld. Een gedeelte der ruiterij, onder het
bevel van den admirant van
Arragon, dekte aan den zeekant den regtervleugel, terwijl
een ander gedeelte aan den linkervleugel tusschen de duinen en het daarachter gelegene
gebrokene land geplaatst was. Inmiddels was de vloed komen opzetten, zoodat de ruimte
op het vlakke strand steeds naauwer werd en de Staatschen gedwongen waren zich meer
en meer in de duinen te verplaatsen. Met veel beleid trachtte
albertus van deze omstan-
digheid in zyn voordeel gebruik te maken. Zonder door de Staatschen te worden op-
gemerkt, trok een aanzienlek gedeelte zyner troepen door de duinen voort, met het
doel om de Staatschen in de regterflank aan te vallen en daardoor in verwarring te bren-
gen. Hun aantogt werd eerst bespeurd, toen zij zich reeds in de nabijheid bevonden.

19»

ocr page 21

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1000. Maurits' tegenwoordigheid van geest en de geoefeDdheid zijner troepen verijdelden ech-
ter 's fijands voornemen. Zonder dralen rende de prins langs de onderscheidene liniën,
om in persoon de noodige bevelen te geven. In zeer korten tijd volvoerde hel gansche
leger eene beweging, waarbij de linkervleugel een weinig naar voren kwam, terwijl de
regier zich achterwaarts verplaatsle. Het front was daardoor weder naar de Spanjaarden
gekeerd, terwijl de drie liniën ongeveer in dezelfde verhouding gebleven waren en nog
door elkander gedekt werden. Niel slechts had
albertus hierdoor zijn doel gemist, maar
zich levens het groote nadeel berokkend, dat de ten westen neigende zon zijne troepen in
de oogen scheen, terwijl de wind hun het fijne duinzand en den buskruiddarap in het
aangezigt woei Te gelijker Igd had
maurits aan lodewijk van Nassau last gege-
ven , de ruiterij naar den reglervleugel over te brengen, ten einde de achter de duinen
geplaatste vijandelijke ruiterij in toom te houden. Op den linkervleugel scheen de op
het strand geplaatste batterij voor dit oogmerk voldoende te zijn, daar het vijandelijke
geschut spoedig in hel mulle zand zonk en onbruikbaar werd. Twee der zes kanonnen
werden echler op 's prinsen last naar den reglervleugel overgebragt en op eene duin
gesleept, waar zij goede dienslen konden doen. De beide legers werden nu in de dui-
nen handgemeen en streden met ongemeene hevigheid. Het eergevoel der oude Spaan-
sche regimenten, die thans voor het eerst in het opene veld de Nederlanders onder de
oogen zagen, liel geen wijken toe, en de Slaatschen, op de bekwaamheid van hunnen
veldheer en de goede orde, waarmede alles bestuurd werd, vertrouwende, beseften dal
alleen de zegepraal niet slechts het vaderland maar ook hun eigen leven kon redden.

Omstreeks half vier uur zag graaf lodewijk de kans schoon om eenen aanval te doen
op de vijandelijke ruilery, die legen hem over was geplaatst. Zonder een bevel van den
prins af te wachten, sloeg hy door de Spaansche ruiters heen, vervolgde de vluglenden,
regls zwenkende, tot onder de poorten van
Nieuwpoori, en kwam van daar op zijne
standplaats terug. Intusschen hadden de uil elkander geslagene Spaansche kornellen zich
hersteld en waren door nieuwe versterkt geworden. De graaf ontving nu van
maurits
last, hen op nieuw aan te tasten. Thans werden de Staatschen echler zoo dapper door
den vyand ontvangen, en zoo hevig door musketvuur uit de duinen begroet, dal zy in
wanorde geraakten en op hunne beurt de vlugt namen.
Lodewijk zelf, die met onweer-
slaanbare drift lot midden in de vijandelijke ruiterbenden was doorgedrongen, was op het
plinl van gevangen te worden genomen, toen hij door eenigen der zijnen werd ontzet.
Zoodra
maurits dezen tegenspoed bespeurde, ^ plaatste hij zich in persoon aan het
hoofd van twee kornellen, en drong met hel pistool in de band lusschen de vluglenden

1 bosscha, Neêrlands heldendaden te land, I bl. 351, sclirijft de beweging van Albertus ten
onrt'gte aan de bedoeling toe, om zon en
avind te ontgaan. Vgl. van beyd, bl. 430.

ocr page 22

DES VADERLANDS. 149

en hunne vervolgers in. De vijand werd hierdoor gedwongen sland Ie houden, lerwijl ICOO.
graaf
lodewijk lijd kreeg zijne ruiters weder te verzamelen.

Aan den linkervleugel en in het centrum werd inmiddels insgelijks met afwisselend
geluk gestreden. Daar de Spanjaarden niet in kleine benden verdeeld waren, maar
hunne groole slaghoopen te gelyk in het vuur werden gebragt, had de voorhoede on-
der FRANCIS VERE aanvankelijk den aandrang van een veel grooter aantal troepen te verduren.
Niettegenstaande de Engelsche veldheer, hoezeer zwaar gekwetst, zijne dappere man-
schappen met woord en daad aanvuurde, werden zij eindelijk door de overmagt uit de
duinen tot op het strand en zelfs tot in zee gedreven. De Spaansche ruitery onder
MENDOZA. kwam nu ook voorwaarts en was reeds op het punt de vier kanonnen te be-
magtigen, die van het begin van den slag aldaar geplaatst waren geweest, toen prins
MAijRiTS, aan wiens veldheersblik niets ontging, het gevaar ontdekte. Terstond gaf hij
den ritmeester
van balen, wien hij aan het hoofd van eenige kornetten in reserve had
gehouden, bevel om spoorslags derwaarts te rennen. Ziende dat het Spaansche voetvolk
in de hitte van den strijd uit elkander was geraakt, nam
van balen met uitstekend
beleid herhaaldelyk den schijn aan, alsof hij de in de duinen verspreide benden aan
wilde tasten, en bragt daardoor schrik en verwarring in de gelederen der Spanjaarden,
die zich reeds overwinnaars waanden en op dezen onverwachten tegenstand te minder
gerekend hadden, daar
lodewijk van Nassau de gansche ruiterij, naar zij meenden,
achter de duinen had medegevoerd. Het Staatsche voetvolk vatte daarentegen nieuwen
moed. De konstabels brandden hunne met schroot geladene stukken juist op het oogen-
blik los, dat de vijand er de hand aan wilde slaan, en
van balen, van de daardoor te
weeg gebragte verwarring gebruik makende, stortte onversaagd op de vyandelijke ruiterij
in. Op hetzelfde oogenblik werden de Spanjaarden door een vendel piekeniers onder
het geroep van
victorie! victorie! van de hoogte eener duin afgedrongen. Deze voor-
barige zegekreet verwekte bij de Staatschen een nieuwe geestdrift, terwyl de schrik in de
harten hunner vijanden sloeg. Van dit gunstige oogenblik gebruik makende, gaf
maürits
last dat al de vendels zijner tweede en derde linie, die nog niet in het gevecht gewik-
keld waren geweest, gelijktijdig eene beweging voorwaarts zouden doen, en dat
lode-
wijk
van Nassau aan het hoofd zijner ruiterij ten derden male zou chargeren.
De ontmoedigde Spanjaarden, den slag reeds verlöre» achtende, wachtten dien aanval
Dc staateclien
niet af. Aan beide vleugels sloeg de vijandelijke ruitery op de vlugt, en het voetvolk, ^^jnnf^g^
thans aan alle zijden door de Staatschen bedreigd, liet insgelijks allen weerstand
varen. Met slepende pieken zag men gansche scharen over duin en veld het leven
bergen. Velen werden door de Staatsche ruiterij, die tol in den nacht de vlugtelingen
najoeg, nedergesabeld. Anderen, die zich naar den kant van
Oslende zochten te redden,
liepen ook daar den dood te gemoet, daar de bezetting uittoog om ook eenig deel aan
de overwinning en den buit Ie hebben. Daar de Spanjaarden, bij de herovering der rondom

ocr page 23

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1600, Ostende gelegene schansen, hare bezettingen legen het geslolene verdrag mishandeld en afge-
maakt hadden, werden bijna alle soldaten, die men in handen kreeg, aan de schimmen der
vermoorden opgeofferd. Van meer dan 700 krijgsgevangenen bestond meer dan de helft uit
hoofdofficieren en aanzienlijken, die ter wille van het losgeld, dat zij betalen konden, ge-
De admirant spaard werden. Onder hen bevond zich Francisco »e mendoza, de admirant van ,

wTrdt gevangen ^i® vruchtcloos had gepoogd tusschen de duinen te ontkomen. Al het vijandelijke geschut,
genomen, honderd vijf veroverde vaandels, drie ruiterstandaarden benevens den prächtigen standaard,
dien het muitende krijgsvolk uit
Diest had gevoerd, de witte strijdhengst en de
wapenrusting des aartshertogs, die gedurende den strijd de grootste dapperheid betoond ^
en een der laatsten het slagveld verlaten had, behoorden tot de zegeteekenen. De over-
winning was echter niet zonder zware offers gekocht. Van de zesduizend dooden, die
het slagveld bedekten, had bijna de helft tot ^het Staatsche leger behoord, waarvan niet
minder dan vier en dertig kapiteins en ritmeesters gesneuveld waren.
Oorzaken der Prins MAURiTS, die zelf met zyn gansche gevolg in de laatste charge der ruitery ge-
zegepraal. deeld had, kon, op de kampplaats teruggekeerd, het gevoel van dankbaarheid niet be-
I dwingen, dat hem overweldigde. »0 God!" — riep hij met tranen in de oogen uit —

»wie zijn wij menschen, dien Gy zulke eer gedaan en de overwinning gegeven hebt
. I Inderdaad had het behoud van het leger en daarmede welligt de onafhankelijkheid der

Republiek als aan een zijden draad gehangen, en mögt het bijkans een wonder hee-
ten, dat de Staatschen in eenen strijd in het open vekl den aandrang der vermaarde
Spaansche regimenten niet slechts weerstaan, maar eene volkomene en zelfs door den
vijand onbetwiste zege behaald hadden Indien de Spaansche ruiterij zich even wak-
ker als het voetvolk van haren phgt gekweten had, zou de krijgskans, die geruimen

li

t

1 Hij had zijnen helm afgelegd, opdat zijn volk Iiem te beter herkennen mögt, streed persoon-
lijk mede en ontving ccne wonde aan het regter oor.

3 Yolgens UTTENBOGAERT, hij BOR, IV bl. 657.

3 Het gevaar, waarin het leger verkeerd had, was zoo groot, dat de soldaten (volgens vaneeyd,
hl. 433) elkander na de overwinning van blijdschap omhelsden. Hij voegt er hij: »het scheen
alsof sy verraden waren geweest, om dat de vyant soo haest ende juyst des anderen daeghs hun
overquam." Bij anderen schijnt het denkbeeld aan verraad inderdaad te zijn opgekomen, en in de
handen der yijanden van
oldekbarnevelt een gereed middel geweest te zijn, om de reeds vroeg
geuite beschuldiging van Spaanschgezindheid (zie hiervoor, D. UI St. 1 bl. 393) te versterken.
Er is geen spoor dat
maürits destijds daaraan het geringste gewigt heeft gehecht, en het sprookje,
dat de prins den advokaat, toen deze hem na den slag geluk wenschtc, een oorveeg gegeven en
toegeduwd zou hebben:
μ Schelm, gij hebt ons verkocht, maar God heeft u de leverantie belet,"
verdient geen wederlegging, zelfs al kwam het vroeger voor dan in een pamphlet van 1673.
vax
der kemp, t. a. p. II bl. 88, durft echter oldenbarnevelt niet van verraad vrijspreken, en brengt

ocr page 24

DES VADERLANDS. Â· 127

TIP»«

tijd wankelde, ongetwyfeld gekeerd zgn. Het yerzuim van den vijand om troepen in 1600,
reserve te houden en zijn geschut op eene bedding van planken te pïaatsen, bragt
insgelijks niet weinig tot zijne nederlaag bg. Aan de Slaatsche zijde was daarentegen
door MAURiTS niets nagelaten, wat de overwinning bevorderen kon. Den helm met
oranjepluimen op het hoofd en het ontbloote rappier in de hand, boezemde de prins
door zijne wakkere houding en zijn opgeruimd gelaat den zijnen moed en vertrouwen
in, hield op alle deelen van het slagveld een waakzaam oog, en gaf zijne bevelen
met zooveel kalmte en overleg, als men van een in het veld grijs geworden veldheer
naauwelijks zou hebben kunnen verwachten De jschilterende bekwaamheden, welke
hij in die gewigtige uren ten toon spreidde, zouden echter onvoldoende zijn geweest,
om hem de overwinning te verschafi'en, wanneer zijne troepen niet reeds door lang-
durige oefening eene meerderheid boven hunne vijanden hadden verkregen, welke
vooral in dezen veldslag aan het licht kwam en door de Spanjaarden zeiven als eene
der oorzaken hunner nederlaag werd erkend. In kleine benden verdeeld, hadden ^
de Staalschen achtereenvolgens, naar mate de behoefte het vorderde, aan het gevecht
deel kunnen nemen, terwijl de groote Spaansche slaghoopen tegelijk in het vuur
gebragt waren. Vooral was de bewegelijkheid van
maurits' troepen beslissend op het
oogenblik, dat
Albertus hen onverhoeds in de flank dacht te vallen, en in den
langdurigen en hardnekkigen strijd in de duinen hadden de Staatsche pickenicrs, die

diens vermeende poging om jiaürits te doen omkomen zelfs in verband met de gunst, die de
advokaat aan
filips Willem van Oranje betoonde, alsof hij dezen, zachter en buigzamer dan siau-
kits,
aan liet hoofd der Nederlandsche provinciën had willeu brengen, ten einde onder hem zelf
te kunnen blijven regeren. Daar de goede verstandhouding tusschen
oldekbankjivelï cn fiups
willem
echter eerst, voor zooverre bekend is, van de onderhandelingen over het twaalQarig be-
stand dagteekent (j.
p. van cappelle, hl. 104 vv.) schijnt het onnoodig daarover hier reeds uit
te wijden.

1 Zie o. a. van meteren , f. 454 α: »Princö Mauiitz soo wel in den aenval, als voornemelijck
in desen twijffelachtighen stant des strijts bewees boven alle andere, groote resolutie, voorsich-
ticheyt ende manheyt, alomme ghestadich hem selven presenterende, bcthoonende over al sijn
voorsichtich heleydt, soo iu '( accouragiercn van de wijckende, t' allieren van de vluchtende, als
t'elcke mael int gheven van nieuwen moet aende troupe die hij t'elcke mael tot nieuwen aenval
ende ontset van de sijne daer het de noot vorderde, ghehruyckte, roepende al omme sy moesten
vechten oft de Zee indrincken: sy souden hem bystacn, hy wilde persoonlijck met sijnen jongen
Broeder Uendrick Prederick hmi voorgaen, Imn Casket op 't hoofd, 't Hoer inde handt, bereydt
om aldaer met haer te leven oft te sterven." Dit berigt, door de overige geschiedschrijvers be-
vestigd,
Avcers[jrcekt ten deele de partijdige voorstelling van vere, die de overwinning hoofdzake-
lijk aan zich zei ven en zijne Engelschen toeschrijft, en zoowel dcu moed als het beleid van den
prins, zoo niet verdacht maakt, althans in de schaduw stelt.

ocr page 25

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1000, geleerd hadden gesloten Ie blijven en zich regelmatig te bewegen, een groot yoordeel
boven hunne tegenstanders. Aan
maurits* talenten en krygsbeleid was derhalve de zege-
praal voor geen gering gedeelte te danken; en de slag by
Nieuwpoortf waarin de ont-
zagwekkende namen van
Oostenrijk en Spanje door de wapenen van de jeugdige Re-
publiek der Vereenigde Nederlanden vernederd werden, drukte het zegel op den roem,
dien de prins zich reeds vroeger als de eerste veldheer van Europa verworven had

Maurits over- Tegen het gevoelen van frakcis vere, die er op aandrong dat maurits den vlug-
nacht op het slag- , .. , , , r» /-,11 1
veld, en trekt
tenden vijand terstond tot voor de poorten van Brugge en Gend vervolgen en van den

^^hide. ^ eersten schrik gebruik zou maken om te trachten nog grootere voordeelen te behalen, hield
de prins zyne troepen zooveel mogelyk bijeen, en besloot op het slagveld te overnachten.
De vermoeidheid zijner soldaten, de menigte der gekwetsten, de onbekendheid met de
wegen en de toenemende duisternis hielden hem teregt van eene onderneming terug,
die hel Staatsche leger andermaal aan groot gevaar blootgesteld en de behaalde over-
winning liglelijk in de waagschaal gesteld zou hebben. Den volgenden morgen vertrok
MAURITS naar
Oslende, alwaar hij te negen uur aankwam en door de Staten met
uitbundige blijdschap ontvangen werd. Op verlangen van den prins begaf men zich
terstond naar de kerk, alwaar
uytenbogaert in de Fransche taal eene openbare dank-
zegging hield. Op den maaltijd, dien de Staten daarop den prins aanboden, was ook
de admirant van
Arragon genoodigd, in wiens tegenwoordigheid de genomene vaandels
en standaarden binnengebragt en door de aanwezigen bezigtigd werden. Ook moest hij
verduren dat de prins hem gelukkig roemde, nu zonder slag of stoot binnen
Holland
te komen, hetgeen hij reeds zoo lang gewenscht had te bezoeken. Hij werd eerlang op
het kasteel te
Woerden en daarna te 'ä Gravenhage gevangen gezet, doch met de aan zijnen
rang verschuldigde onderscheiding behandeld. Deze edelmoedigheid behaagde echter
weinig aan de burgerij, die den admirant als een monster van wreedheid beschouwde
en de mishandelingen, welke de in
Spanje gevangene Nederlanders ondervonden,! aan
hem wilden betaald zetten. Vooral toen in de maand Augustus eenige Spaansche oor-
logschepen uit
Duinkerken de Hollandsche en Zeeuwsche haringbuizen op de kust van
Noorwegen overvallen en vele visschers op onmenschelijke wyze omgebragt hadden ^^
kon de algemeene verontwaardiging zich niet langer bedwingen. De meeste steden zonden

» BOR, IV bl, 648— 657; Autlient. Stukk. bl. 3—14. van retd, bl. 425—433. van meteren,
f. 450—455. GROTius, p. 387—397. le petit, p. 762—775. carnerg, p. 473—476. campana,
111 p. 180—184. BENTivoGLio, bl. 667—677. chappüts, Hist.d.lguerredeFlandrc,\l^.2^i—2^\.
la PisE, Hisloire dWrange, p. 679—689. Les ïauriers de Nassau, p. 211—226. Van der kemp,
t. a. p. 11 bl. 65—78, 256—264. j. bosscha, Neerl. heldend. te land, 1 bl. 341—362.

2 BOR, IV bl. 659. van REYD, bl. 435.

ocr page 26

DES VADERLANDS. Â· 127

herhaaldelijk afgevaardigden naar de Slaten-Generaal om er op aan Ie dringen dat mendoza in 1600.
boeyen gesloten en als galeislaaf op een der roeischepen geplaatst zou worden, die men reeds
gebouwd had om
spiiïola's galeyen beier in loom te kunnen houden. Ook kwam de
weduwe van den graaf van
Falckensiein te *s Gravenhage, om regt te vragen over den
moord van haren echtgenoot. De Staten begrepen echter dat zg met voeg noch aan
den eisch der laatste noch aan de klagten der eersten gehoor konden geven, doch wis-
ten niettemin deze omstandigheden bij de Spaansche regering in het belang hunner on-
derdanen te doen gelden. Zij bedongen dat alle Nederlanders, die in de Spaansche rijken
De admiraut
en koloniën gevangen zalen, tegen den admirant zouden worden uitgewisseld, en dat deze jj ^p^j^^f
bovendien eene ton gouds als losprijs zou betalen. Omstreeks vierhonderd personen zagen op ^jJ^g]

deze wijze hun vaderland terug, waarvan sommigen meer dan twintig, één zelfs zes en dertig wisseld.
jaren, aan de roeibanken der Spaansche galeijen geketend waren geweest. Op den 29"®" Mei
1602 werd de admirant, na het vervullen dezer voorwaarden, weder op vrije voelen gesteld

Gedurende de drie dagen rust, die na den slag bij Nieuwpoort aan het leger ge-
gund werden, beraadslaagde prins
maurits met de Stalen en de voornaamste krijgs-
oversten , welken weg men thans behoorde in te slaan, om van de behaalde overwinning
de besle partij te trekken. Sommigen rieden de rondom
Oslende gelegene en nog
door Spaansch krijgsvolk bezette schansen eerst in te nemen, opdat de bezetting dier
vesting weder ongestoord in
Vlaanderen zou kunnen brandschatten. De afgevaardigden
van
Holland en Zeeland^ die zich verbeeldden dat de nederlaag der Spanjaarden de
volvoering van hun oorspronkelijk plan veel gemakkelijker had gemaakt, drongen er
echter op aan dat
maurits terstond met het beleg van Nieuwpoort voortgaan, en na de
vermeestering dier stad
Duinkerken aantasten zou. Hoezeer de prins thans meer dan Mauuits trekt
ooit aan den goeden uitslag eener onderneming twijfelde, welke voorzeker door
Albertus
op alle wijzen zou bemoeijelijkt worden, gaf hij aan het verlangen zijner overheid toe,
en voerde zijne troepen op den Julij andermaal voor
JSieuwpoorly na een garnizoen
van drieduizend man binnen
Oslende te hebben gelaten 2.

Intusschen was de luisterrijke overwinning, door de Slaalsche wapenen behaald,
ook in het buitenland bekend geworden, en had bepaaldelijk aan de hoven
\m Frank-
rijk
en Engeland groole vreugde gewekt. Elizabeth had reeds geruimen tijd bespeurd, dc onderhan-
dat de pogingen der aartshertogen, om met haar onderhandelingen aan te knoopen, en

veel minder uit de zucht voorlsprolen om met Enqeland vrede te sluiten, dan wel ηιϊ^ξ'^ψ'^, worUtu

' afgebroKcn.

de begeerte om de aan haar verpande steden maglig te worden en vooral om de Re-

ï bor, IV bl. 668—675. vaiï heyd, bl. 445. van meterex^, f. 463 c. Lettres de buzanval
{Cod. Dipl.) ρ. 298. Zie ook ρ. 309.

2 bor, IV bl. 654. van revd, bl, 433. van der kemp, t. a, p. 11 bl. 79.

III Deel. 2 Stuk. 20

ocr page 27

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1000. publick door hare lusschenkomst te dwingen, insgelijks het oor aan hunne voorslagen
Ie leenen. De slag bij
Nieuivpoort gaf een nieuwen schok aan hare vredelievendheid.
Niet slechts werd haar vertrouwen in de magt en het beleid der Stalen daardoor aan-
merkelijk versterkt; maar zij gevoelde tevens levendig hoe gevaarlijk het voor de rust
en veiligheid van haar rijk zou wezen, wanneer de aartshertogen, ten gevolge eener
voorwaardelijke onderwerping der Yereenigde Gewesten, over diergelijke geduchte strijd-
krachten beschikken en, even snel als
ma.ürits in Vlaanderen was gevallen, een talrijk
leger op hare kust ontschepen konden. Meer en meer overtuigd, dat het
soor Engeland
eene zeer slechte poHtiek zou zijn, de Republiek aan haar lot over te latenj behoefde
ELIZABETH uog slcchts een geringen stoot om geheel van den aangevangen vredehandel
af te zien. Een twist tusschen de wederzijdsche gezanten over de vraag, of de voorzit-
ting aan
Engeland of aan Spanje toekwam, was voldoende om de onderhandelingen
voor goed te doen afbreken
Zamenliomst Geen beteren uitslag had eene poging, door de staten der zuidelijke Nederlanden

vaii afgevaardig-
den
der noorde- reeds vóór den Vlaamschcn togt beproefd, om door regtstreeksche onderhandeling met

^NederianÊn^^^^i Vcrccnigde Geweslen den zoo vurig gewenschten vrede te treifen. Aan zijne in
^omn"^'"^' 1Ö98 afgelegde belofte gedachtig , en vooral door behoefte aan geld gedrongen, dat
tot bevrediging van het muitende krijgsvolk onmisbaar was, had
Albertus de algemeene
staten der aan hem onderworpene provinciën tegen den β''"" April bijeengeroepen. On-
der de door hen ontboezemde wenschen bekleedde het verlangen naar verademing en
rust, al ware het ook slechts door eenen wapenstilstand, andermaal eene voorname
plaats; en hoewel de aartshertogen weinig hoop voedden op den goeden uitslag eener
poging, die reeds zoo dikwerf op de onwrikbare standvastigheid van de regering der Ver-
eenigde Gewesten was afgestuit, hadden zij volgaarne aan de vergadering der algemeene
staten volmagt verleend, om met de Republiek onderhandelingen aan te knoopen.
Omstreeks het midden van Juny vertrokken drie Belgische afgevaardigden naar
Antwer^
pen^
en verzochten van daar vrijgeleide, om zich naar ^s Gravenhage te begeven. De
Staten-Generaal weigerden echter hen in de Republiek toe te laten, op grond dat de
algemeene staten der zuidelijke
Nederlanden onbevoegd waren zonder voorkennis en
medewerking der aartshertogen te onderhandelen. Door dit antwoord geenszins afge-
schrikt, herhaalden de Belgische afgevaardigden hun verzoek, met overlegging van den
geloofsbrief, waarbij hun vergund werd met de Vercenigde Gewesten over de voorwaar-

1 cachard, Elals géncraux de IGOO, p. XIX—XXXll. Bon, IV bl. 661—668. van reyd, bl. 434.
GuoTius, p. 386. Lettres de buzakval {Cod. Dipl.) ρ. 188—1U2, 203, 208—214, 227, 254, 255,
267, 271, 272, 276-280, 286, 290, 296, 317.

2 Hiervoor, bl. 70.

ocr page 28

1600,

DES VADERLANDS. 1Ö5

den Tan den vrede in OTerleg le treden. De Slalen-Generaal ontvingen deze tweede
missive le
Ostende. Juist had de slag van Nieuwpoort, naar zij meenden, hen eene
belangrijke schrede nader tot hun doel gebragt, en de gelegenheid scheen thans bij
uitstek gunslig om de stalen der zuidelijke
Nederlanden tol gewapenden opstand te bewe-
gen. Het verlangde vrijgeleide Λverd derhalve toegestaan, en
Β er gen-op-Ζ oom als de
plaats der onderhandelingen aangewezen. Op den 21®'®" Julij hielden de wederzijdsche
afgevaardigden aldaar eene zamenkomst, waarop
oldewbarkevelt , die van de slaalsche
zijde het woord voerde, zijn leedwezen le kennen gaf, dat de Belgen van den afstand
der zuidelijke
Nederlanden aan de infante isabella geen gebruik hadden gemaakt, om
de inhuldiging der nieuwe souvereine te weigeren, zoolang de Spaansche troepen niet
verwyderd en de aloude privilegiën hersteld Avaren. Thans bood zich echter ander-
maal eene schoone gelegenheid aan, om de verlorene vrijheid te herwinnen, nu de
Spaansche krijgsmagt groolendeels vernield en een zegevierend Slaalsch leger in de
nabijheid was, gereed om den krachligslen bijstand te verleencn De Belgische
afgevaardigden weigerden echter standvastig aan diergelijke
voorstellen het oor te leenen
en verlangden alleen te vernemen, of de Vereenigde Gewesten genegen zouden zijn over
den vrede te onderhandelen, daar zij alleen langs dezen weg een einde aan de rampen
konden zien, die de langdurige krijg zoowel over de noordelijke als over de zuidelijke
Nederlanden had uitgestort. Daar de Slaalsche afgevaardigden zich hieromtrent niet
verklaren wilden, en alleen beloofden aan de Staten-Generaal van dit voorstel verslag
te doen, nam de bijeenkomst nog denzelfden dag een einde. Meer dan ooit was het
gebleken, dat de regering der Republiek nimmer in een verdrag zou toestemmen,
waarbij haar geen volkomene onafhankelijkheid van
Spanje verzekerd werd, en tevens
dat van de staten der zuidelijke
Nederlanden geen poging tot afschudding van het
vreemde juk meer te verwachten was 2.

Op den 6·^°" Julij voor Nieuwpoort gekomen, had maurits terstond met hel openen maurits ziet
der loopgraven eenen aanvang gemaakt. Hij zag echter spoedig in, dat het hem niet ^ievw-

wel mogelijk zou zijn alle toegangen lot de stad voldoende te sluiten, terwijl onophou-
delyke stortregens bovendien den arbeid zijner schansgravers grootelijks belemmerden en
bijkans onmogelijk maakten. Reeds den 8'*®" Julij zond hij
justihus van Nassau naar

1 gachard, Etats génèraux de 1600, p. XCVll (brief van den markies de havré, die de bijeen-
komst bijwoonde): »Bcrnefelt portoyt la responce pour lous, et estoyt anflé d'orgueuil, et donnoyl
trop a cognoistre qu'ilz n'estoyent intcneionoz de subyr Jurisdiction, ains tendre du tout a se
maintenyr en forme de républicque, ou bien se mainlenir soubz ung cheff, en se réservant tous-
jours en commun la plus grande autboritc et pouvoyr."

BOR, IV bl. 655. GtiöTiüs, p. 401. gachard, t. a. p. p. LXXXVl—XCVIil, CXXXVl—CLl,
757-782.

20*

ocr page 29

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1600. Oslende, om de Slaten-Generaal met de zwarigheden, die hij onlmoelte, bekend le
maken. Deze ach Hen de zaak gewiglig genoeg, om zei ven in de legerplaats te komen,
en drongen er op aan dat de prins althans door een hevig en onafgebroken kanonvuur
beproeven zou bres te schieten, ten einde de stad tot de overgave te dwingen of stor-
menderhand te veroveren.
Maurits , die eene diergelyke poging voor eene dwaasheid hield,
verklaarde echter dat hij het geschut niet zou laten ontschepen, voordat hij de noodige ver-
schansingen volkomen in orde had. Ten slotte lieten de Staten het gansche beleid aan zijne
wijsheid over, terwijl de prins van zynen kant beloofde, dat hij de belegering met al zijn ver-
mogen zou bevorderen Daar de regen echter aanhield en de bezetting van
Nieumpoort^ zon-
der dat de Staatschen het konden verhinderen, tot drieduizend man werd aangevuld,
gaf hij weldra de hoop op, om in zijne onderneming te slagen. De aartshertog
Albertus,
wien de nederlaag bij Nïeuwpoort tot verdubbelde inspanning van alle krachten had
opgewekt, had de overblijfselen zijner verstrooide troepen weder vereenigd, nieuwe sol-
daten aangeworven en andermaal een leger bijeengebragt, waarmede hij de bezettingen
der rondom
Ostende gelegene schansen versterkte, terwijl de hoofdmagt te Dixmuiden,
op een uur afstands van Nïeuwpoort, gelegerd werd. Door de herhaalde uitvallen van
een talrijk garnizoen gekweld en met eenen aanval der Spaansche krijgsmagt bedreigd,
die welligt andermaal den weg naar
Oslende bezetten, en daardoor niet slechts den
terugweg afsnijden maar ook den toevoer van den reeds zeer schaarschen leeftogt nog
meer belemmeren zou, besloot
maurits het beleg op te breken. Daar hij echter wenschte
dat de Staten-Generaal zijne handelwijze zouden goedkeuren, begaf hij zich den 16'^®"
Julij naar
Oslende^ om hun zijn voornemen mede te deelen. Hy vond hen reeds inge-
scheept en op het punt, naar
Holland te vertrekken. Op zijn verzoek kwam oldenbar-
KEVELT met eenige andere beeren weder aan land, waarop de prins hun de redenen ont-
vouwde, waarom hij het gevaarlijk achtte langer met het leger voor
Nïeuwpoort le
blijven. De Staten verklaarden met zijn besluit genoegen te nemen en wenschten hem
voorspoed op zijn plan, om de nabij
Ostende gelegene sterkten achtereenvolgens aan te
lasten 2,

Het Staatsolie Reeds den 18·^®" Julij sloeg maurits zich voor de schans Isahella neder. Het vijan-

^Êeland^ '^in^- tlelijke leger was hem echter op den voet gevolgd, eü nam terstond in de nabijheid eene

scheept.

' Uct schijnt dat maurits niet weinig had doen {jelden, dat het voor hem Avelnig eer\Ol zou
zijn, na zulk eene hevifje lanonnadc onverrigter zake af te trekken, daar de Staten er herhaaldelijk
op aandrongen, dat hij alleen 'slands welzijn in het oog zou houden,
» zonder te letten op reputalie
of disreputatie."
van der kemp, t. a. p. 11 hl. 270 vv.

2 bor, IV hl. 654. van reyd, hl. 433. carnero, p. 476. van der eemp, t. a. p. II hl. 79—82,
265-278.

I

ocr page 30

DES VADERLANDS. Â· 127

Stelling in, welke den prins belette de schans geheel in te sluiten. Deze liet thans 1600.
alle hoop Taren, om op Vlaanderen''s grondgebied eenig gewigtig voordeel te behalen
en besloot zijne troepen in te schepen en naar Zeeland terug te keeren. De Staten-
Generaal, die geenszins verwacht hadden dat hunne grootsche en kostbare onderneming
zoo weinig vrucht zou dragen, gaven hem in bedenking om voor zijn vertrek eenen
aanslag op
Hulsi of Sluis te beproeven of althans te trachten de galeijen van spinola.
magtig te worden, die in de haven der laatstgenoemde stad gelegen waren. Te gelijker
tijd schreven zij aan de Staten van
Zeeland, die daarbij het meeste belang hadden,
met verzoek dit voorstel met al hun
vermogen bij den prins te ondersteunen. Ook
FRA.KCIS VERE dccIdc in het gevoelen, dat de Staatschen niet zonder oneer het veld ver-
laten zouden, wanneer zij nu reeds van alle verdere ondernemingen afzagen, en gaf den
raad om tot versterking van het leger eenige hulptroepen aan koningin
elizabetu Ie
vragen. M
a-urits was echter niet van zijn standpunt af te brengen. Hy achtte het
ondoenlijk te midden van het vyandelyke land eenen aanslag te beproeven of eene be-
legering te ondernemen, terwyl alle nabijgelegene vestingen door de zorgen der aarts-
hertogen uitmuntend versterkt waren en bovendien een talrijk leger de bewegingen der
Staatschen naauwlettend gadesloeg. Na voor het herstel en de verbetering van
Ostendens
vestingwerken zorg gedragen en een voldoend garnizoen achtergelaten te hebben, liet
de prins zijne troepen in het laatst van Julij inschepen. De ruiterij Averd naar
Bergen-
op-Zoom, Breda, Steenbergen
en Ileusden overgebragt, ten einde bij de hand te zijn,
indien men later nog eenen inval
in Brahand wilde doen. Met het voetvolk ging
MAURiTS zelf op den eersten Augustus naar Middelburg onder zeil. Gedurende den overtogt ge-
raakte hij in groot gevaar. In de nabijheid van
Sluis gekomen, werden do schepen
door eene
windstilte overvallen, welke hun het vermogen benam om zich te bewegen
en elkander te hulp te komen. De Spaansche galeyen
kwamen terstond uit haren
schuilhoek te voorschijn, en zouden op 'sprinsen jagt zijn aangevallen, indien eene
plotseling losbarstende donderbui de Staatsche zeilen niet op nieuw had doen zwellen.
Nu keerde de kans en hadden de galeijen de grootste moeite aan de vervolging der
Staatsche oorlogschepen, waaraan
maurits zelf deel nam, te ontsnappen. Behouden te
Middelburg aangekomen, legde de prins zijne troepen in de naastbijgelegene steden van
Holland, Zeeland en Brahand in garnizoen, en vertrok naar 's Gravenhage, om met
de Staten over den verderen loop der krijgsverrigtingen te beraadslagen

De gevoelens liepen echter hierbij wijd uiteen. Ma.urits kwam op zijn oorspronkelijk Verschil van
voorstel terug, om eene of andere op de grenzen gelegene stad te belegeren. De Sta-^

staten.

ÏBOR, IV bl. 658. VAN METCREK, f. 456. CAnKEKO, p. 480. VAN DER KEMP, t. a. p. II bl. 82,
278-286,

ocr page 31

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1600. ten, "wier schalkist door den Vlaamschen togt was uitgeput verklaarden dat eene dier-
gelijke onderneming hunne krachten te boven ging. Zg verlangden dat de prins het
leger op het eiland
Cadsand overbrengen, en aldaar een fort maken zou, waardoor de
Spaansche galeijen belet zouden worden
Sluis te verlaten. Tegen dit plan werden ech-
ter door MAURiTS gewigtige bedenkingen ingebragt. Hij meende dat het fort niet meer
voor den winter gereed zou kunnen zijn, en zich daarna bezwaarlyk legen des vyands
geweld zou kunnen slaande houden. Hij achtte het gevaarlijk de Staalsche troepen op
zulk een afgelegen punt, waar zij bovendien waarschynlijk werkeloos zouden blijven
liggen, bijeen te brengen, en den vijand daardoor de gelegenheid te geven om zelf op
een ander punt eenigen aanslag te ondernemen. Ook wanneer men er in slaagde, op
Cadsand
eene voldoende sterkte te slichten, dan zou, naar zijn gevoelen , de haven van Sluis toch
niet gesloten en het beoogde doei dus niet bereikt zijn. Hoezeer de Stalen er met den
meeslen ernst op aandrongen, dat de prins, op welke wyze ook, ten minste eene poging
zou aanwenden om de Spaansche galeijen, die den handel zooveel afbreuk deden, Ie
bemagligen of te vernietigen, volhardde hij in zijne meening, dat de magt eri de stelling der
Spanjaarden een diergelijken aanslag onuitvoerbaar maakten. De aartshertog had zijne krijgs-
magl bij
Hulst gelegerd, en aldaar eene schipbrug over de Schelde geslagen, ten einde elk be-
dreigd punt terstond te hulp te kunnen snellen. Alleen door eene belegering volgens
' al de regelen der kunst en met al de daarvoor vereischte hulpmiddelen achtte
maurits

het mogelijk den vijand eenig belangrijk punt Ie ontwringen. Ten laatste stelden de
Staten voor, dat hij althans, voordat het grootste gedeelte der troepen werd afgedankt,
eenen togt in
Braband ondernemen zou, om het platte land te brandschatten en te
verwoesten. Doch het gevaar, waarin het Staalsche leger nog onlangs had verkeerd,
door zich op vijandelijk grondgebied te begeven, toen men op goede gronden meende
dat de aartshertog builen slaat was den inval krachtdadig te keer te gaan, maakte den
prins ongezind andermaal de zuidelijke
Nederlanden binnen Ie trekken, nu men aldaar
zijne bewegingen in het oog hield en gereed was hem met eene aanzienlijkei krijgsmagt
De zomer en het hoofd te bieden. Onder deze geschillen verliepen de zomer en de herfst, zonder
zondtr
^^ nieuwe prins eenige nieuwe aanslag werd ondernomen. Ook de aartshertog, niet

oTidernemiDgen. jjjjnder dan de Staten door geldgebrek gekweld, vergenoegde zich Ostende op nieuw

^ Zie o. a. van reyd, bi. 435, over de ongewone middelen, die te baat werden genomen, om
in de dringende behoefte aan geld te voorzien. Twee kapiteins, die meer soldaten op de monster-
rol liadden gezet, dan zij werkelijk in dienst hadden, werden gecasseerd, niettegenstaande men
omtrent diergelijke zeer gewone bedriegerijen tot nog toe steeds oogluiking gebruikt Iiad. Een
oorlogschip werd naar
Zwartsluis gezonden, om Zwol door het sluiten van den handel te dwin-
gen, zijn aandeel in de algemeene lasten op te brengen, Hen was zeer bevreesd dat onder het
slecht betaalde boolsvolk een opstand zou uitbreken.

ocr page 32

DES VADERLANDS. Â· 127

van alle zijden in Ie sluilen en de noordelijke grenzen van Vlaanderen en Drahand te 16OO.
bewaken 1.

Op deze wijze eindigde de vermaarde veldlogt van het jaar 1600, die met zulke Teleurstelliug

1 · , . . , Î¤Î , , , . ilcr Staten over

schitterende uitzigten geopend was. De eer der overvvmning bij Nieuwpoort, de eenige den uitslag van
vrucht der kostbare onderneming, werd door den overhaasten aftogt bijkans in de scha-
duw gesteld. Een voor een waren al de gevolgen, die de verbeelding der Staten aan
den Vlaamschen togt had vastgeknoopt, in rook verdwenen. De snelle en doeltreffende
maatregelen der aartshertogen hadden
Nieuwpoort en Duinkerken gered. Verre van aan
eenen opstand te denken, hadden de Staten der zuidelijke
Nederlanden integendeel
hunne vorsten door ruime bijdragen in hunne pogingen lot afkeering van den vijand
krachtdadig bijgestaan. Wel had
Hendrik: IV inderdaad de wapenen legen den hertog
van
Savoije opgevat; doch de Spaansche stadhouder van Milaan, de graaf de fuentes,
weigerde den laatsten hulptroepen te zenden, zoodal door tusschenkomst van den paus
eerlang een verdrag tot stand kwam, hetwelk den vrede tusschen
Spanje en Frankrijk
oogenschijnlijk bevestigde In plaats van de oogmerken der Stalen te bevorderen, had
deze twist juist gestrekt, om hun nieuwe moeijelijkheden te berokkenen; want het
vooruitzigt van eenen inval der Franschen in het noorden van
Italië had filips III ge-
noopt tot bescherming zijner bezittingen in dat schiereiland troepen derwaarts te zenden,
die thans op verzoek van den aartshertog gereed stonden-den weg naar de zuidelijke
Nederlanden in te slaan. Te gelijker tijd werden in Spanje vijfduizend man bestemd,
om tot aanvulling van het leger der aartshertogen over zee derwaarts Ie vertrekken.
Niet slechts moest de Vlaamsche logt derhalve als eene mislukte onderneming beschouwd
worden, waarvoor men te vergeefs zooveel bloed en schatten had verspild: maar de
vyand was daardoor levens tot buitengewone inspanning opgewekt en scheen thans ge-
reed met vernieuwden moed en verdubbelde krachten den slrijd te hervallen

Het kan niet bevreemden dat de Staten, inzonderheid die van Holland, van welke ]>ic uitslag
het plan tot den Vlaamschen togt ^γas uitgegaan, zeer geneigd waren deze groole en
grievende teleurstelling aan den prins te wijlen, wiens onbuigzaamheid de oorzaak P""®
geweten,
scheen Ie zijn, dat men van de behaalde zegepraal volstrekt geen partij had kunnen
trekken. Inderdaad was
maurits' handelwijze van dien aard, dat zij wel ongunstige
vermoedens moest opwekken, hetzij ten opzigte zijner bekwaamheid, hetzij len opzigte
van zijnen goeden wil. Meer dan ooit hadden zijne veldheerstalenten in den slag bij

ï van reyd, bl. 433, 434. van der kemp, t. a. p. bi. 84 , 287—290. Lettres de buzanvai,,

{Cod. mpl.) γ. 2Qo, V

2 VAN reyd, bl. 434. Vgl. schlosseu's WeUgeschichtc, XIV s, 24—26«

3 VAN reyd, bl. 440.

ocr page 33

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1600. Nieuwpoort uilgeblonken. Voor hen, die hel er voor hielden, dat hij de gunstige ge-
legenheid om den vijand, wiens leger hij verslagen had , afbreuk te doen , had verzuimd,
bleef derhalve niets over dan de twijfel aan zijne gezindheid om de Staten ook dan nog
te dienen, wanneer hunne inzigten van de zijne verschilden. Wel bad hel slechte weder den
voortgang zijner aanvalswerken tegen
Nieuwpoort vertraagd en was de vijand er in ge-
slaagd een talrijk garnizoen binnen die vesting en eene nieuwe krijgsmagt te velde
Ie brengen: doch men was niet vergeten dat de prins in 1592 in het gezigt van een
vijandelijk leger het sterke
Coevorden had bemagtigd ^, en dat de regenvlagen, waar-
mede hij bijkans bij elke belegering te worstelen had, den loop zijner veroveringen nimmer
hadden gestuit. Wel had de aartshertog met bewonderenswaardigen ijver en beleid
de beste maatregelen genomen, om zijn grondgebied voor verdere aanranding te bevei-
ligen: maar de snelle aftogt van het zegevierende leger, dat na eene nederlaag naau-
welijks met meer overhaasting naar
Ostende en van daar naar Holland de wijk had
kunnen nemen, wekten zelfs de verbazing en ergernis van
Hendrik IV, die aan den
Nederlandschen gezant
frakgois 'van aerssen verklaarde, daarvoor geen redenen van
verschooning aan te nemen Later was het leger, hoewel nog krachtig genoeg en
behoorlijk toegerust, werkeloos gebleven, niettegenslaande de Staten den prins drongen
om althans eenigen aanslag Ie ondernemen, waarvan het land voordeel kon trekken
MAüRiTS had alle voorstellen, als doelloos of gevaarlijk, afgekeurd, die niet de be-
legering eener vyandelijke vesting ten doel hadden, en hel scheen op hem weinig in-
druk te hebben gemaakt, dat de Slalen-Generaal eene bijzondere zitting hadden besteed
om hem volkomen met den slaat der geldmiddelen bekend te maken en daardoor de
wenschelijkheid van min kostbare ondernemingen Ie doen inzien Klaarblijkelijk be-
stond er bij
maurits een vast voornemen, om thans niet andermaal aan der Staten
verlangen, dat hij onuitvoerbaar achtte, toe te geven. De Staten moesten daarentegen
door een diergelijken tegenstand van den prins teleurgesteld en gegriefd worden. Geen

1 Hiervoor, D. 111 St. 1 bl. 456.

2 Lettres de buzanval, {Cod. Dipl.), ρ. 260.

3 VAN DEH KEMP, t. a. p. 11 bl. 86, beweert dat de Staten verklaarden »geen geld meer over
te hebben tot de ondernemingen, door
maurits voorgeslagen, maar slechts tot zoodanigen, wier
onuitvoerlijklieid naauwelijks te ontkennen was." Hiermede is echter in lijnregten strijd, hetgeen
wij lezen in de llesoluticn der Staten-Generaal v. 5 October 1600 (bij denzelfden, bl. 244): »Is
goedgevonden, alhoewel het land zeer bezwaard is, in geval Z, Exc. iets zoude weten bij de hand
te nemen tot afbreuk des vijands, dat den lande voordeehg zoude zijn en strekken tot verlich-
ting van de oorlogslasten, dat Z. Exc. 't zelve bij de hand zal mogen nemen en in 't Averk stel-
len tot kosten van de Generaliteit."

* VAK DER KEMP, t. a. p. 11 bl. 293—295.

ocr page 34

DES VADERLANDS. Â· 127

wonder voorzeker, dat weldra allerlei geruchten omtrent hevige twisten tusschen den 1600.
prins en de Staten door het land verspreid werden en lot in
Engeland en Schol- Geruchten om-
land doordrongen. Elizabeth achtte het zelfs noodig beide partijen, door tusschen-ten'^^^^^tlsschen
komst van den Nederlandschen gezant woëL
de garon tot eensgezindheid aan te g^'^tg^™
manen De Staten-Generaal gingen in hun antwoord deze aangelegenheid met stil-
zwegen voorby, en de oneenigheid, van welken aard zy geweest mögt zijn, openbaarde
zich niet verder naar buiten. Niettemin schijnt het builen allen twijfel dat de kiem
der latere verwijdering tusschen
maurits en oldenbarnevelt in het verschil van ge-
voelen gezocht moet worden, hetwelk destgds over de wijze van oorlogvoeren tusschen
beiden is ontstaan. Voor het eerst openbaarden zich thans de noodlottige gevolgen der
valsche verhouding, waarin de stadhouder, voormaals als plaatsvervanger van den vorst
verre boven de Staten verheven, door den loop der omwenteling tot hen geplaatst was.

Zestien jaren waren voprby gegaan sedert maurits, na den dood van zijnen onver- Verhoudingvau
getelijken vader, door de Stalen van de hoogeschool te
Leiden werd afgeroepen, om "o^j^r^^^tot^'^'^de
als hoofd van den Raad van State een werkzaam aandeel aan het bestuur van 's lands
aangelegenheden te nemen. Sinls dien tijd was hij met rassche schreden in eer en
aanzien geklommen. Vijf provinciën hadden hem achtereenvolgens de stadhouderlijke
waardigheid opgedragen, het opperbevel over de land- en zeemagt was hem toever-
trouwd , en de schitterende reeks van veroveringen en zegepralen, waardoor hij de Span-
jaarden allengskens van het grondgebied der Republiek had verdreven, hadden niet
slechts zijnen roem als veldheer ook in het buitenland gevestigd, maar vooral de burgers
der Vereenigde Gewesten met bewondering en liefde voor den prins vervuld, die zijn
bloed met zooveel onverschrokkenheid voor hunne vrijheid en veiligheid op het spel
zetle. Hoe meer echter zijn aanzien toenam, des te meer moest de tegenstelling
tusschen de uiterlyke eer, die hem ten deele viel, en de geringe magt, die hij in
vergelijking met de voormaligè stadhouders bezat, aan ieder in het oog vallen. Uit
een doorluchtig vorstenhuis gesproten, door den bloem
ύάπ Frankrijk's en Duitschland's
adel omringd, door zijne veelzijdige inkomsten tol het voeren van eene hofhouding
in slaat gesteld, nam hij in de Republiek eenen rang in, welke geen ander burger,
geen ander staatslid, hoe aanzienlijk en vermogend, kon bereiken. Doch hoezeer in
schijn aan een vorst gelijk, was hij in werkelijkheid slechts de eerste ambtenaar en
dus insgelijks een dienaar der Slaten, op wie de souvereiniteit na de afzwering van den
wettigen landsheer was overgegaan. Het schijnt niet dat
maurits in de eerste jaren van
zijn openbaren loopbaan deze tegenstelling gevoeld of zich althans daarover geërgerd
heeft. Zich geheel toewijdende aan de gewigtige taak, die hem als opperbevelhebber

1 bor, IV bl. 665—668. var der kemp, t. a. p. H bi. 296 (245.)

lil Deel. 2 Stuk. 21

ocr page 35

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

ICOO. over de krijgsmagt der Slaten was opgedragen, had hij het staatsbestuur Yolgaarne aan
hen overgelaten i. Doch zou men met grond kunnen betwijfelen, dat de gedachte aan
een hoogeren rang nu en dan bij hem opkwam en, welligt door de inblazingen van
vrienden en vleijcrs, meer en meer ingang vond? Hij was in het bezit der bezegelde
akte, waarbij aan zijnen vader het grafelijke gezag over
Holland was opgedragen.
Voorzeker droeg hij insgelijks kennis van het ontwerp der voorwaarden, onder welke
WILLEM I, indien hij was blijven leven, gehuldigd zou zijn geworden, en waarin de
Slaten hadden aangenomen na diens overlijden een zijner zonen naar hunne keuze tot
zijnen opvolger te benoemen \ De stoet van Fransche en Duitsche edellieden, die
MAURiTS omringde, en aan een bijkans onbeperkt vorstelijk gezag gewoon was, werkte
gewis niet mede om hem op den duur tevredenheid met zijne ondergeschikte betrek-
king in te boezemen. Republikeinsehe staatsinstellingen waren destijds in de naburige
landen weinig bekend en nog minder geacht, In vreemde werelddeelen waren zij zoo onge-
woon , dat de Stalen het noodig achtten de aanbevelingsbrieven, die zij aan de koop-
vaardijschepen naar
Oosl-Indië medegaven, van maurits als het hoofd van den staat
Ie doen uitgaan en deze maatregel was voorzeker niet geschikt om het denkbeeld
aan die waardigheid uil 's prinsen gedachten te verbannen. De slag bij
Nieuwpoort gaf
daaraan een nieuw en krachtig voedsel. Het gevaar, waarin het gansche leger kort
na de ontscheping had verkeerd, zou niet mogelijk zijn'geweest, indien
maurits'bezwa-
ren meer bij de Staten gegolden hadden, en de prins hield zich voorzeker overtuigd
dat de onbeleekenende uitslag van den veldlogt alleen te wijten was aan hunne ver-
keerde inziglen en hunnen onwil, om hem lot eene belegering in staat te stellen.
De meening van den Franschen gezant
de buzanval, dat het Slaalsche leger veelmeer
zou hebben uilgerigt, indien
maurits, in plaats van een dienaar der Staten te zijn,
zelf koning was geweest werd ongetwijfeld door velen gedeeld.

Invloed van Van dien lijd af begonnen in Zeeland en Gelderland stemmen gehoord te worden,
^zZlanT^^ verheffing van den prins lot de souvereine waardigheid aandrongen. Als

markies van Vere en Vlissingen had maurits in het eerstgenoemde gewest een
groolen invloed, die nog aanmerkelijk vermeerderd was, sedert hij het regt had
verkregen, om als Eerste Edele ^ den Zeeuwschen adel in de vergadering der

1 Vgl. hiervoor, D. 111 St. 1 bl. 430—434.

2 Hiervoor, D. 111 St. 1 bi. 85, 90 N". 49. *

3 Zie o. a. ResoL v. Holland, 1594, bl. 333.

^ Lettres de buzanval {Cod. Dipl.) ρ. 312: »Je vous avoue que a bataille de Nieuport a lait
paroilre la ibrce des Archidacs; mais si un Roy se fust trouvc en posture pour recueUlir lore et
profiter de teile ruine, l'échec eut bien este plus grand."
s Hiervoor, D. II St. VI bl. 486.

ocr page 36

DES VADEKLANDS. 165

Slalen te Tertegenwoordigen. Tijdens keizer karel V had de markies van Vere en 1600.
Ylissingen inderdaad deze waardigheid bekleed; doch toen na diens dood zijn met schul-
den bezwaarde en verworpene boedel door de schuldeischers was in beslag genomen,
had prins
Willem I in 1562 Toor zijnen oudsten zoon filips willem, die als heer van
Sl. Maartensdijk in rang op den markies volgde, op het regt van Eerste Edele aan-
sj)raak gemaakt. Daarentegen had koning
filips het markgraafschap gekocht, doch
ten gevolge der spoedig daarop gevolgde onlusten weinig gelegenheid gehad, om zijn
beter regt tegenover prins
willem te handhaven. Reeds in 1577 was de laatste, als
vader en voogd van zijnen zoon
filips willem, door de Staten vaa Zeeland in zijn regt
bevestigd, hetwelk boven alle bedenking verheven werd, toen hij in löSl, na de
afzwering van
filips, op zijne beurt door koop eigenaar van het markgraafschap gewor-
den was. Sedert 1579 had hij zich op de Staten-vergaderingen door
pibter de rijke
laten vertegenwoordigen, die in 1586 een nieuwen lastbrief van maurits ontvangen had.-
Toen
de rijke tien jaren later overleed, benoemde de prins zijnen hofmeester jacob de
MALDERÉE in dicns plaats. De graaf van Jlohenlo kwam hiertegen in verzet, daar hij
als bewindvoerder der goederen van zijnen behuvvdbroeder
filips willem, heer van Sl.
Maartensdijk
, op het regt aanspraak maakte om den gemagtigde van den Eersten Edele
te benoemen. De Staten van
Zeeland beslisten het geschil echter ten gunste van maurits ,
die daardoor een gewigtig aandeel in de regering van dat gewest verkreeg, hetwelk te
grooter was, daar de hem toebehoorende en zeer verknochte steden
Vere en Vlissingeti
sedert 1574 tot de stemhebbende steden behoorden, wier afgevaardigden geregeld ter
Staten-vergadering beschreven werden

Het was niet onnatuurlijk, dat in Gelderland^ meer dan in eenig ander gewest, de stemming van
monarchale regeringsvormen, die met de afzwering van koning
filips voor republikeinsche
instellingen hadden plaats gemaakt, door velen werden teruggewenscht. De ridderschap pi'»8.
maakte aldaar het eerste lid der Slalen uit en had eene groole mate van magt en aan-
zien behouden. Voortdurend met den naburigen Duitschen adel in aanraking, moest
het gevoel van weerzin legen de klimmende magt der burgerlijke regenten, hetwelk de
geest des tijds medebragt, bij haar inzonderheid levendig blijven Na den Vlaamschen

1 VAN DER KEMP, t. a. p. 11 bl. 15—17, 147—152. Vgl. κοκ, Vaderlandsch Woordenboek, in
voce
Zeeland. De overige stemhebbende steden waren Middelburg^ Zierikzee, Goes en Tholcn.

2 Belangrijk is in dit opzigt het berigt aan de Stalen van Doornik en het Doornikeche, door
hunnen afgevaardigde bij de onderhandelingen te Bergen-op-Zoom: »Le comte Benting neus a
declairé qn'ilz ent mis en déliberation de se cantonner, et ne vouloir traicterque, prealablement,
il fust arrestc entre eux de ne point reconnoistre de prince souverain: cc que les Ghcldrois ont
contredit, par une raison que après Pahjuralion du prince, Ic peuple se vouldroit mectre aussi

21 *

ocr page 37

1600.

164 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

logt begon dit gevoel zich allengskens in meer bepaalde vormen te openbaren. Gelijk
in
Zeeland door velen voor de verhefling van maurits lot de grafelijke waardigheid ge-
yverd werd, zoo openbaarde zich in
Gelderland de wensch, om hem lot hertog van
dat gewest verheven Ie zien ^

In Holland^ waar de republikeinsche regeringsvorm vaster dan elders gevestigd was
en de stedelijke vroedschappen er voortdurend naar streefden hare magt, ook len koste
van de eenheid en klem des bestuurs, uit te breiden, moest dit verlangen aan velen
onaangenaam zijn, daar men leregt begreep, dat het voornaamste gewest niet achter
kon blijven, als
Zeeland en Gelderland voorgingen Hoe beperkend ook de voor-
>vaarden waren, waaronder prins
Willem I, indien hy was blijven leven, als graaf zou
gehuldigd zijn: de Staten, wier vergadering thans met souvereine waardigheid bekleed
was, zouden in gezag en aanzien aanmerkelijk verliezen, wanneer
ma.urits de plaats
innam, die voor zijnen vader was bestemd geweest. Ook liep
Holland gevaar zijne
overwegende stem in de Slaten-Generaal en de leiding der algemeene aangelegenheden
te verliezen, wanneer de prins, achtereenvolgens door de onderscheidene gewesten tot
souverein aangenomen, zich minder om de byzondere regten en belangen van één ge-
west dan om het algemeene welzijn van den slaat zou behoeven Ie bekommeren. Deze
laatste bedenking moest te zwaarder wegen, naarmate er reden was om te vermoeden,
dat, bepaaldelijk met het oog op de vermindering van//οί^αηίί'^ overwigt,
'm Zeeland
MAURiTS verheffing werd aangedrongen

Reeds in 1601 en 1602 grepen er gebeurtenissen plaats, die zoowel de begeerte van
den prins naar souvereine magt als de ongeneigdheid der Hollandsche staatslieden, om
hem die te verleenen, te kennen gaven. Op den
ai'·®"" Mei 1601 vervoegde maurits
zich lot de Staten van Holland, len einde hun gevoelen te vernemen of het hem vrij
zou staan «tot sijnen koste en pericule met sijn Hulperen jegens de Spagnaars en haare
Adherenten, en op Landen niet neutraal weesende, oorlog te voeren. Plaatsen
Ie veroveren, en deselve in souverainiteit sonder iemands tegenseggen te behouden
en beselten V De afgevaardigden der steden achtten zich onbevoegd, daarover te be-

Pogingen, om
hem tot souverein
te verheffen.

1

au-dessus de Ia noblesse, ct que les princes voisins, pour Ie scandal qui en réussiroxt a leurs
subjectz, ne soulTriroyent un tel establissement de nouvelle républicque, avec émancipation de robé-
issance du princc."
gachard, Etats généraux d. 1600, p. 328.

1 Zie Naleezingen op wagenaar, I bl. 317, 324. Yerhooren van oldenbarnevelt (uitgegeven
door het Historisch genootschap te Utrecht, 1850) bl. 214 13.

2 Volgens oldenbarnevelt, in de Naleezingen op wagesaar, 1 bl. 320.

TAN DER KEMP, t. a. p. 11 bl. 100, 390 (297).

4 Uesol V. Hollandt 1601, bl. 237. De prins vroeg tegelijkertijd »of men sijn Excell. soud

Gevoelen der
Hollandsche
staatslieden, ten
opzigte der sou-
vereiniteit van
den prins.

ocr page 38

DES VADERLANDS. Â· 127

raadslagen, zonder eerst hunne lastgevers geraadpleegd'Ie hebben; en het blijkt üiet 1600.
dat in deze zaak een nader besluit is gevallen. Op den Maart 1602 kwamen
eenige voorname Hollandsche regenten op verzoek van
oldenbarnevelt ten zijnen huize
bijeen. De advokaat deelde hun mede, dat zoowel de pensionaris van
Zeeland johaw
van der wergke
als de malderée hem hadden voorgehouden, dat men, om tot eene
betere regering te komen, aan zijne excellentie de grafelijke waardigheid behoorde op te dra-
gen. Hij achtle het onwaarschijnlijk dat beiden zich in dier voege zouden hebben uitgelaten,
indien er niet eenig plan bestond om de Staten van
Zeeland daartoe te bewegen, het-
geen zyns inziens niet moeyelyk zou zijn, daar
Vere en Vlissingen den prins toebehoorden,
T/iolen van de malderée afhankelyk was, en ie Middelburg^ van waar men de meeste te-
genkanting verwachten kon, waarschijnlijk met dit doel de hekken verhangen waren
Na voorts de groote verdiensten, zoowel van
Willem I als van maurits, aan de aanwe-
zigen herinnerd te hebben, onderwierp hij de zaak aan hun oordeel. De meesten ver-
klaarden , dat zij het voor den prins, onder de tegenwoordige omstandigheden, geenszins
raadzaam achtten het grafelijke gezag te aanvaarden. Niet slechts zou de schuldenlast,
waaronder het land gebukt ging, daardoor voor zijne rekening komen, zonder dat er
eenige hoop was dien vooreerst te zien afnemen, maar de vijand zou ook te meer naar
zijn leven staan, gelijk uit het voorbeeld van zijnen vader gebleken was. Ook achtte
men het niet geoorloofd zonder voorkennis van
elizabeth tot zulk eene verandering in
den regeringsvorm over te gaan en vreesde bovendien den koning van
Frankrijk te

willen consenteeren alleen tusschen de Cape Verde en de Cape Bone Esperance Peper en Gengber,
wit en 8Λν3ΐ·1, te moogen doen haaien." De steden verklaarden daarin groot bezwaar te zien en
de latere oprigling der O. 1. Compagnie deed dit verzoek van zelf vervallen. Daarentegen stonden de
Staten-Generaal den 1»'®" April 1602 aan
maurits «όη tiende toe van al den buit, die aan deze
zijde van den Kreeftskeerkring behaald zou worden, en c'cn dertigste van den overigen buit.
Vgl.
van wijn op wacenaau, IX bi. 48—50. Hieruit blijkt de onjuistlieid der, overigens geheel
ongestaafde, opmerking van den op dit punt zeer partijdigen
van beyd, bl. 411 j dat het » onraet-

sacm wert geacht, die hoofden al te rijck te maken--, om dat quade Regenten dickwils mis-

bruycken hare macht tegens die Vrijheyt, *t welck die goede mede misgelden moeten," Deze
plaats bewijst overigens, dat er in
Nederland inderdaad nog bij velen vrees voordeepotismc, zelie
van den kant der JVassausche helden, bestond.

ï Dit doelt waarschijnlijk op de jaarlijksche verandering der regering, waarbij prinsgezinden in
het bestuur gebragt konden zijn.

2 Aan hare toestemming kon echter bezwaarlijk getwijfeld worden, daar zij in 1599 door tus-
schenkomst van
koël de caron aan de Staten-Generaal had verklaard, dat zij volgaarne zien zoude
dat prins
maurits door hen tot souverein verkozen werd, veel liever althans dan dat zij zich, uit
behoefte aan eenen vorst, aan den koning van
Frankrijk onderwierpen, van rbtd, bl. 404 a.
Vgl. echter de Verhooren van oldenbarnevelt , bl, 216 (18).

ocr page 39

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1000. beleedigen, die in vroegere dagen niet vreerad aan het denkbeeld was geweest, om zich
aan de Vereenigde Gewesten tot souverein aan te bieden i. Hierop nam de bijeenkomst
een einde, nadat de aanwezigen elkander geheimhouding hadden beloofd.
Oldeinbar-
WEVELT zelf had zich over de wenschelijkheid van 's prinsen verheffing niet uitgelaten;
doch de vorm en inhoud zijner rede laten geen twijfel over, dat hij deze geenszins
wenschelijk achtte 2. Hoe kon hij ook met èen plan ingenomen zijn, hetwelk niet
slechts met
Hollandss belang streed, maar ook zyn eigene magt aantastte, en welks
verwezenlijking hem gedwongen zou hebben een groot gedeelte van het bestuur in
handen van
maurits over te geven. Wel had hij bij den dood van prins willetji I
voorgesteld, den jeugdigen
maurits in zijns vaders plaats als graaf te huldigen: maar
sedert dien tijd was hij zelf door zijnen veelvermogenden invloed, zoo niet in naam
dan toch met de daad, het hoofd niet slechts van
Holland maar ook van de gansche
Republiek geworden. Onder zijne leiding waren de eerzuchtige oogmerken van den
graaf van
leicester verijdeld, vriendschappelgkc betrekkingen met Frankrijk ^ώ Enge-
land
onderhouden, de magt en het aanzien der Staten ook in het buitenland aanmer-
kelijk toegenomen,
Hollandss invloed op de regeling der algemeene aangelegenheden
bevestigd en, voor zooverre de gebrekkige regeringsvorm het toehet, orde en eenheid
in het bestuur gebragt. Voorzeker kan het niet bevreemden, dut
oldenbarnevelt thans
ongezind was de hoogste magt aan
maurits af te staan, aan wiens geschiktheid voorde
behandeling van staatszaken hij gegronden twyfel koesterde en wien hij thans minder
dan ooit genegen achtte om zich onbepaald aan zijne leiding over te geven
\'^er\vijdering Er was derhalve, tot onberekenbaar nadeel voor de Republiek, eene bron van ver-
luï^en oi.Ïen- wijdering tusschen de beide mannen ontstaan, aan wier zamenwerking zij hare vrijheid
BARNEVELT. ^^^ aauzicu te danken had. Het gebeurde vóór en na den Vlaamschen togt had

1 Hiervoor, D. 111 St. I bl. 395. ,

2 Het gevoelen van oldenbarkevelt bleek nog duidelijker bij eene volgende vergadering in 1603,
over een ander onderwerp door hem belegd.
Nalees. 1 bl. 322—324. Zie ook bl. 317—321.
van der kemp, t. a. p. 11 bl. 392.

Zie de aanhaling uit de Mémoires de düplessis-mornay hiervoor, D. 111. St. 1 bl. 430 n. (1).
A'gl. G. w. vreede, Inleidiyig tot de geschiedenis der Nederlandsche Diplomatie, 1856, 1 bl. 134.

^ Wel verklaarde oldenbarnevelt in 1619 {Waarachtige Historie, bl. 350), dat bij maurits
gaarne in het verkrijgen der Souverainiteit behulpzaam zou geweest zijn, indien deze hem zelf
daarover had willen aanspreken; doch juist in dien eisch, dat de prins persoonlijk zijne mede-
werking en als het ware zijne toestemming verzoeken zou, ligt een blijk dat bij alleen genegen
was
maurits te verhefFen, wanneer deze zich aan zijne leiding wilde blijven onderwerpen. Vgl.
Nalees, op wagekaar, 1 bl. 325 vv.

ocr page 40

DES VADERLANDS. Â· 127

bij prins maurits het denkbeeld opgewekt, dat hem ten onregte een gezag onthouden l6oo.
werd, hetwelk hem, al ware het ook slechts in het belang van eene doelmatige krijg-
voering, meer dan ooit begeerlijk voorkwam.
Oldenbarnevelt was daarentegen begon-
nen de bedoelingen van den prins te wantrouwen, die zijns inziens naar hooger gezag
streefde, dan voor het welzyn der Vereenigde Gewesten, bepaaldelyk van
Holland^ en
niet minder voor zijn eigen invloed wenschelijk scheen

Reeds vroeger had karel roorda, een Friesch edelman, lid der Gedeputeerde Vroegere arg-
Slaten van zijn gewest, een diergelijken argwaan gevoed en zelfs ontboezemd, ifetrek-

Hoezeer aanvankelijk met graaf Willem lodewijk bevriend, die hem zijn g^QSche
vertrouwen geschonken had, was hij allengskens gewoon geraakt elke van diens JinpQ
handelingen als een blijk van een heimelijk streven naar onbeperkt gezag te
beschouwen. Voorzeker was de stadhouder aan zulk een opzet volkomen vreemd
gebleven. Dat hij het hem vrijwillig opgedragen gezag zocht Ie handhaven, koa
hem te minder euvel worden geduid, daar het vaak door tweedragt verscheurde
Friesland aan zyne verstandige leiding de grootste behoefte had. Afkcerig van geweld,
zocht hij steeds door overtuiging op zijne tegenstanders te werken en de gerezene ge-
schillen langs den weg van minnelijke schikking uit den weg te ruimen. Het belang
der aan zijne zorg toevertrouwde gewesten en van de gansche Republiek woog by
hem meer dan de bevordering van eigen magt en aanzien; en het was geen overdrij-
ving of zelfmisleiding, toen hij in lö96 bij gelegenheid van eenen twist over de bezet-
ting van
Coevorden aan de Staten-Generaal schreef, dat zij bij hunne beslissing van
deze zaak niet schromen moesten hem een regt te ontzeggen, hetwelk de voormalige
stadhouders zonder tegenspraak hadden uitgeoefend, zoo slechts het algemeene belang
daardoor kon bevorderd worden 2. Doch de zucht om het streven naar zelfstandigheid en de
vaak bekrompene baatzucht der afzonderlijke gewesten, waarboven zoowel
maurits als Wil-
lem lodewijk
door de uitoefening van het stadhouderschap in onderscheidene provinciën
uit den aard der zaak verheven waren, tegen te gaan, gaf somtijds aan des laatsten
handelwijze eene kleur van eigendunkelykheid en weerstreving van
Friesland^s belang
en invloed, waarin velen een bewijs van heerschzucht meenden l.e zien. Niet minder

1 Volgens uytekbogaert, Kerckelijckc Historie ^ 1647, bl. 1203, zou oldekbaiinevelt kort voor
zijnen dood verklaard hebben, dat hij reeds van 1600 af het vermoeden had gekoesterd, dat
mau-
bits
)) stont na de ^ouverainiteyt of meerder Authoriteyt in 't Landt." Vgl. van wijn op avagE'
naar, IX bl. 49. Nalees. 1 bi. 315, 325. s stijl, de opkomst en bloei der Vereenigde Neder-
landen^
1824, bl. 297. van der kemp, t. a. p. II bl. 85—92 bildehdijk, Geschiedenis des Ya-
derlands,
VII bl. 196.

2 Hiervoor, D. III St. I bl. 458. van der kemp, t. a. p. II bl. 171 (84). Vgl. j. a. c. va5
üeusde, diatrihe in güilielmi ludovici nassavii vitam^ ingenium, merita, 1835, p. 166—178.

ocr page 41

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1600. dan OLDENBARNEVELT was WILLEM LODEwuK van NassQU overtuigd, dat het welzijn der
Republiek de bevordering yan eenheid en klem in het bestuur der algemeene aan-
gelegenheden dringend vereischte. In plaats van de Staten van
Friesland in hunne po-
gingen te ondersteunen, om zich van de overige gewesten, en vooral van
Holland,
zoo onafhankelijk mogelyk te houden, onderwierp hij zich vrijwillig aan de Staten-
Generaal als het hoogste regeringsligchaam der Republiek, onderhield in alle gewigtige
zaken gemeenschappelijk overleg met
mauivits en oldenbarnevelt en wilde liever den
overwegenden invloed der Staten van
Holland dulden, dan de zoo hoogst noodige en
toch nog vrij zwakke centralisatie ondermijnen, die daardoor werd te weeg gebragl. Γη
plaats van dit als eene prijzenswaardige zelfverloochening te beschouwen, waren vele
Friesche regenten ten uiterste verstoord over een gedrag, hetwelk naar hun gevoelen
aan den invloed, de magt en de onafhankelijkheid van hun gewest afbreuk deed. In-
zonderheid was KAREL ROORDA daardoor hevig tegen den stadhouder ingenomen.
Als grielman van
Idaarderadeel had hy zich reeds by den aanvang der beroer-
ten door vurige vrijheidsliefde onderscheiden en aan het verbond der edelen deel-
genomen. Later had hij het sluiten der
Unie van Utrecht krachtdadig bevorderd,
gewigtige ambten bekleed en zich met ijver tegen de heerschzuchtige plannen
van LEiGESTBR aangekant.
Friesland''s zelfstandigheid en vrijheid waren hem boven
alles dierbaar; en toen de eerste door den stadhouder scheen te worden opgeofferd,
kon hij het vermoeden niet van zich weren, dat deze alleen uit heerschzucht
de Staten van
Holland als naar de oogen zag en welligt geheime bedoelingen
in zijn schild voerde. Mögt zyn argwaan ook al gebrek aan menschenkennis ver-
raden : het is niet te ontkennen, dat de toenmalige toestand van gansch
Europa en de
treurige ondervinding der laatste halve eeuw niet geschikt waren om de gemoederen
der vryheidlievende Nederlanders met blind vertrouwen in hunne doorluchtige aanvoer-
ders te vervullen. In
Duitschland, in Frankrijk en zelfs in Engeland werd door de
vorsten zoowel op staatkundig als op kerkelijk gebied bykans onbeperkt ίgezag uilge-
oefend. De Nederlandsche gewesten waren reeds sints eeuwen in het bezit van privi-
legiën geweest, die hun eene voor dien tgd zeer groote male van vrijheid waarborgden.
Doch zoodra zij niet langer door verschillende graven en herlogen bestuurd, maar onder
éénen schepler vereenigd waren, had het overal heersehende despotisme getracht zich
ook bij hen te vesligen; en zelfs de vorsten en aanzienlijken, die zich als beschermers
der vrijheid hadden welen in te dringen, hadden hunne magt misbruikt om langs den
weg van list en geweld naar onbeperkt gezag te streven.
Willem I alleen maakte eene
schitterende uilzondering op die rij van eerzuchligen, die alleen uit eigenbelang de
gunst van het Nederlandsche volk hadden trachten te winnen: doch wie kon verzeke-
ren dat zijne zonen en de overige telgen van het huis van
ISassau, waaruit hij gespro-
ten was, insgelijks met zijnen zelfverloochenenden geest bezield zouden zijn? In 1597

ocr page 42

DES VADERLANDS. Â· 127

was EAREL ROORDA ζοοζΘβΓ door diergelijke overwegingen in iijn Yertrouwen op den leoo.
stadhouder en daardoor insgelijks op prins
maurits geschokt geworden, dat hg zelfs
eenen brief aan de stedelijke regering
Tan Enkhuizen schreef, om haar tegen de
eerzuchtige plannen van het huis van
Nassau te waarschuwen. In de vergadering der
Stalen van
Holland overgebragt, wekte dit geschrift niet slechts de verbazing maar
ook de verontwaardiging der aanwezigen, die terstond het besluit namen diergelijke
aantijgingen op eene krachtige wyze te keer te gaan. In een belangryk stuk, tot
de Staten van
Friesland gerigt, en hoogst waarschijnlijk door oldenbarnevelt opgesteld,
herinnerden zij aan de onwaardeerbare diensten, door den prins van
Oranje en zijne
broeders aan de zaak der vrijheid bewezen, en wezen op de dankbaarheid, welke alle
goede patriotten dien ten gevolge aan het huis van
Nassau verschuldigd waren. Zg achtten
het onwedersprekelijk, dat zoowel de Vereenigde Gewesten in het algemeen als elke
provincie in het bijzonder niet in welvaren, rust en eenigheid konden gehouden worden,
tenzij het beleid der algemeene zaken » aan beeren en hoofden van kwaliteit" werd opge-
dragen , en dat er geen te vinden, ja zelfs te bedenken waren, die met meer vertrouwen,
gerustheid en voordeel gebruikt konden worden, dan de afstammelingen van genoemden
prins en van zyne doorluchtige broeders. Zij eindigden met de betuiging, dat
roorda
naar hun inzien geen ander doel kon hebben, dan tweedragt tusschen de provinciën en
sleden te zaaijen, en dat zij niet aarzelen zouden een diergelijken onruststoker, indien
hij in hun gewest gevonden werd, voorbeeldig te doen straiTen ^

Het is niet te denken dat een diergelijke brief, in zulke sterke bewoordingen vervat, Aanvang van
van de Stalen van Holland zou zijn uitgegaan, indien oldekbarneyelt reeds destijds
in de ongunstige vermoedens van
boorda gedeeld had. De oneenigheden tusschen maukits bij oh-

° Â° denüabnkvm-t.

matjrits en de Staten na den slag van Nieuwpoort schijnen bij den advokaat den eersten
twijfel omtrent de tevredenheid van
Hollandss stadhouder met zijnen ondergeschikten
rang te hebben opgewekt. Of hy reeds destijds begon te vreezen, dal
maorits, zelfs
wanneer bij tot graaf verheven werd, geen genoegen zou nemen met de beperkende
voorwaarden, \vaaronder die waardigheid aan zijnen vader was opgedragen, ligt in het
duistere. Voorzeker was het verzoek van den prins, om voor eigene rekening landen
en steden te mogen veroveren, niet geschikt om een diergelijken argwaan, wanneer zij
reeds bij
oldekbarnevelt was opgerezen, te verdryven. Zelfs droegen de Spaanschge-
zinde hovelingen der aartshertogen er toe bij, om dien veeleer te versterken, door in
hunne brieven aan
maurits' vertrouwelingen op de geringe vergelding te wijzen, die
de prins voor al zijne opofferingen te wachten had, daar zelfs de lilel van graaf van

1 Resol. v. Holland, 1597, bl. 164. vas heüsde, t. a. p. bi. 262—268. j. scheltema, Staal-
kundig Nederland,
1806, 11 bl. 258—260.

III Deel. 2 Stuk. 22

ocr page 43

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

^ 1600. Holland en Zeeland in hunne oogen slechts een «imaginaire lilel" was Hoe meer
de gedachle aan de mogelijkheid, dat
maurits heerschzuchtige plannen koesterde, bij
OLDENBARNEVELT opkwam, des te meer moest hg zich gedrongen voelen eene verheffing
legen te werken, die, ook onder de meest beperkende voorwaarden, voor den prins
den weg baande lot een onbeperkt gezag. Dat die vrees inderdaad by hem is opgeko-
men, heeft hij laler niet geloochend; doch het is onbekend wanneer hij daartoe ge-
gronde aanleiding gekregen heeft 2.
De staten la- Het jaar 1600, hetwelk door zulke gewigtige gebeurtenissen gekenmerkt werd, liep
ten^galeyen Lou ^^^ einde zonder den Slaalschen nog eene zegepraal Ie verschaffen, die even als de
overwinning bg
Nieuwpoort meer roem voor hunne wapenen dan duurzame vruchten
opleverde. Ten einde de rooverijen der Spaansche galeyen, die bij stil weder gedurig
uit de haven van
Sluis te voorschijn kwamen, met goed gevolg te keer Ie gaan, was
men op de gedachte gekomen insgelijks groole roeischepen Ie bouwen Je
Dordrecht
liep in September eene groole galei, de Zwarte bijgenaamd, van stapel, die terstond
naar
Zeeland gevoerd werd en in hel begeleiden der koopvaardijschepen groole diensten
Het Spaansche bewees. Den 50''®" November voer zij, door achllien jagten begeleid en met uitgelezen
bootsvolk bemand, des nachts de
Schelde op en kwam voor Antwerpen, zonder door de
\vpggerooftl. Spanjaarden bemerkt Ie zijn. Terstond werd het aldaar liggende admiraalschip, een
^ kolossale driedekker, aan boord geklampt en bemagtigd, lerwijl de trompetters door het

lustig blazen van Wilhelmus van Nassauwen de grootste ontsteltenis in de stad ver-

ï Nalees, op wagenaar, I bl. 320. V{jl. van betd, bl. 288.

2 Zie de Verhooren van oldenbarneveld, bl. 223. Op de vraag (N®. 36): »Of d'overleeden heer
van Busenval hem gevange nyet gescyt en heeft, dat hij zijn Exc.
Λνίΐ serieuselijk gesundeert hadde
op dit stuk van de Souvereinitcyt, en dat dcselve hem geantwoort liadde, dat hij hem liever
pre-
citccren wilde van den liaagschen tooren?" — volgt liet antwoord: «Seyt naar zijn beste onthout
zulke of gelijke propoosten van wijlen den heere van Busenval verstaan te hebben, te weten dat
zijn Exc. hem liever wilde precipiteeren van den haagsclien tooren, als de graafschap van Hollandt
aanneemen op te conditie tusschen liooggedachte heere prince van Orangien, zijn Exc. heer va-
der, en de heeren
Staaten van Hollandt en de Westvrieslandt gemaect."

3 Reeds vroeger had men in llollajid diergelijke, doch waarschijnlijk kleinere, schepen, waarop
deels gevangenen deels veroordeelden als roeijers gebruikt werden. Een reglement voor de
behandeling dezer
slaven of handilen komt voor in de Resol. v. Holland, 1598, bl. 249.
Zij kregen
2 pond roggebrood en ^ pond kaas daags, benevens versch water, bleven al-
tijd, ook 'snachts, aan elkander geketend, en niogten zich bij eenen aanval niet verroe-
ren, al liep men hen ook over het lijf. Zie voorts
R. v, IJ, 1598, bl. 367; 1599, bl.
138, 262 etc.
j. a, nijhoff. Bijdragen voor Yad. Gesch. en Oudh. IV bl. 227—243.
van wwn op wacenaan, IX bl. 53.

ocr page 44

DES VADERLANDS. Â· 127

spreidden, daar de burgerg den vijand reeds binnen de muren waande. Met haar kosl- - 1600.
baren prijs en nog zeven andere buit gemaakte schepen kwam de Zwarte galei den
volgenden morgen in
Zeeland terug, waar dit heldenfeit de grootste bewondering en
opgetogenheid verwekte

Intusschen hadden de Staten tot hun leedwezen de noodzakelijkheid ingezien, om Noodzakelijk-
zich met verdubbelde inspanning tegen den vijand te wapenen. Door de onderscheidene gen ίιεΓνοοΓ]α^
hulptroepen, die uit
Italië en Spanje in de zuidelijke Nederlanden verwacht werden,
zouden de aartshertogen, naar men berekende, zoozeer gesterkt worden, dat zij gemak- penen.
kelijk twee legers tegelijk in het veld konden brengen. Inderdaad had
Albertus , die zich
vleide in het volgende voorjaar op zijne beurt de Staatschen te overvallen, aan de
Staten van
Vlaanderen beloofd, dat hij reeds in Maart O^iend'e zou gaan belegeren, wanneer
de voorjaarsbuijen de Staatschen nog verhinderen zouden de bedreigde vesting over zee
ter huipe te snellen. Tevens had hij aan de regering der stad
Wezel doen welen, dat
hij het voornemen had aldaar zijn hoofdkwartier te vestigen, ten einde, welligt in over-
eenstemming met den graaf van
Oost-Friesland, de Republiek gelijktijdig aan de oost-
zgde aan te vallen. Ook kregen de Staten berigt dat in de Spaansche havens eene
nieuwe vloot werd uitgerust, uit kleine oorlogschepen zamengesteld, die beter dan de
kolossale galjoenen geschikt waren de Hollanders in hunne eigene vaarwateren te bestooken.
Er was dus geen twijfel aan, dat de voortzetting van den krijg nieuwe en groote offers
vereischen zou; en zoowel de regering als de burgerij toonde op nieuw, hoeveel zij voor
liet behoud der duur gekochte vrijheid over hadden. De muren en vestingwerken
van
Oslende werden hersteld en versterkt. Nieuwe belastingen werden uilgeschreven,
en, althans in
Holland, zonder eenig gemor opgebragl. Tegen het voorjaar werden
nieuwe troepen aangeworven, en prins
maurits hield zyne soldalen gereed, om binnen
korten tijd tot een leger verzameld te kunnen worden \

Terwijl men nog beraadslaagde, op welke wijze Ostende het best van eene bele- Plan vau eeu
gering bevrijd kon worden, hetzij door een nieuwen veldlogt in Vlaanderen,

waarop ίη viaanderen.

vele leden der Staten-Generaal aandrongen, hetzij door het beleg eener gewigtige
Belgische vesting, hetgeen
maurits en Willem lodewijk beter achtten, deed een voor-
slag van koningin
elizabeth de schaal naar der Staten meening overslaan. In April
1601 verklaarde zij zich bereid het Slaatsche leger met vijfduizend Engelschen te ver-
sterken, indien men beproeven Avilde de rondom
Ostende gelegene schansen in te ne-
men Haar aanbod werd met dank aangenomen, en
maurits liet zich bewegen om

1 bor, IV bl. 665.

bor, IV bl. 680—686. van meteren, f. 466 d, 467. van reyd, bl. 440, 443. behtivoglio,
bl. 679. lettres de büzakval (Cod. Dipl) ρ, 292.

3 van retd, hl. 445, zegt dat sommigen meenden, dat deze voorslag door sommige leden der

22 *

ocr page 45

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

I 1601· een aieuwcn inval in Vlaanderen voor te bereiden, hoewel hy zich voorbehield naar
gelang der omstandigheden 'in dit plan verandering te brengen. Niettegenstaande de
ondervondene teleurstelling, hadden de Staten de hoop nog niet opgegeven, om zich
gewapenderhand van een groot gedeelte van
Vlaanderen meester te maken; en hun
verlangen naar deze uitkomst werd voortdurend geprikkeld door de aanmerkelijke
schade, die zoowel de Duinkerksche kapers als de galeijen van
Sluis aan de scheep-
vaart der Hollanders en Zeeuwen berokkenden. Onderscheidene pogingen, om den
ingang der haven van
Duinkerken te versperren, door schepen, met steenen geladen,
aldaar te doen zinken, werden herhaaldelijk door de waakzaamheid der vijanden en de
vernielende kracht der golven verydeld; en de vrees voor den aantogt eener nieuwe
Spaansche vloot maakte het dubbel wenschelijk, om zoo mogelijk vóór dien tijd meester
van de voornaamste Vlaamsche havens te zijn Ook de koning van
Frankrijk achtte
het bezit van
Ostende voor de Staten van het hoogste gewigt, en gaf zelfs het uitzigt
op eene krachtdadige ondersteuning van zijne zijde, indien men op nieuw beproeven
wilde vasten voet in
Vlaanderen te zetten 2. De Engelsche hulptröepen, die tegen het
einde van Mei verwacht werden, waren echter nog niet aangekomen, toen de prins aan
de Slaten-Generaal mededeelde, dat de sterkte en de stelling des vijands in den omtrek
van
Oslende een diergelijken inval hoogst onraadzaam maakten, zoodat hij voorstelde van
dat plan af te zien en liever
Rhijnberk te belegeren. Daar de aartshertog de verwachte
versterkingen uit het zuiden nog niet ontvangen had, zou hy daardoor gedwongen worden
Bhijnberk in Staatsche handen te zien overgaan of Ostende te verlaten, om de eerstge-
noemde vesting te hulp te komen. In het laatste geval stelde
maurits zich voor on-
middellijk met alle beschikbare troepen in
Vlaanderen te trekken en het beleg om Hulst
te slaan, voordat Albertus terug zou kunnen keeren. De Slaten-Generaal vereenigden
zich met de zienswijze van den prins, die terstond de noodige maatregelen nam, om
zijn plan ten uitvoer te leggen, voordat de vyand daarvan kennis bekomen kon
Mauiuts be- Onder den schijn van het bruiloftsfeest van zijnen neef lodewijk Gunther van
Nassau bij te wonen, die met de weduwe van den graaf van Falckenslein in het

Staten aan elizabeth was ingegeven, om maurits te dwingen andermaal een Vlaamschen togt te
ondernemen, üet hooge gewigt, dat zoowel door de toningin
ytm Engeland als door den koning van
Frankrijk aan het behoud van Ostende gehecht averd (van den kemp, II bl. 344 N". 280), maakt
deze verklaring overbodig. Het vermoeden, dat
elizabeth naar het bezit van Ostende getracht
heeft (zie
wagenaar, IX bl. 111), wordt evenmin door andere omstandigheden bevestigd.

ï VAN METEREN, f. 466 b. GHOTIUS, p. 406.

2 VAN DER KEMP, II p. 344, No. 280.

^VAN REYD, bl. 443. GROTIUS, p. 406. VAN DER KEMP, II bl. 93, 311—314.

ocr page 46

DES VADERLANDS. Â· 127

huwelijk trad, begaf maurits zich in hel begin van Junij naar Arnhemy verzamelde icoi.
zijne troepen te
^s Gravenweert en trok daarmede den 12·^®" Junij ϊιάάτ Rhijnberk, Nadat
het Staatsche leger, omstreeks tienduizend man sterk, behoorlijk verschansd was, wer-
den de loopgraven tegen de vesting geopend. De bezetting, die bijkans drieduizend
man telde, en van krijgsvoorraad behoorlijk voorzien was, had eenige buitenwerken
opgeworpen, waardoor de nadering der stad zeer bemoeijélijkt werd. Met uitstekende
dapperheid betwistten de Spanjaarden den prins eiken voet gronds, en de voortgang der
aanvalswerken werd door hunne menigvuldige uitvallen zeer vertraagd. Het was derhalve
voor MAURITS eene groole teleurstelling, toen hij aanzoek kreeg om de twintig compagniën
Engelschen, die zich in zijn leger bevonden, terstond naar
Zeeland te laten vertrekken.
In plaats van
Rhijnberk te gaan ontzetten, had Albertus eindelijk aan het dringend
verlangen der Staten van
Vlaanderen gehoor gegeven, die hem eene aanmerkelijke ver-
hooging hunner opbrengsten beloofden, wanneer hij
Ostende met kracht wilde aantasten.
De Slaten-Generaal, die hun laatste bolwerk in
Vlaanderen lol eiken prijs behouden wilden,
beslolen terstond eene aanzienlijke versterking binnen de vesting te zenden, en droegen
het opperbevel aan
frakgis vere op, die met een gedeelte der Engelsche hulptroepen
uit
Engeland werd terug verwacht, Vreezende, dat de aartshertog Ostende slechts in
schijn belegerde, om het Staatsche leger te verzwakken en daardoor
Rhijnberk te redden,
maakte de prins groot bezwaar om zulk een belangrijk gedeelte zijner troepen weg te
zenden. Een uitdrukkelijk bevel der Staten-Generaal, die hem verzochten de bedoelde
compagniën terstond « zonder difficulteiten of verdere disputen" naar
Ostende te laten ver-
trekken , daar
frangis vere weigerde zonder zijne Engelschen derwaarts te gaan *, noopte
hem eindelijk toe te geven. Op zijn verzoek werden hem echter acht andere compagniën
uil de naaslbijgelegene garnizoenen toegezonden, wier plaats tijdelijk door gewapende bur-
gers werd ingenomen. Met y ver werd de aangevangene belegering van
Rhijnberk nu door
den prins voortgezet. Graaf
hermaw van dew berg, die op last van den aartshertog
aan hel hoofd van eenige troepen de vesting poogde te ontzetten, vond het Staatsche
leger zoo goed verschansd, dat hy onverrigler zake moest aftrekken. In het laatst van
Julij waren alle buitenwerken genomen en de wallen ondermijnd, waarop de bezetting
den 50'"^" dier maand de stad op eervolle voorwaarden aan
maurits overgaf

Na Rhijnberk in geduchten staal van tegenweer gebragt, Meurs bemaglied en Cracou, ,

" O Ïƒ σ Î¿ ο J Verdere krijgs-

hetwelk in Februarij door den Staatschen ritmeester cloet overrompeld was, versterkt bedrijven von

•MAURIXS

te hebben, ontbond de prins zijn leger op bevel der Staten-Generaal, die in het voor-

J VAN METEREN, f. 468 d. Zic OOk VAN DER KEMP, 11 bl. 324.

2 VAN REYD, bl. 446. VAN METEREN, f. 467 , 468. CROTIÜS, p. 407. BESTIVOGHO, LI. 679. CAR-
ΚΕΠΟ, p.
480. VAN DER KEMP, Π bl. 94, 314—334.

ocr page 47

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

' 1601. uitzigt der groole opofferingen, aan de verdediging van Oslende verbonden, de zware
onkosten eener behoorlijk toegeruste krijgsmagt te velde met haren omslagtigen trein
thans wenschten te vermijden. Daar de koningin van
Engeland nog slechts duizend
man hulptroepen bad overgezonden, vertrokken tweeduizend man Franschen, Duitschers,
Schotten en Walen naar de belegerde vesting, terwijl de overige troepen in onder-
/ scheidene sleden in garnizoen werden gelegd.
Maürits zelf begaf zich met graaf

WILLEM LODEwiJK, die hcm sedert den aanvang van het béieg van Rhijnberk op zijn
verlangen steeds vergezelde, naar
's Gravenhage, om met 's lands regering te beraad-
slagen, wat men tot ontzet van
Ostende zou kunnen aanvangen. Door de nalatigheid
van ELIZABETH in het zenden der beloofde hulptroepen was aan eenen veldtogt in
Vlaanderen niet meer te denken. Men besloot derhalve een sterk garnizoen, van zeven
tot achtduizend man, binnen
Oslende te leggen, opdat vere zelf in staat zou zijn door
krachtige uitvallen den belegeraars afbreuk te doen, en voorts te trachten, hen door
eenen aanval op een ander punt af te leiden. Andermaal ried de prins tot de belegering
eener belangrijke stad, als
Hulst, Grave of 'ä Hertogenbosch; doch de Staten waren
evenmin als het vorige jaar lot zulk eene onderneming geneigd, en drongen er weder
op aan, dat de prins door min kostbare aanslagen en strooptogten den vijand uit
Vlaanderen zou lokken. Maurits gaf aan hunnen wensch gehoor, en beproefde
i eerst de Spaansche galeijen bij
Sluis te overrompelen, hetwelk hem echter mislukte.

Vervolgens trok hij in Drahand, in de hoop de stad Weerty door eenige muitende
Spaansclie troepen bezet bij verrassing in te nemen; doch ook dit plan werd
verijdeld, daar de vijand by tyds gewaarschuwd was. Daar de prins het onraad-
zaam achtte met zijne geringe raagt verder in
België door te dringen, legerde hij zich
in het laatst van October bij '5
Hertogenbosch, en stelde op nieuw voor deze stad te

Vruclitelooze

belegering van belegeren. De Staten-Generaal gaven thans hunne toestemming en beloofden hem
sKeitogenhosch. jjjgj ggj^j troepen te ondersteunen. Terstond werd nu met de aanvals-

werken een aanvang gemaakt. Daar de aard van het terrein rondom de vesting maurits
echter niet toeliet, met zijn leger van achtduizend voetknechten en drieduizend ruiters
alle toegangen lot de stad te bezetten, viel het graaf
frederik. yan den berg , die
door den aartshertog met eenige troepen derwaarts was afgezonden, niet moeijelijk de
bezetting aanmerkelijk te versterken. Bovendien viel reeds op den 12''"° November een
sterke vorst in, die het werken aan de loopgraven tegenhield en de vrees deed ont-
staan , dat de vyand middelerwijl over het ijs eenen inval in
Holland zou ondernemen.
De prins brak dien ten gevolge den 27''®" November het beleg op, en keerde naar
'5 Gravenhage terug

Beleg van Het beleg van Ostende was inmiddels door den vijand met kracht voortgezet. Door
Ostende.

1 VAN METEREN f. 470. BENTIVOCLIO, bl. 684. VAN DER KEMP, II bl. 95, 334—365.

ocr page 48

DES VADERLANDS. Â· 127

hare natuurlijke ligging reeds bijzonder begunstigd, vcas de stad bovendien in het 1601.
vorige jaar door eene verhooging der wallen en nieuwe buitenwerken tot eene der
sterkste vestingen gemaakt, die in de
Nederlanden werden aangetroffen. De zoogenaamde
oude stad werd aan hare noordwestelijke zijde door de zee bespeeld, die haar aan den eenen
kant tot gracht verstrekte. De
nieuwe stad, door een muur van de oude afgescheiden, lag
meer landwaarts in en werd, behalve door den gewonen vestingwal, buiten de gracht door
een bedekten weg beschermd, die tot eene aanmerkelijke hoogte was opgetrokken en
insgelyks door eene breede gracht omspoeld werd. Aan de westzyde bevond zich de
haven, die echter het ongemak had van by ebbe bykans droog te loopen. Daarentegen
had de zee aan de oostzyde door inbraak een kanaal gevormd, hetwelk
de Geul ge-
naamd werd, en bij laag water nog twee vademen diep bleef. Door sluizen waren de
belegerden bij magie de hoogte van het water in de grachten te regelen en het omlig-
gende land gedeeltelijk onder water te zetten. Bovendien legde de moerassige land-
streek, waarin de vesting gelegen was, reeds op zich zelve den belegeraars groote
moeijelijkheden in den weg Op den vyfden July werd
Oslende door graaf frederiic
VAN DEN BERG berend, die zyne legerplaats by het fort Bredene aan de oostzijde der
stad opsloeg, terwijl de Spaansche generaal
geronimo de mohroy, die zich spoedig bij
hem voegde, zyn hoofdkwartier aan de westzyde bij het fort
St. Albertus vestigde. Een hevig
geschutvuur noopte hen spoedig zich verder van de vesting te verwyderen, dan zij aanvankelijk
noodig hadden geacht; en zoodra jonkheer
karel van der noot , die toen nog het opper-
bevel binnen
Oslende voerde, de eerste versterking van twintig compagniën onder den
Utrechtschen kolonel
johan tan hughtenbroegk ontvangen had, deed hij op den 13^'"
Julij eenen uitval, die aan meer dan vijfhonderd Spanjaarden en aan
monroy zeiven het
leven kostte. Toen
vere twee dagen later binnen de vesting gekomen en de bezetting
door de aankomst der Eogelsche troepen tot zevenduizend man geklommen was, werden
de aanvalswerken door diergelijke uitvallen herhaaldelyk aangetast en dikwerf vernield,
terwyl de belegerden bovendien onderscheidene nieuwe buitenwerken aanlegden. De
Spanjaarden, die inzagen dat het voor den uitslag van het beleg van het hoogste ge-
wigt zou zijn, indien zij van de haven meester waren, en daardoor den toevoer van
troepen en krijgsbehoeften beletten konden, besloten al hunne krachten op dit punt te
rigten. Met buitengewone inspanning en groote opofferingen werd de moerassige grond
op onderscheidene plaatsen gedempt en eene schans opgerigt, waardoor de haven be-
streken en aan de Staatsche schepen het binnenkomen onmogelijk gemaakt werd. De
belegerden wisten zich echter spoedig voor dit verlies schadeloos te stellen. Met overleg
van den hoofd-ingenieur
david van Orleans werd de Geul door eene opening in den

» VAN METEREN, f. 468 C. GROTIUS, p. 408. BENTiVOGLIO, bl. 681.

ocr page 49

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1601. bedekten weg, voor welke eene halve maan werd aangelegd, toegankelijk gemaakt, zoodat
de schepen weder uit zee in de stadsgrachten konden komen. Te vergeefs beproefden de
belegeraars, ook dit vaarwater onbruikbaar te maken: zoowel het geweld der baren als
het geschut der vesting verijdelden al hunne pogingen, om dit doel te bereiken. Wel
Avierpen zij ook aan de andere zijde batterijen op, waardoor
de Geul bestreken werd;
doch de schade, die zij daardoor aan de Staatsche schepen toebragten, was gering in
vergelyking der onwaardeerbare voordeelen, die het bezit eener haven aan de belegerde
vesting verschafte.

Intusschen begon de vgand de stad aan de westzijde met zijne loopgraven en ver-
schansingen zoo nabij te komen, dat men reeds voor het ondermijnen der wallen
begon te vreezen. Thans ging
vere tot eenen maatregel over, reeds vroeger door prins
MAURiTS aangeraden, doch tot nog toe op aandrang der stedelijke regering uitgesteld,
daar het twijfelachtig was, of de belegerden er niet evenveel als de belegeraars door
zouden Igden, Op den 26''"" Augustus werd de zeedyk in het westen doorgestoken.
Met kracht drong het zeewater door de opening naar binnen, vernielde verscheidene
werken der Spanjaarden en overstroomde den ganschen omtrek der vesting, zonder
hare wallen, gelijk men gevreesd had, aanmerkelijk te beschadigen. Niet tevreden,
het verlies der oude haven door de opening van
de Geul vergoed te hebben, maakten
de Staatschen bovendien eene nieuwe invaart in het midden der stad, waardoor de
schepen minder aan het vijandelijke geschut waren blootgesteld. Ten einde de daarvoor
aangelegde hoofden en de overige vestingwerken tegen het geweld der golven te be-
veiligen, werd echter een buitengewone en onafgebrokene arbeid vereischt. De zee
kon alleen dan eene bondgenoote blyven, wanneer zij met kracht en beleid in toom
gehouden werd; en het beleg van
Ostende is niet minder merkwaardig wegens de
inspanning en het vernuft, tot beteugehng der onstuimige baren aangewend, dan door
de volharding en den moed, dien de belegerden in het afweren van den vijand hebben
len loon gespreid.

Bespeurende dat alle pogingen, om de Staatsche schepen te beletten de vesting bin-
nen te varen, vruchteloos waren, nam de aartshertog, die herhaaldelyk met zijne
gemalin het Spaansche legerkamp bezocht, in December het besluit, door een alge-
meenen storm op de buitenwerken zijn doel naderbij te komen. Hoewel νεκΈ, die
door gevangenen van dit voornemen kennis kreeg, de vorige aanvallen steeds met goed gevolg
had afgeslagen, achtte hij zich op dat oogenblik builen staat den vijand weerstand te
bieden. Zijne Engelsche soldaten, minder dan de overigen tegen de vochtigheid
van het klimaat bestand, waren grootendeels wegens ziekte naar hun vaderland terug-
keerd. De bezetting telde nog slechts achthonderd weerbare mannen en hoewel

PH, FLEMING, Oostmdc, 1621, bl. 170.

ocr page 50

DES VADERLANDS. Â· 127

men eerlang versterking uit Zeeland vervvachlle, kon het vvegens de bijkans onafge- " 1601.
brokene zuidewinden en de hevige winterstormen nog wel geruimen tijd duren, eer
die de haven binnenkwam. Ook verkeerden de door de golven gebeukte wallen niet in den
besten staat, en de rijswerken, tot hunne versterking aangelegd, waren op onderscheidene
plaatsen door den vijand in brand gestoken, In deze omstandigheden begreep
vere zyne Krijgslist van
toevlugt tot eene krijgslist te moeten nemen, om den gevreesden aanval te voorkomen.
Zonder medeweten zijner onderbevelhebbers knoopte hij in het geheim onderhandelin-
gen met ALBERTUS aan, alsof hij geneigd was de vesting op te geven. Deze handel-
wyze, die niet verborgen bleef, wekte niet weinig argwaan, zoowel bij de bezetting
als bij de burgerij.
Vere verontschuldigde zich echter door te verklaren, dat hij geen
ander doel had, dan den vijand op te houden, totdat de verwachte versterkingen
waren aangekomen, riep zijne officieren bijeen, ontvouwde hun den slaat van zaken,
en onderwierp aan hun oordeel, of het mogelijk zou zijn een algemeenen storm af Ic
slaan. Eenparig >vas het gevoelen, dat de buitenwerken in het geheel niet te houden
waren en er geen ander middel was, om de stad te redden, dan zich tot de verdedi-
ging harer wallen te bepalen. Daar het echter niet te betwijfelen viel, dat
Oslende
spoedig voor den aartshertog zou moeten bukken, wanneer de buitenwerken in diens
handen waren, besloot
vere met toestemming van den krijgsraad ^ de onderhandelingen
openlijk voort te zetten. Den December werd een wapenstilstand aangeknoopt,

gedurende welken de buiten Oslende gelegene schansen door de Staatschen verlaten wer-
den en twee Spaansche hoofdoiïicieren binnen de vesting kwamen y om de voorwaarden
der overgave van
tere te vernemen. Door allerlei listen en uitvlugten wist de laatste
deze inedcdeeling tot den uit te stellen, toen des morgens drie schepen met vijf

Zeeuwsche compagnien in het gezigt kwamen en behouden de haven binnenzeilden.
Terstond deelde
vere den lelcurgestelden Spanjaarden mede, dat hij alleen om lijd Ie
winnen in onderhandeling was getreden De aartshertog
albertüs was over dit be-

ï FLEMING, bl. 178: »Die van dc vcrgadcringhc sijne intentie ^Iichoort hebbende, wert by haer
licdcr hooclilijck glielandeert, presserende hem by naest met groole importunitcyt lot den voorfganck
desselfs: maer als die saeeke ghedebatteert wert, wie men in Oslagie soude over senden, om die
saccke int Averck te leggen, ende executeren, soo vielen sy af." Met moeite haalde
vehe namelijk
twee oiBciercn over, als gijzelaars naar het Spaansche kamp te verlrekken.

2 Deze krijgslist van vebe werd door velen, en zelfs door de Sfaicn-Gencraal, afgekeurd. liet
schijnt celiter dat
vere minder om de daad zehic berispt werd, dan omdat bij aanvankelijk buiten
weten van den krijgsraad met den vijand in gesprek was getreden. Zie
grotius, p. 414 en vas
heteren,
f. 474 a. Als opperbevelhebber was hij echter daartoe volkomen bevoegd, en behoefde bij den
krijgsraad eerst dan van zijn voornemen kennis te geven, wanneer hij over de voorwaarden der
overgave begon te onderhandelen. Ook zou zijne krijgslist alleen dan den naam van onecr-

III Deel. 2 Stlk, 23

vere.

ocr page 51

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1001. drog te meer verontwaardigd, daar de faam ran Ostendens overgave zich reeds wyd en
zijd verspreid, en eene groole menigte volks uit de naastbygelegene steden in het
kamp gelokt had. Hy besloot over de hem aangedane beleediging eene bloedige wraak
te nemen, en bereidde zich voor de stad met zijne gansche magt op vijf plaatsen te be-
stormen. Intusschen hadden de belegerden nog meer versterking gekregen en de vesting-
werken weder in behoorlijken staat van tegenweer gebragt."Op den Januarij 1602
opende de vijand een geweldig kanonvuur tegen de stad, schoot op onderscheidene
plaatsen bres en liet daarop zijne troepen stormloopen. De belegerden, die by gebrek
aan hout de daken van eenige huizen hadden afgebroken, om de bressen in aller yl
van palissaden te voorzien, boden echter zulk een krachtigen tegenstand, dat de Span-
jaarden overal met groot verlies werden teruggeslagen. Bg den terugtogt van een ge-
deelte hunner troepen over de oude haven werd de aldaar gelegene sluis op raad
van den auditeur
Fleming onverhoeds door de Staalschen geopend, waardoor nog velen
in de golven hun graf vonden

Voortzetting van Door den rampspoedigen uitslag van dezen slorm geenszins ontmoedigd, besloten de aarts-

het beleg van i i i - Â· -r» i i i» i

o^/iHi/ö in 1602. hertogen het beleg mettemm voort te zetten. Doch hunne troepen waren afgemat en door

koude en gebrek uitgeput, zoodat de winter voorbijging, zonder dat de belegerden belang-
rijke aanvallen te verduren hadden. De Staten-Generaal, die de hoop begonnen te voeden dat
Oslcnde zich althans geruimen lijd zou kunnen slaande houden, besloten de aldaar
gelegene soldaten, die aan de grootste gevaren en ongemakken waren blootgesteld,
van tijd tot tijd te verwisselen, en tevens zorg te dragen dat de vesting voortdurend
van krijgsbehoeften en levensmiddelen ruimschoots voorzien bleef. In Maart werd
Francis
yere
door frederik van dorp vervangen, die tol in de maand Julij des volgenden jaars
het opperbevel behield. Te vergeefs droeg
Albertus aan de bekwaamste Spaansche
en Italiaansche krygsbouwkundigen de taak op, om werktuigen te vervaardigen, waar-
mede zijne krijgslieden ongedeerd den vijandelijken wal zouden kunnen naderen. Hunne
op schepen of vlotten gebouwde houten kasteelen werden steeds door hel geschut der
belegerden vernield of door de golven onbruikbaar gemaakt. Bovendien kon
Albertus
uit geldgebrek slechts eene betrekkelijk geringe krijgsmagt voor Oslende houden. De
opbrengst der staten van
Vlaanderen, ten bedrage van /90,000 'smaands, was op verre

lijk verdiend hebben, Avanncer hij, na het vaststellen dier voorwaarden, zijn gegeven woord te-
rnggenomen had. Het is echter geen wonder, dat de Staten-Generaal in de onderhandeling van
den opperbevelhebber eener belangrijke vesting met den vijand buiten, weten van den krijgsraad
een gevaarlijk antecedent zagen, vooral waar de opperbevelhebber een Engelschman was.

1 fleming, bl. 61—199. bertivoglio, bl. 680—680. carnero, p. 484, 480. r. giustixiano,
delle gtierre di Fiandra, libri Yl, Anverso, 1609, p. 1—14. van meteren, f. 468, 469,
473—475. cnoms, p. 409-411 , 413.

ocr page 52

DES VADERLANDS. Â· 127

na niet voldoende om de zware onkosten van het beleg te dekken, en de uifgeputte 1602.
schatkist der aartshertogen was zelfs nog niet in staat door geregelde betaling der soldij
aan de telkens op nieuw uitbrekende muiterijen een einde te maken. De belegering
werd dus flaauwelijk voortgezet en was bij het einde des jaars nog slechts zeer weinig
gevorderd

De Stalen hadden inmiddels geenszins voorbij gezien, dat Oslende, niettegenstaande De staten be-
de hardnekkigste verdediging, ten slotte toch voor 's vijands geweld zou moeten buk-^cHjke^i/«??·/!'«-
ken, wanneer zij er niet in slaagden langs een anderen weg aan de belegering een
einde te maken. Reeds vroeg in het jaar hadden zij daarom lot een nieuwen veldlogt
ontzetten,
in de Spaansche Nederlanden en de werving van een aanzienlijk getal troepen besloten,
in de hoop dat
maurits den aartshertog daarmede zou dwingen om de voor Ostende
gelegene troepen van daar weg te nemen. Hoewel de prins zich bereid verklaarde den
hem opgedragen last te aanvaarden, stelde hij zich weinig vrucht van eene onderneming
voor, waarbij het Staatsche leger naar zijn inzien te midden van het vijandelijke land
aan te veel wisselvalligheden zou zijn blootgesteld 2. De Stalen hadden echter van den
uilslag te meer verwachting, daar de ridder
vere ihans hun voornemen billijkte en zelfs
uit naam der koningin van
Engeland op de uitvoering aandrong. Μςη had nog niet alle
hoop verloren, dat in eenige der
Belgische provinciën een opstand zou uitbreken Γ zoo-
dra de voorspoed der Staatsche wapenen aan hare inwoners het vooruilzigt opende, om
van het Spaansche juk bevryd te worden, en besloot met dat doel een plakkaat uit te
vaardigen, waarbij de Belgen aan de onwettigheid van de overdragt der zuidelijke
Ne-
derlanden
aan de infante isabella herinnerd en uitgenoodigd werden de pogingen te
ondersteunen, die door de voormaals met hen verbondene gewesten tot verdrijving der
Spanjaarden werden aangewend. Men ging in de Slalen-Gcncraal zelfs zoo ver van de
voorwaarden te bepalen, waaronder men de Belgische sleden en provinciën in hel ver-
bond der Vereenigde GeΛveslen zou opnemen, en te overwegen of men, na hel vertrek
van
albertus en isabella, niet zou voorstellen dat de regering der zuidelijke Neder-
landen
aan filips "willem, prins van Oranje, zou worden opgedragen

ï fleming, bl. 199—322. bektivoglio, bl. 693. giustiniano, p. 17—22. van μετεπεν, f. 475 b.
GROTiüs, p. 417—419. van avijn op wagenaar, IX bl. 87.

2 Ook dc koninjr yan Frankrijk en zija raadsman süllv achlten de onderneming zeer gevaarlijk
en nutteloos, al slaagde men er ook in door
liraband tot voor Oslendc door te dringen, van de»

KEMP, II bl. 372.

3 van der kemp, 11 bl. 368: »en daar voorgeslagen zoude worden van wcge de afgewekene Pro-
vinciën te handelen, dat de Aartshertog met de Infiinte zijne Jmisvrouw zoude vertrekken, en het
gouvernement van dezelve Provinciën te laten aan den Heer Prins van
Oranje^ {gelijk naar de

ocr page 53

180 ALGEMEEINE GESCHIEDENIS

1602. Den graaf van Ilohenlo met eenige troepen tot bescherming der grenzen achterlatende,

Veldtogt van trok MAURiTs aan het hoofd van achttienduizend voetknechten en vijfduizend ruiters,

MAURITS in Bra- i · · i . , , ,

band, Limhurg legercorpsen onder de graven ernst casiaiir en lodewijk gukther van

en Luxemlurg. j^Q^ggf^^ gjj ridder VERE verdeeld waren, op den eersten Julij bij Nijmegen over de
31aas
^ Inmiddels had Albertus alle beschikbare troepen verzameld en den uit zijne
gevangenschap ontslagenen admirant van
Arragon opgedragen, den prins daarmede te
keer te gaan. Juist op dit tijdstip voerde
ambrosio spinola, die even als zijn broeder
FEDERico een werkzaam aandeel aan den merkwaardigen en feilen strijd tusschcn de
noordelijke en zuidelijke
Nederlanden verlangde te nemen, den aartshertog eene ver-
sterking van achtduizend Italianen toe, die hij met goedvinden van
filips II voor
eigene rekening geworven had.
Albertus gaf hem last zich terstond onder het opper-
bevel van MENDOZA te stellen, die daardoor over twintigduizend voetknechten en meer
dan vierduizend ruiters beschikken kon, waarmede hy zich by
Tienen verschanste, om
de Staatschen, die door
Brahand en Limhurg zuidwaarts trokken, te beletten dieper
in het land door Ie dringen. Op den Π'''"" Julij bereikte
maurits SL Truijen en sloeg
aldaar, op een uur afstand van den vijand, zyne legerplaats op. Den volgenden dag
stelde hij zijne troepen in slagorde en liet zijne scherpschutters de Spaansche voorpos-
ten naderen, in de hoop
mewdoza lot eenen veldslag uit te lokken. Doch deze, aan
Nieuwpoort gedachtig, begreep teregt dat eene nederlaag de hoofdstad van alle bescher-
ming ontblooten zou, en dat hij de voornemens van den prins het best verijdelen kon,
door eene bloot verdedigende houding aan te nemen. Hij hield zich derhalve schuil
achter zyne sterke verschansingen, waarin
maurits het niet waagde hem aan te tasten.
De moeijelijkheid om in het vijandelyke land, bij welks inwoners de Staatschen meer
tegenwerking dan hulpvaardigheid vonden, levensmiddelen te bekomen, deed den prins
thans besluiten niet verder voort te trekken maar den terugtogt aan te nemen en de
stad
Grave te belegeren, alwaar hij zich in onmiddellijke gemeenschap met de
Vereenigde Gewesten stellen en langs de
Maas alle benoodigdheden voor het leger
geregeld ontvangen kon. Op den 20""" Julij zijn leger opgebroken hebbende, zonder

adviezen de mecninfj schijnt te Avezen,) en dat Z. Exc. zoude houden het gouvernement van de
Yereenigdc Provinciën." (Uit de
Secreele Rcsolutien der Stat. Gen., 1 Junij 1602.) De laatste
uitdrukking, met betrekking tot
maurits, die steeds door Z. Exc. bedoeld wordt, is duister.

1 Daar de Staten-Generaal het niet eens konden worden, Avie maürits op dezen togt als gede-
puteerden te velde zouden vergezellen, had men de keuze van drie personen aan den prins over-
gelaten, die daarop de hoeren
coren, joachimi en van υι:η aa benoemd had. Voorts was het gan-
sche krijgsbeleid, in overleg met deze Gedeputeerden, onbepaald aan
maurits toevertrouwd, vas
der kemp,
II hl. 371, 374.

ocr page 54

DES VADERLANDS. Â· 127

dat MENDOZA hem tien geringsten hinderpaal in den weg had gelegd, kwam de prins i602.

acht dagen later voor Grave, na zich op dezen togt van de stad Helmond te hebben

meester gemaakt. Hij gaf terstond aan de Slaten-Generaal berigt van zijn voornemen

en verzocht dat het noodige beleaeringstuig hem zou worden toegezonden. Hoewel dit Beleg en ver-

" Â° overing van

verlangen terstond werd ingewilligd, begaven de Slaten-Generaal en de Raad van State Grave.

zich in persoon in de legerplaats, om met maurits, Willem lodewijk van Nassau en
VERE te raadplegen, of het voorgenomene beleg wel het geschiktste middel kon geacht
worden om
Ostende, tot welks ontzet de gansche veldtogt ondernomen was, te redden.
Het plan van
maurits verwierf echter algemeene goedkeuring, waarop de prins, na
zyn kamp behoorlijk verschanst te hebben, het beleg met ijver voortzette. Wel sloeg
MENDOZA, die met zijne troepen het Staatsche leger van verre gevolgd was, zich
op den Augustus in de nabijheid neder, om de bedreigde vesting te hulp te

komen; doch zijne poging om in den nacht van den 31«*®° Augustus de Staatsche
legerplaats onverhoeds binnen te dringen, vyerd door
maurits' voorzigtigheid verijdeld,
en gebrek aan levensmiddelen en geld dwong hem reeds twee dagen later met zijne mor-
rende en muitende krijgslieden het afgeloopene en uitgeteerde land van
Kuih te verla-
ten en naar
Maastricht terug te trekken. De bezetting van Grave zag zich daardoor
in hare hoop op ontzet teleurgesteld, en hoewel zij zich met uitstekende dapperheid
bleef verdedigen, waren de aanvalswerken in het laatst van September reeds zoover
gevorderd, dat langere tegenweer onmogelijk scheen en op den 29"®° dier maand een
verdrag gesloten werd, waarbij de vesting aan
maurits werd overgegeven. De bezet-
ting trok met krijgseer uit de stad, en de burgerij, hoezeer verpligt de uitwendige uit-
oefening der Katholieke eeredienst af te schaffen, behield hare privilegiën en volko-
mene gewetensvrijheid ^

Gedurende het beleg had maurits een merkwaardig gezantschap in zijn kamp ontvaögen. Oost-Indisch

gezaDtschap inhet

De sultan van Achem op Sumatra, geruimen tijd door de Portugezen tegen de Nederlanders Staatsche leger-
opgehitst, had zich eindelijk door de gezagvoerders van twee Zeeuwsche koopvaardij-'^^™'''
schepen laten bewegen om gezanten herwaarts te zenden, ten einde zich te overtuigen
dat de Hollanders en Zeeuwen geen zamengerotle zeeroovers maar eene onafhankelijke
en vermogende natie waren, die alleen met
Spanje oorlog voerde. Den 30'·*° Julij te

1 VAN meteren, f. 482 d. —484 c. GROTius, p. 420—423. ciustiniaro, p. 23—43. carnero,
p. 488—491. BENTIVOGLIO, bl. 695—698. van der kemp, 11 bi. 97—99, 365—387. van vervov,
JjI^ J25—138. — Maurits
liet ziph te Grave inhuldigen als pandheer der stad en van het land
van
Kuik, welk regt hij van zijnen vader verkregen had. In 1611 werd dit pandgchap ten behoeve
van
maurits en zijne erven door de Staten-Generaal in een cnversterfelijk erfleen veranderd, van
der kemp,
11 bl. 387 (294).

ocr page 55

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1002. Vlissingen aangekomen, begaven zich de Oost-Indische ambassadeurs, na een hunner,
die te
Middelburg stierf, ter aarde besteld te hebben, naar de Staatsche legerplaats,
alwaar zij den prins kostbare geschenken aanboden en met groote belangstelling kennis
namen
Tan eene wijze van krijgvoeren, die hun geheel onbekend was. Na de voor-
naamste Hollandsche sleden bezocht te hebben, namen zij de terugreis naar hun vader-
land aan en bragten voorzeker niet weinig bij om het aanzien der Nederlanders in
Oost-Indië te verhoogen

De zware oor- De zware oorlogskosten van dit jaar schijnen verdere ondernemingen te hebben te-
een^ehitraM^d^^ verdediging van
Oslende alleen verslond maandelijks eene ton gouds;

en het onderhoud van het aanzienlijke leger, dat voor den togt in Brahand was aange-
worven, vereischte nog veel grootere sommen, die door het kostbare beleg van
Grave
op nieuw gestegen waren. Oldenbarwevelt , die wegens de uitputting der generali teils-
kas voor ernstige ongelegenheden vreesde, v^as reeds vroeger op het denkbeeld gekomen
om eenen wapenstilstand voor te stellen, waarbij de Spanjaarden van
Oslende en de
Slaatschen van
Grave zouden aftrekken; doch de snelle en gelukkige afloop van het
beleg der laatstgenoemde vesting schijnt hem terug te hebben gehouden om aan de
Staten een voorstel in dien geest te doen. Na de overgave werden de nieuw aangeworvene
Duilsche ruiters terstond afgedankt, en geen verdere belegeringen of aanslagen onder-
nomen
2. Alleen deed lodevv^ijk Gunther van Nassau in November aan het hoofd
van vierduizend man eenen slrooplogt in
Luxemburg^ van waar hy, na het plunderen
en afbranden van eene menigte dorpen, met veel buit en aanzienlijke gevangenen
wederkeerde

Hoewel de Staten hun hoofddoel, de bevrijding van Ostende^ niet bereikt hadden,
kon de loop van den krijg gedurende het jaar 1602 niet ongunstig voor hen worden
geacht. De belegerde vesting bood nog krachtigen tegenweer en kon nog geruimen
lijd het geweld des vijands verduren. Andermaal hadden de aartshertogen een magtig
Staatsch leger op hun grondgebied moeten dulden, en de verovering van
Grave had aan
de zuidelijke grenzen der Vereenigde Gewesten een nieuw en gewigtig bolwerk toege-
voegd. Op zee was de krijgskans den Stalen insgelijks gunstig geweest. De gevreesde
komst eener nieuwe Spaansche vloot bepaalde zich tot eene landing der Spanjaarden in
Ierland, die aanvankelijk een ernstig karakter scheen aan te nemen, doch binnen wei-
nige maanden met een verdrag eindigde, waarbij de vijand zich gelukkig achtte vergunning

Krijgsbedrijven
ter zee.

1 van meteben, f. 480.

2 van der kemp, II bl. 374—382. Yerhooren van oldesdarnevelt, b 213 (11). van weteren,
f. 510 d. van wijn op wagenaah, IX bl. 87.

3 VAN METEREIi, f, 488 verSO.

veldtoirt.

ocr page 56

DES VADERLANDS. Â· 127

te bekomen, om voor eigene rekening over zee naar Spanje terug te keeren i. Van meer ißos.
gewigt voor de Republiek was de aantogt van acht nieuwe galeijeo, die de onvermoeide
federigo spijvola in Spanje had uitgerust, terwijl zijn broeder in Italië de troepen aanwierf,
waarmede hij den aartshertog tijdens
maurits' inval in Brahand zoo juist van pas was
te hulp gekomen.
Federigo slaagde er echter thans niet in, zijne bodems ongedeerd
binnen de haven van
Sluis te brengen. Reeds op de kust van Portugal werden twee
hunner door Engelsche oorlogschepen vernield. De zes overige werden in het
Kanaal
door de Staatsche kruisers opgewacht en voor de helft in den grond gescholen. Slechts
twee galeijen kwamen zwaar beschadigd te
Nieuwpoort binnen. Do derde, waarop
spiNOLA. zelf zich bevond, redde zich in de haven van
Duinkerken 2.

Inmiddels was in de Republiek eene inrigting tot stand gekomen, waarvan de admi-

1 .., .. 1 , , , , , , .. i-, . Pogingeu tut

ranl van Arragon tijdens zijne gevangenschap openlijk had verklaard, dat zij aan vereenigiug der

en Portugal niet minder schade zou berokkenen dan de Unie van Utrecht reeds gedaan
had Naauwelijks was de hoop ontslaan, dat de regtslreeksche vaart op
Oost-Indi'è het ver- compagmën.
lies van het verkeer met
Spanje en Portugal eerlang zou kunnen vergoeden, of 'slands
regering bevroedde het hooge gewigt van deze omwenteling in den handel, die niet
slechts eene aanzienlijke vermeerdering van inkomsten beloofde maar ook een nieuw en
krachtig middel aanbood om den vijand afbreuk te doen. Door veelzijdige opwekking
en ondersteuning had zij de ontdekkingsreizen naar het onbekende vaderland der spe-
cerijen bevorderd, en de aanvankelijk gunstige uitslag had niet weinig bijgedragen om
haar besluit lot volharding in den strijd te versterken. De meest bekwame regenten,
waaronder vooral
oldenbaknevelt ^, waren echter niet zonder bezorgdheid gebleven, of
de kooplieden der Republiek zich wel zouden kunnen handhaven in het bezit van den
voordeeligen handelstak, die aan hun ondernemingsgeest te danken was. Hunne rijk
geladene bodems door oorlogschepen naar het verre oosten te begeleiden, aldaar tegen om

de Portugezen en de inlanders te beschermen en veilig naar de vaderlandsche kusten t^Lschc^en"^
terug te voeren: dat liet noch de sterkte der oorlogsvloot noch de toestand der geldmiddelen

1 van meteren, f. 471—473.

2 van meteren, f. 477 c, 487 d. bentivoglio, bl. 695.

3 Vcrhooren van oldenbarkevelt, bl. 73.

^ Yerhooren van oldenbarkevelt, bl. 72—74 (N". 101). Vgl. Waarachtige Historie, bl. 184,
ahvaar o. in zijne Remonstrantie zegt: »in de groote generale Oost-Indische Compagnie (die ik
met vier jaren moeiten, zoo publijqe als particulier, hebbe helpen dresseeren, omme de Spangiaarts
en Porlugesen afbreuk te doen) liebbe ik wat meer als vijf duizend guldens geavantuurt, daar in
begrepen de veertien schepen: om gehouden te worden, niet alleen voor
Rader, maar ook eenig-
zins
Gelder, tegen alle apparente zwarigheden, die ik wel voorzag.''

ocr page 57

184 ALGE31EENE GESCHIEDExMS

1C02. loe. Met moeite werd de gencralileilskas door steeds klimmende belastingen, herhaalde
geldleeningen en vooral door den krachtdadigen bijstand van het vermogende
Holland
in staat gesteld, de gewone oorlogskosten te dekken; en de Slaatsche oorlogschepen,
naauwelijks toereikende om de koopvaarders behouden langs de
Vlaamsche'kmi of door de
Noordzee te brengen, konden niet voor een of twee jaren gemist worden, zoolang de
vrees bleef bestaan, dat de koning van
Spanje andermaal eene geduchte armade tot
onderwerping zyner afvallige onderdanen zou uitrusten. Aan eene voldoende bescher-
ming van den Oost-Indischen handel kon dus niet worden gedacht. Door eigen kracht
en beleid moesten de derwaarts varende schepelingen de hinderpalen overwinnen, die
hun in den weg werden gelegd, en het was derhalve van het hoogste belang, dat de
Nadeden en eendragt tusschen hen ongeschonden bewaard werd. Met grond beducht dat eigenbelang
leperkte'^'^^medc-επ naijver de onmisbare zamenwerking welligt van den aanvang afzouden tegenhouden,
lieten de Staten-Generaal reeds in lö98 afgevaardigden van de onderscheidene han-
delscompagniën voor zich verschijnen, ten einde hun voor te houden dat het zeer
wenschelijk zoude zijn, indien al de compagniën in
Holland en Zeeland overeen kon-
den komen, de reizen naar
Java voor gemeenschappelijke rekening te ondernemen.
Deze verstandige raad, die voor den verzienden blik der Staten pleit, daar nog
slechts coiiKEUS
houtmapt destijds de reis naar India had volbragt, werd echter
aanvankelijk in den wind geslagen. Baatzucht en provincialisme verzetteden zich
tegen eene aaneensluiting, waarbij elke handelsvennootschap een gedeelte harer vrijheid
en de kans van bijzondere winsten aan het algemeene belang zou moeten opofferen.
Verre van elkander steeds te ondersteunen, beschouwden de onderscheidene reeders elkander
als lastige mededingers, en waarschuwden zelfs hunne schippers tegen eene vriend-
schappelijke verhouding met de agenten of het bootsvolk van andere compagniën, opdat
hunne belangen daardoor geenszins verkort zouden worden ^ De natuurlijke gevolgen
dezer bekrompene zienswijze bleven niet uit. De mededinging deed de prijs der
koopwaren op de Indische markten aanmerkelijk slygen. Menig schip kon goen vol-
doende lading bekomen, daar zijne voorgangers den ganschen voorraad reeds hadden op-
gekocht. En terwijl deze tegenspoeden nog slechts het betrekkelijk geringe nadeel op-
leverden , dat de vaak buitensporige winst der Hollandsehe en Zeeuwsche kooplieden er
aanmerkelijk door verminderd werd, lag het veel grooter gevaar voor de hand, dat de
koning van
Spanje door eene geringe magtsbctooning er in zou slagen de handelsbetrek-
kingen tusschen de inlanders en zijne voormalige onderdanen te verbreken, zonder dat hunne
door tweedragt verdeelde krachten in slaat zouden zijn die noodlottige uitkomst te weren

1 VAN DEii ciujs, t. a, p. tweede druk, 1857, bl. 90.

2 VAN DEn cnijs, bl. 88—00.

ilingiiif

^ίΐίϋϋώ

ocr page 58

DES VADERLANDS. 181

De Staten Tan Holland, die in 1599 te Tergeefs gepoogd hadden om althans al de 1602.
in hun gewest opgerigte compagniën te vereenigen, begrepen een jaar later dit
gewigtige onderwerp niet te mogen laten rusten, voordat het lot een gewenscht einde
Avas gehragt. De vereeniging van alle compagniën tot één groot handelsligchaam, het-
Overwegiugeu
welk uitsluitend op Oost-Indië zou mogen varen en gemagtigd zou zyη om met de yoQ^.! gn liadccien
inlandsche vorsten verbonden aan te gaan, land te bezitten en sterkten te bouwen, ^c··'^™!·

ο ο *

kwam aan de meeste Hollandsehe regenten als het eenige middel voor, om de
vruchten van den Indischen handel aan de Republiek te verzekeren. Wel was het in
slryd met de beginselen der Hollandsehe handelspolitiek, om een diergelijk monopolie
in het leven te roepen maar het hooge gewigt der zaak, niet slechts voor de wel-
vaart maar ook voor de onafhankelijkheid der Vercenigde Gewesten, scheen thans eene
afwijking van den gewonen regel dringend te vorderen. Reeds was de prijs der spece-
rijen van één tot acht geklommen, en begon men in
Spanje en Portugal gegronde
hoop te voeden, dat de mededinging en onderlinge naijver der Nederlandsche kooplieden
hen Aveldra zou nopen van eenen handelstak af te zien, welks onkosten niet langer door
de winsten werden opgewogen 2. Alleen eene behoorlyk geordende zamenwerking
van alle krachten kon dit gevaar voorkomen, terwijl het uitsluitende en daardoor in
veler oogen hatelijke voorregt, hetwelk met dat doel aan de nieuwe geoctroijeerde
compagnie zou moeten worden toegekend, aanmerkelijk getemperd en voor de tijdge-
nooten bijkans geheel weggenomen kon worden, wanneer men al de ingezetenen der
Vereenigde Gewesten vergunde door geldelijke bijdragen haren bloei te bevorderen
en daardoor ook in hare winsten te deelen. Niet minder gewigtig was de bedenking,
of het wel raadzaam zou zijn het gansche bestuur der Indische aangelegenheden en
welligt een aanzienlijk landbezit aan een handelsligchaam toe te vertrouwen, waarvan
men verwachten kon dat het altijd meer op eigen voordeel dan op de bevordering van
de algemeene belangen des vaderlands bedacht zou zijn. Doch ook met betrekking tot
dit punt was de keus niet meer vrij. Bij den benarden toestand van *s lands geldmid-

1 Yerhooren van oldenbarnevelt, bl. 72: »Seyt (namelijk o.) dat hij uyte registeren en memo-
rien van de heercn Staaten van Hollant en West-vrieslant bevonden heeft, dat van alle tijden in
dcselve landen bij de regeerders van dien en van de principaalste steden verstaan is geweest, alle
privative octroijen in 't stuk van de navigatie, handelinge en commercie, de welstand van de
landen en steden en ingesetenen te wesen prejudiciabel, ende dat zij daaromme met grooten eernst hen
daartegens altijts hebben gestelt en geopposeert, 't zelve verwerpende als monopolie tegens de vrije
navigatie en traflijke, die voor alle man gemeen te moeten gemaincteneert werden, geagt Averden."
Vgl. de aanhaling bij
van deu chijs, bl. 139, uit zuRCK, Codex Balavus^ in voce Monopolie^
bl. 751 van den 4" druk v. 1764.

2 van der chijs, bl. 137 (2), 145 (1).
III Deel. 2 Stuk.

24

ocr page 59

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

]f)02. delen, te midden van eeu hevigen krijg, kon de regering er bijkans niet aan denken
eene nieuwe laak op zich te nemen, wier aard en omvang haar onbekend waren, en
die welligt niet zonder groole opoiTeringen naar eisch vervuld zou kunnen worden. Door
eene geoctroijeerde compagnie in de verpligting te stellen, zelve hare belangen te be-
hartigen en voor hare veiligheid te waken, zou de Republiek niet slechts van alle onkosten
ten behoeve van den Indischen handel bevrijd worden, maar zelfster zee een krachligen
bondgenoot in den strijd tegen
Spanje bekomen, terwyl hare schatkist door de vermeer-
derde opbrengst der in- en uitgaande regten toch in de voordeden van den nieuwen
handelstak zou blijven deelen. Ook kon de regering zorg dragen, dat in het octrooi
bepalingen werden opgenomen, die haar het oppergezag en een voortdurend toezigt over
de Indische aangelegenheden waarborgden. Wanneer men daarenboven aan de nieuwe
compagnie slechts voor een beperkt aantal jaren het monopolie van den handel op Indië
vergunde, dan kon men later van de verkregene ondervinding partij trekken, om hare
voorregten in overeenstemming te houden met de ware belangen der Republiek.

Bijecukonist Daar men inlusschen in Holland begreep dat deze zaak niet van gewestelijken maar

van afgevaardig-
den der onder-
van algemeenen aard was en derhalve tot den werkkring der Slaten-Generaal behoorde,

pgnfën.^ werden de laatsten op den 7·^"" November 1601 door de gedeputeerden van Holland
uitgenoodigd, om de bewindhebbers der onderscheidene Oost-Indische compagniën tegen
■ een bepaalden dag te
Graven/iage te ontbieden, «om 't samenlyck eene goede ende

redelycke politie ende ordre op de voorsz. Navigatie ende Handelingen voor ettelycke
jaren te maken, ende oock te accordeeren wat de gemeene Saeke daervan sal hebben
jaerlyks te profiteren." Op den eersten December kwamen de afgevaardigden uit
Hol-
land
en Zeeland bijeen; doch de naijver tusschen deze beide gewesten stond andermaal
het sluiten eener overeenkomst in den weg. Wel werd men het eens over de
verhouding, welke tusschen de verschillende compagniën na hare vereeniging in
de uitrusting der schepen zou worden in acht genomen, benevens over de za-
menstelling en de vergaderplaats van een algemeen bestuur: maar de bepaling van
den invloed, dien de kooplieden der onderscheidene handelsteden daarop zouden uit-
oefenen, ^verd een struikelblok, hetwelk men niet uit den weg kon ruimen. De
Zeeuwen, die voor het overwigt van
Amsterdam vreesden, verlangden dat de gecom-
mitteerden tot het algemeen bestuur slechts vier stemmen zouden uitbrengen, één voor
Amsterdam, één voor de Zeeuwsche compagniën, één voor die van Rotterdam en Delft
en één voor die van Hoorn en Enkhuizen. De afgevaardigden der vereenigde Amster-
damsche compagniën waren echter niet tevreden met eene regeling, die in geen verhouding
stond tot de aanzienlijke kapitalen, welke zij reeds in den Oost-Indischen handel gestoken
hadden. Het geschil liep zoo hoog, dat de vergadering onverrigter zake uiteen ging

^ VA?; DER cHus, bi, 91—102.

ocr page 60

DES VADERLANDS, 18?

De Staten-Generaal, van het hooge gewigt dezer aangelegenheid doordrongen, besloten 1603.
echter hun plan door te zetten, en schreven tegen het begin des jaars 1602 eene nieuwe bij-
eenkomst van bewindhebbers uit, die omstreeks het midden van Januarïj door
oldekbar-
HEVELT met eene aanspraak geopend werd, waarin hy de noodzakelijkheid der vereeni-
ging van alle compagniën in een helder licht stelde. In eene reeks van vergaderingen
werd thans na langdurige beraadslagingen een ontwerp vastgesteld, waarmede de Slaton
van
Holland en Zeeland zich vereenigden, en hetwelk den Maart ter overweging

en bekrachtiging aan de Slalen-Generaal werd aangeboden. Twee dagen later werd door oprigting dei-
dezen het belangrijke octrooi uitgevaardigd, waarbij de Vereenigde Oost-Indische compagnie
haar aanzijn kreeg Zij werd daarbij in zes kamers of afdeelingen gesplitst:
Amslerdam
Zeeland, RoUerdam, Delft, Hoorn
en Enkhuizen, Het aandeel der onderscheidene kamers
in de kosten van uitrusting werd voor
Amslerdam op de helft, voor Zeeland op een vierde,
voor elk der overige kamers op een zestiende gesteld. Elke kamer zou bestuurd worden door
hare toenmalige bewindhebbers, na wier uitsterven hun getal te Ams/erc/iun op twintig, in
Zeeland op twaalf en in elk der andere kamers op zeven bepaald werd. Tot vervul-
ling eener opengevallene plaats zouden de overige bewindhebbers eene benoeming van
drie personen opmaken, waaruit de Staten van het gewest eene keuze zouden doen ^ .
Eik bewindhebber moest minstens voor duizend gulden aandeel hebben in de compagnie.
Te
Hoorn en te Enkhuizen was de helft dier som echter voldoende. De bewindhebbers
zouden genieten één ten honderd van de kosten der uitreis en insgelijks één ten hon-
derd van de terugvracht, welke som naar evenredigheid van de aandeelen der onder-
scheidene kamers tusschen hen verdeeld zou worden. Daarentegen raogten de bewind-
hebbers geen administratie-kosten of traktementen van boekhouders, kassiers of boden
in rekening brengen. Zij zouden wegens de schulden der compagnie noch in hunne
personen noch in hunne goederen bekommerd mogen worden. Het
generaal collegie
of algemeen bestuur zou uit zeventien bewindhebbers beslaan, acht uit Amslerdam,
vier uil Zeeland, één uit elk der overige kamers, en één, die beurtelings door de kamer
van
Zeeland, door de kamers op de Maas en door die in het Ν oorder-Kwartier benoemd
zou worden. Gedurende zes jaren zouden deze te
Amslerdam, daarna gedurende twee
jaren in
Zeeland vergaderen. De schepen der compagnie zouden altijd terug moeten
komen Ier plaatse , waar zij uitgevaren waren. Al de ingezetenen der Vereenigde Ge-

1 van der ciiijs, bl. 103—117.

2 In Holland was echlor reeds twee dagen vóór de vaststelling van lict octrooi op voorslel der
gedeputeerden van
Amsterdam door de gecommitfeerde raden besloten, dat niot de provinciale
Staten maar de burgemeesters eener stad, waar eene kamer der Vereenigde compagnie zou komen,
»als de beste kennisse van de qualiteyt der persoenen hebbende," de keuze uit de opgemaakte
benoeming zouden doen, indien zij zulks verlangden,
van der chijs, bl. 116.

24*

ocr page 61

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1602. weslen kregen regt om binnen den tijd van vijf maanden aandeelen te nemen. De com-
pagnie mögt op naam der Staten-Generaal ^ verbonden sluiten met de Indische mogend-
heden , sterkten bouwen, bevelhebbers en krijgsvolk aannemen, mits de laatsten den eed
van getrou^γheid aan 's lands regering aflegden. Van de prijzen, die de compagnie op
den vijand zou veroveren, zouden de admiraliteiten haar gewoon aandeel blijven genie-
ten. De opperbevelhebbers der terugkeerende vloten zouden aan de Staten-Generaal
rapport moeten doen van den uitslag hunner reis. Overigens zou de compagnie, tot
erkentenis van het haar geschonken voorregt, om gedurende één en twintig jaren, in-
gaande met het jaar 1602, bij uitsluiting ten oosten der kaap
de Goede Hoop lot de
straat van
Magellaan te mogen varen, eene som van ƒ 2Ö000 aan de Staten-Generaal
betalen, welke deze daarentegen ten laste en bate der Republiek op denzelfden voet
als de overige aandeelhouders in den handel op
Oost-Indië beleggen zouden
Haar kapitaal Binnen korten lijd werd nu een kapitaal van zes en een half millioen gulden bijeen-
gebragl ^^ waartoe
Amsterdam ongeveer zeven en dertig. Zeeland dertien, Enkhuizen
vijf en een halve, Delft bijkans vijf, Hoorn twee en een halve, en Rotterdam één en
drie vierde ton gouds geleverd had. Nog in het jaar 1602 werd eene vloot van vijftien
schepen onder
avijbrand van waerwygk en sebald de weert voor rekening der Ver-
eenigde compagnie naar
Oost-Indië gezonden. Hel waren thans niet meer alleen Java
en de Moluksche eilanden, waarop de Nederlandsche kooplieden de oogen gevestigd
hielden. Hun ondernemingsgeest had zich reeds over de gansche zuid- en oostkust van
Azië uitgebreid. Terwijl de weert meer bepaaldelijk in last had met den keizer van
Ceilon voordeelige handelsbetrekkingen aan te knoopen, was aan van waerwygk op-
gedragen niet slechts de eilanden van den Oost-Indischen archipel aan te doen, maar

1 wagenaar, IX bl. 149, doct het voorkomen alsof men door de woorden: «de Staten generaal
der verceniclidc Nederlanden ofte liooge Overiclieyt derselver" twee vcrsclxillende zaken bedoelde
en in liet midden Avilde laten, of de l'^ereenigde Gewesten later ook eene andere
Overiclieyt
zouden krijjjen als de Staten-Generaal. Het komt mij echter waarschijnlijker voor, dat het woordje
ofte hier eene bloot verklarende, niet afsclieidende, beteekenis heeft.

2 Bij VAN DER onus, bl. 118—135, Tindt men een afdruk van liet oorspronkelijke stuk, op het
Indisch Archief aanwezig. — Zie voorts
van wetehen, f. 480 c. cnonus, p. 429. velius, Chroniick
van Hoorn^
bl. 280. de roov, geschiedenis van den handel, bl. 352. laots, geschiedenis van
de Nederlanders in Indie,
1 bl.84—98. h. j. koeken, Yoorl, over de gesch, des Nederl. handels,
bl. 84—89.

3 Sommigen spreken van 64, anderen van 66 tonnen gouds. Zie luzac, Hollands rijkdom^
I bl. 256, en laüts, t. a. p. bl. 93. Uoe aanzienlijk zulk eene som voor die dagen was, kan
ook, uit de omstandigheid blijken, dat liet maatschappelijk kapitaal der Engelsche Oost-Indische
compagnie, in 1600 opgerigt, slechts 8i ton gouds bedroeg.

en eerste oader-
ncmïng

ocr page 62

1603.

DES VADERLANDS. 189

ook naar het nijvere China te stevenen, welks menigvuldige voortbrengselen in Europa
reeds op hoogen prijs werden geschat

De vreugde der Hollandsche staatslieden over de oprigting der Vereenigde Compagnie Dood van
en de snelle uitbreiding van den Oost-Indischen handel, die eene nieuwe en rijke hulp-
bron tot bestrijding der onkosten van den feilen krijg scheen te openen, werd in den
aanvang van het volgende jaar door eene gebeurtenis getemperd, die men reeds eenigen
tijd met bezorgdheid had te gemoet gezien. Op den derden April 1603 stierf koningin
éliza.beth, cu werd, krachtens hare uiterste wilsbeschikking, door den koning van
Schotland opgevolgd, die als koning van Engeland den titel van jagobus Ï aannam.
Hoeveel de staatslieden der Republiek ook van de luimen der overledene vorstin hadden
te verduren gehad, hoeveel kommer hare neiging tot vrede met
Spanje ook in de
laatste jaren had verwekt: sedert meer dan dertig jaren had zij zich niettemin
eene getrouwe en krachtige bondgenoote der Vereenigde Gewesten beloond, en
vooral na den vrede tusschen
Frankrijk en Spanje was het voor de Republiek van
onberekenbare waarde geweest, dat het maglige
Engeland hare vrijheid als het plegt-
anker zijner veiligheid beschouwde en de Spaansche vloten met gelijke waakzaamheid
van zijne kusten weerde. Wel Avaren de Staten er reeds in 1594 in geslaagd, vriend-
Gezindheidvau
schappelijke betrekkingen met euzabeth's opvolger aan te knoopen maar zij op^igtrder Ke*^

dat ook hij naar den vrede haakte, en hadden grond om te twijfelen of hij geneigd zou publiek,
zijn ten hunnen opzigte de voetstappen zijner voorgangster te drukken. Ten einde zijne
gunst te winnen, bepaalden zy zich niet tot eene schriftelijke gelukwensching,
maar vaardigden bovendien een aanzienlijk gezantschap af, aan welks hoofd
frederik.
hendrik
van Nassau, walraven heer van Brederode, johan van oldenbarnevelt en
JACOB VALGKE geplaatst waren Op den 27''®° Mei ten gehoore toegelaten, verzochten
zij den koning de vriendschapsbetrekkingen te laten voortduren, die tusschen
elizabeth
en de Staten hadden bestaan. Jagobüs gaf hun een minzaam doch ontwijkend antwoord
en verontschuldigde zich met de bewering, dat hij nog te kort den Engelschen troon
beklommen had, om reeds in al die betrekkingen ingewijd te zijn. Zijne ware gezindheid
bleek echter uit de gretigheid, waarmede hij gehoor gaf aan het aanzoek van
fiups III
en de aartshertogen tot het openen van vredesonderhandelingen. Intusschen stelde
OLDENBARNEVELT allcs in lict werk, om hem van dit voornemen af te brengen, en

1 VAN METEREN, f. 481 tt, 552 c. Zlc ook de Diversche discoursscn, de Oostindische vaert be-
treffende,
achter het Journaal der reis vau pieter both, 1599—1601, in hat Begin ende voort-
gangh,
bl. 36, 38.

2 Hiervoor, bl. 9.

3 De laatste overleed tijdens dit gezantschap te Londen.

ocr page 63

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1603. maakte daartoe gebruik van eenen brief van den hertog van ßrwiswijk, waaruit bleek
dat de koning van
Spanje er reeds over dacht de Vereenigde Gewesten als een onaf-
hankelijken slaat te erkennen, wanneer
Engeland eene vijandige houding bleef be-
Avaren. Zijne pogingen waren echter vruchteloos, en reeds den 50'"'" Mei werden de
onderhandelingen tusschen
Engeland en Spanje te Londen geopend. Niettemin werden
Geheim verdrag de Staatsche gezanten ook van wege Hendrik IV krachtdadig ondersteund. De markies

tussclien Frank- Î¿ υ i· i Â·Â· Î· i i

rijiccvilngeiand. ydin Rosmj, later hertog van SiUly, die door zijnen vorst naar Engeland was gezonden,

om JAGOBUS I met zijne troonsbeklimming geluk te wenschen, liet niets onbeproefd om
hem te overtuigen, dat de onderwerping der Vereenigde Gewesten door
Spanje voor
het welzijn van zyn rijk hoogst verderfelijk zijn zou en haalde hem eindelijk over
lot het sluiten van een geheim verdrag met den koning van
Frankrijk, waarbij de
beide vorsten zich verbonden
filips III tot een billijken vrede met de Nederlanders
te bewegen. Intusschen zou
jagobus één derde der onderstandsgelden, die uit Frank-
rijk
geregeld naar Holland gezonden werden, als eene afkorting beschouwen der geld-
sommen , die HENDRIK IV wegens vroegeren onderstand nog aan
Engeland verschuldigd
was. Hoewel
Frankrijk meer dan de Vereenigde Gewesten door de laatste bepaling
bevoordeeld werd, stelden de Staten zich met deze schikking tevreden, en sloegen later
liet aanbod van
jagobus, om aan de vredesonderhandelingen deel te nemen, beleefdelijk
doch met vastheid van de hand Κ
Fedekico Inmiddels was de krijg tusschen de noordelijke en de zuidelijke Nederlanden bij den
bij eeuen aanslag aanvang der lente hervat. De koning van Spanje, die het thans waarschijnlijk kon
op
Walcheren, jjjjj- hu^yelijk zijner zuster met Albertus onvruchtbaar blyven en België dus

eerlang onder zijnen schepter terugkeeren zou, was meer dan ooit geneigd om de aarts-
hertogen met geld en troepen te ondersteunen. Met zijne goedkeuring vertrok
ambrosio
spiNOLA naar Duiischland cn Italië om nieuwe regimenten aan te werven Zijn broeder
federigo, die zijne onderscheidene galeyen in de haven van Sluis verzameld en op
nieuw uitgerust had, vormde het stoute plan eenige troepen op
Walcheren te ontsche-
pen, ten einde zich van dal eiland meester te maken. Op den 26''"" Mei liep hij bij
Avindslille met acht galeijen uil, en viel onverhoeds op de vijf Staatsche oorlogschepen
aan, die onder bevel van
joost de moor de wacht voor de haven hielden. Hoezeer

1 VAN meteren, f. 494. GROTiüs, ρ. 431—434. Waarachtige historie van oldenbarxevelt,
bl. 68—73. Mémoires de sully, IV p. 202—207, 237—243, 249 In de instructie van den
Franschcn gezant was o. a. opgenomen: »empêcher Ic conseil d'Angleterre de demander les trois
cent mille livres que cette couronne avoit prétees aux Provinces-Unies, de peur de jetter celle ci

entre les bras de l'Espagnej--communiquer et agir sur ce plan avec Barnevelt et les depu-

tés des Etats ä Londresj se les attachcr^ les entretenh· de bonnes espe'ranccs; etc." —

2 BEKTIVOGLIO, bl. 690.

ocr page 64

DES VADERLANDS. Â· 127

er zeer weinig soldaten aan boord waren, boden de Zeeuwsche matrozen zulk een 1603.
dapperen weerstand, dat de vijand na een uur van hevigen strijd nog weinig voordeel
behaald had. Nu stak de wind eensklaps op en stelde de zeilschepen in staat om, al
keerende en wendende, een geweldig en onafgebroken vuur tegen den vyand te rigten,
Spijsola. zelf werd doodelijk getroffen en zijne galeijen waren genoodzaakt met groot
verlies af te deinzen

Eene gevaarlijke muiterij, die reeds in het laatst des vorigen jaars was Â»

belette den aartshertog Albertus zijne troepen in het veld te brengen, voor hg de ver-Spaanscbekrijgs-
volk.

wachte versterkingen ontvangen had. Naauwelijks was de admirant van Arragon, na
zijne vergeefsche poging om
Grave te ontzetten niet zijne vermoeide en slecht be-
taalde troepen teruggetrokken, of hunne ontevredenheid sloeg tot volslagene bandeloos-
heid over. Te vergeefs trachtte hij door gestrengheid de krijgstucht te herstellen.
Twaalfhonderd man zijner beste troepen verlieten het leger; en hoewel
mendoza. 3 er in
slaagde, het voetvolk onder zijn gezag terug te brengen, logen de ruiters naar het
kasteel
Iloogslralen nabij Breda, en vormden daar eene vereeniging, die hel Eskadron
werd genoemd en geheel op democratischcn voet vvas ingerigt. Het beleg van Ostende
en het verlies van Grave verhinderden den aartshertog de muitelingen, wier aantal
spoedig lot drieduizend geoefende krijgslieden klom, met geweld lot onderwerping te
brengen. De omliggende landen werden door hen onder brandschatting gelegd, en
zelfs aan groote sleden en afgelegene strecken door verschrikkelijke bedreigingen
aanzienlijke geldsommen afgeperst.
Albertus begreep teregt dat hij geen veldtogt
kon beginnen, voordat hij aan deze muiterij, die in het geheim door de Stalen en
prins
maurits werd aangevuurd, een einde had gemaakt. Naauwelijks waren dan
ook de nieuw aangeworvene troepen, ten getale van zesduizend man, aangekomen,
of graaf
frederik, var den berg kreeg last met een leger van zevenduizend voet-
knechten en drieduizend ruiters, benevens verscheidene stukken geschut, legen het
Eskadron op te trekken. Bij de nadering van deze geduchte overmagl, waarvan Xor"'

maurits hen verwittigd had, weken de muiters, na eene bezetting van achthonderd maurits b%e-

staan en zweren

man in lloogslraten te hebben achtergelaten, op den SÖ"®" Juhj naar Ooslerhout en hem trouw,
knoopten onderhandelingen met den prins aan, die middelerwijl zijne troepen len ge-
tale van omstreeks twaalfduizend man in de nabijheid van
Gecrtruidenherg verzamelde.
Met goedvinden der Staten-Generaal sloot
maurits met hen eene overeenkomst, waarbij
zij hem Irouw zwoeren, onder voorwaarde dat zij niet over zee gevoerd noch zonder

1 van meteren, f. 500. grotiüs, p. 438. bentivoglio, bl. 699. carnero, p. 494. ciüstiniano, p. 51.

2 Hiervoor, bl. 181.

3 In het laatst van 1602 vertrok mekdoza naar Spanje, vanwaar hij niet terugkeerde, van me-
teren
, f. 484 d.

ocr page 65

ALGEMEENE GESCHIEDENIS

192

' 1603. hunne toestemming tot belegeringen of andere ondernemingen gebruikt zouden worden.

Wanneer zij zich met den aartshertog mogten verzoenen, dan zouden zij in de eerste
vier maanden niet legen de Staten dienen. Daarentegen zouden dezen hen gewapender-
hand tegen hunne vijanden beschermen. Intusschen had de graaf
vaw den berg met de
belegering van
Hoogstraten eenen aanvang gemaakt; doch toen prins maurits op den
Augustus op een half uur afstands van de vijandelijke verschansingen zijne leger-
plaats opsloeg, achtte de graaf zich niet langer veihg op eene plaats, waar de toevoer
hem gemakkelijk kon worden afgesneden, en trok in den nacht van den in stilte
af. Zoodra de bezetting van
Hoogstraten den volgenden morgen bespeurde, dat het
Spaansche kamp verlaten was, toog zij den vijand achterna en deed zijne achterhoede
een gevoelig verlies lijden.
Maurits zelf ondersteunde deze beweging, in de hoop het
leger van den graaf
van den berg, dat een hollen weg door moest trekken, grooten
afbreuk toe te brengen. Doch de Spanjaarden waren hem te ver vooruit, en stonden
reeds aan de andere zijde op het vlakke veld in slagorde geschaard, toen de prins aan
het hoofd zijner ruiterij in hunne nabijheid gekomen was. Er kon nog geruimen tijd
verloopen, eer het Staatsche voetvolk, dat wegens onderscheidene hinderpalen slechts
langzaam voorttrok, insgelijks deze plaats bereikt had, en
maurits achtte het onraad-
zaam alleen met zijne ruitery op den vijand los te gaan, die van geschut voorzien en
op den aanval voorbereid was. Zoodra
van den berg bespeurde, dat de prins de aan-
komst van zijn voetvolk wilde afwachten, liet hij zijne troepen in goede orde den terug-
logt voortzetten, en ontkwam daardoor aan het gevaar van eenen veldslag, die hoogst
waarschijnlijk ten zynen nadeele zou zijn uitgevallen
Bei-aadslagmgen Het geschil van gevoelen omtrent de wijze van krijgvoering, dat sedert den slag
van
Nieuwpoort tusschen de Staten en den prins bestond en zich telken jare op
nieuw geopenbaard had, kwam ook thans weder aan het licht. Nog altijd behielden de
Staten van
Holland en Zeeland eenige hoop, dat zij hun verlangen, om Niemvpoort
en Duinkerken te bemagtigen en de gansche kust van Vlaanderen aan de Republiek
Ie hechten, eenmaal verwezenlijkt zouden zien. Gedurende zijn verblijf te
Londen had
oldenbarnevelt al zijne welsprekendheid in het werk gesteld om den markies van
Rosny te doen inzien, dat Hendrik IV zonder verwijl met eene aanzienlyke legermagl
'in de zuidelyke
Nederlanden moest vallen, indien hij op het behoud van Ostende prys
stelde en den ondergang der Republiek voorkomen wilde. De Fransche gezant had
hem echter ten antwoord gegeven, dat zyn vorst volstrekt niet gezind was met
Spanje
te breken, zoolang hij zich niet van de krachtdadige ondersteuning van Engeland ver-

1 van weteren, f. 501. grotiüs, p. 439. BENTIVOGLIO, bi. 700- carkero, p. 496. GlüSTINIANO,
p. 55, 59. van vervov, bi. 149. van der kemp, 11 bl. 104, 400—403.

ocr page 66

DES VADERLANDS. Â· 127

zekerd kon houden, en levens aan den Hollandschen staatsman doen zien, dat bij den toe- 1C03.
stand en de hulpmiddelen der Vereenigde Gewesten te goed kende, om te gelooven dat
het verlies van
Ostende hen geheel weerloos zou maken Hoewel de hoop op een
inval van de Franschen in
België derhalve vooreerst moest worden opgegeven, bleef niet-
temin de mogelijkheid der verwezenlijking van der Staten uitzigten beslaan, zoolang
Osicnde aan den vyand het hoofd kon bieden, en hel was om deze reden vooral, dat
de overigens voor de Republiek niet zeer gewiglige vesting door hen met zooveel vol-
harding en ten koste van zoo groote opofleringen verdedigd werd. Bij eiken veldtogt
werden hare belangen door de Staten zorgvuldig in het oog gehouden, en de plannen
van prins
maurits waren hun des Ie welgevalliger, naarmate hun hoofddoel, de reddiog
der belegerde stad, er meer door scheen bevorderd te worden. Het strookte derhalve
geenszins met hunne wenschen, dat de prins, na den aftogt van den graaf
varr deïst
BERG, den voorslag deed om 's Hertogenbosch te belegeren. Nu de vijand, behalve de
troepen, die in
Vlaanderen lagen, een aanzienlijk legercorps bijeen had, kon deze
kostbare onderneming, wier uitslag zeer twijfelachtig was, aan hel beleg van
Osicnde
geen hinderpalen meer in den weg leggen. De Stalen drongen er derhalve op aan^
dat MAURITS liever, lot besparing van noodelooze onkosten, alle overbodige wagens,
schepen, trekpaarden en daarbij behoorende ambtenaren en werklieden afdanken en zijn leger
in de omstreken van
Bergen-op-Zoom brengen zon, om aldaar af te wachten of er zich geen
gunstige gelegenheid zou aanbieden om den vijand afbreuk te doen en
Ostende Ie ont-
zetten. De prins verklaarde echter dat het onmogelijk was zijn krijgsvolk op de aange-
duide plaats bijeen te houden, daar er te weinig weilanden gevonden werden om de paarden
van voeder te voorzien, doch bood aan om de troepen op zulk eene wijze in de naastbij-
gelegene garnizoensleden te verdeelen, dat zy binnen drie of vier dagen weder zouden
kunnen verzameld worden. Hij kwam echter andermaal op zijn oorspronkelijken voor-
Maurits bele-
slag terug, en voerde onderscheidene redenen aan, waarom het beleg' van 's
Hertogen- ^^^j^ertoglnlmcL
hosch
hem juist nu zeer wenschelijk voorkwam. De Staten besloten daarop hem te magtigen in
deze zaak naar welgevallen te handelen zoodat
maurits reeds den 19·^®" Augustus de slad be-

1 Mémoires de sülly, 1Y p. 238 ss. Uct is niettemin opmerkelijk dat de Staten-Gencraa in
het volgende jaar, tijdens de belegering van
Sluis door siAtmiTS, insgelijks aan den prins schreven
dat, naar hunne meening, »de geheele zaak naast God aan de conservatie der slede
ym Ooslende
is hangende." van der kemp, 11 hl. 144.

2 De afgevaardigde van Zeeland ter Staten-Gcneraal protesteerde togen dit besluit, uit hoofde
van «verscheidene verklaringen cn versoeken, van wege
li. Ed. (namelijk de Staten van Zeeland)
gedaan, ten einde de oorlog met de magt van de Vereenigde Provinciën op hunne frontieren mögt
worden gevoerd, opdat
Ostende ontzet en het land van Zeeland in belere versekerdheid gesteld
mögt -worden."
van der kemp, 11 bl. 408.

III Deel. 2 Stuk. 25

ocr page 67

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1603. rende en zijn hoofdkwartier te Yucht vestigde. De met hem verbondene muitelingen legerden
zich ie
Vlijmen ^ op den weg naar/iewii/ew. Twee dagen later rukte de graaf van den berg
met zijne door nieuwe troepen versterkte krijgsmagt tot ontzet der bedreigde stad aan,
en sloeg zijn kamp bij
Dalen op. In den avond van den eersten September slaagde
hij er in bij donker weder eenen heuvel tusschen
Viw/i( en Vlijmen te bezetten, waar-
door de gemeenschap tusschen
maurits en het Eskadron verbroken en de toevoer van
levensmiddelen naar het Staatsche leger gedeeltelijk afgesneden werd. Zoodra de prins
van deze gebeurtenis kennis kreeg, trok hij aan het hoofd van tweeduizend man der-
waarts en viel daarmede den vyand, die reeds begonnen was zich te verschansen, zoo
hevig van drie zijden aan, dat deze na een uur van woedenden strijd het veld ruimen
en de reeds ingenomene stelling verlaten moest. De aanvalswerken werden door
maurits, wegens de nabijheid der vijandelijke krijgsmagt en den grooten omvang
der vesting, die hij niet geheel kon insluiten, slechts flaauwelijk voortgezet.
De beide legers hielden elkander in bedwang en het bleef bij kleine schermutselingen.
Intusschen had de burgerij van
Herlogenhosch standvastig geweigerd bezetting in te
nemen. Hoezeer het gevaar, dat haar dreigde, ook wegens den naderenden winter niet
zeer groot scheen, begreep de aartshertog, die den vierden October zelf in de legerplaats
kwam en zich in de stad begaf, dat het echter hoogst wenschelijk was, haar op dit
besluit terug te doen komen, en toen hem dit door overreding niet gelukte, wist hg
door eene list zijn doel te bereiken en bragt drieduizend man binnen de poort, onder
voorwendsel dat hij daarmede slechts eenen uitval wilde doen. De burgerij bemerkte te
laat, dat zij bedrogen was, en voortaan een talryk garnizoen zou moeten onderhouden.
Ook hierdoor werd de bemagtiging van
^s Hertogenhosch voor maurits bemoeijelijkt,
zoodat hij, bij het invallen van den vorst, op den δ·^®·^ November het beleg opbrak.
Den volgenden dag schaarde hij zijn leger op een uur afstands van de vesting op het
vlakke veld in slagorde, om
Albertus lot eenen veldslag uit te noodigen. Doch deze
liet de Staatschen ongestoord aftrekken, waarop de veldlogt voor dit jaar gesloten en
de wederzijdsche troepen in de garnizoenen verdeeld werden ^
]Je Spaanschc Intusschen hadden de Spaansche muitelingen er reeds meermalen op aangedrongen,
niuitelingen woi- j^j versterkte plaats zou worden aangewezen, alwaar zii zich met hunne

oen in wave ge- ^ Î¿ ' j

vrouwen, kinderen en bezittingen konden nederzetten, ten einde tegen onverhoedsche
overvallen beveiligd te zijn en de zuidelijke
Nederlanden des te beter te kunnen brandschat-
ten, Aanvankelijk werd hun
Wachtendonk als verblijfplaats aangeboden; doch zij namen
daarmede geen genoegen en verzochten
Rhijnberk te mogen bezetten. De meeste leden

1 VAN METEREN, f. 502. GROTIUS, p. 440. nEKTIVOGLIO, bl. 701. CABNERO, p. 502. GlüSTlNlAKO,
p.
69—72. VAN vEnvov, bl. 152—159. van der kemp, U bl. 105-107, 403—413.

ocr page 68

DES VADERLANDS. 195

der Slalen-Generaal waren geneigd dit yerzoek, hetwelk door prins maurits en graaf 1603,
WILLEM LODEWiJK als overeenkomslig met 's lands belangen ondersteund werd, in te
willigen; doch de afgevaardigden yan
Holland bragten uit naam der Staten van hun
gewest gewiglige bedenkingen tegen de inruiming der bedoelde vesting in het midden.
Het kwam hun niet raadzaam voor, de landen van
Cleef en Gulih aan de slrooptogten
van het Eskadron bloot te stellen en de Duitsche vorsten daardoor reden tot misnoegen
te geven. Ook wenschten zij welligt de Spaansche krijgslieden digter bij de hand te
houden , ten einde hen, met het oog op het ontzet van
Osiende, bij voorkomende ge-
legenheden terstond te kunnen gebruiken Men besloot derhalve Gi'ave aan hen af
te staan. Hoezeer het
maurits niet aangenaam kon wezen, dat eene hem toebehoo-
rende stad aan de schade werd blootgesteld, die het verblijf der muitelingen haar
waarschijnlijk zou berokkenen, voldeed hij aan den last der Stalen eU gaf hun de
plaats over, na de plegiige belofte ontvangen te hebben, dat zij noch op Slaatschen
noch op Duilschen bodem brandschatten en de plaats, in geval eener verzoening met de
aartshertogen, behoorlyk weder in zyne handen stellen zouden

Het bleek echter weldra dat het Eskadron niet in alle opziglen de voorwaarden van Mislukte aan-
het geslotene verdrag eerbiedigde. Althans kwamen uit Gelderland zooveel klagten ^trkhL^
over de kwellingen en knevelarijen, waaraan de bewoners van het platte land waren
blootgesteld, dat de Staten-Generaal naar middelen uitzagen om hunne beschermelingen
van de grenzen te verwyderen. Deels met dat doel beraamde men eenen aanslag op
Maastricht y dien matirits gewigtig genoeg achtte om zich aan hel hoofd der daarvoor
bestemde troepen te stellen. Op den 9'·"° Januarij 1604 ving de togt in alle stille aan;
doch slechte wegen en onbekwame gidsen vertraagden den marsch der Slaalsche krijgs-
lieden, zoodat deze zich eerst den volgenden morgen voor de stad bevonden, alwaar men
reeds kennis van hunne aankomst ontvangen en zich op eenen aanval voorbereid had. Daar
MATIRITS bovendien tijding kreeg dat het Eskadron, op welks ondersleuning hij gerekend
had, zijne medewerking weigerde, en de vijand in aller ijl troepen verzamelde om hem
te keer te gaan, moest hy van den aanslag afzien en onverrigler zake terugkeeren

Het beleg van Ostende was inmiddels door de aartshertog en met yver voortgezet; Voortzetting van
doch de lente en de zomer verliepen zonder dat de Spanjaarden hun doel veel nader- ^og/cfi^f'^^
bij kwamen. Op den 15*''° April was
jdan de rivas, aan wien Albertus het opper-
bevel. over de belegeringstroepen had toevertrouwd, er in geslaagd om stormenderhand

1 Een cn ander strookt met de redenen, voorkonaende in de Res» d. Stat. Gen. τ. 10 October
bij VAN DER KEMP, 11 bl. 417.

2 VAN meteren, f. 502. CROTIUS, p. 442. van der KEMP, 11 bl. 107, 413—421.
2 van der kemp, 11 bl. 103, 421—423. Zie ook van weteren, f. 507 rf, infra.

25*

ocr page 69

ALGEMEENE GESCHIEDENIS

lOG

op

Kesü

1G03. de drie zoogenaamde polders of buitenwerken in te nennen, die den toegang tot de
westzijde der vesting niet weinig bemoeijelijkten. Daarentegen hadden de belegerden, onder
het beleid
tan hun kloeken gouverneur karel yan der noot i, op den Augustus
de voornaamste verschansingen van den vijand, die bij gebrek aan aarde hoofdzakelijk
uit opeen gestapelde balken bestonden, met gloeijende kogels in brand weten te
schieten en door een zeer levendig kanonvuur alle pogingen tot blussching verijdeld,
zoodat de vlammen gedurende drie dagen ongestoord voortwoedden, en eene schade ver-
oorzaakten, die in geruimen tijd niet te herstellen was 2. Reeds begon men in de zui-
delyke
Nederlanden aan de mogelijkheid te twijfelen, om de vesting, die door de Sta-
len voortdurend van versehe troepen en overvloed van krijgsbehoeften voorzien werd, te
overmeesteren, toen
Albertus op het denkbeeld kwam de leiding van het beleg aan
den markies
ambrosio spinola op te dragen. Gedurende zijn verblijf in de zuidelijke
Nederlanden had deze reeds zoovele proeven van krijgskundige bekwaamheid gegeven, en
daarby zulk een belangeloozen ijver voor de bevordering van
Spanje's belangen ten toon
gespreid, dat de aartshertog in hem den man meende gevonden te hebben, die zoowel
door zijne talenten als door zijn bijkans onbeperkt crediet in staat was aan het langdu-
Aiimiosio sPE- beleg een gewenscht einde te maken. Hij bood hem derhalve het opperbevel aan,
NOLA neemt liet jjgiofte γ^η alle voorschotten, welke spmoLA lot aanschaffing van krijgsbehoeften en

opperbevel
zich.

betaling der soldij zou willen doen, uit de onderstandsgelden van den koning van Spanje
terug te geven. De voorzigtige Italiaan begaf zich in persoon naar de legerplaats, om den
stand van zaken in oogenschouw te nemen, eer hij eene taak aanvaardde, die hij voor-
zien kon dat hem onnoemelijke sommen en, bij mislukking, zijne eer kosten zou.
Tusschen de voornaamste krijgsbevelhebbers heerschte verschil van gevoelen omtrent de
mogelijkheid, om het beleg lot een gewenscht einde Ie brengen. Na zoovele vruchlelooze po-
gingen hadden velen de hoop opgegeven, om
Ostende^ door de bemagtiging zijner haven ,
van allen bijstand te berooven: en zoolang telkens nieuwe troepen en verdedigingsmiddelen
binnen de vesting konden worden gebragt, hielden zij hare verovering voor eene her-
senschim. Anderen waren echter van oordeel dat men, al gelukte het niet den toevoer
geheel af te snijden, waaraan zij nog niet wanhoopten, de belegerden althans voet voor
voet terug zou kunnen dringen, tot hunne laatste verschansing ondermijnd of door
het geschut vernield was. Na een naauwkeurig onderzoek omhelsde
spinola het laatste
gevoelen, en nam het opperbevel over de belegeringstroepen op zich

Met verbazing en niet zonder verontwaardiging vernamen de oude officieren, die voor

1 Op den 13·^'·" Jiilij had van der noot liet opperbevel van frederik vaiï dorp overgenomen.
- FLEMING, bl. 324—40Ö. OIÜSÏINIANO, p. 55—57. CARNERO, p. 495. BENTIVOGLIO, bl. Ö93 , 703.
3 ClUSTLMANO, p. 67—CARNERO, p. 4üi). BENTIVOGLIO, bl. 705—707.

ocr page 70

DES VADERLANDJS. 197

Ostende gelegerd waren, dat een voormalig Genueesch koopman, die slechts korten 1603.
tyd als yrijwilliger gediend had, tot hun opperhoofd was aangesteld, doch zij werden
weldra gedwongen de keuze van den aartshertog niet slechts te eerbiedigen, maar ook
te prijzen. Met onverbiddelijke gestrengheid voerde
spinola. eene stipte krijgstucht in,
en wist daardoor aan aanzienlijken en geringen ontzag voor zijne bevelen in te boezemen.
Doch tevens won hij de achting en het vertrouwen van bevelhebbers en soldaten door
zijne zorg voor hunne geregelde betaling, door zijn minzamen omgang en door de
onverschrokkenheid en de zelfverloochening, waarmede hy in hunne gevaren en ont-
beringen deelde. Hoogst beschaafd doch vreemd aan den Spaanschen hoogmoed, die
zoo vaak het misnoegen der troepen had opgewekt, kon hij zich met den geringsten
krygsman onderhouden, zonder zijne waardigheid als veldheer in de waagschaal
te stellen; en menige nacht werd door hem op de gevaarlijkste posten doorgebragt, waarbij
hij den zijnen een voorbeeld gaf van onvermoeide waakzaamheid en bewonderenswaardi-
gen moed. Naauwelijks had hij dan ook in September het opperbevel aanvaard, of de
belegering werd met vernieuvs-de krachten en ongewonen ijver voortgezet. Onder
leiding der bekwaamste vestingbouwkundigen, die
spinola om zich verzameld had, en
waaronder zich vooral de Italianen
pompeo targohe en pompeo giustiniano ^, onder-
scheidden, namen de aanvalswerken snel in omvang toe en naderden meer en meer
de hevig bestookte vesting. Aan beide zijden werden zoowel tot aanval als tot verdediging
Nieuwe uitriu-
alle hulpmiddelen der krijgskunst te baat genomen, en de belegeraars en belegerden wed- bcifg^rJen Tn tl,
ijverden zelfs in nieuwe uitvindingen, om elkander afbreuk te doen of zich voor elkan-
ders vuur te beschuiten. Was het reeds vroeger in gebruik geweest-, het geschut met
musketkogels, keilingen en ander ijzerwerk te laden: te
Oslende begreep men het eerst,
dat deze werktuigen te beter hun vernielingswerk verrigten konden, wanneer zij in
cilindervormige bussen of zoogenaamde
blikken doozen 2 besloten werden. Ook muntten
de Staatsche vuurwerkmakers uit door het vernuft, waarmede zy de brandpijlen en
vuurballen vervaardigden, welker vreesselijke uitwerking aan de belegeraars groote hinder-
palen in den weg legde. Door den ruimen aanvoer van balken, rijs en andere bouw-
stoffen werd de schade, door het vijandelijke geschut of de golven der zee onophoudelijk
aan de vestingwerken toegebragt, onder leiding der bekwame ingenieurs
ralfp dexter
en DAVID VAN ORLEANS tcIkens weder hersteld. Binnen Oslende was bijna altijd zulk
een overvloed van allerlei voorraad, dat de meeste levensmiddelen er veel goedkooper
waren, dan in de naburige streken en zelfs in
Holland het geval was. Door deze
krachtdadige ondersleuning der Stalen, het uitstekende beleid der onderscheidene gou-

' De schrijver der meermalen aangehaalde libri VI dclle (juerre di Fiandra.
- Deze naam komt reeds voor bij flemixg, bl. 477.

ocr page 71

ALGEMEENE GESCHIEDENIS

198

1604. Ycrneurs, en het eergevoel, dat des te meer werd opgewekt, Daarmate de belegering
langer duurde, bleef de bezetting met den besten geest bezield en gereed om eiken
voel gronds tot het uiterste te verdedigen. Nimmer verzuimden de wakkere krijgslieden
om hunne tegenstanders, waar zy konden, afbreuk te doen. Toen eenigen hunner,
die eene halve maan bewaakten, bespeurd hadden dal de vijand eiken nacht een
sterken wachtpost uitzcllede op eene plaats nabij den bedekten weg, alwaar de Slaat-
schen gewoon waren hunne lijken te begraven, vulden zy eene doodkist met buskruid
en stukken yzer, en bestelden die met de gewone eerbewyzingen ter aarde. De Span-
jaarden, die geen kwaad vermoedden, kwamen den volgenden nacht op hunne plaats
terug. Door een loopend vuur aangestoken, onlplofte de mijn eensklaps onder hunne
voeten en verspreidde dood en verderf in hunne gelederen

De belegeraars schoten intusschen geenszins in vernuft en ijver te kort. Ten einde
zich legen het geweldige en onafgebrokene vuur der vesting te dekken, vonden zij de
zoogenaamde
blinden en handelaars uit, onder Avier beschutting zij veiliger konden
voortwerken. Niettemin keerde dikwerf slechts de helft der schansgravers in de legerplaats
terug, wanneer het uur der aflossing geslagen was. Door hooge loonen wist
spikola
echter hun getal voortdurend aan te vullen en zelfs zijne soldaten over te halen om
aan hunnen arbeid deel te nemen. De aanvalswerken tegen de vesting werden te
gelijkertijd aan twee zijden voortgezet. In het kwartier van
Bredene was de graaf
DE BUCQUOY reeds vroeger begonnen eenen dijk van opeengestapelde balken aan te
leggen, die door de vuurpijlen en gloeijende kogels der belegeraars wel herhaaldelijk
zwaar beschadigd maar telkens hersteld en verlengd was, en het groote voordeel op-
leverde dat de Spanjaarden onder zijne beschutting veilig aan hunne verschansingen en
batterijen voort konden werken. Op raad van
giustihiawo besloot spinola. dien dijk tot
aan den ingang van
de Geul voort te zetten, terwijl targone op zich nam op een vlot
een kasteel te bouwen en aldaar met ankers te bevestigen. Ware deze onderneming gelukt,
dan zouden de Staatsche oorlogschepen de haven niet meer hebben kunnen binnenzeilen,
zonder zich aan een bijkans wis verderf bloot te stellen. De belegeraars slaagden er
echter in, het houten gevaarte in brand te steken, en de woede der door storm opge-
zette golven voltooide het vernielingswerk. Nu stelde
targone aan spikola voor, eene
reusachtige ophaalbrug op wielen van tweehonderd schreden lengte te vervaardigen,
welke, des nachts lot aan de gracht der over
de Geul gelegene halve maan gerold en over den
wal nedergelaten, aan de Spanjaarden eenen weg tot in dit bolwerk zou banen. Het kunst-
stuk werd inderdaad voltooid, doch reeds bij de eerste proeve braken de kabels, waar-
aan de zware brug bevestigd was, zoodat ook dit plan moest worden opgegeven. In-

FiEMING, bl. 453.

ocr page 72

DES VADERLANDS. Â· 127

tusschen hadden de belegerden, die van des vijands Toornemen kennis droegen, het 1604.
bedreigde punt reeds rondom met hooge masten beplant, om het nedervallen van de
brug onmogelijk te maken.

Daar spinola. ten gevolge van deze vruchtelooze pogingen de hoop moest opgeven, Dc Spaujaarden
Ostende door het afsnijden van allen toevoer te bemagtigen, rigtte hij al zijne krachten bintiensten"* vts^
legen de westzijde der stad, waar de aanvalswerken middelerwijl aanmerkelijk gevorderd
waren. Onder zijn opzigt was de vesting aldaar reeds op vier onderscheidene plaatsen aange-
tast, De Duitsche troepen hadden hunne werken het naast bij de zee. Daarop volgden
de Spanjaarden, dan de Italianen en eindelijk de Walen en Bourgondiërs, die tot één
corps vereenigd waren. De naijver tusschen deze onderscheidene natiën en de tegen-
woordigheid van den opperbevelhebber deed de werken met snelheid vorderen. Daar
de buitengracht ter plaatse, waar de Walen en Bourgondiërs werkten, het minst diep
en breed was, slaagden zij er het eerst in, tot over den bedekten weg door te dringen.
Weldra weerden zij door de overigen gevolgd, zoodat de belegerden, niettegenstaande
hunnen wakkeren tegenstand reeds in de maand Maart uit alle verschansingen, die zij
buiten den binnensten vestingwal bezaten, verdreven waren. Thans werd ook de tweede
gracht door de Spanjaarden op onderscheidene plaatsen gedempt en de wal ondermijnd,
zoodat men eerlang eene bestorming der voornaamste bolwerken te duchten had. Niet-
temin lieten de belegerden, die eiken voet gronds met de uiterste inspanning verdedigd
hadden, den moed geenszins zakken. Nadat de gouverneur
pierre de ghistelles
die in de maand December des vorigen jaars va.n der hoot vervangen had, benevens
zijn opvolger
johan van loon in Maart weinige dagen na elkander gesneuveld waren,
droeg de krijgsraad het opperbevel aan vier kolonels op, totdat prins
maurits in de volgende
maand door de benoeming van
jagob vaw der meer tan berendreght in de behoefte
aan eenen gouverneur voorzag. Op des prinsen raad ^ sneden de belegerden de meesle bolwer-
ken en ravelijnen door nieuwe wallen en grachten van elkander af, opdat de vijand genood-
zaakt zou zijn die één voor één in te nemen, en door hunne verovering zgn doel nog
geenszins bereikt zou hebben. Binnen in de stad verrees dwars door de huizen heen,
een nieuwe vestingwal, welks gracht door de uitgegravene straten gevormd werd; en
mögt de vijand ook deze bemagtigen, dan zou een andere, behoorlijk door bolwer-
ken beschermde Aval, die het binnenste der stad omsloot, aan de dappere verdedigers

^ FLEMING, bl. 471. » Dacr en Avert niet eenen voet aerden verlaten, of hy en wert cvcrvloc-
dichlijck mot liet bloedt van de vroome Officieren ende cloeckc Soldaten jammerlijck begoten."

2 Een Ylaanisch edelman, wiens vader het verbond der edelen onderteekend had.

3 FLE3HKG, bl. 473, 481.

ocr page 73

ÄLGEMEENE GESCHIEDENIS

1604. eene laalsle wykplaats aanbieden, die zij Nieuw Troje noemden, alsof zij hoop Toedden
zich nog jaren lang daarin te kunnen staande houden
De staten be- Nieltegenslaande deze bewonderenswaardige volharding en de onverschrokkene uilval-
ί οΓι'ζοίί^ϊ^"^^ ' waardoor de \ijand dikwerf uit reeds ingenomene stellingen werd teruggeworpen,
begon het er echter binnen
Oslende zeer hagchelijk uit te zien. Niet slechts waren de
muren zoozeer door het vyandelijke vuur geteisterd, dat zg meer op puinhoopen dan
op vestingwallen geleken, maar de winterstormen hadden ook groote schade aan de
verdedigingswerken toegebragt en het behoud der ondermijnde en herhaaldelijk
bestormde ravelijnen en bolwerken kostte dagelgks aan zooveel soldaten het leven, dat
de bezetting door onafgebrokene toezending van nieuwe troepen bezwaarlyk voltallig kon
gehouden worden. De Staten, die nog steeds aan het behoud van
Oslende het grootste
gewigt bleven hechten, ook omdat de vijand daardoor van andere ondernemingen afge-
leid en tot zware kosten genoodzaakt werd, begrepen derhalve dat het noodig was de
vesting krachtdadig te hulp te komen en spoorden de bezetting tot volharding aan, door
het uitzigt te geven op een spoedig ontzet. Hoezeer prins
maurits, evenmin als zijn
neef
willem lodewijk, aan de mogelijkheid geloofde om de hevig bestookte stad te
redden, gaven zij aan het verlangen der Staten gehoor en verzamelden bij
Willemstad
een leger van tienduizend voetknechten en vijftienhonderd ruiters, hetwelk in eene
Maurus trekt ontelbare menigte vaartuigen naar Cadsant werd overgevoerd. Op den April al-

daar aangeland, nam de prins nog denzelfden dag de drie schansen in, welke de Span-
jaarden er hadden opgeworpen. De Staten-Generaal, die hem op zijn verzoek, even
als bij den veldtogt van het jaar 1600, vergezelden, stelden nu voor terstond het
water over te steken, de tegenovergelegene schans
St, Anna in te nemen en
op
Oslende aan te rukken. Intusschen had spinola zijnen legermeester giustikiano naar
Sluis gezonden, om de bewegingen der Staatsche troepen gade te slaan, en deze had
niet slechts de genoemde schans maar de gansche overzijde in zulk een staat van tegen-
weer gebragt, dat prins
maurits, die de stelling des vijands naauwkeurig had laten
verkennen, het onmogelijk achtte langs dezen weg op Vlaamsch grondgebied post te
vatten 3. Daar hij zich echter bereid verklaarde alles te doen, wat de beeren Staten

ι f
ί

1 fleming, LI. 40Ö—512. van METEREN, f. 510 d, 511. CIüSTINUNO, p. 63—68, 75 — 87. car-
NEUO, p. 4ÜÜ—502. BENTivoGLio, bl. 707—709. grotiüs, p. 443. dosscua, Neerlands heldendaden
te land,
I bl. 3G3—378.

- Zie O. a. FLEMING, bl. 458.

3 Vgl. van vervov, bl. 165: »Sommige van de Staten, geen verstant van den oorlog hebbende,
meinden, men hadde sunder grote schade het Avater wel kuimcn passeren, het Avelcke ick, met
meer andere, contrari hebben geoordeelt, Avaermede Sijae Excellentie ende Genade over een stem-
den, soo ick naederhandt verstaeu hebbe."

200

te velde.

1 ■

ocr page 74

DES VADERLANDS. Â· 127

goedvonden en begeerden, werd de overlogt op hun aandrang op den 27"°° April be- 1604.
proefd; doch het bleek spoedig dat de prins de bezwaren dezer onderneming niet
overdreven had, en dat men waarschijnhjk zonder Trucht eene menigte menschenlevens
verspillen zou, als men beproefde de Spanjaarden uit hunne verschansingen aan de
overzijde te verdrijven. Men besloot derhalve eenen anderen weg in te slaan en
eerst de overige nabygelegene sterkten te vermeesteren, om daarna, naar gelang van
omstandigheden,
Sluis te belegeren of op Osiende voort te trekken. Ingevolge dit
plan werden op den April en den Mei de schansen
Cocxien, Cateline en

Philippine ingenomen. Den 10·^°° Mei bezweek Ysendijk, na een beleg van zeven
dagen.
Aardenhurg en Middelburg werden door hunne bezettingen zonder slag of stoot
verlaten. Bij de Dammesche sluis werd
yelasco die aldaar aan het hoofd van twee-
duizend man eene versterkte stelling had ingenomen, op de vlugt geslagen. Na op deze
Belegering van
wijze alle hinderpalen voor het beleg van
Sluis uit den weg geruimd en zich van den
overtogt der beide aldaar gelegene slroomen,
de Zoute en de Zoete, verzekerd te heb-
ben, kwam MAURiTS op den lO*·®" Mei met zijn leger voor genoemde stad, die weldra
aan alle zijden werd ingesloten. Terstond gaven de Staten aan de bezetting van
Ostcnde
kennis van dezen aanvankelijken voorspoed, ten einde haar door het bemoedigende be-
wustzijn van de nabijheid eener aanzienlijke Slaatsche krijgsmagt tot de uiterste inspan-
ning aan te moedigen. Daar er thans geen redenen meer bestonden, welke de Slaten-
Generaal konden nopen den veldtogt langer bij te wonen, keerden zij, » om het land
niet met vergeefsche kosten te bezwaren en opspraak te vermijden," naar
"'s Hage terug,
na den prins dringend te hebben aanbevolen de belegering van
Sluis op zulk eene wyze
te leiden, dat het hoofdoogmerk, het ontzet van
Ostcnde, er zooveel mogelijk door
bevorderd werd

Hoezeer maurits aanvankelijk tegen dezen nieuwen Vlaamschen têgt zooveel weer-
zin had gekoesterd, dat hij zelfs het beleg van
Sluis als eene zeer gewaagde

^ VELAsco was in plaats van den admirant van Arragon, die tegen het einde des jaars 1602
naar Spanje was teruggekeerd, tot generaal der ruiterij benoemd, van meteren, f. 384 d. 483.
BENTIVOGLIO, bl. 710.

2 van der kemp, II bl. 109, 423—436. giustiniano, p. 90—111. van vebvov, bl. 163—170.
Zie ald. bl. 167, op 1 Mei: »Van
Oostende komt die tijdinge, dat de viant begint in haere wallen
te logieren, ende men vint gene remedie, om de
Stadt te kunnen ontsetten, ten waere men ons
leger in peryckel van geslagen te worden wilde stellen, ende volgents die Verenichte Nederlanden
in gevaer, om verloren te ghaen. Nu sijnder nochtans enige van de Staten mede in ons leger,
wiens beduncken is, dat ment behoorde te wagen, op hopeninge, dat de viant wel flaeu soude
worden, ende wij alsoo overwinninge souden crijgenj hetwelcke een gans swack fundament is,
meer spruytende uyt ene onrijpe ijver, ais crijchservarentheit."

III Deel. 2 Stuk. 26

ocr page 75

202 ALQEMEENE GESCHIEDENIS

mmmmBmamÊmmmmÊÊmÊmÊÊememmmÊÊ^^

IfiO'l·. onderneming had afgekeurd, liet hij llians niets onbeproefd om deze belangrijke
plaats, wier verovering voor de veiligheid van den koophandel der Hollandersen Zeeuwen
van het uiterste gewigt was, in zijne magt te krijgen. Daar de groote omvang harer
werken het zeer moeijelijk maakte haar op de gewone wijze aan te tasten , besloot de prins,
die vernomen had, dat zij zeer slecht van levensmiddelen voorzien Avas, haar door
honger lot de overgave Ie dwingen. Met dat doel liet hij zijne troepen eene stelling
innemen, waarhij zij in staal waren allen toevoer af Ie snijden, en tevens achter eene
reeks van voortreiFelijke verschansingen elke poging tot ontzet konden verijdelen. Te
vergeefs Irachtte
giustiwano den Mei aan het hoofd van vijfduizend man, negentig

wagens met meel geladen binnen de vesting te brengen: hij werd met groot verlies
teruggeslagen. Intusschen zond de gouverneur van
Sluis, mateo serrano, herhaaldelijk
boden af, om den aartshertog Ie bcrigten dal hij groot gebrek aan leeflogt had en de
slad zou moeten overgeven, indien er niet spoedig hulp kwam opdagen.
Aliïertus, die
met reden in het behoud van
Sluis het hoogsle belang stelde, gaf eindelijk aan spinol.!

Spinola be- bevel met alle beschikbare troepen derwaarts Ie trekken. Hoezeer de markies
äk
L'^tc^ontzet-raet wcerzin Osiende verliet, hetwelk hij begreep dat geen langdurigen weerstand
meer zou kunnen bieden, volvoerde hij den hem opgedragen last, liet slechts zooveel
troepen achter als lot voortzetting van het beleg onmisbaar waren, en trok in het be-
gin van Auguslus met achtduizend man en eenig geschut naar
Sluis op. Hij beproefde
echter te vergeefs lusschen
Brugge cn Damme door te breken.- Toen hij daarop in
hel eiland
Cadsanl drong, om langs dezen omweg zijn doel lebereiken, vond hij zulk een
wakkeren tegenstand, dal hij, na een hevig gevecht op den IG·^"^" Augustus, genoodzaakt
was onverrigter zake af Ie trekken. Thans alle hoop op ontzet verloren hebbende, gaf
SERRANO, die voor geen enkelen dag voorraad meer over had.
Sluis op den 19''®° onder
eervolle voorwaarden aan
maurits over. Omstreeks vierduizend mannen, door langdurige
onthouding zoozeer uilgeput, dat op den korten weg naar
Damme zestig hunner be-
zweken, verlieten de vesting, die terstond door Staalsche troepen bezet en behoorlijk
van krijgsbehoeften en levensmiddelen voorzien werd ^

Zoodra spinola van de overgave van Sluis kennis kreeg, keerde hij naar Oslcnde

ί van der eemp, 11 bl. 110, 43G—453. van meteren, f. 509. ciustiniano, p. 111—137.
destivoguo, hl. 711—713. van vervov bl. 170—179. bosscha, t. a. p. 1 bl, 390—392. oldexdar-
KEVELï, die toen in liet leger was, sclirccf o. a. aan de Staten-Generaal: »Men moet God den Ileere
daarvoor loven cn danken, cn Z. Exc. voor de {jroote moeite, zorg cn naarstiglicid. De kosten zijn
zeer groot, maar wel besteed. Ik lieb hiervan in
Frankrijk cn Engeland geadviseerd, op hope
dat 'tzelve iels goeds zal mogen doen. ü. E. M, zidlen believen Ie letten, om in de beste iorm
H. ook hiervan te adviseren, en de Provinciën, zonder te vergeten het ernstig vorderen van

de penningen, om de eonfusicn en de ineonvenienten te weeren."

ten.

ocr page 76

DES VADERLANDS. 195

terug. Daar hij het hoogst vvaarschynlijk achtte, dat prins m.iurits binnen kort tot loo-i.
ontzet der vesting zou opdagen, besloot hij de aanvalswerken met verdubbelden ijver voort
te zetten, ten einde nog voor dien tijd zijn doel te bereiken. Reeds was een groot
gedeelte der wallen, door het vijandelijke vuur plat gescholen of door mijnen omver ·
geworpen, door de Spanjaarden bezet; en hoezeer de heldhaftige bezetting eiken voet
gronds met uitstekende dapperheid verdedigde, was zij reeds achter den eersten bin-
nen de stad opgerigten vestingwal teruggedrongen, In Junij was de gouverneur
van
der meer
doodelijk gewond en door den kolonel asthome van υτΕΝίιογΕ vervangen,
die Aveinige dagen later insgelijks zoo zwaar gekwetst werd, dat hij het opperbevel
moest nederleggen. Op herhaalden aandrang van de bezetting en de burgerij had
mau-
rits
daarop die gewiglige taak aan daniel de uartaikg, heer van Marquclle, toever-
trouwd, die den Junij te
Osiende aankwam, doch de verdedigingswerken in zulk
een ontredderden staat vond, dat hij naauwelijks hopen kon nog een korten li|d aan des
vijands geweld weerstand te bieden. De ondermijnde binnenwal was reeds aan een
puinhoop gelijk, en Λvanneer de vijand er in slaagde ook dezen te overmeesteren en zijn
geschut daarop te planten, dan kon de laatste verschansing nog slechts weinige dagen
eene schuilplaats aan de bezetting aanbieden. Alleen onafgebroken toevoer van versehe Beraadslagiii-
troepen kon haar in slaat stellen de hardnekkige verdediging nog eenigen lijd te rekken, gciijkilekll" 'om
en de Staten-Generaal, die den toestand der vesting kenden, doch de zorg voor jJe^e te bezet-
aangelegenheid thans aan
maurits moesten overlaten, hadden er reeds gedurende het
beleg van
Sluis herhaaldelijk op aangedrongen, dat hij alle beschikbare troepen naar
Ostende zou doen inschepen, en onverholen hun ongenoegen betuigd, dat hij hierin
minder ijver betoonde, dan met hunne inziglen strookte. De prins, die het onmogelijk
achtte
Osiende te behouden en zijne niet zeer sterke krijgsmagt ongaarno verzwakte,
terwijl hij zich tusschcn een talrijk garnizoen cn een vijandelijk leger bevond, had ech-
ter ronduit aan den heer van
Marquelle bij diens vertrek naar Osiende verklaard, dat
het geenszins zijn voornemen was zijne soldaten doelloos op de slagtbank te laten bren-
gen Zoodra
Sluis in Staatschc handen was overgegaan, verzocht maurits hunne
Hoogmogenden zich andermaal in hel leger Ie willen begeven, om op de plaats zelve
de besle middelen tot behoud der gemaakte veroveringen Ie beramen en levens omtrent
bet lot van
Osiende een besluit te nemen. De Staten-Generaal voldeden aan dit ver-
langen en kwamen in het begin van September te
Sluis aan, alwaar zij terstond met
de beide stadhouders en de leden van den Raad van State do gewiglige vraag in be-
handeling namen, of het raadzaam ware thans eene poging lot ontzet der benarde ves-
ting te wagen. De beraadslagingen over dit onderwerp, die gedurende drie dagen wer-

^ VAN DER KEMP, II bl. 443: »Son Exc, m'a eipressement dit, que son intenlion n'est nullement
dc perdre les hommes."

26*

ocr page 77

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1604. den voorlgezet en niet zelden met betreurenswaardige heftigheid gevoerd werden ^,
bragten in het gevoelen der veldheeren geen verandering. Zij kantten zich met kracht
tegen eene onderneming aan, welke volgens hunne overtuiging het behoud van
Sluis en
van de overige Vlaarasche sterkten in de waagschaal zou stellen, door die nu reeds van
de bescherming der Staatsche legermagt te ontblooten. Zij achtten het onmogelijk met
het betrekkelijk geringe aantal troepen, waarover zy beschikken konden,
spikola. lot
den aftogt te dwingen, en hielden het integendeel voor hoogst waarschijnlijk, zoo niet
zeker, dat zij eene nederlaag zouden lijden, waarvan de gevolgen niet te voorzien wa-
ren. Zij gaven derhalve den raad, om zich tot versterking van het veroverde ge-
deelte van
Vlaanderen te bepalen, opdat men ook na het onvermydelijke verlies van
Ostende vasten voet in dat gewest behouden mögt. De Stalen-Generaal lieten zich
echter door deze bedenkingen geenszins van hun plan afbrengen, en besloten dat het
ontzet beproefd zou worden. In zijne legerplaats teruggekeerd, ontving
maürits echter
zulke ongunstige tijdingen omtrent den hagchelijken toestand van
Ostende ^ dat hij de
Staten lot eene nieuwe bijeenkomst in zijne tent liet uitnoodigen. Andermaal ver-
klaarde de prins, dat hij «in goede conscientie niet zoude kunnen of weten te adviseren
eenige wegen of middelen om de stad
Ostende te ontzetten.» Het fort Blankenberg,
hetwelk op den weg van het Staatsche leger lag, was door den vijand zoo goed ver-
sterkt, dat het binnen weinige dagen niet kon genomen worden, en de gezamenlijke
krijgsmagt, waarover
spinola. beschikken kon, was te tahijk en Ie voordeclig geplaatst,
om door de Staalschen uil het veld geslagen te kunnen Avorden.
Maürits achtte zich der-
halve verpligt er nogmaals op aan te dringen, dat men van deze uiterst gevaarlijke en
geheel nuttelooze onderneming af zou zien. Mogten de Staten echter in hun besluit
volharden, dan zou hij met graaf
willeim lodewijk. «als der heeren Staten dienaars
zich daarnaar met alle vlijt, naarstigheid en devoir reguleren.» Na rijp beraad gaven
de Stalen op den ll"^"" September den prins te kennen, dat zij de door hem geop-
perde bezwaren wel hoogst gewigtig vonden, maar niettemin begrepen dat het zelfs
voor de eer des lands en lot hunne regt vaardiging bij de koningen van
Frankrijk
en Engeland noodig was, dat men althans beproefde door de vyandelijke krijgsbenden
heen tot
Ostende door te dringen 2 en, wanneer dat niet gelukte, spinola tot eenen
veldslag te bewegen, van welks uitslag de Staten de beste verwachtingen koesterden.
Maurits begon nu de noodige toebereidselen te maken, om den hem opgedragen last
Ie vervullen, terwijl de bezetting van
Ostende dringend werd aangemaand om zich, met
het oog op het aanstaande ontzet, zoolang mogelijk te weren.

1 van der kemp, II bl. 456.

2 Verg. de aanhaling uit van vervov op bl. 201 noot (2).

ocr page 78

DES VADERLANDS. Â· 127

Spinola had zich intusschen den hem gegunden lijd te nutte gemaakt, om de vesting 1604.
met inspanning van alle krachten tot het uiterste te brengen. Onophoudelijk werden
de nieuw opgeworpene verdedigingswerken door het zware geschut der Spanjaarden ge-
beukt en vernield, en ofschoon de belegerden zelfs de lijken opgroeven om hunne wal-
len daarmede te versterken, was de aarde te los om aan het onafgebrokene vuur weerstand te
bieden. Dag aan dag kregen de Staten berigt van des vijands vorderingen, en daar prins
mau-
RiTs nog niet gereed was om tegen den vijand op te trekken ^, zagen zij zich eindelijk
verpligt hem te magtigen om den heer van
Marquette vergunning tot de overgave te
geven, wanneer er geen mogelijkheid meer zou zijn om de verdediging langer te rekken.
In het begin van September drongen de Spanjaarden in de oude stad door, namen op
den 13'''^" een bolwerk in, hetwelk de nieuwe haven beschermde en tastten daarop met
onweerstaanbaar geweld de werken aan, die de belegerden in aller ijl hadden opgewor-
pen, om van dien kant nog eenigen weerstand te kunnen bieden. Thans was echter
het lot der vesting beslist. Binnen hunne laatste verschansingen teruggedrongen en op
het punt van de gemeenschap met de zee en daardoor van allen toevoer verstoken te
worden, achtten de officieren der bezetting zich niet verpligt een nieuwen storm af te
wachten , dien zij buiten staat waren af te slaan. Na het voornaamste gedeelte van het
Ostende woidt
geschut, de predikanten, de veslingbouwkundigen en de Spaansche overloopers, t^io overgegeven!'^^^
vreesden dat men hun geen kwartier zou willen geven, in het geheim te hebben
laten inschepen, trad de heer van
Marquellc op den September met spimola

in onderhandeling, en gaf hem Ostende onder hoogst eervolle voorwaarden over. De
markies noodigde den gouverneur en de hoofdofficieren op een prachtig gastmaal, en
bragt aan hun voorbeeldigen ijver en heldenmoed eene welverdiende hulde. Twee
dagen later trok de bezetting, ten getale van drieduizend man, met vier stukken ge-
schut, brandende lonten, vliegende vaandels, slaande trommen, wapenen en bagaadje^,
uit
Nieuw Troje, werd met ponten en schuilen over de Geul gezet, en vervolgde ha-
ren weg in drie ongeveer even sterke afdeelingen oostwaarts langs het strand. De Fran-
sche troepen vormden de voorhoede, daarop volgden de Nederlanders en eindelyk de
Engelschen en Schotten. Den volgenden dag in het Staatsche kamp bij
Sluis aangeko-

ï Inderdaad liet MAuniTs tot de overgave van Ostende zijn leger volstrekt geen bewegingen
maken. De Staten-Generaal meldden aan den koning van
Frankrijk, toen zij Iicm op den
22'*«" September kennis van de overgave van
Ostende gaven, dat de prins besloten had om vóór
den 25'*®° op te trekken om den vijand slag te leveren, maar dat hij drie of vier dagen daarin
door slecht -weder en stormen was opgehouden,
van der kemp, II bl. 461 (1).

ï Krijgsbehoeften moest de bezetting volgens het verdrag achterlaten. Zie dc lijst van het
achtergeblevene bij
flemisg, bl. 581.

ocr page 79

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1604, men, werd de heldhaftige schaar door prins maurits aan het hoofd van zijnen luister-
rijken staf met de grootste eerbewijzen ontvangen. De prins heette de voornaamste be-
velhebbers met ontdekten hoofde welkom, gaf hun de hand, reed daarop door de ge-
lederen der soldaten en sprak hun woorden Yan lof en dankzegging toe voor de
trouwe diensten, die zij het vaderland bewezen hadden. Niet minder betuigden de
Stalen hunne hooge tevredenheid over het uitstekende gedrag der bezetting. Aan de
meeste officieren en soldaten, die gedurende het beleg binnen
Oslende gediend hadden,
vielen winstgevende ambten, verhooging van rang en andere belooningen ten deel
Gevolgen van de Aldus eindigde het merkwaardige beleg van Ostende, hetwelk drie jaren en tachtig
dagen geduurd en de belangstelling van gansch
Europa in hooge mate tot zich getrok-
'osfeTdff ken had. Door de buitengewone Tolharding en krachtsinspanning der belegeraars, den
hardnekkigen tegenstand der belegerden, de eigenaardige ligging der stad en het be-
leid en vernuft, zoowel bij den aanval als bij de verdediging ten toon gespreid, was de
vesting naar het oordeel der iijdgcnooten als cene akademie der krijgskunst geworden,
waar men binnen korten lijd meer ondervinding opdeed, dan anders welligt in een lang-
durig leven. Van heinde en verre hadden jeugdige edelheden zich hetzij in
spikola's
legerkamp helzij binnen de stad begeven, om het beleg in oogenschouw te nemen en
zich in deze voortrefTelijke leerschool tot bekwame krijgsheden te vormen. Aanzienlijk
Avaren intusschen de offers, die de langdurige kamp om
Oslende's bezit gevorderd had.
Aan de zijde der Spanjaarden waren meer dan vijftigduizend officieren en soldaten ge-
sneuveld of door ziekte bezweken; en het verlies der Staatschen had, naar de waar-
schijnlijkste gissing, een nog hooger cijfer bedragen De opbrengst der Staten
van
Vlaanderen was gedurende het beleg allengskens van f 90,000 tot f 112.000
's maands geklommen, terwijl
spinola bovendien een groot gedeelte van zijn aanzienlijk
vermogen aan de bemagtiging van
Oslende Ie koste had gelegd en de aartshertogen
builen staat waren geweest aan andere ondernemingen te denken, zoolang de schier
onneembare vesting hun geweld trotseerde. Ook de schatkist der Vereenigde Gewesten
had gevoehg geleden door de eischen eener yerdediging, waarvoor in de laatste weken
niet minder dan 7Ö00 ponden kruid daags waren aangevraagd, en die in het geheel
omstreeks vier millioen gulden verslonden had Niettemin waren deze aanzienlijke
onkosten voor de Republiek geenszins verloren te achten. Terwijl het bezit van
Ostende's ver-
nielde vestingwerken aan de aartshertogen slechts een schrale vergoeding aanbood voor het
___ j

1 FLEMING, bl. 512—582. GiusTixiANO, p. 143, 144. VAN DER KEMP, 11 bl. 111, 453—465.
grütius, p. 451. bektivoglio, bl. 714. van wetehen, f. 512. bosscha, t. a. p. 1 LI. 379.

~ ühotiüs, p. 452. Zie cclitcr ook van weteken, f. 512 rf, die een nog veel grootcr getal opgeeft.

3 VAN METEREN, f. 510 d. Vgl. f. 506 c.

ocr page 80

DES VADERLANDS. Â· 127

verlies van Bhijnberk, Grave, Sluis en Aardenburg, die sedert IGOl door maurits 1C04.
veroverd waren, moglen de Stalen op een der gedenkpenningen, ter gedachtenis der
merkwaardige belegering geslagen, aan
OslencWs slederaaagd met regt de volgende
woorden in den mond leggen: »plus triennio obsessa, hosli rudera, patriae quatuor ex
me urbes dedi In plaats van met
Osiende den laatsten voet gronds in Vlaanderen
te verliezen, had de Republiek haar gezag in het noorden van dat gewest op onwan-
kelbare grondslagen gevestigd, en daardoor de monden der
Schelde geheel in hare raagt
gekregen. De Hollandsche en Zeeuwsche koopsteden, van de belemmerende en gevaar-
volle nabijheid der Spaansehe galeijen bevrijd, konden zich met eene sints lang ont-
beerde veiligheid aan de uitbreiding harer scheepvaart toewijden, terwijl
Antwerpen
thans geheel van zijn voormalig aandeel aan den wereldhandel was buitengesloten. Te
vergeefs hadden de Staten van
Vlaanderen zich voor Ostende's verovering de grootste
opofferingen getroost: weldra zouden de onversaagde Slaatsche ruiters tot voor de poor-
ten van
Brugge en Gent de achterstallige brandschatting komen vorderen De vol-
harding in het verdedigen van
Ostende had derhalve voor de Republiek dc schoonste
vruchten gedragen, en de ondervinding, die het grootste gedeelte van het Nedcrlandsche
leger in deze uitstekende leerschool had opgedaan, mögt te meer worden op prijs
gesteld, daar
spinola, na het voleinden der moeijelijke taak, die zijne buitengewone
talenten aan het licht gebragt en zijnen roem als veldheer gevestigd had, thans in slaat
was zijne krachten onverdeeld aan den krijg met de Vereenigde Gewesten te wijden.

Weinige dagen na de overgave hielden Albertus en isabella hun zegevierenden
inlogt binnen
Ostende. Spinola geleidde hen door dc ontvolkte en naauvvelijks her-
kenbare stad, wier kerken en huizen vernield of ten behoeve der verdediging afgebro-
ken, en wier straten in wallen of grachten herschapen waren. Met uitzondering van
twee personen, die wegens hun voormalig wangedrag zich niet in
Zeeland durfden
vertoonen, had de gansche burgerij gedurende het beleg of tijdens de overgave
Osiende verlaten. De aartshertogin, die met zulk een ongeduld naar het einde van
het beleg had uitgezien, dat zij, te
Nieuwpoori vertoevende, zich ontevreden loonde
ΛvanneeΓ zij het geschut niet onophoudelijk hoorde bulderen ^^ kon zelve hare tranen
niet bedwingen', toen zij het akelige tooneel betrad van den vreesselijken strijd, die
zoovele menschenlevens had gekost. Z,y gaf terstond bevel lot den wederopbouw der

^ D. i.: »na meer dan drie jaren belegerd te zijn, lieb ik den vijand een puinhoop, het vader-
land daarentegen vier steden in mijne plaats gegeven."
van weteres, f. 512 α.

2 Met dat doel bleven vijf compagniën ruiters in Vlaanderen in garnizoen. vax deh kemp, 11
bl. 467.

^ VAN METEREN, f. 511. ö.

ocr page 81

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1604. woniagen en het herslel der vestingwerken. Ook werden belangrijke privilegiën beloofd
aan allen, die zich binnen de stad zouden komen vestigen. Weinigen konden echter
besluiten dal groole kerkhof lot hunne woonstede te kiezen, en het duurde geruimen
lyd, eer
Oslende weder eene voldoende bevolking en eenige welvaart bekwam
Einde van den Met den val van Oslende namen de krijgsbedrijven voor dit jaar een einde. Weder-
veldtogt. zijdsche uitputting liet niet toe, aan nieuwe ondernemingen te denken. De dood van

den bekwamen en kloekmoedigen lodewijk Gunther van Nassau, die op den eersten
October in het kamp voor
Sluis aan hevige koortsen bezweek, wierp nog ten slotte
een schaduw over den Staatschen veldtogt, die
Oslende wel niet gered had maar in
andere opzigten voor de Republiek zoo voordeelig was geweest.. Zoodra
ma.urits door
de versterking der bemagtigde plaatsen en den aanleg van verscheidene nieuwe schansen
het veroverde Vlaamsche grondgebied voldoende bevestigd had, ontbond hij zijn leger en
keerde naar
Holland terug. Zijn broeder frederik Hendrik werd tot gouverneur over
Staats-Ylaanderen, en karel van der noot tot diens plaatsvervanger aangesteld. Naau-
welijks hadden de Staatsche troepen de zuidelijke
Nederlanden verlaten, of de aartsher-
tog liet insgelijks aan zijne afgematte krijgsbenden de winterkwartieren betrekken. De
Vrede lussclieu muitelingen te Grave waren reeds in Juny onder zijne vanen teruggekeerd, na de stad,
^panjT^ ^^ overeenkomstig hunne belofte, aan
maurits te hebben teruggegeven 2.

Intusschen was de vrede tusschen Spanje en Engeland, door jacobus I sedert zijne
troonsbestijging vurig gewenscht, en reeds sedert het vorige jaar door de Staten als
eene onvermijdelijke gebeurtenis vooruitgezien, op den Augustus tot stand geko-

men. De beslissing van twee moeijelijke punten had de onderhandelingen tusschen de
wederzijdsche gevolmagtigden tot op dien tijd slepende gehouden. Het eerste betrof
j de vrije vaart der Eogelschen op
ïndiè\ die jacobus in het belang zijner onderdanen

li niet opgeven, filips III evenmin toestaan wilde. Men besloot eindelijk dit onderwerp

in het verdrag met stilzwijgen voorbij te gaan. Van niet minder belang was de betrek-
king tusschen
Engeland en de Republiek voor beide partijen. Het zou voor Spanje
een onberekenbaar voordeel hebben opgeleverd, wanneer het Engeland geheel van de
Vereenigde Gewesten had kunnen vervreemden; en de aartshertogen lieten niets onbe-
proefd om by deze gelegenheid de door de Staten aan
elizabeth verpande steden in
hunne magt te krijgen. Hoewel
jacobus, ten gevolge zijner gestrenge beginselen
omtrent het goddelijke regt der koningen, weinig sympathie voor de Hollanders gevoelde,
die hij als opstandelingen tegen hunnen wettigen vorst beschouwde, was hij door de

1 van meteren, f. 512 d. bentivoglio, 1)1, 715. fleming, bl. 580.

2 van der kemp, Π 1)1. 112, 465—467. bentivoglio, bl. 716. van meteren, f. 509 rf.—510 c.
van vervov, bl. 181.

ocr page 82

DES VADERLANDS. Â· 127

inlichtiagen zijner raadslieden overtuigd geworden dat de onafhaükelijkheid der Repu- iCOi.
bliek voor Engeland bijkans onmisbaar mögt heelen; en hij was derhalve geenszins
geneigd de bondgenooten zijner voorgangster aan zyne nieuwe vrienden op te offeren.
Na langdurige beraadslagingen waren eenige artikelen in het verdrag gevoegd, die in
den bestaanden toestand slechts geringe verandering bragten. Beide vorsten verbonden
zich elkanders vijanden niet bij te staan. Met betrekking tol
Brielle en Vlissingen ver-
klaarde
jagobüs, dat hij, ingevolge de door koningin elizabetii met de Staten geslo-
tene verdragen, die plaatsen alleen aan de laatsten terug mögt geven, doch beloofde
niet te zullen gedoogen, dat zijne aldaar in bezetting liggende troepen hun eenige on-
dersteuning bewezen. Ook nam hij op zich den vrede tusschen de Republiek en
Spanje krachtdadig te bevorderen, en daartoe zelfs gebruik te maken van den invloed,
dien het bezit der pandsteden in
Holland en Zeeland hem verschafte. Met uitzondering
van dit laatste punt viel het verdrag derhalve niet zeer nadeelig voor de Staten uit,
en zij kregen bovendien weldra de overtuiging, dat
jacobus geenszins het voornemen
koesterde om hun omtrent eene voorwaardelijke onderwerping aan
Spanje lastig te vallen.
Integendeel behield het traktaat, in het vorige jaar op aandrang van
eendrik. IV ten
gevalle der Republiek tusschen
Frankrijk en Engeland gesloten zijne volle kracht,
cn moglen de Staten bij voortduring, even als de aartshertogen, soldaten in laatstge-
noemd koningrijk aanwerven 2. Tusschen
Engeland en de Republiek bleef dan ook eene
vriendschappelijke verhouding beslaan, cn
nocl degarok, die als afgezant der Slaton zijne
betrekking bij
jacobus behield, verwisselde zelfs met diens goedvinden, in spijt van
Spanje''s vertoogen, zijnen nederigen titel van agenl met den meer eervollen van
ambassadeur

Naauwelijks was de vrede gesloten, of jacobus riglte lot de Stalen hel verzoek, dal oe staten
de koopvaardijschepen zijner onderdanen vrijelijk naar
Antwerpen zouden mogen varen. vr^J^'^Taart op
Zoolang de koning
Brielle en Vlissingen in zijne magt had, scheen hel onraadzaam J® EngcUchen"'^
hem eene diergelijke vergunning te weigeren, daar de handel met den vijand aan alle
onzijdige
mogendheden vrij stond, cn alleen contrabande daarvan was buitengesloten.
Aan den
anderen kant voorzag men groote moeijelijkheden cn zelfs gevaren, indien de
vrije vaart op de
Schelde aan de Engelschen werd toegestaan. Omtrent de heffing der
inkomende regten aan den mond dier rivier konden ligtelijk geschillen ontslaan, die thans,
nu
Engeland mei Spanje in vrede was, zorgvuldig moesten Termeden worden. Wanneerde
Engelsche schepen reglstreeks lot
Antwerpen konden doorvaren, zou het uitgebreide en

1 Hiervoor, bl. 190.

2 Zie O. a. Resol υ. Holland, 1603, bl. 698.

3

VAW METEREN, f. 513 c—516. GROTiüS, p. 452, 458. nuME, IHstory of England, IV ρ. 274, 287.
III Deel. 2 Stuk. 27

ocr page 83

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

iGOi. winslgevende verlieer met de im^tYv^^Q Nederlanden, lielwelk nieltegenstaandc den oorlog
deels uil behoefte deels uit winzucht met wederzijdsche vrijbrieven gedreven werd en
ook voor de generahteitskas geenszins onverschillig was, hoogst waarschijnlijk grooten-
deels in Engelsche handen overgaan. Bovendien achtte men het hoogst gevaarlijk, in-
dien zich nu en dan voor
Antwerpen Aveder eene min of meer aanzienlijke koopvaar-
dijvloot zou bevinden, waarop de aartshertogen tot eene onderneming tegen de Repu-
bliek beslag zouden kunnen leggen. Deze onderscheidene bezwaren werden in de Staten-
Generaal zoo gewigtig geacht, dat zij besloten het verzoek van
jagobus af te slaan;
en het was een nieuw bewijs voor des konings welwillende gezindheid ten opzigte der
Vcreenigde Gewesten, dat hij hun deze afwijzing, als op goede gronden steunende,
niet euvel duidde

Spinola's toe- Zoodra de beide legers de winterkwartieren betrokken hadden, vertrok ambrosio
plann™,"^
™sprNOLA naur Spanje, alwaar hij door filips III met groote eerbewijzen ontvangen werd.

Zoowel de door hem behaalde oorlogsroem als de onbaatzuchtigheid, waarmede hij zyne
talenten aan de zaak van hel Katholicisme gewijd had, verschafte hem een gewigti-
gen invloed, waarvan hij gebruik maakte om den koning te overtuigen, dat hij dan al-
leen hoop op een gunstigen uitslag van den krijg kon voeden, wanneer deze op Staalsch
grondgebied overgebragt en de telkens op nieuw uitbrekende muiterij door geregelde
overzending van voldoende onderslandsgelden gestuit en voor het vervolg voorkomen werd.
In den aanvang van het voorjaar keerde
spinola terug, na door filips III lot opper-
bevelhebber zijner hulpbenden en ridder van het Gulden Vlies benoemd te zijn.
De geldsommen, die hem lot volvoering zijner plannen geschonken of toegezegd
waren, stelden hem in slaat de troepen door betaling hunner achterstallige soldij
tevreden te stellen en tevens krachtige maatregelen lot versterking zijner krijgs-
raagt te nemen. Aan
jagobus I werd verlof gevraagd om drie regimenlen in Engeland,
Scholland
en Ierland te ligten. In Duilsehland werden Iwceduizend man aangewor-
ven. Tc
Luik werd een nieuw Waalsch regiment opgerigt. Bovendien wachlte men
drie regimenlen uit
llalië en éón over zee uit Spanje. Door deze aanzienlijke ver-
meerdering van het aanlal zijner troepen lot groote ondernemingen in staat gesteld,
besloot 6PIROLA met goedkeuring der aartshertogen twee legers Ie vormen, waarvan hel
eene lol bescherming der grenzen in
België zou blijven, lerwijl hij zelf met hel an-
dere onverhoeds den
Bliijn overtrekken en in Friesland vallen zou. Ten einde dit

^ van meteren, f. 519 d. piiilibert du Bois, diplomaiiscJie Berichte an den Fürsten ludwig
z-u Anhalt, hcrausgejj. von f. λυ, ebeling, 1856, 1 s. 53, 55, 77.

2 Vgl. van meteren, f. 528 ß, waaruit hlijkt dat deze bcnocminfr iu de Republiek als een nieuw
bewijs werd aaEgcmcikt, dat de zuidelijke
Nederlanden inderdaad nog aan Spanje onderworpen

waren.

ocr page 84

DES VADERLANDS. 211 '

plan voor de Slaalscben geheim te houden, werd het zelfs aan geen der overige krifgs- iß03.
hoofden medegedeeld, die integendeel opzetleUjk in den waan gebragl werden, dat de opper-
bevelhebber het voornemen koesterde
Sluis, Grave of Β erg en-op-Ζ oom aan ie tasten

Inmiddels hadden de Staten, die van de groote krijgstoerustingen in België kennis
droegen, geenszins stilgezeten. Op hunnen naam waren in
Frankrijk, Engeland en
Duiischland insgelijks troepen aangeworven, en daar zij begrepen van hoeveel belang
het was den vijand te voorkomen, hadden zij besloten reeds vroeg in het voorjaar te
velde te komen. In overleg met prins
mauuits was in het diepste geheim een aanslag op De Staten vor-
Antwcrpen beraamd, hetwelk, niettegenstaande de kwijning van zijn voormaligen han- ^p Anitverpen,
del, nog altijd voor de rijkste stad van de zuidelijke
Nederlanden gold 2, Het was
niet mocijelijk de stad zooweï te land als te water langs de
Schelde in korten lijd Ie
bereiken, waarna
maurits zich voorstelde op den Vlaamschen oever de dyken door te steken
en zijne troepen aan beide zijden op de rondom liggende hoogten te legeren, alwaar hij
zich in staat achtte
Antwerpen van allen toevoer af te snijden en spisola's pogingen lot
ontzet te verijdelen. Er ontstond echter een verschil van gevoelen tusschen den prins
en de Staten over de beste wijze, om het leger voor de stad te brengen. ïen einde
den vijand omtrent hunne plannen in het onzekere te houden, achtten de laatsten het
raadzaam dat de troepen op
Cadzanl overgezet en bij Sluis verzameld zouden worden,
om van daar des nachts naar
Antwerpen te trekken. Maurits vond het echter te ge-
vaarlijk , zich op deze wijze midden in het vijandelijke land te wagen, en dreef door dat
het leger te
ßergen-op-Zoom verzameld en gedeeltelijk in vaartuigen over de Schelde
lol in Antwerpen'^s nabijheid gebragt zou worden. De omslaglige en lijdroovende toebe-
reidselen, die zulk eene grootsche onderneming vorderde, wekten echter
spikola's arg-
waan op. Hij begaf zich naar de bedreigde stad, versterkte hare bezetting, en legde drie-
duizend man in het land van
Waas, om de bewegingen der Staatsehen in hel oog te houden

1 giustinuno, p. 149—155. cahkero, p. 519. eentivoglio, bl. 710. pmilibebt du bois, 18.13, 15.

- Büzanval (Cod. Dipl. ρ. 310) schreef dea Dcc. 1000, met betrekking tot de uitbrei-
cliug van den Oosl-lndischeu handel: »que la plupart de eet argent sortoit des comploire d'Anvers."

^ van deu kemp, 11 bl, 113, 407. van meteben, f. 529, 533. ghotius, p. 459. — In een reeds
aangehaald pamphlet van 1073, getiteld
den waren barnevelt, (zie hiervoor bl. 150 noot (3},)
\vordt deze beschuldigd den aanslag aan de Spanjaarden ontdekt, te hebben. Volgens BiLDEnDUK
zouden de Staten van
Holland den aanslag opzettelijk hebben doen mislukken, uit vrees dat Ant-
werpen)
als het weder deel aan den zeehandel kreeg, -»'cldra door zijn rijkdom en invloed gevaar-
lijk voor
Hollands overwigt zou worden. »Welhaast," zegt hij, (Gesch. des Vadert. Yll bl. 202)
)> zouden de algemeene Staten, en dus
maürits, hier door te machtig voor Holland, en dus (zoo
redeneerde men) der vrijheid gevaarlijk kunnen worden." Beide opvattingen missen echter alle
bewijs. Het blijkt integendeel dat men juist in
Holland den aanslag op Antwerpen, zoo niet

27 ¥

ocr page 85

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1605. Op den 18''°° Mei trok maurits aan het hoofd van een gedeelte zijner krijgsmagt

lukt landweg op Antwerpen aan. Twee dagen Troeger had erkst Casimir op

zijn bevel in Zeeland laclilig compagnien voetknechten ingescheept, en was daarmede
de
Schelde opgevaren, met het plan om den Rloppersdijk aan de Vlaamsche zyde van
Antwerpen te vermeeslcren. Het hevige vuur der vijandelijke schansen Peerle en Ordam
stoutmoedig trotserende, had hij het bedoelde punt gelukkig bereikt, doch storm en
tegenwind dreven zijne vaartuigen naar de regterzljde der rivier en verhinderden hem
zijne troepen aan wal te zetten. Hij beproefde niettemin vierhonderd man op plat-
boomde schuiten naar den overkant te brengen, doch deze werden aldaar door achter
den dijk verscholene troepen opgewacht en grootendeels gevangen genomen of verslagen.
Daar hieruit bleek, dat de Spanjaarden op hunne hoede waren, moest graaf
ernst van
zijne thans hopelooze onderneming afzien. Zijne vloot zeilde weder de
Schelde op,
onderging bij het voorbijvaren der vijandeUjke schansen een niet onaanzienlijk verlies,
doch kwam overigens behouden in
Zeeland aan
M
auuits neemt Prins MAURITS ontving de tijding van dezen tegenspoed op zijnen togt naar Anlwer-
legert zicli in pen. Daar de aanslag op deze stad thans als mislukt moest beschouwd worden, keerde hij
Vlaanderen. ^^^^^ Bergeu-op-Zoom Icriig, na het kasteel van Woude, welks bezetting aan de scheepvaart
der Hollanders en Zeeuwen veel afbreuk deed, bemagtigd te hebben. Daarop voerde
hy in het begin van Junij zijn leger op Vlaamsch grondgebied over, met het plan
Blankenberg, Damme of Sas van Gent aan te tasten. Spinola had echter reeds zulke
uitmuntende voorzorgsmaatregelen genomen, dat het Slaatsche leger zich in de leger-
plaats bij
IJsendijeke tot werkeloosheid veroordeeld zag. Na cene schipbrug over de
Schelde geslagen te hebben, ten einde cene onafgebrokene gemeenschap tusschen beide
oevers daar te stellen en elk bedreigd punt terstond te hulp te kunnen snellen , had de vijan-
delijke veldheer zijne troepen, ten getale van 16000 rnan, bij
Boekhout., tusschen
Watervliet en Sas van Gent, bijeen getrokken. Hoewel maurits' leger uit 20000 voetknech-
ten en 3400 ruiters bestond, hield
spinola door zyne voordeelige ligging en de
stellingen, die hij bij elke beweging der Staalschen innam, den prins geheel in be-
dwang en verhinderde hem eenig voordeel te behalen. Bovendien had
maurits met
dc ongezondheid der moerassige streek te worstelen, waar hij zich had nedergeslagen.
Onder zijne troepen braken besmettelijke ziekten uil, en de ontmoedigde soldaten lie-
pen in grooten getale naar den vijand over. Daar
spinola deze neiging aanmoedigde,
door aan eiken overlooper, die bij hem kwam dienen, een paar gulden te ge-
ven , was hun getal weldra tot over de duizend geklommen. Terwijl het Staatsche leger

voorgesteld, altlians met ijver {jcdreven had. Zie van der kemp, 11 bl. 468 (343), cn philibert du
liois, 1 s. 33, die den aanslajy op Antiverpcn juist aan den invloed van Amsterdam toeschrijft.

1 VAN JIETEÜEN, f. 533 ü. GIÜSIISIANO, p. 159, THILIBEUT du DCIS, 1 s, 35.

ocr page 86

DES VADERLANDS. Â· 127

op deze wijze door ziekte en desertie onophoudelijk verz^γakt werd, kwamen de door de 1605.
aartshertogen verwachte Tersterkingen uit
Engeland, Duitschland en Italië allengskens
in de zuidehjke
Nederlanden aan., zoodat de krijgsmagt der aartshertogen de Staatsche
weldra aanmerkelijk overtrof

Minder voorspoedig was de reis van het Spaansche regiment, hetwelk op raad van Hautain sluat
SPINOLA in het voorjaar te Lissabon ingescheept, en van daar terstond noordwaarts transpoïtvloot in
gestevend was, lot vermijding der groote onkosten, die aan het gewone vervoer van Kanaal.
troepen over zee naar Italië en van daar over land naar de Nederlanden verbonden
waren. Na het sluiten van den vrede met
Engeland achtte men in Spanje den regt-
slreekschen weg langs
Frankrijk niet gevaarlijk meer; en mogten de Staatsche oorlog-
schepen of tegenwinden het oamogelijk maken eene Vlaamsche haven binnen te zeilen,
dan rekende men op eene veilige schuilplaats op de kust van
Engeland y alwaar de
Spaansche gezant grooten invloed op onderscheidene regeringsleden bezat. De Staten-
Generaal, die deze wijze van hulpbenden naar
België te zenden ongaarne in zwang
zagen komen, besloten terstond een bewijs te geven dat de goede verstandhouding met
Engeland aan Spanje nog geen veilige scheepvaart in het Kanaal waarborgde. Op hun
bevel kruiste de luitenant-admiraal van
Zeeland^ willem de zoete bygenaamd hautain,
met eenige oorlogschepen voor de Vlaamsche en Fransche kusten, om de vijandelijke
Iransportvloot op te wachten. Den tweeden Junij kreeg men deze op de hoogte van
Dover in het gezigt. Terstond gaf hautain het sein lot den aanval. Niettegenstaande
de vijandelijke soldaten een levendig musketvuur legen de Staatschcn openden, werden
de meeste Spaansche schepen in den grond geboord of veroverd. Vier hunner namen
de wijk naar
Dover en kwamen aldaar behouden ten anker, daar de Engclschen uit het
kasteel op de Zeeuwsche schepen vuurden, die hen tot in de haven vervolgden. Ook
werden vele Spanjaarden, die zich met zwemmen poogden te redden, door Engelsche
booten opgenomen en aan land gebragt. Niettemin kwam meer dan de helft van hel
Spaansche regiment om, daar
hautain, ingevolge den uildrukkelijken last der Stalen-
Generaal, zyne gevangenen zonder genade in zee liet werpen. Ook van de overgeble-
venen, die in hutten op het strand overwinteren moesten, en grootendeels aan hunne
w onden stierven of door gebrek en koude omkwamen, bereikten slechts weinigen het
land, waar zij gehoopt hadden onder
spikola's leiding nieuwe lauweren te plukken 2.

Niettegenstaande dezen tegenspoed door de overige versterkingen lot de uitvoering Spinola ver-
der reeds in
Spanje beraamde onderneming in slaat gesteld, vereenigde spinola een oiTr ^ den

1 GiusTiNuno p. 160—166. carnero, ρ. 522. van μετεκεν, f. 533, grotiüs, ρ. 400. van vervov,
1)1. 195. bentivoglio, bl. 718. van der kemp, II bl. 114, 473. philidert dd bois, Is. 57.

2 VAN METEREN, f. 534. PniUBERT DU BOIS, 1 s, 42—44, 209—211.

ocr page 87

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1603. tweede leger onder den graaf de bugquoy in de nabijheid van Keulen, liet in Vlaan-
deren
6000 man voetvolk en ÖOO ruiters onder graaf frederik. van dew berg achter,
en trok zelf in het begin van Julij met de overige troepen over den
Rhijn. Bij
Kaiserswerth, alwaar bugquoy eene brug over die rivier had geslagen, betrok hij
eene versterkte legerplaats, en nam den schijn aan alsof hij voornemens was
PJiijnherk
te belegeren. Zoodra maurits van deze bewegingen des vijands kennis kreeg, zond hij op aan-
drang der Staten-Generaal een gedeelte van zijn leger onder bevel van
ernst Casimir naar het
Overfavarlier, om de bedreigde vesting te redden en spinola in het oog te houden.
Hoewel het gerucht zich reeds verspreid had, dat de laatste eenen veldtogt naar de
noordelijke gewesten in den zin had, konden noch zijne onderbevelhebbers noch zelfs
prins
maurits aan de mogelijkheid eener diergelijke onderneming geloof slaan. Immers
was het in strijd met alle regelen der toenmalige krijgskunst om zich diep in het vijan-
delijke land te wagen, terwijl men zulk eene sterke vesting als
PJiijnherk achter zich
liet liggen en onzeker was, of men genoegzame levensmiddelen zou kunnen bekomen.
De Staten-Generaal, die de aanwezigheid eener aanzienlijke krijgsmagt op hunne zwakke
oostelijke grenzen niettemin hoogst gevaarlijk achtten, en voor de grensvestingen van
Gelderland en Overijssel met reden bezorgd waren, rigtten reeds den Julij tot

MAURITS het dringende verzoek, om in Vlaanderen alleen zooveel volk achter te laten
als de verdediging der aldaar gelegene sterkten vereischte en zelf met de overige troe-

Maukits, on-pen naar den Rhijn te trekken, ten einde spinola's plannen te keer te gaan. Doch de

zeker omlrcnt

svijands plan-prins, die in den waan verkeerde dat de vijand hem slechts om den tuin wilde leiden,
terstond met al zijne magt naar
Vlaanderen terug zou keeren, wanneer de Staat-
sehen van daar vertrokken waren, verklaarde herhaaldelijk dat hij de noodzakelijkheid
eener diergelijke handelwijze nog niet inzag en vergenoegde zich zijnen broeder
frede-
rik hendrik
met eenige compagniën tot versterking van graaf ernst naar Rhijnherk te
zenden. Ook werd hij door de Staten van
Zeeland, die hem ongaarne uit Vlaanderen
zagen vertrekken, zoolang zich aldaar nog byna zevenduizend man Spaansche troepen
bevonden, in de meening versterkt, dat zijne tegenwoordigheid in
Gelderland nog vol-
strekt niet vereischt werd. Van dit uitstel wist
spinola voortreffelijk partij te trekken.
In het laatst van Julij riep hij zijnen krijgsraad bijeen, en openbaarde aan zijne
verbaasde officieren zijn voornemen om noordwaarts te trekken en
Lingen te be-
legeren , daar alle omstandigheden zamenliepen om eene diergelijke onderneming te
begunstigen. Het aantal zijner troepen was groot genoeg, om hem te vergunnen eene
sterke afdeeling achter te laten, welke graaf
ernst beletten zou hem na te trekken.
De rijke oogst van dit jaar waarborgde overal toereikende levensmiddelen. Ook wan-
neer het Staatsche leger terstond
Vlaanderen verhel, om de oostelijke grenzen der
Republiek te verdedigen, zou het hoogst waarschijnlijk te laat komen om
Lingen te
reddeli, hetwelk slechts door een zwak garnizoen van nieuw aangeworvene soldaten

ocr page 88

DES VADERLANDS. Â· 127

bezet was. Het eenige gevaar bestond hierin, dat prins maurits den terugtogt afsnij- 1605.
den en spinola. daardoor tot eenen veldslag dwingen zou: doch juist dit werd zoowel door
den koning van
Spanje als door de aartshertogen verlangd, als het beste middel om de magt
der Slaatschen te breken en hunne oostelijke provinciën geheel weerloos Ie maken

Door deze redenen van de uitvoerbaarheid der stoute onderneming overtuigd, ver-
klaarden de leden van den krijgsraad met al hun vermogen lot een günstigen uitslag
Ie willen medewerken. Met dat doel werd aan allen de stiptste geheimhouding aanbe-
volen. B
ogquoy met 7500 man te Kaiserswerth achterlatende, trok spinola in het be-
gin van Augustus aan het hoofd van 9000 voetknechten, 2000 ruiters en elf stukken
geschut noordwaarts op. Den achtsten Augustus bevond hii zich voor
Oldenzaal, hel- Spinola neemt

^ ^ '' .. .. OldetiMal in en

welk hem na een beleg van drie dagen de poorten opende. Van daar vervolgde hij zijnen trekt uaar Lin-
weg naar Lingen, waar hij den 13·^®" aankwam. De voortreffelijke krijgstucht, die hij^^'''
op dezen logt onder zijne troepen wist te handhaven, verschafte hem eenen overvloed
van levensmiddelen, daar de landlieden volgaarne de vruchten van den oogst in het
Spaansche legerkamp braglen, waar zij bij eene goede behandeling tevens van onmid-
dellijke betaling in klinkende munt verzekerd waren. De vesting
Lingeu was door vijf
]jui ten werken en eenen wal verdedigd en door eene breede, met water gevulde, gracht
omgeven, doch slechts van eene bezetting van 600 man onder een oud en vreesachtig
bevelhebber,
maarten kobbe, voorzien. Zonder verwijl liet spinola met de aanvalswer-
ken een begin maken. Daar de belegerden het niet waagden eenen uitval te doen,
bereikten de belegeraars in drie dagen de gracht, en begonnen deze terstond aan de
eene zijde met schanskorven op te vullen, terwijl zij bovendien eene beweegbare brug op
tonnen gereed maakten, om Ie gelijker tijd aan twee kanten storm te kuunen loopen.
Thans onizonk zoowel aan de bezetting als aan de burgerij de moed lol verderen te-
genstand. De predikant
johankes speeniioven begaf zich aan het hoofd van den gan-
sehen kerkeraad op de wallen, en bad den bevelhebber met tranen in de oogen, het

1 giustikiako, p. 167—177. van der kemp, 11 1)1.115,475—491. philibert dü bois, 1 8.54. Het ver-
schil van jrevoclen tusschen den prins en de Staten leidde niet zelden lot Avederzijdschc lcgenwcrtin[j.
Zoo liad MAüRiTS aan een gedeelte der
hczeii'm^^ejiYm's Ileriogenbosch en de omliggende plaatsen last
gegeven, naar
lihijnberk te trekkenj docli de Slaten Generaal gaven tegenbevel, daar zij het gC'
vaarlijk achtten de grensvcsfingen van troepen te ontblooten, zoolang de vijand nog
een leger ïii
Vlaanderen hield. Zoo sclircven zij ook aan graaf erkst , dat liij de schepen die liem langs den Rhijn
versterking hadden aangehragt, terstond terug moest zenden om nieuwe versterking te halen,
»niettegenstaande ook dat Z. L.
[Zijne Lieve d. i. graaf ernst) van Z. Exc. (maurits) dezen aan-
gaande ander bevel mag hebben; aangezien de Heeren Stalen achten, dat Z. Exc. ten beste niet
is van alle gelegenheid geïnformeerd, en dat IL Μ. Ed. (liunue Edelmogenden) 't zelve over zulks
hij Z. Exc. zullen verdedigen."
van der kemp, hl 476, 484.

ocr page 89

21G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1005. bloed der inwoners te sparen. Door deze toespraak en de flaauwhartige stemming zijner
Jietwelk aan iiemQfUcieren en soldatcn onlrnoedigd, wachUc kobbe den strijd niet af, maar sloot op den

worilt overgege-
ven.
 18'*''" Augustus een verdrag, waarbij Lingen aan spinola overgegeven doch tevens aan

de bezetting vrije aflogt vergund werd

In bet begin van Augustus kreeg maürits eindelijk de zekerheid, dat spinola, in

plaats van Bhijnberk te belegeren, eene voor de Vereenigde Gewesten veel gevaarlijker

]\i\uiuTs be ''ύ^ schild voerde. Op den vierden begaf hij zich in aller ijl naar

geeft zich naar Overijssel, en liet alle beschikbare troepen te Deventer bijeenkomen. Reeds had hij

Overijssel.

op den 20''"" Augustus besloten, daarmede den volgenden dag naar Lingen te trekken,
toen hij in den nacht vernam, dat deze hoogst gewigtige vesting, bijkans zonder tegen-
weer, aan de Spanjaarden was overgegeven. Onzeker omtrent 's vijands plannen, ver-
keerde de prins thans eenige dagen in de grootste ongerustheid omtrent het lot der
naastbijgelegene grensvestingen, die zich in slechten toestand bevonden en ligtelijk
ingenomen konden worden, voordat zij in behoorlijken slaat van tegenweer waren
gebragt. Inderdaad zou het
spinola waarschijnlijk niet veel moeite hebben gekost om
Coevorden^ de Bourlanger-schsins, en zelÏs Groningen enEmbden^ in zijne magt te krij-
gen, wanneer hij met zijn zegevierend leger terstond derwaarts getrokken was. Doch
in plaats van gebruik te maken van de ontsteltenis en verwarring, welke zijn onver-
wachte veldlogt en de snelle overgave van
Lingen in Groningen en Drenthe veroorzaakt
hadden, bleef hij eenigen tijd voor de veroverde vesting liggen, ten einde deze door
nieuwe vestingwerken te bevestigen en behoorlijk van krijgsvoorraad te voorzien, daar
hij verwachtte dat zij na zijnen aflogt terstond door de Staatschen belegerd zou worden.
Hij gaf hierdoor aan prins
maurits den tijd om de oostelijke grenzen der Republiek te
versterken en zich in de nabijheid van
Coevorden met de Friesche troepen onder graaf
WILLEM LODEAVUK te verecnigcn, waardoor het Staatsche leger tot 9000 voetknechten
en 5000 ruiters klom. Niettemin achtte de prins zich niet sterk genoeg om den vijand,
die aanzienlijke versterkingen gekregen liad, in het open veld aan te^ tasten, en nam
Spinola trelct tlerhalve eene bloot verdedigende houding aan, waarop spinola, de hoop opgevende om
terag'^m itfll^^'^^^^ Republiek door te dringen, op den 14'·'=" September
Lingen verliet

door MAURITS eQ jjj^gy ijet zuiden terugtrok. Daar de Duitsche vorsten inmiddels over het bezetten van

gevolgd.

Kaiserswerth door de Spanjaarden klagten hadden ingeleverd, en de aartshertog hen
gaarne te vriend wilde houden, liet
spinola de aldaar gelegene schansen slechten, sloeg

||

ï GiusTiNiANO, p. 179—184. vaïr μετεπεν, f. 537. carnebo, ρ. 526. grotius, ρ. 462—466.
bentivoglio, bi. 720. — kobbe "wcrd mct zijne officieren, bij hunne komst in het Staatsche leger-
tamp, in hechtenis ßenomcn, naar
'sGravenhage gezonden en bij vonnis van hunne posten ontzet·.

2 van vervov, bl, 196.

■ 1

ocr page 90

DES VADERLANDS. 217

bij Ruhrort in- het graafschap Meurs eene nieuwe brug over den Rhijn en belrok aldaar 1805.
met het voetvolk een Terslerkt kamp, terwijl de ruiterij bij het dorp
Muhlheim gele-
gerd werd. Prins
maurits , die hem terstond gevolgd was, sloeg zich op den Sep-
tember bij
Wesel op korten afstand van de vijandelijke legerplaats neder, na zich
insgelijks door eene schipbrug van geregelde gemeenschap met den anderen
Rhijn-oeyer
verzekerd te hebben

Middelerwijl had de aarlsherlog, niet zonder grond vermoedende dat de bezettingen Aanslagen op
.. Î’ er gen-op Zoom.

van de zuidelijke grensvestingen der Republiek ten behoeve der verdediging van de oos-
telijke grenzen aanmerkelijk verzwakt zouden zijn , pogingen aangewend om
Bergen-op-
Zoom
en Grave te overrompelen. In den nacht van den 22'"" Augustus trokken acht-
tienhonderd man onder aanvoering van
de herigourt, gouverneur van JIulst en du
TERRAIL, een Franschen balling, die de kunst verstond om poorten en paalwerken met
springbussen open te breken en te vernielen, bij laag water over hel verdronken land
naar
Bergen-op-Zoom, waadden door de haven der stad en bemagligden een der buiten-
werken, voordat het alarm geslagen was. In plaats van terstond verder door de haven
de stad binnen te dringen, verspilden zij echter hunnen lijd met het openbreken der
Waterpoort. De bezetting kwam ijlings onder de wapenen en bood onder haren wak-
keren bevelhebber
patjlus βαχ zulk een moedigen tegenstand, dal de vijand zijn doel niet
bereiken kon en zich eindelijk bij hel aanbreken van den dag genoodzaakt zag wegens
het wassende water den teruglogt aan l.e nemen. Een aanslag op
Grave, die op den-
zelfden dag zou plaats hebben, bleef achter, daar de heer
vaw grobbendonk, die met
de uitvoering belast was, kennis kreeg dat zijn toeleg door de Slaatschen was ontdekt,
Eene maand later werd
Bergen-op-Zoom op nieuw door du terrail belaagd. In den
nacht van den SP'"" September trachtten de Spanjaarden onder bescherming der duisternis
op vijf onderscheidene punten de vesting te beklimmen; doch
βαχ, die vernomen had
welk gevaar hem dreigde, had de burgerij insgelijks doen wapenen en op de wallen post
doen vallen, zoodat de vijand bijna overal werd teruggeslagen. Het gelukte echter
du
TERRAiL de Sleenbergsche poort door springbussen Ie openen, de ophaalbrug te doen vallen
en tot de binnenste poort door te dringen. Reeds klonken de Spaansche trommen binnen
de wallen en naderde de ruiterij, gereed om de stad binnen Ie rijden, zoodra ook deze
laatste slagboom gevallen zou zijn; doch de bezelling wierp in aller ijl eene versperring
van wagens, balken en zand achler de poort op, waardoor de voortgang des vijands
gestuit werd. Van alle zijden regende het kogels, sleenen en brandbare sloffen op de
aanvallers. Katholieken en Protestanten, predikanten en magistraatspersonen waren met
denzelfden ijver lol afwering van het dreigende gevaar werkzaam; zelfs de vrouwen

1 giustikiaso, p, 185, 189—192. van der kemp, II bl. 115, 491—500. van meteres, £ 038,
539. carkero, p. 529. grotiüs, p. 467. bektivoclio, bl. 721. phiubert du bois, I s. 68, 60—80,

ΙΠ Deel. 2 Stuk. 28

.t.

'4

ocr page 91

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1005. droegen lood, stroo en pekkransen aan, en vulden de wiegen hunner kinderen met stee-
nen, om die naar de wallen Ie brengen. Bij het aanbreken van den dag begreep
du
TERRAiL dat hij den aanslag als mislukt moest beschouwen en trok, met achlerlaling van
meer dan honderd dooden, af. Slechts één soldaat van de bezetting en twee burgers
waren bij de heldhaftige verdediging gesneuveld i.

Deze herhaalde aanslagen hadden tussehen den prins en de Staten een nieuw verschil
doen ontslaan. Reeds den September drongen zij er op aan, dat hij ten minste

1200 man voetvolk met eenige vanen ruiterij en zes stukken geschut naar Gorinchem
zou zenden, om in de zuidelijke grensvestingen verdeeld te worden. Maurits was ech-
ter niet te bewegen om meer dan acht compagniën voor dat doel af te slaan. Hij
antwoordde dat hij nu reeds bezwaarlijk den vijand het hoofd kon bieden en geen
enkel man meer missen kon. Te vergeefs werden hem de verloogen toegezonden,
Avaarin de gouverneurs van
Sluis en Bergen-op-Zoom en de gecommilleerde Raden
van
Zeeland aan de Slaten-Generaal onverwijlde versterking verzochten; de prins ver-
klaarde dat hij, in geval van nood, binnen vier en twintig uren met zijn gansche leger
Ie
Gorinchem kon zijn, en het dus onnoodig achtle zijn leger te verzwakken. Ook
had hy berigt ontvangen dat de aartshertog de meeste troepen uit
Drahand naar den
Rhijn had gezonden, zoodal men zijns inziens in die streken geen aanval van eenige
beteekenis te wachten had. Tegen overrompelingen en onverhoedsche aanslagen moesten
de gouverneurs der onderscheidene sleden maar zeiven waken. De Slaten-Generaal be-
sloten eindelijk dit punt op te geven en de zorg voor de veiligheid der Republiek geheel
aan
ma-URits over te laten 2. Deze had intusschen met onafgebroken tegenspoed te kam-
pen.
spiiiola had den graaf de bugquoy last gegeven, met 6000 man Wachtendonk
Ie gaan belegeren. Daar de prins deze slad nog onlangs verslerkt en van een talrijk
garnizoen voorzien had, achtte hij haar in staat een beleg te verduren. Ook kon
het hem weinig balen, zoo bij ten haren behoeve zijne voordeelige slelling verliet,
daar hij dan aan
spinola de keus zou hebben gelalen om hem na te trekken of het
Mauuits poogt nog gewigtiger Rhijnberk te belegeren. Hij bleef derhalve bij Wesel liggen, doch
Ie vergeefs bij beraamde met uitstekend beleid eenen aanslag, om den door bugqüoy's vertrek ver-
zwakten vijand afbreuk Ie doen. Nog steeds was de Spaansche ruiterij te
Muhlheim,
op eenigen afstand van spinola.'s kamp, gelegerd. Op den 9''"" Oclober trokken graaf
frederik uendrik cu de rilmecsler margelinüs βαχ, ieder aan het hoofd van acht
kornellen ruiterij, langs eenen omweg derwaarts. De laatste had in last de
Boer over
te gaan en om
Muhlheim heen te trekken, ten einde den vijand den teruglegt af te
snijden. De jeugdige graaf zou te gelijker tijd in het dorp dringen en de Spaansche

VAN METEUEM, f. 538, 53ü. CROTiüs, p. 467. cARKERo, p. 528. rti. DU nois, 1 s. 61, 67,75.

2 VAN DER KEiMP, II bl. 502—513.

ocr page 92

DES VADERLANDS. 195

ruiters onverhoeds op het lijf Tallen. De aankomst van prins matjrits, die met twee- i605.
duizend voetknechten en eenige stukken geschut volgde, zou daarop, naar men zich
vleide, de overwinning op de onvoorbereide en verstrooide troepen voltooijen; en was
deze toeleg gelukt, dan zou een algemeene aanval op het Spaansche kamp voor
spiNOLA hoogst waarschijnlijk de schrooraelijkste gevolgen gehad hebben. Inderdaad was
het plan zoo goed overlegd, dat de uitslag naauwelijks kon betv^ijfeld worden. Reeds
was FREDEB.IK HENDRIK Onbemerkt in
des vijands nabijheid gekomen, en zou eene onver-
wijlde charge den vyand voorzeker in verwarring hebben gebragt: doch hy begreep het
achterblijvende voetvolk eerst te moeten opwachten, en de Spanjaarden, gedurende dit
tydsverloop van de nadering der Staatschen verwittigd, stonden in slagorde geschaard,
toen hij eindelijk het dorp binnendrong. Op dit gezigt werden de Staatsche ruiters, die
gehoopt hadden den vijand onvoorbereid op het lijf te vallen, als door een plotselingen
schrik gelroiTen en sloegen, na een kortstondig gevecht, lafhartig op de vlugt.
prederik
iiENBRiK zelf verkeerde in het grootste levensgevaar en ontkwam slechts als door een
wonder aan de handen der Spanjaarden. Indien prins
maurits niet spoedig met zijne
troepen ware aangerukt, zouden de Staatschen eene volkomene nederlaag geleden heb-
ben. De Spaansche ruiters werden nu op hunne beurt teruggedrongen, doch
spinola.'s
voetknechten waren reeds in aantogt om hen te ontzetten, zoodat de prins, zijn doel
niet meer kunnende bereiken, in goede orde naar zijne legerplaats terugtrok. Daar de
Spaansche krijgsbenden terstond digter bij elkander gelegd werden, ten einde beter tegen
een diergelijken overval beveiligd te zijn , had
maurits geen gelegenheid dezen aanslag
te herhalen, terwyl hij bovendien het vertrouwen in zyne ruiterij verloren had, en haar
uit dien hoofde niet andermaal aan het gevaar eener nederlaag
bloot wilde stellen
Even ongelukkig was de prins in eene poging, om de stad
Gelder^ die slechts vier Vruchieloozo
mijlen van zijne legerplaats gelegen was, in den nacht van den 25"'° October te over-^^
rompelen. De bezetting was reeds van den aantogt der Staatschen verwittigd, had op
de wallen vuren ontstoken, om den vijand te kunnen onderscheiden, en bood zulk een
Avakkeren tegenstand, dat de Staatschen onverrigter zake terug moesten keeren

Terwijl den prins op deze wijze alles tegenliep, slaagde spikola in al zijne onder-
nemingen. Eene langdurige droogte had
Wachtendonk ^ dat zijne sterkte hoofdzakelijk
aan zijne ligging te midden eener moerassige landstreek ontleende, grootendeels van dat
natuurlijk verdedigingsmiddel beroofd.
Bugquoy vorderde snel met zijne aanvalswerken,

ï VAN weteren, f. 539. CR0TIÜ8, p. 469. GlUSTlNIANO, p. 196—201. CARNERO, p. 531. VAN
PER KEMP, II bl. 511. rn. DU Bois, 1 8. 215—219. VAN vERvov, bl. 199, 200: »'t Heeft mij
Graeff Willem geschrcuen, dat dit Averck soo pcriculoos stondt, dat oyck dien dach die Staet van
de Vereenichdc Landen aen enen sijden draet hing."

- VAN METEREK, f. 540. CIÜSTINIANO, p. 204. VAN DER KEMP, II bJ. 513.

28*

ocr page 93

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1605, en dwong de bezetting op den 28"®" October tot de overgave. Terstond liet maurits
^*·®^ itiewri Tersterken, waarop hij meende dat bugquoy thans het oog had; doch

Cracouvi. Einde jegg berende onverwachts het kasteel Cracou^ en nam het den November bn ver-
van den veldtogt.

drag in. De naderende winter deed spmoLA. thans besluiten, een einde aan den veldtogt
te maken, waarin hij zijnen roem niet slechts gehandhaafd maar nieuwe lauweren op
het veld van eer geplukt en aanmerkelijke voordeden behaald had. Door zijn beleid
was de aanslag op
Antwerpen mislukt. Oldenzaal^ Lingen^ Wachtendonk en Cracou
waren in zyne handen. De prins had hem bij al zijne ondernemingen geen enkelen
hinderpaal in den weg kunnen leggen, en zelfs de overrompeling bij
Mühlheim was voor
de Staatsoliën in een terugtogt geëindigd. De uitslag van den veldtogt was te gewigtiger,
daar de buitengewone orde en ingetogenheid der Spaansche krijgsknechten den indruk der
vroeger bij den inval van den admirant van
Arragon gepleegde gruwelen had uitgewischt.
Niet slechts waren de Duitsche vorsten met het eigenmaglige doortrekken van een vreemd
leger over hun grondgebied bevredigd; maar de landlieden van
Drenthe en Overijssel
hadden zelfs met ergernis het onderscheid in de handelwijze der Spaansche en der
Staatsche krijgsbenden opgemerkt, daar de krijgstucht der laatsten, vooral in het kamp bij
Deventer ^ zeer veel te wenschen had overgelaten i. Sedert alexander farneze van het
krijgstooneel was afgetreden, hadden de Staatsche troepen onder
maurits' voortreffelijke
leiding de eene zege na de andere behaald: thans scheen de kans weder ten gunste
der Spanjaarden te keeren, nu zij door eenen veldheer als
spinola werden aangevoerd,
die hun zelfvertrouwen hersteld had en in staat was den eersten veldheer van zijnen
tijd het hoofd te bieden. Met de grootste zelfvoldoening kon de markies, zonder aan
zijne eer te kort te doen, het eerst het strijdperk verlaten en de winterkwartieren
betrekken. Prins
maurits volgde den 25'*'" November zyn voorbeeld, brak zijne le-
gerplaats op en begaf zich naar
Arnhem, waar hij vooreerst blijven wilde, om te
beter voor de versterking der grenzen tegen het volgende voorjaar zorg te kunnen
dragen. De Staten-Generaal riepen hem echter naar
Gravenhage 1 terug, alwaar
onderscheidene aangelegenheden van staatkundigen aard zijne tegenwoordigheid bij de
beraadslagingen vereischten. Een gedeelte zijner ruiterij had inmiddels nog gelegenheid
gevonden de schande uit te wisschen, die sedert het gevecht bij
Muhlheim op haar
kleefde. Op den 25''®" December stiet zij in het terugkeeren naar hare garnizoenen
op de talrijke kornet van
grobbendokk, die bijna geheel verslagen of gevangen ge-
nomen Averd. Zoo ontvingen de moordenaars van den dapperen
de bréauté eindelijk
het loon voor hunne laaghartige trouweloosheid

ï van der kemp, 11 bl. 497 (352). Vgl. giüstiniaxo, p. 174.

2 VAN MEIEREN, f. 540 b. GIÜSTINUNO, ρ. 209. GHOTIUS, ρ 471. VAN DER KEMP, LI, 514 (360).
PH. DU BOis, I s. 102. Hiervoor bl. 134.

\
■ \

ocr page 94

DES VADERLANDS. Â· 127

Tegen het einde des jaars hadden in Engeland^ Frankrijk^ Duitschland en Italië ißos.

gebeurtenissen plaats gegrepen, die τοογ de Republiek niet van gewigt ontbloot waren.

Te Londen was in November eene door Katholieken gesraeede zamenzwering ontdekt, Buskruidver-

. . raad te Londen.

die ten doel had de vergaderzaal van het Parlement, op het tydslip der plegtige opening

door den koning, in de lucht te laten springen, ten einde de voornaamste vijanden der
Katholieke kerk als met éénen slag te vernietigen. Ware de gruwelijke aanslag ge-
lukt, de gevolgen zouden niet slechts voor
Engeland maar ook voor Nederland onbe-
rekenbaar geweest zyn, daar
Spanje welligt van de ontstane verwarring partg had kun-
nen trekken, om op Engelschen bodem vasten voet te zeilen en zich zelfs van de rege-
ring meester te maken. Ook kon hat voor de Staten niet onverschillig zijn, dat
jagobus II
door dit treffende bewijs der bittere godsdiensthaat van een gedeelte zijner onderdanen
op nieuw van eene naauwere aansluiting aan
Spanje ten nadeele der Vercenigde Ge-
westen was afgeschrikt

In Frankrijk scheen een nieuwe burgeroorlog uit te zullen breken. De Irotsche en Gescliillen tus-
eerzuchtige hertog van Bouillon ^ op de sterkte zijner bykans onneembare vesting (Sec/a/i Γν^^ dra hertog
aan de
Maas vertrouwende, had niet slechts tegenover zijn wettigen koning de hou- bouillon.
ding van een onafhankelijk vorst aangenomen, maar werd ook met grond verdacht ge-
houden aan geheime plannen deel te nemen,
άϊ&^οοΐ Frankrijk''$ rust en kracht hoogst
gevaarlijk waren. Tot verantwoording geroepen , weigerde hij te verschijnen en nam de
wijk naar den keurvorst van de
Pallz, die insgelijks met eene dochter van willem I
van
Oranje gehuwd was Deze twist, die hendrie IV noopte om in het begin des
volgenden jaars met eenige troepen tegen
Sedan op te trekken, ten einde den onge-
hoorzamen leenman tot zijnen phgt terug Ie brengen, was niet slechts voor prins
maurits
wegens zijne aanverwantschap met den hertog eene bron van kwelling, maar ergerde
ook de Stalen, die den laalslen, als een der voornaamste hoofden van hunne Fransche
geloofsgenooten, gaarne een groolen invloed zagen behouden. Van hunne zijde werd
dan ook niets verzuimd, om beide partijen tot inschikkelijkheid te bewegen. Met dat
doel werd ook de tusschenkomst van
loüise de coligny ingeroepen, die door haar
helder verstand en edelaardig karakter zoowel in
Frankrijk als in de Republiek eene
hooge mate van achting genoot; en zij bragt niet weinig bij tot de verzoening, die
eerlang tusschen
Hendrik IV en den hertog van Bouillon tot stand l4)Yam

Ook in Duitschland was een strijd uitgebarsten, welks uilslag voor de Vereenigde DesMJBruns-
Gewesten wel vrij onverschillig scheen, doch waarin de Slaten niettemin huns ondanks jn^j; harcnherto^

1 VAN MEIEREN, f. 541—545. iiujiE, IV p. 288—294. Resol, v. Holland, 1605 bl. 085.

2 Hiervoor, bl. 11, 13.

3 VAN METERES, f. 548. GROTiüs, p. 477. Mémoires de sollt, VI ρ. 85 , 94, 187, 192,

ocr page 95

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1600. gemoeid werden. De stad Brunswijk, sedert geruimen tijd in onmin met haren hertog,
die in het belang zijner bppermagt hare voorregten verlangde in te korten, was door
een verraderlijken aanslag om haar met geweld te bedwingen nog meer verbitterd ge-
worden. Eene belegering had den hertog weinig gebaat, daar de burgerij zich met
heldenmoed en volharding verdedigde. Thans riep hij den bijstand der Staten in en
verlangde dat graaf
ernst van Nassau hem aan het hoofd van eenige Staatsche troe-
pen te hulp komen en het opperbevel over zijn leger aanvaarden zou. Dit verzoek
bragt de Staten in geen geringe moeijelijkheid. Aan den eenen kant scheen het vol-
komen in strgd met den aard van hunnen krijg tegen
Spanje, dat zij eenen vorst de
behulpzame hand zouden bieden om zijne onderdanen te onderdrukken cn met geweld
van hunne dierbare privilegiën te berooven. Aan den anderen kant was het niet raadzaam
den Protestantschen en met de Vereenigde Gewesten bevrienden hertog van en

nog minder zijnen bondgenoot den koning van Denemarken^ door eene weigering tegen
zich in Ie nemen. Bovendien behoorde de belegerde stad lot de Duitsche Hanse-steden,
die uit handelsnaijver herhaaldelijk met de Spanjaarden geheuld en hun voortdurend krijgs-
behoeften en levensmiddelen toegevoerd hadden. De Staten besloten derhalve het verzoek
gedeeltelijk in te willigen, doch op zulk eene wyze, dat zy den schijn van onzijdigheid

Eunst casmir

vertrekt der- konden behouden. Ernst Casimir , die niet ongenegen was zulk eene eervolle roeping te
volgen, die hem bovendien aanzienlijke geldelijke voordeelen beloofde, kreeg in het laatst
van Januarij vergunning om, hoogstens voor twee maanden, 's lands dienst te verlaten,
en vertrok met eenige andere officieren, die insgelijks op hun verzoek tijdelijk ontslagen
werden, den IS''"" Februarij 1606 naar
Duilschland. Terstond werd het beleg der
weerspannige stad hervat; doch de nadering van eene talrijke krijgsmagt, die door de
overige Hanse-steden lot ontzet harer bondgenoote was bijeengebragt en de verwachte
hulptroepen van den koning van
Denemarken op hunnen logt naar Brunswijk onder-
schept en gevangen genomen had, noopte den hertog zijne onderneming op te geven,
waarop de strijd door bemiddeling des keizers werd bijgelegd. Graaf
ernst bleef echter
nog eenigen lijd by den hertog, die hem veel onderscheiding en vriendschap betoonde,
en in het begin des volgenden jaars eene zijner dochters ten huwelijk gaf

De Staten bie- j^ven weinig ernstige gevolgen had een twist lusschen den paus en Venetië, die aan-

den aan Veneh'e ...

hunnen Lijstand vankclijk dreigde ïlaliè aan de rampen van een nieuwen oorlog prijs te geven. De

aan tegen den

Paus en Sj^anje.-

1 VAN METEREN, f. 547. GiiOTius, p. 478. phil. DU Bois, 1 s. 109, 123. /ieso/. v. Holland,
1606 hl. 743. van vervov, die destijds het Staatsche regiment binnen Embden komrnandeerde,
schrijft op 14 Februanj: » GraeiF Willem
Tan Nassau schrijft mij van Gronningen, dat liet niet
met sijne consent geschiedt, dat sijn broeder GraeiE Ernst Casimir, tot hulp van de Fürst voorsz.
treckt, doch heeft hij sulckes gedaen deur 't gocdt bedencken der Staten Generael, waerover
vele mcnscheu verwondert sijn." Zie hl, 204—206, 210, 235.
van meteren, f. 560 c.

ocr page 96

DES VADERLANDS. Â· 127

regering der laalslgenoemde republiek bad het opperhoofd der Ralholieke kerk door löOC.
krachtige maatregelen lot beteugeling van den overmoed der geestelijkheid zoozeer ver-
bitterd, dat hij niet schroomde den banvloek over haar uit te spreken. Door dit afge-
stompte Avapen niet gedeerd, volhardde
Venetië in de handhaving van het gezag der
wereldlijke overheid. Niettegenstaande het pauselijk verbod bleven de geestelijken de
dienst in de kerken waarnemen; en de Jezuïten, die weigerden daarmede voort te gaan,
werden van het grondgebied der Republiek verbannen. Het liet zich aanzien dat de
toenemende spanning weldra tot openbare vijandelijkheden zou leiden, en de Italiaansche ^
troepen van
filips III, die reeds bevel hadden gekregen uit Blilaan naar de Nederlanden
Ie trekken, werden voorloopig teruggehouden, om, l^ij het uitbreken van cenen oorlog,
tot bescherming der Spaansche bezittingen in
Ilalië en ondersteuning van den paus
gebruikt te kunnen worden. De Staten-Generaal, die zoowel wegens de overeenkomst
van regeringsvorm als wegens dit manmoedig verzet legen pauselijke aanmatiging leven-
dige sympathie voor
Venelië gevoelden, en ook in het belang van den handel eene
meerdere toenadering tot de magtige en rijke Italiaansche republiek zeer wenschelijk
achtten, begrepen dezen strijd niet lijdelijk Ie mogen aanzien, en boden haar bij eene
missive van den Mei 1606 hunnen bijstand aan. Hoogst eervol en welwillend

was het antwoord van den Doge, waarbij de hoop op eene vreedzame oplossing der
beslaande geschillen ontboezemd doch levens de verzekering gegeven werd, dat de
regering van
Venetië, in het tegenovergestelde geval, volgaarne van de haar aangebodene
ondersteuning gebruik zou maken. Door lusschenkomst van
Frankrijk kwam eerlang
eene verzoening lusschen beide partijen lot stand; doch de lusschen de beide repu-
blieken gewisselde brieven vormden den grondslag eener vriendschappelijke verhouding,
die binnen korten tijd een meer staatkundig karakter aannam, zoodra
Venetië niet lan-
ger door vrees voor
Spanje werd teruggehouden, de Vcreenigde Gewesten als een
onafhankelijken staat te erkennen en te behandelen

Terwijl deze onderscheidene gebeurtenissen plaats grepen en aan de Staten-Generaal Tocbercidseleu
de hoop gaven, dat het uitbreken van cenen oorlog in Frankrijk of Italië aan de veldtogr^ï
Spanjaarden welligt eenige afleiding zou geven, had prins
maurits er herhaaldelijk op Qeyycs^n^^™'®''''
aangedrongen, dat het leger aanmerkelijk versterkt zou worden, opdat hij in hel voor-
jaar in staat mögt zijn sPiNOLA.'s ondernemingen krachtdadiger Ie keer te gaan. Geld-
gebrek, het gevolg der geweldige inspanning van de laatste jaren, stond echter eene
onbekrompene inwilliging van dit verlangen in den weg. Verscheidene provinciën waren
nog altijd traag in het opbrengen van hun aandeel in de oorlogslasten, en de gezamenlijke
achterstallen waren, volgens de berekening van den Raad van State, sedert 1Ö99 reeds lot

^ VAN METEREN, f. 554, 563. GROTius, p. 479. Mr. j. c. DE JoKGE, Nederland en Venetië,
bl. 8—16. PH. DU BOis, I 8. 266. Vgl. hiervoor bl. 81 noot (3). liesol. v. Holland, 1600 hl 268.

ocr page 97

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

160G. eene som van zeven millioen gulden opgeklommen. Het vermogende Holland, dat meer
dan al de overige gewesten ie zamen in de generaliteitskas stortte, was zelfs met moeite
in staat in de geregelde uitbetaling zijner aanzienlijke quote te voorzien. Jaar aan jaar
waren de onkosten van den krijg geklommen. Voor de dienst van het jaar 1606 had
de Raad van State eene begrooting van niet minder dan / 610,000 'smaands, be-
halve
f 600,000 tot de oprigling van een leger, f 500,000 lot herstel en aanbouw
van vestingwerken,
f 400,000 tot ondersteuning der admiraliteiten en / 300,000 tot
terugbetaling aan
Engeland, ingediend. De opbrengst van den accijns op het zout, van
de vrijgeleide-brieven en van de brandschattingen op de vyandelyke grenzen, die ten
bate der generaliteitskas kwamen, waren niet eens onder deze berekening begrepen.
Het kan dus niet bevreemden dat er bij vele leden der Staten-Generaal weerzin be-
gon te heerschen tegen de kostbare wyze van oorlogvoeren, die prins
maurits voor
de veiligheid der Republiek wenschelyk rekende, en dat men het verkieslijk achtte zich
tot eene bloole verdediging der grenzen te bepalen. Aan de hevigheid, waarmede
spisoLA. na de verovering van Osiende den krijg had voortgezet, zou weldra, meende
men, een einde komen, daar noch de koning van
Spanje noch de markies de zware
kosten der talrijke legerbenden, die thans in de zuidelijke
Nederlanden onderhouden
werden, op den duur zou kunnen dragen. Men besloot derhalve geen nieuwe troepen aan
te nemen, maar zich lot het voltallig maken der in dienst zijnde compagniën te bepalen

^ Bij ΓΗ. DU Bois, I 8. 234—244 komt voor eene Lyste van de compagniën Ruyteren ende
Knechten in Dienst van den Lande wesende,
Tolgens de getalsterkte, waarop men de ritmeesters
en. kapiteins had aangesclirevcn liunnc troepen tegen den eersten Maart 1606 gereed te houden.
Hieruit blijkt dat er waren 38 compagniën ruiterij, die te zamen 3889 ruiters met 1499 bidets of
bagagepaarden moesten tellen. Het Yoetvolk was op de volgende wijze verdeeld:

Het regiment van ernst Casimir van Nassau .

)) )) )) wonsr. de ciiastillon . .

)) )) )) den heer van bethune. .

» Â» )) den heer van marquette .

» 16414
» 10885

» 51935 »

De vier Engelsclie regimenten onder de kolonels

iioratio vere, cecil, ogle en süTTON .... telden 61
Het regiment Seliottcn van kolonel
edmont . . . telde 15
)) )) Â» » kolonel
bachlouch . . » 15

» » van den OTerste fuchssen .... » 13
Bovendien komen nog voor: «Nederlanders onder
geen formele Regimenten staetide donte (?) velde
synde onder Nederlantsche Colonels gestelt wor-
den" (waaronder twee vendels van Amsterdam) telden 134

Ten laatste het regiment Friezen......telde 62

ïe zamen ~363~

telde 25 compagniën met 4248 toppen.

1610
1750
1506

7624
1669
2225
4004

12
13
13

Deze opgave komt vrij Avel overeen met de Resol. v. Holland, 1607 bi. 50, waar de gansche
krijgsmagt der Republiek, in den loop des jaars 1606 met eenige Duitsche en Fransehe troepen
vermeerderd, op 54800 man geschat wordt.

ocr page 98

DES VADERLANDS. Â· 127

Ook deze maatregel vond echter in de uilvoering buitengewone moeijelijkheden. In 16O6.
Engeland en Schotland kon men slechts weinig manschappen bekomen. De Fran-
sche officieren, die lot aanvulling hunner compagnien naar hun vaderland vertrokken
waren, konden wegens de bijeentrekking van een leger voor de muren van
Sedan hun
doel niet bereiken. In
Duilschland stonden de wervingen van den hertog van BrunS'
wijk insgelijks de bereiking van der Stalen oogmerk in den weg. Het duurde tot
diep in het voorjaar, eer het leger gereed was den vijand het hoofd te bieden, zoodat
hendrik IV, die even als maurits eene bloot verwerende houding voor de Vereenigde
Gewesten zeer schadelijk achUe, in het begin van Mei aan
fran901s van aerssen zijne
verwondering en ontevredenheid Ie kennen gaf, dat de Staatsche troepen nog niet in
het veld waren gekomen. Wanneer de Slalen, zeide hij, zoo traag en achteloos bleven
in het voeren van den krijg, dan waren zijne onderstandsgelden overbodig en nutteloos

Inmiddels hadden de Staten grooten ijver betoond, om den vijand ter zee afbreuk ie Krijgsbedrijven

• Â· · iicr zcc

doen. De wreedheden, door de Spanjaarden in Wesl-Indië jegens de bemanning van

eenige Hollandsche koopvaardijschepen gepleegd, de zucht om de zilvervloot des vijands
te onderscheppen, en hel gerucht, dat te
Lissahon eene oorlogsvloot werd gereed ge-
maakt om de Nederlanders uit
Oosl-Indi'è te verdrijven, hadden reeds in het laatst des
vorigen jaars tot ernstige beraadslagingen tusschen de onderscheidene admiraliteiten en
de Staten-Generaal geleid. Het had niet weinig argwaan gegeven dat
fïlips III in Oc-
tober aan alle vreemde, zelfs Nederïandsche, koopvaardyschepen vergunning had gege-
ven, om gedurende den tijd van elf maanden levensmiddelen in
Spanje aan te voeren.
Men zag daarin slechts eene geheime bedoeling om eene menigte vaartuigen lot eene
onderneming tegen de Republiek maglig te worden, en achtte zich geregligd, dal plan
krachtdadig te keer te gaan, -Niet slechts werd eene vloot van vier en twintig schepen
uitgerust, om op de kusten van
Spanje en Portugal te kruisen, maar levens op nieuw
aan alle zeevarende mogendheden op slraiTe van verbeurdverklaring van schip en lading
verboden, den vijand der Republiek granen en andere waren toe Ie voeren. De Oost-
Indische compagnie, die bij den beraamden zeetogt niet weinig belang had, droeg vry-
^■villig anderhalve ton gouds in de kosten. Op den 25""^" Januarij verliet de Staatsche
vloot, onder bevel van den admiraal
Willem de zoete, heer van Hautain, en den vice-
fidmiraal
reisier glaessen de Zeeuwsche kust. Z,ij werd eerlang door talrijke vrijbuiters

' VAN JIETEHEN, f. 546a. VAN DER KEMP, llbl, 117, 515—520. ΓΙΙ. »Ü Bois, 1 8. 109, 112, 115.
De kapiteins, die de soldij aan hunne manschappen moesfen uitbetalen, hielden in den regel
uit winstbejag een kleiner getal aan, dan op de monsterrol voorkwam, zoodat volgens
van vervov
(bl. 232) en ph. du bois, (I s. 190, 11 s. 9, 18) niet zelden naauwelijks de helft van het dooi-
de Staten betaalde leger in werkelijke dienst was. Vgl.
van beyd, bl. 271, 300, 379. bob, 111
bl. 713.
van meteren, f. 394 c.

III Deel. 2 Stuk. 29

ocr page 99

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

ICOG. geyolgd, die van de Staten-Generaal kaperbrieven verkregen hadden i. Gedurende ver-
scheidene maanden kruiste
hautaict langs de kusten van het Spaansche schiereiland,
nam alle vaartuigen weg, die in zijn bereik kwamen en verspreidde den schrik en het
ontzag voor de Staatsche wapenen tot diep in het binnenland, door de stoute landingen
en plundertogten, die hij op onderscheidene plaatsen ondernam. Door het achterblijven
van eenige transportschepen met levensmiddelen werd hij in Junij genoopt, naar het va-
derland terug te keeren. Hij had in zooverre zijn doel bereikt, dat de handel met
Spanje zeer belemmerd en de naar Oost-Indië bestemde vloot gedwongen was geworden,
hare reeds ingenomene lading weder te ontschepen en de reis vooreerst uit te stellen.
De komst der West-Indische vloot was insgelijks lot gelegener tijd verschoven

Spinoi-a ver- SpiNOLA. had intusschen geen middel verzuimd, om den door hem met zooveel voor-

krijgt nieuwen i i .. , . -rv i ·. i i i .. ,

onderstand uitspoed gevoerden krijg met kracht voort te zetten. Daar hij teregt begreep, dat hij de

Spanje, tegenwerking zijner benijders aan het Spaansche hof alleen door zijn persoonlyken

invloed verijdelen kon, was hij in Januarij naar Madrid gereisd, om den koning
andermaal tot ruime ondersteuning te bewegen. Hij verklaarde geen twijfel te voeden,
dat hij in den volgenden veldtogt tot in het hart van
Holland zou kunnen doordrin-
gen, wanneer het hem slechts niet aan de onontbeerlijke geldmiddelen ontbrak, om
een voldoend leger bijeen te brengen en door geregelde betaling in tucht te houden.
Filips III, die van spihola's beleid en voortvarendheid met reden eene gunstige uit-
komst van den krijg verwachtte, overlaadde hem niet slechts met eerbewijzen, maar
stond hem ook ruime onderstandsgelden toe. De Spaansche schatkist was echter uitgeput,
zoodat de markies genoodzaakt was zelf aanzienlijke sommen op te nemen, en zich groo-
tendeels tevreden te stellen met de belofte van terugbetaling, zoodra de West-Indische
vloot zou zijn aangekomen. Het duurde lot in het begin van Juny, eer
spinola. , op
zijne terugreis in
Italië door ziekte aangetast, Ie Brussel wederkeerde 3,

De nabijheid van het Fransche legerkamp voor Sedan, welke de aartshertogen ge-
noopt had eenige troepen in het zuiden van
België tot beveiliging der grenzen byeen
te trekken, had hen belet vóór de terugkomst van hun bekwamen veldheer het leger
te velde te brengen. De winter was aan beide zijden zonder krijgsbedrijven van eenig

ï In Maart zeilden niet minder dan 130 diergelijke kapers uit, door wier overmoed de handel
echter zoozeer belemmerd werd, dat de Staten-Generaal, ten gevolge van herhaalde klagten,
in Augustus besloten geen kaperbrieven meer uit te geven dan tegen eene borgstelling van min-
stens /"20,000. PH. DU Bois, I s. 113, 150,1190.

2 van metében, f. 546, c. ghotius, ρ. 480.

3 van meterek, f. 554 d. bentivoglio, bl. 725. cahnebo, p. 534. grotius, p. 47Ö. PH. du bois
(I 8. 133) schreef 15 Junij van spinola: »ob er nun im leib oder im beuttel iebricitirt, wirdt
sich oflenbahren."

ocr page 100

DES VADERLANDS. Â· 127

gewigt voorbijgegaan. Alleen ^γas du terrail, door den uilslag zijner aanslagen op 1606.
Bergen-op'Zoom geenszins onlmoedigd, er op uit geweest, om de eene of andere grens-
Testing bij verrassing aan de Staatscben te ontrukken. Den
13''°° Maart trok hij met Du tehrail
twaalfhonderd man uit Oldenzaal^ bereikte onbemerkt Bredevoort, brak de poort met «oori, doch moet
springbussen open en overviel de zorgelooze bezetting, die met de burgery vastenavond j^^gn
vierde. De stad werd zonder moeite door de Spanjaarden ingenomen; doch de Staat-
sche soldaten weken op het kasteel, hetwelk door een sterken wal en eene dubbele
gracht beschermd was, en hielden zich aldaar, met hulp van versterkingen uit de na-
burige garnizoenen, zoolang slaande, totdat
frederik hehdrik acht dagen later aan het
hoofd van een klein leger lot ontzet opdaagde. Du
terraïl, die door het vuur van
het kasteel reeds veel manschappen verloren en gebrek aan krijgsbehoeften had, trad
terstond in onderhandeling en verkreeg vrijen aflogt voor zich en de zijnen. Deze uil-
komst wekte aan beide zijden groote ontevredenheid. De Slaatschen achtten het onver-
geeflyk, dat men den gevaarlyken Franschman had laten ontkomen, terwijl de Span-
jaarden aan
velasgo, die met eene sterke legerafdeeling bij Ruhrorl stond, verwelen,
dat hij de overrompelde stad niet by tijds van talryker bezetting en Toldoenden voorraad
voorzien had. De vierhonderd man, met zakken kruid beladen, door hem met dat
doel afgezonden, waren door de Staatsche ruiterg onderschept en groolendeels gevangen
gemaakt. Daarentegen achtte
frederik Hendrik zich reeds gelukkig, den vijand uit
Bredevoort verwijderd te hebben, voordat velasco ernstiger pogingen aanwendde om
de stad Ie behouden i.

Naauwelijks was spinola uit Spanje teruggekeerd, of du terrail legde hem het Aanslag van
ontwerp voor tot een aanslag op
Sluis. Het wachthuis op de lange brug,'die over het
verdronken land naar de Oostpoort dier vesting voerde, was verbrand en niet hersteld,
daar het den Slaatschen onmogelijk voorkwam dal de Spanjaarden, wegens de talrijke
in den omtrek gelegene schansen, de stad aan die zijde zouden kunnen naderen. Op
die omstandigheid bouwde de vernuftige Franschman een plan, lot welks volvoering
spiROLA hem het bevel over 5700 man toevertrouwde. In den nacht van den 15''®"
Junij bereikten dezen de vesling, zonder dat hun aantogt door de Slaalschcn bemerkt
was.
Van der noot, die binnen Ä/mV bevel voerde, had wel berigt gekregen dat de
Spanjaarden eenen aanslag in het schild voerden, doch verre van hun doel te vermoe-
den, had hij de bevelhebbers der naburige steden en schansen laten waarschuwen en
was zelf ter ruste gegaan, zonder eenige maatregelen van voorzorg te nemen. De diep-
ste stille heerschle alom, toen de Spaansche troepen de wallen bereikten. Een gedeelte
Avas naar de westzyde getrokken, en had last aldaar een geveinsden aanval te doen,
ten einde de aandacht der bezetting van de Oostpoort af te trekken, waardoor de andere

ï VAK metereif, f. 547 d, GiüsTisiAHO, 211—215. CROTius, p. 480. cahrebo, p. 534.

29*

ocr page 101

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1c06. afdeeling zou traclilen binnen te dringen. Te Tergeefs wachlle men echter aan beide
zyden, dat het
slaan Tan het bepaalde uur het afgesproken teeken zou geven. De kos-
ter, die de onTOOrzigligheid had gehad de stadsklok den vorigen avond in de duisternis
te gaan opwinden, had de gewigten te ver opgetrokken, zoodat het slagwerk stil was
blyven staan. Na eenigen tijd begonnen de Spanjaarden aan de westzijde der
stad argwaan te koesteren, dat hun voornemen ontdekt was. Ook aan de
oost-
zyde, \Taar men met ongeduld den aanval der andere afdeehng verbeidde, was men
te dien opzigte niet zonder ongerustheid. Eindelijk besloot
du terrail niet langer te
wachten. Op zyn last
ZAvommen eenige manschappen de gracht over en hechtten hunne
springbussen zoo behendig aan de valbruggen en de poort vast, dat de eersten neder-
vielen en in de laatste eene voldoende opening kwam, om twee man naast elkander
door te laten. Terstond rukten nu de Spaansche troepen over de
brug naar de poort;
doch de spiesdragers, die zich aan de spits bevonden, weigerden de stad binnen te
trekken. De zwakke pogingen der wacht aan de poort, die door het losbarsten der
springbussen uit hare zorgeloosheid opgeschrikt was, en ten getale van nog geen
twintig man de gemaakte opening in aller ijl poogde te versperren, gepaard met de
onbegrijpelyke stilte, die in de stad heerschte, hadden zoozeer den schijn eener
krygslist, om de Spanjaarden binnen de wallen te lokken, dat deze eenige oogenblik-
ken aarzelden, of zij van het reeds behaalde voordeel partij zouden trekken. Dit kort-
stondige oponthoud redde de stad. Door het gerucht wakker gemaakt, sprong een En-
gelsch hopman, die digt by de poort woonde, uit den slaap op, snelde half gekleed
met een zestiental soldaten naar de plaats des gevaars, en dreef den vijand met onstui-
mig geweld terug. Het toenemende rumoer bragt weldra de gansche bezetting op de
been. De Spanjaarden, die den misslag hadden begaan hunne spiesdragers voorop te
laten trekken, konden het musketvuur der Staatschen niet beantwoorden, en daar hunne
achterste gelederen naar de poort opdrongen, terwijl de voorste terugweken, ontstond
er eene vreesselyke verwarring, die nog toenam, toen het geschut van de wallen op
de brug Averd gerigt. Meer dan vierhonderd der aanvallers werden idoor het moordend
lood neergeveld of stortten van de brug in de gracht en vonden daar hunnen dood.
De overigen namen met overhaasting de vlugt en lieten zelfs een aanzienlijk gedeelte
hunner wapenen aan de Staatschen ten buit. Du
terrail was over de mislukking van
dezen aanslag zoo verstoord, dat hij tegen onderscheidene bevelhebbers wegens pligtver-
zuim en lafhartigheid eene aanklagt indiende, die aan enkelen hunner het leven kostte.
Daarentegen werd
van der noot in de Vereenigde Gewesten wegens zyne achteloosheid
gestrengelijk berispt. Hij liet terstond eene halve maan voor de brug aanleggen, ten
einde een diergelgken overval in het vervolg onmogelijk te maken

1 VAN METEREN, f. 549. GIÜSTIKIAKO, p. 218—220. GROTIUS, p. 482. CABSERO, p. 537.
I>H. DU BOIS, 1 s, 132.

ocr page 102

DES VADERLANDS. Â· 127

Spinola had inmiddels alles lot een nieuwen veldtogt in gereedheid gebragt. Bij 1606.
zijne aankomst te
Brussel vond hij het leger reeds aanmerkelijk versterkt. Door de zamét^utec^h-
zorg van den aartshertog waren de onderscheidene compagniën voltallig gemaakt en S'^^s.
bovendien 5ö00 man in dienst genomen, welke vroeger door den hertog van
Brunswijk
aangeworven doch in het voorjaar weder afgedankt waren. Uit Italië, Schotland en
Ierland kwamen insgelijks verscheidene regimenten aan, zoodat spinola weldra 24000
man onder zijne bevelen had. Hij was daardoor in staat twee legers in het veld Ie
brengen en besloot derhalve met goedkeuring van den aartshertog de Staatsoliën te ge-
lijker tijd aan twee zijden aan te tasten. Terwijl hij zelf beproeven zou over den
IJssel
in de Veluwe te vallen, zou de graaf de bugqüoy de Waal overtrekken, Nijmegen en
Grave in bedwang houden en zich van eenige kleinere plaatsen in de Beiuwe meester
maken. Voorts zouden de beide legers zich bij
Arnhem vereenigen, en de Staatsche
troepen met gezamenlijke krachti tot voorbij
Utrecht terugdrijven. De laatstgenoemde
stad, van onvoldoende en slecht onderhoudene vestingwerken voorzien, zou geen ernsti-
gen weerstand kunnen bieden, zoodat men de hoop kon koesteren in dezen veldlogfc
lot in het hart van
Holland door Ie dringen. Men rekende hierbij zoowel op de zwakte
van het Staatsche leger, waarmede prins
ma.urits, naar men meende, onmogelijk te
gelijker lijd
de Waal en den IJssel bewaken kon, als op den'geringen tegenstand, dien
de in de
Betuwe en^jVeliiwe gelegene plaatsen aan een vyandelijk leger konden bieden,
dat de linie der grensvestingen overschreden had
 Î»

Overeenkomstig dit plan trok spikola met tienduizend man, acht stukken geschut en Hij trekt iu
een aanzienlijken legertrein op den 10''"" Julij bij
Buhrort ovev dm Bhijn, lerwyl ^^''^'^^jjucqü^^^
BUGQÜOY met twaalfduizend man en twaalf stukken geschul zich een paar dagen ï^^lcr
insgelijks op weg begaf en zich den 18''®° bij
31ook lusschen Grave en Nijmegen neder-
sloeg. Eerst op denzelfden dag bereikte
spinola de slad Goor in Twente, terwyl zijn
leger onderweg met 2500 man uit
Lingen en 400 man uit Oldenzaal vermeerderd was.
Zware en onafgebrokene regenbuijen hadden den marsch zijner troepen grootelïjks belem-
merd en vertraagd. De wegen waren doorweekt en bijna onbruikbaar geworden. De sol-
daten waren bestendig doornat en vonden ook des nachts op het vochtige slroo of bij de
smeulende wachtvuren geen verkwikking na de vermoeyenissep en ontberingen van den
dag. Hout was in
Twente niet Ie vinden; en de natie turf, die men maglig kon
worden, gaf slechts rook in plaats van gloed. Daar
spinola voornamelijk op de snelheid
zyner bewegingen gerekend had, oni zijn doel lebereiken, was hy niet weinig door dezen
tegenspoed teleurgesteld. Bovendien vernam hij dat de
IJssel, verre van op verschei-
dene plaatsen doorwaadbaar te zijn, gelijk gewoonlijk midden in den zomer het geval is,

GiüSTisiAso, p. 216 , 220.

ocr page 103

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

3606. door den aaühoudenden regen zoozeer gezwollen was, dat de rivier van boven tot be-
neden bevaarbaar was geworden
Verdedigings- Iniusschen had MAURiTs, van des vijands voornemen verwittigd, alle beschikbare

maatregelen van . ο

MAuiuTs. troepen, ten getale van 10000 voetknechten en 2I}00 ruiters bijeen getrokken

De Staten lieten in Brunswijk door graaf erwst gasimik eenige nieuwe compagniën
aanwerven terwyl later nog omstreeks vijfhonderd man, waaronder vele edelheden,
uit
Frankrijk kwamen, nadat de verzoening tusschen heiïdrik IV en den hertog van
Bouillon het bij Sedan verzamelde leger uileen had doen gaan. De hinderpalen, waar-
mede
spiNOLA op zijnen togt te worstelen had, gaven den prins inmiddels gelegenheid zulke
uitstekende maatregelen lot verijdeling van diens plannen te nemen, dat de vijand zelf
er zijnen lof niet aan onthouden kon De oevers van de
Waal en van den IJssel wer-
den in aller ijl van den
Bommelerwaard tot Schenkenschans en Tan Arnhem lot Hat-
tem
door eene reeks van schansen gedekt, die elkander door vuren seinen konden
geven. Op de beide rivieren voeren talrijke wachtschepen onophoudelijk heen en we-
der.
Deventer ^ Zulphen en Doesburg werden versterkt en van talryke bezettingen
voorzien. Z.eslig vendels voetvolk en acht compagniën ruiters werden onder bevel van
den overste
warner du bois gesteld, om de Tieler- en jßomme/er-waarden te bescher-
men en den vijand te beletten over de
Waal te trekken 6. Met het vrij geringe over-
schot van zijn leger, hetwelk echter eerlang versterkt werd door eenige troepen uit
Friesland en Vlaanderen en een gedeelte van de garnizoenen der meest afgelegene
grensvestingen, die door gewapende burgers vervangen werden legerde
maurits zich
bij
Deventer, om spinola in het oog te houden

^ GIUSTINIANO, p. 222—224.

2 GROTIUS, p. 483.

3 De graaf van Hohenlo, die sedert 1593 in voortdurende onmin met maurits geleefd had en
uit dien hoofde bij de krijgsbedrijven langzamerhand op den achtergrond was geraakt, was in den
aanvang dezes jaars gestorven. Hij liet geen wettige kinderen na. Zijn neef
ebtist filips van
Hohenlo was reeds in Staatsclie dienst, van μετεπεν, f. 548 rf. Vgl. liicrvoor D. 111 St. 1 hl. 469—471.

^ Resol. v. Holland, 1606 bl. 855. van vervov, bl. 234, 235. var der kemp, II bl. .524.

5 GHAPPUYS, Histoire de la guerre de Flandre, II p. 401.

c Het is een merkwaardig bewijs, hoo noodzakelijk de prins de zoogenaamde Gedeputeerden te
we/rfeachtte, dat hij uitdrukkelijk aan de Staten-Generaal verzocht om »eenige Gedeputeerden van
wege de Heeren Staten-Generaal" naar
van der hoot, die in Vlaanderen bevel voerde, en du
BOis te laten vertrekken »om dezelven in de occurrentien met raad en daad te assisteren."
van der kemp, II bl. 520 (363). Zie hiervoor D. III St. I bl. 436 noot (2).

7 van der kemp, 11 bl. 526.

8 VAN METEREN, f. 555. VAN DER KEMP, II bl. 118 , 520—524. GROTIUS, p. 483.

ocr page 104

DES VADERLANDS. Â· 127

Op den Julij liet bugqdoy eene poging beproeven ora de Waal over Ie steken. Den 160G.
vorigen nacht was giüstihiano op zijn bevel met vierduizend uitgelezene soldaten bene- bepreemï
vens vijfhonderd ruiters, eenige sÏukken geschut en dertig op wagens geladene schuiten ^^ vergeefs dc
naar het dorp Keekerdom vertrokken, waar hij wegens den slechten toestand der wegen eerst steken,
tegen den middag aankwam. Terstond plantte hy zijn geschut op den dijk, liet dc
schuilen te water brengen, en scheepte zich met vijfhonderd man in, om naar den jfcgter-
oever over te steken. Intusschen was
wakker du bois , die zich te Nijmegen bevond, in allep/
ijl met eenige compagniën naar de overzijde gesneld, om de landing des vijands te be-
letten. Hetzij de roeijers het vuur der in slagorde geschaarde Staatsche troepen niet
durfden trotseren, hetzij de hevige stroom der sterk gezwollene rivier hen onwillekeurig
medesleepte: de Spaansche troepen dreven eenigen tijd de rivier af, zonder den over-
kant te bereiken en waren ten laatste gedwongen weder aan den linkeroever aan te
landen. Terwgl de vaartuigen weder naar boven werden gesleept, waarmede veel lyd
verloren ging, rukten de versterkingen aan, die
du bois terstond ontboden had. Hij liet
eenige stukken geschut in batterij stellen en boorde daarmede verscheidene schuiten
in den grond. Nu gaf
giustiniano de hoop op, om zijne poging met goed gevolg te
herhalen, en trok naar het kamp bij
Mook terug

Spinola. had intusschen besloten zich van Lochern meester te maken. Ten einde Spinola le-
maurits te misleiden, nam hij de houding aan, alsof hij Deventer wilde aantasten,
doch naauwelijks was de prins derwaarts vertrokken, of
Lochern werd den 21·'°" Julij
berend. Terstond begon de vijand aan twee zijden loopgraven op te werpen, en was
daarmede, nieltegenslaande het hevige en onafgebrokene vuur der Staatschen, in twee
dagen reeds zoover gevorderd, dat de bezetting, slechls driehonderd man sterk, in on-
derhandeling kwam en de stad onder eervolle voorwaarden overgaf. Op den nabijgelegen
heuvel was inmiddels door de Spanjaarden eene schans aangelegd, om hel Staatsche
leger in bedwang te houden, wanneer het tot ontzet mögt aanrukken Κ

Hoewel spinola wegens den hoogen waterstand weinig hoop meer voedde dat het De Spanjaardca
hem gelukken zou, den IJssel over te trekken, besloot hij daartoe nog eene poging
te wagen. Zelf trok hij met zijne hoofdmagt lot digi bij Zulpheuj liet op onderschei-
dene plaatsen peilingen doen, alsof hij aldaar den overtogl beproeven wilde en deed zijne
troepen tusschen
Lochern en Deventer heen en weder marcheren, ora prins maurits
omtrent zijne voornemens in het onzekere te houden. Middelerwijl had de graaf solre

1 van meteren, f. 555. giustwiano, p. 229. ph. do bois, I 8. 140.

2 VAN siETEREN, f. 555 c., bcwecrt dat de bezetting van LocAem, die slechte uit drie vendels bestond,
de stad overgaf »sonder eenen scheut verwacht te hebben."
giüstiniano, p. 226, meldt daarentegen
dat zij zich zeer dapper verdedigde, en een geweldig vuar verduurde, voor zij in onderhandeling trad.

ocr page 105

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1606, op zyn bevel vierduizend man en vier stukken geschut, benevens eene menigte schui-
len, Ie
Almelo bijeen gebragt en was daarmede over de Vecht gegaan, mei het doel
het
Zwarte Water tusschen Zwol en Hasselt, en, wanneer de gelegenheid gunstig
was, ook den
IJssel over te varen. Gelukte hem het laatste niet, dan moest hij,
volgens spiNOLiV's last, op het eiland
Mastenbroek post vatten, het talrijke vee, dat al-
daar , wegens de gewaande veiligheid dier streek, in de weide liep, buit maken, en de
belegering van
Zivol voorbereiden. In den morgen van den tweeden Augustus kwam solre
met zijne troepen voor het Zwarte Water-, doch de drost van Salland, gerard van
WARMELO, die van dit plan kennis had gekregen, rukte met drie vendels voetvolk
en eenige ruiterij naar het bedreigde punt en bood zulk een wakkeren tegenstand,
dat de vijand gedwongen werd onverrigter zake terug te trekken
Spinola Lele- T^oor de voortreffelijke maatregelen en naauwlettende waakzaamheid der Staatschen
^GroenL· en niet minder door het buitengewoon regenachtige zomerweder in zijne plannen te-

leurgesteld, besloot SPÏNOLA vooreerst den overtogt over den IJssel te laten varen en
Groenlo aan te tasten. Te gelijker tijd gaf hij bugquoy vergunning om Nijmegen te
belegeren, wanneer deze geen kans zag zyne troepen op den regteroever der
Waal te
ontschepen. Indien
maurits lot ontzet dier stad optrok, zou zich, gelijk spinola hoopte,
welligt eene goede gelegenheid opdoen om den van troepen ontbloeien
IJssel onver-
wachts over te trekken. Hij brak derhalve met zijn leger op en kwam den derden
Augustus voor
Groenlo, hetwelk door voortreffelijke vestingwerken beschermd was en
een garnizoen van dertienhonderd man onder den nog jeugdigen kolonel
van dort be-
vatte. Ten einde de pogingen van
maurits tot ontzet Ie voorkomen, deed spinola
onafgebroken aan de aan vals werken arbeiden, zonder zich om de verliezen te bekom-
meren, die de dappere verdediging der belegerden hem berokkende. Reeds den
14''°" Augustus waren de buitenwerken ingenomen, de gracht gevuld, de wal op ver-
scheidene plaalsen geweldig door het geschut beschadigd. Nu liet
spinola zijn gansche
leger tot den storm in orde scharen en de stad opeischen. Hij gaf de bezetting slechts
één uur lijd om zich te bedenken, en dreigde al de inwoners te vermoorden, wanneer
Groenlo niet terstond werd overgegeven. De verschrikte burgerij viel den bevelhebber
te voet, en smeekte hem het leven van vrouwen en kinderen te sparen.
Van dort
liet zich door hun weeklagen verbidden en besloot met den vijand in onderhandeling
te treden, niettegenstaande hij sterk genoeg was om eenen storm af te slaan. De be·?
zelling verkreeg vrijen aflogt met wapenen en bagaadje 2.

1 PH. DU BOIS, s. 153.

2 giustiniano, p. 235—239. cahkeiio, p. 540—543. bestivoglio, bl. 729. cnoims, p. 485.
van weterp, f. 555 c.—556' a. De laatste schrijver meldt, dat van dort reeds een brief van prins

\

\

ocr page 106

DES VADERLANDS. Â· 127

Prins maurits, die geen voldoende krijgsmagt bij zich had, om op de lijding der belege- 1606.
ring van
Groenlo terstond tot ontzet op Ie trekken, had intusschen alle beschikbare troepen te
Doesburg bijeengebragt en was op het punt daarmede op niarsch te gaan, toen hij de tijding
der onverwachte overgave ontving, die hem te meer trof, daar hij gegronde hoop had
gekoesterd, dat de vesting geruimen tijd het geweld des v^'ands zou kunnen weerstaan,
hindert hem den
Onzeker, werwaarts spinola zich thans wenden zou, liet hij den IJssel met verdub" ^^ trekken,
belden ijver bewaken en splitste zijn leger in vier afdeelingen, ten einde op alle punten
te gelijk het oog te kunnen houden. De heer van
MarqueUey luitenant-generaal der
cavalerie, had zyn hoofdkwartier te
Zwol, graaf Willem lodewuk was met zyne
Friezen te
Deventer ingelegerd, graaf frederik Hendrik bevond zich met eenige troe-
pen te
ZiUphen, en maurits zelf vestigde zich met de Engelsche regimenten en een
groot gedeelte der ruitery te
Doesburg, waarop hij het eerst eenen aanval verwachtte ^
De vyandelijke veldheer was echter niet in staat eene nieuwe belegering aan te vangen.
Ten gevolge der doorgestane ellende waren vele zyner soldaten bezweken of overge-
ïoopen. De bijkans onbruikbare wegen vertraagden en belemmerden zoozeer den gere-
gelden aanvoer van levensmiddelen, dat in zijn kamp herhaaldelijk gebrek ontstond,
Aan het onverhoeds overtrekken van ,den
IJssel was wegens maurits' waakzaamheid en
beleid niet meer te denken. Ook
btjcquoy was in dit opzigt niet beter geslaagd, ep
had het doelloos en zelfs onraadzaam geacht het beleg om
Nijmegen te slaan, daar
bet onmogelijk was de gemeenschap tusschen dejse stad en den overkant der
Waal
te beletten, en zy dus door de Staatschen voortdurend van versehe bezetting en krijgs-
behoeften kon worden voorzien.
Spinola besloot derhalve het aanvankelijke plan van
den veldtogt op te geven, uit
Gelderland terug te trekken, zyne troepen met die van
BUGQUOY te vereenigen en met gezamenlijke krachten
Rhijnberk te belegeren. Na Groenlo

sluit Hhijnberk

behoorlijk versterkt en vijftienhonderd man onder graaf dendrik van den berg aldaar
in bezetting gelegd te hebben, brak
spinola zijn leger op en bereikte den 24""° Au-
gustus de belangrijke vesting, die in de laatste jaren zoo dikwerf van meester gewis-
seld had. Reeds had
bugquoy haar twee dagen vroeger berend en de voornaamste toe-
gangen afgesloten. Niettemin gelukte het
frederik Hendrik., die óp de eerste tijding
van
spinola's terugtogt door maurits met eenige troepen was afgezonden om Rhijnberk
tp versterken, op den 25"®" Augustus veertien vendels daar binnen te brengen, waar-
door de bezetting tot drieduizend voetknechten en tweehonderd ruiters klom. De kolonel
UTENHOVE voerde het bevel binnen de stad. Een fort aan de oyerzijde, door eene

maurits had, waarin deze beloofde hem uiterlijk op den 16·^®° tc komen ontzetten, doch dat hij
dien brief niet aan zijne ofljcieren vertoonde,
ph. dü bdis (s. 154) geeft de schuld integendeel aan dc
bezetting, die uit onecnigl\eid en flaauwhartigheid aan de bevelen van
van dobt niet gehoorzaamde.

ï van DER KEMP, 11 bl. 528 —531. ph. DE bois, 1 s. 155.

III Deel. 2 Stuk. 50

ocr page 107

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1606. schipbrug met het insgelyks "verschanste eiland Weert en de vesting verbonden, werd
door den Schotschen kolonel
william edmottds verdedigd. Verscheidene aanzienlijke
Fransche edellieden hadden zich als vrijwilligers binnen
Rhijnber/c hegeven, om een be-
leg bij te wonen, ^ hetwelk zoowel door de uitmuntende verdedigingsmiddelen der be-
legerden en de nabijheid van
maurits' krijgsmagt, als door de bekwaamheid en magt
der belegeraars tot de langdurigste en merkwaardigste van den krijg tusschen
Spanje
en de Republiek scheen te zullen behooren ^
Maurits volgt Deze verwachting werd intusschen niet vervuld. Wel volgde maurits den vijand
paalt zich tot de op den voet en legerde zich den 30''®" Augustus bij
Wesel, alwaar hij zich verschanste
dr^gre™e"if der schipbrug over den
Rhijn sloeg; maar hij rekende zich niet in staat met zijne

Republiek. geringe krijgsmagt spinola te noodzaken, het beleg op te breken. Bovendien achtte
hij het zijn voornaamsten pligt, tegen een nieuwen inval in
Gelderland te waken, en
begreep dien het best te kunnen vervullen, wanneer hij het beleg trachtte te rekken,
door den vyand zooveel mogelijk te belemmeren en afbreuk te doen, zonder zijne
verdedigende stelling te verlaten. Een veldslag tegen een overmagtig leger te wagen
scheen hoogst gevaarlijk; en eene nederlaag zou de grenzen bijkans zonder bescherming
gelaten en aan
spinola gelegenheid gegeven hebben , om met zijne gewone voortvarendheid
Avelligt zonder moeite tot in het hart der Republiek door te dringen. Aan de oostzijde
ydiH Rhijnherk scheen het niet onmogelijk, de vijandelyke verschansingen te bemagtigen
en tot de belegerde vesting door te dringen, maar daartoe zou het Staatsche leger eene
andere stelling hebben moeten innemen, waarby de grenzen ontbloot zouden zijn.
Dien ten gevolge bleef
maurits , door graaf willem lodewijk in zyn gevoelen versterkt,
bij
Wesel liggen, en bepaalde zich tot schermutselingen, welke geen ander gevolg
hadden, dan
spiitola tot versterking zyner legerplaats en naauwlettende waakzaamheid
te dwingen. De Slaten-Generaal, die aan de verdedigingswerken van
Bhijnberk reeds
in het vorige jaar op
maurits' voorstel zeer veel te koste hadden gelegd, vraren echter
met deze werkelooze houding van hunnen veldheer geenszins tevreden. Herhaaldelijk
drongen zij er op aan, dat hij door een krachtigen aanval beproeven zou
Rhijnherh te
ontzetten, en den 26""" September kwamen zij zelfs in hel leger om hem daartoe te
bewegen. Doch
maurits was onverzettelgk. Hij liet zich alleen overhalen om vier dagen
later zijnen broeder
frederik Hendrik met eenige troepen naar Venlo af te zenden,
ten einde te beproeven die stad des nachts te overrompelen; doch te gelijk met de
lijding van het mislukken van dezen aanslag, waarvan de vijand kennis had gekregen
kwam te
Gravenhage het berigt, dat de belegerde vesting aan spinola was overge-

1 VAN METEREN, f. 556. GIUSTINIANO, p. 241—247. VAN DER KEMP, II bl. 119 , 531—535.

2 VAN iUETEREN, f, 556 d.

ocr page 108

DES VADERLANDS. 195

geven. Ten gevolge van hel sneuvelen van edmonds was het fori aan de overzyde reeds 1606.
den September door de bezetting verlaten, die zich binnen Rhijnberh had terug-
getrokken. Reeds was
spinola op dat tydstip begonnen de loopgraven aan te leggen,
en daar hij zijne soldaten niet spaarde, veroverde hy weldra de buitenwerken en
drong, niettegenstaande de heldhaftige verdediging en herhaalde uitvallen der belegerden,
tot aan de stadsgracht voort. De laatslen hadden inlusschen gebrek aan krijgsbehoeften
gekregen, en daar prins
maürits volstrekt geen hoop gaf op onlzet, achtten zij zich
niet verpligt eenen storm af te wachten, dien zij zonder kruid bezwaarlijk konden af-
slaan.
Utenhove trad derhalve den eersten October met spinola in onderhandeling, Mijnherk

wordt aan sin-

en trok den volgenden dag met de bezetting uit, die omstreeks vijfhonderd man ver- nola overgege-
loren had ^

Terwijl MAURiTS* leger door de aankomst dier troepen aanmerkelijk versterkt werd, Muiterij in
had spinola's krggsmagt zoowel in Gelderland als voor lihijnberle belangrijke verliezen Â®

geleden. Deze omstandigheid zou hem echter wel niet van nieuwe ondernemingen heb-
ben teruggehouden, indien de kanker der muitery, die hij sedert zyne aanvaarding van
het opperbevel met vaste hand bedwongen had, niet op nieuw was uitgebarsten. Het
gerucht verspreidde zich dat de West-Indische vloot, van wier aankomst de terugbeta-
ling der door
spikola opgenomene gelden afhankelyk was, grootendeels verloren was ge-
gaan. Zijn crediet werd daardoor zoozeer geschokt, dat hy niet meer in staat was de
soldy geregeld uit te betalen. Naauwelijks was
Rhijnberh veroverd, of eenige Spaansche
compagniën verlieten de legerplaats, verspreidden zich plunderend door het land,
slaken ook andere troepen door hunne muitzucht aan en namen de wijk naar
Hoog^
stralen^
toen de aartshertog beproeven liet hen met geweld tot hunnen pligt terug te
brengen. Van daar zonden zij afgevaardigden naar
justinüs van Nassau, gouverneur van
Breda, met verzoek om hulp, ingeval zg werden aangegrepen. De Staten, die gewoon
waren diergelijke muiterijen met al hun vermogen aan te vuren, zeiden hun den
gevraagden bijstand toe en voorzagen hen legen betaling van levensmiddelen en krijgs-
behoeften. Inlusschen zag
spinola zich door dezen tegenspoed genoodzaakt, van
verdere plannen af te zien. Na
Rhijnberh in behoorlyken slaat van tegenweer gebragt
te hebben, trok hij hooger op en legerde zijne getrouw geblevene troepen in de naast-
bijgelegene dorpen van het hertogdom
Cleef en het aartsbisdom Keulen, terwijl hij
door de handhaving eener gestrenge krijgstucht het drukkende van dezen wederregte-
lyken maatregel voor de inwoners zooveel mogelijk zocht te lenigen \

1 GiusTisiANO, p. 247—268. van der kemp, II bl. 535—540. οαπνεκο, ρ. 543—549. bestivoclio,
bl. 729—733. Rcsol v. Holland, 1606 bl. 1020—1023. ph. du bois, 1 s. 157—171, 267—272.

2 VAN METEBEN, f. 557. CIÜSTINIANO, p. 270.

30*

ocr page 109

236 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1606.

Inlusschen was het Staalsche leger nog door eene menigte overloopers versterkt, zoo-

neemt ζ^ΐ/ίΓεα ma-urits vijftienduizend voetknechten en drieduizend ruiters onder zijne vanen telde ^
belegert
Groenio, j)aar te gelijkertijd vier tonnen gouds als onderstandsgelden van den koning van Frankrijk
in Holland waren aangekomen besloten de Staten den prins te magtigen om zijne
troepen nog eenigen tijd bijeen te houden, ten einde te beproeven
Lochern en Groenio
te herwinnen. Zoodra maurits derhalve de zekerheid had gekregen, dat spinol.v's
leger grootendeels uileen was gegaan, trok hij naar Gelderland terug. Den Oc-

lober werd Lochern op zijn bevel door erwst Casimir van Nassau berend, en na
vier dagen bij verdrag ingenomen. Den 30"®" kwam de prins zelf met zijne hoofd-
magt voor
Groenio, welks bezetting door ziekte en desertie tot zeshonderd man gesmol-
ten was. Daar echter reeds den volgenden dag zware en onophoudelijke regenbuijen
invielen, kon de belegering niet krachtig] worden doorgezet. De moerassige land-
streek stond grootendeels onder water en de aanvoer der benoodigdheden voor het leger
ging met groote moeyelijkheden gepaard. De soldaten werden ziek, en de aanvalswer-
ken zoowel als de verschansingen van het Staatsche kamp vorderden slechts lang-
zaam. Inmiddels had de prins reeds terstond bij zyne aankomst voor
Groenio berigt
gekregen, dat
spinola zieh gereed maakte de stad te ontzetten Hoezeer de Staten-
Generaal, wien de prins terstond van deze tijding kennis gaf, het bijkans onmogelijk
achtten dat de vijand, door geldgebrek gekweld, zijne ontevredene krijgslieden in dit jaar-
getijde lot een nieuwen veldtogt zou kunnen bewegen , bleek hel echter weldra dat
spinoia dit
NOLr^wordio^^ meesterstuk bewerkstelligd had. Ongezind de gewiglige vesting te verhezen, die bet plalte
land van
Gelderland tot de boorden van den IJssel beheerschte, en bevroedende met
welke moeyelijkheden prins
maurits bij de belegering te worstelen zou hebben, had
hij besloten geen moeite te sparen om een voldoend leger bijeen te krijgen, in de
hoop nog bij tijds tot ontzet op te dagen. Door beden, beloften en gedeellelijke betaling
verzamelde hij zevenduizend voetknechten en duizend ruiters, en trok daarmede den
derden November over de
Lippe ^ tien stukken geschut en vierhonderd wagens met

1 ciustimano, p. 272. — Volgens van vervov, bl. 234, had maurits ia het laatst van Aaguslus
13000 man tc voet en 4000 te paard bij zich.

3 van meteren, £ 557 h.

3 Volgens den brief van maurits van 31 October bij van der kemp, II bl. 546 (371). In den
tekst, bl. 121, volgt deze sclirijvcr niettemin liet onjuiste berigt van
van meteren, die meldt dat
maurits eerst den 4*^®" November tijding van spinola's voornemen kreeg, toen deze reeds in aantogt
Avas. De dagteekening van den aangeliaalden brief weerlegt insgelijks de bewering van
van mete-
ren
, dat maurits, om zijne soldaten te sparen, den arbeid aan de verschansingen en aanvalswerken
zou hebben doen staken, in afwachting van beter Λyeder, daar hij het toch voor onmogelijk liield,
dat
spinola tot ontzet zou opdagen.

ocr page 110

wm

o/

DES VADERLANDS. 2

krijgsbehoeften en levensmiddelen medenemende. Vijf dagen later bereikte hij het dorp 16o6.
Reek, op een uur afstands van Groenlo, alwaar de graaf solre met twaalfhonderd man
uit
Lingen zich met hem vereenigde. Terstond besloot spinola. langs den kortsten weg,
midden door een moeras, naar de vesting te trekken. Door deze beweging, waarop
MAURiTs, die zijn kamp van dien kant ontoegankelijk waande, volstrekt niet gerekend
had, verscheen het vijandelijk leger onverwachts in slagorde voor de zwakste zijde der
onvoltooide Staatsche verschansingen. Er bleef den prins niets anders over dan slag te
leveren, of het beleg op te breken. Doch hoewel de meeste oiïicieren er op aandrongen
dat men den vermoeiden en in aantal zwakkeren vijand krachtdadig te keer zou
gaan, achtte
m\urits het niet raadzaam eenen veldslag te wagen, waarbij zijne door
ziekte aanmerkelijk gedunde troepen tusschen twee vuren zouden geplaatst zijn. Reeds
denzelfden avond trok hij met het leger in de rigting van
Doesburg af, waarop Groenlo
terstond eene meer talrijke Spaansche bezetting ontving. Zoodra spinola. de zekerheid had
gekregen, dat de prins inderdaad de belegering had opgegeven, keerde hij naar
Rhijn-
herk
terug en liet zijne troepen de winterkwartieren betrekken. Ook het Slaatsche leger
werd daarop in de garnizoenen verdeeld, en een Duitsch regiment afgedankt, hetwelk
hoogere soldij dan de overige soldaten genoot, en uit dien hoofde aanleiding tot onte-
vredenheid gegeven had. Grooten lof viel
spinola. bij vrienden en vijanden ten deel
wegens dezen stouten togt, waarop hij met een betrekkelijk gering aantal troepen over
doorweekte wegen en door moerassen heen de bedreigde vesting te hulp gesneld en
het Staatsche leger niet slechts getrotseerd maar tot den aftogt gedwongen had. Aan
den roem van prins
maurits daarentegen deed de mislukte belegering van Groenlo
niet weinig afbreuk. Noch de Spanjaarden noch de Slaatschen konden zich voldoende
rekenschap geven, waarom de veroveraar van zoovele vestingen, de overwinnaar bij
Turnhout en Nieuwpoorlj in zijn eigen land zonder slag of stoot voor een zwakkeren
vijand geweken was, die van eena zegepraal wegens het vergevorderde jaargetijde en de
schaarschte van leeftogt toch weinig partij had kunnen trekken, en zich by eene ne-
derlaag in den hagchelijksten toestand zou bevonden hebben

1 van metereti, f. 557 C. grotius, p. 489. giüstikiano, p. 273—279. carnero, p. 551—554.
bektivoglio, bl. 734—737. van der kemp, 11 bl. 121, 540—550. nr. du nois, I s. 183 , 278.
VAN veuvov, bl. 247 v. — van meteren verliaalt dat maürits den vorigen dag bespeurd had, dat
hij wegens de in zijn leger heerschende ziekten, slechts over een derde der manschappen be-
schikken kon. Minder overdreven is het berigt van
van vervov, aan wien uit het leger geschre-
ven was dat
sommige compagniën, honderd man sterk, tot Tcertig versmolten Avaren. Wanneer
men in aanmerking neemt, dat
spinola gedurende den inval in Gelderland veel langer lijd met
dezelfde moeijelijkhcdcn te worstelen had gehad en niettemin in den ganschen veldtogt, volgens
de voorzeker niet te geringe schatting der Staatschen, slechts 4000 man verloren had (
van vervov,

ocr page 111

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

I60ß. Op zee hadden de Staten insgelyks met tegenspoed te kampen. In September waren

Krijgsbedrijven HAUTAIN en GLAEssEN met negentien schepen en twee jagten andermaal naar de Spaan-

ter ZGCt

sehe kust gezonden, om de West-Indische vloot, die men Ternam dat eindelijk naar
het moederland onder zeil was gegaan, te onderscheppen. Naauwelyks was de vloot
in zee, of zij werd door een hevigen storm beloopen, die zes schepen van haar af-
scheidde. Met de overige kruiste
hautaiit, volgens zijnen lastbrief, geruimen tijd op
de hoogte van kaap
St. Vincentj tot hij op den zesden October, in plaats van de
verwachte koopvaardijschepen, de Spaansche oorlogsvloot, ten getale van negen galeyen,
achttien galjoenen en nog eenige kleinere vaartuigen, onverwachts zag opdagen.
Rei-
KiER GLAESSEN, wiens schip het digtst bij den vijand was, werd terstond door een
Spaansch galjoen aangeklampt. Door den geweldigen schok viel de groote mast
over boord, en daar tegelijker tijd verscheidene andere galjoenen op den Zeeuwschen
vice-admiraal aanhielden, achtte
hautain dezen reddeloos verloren en maakte met de
overige scheepsbevelhebbers van de spoedig invallende duisternis gebruik, om de
Spaansche vloot te ontwijken. Gedurende verscheidene uren verkondigde hun hel
gebulder van het geschut in de verte, dat hun dappere krijgsmakker zich nog met
leeuwenmoed legen de geweldige overmagt verdedigde; doch de zucht tot zelfbehoud
verdrong uit hunne harten den eisch van pligt en eer, die als met elk schot in hunne
lleldendood van ooren klonk. Hoewel het schip van den dapperen Zeeuw weldra lek gescholen en het
cLAEssEN. grootste gedeelte zijner manschappen gesneuveld was, sloeg hij eiken aanval af en bragt
den vijand door zijn onafgebroken vuren groote schade toe. De standvastigheid, waar-
mede hy elk aanzoek tot overgave van de hand wees, en de hardnekkigheid zijner
verdediging boezemden den Spanjaarden zooveel ontzag in, dat zij hem niet meer
durfden aanklampen en slechts uit de verte beschoten, uit vrees dat hij den brand in
het kruid zou steken. Inderdaad had
glaessen besloten, liever Ie sterven 'dan levend
in handen des vijands te vallen. Toen bij na twee dagen van onafgebroken strijd be-

1)1. 241), dan is het naauwelijks geloofelijt, dat van maürits' leger binnen weinige dagen meer
dan de lielft buiten gevecht zou zijn gesteld. Ook noemt zelfs
van vervov, overigens zeer geneigd
om den prins te roemen, den aftogt
niet seer roemli]'cken. grotius wijt den aftogt aan den,
gewonen weerzin van
maurits om slag te leveren, en beweert dat spinola bij zijne gewaagde
onderneming daarop gerekend had.
bosscha, Ncerl. licldend. te land, I bl. 397, zoekt maüriïs
in dit opzigt te verdedigen met beroep op van meteren. von corvin wiersbitzky (De tachtigjarige
oorlog,
V bl. 304) beweert dat »niets den moed des soldaats spoediger doet zinken d λ aanhou-
dende natheid bij gebrekkige verplegingen dat
maurits dus verstandig handelde geen slag te
wagen. Doch deze aanmerking is minder eene verdediging der Staatsclie dan eene lofspraak voor
sriNOLA's troepen, die in gelijke omstandigheden vrij wat meer gehardheid en volharding be-
toonden.

ocr page 112

DES VADERLANDS. 241

mm

greep, dat hij yan hautain geen bijstand te wachten had, stelde hg aan de zestig 1607.
meerendeels gekwetste manschappen, die nog overig waren, voor, de wreede gevangen-
schap in Spaansche kerkers of op de roeibanken der galeijen door een vrijwilligen
dood te voorkomen. Zonder aarzelen werd zyn voorstel aangenomen. Allen knielden
neder om hun laatste gebed te doen; en naauwelyks waren zij opgerezen, of het schip
vloog in de lucht. Twee doodelijk gev^onde matrozen, door de Spanjaarden opge-
vischt, leefden nog lang genoeg, om de omstandigheden van
claessew's heldendood
aan hunne verbaasde vyanden mede te deelen.
Hautain, die bij de overhaaste vlugt
twee schepen uit het gezigt had verloren, kruiste nog eenigen tijd langs de Spaansche
kust, doch kon niet beletten dat de rijk beladene West-Indische vloot in October be-
houden binnen kwam. In de volgende maand keerde hg naar
Holland terug ^

De winter liep zonder belangrijke krijgsverrigtingen ten einde. Den 8"®" Januari) Krygsbedryvcn

gedurcude den

nam frederik Hendrik bij verrassing het stadje Erkelen in Limburg in, hetwelk hij wiuter.
plunderde en afbrandde, en kreeg aldaar graaf
Hendrik: van den berg gevangen. Daar-
entegen vernielden de ruiters van
grobbendonk. den 27''®° Januarij eene Staatsclie
sckans in den
jBommelerwmrt Gewigliger dan deze voorvallen was een besluit der
Staten-Gcneraal, om reeds vroeg in het voorjaar weder eene vloot naar
Spanje te zen-
den, len einde het ontzag voor hunne wapenen, waaraan
hautain's mislukte zeetogt
afbreuk had gedaan, te herstellen. Niet slechts was het tot belemmering der ge-
meenschap tusschen
Spanje en de zuidelijke Nederlanden noodzakelijk, dat de Spaansche
schepen eene ontmoeting met de oorlogbodems der Republiek bleven vreezen, maar de
Hollandsche en Zeeuwsche kooplieden achtten het ook van het hoogste belang, dat de vijande-
lijke galeijen en galjoenen door herhaalde kruistogten der Staatsehe vloot verhinderd
zouden worden zich verre van de Portugesche kusten te verwyderen en den Nederland-
sehen handel in Oost en West te schaden. Het waren dan ook vooral de bewindhebbers
der Vereenigde Oost-Indische compagnie, die er ten sterkste op aandrongen dat de eer
der Staatsehe vlag hersteld en de vijand andermaal in zijne eigene liavens bestookt
zou worden, en die met dit doel waarschijnlijk eenen man tot vlootvoogd voorstelden,
die vooral in hunne dienst treffende bewyzen van moed en beleid gegeven had.
Ja cos ^i^gj ^^^
van heemskerk, door zijne avontuurlijke overwintering op Nova Zembla in lö97 ""ββ^ί®
als een onverschrokken en vastberaden zeeman bekend, was in 1602 in dienst-i?^·
der compagnie getreden en had in
Oost-Indië nieuwen roem verworven. Bij de
straat
Sincapore had hij met twee schepen, die te zamen naauwelijks tweehonderd
koppen telden, een groot Portugeesch vaartuig, dat achthonderd man aan boord

1 VAN MEIEREN, f. 558 C—559 b, (iROTIUS, p. 490.

2 VAN METEREN, f. 560 C—561 O.

ocr page 113

. 158 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1607. had, aangetast en veroverd, en had dezen rijkbeladen prijs, welks waarde op meer dan
drie millioen gulden werd geschat, in 1604 behouden Ie
Texel binnen gebragt ^ Door
zijn aandeel in den buit een welgesteld man geworden, was hy te
Amsterdam in het
huwelijk getreden en had sedert dien tyd een ambteloos leven geleid. Doch de onver-
biddelijke dood had zijn huisselyk geluk slechts korten tijd geëerbiedigd. Juist had het ver-
lies van zijne geliefde gade en van een eenig kind het verlangen in hem doen oprijzen,
orn in een drukken werkkring verzachting voor zijn zieleleed te vinden toen 's lands
regering hem uitnoodigde het opperbevel op zich te nemen over eene oorlogsvloot, die
bestemd was om
pilips ΙΠ nogmaals eene geduchte proeve van de magt der Staten en
den moed van hun scheepsvolk te geven. Volgaarne aanvaardde
heemskerk de eervolle
betrekking die hem werd aangeboden. Met zeldzame belangeloosheid bedong hij geen
andere belooning, dan een gering gedeelte van den buit, wanneer deze vijf tonnen
gouds te boven mögt gaan. Hij ontving onbepaalde volmagt, om naar omstandig-
heden te handelen, en gaf van zijne zijde, in het fiere bewustzijn zyner eigen-
waarde, de verzekering dat het vaderland hem, dood of levend, danken zou. Den
25«tcii j^iaart stak hij met de Noord-Ilollandsche schepen uit
Texel in zee, en vereenigde
zich twee dagen later op de hoogte van het eiland
Wight met de overige bodems uit
Zeeland en Rollerdam. De gansche vloot was uit zes en twintig oorlogschepen en vier
transportschepen zamengesteld. Den tienden April bereikte
heemskerk zonder tegenspoed
den mond der
Taag. Reeds had hij bevel gegeven deze rivier op te zeilen, ten einde
eenige karaken, die te
Lissahon voor anker lagen, te vernielen, toen hij berigt kreeg
dat de meeste reeds vertrokken waren om zich op de hoogte van
Gibraltar met de
Spaansche oorlogsvloot te vereenigen, die aldaar de uit de
Middellandsche zee weder-
keerende Staatsche koopvaardijschepen opwachtte. Terstond besloot hij derwaarts te zei-
len, ten einde den vijand te overvallen, voor deze het berigt van zynen aantogt ont-
vangen en zich welhgt geborgen kon hebben. Den 24'*®" April nabij de zeeengte ger
komen, vernam hij dat de Spaansche vloot, een en twintig schepen sterk, waaronder
verscheidene galjoenen van buitengewone grootte, onder bevel van den admiraal don
JUAN ALVAREz d'Α VIL Α voor
Gibraltar lag. Niettegenstaande het hoogst vermetel scheen,
deze aanzienlijke magt, die zoowel in bemanning als in geschut de Staatsche verre
overtrof, in de haven aan te tasten, waar zy door de batteryen van het kasteel werd
beschermd, stond
heemskerk geen oogenblik in twyfel. Hy ontbood de onderscheidene
scheepskapiteins op zyn schip, deelde hun het ontvaogene berigt mede, en verklaarde
dat het zijn voornemen was terstond pp den vijand los te gaan, Door ^ijne mannelijke

' van meteren, f. 528.

2 Zie de Aanteekeningen achter de Togt van Heemskerk naar Gibraltar y door Mr. a. bogaers.

ocr page 114

DES VADERLANDS. 241

aanspraak wisl hij aller eergevoel zoozeer Ie onlvonken, dat zg zwoeren zgne beyelen 1607.
getrouwelijk na te komen, en hem tol in den dood te volgen. Het plan van aanval was,
dat
heemskerk met kapitein lambebt hendriksz. den Spaanschen admiraal aan boord zou
klampen, terwijl de vice-admiraal
laurens jagobsz. alteras met kapitein bras den Spaan-
schen vice-admiraal zouden aantasten. Voorts zouden de overige schepen twee aan twee
een galjoen voor hunne rekening nemen. Drie schepen zouden voor de haven heen en
weder blijven zeilen, om het onikomen van den vijand te beletten, terwijl de transportsche-
pen zich builen gevecht zouden houden. Nadat
heemskerk op deze wijze alles tot den
strijd had voorbereid, liet hij den steven naar
Gihrallar wenden. Den volgenden dag
omstreeks twee uur kreeg men de Spaansche vloot in het gezigt. Terstond maakte
elk kapitein zich tot den aanval gereed en vermaande zijne manschappen met onver-
schrokkenheid te strijden. Nadat op elk schip een gebed gedaan en de eed van ge-
trouwheid bij het rondgaan van den beker hernieuwd was, ging elk moedig op den
bodem los, dien hy zich lot tegenstander had verkozen.

Zoodra d' avila, wiens schip St. Augustinus vooraan in de baai lag, de vijandelijke Zeeslag bij

hfdliuT,

oorlogschepen in het gezigt kreeg, vroeg hij aan een schipper uit Rotterdam^ dien hij
gevangen aan boord had, of deze meende dat zijne landslieden de stoutheid zouden hebben,
om hem onder het geschut van de stad en het kasteel aan te tasten. De Hollander ant-
woordde dat hij geenszins aan hunnen moed twyfelde, en uit hunne bewegingen inder-
daad een diergelijk plan op moest maken Niet lang duurde de onzekerheid omtrent de ^
bedoelingen der Slaatsche vloot. W^eldra zeilde het admiraalschip, de
Eolus geheeten,
aan het hoofd der overigen de baai binnen. De verschrikte
d' avila liet terstond het
anker kappen en dreef naar de stad toe; doch
heemskerk hield reglstreeks op den
St. Augustinus aan. Hij had bevolen dat men het anker niet zou laten vallen,
voordat men het galjoen door den schok had hooren kraken, en eene ruime belooning
toegezegd aan dengenen, die de admiraalsvlag van de steng zou halen, D'
avila gat'
het eerst vuur, waarop
heemskerk antwoordde en terstond daarop zijnen vijand aan boord
klampte. Doch naauwelijks waren de beide schepen aan elkander geraakt of een ka-
nonschot verbrijzelde het linkerbeen van den dapperen
heemskerk, die in volle wapen-
rusting, met den helm op het hoofd en den degen in de vuist, zijne bevelen gaf. Zijn
einde voelende naderen, vermaande hij de zijnen
Toort te gaan, gelgk zij begonnen
waren, gelastte hun zijnen dood geheim te houden en stierf, na zijne ziel aan God te
hebben aanbevolen. De kapitein
pieter willemsz. verhoef, die op de Eolus bevel
voerde, begeerig den dood des admiraals te wreken, zette den aanval met verdubbelde
woede voort, en werd spoedig bijgestaan door
Lambert, die den St. Augustinus insge-

* VAN METEREN, (f. 565 tt), meldt dat de schipper er bij voegde dat »hem dochte dat hy (na-
raelyk
d'avila) met sija Gallioen alleene die wel eoude weder staen."

III Deel. 2 Stuk. 31

ocr page 115

242 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1607. lijks aanklampte. Het galjoen van den Spaanschen vice-admiraal, λτίβη d' alteras
door een rukwind voorby was gezeild, werd door vier schepen omsingeld, vatte vuur
en brandde lot den grond af. De strijd was inmiddels algemeen geworden. Oorverdoo-
vend was het gebulder van het geschut en het gekletter der musketten, terwijl het ge-
joel der strijdenden zich met het gekerm der gekwetsten vermengde. Eensklaps sprong
een der grootste galjoenen met een ontzettenden slag in de lucht en deed zulk een re-
gen van vlammende houten op de naastbij gelegene Spaansche schepen nedervallen, dat
sommige in brand geraakten en de overige hunne kabels kapten en op het strand lie-
pen, om dit gevaar te ontwyken. Twee galjoenen werden door υ'
alteras reddeloos
geschoten. Langen tgd bleef het Spaansche admiraalschip weerstand bieden, niette-
genstaande ook
d'avila gesneuveld was. Eindelyk werd het door de Staatsche matrozen
geënterd, waarop de Spanjaarden over boord sprongen, om zich met zwemmen te red-
den. Daar de Staatschen echter uit verbittering hunne weerlooze vyanden met sloepen
achtervolgden, ontkwamen slechts weinigen op deze wijze den dood.

De Spaansclie Inmiddels was de zon ondergegaan, zoodat de invallende duisternis de Staatschen
iiield ^^^ noopte zich buiten bereik der batterijen van het kasteel te begeven. De overwinniïig
was volkomen en des te eervoller, daar de engte der baai slechts aan een twaalftal
Staatsche schepen vergund had een onafgebroken aandeel aan den strijd te nemen. Zes
galjoenen en drie andere vijandelijke schepen waren verbrand, het admiraalschip ver-
overd, een galjoen in den grond geboord en de twee overige op strand gedreven. Ver-
scheidene andere schepen waren vreesselijk gehavend. Van de vierduizend man, die
zich op de Spaansche vloot bevonden, was meer dan de helft in den slag gebleven.
Daarentegen telden de Staatschen, die geen enkel schip verloren hadden, slechts hon-
derd dooden en zestig gekwetsten. Doch de dood van
jagob van heemskerk wierp een
donkere schaduw over deze schitterende zegepraal.

Des nachts werd het touw, waarmede de St. Augustinus aan een ander schip was
vastgehecht, door eenige Spaansche matrozen, die zich gedurende den strijd verborgen had-
den , losgesneden. Het groote gevaarte dreef naar wal en werd aldaar den volgenden
dag door de Spanjaarden in brand gestoken, zoodra zij bespeurden dat de Staatschen
hunne prooi terug wilden halen. Intusschen waren van alle zijden troepen komen
opdagen, om
Gibraltar zoowel als Cadicc tegen plundering te beveiligen. Alteras,
die het opperbevel over de Staatsche vloot op zich had genomen, achtte het uit dien
hoofde niet raadzaam eene landing te wagen, zeilde naar
Tetuan op de kust van
Afrikay om zijne door den strijd beschadigde bodems te herstellen, en bleef daarop
met een gedeelte der vloot nog eenigen tijd langs de Portugesche kust kruisen, terwijl
de overige schepen deels naar de
Acoren, deels naar de Canarische eilanden zeilden,
om te beproeven nog eenigen buit te behalen. Het lijk van
heemskerk werd in een
der transportschepen naar het vaderland gezonden en den Junij met groote pleg-

\

ί

i

I

ocr page 116

DES VADERLANDS. 245

tigheid te Amsterdam in de Oude kerk ter aarde besteld. Hij is de eerste krijgsman 1607.
der Republiek geweest, tot wiens eer de Staten-Generaal een praalgraf hebben op-
gerigt I.

De overwinning bij Gibraltar was een waardig besluit van den bijkans veertigjari-
gen krijg, dien de Vereenigde Gewesten reeds tegen
Spanje hadden gevoerd. Zij zette
de kroon op den heldenmoed en de volharding van een volk, dat in zijne liefde voor
vrgheid en godsdienst de kracht had gevonden, om het juk der dwingelandij af te
schudden en de wapenen van den magtigsten vorst zoowel te land als te water te
weerstaan. Zij vestigde den roem der Nederlandsche marine in de
Middellandsche zee,
en verdubbelde het verlangen van
filips III, om althans door eene wapenschorsing
gedurende eenigen tijd verlost te worden van den afmattenden strijd, waarin hy te
vergeefs zijne ryke hulpbronnen had uitgeput. Reeds waren de onderhandelingen aan-
gevangen over het twaalfjarig bestand, waarbij de Staten der Vereenigde
Nederlanden
door den koning van Spanje ten aanhoore van gansch Europa voor de wettige overheid
eener onafhankelijke natie zouden worden erkend.

1 VAN METEREN, f. 564—566. GROTiüs, p. 512—516. DE JONGE, gcschiedenis van het Nederland-
sche zeewezen^
I bl. 300—307.

51 »

ocr page 117

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

DERDE HOOFDSTUK.

DE ONDERHANDELINGEN OVER HET BESTAND.

IGOV—1.C09.

1607. Nog steeds hatlden de Staten der Vereenigde Nederlanden, na de plegiige afzwering

Loop der on-van den voormaligen landsheer, elke onderhandeling met den Yyand van de hand ge-
üe'^^laatstrfai"™ zicli tot regtvaardiging dezer handelwijze bij den. Duitsehen keizer en de

oyerige mogendheden, die hunne bemiddehng tot een vergelijk aanboden, herhaaldelyk
op de heerschzucht, op den gewetensdwang en vooral op de trouweloosheid der Span-
jaarden beroepen, die in het herstel van hun gezag slechts een middel zouden zien
om, met verkrachting der geslolene voorwaarden, hunne staatkundige en godsdienstige
dwingelandij te herstellen. Op de brieven der aartshertogen, die op grond der vryver-
klaring van de zuidelijke
Nederlanden door den afstand van filips II de Vereenigde
Gewesten uitnoodigden zich met de overige provinciën onder hunnen schepter te vereenigen,
had men geantwoord dat
België slechts in schijn onafhankelijk was en nog steeds uit Spanje
en door Spanjaarden werd bestuurd. Op de bijeenkomst te Β erg en-op-zoom na den
slag by
Nieumpoort hadden de afgevaardigden der te JBrussel vergaderde Algemeene Staten
van OLDEKBARNEVELT liet trotsche en grievende antwoord moeten hooren, dat men met
hen in geen overleg kon treden, zoolang de Spaansche invloed, die aan het hof der
aartshertogen heerschte, door de verwijdering der Spaansche troepen en de herstelling
der aloude privilegiën niet geheel verbroken was l. Onwankelbaar was het besluit der
Staten, om nimmer onder
Spanje*s gezag terug te keeren. Noch de benarde toestand,
waarin zij na
leigester's vertrek verkeerden, noch de later door Frankrijk en Engeland
aangebodene waarborgen voor de getrouwe vervulling van filips' beloften, indien de Re-
publiek hem als opperheer erkennen wilde, hadden hen in dit opzigt één oogenblik

1 Hiervoor, D. III St. I, bl. 305, 351—359 , 477 , 479. D. III St. II, bl. 12, 21, 33, 56,
58, C2 , 97 , 99, 128, 136, 153.

ocr page 118

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

doen wankelen en de goede uitslag, waarmede zij in de laatste jaren aan des vijands 1607.
krijgsmagt weerstand hadden geboden, had de gedachte aan voorwaardelijke onderwerping
geheel op den achtergrond geschoven. Reeds werd de Republiek, ten gevolge van het
beleid harer staatslieden en den roem harer wapenen, door hare voornaamste naburen
als een vrije staat behandeld, en alleen de erkenning harer onafhankelgkheid door den
koning van
Spanje ontbrak nog aan hare zegepraal. Het kon niet meer aanmatigend
genoemd worden, wanneer de Staten slechts onder die voorwaarde vrede wilden sluiten.
Toen de keizer van
Duitschland in 1605 op nieuw vrygeleide voor een gezantschap
vroeg, ten einde in het belang der door de Turken bedreigde Christenheid eene ver-
zoening tusschen de strijdende partyen te beproeven, verklaarden de Stalen eene
diergelijke poging niet te kunnen toelaten, tenzij de keizer opregtelijk wilde mede-
werken om de Spanjaarden te bewegen, hunne aanspraken op de Republiek op te
geven. Hieruit bleek, dat de Stalen alleen dan gezind zouden zijn naar voorslagen te
luisteren, waardoor aan den langdurigen krijg een einde kon worden gemaakt, wanneer
de koning van
Spanje en de aartshertogen besluiten konden de Vereenigde Gewesten
niet meer als oproerige provinciën maar als vrije landen uit te noodigen, met hen over
het sluiten van een bestand in overleg te treden

Intusschen was het er verre af, dat de Republiek bij magie zou geweest zyn, den kostbaren Uitputting der
oorlog onbepaald voort te zetten. Hoezeer ook handel en nijverheid bloeiden, welke
schallen ook uit
Oost-Indië werden aangevoerd: 's lands hulpbronnen waren onvoldoende
om op den duur een leger van SOOOO man te betalen, honderd oorlogschepen in zee
te houden en bovendien telken jare tonnen gouds aan verschansingen en krijgsbehoeften
te besleden Reeds waren de oorlogslasten, die onder
leigester's bestuur omstreeks
zes millioen gulden bedroegen tot tien millioen opgevoerd en volgens de bereke-
ning van prins
maurits waren er minstens veertien en een half millioen noodig, om
met goed gevolg aan den vijand weerstand te kunnen bieden In de provincie
Holland^ die alleen bijna zes miUioen opbragt en bovendien in hare eigene be-
hoeften moest voorzien, waren de belastingen telken jare verhoogd. Met naauwlettende

1 Hiervoor, D. III St. I, bl. 253 , 256. D. III St. Π, bl. 61.

2 VAN METEREN, f. 527 d, 528. Rcsol. v. Holland, 1605, bl. 508.

3 Hiervoor, bl. 224 noot (1). büzanval, {Cod. Dipl) ρ. 216.
^ Hiervoor, D. III St. I, bl. 295.

5 Hiervoor, bl. 224. Négocialions de jeakrin, Amst. 1695, 1 p. 106, 126.
β JEANSIN, I p. 134, 183 , 247.
' Hiervoor, bl. 23 noot (l).

ocr page 119

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1607. zorgvuldigheid hadden de Stalen Tan dat gewest alle middelen onderzocht, die eenige

De belastingen vermeerdering van inkomsten schenen te beloven. Meermalen kwam de mogelijkheid
kunnen niet meer Â· i · · · λ i·

verhoogd worden, ter sprake om eene zoogenaamde capilale impositie of evenredig deel van elks vermo-
gen Ie heffen, gelijk in Ïö99 met goeden uitslag geschied was i; doch men begreep
dat in een land van koophandel zulk een maatregel slechts bij uitzondering op een tijd-
stip van dringenden nood uitvoerbaar was, en schrikte voor denadeelige gevolgen terug,
welke de vaststelling en voortduring eener diergelijke belasting, door de ontevredenheid
en het vertrek van vele vermogende lieden, op de algemeene welvaart zou uitoefenen.
In 1604 had men het plan geopperd, eenige domeingoederen van geringe waarde te
verloten, doch begrepen dat deze zaak slechts weinig zou opbrengen en 's lands crediet
welligt in de waagschaal zou stellen. Het volgende jaar overwoog men, of het niet
mogelyk zoude zijn van staatswege eene algemeene brandwaarborgmaatschappij op te
rigten tegen één derde ten honderd, doch achtte dit middel na rijp beraad niet uit-
voerbaar. In 1606 legde men eene belasting op papier, speelkaarten en tabak, en
was met deze nieuwe bron van inkomsten zoozeer tevreden, dat aan de drie personen,
die de daartoe strekkende voorstellen hadden ingediend, te zamen vierhonderd gulden
belooning werd uitgekeerd. Weinige maanden later werd door sommigen eene belasting
op hoenders, vogels, konijnen, visch en oesters voorgeslagen, doch door de meerderheid
als eene bron van kwelling voor de ingezetenen, zonder evenredig voordeel, verworpen.
Op den zevenden Januarij 1707 verklaarden de afgevaardigden der steden eenpariglijk,
dat zij het niet mogelijk achtten de bestaande lasten nog hooger op te voeren; en
nadat alle middelen, om nieuwe inkomsten te verkrijgen, overwogen waren, kwam men
den zesden Maart tot de overtuiging, dat zonder overwegende bezwaren geen nieuwe
belastingen, van welken aard ook, konden worden ingevoerd 2.

Inderdaad begonnen reeds van alle zgden, niet slechts in de minder welvarende land-
provinciën, maar ook in
Holland ^ alwaar de burgerij tot voor weinige jaren de van
haar gevorderde offers gewillig had opgebragt hevige klagten over den tocnemenden
en bijkans ondragelijken druk der belastingen gehoord te worden Reeds was te

1 Hiervoor, bl. 112.

2 Resol v. Holland, 1603, hl. 562, 743, 819^ 1604, bl. 72, 332, 338^ 1605, bl.493; 1606,
1)1. 754, 833, 1025; 1607, bl. 10, 49, 58, 70, 72.

3 Zie o. a. hiervoor, bl. 112, 129.

^ VAN ΜΕΤΕΠΕΝ, f. 527 d: »de langhducriglie scliattinghen ende contributien die yeijlielyck moede
was." Vgl.
nesoL v. Holland, 1602, bl, 311; 1603, bl. 562, 713, 819; 1604, bl. 276; 1605,
bl. 653. Als gewlgtige getuigenissen van vreemden omtrent dezen toestand (die door Mr.
g. groen
VAN rnmsTERER geheel miskend wordt, wanneer liij in zijn Handhoek ^ 233 beweert dat de Repu-

ocr page 120

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

Utrecht, bij gelegenheid der heffing van het schoorsteenengeld, een oproer uitgebroken , 1607.
dat slechts door toegevendheid kon worden gestild i. Om in de behoefte aan geld tot
voortzetting van den krijg te voorzien, waren geen andere middelen meer overig dan
geldleeningen en onderstandsgelden "Wat de eerste betreft, reeds had de generaliteit
eene schuld van twee millioen, behalve de tien millioenj die nog aan
Engeland
moesten worden terugbetaald De schuld van Holland^ in den laatsten tgd jaar- Aanmerielpo
lijks met niet minder dan twee millioen vermeerderd, was reeds tot over de zes en
twintig miUioen geklommen, waarvan de renten, door elkander acht ten honderd be-
dragende, de noodwendige uitgaven niet weinig verhoogden Κ Eene voortduring van

bliek »magtig genoeg was om, ook zonder bondgenoot, haar vijand te wederstaan,") verdienen
hier inzonderheid vermeld te Avorden: 1». het gezegde van
winavood bij jeannin (I p. 106): »qu'il
faudroit croitre Ie secours de beaucoup et de sommes immenses, si on rentre en guerre. Ce qu'il
disoit (voegt jEAKNiïi er bij) pour estre bien informé dos diarges des Estats et des despences quï
sont requises pour faire Ia guerre avec espoir de bon succez, comme ayant tousjours assisté aleur
Conseil.'^ Vergelijk den brief van het Engelsche Parlementslid Sir
hekry keville aan λvi^ίw00d,
van 12 Mei 1608 (in de
Memorials of a/fairs of Siate^ collected from the original papers of Sir
K. wmwooD, Lond. 1725, II p. 398): »1 am sorry to see tliat the State of those Provinces is so
Aveak, that they are not able to subsist for any small time without a peace. Agaiiist such a Ne-
cessity there is no disputing." — 2°. De brief van
jeanmn aan Hendrik IV van 7 Junij 1607 (I
p. 108 ss.), waarin hij, na rijp onderzoek, zijne overtuiging uitspreekt, dat de Staten een bijstand
van minstens 4 millioen 'sjaars behoeven, om den oorlog voort te zetten. Zie ook p. 249 cn,
passim. — 3°. Ph. du bois, 1 s. 13: »über diese hohe schazungen (wird schon) viel klilagens hin
und wieder unterm volcke gehört j" — I s. 70: »wen die trellliche assistentz des Königs in
Franckreich bei diesem Kriegswesen nicht continuirte, so würden hie die geldesmittel endtlich
sehr abnehmen, den der gemaine man zu solchen hohen contributionen sich ic Icnger ie ubelcr
anlaszen will;" — II s. 17 (27 Febr. 1607): «Man hat noch niemahlen die Bezahlungen und
abrechnungen so lange hindergehalten und verzogen, als iezt tegÜch ie lenger ie weittcr gcschicht."
VgL I s. 6, 23, 117; II s. 19. — 4". B
uzakval, bij Mr. g. w. vreede, Aanleekeningen naar
aanleiding van onuitgegevene stukken, op het werk van
Mr. c. m. vin der kemp, getiteld maurits

VAN NASSAU. Utrecht, 1844, bl. 32: »Vous ne scauriéz croire combien il (1'état) est ebranlé,--

la pluspart commence a dire par de^a, que ce n'est pas viande, que les estomachs puissent tou-
jours porter, que la guerre continuelle contre un si puissant prince qu'est Ie Roy d'Espagne."

1 buzakval, Aanteekeningen van Mr. g. w. vreede, bl. 32. Waarachtige historie van olden-
barnevelt
, bl. 87.

2 Dit is reeds uitgesproken in de Resol. v. Hollajid, 1604, bl. 276.

3 Resol. v. Holland, 1607, bl. 70. winvvood papers, II p. 351. Vgl. grotios, p, 542.

^ Remonstrantie van olüenbarkevelt (in de Waaracht, üist. bl. 160). Resol v. Holland, 1606,
bl. 852, 887.

ocr page 121

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1607. dien toestand zou 'slands crediet niet slechts geschokt, maar allengskens een staatsban-
kroet onvermijdelijk gemaakt hebben.

Ontoereikend- Met de onderslandsgelden was het niet gunstiger gesteld. Van Frankrijk had men

lieid der onder- . ,

standsgelden. sedert den vrede van Vervins jaarlijks geregeld eenige tonnen gouds, sedert 160S zelfs
bgna twee millioen, ontvangen; doch volgens de maligste berekening had de Republiek
boven hare eigene middelen minstens vier millioen noodig om hare krijgsmagt op den
voel van oorlog te houden, zonder haar schuldenlast te vergrooten en het was
niet waarschijnlijk, dat
Hendrik IV geneigd zou zyn, zyne jaargelden tot die hoogte
op te voeren. Onder de verstandige regering van dien vorst en het spaarzaam beheer
zijner geldmiddelen door den hertog van
Siill^ had Frankrijk allengskens een standpunt
van welvaart en magt bereikt, waardoor het van de noodzakelijkheid ontheven werd
om, lot bevordering van eigene veiligheid, den voor
Spanje zoo kostbaren en belemme-
renden oorlog in de
Nederlanden aan Ie vuren. De tegenspoed der Staalsche wapenen
na het verlies van
Ostende had reeds herhaaldelijk aan Hendrik IV de klagt onllokl,
dat zyn bijstand eene doellooze verspilling werd, wanneer de zaken der Republiek des-
niettemin achteruit gingen. Onder allerlei voorwendsels was de uitbetaling der onder-
slandsgelden in den laatslen lijd vertraagd en bemoeijelijkl. Er scheen geen Iwyfel aan
dat HENDRIK IV nimmer besluiten zou, een groot gedeelte der laslen van den krijg
op zich te nemen, en welligt zelfs zou aarzelen die te blijven dragen, indien men
hem lot vergoeding zijner opofferingen geen belangrijke voordeelen kon verzekeren.
Wel was men onderrigt dat de Fransche koning nog niet vreerad was aan den wensch,
door hem in vroeger dagen gekoesterd, om door de Vereenigde Gewesten tot Souverein
verkozen te worden doch het onafhankelijksgevoel der Staten liet niet meer toe aan
de opdragt van die waardigheid aan een vreemden vorst te denken, en deze neiging
Tan HENDRIK IV, hoe bevorderlijk overigens voor zijne welwillendheid, was dus veeleer
geschikt om ernstige bezorgdheid tegen de vermeerdering van den Franschen invloed in
de Republiek te wekken Ook uit dit oogpunt kon eene voortduring van den krijg

1 Waaracht. Ilist. van olde^·ban^έvelτ, bl. 83. jeakkin, I p. 134, 183.

2 Hiervoor, D. III St. I, bl. 395.

3 Zie de Édaircissements historiques van Mr. g. w. vbeede, achter de Lettres de buzanval,
p. 441, 446, 447; Cod. Dipl. ρ. 320, 344; Aantec kening en, bl. 16, 26. Vgl. de klagten van
fr. van aerssen aan den Engelschen gezant te Parijs (wi?iwoOD papers^ II p. 452): »Tliat it was
evident by the Expense of Iiis Bioney lie (Hendrik IV) sought lo buy tlieir Soverainety; and tkat
tlieir had passed OiFers from him lo perinit them to have all the OiBcers of tlieir owne, and as
many Liberlies and Priviledges as they wonld desier." Zie over de geheime zending van
fr. van
aerssen
naar Holland, om de Ilollandsche regenten in dit opzigt te polsen: jeannin, I p. 231.
Uit jeakkin (I p. 45, 46, 74) blijkt, dat deze over aanzienlijke sommen kon beschikken, »pour

üi

ocr page 122

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

gevaarlijk worden, en tocli waren alïeen van Frankrijk onderslandsgelden van eenige 1607
beleekenis te wachten. Hoezeer het meerendeel der Eogelsche natie een hevigen af-
keer van de Spanjaarden voedde, en het Parlement, hoe karig overigens gestemd, niet
ongenegen zou zijn geweest de Staten in hunnen krijg tegen de vijanden van staatkun-
dige vrijheid en Protestantisme krachtdadig bij te slaan, helde
jagobus I, ten gevolge
zijner beginselen omtrent de volstrekte magt der vorsten , meer naar de Spaansche dan
naar de Slaatsche zijde over en was bovendien door de hem listiglijk voorgespiegelde
cchtverbindtenis van zijnen oudsten zoon
hendhik met eene dochter van filips III,
waarbij de laatste de
Nederlanden als bruidschat bekomen zou, te zeer ingenomen, om
zijne onzijdigheid ten gevalle der Republiek te willen verbreken. Zelfs had hij in den
aanvang des jaars 1606, welligt met het oog op dat huwelijk, de Staten aangezocht om
door zijne bemiddeling een verdrag met de aartshertogen te sluiten , en hun eenige schoon-
schijnende voorwaarden medegedeeld, die hem met dat doel uit
Spanje waren toegezon-
den Dit aanzoek was echter, gelijk de vorige, van de hand gewezen, en had slechts
een bewijs te meer opgeleverd hoe weinig hij gezind was tot de onafhankelijkheid der
Republiek mede te werken. Inderdaad was het hoofdzakelijk de vrees, dal zy zich in
de armen van
Hendrik IV zou werpen, indien hij zich geheel terugtrok, die hem
noopte belangstelling in haar lot te blijven betoonen en levens door zijnen gezant te
^sHage, die ook in den Raad van State zitting had, een waakzaam oog op het bestuur
harer aangelegenheden te houden 2. Van den kant van
Duitschland kon de Republiek
evenmin op voldoende ondersteuning rekenen. Eene dikwerf duur gekochte ondervinding
had geleerd, hoe weinig staat men op de beloften en de volharding der onderling ver-
deelde Protestanlsche vorsten van dat rijk maken kon, terwijl hunne inkomsten bovendien
te gering waren, om hen tot het geven van aanzienlijke onderslandsgelden in slaat te
stellen

Niettegenstaande den hoogen trap van zelfstandigheid en raagt, dien de Vercenigde Gevaarvolle

toestand der Bé-

Gewesten boven alle berekening na den bijkans veertigjarigen stryd bereikt hadden, publiek.

pratiquer et rendre enclins au service da rol ceux qui lui seront nommés," en dat hij zelfs jaar-
gelden aan
maurits, willem lodewijk en oldenbarnevelt mögt beloven, »au cas qu'avec leur ayde
et assistance sa Majesté puisse devenir Maistre de leur estat." Zie ook
jeannin, I p. 67, 105;
11 p. 474; 111 p. 53, 372; en
Waarachlige Historie van oldenbakkevelt, hl. 00 v. ph. du bois,
11 s. 16.

ï jeaksin, I p. 23.

2 vreede, Aanteek. bl. 20. winwood papers, 11 p. 92, 103, 104, 201. jeankin, I p. 253.

t

' Zelfs MAORiTS berekende de som, die zij voor dat doel te zamen bijeen zouden lainnen bren-
gen, slechts op twee tonnen gouds 'sjaars.
jeankis, 1 p. 199.

III Deel. 2 Stuk. 32

ocr page 123

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1607. niettegenstaande den loenemenden bloei van handel en nijverheid en den aanvankelijken
voorspoed der Oost-Indische compagnie, was de Republiek thans op een zeer hagchelijk
standpunt gekomen. Hare voormah'ge bondgenooten in den strijd, de koningen van
Frankrijk en Engeland, hadden achtereenvolgens met Spanje vrede gesloten en den
vijand daardoor gelegenheid gegeven haar met verdubbelde kracht te bestoken. De
roem van prins
maurits was door den tegenspoed, dien hij in de beide laatste jaren
ondervonden had, aanmerkelijk getaand, en de veertien millioen, die hij noodig achtte
om aan den bekwamen krijgsman, die hem den naam van
Europa's grootsten veldheer
betwistte, het hoofd" te bieden, konden niet opgebragt noch van elders verkregen wor-
den. Indien zich niet spoedig eene gewigtige verandering opdeed, liet het zich aanzien
dat de Republiek den ongelijken kamp niet lang meer zou kunnen volhouden en wel-
ligt haren ondergang nabij was i,
Bezorgdlicid Reeds geruimen tijd had deze gedachte oldenbarnevelt verontrust en gepnnigd. Se-

van OLDKNBAR-

NETELT voor do dert eenige jaren had hij den achteruitgang der geldmiddelen met klimmende bezorgheid

toekomst. ^^^^ geslagen, en het was hem eene grievende kwelling geweest dat niet slechts prins
MAURITS maar ook verscheidene zijner mederegenten het dreigende gevaar niet even helder
schenen in te zien. Bij het beleg van
Grave in 1602 had zijn plan, om lot besparing
van kosten van de verovering dezer vesting af te zien, indien de vijand het beleg van
Oslende wilde opbreken, geen weerklank gevonden. Toen de vrede tusschen Engeland
en Spanje in 1G04 de Republiek van haren laatsten bondgenoot beroofde, had olben-
BARNEVELT Zijne emstigc bezwaren legen den loenemenden schuldenlast aan de Staten
van
Holland blootgelegd, en vergunning verkregen om het advies van den Hoogen
Raad, het Hof van
Holland en de Rekenkamer omtrent den toestand der geldmiddelen
in te winnen. Hoewel deze eenparig verklaarden »dat bij continuatie van het ophoopen
van zoo groote lasten, de zaken van den lande geschapen waren eindelijk tot desperate
resolutie gebragt te worden," en de edelen in de staatsvergadering dat gevoelen onder-
steunden, hadden de afgevaardigden der steden nog geen reden gevonden om tusschen
de eenige middelen lot herstel, die uitgedacht konden worden, te kiezen. De belastingen
aanmerkelijk te verzwaren, was ondoenlijk; en van onderhandeling met den vyand wilde
men nog niet hooren. Teleurgesteld en ontmoedigd herhaalde
oldenbarnevelt den eer-
sten Maart 1605 het verzoek, reeds den 26"®" Februarij van het vorige jaar door hem
tot de Staten van
Holland gerigt, om niet meer in de vergadering der Staten-Generaal
afgevaardigd te worden. Men drong hem echter deze betrekking te blijven waarne-
men, en bewoog hem daartoe nogmaals, toen hij in den aanvang des jaars 1606

1 vreede, Aanleek. bl. 32, 37. Inl. tot de gescli. der dipL I bl. 148. van vervov, bl. 248,
263 , 290 , 372.
du bois, I s. 159, 163, 173.

\ ■

ocr page 124

DES VADERLANDS. 2Ö1

weder hetzelfde Terzoek deed Doch het ontging den Franschen gezant bb buzanval 1607.
niet, dat de advokaat sinds 1604 onder zware zorgen gebukt ging en de ontknooping
van den hagchelijken toestand met kommer verbeidde

Inderdaad was er slechts één middel over, om de onafhankelijkheid der Republiek Behoefte der

Republiek aau

en daarmede tevens haar stoffelijk en geestelijk welzijn te redden: doch dat middel was verademing,
op zich zelf hoogst gevaarlijk en kon alleen met de uiterste behoedzaamheid voorgeslagen
en aangewend worden. Het kon niet ontkend worden dat de Vereenigde Gewesten de
dringendste behoefte hadden aan rust en verademing. De hoop, dat
Frankrijk ander-
maal met
Spanje in oorlog zou geraken, was in rook verdwenen. De pogingen der
Staten, om zich van de Vlaamsche havens meester te maken, in welk geval
Hendrik
IV welligt meer geneigd zou zrjn geweest om zich bij hen aan te sluiten, was her-
haaldelijk mislukt. Hun aanbod, om hem een groot gedeelte van
België af te staan,
indien hij zich met hen tot verovering dier landstreek wilde vereenigen, was afgeslagen.
Hoe afkeerig
oldenbarnevelt ook van elke vermeerdering van den Franschen invloed
moest wezen, hij was reeds zoover gegaan van
euzanval te polsen of de afstand van
Sluis aan Frankrijk Hendrik IV ook tot eene oorlogsverklaring aan Spanje zou kunnen
bewegen 3; doch ook deze onderhandeling had hem in de overtuiging versterkt, dat de
Fransche koning niet gezind was zonder de zekerheid van belangrijke voordeden de
rust van zijn rijk andermaal op het spel te zetten. Er moest derhalve vrede, voor het
minst een wapenstilstand, gesloten worden, zoo men de Republiek bij tijds wilde stuiten
op de gevaarlijke helling, die haar naar den afgrond voerde. Doch daartoe moesten
slappen worden gedaan, die met onoverkomelijke zwarigheden gepaard schenen te gaan.
Tot nog toe had men zich steeds op de trouweloosheid der Spanjaarden beroepen, om
elke onderhandeling van de hand te wijzen: wie zou thans hunne opregtheid waarborgen,
en hoe zou men deze verandering van handelwijze regtvaardigen, zonder zijne zwakheid
te veel bloot te geven ? De medewerking van den koning van
Engeland, die nog steeds
Brielle en Vlissingen in zijn bezit had, en van Hendrik IV, wiens onderstandsgelden reeds
geruimen tijd de maat overschreden hadden van hetgeen de Staten hem vroeger hadden
geleend, scheen voor de bevestiging van een verdrag met
Spanje onmisbaar te zgn: en
hoe zou de Republiek, wanneer zij eenmaal hare behoefte aan rust erkend had, tegen-
over het krijgsgeweld van
Spanje ^ den minachtenden trots van jacobüs I en de geheime

1 Hiervoor bl. 182. Waarachtige historie van oldenbaiinevelt , bl. 81—92, 160, Verhooren
van
oldenbarnevelt, bi. 160—163, 276—280). ResoL v. Holland, 1604 bl. 74; 1605
bl. 426; 1606 bl. 775. Vgl.
van der kemp, Maurits van Nassau, 11 bi. 112.

2 Aanteekeningen van Mr. g. w. vbeede, bl. 28. Zie ook aldaar noot (2).

3 Ã¯hid. bl. 16, 28, 36.

52*

ocr page 125

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1C07. wenschen van den Franschen koning hare onafhankelijkheid kunnen behouden? Ook
scheen het niet zonder gevaar, aan de burgery, die naar onlheiling der drukkende lasten
haakte, een uitzigt op verademing te geven, dat haar welligt met te veel onstuimigheid
op de aanneming van zelfs onvoldoende voorwaarden zou doen aandringen. Daarenboven
wist OLi>ENBA.RNEVELT zeer goed, dat zyn veelvermogende invloed hem allengskens be-
nijders en vyanden had verwekt, wier aantal sedert de verwijdering tusschen hem en
prins
maurits aanmerkelijk vermeerderd was, en die te eerder geneigd zouden zijn elk
voorstel tot onderhandeling met
Spanje als een middel te gebruiken om den advokaat
verdacht te maken en zijn gezag te ondermijnen, daar het bekend was dat de stadhou-
der elke poging tot vrede ten hoogste verderfelijk achtte voor het welzijn der Republiek.

Oldenbarne- Niettemin besloot oldenbarneyelt eindelyk het slilzwygen te breken. Even als de

Λ^ίΐΧίΧ Itry^fc uit"

üigt op ep°n eer-griffier der Slaten-Generaal gorkelis van aerssen, die van Belgische afkomst was en
erkemjin^'^vaü^de onderscheidene personen in de zuidelijke
Nederlanden briefwisseling onderhield ^,
dci^^liqmtuek^^^ verlangen de aartshertogen naar het einde van den strijd uitzagen,

die hunne provinciën ontvolkte en handel en nijverheid in knellende banden hield. Dat
elk aanbod tot onderhandeling met gretigheid zou worden opgenomen, was niet twijfel-
achtig meer; maar veel gewigtiger was de overtuiging, die
oldenbarnevelt verkregen
had, dat
Albertus en isabella, in het belang van den vrede, de onafhankelijkheid
der Republiek zouden willen erkennen. In Mei 1606 kwam
walraven yan Wittenhorst,
heer van der Horst, een Geldersch edelman, door bloed- en aanverwantschap aan verscheidene
der aanzienlijkste Hollandsche geslachten verbonden te '
ä Gravenhage, ten einde aan enkele

1 Ã¯ot juiste beoordeeling der beschuldiging, later tegen oldenbarnevelt ingebragt, alsof hij door
Spanje omgekoclit zou zijn geweest, is opmerkelijk dat de liollandsche agent te Calais de sailly
en anderen integendeel van aerssen daarvan verdachten, jeannin schreef aan villeroy, 21 Mei 1607
(I p. 90): »Leurs conjectures sunt, que Ie Sleur d'Aërsens pere est promoteur et entremetteur
secret avec les Archiducs pour porter les Estats a ce desscin, et quo Ie Sieur d'Aërsens fds, pour
descouvrir Ie secret de l'aulre costé, et faire tenir les propos qu'il juge convenir pour aller a son
but, desguise ainsi poar avoir plus de creance envers Ie Roy, qu'il a aequis depuis peu de temps
plus de vingt-cinq mil escus de hien pres Anvers."
waurits stond echter bij jeankin voor de op-
regtheid van beiden in, p. 132. Zie ook p. 105. Vgl. Mr.
g. λυ. vreede. Inl. tot de gesch. d.
Dipl.
I )>1. 76—79. Compte vendu, des séances de la Commission royale d'hisloire, 2' serie, II
p. 144j 111 p. 40—44. Daarentegen betuigde de Fransche gezant meermalen, dat hij geen enkele
reden had om aan de goede trouw en vaderlandsliefde van
oldenbarnevelt te twijfelen. Zie o. a.
jeankin, I p. 100 ss, 186 , 207 , 218 , 203: »Quant au Sieur Barnevelt, nous Ie tenons trop
homme de bien, trop sage, et trop alFectionné ä son pais tout ensemble, pour commettre unc si
infame trahison." Vgl.
van vervov, hl. 185, 213.

2 grotiüs, p. 601. Vgl. van meteren, f. 567 d.

ocr page 126

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

der voornaamste regenten de opregle begeerte der aartshertogen te openbaren om tol eiken prijs ieo7.
den vrede of althans een veeljarig bestand te sluiten, gedurende hetwelk men nader over de
voorwaarden van den vrede zou kunnen onderhandelen, en korten lijd daarna werd aan
olden-
barnevelt
van wege den gouverneur van hingen, graaf solre , verzekerd, dal zelfs de koning
van
Spanje geneigd was al zijne regten op de Vereenigde Gewesten op Ie geven, indien
deze met de voormaals met hen verbondene provinciën een verdrag van vrede en vriendschap
wilden sluiten. Naar aanleiding dezer belangrijke mededeelingen openbaarde de advokaat
in den aanvang van September in eene vergadering der Staten van
Holland zijne mee-
ning , dat er thans welligt grond was om de lot nog loe gevolgde politiek ten opzigte van
Spanje te wijzigen. Ten einde oratrenl een zoo gewigtig punt te beier de vereischle ge-
heimhouding te kunnen bewaren, verzocht en verkreeg hij vergunning de redenen van
zijn gevoelen aan een klein getal afgevaardigden mede Ie deelen. Hij deed hun volledige
opening van den toestand der geldmiddelen en bragt hen liglelijk lol de overtuiging dat
de Republiek den oorlog op den duur niet kon volhouden, en dat men derhalve wel
verpligt was, aan het sluiten van een eervollen vrede Ie denken. De meerderheid achtte
het echter hoogst ongeraden, van dezen gevaarvollen toestand aan de stedelijke vroed-
schappen opening te doen, weshalve men besloot de zaak vooreerst geheim te houden
doch de gemoederen op voorzigtige wijze lot hel gewenschte doel Ie leiden

De toenemende geneigdheid der aartshertogen, om een einde aan de vüandelükheden l^e aartsherto-
gen en spiNoiA

ji

ie maken, voorkwam oldenbarnevelt's verlangen. Albertus begon reeds op jaren Ie verlangen insge-
komen, en daar hy geen kinderen had, in wier belang hij zijne aanspraken op de naar rast.
Vereenigde Gewesten behoefde te doen gelden, verlangde hij naar het einde van eenen
krijg, waarin hij weinig lauweren geplukt had en waarvan hij zich geen günstigen uilslag
meer beloven kon. Ook
isabella, hoe weinig gezind om een verdrag te sluiten met
de oproerige provinciën, die legen haren vader waren opgestaan en hem hadden afge-
zworen, was met het lot harer arme onderdanen bewogen, die reeds sinls jaren om
vrede en verwydering der vreemde krijgsbenden smeekten. Aan opbeuring van handel
en nijverheid, aan verbetering van het staatsbestuur, aan leniging der geledene rampen
was bijkans niet te denken, zoolang zelfs het geld ontbrak lot betaling der muitzieke
troepen, door wier overmoed en stelselmatige roofzucht niet slechts het platte land
maar zelfs de steden geteisterd werden. De behoefte aan ondersteuning uit
Spanje had
bovendien eene zekere afhankelijkheid ten gevolge, die althans voor
albebtüs meer en
meer drukkend werd. De plannen omtrent het voeren van den krijg werden meer in
het kabinet te
Madrid dan aan het hof te Brussel vastgesteld, en de veldheer, wien

ocr page 127
ocr page 128

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

prins dat hij evenmin geneigd was over de voorwaarden van eenen vrede of een wapen- 1607.
stilstand in eenig overleg met den vijand te treden, indien deze niet vooraf de vrijheid
en onafhankelijkheid der Vereenigde Gewesten erkende Hetzij
maurits meende dal
Spanje hierin nimmer zou toestemmen, hetzij hij zich niet reeds bij den aanvang legen
voorloopige maatregelen verzetten wilde, die door vele regenten gewenscht werden en
nog geen groote beteekenis schenen te hebben: hij gaf althans toe en ontving de be-
zoeken der afgezanten, die van eenen lastbrief voorzien waren, waarin de aartshertogen
hunnen wensch Ie kennen gaven om door vrede of bestand een einde aan den bloe-
digen oorlog te maken, en den Staten overlieten zeiven wijze, lijd en plaats voor
de onderhandelingen over dit punt te bepalen. Nadat zij de verzekering ontvangen
hadden, dat men niet weigeren zoude hen te hooren, vertrok
gevaerts naar Brussel
en bragt van daar een nieuwen lastbrief mede, waarbij hun werd opgedragen het ver-
langen der aartshertogen in de eerste vergadering der Stalen-Generaal mede Ie deelen.
Op den Ιο*"®" Januarij kwelen zij zich aldaar van hunnen last. Daar echter in de door
hen overgelegde instructie van de regten der aartshertogen op de Vereenigde Gewesten
gesproken werd, werd hun terstond mondeling geantwoord, dat men van hen als geborene
Nederlanders niet verwacht had, dat zij de verdediging van diergelijke van allen grond

ontbloote aanspraken op zich zouden nemen. Veertien dagen later werd hun, met . l^e Staten

, _ __ eischcn vooraf

goedkeuring van prins maürits en den Raad van State, een schriftelijk antwoord ter hand cpne verklaring

gesteld, waarin de Staten-Generaal verklaarden dat zij in 1581 bij een plegtig besluit de keiijkheidderR^^
Nederlanden met het volste regt voor een vrijen slaat verklaard hadden, dat de Repu-
bliek reeds sedert vijf en twintig jaren door de grootste mogendheden als zoodanig er-
kend was, en dat zij derhalve aan de aartshertogen niets anders konden antwoorden dan
heigeen zij nog onlangs aan den keizer van
Duilschland hadden verklaard: »dat noch
goddelijk, noch eerlijk, noch zekerlijk onderhandeld kon worden met diegenen, die
voortgingen legen het voornoemde besluit van afzwering en het gevestigde regt der
vereenigde
Nederlanden iets Ie pretenderen 2."

Door dit kort maar kernachtig beloog schenen de onderhandelingen geheel te zijn Deze wordt

door pater NEïEN

afgesneden. Het scheen echter dat de Slalen nog niet alle hoop hadden opgegeven, overgeleverd,
daar zij in het laatst van Februarij den voorslag van prins maurits, om 6000 man
nieuwe troepen te werven en eenen aanvang met de vijandelijkheden te maken, van de
hand wezen Inderdaad bleek het weldra, dat
oldekbarnbvelt zich niet vergist had,
toen hij de zekerheid meende te hebben dat de vijand eerder zou besluiten de onaf-

^ GROTIUS, p. 509. JEANSIN, 111 p. 106.

2 van DER KEMP, t. a. p. 111 bl. 5 , 98—102. ResoL υ. Holland, 1607 bl. 42—46. van

METEREN, f. 568.

3 van der kemp, 111 bl. 7, 103—107. Resol v. Holland, 1607, bl. 49, 58.

ocr page 129

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

286

1607. hankelijkheid der Republiek te erkennen, dan de kans op den vrede Ie laten varen.

Naauwelijks was eene maand verloópen, of de aarlsberlog besloot andermaal eene poging
tot aanknooping van onderhandelingen te beproeven Hij koos thans tot zijnen ge-
volmagligde den pater
jouan heyeiv, commissaris-generaal der orde van St, Fran-
ciscus
in de Nederlanden, een bekwaam en levens sluw man, die zoowel in België
als in Spanje grooten invloed had. Hij was in Zeeland geboren, en daar zijn vader
de zijde van prins
Willem van Oranje gekozen had, was hy aan sommige Hollandsche
regenten, en zelfs aan
maurits, persoonlijk bekend 2, Oldenbarnevelt zond hem
met diens goedkeuring ^ een vrijgeleide toe, waarop
heyen den tweeden Maart heimelijk
in
Bolland kwam en, na een kort verblijf te Rijswijk^ in het paleis van den prins te
Hage gehuisvest werd. Gedurende eenige dagen, waarin hij zijn vertrek niet verlaten
mögt, werd hij alleen door
matirits, oldenbarnevelt en van aerssew bezocht; daarna
werd hij echter bij eenige gemagtigden der Slaten-Generaal toegelaten, met welke
hij in overleg trad over de wyze, waarop men tot de wederzijds gewenschte onderhan-
delingen over vrede of bestand zou kunnen komen. Tweemalen reisde de pater naar
Brussel heen en weder, om nieuwe inslructiën van den aartshertog te erlangen. Daar
hij de overtuiging verkreeg dat zoowel prins
maurits als de Hollandsche regenten ^ op

ï Het ligt nog in het duistere in hoeverre van den kant der Staten pogingen zijn aangewend,
om eene hervatting der onderhandelingen op dien voet voor te bereiden, doch het is waarschijn-
lijk dat de aartshertog door tusschenkoinst van den Rotterdamschen koopman
üaniel van der
MEüLEN is aangespoord, om andermaal eenen afgevaardigde naar Holland te zenden, en bijkans
ontwijfelbaar, dat zoowel
oldenbarkevelt als de griffier van aebssen diens komst met verlangen te
gemoet gezien en naar vermogen ondersteund hebben, en dat deze beide staatslieden, die uit den
aard hunner gewigtige betrekkingen den toestand der Republiek het naauwkeurigst konden kennen,
destijds zamenspanden om haar eenen eervollen vrede te vcrschaiFen, Avaaraan zij de dringendste
behoefte had,
van der vynct, Nederlandsche beroerten, III bl. δΟΙ—505. Deze schrijver, die de
oorspronkelijke stukken betrekkelijk de zending van
neyen en bepaaldelijk diens verslag aan de
aartshertogen gebruikt heeft, meldt dat de pater zijne reispassen van zekeren
craüwel of gruwel,
een bloedverwant van van aerssen, ontvangen en in diens geleide de reis \aa Brussel naar Rijswijk
gemaakt heeft. Ook betuigde keyen (volgens grotiüs, p. 518 s.) later aan van aerssen zijnen dank
dat door diens medewerking met den vredehandel een aanvang was gemaakt. Vgl,
Verhooren van
oldekbarnevelt, bl, 211-^213, 232 V, bentivoglio, bl. 745. jeannin, 1 p. 174.

2 VAN DER VVNCT, bl. 500, 534.

3 Bij de Verhooren van oldenbarnevelt in 1618 (bl. 143—145), dus elf jaren later, heeft men
hieraan eenigen twijfel opgeworpen. Zie echter
Waaracht. Hist. van old. bl. 93 en van der kemp,
111 bl. 6, 102.

4 JEANN1N, I p. 47. Vgl. ρ. 238.

ocr page 130

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

het punt der voorloopige erkenning van de vrijheid en onafhankelijkheid der Republiek 1607.
onverzettelijk waren, bragt hij eindelijk een geschrift mede, den lo*^®" Maart door de
aartshertogen geteekend, waarbij dexe verklaarden gezind te zijn met de Staten-Generaal
der vereenigde
Nederlanden^ »in kwaliteit en als dezelve houdende voor vrye landen,
provinciën en sleden, waarop zy niet pretenderen," over een eeuwigen vrede of een
bestand van twaalf, vijftien of twintig jaren in onderhandeling te treden, terwgl zi]
reeds terstond als eene redelijke voorwaarde op den voorgrond stelden dal elk zou be-
houden, wat hy thans bezat, tenzij men verkoos eenige steden of landschappen te
verwisselen. Voorts wilden zij Nederlanders tot den vredehandel magiigen en lieten de
keus van plaats en lijd der bijeenkomst aan de Stalen over. Eindelijk sloegen zij ter
bevordering van het beoogde doel voor, dat er terstond een wapenstilstand voor den tijd
van acht maanden, ook met
Spanje^ gesloten zou worden, en dat de Stalen zich vóór
den eersten September niet over de hoofdzaak zouden behoeven te verklaren

Groot was de vreugde der meeste regenten , zoowel in de overige provinciën als in pc Statcu be-

sluitcu met dc

Holland, over deze inschikkelijkheid, die men nimmer van den Irolschen vijand ver- overgelegde ver-
wacht had. Wel schenen de uitdrukkingen, waarin de aartshertogen betuigden hunne tè^'cmefu^^^^'^'^
aanspraken op de Republiek ter zijde te stellen, niet geheel vrij van dubbelzinnigheid
en kwam bepaaldelijk het woordje
als aan velen meer dan overtollig voor 2; maar men
begreep, nu de vyand boven verwachting zooveel inschikkelijkheid had betoond, geen
verdere bedenkingen te moeten maken en de gegevene verklaring van de onafhanke-
lijkheid der Vereenigde Gewesten als volkomen aan hel doel beantwoordende te moeten
beschouwen. De leden der Staten-Generaal, die terstond uiteen gingen om hel gevoe-
len hunner lastgevers in te winnen, kwamen bijna alle met de vergunning terug, om
op dien grondslag eene wapenschorsing Ie sluiten. Alleen de Staten van
Zeeland zagen
daarin bezwaar, doch besloten eindelijk zich met de overige gewesten te vereenigen.
Op den April werden met
heyex de nadere bepalingen van het verdrag vastge- Voorloopige en

steld. Gedurende den tijd van acht maanden, in Ie gaan den Mei, zou het van I^apeoschors^^^
wederzyde niet geoorloofd zyn eenige stad of sterkte te belegeren of in te nemen, zich
met eene krijgsmagt op vijandelijk grondgebied Ie legeren of nieuwe schansen op te
werpen. Deze overeenkomst zou echter niet geldig zijn, tenzij de koning van
Spanje
haar binnen drie maanden bekrachligde en de Vereenigde Gewesten insgelijks voor vrije

ï van der vijkct, III bl. 505—513. Resol. v. Holland, 1607 bl. 83—87. van μετεπβν, f. 56S.
onoTiüs, 510, 517. Vgl.
Verhooren van oldekbarsevelt, bl. 144 v.

2 JEANNiN, 1 p. 47. Inderdaad -was het woordje als door de aartshertogen met opzet gebruikt,
ten einde later te kunnen ontkennen, dat de Republiek werkelijk door hen vrijverklaard wae.
BEHTIVOGLIO, bl. 746.

53

III Deel. 2 Stuk.

ocr page 131

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1C07. landen erkende. Daar zoowel de slrooptoglen der ruiterij, waarin de Stalen de over-
hand hadden, als de oorlog ter zee met opzet niet in den stilstand van wapenen be-
grepen waren, waren deze bepahngen voorzeker even eervol als voordeelig voor de
Republiek. Zij werden niettemin door de aartshertogen goedgekeurd, en de wederzijd-
sche bekrachtiging reeds den 24'"^" April tusschen den kommies der Staten-Generaal
DIRK VAN DER DOES en KEYEN te
LUlo uitgewisseld l. Terstond vroeg de laatste ander-
maal om een vrijgeleide, ten einde omtrent eenige punten met betrekking tot de ge-
slotene overeenkomst nieuwe voorstellen te doen. Niet zonder hevige tegenkanting der
afgevaardigden van
Zeeland en tegen het gevoelen van prins maijrits werd hem ander-
maal toegang in
Holland verleend. Op den elfden Mei in de vergadering der Stalen-
Generaal toegelaten, verzocht hij dat de Staatsche oorlogsvloot onder
jagob van heems-
kerk
, van wier wedervaren men in de Republiek nog geen tijding had, zou worden
teruggeroepen en drong er levens op aan dat men nader bepalen zou, binnen welke
grenzen de wederzijdsche ingezetenen van allen overlast van het krijgsvolk bevrijd zou-
den zyn. Deze aanmerkelijke uitbreiding der wapenschorsing mishaagde ten hoogste
aan prins
maurits, die beducht was dat de Spanjaarden geen andere bedoeling hadden
dan de Stalen in slaap te wiegen en hunne waakzaamheid te verminderen, om hen
later onverhoeds te overvallen of althans bij de hervatting van den krijg ontwapend en
Aveerloos te vinden. Zijne redenen vonden echter bij de Slaten-Generaal weinig ingang
en zijne bedenking, dat het niet raadzaam was omtrent zulk een gewiglig punt een
nader besluit te nemen, voordat men het gevoelen der koningen van
Engeland en
Frankrijk had ingewonnen ^^ stuitte op de begeerte der Staten af, om juist door die
eigenmagtige daad reeds bij den aanvang der onderhandelingen over den vrede een
blijk van zelfstandigheid en onafhankelijkheid te geven, en te voorkomen dat de vrij-
verklaring der Republiek door
Spanje ooit als de vrucht der bemiddelende tusschenkomst
dier beide vorsten beschouwd zou kunnen worden Bovendien woog bij
oldenbarke-
yelt
de omstandigheid, dat pater neven reeds terstond volkomene veiligheid aan de
talrijke koopvaardyschepen toezegde, die gereed waren met eene lading graan naar
Italië te stevenen. De tijding der schitterende zegepraal, door heemskerk bij Gibraltar
behaald, bragt dan ook geen verandering in de gezindheid der Staten-Generaal. De
Zeeuwsche afgevaardigden zagen zich eindelyk gedwongen in het sluiten van een nieuw

1 VAN METEREN, f. 568 C. GROTIÜS, p. 511. VAJi DER VYXCT, III bl. 518. VAN DER KEMP, UI
bl. 9, 107—112.
licsol. v. Holland, 1607 bl. 142. In Holland verklaarde alleen Amsterdam zicli
togen den wapenstilstand.

2 VAN DER KEMP, III bl. 120 noot (I).

3 WiNWOOD papers, II p. 323.

\

\

ocr page 132

DES VADERLANDS. 2Ö1

verdrag toe te stemmen, hetwelk den eersten Junij geteekend werd en waarbij de Sta- lß07.
ten beloofden hunne τΙοοΙ terug te zullen roepen en alle Tijandelijkheden langs de
kusten van
Spanje en Portugal en in de Middellandsche zee te staken, zoodra
FiLips III den stilstand van wapenen goedgekeurd en hunne overeenkomst met de
aartshertogen bekrachtigd zou hebben. Tot op dien tijd zou aan de vloot geen ver-
sterking of onderstand meer worden toegezonden en de wapenschorsing reeds over de
Noordzee en het Kanaal worden uitgestrekt, onder beding dat geen oorlogschepen of
kapers maar alleen visschersvaartuigen uit de Vlaamsche havens zouden mogen loo-
pen. Voorts werden de grenzen, binnen welke geen invallen of strooptogten geoorloofd
zouden zijn, zoowel voor de Republiek als voor de zuidelijke
Nederlanden nader vast-
gesteld, en het getuigt ten sterkste voor de gezindheid der aartshertogen, om tol eiken
prijs een einde aan den oorlog te maken, dat zij hierbij aan de Staten groole voordee-
len gunden. De Vereenigde Gewesten werden binnen eene denkbeeldige lijn besloten,
die bij den mond der
Eems begon, den loop dier rivier aanvankelijk volgde, Drenthe
en het grootste gedeelte van Overijssel insloot, vervolgens langs de regterzijde van den
IJssel liep, te ^s Gravenweerd den Bhijn raakte, van daar naar Grave liep, tot Geer'
truidenberg
langs de Maas werd voortgezet en eindelijk al de Hollandsche en Zeeuwsche
eilanden met de stroomen en de Staatsche bezittingen op Brabandschen en Vlaamschen
bodera omvatte. Aan de Belgische zijde volgde de grenslijn de
Demer, de Nethe, de
Schelde, de Leije en de Mandel-hQQ\. tot Rousselaere^ van waar zij over Dixmuiden
naar Nieuwpoort liep. Het tusschenhggende grondgebied bleef, met uitzondering van
steden en sterkten, voor wederzydsche aanvallen en strooptogten openstaan

Terstond na het sluiten van deze nieuwe overeenkomst vertrok pater weyen naar Ma- Toestand vau

Spanje en ge-

drid, om de bekrachtiging van filips III te verkrijgen. Ook aan het Spaansche hof zindLcid van ιί-
heerschte reeds lang de begeerte naar rust. Na eene vruchlelooze inspanning van veer-
tig jaren kon men naauwelijks meer hoop voeden, de Vereenigde Gewesten door de
wapenen tot onderwerping te brengen. De schatkist was door den langdurigen strijd
uitgeput, en aan eene nadrukkelijke voortzetting van den oorlog was in den eersten
tijd niet te denken. Integendeel had
Spanje zooveel geleden, dat het aan eenige jaren
van rust de dringendste behoefte had. Om in de
Nederlanden talrijke legers te kun-
nen onderhouden, had de koning zijne voornaamste inkomsten tot waarborg voor de her-
haalde geldleeningen verpand. De adel was verarmd en zat diep in schulden, de land- "
bouwers verkeerden over het algemeen in eenen toestand van diepe ellende en de han-
del was door den oorlog zoozeer belemmerd en achteruit gegaan, dat de kooplieden

' VAN IIETEREN, f. 569. GROTIUS-, p. 517 s. VA!^ DER KBMP, III bl. 11, 114—121. Resol. v.
Holland, 1607 fal. 157, 217. jeai^nix, 1 p. 103, 104.

35*

ocr page 133

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1607. hun volslagen ondergang te gemoet zagen, indien de veiligheid der scheepvaart niet spoe-
dig werd hersteld. Bijna dagelijks werd de koning door klagten van de Portugezen ge-
kweld, die hem bezwoeren den vruchteloozen en verderfelijken oorlog te besluiten
en daardoor aan hun land de voormalige welvaart terug te geven. Wat baatte hem de
uitgestrektheid zijner talrijke bezittingen en de rijkdom zijner koloniën, daar hij builen
staat was zelfs de kusten van
Spanje en Portugal tegen den overmoed der Staatschen
te beveiligen en het bijkans aan een gelukkig toeval moest toeschrijven, wanneer de
West-Indische zilvervloot behouden in een zijner havens binnenkwam? Bovendien liepen
onderscheidene omstandigheden te zamen, om zijn verlangen naar verademing juist op dit
tijdstip te versterken. Op nieuw dreigde het nog altijd smeulende vuur der tweedragt
in
Italië in lichtelaaije vlam uit te breken en eene kostbare krachtsontwikkeling in het
hertogdom
Milaan te vereischen. De klimmende stoutmoedigheid der Staatsche zeelieden
had de vrees opgewekt dat de uit
Spanje verdrevene Mooren door hunnen bijstand uit
Afrika terug zouden komen, om zich weder van de voormaals hun toebehoorende ge-
westen meester te maken. Ook liep een gerucht, dat
Hendrik IV met de Staten in
onderhandeling was over de voorwaarden, onder welke de Vereenigde Gewesten aan zijne
kroon zouden gehecht worden ^ Levendig gevoelden
filips' raadslieden, hoezeer de
Terwezenlyking van dat plan
Spanje^s magt knakken zou: en zij zagen zelfs in
de erkenning van de onafhankelijkheid der Republiek veel minder nadeel voor
Spanje dan in hare vereeniging met het magtige Frankrijk, hetwelk zich dan zonder
moeite van al de Nederlandsche provinciën zou kunnen meester maken. Bovendien,
even als de afstand van
België, kon ook de vrijverklaring van Noord-Nederland als
een lijdelijke maatregel beschouwd worden, om langs een anderen weg het gewenschte
doel te bereiken. Vrede of bestand zou noodwendig onderling verkeer ten gevolge
hebben. De veelvuldige zaden van verdeeldheid, die in de Republiek aanwezig waren,
doch wier ontkiemen door het gemeenschappelyke gevaar en de behoefte aan zamen-
werking werd tegengehouden, zouden waarschijnlijk welig opschieten en veelvuldige
gelegenheid aanbieden om tweedragt te wekken. Zelfs onder de regenten zouden ligte-
lijk sommige door de hoop op eer en aanzien, andere door geld te winnen zyn. Al
degenen, die door de omwenteling van het kussen waren geraakt, zouden volgaarne
medewerken tot herstel van
Spanje's heerschappy en een krachtigen steun vinden bg
de talrijke Katholijken, die nog steeds onder het grievende wantrouwen hunner mede-
burgers gebukt gingen en van vrije godsdienstoefening verstoken waren. Op deze wijze

1 Volgens grotius, p. 500 en vak meteren, f. 569 c werden deze en diergelijke geruchten op-
zettelijk van wege de Staten uitgestrooid, om
filips IU t,ot vrede ie stemmen. Vgl. jeahisix, I
p. 367; en ph. du bois, II s. 10.

ocr page 134

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

vleide men zich door eene schynbaar groole doch inderdaad slechts geveinsde toegeef- 1607.
lijkheid veeleer te winnen dan te verliezen ^

Nieltemin lag er zooveel vernederends voor Spanje in de door de Staten gestelde
voorwaarde, dat men niet dan in de uiterste noodzakelykheid tot de gevorderde ver-
klaring van de onafhankelijkheid der Republiek komen wilde. Er was in dit opzigt
tusschen de hoven van
Brussel en Madrid een aanmerkelijk verschil in gezindheid en
bedoelingen. De aartshertogen verlangden door een duurzamen vrede eene naauwe ver-
bindtenis tusschen de Repubhek en de zuidelijke
Nederlanden lot stand te brengen, en
de eerste daardoor allengskens van
Engeland en Frankrijk te vervreemden. Met dat
doel waren zij bereid hunne aanspraken op de Noord-Nederlandsche gewesten geheel te laten
varen.
Fiijps' raadslieden achtten het daarentegen strijdig met de eer der Spaansche
monarchie, den oorlog thans reeds met eene volkomene onafhankelijksverklaring te be-
sluiten, en waren niet gezind een stap verder te gaan dan noodig was tot hel treffen
van een bestand, na Λvelks einde de krgg, welligt onder gunstiger omstandigheden,
hervat zou worden 2.

Ten gevolge dezer onderscheidene overwegingen gaf fiiips III, zoowel door den her- Dc koning va»
„ Spanje besluit de

tog yan Lerma, zijn voornaamsten staatsdienaar, als door spinola. en keyen tol inwilliging handelingen dei-

van den wensch der aartshertogen aangespoord, zijne toestemming tot het voortzellen bekrwhUgem

der door hen aangevangene onderhandelingen. Don diego d'ibarra, die in Junij door

den koning naar Brussel was gezonden om Spanje's belangen aldaar te behartigen,

doch aan albebtus en spinola. te trotsch en te veeleischend tegenover de Republiek was

voorgekomen, om den voortgang van den vredehandel niet in den weg te staan, werd

op hun verlangen in Julij teruggeroepen. Krachtiger bewijs van Spanje's behoefte aan

verademing had filips naauwelijks kunnen geven 3.

Inmiddels had het uitzigt op den toekomstigen vredehandel en de aanvankelüke Gevoelens eu

partijen in dc

rust 4 aan de onderscheidene partijen in de Republiek aanleiding gegeven om hare Ecpubliek.

' CROTius, p. 500, 501. winwood papers, II p. 73, 75, 311, 323, alwaar deEnyeleche gezant
te
Madrid, sir charles cornvvallis, merkwaardige bijzonderheden omtrent Spanje^s toestand en
politiek mededeelt. Zie ook
jeahnin, I p. 341, 378.

2 jeamin, I p. 54—61, 154, 164, 198, 309, 338, 413. buzanval bij Mr. g. w. vreedk , Aantee-
heningen f
bi. 23, 30. Vgl. jbannin, 1 p. 239, alwaar hij eenigen twijfel oppert, of de schijnbaar
grootere geneigdheid der aartshertogen tot vrede ook geveinsd was. Zie echter
CKOTlüs, p.533,543j
en VAN DER KEMP, 111 bl. 123 (52).

3 jeannin, I p. 158, 226, 236, 288. winwood papers, II p. 315,327. ph.dübois, 118.55,67,

^ Reeds tegen 9 Mei was door de Staten-Generaal een algemecne vast- en bededag uitgeschre-
ven, met verklaring dat zij met de aartshertogen een stilstand voor acht maanden hadden aange-
gaan , om in nadere onderhandeling over een eeuwigen vrede of een langdurig bestand te kuimcn

ocr page 135

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1607. gevoelens omtrent de mogelijkheid en het wensehelijke van een verdrag met den
vijand nader te ontwikkelen en zich scherper van elkander af te scheiden. Betrekkelijk
klein was het getal der regenten, die zoozeer naar vrede haakten, dat zij geneigd
waren dien tot eiken prijs te koopen, indien de Vereenigde Gewesten slechts hunne
onafhankelijkheid behouden konden. Dezulken werden bijna alleen in de provinciën
Gelderland, Overijssel en Groningen aangetroffen, die in de laatste jaren het meest
van den oorlog geleden hadden, en alwaar voortdurend eene groote vrees voor verra-
derlijke aanslagen was blijven bestaan, daar het grootste gedeelte der inwoners nog der
Kathoheke godsdienst was toegedaan en uit dien hoofde geacht vrerd in het geheim
naar
Spanje over te hellen ^ In Holland daarentegen was de groote meerderheid der
regenten vast besloten geen andere dan eervolle en voordeelige voorwaarden aan te ne-
men. Hoezeer de onmiskenbare behoefte aan rust tot herstel der geschokte finantiën
hen met verlangen naar het einde van den krijg deed uitzien, was de gedachte hun
onverdragelijk dat men, na veertig jaren lang voor 's lands vryheid en welvaart gestre-
den en ten koste van groote opofferingen een hoogen trap van magt en bloei bereikt
te hebben, een gedeelte der behaalde voordeelen zou moeten prijs geven. Ware het
mogelijk geweest,
Frankrijk en Engeland lot eene oorlogsverklaring aan Spanje te
bewegen, dan zouden zij veel liever den krijg tegen de gehate Spanjaarden hebben
voortgezet; en welligt was bij sommigen de hoop levendig, dat de aanknooping der
onderhandelingen tusschen de Republiek en
Spanje de beide genoemde mogendheden
nopen zou, door krachtdadiger ondersteuning eene verzoening te voorkomen, die althans
voor
Frankrijk zeer nadeelig en niet zonder gevaar zou zijn. Doch de ondervinding
der laatste jaren kon aan deze hoop slechts weinig voedsel geven, en de medewerking
van
heudrik IV en jacobus I lot het bedingen van gunstige voorwaarden en het waar-
borgen van de bepalingen van het vredesverdrag was het eenige, dat men met grond
van hen verwachten kon. Bij het nog steeds levendige wantrouwen in
Spanje*s opregt-
beid en bedoelingen achtte men deze tusschenkomst echter zoo gewigtig en onmisbaar, dat
men er zelfs niet aan dacht om ten gevalle van den vrede de betrekkingen met beide
vorsten op te geven en zich naauwer aan de zuidelijke
Nederlanden aan te sluiten

treden. De Staten vain Zeeland hadden echter bij de uitschrijving deze verklaring achterwege ge-
laten. VAN DEU KEMP, III bl. 10, 112—114.

1 GROTius, p. 501. JEANNiN, II p. 20, 30. pii. DU Bois, I s. 93. VAU HATTUM, Geschiedeuissen
van Zwolle,
1769» III bl. 279. Vgl. dor, IV bl. 132.

2 Zie O. a. JEANNiN, I p. 4 , 5, 100, 126 , 238 , 303 , 314 , 318 , 325 , 344. Hij schreer aan
VILLEROY, 17 Julij 1607 (p. 249): »Si Ie Roy d'Espagne fait ces difficultez sur les quatre articles
dont ni'avez cscritj ä scavoir sjur la Souverainete', Ie commerce des Indes, riutervontion du Roy»

ocr page 136

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

In deze gevoelens, die in de Staten van Holland de overhand hadden, deelden 160T.
ook de Staten-Generaal. Welke wenschen ook door enkele regenten in de land-
provinciën gekoesterd moglen worden, welke beweegredenen de stedelijke regeringen
in
Groningen en Friesland ook noopten hun ernstig verlangen naar rust te ontvein-
zen de afgevaardigden der onderscheidene gewesten, met uilzondering alleen van
Zeeland^ waren over het algemeen geneigd oldekbarnevelt in zijoe pogingen lot het
verkrijgen van een eervollen vrede Ie ondersteunen. Wat de burgerij betreft, het lijdt
geen twijfel dat ook zg meerendeels het einde van den kryg met verlangen te gemoet
zag. De druk der zware en steeds toenemende belastingen, die in zijne volle kracht
op de renteniers en de geringe burgerklasse nederkwara, werd door alle standen der
maatschappij gevoeld en was alleen voor hen dragelijk, die middellijk of onmiddellijk
uit den oorlog eenig voordeel trokken. Niet slechts in het zuiden en oosten der Re-
publiek dorstten de landbewoners, beurtelings door vriend en vijand mishandeld en
uitgeplunderd, naar veiligheid en rust, maar zelfs in
Holland was de voormalige krijgs-
haftigheid zoozeer gevs'eken, dat de schutterij van
Delft in 1605 geweigerd had tot
vervanging van het garnizoen eener grensvesting uit te trekken, zoodat men genood-
zaakt was geweest daarvoor bij trommelslag vrijwilligers aan te werven

Er bestond echter, ook onder de regenten, eene partij, die in elk verdrag met den
vgand bijkans onoverkomelijke bezwaren zag. Nog nimmer had men met de Span-
jaarden onderhandeld, zonder de blijken hunner bedriegelijke en Irouwelooze politiek
te ondervinden; en de voormaals door hen gepleegde gruwelen en verraderijen, waar-
over reeds een menschenleeftijd was heengegaan, waren door de onlangs verschenen
Historie der Nederiandsche Oorlogen, van everhard van keijd op nieuw in herinne-
ring gebragt en aan de afstammelingen hunner slagloffers tot een afschrikkend voor-

et Ia sortie des Espagnols, qu'il ne faut plus penscr qn' a la guerrcj car Ie Sleur BarnevcU a dit
presentement au President Jcannin, et cn colcre: Que pour les trois premiers articles, ils n'en
quitteront jamais rien, quand ils devroient périr."

ï jEANNirr, I p. 144. Vgl. echter p. 254: «Ie Sieur Barneyelt et d'autrcs nous ent dit, que
rinclinaüon de ces deux premières Pro vinces
[Groningen cn Friesland) est sans doute h Ia paix,
et qu'elles liendroient ouvertement cc langage, sans lesditcs pratiques (van prins
maühits) et Ia
crainte de leur garnison."

2 jEANKiN, 1 p. 104, 249, alwaar van de renteniers gezegd wordt: »on leur prend la moitic
de leur revenu." A'^gl. hiervoor, bi. 247.
scaligeu schreef in Junij 1607: »Pacem quidem plehs
avide cxposcit." Mr.
g. λν. vbeede, Aanleekeningen, bl. 32 noot (1). Zie ook ph. du bois, 1
s.
66, die na de vermelding van het voorval te Beiß laat volgen: »Die bierbrawer haben geit
gnung, und werdens
Λνοΐΐ bezahlen müssen, aber ihr eyiFer in propugnanda patria scheint in
diesem fall gewaltig crkhallct.".
vah vervov, bl, 219 , 263 , 290 , 342 , 343 , 372.

ocr page 137

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1607. beeld voor oogen gehouden i. Men kon zich niet voorstellen, dat het trolsche Spanje
zich inderdaad zooverre zou willen vernederen, van de vrijheid en onafhankelykheid
dergenen te erkennen, die het voortdurend met den naam van oproermakers had
gebrandmerkt. Men zag daarin slechts eene list om door middel der onderhandelingen
verdeeldheid te zaaijen, invloedrijke personen om te koopen, de burgerij gedurende
den wapenstilstand aan een rustiger toestand te gewennen en daardoor van de voort-
zetting van den krijg afkeerig te maken, de waakzaamheid der Staatsche bezettingen
te verminderen, een gedeelte van het krijgsvolk te doen afdanken, op deze wijze
allengskens de kracht der Republiek te ondermijnen en haar in eenen toestand te
brengen, waarin zij niet meer tegen de overredingskunsten of het krijgsgeweld van
den vijand bestand zou zijn. Niet weinig bragt lot versterking van dit gevoelen by,
dat
neten aan gornelis van aerssen aanzienlijke geschenken aangeboden en nog groo-
tere toegezegd had, wanneer de vrede of een bestand gesloten zou zijn, en dat men
/ grond had om te vermoeden, dat de pater van zijn tweede verblijf in
Holland ge-
bruik had gemaakt om nog andere personen door geld of beloften te winnen 2. -Doch
ook al ware het mogelijk, een eervollen vrede te sluiten, dan zouden de voordeden
van dien nieuwen toestand, naar men meende, niet tegen de daaraan verbondene be^
zwaren opwegen. De verligting van lasten, die velen zich daarvan voorstelden, zou
slechts onbeteekenend kunnen zijn, indien men althans de onverschoonlijke fout niet
wilde begaan, 's lands talrijke grensvestingen van voldoend garnizoen te onlblooten. De
weder aangeknoopte handel met
Spanje en Portugal zou eene menigte koopvaardijsche-
pen in de havens van
filips III voeren: en wie kon de verzekering geven, dat hij
daarop nimmer beslag zou leggen ? Was het niet een stelregel zoowel van de Katholieke
kerk als van de Spaansche staatkunde, dat men aan ketters en oproerlingen geen woord
behoefde te houden ? Het grootste gevaar was echter in den ouderlingen nay ver van pro-
vinciën en steden, in de verdeeldheden en partijschappen gelegen, die alleen door hel
gemeenschappelijke gevaar in toom werden gehouden doch bij den vrede met verdubbelde
heftigheid zouden uilbarsten. Alleen bij de voortzetting van den krijg konden eenheid
en kracht bewaard blijven. De vrede zou daarentegen geen andere gevolgen hebben,

1 ghotius, p. 458. vak avijn op wagenaar, IX bl. 87.

2 van μετεπεν, f. 571. van der vtnot, 111 bl. 513—518. γη. du dois, II s. 35, 41, 49, 55,
56, 58, 64.
avagenaar, Yttd. IlisL X bl. 248. Verhooren van oldenbarnevelt, bl. 105 (175),
137 (225), 210—213, 231—234. Vgl.
Leven^ Kerckelijcke bedienmghe ende Vcrantwoordingh van
uytenbogaert, 1646, bl. 188 vv.^ 253. — Aan oldenbarnevelt was reeds in 1600 van wej^e de
aart8hert0{][en /"50,000 aangeboden, indien hij den vrede wilde bevorderen, waarvan hij terstond
itan de Slaten-Gcneraal kennis had gegeven,
van der kemp II bl, 299 (258).

ocr page 138

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

dan de Republiek allengskens te verzwakken en tot latereu wederstand legen hare 1607.
vijanden onbekwaam te maken; en zelfs de aangeknoopte onderhandelingen waren uit
dit oogpunt hoogst bedenkelijk te achten l.

Aan het hoofd dergenen, welke deze meening waren toegedaan, stond prins maurits. Gezindheid van
Tot krijgsman geboren, en aan den oorlog niet slechts zijnen roem als veldheer maar
ook grootendeels zijnen invloed in de Republiek verschuldigd, moest hij den vrede wel
als den eindpaal zijner luisterryke loopbaan beschouwen, en te minder geneigd zijn thans
aan 's vijands voorstellen het oor te leenen, nu de tegenspoed der laatste jaren aan zijne
lauweren geknaagd en het vertrouwen in zijne bekwaamheden verminderd had. Wel zou
hij als stadhouder over vijf provinciën eene aanzienlijke en eervolle plaats in de regering
der Vereenigde Gewesten blijven bekleeden: maar de Staten van
Holland en de Staten-
Generaal hadden hem reeds herhaaldelijk doen gevoelen, dat de stadhouders niet meer,
gelijk vroeger, de plaatsbekleeders van den verre boven hen verhevenen vorst maar in-
tegendeel hunne dienaren waren, en die afhankelijke betrekking was voor
ma.urit.s'
gevoel dubbel drukkend en bijkans ondragelijk sedert de verwijdering, die tusschenhem
en OLDEKBARUEVELT outstaau was. Trotsch en heerschzuchtig van aard kon de zoon
van den vader des vaderlands, de telg der vorstelijke huizen van
Oranje en Nassau,
het naauwelijks dulden, dat 'slands advokaat, uit de laagste rangen van UlrechVs adel
voortgesproten, door den onwederstaanbaren invloed zijner groote bekwaamheden eene
heerschappij uitoefende, waaronder ook hij zich hukken moest. Vermeerdering van
aanzien en verhooging van rang kon hy van den republikeinschen zin der Staten naau-
welyks verwachten, en niet zelden welde een verwyt van ondankbaarheid in zijnen boe-
zem op, wanneer hy overwoog hoe weinig hoop er was dat de grootendeels door zijnen
arm onafhankelgk gemaakte natie hem eenmaal tot souverein verkiezen zou Alleen

1 grotiüs, p. 501. jeannin, 1 p. 5—7. m. dü bois, II. s. 195—198.

2 LA pisE, histoire (VOrange^ ρ. 808: »Jamais Prince ne se piqna plus de 1'interest de ceux
de sa Maison et de sou nom;
mais comme il vouloit eslre absolu en toutee choses, il ne pouvoit
souiFrir une contradiction de ceux qui luy appartenaient: sa soeur germaine perdit son amitïé,
pour avoir enfraint sa volonte en son mariagej et rien n'alTermit plus Ie parfaict amour qu'il
aporta toujours a son eher frère (
fbederik hendrnt), que l'honneur et Ie respect qui luy fut de-
feré par iceluy."
jeahkin, I p. 184: »on Ie tient encore plus sensible cn cequi est de son Kon-
neur et aulhorité, qu'en ee qui touche an profit." Zie ook p. 211, 213, 414. Vgl.
aübery de
maurier,
Memoires de Hollande ^ passim, ii. oüvré, Documents inédüs sur Vhisloire du protestan-
tisme en France et en Ilollande,
1853, p. 177.

3 JEANNIN schreef 29 Mei 1607 aan hendbik 1V(I p. 103): » nous reconnaisaons qu'il e'accommodera
k votre Tolonté y voyant de ia seuretc pour luy, et quelque espoir de s'accroistre et d'eetre eu
estat qu'il ne depende abeolument comme il a fait du passé, de la legereté et ingratitade de»

ΠΙ Deel. 2 Stuk. 54

ocr page 139

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1C07. de voorlzelting van den krijg kon de aan zijnen toestand verbondene bezvTaren gedeel-
telijk opheffen en welligt, ten gevolge van onverwachte gebeurtenissen, in de toekomst
zijne eerzucht bevredigen. Als opperbevelhebber der Slaatsche legermagt oefende hij in
het veld een bijkans onbeperkt gezag uit. Daar bevond hij zich in den drukken en woe-
ligen werkkring, waarin hy zich bij voorkeur bewoog. Daar kon hij by aanval en ver-
dediging zijne buitengewone talenten ten toon spreiden en de kunst van oorlog voeren,
die aan hem eene gewigtige hervorming te danken had, door nieuwe uitvindingen nog
verder volmaken. Daar was hij omgeven door de bloem van den buitenlandschen adel,
die, aan eenhoofdig bestuur gewoon, in hem veeleer het hoofd der Republiek dan den
dienaar der Stalen zag. Daar vloeiden hem, zoowel uit buitengewone bezoldigingen en
toelagen als uit zijn aandeel in den buit aanzienlijke inkomsten toe, die hem in staat
stelden op vorstelijke wijze de meest onbekrompene gastvrijheid uit te oefenen en hon-
derden personen aan zijne tafel te ontvangen

Het was dus natuurlijk dat de redenen, die tegen het aanknoopen van onderhande-
lingen met
Spanje werden aangevoerd, niet het minst golden bij den prins, die bij den
vrede niets te winnen en integendeel veel te verliezen had. Bovendien waren zij gewig-
tig genoeg om op zich zelve, ook zonder dat het eigenbelang zich in het spel mengde,
wantrouwen in den uilslag der aangevangene onderhandelingen te wekken. Het was niet
te ontkennen, dat reeds de wapenslilstand zijne bezwaren had en dat een bestand of
een duurzamer vrede het middel kon zijn, om de Republiek langs eene gladde helling
in den afgrond te doen vallen. Maar
maurits en de oorlogsparly verloren twee omstandig-
heden uit het oog, die tot beoordeeling van dit moeijelijke vraagstuk beslissend mogen heeten.
Het was reeds meermalen gebleken dat de prins aan den achteruitgang van'slands finantiën
weinig gewigt hechtte en bij het daarstellen der fortificatiën, die hij noodig achtte, den

peuplcs, qui se lassent et dégoutent aiscment de ceux qui les ont bien servis," en eene maand
later (I p. 208): »Nous nous souviendrons tousjours de tenir les Estats en bonne uniou,
sana
laquelle voslre Majesté ne leur SQauroit faire bien, et aurons soin aussi da contentement de Mon-
sieur Ie Prince Maurice, que jugeons necessaire pour vótre service, et pour conserver cette union
mesme, qu'il peut rompre quand 11 voudra: et nous semble bien qu'il Ie croit ainsi, et s'attend
de s'en servir s'il y estoit contraint, pour se ressentir de ringratitude de ces peuples, et au cas
qu'ils ne voulussent aider a procurer eux-mesmes son bien et avancement, et de sa maison en ce
qui doit dcpendre d'eux, coinme y estant tenus et obligez, a cause des grands et continuels ser-
■vices qu'ils en ont receus."

1 Uiervoor, D. 111 St. 1 bl. 430, 433. D. 111 St. 11 bl. 161. Volgens de ResoL v. Holland,
1602 bl. 111, klom het getal dergenen, die in liet veld op zijne kosten leefden, soms tot zeshon-
derd. In 's ilage bedroeg het gewoonlijk tweehonderd.

ocr page 140

1607.

DES VADERLANDS. 2G7

toesland der geldmiddelen zelden in zijne berekeningen opnam Ook thans werd de
hoofdvraag, van waar het noodige geld zou komen, door hem onbeantwoord gela-
len 2;
en toch, builen eene ondersteuning Tan ellelgke millioenen kon de Republiek
niet aan de voorlzelling van den kostbaren oorlog denken, zonder haar crediet op het
spel te zetten en haren ondergang te gemoet te gaan. Voorzeker was het te duchten,
dat de vrede aan de partijschappen in slaat en kerk vrij spel zou geven; maar mögt
men dan volstrekt niet rekenen op het krachtige gevoel van nationaliteit, dat zich sedert
de Unie van
Utrecht in de noordelijke Nederlanden ontwikkeld had en in de sterkste drijf-
veeren van het menschelijke gemoed steun en wortel vond? Hoe hevig de tweedragt
mögt woeden, kon men zich niet verzekerd houden dat het gevaar, om op nieuw
onder
Spanje's ijzeren schepter te moeten bukken, aller handen weder in een zou
doen slaan? Mögt men in elk geval niet vertrouwen, dat
Holland en Zeeland, thans
zooveel volkrijker en welvarender dan bij den aanvang des opstands, andermaal goed
en bloed voor vrijheid en godsdienst veil zouden hebben, en kon men ooit aan het lot
der Republiek wanhopen, zoolang die beide gewesten zich staande hielden ^?

Het was alleen de provincie Zeelandy alwaar prins maürits overwegenden invloed
had Avier Staten zich in hunnen afkeer van elk verdrag met
Spanje aan zijne zijde
schaarden. Zij werden daarbij tevens door ecne reden gedreven, die ook in
Holland
vele gemoederen tegen den vrede stemde en zelfs de regering van Amsterdam van het
overigens eenparige gevoelen der afgevaardigden ter Statenvergadering deed afwijken.
De voornaamste koopsteden in beide gewesten hadden een groot deel van hare snelle
ontwikkeling en tegenwoordige welvaart aan het verval van
Antwerpen te danken. Bij
de gunstige ligging dezer aanzienlijke handelplaats scheen hel bijkans ontwijfelbaar, dat
zij haar ouden luister hernemen zou, zoodra de boeijen verbroken waren, die thans
hare scheepvaart beklemden: en het was te verwachten dat de vyand, als voorwaarde
van den vrede, inzonderheid op de opening der
Schelde zou aandringen. Behalve de
kooplieden, die uit dezen hoofde met bezorgdheid den uilslag der onderhandelingen af-
wachtten , was een groot gedeelte der burgerij insgelijks uit eigenbelang daartegen gekant.
De veeljarige oorlogstoestand, die eene sterke en voortdurende behoefte aan allerlei soort van
krijgsbehoeften had doen ontstaan, had aan eene menigle fabrieken, neringen en bedrijven

1 Hiervoor bl. 160. Resol. v. Holland. 1599 bl. 2715 1603 bl. 562. van der kemp, 11 bl.487.

~ JEANKiüf, 1 p. 304: »il se fonde sur d'assez bonnes raisons, s'il estoit maislre de la bouree
daulrny." Zie ook p. 98, 144, 145.

3 Zie dit o. a. uitgesproken in de Resol. υ. Holland, 1599 bl. 402, 634.

^ Hiervoor, bl. 163, 165. jeankin, I p. 131: »les députez de Zélande qui dependent beau-
coup de lui."

54*

ocr page 141

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

! 1607. het aanzijn gegeven, wier verval bij den vrede met zekerheid voorspeld kon worden.

De oorlogspartij vond derhalve steun bij allen, die op deze wgze in hun onderhoud
voorzagen. Het lag in den aard der zaak dat de krijgsbevelhebbers en hunne manschap-
pen zich insgelijks met al hun vermogen legen eene verandering aankantten, die hun
grootendeels van hun eenig middel van bestaan en in elk geval van de hoop op snelle
bevordering en de kans van aanzienlyke winsten berooven moest
Hendrik ïv Te geruimen tijd had de strijd tussehen Spanje en de Republiek het middelpunt der
s^apnaL^r^ra-Europesche politiek uitgemaakt, dan dat de tijding van den gesloten wapenstilstand en
gSScid jegens^P meeste buitenlandsche hoven geen levendige belang-

de liepubliek. stelling zou hebben gewekt. Vooral was dit het geval in Frankrijk en Engeland,
voor wier veiligheid en magt de toestand der Vereenigde Gewesten verre van onver-
schillig was. Het onverwachte besluit der Stalen, om op eigen gezag en zonder vreemde
tusschenkorast met de aartshertogen in onderhandeling te treden, en hun vurig verlan-
gen ora door
Spanje onafhankelijk verklaard te worden, boezemden aan Hendrik IV
ernstige bezorgdheid in, dat zg welligt voor dien prijs zich zouden laten verlokken
om zijne ondersteuning en bescherming op te offeren en een verbond van vrede en
vriendschap met de Spanjaarden te sluiten: eene uitkomst, die
Frankrijk bij het minste
geschil met
Spanje op nieuw als tussehen twee vuren gebragt zou hebben. Hij
besloot derhalve terstond een gezantschap naar
Holland te zenden, om aldaar zijne
belangen te behartigen en een waakzaam oog te houden op den loop der onderhande-
lingen. Hij droeg die gewigtige maar netelige laak op aan een zijner bekwaamste diplo-
maten , PIERRE jE^NNiiT, eerste president van het parlement van
Bourgondië, wien de voorma-
lige Fransche gezant
de buzanval, in het laatst van het vorige jaar op zijn eigen verzoek uit
Gravenhage teruggeroepen en diens opvolger elie de la, place, heer van Bussy, ter zijde
waren gesteld. Op den Mei kregen deze gezanten gehoor bij de Slaten-Generaal.

Jeannin wijdde in het breede uil over de onwaardeerbare diensten, door zynen koning
aan de Stalen bewezen, en noemde het weinig overeenkomstig met de hem verschuldigde
dankbaarheid, dat zij niet slechts zonder zijne voorkennis met den vijand in onderhan-
deling gelreden waren maar ook hadden uitgestrooid, dat hij naar de souvereiniteit over
de Vereenigde Gewesten stond. Hij verklaarde dat
Hendrik IV, van elke baatzuchtige
bedoeling vrij, niets anders dan het welzijn der Republiek beoogde en daarvan een
nieuw bewijs wilde geven door den Staten, indien zij in oorlog bleven, zijnen bijstand

GROTIÜS, p. 501. JEAKNIN, I p. 124, 249. VAN DER VYNCT, III bl. 450. PH. DU BOIS, H s. 42,
47, 4S.

2 Resol. v. Holland, 1606 bl. 1034. Hij kreeg bij zijn afsclieid van de Staten een jaargeld
van
f 500, doch had daarvan niet lang genot, daar hij reeds op den eersten Sept. 1607 overleed,
tot groot leedwezen der Staten, die in hem een opregten vriend en ij verigen bevorderaar hunner

ocr page 142

DES VADERLANDS. 269

toe te zeggen, of wel door zijne tusschenkomst een billijken en voordeeligen yrede te 1607.
bezorgen, wanneer zij daartoe meer geneigd waren,
Oldenbarhevelt, die deze aan-
spraak beantwoordde, Terontschuldigde het genomen besluit door den nood der geld-
middelen en ontkende dat de Staten aan de loopende geruchten over
hendrik's heersch-
zucht aandeel hadden. Op
jeawnipi's verzoek werden eeoige gemagtigden benoemd, om
hem en de overige Fransche gezanten van den toestand der Republiek te onderrigten
en met hen over den toekomsligen vrede in overleg te treden

Hoewel Hendrik IV liever gezien zou hebben, dat de Vereenigde Gewesten in oorlog Jeannin over-
tuigt hem, dat

met Spanje gebleven waren, begreep hij volkomen dat zij daartoe zonder aanmerkelijke alleenceubestand
onderstandsgelden builen magte waren. Daar hij echter niet voornemens was de zijne
aanmerkelijk te verhoogen, bleef er geen ander redmiddel over, dan dat de koning van
Engeland insgelijks voor de Staten iu de bres zou springen; doch deze was daartoe
zoo weinig gezind, dat hij op de eerste tijding van den wapenstilstand aan
Hendrik IV
verbood, om voortaan, krachtens de drie jaren te voren geslotene overeenkomst, eenige
gelden, die aan
Engeland toekwamen, aan de Staten uit te betalen 2. VVel plaatste
jEANKiN, ten einde de gemoederen van de voornaamste hoofden der Republiek te
polsen, aanvankelijk de voortzetting van den krijg op den voorgrond: doch naau-
welijks had hij eenigen lijd in
Holland doorgebragt en zoowel de hulpmiddelen
der Vereenigde Gewesten als den stand der partijen leeren kennen, of hij kwam
tot de overtuiging dat daaraan niet meer te denken was. »De koning van
Engeland''^ —
schreef hy reeds den 24"®° Junij aan Hendrik IV — »wil niet medewerken, om de
Staten daartoe in staat te stellen, en uit zich zeiven zyn zg zwak. Het komt my der-
halve voor dat de vrede, hoe nadeehg zij ook zijn moge, nog beter voor hen is dan
de onoverkomelijke en toenemende bezwaren, die de oorlog medebrengt, en die weldra
hunnen ondergang ten gevolge zouden hebben, indien zy niet krachtdadig werden bij-
gestaan 3.» De koning vereenigde zich met zijne zienswijze, doch drong er op aan,
dat hij in elk geval het sluiten van een lijdelijk bestand verhinderen zou. Ook dit
werd echter door
jeanhin onmogelijk geacht. Het was hoogst onwaarschijnlyk, datiS/?a?ye
immer vrede zou willen sluiten, zoolang de Staten in hunnen eisch, om onafhankelijk
van
Spanje verklaard te worden, bleven volharden Κ Hendrik IV zou dus wel met

belangen verloren. Hij werd te ^sGravenhage begraven, jeannin, I p. 387, 416, 423. van per
KEMP, lil bl. 124 (58).

ï van meteren, f. 569 c. grotius, p. 517. jeaskin, I p. 11, 78—110.

2 JEANNIN, 1 p. 169, 188, 275, 358, 393.

3 JEANNIN, 1 p. 188.

4 JEANNIN, 1 p. 154, 164, 168.

ocr page 143

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1007. een bestand genoegen moeien nemen, indien liij jaarlijks niet minstens vier millioen
gulden tot Yoortzelling van den krijg
Teil had. Bovendien verklaarde jeawnin, dat
een bestand hem geenszins zoo nadeelig voorkwam, als het zich op den eersten aanblik
vertoonde. De Vereenigde Gewesten, wier onafhankelijkheid daarbij even krachtig kon
worden uitgesproken, zouden daardoor toch eene plaats onder de mogendheden van
Europa innemen, en levens door het uilzigt op eene hervatting van den krijg genoopt
Avorden zich in eenen staat van tegenweer te houden, terwijl de vrede daarentegen lig-
telyk eene volkomene ontwapening ten gevolge zou hebben, die tegenover
Spanje altijd
gevaarlijk bleef Η
ει^γόκικ IV liet zich op dit punt te eerder door zijnen gezant
overreden, daar deze hem beriglte dat de oorlogspartij verreweg de zwakste was, en
dat het aanzien van
maurits geenszins tegen den bijkans onwederstaanbaren invloed van
oldenbaknevelt op kon wcgcu 2, Bovcndien ontnam jeatsnipt hem alle vrees, dat de
Staten hunne betrekkingen met
Frankrijk aan den vrede opofl'eren of zich naauwer
aan
jagobus I dan aan hem aansluiten zouden. Hoewel hij er niet in slaagde eene
schriftelijke verklaring Ie bekomen, dat de Stalen zonder
hendrik's toestemming geen vrede
zouden sluiten, daar zij eene diergelijke belofte in strijd achtten met hunne onafhanke-
lykheid gaf hij zijnen vorst herhaaldelijk de verzekering, dat zij nieJs liever wenschlen
dan zich naauwer aan hem aan te sluiten en door zijne tusschenkomst van den oorlog
bevrijd te worden Κ ilij kreeg dan ook volmagl om de onderhandelingen tot een einde
te leitien, dat niet minder met de belangen van
Frankrijk dan met die der Republiek
strookte, en daarbij vooral te waken dat de verdeeldheid tusschen de onderscheidene
partijen geen afbreuk deed aan de eendragt tusschen de provinciën, die vooral thans
Gewigtige dien- onmisbaar Avas om aan der Staten eischen klem bij te zetten. Het is inzonderheid in
n!™ ^*'· op^'g*^ JEANKIN onberekenbare diensten aan de Republiek bewezen heeft. Door

publiek bewezen, gigeds de gevaren der tweedragt aan de regenten voor oogen te houden en de minder-
heid met beleid tot inschikkelijkheid te bewegen, heeft hij niet weinig tot de geluk-
kige uitkomst der netelige onderhandelingen bijgedragen; en het is vooral aan hem te
danken dat prins
maurits , in zijnen afkeer van den vrede, zich niet door de heftigheid

1 jeamin, 1 p. 198, 202. II, p. 174, 193.

2 jEANNiN, 1 p. 186: )) il (oldenbarnevelt) est ccluy cntre tous ces peuples qui a Ie plus de
creance et est Ie plus capable de les bien conseiller, mesme au dessein que vótre Majesté a pris,
lequel est conforme a sou inclination, luy desirant la pais avec ardeur, pourveu que ce soit
avec la seurete qu'il convient, et peur ie bien de son pais; a quoy il tend, non ä gralifier
l'Archiduc et l'Espagnol." Zie ook p. 103, 104, 225, 305, 331, 335 etc. Π, p. 81, 92.

3 Deze reden Averd aan jeannin niet verzwegen (lp. 408).

4 jeannin, I p. 211, 290, 303, 316, 398, 402, 411.

ocr page 144

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

van zijn karakler ^ tot gewelddadige maalregeleD heeft lalen verleiden, die welligt 1607.
eene scheuring lusschen de Vereenigde Gewesten ten gevolge zouden hebben gehad

Kaauwelijks waren de Fransche afgezanten in Holland aangekomen, of de Slalen-Ge- Geziudheidvan
neraal vaardigden twee hunner aanzienlijkste leden, johanbergk, pensionaris van Z^orci-
recht ^ en jagob de malderée ^ naar Engeland af, om den koning opening van hunne
zaken te geven en hem uit te noodigen hun in deze gewigtige omstandigheid insgelijks met
zijnen goeden raad te dienen. Deels uit vrees voor
Spanje^ deels uit koninklijken trots,
had
jagobus I zelf op dit bewys van eerbied aangedrongen, en hoewel de Staten zich
van zijne tusschenkomst weinig vrucht voorspelden, hadden zij echter gemeend niets Ie
mogen verzuimen om zyne welwillendheid te behouden en hem te beletten geheel naar
de zijde hunner vijanden over te slaan. Hij onderhield zich minzaam met de Staatsche
gezanten, doch scheen, even als zijn eerste minister, de hertog van
Salishunj, even-
min geneigd den vrede goed te keuren als de Stalen tot het voortzetten van den oorlog
in slaat Ie stellen. Het duurde tot in September, eer
rudolpu wiswood, de ge- hij zendtins-
>vone gezant
le'sllage, in gezelschap van righard spencer van eenen uitstap naar Î™^αΧΪ-

vaderland te Gravenhage terugkeerde, om met dezen aan de onderhandelingen deel te
nemen. De beide Engelschen bleven echter eene zeer ondergeschikte rol vervullen.
Daar hun dubbelhartige en schroomvallige vorst aan den eenen kant alles zocht te ver-
mijden, wat FiLiPs III aansloot kon geven, en in zijn hart aan de Vereenigde Gewes-
ten de onafhankelijkheid niet gunde, doch aan den anderen kant het belang hunner
zelfstandigheid voor de veiligheid van zijn rijk en de zegepraal van het Protestantisme
niet ontkennen kon, bleef hij bij den vredehandel meer een belangstellend toe-
schouwer dan een werkzaam deelgenoot. Zijne gezanten zagen zich daardoor verpligt
hoofdzakelijk de rigling te volgen, die hun door
jeanniit werd aangegeven, en waren
daartoe te eerder bereid, daar de talentvolle Franschman door zijne openhartigheid allen

1 JEANNIN, I p. 283: »tant qu'il y a quelque eaperance de gucrre, il nc veut rien cscouter."
Zie ook p. 304.

2 Zie O. a. jEANsiif, I p. 39, 148, 183, 275, 373, 413. II, p. 168 , 504. UI, p. 122, 145.

3 Het is niet zonder {^ewigt dat deze vertrouwde vriend van prins maürits met zijnen ambtgenoot
aan den Franschen gezant te
Londen verzekerde, dat zelfs de ruimste onderstandsgelden de Repu-
bliek niet baten konden, indien
Frankrijk en Engeland niet insgelijks den oorlog aan Spanje
verklaarden (jeannin 1 p, 265). Ook verdient het volgende berigt van jeaknin (I p. 329) opmer-
king: »Monsieur de Maldrce m'a dit qu'il a tenu quelques propos comme de luy raesme au
comte de Salsbery, pour les droits que feu Monsieur Ie Prince d'Orange pretendoit en eet Estat
afin que Ie Prince Maurice fust favorisc de l'aulhoritc et bien-veillance du Roy d'Anglcterre." —
Van de zeer naauwe vriendschapsbetrekking tusschen
maurits en de malderée komen reeds in 1586
sporen
Toor, in de Correspondence of Leicesler, p. 73 s.

ocr page 145

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1607. aΓg^γaan omtrent de bedoelingen van zynen vorst verbande en hun vertrouwen won.

Tegenover Spanje was het echter voor de Republiek van groot gewigt, dat ook En-
geland
voor haar lot niet onverschillig bleef, maar integendeel krachtdadig mede scheen
te werken, om haar gunstige voorwaarden Ie bezorgen
Op verzoek der Deels om liet bewijs te leveren, dat zij opregtelijk gezind waren onder billijke voor-
andere vorsten waarden een einde aan den oorlog te maken, en zich daardoor bij het afspringen der
waaTts"^ onderhandelingen krachtdadiger bijstand van de overige Protestantsche mogendheden te
verzekeren, deels om hen niet door onachtzaamheid te beleedigen, zonden de Slaten-
Generaal insgelijks afgezanten naar den koning van
Denemarken en de keurvorsten van
Brandenburg en de Pallz, met verzoek om den aangeknoopten vredehandel tot een
gewenscht einde te helpen brengen. Tegen het einde des jaars werden de rijksraad
jacob uhlefeld cu de reglsgeleerde jonas cnAiiisius door christiaaw IV naar '5 Graven-
hage
afgevaardigd. Iets later kwamen aldaar met hetzelfde doel de geheimraad mero-
hymus von dieska
uit Brandenburg en de beroemde geleerde hippolytus α collibus
uit de Paltz 2.

Brief van den kei- Hoewel de keizer van Duitschlandy als door bloedverwantschap en staatkunde ten
Jen antwoordSpanje's belangen verknocht, niet was uitgenoodigd aan de onderhande-
der staten. lingen deel te nemen, begreep bij toch althans bij geschrifte voor de regten van het
Duitsche rijk te moeten waken. In November ontvingen de Staten-Generaal van hem
eenen brief, blijkens het opschrift gerigt »aan de Staten van
Holland en Zeeland en
de met hen verbondene provinciën," waarin hij, na eene wijdloopige uiteenzetting van
de pogingen, door hem en zijnen vader tot bevrediging der Vereenigde Gewesten in
het werk gesteld, zgne bevreemding te kennen gaf, dat zy zonder zyne voorkennis
eenen vredehandel hadden aangevangen, welks voortzetting zij van eene verklaring hun-
ner vryheid afhankelijk maakten, en hen vermaande om hunne betrekking tot het
Duitsche rijk hierbij niet uit het oog te verliezen. De Staten-Generaal voerden in hun
antwoord tot verschooning hunner nalatigheid aan, dat zij niet vermoed hadden dat
de aartshertogen of
filips III hunnen broeder en neef van den loop der zaken onkun^
dig zouden hebben gelaten, terwijl zy overigens dringend verzochten dat de keizer zou
medewerken om aan den langdurigen oorlog een einde te maken. Van de voormalige
leenroerigheid der Vereenigde Gewesten aan het Duitsche rijk werd door hen geen
woord gerept. Het billijke verlangen der Staten naar onafhankelijkheid liet evenmin

ï van meteren, f. 569 c. jeankin, I p. 132, 134, 162, 169, 175 , 253 , 265 , 286 , 323 , 329
etc.
wiNwooD papers, U p. 313, 314, 428.

? ph. du Bois (11 8. 86, 87, 91, 92) gewaagt bovendien van de komst van gezanten uit Clee(\
Keulen f Zwitserland
en Venetië,

ocr page 146

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

toe die betrekking te erkennen, als eene gezonde politiek gedoogde haar op dit hag- 1607.
chelijk tijdstip te loochenen en te wederleggen

Inmiddels waren de Toorloopige onderhandelingen reeds zoover gevorderd, dat men
de opening van het vredescongres eerlang te gemoet kon zien.

De tijd van drie maanden, binnen welken de koning \an Spanje, volgens de geslotene ^ Verkkïcken

overeenkomst, het verdrag met de aartshertogen moest bekrachtigen, was bijkans ver- volledige be-

.. . , .. krachtiging der

loopen, toen spinola vrijgeleide verzocht voor den geheimschrijver louis verreyckeü, overcenkomstmet

die de verlangde verklaring over moest brengen. Op den 24·'®" Augustus kreeg deze ^οοχ^^οη'ΙΐίοΏΐΓ^
gehoor bij de Staten-Generaal, en legde een geschrift over, waarbij
fiijps eenvoudig Sjianje.
verklaarde, dat hij in de wapenschorsing toestemde. Van de onafhankelijkheid der Ver-
eenigde Gewesten werd daarin met geen enkel woord gesproken, zelfs geen goedkeu-
ring der aangeknoopte onderhandelingen te kennen gegeven; en des konings ondertee-
kening:
yo el rey (ik de koning), was niet slechts in strijd met den gewonen vorm van diplo-
matieke stukken,, waaronder hij gewoonlijk zijnen eigennaam
filippus plaatste, maar wekte
zelfs het vermoeden op dat de aartshertogen zich tot bereiking van hun doel van een der
oningevulde doch door
filips III onderteekende papieren bediend hadden, waarvan zy
gewoonlijk voorzien waren Met zulk een geschrift konden de Staten geen genoegen
nemen, en
verreygken ontving derhalve ten antwoord, dat de aartshertogen geenszins
aan hunne belofte voldaan hadden, en hij derhalve ten spoedigste vertrekken moest. Hij
verzocht en verkreeg echter uitstel, ten einde eerst nog naar
Brussel te kunnen schrijven,
en ontving na weinige dagen eenen brief van den president van den geheimen Raad
jea.n
riohardot,
Waarin deze de bezwaren der Staten ongegrond noemde, daar de koning van
Spanje, geen deel van het verdrag verwerpende, geacht moest worden het in zyn geheel
Ie hebben goedgekeurd. Hy verklaarde echter dat de aartshertogen, hoewel zij volkomen
Hij verlangt
aan hunne belofte voldaan hadden, bereid waren nogmaals naar »Spaw/ß te schrijven, jer ^'''^"stnT^^^
ten einde eene meer volledige bekrachtiging te bekomen, rails de Staten insgelijks van
hunne zijde een blijk van welwillendheid gaven, door niet langer uit te stellen hunne
oorlogsvloot terug te ontbieden.

Bij de oorlogspartij, die inderdaad gegronde reden had om de handelwijze der vijan-
den te wantrouwen, vond deze eisch echter groote tegenkanting. Zelfs achtten velen, die tot
nog toe voor den vrede gestemd waren geweest, het thans hoogst onwaarschijnlijk, dat
filips III immer eene voldoende bekrachtiging leveren zou, en begonnen aan den goeden
uitslag der onderhandelingen te twijfelen.
Oldekbarrevelt was echter van oordeel,
dat men niets verliezen en integendeel veel winnen kon, door aan het verlangen der

^ VAN METEREN, f. 573 i/, 574.^ CBOTIDS, p. 525. JEANNlIf, II p. 24-

^ jeannin, 1 p. 283. Zie echter ook van der vtkct, III bl. 527·

III Deel. 2 Stuk. ' 55

ocr page 147

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

iß07. aarlsherlogen toe Ie geven. Het terugroepen der Tloot was niet veel meer dan eene
ijdele formaliteit geworden, nadat men zich verbonden had haar geen voorraad meer toe
te voeren. Reeds waren drie harer schepen uit behoefte aan leeftogt binnen gekomen ^,
en men wist dat de overige niet lang meer zee zouden kunnen houden. Uit dien
hoofde was 's lands advokaat niet gezind de mogelgkheid van den vrede aan dit
onbeteekenende punt op te offeren. Zijn gevoelen vond weerklank in de meeste koop-
steden , alwaar men de talryke graanschepen terug verwachtte, die in het voorjaar de
Middellandsche zee waren binnengezeild, en niet zonder vrees was dat de koning van
Spanje die bodems overvallen en in beslag nemen zou, wanneer de Staatsche oorlogs-
vloot op zyne kusten eene dreigende houding bleef bewaren. De Staten van
Holland be-
slolen derhalve het voorstel in te willigen, en de Staten-Generaal volgden dit voorbeeld.

De staten vor-Ten einde echter eene herhaling van Spanje's handelwijze onmogelijk te maken,

(leren eene andere

bekrachtiging, Stelde men, in overleg met de Fransche gezanten, aan verreïgken een ontwerp ter
vloot ΐοΓυ^." ° hand van de bewoordingen, welke de bekrachtiging des konings moesten uitdrukken,
met vrijheid om daarvoor de Latijnsche, Fransche of Vlaamsche taal te gebruiken.
Den volgenden dag werd hij nogmaals ter staatsvergadering ontboden.
Oldbnbarne-
velt,
die het woord voerde, betuigde hem de ernstige misnoegdheid der Staten op
pater
neyen, die getracht had enkele personen door omkooping te winnen. Hg ver-
klaarde dat diergelijke pogingen slechts strekken konden om het vertrouwen in des
vijands opregtheid te schokken. Bovendien konden zg geheel doelloos heeten, daar de
vergadering der Staten-Generaal uit meer dan zeventig personen bestond, die verpligt
waren het gevoelen van een veel grooter getal regenten in hunne bijzondere gewesten
in te winnen. Zulk eene menigte personen was niet om te koopen: en mögt iemand
zich zoover laten verleiden, eene gestrenge straf zou het loon zyn van zijn verraad
jegens het vaderland. Met deze woorden gaf
üldenbarnevelt aan verreygkew de ge-
schenken terug, welke
gornelis van aebssen vroeger met zgne en maurits' voorkennis
en goedkeuring had aangenomen, opdat men de bewijzen van de slinksche handelwijze
der vijanden in handen zou hebben, en die aan den Thesaurier der Unie
joris de bie,
een man van beproefde trouw, in bewaring waren gegeven. Beschaamd en verlegen,
wist
verreycken niets anders te antwoorden, dan dat de aartshertogen zonder twgfel
van deze afkeurenswaardige daad van
neyen niets geweten hadden. Den volgenden
dag keerde hij naar
Brussel terug

Met welk reikhalzend verlangen oldenbarwèvelt ook naar den vrede uitzag, die de

1 JEANKIN, 1 p. 280.

2 van meteren, f. !}69 d, 570, 571. grotiüs, p. 520. jeannin, I p. 269—312. van der vy>'ct,
111 bl. 522—524. van der kemp, 111 bl. 21—26, 123, 124.

ocr page 148

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

—" rnrni^mmmm^m^mmmmimmmmmÊm^ÊÊmmmÊ^mmmÊmmmmmÊÊmmmmÊm^^mmmm

Tiijheid en den bloei des vaderlands zou bevestigen, ook in zijn gemoed waren ernstige 1607.

twijfelingen opgerezen of Spanje met het rekken der onderhandelingen welligt slechts

uitstel zocht, ten einde de Vereenigde Gevresten langzamerhand aan den krijg te ontwennen

en zich inmiddels tot een krachtigen aanval voor te bereiden Men vernam dat in

de Spaansche en Portugesche havens eene geduchte oorlogsvloot gereed gemaakt en door

den graaf de fuentes, filips' stadhouder in het hertogdom Milaan^ eene talrijke leger-

magt aangeworven werd; en hoewel men grond had om te vermoeden dat de eerste

lioofdzakelyk tegen de Barbarische roofstaten bestemd was en de laatste wegens slechte

betaling gedurig aan het muiten sloeg, had men echter reden genoeg, om van de

Spaansche trouweloosheid het ergste te duchten 2. Bij den aanvang der onderbande- De staten blij-

lingen, op den Maart, was de noodzakelijkheid om zich, niettegenstaande den S^^^P'^^'^-

penstilsland, veeleer nog sterker te wapenen dan aan vermindering van het leger te

denken, in de vergadering der Staten van Holland krachtig uitgesproken en hoewel

liet leger den ganschen zomer en herfst werkeloos bleef, werd uit dien hoofde geen

enkele compagnie afgedankt Κ Op dezen grond wist de Fransche gezant, op aandrang

van OLDENBARNEVELT, vcrgunuing te erlangen om de voortduring der tot op dien tyd

verstrekte onderstandsgelden aan de Staten toe te zeggen, niettegenstaande Hendrik IV

uit jaloerschheid wegens het naar Engeland gezondene gezantschap en misnoegen over

de weigering der verklaring, dat men zonder zijne toestemming geen vrede zou sluiten,

daarin aanvankelijk groot bezwaar had gemaakt ß.

Prins maurits, wien de inschikkelijkheid der Staten jegens de aartshertogen geweldig Maurits ijvert
legen de borst had gestuit, liet intusschen niets onbeproefd om zijne partij te versterken,

' jEANNiN, I p. 113, 420, 459.

2 JEANNIN, 1 p. 156, 180, 191, 340 , 369 , 375 , 406. ph. du bois, II s. 37, 57, 61, 70, 72.

3 Resol. v. Hollandy 1607 bl. 90: »Is voorts geproponeert, dat ter oorsaake van de voorsz.
oiTres en presentatien, mitsgaders het besoignc op het eelve, geen minder maar veel meer devoi-
ren behoord gedaan te worden, om de vereenigde Provinciën, Quartieren, Steeden en Fortressen
onder deselve behoorende, en namentlijk de Landen, Quartieren en Steeden van Holland en West-
vriesland met alle voorsigtigheid en zorgvuldigheid, in goede correspondentie, eênigheid en ordre,
jeegens alle aanslagen, meneen, oneenigheden en swaarigheden te conserveeren van alle ongeval
en inconvenienten, ook dat tot dien einde te meer noodig is, de vereenigde Landen, en Sonder-
linge de Landen van Holland en West vriesland van meer volks van Oorloge, ook meerder midde-
len van Contributien te verstrekken, enz." Zie ook bl. 154, 165.

jeannin, 1 p. 322, 325. pii. du bois, 11 s. 57, 80 (15 Nov. 1607); »Das Kriegsvolck wirdt
nirgend abgedanckt." Alleen was in Julij (t. a. p. II s, 59) een aantal mariniere ontslagen, die
men te allen tijde in overvloed bekomen kon.

5 JEAKRiN, I passim, Resol. v. Holland, 1607, bl. 230.

ocr page 149

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1607. en zocht bepaaldelijk de Staten van Friesland en Groningen over te halen, zich met
die van
Zeeland te vereenigen om den vrede tegen te houden. Oldenbarnevelt , die
de ware gezindheid der regenten in de beide eerstgenoemde gewesten kende, en bo-
vendien wist dat hij op den veelvermogenden invloed van
Holland's Staten rekenen kon,
verklaarde aan
jeahnin dat hg zich bij de onzekerheid omtrent Spanje^s bedoelingen
geenszins tegen des stadhouders pogingen verzetten zou, daar het veiliger was de pro-
vinciën tot de hervatting van den kryg voor te bereiden, dan door het uitzigt op een
zekeren vrede in slaap te wiegen. Door tusschenkomst van graaf
willem lodewijk,
die wel in ma.urits' wantrouwen in Spanje deelde en het voordeel van den vrede uit
dien hoofde insgelijks voor zeer twijfelachtig hield, maar toch het gevaar van verdeeld-
heid tusschen de onderscheidene provinciën en de voornaamste hoofden der Republiek
niet voorbyzag, had
jeannin in Juny eene verzoening tusschen den advokaat en Hol-
landss
stadhouder pogen te bewerken: doch de argwaan omtrent oldenbarnevelt's be-
doelingen, eenmaal in
maurits' hart opgewekt, en door de krachtige prikkels van
hoogmoed en ijverzucht gevoed, kon er niet geheel uit verbannen worden, terwyl des
laatsten handelingen aan den anderen kant niet steeds geschikt waren om den advokaat
tot inschikkelijkheid te bewegen. Weldra kwam de vorige koelheid terug en nam zelfs
hand over hand toe

Gezindheid der De burgerij, hoezeer bijna overal van stem in zaken van staat beroofd, begon thans
Lirgeiij. insgelyks een levendig aandeel aan den strijd der partijen te nemen. Het regende vlug-

schriften voor en tegen den vrede. Hoewel het verlangen naar rust zelfs in Holland den
boventoon behield, scheen de oorlogspartg allengskens in kracht te winnen. Vele pre-
dikanten bragten het onderwerp op den predikstoel en waarschuwden tegen elk verdrag
met den trouweloozen vijand van den eenigen waren godsdienst en 's lands privilegiën.
Wie voor den vrede sprak, werd niet zelden beschuldigd, door Spaansch goud te zyn
omgekocht, en zelfs
gornelis van aerssen achtte het noodig zich door eene gedrukte
verdediging van dien blaam te zuiveren, niettegenstaande hij zich in dit opzigt niets te
verwijten had 2. Het krygsvolk, ontevreden over den stilstand van wapenen en beducht
spoedig afgedankt te zullen worden, sloeg hier en daar tot losbandigheid over en stroopte
op het platte land, en de Hollandschc en Zeeuwsche matrozen vloekten en raasden tegen
eenen vrede, die hun de gelegenheid om ryk geladene galjoenen en karaken buit Ie
maken en bovendien, naar zij vreesden, de kans op eene aanzienlijke uitbreiding der
scheepvaart benemen zou

1 jEANKiN, I p. 104, 105, 112, 159, 171, 186, 213, 253, 254, 258, 304, 331, 336, 373.
VAN VEuvov, bl. 326, 331, 332. ^

2 VAN METEREN, f. 582. VAN DER VVNCT, 111 bl. 516.

PH. DU bois, II 8. 80—82. Zie ook van vervov, bl. 325, 343, 344.

\
: \

ocr page 150

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

Inderdaad was er grond om in dit opzigt ongerust te zijn. Het was hoogst waar- 1607.
schijniijk dat de Spanjaarden geen middel onbeproefd zouden laten om de Nederlanders
by het yredesverdrag uit
Oosl-Indië te weren en hen over te halen om weder, gelijk
voorheen, zich tot de vaart op
Spanje en Portugal te bepalen. Doch ook al mögt dit
gewigtige punt niet door den vijand gewonnen worden, het scheen toch bykans ontwg-
felbaar dat de aangeknoopte onderhandelingen een onoverkomelyke hinderpaal zouden
worden voor de oprigting eener nieuwe compagnie, die aan het bootsvolk nog niecr
roem en buit voorspiegelde.

De handel op West-Indie en Brazilië, die reeds sedert verscheidene jaren met voor- Pogingen tot

oprigting ecncr

deel gedreven werd, was in het begin der zeventiende eeuw nog meer aangewakkerd VereenigdeWest-
door de ontdekking van eenige eilanden op de kust van Guiana, op welke zeer fijn wit pagn^l^^
zout gevonden werd, hetwelk men slechts van het strand en de klippen had op te schep-
pen De mededinging der onderscheidene reederijen in
Holland en Zeeland deed
echter aan dezen nijverheidstak niet minder afbreuk dan in
Oost-Indië vóór 1602 het
geval was geweest; en de redenen, die tot de oprigting der Vereenigde Oost-Indische
compagnie geleid hadden, schenen bij de vaart op
Amerika nog sterker voor eene dier-
gelijke aaneensluiting der verbrokkelde krachten te pleiten, daar het gezag der Span-
jaarden aldaar veel steviger gevestigd was. Reeds in 1591 had
willem usselingx, een
bekwaam en ervaren koopman, die geruimen tyd in
Spanje en Portugal en op de Agorischc
eilanden had verkeerd, vele gewigtige bijzonderheden omtrent de vaart op Amerika en
den handel in de Spaansche koloniën aan enkele der voornaamste Hollandsche reeders
medegedeeld, en hen op het groote voordeel gewezen, dat zoowel voor hen als in het
algemeen voor de Republiek uit de oprigting eener Vereenigde West-Indische compagnie
zou kunnen voortvloeyen. Zijne voorstellen hadden destijds weinig weerklank gevonden,
doch toen de vaart naar het westen allengskens meer toenam, werd hij in het jaar 1600
door eenige kooplieden uitgenoodigd om een ontwerp voor zulk eene handelsvennootschap
op te stellen. Drie jaren later hadden er verscheidene bijeenkomsten tusschen de be-
langhebbenden plaats, waarbij de mogelijkheid om niet slechts groote winsten te behalen
maar ook den Spanjaarden gevoelige verliezen te doen lijden en daardoor welligt den
oorlog spoedig tot een gewenscht einde te brengen, door
usselingx in een helder
licht werd gesteld. De Amsterdamsche predikant
petrus plangius, wiens gevoelen in
deze zaken groot gezag had, verklaarde zich voor het ontworpen plan. Bovendien
vond USSELINGX veelvermogende ondersleuning by den raadsheer in den Hoogen Raad
FRAK^ois FRANCKEN, dic zich met grooten yver op de kennis der landen en eilan-

^ Hiervoor, bl. 82, 88. Mr. w. e. j. berg, Bijdragen lot de geschiedenis onzer kolonisalie in
Noord-Amerika,
in de Gids voor 1848, II bl. 529 , 530.

ocr page 151

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1607. den van West-lndië had toegelegd. Het was waarschijnlyk ten gevolge Yan diens mede-
werking, dat de zaak in het jaar 1606 door de Staten van
Holland in overvceging
werd genomen. Zoowel de edelen als de afgevaardigden der sleden verklaarden de op-
rigting eener Vereenigde West-Indische compagnie »voor den lande loffelijk, eerlijken
zeer dienstelijk" te houden stelden eene akte op, welke de deelnemers verpligt
zouden zijn te onderteekenen, benoemden in de voornaamste steden van
Holland eenige
personen, welke zich met de zorg voor de bijeenbrenging van het noodige kapitaal
zouden belasten en noodigden
frangkeit uit, om deze hoogst wenschelyke zaak zooveel
mogelijk te bevorderen

Bezwaren, aan Het was er echter verre af, dat de toekomstige West-Indische compagnie bij de koop-

liare oprigting

verbonden. lieden algemeenen bijval vond. Tusschen den handel op Oost-Indië en dien op Amerika
was een aanmerkelijk onderscheid. Op Java, Sumatra en de Molukhen trof men mee-
rendeels onafhankelyke vorsten aan, waarmede men vrijelyk handelsverdragen sluiten
kon. De kusten van
West-lndië en Brazilië waren daarentegen bijna geheel door de
Spanjaarden bezet, zoodat de Staatsche koopvaardijschepen aldaar slechts door omkooping
of geweld toegang konden bekomen. Eene volle lading speceryen schonk den reeders
niet zelden verscheidene kapitalen winst, terwijl de waren, die uit
Amerika werden
aangevoerd, veel minder voordeel opleverden. In den Indischen archipel trof men in
den regel slechts weinige en verspreide Portugesche schepen aan. Telken jare vertrok
daarentegen eene Spaansche oorlogsvloot ter begeleiding der koopvaardyschepen naar
Portohello en om de drie jaren eene andere gelijktydig naar Veracruz, in welk geval
beide vloten zich te
Havanna vereenigden om gezamenlyk den terugtogt aan te nemen
Er werd dus eene veel grootere krachtsontwikkeling gevorderd om aldaar vasten voet te
zetten en een geregeld handelsverkeer te vestigen. Tot bereiking van dat doel zouden
zeeslagen geleverd, vestingen veroverd en een onafgebroken krijg gevoerd moeten wor-
den. Ook had
usselingx, die deze bezwaren zeer goed inzag, reeds in zijn oorspron-
kelijk ontwerp opgenomen, dat men de inlanders, voor zooverre zij nog met de Span-
jaarden in oorlog waren, van wapenen voorzien, in den krijgskunst oefenen en hun het
gebruik van paarden leeren zou. Het was derhalve ontwijfelbaar dat de uitgaven eener
Vereenigde West-Indische compagnie zeer aanzienlijk zouden zijn, maar nog onzeker,
of de winsten, die men eerst na een geruim tijdsverloop verwachten kon, de aanvan-

1 oldenbakkevelt vertlaarde later {Verhooren bl. 74 n°. 101): »dat hij — geduyrende den oor-
loge tot 'tiformeeren en octroyeren van dezelve comp, is geaiFcctioneerd geweest ende het inwilli-
gen van dyen geraden heeft."

2 BERG, t. a. p. bl. 525—534.

^ Λν. ROSCHER, ΚοΙοπίβΗ, KolonialpoHtik und Atiswanderung. Leipzig, 1856, s. 184—186.

ocr page 152

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

kelyke opofferingen zoudea Tergoeden. Het kan dan ook niet bevreemden, dat het aan 1607.
een voldoend getal inschrijvers ontbrak, en dat het kapitaal van zes millioen gulden,
hetwelk de Staten van
Holland voor den goeden uitslag der onderneming onmisbaar
achtten i, op verre na niet bijeengebragt kon worden. Terwijl de Oost-Indische com-
pagnie voor haar octrooi eene som van
f 2Ö000 in 's lands kas had gestort, werd door
de voorstanders der West-Indische aan de Staten-Generaal gedurende vijf jaren eene
bydrage van twee tonnen gouds benevens twintig volkomen uitgeruste oorlogschepen
gevraagd. Bg deze zwarigheden voegden zich nog de naijver en het eigenbelang der on-
derscheidene koopsteden, die zelfs aan de oprigting der Oost-Indische compagnie zoovele
hinderpalen in den weg hadden gelegd. Te vergeefs reisde
fkancken op uitdrukkelijk
verzoek der Staten van
Holland^ die de zaak ijverig bleven bevorderen, heen en weder
om de onderscheidene belangen tot overeenstemming te brengen en de geestdrift op te
wekken voor het stoute ontwerp, waarvan hij zich de schoonste gevolgen voorspiegelde.
Wel werd in
Zeeland voor belangrijke sommen geteekend, doch in Holland vond de nieuwe
compagnie minder bijval. Reeds hadden hare voorstanders, aan voldoende ondersteuning
in het vaderland wanhopende, het oog naar
Frankrijk gewend en in het vorige jaar door
tusschenkomst van den voormaligen gezant
de buzanval de medewerking van Hendrik IV

ingeroepen De onderhandelingen met de aartshertogen, die spoedig daarop eenen aan- Zij wordt door

de ondcrhande-

vang namen, legden aan het ontwerp nieuwe zwarigheden in den weg. De vredespartij lingenmet
ondervond weldra, dat het reeds hoogst moeijelijk zou zijn het behoud van den Oost- gfond'gcschoven.
Indischen handel van Spanje te bedingen, en dat de oprigting eener Vereenigde West-
Indische compagnie niet slechts den vijand verbitteren maar ook in dc Republiek veler
gemoederen tegen den vrede stemmen zou, door de hoop op veroveringen in het zilver-
en goudrijke
Amerika levendig te houden. Deze omstandigheid bleef gewis niet zonder
invloed op de gezindheid der Staten en droeg er toe bij om het ontwerp op de lange
baan te schuiven. Wel riepen zij de inschrijvers nog herhaaldelijk bij elkander, om
daarover te beraadslagen: doch de eigenlijke bedoeling dezer bijeenkomsten was veel
minder om de zaak zelve tot stand te brengen, dan om den Spanjaarden vrees aan te
jagen en hen daardoor tot het inwilligen van gunstige vredesvoorwaarden Ie bewegen

1 Resol. v. Holland, 1606 bl. 1098.

2 van μετεπελ-, f. 562, 593—595. Resol ν. Holland, 1606 bl. 923, 969;, 978, 1034, 1098;
1607 bl. 15 , 57 , 73, 168. Mr. ο. vv,
vreede, kanleekeningen bl. 4. vv.

2 berg, t. a. p. bi. 535, 536. grotiüs, p. 505 sqq. — Reeds op het einde des jaars 1607
begou
frarckes, die wei voorzag dat de aangeknoopte onderhandelingen voor de volvoering van
zijn geliefkoosd plan een onoverkomelijke hinderpaal zouden worden, met
jeanms over de moge-
lijkheid te spreken om in
Frankrijk eene West-Indische compagnie op te rigten, en verklaarde

ocr page 153

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1607. De zes weken, binnen welke verreycken en neyew eene meer volledige bekrachti-

ging der wapenschorsing door den koning van Spanje hadden toegezegd, liepen ten
einde, toen de Staten-Generaal den 24sien September brieven van hen ontvingen, waarin
zij nog eenig uitstel verzochten, daar zij wel verzekerd Avaren dat
filips III bereid was
het verlangen der Staten in te wiUigen, doch het vereischte stuk nog niet ontvangen

Veiireycken hadden. Hun verzoek werd toegestaan. Het duurde nog eene maand, eer zij te 'i Gra-
an NEïEN bren- i i i i ■ i
gen eene nieuwe'υβΜΛα^β terugkeerden met eene bekrachtiging, die woordelijk met het hun overhan-

van^^den ^koning tügde ontwerp overeenstemde ^ Zij was echter in het Spaansch gesteld, en noch op
van Spanje. perkament geschreven noch met den naam des konings voorzien. De onderteekening
luidde als bij het vorige stuk το
el rey, en het groote zegel van Spanje werd even-
zeer gemist. Bovendien volgde op de door de Staten voorgeschrevene woorden een by-
voegsel, waarin de koning verklaarde dat deze bekrachtiging van geen waarde zou zijn,
indien het verdrag van vrede of bestand, waarbij de wederzijdsche eischen, »zoo in
zake van godsdienst als in al het overige" beslist moesten worden, niet tot stand kwam.

zicli bereid de dienst der Republiet voor die van Hendrik IV te verlaten, indien deze hem de
leiding dier onderneming wilde toeverfromyen. Zie
jeannis, I p. 233, 244, 245, 340.

1 De vertlaring des konings luidde, Yolgens de Fransche vertaling bij jeankin (I p. 451—455):
»Et dautant que par ledit traité (n. het verdrag met de aartshertogen, lletΛyelk in zijn geheel vooraf
Avas gegaan) lesdits serenissimes Archiducs nos freres out promis de delivrer Ia dessus nos lettres de
ratification, et semblable declaration avec toutes les generales et particulieres renontiations et obli-
gations que Ie cas requiert, Nous avons, apres meure deliberalion et advis de nostre conseil, de
nótre certaine science et puissance Royale absolue, pour l'accomplissement de la dite promesse
et
asseurance du traitté principal de la paix ou longue irève,
fait et faisons par la presente ausdits
Estats, declaration semblable a celle que nosdits freres ont faite, dont cy-dessus est fait mention,
pour autant que la chose nous touche: Et principalement declarons que nous sommes contens,
qu'en nostre nom et de nostre part Γοη traitte avec lesdits Estats en qualité, et' comme tenans
iceux pour Pais, Provinces et Estats libres, sur lesquels nous ne pretendons rien. Aussi avons
loué, approuvc, confirmé et ratillé, comme par la presente nous louons, approuvons, coniirmons
et ratifions tous et chacuns les poincts contenus audit traitté j Promettant en foy et parole de
lloy de les entretenir, garder et faire garder et accomplir tous entierement et ponctuollement,
comme si dès Ie commencement nous les eussions nous mesmes déclaré, consenty et promis, et
comme s'ils eussent esté traittez et concluds avec nostre Intervention et authoritéj et ne ferons ny
ne conscntirons jamais cliose au contraire: et promettons de mesme de reparer et faire reparer
toutes directes et indirectes d'iceux, de manière que tout ce que dessus soit de bonne foy
gardé et accomply ausdits Estats; Α quoy nous nous obligeons en parole de Roy, avec toutes les
generales et particulieres renonciations et obligations qui conviennent et sont necessaires," Alleen
de cursijf gedrukte ΛvooΓden ontbraken in het ontwerp der Staten. Zie de
UesoL v. Holland,
1607 hl. 235.

ocr page 154

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

In dat geval zou de koning niets van zijn regt verliezen, maar alles in denzelfden staat 1607.
blijven, waarin het zich tegenwoordig bevond.

Alvorens over de aanneming van deze 'bekrachtiging, die slechts gedeelleliik aan de Op raad der

Transche en En-

gcstelde eischen voldeed, te beraadslagen, begrepen de Staten-Generaal het gevoelen gelsche gezanten,
der Fransche en Engelsche gezanten te moeten inwinnen. Op grond dat de koning
van
Spanje het ontwerp der Staten letterlijk gevolgd was, en de bijvoeging slechts eene
voorwaarde bevatte, die uit den aard der zaak voortvloeide en derhalve bestaan zou, al
ware zij niet in woorden uitgedrukt, verklaarden dezen eenparig dat het stuk hun
voldoende voorkwam en drongen er op aan, dat de Staten zonder langer verwijl met de
aartshertogen over vrede of bestand in onderhandeling zouden treden Op den 50'"=°
October^ werden [de beraadslagingen over dit gewiglige punt in de Staten-Generaal ge-
opend. De beide stadhouders en de Raad van State waren uitgenoodigd daaraan deel ie
nemen. Prins
marrits waarschuwde legen de bedriegerijen van eenen vijand, die allyd
uitvlugten zocht en de Vereenigde Gewesten slechts om den tuin wilde leiden, maar
verklaarde evenwel zich niet tegen het verlangen der Staten te zullen verzetten, daar hij wist
dat zij den vrede wenschten en vertrouwde dat zy 's lands vryheid en welzyn niet uit
het oog zouden verliezen. Graaf
willem lodewijk uitte hetzelfde wantrouwen in
Spanje's bedoelingen, doch stemde insgelijks in den vredehandel toe, mits het over-
geleverde stuk eerst overeenkomstig de gestelde eischen verbeterd werd De Raad
van State vereenigde zich met dit gevoelen. Alleen
Gelderland openbaarde den wensch
om reeds terstond in onderhandeling te treden. De overige provinciën volgden het advies
van
Holland en besloten, dat men de afgevaardigden des vijands over de gebreken der
akte van bekrachtiging zou onderhouden, ten einde die zoo mogelgk te doen herstellen, en
daarna met de Fransche en Engelsche gezanten nogmaals over hare aanneming zou raad-
plegen.
Neyen en verreycken, die inmiddels de overtuiging erlangd hadden, dat de
meerderheid der Hollandsche regenten voor den vrede gestemd was, verklaarden echter
dat men zich bedrogen zou vinden, indien men zich voorstelde eene nog meer afdoende
akte te zullen bekomen; en daar zoowel
winwood als jea.nhin de Staten trachtte te
overreden, dat zij, na in de hoofdzaak hunnen wensch verkregen te hebben, over de
andere bezwaren moesten heenstappen, werd op den tweeden November het besluit
besluiten de sta-
genomen , om de akte aan te nemen, behoudens de nadere goedkeuring der provinciën, n^mel·^*^ ^^
wier Stalen terstond zouden worden bijeen geroepen. Binnen zes weken zou men den
uilslag hunner beraadslagingen aan den vijand melden, en indien zij in den vredehandel

1 jEAWiiN, I p. 455—468.

' Dat WILLEM LODEΛVIJK vccl minder dan siAuniTs tegen de onderhandelingen gekant was, blijkt
uit
jeankin, 1 p. 463.

III DEEL. 2 Stuk:. 56

ocr page 155

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

eBgBBBBSggËËËg····^'··'^···^^

I 1607. toestemden, tien dagen daarna de gezanten der aartshertogen te 's Gravenhage ver-
wachten. Ten einde elke nadeelige uitlegging van het slot der akte van bekrachtiging
te voorkomen, werd bovendien in het antwoord, hetwelk aan
nbyeit en verreycken ter
hand werd gesteld, uildrukkelyk opgenomen, dat men vertrouwde dat noch van wege
de aartshertogen noch van wege den koning van
Spanje iets zou worden voorgesteld,
hetwelk het inwendige bestuur der Vereenigde Gewesten raakte, daar dit volkomen in
stryd zou zijn met hunne thans openbaar erkende onafhankelykheid

Inderdaad zou het, bij den hagchelyken toestand van de finantiën der Republiek,
eene onverantwoordelijke aanmatiging geweest zyn, indien de Staten nog meer eischen
aan
filips III gesteld hadden. Was het voor hunnen triomf en de eer des lands niet
voldoende, dat de koning van het magtige en trotsche
Spanje, door het woordelijk
naschrijven der hem voorgelegde verklaring en het goedkeuren van 'óf
Gravenhage als de
plaats van bijeenkomst voor de wederzijdsche gevolmagtigden, voor het oog van gansch
Europa den vrede zocht? Was daarin niet eene erkenning van de onafhankelijkheid en
de onverwinbaarheid der Republiek gelegen ,„ veel krachtiger dan in eenig staatsstuk kon
worden uitgedrukt? Eu kon het aan de beteekenis dezer feiten eenigen afbreuk doen,
dat de Spaansche diplomatie zich niet schaamde door opzettelijke onachtzaamheden in
de akte van bekrachtiging den schijn van kleingeestigheid en dubbelhartigheid op zich
te laden?

Vruchtelooze Niettemin wekten de onvolledige vorm dier akte en de aan het slot bijgevoegde woor-
bgspfrtij.om^ ergernis en gaven aan de oorlogspartij geduchte wapenen in de hand. Men

houden vroeg of het raadzaam was eenen vijand te vertrouwen, die altijd minder gaf, dan hij

beloofde, en door zyne dubbelhartige handelwyze bewees, dat hy kwade voornemensin
zijn schild voerde. Men noemde het hoogst onvoorzigtig om zijne afgezanten welligt
voor geruimen tijd te
^s Ilage toe te laten, nadat men ondervonden had met welke
geheime streken pater
heyen zich reeds bij den aanvang der onderhandelingen onledig
had gehouden. Men beweerde dat de bekrachtiging zoodanig was ingerigt, dat het slot
den aanvang wedersprak, en de naauwelijks afgelegde onafhankelijkheidsverklaring door
het daarop volgende beding geheel ontzenuwd werd. Bovenal wekte het by velen
groote ergernis, dat de regeling van de godsdienst als een punt van onderhandeling
was aangegeven. Hiermede werd, naar men meende, niets anders dan vrijheid van
openbare eeredienst voor de Katholijken bedoeld; en het stuitte de meeste Hervormden
geweldig tegen de borst, om dit punt aan
Spanje in te wilhgen. Kon men aan het
minst betrouwbare gedeelte der bevolking zulk een gevaarlyk voorregt schenken,

I van der kemp, lil bl. 27—30, 125—130. van meteren, f. 572 d, 573. grotiüs, p. 521—524.
van der vvnct, 111 bl, 525—527. bentivocuo, bl. 749-7G0. Resol. v. /Manrf, 1607 bl. 231—237.

ocr page 156

DES VADERLANDS. 2Ö1

zonder 's lands welzijn op het spel te zeilen? Was de heerschappij der Hervormde 1607.
kerk niet een der gewigtigsle doeleinden Tan den opstand tegen Spanje geweest? Zou
men andermaal de «afgrgselijke pauselijke superstitiën" in het openbaar moeten dulden ?
Vooral bij de streng Calvinistische predikanten ^ verdubbelde de vrees voor zulk eene
inschikkelijkheid van de zijde der Staten den ijver tegen een verdrag met den trouwe-
loozen vijand, wien men naar hunne overtuiging geen geloof kon en mögt schenken.
De listigheid en boosaardigheid der Spanjaarden en het dreigende gevaar, om met hen
in onderhandeling te treden, maakten het onderwerp van menige leerrede uit, waarin de
voorstanders van den vrede geenszins werden gespaard; en de leiders der oorlogspartij ver-
zuimden niet van deze opgewondenheid der meeste godsdienstleeraars partij te trekken,
om aanhangers voor hun gevoelen te winnen en de burgerij tegen den vrede te stemmen

Niettegenslaande alle pogingen der tegenpartij , om door het volk op de regenten te werken ,
behielden de voorstanders van den vrede echter de overhand. Toen de Staten-Generaal op den
20"®" December weder byeen kwamen, bleek het dat alle provinciën in den vredehandel
toestemden. Voordat dit aan de aartshertogen werd medegedeeld, gaven de afgevaardigden
der onderscheidene gewesten elkander de plegtige verzekering, dat zij de vrijheid der Ver-
eenigde
Nederlanden ^ zoowel in kerkelijke als in wereldlijke zaken, nimmer prijs geven en de
onderhandelingen terstond afbreken zouden, indien de vijand daarin eenige zwarigheid
mögt maken. Eerst nadat deze onderhnge verbindlenis gesloten en door eene uitdrukkelijke
akte bevestigd was, gaf men den aartshertogen kennis, dat men bereid was over den
vrede in onderhandeling te treden, en de komst hunner gezanten tot dat einde te gemoet
zag. Op het verzoek, den
50"°" November door heyen en verreygken aan de Staten-
Generaal gerigt, dat onder die gezanten een of twee personen, geen Nederlanders zijnde,
van wege den koning van
Spanje mogten worden afgevaardigd, werd geantwoord, dat
men ook eenen Spanjaard, mils geen krijgsoverste zijnde, zou toelaten Daar het

56*

ocr page 157

284 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

' 1607. einde der wapenschorsing, op den vierden Januarij 1608 bepaald, naderde, stelde men
tevens voor haar voor eene maand of zes weken te verlengen, hetgeen door de aarts-
hertogen terstond ingewilligd en tot aan de sluiting van het twaalfjarig bestand telkens
herhaald werd, zoodat de krijg inderdaad reeds een einde genomen had en er nog slechts
enkele strooptoglen en ruitergevechten voorvielen, die noch op den loop der onderhan-
delingen noch op den toestand van beide partyen eenigen invloed hadden

Verdedigend Jfog vóór de Spaansche gezanten te 'i Gravenhage verschenen, bragt oldenbaknevelt

verbond tusschen

Frankriß en de met JEATOIN een verbond tusschen Frankrijk en de Republiek tot stand, over welks vorm
epubliek. ^^ inhoud beiden reeds geruimen tijd onderhandeld hadden. Zoodra 's lands advokaat
door zyne gesprekken met den Franschen gezant de bevestiging had gekregen van zijn
vermoeden, dat
Hendrik IV niet geneigd was de Staten krachtdadig tot voortzetting
van den oorlog bij te staan, was hy er op bedacht geweest om den vrede, dien hij
hoopte lol stand te brengen, door
Frankrijk''s tusschenkomst zoo voordeelig en zeker
mogelijk te maken; en de Fransche koning, die zeer bezorgd was dat de Staten na
den vrede eene voor zijne belangen minder wenschelijke houding zouden aannemen,
was zelf dit verlangen te gemoet gekomen door
jeanhin herhaaldelijk en met aan-
drang te gelasten, de Republiek door een verdrag tot gemeenschappelijke bescherming
ten naauwste met zijn rijk te verbinden. Voordat
oldenbarheyelt hiertoe overging,
had hij echter begrepen aan de oorlogspartij het bewys te moeten geven, dat men zich
niet meer aan de onderhandelingen kon onttrekken, zonder het misnoegen van
Frankrijk
en Engeland in hooge mate op te Avekken. Op den 171^®" September had hij uit naam
der Slalen-Generaal aan de gezanten dier beide mogendheden voorgehouden, dat de
Republiek in eenen toestand verkeerde, waarin zg óf den oorlog met verdubbelde
krachten en ruime ondersteuning harer bondgenooten voortzetten, óf aan het sluiten

de principaalste Ofliciers van den oorlog) onder de Gecommitteerden sal moogen weosen." Het is
niet onwaarschijnlijk dat
oldenbarnevelt langs dezen weg heeft zoeken te bewerten, dat de Italiaan
spin dl α, wiens verlangen naar vrede hij kende, insgelijks door de aartshertogen kon worden afge-
vaardigd. Zie
Resol. v. Holland, 1607, hl. 384. van der kemp, lil bl. 31, 135 (69). grotiüs,
p. 524. van weteren, f. 583 d.

1 van der kemp, III bl. 30—32, 130—135. van meteren, f. 572. Resol. v. Holland, 1607,
bl. 382—384. —
grotius, p. 528, meldt dat zoowel de Staten-Generaal als de aartshertogen op
het einde dezes jaars een gedeelte hunner troepen afdankten. Indien hij zich ten opzigte der
Staten niet geheel vergist heeft, moet dat gedeelte zeer gering zijn geweest, daar
jeannxn in April
1608 schreef (II p. 234); «les Estats ont tousjours les metnes forces." Zie ook aldaar, p. 263:
))il n'ont licencié un seul homme." In Mei 1608 klaagden de overige provinciën over de han-
delwijze der Staten van
Zeeland, die op eigen gezag eenige troepen hadden afgedankt, zonder daarin
door de overige provinciën gevolgd te worden. Zie p. 335.

\

1

ocr page 158

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

van eenen eervollea vrede denken moest; dat het eerste den Staten veel verkieslijker 1607.
voorkwam en zij derhalve het voornemen hadden aan Hendrik IV en jagobus I voor
te stellen, om zich met hen lot gemeenschappelijke bestrijding van
Spanje te vereeni-
gen en aan
filips III den oorlog te verklaren; dat zij echter vooraf het gevoelen der
gezanten omtrent dit belangrijke punt wenschten in te winnen. In hun antwoord ver-
klaarden de laatsten dat de Staten het niet zouden kunnen verantwoorden, wanneer zij
niet naar de vredesvoorslagen wilden luisteren, die hun van *s vijands zijde werden ge-
daan; dat zij reeds te ver gevorderd waren, om die thans af te breken, en dat dc
gansche Christenheid met levendige belangstelling het einde van den bloedigen en lang-
durigen strijd te gemoet zag. De koningen van
Frankrijk en Engeland, beweerden
zij, hadden den bijstand der Staten tot hunne veiligheid volstrekt niet noodig, doch
waren nietlemin zeer geneigd om de laatsten te beschermen en legen onregt en geweld
bij te slaan. Mögt het niet mogelijk zijn, eenen voor de Republiek aannemelijken
vrede te treffen, dan zouden
Hendrik IV en jagobus I haar geenszins aan haar lot
overlaten; doch zoolang er nog eenige kans op een gunstig einde der met
Spanje
aangeknoopte onderhandelingen bestond, mögt men deze geenszins laten varen. Daar
dit antwoord geen twijfel liet, dat
Frankrijk en Engeland den vrede ernstig begeerden,
begon
oldenbarnevelt ^ thans aan het sluiten van een verdedigend verbond met Hen-
drik
IV te arbeiden, waarbij hij inzonderheid bedoelde de Republiek na den vrede
legen verraderlijke aanvallen van
Spanje te waarborgen. Vurig verlangde hij ook jago-
bus
I te gelijker tijd daartoe over te halen, ten einde Spanje nog vóór den aanvang
der onderhandelingen door dit bewijs van overeenstemming en aaneensluiting van
Frank-
rijk^ Engeland
en de Republiek ontzag in te boezemen en lot het inwilligen van
voordeelige voorwaarden te stemmen; doch de Engelsche gezanten, door hunnen weife-
lenden vorst op dit punt niet voldoende gemagtigd, trokken zich achter onderscheidene
uitvlugten terug en weigerden zich op dit punt met hunne Fransche ambtsbroeders te
vereenigen, voordal de geschillen der Staten met hunnen vorst betrekkelijk de bepaling
van de schuld der Republiek aan
Engeland en de regeling van eenige handelsbelang

1 Dat OLDENBARNEVELT bij dczc Onderhandelingen, en in 't al{{emeen bij de gansche leiding van
het staatsbestuur der Republiek, de hoofdpersoon was, blijkt o. a. uit de volgende plaatsen bij
JEANNiN, I p. 218; 11 p. 81, 92: »C'est un liomme duquel il se faut servir par nécessité, pource
que c'est celuy qui a Ie plus d'authorité et est Ie plus capable de ceux qui ont quelque partaux
aiFaires. — On ne fait rien sans luy. — La vérité est que tous ceux qui désirent la paix en
Tassemblee générale, qui est Ie plus grand nombre, dependent teUement de luy, qu'ils aprouvent
sa conduite et tous ses advis sans les controller, ny autrement." Vgl.
van veuvov, hl, 185, 213
»een seer wijs ende welspreeckend man, — — sijnde die principaelste in de Generaele Staten,
ende deur wiens wijsheit ende grote beleidinge merendeels alle saecken werden affgehandelt."

ocr page 159

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1608. gen vereffend waren. Jeankin en de rüssy, die met oldenbarwevelt inzagen Tan hoeveel
belang het was een diergelijk verbond te sluiten voordat het vredescongres te 's
Hage
geopend werd, lieten zich daardoor niet terughouden maar teekenden op den 25'*®° Ja-
nuarg
1608 uit naam van Hendrik IV eene overeenkomst, die alleen geldig zou zgn,
wanneer de vrede tot stand kwam.
Hendrik IV verbond zich daarbij, ingeval de vrede
geschonden werd, de Staten met tienduizend man op zijne kosten te ondersteunen. Zoo
hij daarentegen werd aangevallen, zouden de Staten hem met de helft van dat aantal
troepen, of met oorlogschepen tot hetzelfde bedrag, bestaan. Zonder elkanders toestemming
zou men geen vrede sluiten, en eerst na den oorlog de gemaakte onkosten vergoeden ^
Verdedigend Er verliepen nog verscheidene maanden, eer jagobus I, minder uit zorg voor het
ra^XRepubliek dan uit naijver tegen
Frankrijk''s toenemenden invloed, zich aan
RepiiWiek. verbond aansloot. Op den ao"'®" Junij leekenden winwood en spencer insgelijks

eene overeenkomst van denzelfden inhoud, waarby de wederzijdsche bysland echter
slechts de helft uitmaakte van hetgeen in het verdrag met
Frankrijk bepaald was. De
schuld der Republiek werd op
818408 ponden sterling vastgesteld. Twee jaren na den
vrede zouden de Staten beginnen haar met
60000 ponden jaarlijks af te lossen
Λ^ertoog der De Duitsche gezanten te ^sHage, wier gelal later nog door johan von der borg,
Duitsche gezan- g^fgg^gg^jjgjg ygjj landgraaf van Hessen, en philibert du bois , gewoon gemagtigde
van den vorst van
Anhalt, alsmede gezanten uil Cleef, Luik en Munster^ vermeerderd
werd, hadden korten tijd na het sluiten der overeenkomst tusschen
Frankrijk en de
Repubhek aan de Staten-Generaal medegedeeld, dat hunne vorsten met de beste gevoe-
lens jegens hen bezield waren, doch nog geen last gegeven hadden om een verbond
tot onderlinge bescherming met hen te sluiten. Niettemin achtten zij zich verpligt er
op aan te dringen, dat het huis van
Nassau by den vrede voor zijne groote opofferin-
gen schadeloos werd gesteld, dat de Spanjaarden verpligt werden het onregt te vergoe-
den , hetwelk zij vroeger onder
mendoza op Duitschen bodem gepleegd hadden, en dat
de uitoefening der katholieke godsdienst in de Republiek gestrengelijk verboden zou
blijven. Dit vertoog, hetwelk nog eenige ondergeschikte punten met betrekking tot de
veihgheid en de regten der Duitsche naburen bevatte, werd door de Staten voor ken-
nisgeving aangenomen en vooreerst ter zyde gelegd

1 GROTIÜS, p. 532. VAN METEREN, f. 584. VAN DER ΚΕΜΓ, 111 bl. 33, 137. JEANNIN, 1 p. 379,
384, 394, 398, 446, 465; II
p. 4, 43, 50, 82 m. Resol. v. Holland, 1607, bl. 269; 1608,
bl. 443-453, 490.

2 jeannin II, p. 264 SS, 269 ss. Resol. v. Holland, 1608, bl. 454—464, 638—649. van me-
teren,
f. 592 d, 617. avinwood papers, II p. 351.

Resol. V. Holland, 1608, bl. 453, 464, 550. grotius, p. 532. van meteren, f. 584 c. ph. du

\

\

ocr page 160

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

Inmiddels hadden de aartshertogen zich gehaast van de bekomene vergunning, om 1608.
afgezanten naar
Holland te zenden, gebruik te maken. Wel had de Spaansche partij
aan het hof te
Brussel er zich met aandrang tegen verzet, dat de vredehandel te
^s Gravenhage gevoerd zou worden, en zich beklaagd dat het den schgn zou hebben
alsof FiLiPS III den vrede van zgne voormalige onderdanen ging afbedelen doch
ALBERTUS en isABELLA hadden begrepen hieromtrent geen bezwaren te moeten maken.
Na de ondubbelzinnige wgze, waarop zij hun verlangen naar rust en verademing te
kennen hadden gegeven, door reeds bij den aanvang van den wapenstilstand al de Ne-
derlanders, die te
Duinkerken gevangen zaten, vry te laten en hunnen losprijs ten be-
drage van eene ton gouds zei ven te betalen waren zij niet gezind de kans op vrede
aan zulk een ondergeschikt punt op te ofleren. De door hen gekozene gezanten, die
jjc door de
gemagtigd waren om insgelyks uit naam van den koning van Spanje te onderhandelen, ^"^^'''^^ezantcn
waren vyf in getal. De markies
spinola , die meer bepaaldelijk als gemagtigde van filips III g^'j^™
optrad, stond aan het hoofd van het gezantschap. De president van den geheimen Raad,
toegdakn.
jEAN RiGHARDOT, een man van veelzijdige ervaring en uitstekende bekwaamheden, was
er de ziel en de voornaamste woordvoerder van. Don
juak mancigidor, sedert lang lid
van den Raad van State en geheimschrijver van staat en van oorlog, was hun wegens
zijne naauwkeurige kennis der Nederlandsche aangelegenheden ter zijde gesteld. Voorts
was ook aan
keyen en verreygken, aan wier beleid de aartshertogen de aanvankelykcr
verwezenlijking hunner wenschen te danken hadden en wier bekendheid met de Hol-
landsche regenten en gewoonten de onderhandelingen bevorderen kon, de taak opgedra-
gen het door hen begonnene werk tot een goed einde te brengen. Eigentlgk waren
slechts twee dezer gezanten geborene Nederlanders, daar
spinola uit Italië^ manCicidor
uit Spanje herwaarts was gekomen, en righardot uit Bourgondië afkomstig was. Doch
de laatste bevond zich reeds zoolang in de
Nederlanden ^ dat hij als een inboorling be-
schouwd werd, en tegen zyne toelating door de Staten-Generaal geen bedenking werd
gemaakt. Meer bezwaar ontmoette aldaar de keus van
spinola, daar men by het aan
NEYEN en VERREYGKEN gegevcnc antwoord betrekkelyk deze aangelegenheid slechts be-
doeld had éénen vreemdeling toe te laten, die bovendien geen hoogen rang in het
leger mögt bekleeden. Daar de woorden, waarin deze mededeeling vervat was, echter
dubbelzinnig gesteld waren, zoodat de aartshertogen er uit hadden kunnen opmaken,

nois, U s. 95, 96. Hoewel du bois reeds in 1607 als zoodanig door de Staten erkend was,
treeg hij eerst in liet volgende jaar het volle genot van het gewone voorregt der gezanten:
vrijdom van belasting. I s. XVI.

' bertivoglio, bl. 763.

- PU. DU B0I8, H s. 35, 41.

ocr page 161

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1608. dal twee vreemdelingen bg het gezantschap mogten zgn en dat de uitsluiting van krijgs-
oversten alleen op den Spanjaard, dien zij benoemen zouden, toepasselijk was, besloten
de Staten-Generaal, overeenkomstig het gevoelen van den Raad van State, op den elfden
Januari] 1608 den markies toe te laten. Voor de oorlogspartij, die
spinola's verlangen
naar vrede kende, en derhalve vreesde dat diens tegenwoordigheid de onderhandelingen
niet weinig bevorderen zou, was dit besluit eene gevoelige nederlaag

Zij nemen de Hoezeer thans niets meer de opening van het vredescongres in den weg stond, duurde

reis naar , i , ·. , Â· . .· j i

aan het wegens den buitengewoon gestrengen wmter nog veertien dagen, eer de gezanten

der aartshertogen de reis naar Holland aannamen. Reeds op den Januari] lagen

te Lillo de Staatsche schepen gereed, welke hen derwaarts zouden overvoeren; doch de
plotseling invallende felle vorst bragt in dit plan eene noodzakelijke verandering. Den
28"®" kwamen zij te
Lier aan, en vertrokken den volgenden dag met justinus van
Nassau en makgelis βαχ, die zich reeds aldaar bevonden, om hen in naam der
Staten Ie begeleiden, over
Breda naar Geerinddenberg. Op den 30'"'" waagden zij in
eene menigte sleden en schuiten met hun talrijken stoet van honderd zes en zestig ^
edellieden en bedienden over de bevrozene
Bieshosch naar Dordrecht over te steken.
Den volgenden dag trokken zg over het ys naar
Rollerdam en van daar over Delft
naar ^s Gravenhage. Niet ver van Rijswijk kwam maurits hen met zijnen broeder
FREDERIK HENDRIK, de graven van
Nassau en een luisterrijk gevolg te gemoet, terwijl
de gansche weg met eene ontelbare menigte van nieuwsgierigen bedekt was. Zoodra de
wederzijdsche treinen elkander in het gezigt kregen, steeg men uit de rytuigen. De
prins omhelsde
spinola en deed hem met de overige gezanten in zyn rijtuig plaats
nemen '3, Te
Gravenhage aangekomen, namen spinola , righardot en mangigidor
hunnen intrek in een fraai gebouw op den Vijverberg, neyen en verreygkenbetrokken
het huis der familie
vaw wassenaer Groot was de weelde, welke door spinola
werd ten toon gespreid. Hij had eene menigte kostbaar huisraad en een schat van
zilveren vaatwerk medegebragt, welke in
Holland nog ongewone pracht dagelijks eene
menigte menschen naar '
ä Gravenhage lokte, om hem met zyn gevolg aan tafel te
zien zitten. Zoowel door dit uiterlijke vertoon van rijkdom en aanzien als door de
minzaamheid, waarmede hg ieder ten gehoore ontving, hoopte hij de gunst der menigte

1 VAN METEßEN, f. 583 C. VAN DER VTNC , 111 530—534. VAN DER KEMP, III LI. 32, 135—137.

2 PU. DU bois, 11 s. 213.

* van meteren, 584 «, meldt: »Spinola gingh op de koetse van Prlnce Mauritz siften op de
hoojjher handt van deselve, achter ende voor Mancicidor ende Graef Hendrik: ende ter zijden int
afhanghen Richardot ende Graef Willem voor-noemt, ende d'andere," Vgl.
ph. du bois, II s. 92,

4 van meteren, f. 577 c, 583 c—584 b. grotius, p. 532.

ocr page 162

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

te winnen en haar een hoogen dunk van de magt en tevens Tan de welwillendheid 16O8.
van zynen vorst in te boezemen

Nadat de gewone beleefdheidsbezoeken afgelegd waren, en de gezanten in eene ßJ^ai^^gQ^Jj^®^

tige vergadering der Staten-Generaal, waarbg prins maurits en de Raad van State tegen-gemagtigden, om
j. . met hen te onder-

woordig waren, hunnen last in algemeene bewoordingen hadden medegedeeld, werden handelen.

op den Februari] de onderhandelingen geopend. Eene kamer op het Binnenhof,
thans nog ter gedachtenis aan de belangryke beraadslagingen, waarvan hare wanden ge-
tuigen waren, de
Treves-kamer of kamer van het bestand genoemd ^ was daarvoor op-
zettelijk ingerigt. De Slaten-Generaal hadden uit iedere provincie eenen gemagtigde
benoemd, om van hunnentwege met de gezanten in overleg te treden.
Holland werd
vertegenAvoordigd door
johan van oldenbaiinevelt Gelderland door corwelis van
GEKT, heer van Loenen en Meinerswijky burggraaf van Nijmegen; Zeeland door den
ridder
jagob de maldereé, die van wege prins maurits hel lid der edelen in de Staten
van dat gewest vertegenwoordigde;
Utrecht door den burgemeester nicolaas bergk;
Friesland door den raadsheer in het provinciale hof gellius hillema; Overijssel door
jonkheer
johan sloet, drost van Vollenhove en kastelein van de Kuinder; Groningen
door ABEL KOENDERS THOE-HELPEN, hoveling ^ iu Faan en Kantens. Bovendien hadden
de Staten-Generaal den prins bij monde van
oldewbarnevelt uitgenoodigd insgelijks aan
de onderhandelingen deel te nemen; doch
maurits had zich daarvan verschoond en
voorgeslagen dat men zynen neef
Willem lodewijk van Nassau in zyne plaats benoe-
men zou, aan welk verlangen terstond was voldaan. Behalve
Friesland's stadhouder
was de voornaamste van
Holland's edelen, walraven heer van Brederode^ ViaJien,
Ameide
enz. insgelijks door de Staten-Generaal tot hunnen bijzonderen gemagtigde
verkozen

Hetzij MAURITS uit hooghartigheid of uit afkeer van politieke bemoexjingen niet verkoos een
onmiddellijk deel in de onderhandelingen te nemen: aan de vredespartij kon zijn besluit *
niet anders dan aangenaam zyn. Driftig en opbruischend, rond maar tevens ruw in zijne ma-
nieren en uitdrukkingen, kon
maurits zelfs in het hof zgn krijgsmansaard niet verloochenen

1 van meteren, f. 584 c. ph, dü bois, II 8, 93, 90, 215.

2 De Resol. v. Holland^ (1608, bl. 480) melden, dat zoowel brederode als oldekbarnevelt
door de Staten van Holland als hmme gemagtigden aan de Staten-Generaal werden voorgesteld.
Daar deze echter, »maar eenen van Holland en Weetvriesland verstonden te admitteeren, is den
Heere van Breederode verstaan van Generaliteyts weegen daar over te committeeren, en Olden-
barnevelt van weegèn Holland en Westvriesland te blijven."

3 Zie hiervoor, D. II St. V, bl. 496.

^ van meteben, f. 484 d, van deb kemp, III bl. 33, 142.

UI Deel. 2 Stuk. 57

ocr page 163

290 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1C08, en was daardoor Yoor de kalme beraadslagingen van een Tredescongres, hetwelk een hem
zeer hinderlijk doel beoogde, volstrekt niet geschikt,
Willem lodewijk van Nassau
daarentegen , hoezeer in wapenroem by maurits achterstaande, overtrof hem verre in
zelfbeheersching, zachtmoedigheid, geduld en inschikkelijkheid. De prins, die hem
hoogachtte en lief had, en bovendien wist dat hij den vrede niet minder gevaarlijk hield
voor de Repubhek en nadeelig voor de belangen van het huis van
Nassau i, liet
zich dikwerf door hem ter neder zetten 2. Ook was het der vredespartij volstrekt niet
onverschillig dat de weduwe van
Willem I, loüise de gohgny, die eenigen tijd in
Frankrijk had doorgebragt, in het laatst van Februarij te Gravenhage wederkeerde.
Reeds in het vorige jaar had
jeansin herhaaldelijk aan Hendrik IV verzocht hare te-
rugkomst zooveel mogelijk te bespoedigen, daar hij zich van haar grooten invloed op
prins
maurits goede vruchten in het belang van den vrede voorspelde
Aanvaug. der ßjj (jgQ aanvang van de zittingen der onderhandelaars, op den Februarij, ver-
gen. De erken-klaarde OLDENBARNEVELT, die in den regel voor zyne landslieden het woord voerde

ning van de onaf- , , , . . , . . , , .. i ,,

liankclijlcheid der dat de laatsten niet gezind waren in eenige overeenkomst te treden, tenzij de volkomene
weatTn!^*^^ onafhankelijkheid der Republiek, zoowel door den koning van
Spanje als door de aarts-
hertogen , zonder eenig voorbehoud erkend werd.
Righardot maakte hiertegen volstrekt
geen bedenkingen. Een der Staatsche gemagtigden merkte echter op, dat het zegel,
hetwelk aan de volmagt der Belgische gezanten hing, nog de wapens der zeventien
voormahge Nederlandsche provinciën bevattede, en eischte dat die der Vereenigde Gewesten
daaruit zouden wordeh -Weggenomen. Na eenig beraad bewilligde
righardot , op raad van
JEANNIK, met wien hij gemeenzaam omging en dien hij dikwerf raadpleegde, insgelyks in dit
verlangen Reeds begon deze onverwachte toegeeflijkheid op zulk een belangryk punt

^ van vervov, bl. 379: «Die Princc Morits ende GraeiF Willem Lodowick van Nassau, hebben
met alle hunne macht, geduirende dese ondcrhandclinge van vrede, daerna getrachtet, dat alles
Λvederomme tot een openbaer oorloog mochte komenj waernae sij seer arbeiden, meinende, dat
sulckes tot grootmakinge van Imnluyder huyse ende profijt strecken sal. Maar^ dit wert bij vele
van de Staten seer qualijken geduydet, deur dien die van Nassau wel behoren te weten, in wat
sware schulden ende lasten dat die Vereniclide Landen steecken". Vgl.
jeannin , II p. 466: » esti-
mans Ie devoir faire, comtne ils disent, pour Ie zcle qu'ils ont au public, auquel leur interest
particulier se trouve conjoint."

2 jeaknin I, p. 413, 414, 464. Vgl. j. a. c. van heüsde, dialribe in Guilielmi Ludovici Nas-
savia vitam, ingenium, merita,
1835 p. 182 sqq.-,

3 ResoL v. Holland, 1608, bl, 496. jeankin, I, p. 233, 235, 251 etc. II, p, 115, 156.

^ JEAKNIN, II p. 386.

5 VAN METEUEN, f. 580. GflOTius, p. 534. JEANSLV, II, p. 106 SS. D, BAUDiüs, vau Η bcstant
des Nederlantschen Oorlogs,
1606, bl. 66—69. bestivoglio, bi. 762.

■i \

ocr page 164

DES VADERLANDS. 2Ö1

bij sommigen verbazing, bij anderen argwaan Ie wekken, toen het bleek dat zij slechts strek- 1608.
ken moest om aan
Spanje's eischen ten opzigte Tan gewigtiger onderwerpen meer kracht te
geven. Naauwelijks was de koophandel ter sprake gebragt, of de Belgische gezanten
verklaarden dat de Staatschen geheel van de vaart op
Indië zouden moeten afzien, en De vaart op
zich voorlaan, gelijk te voren, met de vaart op Spanje en Portugal zouden moeten
vergenoegen. Zij voegden er bij, dat de eerste noch aan
Engeland bij den vrede van
Londen noch. aan Frankrijk hi^ dien van yemW was afgestaan, en dat de Staten toch wel
op geen grooter voorregten aanspraak konden maken, dan die beide rijken genoten. De Fran-
sche en Engelsche gezanten, wier gevoelen door de Slaatsche gemagtigden omlrenl alle
gewigtige punten werd ingewonnen, zoowel om aan der Staten eischen meer klem by
te zetten, als om
Hendrik IV en jagobus I bij eene hernieuwing van den krijg tot ondersteu-
ning te verpligten ^, ontkenden echter dat in de beide genoemde vredesverdragen over dit
punt gesproken werd en zochten de Belgische afgevaardigden te overtuigen, dat er voor
Spanje
weinig gevaar in gelegen was den handel op Indië vrij te geven, daar de Hollandsche
en Zeeuwsche kooplieden toch langzamerhand uit gemakzucht weder verkiezen zouden,
zich te
Lissahon van Oost- en W^est-Indische waren te voorzien. De Staatsche gemag-
tigden beriepen zich op het regt der natuur, volgens hetwelk het gebruik der zee aan
een iegelijk vrijstaat, die daarvan niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan en toonden
zich op dit punt onverzettelijk. Onderscheidene vertoogen, zoowel door de bewindheb-
bers der Oost-Indische compagnie aan de Staten-Generaal ingediend als door anderen
over het belang der vrije vaart op
Indie voor de magt en den bloei der Republiek in
het licht gegeven ^y hadden althans in de aan zee gelegene provinciën de openbare
meening omtrent dit punt onwankelbaar gevestigd. Slechts in de landprovinciën, wier
regenten het vurigst naar het einde van den krijg verlangden, koesterde men twijfel of
de mogelijkheid van een eervollen vrede met erkenning van de onafhankelijkheid der
Republiek wel mögt worden opgeofferd aan eenen nijverheidslak, waarvan eigentlijk
slechts eenige rijke kooplieden in
Holland en Zeeland voordeel trokken, en klaagde
men dat de belangen van den kwijnenden landbouw ten gunste van die des handels
veronachtzaamd werden Deze bedenkingen, slechts door de minderheid der Staten-

^ JE AKNIN, II, ρ. 270, 271.

2 In een Vertoog over den O. 1. handel, bij van meteren, f. 589 komt o. a. voor, dat liet
gebruik der zee zoo vrij is als het gebruik der lucht. In het volgende jaar schreef
hdgo de groot
over dit volkenregtelijk vraagstuk zijn beroemd werk: Mare liberum.

® De voornaamste dier stukken, die voor de kemiis van den toestand van handel en nijverheid
in die dagen hoogst gewigtig zijn, heeft
van meteren opgenomen, f. 585 c—590. Zie ook, ra.
OU Bois, 11 s. 237—244.

^ VAN METEREN, f. 590 C. JEASNIS, II, p. 287.

57*

ocr page 165

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1c08. Generaal gedeeld, bleven zonder invloed op den loop der onderhandelingen. De Staalsche
gemagtigden volhardden in hunne weigering om de vaart op
Indië op te geven. De
Belgische gezanten daarentegen schenen even vast besloten haar nimmer toe te staan.
Welligt zouden de aartshertogen, die bij dit punt minder belang hadden, zich rekke-
Igker hebben betoond, indien zij alleen in den vredehandel betrokken waren geweest;
doch zij waren verpligt ook
Spanje's wenschen in het oog te houden, en wisten dat
men daar den alleenhandel op
Indië tot eiken prijs behouden wilde De Spaansche
staatslieden hadden reeds «voldoende ondervinding van den ondernemingsgeest, den moed
en het beleid der Staatsche kooplieden, om niet voor het verval hunner Oost-Indische
koloniën en handelsbetrekkingen te vreezen, wanneer aldaar aan de compagnie vrij spel
werd gelaten. Het was te voorzien dat de Hollanders, die veel zuiniger en bekwamer
zeevaarders waren dan de Portugezen, de laatsten bij volkomene gelykstelling binnen
korten tgd overvleugelen zouden
Righardot verklaarde derhalve, na langdurige maar
vruchtelooze onderhandelingen, dat
filips III zijn regt op de Vereenigde Gewesten nim-
mer afslaan noch hun den handel op het Spaansche schiereiland weder vergunnen zou,
indien zij de vaart op
Indië niet wilden opgeven

Daar het derhalve bleek, dat noch de koning van Spanje noch de Staten immer tot
toegeeflijkheid op dit gewigtige punt zouden te bewegen zijn, werd een andere weg
tot bemiddeling beproefd en de vereeniging van een duurzamen vrede in
Europa met
een veeljarig bestand, hetwelk ten zuiden van den kreeftskeerkring gelden zou, ter
sprake gebragt. De Belgische gezanten verklaarden zich niet ongenegen hiermede ge-
noegen te nemen, indien de Staten zich verbinden wilden om na het einde van het
bestand de vaart op
Indië te staken. Doch deze wijziging vond volstrekt geen bijval.
Het eenige, Waarin de Staatsche gemagtigden wilden toestemmen, bestond hierin, dat
men eenigen tijd vóór dat einde andermaal te
Antwerpen of te Brussel bijeen zou
komen, om te bepalen of het voortaan in
Indië vrede of oorlog wezen zou. Het was
echter niet twyfelachtig dat de Staten, die hoogst waarschynlyk inmiddels nieuwe en
aanzienlijke voordeelen in
Oost-Indië behaald zouden hebben, na dat tijdsverloop nog
veel minder geneigd zouden zgn dit gewigtig gedeelte van hunnen zeehandel op te ge-
ven, zoodat de Belgische gezanten dezen voorslag op hunne beurt van de hand wezen.
Toen OLDENBAKNEVELT, in de zitting van den Maart, hun vroeg of hij aan de

Staten-Generaal moest mededeelen, dat men op dit punt tot geen overeenstemming ko-
men kon, viel
spinola. driftig uit, dat ieder doen kon, wat hij wilde, en stond op om

1 JEAKNIN, II, p. 159. VAN BER VYNCT, III, bl. 545.

2 JEAKNIN, 11, p. 153.

3 van meterek, t'. 585 c, 590 c. grotius, p. 534—536. jearnin, II, p. 110, 114, 139 ss, bau-
Dius,
bl. 69—76. bentivoclio, bl. 763.

ocr page 166

■ipiipiiniPiiiM

295

DES VADERLANDS.

heen te gaan. Maar weyen ging naar hem toe en zeide, na hem een paar woorden 16o8.
te hebben ingefluisterd, overluid in het Latijn tegen de Staatsche gemagligden, dat de
nacht raad zou geven.
De malderée, die nu met de overigen insgelyks opstond,
voegde de Belgische gezanten in het Spaanscli toe: »die alles hebben wil, krijgt niets,"
waarop
righardot toornig antwoordde: » zeg dat voor u zeiven, en wees verzekerd dat
het u zoo gaan zal." Misnoegd en verstoord ging men uileen Κ

Jeankin , wiens tusschenkomst tot vereffening van dit netelige geschil herhaaldelijk van
beide zyden werd ingeroepen, bevond zich hierbij in geen geringe moeijelijkheid. Hij zag
met HENDRIK IV zeer goed in, dat de Staten de voornaamste bron van de grootheid en
magt der Republiek sluiten zouden, indien zij aan
Spanje^s eischen toegaven, en het
was voor
Frankrijk van het uiterste belang, in haar ook na den vrede eene krachtige
bondgenoote te behouden. Daarentegen werd hij meer en meer overtuigd, dat
Spanje de
onderhandelingen liever afbreken dan dit punt opgeven zou: en de hernieuwing van
den krijg zou
Hendrik IV in de onaangename noodzakelijkheid gebragt hebben zijne
onderstandsgelden niet slechts te laten voortduren maar ook aanmerkelijk te verhoogen,
indien hij er althans prijs op stelde de Republiek voor haren ondergang te bewaren
De vastberadenheid der Staten, die het gedrag hunner gemagtigden volkomen goed-
keurden, redde hem uit deze verlegenheid. Op den 15''®'' Maart namen de Staten van i)e
staten be-
Holland eene geheime resolutie, om, nimmer »eenigsints hetzij in het geheel of deel, handel naar alle
directelijken of indirectelyken, te wijken, over te geven of af te slaan van de ^'ry® rèldnimmeraTte
zeevaart, alomme en lot alle Plaatsen van de Waereld" en de Stalen-Generaal ver-
eenigden zich eenparig ^ met dit moedige besluit. Zij hadden daarbij hoofdzakelijk over-
wogen , dat de ingezetenen der Vereenigde Gewesten zich voor de vaart op
Indtc groole
opofferingen hadden getroost, en thans niet alleen aanzienlijke winsten begonnen te ma-
ken, maar zelfs de hoop koesterden om dien geheelen handelstak aan de Portugezen
te ontwringen. Bovendien kon men berekenen, dat reeds tienduizend personen belang
hadden bij de instandhouding der Oost-Indische compagnie. De herleving der vaart op
Spanje zou aan den vijand, op wiens trouw men zich na den vrede nimmer volko-
men zou kunnen verlaten, een gemakkelyk middel aan de hand geven, om de Re-
publiek door de inbeslagneming van een aanzienlijk gedeelte harer handelsvloot ge-
voelige slagen toe te brengen. Alleen wanneer de koning voor wedervergelding in
Indie
te vreezen had, kon men gerust het voormalig verkeer met Lissabon en Cadix hervatten.

' GROTIÜS, p. 536. JEANNIN, II, p. 142, 166. PH. DU BOIS, II, s. 106, 107.

2 JEAMIN, 11, p. 189, 199.

3 RcsoL v. Holland, 1608, bi. 510. ph. du bois, II, 8. 98.
^ p«. du bois, II, 8. 105.

ocr page 167

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1608. Ook leverde de voortduring der vaart op Indië in twee opzigten de beste waarborgen
op tegen
Spanje's heerschzucht en dwingelandij. Vooreerst hield zij een aantal groote
schepen in dienst, die in tyd van nood terstond als oorlogschepen gebruikt konden wor-
den. Ten anderen werden de Spanjaarden daardoor van een deel der hulpmiddelen
bei-oofd, welke hen in staat stelden de rust en vrijheid van -hunne naburen te onder-
mijnen. Het behoud van den Oost-Indischen handel jvas derhalve inderdaad voor de
Republiek eene levensvraag l. .

Men besluit dit Daar intusschen beide partijen geenszins geneigd waren de onderhandelingen reeds bij
tcTzijde^te°laten!het eerste geschilpunt, waaromtrent zij niet konden overeenkomen, af te breken, be-
sloten zij dit onderwerp vooreerst ter zijde te laten, en te beproeven of de regeling der
overige vredesvoorwaarden minder bezwaar zou ontmoeten. Tot dat einde stelden de
wederzijdsche gemagtigden elkander eene opgave ter hand van de onderscheidene on-
derwerpen, die nog ter sprake moesten komen. De Staten hadden hun gevoelen in acht-
en-twintig artikelen volledig en duidelyk uiteen gezet, en daarbij de belangen van hel
huis van
Nassau geenszins vergelen. De Belgische gezanten daarentegen bepaalden
zich in algemeene bewoordingen eenige hoofdpunten op te geven, waarover zij wenschten
te onderhandelen. Daar de godsdienst hieronder was opgenomen, legden de Slaatsche
gemagligden hun de vraag voor, of zij hiermede alleen bedoelden, dal aan de Spaansche
en Nederlandsche ingezeteöen, in elkanders land reizende of vertoevende, geen overlast
ter zake van hun geloof zou worden aangedaan, dan wel of zij voornemens waren den
Staten bij de regeling van de inwendige aangelegenheden der Republiek, waartoe ook de

Ook de rege-kerkelijke zaken behoorden, wetten voor te schreven. De gezanten gaven tot antwoord,

Jing der gods-

dienstaangelegen- dat zij zich verpligt gevoelden hunne lastgevers nog nader omtrent dit onderwerp te

> stelden daarom voor, daarover het laatst te handelen, waarmede men
schoven. genoegen nam. Beide partijen wenschten, bij een ongunstigen afloop der onderhande-

lingen, zich er op te kunnen beroepen, dat zy op dit punt waren afgesprongen: de
Spanjaarden, omdat zij hoopten, daardoor niet alleen by den Paus en de overige Katho-
lieke mogendheden eer in te leggen, maar ook
Fra^ikrijk tegen de Vereénigde Gewes-
ten in te nemen; de Staten, omdat zij wisten dat alle provinciën, hoe vurig ook naar
het einde van den krijg uitziende, de uitsluitende uitoefening der Hervormde eeredienst
tol eiken prijs behouden wilden 2.

Do opening der J^Ü de behandeling van eenige punten, welke thans aan de orde kwamen, bleek het
Gchler evenzeer hoe weinig men van beide zijden tot inschikkelijkheid gezind was. De
werpen, aartshertogen verlangden dat Antwerpen weder eene zeehaven zou worden; dat voortaan

1 JEANWIN, II, ρ. 143. ΓΗ. DU BOIS, II, S.l 219-

2 VAN METEREN, f. 590 d. " GROTIUS, p. 537. JEANKIN, II, 98, 132, 141, 287. ßAUDIÜS, bl. 76.

ocr page 168

DES VADERLANDS. 5>Τ 71

■PHP

van de Belgische manufacturen slechts de geringe tolreglen gevorderd zouden worden, 1608.
welke daarvan vóór den opstand tegen
Spanje geheven werden; dat de verpligting zou De tolregten.

Het stapelregt

ophouden om de in de Republiek ingevoerde Fransche wijnen te Middelburg en de van Middelburg
Duilsche te Dordrecht op stapel te leggen, eer zij naar elders mogten worden uitge- ^^^

voerd. De Staatsche geraagtigden weigerden daarentegen de Schelde te openen, noem-
den de stapelregten der beide genoemde sleden binnenlandsche aangelegenheden, waar-
mede
Spanje niets te maken had, en wilden ten opzigte der tolregten niets meer beloven,
dan dat die voor vreemdelingen niet hooger zouden zijn dan voor ingezetenen Om-
trent de grensscheiding en de wederzijdsche uitwisseling van steden kon men het even- , O® grensschei-
min eens worden. Van de zijde van den koning van
Spanje werd geenszins voorbij ge-wisseling vauste-
zien, dat het overlijden van den hertog van Clecf ^ hetwelk binnen korten tijd te
verwachten was, -hoogst waarschijnlijk eenen strijd over de erfopvolging zou doen ont-
staan waarbij het huis van
Oostenrijk niet slechts zijne ondersteuning zou behoeven,
maar die hem ook eene uitmuntende gelegenheid zou geven, om zijnen invloed en
zyn gezag in
Duitschland uit te breiden, en aldaar krachtdadig tot handhaving van het
Katholicisme werkzaam te zijn. Uit dien hoofde wilden de Belgische gezanten niet
hooren van de teruggave der door de Spanjaarden veroverde plaatsen in het Geldersche
Overkwartier, die in de nabuurschap van het hertogdom
Cdeef gelegen waren. Zy
weigerden derhalve
Rhijnber/c, hetwelk aan den aartsbisschop"van Keulen toebehoorde,
aan dien kerkvoogd terug te geven, en boden van de overige door Spaansche troepen be-
zette Staatsche sterkten slechts
Lingen, Oldenzaal en Groenlo SLSin, onder beding dat de
Slaten
Braband en Vlaanderen zouden ontruimen en zich achter de Waal terugtrekken.
Deze eisch werd echter met verontwaardiging van de hand gewezen, waarop van den kant
der aartshertogen, met betrekking tot de laatstgenoemde provinciën, werd voorgesteld , dat
de Staten in de door hen bezette steden garnizoen zouden behouden, doch dat het platte
land tot het regtsgebied der zuidelijke
Nederlanden zou behooren. Ook deze voorslag
vond echter geen bijval. De Staatsche gemagligden wilden geen voet gronds van hunne
Brabandsche en Vlaamsche bezittingen, die zij als een onmisbaar bolwerk voor de
veiligheid van
Zeeland, Holland en Utrecht beschouwden, laten varen, en werden in
hun gevoelen door de Fransche gezanten gestijfd, wien
Hendrik IV geschreven had
dat hij den afstand dier veroverde landstreken als den doodslag voor de Republiek be-
schouwen zou, daar dezö dan niet slechts voor onverhóedsche invallen zou openslaan
maar bovendien het bezit van
Brlelle en Vlissingen door de nimmer te betrouwen
Eiigelschen, die liglelijk met de Spanjaarden tegen de Staten konden zamenspan-
nen, in dat geval dubbel gevaarlijk zou worden. Te vergeefs beklaagde
bighardot

^ VAN METEREK, f. 591 VerSO, JEANNIN, Π, p. 201, 205. PH. DU BOIS^ II, 8. 232.
2 Hiervoor, bl, 11.

ocr page 169

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

^ΜΜΒΜΜΜ·············ΜΜΜ······Μ······1Μ1^^

1608, zich bij jEANiciN, dat de Staten de houding aannamen, alsof zij met OTerwonnenen on-
derhandelden , en dat hy geenszins verwacht had zooveel hardnekkigheid bg hen te
vinden. Te vergeefs vermaande hy de Staatsolie gemagtigden met tranen in de oogen,
om toch niet uit overdrevene vasthoudendheid aan hunne eisehen de kans op den
eervollen vrede te verbeuren, die hun thans werd aangeboden. Zij waren onverzettelijk
en bleven de verklaring van de onafhankelijkheid der Republiek, de vrije vaart op
en het behoud hunner bezittingen in
Vlaanderen en Braband als onmisbare voorwaar-
den beschouwen, zonder welke geen vrede mogelijk was

YïGiuü possi- Hoezeer de Belgische gezanten naauwelijks verwachten konden, dat de onderhande-

detis wordt tot , . , i i i

grondslag van den »Ogen, na tot dusverre zulk een ongunstigen loop te hebben genomen, nog tot een

vrede aangeno- gewenscht einde zouden leiden, wilden zij echter de hoop op die uitkomst nog niet

men.

opgeven. Zij achtten het hoogst waarschijnlijk dat zoowel Frankrijk als Engeland bij
eene hervatting van den krijg de Republiek krachtdadig zouden ondersteunen, terwijl
noch
FiLiPS III noch de aartshertogen wegens de uitputting hunner finantiën in slaat
waren, den oorlog met evenveel klem als in de laatste jaren voort te zeiten Zij kwa-
men derhalve met de Staatsche gemagtigden overeen, dat men het zoogenaamde
uti
possidetis
als grondslag van den vrede zou aannemen, en eerst nadat deze gesloten was,
met elkander, als met bevriende mogendheden, over de ruiling van eenige sleden en
landstreken zou onderhandelen Aan den anderen kant waren de Staten, die insgelyks
vurig naar vrede verlangden, niet ongenegen ten opzigle der overige meer onderge-
schikte punten eenige inschikkelijkheid te beloonen, indien zij slechts den handel op
Indië behouden konden en op hun regt, om de godsdienst naar willekeur te regelen,
n^r ^««yr^om inbreuk werd gemaakt Κ Daar de Belgische gezanten wisten, dat de aartsher-

naderen last van togen bereid waren zelfs tot dien prijs den vrede te koopen ^, besloten zü pater neyen
riLiPS III te be- . . . . .

komen. naar Spanje af te vaardigen, om het eindbesluit des konings omtrent deze gewigtige

punten te vernemen. Hg vertrok den tweeden April en kon eerst na veertig dagen
terug zyn. 6.

De onzekerheid, waarin men reeds geruimen tijd ten opzigle van/den uitslag de?

ï van metehen, f. 692. GROTius, p. 637. jeankin, II, p. 108, 135, 136, 145, 151, 201, 208,
210,214, 231.
ph. dü bois, 11, s. 111, 249. baüdiüs, bl. 104, 109,

2 JEAHNIN, II, p. 194, 211, 218.

3 JEANNIW, II, p. 230.

4 jeannin, II, p. 233 , 314 , 323 , 358 , 359.
δ jeanhin, II, p. 146, 155, 159 , 220 , 236.

6 VAM HETEREN, f. 592 C. GROTIÜS, p. 538. JEAKKIN, II, p. 251. BAÜDIUS, bl. 78, 104. BENTi-
voGLio, bl. 765,

ocr page 170

DES VADERLANDS, 297

onderhandelingen verkeerd had, oefende inmiddels op handel en nijverheid een zeer 1608.
ongunsligen invloed uit. Men had de voordeelen van den oorlog reeds gedeeltelijk ver-
loren , zonder nog de weldaden van den vrede te genieten. In vele bedrijven was daar-
door eene kwijning gekomen, die des te meer gevoeld werd, daar de belastingen nog
altgd even zwaar bleven drukken ^ Het was derhalve natuurlijk, dat zich overal een
sterk verlangen naar het einde van dien ongunsligen toestand openbaarde. De oorlogs-
partij had daarvan terstond gebruik gemaakt, om te betoogen met hoeveel regt zij te-
gen de nadeelen der aangeknoopte onderhandelingen gewaarschuwd had, en hoe gevaar-
lijk het was die nog langer te laten voortduren. Volgens haar was het thans zonneklaar,
dat de Spanjaarden geen andere bedoeling hadden dan de RepubliekJangzamerhand aan
den kryg te ontwennen, door haar niet de bcdriegelijke hoop op eenen vrede te vleyen,
dien zij volstrekt niet gezind waren te sluiten. Prins
maurits en graaf willem lodewijk
lieten niets onbeproefd, om deze meening veld te doen winnen. Zij haalden den
Franschen gezant
de rtjssy lot hunne zienswijze over, en trachtten ook de Engelsche,
Deensche en Duitsche gezanten tegen den vrede te stemmen Zelfs schreef
maurits aan
HENDRIK IV, om hem te overreden dat deze voor de Republiek, en daardoor ook voor
Frankrijk, hoogst verderfelijk zou zijn, en hem te bewegen aan jeawhih last te geven om ins-
gelijks de voortzetting van den oorlog aan te prijzen. Ten einde den Franschen koning te
eerder daartoe over te halen, schatte hij de onmisbare onderslandsgelden thans op on-
geveer drie en een half millioen gulden: eene som, die wel een millioen beneden zijne
vorige raming bleef, maar toch nog bijna het dubbel was van hetgeen
hehdrik. IV
in de laatste jaren tot den krijg had bijgedragen
Jeannin liet zich echter geenszins aan
het wankelen brengen, maar bleef bij zijn gevoelen, dat de voorstanders van den vrede
de belangen van hun vaderland het best begrepen en stelde eene uitvoerige memorie op,
waarin hij de gronden vóór en tegen den oorlog tegen elkander overstelde. Van de zijde
Memorie van
der oorlogspartij werd aangevoerd, dat men bij den vrede de belastingen terstond aanmerkelijk groaae^n νϊίύν en
zou moeten verminderen, ten einde de burgerij tevreden te stellen; dat het vertrekken van
vele krijgslieden, fabriekanten, kooplieden en Katholieken de Vereenigde Gewesten zeer
verzwakken zou; dat een groot gedeelte van het bootsvolk, door hooge loonen aange-
lokt, in
Spanje en Portugal dienst zou nemen; dat er ligtelijk verdeeldheid tusschen de

ï VAN METEREN, f. 596 Λ. GROTIDS, p. 541. ΓΗ. Dü BOIS, 11, 8. 132.

2 JEANNIN, Π, p. 240, 252, 318.

3 JEANMN, II, p. 290, 292, 297, 318. Vgl. ghotiüs, p. 540. Hiervoor bl. 248.

^ JEANNIN, II, p. 278: ))ceax qui preferent la guerre comme plus utile a leur Eetat que la
paix, lesquele ne sent ä la vérité en ei grand nombre, ny les plue entendus au maniement des
alFaires."

III Deel, 2 Stuk. 58

ocr page 171

292 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

provinciën kon ontslaan, en de vijand de handen vrij zou hebben, om door omkooping het ge-
lal zijner aanhangers te vermeerderen , de Iweedragt te vergrooten en daardoor op een gunstig
lydslip de Republiek te overmeesteren. De voorstanders van den vrede beweerden daarentegen ,
dat de burgery te veel gezond versland had, om niet te begrijpen, dat zg eerst na verloop van
eenigen lyd op eene trapsgewijze verzachting der lasten kon rekenen, en te veel vertrouwen
in hare regenten, om de regeling dezer aangelegenheid niet geheel aan hen over te laten.
De afdankiag van een gedeelte van het leger zou de opbrengst der accijnsen slechts
weinig verminderen, daar
Holland en Zeeland^ waar deze inzonderheid in zwang
waren, weinig garnizoen hadden, en de overige provinciën groolendeels door andere
soorten van belastingen, waarin het krijgsvolk niet deelde, in hare behoeften voorza-
gen. Voor het vertrek van kooplieden en fabriekanten had men weinig vrees te koes-
teren , daar het verblijf in' een vrijen en bloeijenden slaat door de meesten verre zou
verkozen worden boven den terugkeer naar de zuidelijke
Nederlanden, en deze boven-
dien, door de voortdurende afsluiting der
Schelde, bezwaarlyk een gewigtig aandeel aan
den zeehandel zouden kunnen bekomen. Ook de Katholieken, die bij den vrede niets Ie
verliezen hadden en integendeel de hoop konden koesteren bij bevesligiog van orde en
rust grootere godsdienstvrijheid te verkrijgen, zouden geen reden hebben om de Ver-
eenigde Gewesten te verlaten, en het bootsvolk, dat vooral bij voortduring der vaart op
Indië geen gebrek aan bezigheid zou hebben, was te veel aan de ongedwongene en
eenvoudige Hollandsche manieren gewend, om den trots van een Spaansch gezagvoerder
op den duur te kunnen dulden Wel zou de opbrengst der tolregten, die bij den
vrede voor het verkeer met
België waarschijnlyk verlaagd zouden moeten worden, aan-
zienlijk dalen, en zouden de brandschattingen ophouden eene bron van inkomsten
voor de schatkist te zgn: maar behalve dat ook de Slaalsche landlieden eene sints lang
ontbeerde veiligheid zouden genieten, die hunne winsten vermeerderen en daardoor ook
voor den Slaat voordeelig worden zou, werd de algemeene vermindering van de op-
brengst der belastingen door de besparing van een groot deel der oorlogskosten meer
dan opgewogen. Volgens eene zeer lage schatting zouden de inkomsten der Slaten-G eneraal
na den vrede, in plaats van tien, zes millioen bedragen, hetgeen volkomen voldoende was
om vooreerst nog twintig duizend man in de wapenen te houden en alle noodzakelijke
uitgaven te bestrijden. Na een of twee jaar kon die krijgsmagt, wegens de waarborging
van den vrede door
Fra?ikrijk en Engeland, op de helft gebragt en een paar millioen

1G08,

^ JEANN1N,1I, p. 310: »ce peuple libre, d'un naturel rude et impaiient de souiFrir toute domina-
tioa superbe, ne pourroit jamais cndurer Ia fiertc et riusolence du commandemcnt Espagnol, et
airaera tousjours mieux se contenter de peu chez soy vivant a sa guise, que de gagner beaucoup,
s'assujetissant a une fa^on de vivre qui luy deplaist, est contrc son naturel, et qui luy osteroit
1'exercice de la Religion."

ocr page 172

DES VADERLANDS. 2Ö1

lot aflossing van schuld besteed worden, zoodal men dan allengskens in staat zou zijn ißOS.
de belastingen* aanmerkelyk te verminderen. De gevaren der verdeeldheid zouden, naar
men vertrouwde, op het beleid der regenten afstuiten i, de pogingen tot omkooping
door hun aantal en hunne vaderlandsliefde verijdeld worden. Al deze omstandigheden
in aanmerking nemende, achtte
jeannin zich geregtigd tot het besluit, dat zij, die
een eervollen vrede verwierpen, eigenlijk niet anders begeerden, dan dat de Vereenigde
Gewesten voortdurend rampzalig zouden zijn, daar er geen ellendiger toestand dan die
van onafgebroken krijg te denken was. Er was geen ander einde van den oorlog mo-
gelyk, dan langs den weg van overeenkomst of langs dien der overwinning. Zich voor
te stellen, dat de Staten den koning van
Spanje lot onderwerping zouden brengen,
was ongerijmd. Alleen het eerste was mogelijk, en scheen thans, ook door de bemid-
deling van
Frankrijk en Engeland^ verkrygbaar. Was het dan geraden den vrede af
te slaan, die door den vijand zeiven werd aangeboden?
Hendrik IV besliste deze vraag
van zijn bekwamen gezant in onlkennenden zin, en weigerde derhalve prins
maukits
behulpzaam te zijn, om de vredespartij legen te werken

Daar de reeds herhaaldelijk verlengde wapenschorsing in Mei weder ten einde liep, Dewapenschor-

· 1 . 1 τ · 11 .1 Bing wordt tot het

stelde oldenbarkevelt voor, haar nog tot het emde des jaars te laten duren en in dat einde van 1608
geval een gedeelte yan het leger af te danken. Hij wees daarby op de omstandigheid,
dat men, indien de hoop op vrede verijdeld werd, niet zonder gevaar reeds dit jaar
eene hernieuwing van den kryg kon afwachten, en dat de finanliën der Republiek
nu reeds dringend eene vermindering der oorlogslasten vorderden. Tegen het volgende
voorjaar kon men, wanneer het noodig mögt zijn, weder nieuwe troepen aanwerven.
Bij de behandeling dezer zaak in de Slaten-Generaal, in tegenwoordigheid van de beide
stadhouders en den Raad van State, ondervond hij echter veel tegenkanting. Alleen
Holland^ Gelderland, Groningen en Overijssel deelden in zijn gevoelen. Hoewel de
Staten van
Zeeland reeds eigenmaglig het getal der tot hunnen last slaande troepen ver-
minderd hadden, vereenigden hunne afgevaardigden zich met de stadhouders en den
Raad van State, om op eene verlenging van den wapenstilstand voor slechts twee maan-
den aan te dringen, en zich tegen de afdanking van krijgsvolk te verzetten.
Friesland

' Het is opmerkelijk dat jeannin, waarschijnlijk in overeenstemmlDg met oldekbabnevelt (Ver-
hooren, bl. 151, 153) in den aristocratischen regeringsvorm der Republiek een waarborg zag voor
hare rust. Zie 11, p. 308: »Ie Corps de eet Estat qu^n peut dire vrayement unc Republiquc
en laquelle la Souveraineté apartient universellement a tous, a neantmoins eet avantage qui doit
beaucoup servir ä sa darée et conservation, que Ie menu peuple ne se mesle aucunement des
affaires, mais en laisse la charge entiere aux principaux et plus notables en chacone ville."

2 JEAsMs^ II, p. 297—317, 325 ss.

58*

ocr page 173

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1C08. en Utrecht wensclilen eerst het gevoelen der buitenlandsche gezanten omtrent deze aan-
gelegenheid te vernemen, en de Staten-Generaal besloten hieraan gehóor te geven.
Reeds had
jea.nsiit aan oldeiibarnevelt gezegd, dal hij de verlenging van den w^apen-
stilstand voor het gansche jaar zeer afkeurde, daar het hem hoogst gevaarlijk voorkwam,
den Spanjaarden op die wijze gelegenheid te geven den vredehandel te blyven rekken
en welligt nog lot in het volgende jaar slepende te houden, hetgeen voor de Republiek
niet anders dan schadelyk kon zijn. Toen de advokaat hem echter verzekerde, dat
hg er niets tegen had om den laatslen Julij als eindpaal der onderhandelingen vast
te stellen, zoodat men deze af zou breken, wanneer de vrede op dien dag nog niet
tot stand gebragt was of althans naauwelijks te betwyfelen scheen, maar dat hij alleen
voorkomen wilde dat de afgevaardigden ter Staten-Generaal, uit vrees voor eene hernieuwing
van vijandelijkheden, waarop men niet was voorbereid, welligt te veel aan de Belgi-
sche gezanten zouden toegeven, vielen
jeawnin's bezwaren weg. Op zijnen raad ver-
eenigden ook de Engelsche, Deensche en Duilsche gezanten zich met OLDENBAniiEVELT's
gevoelen.
Ma.urits en willem lodewijk besloten insgelyks met deze wijziging genoe-
gen te nemen, en gingen te eerder daartoe over, daar de advokaat met zijn voorslag
tot afdanking van krijgsvolk eigenlijk slechts bedoeld had den Franschen koning, wiens
onderstandsgelden niet meer zoo geregeld werden uitbetaald, de voortdurende behoefte
der Republiek aan geregelde en ruime ondersteuning te doen gevoelen ^, en zich
gemakkelijk liet overhalen, dat gedeelte van zgn voorstel op te geven. De Staten-
Generaal besloten derhalve den vredehandel niet langer dan tot Augustus aan te
houden en vooreerst het leger nog niet te verzwakken, maar evenwel de wapenschor-
sing het gansche jaar te laten voortduren, indien de aartshertogen daarmede genoegen
namen. Volgaarne gaven de laatsten hunne toeslemming \
Voortzetting Gedurende de afwezigheid van pater weten werden de onderhandelingen met de

Kngen'^gedurendê Overige Belgische gezanten over punten van ondergeschikt belang voortgezet. Ook

de afwezigheid ijieronitrcnt bestond echter groot verschil van gevoelen. Men was het eens dat de we-

van neven. Â° o

derzijds verbeurd verklaarde en in beslag genomene goederen behoorden te worden
teruggegeven; doch de aartshertogen maakten onder dezen titel aanspraak op geheele
steden en landstreken , die de Staten geenszins geneigd waren af te staan. De laatsten
vorderden daarentegen dat de Spaansche troepen, die zich nog in de zuidelijke
Neder-
landen
bevonden, naar hun vaderland zouden worden teruggezonden, hetgeen righar-
dot
niet zonder regt een onbillijke eisch noemde, zoolang de Staten zich van Fransche
en Engelsche hulptroepen bleven bedienen. Over de behandehng der wederzijdsche

1 zie jeanmn, 11, p. 229, 263, 340.

2 jeankin, ii p. 334—349. van der kemp, lil bl. 154—156.

ocr page 174

DES VADERLANDS. 31>3

ingezetenen, het toelaten van oorlogschepen in elkanders havens, de keus der regenten IGOS.
io steden, die bijzondere heeren zouden krijgen, en de waarborgen voor eene getrouwe
naleving van het vredesverdrag kon men evenmin tot eenstemmigheid komen. Daar
men echter aan beide zijden geenszins twijfelde, dat deze geschillen eene voldoende
oplossing zouden vinden, zoodra men het over de hoofdpunten, den handel op
Indië
en de godsdienst, eens was geworden, hadden de onderhandelingen, in afwachting
der terugkomst van pater
tieyen, slechts tragen voortgang. De byeenkomstcn der
gemagtigden werden steeds zeldzamer en hielden eindelgk geheel op, toen ook
JEANNIN op den 18"'®° Junij voor een korten tijd naar
Frankrijk vertrokken was, om
HEiiDRiK IV met den staat yan zaken bekend te maken en zich in persoon omtrent
diens bedoelingen en wenschen te vergewissen De· Deensche gezanten, wien zoowel
de langdurigheid van den vredehandel als de onbeteekenende rol, die bun daarbij te
beurt was gevallen, reeds sints lang verdroten had, namen hun afscheid en keerden
naar hun vaderland terug. Hun voorbeeld werd eerlang door de gezanten uit
Munster,
Cleef
cn Keulen gevolgd \

Inmiddels had pater neten bü filips III meer tegenstand ontmoet, dan den aartsher-, Gezmdheid en

ί '' O ' bedoelingen van

logen aangenaam was. Naauwelijks was de geweldige indruk van do vernieling eener het Spaansche

hof.

magtige oorlogsvloot in de haven van Gibraltar eenigzins uitgewischt en had de geslo-
tene wapenstilstand de vrees voor eene herhaling van
heemskerk.'s stoutmoedige onder-
neming doen verdwijnen, of men had aan het Spaansche hof berouw gekregen over de
reeds afgelegde onafhankelijkheidsverklaring en besloten op dien weg althans geen stap
verder te gaan. De Belgische gemagtigden kregen bevel om, ingeval zij de opening van
hun uitersten last niet meer konden tegenhouden, zoowel de opoffering van den handel
op
Indië als de onbeperkte uitoefening der Katholgke godsdienst in de Vereenigde Gewesten
te eischen, en alleen onder deze voorwaarden de erkenning van de vrijheid der Republiek
bij het vredesverdrag toe te zeggen.
Neyen, die in Holland te veel over zyn onbe-
grensden invloed op den koning en diens inschikkelijkheid had uitgewijd, om met voeg
de overbrenger van dit
uUimalum te kunnen >vezen, werd opzettelijk in Spanje terug-
gehouden, doch schreef brief op brief, waarin hij zijn langdurig uitblgven aan ziekte
en anderen tegenspoed weet. Deze poging om de onderhandelingen te rekken en de
Staten zoolang mogelijk om den tuin te leiden, stond in verband met een plan der
Spaansche staatslieden, om
Hendrik IV en jagobus I door de voorspiegeling van aan-
zienlijke voordeelen van de zaak der Republiek te vervreemden, en de laatste daardoor

» VAN METEREN, f. 596 , 606. GROTiüs, p. 639. JEAKNIN, II p. 277, 287, 290, 296, 323, 357,
358, 359, 391.
PH. DÜ BOIS, 11 s. 120.

^ VAN METEREN, f, 607 b. GROTIÜS, p. 540. PU. Dü BOIS, II 8. 137.

ocr page 175

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

^ 1608. Ie dwingen den vrede lot den van haar geëischten prijs te koopen. Men rekende daarbij
op het vurige verkingen naar rust, hetwelk door de meeste regenten gevoed werd, en
stelde zich welligt voor, dat de door
weyen uitgedeelde geschenken en de pracht, die
spiNOLA ten toon spreidde, veler oogen verblind en veler harten bedorven zouden heb-
ben. Doch men vergat dat de staatslieden der Republiek te veel vaderlandsliefde en
eergevoel bezaten, om ooit in zulke voorwaarden toe te stemmen, en dat
johan van
OLDENBARNEVELT, hoeveel reden hij had om de voortzetting van den krijg voor zijn
met een drukkenden schuldenlast bezwaard vaderland te duchten, geen oogenblik wan-
kelde in zijn besluit, om elk verdrag af te wijzen, waarbij aan de onafhankelijkheid
der Vereenigde Gewesten, de vrije vaart op
Indië en de eigenmagtige regeling der
binnenlandsche aangelegenheden eenige afbreuk werd gedaan
Argwaan daar- Naauwelijks was jEANNis" naar Frankrijk vertrokken, of men ontving onderschei-
Yereenigdr Ge- ^^ne tijdingen, die gegronden argwaan omtrent Spanje*s bedoelingen opwekten,
westen. y^^ zijden kwamen berigten in, dat de Spanjaarden een geheel anderen toon

begonnen aan te slaan, en openlijk snoefden dat de verklaring van hunnen ko-
ning betrekkelijk de onafhankelijkheid der Republiek slechts een middel was ge-
weest om de Staten tot eenen wapenstilstand te bewegen en onderhandelingen met
hen aan te knoopen. Thans, beweerden zij, nu het bekend was hoezeer de Vereenigde
Gewesten den vrede wenschten en behoefden, kon er niet meer aan gedacht worden
hun voordeelige voorwaarden toe te staan. Te gelijker tijd vernam men dat
filips III
buitengewone gezanten naar
Frankrijk en Engeland had gezonden, ten einde Hendrik IV
en JAGOBUS I te verzoeken hunnen invloed te in zijn belang aan te wenden.

Daar men in Holland wist, hoe weinig men op de welwillendheid van den koning van
Engeland kon rekenen, die nog altijd zoowel uit vrees voor Spanje^s raagt als uit in-
genomenheid met de Spaansche regeringsbeginselen meer toegeeflijkheid en ontzag voor
FILIPS III betoonde, dan met de ware belangen van zijn ryk strookte, was men volstrekt
niet gerust omtrent den uitslag dezer pogingen. Ook ten opzigte van
Hendrik IV,
wien men steeds als den krachtigsten en getrouwsten bondgenoot had beschouwd, ont-
stond bij velen ernstige bezorgdheid. Men vernam dat
filips III dezen vorst door het
lokaas van een dubbel huwelijk, waarbij de kroonprins van
Frankrijk met eene Spaan-
sche, de kroonprins van
Spanje met eene Fransche prinses zou huwen, aan zich trachtte
te verbinden, en hem zelfs met dat doel het voorstel had gedaan, dat de Fransche
kroonprins tot erfgenaam der aartshertogen zou worden benoemd, indien hij wilde me-
dewerken om de Vereenigde Gewesten met de zuidelijke
Nederlanden te hereenigen.
Het was zeer twijfelachtig of
Hendrik IV zulk een verleidelijk aanbod van de hand zou

ill

BENTIVOGLIO, bl. 7Ö7. JEANKm, 11 p. 368, 378. Vgl. I ρ. 249 (hiervoor bi. 262 noot 2).

ocr page 176

DES VADERLANDS. 31>3

wijzen. Men.herinnerde zich dat jeannin, kort voor zijn vertrek, dag aan dag in het 1608.
Haagsche bosch verscheidene uren met
righardot heen en weder had gevvandekl, ter-
wyl hunne dienaren zorgvuldig de wacht hielden, om te beletten dat hun gesprek ge-
stoord zou worden Het was derhalve niet te bevreemden dat de oorlogsparty meer
dan ooit reden meende te hebben, om legen de Spaansche trouweloosheid te waarschu-
wen, en dat zelfs vele voorstanders van den vrede de wenschelijkheid van de voortzet-
ting der onderhandelingen begonnen te betwijfelen

Intusschen was de laatste Julij verstreken, zonder dat van de zijde van Spanje eenig VUmatum der

Belgische gczan-

bepaald antwoord was gegeven. Wegens de nog altijd verwachte terugkomst van neten ten.
en de afwezigheid van
jeankin hadden de Staten stilzwijgend dien dag voorby laten
gaan; doch naauwelijks was de Fransche gezant omstreeks het midden van Augustus te
'■y
Gravenhage wedergekeerd, en had men van hem de verzekering ontvangen, dat
HENDRIK IV in zijne gezindheid jegens de Republiek volstrekt niet veranderd was maar
haar met raad en daad zou blijven bijstaan of men besloot langer uitstel af te sny-
den.
Oldenbarnevelt, wien jeannin van het ullimalum der Belgische gezanten, hetwelk
RiGHARDOT hcm had medegedeeld, kennis had gegeven, wilde er naauwelijks van hooren,
dat men hen nog in de gelegenheid zou stellen, deze onaannemelijke eischen uit te
spreken. Hoezeer hij, op het voetspoor van prins
willem van Oranje, verdraagzaam-
heid in het godsdienstige voorstond en zich bereid verklaarde mede te werken om den
Katholieken na den vrede niet slechts algemeene vrijheid van huisselijke godsdienstoefe-
ning maar zelfs in enkele steden openbare eeredienst te verschaiTen achtte hij het
onmogelijk om de Staten thans tot zulk eene toegeeflijkheid op dit teedere punt te
bewegen. Bovendien kwam het hem onbestaanbaar voor met de waardigheid en tevens
met de veihgheid der Republiek, dat de Katholieken hunne godsdienstvrijheid aan
Spanje zouden te danken hebben. Eerst na den vrede kon er zijns inziens aan gedacht
worden, om de strenge plakkaten legen hunne geheime byeenkomsten en de uitoefening
hunner godsdienstige gebruiken en plegtigheden te besnoeijen of bij oogluiking builen
werking te laten, en
jeannin , wien Hendrik IV om dezelfde reden reeds last had gege-

^ pii. du bols, II 8. 125.

2 GROTius, f. 540. JEANNIN, II p.65, 93, 94, 135, 160, 198, 370, 378, 382, 386, 393, 399.
VAN DER KEMP, lU bl. 213. — Er werd coli weder gesproten over de kornet eener Spaansche ar-
made.
ph. du bois, II s. 118, 125.

3 JEANNIN, II p. 397.

^ JEANNIN, II p. 398 , 426. Uit de laatste plaats blijkt, dat zijn gevoelen in dit opzigt ook
door andere regenten, doch slechts door weinigen, gedeeld werd. Vgl.
Verhooren van oldenbar-
nevelt
bl. 32—35, 47, 53, 55, 115, 209, 240. Waarachtige historie, bl. 190, 197, 350.

ocr page 177

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1608. ven de eischen van Spanje betrekkelijk dit punt slechts welstaanshalve en geenszins
met aandrang te ondersteunen kon en wilde tegen
oldehbarsevelt's gevoelen geen
geldige gronden inbrengen. Begeerig om een bewijs te geven, dat ook hem de eer
des vaderlands te lief was, om zich langer door
Spanje om den tuin te laten leiden,
stelde de advokaat voor, dat men de Belgische gezanten niet meer ten gehoore toelaten
maar hun terstond uit naam der Stalen verklaren zou, dat de vastgestelde termyn ver-
streken was en derhalve thans alle twijfel aan de onopregtheid hunner betuigingen
wegviel, weshalve men den vredehandel afbrak en hen verzocht te vertrekken 2.
Met moeite bewogen de Fransche gezanten hem, dit plan te laten varen. Op hunnen
raad hielden de Staatsche gemagtigden op den 20®'®" Augustus nog eene bijeenkomst
met de Belgische gezanten, waarin dezen hun laatste woord werd afgevraagd. Thans
kon de last van
fiups III niet langer verheeld worden. In eene breedvoerige rede
weidde
righardot over de edelmoedigheid van zijnen vorst uit, die ter wille van den
vrede niet aarzelde al zijne aanspraken op de Vereenigde Gewesten te laten varen en
hunne onafhankelykheid zonder eenig voorbehoud wilde erkennen. Doch hij betoogde
tevens dat het niet meer dan billijk was, indien de Staten deze inschikkelijkheid be-
antwoordden door de vaart op
Indië op te geven en aan de Katholieken de vrije uit-
oefening hunner godsdienst te vergunnen. "Wat het eerste betrof, konden de Stalen
toch niet vergen, dat de koning van
Spanje hun grootere voorregten zou toestaan,
dan aan zijne vrienden en bondgenooten; en het tweede >vas niet slechts van zijnent-
wege een pliglmalige eisch, maar tevens in het waarachtige belang der Vereenigde
Gewesten, die anders gevaar liepen allengskens een aanzienlek gedeelte hunner inwoners
te verliezen. De Staten, voegde
righardot er bij, hadden niet geaarzeld op sommige
plaatsen aan de gevaarlijke Wederdoopers vrijheid van godsdienst te laten: konden zij
dan zwarigheid maken helzelfde regt aan diegenen hunner landgenooten te schenken,
die het geloof hunner vaderen waren blijven belijden
De vredehandel Een gemengd gevoel van teleurstelling en toorn openbaarde zich in de Slaten-Gene-
Ln! faal, toen de Staatsche gemagtigden aldaar den einduitslag hunner onderhandelingen

kwamen mededeelen. De laatste gewaarwording had echter de bovenhand, en nam nog
in hevigheid toe, toen de gezanten der bevriende mogendheden, wier raad terstond
werd ingewonnen, tot verschooning der Belgische gezanten aanvoerden, dal deze van den
aanvang in last hadden gehad vrijheid van godsdienstoefening voor de Katholieken te

i Ã¯ JEANNIN, I p. 382, 466, II p. 13, 37.

2 JEAMIN, 11 p. 399. Vgl. PH. DU BOJS, II s, 313 (15 Julij): »Der Advokat Barnefelt lest sich
?war hören, wan mau Ihme folgen würde,' so solle der termin nicht prorogirt werden."

3 VAN METEREN, f. 606 d. 6B0T1US, p. 541. JEASKIN, II p. 396—400·

ocr page 178

DES VADERLANDS. 31>3

eischen, doch de behandeh'ng van dit onderwerp tot het laatst verschoyen hadden, in 1608.
de hoop dat de Slaten te eerder tot inschikkelijkheid te bewegen zouden zijn, wanneer
men het omtrent de overige punten eens was geworden. Zoo bleek het dan, — was het
algemeene verwijt, — dat de onderhandelingen voor
Spanje inderdaad slechts een spel wa-
ren geweest, om tijd te winnen en de Slaten in slaap te wiegen. Men aarzelde niet
de Belgische afgevaardigden bedriegers te noemen, die onverwijld moesten worden weg-
gezonden. De algemeene verontwaardiging liet geen nadere overweging meer toe. Men
dacht er zelfs niet aan, om Ie berekenen of men wel in staat zou zijn, ook zonder
vreemden bijstand den oorlog te hervatten. Zonder zich aan het gevoelen der Fransche
gezanten te sloren, die op inwilliging van beide de gestelde eischen aandrongen, en
zelfs verklaarden dat
heindriic IV in het tegenovergestelde geval de Republiek niet meer
met voeg zou kunnen ondersteunen, besloten de Slalen-Generaal op den Augustus

met eenparige stemmen ^ den vredehandel af te breken. Zy stelden een plakkaat op,
waarin de loop der onderhandelingen en de trouweloosheid van den vijand, die hen
eerst met de toezegging eener onbeperkte onafhankelijkheidsverklaring gevleid, maar
ïater geweigerd had de daaruit voorlvloeijende regten en gevolgen te erkennen, kortelijk werd
uiteengezet. Het slot van dit betoog behelsde de verklaring, dat zy, op grond der onder-
vondene dubbelhartigheid, niet verder met de Belgische afgevaardigden in overleg konden
treden; dat het hun leed deed dat de vredehandel buiten hunne schuld geen beter
einde had genomen; doch dat zij zich voor God en de wereld onschuldig hielden aan
de rampen, welke de bloedige en langdurige oorlog in het vervolg na zich mögt slepen 2,

De hernieuwing van den krijg scheen thans onvermijdelijk. Doch jeannin, die in je^nnin stelt
last had tot eiken prijs een einde aan de vijandelijkheden tusschen Spanje en de Re- Ijestand voor.
publiek te maken, en met dat doel reeds een jaar te voren onderscheidene der voorr
naamste regenten over de aannemelijkheid van een bestand gepolst had, voor het geval
dat het sluiten van den vrede onoverkomelijke bezwaren ontmoeten mögt ^^ besloot ter-
stond dit nieuwe middel tot eene althans tijdelijke bevrediging voor te slaan.
Winwood en
spencer, die wel wisten dat jagobus I niet geneigd zou zijn de Staten met geld of troe-
pen bij te slaan, gaven hunne goedkeuring aan zijnen voorslag, om zoowel aan de Belgische
afgevaardigden als aan de Slaten een bestand voor te stellen, en de Duitsche gezanten
vereenigden zich insgelijks met dit gevoelen. Reeds op den 27·'®" Augustus begaven «ij

VAN DER KEMP, 111 bl. 158. JEANNiii, 11 p. 407: wils sent fort unis — noue ne voyons aucune
aparcnce de division entr'eux." Vgl, ρ. 439: »Je les voy plus imi» que jamais."

2 VAN METEREN, f. 607 C. —608 rf. GHOTIÜS, p. 541. BEKTIVOGLIO, bl. 767. baudius, bl. 126,
JEAKNIN, 11 p. 401—407. VAN DER KEMP, III bl. 38, 156—160,

3 JEANNIN, I p. 201 s,

III Deel. 2 Stuk. 59

ocr page 179

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1608. zich gezamenlijk naar de vergaderiDg der Stalen-Generaal, alwaar jeannin uit aller naam
verklaarde dat de vorsten, die hen uit belangstelling in het lot der Republiek naar
's Gravenhage hadden gezonden, om het sluiten van eenen eervollen vrede te bevorde-
ren , hen gemagtigd hadden, bijaldien dit wenschelijke doel niet getroffen werd, een be-
stand voor vele jaren ter sprake te brengen. Met ernst
vermaande hij de Staten zich
niet door het misnoegen, hetwelk zij tegen 's vijands gemagtigden hadden opgevat, te
laten weerhouden op deze wyze althans voor eenige jaren een einde aan den kryg te
maken, indien zij daarbij ten minste eervolle voorwaarden konden bedingen. In de
eerste plaats behoorde daartoe volgens
jeanniit, dat het bestand met de Vereenigde Ge-
westen gesloten werd als met vrije landen, waarop de koning van
Spanje en de aarts-
hertogen niets te pretenderen hadden. Voorts moest aan de Staten vrijheid gegeven
worden om zoowel op
Indië als op de zuidelijke Nederlanden en het Spaansche schier-
eiland handel te drijven. De Republiek zou bovendien al hare bezittingen en verove-
ringen moeten behouden, en de overige onderwerpen, die bij dit bestand in aanmerking
konden komen, zouden naar billijkheid geregeld moeten worden. Wel betuigde
ιειννιν
naauwelijks de hoop ie durven koesleren, dat de vyand met deze voorwaarden genoegen
zou nemen; doch hy drong er op aan, dat men althans beproeven zou, op deze grond-
slagen een bestand te treifen. Wees de koning van
Spanje dit middel tot bevrediging van de
hand, dan zou het besluit der Staten, om den oorlog te hervallen, door al hunne bondge-
nooten gebillykt worden. Weigerden de Staten daarentegen elke verdere onderhandeling,
dan moesten zij niet meer op den bijstand van
Frankrijk en Engeland rekenen, die
daarentegen bereid waren de eerbiediging van het besland van de zyde van
Spanje op
dezelfde wijze te waarborgen, als zij met betrekking tot den thans verijdelden vrede
gedaan hadden. Ook was er geen twijfel aan dat hel bestand, indien de Stalen slechts
naauw verbonden bleven en den tijd van verademing met verstand en overleg tot ver-
betering van den toestand bunner geldmiddelen en van hun gebrekkigen regeringsvorm
wisten Ie gebruiken, hun al de voordeelen van den vrede zou opleveren en allengskens
van zelf in een duurzamen vrede zou overgaan
De statcn-Ge- j)it; voorstel der bevriende gezanten, hetwelk door hen denzelfden dag ook aan de

iieraal besluiten "

over Let bestand Belgische afgevaardigden gedaan werd, werd door de Staten-Generaal terstond in over-

te onderhandelen. . â€ž , , i · i · -i i i · Ï„Ï„ r

weging genomen en gaf aanleiding tot langdurige en hevige beraadslagingen. Het
algemeen ongenoegen over de handelwijze der Spanjaarden was zoo groot, dat de
oorlogspartij er niet weinig door gesterkt was. Sommige leden trachtten reeds de
mogelijkheid te betoogen om, ook zonder hulp van
Frankrijk en Engeland^ den
krijg voort te zeilen, en braglen met dat doel een plan ter sprake, volgens hetwelk

' jeaknin, II p. 412—415; 419—431. grotius, p. 541.

ocr page 180

DES VADERLANDS. 2Ö1

men een gedeelte der Vereenigde Gewesten op zou offeren, om het overige met minder 1608.
kosten in staat van tegenweer te kunnen houden Doch de meerderheid begreep,
dat een bestand, op de door
jeattniït voorgestelde grondslagen voor geruimen tijd ge-
sloten en door
Frankrijk en Engeland gewaarborgd, inderdaad weinig van den vrede
verschillen zou, dien men van
Spanje niet had kunnen verkrijgen. Op den 50'^®"
Augustus kwamen de Slaten-Generaal, met uitzondering der Zeeuwsche afgevaardigden,
die weigerden aan verdere onderhandelingen deel te nemen, overeen, dat men den
voorslag aan zou nemen, onder bepaling dat zoowel
filips III als de aartshertogen de
onafhankelijkheid der Republiek en de oppermagt der Staten voor altijd zouden erkennen

Met hoeveel ingenomenheid de Belgische gezanten, die nog veel meer dan de hef- Be Belgische

gezanten vragen

ligsle voorstanders van den vrede onder de Hollandsche regenten voor eene hervatting en bekomen an-
der vijandelijkheden beducht waren het denkbeeld van een bestand ook hadden '
omhelsd: zg waren niet gemagtigd dezen eisch in te willigen, en durfden zelfs op
eigen gezag de voorwaarden niet aannemen, die JEANNirr onmisbaar had geacht om de
meerderheid der Staten-Generaal voor zijn plan Ie winnen. Zij achtten zich onbevoegd^
verder te gaan dan tot het voorstellen van eene voortzetting der beslaande wapenschor-
sing voor den tyd van zeven jaren, zonder nieuwe verklaring van de vrijheid der
Vereenigde Gewesten.
Jeannin verzekerde hun echter dat de Stalen volstrekt niet naar
dezen voorslag zouden willen luisteren, en trachtte hen te overreden zich te houden
alsof de vredehandel, overeenkomstig het besluit der Staten van den 25*'®" Augustus,
afgebroken was, en naar
Brussel terug te keeren. Hij vreesde niet zonder reden dat
hun langer vertoef nieuwe wapenen zou geven aan de oorlogspartij, die met opzet
uitstrooide dat de aartshertogen tot eiken prijs vrede zochten, ten einde de eischen
der Stalen zoo hoog te stemmen, dat zij door
Spanje niet aangenomen konden worden.
Waren de Belgische gezanten daarentegen vertrokken, dan hoopte hij de meerderheid
der Slalen-Generaal door de vrees voor eene hernieuwing van den krijg te eerder lot
het aannemen van een bestand, zelfs onder min gunstige voorwaarden, ie stemmen,
en daardoor levens te bewerken dat de eer, van een einde aan den langdurigen krijg
te hebben gemaakt,
Frankrijk te beurt zou vallen Κ Doch righardot en zigne
ambtsbroeders waren zeiven te zeer beducht, dat de vredehandel een ongunstig einde
zoude nemen, om dit plan te kunnen goedkeuren. Zij besloten integendeel uitstel

' JEANKIN, II p. 524.

2 VAN DER KEMP, II bl. 39, 160—162.

3 JEANKIN, II p. 444: »Les Estats 1'ont ausei bien qu'eux (n. la crainte de rompre) inais non
da tout si grande: car ils sont offencez et moins appreheneife de l'avenir."

^ JEATiKIN, II t. a. p.

59*

ocr page 181

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1C08. Ie verzoeken tot den eersten Oclober, ten einde de terugkomst te kunnen afwachten Tan
den
koerier, dien zij terstond na het voorstel der vreemde gezanten naar Spanje hadden
gezonden, om naderen last van filips UI te bekomen. Op den 10^®° en 11·^®" Sep-
tember werd deze voorslag in de Staten-Generaal, wier vergadering uit omstreeks
honderd en twintig leden benevens de beide stadhouders was zamengesteld, overwogen.
Na langdurige en zeer levendige beraadslagingen besloot men het gevoelen der vreemde
gezanten in te winnen, of het raadzaam ware het verlangde uitstel toe te staan,
niettegenstaande het bijkans ontwijfelbaar scheen dal het tot niets leiden zou. Zoodra
dezen de hun gestelde vraag op onderscheidene gronden toestemmend beantwoord hadden
begon prins
maurits terstond in driftige bewoordiogen hunne redenen te wederleggen.
Hij verklaarde dat niemand meer belaag had by het welzyn van den slaat dan hg, dat
zyn vader er voor gestorven was, dat hy zelf dikwerf zyn leven er voor gewaagd had,
Avaartoe hij nog bereid was, zoodat niemand aan zyne vaderlandsliefde twijfelen kon, In
het verzoek der Belgische gezanten kon hy echter niets anders dan eene nieuwe poging zien,
om hunne listen en lagen tot ondermyning van de vryheid en de kracht der Republiek
nog eenigen tyd voort te kunnen zeilen. Niellegenslaande zyn hevigen tegenstand be-
hield het tegenovergestelde gevoelen echler de overhand, hoewel het besluit, dat op
den 15^®" September door de meerderheid genomen werd, de blijken droeg van de
ontevredenheid en het wantrouwen, die de handelwijze des vyands bij de Stalen had
opgewekt. Men verklaarde alleen ten believe der vreemde gezanten het verzochte
uitstel tot het einde der maand te verleenen, doch niet te zullen dulden dal de Belgi-
sche gemagligden na den eerslen Oclober nog één dag te '
ä Gravenhage zouden vertoe-
ven , indien zij vóór dien tijd van
filips III geen volkomen last ontvingen, om 's lands
vrijheid en souvereinileit voor altyd te erkennen
Geen voldoend Jeaknin, die terslond pogingen in het werk stelde, om beide partijen met betrekking
l^aMy^bekomeu- Ιο^ de voorwaarden van het bestand tot eenstemmigheid te brengen, bespeurde echter
terugrX" ^ηΆΆτ sp^edig dat hij hierin niet slagen zou. Wel haalde hy de Belgische gemagligden over
jirussel aan. q^j jg joor hem voorgestelde grondslagen in te willigen, doch zij waren niet te

1 jearnin, die de Engelsclie gezanten met moeite had overgehaald zijn advies te ondersteunen,
berigtte herhaaldelijk aan
hekdrik IV en villeroy dat zij, naar het hem voorkwam, in het geheim
met de oorlogspartij heulden, en uitte daarbij het vermoeden
(II p. 424), dat jacobüs I gaarne
de hernieuwing van den oorlog zou zien,
άΆΆτ Frankrijk dan wel genoodzaakt zou worden openlijk
partij voor de Staten te trekken, hetwelk niet anders dan voordeelig
ύοογ Engeland kon zijn: »car
quand il ne voudra estre que spectateur, cette guerre assurera son repos, et s'il a volonte de faire
pis, il en prendra l'oportunité lorsqu'elle se presentera." Zie ook
II, p. 464. i

VAN ΜΕΤΕΠΕΝ, f. 609. GßOTIUS, ρ. 543. BAUDIÜS, hl. 128—133. JEANNIX, II p. 448—459.

ocr page 182

DES VADERLANDS. 31>3

bewegen om de Trijheid der Republiek in duidelijker en meer omvattende bewoordingen 1008.
uit te drukken, dan in den aanhef Tan het aanvankelijke verdrag tot wapenschorsing
geschied was, terwyl de Slaten-Generaal van hunne zijde in den eisch eener volkoraene
en onbeperkte onafhankelijksverklaring bleven volharden. Onder deze vruchtelooze
pogingen liep de maand September ten einde; en de Belgische gezanten, die nog geen
antwoord uit
Spanje ontvangen hadden, doch gevoelden geen nieuw uitstel te kunnen
vragen, zonder hunne waardigheid en de eer hunner vorsten op het spel te zetten,
besloten thans den schyn aan te nemen alsof zij den vredehandel voor verbroken hiel™
den, in de hoop dat
jeanmn er na hun vertrek in slagen zou, de Staten lot een
bestand Ie bewegen. Op den 50"®" September werden zij in eene plegtige zitting der
Staten-Generaal toegelaten. Na breed te hebben uitgeweid in den lof der aartshertogen, die
uit zucht tot den vrede zeer gewigtige punten hadden opgeofferd, beschuldigde
rigiiardot
de Staten van onverantwoordelijke hardnekkigheid in het vasthouden hunner eischen, wees
hen op de nadeelige gevolgen, welke deze handelwyze voor de Vereenigde Gewesten
hebben kon en voorspelde dat de tyd weldra komen zou, waarin zij te vergeefs zouden
vvenschen dat hun zoo voordeelige voorwaarden werden aangeboden, als zy thans moed-
willig van de hand wezen. Toen hij had uitgesproken, nam
oldenbarhevelt het woord
en verklaarde dat het afspringen der onderhandelingen alleen aan hen te wijlen was,
die eerst aan de Repubhek volkomene vrijheid toegezegd doch later hunne belofte ver-
broken hadden, zoodat het bloed, dat reeds in dezen oorlog gestroomd had en op nieuw
zou gaan vloeyen, niet van de Stalen maar van den koning van
Spanje moest worden
leruggeëischt, wiens wreede en onwettige plakkaten de Nederlanders in de noodzake-
lijkheid hadden gebragt om de wapenen tegen hem op te vatten. Na op deze wijze
hun afscheid genomen en bij den prins het middagmaal gebruikt te hebben, namen
de Belgische gezanten nog denzelfden dag de reis naar
Brussel aan

Intusschen had maurits de min of meer lijdelijke en toeziende rol, welke hij tot Mauhits eu
nog toe met betrekking lot de onderhandelingen gespeeld had, laten varen, beducht

dat het jeannin en oldenbarnevelt gelukken zou langs eenen anderen weg het doel tegen het

° bestand aan.

te treffen, hetwelk zij te vergeefs getracht hadden door een duurzamen vrede te be-
reiken, had hij op aandrang zijner vertrouwelingen ^ besloten al het gewigt van zyn
aanzien en zijn persoonlyken invloed in de schaal der oorlogsparty Ie leggen en met
al de hem ten dienste staande middelen het sluiten van een bestand Ie voorkomen.

1 VAN METEREK, f. 610, 611. GROTIUS, p. 545. BAUDIÜS, bl. 133—149· JEAMiiN, 11 p. 461 ss.
VAN DER KEMP, 111 bl. 178—183.

^ JEAXMN, 111 p. 75: ))il est devcnu hommc de faction par Ie coneeil d'autruy, non de soa
inclinaüon.'l

ocr page 183

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1608. Reeds op den 21"®» September had hij met dat doel eenen brief aan de Vroed-
schappen der stemhebbende steden
Tan Holland alsmede aan de Staten der provinciën
Gelderland^ Utrecht en Overijssel geschreven, om hun de gevaren van een bestand
Toor oogen te houden, en lot volharding in den eisch eener volkoraene en onbe-
perkte onafhankelyksverklaring te dringen. Aan het slot verzocht hij de Vroed^
schappen en Staten, hunne gemagtigden ter volgende dagvaart scherpelijk te gelasten,
om van het genomene besluit betrekkelijk dien eisch geen haar breedte af te wijken,
en tevens ernstig aan te bevelen met hem in de zaken des lands te houden »alle
goede correspondentiën en communicatiën, gelyk het behoorde, en met alle vorige
gouverneurs en inzonderheid met wijlen zijnen vader was geschied, en, zonder zich
daarop te beroemen, zijne langdurige diensten genoegzaam meriteerden i". Weinige
dagen vroeger had graaf
willem lodewijk een diergelijken brief aan de Staten van
Friesland en Groningen gezonden, waarin hg insgelijks trachtte te betoogen dat het
bestand bykans onvermydelijk den ondergang van de vrijheid en de welvaart der Ver-
eenigde Gewesten na zich zou slepen % Ook door andere tot 's lands regering en
byzondere personen gerigte stukken en in menigvuldige gesprekken met de voor-
naamste regenten zochten de beide stadhouders hun gevoelen veld te doen winnen.

Gronden voor Hunne bezwaren kwamen hoofdzakelijk hierop neder. Het was waarschynlijk, dat de

liun gevoelen. . .

provinciën lerslond tot eene aanzienlijke vermindering der oorlogslasten zouden beslui-
ten, welke beletten zou de grensvestingen behoorlijk van garnizoen te voorzien. De
daardoor ontstaande weerloosheid tegenover
Spanje zou door het groote aantal der
Katholieken, die
in Gelderland^ Utrecht^ Friesland, Overijssel en Groningen de meer-
derheid der bevolking uitmaakten, nog vergroot worden. Het scheen even gevaarlgk
hen in die omstandigheden door voortdurende weigering van godsdienstvrijheid te verbit-
teren als door inwilliging van hun verlangen naar openbare godsdienstoefening overmoe-
dig te maken. Nu reeds openbaarden zich beginselen van verdeeldheid tusschen pro-
vinciën en steden, die gedurende het bestand door het ophouden van den voornaamsten
prikkel tot eensgezindheid in openbare tweedragt zouden uitbarsten. Hoe ligt kon-
den de Spanjaarden te midden van deze moeijelijkheden en onlusten gelegenheid
vinden om door geweld of verraad hun doel te bereiken! En ook al mogten de Ver-
eenigde Gewesten deze onderscheidene gevaren gelukkig te boven komen, en met ver-
nieuwden moed na het bestand den kryg hervatten: zij zouden zich dan ongetwijfeld in
veel ongunstiger toestand bevinden, dan waarin zij thans verkeerden. Het was niet te
verwachten dat de uitgeputte en met schulden bezwaarde generaliteitskas gedurende het

1 VAN METEREN, f. 609 d. TAN DER KEMP, III 1)1. 166—173.

2 VAN DER KEMP, III bl. 174—176.

ocr page 184

DES VADERLANDS. 31>3

bestand ten behoeve yan een nog onzekeren krijg behoorlijk gevuld zou worden, ter- 1608.
wijl
Spanjé's eenhoofdig bestuur in dien tijd de jaarlijks in veiligheid overgevoerde
schatten der beide
Indien tot dat doel opeen kon stapelen. Tot nog toe had men op
de ondersteuning van
Frankrijk en de gunst van Engeland kunnen rekenen. Wie kon
eenigen waarborg geven, dat de Staten steeds tot beiden in dezelfde verhouding zouden
blyven? Was het niet veeleer te vreezen, dat het ophouden der vyandelykheden de
bondgenooten en vrienden der Republiek allengskens van hare belangen zou vervreem-
den ? Zou HENDRIK. IV niet gemakkelijker door de voordeelige aanbiedingen van
Spanjé's
koning verlokt worden, wanneer het gevaar, dat deze de Nederlanden weder volkomen
onder zijn gezag terug zou brengen, althans aanvankelijk op den achtergrond was ge-
schoven ? En moest het dan, met het oog op al deze bezwaren, niet van het uiterste
gewigt worden geacht, dat men onwankelbaar in het reeds meermalen genomene besluit
volhardde, om nimmer eenigen vrede of bestand met
Spanje Ie sluiten, lenzy de mo-
gelijkheid eener voorwaardelijke onderwerping aan den voormaligen souverein, die niet
anders dan de wrangste vruchten kon dragen, door eene ondubbelzinnige verklaring van
de onafhankelykheid der Vereenigde Gewesten onherroepelijk was afgesneden? Thans
gevoelde men zich tegenover
Spanje vrij en maglig. Thans was de gedachte aan de
herleving der Spaansche dwingelandij voor ieder een gruwel. Maar het bestand zou de
met bloemen bestrooide weg zyn, die allengskens ten verderve voerde; en de voorstan-
ders van zulk een schadelijk en gevaarlijk verdrag met den trouweloozen vijand, verre
van 's lands waarachtig welzijn te bevorderen, konden of wilden uit overdrevene en
ongegronde begeerte naar rust de klippen niet zien, waartegen het schip van staat,
door inwendige verdeeldheid aan de willekeur der stormen prijs gegeven, eerlang te
berste stooten zou

Voorzeker waren deze bezwaren hoogst gewigtig en volkomen voldoende om de Beoordeeling
vooringenomenheid der beide stadhouders tegen het bestand te verklaren. Doch zij ver- S^otlen.
gaten ten eenenmale dat de voortzetting van den krijg althans geen mindere bezwaren
opleverde, en dat men geenszins tusschen onvermijdelijke nadeden en waarschijnlijke
voordeelen maar tusschen twee toestanden te kiezen had, wier gevolgen voor het welzijn
der Republiek voor het minst even onzeker waren. 'Bovendien zagen zij drie omstan-
digheden voorby, wier overweging hen welligt tot een zachter oordeel omtrent de
voorstanders van het bestand gestemd zou hebben. Hadden de Staten geen regt om
over miskenning van hunne vaderlandsliefde en vrijheidszin te klagen, wanneer men na
hunne veertigjarige standvastigheid te midden der grootste tegenspoeden en gevaren

» GROTiüs, p. 542—544. baüdius, bl. 133—146. jeakniit, II p. 459, 466, 479, 481. va« dea
kemp,
111 bl. 177 (109), 187—217.

ocr page 185

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1608. twijfel opperde aan hun onwankelbaren afkeer Tan eene voorwaardelijke onderwerping
aan
Spanje? Was de reeds afgelegde Terklaring van de onafhankelijkheid der Repu-
bliek, in verband met hare feitelijke vryheid en magt en met de houding van
Frankrijk
en Engeland niet voldoende, om haar eene eervolle plaats onder de mogendheden van
Europa te verzekeren? En vooral, hetgeen voor de beslechting van het gewigtige ge-
schil beslissend mögt heelen, was men genoegzaam verzekerd dat
Hendrik IV by de
hernieuwing van den krijg bereid zou zyn tot verdubbeling van zyne onderslandsgelden,
zonder welke zelfs prins
maurits geen kans zag een voldoend leger te velde te brengen?

Gevoelen van Het was inzonderheid eene geheel verschillende beantwoording dezer drie Tragen,
TEL·™^^^"^^ waarop
oldenbarkevelt zgn gevoelen omtrent de aannemelijkheid Tan het door jeatïnin
Toorgeslagene bestand bleef "steunen. In eene uitvoerige memorie, omstreeks het midden
van October door hem bij de Stalen van
Holland ingediend, legde hij de gronden
bloot, die hem de overtuiging schonken dat men op deze wgze, overeenkomstig de
begeerte der Staten-Generaal eene goddelijke, eerlijke en verzekerde uitkomst van
den krijg bekomen kon. Met het woord
goddelijk had men de handhaving en uitslui-
tende uiloefening der Christelijke Gereformeerde godsdienst op het oog gehad: en bij
het bestand zou door
Spanje niets ten gunste der Katholijken bedongen worden. De
uitdrukking
eerlijk bedoelde de erkenning der wettigheid van het besluit lot afzwering
van FiLiPS II: en de bevriende gezanten hadden reeds herhaaldelgk verzekerd, dat zij
de door de aartshertogen en den koning van
Spanje afgelegde verklaring betrekkelijk
de onafhankelijkheid der Republiek in dat opzigt voor voldoende achtten. Het was
zelfs, beweerde de advokaat, gevaarlijk en beneden de waardigheid der Stalen, op
eene meer onbepaalde verklaring aan te dringen, en daardoor den schijn aan te nemen,
alsof hel voor de vryheid der Vereenigde Gewesten niet voldoende was, dat de Staten,
in navolging van andere volken, hunnen landsheer wegens zijn vergrijp tegen hunne
regten en instellingen van den troon vervallen hadden verklaard. Eindelijk had men
gemeend dat de veiligheid en welvaart des lands alleen dan
verzekerd zouden zijn,
Avanneer men niet slechts het gansche grondgebied der Republiek maar ook de betrek-
kingen en verbonden met de bevriende mogendheden behouden kon: en zoowel aan het
een als aan het ander zou niets te kort worden gedaan. Wanneer men integendeel
weigerde het bestand aan te nemen, hetwelk door
Frankrijk en Engeland werd aange-r
raden, dan zou men niet slechts de gunst en de ondersteuning van
Hendrik IV en
jacobus I verbeuren, maar zich ook aan de wisselvallige kansen van eenen oorlog
blootstellen, waarvan de uilslag in het geheel niet zeker was. Was het niet in lijnregten

ï Hiervoor bl. 255, Uit van der kemp, III bl. 234, blijkt dat het woord goddelijk hier in de-
jiclfde bcteekenis gebruikt werd als
christelijk.

ocr page 186

DES VADERLANDS. 31>3

slryd, zoowel met de pligt der regering als met de welvaart der ingezetenen, om lan- 1608.
ger dan Tolstrekt noodzakelijk meer dan twintigduizend landlieden aan roof en mishan-
deling bloot te stellen, de veiligheid van zeevaart en visschery tegen te houden, het
scheepsvolk gevaar te doen loopen van vermoord of aan de roeibanken der Spaansche
galeyen vastgeketend te worden, en de provinciën te noodzaken tweemaal zooveel oorlogs-
lasten op te brengen, dan gedurende het bestand vereischt zouden worden? De ijdele vrees,
dat 's lands zaken in dien tijd jammerlijk verloopen zouden, was beleedigend vóór het
beleid der regenten en de vaderlandsliefde der burgerij, en werd door de ervaring van
den roemrijken veertigjarigen strijd, dien men reeds doorworsteld had, volkomen gelo-
genstraft De bewering, dat de Oost-Indische compagnie nadeel zou lijden, was van
allen grond ontbloot. Werd het bestand ook over
Indië uitgestrekt,' dan zouden hare
kosten aanmerkelijk verminderen. Bleef daarentegen aldaar de oorlogstoestand voortduren,
dan zouden de Staten juist wegens het in
Europa heerschende bestand haar krachtdadig
kunnen ondersteunen. Het leed dus geen twijfel, dat de actiën der compagnie terstond
na het sluiten van het bestand in waarde zouden rijzen. Wel zou de oprigting eener
IVest-Indische compagnie vooreerst moeien worden uitgesteld: doch dat plan was nog
zoo verre van de verwezenlijking verwijderd, aan zoovele bezwaren onderhevig en leverde
zulke onzekere kansen op, dat het naauwelijks bij de overweging der voor- en nadeelcn
van het bestand in aanmerking kon komen Yan groot gewigt mögt het daarentegen
heeten, dat de ervaring der beide laatste jaren, waarin men reeds in verscheidene op-
zigten in eenen toestand verkeerd had, die door sommigen als hoogst verderfelijk werd
afgeschilderd, deze sombere voorspellingen geenszins geregtvaardigd had. Gedurende
dien tijd hadden de Vereenigde Gewesten »noch in eere, noch in reputatie, noch in
landen, provinciën, sleden of plaatsen iels verlorenvele duizenden waren voor schade
en harteleed bewaard gebleven, en niettegenstaande men de krijgsmagt op den voel van
oorlog gehouden had, waren reeds bijkans vijftig tonnen gouds uilgespaard. Boven-
dien , — en hier raakte
oldenbarwevelt met groote vrijmoedigheid een onderwerp aan,

1 j) 't Is ook buiten alle apparentie en strijdt jegens de vromiglieden cn eer der landen en goede
ingezetenen van dien cn hare geëxperimenteerde courage, afFcctie, oordeel, constantie en patientie,
dat men zoude meenen, dat de Regeerders van dezelve landen en steden jegens de meneën en
practijken der vijanden en jegens het verval van de discipline m<it alle en diergelijke zaken niet
zouden beter bij bestand als oorlog kunnen voorzien."

2 Â»'tls nog ver te zoeken, het verkrijgen van 't octroy voor de compagnie na het gedane
voorstel, en nog verder de subsidie, aan dezelve compagnie te doen. De participanten zullen bij
avonlure zoo gereed niet Avezen, terwij de luiden alledaags scrupuleuzer wQrdcn hare penningen
voor vele jaren op onzekere winst uit te stellen. Als de compagnie geformeerd zoude wezen,

alsdan zoude nog onzeker zijn, of,men'met vrucht iets zou kunnen uitrechten." Enz.

*

III Deel. 2 Stuk. 40

ocr page 187

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1608. welks behandeling voor maurits uilerst pijnlyk moest zijn, — de tegenstanders van het
bestand, die zich bij de voortzetting van den oorlog eene onafgebrokene reeks van overwin-
ningen schenen te voorspellen, mogten wel wat naauwkeuriger en ernstiger overwegen,
aan welke oorzaken de voorspoed der Slaatsche wapenen in de laatste jaren inzonder-
heid was toe te schrijven. Tweemaal had de hertog van
Parma op last van filips II
zyne zegevierende krijgsbenden van de grenzen van
Holland en Gelderland naar Frank-
rijk
moeten voeren, en daardoor aan de Vereenigde Gewesten eene zeer gewenschte
verademing geschonken. Vijftig malen had de steeds in hevigheid en omvang toenemende
muiterij der Spaansche troepen den voortgang hunner wapenen tegengehouden en dc
plannen hunner veldheeren verijdeld. Niettegenstaande al dezen tegenspoed, was de
opstand der Nederlanders tegen hunnen vorst in de zuidelijke
ISederlanden bedwongen
en binnen de noordelijke gewesten beperkt geworden; en het laatste jaar van den
krijg, waarin het Slaatsche leger lot eene vroeger ongekende sterkte was opgevoerd en
het niettemin hoofdzakelijk aan de buitengewone regenvlagen en het toevallig mislukken
van twee gevaarlijke aanslagen te danken Avas, dat dé Republiek nog geen grootere en
welligt onherstelbare verliezen had geleden, had het bewijs geleverd dat men de her-
vatting der vyandelijkheden geenszins met onbezorgd vertrouwen in den goeden uitslag
maar veeleer met een zeer bekommerd hart te gemoet mögt zien
,ΤκΔΝΝίΝ stelt Krachtens deze overtuiging had oldenbarnevelt, reeds vóór het vertrek der Belgische
vau ee"n IcstanT JEANKiN de middelen beraamd, om hun gemeenschappelijk doel te be-

reiken. De advokaat, die betwijfelde of zijn persoonlijke invloed in dit geval krachtig
genoeg zou zijn, om den heftigen tegenstand der oorlogspartij te overwinnen, rekende
daarbij vooral op de ondersteuning van
eendrik IV, en verzekerde dat hij alleen dan
hoop kon voeden in zyn oogmerk te slagen, wanneer deze al het gewigt zijner
meening in de schaal wilde leggen en niets onbeproefd liet om zoowel prins
mau-
rits als de Staten gunstig voor het bestand te stemmen 2. Natuurlijk bleef jeannih
niet in gebreke hem den krachtigsten bijstand toe te zeggen; doch het was bo-
vendien eene zeer gunstige omstandigheid dat
jagobüs I, na lang weifelen en dra-
len, zich eindelijk geheel voor een bestand, overeenkomstig de door den Franschen
gezant voorgestelde grondslagen, verklaarde, en aan "
winwood en spehger bevel gaf
met al hun vermogen daartoe mede te werken Wel waren de nog aanwezige
Duitsche gezanten, waarschijnlijk ten gevolge der naauwe betrekkingen tusschen hunne
vorsten en het huis van
Nassau, meer geneigd de oorlogspartij te begunstigen, doch

1 VAR DER KEMP, III bl. 218—227.

2 JEANKIN, II p. 497.

3 JEANNIN, II p. 482. WINWOOD pupevs, II p. 443 , 478.

ocr page 188

DES VADERLANDS. 2Ö1

hun gezag was op zich zelf zoo onbetcekenend, dat zij zich iu den regel niet het ge- 1608.
voelen der Franschen en Engelschen vereenigden, en eerlang uit tegenzin in hunne
onbeduidende rol besloten hel voorbeeld hunner Katholieke ambtsbroeders te volgen en
naar hun vaderland terug te keeren ^ Z.oo spanden derhalve al de vertegenwoordigers
van de vrienden en bondgenooten der Republiek zamen om met vereende krachten tot
verwezenlijking van het bestand te arbeiden. Het liefst zou
jeannis met dal doel eene
eenvoudige verlenging der reeds geslolene wapenschorsing voor twintig of vijf en twin-
tig jaren tot stand hebben gebragt, daar hij van
righardot vernomen had dat de
aartshertogen daartegen niet alleen geen bedenkingen zouden maken, maar zelfs aan
dien vorm verrewisg de voorkeur gaven boven eene nieuwe overeenkomst, die nood-
wendig eenige bepalingen omtrent de onafhankelijkheid der Republiek en de rege-
ling der Indische aangelegenheden zou moeten bevatten, waarin
filips ΠΙ welligt niet
zou willen toestemmen 2. Doch de gezindheid der Staten liet niet toe zulk een
voorstel ter sprake te brengen, en
jeawnin hield zich dus onledig met het opstellen
van een ontwerp, volgens hetwelk de reeds aanvankelyk door de aartshqrtogen
an Spanje
afgelegde vrijverklaring met dezelfde woorden herhaald, het feitelijke bezit aan beide
zijden erkend en geëerbiedigd en de keus tusschen de uitstrekking van het bestand
over
Indië of de voortduring van den oorlogstoestand bezuiden den kreeftskeerkring aan
riLiPs III overgelaten zou worden. De Engelsche gezanten en
oldenbarnevelt keurden
het ontwerp goed en JEANNm trad terstond, volgens afspraak met de Belgische
gemagtigden, in briefwisseling met
righardot, om door diens tusschenkomst te bewer-
ken , dat men zoowel te
Madrid als te Brussel geen zwarigheid zou maken op dien
grondslag een veeljarig bestand aan te nemen.

Het was te midden dezer beraadslagingen, die in hel laatst van September en in het begin j^jj

van October plaats grepen, dat jEANrfiN een plan volvoerde, waartoe hij den last onlangs

^ Â° ^ ' Â· ^ cn andere regen-

xxii Frankrijk had medegebragt. Er was Hendrik IV", met het oog op zijne wijdslrekkende ont- tco naauwer aan

. Frankrijk te ver-

werpen tot fnuiking der magt van het huis van Oosfenrijk, niet alleen veel aan gelegen, binden,
den krijg tusschen Spanje en de Republiek tot een einde te brengen, maar vooral ook
de laatste ten naauwste aan zijne belangen te verbinden en een beslissenden invloed o[)
hare staatkunde te erlangen. Met dat oogmerk had JEAHifiw reeds meermalen op eene
verbetering van haren regeringsvorm aangedrongen, waarbij door de overbrenging van
de kracht des besluurs in den Raad van State eene zeer wenschelijke centralisatie lot
stand gebragt en tevens aan
Frankrijk de weg gebaand zou worden om een groot gezag

' VAN ΜΕΤΕΠΕΝ, f. 613 b. JEANNIS, II p. 464.
- JEANNIN, II p. 4Ü5, 500.

3 Re&ol. v. Holland, 1608 bl. 722 , 724. jearms, II p. 495.

40*

ocr page 189

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1608. in dat regen'ngscoUegie te bekomen. Oldenbaritevelt, die de strekking eener dierge-
lijke hervorming zeer goed doorzag, en haar zoowel voor
Hollandss overwigt als voor
zijne eigene magt gevaarlyk achtte, had echter de indiening van bepaalde voorstellen en
de overweging van dit gevvigtige en buitendien reeds dikwerf ter sprake gebragte punt
tot na het bestand weten te verschuiven, onder het zeer aannemelgke voorwendsel,
dat het voor de eensgezindheid der provinciën niet raadzaam was en den loop der
onderhandelingen slechts belemmeren zou, wanneer men thans zulk een gewigtig on-
derwerp in behandeling nam ^ Niettemin had
jeannin, in overleg met zijnen vorst,
begrepen dat hij tot bereiking van zijn dubbel doel niets verzuimen moest, om de
voornaamste regenten zoo gunstig mogelyk voor
Frankrijk te stemmen; en hij was
derhalve gemagligd van het gewone hulpmiddel dier dagen, jaargelden en geschenken,
op ruime schaal gebruik te
maken 2. De man, dien hy boven alle anderen wenschte te
winnen, was
jouan van oldenbarnevelt. Reeds had hendrik 17, op verzoek van zy-
nen gezant, de beide op dat tijdstip aan het Fransche hof vertoevende zonen van den advokaat
op de eervolste wijze onderscheiden, door den oudsten met eigene hand tot ridder te
slaan en den jongsten tot
gentUhomme servant te benèemen 3. Thans bood jeaknix hem,
als erkentenis zijner aan
Frankrijk bewezene diensten, een geschenk van twintigdui-
zend gulden aan. De advokaat weigerde herhaaldelijk de rijke gift aan te nemen; en
het zou zoowel zijn hart eere gedaan als den roem zijner nagedachtenis niet weinig
verhoogd hebben, indien hij op dit punt standvastig ware gebleven. Doch
oldenbarnevelt
Avas niet vry van geldzucht Te midden zijner drukke werkzaamheden tol bevordering van
's lands welzijn had hij zijne eigene zaken niet uit het oog verloren, en hoewel zelfs
de verdenking van oneerlijkheid niet op zijn naam mag kleven, is het niet te ontken-
nen dat hij zelden eene gunstige gelegenheid voorbij liet gaan om zich of de zynen
door winstgevende ambten en betrekkingen te bevoordeelen Ware er een onmisken-
bare strijd geweest tusschen zijn geldelijk belang en het welzgn des vaderlands: er is

ï grotiüs, p. 649. jeannin, 1 p. 34, 62, 184, 292, 334, 433, 11 p. 17, 38.

jeatikin, I p. 46.

3 jeanhin, II p. 225, 293, 333, 347, 363.

4 Zie o. a. WaaracMffe Hislorie van oldekbarnevelt, bl. 166, 168, 174, 175.

5 Zie o. a. Resol. van Holland^ 1605 bl. 400 vv., alwaar aan otdenbarpfevelt op zijn verzoek
al de voordeden, aan de bewaring van het groote zegel
vau Holland en West-Friesland verbonden
werden toegewezen »voor een extraordinair recompense van sijnc diensten, moeyten en lasten.'* —
Voor treffelijk drukt Dr.
r. fruin {Tien jaren uit den tachtig jarigen oorlog ^ 1857 bl. 40) het ka-
rakter van OLDENBARNEVELT in dit opzigt uit: «Eerlijk, en toch niet onbaatzuchtig; zijn eigen
voor-
deel zoekend, terwijl hij het land van dienst Avas."

ocr page 190

DES VADERLANDS. 31>3

geen twijfel aan of hij zou elk geschenk van de hand hebben gewezen. Zelfs zijne I6O8.
felste aanklagers zijn het bewijs schuldig gebleven, dat hij ooit Spaansch goud zou
hebben aangenomen, niettegenstaande hem van den kant der aartshertogen niet zelden
schitterende aanbiedingen zijn gedaan. Doch thans was er, naar zijne meening, niet
slechts geen strijd tusschen pligt en belang, maar zelfs gegronde reden om de gift als
eene welverdiende belooning te beschouwen voor hetgeen hij, overeenkomstig de belan-
gen der Republiek, ten gunste van
Frankrijk had verrigt. Was het niet groolendeels
ten gevolge van zijne voorstellen en bemoeijingen, dat
hemdrik IV vóór den vrede van
Vervins herhaaldelyk door de Staten met geld en troepen was ondersteund geworden?
Was hij niet zoowel in
Frankrijk'*s belang als lot heil van zijn vaderland werkzaam,
wanneer hy met al zijn vermogen een bestand zocht te bewerken? Bovendien, het
geschenk legde hem geen verpligtingen op en liet hem volkomene vrijheid om in
het vervolg de bedoelingen van
hendbik. IV te ondersteunen of legen te werken, naar-
mate hy dat voor de Vereenigde Gewesten wenschelijk achtte. Door deze drogredenen
versterkt, zegevierde zijn eigenbelang over zyne gewone voorzigtigheid en bragt de be-
denkingen van het eergevoel tot zwygen. Hy vergat, dat het geen staatsman voegt
zonder voorkennis en goedkeuring zijner wettige overheid aan diergelijke aanbiedingen
het oor te leenen. Hij bekreunde er zich niet om, dat hij aan zijne vijanden, wanneer
zyne handelwijze bekend mögt worden, een geducht middel verschafte, om zijne goede
trouvv in verdenking Ie brengen. Hij nam de twintigduizend gulden aan, beloofde ge-
heimhouding en wees zelfs jEAiviiiN op diens verzoek den weg, om invloedrgke regenten
door geschenken gunstiger voor hel bestand te stemmen 2. Hy werkte daardoor mede
om een kwaad in de Republiek te doen ontkiemen, hetwelk snel wortel schoot cn

^ Dat JEAXNW liet geschenk ook niet als zoodamV beschouwde, maar alleen als een middel om
oldekbarnevelt gunslig voor Frankrijk te stemmen, blijkt uit diens geheele volgende bricfwiBse-
ling. Zie bepaaldelijk 111 p. 53: »je Ie reconnois affectionné a ce que nous desirons, comme
aussi au service et contentement de sa Majesté,
gu'it voit estre conjoint hu hien de son pays^ —
van der kemp, die uit het woord marchandisc, door jeankin (11 p. 475, 498) van het geschenk
gebruikt, schijnt af te leiden dat 0. zicli daardoor aan Fran/in·//« verkocht heeft (lil bl. 165 n. 102),
ziet voorbij dat deze uitdrukking in 't algemeen voor alle geldswaarden gold, die uit
Frankrijk
naar Holland Averden gezonden, en bepaaldelijk meermalen door buzanval in dien zin gebruikt
was. Zie aldaar, p. 332.

2 oldekbarnevelt beweerde later, dat Hendrik IV hem reeds ia 1598, tijdens het gezantschap in
Frankrijk, eene aanzienlijke vereering had beloofd, zoodra zijne geldelijke omstandigheden hem
zouden toelaten op die wijze zijne erkentelijkheid te betoonen. Zie
jeannin, II p. 498. Verhooren
van
oldekbarnevelt, bl. 133 v. g. brandt, iUstoric der rechtspleging over oldekbarnevelt, 1708
hl. 87, 88.
wagenaar, Yad. Ilist, IX bl. 367 vv. van wh» op wagesaar, IX bl. 102. van deb

ocr page 191

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1608. door zijne voor zedelijkheid en vaderlandsliefde verderfelijke gevolgen niet zelden een
ODgunstigen invloed heeft uitgeoefend op de lotgevallen der Republiek i.

De geheime Naauwelijks waren de Belgische gezanten vertrokken, of de voor- en tegenstanders
cniAMo/^worft t®·^ bestand begonnen met verdubbelden ijver voor de verwezenlijking hunner wen-
geyonden. schen te arbeiden. Een vreemdsoortig voorval scheen aanvankelijk de oorlogspartij uit-
muntend te stade te komen. In de Iade eener tafel, die in de door
righardot bewoonde
kamer stond, werd de geheime lastbrief gevonden, welken de aartshertogen aan hunne
gemagtigden hadden medegegeven 2. Had de Belgische staatsman dat gewigtige stuk
opzettelijk achtergelaten? Prins
maübits en zijne aanhangers beweerden het tegendeel
en verbreidden met ophef de omstandigheid, dat hel bedingen van godsdienstvrijheid voor
de Katholijken daarin op den voorgrond werd gesteld, en dat de aartshertogen tot ver-
krijging van hun verlangen in dit opzigt niet weinig op den bijstand van
Frankrijk
gerekend hadden. Zoo bleek het dan, — beweerde men, — hoe listig en verraderlijk
de vijand was te werk gegaan, door het onderwerp van de godsdienst eerst bij het
einde der onderhandelingen ter sprake te brengen, en tevens hoe weinig men op de
opreglheid der Fransche gezanten vertrouwen kon. Doch de tegenpartij, die deze ge-
volgtrekkingen voor het minst zeer overdreven, zoo niet geheel ongegrond achtte, vond
op hare beurt in den lastbrief een krachtig en afdoend bewijs voor de goede trouw der
aartshertogen, daar dezen hunne gemagtigden bevolen hadden de onafhankelijkheid der
Vereenigde Gewesten zonder eenig voorbehoud te erkennen. Belangrijker dan deze
beide punten, waaromtrent
Spanje*s bedoelingen reeds genoegzaam in het licht waren
gesteld, was echter dat gedeelte van het stuk, waarin het sluiten eener naauwe
verbindtenis tusschen de noordelijke en de zuidelijke
Nederlanden als hoogst wenschelijk
voor beider veiligheid en welzijn afgeschilderd, en de bevordering dezer zaak aan de
Belgische gezanten als een hunner gewigtigste pligten werd aanbevolen. In den loop
der onderhandelingen hadden de Stalen zulk een fier gevoel van onafhankelijkheid en

kemp, 111 bl. 43, 165.— oldenbabnevelt's handelwijze te dezen opzJgte versterkt het vermoeden,
dat hij, zonder zelf eenige gift van pater
keyen aan te nemen, echter diens pogingen tot omkoo-
ping van enkele regenten met opzet niet had willen tegenwerken. Zie ΛνΑΟΕκΑΑη, X hl. 349. —
liet strekt weinig tot verontschuldiging van
oldenbarkevelt, dat het ontvangen van geschenken
van bevriende en zelfs van onbevriende mogendheden tot de zeden van zijnen tijd behoorde,
daar het niet alleen door edeldenkende lieden (zie h. v.
van vervov, bl. 328) maar zelfs door de
openbare meening gewraakt werd, vooral wanneer er geheimhouding mede verbonden was.

' Vgl. JEAKKIN, I ρ. 269, alwaar de Fransche gezant te Brussel 's Gravenhage eene plaats
noemt: »ou sans doute il y a bien de la corruption."

2 VAN ΜΕΤΕΠΕΝ, f. 611. JEANNIN, 1 ρ, 54—61,

ocr page 192

DES VADERLANDS. 31>3

zooveel afkeer van elke toenadering tot Spanje aan den dag gelegd, dat righardot het 1608.
niet ge^γaagd had zelfs in de verte op een verdedigend verbond tusschen
België en de
Republiek te zinspelen. De schynbare achteloosheid, waardoor hij zijn lastbrief den Sta-
ten in handen speelde, was hoogst waarschyolyk het eenige middel geweest, hetwelk
hy had kunnen uitdenken, om denkbeelden en wenschen bij hen op te wekken,
die hij tot zijn spijt niet had kunnen en durven uitspreken. Dit doel werd echter
geenszins bereikt. Niemand dacht er aan, om de vriendschap van
Frankrijk en Enge-
land
aan de verraderlijke omarming van Spanje op te offeren, en de lastbrief, door
prins
maürits in de vergadering der Staten-Gencraal gebragt en eerlang in druk uitge-
geven, vergroolle slechts het getal der bewijsgronden, waarmede zoowel de oorlogsparty
als de voorstanders van den vrede hunne meening trachtten te slaven

Inmiddels hadden de Fransche en Eogelsche gezanten reeds op den l®'"" Oclober aan Pogingen van
de Staten-Generaal verzocht, dat men de Zeeuwsche afgevaardigden, die verklaard had-g^jt"n^^yan"het
den aan de beraadslagingen geen deel te zullen nemen, zoolang er van een bestand
sprake bleef, zou bewegen terug te keeren, ten einde de voorstellen aan te hooren,
welke
Hendrik IV en jagobus I hun gelast hadden aan de overweging der vergadering
te onderwerpen. Op denzelfden dag vervoegden zy zich by
maürits, en zochten hem
te overtuigen, dat een bestand geenszins in strijd was met de belangen der Republiek.
De prins, zeer gramstorig over hun ernstigen aandrang, verklaarde dat het integendeel
slechts een middel was, om de Vereenigde Gewesten binnen weinige maanden onder de
Spaansche dwingelandij terug te brengen; dat dit wel in de bedoeling dergenen lag, die
het aanknoopen van den verderfelijken vredehandel hadden doorgedreven, doch dat hy
zich met alle kracht, zelfs met gevaar van zyn leven, er tegen verzetten zou, en liever
met drie of vier steden, die in zijn gevoelen deelden, 's lands vrijheid tot het uiter-
ste verdedigen en een eervollen dood sterven, dan zijne toeslemming lot een be-
stand geven wilde \ Twee dagen daarna verscheen hij onverwachls in de vergadering
der Staten
yan Holland, berigtte hun dat, niettegenstaande het afbreken der onderhande-
lingen, er nog in het geheim voor een bestand werd gewerkt, en bezwoer hen bij
de liefde voor het vaderland, voor hunne vrouwen en kinderen, daaraan geen gehoor
te geven, en zich niet door de bedreigingen der Fransche en Engelsche gezanten,
waaraan zij niet te veel gewigt moesten hechten, van hunnen pligt te laten afbrengen
De twijfel aan
oldenbarnevelt's goede trouw, welligt reeds vroeger door diens benijders
en vijanden opgeworpen, om den prins in zijn misnoegen over de houding van den

1 GROTIÜS, p. 545. JEANSIN, II p. 505- 523; UI p. 22,27,58. ResoLv. Holland, 160^\Λ. 699.

2 JEASKIS, II p. 504.

3 Resol, van Holland, 1608 bl. 701.

ocr page 193

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1608. ad^okaal Ie sty ven ^, scheen ihans inderdaad in zijn liglelijk argwanend gemoed ^ vror-
teJ Ie hebben gescholen. Overtuigd, dat de voortduring der wapenschorsing voor de
Vereenigde Gewesten niet anders dan nadeelig kon zijn, en onzeker of de voorstanders
van het bestand ook geheime, vVelligt verraderlijke bedoelingen koesterden, wydde
MAURiTS, nu hij eenmaal openlijk in het strijdperk was getreden, zich met al het vuur
van zyn karakter aan «de belangen der partij, wier zijde hy sedert den aanvang van
den vredehandel gekozen had. Hij vaardigde den kapitein
Lambert naar hekdrik. IV
af met eenen brief, waarin hij de waarschijnlijke gevolgen van het bestand ander-
maal uiteen zette en den koning dringend verzocht aan zijne gezanten een nieu-
wen last te geven, meer in overeenstemming met het welzijn der Republiek Over-
tuigd, dat de tegenstand der overige gewesten van weinig beteekenis zou zijn, zoodra
Holland zich met Zeeland tegen het bestand vereenigde werd door hem en zijne
aanhangers niets onbeproefd gelaten, om de Hollands.che regenten lol hunne zienswijze
over te halen. Zelfs verzuimde hij niet van eene gunstige gelegenheid gebruik te ma-
ken, om bij de meesten zijn persoonlijken invloed te doen gelden.
Filips Willem,
prins van Oranje^ had van de Staten-Generaal verlof gekregen in Holland te komen,
ten einde met zijne bloedverwanten over de Terdeeling der vaderlijke nalatenschap te
onderhandelen. Onder voorwendsel van zijnen broeder te gemoet te reizen, bezocht
MAURiTS de voornaamste Hollandsche steden, en gaf zich veel moeite om hare vroed-
schappen te bewegen nimmer een bestand goed te keuren, waarbij de onafhankelijk-
heid der Republiek niet in de meest ondubbelzinnige bewoordingen en voor altijd erkend
zou worden Behalve deze pogingen, om op de overtuiging der regenten te werken,
werd door de oorlogsparty een niet minder krachtig middel geenszins uit het oog ver-
loren. Wel was de regeringsvorm der provincie
Holland eene zuivere aristocratie ge-
worden, en had de burgery bijkans alle gezag in staatszaken verloren: maar nog steeds
was zy gewoon eene levendige belangstelling in de gebeurtenissen van den dag te be-
toonen en de handelingen der overheid met eerje elders onbekende vrymoedigheid te
beoordeelen. De vryheid van denken, die in de
Nederlanden altijd inheemsch was^ ge-
weest, had niet slechts eene onbeperkte vrijheid van spreken in de zeden gebragt, maar
ook de vrijheid van drukpers, zoo al niet gevestigd, althans feitelijk tot de uiterste
grenzen toegelaten. Van den aanvang des opstands legen
Spanje waren de beginselen

} Zie hiervoor bl. 150 noot (3).

3 jEANNLt, I p. 211: »assez soupconneux de son naturel."

3 WAGENAAR, IX H. 384. vah WIW Op WAGEHAAR, IX bl. 105. vaji DER KEMP, lil bl. 232 (149).
* JEAKKIN, 11 p. 504,
5 JEANNIIf, III ρ. 74.

\

ocr page 194

DES VADERLANDS. 521

(1er onderscheidene partijen, de maatregelen der regering en de oorzaken van den voor- 1608.

en tegenspoed der Staatsche wapenen in eene menigte van naamlooze geschriften aan

een naauwkeurig onderzoek onderworpen geworden, en zelfs de voornaamste staatslieden

en legerhoofden hadden het niet beneden zich geacht, in gewigtige gevallen hun gedrag

voor de regtbank der openbare meening te bepleiten. Het was derhalve van groot ge- De burgerij

.. wordt tegen Je

wigt de burgery legen het bestand in te nemen, en de middelen, reeds vroeger daartoe voorstanders van

aangewend, werden dus met verdubbelden ijver in het werk gesteld. Groot was de in- geLtl"^^'""'^ '
vloed, dien de predikanten, als de eenige volksredenaars dier dagen, op het krachtig-
ste gedeelte der bevolking uitoefenden. Hunne medewerking, waarop de oorlogspartij
met grond rekende, werd in de eerste plaats ingeroepen. Met wantrouwen in
Spanje
vervuld, en beducht dat het met moeite bedwongene Katholicisme bij het ophouden
van den strijd het hoofd weder zou opsteken, behoefden de meesten slechts eene geringe
aansporing om hunne gaven aan de bestrijding van het bestand te wijden. Bovendien,
werd het niet aangeprezen door
oldenbarneyelt , die reeds meermalen hunne heersch-
zucht met krachtige hand bedwongen had en eene verdraagzaamheid voorstond, welke
in hunne oogen met verraad jegens de eenige ware godsdienst,moest worden gelijk ge-
steld? Geen wonder voorzeker, dat van vele kansels de ernstige vermaning weerklonk,
om den vijand geen geloof te schenken maar in den heiligen strijd te volharden, en dat
de advokaat als een vijand van de religie afgeschilderd en de gemeente legen hem op-
gezet werd ^ Bovendien nam het getal en de hevigheid der libellen, waarin de ramp-
zalige gevolgen van een bestand den volke werden voorgehouden, op schromelijke wijze
toe. De wreedheden en verraderijen, door de Spanjaarden zoowel in de nieuwe als
in de oude wereld gepleegd, werden ten breedste uitgemeten en met de felste kleuren
afgeschilderd. De brief, waarin
lipsius voor eenige jaren een bestand had aangeraden,
als het beste middel om de Vereenigde Gewesten ten onder te brengen, werd Aveder in
herinnering gebragt. Men noemde het een nieuw bewijs van de onopregtheid en trou-
weloosheid der aartshertogen, dat zy geen aanzienlijke Nederlanders maar slechts vreem-
delingen en lieden van lage afkomst naar '5
Gravenhage gezonden hadden, om de
zwakke zijden der Republiek te bespieden. Ten einde het gezag en den invloed der
Fransche en Engelsche gezanten Ie verminderen, werd hunne opreglheid in twijfel
getrokken en wantrouwen in de geheime bedoelingen hunner vorsten opgewekt. Niet
tevreden, langs dezen weg de volksstem voor zich te winnen, ontzagen de leiders der
oorlogspartij zich niet het vertrouwen der burgerij in de vaderlandsliefde en de eerlijk-
heid harer regenten te ondermijnen en de voorstanders van den vrede van geheime ver-
standhouding met den vijand te beschuldigen. De meening, dat men met de herhaling

' Vgl. UYTERBOGAERT, levcTi cTi vcraniwoordingh, bi. lö.
III Deel,
% Stuk.

41

ocr page 195

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1G08, der reeds door Spanje afgelegde onafhankelijks verklaring genoegen nemen en de door
jEAWNiir voorgeslagene grondslagen van het bestand goedkeuren kon, werd niet slechts
als de ergerlykste dwaling maar tevens als een onmiskenbaar verraad jegens het vader-
land uitgekreten, en de burgerij vermaand om zich uit liefde voor vrijheid en godsdienst
des noods met geweld tegen de volvoering van dat plan te verzetten. Inzonderheid had-
Oldjïnbarne- den ggrwelis van aerssen en johaii van oldenbarnevelt van den laster hunner tegen-

VELT wordt van ^ « i i i ·■ â–  i i i

vernukilijkover- partij te lijden. Op beiden werd de schijn geworpen van met slechts tegen beter weten

belang der Republiek te verwaarloozen maar ook door Spaansch goud te zijn
omgekocht. Ook de verbazende invloed, welken de advokaat ten gevolge van zijne
buitengewone bekwaamheden en zijn rusteloozen ijver in de behartiging van de aange-
legenheden der Republiek verkregen had, bleef niet onbesproken. Men stelde hem voor
als een eergierig en heerschzuchtig man, die door het gezag, hetwelk hij zich had
aangematigd, veel aanzienlijker personen in den weg stond, en jegens zijne gelgken een
onverdragelijken toon van meerderheid had aangenomen. Het bleef zelfs niet bij deze
aantijgingen. In den vroegen morgen van den 14·^®" October vond men voor de deur
van eenen bode te 's
Gravenhage drie brieven, aan de Staten-Generaal, aan de Stalen
van
Holland en aan reinier pauw, burgemeester van Amsterdam, gerigt, waarin
OLDENBARWEVELT zouder omwegen beschuldigd werd zich van ongeoorloofde middelen te
bedienen, om de Vereenigdc Gewesten onder de heerschappij van
Spanje terug te bren-
gen, en uit dien hoofde geoordeeld werd een schandelijken dood te verdienen
Hij vraagt ζiju Zoodra de inhoud dezer brieven in de vergadering der Staten-Generaal was medege-
^ OLDENBARNEVELT het woord. Hij schetste den loop der gebeurtenissen gedu-

voLk" wijze ^ge-^ dertig jaren, die hij eerst als pensionaris der stad RoUerdam en ver-

iirongcn, om in yolgens als advokaat van Holland en West-Friesland in 'slands dienst had doorgebragt,

zijno onderschei- Î¿ σ

dene betrclddn- herinnerde hetgeen hij zoowel voor het welzyn der Vereenigde Gewesten als tot ver-
gen werkzaam te .

blijven. meerdering van het gezag van prins maijrits en van het aanzien van het huis van Nassau

had verrigt, betuigde daarin steeds met ijver en te goeder trouw, volgens pligt en ge-
weten, werkzaam te zijn geweest en beriep zich tot regtvaardiging van zijn gedrag ten
opzigle van den vredehandel op de besluiten der Staten, die steeds door hem gevolgd en
geëerbiedigd waren. Het was hem echter meer en meer gebleken, dat zijne pogingen
tot bevordering van 's lands welzijn aan velen mishaagden, en hoewel hij de bedreigingen
niet vreesde, welke in de voorgelezene brieven vervat waren, meende hij toch der verga-
dering in overweging te moeten geven, of het niet zoowel voor 'slands welzijn als voor
zijne persoonlijke veiligheid raadzamer zou zijn, indien hij den storm ontweek en zich,
althans voor eenigen lijd, van alle deelneming aan de regering des lands onthield. Na

1 GnoTius, p. 542—544. jeahkin, 11 p. 284, 500; 111 p. 42, 8ü.

ocr page 196

DES VADERLANDS. 325

deze woorden Terliet hij de yergadering, ^γaaΓ dil gewiglige νοοΓναΙ grooté opschudding IGOS.
verwekte. Ieder betuigde zynen eerbied voor den ad?okaat, en roemde diens ijver
en bekwaamheden. De afgevaardigden van
Holland verklaarden eenpariglijk dat bij
aan hun gewest uitstekende diensten had bewezen. Niemand waagde het een woord
ten zijnen nadeele uit te spreken Den volgenden morgen verscheen
oldenbarinevelt
niet in de vergadering der Staten van Holland. De reden van zijn wegblijven vermoe-
dende, besloten dezen hem door eenigen uit hun midden te laten verzoeken, zijne be-
trekking te blijven waarnemen en hem tevens te verzekeren, dat de Stalen hem in hunne
bescherming namen en alles, wat hem mögt overkomen, beschouwen zouden alsof het
hun zeiven was aangedaan. Naar den oorsprong der lasterlijke brieven werd een onder-
zoek ingesteld, en niet slechts eene belooning van twaalfhonderd gulden voor de aan-
wijzing van den schrijver uitgeloofd, maar zelfs aan dezen dezelfde som en volkomenc
vergiffenis toegezegd, indien hij zich vrijwillig bekend maken en de personen noemen
wilde, wier aansporing en raad hij gevolgd was. Men begreep tevens den stadhouder
van deze handelwijze te moeten verwittigen.
Maurits betuigde zijnen dank voor de
kennisgeving en nam met de genomene besluiten genoegen

Aldus op de eervolste wijze teruggeroepen, nam oldenbarwevelt op nieuw de gewig- MetverduLbel-
tige plaats in, welke hij in de vergaderingen der Staten van Holland en der Slalen-Gene- Hjj ti^a^f «leUe
raai bekleedde. Het gebeurde had zijn aanzien verhoogd, zijnen invloed versterkt, zijnen
ijver aangewakkerd. Met al de kracht eener diep gewortelde overtuiging en het vuur
eener onwederstaanbare welsprekendheid deed hij thans alle gronden gelden, welke ten
gunste van het bestand konden worden aangevoerd. De Fransche en Engelsche gezanten
waren hem hierbij met al hun vermogen behulpzaam. Reeds op den 17·^"" October hield
jeanniw uit aller naam in de vergadering der Stalen-Generaal eene plegtige aanspraak,
waarin hij hun mededeelde dat de aartshertogen de door hem opgestelde voorwaarden
van het bestand hadden goedgekeurd en hen drong op dien grondslag de onderhande-
lingen te hervatten. Met kracht deed hij de omstandigheid gelden, dat de Nederlanders
de eenigste natie waren, welke ooit van hun verdreven en afgezworen vorst eene
diergelijke onafhankelijkheidsverklaring verkregen hadden, als hun thans werd aangebon-
den. De opstand der Zwitsers was nimmer door
Oostenrijk gewettigd; en toch, wie

^ Uit het besluit der Staten van Holland »dat de fameuse Brieven voeren geroert met sijné
Exceïlencie sullen werden gecommuniceert," alsmede uit het antwoord van
maurits op die com-
municatie, blijkt dat liij niet in de vergadering der Staten-Generaal tegenwoordig was, en dat het
berigt van
jeannik (III ρ. 43): »Lorme (d. i. maurits) mcsme dit qu'il faloit faire prendre Tau-
theur de ces lettres," slechts de weerklank van een diergelijk antwoord aan
Holland''s gedeputeer-
den is.
vah der kemp, 111 bl. 51, heeft dit, op het voetspoor van wagewaab, voorbijgezien.

2 JEANNIN, 111 p. 42, 43, 58. llesol, van Holland, 1(Ï08 bl. 718.

41^

ocr page 197

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1G08. twijfelde aan hunne vrijheid? Nog onlangs hadden Denemarken en Zweden hunnen
koning
christiaan I afgezet, en het loch geenszins noodig geacht hem een bewijs
van vrij willigen afstand, af te persen. Was het dan billyk dat de Vereenigde Gewesten
eene nog duidelijker verklaring bleven vorderen?
Jeakkin ontveinsde niet dat hij deze
eisch slechts als eene poging der oorlogspartij beschouwde, om het bestand te ver-
adelen, door het van een punt te laten afhangen, hetwelk zij wisten dat nimmer
door
Spanje zou worden ingewilligd. Tevens overhandigde hij den Staten een opstel,
waarin de gronden werden weerlegd, die in onderscheidene onder het volk gestrooide
libellen tegen het bestand werden aangevoerd. Met betrekking tot den brief van
lipsius,
welks oprakeling en verspreiding niet zonder vrucht was gebleven, wees hij daarin
vooral op het gewigtige feit, dat de Spaanschgezinde geleerde nimmer had kunnen
vermoeden, hoezeer
Frankrijk na lö93 in bloei en magt vooruit zou gaan, en
evenmin had kunnen voorzien, dat
Hendrik IV en jagobus I de getrouwe naleving
der voorwaarden van het bestand aan de Vereenigde Gewesten zouden waarborgen
Den volgenden dag diende
oldenbarnevelt bij de Staten van Holland de memorie in,
welker inhoud reeds is medegedeeld, en verzocht levens vergunning, om aan eenige
gecommitteerden eene geheime opening te mogen doen van zijne vermoedens omtrent de
ware bedoelingen der Staten van
Zeeland met betrekking tot hunne standvastige verwer-
ping van het bestand, ten einde te overwegen of het noodig zou zijn de zaak aan de
Stalen mede te deelen en aan hun oordeel te onderwerpen. Het is onbekend, wat in
die geheime vergadering is voorgevallen, doch het is waarschijnlijk dat
oldenbarnevelt
daarin zyne bezorgdheid heeft geopenbaard, dat de provincie van het plan zwanger

ging om zich van de overige gewesten af te scheiden, maurits tot graaf tc verkiezen,
zich des noods in de armen van
jagobus II te werpen en met Engelsche hulp den
oorlog voort te zetten 2. Drie dagen later kwam de prins andermaal in de vergadering der
Slalen van
Holland en vorderde als stadhouder afschrift van zekere memorie, opgesteld
om hel bestand aan Ie prijzen, en voorts schriftelijke mededeehng van zeker vermoeden,
ten nadeele van hem en zijn huis in de vergadering geopperd; terwijl hij aanbood
insgelijks schriftelijk op te geven, welken grond hij van zijnen kant had om degenen,
die zulke onwaarheden verspreidden, van geheime verstandhouding met
Spanje te ver-
denken. Men vroeg hem, of hy van zijne zaak zeker was, waarop hij
antwoordde,
dat hij anders niet zou verschenen zijn. Na zijn vertrek besloot men hem het gevor-
derde afschrift Ie geven, doch tevens te berigten dat in de vergadering niets ten zijnen
laste was gezegd, en te verzoeken, indien hij iets legen een der leden hebben mögt,

1 JEANNIN, 111 p. 3—20.

2 Resol van Holland, 1608 hl. 722. van der kemp, UI hl. 53, 217 v. jeannin, III ρ. 52.

ocr page 198

DES VADERLANDS. 31>3

dat nader Ie openbaren. De prins gaf echter ten antwoord, dat hij zich niet yerder icos.
wilde uitlaten, voor men hem de verlangde schriftelijke mededeeling gegeven had ^

Inmiddels hadden de pogingen der oorlogspartii in zooverre het doel bereikt, dat op DemeerderLeid

^ ^ ^ Ã¶ r J Â» t jj^ Staten vaiv

vele plaatsen een groot gedeelte der burgerij hevig tegen het bestand was ingenomen en, Holland ver-
den druk der belastingen vergetende, zich luide en met aandrang voor de hervatting tet bestand,
van den krijg verklaarde 2. Het was echter slechts eene kunstmatige opgewondenheid,
welke op deze wyze onder de bevolking was gebragt. De redenen, die voor de aan-
neming van het bestand pleitten, waren zoo overtuigend en afdoende, dat de vroed-
schappen van slechts weinige steden zich door de tegenpartij lieten medesleepen.
Toen het gewiglige onderwerp door de Stalen van
Holland in overweging werd geno-
men, verklaarden zich de edelen ^ en twaalf van de achttien stemhebbende steden voor
het bestand. Van de zes overige wist
oldenbarkevelt binnen korten tijd nog vier lot
zyn gevoelen over te halen. Alleen
Amsterdam en Delft bleven zich nog daartegen
aankanten; doch ook deze verzetteden zich niet zoozeer tegen het bestand zelf, als tegen
de naar hun inzien onvoldoende verklaring van de onafhankelijkheid der Republiek, en
er was geen twyfel aan of zij zouden zich ten slotte by de anderen voegen Niette-
genstaande den heftigen tegenstand der oorlogspartij, was
Holland derhalve bijna geheel
voor het bestand gewonnen. Ook de provinciën
Utrechtj Gelderland^ Friesland^ Gro-
ningen
en Overijssel, die zich van den aanvang der onderhandehngen uiterst begeerig
hadden geloond om een einde aan den langdurigen krijg te maken, waren door de ver-
maningen hunner stadhouders geenszins in hare vredelievende gevoelens geschokt

Alleen de Staten van Zeeland volhardden in hunnen onwil, om aan de onderhandelin- Do staten van

Zeeland blijven

gen over het bestand deel te nemen en de gedeputeerden, die zij op herhaald en zich daartegen
dringend verzoek der overige provinciën weder naar de Slaten-Generaal afvaardigden,
hadden geen anderen last dan de gronden van hun gevoelen uiteen te zetten, en zich
daarbij op het negende artikel der Unie van
Utrecht te beroepen, Avaarbij bepaald was
dat men geen vrede of bestand zou sluiten, dan met gemeen overleg en bewilliging

1 Resol. van Holland, 1608 hl 725.

2 Î“Η. Dü BOis, 11 8. 123, 131.

3 Bij den heer van Brederode, den eerste van Holland''s edelen, had oldenbaiikevelt gedurende
de onderhandelingen reeds trachtigen steun gevonden. J
eankin, 11 p. 340.

^ GROTIÜS, ρ. 548. JEAKNIN, 111 ρ. 48, 93, 90, 101, 102, 105. Resol. van Holland, 1608
bl. 731, 733.

2 Zie over de pogingen, om de Staten van Utrecht lot andere gedachten te brengen, jeasm»,
111 p. 97.

® Resol. der Staten-Generaal bij van der kemp, 111 hl, 233—235.

ocr page 199

ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1608. van al de provinciën, Ontslond er over een diergelijk ondervrerp verschil van gevoelen,
dan was, naar hunne uillegging van hetzelfde artikel, de beslissing aan de stadhou-
ders overgelaten: en daar beiden bet bestand als hoogst verderfelijk beschouwden, kon
het pleit derhalve niet anders dan in hunnen geest worden uitgemaakt Tegen deze
redenering kon echter met eenigen grond worden aangevoerd, dat het bedoelde artikel
slechts sprak van de stadhouders
nu ter iydt zynde, en derhalve geenszins op maurits
en WILLEB! LODEWiJK van Nassau kon slaan. Wat de andere bepaling betrof, zij was
voorzeker uitmuntend geweest in eenen lijd, toen men naauwelyks aan iets anders dan
aan het bekomen van goede voorwaarden tot prys der onderwerping
οάπ Spanje konden-
ken, maar was niet meer noodig, en zelfs niet bruikbaar, nu de Republiek als een
zelfstandige en onafhankelijke staat met haren vijand onderhandelde. De Zeeuwsche af-
gevaardigden bleven echter onwankelbaar, en wekten daardoor in hooge male den toorn
en de verontwaardiging hunner medeleden op, die het onverdragelijk noemden dat
Zee-
land
zich vermeten wilde alle overige gewesten de wet Ie stellen.

Behalve den overwegenden invloed van prins maurits als eerste edele en markgraaf
van
Vere en Vlissingen ^ liepen nog onderscheidene omstandigheden zamen om de
Zeeuwen op dit punt minder handelbaar dan de overige gewesten te maken. Aan alle
zijden door brcede en dikwerf gevaarlijke stroomen omgeven, kon hun gewest zich beter
dan ecnig ander met de hoop vleijen, een geruimen lijd aan het geweld des vijands
weerstand ie kunnen bieden. Wanneer
Antwerpen ten gevolge van het bestand weder
een gedeelte zijner uitgebreide handelsbetrekkingen terugkreeg, zouden de Zeeuwsche
koopsteden daarvan eerst en meest den nadeeligen invloed gevoelen. Bovendien was ook
de oude ijverzucht tegen
Holland niet zonder invloed gebleven. Doch deze redenen waren
niet gewigtig genoeg, om de Staten van
Zeeland op den duur in hunnen tegenstand te doen
volharden. Bij eenig nadenken viel de ongerijmdheid eener scheuring, waarbij dat gewest
alleen den strijd
iegan Spanje zou voortzetten, in het oog. Verscheidene Zeeuwsche koop-
lieden verklaarden zeiven, dat zij, wanneer de
Schelde slechts gesloten bleef, Antwerpen''s
mededinging niet zoozeer Ie duchten hadden, als door de oorlogspartij werd opgegeven
Hoewel
jeannin derhalve gegronde hoop koesterde, dat Zeeland zich ten slotte naar den
wensch der overige gewesten voegen zou, besloot hy, in overleg met de Engelsche gezanten,
nog eene krachtige poging aan Ie wenden, om zijn doel te spoediger Ie bereiken. Op den
va^ÏE^NmN^cn Staten-Generaal in een plegtig gehoor toegelaten, weidde hij nog-

maals, ook uit naam zijner ambtsbroeders, over de strekking der onafhankelijkheidsver-

1 jEANKix, m p. 121. Hiervoor, D. II St. VI bl. 291.

2 Hiervoor, bl. 162, 165.

3 JEANKIN, III ρ. 46, 93, 101. CRom's, ρ. 548,

526

lieweegrcileiien
van
Zeeland.

ocr page 200

DES VADERLANDS. 31>3

klaring uit, welke de vijand bereid was andermaal af te leggen. Dat deze met de 1608.
Vereenigde Gewesten, als met vrije landen, wilde onderhandelen, sloot zijns inziens de
erkenning van de souvereiniteit der Stalen in. Dal noch de koning van
Spanje noch
de aartshertogen iets op hen pretendeerden, was een onmiskenbaar leeken, dat zij zich
niet langer als hunne opperheeren beschouwden. Dat deze verklaring zonder eenige lyds-
bepahng werd afgelegd, was een bewijs dat zij geenszins aan den duur van het bestand
gebonden was. Wat kon de Vereenigde Gewesten dan nog weerhouden, aan de voorstellen
van
Frankrijk en Engeland gehoor te geven ? Wel beweerden sommigen, dal de grond-
wet der Republiek op dit punt volkomene eenstemmigheid tusschen de gewesten vor-
derde; maar al hadden zij hierin regt, hetgeen zeer twijfelachtig scheen, was men
dan in de gegevene omstandigheden gehouden zulk eene bepaling te eerbiedigen? Was
het niet boven alle bedenking verheven, en hadden de Stalen zeiven het niet reeds
herhaaldelijk verklaard, dat zij zonder vreemde hulp den krijg niet konden voortzellen?
Welligt verkeerden zij nog in den waan, dat zij inderdaad van
hendbik IV en jagobus I
krachtdadige ondersteuning Ie wachten hadden. In dat geval verklaarde
jeannin gemag-
tigd te zijn hun allen twijfel omtrent dit punt te benemen. Even geneigd als beide
vorsten waren, om de onafhankelykheid der Vereenigde Gewesten Ie handhaven, indien
zy thans op hunnen raad onder de meest eervolle voorwaarden de wapenen voor eenigen
tijd wilden nederleggen, even stellig waren zij besloten zich geheel aan hunne bescher-
ming te onttrekken, indien zij uit onverantwoordelijke halstarrigheid het bestand van
de hand wezen. De Engelsche gezant
spencer, die na jeannipt het woord opvallede,
sprak in denzelfden geest en drong insgelijks op een spoedig en welberaden besluit aan i.

Deze beide redevoeringen bleven niet zonder uitwerkinff. Menigeen, die zich had

^ 6 6» jjg Zceuwschc

laten overreden dat Frankrijk bij eene hernieuwing van den krijg de Republiek met afgevaardigden

,1 , .. . , , , . biigiijiien te wan-

geld en troepen bij zou sprmgen, bespeurde thans dat hij zich m dat opzigt met eene kdcti.

ijdele hoop had gevleid. Daar oldenbarnevelt bovendien, om de invloedrijke bewind-
hebbers der Oost-Indische compagnie te winnen, een besluit der Staten van
Bolland had
uitgelokt, waarbij hun twaalf oorlogschepen van de grootste soort werden toegezegd, ingeval
de koning van
Spanje de voortduring van den krijg in Indië verkiezen zou ^, leed het geen
Iwyfel meer dat de gansche provincie
Holland weldra voor het bestand gewonnen zou zyn.
Zelfs de Zeeuwsche afgevaardigden begonnen te wankelen. Daar zij echter niet van hunnen
last Qiogten afwijken, besloten zij
πόάϊ Zeeland weder te keeren om het nadere gevoelen
der Stalen van dat gewest in te winnen, en beloofden binnen veerlien dagen terug te zijn Κ

^ GROTlüS, p. 549. VAN METEREN, f. 612 rf. JEANNIN, Iii ρ. 113—IIÖ.

2 Resol van Holland, 1608 bl. 738.

3 jeasnis, UI p. 121 ss. ResoU der Staten-Generaal bij van der kejip, 111 bl. 235—240.

ocr page 201

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

]G08. Inmiddels was ook prins MA.rRiTS allengskens lot andere gedachten gekomen. Reeds had

jEAwifriir meermalen aan Hendrik IV geschreven, dat hij zich niet ongerust moest maken
over de geruchten , die zelfs in het buitenland omtrent de onberadene en wanhopige plannen
Tan den prins verspreid werden. Immers bezat hij volgens jeahnin te veel vaderlandsliefde
en gezond versland, om de Vereenigde Gewesten aan het gevaar eener scheuring bloot te
stellen, en met eene enkele provincie in den strijd te volharden. Zijn onstuimige ijver
tegen het bestand, die door zijne aanhangers nog overdreven werd, was meer hel gevolg
van vreemde aansporing en inblazingen dan van eigen aandrift: en er was geen twijfel aan,
of hij zou zich ten slotte voegen naar het verlangen van de overgroote meerderheid der
Staten-Generaal Niettemin achtte
heivürik IV het noodig den prins, in antwoord op
diens brief, te verzekeren, dat hij de afwijzing van het bestand onverantwoordelijk zou
achten en vast besloten was in dat geval allen verderen onderstand aan de Republiek
te weigeren 2, Deze stellige verklaring liet omtrent de bedoelingen van den Franschen
vorst geen twijfel meer over; en met de hoop op krachtdadige ondersteuning van zync
zijde verviel tevens de eenige grond, waarop
maurits de voortzetting van den krijg had
Oük MAUKiTS aanraden. Hij zag zich derhalve verpligt zijn heftigen tegenstand te maligen,

]auger tegen heten verklaarde reeds den November in de vergadering der Staten-Generaal dat hij,

de neiging der provinciën tot het bestand bespeurende, zich niet langer legen de her-
vatting der onderhandelingen verzetten zou. Alleen betuigde hij nog aan
jeammn zijne
ongerustheid, dat de Staten uit overdrevene zuinigheid de grensvestingen niet van ge-
noegzaam garnizoen zouden voorzien
.Teanninbrengt Na dit belangrijke punt gewonnen te hebben, nam jeaknin volgaarne deel in de po-
tusschen hem en gingen, die reeds van onderscheidene zijden waren aangewend om biaurits weder met

OLDENßARNE- . tw . τ . . α ii<

VELT te weeg oldenbarnevelt te verzoencn. De verstandigste regenten en zelis willeim lodewijk
van Nassau, waren overtuigd, dat hot heil van den slaat van de welwillende zamenwerking
dezer beide mannen afhing, en lieten niets onbeproefd om de goede verstandhouding lus-
schen beiden te herstellen. Doch de prins wilde aanvankelijk van geen toenadering hooren.
Zijne eigenliefde was ie diep gekwetst, zgn vertrouwen te zeer geschokt, om hem niet met

1 jeannin, 111 p. 46, 49, 51, 70, 71, 931 64: »la mauvaise disposition dans laquelle on lient
Lorme (d. i.
maurits) contre son naturel qui est modere, sage et éloigné de tont mauvais arti-
ßcej" — 75: »il est devenu liomme de faetion par Ie conseil d'autruy, non de son inclination."
Zie ook p. 104.

2 JEAKKIN, 111 p. 62—69.

3 VAN DEU KEMP, 111 bi. 233. JEANKIN, 111 p. 93, 94, 126.

^ Hieronder beliooren genoemd te -worden beinier tauw (uytesbogaert , Leven en vcrantwoor-
dingh,
J)l. 157) cn de maldebée (jeannin, 111 p. 126).

ocr page 202

DES VADERLANDS. 31>3

verdubbelden wrevel tegen den man te vervullen, wiens vaderlandsliefde men niet slechts leoa.
by hem in verdenking bragt, maar wien men hem bovendien als een hinderpaal voor
zijne eigene grootheid leerde beschouwen. Het was de eerste maal geweest, dat hij zich open-
lijk met al zijn vermogen legen
oldenbarnevelt's plannen had aangekant: toch had de
laatste volkomen gezegevierd. Het was thans gebleken dat de invloedrijke stadhouder
van vijf der zeven vereenigde provinciën, de met roem overladene en door het volk
hoog vereerde veldheer, aan wiens moed en beleid het behoud van 'slands onafhan-
keiykheid voor een groot deel Ie danken was, de doorluchtige vorstentelg, de zoon
van den vader des vaderlands, slechts de tweede persoon was in de Republiek
Bovendien hadden de vijanden van den advokaat niet verzuimd een nieuwe bron van
naijver en argwaan in 'sprinsen borst te ontsluiten. Zijn broeder,
filips Willem van
Oranje, was door oldenbarnevelt met voorkomende welwillendheid bejegend. De
laster aarzelde niet de belangstellende vriendschap van den advokaat voor den oudsten
zoon van
Willem I aan eene misdadige verstandhouding toe te schrijven. Men fluisterde
MATjRiTS in, dat zijn Katholieke broeder welligt het werktuig zou zijn, waarmede men
hem uit den zadel liglen en al de Nederlandsche provinciën weder onder
Spanje*s heer-
schappij terugbrengen zou 2. Geen wonder dat de prins langen lijd aan den aandrang
zyner bloedverwanten en vrienden weerstand bood. Te vergeefs herinnerde hem
louise
de golighy
al wat het huis van Nassau, en hij in het bijzonder, aan olbenbarnevelt
te danken had; de prins was onverizettelijk en liet zich tegen uytekbogaert, die de
rol van bemiddelaar op zich nam, zoo heftig uit, dat deze alle hoop op verzoening
opgaf Niettemin bleven de vermaningen en smeekingen van zoovelen op
matjrits
niet zonder uitwerking. Weldra meende jeankiit zooveel gewonnen Ie hebben, dat hij

1 Reeds in 1607 had fran^ois van aerssen omtrent mauiiits en oldenbarnevelt gezegd: »qu'ils
sont si embrouilléz, qu'il iaudra que Tun ou 1'autre sorte du Pays." Zie Mr.
g. vv. vreede, In-
leiding tot cene gesch. der NederL Diplomatie,
I bl. 149 noot (3).

2 uytenbogaert, t. a. p. bl. 158. j. p. van cappelle, Filips Willem ^ bl. 110, 237. van
der kemp
, II bl. 91 j IH bl. 55. oldenbarnevelt verklaarde later in zijne Yerhooren (bl. 174 v.),
dat liij »mijnheer den prince van Oraengien, als oudste zoon van den hooggedagten overleeden
lieer prince, en zooveel in zijn gevankenisse geleeden hebbende, altijts ghunstig en favorabel is
geweest, zoo veel metten welstandt en dienste van de landen heeft connen geschieden;" alsmede:
»dat hij het vorstelijk gemoet van den hooggedagten heer prince zulks gesondeert ende van sulken
rondeur en opregtigheit geoordeeld heeft, dat niettegenstaende hij van de roomsche religie was,
hij nogtans voor de Spangiaerts en eertshertogen tot nadeel van de vereenigde landen en zijn
eigen huys nyet en zoude hebben -willen doen." Vgl. hiervoor, bl. 30—32.

® dytenbogaert, t. a. p. bl. 157: »My gedenckt, dat ick te dier tijdt, ende 't sedert dick wils,
uyt monde van haer Excel, me YrouM'e Princesse gehoort hebbe, Dat de diensten, die d'Advocaet

III Deel. 2 Stük. 42

ocr page 203

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1608. hel waagde eene ongezochte zamenkomst met olbenbarnevelt te doen plaats Tinden.
Op den 19^®° November begaf deze, tenvijl de Fransche gezanten bij den prins een be-
zoek aflegden, als uit eigene beweging zich insgelijks derwaarts. Na eenigen lijd over
'slands aangelegenheden gesproken Ie hebben, verzocht hij
maurits geen geloof te willen
hechten aan de kwade geruchten, die legen hem in omloop waren. Reeds veertig
jaren had hij den staat gediend en zich altijd zoo vijandig tegen
Spanje betoond, dat
niemand in dat opzigt hem had kunnen overlreiTen. Ook thans verklaarde hij nog
steeds dezelfde gevoelens te koesteren, en geenszins om den vyand te begunstigen „ maar
alleen tot verademing en welzyn van zijn vaderland, het bestand voor te staan. De prins
opperde zijn twijfel omtrent de gezindheid der Staten, om eene voldoende krygsmagt
op de been Ie houden, en berekende dat men ter beveiliging der grenzen ten minste
dertigduizend man noodig had. Tot zijne verbazing stemde
oldenbarwevelt zonder
eenige bedenking in dit getal toe; en deze onverwachte inschikkelijkheid van de zyde
des advokaats had tot gevolg dat beiden tevreden uit een gingen
Maukits laat Met bewonderenswaardige behendigheid had jeaknin intusschen den onaangenamen
aacobus^'I ^uu!"verzacht, welken maurits van den eenigzins meesterachligen brief van Hendrik IV
ontvangen had, en diens misnoegen over de houding der koningen van
Frankrijk en
Engeland bijna geheel op jagobus I overgebragt. Des prinsen stemming ten opzigte van
den laatste openbaarde zich omstreeks denzelfden lijd, by gelegenheid dat de Engelsche
gezant
winwood het noodig achtte in den Raad van State nogmaals de aannemelijkheid
van het bestand, vooral op grond van de beschermende lusschenkomst der beide vorsten,
te betoogen, en op eerbiediging van het beginsel aan Ie dringen, dat de krijg alleen
door onvermijdelijke noodzakelgkheid kon gewettigd worden. In drift ontstoken schroomde
niaurits niet te verklaren, dat men op de beloften van koningen weinig bouwen kon,
en dat het vooral van eenen vorst als
jagobus I, die uit lafhartigheid lot eiken prijs
Spanje's vriendschap zocht en zich zelfs door een verraderlijken aanslag als het bus-
kruidverraad niet beleedigd durfde loonen, geenszins Ie verwachten was, dat hy zich

den Iluysc Nassau gcdacn hadde, soo groot waren dat die vanden selvcn Uuyse hem wel mocliten
liouden, niet als liarcn Viiendt maer als haer Vader." Vgl.
aubéri dü maurieb, Mémoires, p. 151.

1 jeankin, 111 p. 123. — van der kemp (111 bl. 60) merkt hierbij aan, dat deze verzoening
maurits te meer tot eere strekt, daar hij niettemin argwaan tegen oldenbarnevelt bleef voeden:
een argwaan, die ook door de vreemde gezanten gedeeld werd. Dit laatste is echter volkomen
onbeM'ezen. Uit de door
van der kemp aangehaalde bewijsplaatsen (jeaknin, 111 p. 122,152) blijkt
alleen, dat
jeaknin de bezwaren van maurits tegen het bestand niet geheel ongegrond achtte, maar
dat hij aan den anderen kant niet geheel deelde in de vrees van den prins, dat de Staten Λvelh■gt
nog onder ongunstiger dan de door de gezanten voorgeslagene voorwaarden een bestand zouden
sluiten.

ocr page 204

DES VADERLANDS. 2Ö1

de veroDgelijking zijner Trienden ernstig zou aantrekken. Winwood deelde deze voor 1608.
de eer van
zijnen vorst zoo grievende woorden terstond aan jagobus mede en deze zond
zijn beklag desvvegens bij de Staten in. Op hun verzoek schreef
maurits den belee-
digden vorst, dat hij nimmer aan diens goede gezindheid jegens de Republiek getwij-
feld had, doch weigerde het gesprokene in den Raad van State terug te nemen, gelijk
WINWOOD begeerde

Inmiddels had de aartshertog Albertus , ten gevolge der briefwisseling tusschen jean- Fiups III wordt
γίιρί en richardot, zijnen biechtvader inigo naar Spanje gezonden, om filips III te u"^°foT8tcmnitng
bewegen zijne toestemming aan het bestand te geven. Voor zooverre de Spaansche
 bestand

koning nog mögt aarzelen den Staten de gunstige voorwaarden toe te staan, welke
zij bleven eischen, had
inigo in last hem voor te houden, dat het ophouden der vij-
andelijkheden door het openen der Vlaamsche havens voor
België de zegenrijkste gevol-
gen zou hebben, en tevens hoogst waarschynlijk op den toestand en de vermeerdering
der Katholieken in de Vereenigde Gewesten een zeer günstigen invloed zou uitoefenen.
Voor de vrij dubbelzinnige onafhankelijkheidsverklaring, zonder vvelke de Staten elke toe-
nadering van de hand wezen, behoefde
filips niet terug te deinzen. Immers was zij
in bewoordingen vervat, die
Spanje het regt voorbehielden om later, in gunstiger om-
standigheden , al zijne aanspraken op nieuw te doen gelden; en de beraadslagingen der
Staten omtrent dit punt hadden genoegzaam bewezen, dat ook zy haar geenszins als eene
volledige en onherroepelijke bevestiging hunner vrijheid door den voormaligen landsheer
beschouwden. De hertog van
lerma, filips' voornaamste staatsdienaar en gunsteling, die
liever in zijn eigen belang en ten gunste zijner vrienden over de schatten van
Indië wilde
beschikken, dan die ten behoeve van een uitpuilenden en eindeloozen krijg naar
de Ne-
derlanden
te zien wegvloeijen, versterkte door zijn veelvermogenden invloed de uilwerking der
redenen van den bekwamen afgezant der aartshertogen, zoodat de koning, door den ellen-
digen toestand zijner geldmiddelen tot inschikkelijkheid gedwongen, zijne toeslemming gaf
om op de door
jeanniit voorgestelde grondslagen over een bestand te onderhandelen

Ook in de Vereenigde Gewesten was men vóór het einde des jaars op dit punt lot Geheel Holland
eenstemmigheid gekomen. De regering van Delft had haar tegenstand laten varen, ^tï*gcwoimcl
Amsterdam had zich nog langer legen het bestand verzet, doch eindelijk gehoor ge-

j winwood papers, II p. 443, 453, 454, 469. jeahnin, 111 p. 104, 195 , 251, 275 , 324;
IV p, 99. — Daar de aanspraak van
winwood in zijne papers, hoewel zonder dagteekening, na
ccn. brief van 27 October voorkomt, en met de woorden begint: »Qaoique par Ie discours quc
Monsieur Spencer a tenu en 1'assemblée de Messieurs les Estafs Generaux, vos Seignieurice enten-
dent etc.", heb ik niet geaarzeld dit voorval na 18 November te stellen, niettegenstaande dc
aanteekening van
vak deh kemp, 111 bl. 185 n®. 120,

- GnoTiüs, p. 550.

42*

ocr page 205

552 ALGEMEENE GESCHIEBENIS

1608. geyen aan de Terloogen der Staten van Holland^ die in December eenige hunner leden
derwaarts hadden afgevaardigd om de vroedschap te bewegen zich niet langer tegen
het eenparig verlangen van de edelen en al de overige steden aan te kanten Ook
Zeeland ^ thans niet meer door prins maurits gesteund, en integendeel door dezen tot
inschikkelijkheid vermaand ^, voegde zich in het laatst van December bij de meerder-
heid. Zoo waren derhalve alle bezwaren tegen het bestand overwonnen, en scheen de
zoozeer gewenschte verademing eindelijk plaats te zullen grijpen. Doch thans begon ,
naar het oordeel van
jeannin, een gevaar van gansch anderen aard te dreigen, dan
waartegen hij tot nog toe te kampen had gehad. Ten einde te voorkomen, dat
het berigt der toestemming van
filips III in het bestand de eischen der Staten nog
hooger zou stemmen , hadden de Spanjaarden uitgestrooid dat hij meer dan ooit afkee-
rig was van elk verdrag, waarby de onafhankelijkheid der Vereenigde Gewesten ander-
maal zou moeten worden uitgedrukt; en
righardot schreef zelfs aan jeanniin:, dat de
koning hoogst waarschijnlijk zijne goedkeuring zou weigeren, wanneer de Staten in
deze vordering bleven volharden Deze ongunstige tijding, die het uitzigt op eene
spoedige oplossing van alle zwarigheden weder deed verflaauwen, maakte veel indruk
op onderscheidene leden der Staten-Generaal, wier provinciën het meest van den oorlog
hadden te lijden gehad, en bleef zelfs niet zonder invloed op de gezindheid der Staten
van
Holland, die thans op het voetspoor van oldenbarnevelt zoozeer naar rust haakten,
dat het twyfelachtig scheen of zy deze gewigtige voorwaarde niet aan de vervulling
van hunnen wensch zouden opofferen. Reeds deden zich stemmen hooren, die aanrie-
den om ook zonder herhahng der onafhankelijkheidsverklaring een bestand te sluiten. Na
de fiere en standvastige houding, welke de Staten gedurende den loop der onderhande-
lingen aangenomen en bewaard hadden, zou zulk eene toegeeflijkheid, niet slechts naar
het oordeel der beide stadhouders maar ook volgens
Hendrik 17 en jeannin , een hoogst
gevaarlyk bewys van veranderlykheid en zwakheid geweest zijn, en de Fransche gezant
hechtte te meer aan dit punt, daar hij reden had om te vermoeden dat
jagobus I hierbij
de hand ίη het spel had en langs dezen weg den koning van
Spanje zocht te belie-
ven. Hij drong er derhalve bij
oldenbarnevelt , bij wien hij eenige wankeling
meende te bespeuren op aan, dat deze eene diergelijke beslissing voorkomen zou,

1 Resol V. Holland, 1G08, bl. 773.

2 jeannin, III, p. 204: )) Monsieur Blaldrée--m'a dit que Monsieur Ie Prince Maurice leur

a conseiJlé de se rendre, et que sans cela ils n'eussent jamais conseaty a cette trcve."

3 jeannin, UI, p. 80, 123, 149, 169, 207, 314.

^ »Je reconnus ä la verité,".— schrijft jeannin^ III, ρ. 235, — »qu'il peuchoit du costé de
de cette trève plulost que de rompre.'^

^ \

ocr page 206

DES VADERLANDS. 31>3

en verzekerde hem dat niet slechts de aartshertogen maar ook filips III geen oogenblik i609.
aarzelen zouden het bestand, zelfs met de genoemde voorwaarde, aan te nemen, indien
de Staten zich hieromtrent onverzettelijk bleven betoonen. De advokaat beloofde al
zijnen invloed aan te wenden om de Staten van elke wijziging der vastgestelde voorwaar-
den terug te houden, en wist inderdaad te bewerken dat de Staten-Generaal op den

Januarij 1609 met eenparige steramen besloten, om ingevolge hunne resolutie van Besluit der Sta-
den 23'·®" December des jaars 1607, in geval van het voortgaan der onderhandelingen (.jgnt; dg voor-
over het bestand, het eerste artikel van het verdrag niet anders te doen stellen dan in

' Â° bestand.

deze bewoordingen: » dat de aartshertogen ten overvloede, zoowel in hunnen naam als in
dien des konings van
Spanje^ verklaarden, dat zij tevreden waren met de beeren Staten
der Vereenigde Gewesten te onderhandelen in kwaliteit en als dezelve houdende voor
vrije landen, provinciën en staten, op welke zij niets pretendeerden, en ^dat zij met
hen, in de gemelde namen en hoedanigheden, een bestand aangingen." Voorts besloten
zij niet te gedoogen, dat eenige kerkelijke of wereldlijke zaken, strijdig met de ge-
melde vrijheid, werden voorgeslagen, noch nieuw uitstel verzocht, ter oorzake van den
Indischen handel of andere punten. Indien het tegendeel van wege den koning van
Spanje of de aartshertogen beweerd en langer dan acht dagen volgehouden werd, dan
zou men terstond de onderhandelingen afbreken, den krijg met gemeenschappelijke
krachten hervatten en dien, zoo het zijn kon, met hulp der koningen, vorsten en
Staten, die de belangen der Vereenigde Gewesten begunstigden, tot een gewenscht einde
zoeken te brengen i.

Tot nog toe hadden de Fransche en Engelsche gezanten de onderhandelingen door brief- j)^ yransche eu
wisseling met de Belgische gemagtigden aangehouden. De Staten begrepen echter dat het
thans noodig zou zijn nogmaals eene bijeenkomst te houden, ten einde de voorwaarden van
Antwerpen.
het bestand vast te stellen, en verzochten de bevriende gezanten, van wier tusschenkomst zij
zich met reden eene grootere inschikkelijkheid van de zijde des vijands en eene snellere be-
slissing voorspiegelden, dan bij eene zamenkomst met hunne eigene gemagtigden te ver-
wachten was, de taak der verdere onderhandeling op zich te nemen. Tevens bewilligden zij
in het verlangen der aartshertogen, dat
Antwerpen lot de plaats der nieuwe bijeenkomst zou
worden gekozen. Niet slechts scheen het onbillijk, andermaal te vorderen dat de Belgische
gezanten zich naar 'i
Gravenhage zouden begeven, maar bij de klimmende begeerte der
provinciën naar de lang gevvenschte verademing achtten vele regenten het ook raadzamer,
om hun niet weder toegang tot het hart des lands en gelegenheid tot overreding en omkoo-
ping te verleenen. Daar
jeannin en zijne ambtsbroeders den hun opgedragen last volgaarne
aanvaardden, besloot men dat deze terstond naar
Antwerpen zouden vertrekken, om de

1 JEAKNIN, lil, p. 251. VAN DER KEMP, 111, bl. 62, 240—245.

ocr page 207

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. beraamde voorwaarden van het besland met de Belgische gemagligden te bespreken, en
dat de Slaatsche gemagligden zich eerst derwaarts zouden begeven, wanneer de hoofd-
punten door den vgand aangenomen en onderteekend waren, en er derhalve alleen pun-
ten van minder gewigt ter behandeling overbleven, Middelerwyl zouden de Staten-Ge-
neraal zich te
Β er gen-op-Ζ oom ophouden, ten einde tot het oplossen van voorkomende
zwarigheden bij de hand te zijn i.

Zoodra de Fransche en Engelsche gezanten de lijding ontvangen hadden, dat de Bel-
gische gemagligden op deïi vierden Februarij te
Antwerpen waren aangekomen, namen
zij insgelijks de reis derwaarts aan, doch bereikten, door tegenwind opgehouden, eerst
op den negenden de plaats der zamenkomst. Zij hielden de vaartuigen, welke hen
hadden overgevoerd, by zich, ten einde daardoor een blijk te geven van hun ernstig
voornemen, om terstond te vertrekken, wanneer van den kant van
Spanje eenige zwa-
righeid in de goedkeuring der hoofdpunten van het opgestelde ontwerp raogt worden
gemaakt Nadat dit stuk aan de Belgische gemagligden was voorgelezen, noodigde
JEANiNiN hen uil het te onderleekenen, daar het minder de eischen hunner tegenpartij
dan de voorstellen en gevoelens hunner vrienden, de koningen van
Frankrijk en En-
geland,
bevaltede. Righakdot en de zijnen verklaarden echter, dat dit verzoek hun
onbillijk voorkwam, en vorderden eenigen lijd van overleg. Hun eisch werd ingewilligd
en het einde der wapenschorsing, die in December lot den 15'·'"' Februarij verlengd
was, lot den Maart verschoven. Zij beloofden vóór dien lijd een bepaald antwoord
Ie geven.

Ondcrliamlelin- Het was echter niet zonder herhaalde bijeenkomsten en hevige woordenwisselin-
fei" Stutei^en^^de ' omtrent de voornaamste artikelen van het besland tot overeenstemming kwam.

vaart op Indie. j)g Bclgische gemagligden maakten geen bedenking tegen de herhaling der onafhanke-
lijkheidsverklaring, gelijk die reeds by den aanvang der wapenschorsing was uitgedrukt,
doch waren ongenegen om aan de Staten den titel van
Hoogmogende Heeren toe te
staan, waarop deze regt meenden te hebben.
Jeanwin begreep, na eenige tegenkanting,
dezen eisch te moeten laten varen, en kon zich te eer met de verandering van dezen
titel in dien van
Doorluchlige Heeren tevreden stellen, daar de aartshertogen aanboden
insgelijks den laalsten aan te nemen, om den schyn te vermijden alsof zij op een hoo-
geren rang aanspraak maakten De regeling der Indische aangelegenheden dreigde
echler andermaal eene gevaarlijke bron van verdeeldheid en welligt eene oorzaak van
scheuring te worden,
Righardot verklaarde dat Spanje nimmer kon toestaan, dat do

1 GROTius, p. 562. JEANNJN, 111, p. 261, 288, 301.

2 JEASNIN, 111, p. 328 SS. VAN BIBTEREN, f. 614 α,

3 JEAKSIN, 111, p. 216.

ocr page 208

DES VADERLANDS. 31>3

handel op Indië uitdrukkelijk Averd yrggesleld, daar de overige zeevarende mogendheden 1609.
daarin een voorwendsel zouden Tinden, om dezelfde gunst van
filips te vragen, Wel
hadden Fransehe en Eogelsche koopvaarders het gewaagd ook zonder vergunning
Oost"
Indië
te bezoeken; doch deze inbreuk op Spanje's regten was nimmer gewettigd en
kon niet anders dan oogluikend geduld worden, zonder de Spaansche monarchie op de
ernstigste wijze te kwetsen. Op deze gronden achtte
righardot het onbestaanbaar met
de eer en hel belang van
filips III, om bij het bestand aan de Staten meer dan de
vrye vaart op de Spaansche rijken en bezittingen in
Europa toe te staan, en wilde
met betrekking tot den Indischen handel alleen van eene geheime overeenkomst hooren ,
welke niet lot algemeene kennis komen en derhalve niet naar buiten werken zou.
Jeawnin
oordeelde zulk eene schikking echter geheel onvoldoende, daar juist in de openbaarheid
der toestemming van den koning van
Spanje in dit gewigtige punt de grootste waarborg
voor zijne goede trouw gelegen was, en hij bovendien besefte dat de Staten nimmer met
eene geheime belofte genoegen zouden nemen. Hij stelde derhalve voor het artikel,
waarin men elkander wederzijds gedurende het bestand vrijheid van handel zou toestaan,
zoo in te rigten, dat
Indië er niet in genoemd maar er toch onder begrepen zou zijn.
Na vele pogingen om in dien geest bewoordingen Ie vinden, die beide parlijen zouden
kunnen bevredigen, werd men het eindelijk daaromtrent eens Nog één punt werd
door de Belgische gemagtigden slechts noode afgestaan. Zij verlangden dat de in- en
uitgaande regten of zoogenaamde convoijen en licenten lusschen de Republiek en
Bel-
gië
bij het bestand vastgesteld zouden worden; doch jeakkin, die zich overtuigd hield
dat de Staten van
Zeeland nimmer in eene vermindering dier regten zouden toestem-
men , wist hen over te halen om de regeling dezer aangelegenheid thans ter zijde Ie
laten en tot een nader overleg gedurende het bestand te verschuiven 2,

Zoodra men het, in het laatst van Februari], over deze hoofdzaken eens was geworden,
begrepen de Fransehe en Eogelsche gezanten dal zij de regeling van meer onderge-
schikte punten, en zelfs van den lijd van het bestand, aan een nader overleg lus-
schen de Belgische en Staatsche gemagtigden konden overlaten. Zij deelden derhalve
aan de Staten-Generaal mede, dat zij in de voorloopige vaststelling der voorwaarden
van het bestand naar wensch geslaagd waren, en noodigden hen uit zich thans naar
Der gen-op-Ζ oom te begeven, ten einde het verslag der gevoerde onderhandelingen aan
te hooren en mede te werken om deze tot een gewenscht einde te brengen Te ge-
lijker tijd schreef
jeahnin aan oldenbarnevelt , dal het punt van den Indischen handel

^ JEANNIN, lil, p. 351 SS.
- JEANNIN,
111, p. 387.

3 Resol v. Holland, 1G09, LI. 836. jeankin, 111, p. 374.

ocr page 209

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609, wel niet, Yolgens den wensch der Staten, uitdrukkelijk toegestaan, doch nieltemin op
eene wijze geregeld was, waarmede zy Tolkomen genoegen zouden kunnen nemen. Hy
meldde hem tevens dat de aartshertogen onverzettelijk waren op het punt der brandschat-
tingen , die zy na het bestand geheel afgeschaft wensch ten te zien, terwyl de Staten die
ryke bron van inkomsten gaarne behouden hadden. Er moest derhalve zyns inziens aan
gedacht worden om prins
maïjrits, die daarvan aanzienlijke voordeelen trok, hiervoor
schadeloos te stellen. Voorts deelde hij den advokaat nog mede, dat het moeijelijk zou
zijn een bestand voor langer dan tien jaren te verkrijgen, gelijk de Staten begeerden,
doch dat hij dit geen voldoende reden achtte om te breken
De Staten-Ge- Ingevolge het genomene besluit, maakten de leden der Staten-Generaal terstond na
πμΓ^"·^^«^^^^ ontvangen van den brief der Fransche en Engelsche gezanten de noodige toebereid-
fäTgema^tlg^en vertrek, en namen reeds op den Maart over
Rotterdam de reis naar

naar ^η^ίΡ'-ψβ^· ßergen-op-Zoom aan, in veerlien schepen, waarvan de helft bestemd was voor de Staten
van
Holland, die besloten hadden niet slechts aan de bijeenkomsten der Staten-Generaal
deel te nemen, maar tevens hunne gewone afzonderlijke vergadering aldaar voort te
zeilen. Ook prins
ma.T]rits, graaf willem lodewijk en de Raad van State begaven
zich derwaarts, en namen nu en dan deel aan de beraadslagingen der Staten-Generaal
Op den 18'^®" Maart werden de bevriende gezanten ten plegtigen gehoore toegelaten, en
hield JEANKiJV eene aanspraak, waarin hij berigt gaf van den staat van zaken en op
grond van de bereidwilligheid der aartshertogen, om de door de Staten gestelde voor-
waarden in te willigen, hen drong om hunne gemagtigden onvervvyld naar
Antwerpen
te zenden, ten einde de overige punten van het bestand in overleg met de Belgische
gemagtigden vast te stellen. De Staten-Generaal betuigden hunne volkomene goedkeu-
ring van heigeen door
jeaknin en zijne ambtgenooten verrigt was, en besloten dezelfde
beeren, die te
^s Gravenliage de onderhandelingen over den vrede hadden gevoerd, naar
Antwerpen af te vaardigen. Alleen hadden de Staten van Utrecht gerard van rewesse ,
heer van der Act, in plaats van nigolaas bergk tot hunnen vertegenwoordiger geko^
zen Den Maart kwamen de Staatsche gemagtigden te
Antwerpen aan, alwaar zij

jeannin, 111, p. 376. baudiüs, bl. 213—224. grotius, p. 562.

2 van der kemp, 111, bl. 248 (180). Yolgens van wijn (op wagenaar, IX bl. 106) waren iwcf^
schepen \oor Friesland, één voor den griffier met zijne ondergeschikte ambtenaren, één voor Zee-
land en Utrecht en één voor elk der drie overige provinciën, Gelderland, Overijssel en Gronin-
gen,
bestemd. Yolgens de Resol. v. Holland, hl. 839, werden door de edelen en steden van Hol-
land
bij deze gelegenheid niet minder dan 78 personen afgevaardigd, met 32 boden of dienaars
en 4 klerken. Een twintigtal dezer hceren bleef echter, blijkens de presentielijst, achterwege,

3 JKANNIN, IV, p. 14 s?.

ocr page 210

557

DES VADERLANDS.

door spiwola, mancigidor en verreyckerr, aan het hoofd van een luislcrnjken stoet van
edelen en krijgsoversten, onder het gebulder van het geschut feestelijk werden inge-
haald. Daar
spiifOLA. tijdens zijn verblijf te Gravenhage niet slechts in zijn huis dage-
lijks tweemaal de mis had laten bedienen maar ook allen, die zulks verlangden, daarbij
toegelaten had, zonder dat de Staten hierop eenigen inbreuk hadden willen maken,
hadden ook de Staatsehe gezanten niet verzuimd zich door eenige predikanten te doen
vergezellen, ten einde ook hun regt in dit opzigt te handhaven en in het Katholieke
land hunne gewone godsdienstoefeningen te houden. Voor de byeenkomsten der weder-
zijdsche gémagtigden was eene zaal in het stadhuis te
Antwerpen aangewezen

Nog voordat de onderhandelingen op deze wijze hervat werden, had jEANmrr, in over-
leg met. OLDENBARWEVELT, bij de Staten-Generaal eene zaak in behandeling ^ebragt, op
wier regeling hij reeds meermalen te vergeefs had aangedrongen. Van den aanvang
van den vredehandel af had men ingezien, dat
maiirits door het ophouden der vijande-
lijkheden eene aanzienlijke vermindering van inkomsten zou ondergaan en dat de eer
des lands vorderde hem daarvoor behoorlijk schadeloos te stellen doch hoezeer do
voornaamste regenten en bepaaldelijk
oldenearnevelt 3 volkomen bereid waren den
prins met dat doel eene aanzienlijke verhooging zijner jaarwedden toe te slaan, achtten
zij het niet voegzaam hieromtrent reeds vóór het bestand een besluit te nemen. Im·^
mers zou het in dat geval den schijn hebben, alsof de Staten op deze Wijze
maurits
trachtten te bewegen, om hunne overeenkomst met den vijand te bekrachtigen, terwijl
zij zijne toestemming niet slechts overbodig achtten, maar het bovendien van belang re-
kenden dat hunne vrijgevigheid het karakter van onverpligte edelmoedigheid dragen en
ongekrenkt behouden zou Κ Nu het bestand echter reeds zoo goed als gesloten was,
en het punt der brandschattingen niet zonder eene groote inbreuk op
matjrits* inkomsten
vastgesteld scheen te kunnen worden, meende
jeannin dat de regeling der schadeloosstel-
ling van den prins bezwaarlijk langer kon worden uitgesteld. Na deze zaak herhaal-
delyk aan
oldenbarnevelt te hebben aanbevolen verscheen bij op den 14''®" Maart
met zyne Fransche en Engelsche ambtsbroeders in de vergadering der Staten-Generaal,
herinnerde de groote diensten, welke prins
willem I en prins maurits aan de Ver-

Besluit der Sta-
ten-Generaal 1)6-
trekkelijkde scha-
devergoeding, aas.
MAURITS en do
overigfi leden van
liet huis van Nas-
sau toe te kenneu.

1 VAN METEREN', f. 584 d, 614 h.

2 Resol. v. Holland, 1607, bl. 389: »Insgelijks is serieuse vermaninge gedaan dat gelet dient
hoe men in gevalle van handelinge sijn Excellencie eenig reedelijk contentementsai moogen geeven."

^ JEANNiN, I, p. 149: »en eflit nous recognoiesons que ledit Sleur Barnevelt a tree-bonne In-
tention envers luy." Vgl. ρ. 186, 315, 316.

^ JEANKiN, 111, p. 175. De Fransche gezant achtte deze reden »impertinente."
5 αΕΑΛΝΙΓί, III, ρ. 340, 375, 377, 404.

UI Deel. 2 Stük. '45

1609.

ocr page 211

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

m

1609. eenigde Gewesten bewezen hadden, en noodigde hen in naam Tan Hendrik IV en
JA.GOBÜS I uit, om deze weldaden nog vóór het sluiten van het bestand te vergelden,
opdat de Staten den blaam van ondankbaarheid, waarvan andere republieken voortyds
meermalen met grond beschuldigd waren, van zich zouden afweren. De vergadering
besloot een lid uit elke provincie te benoemen, ten einde eene raming te maken van
hetgeen vereischt zou worden, om niet slechts prins
maurits maar ook de overige leden
van het huis van
Nassau voldoening te geven. Reeds drie dagen later bragt deze com-
missie verslag van hare overwegingen uit. Hare voorstellen hielden in, dat de jaarwed-
den van MAURITS als stadhouder van vijf gewesten verdubbeld, zijne militaire trakte-
menten , die te zamen
f 80,000 bedroegen, met / 40,000 vermeerderd, en hem, ingeval
hij in het huwelijk mögt treden, nog
f 25,000 jaarlijks toegezegd zouden worden. De
politieke en militaire traktementen van graaf
lodewijk. zouden insgelijks verdubbeld
worden. Het pensioen der weduwe van prins
willek I, louise de coligny, sedert
eenige jaren op
f 15,000 gebragt ^, zou lot f 20,000 verhoogd en het huis van Brand-
wijk ^
waarin zij sedert 1591 mögt wonen zonder huur te betalen, haar ten gebruike
gelaten en aan haren, zoon
frederik hewdrik na haren dood in eigendom gegeven
worden. Eindelijk zou de laatste een traktement van
f 20,000 bekomen. Onder voor-
behoud van nadere bekrachtiging door de provinciale Staten gaven de Staten-Generaal
hunne volledige goedkeuring aan dit ontwerp, hetwelk daarop aan de bevriende gezan-
ten en aan prins
maürits werd medegedeeld. De laatste, die, naar het schijnt, zulk
eene vrijgevigheid van de zijde der Staten niet verwacht had, was daardoor zoozeer
getroffen, dat hij den 24®*®" Maart ter vergadering verscheen, er zijnen dank voor be-
tuigde en verklaarde dat hij gedurende het bestand met gelijke genegenheid hel land
zou dienen, als hij gedurende den oorlog had gedaan, terwijl hy de Staten uitdrukke-
lijk verzocht Ie willen gelooven, dat de door hem tegen het bestand opgeworpene zwa-
righeden alleen uit zorg voor 's lands welzijn waren voortgesproten. Ten gevolge van
het gemaakte voorbehoud, liep het echter nog tot in September aan, eer deze zaak
haar volle beslag kreeg. Op
maurits' verzoek werden toen de f 25,000, die hem
waren toegezegd, zoodia hij in het huwelijk mögt treden, reeds terstond bij zijne overige
jaarwedden gevoegd, en het traktement van
frederik Hendrik tot ƒ 25,000 verhoogd

Verdcmi loop Weinige dagen waren thans voldoende, om de weder aangeknoopte onderhandelingen

(Icr oiiderluiHde-
lingen. ___
·

1 Volgens de Uesol. der Steden-Generaal, (14 Aug. 1589 en 9 Blei 1591) en de Resol v. Hol-
land
(1591, hl, 675, 816) was haar in 1589 een jaargeld van / 6000 toegestaan, hetwelk in
1591 tot
f 10,000 en later tot f 15,0ü0 verhoogd Averd.

2 van i)er kemp, III, bl. 67, 248—256. van wijn op wagenaar, IX, bl. 107U'v. liesol υ.
Holland,
1609, bl. 841—857.

ocr page 212

DES VADERLANDS. 2Ö1

lot een gewenscht einde Ie brengen. Slechts vier punten leverden nog eenig bezwaar 1609.
op. Vooreerst was de lijd van tien jaren, voor welken de aartshertogen het bestand
wilden sluiten, niet overeenkomstig de begeerte der Staten, die daarvoor vijftien of
minstens twaalf jaren bepaald hadden. De Belgische gemagtigden namen echter, na
eenige tegenspraak, met het laatste getal genoegen. Het tweede punt betrof het teedere
onderwerp der godsdienst, op hetwelk de onderhandelingen te '
ä Gravenliage waren
afgesprongen. Wel hadden de aartshertogen en de koning van
Spanje thans geheel
van hunne vordering van gelijkheid van regten voor de Katholieken afgezien, maar
hunne gemagtigden begrepen toch te moeten beproeven om de inwoners van
Noord'
Brahand, die ihans gedurende het bestand onder het wettige gezag der Stalen zou-
den komen, in het feitelijke bezit van vrije godsdienstoefening te doen blijven.
Hoewel de Staten niet geneigd waren een artikel omtrent dit punt in het verdrag op
te nemen, verklaarden zij echter dat het hun voornemen was de openbare uiloefening
der Katholieke godsdienst op het platte land toe Ie laten, voor zooverre zij tot hiertoe
ongestoord had plaats gehad. De Fransche gezanten leverden hiervan eene schriftelijke
verklaring aan de aartshertogen over, welke echter later door hen in zooverre gewijzigd
werd, dat elke inmenging van den bisschop van
Antwerpen in de kerkelijke aangele-
genheden , strijdig met de regten en bevelen der Staten, benevens alle geloofsonderzoek
en geloofsdwang uitdrukkelijk verboden werden ^ De derde aangelegenheid, waaromtrent
eenig verschil ontstond, betrof de vryheid der vaart op
Indië. Hoewel deze uit de door
jEANJiiTT opgestelde bewoordingen onwedersprekelijk voortvloeide, waren de Stalen niet
volkomen tevreden dat de zaak zelve niet bij haar waren naam genoemd werd. Zij
namen echter ten slotte genoegen met eene schriftelijke verklaring der Fransche en
Engelsche gezanten, dat het artikel betrekkelijk den handel wederzijds in dien zin
verstaan was en de Spaansche gemagtigden zelfs herhaaldelijk erkend hadden, dat de
vaart op
Indië er onder begrepen was Het vierde punt van geschil betrof de scha-
devergoeding, welke
miurits van de aartshertogen verlangde voor de opoffering van
eenige schuldvorderingen, die uit de nalatenschap zyns vaders op diens erfgenamen
waren overgegaan. Hij was namelijk niet tevreden met de bepaling, dat het genot der
wederzijds verbeurd verklaarde goederen gedurende het bestand aan de eigenaren zou
worden teruggegeven, maar eischte bovendien eene som van
f 400.000 als prijs voor
den afstand van zijn regt op de uitbetaling van onderscheidene inkomsten, die eertijds
onder het bestuur van den hertog van
Anjou door de Staten van Braband en Vlaande'

^ JEANKIN, IV, p. 77, 181. De latere verklaring draagt de dagleekening van 28 Junij 1609.
Zie
voorts VAN DER VYNCT, 111, bl. 559.

- JEASNIN, IV, p. 76."

559*

ocr page 213

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. ren aan zijnen vader waren toegelegd Ier vergoeding van onkosten, door dezen ten be-
hoeve der gemeene zaak gemaakt. Hoezeer
jeankiit deze vordering onbillyk en over-
dreven achtte, liet hij echter niets onbeproefd om de Belgische gemagtigden op dit
punt lot inschikkelijkheid te bewegen, en werd in dit opzigt krachtdadig door de Staat-
sche gezanten ondersteund, die reeds bespeurd hadden dat de aartshertogen zoozeer naar
verademing haakten, dat zij geneigd waren zelfs hoogere eischen in te willigen, indien
het sluiten van het bestand daarvan afhankelijk werd gemaakt. Men kwam eindelijk
overeen, dat de schadevergoeding op drie tonnen gouds zou gesteld worden,
Maurits
nam hiermede in het eerst geen genoegen, en verzocht zelfs graaf Willem lodewijk:
het verdrag niet te onderteekenen, wanneer de volle som, die hij eischte, niet werd
uitbetaald. Op aandrang der Fransche en Engelsche gezanten liet hy echter zijn tegen-
stand varen en schonk aan deze overeenkomst zijne Volledige goedkeuring i.
liet bestand Thans waren alle zwarigheden uit den weg .geruimd. Op den April werd het
wordt gesloten, jj^g^^j^j Jqqj. jg wederzijdsche gemagtigden onderteekend, terstond door de aartshertogen en
de Stalen bekrachtigd, en vijf dagen later
Antwerpen afgekondigd. Op den SI®'®" April
greep dezelfde plegligheid
Ic^s Gravenhage plaats. Onuitsprekelijk groot was de vreugde,
zoowel in de noordelijke als in de zuidelijke
Nederlanden. Alom werden de klokken
geluid, het geschut losgebrand, vreugdevuren ontstoken en feesten ter eere der heuge-
lijke gebeurtenis aangelegd. Ook de verschuldigde dankbaarheid aan het Opperwezen
werd geenszins uit het oog verloren. Terwijl de Belgische kerken van het
te Deum
laudamus
weergalmden, werden de ingezetenen der Vereenigde Gewesten door de
Slalen-Generaal uitgenoodigd op den Mei een plegtigen bededag te houden, ten
einde God openlijk te danken dat Hij, na een veertigjarigen strijd, den vijand bewogen
had een bestand aan te nemen, waaruit men hoop mögt voeden dat een duurzame
vrede, met behoud van 's lands vrijheid en privilegiën, zou
voortvloeijen
Bepalingen van Het besland zelf bestond uit de volgende artikelen. 1°. Vooreerst verklaarden de
het bestand. aartshertogen, zoo in hunnen naam als in naam van den koning van Spanje, dat zij
tevreden waren met de beeren Slalen-Generaal der Vereenigde Provinciën te handelen
in kwaliteit en als dezelve houdende voor vrije landen, provinciën en staten, op welke
zij niets pretendeerden, en met hen in de voorschrevene namen en kwaliteiten een be-
sland te maken op de volgende voorwaarden. 2". Het bestand werd gesloten voor den
tijd van twaalf jaren, gedurende welke alle vijandelijkheden van welken aard ook,
lusschen de aartshertogen , den koning en de Staten-Generaal, zoo ter zee als te land,

jeansin, IV, p. 38, 69, 78. van der kemp, III, bl. 65, 246—248. van der vïnct, 111,
bl. 567.
Jleso/. v. Holland, 1609, H. 844—870.

2 VAN WETEREN, f, 614 b—d.

ocr page 214

DES VADERLANDS. 341

1609.

in al hunne wederzijdsche rijken en beziLlingen en voor al hunne onderdanen en inwo-
ners zonder eenige uilzondering, zouden ophouden. 3°. Een iegelijk zou de landschap-
pen , sleden, plaatsen, landen en heerlijkheden, die hij bezat, met de vlekken, dor-
pen, gehuchten en platte landen, die daarloe behoorden, blijven behouden. 4°. De vve-
derzydsche onderdanen en inwoners zouden, gedurende het bestand, alle goede corres-
pondentie en vriendschap te zamen houden, en zoowel ter zee als te land vrijelijk
met elkander raogen handel drijven, welke laatste bepaling de koning echter verklaarde
te beperken lot zijne rijken in
Europa en alle overige bezittingen, waarop hij aan
zyne vrienden en bondgenooten vrijen handel vergund had. Buiten deze grenzen zouden
de Stalen zonder zijne uitdrukkelijke goedkeuring geen handel op zijne bezittingen
mogen drijven. Het stond hun echter vrij met alle overige vorsten en volkeren han-
delsbetrekkingen aan te knoopen, zonder dat de koning of zijne ambtenaren en onder-
danen hun daarbij iels in den weg zouden mogen leggen. 5°. Het bestand zou, buiten
de genoemde grenzen, eerst een jaar na zijne dagleekening ingaan, tenzij men er reeds
vroeger kennis van gekregen had. Alle schade, aldaar na verloop van een jaar door
vijandelijkheden geleden, zou terstond vergoed moeten worden. 6°. Van de weder-
zijdsche ingezetenen zouden in elkanders landen geen hoogere reglen en lasten gevorderd
worden, dan van de onderdanen en minst bezwaarde vrienden en bondgenooten geheven
werden. 7°. De ingezetenen der Vereenigde Gewesten zouden, in de landen des konings
en der aartshertogen, dezelfde vrijheid hebben, welke bij de geheime artikelen van het
laatste verdrag van 1604 tusschen
Spanje en Engeland aan de Engelschen was toege-
staan 8°. Buiten hel geval van gereglelijk beslag wegens schulden of verbindtenissen
der schippers zouden geen schepen of koopmansgoederen aangehouden of in beslag ge-
nomen mogen worden, zelfs niet onder voorwendsel dat men zich daarvan slechts lijde-
lijk tot bescherming des lands bedienen wilde, 9°. Zoo men de lasten, van koopwaren
geheven wordende, te onmatig vond, zouden er op het eerste verzoek wederzijdsche
gemagligden benoemd worden, om die zaak met onderling goedvinden te regelen,
zonder dat het bestand geacht zou worden verbroken te zijn, indien zij tot geen schik-

^ In dit verdrag was slechts in het algemeen door filips beloofd, dat men de Engelschen, die
zich in
Spanje ophielden, niet Avegens hunne godsdienst hemoeijelijken zou, mits zij zich ontzagen
van ergernis te geven. Bij eenige geheime artikelen was dit punt echter meer in bijzonderheden
ontwikkeld. De Engelschen mogten in
Spanje niet worden aangehouden wegens misdrijven, bui-
ten
Spanje begaan. Men mögt hen niet dwingen ter kerke te gaan. Op straat het sacrament
ontmoetende, zouden zij daarvoor de knieën moeten buigen, tenzij zij verkozen uit den weg te
gaan. Indien schippers of bootsgezellen zich tegen deze bepalingen vergrepen en dien ten gevolge
door de Inquisitie veryolgd werden, zouden alleen hunne eigene goederen mogen worden aange-
tast.
van meteken, f. 515 d, 616 c.

ocr page 215

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. king konden komen. 10°.Vonnissen, tusschen personen van beide partijen gewezen, zon-
derdat de in het ongelijk gestelde in de gelegenheid was geweest zich te verdedigen, zou-
den gedurende het bestand niet ten uitvoer worden gelegd. 11°. Brieven van schadeverhaling
zouden alleen in zaken, waarin zulks volgens de keizerlijke wetten geoorloofd was, en
op den daarbij vastgestelden voet, verleend worden. 12°. Men zou met geen zoo groot
getal van oorlogschepen, als argwaan geven kon, in elkanders havens of op elkanders ree-
den komen, dan met vergunning of in hoogen nood. 13°. Allen, wier goederen gedurende
den oorlog waren verbeurd verklaard, zouden krachtens dit verdrag het bezit daarvan
gedurende het bestand terug bekomen, onder voorwaarde dat zij zonder voorkennis en
goedkeuring der aartshertogen niet vervreemd, verminderd of bezwaard zouden Λvorden.
14°. Krachtens het voorgaande artikel zouden de erfgenamen van prins ·ννιιΐΕ]νι van
Oranje
in al hunne bezittingen en regten in de zuidelijke Nederlanden en Bourgondië hersteld
worden , terwijl de aartshertogen beloofden een daaromtrent hangend regtsgeding binnen
een jaar te doen uitwijzen. 15°. Indien men van beide zijden verbeurd verklaarde goe-
deren len behoeve der schatkist had verkocht, zou daarvan door de tegenwoordige be-
zitters gedurende het bestand 6% len honderd interest worden betaald. 16°. Indien
echter soortgelijke goederen door de justitie wegens schulden verkocht waren, zouden
de vorige eigenaars die binnen een jaar tegen den koopprijs weder lot zich kunnen
nemen, behalve wanneer het huizen of andere zaken betrof, die door verandering en
herstelling in waarde gerezen konden zijn, in welk geval de regier den koopprijs naar
billijkheid zou regelen, wanneer partijen het niet eens konden worden. 20°. Geeste-
lijke goederen, gelegen in de Vereenigde Gewesten en vóór den eersten Januarij des
jaars 1607 niet verkocht, zouden gedurende het bestand worden teruggegeven; doch
van dezulken, die vroeger verkocht of in betaling gegeven waren, zou men ten
honderd interest betalen, waartoe de aartshertogen zich wederkeerig verbonden. 21°.
Z,y, aan welke eenige verbeurdverklaarde goederen teruggegeven moesten worden,
zouden niet gehouden zijn achterstallige renten of lasten Ie voldoen. 22°. Van goede-
ren , verkocht om bedijkt of herdijkt te worden, zou men alleen de opstallen mogen
vorderen, lot wier afstand de bezitters zich uitdrukkelijk verbonden hadden, benevens
den interest der hun Ier leen verstrekte gelden. 25°. Vonnissen betrekkelijk verbeurd
verldaarde goederen, door den wettigen regier na behoorlijke verdediging der in het
ongelijk gestelde partij gewezen, zouden stand houden. 24°. De wederzijdsche amb-
tenaren in de steden en sterke plaatsen zouden gemagligd worden om den eigenaars
hel bezit hunner goederen, gedurende hel bestand, te bezorgen. 215°. De verbeurd
verklaarde roerende goederen en de vruchten of inkomsten, die vóór het sluiten van
het bestand vervallen waren, zouden niet behoeven Ie worden teruggegeven. 26°. Ook
zouden alle schuldvorderingen wegens roerende goederen, vóór 1 Januarij 1607 door
de aartshertogen of de Staten aan particuliere schuldenaars kwijtgescholden, vernie-

ocr page 216

DES VADERLANDS. 31>3

ligd blijven. 27". De lijd des oorlogs zou, van het jaar 1567 af, voor de berekening 1609.
der verjaring niet in aanmerking komen. 28°. Die gedurende den oorlog naar onzijdige
plaatsen waren uitgeweken, zouden de voordeelen van dit bestand genieten en zich kunnen
nederzetten, waar zij verkozen. 29°. Gedurende het bestand zou men noch in de Republiek
noch in de zuidelijke
Nederlanden nieuwe sterkten mogen maken; 50°. De erfgena-
men van prins
willem van Oranje zouden niet in regten mogen vervolgd worden wegens
de schulden, door hem sedert het jaar 1567 gemaakt, noch wegens delasten, van zijne
in beslag genomene en verbeurd verklaarde goederen verschuldigd. 31°. Zoo eenig bij-
zonder persoon iets ondernam in strijd met bovenslïiande bepalingen, zou de schade
gebeterd moeten worden ter plaatse, waar zij gevallen was, zonder dat het bestand
dien ten gevolge geacht zou worden verbroken te zijn. Zelfs in geval van openbare
regtsweigering zou men geen toevlugt tot de Avapenen nemen, maar alleen door brieven
van schadeverhaling vergoeding voor het gepleegde onregt zoeken te verkrijgen. 32».
Alle ontervingen en beschikkingen, uit oorlogshaat geschied, werden van onwaarde
verklaard. 33°. De onderzaten van de aartshertogen en van de Staten zouden van elkan-
der erven en de erfenissen, die hun gedurende den oorlog vervallen waren, aanvaarden
mogen. 34". Alle krijgsgevangenen zouden terstond zonder losgeld ontslagen worden.
5b°. Ten einde het bestand te beter zou kunnen onderhouden worden, zou men weder-
zijds voor de veiligheid van zee en rivieren waken, en muiters, roovers en landloopers
naar behooren straffen. 36". Beide partijen beloofden niet te zullen gedoogen, dat
iemand het bestand schond, en indien het geschiedde, te zorgen dat de schade terstond
vergoed werd, waartoe de koning en de aartshertogen ook hunne opvolgers verbonden,
met afstand van alle daarmede strijdende wetten en gewoonten. 37°. De aartshertogen
beloofden zorg te zullen dragen, dat het verdrag binnen drie maanden door den koning
van
Spanje in behoorlijken vorm bekrachtigd werd. 38°. Terstond na de afkondiging
zouden alle vijandelijkheden een einde nemen i. ,

Nog slechts twee zaken ontbraken thans aan de volkomenc regeling dezer hoogst De koningen
gewigtige aangelegenheid, namelijk de waarborging van het bestand door de koningen
van
Frankrijk en Engeland en de bekrachtiging door den koning van Spanje. Met
betrekking tot het eerste punt hadden de beide stadhouders 2 en
oldenbarnevelt te
vergeefs getracht van
Hendrik IV en jagobus I eene akte te verkrijgen, waarbij de
vrijheid en oppermagt der Staten door beiden uitdrukkelijk erkend werden. De koning
van
Engeland werd evenzeer door zijne begrippen omtrent de onwettigheid van den
opstand der Nederlanders als door zijne vrees voor
Spanje daarvan teruggehouden; en

' Resol. v. Holland, 1609, bl. 871—889.
^ VAS DER KE31P, 111, bl. 242.

ocr page 217

344 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

^^^^^^^mmmÊÊmmmmÊÊÊÊmÊÊÊmmmiÊmmmmmmmÊ^mmemi^mÊÊmmmmmmÊmmmiÊÊm^ÊÊÊÊmamm^ÊamÊÊÊÊÊ^mÊÊmÊÊmmmm

1609. HENDRIK IV, hoezeer Tolkomen bereid de Vereenigde Gewesten in alle opzigten als eene
onafhankelijke mogendheid Ie behandelen, begreep echter dat eene afzonderlijke ver-
klaring dier onafhankelijkheid
door Spanje als eene beleediging zou worden opgenomen,
en achtte haar te minder noodzakelyk, daar zy reeds van zelve vervat zou zijn in het
verdrag van Avaarborging, hetwelk, ingevolge de vroegere toezegging der Fransche
en Engelsche gezanten, terstond na het sluiten van het bestand in behandehng
genomen en reeds op den zevenden Juny geteekend werd De beide koningen
verklaarden daarbij dat de afzonderlijke verdragen, op den 24''"" Januarij en den
26'*®"
JuDÏj des vorigen jaars door de Staten met hen gesloten ^ tot waarborging
van den vrede met
Spanje, welken zij destijds hoopten te treffen, volkomen geldig
zouden zyn voor den ganschen tijd van het bestand. De hulp, daarby den Staten voor
het geval van vredebreuk beloofd, zou insgelyks verleend worden wanneer de vrijheid
der vaart op
Indié' hun door Spanje betwist, of de vorsten en volken, met welke zij
handel dreven, te dier zake verontrust of aangerand werden. De Staten verbonden
zich van hunne zijde, om gedurende het bestand geen nadere overeenkomst te maken
met den koning van
Spanje of de aartshertogen zonder goedkeuring der beide koningen,
die daarentegen de verpligting op zich namen om geen verdrag te sluiten met eenige
mogendheid, hetwelk afbreuk zou doen aan dit traktaat van waarborging of aan
de vrijheid der Vereenigde Gewesten, voor wier behoud zij, als voor hunne goede
vrienden en bondgenooten, zorg wilden dragen
De koniDg van Reeds waren de bepaalde drie maanden na de afkondiging van het bestand verloopen
^rict bc'stamr begon men omtrent de bekrachtiging door den koning van
Spanje eenige ongerust-
heid te voeden, toen dit gewigtige staatsstuk eindelijk op den Julij te
Brussel
aankwam en terstond door verreycken naar 'ä Gravenhage werd overgebragt. Thans ont-
brak er niets, noch aan den vorm noch aan den inhoud.
Fimps III verklaarde het ver-
drag volkomen goed te keuren en in al zijne onderdeelen te zullen handhaven. Alleen
had hij niet kunnen nalaten zijne hoop uit te drukken, dat de Staten gedurende het
bestand hunne Katholieke onderdanen goed zouden behandelen Κ

1 JEARNIN, lU, p. 230, 245, 248, 259, 271; IV, p. 25, 150.

2 Uiervoor, bl. 284—286.

3 JEASKIN, IV, p. 159—162.
VAN METEBEN, f. 617 C.

ocr page 218

BES VADERLANDS. 545

VIERDE BOOFDSTÜK.

DE EERSTE JAREN VAN HET BESTAND.

leo«—iei3.

Met het sluiten van het Twaalfjarig Bestand had niet alleen voor de Vereenigde 1609.
Provinciën zeiven, maar ook voor de Mogendheden van Europa, ja, voor de geheele ΐβΓ'^^ίό
menschheid, eene belangrijke uitkomst plaats gegrepen.

Vereenigde I'ro-
vinciën als Mo-

Een nieuwe Slaat zag zich in de beschaafde wereld gevestigd. Hoe meer strijd gcmilieid treedt

een nieuw be-

dcze uitkomst gekost had, hoe belangzuchtiger en onheuscher soms de bijstand dcrginsel op, in
beschermers geweest was, hoe schoorvoetender en gedwongener de vijand lot de erken-tija'^geëyenredlg-
ning van het regt der oproerige Gewesten was gekomen; des te stelliger mogen wij
beweren, dat de nieuwe Staat een beginsel moet vertegenwoordigd hebben, hetwelk geene
menschelijke magt in slaat was te onderdrukken; een beginsel, dat erkenning vorderde
in den nieuwen tijd, en werkdadig optreden moest om de menschheid in hare ontwik-
keling bevorderlijk te zijn. '

Maar onmogelijk ware de zege van het nieuwe beginsel geweest, zoo het zich niet
in eenen voor den tijd aannemelijken vorm had voorgedaan. Wilden de Vorsten zich in
de mogelijkheid bevinden om met de Republiek op eenen voel van gelykheid te onder-
handelen, zoo moest zij in eenig opzigt hun gelijke zijn.

Het nieuwe beginsel, dat zich in de vestiging van den Staat der Vereenigde Provin-
ciën gelden deed, te doorgronden, en tegelijk in te zien, in hoeverre de staalsregtelijke
toestand der Republiek in den noodwendigen vorm van den tijd optrad, ziedaar de on-
misbare voorwaarde eener billijke waardering van ons Volk in zijne geschiedenis.

De verwarring, op de Middeleeuwsche orde van zaken gevolgd, had in de vijftiende
eeuw tot de uitbreiding en versterking der koninklijke magt geleid. Burgeroorlogen
en buitenlandsche krijg in de verschillende Staten van
Europa hadden, na de in
Frankrijk en Engeland mislukte pogingen des volks om zich zeiven te helpen, de na-
tiën zich vermoeid aan de krachtige hand va» koningen, als
lodewijk XI in/'Vflw/fnjVi,

III Deel. 2 Stuk. 44

ocr page 219

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. hendrik Vil in Engeland, Ferdinand den KalhoUjken iii Spanje^ doen toevertrouwen,
tcrwyl bovendien hel uit het Oosten dreigend gevaar het belang gepredikt had van eene
krachtige eenheid om tegen de magt des Sultans bestand te zyn.

Het dus versterkte koninklijk gezag zooveel mogelijk algemeen toe te passen, was de
taak, die
karel V zich in zijne verschillende Rijken voorstelde.

Doch in zij oen lijd ontstond de Reformatie, Zij leerde in het geloof de bron ken-
nen van alle geestelijke gaven, wier uildeeling de Kerk aan zich voorbehield, en vond
in de veredeling van den smaak en de verlichting des verstands, uit de bekendheid
met de Oudheid gesproten, eene krachtige bondgenoot. De Kerk had ter harer hand-
having den sterken arm des Torsten noodig.
Karel V verleende dien, zonder de zelfstan-
digheid van de wereldlijke magt prijs te geven. Maar zijn zoon ,
filips II, bij wien
het ongeloof aan het regt van den mensch tegenover de Geestelijke en de Wereldlijke
Overheid tot beginsel was verheven, sloot met de Kerk, als het ware, een verbond,
dat de fnuiking van alle verzet ten doel had.

In ons Vaderland sluilte deze toeleg op eenen legenstand, die na eenen veertigjari-
gen strijd tot de aanvankelyke zege leidde.

Uit deze uiteenzetting blijkt genoegzaam, wat de beteekenis was van het feit der
erkenning van de Vereenigde Gewesten als Mogendheid door de Mogendheden. Deze
erkenning huldigde het regt van het geweien en van het vrije oordeel, en wie de
gescliiedenis van ons Vaderland waarderen wil, moet nimmer het oneindige gewigt
voorbijzien der omstandigheid, dat het aan ons Volk gegeven is geweest, zulk een be-
ginsel zegepralend in de Nieuwe Geschiedenis in te voeren.

Doch geen beginsel kan werkdadig in het leven der volken optreden, «f het moet
beanlwoorden aan de voorwaarden van den lyd.

Gelijk het Volk Ie voren tegen de Grooten bescherming bij den Koning gezocht en
gevonden had, zoo zocht, bij hel steeds eigenmagliger optredende koninklijke gezag,
het Volk thans bescherming bij de Groolen. In
Frankrijk, waar zich het koningschap
het regelmatigst heeft uitgebreid, zien wij den man uit het volk of den heer van lage-
ren adel, zoodra hij door zijnen aanleg aangedreven of door zijne eerzucht geprik-
keld wordt om op het tooneel der wereld op te treden, in den eenen of anderen Prins
of Hertog zijnen beschermheer zoeken, wiens hofhouding hy vermeerdert, aan wiens dienst
hij zich wydt, dien hij als den beschikker van zijne eer en van zijn fortuin erkent Rhjli^
genoeg, op wie thans de oogen des volks in het algemeen gevestigd waren, op wien het
volk rekende, wanneer zijne belangen behartigd moesten worden, aan wie men gaarne
regten prijs gaf, wanneer men voor dezen afstand slechts bescherming kon verwerven.

' Zie La domesticitê au llme siècle, par a. roget, in hibl, Univ. de Genéve, Kov. 1857.

ocr page 220

DES VADERLANDS. 2Ö1

Vooral in ons Vaderland moest de burgerij naar beschermheeren tegen de dwingelandij icou.
des konings omzien, en
Willem van oranje was de natuurlijke voogd der vervolgde
Gemeente, fliaar even als in
Frankrijk de Heer van lageren rang, hoezeer in dienst
van den eenen of anderen Prins, zelve wederom beeren van nog geringer vermogen of
wel onadellijke personen in zijne dienst bad, een verscbynsel, hetwelk bewijst, dat men
behoefte gevoelde om zich aan te sluiten aan eenen beschermheer, die niet al te hoog
verheven of te ver verwijderd was; zoo sloot zich ten onzent de burgerij aan de Stede-
lyke Vroedschappen aan. By de Edelen kon zy geenen steun vinden: dezen toch waren
deels op het slagveld of op het schavot om het leven gekomen, deels hadden zij om
hunne aanhankelijkheid aan
Spanje het vertrouwen verbeurd of waren om deze reden
uit het land gebannen, en wat er nog van de Ridderschap in de Statenvergaderingen
overbleef, zag zijnen invloed aanmerkelijk bij dien der Burgerhecren achterstaan. De
Vroedschappen dus waren de natuurlijke voogden en beschermers der burgery; aan haar
sloot men zich aan; ten haren behoeve gaf men alle staatkundige regten, te voren door
Gilden en Schutterijen uitgeoefend, gewillig prijs; in één woord, de Stedelijke Magistraat
Averd een nieuwe adel; de Regenten werden eenigermate wat in
Frankrijk de Souvereine
Heeren waren; zij werden de Meesters, in wier dienst men trad, zoo men zich aan de
belangen van Gewest of Gemeente wijdde. Wel waren er personen, die, geschikter
voor de rol van bedienden van een hooggeboren Vorst of Heer, met minachting neder-
zagen op mannen van lager rang en vaak nederig beroep: vandaar de klagt, dat
een »Hans Brouwer, Hans Kaaskooper, Hans Mulder" zich Souvereine Heeren lieten
noemen, en zich bij Keizer
karel vergeleken ^; vandaar dat de eerzucht eerst
van
anjou en daarna van leigester eenen prikkel vond in de taal van hen, die zich
te groot achtten om der Regenten onderdanen te Avezen. Maar over het algemeen was
de Nederlander te eenvoudig en te weinig op vorstenpraal en hofgunst gesteld 2 om
niet gaarne al den eerbied en de trouw op de Regenten over te brengen, welke in
dien tijd elders aan geboren Vorsten werd toegedragen. En oneindig groot was hier-
mede de aanwinst voor de vrijheid. De Nederlander, die zich tol het openbare leven
geroepen mögt achten, behoefde niet de dienstman te worden van een enkel Heer,
van wiens grillen hij afhing, van wiens tafel hij leefde, voor wien hij lot zelfs zijne
eer veil moest hebben; neen! hij diende de Regenten zijner woonplaats, niet als
personen, maar als regeringsligchaam; de Stad zijner inwoning bood hem een tooneel
van eervolle werkzaamheid voor de algemeene zaak cn eene oefenschool aan, waarin

' UitdrukkiDfjen uit ccn liatelijk vluffschrifl van die dagen.

- Zie Dr. R. FHCIN, Tien jaren uit den tachtigjar. oorlog, bl. 28 en 29, en de aldaar aange-
haalde auteurs.

44*

ocr page 221

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. hij zich Taak lot de behandeling van de hoogste belangen der staalkundige wereld kon
bekwamen En de neringdoende burgers, in geenen deele naar stem in slaat hun-
kerend gaven de behartiging der openbare zaken gerusteüjk aan mannen over, die
zij zich uit hun midden zagen verheffen en in hun midden zagen leven.

Hoe het zij, had de zaak der vrijheid in ons Vaderland door den bijzonderen aard
der hier noodwendig opgekomen Aristocratie veel gewonnen, van den anderen kant
maakten de Stalen, waarin de Souvereine Heeren der Sleden vertegenwoordigd waren,
een Bewind uit, met hetwelk het den Mogendheden mogelijk was te onderhandelen, —
of stonden zij voortaan in rang niet gelijk met de Grooten van andere Rijken, van
Frankrijk^ bij voorbeeld, met welke de Koning van dit Rijk, nog verscheidene jaren
later dan het tijdstip des Bestands, als met eene Mogendheid krijg te voeren en te on-
derhandelen zou hebben?
stemming der Ζ,οο stond daar dan onze Staal na hel sluiten van hel Bestand, te midden van de Sta-
JijTstiï'^^aT het ^^^ Europa, gereed om, onbelemmerder dan 'te voren, de hem voorgestelde loop-
Slnd^^^ ^"^^baan in Ie treden. — Zoolang de oorlog duurt, is een belangrijk deel van het beleid
der zaken aan de burgerlijke gezagvoerders onttrokken. De oorlogskans beslist veelal
over hun doen en laten: men moet alles ter zijde stellen om op een bedreigd punt hulp
te bieden, en hoog noodige uitgaven schromen om in slaat te zijn de oorlog Ie be-
kostigen. — Thans was de krijg gestaakt, en groot moet het gevoel van verligling
geweest zijn bij hen, die den vrede verlangd en bevorderd hadden. Die vrede bekroonde
niet alleen hunne wenschen en opende hun het vooruilzigt op het bereiken
hunner doeleinden, maar bevestigde ook hun gezag. Of waren zij thans niet met glans
omstraald wegens die zoo gelukkig ten einde gebragle onderhandeling met den trolschen
vijand, onder bemiddeling van
Frankrijk en Engeland en onder hel oog des Keizers ge-
schied? Een nieuw geslacht was opgekomen sedert den opstand tegen »Sjsaw/e; maar met den
Advokaat van
Holland waren er nog velen, die op dat thans reeds zoo verwijderde tydstip
aireede tot jaren van onderscheid waren gekomen, Hoe moei hun bij het térugzien op die
veerlig jaren het Bestand als eene gezegende uilkomst zijn voorgekomen, die zoo vele
angsten, zoo vele vernederingen, zoo vele verkeerde maatregelen, zoo vele moedeloos-
heden, zoo vele vermetele bedrijven voor altijd goed maakte, en slechts den moed, de
volharding en de zege in aandenken liet! Met hoe groot vertrouwen zullen zij den
blik in de toekomst geslagen hebben om voort Ie gaan op het als van hooger hand
geopende spoor.

Maar al zou de oorlog een geruimen tijd geslaakt blijven, steeds is het leven een

ï Zie VBEEDE, Inleiding tot eene Gesch. der Ncderl Diplom. ^ bi. 23.
2 Zie FRüLV,
t. a. pl.

ocr page 222

DES VADERLANDS. 31>3

irnfÊirn^^^^m^^mÊmÊimmÊÊÊÊmmmm^^^m^^^mmÊÊi^^^mm^mmmmÊÊÊmimmmmmm^ÊmmmÊÊmmmm

Strijd voor den bijzonderen mensch, en in veel voelbaarder male voor hen, die het leoo.
leven van
eenen Staat gade te slaan, te leiden en te verantwoorden hebben. Beneemt
buitenlandsche
krijg hun veel van de zoo gewenschte vrijheid hunner bewegingen, ook
te midden van den vrede stellen moeijelijkheden, onafhankelijk van alle voorzorg opko-
mend, uitbarstingen van binnenlandsche tweespalt, in één woord, allerlei bezwaren,
die van het bestaan van groote gebreken in het Staatsligchaam getuigen, hunnen be-
moeiingen de wet. En zietdaar wat de Regenten van de Republiek der Vereenigde
Nederlanden spoedig zouden ondervinden. — Ten einde ons een juist denkbeeld te
vormen van de taak, die hun voorgesteld was, moeten wij ons in enkele trekken den
maatschappelijken en staatkundigen toestand in het begin der zeventiende eeuw voor
den geest halen.

Mag men beweren, dat in eiken tijd zich te midden der overblijfselen eener vroegere Mantschappc-
orde van zaken de werking eener nieuwe maatschappelijke inrigling vertoont; jfgo locston^dder
vcrschijosel valt vooral in het begin der zeventiende eeuw in ons Vaderland op Republiek in het

begin der zeven-

te merken. Toen was het een tijdperk van overgang bij uitnemendheid. Een tiende eeuw.
nieuwe geest arbeidde te midden der oude dingen. Hij openbaarde zich natuurlijk
vooral in hen, die of door den ondernemenden aard, welke hen met vreemde
clemenlen in aanraking bragt, of door eenen aanzienlijken stand, of door hoogeren
aanleg boven het volk uitstaken. Het volk zelf leefde nog voort naar de vroegere
wijze. Eene Gemeenle was niet, als tegenwoordig, eene verzameling van Rijks-
onderdanen, slechts door hunne gemeenschappelijke woonplaats vereenigd. Neen!
eene Stad was een zelfstandig "ligchaam, waarvan de leden zich onderling ten
naauwsle verbonden gevoelden: de Stad was hun vaderland, hunne Gilde was een
orgaan tot onderhoud, tot opbouw, lot versiering, lot verdediging 'der Gemeenle.
Terwijl thans slechts banden van algemeene menschelijkheid of bijzondere vriendschap
burgers met burgers verbinden, en ieder zijn te-huis heeft, waarin hij zich van do
bemoeyingen van het openbare leven afsluit, gevoelde toen de burger by zijne mede-
burgers zich onder de zijnen en, als het ware, op straat te huis. »De woningen waren
meestal somber, bekrompen en van weinige geriefelijkheden van binnen voorzien, maar
van buiten met breede sloepen, zitbanken en luifels betimmerd Stellen meest alle
oude vaderlandsche blij- en kluchtspelen de handeling als op straat geschiedende voor, hierin'
zijn zij getrouw aan heigeen werkelijk plaats greep Vandaar een losser toon, een
vrijer taal tusschen de burgers onderling, maar ook de aanleiding lot soms voor onze
kieschheid stuitende botsingen en voor de zedelijkheid gevaarlijke aanrakingen, hoedanige

^ DE vRiLS, UoitfLs Warenar, bl. 83.
2 Aldaar.

ocr page 223

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609, door onze blijspeldichters ten tooneele gevoerd worden; vandaar van den anderen kant
eene bemoeijing van den burger met de belangen, die men thans aan de politie over-
laat: op straat handhaafde de burgerij, als elke vader in zijn gezin, wanneer het
noodig scheen, met vereende kracht, zelve de orde.

Zietdaar een beeld van de maatschappij, in welke in het begin der zeventiende eeuw al
meer en meer een nieuwe geest begon door te dringen. In den strijd met de magt
van
Spanje hadden zich de krijgstogten der burgers niet tot kortstondige belegeringen
van naburige sloten of steden bepaald, waarna zij weder te huis kwamen zonder dat
hun gewone leven er merkelijk bij geleden had; zij hadden den strijd moeten uithouden
binnen eigene of anderer vesten tegen soldaten, uit vreemde natiën geworven, en me-
nigmaal hadden de steden zeiven zulke vreemde troepen moeten huisvesten. Men kan
denken, hoe het een en ander inbreuk maken moest op de goedmoedigheid en ver-
trouwelijkheid der burgerij. — Bepaalde zich vroeger de zeevaart tot het bezoeken van
Europesche havensteden, waaraan het scheepsvolk deel nam zonder uit zijnen natuur-
lijken bodem losgerukt te worden, thans ging men uit op togten, die jaren duurden;
men verplaatste zich in ganscli vreemde klimaten, en kwam men, na in andere wereld-
deelen zegevierend gestreden en schatten ingeladen te hebben, weder te huis, nien
was min of meer vervreemd van de zeden der geboortestad, en had zich andere nei-
gingen en andere behoeften eigen gemaakt.

Maar oorlog en zeevaart niet alleen tastten het oorspronkelijke gemeenteleven aan,
en verplaatsten, als het ware, het middelpunt van uit de schaduw der stadstorens naar
elders, waar grooter belangen op ruimer gebied werden verhandeld. Ook de Letteren
en de Wetenschap werkten daartoe mede. De dichter bekend met de verjongde Fransche
verskunst, of, als
hooft, gevormd in de school van de Italiaansche zangers, ontwies
de enge grenzen der letterkundige Gilden, Rederykerskamers genaamd, en zong voor een
letterlievend
publiek, of zou welhaast, als op hel kasteel van Muiden, een salon openen
Toor de fraaije vernuften van den tijd. De geleerde, met den blik verruimd door de
aanschouwing van de geschiedenis der Oudheid, met den smaak gekuischt door de
modellen der klassieke letterkunde, rigtte zich in de Latynsche taal tot de leden van
de republiek der geletterden, in alle beschaafde Rijken van
Europa verspreid. Niet
dat het den mannen der wetenschap aan burgerzin behoefde te ontbreken, — getuige
de gloeyende ingenomenheid van het jeugdig genie van
hugd de groot met de zeden
en daden zijner landgenooten ^; maar zijne liefde heeft een volk tot voorwerp, en strekt
zich uit lot een vaderland, dat alle bijzondere belangen in eene groote eenheid omvat, en
zgne grenzen op eeuwige wetten van billijkheid tegen andere nationaliteiten ziet afgebakend.

1 Men zie zijne Vergelijking der Gemecncbcsten.

ocr page 224

DES VADERLANDS. 31>3

Doch tegenover het universalisme der Geleerden stond in de Ultra-Gereformeerde partij
een geestdrijvend streven over. De Wetenschap liep niet ligt gevaar in de losmaking
der Middeleeuwsche banden te ver te gaan. Integendeel, zij sloot zich gaarne aan de
beslaande magten aan; zoo zien wij denzelfden
hügo de groot, eenen man, uitste-
kend genoeg om in het wetenschappelijke als een teeken zijns tijds te gelden, nadat
hem de bodem zijns vaderlands is ontvallen, van vrede droomen met de Roomsch-
Kalholijke Kerk, en bijna zelfs de losscheuring zyns vaderlands van de eenheid des
Roomschen Rijks betreuren. Maar de Ultra-Gereformeerde partij bragtigeene mensche-
lijke ordening in rekening tegen den eisch der Godsdienst. Versterkt door de Vlaamsche
en Brabandsche ballingen, die, van vaderland verstoken en alzoo van velerlei beden-
kingen ontheven, voor geen gerucht vervaard waren, erkende zy geen wereldsch ge-
zag, waar het de Kerk gold. Over de grenzen van provinciën, ja, van landaard heen,
streefde zij naar eene algemeene Hervormde Kerk, en ongeneigd om den stroom der
Reformatie binnen de dijken eener staalkundige orde besloten of door de kunstwerken
der menschelyke redenering bepaald te zien, deed zij een beroep op de menigte tegen-
over de verordeningen der Overheid en het vrije verstandsonderzoek der Godgeleerden.

Streefde dus de ontwikkeling eene nieuwe meer omvattende eenheid te gemoet, deze
eenheid was verre van reeds gevonden te zyn. Integendeel wat elders eenheid in het
Slaalsbesluur vermögt door te zeiten, onlbrak hier. — Wat in de Middeleeuwen van
openbare eer en gezag verleend was, het was, als het ware, in bijzonder eigendom
afgestaan en werd alzoo onvervreemdbaar en oppermaglig bezeten. Aan al die souve-
reine reglen en privilegiën echter werden daar waar de koninklijke magt zich vrij
ontwikkelen kon, van lieverlede door de koninklijke beambten, als het ware, de grond
onder de voelen weggeroofd. Doch hier te lande, waar de koning was afgezworen, en
daarmede alles wat regtslreeks van den koning uitging, de onbeperktheid van zijn gezag ver-
loren had, moest elke Vroedschap zich onbelemmerd als souverein op zijn gebied be-
schouwen en doen gelden. Intusschen diende er door steden en provinciën gemeen-
schappelijk gehandeld te worden. Vroeger was het de algemeene nood geweest, die
eendraglig streven teweeg had gebragt; met een« Statenvergadering, als die van
Holland in den lijd van willem I, wier leden aan geene ruggespraak met hunne
lastgevers gebonden waren, kon veel verrigt worden. Maar later wilde geene Vroed-
schap iels van hare zelfstandigheid ten behoeve van het gemeen overleg opofferen, en
werd de werking van den Raad van State, die eenheid in de Republiek had behooren
Ie brengen, opzettelijk verijdeld. Dus schoot er niets over, dan de invloed van hen,
die door krachtiger geest bezield en mei rijker middelen bedeeld waren, om de leden
der Unie tot die handelingen te nopen, welke de tijd scheen te vereischen. Doch
invloed is geen regt; integendeel hij is eene soort van overheersching. Vandaar
menigerlei aanleiding lot ontevredenheid met den bestaanden regeringsvorm. Overal

1609.

ocr page 225

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. nu, waar het gebrekkige van de staatsinrigting gevoeld of erkend werd, waren de
oogen als van zelve gevestigd op eenen Vorst
in het midden der Republiek, op Prins
MAURiTS VAN NASSAU.
lö hem bood ons Vaderland het eenig voorbeeld aan van eenen
persoon, uitstekend genoeg van rang, om een persoonlijk beschermheerschap te kunnen
uitoefenen en eene hofhouding rondom zich te kunnen verzamelen. Ja, de glans van
zynen roem overschaduwde die van alle hooggeboren Prinsen
in het buitenland, en
talrijke vreemde, vooral Fransche Edellieden kwamen zich aan zijnen persoon verbin-
den en vermeerderden zijnen hofstoet ^; want voor den jongen Franschen adel behoorde
het tot den goeden toon, onder
maukits' vanen eenige veldlogten tegen spinola te gaan
maken. — Geen wonder, derhalve, dat zijn staat in de Republiek bij velen aan het
denkbeeld voet gaf, of ook door aansluiting aan zijnen persoon de verlangde Staatseenheid
te verkrijgen zijn mögt.

De Fransclie Nu liet Bestand was gesloten, was ook voor de Fransche Gezanten de tijd daar om
op'^euw'^aan^op ^^*· vroeger door hen geopperd doch door
oldenbarnevelts toedoen verschoven was,
ναΓ dTn "ïege- opzettelijk te herhalen, en op eene verandering in den regeringsvorm aan te

ringsvorm. dringen Waren hunne pogingen gelukt, maurits had zich meer gezag verleend
gezien. De -wijziging toch in den regeringsvorm der Republiek, op eeoe allezins
heusche wijze door de Fransche Gezanten voorgeslagen, strekte om Prins
maurits aan
het hoofd te stellen van eenen op te rigten Raad van State, aan welke de beslissing
zou opgedragen worden van alle geschillen, die zich tusschen de Provinciën zouden
opdoen, en de uitvoering, des noods met geweld, van alles wat de Staten-Generaal be-
sluiten zouden. Voorts zouden de zaken van vrede en oorlog, de verbonden met vreemde
Mogendheden en de belastingen aan de Staten-Generaal verblijven, maar het beleid
van alle overige regeringszaken aan den Raad van State behooren
staatkunde van Wat HENDRIK IV tot de aanbevehng van zulk eene verandering in den regerings-
bdrdikbg toHe vorm bewoog, was natuurlijk zijn eigen staatkundig belang. Steeds was zijn oog op
Republiek. ^^ Nederlanden gevestigd geweest. In tijden van moedeloosheid, toen hij den troon
van
Frankrijk nog niet had beklommen, was hij er meer dan eens op bedacht geweest

1 Hiervoor, bl. 266. Daar lezen wij, dat Prins maurits in het veld soms tot zeshonderd per-
sonen rondom zich had, die op zijne kosten leefden. De Prins van
conti, van Franschen konink-
lijken bloede, had, toen hij, in den oorlog der
Fronde^ Bordeaux verliet, slechts tweehonderd per-
sonen, aan zijne dienst verbonden, bij zich. Hiernaar mete men het aanzien af, Λvaarin Prins
MAüBiTS stond.

2 Hiervoor bl. 315.
^ jeankis, IV, p. 116.
* jEANKm, I, p. 185.

ocr page 226

DES VADERLANDS. 31>3

om aan de Vereenigde Gewesten zijne diensten aan te bieden en zich van ons land een i609.
nieuw vaderland te maken. Zoo trouw had hij de Republiek in haren strijd tegen
Spanje
bygestaan, dat hij, naar de begrooling van düplessis-mornay, achtereenvolgens bgna
tweehonderd raillioenen livres voor haar over had gehad Wederkeerig had hy in tyd
van nood edelmoedigen onderstand van de Republiek ontvangen. Geen wonder, dat
by zich niet minder naauw aan haar verbonden gevoelde, dan aan menig gewest, dat
tot
Frankrijk gerekend werd, al kostte het den Koning van Frankrijk moeite er zijn
gezag te laten gelden. In dezen tijd hing de betrekking tusschen Vorst en onderdanen
niet noodzakelyk af van de nationaliteit, maar van de vraag, of men in eenigen Vorst
of Heer zijnen natuurlijken beschermheer kon en mögt erkennen: de persoonlijke be-
trekking tot den Vorst of Heer beheerschte elke andere bedenking. Daarom
liet πενοηικ
IV de gedachte aan de uitoefening der souvereiniteit in de Nederlanden nimmer varen.
Vandaar dat hij, menigmaal, vooral door
oldenbarnevelt, uitgenoodigd, om by authen-
tieke acte, de Staten als voor altijd vrij en souverein te erkennen, zich daartoe steeds
ongezind heeft geloond eenmaal met de uitdrukkelijke verklaring aan zynen Gezant,
dat zulk eene erkenning zijne eigene zaken schaden kon Κ Zelfs de· Koning van En·
geland, hoe los de vriendschapsband tusschen hem en de Republiek ook geworden was,
en hoezeer zijn invloed thans door dien van
Frankrijk werd overtroffen, zelfs jakobus I,
weigerde een dergelijke acte aan de Staten te verleenen Indien nu deze Koning,
op grond van het vroegere wederkeerige dienstbetoon, de gedachte aan een souverein regt
over de Vereenigde Provinciën zoo weinig opgaf, dat zijn Gezant te
Konstaniinopel om-
trent dezen tyd meende te mogen verspreiden, dat dit land aan
Engeland onderworpen
was hoe veel te meer kon
Hendrik van Frankrijk zulk een gevoelen koesteren? Hoe
het zy, hij was er op uit, dat de regering in de Republiek dus werd ingerigt, dat hij
zoo min mogelyk gevaar liep haar aan zijnen invloed te zien ontsnappen. En dan was
het voot hem niet wenschelijk, dat de vele Hoofden van den nieuwen Slaat onbeperkt
meester bleven. Het was voor hem wenschelijk, dat er een enkel Hoofd bestond, dat
over de hulpmiddelen der Republiek beschikken en alle weerbarstigheid fnuiken kon,

^ a. ouvRÉ {Docum. inéd. sur Vhist. du Protest, en France et en Holl.) Auhéry du Maurier,
p. 172, 182.

2 Zie Hiervoor, bl. 344. JEARKm, III, ρ. 230, 244, 248, 313. IV, ρ. 25.

' jeannin ρ. 271. ))Je n'entends pas leur bailler — la déclaration sur la continuation de leur
Souvcraineté après la trève; ■— car c'est chose qui leur est inutile et qui pourroit neantii^oins nuire
ä mes affaires."

^ JEAKHI5, III, ρ. 291, 319, 320.

® JBannin, IV, ρ. 150.

III Deel. 2 Stuk. 4S

ocr page 227

"ppipiii

ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. opdat hy door dezen eenen, zoo het gelukte, hem in zijn bedwang te krijgen, den
ganschen Staat, als een schip door het roer, mögt besturen. En wie Avas de man, die
hij gaarne lot het hoofd der RepubUek verheyen zag? Het was een Vorst, tot de erf-
goederen
Tan wiens geslacht een Fransch Prinsdom behoorde, en wiens stiefmoeder eene
Fransche Prinses was, uit een aan zijn Huis rerbonden geslacht gesproten. Op zulk
eenen Prins meende hy waarschynlgk dezelfde middelen van overreding te zullen kunnen
gebruiken, die hem ten aanzien van menigen Groote in zijn eigen Rijk te stade kwa-
men. Geen wonder, dat wij
jeaknin naar Frankrijk zien schrijven, dat men maurits*
gezag versterken moest, want, kon men hem, gelijk hij hoopte, tot zijner Majesteits
dienst en genoegen stemmen, zoo was er niets, dat men niet hopen kon Door den
Prins zou de Raad van State gemakkelijk te beheerschen zijn, vooral zoo in dien
Raad nevens den Gezant van
Engeland ook die van Frankrijk zitting kreeg en de
Koning van de meest vermogende leden voor zijnen persoon die soort van hulde vergde,
welke er in dien tijd in het aannemen van geschenken of jaarwedden gelegen was.
Inderdaad,
jeannin schreef niet zonder grond naar Frankrijk^ dat, werd ma.ubits tot
Vorst der Republiek verheven, de Koning van
Frankrijk er meer bij winnen zou, dan
de Prins zelve

Hoe ae voor- Maar hoe werden de voorslagen der Fransche gezanten tot zoodanige verandering van

Fransclie^^ezan- den regeringsvorm hier te lande opgenomen ? Verscheidene aanzienlyken waren voor
oprigten van eenen Raad, zoo als
Frankrijk gaarne ingesteld zag ja eenige die-

geriugsvorm hier uarejj gjj vrienden van den Prins lieten zich zelfs uit, dat men ten zijnen behoeve hel

te lande weraeu "

opgenomen; Gemeenebest in een Vorstendom veranderen moest

Bepaaldelijk Doch hoe dacht OLüENBARNEVELT over deze zaak? Hij was niet blind voor de drin-

NivTELT.^^^^^^ gende behoefte aan eenheid in de regering. Wie kon beter bekend zijn, dan hij, met
de moeite, die het in had, zoo vele zinnen tot eenstemmig handelen Ie brengen, en
wie kon meer verlangen, aan hetgeen diepe overtuiging hem als wenschelijk of nood-
Hoezeer voor-zakelijk ingaf, eene snelle uitvoering te verzekeren? Krachtiger kan de behoefte aan

stander der een- Î¹ σ u Î± ^

heid in het Be-eenheid in het Bestuur niet uitgedrukt worden, dan hij deed in een advies, door hem

wind, stond hij

thans het plan

van verandering ,

van den rege- ' > i · Tt^

niet

rings vorm
voor.

2 JEAKKIS I, p. 77, 185. IV p. 105.

3 JEANNIN 111, p. 205, 206: »Aucuns estiment, s'ils obtienncnt la trève avec la liberté, qu'on
doit changer la République en Principautë ,pour s'asseurer du tout contre 1'Espagnol. Or si on
prenoit ce conseil, j'estime, encore que cette proposition soit faite en faveur de Lorme (d. i. van
Prins wAURiTs) et par ses serviteurs, que sa Majesté y auroit plus de part que luy, peur la bonne
opinion qu'on a de sa prudence, de sou pouvoir, et de son aiFection envers eet Eslat."

4 WAGENAAR, IX, bl. 453.

554

5 JEANNIN, III, ρ. 205, 206.

...............................

ocr page 228

DES VADERLANDS. 31>3

in 1607 uitgebragt, waarin bij onder anderen zegt: »Kennelijk is, dat tusschen de 1609.
Provinciën, Sleden en de leden Tan dien nooit geschillen ontbroken hebben noch ont-
breken zullen. Daarom, als de nood en het gevaar van den oorlog ophield en men
meende goed en wel vrede gemaakt te hebben, zoo zou deze vorm van regering door
nayver en slaphartigheid terstond vervallen in de uiterste regeringloosheid en verwar-
ring..... Indien wy niet cene regering invoeren met behoorlyk gezag om de Lauden

te besturen, de Provinciën en de Sleden, bij onwil om haar bescheiden deel aan de
belastingen te betalen, tot haren pligt te dwingen, des vijands lagen te verijdelen, de
Landen oogenblikkelijk legen alle dreigend gevaar te verdedigen, zonder naar verslagen
en beraadslagingen van de Provinciën en de Steden te behoeven te wachten, — zoo
moeten wij verloren gaan; want geene Republiek kan bestaan zonder goede orde in de
hooge Regering i." Toen hij zich dus uitliet, schijnt de opdragt van het hoogste ge-
zag aan
maiirits in zijn oog het middel geweest Ie zijn om het doel, eenheid in de
regering, te bereiken. Ten minste had
francois frangken, weleer Pensionaris van Gouda,
in October 1608, aan den Predikant rytemogaert verklaard, dat oldenbarkevelt zelf
hem eenigen tijd geleden (alzoo omstreeks 1607) gezegd had, dat men, nog vóór het
sluiten van eenig verdrag met den vijand, 's Lands regering op raster voet moest stellen,
en met Prins
maurits moest handelen op gelijke voorwaarden, als weleer met zijnen
Heer Vader geschied was
2. Had oldenbarnevelt aan dit denkbeeld uitvoering weten
te geven, hij had slechts in overeenstemming gehandeld met hetgeen hij vroeger had
voorgestaan. Na
Willems dood zou hij gaarne op maurits de waardigheid hebben zien
overdragen, welke men aan den vader had toegedacht. Mag het vooral geweest zijn
om een persoon te hebben, dien men tegen
leigester kon overstellen, dat hij de aan-
stelling van MAURITS tot Stadhouder van
Holland en Zeeland had bevorderd; later,
toen deze reden niet meer bestond, was het aan zijne ijverige bemoeijingen te danken,
dat de Prins ook nog, als opvolger van den Graaf
van wieuwekaar , tot Stadhouder
van
Utrecht^ Gelderland en Overijssel gekozen werd. Ja, nog kort vóór het sluiten
van het Bestand, had
oldenbarnevelt medegewerkt tol het voorstel, den 17''°'' Maart Voorstel tot
1609 in de Staten-Generaal gedaan, en hiertoe strekkende, dat men, ten einde de deug-^^
delijkheid der regering te bevorderen, en den band tusschen de Provinciën te versterken, Q^e'fn^^j. ^gn
den Prins tot Gouverneur- en Kapitein-Generaal van al de Vereenigde
Nederlanden zou Kapitem^Gene-

" raai van al de

aanstellen, met uitzondering alleen van die Gewesten, over welke Graaf Willem de Vereenigdo Ne-

waardigheid van Gouverneur bekleedde Dit voorstel leed schipbreuk op den tegen-

' Medegedeeld door M. v, D. in de Letterbode van den 13'^''° Febr. 1858, voorzeker uit dc
papieren van
oldenbamevelt, die op het Rijksarchief berusten.

- üytekbogaert, Ket/cel, Hist. bl. 519 , 620.

^ v. d. kemp, Maurits v. Nassau, 111, bl. 251. vaw wijn op Wagen, IX, bi. 109.

40*

ocr page 229

556 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. stand van Vriesland, Overijssel en Groningen, en mogl dus evenmin gelukken als in
1589 toen mede bepaaldelijk de leden van
Holland in last hadden den Prins tot die
betrekking voor te slaan.

Eerzucht was Wat mag dan de reden geweest zijn, dat oldekbarnevelt thans na het sluiten van
vELTs^^drijfvecr ^®'· Bestand, nu het gevaar van oneenigheid dreigender vyas dan ooit, van eene opdragt
van meer gezag aan Prins
maurits niet meer repte 2? Naijverige eerzucht, dit mag
men beweren, was de reden niet. Wie zijne diensten zoo meesterlijk en met zulk een
goeden uilslag aan eene zaak toewijdt, als
oldenbarnevelt aan de regering des Lands,
hij onderscheidt zijnen roem en zijne eer niet meer van hetgeen hij als het waar belang
dier zaak beschouwt. Bovendien bij de verandering van den regeringsvorm was er voor
hem vermeerdering van glans en verhooging van rang te wachten. Immers zou hij de
waardigheid van Zegelbewaarder der Vereenigde Provinciën en in den Raad van State,
wiens gewone leden om de drie jaren zouden aftreden, voor zyn leven de betrekking
van President bekleeden 3. Het is waar, het gezag door.
oldenbarwevelt, als Advokaat
\din Holland, uitgeoefend, was zoo groot, dat hij schijnen moest bg elke wijziging des
bewinds slechts te zullen verliezen; doch eerzucht laat zich juist door glans verlokken,
en had die dubbele waardigheid niet iets streelehds voor de eigenliefde gehad, de schran-
dere JEANNI1Y zou niet gemeend hebben, den Advokaat daardoor tot de toetreding tol zyn
plan van gewijzigden regeringsvorm te zullen kunnen overhalen. Maar ook, was het
niet zgne eigene bekwaamheid, die aan zyne betrekking van Advokaat van
Holland zulk
oenen magiigen invloed had weten te verzekeren, wat zou hy dan van die nieuwe be-
trekkingen weten te maken! Als Staatsminister en President van den Raad van Slate
der gansche Unie zou hij toch zeker meer vermogen tot verwezenlijking zyner inzigten,
al was dan ook de Prins in aanzien verhoogd, dan in zijne tegenwoordige beperkte
betrekking en met den nederigen titel, dien hij thans voerde. En, wat alles moest af-
doen , liet hij den post van Advokaat van
Holland voor hooger rang varen, zijn broeder
reinier, thans Pensionaris van RoUerdam, zou hem in die betrekking opvolgen, en
zoo zou hy in de opengevallen plaats eenen man zien optreden, kundig en zachtzinnig ^
en gezind om geheel in zijnen geest te handelen. Dit alles zou zijne eerzucht hem
voorgespiegeld hebben, en bleef niettemin het plan van wyziging der regering onuit-
gevoerd , zoo mogen wij besluiten, dat hy in de voorgestelde verandering van den re-
geringsvorm op die wijze en in dezen tijd belangryke zwarigheid moet gezien hebben.

ï Zie hiervoor, D. III, St. I, bl. 426.

2 UYTENBOGAERT, Lcven βΗ Yevanlw. cap. X, bl. 193. 164-5.

3 JE AKNIN-, I, ρ. 65.

4 JEANKIS, t, a. pl.

\

ocr page 230

DES VADERLANDS. 31>3

VoOr ons, die derdehalre eeuw later leven en in de gelegenheid geweest zyn waar icoü.
Ie nemen, welken noodwendieen weer Tan ontwikkeling de staatsinstellingen doorloopen
voorgestelde

' Ïƒ Ïƒ Ïƒ Ïƒ Â± verandering vau

moeten, is het gemakkelijk in te zien, dat de Terheffing van ma.urits niet in hel be-üen regerings-
vorm in het licht

lang der Republiek zou geweest zijn. Men behoefde en verlangde eenen Vorst, magtig van onzen tijd.
genoeg om alle bezwaren van den tegenwoordigen gang van zaken op te heffen. Maar
was de vervulhng van dit verlangen bestaanbaar? ·— Ware het besef van hetgeen een
Slaat behoeft, genoegzaam om het noodige ook lot stand Ie brengen, dan zou
Frankrijk
minstens reeds twee malen, na de Staten van 13ö5 en van 1789, in het bezit geweest
zijn van hetgeen het na het midden der negentiende eeuw nog niet bereikt heeft. In
de geschiedenis van
Frankrijk zien wij, hoe het koningschap door krachtig of geweldig
optreden, door onverdroten in alles indringende werkzaamheid, door de tooverkracht
van eene groote persoonlykheid alle hoogten slechten moest, en eindelijk zelf moest
vallen om eenen toestand voor Ie bereiden, waarin by vrijheid der staatsburgers eenheid
in de regering mogelyk zal zijn. Niets komt, ook in de geschiedenis, vóór zijnen lijd :
de druiven zijn niet vroeger rijp dan in de wijnmaand. Zoo zou dan ook ten onzent
de eenhoofdige regering, en eenhoofdig had de regering werkelijk moeten worden,
indien de verandering iels zou balen, lot hare regelmatige ontwikkeling eene reeks van
geslachten noodig gehad hebben, en ten slotte zou zy al wat op souverein gezag aan-
spraak maakte, hebben opgelost. Neen! om reeds na het sluiten van het Bestand een
monarchaal bewind in den zin, dien men wenschte, mogelijk Ie maken, zou eensdeels
MAURiTs op eenen geheel anderen bodem hebben moeten staan, dan hij als vorslelyk
beschermheer en aanvoerder werkelijk deed, en hadden, aan den anderen kant, de
souvereine Regenlen-collegiën bij magie moeien zijn om plotseling den aard van hun
gezag, ja hun wezen zelve te veranderen.

W^el is het niet aan te nemen, dat oldenbarnevelt een inzigt zou hebben gehad,
hetwelk wy eerst aan de ondervinding van eeuwen te danken hebben; maar loch moet
hij een min of meer helder gevoel gehad hebben van de bezwaren en de onbestaanbaar-
heden, die de poging om de regering op de voorgestelde manier te wijzigen, met zich
zou brengen. Hoe het zij, er lagen gronden genoeg voor de hand, die hem thans,
nu het eindelijk lot eene verandering van den regeringsvorm zou komen, ze hem hoogst
waarschijnlijk·
onraadzaam moeslen doen achten! Of zou hij niet scherpziend genoeg geweest zijn
om te doorgronden, wat den Koning van
Frankrijk er toe dreef om de eenheid der in dezen bewogen.
Republiek door middel van de verheffing des Prinsen Ie bevorderen, en moest een
op de vrijheid zijns lands naijverig staatsman niet juist trachten Ie verhoeden, wal
Frankrijk beoogde? Inderdaad, gesteld maurits had op de door Frankrijk aanbevolen
wijze zijne magt vermeerderd gezien, zoo zou hij slechts door hel aannemen van eene
vijandelijke of ten minste wantrouwende houding legen
Frankrijk aan den invloed van
den Koning van dit Ryk' hebben kunnen ontsnappen, Alzoo of ondergeschiktheid aan

ocr page 231

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. Franschen invloed, of oneenigheid met deze Mogendheid, ziedaar wat het gevolg van
MAURiTs' verheffing zou geweest zyn, en beide diende vermeden te worden. — Voorts
was het onmogelyk voorbij te zien, dat met
maurits' raaglsvermeerdering eene rigting
zegevieren zou, die de rigting niet was, waaraan de Republiek hare aanvankelijke
grootheid te danken had en in de toekomst kracht en invloed soheen te danken te
zullen hebben,
Maurits was krijgsman en edelman. Hij zou geneigd wezen, zijne
eigene grootheid en die der Republiek in de handhaving eener geduchte krijgskun-
dige stelling te lande te zien. Maar de zenuw der Republiek was de handel, het veld
der werkzaamheid harer kinderen was de zee en het verre Oosten en Westen. De leden
der Vroedschappen, in· dezen tijd zeiven nog kooplieden vertegenvfoordigden dus,
beier dan
maurits, den geest, die de Nederlandsche Republiek bij hetgeen zij reeds ver-
worven had, handhaven, en wat voor haar was weggelegd, verwerven zou. Neen! moest
men den Staat door zulk eene verandering van den regeringsvorm aan het gevaar bloot-
stellen van eenen verkeerden weg opgedreven te worden, dan liever geen stap daartoe
gedaan, en met het oude raderwerk voortgearbeid, al was het ook, dat er uit tegen-
werking der deelen onderling tijdelijke belemmering kou voortkomen. Volgens de ge-
tuigenis van den Franschen gezant zeiven, was het gevaar, dat van het behoud der
oude slaalsregeling te duchten was, niet zoo verbazend groot, of het was verschoonlijk,
dat men de zaken voor als nog op dien voet wilde lalen. Immers schrijft hij: »Zeker
is het, dat van het behoud van den tegenwoordigen regeringsvorm, die sedert vijf en
twintig jaren zonder eenige verandering bestaat, bij de begeerte, waarmede allen be-
zield zijn, om zich bij hetgeen zij verworven hebben, te handhaven, geen kwaad te
wachten is 2."

Maar zou oldenbarnevelt de verheffing van den Prins bevorderen, dan diende deze
ten minste in zijn oog tot de hem toegedachte hooge betrekking geschikt te zijn. Dit
nu was het geval niet. Men mag als stellig aannemen, dat de Advokaat het er voor
hield, dat
maurits, tot het hoofd der Republiek verheven, bij het Land geenen dank en
voor zich zeiven geene eer zou inleggen

ï Zie FRüiN, Tien jaren uit de tachtigjar, oorlog^ bl, 29.

3 JEANNIN, IV, p. 132.

3 In het onderhoud tusschen louise de coligst en oldêkbarnevelt , medegedeeld door l. aubéry
(in zijne Mémoires pour servir ά Vhist. de Holl. efó. p/152—157 , 278) bewees oldenbarnevelt
de Prinses op onwederspretelijke {jronden (zegt dat de Prins, wanneer hij naar de Sou-

vereiniteit streefde, blijkbaar zijn eigen ongeluk wensclite. — Doch wat is er van dit onderiioud te
denken? Mag men het berigt van
h. aubéry geloofwaardig achten? Vooreerst is het zeker, dat
de auteur, blijkens z^n geschrift zelve, geenszins op den roem vaa groote degelijkheid aanspraak
kan maken, en ten anderen, is het verhaal van dat onderhoud blijkbaar in een valsch licht ge-

ocr page 232

DES VADERLANDS. 31>3

mψιmιmψm

En inderdaad, maürits was de geschikte persoon niet om het Hoofd der Republiek 1c09.
te worden. Er zijn menschen, die juist wegens de onwrikbaarheid van hun Tertrouwen ges^cHuS voor
op de kracht Tan het beginsel, dat hen drijft, in slaat zijn zich van goeder harte
naar menschen en omstandigheden te Toegen, wel wetende, dat hunne inschikkelijkheid kmg.
een middel te meer is om aan
hun streTeu de zege te Terzekeren. Zoodanig is de ware
staatsman, zoodanig was
willem I, doch zoodanig was maurits niet. Hij was zich slechts
in streng Tasthouden aan zijne stelling en aan zijn karakter Tan zijne kracht bewust.
Van hen, die tot zijn hofgezin behoorden, duldde hij geene tegenspraak en waar
hij die door zijn gezag niet kon afsnijden, ontweek hij liever den strijd. Het aanwenden
van innemende woorden om anderen lot eenig doel over te halen, werd door hem met
den hatelyken naam van vleijerij bestempeld De toon, door hem tot het doorzeilen
van zyne denkbeelden gebezigd, was die des bevels. Ziedaar hoedanigheden onschade-
lyk, ja Toordeelig voor den krijgsbevelhebber, die de lucht te handhaven had, maar
weinig geschikt om hem in de Republiek over de zinnen en harten der Regenten te
doen heerschen.

Maar hoe was maurits zelve gezind ? Waren van hem pogingen te wachten om maueits' eigen
de verandering van den regeringsvorm door te drijven? Ware .hij tot de aanvaar-
ding der souvereinileit aangezocht, welligt zou hij zich deze hebben laten gg^Jgc^ag^''^

vallen, en zoo schijnt hij dan ook de Prinsesse-weduwe veroorloofd Ie hebben eene
poging te doen om
oldenbarneyelt gunstig te slemmen voor de opdragt van het op-

sleld: het moet, naar de bedoeling van den Schrijver, dienen om den val van oldenbarneyelt te
verklaren. De Prins, wien liij heerschzuclit toedicht, zou (zoo Avordt de zaak voorgesteld) den
Advokaat nooit hebben kunnen vergeven, dat hij zijne stiefmoeder overtuigd had van de onraad-
zaamheid van elke poging om de Souvereinileit voor haar Huis te bekomen. Dit zou de aan zijnen
vader (
aubéry du maurier, Fransch Gezant bij de Republiek van 1613 tot 1625) medegedeelde
geheime oorzaak van
oldenbarnevelts ondergang geweest zijn. Aldus wordt, zoo er werkelijk een
onderhoud over de opdragt der Souvereinileit aan
madrits lusschen de Prinsesse-Weduwe en ol-
denbabnevelt
heeft plaats gehad, hetgeen niet volstrekt te loochenen is, in allen gevalle aan de
zaak te veel gewigt gehecht. Men zie over de geloofwaardigheid van dit berigt ouviiÉ, t. a. pl. 186,
en
van der kemp, Mauv. v. Nassau, 111, bl. 76, 77. — Ook in de vergadering, waarvan wij hier-
voor (bl. 165) lezen, verklaarde
oldenbarkevelt, dat de opdragt der Grafelijke waardigheid aan
maurus »by dees tyd voor sync Excellentie niet goed noch dienstelyck sonde weeen" (van wijn,
Naleez. I. bl. 321.)

1 DE la pisE, Ilist. des Princes d'Orange, ρ. 806, sq. zegt van maurits: »il vouloit cslre absolu
en toules choses, il ne pouvoit soulFrir une contradiction de ceux qui luy appartcnoient."

2 JEANKix, voert het volgende gezegde van maübits aan: »Je ne puis me soutenir que par ma
vertu, et non par des flatteries,"

ocr page 233

302 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. pergezag aan zijnen persoon maar tot dit doel hetzij op de Regenten, hetzij op de
Tolksmenigle middelen van overreding aan te wenden, dit was geheel strijdig met zijn
karakter.
Jeanwin meende hem den raad te moeten geven zich een weinig geweld aan
te doen om zich meer bekend en bemind bij het volk te maken, dan hij tot nog toe ge-
weest was 2. Waarlijk geen bewijs, dat hij de man was om zich eenen aanhang te winnen.
In den oorlog gewoon om zoo weinig mogelijk aan het toeval over te laten, was hij niet
geneigd zich op dén lossen bodem der volksgunst te begeven. Den drang van het volk
beschouwde hij als eene magt, met welke hij zich niet in het strijdperk waagde: wat
anders beteekende zyn antwoord aan JEANmN, toen deze, in den aanvang van zijn ver-
blijf hier te lande, nog beducht voor het sluiten van den vrede, hem verzocht zijnen
invloed aan te wenden, ten einde den krijg te doen voortzetten? Toen immers veront-
schuldigde hij zich eenvoudig met te zeggen, dat het volk zoo vurig naar rust ver-
langde, dat er geene mogelijkheid was het te weerstaan Dit is de taal niet van den
eerzuchtige, die althans eerst de proef wil nemen en naauwelijks aan onmogelijkheden
gelooft, waar het de bereiking zijner oogmerken geldt. Neen,
ma.urits hunkerde niet naar
de souvereiniteitj zelfs niet toen er in 1602 ernstig over gedacht werd, ze hem op te
dragen en te regt oordeelt JEAniira hem vreemd van wat erin het hoofd van zijne dienaren
broedde, die hem tot souverein Vorst wilden verheven zien Opregt was zijnAvoord,
dat hij, »God tot getuige nemende, had gegeven, dat hij niet dacht op de souvereinieteit,
alleen dat het land mögt behouden blijven; hij wist, dat dit volk zelve wilde regeren, en
dat hij niets zou bedryven tegen hunnen dank Later, toen
oldenbarttevelt gevallen
was, en de Engelsche Gezant
carleton hem aanspoorde om op eigen gezag den rege-
ringsvorm nagenoeg in den zin van het Fransche voorstel te veranderen ^ bewees hij
voldingend, dat hg niets verlangde lot stand te zien komen dan wat van de Staten
zeiven uitging. Den Staten vertrouwde hg volgaarne het beleid hunner zaken toe.
Hen beschouwde hij als de ware vertegenwoordigers van het Land, aan welks dienst hij
zich gewijd had, als de voornaamste belanghebbenden bij de zaak, welke hy, op het

1 Zie hiervoor, bl. 358, Aant. 3.

2 JEANNIN, 111 p. 325.

3 jeannin, II p. 505.

^ v. wijn, Nalees. I, bl. 320. Toen verklaarde oldenbarnevelt , dat hij uit zijne Excell. zelve
zijne genegenheid tot aanvaarding der
Hooge Overigheid niet had kunnen vernemen.

5 jeannin, III, ρ. 206.

6 UYTENBOGAERT, Kerk. Hist. bl. 521.

7 cABLETOii, LcU. Mém. et Négociat., III, p. 7,

ocr page 234

DES VADERLANDS. ^ 373

voetspoor zijns vaders, met hart en ziel was toegedaan. Hij was evenmin geneigd iels 1609.
tegen of slechts builen den uilgedruklen wil der Staten te ondernemen, als hg in staat
zou geweest zijn om eigen grootheid in slrijd met het belang des Lands te bejagen.
De vijand had hem een millioen gouds en verscheidene Heerlijkheden in
Duitschland
toegezegd, zoo hij zich derwaarts begeven wilde; de Aartshertogen hadden hem grooter
gezag dan hij ooit gehad had, ja zelfs niet onduidelijk de souvereinileit over een uit
de Noordelijke en de Zuidelijke Provinciën zamengesleld
Nederland aangeboden ^,
indien hij of voor het belang des vijands wijken, of tot 's vijands belang loetreden
wilde; de Koning van
Frankrijk had hem eene jaarwedde aangeboden ^^ eene
gunst, wier genot zich met zyne trouw aan de Vereenigde Gewesten uitmuntend
scheen te kunnen verdragen. Maar dit alles had hy standvastig geweigerd. Zijne
grootheid wilde hij aan niemand anders dan aan de Slalen te danken hebben. Toen
zij hem ruimschoots schadeloos gesteld hadden voor hetgeen hy bij het slaken van
den oorlog stond te verliezen, had hij hun dank gezegd, zoo als de man dit doel,
die in eerlijkheid van bedoelingen niet beneden de weldaad blijven wil In
ma.u-
RiTS gemoed was er geen zweem van Iwyfel aan de vrijmagt der Staten; hy was
jegens hen en hun regt met ongeveinsd ontzag vervuld, en hoe zou hij dan strijdig
met hunne inzigten en bedoehngen hebben kunnen handelen, waar hij vertrouwen
moest, dat zij het belang van hunne Republiek evenzeer begrepen als beoogden; kort-
om , hoe zou hij hebben kunnen aandringen of hebben willen teweegbrengen, dat het
voorstel der Fransche Gezanten lot verandering van den regeringsvorm lot uitvoe-
ring kwam?

Zoo is er dan hoegenaamd geen grond van verwondering, dat de onderhandelingen DeImndolover
over het hervormen der regering eerst lot aan het einde des jaars verschoven werden 7en°^regc-
en daarna allengskens in het vergeetboek geraakten. 8p"fngr^

Maar slaagden de Fransche gezanten niet in hun streven om den Prins het opperge-
zag te bezorgen, eene andere zaak bragten zij gelukkig lot stand, die, hoezeer het
bijzondere belang van den Prins rakende, niettemin mede zyn openbaar karakter en
de belangen van den Slaat van vrij nabij belrof. Het was, namelijk, vooral door hun
toedoen, dat lusschen de drie broeders, zonen van Prins
Willem I, een Verdrag van

' jEANNin, I, p. 185, 186. Zie ook,Verbaal der ambassade van 1598 naar Engeland, op het
Rijkearcliicf, aangehaald door Dr.
b. fruin, t. a. pl., bl. 113. Hier betuigen de Staten aan euzabeth ,
dat de -vijand niets onbeproefd laat om hen te verdeelen, »faisant aussy soubz main beaucoup
d'offres ä Μ. Ie Prince Maurice et la Maison de Nassau."

2 OüVRÉ, t. a. pl., p. 184. jeakkw, 1, p, 74.

3 Zie hiervoor, bl. 338.

III DEEL. 2 Stük. * 46

ocr page 235

ALGEMEENE GESCHIEDENIS

a

1609. verdeeling van huns vaders erfenis gelroffen werd i. Reeds in November 1608 was
verdeellng^de/er^
WILLEM, Priüs Van Oranje^ MAURiTS oudste broeder, ter zake dier verdeeling in
fenis van wil- den Haag gekomen Zijne tegenwoordigheid aldaar was wel geschikt om eenige bezorgd-

x^sm xt

heid te wekken. Hij, de oudste zoon van den Prins, die meende te kunnen beweren, dat,
zoo hij al niet krachtens het fideicommies, vervat in het testament van
rené de chalons ,
Fiups WIL-gedagteekend van 1544, op de geheele nalatenschap aanspraak maken mögt, hij toch

LEMS betrekking

tegenover mau-boven de broeders veel vooruit moest hebben, zoo wegens zijn eerstgeboorteregt en de
pubhek! ° coslimcn der plaatsen, waarin de goederen gelegen waren, als wegens het huwelijks-
contract van zyne moeder
 vaw egmont Tegenover zulke eischen moest hel
aanzien van
maurits, die zich slechts op regten, uit het huwelykscontract van zyne
moeder
anna van sakseit afgeleid, beroepen kon in de oogen van hen, die niet
ongevoelig waren voor uitwendigen glans, eenigzins in de schaduw treden. Maar wat
nog belangrijker was, de katholijke Godsdienst, door den Prins van
Oranje beleden, en
de vriendschappelijke voet, op welken hij steeds met
Spanje verkeerde, moesten op
hem de oogen doen slaan van al de Roomschgezinden in den lande en van zoo menig-
een , die, zonder katholijk te zijn, in zijn hart wars was van de nieuwigheid van de
regering der burgerheeren. Nu moge het waar
zyn, dat filips Willem zachtzinnig
van aard en edel van harle was niets is natuurlijker, dan dat zijne tegenwoordig-
heid MAURITS eenigermate prikkelbaar maakte. Zoo hoog rees dikwijls de oneenigheid
tusschen de beide broeders, dat
jeaknin aan den Koning van Frankrijk schryft 6, dat
deze twisten eene aanleiding zouden kunnen worden om partijschappen in den Staat te
doen ontslaan, daar er waren, die den oudsten zouden begunstigen, in weerwil van de
verdiensten des jongeren broeders Hier heeft JEANwm voorzeker de stappen op het
oog, waartoe
maurits zich uit argwaan jegens zijnen broeder liet verleiden: beseffende,
dat der ingezetenen blykbare afkeer van het Katholicisme het best geschikt was om
zijnen broeder te doen begrijpen, dat hij hier te lande geene kans op fortuin had,
beijverde
maurits zich om de verbittering tegen de Roomschgezinden den vrijen teugel

i?

1 Men vindt dit verdrag in jeaknin, Négoc. IV, p. 173—181.

2 JEAHN1N, 111, p. 108.

3 jeannin, IV, p. 174.

^ jeaskin, t. a. pl. I

5 Zie van λυυκ op Wagemar, VllI, M. 89, 90, en X, bl. 2 en volgg. en omlrent filips
willems
houding bij den slag van Nieuwpoort, avagenaar, IX bl. 85.

6 8 Mei, 1609.

' jeannin, IV, p. 97.

562

ocr page 236

DES VADERLANDS. 379

te laten, en sloot hij zich aan de predikanten aan en zocht hunne Triendschap lß09.

Hiernaar kunnen wij eenigzins afmeten, hoe zeer maubits zijns broeders mogelijkén
invloed meende te moeten duchten. Hoe het zij, wanneer wij overwegen, dat, nadat
alles gestrekt had om
filips Willem in de schaduw te stellen, en maurits , daarentegen,
in een glansrijk licht te plaatsen, de persoon van den eersten nog zoo gewigtig gere-
kend kon worden, dan kunnen wij de opmerking niet onderdrukken, dat
Spanje door
de ontvoering van
Willems oudsten zoon de ontwikkeling Tan der Regenten staatkunde
eerst mogelyk gemaakt heeft. Gesteld,
filips willem had de partij des opstands en der
Hervorming omhelsd en zich aan het hoofd der Gewesten geplaatst, dan zou hij, de
eerstgeboren erfgenaam van zulk een groolen naam, meester van zoo vele souvereine
Heerlijkheden, eenen slaat hebben gevoerd, die het den Staten onmogelijk zou gemaakt
hebben, zich op eene wyze te lateia gelden, als zij dit tegenover den jongeren broeder,
wiens staat tot dus verre eenigzins onzeker gebleven was vermogten. Uit zulke
blijken, dat de vijand zelve onwillens en onwetens de vestiging der Republiek zoo en
niet anders dan zy werkelyk bestaan heeft, in de hand heeft gewerkt, laat zich, zoo
het noodig was, het sprekendst bewys afleiden, dat de Voorzienigheid deze en geene
andere uitkomst geveild heeft.

Inderdaad het was hoog lijd, dat wat er tusschen de broeders uitstaande was, be-
hoorlijk werd geregeld. Dit nu geschiedde werkelijk bij het gemelde Verdrag van verdee-
ling, hetwelk, na rijp beraad tusschen der broederen raadgevers in dezen: Graaf
willem
lodewijk, walraven van brederode
en johan van oldenbarnevelt, en ouder be-
middeling van de Fransche en de Eogelsche Gezanten, den 27"®° Junij 1609 lot stand
kwam.
Filips willem verkreeg tot ziin aandeel het Prinsdom Oranje, de goederen, Inhoud van

J > b > yerjrag vm

gelegen in Dauphiné en in het graafschap van Bourgogne, het burggraafschap van vcrdeeliug.
ßesancon, de baronniën en heerlijkheden van Breda, Steenbergen, Grimbergen, Biest
en Sichern, het burggraafschap van Antwerpen, de heerlijkheden van Herstal, Ruthen,
Zeelhem
en Warneton en al de goederen in Brabant en Vlaanderen gelegen; voorts
het vruchtgebruik, zijn leven lang, van het graafschap HaHc/e» en van de heerlijkheden
St. Vith, Bütgenbach, Basburg en al de andere goederen in hel land van Luxemburg,
die aan Prins maurits in eigendom werden toegewezen; eindelyk, een derde gedeelte van
de driehonderdduizend gulden, door de Aartshertogen aan de Heeren Stalen ten behoeve
der drie broeders toegezegd, uit welk derde gedeelte hij gehouden zou zijn, zijne oudste

' JEANNIN, IV, p. 144.

2 Prins MAURITS gevoelde dit zelve zoo zeer, dat hij er omstreeks 1600 op bedacht is geweest,
hetzij zich ten koste des vijands door eigene middelen souvereine Heerlijkheden te verschaffen,
hetzij koopman te worden met een rijk monopohe. Immers polste hij deswegens de Staten. Zie
hiervoor, bl. 164 en ald. aanteek. 1.

48*

ocr page 237

564 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. zusier, de Gravin van IJohenlo, te voldoen. — Prins ma.ukits verkreeg tot zijn aandeel
het mark graafschap van
Veere en Vlissingen, de heerlijkheden van Domburg met de
andere goederen op
Walcheren gelegen; de heerlijkheid van Niervaart, de heerlijkheid
en stad
Grave met het Land van Kuik, de heerlijkheid van de Lek en Polanen, met den
eigendom Tan het graafschap
Yianden en de andere goederen in Luxemburg, waarvan
de Prins van
Oranje het vruchtgebruik had, dat na diens dood ook aan Prins matjkits
of zijne erfgenamen zou komen; voorts het regt op de baronnie en heerlijkheid van
Lingen en Kloppenburg; eindelyk, een derde van de door de Aartshertogen aan de
Slalen toegezegde som, uit welk derde hij gehouden zou zijn aan Mevrouw de Prinses
van
Portugal ^ eene jaarlijksche rente te verstrekken van tweeduizend gulden, en eene
even groote jaarlijksche rente aan Graaf
'willem lodewijk uit hoofde van wijlen zijne
echtgenoot
akwa van Nassau: waartegen de gansche nalatenschap dezer laatste aan Prins
maurits en aan de Prinses van Portugal vervallen zou. — Prins frederik Hendrik
verkreeg tot zijn aandeel de heerlijkheid en stad Geertruidenberg, de heerlijkheden
hooge en lage Zwaluwe, Drummeien, Waspik, Slanthase, Almonde, Dubbelmonde en
Τ winti gho even, met de visscherijen bg Geertruidenberg, mits daaruit voldaan werd
het
douarie van zijne moeder, de Prinsesse-weduwe van Oranje; eindelijk erlangde Prins
frederik hendrik ecu dcrde der som, door de Aartshertogen aan de Staten toegezegd. —
Ten gevolge van deze schikking zouden alle acties, die de broeders tegen elkander
hebben mogten, komen te vervallen, en zoo de Prins van
Oratije wederregtelijke be-
zitters van eenige zijner goederen langs den weg van regte tot afstand dwong, en deze
voormalige bezitters de schade op eenen zyner broeders mogten willen verhalen, zou
de Prins van
Oranje voor hen optreden en hen van alle schade Trijwaren. — Behalve
nog andere bepalingen, die strekken moesten om alle vriendschapsbreuk tusschen de
broeders voortaan te verhoeden, werd ter gemoetkoming van Prins
frederik Hendrik
door FiLiPS WILLEM CU MAURITS de verbindtenis aangegaan om de nog onbetaalde schulden
van den boedel huns Vaders, lot eene som van honderdvijftigduizend gulden toe, indien
zij zoo veel beloopen mogten, te voldoen; hetgeen zy echter meer beliepen, zouden
de drie broeders, ieder voor een derde, betalen. Schulden evenwel, ter oorzake van den
oorlog aangegaan, zouden de broeders gezamenlijk de Heeren Stalen verzoeken ten hunnen
laste te willen nemen. — De Prinses van
Portugal werd verzocht zich te willen ver-

1 emilia, doclifcr A'^an irins willem 1, die in 1597 zeer tegen den zin van maurits gehuwd was
met l)ou
emakuel, Prins van Portugal, zoon van den verdreven Koning Don aktokio (zie wagenaar,
Vlll, 488—490). Maubits Averd, door bemiddeling van filips avillem den 30 November 1608, met
haar en haren echtgenoot verzoend (zie
van meteren, X, hl. 93). Don emanüel is de stichter van
het Icasteel te
Wichen, waar hij eenigen tijd gewoond heeft. Hij werd door filips willem een lijd
lang met het bestuur van het Prinsdom
Oranje belast. Zie v. Λνυκ, op Wagenaar, X, bl. 11.

\

\

ocr page 238

DES VADERLANDS. ^ 377

genoegen met de rente van drieduizend vijfhonderd gulden, te lossen tegen den penning i609.
twintig, haar door de Heeren Slaten ten laste der broeders toegelegd, en de Prinsessen,
gesproten uit 's Prinsen huwelijk met
charlotte de bourbon, met eene jaarlijksche
rente van zesduizend gulden, insgelijks te lossen tegen den penning twintig, die de
Heeren Stalen goedgevonden hebben haar te schenken, met toevoeging van de landerijen
iü het hertogdom
Bourgogne^ welke men aan de gezegde Prinsessen overlaat. — Ein-
delijk verklaarden
filips Willem en Hendrik aan den voet van dit Verdrag, dat maurits
daarin slechts bewilligde op voorwaarde dat de Slaten hem en zijne erfgenamen, vóór
het einde van October eerstkomende, de jaarlijksche rente van vijf en twintigduizend
gulden vereeren zouden, die hem in verband met het thans getroffen Verdrag van ver-
deeling was toegezegd.

Waren alzoo de bijzondere belangen der drie vorstelijke broeders geregeld, er bleef Bezwaren, die
na het Bestand zoo voor bijzondere personen als voor den Slaat nog menig bezwaar uit votdug'van het
den weg te ruimen. Want, zoo als het gaat, de uitvoering van hetgeen bij het Be-voorde'
stand bepaald was, stuitte op velerlei raoeyelijkheden. Volgens het Artikel van
het Bestand zouden zij , wier goederen gedurende den oorlog aangeslagen of verbeurd
verklaard waren, gedurende het Bestand, op eigen gezag en zonder de Justitie in den
arm te behoeven te nemen, weder in het bezit dier goederen treden Maar het Iaat

1 Ziehier het 13·^" Arlikel: »Ceux desquels les biens ont estc saisis et confisquez a l'occasion
de la guerre ou leurs hcritiers et ayans cause, jouïront d'iccux biens durant Ia trèvc, et en
prendront la possession de leur autliorilc prive'e, et en vertu du present traité, sans qu'il soit
besoin d'avoir rccoujs ä Justice," etc. Dit Artikel zou in strijd zijn met Art. 24 van het Bestand,
indien
Wagenaars opvatting van dit laatstgenoemde Arlikel de ware was. Bij wacenaaii toch (IX, 439)
vinden wij dit aldus omschreven: » De Avederzijdsche OiTiciers en Wethouders in de Steden en sterke
Plaatsen zouden gemagligd worden om den eigenaren 't bezit hunner goederen gedurende't Bestand,
te bezorgen." Zoo zouden dan weder de eigenaars hunne goederen
niet op eigen gezag en zonder
tusschenkomst der Justitie ίη bezit nemen, maar door de zorg der Ovcrlieid. Doch wat lezen wij
in het 24° artikel: » Les dits Sieurs Archiducs et Estats cömmettront chacun en ce qui leur touche,
des OiEcïers et Magistrats pour Tadministration de Ia Justice et Police, ès villes et places fortes,
lesquelles par Ie present traité doivent estrc restituées aux propriétaires pour en jouïr durant Ia
trève." Hier wordt volstrekt niet gesproken van ambtenaren belast met de teruggave van ver-
beurdverklaarde goederen aan de eigenaars, maar er Avordt gewaagd van steden en sterkten, die
aan hare souvereine Heeren zullen teruggegeven moeten worden, en verordend, dat in al zulke
plaatsen, niet door die souvereine Heeren, maar voor zoo verre zij op het grondgebied der Aarts-
hertogen gelegen waren, door de Aartshertogen, en voor zoo verre zij op het grondgebied der
Staten gelegen waren, door de Staten, ambtenaren zouden worden aangesteld ter bediening van
de Justitie en ter handhaving der Policie. Aldus opgevat is dit Artikel niet in strijd met Arti-
kel
1$, maar ten behoeve der Landsoverheid (der Aartshertogen aan de eene zijde, en der Staten

ocr page 239

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. zich denken, dat alle bezitters niet even gemakkelijk van die goederen scheidden: ook
diende de overgave in behoorlijken vorm en in vele gevallen door gemagtigden te ge-
schieden; welk een en ander niet zoo ten eersten tot stand kwam Κ En dit was nog
slechts eene van de vele zwarigheden. Er bestond dus reden genoeg om Tan wederzijde

Gemagtigden Gemagtigden te benoemen, ten einde een nader Verdrag ter opheffing der moeiieliikhe-
benoemd tot het Â° ®

treffen van eenden te treffen. De Gemagtigden van wege de Aartshertogen, den 19·^®° September
naar
Holland gezonden, waren Balthasar de robiano, Schatbewaarder der Aartsherto-
gen,
lodewijk terreygken en johan baptista maes, Raad en Advokaat Fiskaal in
den Raad van
Brabant·, van wege de Staten werden benoemd: Hendrik vait brieneit
d'alste,
Heer van Sinderen; oldekbarnevelt; de malderée; justus van rijsekburg,
Burgemeester van Utrecht', tinco van oenama, Grietman van Schoolerland; ersst van
ittersum,
Drossaard van Twente, en abel coenders van helpen 2. Xoen de Gemagtig-
den der Aartshertogen hunne volmagt vertoonden, bleek het, dat zich de Aartshertog
daarin nog noemde
Hertog van Gelre, Graaf van Zutphen, Holland en Zeeland, en
Heer van Utrecht, Friesland, Overijssel en Groningen.
Hiermede namen de Staten
geen genoegen; op zulk eene volmagt wilden zij niet onderhandelen: het was, verklaar-
den zy, strijdig met het Bestand, dat de Aartshertog de titels behield van Landen, van welke
afstand gedaan was. De Gemagtigden trachtten zich te verontschuldigen met te beweren
dat hier geen erg in stak: immers voerde de Koning van
Engeland nog altijd den titel
van Koning van
Frankrijk, en die van Spanje noemde zich nog steeds Koning van
Jeruzalem. Hierdoor lieten de Staten zich echter van hunnen eisch niet afbrengen.
Men moest om eene andere vdmagt zenden, en eerst toen deze ingekomen was, be-
gonnen de onderhandelingen die na vele vergaderingen tot een nader Verdrag leid-

nader Verdrag.

aan den anderen kant) ontneemt het aan de Heeren der Plaatsen een souverein regt. Bij deze
magtsaanmatiging beriepen zich de Staten op een soort van veroveringsregt. Zij bescliouwden
zulke Heerlijkheden als door den oorlog voor hare Heeren verloren. Daar zij, de Staten, den oorlog
gevoerd en bekostigd hadden, Avaren zij door de overwinning in het bezit dier Heerlijkheden ge-
komen, en gaven ze nu slechts op zekere voorwaarden aan de regtliebhendcn weder uit, — De
drie broeders, zonen van Prins
avillem I, zien Avij der Staten regt ingcAvikkeld erkennen, waar
zij in het Verdrag der verdeeling der erfenis huns vaders (zie hiervoor bl. 364) de Staten aanspra-
kelijk stellen voor de op hunne goederen drukkende schulden, ter oorzake van den oorlog gemaakt,
en, onder anderen, waar wij straks van de betrekking van den Prins
\an Oranje tot zijne baronnie
Breda moeten spreken, zullen wij de Regering zulk een beginsel in toepassing zien brengen.

1 VAN METEREN, X, bl. 127.

2 VAN METEREN, X, bl. 227.

3 VAN METEREN, X, bl. 220.

ocr page 240

DES VADERLANDS. ^ 567

den, den 7·^®" Januarij 1610 gesloten, en, na ingekomen agreatie der Aarlsherlogeniggg,
den 29"®" in de vergadering der Slaten-Generaal insgelyks bekrachtigd Dit nader Het nader Ver-

. drag komt tot

Verdrag, in 21 Artikelen vervat, liet evemvel nog gewigtige geschillen onbeslist, stand,
omtrent welke men het ook na herhaalde reizen van de Gemagtigden der Aarts-
hertogen over en voeder naar
Brussel^ niet eens had kunnen worden 2, Ook bevallen
de Acten en Resolutiën der Staten-Generaal ^ eene reeks van in de vergadering van
13 Januarij 1610 (dus na het sluiten van het nader Verdrag) opgemaakte punten,
waarin de Slaten-Generaal verstonden, dat door hunne Hoogheden de Aartshertogen niet
aan het Bestand was voldaan, en deze punten werden den 27^'®·* April door het plegtig
Gezantschap, dat zich toen te
Parijs bevond, aan den Koning van Frankrijk medege-
deeld Κ Tot opheiling evenwel der zoo even vermelde moeijelijkheden, die zich by
de overgave van verbeurdverklaarde goederen aan de eigenaars opdeden, werd thans bij
Artikel 15 bepaald, dat, »zoo de ontruiming dier goederen op eenige Plaatsen moei-
jelijk werd gemaakt, de Regler van die Plaatsen de wedergave
dadelijk ten uitvoer zou
doen brengen."

Onder de bezwaren, waaromtrent de Staten aan de wederpartij geene voldoening had- Die van Ant-
den willen geven, behoorde dat der Antwerpenaren, welke de zee tot hunne stad toe de^'^r^e "aaH ^^^
geopend wenschten te zien. Hiertegen eischten die van
Zeeland, dat alle schepen, uit ^^ ^o^elde.
zee komende of naar zee vertrekkende, in hunne havens zouden lossen en de waren
op andere bodems zouden worden overgeladen, en hun bovendien een verlofgeld voor
het opvaren der
Schelde betaald zou worden Zoo trachtten de Zeeuwen het gevaar
van
Antwerpens vernieuwden bloei af te weren, hetwelk hen altijd zoo zeer tegen
het sluiten van een vergelijk met den vijand gestemd had 6, en de Hollandsche koop-
lieden, die hetzelfde belang hadden, ondersteunden hen in hunnen eisch. Op een
regt, meenden de onzen, konden de Antwerpenaren zich niet beroepen, want wat de
Zeeuwen vorderden, was een in den oorlog verkregen regt, en Artikel 5 van het Be-
stand handhaafde de partijen bij het genot van hetgeen elk op het oogenblik bezat.
Voorts trof de eisch alle schepen zonder onderscheid, en Artikel 6 bedong slechts,
dat van de wederzijdsche ingezetenen in elkanders landen geene hoogere regten of las-

1 VAN METEREN, bl. 237. Actcn ende Rcsol. der Stat. Gen., in handschr. op het fiijksarchief.

2 VAN IIETEHEN, X, bl. 227. Het nader Verdrag vindt men bij dezen Schrijver, bl 228—232.
^ Op het Rijksarchief.

^ VAN METEREN, X, bl. 336—338.

5 VAN METEREN, X, bl. 127, 227.

6 Zie hiervoor, bl. 267 , 326.

ocr page 241

568 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1g09, ten zouden gevorderd worden, dan van de onderdanen en minst bezwaarde vrienden en
bondgenoolen. Ten overvloede had Artikel 9 van hetzelfde Bestand het geval voorzien,
dat de van koopwaren geheven lasten te hoog gevonden werden, en ware het al, dat
men hel deswegens niet eens kon worden , zoo zou dit geene reden zijn om het Ver-
drag verbroken te achten. Niettemin valt het niet te ontkennen, dat de opheffing van
eeneo dwang, die uit den staat van vijandschap was voortgevloeid, nu aan die vijand-
schap, al was het ook slechls voor eenen bepaalden tijd, een einde was gekomen,
eene edelmoedige daad zou geweest zgn. Geheel was de mededinging toch niet af te
snijden. Wat Antwerpen van den vryen zeehandel onthouden werd, viel, in zekere
mate ten minste,
Duinkerken ten deel Hoe het zij, de bekrompenheid van den
Zeeuwschen en den Hollandschen koopmansgeest vond voorzeker een geheime bondgenoot
in de Regering der zuidelyke
Nederlanden zelve, die duchten moest, dat, werd de
poort van
Antwerpens welvaart weder wijd open gezet, het indringen der kelterij
moeijelijk op den duur zou te weren zyn. Liever bleef men, zoo als wij straks zien
zullen, het volk vrijheid van godsdienst onthouden, en verbieden »te
Bergen op Zoom
of te Lillo of in de omliggende dorpen de hervormde predikingen te gaan hooren"
Aauspraak der Een ander gewigtig punt, dat de Stalen bleven weigeren aan de Aarlsherlogen loe
ßomuige^^pens^ geven, was de door dezen gevorderde afstand van de hoogheid van verscheidene plaat-
yiaatsen. ggjj j-jj Staatsvlaauderen, Brabant, Gelderland en Overijssel. Deze plaatsen waren:
Cadsand en Oosiburg, beide in Staalsvlaanderen en in 1604 door Prins maurits ver-
overd
Wouw of Woude, bij Bergen op Zoom, met een kasteel, dat in 16015 door
ma.urits veroverd ^ en aan zynen neef herman van den berg geschonken was; Oosler-
hout
en Dongen, beide in de baronnie van Breda; het land van Kuik; de heerlykhe-
den van het Rijk van
Nijmegen, en van Twente Tegen den toeleg der Aarlsherlo-
gen om het land van
Kuik onder hun gebied te betrekken, gold, wat de Staten-Ge-
raal ook in October 1609 bij openbaren plakkale ^ verklaarden, dat dit Land met de
stad
Grave altijd ééne Heerlijkheid had uitgemaakt: inderdaad waren Grave en het Land
van
Kuik slechts in naam onderscheiden, in zooverre de Heer den titel van Heer van het
Land van
Kuik uitdrukkelijk bij dien van Heer van Grave voegde: voor het overige

I VAN METEREN, X, bl. 423.
- VAN METEREN, t. a. p.

^ Zie hiervoor, bl. 200, enz.
^ Zie hiervoor,
bl. 212.

5 VAN METEREN, X, bl. 227-

6 Groot Plakaathoek, II Deel, Kol. 1169.

\

\

ocr page 242

DES VADERLANDS. ^ 569

waren Grave en de dorpen van het Land van Kuik ééne Heerlijkheid en ééne Gemeente. 1C09·
In 1602 hadden de Aartshertogen zeiven bij opene Brieven verklaard, dat de iiigezete-
nen van het Land van
Kuik aan het reglsgebied der stad Grave onderworpen waren.
Was deze stad in 1602 door der Staten wapenen veroverd, zij achtten zich sedert Sou-
vereinen en Leenheeren, zoo van de stad, als van de daarbij behoorende heerlijkheid
van
Kuik, en bevalen, bij het gemelde plakaat, aan de ingezetenen van het Land van
Kuik niemands hooge overheid te erkennen, dan de hunne. Van hetzelfde door verove-
ring verkregen souvereiniteitsregt maakten de Staten gebruik in het jaar 1611, ten
verzoeke van Prins
matjaits, Heer van Grave en Kuik, toen zij het regt van lossing
of vrijkooping dezer heerlijkheid vernietigden, en ze in een goed, oud en onversterfelijk
erfleen ten behoeve van Prins
maurits veranderden i. — Aangaande Twente werd den
248fon jyjjjj igio het geschil in dezer voege bijgelegd, dat de Aartshertogen dit Drost-
ambt aan de Staten-Generaal en aan het landschap van
Overijssel lieten, op voorwaarde
dat ten aanzien der Godsdienst alle zaken aldaar in denzelfden staat zouden blijven,
zoo als zij geweest waren tijdens het sluiten van het Bestand, en dal de stad
Oldenzaal
en het kasteel van hingen met al wat er toe behoorde, gedurende het Bestand, aan de
Aartshertogen zouden blijven

Wij zagen zoo even, hoe de Regering der zuidelijke Nederlanden het volk van Ant- Verkeer tua-
werpen belette over de grenzen te gaan, om de predikatiën der gereformeerde leeraren tL™ der'Se-
te hooren. Met zulke belemmeringen kwelden de Staten der Vereenigde Gewesten
hunne Roomschgezinde ingezetenen niet. Integendeel, naauwelijks was de oorlog gestaakt,
of onbelemmerd zonden de Roomschgezinden hunne kinderen in grooten getale naar
Brahand om het Bisschoppelijk vormsel te erlangen en hunne oogen aan de kerkpracht
te verklaren. Doch niet alleen Roomschgezinden maakten van den vrijen toegang tot
de zuidelyke Gewesten gebruik, ook Hervormden, zelfs Leeraars en Krijgsbevelhebbers
begaven zich uit
Holland en Zeeland derwaarts om oude bekenden en betrekkingen te
bezoeken ^ant hoe menigeen, uit
Brahand, Vlaanderen en de Waalsche Landen
afkomstig, Avas ten gevolge der staatkundige en godsdienstige verdeeldheid herwaarts
gekomen, zonder dat daarom alle banden ten eenenmale verscheurd waren. Men kan
denken, hoe zij daar over het algemeen zullen ontvangen zijn: bij zulke gelegenheden
toch spreekt het hart te luider, naar mate zijne stem langer door redetwisten en krijgs-

^ Resol. V. Holl. 5 Mei, 1611, L·!. 364. Op het regt van lossing zouden de erven vanpiLiPsIl
aanspraak hebben kunnen maken, aangezien
Prins Willem van Oranje deze heerlijkheid ten jare
1559 van dien Vorst voor de som van f 60,000 gulden in pandschap bekomen had.

2 Resol v. Holl. 1610, bl. 15, 16.

^ van metehen, X, bl. 128.

UI Deel. 2 Stuk. 47

ocr page 243

570 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. rumoer is verdoofd geweest. Werkelijk werden zij, zegt van meterew allen wel be-
handeld: zelfs voert deze geschiedschrijver het voorbeeld aan van den Ridmeester
iode-
wijk tah b.ijhove
uit Gentf die aldaar, hoezeer zijn naam in de geschiedenis dezer
slad zulk eene befaamdheid verkregen had, van stadswege »met der Hoeren wijn
werd beschonken." Ja, zoo levendig werd weldra het verkeer tusschen de ingeze-
tenen der zuidelijke
Nederlanden en de derwaarts overkomende Noord-Nederlanders;
zoo vurig waren de laalsten in het verspreiden hunner denkbeelden, zoo gretig of
geduldig voor het minst de eersten om hunne vertoogen aan te hooren, dal de Re-
gering hieruit groot gevaar voor de Roomsch-Katholyke godsdienst vreesde. Den
Plakaat der December dezes jaars (1609) vaardigden de Aartshertogen een plakaat uit van

dezen inhoud: »Overeenkomstig het Bestand hadden zij aan de ingezetenen der Ver-
eenigde Gewesten vryen handel in hunne Landen toegestaan, mits zij zich alhier
slil en vreedzaam met hunne
andere 2 onderdanen gedroegen, zonder door daden of
woorden tegen het Heihge, Katholijke, Apostolische, Roomsche geloof eenige ergernis
te geven. Niettemin was men sedert eenigen tijd gewaar geworden, dat sommige
oproerige geesten, zoo door predikingen als door onbehoorlijke vergaderingen bij nacht,
en anderzins door ergerlyke daden en woorden, hunne onderdanen trachllen tot nieu-
wigheden te verleiden tegen het Heilige Katholijke Geloof. Diensvolgens verboden
zij aan een iegelijk, zoo wonende als komende in hunne Landen, in het openbaar of
in verborgen vergaderingen, eenige legen de Roomsche godsdienst strydige leer te pre-
diken, te lezen of te verspreiden. Voorts verboden zij hunnen onderdanen op lyfstraf
en eeuwigen ban zich naar zulke predikingen of verboden vergaderingen, zoo binnen
als builen de grenzen, te begeven. Dezulken die van buiten in hunne Landen kwamen,
moesten zich, gedurende den tijd van hun verblijf, stil gedragen, zich van twisten over
Staat en godsdienst, en van het zingen van kerkelijk niet toegelalen Psalmen ont-
houden. Wel zouden zy niet gedwongen worden ter kerk te gaan, doch kwamen zy
in de kerken, zoo waren zij gehouden, zich daarin eerbiedig te gedragen. Denzelfden
eerbied hadden zy op straat te betoonen, zoo zy het Heilige Bondzegel des Altaars of
eene Processie ontmoeteden, indien zy ten minste niet ter zijde of uit den weg weken.
In het algemeen behoorden allen, die, hetzij uit de Vereenigde Gewesten hetzij uit
andere Rijken en onzijdige Landen overkwamen, op der Aartshertogen gebied Roomsch
te leven: beroemden zij zich openlijk eene andere dan de Roomsche godsdienst te be-
lijden , zoo zouden zy als overtreders van het Bestand en als verstoorders der openbare

' t. a. p.

2 Men merke dit woord andere op, alsof de ingezetenen der Vereen. Gewesten ook nog hunne
onderdanen waren.

Aartshertogen.

- --n·,u, — .inijijfji. ■ »1 i,jii.i, nu i·.;«;« 11 1, 1

ocr page 244

DES VADERLANDS. 379

rust aan den lijve gestraft worden ï." — Uit dit stuk blgkt beter dan uit iels anders, 1609.
hoe zich bepaaldelijk de Gereformeerde godsdienstleeraars bij het bezoeken der zuide-
lijke Provinciën gedragen hadden. — Het plakaat werd, eene maand later, gevolgd door
Bevelschrift te-
gen de versprei-
de uitvaardiging eens bevelschrifls van dezelfde strekking door de Raden van Vlaande- ding van ketter-

ren tegen de verspreiding van gevaarlijke geschriften, een maatregel, waaruit blijkt, ö^schriften,
dat er hier te lande personen gevonden werden, die boekjes, verhalen en liedjes, met
eene voor de Roomsche godsdienst en de gehoorzaamheid aan de wereldlyke Overheid
gevaarlijke strekking, in grooten getale lieten maken, drukken en langs bedekte wegen,
bg voorbeeld in tonnen gepakt, in de zuidelijke gewesten invoeren en aldaar in de sle-
den en ten platten lande verspreiden. Wie voorlaan zulke geschriften invoerde of ont-
ving, zou in het openbaar gegeeseld worden, voor elk boek tien gulden verbeuren en
bovendien voor altijd verbannen worden, op straf van de galg; ja, wie ze maar vier en
twintig uren onder zich hield, zonder ze aan de Overheid uit te leveren, zou strafbaar
wezen Wanneer de handel, uit vrees voor den geheimen invoer van kettersche boe-
ken, aan een onderzoek werd onderworpen, hoedanig in het bedoelde bevelschrift wordt
voorgeschreven, dan laat het zich begrijpen, hoe het kwam, dat de Regering niet
krachtiger voor de opheffing der belemmeringen pleitte, die de Zeeuwen der vrije vaart
op
de Schelde in den weg legden.

Door al zulke maatregelen intusschen werd de band, dien de bevolkingen van we- Verwijdering

® ' Â° tusschen Noord-

derzijde zoo gaarne weder zouden hebben toegehaald, al meer en meer verscheurd. De en Zuid-Neder-

1 . landt

verwijdering bleek, als uit een onfeilbaar teeken, uit de omstandigheid, dat zij die vaste

goederen op der buren grondgebied bezaten, zich daarvan zochten te ontdoen: immers

zoo doende bleken ze aan hereeniging te wanhopen. Dagelyks zag men vele Heeren

en Edelen uit de zuidelijke Nederlanden^ onder anderen de Heeren van Aremberg, hunne

goederen in de Vereenigde Gewesten gelegen te gelde maken. Opmerkelijk was het

hierbij, dat de goederen der Belgische Heeren, in onze Landen gelegen, duur verkocht

werden, terwijl ten onzent woonachtige eigenaars geene goede prijzen voor hunne in

België gelegen gronden konden krijgen. De reden van dit verschijnsel getuigt niet gunstig

voor den in de zuidelijke gewesten beslaanden toestand en den aldaar heerschenden geest :

eensdeels, namelijk, waren er onder de onderdanen der Aartshertogen niet zoo velen bij

magte om goede sommen te bieden; anderdeels hoopte men weldra, wanneer de goederen

der Noord-Nederlanders weder verbeurd verklaard werden, voor spotprijzen in het bezit

daarvan te komen \ Geloofde men zoo weinig aan het voortduren van den vrede, hoe

^ van meteren, X, bL 22j)—223. Vergel. voorts Artikel 7 van het Bestand, en het hiervoor

aangeteckende bl. 34L
2 VAN METEBEN, X, bl. 223—226.
® VAN METEREN, X, bl. 424.

48*

ocr page 245

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. gering moet dan niet de toegenegenheid, hoe groot het wantrouwen geweest zijn! Aan
onze zijde beloonde men zich onbekrompener en trouwhartiger. Geen wonder, want
aan onze zijde was de moed, die dengenen bezielt, wiens vaartuig Yoor wind met den
magtigen stroom des tijds voorwaarts snelt.

Maar kantte men zich in de zuidelijke Nederlanden aldus aan legen de verspreiding
van »het fenijn en de pest" der ketterij; hoe was men ten onzent jegens de Roomsch-
Katholijken gezind?

Bij het Bestand was niets ten aanzien van de Roomsch-Katholijke ingezetenen der
Vereenigde Gewesten bepaald. De gezanten, die met de onderhandelingen uit naam
des Konings van
Spanje en der Aartshertogen belast waren, hadden zeer goed begrepen,

De staat vaadat, zoodra zij de onafhankelijkheid der oproerige Gewesten, al was het ook dubbel-
zaken ia de Re-
publiek ten aaa
zinnig, erkenden, zij tevens het lol der Roomsche godsdienst aan de willekeur der Her-

Ï!

ti'ioUjken/'^ vormde Gezagvoerders overlieten. De Spaansche Regering had zich tot de handhaafster
van het Geloof gemaakt, dus moest zij zich getroosten, dat het Geloof met haar was
overwonnen. Voor eeuwen was aldus de zaak van het Katholicisme door het toedoen
van zijne ijverigste voorstanders zeiven verloren i. Aan de Stalen kon het niet slaan,
de zaak der godsdienst van de staatkunde af te scheiden, en te herstellen wat de ver-
dedigers der Roomsche belgdenis bedorven hadden. Het was nu eenmaal zoo, dat vg-
andschap tegen
Spanje tevens vijandschap was tegen het Katholicisme, en verzoening
met
Spanje terugkeer scheen tot de » afgrijselijke pauselyke superstitiën." Zoo zou vrijheid
van godsdienst aan de Roomschgezinden verleend als eene verloochening voorgekomen zijn
van het beginsel, vanwaar men was uitgegaan. Aan het volk was het met geene mo-
gelykheid aan het verstand te brengen, dat vrije toelating van de openbare eeredienst
der Roomschen geene onverschilligheid, geen verraad jegens de groote zaak zou ge-
weest zijn. In sommige Regenten mögt, als in een
hugo de groot, het begrip zyn op-
gegaan van eene slaatseenheid, eensdeels op het natuurlijk onderscheid der nationaliteit,
anderdeels op algemeene redegronden gevestigd; mannen als
cornelis yan aerssen en

^ Hier kunnen wij ons eenigcrmate op het gevoelen van eenen Paus zelven beroepen. Volgens
sixtus Y moest men den afkeer der Protestanten tegen Rome aan filips II wijten: zij weigerden,
meende hij, zich met de Kerk te verzoenen, minder om godsdienstige bezwaren, dan uit haat
tegen
filips en uit vrees hem zijns vaders plannen eener universeele monarchie te zien verwezen-
lijken (
delprat, Lettres indd. de j. lipse, p. 14). Ook aan de Jezuiten kon de opstand tegen
mips zoo gruwelijk niet voorkomen: hun Generaal
laisez had op de Kerkvergadering van Trente
de leer voorgestaan, dat alle gezag der wereldlijke Regeringen oorspronkelijk bij de gemeente be-
rustte. Z,ij leerden de wetenschappen met eene verbazende onbekrompenheid: dus bleken zij de
Wetenschap als middel tot den triomf van het Katholicisme over alle wereldlijk gezag te willen
gebruiken. Ziedaar dus een ander punt van aanraking ten minste met de geleerden onder de
Protestanten. Deze opmerking echter geldt slechts de staatkunde der Jezuiten tot omstreeks 1590.

ocr page 246

DES VADERLANDS. ^ 573

»OüzA mogten niet aarzelen eenen erkenden kalholijken geleerde, als lipsius, te hul- 1609,
digen en te ondersteunen, in de bewustheid, dat de vrijmaking Tan den menschelijken
geest, door de studie der oude wereld en der schoone klassieke yormen bevorderd,
menschelijker wijze den besten waarborg opleverde voor het behoud of de eindelijke
zege van echte godsdienst en zedelijkheid; — maar hoe zulke denkbeelden algemeenen
ingang te geven? Bovendien, wij hebben reeds boven ^ aangeduid, dat de slaats-
eenheid nog onbereikbaar, dat het zelfstandige staatsburgerschap nog onverwezenlijkbaar
was, dat souvereioiteit en patronaat bij de Stedelijke Regenten berustte, en krachtens
de noodwendigheid des tijds berusten moesten. By zulk eenen slaat van zaken be-
hoorde het opzigt over de gewetens der ingezetenen nog tol de bevoegdheid der Re-
genten: het geweten der onderdanen vrij te laten zou eene daad van gewetenloosheid
bg de Heeren en Meesters geweest en ook als zoodanig opgenomen geworden zijn.
Om al deze redenen konden de Gezagvoerders in de Vereenigde Gewesten de Roomsche
godsdienst niet vrij verklaren.

Maar echter hebben zij naar de omstandigheden ten behoeve der Kalholijken gedaan
wat zij doen konden. Vóór
jeanjsins vertrek naar jPran/injVi (want met het sluiten van hel
Bestand was zijne zending afgeloopen) kweet hij zich van een pligt, hem door ^Ü"®^ gg^inden""'"^'^^'
Koning opgelegd en hem nog onlangs herinnerd. Hy leverde in Junij 1609 ter ver-
gadering der Staten-Generaal een Verloog in ten voordeele van de Roomschgezinden in
de Vereenigde Gewesten. »Tot nog toe," zoo drukte hij zich daarin uit, »had hij het
uitgesteld, hun van wege zynen Koning eene bede te doen ter aanbeveling van de be-
langen der RathoUjken, die in hun land woonden. Dit eerder te doen, was hem on-
geraden voorgekomen, om het getal der moeijelykheden, die het goede werk "des Be-
stands hadden kunnen verhinderen, niet nog te vermeerderen. Thans kon men vrijelijk
ten dezen aanzien beschikken, zonder dat een besluit ten gunste der Kalholijken de
Staten schaden kon of als afgedwongen kon worden aangemerkt. Twee redenen bewogen
den Koning tot dezen slap: ten eersten, zijne verpligling als katholijk Vorst; ten an-
deren, de overtuiging, dat, om de binnenlandsche eendragt te handhaven en aan
ieder, die den Staat kwaad wilde, alle voorwendsel af te snijden, niets noodzakelijker
was, dan zich voortaan van gestrenge maatregelen tegen de Kalholijken te onthouden,
en de uitoefening hunner godsdienst, zoo al niet bij de wet te vergunnen, dan ten
minste bij oogluiking te dulden. Vele waren de gronden, waarop hij deze liefderijke
gezindheid jegens andersdenkende landgenooten aanbeval. Vooreerst mögt men hel
groole getal Kalholijken in aanmerking nemen, alsmede de bereidwilligheid, waarmede
dezen tot het voeren van den oorlog hadden medegewerkt, zonder zich te beklagen

in

^ Hiervoor, hl. 351.

ocr page 247

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

IGOÖ. over het gemis van godsdienslvrgheid, in de bewustheid dat dit voorregt hun alstoen in
het belang Tan de veiligheid des Staats werd onthouden. Was het nu niet billijk, dat
de Katholijken thans in het geluk der vrijheid deelden? Immers ondragelijker dwang
was er niet, dan het gemis van godsdienstvrijheid. Dit hadden de Stalen zeiven
metter daad bewezen, en God had hen en diegenen, welke in
Frankrijk ter zake
der godsdienst waren opgestaan, met eene gelukkige uitkomst bekroond, als het ware,
om Ie bewijzen , dat Ket aan den Heiligen Geest toekomt de ware leer aan de harten
aan te bevelen, en geene menschelyke magt bevoegd is de godsdienst voor te schrij-
ven. Het hing, wel is waar, alleen van God af, de vredelievende gezindheid,
welke het gevolg van de erkenning dier waarheid zijn moest, den Vorsten der Chris-
tenheid, alsmede het Hoofd der Kerk zeiven en den Kerkvoogden in het hart te
geven; maar intusschen beijverde zich de Koning zijne onderdanen elkander in weerwil
van het verschil van godsdienst te leeren verdragen en liefhebben. De toelating der
Protestanten bij de wet en de slipte nakoming der verordeningen ten hunnen behoeve
maakte in zijn Rijk aan het nadeel, dat de godsvrucht geleden had, aan de drei-
gende partijschappen en aan de veeten tusschen de burgers onderling al meer en
raeer een einde. Wat nu ten zynent proefhoudend was bevonden, beval hij onze Staats-
lieden aan, te meer, daar er redenen waren, die zulk eene handelwijze hier te lande
bijzonder raadzaam maakten. Zoo een Vorst geene andere dan de gevestigde godsdienst
toeliet, had hy ten minste het regt voor zich; maar op welk regt zouden de Staten
zich beroepen, zoo zy aan de Katholyken de vrijheid tot uitoefening der vroeger ge-
vestigde godsdienst weigerden en hen aldus in de allerdierbaarste zaak van het genot
der gemeenschappelyk verworven vryheid verstaken? Hoe nadeehg zou voorts die wei-
gering zijn voor de belangen der Protestanten in landen, waar zij de zwakste waren en
de genade der Katholijke Souvereinen inriepen, die, op der Stalen voorbeeld, weder
zouden kunnen vervallen tot den waan, dat het regtmatig en geoorloofd is, de zwakste
partij te dwingen zich naar de godsdienst der sterkste te voegen. Voor de Stalen slak
er geenerlei gevaar in, den Katholijken de verlangde gunst te verleenen; men zou hun-
nen ijver tot handhaving der vrijheid verdubbelen, wanneer men hun vergunde deel
aan het gezag en de bedieningen te hebben, terwijl men de magt had om het hun te
onthouden. Daarentegen, liet men hen misnoegd en wanhopig, had men dan niet te
duchten, dat de vijanden der vrijheid van den nieuwen Staat in hen geheime bondge-
nooten zouden vinden? Er waren er, die beweerden, dat, daar de Staat op de
Gereformeerde godsdienst gebouwd was, de toelating van tweeërlei godsdienst eene ge-
vaarlijke inbreuk zou zijn op de grondwet van den Staat. Maar men moest bedenken,
dat aanvankelijk slechts vrije uitoefening der Gereformeerde Religie nevens die der Ka-
tholijken verlangd was, en dat dezen raede de wapenen opgevat hadden, niet alleen ter
verdediging der gemeenschappelijke privilegiën, maar ook omdat zij het onredelijk acht'

ocr page 248

DES VADERLANDS. ^ 575

len, dat de Gereformeerden geene vrijheid zouden hebben om God op hunne wijze te 16oa.
aanbidden. Bovendien de ervaring had bewezen, dat een Slaat zeer goed beslaan kon,
al werd er tweeërlei godsdienst beleden: ook bg verschil van godsdienstige belydenis
konden de onderdanen de wellen en de Overheid gehoorzamen, op niets anders bedacht,
dan op de handhaving van de waardigheid en de grootheid van den Slaat, waaronder
God hen had doen geboren worden. Neen! de onthouding, niet de vergunning van ge-
lijke vrijheid voor verschillende godsdiensten was een gevaar voor de rust van den Staat. —
En beweerde iemand, dat de Katholijken, door den nood gedrongen, de Gereformeerde
godsdienst zouden omhelzen, het was veel waarschgnlijker, dat zy door den druk te
vuriger aan hun geloof gehecht zouden worden. — Of daar men hun de vrgheid van
geweien Λνεΐ niet zou ontnemen, en hun slechts de uitoefening hunner godsdienst be-
letten kon, zoo slond het Ie vreezen, dal zy, de praktijk der godsdienst ontwennend,
lot goddeloosheid zouden vervallen, en alzoo de Slaat vervuld zou worden met ingeze-
tenen, die zich evenmin om de burgerlijke wet als om Gods geboden zouden bekreu-
nen. Men kon zeggen, dat het den Katholijken vrijstond het land te verlaten en naar
elders Ie gaan, waar zij hunne godsdienstige behoeften bevredigd konden zien. Maar
met welk regt mögt men hen van hun vaderland berooven en van al het geluk, dat
dil woord in zich sluit, daar zij veeleer het loon van den strijd, dan de straf der ver-
banning verdiend hadden? Buitendien was het gemakkelijk het nadeel na te gaan, dat er
uit het verlrek van zoo vele ingezetenen moest voorlvloeijen. — Dit waren de gronden,
die er voor pleitten, aan de Katholyken de vrije en openbare uiloefening hunner gods-
dienst te verleenen. Maar zijne Majesteit wist, dat de Staten geenszins tot deze vergun-
ning geneigd waren, ja, dal hier op aan te dringen eene oorzaak van tweedragt kon wor-
den. Zoo vergenoegde Zij zich dan, de Slalen te smeeken, hun len minste de uitoefe-
ning der godsdienst in hunne huizen toe te slaan, zonder dat men daartegen de vroeger
op dit stuk uitgevaardigde plakaten toepaste. Om hierbij zulke voorzorgen te nemen,
die de groolsle tegenstanders van den maatregel zouden moeien voldoen, zou men kun-
nen verordenen, dat de Geestelijken, die in het land zouden willen wonen, zich voor
de Overheden zouden hebben te stellen in de plaats, waar zij hunne woning zouden
kiezen, om hunnen naam in openbare registers te laten inschrijven, en door goed aan-
geschreven personen te laten verklareii, dat zy brave en vreedzame lieden waren, en
dat zij niets legen de openbare veiligheid en de aan de Overheid verschuldigde gehoor-
zaamheid zouden zeggen noch bedryven, onder veranlwoordelykheid der genoemde ge-
tuigen. — Slond men dit weinige slechts toe, men zou geene schade hoegenaamd on^
dervinden; de Kalholyken zouden er door getroost worden en er eeuwig dankbaar voor
blijven, en Zijne Majesteit zou er den Staten insgelijks dank voor welen en het er voor
houden, dat zij een goede en wijze parlij gekozen hadden. Weigerde men echler de
Katholijken op deze wyze te bevredigen, Zyne Majesteit zou hen evenwel aanmanen

ocr page 249

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. zich geduldig te onderwerpen, en hun χ verklaren, dat zoo zij dit niet deden, Zij hen
veeleer strafwaardig zou achten, dan rekenen, dat zij op Hare gunst en bijstand aan-
spraak hadden i."

Zulk eene taal klonk in den jare 1609 in de vergaderzaal van de Staten-Generaal
der Vereenigde
Nederlanden. Zij raag wel ten bewijze verstrekken, dat het besef
der redelijkheid van eenig beginsel aanwezig zijn kan vóór de mogelijkheid der toe-
passing. Immers in
Frankrijk zelve, uit welk land deze wijze raadgevingen tot ons
kwamen, werd de vrijheid van godsdienst op dén duur niet in stand gehouden. De
herroeping van het
Edict van Nantes was het bewijs, dat er in dit Kijk denkbeelden
waren opgekomen, waartegen de vrije godsdienstoefening der Hugenoten niet gehandhaafd
kon worden. Het koningschap, door
Hendrik IV bekleed, vertegenwoordigde nog die een-
heid des vaderlands, waarvan zijn gezant zoo welsprekend gewaagt: in de erkenning van zijn
gezag waren alle Franschen één zonder onderscheid van geloofsbelijdenis, en alzoo was
onder hem vrijheid van godsdienst mogelijk. Maar niettemin hing in
Frankrijk het bestaan
van het Protestantisme zamen met het patronaat, door de Grooten, die de partij der Hugeno-
ten waren toegedaan, uitgeoefend, en naauwelijks heeft, in den persoon van
lodewijk XIV,
het koningschap het karakter van een algemeen patronaat verkregen, hetwelk het pa-
tronaat, vroeger door de Grooten, thans zijne cliënten, uitgeoefend, in zich had opge-
nomen , of de kracht der omstandigheden drijft den Koning en zijne raadslieden tot het
streven om over de gewetens zyner onderdanen te heerschen,—
enheX Edict van Nantes
wordt herroepen. En hoe zou dan in ons Vaderland, waar aan de eene zijde geene
duidelijk uitgedrukte uitwendige eenheid van den Staat bestond, en aan den anderen
kant door de Regenten eene soort van patronaat over de gemeente werd uitgeoefend,
hoe zou, zeg ik, in ons Vaderland volkomen vrijheid van Godsdienst mogelijk geweest
zijn? Trouwens
πενοκικ IV zelve zag dit genoegzaam in: het boven medegedeelde
stuk bewijst dit voldingend, en zijn gezant had hem daaromtrent vroeger voldoende
ingelicht 2: vandaar dat hetgeen hij ten slotte voor de Katholijken vordert, op zoo uiterst
weinig nederkomt. Inderdaad hij wenschte niets meer, dan de Slaten geneigd waren
Hoe de Staten toe te staan. En wat deden de Staten-Generaal op jeannins Vertoog ? Zij lieten het
to^^'qmamra^^' maken, en deden er zelfs geene mededeeling van aan de Staten der bij-

1 jeannin, IV, p. 217—225. Men vindt in de Négociaiions (IV, 286) eene andere redactie van
hetzelfde Vertoog, maar met veel minder'iijne vormen: zij schijnt bestemd te zijn geweest om
nog vóór het sluiten van het Bestand te dienen.

2 Hij liad (Jen lOdon Mei 1608 aan den Koning geschreven: »Pour Ie premier (Ie fait de la
Religion) ik (les peuples des Provinoes-Unies) sent tous d'avis de n'en consentir aucune chose par
traité."

\ ■

ocr page 250

1609.

DES VADERLANDS. 577

zondere Gewesten, Maar deze geheimhoudiDg gaf niet te kennen, dat zij er geen acht
op sloegen; integendeel, zij wilden zoo veel mogelijk aan het verlangen des Konings
voldoen, zonder veel ruchtbaarheid aan de zaak te geven, hetgeen slechts ergernis
en felle veroordeeling van hunne toegefelijkheid zou hebben uitgelokt. Hiermede was
JEANOTPT dan ook tevreden. Hy schryft ^: »dit is thans genoeg, gemerkt de toestand,
waarin zij zich bevinden; voor het tegenwoordige is er geene mogelijkheid om wat
beters te hopen: integendeel, wilde men hen dwingen, zoo zou men slechts te minder van
hen verkrijgen." Zoo
jeannin zich op het woord der Staten verzekerd hield, dat zij
tot tegemoelkoming aan de Katholijken, het uiterste doen zouden, »de ondervinding heeft
geleerd, dat men hem met geene vergeefsche hoop gevleid had. De Roomschgezinden heb-
ben door den tijd grooter vryheid verkregen, dan
jea-Nnin voor hen verzocht had 2.» Ζ,οο
spreekt
wagewaar omstreeks het midden der achttiende eeuw, en in het algemeen is het
waar wat hij zegt. Evenwel mag men niet verzuimen, daarbij op te merken, dat
in 1612, toen de Jezuiten, na den moord aan
Hendrik IV gepleegd, grootelijks in
opspraak gekomen waren, de Slaten-Generaal weder een plakaat uitvaardigden, gedag-
teekend van den 27"®" Maart, inhoudende »de order, waarnaar de Jezuiten, Priesters en
Monniken van de Pauselijke Religie in de Vereenigde Nederlanden zich zouden heb-
ben te gedragen Dit plakaat was uitgelokt door de omstandigheid, dat dagelijks
vele Roomsche Geestelijken, inzonderheid Jezuiten, hier te lande leeringen kwamen
verbreiden, die het gezag der wereldlijke Overheid ondermijnden. Het gelast alle Room-
sche Geestelijken, die herwaarts overkomen of nog geene vaste woonplaats hadden, zich
by den Hoofd-ofScier van de plaats, waar zij hun tydelijk of voortdurend verblijf kiezen,
aan te melden. Het verbiedt de jeugd in de scholen der Jezuiten te laten opvoeden.
Het een en ander op geldelijke boeten en andere straffen. Dit zal men geen al
ie
strenge handelwijze heeten, wanneer men bedenkt, dat het onderwijs der Jezuiten zelfs in
Spanje aan banden was gelegd, en dat zij in 1604 uit het gebied van Genua, in IGOö uit dat
van
Venetië waren verbannen. Maar by dit zelfde plakaat worden ook alle godsdienstige
bijeenkomsten van Roomschgezinden, zelfs in particuliere huizen, verboden. Alleenlijk
worden de algemeene uitdrukkingen in het ligchaam van het plakaat eenigzins beperkt in den
aanhef, waar gesproken wordt van »alzulke conventikelen en bijeenkomsten, waaruit
merkelijk kwaad of ondienst voor de gemeene zaak zou kunnen ontstaan Wel was

1 IV, p. 182.

2 wageVaar, IX, 466.

^ Den 6''®" Mei 1609 hadden de Gedeputeerden der stad Groningen cn Ommelanden een Ver-
bod uitgevaardigd »tegen bet indringen van Mispriesters.".

'' baudaeut, 1, p. 207.

III Deel. 2 Stuk. 48

ocr page 251

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

«e

1609. er toen lot geruststelling der gemeente, opgezet door talrijke pamfletten tegen de »secrete
handelingen en praktijken" der Jezuiten eenige maatregel van Overheidswege noodig: te
's Gravenhage liep het gerucht, dat men te Haarlem vele vpapenen bij de » Papisten" had
gevonden, en dat het plan bestond, in verschillende plaatsen alle Gereformeerden op
den aanstaanden Paaschdag te vermoorden. Ja, zoo sterk was de vrees onder het volk ver-
spreid, dal een slag in de Groole kerk te
^s Gravenhage^ op den IS'*®" April, bij de na-
middagspredikalie veroorzaakt door den val van een slapenden jongen, genoeg was om
de geheele gemeente in rep en roer te brengen op het vermoeden, dat de kerk door
de Roomschen omsingeld was ^

Het Vertoog van jeawnin betrof slechts de Roomschgezinden in de Zeven Vereenigde
Gewesten. Aan de belijders der Roomsche godsdienst in
Noord-Brabant was, gelijk wij
hierboven 2 gezien hebben, ten minste op het platte land 3 de openbare oefening
hunner godsdienst toegestaan. Ook maakten twee Roomschgezinde Vorsten geene zwa-
righeid zich na het Bestand op dit gebied der Staten neder te zetten. De een van
Graaf
herman de beide bedoelde Vorsten was herman van den berg, die door zijn huwelijk met de

VAN DEN BERG ^ λ ^ Ï„Ï„ Î· i

vestigt zich te ouQste docnler van jan yan ·ννιτΗΕΜ, neer van Bersele, en van Margaretha yan merode ,
Zoom^''^' Markgravin van Bergen-op-Zoom, in het bezit van dit Markgraafschap gekomen was,
en zich thans met der woon in de stad van dien naam vestigde, alwaar hij op zijn
Hof zijne godsdienst vrij mögt uitoefenen Hij overleed reeds in Augustus
1611
fitips AviLLEM De auderc was filips -willem van Oranje, die in zijne baronnie van Breda zijn verblijf
te Breda. j^jj ^^^ ^^den Augustus 1609 plegtig ingehuldigd, en weldra liet hij

zijne gemalin, geboren Prinses van Bourbon-Condé, bij zich komen, die luisterrijk werd
ingehaald, en ook door 's Prinsen broeders
maurits en frederik Hendrik begroet.
Den Prins was met de zijnen de oefening der Roomsche godsdienst toegestaan

1 BRANDT, Hist. der Reform. II, bl. 179.

2 Bladz. 339.

3 Deze onderscheiding tussclicn de steden en het platte land is in OYereenstemming met liet
ook elders in de Republiek geldend onderscheid tusschen beide: liet platte land was niet vertegen-
woordigd in de Staten en had geene politieke regten: zoo werd het dan ook lijer, als het ware,
minder aansprakelijk voor zijne godsdienst geacht.

^ VAN METEREN, X hl. 135.

5 VAK WETEREN, hl. 493. I

6 VAN METEREN, hl. 135. Dat de Prins zelve bij zijne inhuldiging van wege de Staten-Generaal
door den Heer
van brederode is begroet, meldt van goor in zijne Beschrijving van Breda, van
avijn
{op Wagen. X, p. 9) zegt, hiervan niets in de staatspapieren gevonden te hebben, doch
ontkent het feit niet.

ocr page 252

DES VADERLANDS. 379

De vestiging van filips Willem hier te lande trok om gewiglige redenen de aandacht 1609.

der Regering. Reeds in Februarij 1609 werd van wege den Raad van State aan de Staten

Generaal de volgende voordragt gedaan: dat de Prins van Oranje eerstdaags naar Breda

stond te vertrekken om aldaar ingehuldigd te worden en op den gewonen tijd de Ma- Voordragt van

deu llaad van

gistraat te veranderen; dat evenwel, vermits het regt zijner Doorluchtigheid op deze State bctrekke-
stad door der Staten wapenen was verkregen, hij haar van deze Landen te leen moest aad^"van""den
houden: als Heer van de Orde van het Gulden Vlies en vassal van den vijand kon hij
er geene aanspraak op maken, zoolang de Staten er de Souvereiniteit handhaafden,·
en de stad met Landsgarnizoen bezet was. Diensvolgens gaf de Raad in bedenking, of
men aan Zijne Doorluchtigheid niet diende aan te zeggen, dat de staat van den Lande
het plegen van eenige nieuwigheid in de burgerlijke regering of in de godsdienst binnen
Breda niet zou kunnen toeslaan. — Hier hooren wij den Raad van State het beginsel
uitspreken, dat er na den oorlog en de verovering van aller Heeren landen door der
Staten wapenen, geen ander Souverein bestond, dan de Stalen zeiven, en de daden
der Slalen-Generaal bewezen, dat zij deze leer in uiloefening bragten. Reeds in 1606,
toen de Slaten-Generaal den Prins van
Oranje in het bezit hadden gesteld van zijne
Heerlijkheden
Breda, Oosterhout en Steenbergen, hadden zy zich de beschikking over
de bewaring en verzekering der sleden en sterkten en over de souvereine regten voorbe-
houden Evenwel namen zij op de voordragt van den Raad van State geen besluit. —
Tot
Steenbergen slond de Prins van Oranje in dezelfde betrekking als tot Breda, Zoo
werd dan ook de Raad van State omslreeks de maand Mei verwittigd, dat de Prins de
stedelyke Overheid ook hier wilde veranderen. Op dit berigt drOeg de Raad terstond
aan twee leden uit zyn midden de taak op om den Prins te verzoeken, deze verande-
ring uit te stellen, totdat de Heeren Slaten-Generaal dienaangaande beschikt zouden
hebben. Tevens moesten de twee afgevaardigde Raadsleden Graaf
maurits vermanen
de Steenbergsche Magistraat te continueren, gelijk hij lot nog toe gedaan had, tot na-
der order van Hunne Hoogmogenden. De Prins van OraM/e verontschuldigde zich met het
zeggen, dat die waarschuwing hem te laat geschied was, zoodat hij voor het tegen-
woordige in zijne reeds gegeven bevelen geene verandering brengen kon. De Raad van
State bragt ook deze zaak in de Slaten-Generaal; maar ook op deze voordragt viel geen
besluit. De Stalen begrepen, dat hier geene regeringsdaden noodig waren, die ligt tot
stoornis van de vriendschappelijke betrekking tusschen hen en den Prins leiden konden,
en waarbij Prins
maurits zelf de uitvoerder van hunne besluiten tegen zijnen broeder zou
moeten zijn. Immers was
filips Willem niet gezind der Stalen gezag te miskennen.
Reeds den 26"®" Februarij, kort na de voordragt van den Raad van State in de Staten-
Generaal betreffende de zaak van
Breda, verklaarde hij, het goed believen der Heeren

' VA!« DEn KEälP, III, ρ. 231.

48*

ocr page 253

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. Slaten-Generaal te willen nakomen en yóór zijn vertrek om de huldiging te Breda

Orawy/neeiu^ ontvangen verscheen hij, den 11''"° Julij 1609, in hunne vergadering, en na dank-

staten G^^^ Zegging vooF de beleefdheden en eer, hem gedurende zijn verblijf te 'sGravenhage

vóór zijn vertrek bewezen, nam hij afscheid met aanbod van zijne dienstwilligheid tot alles, waartoe de
naar
Breda. ' i , · τ ι

Staten zijne dienst zouden begeeren te gebruiken. Bij deze betuigmg liet hij het niet,

maar hij stortte zijn hart voor de Vergadering uit, terwyl hij bejammerde, dat hij door
zijne gevangenschap builen staat was geweest de zijde dezer Landen te houden. Maar
dit was zijnen Vader en Vrienden vergund geweest te doen, met opoffering van goed
en bloed, en dus ook ten koste van zijne eigendommen, hetgeen hij de Staten ook tot
zijne regtmatige schadeloosstelling verzocht te gedenken, opdat hij zich tot dezer Lan-
den dienst verbonden zou gevoelen. Voorts bood hy aan, den Heeren Staten hulde te
doen van de stad en baronnie van
Breda, al was het ook, dat, naar hel regtsgebruik
van
Brabant, de leen verheffing en hulde niet dan na voorafgaande sommalie ge-
schiedde 2. — Waarlijk, waar men had kunnen voorzien, dal de Prins uit eigen
beweging zoo zou handelen, waren geene kwetsende maatregelen noodig geweest om
' hem den Staten onderdanig te maken. En neemt men de gemeenzaamheid, waarmede
hij in den tijd van zijn verblijf te
's Gravenhage met oldenbarnevelt had verkeerd, in
aanmerking, dan mag men het voor zeker houden, dat de Slaten-Generaal door dezen
staatsman vooraf van de gezindheid van den Prins verwittigd zullen geweest zijn. Hoe
het zy, na 's Prinsen rede te hebben aangehoord, betuigden de Staten beleefdelijk
hunnen dank voor zijn aanbod, namen het aan, en gaven hem nitzigt op de inwilli-
ScLadeloosstel- ging van zijn verzoek om te mogen deelen in de giften, waarmede men besloten had,
Prtiis van"om«}" tïe diensten van het Huis van
Nassau tc erkennen. Het bleef bij geene belofte. Over-
verleend. eenkomstig het aanzoek, reeds in Junij door de Gezanten van Frankrijk en Engeland
ten behoeve van den Prins gedaan, verleende men eene gift van 25,000 gulden voor
eens, evenwel niet onder den naam van
erkentenis (recognitie), maar onder dien van
»vereering over den wellekom en schadeloosstelling" 3,
]Je voortgezette Niettegenstaande dezen afloop van hetgeen er tusschen den Prins van Oranje en de
schen^^den Prins Slaten-Generaal was voorgevallen, heeft men oldenbarnevelt verdacht, alsof hij geneigd zou
van Oranje en geweest zijn, den Prins de souvereine regten op züne Noord-Brabantsche Heerlükheden

OLDENBARNE-

YELT. te laten, en deze alzoo tot eenen onzijdigen Slaat te maken. Oldenbarnevelt zou,

zoo werd het, blykens zijn Verhoor^, hatelijk uitgedrukt, het Land van eene »notabele

ï van der kemp, lil, p. 260.

2 Zie VAN WIJN, op Wagenaar, X, bl. 5—8, en 119—121.

3 VAN WIJN, t. a. pl. bl. 9.

^ Op den Nov. 1618. Berigten van het hist. Gezelsch. te Utrecht, 11 D., II St., bl. 173.

ocr page 254

DES VADERLANDS. ^ 581

fronlier hebben willen onlbloolen." Dat de Prins zelf op zoo iels is bedacht geweest, 1609.
staat Tast, en by monde Tan zijnen Raad
kerremans had hij oldenbarnevelt οτθγ dit
denkbeeld gepolst. Dat
Toorts een dergelijk ontwerp aan oldenbarnevelt niet zoo on-
gerijmd is Toorgekomen; dat hij in eene mogelijke uitvoering geen staatsTerraad gezien
heeft, is ligt na te gaan. Nog altijd was het Bestand niet gesloten, en, moest de oor-
log voortgezet worden, dan waren nog allerlei plannen aan de orde omtrent het lot
der zuidelijke Provinciën in geval van zege aan onze zijde. Dat in deze plannen de
Prins van
Oranje was opgenomen, mag men als zeker stellen, wanneer men zich her-
innert, dat in 1602 van de Staten het denkbeeld op den voorgrond is gesteld om
filips

*

WILLEM in de plaats der Aartshertogen lot Vorst van de zuidelijke Nederlanden Ie ver-
heffen. Ia overeenstemming met zulk een ontwerp zag
oldembarwevelt toen welligt
in de baronoie van
Breda een aanvang van zulk een Zuid-Nederlandschen Slaat, welks
beslaan, in plaats van ons Land van een » fronlier" te berooven, ons veeleer eenen bond-
genoot in het zuiden zou verschaft hebben. Kwam, namelijk, zulk een Zuid-Nederlandsche
Slaat tot sland, dan deed het er weinig toe, of het Roomschgezinde
Breda daartoe al of
niet behoorde: integendeel, de vereeniging van
Breda met het Zuiden ware natuurlijk
en wenschelijk geweest. Doch toen het Bestand eenmaal daar was, zien wg, dat het
besluit vast slond om der Staten souvereinileit op
Breda te laten gelden; de Prins
van
Oranjef ongetwijfeld omtrent der Slalen inziglen genoegzaam ingelicht, was be-
reid alle aanspraak op te geven, en
justïnüs van hassau bleef het Staatsch garnizoen
onder de oogen van den Prins ia het kasteel van
Breda commanderen i. Maar wie
kon den slaat van zaken ook na het Bestand anders dan als voorloopig beschouwen?
Blijkens twee brieven, den Augustus en den September 1609, door den Prins

aan oldenbarnevelt gerigt en die bewaard zijn gebleven^ koesterde deze Vorst bij
voortduring de hoop, dat er zich nog omstandigheden zouden opdoen, waarbij hij, wan-
neer de Slaat, »wiens stevige grondvesting hij boven zijn bijzonder verlangen stelde,
eenmaal voor goed gevestigd zou zyn," met behulp van
oldenbarnevelt, eene be-
langrijke betrekking in de dienst der Nederlanden zou kunnen erlangen. Had
olden-
barnevelt
, die de kansen der toekomst berekende, de betrekking tot den Prins afge-
broken en hem niet aan zijn snoer gehouden, hij zou dwaas en verkeerd hebben ge-
handeld. De Prins van
Oranje ^ die door den vyand in 1Ö96 op vrye voelen was ge-
steld om de zaken in Noord-Nederland ten meesten voordeele van
Spanje te keeren,
moest beschikbaar blijven om ten meeslcn nadeele van
Spanje gebruikt te kunnen
worden. Zeker is het, dat
oldenbarnevelt hem ried, zijne zaak niet door overhaas-

^ VAN METEREN, X, bl. 135.

2 Men vindt ze bij van Capelle, Filips Willem, bl, 256, 258.

ocr page 255

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. ting te bederven, en, zonder eenige bepaling van tijd, nadere mededeelingen af Ie
wachten.

Docli al bragt het Bestand slechts een voorloopigen stand van zaken mede, niettemin
wilden de Staten wat hun in eenigzins dubbelzinnige bewoordingen was toegekend,
lot eene waarheid maken, door stoutmoedig als de vertegenwoordigers van vrije Landen
op te treden. Trouwens van wien anders kon men verwachten, dat de zelfstandigheid
der Vereenigde Nederlanden zou gestaafd worden, zoo niet van de Nederlanders zei ven?
Toch niet van eene vreemde Mogendheid, van
Frankrijk of Engeland! Of de voogden
al verklaren, dat hun voedsterling alleen loopen kan, baat weinig, wanneer het kind
dit niet met de daad bewijst. Neen! geene acte van
Engeland of Frankrijk kon tol de
zelfstandigheid der Republiek iets toe of af doen. Gelukkig zelfs dat zij haar nooit
is verleend geworden. De Nederlanders moesten wat zij werden, aan niemand anders
te danken hebben, dan aan zich zeiven. Niet door vreemde Vorsten moest eene acte
onzer souvereiniteit, maar door ons zeiven moest het bewys onzer zelfstandigheid gele-
verd worden.

De Staten zen- Gelijk de jonge mensch getuigenis geeft, dat zijn leertijd nu is afgeloopen, door zich
pen naar^BuiteL in de menschelijke maatschappij te begeven en betrekkingen met volwassenen aan te
gend^hXn knoopcn, alzoo traden thans de Stalen op, en trachtten door het uitzenden van Gezant-
schappen staalkundige betrekkingen met andere Volken en Vorsten aan te knoopen. Eo
al mogten zij niet in allen deele in hun verlangen slagen, zij konden zeker zijn, dat
hunne uilgezondenen goed ontvangen zouden worden.
De groot eindigt zijne Geschie-
denissen
met de verklaring: »Toen de volken vernamen, dat men den magtigsten Ko-
ning de erkenning der onafhankelijkheid en een deel van Indië had kunnen ontwrin-
gen, hoedanig iets men ngoit te voren aanschouwd en lot dusverre niet voor mogelijk
gehouden had, was hunne verbazing te grooter. Naar zulk eene uitkomst zag men hen
de magt en de wijsheid der Republiek afmeten. Ten minste begonnen van dezen tijd
aan rele koningen, vorsten en volken naar bondgenootschap met de Nederlanden te
streven." En wat verklaarde de Venetiaansche gezant
gontareni bij het gehoor, hem
den Mei 1610 door de Staten-Generaal verleend? Wenschende, dat de Republiek
zich verder op goede grondslagen mögt vestigen, bij het genot van geluk en voorspoed,
en dat de Staten-Generaal hunne zaken mogten blijven handhaven, gelijk zij dit zoo
heldhaftig door hunne magt, hun goed en wys beleid en hunne eendragt gedaan hadden,
voegde hij er bij: »Daarom wordt gij de geheele Christenheid door, ja de geheele we-
reld over, geroemd, bewonderd en gepi'ezen i."

Naar Enge- In de eerste plaats komt de zending van noël de garon, Heer van Schoonewalle,
■ naar Engeland in aanmerking. Aangespoord door het gunstige getuigenis, hem door den

DE JOAGE, Nederl. cn Yenelië, bl. 48 en νυ%.

ocr page 256

DES VADERLANDS. ^ 395

Koning van Engeland bij zijn laatste vertrek uit dit land (den lO·""" April) gegeven, 1609.
zonden de Staten hem in de maand Julij op nieuw derwaarts als hunnen gewonen Hof-
gezant,
met verzoek, dat het den Koning behagen mögt hem als zoodanig te ontvangen.
Op dit verzoek, reeds vijf jaren vroeger gedaan, maar toen niet openlijk ingewilligd,
werd de genoemde Heer thans tot spijt van
Spanje in de genoemde waardigheid erkend Κ
De zending van noël de caron werd beantwoord door de aanstelling van rudolf
wiPiwooD als gezant des Konings in 's Hage.

Met Venetië was reeds vroeger eene staalkundige betrekking aangeknoopt, eerstin 1U96 Naar Veneüé.
ten gevolge van de komst hier te lande van francesgo moresihi, door de Venetiaansche
Republiek herwaarts gezonden om verlof te bekomen lot aankoop van graan ter voorzie-
ning in de buitengewone behoefte, die toen te
Venetië heerschte Een geschil omstreeks
het jaar 1600 ten gevolge van de vijandelyke behandeling, welke een Venetiaansch schip
van de onzen had moeten verduren, gerezen, werd in 1604 door eenige inschikkelykheid
van onze zijde bijgelegd. Ja zelfs ging men toen reeds zoo ver,
Venetië in voorkomende
omstandigheden den bijstand der Republiek aan te bieden Deze hulp, gaven de Stalen
toen te kennen, zou der Ilaliaansche Republiek voornamelijk
tegen den Turk te slade
komen. Doch men mag het er voor houden, dat de Staten onder deze leus hunne ware
bedoeling verborgen om
Venetië door hoop op ondersteuning in hare vijandelijke gezindheid
te styven tegen den Spaanschen invloed in
Italië, Zeker gaat het, dat in 160Ö, by
gelegenheid van de felle oneenigheid van
Venetië met Paus paulus V, de Stalen hunne
hulp werkelijk aanboden ^ Ook zag men toen welk eene heilzame afleiding een oor-
log in
Italië kon aanbrengen; want de troepen van den Koning van Spanje, die reeds
bevel hadden gekregen om uit
Milaan naar de Nederlanden op te trekken, werden
voor het geval, dat de vijandelijkheden mogten uitbreken, voorloopig teruggehouden, en
daarentegen al de vasallen van den Paus, die in de Nederlanden in het Spaansche le-
ger dienden, teruggeroepen, zoodat
spihola door het gemis van menig bekwaam bevel-
hebber aanmerkelyk in zyne krygsbedryven belemmerd werd

• 1 van meteren, X, bl. 128 cn 129.

2 DE JORGE, Nederl, en Ven. bl. 3—5.

3 DE JONGE, t. a, pl. bl. 5—8.

^ Zie hiervoor bladz. 222. Ook in het schrijven, in hetwelk de Slatcn hunne Ixulp aanboden,
noemen zij den Paus niet, maar met verwijzing op den vroeger door hen
tegen den Turk beloof-
den bijstand, en met de betuiging, dat zij het behoud der Venetiaansche Republiek tot heil van
de gansche
Christenheid wenschen, bieden zij inderdaad hulp aan tegen den Paus, Voorwaar hier
steekt ironie in. Zie der Staten schrijven bij
de jongb, t. a. pl. bl. 407.

^ van wkterek, aangch, bij de jokge, bl. 14.

ocr page 257

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1609. Nadat er alzoo reeds eene betrekking van groote beduidenis tussclien beide Repu-

blieken was aangeknoopt, kan het geene bevreemding vrekken, dat de Vereenigde
Gewesten na het sluiten des Bestands te rade werden, eenen afgezant naar
Venetië te
zenden, te meer daar den Ambassadeur der Staten bij het Fransche Hof ter oore geko-
men was, dat het den Doge en der Republiek aangenaam zou wezen, eenen vertrouw-
den persoon van wege ons Geraeenebest te ontvangen, ten einde een duurzaam vriend-
schapsverbond Ie sluiten. Op voorstel van Prins
maurits werd in de maand September
besloten eenen Gezant af te vaardigen, en
cornelis van der mijle, Raad van den Prins,
en schoonzoon van
oldewbarwevelt, werd lot deze waardigheid benoemd. Zijn vader,
tijdens
alba's landvoogdij uitgeweken, had eenigen tijd te Venetië gewoond en zal aldaar
nog wel in aandenken geweest zijn. De Gezant nam de reis over Frankrijk om, vol-
gens den hem gegeven last, den Koning over zijne zending te raadplegen.
Hendrik lY,
ried den Nederlandschen staatsman, zich eerst nader van eene eervolle ontvangst te
Venetië te vergewissen: anders mögt hij en de Staat, die hem afvaardigde, het slagt^
offer worden van een kwaadwillig opzet der Venetianen.

Ten dezen aanzien door den Venetiaanschen Gezant te Parijs gerust gesteld, ontving
VAN DER MIJLE brieven van aanbeveling van den Koning aan zijnen Gezant te
Venetië
en vertrok naar zijne bestemming. Men ziet het, de Republiek der Vereenigde Gewes-
ten wilde dezen slap niet wagen, dan eenigermale gedekt door het gezag des Konings van
Frankrijk: tegen zijn goedvinden zou men de zaak niet hebben doorgezet. Dit ware
ook onraadzaam geweest: om te slagen voegde den jongen Staat by zelfvertrouwen
bescheidenheid, en het zou den Gezant kracht bijzetten, zoo zijne Lastgevers bleken in
hetgeen zij beoogden niet alleen te staan, maar in de Europesche staatkunde met den
grooten
Hendrik, als het ware, ééne lijn te trekken. Te Venetië werd van der mijle
met dezelfde onderscheidingen ontvangen, die men gewoon was aan de Gezanten der
grootste Mogendheden te bewijzen, niettegenstaande de pauselyke Nuntius alle pogingen
deed om de eervolle ontvangst van den Nederlandschen Gezant moeijelykheden in den weg
te leggen. Bij het eerste gehoor, dat hem verleend werd, prees de Doge met luider stemme
de wijsheid, de kloekmoedigheid en de eensgezindheid der Stalen, en noemde Prins
MAURiTS den vermaardsten en dappersten veldheer van zynen tyd. »Ik acht", voegde
hij er bij, »de Staten-Generaal gelukkig, dat zij zulk een wijs en voorzigtig hoofd be-
zitten." Toen de gezant van
Spanje en de pauselyke Nuntius begonnen te duchten, dat
er werkelijk een verdrag van vriendschap en handel tusschen
Venetië en de Nederlan-
den
tot stand zou komen, waarschuwden zy de Venetiaansche Regering daartegen, en
bereikten in zooverre hun doel, dat de Doge verklaarde het onraadzaam te achten, de
vriendschap, die hij trouwens gaarne aannam, en het handelsverkeer, dat hij gezind
was zooveel mogelijk te bevorderen, met een plegfig verdrag Ie bekrachtigen. Tevens
pchler kondigde 'hij de zending aan van eenen Ambassadeur bestemd om den Stalen-

ocr page 258

1609.

DES VADERLANDS. 585

Generaal Toor de aan de Republiek bewezen eer dank te zeggen. Reeds in Mei, 1610,
verscheen de Edelman
tomaso contareni ; doch ook thans werd de hoop op het sluiten van
een traktaat verijdeld, daar de Gezant daartoe geenerlei last medegekregen had Het mag
ons te minder verwonderen, dat er geen verdrag tot stand kwam, omdat ook de Fransche
Ambassadeur te
Venetië het verlangen van onzen Gezant in dit opzigt niet zal ondersteund
hebben, gelijk wij ligt kunnen afleiden uit de houding, die de Koning van
Frankrijk,
zoo
als ons straks blijken zal, nog altijd ten aanzien van onze Republiek bleef in acht nemen.

Van Venetië terugkomende nam van der mijle de reis over Frankrijk. Den 6^®" Januarij
had hij op nieuw een gehoor bij den Koning, die hem met de taak belastte, de Stalen te
verzoeken, hem ten eersten eenige gezanten te zenden, ten einde met hen over de gewigtigc
belangen van het tegenwoordig tydsgewricht te handelen. De Staten gaven aan dit ver-
zoek gehoor door
walvareïf van brederode, van der mijle en van malderée af te
vaardigen. Doch
zij beijverden zich aan dit Gezantschap het voorkomen eener onverpligte
daad van wellevendheid te geven, door den Gezanten de betuiging op te dragen van der Staten
dank wegens de ondersteuning, die de Koning hun in den strijd had verleend en al heigeen
hij tot het sluiten des Bestands had toegebragt, waardoor het, zoo drukten de Gezanten
zich uit bij hun eerste gehoor op den April, waardoor het »naast God de Koning

geweest was, die de laatste hand aan het werk hunner bevrijding gelegd had." Zij be-
riepen zich ter verontschuldiging, dat zij hem niet eerder pleglig dank gezegd hadden,
op de stormen en overstroomingen, die hun land hadden geteisterd, en op de onlusten,
die te
Utrecht hadden gewoed. Voorts zwaaiden zij den Koning lof toe, dat hij voor-
genomen had, de Vorsten, die zich in het bezit van de Kleefsche en Guliksche Lan-
den gesteld hadden, te handhaven, ten einde aldus »tot heil der gansche Christenheid,
de schadelijke meening te keer te gaan, door sommigen gevoed, alsof zij der geheele >
wereld de wet konden stellen." Voorts vraagden zij den Koning, onder anderen, of hij
niet geneigd zou zijn in een nieuw verdrag en naderé verbindtenis te treden met de
Proteslantsche Duitsche Vorsten, Engeland en de Vereenigde Gewesten. — Opmerkelijk
is de wyze, waarop deze mededeeling door den Koning werd opgenomen. Blykbaar
mishaagde hem de toon, door onze Gezanten aangeslagen. Hij begreep, dat hij met
onzen Slaat op zulk eenen voet stond, dat hier geene zoo deftige pligtplegingen en
weinig afdoende verklaringen te pas kwamen. Hij verlangde dadelijk te doen hooren,
wat hij met betrekking tot den Gulikschen oorlog van de Staten verlangde en hun ant-
woord daarop te vernemen. Hij wilde met de Gezanten handelen »als met zijn eigen
volk, zonder eene achterdeur open te houden, alles uitstortende als in den schoot van
zijne beste en getrouwste
dienaren:^ En sully drukte in een onderhoud, dat hij later

49

' DE JONGE, 17—51,

ΠΙ Deel. 2 Stuk.

Gezantschap
naar
Frankrijk.

ocr page 259

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

IC]O, met de Gezanten had, hetzelfde denkbeeld uit door te zeggen, dat wij om in blind ver-
trouwen {la tele haissée)
aan Frankrijk hadden aan te sluiten. — Op deze wijze intus-
schen zouden de Staten alle zelfstandigheid tegenover
Frankrijk hebben prijs gegeven,
en zich werkelijk de rol van
dienaren des Konings hebben laten welgevallen. De Ge-
zanten bepaalden zich dan ook tot de algemeenheden van hunne instructie. Bij gevolg
werd de Heer
de béthune naar ^sHage gezonden om antwoord op die vragen te verne-
men , waarop de Gezanten buiten magie waren bescheid te geven. De houding der Gezanten
werd, dit verklaarde
sülly uitdrukkelijk, als een blijk van verkoeling aangemerkt, —
Wat het voorstel betrefiende eene nadere verbindtenis aangaat, ook deze scheen men
tamelijk onnoodig te vinden. Want, al verklaarde de Koning schriftelijk, dat hij zulk
eenen maatregel goed vond; op de vraag der Gezanten aan
villeroi, »wanneer en op
wat plaats dat nieuw verdrag zou mogen geschieden," zeide deze Staatsman kortelijk,
»dat het van nu af zou geschieden, zoo het hun goed docht." Blijk genoeg, dat
men ook hier geene omstandige onderhandelingen noodig achtte. —
Hendrik was in
dezen lijd in eene geweldige spanning. Hij begreep, dat er hoe eer hoe beter, om al
zijne binnen- en buitenlandsche vijanden te ontwapenen, een groote slag moest geslagen
worden, en wilde het doen voorkomen, alsof hij lot den oorlog overging ter liefde van
onze Republiek. Dus verdroot hem de houding van onze Gezanten, die zich gedroegen
als de vertegenwoordigers van eenen Staat, welke niet alleen ondersleuning ontving,
maar die ook verleende. Deze stemming ^es Konings kwam vooral uit op het afscheids-
gehoor op den
6''®" Mei verleend. Béthuhe was juist uit den Haag terug en had een
verzoek van de Slaten tnedegebragt, waarmede de Gezanten niet voor den dag hadden
durven komen, dat de Koning het onderhoud der Fransche troepen, die in der Stalen
dienst waren, gedurende den veldlogt op zich zou nemen. De ergernis over dit verzoek
kwam bij al het overige, en nu ontzag de Koning zich niet, in dit afscheidsgehoor
den Staten op eenen schertsend beslrafFenden toon den naam
yd^ gierigaard]es ie g^yen^
en hun verzoek een staaltje van ondankbaarheid te noemen. Voorts drukte hij op de
noodzakelijkheid van de onherroepelyke gelegenheid aan te grijpen en tegen den ge-
meenen vijand eenen afdoenden slag te slaan. Daarbij moesten de Staten zich in ijver
niet door anderen laten te boven gaan. Hy was oud, en een aanvoerder als Prins
BiAURiTS zouden zij niet allijd aan het hoofd hunner troepen hebben. Dus moest op de
toekomst gelet worden en door onherroepelijke maatregelen te beramen moest men den
vijand de middelen benemen om zijne pogingen te hervallen. Wat hij door die maat-
regelen verstond, zou wel blijken, zoo men slechls eenige voorname leden van de Sla-
ten-Generaal, voorzien van genoegzame volmagt, met Prins
maurits in zijn leger zond,
als hij in het Land van
Gulik zou verschenen zijn

Zie het Verhaal van het Gezantschap in het Rijksarchief.

ocr page 260

1610.

DES VADERLANDS.

3S7

Geznntscliap
naar
ingeland.

Hadden de Staten aan dit Gezantschap naar Frankrijk liet karakter eener hulde van
dankbaarheid gegeven wegens de ondersteuning by de onderhandelingen over hel Bestand
verleend, zoo waren zij thans wel genoodzaakt aan
Engelaiid dezelfde beleefdheid te
bewyzen. Zoo werden dan in April de Heeren
johan van duivenvoorde , johan beuck ,
albert de veer, elias van oldenbarnevelt
cn albert joachimi naar Engeland afge-
vaardigd, waar de gewone Ambassadeur
ngöl de garon zich aan hen zou toevoegen.—
De Heer
van duivenvoorde kwam vóór de afvaart te overlijden. — By het eerste ge-
hoor, hun den 27"®" April verleend, hoorde de Koning slaande en met onlbloolen hoofde
hunne rede aan, die nagenoeg van denzelfden inhoud was als die aan den Koning van
Frankrijk. Betreffende de wijze, waarop de vraag werd opgenomen, door de Gezanten
volgens hunne instructie bij gelegenheid Ier sprake gebragl, of » Zijne Majesteit niet goed
vond, dat eene nadere verbindlenis van mulueele assistentie gemaakt werd lusschen Zyne
Majesteit den Koning van
Frankrijk, de Vereenigde Nederlanden en de Evangelische Duilsche
Vorsten," vindt men in het Rapport der Gezanten ^ het volgende: »Nopens de nadere
alliantie, dat zijne Majesteit nog niet was geresolveerd; dat de Majesteit van
Frankrijk
aireede een verdrag had aangegaan, en het bijgevolg lot geene gezamenlijke onderhande-
ling scheen Ie zullen komen; dat voor het overige, wanneer zijne Majesléit over eenige
alliantie onderhandelde, hij nimmermeer de deur voor Hunne Hoogmogenden gesloten zou
houden." Voorts, voegden de Gezanten er bij, »hebben.wij mede opgemerkt, <]at zijne
Majesteit zich alsnog niet geinformeerd acht, of hij niet zou mogen hebben eenig regt
in petitorio." Hieruit blijkt, dat de Koning ongezind was om voor alsnog een verbond
aan te gaan, waarin de Stalen als zelfstandige Mogendheid zouden opgetreden zijn; ja
zelfs gewaagde hij met betrekking tot de door de Gezanten geopperde vraag nog van
een regt, dat hy welligt op deze landen, hoezeer thans feitelijk aan zijn gezag ont-
trokken, zou kunnen laten gelden.

Behalve de mededeeling van de stukken, waarin de Aartshertogen het verdrag van
Bestand niet waren nagekomen en van nog een paar andere bijzonderheden, hadden de
Gezanten de
Engelsche Regering vooral Ie onderhouden over het plakaat des Konings
van den Mei 1609 , waarby het visschen op de kusten van zijn Rijk,, zonder slechts
voor geld verkrijgbai-e brieven van verlof, verboden was. Tegen de slrekking van dit
plakaat beriepen de Nederlanders zich op den reglteregel, dat de zee gemeen goed was,
even als de lucht. Een minder theoretisch bezwaar legen de beschikking des Ko-
nings werd ontleend uit het belang der Nederlandsche haringvisschery, die aan meer
dan zestigduizend menschen een beslaan verschafte, en by de handhaving van dat
plakaat, zonder eenig voordeel voor
Engeland of eenig ander land, zou te gronde gaan.

Vf

' In het Rijksarchief.

49*

ocr page 261

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. Op hun Yertoog gaf de Koniag, hoezeer zijn regt op het heffen van zulke lollen op
de visscherij niet opgevende, de belofte, dat hij de uitvoering van zijn plakaat zou
schorsen. Hun verzoek, dat de Nederlandsche kooplieden in
Engeland niet meer be-
last zouden worden, dan 'sKonings eigen onderdanen, vond geene verhooring, en tegen
der Nederlanderen eisch kwamen de Engelschen met klagten op, wegens lasten,
waardoor de Maatschappij der zoogenaamde
Avonturiers in den afzet harer lakens be-
zwaard werd, hoezeer de Stalen aan deze Maatschappij het monopolie verzekerd hadden.
Al slaagden de Gezanten in dit opzigt niet naar wensch, nieltemin scheidden zy in
vriendschap, ja zelfs werden zij kort vóór hun vertrek door den Koning tot ridders ge-
slagen en met geschenken vereerd.

Naijver der Evenmin als in Engeland en in de Engelsche wateren verloren de Nederlanders in
de^^NTderhnS andere landen en zeeën het belang van hunne scheepvaart en handel uit het oog. In
in
Oost-Indie. jgj^^gj. ^gjj Januarij 1609 was de Engelsche zeekapitein middleton uit de Indische
zeeën te huis gekomen. Hij had brieven bij zich van de Hollandsche handelaars Ie
Bantam. Deze brieven zonden de Engelschen aan de Bewindhebbers te Amsterdam,
maar voegden er klagten bij over den Hollandschen Admiraal matelief, die de Engel-
schen in
Indië niet vriendelijk zou bejegend hebben. De Hollanders antwoordden hierop,
dat zij volgens ingekomen'berigten zich ruim zoozeer over de handelwijze der Engelschen
in
Indië te beklagen hadden; met Engelsche schepen werden den Spanjaarden aldaar
allerlei krijgsbehoeften toegevoerd, terwijl toch zoowel
eltzabeth als jakobus I hunnen on-
derdanen verboden hadden, de vijanden der Staten in de havens van
Ostende of Duin-
kerken
en andere plaatsen van krijgstuig te voorzien. Groot was in dezen tijd de span-
ning tusschen de Hollandsche en de Engelsche zeevaarders. Deze laatslen ontzagen zich
niet met de grootste minachting van de Nederlanders te spreken, zij noemden hen
schuim van volk, die, wat zy waren, aan hunne Koningin Ie danken hadden. Zelfs
in gedrukte boekjes werden zulke hatelijkheden verbreid. De onzen evenwel behoefden
zich dit niet te zeer aan te trekken: immers waren die bitse woorden niets anders dan
een min kiesche vorm, waarin zich de gegronde vrees der Engelschen uitdrukte, dat
zij door de wakkere en alles ondernemende Hollanders zouden overvleugeld worden.
Werkelijk hadden de Nederlanders de Vorsten van sommige der Moluksche eilanden reeds
lot de verbindlenis weten over te halen j om hunne kruidnagelen uitsluitend aan hen te
leveren, Hoe het zij, men bleef van onze zijde niet in gebreke om zich mede over den
smaad, door zulke aantijgingen den Staten
-Generaal en Prins maurits aangedaan, nadruk-
kelijk Ie beklagen Hoe hoog voor het overige de Engelschen de bekwaamheid onzer zee-
lieden op prijs stelden, blijkt vooral uit de omstandigheid, dat zij het niet beneden zich

» van meteiten, X, bl. 150, 151.

\

ocr page 262

DES VADERLANDS. ^ 589

achtten, de hulp Tan Nederlanders in te roepen ten einde hunnen handel in het Oosten 1610.

uit te breiden. Zoo bewogen zij in 1610 pieter Willemszoon van Biburg en lukas

AWTONiszooN van Leeuwarden, die lang in Üost-Indië verkeerd hadden, om hen met

hunne ervaring ten dienste te staan bg de onderneming om eenen nieuwen handel op

de kust van Coromandel te beginnen J. Later gebeurde het meermalen, dat Nederlanders

zich in dienst van vreemde Stalen begaven om op Oost-Indië te yaren. Hierin zag de

staatshuishoudkunde van die dagen eene schade en eene schuld, dermate dat de Staten-

Generaal zulks, in het jaar 1616, bij openbaren plakalc, op straife van ballingschap

en verbeurte van goederen verboden — Van den anderen kant versmaadden de onzen

het niet, de talenten van buitenlanders aan te wenden. De Engelsche stuurman henry

HUDSON, >viens roem in den naam der Hudsonshaai vereeuwigd is, was, en wel in April

1609, door de Nederlandsche Oost-Indische Maatschappij uitgezonden om eenen doortogt

door het Noordwesten naar Indië op te sporen. Doch ook de Engelschen zagen hunne

bekwame scheepslieden liever niet ten voordeele van vreemden werkzaam: immers ,toen

HUDSON na zijne reis in de maand November in Engeland binnengeloopen was, wilde

men hem vandaar niet laten vertrekken om zijnen lastgevers hier te lande verslag van

zijnen togt te doen Niettemin gaven de Hollanders den toeleg niet op om eenen weg

dóór het Noorden naar Indië te vinden. In de maand Mei van het jaar 1611 loofde

de Admiraliteit van Amsterdam eenen prijs uit van 25,000 gulden voor dengenen, die

het uiterste beproeven zou om zich hetzij door het Noord-Oosten, hetzij door het Noord- *

Westen, eenen weg te banen. Te gelijker tijd rustte zij twee schepen uit, die zulks

zouden beproeven Κ Waarlijk, de geestdrift die toen Bestuurders en burgers bezielde

om tol de natuur toe te overwinnen, verdient alle bewondering. Met den maandenlangen

nacht en het eeuwig ijs streed men in het Noorden, gelijk onder de brandende zon der

Keerkringen met het krijgsgeweld der Spanjaarden. Want, leefde men in Oost-Indië

weinig vriendschappelijk met zijne vrienden, de Engelschen; met de Spanjaarden en dc vijaadelijk-

Porlugezen bleven de vijandelijkheden voortduren, zelfs toen reeds het sluiten van het spt'njaarder ca

Bestand in die ver verwijderde oorden bekend was. In 1608 was eene vloot van veer-

tien schepen onder den Admiraal τεκποερ derwaarts gezonden, en men bezat aldus de

magt om de rijkbeladene koopvaardijschepen des vyands of zijne oorlogschepen af te

wachten en te trachten hem, dikwijls ten kosle der inlanders, afbreuk te doen. Zoo

bestormden in hetzelfde jaar twaalf Hollandsche schepen de sterkte Mozambique, van

1 VAN METEIIEN, X, bi. 407.

2 WAGENAAR, X, bl. 47.

' VAN METEREN, X, bl. 203—206.
^ VAM METEREN, X, bl. 460.

ocr page 263

590

ALGEMEENE GESCHIEDENIS

a

1010. welke zij zich echter niet vermogten meester te maken. In de Molukken bestreed
men de Spanjaarden met meer geluk, en reeds durfde men zich Tleijen, dat al deze
eilanden weldra in onze handen zouden Tallen
Verhoef, daarentegen, kwam op
Banda, door de inlanders ovcrFallen, ellendig om het leven; de Admiraal patjlus van
KAARDEiT, door zijne muitende manschappen in den steek gelaten, viel op Ternate den
Spanjaarden in handen, en voor de haven van
Manilla leden de onzen eene zware ne-
derlaag 2. Doch het was tijd, dat het berigt van het gesloten Bestand naar
Indië werd
Het berigt van overgebragt. Dit geschiedde bij gelegenheid der afvaart van een negental schepen naar Oo^i-
^Sl^^tllTlndïë^^^·'^^^^ bevond, met een geleibrief van den Koning van
Spanje

gcbragt. gjj jg^ Aartshertog ten bewijze der getroffen vredelievende overeenkomst. Pieter both,

tot Gouverneur-Generaal in Indië benoemd (hij was de eerste, die dezen titel droeg), kreeg
hel bevel over deze vloot, die in het laatst van Januarij 1610 in zee slak Eerst na het
verlrek dezer vloot kwam het berigt aan van het vermoorden van
yerhoef en de andere
onheilen. Verre van zich hierdoor te laten ontmoedigen, vond de Oost-Indische Maatschappij
in dezen rampspoed eene aansporing tot verdubbelde krachtsinspanning. In December van
1611 zond zij, ondersteund door de Stalen-Generaal, eene vloot van dertien schepen,
rykelijk met krggsbehoeflen toegerust, naar
Indië Κ Inderdaad de voordeelen van den In-
dischen handel waren zoo groot, dat
zij zulk eene kostbare uilrusting dubbel waard sche-
nen En zonder wapenen zouden deze voordeelen niet te behouden zijn; want de Span-
jaarden , dus luidden de berigten, wilden in
Indië het Bestand niet erkennen Ook
raakten acht schepen, zoo het schijnt tot de laalstelyk uitgeruste vloot behoorende,
omtrent de Kaap-Verdische eilanden slaags met de Spanjaarden, die na een hevig ge-
vecht cn het verlies van dertien hunner zeventien schepen afdeinsden
llandclsbetrek- Tot in Japan toe trachlten de Nederlanders den Portugezen de loef af te steken.

kinpen met/«joa«
aangeknoopt.

ï VAN METEREN, X, bi. 153, 155.

I

2 VAN METEREN, X, bl. 406, 463, 464.

3 VAN METEREN, X, bl. 155, 211. Recds in October 1609 hadden de Staten-Generaal gelast, het
berijTt van liet sluiten des Bestands met een jagt naar
Indië over te brengen {Resol. der Stat.
Gen.).
Doch het is onzeker, of daaraan gevolg gegeven is. Zie v. wijn, op Wagenaar, X, hl. 15.

4 VAN METEUEN, X, bl. 462, 492, 493.

5 VAN METEBEN, X, bl. 462, 493. WAGENAAn, X, bl. 52.

6 VAN METEREN, X, bl. 463. )

7 WAGENAAn, X, bl. 52. VAN DEN SANDE, Ncderl. IHslor., bl. 174 (Amsterd. 1650). Baudaert,
IV, bl. 193. De beide laatste schrijvers spreken van een geveclit »bij de Soute Eylanden." £cn
namelijk van de Kaapverdische eilanden heet
Ilha do Sal (zout-eiland), cn vandaar haalden de
onzen steeds veel zout.

ocr page 264

1609.

DES VADERLANDS. 403

Wel was reeds in 1Ö86 de uitbreiding en vervolgens in 1596 de uiloefening des Ghris-
lendonas in
Japan verboden; doch nog bragt de handel met de Japannezen den Por-
tugezen schatten op. In 1600 was een Hollandsch schip, de Erasmus^ door eenen
storm, nabij
Bungo op de Japansche kust geworpen. Sommige der zeelieden werden
gered, onder anderen zekere
william adams, een Engelschman van geboorte, die den
Keizer, wien hij was voorgesteld, door de bewijzen zijner kunde en bedrevenheid in
het zeewezen gunstig wist te stemmen. Evenwel werd hem en den zijnen geen verlof
verleend om naar hun land terug te keeren. Doch een zijner reisgenooten, een Hollan-
der, wist in 160S aan de waakzaamheid te ontsnappen, en deelde den admiraal
mateuef,
die in de Straat van Malacca kruiste, berigten omtrent Japan mede, die de Oost-In-
dische Compagnie schijnen uitgelokt Ie hebben twee schepen naar
Japan te zenden.
Deze vertrokken in 1609, zoo het schijnt van uit
Indiëy en kwamen te Firato voor
anker, alwaar zij eene faktorlj oprigtten onder het bewind van
jakob spex Den
gasten jyj[j jjgp gj, ggjj schip komcndc van
Japan te Texel binnen, hetwelk

eenen brief medebragt van den Keizer van Japan in antwoord op de brieven van
aanbeveling, door de Staten op naam van Prins
maurits naar Oosl-Indië medegegeven,
In dezen brief 2 bestempelde de Keizer Prins
madrits met den titel van Vorst van
Holland^
sprak hij met bescheidenheid van de hulpmiddelen van zijn land en van het-
geen hij voor de
onderdanen van den Prins gedaan had, en gaf hij te kennen, dat hy
al zijne Gouverneurs en onderdanen gelast, had, den Hollanders, in wat havens zij komen
zouden, alle gunst en vriendschap te bewijzen, zoodat zij in zijn land konden verkee-
ren en handel drijven, alsof zij in *sPrinsen eigen land waren.

Hadden de Nederlanders, ten einde den vijand met alle mogelijke middelen en op
alle punten afbreuk te doen, zich niet ontzien, hem in het verre Oosten te bestoken,
geen wonder, dat zg ook meer in de nabijheid, waar de Spanjaard slechts betrekkingen
aanknoopte of op magtsuitbreiding hopen kon, hem dadelijk als op den voet volgden om
zyne pogingen te verijdelen. Deze verbazende vaardigheid om den vijand in alle he-
melstreken het hoofd te bieden, droeg de heerlijkste vruchten. Z.oo toch is de oorlog,
ons door
Spanje aangedaan en bestemd om ons te vernietigen, het middel geworden,
dat onze voorouders op elk gebied van
Spanjes staatkunde vasten voet heeft doen vat-
ten. De strijd met
Spanje^ van onze zijde zoo kloek gestreden, is het werktuig van
onze grootheid geweest.

Zoo had Spanje in het jaar 1608 in den burgeroorlog, die Marokko verscheurde,

Betrekkingen
met
Marokko.

ï Deze bijzonderheden zijn ontleend aan een stuk, getiteld Jajian en de Europ, handel^ voor-
komende in de
Welensch, Bladen enz. Aflev.l.lS57, eu ontleend aan de Revue des deuce mondes.

2 Medegedeeld door van metebkn, X, bl. 404, 405.

ocr page 265

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. naauwelijks partij gekozen in de hoop van daardoor in het bezit van eenige zeesleden
in de nabijheid van de straat van
Gibraltar te geraken, of de Bewindhebbers der Ver-
eenigde
Nederlanden namen de eerste gelegenheid waar om voor den tegenstander van
den door
Spanje ondersteunden Vorst partij Ie kiezen. Reeds vroeger hadden zy door
eene daad van voorkomende menschlievendheid zich vrienden in
Marokko welen te ma-
ken. Bij de inneming van
Sluis in 1604 waren eene menigte Tarksche en Moorsche
slaven in de handen der overwinnaars gevallen. Dezen nu werden in vrijheid gesteld,
en » om gunst en veiligen handel bij deze afgelegene volken te winnen" ^, alsmede om
gelijke bejegening van de in de handen der Marokkanen gevallen Nederlanders uit Ie
lokken, werden sommige van hen ten getale van omtrent honderd vijftig op kosten der
Staten met een schip naar
Marokko gezonden. Pieter maartens koje, als Gezant der
Stalen bij deze gelegenheid derwaarts gereisd, was aldaar ten gevolge van den burger-
oorlog opgehouden, en had aan de Staten en Prins
maurits een verzoek gerigt om de
toezending van eenige hulp ten einde den Prins
mulei saidept, in het bezit der slad
Teiuan, die zich voor hem verklaard had, te handhaven. Onmiddellijk besloten de
Stalen Iwee oorlogschepen uit te rusten en onder bevel van
wolfert hermanseiv, die
te voren als scheepsvoogd in
Oost-Indië gediend had, derwaarts te zenden. In Mei 1609
kwamen deze schepen op de plaats hunner beslemming aan; doch te laat, in zooverre
MULEI SAIDEN feeds zonder hen zijn doel bereikt had. Niettemin beloonde de Vorst zich
dankbaar voor de bereidvaardigheid der Staten en zond met de terugkeerende Neder-
landers eenen Gezant mede, met name
hamed ben basghir , met geschenken, in paarden
voor Prins
maurits en tapijten voor de Slaten bestaande, en belast met het aanbod van
vryen handel. Bovendien had hy den geheimen last om der Staten bijstand tegen
Spanje
te vragen. Doch daar deze niet zonder schennis van het Bestand verleend kon worden,
zoo werd zijn verzoek geweigerd. Den vierenlwinligsten December kwam er een Han-
delsverdrag tusschen de Vereenigde Gewesten en den Koning van
Marokko tot stand,
die daartoe eenen Gezant, met name
hamed ben abdalla, herwaarts gezonden had

^ wagenaab, IX, bl. 169.

1 van meteren, X, LI. 163—171, 411—418. Op deze laatste plaats vindt men het Handels^
verdrajj zelve, in 18 artikelen vervat, van welke het 14·^® vrij merkwaardig is en dus luidt:
»Alzoo de ervarinjj leert, dat alle handel, welke bij monopolie aan eenige Particulieren verleend
wordt, het gemeene welvaren der Koningen, jA'^orsten, Gemeenebesten, hunne Landen en onder-
danen schadelijk en tegen de algemeene vrijheid van handel strijdig is, zoo is verdragen, 'dat
in zoo verre zulke handel door Zijne Majesteit (
mulei saiden) tot nadeel der "N'^ereenigde Gewes-
ten, of door de H. H, Staten tot nadeel van Zijne Majesteits Rijken en Landen], te voren toege-
staan is, dezelve dadelijk zal herroepen worden en ophouden, en van beide zijden de handel en
koopmanschap aan een ieder vrijgesteld worden."

ocr page 266

DES VADERLANDS. . - 405

mÊimmmmÊmKÊÊÊ^i^ÊKmmÊÊÊmmmÊÊmimmmmmmmÊÊÊÊÊÊmmmmÊm^mmmÊmmÊmÊÊmÊÊÊmmmÊem^^mÊmmÊmmmmÊm»

In het jaar 1616 lezen wij op nieuw ^ Tan eenen brief Tan mulei saideïï aan de Sla- leio,
len, waarbij hij dank zegt Toor het hem toegezonden oorlogschip en zyne begeerte te
kennen geeft om met de Regeerders
Tan Nederland^ wier trouw hij beproefd heeft,
Triendschap te houden, waartoe hij eenen gezant zenden zou.

Onder de artikelen Tan het met mulei saideic gesloten HandelsTerdrag was er een
(het Tan dezen inhoud: »Zijne Majesteit zal niet toelaten, dat eenige schepen Tan
Maatregelea
deze Landen, door zeeroovers of anderen in zee genomen, in Barbarijê opgebragt of^g^r
aldaar Terkocht worden; maar dadeiyk zal Zij die schepen met de geladen goederen,
door den zeeroover aan den eigenaar doen wedergeTen, en de schade, zooTeel mogelyk,
doen Tergoeden." Een ander (het 16'"''} artikel Terpligt Zijne Majesteit Tan
Marokko »alle
geTangenen der Vereenigde Gewesten in
Barbarijê dadelijk te doen ontslaan en te Terbie-
den, dat Toortaan Tan deze Landen gevangenen in zijne Rijken gemaakt en verkocht
werden." Zoo trachtten de Staten hun verbond met
Marokko te doen strekken om de
ook in de zeeën Tan dit Rijk heerschende Treeselijke ramp der zeerooverij te keer te
gaan. Het slechte beheer in de aan het Turksche Rijk onderhoorige Stalen leerde reeds
toen de ingezetenen, die het daartoe niet aan stoutheid ontbrak, zich ten spyt Tan de
OTerheid gezag aan te maligen en ten koste Tan landgenoot en Treemdeling geld en
goed te TerschafFen. Zoo lang de Europesche Tolken onderling in oorlog Terkeerden,
ontbraken vaak de krachten om de orde op zee te bewaren, ja, gaven zij maar al te
Taak zeiven het Toorbeeld Tan zeeschuimerij en Trijbuilerij, Vandaar dat in hel begin
der zeTentiende eeuw de zeerooverij Tooral in de
Middellandsche Zee en den Oceaan^
die de noordwestkust van Afrika bespoelt, tot eene ontzeltende hoogte was geslegen. Het
gevaar was te grooter, omdat zich onder de zeeroovers ondernemende Europeanen,
Spanjaarden, Italianen, Engelschen, ja zelfs Nederlanders bevonden. Met name worden
een Engelschman
warde en een Hollander simon de danser uit Dordrecht als aanToer-
ders Tan geduchte rooftogten genoemd. Eindelijk moest er Tan den kant der Europesche
Mogendheden raad geschaft worden, en de Republiek der Vereenigde ProTinciën toon-r
de zich niet ongenegen om tot uilroeijing Tan het kwaad de hand te leenen. In den
zomer Tan het jaar 1609 gelukte het eene Tereenigde Spaansche en Fransche scheeps-
magt drie en dertig schepen en eene galei, aan de
zeerooTcrs toebehoorcnde en in de
haTen Tan
Tunis onder het slot la Goleite ter afvaart gereed liggende, in brand te ste-
ken 2. Niettemin was er in het jaar 1611 weder reden tot hooggaande klagten OTer
de zeerooTerij. De Staten Taardigden den 25"'®® Augustus een gestreng plakaat uit tegen
alle zeeroovers als vijanden van het menschelijk geslacht, die zich legen het naluur-

» Bij BAüDAERT, Boek VllI, bl. 62.
? VAN METEREN, X, bl. 155—160.

III Deel. 2 Stuk. Î¯Î¯ÎŸ

ocr page 267

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. en Yolkenregt vergrepen; alsmede tegen dezulken, die hun krijgsbehoeften toevoerden
Uit dit verbod blijkt, dat er hier Ie lande lieden gevonden werden, die bij het leveren
van het benoodigde aan zulk een snood slag van menschen hun voordeel zochten. Op die
afkondiging werd de kroon gezet door de uitrusting van zeventien oorlogschepen onder
bevel van den Heer van
hautain, Admiraal van Zeeland^ die in last had alle schepen
to nemen, welke geen voldoend bewijs konden leveren, dat zg tot de onderdanen eener
wettige Overheid behoorden

Onder de te Sluis door de Staatsche magt in vrijhéid gestelde slaven hadden zich
ook Turken bevonden. Op deze edelmoedige daad beriep zich in het jaar 1610 een
Nederlander,
jakob gijsbreghtsz. , tijdelijk te Constantinopel gevestigd. Begaan met
hetgeen zijne landgenooten van de Turken en Mooren te verduren hadden, daar dezen

Betrekkingen nog onlangs wel tien Nederlandsche schepen genomen hadden, en voor de Nederlanders
met Turkije. i i ·· ι ο i

den toegang tot den handel in de Levant wenschende te openen, had hij den Sultan

door zijnen Admiraal halil pacha te kennen gegeven, hoe kwalijk zulk eene beje-
gening die grootmoedigheid der Nederlanders beantwoordde. Dit was niet zonder uit-
werking gebleven. Getrouw aan de staatkunde zijner naaste voorzaten, die zich gaarne
door een verbond met
Nederland legen Spanje zouden versterkt hebben had de
Sultan AGHMET GHAN bevolen, aan de Nederlanders, die met zijn volk in aanraking
kwamen, alle vriendschap te bewijzen, en aan Prins
maurits en de Staten-Generaal
laten schrijven, dat de haven van
Constantinopel voor hunne kooplieden open stond, en
dat hij hoopte dat zijne vijanden, met name de Koning van
Spanje en de Groothertog
van
Florence^ ook hunne vijanden zouden zijn. Gijsbreghtsz. had bij dezen brief
een schrijven gevoegd, waarin hg aandrong op het zenden van eenen Gezant naar
de Turksche hoofdstad. Hierop besloten de Staten over het bezwaar, dat sommigen
in een verdrag met de Ongeloovigen zagen, heenstappende, aan
gornelis haga ,
uit Schiedam, die reeds vroeger in Turkije gereisd had en onlangs in Zweden met
eene onderhandeling belast was geweest, eene zending naar
Constantinopel toe te ver-
trouwen. Doch weldra bleek, dat
gijsbreghtsz. te hoogen dunk gehad had van de
uitwerking zijner pogingen, en dat men aan eene Oostersche gemoedsuitstorting, want
veel meer hield de vermelde brief niet in, te veel gewigt gehecht had 3. Immers
wilde men
haga , toen hg na eene gevaarlijke reis van zes maanden, in den aanvang
van het jaar 1612 te
Constantinopel was aangekomen, geenszins als Gezant van eenen
vrijen en onaf hankel ij ken Staat, maar, slechts als bijzonder persoon, gehoor verleenen.

1 VAN METEREN, X, bl. 491, 492.

2 BAÜDAERT, IV, bl. 178, 192.

3 VAN ÏIETEKEN, X, bl. 465—471.

ocr page 268

DES VADERLAIiDS.i -ί. 395

De invloed der Treemde Gezanten aan het Turksche Hof^ dieiden Nederlanders geenen 1610.
regtstreekschen handel
op de Turksche liaTeiis gunden was te sterk dan dat die opivelling
van welwillendheid in het hart van den,Sultan en den Admiraal Pacha daartegen van kracht
zou hebben kunnen blijven: bovendien de laatste was thans niet meer aan het bewind:
hy was door een schoonzoon des Sultans vervangen. Bepaaldelijk de Fransche, de Engel-
sche en de Venetiaansche Gezanten, en wij kunnen ons daarover niet zeer verwonderen,
wanneer wij aan de houding der Hoven van
Parijs en Londen tegenover ons Geineene-
best gedachtig zijn, bepaaldelijk de Gezanten dier drie genoemde Mogendheden, die
in de verafgelegen hoofdstad van
Turkije zich zeiven en ons minder meenden te be-
hoeven te ontzien, verklaarden aan het Turksch Bewind, dat wij geenen zelfstandigen Staat
uitmaakten, maar van hunne Meesters afhingen: poogden wij niettemin op onze eigene
hand verdragen aan te gaan, zoo gedroegen wij ons als wederspannelingen tegen onze
Heeren en waren niet beter dan eene opgeworpen zeeschuimersmagt. Tevens bragten zij
dezulken, die de Nederlanders voorspreken wilden, door geschenken op hunne hand. Geluk-
kig dat iiAGA zich niet uit het veld liet slaan. Hoe zal hij het regt van zijne Lastgevers
op erkenning als onafhankelijke gebieders, die wat zij waren aan zich zeiven hadden
te danken, hebben laten gelden; hoe zal hij de elkander wedersprekende beweringen
van
Engeland en Frankrijk hebben trachten te beschamen! Hoe het zij, hij verklaarde
liever zijn hoofd te willen verliezen, dan zich den smaad van slechts als bijzonder per-
soon toegelaten te worden, te laten welgevallen, en vorderde als Gezant eener zelfstan-
dige Mogendheid plegtig gehoor. Ook bereikte hij zijn doel op zulk eene wijze, dat
hij den bijzonderen lof der Turksche Staatsdienaren verwierf, en in Julij 1612 kwam
er een Verbond van vriendschap en koophandel tusschen onzen Staat en den Sultan
AGUMET GHAN tot stand, waarbg aan de ingezetenen der Vereenigde Provinciën dezelfde
voorregten als aan de Franschen en Engelschen werden toegekend, en nog andere
daarenboven. De Nederlandsche slaven, in Turksche boeijen. zuchtende, werden vrij
verklaard, en, hadden de Nederlanders te voren onder Fransche of Engelsche vlag op
Turkije handel moeten dryven en zich van de kostbare ondersteuning der aldaar ge-
vestigde Consuls dezer natiën moeten bedienen, sedert
konden zij derwaarts varen onder
eigen vlag en vonden in de voornaamste havens der Levant Nederlandsche Consuls,

^ Geestig is de uitdrukking van baüoaert (IV, bl. 179), waar hij zegt, dat de Gezanten de
mededinging van onze kooplieden in de
Levant trachtten te weren, »meenende, dat gelijk waar
des Turkschen Keizers paard zijnen voet zet, dat daar geen gras meer wast, naar der Torken
spreekwoord; dat ook waar onze natie hare banieren Iaat vliegen om te negotieren, zij andere
natiën haren groei en wasdom is verhinderende."

2 Zie hiervoor bl. 81, Aanteek. 4. en de jokge, Gesch. υ. h. Nederl, Zeewezen ^ bl. 152.
(uitg. V. 1858).

ÖO*

ocr page 269

596 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. cioor HAG\ aangesteld en eerlang door de Staten-Generaal Tan eene instruclie Toorzien.

Deze schikkingen gevielen den Stalen zoo wel, dat zij besloten den Keizer en den
hoogen Turkschen Staatsdienaren, die tot het sluiten
van het Verdrag behulpzaam ge-
weest waren, buitengewone geschenken toe te zenden, die door onzen Gezant bij eene
tweede audientie, eene gansch ongewone gunst aan dit Hof, den Mei 1613, aan

den Sultan overgeleverd werden
Betrekkingen Dezelfde HAGA., Wij Zeiden het reeds, had de eerste hand gelegd aan het knoopen
van eenen band tusschen ons Vaderland en Zweden. Hier regeerde karel IX, zoon
van
gustaap wasa. Zijn oudere broeder en voorganger, johaknes II, die met de zuster
van SIGISMOÜTD II, Koning van Polen^ den laalsten der Jagellos^ gehuwd was geweest,
had eenen zoon nagelaten, die onder den naam van
sigismond III in Polen regeerde.
Deze, wettig Koning ook van
Zweden^ was in 1599 door de Zweedsche Stenden van
den troon dezes Rijks vervallen verklaard ten gevolge der bemoeijingen van zijnen oom,
KAREL IX, die voor geenerlei maatregelen terugdeinsde en zynen voornaamsten steun
vond in de Protestanten, wier haat tegen de Polen en de Jezuiten hen van den Katho-
lyken
sigismond afkeerig maakte. De beide Rijken, Polen en Zweden^ bleven over
het bezit van
Lijßand in oorlog, en karel IX hield Riga geblokkeerd. Desniettegen-
staande waagden vele, ook Hollandsche koopvaardijschepen de vaart op Riga^ en werden
daarbij veelal beschermd door Deensche oorlogschepen. Zoo waren twee Hollandsche
schepen, verdacht de blokkade te hebben willen trotseren, in handen der Zweed-
sche vloot gevallen en met hunne lading verbeurd verklaard. De reeders dezer
schepen hier te lande beweerden, dat hunne bodems ten onregte aangehouden
waren, daar
Riga hunne bestemming niet geweest was, en zij verzochten, op
hunne eigene kosten, in den naam en met eenen geloofsbrief van de Staten-
Generaal, iemand naar
Zweden te mogen zenden om hun belang aldaar te be-
pleiten. Dit vefzoek werd door de Staten toegestaan en
haga met die taak belast.
Deze kwam den 15^®° Maart te
Nyköping aan, alwaar de Koning toen Hof hield. Na zijne
opwachting gemaakt te hebben bij 's Konings oudsten zoon, later onder den naam van
GUSTAAP ADOLF Wereldberoemd, en zgne pogingen om de opheffing van de verbeurd-
verklaring der schepen met vrij voldoenden uitslag bekroond te hebben gezien, verkreeg
hij ook gehoor bij den Koning, die zich vroeger verontschuldigd had wegens
eene on-
gesteldheid, welke na de beroerte, die hem kort te voren getroffen had, wel niet voor-
gewend zal geweest zijn. Uit naam der Staten wenschte hy Zijne Majesteit geluk met
zijne krooning (in 1608} en bood hem de dienst aan der Republiek. Daarop liet de
Koning zich vrij uit over zijne belangen, en beklaagde zich in het bijzonder over

inct Zweden.

1 BAüDAERT, IV, bl. 178-188.

ocr page 270

DES VADERLANDS. . - 597

Koning christiaan IV van Denemarken^ die hem dreigde Ie beoorlogen, terwijl Zwe- 1610.
dens en Denemarkens gemeene TÏjand, de Koning Tan Polen^ die, zeide de Koning,
door Spanje en de Jezuilen beheerscht werd, nog tegen hem het Teld hield en zelfs
de hand uitstak naar de kroon van
Rusland j toen met Zweden in yerbond

Dus sprekende, zinspeelde de Koning op de plannen, die aan Spanje waren toege-
schreven en in 1605 door ondei-schepte brieven van de Jezuiten te MiwcAe» aan het licht
zouden gekomen zijn, om, namelijk. Koning
sigismond op den Zweedschen troon te
handhaven, en van dezen, was hij eenmaal meester van
Zweden^ voor eene Spaansche
vloot den toegang tot eene welgelegen Zweedsche haven te bekomen, Alzoo zou
Spanjet
met SIGISMOND vereend, zich van de geheele vaart op de Oostzee meester maken en allen
toevoer van graan en timmerhout voor den scheepsbouw uit deze zee naar het VTeslen
afsnyden; in één woord,
Spanje zou, in het bezit van zulk een belangryk punt, inet
de voordeeligsle kansen zijne vyanden
Engeland en Frankrijk bcstryden en eindelek
tot zynen wil krijgen. Om dit ontwerp te beter ten uitvoer te kunnen brengen, zou
met de oproerige Nederlanders een Bestand gesloten en de twist tusschen
karel IX en
Denemarken aangestookt worden. Veelvuldig waren de punten van geschil tusschen
Zweden en Denemarken. Beide Rijken voerden de drie kroonen, het zinnebeeld der
heerschappij over geheel
Scandinavië in hun wapen; beide maakten aanspraak op de
Lapmarken en op het stadje
Sonnenberg op het eiland Oeself voor de Golf van Riga
gelegen. Maar wat vooral kakels onvergenoegdheid tegen Denemarken uitlokte, was de
omstandigheid, dat de Zweden, welke hij zich tot vijanden maakte in
Denemarken
eene toevlugt vonden. Wat daarentegen den Koning van Denemarken bovenal naar
eenen oorlog met
Zweden deed haken, was de hoop om zijne bezittingen in het zuiden
van
Zweden uit te breiden.

Deze staat van zaken in 'het Noorden was alleszins geschikt om der Staten aandacht
te trekken, en hen op eene nadere aansluiting aan
Zweden bedacht te doen zijn. Thans
was door de zending van
haga de weg gebaand tot eene verslandhouding, die later lot
een Averkelyk verbond leiden kon.

Inderdaad kwam er reeds in den zomer van het jaar 1610 een Gezantschap uit
Zweden. In het begin van September ontvingen deze Heeren gehoor bij de Slaten-
Generaal en legden breedvoerig in het Lalgn de redenen bloot, die de Zweden bewo-
gen hadden
sigismond vervallen te verklaren en karel IX tot' hunnen Koning aan te
nemen. In een volgend gehoor op den derzelfde maand gaven zij het verlangen
te kennen om met de Vereenigde Provinciën, alsmede met
Frankrijk en Engeland^
hetzy gezamenlijk, helzg afzonderlyk, in eene nadere verbindtenis te treden. Met

' VAK METEREK, X. bl. 347—351. VBEEDE, Ncdcrl. en Zweden ^ bl. 25—42.

ocr page 271

ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. krachtige redenen konden zij dit verzoek aandringen: immers scheen thans sigismowds
toeleg te zullen gelukken, om gebruik raakende van de vreeselijke verwarring, die na
den dood van
boris gtjdunow^ in Rusland heerschte, zich van dit Rijk meester te ma-
ken, aldaar het Katholicisme ten troon te doen stijgen en met de magt van dit nieuwe
gebied
Zweden te verpletteren. Zoo zouden dan de plannen van Spanje en de Jezuiten
der verwezenlijking nader komen; de tijdelijke verzoening met de
Nederlanden ^ die
noodzakelijk was gerekend om
Spanje in staat te stellen, zijne magt in de Noord-en de
Oostzee
te doen post vatten, was reeds tot stand gekomen, en de uitbarsting van den
oorlog van
Denemarken tegen Zweden zou ook niet lang meer op zich laten wachten.
Op grond van dit een en ander verzochten zij hulp van de Staten, opdat door hun
voorbeeld ook
Engeland en Frankrijk te eerder tot het bieden van bijstand mogten
overgaan: wilden de Nederlanders duizend ruiters leveren om de kans in
Busland ten
voordeele van
Zweden te doen keeren, zoo zouden zij gaarne in onderhandeling treden
over het onderhoud dezer troepen, en intusschen de vaart op
Riga vrijlaten en alle
genomen schepen en goederen teruggeven. Zulk eene voorstelling was wel geschikt om
op de Staten indruk te maken. Doch zij begrepen niet voorbarig te moeten handelen. .
Alleen en zonder medewerking van
Engeland en Frankrijk meenden zij niet sterk ge-
noeg te zijn tot eene onderneming, die de vereenigde magt van
Polen en Rusland zich
tegen hen zou kunnen doen keeren. Om hen te huiveriger te maken kwam alhier
den September de tijding aan, dat de Zweedsche huurtroepen in
Rusland, ver-

stoord. wegens wanbetaling, tegen hunne aanvoerders in opstand gekomen waren en
met SIGISMOPTD zamenspanden. Bovendien ontvingen de Staten in December eenen brief
van den Koning van
Denemarken^ waarin hij hen verzocht wel te willen toezien, dat
zij met de
Zweden geen Verdrag aangingen, dat eenigzins met zijn belang of met de
verbonden tusschen zijne en hunne Landen in strijd kon komen. Op dit schrijven von-
den de Staten geraden te antwoorden, dat zij hunne zaken met
Zweden dus zouden
schikken, dat Zijne Majesteit daarbij geen nadeel leed. Ook gaven zij nu den Zweedschen
Gezanten te kennen, dat zg zich niet magtig genoeg achtten om dadelijk bijstand te
verleenen; bovendien was het niet raadzaam, dus antwoordden zij verder, dat zij vóór
alle andere Mogendheden een verbond met
Zweden sloten, aangezien dezen mogelijk
zwarigheid zouden maken om na hen in het bondgenootschap te treden. Dus rieden
zij
Zweden aan, verdragen te sluiten met de Protestantsche Duitsche Vorsten en met den
Koning van
Engeland; ^ reeds hadden zij hun best gedaan en verder boden zy hunne
diensten aan ter bijlegging van de geschillen tusschen
Zweden en Denemarken y opdat

^ Van Frankrijk wordt geene melding gemaakt, omdat hier toen door den dood van Hendrik IV
alles op losse schroeven gesteld was. Ook Avaren de Zweedsche Gezanten, die reeds naar
Parijs
op weg waren, op het vernemen van Hendriks doodsberigt, teruggekeerd.

598

mm

ocr page 272

DES VADERLANDS. ^ 599

ook de Koning van dit Rijk lid Tan het VerI)ond mögt worden; kwam er ïulfc een 1610.
bondgenootschap tot stand, dan zouden de Vereenigde Landen er niet de minst trouvTe
en hulpvaardige leden van wezen.

Niet langen tijd nadat de Zweèdsche Gezanten dit bescheid bekomen hadden, te we- Gezantschap

HQat Henew-CLt'

ten in April 1611, verklaarde christiaaw IV, Koning van Denemarken^ aan Zweden ken.
den oorlog. Nü meenden de Stalen eene poging te moeten doen om den zoo gevaarlij-
ken krijg tusschen twee Proteslanlsche Vorsten bij zoo veel gevaars, dat van den kant
van het KathoUjke
Polen dreigde, bij te leggen. Dus zonden zij voornamelijk met dit
doel een pleglig Gezantschap naar
Koppenhagen y beslaande uit de Heeren jakob van
wassenaar,
ΗββΓ Van Obdam; rosibout hogerbeets, Raadsheer in den Hoogen Raad,
en doctor
dirk bas, Burgemeester van Amsterdam. Toen dit Gezantschap, in Juhj ver-
trokken , in
Denemarken aankwam, waren de vijandelijkheden niet meer te keeren en
was de stad
Calmar reeds door de Denen ingenomen. ^ Ook mislukte de poging geheel;
en het laat zich denken, dat onze Gezanten zich niet te beroemen hadden op eene
heusche bejegening van eenen Koning, die berucht is wegens de onbeschoftheid, die
hij zich tot zelfs in brieven en staatsstukken toe veroorloofde. Toen zij eindelijk te
Calmar gehoor by hem bekomen en hem voorgehouden hadden, dat de godsdienst by
zijn geschil met
Zweden schade slond te lijden, antwoordde hij kortaf; er is hier geene
sprake van godsdienst, maar het betreft mijn regt op
Zweden Hij beschouwde dit
land als een afgescheurd deel van zijn wettig Rijk, en ontzag zich niet te verklaren,
dal hij geene vertoogen afwaclilte van Staten, die insgelyks tegen hunnen wettigen Heer
in opstand waren gekomen. Ziende, dat zij op hem niets vermogten, begaven zich de
Gezanten, volgens den hun gegeven last, naar
Zweden^ waar zij ongemeen beleefd
ontvangen werden, en de verzekering bekwamen, dat de Koning niets liever wenschte
dan den vrede hersteld te zien, en gaarne alle verhooging van lasten, waarover de Hol-
landers zich beklaagden, afschaffen en de hun toegebragle schade vergoeden zou. Onze
Nederlandsche diplomaten, zich met voorbeeldige volharding van eenen post kwijtende,
die in dien tijd en vooral in dit geval verre van aangenaam was, verzochten, van
Zwe-
den
teruggekeerd, op nieuw gehoor bij den Koning van Denemarken. Doch zij slaagden
niet beter dan vroeger. Integendeel, thans verklaarde de Koning,· dat hij van geene ver-
mindering van tollen of herstel van schaden, die naar krijgsregt geschiedden, hooren
Avilde, en zeide, zoo mogelijk nog uitdrukkelijker dan te voren, dat hij geene Slalen kende,
en evenmin met hen, als met de Landen, die zij vertegenwoordigden, ooit gehandeld had,
maar wel met de Koningen van
Spanje ^ hunne wellige Vorsten Geen ander ge-

ï vA!i ΜΕΤΕΠΕΝ, X 1)1. 443—455. VKEEDE, t. a. p. bl. 42—52.

2 Non agitur de religione, sed de rcgionc.,

3 van meteren, X, bl. 481 482. vreede, t. a. p. bl. 62—55.

ocr page 273

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. voelen was van eenen Koning te wachten, die nog allijd de bijna eene eeuw geleden
omwenteling, welke zijnen voorzaat
ghristiaait H uit Zweden verdreven en aldaar de
wasas op den troon gebragt had, niet kon laten gelden, en nog in 1611 den Koning van
Zweden^ gustaaf adolf, die zijnen vader was opgevolgd, den koningstitel niet verkoos
te geven, maar hem slechts Hertog noemde. Zijn heerschzuchtig vasthouden aan zijn eigen
vermeend Vorstenregt verduisterde zgnen blik in die mate, dat hij in zijn hart zamen-
spande met eene magt,'die de natuurlijke en de zedelijke betrekkingen van zijn Volk
hem als vijandig moesten doen aanmerken en ook zijn persoonlijk belang hem later
dwong te bestrijden. Gelukkig was hij, bij zijnen Adel geene genoegzame ondersteuning
vindende, buiten magie om den oorlog lang voort te zetten. Tegen het einde des jaars
1612 nam hij
Zwedens vredesvoorslagen aan.

Wg hebben gezien, dat onze bondgenooten, Engeland en Frankrijk^ in afwachting
van hetgeen de toekomst kon baren, nog altijd niet van zich konden verkrijgen om ons
volmondig als eene zelfstandige Mogendheid te erkennen. Ontmoedigde dit onze Bewinds-
lieden ? Wreekten zij zich door te kennen te geven, dat zoo de Mogendheden ons niet als
tot gelyken rang geregtigd wilden beschouwen, wy ons ook ontslagen rekenden van de
verpligting om als eene zelfstandige Mogendheid op te treden en met ons goed en bloed
eenen rang op te houden, dien de andere Mogendheden te handhaven hadden, maar
dien men ons toch niet gunde? Verre vandaar, In het weigeren van hunnen bgstand,
door
Zweden ingeroepen, hadden zij zich verstandig en omzigtig betoond; doch waar,
al was het ook niet op hun eigen grond, de vijand moest bestreden worden, aan wien
zij hun vrij volksbestaan ontwrongen hadden; waar het er op aankwam het begonnen
werk niet te laten varen, daar wachtten zy geene uitnoodiging van anderen af, noch
maakten voorwaarden vóór zij handelend optraden. Dit bleek voldingend uit de partij,
die zij kozen, toen ten gevolge van den strijd over de opvolging, in de Kleefsche
Landen gerezen, voor geheel
Europa de gewigtigste belangen op het spel stonden,
strijd om de Den Maart 1609 was johan Willem, Hertog van Gulik^ komen te overlijden.

Guliksche erfe zjjnen dood was het de vraag, wie regt had op de erfenis der landen van Gulik,
Kleeft Berg, Mark, Ravensburg
en Ravenstein, die volgens de huwelgksvoorwaarden van de
grootouders van wglen den laatsten Hertog nimmer vaneen gescheiden mogten worden.
De Hertog had geene kinderen, maar slechts vier zusters nagelaten, die om haar regt
te bewgzen zich konden beroepen op een privilegie, in
1546 door karel V aan den
Hertog van
Gulik geschonken. Hierop geen acht slaande, beschouwde de Keizer rtj-
dolf II de genoemde landen als leenen, die bg ontstentenis van mannelijk oir aan het
Rijk vervielen, en
ghristiaan II, Keurvorst van Saksen, beweerde reeds vroeger met
de thans openstaande leenen wettig beleend te zyn. Doch het liet zich aanzien, dat de
Keizer zich om zijne belofte aan den Keurvorst van
Saksen gegeven, niet zou bekreu-
nen , maar, aan de inblazingen der Jezuiten gehoor gevende, ten laatste over de erfenis

Bi

f

nis.

u

ocr page 274

DES VADERLANDS. ^ 413

ten behoeve van eenen Kalholgken Vorst en bondgenoot van zijn Huis zou beschikken. 161^· |

De Hertog van GuUk was aan het Katholicisme trouw gebleven, en, werd hij door eenen |

Prolestantschen Vorst opgevolgd, zoo was de Hertog van Beijeren onder de Duitsche !|

Vorsten van den eersten rang de eenig overgebleven Katholijk. Moest nu het regt der I

zusters van den overleden Hertog gelden, dan zou werkelijk een Protestantsche Vorst I

zyn opvolger wezen. Zijn oudste zuster, namelijk, was in 1572 gehuwd met albregdt |

FREDERIK, hertog van Pruisen; de oudste dochter uit dit huwelijk had den Calvinistischen i

Prins johan sigismond, Keurvorst van Brandenburg, getrouwd, en deze vorderde thans, |

uit naam zijner gemalin, de gansche nalatenschap. De tweede zuster van den laatsten
hertog van
Gulik was gehuwd met den Lutherschen Vorst filips lodewijk. Paltsgraaf
YdinNeuburg, wiens oudste zoon, wolfgawg Willem, van wege zijne moeder op dezelfde
nalatenschap aanspraak maakte op grond dat een mannelijke nakomeling, volgens de
wetten des Rijks, de voorkeur had boven de dochter der oudste zuster. Nog twee f

andere zusters des hertogs, de eene getrouwd met johaw. Hertog van Zweibrück ^ broe- |

der van den Paltsgraaf van Neuburg, de andere met karel, Markgraaf van Burgau, |

en zoon van wijlen den Aartshertog Ferdinand, vorderden ten minste een deel der Î

erfenis; maar haar eisch kwam vveinig in aanmerking, daar hare magt, bij die der |

erven harer oudere zusters vergeleken, weinig te beduiden had. , |

Alzoo gold het hier de vraag, of de magt van het Huis Tan Habsburg met de Gu- Gewigt derbe- |

Ifliigcn, (lifi lïier

liksche en Kleefsche landen zou vermeerderd , en te gelijk

eene nieuwe kans lot over- op liet spel ston-
wigt in Duitschland en Europa aan het Katholicisme zou verzekerd worden. Te gewis-
ser kon men verwachten, dat Protestanten en Katholijken in
Duitschland bij deze ge-
legenheid hunne krachten zouden beproeven, omdat juist de verbittering tegen de Ka-
tholijken eene
Unie der Protestantsche Vorsten had doen ontstaan, waartegen zich
de Katholijke
Liga onder Hertog maximiliaan van Beijeren gevormd had. Voor de
Republiek der Vereenigde
Nederlanden was de zaak bovendien van onmiddellijk belang,
vermits die landen aan hare oostelyke grenzen paalden. Vestigde zich daar een bond-
genoot van
Spanje, van de Aartshertogen en het Katholicisme, dan kon zg er op re-
kenen , gedurig van die zijde bestookt, te worden, en bij eene hervatting des oorlogs zou
een gewigtig terrein van krijgsondernemingen zich met al zijne hulpmiddelen in dc
hand harer vyanden bevinden, die van daaruit de Provinciën gemakkelijk zouden kun-
nen overstelpen. Daarom hadden de Staten reeds vóór jaren den Keurvorst van
Bran-
denburg
en den Graaf van Pallz-Neuburg aangemaand om zich onderling te verstaan
en bg tijds voor de handhaving hunner regten te waken i.

Toen, op het oogenblik dat de onderhandelingen over het Bestand ten einde staatkunde der
111111 Î› ι·ι 1 1_ 1 staten
betreiTcn-

spoedden, het doodsberigt van den Hertog van Guhk aankwam, scheen deze gebeur- de deze xaak.

ääSid

1 Zie hiervoor, Iii, 102.

III Deel. 2 Stuk. lil

ocr page 275

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. tenis het sluiten van dit Verdrag weder min raadzaam te maken. De Staten verklaar-
den terstond, dat zij zich tegen elke onderneming der Aartshertogen in de landen
van
Gulik en Kleef met kracht verzetten, zouden. Ja, Prins maurits zou derwaarts da-
delijk krijgsvolk hebben willen zenden, eer anderen den onzen vooruit mogten zijn ^
Maar de Overheden van de genoemde hertogdommen verzochten zoowel de Staten als
de Aartshertogen niets in hunne landen te ondernemen, verklarende, dat zy gezind
waren, geene troepen van welken Vorst of Mogendheid ook binnen hunne grenzen toe
te laten, voor en aleer uitgemaakt zou zyn, wie hun wettige Heer was Beiden, de
Aartshertogen en de Staten, waren te begeerig om het Bestand gesloten te zien, dan
dat zij met deze schikking geen genoegen zouden genomen hebben. Ook beloofden zij,
ieder van hunnen kant, aan de Kleefsche Regenten, zich van eiken maatregel ten aan-
zien van de door hen bestuurde landen te zullen onthouden, onder voorwaarde, dat
niemand anders ze bezette Deze overeenkomst kon minder geruststellend schijnen
voor de belangen, die de Staten voorstonden, aangezien de Guliksche en Kleefsche
Overheidspersonen grootendeels afhankelijk waren van den Keizer en van den Koning
van
Spanje, en zich sints lang in het genot van jaarwedden bevonden, hun door deze
Vorsten verstrekt. Zelfs de Drossaart van
Gulik, de eenige belangrijke vesting, was
op de hand van
Spanje Κ Zoo kon de onzijdigheid moeijelijk eerlijk gemeend wezen.
Daartegen echter stond over, dat Prins
maurits meende insgelijks op eenen aanhang
in de hertogdommen te kunnen rekenen, sterk genoeg om er de keizerlyke en Spaan-
sche partij uit te houden Hoe het zij, het Bestand werd
, in weerwil van de nieuwe
aanleiding tot oneenigheid, gesloten.
Alleenlijk bleef men van onze zijde op zijne hoede,
en
OLDENBARNEVELT Verklaarde, dat de Staten zich reeds sedert lang tot hulpbieding
aan den Keurvorst van
Brandenburg en den Paltsgraaf van Neuburg verbonden hadden
in geval hunne regten mogten miskend worden, en dat zy diensvolgens niet in gebreke
zouden blijven de wapenen ten hunnen behoeve aan te gorden, mits de Koning van
Frankrijk mede gewapenderhand partij wilde trekken i

De staatkuude Dat HENDRIK IV Weigeren zou dit te doen, daarvoor behoefde geene vrees te bestaan.

raTt"betieickingZijne staatkunde met betrekking tot de beide Vorsten, die aanspraak maakten op de

tot deze zaak.

1 JEANKIN, Négoc. IV, p. 52, 53, 61.

2 JEANNIN, IV, p. 39, 46, 50.

3 jeaknin, IV, p. 50.

^ jEAssm, IV, p. 46, 51, 52.

JEAKSIN, IV, p. 57.
ö JEANKIN, IV, p. 59, 61.

ocr page 276

DES VADERLANDS. ^ 415

Guliksche nalatenschap, was altijd dezelfde geweest als die Tan oldenbabnevelt, en te icio.
oordeelen naar den brief, door hem dadelijk na het vernemen van het overlijden des Hertogs
van
GuUk aan zijnen Gezant m Holland geschreven, zou hij gaarne de onderhandelingen
over het Bestand hebben zien afbreken, ten einde dadelijk bij magte te zijn, met Fran-
sche troepen, ondersteund door het leger der Staten, krachtdadig op te treden ^
Inderdaad,
Hendrik IV meende, dat thans de tijd gekomen was om zyne beginselen
en de magt van
Frankrijk tegen het Huis van Ilahshurg en den invloed van Spanje
te laten gelden. In Spanje zag hij steeds den grooten tegenstander legen de zege van
zijne staatkunde tot in zijn eigen Rijk toe. Wat legen zijn beginsel van slaalseenheid,
op gewetensvrijheid en standsvrijheden gegrond, was aangekant, spande stilzwijgend of
metter daad met
Spanje zamen. Spanje dus moest gekrenkt worden, wilde hy
meester blijven in zijn eigen Land, en was
Spanjes hoop gevestigd op bondgenootschap
met de Habsburgers en op de zege zijner staatkunde in het door twisten verscheurde
Duilschland, zoo moest Spanje door Frankrijk in Duitschland bestreden worden. AVerd
hier de zege behaald, zoo zou
Hendrik cenen toestand van zaken in het Duitsche Rijk
weten in te voeren, juist tegenovergesteld tegen den geest van
Spanje, welke alle
individueele zelfstandigheid doodde; eenen toestand, die welligt
Frankrijks verheffing
lol den rang van zedelijk opperhoofd van een Europesche Slaten-Republick zou
medebrengen. Tot de verwezenlijking van zulke plannen scheen het tijdstip aangebro-
ken. Van den Keizer was weinig krachtsbetoon te wachten; de Prolestanlsche Unie
behoefde niets zoo zeer, verlangde niets liever, dan
Hendrik als haar opperhoofd te
erkennen, en eindelijk
sully hield niet op den günstigen slaat van Frankrijks geld-
middelen uit te melen. Zag
Hendrik alzoo ongaarne de kans vergaan om dadelijk na
's hertogs overlijden den gewenschten slag te slaan, het was Ie wachten, dat, liet zich
eene vijandige magt in de Kleefsche landen gelden, hij niet lang talmen zou met lus-
schen beiden te treden.

Weldra zagen zich zoowel Hendrik als de Staten geroepen lot eene gewapende tusschen- Maatregelen

O 1 Ï€ r van de Vorsteu

komst. Beiden, johan sigismond. Keurvorst van Brandenburg, en filips lodewijk, vani?rß«<i<?mikry

en Neuhurg.

Paltsgraaf van Neuhurg, zich niet bekreunende om hel besluit der Kleefsche en Guliksche
raagistraals-personen, die verklaard hadden de beslissing des Keizers te willen afwach-
ten, begonnen zich als weltige beeren der opengevallen landen Ie gedragen, daar elk
hunner de Stenden van
Gulik tot de huldigingsplegligheid opriep en ambtenaren be-
noemde. Deze houding der Vorsten gaf den raadslieden des Keizers eene geschikte
aanleiding om de zaak voor den Rijkshofraad Ie brengen: immers scheen door den stryd
der mededingers de landvrede gevaar te loopen van verbroken Ie worden. Thans wer-
den de beide Vorsten gewaar, dat, zoo zij voortgingen elkander de erfenis Ie betwisten,

1 JEANKis, IV, p. 31—35.

ocr page 277

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. deze ligt voor hen beiden verloren zou gaan. Zoo gaven zy dan ihans aan de zoo
dikwyls herhaalde aanmaningen van de Staten-Generaal en aan den raad van eenige
vredelievende Vorslen gehoor, en sloten te
Dortmund, in de maand Mei 1609, een ver-
drag, waarbij bepaald werd, dat zij de »landen voorloopig te zaraen zouden possideren,
administreren en regeren, totdat de principale zaak zoude vriendelijk verdragen of an-
ders beslecht wezen." Van dit hun verdrag gaven zij in de maand Julij »bij aanzien-
lijke Gezanten" kennis aan de Staten-Generaal en w verzochten hunne Hoog Mögenden
in efFecte lot handhouding van dien i." Zoo waren dan de Vorsten tot den stap ge-
komen, dien de Staten steeds van hen verlangd hadden. Geen wonder, dat zij de me-
dedeeling met blijdschap vernamen en hunne handhouding volvaardig beloofden. Ook
de Koning van
Frankrijk gaf door eenen brief aan den Landdag te Düsseldorf zijn
genoegen over het besluit der Vorsten te kennen, en beloofde hun zijne gunst en bij-
stand, betuigende, dat hij zich tot dezen slap geroepen achtte, daar hy, wien God het
edelste en magiigste koningrijk in handen gegeven had, zich als den naluurlyken hand-
haver van rust en geregligheid in de gansche Christenheid beschouwde 2. Doch de te-
genpartij zat niet stil. De Keizer vaardigde een bevel uit, waarbij den Raden, Stenden
en onderdanen der Guliksche Landen verboden werd vóór 's Keizers beslissing iemand ais
opvolger van hunnen hertog te erkennen. Zijne nalatenschap werd voor een open rijksleen
De Aaitsher- verklaard, en aan den Aartshertog leopold , bisschop van Passau en Slraashurg, Averd
ofiUic^^^'^^^ ''de laak opgedragen om het land vooreerst te bezeilen. Deze Vorst, die reeds om het
bezit van zijn bisdom
Slraashurg aan het hoofd van gewapende huurbenden gestreden
had en van wien weinig inschikkelijkheid te wachten was, verscheen onder den titel
van Commissaris des Keizers in de stad
GuUk, waar hij goed ontvangen werd, dewijl
WESTELRAAD, de drossaart der stad, zich reeds ten behoeve van den Keizer van deze
plaats verzekerd had. Wel wetende, van welken kant de krachtigste tegenstand zou
komen, liet
leopold de Staten-Generaal in de maand Augustus door brieven en ge-
commilleerden verzoeken, de Vorslen, legen wie hij was opgetreden, niet legen hem
Ie willen ondersteunen. Hierop antwoordden de Stalen, dal zij aan de
possiderende
Vorsten (want zoo werden johaw sigismond van Brandenburg en filips lodewijk van
Palis-Neuburg sedert het verdrag van Dortmund genoemd) in volle vertrouwen op de
reglmatigheid van hetgeen dezen verrigt hadden, handhouding van hunne overeenkomst
beloofd, en de naburige Koningen en Vorsten een gelyk besluit genomen hadden.
Groot was dus ihans hunne bevreemding dat zijne vorstelijke Doorluchtigheid zoo ge-

^ Memorie in 1614 door oldenbarkevelt gesteld en toegezonden aan van der myle, der Staten
Gezant te
Venetië. Van deze Memorie, berustende in handschrift op het Rijksarchief, is ook in
liet vervolg gebruik gemaakt.

2 van metereji, X, bl. 267.

ocr page 278

DES VADERLANDS. ^ 417

streng tegen de possiderende Vorsten opkwam. Ten slolle gaven zij hunne hoop te lüio.
kennen, dat hij weldra, beter ingelicht, het verdrag der Vorsten zou laten gelden ^

Inlusschen trachtten de possiderende Vorsten zich in staat te stellen, het geweld van
den Keizerlijken Commissaris mei geweld te keeren. Rustte zich
leopold ten strijde
en stroomden hem Spaansche, ItaUaansche en Waalsche soldaten toe, de Vorsten daar-
entegen verzekerden zich van de verdedigingsmiddelen, die het land buiten de stad en
vesting van
Gulik aanbood, polsten de Staten-Generaal en den Koning van Engeland,
of zij op hunnen bijstand konden rekenen, en ontvingen van den Koning ύάτϊ Frankrijk
bekwame krijgsbevelhebbers, tegelijk met de verzekering, dat de Fransche soldaten in
de dienst der Vereenigde Provinciën ter hunner beschikking gereed waren 2.
Iq Januarij
1610 kwam er te
Hall in Zwaben eene vergadering bijeen van Evangelische Duitsche Bijeenkomst (,«
Vorsten en Stenden, alwaar ten overstaan van de Gezanten der Koningen van Frankrijk,
Engeland
en Denemarken, het verdrag van Dortmund vernieuwd en versterkt werd. Een
gevolg dezer bijeenkomst was, dat er van wege de possiderende Vorsten met
iiendrik. IV
en JACOB I, alsmede met de Staten-Generaal, onderhandelingen geopend werden, die
tot de uitkomst leidden, dat elk dezer drie Mogendheden zich verbond om een zeker
aantal troepen te leveren, ten einde
leopold van Oostenrijk uit het land te verjagen.

Zoo zou dan onze Staat, nog geen jaar na het zoo vurig gewenschte Bestand", de
wapenen weder opvallen ! In het vooruitzigt van hetgeen de Kleefsche zaken konden
opleveren, hadden
jeannin en Prins maurits den Staten geraden geen enkelen krijgs-
man af te danken, voordat de bekrachtiging des Bestands van den Koning van
Spanje
zou zijn ingekomen Na de ontvangst dezer bekrachtiging werd de legermagt, die
volgens de jongste monsterrollen twee en veertigduizend voetknechten en vierduizend
ruiters bedragen had, tot op dertigduizend man voetvolk en drieduizend man paardevolk
verminderd. Deze vermindering echter werd niet verkregen door verkleining van het
aantal vendels, maar door de beperking van het getal manschappen van ieder vendel

ï··

^ Het is opmerkelijk waar te nemen , hoe oldenbarnevelt in de genoemde Memorie aan var der
aiyle
den eigenlijken zin opgeeft van dezen (door vak meteren, X, 280—283 medegedcelden) met ^

zoo veel bekwaamheid gestelden brief. »Daerop, schrijft hij, bij hare H. M. ■— geantwoort, dat
zij aan — de possiderende princen belooft hebben de hanthoudinghe van haer accordt ■—
jegens
alle violente ende feytelijcke turhatien;
oock dat hare H. M. wel verzeeckert waren, dat die na- |

buriglie eoningen ende eenighe cheur- ende forsten van gelijcke te doen geresolveert waren; ver-
sochten derhal ven Sijne — deurluehticheyt, dat hem gelieven zoude
die saecken tot ghene extrc-
mitcyten te laten kommen."

2 De bevelhebbers der vierduizend Fransche soldaten, toen in de dienst der Vereenigde Gewes-
ten, werden, even als die der drie Engelsche regimenten, door de Staten betaald.

3 jEA^xit, Ndgnc. IV, p. 53, 5S.

ocr page 279

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

ϋΡ

1610. tot zeventig man Dus behield de Staat nog eene aanzienlijke krijgsmagt op de been
en ÏD het behoud der kaders bezat men het middel om het leger zonder omslag weder
tot zijne vorige sterkte te brengen. Dit was maar al te zeer noodig. Want dankten de
Aartshertogen ook veel volks af, dit was voor de Staten meer eene schijnbare dan we-
zenlijke vermindering van het hen steeds dreigend gevaar; immers gingen de manschap-
pen, die zij afdankten, in de dienst van den Keizerlijken commissaris te
Gulik over 2.
De staten be- Ιπ de lente van het jaar 1610 besloten de Staten niet alleen tweeduizend man voet-
pende" tusschèu- vphonderd ruiters onder het beleid van Prins frederik Hendrik den Vorsten,

komst. (jje ^ich in het bezit der Kleefsche landen gesteld hadden, ter hulp te zenden; maar

hen bovendien; buitengewoon en tijdelijk, met nog duizend ruiters en tweeduizend
soldaten en eene niet onaanzienlijke hoeveelheid stukken geschut, voorzien van de
noodige munitie, te ondersteunen. Deze troepen zouden te velde trekken, zoodra het
leger des Konings van
Frankrijk bg Mésières of elders de Maas zou zijn overgetrokken.
Voegden zich bij deze vereenigde magt nog de troepen, die de Koning van
Engeland
voor dezen krijgstogt bestemde, dan rekende men, dat uit de Nederlanden omtrent
twaalfduizend soldaten te voet en meer dan zestienhonderd ruiters met een redelijkèn
trein van geschut zouden oprukken
Hendrik IV Maar Hendrik IV had veel grooter plannen. Hij maakte een geducht leger in
gen van deze ge- Frankrijk marschvaardig en was op het punt om zich aan het hoofd dezer krijgsmagt
beurtcnis. ^^ plaatsen, toen hij den 14'^®'^ Mei door het mes van ravaillac om het leven kwam.

Uiterst gewigtige gebeurtenis voorwaar! De zaak van het Protestantismus, de zaak van
het verzet legen de Spaansche staatkunde in
Europa scheen gewonnen, nu het lot
eenen oorlog onder het opperbevel van
Hendrik den Grooten komen zou. Door den
dood van dezen éénen man scheen de Paus, scheen
Spanje, scheen de zwakke Keizer,
schenen de Jezuiten alles te winnen, — en toch hebben zij bij dezen moord weinig
baat gevonden en len slotte oneindig veel verloren. Hadden
Hendriks beginselen van
Staatsbestuur in
Frankrijk toegepast kunnen worden, zoo zouden de Rijksgrooten, in
hunne heerlijkheden gevestigd, de patronen hunner onderdanen gebleven en meer en
meer geworden zijn; terwijl zy thans, weldra door
righelieu vertreden, onder mazarin
door dwaze aanslagen verzwakt, door lodewijk XIV ontzenuwd, het volk aan zich
zelve en aan 's Konings willekeur zouden overlaten, opdat het eenmaal trachten zou
zich zeiven regt te verschaffen, en alle banden van aristocratie en priestergezag beide zou
afwerpen. Zoo hebben zij, die juichten in
Hendriks val, door de eindelijke gevolgen

1 JEANXIN, IV, p. 133.

2 VAN ΜΕΤΕΠΕΝ, X, bl. 200.

3 Rapport van de UIL Gecommitteerden geweest hebbende in Engelandl in den Jaere 1610. In
het Rijksarchief.

ocr page 280

DES VADERLANDS.

407

van dien dood hun rijk, ten minste τοογ eenen tijd, geheel vernietigd gezien. En voor icio.
ons Vaderland was de ontzettende gebeurtenis van den 14'^®° Mei van eene heih-ijke
werking. Zoo raakten wij eenen beschermheer kwijt, die misschien onze zelfstandig-
heid, om zoo te spreken, in zijne vaderlijke omarming zou verslikt hebben. De on-
heuschheid van
jagob van Engeland kon des noods met mannelyke taal beantwoord
worden; maar tegen den toon, door
Hendrik IV tegenover ons aangenomen, viel niet
te redeneren. En wat hem onwederstaanbaar maakte was juist dat zgne plannen treffend
met het belang der Republiek en de haar door de kracht der omstandigheden voor-
geschreven staatkunde zamenstemden. Vandaar dat hij en
oldenbarnevelt , wien geen
Etiropeesch staatkundig vraagstuk te diep of te ingewikkeld was, elkander zoo goed
verstonden, en
hewdrik den Hollandschen Staatsman als een der bevorderaars zijner de
gansche Christenheid omvattende inzigten beschouwde. Vandaar dat Prins
maurits nog
in het jaar 1609, sprekende van de hulp, den Keurvorst van
Brandenburg in Gulik te
bieden, tot den Gezant van den Koning van
Frankrijk de uitdrukking bezigen kon,
dat hij, MAURiTs, gezind was in deze zaak
zijne Majesteit te dienen Zoo zou onze
Republiek medegesleept zijn in alles wat de Koning aan het hoofd van zijne veertig-
duizend man zou ondernomen hebben. Misschien zou zij de hand hebben moeten leenen
lot eene geweldige omwenteling in de zuidelyke
Nederlanden^ en zich al de hagche-
lijke gevolgen hebben moeten getroosten eener verdeeling der Belgische gewesten.

Doch op het oogenblik zelve was de slag, die Frankrijks groolen Koning getroffen
had, wel geschikt om zijnen vyanden moed in te boezemen, en zijne vrienden Ie ont-
stellen. De Aartshertog
leopold, die in de eerste maanden van het jaar IGIO, ziende
welk een storm er over zijn hoofd stond los te barsten, niet wars was geweest van
het denkbeeld om met de beide possiderende Vorsten eene overeenkomst te treffen,
vernam naauwelijks den moord van
heivdrik IV, of hij dacht niet meer aan verzoening, .
en begaf zich eerst naar
Praag <?n vervolgens naar den Elzas om manschappen te
werven ten einde den oorlog met verdubbelde krachten voort te zetten. Onze Staats-
lieden echter verloren den moed niet. Zij begrepen, dat nu de last der taak van de
verdediging van
Hendriks staatkunde voornamelijk op hunne schouderen zou nederko- "endiuks dood.
men, zij zich voor die laak berekend moesten toonen; dat zij bewijzen moesten, dien
beschermheer te kunnen missen, en verre van zich radeloos aan te stellen bij zijn ver-
lies , door de behartiging van hetgeen zij de zaak der Christenheid achtten en noemden,
de door hem nagelaten erfenis moesten aanvaarden. Dank zij God, en eeuwige eer zij
bepaaldelijk
oldenbarnevelt, dat zij zoo gedacht en zoo gehandeld hebben. Dit is de
voorwaarde van de grootheid onzer Republiek geweest. — wNa den gruwelijken moord.

ï JEAKKIN, IV, p. 58.

ocr page 281

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

ICIO. schrijft oldenbariievelt werd niels nagelalen, dat eenigzins tol opbeuring der beide
Vorsten in de
Guliksche en Kleef sehe Landen dienen kon en in hel vermogen van
hunne Hoogmogenden was; zulks dat de hun beloofde bijstand wel zevenmaal hooger
dan naar evenredigheid, zoo van volk van oorloge te paard en te voel als alle andere
benoodigdheden, vermeerderd werd, en bovendien ondersteunden zij de Vorsten met geld,
krediet, geschut en oorlogsbehoeften." In de Resoluliën van Holland, op den 28'""
Mei, lezen wij: »dat de verfoeijelyke moord, bedreven in den persoon van den Ko-
ning van
Frankrijk^ de Heeren Staten behoort te bewegen tot meerdere standvastigheid
en vastberadenheid, zoo voor de bescherming der Vereenigde Landen als ten dienste
der bondgenooten, bepaaldelijk der possiderende Vorsten." En dadelijk na de ontvangst
van de treurmare uit
Frankrijk schrijven de Staten aan de Gezanten der Republiek,
die zich te
Londen bevinden, en in eene opzettelijk gevraagde audiëntie geven dezen
aldus der Staten gevoelen weder: » De aan den persoon des Konings van
Frankrijk ge-
pleegde moord geeft allen Koningen, Vorsten en Gemeenebeslen der Christenheid viij
wat stof om ernstig op de uitroeijing der voornaamste aanleggers van zulke helsclie prak-
tijken bedacht te zijn." En na den Koning verzocht te hebben de bestaande orde in
Frankrijk^ zoo veel in hem was, te handhaven, en de hulp, die hij aan de Guliksche
Vorsten verleenen wil, te versterkenvoegen zij er bij: »Hunne Hoog Mögenden zijn
van oordeel, dat hiervan niet alleen het heil der Keurvorsten en der andere Evaogeli-
sche Stalen van
Duilsehland afhangt, maar ook dal van uwen koninklijken persoon
cn kroon, ja van de geheele Christenheid, daar op dit oogenbhk aan uwe Majesleit
de gelegenheid gegeven is om der wereld te doen blijken, dat
Zij bij magte is om de
zaken van
Frankrijk, van Duilsehland en van de Vereenigde Provinciën uit de klaau-
wen van hen te houden, die van de Alleenheerschappij droomen. Weshalve wy zeer
nederig verzoeken, dat het uwer Majesteit behage, op deze zoo belangrijke zaak een
koninklijk, onbekrompen en vooral ras besluit te nemen, om het voordeel niet te mis-
sen, dat hij die niet draalt op zijne tegenparty vooruit heeft, en ons te onderrigten
van Hare voornemens en besluiten om ze met vergunning uwer Majesteit aan Hunne
Hoogmogenden te kunnen mededeelen. Haar van hunnentwege verzekerende, dat zij
niet in gebreke zullen blijven Haar met alle magt ie ondersteunen." Deze opening,
waarbij de instructie, die aan de Gezanten in
Frankrijk was medegegeven en het schrif-
telijk antwoord van
Hendrik IV waren overgelegd, vleide den Koning van Engeland,
Het antwoord by monde van den Heef Groot-Thesaurier luidde: »dat hoewel zijne
Majesleit en die van zijnen Rade nooit getwijfeld hadden aan de
sincerileit en rondeur
van de Heeren Staten, zij noglans alsnu door de mededeeling van die stukken te meer
redenen hadden om te gelooven, dat Hunne Hoogmogenden met zijne Majesteit openlijk

1 Jn (Ie IjOYcnvermelde Memorie.

ocr page 282

1609.

DES VADERLANDS. 1610

en sinceerlijk wilden te werk gaan." Niellemin had de inzage der met Hendrik ge-
wisselde stukken het vermoeden gewekt, dat er, builen
Engeland om, nog iets tusschen
Frankrijk en de Vereenigde Nederlanden verhandeld was. Dus verzocht men nadere
inlichting, en hoe behendig de Gezanten ook antwoordden, er bleef achterdocht be-
staan, en de Groot-Thesaurier liet zich uit, dat de Koning van i^rawÄnj'Ä gemeend had
een
meesterlijken slag {coup de maistre) te slaan, maar dat wie alles wilde hebben,
wel alles kon verliezen, en dat men zulks niet behoorde gedaan of ter hand genomen
te hebben zonder zijner Majesteit van
Groot-Brilannië er mededeeling van te doen Κ
Dus bleef de Engelsche Regering jaloersch tot na Hendriks dood toe. De opgewektheid
ontbrak om de laak op zich te nemen, die
Hendrik onvoltooid had gelalen, anders zou
men
hewdriks staatkunde niet zoo spijtig beoordeeld hebben. De hulptroepen, die En-
geland
ten behoeve der possiderende Vorsten beschikbaar stelde, zouden niet vermeerderd
worden, zoolang men niet onderrigt was, dat
Frankrijk zich geheel terugtrok. In
één woord, het bleek duidelijk, dat
Engeland zich niet geroepen achtte om zich aan
het hoofd te stellen van den kruistogt, dien de Stalen-Generaal zoo welsprekend pre-
dikten, en zoo bleef den Staten niets over, dan zich zeiven groot genoeg te rekenen
om HENDRIK, zoo nict in al zijne misschien hersenschimmige en in allen geval
ons niet voegende plannen, dan toch in de strekking van zijn staalkundig stelsel op
het krachtdadigst na te volgen. Maar al had men besloten om des noods zonder
Frankrijk de zaak door te zetten, het was geraden om het uilersle te beproe-
ven, ten einde te verhoeden, dat
Frankrijk zijne hulp en het gezag van zijnen
naam aan de onderneming legen den keizerlijken Commissaris in
GulikoOMvok. Dadelijk
werd er dan ook een Gezant naar Parijs gezonden, — het was wederom
van der
MijLE, — die den SP'®" Mei zijnen last ontving, den Jung verlrok en reeds den
15'^®" op de plaats zijner bestemming aankwam. Hij was gelast, en dit was niet meer
dan overeenkomstig eene gezonde staatkunde, om de zaken dus voor Ie stellen, alsof de
Slalen zwarigheid zouden maken de laak van de handhaving der Vorsten zonder
Frankrijk
op zich te nemen. Wat zij lljdens het leven van Hendrik IV niet zouden hebben willen
erkennen, dat zij lot het verleenen van bijstand slechts besloten hadden op voorwaarde j
dat de Koning van
Frankrijk voorging en zij volgden, deze bewering was thans raad-
zaam, nu het er op aan kwam
Frankrijk tot de vervulHng der aangegane verbindlenis
aan te sporen. De rollen waren omgekeerd. Thans waren wij de hoofdaanleggers en
daarom was thans onze Gezant de eersle om alle pliglplegingen ter zijde te stellen cn
suLLY op zyne beurt met rondborstigheid te gaan spreken. Inderdaad, hel scheelde
weinig, of
Frankrijk had de zaak der possiderende Vorsten laten varen, villeroi ver-
klaarde in een vertrouwelijk onderhoud met
vaw der mule en van aerssen, dal i^rön/iry'Ä

Gezantschap
naar
Frankrijk.

' Zie het Rapport, in het Rijksarchief,
III Deel. 2 Stuk.

ocr page 283

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. ihans niet in slaat was Hendriks plannen door te zetten; dat het bezwaarlijk zou Tal-
len om aan het traktaat van Hall gevolg te geven, want dat er een opzet bestond om
het tegenovergestelde te doen van hetgeen
hehdrik gewild had. Dus was zijn raad, de
Aartshertogen te
Brussel door een verdrag tot onzijdigheid te nopen, in welk geval
de Vorsten, door de Staten ondersteund, sterk genoeg tegen
leopold wezen zouden. Zelfs
ontzag SULLT zich niet te klagen, dat in den Rijksraad, die tegenwoordig groot was,
vol contradictiën en factiën, niets werd verhandeld, of het kwam binnen één uur
daarna ter kennis van de Pauselijke Gezanten en den Ambassadeur van
Spanje, En nog
een ander van de door onzen Gezant toen te
Parijs gesproken Fransche Groolen zeide,
dat terwijl men bij het leven van zijne Majesteit in één uur honderd groote zaken af-
deed, men nu in honderd uren kwalijk ééoe zaak kon verriglen. Niettemin zegevierde
ditmaal nog de invloed der vrienden des overledenen Konings, en de pogingen van
van
der mijle,
die, met onzen gewonen Ambassadeur van aerssen vereenigd, onvermoeid was
in het bezoeken van invloedrijke personen en het raadplegen met de belanghebbende Ge-
zanten, zullen daartoe het hare hebben bijgedragen. Den Junij verkreeg hij ge-
hoor bij de Koningin-Regentes en den minderjarigen Koning, Op zyn diep gevoeld
rouwbeklag; op de aanbeveling der Staten in de genegenheid der Koningin en haars
zoons; op zgn aanbod van vernieuwing en bevestiging der overeenkomsten («ccorc/i), met
wijlen den Koning gemaakt; op zijne vraag om een sterker en eeuwig verbond, hetzij
met hunne Majesteiten alleen, hetzij in vereeniging met den Koning van Groot-Britan-
nië te sluiten; eindelyk op zijn verzoek om de spoedige afzending van het
Αοοτ Frank-
rijk
aan de Guliksehe Vorsten beloofde leger van 2000 ruiters en 8000 man voetvolk
en 20 stukken geschut, kreeg hij, behalve eenige woorden van welwillendheid in het
algemeen, reeds dadelijk ten antwoord, dat, wat Kleef betrof, de Koningin de vrienden
niet zou verlaten om den vijanden te behagen, weshalve zij eenige harer raadslieden
gelasten zou met onze Gezanten desvvegens in overleg te treden. De Staten zouden
zich des noods met de ontvangst van het bedrag der gelden, die de te verleenen on-
derstand zou vorderen, tevreden hebben gesteld, een denkbeeld, dat
villeroi bijna
met verontwaardiging verwierp, maar dat den hertog van
May enne niet onaannemelgk
voorkwam; doch weldra vernamen onze Gezanten, dat de Maarschalk
de la cnatrb
reeds als bevelhebber over de naar Gulik te zenden troepen was aangewezen, en dat
deze legermagt uit 8000 man te voet en 1000 of 1200 ruiters zou bestaan. Op deze
mededeeling had er ten huize van
villeroi een onderhoud met den Maarschalk plaats,
waarbij deze aannam, den Ö*®®" JuKj aan het hoofd der troepen te
Metz te wezen. —
Zoo was het doel, wat de hoofdzaak betrof, bereikt. Ook
ontving de Gezant vóór zijn ver-
trek brieven van hunne Majesteiten, waarbij de gemaakte
accoorden vernieuwd werden.
Maar wat hel naauwer en eeuwig verbond betreft, dit kon, dus werd
van der mijle
raondeUng door jeanhin onderrigt, voor dezen tijd niet gesloten worden, zonder open-

ocr page 284

DES VADERLANDS. ^ 423

Irjke vredebreuk met Spanje^ iets waaraan onder een minderjarigen koning niet te den- icio.
ken
Tiel. Dit mag een rondborstig antwoord heeten: thans wisten de Staten, waaraan
zij zich, te dezen aanzien Toor het tegenwoordige te houden hadden

Hoe het zij, thans minder dan ooit kwam het aan op geschreven traktaten. Waar
daden spreken, zijn geene woorden noodig. De Nederlandsche Staat was inderdaad de
hoofdleider geworden van een verbond, dat de helft van jE'wropd omvatte. De rol van
HENDRIKS staatkunde was door de Staten, de laak zijner krygsmanstalenten was door
MAiJRiTS overgenomen. Dit gevoelden vriend en vyand zoo zeer; zoo duidelijk scheen
met
hendriks val nog weinig gewonnen te zijn, wanneer maurits in leven bleef, dat
er te dezen tijde te Antwerpen op de beurs in het openbaar weddenschappen werden
aangegaan, dat Prins
maurits binnen eene maand dood zou wezen. Ook verzochten
de Staten den Prins, zijnen persoon ten dienste van den Lande in acht te nemen

Doch hadden de Staten hunnen zin gehad, zoo ware maurits niet aan het hoofd De staten wen-

, , /-,,., ,, Î› Â· , - 1 1 ,, , , sehenMAUUiTS in

des legers naar Gulik opgetrokken. Geen minder gunstige dunk van welken aard ook i,et Land te hou-
omtrent zynen persoon was hiervan de reden. Integendeel zy achtten des Prinsen legen-
Λvoordigheid in het land bij het gevaar, dat uit de zuidelijke Nederlanden dreigde, vol-
strekt noodzakelijk. Binnen tweemaal 24 uren konden de Aartshertogen eene aanzienlijke
magt (wel dertigduizend man) lot voor
Grave of 'sHeriogenbosch brengen, en men
vertrouwde die Vorsten niet, niellegenstaande zy op den Landdag van
Dusseldorp onzij-
digheid beloofd hadden. Bleef de Prins in het land, dan zouden zy het Bestand niet
durven schenden. Daarom hadden de Staten
frederik Hendrik, onder den naam van
Generaal-Commandeur, tot opperbevelhebber van den Gulikschen krggstogt aangesteld.
Maar dit was den krijgslusligen
maurits te veel. Hendrik IV, wij zagen het reeds,
had zijne tegenwoordigheid in het leger verondersteld; de Vorst van
Anhalty veldheer

^ Minder ruiterlijk kwam viLiEnd voor de zaak uit. llij zeide, »dat zoo veel de nadere alliantie
aanging, onze libérale en goedhartige aanbieding aangenaam was; maar dat zij bezig waren om
met
Engeland iets aan te gaan, hetwelk gedaan zijnde men het andere bekwamer bij de hand
zou kunnen nemen; doch dat daarin zwarigheid werd gerencontreerd, doordien de Engelschcn
niet willen besluiten, tenzij hunne Majesteiten beloofden goed te doen aan den Koning van
Groot-Britannie remboursement van het derde deel, hetwelk uit kracht van het traktaat, gemaakt
door den Heer
süllt, gefourneerd is geweest aan Uwe Hoog Mögenden bedragende ier somma van
drie millioenen en viermaal honderd duizend gulden tot X 1. grooten. Waarvan met one verder
Avillende spreken en mij verzoeken, daarvan rapport aah Uwe fl. M. te willen doen, hebben ge-
lijkelijk gezeid een zake te zijn tusschen anderen gehandeld, zonder Uwe H, M. daarop tehooren,
en daarenboven dat wij geenen last daarvan hadden." Zie het
Rapport des Heeren van der Mijle,
in het Rijksarchief, waaruit ook al de bovenstaande bijzonderheden ontleend zijn.

2 VAR wujf, op Wagenaary X, bl. 35, Â·

ocr page 285

412 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. (Jer possiderende Vorsten, had verzocht, dat het bevel aan maurits mögt worden opge-
dragen, omdat hij alleen onder zoo vele hoofden genoeg gezag zou hebben om
eenheid in het beleid des oorlogs te brengen, en toen het er nu in Julij 1610 op
aan kwam, en het tot een strijden zou komen, toen kon de Prins zich niet bedwingen.
Hy kon niet dulden, dat er krijgsbedrijven verrigt, gevaren geloopen, lauweren inge-
oogst zouden worden zonder hem; hij was buiten staat naar reden te luisteren; in het
besluit der Staten zag hij boos opzet; hg achtte en verklaarde zich »in zijnen roem en
eer verkort, daar hij te huis zou blyven, terwyl 's Lands voornaamste krygsmagt uittrok :
voorwaar, dat had hy na zulk een langdurig dienstbetoon niet verdiend." De Staten
beschouwden deze mismoedigheid van den Prins als eene zaak van groot gewigt. Zij
namen het advies in van den Raad van State, die in last kreeg eene poging te doen
om den Prins tot andere gedachten te brengen, »opdat hij zou mogen gelooven, dat
de Stalen-Generaal zijne eer en goeden naam buiten- en binnenslands, even zeer als hij
zelf, gezind waren te handhaven." Doch deze slap vermögt niets op den Prins. Na de
herhaling van dezelfde boodschap bleef hij even ontevreden, doch verklaarde, »daarhet
den Heeren Staten zoo geliefde, dat hy daartegen niets kon doen." Nu werd de Raad
van State ten derden male lot den Prins afgevaardigd, thans mede met den last om
hem af te vragen, welke middelen hy dan aan de hand kon doen om gedurende zijne
afwezigheid 's Lands veiligheid te verzekeren. Eindelijk besloten de Staten de zaak aan
de bescheidenheid des Prinsen over te laten, de verdediging des lands in geval van nood
toevertrouwende aan
Willem lodewijk en zijnen broeder ernst Casimir, die, hoezeer
mede hoogslongaarne, achterbleven, en dadelijk over 40 vendels soldalen te voet, een
goed getal ruiters en eenige artillerie beschikken konden
De slaat van za- Het laat zich denken, dat maurits zich spoedig in het naar Gu/i'Ai optrekkende leger
bevond. Maar hoe waren de zaken bij
Giilik gesteld? Deze vesting hadden de troepen
der possiderende Vorsten reeds in het eind van het vorige jaar, zoo goed hun doenlyk
was, ingesloten, en meermalen hadden er bloedige ontmoetingen plaats gehad, daar men
elkander den een of anderen post, die bg de verdediging of de belegering van belang
kon zijn, betwistte. De Paltsgraaf van
Neuhurg had zich in December van de stad
Duren verzekerd, en handhaafde het bezit van Aldenhoven-, de Graaf van Solms, een
der veldheeren in der Vorsten dienst, had
Schleiden op leopolds volk heroverd \ Het
eerste wapenfeit, waartoe Staatsche troepen de hand geleend hadden, was in de maand
April van het jaar 1610 voorgevallen. De Prins van ilwÄa/i, namelijk, generaal der possi-
derende Vorsten, had van Prins
maurits een geleide ruiterij verzocht, om hem, bij
zijn vertrek uit Nederland, van de grenzen naar
Dusseldorp, waar de Staten van Kleef

keu bij Gulilc.

1 Zie de Resolutiëa der Staten-Gen., aangehaald bij vak wijn, op Wagenaar, X, bl. 29—34.
' van meteren, X, bl 295—297.

\.
\

ocr page 286

DES VADERLANDS. ^ 425

en Gulik Tergaderen zouden, Ie Tergezellen. De Prins, niet zonder de voornaamslen 1610.
der Heeren Stalen in deze zaak te kennen, had eenige delachemenlen aangewezen, die
zich onder bevel van zynen broeder
frederik hekdrik Ier bestemder plaatse, lusschen
Slookheim (aan de Maas) en Maasiricht, vervoegden. Hier troffen zg geene onbeduidende
menigte krijgsvolk aan, voornamelgk Spanjaarden en Italianen, lot versterking van
leo-
POLDS leger bestemd. Deze kans kon niet verzuimd worden. De vijand werd verrast,
en geslagen: drie kornellen, wel vierhonderd paarden en tien- of twaalfhonderd voet-
knechten vielen in de handen van den Prins van
Anhalt ^ en bovendien werd in den-
zelfden omtrek eene loopplaats van voor
leopold byeentrekkende soldaten verstoord en
het volk uiteengedreven. Na dit wapenfeit^ trok de Prins van
Anhalt zegepralend Dns-
seldorp
binnen, en frederik hehdrik was op denzelfden dag weder in den Haag te-
rug Ware de dood des Konings van
Frankrijk niet lusschen beide gekomen, zoo
zou de waarschuwing, welke de Aartshertog
leopold door deze nederlaag zijner troepen
ontving, welligt genoegzaam geweest zijn om hem van verdere maatregelen te doen
afzien. Maar, wij zagen het reeds, die dood gaf hem nieuwen moed en verlamde de
Vorsten. Zoo kwam er den ganschen voorzomer geene merkelijke verandering in den
stand van zaken ter wederzijde. Maar nu het Staatsche leger in hel begin van Julij by
Schenkenschans bijeen was gekomen, was er iets beslissends Ie wachten. De Prins ver-
voegde zich den Ιδ*·®" dezer maand in persoon by dit leger om het opperbevel op zich
Ie nemen. Het bestond uit meer dan veertienduizend man voetvolk en drieduizend
ruiters, de Fransche en de Engelsche troepen, die in der Staten dienst waren, daar-
onder begrepen. Deze krggsmagt was uitnemend uitgerust, en dertig stukken geschut, on-
der hel opzigt van den Generaal
van kessel , Gouverneur van Geertruidenberg, aangevoerd,
waren beslemd om
Guliks wallen te beschielen. Bij het voorbytrekken van Rhijnberk
ondervond men geenerlei belemmering van den kanl dezer lol het gebied der Aartsherto-
gen behoorende vesting. Integendeel, overeenkomstig de verklaring van hel Brusselsch Be-
wind, nam de Gouverneur
fuentes de onzijdigheid in acht, hij bood Prins matjrits den
vrijen logt langs den Rhijn aan, en kwam hem zelfs met een talrijk gevolg van Ede-
len , waaronder ook JSpanjaarden waren, beleefdelijk begroeten. Door de
Voogdij van
Gelder vond het leger eenen doortogt gemaakt over het bezaaide land, breed genoeg
voor tien man nevens elkander 2. Deze tegemoetkoming trof haar doel, dank der
krijgstucht, die in het leger heerschle: wanl geen garve'koorn werd door de soldaten
aangeroerd. Te
Neuss, waar men den aangekomen was, kwamen de Vorsten

van Brandenburg en Neuburg het leger bezigligen en Prins maurfts begroeten. Tegen GuliJi berend.

^ VAN METEBES, X, bl. 354—356.

^ Vergel. eenen brief van Prins maübits aan de Stat.-Gcn., bij v. d. kemp, 111, bl. 302.

ocr page 287

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. het eind der maand was GuUk berend, en werd,een aanvang gemaakt met het aan-
leggen der loopgraven. Thans was het leger met de troepen van den Vorst van
Anhalt
versterkt, doch deze bedroegen niet meer dan vierduizend man. De Maarschalk de la.
CHaTRE hield zich met zyne Franschen nog steeds te Trier. Hij beweerde, dat hij den
togt vandaar niet met gerustheid kon voortzetten: —
spinola. mögt hem onder weg
belagen. — Dus verzocht hy, dat men hem eene genoegzaam sterke magt zou tegemoet
zenden. Ware aan dit verzoek voldaan, zoo zou het beleg niet met kracht doorgezet heb-
ben kunnen worden, voordat de Fransche troepen waren aangekomen. Maar
maurits
begreep, dat de Maarschalk den togt veilig kon ondernemen, en zond hem slechts den
Graaf van
Solms met eenige vanen ruiters tot over de Moezel tegen. Viel spinola de
Fransche troepen aan, hij was bereid om het beleg onmiddellijk op te breken, en de
Franschen te ontzetten \ Evenwel bleef de Fransche bevelhebber te
Trier, totdat hy,
ziende, dat hy geene talryker benden uit bet leger des Prinsen te wachten had, ein-
delyk optrok en den 18^®° Augustus vóór
Gulik aankwam. Hij gedroeg zich sedert
zeer hoffelijk jegens den Prins. Deze had intusschen de zaken zoo ver gebragt, dat
de overgave der stad spoedig te wachten was: gaarne had hy haar nog vóór de komst
der Franschen in zyne handen gezien, maar daartoe was zij te sterk en werd, onder het
beleid van den Maarschalk
von rauschenburg aan het hoofd van tweeduizend man,
te goed verdedigd. Den laatsten Augustus bespeurden de belegerden, dat de stad tegen
de mijnwerken en het geschut van
maurits niet te houden was, en zonden eenen
trommelslager om voor de huisvrouw van
von rausghenburg verlof te verzoeken, den
Maarschalk
de la chiitre te spreken. Dit verzoek was waarschijnlijk op de meening
gegrond, dat
de la cnaTRE, als Franschman en dus wellevend voor vrouwen, en als
Katholijk, geneigd zou zijn gunstiger voorwaarden toe te staan en, door het in hem
gestelde vertrouwen gestreeld, tegen den Nederlandschen en de Duitsche Prinsen door
te drijven. Misschien ook wilde men de vesting wel aan
Frankrijk in handen stellen.
Hoe het zij, het verzoek werd afgeslagen. De bode kreeg van Prins
maurits ten ant-
woord, dat de Vorsten, wien de zaak het naast aanging, zeiven vóór de stad waren,
en dat met niemand anders te spreken was, dan met hen: voorts, wilden zy de stad
niet overgeven, dan kwam er in het geheel geen spreken te pas. Daarop kwamen zij
met eenige voorwaarden voor den dag, op welke zij de stad wilden overgeven; maar deze
werden verworpen, en in plaats daarvan door de belegeraars andere opgesteld, aan
Gulik geeft welke zy zich des anderen daags met eene geringe wyziging onderwierpen. Volgens
deze laatste artikelen zou in de uiloefening der Roomsche godsdienst geene verandering
gemaakt en de stads Overheid en burgerij bij hunne voorregten gehandhaafd worden.
De slad en het kasteel met het geschut, het krijgstuig, den leeftogt en andere oorlogs-

1 Brieven van Maurits, bij v. d. kemp, 111, 303 , 304.

ocr page 288

DES VADERLANDS. ^ 427

memm

gereedschappen zouden in handen der possiderende Vorsten worden gesteld. Het garni- 1610.
zoen mögt met slaande trommels en vliegende vaandels aftrekken, en wie wilde mede
de stad verlaten. Zoo werd het land door al de gewapende aanhangers van den Aarts-
hertog LEOPOLD ontruimd, en traden de Vorsten in het volkomen bezit der landen,
waarop zij aanspraak maakten De stad
Gulik zou sedert »tot gemeen profijt en
dienst van de beide Vorsten bewaard worden," en deze laak Averd opgedragen aan
FREDERIK
pithan, serjaut-majoor 2 van het regiment van erhst Casimir, Graaf van
Nassau. Alzoo zag zich een officier, in den eed en de dienst der Staten-Generaal, met
de waardigheid van Gouverneur van
Gulik bekleed, in welke betrekking hg van jaar
tot jaar werd gecontinueerd VV^einige dagen na de overgave keerde
de la chaxre met
zgne troepen door
Luxemburg, waartoe hij van de Aartshertogen verlof erlangd had, naar -
Frankrijk terug. Aanvankelijk scheen het niet onraadzaam, het Nederlandsche leger nog
eenigen tijd in het Guliksche te laten, ten_ einde bij de onderhandelingen ter beslechting
van de zaak der landen van
Gulik en Kleef voordeeliger voorwaarden ten behoeve der
Vorsten te verkrijgen. Hiertoe werd echter niet besloten, ten einde geene achterdocht
te verwekken, en op het eind van de maand September was het leger weder op den
vaderlandschen bodem aangekomen en ontbonden Na vele beraadslagingen en verga-
deringen, die te moeijelyker tot een goed einde te brengen waren, omdat de Keizer
de Guliksche hertogdommen op nieuw aan het Huis van
Saxen had opgedragen, kwam i

het eindelgk den IS·^®"* Maart 1611 te Dulterhoek lot eèn Verdrag, waarbij bepaald i

werd, dat de Huizen van Saxen, Brandenburg en Neuburg de landen van Gulik, j|

Kleef, Berg enz. ongedeeld te zamen zouden bezitten; de Gouverneurs zouden den |

eed van trouw doen aan de drie Huizen, totdat de groote zaak zou zijn uitgewezen, j;

waarna de twee, die in het ongelijk gesteld zouden worden, den overwinnaar zouden
erkennen. I

Deze uitkomst zou niet bereikt, maar de invloed van Spanje en het gezag van het Î¯

Huis Hahshurg in deze landen gevestigd geworden zijn, zonder de gewapende lusschen- Î¯

komst met een zoo sterk en voortreffelijk leger, dat binnen weinige dagen weder te f

velde zijn kon. Het resultaat was wezenlijk verbazend. De Republiek had buiten hare Î¯

grenzen op het gebied van het Duitsche Rgk tegen het gezag van den Keizer een f!

gewigtig belang beslecht, en daartoe Frankrijk en Engeland als in haar gevolg mede-
gesleepti Wat zy sedert lang, door de noodwendigheden van den krgg gedrongen.

' van meieren, X, bl. 375—387.

2 maur1t8 noemt hem Luitenant-Colonel in zijn brief, bij var der kemp, Iii, 305.
^ Memorie van oldekbarxevelt, in het Rijksarcliief.
^ Zie brieven van Prins
maunits, bij van der kemp, 111, bl. 305—308.

ocr page 289

416 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. met hel kleine Embden gedaan had, waar zij den invloed van Spanje en den Keizer
door gewapende lusschenkomst tegen den Graaf steeds geweerd had en bleef weren ^,
dit had
zij thans op een tgdstip, dat de zwaarden weder opgestoken of nog niet uilge-
togen waren, voor het oog der geheele wereld ten behoeve of ten spijt van de aan-
zienlijkste van
Europas Vorstenhuizen gedaan.

Maar zou dit alles te vergeefs zyn? Zou de Regering van ons Gemeenebest te ver-
geefs zulk eene gewigtige, zulk eene onmisbare rol in
Europa hebben aanvaard, en
te midden van zwakke, flaauwe of dubbelzinnige vrienden zich den krachtigen, vastbe-
radenen en opregten beschermer van het Protestantisme en de vrijheid beloond hebben —
om in haar eigen boezem belemmering, beschaming en slryd te vinden? Zou dan
de voorspelling van
lipsius vervuld worden, en thans bij het ophouden van het onmid-
dellijk gevaar van buiten, de tweedragt van binnen den Slaat met burgerkrijg bezoeken
en met ontbinding dreigen? Waren alle ingezetenen op de hoogte der roeping van
hun Vaderland geweest; hadden zy allen hun voordeel in hel welbegrepen belang van
den Staat gesteld; hadden zij allen een juist denkbeeld van de ware vereering van God
gehad, geene oneenigheid ware uitgebroken, geene partijzucht had offers geëischt.
Maar daartoe zou er eene algemeene volmaaktheid hebben moeten bestaan, die het
onzinnig zijn zou zelfs te begeeren. De volmaaktheid is niet voor deze aarde, en oni
ze aan hel licht Ie brengen is hier de strijd van harlslogt en dwaling, de ondergang
ook van het edelste en schoonste noodzakelijk. Ons Vaderland en onzen grooleo
mannen zou de beproeving niet bespaard blijven.
Grond lier ker- De moeijelijkheden , die de Regering reeds sedert eenigen tijd ondervond, en die tot eene
kehjkegescliillen. hoogle zouden slijgen, vonden haren oorsprong in de . verdeeldheid der

gevoelens aangaande zekere godsdienstige stellingen. Het geschil betrof de vraag om-
trent het verband tusschen 's menschen zedelijk bestaan en zyne eindelijke zaligheid.
Er waren er, die aan dit zedelijk bestaan geenen invloed op 's menschen eeuwige
behoudenis meenden te mogen toeschrijven: want, deed men dit, dus beweerden zij,
dan kwam men in stryd, eensdeels met de leer van de volslagen verdorvenheid der
menscheiyke natuur en verviel tot het Roomsche dogma van de verdienstelykheid van
's menschen werk, en anderdeels vergreep men zich tegen de eeuwige voorbeschikking
van God, die toch noodwendig alles te voren weet en niet afhankelyk zijn kan van
het doen en laten eens schepsels. Daar zij die dit gevoelen voorstonden, niet ontken-
den , dat er velen verloren gingen, zoo waren zij gedwongen te stellen, dat ook de
verdoemenis plaats had in overeenstemming met Gods eeuwig raadsbesluit, waarop de
mensch buiten staat was terug te werken. Tegen deze gevolgtrekking nu van hun
gevoelen, en alzoo min of meer tegen die geheele leer verzellc zich het gezond ver^

1 Zie hiervoor bl. 101.

λ

\

ocr page 290

DES VADERLANDS. ^ 429

stand en het menschelijk geyoel van al dezulken, die eensdeels het karakter en de 1610,
inwendige ervaring misten, welke er toe vereischt zijn om de praedeslinatieleer te
vatten, en anderdeels niet doortastend genoeg waren om ze met hare schynbaar nood-
wendige troostelooze gevolgen te blijven aanhangen. Wanneer men, dus dachten de
zoodanigen, van de waarheid niet verwachten kon, dat zij voor een groot deel der
menschen eenen afgrond van wanhoop openen en aan de zedelijkheid allen bodem
benemen zou, dan moest zulk een gevoelen eene gruwelyke leugen wezen.

De leer dergenen, die de Voorbeschikking streng dreven, had steeds in ons land het
gros der leeraars en gemeenteleden tot Voorstanders gehad, gelgk zg dan ook tot de
stellingen behoort, die het Calvinisme, uit
Genève, Frankrijk en de Waalsche Provin-
ciën, en naderhand uit de
Palts en het Graafschap Nassau herwaarts overgebragt,
tegenover het Luthersche stelsel kenmerken. Niettemin hadden er zich van tijd tot tijd
mannen in de
Nederlanden opgedaan, die luide verkondigden, dat zij zich met het
geloof aan een onvoorwaardelijk Goddelgk raadsbesluit niet konden vereenigen. Dit was
een der punten geweest, waarin
hijibreght duifhuis, de stichter der St.-Jacobs-ge-
meente te
Utrecht, van de Consistorialen aldaar afweek Ook over de praedestinatie
had de Leidsche predikant,
kasper coolhaas, met zijnen ambtgenoot pieter Pieters-
zoon
getwist en de Leidsche Overheid, die coolhaas voorstond, had eenen krach-
li gen verdediger in
dirk volkertszoon goornhert gevonden, wiens scherpe veroor-
deeling van dat leerstuk bekend is. Nog anderen, zoo als
herman Herberts, predikant
te
Dordrecht en naderhand te Gouda^ en cornelis wiggerts, predikant te Harlingen,
hadden zwarigheid gevonden in de prediking der praedestinatie en wat uit deze leer
heette voort te vloeijen
3, Doch met uitzondering van duifhuis, die dan ook in eenen
tijd opstond, toen de kerkelijke zaken in ons land ter naauwernood eenen vasten vorm
bekomen hadden, waren dit voorbggaande en op zich zeiven staande verschijnsels ge-
weest. Met het optreden van
jagobus arminius, vroeger predikant te Amsterdam, als Arminius t«
hoogleeraar te
Leiden, kreeg de zaak een geheel ander aanzien. Deze man, die reeds
in zyne kindschheid zoo veel voor de wetenschap scheen te beloven, dat hem door
eenige vermogende mannen de middelen verschaft werden om zich op de studiën toe
Ie leggen, zag zich weldra door de mildheid der Regering van
Amsterdam in slaat
gesteld om te
Marburg en te Leiden te sludejen, en zich vervolgens een' geruimen
lijd beurtelings te
Genève, te Baset en in Italië op te houden. Daarna als predikant
te
Amsterdam geroepen, bleek het weldra, dat hij niet zuiver was in de leer; doch

' Zie hiervoor lU. D., L St., bl. 198.

2 Tusschen 1578 en 1580,

3 BAÜDAERT, 1, bl. 1.

III Deel. 2 Stuk. 53

ocr page 291

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

wmm

iGio. het wijs beleid zijner amblgenooten Toorkwam alle opspraak, waartoe de aangenarae
zeden van den
Terdachlen leeraar het hare zullen toegebragt hebben i. Ia het jaar
1605 werd hij op drie-en-yeertigjarigen ouderdom, in plaats van fkangisgus junius, te
Leiden als hoogleeraar in de Godgeleerdheid aangesteld, niet zonder dat de Curatoren
daartegen dooj
jumus op zyn sterfbed en door frangisgüs gomarus, insgelijks professor
in de Theologie te
Leiden^ ernstig gewaarschuwd waren. Om alle bezwaar, zoo mo-
gelijk, op te heffen, had er eene geleerde zamenspraak over de punten van verschil
tusschen hem en
gomarus plaats, welke tamelijk ten genoegen van den laatsten afliep.
Spoedig werd hy »zeer lieflallig en aangenaam by de studenten, zoo wegens zijne
voortreffelgke gaven in het leeraren, als ook wegens zyn onverdroten vlyt en naarstig-
heid, die hij aanwendde om zijne hoorders in het openbaar en in het bijzonder te
onderwijzen" \ Weldra begon hij zijne wezenlijke gevoelens in vertrouwen aan zijne
studenten mede te deelen, die, minder bescheiden dan hun meester, daaraan ruchtbaar-
heid gaven. Nu de zaak zoo ver gekomen was, namen de Gedeputeerden der Zuid-
en Noordhollandsche Synoden er kennis van: zy rekenden niet alleen in ons vaderland,
maar, by het toen zoo levendig
verkeer der geleerde scholen in alle Protestantsche
landen, ook in andere oorden de toekomst der Kerk door de leer, die nu uit
Leiden
uitging, ernstig bedreigd. De gezegde Gedeputeerden vervoegden zich bij arminius.
Doch deze wilde zich met hen slechts als met bijzondere predikanten inlaten. Boven-
dien door den Leidschen Kerkeraad aangemaand om zich te regtvaardigen, verklaarde
hij, dit slechts te mogen doen met beHeven en goedvinden van de Curatoren der Hoo-
geschool. Tegen den tijd der bijeenroeping der Synode van Zuid-Holland, ten jare
160S, werd van wege de classis van
Dordrecht bij de andere classes het voorstel ter
overweging rondgezonden, dat de Synode op middelen bedacht zou zyn, waardoor de
geschillen in de Kerk bggelegd en alle scheuring en ergernis verhoed mogten worden,
j Doch deze maatregel vond niet veel ondersteuning;
daarentegen verscheen er eene acte,
door alle professoren der Godgeleerdheid te Zeic/ew onderteekend, waarin zg verklaar-
den, dat zij het onderling »in het fondament, zooveel als zij wisten," eens waren

ï «Hij is geweest beleeft, vriendelick, ende conversabel, seer gespraeckzaem ende deshal ven
seer aanghenaem bij groot en cleyn. Sprack men van swaerwichtige saken, hij deder het sijne
bij, broclit yemant wat genoechelicx voort, hij wister wat bij te verhalen van gelijcke stoffer
Wildemen musiceren, hij \ra8 oock willich daertoe: In het onthaelen ende tracteren van een
goet vrient, was hij liberaeJ, ende gastvrij, ook willich om bij een goet vrient vrolic te sijnende
goet chier te maken, ende dit alles in eere ende met maete."
baüdaert, I, hl. 4.

2 BAUDAERT, bl. 5, '

3 BAUDAEJIT, hl. 6.

ocr page 292

. DES VADERLANDS. 419

Hoe het zij, toen de Synode in het najaar te Rotterdam bijeen was gekomen, werden icio.
uit deze Vel'gadering eenige leden afgevaardigd tot de Curatoren der Leidsche Hooge-
school, wien zij negen Tragen ter hand stelden met het verzoek, dat zij van de Hoog-
leeraren in de Godgeleerdheid vergen zouden, deze vragen openhartig te beantwoorden.
De Curatoren verontschuldigden zich, en zeiden, dat zij raadzaam achtten, deze snaar
niet aan te roeren en de zaak te laten rusten tot zij zou uitgemaakt worden op eene
Nationale Synode, tot welker bijeenroeping de Staten-Generaal, zoo scheen men te
mogen hopen, hunne toestemming zouden geven. Nog langs eened anderen weg trachtte
de Zuidhollandsche Synode de zuivere prediking der Gereformeerde leer te verzekeren.
Zij besloot te verordenen, dat alle predikanten hoofd voor hoofd de Nederlandsche Ge-
loofsbelijdenis en den Heidelbergschen Catechismus onderteekenen en die formulieren
door deze onderteekening als met de Heilige Schrift overeenkomstig erkennen zouden.
Maar nu bleek het, welk eenen invloed
arminius reeds gehad had: verscheidene predi-
kanten weigerden de onderteekening en wel met zoo veel vrijmoedigheid, dat de afwij-
king van de Gereformeerde leer reeds niet meer eene zaak scheen te zyn, die men
zou behoeven te ontveinzen, of waarover men zich zou moeten schamen. Zoo be-
stonden er dan inderdaad twee partyen in de Kerk, en was het alleszins natuurlijk, dat
diegenen, welke zich van geene nieuwigheid bewust waren, op beslissing drongen,
aan welke zijde de waarheid en het regt zich bevonden. Die beslissing was nergens
anders dan bij eene algemeene of zoo gezegd Nationale Synode te zoeken. Daartoe
derhalve werd door de Kerken dringend verlof gevraagd. Zij deden het op den hoogen ^^
Kerke« vra-
toon der volle overtuiging van het Goddelijk regt der Kerk. De Staten-Generaal, dus
drukte men zich uit, moeten aanmerken, »dat zoodanige verzochte Vergadering niet is
tionale Synode,
eene menschelijke inzetting, maar eene ordonnantie des Heiligen Geestes in zijne Ge-
meente, en diensvolgens niet hangende aan eeniges menschen autoriteit, maar van Gods
en onwederleggelijken Goddelgken Regtswege der Gemeente toekomende, en welke der
Gemeente Gods evenmin als de oefening der Godsdienst zelve (waarvan zij mede een
lid is) onttogen kan worden." Voorts, dus beweerden zij, kon de Kerk evenmin zonder
bijzondere en algemeene Vergaderingen gehandhaafd en bij de orde bewaard worden,
als de Staat zonder gewestelijke en landsvergaderingen. Gelijk de Staten-Generaal de
veiligheid des Lands bewaarden tegen den vijand, zoo was de Nationale Synode geroepen
te waken tegen het gevaar, dat de Kerk dreigde van hare vijanden, die levens de
vijanden van den Slaat waren. De bestryders der Gereformeerde Religie in
Nederland
hielden dagelijks bij oogluiking bijeenkomsten, waarin zij hare zaken behandelden ter
stijving en voortplanting hunner secten; alleen de regie ware Christelijke Religie ver-
mögt niet anders dan op openbaar gezag te handelen, en leed alzoo meer schade bij hare
openbare vrijheid, dan de voorzegde secten bij heimelijke conniventiën. De vergunning
tot het beleggen der Nationale Synode, dus eindigden zij, zou de Kerken lot meer

mi

53*

ocr page 293

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

iGlo. vurigheid verwekken om voor der Heeren Staten gelukkige regering God Almagtig Ie
bidden, gelgk daarentegen door het lang ophouden van het verzoek groot misnoegen
bij allen veroorzaakt zou worden

Zoo werd de ordening in het Kerkelijke volkomen gelijk gesteld met de wereldlijke
Staatsregeling, op een onmiddellijk Goddelyk regt beroep gedaan en ten slotte met het
ongenoegen der gemeente gedreigd. Ziedaar stellingen en gevoelens, die regtstreeks
lot eene zoogenaamde
theocratie moesten leiden. Waar geene heerschende Kerk bestaat,
kunnen de verschillende Kerken zonder bezwaar vry zgn: want daar geene derzelve
tegenover den Staat op het uitsluitend bezit der waarheid bogen kan, zoo neemt de
Staat als van zelve tegenover haar een hooger standpunt in. Maar eene uitsluitende
Kerk moet noodwendig of den Slaat beheerschen, of door den Staat beheerscht worden.
En zoo gold het dan toen in ons Vaderland de vraag, of de Regering zich op den duur
al of niet het beleid der zaken door de Kerkelijken uit de handen zou laten nemen.
Eerst na vier maanden kwam er, in het midden der maand Maart 1606, eene beslis-
Acte van sing der Staten. Tot de Nationale Synode werd vergunning gegeven. Na overleg
ïï'ian'^Llrer"™®'' Kerkedienaren aangaande den bekwamen tijd en plaats, zou die Synode opge-

zieningderBclij-i-oepen worden »door hun Edel Mögenden als wettige Overheden en Voorstanders der

uenisscnriueti. Ïƒ Ïƒ

Ghristel^ke Gereformeerde Religie in deze Lauden en volgens het gezag, hun Edel
Mögenden naar Gods Woord toekomende." De Staten lieten het niet bij eene algemeene
vergunning, maar bepaalden levens het doel der vergadering, te welen, »revisie van de
Confessie en den Catechismus der Kerken, mitsgaders der Kerkeordening." Om de
herziening der Kerkeordening was de belegging der Synode mede uitdrukkelijk ver-
zocht ; maar de omschry ving van het andere hoofddoel der vergadering was wel geschikt
om bg de regtzinnigen bezwaar Ie ontmoeten, Immers zij wenschten de leer der Armi-
nianen aan de Nederlandsche Geloofsbelijdenis en den Heidelbergschen Catechismus ge-
toetst te hebben, en door die bepaling in der Stalen
acte van consent werd de inhoud
dezer Formulieren van Eenigheid als aan twyfel onderworpen voorgesteld. Dus was het
I dan nog niet uitgemaakt, dat de leer van
armirius onregtzinnig was, en zouden zij,

die deze leer voorstonden, minstens tot lijd en wijle dat het gelegen zou komen de
Synode bijeen te roepen, de vrijheid hebben, ze met het uitzigt op eene mogelijke
bekrachtiging te verkondigen? Wie dit uit de woorden der Stalen-Generaal afleidde,
had hunne bedoeling juist begrepen,. Niels anders beoogden zg, dan voorloopig vrije
verkondiging van het legen de reglzinnige praedestinalieleer overgesteld gevoelen. Het
gold de vraag of de Overheid zou blijven, wat zij lot nog toe geweest was, de gehoor-
zame uitvoerster der vonnissen, door de kerkelijke reglers tegen de afwijking van de
leer geslagen,
Coolhaas was op Staatsgezag ontzet; tegen goornhert en zijne ge-

1 Zie de Remonsfrantie der Gedep. van de Z. Holl. Syu. aan de Stat.-Gen. bij baüdaert , I, hl. 8 en 9.

Λ

< .\

ocr page 294

DES VADERLANDS. ^ 433

schriften hadden zich de Staten bij resoluties verklaard; wiggerts was op verzoek der
Noordhollandsche Synode van 1595 door de Stalen naar
Vriesland ^ het gewest zijner
geboorte, uitgebannen i. Zouden de Stalen op deze wijze voortgaan? Zouden zij dit
doen in eenen tijd, dat er aan het veroordeelen en afzetten en uitbannen geen einde
zou komen wegens het groote aantal dergenen, die de regtzinnigen voor »onboet-
vaardigen en bedriegers" verklaarden, en met den naam van »zwijnen" bestempelden,
»die den wijnstok
christi trachtten te ontwortelen?" Zouden zij handdadig worden
aan zulke maatregelen tegen zoo vele geleerden en beschaafden en aanzienleken, als,
blijkens de beroeping en de handhaving van
arminius te Leiden en den opgang door
hem gemaakt, de verdachte leer onder hare aanhangers scheen te tellen? Zouden zij,
eindelijk, aan de overweldiging der Kerk den vrijen loop laten, en de rigting helpen
uitdelgen van mannen, die legen het stelsel der Kerkelgken het gevoelen koesterden,
dat der wereldlgke Overheid gezag op kerkelyk gebied toekomt? Waarlgk, de Repu-
bliek zou geene Staatslieden aan haar hoofd, een
oldenba.rnevelt zou geen invloed in
de Slalen-Generaal moeten gehad hebben, indien zulke vragen toestemmend beantwoord
waren! Neen! de noodwendigheid,, welke uit eene onvoorwaardelgke vergunning eener
Nationale Synode scheen te volgen, wilden de Stalen door de bijvoeging der ge-
melde clausule verhoeden. Op deze wijze moglen de partijen leeren elkander te ver-
dragen, het verlangen der regtzinnigen naar de bijeenkomst eener Algemeene Synode
eenigzins getemperd en de verdachte leeraren gerustgesteld worden. Maar met dit alles
werden de symbolieke geschriften der Gereformeerde Nederlandsche Kerk, door der Mar-
telaren bloed bezegeld, listig ter zijde gezel! Tegen dit bezwaar moglen de Stalen met
de voorstanders van de leer van
arminius de vraag bverstellen, of men die geschriften
boven bedenking verheven mögt achten, en daarbij »eenvoudig, zoo ze daar lagen en
luidden, big ven moest;" dit doende, mögt men toezien, »hoe men zijne conscienlie
bewaren en den Jezuiten, zelfs in het hoofdpunt der Reformatie, den mond stoppen zou"

Hoe het zij, de clausule, door de Stalen-Generaal gevoegd bij de acte van consent
lot de byeenroeping eener Nationale Synode, lokte, op voorgang van den kerkeraad van
Amsterdam eene remonstrantie van de Gedeputeerden der Kerken uit, waarbij men
verklaarde, dal bij de oproeping van de leden der Synode de revisie der Belgdenisschriften
niet als een bgzonder punt van beschrgving mögt gesteld worden, aangezien eensdeels
de handhaving van de zuiverheid der leer steeds stilzwijgend de taak der Synode was,
en anderdeels »door zulk eene speciale uitschrijving oorzaak gegeven zou worden, alsof
de Kerken zeiven hare belijdenis in twijfel trokken." Weshalve zij Hunne Hoogmo-

Kemoustrautie
tegen de
clausule,.

' BAUDAERT, I, bl. 1 cn 2. Resol. v. Holl. 29 Aug. 1579, bl. 203.

2 Woorden uit de bij uitnemendheid dus genaamde Remonstrantie van 1610.

3 UYTDKBOGAERT, Kcrckel. Hist. bl. 329.

ICIO.

ocr page 295

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. genden verzochten, onvoorwaardelijk vergunning lot de bijeenroeping der Synode te ge-
ven. Bij monde van den Advokaat van
Holland, als President, antwoordde de Vergade-
ring der Staten-Generaal, dat, daar de bepaling nopens de resumtie der Nederlandsche
Belijdenis door eenige Provinciën gesteld was, zij niet zonder verkorting van het regt
dezer Provinciën achterwege kon gelaten worden; dat voor het overige de Staten
die bepaling niet dus verslonden, alsof aan de waarheid der leer, in de Belijdenis be-
grepen, eenigzins getwyfeld werd, weshalve in die clausule geene groote zwarigheid te
maken was. Zoo geene der Kerken de revisie der formulieren als een punt ter behan-
deling voorstelde, dan
zou men altijd nog van de Provinciën, die op het stellen dier
bepaling aangedrongen hadden, kunnen trachten te verkrijgen, dat zij achterwege werd
gelaten. Voorts verstonden de Staten-Generaal, dat de punten, door de Kerken ter be-
handeling voorgesteld, hun Hoogmogenden zouden medegedeeld worden, voordat zij aan
alle Kerken werden uitgeschreven. De spreker besloot met de vermaning, dat in dezen
aan de Heeren Generale Staten, als
voedsterheer en en voorstanders der Kerken in deze
Landen, alle regt toekwam i.

Meer kon, zonder dat de hoofdzaak verviel, niet toegegeven worden, en wat de be-
naming
voedsterheeren der Kerken aangaat, hiermede wilden de Staten doen gevoelen,
dat de uitwendige belangen der Kerken van hen afhankelijk waren; dat de Kerk, als
het ware, gespijzigd werd van de tafel der Stalen, en dat op deze betrekking eene
verpligting van trouw en onderdanigheid berustte.
Oldenbarin'evelt, in het bijzonder,
begreep, dat wie zekere meerderheid wilde doen gelden, zich aan geene karigheid moest
doen kennen, daarom » was hg welgezind om den Kerkdijken in het byzonder Ie wille
Ie zijn, zoo om hunne verzoeken om buitengewone subsidiën in redelijkheid genoeg te
doen als anderzins Maar daarvoor meende hy dan ook dat de Kerken zich aan den
Staat verpligt behoorden te gevoelen.

By de acte van consent was bepaald, dat er eene voorbereidende vergadering van
daartoe beschrevene kerkedienaars zou plaats hebben, met welke de Stalen in overleg
zouden treden »over de manier van het houden" der Synode, alsmede over den lijd
en de plaats, daartoe geschikt. Diensvolgens werden de Provinciën uitgenoodigd, eenige
Godgeleerden naar '
ä Gravenhage af te vaardigen, om hun Hoogmogenden deswegens
van advies te dienen. Deze maatregel was een middel in der Staten hand om van
den aanvang aan loezigt en invloed op de Synode te houden, en alzoo laat het zich
denken, dat hy als eene ongewone bemoeijing der Overheid, als eene verkorting van
het regt der Kerken, werd uitgekreten. Uit de meeste Provinciën kwamen de Gedepu'

1 BAUDAEBT, 1, bi. 9 cn 10.

2 Ã¼YTEMioGAERT, Ksrckel. Ilist. bl. 355.

ocr page 296

DES VADERLANDS. , 427

teerden sleehls onder protest ter vergadering slechts de Gedeputeerden van de Synode 1610.
van
Noord- en Zuid-Holland schijnen den maatregel gaarne gezien te hebben Hoe
het zij, onder den naam van
Voorbereidende Vergadering 3, kwamen, in de maand Mei Voorbereidende
1607, de Gedeputeerden te ^sHage bijeen, die der meeste Gewesten met uitdrukkelijken ^^

last, zoowel van de Kerken als van de Staten hunner Provinciën, om voor te stellen,
dat de bewuste clausule van de Acte van Consent door minder aanstootelijke woorden
vervangen werd. De Staten stelden eenige vragen voor, omtrent welker beantwoording
men zich verstond. Zoo werd, onder anderen, eenstemmig als de wensch der Verga-
dering uitgedrukt, dat de Synode zoo spoedig mogelijk, te weten in het begin van den zo-
mer des jaars 1608 en wel te
Utrecht bijeen zou komen; dat de Heilige Schrift het
eenige rigtsnoer zou zijn, waarnaar de leer en de tucht beoordeeld zouden worden; dat
men ook tot de Synode zou beschrijven al de Nederlandsche Kerken, beide van de Ne-
derduitsche en de Waalsche taal \ die buitenslands waren, zoo onder het kruis als anders-
zins, en de Gereformeerde Kerken van de andere talen in
Duitschland en Frankrijk
van het houden der Synode in tijds zouden worden verwittigd; dat er geene punten
van beschrijving zouden gesteld worden, maar elke Provinciale Synode vraagstukken
(en dat niet alleen ter beraadslaging, maar ook ter beslissing) aan hare afgevaardigden
zou medegeven. Door de laatstgemelde bepaling scheen de clausule, door de Staten-
Generaal in de acte van consent opgenomen, stilzwijgend ter zijde gesteld; maar
ar-
MiMus en UYTENBOGAERT, beide leden der Vergadering, alsmede de beide Utrechtsche
afgevaardigden, die hunne gevoelens deelden, konden zich troosten met de gedachte,
dat deze bepaling niet terugwerkte op de reeds gestelde voorwaarde van de revisie der
Belijdenisschriften. Toen dan ook de Vergadering de Staten uitdrukkelyk wilde ver-
zocht hebben om de clausule op te heffen, vereenigden zich de vier aangeduide leden
geenszins met dezen wensch

De hoop van hen, die arminius' gevoelen waren toegedaan, was op de Staten. Niet
dat zg verwachtten, openlijk door hen in het gelijk gesteld te worden; maar het was
genoeg gebleken, dat de Staten hoogst ongaarne lot vervolging der aanhangers hunner
leer zouden overgaan, en dus liefst eene kerkelijke veroordeeling' van hunne gevoelens

^ baudaert, I, bl. 10.

2 UYTENBOGAERT, bl. 348. Ook de Zeeuwsche Staatslieden drongen op de Voorbereidende Ver-
gadering aan. Aid. bl, 356.

3 Conventus praeparatorius ad Synodum Nationalem.

^ baudaert zegt kortweg: Kerken van heide de Nederlandsche spraken (1 bl. 11), en triglard:
Nederlandsche Kerken van beide de talen {Kerk. Gesch. bl. 357). Zoo werd de Franeche taal
toen nog als iuheemsch bescliouAvd, nevens de Rederduiteche.
5 üytenbogaert, bl. 351, 352.

ocr page 297

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

^mimÊ^mÊmmÊÊÊÊÊÊÊmmmmmmmÊemÊÊmÊÊÊÊi^ÊiÊ^^

1610. zouden voorkomen. Daarom was het van nu aan hun wachtwoord om alle verklaring
en verantwoording aan kerkelijke personen en vergaderingen te weigeren, en, zoo zij
dan iemand te woord staan moesten, dit slechts te doen onder het beleid der burger-
lijke Overheid. In dezen zin had
armiptios reeds gesproken in de Voorbereidende Yer-
gadering
en sprak uytenbogaert , toen hij over zijne in de even genoemde Verga-
dering gegeven adviezen ter verantwoording geroepen werd door de Zuid-Hollandsche
Synode, in het jaar 1608 te
Delft gehouden. Deze houding intusschen bragt voor de
Stalen groote moeijelijkheid mede: niet alleen toch had het thans den schijn alsof
ar-
MiNius en de zynen zich verzekerd konden houden, door de burgerlyke Overheid ge-
regtvaardigd te zullen worden; maar ook was het te wachten, dat de mannen dier
party begeerig om hun gevoelen in het vereischte licht te stellen, er op aan zouden drin-
gen om ten overstaan der Staten met hunne wederpartij in het strijdperk te treden. Dit
laatste gebeurde werkelijk.
Arminios, ervarende, dat de studenten, die door hem ge-
vormd waren, vóór hunne toelating tot de predikdienst, met achterdocht door hunne
kerkelijke examinatoren bejegend werden, en uitlandsche studenten door hunne betrek-
kingen werden gedwongen de universiteit van
Leiden te verlaten, wendde zich tot de
Ahminius wendt Staten van Holland, « zijne Hooge Overheid, door wier bevel hij zyne dienst bekleedde
met verzoek MGt het verzoek, dat het hun gelieven mögt hem in staat te stellen met zijne tegen-
vmntwooS™ partijders «in vriendelijke conferentie te treden onder het beleid zijner behoorlijke Over-
heid", hetzy op eene Nationale Synode, of in eene vergadering van eenige gedeputeer-
den uit alle provinciën, hetzij ook in eene vereenigde Synode van
Noord- en Zuid-
Holland
of in eene byeenkomst van eenige gedeputeerden uit deze beide Gewesten, ten
einde in de eerste plaats den Heeren Staten en daarna ook zijnen medeleeraren genoeg-
doening te geven \ Op dit verzoek de bijeenroeping der Nationale Synode te bespoe-
digen kon der Staten plan niet zyn; de redenen immers, die hen zulks onraadzaam
deden achten, bleven in volle kracht bestaan. Eene vereenigde vergadering der Synoden
van
Zuid- en Noord-Holland was een denkbeeld, dat nog onlangs door de Synode te
Delft was geopperd, maar toen zonder gevolg was gebleven, omdat zulk eene bijeen^
komst, op de door die Synode voorgestelde wijze tot stand gekomen, ongetwijfeld ge-
strekt zou hebben om het vraagstuk, ter welks behandeling de Nationale Synode was
toegestaan, vooraf tegen de partij der Arminianen uit te wyzen. Op andere voorwaar-
den zulk eene vergadering te beleggen, was thans niet geraden. Intusschen diende er toch
iets gedaan te worden. Der Staten Gezant in
Frankrijk schreef reeds, dat de kerkelijke
geschillen in de
Nederlanden te Parijs eenen ongunstigen indruk maakten: du plessis

^ BAÜDAERT, I, bl. 12.

? Zie ARMiKiüs' schrijven aan de Staten bij uytenbogaert , bl. 435, sq.

ocr page 298

DES VADERLANDS. , 427

MORNAY had hem te kennen gegeven, dat ihans niets ongelegener komen kon dan zulke 1610.
godgeleerde twisten: den Staten voegde het daarin te voorzien door lot geschikter tijd-
stip het zwijgen op te leggen Met geweld allen twist te smoren, dit kon in der
Staten geest niet opkomen. Maar was er dan geen middel Ie vinden om de zaak zon-
der opspraak tot een einde te brengen ? Zeker niet zonder zulk eene bedoeling
gelastten de Staten van
Holland den Hoogen Raadi te *sHage, de twee Leidsclie
Hoogleeraren,
gomarus en arminius, voor zich te ontbieden in tegenwoordigheid
van vier predikanten, die de Staten daartoe mede zouden beschryven, niet om over de
verschillen, die er tusschen hen bestonden, te oordeelen, maar om te zien, of zg met
behulp van de vier predikanten door vriendelijke zamenspreking konden bijgelegd wor-
den, en om van alles aan hen, Staten van
Holland^ rapport te doen \ Toen de uil-Gomakuscu ak-

J. J - j-1 . 1_ J -1 MINIUS voor dea

genoodigde, protessoren en predikanten versctienen waren, werd gomarus, ingevolge uoogen kaad.
de door de Staten aan den Hoogen Raad gegeven instructie, door den Voorzitter uitge-
noodigd, te willen verklaren, of er tusschen hem en zijnen ambtgenoot eenig verschil
was, en zoo ja, waarin dan dit verschil bestond; daarna zou
arminius gehoord
Avorden, opdat men eindelyk mögt overleggen, hoe men het verschil op de geschiktste
wijze »tot gemeene stichting" zou kunnen wegnemen. Aan dit verzoek verklaarde
goma-
rus
zich ongezind te beantwoorden. Hij was, zeide hij, in kerkelijke zaken slechts der
Kerke, in eene Synode vertegenwoordigd, rekenschap verschuldigd. De Raad antwoordde,
dat men zich geenerlei gezag aanmatigde om over de godsdienst te oordeelen, maar
alleen wilde vernemen, of en waarin er verschil bestond, een verlangen, aan hetwelk men
GOMARUS alsnog verzocht gehoor te geven. Deze gaf thans te kennen, niet te weten,
waarom men hem als beschuldiger van
arminius wilde doen optreden, en vraagde, of
men hem soms bij de Staten wegens onheuschheid jegens zijnen ambtgenoot had aange-
klaagd. Hierop gerustgesteld en nogmaals vermaand aan den last der Stalen gehoor Ie
geven, ging
gomarus over tot de algemeene verklaring, dat de tijd wel zou openbaren,
wat
arminius aan zijne studenten leerde. In bijzonderheden meende hij te dezer plaatso
niet te mogen treden: in allen gevalle moest, docht hem,
arminius eerst zijne beden-
kingen tegen de Belijdenis en den Catechismus inbrengen. Hiertoe was
armiwius, blij-
kens zijn antwoord, niet geneigd: hij had, zeide hij, niets legen die formulieren ge-
leerd; wel had hg er eenige bedenkingen legen, doch de mededeeling daarvan kwam
eerst te pas in de Nationale Synode, volgens de Resolutie der Staten-Generaal ter revisie
dier schriften Ie houden, of ook elders waar de Overheid zulks zou gelasten. Voor het
overige had ook hg tegen
gomarus wat in te brengen: zijne praedestinalieleer, name-
lijk, scheen hem toe met de Heilige Schrift en de Belijdenissehriflen, alsmede met het

» UYTEHBOGAERT, bl. 398, 403.
2 ÜTTEKBOGAERT, bl. 436.

III Deel. 2 8τυις. U

ocr page 299

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

161&. algemeen gevoelen der Kerken te strijden. Zoo was de strijd aangevangen, en des an-
deren daags op nieuw voor den Raad verschenen, kwam
gomarus met zijn bezwaar tegen
de leer van
armïhius betrefifende de regtvaardigmaking voor den dag. Deze verklaarde
daartegen plegtig, dat bij in dit stuk eenstemmig dacht met de Belijdenisschriften, en
mögt het, na kerkelijk onderzoek, met goedvinden zijner Hooge Overheid ingesteld,
blijken, dat zijne leer niet zuiver was, zoo was hij bereid ze te herroepen of zijn hoog-
leeraarsambt neder te leggen. Dit vermögt
gomarus niet te bevredigen: het waren
meer dan bloole vermoedens, wat men tegen
arminius had, en dat zou hij op eene
weltige Synode doen blijken. Wat hem betrof, antwoordde
arminius, mögt dit hoe
eer hoe liever geschieden! Thans daagde
gomarus zijnen ambtgenoot uit, dade-
lijk met al zyne'bedenkingen tegen de Belijdenisschriften voor den dag te komen. Dit
verklaarde
arminius alleen op de Nationale Synode of anders op last der Staten te
willen doen, maar hij was bereidwillig, voor den Hoogen Raad zijne belijdenis te doen
op alle stukken, waarop
gomarus die zou begeeren, mits deze volgens de orde, door
de Stalen op de tegenwoordige bijeenkomst gesteld, eerst op dezelfde punten zyne be-
lijdenis deed. Ook de Raad begreep, dat dit zoo behoorde, en nu verzocht en verkreeg
gomarus tijd om zijne belijdenis op schrift te brengen. Desgelijks bragt armikius zijne
belijdenis over dezelfde leerstukken op schrift. Elk leverde voorls eene kritiek van de
belijdenis zijner partij; — en hiermede was deze strijd ten einde; want geen der beide
Hoogleeraren kreeg inzage van de kritiek zijner partg, en deze stukken bleven bij den
Raad bewaard lot nader order der Heeren Staten Zoo, meende men, waren de be-
schouwingen van
ARMiNius aan de kennisneming van het kerkelijk publiek, ook in hel
buitenland, en aan de behandeling op den predikstoel onttrokken; niemand toch, dus
redeneerde men, had grond of regt om over eene zaak te oordeelen, waarvan alle ac-
ten niet bekend waren. Dat
armiitiüs len minste niets tegen den zin der Staten in het
licht zou geven, daarvan kon men zich verzekerd houden. Derhalve kenden slechts de Staten
die stukken alle en raogten slechts zij daarover oordeelen, en dit hadden zij zich voorgeno-
men te doen door te verklaren, dat het verschil weinig te beduiden,had. Maar er zijn
karakters tegen wier drijven,, er zijn rigtingen tegen wier stroom'geene fijne bereke-
ning , geen wijs beleid zelfs iets vermag. 'Dit ondervonden dé Staten reeds dadelgk.
De Hooge Raad deed rapport in tegenwoordigheid der beide professoren en der vier
predikanten in de volle vergadering der Staten van
Holland^ en verklaarde dat alles
»minnelijk en vredelijk" was toegegaan,'en dat huns bedunkens tusschen de hoogleeraren
geen verschil was over eenig hoofdpunt des geloofs, dat men als noodig ter zaligheid
den gemeenen man zou behoeven te leeren. De Heeren Staten zeiden daarop bij monde
van hunnen Advokaat, dat zij dit met genoegen vernamen, bedankten daarom de Hee-

1 UÏTEJiBOGAERT , bl. 437—441.

ocr page 300

DES VADERLANDS. , 427

ren en Broeders voor de voltrekking Tan den gegeven last, vermanende, dat men zich
tot den vrede zou bevlgtigen en zich bij de Confessie en den Catechismus zou houden,
gelijk zulks ter wederzijde was verklaard. Voorts beloofden zg zoo spoedig mogelijk te
zullen zorgen, dat of eene nationale of ten minste eene provinciale Synode kon worden
gehouden, waarin alles rijpelyk naar Gods woord zou kunnen behandeld en beslecht
worden. Dus scheen alles tot algemeen genoegen afgedaan. Maar wat zeide
gomarus ? Dal hy
in gemoede niet kon erkennen, dat het verschil weinig te beduiden had: integendeel, hij
achtte dat het den grondslag der zaligheid betrof; hij zou. niet durven sterven op het gevoelen
desgenen, van wien hij verschilde, noch daarmede verschijnen voor het oordeel Gods; en,
voegde hij daarbij, ten ware er binnen kort in voorzien werd, zou uit dit verschil zulk eene on-
eenigheid komen te rijzen, dal het eene land legen het andere, de eene stad en kerk legen
de andere, ja, de eene burger tegen den anderen zou opstaan Dit eene woord was
genoeg om de Stalen zeiven te overtuigen, dat hun vredelievend beleid hier weinig
zou vermogen. Evenwel wilden zij doen wat zij konden, óm zulk· eene uitbarsting,
als GOMARUS voorspeld had, te voorkomen. De toestand des lands, de staalkunde, die
zij volgden, drong hen daartoe. De manschap stond handgemeen te worden op het
schip, en het was om het behoud van het schip zelve met manschap en al Ie doen.
Hadden de Staten de eer en het behoud van den bodem niet in een eervol Bestand ge-
zien, zij zouden minder op de houding der Republiek in het oog des vijands hebben
behoeven te letten. In eenen slaat van oorlog, waaraan geen einde te zien is;' houden
alle verpliglingen tegenover het vijandige buitenland op, en de Republiek kon mis-
schien met de eene hand, dweepzuchtig tegen zich zelve gewapend, in hare eigene
ingewanden woelen, en met de andere den vijand te duóhtiger slagen toebrengen.
Maar, zou onze Staat eenen rang innemen onder de Mogendheden van Europa en voor
het Protestantisme van zijnen felsten vijand aanvankelijk erkenning winnen, zoo moest
hij zich bekwaam betoonen om een ordelijk leven Ie leiden, en zijne
"eigCDe ingezete-
nen in vrede te houden. Toen daarom de Gedeputeerden der Hollandsche Synoden sterk
op het bijeenroepen van eene Provinciale Synode aanhielden om terstond daarna ook de
Nationale Synode te mogen houden, namen de Staten van
Holland het besluit, dat aan
de Kerken
hoop zou mogen gegeve?} worden^ dat men in de volgende maand Oclober
eene Provinciale Synode zou houden doch inmiddels zouden de bgzohdere Synoden van
De Stalen beslui-
Zuid- en Noord-Holland stilstaan. In dit besluit was niets stelligs, dan dit alleen, dat
er vooreerst in
Holland, geenerlei Synoden zouden gehouden worden; immers de gewone »^''«^^»βη.
Synoden werden lijdelijk afgeschaft en op de byeenroeping van de buitengewone Profin-

^ ÜYTESBOGAEnT, bl. 442. BAUDAERT, bl. 14.
2 ResoJ. V. Holl. 1608, bl. 601.

ii4#

ocr page 301

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. ciale Synode werd slechts hoop gegeven ^ Geen wonder dat deze maatregel zulk een
gemor ten gevolge had, dat de Staten denzelven niet vol konden houden. Prins
maurits ,
verstoord over de onderhandelingen wegens het Bestand, liet zich uit, dat men nu al-
les scheen overhoop te willen werpen, het kerkelijke zoowel als het politieke 2. Nadat
derhalve de Staten nog den Julij aan de gecommitteerden der
Zuid- en Noord-

llollandsche Synoden beloofd hadden, dat de Provinciale Synode tusschen den en
den 20®'®" October in den Haag zou gehouden worden besloten zij, den Sep-
])it Besluit her-tcmber 1608, het houden der particuHere Synoden weder toe te staan; maar — ten
roepen.^ ein(le toch het voordeel van den eenmaal genomen maatregel niet te verliezen — de

Provinciale Synode, daarentegen, minstens voor twee maanden uit te stellen, en aan
de particuliere Synoden te gelasten zich te onthouden van de behandeling van de on-
derwerpen, om welke de Provinciale Synode zou gehouden zijn, ten einde zulk eene
vergadering niet vooraf reeds onnut te maken Κ Daar tot die onderwerpen de eisch
behoorde, aan de Arminiaansche leeraars gedaan, om zich ten aanzien van hunne be-
zwaren tegen de Belijdenisschriften te verklaren, zoo gaven de Staten met deze veror-
dening in de hoofdzaak niets toe. Doch laten wij zien, of de predikanten zich die
Zuid-Hollanil- beperking lieten welgevallen. In de maand October kwam de particuliere Synode van
sl^r^c^l^^ ^^ Zuid-Holland te Dordrecht bijeen. Hier werd op nieuw besloten bij de Staten-Gene-
raal aan te dringen, dat zij tijd en plaats van de Nationale Synode zouden willen bepa-
len : vooraf echter zou men de Provinciale Synode zien te verkrijgen om de beletselen,
die de Nationale Synode, zoo men thans meende, verhinderden, eerst uit den weg te
ruimen. Het schijnt, dat men hoopte, de zaak der Arminianen op de Provinciale
Synode in dier voege uit te maken, dat hun zelfs den toegang tot de Nationale Synode
zou ontzegd zijn. Maar regtstreeks scheen men tegen den geest en den uitgedrukten wil
der Stalen te willen handelen, toen men de vraag stelde, of men den predikanten, die
op de Voorbereidende Vergadering geweest waren, geene rekenschap zou afvorderen
van de aldaar door hen gegeven adviezen Tegen de behandeling dezer zaak kwa-
men de Commissarissen op, die van wpge de Staten de Synode bijwoonden, de Heeren
rom-

ï UYTENBOGAERT, die dcr Staten bedoeling wel gevat heeft, schrijft dan ook, dat zij besloten de
Provinciale Synode
zoo haast doenlijk bijeen te laten komen, en Yoegt er met nadruk bij: in der
Staten tegenwoordigheid
te 'sGravenhage. bl. 443.

2 m'TEKBOGAERT, bl. 443, verg. 356. )

3 nesoi y. Holl, 1608, bl. 635.

ί Resol. V. Hall. 1608, bl. 690, 691.
5
Resol. υ. Holl, 1608, bl. 554.

ocr page 302

DES VADERLANDS. , 427

bout hogerbeets 611 nigolaas gromhout togh Toorls - de Synodalc ^ GedepuleerdeiT, 1610.
die inlusschen pogingen gedaan hadden om de Provinciale Synode te verwerven, in de
Synode terugkwamen met een berigt, waaruit zich liet afleiden, dat de Staten zich
niet zouden haasten om het verlangen der predikanten in deze zaak te bevredigen,
werd besloten, denzelfden Gedeputeerden te gelasten, hun Edel Mögenden nogmaals de
dringende noodzakelijkheid eener Provinciale Synode voor te dragen, en indien de Sla-
ten ze niettemin nog langer wilden opschorten, dit aan de classes te kennen te geven,
opdat dezen mogten overwegen, wat haar te doen zou staan om de zuiverheid der leer
en de eenigheid der Kerk te behouden. Eindelijk besloot men, den predikanten, die
hunne aanmerkingen op de Confessie en den Catechismus nog niet hadden ingebragt,
daartoe geen langer lijd dan van ééne maand te geven, en aan alle classes aan te
schryven, om, als die maand verstreken was, legen de overtreders dezer resolutie Ie
procederen 2. Dit merkten de Stalen aan als volstrekte ongehoorzaamheid tegen hunne
bevelen. Ware aan het besluit der Synode gevolg gegeven, zoo zouden de Stalen geroe-
pen zyn geworden om de kerkelijke vonnissen legen de overtreders uit te voeren, en
dit was het juist wat zij vermijden wilden en moesten. Dus stelden zij een besluit
legen dat der Synode over, en gelaslten den predikanten, de bedenkingen, die zij op de
genoemde schriften mogten hebben, binnen eene maand niet aan de classes, maar aan
de gecommitteerde Raden van
Holland verzegeld toe te zenden, om bewaard te wor-
den tot op de Provinciale Synode van
Holland

Inlusschen liet het zich aanzien, dat er zich spoedig hier of daar eene classis zou
opdoen, die op eigen gezag optrad legen zulke predikanten, welke van afwijking van de
leer der belydenisschriften verdacht werden, Werkelyk greep dit plaats in de classis van
Alkmaar. Hier ging men er in September 1608 toe over om van alle predikanten op Begin der twis-
nieuw de onderleekening van den Catechismus en de Confessie te vorderen. Vier predi- Alkmaar,
kanten weigerden de onderleekening. Diegene van de vier, die reden van zijne weigering
had gegeven, werd dadelijk in zijne dienst geschorst; aan de drie anderen werd tijd van
beraad gegund. De geschorste leeraar wendde zich lot den Heer
van sguagen, Heer
van de plaats waar hij diende, en de Overheid van het dorp sloot de kerk *
voor den door de classis ter vervanging van den geschorsten predikant aangeslel-
den leeraar Κ Dit beroep op de wereldlijke Overheid werd door de classis hoog opge-
nomen, en daar de drie anderen weigerachtig bleven om de Formulieren te onderleeke-

' Resol. V. Holl. 1608, bl. 705.
- UYTENBOGAERT, Kcrckel. Historie, bi. 444.
3 ÜYTENBOGAERT, bl. 446. iicso/.
v. IM, 1608, bl. 751.
^ UYTEN'BOGAERT, bl. 454.

ocr page 303

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610, nen, werden ook dezen van hunne dienst ontzet. Nu namen de vier geschorste pre-
dikanten gezamenlijk Kunne toevlugt tot de Staten
Tan Bolland ^ met verzoek, dat aan
de classis mögt verboden worden dus tegen hen te werk te gaan voordat hun gevoelen op
eene Provinciale of Nationale Synode onderzocht was. Wat hadden de Staten thans Ie
doen? De classis van
Alkmaar had op eigen gezag uitgemaakt, wat door de Staten uitdrukkelijk
als eene eerst laler te gelegener tyd te beslissen vraag gesteld was, of afwijking van
de Formulieren eenig leeraar van de gemeenschap der Nederlandsche Gereformeerde
Kerk deed vervallen. Konden zij zoo iels onverschilh'g aanzien? Zij oordeelden, dat
zij dit geenszins vermoglen, en bij een schrijven van den ΙΙ*·®" October verzochten zij de
classis, de acte, .waarby, de predikanten tot de leer, in de Formulieren vervat, volkomen
toetraden, en waarvan zij de onderteekening vorderde, aan de Staten ter beoordeeling
over te zenden, en intusschen de geschorste predikanten in hunne dienst te herstel-
len. Evenwel, versterkt door de uitspraak der Synode van
Noord-Holland, die de vier
predikanten veroordeeld had, ook op grond dat zij met voorbijgang van hunnen gees-
telijken regier hunne toevlugt genomen hadden tot de Staten, ging de classis voort op
den ingeslagen weg en schorste zelfs nog eenen vijfden leeraar, predikant in de slad
Alkmaar zelve, met name adolf venator of de jager , die vroeger door ziekle uit de kerke-
lyke vergadering gehouden, laler elke beslissende verklaring had welen te vermijden,
maar eindelijk mede de verlangde onderteekening geweigerd had. Van deze schorsing
gaf de classis terslond kennis aan de Burgemecsleren van
Alkmaar met verzoek om
handbieding ter uitvoering van het vonnis. De Vroedschap, door de Burgemeestercn
bijeen geroepen, besluit den predikant, in wfeerwil van de uitspraak der classis en de
klagt van den Alkmaarschen Kerkeraad, in zijne kerkelijke bediening te handhaven,
totdat bij de Provinciale Synode de zaak in geschil zal zijn uitgemaakt, mits
venator
zich intusschen onlhoude zyne bedenkingen tegen den Catechismus ter sprake te bren-
gen: zoo hij bezwaren had, moest hij ze aan de Staten, overeenkomstig hunne resolutie,
verzegeld toezenden. Dus handelde de Vroedschap in volkomen overeenstemming met
de Staten. Niettemin protesteerde de kerkeraad »voor God" tegen een besluit, waar-
mede deze Vergadering het regt geschonden achtte, »dat de Kerk niet van menschen
maar van
jezus Christus, haar eenig Hoofd," ontvangen had, zich vooraf reeds on-
schuldig verklarende aan al de gevolgen, die de handhaving van
venator hebben kon.
Deze ging intusschen ongestoord met groolen toeloop voort te prediken, weshalve de
Gedeputeerden van de Noord-Hóllandsche Synode en van de classis van
Alkmaar de
Magistraat dezer stad alsnog uitvoering verzochten van'het vonnis, door de classis tegen
VENATOR gewezen. Geen bevredigend antwoord bekomen hebbende, gaat men zich be-
klagen bij de Staten, en laat bij de vermelding van hetgeen men tegen
veivator had,

» Jiesol. V. Holl. 1608, bl. 714.

ocr page 304

DES VADERLANDS. , 427

iels invloeijen van een gerucht, dat er aangaande hem in.omloop-was, alsof hij eene^ 1610.
vrouw tot echtbreuk zou .verleid hebben ^ De Staten^.antwoorden,<dat zy met,leedwe-
zen berigt gekregen hadden yan de oneenigheden, gevallen ten aanzien eener 'zaak,
waarin zij hunne meening reeds hadden verklaard; weshalve zij begeerden, dat de lee- ,
raren de andersdenkenden met. alle Christelijke liefde zouden'bejegenen en'verdragen,
zonder zich alzoo van elkander af te zonderen. Men zou" twee Gedeputeerden - naar
Alk-
maar
zenden, vooreerst om te trachten de classis over te halen, -zich van het doordrij-
ven der schorsing van de veroordeelde predikanten te onthouden; ten anderen om de
Magistraat
ym Alkmaar te verzoeken, de zaak van venatóe voor.den Hoogen Raad te
brengen Met dezen last worden
rombout hogierbeets en johan vak santen, leden
van den Hoogen Raad, naar
Alkmaar gezonden Κ Hier worden, zij'door de classis niet
dan na eene vrij onheusche bejegening in de vergadering toegelaten omite vernemen,
dat zij niet denkt te gehoorzamen \ In de zaak van
venator deed de Hooge Raad
den 21''°" Julij deze uitspraak, dat de ten laste -van den beklaagde ingewonnen be-
scheiden onvoldoende waren om daarop eenige regtsvervolging in te stelléjn ^ In den
last, den 27®'®° Mei aan de classis van
Enkhuizen gegeven, om de daar te houdenJSynode
uit te stellen,
totdat de Heeren Ambassadeurs zouden vertrokken zijn hebben wij welligteen
blijk van der Staten ongenoegen over den geest, die onder de Noord-Hollandsche predi-
kanten heerschte, te zien. Hoe het zij, in Augustus zanden de Stalen eene vermaning
aan de classis van
Alkmaar^ dat zij niet langer weigerachtig zoude zijn, de geschorste

1 Corte ende ivaerachtige Yerantwoordinghe over de Proceduren ende Resolutiën die de Vroed-
schappen van Alckmar op den ΙΨ''* Julij
1610 hebben genomen^ bl. 122 enz, (N°. 887 van dc
liihl. van Pamfletten enz. door p. a. tiele.) ' Â«

2 Resol V. Holl. 1609 16 Jan.) bl. 802.

3 Aldaar, bl. 804.

^ UYTENBOGAERT, bl. 458.

5 Inderdaad uit de Corte ende waerachtige Yerantwoordinghe (zoo even aangehaald) van vëka-
tors
voornamen tegenstander hillenius blijkt niet, dat het vermoeden van echtbreuk op iets andere
steunde, dan op de getuigenis van Iwee vrouwen, die beweerden, dat hij haar oneerlijke voor-
stellingen gedaan had (bl. 122—126). Wel waren de handelingen van VBNAToa geschikt om ern-
stig gestemde leeraren en gemeenteleden te ergeren. Zoo hield hij in 1602, neven» zijn leeraars-
ambt, eene geleerde scliool ten zijnen huize, liet door zijne leerlingen eene comedie ran
terex-
Tius opvoeren, en gaf zelve eene »heidensche" comedie, Democritus getiteld, en andere onstichte-
lijke gedichten en geschriften in het licht (bl. 85 , 86). Zie ook
triglawd, Kerckel. GeiCÄ. bl. 492,
493. Wat niLLENius betreft, deze blijkt uit zijn meermalen aangehaald geschrift in allen gevalle
een kundig en bekwaam man geweest te zijn.

6 Resol V. Holl. 1609, bl. 928.

ocr page 305

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. predikanten in hunne bediening en regten te herstellen. Doch ook dit raogt niet baten.

Evenwel, in plaats van met heftige maatregelen tegen deze ongehoorzaamheid te velde
te trekken, wenschten de Staten zich de hardnekkigheid van de classis van
Alkmaar
ten nutte te maken, ten einde het eenmaal door hen aangenomen stelsel vol te houden
en »in het belang der Religie en des Lands" eene algemeene wettige beslissing legen de
Arminianen zoo lang mogelgk tegen te gaan. Toen, namelijk, de Gedeputeerden van
de Z.uid- en Noord-Hollandsche Synoden op nieuw met grooten ernst verzochten, dat tijd
en plaats mögt bepaald worden tol het houden eener Provinciale Synode, gaven de
De staten stel- Stalen hierop, den Ιθ*^®" September 1609, ten antwoord, dat zij gezind waren, vóór het
phg'^van'dedaL scheiden hunner tegenwoordige Vergadering, dag en plaats tot het houden eener zooda-
alsvoorwiSlot^'S® Synode te bepalen, mits alvorens de classis van
Alkmaar blijken mögt hunne be-
de bijeenroeping ^gjgj^ willen nakomen. Wat toch, dit konden zü ter regtvaardiging dezer voorwaarde
eener Provinciale _ ' ^

Synode. aanvoeren, wat zou de bijeenroeping eener buitengewone kerkelyke vergadering te be-

duiden hebben, wanneer men zich alreeds beslissende handelingen veroorloofde in eeno
zaak, waarin die Vergadering eerst moest beslissen, en hoe kon de wereldlgke Overheid
waardiglijk haar gezag leenen ter bevrediging van de begeerte der Kerk, wanneer die-
zelfde Kerk in een harer leden der Staten gezag miskende ?

Hadden de Staten aldus bewerkt, dal de vertegenwoordigers der Kerken zeiven be-
lang hadden bij de onderwerpitj^ der Alkmaarsche classis aan de wereldlgke Overheid,
de Synodale Gedeputeerden bleven niet in gebreke om eene poging te doen ten einde
die classis tot een ander besluit te brengen. Zij begaven zich naar
Alkmaar, riepen
de classis bgeen, en, volgens hun verslag, den l''·"" October aan de Stalen gedaan ^,
bewogen zg haar, de vier geschorste dorpspredikanten weder in hunne vergadering te
ontvangen. Tot de toelating van
yenator echter kon men om bijzondere redenen
geenszins besluiten. Zoo bleef de classis voor een deel ten minste gehoorzaamheid
weigeren, en de voorwaarde door de Staten, op de byeenroeping der Provinciale
Synode gesteld, bleef onvervuld.
Venator en een der vier andere predikanten, toen in
'sHage aanwezig, kregen intusschen op hun verzoek inzage van de schriftelijk bg de
Stalen ingeleverde bezwaren der classis. Zij verantwoordden zich deswegens op zulk
eene wyze, dat de Stalen goed vonden die van de classis en den kerkeraad van
Alkmaar
daartegen te hooren. Diensvolgens ontboden zij eenigen uit de classis en den kerke-
raad van
Alkmaar om tegelgk met yenator en dien anderen van de geschorste lee-
raren voor hen te verschijnen, opdat, zoo mogelgk, de zwarigheden tusschen de partijen
beslecht mogten worden Deze uitnoodiging, te 4/Äwiaö/Ontvangen, werd terstond hoog

S'f

-f?
fji;

1 iieso/. υ./M. 1609, bl. 1026.

3 Re$. V. Holl, hl 1033. uvtenhogaert, Kerck. HisL bl. 460,

ocr page 306

DES VADERLANDS. , 427

opgenomen door den predikant hilleniüs of van hille, die, yenators yoorname legen- ißio.
stander zynde, noodwendig mede te 'sHage moest opkomen. Hij begrijpt geene bevelen
van dien aard af Ie wachten les hebben. Naauwelijks laat hij zich door de burgemees-
ters, van welke er sommige op zijne hand waren, en die naar *s Hage wilden, over-
halen. Maar voor de Staten verschenen, verklaart hij van de classis, waartoe hij be-
Vjenator ca

l- Â· 1 11 · · .1 hilleniüs voof

hoort, m last te hebben, alhier m geenen woordenstrijd te treden, maar zich alleen op de Staten,
de toekomstige Provinciale Synode te beroepen. Zelfs toen in de vergadering venator
de verpligling uiteen zette, die op de predikanten rustte om rekenschap aan hunne
wettige Overheid te geven, zoo als zelfs
Christus en paulüs gedaan hadden; toen hy,
door HiLLENius houding tot drift vervoerd, hem met bitterheid zgne vgandelijkheid ver-
weten had, bewaarde deze een hardnekkig stilzwijgen, tot 's middags omtrent één ure,
nadat de vergadering 's morgens te acht uren begonnen was. Toen gaven de Staten
HILLENIÜS en den zijnen nog uitstel tot vier uren toe. Dezen tusschentyd nemen de
Alkmaarsche burgemeesters te baat om hem tot spreken te bewegen. Doch alles te ver-
geefs. Ten laatste vellen de Staten in dezer voege vonnis: de classis van
Alkmaar
had de vgf geschorste predikanten onvoorwaardelijk in hunne dienst en kerkelgke reg-
ten t te herstellen, en zoo binnen acht of tien dagen dit bevel niet nagekomen was,
zouden de Staten daarin bij andere middelen voorzien. Deze uitspraak ging verzeld
eensdeels van de verklaring, dat, naar der Staten begrip, de classis volgens Gods hei-
lig woord en der Landen regten schuldig was te gehoorzamen, en anderdeels van de
vermaning, aan al de predikanten, zoo klagende als beklaagde, gegeven, om voort-
aan , het voorgevallene vergetende, in Ghristelgke liefde zamen te leven, en tot stich-
ting der Gemeente te arbeiden zonder iets tegen de BelydeniSs of den Catechismus te
leeren ?

Waarlyk er bestaat geen grond om de Staten van gemis aan geduld te beschuldigen;
want de tien dagen verstreken, en geene maatregelen werden er tegen de weerbar-
stige classis genomen. Ja, toen de geschorste predikanten zich den November
op nieuw bg de Staten aanmeldden met de klagt, dat de classis de gegevene bevelen
nog steeds niet wilde gehoorzamen en hen in de kerkelijke vergaderingen weigerde
te ontvangen, gelastten zij de supplianten naar hunne kerken te vertrekken en aldaar
hunne verpligtingen na te komen, en verklaarden eene nadere remonstrantie der Ker-
ken, die zij binnen kort te gemoet zagen, te willen afwachten \ Deze remonstrantie
werd werkelgk den December in naam van de beide Hollandsche Synoden ingeleverd,
en behelsde klagten over de aangroeijende stoutheid dergenen, die van de leer der Gere-
formeerde Kerken afweken, met name over de gevoelens van den Regent van het iheo-

1 I'YTENBOGAERT, Kerclc. Historie y hl. 460-462. Resol. υ. Holl. 1609. bl. 1047.
^ Resol. V. Holl. 1609, hl 106i.

III Deel. 2 Stuk. Ã¶li

ocr page 307

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

ICIO. logische Collegie Ie Leiden^ dien men bestemd achtte om in de openstaande betrekking
van Hoogleeraar benoemd te worden. Ten slotte Terklaarden de Synodale Gedeputeerden
zich over de zaak der Alkmaarsche classis:
venator, meenden zij, kon van zijne schor-
sing niet ontslagen worden zonder openbare scheuring en i ondergang der Kerk van
Alkmaar, en met betrekking tot de andere geschorste predikanten verzocht de classis uit-
stel om op de laatste Resolutie der Staten acht te geven. Inmiddels mogten de Staten

Herhaald ver- maatregelen nemen tèn einde de Provinciale Synode niet langer bleef uitgesteld.

zoek om eene , i ο i ι··ι i i -rr i · Â· i

Provinc. Synode. Hierm Zagen de Staten vooreerst een blijk, dat de Kerken niet gezmd waren de door

de Stalen tot de bijeenroeping der Provinciale Synode gestelde voorwaarde — te welen
de onderwerping der! classisl·van
Alkmaar te laten gelden, en ten anderen eene
poging om op hare beurt den Stalen de bijeenroeping der Synode als voorwaarde te
stellen, waarop zg de onderwerping der ongehoorzame classis konden verwachten. Zoo
doende was als het ware de oorlog tusschen de Kerk en de wereldlijke Overheid ver-
klaard, en het stond te bezien, wie voor de krygsbeweging van de tegenpartij wijken
zou. Van de Staten was geene toegefelykheid te wachten. Integendeel, bij hunne
aposlille op dié remonstrantie gegeven, herinnerden zij met hoogen ernst, hoe zij sedert
het jaar 1572 tot dezen dag toe, zoo binnen deze Landen als daarbuiten met de daad
bewezen hadden, dat de zaak der zuivere Gereformeerde Religie uitnemend aan hen
toevertrouwd vyas: de dienaars dier Godsdienst waren alleen op 's Lands kosten onder-
houden; hierin dachten zij door Gods genade te volharden ; op de Hoogleeraren der
Godgeleerdheid en de Regenten van het Collegie te
Leiden zouden zij op advies der be-
voegde personen zulks doen voorzien, dat de zuivere in Gods heilig woord gegronde Religie
lot Gods eer en glorie, tot dienst der Landen, tot welstand der Kerken en gerustheid en
stichting der goede Gemeente geene schade leed, waartoe zij ook al zulke ketkelgke
vergaderingen zouden laten houden, als dienstig zou wezen. Maar tot de Provinciale
Synode zouden zij geen verlof geven, dan nadat eerst de classis van
Alkmaar hunne
bevelen zou zijn nagekomen, op welke zaak zij bedacht waren dadelyk orde te stellen ^
Daags daaraan, als om by de standvastigheid eener krachtige overtuiging tevens goeder-
tierenheid te betoonen, besloten de Stalen, het nemen van een besluit ten einde de classis
van
Alkmaar lot gehoorzaamheid te brengen, op hope dat het daags te voren gegeven
antwoord en de goede diensten der Magistraat van
Alkmaar haar tot betere gedachten
leiden mogten, alsnog uit te stellen. Ingevolge hun besluit van den December,

toen zij nog niets van eene verandering in den slaat van zaken te Alkmaar vernomen
hadden, lieten zij aan de Overheid aldaar afvragen, wat zij gedaan had om bij de
classis het gewenschte doel te bereiken. Hierop ten antwoord bekomen heb-

ResoL V. Holl. 1G09, bl. 1079.

ocr page 308

DES VADERLANDS. , 427

bende, dat daartoe nog niets Terrigt was, verzochten zg, »aangezien men cetistemmlg 1610.
verstond, dat het oppergezag bij de Stalen moest blijven," 'de Burgemeesters en· Re-
geerders te
Alkmaar ernstiglijk, al het mogelijke te'doen, ten seinde dé classis vóór de
aanstaande zitting tot haren pligt te brengen ' ' ^ <

Intusschen was er te Alkmaar zulk eene verandering in de Regering voorgevallen,
dat er, zonder buitengewone maatregelen, geen herstel op de grieven der Staten te
wachten was. Op Kersmis was er naar gewoonte, uit eene nominatie, door Prins
maürits Nieuwe Magia-

ö > traat te

eeue nieuwe Magistraat gekozen. De keuze was gevallen op voorstanders van hillenius , het-
geen ons niet verwonderen kan, wanneer wy bedenken, dat zich sedert'de onderhandelin-
gen over het Bestand een aanmerkelijk verschil van gevoelen tusschen de Staten en den Prins
geopenbaard had, en
deZe in de partg der predikanten eenen steun had leeren vinden.
De nieuw gekozen Overheid echter leverde slof tot aanmerkingen. Verscheidene der
leden bestonden elkander te na in den bloede, en, met voorbijgang van oude en aanzien-
lijke burgers, had men personen, uit de omliggende dorpen 2 en andere plaalsen kortelings
met der woon in de stad gekomen, benoemd gezien. Dit gaf aanleiding lol groot mis-
noegen. De tijdelijk overwonnen
partij deed zich gelden. Onder vöotgeven, dat men
gewapenden dwang te duchten had, kwam de schutterij, geen gehoor bij de Regering
krijgende, op eigen gezag in de wapenen om de stad mét buitengewone wachten te
bezeilen, en zond berigt naar de Staten en den Prins. Hierop werden, behalve de ge-
commilteerde Raden, uit den Hoogen Raad de Heeren
reinoud van'brkderodé van
υεείτπυιζέτί
, schoonzoon van oldenbarnevelt , de voogt en hogerbeets, en uit den
Provincialen Raad de Heer
van der does van noordwijk 'naar Alkmaar gezonden, om
aldaar, zoo op gezag van de Staten als van den Prins, de gemoederen te bevredigen?
Commissarissen
W^erden hunne voorstellen niet aangenomen, zoo hadden de partijen zich aan de'uit-zonden,
spraak der Staten en Zijner Excellentie, den Prins, te onderwerpen. Zij dan vonden
goed de Magistraat te doen aanblgven, mits zulke leden, die elkander te na bestonden,
te zamen slechts
ééne stem zouden hebben; Deze maatregel strekte' niet tót^bijleg-
ging der geschillen, i en alzoo onderwierpen zich de partijen , ■ bij acté
van den
Januarij 1610, aan de uitspraak, die de Staten en de Prins doen zótiden. Dè beide
partgen zonden intusschen hare gedeputeerden naar 's//a^e om hiter'elk voor haaf de
gemoederen té winnen. Die van dë partij van
hillenius vonden geen guhstig'oor bij
de Slalen, doch wel bij den Prins, die evenwel te kennenIgafdat hij voör hef oogen-
blik niet geraden vond voor hen in de bres te springen. Toen zg oldenbarnevelt
over de noodzakelijkheid van de ontwapening der schutterg, die Voorzeker onregtmatig
in de wapenen
gekomen was, onderhielden, ρ keurde bij het gedrag der Kapiteins wel

J liesol V. Holl. 1609. bl. 1080, 1089, 1110, 1111.
^ VAN WETEBEIf, X, bi. 243. ' '

ocr page 309

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

IGIO, af, maar verklaarder hij Dietlemin, dat hij de ontwapening gevaarlijk rekende. Geen
wonder, de dreigende houding der schutterij moest de Stalen eene aanleiding geven om
tot eenen uitersten maatregel te komen, die alles in hunnen zin zou regelen. Toen voorts
de aanhangers van
hillenius uitstel van beslissing verzochten totdat de Prins, die den
jjdcn Februarij naar Uireeht vertrokken was, terug zou zijn, antwoordde olbenbarhevelt ,
dat het den Staten toekwam, »op de eenigheid der steden en leden van dien te letten
en te beschikken, en dat zij naar de wederkomst van Zijne Excellentie niet behoefden te
wachten: de Staten namen den last en het gezag zijner Excellentie aan zich, daar de
zaak geen uitstel leed." En hij mögt zoo spreken, want het was een hagchelijk tijd-
stip, zoo als ons uit het verhaal van hetgeen er te
Utrecht voorviel, zal blijken. De
Commissarissen dan te
Alkmaar ^ toen geen andere maatregel de rust scheen te kunnen

De Vroedschap herstellen, kozen geschikte personen, die een dubbeltal van Burgemeesteren, Schepc-
afgezet en ver-
vangen.
 nen en Tresoriers benoemden, waaruit dezelfde Commissarissen eene nieuwe Magistraat

verkozen Nu keerde alles tot de vorige orde weder, en de buitengewone wapening
had een einde. Intusschen hadden de Commissarissen, ingevolge hunnen last, pogin-
gen aangewend om de Kerkelijke zwarigheden te vereffenen. Zij hadden de vergadering
der classis
opgeroepen, en haren leden persoonlijk de vraag voorgelegd, of zij de Reso-
lutie der Staten wilden nakomen, ja of neen. De meerderheid had toestemmend geant-
woord en de dag was bepaald, waarop de geschorste predikanten weder in hunne reg-
ten zouden worden hersteld. Toen deze dag daar^was, en de Commissarissen zich naar
de vergaderzaal begeven hadden, vonden zij ze ledig 2. Voorwaar geene geringe belee-
diging en woordbreuk! Later nogtans deden de Commissarissen de classis op nieuw ver-
gaderen , en verkregen zelfs van
hillenius , hoe onheusch dan ook, een toestemmend ant-
woord op hunne herhaalde vraag. Niettemin bleef de Kerkeraad zich op meer dan eene
wijze ongezind toonen om
venator als broeder te behandelen, onder anderen, door het
besluit om de gewone vergaderingen voorloopig na te laten als wilde hij de vergade-
ringen , waarin een
venator toegang had, niet anders dan als buitengewone aangemerkt
hebben. Uit een en ander bleek genoegzaam, dat zoolang de Kerkeraad', uit de leden die
hij thans bevatte zamengesteld, in dienst bleef, aan geene eendragt te denken viel.
Deswegens besloot; de nieuwe Vroedschap tot het ontslaan van'den Kerkeraad over te
De Kerkeraad ^ ^^^ ^^^ nieuwe Kerkeraad verkozen, niet zonder dat de partij van hil-

ontslagen en een & ' ' ,

nieuwe verkozen, lemüs over onregelmatige praktijken klaagde; doch bij de dwarsdrijverij der aanhan-

1 Zie TBiGLAND, ΚβτοΙίβΙ. Bist. bl. 502—511. De Gedeputeerden van Amsterdam en Enkhuizen
hechtten in de Staten geenszins hun zegel aan het ontslaan van den Raad te Alkmaar (Resol.
V. Holl. 1610, bl. 127).

2 ÃœÃTENBOGAERT, bi. 489.

3 Corte ende Waerachtige Verantw. bl. 37.

ocr page 310

1610.

DES VADERLANDS. 457

gérs van dezen predikant was eene geregelde verkiezing ëene onmogelgkheid geweest
Sedert openbaarde zich allerlei tegenstand. De aanhangers van den voormah'gen Rerkeraad
weigeren bij de gewone inzameling voor de armen hunne aalmoezen ; de voorzanger wil
de opgegevene psalmen niet aanheiFen; als
venator den doop wil bedienen, is het bekken
zoek 2.
in één woord, het blijkt allerduidelykst, dat, zoolang hilleniüs voortging het
gezag van den nieuwen Kerkeraad te miskennen en der tegenpartij een hoofd te ver-
strekken, er aan de uitwendige ergernissen geen eind zou komen. Deswegens ging de
Magistraat, bg besluit van den 17"^°" Julij 1610, er toe over om?»tot voorkoming van
meerder zwarigheden"
hillenius uit zyne dienst te ontzetten en hem te gelasten binnen
veertien dagen (zoo hij intusschen oproerige predikatiën hield, binnen drie dagen daarna)
uit de stad te vertrekken: zijn gezin mögt nog zes of acht weken in de stadswoning big ven
en zyn traktement zou nog drie maanden na het loopende kwartaal uitbetaald worden.
In weerwil van dit besluit en als om de maat vol te melen, lieten de burgemeesters den
dus verwezen predikant aanzeggen, dat, wilde hij zich tot vrede schikken, men ge-
zind was, hem in de stad en in zijne dienst te laten. Doch
hillewius sloeg dit voor-
stel af. Daar nu zgne aanhangers klaagden van de gelegenheid om te kerk te gaan
verstoken te wezen, zoo wilden de Magistraat en de Kerkeraad ook in dit bezwaar
voorzien, en verzochten twee predikanten van buiten »by leening" om nevens
venator
de predikdienst waar te nemen. Niettemin liepen de onvergenoegden naar Koedijk ^
waar hilleniüs predikte. Om eindelijk aan alle ergernis een einde te maken, vindt de
vroedschap geraden om
venator zijne dienst te doen staken en hem intusschen met
de betrekking van Rector der Latynsche school te belasten. Evenwel met het einde
des jaars 1610 werden de geleende predikanten — de een was uit
Haarlem ^ de ander
uit
Leiden — door hunne^gemeenten teruggeroepen. Zoo was men wel genoodzaakt,
venator weder in dienst te stellen, waartoe men te eerder overging, omdat de toeloop
naar
Koedijk door de dienst der geleende predikanten toch niet gekeerd was. Hier was
als het ware eene afzonderlijke gemeente van Alkmaarsche misnoegden ontstaan, die
yverig bediend werd hetzij door
hilleniüs, hetzij door andere leeraren, wier beurten
alsdan door
hilleniüs werden waargenomen. Dit duurde zoo lang totdat de Staten, die
reeds den Juny de Magistraat en den December 1610 ook den nieuwen Kerkeraad
van
Alkmaar tegen hillenWs in het gelijk gesteld hadden 3, een streng gebod uitvaar-

' Corte ende Waerachtige Veranitv. bl. 4 en 5. Noolwendigh hislor. Vcrhael van allen swarichey-
den — binnen der Stadt Alkmaar
(N°. 923 van de Bibl. v. Pamßelten), bl. 234—239.

2 ÜVTENBOGAEET, bl. 491.

2 ResoL V. Holl. 1610, bl. 182 , 217 , 234 , 236. De beslissing was uitpeeteld totdat oldenbar-
kevelt
zijn advies gegeven had. Amsterdam keurde het ontslag van uillebiüs niet goed, tenzij

ocr page 311

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. digden, dat j , buiten ziekte of wettige afwezigheid, niemand dan de gewone predikant
de kerk yan
Koedijk zou mogen bedienen.

Deze Alkmaarsche twisten, wij zagen het, hadden den Staten eene reden aan de hand
gedaan om den aandrang tot het bgeenroepen eener Kerkelijke vergadering, die het geschil
beshssen zou, te wederstaan. Die beslissing tegen te houden, ziedaar wat de eisch was
eener gezonde staatkunde. Zoo lang toch het vraagstuk niet was uitgemaakt, was de Slaat
metterdaad ontheven van het gezag eener uitsluitende Kerk; hy erfde eenigermate de
regten, die de Kerk, zoo lang het geschil hangende was, niet kon laten gelden i, en
van deze regten kon hij geen ander gebruik wenschen te maken, dan tot bevordering van
een vreedzaam zamenwonen van verschillende belijdenissen en godsdienstige meeningen:
eene der beide rigtingen uitsluitend voor te staan , zou moedwillige afstand geweest zijn van
de gunstige stelling, die zich de Staat juist door het verschil van gevoelens bereid zag.
Wanneer dus de Regeerders der Republiek eenig begrip hadden van hunne betrekking
en roeping als staatslieden, moesten zij handelen, zoo als zij werkelyk deden.

VENATon medé ontslagen werd. Enkhuizen en Hoorn verlangden uitstel tot de volgende Vergadering.
Hillenius behield zijn traktement, totdat hij elders beroepen zou zijn.

ί Zeer sterk wordt dit denkbeeld uitgedrukt in een traktaatje in vragen en antwoorden Van dc
sichtbare Ghemeynte ons Heeren J. Chr.
(Ν". 927 van de Bibl. v. Pamfletten, door p. a, tiele).
Daar Avordt gevraagd: »Wat voor luyden zijn dat (die de gemeente vertegenwoordigen)? Zijn dat
de Ouderlingen van de Papisten, ofte van de Martinisten, ofte van de Calvinisten, enz?" En het
antwoord is: »Neen! het zijn de Christelijke Magistraten, ter plaetsen, steden ende dorpen daer
ghy woont: want die inde Banek sittende presenteren ofte verthonen de gahtsche Gemeynte —
t' zy dan van-wat parthien ofte deelen der Christenen datse zijn willen." »Heblien die dan (zoo
Avordt verder gevraagd) de sleutelen des Hemelrijcx —?" »Ja (is het antwoord): dewijle sy Chris-
tum hebben aanghenomen ende aen hem gheloven, soo heeft hy haer oock macht ghegheven
Godts kinderen te worden. —" Ten bewijze, dat de Magistraten de macht hebben óm>te binden
en te ontbinden wordt daarop aangevoerd: »En siet ghy niet-hoe sy ons ontbondenjhebben door
de'hnlpe des alderhoogsten Gods ,, van dat harde jock de.s Pausdoms? ende ons nu ^van de sware
borden (lasten) deser nieuwer Pharizeen soecken te ontladen? Vrag. En zijn wy dan, onse E.
Magistraten, ende Ε. Heeren Staten gheen danckbaerheydt schuldich? Antw.^J?: de Schrift seyt
dat de Ouders die wel dienen dubbel eere .weerdich zijn: maar wy Seggen dat onse E. Mogende
Heeren Staten wel thien dubbeler eeren weerdich zijn; aengesien sy in desen niet alleen onse
Vaders ende Moeders, maar ooc onse Goden ende beschermers zijn gheweest. Vrag. Schrijft gliy
dan onse Christelicke Magistraten ende E. Mo. Heeren Staten de sleutelen des Hemelrijcx toe,
daer haer de Pausen ende alle quade Kerckmeesters dus langh af beroemt hebben? Antw. Ja,
om dat ick opentlijck sie, dat de Pausen der Papisten, ende de Pausen ofte de Oversten der Scho-
len van de Martinisten, Calvinisten, Hillisten, Huys-Coopers ofte Mennisten, om de sleutelen
tegen malcandèren twisten, ende dat niemant van haer allen de rechte sleutelen om te sluyten
ofte ontsluyten te hinden ofte ontbinden en kent."

ocr page 312

DES VADERLANDS. , 427

ms.

Maar werkle 'men met" het volhouden dezer staatkunde legen de Kerken geéne' ge- 1610.
voelens in de hand, die werkelijk de Gereformeerde leer ondermijnden, wereldsche ze-
den en gezindheden bevorderden en, misschien wel tot een gevaarlijk verdragen zelfs
van het Catholicisme leidden? Dit raag zich menig gemoedelijk staatslid hebben afge-
vraagd. Gemoedelijk toch en ernstig gingen de Staten in alles te werk, wat met de
kerkelijke geschillen zamenhing. Nergens vindt men een spoor, dat zij op het stand-
punt stonden. Waarop staatslieden zich menigmaal plaatsen tegenover godgeleerden en
hunne twisten, wanneer zy niet begrijpen kunnen, dat men met verstand en eerlijke
bedoelingen aan zulke geschilpunten gewigt kan hechten. Geen scherts, geen blijk
van minachting, geen enkel dubbelzinnig voorstel van de'zijde der Staten tegenover de
vaak lastige predikanten en hoogleeraren; integendeel steeds beurtelings langmoedigheid
en gestrengheid. Zoo zullen zij in hun geweien overtuigdi hebben wenschen te zijn,
dat zij, gedrongen den Arminianen de hand boven hel hoofd te houden, geene ver-
derfelijke zaak voorstonden. Om hun deze overtuiging te geven, verlangden zij
arminius
zeiven, reeds toen de ,Alkmaarsche twisten naauwelijks een aanvang genomen hadden,
nogmaals in hun verhoor te nemen. Gedachtig aan het aanbod, doorJiem bij gele-
genheid zijner conferentie met
gomarus voor den Hoogen Raad gedaan,'dat hy steeds
bereid zou zijn den Stalen opening te doen van de punten in de leer, waarin hij; be-
denkingen had, zonden zij hem den October 1608 een schrijven, in hetwelk"zij
hem tegen den 50"®" derzelfde maand te 's Hage bescheidden ^
arminius gaf aan

deze uitnoodiging gehoor, en kweet zich, zoo wat den inhoud als wat den vorm zijner Arminius door

do StatcD ge-
rede betreft, in dier voege van zijne laak, dat hij bij zyne hoorders eenen aangenamen hoord.

indruk moest achterlaten, en alle vrees, alsof er in zijne gevoelens eenig kwaad slak,
moest wegnemen 2. Al het door hem gesprokene leverde hij den Staten op hun ver-
zoek in geschrifte over»

Gomarus , dit vernomen hebbende, begaf zich uit eigen beweging naar 's Hage en Desgelijks go-
verzocht gehoor bij de Stalen. Dit verkregen hebbende, trad hij, terwijl arminius zich
hoogst bescheiden en verdraagzaam over andersdenkenden had uilgelaten, als beschul-
diger van
arminius op, als die gevoelens koesterde, welke deels'bij de Pelagianen en
de Jezuilen teruggevonden werden, deels veel erger dan die der Jezuiten waren. Voorts
verweet hij zijner tegenpartij, dat hij zulke stellingen niet openlijk bij zijne openbare lessen,
maar bedeklelijk in zijn huis aan zijne vertrouwde leerlingen mededeelde; dat hij zich over

' In de Resol. v. Holl. 1608 (bl. 724) staat na de vermelding van het besluit om arminius voor
de Vergadering te hoeren: »opdat men, die (redenen en considcratien van
armikiüs) gezien, de
Provinciale Synode beginnen mag te vorderen." Ik twijfel, of men de bevordering van dit doel
in ernst van
arminius' komst in de Vergadering gehoopt of verwacht heeft.

- UYTENBOGAERT, bl. 446—450.

ocr page 313

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. gewigtige punten nu dus, dan zoo uitliet, en het ten onregte wilde doen Toorkomen,
alsof het hem alleen of meest om de praedestinatie te doen was. Na dit alles bejam-
merde hg, dat zg, die nieuwigheden in de leer voorstonden, »wel te hové stonden en
den hoofschen predikant (waarmede hij
uytehbogaert ,. den hofprediker des Prinsen,
bedoelde) tot eenen hoofschen trompetter en verbreider hunner deugden en onschuld had-
den." Hij hoopte, dat de Staten zich door geene bloemen
Tan welsprekendheid legen
de ware leer zouden laten innemen, en besloot met, op grond van de uitbreiding der
dwaalleer en de onrust daardoor ontstaan, de bijeenroeping eener Provinciale Synode op
nieuw af te smeeken

Het spreekt van zelve, dat deze taal den Staten, pas zoo liefelijk door de rede van
ARMiNius in hunne staatkunde gestijfd, hoogst onaangenaam in de ooren moest klinken,
Sprak
gomarüs naar waarheid, dan was het eene gewetenszaak arminius niet te be-
letten zyne leeringen verder te verkondigen. Zoo werden zy aan den eenen kant in
hunne gemoedelijke overtuiging geschokt, en aan den anderen kant zagen zij in den
regtzinnigen Leidschen Hoogleeraar al de onverzettelijkheid en onhandelbaarheid der
rigting, die hij voorstond, als in éénen persoon vertegenwoordigd. Niettemin zegevier-
den de gronden, die hun volharding op den eenmaal ingeslagen weg aanrieden, en
geene partij trekkende voor
arminius, lieten zij gomarus met eene vermaning lot be-
scheidenheid gaan 2 ^ en hielden zijn vertoog geheim om den twist niet Ie verer-
geren.
Armikius kreeg er geen afschrift van en bleef dus buiten slaat het te we-
derleggen

Slechts weinige maanden nadat gomarus zich alzoo voor de Stalen had laten hooren,
was het Bestand gesloten, en de Staten schenen zich meer opzettelijk met de kerkelijke
verdeeldheden Ie kunnen en Ie moeten bezig houden. Bovendien verschenen den 7·^""
Augustus
1G09 voor hunne Vergadering de Gedeputeerden van de Synode en Kerken
in
Noord- en Zuid-Bolland om uit naam der Kerken en al hare leden, »waaronder
Edelen, Officieren, Magistraten en andere gequalificeerde burgeren waren", te verzoe-
ken, dat Ier wegneming van alle misverstand tot de bijeenroeping der beloofde Pro-
vinciale Synode mögt besloten worden. Het was den Staten, reeds uit aanmerking
van het gevoelen van verscheidene hunner medeleden zeiven, niet mogelijk ronduit te
verklaren, dat zij nimmer hunne toestemming lot eene Synode ter beslissing van den

ï üytenbogaert , bl. 450—452.
2
ResoL V. Holt. 1608» bl. 762. '

2 Eerst na arminius' dood gaf gomarus zijn Vertoog uit, en werd arminius' rede, voor de Staten
gehouden, door zijne weduwe en kinderen in het licht gegeven, voorzien van eene voorrede tegen
gomarus' Vertoog gerigt. üytenbogaert, bl. 453, 484.

ocr page 314

DES VADERLANDS. , 427

stryd geven zouden. Inlegentleel zij moesten zich bereid yerklaren tot het bijeenroepen 1610.
van zulk eené Vergadering. Dit deden zij dan ook. Maar de zaak kon zonder voorbe-
reidende maatregelen niet geschieden. Dus gaven zy als hun voornemen te kennen,
eerstdaags
arminiüs en gomarus , bijgestaan elk door vier personen, die zij zeiven zich gg^a"!

uit de Gedeputeerden der Synode of Kerken in Holland en West-Friesland zouden menlijk tot eene

Conferentie voor

wenschen toe te voegen, in hunne vergadering te bescheiden, ten einde blijken raogt, de Staten geroe-

waarin zij het eens waren en waarin zij bleven verschillen, opdat de Staten alsdan op^*^"'

de punten van verschil de verlangde kerkelijke Vergadering beroepen mogten. Kon deze

bgeenkomst strekken tot eene verzoening tusschen de strgdende partijen, alsdan ware

het bewys geleverd, dat de beide uiteenloopende gevoelens zich binnen de Gereformeerde

Kerk konden verdragen en er was geene kerkelyke uitspraak meer noodig. Maar deze

uitkomst was niet te wachten, Niettemin kon de redetwist, voor de Stalen gevoerd,

wenschelyke gevolgen hebben. Immers liet het zich denken, dat, wanneer de aanvaller

alweder in het breede zyn gevoelen uitgesproken, zijne scherpzinnigheid en geleerdheid

uitgeput, al de wapenen uit zyn tuighuis beproefd zou hebben, hy minder belust zou

zijn, hetzelfde nogmaals in eene Provinciale Synode te berde te brengen die bij den

bekenden geest van vele invloedryke mannen misschien niet eens tot een besHssenden

uitslag zou leiden. Was het laatste woord gesproken , had men zijn geweten nogmaals

gezuiverd, zoo zou men in zekeren zin voldaan zyn, en zulk eene stemming van den

hoofdleider zou van invloed op zijne aanhangers wezen.

Den Augustus verschenen de beide Leidsche hoogleeraren, elk door vier predikan-
ten bijgestaan, in de Vergadering om opening van de bedoehng der Staten te ontvangen.
Onder de predikanten, die
arminiüs ter zyde zouden slaan , was venator. Hiertegen kwam
GOMARUS dadelijk op, aangezien die leeraar geschorst was geworden. Doch bij monde
van den Advokaat verklaarden de Staten, dat dit zijne tegenwoordigheid alhier niet beletten
kon, vermits zijne weigering om de Belijdenisschriften te onderteekenen op de Resolutie
der Staten steunde. Had men hem om die weigering geschorst, dit vonnis Avas door de
Staten vernietigd. Intusschen gaf dit aanleiding tot eene woordenwisseling over de herziening
dier schriften, en nu gaven de Staten, wederom bij monde van
oldenbarnevelt , te ken-
nen, dat zij de godgeleerden eerst dit punt wenschten te hooren behandelen: bleek het
uit hunne redenen, dat de Staten verkeerd gedaan hadden met die herziening aan de
Synode tot taak te stellen, zoo waren zij bereid daarvan af te zien. Hieruit schynt te
blyken, dat
oldenbarkevelt op dit punt wel zeker moet geweest zyn van zijne zaak en
van de goede gronden, die voor de handhaving van der Staten resolutie zouden worden
aangevoerd. Ook hield
uytepibogaert , med^ als assistent van arminiüs tegenwoordig, eene

■

' De Staten verlangden uitdrakkclijk, dat de hoogleeraren bp dé Provinciale Synode op nieuws
gehoord zouden worden.
Resol v. Holl. 1609, bl. 983, 986.

III Deel. 2 Stuk, 5G

ocr page 315

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. uitvoerige rede ter aanbeveling der behandeling van dit onderwerp, geheel in den geest
der Staten Maar zeker is het, dat de Staten door het vraagstuk hier ter sprake te
brengen, aan de toekomstige Synode de aanleiding wilden benemen, om de vraag te
behandelen, in hoeverre de Overheid regt gehad had om zulk eene resolutie te nemen.
Gomarus echter begreep dit onderwerp hier niet te moeten behandelen. Wat meer is,
hy toonde zich in de derde zitting ongezind om ook over de leer met
arminius voor
de Staten in het strijdperk te treden. Doch deze tegenstand werd overwonnen, en
hierna grepen er in niet minder dan nog zes zittingen uitvoerige woordenwisselingen
over leerpunten plaats. Wilden de Stalen hun doel bereiken, zoo mögt het hun zeiven
niet aan geduld ontbreken. Nog langer zou de Conferentie geduurd hebben, ware het
ARMiHiüs, die reeds sints lang ernstig ongesteld was geweest, niet onmogelijk geworden
de inspanning voort te zetten. Dus werd den Augustus aan de beide professoren,

alsof zij nog niet genoeg met schrijven en spreken vermoeid waren, gelast, al het ver-
handelde in geschrift te stellen en binnen veertien dagen in te leveren om tot de
Synode te worden bewaard, die men »met den eersten wettelijk" bgeenroepen zou. Ten
slotte werden de godgeleerden vermaand, vriendelijk en broederlgk met elkander om
te gaan, en alles in rust te houden Hiertoe verbonden zich de partijën, en alzoo
kon men de behandeling van het groote vraagstuk weder voor een tijd lang opge-
schorst rekenen, te meer daar bg de Resolutie, waarbij de byeenkomst bepaald geworden
was, tevens was verordend, dat de afzonderlgke Synoden in
Zuid- en Ν oord-Holland
lot na het houden der Provinciale Synode uitgesteld zouden blijven. Vóórdat de veertien
dagen, door de Staten gesteld ter schriftelijke indiening van het in Conferentie behan-
delde, verstreken waren, kregen zij van
arminius het berigt, dat hij zich door zware
ziekte belet zag, zich van den last der Staten ten einde toe te kwijten. Deze ziekte,
die reeds gedurende de Conferentie zijne taak dubbel zwaar gemaakt had, sleepte hem
arminius sterft, weldra op negen-en-veertigjarigen leeftijd in het graf. Z.gne tegenstanders zagen in de
felle ziekte en den vroegen dood van den anders gezonden en sterken man eene strafle
Gods, ja de vervulling eener profetie ^^ die den »onnutten herder, den verlater der
kudde", met zware bezoeking bedreigt. Zijne vrienden en aanhangers bragten het ver-
driet , hem aangedaan, onder de redenen van zijn afsterven in rekening \ Hij zelf bleef

ï Hij herinnerde, onder anderen, hoe reeds in 1597 door de Staten van Holland tot de resum-
tie van de Belijdenis en den Catechismus was besloten, zonder dat dit toen tot beklag aanleiding
had gegeven.

2 Resol V. Holl. 1609, bl. 965 , 978—993. uytekbogaert, hl. 462—482.

3 Zacharia H, 17 en 19, 12. baüdaert, I, bl. 20. ^
^ uitenbogaert, bl. 482.

ocr page 316

DES.VADERLANDS. .. 443

zich tot in zync ziekte toe door bevallige vriendelijkheid onderscheiden; de gewone 1610.
vrolijkheid zijns gelaats verliet hem niet, en terwijl
gomarus voor de Staten verklaard
had, dat hg met
arminius' gevoelen niet zou durven sterven, noch daarmede verschij-
nen voor hel oordeel Gods; betuigde
arminius in het aangezigt van den dood, van zijn
ziekbed aan de Stalen schrijvend, dat hij alles wat hij beleden had »in conscienlie voor
God voor vraarachlig hield en den woorde Gods gelijkvormig; weshalve hij daarbij door
Gods genade volhardde en op deze ure en oogenblik bereid was met dat gevoelen voor
den Reglerstoel
jesd christi des Zoons Gods en Reglers der levenden en dooden te
verschijnen i." ^

Nu de dood zijnen mond gesloten had, was daarom de twist niet gedaan. Inlegen- strijdschriften
deel als om zijn lijk ontbrandde de strijd der aanvoerders van wederzijde te feller. De overlijden,
lykrede, door bertius, regent van het Statencollegie te Leiden^ op arminiüs gehouden,
gaf
gomarus aanleiding tot vrij vinnige Bedenkingen ^ waarlegen bertius weder eene
Aanspraak aan Franciscus Gomarus in het licht gaf. Bovendien gaf gomarus thans het
Vertoog uit, door hem in December 1608 voor de Staten tegen arminius gehouden.
Dit geschiedde tegen der Staten uitgedrukt verlangen, daar zij beide het vertoog van
arminius en dat van gomarus, in geschrifte gesteld, onder zich hielden om lot de
Synode bewaard te worden. En alsof dit alles nog niet genoeg ware, slelde hij een
geschrift, waarin hij uTTEiraoGAERTS gevoelen over het gezag eener hooge Christelijke
Overheid in het kerkelgke weersprak. Eenige reeds gedrukte bladen van dit werk
kwamen door
uytenbogaerts toedoen den Advocaat van Holland in handen, die
daarop bewerkte, dat de Staten de Regering van
Leiden gelastten, den druk te doen
staken en het aireede gedrukte hun ter inzage toe te zenden. Hierop verscheen
gomarus, den 8"°° December (1609), in de Vergadering, om zich te beklagen over
de belemmering, die de uitgave van zijn werk ondervond. Men zeide hem aan dat
men best vond, dat het drukken en uitgeven van zijne geschriften niet geschiedde,
alzoo ongetwijfeld daarop niet gezwegen zou worden en dit geschrift meer tot ont-
stichting dan lot stichting zou strekken: nu
arminius overleden was, mögt aan het
twisten een einde komen. Maar begreep hij, dat door het slaken van den druk de
verdediging der waarheid of zijne zelfverdediging belet zou worden, zoo wilden zij het
drukken niet beletten, evenmin als de uitgave van wat er tegen geschreven zou wor-
den. Met de vermaning, dat hij wel zou doen zich nader te bedenken, lielen zg de
voortzelting of slaking der uitgave aan hem zeiven over, en in dezen zin schreven zij
aan de Burgemeesteren van
Leiden om hem geen beletsel in den weg te stellen qq-

1 ÜYTENBOGAERT, bl. 470 , 471,

= nesol. V. Holl. 1609, bl. 1083, 1115, 1110, vergel, met uttkkbogaert, bl. 495, 496.

ocr page 317

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. MARus maakte' van die vrijheid gebruik, zich niet bekreunende om de wijze, waarop
zij hem gegeven was. Hoe het zij, men ziet dat de Staten getrouw bleven aan hun
stelsel om
gomarus te vergunnen zijn hart vrij uit te spreken. Zoo mögt het oordeel
van het publiek uitspraak doen, liever dan dat het vonnis eener Synode de gemeente
en de Staten zeiven aan de banden legde van een Kerkelgk gezag. Weinig tijds later
echter, toen het twistgeschrift met
bertius nog niet ophield, en gomarus wederom
eene
Proeve van Bertius' Aanspraak had uitgegeven, ontving hy zoowel als bertius een
brief van de Stalen, waarbij zy te kennen gaven, dat het nu hoog genoeg met hun
schreven geloopen was, en zy hun verboden, daarmede verder voort te gaan.
bertius
kreeg in hel bijzonder bescheid > dat men de studenten van het Gollegie, waarover hij
regent was, wel volgens zgn verlangen tot gehoorzaamheid en eerbied wilde vermanen,
maar dat hij zelf^mel goed leven en bescheidenheid moest voorgaan, en zich van on-
stichtelijke twistredenen moest onthouden

In GOMARUS aanval tegen het gevoelen over de magt der Overheid in het kerkelijke
h^r'^geza™ °der ^oor
UYTENBOGAERT als assisleot van ARMiKius te ^sHage voorgestaan, vond deze predikant
KerkeSjke'" aanleiding een
Traktaat van het ambt en de autoriteit eener Hooger Christelijker Overheid
in kerkelijke zaken ^
te schrijven en aan de Staten van Holland en West Friesland
op te dragen In dit geschrift verwerpt hij de zoogenaamde collateraliteit^ dat is,
het stelsel volgens hetwelk aan de Kerk nevens den Slaat gezag toekomt, en kent hij
aan de wereldlijke Overheid alle gezag toe, mils zij zich belangstellender in de gods-
dienst, beter in de Schrift onderwezen en gezetter in de oefening der eeredienst be-
toonde , dan zg gewoonlijk en ook te dien tijde was

Het laat zich denken, dat deze leer tegenspraak uitlokte, uytehbogaert zelf schrijft,
dat zijn traktaat bijkans heft geheele heir der Kerken en predikanten tegen hem op-
maakte \ Een vloed van geschriften kwam er tegen uit, en daarmede scheen de ver-
bittering zoo zeer te zullen slggen, dat de Staten, den 11''®° Maart 1610, aan alle
classes eene missieve rigtlen, waarbij zij te kennen gaven besloten te hebben, tegen
den tweeden woensdag na Pinksteren in '
ä Hage eene kerkelijke Vergadering te be-
schrijven uit de classes en Kerken van
Zuid- en Noord-Holland om in Gods vreeze Ie
voorzien in alles wat tot opheffing van alle misverstanden en geschillen kon strekken:
intusschen had men op den predikstoel en elders te arbeiden tot vrede, leerende wat

li

1

ii

ii

II

1 Resol. V. Holl. 15 Febr. 1610, bl. 69.

2 Resol v. Holl. 16 Febr. 1610, bl. 74.

3 GOMARUS verwierp ook de collateraliteil^ doch, scliijut het, veeleer den naam, die hem hatelijk
docht, dan de daad.

4 bl. 493.

i

Μ

ocr page 318

DES VADERLANDS. , 427

■ippwfwwi 1||1I1_ ,ιιι,ι.μ'ΐ uii imi iiimiiiiuij niiiiiimn.ijuiik'jiiw^mjjg

lot opregte godsdienst en liefde tot den naaste strekte, en zich te onthouden van in 1610.
druk of geschrift iets uit te geven over het ambt der Overheid in kerkelgke zaken,
over de praedestinatie en den aankleve van dien; anderzins zoo zou men als weder-
hoorig van hunne bevelen gestraft worden. Niettemin ging het schrijven voort, zoodat de
Staten goedvonden den Advokaat-Fiskaal,
hugo de groot^, te gelasten, ambtshalve onderzoek
te doen naar alles wat er op het stuk van de Hooge Overheid in kerkelijke zaken uit-
gegeven werd ^ 'Zoo werd aan
utterbogaert de pas afgesneden om hetgeen hy ter
verdediging tegen de aanvallen bepaaldelijk van den Schiedamschen predikant
agróiïius
geschreven had, in het licht te geven. Want dit wilde hg niet doen tegen der Stalen
verbod, en in weerwil van zijn uitnemend gesteld verloog aan de Staten vonden dezen
goed heigeen hij geschreven had, onder zich te houden r

Hoe noodig het was, dat de Staten, in plaats van over hun gezag te laten twisten
en de hoogste magt van lieverlede aan de Kerkelijken te laten vervallen, krachtig de
hand aan het bewind hielden, bleek maar al te zeer uit hetgeen er in den loop dezes
jaars te
Utrecht gebeurde. Hier, namelijk, ontstond eene woeling, die door vijanden
van de beginselen, waarop de Nederlandsche Staat rustte, aangestookt, en op niets ge-
ringers aangelegd was dan op eene omverwerping van de orde van zaken in het mid-
denpunt der Unie. Behoeft het betoog, dat het nog in dezen tgd geenszins aan personen
ontbrak, die niet alleen, zoo als de vaderlandslievende regtzinnigen, slechts in enkele
zaken met de Staten overhoop lagen, maar juist van het levensbeginsel van den Neder-
landschen Staat, van den tegenstand tegen de Spaansche staatkunde afkeerig waren ?
Dezulken maalden zich de vroegere heerlijkheid van personen en corporatiën, die
door den veranderden toestand van zaken onttroond waren, met schitterende kleuren af,
en zouden niets liever gezien hebben dan eenen terugkeer van den toestand van zaken
vóór den oorlog. Alle zaden van ongenoegen tegen de bestaande Regering werden
door de dus gezinden aangekweekt. Vooral van de godsdienstige geschillen lusschen
de Gereformeerden onderling werd partij getrokken, en de wijze en trouwe
Willem lo-
DEWiJK, die kort te voren eene gewelddadige regeringsverandering binnen Leeuwarden
ten einde »^meerder zwarigheden te voorkomen" had toegelaten, had alle reden om de
Gedeputeerde Staten van
Friesland te vermanen » zorg te dragen voor dergelgke moei-
jelïjkheden en voor alle dingen Ie verhinderen, dat er geene Spaanschgezinden, Papis-
ten, omgekochten en andere vijanden van den Staat in het bewind raakten Dat er
de zoodanigen onder de onlusten te
Utrecht roeiden, moge uit het verhaal zelve blijken.

1 Resol. v. Holl. 20 Dec. 1610, bl. 229, vergel. 237.

2 ÃœYTENBOGAERT, bl. 500—505.

3 WAGENAAR, X, bl. 25.

ocr page 319

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. Reeds in de eerste tien of twaalf jaren na de Unie was het meer dan eens geble-

onbsten^Te ^U- » Utrecht eene partij woelde, die voor geen gewapenden opstand terug-

trecht. deinsde, om de bestaande orde omver te werpen. Door uitsluiting der mannen van die

rigting uit de Geëligeerden der Gollegiën en uit de Ridderschap, en door den invloed
dezer twee Leden der Staten 's Lands op de benoeming van de Magistraat te
Utrecht ^
hield men de zaken in rust, totdat in 1606, toen spinola. de rivieren trachtte over
Ie steken, zich nieuwe beginsels van oproer openbaarden, welke gelukkig gekeerd
werden. Nog in 1609 op den dag zei ven der feestviering ter eere van het gesloten
Bestand was er een valsch alarm verspreid om de burgers in de wapenen te krijgen
De middelen, die men te baat nam om het volk op te rugen, waren de zware belastingen
en hel verlies van eenige regten, vroeger door gilden en schutterijen uitgeoefend. In
eenen Staat, zoo als de Republiek toen was, die niet van toevallige baten en bij tyden
herhaalde afpersingen afhankelyk wilde zyn, werden geregelde belastingen geheven; deze
nu wekten het ongenoegen van kwaadwilligen en onverstandigen, die niet in rekening
bragten, dat zij thans van geweldige geldheiïïngen bevrijd en tienmaal vermogender wa-
ren geworden dan te voren 2. En wat de vroeger door de gilden uitgeoefende regten
aangaat, zij hadden voor een krachtig stedelijk bestuur, dat van geene corporaties afhan-
kelijk kon zijn, moeten wijken. Slechts wie noch den nieuwen geest noch de roeping
der nieuwe regering begreep, kon over het verlies van het oude morren; slechts wie
de nieuwe orde van zaken vyandig was, kon het misnoegen van enkelen uit het volk
wenschen aan te wakkeren. Tot ongunstige vermoedens aangaande het doel van zyn drij-
ven gaf toen ter tijd te
Utrecht niemand gegronder aanleiding dan de persoon van Jonkheer
»IRK KAHTER, ccn geleerd man, bekend door de uitgave van philologische werken en
met Lipsius en
casaubonus bevriend Κ Bg de verandering der Regering in deze stad,
ten jare 1588, was hij Burgemeester geworden, en in deze betrekking had hij, de door
DUIFHUIS gestichte gemeente der St. Jakobs-kerk toegedaan, het zijne toegebragt om do
zoogenaamde consistoriale predikanten de stad uit te zetten. Dit zal bij hem voortge-
sproten zgn veeleer uit afkeer van den onverzoenlijken haat der strenge Calvinisten tegen
Spanjey dan uit overhelling tot de gevoelens, daarna door de Arminianen voorgestaan.
Althans is bij hem later zoo weinig van Arminianisme gebleken, dat sommigen, door
ingenomenheid tegen de staatkunde van otDENBARTnEVELT verblind, in hem een slagt-

ï VAN METEREN, X, bl. 244.

2 Dat vrome lieden er toen ook zoo over dacliten, kan blijken uit den Christel. 'Vcmxcienbvicf
aen de Cathol. Ghereform. Ghemeente binnen der stad Utrecht, over de troublen aldaer onlanghs
gevallen,
bl. 8 (N» 914 van de Bibl. v. Pamfletten).

3 BRANDT, Hist. d. Reform. II, bl. 157—159.

\
: \

ocr page 320

DES VADERLANDS. , 427

offer Tan den haat tegen de Contraremonstranten hebben meenen te kunnen zien I610.

Hoe het zg, in 1Ö93 raakte bg van het kussen en' weldra buiten alle regeringsbetrek-
kingen en dat het hem in 1610 om een doel te doen was, waarby het behoud Tan de
grondslagen Tan den Staat niet in aanmerking kwam, blijkt hieruit, dat hij zich openlijk
uitliet ten gunste Tan Tolkomen godsdienstvrijheid, aan deRoomschen te Terleenen, het-
geen men in verband bragt met zgn reeds vroeger geuite meening, dat het Land, men
mögt de zaken dan een tijd lang gaande houden, ten laatste nog weder aan den Koning
van
Spanje als den regten erfheer zou moeten komen, en dat des Landen door het
Huis van
Bourgondiè zoo kwalijk niet geregeerd waren geweest 3, Deze kaktee nu,
geholpen door
herdrik van helsdingen, die ook Schepen en Raad geweest, doch se-
dert eenige jaren buiten bewind gehouden was, wist de gemeente op te ruijen door
haar op den druk der belastingen, het gemis van vroegere vrijheden, en het, zoo hij
voorgaf, onverantwoordelyk beheer der stadsgeldmiddelen te wyzen, met dit gevolg,
dat omstreeks den aanvang van het jaar 1610 eenige schutters hunne kapiteins noop-
ten om bij de Regering op het herstel der privilegiën aan te dringen. Zy kregen ten
antwoord, dat zij een drietal dagen geduld moesten hebben; men wilde den eersten
burgemeester, den Heer
van rijzenburg, uit 'i Hage ontbieden, en zoodra hg terug
zou zyn, na de Staten der Provincie in de zaak gekend te hebben, den eisch nader on-
derzoeken. Het was den raddraaijers niet om eene regelmatige behandeling hunner grie-
ven te doen. Dus hielden zg zich geenszins stil; zy strooiden uit, dat men intusschen
krijgsvolk in de stad wilde brengen en sommigen de hoofden voor de voeten leggen. Dus
uit vrees voor de gevolgen, die in geval zy niet alles wonnen, op hun bedrijf te wach-
ten waren, kwamen eenige burgers tot gewelddadigheden. Zij ontweldigden des avonds
den wachtmeester, die de wacht aanvoerde, de sleutels der stadspoort, bragten in den
nacht de schullers op de been, overal de menschen wys makende, dat het volk in de
andere wijken der stad reeds in het geweer was, en aan elk als doel der algemeene
wapening datgene voorhoudende, wat men met zijne geheime wenschen begreep te stroo-
ken. Zoo zeide men, by voorbeeld, tot de Roomschen, dat het te doen was om hun
als goede burgers, die mede den oorlog tegen
Spanje hadden helpen voeren en het
kasteel Vreeburg afbreken, meer vrijheid van godsdienst te verschaffen Op deze

1 Men zie van den sande (Nederl. Hist. bi. 163 van de 12"»" uitg. van 1650 ieAmst.). eastbr
zal zelf den schijn van Contraremonstrantisme te baat genomen hebben om na zijne veroordeeling
bij OLDEKBARNEVELTs Vijanden bellag en ondersteuning te vinden.

2 WAGENAAR, X, .bl. 26, 27.

3 VAN METEREN, X, bl. 247.
^ VAN MEIEREN, X, bi. 245.

ocr page 321

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. wgze hadden de aanleggers in «de gewapende burgerij een werkluig in handen, dat
zich in de eerste vervoering tot' alles kon laten gebruiken. Er werden tien of elf ge-
magtigden gekozen, waaronder
dirk kanter niet ontbrak. Dezen vervoegden zich bg
den Raad met den eisch, dat de Overheid dadelyk afgezet en andere magistraatsperso-
nen door de Gemeente zouden worden aangesteld. Men beweerde, dat men thans
slechts op dezelfde wijze te werk ging, als waarop vroeger de twee eerste Leden der
Staten in het Bewind waren gedrongen en dreigde met de rampen, die te voor-
zien waren, zoo het gewapende volk, niet bevredigd, tot plundering en moord over-
sloeg. Hierop begreep de Magistraat geen tegenstand te kuanen bieden, en op het
aanhouden der woordvoerders gaf zy bg schriftelgke acte verlof om voor deze reize an-
dere wethouders te kiezen: de eenige waarborg voor goede keuzen, dien zij in de acte
wenschte opgenomen te zien door er de woorden in te lasschen, dat men
op personen
van de religie
zou te letten hebben, mögt voor den wil van kanter niet bestaan,
daar hg die woorden in de uitdrukking
personen van goede qualißcatie deed verande-
ren. Thans gingen de gemagtigden, wier getal tot vgf of zes en twintig vermeerderd
BeIlegeringte was, tot de verkiezing eener nieuwe Regering over. De keuze viel zoo uit, dat nage-
XSirecU afgezet. ^^^^^ gemagtigden regenten werden, kanter en helsdingen werden burgemees-

ters. De nieuwe Overheid zond afgevaardigden naar den Stadhouder met verzoek om
zgne bekrachtiging. De Prins beried zich met de Staten-Generaal en magtigde daarop
den bevoegden ambtenaar de nieuwe Regenten te beëedigen, evenwel vergde hij vooraf
de belofte, dat deze maatregel zou strekken lot herstel der rust en het afleggen der wa-
penen , en liet hg zich de plegtige verzekering geven, dat er onder het gebeurde geene
»factie of papisterij" verscholen was. De afvordering der verzekering, dal er niets
van dien aard onderliep, bewijst slechts, dat er grond bestond om zulks te vermoeden.
Te meer mag het onze verwondering wekken, dat de Prins zgne bekrachtiging zoo
gereedelijk verleende, en ook de Staten-Generaal geene zwarigheid schijnen gemaakt
te hebben. Zeker is het, dat de Prins het gevaarlgke van de Utrechtsche beweging
niet dan laat heeft ingezien, en de meerderheid in de Staten-Generaal zal, evenmin
voor grooter kwaad beducht, geenen grond gevonden hebben om hem in de uitoefe-
ning van zijn regt te belemmeren.

In weerwil dan der belofte, door de afgevaardigden uit de nieuwe Utrechtsche Re-
gering gegeven, bleef het volk nacht en dag in de wapenen, liep de tappergen af en
vervulde de stad met ergerlgk gedruisch. Hiertegen verhieven zich vele stemmen. Reeds
hoorde men menigeen verklaren, dat men door de oude Overheid zoo slecht niet gere-
geerd was geweest; dat het hun niet om de personen, maar slechts om vermindering
van lasten en herstel van vrgheden Ie doen was geweest. De predikanten vermaanden

Cort Yertoch vanl gene onïanccc binnen Utrecht gepasseert is {Bibl. v. Pamßelten, Ν". 838).

ocr page 322

DES VADERLANDS. , 427

van den predikstoel tot rustige pligtsbetrachling en onderhielden kahter en zijne ambt- igio.
genooten over de zwarigheden, die zy duchtten. Op het vertoog der predikantpn kwam
KANTER rond voor zyn gevoelen uit betreffende der Roorasehen regt op meer godsdienst-
vrijheid , en bij deze gelegenheid bleek hij zwanger te gaan van het plari om hen wer-
kelijk in bezit van dat regt te stellen i. Geen wonder, dat de Stalen der Provincie
Utrecht, die het gebeurde in geenen deele eenstemmig toejuichten, het hunne begre-
pen te moeten doen om aan dezen slaat van zaken een einde te maken. De staatsregeling
toch der geheele Provincie liep gevaar in den grond veranderd en haar band met de
Unie verbroken te worden. Men beoogde niets minder dan de verkiezing en de be-
voegdheid van hen, die het eerste Lid der Stalen van
Utrecht uitmaakten terug te
brengen lot den toestand, die
vóór den oorlog bestaan had. En vele riddermatige per-
sonen , om redenen, niet Ier Statenvergadering beschreven, stonden thans op hun regt.
Vooral REiPfnARD VAN AESWiJNE, Heer VATT BRAKEL, die vroeger de slad was uitgezet,
maar
kanter op zyne hand had en roemde in hooge gunst bij de gemeente Ie slaan,
had er alles opgezet om het regt van beschreven te worden terug Ie bekomen Men
bedenke hierbij, dat de afschaffing van belastingen de strekking had om de Provincie
buiten slaat te stellen aan hare verpligtingen jegens de Unie te voldoen en de beloofde
bijdrage lot den Kleefschen oorlog te leveren, en men zal bevroeden, dat de Staten
van
Utrecht, voor zoo verre zy niet met de oproerlingen heulden, alle reden hadden om
op middelen bedacht te zijn ten einde het gevaar af te wenden, dat de gansche Repu-
bliek en haren stand in
Europa bedreigde. Zij schreven alzoo aan de Slalen-Generaal,
met het verzoek dat het hun gelieven mögt, zoo spoedig als eenigzins mogelijk ^as, |

twee of drie Gemagtigden uit hun midden benevens den Prins Stadhouder naar de stad Generaal om Ge-

inagtigden.

Utrecht te zenden om orde op de zaak te stellen \ Alvorens aan dit verzoek te vol-
doen, begrepen de Slalen-Generaal aan de Burgemeesteren, Schepenpn en Raad der
slad
Utrecht te moeten schreven om inlichting aangaande den waren slaat der zaken.
In hunnen brief wezen zij op den ongunstigen indruk, welken die onlusten op de Ko-
ningen Tan
Frankrijk en Engeland, pn de andere bevriende Mogendheden zoudeii

^ VAN METEREN, X, bi. 246 , 247.

2 Het eerste Lid der Staten van Utrecht vormden de Gedeputeerden van de Geëligeerden uit
de
Collegiën, ook -wel de Geestelijkheden genoemd.

3 Zie den Brief der Gecommitteerden bij v. d. kemp, Maur. v. Nass. 111, W. 273—275. Waar
de Gecommitteerden van den toeleg schrijven om de vertegemvoordiging der Collegiën weder te
doen geschieden, gelijk zij
vddr den oorlog bestond, voegen zij er vcclbcteekenend genoeg bij:
»U. U. M. kunnen bedenken, Avat daarmede wordt gezocht."

* Rcsol. van de Slat,-Gen. 1610 (3 Febr.).

III Deel. 2 Stuk. Ã¶7

ocr page 323

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. maken, waarmede zij te kennen gaven, dat bij hen het vermoeden bestond, dat de woeliügen
te
Utrecht gekant waren tegen de grondslagen van den Staat, die de genoemde Konin-
gen en de bedoelde Vorsten hadden helpen vestigen en gezind waren te handhaven
Op dit schrijven kregen de Staten-Generaal ten antwoord, dat ook de Regenten van
Utrecht de komst van den Prins met eenige gedeputeerden van de Staten-Generaal ver-
langden. Thans besloot men aan dit verzoek toe te geven, en wel te gereeder, omdat,
zoo het heette, de burgerij te
Utrecht de wapenen had afgelegd. De bezending be-
De Prius ver-stond, benevens den Prins, uit de Heeren van ghiessett, ambtman van Bommel en de
trekt met fielerwaardj Dr. egberts, gecommitteerde Raad der Staten van Holland^ joaghimi,
gecommitteerde van wege de Staten van Zeeland, rima , lid van den Raad van State,
en DE BiE, tresorier-generaal der Vereenigde
Nederlanden, Volgens hunne instructie ^
moesten zij de rust trachten te herstellen; niets toestaan, dat lot nadeel strekken kon
der Gereformeerde godsdienst; geene verandering dulden in den regeringsvorm der Pro-
vincie, noch afschaffing of vermindering der landschapsbelastingen. Bij hunne aankomst
vonden zij, dus berigtten zij zeiven aan de Staten-Generaal, de zaken »in veel be-
zwaarlijker stand, dan zij waren voorgedragen." De Heer
van bRakel was in de stad
gekomen en wilde die in weerwil van de vermaning van den l^rins en de Gecommit-
teerden niet verlaten, en de Magistraat voornemens zijnde andere kapiteins op nieuwen
voet aan te stellen sloeg zonder beraadslagibg het verzoek des Prinsen af, die de oude
kapiteins in hunne betrekking gehandhaafd wenschte te zien. Deze stoutmoedigheid dek-
ten de Regenten met het voorgeven, dat zij anders de burgerij niet in rust konden hou-
den Niettemin was en bleef de burgerij hoogst onrustig. Zoo gebeurde het gedu-
rende het verblijf van den Prins op eenen bededag 's avonds te tien uren, dat acht
of tien Roomschen in het midden der stad hunne gewèren, met scherp geladen, af-
brandden en met woest getier het volk aanzetten om in de huizen van sommige der voor-
naamste Regenten te vallen.
Kanter en helsdihgén wisten de rust ie herstellen, door
de belhamels uit tè noodigen stil in een herberg te gaan zitten drinken ί wat zi^ vér-
teerden, zou men voor hen betalen. Zoo dreigend evenwel was de staat van zaken op
dit oogenblik, dat de Prins geraden vond, eenige der Staten in zijn Hof te verbergen
om hen tegen mogelijke ongevallen te beschermen \ Nu het zoo in de stad toeging,
en de burgers zich zelfs weder in de wapenen begeven hadden, nu zelfs de Gecommit-

1 Resol. V. d. Stat.-Gen. 1610 (4 Febr.)

- Te vinden bij kluit, Hist. der Holl. Staatsregel. 111, bl. 484. Zij is gedagteekénd vau den
9 Febr. 1610.

3 Zie hun schrijven bij v. d. kemp, t. a. pl.

^ VAN METEREN, Xbl. 248.

inagtigden
Vtrecht.

naar

ocr page 324

DES VADERLANDS.

teerden zoo in openbare yergaderingen als op straat beleedigingen moesten rerduren en 1610.

men hen, die in 's Prinsen Hof verborgen waren, dreigde daaruit te willen halen ^,

loen kon de Prins met de Geeommilteerden met voeg niet langer in de stad blijven.

Is hy magteloos, kon men vragen, tegen het oproer, of wil hij zulke ongeregeldheden

door zijne tegenwoordigheid wettigen? Derhalve besloten de Staten-Generaal, den C''™

Maart, gehoord het rapport van de Heeren egberts en joAcmMi, door den Prins uit

Utrecht naar 'ä Hage gezonden, en »gelet op het gewigt der zaak voor de handhaving

van het openbaar gezag van den Lande mitsgaders van zyne Excellentie in het byzon-

der," den Prins en den Gecommitteerden te gelasten, de Overheden der slad en Land- De Prins met

de Gemagtigdeu

schap van Utrecht te overreden om de zaken aan hunne beslissing te stellen, en bigal-terug ontboden,
dien zij daarin niet onvoorwaardelijk bewilligden, onmiddellijk met de staatsleden, de
oiïiciercn der slad
Utrecht en anderen, die hem volgen wilden, de stad te verlaten,
en den stedelijken Regenten te bevelen, hunne gedeputeerden ter beslechting der zaak
naar
Hage te zenden. Ook konden de Prins en de Gecommitteerden, zoo zij dit raad-
zaam achtten, eene vergadering van gevolmagtigden van de Ridderschap en de slad van
Utrecht in eene grensplaats van het Slicht bescheiden 2.

451

•-m

'-sh ■ τλ

De staat van zaken in Utrecht belette den Prins en de Gecommitteerden dezen stel-
ligen last dadelyk na te 'komen. Men had in de oproerige stad besloten het uiterste
ie wagen. Den Prins had men nu eenmaal in de stad, en men"wenschte hem daarin
te houden om onder het schild van zijnen naam en zijn gezag eene geheele omwen-
teling door Ie drijven. Maar het doel was eene ontbinding van den band der Unie, en
hoe kon men daartoe eenen'vorst gebruiken, die in den eed der Unie stond? Derhalve
moest men trachten den Prins van den eed, aan de Staten-Generaal gedaan, ontslagen
te krijgen. Dat de Prins zelf dit ontslag van zijnen eed verlangd heeft, blijkt niet;
maar zeker is het, dat men hem het hoofd met een vloed van redenen zal hebben
warm gemaakt, dat men hem zal hebben voorgehouden, hoe hij dan alleen in staat
zou zijn wat goeds in
Utrecht uit te rigten, zoo hij geheel zelfstandig handelen kon.
Werkelijk verschenen
egberts en joaghimi, den Maart, wederom uit Utrecht te
's Hage, ditmaal vergezeld van Mr. salmius , Schepen, jacob van medemblik , Raad der
slad
Utrecht,'cn Mr. ruysch, Raad in het Provinciale Hof aldaar, om rapport te doen
van hetgeen er sedert was voorgevallen. De raadsheer
ruysch voerde het woord en
verzocht, dat zyne Prinselijke Excellentie door de Staten, ten minste voor zooveel hun
DievmUirec/a
Hoogmogenden aanging, ontslagen mögt worden van den eed, krachtens "welken zÜ^e
Excellentie verpligt was den last te volgen, hem als Stadhouder van
Utrecht gegeven.^c ontslaan.
Als beweeggrond van dit verzoek werd opgegeven, dat de Prins alzoo meer gezag zou

» Resol. der Stat. v, Holl. 8 Febr. — 3 Apr. 1610, bl. 11.
2 JiesoL V. de Stat.-Gen,

57»

ocr page 325

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. kunnen doen gelden om de zwarigheden te beslechten, eene "uitkomst, die geen langer
uitstel kon lijden, aangezien de stad ieder oogenbïik van het op de been geko-
men gepeupel met plundering en dien ten gevolge met bloedstorting bedreigd werd.

De Stalen-Generaal waren wijs genoeg om hierop geen dadelijk besluit te nemen.
De Regenten van
Utrecht moesten niet tot verdere feitelijkheden gedreven en de Prins
voor alle dingen uit dien neteligen toestand gered worden. Daarom, na ook het goed
bevinden van de Ambassadeurs van
Frankrijk en Engeland verstaan te hebben, ver-
klaarden zij, dat zij niets ernstiger wenschten, dan den Regenten en de gemeente van
Utrecht in alles te believen, wat tot welstand der stad kon strekken; aangaande
'sPrinsen ontslag van zijnen eed wenschten zij in overleg mei zijne Excellentie, hunne
Gecommitteerden en alle bevoegden uit de Staten en stad van
Utrecht, ten spoedigste
TJieTan te besluiten. Weshalve dezen allen zich zonder feil noch uitstel binnen de stad
Woer-

ring deJsuten-^^^^ mogten laten vinden, alwaar zij de genoemde Ambassadeurs, de Staten-Generaal en

ßeneraalteFoer-jgjj Raad van State zouden aantreffen om met hen gezamenlijk een kort besluit te

de7i bescheiden.

nemen ten meeslen dienste der stad en goede gemeente van Utrecht

Uit dit besluit blijkt ten volle, dat de Staten*Generaal het gewigtige van het tgdsge-
wricht volkomen inzagen. Op een ander slagveld dan waarop men veertig jaren lang
legen
Spanje gestreden had, zou men nogmaals strijd leveren om het bestaan der Repu-
bliek. Daartoe begaf men zich met al wat de Unie aan achtbare staatsdienaren bezat,
zoo digt mogelijk op de grenzen van het vijandige grondgebied, en bij de plegtige be-
slissing, die hier zou vallen, noodigde men de Gezanten van
Frankrijk en Engeland,
als om te kennen te geven, dat het hier de grondslagen zeiven betrof van het be-
staan der Republiek, over welke die beide Mogendheden, als het ware, als doopgetui-
gen gestaan hadden.

Het spreekt van zelve, dat de Staten van Holland niet achterbleven in belangstel-
ling en welberaden maatregelen bij zulk eene gewigtige gelegenheid. Zij besloten,
dat, met de Ambassadeurs en de Gecommitteerden uit de andere provinciën, uit
Hot-
land
naar Woerden zouden reizen de Heer van schagew, de Advokaat van den Lande,
egberts (die toen weder te ^s Hage was) en simonsz , en dat de gedeputeerden van de
sleden elk naar hunne commiltenlen zouden vertrekken om van al het voorgevallene
rapport te doen en vijf dagen later met volkomen last weder te
^s Hage terug te ko-
men, om naar bevind van zaken, hetzij Zijne Excellentie en de Gecommitteerden te
Woerden zouden gekomen zijn of niet, in al wat noodig zou wezen dadelijk te kun-
nen voorzien

1 Resolutie d. Slat.-Gen. (13 en 14 Maart, ΐρίΟ).

2 Res, υ, Holl. 1610, bl. 11. Die vijf dagen, waarop de leden der Staten van Holland

vaiü liunne principalen zijn gaan halen, moeten gevallen zijn tusschen den lö'"®" en den 22"®"

ocr page 326

DES VADERLANDS. , 427

Toen de oproeping naar Woerden te Utrecht bekend was geworden, warej? natuurlijk icio.
de gevoelens verdeeld, of men den Prins uit de stad zou laten vertrekken, ja of neen.
Sommigen dreigden alles het onderste boven te zullen werpen, zoo hij er uitging. Doch
daar aan den Prins, zoo men hem belette op de roepstem der Staten-Generaal de stad
te verlaten, alle schijn van vrijheid zou benomen zijn, en 's Prinsen handelingen niet
balen konden, indien hij ze door openbaar geweld gedvrongen bleek te doen, zoo had
het gevoelen van hen de overhand, die aan zijn vertrek geen beletselen in den weg wil-
den leggen. Alzoo vertrok hij met de Gecommitteerden naar
Woerden, Ook de stad
zond hare gedeputeerden derwaarts, en de Staten van
Utrecht^ meest allen, uit
vrees van overlast te lijden, heimelijk uit de stad vertrokken, verschenen ter zelfder
plaatse

Eerst werden ter vergadering toegelaten de gedeputeerden der stad Utrecht, met name De staten-Ge-
de Heeren van leeuwen, ruysch en de wildt, Raden in het Provinciale Hof, sal-vergaderd.
Mius, van weede, Schepen, van werkhoven, Raad, en van vianen, advokaat der stad
Utrecht, Na een tafereel te hebben opgehangen van den toestand der stad alwaar
het zoo ver gekomen was, dat niemand van zijn lijf en goed verzekerd kon zijn,
verklaarden zij niet dan gedwongen te zullen overgaan tot de ontdekking van de oor-
zaken der onlusten, aangezien de eer van menigeen hiermede gemoeid was. De eischen
der gemeente hadden zij tot vijf hoofdpunten gebragt: zij'betroffen, ten eerste, de zamen-
stelling van het eerste, en, ten tweede, die van het tweede Lid der Staten, in welke Leden
men andere personen gekozen of benoemd wilde hebben; ten derde van de regeling der
wyze van verkiezing def Magistraat, die, klaagde men, te zeer onder den invloed der twee
eerste Leden der Staten stond; ten vierde, het verbieden van de neringen en brouwerijen ten
platten lande, die, beweerde men, door de Ridderschap lot schade der ingezetenen uit
de stad naar het land waren overgebragt; en eindelijk, hel nazien der rekeningen van
hen, die in het Bestuur geweest waren 2. Deze punten dienden ten spoedigste uilge-

Maart, gedurende welk tijdperk er werkelijk geene vergadering der Staten van Holland gehouden
is. Opmerkelijk is het, dat in de gedrukte Resoluties van
Holland niets van het verhandelde
betreffende de onlusten te
Utrecht wordt aangetroffen. Wel vindt men daarvan iels in het al-
gemeene verslag der gansche zitting van 8,Febr. tot 3 April, maar ook daar leest men, waar de
insertie van een authentiek stuk moest volgen, telkens de woorden:
is niet te vinden. Hoe echter
de geest was der Staten van
Holland in dit tijdsgeTvricht blijkt uit dat algeme^ine verslag {Resol.
bl. 12) duidelijk genoeg. Daar lezen wij, dat, na rapport van hetgeen er te Woerden in de daar
beschreven vergadering was voorgevallen,
necndragtelijk bij de geheele vergadering de proceduren
van die van
Utrecht exorbitant en mits de kwade consequentie niet lijdelijk geoordeeld zijn/',

^ VAN METEREN, X, bl. 249.

2 Cort Vertoch van Η gene onlancx binnen Utrecht gepasseert wv

ocr page 327

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. maakt te .worden ten einde de gemeente tot rust te brengen. Derhalve stelde de
Magistraat voor, vooreerst, de brouwerijen ten platte lande te verbieden; voorts, het aan
zijne Excellentie en de Gecommitteerden overhandigde concept-reglement omtrent de
verkiezing der Magistraat goed te keuren, en eindelijk (daar in het nazien der reke-
keningen reeds bewilligd was) de verdere punten van verschil aan de uitspraak van
zijne Excellentie als Stadhouder over te laten, mits hij alvorens ontslagen werd van den
eed, »dien hij ter contrarie gedaan zou mogen hebben." Ten dien einde droog men
er zeer op aan, dat de Prins, gelijk hij dan ook aan,de gemeente beloofd had, naar
Utrecht zou terugkeeren i.

Men ziet de strekking dezer voorstellen gemakkelijk in. Terwijl men het eigenbe-
lang der stadsbrouwers, door het verbieden der brouwergen ten platte lande, die hun
een doorn in het oog waren, wilde bevredigen, onttrok men zich ten aanzien der twee
eerste punten, waar het den raddraayers eigenlyk op aan kwam, en die builen de al-
gemeene Landsregering niet konden beslecht worden, aan het gezag der Stalen-Generaal,
terwijl men den Prins als werktuig tegen de ünie wilde misbruiken; want wat de redenaar
voor
Utrecht zeide, dat men in hun voorstel betreffende den Prins geen zwarigheid
behoefde te maken, omdat Zijne Excellentie het advies der Staten-Generaal zou mogen
gebruiken in zoo verre het hem goed docht, deze reden diende meer om het bestaande
gevaar in het licht te stellen, dan om de vrees daarvoor op te heffen.

Nadat de gedeputeerden der stad hunne voorstellen gedaan hadden, verschenen
de aanwezende Staten van
Utrecht ter vergadering en vraagde men hen af, of
zij iets tegen die voorstellen, welke men hun mededeelde, in^het midden te brengen
hadden. Zij antwoordden met het verzoek dat te
Utrecht alles in den toestand zou
teruggebragt worden, waarin de zaken vóór de gewelddadige benoeming van de nieuwe
Overheid geweest waren, opdat de Unie gehandhaafd mögt blgven in hare regten en
met name de hand gehouden mögt worden aan het verdrag, waarop zyne Excellentie
als Stadhouder der Provincie was aangenomen en den eed gedaan had.

Na den middag verschenen de Staten van Utrecht wederom ter vergadering, en deelde
men hun mede, dat de Staten-Generaal geen geschikter middel zagen om tot her-
De statcn-Ge- stel der orde te komen, dan dit dat de partijen zich aan de uitspraak der tegenwoordige

iieraaleischenon-

derwerping der Vergadering volkomen onderwierpen. De Staten antwoordden, dat, schoon zij de eischen

Jirliftspraak!'"^'gedeputeerden van de Magistraat en de gemeente der stad Utrecht onbehoorlijk
achtten, en njet de belsechting der vijf punten de zaken niet geholpen zouden zyn,
aangezien de plannen van de tegenwoordige stadsregering blykbaar verder strekten, zij
zich niettemin aan de Ambassadeur^, de Staten-Generaal, Zijne Excellentie en den
Raad van State gaarne onderwierpen; slechts verzochten zij, eensdeels, dat er zou ge-

tie Resol. van de Stat.-Gen. en van den Raad v. State, bij van deb eemp, 111, LI. 281,

ocr page 328

DES VADERLANDS. , 427

zorgd worden τοογ hunne veiligheid, als zij weder in Ülrecht zoudeü vergaderen, en, 1610·
anderdeels, dat, zoo men tot vermeerdering van de leden der Staten mögt besluiten,
men slechts personen zou aanstellen van verdiend aanzien, van de gereformeerde Re-
ligie, geboortig uit het land van
Utrecht en noch partyzuchtig noch van eenige Over-
heid afhankelijk. De leden der Ridderschap verklaarden afzonderlijk, dat zij zich no-
pens de vermeerdering hunner medeleden en het punt der neringen en brouwergen ten
platten lande niet konden onderwerpen: dé voordragt en benoeming van nieuwe leden
in hun ligchaam kwam van God- en regtswege niemand toe, dan hun alleen, en ten
aanzien van het andere punt konden edelen en dorpen zich op Onbetwistbare regten be-
roepen. De gedeputeerden der Landsteden van
Ulrecht verklaarden, dat zij betreffende
de neringen en brouwerijen met de stad
Utrecht eenstemmig dachten, doch dat zij deze
zaak door minnelijke schikking afgedaan wilden hebben; Voöris Waren zij met de rege-
ring der Staten van
Utrecht volkomen tevreden en vereénigden zij zich met de door
hen uitgedrukte gevoelens.

Op deze verklaringen^ waaruit bleek, dat zich de Staleü, alleen de Ridderschap
voorwaardelijk j onderwierpen, besloot de Vergadering dezelfdê onderwerping aan hare
uitspraak ook aan de gedeputeerden der stad en gemeente van
Utrecht voör te stellen*
Dit geschiedde den volgenden dag, maar te vefgeefs. De genoemde afgevaardigden
Die van de stad

Vtreohtviégexm

drongen onwrikbaar aan op de inwilhgmg van hun verzoek. Bij deze gelegenheid zulks,
werden er vrij scherpe woorden gesproken» Meö verweet aan die van Utrecht hun ge-
drag jegens den Prins i, en dreigde hen met het ongenoegen van de Koningen van
Frankrijk en Engeland ^ op welk laatste punt de vertegenwoordigers van de stad Utrecht
zich lieten ontvallen, dat die Vorsten bij de verstoring der gevestigde orde te Utrecht
geen belang hadden. Toen men hen zoo onbuigzaam vond, jen hen toch niet alle
bezadigdheid wenschte te doen verliezen, spiegelde men hun voor, dat men de Sta-
ten van
Utrecht zou trachten over te halen om hunne toestemming te geven, dat de
Prins met de beslissing der verschillen belast en ten dien einde van zynen eed ontsla-
gen werdb De'Staten van
Utrecht toen weder binnengeleid, weigerden volstrektelïjk
daartoe hunne toestemming ie geven* Thans werd den afgevaardigden der stad verklaard,
dat de Vergadering te vergeefs getracht had de bewilliging der Statèn van
Utrecht
te verkrijgen; dus •schoot er niets anders över, dan dal zij zich mede aan de beslissing
der Vergadering onderwierpen: de zaak was te ernstig, dan dat zy dit weigeren mog- ''

ten, en meenden zy, dat de Koningen van Frankrijk en Engeland in de zaak geen
belang stelden, zoo vergisten zy zich grootelyks. Dit was, mogen wy hierbij aanmer-
ken, geene grootspraak: immers weten wij, hoezeer bepaaldelijk
hehdkik. IV zijne

^ Zie de Resol. v. d. Raad v. State, aangehaald door v. D. eemp, bl. 285, ΓίουΙ 1., vergeleken
met VAN METEREN, X, bl. 249. F

ocr page 329

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. zinnen op den togt legen GuUk en Kleef gezet had, en door eene omwenleling
in de
Nederlanden zou hem zijn krachligste bondgenoot bij die krijgsonderneming
ontvallen. Niettemin, die
Tan de stad Utrecht waren niet tot onderwerping te krij-
gen. Thans kwamen de Staten er rond vooruit, dat zij den Prins, hij zelve mögt
het beloofd hebben,
al of niet, niet zouden toelaten naar Utrecht terug te keeren:
hy was Gouverneur van meer andere Provinciën, en deswegens kon' men hem niet
bloot stellen. Hierop verklaarden de Gedeputeerden van
Utrecht^ dat zij voornemens
>varen naar
Utrecht te vertrekken, van hun wedervaren verslag te doen, en voorts de
zaken Gode opgaven en afwachten wilden, wat er van komen zou. Zy kregen de ver-
maning mede, dat, zoo er iets misdaan werd tegen de personen, dienaren, huisgezinnen
en goederen van de Staten van
Utrecht, de Unie genoodzaakt zijn zou zulks op de
stad en gemeente te
verhalen. Voordat de Vergadering te Woerden scheidde, vernam
zij nog de bede der Staten van Utrecht, die haar aanbevolen de zaak toch niet te la-
ten varen, maar gedachtig te zijn aan de verpligting door de Unie aan de Provinciën
opgelegd om elkander tegen onderdrukking en geweld te handhaven Des anderen
daags, den lO'^®" Maart, vertrokken de Staten-Generaal met de Ambassadeurs, den Prins
en den Raad van State weder naar '5
Gravenhage. Zij waren voornemens, bijaldien
de zaken te
Utrecht niet spoedig naar hun genoegen en in het belang des Lands ge-
schikt werden, meer van zich te laten hooren.

In die stad intusschen hield de onrust aan, de soldaten werden hoe langer hoe brooddronke-
ner, en vorderden bij avond en ontijden de menschen drinkgelden af: in één woord de stad
was aan ruw gewapend volk overgegeven, en vele burgers begonnen uit vrees voor plunde-
ring hun goed de stad uit te zenden 2. Zulke berigten naar 'i
Hage overgebragt en tevens
het wegblijven van elk bewijs dat de Regering het gezag der Staten-Generaal wenschte in
te roepen of zelve de hand aan het werk slaan om de vroegere orde te herstellen, zie-
daar aanleiding genoeg tot ernstige beraadslaging \ Den 24"®° Maart kwamen dan ook dc
' zaken van
Utrecht, in tegenwoordigheid van de Ambassadeurs, den Prins en den Raad
van State, in de Vergadering der Staten-Generaal ter sprake, en werd er besloten aan
de Magistraat der stad
Utrecht te schrijven, dat alzoo zij in gebreke was gebleven,
de punten in geschil Ier kennis en beslissing hunner Vergadering te stellen, en langer
uitstel lot niets anders strekken kon dan lot groot nadeel van den Lande, tot ongenoegen
van hunne Majesteiten en lot verachtering van de zaak van
Kleef, het noodig bevonden

1 Resol. V, d. StaL-Gen. 14—18 Maart, 1610,
- VAN METEREN, X, bl. 249.

^ In deze dagen kwam er geen regtstreeksch schrijven uit Utrecht, dan alleen «een onbehoorlijke
en ongegronde brief aan zijne Hoogheid" (
vas ueteren, X, bl. 254),

ocr page 330

DES VADERLAxNDS.

was haar wederom ernstig te vermanen, de bedoelde onderwerping alsnog te willen J6lo.
doen en daartoe hare Gedeputeerden in genoegzamen getale met volkomen last binnen
vier dagen naar
1s Ilage te zenden. Vonden zij beter, dat de geschilpunten binnen
Utrecht staatswijze behandeld werden, dit zou men toestaan, mits dat zij vier goede
compagniën soldaten in garnizoen zouden ontvangen lot bescherming der Staatsleden
en tot handhaving der orde Voor het geval dat dit schrijven de gewenschte uit-
De staten nemen
werking niet had, besloten de Staten voorts Zijne Excellentie dadelijk te verzoeken en^"IcaTniet g™
te magiigen om behoorlijk orde te stellen, dat een Commandeur met ruiters en voetvolk dvungen.
en wat meer noodig was, gereed gemaakt werd om dadelijk naar
Utrecht Ie maroheren,
len einde de stad lot rede en tot haren pligt te brengen Ziedaar de bedoeling der
Staten duidelijk gebleken om
Utrecht des noods met geweld van wapenen te dwingen.
De miskenning van hun gezag, de legen de Republiek vijandige geest der bewindheb-
bers en de alles kwaads voorspellende bandeloosheid des volks aldaar, de noodzakelijkheid
om de opgevatte taak der bestrijding van de keizerlijke partij in
Gulik te volvoeren, het-
geen onmogelijk was zoolang de orde te
Utrecht niet was hersteld, al deze redenen wet-
tigen een dergelijk besluit ten volle. Het voornemen was om met dal krijgsvolk de toe-
gangen lot de stad te bezetten, en alzoo allen uitvoer te beletten en allen toevoer af te
snijden. Dus hoopte men haar tot onderwerping te dwingen. Doch de Ambassadeurs en
de Gedeputeerden van
Holland waren van een ander gevoelen. Zij wilden dadelijk een
viertal goede compagniën naar
Utrecht gezonden, en, zoo men deze daar binnen niet
wilde ontvangen, de toegangen der stad bezet hebben. De Gedeputeerden der Staten van
Utrecht waren van oordeel, dat zelfs alzoo de zaken te zeer op de lange baan geschoven
werden; zij wilden de stad voor alle dingen door eene genoegzame gewapende magt in
bedwang gebragt zien ^ . De Gedeputeerden van
Zeeland en Overijssel daarentegen ver-
langden bij het besluit tot het beschikbaar stellen van troepen aangeteekend te zien, dat
hel met meerderheid van stemmen was genomen ^ . Het kan ons niet bevreemden de Ge-
deputeerden van
Zeeland er prijs op te zien stellen, dat' deze resolutie niet eenstemmig
genomen was. In de Provincie
Zeeland had de Prins steeds den meeslen invloed, en de
Prins zou gaarne alle geweldige maatregelen legen i/irecAi vermeden hebben. Het schijnt,
dal hij zich in de stad te zeer door beloften verbonden had en vreesde dat, als hij ende
zijnen lot het bedwingen der stad medewerkten, men hem van woordbreuk zou beschuldi-
gen. Den Maart werd een brief uit bij de Staten-Generaal ontvangen en in de

457

58

Resol. V. d. Slat.-Gen., 24 Maart 1610.

III Deel. 2 Stuk.

ocr page 331

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

iGio. vergadering overwogen, wederom in tegenwoordigheid van de Ambassadeurs en den Raad
van State. De Prins had zich wegens ongesteldheid verontschuldigd. De brief werd
onvoldoende en zorgelijk gevonden. Bovendien was men in het zekere onderrigt, dat
de Utrechtenaars hunne zaak door brieven aan naburige sleden trachtten aan te beve-
len. 'Dit was blijkbaar eene poging om in het Land den opstand algemeen te maken.
Dat men hoopte de bewegingen zich verdei· te zien uitbreiden, was genoegzaam ge-
bleken uit de geruchten, die men te
Utrecht had uitgestrooid alsof er in verschei-
dene andere steden der Vereenigde Landen dergelijke oproeren waren uitgebroken i.
Thans draalden de Stalen niet langer. Men besloot ten spoedigste krijgsvolk naar
Utrecht te zenden, den Prins hiervan terstond kennis te geven en hem te verzoeken over
die troepen een Bevelhebber te benoemen, indien zijne ongesteldheid hem niet toeliet
Prius MAuiuTshet bevel zelve op zich te nemen De Prins verontschuldigde zich werkelijk opgrond
Lch'^van he^Bc-zijner ongesteldheid van de aanvaarding des bevels; ja, wal meer is, daar hij vernam,
ovcr^^drTroepeu ^^^ Staten-Generaal bedacht waren zynen broeder
frederik Hendrik lot bevelhebber
tpgen Virecht. Qygp jg onderneming aan te stellen, verontschuldigde hij ook dezen, »als nog wezende
jong en vermits het hem kwalijk zoude voegen den ondank op hem te halenAlsof
er ondank Ie behalen was met eene onderneming, die de Republiek moest wreken op
muitelingen, welke haar tegenover hel buitenland eene vlek aanwreven, hare maatre-
gelen tot handhaving eener hooge staatkunde verlamden, ja haar bestaan bedreigden.
Of schroomde de Prins den kwaden dunk op zich te laden van de raddraaijers te
Utrecht
tegen het geval dat hunne inzigten eenmaal zegevieren en de staatkunde der Stalen
schipbreuk lijden mögt, en wilde hij zich en de zijnen tegen die mogelijke toekomst
onbesproken bewaren? Waarlijk, dan begreep hij niet, dat er bij zulk een schipbreuk
voor
Nederland geene andere toekomst overbleef, dan de ondergang. Liever houden
wij het er voor, dat hij al het gevaarlijke van het oproer te
Utrecht nog steeds niet
inzag, en de vrees van woordbreukig bevonden te worden hem verblindde. Daarom
verontschuldigde hij niet alleen zich zeiven en zijnen broeder van het bevel, maar gaf
zijnen wensch te kennen, dat men, alvorens eenig middel van bedwang aan te wenden,
Utrecht nog eens tot onderwerping moest aanmanen. Doch de Staten-Generaal achtten
dit noch voegzaam noch raadzaam; zij besloten de zaak door te zetten » met allen ernst
en naarstigheid om de Koningen geenen aansloot te geven en de zaken van
Kleef m^i te
verachteren", en verzochten den raad van State hun besluit aan den Prins mede te deelen
en hem ernstig aan te bevelen de zaken bij de hand te nemen en te bespoedigen

I VAN METEREN, bi. 252.
3 iieso/.
V. d, SlaL'Gen., 27 Maart, 1610.

3 Resol. Raad v. State, 27 Maart, 1610 (bij v. d. kemp, 111, bl. 291).

4 Resul. Stat.-Gen., 28 Blaart, 1610.

ocr page 332

DES VADERLANDS. , 427

De Prins nam dit op zich, maar maakte nieUemin allerlei zwarigheden: de compagniën, 1610.
die uit
Vlaanderen en Vriesland moGslQO. komen, zouden kwalijk in tien dagen aange-
komen kunnen zgn; zoo het werkelijk tot eene belegering der stad moest komen, zou
het Sticht door allerlei vreemd krijgsvolk geheel bedorven worden, en dergelijke
Nieltegeiistaande
mAlUrits zynen broeder verontschuldigd had, benoemden de Staten-Gene-
raal Prins
ρκεοεεικ Hendrik tot bevelhebber van den logt. Een vertegenwoordiger van Prins ïrederik
het huis van Oranje moest mede: de eer, de staatkunde en de gansche bestemming "emebl)« ° over
van dit geslacht mögt niet van die der Republiek gescheiden worden. Voorts gelastten zy
den Raad van State zich zoo digt mogelyk bij
Utrecht ia begeven, en wel op den huize
Zuilen of te Jutphaas, ten einde, zoo er te onderhandelen viel, er zoo min mogelgk
tyd zou behoeven te verloopen, alsmede om tegen alle ongeregeldheden ten platten lande
te waken. Eindelijk verzochten zij de Staten van
Utrecht slaalsgewijze bijeen te blijven,
en vaardigden een Manifest uit aan al de Provinciën, opdat hunne maatregelen niet
misduid mogten worden, maar men algemeen mögt begrijpen dat zg daartoe lot be-
veiliging der Republiek en tot handhaving van hare eer gedwongen waren \ Ook de
bevriende Mogendheden wenschten zij reglstreeks omtrent hunne handelingen ten aanzien
van
Utrecht in te lichten. Des wegens gaven zij aan de gezantschappen naar Frank-
rijk
en Engeland^ waarvan wij boven gesproken hebben den last mede om deze zaak
ter sprake te brengen. In de
Instructie der gezanten naar Engeland zeggen de Staten
te hopen, dat wanneer de verbinding huns legers met de door den Koning van
Frankrijk tegen Gulik aan te voeren troepen zal moeten plaats hebben, »de stad
Utrecht tot rede zal zyn gebragt, hetwelk men als hoognoodig zal hebben voor te
dragen, om den staat van deze Landen bekwaam te houden ten dienste zoo van Z^ljne
Majesteit als van de Landen zeiven

' Resol. Raad v. State (bij v. d. kemp, III, 291).

2 Men vindt dit Manifest bij vak meteren, X, bi. 250—255, ca het staat genoteerd in de
Bibl, van Pamßett, Ν». 836. Op den 31''"" Maart, 1610, verordenden de Staten van Holland
dit stuk der Slat.-Gen. te doen drukken en onder de Gemeente te verepreiden, »opdat een iegelijk
daarvan kennis hebben moge"
{Rcsol. v. Holl. 1610, bl. 157).

3 ffiervoor bl, 385, 387.

^ De gezanten begrepen evenwel van de zaken van Utrecht niet te moeten beginnen, en
hielden zich »alleen gereed om daarvan rekenschap te geven, indien men hen dienaangaande
iets mögt vragen." Op een gastmaal kort vóór het vertrek der gezanten begon de Koning »van
de gelegenheid der zaak van
Utrecht^ ook vragende, hoe zijne Excellentie zich daarin had
gedragen, prijzende de Resolulicn van de Hoeren Staten, omdat 11. H. M. voorgenomen hadden
dezelve met geweld tot rede te brengen, en dat zij tegen de principale auteurs met meer ge-
strengheid behoord hadden te procederen, en de eenigheid op het hoogste aanbevelende." Zie
Rapport van dit gezantschap, op het Hijksarchief.

ö8*

ocr page 333

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. De Instructie, door de Stalen-Generaal aan Prins Hendrik medegegeven ^ , hield in,
dat hij zich zoude
camperen voor de stad. Indien die Tan Utrecht eenige vijandelijk-
heden pleegden, mogl hy hen verder niet bg brieven of mededeelingen tot reden trach-
ten te brengen; maar pleegden zij geene vyandelykheden, of boden zij uit eigenbewe-
ging aan, zich »tot rede te begeven,'' zoo mögt hun voor het laatst een brief van de
Staten-Generaal ter hand gesteld worden, om zich daarop binnen vier uren te verkla-
ren. Bewilligden zij in het innemen van krijgsvolk, zoo zou het garnizoen gebragt
worden op ongeveer tweeduizend soldaten en eene compagnie ruiterij, en geene andere
gewapende manschappen zouden ergens in de stad de wachten mogen betrekken. Kwam
men niet lot zulk eene schikking, zoo moest de bevelhebber ten spoedigste
de stad
aantasten
met de uiterste gestrengheid zonder op eenigen anderen last te wachten. Fre-
DERiK HENBRiK CQ de Raad van State vertrokken den SI'""" Maart uit 'ä Gravenhage
en waren den April to Jutphaas, alwaar ook de Stalen van Utrecht verschenen.
Inlusschen trok het leger uit verscheidene plaatsen rondom
Utrecht bijeen. Toen dit
in de stad geboodschapt werd, kon men aldaar nog niet gelooven, dat het ernst was.
Kanter, die genoegzaam met den slaat der onderhandelingen betreffende de zaken vaß
Kleef bekend was, beweerde, dat zoo er eenig krijgsvolk vóór Utrecht gezien werd,
dit weinig te beduiden had, vermits dit spoedig hooger op en
Kleefland in zou moe-
Die van Virecht len trekken. Maar weldra was er geene begoocheling meer mogelijk. Toch meende
wlérsteHcn^ men vol te moeten houden en geweld met geweld te moeten keeren. De aanvoerders,
begrijpende dat welligt hun leven verbeurd was, vergden den burgers de belofte af van
de stad te helpen verdedigen. Die deze belofte weigerden, verlieten de stad. Men bragt
geschut op de vesten, en nam personen uit de armoedige klasse in dienst; men schreef
naar
Amsterdam met verzoek, dat de Vecht tusschen Amsterdam en Utrecht^ die dooc
de troepen gesloten was, mögt geopend worden en blijven. Voorts trachtte men den
moed in de verdedigers te houden door uit te slrooijen, wat men hoopte en misschien
"verwachlte, dat in hel Land van
Kleef de zaken niet gunstig stonden, dal men in
Holland ook moeite had, en dat die van Amsterdam hunne hulp aanboden. En niel bij
woorden alleen lieten het de hoofden des oproers. Sommige adellijken en aanzienlijken,
ja geestelijken, van builen in de stad gekomen, zag men in persoon op de wallen ar-
Niettomin onder- beiden 2. Inlusschen verzuimde men het' middel van onderhandelen niet. Reeds den
haudelen zij. ^^^^ middag kwamen de Heeren van leeuwen, Hendrik büth, schepen,

en sALMiüs uit Utrecht Ie Jutphaas Hoog opgevende van den ijver, gedurende

den oorlog door de slad Utrecht beloond, betuigden zij hunne bevreemding zich
thans, nu men meende eens van den krijg uit te mogen rusten, vijandelijk aange-

1 Zie deze Instructie bij kluit, lUst. d. Holl. Staatsreg, III, bl. 486.
- VAU METEREs, X, bi. 255, 256.
RcsoL Raad v. Statey 1 April.

ocr page 334

DES VADERLANDS. , 427

vallen en hun landvolk door soldaten Ie gronde gerigt te zien: dat was het middel ifjio.
niet om hun het opbrengen der landsbelaslingen gemakkelijk te maken. En waartoe
dat geweld? Hadden zij de punten van verschil niet aan Zijne Excellentie hunnen Stad-
houder ter beslissing willen stellen? Slechts naijver had dezen hunnen wensch doen
afslaan. Thans hadden zij de zaak bovendien aan de uitspraak der Staten van
Holland
onderworpen i, niet uit kleinachting van het gezag der Slaten-Generaal; maar deze
Slalen waren niet onpartijdig ten aanzien van het punt van de neringen ten platten
laode: in dit opzigt was, met name,
Gelderland hun tegen; Holland daarentegen ver-
bood insgelijks de neringen en brouweryen buiten de sleden. Zoo zouden de punten van
verschil gemakkelijk beslecht worden, en men had ongelijk hun het gezag der Staten-
Generaal op te dringen, daar toch elke Provincie regt had, dergelijke zaken zelve te
schikken. Wilde men hun niettemin geweld aandoen, zoo gaven zij Gode hunne regt-
vaardige zaak over en wilden verwachten wat er van komen zou Deze rede geeft
slof tot menigerlei bedenking. Het voegde hun weinig, zich op de houding van
Utrecht gedurende den oorlog te beroepen, daar zy het resultaat van den oorlog te niet
gedaan wenschlen, door diegenen af te zeilen, die door den oorlog aan het roer ge-
komen waren, en de orde van zaken van vóór den oorlog te willen herstellen. En wat
de opdragt der beslechting aan
Holland belreft, zonder vrees van hen ten onregte te
bezwaren, mag men vermoeden, dat zij hoopten, dat hunne zaak in de vergaderiog
van deze Provincie een twistappel zou worden, en deze maatregel alzoo verdeeldiieid
in de ganscho Unie ten gevolge zou hebben De overeenstemming van
Hollands
zienswijze op het stuk der neringen ten platten lande was dan slechts een voorwendsel
en de breede behandeling van juist dit ondergeschikte punt moest dienen om het als
hoofdzaak Ie doen voorkomen, tervvyl het voornamelijk te doen was om hel bewind van
personen, die van der Slalen pohliek afkeerig waren.

Op hun aanspraak kregen de drie Ulrechlsche Afgevaardigden tot bescheid, dat men
hun den volgenden dag antwoord zou geven. Op dien volgenden dag echter verschenen
dezelfde Afgevaardigden weder, thans met het aanbod om de vraagstukken aan de be-
slissing der Slaten-Generaal en Zgne Excellentie te stellen; maar wat het innemen van

^ Wegens de vroeger vermelde onvolledigheid van de acta der Stalen van Holland op dit
punt, lezen wij hiervan niets in de
Resol. v. Holl.

- Resol Raad υ. State, 1 Aprif, 1610'.

3 Toen die van Utrecht, zoo als %vij bij van jieturen (X, bl. 25ö) lezen, Amsterdam om hare
bemiddeling verzochten, oordeelde deze stad, hoezeer dit verzoek inwilligend, noodzakelijk hen
feu aanzien harer gezindheid uit den droom (e helpen, door de uitdrukkelijke verklaring, »dat
zij de zaak der burgers van
Utrecht in het minst niet rcg(vaardigde, naardien zij, nevens de
andere Staten van
Holland^ dc belegering hcwiHigd had."

ocr page 335

4G2 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

icio. garnizoen in de stad betrof, dit sloeg men volslrektelijk af. Uit dit aanbod blijkt, dat
men in de stad de onmogelijkheid was beginnen in te zien om de zaak vol te houden.
Des anderen daags ging mien nog verder. Thans kwamen de Raadsheeren
rdysgh en
de wildt, met βυτη en vajh viahen , verklarende, dat men ook willig was het garni-
zoen te ontvangen: alleenlijk verzocht men uitstel van vijandelykheden en vrijgeleide
voor hen zeiven (de vier genoemde Heeren) om zich ter onderhandeling naar '
ä Ilage
Ie begeven. Zij kregen ten antwoord, dat men, aan den last der Staten-Generaal ge-
bonden, hun niet kon toestaan naar
^sHage te vertrekken: wilden zy dit niellemin
wagen, zoo moesten zij afwachten wat er de gevolgen van zouden zijn. Hierop wer-
den de afgevaardigden uit
Utrecht schier wanhopend, zy riepen uit, dat zy nu wel
zagen, dat de Raad van State partijdig was: wilde men hen zoo voor 't hoofd stoolen,
zoo zouden zy de stad mede helpen houden; Gode was het ongelyk geklaagd, dat men
hun aandeed, en na twintig jaren zou men het nog beschreijen. Op deze taal ver-
wees men hen naar Prins
Hendrik en die van zijnen Rade, welke hun te kennen ga-
ven, dat men hun vertrek naar
's Hage niet zou beletten: inmiddels echter zou aan
den last der Staten-Generaal gevolg gegeven worden

De bezending naar 'ä Hage bleef niet zonder uitwerking. Althans den April
ontving Prins
Hendrik een brief van zijnen broeder, waarin deze meldde, met ge-
noegen te hebben vernomen, dat die van
Utrecht zich tot redelijkheid schenen te wil-
len voegen; dat de Bevelhebber diensvolgens tot nader schrijven geene Vyandelykheden
tegen de stad moest ondernemen. Op dezen brief besloot men met de toebereidselen
tot de belegering nog een uur of drie te wachten, binnen welken tyd men bescheid
van de
Staten-Generaal te gemoet zag. Intusschen, bescheid uit den //ασ^ kwam er niet
en de Raad van State met de aanwezende Staten van
Utrecht drongen ernstig bij den
Prins aan om met de toebereidselen tot het beleg niet langer te dralen. Deze beriep
zich op den brief zijns broeders. Hierop werd geantwoord, dat dit schrijven het be-
sluit en den last der Staten-Generaal niet vermögt te veranderen; doch de Prins meende
»dat zyne commissie nogtans eensdeels inhield zich te rigten naar het advies zyns
broeders 2." Spoedig echter kwam er genoegzame volraagl uit den Haagt en den vol^
genden dag, den β*'"" April, werd er te
Jutphaas tusschen die van Utrecht en den
Er wordt met de Raad van State, namens de Staten-Generaal, een Verdrag getroffen, van dezen inhoud:
Soff™ Al het gebeurde zou vergeven en vergelen zijn, niemand mögt hetzij den Staten der

Provincie, hetzy der Overheid der slad eenigen overlast of beleediging aandoen op boete
van als verstoorder der openbare orde aan lijf en goed gestraft te worden; vóór den go-

1 Resol Raad v. State, 3 April, 1610.

2 Dit blijkt niet uit de Instructie, boven aangehaald. Zie wegens het aalst verhaalde RcsoL
Raad v. Slale,
5 April, 1610 (bij vxy deb kemp, 111, bl. 294, 295).

\

\

ocr page 336

DES VADERLANDS. , 427

wonen tgd, dat is, voor den eerslen October, oude slijl, zou er geene verandering in 1610.
de Regering plaats hébben', onder voorwaarde dat de geschillen gesteld werden ter be-
slissing van de Ambassadeurs, de Staten-Generaal, Zyne Excellentie en den Raad van
Slate; voorts zou de Overheid van
Utrecht hare Afgevaardigden in de Stalen van
Utrecht zenden om te slémmen, hetzij die binnen of buiten de'stad vergaderden, en,
eindelijk, zouden de compagniën, onlangs door de Magistraat aangenomen, terstond
afgedankt, en boven de twee compagniën, die gedurende het beleg op de begeerte
der burgers uit de stad getrokken waren, nog acht in de stad ontvangen wordend
Ziedaar wel een schitterend bewijs van goedertierenheid, door de Staten-Generaal gege-
ven, Het blijkt echter niet, dat er geweest zijn, die zoo als de Koning van
Engeland
deed , toen hij het gebeurde te Utrecht vernam, bejammerden, dat men tegen de hoofd-
aanleggers niet met meer gestrengheid te werk ging 2,

Doch in weerwil van het gesloten Verdrag waren de zaken verre van tot rust te zijn i)e moeijelijkhe-
wedergekeerd. Toen des avonds nadat het krijgsvolk de stad was ingerukt, de solda-
ten, overeenkomstig de Instructie, den Prins door de Staten-Generaal gegeven, do
wacht op het Raadhuis en aan de poorten betrokken, wilden ook eenige bur-
gersoldaten deze posten mede bezetten. Hieruit ontstond gemor en een oploop in dc
slad en de zaak gaf aanleiding dat
van yiahen, van leeuwen en van helsdingen
naar 'ä Hage gezonden werden, alwaar zij, in de vergadering der Staten-Generaal
verklaarden, dat Prins
eendrik, bij het sluiten van het Verdrag, aan de burgers had
toegezegd, dat zij de wachten mede zouden mogen bezetten. Prins
hendäik was
afwezig op eenen togt in het
Limbiirgsche hem zei ven kon men dus niet vragen
wat hiervan was, Alzoo deed men onderzoek bij den Raad van State, die bij het
sluiten van het Verdrag tegenwoordig was geweest, en gelastte levens, dal, indien die
toezegging werkelijk geschied was, men woord zou houden. De Raad van Stale
schreef terug, dat men zich niet genoeg verwonderen kon over de stoutheid van
van
leeuwen
(die het woord gevoerd had), naardien zij » wel vaslelijk en waarachtelijk mog-
len verklaren, dat noch door Zijne Excellentie, noch uit hunnen naam daarvan ooit
in het minst eenig woord of syllabe is gerept geweest." Deze verklaring werd door dc
Stalen van
Utrecht bevestigd, en weldra schreef de Prins zelve aan de Staten, dat hij
nimmer aan zulk eene belofte gedacht had. In deze zaak wonnen de Stalen het
gevoelen in van Prins
maueits , die zich bij deze gelegenheid uitliet, »dal men de za-

VAN METEREN, X, 1)1. 256, 257. llesol. Slat.-Gen. 8 April, 1610. Jieso/, v, Holl. 1010, bl. 11.
2 Zie het gevoelen van den Koning ran
Engeland liiervoor bladz. 459, Noot 4).
^ VAN JIETERE5, bi. 257.
^ Zie hiervoor, bladz. 413.

ocr page 337

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. ken binnen Utrecht niet behoorde te verbitteren, noch de burgers meer te vertoor-
nen, maar veelmeer alles met inschikkelijkheid moest trachten bij te leggen," voorts
gedroeg hij zich aan hetgeen Hun Hoog Mögenden besluiten zouden. Dezen gelastten
toen den Raad van State om met het meeste beleid te werk te gaan i. Inderdaad
schenen de zaken sedert eenigzins tot rust te komen; zelfs ontving men de Staten
der Provincie
Utrecht in de stad. Doch niet lang duurde het, of er ontstonden
nieuwe heftige botsingen. Nog altijd had de sledelgke Regering de acte van het Ver-
drag van
Jufphaas niet onderleekend. Deswegens werd zij by de Staten-Generaal aan-
geklaagd door de Staten der Provincie, die zoo hierin als in het van harentwege ver-
spreiden van zekere schotschriften 2 een bewijs zagen, dat zij nog steeds op omver-
werping der staatkundige en godsdienstige orde van zaken bedacht was. De Stalen-
Generaal ontboden die van de stad
Utrecht voor zich. Hier werden zij tegenover de
Gedeputeerden van de Staten van
Utrecht gehoord. Die van Utrecht verontschuldigden
zich zeggende, dat zij zich niet verder dan op de punten, van wege de stad voorge-
steld, aan de beslissing van de Ambassadeurs, de Staten-Generaal, Zyne Excellentie en
den Raad van Slate hadden te onderwerpen. Dit gold by de Gedeputeerden der Sta-
ten hunner Provincie als een bewys, dat de tegenwoordige regeerders de zaken in ver-
warring wilden houden, gelijk zij dan ook het Verdrag van
Jutphaas in verscheidene
punten geschonden hadden Κ Deswegens drongen de Slichtste Staten van nieuws op do
handhaving van het openbaar gezag, op grond van het derde artikel der Unie, waarbij
de Provinciën verpligt waren elkander by te staan tegen alle in- en uitheemsche Heeren,

' VAN wijjf, op Wagenaar, X, bl. 22 cn 23, en de daar aangeh. Resol. d. Slat-Gen., 14 en
16 April, 1610. De
Archives de la Maison dOrangc, 11 Série, Tome 11, ρ. 407, bevatten ccu
brief van
maurits, {jcdagteekend van den 16''®° April 1610, aan ernst Casimir, toen Bevelhebber
Ie
Utrecht, en strekkende om hem, nevens naauwleltend toezigt op het gedrag der burgers, ver-
trouAvclijke zamenwerking
[bonne correspondence) met de Magistraat en de Burger-Kapiteinen aan
te bevelen, als het beste middel om de geschillen te sussen
[assopier).

2 Een dezer scholschriften Avordt met name genoemd, te weten, het door ons boven een en
andermaal aangehaald
Cort Vertoch. Na eene waarlijk korte en behendige voordragt der zaken,
eindigt het »protesterende voor God en de wereld over alle onheilen, schaden, moeiten, kosten
cn bezwaarnissen, die de stad en landschap aangedaan mogen Avorden." Welligt is dit
Cort
Yertoch
ook hetzelfde stuk als de Justificatie, bedoeld in de Resol. υ. d. Raad v. State (1 April,
1610), die men, zoo als Avij daar lezen, te
Utrecht liet drukken en alom door alle steden en
provinciën ook in
Duitschland wilde verspreiden.

3 Op deze vergadering ziet voorzeker wat wij lezen in de Resol. v. Holl. 1610, bl. 12 van
onderen, al heeft ook hetgeen op bl. 13 gelezen Avordt op vroegere gebeurtenissen betrekking.
De opgaven hier ter plaatse zijn zoo verward als onvolledig.

Λ

ocr page 338

ÖÈS VADERLANDS.

Landen of sleden, die haar eenig geweld, ongelijk of oorlog zouden willen aandoen. I610.
Dat de ütrechtsclie Regenten nog altijd hoop hadden om door eene omwenteling in
Holland eene beslissing tegen hen te ontgaan, bleek yoldingend uit eene door hen
aangewende poging om de Hollandscbe Sleden op hunne hand te krijgen. Den 50"®°
April vyerd te
^s Hage een brief uit Utrecht ontvangen van ernst Casimir van nassau ,
die aldaar na frederik Hendriks verlrek het bevel gevoerd had, In dezen brief onl-
sluijerde hij wat de Magistraat van
Utrecht met de bezending naar de Hollandsche
steden voor had. Dit schreven vond men goed, alvorens een eindbesluit ten aanzien van
Utrecht te nemen, aan Prins maurits mede te deelen, ten einde hem met behulp van
dit stuk Ie doen begrijpen, »dal de voorgenomen handelingen der Ulrechlsche Magis-
traat
ruïneus voor den slaat van den Lande waren, opdat Zijne Excellentie die handelingen
niet gelieve toe te lalen, maar ze veeleer te keer moge gaan bij alle goede midde-
len, daartoe dienende." Nu eerst gingen 's Prinsen oogen open, en hg verklaarde
» alles te zullen doen, wat lol dienst en eenigheid van den Lande en van de Heeren Sta-
ten-Generaal zal dienen, en met hen alle goede correspondentie te willen houden."
ΛVeldra werd dan ook, bij besluit van den Mei, de door oproer in het bewind
gekomen Regering afgezet en door de vorige vervangen ^ Den 15'"'"' Mei liet de Raad ^e jo^s®
van State, die zich tot uitvoering van de besluiten der Slalen-Generaal te
Utrecht be- ZJ^rec/iniersteld.
vond, afkondigen, dat een ieder, die tegen het beheer der Staten van
Utrecht en legen
de rekening, daarvan gedaan, iets in Ie brengen had, dit binnen de acht dagen vrij elijk
en zonder vrees van desvvegens achterhaald te worden doen mögt. Niemand verscheen
op deze afkondiging voor den Raad van Slate, dan Jonker
reinuard van aeswijne,
Heer van brakel, en daarna de Heeren dirk kahter en Hendrik van helsdingen.
De twee laatslen leverden vier en zeventig punlen van beklag in. Na naauwgezet on-
derzoek van al die grieven verklaarde de Raad, den 31"'®° Mei, dat verscheidene der inge-
leverde punlen onwaarachtig, eenige ongerijmd of ongegrond, en de overige van gee-
nerlei gewigt waren. Weshalve aan allen, die de Stalen van
Utrecht of hunne beamb-
ten voorlaan op eenigerlei wijze verwijlingen moglea willen doen, met bedreiging van
straf een eeuwig zwggen werd opgelegd

Maar hiermede was alles op verre na nog niet afgedaan. Veler gemoederen bleven
blijkbaar slecht gestemd tegen de herstelde Regering en de Staten van
Utrecht, Wes-
halve de Overheid den burgeren een nieuwen eed van getrouwheid afvorderde. Deze
eed werd gedaan, om van anderen niet te spreken, door de leden van het Hof, door de

^ Resol d. Stat. Gen. 19 , 26 , 29 April, 4, 5, 6 cn 7 Mei ΙβΙΟ. van wijk, op Wagenaar,
X, bl. 24.

^ Zie Publicatie by ende van weghen de Heeren lladen van State, ghedaen binnen Utrecht op
den
22 Mei, O. St. {Uibl. v. Pamßelten, 837), overgedrukt bij vak meteren, X bl. 258—260.

UI Deel. 2 Stuk. Ã¶9

461i

mmm.

ocr page 339

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

JGlo, Collegiën, door de nieuw opgerigte Schuüerij, ja door kanter en helsdingen zelven.

Mcllerain bleef er eene verbittering bestaan, die zich openbaarde in schimpschriften, las-
terlyke uitstrooisels en onbehoorlyke bejegeningen van de overheden. Ja, er werden in den
geringen burgerstaod mannen gevonden , die met zooveel haat waren bezield, dat zij bereid
Avaren eenen stouten aanslag te wagen, ten einde zich van al wat wederstand bieden kon
Ie ontdoen en de herstelde Regering door de afgezette Overheid te vervangen, wel we-
tende, dat diegenen der Grooten, welke voor het gezag der Unie hadden moeten buk-
ken, zich elke beweging, in hun belang ondernomen, zouden laten welgevallen. De
verspreiding van een fel oproerig geschrift leidde in de maand December 1610, tot
een onderzoek, hetwelk het geregt op het spoor bragt van zekeren
van geyn,, in de
Avandeling genaamd
klaas de gooyer, bakker en bierhuishouder. Deze persoon, van
elders herwaarts gekomen, lag onder verdenking van reeds vrij wat kwaads uitgerigt te
hebben en had zich bij de beroerten als een der belhamels onderscheiden. Thans ont-
ving hij, gelijk nog eenigen in de stad, verdachte vergaderingen te zijnen huize. Voor
de Overheid ontboden, verscheen hij niet. Toen zich de schout met eenige schepenen
op St. Tiicolaas-avond (ouden stijl, alzoo den 14"^®" December) 1610 naar zijn huis
had begeven om hem te vatten, vond hij tegenstand. Tevens kreeg men berigt, dat
verscheidene personen dienzelfden avond er op uit geweest waren om alarm te luiden
Samenzwering CU het volk op dc been te krijgen. Op deze wijze kwam het geregt eene zamen-
zwering op het spoor. Men had het plan beraamd om het wachthuis op de
Neude
te overrompelen, de vereeniging der soldaten te beletten, de Magistraat weder af te
zetten, der Staten kamer, op een tijdstip dat de Staten vergaderd zouden zijn, met ge-
wapend volk te omsingelen; tien of twaalf man, in lange mantels gekleed, met een kort
roer en een sabel daaronder verborgen, zouden in de vergaderzaal dringen, zich van
de leden der vergadering meester maken en anderen in hunne plaats aanstellen; alsdan
zou men door iemand, als bode der Staten verkleed, den kolonel
ogle, na het vertrek
van Graaf
ernst, bevelhebber der bezetting, ontbieden en hem dwingen order te geven om
de soldaten de stad te doen uittrekken. Dit een en ander was op de bijeenkomsten
ten huize van
klaas van geyn afgesproken. Hier wond men elkander op door de
stoutste redenen: verzet, heette het, legen de Magistraat was geen oproer, want zij
was niet wettig aangesteld:
kanter en helsdingen waren de regtmatige Overheid; men
zou de Staten wel leeren rekening doen, en hen daarentegen wel afleeren naar den
Haag te loopen klagen, en de soldaten, door welke men niet langer getiranniseerd
wilde zyn, zou men de stad wel uitjagen. Elders had men zich onder eede verbonden
den toeleg geheim te houden en, ontdekte men daar iets van, al was het aan zijne
eigene vrouw, zoo mögt men »des duivels eigen" zyn. Een uit den hoop, met name
WILLEM VAN ouGoop, had aangeboden bg den aanslag de voorste te zijn, zeggende:
»zoo ik wijk, doorschiet mij!" En van dit alles waren
kanter en helsdingen be-

ocr page 340

DES VADERLANDS.

467

wusl, zij waren door de hoofden van alles onderrigt en wisten dat men hen ΛvedeΓ 1610.
op het kussen wilde brengen Geen wonder, dat men geene oogluiking gebruikte.
De belhamels en raedepligtigen werden, voor zoo ver zij niet voortvlugtig waren, da-
delijk in hechtenis genomen. Eene commissie uit de Staten-Generaal werd, den laatsten
Maart 1611, op advies van den Prins Stadhouder en van den Raad van State, met de
regtspraak in deze zaak belast. Den zeveoden Mei werden verscheidenen ter dood en en
gestraft,
anderen tot geringere straffen veroordeeld 2, Kanter en helsdikgen kwamen vrij met
verbanning buiten het grondgebied der Provinciën en verbeurdverklaring, de laatste van
de helft, de eerste van het geheele bedrag zijner goederen.
Helsdingen was den
Maart op last der Staten van
Holland te ^s Ilage ten huize van zijnen zwager heemskerk.
gevat, en in weerwil van een smeekschrift door hem aan den Prins gerigt, maar door
dezen Torst aan de Staten van
Holland toegezonden, op verzoek van de Staten zijner
Provincie aan het geregt te
Utrecht uitgeleverd Den dag na het vellen der vonnis-
sen werd de straf der ter dood veroordeelden in die van ballingschap en verbeurdverkla-
ring hunner goederen veranderd, bij eenen hunner op grond dal hij uit eigen beweging
en op belofte van kwijtschelding alles bekend had, bij de overigen op ernstige voorspraak
der burgemeesters en predikanten Alzoo werd het storten van bloed in eene staatkun-
dige zaak gelukkig verhoed. Men verhaalt, dat deze verzachting van hun vonnis hun
eerst op het schavot werd medegedeeld. Toen zij hier niets anders dan den dood voor
oogen zagen, zouden allen de zamenzwering nogmaals voor het volk beleden hebben,
en Mr.
andries hendriksz, schoolmeester en koster van de St. Nicolaas-kerk, zou
luide verklaard hebben, dat hij, had de aanslag voortgang gehad, zijnen haat tegen
de predikanten
speenhoven en taurinus bot gevierd en hen eigenhandig vermoord zou
hebben — in Mei 1612 vaardigden de Prins, als Stadhouder, en de Stalen van

^ Zie Copiën van de Senlenticn binnen Utrecht ghewesen {Bibl. v. Pamflett. N» 913).

2 Blijkens het Plakaat der Staten-Gcneraal, medegedeeld door van meteren, X, bl. 440, werden
er later nog eenigen door het gewone geregt van Utrecht verbannen.

3 Resol V. Holl. 1611, bl. 266, 268, 269.

Copien van dc Senlentim enz. Bij elk der sententien staat, dat de beklaagde bekend heelt
bnyien pijno ende banden van ij zere.

5 van meteren, X, bl. 437. wagenaar, X, bl. 32, vocgt ογ bij, dat dezc twee predikanten de
gevoelens van
arminiüs waren toegedaan. Werkelijk voegden zich taürinus en spinhoviüs (sic) bij de
onderteekenaars der Remonstrantie van 1610 (
üïtekbogaert, bl. 529). Welk een sterken steun vau
(Ic heerschappij, die zij omverwerpen wilden, moeten de zamenzweerdcre dan niet in deze predi-
kanten gezien hebben. Dat de herstelde Regering te
Utrecht op de hand der Arminiancn was,
staat vast, en het bleek onder anderen hieruit, dat zij omstreeks het midden van het jaar 1611,

59*

ocr page 341

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. Utrecht een plakaat uit, waarbg aan een iegelijk verboden werd, de ballingen of
voortvlugligen Ie herbergen. In Augustus van hetzelfde jaar zag een dergelijk plakaat
van de Staten-Generaal het licht, waarin zij klagen, dat sommigen der veroordeelden
zich somwijlen binnen de grenzen des Lands lieten zien » om hun kwaad zaad van op-
roer te zaaijen," en dan zelfs den persoon van zijne Excellentie dreigden Niettemin
begaf
kanter zich eerlang naar Leeuwarden en helsdingen naar Amsterdam, en zij
beiden stierven ongemoeid elk in de plaats, waar hij zich heen begeven had \ Wat
teweeggebragt zal hebben, dat zij ongemoeid bleven, zal vooral de onderscheiding geweest
zijn, waarop kennis en beschaving aanspraak geven ook by volstrekt verschil van staatkun-
dige overtuiging. Is deze onderstelHng juist, dan strekt hun verblijf en dood in het
vaderland hunnen tijd niet tot oneer.

Zulke gebeurtenissen en de houding, door de Staten van Holland daarbij aangenomen,
waren welgeschikt om indruk op de Kerkdijken te maken. Waar de Staten zoo krachtig
moesten optreden om woelingen te onderdrukken, die de Gereformeerde Godsdienst bedreig-
den , moest de vraag wel oprijzen, wie daarbij de Staten het best ondersteunden: zij,
die by hen niet altijd even bescheiden aandrongen op eenen maatregel tot de byeenroe-
ping eener Provinciale Synode, waartoe zy bleken niet te kunnen of te willen over-
gaan; of zij, die alles met vertrouwen aan de Staten overlieten. Men mögt de Armiui-
anen, in weerwil van
arminius plegtigste verklaringen, ook nog by zijn testament af-
gelegd van papisterij beschuldigen, en uitstrooijen dat
uytenbogaert op het oog
had om Aartsbisschop van
Utrecht te worden dit deed niets af bij het feit, dat de,
Arminianen op de hand der Staten waren, en de zaak van het Protestantisme in
Ne-
derland
met de regering der Staten stond of viel, en in het buitenland haren moedig-
sten verdediger behield of verloor. Deden de gevaren, die de Gereformeerde Godsdienst
bepaaldelijk uit de wijze, waarop
Hendrik IV om het leven kwam, nog altijd bleken
te bedreigen, de Staten beseffen, dat zij vóór alle dingen eendragt in den schoot der
Gereformeerde Kerk moesten bewaren, ^ en daarvoor de blaam dier Kerk zelve niet

wegens ))de tegenwoordige constitutie der stad en de apparente vruchten, die (daarvan) gehoopt
worden," de Staten van
Holland verzocht, aan uytenbogaert te vergunnen, gedurende een paar
maanden in hare stad te komen prediken
(Resol. v. Holl. 1611, bl. 401). Zie voorts over TAünuius
onder anderen
brandt, Hist. der Reform. II, bl. 449 en elders. Hij is de Schrijver van de Weeg-
schaal
waarover later.

" Men zie dit plakaat behalve in'tGr. Plakaatboek, 1, kol.'429, ook bij v. meteren X, bl. 439-

2 VAN DEN SAPDE, bl. 163.

3 BAUDAERT, 1, bl. 21. '

4 UYTENBOGAERT, bl. 495.

® In de Acte van Reces, gesteld onder den invloed van het doodsberigt van Hendrik IV, stel-
len de Staten van
Holland onder de maatregelen,, waartoe die droevige gebeurtenis hen moest be-

ocr page 342

DES VADERLANDS. , 427

moesten (luchten; diezelfde gevaren moesten de Kerkelyken in Nederland doen gevoe- iGio.
len, dat hunne Kerk nog andere belangen had buiten die, welke zij tegen de Armi-
nianen deed gelden, en dat, zou de bodem , waarop zy streden, niet onder hunne
voeten wegzinken, het zwaard moest getrokken en zoo moedig gevoerd worden,
als Λγerkelίjk in den Kleefschen erfopvolgingskrijg geschiedde. Vandaar, voorzeker,
dat men, ofschoon de verbittering tegen de Arminianen steeds toenam, gedurende
een geruimen tyd niets bespeurt van een onbescheiden aandringen op het by-
eenroepen eener Provinciale Synode. Wel verzoeken de Gedeputeerden der Synoden
van
Zuid- en Noord-Holl and, den 26'"=° Mei 1610 in de Vergadering der Staten van
Holland verschenen, »alsnog wel serieuselijk dat de Provinciale Synode worde toege-
stemd," maar zij doen het slechts, :zoo het schijnt, opdat dit verlangen niet als het
ware, in het vergeetboek rake en als tot inleiding lot een ander verzoek len behoeve
der Alkraaarsche Gemeente, en zij blijken te weten, dat die Synode »onder het opper-
gebied der Stalen" diende plaats Ie hebben ^

Veel zal ook lot deze houding der Kerkdijken hebben bijgedragen, dal zy liever in
het geheel geene Sj^node hadden, dan eene op dien voet, als de Stalen thans verklaard
hadden te verlangen. De vergadering, namelijk, den ll''®" Maart 1610 beloofd zou
Bezwaren tegen
voor de lang gewenschte Provinciale Synode moeten doorgaan; en tot die vergaderingga^erbg.^den22
zouden de Staten zeiven uit de classes en Kerken hun aangename personen kiezen. Niel ^^^^
alleen was deze wijze van zamenstelling den Kerkdijken zeer ongevallig, maar zelfs in
den boezem der Staten vond zij zoo ernsligen tegenstand, dat men van hare bijeenroeping
afzag. De Edelen en de meeste sleden hadden de beschrijving der kerkelijke vergade-
ring op dien voel goed gevonden; maar eenige sleden, en wel, zoo hel schynt,
Dor-
drecht, Delft, Amsterdam, Hoorn, Enhhuizen
en Edam, konden dit niet goed heeten.
Sommigen verklaarden, dat, zoo de classes zeiven hare afgevaardigden niet vrij zou-
den mogen verkiezen, zij de vergadering liever lot betere gelegenheid zagen uitgesteld.
Men vond het bedenkelijk de vergadering te doen houden, zoolang de Leden van de
Staten het op dit punt niet eens waren, en van den anderen kant achtte men hel on-
raadzaam, de steden, die zwarigheid maakten, Ie trachten Ie bewegen zich met de
meerderheid te vereenigen Ook op het verzoek om eene Provinciale Synode, den

wegen, ook dezen, dat de Regeerders der len aanzien van de middelen ter bijlegging der kerke-
lijke geschillen andersdenkende steden ernstig verzocht zouden worden zich tot
η liandhouding van
de wettelijke autoriteit der Heeren Staten" met de andere Leden van
Holland te willen vereenigen
(Jiesol 1610, bi. 75).

^ Rcsol V. Holl. 1610 bl. 169.

^ Zie hiervoor bladz. 444.

3 Resol. V. Holl. 1610, bl. 31.

ocr page 343

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610. 26"®" Mei 1610 gedaan, kon de Vergadering der Staten lot geen eenparig besluit
komen i.

Intusschen trachtten de Kerkelijken zich zeiven te helpen, en waar zij dit vermogten,
de verijreiding en openbare prediking van Arminiaansche gevoelens tegen te gaan, door
van de aankomende of gevestigde predikanten verklaringen te vorderen, waarbij ze lot
de Belijdenisschriften, als in allen deele met Gods Woord overeenkomstig, toetraden,
de gevoelens van
arminius verwierpen, en zich vooraf, legen mogelijke verandering van
denkwijze, aan het onderzoek en de uitspraak eeoer classis of andere kerkelijke Ver-
gadering onderwierpen. Dit geschiedde onder anderen te
Buren ^ waar evenwel de
Prinses van Oranje, oudste dochter van
Willem I, Gravin van Buren en Hohenlo, de
daartoe strekkende acte der classis deed vernietigen. Ook in
Zeeland werd te ter Veere
eene dergelijke acte gesteld, niet zonder de klagt van velen, dat zulk een maatregel op
gewetensdwang uitliep en tot huichelarij leidde 2. Diergelijke handelingen evenwel,
gevoegd bij de felle aanvallen op den predikstoel, tegen hen die de predestinatie niet zui-
ver leerden en de herziening der Belijdenis voorstonden, deden de Arminianen beseffen,
dat zij op den duur voor hunne tegenpartij, die door het gansche land verre de meer-
derheid op hare hand had, zou moeten onderdoen. Overtuigd dat hun zeiven, der waarheid
en den hoogsten belangen des Lands hiermede ongelijk geschiedde, waren
zij op maat-
regelen bedacht geweest om het gevaar af te wenden, en hadden dezelfde predikanten,
Dc Bemonsiran- die hunne bedenkingen op de Belijdenisschriften verzegeld aan de Staten hadden inge-
'leverd^, in de maand Januarij 1610 in stilte byeengekomen, een vertoog opgesteld, dat bij
uitnemendheid
de Remonslranlie genoemd wordt, en waarnaar de belijders dier gevoe-
lens sedert den naam van
Remonstranten dragen. Dit stuk behelst, vooreerst, eene ver-
ontschuldiging tegen de blaam, alsof zij eenige verandering van de Religie in deze Lan-
den zochten, terwijl zij slechts de herziening van de Confessie en den Catechismus
wenschten, overeenkomstig der Staten Resolutiën; voorts, eene verklaring van de leer-
stellingen, waartegen zij opkomen, in vijf punten vervat, te welen, 1° de verkiezing
en verwerping krachlens een vóór des menschen schepping en val door God genomen
onveranderlijk besluit, onafhankelijk van der menschen handelingen; 2" de verkiezing
en verwerping, krachtens een na 's menschen val door God genomen besluit, buiten
aanmerking van geloof of bekeering; 3° de beperking van het doel van
giiristus dood
tot de zaligmaking der uitverkorenen alleen; 4° de onwederstaanbaarheid van de werking
des Heiligen Geestes in de uitverkorenen, en de onthouding dezer werking aan de

Ue ontworpen,

1\
- \

1 Resol υ. Holl. IGIO, bl. 169. '
- UTTENBOGAEUT , bi. 507—509.

3 Zie Dr. j. TiDEMAN, Db Remoustrantie en het Remonstrantisme^ bl. ,35.

ocr page 344

DES VADERLANDS. , 427

venvorpenen, en de onmogelykheid van den afval der heiligen, ook bij de grofste 1610.
zonden. Tegen deze vyf punten zetten zy deze hunne gevoelens over:

I. Door een eeuwig onveranderlijk besluit heeft God besloten, uit het gevallen raen-
schelijk geslacht door
Christus zalig te maken, die door de genade des Heiligen Geestes
in JEZUS gelooven en in dit geloof volharden. *

II. Diensvolgens is jezus Christus voor allen en ieder mensch gestorven. Niemand
evenwel, dan de geloovige, geniet dadelijk de vergeving der zonden.

III. De mensch heeft het zahgmakend geloof niet van zich zeiven, noch uit kracht
van zijnen vrijen wil, daar hy lot niets goeds in staat is. Het is noodig, dal hij daar-
toe van God in
Christus door den Heiligen Geest worde herboren en vernieuwd.

IV. De genade Gods is de voorwaarde van alle goed in den mensch. Maar de wgze
der werking dezer genade is niet onwederstaanbaar.

V. Die christus door een waar geloof zijn ingelijfd, hebben door den bijstand des
Heiligen Geestes overvloedige kracht om legen den Satan Ie strijden en Ie overwinnen.
Maar of zij niet afvallig worden kunnen, zou eerst nader uit de Heilige Schrift moe-
ten blijken.

Deze stellingen houden zij voor overeenkomstig niet alleen met de Schrift, maar zelfs
niet de Confessie en den Catechismus, en met de leer van al de Gereformeerde Kerken
in Europa. Ten slotte behelst het verloog der Remonstranten het verzoek om eene
wettige vrije Synodale vergadering, ten einde zij aldaar van hunne gevoelens rekenschap
mogen geven, of zoo zulk eene vergadering niet gehouden kon worden, zoo verzoeken
zij om de bescherming der Staten, ten einde zij bij hunne meening geduld mogten
worden. Konden zij noch het eene noch het andere verkrijgen, zoo waren zij bereid
op bevel der Overheid als leeraars af te treden.

Het in Januarij opgemaakte stuk, door de pen van uttenbogaert gewijzigd werd
aan
oldenbarnevelt ter hand gesteld, die het in de maand Julij in de vergadering^^ ^^
der Staten van
Holland bragt. Het werd in de vergadering gelezen en met groote ji'gclc^^'''^·
aandacht aangehoord. De Gedeputeerden der «diificullerende" steden ^ verzochten
daarvan kopij, welk verzoek hun werd toegestaan, mits het sluk alleen aan de Ma-
gistraat zou worden medegedeeld. Ook verlangde men, dat bij de eerstvolgende verga-

^ In de Kerckel. IHst. van uytenbogaert, bl. 524—529, vinden wij dc in de vergadcrin{j, waartoe
de llemonstranten in Januarij bijeenkwamen, opgestelde acte. l)e officieele text der Remonstrantie,
zoo als zij hij de Staten is ingediend, is te vinden in
Schriftel. Confer. gehouden in 's Gravenh,
in den jare
1611, gedrukt ter ordonnantie der Staten v. Holl, in 1612 {Bibl. v. Pamfl. Ü94).
lie tiueman, t. a. pl. bl. 25—28. Deze geleerde geeft in zijn werk ook eene uitgave van den
oiEcieelen (ext.

- Zie liiervoor, bl. 469.

ocr page 345

478 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1610.

dering een afdoend besluit in deze zaak zou kunnen genomen voorden i. Vroeger, in
de vergadering van den Juny , toen
oldenbarnevelt zeker reeds kennis van de

Remonstrantie genomen had, hadden de Staten bij de meeste stemmen 2 besloten, dat men
aan alle classes in
Holland zou aanschryven, de predikanten, zoowel die in dienst waren,
als die eerst werden aangesteld, « bij examen of anderzins niet te onderzoeken of Ie
bezwaren met de hooge mysterieuse punten, die tegenwoordig al te zeer (God betere
het) in de Kerken gedisputeerd worden, maar ze voorby te gaan, en elkander in hunne
gevoelens in liefde te dulden en te dragen, zonder daarvan veel te spreken en veel
minder den volke voor te dragen of te prediken De Staten meenden het goed, maar
hun besluit was ijdel. Op grond dat de punten waarover men twistte onbegrijpelijk
waren, verlangden zij, dat men zwijgen en elkander verdragen zou! Slechts wie de za-
ken, die het geschil betrof, begrepen had, zou hebben kunnen zwygen en verdragen.

Bcsluii der Sta-Thans, den 22"®° Augustus, zonden zij de vijf artikelen, in de Remonstrantie vervat, en
dikaiit we£;en3 de der Remonstranten gevoelen uitdrukkende, aan de classes, en verklaarden daarbij te
v^f^art^eien ver- begeeren, dat geene predikanten wegens zulke gevoelens zouden gecensureerd worden

vat, zou gecen-meenden voorzeker, dat het gevoelen der Remonstranten, zoo christelijk en zoo
snrcerd worden. > Î¿ i Î¿

geloovig, als het zich in de vijf artikelen toonde, genade zou vinden, en hierop
vrede in de Kerk te hopen was. Spoedig bleek het anders. In eene vergade-
A'^erzet daartegen, ring der classes van Leiden werd ronduit verklaard, dat de laatstgemelde resolutie
der Stalen onchristelijk was en op een slinksche wyze was doorgedreven, en
werd van den proponent, die geëxamineerd moest worden, overeenstemming met
de sterkste anti-Arminiaansche stellingen gevorderd. Door sommige predikanten uit
de classes hiervan verwittigd, bemoeiden zich de Gecommitteerde Raden met deze zaak,
riepen de felste predikanten tot verantwoording, die alstoen zich niet zoo onhandelbaar
toonden, als men had kunnen verwachten, en bewerkten daarna, eerst door hunne
bemoeijing in de vroedschap van
Woerden, dat hier de benoeming van een nieuwen
I leeraar tot geene oneenigheid leidde en vervolgens door hunne onverwachte verschij-
ning in de classis dezer stad, dat ook hier van eenen proponent bij het examen niet
meer gevergd werd, dan de Stalen oorbaar achtten Maar bij zulke bijzondere blijken
van wederspannigheid bleef het niet. Den 10'^°" December verschenen in de Stalen-Verga-

1 Resol. V. Holl 1610, bl. 32.

2 Dordrecht, Amsterdam ea Enkhuizen stemden tegeu, zie brandt, Hist. d. Reform. 11, bl. 132·

3 Resol. V. Holl. 1610, bl. 186.
UVTENBOGAERT, bl. 529.

5 Rcsol V. Holl. 1611, 1 Maart, bi. 280.
e BRANDT 11, bl. 132—140.

\

ocr page 346

DES VADERLANDS. , 427

dering petrus plakgius, Predikant te Amsterdamy en eenige andere predikanten, »zich leii.
noemende Gedeputeerden der Synoden van
Zuid- en Noord-Hollanden verzochten, onder
anderen, dat de invoering mögt ,.9pgeschort worden van de door geenerlei kerkelgke Ver-
gadering onderzochte v^'f artikelen uit de Remonstranlie van
uytenbogaert en de zijnen.
Dat deze artikelen strijdig waren met de Heilige Schrift, en het gebruik van al de
Gereformeerde Kerken in het buitenland, verklaarden zij bereid te zijn, op eene wettige

Svnode te bewüzen ^ Hierop werd den December besloten 2 petrus plancius de Ilaagsche

1 .. 1 Confereniie bij-

en den anderen predikanten ter eener, en den predikanten, die de vijf artikelen overge- eengeroepen.

leverd hadden, ter anderer zijde, aan te schrijven, dat zij op de eerste aanstaande Ver-
gadering der Stalen aan wederzijde zenden zouden zes personen om »in de vreeze Gods
in vriendelijke conferentie te komen over die vijf punten, en met alle vlijt te arbeiden
zich met elkander dienaangaande te verslaan, of bijaldien dit niet mogelijk was, het
eigenlijke punt van geschil te stellen, opdat dit later beslecht mögt worden, zoo als naar
Gods woord met Λvelstand der Landen en Kerken bevonden zou worden te behooren"
Hier wordt van geene Synode melding gemaakt, en had
plancius aangeboden de ver-
werpelijkheid der vijf artikelen op eene wettige Synode te bewijzen, de Staten verslon-
den hem, blykens den oproepings-brief aan hem geschreven, alsof hy zich bereid
verklaard had, dat in hunne Vergadering te doen Alzoo schijnt men de Synode door
zulk een godgeleerd onderhoud in tegenwoordigheid der Staten of hunner Gecommit-
leerden te hebben willen vervangen. Ook had de classis van
Alkmaar nog allyd aan de gestelde
voorwaarde niet voldaan®. Den 11''®" Maart van het jaar 1611 verschenen ter Slatenvergade-
ring, van den kant der Anti-Arminianen, de predikanten
agronius , van Schiedam^ plascius,
van Amsterdam ^ begius, van Dordrecht ^ fraxinus, van den Driel^ bogardus, van
Haarlem, en festus hommius , van Leiden; en van den kant der Arminianen, de pre-
dikanten
uytenbogaert, van 'ί Hage^ borrius, van Leiden^ poppius, van Gouda,
grevincnovius cn ariioldus ΜΆΠ Rotterdam, en episggpius, ύάπ Bleiswijk. Zij werden ont-
vangen met de vermaning, dat men tot het bereiken van het doel, waartoe zy waren beschei-
den, verlangde, dat zij met terzijdeslelh'ng van tijdroovendc formaliteiten en met af-
leggiïig van alle harlsloglelgkheid en vijandelijkheid, deze Conferentie kort en bondig
zouden instellen cn zoo inriglen dat ze mögt slrekken ter eere Gods, tot welstand des

1 nes. V. Holl. 1610, bl. 217.

- De Gedeputeerden ran Amsterdam verklaarden geen bepaalden last te hebben om dat besluit
goed te keuren.

Hesol. V. Holl. 1610, bl. 236.

'' Zie dien brief Resol. v. Hall. 1610, bl. 237.

^ Zie hiervoor bladz. 432.

III Deel. 2 Stuk. 60

ocr page 347

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

161]. Lands en ter gerustheid der Kerken ^ Reeds in deze eerste by eenkomst kwam bo-
GARDDS voor den dag met een stuk, dat hij verzocht te mogen voorlezen: het moest,
zeide hij, strekken om den ongunstigen dunk weg te nemen, dien de
Remonstrantie der
andere partij tegen zijne party had doen ontstaan. Hierop werd goed gevonden, dat
eerst de bekende
Remonstrantie en daarna het thans aangeboden Verloog daartegen
De Contrare- zouden worden voorgelezen. Dit laatste was de zoogenaamde Contra-Remonstrantie, waar-
voorgïagL regtzinnigen den naam van
Contra-Remonstranten gekregen hebben, en de in-

houd is deze: De Remonstranten klaagden ten onregte, dat zy belasterd werden. Waren
zij verdacht, zy hadden dit verdiend door leeringen te drijven, strijdig met het gemeene
gevoelen, en die niet aan het oordeel eener kerkelijke Vergadering te willen onder-
Averpen. Dat zij werkelyk in de leer der Gereformeerde Kerk verandering verlangden,
bleek genoegzaam uit hunne begeerte naar de herziening der Belijdenisschriften dier
Kerk. Wat deze herziening betrof, er bestond alle reden om de clausule van consent
tot de Nationale Synode te bejammeren. Zij had verwarring in de leer en stoutheid
in de verkondiging van allerlei dwaalbegrippen doen ontslaan, de Belijdenisschriften
verdacht gemaakt, en den Papisten grond gegeven voor hun beweren, dat de Gerefor-
meerden steeds weifelen in de vaststelling hunner belijdenis. De weg, dien de Remon-
stranten thans waren ingeslagen, was zeer te laken. Zij hadden aan de Overheid re-
kenschap van hun gevoelen gegeven, in eenige punten vervat, die zij nooit aan eenige
classis of kerkeraad hadden medegedeeld. Dit hadden zij blijkbaar gedaan om hunne
medebroeders door het gezag dier Overheid te dwingen onregtzinnigen als leeraars Ie
dulden of tot de dienst loe te lalen, opdat hun gevoelen (dat toch met de raensche-
lyke rede beter dan dat der regtzinnigen overeenkwam) van lieverlede de overhand mögt
verkrijgen. Wat aangaat de wyze waarop het gevoelen der regtzinnigen in de Remon-
strantie wordt voorgesteld, zoo had men grond zich te beklagen dat de stellers van dat
stuk het hooge punt der praedestinalie zoozeer op den voorgrond plaatsten, terwijl
toch, naar kerkelijk gebruik, van dit leerstuk niet dan matig en voorziglig, slechts tot
wering van alle verheffing op menschelyke verdienste en tot troost der geloovigen gespro-
ken werd, en geenszins in zulk een hatelijken zin, als de Remonstrantie deed ver-
moeden, Tegen de voorstelling, door de Remonstranten gegeven, zetten zij nu hun
gevoelen over in zijne ware gedaante, in de volgende zeven punten vervat:

I. God heeft uit het in Adam gevallen menschelijk geslacht in zijnen eeuwigen en
onveranderlyken raad uit enkel goedertierenheid naar het welbehagen zijns willens
een zeker getal menschen uitverkoren om hen door
ghristus zalig te maken; terwijl
Hy de anderen in hunne zonden laat.

1 Resol. V. Holl. 1611, bl. 279.

ocr page 348

DES VADERLANDS. 475

1611.

II. Gods uitverkorenen zijn niet alleen de volwassenen, die in Christus gelooven,
maar ook de kinderen der geloovigen, zoo zij in hunne kindscliheid sterven,

III. God verkiest niemand om zyns geloofs en zijner bekeering wille; maar, integen-
deel, Hy verleent het geloof en de volstandigheid in de godzaligheid aan hen, die Hij
uitverkoren heeft.

IV. Ten dien einde heeft God hun vooreerst jezus Christus geschonken, zulks dat
het lijden van
christus, hoezeer genoegzaam tot betaling van aller menschen zonden,
alleen kracht heeft in de uitverkorenen.

V. Ten zelfden einde laat God hun het Evangelie prediken en werkt de Heilige
Geest door dit Evangelie en door bijzondere genade geloof en bekeering in de harten
der uitverkorenen.

VI. Door de kracht des Heiligen Geestes worden de geloovigen bewaard, zulks dat
zg in weerwil van den gedurigen strijd tegen het vleesch het ware geloof nimmer ge-
heel en al verliezen.

VII. Uit deze leer nemen de ware geloovigen geene oorzaak om hunne booze lusten
in te volgen, vermits het onmogelijk is, dat zy,
christus door het geloof zijnde inge-
plant, geene vruchten der dankbaarheid zouden voortbrengen.

Men bespeurt het, in deze voordragt van hun gevoelen doen zij alleen de lichtzijde
hunner leer, waarlyk zeer troostrijk voor de uitverkorenen, uitkomen; maar wat hun
gevoelen voor degenen, die zij verworpen achten, wreeds en wanhopigs heeft, dat latep
zij in de schaduw en vergoelijken zij door, na de uiteenzetting dier zeven punten, te
zeggen, dat men ook niet te zeer moet indringen in het lot dier verworpenen: liever
moet men ze aan zich zeiven overlaten, gelijk God, die hen ook in hunne ellende
laat, ons is voorgegaan Hierna trachten zij het verschil tusschen hen, die het be-
sluit Gods vóór 's menschen val, en dezulken, die dit besluit na den val genomen
achten, als onbeduidend te doen voorkomen. Ook zij, die aannemen, dat God in zijn
besluit ook het geloof dergenen, die zalig worden, voorzien heeft, zijn het in den
grond met hen eens: God toch heeft niet meer goeds in den mensch kunnen voor-
zien, dan Hij zelf voorgenomen heeft in hem te werken: derhalve is ook alzoo het ge-
loof eene vrucht der verkiezing. Na deze beschouwingen keeren de Contra-Remon-
stranten op het praktisch gebied terug, en verklaren, dat, wat het verzoek der Remon-
stranten om het bijeenroepen eener Synode aangaat, men hun gaarne zelfs, zoo zij wil-

' De eigenlijke uitdrukking is: »Wat behoeven wij ons te becommeren met denghenen, die
(iod in sijn rechtveerdig oordeel verlaten ende verworpen heeft? Willen wij dan ons sei ven voor-
sprekers ende voorstanders maecken van de verworpene ende onbekeerlicke sondaren?" Men vindt
de Contraremonstrantie, behalve in de
Ifaagsche Conferentie^ boven aangehaald, ook bij baüdaeut,
1, bl. 30-37, en triglakd, bl. 545—552.

60*

ocr page 349

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1611. (len, eene Nationale, of wel eene algemeene Synode van alle Gereformeerde Kerken
gunde. Maar vóór de bijeenkomst van zulk eene Vergadering hadden zij hunne beden-
kingen voor zich te houden of wel van hunne dienst stil te staan, want een gevoelen te
drijven, dat niet als gereformeerd erkend is, zulk een gevoelen aan het voorloopig oor-
deel van classes of Kerken te onttrekken en toch predikant der Gereformeerde Kerken
te willen blijven, dit had geen schijn van reden. Alzoo was het ten anregte dat de
Remonstranten dulding vraagden. De regtzinnigen waren gezind alles te dulden en vrede
te houden, mits de waarheid des Goddelijken woords behouden werd; maar men diende
eerst te welen, waarin en in hoeverre de Remonstranten geduld begeerden te worden.
De vijf punten openbaarden hun gevoelen nog niet volkomen: zy hadden nog meer be-
denkingen, en deze hadden
zij niet medegedeeld, ten minste niet aan de Kerken. Zulk
een onzeker gevoelen nu als dat der Remonstranten, kon nooit een band en regel van
eenigheid uitmaken, maar wel verwarring en oneenigheid stichten. Ook het verzoek
om de bescherming der Overheid tegen kerkelijke censuren kunnen de Contra-remon-
stranten niet billijken. Immers hadden de Remonstranten óf geene censuur te vreezen,
óf, moesten zy die scliroomen, zoo was het buiten rede, dat zij predikanten der Gere-
formeerde Kerk wilden blijven. Ook streed dit hun verlangen met de acte der Staten,
by welke de Synoden en classes gemagtigd waren kerkelijk te procederen tegen kerke-
dienaars, die zich in de leer of wandel ongeregeld gedroegen Het Verloog eindigt
met twee verzoeken. Vooreerst, dat, zoo de Conferentie tusschen hen en de Remon-
stranten niet tot overeenstemming leidde, de beslissing kerkelijk zou geschieden, ver-
mits
Holland anders gevaar zou loopen van len aanzien der godsdienst afgescheiden te
worden niet alleen van de overige Vereenigde
Nederlanden ^ maar ook van de alge-
meene Gereformeerde Kerken des geheelen Christenrijks. Hun laatste verzoek, eindelyk,
is, dat hun inzage verleend worde van de bedenkingen, vroeger door de Arminianen
tegen de Belijdenisschriften by de Staten ingeleverd.

Bij het voorlezen van dit stuk merkte men op, dat plangius en die van zijne partij
zich de hoedanigheid van gedeputeerden van de gecommitteerden uit de classes toeken-
Dit gaf stof tot beraadslaging. Hadden zij regt op die hoedanigheid, dan kwamen

Aan de Coiitra-
llemonstrauten
wordt in deze
Yergaderiug de Jen.
hoedanigheid van

Vertegenwoordi- de Remonstranten voor als tegenstanders van de Kerk. Alzoo zou het vraagstuk, wat
ontzegd. de leef der Gereformeerde Kerk was en wat niet, reeds metterdaad uitgemaakt zijn

geweest, en de staatkunde der Staten bragt volstrekt mede, dit als onuitgemaakt te be-
schouwen. Dus werd, evenwel niet dan na lang over en wedersproken, door alle leden
goedgevonden, aan de predikanten zoo van de eene als van de andere partij te verklaren,
dat zij in geene andere hoedanigheid zouden optreden dan als kerkedienaren, en alzoo
als broeders zamen spreken zouden 2, Toen hun dit des anderen daags was medege-

\

1 Deze acte was in 1581 verleend, zie brandt, Eist. d. Reform. I, bl. 674.

2 Resol. V. Holl. 1611, bl. 279.

ocr page 350

DES VADERLANDS. , 427

ileeld, namen zy hiermede genoegen. In deze tweede vergadering leverde uytenboga.ert i6il.
eene mondelinge beantwoording der Contraremonstranlie, zoo naauwkeurig als het hem
mogelijk was, na ze eens te hebben hooren voorlezen, want copie van het stuk was
hem geweigerd. Hierna gaven de Contraremonstranten hunne schriftelijke bestrijding van
De Conferentie
het eerste der vijf artikelen over; doch in dit stuk kwamen eenige vragen voor, die zy ^^

den Remonstranten voorstelden, opdat dezen hun gevoelen nader in het licht stellen
mogten. Hiervan trokken de Remonstranten partij om bij de eerst volgende zitting (van
den Maart) hunne verwondering te kennen te geven, dat men hen eene nadere

verklaring vergde, terwyl men toch aangenomen had hun gevoelen te bestrijden: hoe
vermögt men dit, als men daaromtrent nog inlichting behoefde? Niettemin bleven de
Contraremonstranten op de beantwoording hunner vragen aandringen. Hiertoe lieten de
Remonstranten zich, bewegen, en den 17'^®" Maart gaven zij met de schriftelijke adstructie
van hun eerste artikel tevens het verlangde antwoord; maar stelden op hunne beurt den
Contraremonstranten zeven vragen voor, waarop zij antwoord begeerden. Deze vragen
waren van dien aard, dat hunne beantwoording de Contraremonstranten ligt genoopt
zou hebben zich bloot te geven en met zich zeiven in tegenspraak te komen. Na der-
halve van het antwoord der Remonstranten en van de hun gestelde vragen kennis ge-
nomen te hebben, wilden de Contraremonstranten, den 19'^''" Maart, dadelijk tot de mon-
delinge behandeling van het eerste artikel overgaan. Doch de Remonstranten drongen
op de beantwoording hunner vragen. Den Maart deelden de Contraremonstranten

schriftelijk de redenen mede, waarom zij niet begeerden te antwoorden, üytenbogaert
en de zijnen beweerden, dat de beantwoording tot voortzetting der Conferentie volstrekt
vereischt was. De Edelen en de Gedeputeerden van de meeste Steden wilden de Con-
traremonstranten tot het beantwoorden der vragen gedwongen hebben, en de Vergadering
werd het in deze zitting betreffende dit punt niet eens. Den 23'""» Maart evenwel zeiden de
Staten
plakgius en den zijnen aan, dat men hen niet wilde dwingen, en verzochten üytenbo-
gaert
met de zijnen hun de beantwoording kwijt te schelden. Dezen deden dit den Stalen ten
gevalle, en men ging over tot de mondelinge behandeling van het eerste artikel. Deze
werd den volgenden dag gesloten. Den 25"®" Maart werden de Conferenten lot na Pa-
schen naar huis gezonden. Zij kregen de aanmaning mede om zich tot vrede en eenig-
heid te bevlijtigen en alsnog te bedenken, hoe zij het in deze «hooge myslcrieuse
punten" best eens zouden kunnen worden

Na de hervatting van de vergadering der Staten leverden de Contraremonstranlcn hunne
schriftelijke wederlegging in van der Remonstranten adstructie van hun eerste artikel,
en de Remonslranlen hunne wederlegging van der Contraremonstranten bestrijding van
dit artikel. Hiermede moest de gedachtewisseling over dit eerste artikel gesloten zijn.

' Resol. v. Holl. 1611, bl. 281, 288 , 291, 297, 301, 304,307,316. üytendogaert,bl.534- 536,

ocr page 351

478 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1611.

Alvorens de Conferenten verder gingen, werd hun den April de last opgedragen

om de verantwoording, die vorstius , beroepen hoogleeraar te Leiden, voor de Blaten doen
moest, bij te wonen en te beoordeelen Deze taak hield hen bezig tot den 6*^®° Mei
toe. Eerst den 11·^®° Mei leverden de Contraremonstranten hunne bestryding en de Re-
monstranten hunne adstructie in, van het tweede artikel. Had evenveel tijd aan dit
en de dan nog overige artikelen gew^'d moeten worden, als aan het eerste besteed was,
er ware geen eind aan de Conferentie te voorzien geweest.. Bij den meest mogelijken
eerbied voor de behandelde onderwerpen en de optredende personen moesten de Staten
de zaak wenschen te bekorten. De menigte gewone zaken, die intusschen niet stil ston-
den en het vermoeijende van vertoogen en redewisselingen, waarbij het den hoorders
schemeren moest en de sprekers zeiven vaak het spoor bijster zullen geraakt zijn,
do straf van hem, die bepalen en oordeelen wil, waar het volle Jnzigt hem
geen kort afdoend woord ingeeft, en boven de ijdele zucht van tegen de dwaling
gelijk te willen hebben verheft, dit een en ander deed de Staten tot het be-
sluit komen, om den Conferenten te gelasten hunne wederleggingen van de inge-
leverde bestrijding en adstructie van elk artikel eerst later na afloop der zittingen
te wisselen, en zich van nu aan tot de mondelinge behandeling der schriftelijke beslrij-
dingen en adstructiën te bepalen 2. Nadat dus den 12·'''" en den IS·*"" Mei mondeling
over het tweede artikel gehandeld was, droeg, den Mei, de eene partij hare be-
strijding , en de andere hare adstructie van het derde en het vierde artikel voor. De woor-
dewisseling over deze artikels nam twee zittingen weg, en toen het vijfde artikel schrif-

krijgt haar af- telyk en mondeling behandeld was, kregen de twaalf predikanten, den twintigsten, het

sciicid·

volgende Afscheid De schriftelijke wederlegging van de bestrijding en de adstructie
der laatste vier artikelen moest bij
festus hommius en uytenbogaert worden ingeleverd,
en daarna de slaat van het geschil (de
status qmesiionis) worden opgemaakt en aan
de Staten toegezonden, om daarop verder te letten en te doen, als zou bevonden wor-
den te behooren. De vijf punten bleven in den staat, waarin zij waren vóór het aan-
hangen der Conferentie, en geene der beide partijen mögt zich laten voorstaan of ver-
luiden, de andere te hebben overwonnen. Noch regtstreeks noch middellijk mögt men
iets van het in de Conferentie behandelde in het licht geven. De clausule van consent
betreflende de herziening der Belijdenisschriften op de aanslaande Nationale Synode
bleef gelden in volle kracht, gelijk ook de Resolutie der Staten van
Holland, waarbij

1 Resol. V. Holl. 1611, W. 348.

2 Resol V. Holt. 1611, bi. 370.

3 Resol. V. Holl. 1611, bl. 371, 372,^373 , 377 , 379^ 380, 385. uytenbogaebt (bl. 537) tornt
in de bijzonderheden niet geheel met de Resolutiën overeen. In deze laatste zijn de misstellingen
en drukibuten menigvultlig.

ocr page 352

DES VADERLANDS. , 427

zg de kerkediénaren hadden uitgcDOodigd hunne bedenkingen op die schriften in be- l6li.
sloten brieven bij hen in te leveren. Eindelgk werden de predikanten vermaand en
belast den vrede te bevorderen, de goede gemeente op de geschiktst mogelijke wijze van
het opregt voornemen der Staten te onderrigten, op den predikstoel als anderzins over
de geschilpunten matig en voorzigtig te handelen, en zich eerlijk en opregt aan den
inhoud van Confessie en Catechismus en aan den text der Heilige Schrift te houden.
Naar dit alles beloofden de predikanten gezamenlgk en elk in hel bgzonder zich in
gehoorzaamheid te zullen gedragen.

De schriftelijke wederleggingen werden eerst in de maand October van dit jaar (1611)
ingeleverd, en den 1
δ··®" November werd aan tjytenbogaert en hombiius daartoe voor de
vergadering bescheiden, gelast^ alsnu den
staat der questie te stellen, en levens elk hun
advies te geven omtrent de beste middelen om aan de geschillen een eind te maken Κ
Denzelfden dag namen de Staten een besluit, Avaarbij zij verklaarden bij hunne Resolutie
van den 20''®" Mei (houdende het afscheid aan de leden der conferentie) te volharden,
en voor onbehoorlijk houdende wat daartegen door wie dan ook was bedreven, bevolen
en gelastten zij op nieuw een iegelijk zich daarnaar Ie gedragen, op boete van als weder-
hoorige van de bevelen der Hooge Overheid gestraft te worden. Voorts hield dit Besluit
in, dat, gelijk de Staten nooit verslaan hadden noch alsnog verstonden, dat aan iemand
het gevoelen, in de vijf artikelen uitgedrukt, tegen zijn gemoed zou worden opgedron-
gen, zij alzoo alsnog evenmin verstonden, dat iemand boven dit gevoelen tegen zijn
gemoed zou worden bezwaard. Niettegenstaande het verschil van gevoelen hadden de
leeraars onderling als broeders in Christelijke liefde zonder eenige verhindering te leven '

en stichtelijk Ie leeren. Alles bij provisie en tot dat anders na goed en ryp beraad
in deze zaken zou verordend zgn

Den 29"®" November leverden de partijen hare verklaringen in aangaande den slaat des
verschils over de vijf artikelen, benevens hun oordeel nopens de middelen om de ge-
schillen bg te leggen. Het advies der Contraremonstranten hield in, dat door de Sla- j^j^ig^cn
ten-Generaal eerstdaags eene Nationale Synode zou worden bijeengeroepen om de geschil- g"!

len Ie onderzoeken en daarin uitspraak te doen: of wel, dat de punten van verschil schillen ccneinde

, te maken.

gezonden zouden worden aan alle of aan sommige der vermaardste Akademien van
de Gereformeerde Kerken in
Duitschland, Groot-Britannië ^ Frankrijk en Zwitserland
om haar advies Κ Dat middelerwijl alle predikanten door de Staten scherpelijk zouden

» Resol. V. Holl. 1611, bl. 501.
2
uytenbogaert, bl. 638.

3 De Remonstranten wisten, dat dit advies voor het oogenblik in hun voordeel zou uitvallen. Tilewds
toch, Professor te Sedan, had in ditzelfdeeen ConsideraüosententiaêJacobiArminiiTütgCQQyen^

ocr page 353

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1611. worden vermaand bij de leer, in de Belijdenis en den Calechismus vervat, te blyven, en
den classes op nieuw gelast zou worden de overtreders ernstiglijk te censureren; wij-
ders, dat eensdeels den Remonstranten bevolen zou worden zich intussehen van de ver-
kondiging of aanbeveling van hun gevoelen, in de vijf artikelen voorgesteld, te onthouden,
en anderdeels dit gevoelen niet bitter noch hatelijk wederlegd zou mogen worden;
eindelijk, dat wie, het kerkelijk examen verlangende te ondergaan, tegen de leer beden-
kingen had, zou worden uitgesteld tot na de beslechting der geschillen. De Remon-
stranten, daarentegen, verklaarden, geen geschikter middel te weten, dan dat men, al-
len twist schuwend, zich zou houden aan het fondament,
jezus christus, alzoo dat,
indien iemand in het opbouwen, dit fondament behoudende, feilde, men hem deswe-
gens niet zou veroordeelen, maar den tyd afwachten, wanneer een iegelijks werk beproefd
zou worden, en vertrouwen, dat zoo hij al iets anders gevoelde, God het hem naar het
woord des Apostels zou openbaren. Zij namen de praedestinatie der geloovigen ter zalig-
heid en der ongeloovigen ter verdoemenis aan, en, dus uitgedrukt, werd ook het leerstuk
door de Contraremonstranten niet ontkend; kon men nu slechts van de laatsten verkregen,
dal zij niemand dwongen dieper in te dringen, zoo was »onderlinge verdraagzaamheid"
allezins mogelyk, en zou het eenmaal, als de hartstogten bedaard waren, tijd zijn om
eene Synode bijeen te roepen, waarop onder het bestuur en medeoordeel der Staten
van
Holland de gevoelens overeengebragt, of des noods geoordeeld zouden kunnen
worden.

Dit advies waren de Staten (ten minste de meerderheid hunner Vergadering) geneigd
te volgen, en veilig mogten zy de stem van tijdgenoot of nakomeling trotseren, die
hen deswegens van slechtheid of onwijsheid durfde of zou durven beschuldigen.

waarin hij de Remonstraaten een rampzalig gebroedsel noemt, dat, na Arminius dood uitgebroed,
in de wieg versmoord moest worden.
Achter dit boekje was een brief gedrukt van Professor david
paraeus,
lloogleeraar te Heidelberg, en van scultetus, hofprediker aldaar. De eerste noemt daarin
de Remonstranten
ligtgewapende krijgsknechten, die de zuivere leer pogen te verdelgen, en de
ander lieet hen
comedianten, wien het momaangesigt is afgetrokken. Of evenwel de meening bij
nadere kennismaking zoo ongunstig zou zijn gebleven, staat te bezien. Althans
tilenüs omhelsde
later de leer der Remonstranten, deed daarom afstand van zijn Hoogleeraarsambt en schreef in
1622 tegen de Canones van de Dortsche Synode (
uïtenbogaert, bl. 578 , 579). Hoe het zij, in
1612 moesten de Remonstranten het oordeel der buitenlandsche godgeleerden duchten, en
uyten-
BOGAERT in cenen brief, vervat in Cort berecht nopende seeckere Copije enz. {Bibl. v. Pamßett. N«. 999),
zegt te regt, na op die schimpscheuten gezinspeeld te hebben: »Siet doch hoe christelije dese
Heeren hare broeders bejegenen: en dit!zullen (belieft het God) onse Rechters zijn: bij dese uit-i
heemsche Doctoren en scholen salmen om consulte gaen, om onse differenten te termineren;
sullen wij niet wel bewaert zijn?"

ocr page 354

DES VADERLANDS.

Nadat ook de naar hunnen hoofdinhoud medegedeelde adviezen ingeleverd vyaren, de- IGU.
den de Staten de geheele
schriftelijke conferentie drukken, eerst voor hunne medeleden
alleen, maar weldra «werden de exemplaren overal publiek verkocht en kwamen in
handen van alle man i." Hoedanig was de indruk, dien zij maakte? Niet de getuige-
nis van eenigen Remonstrant zal het ons zeggen, maar het boos gerucht, hetwelk van
de zyde der Contraremonstranten werd uitgestrooid, dat de uitgave vervalscht was
Wat toch wil dit uitstrooisel anders zeggen, dan dat de stukken eene den Remonstranten
gunstige meening verwekten, iets, dat men zich niet kon verklaren dan door den uit-
geveren oneerlijkheid in de medcdeeliDg aan te Avryvqn, welk vermoeden echter door
niets bewaarheid, maar genoegzaam beschaamd werd

Eerst door de uitgave der schriftelijke Conferentie kregen de Remonstranten inzage
van de Gonlraremonstrantie, die
tjytenbogaert slechts uit het geheugen beantwoord had.
Thans stelden
uytenbogaert daartegen uit naam der Remonstranten een geschrift, ge^
titeld;
Naerder Bericht ende Openinqe van de Proceduren bij den Kerken-dienaren . Be-

' ncht der Remon-

Remonstranten gehouden in de tegenwoordige Verschillen 4, Avaarin zij geene vlek, stranten.

door de Gonlraremonstrantie hun aangewreven, op zich laten kleven. Aan dit geschrift
werd weldra toegevoegd een
Aanhangsel^ waarin bewezen werd, dat de stellingen, door
de Remonstranten verworpen, door hen geenszins ter kwader trouw zijn voorgedragen,
maar dat zij wel degelijk in de schriften van verscheidene leeraars der Gereformeerde Kerk
voorkwamen Het
Naerder Bericht 6, aan de Staten van Holland opgedragen, werd
door de Gecommitteerde Raden den 22"®" Julij 1612 aan de
Hollandsche Steden toe-
gezonden: De Staten waren, dus luidde de begeleidende missieve, van meening gev^eest
dit geschrift op te houden tot de aanslaande vergadering; maar in het zekere onderrigt
zijnde, dat er «van de andere zijde onbehoorlijkerwijze, ook bij uitschrijving aan ver-
scheidene Kerken gedaan, getracht werd om tegen hunne bevelen, kerkelyke uitspraken
te weeg te brengen," hadden zij goedgevonden het
Naerder Bericht niet langer aan dp
kennisneming der stedelijke Regenten te onthouden

^ üytenbogaebt, bl. 539·

2 Zie den brief van uytenbogaert in het hiervoor aangehaalde Cort herecht. In dezen brief
beklaagt zich
uytenbogaert over »dit gheruchte, daermede 'theele Lant schijnt vervult tewesen.'*

3 Zie het Cort herecht Uier Tindt men mede eenenbriefvan den Secretaris der Staten, a. duvck,
aan festüs noaimus, waardoor alle vermoeden van dien aard wordt afgesneden.

^ Bibl V. Pamfletten, N». 1001,

® Bibl. υ. Pamflett. N". 1002.

® Hoezeer eerst in 1β16 uitgegeven, was het reeds in 1612 gedrukt.
' uytekbogaert, bl. 543, 544,

III Deel. 2 Stuk. 61

481

mm

ocr page 355

36G ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1611, Doch ARMiNius was geslorven en nog hebben wij niet vernomen, wie zijn opvolger

werd. Eene benoeming aan de Hoogeschool te Leiden was eene zaak van het grootste gewigt.
Niet alleen met stoffelijke wapenen hadden de helden gestreden, die de Republiek hadden
gevestigd: zij hadden begrepen, dat de wetenschap, toen in de eerste eeuw harer her-
leving, de wetenschap, wier uitspraken nog niet hadden misleid, eene mogéndheid was,
welke zij op hunne hand konden en moesten hebben. Arbeidden en predikten de edelste
vernuften onder de bescherming der Staten, zoo wonnen zij den Staten vrienden en hun-
ner zaak aanhangers onder de edelsten tot in de vgandelgke landen toe. Zoo was
Leidens
Hoogeschool van hare stichting af een burg geweest, wier bewakers voor de Republiek
en hare hoofden gestreden hadden. En meer in het bijzonder was haar de taak toe-
vertrouwd om de Proteslantsche weienschap, en binnen het gebied van het Protestan-
tisme, nevens de buitenlandsche Gereformeerde Hoogescholen, de leer der Gereformeerde
Kerk te handhaven. Hier moest deze leer in hare kracht en zuiverheid bewaard wor-
den. Het volk, dat de gewapende arm van het Protestantisme was, moest het licht der
Gereformeerde Kerk in zgnen boezem ontstoken houden, anders troffen de slagen niet,
die het toebragt. En nu had
Leidens Hoogeschool door de leer van armiwius reeds
slof tot aanmerkingen, ja tot ergernis gegeven: bij velen had zij het vertrouwen verlo-
ren, en de verminderde toeloop van buitenlandsche studenten was er het gevolg van
geweest. Wat dan nu te doen ? Om eenen man te benoemen, die der leer van
arminius
was toegedaan of anderzins stof tot bedenkingen gaf, daartoe zou bij hen, die op de
keuze invloed uitoefenden, eene zonderlinge mate van vertrouwen noodig zijn geweest
op de waarheid van gevoelens, die het gros der leeraren zoozeer ergerden; en had men
zulk eene keuze kunnen doordrijven, dan zou de rigting, die door de Arminianen
werd voorgestaan, slerker hebben moeten wezen, dan zij werkelijk was.

VoRSTius komt De keuze der Curatoren van de Leidsche Hoogeschool viel op gonradus vorstius.
ds op^olger^ van Deze geleerde, geboortig uit Keulen, had een tijd lang te Genève met toejuiching
atïmimus. openbare lessen in de godgeleerdheid gegeven, en zich zelfs bij beza bemind gemaakt.

Van Genève kwam hij te Heidelberg en van daar te Steinfurt onder het gebied van de
Graven van
Bentheim, Hier bestond toen eene niet onvermaarde Hoogeschool, waaraan
hij als hoogleeraar in de Godgeleerdheid werd aangesteld, terwijl hij tevens de dienst als
predikant aldaar waarnam. In deze betrekking genoot hij wegens zijne geleerdheid groot
vertrouwen, zoo binnen de stad als daar buiten. Nog onlangs had
maurits , Landgraaf van
Hessen^ hem uitgenoodigd eenigen tijd zijne talenten op de Akademie te Marburg te doen
liooren. Gaarne had hij hem bier gehouden; doch de Graven van
Bentheim wilden hem
niet missen. In het begin van het jaar 1610 had hij een boek, door hem tegen den
Jezuit Gardinaal
bellarmikus geschreven, aan de Stalen-Generaal opgedragen, en in deze
opdragt had hij hun geluk gewenscht met het sluiten van het Twaalfjarig Bestand, op eene
wijze, die getuigde, dat hij de rol en den rang, waarop zij aanspraak maakten, begreep.

ocr page 356

DES VADERLANDS. 485

Men bedenke hierbij, dat hij den roem had yan bijzonder zachtzinnig gesterad te zijn ißii·
jegens andersdenkenden; dat hij zelfs bij de Jezuiten, die hy in meer werken, dan in
dat eene, bestreden had, achting genoot; dat hij »van een ieder het getuigenis had van
een zeer vroom godzalig leven," en men zal moeten zeggen, dat
Leiden zich gelukkig
mögt achten, indien het zulk eenen man aan hare Hoogeschool had kunnen verbinden.
Maar hoedanig was zijn gevoelen omtrent de praedestinatie ? Hierop kwam het in dit geval
vooral aan. Ook ten dezen aanzien meende men hem gerust te kunnen beroepen. In zynen
strijd met de Jezuiten had hij zich een voorstander van de leer van
galvinus óp dit stuk ge-
toond , en zoo meende men juist in dit hagchelijke oogenblik eenen godgeleerde als hem
noodig te hebben. Zijne benoeming zou den Contraremonstranten toonen, dat men hen
niet trotseren wilde, en tevens was zijne verdraagzaamheid waarborg genoeg voor de
tegenovergestelde partij. Het is waar, dat wie alles wat
vorstius betrof, uit zulk een
gunstig oogpunt beschouwde, scheen te vergelen, dat hij in groote opspraak gekomen
was wegens de wijze, waarop hy zich dikwijls over socinus had uitgelaten, dien hij wel
bestreden, maar in wien hij toch veel behartigenswaardigs gevonden had. Zoo sterk was
het vermoeden aangaande zyne onregtzinnigheid geweest , dat hij zich in het jaar 1599
ten verzoeke van de Graven van
Bentheim naar Heidelberg begeven had om door er-
kentenis der gegrondheid van de aanmerkingen, die op zijne meeningen gemaakt waren,
de Godgeleerde Faculteit aldaar met zich te verzoenen Aldus had zich dan loch de
Gereformeerde Kerk, vertegenwoordigd door de Heidelberger Godgeleerden, met hem
verzoend. Het is waar, maar het was niet onbekend, dat men hem nagaf, dat nog
in zijne latere schriften de geest van
soginus doorstraalde Doch hiervan en van het
te
Heidelberg gebeurde, uytewbogaert getuigt het wisten de Curatoren der Leidsche
Hoogeschool niets. Eerst hadden zy
uytewbogaert zeiven uitgenoodigd den ledigen
leerstoel te vervullen; doch hij had dit verzoek afgeslagen. Bij deze gelegenheid ge-
vraagd, wat hij van
vorstius dacht, getuigde hij gunstig van hem, bijzonder op
grond van hetgeen hij gehoord had van zijnen Haagschen ambtgenoot
rosaeus, die te
Steinfurt onder vorstius gestudeerd had en thans met hem en zijne zucht tot vrg on-
derzoek op punten, die het fondament niet raakten, zeer was ingenomen ^, terwijl hy
later een zyner heftigste tegenstanders werd. Dit een en ander mag de Curatoren ver-
ontschuldigen , zoo zij geene zwarigheid vonden,
vorstius te beroepen, hoezeer hun van de

^ Zie de acte van verzoening achter: Bekentenisse D. D, Conradi Yorstii, Franeker, 1012
{iiibi V. Pamßctt. JV». 1005).

- Zie de Voorrede voor de hierboven aangehaalde Bekentenisse enz.

^ Kerckel Historie, bl. 547.

^ Zie een brief van nosAEis in 1607 aan vonsTius geschreven bij uïtekbooaert, t, a. pl.

61 *

ocr page 357

4G2 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1611. andere zijde verscheideDe andere geleerden werden aanbevolen. Prins maürits en oldenbar-
wevelt
gaven aan der Curatoren afgevaardigden, waaronder uytenbogaert zelve, brieven
over deze zaak aan de Graven
ysiU Bentheim mede; doch men kon van vorstius niet meer
verkrijgen, dan de verklaring dat hij de beroeping in bedenking nam, en de toezegging, dat hij
in den nazomer eens te
Leiden zou komen om zelf naar de gelegenheid aldaar onderzoek te
doen. Aan deze belofte voldeed hij , door
uïtewbogaert , die in het gevolg van den Prins vóór
Gulik geweest was, op den terugtogt te Wezel af te halen en met hem naar Holland te reizen.

Bezwaren tegen Inlusschen had uYTENBoaAERT reeds vernomen, dat eenige predikanten in Holland zeer tegen

z\jne beroeping.

de benoeming van vorstius ijverden. Te Utrecht gekomen, vernam hij nader, dat de
Heidelbergsche Godgeleerde Faculteit, daartoe aangezocht, aan de Hollandsche predi-
kanten geschreven en op verscheidene plaatsen gewezen had uit
vorstius* verhandeling
- over de natuur van God ten einde hem van ketterij te overtuigen. Dit moest
urtenbogaert bevreemden, daar een Heidelbergsch Godgeleerde, sgultetüs, die zich
mede in het gevolg van den Vorst van
Anhalt in het leger voor Gulik had bevon-
den , hem in een schrijven van den September verklaard had, moeijelijk te kun-
nen denken, dat iemand anders thans zoo zeer als
vorstius in staat zou zgn om de
Leidsche Akademie te versieren. Niettemin begreep hij
vorstius te moeten raden,
liever voor den opkomenden storm te wijken en het beroep af te slaan. Doch
vorstius
verkoos naar Holland door te reizen en zich daar te regtvaardigen. Te Leiden had
hij voor de Curatoren een onderhoud met
gomarus, waarbij hij zich ten aanzien van
de punten, op welke hy verdacht werd, verantwoordde. De Curatoren vonden hierop
geene zwarigheid hem aan den Prins, den Advocaat van den Lande en den Gecommit-
teerden Raden voor te stellen. Na zijn bezoek betuigden deze laatsten, niet alleen dal
zij hem voor ten volle bevoegd hielden om met het hoogleeraarambt te
Leiden bekleed te
worden, waarvan zy hem acte
verleenden maar zy noopten hem ook zeer om dit beroep
aan te nemen. Evenwel deed hij dit nog niet dadelijk. De terugreis naar
Steinfurt nam
hij over
Amsterdam. Hier sprak hij plancius, die vooral tegen hem ijverde en liet
eenen brief drukken aan alle regtzinnige professoren en predikanten der Gereformeerde
Kerk door de geheele Christenheid, waarin hy zich buiten regt bezwaard verklaarde
en zich op eene later door hem te geven regtvaardiging van zijne gevoelens beriep.
Deze zond hij, onder den titel
Exegesis Apologetica, in den aanvang van het jaar

1 Dit werk was eerst in Maart 1610 uitgekomen, en uytenbogaert kende het nog niet, toen hij
vonsTiüS aanbeval. Den brief der Heidelbergers aan de Holl. Godgeleerden yindt men in
BedenC'
kingen
enz. N". 928 van de Bihl. van Pamfletten.

2 Bihl. V. Pamß. 944.

3 Zie over dit onderhoud van vorstius met plamciüs, branixt, Hist. dei' Reform. II, hl. 146, 147.

\

ocr page 358

1611.

DES VADERLANDS. 457

1611, naar Leiden ora aldaar gedrukt te worden. Inlusschen hadden zich de studenten
in de godgeleerdheid den Oclober 1610 bij rekest aan de Staten gewend om de be-
roeping van VORSTIÜS tegen te houden i, en, .wat meer zegt, eenige predikanten hadden
zich deswegens regtstreeks bij de Stalen
Tan Holland aangemeld. Den 10'^'=° December
1610, in dezelfde Tergadering, waarop zij ook hun verlangen aangaande de Alkmaar-
sche zaak en de invoering der vyf artikelen te kennen gaven, verzochten zg, »dat ge-
let mögt worden op de beroeping van
vorstiüs te Leiden^ en dat, alvorens daarmede
voort te gaan, de getuigenis der Gereformeerde hoogescholen van het Christenrijk over
zijn boek
over de natuur van God mögt gehoord worden." Zij die dit verzochten,
hadden, zoo als wy zagen, de Heidelbergsche Faculteit reeds geraadpleegd en wisten,
dat haar oordeel ongunstig zou uitvallen. De Staten namen alstoen op dit verzoek geen
besluit; doch den derzelfde maand besloten zij bij meerderheid van stemmen

de zaak over te laten aan de wisheid der Curatoren der Hoogeschool en der Burge-
meesteren der stad
Leiden 2. Doch. hier kon de zaak niet bg blijven. Den 25"®° April
1611 verzochten de Gedeputeerden van
Amsterdam in de vergadering der Staten, op
bijzonderen last hunner committenten, dat bij besluit der Stalen het werk der beroe-
ping van VORSTIÜS zou geschorst worden. Dit voorstel werd ondersteund door de Gede-
puteerden van
Enkhuizen en van Dordrecht ^ welke laatsten reeds den 17''®° Maart het-
zelfde hadden geopperd en alsnu werd door de Staten besloten, de Curatoren der
Hoogeschool en de Burgemeesters der stad
Leiden in de vergadering te bescheiden om
van hen te vernemen, hoe het met de zaak der beroeping stond. Deze Heeren, hierop
binnen gelalen, verklaarden, dat voRsxms juist uit
Steinfurt was aangekomen en dien-
zelfden morgen de beroeping had aangenomen, en verhaalden voorts, hoe zij in deze
zaak met meer behoedzaamheid en voorzigtigheid te werk waren gegaan, dan ooit te
voren. Evenwel protesteerden de Gedeputeerden van
Dordrecht tegen de gedane benoe-
ming en verzochten, dat hun acte van dit hun protest geleverd werd. Ten einde eenen
opspraakmakenden slap van hunne zijde te verhoeden, werd met volkomen bewilliging
der Curatoren en Burgemeesteren van
Leiden besloten, vorstius in de vergadering Ie
ontbieden en hem in tegenwoordigheid van de twaalf in Conferentie vereenigde predi-

" Bibl. V. Pamflett. N". 944. Dat de Curatoren en Burgemeesters van Leiden deze handeling
der studenten zeer afkeurden, blijkt hieruit, dat zij twee studenten, die door de stadsregering
onderhouden werden, dit hun onderhoud onttrokken, omdat zij niet bekennen wilden dat zij kwa-
lijk gehandeld hadden met 'het
rekest tegen vorstiüs te onderteekenen. Zie Voorrede voor dit
Rekest {Pamflett. N». 944).

2 Resol. V. Holt. 1610, bl. 217 en 238.

3 Resol. V. Holl. 1611, bl. 297.

ocr page 359

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1611. kanten te hooien op hetgeen hem te laste werd gelegd. Werd hij van onregtzinnigheid
overtuigd, zoo waren de Curatoren bereid de beroeping in te trekken i. Den 27"®"

YoKSTius voor

ae Vergadering April Terscheen voRSTius en hield in tegenwoordigheid der gezegde predikanten eene

1ιΓογ(1. ^^ lange Terdedigingsrede. Hierop werd den predikanten afgevraagd, wat zij tegen hera
hadden,
plawgius met de zijnen begeerde tijd ter beantwoording tot morgen-, doch
Termits
olbenbarrevelt toen aan de koorts leed en »het morgen des Heeren Advo-
kaats kwade dag" was, zoo werd hun tot »overmorgen" tijd gelaten.
Uyteneogaert
met de Remonstrantsche predikanten verklaarde dadelijk, niets met al legen vorstitjs te
hebben. Vier zittingen, den 29"°° en 50'"=° April en den en Mei, werden ge-
wijd aan het hooren der bezwaren van
plawgius en de verdediging van vorstius. Op
de laatste dezer vier zittingen kon men »nog niet lot de eindelijke verhooring gera-
ken, maar werd zij uitgesteld tot op morgen, vermits de Heer Advokaal dezen dag
nog de koorlse subject was" 2. Den Mei verklaarden de Curatoren en de predikanten
ter weerszode, de vraag of het voor de dienst des Lands, voor de Kerk en de Universi-
teit te
Leiden geraden was yorstius lol hoogleeraar der godgeleerdheid Ie beroepen, aan
hel oordeel der Staten te onderwerpen.
Vorsttos zelf zeide zich mede naar hunne uit-
spraak te zullen gedragen. Den Mei, eindelijk, werden eerst binnengeroepen de zes
Conlraremonstrantschc en daarna de zes Remonstrantsche predikanten afzonderlijk, om » met
aflegging van allen hartstogt en partijschap den Staten in de zaak van de beroeping van
VORSTIUS te willen dienen van een opregt en gemoedelijk advies wal er len gemeenen beste
van Kerk en Land zou behooren gedaan te worden." De Contraremonstranten gaven in ge-
schrifte hun advies, behelzende dat zij bij hun gevoelen volhardden en
vorstius niet beroepen
behoorde te worden; de Remonstranten, daarentegen, verklaarden mondehng, dat er niets met
grond tegen
vorstius was ingebragt en zy bygevolg de beroeping voor Land, Kerk en Univer-
siteit dienstig achtten Κ Hierop vonden de Edelen en hel meerendeel der Steden goed, dat

l

1 Resol. V. Holl. 1611, bl. 249, 345, 346.

- Om zijne gezondheid te herstellen, zoo het schijnt, vertoefde de Advokaat daarna een tijd
lang te
Amersfoort: maar zelfs hier was hij niet vrij van staatszorgen. Zoo kwamen, onder ande-
ren, de Ambassadeurs, die naar
Denemarken en Zweden stonden te vertrekken (zie hiervoor,
bl. 399), nadere instructies ^an hem vragen
[Resol v. Holl. 1611, bl. 397). Op 18 Julij 1611
vinden wij in de
Resol. v. Holl, aangeteckend: »Huiden soo is den Heere Advocaat Oldenbarnevelt
Avcederom alhier ter Yergaderinge verschenen, gekoomen van sijne reise van Amersfoort, in taa-
melijke dispositie. God zij lof, die het hem lang continüeere tot 's Lands beste en welvaaren."

3 Gaarne hadden de Remonstranten hun advies teruggehouden, want, zeiden zij, alles wat zij
deden en zeiden, werd misduid. JViettemin zouden zij het advies geven, Gode de zaak bevelende.
Toen
uytenbogaeut zoo sprak, viel hem oldenbarnevelt in de rede met het woord: bene faccre
et non metuere! [weldoen en niet vreezen!)
uiterbogaert, bl. 553.

ocr page 360

DES VADERLANDS.

de beroeping voortgang zou hebben. Wel was het overtuigend gebleken, dat vorstiüs icii.
meeningen bedenkelijk waren, en dat hij het met de Arminianen houden eou; löiar dit
was immers juist de toeleg, dat de beide partijen, zoo aan de Universiteit als in de
Kerk, tegen elkander opwegen zouden. Hoe het zij, de Gedeputeerden van de steden
Dordrecht, Amsterdam, Schiedam, Hoorn, Enkhuizen, Edam en Purmerende waren
van gevoelen, dat naardien
torstiüs zich in het algemeen eensdenkend verklaard had
met de »vijf artikelen der Remonstranten, zijne zaak behoorde uitgesteld te worden,
loldat er ten aanzien dezer vijf artikelen eene beslissing gevallen zou zyn. Wel wer-
den deze sleden verzocht zich naar de meerderheid te willen voegen; maar aangezien
de Gedeputeerden van
Brielle deswegens nog eerst aan hunne Principalen rapport
wenschlen te doen, werd het eindbesluit tot de volgende bgeenkomst uitgesteld

Na de Conferentie reisde vorstius weder naar Steinfurt, met het voornemen om
spoedig te
Leiden terug te komen. Doch voor hij dit plan ten uitvoer bragt,
werd in
Holland het gerucht verbreid, dat hij drukke briefwisseling hield met de So-NJeuwcbezwaren
cinianen in Polen. Dit bewoog ijytenboga.ert , den 24"®° Junij (1611) aan vorstiu8 pjfg"
een ernstigen brief te schrijven waarin hij hem verklaarde, dat de Curatoren geenen
Oslorodiaan maar een regt Christelijken professor verwachtten. Ten overvloede werd
uytewbogaert met den Heer zeyst. Pensionaris van Leiden en secretaris der Curatoren,
van wege deze Heeren, nogmaals naar
vorstius gezonden. Hij was doordrongen van

1 Resol V. Holl. 1611, bl. 351, 359, 360, 364, 369, vergel. met 250. üet advies der zes
Contraremonstrantsche leeraren vindt men gedrukt achter
Bedenchingen over de beroepinghe D.
D. Conr, Yorstii hij ecnighe dienaren des G. Woorts
(aan de Staten v. Uoll. overgeleverd den
29sten April 1611), in de
Bibl. v. Pamßett. Ν». 928; voorts bij sAUDAEnr, bl. 40—50, cn xni-
gland, bl. 581—588. Het advies der zes Remonstrantsche leeraren vindt men bij uïtekbogAeht ,
bl. 552—556, zoo als het door hem geïmproviseerd is. In dit geïmproviseerde advies geven zekere
woorden op het einde stof tot nadenken. Daar zegt de spreker van vonsnus: » doch hij is mede een mensch,
gelijk gisteren iets is gepasseerd, hetwelk wij nogtans niet behoeven te excuseren, dewijl de Hee-
ren weten de oorzaken." Bij
tbiglakd vindt men deswegens niets naders. Zeker is het, dat er
hatelijke geruchten liepen omtrent hetgeen er in de Vergadering der Staten van
Holland met
VORSTIUS was voorgevallen: want in de zitting van den 11·^=° Mei wordt aan Mr. orup zijn trakte-
ment als schrijver van het Noord-llollandsche Gouvernement opgezegd, wegens een schrijven van
hem over dat gebeurde aan het Collegie te
Hoorn; cn in dezelfde vergadering wordt streng on-
derzoek bevolen naar een brief over hetzelfde onderwerp, die in
Gorinchem aan de Regering onder
de oogen was gebragt (zie
Resol, υ. Holl. 1611, bl. 369 en 370).

2 Later door de Curatoren ter hunner en uytekbogaehts rcgtvaardiging uitgegeven.

^ Dat is een navolger van ostorodt, een Sociniaan, die met wahvodius ten jarc 1598 bij arrest
vau dc Staten-Gcncraal ten eeuwigen dage uit de Provinciën gebannen was (
uaudaert, 1, bl. 3).

487

ocr page 361

488 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1611. de oyerluiging, dat de beroepen hoogleeraar zich te verontschuldigen zou hebben op
die drie punten, waarin de Socinianen voornamelijk van de regtzinnige leer afwijken;
vermögt hij dit niet, dan zou de beroeping geen voortgang kunnen hebben; maar kon
hy zich genoegzaam regtvaardigen, dan moest men allen tegenstand het hoofd bieden,
want gaf men in deze zaak toe, dan zou de stoutheid der geloofsregters ten top stijgen,
en welhaast zouden de Arminianen aan de beurt liggen i. Te
Deventer had het mond-
gesprek met VORSTIÜS plaats, en hij legde eene schriftelijke verklaring af, dat hij de drie-
eenheid , de godheid van
jezus ghristus en zijne genoegdoening voor de zonden geloofde.
Reeds waren
uytekbogaert en zeyst op de terugreis, toen hun een bode uit Leiden
met een pakket vol bezwaren tegen vorstius te gemoet kwam. Het bevatte eenen brief
van de Staten van
Vriesland aan de Gecommitteerde Raden van Holland, 'met daarbij
behoorende bewijsstukken. In dien brief gaven de Staten van dat gewest berigt, dat
zy de uitgevers van zeker boekje, te
Franeker gedrukt en getiteld: de officio hominis
Chrisiiani,
«vol vreemde, ongehoorde en goddelooze opinien,» op het spoor gekomen
waren. Deze uitgevers nu waren gebleken leerlingen van
vorstius te zgn, en van hen
waren tevens zeer bedenkelijke brieven ontdekt geworden, waaruit bleek dat zij met
Dantzigsche Socinianen in verband stonden 2. Ook hierop had
vorstius zich te verant-
woorden. Vermögt hij het niet, zoo waren de Curatoren besloten zijne beroeping in te
trekken Evenwel hij verantwoordde zich ook nu ten genoegen der beide gemagligden en
der Curatoren zeiven. Zoo scheen er dan geen bezwaar te bestaan om hem te
Leiden te
ontvangen. Werkelijk kwam hij daar, in de maand September, met vrouw en kinderen
aan. Doch er was inmiddels zulk een hevig onweder tegen hem losgebroken, dat er
voor hem niet aan te denken viel zyne bediening werkelijk te aanvaarden. Niet alleen
kwamen de Staten van
Vriesland en die van Zeeland ^ alsmede de stad Dordrecht bij
opzettelijke deputatie ^ tegen de beroeping op; maar ook het Buitenland bemoeide zich
met deze zaak. De Synode der Kerken van
Gulih, Kleef en Berg, als wilden zij de
moedige daden der Nederlanders met goeden raad betalen, wendde zich in September
waarschuwend tot de Staten-Generaal ^^ en de Koning van
Engeland rigtte door zijnen
Ambassadeur,
Rudolph wirwood, verloog op vertoog aan de Staten van Holland. Het
schrijven van de Staten van
Zeeland werd op eene vertrouwelijke wijze beantwoord.

ï Zie UTTEKBoGAEiiTS brief aan zeyst, bij üttenbogaert, bl. 560.

2 Waerschouwinghe aen alle gherefomi. Kercken — bij consent van de Gedep. Stat. v. Ytiesl^
tiytghegheven {Bihl. v. Pamß.
Ν". 929).

^ Resol. ν. Holl. 1611, hl 258. ,

^ Resol. V. Holl 16 Aug. 1611 (bl. 422).

δ UTTESBOOÄERT, bl, 561.

.r^l·"·

1

ocr page 362

DES VADERLANDS. 489

De Leden, namelyk, der Hollandsche Stalen, die van wege hun Edelmogenden als doopgetui-
gen van een kleinzoon van den Heer
de malderée naar Middelburg vertrokken > kregen
levens in last de Slaten van
Zeeland gerust te stellen met de verklaring, dat men in Hol-
land
de zuiverheid der Religie niet minder behartigde, dan zij deden De Stalen van
Vriesland VxQg^n een uitvoerig schrijven tot antwoord, waarin hun berigt werd, dat men
VORSTIUS gelasten zou den ΙΟ*"®" November eerstkomende voor de Vergadering te ver-
schijnen ten einde zich te verdedigen legen de brieven en gedrukte stukken, door hen
tegen hem ingebragt. Voorts noodigde men hen tegen dien dag al heigeen verder ter zake
dienende ter hunner kennis gekomen was, in te leveren, of iemand van hunneutwege
over te zenden. Aan dit verzoek werd voldaan, en de afgevaardigde was bij magte
weder een nieuw geschrift legen
yorstius over te leveren. Eene Waerschouwinghe aen alle
ghereformeerde Kerken
van wege de Predikanten van Leeuwarden^ met consent van de Stalen
van
Vriesland uitgegeven was door yorstius beantwoord; maar op deze beantwoor-
ding waren de Leeuwardsche leeraars hun wederwoord niet schuldig gebleven, zij wa-
ren met eene
Naeder Waerschouwinghe 3 voor den dag gekomen. Met dit werk in
handen verscheen den November de Heer
kempe donia, Gedeputeerde van Vries-
land
in de Slaten Generaal,, ter vergadering der Staten van Holland^ om hun nogmaals
de handhaving der ware Christelijke Gereformeerde Religie aan te bevelen. Hij vertrok
met de verklaring, hem van wege de Staten gegeven, dat zg over het belang der Gods-
dienst met de Staten van
Vriesland eenstemmig dachten. Tot eene beslissing in de zaak
van YORSTIUS kon het ook ditmaal in de vergadering der Staten niet komen: de Leden
werden het niet eens. Men zou hem op de volgende dagvaart hooren Κ En geen
wonder, dat zij, die de beroeping wilden doordrijven, op onoverkomelijke bezwaren bij
een aanzienlijk deel der Vergadering stuitten. Het had maar al te zeer den schijn, dat
YORSTIUS zyne betrekking te
Leiden^ zoo hy kans zag, zou misbruiken om Sociniaanschc
gevoelens in te voeren. Bovendien wat er van wege den Koning van
Engeland geschiedde,

IGll-

was wel geschikt om indruk te maken. Aan dezen Vorst waren, terwijl hy op het eind Engeland

De Küiiing:
Engeland
bemoeit zich met

der maand Augustus 1611 op de jagt was, de verhandeling van yorstius over de «a-^e zaak.
tuur van God en zijne Exegesis apologetica in handen gekomen. Na ze slechts even in-
gezien te hebben, gevoelde hij zich van diepen afschuw aangegrepen, en meenende
het te moeten opnemen voor de eer van God, die hem immers de dienst bewezen had
van hem Koning te maken, liet hij geen uur verloopen en schreef aan zijnen Ambas-

' Resol. V. Holl. 1611, bl. 502.
^ Hiervoor aangehaald, bl. 488.
3 Zie
Bihl V. Pamflelt. JV». 933, 943 en 945.
^ Resol. V. Holl. 1611, bl. 489, 490, 494.
III Deel. 2 Stuk,

C2

ocr page 363

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

iGil. sadeur te 's Hage, dat hij zich ten «poedigsle tot de Staten-Generaal te wenden had
om hen in zijnen naam, als verdediger des geloofs, te waarschuwen tegen de beroeping
Tan
vorstius, wiens boek zoo τοί godloocheningen en gruwelyke lasteringen was, dat niet
alleen dit boek verdiende verbrand te worden, maar de auteur zelve eene zeer strenge
straf waardig was. Hg had, wel is waar, zyne gevoelens herroepen, maar deswegens
scheen hij hem slechts te strafbaarder en te minder waard met eene eervolle bediening
bekleed te worden, die ook reeds genoeg geschandvlekt was geworden door
arminius , een
ketter van geen beter slag, dan hij. Tegen dezen
arminiüs had hij de Staten reeds
een jaar geleden door hunne Ambassadeurs, toen te
Londen^ gewaarschuwd en be-
kreunden zij zich thans niet om zijn vertoog, zoo zou hij een manifest wereldkundig
maken, waaruit blyken zou met hoeveel haat hij die ketterijen, en al degenen, die ze
toegedaan waren en ze duldden, verfoeide. De Ambassadeur kweet zich, den 21®'"° Sep-
Derstaten ant-tember, van zijnen last, en den October 1611 gaven de Staten-Generaal het vol-

' gende antwoord: Daar van de onbeschrijfelijk zware oorlog, met zooveel standvastigheid

in voor- en tegenspoed door hen gevoerd, Spanjes gewetensdwang de voornaamste oor-
zaak was geweest, zoo betuigden zy hunnen dank aan zyne Majesteit, die zich de
zaak der Godsdienst, waarvoor zy gestreden hadden, bleef aantrekken. Zy zouden die
zaak in de Kerk en op de School zoo behartigen, dat Zijne Majesteit er tevreden over
zou wezen. Hierna treden de Staten in een verhaal van alles, wat er in de zaak van
vorstius gedaan was, en dat hij op nieuw gehoord zou worden; wanneer het blyken
mögt, dat hij in een der hem te laste gelegde punten schuldig was, zoo zou hij
tot de betrekking van Hoogleeraar te
Leiden niet toegelaten worden, want noch de
Staten van
Holland^ noch de Curatoren en Burgemeesters van Leiden zouden dulden,

dat er eene andere dan de Christelijke Gereformeerde op Gods woord gegronde gods-

*

dienst aan de Universiteit geleerd werd. — Maar intusschen werden andere werken van
vorstius en een boek van bertius, welks titel zoo als de Koning zeide, het alleen

^ Hier herinnerde Zijne Majesteit zich niet juist wat er tusschen hem en de Nederlandsche
Gezanten op dit punt verhandeld was. In hun Rapport leest men: »Vraechde mede, offer bij
ons eenich geschil was van de religie ende in wat poincten, waerop de gelegentheyt verstaende,
ende datter verschil was int point van de praedestinatie ende t'geene daervan dependeerde, ver-
claerde Zijne Mat,, dat hij dat stuck soe wel als yemant anders geexamineert ende bevonden
hadde, dat men daerinne nyet altijt van een gevoelen hadde geweest, dat hij wel wilde wedden,
dat zijn opinie de beste was, maer nyet soe dier, dat hij sijn salicheyt daer aen wilde hangen,
dat d' Heeren Staten wel souden doen, ende de doctoren ende leeraers gebieden van die materie
te swijgen, dat Zijne Mat. selffs het stuck van de justificatie in zijne geschriften qualijck hadde
derven aenroeren, en dat t'selve oock scheen aen de praedestinatie te hangen."

2 Hymenaeus desertor sive de Sanetonm apostasia prohlemala duo. De uitgave van dit boek werd

ocr page 364

DES VADERLANDS. i559

reeds waardig niaakle ten vure gedoemd te worden, in Engeland bekend. In eenen iGii.
brief, ten geleide van zijn werk, aan den Aartsbisschop van Canierhunj geschreven,
toonde
bertius aan, dat zijne leer met die van de Engelsche Kerk overeen-
kwam Dit was te veel, de Koning liet de boeken van
vorstius op hel kerkhof
van
St.-Paul's te Londen en in de twee Universiteitssteden van zyn Rijk in het open-
baar verbranden, en den November overhandigde zijn Ambassadeur een brief, ge-
Tweede vertoog
dagteekend den 6·^«" October, aan de Staten, waarin hij verklaart, zich niet genoeg Ie»»u
kunnen verwonderen, dat zy niet alleen zulk een groole pest als die ellendige
yorstius
ingehaald, maar hem ook vergund hadden zijne Apologie aan hen op te dragen. Zij
hadden reeds genoeg gewaarschuwd moeten zijn door het kwade zaad, dat die vijand
Gods,
arminius, eenige jaren geleden onder hen gestrooid had, en waaruit, zoo men
er niet in voorzag, hun geheele ondergang zou voortspruiten, Alzoo, na zich ook over
bertius en zijn boek beklaagd te hebben, verzoekt hij de Staten bij tijds die ketterijen
en geschillen uit te delgen, welke hun den vloek Gods en schande bij alle Gerefor-
meerde Kerken op den hals balen en het bederf der jongelingschap van eene zoo be-
roemde Akademie, als die van
Leiden, veroorzaken zouden. Geene verontschuldigin-
gen van VORSTIUS moesten hen beletten eenen ketter te verbranden, die zulks meer dan
ooit eenig ander verdiend had, hetgeen hy dan ook vertrouwde dat zij christelijk en
wijs genoeg zouden zijn te doen. Beantwoordden de Staten niet aan hetgeen hij van
hen verwachtte, zoo zou hij zich genoodzaakt zien, zich niet alleen af te scheiden
van zulke valsche en kettersche Kerken, maar ook al de andere Gereformeerde Kerken
aan te sporen om gemeenschappelyk op de uitroeijing van zulke verfoeijelijke ketterijen
bedacht te zijn. Hij voor zich zou de Engelsche jongelingschap verbieden eene zoo ver-
peste plaats, als de Leidsche Universiteit, te bezoeken.— Deze brief ging gepaard van
een bijzonder schrijven aan den Ambassadeur, waarin de Koning dezen gelast, de Stalen
bovendien nog mondeling te verzoeken, niet alleen dat monster van Godslastering uit hunne
Provinciën te verjagen, maar ook een reglement uit te vaardigen, dat strekken moest om
zoo te
Leiden als elders in hun Gebied die vrijheid van redetwisten over onnutte vraagstukken,
door YORSTIUS vrijheid van profeteren genoemd, te beletten. Vermogten zijne vertoogen niets,
zoo moest de Ambassadeur den Slaten van zijnentwege verzekeren, dat hij binnen kort
hunnen afval van het geloof en van de ware Kerk aan de wereld zou verkondigen. —

ook door de Staten afgekeurd. In de Resol. v. Holl. 1611, 19 Julij, lezen wij: »p. behtiüs is op
sijnen Tcrzoeke toegevoegt 210 ponden, over de onkosten van seeker Boeksken bij hem in druk
gebragt
de Aposlasia Sanclorum, mits hij de Exemplaaren sal moeten intrekken en onder hem
behouden sonder die te divulgeeren dan met nader ordre van de Heeren Staaten of deesen Collegie
(de Gecommitteerde Raden)."

^ Zie deswegens bbardt, Ilist. d. Ref. II, hl. 166.

62»

ocr page 365

492 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1611. Uit zulke woorden bleek het, dat jakob I vooroemens was, zich als Prolestantschen
Paus te laten gelden en door de Gereformeerde Kerk den banvloek tegen de Nederlan-
ders te laten uitspreken. Niet zonder grond hadden de Staten hem reeds met uilToe-
righeid herinnerd, dat zij goed en bloed hadden veil gehad om hel juk van den Room-
schen Paus af te schudden.

Toen de Koning dat schreef, wist hij nog niet, dat yorstius zich reeds met vrouw en
kinderen te
Leiden bevond. Vernam hij het, zoo bestond er alle reden om te vreezen,
dat hij het hoog zou opnemen. Ook het antwoord, hetwelk eerst zes weken later door
de Staten-Generaal op 's Konings brief gegeven werd, had weinig kans hem tevreden
Ie stellen. Het hield in, dat
yorstius , volgens order der Curatoren Tan de Leidsche Aka-
demie, voorloopig niet lot de openbare bediening van zijn ambt werd töegelalen, en
slechts als gewoon ingezetene in de stad gevestigd was; dat hij zich vóór of op de aan-
slaande dagvaart van de Staten van
Holland (in Februarij eerstkomende) zou moeten
zuiveren van de op hem gelegde blaam; eindelijk, dat voor het oogenblik in deze zaak,,
indien men zich het ongenoegen der voornaamsle sleden niet op den hals wilde laden,
niet meer kon gedaan worden.
Winwood had grond om Ie duchten, dat zijn Meester
dit antwoord koel en dubbelzinnig zou vinden. Hy meende het met eene weigering
Tan
's Konings verzoek gelijk te moeten stellen, en ging dus over om Ie doen wat
hem, ingeval Tan weigering, bevolen was. Hij verscheen den 19'^''° December in de volle
Nieuw beklag Tergadering der Slaten-Generaal en klaagde, dat men door vorstiüs te Leiden in te halen
sdie/Gezfntgeß'i minsten eerbied aan zijne Majesteit betoond had; het antwoord, hem op
's Konings brief gegeven, noemde hij onduidelijk, dubbelzinnig en gansch onpassend
(imperiinenl), en hy begreep er uit, dat men yorstius te Leiden in hel verborgene
zou laten uitriglen, wat hij zich misschien zou geschaamd hebben in het openbaar te
doen. Om deze redenen protesteerde hij in naam zijns Meesters legen het ongelyk en
de ergernis der Gereformeerde Godsdienst door de ontvangst van
yorstius Ie Leiden
aangedaan en legen de verkrachting Tan het bondgenootschap met Zyne Majesteit, het-
welk, op de handhaving der Gereformeerde Godsdienst gegrond, door hunne hande-
lingen in deze zaak, voor zoo veel het van hen afhing, gansch en al geschonden was.
Die onwaardige bejegening van de Kerk Gods erï van zijnen persoon, boven wiens
vriendschap ên bondgenootschap men de tegenwoordigheid van
yorstius gekozen had,
moesl den Koning grieven, en zoo men hem niet, en dat wel ten spoedigste, voldoening
gaf (hetgeen niet anders dan door de wegzending van
yorstius kon geschieden), zou zijn
Meester door de manifesten, die hij zou uilgeven, aan de wereld doen blijken, met
welk eenen haat hij de godloocheningen en ketterijen van
yorstius verfoeide en al
degenen, die ze verdedigden, aanmoedigden en aankweekten

Zie Bêdaration du Roy de la Grand' Brelaigne sur ses actions devers les Estats Gén. des

\

ocr page 366

UJi-!n."ii-ii» II HIJI·. --..II ..JiiJLa..

DES VADERLANDS. 495

Kort was het antwoord op deze taal: was de Koning, dus spraken de Stalen, nog leil.
nfet Toldaau met hetgeen in de zaak van
yorstiüs geschied was, zoo twijfelden zij
niet, of bij hunne eerstvolgende vergadering (in February) zou hg ten volle bevredigd
worden. Dit was zooveel gezegd, als dat zij in weerwil van 'sKonings dreigenden
eisch geen meerderen spoed zouden maken, en aan de zaak den loop zouden laten,
dien zij daaraan, onafhankelyk van den Koning, gegeven hadden. Toch scheen de
Koning hierbij te willen berusten. In een stuk, later van hem uitgegaan zegt
hij: »En wat de Heeren Staten betreft (naardien wij
liberavimus animam nostram)
wij verlaten ons op hunne wijsheid in de behandeling van deze zaak. Wij zijn er zoo
verre af hun hierin eenig bevel voor te schryven, dat wij er zelfs vrede mede hebben
zoo van onze tusschenkomst geene melding gemaakt worde in hunne aden en regis-
ters
s." Inderdaad wie van de Nederlandsche Staatslieden jagob I eenigzins van meer nabij
kenden, zullen zich niet te zeer over zijne felle bedreigingen verontrust hebben. Zij
zullen geweten hebben, dat eenige voldoening, gegund aan zyne zucht om voor een groot
geleerde en auteur door te gaan, in slaat was om hem allen lust tot handelen, zoo hy dien
ooit gehad had, te doen verliezen. Niettemin, die heftige verloogen hadden hier te lande
grooten invloed. Daar de Koning
arminiüs en zijne leerlingen en aanhangers met yor-
stiüs
in hetzelfde doemvonnis begrepen had, zoo scheen hij het vermoeden der gruwe-
lykste kelleryen, tegen hen gekoesterd, te wettigen. In plaats van zich echter schuw terug te
trekken, namen zij den gemeenschappelijken strijd tegen gewetensdwang aan en welspre-
kender tolk hadden zg niet kunnen bekomen, dan
vorstiüs zeiven. Nadat hg zijne voorloopige
verantwoording ^ van eenen brief aan de Staten van
Holland en Curatoren en Burgemeesters

Pais-bas touchant Ie faict de c. yorstiüs, Londr. 1612 {Bibl. v. Pamfl. 1006). Dit geschrift,
waarin de tot dusverre vermelde diplomatieke stukken vervat zija, is door den Koning geschreven
om zich te regtvaardigen, dat hij zich toet zulk eene zaak
in aliena rep. (in eens anders land)
bemoeide. Voorts treedt hij op het einde van dit werk op zijne, d. i. hoogst smakclooze, wijze
in eene wederlegging van VORSTIÜS'
Ckrisliam ei modesta responsio en van de Voorrede zijner
Theses theolog.

* De aangeh. Ddclaration, p. 69.

2 Dat is: wij hebben ons ontlast van hetgeen ons op het hart lag.

3 Niettemin zijn al de Vertoogen van ΛVJNwooD in de Acten en Resol. der Stat.-Gen, opgenomen.

^ Zij deden ook hun best om de smet, door jakob I, arminios aangewreven, niet op hem te

laten rusten, en namen in hun advies omtrent de beste middelen om de kerkelijke geschillen hij
te leggen (zie hiervoor hladz. 480) de gelegenheid waar om de Staten vergunning te vragen,
hunnen vereerden voorganger en zich zeiven schriftelijk bij den Koning te verantwoorden, ten
einde »den voornoemden niet vijand, maar vriend Gods
abminiüs zal. ged. en zich zeiven van
zoodanigen zwaren en geen Christenmensch verdragelijken laster voor al de wereld te bevrijden."
(Zie
uytenbogaert, bl. 566).

® 0. voRSTii Voorlooper van eene volcomene antwoort, Leiden 1611 {Bibl. van Pamßett. Ν". 947).

ocr page 367

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1611. van Leiden hdA doen Yoorafgaan, waarin hij zich verklaart over de beschuldigingen, aan
welke hij ten doel stond, verscheen er weldra een andere brief van hem, geplaatst voor
zyn antwoord op de artikelen, ter zijner bezwaring door
jagob I met zijne vertoogen aan de
sTiusiarSa-overgezonden In dezen brief, gedagteekend den 15'^®" December,
vangt hij aan met eene onderdanige hulde aan 's Konings bedoeling en verdiensten vooral
als auteur, maar van het oordeel der Schrift, dat alle menschen logenachtig zijn, ja
ijdeler dan de ijdelheid zelve, sluit hij den Koning niet uit. Tot het vellen van een
oordeel in godsdienstverschillen was groote wysheid en onderrigting vannoode, weshalve
de Heilige Geest niet te vergeefs sprak: »En nu, gij koningen, handelt wijselijk, en
laat u onderrigten, gij regters der aarde." De daartoe noodige voorzigtigheid en kennis
wordt in geen sterfelijk mensch hier in dit leven volmaakt gevonden, en velen te za-
men waren in dit stuk niet altijd rijker dan één alleen. Zoo mögt hij dan den Koning,
die van zyn zaak (zijns oordeels) nog niet volkomen onderrigt was, met alle ootmoe-
digheid beter inlichten. Vond de Koning, die zou moeten erkennen, dat hij van alle
wezenlijke ketterij vrij was, niettemin eenige geringe dwalingen in zijne redenering, zoo
verzocht hij, hem toch daarom niet te hard te willen vallen, aangezien dit de gemeene
zwakheid was van alle menschen. Hij zou zijner Majesteit dankbaar zijn, zoo zij hem
door een harer Bisschoppen of Godgeleerden liet teregtwijzen, en niet de minste hard-
nekkigheid zou hy betoonen, om zijne dwaling slaande te houden. Meer kon de Ko-
ning van hem niet begeeren, meer mögt hij in billijkheid niet van hem eischen; im-
mers was het 's Konings bedoeling niet over eens anders geweten (wat zelfs de Apostelen
zich niet hadden aangematigd) hetzij regtstreeks hetzij door anderen op eenigerlei wijze te
heerschen of ons geloof aan eenig menschelijk gezag te binden. Na aldus het geweten in
zgne vrijheid tegenover vorstelijke of kerkelijke uitspraken gehandhaafd te hebben, wendt hij
zich tot de Staten-Generaal. In hunne bescherming stelde hij zich, nu hij, Gods beroep
volgende, met zijn geheele huisgezin zijne woonplaats gevestigd had in eene stad, die
hunne jurisdictie als op deze aarde de hoogste erkende; hun droeg hij de geregligheid
' zijner zaak, waarvan hij zich tot nog toe in zijne conscienlie voor God verzekerd hield,
ootmoedig op; hunne tusschenkomst bij den verbolgen Koning riep hij in, de gunst en het
aanzien kennende, waarin zij bg dien Koning stonden. »Ik verzoek hier anders niet
(dus gaat hij voort). Grootmogende Heeren, dan wat volkomen met alle natuurlijk,
goddelijk en menschelijk regt overeenkomt, en lot nog toe in alle welgestelde, bijzonder
Christelijke en uit Gods woord gereformeerde en dan nog regt vrije Republieken (hoe-
danig door Gods genade deze uwe is) als een heilige, vaste en onbewegelijke wet is
aangenomen. Laat toch niet toe, Grootmogende Heeren, dat uw doorluchtige naam
met deze smet zou beklad worden, dat men u zou nazeggen, dat gij eenen van uwe

len.

Deze brief is afzonderlijk in het Nederl, vertaald uitgekomen, zie Bibl, v. Pamfl., N". 1003·

ocr page 368

DES VADERLANDS. U05'

onderdanen (die lot nog toe een niet zoo geheel verwerpelijk dienaar der Kerk en , 1611.
hoogleeraar van de Akademie geweest en van de wettige Overheid om geigk ambt
alhier ter plaatse te bedienen bg wettige wegen en middelen herwaarts geroepen is), dat
Uwe Hoograogenden (zeg ik) eenen zoodanigen uwen onderzaat, die tevreden is in een
wettig oordeel voet bij stek te zei ten, ongehoord en onverdedigd, of zeiven veroordeeld
zouden hebben of toegelaten van anderen veroordeeld Ie worden. Het zg verre, dat zoo
iets bij de nakomelingen van Uwe H. M. zou verleid worden. Uwe H. M. hebben nu
zoo vele jaren voor de gemeene Vaderlandsehe en der conscientie vrijheid legen den
Koning, die wel de magtigste in
Europa heelen mögt, gestreden en deswegens zeer
zware en gevaarlgke oorlogen gevoerd. Laat dan loch niet loe, dat deze vrijheid, die
zoo kostelyk is, jammerlgk nu in mg alleen zou worden onderdrukt, die uwe voorza-
len zoo roemrijk met hun bloed verworven; die Uwe H. M. tot nog toe met zoo uiter-
mate groole kosten, zweet, arbeid en ongeloofelijke zorg en moeite voor alle uwe
burgeren en onderzaten ongeschonden bewaard, en zoo menigmaal zij van nieuws, 't
zij door openbaar geweld, 't zij door heimelgke praktgken, is aangevochten geweest,
zoo menigmaal ook wijselgk en mannelgk wederom gehandhaafd en vast gemaakt heb-
ben, Ook behooren die schrikkelgke beschuldigingen, met welke sommige zelolen en
vurige broeders mg zoo goed als naar het leven staan, Uwe H. M. noch te zeer te er-
geren noch van het betrachten uws ambts in het minste terug te houden." Met zulke
koninklgke woorden beantwoordde
vorstius den Koning, die tegen hem de taal gevoerd
had van een dier »schooldoctorenmet welke hg Ie doen had. Hoe moeten de Over-
heden, tot wie hg het woord rigtte, zich den geest aangevuurd gevoeld hebben om
den man te beschermen, die, naauwelgks op onzen vrijen bodem aangekomen, zoo
welsprekend de beginselen wist in te roepen, die hier gelden moesten! Niettemin begre-
pen de Staten van
Holland en de Curatoren en Burgemeesters van Leiden den storm
niet te moeten trotseren. Met zijn eigen goedvinden bleef bij ambteloos. Eindelgk
ziende, dat al zijne pogingen om zich door het uitgeven van steeds nieuwe geschriften
te regtvaardigen, niet baatte, maar dat de aanklagten tegen hem niet verstomden, zoo
verzocht en verkreeg hg den Maart 1612 'gehoor in de volle vergadering der Sta-
Zijnc verent-

ten van Holland, Hier verantwoordde hg zich, in de Hoogduilsche taal, op alle pun-''ζΙΙ
ten, die hem ten laste gelegd waren, en betuigde daarop, dat hij het zijne roe-
ping rekende door zijne leer te bevorderen, dat het geloof binnen de palen van
Gods woord werd besloten en van de ijdele bgvoegselen der menschen ten
eenen male bevrgd; zoo zou de eenvoudige en ware Christelijke religie overal
veld winnen, die veeleer in het echte werkdadige geloof en de heilige praktijk
der Christelijke godzaligheid, dan in de bloote kennis en bespiegeling over ver-
borgenheden bestond; zoo zou de ware vrijheid des gewetens onverzeerd blijven, en
de geestelijke slavernij en kerkelgke dwingelandg uit ons midden weggenomen worden;

ocr page 369

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1611. ZOO eindelijk zouden de secten en scheuringen meer en meer Terminderd en algemeene
eenigheid en vrede in den Heer bevestigd worden. Voor de behartiging van deze le-
venstaak zou hij zich den haat van hel gemeen en de bittere aanvallen van eenige
broederen getroosten, zyne zaak aan den Heer overgevende, die ter zijner tyd dc
waarheid van zijn streven aan den dag zou brengen. Al wat hem strijdig met dit oog-
merk werd toegedicht, was valsch en lasterlyk, hoezeer hy nooit beweerd had, dat hy
in de wyze, waarop hij zijn doel had trachten te bereiken, niet zou hebben kunnen
dwalen. Hierna tot zyne uitwendige omstandigheden overgaande verklaarde hy, zoo de
verbolgenheid van den Koning van
Engeland anders niet bedaard, noch de gemeene
rust en welstand anders niet behouden kon worden, liever van de openbare bediening,
tot welke hy wettig beroepen was, een wyle tyds afstand te willen doen en slil als een
byzonder persoon ergens in
Holland onder de bescherming der Staten te gaan wonen.
Meenden de Staten, dat men den Koning iels meer moest toegeven, zoo zou hij zich
gelaten en bij alle gevaar op God vertrouwende naar hunnen wil voegen. Toen hij deze
rede, niet zonder aandoening, had uitgesproken, zeide hem de Advocaat van
Holland
op last der Stalen, dat niet hij alleen maar ook de Staten zeiven en de geheele
Provincie in bekommering waren van wege de groole zwarigheden, die hem nu
buiten zyne hoop en verwachting waren overgekomen. Doch hy zelf zou wel niet
kunnen ontkennen, dat er menigvuldige en zeer schynbare beschuldigingen tegen zijn
persoon,
zoo van andere, als van zijne Majesteit van Groot-Britannië waren ingebragt,
van welke de Stalen-Generaal eenige, hoewel weinige, hem niet genoeg hadden hoo-
ren verklaren. Deze punten, vier in getal ^, stelde de Advokaat hem voor, als op
welke de Slaten-Generaal volkomener en ronder antwoord begeerden. Toen
vorstius
zich dadelijk op deze punten nader verklaard had, gaven hem de Slalen van Holland
weder bij monde van den advokaat ten antwoord: dat zij ernstig op zijne zaak zouden
letten en niet wilden twijfelen, of hij had alles ter goeder trouw gesproken. Na hun dit
heilig en pleglig
verzekerd te hebben, nam vorstius afscheid 2.

Eindbesluitbe- Den 28'"=° April, eindelijk, verschenen de Curatoren ^ en vorstius voor de Gecom-
mi lieerde Raden van de Slalen, en nadat men zich met hem onderhouden had, werd
„ hem eene acte verleend, waarbij de Gecommitteerde Raden verklaren, dat zij, in over-
leg met de Curatoren en Burgemeesters van
Leiden verstaan hebben, dat vorstius.

treffende
stius.

^ De vierde vraag "was, of hij ooit geleerd had, dat het den Christenen ongeoorloofd is oorlog
te voeren, bijzonder als het geschiedt tot voorstand van de ware Religie.

2 UYTENBOGAEUT, bi. 573. Oratie tot verantwoordinghe ghedaen in de volle vergadenngke der
Stat.
V. Holt. door c. vorstius {Bibl. v. Pamß. 1016).

3 liet waren toen de Heeren mathenesse en van der mijle.

ocr page 370

DES VADERLANDS. U05'

zonder YerkortiDg van zyne voorgaande of tegenwoordige diensten, eer en goeden naam 1611.
voor den tijd van een jaar zyn gewoon verblijf zou houden binnen de stad
Ter-Goude,
onder de bescherming van de Slaten van Holland ^ hunne Gecommitteerde Raden, en
van de Curatoren en Regeerders der stad
Leiden, als professor en lid der Universiteit
aldaar; zijne jaarwedde zou aan hem, als aan andere professoren, betaald worden, en hij
zou gehouden zijn binnen een jaar te wederleggen alles wat er tegen hem sedert een
jaar was uitgegeven en tot het einde van Junlj eerstkomende uitgegeven zou worden;
zijne wederlegging moest hij bij de Slaten of hunne Gecommitteerden inzenden, opdat
zij ze onderzoeken en daarna op zyne zaak besluiten mogten. Den Mei zonden
de Staten aan hunnen Gezant in Londen eenige exemplaren van de verdediging, door
VORSTIUS in hunne Vergadering uitgesproken, bestemd voor den Koning en de voor-
naamsten des Rijks, en schreven daarbg, dat zij eerst gedacht hadden, den Koning
zeiven te schrgven; doch dan hadden zy moeten treden in eene verdediging van hunne
staatkunde, en in eene aanwijzing, hoe in de laatste jaren, even als ten tijde van
LEiGESTER in
Hollund, en te voren in Vlaanderen door lieden, wien zulks minst be-
taamde, hun gezag was miskend, tegen hoedanige miskenning van het wereldlyk gezag
Zijne Majesteit zelve heilzame vermaningen gedaan had, die het maar al te noodigwas,
hier te Lande te volgen. Thans was het den Gezant opgedragen, den Koning een en
ander met bescheidenheid onder het oog te brengen Hoezeer de maatregel, ten
aanzien van
vorstius genomen, slechts voorloopig heette, is hg echter nooit werkelijk
hoogleeraar te
Leiden geweest. Tot in 1618 bleef hij te Gouda wonen en daar ook
GOMARus van den Leidschen leerstoel vrijwillig afstand had gedaan om eerst predikant en
leeraar in de godgeleerdheid te
Middelburg, en later professor te Saumuv te worden ,
zoo werden de twee ledige plaatsen te
Leiden vervuld door de beroeping van polyander ,
Fransch Predikant te Dordrecht^ en episgopiüs,. Predikant te Bleiswijk, derwaarts kor-
telings door de Regenten van
Rotterdam^ van welke stad dit dorp eene heerlijkheid
was, beroepen, en aldaar niet zonder tegenstand van de zijde der classis beves-
tigd 3. Hoezeer de eerste Contrareraonstrantsch, de ander de gevoelens der Remon-

1 nesol. V. Holl, 1612, bl. 684 , 687 , 693- 695 , 706 , 941. De Regering van Leiden verzocht
acte van protest tegen dezen haars bedunkens onbillijken maatregel ten aanzien van
vobstiüs,
{Resol. V. Holl. bl. 693). Dat hem zijne jaarwedde betaald werd, ergerde velen; doch ook hillekiüs
en de later afgezette Contraremonstrantsche predikanten gksewüs en rosaeus bleven hunne jaar-
wedden van de Staten trekken
{Verhoor, v. Oldenb. N". 266, bl. 154).

2 Bij besluit van de Dorische Synode van den 4·^®° Mei 1619 werden zijne gevoelens veroo?·-
deeld en hij zelf als professor afgezet.

3 Zie BRASDT, II, bl. 141 en 142.

III Deel. 2 Stuk. 65

ocr page 371

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

iGll. siranlen was toegedaan, hielden zij nieUerain vriendschap met elkander, en in langen
tijd had er zulk een Trede aan de Leidsche Akademie niet bestaan i.

Dc tweedragt Dit goede voorbeeld echter vond geene navolging. Niet alleen kwamen er bij voort-
Bceint toe. (Juring van wederzijde vinnige geschriften in het licht, maar daar sommige leeraren ge-
durig met meer achterdocht beoordeeld werden, andere Remonstrantschgezind, hoezeer
veelal niet zonder tegenstand, eene aanstelling bekwamen, zoo weigerde op verscheidene
plaatsen een deel der gemeente zoodanige predikanten te hooren. In zulk een geval
begaven zich velen naar elders, meest op het land, om leeraars, die hun naar den zin
waren, te hooren; vanwaar zij den halelijken naam van
slijkgeuzen bekwamen. Leera-
ren, «die te voren minder dan niets werden geacht, ja voor wier kale predikatiën men
wegliep, en die nu van alle zijden gestreeld en als Goden en Heiligen in groote ach-
ting gehouden werden 2," zullen de verkelteringszucht der gemeente wel niet te keer zijn
gegaan. Van den anderen kant schijnen slechts weinige Remonstrantschgezinde predi-
kanten de gave bezeten te hebben om hunne gemeente, ook by eenig verschil van
gevoelen omtrent de bekende punten, door de kracht der liefde onafscheidelyk aan zich
en onderling te verbinden Van het gros der gemeenteleden was niet te wachten,
dat zij, boven hatelijke inblazingen verheven, zachtmoedig het woord ook van in ver-
denking gebragte leeraren zouden aangehoord, of zich met de altijd open bron van
alle godsdienstige vertroostingen zouden vergenoegd hebben. Opspraak moest er zyn,
zigtbare afscheiding, openbare tegenstand, anders meende men zyn regt en pligt te
kort te doen. Trouwens dit bragt het dogma der Contraremonstranten mede, dat niet
den mensch beschouwt als zalig of rampzalig, al naar dat hy gelooft of niet gelooft;
maar
de menschen van eeuwigheid tot eeuwigheid verdeelt in uitverkorene en verdoemde
individuen, een dogma, dat alzoo scheiding predikt tusschen menschen en menschen, en
hem, die het aanneemt, zich in zijn tijdelijke persoonlijkheid en in onderscheiding van

ï In de Lente was p. du moijn, Leeraar te Parijs, als professor te Leiden beroepen {Resol.
V. /M. 1611, bl. 391).

2 Uit het gelijktijdig geschrift van s. laksbenceh, beneden aangehaald. Ook βaudaert schrijft: »hoc
sobere gaeven van predicken dat de recht ghevoelende predicanten hadden, sij wierden met lust
ende met appetijt gehoort, jae men volgde se daer sij waren, bij dage ende bij nachte, te waeter
ende te lande" (bl. 88).

3 OLDENBARKEVELT in zijnc VcrJioorcn (bl. 36 en 37) noemt eenige voorbeelden van zulke vrede-
stichters. Men tan er nog bijvoegen, hoezeer zij juist niet met veel uitwerking verzoening pre-
dikten:
frans en samoel lansbergen, leeraars te Rotterdamy in de woelige dagen van 1610, 1611
en 1612. Hunne geschriften staan genoteerd in de Bihh v. Pamfl. N». 1021 en 1022. Men vindt
een
lansbergen onder de gedeputeerden der classis van Rotterdam, die kwamen protesteren tegen
den maatregel der bijeenroeping der Haagsche Conferentie.
Resol. v. Holl. 1611, bl. 271, 274.

ocr page 372

DES VADERLANDS. i559

de anderen op goddelijk regt aanspraak doet maken: immers dat dogma aan te nemen icii.
en zich uitverkoren te achten is één en hetzelfde; want wie het aannam en zich ver-
worpen rekende, voor hem zou er geen godsdienst hoegenaamd beslaan, hij zou een
duivel moeten worden in boosheid, of tot waanzin toe wanhopig.

Een nieuw voorbeeld van gevaarlijke scheuring leverde de Kerk van eene der aan- Twïstea k
zienlykste steden des Lands. Te Rotterdam waar elias van oldenbarnevelt , broeder van
den advokaat, den post van Pensionaris bekleedde, had
geselios, predikant tegelgk bg de
Nederduitsche endeFransche gemeente, de gemoederen onrustig gemaakt, niettegenstaande
ook hij in handen der Magistraat de belofte had afgelegd om volgens de overeenkomst, op
het eind van de Haagsche Conferentie getroffen, met de Remonstrantsche ambtgenooten vrede
te houden. Door in zijne leerredenen van vijanden der Kerk, van verleiders en valsche
leeraars te gewagen, had hij de gemeente bepaaldelijk tegen
grevinghoven, een van de
onderteekenaars der Remonstrantie en van de assistenten van
uyteubggaert ter Haagsche
Conferentie, zoozeer weten op te zetten, dat men niet alleen uit de kerk bleef, wanneer deze
en de andere leeraars, waaronder de uitnemende
samxjel lansbergen, predikten of het
Avondmaal bedienden i, maar hen ook noode in de stad scheen te kunnen dulden.
Geen waarschuwingen van den Kerkeraad of de Magistraat vermogten iets op
geseliüs:
hij zou, zeide hij, zijne conscientie bezoedelen, zoo hij zich opdrong zijne ambtsbroeders
voor zuiver in de leer te houden, en zich als eensdenkend met hen aanstelde. Nu
lieten de Burgemeesters
grevinghoven en geseliüs voor zich roepen, betuigden hun
leedwezen over den treurigen toestand der Gemeente, dien zy aan de heiligheid van den
laatsten welen, en vraagden beiden, of zg geen geschikt middel tot vrede wisten. Wat
grevinghoven hierop ook voorstelde, voor niets had geselius ooren; ook ging hij op
zyne wijze voort te prediken; zelfs zou hij in eene zgner leerredenen gezegd hebben,
dat, zoo de Magistraat het hare niet deed, de Priesters en de Leviten, en anders
de gemeene Israelielen het doen moesten, al zouden zij tot den bloede daarvoor
strijden. De Magistraat meenende, dat men met
geselius welligt tot krachtige maat-

^ Den 25"'®" Maart besloten de Staten van Holland op het vertoog van de Gedeputeerden vau
Rotterdam aan de Regeerders van Schiedam te schrijven om te zorgen dat geene der burgers van
Rotterdam aldaar ten nachtmaal des Heeren werden toegelaten, maar dat zij met goede vermaning terug-
gezonden werden. Hiertoe moesten zij de dienst der Schiedamsche predikanten en anderen van de Kerk
gebruiken. Dit schrijven der Staten baatte niet veel; want in het eind van 1012 hoorcn wij
s. LANSBERGEN (in Zijne
Christel, aenleijdinghe tot vrede ende onderl. verdraechsaemheid) nog kla-
gen, dat de Schiedamsche Kerkeraad de Rotterdamsche lidmaten in hunne kerk ten avondmaal
toelieten, niettegenstaande het reeds den Augustus 1610 bij besluit van de classis van
Rot-
terdam
den broederen van Schiedam verboden was. Het is waar, toen had buabdüs acrokius ge-
zegd: »de classis mag resolveren wat zij wil, maar de Kerk van
Schiedam zal doen wat zij wil.
(Zie s. iAHSDERGER in de inleiding van het aangehaalde uitnemende geschrift.)

65»

ocr page 373

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1611. regelen zou moeien komen, wilde niets doen, zonder een beroep op het oordeel
van alle bevoegden. Zij verordende eene conferentie in hare tegenwoordigheid en
in die van den Nederduitschen en den Franschen Kerkeraad tusschen
geselius en
GREvmcHOVEN, elk door eenen predikant uit de classis bggestaan en vergezeld van
Conferentie Omtrent twintig mannen, ter hunner eigene keuze. Men verscheen, maar geselius
straat alda^^^^^^·^' zeide hij, geenen assistent kunnen krijgen; toen nu grevinghovew aanbood zg-
nen assistent te ontslaan om.niets boven hem vooruit te hebben, was hij niettemin lot
geene geregelde mondelinge conferentie te brengen. Zoo werd de bgeenkomst verdaagd
lot over acht dagen: kon
geselius tegen dien tijd geen assistent krijgen, zoo zouden
de Heeren hem er eenen op hun gezag toevoegen.
Geselius kon niemand bekomen
dan eenen predikant, die niet meer tot de classis behoorde, met name
smoütiüs, bekend
door geschriften, in welke hy de Remonstranten van Pelagianisme beschuldigde. Niet-
temin nam
grevinghoven met deze keus genoegen en men kwam ter conferentie, die
thans in het openbaar in de raadzaal plaats zou hebben. Doch in stede van den rede-
twist aan te vangen, verontschuldigde
geselius zich weder op grond van de hardheid
der spijze, voor kinderen onverduwbaar, waarmede hg de leerstellingen bedoelde, die
hij te handhaven zou hebben, en wendde zich tot de toehoorders om hun te verstaan
te geven, dat dit gansche bedrgf niets was dan eene inbreuk op de bevoegdheid der
Synode en slechts strekte tot onderdrukking van de waarheid en van hen, die ze bele-
den. Na hierop ten antwoord bekomen te hebben, dat de Magistraat niet voorhad een
eindoordeel te vellen, maar alleen kennis te nemen van de oorzaak der onrust in de
stad en daarop met goedvinden van den Kerkeraad en des noods met den raad van an-
dere Kerken voorloopig orde te stellen , kwam hij met het bezwaar aan, dat, zoo hij
zich in redetwist begaf, hij handelen zou tegen de bevelen der Staten, die den predi-
kanten alle twistredenen over de praedestinalie verboden hadden. Van de belofte der
Magistraat, dat zg hem deswegens van alle zwarigheden zoude bevrgden, verlangde hg
dadelijk schriftelijke acte. Toen hem deze verleend was, zocht hij op nieuw uitvlugten,
en verklaarde eindelijk, op de stellige vraag der Magistraat, dat hij geen plan had
noch gehad had om hier met
grevinghoven in conferentie te treden, Smoutius, van
wien men nu verwachtte, dat hg voor
geselius zou optreden, bleek uit allerlei eischen
die hij stelde, en bezwaren die hij opperde, mede niet gezind te zgn om hier het
woord te voeren. Alzoo verliep de tijd zonder dat het ter zake kwam. Nog eenmaal
liet
geselius zich hooren met den uitroep, dat zoo de conferentie voor de Magistraat
van
Dordrecht moest plaats grgpen, hij daartoe ook wel bereid zou zijn. Hierop bood
GREVINGHOVEN hem de hand en beloofde, met toestemming der Magistraat zgner stad, hem
voor de Heeren van
Dordrecht te woord te zullen staan. Doch geselius trok zgn hand
terug en sloeg thans het voorstel af.) Niets anders schoot den Burgemeesteren over, dan
de vergadering Ie sluiten, hetgeen zij deden met eene aanmaning aan de burgers, al-

ocr page 374

DES VADERLANDS. U05'

(laar tegenwoordig, waartegen smoutius nog opkwam met een beklag wegens kracbt en 1612.
geweld. De Magistraat wel begrijpende, dat
geselius door het Yoorgevallene slechts Ie
meer verbitterd zou zijn, was er op bedacht hem van zijne dienst te ontslaan. Hiertoe
geselius af-
maakte zij, op eene vrij zonderlinge wijze zoo het schijnt, gebruik van een voorstel van
den Waischen Kerkeraad. Deze namelijk verzocht, dat
geselius van de dienst bij deNe-
derduitsche Kerk zou worden ontslagen, maar by de Walsche Kerk zou bly ven aangesteld.
Het eerste 'gedeelte van dit verzoek werd dadelijk toegestaan, maar het tweede later bij
raadsbesluit van den 24°'®° October 1611 afgeslagen. Zoo was
geselius dan, gelyk hem
werd aangezegd, op grond van ongehoorzaamheid jegens de Overheid afgezet; maar,
zoo hij al niet predikte, hij liet zich niettemin hooren in byzondere huizen en op
zolders, waar leeraars, uit
Dordrecht of Gorkum overgekomen, de predikdienst vervul-
den. En dit ging niet bescheiden toe. Integendeel men noemde zich de
Kruiskerk ^
ging met zeker vertoon meer dan eens in de week, dikwigls herhaaldelijk op éénen dag,
ter vergadering. Er ontstonden oploopen, dreigementen, vechtpartijen, totdat
geselius,
na voor Burgemeesleren ontboden te zgn en daar verklaard te hebben, dat hij zich niet
ontslagen rekende van de betrekking van leeraar dergenen, die zijne dienst begeer-
den, den 14^®° Februarij 1612, in de vroegte, met stadsdienaars de stad werd uitge-
zet. De Magistraat regtvaardigde deze hare handelwijze in een
Bericht aan alle Vroed-
schappen van
Holland, en geselius stelde een Tegenbericht daartegen Sedert predikte
de afgezette leeraar nu eens te
Delftshaven^ dan weder te Schiedam^ maar weldra
werd hij te
Edam beroepen. By besluit van den Maart 1612 verboden de Hee-
ren van
Rotterdam alle verdere godsdienstige byeenkomsten, op grond dat de ware
Gereformeerde Godsdienst in de openbare kerken der stad voor een ieder geleerd en
uitgeoefend werd, en bgzondere godsdienstoefeningen dus slechts strekten tot scheuring
en miskenning van het gezag der Overheid, die de Gereformeerde Religie handhaafde.
Dit belette echter niet, dat men later nog in loodsen of schuren bijeenkwam

^ Cort bericht van de Redenen, om dewelcke de II. II. Bürgern, enz. coR?f. geselium hebben ge-
deporteerd
enz. Mitsgaders c. geselii Teghenbericht {liibl. v. Pamß. Ν». 1019). In dit Teghen-
bericht
Avendt zich ceseliüs insgelijks tot de Vroedschappen der Hollandsche steden om de Vroed-
schap van
Rotterdam aan te klagen. Den 9·^®° Maart 1612 werden de Rotterdameche kerkelijke
j)artijen voor de Staten van
Holland gehoord. Den volgenden dag "werd de Magistraat tegen
GESELIUS en de
Kruiskerk in het gelijk gesteld (zie Resol. v. Holl.)

2 üYTENBOGAEnT, bl. 579—588. Tbiglahd, bl. 615—619. Men weet de maatregelen der Rotter-
damsche Regering niet het minst aan
elias van oldekbamevelt. Toen deze den 20'^®° Julij 1612 te
'sHage plotseling was komen te overlijden, zag men daarin een oordeel Gods, en wikwood schreef
deswegens aan zijnen Koning: »Gods oordeelen zijn ondoorgrondelijk. Dit voorval geeft veel stof
tot spreken: want hij was niet alleen een voorstander van
aiiminiüs en een beschermer van vonsms,

ocr page 375

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1612. gelijk ook RoUerdamsche lidmaten bij voortduring te Schiedam ten avondmaal gin-
gen Κ

Zoo nam de scheuring toe en werden de gemoederen meer jen meer verbitterd. «De
harten," zegt een tijdgenoot ^, »zijn met zulk eene verbitterdheid ingenomen, dat men ten
eenen male een afkeer van elkander heeft; ja, dat die, welke te voren gelijk broeders,
gelijk één man, ééne ziel en gemoed waren, nu zoo vreemd van elkander zgn, alsof
zij elkander nooit hadden gezien of gekend. Ja, men ziet, dat de eene lidmaat den
anderen met groote partyschap bejegent en gansch kwalijk onthaalt; dat die, welke te
voren waren leden van ééne Kerk, van elkander verkeerdelijk spreken, elkander door
achterklap en kwade naspraak onteeren; dat zij elkanders voorspoed benijden en elkan-
Dreigementen ders kwalijkvaart zoeken," In Leiden, schrijft uytenbogaert dreigde men hen, die
monstLuteiu'^" Remonstrantsche leeraars hoorden, met verlies van klandisie. In
Amsterdam noemde
men degenen die het met de Contraremonstranten niet eens waren, Mamelukken, dui'
veis en pesten, die men met hunne kinderen behoorde te verdrijven. Op den predik-
stoel klonken er woorden als deze: «dat men er met vuile voeten moest doorgaan, zon-
der nat of droog aan te zien. Men wist hoe
elias met Baals priesters gedaan had
Den 14^·'° Mei 1612 werd aan eenige Kerken in
Zuid- en Noordholland als punt van
beschrijving de vraag ingezonden: «of men diegenen, die de vijf Artikelen, door de
Remonstranten overgegeven, pryzen, nog voor broeders zal houden en in de dienst der
Kerken tolereren Wel mögt men met een tijdgenoot ® vragen; «Vanwaar zal
men nog ten laatste de palen en zerken bekomen om de golven van deze onstuimige
zee te stutten?" Hg, van wien de beantwoording van deze vraag voornamelijk afhing,
was OLDEïiBARNEVELT. Hij werd aangemerkt als de .man, die de handen der Contrare-
monstranten terughield. Hem begreep men ten val te moeten brengen om den triomf
dezer partg te verzekeren. In de overtuiging, dat hij vast gezeten was, zag men in,

maar ook een vervolger der Religie. God heeft wollen voeten, maar ijzeren handen." bbandt,
11, bl. 169.

ï Zie hiervoor bladz. 499, Noot 1.

- SAMUEL LANSBliRGEN, t. a. p.

3 Bl. 578.

* BRANDT, Hist. der Reform, 11, bl. 149, 150.

5 SAMUEL LANSBERGER, t. a. p. en FR. LAKSBERGE», ΚοτΙ ende Christel, examen over de Leerpoine-
ten, die ten huydighen daghe in gheschil gheirocken werden ^ of se het fondament d&r saligheyt
raken ofte niet? {Bibl. van Pamflett.
No. 1021). In dit werkje toout de schrijver aan, hoe onbe-
daidend de punten waren, waarin de Haagsche conferenten oneens waren gebleven.

® PR. LAHSBERGElf, t. a. p.

λ

ocr page 376

DES VADERLANDS. U05'

dat daartoe een geweldige schok noodig was: een gibeon of jehu, zeide men openlijk MIE.
te Amsterdam i werd er toe Tereischt. Wat men noodig achtle en wenschte, strooide
men uit
als reeds geschied. Immers schreef KöëL de ^arof, der Staten Ambassadeur
te
Landen, in Maart 1612, dat er in Engeland geruchten liepen, dat de Advokaat op
het slot te
Woerden gevangen zat i. Reeds had hg dus in de schatting Tan hen, die
zulke denkbeelden opperden, den dood verdiend, en er behoefde daartoe niets meer bij
te komen van dat alles wat men hem later te laste leide. Niettemin begreep
olden-
BARTiEVELT pal te moeten staan te midden der golven dier onstuimige zee, en den
nieuwen
Gideon of jehü te moeten afwachten.

Hy kon geen ander doel hebben , dan de handhaving van de eer en de welvaart van oldknuahnk-
den Staat: hierin bestond zyne eigene eer, dat hij zich door de orde in den Slaat Ie"f^^c
bewaren, den invloed waardig toonde, dien hg had welen te verkrygen. Dus wilde hg
evenmin voor den haat terugdeinzen, als de kundige geneesheer voor de klagten van
den kranke en de harlstogtelijke verwgten van de deelnemende omstanders.

Wat was de oplossing, op welke men van de zijde der onvergenoegden aangedrongen
had en waarnaar men nog steeds uitzag? Immers eene Synode. En waarom stonden
de Staten dit middel dan nog allgd niet toe? De redenen, welke
oldenbariïbvelt hier-
toe bewogen, blgken duidelgk uit de antwoorden, die hg aan zgne reglers heeft gege-
ven. Eene Nationale Synode achtte hg niet wensclielijk vóórdat er eene Provinciale
Synode in
Holland gehouden zou zijn. De zelel der geschillen, zoo oordeelde hg, was
voornamelijk in
Holland gevestigd. In deze provincie derhalve was de slaat der quaes-
tie het zuiverst gesleld, en kon zij derhalve met de meeste kennis van zaken uitge-
maakt worden. In
Holland kon de aangeklaagde parlg op de krachtigste verdediging
rekenen en zouden derhalve de overwegingen en beraadslagingen, die het vellen van
het oordeel moesten voorafgaan, meer zgn dan een bloote schgnvertooning, meer dan
een voorwendsel om tot het doemvonnis te komen. Mögt eene aanzienlgke en achtens-
waardige partij in
Holland gebonden worden aan eene uilspraak van Provinciën en Ker-
ken, in welke men niet op hetzelfde standpunt stond -? Maar waarom dan niet dade-

1 BRANDT, 11, bl. 150, 170.

2 Ferhooren, 69 (bladz. 58): »Seyt, dat hij meende, dat de za&le in Hollant en West-Vrieslant
daar de meeste swarigheyt was, geaccommodeert weeende, deselve accommodatie ook bij andere bij
inductie en andersins zoude mof^en hebben aangenomen worden." Due hoopte
oi.dkkbaiinbvei.T, dat de
Kerken der andere Provinciën, wanneer eenmaal een op kerkelijke besluiten gegronde vrede tneechen
llemonslranten en Contraremonstranten in
Holland zou gesloten zijn, er toe te brengen zouden
wezen om met dezen vrede genoegen te nemen, ja, zich naar het voorbeeld van
Bolland in hare
kerkelijke verordeningen te schikken. Voor alsnog was er van eene kerkelijke Vergadering, waarin
ook de Kerken der andere Provinciën vertegenwoordigd waren, niets anders dan vcroordeeling

ocr page 377

804 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1612.

lijk eene Provinciale Synode toegestaan? Omdat in Holland de gemoederen te harlstog-
telijk bevTOgen waren, dan dat men eene verstandige uitspraak had mogen Terwach-
ten. Bg eene stemming als die de meerderheid der predikanten kenmerkte, eene Pro-
vinciale Synode te laten houden, ware zooveel geweest als de zwakste partij onfeilbaar
aan hare tegenstanders over te leveren. Maar waarom deze partij niet gerust overgeleverd?
Zg was immers de dwalende ? Integendeel,
oldenbarkevelt was in gemoede overtuigd, dat
het gevoelen der Remonstranten, zoodanig als het in de vijf artikelen was uitgedrukt,
steeds zgne voorstanders in de Gereformeerde Kerken gevonden had; dat een
melakghton en
btjllingerus nooit tegen galvihus en beza in het ongelijk waren gesteld. Wat buiten
de vijf artikelen van de Confessie en den Catechismus afweek, zou hg streng hebben
wenschen gestuit te zien; maar iemand om zyne verknochtheid aan die vgf artikelen
uit de Kerk te verdrijven en met vrouw en kinderen op straat te zetten, ware in zijn
oog eene afwyking van de in de Kerk steeds toegelaten ruimte van denken geweest.
En bovendien! Ware het lot eene uitwerping der Remonstranten gekomen, wat zou de
Gereformeerde Kerk door die scheuring verzwakt zijn geworden! Het getal der Roomschen ,
Lutherschen, Doopschgezinden en andere niet-Gereformeerden te zamen, met dat der
Remonstranten vereenigd, zou ligt sterker zijn geworden, dan de overgebleven Gerefor-
meerden, en op de Gereformeerden toch steunde voornamelijk de kracht van den
Slaat ^ En zoo zou mede het anker zijn weggezonken, waarop hij zijne hoop geves-;

van liet gevoelen der Remonstranten te -wachten. Immers had de Synode van Groningen reeds in
1606 besloten de revisie der Belijdenisschriften, die de Staten-Generaal aan de Nationale Synode
ten taak gesteld hadden, niet te zullen dulden (
uytbnbogaert, bl. 466). De Synode van Harder-
wijk
in dit zelfde jaar (1612) stelde een formulier van onderteekening van de Confessie en den
Catechismus, hetwelk alle aankomende kerkedienaren van het Vorstendom
Gelder en Graafschap
Zutphen gehouden zouden zijn te onderteek enen; en de leeraars, die ie Nijmegen, Bommel en Tiel
aanvankelijk eenige ingenomenheid met vorstiüs hadden doen blijken, namen hiermede genoegen.
Toch vonden in en om deze steden, alsmede te
Arnhem, de gevoelens der Arminianen vele aan-
hangers (
baüdaert, I, bl. 89, 90), en uytesbogaert liet het niet aan pogingen ontbreken om de
vooroordeelen tegen de Remonstranten ook in
Gelderland weg te nemen: zoo schreef hij in 1611
naar de Synode te
Nijmegen eene missieve, inhoudende eene regtvaardiging van hetgeen er in
Holland in kerkelijke zaken was voorgevallen {Resol v. Holl. 1611, bl. 406). Wat er te Buren
in 1610 gebeurd was, zagen wij boven (bl. 470). Ook in Overijssel, bepaaldelijk te Deventer en
te
Kampen waren Arminiaansche gevoelens doorgedrongen (baudaert, bl. 91); maar Zeeland en
Vriesland hielden zich over liet algemeen getrouw aan de Contraremonstranten. Dat in de stad
Utrecht de Remonstrantschgezindefi in dezen tijd de overhand hadden, is reeds vermeld.

1 Zie Verhooren N». 37 , 38 , 43 , 47 , 50 , 61, 93 (bladz. 32, 34, 38, 41, 45, 52, 67). In
N». 37 der
Verhooren (bladz. 32) zegt hij, dat η de gereformeerde religionsverwanten

ocr page 378

DES VADERLANDS. U05'

tigd had, dat eenmaal het verschil van godsdienst ook tusschen Roomsch en Onroomsch 1612.
in ons vaderland minder scherp, en de toetreding der altijd gevaarlijke »Papisten" ge-
makkelijker gemaakt zou kunnen worden. De strenge praedeslinatieleer, meende hij,
was de voorname hinderpaal, die de niet-Gereformeerden van verzoening met de Gerefor-
meerde Kerk afhield Dus moesten eerst de gemoederen zgn voorbereid om aan den
eisch der billijkheid en het ware belang van Kerk en Slaat gehoor te geven, en vóór
dien lijd geene Provinciale Synode! Ze toe te staan ware in
oldenbarnevelts oog straf-
baar geweest, Avanneer het, namelijk, in den staatsman strafbaar heeten moet, de belan-
gen te verwaarloozen, die aan hem zijn toevertrouwd. Maar, wat alles afdeed, eene Synode
bijeen te laten komen zonder eenige verzekering, dat zij in den geest der Regering
zou oordeelen, dit zou zoo veel geweest zijn als de hand te leenen tot eene gevaarlijke
nederlaag van den Slaat en tot den triomf eener heerschzuchtige partij, aan wier ver-
antwoordelijkheid hy maar al te zeer gevoelde het beleid der binnen- en buitenlandsche
Staatkunde niet te kunnen toevertrouwen. Daar gelalen, dat verscheidene staatslieden
het streven der Kerkdijken tot bereiking hunner oogmerken misbruikten, de zaak der
Contraremonstranten was niets heiliger, dan die der Remonstranten. Eene Godsdienst,
die heerschen wil en hare heerschappij niet bloot aan God en aan de kracht der waar-
heid en der liefde overlaat, moet zich getroosten, eene heersch zuchtige partij te zijn en
te heeten: de ware gemeenschap der geloovigen heeft tegenover de wereldlijke Overheid
geene andere aanspraken te doen gelden, dan ieder vrij burger. Dit gevoelt de Staatsman
in zyne tegenstelling tegen eene harlstoglelyk op regten pleitende Kerk, en
oldenbarnevelt
putte uit dit bewustzijn en uit zijn eenvoudig geloof ^ moed en kracht om standvastig bij
zyne beschouwing te blyven tegenover hen, die zich beroemden kinderen Gods en de ware
Israelieten te wezen, en voorgaven, dat hunne zaak Gods zaak was. Maar, kon dan
olden-
BARüfEYELT geene Synode toeslaan, en voorzag hij misschien, dat hij de oogen wel sluiten
zou vóórdat het tyd zou zijn eene Synode bijeen te roepen 3, maatregelen moesten er toch

de beste en secckerste partije voor de defensie des vaderlands allijds {jemaact hebben ende voorts
moeten maken." Zie voorts N". 38 (bladz. 34).

^ Verhooren, N". 43 (bladz. 38). N". 53 (bladz. 46) zegt hij: »de opinie van de Remon-
stranten ia de vijf punten bekAvaem geacht te hebben om veel goede ingosetenen tot deselve gere-
formeerde reh'gie te trekken."

2 Zie dit geloof aandoenlijk uitgedrukt in de Verhooren, 64 (bl. 54) en 38 (bl. 36): » Weeende
Τ00Γ zijn particulier al over vijftig jaren van opinie geweest, dat een goed christen simpel en
eenvoudig behoort te geloven, dat hij is gepraedestineert ter zaliglieyt, en ook zijne kinderen in
baar kindsheyt stervende, houdende het bloetvergieten, lijdén en sterven onsee saligmakers
jesü
CHRISTI cragtiger ter zaligheyt, als Godes toorn ende de zonde van adam en eva ter verdoemenisse."

^ Zijne vijanden zeiden van hem, dat hij gezegd had dat er geene Synode Nationaal zou ge-
houden worden, zoo lang als hij leven of zijne oogen open staan zouden(Ver/toorenN".61, bl.51).

III Deel. 2 Stuk. , 64

ocr page 379

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1612. beproefd worden om de scheuring zoo onschadelyk mogelijk te maken en de rust in den
Slaat, wier handhaving hij voor des slaatsmans voornaamste taak hield ^, zoo veel mogelijk te
waarborgen. Hiertoe wendde hy een nieuwe poging aan, en deze poging bestond in de invoe-
ring van de kerkeordening van 1891. Wat is er van deze kerkeordening, en welke is hare
strekking? Om deze vraag te beantwoorden, moeten wij een weinig hooger opklimmen.
ï3etrekliing der Het ligt in den aard der zaak, dat in de eerste tijden van den oorlog tegen Spanje de
üÏÏk'in dc eerste belijders van de Gereformeerde Religie van de zijde der Staten geene belemmering ondervon-
^'■i'^'^"· den, wanneer zij zich door aaneensluiting en kerkelijke vergaderingen en verordeningen

trachtten te versterken: de triomf der Gereformeerde Godsdienst was nog niet voldongen,
en zulke handelingen van hare belyders gaven de grootste kracht aan den tegenstand tegen
den Spaanschen dwang. Dus werd in 1574 eene Provinciale Synode te
Dordrecht ge-
houden, niet door de Staten des Lands, maar door de predikanten beschreven, en van
de hier ontworpen kerkeordening verlangden de Staten niet eens kennis te nemen, en
in 1578 kwam in dezelfde stad eene Nationale Synode bijeen zonder verlof, maar ook
zonder tegenspraak der Staten-Generaal Ook toen de Roomsche Godsdienst blijkbaar
de nederlaag geleden had, waren de Staten gezind om den Kerkelyken alle vrijheid te
laten, immers lag, wat men van de Spaansche Regering ondervonden had, nog te versch
in het geheugen, dan dat men op zijne beurt de godsdienstige vrijheid eenigzins zou
hebben willen beperken. Vandaar dat men de predikanten volkomen vry liet 3, en de Staten
in 1579, bij gelegenheid dat er
Leiden ten gevolge der geschillen tusschen goolhaes
en piETER PIETERSZOON over het ambt en het gezag der burgerlijke Overheid in ker-
kelijke zaken twist gerezen was, den predikanten bevolen, uit het Woord Gods in ge-
schrift te stellen, wat gemeenschap en onderscheid er was tusschen de burgerlijke en
de kerkelijke regering dat is, wat de grenzen tusschen beiden waren. In 1582 be-
grepen de Staten van
Holland de Provinciale Synode van Haarlem te moeten laten
houden zonder er Gecommitteerden van hunnentwege heen te zenden ß, ja een jaar te
voren hadden de Staten-Generaal aan de predikanten, die hen verzochten eenige uit de
hunnen ter Nationale Synode, door de Kerken te
Middelburg beschreven, af te vaar-
digen, het volgende ten antwoord gegeven: »dat zij het voornemen (om zulk eene

1 Zie Verhooron, 50, bl. 45.

2 brandt, IJisL dcT Reform. I, bl. 554, 603.

3 EvenAvel Λναι-οη de Prins van Oranje en de Staten van Holland, zoo als zij ia 1612 verklaren
(zie
 liesol. 1612 bl. 943), reeds in 1577 bedacht op het ontwerpen eener kerkeordening op het
voorbeeld van andere Evangelische Vorsten.

^ jiRANDT, t. a. p. bl. 649.

5 brandt, 1, bl. 683.

ocr page 380

DES VADERLANDS. i559

Synode te houden) niet anders dan christelijk en goddelijk konden vinden. Voorts, dat 1612.
zij de predikanten verzochten, geene Gedeputeerden van Generaliteitswege te verwach-
ten, vermits de Staten geen ander vermoeden hadden, dan dat zij alle hunne hande-
lingen tot Gods eer en slichting der Kerk zouden schikken," Eindelijk bedankten zij
hen hoogelijk voor de kennisgeving van hun voornemen i. Maar van lieverlede begonnen
de Regenten te begrijpen, dat, zoo men zich liet welgevallen wat de kerkelyke verga-
deringen der Gereformeerden goed vonden te besluiten, de Regering zich al te zeer de
handen zou laten binden. De Gereformeerde Godsdienst was in de oogen harer belijders
en leeraars de volstrekt ware, de waardige plaatsvervangster der onwaardige Roomsch-
Katholijke Kerk; zij kon handhaving legen goddeloozen en ketters, dal is niet alleen
tegen Roomschen, maar ook tegen Lutherschen, Doopschgezinden en anderen eischen en
de Overheid moest haar daarin van dienst zijn. Zoo zou dan de Overheid hier te lande
ten behoeve der Gereformeerde Kerk volkomen hetzelfde moeten doen, wat de Spaan-
se he Regering ten behoeve der Roomschen gedaan had. De onwil om zich biertoe te
leenen, is nooit sterker uitgedrukt dan door de Regenten van
Leiden in eene Remon- Hemonstrontie
strantie tegen de besluiten der zoo even gemelde Nationale Synode van Middelburg. In dc"beXikii
dit Vertoog verklaren zij het een onbehoorlijken eisch te achten, dat de Overheid de ^Miiiddbnrg
ware Godsdienst met hare magt voorsta: zulk een dwang was de regie moeder des

ï BRANDT, t. a. p. bl. C73.

2 De afteerigheid van gewetensdwang, die de groote staatslieden bepaaldelijk in de ceretc tijden
Tan het bestaan der Republiek kenmerkte, straalde ook door in de wijze, op welke zij de Luther-
schen en de Doopschgezinden behandelden. In 1578 verleende
Willem 1 aan de laatsten vrije gods-
dienstoefening en vrijdom van eed en wapendienst. Te
Woerden, hetwelk dan ook tot in 1617 in
pandschap toekwam aan eenen Duitschen Vorst, den Hertog van
Brunswijk, kregen de Luther-
schen in 1580 vrijheid tot openbare godsdienstoefening, zelfs met het gebruik der groote kerk. Toen
in 1594 deze staat van zaken voor de uitsluitende openbare prediking der Gereformeerde Godsdienst
plaats had moeten maken, en de Lutherschen der stad zich deswegens beklaagden, zou
oldenbar-
kevelt
(volgens een handschrift van costerus, aangehaald in: Bijdragen tot de Gesch. der Ev,
Luth. Kerk in de Nederig
verzameld door Schultz jacobi en domela kieüwenhüis, St. 111, bl. 113.
tot hunne afgevaardigden gezegd hebben: «gij zijt goede patriotten: de Staten zijn niet van
meening, u in uw geweten te dwingen," en bij eene andere gelegenheid (in 1603): »Mannen!
uwe zaken zijn hoog overwogen; gij zult mogen prediken; maar
als gij te Woerden komt, roept
dan geene victorie dat men het hier in den
Haag hoort!" (vergeh brandt, II, 24, 27). In.
1604 werden er pogingen van wege de Zuid-Holl. Synode aangewend om de Lutherschen te
Woerden met de Gereformeerden te vereenigen (zie het werk, vermeld in Bibl. v. Pamfl,
N". 1021), een doel, dat men reeds vroeger bedektelijk had pogen te bereiken. Doch te vergeefs.
Den Doopschgezinden hield Prins
maürits in 1593 de hand boven 't hoofd, zeggende dat hij het re-
delijk en billijk vond, hun de eenmaal gegunde vrijdommen te laten behouden (
brandt, I, bl. 781).

64»

ocr page 381

Ö08 ALGEMEEJXE αΕδΟΚΙΕυΕίΝΙβ

1G12. Pausdoms geweest, en zij zouden met den ezel zoo wijs zijn zich niet te stooten aan den steen ,
die liet Spaansche Bewind ten val had gebragt. Niet om eenige particuliere religie al-
leen te beschermen was de oorlog gevoerd en hadden de belijders van verschillende
gezindheden allen even dapper gestreden. Wel was het wenschelgk, dat allen der ware
Godsdienst waren toegedaan, maar door dwang kon men geene eenigheid, wel een we-
reld vol booze huichelaars en kwaadwilligen verkrijgen, die de Gereformeerde Rehgie
evenmin zouden eerbiedigen, als het Pausdom door de Gereformeerden geëerbiedigd was.
Derhalve zouden zg zich door geene Synode nieuwe strikken laten aanleggen. Het fon-
dament der Religie was eenmaal gelegd en daartoe behoefden niet alle drie jaren ^
Nationale Synoden gehouden te worden: hieruit zouden ten laatste zulk eene menigte
decreten ontslaan, dat hunne kinderen weder met een nieuw Canonisch Regt te doen
zouden krijgen. Namen zij aan, wat er in de Synode verhandeld was, zou zouden zij
haast niets anders dan vasallen van de Synode wezen. Daar de Overheid volgens de
Synode slechts in zoo verre de goedkeuring der door de Gemeente benoemde predikan-
ten, armenverzorgers en schoolmeesters bekwam, als zy zelve de Gereformeerde Religie
beleed, zoo zou de Overheid dat regt slechts bezitten als lid van een ligchaam, van
hetwelk de Synode het hoofd was, en tot Overheid zou niemand toegelaten mogen worden,
dan de » creaturen" van de Synode. Tot geenen rehgiedwang, hoe klein ook, dus verklaren
zij ten slolie, verkozen zij te besluiten; geen boeken zelfs zouden zij verbieden, daar, ge-
lijk het licht in den duister, de waarheid nevens de leugen geplaatst slechts te klaarder
scheen 2. Doch zulke denkbeelden waren te ver gevorderd voor den tijd; zy behelzen
oenen kiem, die twee eeuwen noodig zou hebben zich te ontwikkelen. In dien tyd toen
de grondslagen van den Slaat, als het ware, nog bloot lagen, kwam er mede menige fonda-
mentsteen aan het licht, waarop eerst latere eeuwen zouden bouwen. Maar thans moest de
Nederlandsche aristocratische antikatholische Staat worden opgerigt; gevoelens, als die der
Leidsche Regenten, zweemden naar hetgeen toen
Libertijnschap heette. Geene onverschil-
ligheid ten aanzien van de Godsdienst harer onderdanen mögt aan de Overheid verweten kun-
nen worden. De Gereformeerde Godsdienst is de eenige ware, deze stelling moest de grond-
slag zijn der Republiek, en de Overheden konden zich aan hare handhaving niet onttrekken.
Maar kon zich nu de Overheid niet door de Kerk laten binden, zoo moest de Kerk, evenwel
met al . den eerbied, haar verschuldigd, door de Overheid gebonden worden: er moest
oiiuvorpeiiopksf van Overheidswege eene
Kerkeordening lot stand komen. De Prins van Oranje, gevvaar-
vim O
wmv!""'^®®·^ verderfelijke gevolgen van de bemoeijingen der Kerkdijken mVlaande-

J '

1 In de Nationale Synode te Dordrecht van 1578 was besloten, dat er om de drie jaren eene
Nationale Synode zou gehouden worden.

2 uïtekbogaert, bl. 210—219. brandt, I, bl, 678—680.

\

ocr page 382

DES VADERLANDS. U05'

ren en door het ongenoegen, hetwelk de besluiten der Nationale Synode van Middelburg iöl2.
hadden doen ontslaan, verklaarde den Staten van
Holland, dat, »tenzy met behoor-
lijke orde daarin werd voorzien, het geschapen zou zyu, dat de Gereformeerde Religie
en het Land beiden verloren zouden gaan.'* Hierop magtigden de Staten den Hoogen
Raad, benevens den Heer van
matuenes, Mrs. adriaak wensen, johan van oldenbar-
KEVELT, "WILLEM VAN DER MEER, FRANfois MAELSON, en wic de Steden huu zoude wen-
schen toe te voegen, om te '
ä Hage bijeen te komen, de handelingen der Middelburg-
sche en andere Synoden te herzien en daaruit eene zekere kerkelijke en politieke orde
le ontwerpen. Deze taak was in het volgende jaar volbragt. Maar de moegelijke lyds-
omstandigheden, de moord van den Prins en de komst van
leigester beletteden, dat
deze kerkeordening, die men trouwens slechts bij provisie had willen invoeren, lot uit- ril

voering kwam ^ In 1586 verzochten de Kerken leigester bewilliging lot eene Nati-
onale Synode. Hij verleende ze zonder bedenken, en, zonder de Staten daarin le kennen,
deed hij deze vergadering te
^s Gravenhage beschrijven. Hier ontwierpen de Kerkdijken Kerkeordening
eene kerkeordening, die den sledelyken Overheden slechts de approbatie overliet van spode^te 's Gra-
de door den kerkeraad verkozen predikanten, ouderlingen en diakenen, en, onder ande-
ren, op nieuw inhield, dat om de drie jaren eene Nationale Synode zou gehouden wor-
den, zonder dat er gewag gemaakt werd van eerst verlof aan de Overheid te vragen.
De predikant, die weigerde de Belgdenisschriften te onderleekenen, werd met schorsing
en eindelijk met afzetting bedreigd. Ook de professoren in de theologie en de »school-
meesters" moesten die zelfde geschriften onderteekenen, en wenschelijk verklaarde het-
zelfde artikel, dat ook de andere professoren dit deden. Voor 't overige behelsde deze
ordening nog de bepaling, dat de plaatselyke Magistraat, des verkiezende, een of twee
uit hun midden, zijnde lidmaten der Kerk, de vergaderingen van den kerkeraad konde
doen bijwonen om over de voorvallende zaken mede te beraadslagen. Deze kerkeordening
werd door
leigester, buiten de Staten om, goedgekeurd en bekrachtigd, ja, ten minste
le
Utrecht^ legen de predikanten van de St. Jacobs-Kerk toegepast. De Stalen van Hol-
land
keurden haar in December lb86 insgelijks goed, doch tot wederzeggens toe en
onder voorwaarden, »dat de Staten, Edelen en stedelijke Magistraten zouden blgven bij
hun regt en oud gebruik nopende het aannemen en afzetten van kerkedienaren en
schoolmeesteren, mits zy niemand, dan die zuiver was in leer en leven, lot de kerke-
dienst riepen." Voorts zouden de Staten door deze kerkeorde in hun regt en gezag in
het burgerlijk bestier niet worden verkort, en alle kerkelyke personen hun onderworpen
zijn, gelijk andere burgers en inwoners. Eindelijk mögt in deze kerkeorde niets veran-
derd worden zonder voorafgaand wettelijk verlof der Stalen 2,

' ΒΛΑλοτ, t. a. p. I, bl. 685, 686.

2 BRANDT, t. a. pl. bl. 714 , 715 , 718 , 720 , 721. uvtekbogaert, bl. 229 -237.

ocr page 383

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1612, Daar liet noodig was de slechts bij provisie en voorwaardelyk aangenomen kerkeorde-

ning door vasle bepalingen te vervangen en de predikanten, den 14"^®" Mei 1587 te
Kcrkeordening Hage bijeengeroepen, mede zeer daarop liadden aangedrongen ^, zoo bewerkte olden-
rau 1d91. barwevelt , dat de Staten van Holland de kerkeordening, in 1583 ontvvorpen, in
February en 3Iaart des jaars 1591 door acht Heeren, leden van de Staten of de Geregls-
hoven, en acht predikanten deden herzien. Onder de politieke Heeren, die de herziene
kerkeordening ontvyierpen, was
oldenbariseyelt zelf, onder de predikanten uytenbogaert ,
die toen nog minder stellige gevoelens omtrent het gezag der Overheid in het kerkelijke
koesterde, en
arminius, toen nog te Amsterdam. Echter ontbraken er onder de acht
geene regtzinnige predikanten. In den boezem der Vergadering zelve waren de gevoe-
lens op de vraag, by den aanvang eerlyk door den Advokaat gesteld, »of men ook
verstond, dat het den Hoogen Overheden elk in zijn land toekwam kerkelijke wetten
en ordonnantiën te maken," reeds dadelijk verdeeld. Evenwel, men werd het eens uit
aanmerking, dat zoo de Overheid der Kerk geene wetten kon stellen, »zonder den
mond Gods raad te vragen," of de Kerk daarin te kennen, beide hier plaats greep,
aangezien men elke vergadering met plegtige gebeden aanving en hier de Kerk door
een genoegzaam aantal harer dienaren vertegenwoordigd was 2. De ontworpen ordening
Haar inhoud, was gesteld in 41 artikelen, handelende van de verkiezing van kerkedienaren
in de sleden en ten platten lande; van de examinatie en den eed der kerkedienaren;
van het aanstellen van ouderlingen en diakenen en de door hen af te leggen beloften;
van den doop, het avondmaal, en de feest- en bededagen; van het huwelyk en het
bezoeken van kranken en gevangenen; van de kerkelijke vergaderingen, als kerkeraad,
classicale vergaderingen en Provinciale Synode; van de kerkelijke censuren, en einde-
lijk van het aanslellen van »schoolmeesters" en het uitgeven van drukwerken Met
betrekking tot de verkiezing van predikanten werd bepaald, dat zij geschieden zou door
vier gemagtigden van burgemeesteren en regeerders gezamenlijk met vier gemagtigden
van predikanten en ouderlingen. De verkozene zou door burgemeesters en regeerders
moeten goedgekeurd worden, en, werd hij niet goedgekeurd, zoo zou men tot eene
nieuwe keuze moeten overgaan. Ten platten lande zou de Hoofd-OiBcier met den Schout
en den Geregte de vier gemagtigden aanwijzen, en de vier kerkelyke gemagtigden zou-
den drie predikanten uit de classis zijn met eenen ouderling van de Kerk of met een
vierden predikant der classis. Waar een Heer was in het bezit van het collatieregt zou
deze de vier burgerlijke personen magtigen en de keuze moeten approberen. De ouderr

1 DOR, B. XXII fol. 90 recto. )

2 HOR, Boek XXVIII, fol. 22 recto.

^ Men vindt de geheele kerteorderdening bij bor, t. a. pl. fol, 22 recto tot 25 verso.

ocr page 384

DES VADERLANDS. U05'

liogen en diakenen in de steden zouden voor twee jaren yerkozen worden door de bar- 1C12.
geraeesleren en regeerders uit eene nominatie, opgemaakt door vier gemagtigden Tan i;

de Magistraat en vier van den kerkeraad, en na de verkiezing aan de gemeente worden |

ii

voorgesteld, om zoo binnen veertien dagen »geen wederzeggen gedaan werd," vrellig
aangesteld gerekend te worden. Ten platten lande zou hunne verkiezing met de noodige
wijzigingen volgens denzelfden grondslag geschieden. Na zyne eerste beroeping zou de
leeraar geëxamineerd worden door een der Leidsche hoogleeraren in de godgeleerdheid
en twee predikanten, daartoe jaarlyks door de Synodale Vergadering gecommitteerd, !

ten overstaan van twee Gecommitteerden der Stalen en twee van de plaatselyke Overheid.
Des verkiezende kon men van een leeraar ook bij eene volgende beroeping het examen
vergen. Voorts werd ten aanzien der kerkelijke vergaderingen bepaald, dat liet der |

Magistraat van steden en dorpen vrij zou staan, den wekelijkschen kerkeraad door
iemand uit haar midden te laten bgwonen, die hel regt zou hebben om zijn advies te i

geven. Ook in de viermaal 'sjaars te houden classicale vergadering kon zich de Magi- i

straat der stad, waar zij gehouden werd, laten vertegenwoordigen. Zonder nadere be-
schryving zou er jaarlijks op den tweeden woensdag na pinksteren eene provinciale Sy-

node van Zuid- en Noord-Holland te 'ä Hage gehouden worden, waarin zitting en Î¯

'Is

slem zouden hebben de hoogleeraren in de theologie van de Leidsche Universiteit met |

Iwee predikanten en eenen ouderling uil elke classis, ten overslaan van Gedeputeerden I

der Staten. Wal op eenige Provinciale Synode bepaald was, zou kracht van wet heb-
ben, zoolang als hetzij op eene andere Provinciale, hetzg op eene Nationale Synode
niet anders besloten was. Wat de lucht betreft, zoo zou de afsnijding uit de Kerk slechts |

met consent der burgerlyke Overheid kunnen geschieden; weigerde deze dit consent, zoo |

had de kerkeraad beroep op de Provinciale Synode. Om openbare grove zonden, waaronder
ook ketterij gerekend werd, zouden kerkelijke personen door den kerkeraad, met advies van
de Magistraat, geschorst, en door de Provinciale Synode afgezet worden. Eindelijk zou- ^

den slechts dezulken, die openbare belijdenis deden van de Gereformeerde leer als |

»schoolmeesters" kunnen aangesteld worden, »op boete dal indien bij conniventie van de |

Officieren onbevoegden tol de scholen waren aangesteld of gedoogd, deze Officieren j

deswegens arbilralijk zouden gestraft worden." I

Deze kerkeordening, aan de geregtshoven en- de Staten toegezonden, werd door hen
volkomen goedgekeurd. Niettemin bleef de uitvaardiging achterwege, vermits de steden I

Delft, Gouda, Rotterdam, Hoorn en Medemblilc beweerden, dat daarbij aan de Kerken
te veel werd toegegeven. Daarentegen waren verscheidene predikanten van oordeel, I

dat zij aan de burgerlijke Overheid te veel regt toekende; ja, eenigen uil de Synode
van den
Briel wilden de predikanten, die aan het ontwerp mede hadden gearbeid, Î¶

deswegens gecensureerd hebben. Dit uileenloopend oordeel was wel geschikt om de
Staten van de billijkheid van het ontwerp Ie overtuigen; ook liet
oldenbarneyelt hel niet

ί

'f

ocr page 385

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1612. aan pogingen ontbreken om de genoemde steden te bewegen hare toestemming tot de
uitvaardiging te geven Doch toen nu de kerkelijke geschillen a! hooger en hooger
gestegen waren, begreep hy, dat eene eerlijke toepassing der vermelde kerkeordening
een geschikt middel zou zijn om die twisten, zoo niet dadelijk te bedaren, ze ten
minste spoedig minder gevaarlijk te maken, en de predikanten eindelijk aan verdraag-
Hare strekking, zaamheid te gewennen. Onmiskenbaar is in het ontwerp de strekking om aan de plaatse-
lyke Overheden allen invloed op de kerkelgke zaken harer gemeente te verzekeren.
Kon deze met beleid geoefend worden, dat is, wisten de Heeren der dorpen, de natuur-
lijke patronen en scheidslieden der landbewoners, en de stedelijke Magistraatspersonen,
die in geene andere betrekking tot hunne burgers stonden, den zin hunner gemeenten
te bespieden en zich daarnaar te regelen, dan zouden er eensdeels in haren boezem
geene grove oneenigheden ontstaan, en anderdeels zou het gevolg wezen, dat weldra
in de eene gemeente kerkedienaars van deze, in de andere van gene der beide rigtin-
gen de overhand hadden. Vermits aan de eene gemeente geen oordeel over de andere
toekwam, zoo zouden de leeraars uit verschillende gemeenten elkander wel moeten
erkennen en verdragen; en de besluiten der classicale en provinciale Vergaderingen
zouden van deze noodwendigheid de blijken dragen. Zoo zou de godsdienst meer en
meer eene zaak van als het ware huiselijk belang van elke burgerlijke gemeente wor-
den; het denkbeeld van eene volstrekt ondeelbare Katholieke Kerk, door de geheele
wereld, voor zooverre die niet in dwaling en zonde lag, te erkennen, en door de
algemeene Lands-Overheid met het zwaard uit te breiden en te wreken, zou allengs
komen te vervallen, in één woord, alles wat de Staat van de Kerk slechts wenschen
kan, zou tot stand gebragt, alles wat hij van de Kerk te duchten heeft, zou afgesneden
worden. Geen wonder, dat
oldewbarnevelt, bepaaldelijk in 1612, op de invoering van
de kerkeordening van 1591 aandrong.

Reeds op het eind van het jaar 1610 December) was door de Staten van Holland
besloten, dat het dienstig wezen zou deze kerkeordening in de eerstvolgende bijeen-
komst tot een onderwerp van onderzoek te maken, en haar daarna, zoo mogelijk, te
arresteren en in te voeren. Dit echter gelukte toen niet, aangezien eenige sleden
verstonden dat de zaak nog uitgesteld diende te worden, totdat de kerkelijke geschillen
beslecht zouden zijn; men nam zich voor desaangaande in de volgende bijeenkomst tot
een besluit te komen 2, Jn de zitting van den 21"®" Februarij tot den 24'"" Maart 1612
werd dan ook besloten, dat die sleden en dorpen, welke de kerkeordening van 1591
met betrekking tot de wijze van benoeming der leeraars, ouderlingen en diakenen

ï BOR, t. a. pl. fol. 25 verso.
3
flesol V. Holl, 1610, hl 235, 1611, bl. 244, 381.

ocr page 386

DES VADERLANDS. 1ί15

zouden wenschen loe Ie passen, dit »op naam en by autoriteit van de Staten zouden ^<512.
mogen doen, zonder iemands wederzeggen, alles bij provisie en tot anders zou verordend
wezen". In de maand Augustus werden de Gecommitteerde Raden gelast en gemag-
tigd om legen de aanstaande bijeenkomst der Staten de steden, die zwarigheid gemaakt
hadden zich te conformeren met de middelen tot herstel van de rust in de Kerk, door
de meeste leden voorgeslagen, daartoe alsnog te bewegen, en werd de toepassing der
kerkelijke ordonnantie van 1591 ook Tergund op het stuk »van het houden en assisteren
van kerkelijke en classicale Vergaderingen"

Dat de Contraremonstranten deze bepalingen geenszins in dank aannemen zouden,
liet zich verwachten. Tegen het beginsel zelve, eene kerkelijke ordonnantie van over-
heidswege in te voeren, konden zij niet wezen. In
Zeeland^ waar de Contraremon-
stranten de overhand hadden, was in 1S91 eene kerkeordening door de Staten ontwor-
pen en ingevoerd, en de Staten van
Groningen en Ommelanden^ waar insgelijks het
Remonstrantisme niet was doorgedrongen, voerden er eene ten jare 1594 in Doch zij
hielden alles verdacht, wat in dezen tijd van de Staten van
Holland kwam. Hoe
weinig evenwel deze kerkeordening de Remonstrantsche partij begunstigde, blykt
hieruit, dat zelfs
baudaeut 3 erkent, dat er eenige punten in voorkwamen, niet naar den
zin der Remonstranten, en dat dezen daarom op hare aanneming zoo sterk niet drongen.
In
Utrecht^ waar de Remonstranten toen de meerderheid hadden, werd in de maand
Augustus 1612 in eene kerkelijke Vergadering, waarin
uytenbogaert Voorzitter was*,
eene kerkeordening ontworpen, die in zooverre aanmerkelijk van de HoIIandsche van
1591 verschilde, als daarin uitdrukkelijk niet alleen alle bemoeijelijking wegens Armini-
aansche gevoelens was afgesneden, maar zelfs de Remonstrantsche voorstelling van de
praedestinatie was gehuldigd ^ Hoe het zij, met een gerust geweten konden de leden
der Stalen, die de invoering van de kerkeordening van 1591 doorzetten wilden, de
uitwerking van dezen maatregel afwachten.

Hun, die in Holland de staatkunde, door de Regering, ten aanzien van de kerkelijke

1 Resol V. Holl. 1612, bl. 943, 955, 956.

2 brandt, I, H. 774, 799.

3 Bl. 88.

'' BAüDAERT (bl. 89) acht het ongehoord, dat een predikant uit eene andere Provincie hier Voor-
zitter was. Maar
üytenbogaert had de beroeping naar 's Hage slechts aangenomen, »onverminderd
zijne verbindtenis aan de Kerk en Gemeente te
Utrecht.*'' Dit verklaart hij openlijk in de Staten
van
Holland (den 13«^=" Jan. 1612), bij gelegenheid dat hij zijn onfelag verzocht om het beroep
naar
Utrecht te volgen. Dit ontslag werd hem niet verleend.

® Zie deze kerkeordening genoteerd 1026 van de Bibl. v. Pamß. De voorname inhoud
wordt medegedeeld door
brandt II, bl. 172—176. Zie voorts dytenbogaert, bl. 545, 546, 594—596.

ΙΠ Deel. 2 Stuk. G5

ocr page 387

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1612. zaken gevolgd, niet sterk genoeg meenden te kunnen veroordeelen, en niels liever
wensehten, dan hem, die de ziel dier staatkunde was, ten Tal te zien komen; hun was
het onbekend, hoe naauw de toestand van het Buitenland, bepaaldelgk Tan
Frankrijk,
met dien van de Republiek der Vereenigde Nederlanden zamenhing; hoe kiesch de
betrekkingen tusschen deze beide Staten waren; Tan welke hagchelyke geTolgen het
voor
Frankrijky ja, Toor geheel Europa had kunnen worden, zoo olderbariteyelt
was afgetreden, of zich eenig deel Tan zynen invloed had laten ontwringen. Zoo zijne
maatregelen, in het Binnenland genomen, niet aireede in zichzelven onberispelijk ge-
weest waren, zou deze bedenking alleen reeds genoegzaam zijn geweest om hem in de
oogen van Terstandige beoordeelaars te regtTaardigen.

ocr page 388

DES VADERLANDS. liip

1613.

VIJFDË HOOFDSTUK.

LAATSTE JAREN VAN OLDENBARNEVELTS STAATSDIENST.

iei3—iets.

De laatste instructie, den April 1609 door Hendrik IV, Koning van Frankrijk^

aan den Heer de pkéaux naar Holland voor zijnen afgezant jeannin medegegeven, hield

deze woorden in: »Maar het zou dienstig zijn, den Heer van aerssen terug te roepen Fransche

° Regering ver-

en door eenen anderen Gezant alhier ie vervangen, om de redenen, die den Heer langt akrsshns

DE PRÉArx mondeling zgn medegedeeld. Want zijn vroeger gedrag geeft zeer slechte ^ ^

verwachtingen voor de toekomst, en het schijnt, dat, waar hy ook zgn verblijf houde,
hij nimmer zooveel kwaad zal kunnen doen als waar hij thans is" Waarmede had
de Nederlandsche Gezant te
Parijs, de diplomaat, dien Richelieu een der drie groot-
sle hem bekende staatslieden noemde; de man, die immers zoo ijverig had medegewerkt
tot het sluiten van het Bestand, aan hetwelk de Koning zijn zegel gehecht had; waarmede
had hij dit scherpe oordeel verdiend? Hoezeer de redenen mondeling en met de grootste
omzigtigheid aan
jeaknix alleen moesten medegedeeld worden, blijken zij genoegzaam
én van elders én uit deze woorden, die de Koning er bijvoegt: hij acht hem gevaar-
lek, zegt hij, »én wegens al hetgeen hem bekend is geworden in het algemeen, én
wegens de verstandhouding, waarin hij met zyne geloofsgenooten staat in het fagzonder.
Ook na de onderwerping van den Hertog
vatï boüillox had Hendrik nog steeds het
drijven der vurige Protestanten in zijn Rijk te duchten. Tusschen dezen en de Ver-
eenigde Provinciën bestond er een natuurlijke band. Op de Republiek waren hunne oogen
voortdurend gevestigd. 'sKonings bondgenootschap met haar bewerkte, dat hij het ver-
trouwen der Hugenoten in zijn Rijk niet ten eenenmale verloor, gelijk hy, omgekeerd,
de gemoederen in de Republiek aan zich verbonden hield door de Hugenoten welwil-
lend te bejegenen. In deze omstandigheden laat het zich ligt nagaan, boe gewigtig
de betrekking was van Gezant der Staten te
Parijs, Bevond zich op dezen post een
voorstander van diegenen der Fransche Protestanten, welke zich met
Hendriks staat-
kunde niet konden verzoenen, dan had hg een hoogstgevaarlgken en tevens onaantast-
baren tegenstander in zijn eigen Rijk, en zoolang deze man het vertrouwen zijner

' JEAJTSIX, Negoc. I, p. 77.

65*

ocr page 389

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1613. Meesiers genoot, was het te yreezen, dat de Slalen door zijne inlichtingen en raad-
gevingen lot eene staatkunde overgehaald zouden worden, met
Frankrijhs belang geheel
en al in slryd. Dit geval nu schynt de Koning in den persoon van
rrikgois van aerssen,
een man zoo bekwaam en fijn, als stoutmoedig en Tolhardend, verwezenlijkt geacht te
hebben. De eerste aanleiding tot 's Ronings ongunstige stemming ten zijnen aanzien schynt
men te moeten te zoeken in de zyns oordeels min bescheidene wijze, waarop hij zich in
1607 van den geheimen last gekweten had, hem opgedragen bij gelegenheid eener reize,
die de Gezant naar
Holland ondernam ^ De voorstellen, namelijk, die van 'sKonings
wege waren overgebragt, hadden algemeene ruchtbaarheid
gekregen 2. Van aerssen van
zijnen kant weet de schennis van het geheim aan hen, die hel Bestand hadden door-
gedreven, en alzoo in de voornaamste plaats aan
oldenbarnevelt Wat hiervan zijn
moge, het vertrouwen, dat hij aan het Fransche Hof genoot, was gekrenkt, en leed
nog meer, toen hy op een tijdstip, dal men in
Frankrijk nog geen vrede tusschen
de Republiek en
Spanje begeerde, wegens de betrekking, waarin hg slond lot den
griffier der Stalen-Generaal, die van den aanvang aan de hand in de vredesonderhande-
lingen gehad had, verdacht werd, byzonder met het sluiten van een vredesverdrag Ie
zijn ingenomen
Dit was het geval echter niet en zoo de reden van Hendriks
misnoegen, in zyn schrgven van den April 1609 opgegeven, eenigen grond ge-

had heeft, is het veeleer te denken, dat hij met de vurige Gereformeerden het Bestand
met leede oogen heeft aangezien: zijne vijandigheid tegen
oldenbarnevelt, dien hg in
zijne brieven vleide, maar wien hij te
Parijs zooveel mogelijk afbreuk trachtte te
doen®, moest hel hem alleen reeds onmogelijk maken een opregt voorstander van den
vrede te wezen, waarvan
oldenbarnevelt al de eer zou toekomen. De grieven,
voor welke men rond kon uitkomen om
aerssens terugroeping te begeeren, werden
door eene verklaring, die voldoende gerekend werd, uit den weg geruimd en

ï Zie hiervoor bl. 248, en wagenaar, IX, bl. 261—265.

2 JEANNIN, I, p. 26, 334.

3 Zie oüviiÉ, Aubéry du Slaurier, p. 208, waar uit van aerssens vertoofi, den 29"®° Octoher
1613 in de Staten-Gcneraal gehouden, zinsneden worden aangehaald, die niet Icruggivonden wor-
den in het stuk, zoo als het gelezen wordt in de
Resol. der Slalen-G ener aal, op den No-
vember 1613. Dus blijkt
van aerssen dic zinspcling achterwege gelaten te hebben, toen hij die
rede op verzoek der Vergadering op schrift stelde.

jean™, 1, p. 90, 367; II, p. 524.

5 JEANNIN, I, p. 332.

β jeannin, I, p. 439j 111, p. 235.

' jeannin, 1, ρ 123, 132.

ocr page 390

DES VADERLANDS. U05'

hoezeer men in Holland er over gedacht had hem zynen posl te doen verlaten^ ', leis. !

hij bleef Ie Parijs en Terkreeg zelfs na hel sluiten \an het Bestand den rang Tan !

Ambassadeur, daar hij lot dusverre slechts Agent of Resident geheeten had. Doch |

de troonsbeklimming van lodewijk XIII onder het Regentschap van de Koninginne- I

moeder, maria de medigis , veranderde den stand der zaak. Deze Vorstin, naar 1

Spanje overhellende, moest, meer dan haar voorganger, voor de woelingen der Pro- ^ J

teslanlen beducht zijn, en eenen in zoo menig gevaarlyk geheim ingewyden, met
de hoofden der Hugenoten vertrouwden Staatsman aan haar Hof te hebben, kon haar
niet aangenaam zijn. Maar geene bloole vermoedens boezemden de Regentes legen- I

zin tegen van aersserr in. Hij berispte bij alle gelegenheden hare daden; hij sloot
zich openlyk aan den tegenstand der Hugenoten aan, en trachtte de oneenigheden tus- |

sehen hen by te leggen, ten einde hunne partij sterker te maken, en als de Koningin I

hem verweet, dat hij het land in vuur en vlam zette, zeide hy, dat het wel slecht -

met het Rijk gesteld moest zijn, zoo een bijzonder persoon dat vermögt te doen De |

Fransche Regering moest alzoo zijne verwijdering wenschen en eenen geschikten weg !

trachten in te slaan om zich van hem te ontdoen. Maar was men in de Nederlanden ge-
neigd hem te ontslaan? De vraag of men hem zou terugroepen, al of niet, was wel \
geschikt om hier te lande de gevoelens te verdeelen. Z.ou men den trouwen wachter
staatkunde der
van het Protestantismus op dien belangrijken post opofferen aan eene Katholieke melaauÏÏr'' lm \
Spanje heulende Koningin? Deed men dit, dan scheen men zelf met Spanje te heulen, 1
De toestand in Frankrijk was hagchelijk, en zoo de Hugenoten, met den Hertog van j
borilloit en den Prins van condis aan het hoofd, zich daar niet krachtig deden gelden,
zou
Frankrijk geheel onder Spanjes invloed raken en voor de zaak der Republiek ver- !
loren zyn. Tegen deze beschouwing stond die van bezadigder staatslieden over. Het was der '
Stalen zaak, zoo redeneerden dezen, het wellig gezag in
Frankrijk te ondersteunen.
Wilden zy zeiven als een geregelde Slaat erkend blijven, zoo moesten zij niet heulen '
met de parly der wanorde in
Frankrijk, ^Deze partiy was Protestanlsch- en Anli-Spaanscli- ]
gezind, het is waar, doch ook een Katholieke Regering zou op den duur hare zelf-
standigheid tegen
Spanje moeten handhaven en dit wel weten te doen. Ook een duplessm-
MORNAY was op de hand van den Roomsch geworden BENiïRiit tegen den Prolestantsehen ]
Hertog
van bouillon gebleven, en had in het behoud van het leven van dien Koning
het behoud van den Slaat gezien 3; het was het belang der Koningin öai met dc Repu-
bliek in vriendschap te blijven, ten einde
Spanje in ontzag en een groot deel harer onderdanen Η
welgezind te houden; had bovendien de Koningin niet de voornaamste van de raadslieden

Μ

1 jEAXKix, 1, ρ. 433.

2 ouvßE, L a. pl. p. 206.

^ OUVKÉ, p. 131.

ocr page 391

>J18 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1613. haars gemaals in het Bewind gelaten, het edikt van iVawie^ niet gehandhaafd, de Protestant-
sche Vorsten in
Gulik niet ondersteund, en, wat alles afdeed, had zij de verbonden, met de
Staten gesloten, niet gestand gedaan, en bleef zij de Nederlanders niet met fondsen tot gemoet-
koraing in de betaling der Fransche soldaten in de dienst der Republiek ondersteunen
Men moest hoogst onbezonnen zijn of op omwentelingen in het Europesche evenwigt
rekenen om in dezen staat der zaken niet opregtelijk met de Koningin-Regentes van
Frankrijk te werk en te rade te gaan. Het behoeft naauwelijks gezegd te worden, dat
Oldenbarne-deze laatste zienswijze die van oldenearnevelt was, en dat hij derhalve aerssens
TAN^ER^sEN te-^^^ug^'o^P'^S gaame zou gezien hebben. Reeds lang voor 1607 vermoedde van aerssen,
ruggeroepen te j^j j^y zijnen schoonzoon VAN DER MiJLE tot opvolger wilde geven Dit vermoeden
lag voor de hand; maar zeker is het, dat
Gideon van boetselaer, Heer van Asperen^
Langerak
enz., gewoonlijk de Heer van langerak genoemd, reeds in 1610 de begeerte
had doen blijken, om het land in eene eervolle ambassade te dienen; dat de Heer van
brederode hem aanbeval, en dat oldenbarnevelt hem daartoe wegens zijne hooge
geboorte en goede hoedanigheden boven anderen geschikt achtte 3, Moest de Koningin-
Regentes van
Frankrijk aerssens vrienden in haar eigen land te zeer ontzien om
openlijk tegen hem op te treden en zijne verwijdering te vorderen,
oldenbarnevelt
schroomde desgelijks de voorstanders van den persoon en de staatkunde van den Gezant
in het harnas te jagen. Dus bleef de zaak hangende. In de
Resoluliëii der Staten
van
Holland op li·'"" Mei 1611 lezen wij: »betreffende de vraag of de Ambas-
sadeur
van aerssen, die in Frankrijk zijn krediet schgnt verloren te hebben, zijn
ambt zal blijven bekleeden, ja of neen, wordt bij de meeste stemmen goedgevonden,
dal men het aan zijn bescheiden oordeel zal overlaten, of hy meent in vrije conscientie
de gemeene zaak aldaar langer te kunnen dienen; zoo ja, dat men hem zijn ambt nog
voor een jaar zou laten behouden; zoo neen, hem zyn verlof zou doen nemen en doen
te huis komen; in geen geval mögt hij eenige hoop op verhooging van zijn traktement
koesteren." De zaak aan
aerssens bescheiden oordeel over te laten, was zoo veel
als hem minstens nog een jaar verlenging van zijne dienst te verzekeren. In 1607,
toen hij
Hendrik IV tegen zich verstoord had gemaakt, had hy het voorkomen aange-
nomen, alsof hij zijn ambt wilde nederleggen; maar één woord van
villeroy was vol-

1 Boven zeiden wij (bl. 405, Noot 2), dat de Staten de Fransche troepen betaalden. Werkelijk
betaalden hen de Staten en wel bepaaldelijk, op verzoek der officieren, de Staten van
Holland;
maar dezen ontvingen daartoe van Frankrijk een bedrag van 600,000 ponden, krachtens het trak-
taat, aanvankelijk voor twee jaren gesloten, den l?*^®" Julij 1609. Zie
Ilesol. v. Holl. 1609,
bl 955, 956, en
jeankin IV, p. 136. ^

2 JEANNIN, 1, p. 439.

3 Vcrhooren, N". 183, bl. 109, 110.

\

\

ocr page 392

DES VADERLANDS. U05'

doende geweest om hem van dit plan af te brengen en thans nam hij niet eens den ißig,
schijn aan van te willen vertrekken;. In Maart 1612 vonden de Staten »voor dezen lyd
niet geraden" den Ambassadeur
van aerssen te vervangen; men »continueerde" hem
van Mei eerstkomende nog voor een jaar Doch toen dit jaar ten einde liep, schijnt hy
begrepen te hebben, dat er aan geene verlenging zyner zending meer te denken viel.
Althans hy verzocht van de Staten vergunning tot eene reize naar
Holland^ en nam van Van aeussen
de Koningin en de Ministers afscheid met de verklaring, dat de staat zyner gezondheidFrank-
en zijne bijzondere zaken hem dwongen zijnen post neder te leggen. Ten minste zoo
vatteden de Fransche Slaatsheden zijne woorden op, en weltevreden met zijn besluit,
haastte men zich hem een kostbaar afscheidsgeschenk te geven, hetwelk hij dan ook
geene zwarigheid maakte aan te nemen.
Aerssen beweerde later, dat hij slechts plan
had gehad een paar maanden in
Holland te blijven, en dat het geschenk hem uit er-
kentelijkheid wegens de afdoening van een (later te vermelden) verschil met
Frankrijk
verleend was Ook was het Fransche Bewind niet geheel gerust: men vreesde voor
zijnen invloed in zijn vaderland, en de Fransche Gezant
benjamin aubéry, Sieur du
maurier,
kreeg bepaaldelijk in last zyne gedragingen in het oog te houden

Inderdaad er was veel beleid toe noodig om, bij de partyen, die én in Frankrijk éix
in de Republiek min of meer bedektelijk woelden, de goede verstandhouding tusschen
de beide Stalen voor schipbreuk te behoeden. Du
mauriers voorganger had reeds eene
vrij kiesche taak te vervullen gehad. Nadat
jeannin, in Juny 1609, met dankbetuigingen
en geschenken overladen, naar
Frankrijk was teruggekeerd, was de russy alleen hier
als gewoon Gezant overgebleven. Deze bekwam in 1611 verlof om van hier te vertrek-
ken , en nu zond de Koningin^Regentes in den herfst van hetzelfde jaar den Heer
de zending
reffuge herwaarts. Zijne instructie hield in, dat hy zich boven alle anderen met ol- ^^^^^^
DENBARNEVELT, die, ZOO als wij zagen, het vertrouwen der Fransche Regering ver-
diende, vrij en vertrouwelyk over alles moest onderhouden en zynen raad moest volgen.
Hem moest hij bij alle gelegenheden doen beseffen, hoe zeer hunne Majesteiten zijne goede
gezindheid op prijs stelden. Evenwel moest hij hierin met voorzigtigheid te werk gaan
om Prins
maurits met de zijnen en oldenbarhevelts benijders niet tegen zich in te
nemen. Hunne Majesteiten toch waren onderrigt, dat de verdeeldheden en partijschap-

van

BEFFUQE naar

^ JEANKIS, p. 86—89.

2 Rcsol V. Holl, 1612, bl. 646 , 946.

3 OUVKÉ, l. a. pl. p. 206, 207. Reeol Slat.-Gen. 12 Nov. 1613. Dat het van aensieir alleen om dit
{{csclicnk te doen zou geweest zijn, is het onwaarschijnlijk beweren van
loüis düuaürier, denzoon
vaa den Gezant. Zie zijne
Mémoires de llollandc, p. 317 {Paris^ 1711).

^ t, DU MAÜRIER, t. Ü. pl.

ocr page 393

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1013. pen eer toegenomen dan verminderd waren. Dit evenwel moest de Gezant veinzen niet
te weten, en aan de partijen moest hij die eendragt aanbevelen, welke aan de Ver-
eenigde Provinciën de vrijheid geschonken had en ze alleen kon in stand houden. Tegen-
over MAURiTs en de Staten moest hy voor 't overige aanvankelyk op zyne hoede zyn

De voornaamste onderwerpen, die de reffüge ter sprake te brengen had, waren twee
in getal: zekere schuld van
Frankrijk aan Engeland^ door de Stalen te voldoen en
de huwelijksverbindtenissen, welke de kinderen der Koningin met de Spaansche konink-
Igke familie stonden aan te gaan.

Berde van Bij het traktaat van Hampion-Court^ in 1603 gesloten, had hekdrik.IV zich verbonden
fchuld
Lu Enge- ^^n de Vereenigde Nederlanden tot voortzetting van den krijg onderstand in geld te verleenen;
ten'^te "νοΗο^*^^ derde beschouwd worden als strekkende lot aflossing van de schuld,

door hem bij Koningin elizabeth gemaakt \ Zoo nam dan de Nederlandsche Republiek
die schuld van
Frankrijk aan Engeland over. Hoe gewiglig deze zaak ook was, de
toen in
Engeland aanwezige Nederlandsche Gezanten schijnen haar op hunne verant-
woording genomen Ie hebben. Blijkens het rapport van
van der mijle ^ verlangde de
Engelsche Regering in
1610 van Frankrijk de belofte, dat dit Ryk haar het gezegde
derde van de verleende onderslandsgelden zou voldoen, en
Frankrijk verhaalde dezen
eisch van
Engeland natuurlyk op de Staten, Daar de bewuste bepaling van het verdrag
van
Hampion-Court gemaakt was »zonder de Staten-Generaal daarop te hoorenzoo
zal de opening van deze zaak de Staten-Generaal bevreemd hebben. De Nederlandsche
Gezanten bij de onderhandeling van
1603 waren geweest: Prins fredebik Hendrik,
walraven yan brederode, oldehbarnevelt cu jakob yalgke
, Thesaurier van Zeeland,
De Prins was loen nog een zeer jong mensch, brederode was thans oud en den dood nabg 5,
en vAiGKE was reeds in
1603 'm Engeland o^qvXq^qo.^, Dus kwam alle verantwoordelgkheid

1 OüviiÉ, t. a. pi. p. 191.

2 Deze schuld beliep volgens aerssens begrooting wel drie millioenen gulden {^Resol, Slat.-Gen.
12 Nov. 1613).

3 Zie hiervoor, bi. 190.

4 Zie de uit dit Rapport aangehaalde -woorden hiervoor hl. 411, Noot 1. — Daar is te lezen
XL in plaats van X
I grooten. Het woord gulden vindt men daar en meermalen elders in plaats
van
ponden gebezigd.

5 Hij stierf ia 1614, 67 jaren oud.

6 Waaragt. ïïist. v. Oldenb,^ hl. 71. Uit Archiv, de la Mais. d'Orange, 11 Série, Tome U,
Lettre 289, blijkt, dat fkederik Hendrik weinig op de toen te Londen gevoerde onderhandelingen
lette, en slechts haakte om naar het oorlogstooneel terug te keeren; uit
Lettre 201 (ρ. 207), daaren-
tegen, blijkt, welke krachtige taal bij die gelegenheid door
oldekbarnevelt gesproken werd.

ocr page 394

DES VADERLANDS. U05'

op OLDEWBARNEYELT neder. Geen wonder, dat er tijd noodig was om de zaak aan de Last- 1613.
gevers der Gedeputeerden ter Vergadering der Slalen-Generaal aan het verstand te brengen.
Oldekbarreyelt beweerde, dat men het verlangde derde niet, zoo als gevorderd werd, over
zes, raaar slechts over drie jaren te betalen had , aangezien
dendrik IV verzekerd had dat hij
van 1603 tot 1606 zooveel aan deze landen betaald had, dat met het derde daarvan zijne
schuld aan
Engeland voldaan was i. Een en ander veroorzaakte, dat de zaak uitstel leed,
en DÈ REFFUGE kreeg den last mede om van de Stalen te vorderen de schuld over te ne-
men, onder bedreiging dat anders de Koningin met de maand Mei van hel jaar 1613
de betaling zou staken van de zeshonderdduizend gulden, die tot onderhoud der Fransche
troepen, uit twee regimenten voetvolk en twee compagniën ruiterij bestaande, aan de
Republiek verleend werden De Koningin bereikte haar doel; voor
yait aerssens
vertrek herwaarts was de zaak met Frankrijk afgedaan 3; terwyl oldenbaritevelt zich
voorbehield, op de door
Engeland geëischte som het noodige af te dingen, waar hij
ook in slaagde Κ

Het voornemen, dat er bij de Koningin-Regentes van Frankrijk bestond om haren spaanscbe
zoon, den Koning, met eene dochter van
filips ΠΙ, en zijne oudste zuster met den
zoon van dezen Vorst, later
fiijps IV, door het huwelijk te verbinden, mögt wel een
blijk heeten, dat zij het belang van
Frankrijk in eene naauwe aansluiting aan Spanje
zag. Dit was een nieuwe grond om diegenen in ons land, die maria de medicis
meenden te moeten ondersteunen, op hunne hoede te doen zijn, en een nieuw wapen
in de hand van hunne tegenstanders.
Van aerssen, toen nog in Frankrijk^ schreef
brief op brief, dat de Staten hem toch gelasten zouden, zich uitdrukkelyk legen de

1 Verhoor, N". 275 (bL 159, 160). Resol. v. Holl 1610, bl. 41. Van aerssen, in zijne Re-
monstrantie van den 29®'®" Octob. beweert, dat
jacob 1, toen hij vrede met Spanje had gesloten,
verklaard had niet langer op den voet van het traktaat van
Ilampton-Court onderstand aan de
Ilepubliek te willen geven. Dus zou van hetgeen sedert door
Frankrijk aan onderstandegclden
verleend was, niets meer in afrekening op
Frankrijks schuld aan Engeland betaald zijn geweest.
Vergel. ouvnÉ, bl,
193.

2 Resol V. Holl. 1612, bl. 936, 939, 966, 973, 974. oüvré, t. a. pl. liet traktaat van 1609,
betrekkelijk de bekostiging der Fransche troepen, was slechts voor twee jaren gesloten en was
dus in
1611 ten einde geloopenj weshalve het aan de gunst der Koningin stond ze in onze dienst
te laten en te bezoldigen of niet.

3 Zie Remonstrantie van van aerssen in de Resol. der Stat. Gen. 12 Nov. 1613. Als een blijk
van erkentenis wegens de afhandeling van deze zaak beweerde
van aerssen het afscheidsgeschenk
ontvangen te hebben (zie hiervoor bl.
519). Toch had hij de erkenning van de schuld ten sterkste
tegengewerkt.

Waaragt. Hist. van Oldenb., bl. 111,
III Deel. 2 Stuk. 66

ocr page 395

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1613. huwelijksontwerpen te verzetten ongelwyfeld in overeenstemming met de oproe-
rige Fransche Grooten, onder wier grieven ook de Spaansehe huwelijken behoorden.
Alzoo bestond een zeer gewigtig deel van
reffuges laak hierin, dat hij de gemoederen in
de
Nederlanden zoo gunstig mogelijk ten aanzien van de voorgenomen Spaansehe huwelijken
moest stemmen. Een byzonder geschikt middel om de afkeurende stemmen tot zwygen
Ie brengen, was hierin gelegen, dat men er op wees, hoe de Koning van
Engeland^
die zich thans over de huwelyksonderhandelingen eenigzins verstoord toonde, te voren
zelf stappen toegelaten en gedaan had om een huwelijk tusschen zijnen zoon, den Prins
van
Wales, en de Spaansehe Infante tot stand te brengen, Hoe! de Protestantsche
Vorst, de verdediger der regtzinnige Gereformeerde leer, had gestreefd zijnen oudsten
zoon met eene Spaansehe, eene Roomsche Prinses door den echt te verbinden en
zou het dan aan de Fransche Koningin niet vrijstaan zich met
Spanje te verzwageren?
Maar dit was in de oogen van scherpziende staatslieden meer eene uitvlugt, dan een
redegrond. Dus moest de Gezant met degelijker redenen aankomen.
Hekdrik IV, dit
was het wat hy er bgvoegde, had, wel is waar, niet veel geneigdheid tot die huwe-
lijken betoond; maar na den dood van dezen Vorst had de vrees, dat de Koning van
Spanje, op het voetspoor van zijnen vader, zich in zijn voordeel van de oneenigheden
in
Frankrijk mögt willen bedienen, de begeerte doen ontstaan om zich door zulk een
vreedzaam middel van de welwillende gezindheid van
Spanje te verzekeren. Ook waren
er in de geheele Christenheid weinig partijen, die den jongen Koning beter voegden.
En bovendien de contrakten waren nog niet voor goed gesloten, zg vonden nog tegen-
werking, en de prinsen en prinsessen waren nog zoo jong, dat er nog menige onver-
wachte gebeurtenis tusschen beide kon komen Indien de Koningin met de voor-
steUing in deze laatste woorden het wilde doen voorkomen, alsof de zaak nog op lang
na haar beslag niet bekomen had, liet zij haren Gezant niet opregt spreken: niemand,
zelfs in
Nederland, twijfelde meer aan de voltrekking der huwelijken en den 30''®"

1 Verhooren, N". 316 en 317 (bl. 176, 177).

- Het was jakobus bedoeling te verwerven, dat, ingeval zijn zoon met de Infante tromvde,
haar de
Nederlanden tot bruidschat gegeven zouden worden. Alzoo zou hij de voordeelen van het
oude bondgenootschap van
Engeland met het Huis van Bourgondië tegen Frankrijk zien herle-
ven
(jeaknin, II, p. 42, 160). De Koning van Spayije spiegelde toen ter tijd dit huwelijk aan
jakobus voor, ten einde hem op zijne hand te krijgen. Toen de onderhandeling was afgesprongen,
beweerde
jakobus, dat hij nooit behagen in de zaak gehad, en de Nederlanden slechts als bruid-
schat gevraagd had, om des te zekerder ^afgeslagen te worden (
oüvré, p. 192).

3 ouvjiÉ, p. 192, 193.

4 Zie een brief van van aerssen bij oüvbé , p. 194.

ocr page 396

DES VADERLANDS.

April 1612 werden de contrakten geleekend, Maar zelfs loen de Stalen zich legen de huwe- 1613.
lijken nog hadden kunnen verzeilen, had oldenbarnevelt , zoo als hg zelf geluigl ^,
daartoe geeae neiging aangetrofTen, noch by de Stalen-Generaal, noch bij de Stalen
tan
Holland: men hield het er voor, dat zulk een verzet Frankrijk zou krenken, de
weigering van de lot nog toe verleende ondersteuning na zich zou slepen en bovendien
zonder eenige vrucht zou wezen. Alzoo nam men met de zaak genoegen en steunde
op de belofte van het Fransche Bewind, dat de bestaande verbonden in volle kracht
bleven, en op het schryven van
jeaknin »dat de oude vriendschap zorgvuldiger dan
ooit zou aangekweekt worden."

Toen de buitengewone zending van reffuge ten einde was geloopen, en de russy
was afgetreden, moest er een nieuwe gewone Ambassadeur gekozen worden. De keus
Avas niet gemakkelijk. Een katholiek tot deze betrekking te roepen, was niet geraden:
hoe toch konden de Vereenigde Provinciën aan een zoodanigen hun volle vertrouwen
schenken? Koos men daarentegen een protestant, zoo liep men gevaar, dat hij uit
godsdienstijver meer de zaak zijner partij dan die van
Frankrijk zou dienen. Evenwel
een protestant moest het zijn, en er waren twee, die bijzonder in aanmerking kwamen.
villarwould, dc schoonzoon van du plessis-mornay en broeder van den Heer de rou-
vray,
algemeen gedeputeerde der Gereformeerde Kerken in Frankrijk, en du maürier.
De eerste beval zich aan door zijnen aangenamen omgang en door zijne betrekking lot
eenen man, wiens naam alleen reeds het vertrouwen der
Nederlanders moest winnen.
Daarenboven werd hg door
jeaknist, die de Nederlandsche zaken zoo grondig kende,
en door
vatï aerssen aanbevolen. De aanbeveling echter van dezen laalslen was juist
geschikt om bij
villeroy, die de benoeming te doen had, eenige bedenking op te
wekken.
Frankrijk toch had te Ilage iemand noodig, geschikt en gezind om vapt
AERSSEN gade te slaan en onschadelijk te maken. Bovendien er was sprake van eene
verzoening tusschen
du plessis-mornay en den Hertog van bouilloit. Zoo zou ligt
de partij der Hugenoten te sterk worden, en haar daarenboven een handlanger in het
hart der Republiek te geven, dit was hoogst ongeraden. Dus viel de keuze op
du jj^ maukier
maurier,
een even bekwaam als bescheiden man en gemaligd protestant, die ^^ΰ^^β^ant^™^"'//^^^
loopbaan begonnen was in de dienst van
du plessis-mornay , daarna secretaris van denS®^*"^™·
hertog van
bouillow was geweest, en in 1607 correspondent van den Franschen Ge-
zant te 's
Hage was geworden. In deze betrekking was hij belast geweest met de be-
zorging en verzending van de jaarlijksche onderstandsgelden door
Frankrijk aan de
Nederlanden verleend. Hendrik IV achtte hem loen reeds eene belangrijker roeping

1

» Verhoorcn N". 317 (bl. 177). ^

2 ouvRÉ, p. 194. I

S

'ff
II

66* {

ocr page 397

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

lfii3. en zijn volle vertrouwen waardig Weldra werd hy dan ook onder den herlog de
suLLY, den superintendent der financiën, in eene gewiglige bediening aangesteld, die
hij bekleedde, totdal
sully len gevolge van den dood des Konings in ongenade ver-
viel \ Niet lang echter, wij zagen het, bleef
du maurier ambteloos. Den S··®" Junij
1613 aanvaardde hij zijnen post eerst als secretaris der ambassade en daarna als Ambas-
sadeur te '5
Ilage; doch het was onder ongunstige voorteekens. Wegens zijne niet
zeer hooge geboorte zagen de Staten in zijne zending een blijk van minachting. Dit
had
jeaiïitin wel verwacht, en winwood schreef aan zijnen ambtgenoot te Parijs: »De
Stalen zyn zeer misnoegd over het voorstel, dal hun door Mgnheer
de reffuge gedaan
is om gedurende zijne afwezigheid Mijnheer
du maurier als agent des Koning ten hun-
nent te ontvangen, en zij hebben hem verklaard, dat zij zich deswegens bij hunne
Majesteiten zouden beklagen, vermits hun daardoor een al te in het oog loopend blijk
van minachting gegeven wordt." ^ Maar, vooral, de keus was een maatregel, tegen de
woelzieke geesten onder de protestanten in
Frankrijk gerigt. Dus had hij die gansche
party legen zich. Er bestond een voorwendsel om hem af te schilderen als den laf-
hartigen handlanger van een Hof, dat aan den leiband van
Spanje liep, als van zins
om in de
Nederlanden de partij van oldenbarnevelt legen de vurige Gereformeerden
te stijven, om daar alzoo de oneenigheid aan te wakkeren en de Republiek in het be-
lang van
Spanje te verzwakken. Van aerssen zou niet in gebreke blijven zoo te
spreken en zyne komst als een wapen tegen
oldekbarnevelt te gebruiken. En welk
eenen indruk zyne benoeming by vele Hugenoten in
Frankrijk maakte, blgkt uit een
niet .veel later opgesteld geschrift, waarin wij lezen: »Een zekere
du maurier werd
opzeltelyk naar
Holland gezonden met den bepaalden geheimen last om in versland-
houding met
barnevelt te treden en hem met al zijn vermogen en het gezag van
Frankrijk te ondersteunen bij de praklyken en strecken, welke die ellendige verrader
in het belang van den Koning van
Spanje legen zijn eigen vaderland smeedde
Omdat OLDENBARKEVELT VAN AERSSEN deed terug roepen, en de Fransche Prinsen in
hunne zelfzucht, die hen hun volk vergelen en hun vaderland vertreden deed, met
zijne verstandige staatkunde niet gedienxl waren, moest hij een ellendige verrader heeten.

* jeahnin, I, p. 297.

2 Zie het meermalen aangehaalde werk van ouvbé, dat geheel aan de geschiedenis van du maürier
gewijd is.

3 oovnÉ, p. 202, 203.

^ Dit geschriil is te vinden achter de Oeconomies royales van sully. Hetzelfde oordeel vindt
men terug in de verliandelingen van den Hertog
de rohan, getiteld: de Vintérét des Princes. Zie

I OÜVRÉ, p, 203. L. DU MAURIER, p. 286, 287.

ocr page 398

DES VADERLANDS. U05'

Naar den aard en den oorsprong van zulk eene getuigenis kan men reeds eenigzins de 1613.
waarde afmeten
Tan de beschuldigingen, die al feller en feller tegen oldenbarnevelt
werden ingebragt.

Gelukkig dat de Advokaat van Holland nog sterk genoeg was om te verhoeden,
dat de Republiek de handlangster werd der heersch- en hebzucht van die Fransche
prinsen, de gevaarlijkste vijanden van hare en hunne eigene zaak; gelukkig, dat hij
Dü MAURiER de hand boven het hoofd vermögt te houden; gelukkig ook voor dezen
laatsten, dat hij dadelijk in
louise de cougny, de weduwe van Willem van Oranje ^
eenen krachtigen steun vond. Deze Vorstin, die aersseks vriendin niet was had in
Frankrijk de bekwaamheid van du maurier leeren kennen, toen zij den hertog van
suLLY behulpzaam was om nog vóór de bezetting van Sédan onderhandelingen met den
hertog van
bouillon aan te knoopen, en thans was de ontvangst, die zij du madrier
deed weervaren, zoodanig, dat deze Staatsman later zyne kinderen plegtig lot eeuwige
dankbaarheid jegens het IIuïs van
Nassau verbond. Zij leidde hem in, niet alleen bij
haren eigenen zoon, maar ook bij Prins
maurits en graaf willem lodewijk, en
»weersprak op afdoende wijze eene menigte valsche beschuldigingen, die de nyd van
sommigen en de spijt van anderen van alle kanten tegen hem uitstrooiden 2."

Du maurier, wij Zagen het reeds, had bepaaldelijk in last, van aerssens gedragin- γ^^χaeusseks

gen in het oosr te houden, en werkeliik er bestond reden toe. Niet tevreden zich

" O ' j terugkomst uit

openlijk eenen aanhanger van den hertog van bouillon te toonen, van wien hy eenen i'^rijs.
brief, aan hem geschreven, in de vergadering der Staten-Generaal voorlas, maande hij
Prins
maurits aan, met dezen zijnen schoonbroeder, die in geval van nood de magt
der Hugenoten ter zijner beschikking kon stellen, naauw verbonden te blijven, ja,
scheen hem op te zetten om, strijdig met zyne vroegere gewoonte, aanslagen tegen de
mannen te smeden, die in de Republiek den meesten invloed hadden
3. Ook had van
aerssen
in zijn hart van zgn gezantschapspost nog geenszins afstand gedaan. In Holland
geene betrekking vindende, zyner waardig, was hy er op bedacht om naar Parijs te-
rug te keeren, en ontkende hij, dat hij dien post ooit had nedergelegd. Du
maurier
liet hem onder de hand raden, niet aan de hervatting zijner bediening bij het Fransche
Hof te denken; maar
van aerssen, zyne staatkundige inzigten tegen die van oldenbar-
nevelt
doordrijvende, en begrijpende, dat met zijn aftreden de tegenpartij haar spel zou
gewonnen hebben, gaf het niet op. Liever dan zijn formeel ontslag bij de Staten te
bewerken, wenschte
oldenbarnevelt, dat de zwarigheden, die hem den terugkeer

^ JEAKNIN, I, p. 374.

^ OÜVRÉ, p. 204. L. DU MAURIER, p. 158, 163.

3 OÜVRÉ, p. 203.

ocr page 399

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1613. naar zynen voorraaligen post zouden beletten, van den kant der Fransche Regering
kwamen. Dus schoot er
Yoor du maurier niets over, dan bij zyn Hof er op aan te
dringen, dat men duidelijker deed blijken, hem Yolstrekt niet terug te willen zien.
Maar (zooveel invloed had
van aerssen ook te Parijs) de Fransche staatsdienaren deins-
den voor dezen slap terug, en intusschen wist men de Staten-Generaal, terwijl Prins
matjrits zich ten voordeele van van aerssen aan de zaak gelegen liet liggen lot
het besluit te brengen om hem op nieuw naar zijnen post te zenden. Den October
t613, namelijk, bij afwezigheid van
oldenbarnbvelt, besloten de Staten aerssen
legen den volgenden dag te ontbieden om hem aan te zeggen, dat hij zich gereed
moest maken om weder naar
Frankrijk te vertrekken. Aerssen scheen voorwaarden
te willen stellen. Daar zijne dienst reeds met Mei 1614 geëindigd zou zyn, vond hij
bezwaar in de kortheid van dien tijd; en bovendien bedong hij, dat hem dezelfde
vrijmoedigheid vergund zou blijven, waarmede hij vroeger »zonder dank of ondank in
Frankrijk of elders van eenige personen aan te zien" was te werk gegaan. Op deze
bezwaren werd hij van wege de Stalen, volgens een besluit, mede bij afwezigheid van
OLDENBARNEVELT gcnomen, voorloopig gerustgesteld. In de vergadering van 10 October,
waarbij
oldenbarnevelt tegenwoordig was, liet aerssen verzoeken, dat men op de
door hem aangeroerde punlen een besluit zou nemen. Dan nu werd zulk besluit uit-
gesteld wegens de afwezigheid van de Gedeputeerden uit
Holland. Den 25"®° ver-
klaarden dezen in de continuatie van
aerssens gezantschap bezwaar te zien, en ver-
zochten uitstel. Nu verscheen
van aerssen den 29"®" in de vergadering, en hield
een vertoog, waarin hij zyne bewezene diensten ophaalde en zich beklaagde, dat
men hem op zijde wilde schuiven. Om hem, zeide hij, zijn crediet te doen ver-
liezen , hadden zij, die het Bestand hadden doorgedreven, het geheim zijner ge-
zantschapsberigten verraden \ Toch had de overleden Koning hem steeds de gewig-
tigste zaken medegedeeld, en was de Koningin niet ontevreden over hem. Alles kwam
van twee personen,
villeroy en reffuge : de eerste was op hem verstoord omdat hij
het geheim van de Spaansche huwelijken op het spoor was gekomen; de tweede, omdat
hij zijn toeleg om het Katholicisme in de Vereenigde Provinciën te herstellen, aan het
licht had gebragt. Wat
du maurier betrof, deze sprak zonder lastbrief. »Laat, zoo
sprak hij ten slolte de Stalen-Generaal aan, laat bij u de verderfelyke gewoonte niet
insluipen om aan de vreemde Vorsten eenen dienaar op te offeren, die hun niet bevalt.
Hoe minder hy hun behaagt, des te onberispelyker is hy. Hebt gij niet, in weerwil

1 Â»11 est incroyable," schrijft du maubier, »combien Ie prince Maurice s'est porté couvert,ement
contra sa coustume, en tout eet aiFaire, et ne scais si c'est par simple jalousie contre Barneveld
OU si la dessous il y a quelque autre mystère caché'' (ouvnÉ, p. 208).

2 Zie boven bladz. 516.

\

ocr page 400

DES VADERLANDS. U05'

van wylen den Koning, brederode als resident in Duitschland en vorstius legen icia.
de klagten van
jagobus I gehandhaafd? Wat mij betreft mij zal men niet versloolen
op grond dat ik met de Katholieken of Spanjaarden heul. Vreest niet, dat gij, door
mij weder naar
Frankrijk te zenden, de gunst des Ronings verliezen zult: eerst dan
zal zy verminderen, wanneer men zich op het naauwst aan
Spanje zal aansluiten en
ons gansch en al verzaken zal

Du mä.urier meenende, dat van aerssen niet zoo regtstreeks vijandig legen oldenbar-
kevelt
zou hebben durven optreden tenzy hy op maurits steunde, vervoegde zich bij
den Prins; doch deze verklaarde de bijzonderheden van de door
van aerssen gehouden
rede niet te kennen, en keurde ze voor hel overige af. »In
Frankrijk, zeide hem
de Ambassadeur, zou men dengenen slrafien, die van u, van de Stalen of hunne voor-
naamste beambten kwaad spraken, en de Koningin wacht alhier dezelfde bewijzen van
eerbied en vriendschap." — »Daarop kan zij des gevorderd rekenen," was 's Prinsen
antwoord.

De taak van den Franschen Gezant was moeijelijk. Een door de Koningin-Regentes
geteekend bewijs, dat men hem Ie
Parijs niet terug verlangde, kon hij niet voor den
dag brengen, en juist dit vorderde
van aerssen; daarentegen liep deze laatste rond
met brieven van den Hertog
van bouillon, waarin te lezen stond, dat hy noodwendig
naar
Parijs terug moest keeren. Eindelijk kreeg du maurier magliging om van aerssen

1 Zie over hem vreede, in nijhoffs Bijdr. 1842, bl. 268, en Inleid, lot eene Gesch. der Ne-
derl Diplom.
11, bl. 47, 48, 348.

2 ouvRÉ, p. 207—209. Ik volg hier het verslag door den Franschen Gezant van aersseks rede
naav Parijs gezonden, omdat het den indruk weder geeft, dien hij en degenen die zijne zienswijze
deelden, van die rede bekomen hadden. Voor het overige vindt men het vertoog in zijn geheel
ingelascht in de
Resol, der Stat. Gen. (12 Nov. 1613), zoo als van aerssen het schriftelijk, cu
ongetwijfd gewijzigd (zie hiervoor bl. 516) heeft ingeleverd. In dit s(uk wil hij het doen voorko-
men, alsof het gerucht dat hij onaangenaam aan het Fransche Hof zijn zou, slechts op een lossen
brief steunde, uit
Parijs geschreven, maar door een schrijven uit ^s Uage uitgelokt. De fijne di-
plomaat stelt zich hier zeer onnoozel aan, alsof hij van dat, waar het eigenlijk op aan kwam,
niets begreep. Zijne heAvijsgronden zijn uiterst zwak, en hij deelt menige bijzonderheid mede, die
geen twijfel overlaten, of hij had zich te
Parijs zeer onaangenaam gemaakt. Eenmaal gaf hendhik IV
hem in allerheftigste bewoordingen zijne verbolgenheid te kennen, en kort voor zijn vertrek ont-
veinsde hem viLLERoy zijne ontevredenheid niet. Hij beweert tegen de Spaansehe huwelijken ge-
ijverd te hebben op grond dat deze den band tusschen
Frankrijk en Spanje ten nadeele van de
Republiek naauw zouden toehalen, en toch zeide hij tot
villeroï, gelijk hij zelf getuigt, dat
Spanje niettemin vijandig tegen Frankrijk zou blijven. Wel nu, dan konden immers die huwe-
lijken niet schaden.

3 Later verklaarde vak aedssen, dat hij oldesbahsevelt niet op het oog gehad had (ouvrb ^ p. 200).

ocr page 401

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1613. Openlijk af te wijzeD. Hiervan Toorzien, wilde hij de Stalen den tyd laten om nog ge-
heel Trijwillig een besluit te nemen; maar ten laalste moest hij er toe overgaan om in
de volle vergadering de Slaten-Generaal rekenschap af te vorderen, hoe zij de lasterin-
gen van
aerssen zoo lang gelaten hadden kunnen verdragen. Aerssen, die deze uit-
barsting zag aankomen, zond den November zijn ontslag in, op grond dat zgne
Remonstrantie van den October door
du maxjrier zoo hoog was opgenomen. Hy
erkende thans, wat hij vroeger als eene bekrompen meening had verworpen, dat zoo
de Ambassadeur het Fransche Hof niet aangenaam was, de onderstandsgelden wel ach-
tergehouden konden worden. Ook wilde hij geene oneenigheid tusschen de Provinciën
veroorzaken. Op het lezen van
aerssens missive nam oldenbarwevelt het woord om
te kennen te geven, dat, mogten de Provinciën dadelyk besluiten om het gevraagde
ontslag te verleenen, hy
du maurier zou uitnoodigen om geen gebruik te maken van
het hem verleende gehoor. Doch de Vergadering was tot zulk een besluit niet te
brengen, en den Ib''"" November verscheen de Fransche Gezant in de Vergadering.
In den aanvang zyner rede wees hy alle kwaad vermoeden omtrent de gezindheid der
Koningin af door de opmerking dat de raadslieden van
Hendrik IV nog zitting hadden
in haren Raad. Daarop haalde hg de zaak van
aerssen van den aanvang op, en betuigde dat
het Fransche Bewind niels liever gevvenscht had dan alle opspraak te mijden; men had
de Staten in de gelegenheid gelaten hunnen Gezant zonder gerucht te verwijderen, zoo
om zijne eer te ontzien als om de vrijheden der Republiek niet te kwetsen. Maar
deze kieschheid had men zich niet ten nutte gemaakt. Integendeel hij, de Fransche
Ambassadeur, was openlijk bestreden en verguisd, en
van aersseii die, zeide hij, door
een duivel uit het Zuiden aangestookt, het bondgenootschap tusschen
Frankrijk en de
Republiek wilde verbreken, en dus het voornaamste bolwerk tegen haren ouden vgand
wilde omverwerpen,
van aerssen had zich beroemd het geheim zijner gezantschapsbe-
rigten op het spoor te zijn gekomen en had alzoo het regt der volken en de onschend-
baarheid van een persoon van zyne hoedanigheid miskend. Hij eindigde met het stellig
verzoek om
aerssens ontslag: niet dat Frankrijk de Staten tot eenigen stap wilde
dwingen: hunne beslissing was vrij, en hoedanig die ook uitviel, de Koningin zou er
genoegen mede nemen

In deze rede werpt du maurier op van aerssen de verdenking terug, waarmede
VAN aerssens Vrienden, binnen- en buitenslands, oldenbarnevelt zwart maakten.
Wat toch beduidt die uitdrukking
door een duivel uit het zuiden aangestookt
anders, dan dat hg met Spanje heulde? Van beide zijden was deze beschuldi-
ging even ongegrond. Maar in allen gevalle had
van aerssens staatkunde de strekking

1 ouvBÉ, p. 210. Yolgens het verslag in Resol. der Stat. Gen. (15 Nov. 1613) drukte zich 4e
Gezant bij deze gelegenheid met » extraordinaris hevicheyt" uit.

Λ..

ocr page 402

DES VADERLANDS. U05'

om de Triendschap dezer Landen met de Fransche Regering te verbreken en gevaar- 161B.
lyke tweedragt in deze Landen zeiven te zaaijen. Dit bleek al dadelijk, toen het in de
zaak van
aerssen tot eene beslissing moest komen. Den November was daarover

beraadslaagd, doch toen had men niet tot een besluit kunnen komen. Den β·'"" De-
cember werd hy zelf iuv de Vergadering ontboden en verzocht zijne ware meening te
willen zeggen, daar zyn verloog en verzoek verschillend werden uitgelegd. Hy ver-
klaarde zyn ontslag te verlangen, en zijn verloog van den 29"®" October niet openbaar
te willen maken. Den 11'''"» en den 13·^®° werd de zaak op nieuw overwogen,
Gel-
derland ^ Holland
en Overijssel wilden hem zijn ontslag verleenen. Zeeland ^ begeerde
hem te continueren.
Groningen verlangde hem eene andere eervolle betrekking te zien
opdragen.
Vriesland was niet vertegenwoordigd; maar haar Gedeputeerde, de Heer
vair aylva, had zich reeds den November allerkrachtigst ten gunste van aerssen
doen gelden. Lang bleef alzoo de beslissing der Stalen uit. Du matjrier beklaagde
zich hierover bij den Prins Dit dralen der Slaten, zeide deze, was niet aan
den invloed van
van aerssen, maar aan het gemis aan overeenstemming tusschen
de Provinciën te wijlen. Hij beloofde zelf over de zaak aan de Provinciën te
schrijven. Maar de Fransche Gezant wist het middel te vinden om den tegenstand
eindelijk te overwinnen. Terwijl hij
oldenbarneyelt aanspoorde om zich krachtig
te doen gelden, gaf hij
maurits te gevoelen, dat, zoo de Fransche Regering haren
zin niet kreeg, zy hgt de gelden tot onderhoud van de 4240 man Fransche troe-
pen kon achterhouden. Deze taal maakte indruk, en Prins
maurits trok de hand
van
van aerssen af; thans laakte hij zelfs zijne ligtvaardigheid en dubbelhartigheid,
en liet zich uit, dat, genoot een man als hij het vertrouwen van een groot Koning,
hij in slaat zou wezen zijn Rijk binnen den tijd van een jaar omver te werpen
Toen derhalve de Staten, die niet tot eenstemmigheid komen konden, de zaak ter

* De Staten van Zeeland klaagden in een schrijven van den 21»'®° November aan hunne Gede-
puteerden over de »onbehoorlijke proceduren in deze zaak voorgenomen die des te suspecter waren
omdat zij van zulke hand beleid werden, als waarmede men alle gezag scheen te willen brengen
aan écne Provincie.'' Zie
Noodighe Remonstr, aan de Slaten-Gcn&rael, door pr. v. aebssek,
bl. 24. {Bibl V. Pamflett. 1474), en van der kemp, IH, bl. 324. De Provincie scheen te
duchten, dat
oldekbarnevelt met zijnen sclioonzooa alleen de leiding der staatkundige betrekt
fcingen met
Frankrijk in handen zou krijgen,

2 Â»De Prins," schrijft du maubier, 29 November, »doet voor hem al wat hij kan, maar be*
dektelijk... Zeker is het, dat hem zijne werkeloosheid van dag tot dag meer gaat vervelen. De
minste aanleiding tot stoornis der rust in de verst verwijderde oorden doet hem de hoop opvatten,
dat zich de strijd tot deze Landen toe mögt uitbreiden en hem werk verschalTen,"

3 oDVRi, p. 211—213,

llï Deel. 2 Stuk. 67

ocr page 403

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1614. beslissing aan den Prins en den Raad Tan State overlieten, verklaarde hij zich, den
jsteu Februarij 1614 tegen het denkbeeld om
van aerssen weder naar Frankrijk te
zenden, daar dit blijkens door hem ontvangen brieven, door de Fransche Regering als
eene beleediging zou worden opgenomen

Doch wie zou te Parijs van aerssens opvolger zijn? Het lijdt geen twijfel, of ol-
denbarnevelt
achttc zljnen schoonzoon van der mijle daartoe het meest bevoegd en
geschikt. Behalve andere zendingen had hij reeds tweemaal in de gewigtigste oogenblik-
ken een gezantschap naar
Frankrijk bekleed. Hij kende er al de groote Staatslieden
van HENDRIK IV; zijne komst
ie Parijs zou ondubbelzinnig te kennen gegeven hebben,
dat men van onze zyde op den grondslag wenschte voort te bouwen, door den grooten
Koning gelegd. Doch de Advokaat moest den schijn vermijden, alsof hij slechts ten
behoeve van zijnen schoonzoon aan
van aerssens val gearbeid had. Dus werd, op voor-
slag van
maurits, die hier geheel in den geest en, als het ware, op ingeving van olden-
üc Heer van barnevelt sprak, de boven vermelde Heer van langerak benoemd, een man, die nog
AnibiüLluur'^te gecne zoodanige betrekking bekleed had, en (dit ten minste schreef
du maurier) zeer
Farijs. afhankelijk was van maurits , en zich ligt door de schoonschijnende redenen en aanlok-

selen van den Hertog van bouillon zou laten overhalen.

Werd alzoo van der mijle niet verkozen, hem werd echter, mede op voorslag van
MAURITS eene buitengewone zending naar
Parijs opgedragen. Inderdaad had do Fransche
Regering een waarborg dat de Vereenigde
Nederlanden geene gemeene zaak met hare
binnenlandsche vijanden zouden maken, ten hoogste noodig. Had in
Holland de partij van
AERSSEN den boventoon gehouden, zoo zou men verkondigd hebben, dat de gemeen-
schappelijke strijd legen den Paus en
Spanje aan Nederland ten pligt stelde, de partij der
Prinsen te omhelzen, die juist tot klagten en eischen was overgegaan, om zoo deze
niet baatten, de wapenen tegen de Regentes op te vatten. Zoo zouden de Fransche
troepen in Nederlandsche dienst, die reeds door zendelingen van den Hertog van
bouillon
werden opgeruid, ligt, met bouillons schoonbroeder aan het hoofd, den opstandelingen
zijn toegevoerd, en het wettig Bewind zou waarschijnlijk ten val zijn gekomen. De te-
genwoordigheid van eenen gezant, die
oldenbarnevelts zienswijze vertegenwoordigde,
werd volstrekt vereischt om de Prinsen te doen gevoelen, dat zy op
Nederlands hulp
niet behoefden te rekenen; dat zij derhalve hunne eischen niet te hoog moestenstellen,
en het hun niet geraden was geweld te gebruiken. In één woord er bestonden gron-
den in overvloed om, ten minste tijdelijk,
van der mijle naar Frankrijk te zenden.

' Toch had de Koningin zich in een brief van den 16·'®" Julij 1613 aan de Statcn-Generaal
loiFelijk over
aerssen uitgelaten (zie Noodighe Remonstr, hl. 22). Doch Uare Majesteit kon aeussen niet
openlijk laken zonder eene magtige partij in haar eigen Rijk als vijanden van den Staat te schandvlekken,
en hoe men zich vertrouwelijk over
van aehssen uitliet, blijkt uit de brieven, door van der mijle uitgegeven
in zijn
Yertooch aen de Siaten-Gen. leghen de Rem. v. Fr. v. Aerssen (Uibl. v. Pamflett. N". 1478).

ocr page 404

DES VADERLANDS. i559

Tegen het eind van de maand Februarij van het jaar 1614 vertrok hij naar Parijs. 1614.

By het eerste gehoor, dat hem de Koningin en de minderjarige Koning verleenden, Buitengewone

zending van van

gaf hij dadelijk te kennen, dat hy derwaarts kwam, gezonden door de Staten, die ver-der mule der-
nomen hebbende, welke stormen de rust van
Frankrijk bedreigden, de Koningin en
den Koning van hunne opregte bedoelingen wenschten te verzekeren en aan hen hunne
diensten aan te bieden. De Staten zouden nimmer in gebreke blijven al wat hun mogelijk
was te doen tot handhaving van hunne koninklijke personen, van het gezag, dat hun
toekwam, en van de rust hunner bloeijende Rijken en Stalen Bij een volgend ge-
hoor voegde hij bij de vernieuwde betuiging van der Staten goede gezindheid het ver-
zoek, dat hare Majesteit toch geen geloof wilde slaan aan regtstreeksche of zijdeling-
sche listige inblazingen; maar dat zij ze als volstrekte leugens en zeer verderfelijke
lastertaal zou versmaden en afwijzen. Toen bekende de Vorstin, dat men zich wel be-
ijverd had, de Staten bij haar verdacht te maken; maar dat zij sedert zijne komst daar-
tegen genoeg verzekerd was geweest, »dat hel zeer kAvade en ongeruste geesten waren,
die zulks voorstelden." Dat het niet aan pogingen ontbroken had, om ook haar Be-
wind bij de Staten in een valsch daglicht te plaatsen, was haar niet onbekend. Reeds
by het eerste gehoor zeide zij lot den Gezant, zeer goed Ie weten dat hem verschei-
dene geruchten en vermoedens zouden ter oore komen; maar die moest hij niet ge-
looven, en kwam hem iels voor, dat eenige twijfel bij hem overliet, hij had zich slechts
om inlichting tot hare Raden te wenden. Bij het afscheidsgehoor kwam zij op het-
zelfde onderwerp terug, zeggende, »dal er geesten bij ons (de Nederlanders} waren, die
onder pretext van religie hare alliantie met
Spanje en andere hare actiën zochten
sinisterlijk te calumnieren; maar dat men desniettegenstaande zou bevinden, dat zoo-
lang zij leven zou, bij haar de vriendschap van Hunne Hoog Mögenden ten hoogste
zou geacht worden." En
villeroy en puysieux namen bij het afscheidsbezoek, dat
de Gezant hun bragt, de gelegenheid waar om te zeggen, »dat zij Hun Hoog Mö-
genden zoo veel wijsheid en billijkheid tocbetrouwden, dat zij legen zulke getrouwe
dienaars van zulk een grooten en Avijzen Koning, als zij zich steeds betoond hadden,
niet ligtelijk eenige oproerige en valsche uitstrooisels zouden gelooven."

Een tvi^eede last, den Gezant opgedragen, bestond in het verzoek, dat de 300,000
pond, die van de onderstandsgelden ten behoeve der Fransche Iroepen in Nedcrlandscbe
dienst over het verloopen jaar nog te betalen waren, ten spoedigste mogten overge-
maakt worden, en dal voortaan tijdig in de betaling zou worden voorzien. Het was
geen geldgebrek of hebzucht, die de Staten lot dit dringend ver/oek noopten; maar

ï Aan het verbaal van deze zending, op liet Rijksarchief voorhanden, onlbrcken de eerste bladzij-
den; maar dat de Gezant met deze betuiging begonnen was, blijkt uit zijne rede bij zijn afsclieids-
bczoek hij Jmnne Majesteiten.

07»

ocr page 405

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1614. de onderstandsgelden, uit Frankrijk yerstrekt, waren het geschiktste wapen legen hen,
die in
Nederland met ongenoegen zagen, dat men de Fransche Regering ondersteunde.
Onthield men deze Regering, dus kon men spreken, zgne ondersteuning, zoo zou zij
op hare beurt de troepen terugtrekken. Scheen nu
Frankrijk evenwel geneigd om
dit te doen of liet zij het onderhoud op de Blaten drukken, zoo scheen men bij eene
vredebreuk met
Frankrijk niet veel te verhezen. Nog een andere grond pleitte voor
een slipte betaling der Fransche hulpbenden. Zij werden door de parlij der Prinsen
bewerkt, en (de Gezant deelt het na berigten, uit
Hage ontvangen, aan de Regen-
tesse mede) op het gerucht van hetgeen er in
Frankrijk omging, merkte men reeds
by de regimenten de zucht lot desertie op. Slechts goede betahng kon de soldaten
bij hunnen pligt en, des noodig, in goeden slaat Ier beschikking der Fransche Regering
houden. Ook kregen de Staten volkomen voldoening op hun verzoek om betaling
der achlerstallige, en genoegzame verzekering der in het vervolg te verstrekken gelden.

Gewigt van Het gewigt van VAN DER MiJLES tegenwoordigheid te Parijs in deze oogenblikken

VAN DEll MIJLES i i , τ. Â· i i ,, i i ττ Â· i

tegenwoordig- wcrd door de Regermg aldaar volkomen gewaardeerd. Het was van geen gering be-

hei( te larijs. jj^pg^ jj^j- jjjj ^^^ ^jj ^g^e hoofdslad aan den Prins van gowdé en den Hertog van
BOUILLON, met het plan om hunne Koningin de wet te stellen afwezig, brieven zond,
waarin op de beleefdste en verlrouvvelijksle wgze der wereld het berigt te lezen slond,
dat de Regering zijn verzoek om de betaling der troepen gunsliglijk had toegestaan,
en waaruit zij dus konden opmaken, dat er aan opruijing dier troepen en vredebreuk
lusschen de Regentes en de Slalen niet meer te denken viel. Het was van geen min-
der belang, dat Prins
maurits, bouillons schoonbroeder, door van der mijle deed
verzekeren, dat »hij zich ten uiterste beijverde door daden te doen blijken, dat Hare
Majesteit geen nederiger en trouwer dienaar had dan hij." Ook stelde men er den
grootslen prijs op, dal
van der mijle, lang nadat zijne zaken waren afgehandeld, en
hij ook LANGERAK, die intusschen was aangekomen^ behoorlgk in kennis gcbragt had,
Parijs niet verliet, voordat er eene schikking met de Prinsen getroffen was. Men
duchlle, dat zoo de Nederlandsche Gezant vertrok voor het eind der onderhandelingen,
het gerucht ontslaan mögt van een verstoorde verstandhouding lusschen de Vereenigde
Provinciën en de Regering, en dat dit de eischen der Prinsen onbillijker maken of
hun nieuwe hoop op hulp van buiten geven mögt. Nu wisten daarentegen de Prin-
sen, dat hel de Koningin, zoo zij met geweld optraden, slechts een woord aan den
Nederlandschen Gezant behoefde te koslen om slrijdkrachten uit de Republiek te doen
opdagen. De tegenwoordigheid van
oldenbarnevelts schoonzoon te Parijs was
genoeg om de Regering kracht bij te zeilen, de Rijksgroolen in ontzag en in ge-
heel
Frankrijk het zwaard in de scheede te houden. Voorwaar, een duidelijk bewijs,
wat de Repubhek in
Europa^ en wat oldewbarwevelt in de Repubhek te beleekenen
had. Men liet den Gezant met blijde dankbetuigingen, na langdurige cn niet ont-

ocr page 406

DES VADERLANDS. U05'

veinsde onrust, niet eerder yertrekken, dan toen de artikelen te Sle~Menehould getee- leu.
kend waren.

Met de betuigingen der Staten kwamen de feiten volkomen overeen. Du maurier
kon uit 'i Hage schrijven, dat de Stalen niet alleen bereid waren lot het overzenden
van Fransche troepen, maar des noods van oorlogschepen; dat zij de toezending van
krijgsbenoodigdheden aan de oproerige partij in
Frankrijk met strenge straffen trachtten
te koeren; dat de krachtigste maatregelen genomen waren om de desertie onder de
Fransche troepen tegen te gaan; dat Prins
maurits vol afschuw was van hetgeen men
legen de Regentes bestond, en zich over den Hertog van
bouillon in minachtende en
spottende bewoordingen uitliet i.

Nog tijdens het verblijf van van der mijle te Parijs nam de Koningin een maalre- caiiTiLLoN tot
gel, van welks strekking de Slaten opheldering noodig hadden. Zij verhief den Heer
DE cnaTiLLON, kolonel van een der Fransche regimenten in Nederlandsche dienst, tol
den rang van Generaal. Wal was hiervan de bedoeling? Eenen man, reeds zoo hoog
geplaatst door zijne geboorte (
louise de coligny was zijne tante), eenen rang te ver-
leenen, die
maurits kon doen vragen, of men meende hem aan zijn opperbevel te
onttrekken? Den neef zijns broeders, die toch reeds menigmaal als partij legen hem
scheen gesteld te worden, zulk een verheven betrekking te verleenen, wat had men
daarmede voor? Hier waren ophelderingen noodig, en de Koningin-Regentes gaf ze,
daar zij aan
van der mijle verklaarde, dat zy met die benoeming »gemeend had aan
de Slalen-Generaal en aan Zijne Excellentie en al zijne vrienden eene aangename zaak
te doen; geenszins had zij bedoeld den Heer
de ciiaTiLLON eenig gezag te geven, dat
Hun Hoogmogenden of Zijner Excellentie kou mishagen." In weerwil van die rang-
verhooging, die niets was dan een eerbewijs, zou alles bij de regimenten op den
ouden voel blijven.

Niettegenstaande hunne verzoening met de Koningin bleven dc Fransche Grooten vij- pranschc
andig, en bygevolg waren de oorzaken van oneenigheid in ons vaderland niet belangrijk
 blijveu

verminderd. De Prins van condé, de Hertogen van bouillon en nevers schreven den
26«'«" Mei uit
Sedan aan de Slalen-Generaal in een zeer halelijken geest tegen de
Staatsdienaren der Koningin-Regentes, wier spoedige aftreding zij aankondigden om
voor mannen plaats te maken, door hooge geboorte en waardigheden lot den rang van
Raadslieden der Kroon beter bevoegd, dan zij. De overbrenger van deze brieven,
la
grange,
Raadsheer van gokdé, begon met van aerssen een bezoek te brengen, en
verklaarde luide, dat hij
du maurier niet wenschle te zien, waarmede hij te kennen
scheen te willen geven, dal deze Gezant, die, naar der Prinsen meening, hen openlijk
van majesleits-schennis beschuldigd had, spoedig, met de tegenwoordige Ministers, zijne

1 ouvBÉ, t. a. p. bl. 214, 215.

ocr page 407

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1614. plaats zou moeten mimen. Ook ontveinsde de Prins van cowdé geenszins, dat hij niet
aan
oldewbarnevelt had willen schrijven, omdat, zeide hij, de Advokaat in de verga-
dering der Stalen zich zijnen vyand betoond had. De Stalen schreven, den ll·^®" Junij,
heleefd en bondig terug, dat hun gedrag het natuurlyk gevolg was geweest van de
lusschen hen en
Frankrijk bestaande traktaten, en dat zij niet anders bespeurd had-
den, dan dat de Regentes de staatkunde van
Hendrik IV" ten hunnen aanzien getrou-
welijk voortzette

De eigenaardige toestand, waarin Frankrijk zich bevond, een toestand, waarbij zoo-
dra eene der beide partijen, hetzij door toedoen der Regering of door het geluk, al te
zeer boven de ander begunstigd werd, een openbare burgeroorlog te duchten was, kon
niet anders dan belemmerend werken op de handehngen van die Staatsheden in
Europa,
die wijs genoeg waren om te begrijpen, dat eene uitbarsting in Frankrijk onbereken-
bare gevolgen ook builen dat Land hebben kon. Dit ondervond
oldewbarmevelt al
spoedig.

Na de inneming van Gidik waren de Kleefsche zaken tot eene voorloopige beslissing
gekomen doch weldra bragt het onderlinge wantrouwen der
possiderende Vorsten
eenen toestand te weeg, die de inmenging van vreemden uitlokte en de oude vrees
dat de Spaansch-Katholieke partij in die Gewesten vasten voel mögt vatten, op nieuw
deed ontstaan.

staat der Kleef- Er was een middel beproefd om de verdeelde belangen ten laatste overeen te bren-
sche zaTien. ^^^. jonge Paltsgraaf zou de dochter huwen van den Keurvorst van Brandenburg.

Doch dit huwelgksplan was afgesprongen. Bovendien was de stadhouder, die de Gulik-
sche en Kleefsche Landen gemeenschappelijk bestuurde en dus een band van vereeni-
ging uitmaakte, de Markgraaf
erivst van Brandenburg, in 1615 overleden. De Keur-
vorst JOHÄN SIGISMOND droeg thans het stadhouderschap op aan zijnen zoon den Mark-
graaf GEOR& WILLEM; doch de Paltsgraaf liet zich deze keuze geenszins welgevallen,
en de twisten rezen gedurig hooger. In geval het tot dadelijkheden moest komen,
wist de Paltsgraaf op wien te bouwen om zich niet alleen regt te verschaffen, maar
zijnen mededinger zoo mogelijk voor goed uit het bezit te drijven. Hg had de Katho-
lieke partij gekozen. In het najaar van het jaar 1615 trad hij in het huwelijk met
de zuster van den Aartsbisschop van
Keulen en van den krachtigen Vorst maximili-
aan van beteren,
het lioofd der Duitsche katholieke Liga, wier oudere zuster met den
Aartshertog
Ferdinand van Stiermarken gehuwd was, en lot dat huwelijk had de Paus
te eerder de vereischte toestemming gegeven, omdat de Luthersche bruidegom reeds tot
het Kathohcisme was overgegaan: slechts had hij, ten einde zijnen vader en velen met

1 oüVRÉ, t. a. pl. bi. 217-219.
- Zie hiervoor, bl. 415.

jM^amiiiiiiiaHfrititr

ocr page 408

DES VADERLANDS.

hem Ie misleiden, de Tergunning bekomen om Toorloopig voor hel uiterlijk prolestanlsch
te blijven. In lül4 trad hij openlijk tot de Roomsche Godsdienst over.

Zoo had men, dus moesten de Staten der Vereenigde Nederlanden oordeelen, den-
zelfden vyand sterker dan ooit in het land, dien men er door vroegere gewapende
tusschenkomst uit had vpillen houden.

Weldra kwam het tot eene botsing. Toen in het jaar 1615 de Markgraaf van
Brandenburgy georg Willem, voorgenomen had de vesting Gulik te bezigtigen, had de
Paltsgraaf &ich daartegen verzet en om 'des vredes wille had de Markgraaf van zijn
voornemen afgezien. Gewapend stonden meer dan eens de lieden van het gevolg van
de beide Vorsten te
Dusseldorp tegen elkander over. Die van den Paltsgraaf, waaronder
»verscheidene vreemde en verdachte personen," lieten zich luide uit, dat men zich »met
andere vrienden en bondgenooten" zou Aveten te helpen. Tevens werd er van 's Palts-
graven wege druk over en weer naar
Brussel en Luik gereisd en geschreven. In den
aanvang van het jaar 1614 gingen de Paltsgraaf en zijne Raden zoo ver van openlijk
te beweren, dat
georg willem de vereischte volmagt miste, en hij, de Paltsgraaf, bij
gevolg alleen regtmalig
bezitter der Landen was. In de maand Maart van dit jaar ver-
nam men, dat
wolfgang willem in persoon eene reis naar Brussel doen zou, en on-
der weg in de vesting
Gulik komen wilde, om aldaar eene compagnie van zijn krijgs-
volk in oogenschouw te nemen. Deze compagnie, zoo meenden de raadslieden van
den Prins van
Brandenburg ^ was met verdachte nieuwe officieren en soldaten versterkt
geworden, en scheen eene poort in bezit te willen krijgen. Deswegens protesteerden zij
tegen de komst van den Paltsgraaf, en daar deze, zeggende dat niemand hem den toe-
gang tot de vesting zou durven beletten, de reis naar
Gulik aannam, zoo weigerde
de Generaal
pitiian hem toe te laten. Groot was deswegens zijne verbolgenheid, en
spoedig gaf een maatregel van den Markgraaf van
Brandenburg hem een voorwendsel
aan de hand om zich gewapenderhand te doen gelden. Deze laatste, namelijk, zich Ie
Dusseldorp niet veilig genoeg achtende, had dadelijk nadat de Paltsgraaf zijne vergeef-
sche reize naar
Gulik aanvaard had, krijgsvolk uit Meurs ontboden. Werkelijk kwam
er vandaar een honderdtal soldaten aan den
Rhijn tegenover Dusseldorp aan, en, hoe-
zeer deze manschappen weldra weder teruggezonden werden, thans had het den naam
dat de Markgraaf datgene had willen uitvoeren, waarvan hij zyne partij verdacht had.
In deze omstandigheden meende de Generaal
pithan, die binnen Gulik slechts twee-
honderd man, van welke elk der Vorsten de helft bezoldigde, onder zijn bevelen had,
zich lot Prins
maurits te moeten wenden. Op het ontvangen van pithaks brief verscheen
de Prins den 10 Mei 1614 in de vergadering der Slaten-Generaal. Dezen »vonden noodig
dat men een wakend oog op alles hebben zou," en zonden een vertrouwd persoon naar
Gulik om den Generaal ter zijde te staan, ten einde de vesting onzijdig gehouden en
door geenen der beide Vorsten in bijzonder bezit genomen worden mögt. Tegelijkertijd

1614.

ocr page 409

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1G14. vermaanden zy de twislende partijen met krachtige redeoen lot eendragt. Voorts be-
sloten zij de handelwijze van Generaal
ριτπαν goed te keuren, die, begrijpende dat
hij anders buiten staat zou zijn de hem gegeven orders na te komen, den Mei
honderd man uit het naaste garnizoen in de vesting gebragt had. Bovendien versterk-
üe bezetting bezetting met tweehonderd man uit Nijmegen en dit vrel niettegenstaande

staatsfhc'troe^ett Aartshertogen hen reeds in April hadden laten welen, dat, zoo de Staten voor den
versterkt. eenen der possiderende Vorsten party kozen, zij zich voor den anderen verklaren zouden.

Wel is waar droegen de Staten zorg by elk der maatregelen, die zy namen, te betuigen,
dat zij voor geen der Vorsten beslisten; maar de aard der zaak schaarde hen aan de
Brandenburgsche zijde. Met versterking van het garnizoen van
Gulili nam dan ook de
Brandenburgsche Prins volkomen genoegen; maar deze maatregel mishaagde den Paltsgraaf
zoo zeer dat hij
Dusseldorp bezette en de Brandenburgsche krijgslieden en beambten
deze plaats deed ruimen. De Markgraaf had de stad reeds vroeger veiligheidshalve ver-
laten. Weldra zag de Paltsgraaf zijne magt versterkt door zijne compagnie, die tot
nog toe te
Gulih in bezetting gelegen had, maar door pithan wegens oproerigheid
Avas weggezonden. De Stalen-Generaal, ziende dat het ernst werd, berigtten den beiden
Vorsten, alsmede den Raden te
Dusseldorp en te Kleef, dat de stad en vesting Gulih
»voor en ten dienste van beide de Prinsen zou bewaard blijven," en gaven tevens ken-
nis van het gebeurde aan de Koningen van
Frankrijk en Grooi-Briianniê, aan den
Keurvorst van de
Palis, het hoofd der Duitsche Protestantsche Unie, alsmede aan den
Keurvorst van
Keulen. De antwoorden, die zij op sommige dezer brieven ontvingen,
en het berigt, dat de Paltsgraaf krijgsvolk liet ligten, deden hen de noodzakelijkheid
beseffen om geen tijd te verliezen. Zij verzochten de beide strijdende Vorsten en den
Bisschop van
Keulen tegen den ΙΟ''®" Junij eenige Gecommitteerden naar Wezel te
Bijeenkomst te Zenden, waarheen zij mede hunne gevolraagtigden zouden afvaardigen. Deze bijeen-
Vezel. komst had plaats. De Gecommitteerden der Stalen begonnen hier met het verzoek,

dat men alle dadelijkheden staken en al het krijgsvolk afdanken zou, hetwelk sedert
de gerezen misverstanden was aangenomen. Voor dit geschied was, zouden zij tot geene
onderhandelingen overgaan. Dit verzoek werd door de Gedeputeerden van den Palts-
graaf beantwoord met de verklaring, dat hij niet tot het afdanken van krijgsvolk kon
overgaan, zoo niet voor de veiligheid van zijnen persoon genoegzaam verzekerd en
Gulih ontruimd werd. Tot staving van de billijkheid van de eerste dezer voorwaarden
werd gedurende den loop der onderhandelingen aangevoerd, dat de Dusseldorpsche bur-
gerij hem vijandig was, en er aan geene verandering van residentie te denken viel,
aangezien geene stad in
Gulih of Kleef hem zou Λγϋΐοη ontvangen en innemen. Wat
de tweede voorwaarde betreft, zoo zeiden daarop de Nederlandsche Gezanten, dat de

1 Resol. der Slat. Gen. 10 Mei 1614.

ocr page 410

DES VADERLANDS. 557

Paltsgraaf Tan de bezelling van Galik geen grief tegen den Markgraaf maken kon, i6u.
aangezien deze van die daad der Stalen niets geweten, veel min daarin bewilligd had.
Ook moesten de misverstanden tusschen de beide Vorsten zijn opgeheven en door
beiden gezamenlijk het verzoek om ontruiming van
Gulik gedaan worden, wilden zij
daartoe kunnen besluiten. Toen niettemin de afgevaardigden van
Palis-Neuburg onver-
zettelijk bleven, braken de afgevaardigden der Stalen de onderhandeling af Daarna
zonden de beide possiderende Vorsten, volgens het voornemen reeds te
Wezel aange-
kondigd, Gezanten naar
Hage; die van Brandenburg verzochten bijstand tegen de
vgandeiyke daden van den Paltsgraaf, welke voortging volk te ligten en
Düsseldorf te
versterken; die van den Paltsgraaf, daarentegen, vorderden de teruggave van
Gulik, en
verlangden dat de onderhandeling in tegenwoordigheid van Gezanten der Koningen van
Frankrijk en Engeland zou hervat worden. Op dit laatste werd mede aangedrongen door
afgevaardigden van den Keurvorst van
Keulen en van den ouden Paltsgraaf filips lode-
wiJK van Neuburg. Aan al die Gezanten gaven de Stalen de vriendelijkste inlichtingen en
verzekerden hen van de opregtheid hunner bedoelingen; zij boden uitdrukkelijk aan,
Gulik te ontruimen, zoodra er een verdrag tusschen de beide possiderende Vorsten ge-
troffen zou zijn, of de Koningen van
Frankrijk en Engeland alsmede de Geünieerde
Duitsche Vorsten orde op de zaken zouden gesteld hebben. Nog voordat de Gezanten
vertrokken, vernam men dat thans ook de Aartshertogen, verbitterd over heigeen zij de
aanmatiging der Stalen noemden, zich ten strijde toerustten en een leger van ΙΰΟΟΟ
voetknechten en meer dan 1500 ruiters op de been schenen te willen brengen; dat
bovendien in
Spanje^ Italië, Duitschland en Zwitserland veel krijgsvolk geligt werd, en
WOLFGANG WILLEM xiïi Italië, DuUschland exi Draband meï gclü Hierop

besloten de Staten, den 16 Julij, op voorslag van den Prins en den Raad van Slate,
de bezetting van
Gulik te versterken en deze vesting van alle benoodigdheden jj^ ijezettiug
tegen een te verwachten belegering te voorzien, voorts ook de garnizoenen van
grensplaatsen der Provinciën talrijker te maken. In het begin van Augustus kwam
er berigt uit
Frankrijk en Engeland, dat hunne Majesleiten, niet alleen op verzoek van
de strijdende Vorsten, maar ook van den Koning van
Spanje en de Aartshertogen, buiten-
gewone Gezanten naar
^s Hage zenden zouden om te trachten een einde aan de vijandelijkhe-
den te maken. Desniettegenstaande hadden de Aartshertogen hun leger legen den 20"®" Au-
gustus in den omtrek van
Maastricht bescheiden. Hiervan vraagden hen de Staten rekenschap,
en zy kregen ten antwoord, dat de Aartsherlogen van meening waren het Bestand
naauwgezet in acht te nemen. Inmiddels vernam men van eenen afgevaardigde van den
Keurvorst van
Keulen, die te Hage kwam na Brussel te hebben aangedaan, dat
de Aartshertogen genoegen namen met een voorstel van den Koning van
Engeland om

^ Zie Rapport van de Gecommitteerden naar Wezel, op liet Rijks arcliieil
III Deel. 2 Stuk.

68

ocr page 411

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1614. GuUk in handen te stellen, hetzij van den Landgraaf maumts van Hessen, hetzij van
den Prins
christiaan van Anhalt, of van filips Willem van Oranje, tot tijd en wijle
dat het geschil tusschen de possiderende Vorsten beslecht zou zgn. De laatste, als on-
derdaan tegelijk der Stalen en der Aartshertogen en gematigd katholiek, kwam, heette
het, tot die taak vooral in aanmerking. Maar Prins
maurits zou ze niet dan on-
gaarne aan zijnen broeder hebben zien opdragen. Ook de Staten konden den Prins
van
Oranje niet geheel vertrouwen. Ten minste, toen hij in September 1615 zijnen
Raadsheer
kerremaws, een man »zeer partijdig tegen de Gereformeerde Religie," tot
Drost van
Breda benoemd had, lieten de Staten hem weten, dat, zoo hy niet binnen
acht dagen een ander benoemd had, zij »bij souvereine magt" in de zaak zouden
Henry wot-^· Augustus kwam henry wotton, de buitengewone Britsche Ge-

TON te 'sBage. ^ant, te 's Ilage. Hij begon met het verzoek, dat de Staten alle verdere maatregelen
zouden schorsen, en schriftelyk verzocht hij hetzelfde van den Aartshertog, opdat,
schreef hij, aan Zijne Majesteit van
Groot-Dritannië geene redenen van ontevreden-
heid gegeven en zijne laak niet onvruchtbaar gemaakt mögt worden. Toen de bren-
ger van dezen brief den 17'^"" Augustus te
Brussel aankwam, zou spinola den
volgenden dag naar het leger vertrekken. Zijne komst vermögt het vertrek van den
veldheer niet te beletten. Nog was de buitengewone Gezant van
Frankrijk niet aan-
gewezen, maar nn
maurier verzocht tegen den 18''®" gehoor bij de Staten-Generaal.
Hij gaf de hoop te kennen, dat de Staten, bedenkende dat de tegenpartij hunne
handelwijze met
Gulik als een vyandige daad had opgevat, geneigd zouden wezen
om het oor tot schikking te leenen, ten einde zich van alle verdenking te zuive-
ren, en geen algemeene ontbranding in
Europa te veroorzaken. Zeker was het, dat
Frankrijk het uitbreken van den oorlog duchtte, en om volstrekt onzijdig te blijven,
zelfs niet zou toeslaan, dat de Staten de Fransche regimenten, die zij in dienst
hadden, in de zaak van
Gulik gebruikten; maar iets stelligs, dit bleek genoegzaam,
had hij niet voor te stellen. Ook strekte zijne rede in de Slaten-Vergadering slechts
om aan
Frankrijk al dadelyk het regt te verzekeren van in deze zaak zyne stem mede
te doen hooren 2. Den 26"®" had er aan het Hof van Prins
maurits eene conferentie
van eenige Gecommitteerden uit de Staten-Generaal met
wotton en du maurier ter
beraming van een plan tot bijlegging der geschillen plaats. Bij eene acte, gedagteekend
den 27"'®" Augustus, regtvaardigden de Staten hunne handelingen ten aanzien van
Gulik:
alle onbevooroordeelden, dus spraken zij, konden ligt nagaan, dat zij geene andere

1 Resol. Slai.-Gen. 1613, Sept. 18 en 28. Toen hij kerremaks moest laten varen, benoemde
de Prins
f. van aerssen, en, toen deze zich verontschuldigde, aerssens broeder tot Drost van
Breda {Resol. Stat. Gen. 2 Oct.).

2 ouvRÉ, t. a. pl. bl. 224 , 225.

ocr page 412

DES VADERLANDS. i559

bedoeling gehad hadden, dan het bewaren der stad voor de beide Vorsten, »lot hand- 1614.
houding van hun accoord, waartoe zij verzocht waren en veel millioenen guldens ge-
dragen hadden." Hielden de oorzaken op, die hen lot de verzekering dier vesting
genoopt hadden, zoo waren zg bereid ze Ie ontruimen; maar bleef de vijand hen
bedreigen, zij hadden »eene vaste resolutie door Gods genade alle onregtmatige, onbe-
hoorlijke en vijandelyke proceduren, tegen hen voorgenomen, lot het uiterste te weder-
staan." Den vernam men, dat
spisola de Maas was overgetrokken, en daags

daaraan kwam het berigt, dat hij met zijn leger naar Aken getogen was. Tegen
deze stad had hij op verzoek des Keizers den Rijksban uit te oefenen. Hare inwoners
hadden in 1611 de Roomschgezinde Regering verdreven en eenen proleslantschen Raad
verkozen. Hiervoor moesten zij thans boeten i. Na dit strafgerigt trok de Markies
Spinola tuch-
naar Muhlheim, eene plaats in 1612 lot nadeel van Keulen door de possiderende
Vorsten lot eene stad verheven, en over welke insgelijks de Rijksban was uitgespro-
ken 2. Ook hier vond hij geenerlei tegenstand, en het stadje werd geslecht. Hoezeer
spiNOLA hier als uilvoerder van een bijzonderen last des Keizers was opgetreden, was
dit bedrijf niettemin eene daad van vyandelykheid tegen den Keurvorst van
Branden-
burg,
die de beide gekastijde steden in zijne bescherming genomen had. Ook bleek
het spoedig, dat de logt mede ten behoeve van de kalholijke partij in het Guliksche
ondernomen was, want
spihola verzekerde zich levens van Duren en andere vestingen
in dat Vorstendom, en vereenigde zich met een leger van vpduizend man voetvolk
en achthonderd ruiters, die
wolfgang willem hem toevoerde. Terwijl dit een en
ander achtereenvolgens naar 's
llage werd berigt, kwam het besluit lot rijpheid om
met allen spoed de ruiterij in orde te brengen en van het noodige lot den marsch te
voorzien, en voorts scheepssoldaten te liglen » zoo om te dienen op de oorlogschepen
op de rivieren als bij het geschut." Den 1"°" September verzochten de Gecommit-
leerden van den Prins van
Brandenburg de Staten zich niet langer door den
Gezant van
Groot-Brilannië, wien de Aartshertogen de mogelijkheid eener minnelijke
schikking hadden voorgespiegeld, te laten misleiden en ophouden, maar dadelijken
bijstand legen de gepleegde vyandelijkheden te verleenen, waarop nog denzelfden dag
door de Slaten-Generaal ten overslaan van Prins
maurits, Graaf Willem lodewijk
en den Raad van State, besloten werd, in allerijl een leger met alle krijgsbenoodigd-

ï Reeds in het bcfjin van 1612 liad de Aartshertog het plaa Aken te tuchtigen; doch de Staten
traden tussclien beiden
{Mémoires de Du Plessis^ III, 367. Amst. 1652. Resol. der Slat.-Gen.
15 Oct. 1612).

2 Muhlheim was grootendeels door uitgewekene Nederlanders gebouwd. Dit herinneren de Staten
den Aartsbisschop van
Keulen, waar zij nog den 20'^®° Januarij 1615 voor de ongelukkige Mulil-
lieimers hij dezen Keurvorst tusschentreden
{Resol. Slat.-Gen.).

68»

ocr page 413

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

16ld. heden in den omtrek van '5 Gravenweerd te velde te brengen. Den vertrokken
de beide genoemde Stadhouders met Prins
frederik Hendrik en zeven Gedeputeerden
uit
Gravenhage. Zij waren van de noodige volmagt voorzien om zonder ruggespraak
naar bevind van zaken te handelen. Op de bepaalde plaats aangekomen, vernamen
zij, dat spiNOLA en de Paltsgraaf verscheidene landsteden hadden bezet, ja dat den
iFezei valt itt September zelfs Wezel hun in handen was gevallen

zi)Be handen. . Î¹ .· i Tr i ι··ι

Dit was een groote grieve. Wezel heette bij de Kathohjke partij »een nest van
ketters en een
Genève aan den Rhijtiy^^ en deze stad aan de Spanjaarden in handen
te laten vallen, was een groot verzuim, dat eene menigte ongelukkige geloofsgenoo-
ten, reeds in 1598 en 1599 zoo zwaar beproefd, aan hunne wreede verdrukkers over-
//Wfo val aan liet. Uit OLDEKBARWEVELTS Verhooren ^ blijkt, dat men dit ongeluk aan den Advokaat
velt'^gew^^^^ geweten. De Gedeputeerden van Vriesland^ en bepaaldelijk donia, toenmaals

lid van den Raad van State, hebben hem openlijk in de Vergadering der Staten-
Generaal verweten, dat hij de oorzaak van het verhes van
Wezel was geweest. Zelfs
dacht men aan boos opzet en voerde tot staving van dit gevoelen een en ander bewijs
aan. Hij had, zoo heelle het, door in de vergadering der Staten-Generaal door te
drijven, dat men eerst van de toestemming der Lastgevers lot het dragen der onkosten
verzekerd moest zyn, en daarna door onnoodig uitstel het te velde brengen van het
leger verhinderd, ten tijde dat
spinola Wezel bedreigde, terwyl alle Provinciën ver-
langden dat er niet gedraald zou worden; hij had, zoo heette het almede, teweeg-
gebragt, dat aan Graaf
erwst geschreven werd, dat hy geen krijgsvolk van deze Lan-
den voor die van
Wezel zonder nader last zou laten werven; Gedeputeerden van de-
ze stad, herwaarts gezonden om de hulp van een Staatsch leger van duizend of twaalf-
honderd man te verkrijgen, had hij ongetroost van hier laten vertrekken uit deze
Landen waren brieven geschreven aan
spinola, waarin te lezen stond, dat de Staten
niets met al voor
Wezel doen zouden; ja, uytenbogaert, de vertrouweling van olden-
barnevelt, zou
uaar Wezely waar hij door zijn huwelijk betrekkingen had, geschreven

^ Verscheidene bijzonderheden van het bovenstaand verhaal zijn ontleend aan Oüvré, in het
aang^eliaalde werk, die uit de correspondentie van
du maurier geput heeft, en aan de Memorie,
hierboven vermeld op bladz. 404. Daar leest men in de Noot, dat die Memorie is toegezonden
aan
van der biulk. Deze opgave echter steunde slechts op een vermoeden. Uit het stuk zelve blijkt,
dat het is toegezonden aan een persoon, die zich in November 1614 te
Genua bevond en, voor-
nemens zijnde om spoedig naar
Yenctië te reizen, met de vereischte kennis toegerust wenschte te
zijn om het gevoelen en het oordee van de staatkundigen aldaar te kannen polsen. Zie voOrts
Resol. V. Holl. 1614, bl. 81—100.

2 N». 153-165 (bl. 97—102>

3 Deze Gedeputeerden waren de predikanten cnutius en acronius, zie dytenbocaert , Lcveii,
herckelijke Bedien, en Veranltv.
(bl. 205, uitg. 1645).

ocr page 414

DES VADERLANDS. U05'

nSipeeB

hebben, dat de Staten zich met Wezel niet bemoeijen, noch een paard daarom zadelen 1614.
zouden. Uit hetgeen de Advokaat aan zijne Regters antwoordt, blijkt dat werkelijk
eenige Gedeputeerden van de steden van
Holland op het bedoelde tijdstip zwarigheid
gemaakt hebben in het dragen van het consent voor de kosten, tot het teveldebrengen
van het leger vereischt. Neemt men nu aan, dat deze tegenstand niet zonder medewe-
ten van OLDENBARNEVELT heeft plaats gehad, of dat hij, bijaldien het uitstel hem niet ge-
legen ware gekomen, de toestemming der ste'den gemakkelijk had kunnen verkrijgen,
dan dienen wij op te sporen, wat de reden van
oldenbarkevelts talmen in deze zaak
mag geweest zijn. De toeleg om zich in de Guliksche en Kleefsche Landen krachtig
te doen gelden, en aan de uitbreiding van de magt en de staatkunde van
Spanje en
de Aartshertogen niet het minste toe te geven, bestond ongetwijfeld by de Staten en
OLDEWBA-RNEVELT. Dit was
éü uit den veldtogt van 1610 gebleken, en bleek daarna De staat van
ten duidelijkste uit de besluiten in het jaar 1612 genomen, waarbij bepaald werd, den aaigclouLn.'^^^
staat van oorlog, in weerwil der groote kosten, aan te houden, en wel op grond »dat
de Provinciën of hare naburen weldra en plotseling weder met den Koning van
Spanje
of de Aartshertogen in oorlog konden komen i." Daartoe moesten de geldmiddelen in
goeden staat zijn, en hoe veel geduld en volharding was er niet noodig geweest, om
Zeeland, welks onwil om meer dan negen ten honderd te betalen de regeling der aan-
deelen der Provinciën in de gemeene lasten nog steeds tegenhield, eindelijk tot rede
MocijelijkhcJeu
te brengen In November 1612 was de zaak aan de uitspraak gesteld van Prins ae/yj"^]«.^^^'"®

1 Resol υ. Holl. 1612, bl. 934, 935, 943, 970, 975. Hoe weinig vriendschappelijk de toon
tussclien de Republiek en de Aartshertoffcn ook na het Ucstand gebleven was, blijkt uit liet
Rapport van den Secretaris chuist. huygeks aangaande sijn gezantschap naar Brussel in löJl en
1612 (op het Rijksarchief). Het hoofddoel dezer zending waren klagten over moeychjkheden,
die Noord-Nederlandsche burgers in de zuidelijke
Nederlanden ia het verkrijgen van Imn regt
belemmerden. Voorts spreekt de Gezant een krachtig woord voor de belangen van de erfgenamen
van Prins
willem van Oranje, die men in hun regt op de zoutmakerijen van Salins in Bourgogne
verkortte; ook herinnert hij aan de beloften, aan emanüel van poutugal gedaan. De toon, waarop
hij tot den Aarlshertog en zijne Raden spreekt, is hoog en scherp, en dezen blijven niet in ge-
breke klagten over regtsverkorting tegen klagten over te zetten. Men liet den Gezant gaan, na
licm maanden opgehouden te hebben, »zonder eenig defroyement of vereering van wege den
Aartshertog." En op het eind van zijn Rapport teekent hij aan, dat meermalen, wanneer hij
te kennen gegeven had »dat het vreemd Avas, dat in plakaten door de Aartshertogen de titels
van de Yereenigde
Nederlanden gebruikt werden," bodiaro, peckiüs en vehbeycken hem geantwoord
liadden, »dat de Aartshertog hij het traktaat geen afstand had gedaan van de Landen, noch ook
van de titels, en overzulks hem vrijstond die te voeren; ofschoon hij dit niet gedaan had in
depêches H. H. M. rakende; dat er wel in het traktaat stond als vrije Landen, doch niet positive
dat zij vrije Landen waren."

- Den 12·''^'' Oct. 1612 »is verstaan, om eenmaal tc komen tot eenparig consent van de quote

ocr page 415

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1614. maurits, Graaf lodewijk Willem en den Raad van Slale, en na eindelooze onderhan-
delïDgen met de Gecommitteerden der Staten van
Zeeland, die zich reeds vroeger
zelfs niet door eene opzettelijke reize van den Prins hadden laten bewegen, viel eene
beslissing, welke ten minste voor het verloopen jaar 1612 en het ingetreden jaar 1613
de bydragen der Provinciën regelde. Onder de overwegingen, die geleid hadden tot
het inroepen van de beslissing van de genoemde Vorsten en van den Raad van State
wordt met zoo vele woorden gezegd, dät die maatregel genomen werd, »om den staat
van het Land eens buiten onzekerheid en onvermydelijke ruïne te stellen." »Door
langdurige wanbetaling en groote achterstallen van verscheidene compagniën te paard
en te voet en van andere partijen van den staat van oorlog was de verwarring en het
verloop in 's Lands zaken ten gevolge van den onwil van
Zeeland tot het uiterste geko-
men." Indien men niettemin tot geene vermindering van de oorlogslasten overging,
maar zich beriep » op het regt verstand der Unie; op de traktaten met
Engeland en tus-
schen
Holland en Zeeland onderling gesloten; op de natuurlijke en inwendige verplig-
ling, waarmede de Provinciën aan elkander gehouden en verbonden waren tot bevorde-
ring van haren welstand, verdediging en bescherming," en eindelyk op de plegtige
beloften vóór het sluiten van het Bestand gedaan, zoo was dit wel een sprekend be-
wijs, dat men niet van zins was zich door den natuurlijken vijand van den Staat een
voet breed gronds te laten afwinnen En wat in het bijzonder het behoud van
Wezel
voor de zaak van het Protestantisme aangaat, oldekbarnevelt verklaarde, dat hij,
wetende wat de stad vroeger van de Spanjaarden te verduren had gehad, gezind was
geweest haar door het toezenden van toereikende hulp v,oor overrompeling te behoeden,
te meer daar dit zonder buitengewone kosten geschieden kon en de troepen altijd bij
het ophouden van het gevaar gemakkelijk daaruit terugtrekken konden
Oorzaak van En toch kwam de legermagt te laat om Wezels val te verhoeden. Ten einde dit te
IFezeis val. verklaren, moeten wg ons den waren staat der met de Gezanten van
Engeland en
Frankrijk geopende onderhandelingen voor den geest stellen. Om Wezel te redden;

over de Provinciën, dat van Hollands wege zal mogen geconsenteerd worden, in plaats van 57%
tot 58 ten honderd, mits
Gelderland dan geve 5%, Utrecht 5M.> Vriesland 11%, Groningen
en Ommelanden 5% en Zeeland 11 ten honderd. Resol. Holl. 1612, bi. 836.

1 Resol, Stat. Gen. 10 Nov. 1612. 13 Maart, 1613. Resol. v, Holl. 1612 (bl. 953). In de
laafstaangehaalde plaats wordt als grond Tcrmeld om in het vraagstuk der qiioten of aandeden der
Provinciën te voorzien, »ten einde de Staat van den Lande in deze bezwaarlijke conjuncturen
zonder het gebruiken van eenige extremiteiten van cassatie van het volk van oorloge of andere in.
goede poincten gehouden en geconserveerd ' mag worden," En later (op hl, 968) wordt ernstij^
aan de belofte herinnerd voor het aangaan van liet Bestand gedaan.

2 Verhoor, bl. 97, 101.

ocr page 416

1614.

DES VADERLANDS. 543

had het besluit om het leger in alleryl Ie velde te brengen vroeger dan in de laatste
dagen van Augustus genomen en uitgevoerd moeten worden. Tot aan het eind'
van Julij was er door de Staten met genoegzame kracht en voortvarendheid gehandeld:
immers toen nog hadden zg
Guïik in volkomen slaat van verdediging gebragt en de
grensplaatsen sterk bezet. Wat nu viel er in de maand Augustus voor om den Staten de
handen te binden ? Toen werd de komst van buitengewone Gezanten van
Frankrijk en Enge-
land
aangekondigd, die in last zouden hebben aan de vijandelijkheden een einde te maken.
Om de vredelievende verzekeringen van de Aartshertogen, het is waar, behoorde men zich
niet te bekreunen; en ook aan hetgeen van-Ë'/i^-e/awi/i wege gezegd zou worden, behoefde
men zich niet veel gelegen te laten liggen. Hoogstens kon men het ongenoegen des
Konings op zich laden, die nog den Julij 1612 in de Staten van
Holland had

laten verklaren, dat de Duitsche oorlogen hem grootelijks mishaagden en hij ze in zyn
hart »detesteerde." Maar eene verstandige staatkunde eischte, dat men het oog op
den toestand van
Frankrijk hield. De buitengewone Gezant uit dit Rijk liet zich
wachten, en
du maurier, de gewone Gezant, bleef zonder stelligen last. Hetzij omdat de
Regentes eene reis door de Provinciën deed, hetzij omdat zij niet lot een besluit wist te komen
en, als allyd geslingerd tusschen de partijen, zich, om het evenwigt te bewaren, niet durfde
roeren. Zou men intusschen te 's//a^'e doortasten ? Zoo men in het Guliksche het sein van
vijandelijkheden gaf, stond de Regentes aan het felste ongenoegen der Spaansche partij
bloot, bijaldien zij niet tot dadelijke handbieding aan
wolfgang Willem besloot, en
kwam zij hiertoe, dan dreigden weder de Protestantsche Rijksgrooten gewapend partij
te kiezen. In één woord de minste stoute slap, uit 's
Ilage verordend, kon Frankrijk
in rep en roer brengen, en (om de woorden van van aerssept zeiven, zoozeer in tegen-
spraak met zijne daden, te bezigen) »het welvaren van de Kroon van
Frankrijk was do
eenige verzekerdheid van den Slaat der Vereenigde
Nederlanden ^ en daarentegen was scheu-
ring in
Frankrijk de eerste schrede tot de omkecring van den Nederlandschen Staat i."
Voorwaar
du plessis-mornay schreef in deze dagen te regt, dat de goede naburen van
Frankrijk er belang bij hadden, dat die Staat in rust bleef 2. Voor iemand, die de-
zen staat van zaken doorgrondde, was dus
oldenbarkevelt genoegzaam geregtvaardigd,
zoo hij in de maand Augustus meende te moeten dralen met het bevel om het leger
te velde te brengen. Onstaatkundige eerzuchtige menschen of geestdrijvers hebben
het oog slechts op één punt gevestigd; om al het overige bekommeren zij zich niet;
zij ijlen als een gemeen soldaat naar de bres; maar de Staatsman moet, even als de
Veldheer, alles overzien, en overwegen of een onbesuisde aanval op één punt niet
alles in gevaar brengt van onherstelbaar verloren te gaan. Wijs was dus
olbenbarke-
velts
staatkunde ook in deze dagen, en dezelfde du plessis, die echte protestant,

^ Remonstrantie van den 29»'"" Oct. (zie liesol. Slat. Gen. 12 Kov. 1613).

2 Mémoires, III, ρ. 622.

ocr page 417

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1614. schreef met waarheid ook dit woord: »De Staten doen zeer verstandig, dat zg midde-
len opsporen ora deze zaken in der minne te schikken i." En zoo
donia den Advo-
kaat in de Vergadering der Staten-Generaal, in drift ontstoken, durfde verwijten, dat hy
de oorzaak was van het verlies van
Wezel, had de Advokaat volkomen gelijk met
daarop kalm te antwoorden, dat die heer »kwalijk geïnformeerd" Avas Werkelijk
begreep
donia niet, en olbehbaritevelts regters begrepen hel evenmin, hoedanig de ware
slaat van zaken was. Bij meer onpartijdigheid en helderder inziglen zouden zij het wel begre-
pen hebben
Van aerssen begreep het wel, blijkens hegleen hij kort daarna aan du
PLEssis-mornay
schreef maar hij zal zich wel gewacht hebben, oldenbarnevelts tegenstan-
ders in te lichten. Hoe het zij, toen
spinola zijn leger tot het bezetten van verschei-
dene plaatsen, die onzijdig hadden behooren te blyven, bezigde, en doortrok zonder
dat men berekenen kon, waar hij zou ophouden, toen behoefde men niet meer op
overleg met
Frankrijk te wachten. Immers kon daarna de krachtigste houding der
Stalen vriend noch vijand meer bevreemden. Hadden zij
Wezel bezet, er ware in Rijken ,
die kwalijk in rust waren te houden, een geweldige kreet opgegaan, en in eene
ligt ontvlambare slof ware een vonk gevallen. Nu
spinola die stad ingenomen had,
trof dit berigt den goed geregeerden Nederlandschen Staat, die dadelijk in eendragtige
krachtsinspanning eene afleiding voor de opgewekte verontwaardiging vond. En
zulk eene gegronde reden bestond er voor
Nederland na den val van Wezel ora zich
mede gewapend in het Guliksche en Kleefsche te doen gelden, dal
spinola, die even-
wel niets liever wenschle dan de eer zich in een veldslag met
maurits te meten ^, niet

1 Mémoires, UI, p. 628.

2 Verhoor. W". 165 (bl. 102).

2 Wat de boven vermelde uitdrukking uit cenen brief van uytenbogaert naar Wezel geschreven
betreft, in zijn
Leven, kerckel. bediening en veranlw. bl. 202—205 , 207—209, toont hij de
losheid cn tegenstrijdigheid der berigten dienaangaande in liet brcede aanj de oorsprong van 't
gerucht scheen men in
Holland en Zeeland bij uytesbogakrts vijanden onder de predikanten te
moeten zoeken. Doch is er niettemin zoo iets geschreven, dan hangt alles af van de vraag, op welk
tijdstip en in welk verband het gezegd was.
Maurits zelf had wel gezegd, dat de Spanjaarden
ons al den tijd zouden laten om ons testament te maken (ouvivÉ, t. a. pl. bl. 223), hetgeen ook
niet van het vermoeden getuigt, dat er veel van de Spanjaarden te duchten was, of dat er haast
behoefde gemaakt te worden om hen te wederstaan.

^ Hij schrijft den 24'^®" Junij 1615: »Ik ben van meening, dat wij te veel hechten aan de
raadgevingen van naburen, die uit aanmerking hunner eigene belangen de onze grootelijks hena-
deelen. Zij hebben onzen toeleg om
Wezel te bezetten doen afspringen. — Uw Frankrijk geeft
ons flaauwe raadgevingen, misschien wegens den teederen leeftijd van den Koning, die vrede
noodig heeft, welke, zoo wij hem braken, ook voor hem ligt verloren zou gaan" (
ouveé, p. 237, 238),
5 oüvbé, p. 227.

ocr page 418

DES VADERLANDS. U05'

anders vermögt, dan de Nederlacdsche magt als bevoegd Ie erkennen om hier als icu.
scheidsregter op te treden. Inderdaad, van zyne zijde werd er niet gedacht aan vyande-
lijkheden tegen het Slaatsche leger: hy liet dit zoovele plaatsen bezetten, als Prins
MA.ÜRITS voegzaam oordeelde. Den 7''®" September, namelijk, trok de Prins naar Het ^taatsche
Emmerik op, alwaar hij garnizoen legde. Daarop ging de togt naar Rees^ waar hij velde eu bezet
nog tijdig aankwam om te verhoeden dat het in de handen van den Paltsgraaf en piaatseu.
spiNOLA. viel. Na zich van nog eenige andere plaatsen verzekerd te hebben, betrok hij
een legerkamp in de nabijheid van
Rees ^ en liet door den Commandant van Nijmegen
de sleden Goch, Gennip en Ravenstein innemen. Van hunnen kant legerden de Palts-
graaf en de Markies krijgsvolk in
Xanten. Intusschen verzochten eenige Raden der
thans door vreemde troepen bezette Landen, dat er eene onderhandeling mögt aange-
vangen worden. Dit werd van 's Prinsen zyde toegestaan. De Heer
vaw marquette en
de kapitein der Lijfwacht,
starkenbTjrg, kwamen van zijnentwege zamen met den
Heer
gironi en Graaf Hendrik van den berge , door den Markies afgevaardigd. Doch
deze bijeenkomst leidde lot niets. Het voorstel van Prins
maurits om voorloopig van
den 1September aan op te houden met het innemen van meer sleden of plaatsen,
werd afgeslagen, en daarentegen het sluiten van een langdurigen wapenstilstand voorge-
steld. Dit was onaannemelijk, omdat het tot een onbepaald bezethouden der ingenomen
plaatsen scheen te leiden. Daar
spinola zich alzoo niet had willen verbinden, verder
geene plaatsen in te nemen, zoo wilde Prins
maurits hem vóór zijn, en hij liet dade-
lijk mede in het hertogdom
Gulik, Berg en het Graafschap Mar/c eenige plaatsen be-
zetten , waarop de Markies op zijne beurt weder andere plaatsen innam. Bij dit alles
ontzagen de legers elkander. De beide Mogendheden, moest het hceten, waren on-
derling niet in oorlog; integendeel, het Bcsland bleef in wezen; alleen verzekerde men
zich van beide zijden, dat geen der possiderende Vorsten ten koste van den ander werd
bevoordeeld. Meermalen kwamen officieren of soldalen der beide legers met elkander
in aanraking en dan bejegenden zij elkander wellevend en vriendelijk i. Aan
maurits
ontbrak het niet aan vermaning van eene zeer vertrouwde zijde om toch vooral voor
het eerste schot op zijne hoede te zijn. Immers schrijft hem zijn neef
willem lode-
wijk
: )) Ik ben er niet tegen, indien uwe Excellentie het zoo goed vindt, dat gij,
om den Markies
spinola te beletten zich van het Graafschap Mark meester

1 du maürier schrijft aan de thou: »de pakwagens der beide legers bevonden zich soms terzelf-
der plaatse, en dan hielp de een den ander om den last op te Iaden. Drie mannen van Prins
MAURITS waren eens in een sladje,
Ballen [Dahlen?) {jenaarad, toen er de troepen van den Markies
spinola inrukten. Die drie personen betuigden, dat zij het plaatsje voor de Staten genomen liad-
den. Niettemin moesten zij voor de overmagt wijken. Maar de Markies vreesde zoozeer, dat liet
voorgevallene als een vredebreuk mögt opgenomen worden, dat hij
Dallen weder aan de SlaatscLe
troepen heeft uitgeleverd" (ouvnÉ,
p. 233).

III Deel. 2 Stuk. 69

ocr page 419

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

ifili. te maken, hem met uw leger volgt; wel maak ik mij bekommerd, dat door een
mogelijk toeval de eerste aanleiding tot de verbreking van het Bestand van onze zijde
gegeven worde, zoodat de klagten en verwijlen op het hoofd van Uwe Excellentie zouden
neerkomen. Niets toch is zoo zeker als dat door deze schending van het Verdrag een
traktaat van vrede zou teweeggebragt worden, dat, bij de tegenwoordige gesteldheid van
Frankrijk, Groot-Brilanni'è en dezen Staat, slechts den volslagen ondergang van dit
Land ten gevolge zou hebben. Weshalve Uwe Excellentie naar mijn oordeel zorg moet
dragen, dat de eerste daad van vredebreuk van den kant des vijands kome, ten ware Uwe
Excellentie uitdrukkelijk bevel gekregen hebbe van Mijne Heeren de Staten-Generaal i."
Met dat al kon ieder oogenblik het geringste voorval de bedenkelijkste gevolgen heb-
ben , en
du maurieb. had grond genoeg om te schrijven: »Prins maurits en de Markies
spiNOLA. zyn zoo digt bij elkander, dat ik zeer vrees, dat de wolken tegen elkaar zul-
len aanbotsen en er een vreeselijk onweder uit zal losbarsten 2.» Waarlijk het was tgd,
dat de diplomatie hier hare krachten beproefde.

Nog altijd was de buitengewone Gezant uit Frankrijk niet aangekomen, en du mau-
RiER was derhalve niet genoegzaam van de inziglen van zijn Hof onderrigt om op de
eene of de andere wijze krachtig op te treden. Eindelyk werd de Heer
de reffuge
Zending van met de taak belast om hem in deze oogenblikken op zijde te staan. Deze Gezant
^TiIaJe^' kwam den IS*^®" September te
Brussel aan, waar hij tot den Aartshertog de drie
volgende vragen rigtte: Of hij gezind was den krijg te staken, indien de Stalen zich
daartoe verslonden; of hij een Gezant zou willen afvaardigen om te onderhandelen
over de ontruiming der ingenomen plaatsen van beide zijden; of hij goed zou vinden,
dat deze onderhandelingen plaats hadden te
Gravenhage, »de eenige geschikte plaats
voor de Vereenigde Provinciën, daar de afgevaardigden dier Landen nooit volmagt

' 24 Sept. 1614. Archiv, de la Mais. (VOrange, II Sér. Tom. li, L. 367. Men ziet het, hoewiLLEM
lodevvijk alle uittartende stappen van onze zijde zou beoordeeld hebben op grond eener zeer juiste
11 beschouwing van den toestand van
Europa. Ook vindt men bij hem vóór den val van Wezel geen

zweem van blaam wegens de langzaamheid der Staten; integendeel hij schrijft: » Onze Staatslieden
zouden wel van meening kunnen zijn, dat de zaken door de aangevangen onderhandeling gemak-
kelijker geschikt kunnen worden, maar dat daarentegen door het oprukken van ons leger de toe-
stand verergerd en de onderhandeling verijdeld worden zou. Wat dit laatsie betreft, zoo staat het
II aan mijne lleeren de Staten hierover te oordeelen."
Archives etc, L. 366. In het leger weet groot

11 en klein het verlies van Wezel aan vincent rentsinck, Stadhouder van liekelinkkuizen, Gezant van

den Keurvorst van Keulen, die, zeide men, Hun Iloogmogenden had opgehouden. De Gelderschen,
vooral die van
Arnheniy beschuldigden hunnen Gedeputeerde ter vergadering der Staten-Generaal,
den Heer
van buienen van siNDEREüf, van dezelfde zaak. Zoo Aveinig doorgrondden de meesten de
ware oorzaak.
[Resol. Slat. Gen. 4 Octob. 1614. 8 Jan. 1615).

2 ouvRÉ , p. 228.

ιίί;

ί¥·

ocr page 420

DES VADERLANDS. i559

hadden dan yoor ééne zaak." Het antwoord Tan den Aarlsherlog was, dat hij zich 1614.
tot den vrede zou laten vinden, indien de Slaten dien ter goeder trouw verlangden, en
dat, zoo zij
Gulik teruggaven, hij de door hem ingenomen plaatsen zou ontruimen
Den kwam
reffuge te^sllage aan, kreeg den gehoor bij de Slaten-Generaal,

en, na zijne late komst verontschuldigd en van zijn bezoek te Brussel verslag gedaan
te hebben, onderhield hij hen
over de noodzakelijkheid van eenen vrij langdurigen wa-
penstilstand tusschen de beide Veldheeren in
Kleefsland, ten einde tijd tot onderhan-
delen te winnen
2. Den 26'"=" kwamen de Gezanten overeen, du maurier met eenen Edelman
uit het gevolg van
wotton naar de legers te zenden, ten einde zich omtrent dag en plaats
der onderhandeling te verstaan. Intusschen schreef de Heer
de reffuge over de stemming hier
te lande naar
Parijs; de gemoederen waren zeer gezind om krachtig tegen de katholieke ligue
op te treden, aan welke men weder groote plannen tegen het protestantisme toeschreef; men
wantrouwde zelfs
Frankrijk, en «God geve," schrijft de Gezant, «dat men in Fran/cnj/c
de gemoederen der Protestanten niet wakker make.
Van aerssen roeit hieronder, zoo
veel hij kan, en beroept zich op de vertraging van de toezending der onderstandsgelden
tot betaling der troepen: thans, zegt hij, ziet men de gevolgen van zijne terugroeping:
had men
Frankrijk in de angst gelalen en ecnige verstandhouding tusschen de Staten
en de Fransche Protestanten laten vermoeden, dat Rijk zou hen niet aldus behandelen.
Maar hier, voegt hy er by, zijn personen, welke zich liever hebben willen inlaten
met de katholieke ministers, die dezen Slaat verachten en haten. Zulke woorden, hoe
valsch ook, maken indruk op verscheidene zwakke gemoederen, wier aantal alles in
gevaar kan brengen." Hier zien wij
aerssen en zync staalkundige bemoeyingen op de
daad belrapt.

Op reis naar de legers te velde werd du maurier ongesteld, zoodat hij te UlreclU
moest achterblijven. Toen vertrok reffuge den 50""" September zelf, met wotton,
naar het hoofdkwartier van Prins maurits bij Rees, De markgraaf van Brandenburg
was in het Slaatsche, de paltsgraaf van Neuburg in het Aartshertogelijke leger. Met de-
zen en de beide legerhoofden (
du maurier was intusschen hersteld en had zich bij de
andere Gezanten gevoegd) werd goedgevonden, het garnizoen uit de stad
Xanten^ als

tusschen de beide legers gelegen, te laten vertrekken en aldaar de onderhandelingen te Onderiiaude-

lingen te Xanten.

doen plaats hebben. In weerwil der moeijelijkheid van de op te lossen vraagstukken, der
griUigheid van den Ambassadeur van
jagobus, en der langzaamheid van de Duitsche
afgevaardigden 3 werden de partijen het omtrent de hoofdzaak eens, en den No-
vember werd een verdrag tusschen de possiderende Vorsten ontworpen, nagenoeg gelijk aan

1 ouvRÉ, p. 225, 229.

2 Msol V. Holl. 1614, bi. 101

^ Dépcclie van reffuge, bij oüvhé, p, 233.

mmm

• ■-ν . r-^r., '^^yÄffl

69»

ocr page 421

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1ö14,. hunne vroegere overeenkomslen. Doch dadelijk werden er van de zijde van spikolα en den
Paltsgraaf allerlei uitvluglen gezocht. Eersl werd er geklaagd, dat de Gezanten voor de Staten
partijdig waren; daarop heette de procuratie van den Prins van ^rawc/enftur^ onvoldoende.
Waardig en krachtig antwoordden de Gezanten op
spinolas niets afdoende redenen,
en men zocht de bezwaren op Ie heffen door het inleveren eener procuratie van de
Keurvorstin van
Brandenburg. Toen kwam men aan met de bewering, dat de Land-
slenden van
Gulik en Kleef de artikelen eerst nog moesten bezweren, en daartoe bij-
een geroepen moesten worden. Den aanwezigen leden van die Vergadering, welke
verre waren zoo iets te eischen en slechts naar de bekrachtiging der artikelen ver-
langden, om van het vreemde krijgsvolk verlost te worden, trachtte men schrik
aan te jagen. Den werd een
aggreatie van den Paltsgraaf ingeleverd; doch deze

was niet volkomen in orde, en de aggreatie van den Prins van Brandenburg weigerde
PEGKius, de gelastigde der Aartshertogen, aan te nemen. Dus besloten de Gezanten,
den Paltsgraaf dit staatstuk toe te zenden. Hierop zich aanstellende, alsof zij overtuigd
waren, dat de Paltsgraaf en
spinola de uitvoering van het traktaat niet zouden kun-
nen nalaten, maakten zy eindelyk aanstalten om
Xanlm te verlaten. Den laatsten No-
vember verklaarde
spinola ronduit, dat hy de bezette plaatsen niet kon ontruimen zonder
uitdrukkelijken last van de Aartshertogen, en de stellige verzekering, dat Prins
maurits
met zijn leger niet meer terug zou komen. Niettemin vertrokken de Gezanten daags
daaraan. Den
2*"™ December waren zij te Bees en trof Prins maurits dadelijk maat-
regelen om het leger op te breken; zelfs benoemde hij gyzelaars volgens het eerste artikel van
het advies op den vorm van uitvoering van het accoord. Den ontvingen de Engelsche
en de Fransche Gezanten een brief van den Paltsgraaf, waarin deze verklaarde, lot de
uitvoering van het traktaat geneigd te zgn, mits hij de verzekering erlangde, dat de Sta-
ten niet telkens als 't hun lustte, weder over de grenzen zouden komen. Ten ant-
woord boden de Gezanten aan, Prins
maurits tot de belofte te brengen, dat hij hierna
niets »
in prejudicie van het traktaaV^ tegen den een of ander der possiderende Vorsten
zou ondernemen. Die bepaling
in prejudicie van het traktaat was, zoo als reeds vroe-
ger gebleken was, de tegenpartij niet naar den smaak. Later vernamen de Gezanten
nog door lusschenkomst der Kleefsche Stenden, dat men van de Staten de belofte ver-
langde, dat zi] niets tegen het land noch tegen de Vorsten of eenen van hen zouden
ondernemen, noch onder welk Toorwendsel ook plaatsen zouden nemen of bezetten,
behalve in geval een derde met geweld van wapenen eenige plaats innemen of bezetten
wilde. Zulk eene belofte nu verkozen de ambassadeurs niet van dé Staten te
vergen Hiermede waren alle onderhandelingen gestaakt. Het was genoegzaam geble-

' Zie eene op het Rijksarchief berustende Memorie over het voorgevallene na het ontwerpen van
de artikelen van het traktaat van Xanten.

ocr page 422

1614.

DES VADERLANDS. Ã–49

ken, dat de Paltsgraaf, die thans wenschte, dat hij de Spanjaarden weder uit zijn uit-
gemergeld land kwijt mögt zijn, ligt over Ie halen zou geweest zijn. Maar de Vorst was
niet vrij: hij had zich nu eenmaal in de handen van den Aartshertog en
Spanje geworpen,
en dezen waren niet van zins wat zij in bezit hadden zoo spoedig te laten varen
Reeds den 29''"° November had men te
Wezel vernomen, dat er bevel uit Spanje was
gekomen, het traktaat niet te sluiten, maar daarmede te wachten totdat de Koning van
Spanje van den slaat en het gewigt van de stad Wezel onderrigt zou zijn, daar men
deze stad, als met Spaansch krijgsvolk en geld veroverd, niet van zins was voetstoots te
ontruimen.

Het Staatsche leger bleef dan ook in de grenssteden van Kleef en Gulik verdeeld
Nadat hel traktaat van
Xanlen den 15·^®° December door de Staten geratificeerd was,
vertrok de Heer
de reffüge den 16^®° dezer maand naar Brussel om zoo mogelijk
de Aarlsherlogen lot de uilvoering van dat traktaat te bewegen Κ De Stalen
geloofden niet aan eene vredelievende oplossing. Immers schrijven zij den 18''®'' Fe-
bruarg aan die van
Deventerj en «alzoo Hun Hoog Mögenden dagelijks hoe langer zoo

1 Reffüge schrijft den IQ^c" Nov. aan puysieüx te Parijs: »Het is een lastige zaak, te onderne-
men hen uit eene plaats te doen vertrekken, waarin zij zicli wel bevinden, hoe zeer zij ook het
tegenoverfjestclde verzekeren. Ziende dat wij in deze zaak verder gegaan zijn dan zij Avensclilen,
hebben zij (de Spanjaarden) ons verweten, dat wij partijdig waren, omdat wij toegestaan hebben,
dat de Gedeputeerden der Vereenigde Provinciën, die, zeggen zij, partij zijn in het geschil, de artike-
len met ons onderteekend hebben. Wij hebben erkend, dat wij altijd partijdig waren en zouden zijn voor
diegenen, op wier hand het regt en de billijkheid Avas, en dat wij het in deze zaak even gaarne zouden
geweest zijn voor hen als voor de Staten, zoo wij in hen evenveel bereidwilligheid bespeurd hadden
om terug te geven, wat zij in bezit genomen hebbenj dat wij aan de Slaten getuigenis geven
tonden, dat zij zich in deze zaak zeer gekweten hadden en dat wij wel gewcnscht hadden overal
dergelijke bedoelingen voor de rust dezer gewesten aan te trefien; dat het niet alleen bij deze
gelegenheid was dat de Staatsdienaren van
Spanje en van de Aartshertogen zich verbeeld hadden
dat
Frankrijk en Engeland partijdig waren; dat zij dit reeds duidelijk genoeg geloond hadden
door met dadelijkheden te beginnen zonder hunne tusschenkomst, die ze echter zelven hadden
ingeroepen, af te wachten." (
Oüveé, p. 234). Zulk een ondubbelzinnigen lof en eerlijke ondersteu-
ning van de zijde van
Frankrijk was de kroon van OLDENiiAßNEVELis verstandige staatkunde.

2 Memorie van Oldenb. Verder gaat de inhoud van dit stuk niet. In een schrijven aan den Aarts-
bisschop van
Keulen van den 10'^'=° Febr. 1615 vermeldden de Staten, dat bij het opbreken van
het leger de hooge stand van de
Maas de compagniën, bestemd voor de (Noord-) lirabandsche
steden,, belet had derwaarts te trekkenj daar er nu »beneden geene commoditeiten van fourage
en andere behoeften bevonden werden, zoo had men het hooger op moeten zoeken."
[Rcsol. der
StaL-Gen.
10 Febr. 1615.)

3 Resol. Slat. Gen, 15 Dec. 1614.

ocr page 423

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

] 014. meer adviezen toekomen van de groole toebereidselen lol den krijg, die van alle zijden gemaakt
worden," vermanen zij hen ernstiglijk dadelijk te viillen zorgen, dat de poorten hunner
slad tegen elke verrassing Terzekerd mogen zijn. En aan onzen Gezant te
Parijs schrijven
zij kort daarna (den 27''®" derzelfde maand), dat zij reglmalige oorzaken hebben lot wantrou-
wen en achterdocht, en zich bij gevolg genoodzaakt vinden» op de verzekerdheid van hunnen
Staat te lellen." Zij lieten het niet bij vermaningen en Terklaringen, maar gingen er toe
over om de steden
Rees en Emmerik op hunne kosten te versterken. Dat de vijand inderdaad
niet stil zat, bleek uit berigt op berigt. Den Maart vernam men te
üage, dat

er een aanslag onldekt was om Goch aan eene afdeeling troepen uit Wezel in handen te
spelen. Den 24'*'" ontving men het verzoek van den bevelhebber van
Sieburg om versterking
van troepen, aangezien hij anders de slad niet houden kon, daar reeds de abdy was
ingenomen Niettemin moesten de Stalen kennis nemen van de voorstellen van be-
middehng door hunne bondgenooten gedaan. Reeds den ΙΟ''"" December was hun door tus-
schenkomst van Prins
maurits van wege den Heer van reffuge een ontwerp van belofte toege-
zonden , die zij den Paltsgraaf Ier zijner bevrediging zouden kunnen doen; doch dit was toen
romulier clen als volslrekt onaannemelijk verworpen. Maar den Februarij kwam woxTOii voor

Staten door woT- i r. i· Â· i -rr ·

TONtertcekcning den dag met net tormulier eener verklaring, door de Aartshertogen aan den Koning

aangeboden. ^^^ Grool-Britannië toegezonden, hetwelk hij den Stalen ter onderteekening voorstelde.
Het hield de belofte in om op eenen nader te bepalen dag het krijgsvolk uit al de
steden en plaatsen in de Kleefsche en Guliksche Landen, door hen bezet, terug Ie doen trek-
ken , en aldaar, onder welk voorwendsel ook, geene steden of plaatsen te zullen
innemen of te laten innemen. Dit was niets anders dan een herhaling van hetgeen
van 'svijands zijde te
Xanten was voorgesteld, en al zouden de Aartshertogen ook eene
dergelijke verklaring leekenen, toch konden de Slaten daartoe niet verslaan. Immers
zoo zij zich niet gewapenderhand voor de zaak van het protestantisme in dit deel van
Duiischland moglen doen gelden, was deze zaak aldaar reddeloos verloren. Frankrijk
kwam na Hendriks dood hier niet meer in aanmerking, en de geünieerde Duitsche
Vorsten, dit was genoegzaam gebleken, bleven werkeloos in weerwil van welgemeende
vermaningen Reeds in 1599 had
buzanval aan yilleroy geschreven, dat de Duit-
schers, zonder de hulp der Slaten, hunnen
Bhijn niet durfden aanzien, laat staan dan
verdedigen En in het eind van 1614 schrijft nn
maurier aan de thou » Die
groole Proteslanlsche Duitsche Unie blijft, terwijl zij
hahnibal voor hare poorten ziet,

1 Resol der StaL-Gen. 18 cn 27 Febr. 10, 12 en 24 Maart 1615.

2 Zie een brief van Willem lodewijk aan den Graaf van solms {Archiv. Sér. II. T. II. L. 371).

3 Â»Je nc dis pas garder, tnais meme rcgarder Ie Rhin." Yreede, Lettres et négociat. de buzan-
val
etc. p. 247. Ook elders Iaat uüZANVAt zich niet eervol over de Duitsebers uit, zie bl. 276, 278.

* OüVRÉ, p. 228,

ocr page 424

DES VADERLANDS. iJ6ö

met de armen kruiselings over elkander staan, hetgeen het woord, vroeger door den 1614.

Hertog van alba, van hen gesproken, bewaarheidt, dat Duitschland tegenwoordig een

ouden dog gelijk is, die nog kan blaffen, maar niet kan bijten bij gemis van tanden.**

En van Engeland was er evenmin krachtige tusschenkomst te wachten. Zoolang daar

een vorst aan het hoofd slond, zoo ijdel, en bovendien zoo kwalijk gezien bij

het grootste deel zijns volks, zou deze Mogendheid met woorden strijden, die zich

zeiven niet eens gelijk bleven, en zou Spanje wederkeerig niet anders dan fraaije

woorden noodig hebben om haar te bestrijden. Wel is waar was er een verbond lol Verbond met
® '' _ Engeland en de

stand gekomen tusschen Engeland, de Protestantsche Unie en de Vereenigde Nederlan- Unie der Protes-

tantsche Buitsche

den. Op het eind van het jaar 1612 was door den Graaf van solms, groot-hofmeester vorsten,
van het keurvorstendom
Pallz, op last van joha-nwes II van Tweebruggen, administra-
teur van dat Keurvorstendom en voogd van
frederik: V, den zoon van wijlen den Keur-
vorst, aan de Staten-Generaal. het voorstel gedaan om toe Ie treden lot de Unie der
Evangelische Keurvorsten en Vorsten van
Duitschland, Nu Hendrik IV daaraan geen deel
meer kon nemen, had zulk een verbond, vroeger zoo ernstig door de Staten gezocht,
voor hen veel van zijn belang verloren. Toch verklaarden zij de toetreding lot hel voor-
stel »eerlijk, dienstelijk en noodig;", doch in afwachting wat
Frankrijk en de Evange-
lische Stenden hierin besluiten zouden, werd de zaak tot eene volgende dagvaart in be-
denking gehouden Intusschen werden de Staten van wege den Koning van
Enge-
land,
wiens dochter elisabeth met frederik V in het huwelijk stond te treden en die
zelf aan de Unie deel had genomen, aangemaand om zich daaraan niet te onttrekken.
Daar zich nu ook de Stenden en steden in de Vergadering te
Rolienhurg ten gunste
der Unie verklaard hadden, zoo waren de Staten bereid op redelyke voorwaarden en
voor den tyd van minstens vyftien jaren in dat Verbond te treden. De komst van
FREDERIK V met zyne jonge gemalin in de maand Mei 1613 te
Hage was het
lydstip, waarop het verdrag tot stand zou komen. Dus werden de Provinciën den
.7don j^gj vermaand hare adviezen tegen de komst van den Keurvorst gereed Ie ma-
ken. Deze adviezen, den 12"^®" ingeleverd, luidden slechts in zoo verre gunstig voor
het sluiten van het verdrag, als het tot na den afloop van het Bestand van kracht zou
wezen, en de verpligting lot gewapenden bijstand wederkeerig zijn zou. Anders kon
men er niet in treden en moest men den Keurvorst, die legen den volgenden dag ge-
hoor in de Vergadering verzocht had, liever op eene beleefde wijze van die plegligheid
afhouden. Doch deze zwarigheden werden uit den weg geruimd. Den verscheen
de Keurvorst in de vergadering der Staten-Generaal, en nadat hij zijne brieven overhan-
digd en de Staten tot deelgenootschap aan de Unie uitgenoodigd had, drong de Engel-
sche Gezant
wihwood de zaak nader aan, als grootelijks door het belang der gansche

ï Resol. V, Holl. 1612, bl. 971. 1613, bl. 2.

ocr page 425

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1614. Christeriheid aanbevolen. Reeds den Mei was het verdrag geleekend om binnen

een jaar geratificeerd te worden

Maar in weerwil van dit verbond hield de Koning van Engelandy zoowel als de
geünieerde Duilsche Vorsten, het zwaard in de scheede. De taak om de krachtige
staatkunde van den grooten
Hendrik voort te zetten liet hij aan de Staten, en om hem
aan het hoofd der legers te vervangen aan
maurits over. Hiervan gaf hij op zijne
wijze een bewijs door dezen Prins in de plaats van dien Vorst de waardigheid van
De Orde van Ridder der Orde van den Kouseband aan te bieden. Dit aanbod echter werd niet zoo

ileii Kousetand

aan Prins mau· gereedelijk aangenomen, als hij wel gewacht had. Den Mei 1612 verscheen de

RITS aangeboden, ^^^^^^^^^ Vergadering der Staten-Generaal en kondigde hun eene gunst

aan, die bij geene der vroeger door zijnen Meester bewezene behoefde te wijken. Deze
gunst bestond hierin, dat hij Prins
maurits »wegens zijne buitengemeene en waarlijk
heldhaftige deugden, de oudheid en het aanzien zijns geslachts, zijne liefde en trouw
jegens den Slaat der
Nederlanden, gevoegd bij den zegen van zoo vele schitterende
en wereldberoemde overwinningen, waarmede het Gode behaagd had zijne pogingen te
bekroonen, en ten teeken der eeuwige vriendschap tusschen zijne Rijken en deze Pro-
vinciën," goed gevonden had, met algemeene toeslemming der Orde, Ridder van den
Kouseband Ie maken. De Staten moesten daarin een bewijs van vriendschap zien je-
gens hen ζ el ven: ware het doenlijk geweest aan een Staatsligchaam, zoo als zij,
deze eer te bewijzen, het ware geschied: thans vereerde hij hen in den persoon van
hunnen grooten veldheer. Zoo er iemand was, die de steeds toenemende vriendschap
tusschen den Koning en de Staten-Generaal benijdde of de bedoelingen zijner Majesteit
daarbij wilde verdenken, hem zou voorlaan de mond geslopt worden door de zinspreuk
der Orde:
wie erg denkt^ vaar* erg in Η hart. — En toch werden de Staten niet ver-
blind door die eer; zelfs lieten zij zich niet eens door een gevoel van welwillendheid
overhalen om de onderscheiding in dank aan te nemen. Neen! zij waren koelzinnig
en onheusch genoeg om het besluit op dit voorslel uit te stellen en den Griffier te ge-

1 Resol Stat.'Gen. 3, 6, 7, 11, 12, 13, 14 en 17 Blei, 1613. Den 19''"» December liet de
Keurvorst de Duitsclie bondgenooten verontscliulclijjen, dat het verdrag alsnog niet geratiliceerd
Avas {Resol. Staten-Gen.). In liet eind van Maart 1614 verzocht hij berigt, of men ten aanzien
van den li'jd der ratificatie ook gezind was eenige verandering te maken. De Staten lieten ant-
woorden, dat zij zulks niet verlangden
{Resol. Slat.-Gen. 29 April, 1614). Den ll-^™ October
ontvingen do Staten-Generaal berigt, dat de ratificatie door de Unie in
Diiitschland geteekend was.
Den 10'·''" December verschenen de Graaf van
solms en de Heer bennikckhüysen , Gezanten der
Unie, te
^s llage in de Vergadering. Doeli toen verzochten zij den tijd van vijftien jaren veran-
derd te hebben in twaalf jaren, en voorts drongen zij op nadere verklaring van eenige punten
van het traktaat aan. Deze wijzigingen werden door de Staten den 20®'°" December goedgekeurd,
en Aveldra werden de ratificatiën gcAvisseld (Zie
Resol. Stat.-Gen. 23 Dcc, 1614).

ocr page 426

1614.

DES VADERLANDS. Ã–49

lasten intusschen le onderzoeken, )>wat Terbindtenis de Orde van de Jarretière in
heeft." Nadat den S'""" Mei het voorstel in de vergadering was gelezen, maar daarop
geen eindbesluit genomen was, besloot men den volgenden dag aan
winwood le doen vra-
gen, welke verbindtenissen de Λvelten der Orde van dengenen vergden, die daarin werd
opgenomen. De Gezant antwoordde, dat die wellen geene verpligtingen oplegden, die
met de belangen van deze Landen in strijd konden komen: vreemde Vorslen hadden geene
zwarigheid gemaakt om het lidmaatschap der Orde aan te nemen, en was het aanbod
aangenomen, dan zou men altijd nog kunnen overgaan lot het opperen der bedenkingen,
die men legen de statuten hebben mögt. Dus verlangde de Gezant, dat men alvorens
kennis van die statuten te nemen, hel aanbod aannam. Dit verkozen de Stalen niet.
Z.ij hielden bij den Koning aan op berigt aangaande de vereischlen der Orde, ten einde
die te kunnen beoordeelen, voordat de inhuldiging van den Prins zou plaats hebben.
De ceremoniën, daarbij in acht le nemen, dus oordeelden zij, konden aansloolelijk zijn
voor den belijder der van alle kerkgebaar afkeerige Nederlandsche Gereformeerde Kjerk,
en al hadden de verpligtingen jegens het Hoofd der Orde geene zwarigheid in ten
aanzien van vreemde Souvereinen, die in geen geval hunne eigene Souvereinileit
konden le kort doen. Prins
ma.urits was geen Souverein, en alzoo kon
ten zijnen aanzien eene moeijelijkheid beslaan, die voor Souvereine Vorslen niet
bestond. Aan der Stalen verlangen werd in zoo ver voldaan, dat
winwood den
Junij een gedrukt boekje inleverde, waaruit men zien kon, dat de verpligtin-
gen der Ridders aan de Souvereinileit en den welstand des Lands in geenerlei opzigt
te kort deden, gelijk dan ook de Koning daartegen niets begeerde le doen. Tevens
legde hij eene lyst over van verscheidene Vorslen, geene Souvereinen zynde, die lid
der Orde waren. Een en ander werd aan
maurits ten onderzoek in handen gesteld.
Nietlegcnslaande wmwooo den Julij op het nemen van een besluit aandrong,

werd de zaak wegens de afwezigheid van het meerendeel der Gedeputeerden uitgesteld
lol in het eind van Seplember. Toen vond men goed hel aanbod aan le nemen, mits
MAURITS ontslagen werd van den eed en de ceremoniën der Orde. Vooraf echter zou
men nog met den Prins zeiven over de zaak spreken, en
garoit , de Nederlandsche Ge-
zant le
Londen^ tijdelijk hier le Lande tegenwoordig, kreeg nog den October bij
zijn vertrek naar
Engeland den last mede om die ontheffing van eed en plegligheden
voor den Prins van den Koning van
Engeland le verkrijgen. Den 23"®" November gaf
dan ook de Engelsche Gezant het volgende berigt: hoezeer, bijaldien de Nederlandsche
Kerken zich aan de gevorderde plegligheden ergerden, dit eene genomen en geen gegeven
ergernis zou wezen, en hoezeer de eed in geenen deele aan de Souvereinileit der Vcr-
eenigde Provinciën te kort deed, toch wilde zijne Majesteit den Prins zoowel van de
plegligheden als van den eed ontslaan. Zij liet aan de bescheidenheid der Vergadering
over, de plegligheden te wijzigen en de verbindtenissen le bepalen, zoo als zij goed

III Deel. 2 Stuk. 70

ocr page 427

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1614. ZOU vinden. Alleen verzocht Zijne Majesteit thans ten minste een onverwijld besluit,
aangezien alsdan de inhuldiging bij vertegenwoordiging tegelijk met die van den Prins
Keurvorst van de
Palis vóór Kersmis te Londen zou kunnen plaats hebben. Ook de
Prins, wien mededeeling van dit voorstel gedaan was, stelde alles aan het oordeel der
Slaten-Generaal, en alzoo werd het aanbod aangenomen, cn den Februarij 1615
werden in de volle vergadering der Staten-Generaal en in tegenwoordigheid van den
Raad van State, den Franschen Gezant en verscheidene aanzienlijke Heeren, de teekenen
der Orde aan den Prins door den koninklijken Engelschen heraut van wapenen aange-
boden. De plegtigheid werd besloten met eene rede van
oldeitbarweyelt , strekkende
om den Koning van
Groot-JBrilannie dank te zeggen, en met een ernstige toespraak van
den Predikant
üytenbogaert. De zaak had dit gewigtig gevolg opgeleverd, dat de Ko-
ning van
Engeland f die nog in 1610 aan onze Gezanten te Londen herinnerd had, dat
hij steeds vast hield aan zeker regt op onze Landen door den loop der onderhande-
lingen genoopt was geworden om op de ondubbelzinnigste wijze de Souvereinileit der
Vereenigde Provinciën builen bedenking te stellen. De Prins gedroeg zich in de ge-
hccle zaak volkomen lijdelijk. Hij was Ie zeer overtuigd van zijnen roem, dan dat hy
groot gewigt aan een uitwendig eereblijk zou hebben gehecht, en hij zal begrepen
hebben, dat de Orde meer reden had om voor hare eer zijne toetreding te wenschen,
dan hy
om die voor de zijne te begeeren.

Aan verbonden met den Koning van Engeland en aan betuigingen van zijne zyde
ontbrak het derhalve niet; maar wanneer wij ons ter opheffing der van de Kleefsche
zijde dreigende gevaren tot eene verbindlenis hadden laten overhalen, als die
wottok
van ons vergde, alsdan zou de tegenpartij weldra in dat gedeelte van Duitschland tot
onze onberekenbare schade gezegepraald hebben. Noch
Engeland^ noch de Duitsche
Unie zou aldaar de rol eener gewapende tusschenkomst hebben overgenomen; de zaak
zou aan de beslissing des Keizers zijn overgelaten, en in dit geval was het niet twijfel-
achtig, welke partij de zege zou behalen.

Grouden tegen Alzoo hadden de Staten eenen geldenden grond om niet tot de onderleekening van

Let oudcrteeke- i ι ρ i· Î¹*γ · Î¹

ncn van het door het door wotton voorgestelde formulier over te gaan. Wel is waar voegde wotton

Mra^^omulier. ^^ uitnoodiging tol onderleekening de verklaring, dat het den Stalen vrij zou slaan,
bij die belofte in een afzonderlijk stuk eene uillegging te voegen, inhoudende, dat
men zich door deze belofte slechts gebonden rekende in zoo verre het traktaat van
Xanten nagekomen en noch door den Keizer, noch door den Koning van Spanje^ noch
door de Aartshertogen, noch door de possiderende Vorslen zeiven geschonden werd, en
voorts dat de belofte hen niet zou beletten om hunne troepen door de Kleefsche Landen
te laten trekken, ingeval de Duitsche Vorslen, hunne bondgenoolen, gewapende hulp
behoefden. Al beloofde de Koning van
Groot-Britannië aan de handhaving van zulk eene

Zie hiervoor, bl. 387.

ocr page 428

Ißli

DES VADERLANDS. {>55

begeleidende uitlegging de hand te zullen houden, toch moesten de Stalen zwarigheid
Tinden om aan 's Konings verzoek het oor te leenen. Immers konden, zonder dadel^ke
schennis Tan het
traktaat, de zaken Tan den Prins Tan Brandenburg zoozeer Terloopen,
dat de invloed, dien de Staten duchtten, in de Kleefsche Landen Tolkomen zegepraalde.
De belofte, waartoe zij te
Xanten zouden overgegaan zijn, was rekkelijker, en luidde,
dat zij niets ten nadeele, dat is, tegen de strekking van het traktaat Tan Xawiew zouden
behoeven te dulden. Het Toorstel Tan
wotton werd den Tolgendendag (25 February 1615)
in handen van den Raad van State gesteld om daarover met Zijne Excellentie te beraad-
slagen; voor elke Provincie werd een afschrift gemaakt, en de zaak geheim gehouden.
De Gezanten te
Parijs en te Londen kregen mede een afschrift, ten einde van deze me-
dedeeling een voorzigtig gebruik te maken: de Stalen, dus werd hun geschreven, »be-
vonden de zaak van zeer groot bedenken, aanbelang en gevolgen." Immers scheen
het, nu de Koning van
Engeland en, naar zich liet verwachten, ook de Regering van
Frankrijk zich tot het aanraden van zulk een voorstel hadden laten bewegen, dat de
Stalen den steun stonden te verliezen, dien zij te
Xanten bij de Gezanten van die Mo-
gendheden gevonden hadden, en bij haar daarentegen voortaan in hunne staatkunde ten
aanzien der Kleefsche zaken belemmering in plaats van steun zouden vinden. Den
^^stcn Februarij vernam men uit eenen brief van langerak, dat du maürier iets om-
trent het bewuste formulier aan de Vergadering zou voorstellen, waarop aan
langerak
leruggeschreven werd, »dat Hunne Hoog Mögenden begeerden, dat hij de humeuren
van de Prinsen en Heeren in
Frankrijk ten beste zou zien te stemmen, opdat men
mögt verslaan en begrijpen, dat Hun Hoog Mögenden reglmatige oorzaken van wan-
trouwen en alle reden hadden om te vermoeden, dat men voorhad hen te bedriegen,
en zy mitsdien genoodzaakt waren op de verzekerdheid van hunnen Slaat te lellen,
en te voorzien in alles wat hun zelfbehoud vereischte." Niettemin zou men aanhooren
wat de Heer
du maurier in last had voor te stellen. Dit was een advies, meer aan de
Regering dan aan de Prinsen gerigl. Immers zoo men te kennen gaf, dat er grond was
om de Prinsen tot rust te vermanen, waarschuwde men metterdaad de Regering, dat zij
door haren steun aan den Nederlandschen Staat te onttrekken, op eenen weg was, die
haar het regtmalig ongenoegen dier Groolen op den hals zou halen. Zoo ziet men, dat
zij, die ten onzent de buitenlandsche staatkunde leidden, zoo wgs als fijn, de Fransche
Regering, beurtelings door haar tegen de Groolen te ondersteunen, beurtelings door
haar voor diezelfde Groolen beducht te maken, op onze hand trachtten te houden.

In afwachting van hetgeen du maurier zou mede te deelen hebben, verontschuldigde
men zich bij
wotton wegens het uilslel der beraadslaging over zijn voorstel op grond
van de afwezigheid van eenige Gedeputeerden van de Provinciën Den Maart

' zie Resol. der Statm-Gen, op den laatsten Febr., en voor het voorgaande op de gemelde ί/β/α.

70*

ocr page 429

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1615. Terscheen de Fransche Gezant Ier Vergadering, waar ook Prins maurits tegenwoordig
bemoeijTng"Lijfde Hunne Majesteiten, de Koning en de Koninginne-Moeder van
Frankrijk, dus
oYerhandeiingenj^y^ hadden zicli beijverd ora door alle mogelijke middelen, bepaaldelijk door
zaken in i?»^!/^ onderhandelingen met den Koning van
Spanje, de uitvoering van het verdrag van
<n
liieef. χ^^ΐβ^ le bevorderen. Deze had eindelijk ten antwoord gegeven, dat hij den Aarts-
hertogen zulke ophelderingen medegedeeld had als welke Hunnen Majesteiten voldoen
zouden. Werkelijk had de Ambassadeur van Hunne Hoogheden in
Frankrijk verklaard,
dat men te
Brussel uit Spanje nadere bevelen bekomen had. Ten einde de te treffen
schikking gemakkelijk Ie maken, vorderden de Aartshertogen steeds de belofte van de
Staten-Generaal, dat er voortaan geene plaatsen in
Gulik en Kleef meer in hunnen
naam bezet zouden worden. Beloofden zulks de Staten, zoo waren zij tot eene derge-
lyke verbindtenis bereid. In het formulier der belofte moest geene melding gemaakt
worden van het verdrag van
Xanten, aangezien dit gesloten was zonder den Keizer
daarin te kennen. Te vergeefs hadden Hunne Majesteiten de Aartshertogen van dezen
eisch zoeken af te brengen; dus schoot er thans niets anders over, dan de zaak aan de
Staten aannemelyk Ie maken. Vonden zij er bezwaar in om betreffende het verschil
in eene bijzondere onderhandeling te treden; dit kon uit den weg geruimd worden,
zoo zij zich jegens de Koningen van
Frankrijk en van Engeland in dier voege wilden
verbinden, dat dezen aan de Aartshertogen de gevorderde verzekering konden geven,
om van de laatsten eene dergelijke belofte te ontvangen. Reeds was een ontwerp van
zulk eene verbindtenis opgesteld. Hadden de beide partijen zich verbonden, dan zou-
den de wederzijdsche troepen dadelijk uit de Guhksche en Kleefsche Landen terugtrek-
ken, in afwachting der binnen eenen bepaalden tijd te geschieden ratificatie der over-
eenkomst door den Koning van
Spanje.

Het is onmogelijk, dat du maurier , zoo ingewijd in de belangen der Republiek, niet
ingezien zou hebben, dat zijn voorstel voor de Staten volstrekt onaannemelijk was. Im-
mers bragt het niets geringere mede dan het vervallen van het traktaat van
Xanten en
liet het de Kleefsche Vorsten geheel aan zich zeiven over zonder eenen anderen bevoegden
scheidsman te onderstellen, dan den Keizer. Uit den toon, door
du maurier aange-
slagen, blijkt dan ook genoegzaam, dat hij zelf gevoelde, dat zijn voorstel maar al te
zeer vergoelijking behoefde. Hoe het zij, drie dagen later besloten de Staten het voorstel
van
du maurier en van wottow den Raad van State in handen te stellen om daarover
dadelijk met zyne Excellentie te beraadslagen. Het verslag, door den Prins en dat Staals-
ligchaam den Maart uilgebragt, hield in; dat het zeker het eenvoudigst en vei-

ligst zou wezen, zoo men zich verbond, het krijgsvolk, welks vertrek uit de Kleefsche
Landen men begeerde, terug te laten trekken, zonder van al of niet wederkomen te
gewagen. Maar nu de Koningen van
Frankrijk en Engeland aandrongen op het door
hunne Gezanten ingeleverd ontwerp, zou men dit kunnen aannemen, mits de Konin-

1

ocr page 430

DES VADERLANDS. iJ6ö

gen vooraf verklaarden, dat zij de verbindlenis dus begrepen, dal daarmede het traktaat 1615.
van Xanten in zijn geheel bleef. Eindelijk gaf de Raad van State in bedenking, of
het niet noodig zou zyn in de vast te stellen acte mede op te nemen, dat de troepen
zouden terugtrekken uit de plaatsen (waaronder
Dusseldorp behoorde), die door den
Paltsgraaf bezet waren. — Deze voorslag bewijst genoegzaam, dat onze Staatslieden niets
wenschten toe te geven. Het was om de vernietiging van het verdrag van
Xanlen te
doen, en juist de handhaving van dit verdrag was de door de Staten gestelde voorwaarde.
Den volgenden dag verklaarden
du maurier en wotton zich met de zienswijze der
Staten betreffende de noodwendigheid dier voorwaarde te vereenigen, en alzoo schaarden
zy zich beiden geheel aan de zijde van de Stalen. Herhaaldelijk (den April en

den 14'^'"' Mei) stelde de koning van Engeland de uitlating van enkele woorden in de
gestelde acte voor, wanende,, dat hiermede de zaak, die,, zeide hij, hem begon te
vervelen, ten einde zou te brengen zyn. De Staten lieten zich die veranderingen welge-
vallen ί; maar loen hij met eene wgziging van meer gewigt aankwam, namen de Staten'
zijn voorstel dus op, dat hij, verklarende te bemerken dat zij de zaak op de lange baan ^^^

schoven, zijnen buitengewonen Gezant wotton terugriep Dqs bleven de zaken in
den staat, waarin zij waren, en, terwijl onze troepen vaste punten genoeg bezet en eene magl»»
GuMenKleef.
van ongeveer 70 compagnicn ^ op Duitschen bodem hielden en alzoo bij magie waren om
legen de minste beweging van hel Aartshertogelijke of Spaansche leger, 18,000 man voetvolk
en 2 of 5000 man paardcvolk sterk ^, eene tegenbeweging over te stellen, zoo bleven wij
Spanjes magt in ontzag houden en de rol van scheidsregter in hel Heilige Roomsche Rijk
vervullen De verantwoording dezer in
Spanjes en des Keizers oogen aanmatigende
handelwijze helen zij over aan diegenen, die hen daartoe genoopt hadden. Immers,
toen de Aartsbisschop van
Keulen klagten had ingeleverd wegens buitensporigheden en
brandschattingen door de Staalsche Ruiterij in
Westphalen en het Stift van Keulen be-
dreven , gaven de Staten ten antwoord, dat zij juist omdat zij zulke grieven voorzagen,
de possiderende Vorsten van den aanvang aan lot vrede vermaand hadden. Nu onder-

1 Resol. Stat.-Gen. 21, 24, 25, 26 Maart, 22—25 April, 14—10 Mei, 1615.

2 Resol Slat. Gen. 3, 8, 25, 31 Julii;-26 Aug. 1615.

3 Zie de voordragt van Z. Exc. en den llaad van State in de Staten Gen. {Resol. 22 Jan. 1615).

^ Zie den brief der Staten aan den Hertog van savoye, Resol. Slat.-Gen. 21 Jan. 1615.

5 Den 24""·" Jan. 1615 zijn de Staten-Generaal nog gezind den Paltsgraaf het krediet van 100,000
gulden, hem reeds sints jaren verleend (zie
Resol. v. Holl. 1612, bl. 819), nog voor een jaar te
verlengen
{Resol. S(at.-Gcn.), Dit was een blijk van onpartijdigheid bij het beslaande vermoeden,
reeds in het begin van 1614 door de Koningin-Regentes jegens v.
d. mule geuit, »dat de Prins
van
Neuburg ons om ecnige consideratiën minder aangenaam was." v. d. wijle had toen II. Waj.
verzekerd van de regtvaardighcid van II, H. Mog.

ocr page 431

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

0158

1615. Tond men, hoe Terkeerd het geweest was, dat men hunne yriendschappelijke bemoeijingen
niet behoorlijk had ter harte genomen

Nevens zoodanige vraagstukken, aan welke de Regering van eenen Staat zich onmo-
gelgk onttrekken kan, omdat zij haar te zeer van nabij raken, beslaan er steeds andere,
die ofschoon zij minder dringend oplossing schijnen te behoeven, niettemin uiterst be-
langrijk zijn. In hetgeen in het Guliksche voorviel, zag onze Staat zich door zijnen
erfvijand regtstreeks bedreigd. Met den stand der partijen in
Frankrijk hingen de be-
langen der Regering hier te lande ten naauvvste zamen. Maar zoo men daarom alleen
op
Frankrijk het oog had gehad, en alleen tegen de Aartshertogen op de grenzen
handelend opgetreden ware, zouden onze Staatslieden bij al hunne stoutheid en bedre-
venheid kortzigtig en slechts op zelfbehoud bedacht hebben kunnen wezen. Onder de
belangen, die, zoo zij al geene onmiddellijke voorziening schenen te vereischen, even-
wel hoogst gewigtig waren, komen die, welke met onze betrekkingen met de Oostzee-
Mogendheden zamenhingen, het eerst in aanmerking. Inderdaad
Spanje gaf zgn plan
niet op om door
Polen op Zweden te werken, en aldus te trachten ons van uil het
Noorden te bestoken, en de Vorst, die de sleutels der
Sond voerde, was nog altyd niet
te vertrouwen. En die
Oostzee — zij was de weg tot de voorraadschuur van ons Va-
derland. De handel daarheen werd met een diepzinnige uitdrukking door onze voor-
ouders hun
Moederhandel genoemd Zonder de vrye vaart in die wateren geen brood
voor de bevolking, geen hout voor onze schepen, en die schepen waren, als het ware,
een tweede vaderlandsche bodem, die ons in staat stelde om over de zeeën aan ons
eng gebied eene onbepaalde uitbreiding te geven, en overal bronnen op Ie sporen,
waaruit eener natie versch bloed en kracht in de zenuwen toestroomt.

By de ondersteuning van den Keurvorst van Brandenburg in het Guliksche had men
ook op het oog, dezen Vorst het behoud der magt te verzekeren, die hij behoefde om
ten Noorden en aan de oevers der
Oostzee een bolwerk tegen Polen te blijven.
Maar vooral
Zweden genoegzaam te versterken om deze Mogendheid in staat te stellen

11

m

^ Yoor het overige zou naar de bedreven ongeregeldheden onderzoek gedaan en bevel gegeven
Avorden, dat de ruiters voortaan in hunne garnizoenen zouden blijven zonder iemand schade of
overlast aan te doen. Zie
liesol. Stat.-Gen. 10 en Π Febr. 1615. Ook hadden de Staten-Generaal
de maatregelen der Gelderschen te keeren, die van de omstandigheid, dat jK/ee/ïanrfdoorStaatsche
troepen bezet was, gebruik schijnen gemaakt te hebben om meer dan ooit hunne regten te laten
gelden in sommige oorden van dit land, die zij Avederregtelijk door
karel van Bourgondië aan den
Hertog van
Kleef afgestaan achtten. Zie Resol. Slat. Gen. 12 Febr. 1615. Reeds in December
1614 hadden de Munstersche Raden geklaagd Avegens overlast, door Staatsche troepen in hun Stift
aangerigt. In April klaagden die van
Gulik. Resol. Stat. Gen. 29 Dec. 1614. 13, 15 April, 1615.

2 VREEDE, Inleid, tol eene gesch. d. Nederl. Diplom. II, bi. 327.

ocr page 432

DES VADERLANDS. iJ6ö

Polen en zijne Duilsche en Spaansche Trienden het hoofd te bieden en Denemarken in 1615.
bedwang te houden, zie daar wat op dit gebied het doel onzer staatkunde zijn moest,
zie daar teyens wat hier
oldenbarneyelts leuze was. »Het was," dus schryft vak
beuningen
in 1652 aan johan de witt, »het was een oud zeggen van den heer van
OLDEKBARNEVELT, dat onze Slaat in de correspondentie met Frankrijk en Zweden zijne
meeste zekerheid te zoeken had

In 1615 was de oorlog tussehen Zweden en Denemarken ^ niet zonder zware opoiTe-
ringen Tan de zijde der eerste dezer Mogendheden, gesloten 2. Niettemin bleef de
handel min of meer belemmerd door de zware tollen, door den Koning Tan
Denemar-
ken
geheTen. Met ons leden de Hansesleden hierdoor het meest. Geen wonder, dat
deze, niet meer in staat om zich als vroeger met oorlogsvloten te doen gelden, en na
het sluiten Tan het Bestand niet meer verstoord dat de Stalen haren handel op
Spanje
belemmerden, de oogen sloegen op de zoo magtig geworden Republiek, ten einde zich
door een Terbond met haar tegen
Denemarken te versterken. Reeds in het voorjaar van
1612 bevond zich
martihus kordasus, de Syndicus van Lubek^ de eersle kwarlierstad
der
Hanse^ hier te lande om te beraadslagen, wat bij het voortwoeden van den oorlog
in het Noorden te doen stond. Hij vertrok om, na zich met zijne lastgevers nader ver-
staan te hebben, in de maand Mei herwaarts terug te keeren. Hoezeer men zich alsloen
lot de afspraak bepaalde om met vereende verloogen de Noordsche Mogendheden tot vrede
te vermanen en om opheffing der ondragelijke laslen aan te houden beoogde men
meer. Reeds in Mei 1612 bestond een plan, om de militie der
Hansesteden op den
voet van der Staten krijgsvolk te schoeijen, en haar bij gemeenschappelijk gevaar Prins
MAURiTS tot opperbevelhebber te geven In de maand Maart van het volgende jaar
Vordmg ηα»
verklaarden de Slalen-Generaal zich geneigd om met kordawus over het sluiten van
een verdrag met
Lubek te onderhandelen. Reeds den 23'*®" Mei kwam er eene over-
eenkomst voor vijftien jaren tot sland, waarbij aan de Slalen-Generaal het bestuur over
de gemeenschappelijke zaken werd toegekend, en
Lubek op zich nam een negende te
dragen van de kosten, die de oorlog vorderen zou, wanneer die immer door de Ver-
eenigde
Nederlanden met die Hanseslad gemeenschappelijk gevoerd zou worden
Twee dagen laler werd voorgesteld den Koning van
Denemarken bij vernieuwing om
afschaffing der tollen te verzoeken, en, als ware het, len einde hem te doen gevoelen,

1 VREEDE, Nederl. cn Zweden ^ bl. 92.
- Zie hiervoor hladz. 400.
3
Resol. V, Holl 1612, bl. 942, 957.

VREEDE, Inleid. II, bl. 367.
5
Resol. Stal.-Gen. 1613, 6, 15, 23, 25 Mei. Resol van Holl 1613, bl. 2 en 29-34.

ocr page 433

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1G15. hoe raadzaam het was op verzoek loe te staan, wat men anders gereed was met geweld
af Ie dwingen, hem tevens berigt te geven van het met
Luheh gesloten verbond
Men had te minder reden om te aarzelen dien Vorst de mogelijkheid eener oorlogsver-
klaring voor te houden, omdat hij door het zenden van een gezantschap naar
Spanje
openlyk toonde, waar hij zijne bondgenooten zocht Evenwel begreep men den Koning
van
Denemarken niet te moeten tergen, en besloot, in den brief, die aan hem geschre-
ven zou worden, van de handeling met
Luheh niet te gewagen. Intusschen zou deze
stad tegelijkertijd brieven van gelijken inhoud naar
Koppenhagen afzenden, en deze
eenstemmigheid zou den Koning stof genoeg tot nadenken geven Bovendien besloot
men den Koning van
Frankrijk opmerkzaam te maken op het belang, dat ook Frank^
rijk
had bij de afschaffing der hooge lasten, in de Oostzee op onzen handel geheven
om ook van de zijde van dit Rijk een vertoog tenzelfden einde aan den Koning van
Denemarken uit te lokken. Lubek zou van haren kant een schrijven van den Keizer
aan denzelfden Vorst zien te verkrijgen. De Koning van
Engeland had gaarne gezien,
dat de Stalen eenen Gezant naar
Denemarken gezonden hadden om hunne belangen
te bepleiten Hoe het zij, genoeg vredelievende middelen werden aangewend om den
hardnekkigen Koning te bewegen. In de maand Julij werd verslag gegeven van twee
antwoorden op de brieven der Staten ingekomen.
Lubek verwaardigde hij zich niet
dadelijk te antwoorden; den bode der slad liet hij langen tijd op bescheid wach-
ten In de laatste dier twee missieven aan de Staten, deed de Koning de belofte,
legen den laatslen Julij de lasten te verminderen en ze tot het bedrag te bepalen,
waarop zij twee jaren geleden vóór de alstoen ingevoerde verhooging gesteld waren ge-
weest. Hiermede waren de Staten niet voldaan. Zij verlangden in het genot gesteld
te worden van de regten en vrijheden, hun verzekerd bij het erflraktaat, in lö44 te
Spiers tusschen cnnistiaapf III en Keizer karel V gesloten. Bovendien Lubek bleef
klagen, dat de Koning van
Denemarken haar schepen en goederen had afgenomen, en
schippers had aangehouden, en dat hij weigerde gene terug te geven en deze in vry-
heid te stellen. Wat meer is, er kwam tijding, dat die Vorst na de terugkomst van

1 Resol, Slat.'Gen. 1613, 23 Mei. Brief van a. pauw, bij vreedb, t. a. pi hl 337.
- Zie den hiervoor aangcliaalden brief van
a. pauw.
3 Resol υ. UolL 1613, bl. 34.

^ De grond, dien men te baat nam, was deze, dat wanneer onze vaart belemmerd werd, ook
aan den vervoer van Fransclie wijnen naar de Noordsche Rijken een einde
zon komen. Zie Jiesol
Siat.-Gen,
1613, 25 Mei.

5 Zie Resol StaL'Gen. 1613, 8 Julij.

c Resol Stat.-Gen. 15 Julij, 1613.

ocr page 434

DES VADERLANDS. iJ6ö

zijne Gezanten uit Spanje oorlogsschepen uitruslte en volk liglle. Alzoo besloot men de 1615.
zaak voor alsnog in bedenking te houden, »als wezende van de grootste importantie
Met deze uitdrukking gaf men te kennen, dat men de noodzakelijkheid voorzag
van eerlang krachtdadig op te treden, doch daartoe de omstandigheden nog niet rijp
achtte. Den December kregen de Staten een berigt van die van
Liibek, waaruit

bleek, dat zij eindelijk een brief van den Keizer aan den Koning van Denemarken ver-
kregen hadden. Thans, wenschten zij, zouden de Staten tegelijkertijd eenen brief aan
dien Vorst doen toekomen. Niels schenen zij in deze zaak zonder de Stalen te willen
ondernemen: ten minste raadpleegden zij hen in de maand Maart 1614, of zij een
tweeden vermaanbrief van den Keizer aan den Koning van
Denemarken, waarvan zij
oen afschrift mededeelden, aan dezen Vorst zouden toezenden, al of niet De span-
ning, die er tusschen
Denemarken en de Stalen bestond, zocht de Koning van Enge-
land
vredelievend op te lossen. Een jaar later (in Julij 1614) kwam zijn Gezant Sin-
clair
op zijne reize naar Denemarken te 'ä llage, en meldde, dat hij gelast was den
Koning van dit Rijk van de »opregte goede intentie van de Heeren Staten" te verze-
keren , en te trachten te bewerken, dat »tusschen zijne Majesteit en deze Landen alle
goede eenigheid, vriendschap, nabuurschap en vertrouwelijk verkeer mögt onderhouden
worden" In Augustus van hetzelfde jaar zuiverde zich
jagobus door zijnen Gezant
WOTTON bij de Staten van de verdenking, die het bezoek, door den Koning van
Dene-
marken,
zijnen schoonbroeder, in Engeland afgelegd, zou kunnen doen ontstaan
Hij schijnt zich gevleid te hebben met de mogelijkheid eener toetreding van
Denemar-
ken
tol de Unie, die er tusschen Engeland, de Vereenigde Provinciën en de Duitsche
Evangelische Vorsten bestond. Dit bleek uit heigeen de Gezant, dien hij in het voor-
jaar van het jaar 16lö tot bemiddeling der geschillen tusschen
Liibek en Denemarken
naar Koppenhagen zond, op zijne doorreize te üage mededeelde. Ook bij deze ge-
legenheid ondersteunden de Staten de tot verzoening aangewende pogingen

In tusschen werden de Stalen voor den Noordschen Vorst al meer en meer geducht.
Voorzeker waren zij gaarne dadelijk met al de
Hansesieden in verbond getreden, en
de onderhandelingen mei de stad
Lubek, in wier burgcmeeslcren zij de bestuurders van
het voormaals zoo maglige sledenverbond erkenden ®, waren met dit doel aangeknoopt.

1 liesol. Slat.-Gen. 1613, 9 en 21 Auer. Resol. llolL 1613, bl. 40.

2 Ucsol. Stat.-Gen. 1613, 3 Maart.

3 Resol V. Holl. 1614, bl. 71.

4 Resol. v. Holl. 1614, bl. 83.

5 Resol. Slat.'Gen. 1, 4, 5, 6 Maart, 1615.

6 Resol. V. Holl. 1612, bl. 942.

lU Deel. 2 Stuk. 71

ocr page 435

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1015. Doch de onderlinge afgunst tusschen de verschillende Ilansesteden l had leweeggebragt
dat men zich aanvankelijk met het sluiten van een verdrag met
Luhek tevreden had
moeten stellen. Nu echter dit afzonderlijk verdrag eenmaal tot stand was gekomen, had de
heerschende naijver deze uitwerking, dat ook de andere
Ilansesteden Luhek alleen niet
in het genot wilden laten van de eer en de voordeden aan het bondgenootschap met
de Stalen verbonden. Die van
Bninswij/c, welke reeds in 1612 der Staten tusschen-
komst in de geschillen, waarin zij met hunnen Hertog gewikkeld waren ingeroepen
en een gunstig onthaal bij hen gevonden hadden, verlangden thans niet alleen voor
zich zeiven in het verbond, tusschen
Luhek en de Vereenigde Provinciën gesloten, te
worden opgenomen, maar spoorden ook die van
Maagdenburg aan, hetzelfde te be-
Gezanten van geren. Zoo kwamen dan in de maand September 1613 de Gezanten van il/aag-
eil
Brunswijk tegelijk te 's Gravenhage. Den 13·^^" dezer maand ver-
ί JÏ^ffe. schenen zij ter vergadering der Slaten-Generaal. Eerst hadden de Maagdenburg-

sche Gezanten het woord. Bevatte, zoo spraken zij, het verbond met Luhek ge-
sloten een artikel, waarbij de toetreding aan andere Mogendheden, Landen of Stenden
en met name ook aan de overige
Ilansesteden was opengesteld, zoo verlangden zij
thans insgelijks de overoude verbindtenissen tot beveiliging van de scheepvaart op de
Oost- en de Noordzee te vernieuwen. Maagdenburg was een belangrijk punt voor den
handel. Aan de
Elbe gelegen was deze stad de voornaamste stapelplaats tusschen
Bohemen en de Nederlanden, en eene voorraadschuur tusschen Opper- en Neder-
Duitschland.
Maar boven dit alles gevoelden zij zich nog door eene andere drijfveer
tot een verbond met de Staten aangetrokken. »Zij bewonderden de Republiek, die
zich door de Goddelijke Voorzienigheid in hare onnaspeurlijke wijsheid de voortplanting
en onderhouding van de regten der volken zag toevertrouwd, en bij dien geweldigen
wasdom van geluk en voorspoed, door hare vroomheid en kloekheid van de hoogc
Goddelijke Majesteit verworven, zich legen niemand hatelijk of afgunstig, maar veel
meer naar den aard en de eigenschap des allerhoogsten Gods zei ven meegaande en
goeddadig betoonde." Ziedaar eene taal, die de Staten overtuigen kon, hoe hoog
het Nederlandsche Gemeenebest in de schatting van al wat in
Europa tegen Spanje
partij trok, gerezen was. En niet alleen van de lippen der goedmoedige burgers
eener Duitsche stad klonk de lof der Staten, maar veertien dagen te voren had de En-
gelsche Gezant
winwood , bij het plegtig afscheid door hem van de Staten genomen,
betuigd, dat »gelijk de zaken van de wereld veranderlijk zijn, zoo ook gedurende het
tiental jaren, die hij hier had doorgebragt, in deze landen veel was veranderd, maar,
God lof! altijd van goed lot beter, en van beter tot het allergewenschte." En al hechten

^ Zie brieven van aehssen bij vreede, Nederl. en Zweden, bl. U7 en 99.
2 Zie hiervoor bl, 221.

ocr page 436

DES VADERLANDS. Î¯Î¯71

wy geen grool gewigt aan de getuigenis van den Koning Tan Engeland zeiven, die in 1615.
zijnen brief van dankbetuiging voor het onthaal, dat zijne dochter, de keurvorstin van de
Palis, hier te Lande had ontvangen, van de »wijsheid" gewaagt, »waarmede de Sla-
ten zich in alle dingen, zoowel in de belangen der godsdienst als uit een staalkundig
oogpunt gedroegen i"; krachtig is het woord van den Gezant van
gustaaf adolf, waar
hij in de vergadering van den 7''''° September van dit zelfde jaar (1615) verklaart, dal op
de aaneensluiting van
Zweden en Nederland zijn Meester het vaste vertrouwen geves-
tigd had, »dat alles eindelyk met de hulpe Gods almaglig lot Zyns naams eer eene
goede uitkomst zou nemen, niet alleen tot welvaren en voorspoed van Zijne Majesleits
Rijken en deze vrije vereenigde Landen, maar ook de geheele Gereformeerde Christen-
heid ten beste." Waarlijk het Bestand had aan den roem en den invloed der Staten
nog geen nadeel gedaan!

Dat het Verbond met Luhek groolen indruk gemaakt had, bewijzen de woorden der
Gezanten van
Brunswijk in dezelfde vergadering van den September, waar zy

zeggen, dat, »nu binnen en buiten het Rijk wijd en zijd het gerucht weergalmd had,
dat tusschen Hunner Hoog Mögenden Genade, Heerlijkheid en Vorslelijke Waardigheid
en die van
Luhek een verbond was gesloten, zij gekomen waren om met eigen oogen te
zien wat hun was aangezegd." Op hun verlangen werd aan de Maagdenburgsche en
Brunswijksche Gezanten inzage van het met
Luhek gesloten verbond verleend, teneinde
te beoordeelen, welke wyzigingen in hun byzonder geval noodig wezen zouden. Deze
wyzigingen waren gering. Den 16'^®'' verzochten zij, dat in het eersle artikel van
het traktaat, waar men leest:
Deze vereeniging zal wezen tot conservatie en hand-
houding der vrije navigatie ^ commercie en trafiek in de Noord- m Oostzee,
de woor-
den ingevoegd mogten worden:
en de stroomen en rivieren^ die zich in dezelve ont-
lasten.
Voorts werd bepaald, dat Brunswijk en Maagdenburg te zamen de helft zou-
den bijdragen van de som, die
Luhek zou opbrengen. Op dezen voet kwam het ver- verdrag met
drag met de beide sleden tot stand, om binnen twee maanden geratificeerd te worden, ^iaagde^urg^
onder voorwaarde dat de Gezant van
Luhek op alles zou worden gehoord De ratifi-
catie echter leed eenig uitstel. Op verzoek der belanghebbende Duitsche steden werd
zij verschoven in afwachting van hel geen op eene te houden vergadering der
Hanse-
steden
besloten zou worden

De slad Bremen schijnt aanvankelijk te jaloersch op hare zelfstandigheid geweest te Betrekkingen
zijn om zich aan al die verbindtenissen aan te sluiten. Toen de Stalen in hel najaar

^ Resol. Siat.-Gen. 1613, 20 Junij.

2 Resol. Siat.-Gen. 1613, Sept. 13, 16, 18, 19 en 20.

3 Resol. Stat.-Gen. 4 en 5 Dec. 1613. 22 Fcbr. 1614.

71*

ocr page 437

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1615. van 1613 een schip op de Wezer gelegd hadden om zekere ligling van krijgsvolk
tegen Ie gaan, waartoe men Staalsche soldaten hunne vanen trachtte te doen verla-
ten, verzochten die van
Bremen de verwijdering van dien bodem, opdat, schreven
zij, geene andere Mogendheden in den zin mogten krijgen hetzelfde Ie doen i. Doch toen
de Staten zich eenigen tijd later, op verzoek van die van
Brunswijk, tot den Raad van
Bremen gewend hadden, ten einde deze den tol matigen mögt, op de bieren ge-
heven, die
Brunswijk naar de Vereenigde Gewesten uitvoerde, werd deze slap beant-
woord door de komst van afgevaardigden uit
Bremen te 's Hage. Hier verstonden zij
zich op vriendelijke aanmaning der Staten met de Brunswijksche afgevaardigden, en
bovendien bleek het thans spoedig, dat
Bremen niet ongenegen was om tot de met
Lubek gesloten alliantie toe te treden 2.

Verdrag met Nu de Republiek der Vereenigde Provinciën alzoo van lieverlede de bemiddelares
werd der belangen van al die Duitsche steden, welke niet sterk genoeg waren om
zich alleen legen
Denemarken te doen gelden, moest Zweden levendiger dan ooit
gevoelen, dat een bondgenootschap met ons Vaderland hare leuze moest zijn. In dit
Rijk had
gustaaf abolp den troon beklommen, een Vorst, die reeds toen, nog
zuchtend onder de gevolgen der met
Denemarken gevoerde oorlog en belemmerd door
de steeds voortdurende vijandelijkheid van
Poleny in zijn geloofsvertrouwen kracht vond
tot het moedig besluit om niet alleen zyn eigen Rijk te herstellen, maar de zaak van
het gansche Gereformeerde
Europa te handhaven. Daartoe (reeds haalden wij de
woorden aan van zijnen Gezant) moest hy zich aansluiten aan de Republiek. De
Koning van
Engeland trad op als de Vredestichter bij uitnemendheid; maar de Stalen
bevorderden den vrede en schroomden levens niet om met het zwaard den vrede te
handhaven. Dus verzocht
Zwedens Gezant, de Nederlander van duck, in de maand
September 1613 te
Hage gekomen, dat de Staten Gezanten zouden gelieven te
zenden om met die van
Engeland bij de vredehandeling tusschen Zweden en Polen
tegenwoordig te zijn En dit mettcgenslaande de Staten in 1609, terwijl zij Dene-
marken
hadden uitgenoodigd zich bij de onderhandelingen over het Bestand Ie laten
verlegenwoordigen,
Zweden, voorzeker om het twijfelachtige van het regt des toen-
maligen Konings, waren voorbijgegaan. Bij dien voorkomenden slap kwam onze Staal
Zweden thans gaarne te gemoet. Op de openingen, sedert door den Zvi'eedschen Gezant
gedaan, kwam den vijfden April des volgenden jaars (1614) een verdrag voor vyftien
jaren lot stand, waarbij
Zweden tot het traktaat, met Lubek gesloten, toetrad, en
bepaald werd, dat de beide Mogendheden elkander in geval van oorlog met 4000 man

Zweden.

1 Resol Stat.-Gcn. 1613, 13 Scpt.

ïiesol. Slal.-Gen. 20 Sept. 16, 18, 23, 24 Dec. 1613. 18 Febr. 1614.

3 Resol Stat.-Gen. 7, 9, 10 Sopt. 1613.

ocr page 438

DES VADERLANDS. iJ6ö

^HPIP^^^WBpiWiJJil,«-1.1 , JI!«l.!™UHtliiti-

zouden bijstaan Dit verdrag ^verd den December 1614 geratificeerd, en van 1615.

DUCK tot gewonen Gezant van Zweden aangesteld.

Eene der Ilansesteden, met welke de Staten reeds een verbond hadden aangegaan, staat van zaken
bevond zich in eenen toestand, die spoedig de gewapende tusschenkomst der Slaten^" Brunswijk.
noodzakelyk zou maken. Het was de vrye Rijksstad Brunsimjh. Deze was in open-
baren strijd met haren Hertog, die de vrijheden der stad te niet wilde doen, en als
middel van bedwang de inkomsten van gestichten en bijzondere burgers verbeurd ver-
klaarde.

In 1613 was de Hertog frederik ulrich aan Hertog uendrik. juliüs opgevolgd. In
zijnen oom van moeders zijde, den Koning van
Denemarken, vond hij steun legen zijne
onderdanen. De
Hanse, daarentegen, lot welke Brimswij/c behoorde, trok zich het lot
der verdrukte burgers aan, en zouden de Staten in overeenslemming handelen met de
beginselen, die hunne staatkunde in deze oorden regelden; en aan den hoogen dunk
beantwoorden, die deNoordduitsche handelsteden van hen hadden opgevat, zoo moesten
zy vrijen en nijveren burgers legen hunne wereldlijke en geestelijke onderdrukkers Ie
hulp komen, en den koning van
Denemarken ook op dit punt tegenwerken, in één
woord, zoo moesten zij de burgers van
Brunswijh ondersteunen. Aanvankelijk trachtten
zij dit door wijze vermaningen te doen. Op hetzelfde tijdstip, dat het verdrag met die
van
Maagdenburg en van Brmiswijk tot stand kwam, wendden zich deze laalsten in
het bijzonder tot de Stalen met het verzoek om hunne tusschenkomst by hunnen jon-
gen Vorst, bij de Vorstinne-moeder, by de Landstenden des hertogdoms en bij
fflips
siGisMOïfD, bisschop van Osnabrück en Verden. Eenige dagen daarna beloofden hun
de Staten aan al die personen en Overheden te schrijven, maar vermaanden hen
niettemin zich met hunnen Hertog Ie verdragen. Deze bemoeijing van de Staten
ergerde zelfs den Koning van
Engeland, die dit een stijven noemde van oproerige
onderdanen legen hunnen heer. Doch de Stalen beriepen zich op de onpartijdigheid
van hunne handelwijze, en zeiden, dat zij de Brunswijkers tot verzoening en vrede
vermaand hadden. Werkelijk waren die van
Brunswijh toen nog verre van zeker, dat
de Staten hen en niet den Hertog gewapenderhand zouden bijstaan. Immers werden zij
zeer veronirust door de tegenwoordigheid van
ernst Casimir van hassau, die met eenen
ingenieur en eenige werkmeesters te
WolfenbuUel gekomen was. Zij schreven deswe-
gen aan de Staten en vraagden, of hij ook iels legen hunne stad voorhad. De vroe-
gere houding van dien Graaf waren zij nog niel vergelen. Thans echter zouden de
Stalen hem niet legen de burgers laten optreden. Zeker had hij op hunnen last
Arn-
hem verlaten en zich oogenschijnlijk met het doel om het land van Brunswijh krygs-
kundig op te nemen te
Wolfenbuiiel gaan vertoonen: ten minslc na dc wreede leregt-

1 ResoL Stat. Gen. 1, 11 cn 31 Dcc. 1614.

ocr page 439

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

III· ι·ιι INI ■·ι[—··ΙΤ·ιι·Ί· |[ι·Ι·ΙΙ I I.iii â–  I II Î¹ mm^mmmmmammmÊmmmmÊÊmmrnmm

1615. stelling van eenige burgers in deze slad hadden de Stalen hem bij een opzettelijk schrg-
\en medegedeeld, dat de gang Tan zaken in het Brunswijksche hun zeer leed was. Hoe
het zij, op de vraag der Brunswijkers antwoordden zg geruststellend, levens meldende dat
ERNST CASisim reeds weder te
Arnhem terug was. Denzelfden dag, waarop zij beslo-
ten aldus naar
Briinswijk te schrijven, kregen zij van dien veldheer een brief, waarin
hij hun meldde, dat er gunstig vooruilzigt op schikking tusschen den Hertog en de stad
bestond Misschien was hem dit van 's Hertogs zyde voorgespiegeld. Maar in allen
gevalle bleven de onlusten voortduren, en omstreeks het begin der maand Maart wend-
den zich de Brunswijkers tot de Staten met het verzoek om iemand van hunnentwege
tot hen te zenden ter bevordering van den vrede. De Staten antwoordden, dat zulks,
naar hetgeen zij vernomen hadden, den Hertog niet aangenaam zijn zou. Dus zouden
zij de zending van eenen afgevaardigde tot eene betere gelegenheid uitstellen, en in-
lusschen rieden zij hun aan, hunne belangen op de aanstaande vergadering der Geüni-
eerde Vorsten voor te dragen: hier zoude der Staten afgevaardigde mede hunne zaak
bepleiten. De bescheidenheid der Staten schrikte hen, die zich in
Duitschland alles
van hunne bescherming beloofden, geenszins af. Eene maand later kwam er een ver-
zoek van de Hansesteden, dat de Staten hunnen afgevaardigden tot den Hansedag,
den 25*®" Mei te houden, een geleide van gewapende ruiters zouden medezenden, die
dan te
Brunswijk den afloop der vergadering zouden kunnen afwachten. Dit verzoek
gaf den Staten een voorwendsel aan de hand om den Hertog met een vertoon van
gewapende magt ontzag in te boezemen; doch hiervan meenden zy zich te moeten
onthouden. Reeds dreigde de gewapende tusschenkomst van de Aartshertogen en
Spanje in Duiischland, en door zich feitelijk met de Brunswijksche zaken te be-
moeyen, mogten zg geene aanleiding geven tot dadelijkheden van den kant van
Spanje. Toen dus de Brunswijksche Gezanten den Mei gehoor bij de Stalen

verzochten, verontschuldigde men zich op grond van het kleine aantal der aanwe-
zige leden, en meer dan eene maand duurde het, eer het gevraagde gehoor ver-
leend werd. Toen zij dan den 17"^®° Junij ter vergadering verschenen, strekte hun ver-
zoek om het vroeger gemeenschappelijk met
Luhek en Maagdenburg ^ tusschen hen en
de Staten gesloten verdrag afzonderlyk te mogen ratificeren.
Luhek toch en Maagden-
burg
haastten zich, in weerwil van alle aangewende pogingen, in geenen deele om
tot de ratificatie over te gaan. De eerste dier sleden, namelijk, wachtte steeds op de
uilkomst van het gemeen overleg met al de leden der Hanse, en
Maagdenburg^ onder-
vindende dat de Keizer hare verbindlenis met de Stalen ongaarne zag, was huiverig om
den beslissenden stap te doen. Eerst den Julij gaven de Staten op het voorstel der
Brunswijksche Gezanten een afwgzend antwoord. Zij achtten het, dus verklaarden zij,

1 Resol iStoi.-Ge». 20, 24 Sept. 5 October, 23 December 1613. 22 Febr. 1614.

ocr page 440

DES VADERLANDS. iJ6ö

oDgeraden, zoo voor Brunswij/c als voor deze Landen, met die slad afzonderlijk te 1613.
handelen. Intusschen zouden zij al het mogelijke doen door Terloogen, zoo bij den
Hertog van
Brunswijlc en den Markgraaf van Brandenburg ^ als bij den Koning van
Engeland^ ten einde de zwarigheden door minnelyke schikking werden opgeheven. Zoo
men slechts gedurende eenigeimaanden alle uitbarsting kon voorkomen, ware er reeds
veel gewonnen. Ten dien einde zouden zij ook aan
ernst Casimir yan nassaü schrijven«
Hiermede kregen de Gezanten hun afscheid, en hoe weinig hun zulks ook geviel, zij
moesten zich daarin schikken i. Evenwel wilden de Stalen alle betrekkingen met de
ongelukkige stad geenszins afbreken, noch alle hoop harer ingezetenen op hunne on-
dersteuning afsnijden. In September, toen na de krijgsbewegingen van het leger der
Aartshertogen geene bedenkingen van voorzigtigheid meer in aanmerking kwamen,
hervatten de Slaten het verkeer, door aan den Raad van
Brunswijk iOnder andere
berigten mededeeling te doen van
spinolas krijgsbedrijven. »Tegenwoordig," schreven
zy den 8'"·" September, »ligt hij omtrent
Wezel en hij stelt zich alsof hij voorhad
deze stad te belegeren, daar hij ze heeft doen opeischen. Maar alzoo de burgers zich
kloek en mannelijk gedragen, en zijne Excellentie een goed sterk leger van ruiters en
knechten omtrent
Emmerik bij elkander verzamelt, van alles wel voorzien, met het plan
om binnen 5 of 6 dagen ter hulp van die van
Wezel^ die daarvan berigt hebben, op te
trekken, zoo is het te hopen, dat met Gods hulp de zaken zullen worden hersteld cn
de stad
Wezel zal blijven behouden tot schade en schande van den vyand en de papis-
tische Ligue." Zulke taal was wel geschikt om den Brunswijkers nieuwen moed in te
boezemen. Niettemin werden de Stalen door de besluiteloosheid der andere Hanse-
steden van eiken krachtigen stap teruggehouden. Bovendien konden zij zich niet aan
de verpligting onttrekken om in overeenstemming met den Koning van
Engeland te
handelen, en deze Vorst, zoowel door de burgers als door den Hertog van
Brunswijk
uitgenoodigd, om met den Koning van Denemarken, te trachten de partijen tol een
vergelijk over te halen, gelastte zijnen Gezant
wotton, zoodra hij te'ä GraDcn/tagie gemist
kon worden, zich tot het bevorderen van eene schikking naar
Brunswijk te begeven.
Tegen den tijd der aankomst van dien Gezant moest zich de Raad van
Brunswij/c, dus
vermaanden de Slaten, van alle aanslagen onthouden, en zich gereed tot het bijleggen der
verschillen betoonen, al waren ook de voorstellen van hunnen Hertog hun niet zeer aange-
naam. Tevens schreven zy den Hertog zeiven om ook van zijnen kant geene vyandelijkheden
tegen de slad te plegen. Om te beter hunnen invloed te doen gelden zouden zij gaarne
eenige afgevaardigden met
wotton naar Brunswijk gezonden hebben, cn zij lielen den
Koning van
Engeland door hunnen Gezant te Londen deswegens polsen. Doch hel lange
dralen moede, kwam de Brunswijksche burgerij in opstand, stelde eenen nieuwen Raad

^ Ilcsol. Slat. Gen. 1C14, 12 Mei, 16, 17 Junij, 2, 9, 12 Julij.

ocr page 441

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1615. aan, en hield eenige leden van den ouden Raad gevangen, op grond dat zij te'si/a^e
veel tijd en geld op eene ijdele hoop verspild hadden. Dit gaf den Brunswykschen
Gezant
van rijswijgk aanleiding om zich tot de Staten-Generaal te wenden met het
verzoek, dat zij bij den nieuwen Raad voor de ten onregle verdachte leden der afge-
zette Regering wilden tusschentreden. Reeds voordat men in
Brunswijk eenig schry-
ven van de Staten had kunnen ontvangen, trachtte de nieuwe Regering zich met hen
op eenen goeden voet te plaatsen. Zij zond hun eenen brief, waarin zij de voortzetting
hunner welwillende medewerking verzocht, en klaagde, dat de Hertog in plaats van
den voorgeslelden vrede toe te staan, van hen den afstand van alle regten en geregtig-
heden vorderde, en zich de volstrekte heerschappij aanmatigde, Moeijelijk was de vraag,
wat de Staten in deze thans zoo veel ingewikkelder zaak te doen hadden; de partij toch,
die zi] beschermden, was nu in zich zelve verdeeld. Gelijk meer bij moeijelijke vraagstukken
geschiedde, werd aan
oldenbarnevelt de laak opgedragen om de zwarigheid op te lossen.
Hjj werd verzocht een antwoord op het schrijven der nieuwe Brunswijksche Regering te
ontwerpen. De brief, dien hij schreef, misLc zijne uilwerking niet, blijkens de beide brieven
die de Staten den December ontvingen. De een was een antwoord uit
Brunswijk

met de belofte, dat men op de vriendelijke aanmaning der Staten zou letten. De ander was
een schrijven uit
Luhek van de afgevaardigden der in de laatste dagen van November en de
eerste dagen van December aldaar vergaderde Hansesleden, waarin dezen te kennen ga-
ven , dat zij, terwijl zij beraadslaagden, hoe den afgezellen Raad te
Brunsivijk weder
te herstellen en de zaken aldaar naar behooren te schikken, berigt gekregen hadden,
dat zich de Stalen de zaak van
Brunswijk aangetrokken, en hiervan de blijken gegeven
hadden onder anderen door een »hoogst verstandig en gemoedelijk vermanend schrijven,"
waarin juist helzelfde middel van herstel was aanbevolen, dat hun in hunne vergadering
het aannemelijkst was voorgekomen. Van wege de slad
Brunswijk ^ dus schreven die
afgevaardigden verder, waren zij aangezocht om gezanten derwaarts te zenden. Hierloe
hadden zij dan ook besloten, en thans verzochten zij de Staten insgelijks tegen den
laalslen December (ouden slijl) Gezanten naar
Brunswijk Ie zenden, ten einde, hun
medelijden met die stad metterdaad bewijzende, eerst de inwendige slaatkundige orde
te herstellen, en daarna het lot stand komen van een billijk verdrag met den Hertog
te bewerken. Dit schrijven van de gezamenlijke Afgevaardigden der Hansesleden ging
van een bijzondcren brief der Burgemeesteren en Raden van
Luhek gepaard, waarin de
ware stand der zaken genoegzaam werd toegelicht. De Koning van
Denemarken, dus
bleek uit dit schrijven, verlangde wel nieuwe afzonderlijke traktaten met elk der Hanse-
steden te sluiten, maar de oude privilegiën van het geheele ligchaam der Hanse wei-
gerde hij te blijven erkennen. De krachtige eenheid van een Noord-Duilschen handel-
staal was het wal die Koning in overeenstemming met
Spanje en den Keizer schroomde.
Zijne gunsten had hij voor de verschillende sleden veil ten prijs van de ontbinding van

ocr page 442

DES VADERLANDS. iJ6ö

haar Verbond. Van die sleden moest de een aan haren Landheer prijs gegeven, de 1615.
ander door den Keizer gekweld, een derde door hem, den Koning van Denemarken
zeiven, benadeeld en vernederd, de naijver lusschen alle onderling moest aangekweekt
worden, ten einde een Stedenbond onmogelijk te maken, dat ihans, nu de Vereenigde
Provinciën een zoo sprekend voorbeeld van staatkundige ontwikkeling gegeven hadden,
vrij wat anders te beduiden zou hebben, dan in vroegere eeuwen. In dezen staat van
zaken waren natuurlyk de oogen van allen, die onbekrompen genoeg waren om de
wegen in te willen slaan, door den nieuwen lijd geopend, op de
Vereenigde Nederlan-
den
gevestigd, die van geen anderen bodem, als waarop de Woordduilsche Sleden ston-
den, waren uitgegaan, om een vrijen Siaat in het aanzijn te roepen, — en omgekeerd
De staatkunde
moest het streven der Nederlanders daartoe strekken, om in Noord-Duilschland de ont-^^^^ bSSng
wikkehng eener staalkundige orde, aan de hunne gelijk, te bevorderen, ten einde
le tot^Hansesie-
sterker Ie zijn legen de veelvuldige vijanden van hunnen Slaat. De brief uil Liibek
moest hun het vertrouwen geven, dat de Duitsche handelsleden hare eigene zaak nog
niet opgaven. Immers stond daarin te lezen, »dal
Lubeh en de andere Hanscsleden
nog niet geneigd waren de oude privilegiën in
Noorwegen en Denemarken op te geven
en zich met nieuwe afzonderlijke traktaten in te lalen, maar
in communione blijven
wilden." Ten einde het bereiken van dit doel te bevorderen , zouden zij met volmagt
van alle Hansesteden tegen den Maart 16 lö (Ouden Slyl) een aanzienlijk gezantschap
aan zijne Jlajesteit den Koning van
Denemarken afvaardigen, Avaartoe Bremen^ Ham-
burg, Danizig, Boslock, Wismar, Slraalsond, Maagdenburg
en Deventer gecommit-
teerden zouden zenden, en dit Gezantschap zou in last hebben, van zijne Majesteit tc
verkrijgen, dat de begeerde, reeds in 1598 toegezegde bekrachtiging der privilegiën
haar beslag mögt erlangen, en zijne Majesteit niet de eene stad boven de andere bc'
zwaren en met name
Lubek niet uitsluiten mogf. Op dit besluit wenschle de Regering
dezer stad den raad der Stalen-Generaal in te winnen, waartoe zij bij deze gelegenheid
haren secretaris, van geloofsbrieven voorzien, oaar 'i
ïlage gezonden had. Het plan om
door een Gezantschap naar
Koppenhagen op den Koning van Denemarken invloed uit
te oefenen, keurden de Staten voorzeker niet af; integendeel, tegen het eind van Fe-
bruarij van het volgende jaar schreven zij nog aan
Deventer, om toch vooral de bijeen-
komst te
Koppenhagen niet te verzuimen; — maar zij zullen begrepen hebben, dal de
Hansesteden er vooral op bedacht moesten zijn, om met eene
mannelijke resolutie (want
zoo spraken zij) zich zeiven te helpen. Hiervan getuigt hetgeen wij in hunne Resolu-
lien (op den December) lezen: »Alzoo het handtastelijk te zien is, dat de pau-

selijke Ligue tegen het toekomende jaar vele en groole zaken en ontwerpen voorheeft,
onder voorwendsel van het herstel van het vervallen gezag des Keizers en des Huizes van
Oostenrijk, tot nadeel van het gemeene besle der Christenheid, maar voornamelijk van
den staat van alle Koningen, Prinsen en Republieken, die de pauselijke religie en haar

III Deel 2 Stuk. 72

ocr page 443

K70 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1615. juk afgelegd en verworpen hebben, waaronder mede begrepen zyn de Hansesteden en
andere vrije sleden van het Heilige Rijk, — zoo is besloten te schrijven aan elk der voor-
naamste Hansesleden, en haar ernstig Ie vermanen in goede eenigheid te blijven, wijl
de vijanden harer vrijheid en welstand er ongetwijfeld naar trachten en met alle booze
listen en praktijken streven, om hare Unie te scheuren en alzoo de eene na de andere
onder de voet te brengen

Intusschen zonden de Staten nog geene Gezanten naar Brunswijk om met de Afge-
vaardigden der Hansesteden aldaar te raadplegen; maar ook ditmaal deden zij de zaak
met brieven af, meenende dat de belangen der stad vooreerst genoegzaam aan de Ver-
tegenwoordigers der Hansesteden waren toevertrouwd. Doch dezen slaagden er althans
niet in om eene verzoening tusschen de stad en haren Hertog te bewerken. De Hanse-
sleden konden niet eens de onderhandelingen over hare algemeene belangen tot een
goed einde brengen. Ten minste betoonde zich de Koning van
Denemarken, bij gele-
genheid van de bezending naar
Koppenhagen in de maand Maart, ganseh niet inschik-
kelijk, en de Staten waren niet gezind tegen dezen Vorst ten behoeve der Hansesleden
een hoogen loon te voeren. Integendeel, zij duchtten in deze oogenblikken niets zoo
zeer als den reeds op hen verbitterden Koning tot dadelijkheden te zien overgaan.
Daarom maakten zij van de bereidwilligheid van
robert amstrudter, buitengewoon
Gezant van
Engeland bij den Koning van Denemarken, gebruik, om dezen Vorst
eenigzins neder te zeilen. Inmiddels maanden zij
Luhek aan, de zaken toch niet tot
uitersten te laten komen, en toen de Gedeputeerden der Hansestad
Deventer in Auguslus
uit Luhek .schreven, of het niet goed zou zijn, dat de Stalen Gezanten naar den in
September te houden Hansedag zonden, anlwoordden zij, dat zij dit ongeraden achtten,
daar het den Koning van
Denemarken zou versloren. Toch lieten zij Luhek niet in
den steek, gelijk de Koning van
Engeland deed, die geërgerd, zeide hij, door de
halsstarrigheid, welke de Lubekkers overstelden tegen de goedwilligheid, hun door den
Koning van
Denemarken ter zijner liefde beloond, zich aan de bemiddeling der ge-
schillen onttrok, Allyd baatte hunne lusschenkorast nog iels: len minste liet
giiristiaan
hen met een schryven van den 25'*·"" Augustus welen, dat hij, ook om den wil van
hun verzoek, aan die van
Luhek toegestaan had om in het begin van het volgende
jaar, ten derden male voor hem te verschijnen, ten einde te trachle« de gevolgen zijner
ongenade af te wenden

Inderdaad ook nog dezen Koning tot verklaarden vijand Ie hebben, terwijl men steeds
op het uitbreken van een ernstigen oorlog in
Duilschland moest rekenen, was niet ge-

» Resol Stat.-Gcn. 8, 15, lö, 19 Septemb. 4, 6, 10 Novemb. 24, 29 Dcccmb. 1614. 2, 3
Jan. 18 Febr. 1615.

2 Resol Stat.-Gen. 5 Maart; 14, 20 Mei; 2 Julij; 1 en 19 Aug. 14 Sept. 14 Octob. 1615.

\

ocr page 444

DES VADERLANDS. Î¯Î¯71

raden. Zulk een dreigend aanzien hadden de zaken, dat Prins maurits en de Raad 1615.
van State, den Jung 1615, in de vergadering der Staten verschenen om mede te

deelen, dat bij hen berigten \Yaren ingekomen wegens oorlogstoebereidselen van den
Keizer en de Aartshertogen, en hierop den voorslag te gronden om eenig krijgsvolk
nader bij de grenzen te brengen. Aan eene ontruiming van
Gulik en Kleef \verd niet
eens meer gedacht, sedert de Koning
ύάώ Engeland, door zijnen buitengewonen Gezant
WOTTOK terug te roepen, getoond had, dat hij aan den goeden uitslag zijner pogin-
gen, daartoe aangewend, wanhoopte, en nu de Keizer zich de beslechting van het ge-
schil ernstig scheen te zullen aantrekken, was de handhaving van de Brandenburgsche
partij door Staatsche troepen meer dan ooit noodzakelijk. Den September deelden
Mededeeling
de geheime Raden van den Markgraaf van Brandenburg, de Heeren steyntgen ^^^ turgscli^^gezau-
stigke,
herwaarts afgevaardigd, den Staten mede, dat de Keurvorstin ταη Brandenburg,
als dochter van wijlen den Hertog van Gulik, met voorbijgang baars gemaals, tegen
den Augustus voor de regtbank des Keizers was gedaagd geweest. De Geünieerde
Vorsten hadden den Keurvorst van
Brandenburg vermaand, de keizerlijke regtspraak
nu niet langer te ontduiken, maar zijne gemalin, behoudens noodzakelijk voorbehoud
op eenige punten, op de dagvaarding te laten verschijnen. Op verzoek der Keurvorstin
was door den Keizer uitstel verleend tot den 1®'®" October. Het werd er, dus spraken
de Gezanten, op toegelegd om den Prins van
Brandenburg uit de Guliksche erflanden
te verdringen, door zyne bondgenooten van hem te vervreemden. Reeds was te
Praag
de inbeslagneming dier landen beraamd. Saksen, Neuburg, Burgau hadden daartoe reeds
hunne toestemming gegeven,
en Zweibrück (Tweebruggen) izou zich daar niet tegen ver-
klaren. In één woord, al de Vorsten, die eenige aanspraak op de erfenis maakten,
lieten zich de tusschenkomst des Keizers welgevallen. Het stond te bezien, dat de inbe-
slagneming op den eerstvolgenden Rijksdag zou goedgekeurd worden, en dan zouden de
Duitsche Rijksvorsten met behulp der Spanjaarden tot de uitvoering moeten overgaan.
In dezen staat van zaken nam de Prins van
Brandenburg zijne toevlugt lol Hun Hoog
Mögenden »als zijne getrouwe naburen, door wier hulp alleen, naast God, niet slechts
zijn persoon, maar ook wat van de Guliksche en Kleefsche erflanden nog in zijne handen
was gebleven, aan bet geweld der Spanjaarden was ontrukt."— » Het doel dier Spanjaarden
is," dus spraken de Brandenburgsche Gezanten, »om door hel ingewand van den Prins
van
Brandenburg op de Nederlanden aan Ie vallen, ten einde de Spaansche vlaggen op
en in de frontieren van Uwer Hoog Mögenden Landen te brengen en te laten wapperen."
Intusschen zou de Prins van
Brandenburg zelf niet werkeloos blijven. Van zijne eigen niet
te versmaden magt in
Pruisen zou hy tot handhaving van zijnen Staal partij weten te
trekken. Van de Republiek der
Nederlanden geleerd hebbende, wal de zenuw was van
den Slaat, zou hij zich door den handel van
Königsberg op Amsterdam te bevorderen,
hulpbronnen verschafl'en. Niettemin j ihans had hij bijstand en geld noodig, zouden zijne

72*

ocr page 445

872 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1015. troepen niet tot muiterij overslaan, het platteland afloopen, en den landzaat de overlast
van het krijgsvolk ten laatste niet volstrekt ondragelijk worden. — Deze voordragt der
Brandenburgsche Gezanten doet ons duidelijk beseffen, eensdeels welk een gevaarlijk lid
het Duitsche Rijksligchaam aan
Brandenburg had, dat zoo geneigd was van het yoor-
bceld en den steun der Republiek gebruik te maken, en anderdeels, hoe noodzakelijk
het was, dat onze troepen in
Duilschland geen duim gronds gewonnen gaven. Dit ble-
ven onze Slaalslieden dan ook niet in gebreke den Koning van
Engeland, die zich
aanstelde alsof hij reden had om op de Staten verstoord te zijn, dat zij niet in schikking
wilden treden gedurig voor oogen te houden. Was hij werkelijk de beschermer des
geloofs, dit lieten zij in de instructie, welke
gabon in October 1615 uit het Vaderland
medekreeg, duidelijk gevoelen, dan moest hij zich de wijze aantrekken, waarop de be-
lijders der ware religie in
Duilschland behandeld werden; hoe Muhlheim werd geslecht;
wat de afgezette Raad en de andere Protestantsche burgers van
Aken moesten verduren;
hoe de Keurvorst van
Keulen tegen de uitoefening der Gereformeerde Godsdienst tot zelfs
te Rees^ waar Staatsch garnizoen lag, zijne bevelen dorst uitvaardigen. Zoo bleek
het, dus werd later aan
jakobus tot zijn onderrigt geschreven, »hoe de Papistische
Vorsten de ooren begonnen op ie steken, als om te toonen, dat hun alles voor den
wind ging

Zoo was dan ook voor de Staten de lijd daar om te besluiten handelend op te treden
en den Keizer als met een voorbeeld te toonen, wat hunne beschermelingen in
Duitsch-
land
van hen te wachten hadden. Dit besluit zou het benarde Brunsivijk ten goede
komen.

Toen Graaf ernst Casimir de Staten verzocht had om zich naar Brunswijk te
mogen begeven ten einde in de dienst van den Hertog te treden, alsmede om op de
frontieren der Vereenigde Provinciën een regiment voetvolk te mogen ligten of laten
ligten, werd dit regtstreeks geweigerd, en hem de taak opgedragen, zich veeleer, even
als vroeger, te beyveren om de geschillen tusschen den Hertog en de stad in der minne
te schikken. Zoo handelden zij reeds vooruit overeenkomstig het verzoek van wege de
conventie der voornaamste Hansesteden te
Lunehurg, den IS·^"" Augustus tot hen geko-
men , om toch niet toe te laten, dat uit deze Landen eenig volk den Hertog van
Brunswijk, die reeds het beleg om deze stad had geslagen, ter hulp werd toegezon-
den. Toen de Secretaris van
Brunswijk, johas oleman, den Staten, daarvoor dank
kwam zeggen, verzocht hij tevens om raad en daad, opdat de stad en daarmede het
gansche Hanseverbond voor een onherstelbaren val mogten behoed worden. Weldra
toen de Hertog was overgegaan om de stad met gloeijende kogels te beschieten, werd

1 nesol Siat.-Gen. 17 Scpt. 17 Octob. 1615.

2 Jleso/. Stal.'Gen. 24, 28 Oct. 16 JYov. 1015.

ocr page 446

DES VADERLANDS. iJ6ö

dit verzoek zoo van wege Brunswijk, als van wege Lubek meer dan eens herhaald: 1615.
men verlangde ten minste eenige Gecommitteerden der Staten in de vergadering der
Hansesleden te zien. Thans aarzelden zij niet langer. Om aan hunne vernieuvyde be-
Afgevaardigden
moeijing met de binnenlandsche belangen van het Duitsche Rijk een zekeren glimp Ie landsche Hanse-
geven, beschikte men de zaak zoo, dat de Nederlanders de vergadering in hoedanigheid jg/f^ggzonjen^"'
van afgevaardigden der Nederlandsche Hansesleden
Nijmegen, Deventer, Zulphen, Arn-
hem
en andere Geldersche sleden zouden bywonen. Hoezeer die afgevaardigden zich
bij hunne ontvangst moesten veronlschuldigen, dat zij in zoo vele jaren de bijeenkomst
niet bezochl hadden, toch kon niemand aan die steden haar regt betwisten om zich
hier te laten vertegenwoordigen. Maar waren zij eenmaal daar, zoo vertegenwoordigden
de Nederlanders als van zelve de geheele Republiek, welke zich de zaak ernstig aan-
trok. üildrukkelyk werd den Nederlandschen Afgevaardigden vergund »des noodig van den
naam en de qualileit van deze Landen gebruik te maken." Maar om nog niet dadelijk het mas-
ker af te werpen, zouden zij beginnen met Ie zeggen, dat de Stalen, ten einde
Brunswijk met
hulp van wapenen te redden, wel te bewegen zouden zijn om de middelen en de soldalen, die
op de repartitie der Nederlandsche Hansesleden stonden, aan die zaak te wijden. In allen geval,
hun doel moesl zijn hel behoud van
Brunswijk. Hiertoe moesten de Hanseslcden op hel ontzet
dezer slad aandringen. Gaf de Hertog aan hare verloogen geen gehoor, zoo moeslen
zij dezen onwil, als tot schande en schade der Hanse strekkende, niet ongestraft laten;
zy moesten hem aanzeggen, dadelijk ten minste de vijandelijkheden te slaken, en deed
hij dit niet, dan mögt de Hanse te kennen geven, dat zij bij de
Nederlanden zoo hoog
stond aangeschreven, dat zjj van deaen onfeilbaar hulp zou bekomen. Na dit vastge-
steld te hebben, waren de Staten zeker van hunne zaak, en zij lielen den Secretaris
van
Brunswijk hier te lande tot zijne geruststelling weten, dal zij »zulk een order op
de zaken gesleld hadden, dat met de hulp van God Almaglig de goede slad
Brunswijk
behouden en bij hare reglen gehandhaafd zou blyven." Zonder den Hertog geweld van
wapenen tegen Ie stellen, zou de zaak niet ailoopen. Aan
Brunswijk werden wapenen
uit hel arsenaal van
Delfl geleend. Aan de Hansesleden werd loegeslaan, hier te lande
krijgsvolk te werven, hetgeen ter zelfder tijd aan hen, die voor de oproerige Groolen
in
Frankrijk soldalen zochten te bekomen, scherpelijk verbotlen werd. Deze houding
deed den Koning van
Denemarken, die reeds in September te Wolfenhutlel gekomen
was, begrijpen, dat hij de beraadslagingen der Duitsche Vorsten den Stalen als eene be-
lemmering in den weg moest werpen. Hij noodigde verscheidene Keurvorsten en Vor-
sten tegen den October uit, om met de Hansesleden Afgevaardigden
naar Wolfen-
hullel
te zenden, ten einde eene schikking tusschen den Hertog en de slad te bewer-
ken. De Hanseslcden verontschuldigden zich, en verklaarden zich eerst later bereid^
mits al de Hansesleden zich gezamenlijk konden laten vertegenwoordigen en ook de Neder-
landsche Afgevaardigden verschenen, en dan nog op een geschikter lijd en op eeneonzij-

ocr page 447

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

ίβίδ. (lige plaats. Zij wislen reeds welke onpartijdigheid zij van zulke onderhandelingen kon-
den wachten. Of had de Overste
Schömberg, die van wege den Keurvorst van Paltz
gezonden was om de vijandelijkheden te doen staken, de inneming der stad niet door

r

raad en daad, aan den Hertog gegeven, trachten te bevorderen? De eenige Vorst, op
welken zij rekenen konden, was de Landgraaf
maurits van Hessen. Van zijne zijde
verzocht de Hertog de bemiddeling van de Protestantsche Unie met die van den Koning
van
Groot-Brilannië en van de Staten-Generaal. Doch middelerwijl trachtte men de
wederspannige stad meester te worden, en ware dit gelukt, zoo zouden alle beraadsla-
gingen verder weinig gebaat hebben. Dus begrepen ook de Staten het niet langer op
onderhandelingen te moeten laten aankomen. Zij bekreunden zich weinig om eenen brief
van den Koning van
Denemarken aan jakobus I geschreven en hun medegedeeld, λvaarbij
hij niet alleen klaagde dat de Staten, den rijksban bespottende, zich met de zaak van
Brunswijk bemoeiden, maar ook den Koning ύάώ Engeland »op grond van het gezag, dat
hij over de Staten had, verzocht, hun Ie gelasten, zich voortaan daarvan te onthouden,
en de stad veeleer te raden, den Hertog, als hare Overheid, haar door God verordend,
schuldige onderdanigheid te betoonen Toen alzoo de krygsoverste der Hansesteden,
Graaf
frederik van solms, die tegen het leger van den Hertog, 2000 ruiters en 9000
man te voet, benevens 9000 gewapende huislieden sterk, slechts 800 ruiters en 1600
voetknechten over te stellen had, nog ontmoedigd werd door eenen brief van den Keizer,
die hem gelastte alle vyandelijkheden te staken, spraken hem de Nederlandsche Afgevaar-
digden moed in, en zeiden dat hij slechts zijnen lastgevers verantwoording schuldig was.
Nu trachtte
solms de stad, die in den uitersten nood geraakte, met zijn hoopje volks hulp
te bieden; doch het plan mislukte en hij kon zich slechts, met verlies van honderden, redden
door zich binnen de stad te bergen. Dus was hel hoogtijd, dat er hulp uit de iVec/er/awciew
Prins iiiEUEEiK kwam opdagen. Deze liet zich ook niet lang meer wachten. Prins frederik Hendrik
aaTheThoofd vtii ^^ ^e eerste dagen van November met al de ruiterij, een tamelijk aantal musket-

Brmiinyl eenige stukken geschut en een trein van 400 wagens de grenzen over. Prins

MAURiTs bleef terug, daar hij, als Bevelhebber van het leger, dat gedeeltelijk in het
Kleefsche en Guliksche te velde stond, gereed zijn moest om
spinola, wanneer hy zich
de omstandigheden had willen ten nutte maken, dadelijk het hoofd te bieden. Het ge-
rucht van HENDRIKS komst was genoegzaam om de stad te bevrijden. Het beleg werd door
den Hertog opgebroken, en de Koning van De/iemor/ce« begaf zich terug naar zyne Stalen.
Weldra ontvingen de Nederlandsche Afgevaardigden eenen brief van den Hertog, dat zij
deel moglen nemen aan de onderhandelingen, die hij bereid was met de stad te openen.
Op gansch anderen toon echter schreef hij aan
maurits van Hessen om dezen Vorst in

1 Resol SlaL'Gen. 9, 18, 20, 21, 25, 26 Sept. 3, 10, 12, 13, 14, 17, 23, 24, 28, 29 Oct.
3. 7 Nov. 1615.

ocr page 448

DES VADERLANDS. iJ6ö

den tegenstand tegen de oproerige Hansesteden de zaak van alle Duitsche Vorsten te doen 1615.
zien. Doch hij kreeg ten antwoord, dat hier geene beschouwingen over de belangen der
Vorsten en de regten der Hanse te pas kwamen: daartoe waren de zaken te ver gekomen:
thans was het de vraag om middelen te vinden ten einde de oorlog te slaken, opdat geene
vreemde Mogendheid er zich verder mede behoefde te moeijen en den »Papisten" niet
langer stof gegeven werd om in de oneenigheid der Protestanten te juichen. Den No-
vember kwam Prins
hesdrik met zijn leger te Schlüsselhurg aan de Wezer in het Stift
van
Minden aan, alwaar zich de Nederlandsche Afgevaardigden by hem vervoegden. De
eenige tegenstand, dien hij ondervond, was de toespraak van den Landdrost en Krijgscom-
missaris van den Hertog, die hem verzocht terug te trekken en de
Wezer niet over te
steken. Toen de Prins hier niet naar luisterde, protesteerde de Hertogelijke Ambtenaar
)) voor God en de wereld, daar met zulk eene hardnekkigheid slechts de ondergang van
den Duitschen Vorslensland koa bedoeld zijn." Na den raad der Afgevaardigden ingewon-
nen te hebben, deed de Prins thans de verklaring, dat, aangezien de Hertog het beleg
had opgebroken en zich zelfs in de Unie scheen te willen begeven, hij geene vijandelijk-
heden tegen hem plegen, noch de stad onbillyk legen hem opzetten zou. Slechts ver-
langde hij neutraal en in goede orde een korten tijd in zijn land gelegerd te blijven.
Men was gekomen om den landvrede te herstellen, waartoe men zag dat *sKeizers ge-
zag ditmaal niet volkomen had kunnen baten. Ten slotte werden er vier artikelen ge-
steld: ten eerste, moesten tegen den 5''®° December alle krijgstoerustingen zijn afge-
schaft; ten tweede, van nu aan geenerlei vijandelijkheden meer gepleegd worden; ten
derde, alle geschillen worden afgedaan door de tusschenkomst der Keizerlijke Commissa-
rissen en de Heeren, welke men tot de onderhandeling zou uitnoodigen, en zoo men
het niet eens kon worden, door de reglerlijke magl; ten vierde, zoo iemand
iets legen
deze overeenkomst ondernam, zou men zich van beide zijden tegen de aanvallende partij
verzeilen. Daar de Keizerlijke Commissarissen, die alzoo onder het toezigt van hel Ne-
derlandsche leger zouden moeien onderhandelen, in de eerste verlegenheid uit
Wolfen-
hullel
naar Ilalberstad, de hoofdplaats van den Kreils, vertrokken waren, kon er nog
niets bepaald worden. Doch gaarne had men de noodzakelijkheid om zich door de Ne-
derlanders de wet te laten stellen nog ontgaan. Reeds den 21"'"'" November was den
Prins te
Schlüsselburg een patent van de Vorsten en Stenden van den Neder-Saksischen
Kreils toegezonden. De stad
Brunswij/Cy dus heette het in dit stuk, had geen hulp meer
noodig, daar »op 'sKeizers last" aan het beleg een einde gemaakt was; een indringen,
als hetwelk de Prins zich veroorloofd had, strekte tot oneer van Keizer en Vorsten, en
nooit immers had de Neder-Saksische Kreits de Stalen beleedigd. — De Nederlandsche Afge-
vaardigden antwoordden, dat de hunnen het voor de stad hadden moeten opnemen, omdat
het hun onmogelijk geweest was een lid van het Hanseverbond, waartoe zij ook in betrekking
stonden, Ie zien verdrukken, en geen der Vorsten of Stenden van den Kreils zich de zaak aan-

ocr page 449

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1615. trok. De Prins zou niet verder trekken, maar niet henengaan, voordat de zaken dus geregeld
Avaren, dat men na den aflogt niet zoude behoeven weder Ie komen. Van nu aan werd
een wapenstilstand van weinige dagen gesloten en telkens vernieuwd. De Gezanten van
den Keurvorst van de
Pallz traden als bemiddelaars tusschen de Duilscbers en de Neder-
Onderhande- landers op. Het stedeke Slederhorch bij Brunswijk werd tot de plaats der onderhandeling
^èoSl^^ gekozen, en onzen Gezanten vergund daaraan deel te nemen. Doch dit sloegen zij af,

verklarende, dat zij »tusschen de partijen wenschten te gaan en alles lot redelijke en
regfmatige voorwaarden te schikken." Tot geen ander doel was het leger gezonden,
en zoo de eene of de andere partij wat onbillijks vorderde, kon men hen raadplegen
en waren zij bereid onpartijdig advies te geven. Toen de Hertog den December de vier ar-
tikelen onderteekend had, verklaarden de Keurvorstelijke Gezanten te verslaan, dat Prins
HENDRIK aflrok, en als om de Nederlanders te doen begrijpen dat het hun geraden was weg te
trekken , voegden zij er bij, dat de Graven van
bügquoi en ridberg reeds op der Slalen leger
afkwamen. Dil was het middel niet om den Prins spoed te doen maken. De Keurvorslelijke Ge-
zanten kregen ten antwoord, dat de Nederlandsche troepen voor
bugquoi en ridberg niet bang
waren, en dat als dezen onze soldaten zochten, zij ze gemakkelijk zouden vinden.
Niettemin aan den eisch was voldaan, en de Prins zou den terugtogt aannemen, even-
wel, dit liet hij de Hansesteden Ier harcr geruststelling weten, met langzame dagreizen
en gereed om, des gevorderd, dadelijk terug te komen. Geen vijand kwam er op den
togl tegen hem opdagen. Geen tegenstand werd er tegen de gansche onderneming ge-
boden , wel klagten genoeg daartegen aangeheven; klagten van den Keurvorst van
Keulen, die verklaarde zich tot den Keizer en de andere Keurvorsten en Vorsten des
Rijks te zullen wenden wegens de vermetelheid van den Prins, die het Slift van
Munster
met zijn krijgsvolk was doorgetrokken; klagten vooral van den Keizer, die zich bij monde
zyner Commissarissen en bij brieven bezwaarde, dat zijn eer en gezag bij de handelin-
gen der Nederlandsche Republiek last leden, even als iemand, die, in plaats van terug
te slaan, de hand brengt aan het lid waar hij geslagen is. — De onderhandelingen in-
tusschen, waartoe ook
johan de oude van nassatj van wege den Landgraaf van Hessen
alsmede Afgevaardigden van de Rijksteden Slraasburg ^ Neurenburg en Ulm gekomen
waren, kwamen weldra zoo ver, dat den 28""" December een ontwerp van vredehandel aan
de Overheid der slad kon worden medegedeeld. Bi] deze gelegenheid kreeg zij van onze
Afgevaardigden uitnemenden raad, zoowel tot voegzamen eerbied jegens den Hertog, als
vooral tot inwendige eensgezindheid, wier gemis mede onder de redenen was geweest,
die den Hertog tot harde maatregelen hadden geleid i. De Magistraat nam het ontwerp

^ In den mond der Nederlandsche Afgevaardigden hoeren wij duidelijk hier oldekbarsevelts
lessen klinken, gelijk deze Staatsman dan ook gedurig in de Resol. der Stalen-Generaal gezegd
wordt in deze zaak brieven en instructies ontworpen te hebben.

ocr page 450

DES VADERLANDS. iJ6ö

aan. Buiten weten der keizerlijke commissarissen stelden de Gezanten van den Keurvorst ißlß·
eene acte op, waarby de Hertog en de Stad beiden van Hun Hoog Mögenden de hand-
having van het te sluiten traktaat verzochten. Doch toen het op een teekenen van
deze acte aankwam, wendden de Gecommitteerden van den Hertog voor, dat de kei-
zeriyke commissarissen het geheim gewaar geworden waren en den Hertog verboden
hadden ze te teekenen. Deze mededeeling gaf aanleiding tot zulke twisten en verwijlen
tusschen de Duitsche partijen, dat de gansche handeling te niet scheen te zullen loo-
pen. De Nederlandsche Gezanten zeilen die van de stad neder met te zeggen, dat er
waarborgen genoeg bestonden, en de beste deze zijn zou, dal de Hansesteden zich op
het voorbeeld der Nederlandsche Provinciën tot een krachtig Verbond vereenigden. Den

eten December werd het verdrag te Stederhorch geleekend. Daar de Nederlandsche verdrag te
Afgevaardigden hunne namen niet lager dan onder die der keizerlijke en der keurvor-
stelgke Afgezanten verkozen te schryven, zoo werd bepaald, dat alleen de Hertog en
de Stad het traktaat onderteekenen zouden: in den aanvang zou bij wijze van een his-
torisch verhaal van het deel gewaagd worden, dat verschillende Mogendheden aan het
tot stand komen van het verdrag genomen hadden, en hier was het deel der Republiek
schoon genoeg

Zoo had de Republiek weder een roemryke uitkomst verkregen. En aan wien had zij
dit, behalve aan de krachtige houding harer staatslieden, voornamelgk te danken ? Immers
aan
Spanje zelve. Had dit Rijk geen leger in Duitschland doen rukken, zoo zou het der
Republiek daartoe aan het voorwendsel ontbroken hebben. Maar met zoo vele Duitsche
sleden, met een pand als
Wezel in Spaansche handen, konden de Nederlanders zich
ook stoute stappen veroorloven. Was het Heilige Roomsche Rijk laag genoeg gezonken
om Spanjes soldaten tot de uitvoerders zijner vonnissen in te roepen, het verhief juist
daardoor
Nederland tot den rang van den gewapenden arm der tegenpartij, tot eene
soort van keizersmagt voor het Protestanlsche
Duitschland: niet anders werd toen ons
Vaderland aldaar onlzien, gevreesd en gehoorzaamd.

Nog was voor den Hertog van Brunswijfc de maat der verootmoediging niet volge-
meten. Op den nieuwejaarsdag van 1616 moest hij en zijne trolsche moeder, eene
Prinses van
Denemarken ^ de Nederlandsche Afgevaardigden ten gehoore ontvangen om
hunne gelukwenschingen met het gesloten traktaat te vernemen, In weerwil der tegen-
werking van 's Hertogs moeder en oom, was er thans ernstig sprake van toetreding
tot de Protestanlsche Unie. Sommigen waren voor eene afzonderlijke Unie van den
Nedersaksischen en den Weslfaalschen Kreits met Hun Hoog Mögenden, om te

^ Zie Rapport van de HH. johan biel, fbederik van de sande en didehich sticke, Gedeputeerden
naar de
Hansesleden, vergaderd binnen Luhek enz. in 1615 en 1616 (op het Rijksarchief), en
vergeh
Resol der StaL-Gen. 9, 13, 14, 16, 23, 24, 26 Nov. 14 Deccmb. 1615.

III Deel. 2 Stuk, 75

ocr page 451

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1616. groole wijdloopigheid, tijdverlies en onkosten Ie vermijden. Ma.urits van Hessen was
van dit denkbeeld niet afkeerig. In allen gevalle kon de Hertog tusschen de Over-
lundsche en deze engere Unie eene keuze doen, en hij beloofde zich hierop nader te
zullen verklaren. Onze Afgevaardigden scheidden niet geheel van het Brunswijksche
Hof zonder zelfs nog den trots der Hertoginne-raoeder eene dienst te hebben gedaan.
Bij hunne terugkomst uit
WolfenhuUel te Brunswijk wisten zij eenige van de norsche
stedelingen over te halen om hunnen Hertog een beleefdheidsbezoek te gaan brengen,
en werd door hunne tusschenkomst door die van
Brunswijk met de Gezanten der Hanse
een dag bepaald, waarop de huldiging van den Hertog zou plaats hebben. Om dit
gedaan te krijgen had de Hertogin-weduwe zich niet ontzien de Nederlandsche Afgevaar-
digden lot een vertrouwelijk onderhoud terug te laten roepen. Gaarne gunden dezen
het uiterlijk vertoon eener magt, waarvan geen misbruik meer zou gemaakt worden.
Bij voortduring deelden daarna de Staten in het vertrouwen van de stedelingen en van
den Hertog van
Brunswijk beiden. In April toch van ditzelfde jaar noodigde zoowel
deze als genen hen uit om Gezanten te zenden, ten einde behulpzaam te zijn bij de
schikking van hetgeen er nog tusschen hen te regelen overbleef ^
ümlerhaudc- öoch wegens de bemoeijingcn ter redding van Brunswijk waren de onderhandelin-
Haïïestcdcn sluiten van verdragen, liefst met het gansche ligchaam der Hanse, niet

voorbijgezien. Ter aanbeveling van eene alliantie met de Staten-Generaal wisten de
Nederlandsche Gezanten op den Hansedag de moeijclijkheid te doen gelden, waarin
Brunswijk zich thans bevonden had. Ware er reeds een verbond gesloten en geratifi-
ceerd geweest, zoo zouden de Staten krachtens het verdrag verpligt geweest zijn hulp te
zenden, hetgeen thans, zulks erkenden zij zeiven, niet zonder groole opspraak geschieden
kon. Het was den Staten alleen om de grootheid van het Hanseverbond te doen: sloot zich
dit lot eene krachtige eenheid zamen, zoo zou het de Republiek te gereeder tot eene
alliantie vinden: slechts bij gebrek van beter ging zij lot afzonderlijke verbonden met enkele
steden over. Zoo spraken onze Gezanten; doch het ontbrak het ligchaam der Hanse aan
genoegzame kracht om de uiteengevallen deelen te hereenigen. Nog den Oclober,

/

nadat de handelingen weken achtereen niet zonder ruggespraak met de lastgevers waren
voortgezet, kwamen de Gezanten der steden meer aan met »complimenten," dan met
afdoende besluiten. Voordat de Gezanten der Hansesteden, die tot het verdrag van
Slederhorch hadden medegewerkt, vertrokken, vermaanden hen onze Afgevaardigden
nog met den groolsten nadruk, nu zij dus in veiligheid en eer hersteld waren, naar
het voorbeeld der Vereenigde Provinciën een Verbond aan te gaan met eene soort van
Stalen-vergadering, een geregeld leger en eene staatskas door de evenredige bijdragen
der sleden gevoed. Met zulk eene staatsregeling Λ\as
Nederland tegen den magtigslen

1 Resol. Stat. Gen. 9, 28 April 1616.

ocr page 452

DES VADERLANDS. 079

monarch der wereld bestand geweest. »Voorts moglen zij gedenken, wat zij nog Tóór 161G.
veertig jaren zeiven geweest waren. Hen weder zoo sterk en beroemd te maken, daartoe
hadden de herhaalde trouwe vermaningen gestrekt, hun door de Stalen gedaan, die gewoon
waren aan alle kanten een oog in 't zeil te houden, en het oogmerk en de listige aan-
slagen der Papistische Ligue volkomen doorgrond hadden, en deswegens zeer betreurden, dat
eenige Evangelische Vorsten, hoezeer zij zich van de Roomsche bijgeloovigheden hadden
afgezonderd, niet beter op hun eigen sluk letteden en geneigd schenen om hel Hanse-
verbond te ontbinden, en hunne eigene geloofsgenooten, met welke zij hetzelfde gevaar
gemeen hadden, Ie onderdrukken." Van het voorstel, in deze toespraak begrepen,
zouden de vertegenwoordigers een punt van beschrijving legen den naasten Hansedag
maken. Doch nog den vorigen dag waren die zelfde vertegenwoordigers in een anderen
zin onder handen genomen. De keizerlijke commissarissen hadden hen bescheiden en
hun kenbaar gemaakt, dat de Keizer vernomen had, hoe onlangs Ie
Bremen, te Ilani-
burg
en op meer andere plaatsen door den invloed der Staten-Generaal over eene on-
behoorlijke verbindtenis gehandeld was, die zijne keizerlijke Majesteit en des Heiligen
Rijks hoogheid, waardigheid en jurisdictie ten naauwsten aanging en haar zoowel als
den Keurvorsten, Vorsten en Stenden des Rijks tot bijzondere schade en schande ver-
strekte. Wat er voorgevallen was moesten zij den Keizer bekennen cn alle verdere
besluiten opschorten. De Gezanten der Hanse verontschuldigden zich zoo goed mogelijk.
Hoe het zij, den β·^"" Januarij traden te
Briinswijk de Hansesteden Rostock, Straalsund, Verdragen met
Wismar, Grijpswald, Maagdenburg, Brunswijk, Lunenburg cn Anclam lot de allian-
tie toe, tusschen
Lubek en de Staten gesloten. Den 21'"=" Januarij sloot zich Hamburg,
den Bremen aan. Nog werd den 29'*"" met οπκιβτγααν van Brunswijk cn Lu-

nenburg, Bisschop van Minden, die zwarigheid maakte om tot de Overlandsche Evan-
gelische Unie toe te treden, een verbond van wederkeerige verdediging gesloten cn ge
leckend, en de Hertogen van
Pommeren, van Mecklenburg en van Holslein schenen
niet ongeneigd om lot dergelijke afzonderlijke traktaten over te gaan Bij al die ver-
dragen werd den Hansesleden niet alleen eene raadgevende, maar ook eene beslissende
slem in de gemeenschappelijke zaken vergund en voorloopig de
quota bepaald, door
elk in geval van oorlog te leveren. In het eind der maand Mei 1616 kwamen de
Gezanlen van de voornaamste Hansesleden te
^sllage aan, voornamelijk om de quoten
nader te bepalen. Toen verzochten zij allen vermindering van hel bedrag der som,
waartoe zij voorloopig waren aangeslagen. Met waardigheid beantwoordden de Slalen
deze cischen, die van bekrompenheid en zelfzucht getuigden; maar om hel geheele,
belangrijke werk der alliantie niet op het spel te zeiten, waren zij genoodzaakt inschik-
kelijkheid te gebruiken. Eindelijk kreeg het Verbond ten volle zijn beslag. Het werd

Zie boven aan{jehaald Rapport. Rcsol Stal. Gen. 13 Febr., 13 Junij 161Ö.

73

ocr page 453

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

Iß 16. voor 12 jaren gesloten. In de acte, daarvan opgemaakt, werd deze Unie voorgesteld
als de wederaanknooping van den ouden band tusschen de Oostelyke en de Westelijke,
dat is de Nederlandsche, Hansesteden: daar nu deze laatsten in zulke zaken onafschei-
lijk aan de Staten-Generaal verbonden waren, zoo had de onderhandeling van het
Traktaat noodwendig met de Staten-Generaal moeten geschieden. Aldus hield men de
eenmaal aangenomen houding behendig vol. Den 14*'®° Juny werd de alliantie gerati-
ficeerd en bezworen. Na deze plegtigheid gaf men elkander de hand, en wenschte elkander
geluk »met aanroeping van den naam des Heeren," dat Hij, »die een regtvaardig God
en vijand is van alle geweld en onregt," deze Unie, »tot geoorloofde verdediging tegen
geweld en onregt" ondernomen, heiligen en zegenen mögt tot Zyne eer en de ge-
meene Christenheid ten beste Ware het denkbeeld der Staten verwezenlijkt, uit
de alliantie der
Nederlanden met de Hanse ware eene Republiek van Noord-Europesche
Vereenigde Staten ontstaan, die eene belangrijke rol zou hebben kunnen spelen.
Doch verre van te herleven, zou de Hanse weldra geheel vervallen.

Niettemin beijverden zich de Stalen om in Noord-Westelijk Duiischland zich Bondge-
noolen te verschaffen in eene reeks van steden, die, reikende tot in
Pruisen en Pom-
meren
toe, zich aan Brandenburg zouden aansluiten om in het Noorden een muur te zijn
tegen
Spanje^ Oostenrijk en Polen, Sedert sigismond van Polen het hoofd gestoolen had
legen den verlevendigden nationalen zin der Russen, die zich in
biighael feodorowitgh
romanow
eenen afstammeling van rurik. tot Vorst gekozen hadden, konden de Neder-
landsche Staatslieden geruster zijn ten aanzien van de veiligheid der oostgrens van den
Noordeiyken schutsmuur in
Duiischland. Immers zou een nationale Vorst de onafhan-
kelijkheid zijns gebieds in de eerste plaats tegen
Polen te handhaven hebben en aan
dit laatste Rijk alzoo de gelegenheid om
Brandenburg te overvleugelen en van uit de
Finsche Golf
Zweden te bestoken, benomen wezen. Toch kwam de Republiek weldra
met
Moseovië in aanraking. De nieuwe Vorst moest bij zijn voortdurenden krijg met
den Koning van
Zweden^ wiens broeder kabel filips hem den troon betwistte, het
bondgenootschap van die Mogendheden zoeken, welke tegenover hem op een onpartydig
standpunt stonden, en wel bepaaldelyk van
Nederland en Frankrijk. In 1613 maakte
hij zijne verheffing bekend bij eenen brief aan
maürits, »Vrijheer Holland met

1 Resol Stat. Gen. 29 Octob., 20 Novemb., 29 Dcc. 1615. Lettres etc. du Chev. cahleton,
1, p. 53, 75. Resol Stat. Gen. 30, 31 Mei; 1, 2, 3, 4, 6, 8, 10, 13, 14, 16 Junij 1616.
De Staten wilden ook met daden toonen, dat zij den ouden band met dc Hanse niet verbroken
achtten. Immers toen er voorgesteld was, dat de Nederlandsche Hansesteden eenige tegemoet-
koming zouden geven voor de jaren, dat zij hare contributie aan de Hanse niet betaald hadden,
waren de Staten niet ongeneigd om daarvoor deze steden van de contributiën, die zij aan deze
Landen verschuldigd waren, te verschoonen
{Resol. Stat. Gen. 14 Junij 1616).

ocr page 454

DES VADERLANDS. iJ6ö

dank voor verleenden onderstand, en aanbieding van bescherming, aan den handel te X616,
verleenen. Toen zich in het voorjaar van 1614 Moscovische Gezanten, van Weenen
gekomen, te Hamburg bevonden, met het voornemen om ook ons land aan te doen,
kregen zy ten overvloede van wege de Staten-Generaal eene uitnoodiging om herwaarts
te komen. Voorzeker hadden zij, bekend met de naauwe betrekking, die er juist
toen tusschen ons en
Zweden vras aangegaan, deze aanmoediging wel noodig, en voor
ons, die toen reeds meer handel met
Moscovië dreven, dan alle andere natiën te
zamen, was eene nadere aansluiting aan den Heer van den uithoek der Oostzee eene
gewenschte zaak. Werkelijk kwamen de Moscovische Gezanten den 50"®" April Moscovische

^sllage aan. Zij waren vergezeld van eenen zekeren isAäc abrahamsz] massa, die zich
uit
Holland met der woon naar Moskou begeven had, een man, die zwanger ging
van het stoute plan om eenen doorvoerhandel door
Rusland naar Perzië in te
rigten, en gezind was daarvan de voordeelen aan de Nederlanders Ie verzekeren.
Zulk eenen tolk hadden die Gezanten Avel noodig. Zij waren beschroomd en hadden
aan alles gebrek. Op hun verzoek om bijstand in volk en geld kregen zij een uit-
wijkend antwoord en den raad om zich door de bevordering van den handel lot zelf-
verdediging in staat te stellen Kort daarna wendde zich de Zvveedsche Gezant lot
de Staten met klagten over de behandeling, die de Moscovieten zijnen Koning aandeden;
maar verzocht hen daarbij Afgezanten te willen benoemen om tegenwoordig te zijn bij
de onderhandeling, die er tusschen zijnen Vorst en dien van
Moscovië stond geopend
te worden. De Staten verklaarden zich hiertoe bereid, maar, voegden zij er bescheiden
bij, mits andere Mogendheden hetzelfde deden. Doch zoo spoedig zou het nog niet
tot vredesonderhandelingen komen. Meer dan een jaar later, nadat de Staten in het
geschenk van twee verbazend groote stukken geschut, op de Russen veroverd, de blijken
der vriendschap van den Koning van
Zweden ontvangen, en hem op hunne beurt, in
weerwil van Prins
maurits min gunstig advies, vergund hadden krijgslieden in ons Land
te werven 2, ontvingen zij, den SO'^^Julij 1615, zoowel van wege
Zweden als van wege
den Engelschen Agent in
Moscovië het verzoek om eenige Afgevaardigden te zenden,
ten einde mede over den vrede tusschen
Zweden en Rusland Ie handelen. Werd dit
verzoek gedaan op grond dat men van de bemoeijing der Stalen in deze zaak »wat
goeds verwachtte wegens het aanzien, waarin zy bij de Russen stonden;" de Staten
gaven er gaarne gehoor aan, in aanmerking nemende, » hoeveel dezen Landen aan het
tot stand komen van zulk een vredesverdrag gelegen was tot versterking van den Groot-
vorst tegen den Koning van
Polen ^ alsmede om daardoor de gunst en genegenheid

^ SCHELTEMA, Rusland en de Nederlanden, I, bl. 71—82, 102—110. Resol. Slat. Gen. 5, 30
April· 10, 12, 17 JuDij 1614.

2 Resol. Stat. Gen. 13 Octoh. 1614; 4 Mei 161£^.

ocr page 455

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1616. van den Grootvorst en den Koning van Zweden te meer te winnen, Ier bevordering
Gezantschap cn uitbreiding van den handel en de scheepvaart dezer Landen." ^ Tot het gezantschap
naar us an . benoemd brederode, Heer van Veenhiiizeii, bas en joaohimi, welke laatste

zich niet zonder redenen van verontschuldiging aan te voeren eindelijk liet overhalen.
In Augustus werd hunne instructie vastgesteld, en in het laatste dezer maand kregen zij
hun afscheid. Doch toen liep er een gerucht, dat de Keizer van
Rusland^ door zijne
onderdanen verlaten, de wijk genomen had naar
Tartarijë en, op de grenzen achter-
haald, naar
Moskon was gebragt. Werd dit gerucht bevestigd (dit onderrigt kregen
de Gezanten mede), zoo moesten zij zich tot het begroeten van den Koning van
Zweden bepalen en huiswaarts keeren Het gezantschap had echter voorlgang. Doch
Tweede Gezant- voordat de Afgevaardigden iels van belang uilgerigt konden hebben, kwam er hier te
Tand Gezant uit Rusland aan, met name gabrilowitgh goivderoff. Hij werd niet

alleen (volgens den eisch van het Moscovisch gebruik) van Texel afgehaald, maar
zelfs, toen hij onderweg ongesteld geworden was, ging Prins
maurits hem iol Haarlem
te gemoet. Hij had in last, van wege zijnen Keizer, de groetenis en gelukwenschingen,
hem door de Stalen gedaan, te beantwoorden; hen te verzoeken, den Koning van
Zweden niet langer te ondersteunen en hem, den Gezant, met zijnen Secretaris op
hunne reize naar
Frankrijk voort te helpen. Wel behoefde gabuilowitgii hulp en
voorlichting. Hij was onbekend niet alleen met de Fransche taal, maar met alle zaken
en personen, die hij in
Frankrijk zou aantreilen, cn zonder den bijstand van vertrouwde
personen, door de Staten ter zijner keuze gelaten, scheen hy de taak niet te durven
aanvaarden. Waarlijk dezen eersten stap op het veld der Europesche diplomatie mag
de Russische Regering wel gezegd worden aan de band van onze Staatslieden gedaan
te hebben. Niet alleen kreeg de Moscovische Gezant aanbevelingsbrieven der Stalen
aan alle Vorsten en Overheden, met welke hij in aanraking dacht te komen, roede,
maar men liet hem ook met schepen naar
Frankrijk brengen, die in de haven op
hem zouden mogen blijven wachten, totdat zyne zending zou zijn afgeloopen. In het
begin van het volgende jaar was de Gezant uit
FranhHjk hier te lande terug. Hij
herhaalde het verzoek om bijstand; doch de Staten verontschuldigden zich op grond,
dat zij hunne troepen in deze bedekte oorlog, gevaarlijker dan een openbare aanranding,
niet konden missen, en dan zwegen zij nog, zeiden zij, van de kosten, die hel behoud
van hetgeen men in
Indië, in Guinea en elders gewonnen had, en de bescherming
van onze visscheryen tegen wangunsligen, en van onzen handel legen de zeeroovers
vergde. »In de zaken te water" bestond de »principaalste magt dezer landen: op de

1 Reeds "m 1589 Avarcn de Staten op de voordeelcn {jewezcii, die de liandel met Rusland be-
loofde. Zie vBEUDE,
Inleid. 11, bl. 373—370.

•^llcsol Slat. Gen. 20, 27 Julijj 5, 11, 15, 21 Au^. 1615.

ocr page 456

DES VADERLANDS. iJ6ö

1616.

zée kwam het Toornamelijk aan." Voor het overige Avas men geneigd tot een verbond
met den Keizer, met wien zij doorgaans eene lijn trokken, »om de cliristelijke vrij-
heid tegen schijnheilige wreedheid en bloeddorstige godsdienstigheid te beschutten."
Door zulke verbonden moest hun Slaat in stand gehouden worden, »welken God Al-
magtig (waarvoor Hij eeuwig gedankt moest zijn) zoo veel zegen bewezen had, dut
niet weinig benaauwde lieden hun troost en toevlugt bij hen zochten en zich verk\vikt
en redelijk gerust vonden." Met een Slaatsch oorlogschip werd de Gezant met de zijnen
naar
Rusland teruggebragt. Massa ging weder mede, met een last om der Staten
brieven aan den Keizer te overhandigen en antwoord te verbeiden en terug te brengen

De taak der ter bemiddeling naar Rusland getrokken Gezanten was noch gemak- Weervaren der

, Nedcrlandschc

kelijk noch spoedig afgeloopen. Zij vonden de gemoederen der strijdvoerende partijen Gezanten in

weinig tot vrede gestemd. Gustaaf adolf zal het moeijelijk gevallen hebben zijne
plannen op
Rusland eerlijk op te geven, en de Russische onderhandelaars waren nog
te weinig beschaafd om rede te verslaan. Men voege hierbij de barbaarsche gehecht-
heid der laatslen aan weidsche Aziatische titels; hunne slaafsche afhankelijkheid van
hunnen lastbrief en van allerlei vormen; de afstand der hoofdstad, de moeijelijkheid,
die de laai opleverde, en ligtelijk zal men zich van de langdurigheid en de verdriete'
lijkheid der onderhandelingen een denkbeeld kunnen vormen. Doch het grievendst
voor de Nederlandsche Staatslieden was de houding van den Engelschen Gezant joim
MERRiGK. De Engelschen, die hunne natie in dezen tijd in het Buitenland tegenover
onze landgenoolen vertegenwoordigden, getuigden van de op twee gedachten hinkende
staatkunde van hunne toenmalige Regering.
Jagoeus zag zich aan de cene zijde tot
ontzag gedrongen door de mannelijke beradenheid van de Nederlandsche staatkunde, en
zich door zyn karakter van aanzienlijk Prolestanlsch Vorst de ware weg aangewezen;
maar aan de andere zijde liet hij zich door zijne ijdelheid en naijver verleiden en door
aangeknoopte of aan te knoopen familiebanden verstrikken. Geen wonder dus, dat,
terwijl zijne Gezanten en hij zelf onze landgenooten te
Hage uitbundig prezen,
Engelsche onderdanen in de Oost-Indische of de Noordsche Zeeën onze zeelieden be-
nadeelden en vervolgden waar zij konden, en de een of andere naijverige Engelsche
Agent in het Buitenland onze Afgevaardigden kwelde. Een Agent van de laatste soort
was deze
john merkigk. Het was alsof de Gezanten niet mede op zijne uitnoodiging
gekomen waren, zoo onheusch bejegende hij hen. Lang duurde hel eer zij in dezelfde
betrekking, als hij, erkend werden; de omstandigheid, dat
Engeland in ons Land nog
pandsteden in bezit had, gaf hem aanleiding tot allerlei hatelijke vragen, en gedu-
rende hun geheele verblijf verwaardigde hij hen nooit met een bezoek. Tot in het

^ Resol Slat. Gen. 14, 19, 22, 23, 26 Octob., 13 Novemb. 1015. 12 Jan.j 25 April; 2, 7,
12, 13 Hei; 2 Junij, 1616.
scueltema, t. a, pl. bi. 94—102.

ocr page 457

884 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1616.

kleingeestige loe toonde hij zich ijverzuchtig op den invloed, dien onze Staatslieden op
GUSTAAP ADOLF hadden, en, zelf op de hand der Russen, trachtte hij onze Gezanten
van partijdigheid voor de Zweden verdacht te maken, waar zg slechts standvastig
genoeg waren om zich evenmin door de beloften als door de onaangename
bejegening der Russen tot onbillijke inwilligingen te laten overhalen. Den 21"""
October waren zij te
Novogorod aangekomen, en acht maanden lang vertoefden zy op
het Russische grondgebied: in het onherbergzame in de afgrijselijkste ellende gedom-
pelde oord hadden zij zelfs met ziekte en lijfsgevaar te kampen, en niet eens konden
zij hun doel in allen deele bereiken. Nadat
higolaas van brederode, een der Edelen
uit hun gevolg, tot het gezigt van den
Czar te Moskou was toegelaten geweest en van
dezen Vorst een schrijven ontvangen had, vonden zy goed hunne taak als geëindigd te
beschouwen, en hoezeer de vrede nog niet tot stand gebragt was, verlieten zij het
land. De Britsche diplomaat, niet verkiezende de eer van den arbeid met de
Nederlandsche Gezanten te deelen, wist te bewerken, dat hunne namen in de
acle
niet vermeld werden. Niettemin hadden zij de voldoening door het opstellen van een
ontwerp van verdrag en het tot stand brengen van eenen sedert hernieuwden wapen-
stilstand niet weinig te hebben toegebragt tot den vrede, die twee jaren later te
Stokholm
gesloten werd. Ook werden hunne bemoeijingen dankbaar door den Koning van Zweden
erkend, die hen op hunne terugreize te Stokholm feestelijk ontving en met eerbewijzen
overlaadde ja, wat meer zegt, op hunne klagten wegens de belemmeringen, die
onze kooplieden nog altyd in
Zweden ondervonden, hen, zooveel hem slechts mogelijk
was, tevreden stelde. De voorregten van den adel in
Zweden en van sommige Zweed'
sehe zeesteden duldden geene volkomene handelsvrijheid 2,

Uitgestrekt, wy zagen het, was het veld, waarover onze Staatslieden de oogen gaan
lieten om den aarlsvyand van hun Vaderland tegenstanders te bezorgen en zichzelven
en hunne staatkunde punten van verdediging te verschaifen. Allerwegen poogden zg
toegang en vrgen doortogt voor hunnen handel te bekomen; maar toch trachtten zij
overdrijving te vermijden. Hunne waakzaamheid, het veelomvattende hunner bereke-
ningen was bij den vijand zoo goed bekend, dat hij hun zelfs plannen toedichtte, aan
De staten van gedacht te bebben. Reeds in het voorjaar van 1615

verstandhouding had tc Venetië het gerucht geloopen, dat de Staten de Turken tot het innemen van

met de Turken

verdaclit. Candia de behulpzame hand hadden willen bieden. Hoezeer dit toen was weersproken,

liep er later een dergelijk gerucht. In de maand Augustus, namelyk, van het jaar 161 o,

1 veenhüisen werd vereerd met den titel van Vrijheer van Wescnberg; das werd tot Ridder
geslagen en met zijne nakomelingen tot den adelstand verheven, en
joachimis wapen met eenige
versierselen vermeerderd.

2 vueede, Nederl. en Zweden ^ II, bl. J52—172. scheltema, bl. 82—Θ4

ocr page 458

DES VADERLANDS. iJ6ö

ontvingen de Staten een brief van hunnen Agent brederode te Heidelberg^ waarin hun i016.
berigt werd, hoe eerst aan het Keizerlijke Hof en daarna ook aan andere Hoven zoo van
Evangelische als van Katholieke Vorsten verhaald was, dat Hun Hoogmogenden den Grooien
Heer door middel van brieven hadden willen opruijen legen het Heilige Roomsche Rijk;
dit kon, voegde men er bg, met de stukken bewezen worden, en de Turksche Gezan-
ten, die met den Bisschop
khlesel te Weenen over den vrede hadden gehandeld, had-
den zulks op uitdrukkelijk bevel van den Sultan aan Zyne Keizerlijke Majesteit bekend
gemaakt. De Staten besloten hierop aan hunnen zaakgelastigde te
Consianiinopel, haga,
te schryven, opdat deze de valschheid van dit berigt daar waar hel behoorde, aan den
dag zou brengen Inderdaad, al hield
haga zich niet met zulk eene sluwe staat-
kunde op, hg had te
Conslantinupel genoeg te doen met het behartigen onzer handels-
belangen in de
Levant en het schaffen van raad, waar de een of andere Nederlandsche
Consul in het Turksche Ryk in zijne waardigheid moest gehandhaafd worden en
bovendien maakte hy het zich zeiven moegelijk genoeg met het aangaan van accoorden
met allerlei agenten, Joden, Italianen of Turken, die naar
Algiers of Tunis togen om
Nederlanders uit de slavernij los Ie koopen. Zulke agenten kwamen dan, na min of
meer goed geslaagd te zijn, in ons vaderland aan en braglen sommen in rekening,
waarvan de deugdelijkheid moeijelgk was na te gaan, en in allen gevalle zoo hoog,
dat de Staten zich genoopt vonden
haga herhaaldelijk aan te schrijven, hen niet op
zulke ontzetlende kosten te jagen, en verder geene aanleiding te geven tot de aankomst
van vreemdelingen, die men hoe eer hoe liever weder kwijt was, en echter zonder
het betalen van de kosten der terugreis niet kwijt raken kon.

Onthielden zich de Staten van inmenging in de oorlogen, door de Turken gevoerd, Herhaalde ver-

zoeken van den

zelfs den Hertog van Savoye ontzagen zij zich bijstand te verleenen, hoezeer hij hen Hertog van Sa-
er meermalen om smeekte, en de versterking van dezen tegenstander van Spanje in ten bijstand.
Zuidelgk Europa den aartsvijand van Nederland afbreuk doen kon en hem nopen
moest om eene legermagt ver van onze gewesten te onderhouden. Doch de Stalen
vreesden, door Ie veel te ondernemen, gevaar te loopen veel te verliezen, en raadzaam
scheen het hun niet,
Spanje tot verdeeling zijner magt te nopen door zeiven de hunne
te splitsen en op een werkelijk bedreigd punt te verzwakken,
Karel emanuel. Hertog
van
Savoye, streed met Ferdinand, Hertog van Mantua, over het hezii san Moniferrat,
waarop hg aanspraak maakte op grond van de regten zijner dochter. Spanje nam de

^ Resol. Stat. Gen. 5 Junij, 1Ö13. 27 Aug. 1615.

2 Den Hoofd-Consul cornelis pauw, te Aleppo, hielden de Staten trachtig de hand boven het
hoofd tegen de tegenwerkingen, die hij zelfs van landgenooten ondervond. Wie zich tegen zijn
gezag verzette, zou op eigen kosten in ijzeren boeijcn herwaarts gevoerd worden.
Resol. Stat. Gen.
17 Fehr. 1616.

74

III Deel. 2 Stuk.

ocr page 459

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1616. gelegenheid te baat om te trachten, onder voorwendsel van hulpbetoon aan de zwakste
der twee partijen, zijnen verloren invloed en raagt in
Itali'e te herwinnen. In het einde
van het jaar 1614 zond de Hertog van
Savoye den Graaf johan vak sassau, die in
zijn leger diende, naar'ä/ict^e, met het verzoek om ondersteuning in geld of krijgsvolk.
Eene maand later (den Januarij 1615), toen de adviezen der Provinciën waren inge-
wonnen, werd aan
oldenbarnevelt dc taak opgedragen om dit verzoek te beantwoorden.
Zijn antwoord strekte om den Hertog te doen begrypen, dat, terwijl de Staten zich tegen
den gemeenschappelijken vijand zoo goed kwelen, als zij deden door zulk een aanzien-
lijk Spaansch leger aan hunne grenzen bezig te houden, van hen niet verwacht kon
worden, dat zij hem dadelijk hulp zouden verleenen, »hoezeer zij zeer wel in aan-
merking namen, hoe schadelijk de Spaansche heerschzucht was in het algemeen voor
de Christenheid en in het bijzonder voor alle Koningen, Vorsten en Republieken , die
hunne aloude vryheden naar regt en pligt wilden handhaven." »Wij houden," dus
schreef de Advokaat verder, »wij houden hel voor eene staatsmaxime, dat een iegelijk
zich met alle krachten beijveren moet om die heerschzucht te keer te gaan, daar dit
het ware middel is om de Christenheid in vrede en rust te houden." Dus zouden zij,
zoodra zij van het vijandelijk leger op hunne eigene grenzen verlost waren, niet in ge-
breke blijven hem bij te slaan, door in vereeniging met zijne andere bondgenoolen
de Spaansche heerschzucht ook in het bereiken harer bedoelingen tegen zijn gebied te
bestrijden. In de maand April van hel zelfde jaar verscheen
johan van wassau op
nieuw in de vergadering der Stalen. De Spanjaarden bedreigden zijnen Herlog al
meer en meer. De Koning van
Grool-Britanni'é hd^A reeds onderstandsgelden toegestaan:
thans werden de Stalen dringend verzocht, dit voorbeeld te volgen: hoe feller tegen-
stand
Spanje in Savoye vond, des te beter kon men hier enkele troepen missen. Kort-
om , de Hertog wenschte een verdrag met de Stalen aan te gaan, waarbij hem hunne
ondersleuning verzekerd werd. Nog voordat op dit herhaald verzoek geantwoord was,
werd joiiAN
van nassau in allerijl naar Savoye opontboden, vermits het Spaansche leger
zich gereed maakte om tot een inval in 's Hertogs gebied over te gaan. Dus verzocht
hij een kort besluit op zijn verzoek. Doch ook dit maal meende men zich te mogen
verontschuldigen. Niellemin hield de Herlog het vriendschappelijk verkeer met de
Stalen levendig. Hij zond hun berigten van den staat zijner zaken, en den Junij
verscheen een nieuw Gezant,
emanuel philibert goveano , van zijnentwege, om te
melden, dat hij werd aangespoord om met den vijand in onderhandehng te treden.
Echter wilde hy den vrede niet sluiten zonder zijne geallieerden in deze zaak te ken-
nen. Rieden de Stalen hem tot vrede, zoo moglen zij hem insluiten in de traktaten,
die zij aangaan zouden; rieden zij hem oorlog aan, zoo wenschte hij van hen met
soldalen en krijgsbehoeften ondersteund te worden. — Voor alle antwoord gedroegen
zich de Slalen aan hunne vroegere schriftelijken adviezen. — Weldra werd de vrede

F

ft

ocr page 460

DES VADERLANDS. Î¯Î¯71

tusschen Spanje en Savoije te Asii geleekend ^, mede onder bemiddeling van den 16I6.
Engelschen Gezant te Venetië^ dudley carleton. Uit een schrijven van dezen diplomaat
aan een' zijner landgenooten te
Parijs blijkt, dat men in de Nederlanden met dezen
vrede niet gediend was \ Geen wonder, want hoe meer
Spanje werd bezig gehouden,
des te voordeeliger voor onze Republiek.

Doch bij al die betrekkingen en bemoeijingen met groote en verre landen konden Betrekkingea
de Staten het naburige Emhden niet vergelen, want bij zijne onophoudelijke inwendige
twisten vergat
Ooslvriesland de Staten niet, wier tusschenkomst het gedurig behoefde
en begeerde. De Graaf, ontevreden dat zijne onderdanen door het voorbeeld en den
bijstand der Nederlanders tegen hem gestyfd werden, zocht zich door beroep op den
Keizer en den Rijksdag in zijn gezag te herstellen en stond bloot aan de inblazingen
van de Aartshertogen, ja ging zoo ver van hulp van
Polen aan te nemen, en dwang-
maatregelen van de Koningen van
Denemarken en Spanje tegen zijne eigene onderda-
nen , de inwoners van
Emhden, in te roepen. Alzoo gebeurde hier in het klein, wat
elders in het groot plaats greep, en de Stalen konden zich aangaande den geest des
Graven niet vergissen. Vandaar dat zij met gezantschappen en krijgsvolk tusschen
beiden kwamen. Graaf
enno, ondervonden hebbende, dat de Keizer slechts klaagde
en dreigde, terwijl de Staten handelden, had eindelijk ingezien, waar hij zich aan-
melden moest om de zaken in zyn Graafschap ten minste tot eene dragelijke orde ge-
bragt te zien. In 1605 had hij zich in persoon naar
^sGravenhage begeven, alwaar
die van
Emhden mede hunne gemagtigden gezonden hadden. Toen bewerkten de Staten
eene amnestie en stelden eenige punten vast, die de regten van den Graaf en die van
de Stenden van
Oostvriesland regelden. De Graaf had in deze regeling bewilligd, doch
in zijn Graafschap teruggekeerd, had hij uilvluglen gezocht. De overeenkomst was niet
bekrachtigd geworden, de haat en argwaan hadden voortgeduurd, de Slaatsche bezet-
ting was in de stad
Emhden gebleven ja in 1607 aanmerkelijk versterkt, zoodat
de burgers van
Emhden^ in geval van willekeurige maalregelen van des Graven zijde,
op de ondersteuning der Staten gerust konden zijn. Na eene felle botsing tusschen
eenig krijgsvolk uit
Emhden en de soldaten van den Graaf op het slot te Aurt/Cj waren
de partijen in het begin van het jaar 1610 weder te
^sHage verschenen, doch eerst in
de maand Mei 1611 kwam er door toedoen van zeven gemagtigden, door de Staten
naar
Oostvriesland gezonden, te Ooslerhuisen een verdrag tot stand, dat door den

Mm

^ Resol. Stat. Gen. 20 Decomb. 1614; 20, 21 Jan.; 3 April; 8, II, 25 Mei; 6, 8 Junij;
20 Julij 1615,

2 CARLETON, Lettres, Mémoir. et Négociat. Préf. hist. XI {la Haye et Leiden 1759).

3 WAGENAAR, IX, bl. 19—23, 123-128.

74*

ocr page 461

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1616. Graaf en de gemagligden van de Ridderschap, de Steden en den huismansstand ne--
Tcns de gecommilleerden van de Stalen-Generaal geteekend werd

Sedert het krachtig optreden der Slaatsche krijgsmagt in Gulik en Kleef en de nei-
ging der Hansesteden om in verbond met de Staten kracht te zoeken, moest de Graaf
van
Ooslvriesland begrijpen, dat de tijd om bij der Staten natuurlijke vijanden heul en
onderstand te vinden voorbij was. In de maand Augustus 1615 deed hij het aanbod om
met de Stalen een verbond te sluiten, op den voet van dat, hetwelk zij m^iLuhek ge-
sloten hadden. Deze opening werd te '5
Üage gunstig opgenomen en hier verlangde men
slechts, dat men het over het bedrag der, in geval van nood, door
Ooslvriesland te dra-
gen oorlogskosten eens mögt worden. Doch de inwendige toestand van het Graafschap was
op verre na nog niet zoodanig, dat er aan eenstemmige werking der magten van den
kleinen Staat te denken viel. In October verschenen te
'slJage Gecommitteerden van
de Piidderschap van
Oostvriesland om bij de Staten, aan wie de bijlegging der geschil-
len tusschen den Graaf en zijne Stenden was voorbehouden, legen den Graaf te klagen
als die de getroffen verdragen niet nakwam. Niet lang duurde het of de twee andere
Leden der Ooslvriesche Stenden kwamen te
^sHage legen dezen stap der Ridderschap
op. Zoo zagen de Staten zich, hoe ongaarne ook, weder geroepen als bemiddelaars op
te treden. In geval men het onderling niet eens kon worden (dus schreven zij aan den
Graaf), verwachtte men Gecommilleerden der partijen te
Ilage. Weldra namen de
onlusten nog toe. De Raad der stad
Embden lag met het kollegie van Veertigen over-
hoop , en ook hij verzocht de beslissing der Staten. Zoo moesten dezen zich dan weder
getroosten in het eind des jaars 1615 bij zoo veel gewigliger bemoeijingen nog de
twistende Ooslvriesche partijen te woord te staan, en, zoo goed het gaan wilde, een
vergelijk tusschen haar te treffen. Nog in het volgende jaar hielden de klagten aan van
de Ridderschap over den Graaf en van den Raad van
Emhden over hel Collegie der
Veertigen. De Graaf intusschen ontzag zich niet, door van de Stalen geld Ie leen te
vragen en aan te nemen, zich tot hun schuldenaar te maken

In bijna al onze onderhandelingen, wij zagen het, met de Aartshertogen, met
JBrunswijk^ met Zweden en Moseovië, stond Engeland ons ter zijde. Tot in hetgeen
wij met
Ooslvriesland gehandeld hadden toe, was Engeland mede werkzaam geweest.
In 1Ö99 ging
george gilpin, die wegens Engeland in den Raad van State zitting had,
met onze Gecommitteerden naar
Emhden mede; het verdrag van 1606 tot bijlegging
van de geschillen der in
Oostvriesland tvpistende partijen was ten overstaan van den
Engelschen Gezant wrwwooD te
^sIlage gesloten, en in 1615, toen Graaf etoo het

ï ΛνΑΟΕΝΔΑΒ, IX, bl. 19—23, 123—128, 310—312; X, bl. 52, 53.

2 Resol. Stat. Gen. 19 Aug.; 3, 7, 12, 19 Octob.j 24 Nov. en verder in het einde van
Docemb. 1615; 15 Jan.; 6, 11, 25 Febr. 1616.

ocr page 462

DES VADERLANDS. iJ6ö

aanbod gedaan had van een verdrag, met de Stalen te sluiten, beroemde jagobüs zich i6i6.
bij monde van zijnen buitengewonen Ambassadeur wotton, dat men dien stap des
Graven aan zijnen invloed te danken had. Immers, voegde hy er toen bij, »droeg hij
zorg voor den welstand dezer Landen, als voor den appel van zyn eigen oogen Deze
teederheid bewees, dat
Engeland en de Vereenigde Nederlanden dezelfde belangen ge-
meen hadden. De gemeenschappelyke vijand was nog te sterk, dan dal de beide Stalen
niet verbonden zouden zijn gebleven. Maar juist dit gemeenschappelijk streven naar
Nayver van

, , . , Engeland,

één doel, juist die ontmoeting op denzelfden weg der ontwikkeling moest menigmaal
strijd om voorrang of voordeel veroorzaken. Vandaar dat de afbakening van de gren-
zen der bevoegdheid, de regeling van de betrekkingen tusschen ons rolk en de Engel-
schen de gedurige zorg onzer Staatslieden zyn moesl; vandaar dat zy ons Vaderland zoo
los mogelijk moesten trachten te maken van eiken belemmerenden band, die het nog met
Engeland verbond, opdat alle voorwendsel tot aanmaliging van de zyde der Engelschen
weggenomen mögt worden. Met de betaling van de schuld aan
Engeland ging men vrij
geregeld voort, maar nog altijd was aan alle verpligtingen niet voldaan. Dat Rijk was bij
gevolg nog in het bezit van de zoogenaamde sleden van verzekering of pandsteden,
Drielle ^
met de daarby behoorende slerklen, en Vlissingen met de schans Rammekens. Boven-
dien als uitvloeisel hiervan had een Engelschman zitting in den Raad van Slale. Dit laatste
aandenken aan den nood, in den eersten tijd van ons vrij volksbestaan geleden, moest
worden uilgewischt; deze laatste der banden, die ons aan hen verbonden, wien wy ons
ontstaan voor een deel te danken hadden, moest worden afgesneden; en het was aan
OLDENBARNEYELT voorbchoudcn, zich ook hier den Staatsman te betoonen, die het meest
heeft loegebragt om onze Republiek een zelfstandig aanwezen te midden der Slaten
van
Europa te verschaffen. Doch voordat het zoo ver kwam, vereischten de gedurige
botsingen tusschen de Engelsche en de Nederlandsche zeevaarders en visschers in het
Oosten en het Noorden dadelijke voorziening. In de
Oost-Indi'én beschuldigden Engel-
schen en Nederlanders elkander van onedele middelen om elkanders handel te onder-
kruipen. Genen verlangden vrijen handel ook op die plaatsen, waar de onzen de in-
boorlingen hadden welen te verbinden, hunne specerijen uitsluitend aan ons te leveren.
Tegen dien eisch voerden de Nederlanders aan, dat, zoo de Engelschen geen behoorlijk
aandeel droegen in de kosten, die de verdediging van onzen handel tegen de sleeds
vijandelijke Spanjaarden vorderde, zij ook geen aanspraak hadden op gelijke balen.
Wel moglen de Hollanders zich op de opofferingen beroepen, die zij zich voor dc
Oost-Indische vaart getroostten. De Resolutiën der Stalen van deze jaren zijn vol van
maatregelen tot aanmoediging der Oost-Indische Compagnie. Telkens wanneer de Be-
windhebberen dezer Maatschappy de behoeften bloot leggen, die de slaat van oorlog in

Resol. Stat.-Gen. 26 Auff. 1615.

ocr page 463

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

161G. Indiê medebrengt, loonen de Staten de eer en het voordeel, door de Indische vaart
den lande aangebragt, volkomen te waarderen; zij pryzen de »mannelijke resolutie,"
die de ondernemingen onzer zeelieden kenmerkt, en hebben krediet, geld, schepen en
krijgsbehoeften over, ten einde »met Gods hulp" de gewonnen voordeden tegen het
geweld en de lagen van vijanden en benijders te handhaven en uit te breiden.

Ook in de Noordsche zeeën hadden er vyandelijke ontmoetingen tusschen Nederland-
sche en Engelsche schippers plaats gegrepen. De togten, ter opsporing van een zeeweg
benoorden
Azië naar China ondernomen hadden de onzen op het voordeel oplettend
gemaakt, dat er uit de walvischvangst in de Noordelijke
IJszee te behalen zyn zou.
Van de ontdekkingen, hier ten koste van velerlei lijden en teleurstellingen door hen
gedaan, meenden zij vrij de vruchten te mogen plukken. Doch wat gebeurt er? In 1615
werden hunne schepen, aldaar met de walvischvangst bezig, door Engelsche schepen
aangerand, de gemaakte buit hun ontnomen en eenige personen hunner bemanning ge-
vankelyk medegevoerd. Herhaaldelyk werd schadevergoeding verzocht, doch te vergeefs.
Intusschen had men het voornemen niet om het eenmaal begonnen werk te laten
. varen. Integendeel er vormde zich eene Noordsche Maatschappij, die den 27""" Januarij
1614 octrooi verwierf, ora tot het eind van het jaar 1616 »alleen te mogen handelen en
visschen, op de kusten en Landen van
Nova Zembla tot de straat Davis toe , met Spitsbergen,
bet Deren-Eiland, Groenland en de andere Eilanden hieromtrent daaronder begrepen 2."

Ten einde de geschillen tusschen onze en de Engelsche Oostindievaarders en Walvisch-
vaarders zoo mogelijk bij te leggen, en ons voor verderen overlast te vrijwaren, werd er

Gezantschap in de lente van 1613 een Gezantschap naar A^/i^e/aMc/afgevaardigd, bestaande uit de Heeren
van 1013 naar ^ , r. Î± , ^ i τ.

Engeland. reinier pauw, Oud-Burgemcestcr van Amslerdam^ jagob boreel, Oud-Burgemeester

\im Middelburg y dirk meerma]?^. Schepen en Raad y^m Delft, en hugo de groot, advo-

kaat-fiskaal der Staten van Holland, Deze laatste scheen en om de andere bedoelingen,

die men met dit Gezantschap beoogde, en om de welsprekende wijze, Avaarop hij in

zijn werk, de Zee Vrij ^ getiteld, de belangen voorgestaan had, die hier verdedigd

zouden worden, bijzonder geschikt Ie zijn om de hangende zaken tot een gewenscht

^ Bij voortduring werden, van tijd tot tijd en nog in liet voorjaar van 1615 scliepen met dit
doel uitgerust j doch in Let begin des jaars 1615 besloten de Staten van landswege geene kosten
meer daartoe aan te wenden: de prijs alleen op het vinden van de Noordpassage bleef uitgeloofd
{Resol. Stat.-Gen. 16 Jan., 2 April, 1615).

2 Later Averd dit octrooi meermalen vernieuwd tot in 1642 (wagkmaar X, bl. 68, 69).

3 3iare liberum, in 1609 uitgegeven. De denkbeelden in deze verhandeling vervat hadden
reeds de Gezanten bezield, die in 1610 de regten der haringvisschers in
Engeland bepleitten. Zie
Jiiervoor bladz. 387, en vergel.
vreede. Vrijheid v. haringvaart en visscherij, in nijhopfs Bijdr.
voor Vadert, gesch. en oiidheidk.
111. Ό, St. I. hl. 1, enz.

ocr page 464

DES VADERLANDS. b91

einde te brengen. Met zelfvoldoening gewaagde hij later van den goeden uitslag der 1616.

bij deze gelegenheid door hem aangewende pogingen Welligt dat de ingenomenheid

met zijne verschyning voor eenen Koning, die bijzonder bevoegd en geneigd moest

schynen om zyne verdiensten als geleerde en auteur te waarderen, hem verleidde om

wat hy toen in Engeland verrigt heeft, in een te gunstig daglicht te beschouwen

In allen gevalle werd de aanleiding tot misverstand en oneenigheid in geenen deelc,

zelfs niet voor een korten tijd, weggenomen. Ten minste kwamen er in Februarij 1615 Oudcrlianddm-

gen tusschen de

alweder Gecommitteerden yan de Bewindhebbers der Engelsche Oostindische Compagnie Engelsche en de
herwaarts over, om over de Oost-Indische zaken te handelen, en iiugo de groot werd handelscompag-
door de Staten-Generaal uitgenoodigd om de onderhandelingen by te wonen, omdat hij
in
Engeland »den aanvang dezer besogne gemaakt had." De Bewindhebbers der
Noordsche Maatschappij wenschten de gelegenheid der overkomst van de Engelsche
afgevaardigden te baat te nemen om de grieven, die de Noordvaarders hadden, zoo
mogelijk, uit den weg geruimd te zien; zelfs wenschten zij nog vóór de onderhande-
lingen over de Ooslindisclie zaken hunne belangen voor te dragen, omdat daarbij » meer
haast was," dan bij de laatste. Dezen wenscli wiUigden de Engelsche Gecommitteerden ■
echter niet in. Maar ook nu leidden de onderhandelingen over de in
Oost-Indië gerezen
moeijelijkheden geenszins tot den gewenschten uitslag. Het punt, waarop de onderhan-
dehngen afsprongen, betrof het beweren van de Nederlandsche zijde, » dat de zaken in
Oosl'Indië zoo waren gelegen, dat de handel aldaar, ten dienste van den lande, niet was
vol te houden, dan wanneer men er van landswege met de wapenen de hand aan hield."
Dus waren de Engelschen opgekomen tegen het ontzaggelijke magtsvertoon, waarop de Ne-
derlanders hun regt in
Indië grondden, voorzeker ten gevolge der ervaring, dat die magt
evenzeer hen, als de Spanjaarden , Portugezen en inlandsche Vorsten in bedwang hield, en
niet zonder de verwachting, dat zoo de Nederlanders zich eenigermate ontwapenden, zij
hen gemakkelijker zouden kunnen verdringen. Den April 1615 was de zaak zoo
ver gekomen, dat er geen vergelijk tusschen de Engelsche en de Nederlandsche onder-
handelaars mogelijk scheen. Niettemin ontveinsden de Staten zich toen nog de nood-
zakelijkheid, dat men gansch onverrigter zake uiteen moest gaan. Men zou de En-
gelsche Gedeputeerden nog niet laten vertrekken;
hügo de groot moest zich nog eens

^ In zijne Verantwoording ^ lloofdst. XIX.

- Dat iiugo de groot in Engeland de eigen heden van een geleerde niet wist af' te leggen, en
zijn toon bijgevolg stof gaf tot aanmerkingen, bewijst liet schrijven van den Aartsbisschop
abbot
aan wiiswood: «Bij zijn eerste ontmoeting met den Koning was hij (de groot) zoo ondragelijk ij del
(iedious) cn vol aaomatigenden omhaal in zijn spreken {tiille taltléy^ enz. 's Konings oordeel over
hem luidde, dat hij »een pedant was, vol woorden en zonder veel oordeel." Zie hij
vueede.
Inleid. 11, bl. 320.

ocr page 465

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1616. schijnbaar met een ander doel bij wotton (die aan de onderhandelingen deel genomen
had} vervoegen, of deze zich ook iets zou laten ontvallen, waaruit men aanleiding
kon nemen om de besogne te hervatten, en of men in onderhandeling zou kunnen
treden over de vaart en visschery in het Noorden. Dit laatste geschiedde, en aan
jo-
achimi
en de groot wcrd de taak opgedragen om het goed regt der Nederlanders bij
hunne vaart in de
IJszee, en de gegrondheid hunner klagten in het licht te stellen.
In een der stukken, ten dien einde voorzeker door
de groot gesteld, werd Zijne Ma-
jesteit van
Groot'Britannië verzocht in aanmerking te nemen, »dat deze Landen,
zijnde van zeer kleine uitgestrektheid, niet tegen de magt van hunne openbare of be-
dekte vijanden zouden kunnen bestaan noch hunnen vrienden van dienst zijn, ten ware
de zee vergoedde wat aan het land ontbrak." — Hoezeer
oldenbarwevelt zelf later nog
eene poging deed om het vertrek der Engelsche Gecommitteerden op te houden, was
echter weldra de onmogelijkheid om het eens te worden, niet meer te ontveinzen.
Men scheidde den Mei, evenwel met wederzydsche betuigingen van achting en wel-
willendheid. De Staten verklaarden bij deze gelegenheid nogmaals, dat zy nergens,
hetzij in de
Oost- of West-Indiën, hetzy in het Noorden, met koophandel of visscherij
iets uitsluitends voor zich verlangden, maar in allen deele met zyne Majesteit en zijne
Rijken opregte gemeenschap en vriendschap wenschten te houden. — Dat zij echter,
waar de Engelschen zich vijandig beloonden, niet gezind waren voor geweld te wijken,
bleek spoedig, daar op het berigt, dat de Engelsche Noordvaarders door twee oorlog-
schepen vergezeld zouden worden, onzen Gezant te
Londen aangeschreven werd zich te
beijveren, dat, zoo deze oorlogschepen geen tegenbevel kregen, zij zich ten minste
van vyandelgkheden zouden onthouden, daar de onzen in last hadden geweld met geweld
te keeren. Hun Hoog Mögenden, dit moest CAROjf bij deze gelegenheid het Engelsche
Hof te verslaan geven, waren van meening, dat de Spaanschc Ambassadeur en andere
Spaanschgezinde personen, alle doenlijke listen bedachten om tusschen de beide Staten
vijandschap te verwekken, ten einde daarmede hun voordeel te doen ^ Overeenkom-
stig die mededeeling verordenden de Staten, dat de schepen der Noordsche Maatschappy
voorlaan van geschut en krijgsbehoeften voorzien zouden zyn. In het jaar 1617 wer-
den de Noordvaarders werkelyk met de Engelschen handgemeen, zy overmeesterden een
Engelsch schip en bragten het herwaarts op. Doch terstond werd het op last der Sla-
ten vrij gegeven.

Ook Benemar- Niet alleen Engeland trachtte ons de walvischvangst te beletlen, maar ook de Koning
vn> ^^'walvisch-van Denemarken beweerde, dat die visehvangst in de Noorderkwartieren uilsluitend aan
vangst beletten, j^y^^^ onderzaten toekwam; de visscherij op de kust van Groenland, hoezeer hem mede
toekomende, zou hy aan andere natiën, mils zich bij hem van paspoort voorziende.

1 Resol Stat.-Gen, 9, 12, 14 Febr.j 8, 10, 15, 16, 27 Aprilj 1, 2, 4, 16 Mei, 1615.

ocr page 466

DES VADERLANDS. iJ6ö

kunnen toestaan. Deze Terklaring beantwoordden de Staten met de mededeeling, dat 1610.
meer dan duizend schepen uit Nederland ter -visscherij, onder anderen ook op de
walvischvangst, uitvoeren, en dat men hiermede niets strijdigs met iemands aloude reg-
ten meende te verriglen, maar veeleer op 's Konings bijstand meende te mogen reke-
nen. Niettemin nam de Koning van
Denemarken maatregelen om met geweld de me-
dedinging der Nederlanders te beletten; maar de onzen schroomden niet om de Noord-
vaarders in 1616 ook tegen
Denemarkens krijgsgeweld met een vijftal oorlogschepen te
beschermen Het geduld van
ghiustiaan wilden zij echter niet op eene Ie zware
proef stellen. Dus weigerden zij in het verzoek der Hansesteden te treden, en den
Koning tot herstel der grieven, waarover dezen klaagden, te vermanen. Zij mogten dit
weigeren in weerwil der gesloten alliantie, daar toch ook de Hansesleden bedongen
hadden, dat zij niet in de Guliksche oorlog getrokken zouden worden

Op goeden grond beweerden de Staten tegenover de Engelschen, hetgeen ook de Staatkuuie vaa

liet Bewiad tea

stelregel was van den sedert tot Gouverneur-Generaal benoemden jan pietersz. koek aanzien van do
dat zonder de wapenen de handel in Oosl-Indièn niet was te handhaven. Zij door-
grondden ten volle, welke hoedanigheden er in de mannen gevorderd werden, die toen
ter tyd aan het hoofd der zaken in
Oost-Indiën geplaatst werden. Toen in de maand
Mei 1615
gerkit reywst, in plaats van pieter βοτπ door de Bewindhebbers der
Compagnie lot Gouverneur en Admiraal-Generaal benoemd was, en de nieuw aange-
stelde Bewindsman in hunne vergadering was verschenen, om zich voor de diensten,
die hij ook aan het Land doen zou, billijk loon te bedingen, antwoordden zij hem;
»dat zij zeer gaarne verstaan hadden, dat men hem had gekozen, niet twijfelende,
naardien hij dezen last had aangenomen, of hij kende zich zeiven daartoe bekwaam en
]iad het voornemen om zijne taak met courage, eere, wijsheid en voorzigtigheid kloek-
moedig met Gods hulp uit te voeren lot dienst van het Land en de Compagnie, .
waartoe Hun Hoogmogenden hem met ernst vermaanden zich ten uiterste te beijveren,
en zijne eer te betrachten, en ten dien einde ten allen lijde voorziglige en prompte
resolutiën te willen nemen Zoo sprak men toen van Lands wege de Oost-Indische
ambtenaren aan, en" zij beschaamden over het algemeen 's lands vertrouwen niet. Het
M'as alsof het Bestand voor de
Oosl-Indiën niet bestond 6 ^ zoo veelvuldig waren aldaar

1 Rcsnl SlaL^Gen. 11, 13 April; 12, 27 Blei.; 2 Junij 1616.

2 ResoL Slat.-Gen 13, 14, 15 Junij 1616.

^ Zie Mr. l. c. d. v. dijk, Zes jaren uit het leven v. Wemmer v. Berchem, hl. 63.
^ BOTH verongelakte met twee van zijne drie schepen op de tcrugreize naar het Vaderland bij
het eiland
Mauritius {BesoL Stat.-Gen. 17 Sept. 1615).
5
Resol. Stat.-Gen. 11 Mei 1613.
Bij de hiervoor op bladz. 390 vermelde bijzonderheden aangaande de overbrenging van het

III Deel. 2 Stuk. 75

ocr page 467

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1016. de botsingen lusschen Nederlanders en Spanjaarden. De dienaren der Oost-Indische
Compagnie kregen wel het uitdrukkelijk verbod mede om de vyandelijkheden niet het
eerst te beginnen; maar in de overtuiging dat zulks maar al te noodzakelijk was,
werden hun voorschriften gegeven, hoe zij zich in geval zij werden aangerand, te ge-
dragen hadden, »gedenkende onzer Naties eere en reputatie te behouden, vermeerderen
en uit te breiden met alle eerlyke en geoorloofde middelen Aan sterke uitrus-
tingen ontbrak het dan ook niet. In Augustus
1614 zond de Oost-Indische Compagnie
JORIS VAN SPILBERGEN met
Vier schepen naar de Molukken. Hy moest de reis nemen
door de Straat van
Magellaan. Op de kusten van Chili en Peru kwam hij met de
Spanjaarden en Portugezen in aanraking en deed hun zooveel afbreuk als hij vermögt.
Nabij
Callao de Lima boorde hij, met eenige Spaansche gallioenen slaags geraakt, het
Admiraalschip in den grond, waarna de andere schepen de wijk namen. Na de Mo-
lukken bezocht te hebben, deed hij
Bantam aan, waar hij vernam, dat de Admiraal
STEVEN VAN DER HAGEN vier Spaausche schepen voor
Malakka verbrand had 2. In
Julij
1615 werden op het gerucht, dat de vloot, die rijk beladen uit hidië terugkeerde,
door den vijand beloerd werd, oorlogschepen uitgezonden, onder het bevel van dappere
vlootvoogden, onder anderen van den kapitein
Lambert Hendriks, gezegd mooije Lam-
bert
, den man die zich eenmaal niet ontzag een zeeroover tot in eene Engelsche
haven te achterhalen en te tuchtigen 3. Aan de Compagnie ontbraken de middelen niet.
Den
25""=" Mei 1615 werd besloten, voor de jaren 1615, 1616 en 1617 ter harer tege-
moetkoming, in plaats van 200,000 ponden, uit de convooijen der door hare schepen
in- en uitgevoerde goederen
500,000 ponden te betalen, mits men in dien tijd niet met
Spanje in openbare oorlog kwarae Ook had zij toen vijf en veertig groote schepen

hcrigt van het sluiten van het Bestand naar Oost-Indic, voejje men Λν3ΐ Mr. ι., c. d. van dijk
vermeldt in zijn, sedert uil gekomen, aangehaald geschrift: Zes jaren uit het leven van Wemmer
van Berchem,
hl. 1—4. Achter dit werk vindt men; Iets over onze vroegste betrekkingen met
Japan,
Avaarin men vollediger en juister berigten vindt, dan hiervoor (op hladz. 391) konden
medegedeeld -worden. Het in 1600 in
Japan aangelande schip heette, zoo als thans blijkt, niet
de Erasmus, maar de Hoop; ook zou het aan de vrijwillige goedheid van den Vorst van Firato
toe te schrijven zijn geweest, dat sommige Nederlanders Japan in 1605 verlieten en het herigt
van hun wedervaren met de verzekering, dat de Keizer vrijen handel in zijne Staten vergunde
aan
matelief overhragten (Zie het aangeh. werk, hl. 3, 11 en 12).

1 Instructie v. 27 Nov. 1609. vreede , Inleid. II. hl. 420. Zie ook de Resol. van de Zeventienen

i

van den 5 Sept. 1609, bij Mr. van dijk , Zes jaren uit het leven van Wemmerv, Berchem, hl. (^n 15.

- wagesaar, X, hl. 97, 98.
^ 3 iißsQi stat.-Gen. 17 Julij, 1615. j

Resol Stat.-Gen.

ocr page 468

DES VADERLANDS. 1590

in bezit, 10,000 man soldaten en bootsgezellen in dienst, en 4000 stukken geschuts 1616.
op hare schepen en op hare sterkten in
Indië ^ In 1617 gaf men het denkbeeld van
de mogelijkheid der inachtneming eens Bestands in
Indië geheel op, en de bevelhebbers
aldaar kregen bevel om te werk te gaan, alsof er ook in
Europa geen Bestand ge-
teekend was. Van toen aan werd zonder dat men zich eenigzins om Spanjaarden,
Portugezen, Engelschen of welke Europeanen ook, bekreunde, de stoutste staatkunde
in
Oosl-Indië voortgezet. Men nestelde zich overal door partij te trekken van de
zwakheid, de deugden, de ondeugden en de oneenigheden der inlandsche Vorsten
en volken; door, als ware men daartoe van regtswege geroepen, kantoren aan te
leggen en kasteelen te bouwen, en zoo men vermaand of gedreigd werd te vertrekken,
stoutweg te antwoorden, dat men niet van zins was henen te gaan, ja veeleer nog
een tweede kasteel bij het eerste zou bouwen. Wat men in
Indië bemagtigd had en
verder bemagtigde, beschouwde men sedert als op den vijand in wettig verklaarden
kryg veroverd land, waarop geen andere Europesche natie eenig regt had te doen gel-
den , en terwijl men in
Europa vryheid van zeehandel vorderde als op het volkenregt
steunende, en zich op de vrijdommen, die vreemde handelaars in onze havens genoten,
beriep handhaafde men in Indië een onverbiddelyken alleenhandel.

Zoo vele oorlogs- en handelsposten, zoo vele verspreide deelen van een magtig Rijk 3,
vereischten een middelpunt, vanwaar eenheid van handeling kon uitgaan, en waar alles
kon bijeengebragt en opgelegd worden wat uit het moederland voor
Indië en uit Indië
voor het moederland bestemd was. Reeds in 1610 was p. botu overeenkomstig de hem stidiling van
gegeven instructie van 27 Nov. 1609 bedacht geweest op het vestigen van een generaal
kantoor
te Jacatra aangezien Bantam daartoe geene geschikte gelegenheid aanbood.
Doch bepaaldelijk in 1617 hadden de Bewindhebbers der Compagnie haren hoofdbe-
ambten in
Indië gelast van den Koning van Jacatra op Java of van eenen anderen
Vorst op dit eiland een stuk gronds te koopen ter stichting eener stad en sterkte, die

^ WAGENAAR, X, bl. 97.

2 Zie VREEDE, Inleid. II. 423. In Frankrijk wilden zich de Nederlanders voltoinen gelijk met
de Fransche ingezetenen zeiven beschouwd zien. ïegen eenige belemmerende maatregelen, ia
1615 in eenige Noord-Fransche havens ondervonden, voerden zij onder anderen aan, dat zij
)>verklaard, aangenomen en erkend waren voor
regnieoles en genaturaliseerden in Frankrijk." Zie
liesol. Stat.-Gen. 28 Julij, en 27 Aug. 1615. Hier zijn, zoo het schijnt, de voorregten bedoeld,
die aan de Nederlanders in
Frankrijk verleend waren in de hoop van reedcrs en schippers der-
waarts te lokken en
Frankrijk alzoo in de voordeelen der Oostindievaart te doen deelen.

^ In hunnen brief aan den Grootvorst van Moscovië noemen zich de Stalen Bezitters van vele
Hij ken en Landen in de Oost-Indiën. Besol Stat.-Gen.
26 Oct. 1615.

^ VAN DIJK t. a. pl. bl. 10.

kü4i

75*

ocr page 469

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1616. men Batavia zou noemen. Jan γιετεκβζοον koen, die in 1618 lot Gouverneur-Gene-
raal over Nederlandsch
Indië was aangesteld, trachtte dit het eerst ten uitvoer te bren-
gen. Hij trad met den Koning van
Jacatra in onderhandeling over den afstand van
een stuk lands. Doch daar hij intusschen aanleiding vond om dezen Vorst van ver-
standhouding met de
Bantamniers en de Engelschen en van vijandelijke voornemens te
verdenken, begon hij de woning der Compagnie te
Jacalra te versterken. Dit gaf
aanleiding lot tegenmaatregelen van den anderen kant: de stad
Jacatra werd insgelijks
in slaat van tegenweer gesteld, en de versterkte woning der Nederlanders met schansen
omsloten, op welke Engelseh geschut geplant werd. Op het berigt van vijandelijkhe'
den, elders in
Indiê door de Engelschen gepleegd, meende koen hen hier niet te behoeven
te ontzien, en vernielde de schansen, die hem bedreigden. Doch er kwam tijding
dat er eene Engelsche vloot naderde. Met zeven schepen ging
koen den Decem-

ber 1618 deze scheepsmagt te gemoet, pieter va.n den broeke als bevelhebber in de
nieuwe sterkte Ie
Jacalra achterlatende. De overmagt der Engelschen op zee drong den Gou-
verneur naar
Amboina te wijken en in geruimen lijd te Jacalra niels van zich te laten
hooren. Hier werden de onzen door de Javanen te land en door de Engelschen te wa-
ter zoozeer bestookt, dat zij lot een verdrag moesten komen, waarbij den Koning van
Jacalra eene som van 6000 Ryksdaalders toegestaan, en het slaken der verdere ver-
sterking van de woning der Compagnie beloofd werd. Doch het verdrag was onzer
tegenpartij slechts een middel lot verraad.
Van den broeke, bij den Koning van
Jacalra ter maaltijd genoodigd, wordt in boeijen geslagen, en de Hollanders door tus-
schenkomst der Engelschen overgehaald, de vesting over te geven. Voordat het ech-
ter hiertoe kwam, werd
Jacalra door de Banlammers overvallen, die den Koning ver-
jaagden en
van den broeke en eenige andere gevangenen naar Bantam voerden. In-
tusschen bleef de versterkte woning in handen der onzen , wien het echter geraden
was, zich onder bescherming van den Koning van
Bantam te begeven. Doch men
kon het omtrent de voorwaarden niet eens worden, en reeds was het op nieuw van
wederzijde tot vijandelijkheden gekomen, toen
koen met eene raagt van achttien sche-
pen kwam opdagen, de Engelsche vloot dwong af te deinzen en de stad overrompelde.
Hij nam haar den 50''®" Mei 1619 in naam der Oost-Indische Compagnie in bezit, en
zij werd met den reeds vooraf gekozen naam
Batavia gedoopt ^

mm

De uitbreiding van de magt en den handel der Nederlanders in de Oost-Indiën stond
met den tegen
Spanje gevoerden oorlog in verband. Krachtens het regt van zelfverde-

' Koe:» zelf wilde haar eerst dezen naam niet (reven, daar hij zonder zijne kennis vóór zijne
terugkomst door de moedige bezetting aan de versterkte woning gegeven was. Doch Yoor een be-
vel, in
1021 uit het Moederland gekomen, moest deze onwil Λvijken. Zie de Schrijvers aange-
haald door WAGENAAU X, bl. 395—399.

ocr page 470

DES VADERLANDS. iJ6ö

diging bemagtigde men aldaar de beziltingen van Portugezen en Spanjaarden, en 1616.
handhaafde zijne
Teroveriogen legen alle natiën der wereld: immers meende men ze
niet te mogen opgeven, wilde men de stelling niet Terliezen, die men, ook in het Yoor-
deel zijner bondgenooten, in Europa had ingenomen, en de zaak handhaven, in
wier dienst men het Vaderland stelde, en om wier wil men achtte dat de
Neder-
landen
als zelfstandige Staat bestonden. Deze beschouwing bragt mede, dat men ook
den vrienden, aan wier hulp men veel verschuldigd was, alle deel aan het regt
van eigendom op hetgeen men in
Indië veroverd had, trachtte te onthouden. Of
ruimt men ook, al is het aan bondgenooten,
een gewest in, dat men op eigen kos-
ten heeft ingenomen en waarvan men nu do vruchten geniet? Vandaar de tegenstand
der
onzen tegen alle pogingen, reeds gedurende het leven van Hendrik IV aangewend,
om Fransche onderdanen in de baten der Indische vaart tc doen deelen. Maar was de ves-
tiging in
Oost-lndië eene noodzakelijke krijgskundige handeling met een hoog staatkun-
dig doel, dan bragt de aard der zaak mede, dat men, hetgeen men in de
Oosl-Indiën
verrigtte, niet op een ander gebied mögt toepassen. Immers krijgsoperatiën, builen
noodzaak vermenigvuldigd, ontaarden in eerzuchtige veroveringen. In de oogen der
wereld, en dat niet alleen bij vijanden, zou ons volk de blaam van onlijdeiijke ver-
overingszucht , die wij zelfs nu noode ontgingen, op zich geladen hebben, zoo men
zich niet bij de veroveringen in de
Oost-Indien bepaald had, en ook in de Wesl-
indien Spanje
was gaan bestoken en gewapenderhand handelsbetrekkingen was gaan
aanknoopen. Wilde men zonder schijn van reden aan alles stout de handen slaan,
met eiken gevesligden reglsloestand ten eenen male breken, zich voor goed den pas
afsnyden om als een binnen wettige grenzen beperkt lid van de maatschappij der
volken Ie worden opgenomen, zoo kon men in
Amerika wenschen aan te vangen, wat
men in
Azië aanvankelijk met goed gevolg uitvoerde. Maar had men, bij den moed
om voor de eischen van den oorlog niet terug te deinzen, besef van regt en eerbied
voor staalkundige orde, dan moest men het er voor houden, dat aan de bedrijvigheid
<ler natie in de
Oosl-Indi'ên eenmaal eene genoegzame speelruimte , aan hare stoiTelijke be-
hoeften aldaar een genoegzaam rijke bron was geopend. En ook zonder al die bedenkingen
van staatkundigen aard kon het
raadzaam schynen liever alle krachten op éiin punt tc
verzamelen, dan zich door te veel te omvatten in gevaar te brengen van alles te verbeuren.

Deze uiteenzetting zal genoegzaam zyn om tc doen begrijpen, dat het streven naar oldenbakne-

de oprigling eener West-Indische Compagnie mede van denzelfden kant moest komen,

vanwaar de tegenstand legen het sluiten van het Bestand gekomen was; en eensdeels eener Wcst-
, _ indischoCompag-

ic doen besefTen, dat oldewbarnevelt, zoodra er uitzigt >vas op vrede, tegen dat nie.

•;

ί
?

i

slreven moest zijn ingenomen anderdeels dezen zijnen weerzin, als het gevolg

Verhooren, N» 101 (bl. 75J. De {jroote voorslandcrs van dc oprigting ccncr Wcst-Indisclic

ocr page 471

1593 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1()16. eener bij alle stoutheid bezadigde staatkunde, volkomen te regtvaardigen In de
najaaarsvergadering der Staten van
Holland, ten jare 1614, maakte de oprigting eener
»generale West-Indische Compagnie" een der punten van beschrijving uit. Doch toen
ook werd deze zaak »in nader bedenken gehouden en uitgesteld." De tegenstand kwam
voornamelijk eensdeels van de zijde der Oost-Indische Compagnie, anderdeels van die
der kooplieden, welke handel dreven op de kust van
Guinea: deze handel zou onder
het octrooi der algemeene Westindische Maatschappij vervat zijn geworden, en nu
vreesden zij die de vaart op
Guinea dreven, dat de oprigting der nieuwe Compagnie een
voorwendsel kon worden om hun de genoten voordeden voor een deel te doen verlie-
zen, en ze niet ten volle terug te doen erlangen, wanneer soms de Westindische ülaat-
schappij niet aan de verwachting mögt beantwoorden Zoo bleef de oprigting uitgesteld
lot na OLDENBARWEVELTS val.

Maar hetzelfde staatkundige plan, dezelfde staatkundige beginselen, die hem tegenover
de drijvers der Westindische Compagnie op onthouding en matiging bedacht deden zijn,
gaven hem den vereischten moed om tot handhaving van ons gezag in de
Oost-Indiên
ook tegenover de Engelschen alle krachten aan te wenden.

Doch hoe was, wi] herhalen het hier, de noodige vrijheid van spreken en handelen
tegenover
Engeland mogelijk, zoolang de Koning van dit Ryk nog steden op ons eigen
grondgebied bezet hield, als panden eener nog niet gekweten verpligting, steden, over
Avelke hij naar willekeur beschikken, die hij, de zwakke Vorst, des noods aan onzen
aartsvijand, met wien hij zich in de innigste onderhandelingen inliet, overleveren kon?

Lossing der Reeds vóór het sluiten van het Bestand hadden de Staten vurig verlangd zich door
pandsteden. ^^^ afkoop der pandsteden »uit de handen en de banden hunner lastige vrienden

te verlossen 3." Hoeveel te meer dan thans, nu men Engeland minder noodig had,
/

Compagnie waren de Predikant planciüs en de Pensionaris francken, en in de Provincie Zeeland,
die jaar op jaar, door ten spijt van den invloed van Prins maukits de op hare rekenin^j gebraste
sommen te Aveigeren, het handhaven van den Staat van oorlog en de staatkunde van
oldendabne-
velt
in de waagscliaal stelde, in deze Provincie, zeg ik, was men zoo gesteld op die oprigting, dat
toen men in Mei 1615 de subventie aan de Oost-Indische Compagnie verhoogde, de Gecommit-
teerden uit
Zeeland er ernstig op aandrongen, »dat van gelijken geresolveerd zou worden op den
voortgang van de VVest-lndisclie Compagnie"
[JXesol. Stat. Gen. 25 Mei, 1615).

^ Over de eerste pogingen ter oprigting eener West-Indische Maatschappij, zie hiervoor
bl. 277—280.

2 Hesol. v. Holl. 1614, bl. 103—107.

3 Jeannin, II, p. 96. Werkelijk hield caron nog tijdens het verblijf van wiswood te 'sllage
bij den Koning aan op de uitlevering der pandsteden tegen billijke voorwaarden. Toen echter
vond hij geen gehoor (
Carleton, Lettres etc. I, p. 57).

lÜ

ocr page 472

DES VADERLANDS. iJ6ö

ja meer belemmering dan steun bij hetzelve vond. Maar om lot het gewenschte doel te I6I6,
geraken, moest het geld gevonden worden, dat ons land nog aan Engeland schuldig was.
Gelukkig kwam de Koning van
Engeland zelf ons ter halverwege legen. De weinige
toegenegenheid, die zijne bedrijven en zijn karakter bij zijne onderdanen opwekten, bragt
te weeg, dat hij bij zijne Parlementen geene geldelijke ondersteuning vond, en van
den anderen kant verslond de dwaze mildheid, waarmede hij zijne gunsten aan on-
waardigen uitdeelde, belangrijke sommen. Dus moest hij, het kostte wat het wilde,
aan geld trachten te komen. Dit kon te
's Ilage geen geheim zijn, en deed de hoop
ontstaan, dat men den Koning, zoo hij geraden werd voor de lossing der pandsteden
geld te begeren, door bet aanbod van de dadelijke betaling eener niet onbelangrijke som
tot de inwilliging van hetgeen men verlangde zou kunnen overhalen. Zoo de Koning
al eenig waar besef van het onschatbaar staalkundig gewigt van het bezit dier vestin-
gen op Nederlandsch grondgebied hebben mögt, een geschikt middel om hem voor de
lasten de baten uil het oog te doen verliezen, was hierin gelegen, dal de bezettingen
sich met klagten over achterstallige bezoldiging tot hem wendden. Dit geschiedde in
het najaar van 1615. In het begin van de maand December gewaagde de Nederland-
sehe Gezant te
Londen in een brief van zeker voorstel aangaande de steden van ver-
zekering, een blijk, dat hij de zaak aanvankelijk tot de vereischte hoogte had welen
te brengen, en
oldenbarnevelt werd gelast, den Gezant hierop »in het partikulier" te
antwoorden, opdat
garon met bescheidenheid en onder de hand den Koning polsen mögt,
ten einde te welen te komen, »waarop de zaak berustte en wat men bedoelde

Werkelijk hadden de klagten van de Gouverneurs der sleden Vlissingen en Brielle,
die uit Engeland de soldij hunner manschappen ontvingen, aanleiding gegeven, dat
hier in den Geheimen Raad de vraag was geopperd, of 's Konings belang niet mede-
bragt, deze steden hever terug te geven, dan ze met zoo groole kosten in bezit Ie
houden. Inlusschen had
garon den Koning zeiven in een bijzonder gehoor over de
zaak onderhouden, en deze vond dus ongezocht, zoo het scheen, gelegenheid den Raad
de laak op te dragen, om over die vraag te beraadslagen, en Ie verklaren wat zg in
deze zaak voor 's Konings eer en voordeel raadzaamst achtte. Overwegende dat de ste-
den loch teruggegeven moesten worden na de aflossing der schulden, die, zoo de Staten
geregeld voortgingen te betalen, in 15 jaren voldaan zouden zijn; voorts dat van de
40.000 pond sterling, die zijne Majesteit jaarlijks ontving, 26.000 aan de bezoldiging
der garnizoenen besleed werden, oordeelden de Raadsheeren, dat het voordeeliger was,
de sleden terug Ie geven, dan ze nog langer te behouden, — mits de Stalen een redelijk
bod deden. De Koning verklaarde zich niet dadelijk op dil advies, maar weldra be-
noemde hij eene commissie uit den Raad om de voorwaarden van de teruggave der

^ Resol Slal.-Gen. 30 Nov.j 3, 23 Dcc. 1G15.

ocr page 473

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1616. steden Ie bepalen. Deze gecommitteerden verlangden, dat de Staten, van de nog te be-
talen 600.000 pond, dadelijk 200.000 in klinkende munt zouden uilkeeren, en het
overige van zes tot zes maanden voldoen zouden. Op deze voorwaarden zouden de gar-
nizoenen de steden verlaten en daarvan een regiment, door de Staten te onderhouden,
gevormd worden. Dit voorstel werd aan den Nederlandschen Gezant medegedeeld. Doch
deze verklaarde zonder aarzelen, dat zijne Meesters nimmer over te halen zouden zijn
om zulk eene groole som te betalen. Immers hield de hem in October 1615 mede-
gegeven instructie in, dat de Staten wegens hetgeen zij in de jaren 1605, 1610, 1612
en in de beide volgende jaren voor den Koning van
Engeland gedaan hadden, waarlijk
wel op geheele kwijtschelding der schuld aanspraak mogten maken i. Dus bood
garon
slechts 200.000 pond, in twee jaren te betalen, betuigende, dat hij geenen last had
om meer te bieden; maar, voegde hy er bij, hij zou op zich nemen, die som met
50.000 pond te overschrijden, zoo men ze wilde aannemen. Eerst na verloop van drie
maanden, gedurende welken tijd zij hunnen Gezant verboden eenigerlei voorkomenden
stap te doen, en zeiven geen ongeduld verrieden, kwamen de Staten tot een besluit.
Het is waar dat de provincie Zce^anfi , als naar gewoonte; in de maand Mei, zwarigheid
maakte om het haar toegewezen aandeel aan de som tot aflossing der schuld te beta-
len. Voor het einde dezer maand evenwel bewilligde zij in de repartitie en alsnu
besloten de Staten het aanbod van hunnen Gezant te erkennen. Nu overwoog de Raad
de zaak op 's Konings bevel op nieuw, maar volhardde by zijn vroegere meening.
Evenwel wilde de Koning zich nogmaals bedenken, en na verloop van twaalf dagen
was zijn besluit genomen om tot het voorstel van de Stalen toe te treden. Eerst na
twee nieuwe vergaderingen, bij de laatste van welke de Koning in persoon tegen-
woordig was, trad de Raad lot 's Konings zienswijze toe. Deze zaak baarde veel opspraak.
Het heette, dat zij door de geheime bemoeijingen van een of twee personen doorgedre-
ven was, en
winwood achtte het noodig zich in een schrijven aan garletok , den
nieuwen Engelschen Gezant te
Hage, te moeten regtvaardigen. De Secretaris lake
schrijft aan denzelfden, dat het volk de overgave der steden van verzekeriog slecht op-
nam , en verscheidene zeer verstandige lieden ze afkeurden In
Frankrijk kon
men zich niet genoeg verwonderen, dat de Koning van
Engeland zulk een geschikt
middel om de Slaten in bedwang te houden, moedwilhg uit de handen gegeven had.
Mogelijk had
jagobus later zelve spijt van eenen stap, waartoe hij door niets dan door
2;ijne zucht om ten behoeve zijner onwaardige gunstelingen tijdelijk aan geld te komen,

1 Resol Stat-Gen. 28 Octob. 1015.

2 Resol Slat.'Gen. 16 Jan.j 19, 28 Aprilj 11, 30 Mei 1616.

3 CARLETOIÏ, I, p. 57-60, 77.

ocr page 474

DES VADERLANDS. iJ6ö

scliijnt Terleid te zijn geworden. Op den ll*^"" Junij 1616 gaf de Commandant Lord leiß,
burggraaf
lisle de slad Vlissingen, en Sir horage vere de stad ßrielle pleglig aan het
IVederlandsclie Bewind in handen.
Malderée vertegenwoordigde hierbij de Staten te Vlis-
singen,
MATHENÈssE te Bfielle, elk door nog andere aanzienlijken vergezeld. Van het regi-
ment j gevormd uit de bezeltingen, te zamen ongeveer duizend man sterk, werd Sir
robert
sidney,
de zoon van den burggraaf lisle, bevelhebber. Deze laatste vertrok, na een-
endertigjarige dienst aan deze landen bewezen, en na een beleefd bezoek aan de
Staten te
^sHage, naar Engeland terug, en horage tere werd kolonel van een ander
Engelseli regiment in der Stalen dienst

Zoo was dan de Regering der Vereenigde Provinciën ontslagen van eene gewiglige
reden tot bezorgdheid, nu zij de twee belangrijke binncnlandsche vestingen niet meer
in de handen zag van eene Mogendheid, die haar in hare builenlandsche staatkunde
slechts belemmerde, en wier invloed en bedoeUngen in het binnenland zij oorzaak had
te duchten en te mistrouwen. Nog altijd duurden de pogingen voort, door
jagobus vüortgeiette
beproefd om de Staten tot ontruiming der plaatsen in het Kleefsche en Guliksche Ic
bewegen, ja het schijnt, dat die Vorst zich sedert den aanvang van het jaar 1616

O J rimiiiDg van het

voorgenomen had om alles aan te wenden, ten einde dit zijn doel te bereiken. Zwan- Guliksche te bc-

wegeu.

ger gaande van een plan om zijnen zoon, den opvolger van zijnen troon, met eene der
dochters van
filips III in het huwelijk te doen treden , was hij begeerig, Spanje te
believen. Nu vielen de Spaansche Gezant en de Agent der Aartsherlogen te
Londen
hem gedurig lastig met het verzoek, dat hij toch de Stalen tot het ontruimen van de
Guliksche Landen zou nopen, en de onbezonnen Koning had hun zijn woord gegeven.
Bovendien vreesde hij> dat het stoute optreden der Staten in
Duilschland vroeg
of laat tol eene openbare oorlog zou leiden Krachlens de beslaande allianliën
zou hij in dit geval genoodzaakt zijn de Nederlanders te ondersteunen. Dit nu
duchtte een Vorst, dien men niet zoozeer vredelievend, als veeleer angstig voor
den oorlog noemen moet. Zoo weinig opregt had hij die Verbonden aangegaan,
dat hij uilvlugten zocht om, als het er op aan kwam, de vcrpliglingen, welke er uit
voortvloeiden, niet na te komen. Tot nog toe hadden de Slaten zich bij het bezet-
houden der Duitsche vestingen kunnen beroepen op het verklaarde verlangen van den
Keurvorst van
Brandenburg, die menigmaal betuigd had, dat hij zijn reglmalig erfgoed
verloren zou rekenen, zoodra de Staten het niet meer voor hem bewaarden. Kwam nu
het bezwaar tegen de bezetting dier landen door Staatsche troepen van den kant van
Brandenburg zelve, dan was den Staten een gewiglige grond benomen om aldaar ge-
nesteld te blijven. Zoo liet het de Koning van dan ook niet aan pogingen

J carletox, 61—73. Rcsol. Slat.-Gen, 2, 7, δ, 9, 12, 24 Junij 1616.
- cAHLETOx, I, p. 34, 35, 182.

111. Deel 2 Stuk. 76

ocr page 475

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1616. ontbreken om Brandenburg tegen de Staten en hunne handelingen in te nemen.

Den Februarij beriglte de Brandenburgsehe Raad sticke, de zoon van den Over-

ijselschen Gedeputeerde, den -vertrouweling van oldenba-rneyelt , dat een schrijven van
den Koning van
Engeland te Berlijn naijver en achterdocht tegen de bedoelingen der
Stalen met het bezetten der steden had opgewekt. Voorts had hij in last over de
afpersingen en knevelarijen der Nederlandsche soldaten te klagen.
Sticke ried den Stalen,
den Keurvorst door een welwillend schrijven neder te zetten en gerust te stellen. Natuur-
lijk verzuimden zij niet dit te doen. Maar ook te
Heidelberg stookte jacobus. Hiervan
kennis bekomen hebbende, rigtten de Staten eene uitvoerige regtvaardiging van hunne
daden in het Guliksche aan den Keurvorst van de
Palis, en zij miste hare uitwerking
niet. Ten minste meldde de Nederlandsche Agent
brederode in hel laatst der maand
Maart, dat de Keurvorst de regtvaardiging der Stalen alom verspreid had, en zich
met vertrouwen over hunne maatregelen in
Duilschland uitliet. Ja h^ was, op voorstel
van
brederode, voornemens om een ernstig schrijven of een statig Gezantschap naar
Engeland Ic zenden, ten einde den Koning beter in te lichten ^
caiïi.iiton, stonden de zaken, toen Sir dudley carleton, die zijnen Koning reeds als zaak-

te'^^ Fcne^ië bij de verwikkelingen in Italië gediend had, te 'ó^i/a^eaankwam,
om als gewoon Gezant dienst te doen en tevens volgens het regt, in 1583 door Koningin
ELIZABETH bcdongcn, zitting te nemen in den Ilaad van State. Dit regt hing met het
bezit der steden van verzekering zamen, en toen deze in handen der Staten gesteld
waren, meende
carleton dadelijk de blijken te bespeuren, dat men middelen zocht
om hem in de uitoefening van dat regt Ie verkorten 2. Niettemin bleef hem hel
lidmaatschap van den Raad van State gegund tot het einde van zijn Gezantschap toe.
Doch na hem heeft geen Engelschman meer zitting in dat Collegie gehad. Bij zijne
eerste audiëntie ter Vergadering der Staten, ademde zijne rede enkel welwillendheid en
goedgunstigheid. Maar zijn tweede verloog, dat
oldenbarnevelt , van den inhoud te voren
onderrigl, hem verzocht had niet zonder nader order in de Vergadering te brengen^,
behelsde zooveel als eene beschuldiging van goddeloosheid wegens de partij by de bin-
nenlandsche godsdienstige geschillen door de Stalen gekozen, en van onreglvaardigheid
wegens de rol, die zij hunne legermagl in het Guhksche lieten spelen. Aan de Staten
werd verwelen, dat zij steeds door hunne stappen den Aartshertogen en Spanjaarden lot
het doen voortrukken hunner troepen aanleiding hadden gegeven. Wilden zij dus den
blaam van veroveringszucht en onreglvaardigheid niet op zich laten kleven, en zich

' Rcsol. SLat.-Gen. 22 Febr.; 29 Blaart 1616.
2 CARLETON, I, p. 159.

» Resol Slat.-Gen. 24, 31 Maartj 20 April 1616.

ocr page 476

DES VADERLANDS. Î¯Î¯71

niet moedwillig in eenen toestand brengen, waaruit hunne Trienden en bondgenooten IGIC.
hen niet zouden kunnen redden, zoo stond hun niets anders te doen, dan het voorge-
stelde formulier te onderteekenen en volgens de daarin vervatte beloften te handelen.
En hoe was thans dit formulier gesteld? Het behelsde de volgende verklaring: »Daar
het de wil des Keizers is, de Landen van
Gulih en Kleef van krijgslieden te bevrijden,
zoo beloven wij al de door ons bezette plaatsen, zelfs
Wezel te ontruimen, en die Ge-
westen nimmermeer te zullen bezetten." Slechts als het in die oorden weder lot eene
openbare oorlog mögt komen, was men aan deze belofte niet gehouden En zulk
eene verklaring, waarbij noch het traktaat van
Xanten gehandhaafd, noch van de Ko-
ningen van
Frankrijk en Engeland gerept en slechts van den wil des Keizers gewaagd
werd, wilde
jacobus van ons vergen! Dit wilde hij op een tijdstip, dat de Spanjaarden
zich al meer en meer ten oorlog toerustten, en hun leger lot het bezetten van nieuwe
plaatsen was overgegaan ! — Want wat was er sedert gebeurd?

Sedert lang bestond er geschil over Dorkulo en Ligievoorde. De Aartsbisschop van Dc staten be-

Keulen beweerde, als Bisschop van Munster^ Leenheer dier Heerlijkheden te zijn, ^^^cn'^iigievoorL·'^.

wilde ze als behoorende tot het Heilige Roomsche Rijk beschouwd hebben. Werkelijk

waren zij door Munstersch garnizoen bezet. De Staten van Gelderland erkenden die

aanspraak geenszins, en de Landheer, Graaf jobst van Bronkhorst en Stirum, was op

hunne band. Het Hof van Gelderland, met eenige Raden uit de Hoven van Holland,

Friesland en Utrecht gesterkt, deed uitspraak tegen den Keurvorst van Keulen, en nu

werden de beide stadjes door troepen uit Zutphen en omliggende plaatsen in het begin

1

des jaars 161G ingenomen. Dadelijk kwamen eenige afgevaardigden uit de Munster-
sche Raden te '
ä Ilage om de tusschenkomst der Staten-Generaal tegen deze inbreuk
der Gelderschen op de regten van hunnen Bisschop en van het Rijk in te roepen. Doch,
gelijk de Gelderschen hier niet buiten het gezag der Generaliteit gehandeld hadden, zoo
liet het zich denken, dat hunne klagten geen gehoor vonden 2. Deze handelwijze der
Stalen was eene nieuwe grieve: de heiligheid des Roomschen Rijks was op nieuw ge-
schonden; de Aarlsbisschop van
Keulen, door bloedverwantschap en geestelijke waardig-
heid zoo naauw met de Katholieke Ligue verbonden, was in zijne eer cn belangen aan-
getast. Bovendien had Prins
Hendrik zich van eenige plaatsen in het Graafschap Ra-
vensberg
verzekerd, en was men zijne stoute tusschenkomst in het Brunswijksche nog
niet vergelen. De eer van het Rijk scheen te vorderen, dal die slappen der Stalen
niet onbeantwoord bleven. Er werd, als het ware, op Duilschen bodem, een schaak-

1 carletojf, 1, p. 26· Later ontkende winwood, dat er ooit plan bestaan had om den naam
des Keizers in het Formulier in te lasschen, en dien der beide Koningen er uit weg te laten.
(cableton, I, p. 80, 84, 90).

2 nesol Stat.-Gen. 10, 12, 18, 27, 28 Maart5 9, 13 April 1614. 28 Febr. 1616.

76*

ocr page 477

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

iGlf). spel lusschen de Staten en de Spanjaarden gespeeld: elke zet van den eenen speler lokte
een tegenzet van den anderen uit. Den Staten was het niet Ie doen om het veld der
handeling bezet te houden, maar zij hadden het op het schaakzetlen van den
Koning gemunt; was dit doel bereikt, zoo zouden zij het veld gaarne ruimen. In het
voorjaar kwamen berigten op berigten, dat de vijand aanstalten tot krijgsondernemingen
maakte. Den April verschenen Zijne Excellentie en de Raad van State ter verga-
dering der Staten-Generaal, om wat zij desvvegens vernamen mede te deelen. Het scheen
op het Graafschap
Ravensberg gemunt; volgens anderen op Sonsbeck; volgens anderen
weder op
Essen, Bocholt of Borkulo. Graaf hewduik. van dew berg en don louis
de velasgo
Commandeerden de bijeengetrokken troepen, en spinola. zelf werd ver-
wacht ^ Deze mededeeling lokte het besluit uit om op alle manieren tegen overval
op zijne hoede te zijn; maar bovendien zou de Prins, als maatregel van voorzorg,
aan de sleden
Soest en Lippstadt het voorstel doen eenige soldaten te ontvangen ter
harer verzekering, onder belofte dat, wanneer de Graaf
van den berg haar vroeger
verleende neutraliteit bekrachtigen wilde, men dat krijgsvolk er terstond weder uit zou
laten trekken. Werkelijk bragt de Ridmeester
stakenbroek, terugkomende van Berlijn,
werwaarts hij den Markgraaf van Brandenburg met eene escorte Staatsche ruiters geleide
gedaan had, in het begin van April 7 ruiters binnen
Soest en 15 binnen Lippstadt.
Graaf HENDRIK Ooch verre van acte van neutraliteit te verleenen, nam de Graaf yan den berg den 8""®"
iic^zet ^&ei^^cu legde er eene bezetting van 200 S])anjaarden. Toen loog hij naar
Lipp-

]Api)stadi, siadt, hetwelk hij insgelijks vermeesterde. Maar intusschen hadden de inwoners van
Soest de Spaansche bezetting ontwapend. Dus zag Graaf Hendrik zich genoopt het
garnizoen lot 700 man Ie versterken. Hierna, dus luidde hel gerucht, zou hij ook
Essen en Dortmund, niettegenstaande dit Rijkssleden waren, en Ilildesheim, dat den
Hertog van
Bnmswijk toekwam, innemen. Ja, zoo vernam men verder, reeds was er
aan het voetvolk order gegeven om naar de Gcldersche grenzen op te rukken. Thans
kwam het er op aan op alles verdacht te zijn. Ten einde alle troepen beschikbaar te
hebben, werden de Provinciën aangeschreven, haren Gecommitteerden ter Vergadering
der Stalen volmagt te geven om toe te stemmen in het liglen en aannemen van 4000
waardgelders 2. — En was het dan nu lijd om eene belofte af te leggen, als die de En-
gelsche Gezant uit den naam zijns Konings van de Staten vorderde? De nooddwang der
gebeurtenissen sprak krachtiger, dan de mond van
carleton, en tegen zijne beschuldi-
ging alsof de Staten zich aan eene onregtvaardigheid schuldig maakten, waarvan de
Duilschers de slagloffers waren, stonden de ongevergde getuigenissen van Duilsche vor-
sten en onderdanen over. Juist in dezen tyd verzekerde de Hertog van
Wiirtemberg

1 CARLETON, I, p, 18.

2 Resol Slat.-Gen. 5, 6, 7, 11, 13, 15, 16 April; 23 Mei, 1616. carleton, I, p.21, 22, 23.

ocr page 478

DES VADERLANDS. iJ6ö

den Stalen, \vien hij berigt gaf van de bevalling zijner echtgenoot, dat hij zijne kinderen 1616.
in de achting en liefde tot Hun Hoog Mögenden zou laten opvoeden, gelyk hij zelve
den Staten opregtelijk genegen was en tot het einde zijns levens zou blijven. Eene
dergelijke betuiging legde dc Vorst van
Tweehruggen af, toen hij, zoo als kort daarna
ook de Markgraaf van
Anspach deed, door een opzettelijk afgevaardigden Edelman de
Staten tot doopgetuigen over den hem geboren zoon uitnoodigdc i. Ja, de Paltzgraaf
JOHAW van
Tweehruggen ontzag zich niet, juist toen de Spaanscho troepen in bevvegiag
waren gekomen, zijne regten op de Giiliksche erflanden aan de Staten-Generaal aan te
bevelen, en hen alzoo als regters in zijne zaak te erkennen. Duidelijk bleek het ook
weldra dat
Brandenburg thans alle achterdocht had afgelegd: immers liet de Markgraaf
GEORG WILLEM, den Ιβ'^®" April, door zijne gemagtigden de Staten verzoeken wmet
een magtig krijgsleger" den vijand te gemoet te trekken, len einde verder geweld
te beletten, en toen in de maand Junij de Edelen en andere ingezetenen van hel Vor-
stendom
Berg en het Graafschap Mark zich verbonden hadden om geene vijandelijke
troepen binnen hunne grenzen te dulden, lieten zij dit de Staten welen, en de edelman,
die deze kennisgeving overbragt, verkreeg eene acte, door
oldekbarnevelt gesteld,
waarbij zijne lastgevers in hun voornemen gesterkt en gemagtigd werden om hun grond-
gebied te beschermen ook in den naam der Staten-Generaal, die, zoo gaven zij bij deze
gelegenheid uitdrukkelijk te kennen, van zins \varen ten aanzien van de Guliksche
Landen met ernst denzelfden voet te blijven volgen 2. Hoe kon dan het antwoord op
g.vrletons voorstel anders dan afwijzend uitvallen? De Gezant zelf wachtte niet an- Antwoord op
ders Aan den Advokaat van Holland werd de taak opgedragen om het anlwoord te carletonsvoor-
ontwerpen, en met eene geringe wyziging werd zijn ontwerp aangenomen. Het haalde
het gebeurde van den aanvang aan op en herinnerde, dat de Staten de vesting
GuUh
met geen ander doel verzekerd hadden dan om te verhoeden, dal een werk werd verijdeld,
hetwelk door en len koste niet alleen van
Nederland en Frankrijk y maar ook van En-
geland
zelve, was tot stand gebragl: immers was Giilik in het jaar 1610 ook onder
medewerking van Engelsche troepen veroverd, en wat beijverde het zich dan thans
(dit mögt JAGOBUS bij deze herinnering denken) om wat loen verrigt was, weder onge-
daan te maken, terwyl dezelfde gronden, die toen lot dat bedrijf geleid hadden, nog
bestonden, ja sterker pleitten dan ooit? Wanneer de Aartshertogen, dus ging het be-

1 llesol. Slat.-Gen. 30 Jan. 11, 13 Mei 1616. De Staten namen de uitnoodiginjj aan, mits
den Gezant, die hen zou vertegenwoordigen, bij alle feestelijke gelegenheden onmiddellijk na de
Gezanten der Keurvorsten geplaatst zou worden.

2 liosol. Stat.-Gen. 7, 16 April; 20 Junij, 1616.

3 CARLETON, I, ρ. 27.

stel.

siäSäiäm

ocr page 479

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1616. loog Toort, het Iraklaal van Xanten slechts hadden willen laten gelden, Gulik ware
lang ontruimd. Hadden de Staten zich van eenige plaatsen in
Ravensberg verzekerd
en
Borkulo ingenomen, het eerste was zonder schennis van eenige belofte, het andere
volgens wettig vonnis bij regtelijke executie geschied: geene dezer beide handelingen
kon derhalve vergeleken worden met heigeen door den vijand tegen
Aken, Muhlheim,
Wezel, Siebiirg
i, en nu laatstelijk tegen Soest en Lippsladt was verrigt, of door hem
nog scheen beoogd te worden — Met dit antwoord was
jagobus volstrekt niet tevreden ,
en hij gaf zijn voornemen om de Staten lot het aannemen van hel bewuste formulier
te bewegen gansch niet op. De Engelsche diplomaten begrepen, dat zoo zy de mede-
werking van het Fransche Bewind konden bekomen, en
du maubier, de vertrouwde en
in alles eensdenkende vriend van
oldenbarnevelt , van Parijs in last mögt krijgen om
in denzelfden zin als de Engelsche Gezant Ie arbeiden, eene gewenschte uilkomst van hun
pogen Ie hopen was. Zoolang de Stalen konden beweren, dat, daar de Koning van Fraii/cnjA;
lot het traktaat van
Xanten had medegewerkt, zij zonder hem tot niels hoegenaamd be-
sluiten konden, hadden zij eene genoegzame verontschuldiging; maar ontviel hun die
uitvlugt, zoo moest aan allen tegenstand een einde komen Dat nu het Fransche Be-
wind, hetwelk verre was van met
Spanje te willen breken, den ijver der Stalen gaarne
zou willen maligen, daarmede meenden de Engelsche Slaalslieden zich te kunnen vleijcn.
Bedrogen zij zich hierin niet? De beantwoording dezer vraag hangt af van die eener
andere vraag; hoedanig slonden op dit tijdslip de zaken in
Frankrijk, en Avelke partij
was de Regering van dit Fiijk gezind of genoopt in ons Vaderland te ondersteunen ?
Staat vau zaken Sedert de maand October 1614 was lodewuk XIII meerderjarig geworden; maar zijne
moeder had, op zijn verzoek, zoo het heetle, het gezag in handen gehouden. Dit werd
den 10''®° Februar^ 1615 door nu
maurier bij een pleglig gehoor aan de Staten berigt,
en hij voegde er de verzekering bij,
AdA. Frankrijk zich weder voor een jaar lot het on-
derhoud der Fransche regimenten en compagniën in Nederlandsche dienst verbond. Dus
sclieen de vorige staatkunde gehandhaafd te worden. Maar hoe was het mogelijk Iegelijk
bondgenootschap met
Spanje te zoeken, en Spanje in Duitschland met vasten wil te
keer te gaan; tegelijk den Spaanschen invloed vrijspel te laten, en den Protestanlschen
Grooten genoegen te geven? En had de Koningin lot dit doel zich dan nog slechts
van den raad der oude dienaren van haren gemaal bediend; — maar zij stond onder den
invloed der Ilaliaansche
galxgai, wier echtgenoot, de Florentijnsche Edelman gongini, tot
Markies
d'ahcre en Maarschalk verheven, met het hoofdbeleid der zaken belast werd.

1 Siehurg was evenwel sedert neutraal vertlaard, en zoo het schijnt ontruimd. Zie Resol. Stat.· Gen.
2 April; 4 Mei 1616.

2 Besol. Slat.'Gcn. 25, 29 April, 1616.

4

fn

in F}-ankrijk.

( t

! i

Ti Ã¯

ί

i: i

I '

•s»·

ï I
f

T' i

3 cARLETOïs', I, p. 8, 27, 31, 34—36.

'mÈ

ocr page 480

1616.

DES VADERLANDS. Ã–49

ϊα JuDij 1615 slond het vast, dat de Spaanscbe huwelijken voortgang zouden hebben.
Maar de Koningin wist diegenen harer onderdanen, welke hare staatkunde laakten of
verdachten, niet in die mate tevreden te stellen, dat zij zich dit rustig lieten welgevallen.
Allen bleven misnoegd, en na een heftig manifest te hebben uitgevaardigd, verliet
gondé
het Hof door de Prinsen en verscheidenen Grooten gevolgd. Niettemin vertrok de
Koningin den Augustus naar
Bordeaux ^ waar de huwelijken zouden voltrokken

worden. Aan onzen Gezant lasgerak hadden de Staten toegestaan, de uitnoodiging
om de feestelijkheden aldaar te gaan bijwonen aan te nemen, onder geene andere
voorwaarde, dan dat hij daarbij als de overige Gezanten van Koningen en Vorsten
zou geëerd worden en deze vergunning was van te meer beteekenis, omdat
juist de afreize des Konings naar
Bordeaux aan gondé een voorwendsel gegeven
had om zich op eene geruchtmakende wijze van het Hof te verwijderen, hoe-
zeer hij vroeger verklaard had met het huwelijk des Konings genoegen te nemen.
By de vernieuwde oneenigheden onthielden de Staten zich echter aanvankelijk van
elke bemoeijing. Zij schreven hunnen Gezant, dat hij wel deed zich niet in die
twislen te mengen, en dat hij dit ook in het vervolg niet doen moest, dan op uit-
drukkelijken last. Maar al spoedig waren zij geneigd het verzoek van
du maurier
in te willigen, en alle wervingen van krijgsvolk, naar Frankrijk bestemd, te verbie-
den , tenzij het bleek, dat die ten behoeve van de wellige Regering geschiedden. Van
zijne zijde stelde het Fransche Bewind er prijs op om te toonen, dat men de betrek-
kingen met onze Republiek niet uit het oog verloor. Ten minste slond de Koning,
nog uit
Bordeaux, eene wijziging toe in de indeeling der Fransche troepen hier te
lande. De manschappen zouden van nu aan in drie regimenten verdeeld worden,
en van het nieuw opgerigte regiment zou de Heer
de hauterive het kolonel-
schap bekleeden jjaar al ging alles uitwendig een bedaarden gang, niet-
temin braglen de gebeurtenissen in
Frankrijk de gemoederen in Holland in
heftige beweging. De voltrekking der Spaansche huwelijken werd een wapen te
meer in de handen van hen, die de ondersteuning van het Fransche Bewind
eene misdadige staatkunde achtten, en thans had de Prins van
gokdb een dekmantel,
die zynen gewapenden opstand den schijn der wettigheid gaf. Hij maakte gemeene
zaak met het Parlement, dat eene poging gedaan had om uit te voeren wat de
Slalen-Generaal, krachlens het Verdrag van
St. Ménehould bijeengekomen, hadden
lot stand gebragt. Hierin door het Hof verhinderd, had het Parlement een Vertoog vol
ernstige waarschuwingen en wijze raadgevingen aan de Regering gerigt. Hoezeer nu de

' Resol. Slal.-Gen. 10 Febr.; 18 Junij; 8 Julijj 28 Aug. 1615.
2
Resol Stat.-Gcn, 28 Sept.; 8, 10, 13 Oct.; 23 Nov. 1615.

ocr page 481

glO * ALGEMEENS GESCHIEDENIS

1616, handel, lusschen den Prins en het Hof met het goed van den Slaal en de Avaardigheden
van het Rijk gedreven, mede lot de misbruiken behoorde, die het Parlement wraakte,
stelde die Prins het herstel dier misbruiken lot eene voorwaarde zijner onderwerping.
Bovendien sloot de Vergadering der Hugenoten, te
Grenoble bijeengekomen, zich openlijk
aan den Prins aan. Dus was het zeer natuurlijk, dat onvaste geesten hier te lande in de
ondersleuning van 's Prinsen tegenpartij zonde en schande zagen. Werkelijk maakten de
stukken, van het Parlement en van den Prins van
gokdé uitgegaan, alhier zoo veel
indruk, dat de vrienden der leidende parlij, met name de Regering van
RoUerdam,
gaarne hunne verspreiding zouden belet hebben Zoo gespannen waren de gemoederen,
dat OLDENBARNEVELT toen meer dan ooit de noodzakelijkheid gevoelde om de lossing der
pandsleden te bespoedigen: want, begreep hy, mögt de binncnlandsche oorlog van
Frankrijk naar ons vaderland overslaan, dan zouden die plaatsen, zoolang zij in Engelsche
handen waren, zijne tegenpartij onberekenbare hulpmiddelen verzekeren. »Zoo Prins
maukits," schreef du maurier aan puysieux, »de handen vrij had, zouden de zaken
er vrij wat erger uilzien; maar. Goddank, zoo ver is het nog niet gekomen!" De
Prins en de zynen zagen niet in, dat de zaak van het Protestantisme in dit tijdsgewricht
vorderde, de Protestanten in
Frankrijk niet Ie ondersteunen: zulk een inzigt vereischle
den alles omvattcnden blik van een
oldenbarnevelt en de christelijke wijsheid van een
du plessis-mornay , die de tegenwoordige aaneensluiting lusschen de Vergadering van
Grenoble en den Prins van condé afkeurde. Evenwel siaurits bleef niet lang lol de
parlij van den opsland overhellen. Het schijnt, dat zijne ontevredenheid over hel ge-
drag van die Fransche officieren en manschappen, welke zich met miskenning der
krijgstucht naar
Frankrijk begaven om aldaar onder de vanen van de misnoegden te
strijden 2, zijne gedachten gewijzigd heeft; ten minste liet hij zich weldra luide dus
uit, dat men onder voorwendsel van den vader
(iiewdrik IV) te wreken, den zoon
(lodewijk XIII) niet te gronde moest rigten. De zoon zou die laak zelf wel vervullen,
aangezien hij er het meeste belang bij had en alleen geregligd was het te doen. — In-
tussclien achtte
du maurier het niet raadzaam, reeds nu voor de Koningin hulp van
de Staten te vergen. Het laat zich denken, hoe vurig de bezadigde Staatslieden hier
te lande naar het einde van den burgeroorlog in
Frankrijk wenschten, en hoe gaarne

^ Zij Averden, in het Ncdcrlandsdi vertaald, hier te lande verspreid, en staan in de Bibliolh·
van Pamßelten
aanjjeteekend onder K». 1122 en 1126.

2 Blijkens de mededeeling van den Prins in de vergadering der Staten, van den iipril
1616, en de brieven van terugroeping in Mei daaraanvolgende naar
Frankrijk gezonden, waren
de Heeren
de ciiaTiLLON, de coüßXAUMEn en de hauteeive , dat is, de Generaal en de beide Kolonels
allen naar
Frankrijk vertrokken {Resol, Slat.-Gen.).

ocr page 482

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

zy de Koningin tot herstel van billijke grieven hadden zien overgaan Gelukkig 1616.
werden reeds den eersten Januarij 1616 onderhandelingen tot het treffen van een vergelyk
aangeknoopt. Om de eischen, die men de Koningin deed, even als dit vroeger geschied
was, te matigen, zou
du maurier gaarne gezien hebben, dat de Fransche Regering
zich ook nu weder op een aanbod van bijstand, haar van wege de Nederlandsche
Provinciën geworden, beroepen kon. Werkelijk zelte hij lot eene dergelijke verlooning
alles op het louw. Hij verzocht den Koning, by een schrijven van den 9''°" Januarij,
hem te magtigen om van de Slaten de hulp Ie vragen, die zij krachlens de traklalen
schuldig waren. Eene ruiterlyke verklaring van de zijde der Slaten was weder maar al
te noodzakelijk geworden. Het was van den kant der Proleslanlsche Vergadering, van
Grenoble naar JSimes verplaatst, tol eene oorlogsverklaring gekomen, en behaalden in
ons land de vyanden en tegenstanders van
oldenbarneyelt de zege, dan was het gevaar
gemakkelijk Ie voorzien. )>Het lijdt geen twijfel," schrijft
du maurier, »of de parlij,
die tegenwoordig, Gode zg dank, nog de zwakste isj zou de warhoofden ondersteunen."
Deze hoop moest den oproerhngen benomen worden. Blijken moest het, dat de oude
staatslieden te '
ä Hage nog aan het roer stonden. Nog voor hel einde der maand
Januarij werd de Gezant gemagtigd den verlangden stap te doen. Evenwel waagde hij
het niet eene openbare audiëntie te vragen: onder de hand Irachlte hij de voornaamste
leden der Staten over te halen, door een ongevergd aanbod een uitdrukkelijk verzoek van
Frankrijks zijde voor te komen \ Den 4'^''° February kwamen de betrekkingen met Frankrijk Besluit Jcr
in de vergadering der Staten-Generaal Ier sprake. Eerst werd door de gecommilleerden van z/en'^yan™;.^^^
Holland de klagt geopperd, dat hunne Provincie niet voort kon gaan de Fransche regimen- '"V'^·
len te betalen: het verdrag, waarbij haar de tot de betaling vereischte
sommmnii Frankrijk
verzekerd werden, was met het einde van December laatstleden ten einde geloopen, en nog
waren de laatste termijnen niet voldaan. De beraadslagingen over dit punt eindigden mei
het verzoek, aan de Staten van
Holland gerigt, om goedgunstig voort te gaan met het
voorschieten der benoodigde gelden. Zoo had de Vergadering, al was het dan ook niet
regtslreeks, het gevoelen uitgebragt, dat men de Fransche troepen niet door wanbetaling
tot onlbinding en lot het kiezen van de parlij van den opstand mögt laten overgaan,
en het was niet vreemd, dat zij dadelijk daarop een besluit nam regtslreeks in den
zin van hen, die de Fransche Regering krachtig wenschlen te ondersteunen. Er werd,
namelijk, besloten, aan
lakgerak te gelasten, dat hij zich zou hebben Ie begeven,
waar de Koning en de Koningin zich thans bevonden, »om te verloonen de groole
zorgvuldigheid, die Hun Hoog Mögenden van den beginne der tegenwoordige bewegin-
gen af voor de personen van Hunne Majesteiten en den welstand hunner Rijken gehad

' oüVRÉ, t. a. pl. p. 239—242.

^ OÜVRÉ, p. 242.

III Deel 2 Stuk.

ocr page 483

K70 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1016. hadden en nog hadden, en dat zij die niet alleen in openbare en bijzondere gebeden
lot God den Heer Almagtig, maar ook met het bewijzen van alle goede diensten in
aandenken hielden. Zij bleven dan ook naauwgezet en standvastig in hel nakomen der
met hunne Majesteiten gemaakte traktaten, en naardien de redenen, die de overleden
Koning gehad had, en die door hunne Majesteiten zeiven met koninklijke wijsheid en voor-
zigtigheid erkend en toegepast waren, alsnog golden, zoo verzochten zij hunne
Majesteiten het onderhoud der Fransche troepen in hunne dienst gedurende de nog overige
vijf jaren van het Bestand of langer voort te zetten Deze verklaring hield werkelijk,
' onder den vorm van een aanzoek om voortgezette betaling der Fransche soldaten, de
betuiging en belofte in, die het Fransche Bewind wenschte. Ook nam
du maxjrier
ze in dien zin op, blijkens zijn schrijven Tan den Februarij, waar hij aan de ver-
melding van het door de Staten genomen besluit het volgende toevoegt: » Dit besluit is
niet lot stand gekomen zonder de tegenspraak van sommigen; doch dezen hebben het
niet kunnen verhinderen." En ten bewijze, dat het besluit wel degelijk in eene volle
vergadering was genomen: »het is onmogelijk u te zeggen, welke naijver hier tusschen
hen heerscht, en hoe veel kwaad het den magtigsten onder hen (dat is
, oldenearnevelt)
doen zou, indien hij de minste verklaring aflegde zonder voorafgaand besluit in hunne
vergadering: men wil niet, dat iemand zich het regt aanmatige om voor allen te spre-
ken, en allen moeten over de zaak hun advies zeggen 2." Hoe het zij, de stap, dien
de Heer van
langerak gelast was by den Koning te doen, was veelbeduidend genoeg
om alle partijen in
Frankrijk ondubbelzinnig te doen blijken, dat de Koning op de
Staten rekenen kon. De Gezant werd bij deze gelegenheid van nieuwe geloofsbrieven
aan hunne Majesteiten en tevens van brieven aan eene reeks van aanzienlijken voorzien,
onder welke, behalve de namen der Prinsen en Grooten van de verschillende partijen,
die de voornaamste rollen speelden
: gondé , soisson , guise , kevers , longueville ,
matenne
, epernon, bouillon, de Maarschalk d'angiie enz. ook die der oude vrienden
van onzen Staat
villeroy , jeanniin· , reffuge , sullt en du plessis-mornay voorkomen
Van hoe veel belang zulk een openbaring van gevoelens van de zyde der Staten was,
laat zich eerst dan regt beseffen, wanneer men in aanmerking neemt, dat het onge-
noegen, hetwelk de voltrekking der huwelijken by de Stalen der Vereenigde Provinciën
zou verwekken, een der voornaamste gronden was, waarop zoowel de Prins
vancoNDÉ,
als de Engelsche Gezant in Frankrijk dien stap als heilloos hadden uitgekreten. Thans
toch verviel deze grond van beklag en tegenstand tegen het beleid der Regering, en

1 liesol. Slat.-Gen. 4 Febr. Ißl6.

2 ouvBÉ, ρ. 243.

3 Resol. Stat.-Gen. 5 Febr. 1610.

\

ocr page 484

DES VADERLANDS. 611

161G.

werd de Koning geregtvaardigd, die den Engeischen Ambassadeur in zijn antwoord Ie
kennen gegeven had, dat
Engeland Toor de Nederlandsche Stalen niet in de bres be-
hoefde te springen, aangezien dezen zich volstrekt niet ontevreden toonden, blijkens de
opregte en streelende betuigingen van erkentelijkheid en toegenegenheid, die hij bij
voortduring van hen ontving. Ook konden zij, die in
Frankrijk met de ware gezind-
heid van die Staatslieden, welke tot nog toe alles in iVei/er7an(i vermogten, genoegzaam
bekend waren, den Prins van
condé niet vleijen met de hoop, dal dezen hem te hulp
zouden komen. Wel konden zij hem nog beloven, » dat de Koning van
Engeland hem
niet zou verlaten, evenmin als die groole kapitein
maurits van nassau, vader van den ,
oorlog, erfgenaam van de eer van
Mars^ en een van de eersten onder de allerverstan-
digslen i." Doch zelfs van Prins
maurits was thans geen onberaden stap Ie duchten.
Daarop was
du maurier gerust. Slaande de onderhandelingen lusschen gondé en den
Koning, kwam de Heer
de valigny, agent^ van dien Prins en van den Hertog van
BOuiLLOjv, te
'sllage, belast met hel verzoek om onderstand in geld en versterking in
troepen ter verzekering van de stad
Sedan. Doch hij was slechts getuige van de beraad-
slaging der Staten ten voordeele van het wettig gezag in
Frankrijk·, men vergunde hem
geen gehoor, en
maurits was niet gezind tot de minste opoffering uit eigen middelen.
De agent ging verstoord heen, dreigende dat de vrede niet lot stand zou komen; doch
de Staten wisten, dat deze bedreiging meer kans zou gehad hebben van bewaarheid te
worden, zoo zg den oproerigen Grooten hulp gegund hadden, dan nu zijhun die weiger-
den. Werkelijk kwam de vrede in het begin der maand Mei te
Loudim tol stand. Daarbij Vredc te Ζοκί/κ».
werd, aan de eene zijde het edikt
vam Nantes bekrachtigd, blijk genoeg, dal de Stalen het
Fransche Bewind teregt van den toeleg om de Hugenoten te onderdrukken vrij kenden;
maar van den anderen kant werden bijna al de eischen van
gowdé ingevviUigd of ten minste
hunne inwilliging beloofd. De Regering stond zelve aan te veel verkeerdheden schuldig
om de misbruiken harer tegenstanders krachtig te kunnen fnuiken. Slechls dal waarom
hel GOJfDÉ voornamelijk te doen was geweest, verkreeg hij niet: de verwijdering van de
hem mishagende personen uil de nabijheid en den Raad des Konings. Bij deze uitkomst,
nu de vijanden der Koningin er straffeloos afkwamen en magiiger waren dan ooit, ^

moglen de Staten zich geluk wenschen, dat hun Gezant bij de onderhandelingen eene
strikte onpartijdigheid had in acht genomen 2. Dat daarom een man als
oldenbarwevelt

^ Woorden uit een Fransch pamflet, in het Nederlandsch uitgegeven onder den titel van Brief
van den goeden Fransoys y aen mijn Heere de Prince [Biblioth, v. Pamflett.
N». 1130).

2 Dif. had laftgerak gedaan ingevolge van een brief, hem op Jast der Staten door oldenbabnevelt
geschreven. Dit schrijven werd van den Advokaat gevergd in weerwil, dat hij nog niet geheel
hersteld was van eene erge ziekte, die hij had opgedaan op een togtje ondernomen ter cere van
het huwelijk van den jongen Graaf van
brederode. liesol. StaL-Gen. 5 Maart, 1610. Carleton,

ΊΤ*·

ocr page 485

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

IGlß.

de zwakheid van de Regering niet goedkeurde, blijkt uit zijn oordeel, in du ma.uriers
schrijven bewaard: » barnevelt," dus schrijft deze, » zeide mij gisteren, dat de Koning
niet zóó veel voor de muitelingen doen moest, dat de getrouwe onderdanen er den
moed door verloren, en hij voegde er bij, dat men hun, die den Koning ditmaal zoo
binnen als buiten het Rijk trouw gediend hadden, geene reden moest geven, om,
wanneer (heigeen hij zeer vreesde) dezelfde moeijelijkheden zich mogten herhalen, eene
andere partij te kiezen i." Niettemin was een, hoezeer ook waarschijnlijk tijdelijk, herstel
der rust in
Frankrijk een ernstige reden lot kommer minder hier te lande, en van het
genoegen, hetwelk het berigt van den lot stand gekomen vrede van
Loudun hier te
weeg bragt, getuigde de milde gift, die de Staten onder den naam van
hodenloon aan
de beide couriers toekenden, welke de lijding herwaarts hadden overgebragt. Daags
daaraan verscheen »u
ma.urier Ier vergadering der Staten-Generaal, Na volgens den
hem opgedragen last van het sluiten des vredes kennis gegeven te hebben, zeide hij
den Staten dank voor de aanbieding hunner hulp. Hunne Majesteiten twijfelden niet,
of de Staten deelden in het lot van
Frankrijk, daar dit onfeilbaar op dat hunner Repu-
bliek moest terugwerken Evenzoo begrepen hunne Majesteiten, dat wat in de
Neder-
landen
voorviel, op Frankrijk van invloed zijn moest. Dit bewoog haar, Hun Hoog
Mögenden te vermanen, zich Ie beijveren tot hel behoud van rust en vrede in deze
Du MAURiER Landen. Over het algemeen moest alle aanleiding lot oorlog zoo veel mogelyk ver-
lüig^ ^ηαεΓ'^'αο «icden worden, en zoo de staat der Guliksche zaken den vrede in de waagschaal stelde,
betreffen^^ de ^^ Staten zich gezind beloonen om ten dien aanzien met de Aartshertogen

Kleefsclie zaken. ]q eenc schikking te treden. Deze laatste vermaning was eene inwilliging aan ^'ij^e/awrf.

Had zich de vrede Ie Loudun door allerlei inwilligingen aan de oproerige Groeten ge-
kenmerkt, ook de Engelsche Gezant
'm Frankrijk, die zich, in meer dan een verloog aan
die Groolen had aangesloten, zag thans zijnen wensch bevredigd, dat
Frankrijk zich met
Engeland vereenigen zou om de Republiek tot de ontruiming der Guliksche en Kleefsche
vestingen en plaatsen Ie bewegen. In zijn verloog van Junij 1615 aan den Koning en de
Koninginne-Moeder had
Sir thomas edmondes zich beklaagd, dat zijn Bewind geen vol-

l,p. 15,16. Betrekkelijk de afwezigheid van oldekbarnevelt wegens deze ziekte, gebruikt carleton
de uitdrukking, dat nu liij afwezig en weinige Staatsleden tegenwoordig waren, men zeggen mögt,
dat de Staten
noch ziel noch ligchaam hadden.

' OüVRÉ, t. a. pl.

2 carleton (I, p. 39) Schrijft van du maüriers redevoering bij deze gelegenheid: »In zijne rede
heeft hij den Staten dit schoone compliment gemaakt, dat zij helder genoeg van blik waren om
door de nevelen van Staat en Godsdienst heen het
Koningschap zelve te zien, hetwelk zij bij-
gestaan en ondersteund hadden." Inderdaad een schoone lof. Staat zulks al niet met zoovele
woorden in zijne rede, uit dat schrijven blijkt, hoe
du maurier zich over de Staten uitliet.

ocr page 486

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

doende antwoord kreeg op de aanzoeken om Franhrijks medewerking ten einde de Aarts- 1616.
hertogen tot het ontruimen Yan
Wezel en de overige door hen in Duilschland bezette steden
te bewegen. Hij deed het daarbij voorkomen, alsof dit eene reden Yan ongenoegen
moest zijn
υοογ de Vereenigde Provinciën, en sprak dus niet geheel opregt, daar
zijn Meester meer om
Spanje, dan om Nederland te believen op die ontruiming aan-
drong. Maar wat dan ook
Engeland hierbij bewogen mögt hebben, Frankrijk meende
thans de Staten bij monde van zijnen Gezant te
Hage in het algemeen tot schikking van
de Kleefsche zaken te moeten Yermanen, Maar deze stap had niet
Yeel te beduiden: als
het lot nadere verklaringen ten aanzien van dat punt zou komen, zouden onze staats-
lieden
Frankrijk gezind vinden om hunne oogmerken te bevorderen en ongezind om
Engeland in zijne pogingen te ondersteunen. Du maurier. ten minste, dit bemerkte
ook GARLETON zeer goed, was in deze zaak geheel op de hand der Staten en begeerde
niets te doen, dan wat met hunne zienswijze overeenkwam. Ook rekende hij zelfs
nu nog geen stelHg bevel van zijnen Meester te hebben om met den Engelschen Gezant
ééne lijn te trekken — Ten slotte van zijne rede had
du maurier de voldoening
mede te deelen, dat zijne Regering zich lot het onderhoud der Fransche troepen hier
te lande weder voor het loopende jaar verbonden had 2. Opzettelijk verbond men zich
niet voor langer lijd, ten einde niet op eenmaal het middel uit te pulten, dat men met
het verleenen dier gunst meende Ie bezitten om op den » onrustigen en achterdochtigen
geest der Hollanders te werken Dat deel der voordragt van den Gezant, waarin
hij over de Guhksche zaken had gesproken, had de aandacht getrokken. Dadelijk be-
sloot men de Fransche Regering nader in te lichten. Dit geschiedde door middel van
een brief aan
langerak , die gelast werd aan hel Fransche Bewind de zaken evenzoo voor
te slellen, als dit na de voordragt van
carleton aan het Engelsche Bewind geschied was.
Bovendien werd aan
du maurier op dit punt ten antwoord gegeven, dat de Stalen met
goed geweien verklaren konden, in deze geheele aangelegenheid niets anders te verlan-
gen, dan wat eenmaal door
Hendrik IV was beraamd en in 1610 mede door de magt
van
Frankrijk was uitgevoerd: een ontruimen van Gulik op het hun voorgestelde for-
mulier, zou regtslreeks lot^ het tegendeel leiden van hetgeen toen begrepen en verrigt
was Deze taal vond ingang, en toen de Gezanten van
Spanje en van de Aartshertogen
er Ie
Parijs op aandrongen, dat aan du maurier betreffende de aanneming van hel

1 CARLETON, I, p. 37, 42, 43, 47.

2 Resol Stat.-Gen. 10, Π Mei, 1616.
^ ouvRÉ,
p. 244.

Resol Stat.-Gen. 11,12 Mei.
® CARLETON, I. p. 85.

ocr page 487

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1616. formulier dezelfde orders zouden gegeven worden als jagobus aan garleton gegeven
had, antwoordden de Fransche ministers, dat men liever de Aartshertogen tot een voor
de Staten aannemelyker schikking moest trachten over te halen Dat de eenstemmig-
heid der beide Regeringen geen oogenblik gevaar geloopen had, bleek voor het overige
weldra, toen
du maurier in last kreeg om de Staten op nieuw plegtig te bedanken,
ditmaal voor de ongeveinsde blijdschap, die zij wegens het gesloten vredesverdrag be-
toond hadden, en voor de verzekeringen, van hunnentwege door den Heer
van lak-
gerak
gegeven. By dezelfde gelegenheid, dat hij zich van deze taak kweet, verzocht
hij de Staten, uit naam des Konings, de Fransche officieren, die gedurende de onlusten
dit land zonder verlof verlaten hadden om zich in hun Vaderland bij de opstandelingen
te gaan voegen, weder genadig in hunne rangen toe te laten; zij toch waren mede
begrepen in de onbeperkte amnestie, die hunne Majesteiten aan hare vijanden verleend
hadden. De Staten vonden geene zwarigheid dit verzoek toe te staan i.

De eenstemmigheid van het Fransche Bewind en zijnen Gezant met de Nederlandsche
Staatslieden op het stuk van de bezetting van de Kleefsche Landen deed
garletok al
spoedig wanhopen, het voornaamste doel zijner zending te bereiken. Hij was herwaarts
gezonden met den last om de ontruiming van
Gulik en Klecfland te verkrijgen, en hy
gevoelde thans zelve het weinig afdoende der gronden van aanbeveling, die hy daartoe
te berde bragt; hij bespeurde maar al te zeer, dat
Engeland zich door den raad, aan
de Nederlanders gegeven, van verstandhouding met de Spanjaarden verdacht maakte,
die, zoo zij al geene regtstreeksche plannen hadden tegen de Vereenigde
Nederlanden^
immers niets liever moesten zien, dan hunne in deze streken gelegerde troepen be-
schikbaar te krijgen om een krachtigen slag in
Italië te slaan Werkelyk waren de
Italiaanschc Staten, die hunne zelfstandigheid wenschten te handhaven, op nieuw ge-
noodzaakt, zich tegen de kuiperyen en de gewapende magt van
Spanje te weer te
stellen. Terwijl
Venetië in Istrië en op zee werd bezig gehouden, zou men, dit was
Spanjes toeleg, op nieuw den Hertog van Savoye trachten ten onder te brengen. De
toestand van
Frankrijk en de zwakheid van jagobus I, die zich door den Spaanschen
Gezant liet belezen, boden daartoe de schoonste gelegenheid aan.
De Venetiaan- April 1616 verscheen giovanni baptista iionello, secretaris van den Vene-

sclie

digile LIONELLO ^'^^J^sc^en Ambassadeur te Londen, in de Vergadering der Staten-Generaal. Hij had in last
te
'$ÏIage. hun kennis te geven, dat de Republiek van Venetië zich genoodzaakt had gezien de wape-
nen op te vatten tegen de
Uscocchi, een volkstam aan de golf van Quarnero, die, uit het
binnenland voor de vervolgingen der Turken uitgeweken, sedert een zestigtal jaren zich

J Resol. Stat.-Gen, 20 Junij; 12 JuHjj 6 Ang. 1616,
2 CARLETON, I, p. 44, 45, 74.

ocr page 488

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

op het plegen van zeerooverij tegen Turken en Christenen had toegelegd, en thans, 1616.
ondersteund door den Aartshertog
Ferdinand , op wiens grondgebied zij woonden, de
onmenschelijkste >vreedheden tegen de bewoners van de toen grootendeels aan
Venetië
toebehoorende gewesten Isirië en Dalmatië bedreven had. Geene pogingen van minne-
lijke schikking met den Aartshertog, zelfs bij den Keizer beproefd, hadden iels mogen
baten. Bij deze mededeeliog voegde de Afgevaardigde geen verzoek oni bijstand. Ook werd zij
slechts met algemeene betuigingen beantwoord.
Lionello vond dan ook het antwoord zeer
koel. Hoe het zij , de Staten waren van den aanvang aan overtuigd, dat zij door eene aanzien-
lijke Spaansche legermagt op hunne oostelijke grenzen in ontzag te houden, alles deden, ^
wat de Italianen voor het oogenblik van hen vergen konden. Maar de eenstemmigheid
van hunne belangen en bedoelingen met die van Feweite^aven zij bij elke gelegenheitl
luide en krachtig te kennen. Weldra verscheen de Venetiaansche zaakgelastigde op
nieuw voor de Staten, om van de door zijne landgenooten bedreven wapenfeiten te
verhalen en tevens den toeleg van
Spanje nader in het licht te stellen. Het Huis van
Oostenrijk scheen openlijk voor de zeeroovers partij te willen trekken, daar er krijgs-
volk in de Oostenrijksche erflanden geworven werd, en om
Venetië^ zoo mogelijk,
tegelijk de handen te binden, had Don
pedro de toledo , Spaanscli Gouverneur van
Milaan^ deze Republiek, ingeval van vredebreuk met Oostenrijk^ met het ongenoegen
zijns Konings bedreigd en voor de gevolgen, die de oorlog in
Italië hebben kon, verant-
woordelijk gesteld. Reeds bleek het duidelyk, dat men zich niet aan het door
Frank-
rijk
en Engeland gewaarborgde verdrag van Asti dacht te houden: men eischte van den
Hertog van
Savoye onvoorwaardelijke onderwerping aan dc genade van Zijne Katholieke
Majesteit. Dus had die Hertog zich van nieuws moeten wapenen. — Na deze berigtcn
gegeven te hebben, vertrok
lionello, met een gouden penning begiftigd, weder naar
Engeland, thans meer voldaan, hoezeer de Staten evenmin bepaalde beloften gedaan
hadden als vroeger i. Spoedig wenschte
Venetië van de vriendschappelijke gezindheid
der Staten partij te trekken. Het trachtte hier te lande door een Nederlandschen Bevel-
hebber, die in hare dienst zou overgaan, lot versterking harer krijgsmagt troepen Ie
liglen. Ten einde deze zaak haar beslag te doen bekomen, verscheen de Secretaris der
Republiek,
ghristoforo suriano, in het laatst van Augustus Ie 'ä Hage. Reeds had
de kolonel
van wassenhoven zich bereid geloond om, behoudens de vergunning der
Staten, een zevenhonderdtal manschappen te leveren, en zijne bemoeijingen hadden steeds
voortgang; maar eene maand later gaf
suriano ambtshalve berigt aan de Stalen, dat Joiian jsrnsï
Graaf johan ernst van kassau, zoon van joiiannes Π (van Nassau-Stegen), zich, be-^hS
houdens der Staten goedkeuring, in Venetiaansche dienst begeven en op zich genomen
had hier te lande
5100 voetknechten te liglen. De Staten stonden den Graaf ziin ver-geworveu

____^ Â·' krijgsvolk.

' Resol. Stat.-Gen, 6, 7, 18, 19 April, 1616. carleton, I, p. 17, 29, 30, 32, 33.

ocr page 489

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1616. langen toe, en verleenden hem verlof voor een jaar. Hij ontving van hen eene instructie,
waarin hij onder anderen verpligt werd een of twee predikanten bij zijn regiment aan
te stellen, en, waar hij kwam, voor zich en zijne manschappen in de garnizoenen en te
velde vrije uiloefening der Gereformeerde Religie, en in geval van overlijden eene eer-
lyke begraafplaats te bedingen. Voorts werd hem opgedragen »den roem van dapper-
heid te handhaven, die ons krijgsvolk gedurende de vorige oorlog in vreemde landen
verworven had." Bij hare dankbetuiging voor de bereidvaardigheid der Staten,
deed de Republiek van
Venetië hare ingenomenheid met het bezit van Nederlandsch
krijgsvolk blyken door te verzekeren, dat zy aan den Graaf den titel van
Generaal der
Hollanders ^
verleende. In het eind des jaars nam ook wassenhoven, die mede op
gunstig advies van Prins
maurits verlof tot het ligten van krijgsvolk gekregen had, van
de Slalèn afscheid om naar
Venelie te vertrekken. De schepen, die den Graaf van
SASSAU met zijne manschappen naar het zuiden overbragten, vertrokken eerst in Maart
van het volgende jaar. Op weinige honderden na verongelukten de Nederlanders in het
vreemde land; zelfs Graaf
johatj ernst overleed in 1617 te Venetië 3.

Terwijl de Venetianen op de kusten der Adrialische Zee te strijden hadden, werd
Dc Hertog van »Savoye in het Noordwesten van Italië al meer en meer bedreigd. De Hertog zond den
President
fresia herwaarts en naar Engeland. Doch genoodzaakt om uit Parijs weder
naar
Piemont terug te reizen, schreef deze Staatsman een brief aan de Staten, waarin
bevestigd werd, dat de Spanjaarden openlijk het verdrag van
Asti schonden. In
plaats dat de Hertog van
Savoye door Frankrijk bijgestaan werd, zagen zich de Span-
jaarden door de hertogen van
nemours en van gtjise met krggsvolk en wapenen onder-
steund. Daarom bezwoer de gelastigde van
Savoye de Staten den bijstand te verleenen,
dien zij, in geval van nood, beloofd hadden, »opdat hun bij de nakomelingschap de
eer mögt bijblijven van de eersten geweest te zijn, die de tirannij vernietigd hadden."
Terwijl
Spanje van de verwarring in Frankrijk en van den val der oude raadsheeren
van
hepfdrik IV gebruik maakte, om karel emanüel bestrijders op den hals te laden,
belette het, door kuiperijen en omkoopiugen in
Graauwlmnderland^ dat hem en den
Venelianen hulptroepen werden toegevoerd. De Staten deden wat zg op het oogenblik
vermogten. Zij droegen hunnen agent te
Heidelberg de taak op om bij den Keurvorst
aan te dringen, dat hij op den aanstaanden
Uniedag, al was het ook dat hij den Hertog

1 Het regimentsvaandel prijkte aan de eene zijde met den Nederlandschen LeeuAv, en aan de
andere met dien van
Sint Marcus, den bescliermheilige van Yenetië (zie de jonge, Nederl. en
Yenetië
bi 69.)

2 ResolSlat.Gen.2, 24Aug.j 29, 30Sept.j 1, 3, 15, 18, 310ct.; 9, 11 Nov.; 23Dec.l616,

3 DE JONGE, Nederland en Yenetië bi 54—77.

ocr page 490

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

van Savoye niet volkomen scheen Ie vertrouwen, niettemin zijne zaak zou voorstaan. l^l^·
Tevens werd
langerak. gelast al den invloed der Vereenigde Nederlanden aan Ie
wenden tegen de ondersteuning der Spanjaarden met Fransche strijdkrachten; aan απάτιι.-
tON werd vergund om met de officieren van zyn regiment, die toen bij
\\Qm m Franhriih
waren, in de dienst van den Hertog van Savoye over te gaan, en eindelijk werd aan
GARON opgedragen, den Koning van
Groot-Brilannië aan de verpligting te herinneren,
die hij te
Asli had op zich genomen i. Inderdaad, dat in dezen stand van zaken in
Italië^ niettegenstaande zijn eigen Ambassadeur te ^sllage de ijdellieid en verkeerdheid
zijner bemoeijingen inzag, en nog gedurig berigten van oorlogzuchtige plannen van
spiNOLAs leger in
Duitschland inkwamen dat niettegenstaande dit alles de Koning
van
Groot-Britannië de pogingen niet opgaf om de Vereenigde Nederlanden tot ont-
ruiming van
Gulik en de andere plaatsen in hel Kleefsche te bewegen, dit drijven,
het moge dan het gevolg van kwaadwilligheid of van dwaasheid geweest zijn, het kan V

niet anders dan met den naam bestempeld worden van verraad aan de zaak, welke die
Koning zich geroepen moest achten te verdedigen. Geen wonder, dat de Staten zich
om de voorstellen van
Engeland in deze zaak niet veel bekommerden. Doch vóórdat
CARLETON met een nieuw voorstel tot ontruiming aankwam, was er nog een hooggaande
oneenigheid over handelsaangelegenheden tusschen
Engeland en de Vereenigde Neder-
landen,
en waren er nieuwe, ook voor onze staatslieden kommerlijke verwikkelingen
in
Frankrijk ontstaan.

Vele nijvere ingezetenen der Vereenigde Provinciën vonden in dezen tijd hun bestaan Oneeuigheid met
in het bereiden en verwen van Engelsche lakens. Aan deze nijverheid werd eensklaps j^vfer Ta^u
de bodem ingeslagen door een plakaat vari den Koning van
Engeland, waarbij de uit-''''""®·
voer van onbereide en ongeverwde lakens verboden werd. Deze maatregel werd door
de onzen beantwoord met het verbod van den invoer van geverwde en bereide lakens,
in de hoop hierdoor
Engeland tot herroeping van dat plakaat te bewegen. Vandaar
tusschen de beide natiën eene spanning, over welker hevigheid men oordeelen kan, als
men leest wat
wikwood in de maand September 1G16 aan garleton schrijft: »Zijne
Majesteit, zijn Raad en zijne onderdanen zijn zoo ontevreden over de Regering der Ver-
eenigde Gewesten, dat, zoo men daarin niet met welgemeende en volijverige popingen
voorziet, en hunne zaken niet anders geschikt worden, er noodwendig een vriendschaps-
breuk ontslaan zal, tot groot nadeel van hunnen Staat en tot voordeel van hunnen
vijand. Want, om het u kort en goed te zeggen, er heerscht hier een zoo algemeen

1 Uesol Stai.-Gcn. 1, 2, 3, 4, 9, 14 November 1616. carleton, 1, p. 144, 145. cHamLOx
maakte cclitcr van-de door hem zelvcn gevraagde vergunning geen gebruik. Zie
Resol. Stal.-Gcn.
18 Jan. 1617.

2 Resol. Slal.-Gen. 1, 4, 6, 18 Julijj 2, 24 Sept. 1616. cabletoit, 1, p. 75, 99, 100.
III D
eel. 2 Stuk. " 78

ocr page 491

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1016. misnoegen over dat strenge plakaat, hetwelk den invoer van onze gevernde en bereide
lakenen verbiedt, en, naar wij vernemen, ondersteund wordt door eene halsstarrige zamen-
zwering tussehen de kooplieden om geen laken, geverwd of ongeverwd, te koopen ,
dat, hoezeer men nog geen openlijk besluit genomen heeft, evenwel elk opregt Engelsch-
man denkt en zegt, dat zijne Majesteit, volgens regt en billijkheid en om redenen van
Staat, allen handel tussehen zijne Rijken en de Vereenigde Provinciën moet verbieden,
en, met herstel van vroegere verordeningen, den Hollanders hunne jaarlijksehe visseherij
op onze kusten moet ontzeggen. Ik ken wel het karakter van dal volk en den aard
van hen, die zich aan het roer van den Staat bevinden. Zij worden niet gaarne in
hunne maatregelen gedwarsboomd,
el quod voluut, valde vohmt ^; maar dit is zeker:
het moge kosten wat het wil, al werd
aard en hemel er door in rep en roer gebragt,
nimmer zal zijne Majesteit dezen hoon willen slikken en nog veel minder dien willen
verduwen
2." Bij hun opzet om de Staten tot inschikkelijklieid te dwingen vonden de
Engelschen een gereed hulpmiddel in de omstandigheid, dat er eene belangrijke stad
in de Vereenigde Provinciën was, wier belang strijdig met dat der overige Nederlandsche
kooplieden en één was met het hunne. Deze stad was
Middelburg, alwaar verscheidene
Engelsche kooplieden,
merehants adventurers genaamd, gevestigd waren, die bij de
handhaving van hel plakaat der Stalen hun bedrijf Ie gronde gerigt zouden zien , waar-
door de stad hunner inwoning grootelijks zou benadeeld worden. De Regeerders van
Zeelands hoofdstad bleven niet in gebreke voor haar belang op te treden. Den ΙΟ"*·^"
Julij verschenen JonA.ir
vetii, burgemeester, simon van beaufort en jakob boreel,
Raad van Middelburg, voor de Staten-Generaal met verzoek dat het hun gelieven mögt
hel bewuste plakaat te wijzigen. Reeds had, voerden zy aan, de Koning van
Engeland
zijn plakaat gematigd, zoodat thans slechts het tiende deel der Engelsche lakens ge-
verwd zou moeten worden uitgevoerd, en de overige negen lienden onbereid en onge-
verwd herwaarts overgevoerd zouden mogen worden. Zoo zouden de hier gevestigde
verwers geen nadeel van belang lijden. Tegenover dit verloog had de Advokaat van
Holland dadelijk een ander vertoog van de kooplieden en verwers van wollen lakens in
deze landen in Ie leveren en te ondersteunen. Niettemin bleek des anderen daags de
stemming van de Gedeputeerden der Provinciën gunstig voor
Middelburg te zijn, zoodat
men de afgevaardigden dezer stad verzocht een voorstel te doen, hoe dan naar hun
advies het plakaat gewijzigd behoorde te worden. Evenwel aan het verlangen van de
Engelschen en de Middelburgers zou zoo gereedelijk niet voldaan worden, en er bleef
voor alsnog eene gevaarlykc aanleiding tol twist bestaan. Kwalijkgezinden (schrijft wm-

^ Wat zij willen, willen zij sterk.
2 CAIILETON, 1, p. 110 — 112.

J

ocr page 492

DES VADERLANDS. 651

wood) stookten hel misverstand tussclien Engeland en de Vereenigde Provinciën aan 1C16.

en, was oldenbarnevelt genoodzaakt de zaak voor de voornamelijk in Holland gevestigde
kooplieden op te nemen, zijn tegenstand was een reden te meer om de jaloezij van
Zeeland op te wekken. Het was toen juist de tijd, dat deze Provincie de uiterste
pogingen, die aangewend werden om haar tot het betalen van het volle bedrag harer
quote in de algemeene lasten te bewegen, volhardend weerstond. In het midden van Bezwaren vaa
het jaar 1616 had Zeeland verklaard, wegens den achteruitgang harer welvaart, het
gevolg van het openstellen der Vlaamsche havens en van het verloopen van stroomen
en diepten voor de voornaamste Zeeuwsche steden, buiten staat te zijn hare
quole te
betalen op den voet, ten gevolge van de uitspraak van Prins
maurits. Graaf Willem
LODEWiJK en den Raad van State bepaald 2. In plaats van elf verlangde zij slechts acht ten
honderd te betalen. De gronden en bewijzen, waarop dit verlangen steunde, werden door
Zijne Excellentie en den Raad van State niet voldoende bevonden. Dus besloten de Staten,
de Gecommitteerden van
Zeeland met ernst af te vragen, of zij werkelijk gelast waren,
niet hooger dan tot het aanbod van aclit per cent te komen, ten einde »die verdrietige
besogne" te bekorten, en »meerder eenigheid en vriendschap onder de Provinciën voor
de verzekerdheid van den Slaat van den Lande onderhouden mögt worden." Toen men
uit de Gecommitteerden geen enkel bemoedigend woord had kunnen krijgen, en de
Stadhouder en de Raad van State reeds hadden voorgesteld, de weigerachtige Provincie
tol submissie van het verschil aan de Generaliteit te vermanen, werden de Heer van
vervou, Lid van den Raad van State, en de Tresorier-Generaal de bie naar Zeeland
afgevaardigd om volkomen opening van den Slaat van zaken te bekomen en daarop hun
oordeel te gronden, of de Provincie werkelijk zoo onvermogend was. Na een maanden
lang verblijf in
Zeeland^ bragten deze Heeren het verslag mede, dat de Staten dezer
Provincie niels toegaven; maar om iets toe te brengen ten einde het langdurige verschil
Ie doen ophouden, voor de jaren 1614, 1615, 1616 en 1617 eene quole van 854 zou-
den dragen. Hierop sloegen de Stadhouder en de Raad van State bij Avijze van voor-
loopigen maatregel voor, aangezien
Zeeland met de stukken haar onvermogen om
elf ten honderd op Ie brengen bewezen had, hare quole voor de genoemde jaren te
bepalen op 9 len honderd. De dus ontbrekende twee per cent zouden over de andere
Provinciën omgeslagen Avorden. De Raad van State trad bovendien ook in zooverre
lot de zienswijze der Zeeuwsche Staten toe, dat hij aan de Provinciën voorstelde, op
het voorbeeld van
Holland en Zeeland, eenparige middelen op de consumptie en de
vaste goederen te willen invoeren. Iets waarop die van
Zeeland, met beroep op de

^ CARLETON, I, p. 113.

2 Zie hiervoor hladz. 541, 54^.

78*

ocr page 493

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

IGIC. Unie, sleeds aandrongen, als het beste middel om den ellendigen strijd op het stuk der
quoten te Toorkomen ^ In dezen slaat van zaken laat het zich ligt beseffen, dat de
strijdige belangen van
Holland en Zeeland op het stuk van de Engelsche lakens een
reden tot ongenoegen te meer moesten zyn. Hoe, zullen de Zeeuwen gezegd hebben, zal
men ons dwingen, ten behoeve van
Holland, ook nog deze bate op te offeren? zullen
Avij ook hier den alles vermögenden Advokaat van den Lande tegen ons gesteld vinden ?
»Zoo
Holland,^'' schrijft de Engelsche Staatsman winwood, »even als de milt, volgens
het Latijnsche spreekwoord, het levenssap en het bloed van den ganschen handel tot
zich trekt, hoe zal
Zeeland dan haar contingent betalen, waarover juist thans zoo heftig,
als ware het voor haardsteden en altaren, gestreden wordt." Wat de Engelsche Staats-
secretaris er bijvoegt, is wel geschikt om ons het gevaarlijke van deze partijschap van
Zeeland te doen inzien. »AI stond alles gelijk," schrijft hij met het oog op eene
onderhandsche poging, door de stad
Dordrecht gedaan, om de Engelsche lakenkoopers
uit
Middelburg binnen hare muren te lokken , » zoo onze kooplieden even veel voor-
deel te
Middelburg vinden kunnen, als in ecnige andere stad, ziet Zijne Majesteit liever,
dat zij daar blijven, deels wegens de nabuurschap tusschen
Engeland en Zeeland, deels
omdat deze Provincie ons Land en onzen landgenooten altijd het meest genegen is ge-
weest 2." Men ziet, dat het niet veel scheelde, of
Engeland heulde met Zeeland
tegen de Provincie Holland en haren grooten staatsman.

Daar het verzoek van Middelburg nog altijd onbeantwoord gebleven was, herhaalde
deze stad den 1September hare aanvrage om schorsing van het plakaat, ten einde de
Engelschcn in
Middelburg mogten blijven wonen en hunne nering drijven. Daags daaraan
gaven de Iloliandsche Gedeputeerden verslag van het gevoelen hunner lastgevers en van
dat der Hollandsche lakenkoopers en lakenverwers, door hen gehoord. Dezen vonden
bezwaar in de inwilliging van het verzoek van
Middelburg, en stelden voor, afgevaar-
digden van de in
Middelburg gevestigde Engelsche en van de Nederlandsche kooplieden
naar
's Hage te roepen, ten einde te beproeven lot een vergelijk te komen. Dit voorstel
werd aangenomen, en de bijeenkomst op den October
bepaald 3. Intusschen trachtte
de Engelsche Gezant, die blijkbaar telkens door
oldenbarnevelts redenen overtuigd wei'd,

1 Resol. Stat.-Gen. 9, 23, 26 Julijj 29 Novj 6 Dcc. 1616. carleton, I, p. 143. Bij lum
J)eiOep op de Unie liaddcn de Zeeuwen Artikel 5 van dit Staatsstuk op het oog. De eenparigheid
Λ an middelen, die voorzeker in de opbrengst zelve den maatstaf der ßnancieele krachten van elke
Provincie zou gegeven hebben, Avas echter bijna onuitvoerbaar wegens het verbazend verschil, dat
er in middelen van bestaan, in Avelvaart, in levenswijze, in hecrschende gebruiken en regten
tusschen de verschillende Provinciën bestond.

- CARLETOS, 1, p. 114.

3 Rcsol Stat.-Gen. 19, 20 Julij; 14, 15 Sept. 1616. carleton, I, p. 126.

ocr page 494

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

zijne Regering lot verzoening Ie stemmen. Hij schreef, waarin die zoo Loogopgenomen igig.
zamenzwering der Hollandsche kooplieden beslond. In Amsterdam^ het is waar, deed
men krachtige pogingen om door voorschotten, verstrekt aan lien, die weefgetouwen
oprigtten, den invoer van Engelsche onbereide lakens te kunnen missen; maar desniet-
tegenslaande geloofde hij niet, dat het doel was, hetzij van den Slaat, hetzij van de
kooplieden, de Engelsche lakens volstrekt uit te sluiten. Slechts schenen zij
Engeland
lot eenige matiging te willen bewegen, vermits het Engelsche plakaat onloochenbaar
den ondergang van een groot aantal lakenbereiders en lakenverwers medebragt. Voorts
waarschuwde hij in zijn schrijven voor het gevaar van een volstrekte opheffing Tan al-
len handel lusschen
Engeland en de Vereenigde Nederlanden. Kwam de Engelsche
Regering lot zulk eenen maatregel, dan was het niet te berekenen, waartoe een volk
als de Hollanders komen kon: den handel zouden zij nimmer opgeven, en andere we-
gen zouden zij zich wel weten Ie openen, wanneer de gemeenschap met
Engeland
hun gesloten was In Engeland stelde men zich weinig goeds van de bijeenkomst
van den 4''®" October voor, en dit vooral wegens de stellige begeerte des Konings, om,
zoo al niel eensklaps, dan toch langzamerhand, den uitvoer van geene andere dan van
bereide en geverwde lakenen toe Ie staan. Om de Hollanders te doen boelen, zoo zij
van hunne zijde niet toegaven, stelde men zich voor, de Engelsche kooplieden uit
Middelburg te laten vertrekken, en de stapelplaats der Engelsche lakens naar Hamburg
of Antwerpen te verplaatsen Men dacht een nieuwen weg om deze fabriekswaar te

^ cakleton, I, p. 119—123. De Gezant {jcbruikt hier liet Spaansclic spreekwoord: quando
siërra una puerta, allra apre la forluna,
dat is; als de fortuin de eene deur sluit, opent sij de
andere,
en, voegt hij er bij., »de Hollanders zijn mcnsclien om blindelings en tot cltcn prijs
cenen uit\veg te zoeken door deze Spaansclie deur, die hun altijd openstaan zal, liever dan hunnen
handel te verliezen." Wil hij hiermede slechts in liet algemeen zeggen: »de Hollanders zullen
zulk eene andere deur wel vinden als waarvan in het Spaansehe spreekwoord gesproken wordt,
of zinspeelt hij op eene alliantie van dc
Nederlanden met Spanje tegen Engeland? Is dit laatste
zijne meening, dan was zijn argument minder grondig dan wel berekend om
jacobüs 1 te treilen,
die zich
Spanjes gunst niet gaarne zou afgewonnen gezien hebben door Spanjes bittersten
vijand. Of bedoelt hij, dat
Nederland zijne schade op Spanje zou weten te verhalen, door dit
Rijk in de
West-Indiën te gaan bestoken, en zoo doende de breuk onheelbaar en de oorlog,
waarvoor
jacobüs zoo bang Avas, onvermijdelijk te maken? Iets dergelijks heeft oldkndahnkvelt
hem waarschijnlijk voorgespiegeld, ten einde Engelands toon wat lager te stemmen.

- Antwerpen was vóór de onlusten de zetel ook van dezen tak van nijverheid en handel. Wel is
waar, Avas thans
άα Schelde niet vrij - maar men vleide de Engelsche kooplieden met dc voltooijing
van een kanaal van
Ostende naar Brugge, eenige jaren geleden door den Markies spisola begonnen
(carleton, I, p. 150). — Men kan zich van de hardnekkigheid van Koning jacobus eenigzins reden
geven, Avanneer men weet, dat een man als
baco hem ontraden had, den lakenhandel vrij te

ocr page 495

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

ICIC. slyten te Nizza of te Villafranca te vinden; »maar," schrijft winwood, »ik vrees,
dal dit slechts eene hersenschim is, die als een droom zal verdwijnen. Gij ziet dus in
v\'elk eene verlegenheid wij zijn. Misschien zouden wij wijzer *gedaan hebben door dat
besluit betreffende het verwen en bereiden onzer lakenen niet te nemen." Eene spoe-
dige overzending van Nederlandsche Gecommitteerden naar
Londen om de geschillen bij
te leggen beschouwde
winwood als het eenige middel om de geheele opheffing van
den handel te voorkomen Evenwel na een onderhoud met
oldenbarnevelt gaf gar-
LETON de geruststellende getuigenis van de gezindheid der Staatslieden in Nederland tot
schikking, in weerwil van den tegenstand der kooplieden. Wel mögt van tegenstand
der Hollandsche kooplieden gesproken worden, want verre van iets toe te geven, ver-
meerderden hunne klagten. Uit
Amsterdam kv>'am een rekest aan de Stalen, waarin
geklaagd werd »over de ondragelijke lasten, waarmede de handel der Nederlandsche
nalie in
Engeland tegen alle gewone vrijheden, ja zelfs tegen vroegere en latere trak-
taten, bezwaard werd." Nietlemin leidden de ingeleverde stukken en redeneringen der
te ^sHage zamengekomen partijen de Stalen ten minste lot de voorloopige opheffing
van den hinderpaal, die den handel der Engelsche kooplieden oogenblikkelijk in den
weg stonden. Voor het overige werd het plakaat in stand gehouden.
Carleton schreef
in een verzoenenden geest naar zijn Hof, en
garon werd genoegzaam ingelicht »om
Zijne Majesteit en de Heeren van zijnen Raad tegen alle kwaadwillige voorstellingen
van de zaak te wapenen

Verschil met Nog bestond er een ander punt van verschil lusschen de Engelsche en de Nederlandsche
lakenkoopers. Het betrof de zoogenaamde
Tarra, dat is, de gevorderde lengte en breedte
der lakenen. In
Engeland was het rekken en ramen der lakens op grond van oude coslumen
verboden, en alzoo kon hel Engelsch fabrijkaat bij den uitvoer niet met het Nederlandsche
wedijveren. Toen de kooplieden het ook op dit punt met elkander niet eens konden
worden, en de Staten op nieuw gewaarschuwd waren, dat de Koning van
Grool-Brit-
lanniö
niet voor eene geheele opheffing van allen handel met de Vereenigde Provinciën
zou terugdeinzen, werden de plakalen op het stuk van de tarra gewijzigd, nagenoeg in
overeenstemming met hetgeen in 1604 door de Engelsche kooplieden zeiven was goed-
gevonden , en bovendien » uit aanmerking van de weldaden des Konings en de aanzoe-

lions.

Iii

{fcvcn, en meende, dal; deze niet anders dan door beschermende regten ton in stand blijven:
vloeide, schrijft hij, in de Engelschen dezelfde republikeinsche ader, als in de Hollanders, dan
zouden zij, even als dezen gcoctroyecrde compagniën kunnen missen. Zie de plaats uit
mahou,
aangehaald bij früin, Tien jaren uit den SOjar. oorl.^ hl. 141.

1 cARLETox, I, p. 127, 128, 148—150. Rcsol. Slat.-Gen, 22 Oct. 1616.

2 Resol Slat.-Gen, 5, 6, 10, 11, 12, 13, 14 Oct. 1616. carleton, 1, p. 130, 131.

ocr page 496

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

ken van de Engelsche kooplieden en de Gecommitteerden der stad Middelburg bij 1016.
wyze Tan dispensatie op hel plakaat van 1614, toegelaten, dat allerlei lakens, in Enge-
land
bereid en geverwd, Ie Middelburg mogten ingevoerd worden om daar aan vreem-
den (niet ingezetenen dezer landen) verkocht en vandaar naar alle andere landen te
worden uitgevoerd In het eind van de maand October verscheen hier uit
Engeland
de Heer misselden met den last om de bijlegging der geschillen Ie bespoedigen. Toen
echter waren de partijen reeds vertrokken, de Engelschen met een geschenk van 100
daalders »tol hunnen wyn," en van
oldenbarneyelt, wien de laak was opgedragen
om den nieuwen onderhandelaar Ie woord te staan, kreeg hij alle mogelijke verzeke-
ringen van de geneigdheid der Stalen om zich in al hetgeen er nog te regelen over-
bleef, zoo veel mogelijk naar de inziglen zijner Majesteit Ie voegen. Niettemin bleef
JAGOBUS nog op hel zenden van eenige afgevaardigden naar
Engeland aandringen om
de herhaling van zulke ooaangenaamheden Ie voorkomen; doch de Stalen waren niet
bijzonder genegen om daartoe over te gaan. Wel wenschten zij den nog voortdurenden
strijd over de uitlegging der plakaten door gemeenschappelijk beraad der belangheb-
benden bij te leggen 2.

Zoo had OLDEKBARNEVELT door toegefelykheid het ongenoegen der Middelburgers be-
vredigd, en den Koning van
Engeland allen redelijken grond lot vyandelijkheid benomen.
Ware deze moeijelijkheid niet opgeheven, de partij der roekeloozen, die niet schroomden
alles op het spel te zetten en het uitbreken van den oorlog onvermijdelijk Ie maken,
waren er door gestyfd geworden, en de omstandigheden, waarin
Frankrijk verkeerde,
de maatregelen, waartoe dit Rijk onze Staatslieden noopte, gaven aan deze partij loch
reeds aanleiding genoeg om zich te doen gelden.

Na den vrede van Loudun waren de Raadslieden der Kroon, hoe weinig gevallig staat der zaken
ook aan de Prinsen, in hunne betrekkingen gehandhaafd. Tegen den Maarschalk ο'λκοβε iranknjk.
had GONDÉ zich openlijk uitgelaten; maar menige slem van zijne aanhangers had zich
ook verheven legen mannen, als
villeroy, jeannin, puysieux en sillert, cn zich niet
ontzien hen van verraad te beschuldigen, en ten minste den laatste te verwijten, dat
bij zich door Spaansch geld had laten omkoopen Hun val zou het blijk wezen, dal
het Hof zich niet meer aan de staatkunde van
Hendrik IV gelegen liet liggen; dal men
zich door zulke vaderlandslievende mannen eer belemmerd dan gediend beschouwde.

1 Resol Stat.-Gen. 17, 22, 24, 25, 28 Octob. 1616.

2 Resol Stat.-Gen. 27, 31 Oct.; 1 Nov.; 9, 23 Dcc. 1616j 18, 20 Febr.; 28 April 1617.
cARiETOji, 1, p. 137, 138, 153, 155, 164.

^ Zie een licfiiij pamflet, in het Nederl. vertaald met den titel: Onimoetinghe van ÏIcndrick
d. Groole aan den Coningh bclanghende de reyse van Spangien {Bibl. v. Pamß.,
Ν". 1127).

ocr page 497

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1C16. Inderdaad was dit hel geval: het rainislerie viel; maar Iegelijk onlviel aan de Koningin
en haren gunsteling den Maarschalk de steun, dien de acblbaarheid, de braafheid en
de bekwaamheid dier mannen hun verleend had. ïhans stond eigenbelang en geweld
tegenover roekelooze heerschzucht. Wilde de hofpartij zich niet door de Prinsen en
Grooten de wet laten stellen en wijken voor hun geweld, zoo moest er een stoute slap
gedaan worden. Men handelde,
zoo als van eene partij te wachten was, die gecne

coxdii gevan- edele drijfveêren voor hare daden had aan te voeren, en de Prins van condé werd ver-
sen gcnoniDii. tw i Â· Â· Î¹Â·Â·Î¹ i i i

raderlijk gevangen genomen. Dit was het sein tot een nieuwe opennjke vredebreuk
tusschen de Grooten en het Hof, en weldra zouden de Nederlandsche Staatslieden weder
partij te kiezen hebben. Ditmaal echter was die keuze voor de Staten hagchelijker dan
ooit. Met hen bevond zich de Fransche Gezant in nagenoeg gelijke verlegenheid. Niet
alleen had hij met de gevallen ministers zijne beschermers verloren, maar ook de zaak,
die hij diende, scheen verloren. Hij werd met afzetting bedreigd, en was meer dan
eens op het nemen van zijn ontslag bedacht i. Te midden van zyne verlegenheid ont-
ving hij het berigt van
gondés inhechtenisneming. Nu was hij een tegenstander kwijt;
maar welke gevolgen zou die gewaagde stap hebben, en was het Koningschap thans
nog de diensten van een eerlijk staatsman waard? Niettemin er was nog eene Regering,
hoe laag gezonken ook, en de handhaving dier Regering alleen kon haar voor het
inhalen van Spaansche hulp behoeden. Op dezen grond waren alle waarlijk vaderlands-
lievende mannen ver[)ligt door hunne ondersteuning de Regering te dwingen,
Frankrijk
bij zijne zelfstandigheid te bewaren. De gronden, die hier den waren Franschman
besturen moesten, golden tevens voor die Staatslieden builen
Frankrijk, welke bij de
zelfstandigheid van dit Rijk belang hadden en het noch afhankelijk van
Spanje, noch
aan baatzuchtige of doldriftige personen en partijen overgeleverd zien wilden. Zoo bleef
dan ook
oldenbarnèvelt zijne oude staatkunde ten aanzien van Frankrijk getrouw.
Zoodra de tijding der gevangenneming van den Prins van
condé te ^s Gravenhaga ont-
vangen was, werd aan
latvgerak geschreven, dat men met groot leedwezen dit nieuwe
voorval vernomen had en vurig hoopte, dat door Gods genadige beschikking de zaak
eene vreedzame uilkomst mögt hebben: de Gezant moest alle goede diensten doen,
opdat de zaken bijgelegd mogten worden ten beste van zijne Majesteit en van het Rijk
»zonder eenige
extremiteiten.^^ Dat men den Koning niet onvoorwaardelijk wenschtc
te ondersteunen, bleek niet alleen uit deze laatste uitdrukking, maar ook uil hel vroe-
ger aan cnaTiLLON geweigerd, maar thans verleende verlof om in
Frankrijk Ie blijven,
en uit de vermaning, waarmede men dit verlof deed gepaard gaan, dat ook hij zich
beijveren zou om verzoening en vrede te bevorderen. Den 17''®" September deelde
DU MAURiER hct ϊπ
Frankrijk gebeurde ambtshalve aan de Slaten-Generaal mede. De

ouvRÉ, p. 246.

ocr page 498

DES vaderlands. 625

Koning, zeide hy, was, om erger te verhoeden, lot dien slap gedrongen geweest en 161G.
twijfelde niet, of Hun Hoog Mögenden zouden overeenkomstig hun groot verstand en
bijzondere wijsheid in zijne droefheid deelen; zy zouden, hoopte hij, hem gaarne bij-
staan tot genezing der rampen, waarmede het belang dezer Republiek zoo zeer gemoeid
was, aangezien het hier de bevestiging betrof van zijn koninklijk gezag, waarin hunne
vrijheid haren hechtsten steun gevonden had en steeds zou vinden. Evenwel vleide hij
zich, geene dadelijke hulp te behoeven. Alleenlijk verzocht hij de Staten de desertie
der Franschen, die in hunne dienst waren, te verhoeden, en alle ligtingen van krijgs-
volk, dat tegen den Koning zou dienen, te keer te gaan, niet alleen op hun gebied,
maar ook in die streken van
Duitschland y welke door hunne troepen bezet waren. Zoo
had hij hoop in zijn Rijk de orde te herstellen, waarvan ook de (sedert meer dan een
jaar achter gebleven) betaling der Fransche regimenten afhing. De Staten antwoordden
drie dagen daarna, betuigende, dat zij het voorgevallene zeer betreurden en gaarne lot
eene gunstige uitkomst zouden medewerken, waartoe zij verpligt waren door de traktaten,
van welker nakoming zy zich altyd kwijten zouden, als gold het hun eigenen Staal.
Op 's Konings verzoek zouden zij de wapeningen ook in de Guliksche en Kleefsche
Landen verbieden. Werkelijk werd er spoedig een plakaat uitgevaardigd, waarbij aan
alle krijgslieden de vryheid ontzegd werd, om by vreemde Koningen en Prinsen dienst
te nemen, of zich naar andere landen te begeven, en levens de uitvoer van krijgsbe-
hoeften zonder byzondere vergunning verboden werd.

Bovendien had men op een schrijven van den Heer van langerak te antwoorden,
waarin hij meldde, dat bij door den Engelschen Gezant te
Parijs aangezocht was om
zich met hem te vereenigen, ten einde gemeenschappelyk het herstel van den binnen-
landschen vrede te bevorderen. CARLETOii, hiervan onderrigt, deed stappen bij den Prins
en
OLDEWBARWEVELT Om Ie bewerken, dat zy hunnen Gezant last gaven, zich aan
THOMAS EDMOWDES aan te sluiten. De Prins en anderen waren met dit denkbeeld inge-
nomen; maar
oldenbarnevelt , de vroegere houding van Engeland bij Frankrijks on-
lusten gedachtig, en wetende dat
Engeland verdacht werd van den toeleg om van
Frankrijks binnenlandsche geschillen voordeel te trekken en zich misschien wel van
Guyenne meester te maken, zag het gevaarlijke van de zaak genoegzaam in om er zich
niet gunstig over te verklaren ^

Bij de plannen, die de Koningin op het oog had gehad, was het haar raadzaam
voorgekomen, zich de toegenegenheid van Prins
maurits en zijnen jongeren
broeder te verzekeren, of hen ten minste door geschenken te binden. Zij had den
stalmeester des Konings, den Heer
de pluvinel, met zes fraaije, prachtig bekleede
Spaansche paarden herwaarts gezonden, om er uit naam des Konings vier aan Prins

» Resol, Stat. Gen. 2, 11 Aug.j 14, 17, 20 Sept. 1616. carlpton, 1, p. 100—108.
liï. Deel 2 Stuk. 79

ocr page 499

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1(516. maurit3 en t\Yee aan Prins hendrie: aan te bieden, en deze kwam aan juist op den
dag Tóór het berigt van
gondés gevangenneming. Iedereen zag hierin eene poging
om der Prinsen welwillendheid te winnen. Tevens was
pluvinel overbrenger van
een zeer toegenegen brief van den Koning aan de Staten, wiens beantwoording op
nieuw vriendelijke betuigingen van hen vergde Spoedig zou de welwillendheid van
den Prins en de bereidvaardigheid van de Staten dadelijk op de proef gesteld worden.

De Flansche Het was, toen du maurier den 28'"'" September, op last van zijnen Koning, kwam
züekt"de toezea-verzoeken, dat de Staten aan de twee Compagniën Fransche ruiters, die zij in dienst
fchS ^nüS^iü Â» vergunnen zouden voor eenen tijd, ten dienste des Konings, naar
Frankriß te

Staatsche dienst, trekken. Reeds had de Koning van de Aartshertogen voor deze troepen vrijen doortogt
door de
Zuidelijke Nederlanden verkregen. De Staten draalden niet lang. Zonder
vriendschapsbreuk en schennis der verdragen, zonder de sterkst sprekende verzaking
Yan de partij, die zij voorgenomen hadden in
Frankrijk voor te slaan, viel het verzoek
niet te weigeren. Ook werd het reeds den 50''"° toegestaan. De troepen zouden bevel
lot het uittrekken krijgen, zoodra de brieven van de Aartshertogen, die hun vrijgeleide
verzekerden, ontvangen zouden zijn. Prins
biaurits was juist op den dag dat du maurier
zyn verzoek deed, uit ^s Hage vertrokken om de Geldersche grensplaatsen te gaan
inspecteren Doch misschien was de geheele zaak meer schijn dan ernst, en hadden
de Staten grond om te vermoeden, dat het niet lot het vertrek der troepen zou komen.
Inderdaad, kon de Fransche Regering genoeg op de trouw dezer soldaten rekenen om
verzekerd te zijn, dat zij, in
Frankrijk aangekomen, niet, ten minste voor een deel,
de partij harer vijanden zouden kiezen? Wanneer men deze vraag ontkennend moet
beantwoorden, is het vermoeden niet ongegrond, dat het de Fransche Regering slechts
te doen was om van de Staten een gunstig antwoord op haar aanzoek te verkrijgen,
ten einde zich daarvan als van een blijk hunner Irouw te bedienen. Zoo groot was
de roem van de dapperheid der Nederlanders en van de onuitputtelijkheid hunner
strijdkrachten; zoo degelijk gevestigd was hun naam als voorvechters van het Pro-
testantisme tegen
Spanje, dat het voor de Fransche Regering genoeg was op der Staten
bereidvaardigheid Ier harer hulp te kunnen wijzen, ten einde de partij der Grooten lot
omzigtigheid te nopen en de Hugenoten tot nadenken te brengen. De schotschriften en
staatstukken van die dagen in
Frankrijk zijn vol van de klagt, dat dit Rijk ten val
neigde, — wel nu, het kan met waarheid gezegd worden, dat zonder de zedelijke
ondersteuning van onzen Slaat
Frankrijk als monarchie toen ware te gronde gegaan.

ï Resol. Stat.-Gen. 18 Sept, 1616. carletoh, 1, p. 102, 110. Prins maurits beantwoordde het
gesclienk met zijn portret op een met diamanten omzet medaillon, ter waarde van 6500 franken,
eu Prins
Hendrik met vier koetspaarden.

^ Jicsol. ßtaL Gen, 28, 30 Sept. 1616. carletodi, I, p. 108, 110, Π6.

ocr page 500

DES VADERLANDS. G2'

Zoo vergold Nederland wat het in den tijd van Hendrik den Groolen aan Frankrijk Ie iGiß·
danken had gehad.

Dat in Frankrijk aan de overkomst dier twee Compagniën ruiters zulk eene dringende
behoefte niet bestond, blijkt uit de omstandigheid, dat er van haar vertrek niets kwam
en het verzoek spoedig werd ingetrokken. Hoe het zij, weldra kwam
du maurier met
een ander verzoek aan. In de heerschende verwarring hadden de Fransche Protestanten
eene algemeene vergadering byeengeroepen te
Rochelle, met het doel om eenstemmig
te handelen, en te verhoeden, dat de eene hunner Kerken deze, de andere gene parlij
koos, en tevens met kracht het herstel der grieven te bevorderen, waarover zij zich bij
den Koning te beklagen hadden. Onder hunne grieven was niet de minste, dat de Hertog
van
bouillon, door spinola. bedreigd, in de verzekering van zijne stad iSerfaji, eene plaats
voor de verdediging van
Frankrijk en de Gereformeerde Kerken zoo gewigtig, niet al-
leen door den Koning, die hem wantrouwde, verhinderd was, maar eenigermale als schul-
dig aan gekwetste majesteit was aangemerkt. In deze omstandigheden had de houding
der Hugenoten een hoogst gevaarlijk aanzien, en daar zij mede optraden legen den
gemeenschappelijken vyand in
Braband en voor den schoonbroeder van Prins maurits,
zoo slond het te vreezen, dat het den Nederlandschen Staatslieden, die tot nog toe het
roer in handen hadden, op den duur onmogelijk zijn zou, tegen den stroom op te
zeilen en
lodewijk XIII met zijne moeder langer te ondersteunen. Reeds was de
Kapitein van een Staatsch oorlogschip, met name
jan Janssen van der linden, dien
van
Bochelle tegen den Hertog van épernon, welke hen bedreigde, behulpzaam ge-
weest: hij was de
Charente opgevaren, had daar kwalijkgezinde lieden opgeruid en
vier Edelen van 's Hertogs gevolg gevangen genomen. Wat moesten de Fransche Gere-
formeerden nu anders denken, dan dat eindelijk de Nederlanders voor hen parlij gekozen
en besloten hadden, hen gewapenderhand te ondersteunen? Dus kwam het op eene
spoedige en krachtige maglsvertooning aan in tegenovergestelden zin. Den Hugenoten
moest onmiskenbaar blijken, dat de Koning de magt der Stalen nog steeds op zijne
hand had. Daarom verlangde hij een zeker aantal Nederlandsche oorlogschepen
Zij verzoekt om
op de Gironde te zien kruisen, met het kennelijk doel om het gezag des Konings te oorlogschepen
handhaven. Doch hoe de Staten hiertoe Ie bewegen? Hoe het verzoek hiertoe dus jq »»ar «Ie ft«««?*?,
te riglen, dat zij het, zonder al te groote ergernis te geven en eene omwending in
den zin der gemoederen of misschien wel eene omwenteling in den Staat uit Ie lokken,
toestaan konden? De zaak werd behendig aangelegd. Den 26*'®" October overhandigde
du maurier in de vergadering der Staten eenen brief van den Koning met klagten
over den Heer
de lussan, Gouverneur van Blaye, die, zonder daartoe last van den
Koning te hebben, op de
Garonne en de Dordogne eene nieuwe belasting invorderde,
driemaal hooger dan de gewone Koninklyke belasting, en alzoo niet alleen den Fran-
sehen onderdanen, maar ook den vreemden, bepaaldelijk Nederlandschen kooplieden,

. 79*

ocr page 501

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1016, die zich te Bordeaux van wijnen kwamen voorzien, overlast en schade aandeed. Verbod
en geregtelijke vervolging hadden niet gebaat. Thans was de Koning voornemens, zijnen
oproerigen onderdaan te land en ter zee binnen
Blaye te belegeren, en verzocht ten
dien einde de Staten -vyf oorlogschepen naar de
Gironde te zenden. Na dit verzoek
medegedeeld te hebben, gaf de Gezant berigt van eene gunstige wijziging in de ge-
zindheid der Grooten: de voornaamste Heeren, die zich aanvankelijk na
gondés ge-
vangenneming van het Hof verwijderd hadden, waren derwaarts teruggekeerd, en na dit
alles deed hij verslag van de handelwijze van
jan Janssen van der linden, met ernstig
verzoek, dat de Staten op zulk een gevaarlgk feit orde zouden gelieven te stellen. Men
ziet het, de zaak werd voorgesteld, alsof het slechts de bestraffing betrof van eene op
zich zelf staande daad van wederspannigheid, zonder regtstreeksche staatkundige betee-
kenis, en het handelsbelang der Nederlanders werd zeer behendig in de zaak betrokken;
de stoute daad, eindelijk, van den scheepskapitein werd voorgesteld als met de hoofd-
zaak in geen verband staande en alzoo als vreemd aan de beweegredenen, die tot het
verzoek om de oorlogschepen geleid hadden. — Twee dagen later werd
du mauriera
voorstel beantwoord met de verklaring, dat de Staten op het gedrag van jan Janssen
orde zouden stellen; dat men niet hoopte, dat de Heer de lussan het uiterste zou
afwachten, maar, deed hij dit, zoo zou men Zijne Illajesteit met vijf oorlogschepen
bijstaan. — De maatregel, dien de Staten nameo met
jan Janssen, van wiens bedrijf
zij aireede door
langerak onderrigt waren, bestond geenszins in eene harde straf, maar
in niets anders dan in den last, hem gegeven, om met zijn schip naar
Blaye te varen
en aldaar de schepen te geleiden en te beschermen tegen de afpersingen van den Heer
de lussan. Zoo wcrd de voldoening door de Staten wegens het gedrag van eenen
hunner zeekapiteinen aan de Fransche Regering gegeven, een middel in hunne hand
om voorloopig aan haar verlangen te voldoen in die mate, als zij daarvoor had durven
uitkomen, in afwachting dal het tot de zending der oorlogschepen niet zou behoeven
te komen. Voorwaar de fijnheid der inkleeding van het verzoek werd door de behen-
digheid van de beantwoording geëvenaard! Werkelijk kwam het niet tot het vertrek
der scheepsmagt. De bodems werden uitgerust; maar de wind, niettegenstaande de
Fransche Gezant de Staten eenmaal op grond van het gunstige weder vermaand had
de afvaart niet langer uit te stellen ^ de wind, heette het, hield ze drie maanden lang
voor
Texel en in de Maas terug, en na verloop van dien tijd was het doel hunner
verschijning in de wateren van
Bordeaux gelukkig vervallen Toch bad de stap der

1 Prius MAURITS adviseerde toCn in het vertrek der schepen geene zwariglieid te zien, vermits
men aan de bevelhebbers zulk eene instructie kon medegeven, dat alle gevreesde ongelegenheden
voorkomen Averden
{Resol. Stat.-Gen. 16 Nov. 1616).

2 Resol, Slat.-Gen. 24, 26, 28 Octob.; 16, 17, 18 Nov. 1616. carleton, I, p. 134, 135,
139, 140, 141, 142.

ocr page 502

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

Fransche Regering zijn doel niet geheel gemist. Immers kon zij thans wijzen op een IClG.
werkelijk door de Staten genomen besluit, om lot handhaving van haar gezag schepen
te zenden. Dit zeide reeds zeer veel, en blykens de uilkomst was het voor het oogen-
blik toereikend. ^

Inlusschen was de Koning van Engeland zijnen wensch, de ontruiming van GuUk
cn Kleef, geen slap nader gekomen. Wel waren er nog pogingen aangewend om tot
eene schikking lusschen de Vorsten, die op de erfenis aanspraak maakten, te geraken.
In de maand Augustus werd er te '
ä Hage mededeeling gedaan van een voorslag van
den Keurvorst van de
Palis om de uitvoering van het traktaat van Xanten te verkrijgen.
Doch deze voorslag schijnt niet in ernstige overweging te zijn genomen i. In September
had er Ie
Arnhem lusschen Prins maurits , den Markgraaf van Anspach en zijnen schoon-
broeder, den Graaf
van solms, eene bijeenkomst plaats, waarin voornamelijk over
de verdeeling der GuHksche erflanden gehandeld werd. Volgens het voorstel van den
Markgraaf zou
Saksen het hertogdom Berg, Neuburg Giili/c, en Brandenburg Kleef
en Ravensburg verkrijgen. Bij deze schikking scheen Neuburg de minst mild bedeelde.
Ook van den kant des Keizers kreeg de Vorst van
Palts-Neuburg weinig hoop op
eene voordeelige schikking. Herhaaldelijk verzocht hy óf om zich met de bewuste
Landen beleend, óf ze ten zijnen behoeve in beslag genomen te zien; doch het eerste
weigerde de Keizer, omdat hij den Keurvorst van
Saksen reeds vroeger met die
Landen beleend had, en het tweede, omdat men er weder op bedacht was ze door
den Aartshertog
leopold in beslag te laten nemen. Zulke plannen des Keizers, die de
Markgraaf van
Brandenburg niet verzuimde naar '5 Hage over te brieven, werden met
de voorlgezelte versterking der Spaansche krygsmagt, zoo in
Duitsehland als bezuiden de
Alpen, in verband gebragt, en hielden hier te lande de gemoederen in spanning
Hoezeer dus nieuwe pogingen van
jacobus zyde om de Stalen tot ontruiming te bewegen j^jeuwe poging
weinig kans hadden om te slagen, en de Engelsche Gezant geene medewerking te hopen JJ"

had van du maurier, die, omstreeks het einde van November, erkende aangaande de van Ouük en

" Kleef te bewer-

Guliksche zaken geenerlei voorschriften van zijne Regering te hebben moest garletok ken.
niettemin op last van zijnen Meester aan de Staten een voorstel doen, bepaalder en
dringender dan ooit. Den December vervoegde zich de Engelsche Gezant in de
Vergadering der Staten om de volgende mededeeling te doen. De Koning, zijn Meester,
had begrepen, dat de uitvoering van· het Verdrag van
Xanten het eenige middel was
om aan de dreigende houding der partijen in de Guliksche Landen een einde te maken.

^ Resol. Slut.-Gen. 11, 24 Aug. 1616.

2 CAHLETON, I, ρ. 119, 129, 135. liesul. Stat.-Gen. 24 Sept. 1616.
^ CARLETON, I, p. 146.

ocr page 503

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

^616. Dit denkbeeld had hij aan de bij zijn Hof geaccrediteerde Ambassadeurs medegedeeld,
en onlangs had de Spaansche Gezant hem, op uitdrukkelijken last van zijnen Koning,
zoo als hij beweerde, te kennen gegeven, dat
filips III niets liever wenschle, dan de
uitvoering van dat traktaat. Bij gevolg had die Ambassadeur den Koning van
Engeland
verzocht, door zijne tusschenkomst te bewerken, dat de Staten daartoe wilden overgaan.
Nu stelde
jagobus aan de Staten den laatsten Februarij (ouden stijl) voor als den dag,
op° welken de ontruiming zou kunnen plaats hebben. Thans, meende hij, hadden de
Staten hun verlangen: immers hadden zij steeds op de uitvoering van hel Verdrag van
Xanten aangedrongen. Namen zij zijn voorstel niet aan, zoo waren zij aansprakelijk voor
de gevolgen en hadden het zich zeiven te wijlen, dal de Spanjaarden zich aan hunne
grenzen nestelden. De Spaansche Gezant toch had verzocht, ingeval de Staten ditmaal
naar 's Konings voorstel geene ooren hadden, zijnen Meester niet meer lastig te vallen,
maar hem te verontschuldigen, indien hy de plaatsen in de Guliksche en Kleefsche
Gewesten voor goed bezet hield. Versterkten de Stalen
Gulik, zoo zou hij Wcsel ver-
sterken, en had hij dit eenmaal gedaan, zoo was hij niet gezind deze vesling immer
uit zijne handen te geven. — Ziehier een aanbod, dat de Spanjaarden ligt doen konden,
wel wetende, dat de Stalen het niet konden aannemen. Immers waren ihaos de omstan-
digheden niet meer dezelfde als vroeger, In hel Zuiden was de oorlog ontbrand, en trokken
de Stalen hunne krijgsmagl terug, zoo kregen de Spanjaarden de handen ruim om hunne
tegenstanders bezuiden de
Alpen met overmagt te bedwingen. In dit geval zouden de
Stalen door vroegere beloften verpligt zijn om
Savoije en Venclië by te springen, en
zoo ware de oorlog eerst regt ontvlamd. Het schijnbaar vredelievende voorstel van
jagobus
gaf aldus juist aanleiding tot openlijke vredebreuk tusschen Spanje en de 'Nederlanden;
het bezethouden van Gulik^ daarentegen, hield de weegschaal gelijk en het zwaard
in de scheede. Maar de Spaansche Ambassadeur was wyzer dan de Koning van
Groot-
Brilannië.
Hij wist wel, dat de Staten niet tot de ontruiming zouden overgaan, en be-
oogde dus slechts met dat onaannemelgk aanbod een middel te vinden om een nieuwen
schijn van reglmatigheid aan
Spanjes gewelddadige tusschenkomst in Duitschland te geven.
Daar de Staten
carletons voorstel niet van zins waren aan te nemen, zoo verschoven
zy de beantwoording tol nader orde en rijp beraad. Men wendde voor, dat men niets
doen mögt zonder
Frankrijk, hetwelk het traktaat van Xanten mede geteekend had;
dat men den Keurvorst van
Brandenburg, die'lhans in Pruisen was, diende te raad-
plegen; dat men de Provinciën er in kennen moest, en zoo zou, zeide men, de termijn
van den laatsten February stellig Ie kort wezen. Voor het oogenblik stelde men de
zaak in handen van den Raad van State i. — Maar hoe kon over eene zaak, waarbij
men de handelwijze van den Koning van
Engeland vrij zou moeien beoordeelen, be-

ResoL Stat.-Gen. 3, 8 Decemb. 1616. carleton, I, p. 161, 152,154,155,159—161,165-167.

ocr page 504

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

raadslaagd worden in tegenwoordigheid van carleton, die lid van den Raad van State 1616.

was? Deswegens hield de last der Staten aan dat Staatsligcliaam, bij het overhandigen Carleton bij

de beraadslaging

van het Engelsche voorstel, de bepaling in, dat men daarover in afwezigheid van het over zijn voorstel
Engelsche medelid beraadslagen zou. liet was echter eene vrij kiesche zaak, den Gezant gtatc'^geweenr"
van dit verlangen kennis te geven.
Huygens, de Secretaris van den Raad van State,
vervoegde zich ten zijnent om hem te verzoeken in overweging te nemen, of hij al dan
niet tegenwoordig wilde zijn bij die beraadslaging, aangezien hij wel kon nagaan, dat
zijne tegenwoordigheid den Raad eenigzins zou belemmeren.
Carleton antwoordde,
dat hij zich naar het te dezen aanzien bestaand gebruik zou voegen: bleek uit het
voorbeeld zijner voorgangers, dat hij zich bij de beraadslaging over een voorstel van
zynen Souverein verwijderen moest, zoo was hij daartoe bereid: aoderszins meende hij
verpligt te zyn, als lid van den Raad van State, zijn oordeel over de zaak uit te bren-
gen.
Huygens zeide hem daarop dadelijk, dat ten tijde van Koningin elisabeth hare
Staatsdienaren zich uit den Raad van State verwijderden, als er over voorstellen, door
hen gedaan, beraadslaagd werd, en dat desgelijks, indien eenig lid eene opening ge-
daan had, zijne Provincie betreffende, hij bij de beraadslaging, die er uit voortvloeide,
niet tegenwoordig was. Den volgenden morgen, toen
uuygeks op carletons verzoek
op nieuw ten zijnen huize gekomen was, verklaarde deze hem, dat hy zich overeen-
komstig de bevelen van Zijne Majesteit, betreffende het door hem gedane voorstelge-
roepen achtte den Raad mondeling in te lichten; dat ook de voorbeelden, door
huygens
bijgebragt, niet van toepassing waren, vermits het hier geene zaak betrof, άϊα Engeland
of de Vereenigde Provinciën in het bijzonder aanging, of waarin een van die beiden een
strydig belang had. Ook wist hy, dat nog onlangs de leden uit
Zeeland en die uil Fries-
land
en Groningen by de beraadslaging over zaken, hunne Provinciën aangaande^, do
vergaderingen van den Raad hadden bijgewoond. Ten slotte verzocht hij de Heeren te
bedenken, of het billijk en tegenover het Buitenland raadzaam was, dat op hemen zijnen
Meester een vermoeden van partijdigheid in deze zaak kleefde, waarvan immers de schijn
bestaan zou, zoo hij uit de Vergadering geweerd werd. Wat den Gezant te dringender
maakte, was de meening, die bij hem bestond, dat men het er sedert de lossing der
pandsteden op toelegde om van lieverlede de Engelsche Staatslieden uit den Raad
van State te verwijderen. Niettemin moest hij zich laten welgevallen, dat de wil der

^ De zaak, die Zeeland betrof, was het vraagstuk van het Jjcdrag der quote; die, welke Fries-
land
en Groningen en Ommelanden aan{j;ing, was het vraagstuk omtrent de souvereinileit van
Delfzijl, waar Friesche compagnicn in garnizoen lagen. Dit geschil, reeds over de 20 jaren
liangendc, werd door de Staten dus uitgewezen, dat de souvereinltelt aan de Staten van GroMin^e»
cii
Ommelanden zou toekomen, maar de bezetting en versterking bij voorraad en belioudens het
regt der Generaliteit zou staan ter beschikking van Graaf
willem lodewijk {Resol. 8,26 TSo\. IGIf)].

ocr page 505

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1616. Staten geschiedde. Door den Raad van State geraadpleegd, antwoordden zij, dat men
GARLETON de Traag zou voorhouden, of hy wel zou durven stemmen tegen den last
van Zijne Majesteit. Kon hij dit niet getuigen, dan stond hij ook niet gelijk met de
andere Raden, daar dezen bij het aanvaarden van hun lidmaatschap zich bi^ eede ver-
bonden , dat zij zich bij hunne besluiten niet door het byzonder belang hunner Provinciën
zouden laten besturen. Dus begreep
garletow, dat de Staten niet zouden toegeven,
en inziende dat de vraag over zijne tegenwoordigheid of afwezigheid de beraadslaging
slechts uitstelde, liet hij den Raad van State weten, dat hy van zynen eisch
Advies van den afzag Alzoo gaf dan dit Staatsligchaam in het midden van de laatste maand des
over cARLETONs advies aan de Staten dit antwoord, dat op eene bloote mondelinge mede-

voorstel. deeling van den Spaanschen Ambassadeur te Londen niet »met behoorlijke zekerheid,

eer en reputatie van Hun Hoog Mögenden" in onderhandeling tot voltrekking van het
traktaat van
Xanten getreden kon worden. Dus zou men de zaak aan de Provinciën,
aan den Koning van
Ft^ankrijk en aan de andere bondgenooten, bepaaldelijk aan den
Prins van
Brandenburg mededeelen, »ten einde in zulk eene gewigtige zaak met
orazigtigheid te werk te gaan." Drie dagen later werd dit advies in de Vergadering
in beraadslaging gebragt; doch tot een besluit kon men toen niet komen. Eerst vier
dagen later werd de Advokaat van
Holland uitgenoodigd om in overeenstemming met
de gebleken meeningen een antwoord te ontwerpen. Dit nu hield kortelyk in, dat vóór
den laatslen Februarij de Provinciën en al de belanghebbenden niet gehoord zouden
kunnen zijn, en dezen te hooren was toch volstrekt noodzakelijk, aangezien er na het
traktaat van
Xanten zulk eene aanmerkelyke verandering in den staat van zaken was
voorgevallen. Toen dit antwoord aan
garleton werd medegedeeld, betoonde hij zich
daarmede niet zeer voldaan ; evenwel schreef hy aan zijnen Koning in eenen verschoonen-
den geest over de handelwijze der Staten 2. Dus moest de zaak, dan weder voor eenigen
lijd slapend gelaten worden. 3Iaar inlusschen bleven de ongelukkige bewoners der door
Spaansche en Slaatsche troepen bezette landen aan den vreeselyksten overlast blootgesteld.
De Vorst van
Palts-Neuburg had reeds lang ingezien, wat hij begonnen was met Spanje
in te halen, en gaarne had hij zich nu met Brandenburg verstaan. Sticke, de Agent
van
Brandenburg, had in het begin van December te Amsterdam, een geheim onder-
houd met een gemagtigde van
Neuburg. Hier werd men het eens aangaande eene
voorloopige verdeeling, nog vóór de ontruiming der plaatsen lot stand te brengen: bij
dit ontwerp vielen de plaatsen, die aan het gebied der Aartshertogen paalden, aan Neu-

1 carleton, 1, p. 156—159, 174, 175. Resol. Slat.-Gen. 13 Dec. 1616. Den IS"'«" Febr. van
het volgende jaar kreeg de Raad van State weder last om over het voorstel van
la koue te hct
raadslagen
in absentie van cableton {Resol. Slat.-Gen.).

2 Resol. Stat.-Gen. 16, 19, 23, 24, 27 Dec. 1616. cahletgw, I, ρ 171.

ocr page 506

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

burg; die, welke aan de Vereenigde Provinciën grensden, aan Brandenburg ten deel. Iöi7.
Dit plan was Prins
maurits en den Staten niet ongevallig. Hunnen Gezant, diderik
STICKE, die thans op reis was naar Pruisen^ om den Keurvorst van Brandenburg op
zijn verzoek ter zijde te staan tegen zyne door Poolsche Jezuiten opgestookte onder-
danen aldaar ^, zonden zij het beriigt achterna, dat, zoo de Keurvorst dit ontwerp van
verdeeling goedkeurde, de Staten daaraan mede hunne stem gaven 2.

Niet zonder reden hadden de Staten den twijfel geopperd, of er wel Tolkomen ver-
trouwen te stellen was op de verklaring van den Spaanschen Gezant te
Londen, op
welke het laatste voorstel van
garleton gegrond was. Zij hadden naar Frankrijk ge-
schreven om van de zijde van het Fransche Hof een of ander bezwaar uit te lokken
tegen het drijven van Koning
jagobüs, en niet te vergeefs. De Koningin Regentes
schreef, dat zij er hoogen prijs op stelde in de Guliksche zaak met den Koning van
Engeland genoemd te worden, en gelastte du maürier het nemen van een voorbarig
besluit te keer te gaan. Bovendien kwam er op een der eerste dagen van Januar^ 1617
berigt uit
Parijs, dat de Spaansche Ambassadeur aldaar niet alleen niets wist van het-
geen Don DiEGO DE sARMiENTO aau den Koning van
Engeland aangaande de ontruiming
der plaatsen in de Guliksche en Kleefsche Landen had medegedeeld; maar dat hij uit-
drukkelijk tegen deze mededeeling protesteerde. Weldra vernam men ook, dat men
ook te
Brussel het er voor hield, dat de Graaf de sarmiento zonder order gesproken
had. Zoo waren de Staten op nieuw gewapend tegen de lastige aanzoeken van
Enge-
land.
Carletoit begreep dit ten volle, en om deze-reden had hij gaarne een nieuwe
aanmaning teruggehouden, die hij gelast was tot de Staten te rigten. Doch zijne hoop

op een tegenbevel uit Londen verijdeld ziende, wendde hij zich den 13"!®" Januarij tot Nieuwe pro-

positie van caii-

ue Stalen. Volgens het gevoelen zijns Konings, zeide hij, was het wantrouwen deri^ExoN.
Staten in de aanbieding van
Spanje ongegrond. Hunne voorzigtigheid ontaardde in stijf-
hoofdigheid, en zij konden thans den blaam niet langer ontgaan van de zaken in die
Duitsche Gewesten opzettelijk in dien verwarden staat te laten, en met de stad
Wezel,
die voedster der Hervorming, de zaak der Godsdienst te verzaken, ten einde hun gebied
met eene achtste provincie te verrijken. Bij deze taal, welke
jacobus zich niet ontzag te
spreken, werd het er listig op toegelegd om aan de tegenpartij hier te lande wapenen
legen
oldenbarïcevelt in handen te geven. De voorstelling toch, alsof het bezet blijven
van
Wezel door de Spanjaarden eene misdaad was, die de Hervormde godsdienst in haar
beslaan bedreigde, terwijl die stad toch veeleer een pand was, dat, zoolang het in han-
den der Spanjaarden bleef, den Staten regt gaf om deze godsdienst in
Duiischland te
handhaven, deze voorstelling, hoe ongerijmd dan ook, was regt geschikt om de gemoe-

' Besol Stat.-Gen. 24 Sept; 1, 2, 24 Nov. cableton, I, p. 118, 147.

^ CARLETON, 1, p. 162, 172. Resol. Stat.-Gcn, 28 Dcc. ΙΡΙβ,

III Deel. 2 Stuk. 80

ocr page 507

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

16Π. deren tegen Hollands Mvokaat op Ie winden. Öit overwegende, zou men bijna deuken,
dat het
jagobus minder om de ontruiming van Gulik te doen was, dan om een middel
te vinden ten einde
oldenbarnevelt, wiens krachtige ondersteuning van het Fransche
Bewind niet met zijne geheime bedoeh'ngen strookte, ten val te brengen. Hoe het zij,
hij was onvermoeid in zijnen aandrang, en ten einde de Staten zich niet op de kortheid
van den lijd vóór den eerst gestelden termijn zouden kunnen beroepen, stelde hy hun thans
den laalsten Maart als het tijdstip der ontruiming voor. — In weerwil van 's Konings ver-
zoek om spoedig bescheid haaslle men zich niet met het antwoord. Men liet
garleton dit
verzoek eens en andermaal herhalen en verontschuldigde zich toen wegens de onvoltal-
ligheid der Vergadering. Zelfs een vertoog, door die van
Wezel in geheime verstand-
houding met GARLETON ter ondersteuning van het Engelsche voorstel gedaan, mögt niet
baten; de brieven der Geünieerde Duitsche Vorsten, die de Stalen tot waakzaamheid
aanspoorden, wogen ruimschoots daartegen op, en toen
garleton bijna twee maanden
laler nogmaals op een besluit in deze zaak aandrong, kreeg hij hetzelfde bescheid

Ook waren de gebeurtenissen op dit tïjdslip in Frankrijk zoo gewiglig, en de Staten
daarin van zoo nabij en zoo ernstig betrokken, dat zelfs de Koning van
Engeland be-
grijpen moest, dat hy met zijne vertoogen daarbij billijk moest achterstaan.

Betrekkingen jj^eei- qj^ i^jeej. neigden de zaken in Frankriik tot een burgeroorloff. De Proteslan-

■t Trankrijk. ^ Î¿ Ã¶

ten te Piochclle en de Prins van gondé met den Hertog van bouillon en zoo vele andere
Grooien wapenden zich tegen het Bewind, en daar de opstandelingen zich uit de
Vereenigde Provinciën van krijgsbehoeften wilden voorzien en de Fransche Gezant alhier
verpligt was dit te beletlen, zoo werden de Staten op nieuw op de proef gesteld, of
zij, even als
Engeland en zijn Gezant te ^sllage 2, hunne geloofsgenooten, door hun
vryen toevoer van wapenen te verschaffen, tegen hunne Overheid zouden slijven. Hier-
van onthielden zij zich zorgvuldig, door telkens den uitvoer van wapenen naar/^mJiArtj/i
op te houden of te verbieden, zoo zij niet blijkbaar voor den Koning bestemd waren
Maar het grootste bezwaar veroorzaakte steeds de vraag of men de Fransche regimenten
op de aanvrage van het Bewind zou laten trekken, en alzoo, terwijl men het verzoek
om bijstand, door den Herlog van
bouillon gedaan, geenszins inwilligde^, den Koning
tegen hen, die de meerderheid in ons land als onze naluurlijke bondgenoolen beschouwde,
zou ondersteunen. Gaarne zou men in deze omstandigheden de gansche Fransche hulp-

1 llcsoL Slat.-Geyi. 14, 23 Jan.; 1, 3, 10 Febr.; 12 Maart, 1G17. garleton, l, p. 177, ISO—
182, 183—180, 200, 202, 208.

2 CAHLETON, I, ρ. 178, 182.

3 ResoL Stat.-Gen. 25, 26 Nov.j 16 Dec. 1616. 7, 23, 30 Jan. 1617.

4 Rcsol. Stat.-Gen. 10, 12 Jau.j 6 Febr.; 14 Maart, 1617.

\Ï1C

ocr page 508

DES VADERLANDS.

bende kwijt zijn geweest, Ie meer, daar er loch geene betaling uit Frankrijk kwam. 1G17.
Werkelijk werd over de vraag beraadslaagd, of het wel geraden was, van den Koning
het blijven der Fransche regimenten in onze dienst te verlangen. Maar Prins
ma-URits
en de Raad van State kwamen tegen dit denkbeeld op, en aan cnatillon en courta.umer
(hauterive
was thans in ons land gebleven) werd berigt, dat zij op verbeurte hunner
betrekking met hunne kapiteins vóór den laatsten April herwaarts behoorden terug te
keeren i.

Zoo veel was er het Fransche Bewind in dit tijdsgewricht aan gelegen, den steun der
Nederlansche Regering niet te verliezen, en zoo zeer duchtte men de zaken hier te
lande te zien verkeeren, dat er een buitengewone Gezant werd gezonden om den band
tusschen de beide Rijken en tegelijk de alhier bovendrijvende partij te versterken.

De man, die tot deze laak verkozen werd, was de Heer de la noue, en hetzij hij lanoue.bui-

1 .. 1 1 ' tcngcwoon Ge-

uit zich zeiven de noodige bekwaamheid bezat, hetzij hij alles te danken had aan de zant van-FrawA-

inslructie, hem door den nieuwen secretaris van Slaat, den herlog de righelieu, me-^^
degegeven, zoo veel is zeker dat hij uit de vertoogen, tot de Staten gerigt, volkomen
op de hoogte van den toestand en den eiscli van het oogenblik bleek te zijn, en zich
toegerust betoonde met eene bewonderenswaardige gave om, door nu
maurier onder-
steund, tot het doel, dat men beoogde, de ten deele slechte zaak op hel schoonst voor
te stellen, en de krachtigste gronden aan te voeren. Den 8'*°° Februarij verscheen de
Heer
de la noue, door du maurier vergezeld, in de vergadering, en na de overhan-
diging van eenen brief des Konings, verklaarde hij gezonden te zijn ten bewijze, hoe hoog
Frankrijk hel verbond met de Staten waardeerde, en ter reglvaardiging des Konings
tegen den laster dergenen, die zijn gezag nog miskenden. Hierop volgde een verhaal
van het gebeurde sedert den moord van
Hendrik: IV, een verhaal, zoo opregt en verlrou-
welijk, als behendig en kernachtig. De Koningin, zoo sprak de Gezant onder anderen,
had te
St. Ménehould liever het geld des Konings, dan het bloed harer onderdanen
willen verspillen. De Koning had den Prins van
gondé gevangen genomen, daar hij
dit liever wilde, dan zijn gevangene te zijn. Het zou den Grooten beter gepast hebben
vriendschappelijk aan het Hof te blijven verkeeren, dan na het verlaten te hebben,
verraderlijk zamen te spannen om aldaar weder te komen. Zoo weinig was men gezind
om ten gelieve van
Spanje de Gereformeerde Godsdienst te onderdrukken, dat de Re-
gering, zoo zij dit deed, zich zelve gelijk zou moeten achten aan iemand, die zijn
eigen huis in brand stak om zynen buurman genoegen te geven. Na vermeld te hebben,
hoe, na het traktaat van
Soissons, waarbij de misnoegden tevreden schenen gesteld,
de Hertog van
kevers zich weder oproerig legen den Koning beloond had en de oude
klagten over de Spaansche huwelijken en de verspilling der geldmiddelen weder waren

1 Jiesol, Slat-Gen. 9, 13 I)ec. 161ß; 18 Januarij 1617.

80*

ocr page 509

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1g17. aangeheven, voerde de Gezant aan, dat die huwelijken ten minste dit goede bewerkt had-
den , dat de Spanjaarden thans de binnenlandsche oneenigheden niet meer aanstookten,
en legde hij, ten bewgze hoe weinig de misnoegden regt hadden over verkwisting te klagen,
eene lange lijst over van de millioenen, door de oproerige Fransche Grooten uit 's Lands
kas genoten. Dus kon men niet zeggen, dat vreemden zich met
Frankrijks schallen
verrijkt hadden. Zonder den maarschalk
d'angre te noemen, werd hierop zijne opkomst
en tegenwoordige grootheid ten gunstigste voorgesteld. Zij, die zich nu over hem be-
klaagden, hadden tot zijne verheffing medegewerkt en hem daarmede geluk gewenschl.
De treurige staat van zaken kwam niet van de slechte regering, maar van de onbe-
grensde heerschzucht, waaraan sommigen ten koste des volks bot vierden. Dezulken
was de Koning, hoe goedertieren ook, maglig te kastijden, al ware het alleen met de
hulp zyner bondgenooten, waaronder Hun Hoog Mögenden een eersten rang bekleedden.
Op die hulp rekende hij, en de achterlijkheid in het betalen van het onderhoud der
regimenten moest men niet al te euvel duiden. — Men vermoedde wel, dat de zending
van LA NOUE zich niet tot deze mededeeling, hoe belangrijk ook, zou bepalen. \Verke-
ver-lijk kwam hij weldra, den 17''®° derzelfde maand, met een dadelijk verzoek voor den
zpndLg van hulp- om hulp tegen de verstoorders van de rust des Rijks. De Koning had tegen het
troepen. einde yan Maart de regimenten noodig, echter liet hij aan der Staten goedvinden over,

of zij een deel dezer troepen houden wilden. Voorts verzocht hij, dat Hun Hoog Mogen-
den zich niet zouden laten overhalen om ten behoeve dergenen, die met de Regering
op geen goeden voet stonden, tusschen beiden te komen, opdat dezen zich niet mogten
beroemen, dat de Staten op hunne hand waren. Hier had de Gezant eene reeds wer-
kelijk aangewende poging op liet oog. By een schry ven, namelijk, den eersten Februari]
ontvangen, had de Keurvorst van de
Paltz de Staten voorgesteld, om overeenkomstig
het verlangen van vele aanzienlijken en welgezinden in
Frankrijk, die in de overtuiging
verkeerden, dat Hun Hoog Mögenden door een aanzienlijk gezantschap de loslating van
den Prins van
gohdé zouden kunnen bevorderen, ten behoeve van dezen Prins tus-
schen te treden. Ook de Koning van
Grool-Brilannië zou dit gaarne gezien hebben
Ten slotte van zyn voorstel zegde de Heer
pe la noüe thans de betaling toe van het
onderhoud der regimenten voor het ingetreden jaar, en beloofde, dat de achterstallige
sommen, zoo spoedig als doenlijk was, zouden aangezuiverd worden 2.

Prins maürits en de Raad van State, uitgenoodigd om over dit voorstel van la noue
hun advies uit te brengen, gaven in bedenking, of het in de tegenwoordige omstan-
digheden niet meer geraden was, nieuw krijgsvolk te ligten, dan het oude weg te
zenden. Ook moest de Koning onderrigt worden, dat er alle kans bestond, dat de

ï Uit carleton(I, p. 216) blijkt, hoe sterk oldenbarsevelt daar tegen was. Mcuvcrgel. ook bl. 228.
2 Ecsol, Slat.-Gen. 1, 6, 8, 15, 16, 17 Febr. 1617.

ocr page 510

1617.

DES VADERLANDS. 657

regimenten tot de tegenpartij zouden overloopen. Dus wenschte men den Koning de
vraag voorgesteld te zien, of het niet beter was, dat Zyne Majesteit in
Frankrijk zelf
krygsvolk deed ligten en daarover de officieren stelde van de regimenten, die in
Nederlandsche dienst waren: in dit geval zou men hun verlof kunnen geven. — Dit
antwoord was meer ontwijkend, dan afdoende, Intusschen drongen de Fransche Ge-
zanten op een bepaald antwoord aan, en verklaarden thans, dat de Koning van zins
was tegen den Maart öOOO man paardevolk en 25,000 man voetvolk te velde

Ie brengen, waartoe hij die regimenten noodig had. Dus werd de Raad van State om
een nieuw advies aangezocht. Dit werd den Maart door den Prins en den Raad
in persoon aan de Stalen medegedeeld, en het behelsde: dat men volgens het bestaande
traktaat gehouden was de troepen op de gedane aanvrage te laten vertrekken. Niettemin
moest men wegens de groole oorlogsloebereidselen van de zijde van
Spanje ^ welke
ongetwijfeld op ons land gemunt waren, den Koning verzoeken, bet vertrek der troepen
nog te mogen uitstellen. Met dit advies vereenigden zich de Gedeputeerden van
Gel-
derland
en Overijssel-, die van Zeeland desgelijks, hoezeer zij verklaarden niet gelast
te zijn op deze zaak te besluiten; die van
Holland stemden voor een onvoorwaardelijke

inwilliging van het verzoek. Deze strijdige gevoelens werden zamengevat in het besluit, Besluit der sta-
ten op
Frank-

dat men den Franschen troepen zou gelasten zich gereed te houden om, nadat uit rijks verzoek.
Frankrijk het nader bevel tot hun vertrek zou aangekomen zyn, dit bevel dadelijk na
te komen; doch dat men den Koning in bedenking zou geven, of het zijner Majesteit
niet zou gelieven goed te vinden, dat de regimenten hier bleven, totdat men zou ge-
zien hebben, wat de vijand voorhad. Immers, zoo de Spanjaarden iets tegen het door
Frankrijk gewaarborgde traktaat van Xanlen ondernamen, was de Koning gehouden,
dit Verdrag gewapenderhand te handhaven. — Dit resultaat der beraadslaging nam dc
Advokaat van
Holland op zich, in de vereischte bewoordingen te vervatten, en tegelijk
het antwoord op
la. houes eerste voorstel op te stellen. Zijne ontwerpen werden twee
dagen later, het was op eenZaturdag, aan de Vergadering medegedeeld; maar, wat nooit
gebeurde en alzoo de bestaande spanning aan het licht bragt, men nam er niet dadelijk
genoegen mede, en besloot, ze aan den President van den Raad van State ter hand te
stellen, ten einde deze des anderen daags des voormiddags »na de predicatie" den Raad
zou laten overwegen, of er ook iels aan toegevoegd of iets van afgelaten moest worden.
De Raad van State evenwel keurde
oldenbarwevelts ontwerpen goed, en diensvolgens
werden zij, zoo als zij waren, door de Staten vastgesteld. In het antwoord op hel eerste
voorstel van den buitengewonen Gezant komt voor, »dat de Staten vast vertrouwen,
dat God de Heer Almagtig (die een beschermer is van de Koningen, alsmede van hun

^ Gaarne had men ten dien einde aan Frankrijk een deel der achterstallige sommen kwijtg;e-
scholden.
carletos, 1, p. 216.

ocr page 511

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. koninklijk gezag en regt) Zijne Majesteit met zijne goddelijke genade zoo zou zegenen
en bijslaan, dat zijne grootheid en zijn roem vermeerderd, zyne Rijken en onderzaten
in rust, vrede en welstand gebragt en altijd bewaard zouden worden; waartoe de Staten
Generaal met hunne gebeden tot God den Heer Almagtig en met alle goede diensten
voor Zijne Majesteit alles zouden toebrengen, wat van goede opregte vrienden en bond-
genooten tot zijner Majesteits dienst en lot beschaming van hen, die zijne Rijken veront-
rustten, begeerd mögt worden." Ongetwijfeld kAvamen zulke uitdrukkingen, waarmede
de steller de ondersteuning, aan den Koning te verleenen, als het ware op het geweien
der Staten legde, aan de andersdenkenden een Aveinig al te sterk voor

Voorzeker hoopten de Slaten, dat er na dit antwoord geen bevel tot het optrekken
der regimenten uit
Frankrijk zou komen. Werkelijk verliep er een geruime lijd, eer
men daarvan iets vernam, en intnssehen leverden de Fransche Gezanten een vertoog
in tegen de ligting van krijgsvolk, door den Heer
van gent van oijen in het Kleefsehe
en Guliksche ten behoeve van den Hertog van
bouillon ondernomen. Hierop werd besloten ,
dien Heer aan de plakaten te herinneren. Nietlemin vond hij door geld uit
JSederland
ondersteund, gelegenheid om 2000 ruiters bijeen te krijgen en zich daarmede op weg
naar
Sedan te begeven — Maar het zou tot een nader en zeer bepaald verzoek uit
Frankrijk komen. Langerak, die vergunning bekomen had om den Koning te velde
te volgen, mits evenwel de andere Ambassadeurs, met name die van
Engeland, dit
ook deden, had de Staten reeds op het verzoek voorbereid, dat den 31'*™ Maart door

Jkrliaald ver- de Gezanten gedaan en aangedrongen werd. La noue voerde het eerst het woord. De
zonk van
Frank-
rijk.
 Koning, zeide hij, had gehoopt zich reeds met het einde der maand Maart van de

regimenten te kunnen bedienen. Daar nu evenwel deze troepen nog niet vertrokken
waren noch zelfs bevel daartoe hadden, verzocht hy ze ten spoedigste naar
Dieppe te
zenden. Had niet alleen de dadelyke bijstand, maar ook de naam van
Hendrik den
Vierden den Nederlandschen Staat onberekenbaar voordeel aangebragt, daar het bond-
genootschap met hem den vijand moest doen denken, dat een volk, door zulk een
groot Koning beschermd, op den duur niet te bedwingen zou zyn; even zoo zou niet
alleen de feitelijke hulp van 0000 man aan zulk een goede tucht gewende soldaten,
maar ook de naam, dat het de Staten waren, die ze zonden, den Koning oneindig
baten. Deze 15000 man zouden hem wel tegen 10000 opwegen. Immers durfden zijne
vyanden beweren, dat de Staten ze niet aan den Koning, maar aan hen zouden zenden.

1 llcsol Stat,-Gen. 18, 27 Febr.; 2, 4, β Maart, 1617.

~ Resol Slat.-Gen. 7 Maart, 1617. CAnLEXOif, I, p. 198, 255. Copie ecnes Briefs gheschreven
tiyt Francfort den April,
1617. te vinden achter: Extract uyt een Brief uyt Parijs van

den April 1617, waerin verhaelt ivert de doodt van den Maerschalck d'Ancre {Biblioth.

v. Pamfl. 1232).

ocr page 512

DES VADERLANDS. 659

Was nu het tegendeel eenmaal be^γezen, zoo was het Qiet hun zelfbedrog uit en zij I617.
zouden, hunne zwakheid inziende, om vrede vragen. De wapeningen der Aartshertogen
moesten de Stalen niet terughouden; dit gevaar toch dreigde nog slechts in de toe-
komst, terwijl het gevaar in
Frankrijk werkelijk aanwezig was. Werden de Staten door
Spanje aangevallen, zoo zou men de regimenten terugzenden. Ook zou de Koning (en
dit was het, wat men eigenlijk het liefst zou gezien hebben l) er genoegen mede nemen,
dat men slechts de helft der Fransche troepen zond en het verlangde getal met Neder-
landsche soldaten aanvulde, zoo kon de andere helft der Franschen hier blijven als een
pand, dat zij alle zouden terugkeeren. Wat men vraagde was, eindelijk, slechts een
deel van hetgeen de Stalen volgens de traktaten schuldig waren en meer dan eens on-
gevraagd hadden aangeboden. De Koning kon niet denken, dat zij thans, hetgeen zij
nooit waren geweest, ondankbaar zouden zijn, nu
Frankrijk, aan welks behoud hun
zoo veel gelegen was, hunne hulp zoo zeer behoefde. Alzoo verzocht men een spoedig
besluit opdat de gevraagde gunst dubbele waarde hebben en niet te laat komen mögt. —
Na deze gemeenschappelyke
7iota drong du maurier de zaak nog afzonderlijk aan. Hij,
die den stand der partijen hier te lande zoo grondig kende, en, zeide hij, naast zijn
land en Koning geen grooter genegenheid had dan voor het welzijn van ons Vaderland,
meende zijne uiterste welsprekendheid te moeten aanwenden om de hatelijke voorstellin-
gen der vijanden van het Fransche en Iegelijk van het Nederlandsche Bewind te ont-
zenuwen. Ook HENDRIK
de Groole, riep hij uit, had zich door de aantijgingen, waar-
aan deze Geweslen hadden bloot geslaan, niet laten terughouden, den Nederlanden hulp
te bieden. Het was niet te zeggen, hoeveel er aan gelegen was, dat Hun Hoog Mogen-
den zich voor het oog der geheele wereld verklaarden, en loonden, dat zij niet alleen
met wijsheid traktaten wisten te sluiten, maar ze ook met dapperheid wisten na te komen,
beginnende met dat traktaat, hetwelk zij gesloten hadden met den eersten Koning van
Europa, opdat allen, wien die groote Vorst het voorbeeld gegeven had om op hunne
woorden te vertrouwen, meer en meer leeren mogten op de kracht dier woorden slaat
te maken. Had
Brunswijk door de zending van zulk een aanzienlijken persoon als
Prins
Hendrik - en van de bloem hunner strijdkrachten ondervonden, wat zij, zonder
door traktaten daartoe verpligt te zijn, voor hunne vrienden doen wilden en doen konden,
wat moest dan een Koning en een Koningrijk, die alles voor hen veil gehad hadden,
van hen wachten, in eenen tijd, dat niemand aan gebrek aan magt, maar iedereen
aan onwil hunne \veigering om hulp te bieden zou toeschrijven. Men mögt zich niet
beroepen op het van
Spanjes zijde dreigend gevaar, want de traktaten hielden gecne

' cAnLETON, 1, p. 227.

- Gaarne had Frankrijk gezien, dat Prins Hendrik aan het hoofd der naar Frankrijk bestemde
troepen geplaatst werd
(carleton, 1, p. 238, 253).

j-i

- iy;

mÈumÊÊém

ocr page 513

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1017. bepaling in, dat zij van geene kracht zouden zijn, als de Republiek verder geene reden
had tot vrees. Zoolang zij vrij waren, zou het hun nimmer aan belagers ontbreken
van verre en nabij. Zijne Excellentie, Prins
maurits, had eenmaal gezegd, dat wat
de Koning van
Frankrijk in weldaden aan Nederland zaaide, hy dat in eigen voordeel
zou maaijen. Mögt dit woord thans bewaarheid worden!
Frankrijk was krank; de
Staten konden thans deel hebben aan de eer van dat Land te genezen, en terwijl hij
hoopte, dat hunne Repubhek nog lang eene vaste gezondheid mögt genieten, verzocht
hij hen te bedenken, dat de menschelijke zaken soms aan wonderlijk onverwachte
wisselingen bloot staan. Er kon een tijd komen, dat hunne vrijheid of gezag hulp
behoefden. Moglen zij, dit wenschte hij, alsdan zulk een spoedigen en krachtigen bij-
stand van den Koning erlangen, als de Koning thans van hen hoopte en verwachtte. —'
Zoo sprak
du matjrier, en zijne taal was wel geschikt om op regtschapene en edele
gemoederen indruk te maken. Niettemin zochten de Staten, tegen
oldenbarnevelts
meening, de beslissing op de lange baan te schuiven, door de voorstellen der Fransche
Gezanten aan de Provinciën aan te bevelen en den door
oldehbarnevelt gestelden brief,
waarbij dit geschieden zou, nog eerst in handen van Zyne Excellentie en den Raad
van State te stellen en daarna te verwerpen i. Ook zaten de tegenstanders niet stil.
Aerssen deed zich gelden. Hy beweerde, dat de Vereenigde Provinciën slechts in geval
van een buitenlandschen inval hulp aan
Frankrijk verschuldigd waren 2, en de Heeren
van het Collegie ter Admiraliteit binnen
Middelburg ontzagen zich niet om, hoezeer zij
voor ditmaal op aanschrijving der Staten Generaal ten verzoeke van
du maurier den
uitvoer van wapenen hadden toegelaten, hun Hoog Mögenden te kennen te geven, dat
het in de tegenwoordige omstandigheden beter ware, voortaan den uitvoer geheel te
verbieden. Om al die tegenwerping, zoo mogelijk, te overwinnen, verzochten de Ge-
zanten eerst gehoor bij de Stalen van
Holland afzonderlijk, hetwelk zij den April
ontvingen, en daarop verschenen zg den 24"®°, van een brief des Konings voorzien,
Uiterste ver« op nieuw voor de Staten Generaal, om te verklaren, dat Zyne Majesteit hun uitstel,
i ransdie G^an- hetwelk zij met de noodzakelijkheid om hunne lastgevers te raadplegen verontschuldigden,
als eene weigering zou aanmerken: zij hadden wel meer zonder naderen last van de
Provinciën besluiten genomen. Kwamen de hulptroepen te laat, zoo ware de toezen-
ding niet alleen onnut, maar ook belagchelyk. Dus verzocht de Koning binnen een
paar dagen een toestemmend of afwijzend besluit. — Deze gronden werden buiten de
openbare vergadering nog aangedrongen door de ronde Verklaring, dat, zoo de Koning
geene troepen uit de Republiek erlangde, hij de door de Spanjaarden in de zuide·*
lijke Nederlanden geworven troepen, die hem werden aangeboden, niet zou weigp-

' cAnLEïON, I, p. 253, 254.
• oüvnÉ, t. a. pl. p. 248,

ocr page 514

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

ren i. Zoo zou zich hel Bewind dan werkelijk in de armen van Spanje hebben gewor- 1017,
pen, — Na twee dagen bragten zijne Excellentie en de Raad van State, in wier handen
het nieuwe voorstel gesteld was, hun advies uit, hetwelk daartoe strekte, dat men de
Provinciën nader zou vermanen zich zonder uitstel te verklaren, en intusschen 50 com-
pagniën van honderd man, half uil; Franschen, half uit Nederlanders bestaande, gereed
maken en naar
Frankrijk zenden zou. Hierop werd besloten, dat men Zijne Excellentie
en den Raad zou verzoeken, ten dien einde eene lijst van 40 compagniën op te maken
en daarover een commandant aan te stellen 2.
Zeeland en Friesland verklaarden echter
hiertoe niet gelast te zijn; doch wel om de Fransche regimenten (zonder ze voor de
helft door Nederlanders te vervangen) te laten vertrekken, mits men een gelijk aantal
nieuw krijgsvolk aanwierf, en voorts de uiterste pogingen werden aangewend om de
misverstanden tusschen den Koning en de Prinsen bij te leggen.
Friesland vorderde
bovendien aanleekening, dat het besluit in afwezigheid van de afgevaardigden van twee
Provinciën genomen was. Dadelijk na dat besluit schreef de Engelsche Gezant naar zijn
Hof, dat de Staten hunne onzijdigheid verlaten hadden

Doch reeds was, juist op den dag toen de Gezanten hun laatste woord gesproken
hadden, te
Parijs eene gebeurtenis voorgevallen, die de toezending der troepen onnoodig
zou maken. De Koning had reeds sints eenigen tijd blijken gegeven, dat hij het niet
meer in alles met de Koningin eens was, en thans had hij den Maarschalk
d'ahgre Dood van Jeu
bij het binnentreden van de Louvre door zijne lijfwacht laten vermoorden. Op deze ^rjca^.
daad had hij de oude Raadslieden weder aan zijn Hof geroepen, aan de gewapende
Grooten vredeboden toegezonden, den Prins van
gondé van de lastige bewaking ont-
heven , en zijne moeder eerst streng laten gadeslaan en haar straks daarop haar afscheid
gegeven. Den verliet
langeraks Secretaris, pieter van leetjwen, de stad Parijs,
en reeds den 28"®" was hij met deze boodschap te 'ä Hage aangekomen. Het berigt
hield mede in, dat de Koning van meening was, dat de troepen nu niet behoefden
te komen; zoo zij reeds op Λveg waren, mögt men ze terug ontbieden. Hel is ligtelijk
na te gaan, hoe deze tyding door Hun Hoog Mögenden ontvangen werd. De Secretaris
werd verzocht in de vergadering te verschijnen: men moest den getuige mondeling
hooren melden, wat hij met eigen oogen had waargenomen, en niet zonder blijde ver-
bazing zal men hem hebben hooren verhalen, hoe hij het lyk van den Maarschalk op
het slotplein uitgestrekt had zien liggen. Dadelijk werd besloten, den Koning een brief van
gelukwensching te schrijven, en aan den Secretaris van den Heer
vak langerak werden

^ qARLETON, 1, p. 263,

^ De Nederlanders zouden door de Slafen betaald worden, cahletoh I, p. 267.
3
ResoL Stat.-Gen. 12 14, 31 Blaart; 1, 3, 5, 6, 24, 25, 26 April, 1617. Rcsol. υ. ΙίυΙΙ.
1617, bl. 320. CARLETON, 1, p. 262, 267.

III Deel. 2 Stuk. 81

ocr page 515

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

T617. »voor het brengen van die groote en goede tijdingen" 600 gulden tot eene vereering
en tot goedmaking der reiskosten toegekend. De Fransclie officieren waren niet minder
met liet voorgevallene ingenomen: men zag hen op het Hof en op straat, bepaaldelijk
op den Vijverberg, van blydschap dansen en andere teekenen van vreugde geven. Du
MA.URIER schreef naar
Parijs, dat hij den Koning geen duizendste deel kon afmalen van
de blijdschap der Nederlanders, die hem ten hemel toe verhieven, omdat hij de aarde
van zulk een ballast bevrijd had: de Koning, zeide hij, had de harten van de inge-
zetenen der Republiek evenzeer gewonnen, alsof hij eene groote overwinning op de
Spanjaarden behaald had. En
garleton schreef naar Londen, dat hier alles juist zoo
gesteld was, alsof men na een storm het anker in een veilige haven geworpen had i.

Zoo was dan hier wederom oldenbarnevelts staatkunde door de uitkomst bekroond!
Wel roemden zij, die tegen het zenden der troepen naar
Frankrijk gestemd geweest
waren, dat de uitkomst hen in het gelijk stelde, daar nu de Koning zelf het vonnis
geveld had over den Maarschalk
d'anore , dien zij niet hadden willen ondersteunen ^;
maar, zoo kon de andere partij met grond van waarheid zeggen, niettemin moest
het den Koning streelen, dat de Staten de zaak van het Fransche Bewind tot het
laatste toe niet hadden verlaten, zoolang de Koning zelf zich nog niet verklaard had,
en de bewindslieden nog door zijnen koninklijken naarn gedekt werden. Hadden zij in
weerwil van alle bedenkingen eene zaak, door den schyn van zyne toestemming aan-
bevolen, getrouw gediend; hoeveel te meer zouden zij hunne ondersteuning veil hebben
voor hem zeiven, nu niet langer door verdachte personen omringd.

Du maurier, de regtmatigheid van zulk eene redenering bevroedende, stelde er prijs
op, de Staten voor hunne bereidwilhgheid in het verleenen der gevraagde ondersteuning,
uit naam des Konings te bedanken. Zoo zou tevens het best blijken, dat die onder-
steuning niet zonder 's Konings toestemming gevraagd was. Werkelijk kreeg hij bij
een schrijven van den Mei den last om eenen brief des Konings in dien zin ge-

steld aan de Staten te overhandigen. Dit deed hij den 1"®" Junij, en bij deze gelegen-
heid hield hij eene rede, waarin hij zich begverde aan te
Iconen, dat alleen het »hooge
regt," uit 'sKonings eigen beweging den Maarschalk gedaan,
Frankrijk had kunnen
redden, en de maatregelen der Prinsen dit nimmer zouden hebben kunnen doen Κ Zoo
moesten
oldenbarnevelts tegenstanders in de Staten Generaal de reglvaardiging zyner
staatkunde aanhooren. En men kon hem waarlijk niet verwijlen, dat hij alleen voor

1 Resol. Stat.-Gen. 28 April, 1617. Corl en de waerachlich verhael van V gheene den 24'""
Aprilis, 1617, den Marquis d'Ancre tot Parijs — is wedervaren {Bibl. v. Pamfl. N". 1231).
ouvré, p. 249. carleton 1, p. 268.

2 carletoN, t. a. pl.

3 liesol. StaL-Gen. 1 Junij, 1617. ouvré, p. 249, 250.

ocr page 516

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

het altijd eenigzins dubbelzinnige Frankrijk mild was met 'slands middelen en krediet. ißl'i'·
ΛΥαηΙ was eene nieuwe en tbans stellige aanvrage van den Hertog van
Savoye om
4000 man voetvolk en 400 ruiters, door de Staten te bezoldigen en van krijgsbehoeften
te voorzien, of anders om de gelden daartoe benoodigd, op de zelfde gronden als vroe-
ger afgeslagen juist toen de vraag over het al of niet inwilligen van
Frankrijks ver-
zoek de gemoederen het sterkst bezig hield, was het de Provincie
Holland^ die zich
boven Prins
maurits en de andere Provinciën onderscheidde door de vaardige inwilli-
ging van het verzoek van het ondubbelzinnig Protestantsche
Zweden, dat, steeds met
Polen in onmin, niet alleen met het krediet der Staten en met de bevordering van
eene ligling van matrozen en soldaten hier te lande, maar ook met de toezending van
een zestal oorlogschepen wenschte ondersteund te worden 2,

Met daden, gelijk de alliantiën met de Hanse en Zweden gesloten, gelijk de kracht-
dadige hulp aan
Brunswijk verleend, en de handhaving der Nederlandsche troepen in
de Duitsche grensgewesten; met blyken van hulde en vertrouwen, door steden en
Vorsten beloond; met uitkomsten, gelijk nu onlangs die wending in
Frankrijk, was
OLDENBARNEVELT sterk tegen zijne tegenparlijders, en scheen hem alles te zullen ge-
lukken, zoo als tot nog toe hem alles gelukt was. Maar dit geluk was geen toeval.
Oldenbarwevelt was waard aan het hoofd te staan van ons land in een wonderbaar

grooten tijd. Alles wat in den aanleg lag van onzen landaard; alles waartoe onze Staatkundigecn

maatschappelijke

voorvaderen op dezen uithoek aan de monden van Duitschlands rivieren zich een bodem toestand van de

cn een zelfstandig bestaan hadden geschapen; wat reeds aanvankelijk eene ongemeene

welvaart en de vatbaarheid om aan de beschaving der groote natiën deel te nemen had ^y^P''^'''·

doen ontslaan; dat alles kwam glansrijk aan het licht door de krachtsinspanning, die de

strijd met Spanje vorderde. Spanjes geweld heeft Nederland, gelijk de inval van

dariüs Griekenland, gelijk de verdrukking in Egypte isracl, in het aanzijn geroepen.

Met en door dien strijd, in den nood der tyden, schudde de landzaat nagenoeg alle

knellende banden van stands- en gildenregten af, om zich onder een gezag te voegen,

dat zich insgelijks uit den nood had ontwikkeld, cn waarvan men de noodwendigheid

en billijkheid ten volle besefte. En van die bevrijding van vreemde oppermagt en inland-

sche belemmeringen waren de gevolgen verbazend. Een geest van nieuw leven was

over ons volk uitgestort. Met krachten, verdubbeld door de overkomst van al wat de

1 Resol. Stat.-Gen. 14, 16, 18 Maart, 1617.

^ Prins MAURUS was er niet voor, aan Zweden de vergunning te vcricenen om soldaten in ons
land zelve te Averven: reeds had, klaagde hij, de Zweedsche Overste
sterkschim de beste soldaten
tot het verlaten van de Nederlandsche dienst verleid. Maar, voegde hij er, zoo als meermalen
niet zonder eenige luim, bij: de Staten moesten het zeiven weten.
Zie Resol. Stat.-Gen. 20 Oct. 1616,
8, 16 Maart; 1, 3;, 20 April, 1617.

81*

isaia

ocr page 517

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. vijand uit de bedwongen Nederlandsche Gewesten verstiet, schiep de nijverheid de rijk-
ste bronnen van bestaan, en maakte de scheepvaart de zeëen van het Noorden en de
eilanden van Zuid-Oostelgk
Azië aan Nederland cijnsbaar. Zoo werden de Vereenigde
Provinciën de stapelplaats van alle behoeften voor de geheele beschaafde vy^ereld. Levens-
middelen , voorwerpen van weelde, schej)en, wapenen, krijgslieden — vooral aanvoer-
ders—, werklieden, bootsvolk, geld, krediet, in één woord alles schaften zich vrienden
en bondgenooten, ja, zoo mogelyk, zelfs benyders en vyanden by ons aan. Het is alsof
geene natie leven, zich verdedigen en iets van belang uitrigten kan zonder ons, en
wie nagaat aan hoe oneindige aanvragen van allerlei aard de Nederlanden, vooral sedert
het tweede tiental jaren der zeventiende eeuw, beantwoord hebben, hij vraagt zich ver-
baasd af, of dan de voorraad van dit kleine land aan middelen en manschappen onuit-
puttelijk was. En niet alleen met stoffelijke middelen ondersteunt
Nederland andere
natiën. Maar in het vertrouwen op der Staten doorzigt maken vreemde Mogendheden
onze staatslieden tot de vertrouwden van haren nood en hare belangen en verwachten
van hen raad en daad en gezag tot zelfs tegenover hare eigene onderdanen.
Venetië,
SavoyCy de aanzienlijkste Hansesteden, Brandenburg, Zweden, Frankrijk wachten niet
te vergeefs zedelijke ondersteuning van ons. En terwijl dit volk zoo veel was voor
andere volken, was het ook tevreden en gelukkig in eigen boezem. Terwyl nog bgna
eene eeuvr lang,
ioi in Frankrijks hoofdstad toe, tweegevechten, opligtingen van personen,
moorden op straat bij menigten voorvallen, merkt bij gelegenheid dat te
^s Hage in
het jaar 1610 een aanzienlyk man op straat vermoord gevonden was, de geschied-
schrijver ^ aan, dat dit te meer opzien baarde, aangezien men »in
Holland zulke
moorderijen niet gewoon was." Veiligheid en rust heerschte op het platte land en in
de steden. De landbouw zag zijn grondgebied uitgebreid door de polders, vooral sedert
den tijd des Bestands aan de waterplassen onttogen de aanbouw van prachtige wijken
in de voorname Hollandsche steden, vooral te
Amslerdarn, gaf aan allerlei arbeidslieden
Averk en overvloed; de handel hield tienduizenden by tienduizenden handen bezig, en
blijkens de tallooze in dezen tijd gevraagde en verleende octrooijen, spitste menig vernuft
zich tot het vinden van nieuwe middelen tot bespoediging van de voortbrenging en lot
volmaking van de voortbrengselen der nijverheid en tot versiering en veredeling des
levens. Mogten van tyd tot tijd scherpe verordeningen noodig zyn om de krygsbenden,
waar zij werkeloos ingelegerd waren, tot tucht te dwingen, de Engelsche Gezant kon
in 1616 naar waarheid schrijven, dat de soldaat hier te lande niet zooals elders vrij-
heid had om naar zijn goeddunken op kosten van den landzaat te leven en zonder

ï VAN meterkti, X, p. 425.

2 Br. w. c. H. sTAniNG, in de Gids, Nov. 1858, bl. 559.

3 cahleton, I, p, 103.

1

ocr page 518

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

vrees van gelogenstraft Ie worden konden zich de Stalen op de zachlzinnigheid van den 1617.
landaard beroepen, waar zij in hetzelfde jaar de Spanjaarden en Portugezen laten welen,
dat zoo zij de Nederlandsche gevangenen niet lieten loskoopen of beier behandelden, ook
Λvij de gevangenen, die in onze handen vielen, aan strenge tuchthuisstraf onderwerpen
zouden, »hoewel zeer ongaarne als tegen ons natureel en gebruik De vernieu-
wing der plakalen tegen dievery en bedelarij sirekt ruim zoozeer ten bewijze van de
waakzaamheid der Overheid, als van de veelvuldigheid dier misdaden. Wil men
nevens de dichterlijk gekleurde tafcrcelen van
de Hollandsche Arcadia^ wier schrijver,
HEEMSKERK, in de jaren des Bestands te
Leiden studeerde, een bescheidener schildering
van den staat der ingezetenen in dien tijd, men hoore wat een vlugschrift, in 1615 uit-
gegeven 2 ^ vermeldt: »De landman is thans zeer welvarend met zijn zuivel en gewas,
ja, hy verkoopt byna zoo duur als hij verkiest, heigeen ook wel blijkt aan de ver-
siering van goud en zilver, waarmede zijne vrouw en kinderen omhangen zijn. De
stedeling op zijne beurt timmert groote en hooge woningen, welke huizen van binnen
zeer sierlijk zyn van schoone meubelen, tapijten, zilveren en vergulde vaten, en hij
zelf met vrouw en kinderen kostelyk opgesmukt met zyden en lluweelen gewaden, be-
goud en bezilverd, groote banketten houdende, hetwelk alles een teeken is van welvaren."

Zijn de voortbrengselen der schoone letterkunde, zoo zij bij eenig volk worden aan-
getrofien, de getuigenis, dat de geest van dat volk in enkele mannen vrij genoeg is
ontwikkeld om zich bewust te zgn van eigen grootheid, ook deze roem ontbrak aan
staat der letter-
hel Nederland van die dagen niet. teefde in de Staatsmannen het gevoel der eigen-
aardigheid en der regten der Nederlandsche nalionahteit, — getuigen hunne besluiten,
waarbij zij bepaalden, dat de resolutiën der Staten-Greneraal, in plaats van in het
Fransch, zoo als vóór 1582, in de Nederlandsche taal zouden gesteld worden, en hun
verzoek aan den Raad van State en aan
leicester om, in weerwil van de aanwezigheid
van Engelsche leden in dien Raad, de Staatstukken die van hen uilgingen, uitsluitend
«in de Duitsche en natuurlijke taal van den Lande" te vervallen — in deze eigen
taal vond dan ook weldra het zelfbewustzijn der natie een waardig orgaan. In de taal,
die' zoo krachtig gespierd, zoo helder en rond van de Hppen en uit de pen van een
ldenbarnevelt vloeidc; djc door eenen hügo de groot gebezigd, zich door zulk
eene fijnheid en keurigheid kenmerkte; die in
hoofts gedichten zoo maatvast en zangerig
was geworden, als muzyk, — in die zelfde taal zongen weldra dichters, die, even als
hooft zelve, een voorbeeld verdienden te worden van al wat Duilsch, 't zij Nederlandsch,
't zij Hoogduitsch, sprak. Wel was de staatkundige en sloffelijke ontwikkeling de poëzij

1 Rcsol Stat.-Gen. 3 Dec. 1616.

2 Bierct de wijsheit vcnnaerl van Η Hollandsche huyshouwen enz, {Bibl v. Pamßelt. Ν". 1139).
^ Bijdrage lot de gesch. der Nederl, iaal, in Nederl. Volksalmanak, 1859 bl. 87, 88.

ocr page 519

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. aanmerkelijk vooruit, en konden de dichters niet dadelijk adems genoeg vinden om zoo veel
wonderen waardig te bezingen; maar toch hadden een
roemer visscher en spieghel , die
zich uit den wansmaak der oude Rederijkers tot een letterkundig humanisme ontwik-
kelden, spoedig jongere mededingers in eenen
dawiel heinsius en scRivERms, die, met
den schat der klassieke letterkunde toegerust, in de vaderlandsche taal vaderlandsche
zangen weten aan te stemmen. Men rekene het den beschaafden vernuften van die da-
gen niet als een misslag aan, dat zij zich de klassieke modellen tot voorbeeld stellen,
en met den ganschen schat der Grieksche mythologie hunne gedichten opsmukken: de tyd
bragt nog niet mede, dat men een waarachtig oorspronkelijken kunstvorm en dichtertaal
kon scheppen. Voornamelijk de ontwikkeling der natuurkundige wetenschappen, die met
het begin der zeventiende eeuw eerst eenen aanvang nam, heeft aan de hedendaagsche
volken tegelijk eene gansch eigenaardige rigling en het bewustzijn gegeven van hetgeen
hen van de klassieke oude volken onderscheidt. Gelijk Prins
maurits en willem lo-
DEWiJK slechts de krijgskunde der Ouden, >vier auteurs zij waardeerden en zorgvuldig
beoefenden, meenden toe te passen en voort te zetten, terwijl zij toch het buskruid ter
hunner beschikking hadden en zich van het kanonvuur treifelyk wisten te bedienen,
zoo erkennen onze schrijvers en dichters van die dagen geene hoogere, ja geene an-
dere waarlijk letterkundige vormen, dan die de oude modellen, of wat daarvoor door-
ging, teruggeven.
Hooft gevoelt niet, dat hij onze taal geweld aandoet door tagitus
schrijftrant na te bootsen, en hij wordt toegejuicht. Hugo de groot schrijft zelfs de
geschiedenis van den strijd legen
Spanje in het Latijn, en gezegend was deze zyne
gave, daar zij hem niet alleen in staat stelde voor
Nederland tot de republiek der
edele geesten in gansch
Europa het woord te voeren, maar tevens het vooroordeel van
botheid en ruwheid, dat onzen landdaard nog aankleefde, zegevierend te keer te gaan:
eene natie met eene Hoogeschool als
Leiden, met een vernuft als de groot, die
en de grondslagen der nieuwe staatswetenschap legt en de Grieksche muze, beter wel-
ligt dan eenen Romein zeiven mogelijk zou geweest zijn, in het Latijn laat spreken, —
zulk eene natie, dit moest
Europa onwillekeurig erkennen, was geen zamenraapsel van
dolle geestdrijvers en botte geesten, slechts op geldwinst bedacht. — En bovendien, die
klassieke vormen, zij smoorden het regt moderne, vaderlandsche gevoel van menig dich-
ter niet. Wel was een
hooft te voorzigtig om zijn hart in onbedwongen klanken uit
te spreken: zijn
Gerard van Velsen is slechts een tafereel van het verledene, vervalscht
door de vooroordeelen van des dichters tijd. Maar reeds noemden wij de namen van
heinsius en sgriverius, en, mede reeds in den tijd des Bestands, getuigde menig
gedicht van den jeugdigen
vondel, wat hij met en voor zijn Vaderland gevoelde,
en hoe hij in Nederlands wederwaardigheden deelde. Zijn liefelijk en verheven treur-
spel
Pascha of de verlossing der kinderen Israels uit Egypte^ in 1612 uitge-
komen, ontleent kracht en glans aan den verschen indruk in 's dichters gemoed

ocr page 520

DES VADERLANDS. 647

nagelaten door Nederlands verlossing uitgiet dienstliuis van Spanje^ e^i, alsof dq 1617.
toepassing nog niet duidelyk genoeg uit het stuk zelve bleek, voegde de dichter
eene vergelijking van de verlossing der kinderen Israels met de vrijwording der Ver-
eenigde Nederland&che Provinciën
daaraan toe. Dat terugvinden van de geschiedenis
hunner dagen in de worsteling van
Israël tegen Egypte strekt vondel en zijnen tijd-
genooten, die zijn stuk met toejuiching ontvingen, lot eer: het is een waarborg, dat de
beweegredenen van hunnen tegenstand tegen
Spanje dieper en edeler waren, dan een later
geslacht ze zich vermögt voor te stellen. En dan dat heerlijk tafereel, opgehangen in
VONDELS hymnus over de wijdberoemde scheepsvaart der Vereemgde Nederlanden! Met
Λvelk een gevoel van de grootheid van zijn Land en volk bezingt hij
Nederland^ dat
al des werelds perken beschaduwt en doorvliegt met de vlerken zijner schepen ^ dat
zoo veel torens ziet gewassen uit laag verdronken land, uit poelen en moerassen!
Hoe tart hij, na al den roem van het voorgeslacht, en de onlangs ondernomen stoute
zeereizen, en de uitbreiding van scheepvaart en visscherij vermeld te hebben, hoe tart
hij
Oud· Grieiienland, wiens zeevaart slechts kinderspel was bij onze drijvende bosschen,
getimmerd op een reede, waar nergens hout wast,
en hoe wendt hij zich eindelijk, tot
den grooten Admiraal van der Stalen zeemagt,
dien onverwonnen prins, die bloeme
van Oranje,
die, gelijk de duinen de verbolgen zee, het Spaansch geweld had gekeerd!
Waarlijk met zulk een dichter in zijne eerste vaag ontbrak het
Nederland reeds toen
niet aan den roem, dien de schoone letteren aan een volk verzekeren! - |

Niets is billyker, wanneer men een land zoo roemvol en zoo gelukkig ziet, dan lot
zijne Regeerders op te klimmen, die wel niet de eerste oorzaken zijn van dien roem en
dat geluk: want dit gaat boven het menschelyke vermogen: maar zich toch door hun
inzigt en handelingen volkomen op de hoogte toonen van den tijd. En de Regering in
Verdienste vau
dat roemrijke tijdperk van ons Vaderland werd geheel en al bezield door oldenbarne-
velt.
Hem kwam de dank toe van den tijdgenoot, hem komt de eer toe bij de na-
komelingschap, dat hij, als de ware opvolger van
Willem den Eersten, terwijl zijn diep
inzigt in de stelling der toenmalige Mogendheden van
Europa hem de kennis der ge-
schikte middelen om zijn Vaderland te grondvesten aan de hand deed, levens den moed
gehad heeft om de aanwending dier middelen in weerwil van alles wat hem aan het
wankelen brengen kon, standvastig door te zeiten. Zonder de staatkunde, door hem
gevolgd, zou
Nederland onfeilbaar, zoo al niet vóór, dan na het Bestand, ofte gronde
zijn gegaan, of ten minste op een verkeerden weg zijn geraakt en alle gezag en in-
vloed verbeurd hebben.

En toch die man vond zich al meer en meer gedwarsboomd door tegenstand van de Tegenstand tegen
zijde van sommigen, ja van eene geheele partij onder zijne landgenooten; die man werd^^"'
al meer en meer het voorwerp van haat of achterdocht, zoozeer, dat eindelijk zijne
tegenstanders niet langer konden zvvygen, maar hun, als het ware, de kreet van bet

ocr page 521

664 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617.

liart moest: weg Yan de aarde met dien mcDSch, want het is niet behoorlijk, dat hij
leve! Zijne loopbaan, voor zooverre wij ze lot dusverre hebben nagegaan, waarborgt
ons reeds, dat hij zich dien haat niet door eenigen gruwel op den hals had gehaald, zoo
het ten minste geen gruwel is zijn Vaderland onuitputtelyk ryk en by het Buitenland
boven alle verhouding ontzien te maken, en binnenlands de tweedragt voor uitbarsting
te bewaren. Aan zijne staatkundige wijsheid, en anders nergens aan, had hij dien haat
te danken. Had zijne eerlijkheid aantastbare punten gehad, hg zou niet zoo groot zijn
geweest en zijn Vaderland niet zoo oneindig veel goeds gedaan hebben; maar ook zou
hij, menschelijker wijze gesproken, het slagtoffer van den tegenstand niet geworden
zijn: dan toch zou hij zich door wederkeerig geven en nemen met zyne tegenpartyders
verdragen hebben.

Men kan alle wijsheid bepalen door ze matiging in de vrijheid te noemen. Deze
matiging nu in de vrijheid, deze zelfbeheersching by het wegvallen van allen uitwen-
digen dwang, kenmerkt
oldenbvrweyelts staatkunde ten volle. Hy weet Nederland
toe te rusten met de middelen om de oorlog onbepaald voort te zetten, om de verove-
ringen aan gene zijde des oceaans tot in het oneindige uit te breiden, om de Mogend-
heden door ze op bare zwakke punten aan te tasten tot het uiterste te dry ven,—en hij
teekent het Bestand, houdt den waggelenden troon van
Frankrijk staande, en beteugelt
de veroveringszucht dergenen die op octrooi aandringen voor de West-Indische Maat-
schappij. Zoo behoedde hij
Nederland voor het gevaar van een brandfakkel te blijven
voor
Europa, een luchtverschijnsel, dat slecht stoornis in de gevestigde orde kan aan-
brengen ; zoo verzekerde hij der Republiek eene regelmatige plaats te midden van de
loopbanen der verschillende Staten, en bewerkte dat
Nederland niet alleen voor zich
zeiven, maar ook voor geheel
Europa, als een nuttig en noodzakelijk lid der menschen-
maatschappij ten zegen kon strekken. — Maar voor al degenen, wien die matiging in
de vrijheid ontbrak, die in het staatkundige van geene perken weten wilden, en in het
godsdienstige uitwendige perken vorderden, omdat zy in eigen gemoed datgene niet
erkenden, wat alleen den band der eenheid uitmaakt, voor al de zoodanigen was
ol-
DESBARKEYELT een doorn in het oog; voor genen was hy een aanstoot, voor dezen een
ergernis; voor het streven van genen was hy een hinderpaal, in de oogen van dezen
een verleider lot dwalingen, waarvan de gevolgen, meenden zij, niet te voorzien wa-
ren. Vaak vertoonde zich die roekeloosheid in het staalkundige en die bekrompenheid
in het kerkelijke, uit dezelfde bron geweld, in dezelfde personen, zoo als, bij voorbeeld,
bij den Amslerdamschen predikant
plangius, en de vijandschap der zoodanigen tegen
OLDENEARWEYELT was cr des te feller om.

De uitbarsting legen oldenbartseyelt kwam van den kant der godsdienstgeschillen.
Deze geschillen, welke de praedestinatie betroffen, waren juist een blijk van den
voorspoed, dien onze Republiek in die dagen genoot. In tijden, dat gemeenschap-»

Grond van dien
tegenstand.

i

ocr page 522

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

pelijke rainpen en gevaren gedurig tot zamen\Yerken nopen, zal men om geen leerstel- 16Π.
lingen den broeder, die ons eerlijk bijstaat, verdoemen. In dagen, dat Gods oordeelen
op de aarde zijn, en tydelijke ellende gevoeld wordt, zal men geen stelsel drijven,
dat ons noopt aan den trouwen deelgenoot van onzen jammer nog de eeuwige ellende
bovendien toe te denken. Zoo viel dan de uitbarsting van twisten over punten, bij
wier behandeling het volk en zelfs de geleerden vroeger kalm waren gebleven, niet
toevallig met de rust en de welvaart van de jaren des Bestands zamen. Zij waren
de noodzakelgke keerzijde van den verbazend günstigen toestand der zaken, de vloek,
dien 's menschen brooddronkenheid over zich haalt, wanneer de rampspoed niet van
buiten aankomt.

Het verhaal dier twisten hebben wij gebragt tot aan de pogingen lot invoering van
de kerkordening van 1591 in het jaar 1612 i. Vandaar aan moeien wij alzoo hunne
geschiedenis thans ophalen.

Welke heilrijke gevolgen oldenbarnevelt en zij, die zijne maatregelen in de Staten
van
Holland ondersteunden, zich ook van de invoering der kerkordening van lö91 be-
loofd mogen hebben, om die gevolgen te doen plaats grijpen zou zij algemeen
nagekomen hebben moeten worden. Ook werd zij wel eens onverstandig toegepast.
Toen te
Warmenhuizen, een dorp tot de classis van Allernaar behoorende, de Gescliil over

1-11 11 1 1 TT 1 1 q 1 Ί Â· 1 Icroeping vau

predikanlsplaats was opengevallen, liet de Heer der plaats 2 de beroeping volgens een predikant te
de kerkordening van 1591 geschieden, en de keus viel op
petrus aemilius, die,
na vroeger predikant geweest te zijn, thans notaris was te
Amsterdam. Dit mögt
eene ongelukkige keus heelen, daar zij maar al te veel slof lot aanmerkingen
gaf. Die leden der gemeente welke eenslemmig dachten met de wedersj)annige predi-
kanten van de classis van
Alkmaar, namen met het beroep geen genoegen, en eenige
personen, bewerend gemagtigd te zijn door den Burgemeester, de schepenen en den
kerkeraad, sloten de kerk met geweld om den nieuwen predikant den toegang te be-
letten. Hierop liet de Heer der plaats het gebouw door het geregt openbreken. De
zaak kwam voor de Staten van
Holland en dezen verklaarden den 4^'"'Augustus, 1612,
dat, wat de Heer der plaats verrigt had »als geschied krachtens het regt der Magistraat
lot handhaving van hunne vroegere Resolutie, wel en te regt gedaan was." Om
evenwel aan de gemoederen den tijd te laten van lot bedaren te komen, gelasllen
zij, dat de predikant
petrus aemilius niet^ in zijne bediening zou treden, maar
(Ie dienst voor de drie eerstvolgende maanden door de classis van
Alkmaar zou

^ Zie hiervoor bl. 512.

2 De lieer Λν. bahdes, zoon van den Amstcrdamschen burgemeester. Onlangs had hij door
aankoop deze heerlijkheid bekomen. Toen hadden zich Ilegeerdere en Kerkeraad tegen hunnen
niemven Heer pogen te verzetten-(Rcio/.
Holl 1612, bl. 767).

III Deel 2 Stuk. 82

ocr page 523

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1(117. J)czorgd worden. Inmiddels zou een ieder in de gelegenheid gesteld worden om be-
schuldigingen legen dezen leeraar in Ie brengen. Die van
Warmenhuizen leverden den
j^sien November een vertoog in ten laste van petrus aemilius, en de Staten, begrijpende
dal hij in die gemeente nimmer met vrucht werkzaam zou kunnen zijn, namen zijn
onderhoud op hunne rekening, loldal hij elders beroepen werd. Zoo onthielden zich
de Stalen van een gewelddadig opdringen van een predikant aan eene wederspannige
gemeente, en lerwijl zij aan hunne eigene besluiten de hand houden, ruimen xij door
bemiddeling de zwarigheid uil den weg In één woord zij handelen als vrede-
liouding door reglers en patronen, en deden hier eenigermate hetzelfde wat zij kort Ie voren gedaan
'over dc^geschfu^^ hadden , toen zij den baljuw en den predikant van Schoonhoven, die zich over genen
aaTigeiioïiicn. j^y beklaagd had, elkander in hunne tegenwoordigheid de hand der verzoening

lieten geven In overeenstemming met deze houding en levens met hel doel der
invoering van de kerkordening van 11591 was de toeleg om de opheffing der gerezen
moeijeiykheden aan de stedelijke Regeringen over Ie laten. Zoo schreven zij aan den
Eurgemeesler en Regeerders van
Delft aangaande den persoon van reinier dokteklok ,
een Vlaminger van afkomst en vroeger daar ter stede predikant. Deze, die zich reeds
vroeger in den Iwisl lusschen
gomarus en arminius legen dezen laatslen had doen gel-
den had in 1612 een boekske uitgegeven^, waarin hij »strijdig," zeggen de Sta-
ten, »met den pligt van een goed ingezetene de Resolulien van Hun Edclmogenden
scheen Ie censureren." Op dit geschrift nu wezen de Staten de Regering van
Delft
met verzoek daarop Ie lellen, en in de zaak te doen, zoo als zij voor de dienst en de
rust van den Lande zouden bevinden te behooren. De vervolging der zaak bragl te
weeg, dat
donteklok. aan de Burgemeesteren zyner woonplaats zijn leedwezen betuigde,
waarop dezen de Stalen verzochten, het daarbij te mogen laten, »dewijl hij een oud
man was van hooge jaren, vermaagschapt aan de aanzienlijksten der stad, en verder
onderzoek ligt meer zwarigheden zou veroorzaken Verschenen er hatelyke en ge-
vaarlijke geschriften, zoo werden zij, in weerwil van de bestaande plakaten en ordonnan-
tiën, niet regtstreeks op gezag der Stalen verboden, maar
aan al de sleden afzonderlijk
werd geschreven, zulke » scandaleuse libellen op Ie houden en in Ie trekken, als die-

1 ncsol V. Holl, 2, 3, 4 Au{t.; 18, 29 Sept.; 1 8 Nov. 1612 (bl. 770, 772, 773, 774, 822,
827, 847, 850, 961, 062).
uytenbogaeut, K. li. bl. 599—601. baudaert, V B. bl. 3-5.

2 nesol. V. Holl. 12 Febr. 1612.

3 UYTEKBOGAERT, Kerkcl. Hist. bl. 324, 325.

Dibl v. Pamßcllen Ν". 1000. uytenbogaf.rt, K. II. bl. 577.
5
Resol. v. Holl. 12, 13, 14 April, 1612 (bl. 683—686).

ocr page 524

DES VADERLANDS. 651

Dende alleenlijk lot veronlrusling van de goede gemeente Alles werd er dus op lßl7.
aangelegd om de behartiging van den godsdienstvrede lot de zaak der bijzondere Ge-
meenten te maken. De Staten geloofden aan de verzoenlijkheid en handelbaarheid der
predikanten, en trachtten van hunne zijde de schalen tusschen Remonstrantsch en Con-
traremonstrantsch zooveel mogelijk in evenwigt te houden. Van hel eerste getuigt het
besluit, den 26 Julij 1612 genomen, om eene commissie Ie benoemen ten einde een
stuk op te stellen, dat aan de predikanten ter onderteekening zou worden aangeboden,
en waarbij zij op grond dat zij aan de Heeren Staten als hunne wettige Overheid erken-
telijkheid schuldig waren, beloven zouden, hun Edelmogenden te gehoorzamen in alles
wat zij in kerkelijke zaken in overeenstemming met Gods Woord en tot beter orde in de
Kerk er\ tot rust van den Lande zouden verordenen 2, En hoe zij in geenen deelc pari ij
Onpartijiliglieüt
trokken tegen de Contraremonstranten, maar aan dezen gunden, wal zij aan de Remon- ^*"·^®"·
slranten toestonden, blijkt onder meer voorbeelden hieruit, dat, zoodra besloten was aan
UYTEKBOGAERT te vergunnen zijn
Naerder Bericht uit te geven, van hunnentwege aan
festus noMMius geschreven werd, dat dit verlof slechts verleend was onder voorwaarde,
dat het hem vrij zou slaan daartegen te schrijven Niet minder duidelijk spreken an-
dere feiten. Toen te
Oudenmierop een predikant, met name jacob laurensz, legen de
order en de Resolutiën der Staten was aangesteld, bevalen zij wel, »lol vordering van de
eere Gods, lot handhaving van het wettig gezag en tot behoud van rust en eenigheid,"
dat die persoon zich van de predikdienst zou onthouden, totdat zij op hunne eerstvol-
gende vergadering nader op zijn beroep zouden beschikt hebben; maar intusschen zou
men op vrij hooge boete de beurten laten waarnemen » door alle predikanten zoo van de
binnen- als van de builenclassis van
Alkmaar en van de eene partij zoo wel als van
de andere, zonder onderscheid, beginnende van de oudsten in dienst." Hiermede er-
kenden de Staten tevens eenigermate die leden der oorspronkelijke classis van
Alkmaar^
welke, onder den naam van builenclassis, geene gemeenschap hielden met de predikan-
ten in de stad
Alkmaar, en afzonderlijk vergaderden. En korten tijd daarna werden
de Burgemeester en Regeerders van
Alkmaar uitgenoodigd met matiging en beschei-
denheid te wqrk te gaan tegen den ouden kerkeraad, die zich nog altijd als niet wet-
tig ontslagen beschouwde Wanneer men dit alles in aanmerking neemt en be-

' Resol. υ. Holl. bl. 689. Met name wordt hier onder zulke libellen genoemd Jict Reispraaljc
[Uibl. v. Pamß,
Ν". 1048).

2 Resol. v. Holl. bl. 761.

3 Resol. v. Holl. 17 Julij, 1612 (bl. 768). De vergunning aan üytewbogaert tot de uitgave van
zijn
Naerder bericht verleend had echter geen dadelijk gevolg. Dus werd zij in Julij 1616 ver-
nieuwd en het werk alstoen uitgegeven. Zie
uvtenbogaebt , Κ. iï. bl. 577, en hiervoor bl. 481.

^ Resol. v. Holl. 26 üct.; 15 Dcc. 1612 (bl. 844, 902).

82*

ocr page 525

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1017. denkt, dat er eensdeels belrekkelyk weinig gewelddadigheden plaats grepen, en over
het algemeen, waar geene klagten vielen, de Contraremonstranten ongestoord hunnen
gang gingen, en anderdeels de Staten en
oldenbarnevelt niet aansprakelijk kunnen
gesteld worden voor den onverstandigen ijver van sommige aanhangers van het heer-
schende staatkundige stelsel, wier maatregelen zij bezwaarlijk altijd konden verhoeden;
wanneer men dit bedenkt, dan komt men tot de overtuiging, dat al het geroep over
verdrukking van de ware leer zyn oorsprong te danken had aan de meening van hen,
die het er voor hielden, dat aan de Kerk reeds door de dulding der Remonstranten ge-
weld geschiedde. Dezulken zagen in de Kerk niet de gemeenschap dergenen, die zich
in het geloof
van de wereld afscheiden ; maar eene gemeenschap, die zich in de wereld af-
scheidt van hen, die geacht worden de dwaling voor te staan. Dus was hun alle afwij-
king van de Gereformeerde leer een gruwel; herders en leeraars, die de bevooroordeelde
gemeente hadden behooren neder te zetten , werden door hunne begrippen verleid om
als mcnschen zonder liefde en zonder geloof tot tegenstand aan te zetten, onbarmhartig
alle zwakheden en gebreken in hunne tegenpartijders aan den dag te brengen, ja hen
te belasteren en van verraad en omkooping ^ te beschuldigen. Hoe gunstig steekt te-
gen zulk een bestaan de houding af der Staten, die van hun hooger standpunt, beter
bewust van de middelen ter handhaving der ware Christelijke godsdienst onder de vol-
ken, eenen verzoenenden geest betoonden. Maar juist het regt van verzoeningsgezind
te zijn betwistte men hun, en gaarne zou men hunne bemoeijing met de godsdienst als
strijdig met het gebruik in protestantsche Landen hebben uitgekreten. Dezen blaam
])cstatenliand-<^chter weerde de meerderheid der Stalen krachtig van zich af, toen zij in den zomer
]ÏÏe"rkcUjkfï-^^^^ gelegenheid waarnam om zich luide te beklagen, dat men der
Staten regt om aan de Kerk verordeningen voor te schrijven in twijfel trok: » met onregt
en tegen de klaarblijkelijke waarheid", verklaarde men, »werd uitgestrooid, dat ook in dit
opzigtde godsdienst veranderd werd, terwyl toch onwedersprekelyk was, dat hef maken
van kerkelijke wetten van het begin der oorlog en gestadig daarna begrepen is der Hooge
Overheid toe Ie komen, gelijk in alle Koningrijken, Landen en Steden, die het Pausdom

ken.

' »Wierden oock op eenige plaetscn — doove gcrucliten gestroyt, dat eenxge voornacmstc
Kcmonstrantsche Leeraers, Sonderling
uytenbogaert, niet vry en waren van steeckpcnningen ge-
noten, en metten vyandt heymelijck verstant te hebben, tot onderganck des Lants, ende der
Kercke, ende dat sy daerinne gevocdct wierden van eenige Regenten 's Lants ten selvigen eynde.
Hiervan kreeg
uytendogaert verscheyden waerscliouwingen" (uytenbogaert , K. H. bl. 599). In het
hatelijke geschrift
Praktycke van den Spaenschen Raedt (ßtö/. υ. Pam/Zc/N". 1452.) wordt beweerd,
dat terwijl de Contraremonstrantsclie leeraars het sober hadden, de Remonstrantsche altijd de beurs
vol geld droegen. Eene voorstelling regt geschikt om op den nijd der Contraremonstrantsche leeraars
te werken. —
uytenbogaert ontving, heette het, uit 's Lands middelen jaarlijks 120,000 gulden
om tot zijne doeleinden te besteden (Zie dat pamflet bl. 24 en 43).

ocr page 526

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

verwierpen, mede altijd was en nog werd begrepen en in praktijk gebragt Nog
een ander middel nam de Conlraremonslranlsche partij te baat om hare ongehoorzaam-
heid te vergoelijken. Zij maakte gebruik van het werkelijk in den boezem der Staten
ten aanzien van de godsdienstzaken beslaande verschil van gevoelen, om hunne be-
sluiten in dezen als het werk van enkelen, voornameliyk van de Gecommitteerde Raden
en wel bepaaldelyk van
oldenbarnevelt , voor te stellen, en den schijn aan te nemen,
alsof zij deswegens hunne geldigheid in twijfel trokken. De predikanten van de Alk-
maarsche buitenclassis ontzagen zich niet aan de Gecommitteerde Raden, hun in 1613
toegezonden tot bijlegging der geschillen met de binnenclassis, dat gemis aan een-
stemmigheid openlijk voor de voeten te werpen 2. Dus was het steeds het ernstige
streven, de sleden, die tot de besluiten in kerkelyke zaken genomen hare medewerking
weigerden, tot eenstemmigheid over te halen. Hiertoe werd geen middel van overreding
onbeproefd gelaten. Maar ook om de twistende godgeleerden zeiven Ie verzoenen wilde
men nog eene proeve nemen.

In den winter van het jaar 1612 was Graaf willem lodewijk., bij gelegenheid van
ile aanstaande inhuldiging van Prins
maurits als Ridder van den Kouseband, le^sllagc
tegenwoordig. Bij hem kwam het denkbeeld op, dat men nogmaals eene Conferentie
lusschen predikanten der twee strijdende partijen, maar ditmaal in kleiner aantal,
moest doen houden, ten einde dezen de vijf punten, waarover in de Haagsche Con-
ferentie van 1611 gehandeld was, zoo mogten stellen, dat de beide partijen daarin
de uitdrukking van haar gevoelen vonden. Dit denkbeeld deelde hy aan υγτΕΐί-
BOGAERT en FESTUS HOMMius mede en beiden won hij voor zijn doel. Weldra besloten
de Stalen van
Holland deze zaak Ie bevorderen, in de hoop dat daaruit wat goeds zou
voortkomen. Immers kon eene poging, door
Willem,, lodewijk aangeraden, die het
vertrouwen der Contraremonstranten genoot, niet anders dan gunstig opgenomen worden.
Van elke zijde zouden drie predikanten opkomen en de bijeenkomst te
Delft plaats
hebben. De drie van de zijde der Remonstranten waren:
ïiytenbogaert , van den borre , j)eißsche Con·
uit Leiden, en grevikgeoven, uit liolterdam; de drie van de Contraremonslrantsche-'''^''"''^^'
zijde:
bogardus, uit Haarlem, bbgius, uit Dordrecht, en festus hommius, uit Leiden,
Den 26"®" Februarij 1613 had de eerste bijeenkomst plaals. Hier namen de Contra-
remonslrantsche predikanten dadelijk de vereischle voorzorgen, dat de slap, waarloc zij
overgingen, niet ten nadeele van het bijeenroepen eener Nationale Synode, waarop zij
sleeds aandrongen, zou uitgelegd worden, en verlangden toen van de Remonstranten
vooraf de verklaring, dat er onder hen niemand was, die buiten de vijf punten iels had
tegen de Confessie en den Catechismus. ïot staving van hunne overeenstemming met

1 Resol. v. IJoll. 1612, bl. 955.

2 ResoL v. Holl. 1613, bl. 28.

ocr page 527

6Ö4 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. (leze Formulierea vorderden zij de onderteekening van een vijfendertigtal artikelen. In dit
voorstel zagen de drie vertegenwoordigers der Remonstranten een strik om hen te vangen,
en eene poging om een geloofsonderzoek in te voeren, en van nu aan beloofden zij zich
geen gunstigen uitslag van deze bijeenkomst. Zy beantwoordden den hun gedanen eisch
met de verklaring, dat deze Conferentie bestemd was tot de behandeling van de vijf
punten en niet van vraagstukken, omtrent welke op louter vermoeden de regtzinnigheid
van dezen en genen verdacht werd, maar die de Remonstranten niet aangingen: dus
vraagden zij, of de Contraremonstranten gezind waren, hen in hun gevoelen aangaande
de vijf artikelen te verdragen, ja of neen, of althans over deze artikelen in onderhan-
deh'ng te treden. Hoewel de Gecommitteerde Raden nog eenigen uit hun collegie zon-
den om de godgeleerden te vermanen niet onverzoend te scheiden, bleven de Contra-
remonstranten bij hunnen eisch. De Remonstranten verklaarden zich niet ongezind
om de in geschrift gebragte 35 artikelen aan de predikanten, die van hun gevoelen
waren, mede te deelen, en daarover eene verklaring van hunne zijde uit te lokken, mits
die artikelen niet onder het volk verspreid Λverden voor en aleer daarop de meening
der Remonstranten verstaan was. Op de belofte van geheimhouding scheidde men den
27stoii Februari] vriendschappelijk van elkander. Maar nog hadden de Remonstranten
Delft
niet verlaten, of het bleek, dat de 55 artikelen reeds in verscheidene afschriften in
handen van het publiek waren. Spoedig kwamen zij dan ook te
Delft in druk, en
zoo kon thans al het volk kennis nemen, van welke en hoe vele dwalingen men goed
vond de Remonstranten te verdenken. De Staten verlangden ambtshalve berigt van het
voorgevallene, en ontboden
uyteneogaert en festus hommius voor hunne Vergadering.
Hier vorderden zij van elk afzonderlijk, eerst van
hommius en daarna van uytenbogaert,
een verslag van hetgeen er in hunne bijeenkomst verhandeld v^-as. Eenige dagen daarna
besloten zij zeiven van de drie Contraremonstrantsche leden der Delftsche Conferentie de
verklaring aangaande de vijf punten te vorderen, waartoe die bijeenkomst belegd was
geweest Bij dit besluit voegden zij de verklaring, dat zij het noch dienstig noch
stichtelijk oordeelden, dat door de Remonstranten op de punten, van wege de Contrare-
monstranten hun voorgehouden, eenige verklaring gedaan, of van de eene of de andere

i

1 Eerst acht maanden later leverden de Contra-Remonstranten, in{jevo]ge dit bevel, een-voorslag
van tolerantie op de vijf punten in, doch gepaard met zoo vele voorwaarden, dat zij eigenlijk
niets van hunne cischen terugnamen. Dit geschrift Averd, tegen het bevel der Staten, in 1615
uitgegeven onder den titel van
Nader Advijs over de Conferentie^ gehouden tot Delft, aengaejide
het remedieren der tegenwoordige sxvarigheydcn — te samen gestelt door drie Dienaren des Godi.
Woorts, door last van de E. M. II. II. Staten v. II. ende
W, Vr. — Hiertegen vond uïtenbooaert
zich genoopt op te komen met een tegenschriit, getiteld: Oprecht en nader bericht Joannis
Uytenbogaert.
Zie trigland, bl. 649—053, en uytehbogaert, bl. 605, 606.

I?"

ocr page 528

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

{
!
I

zyde nieuwe vragen geopperd werden. Met dit besluit evenwel Tcreenigden zich de 1617.
Gedeputeerden der sleden
Dordrecht, Amsterdam en Enkhuizen in geenen deele

Het bezwaar dat er bij de steden, die niet met de meerderheid slemden, bestond, was
in de overtuiging gegrond dat de Overheid de Kerken in de beslissing omtrent hare leer
cn ordening, en in de wijze om lot die beslissing te komen, vrij moest laten. Kon men
haar van dit gevoelen tot de tegenovergestelde meening overhalen, zoo ware de zaak
gewonnen, en eendraglig kon men zich van Staatswege de bevrediging der Kerken ten ,

doel stellen. Doch waar een gezag te zoeken, dat haar gevoelen kon omzetten, of waar-
achter zy ten minste zouden kunnen schuilen? De hoogstgeplaatste persoon in de Protes-
fanlsche Christenheid, hij mögt dan verder wezen wat hij wilde, was ongetwijfeld de
Koning van
Grool-Britanni'è. Deze, die met zijn koninklijken titel dien van Verdedi-
ger des Geloofs
vereenigde, en de overdrevensle denkbeelden omtrent het alles omvat-
tend gezag van het koningschap koesterde, was ongetwijfeld van oordeel, dat aan de
Hooge Overheid ook gezag in het kerkelijke toekwam. Kon van dezen Koning eene
verklaring worden uitgelokt, waarbij hy de bemoeijingen der Stalen tot bevrediging der
Kerken goedkeurde en hare voortzetting aanbeval, zoo zou welligt het bezwaar der
minderheid in de Statenvergadering komen te vervallen. Dergelyke overwegingen schijnen
OLDENBARWEVELT en hen, die met hem eenstemmig dachten, er loe geleid te hebben
eene proef te nemen, om te zien wat zij tot hun doel van Koning
jagobus konden ver-
krijgen. Niet alleen werd dus
gardn, die omstreeks dezen tijd een kort verblijf te
'sllage had gehouden, op de hoogte gebragt om bij zijn terugkeer naar Engeland den
Koning genoegzaam in te lichten; maar ook maakte men gebruik van de gelegenheid,
dat er in de lente van hel jaar 1613 een gezantschap naar
Engeland was afgevaardigd.
Van dit gezantschap maakte
nugo de groot een deel uit Hij was, dacht olden-
BARNEVELT, de geschikle persoon om niet alleen de Engelsche godgeleerden lot een bil-
lijk oordeel over het gevoelen der Remonstranten te stemmen, maar ook om Koning
JAGOBUS tot eene zoodanige verklaring Ie bewegen, of te laten bewegen, als men gaarne
van hem zag uitgaan. Dus kreeg
hugo de groot het ontwerp van een brief mede,
zoo als men er een van
jagobus verlangde te ontvangen. De Koning liet zich overha- ij^ief ^^η ja-
len, en den 29"«" Maart 1613 werd in de vergadering der Staten-Generaal een ^ricf

van hem ontvangen, gedagteekend van den Ιβ'^®" dier maand, en van dezen inhoud: tot het bc-

slechten van gods·

Hoezeer overtuigd, dat de Staten de treurige godsdienstgeschillen naar hunne wysheid dienstgescliUlen.
en het gezag, dat hun over den slaat der Kerken cn de kerkedienaren toekwam, wel
zouden weten te beslechten, gaf de Koning te kennen, door de ondervinding geleerd

' Resol. V. llolL 1612, hl. 964; 1613, hl. 3. uïtekbogaert, t. a. pl. bl. 601—604. tbigland,
bi. 642—649.

2 Zie hiervoor bl, 590.

ocr page 529

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. Ie hebben, dat zulke Traagslukken bezwaarlijk door twistredenen van godgeleerden wor-
den uitgemaakt, en dat het voegzamer is, ze door openbaar gezag bij te leggen, ver-
biedende zulke geschillen op den predikstoel of onder het gemeene volk te brengen,
met uitdrukkelijk bevel den vrede te bewaren door onderlinge verdraagzaamheid bij
verschil van gevoelen, ten minste tot dat met volkomen kennis van zaken bij open-
Laar gezag anders verordend zou zyn. Ten slotte betuigde hy, dat hij geene der beide
meeningen zoozeer van de waarheid afwijkend achtte, of zij konden met het christelijk
geloof en de zaligheid der zielen bestaan. — Meer naar het hart van
oldenbarnevelt
kon niet gesproken worden, dan in dezen brief geschiedde; en geen wonder, want de
Koning had zich geheel en al aan het voorschrift uit
Holland gehouden. Maar de Ad-
vokaat had verlangd, dat de brief geschreven zou worden aan de Staten van
Holland^
welke de zaak bepaaldelyk aanging, en nu was hij aan de Staten-Generaal gerigt ge-
worden. Wat evenwel nog aan de zaak ontbrak, werd spoedig hersteld, toen de
Staten van
Holland een gelijkluidenden brief ontvingen, van den 21®'®" Maart gedag-
teekend Κ

Doch was de uitwerking van den maatregel van eenig belang, en vooral was hij van
eenig blijvend gunstig gevolg? Verre vandaar. Een tijd lang mögt men meenen met
eenig vertrouwen op de thans gevelde uitspraak van den koninklijken godgeleerde te
kunnen
wijzen weldra bleek het, dat de geheele toeleg weinig gebaat had. Dat op
's Konings gunstiger meening omtrent de vrije zienswijze der Remonstranten weinig te
rekenen viel, en verscheidene Engelsche godgeleerden de stellingen van
arminius steeds
bleven veroordeelen, dit bleek genoegzaam bij de levendige briefwisseling, die er tusschen
de hoofden der Contraremonstranten hier te lande en sommige Engelsche geestelijken
bestond, en wat 's Konings gevoelen omtrent het gezag der Hooge Overheid in kerke-
lijke zaken betrof, dit wist men krachteloos te maken door de aanmerking, dat er een
groot onderscheid was tusschen de eenhoofdige magt van Zijne Majesteit, den Koning
van
Engeland, en het gezag van de Heeren Staten. Dit immers voerden de predikanten
van de Alkmaarsche buitenclassis aan de Gedeputeerden van de Gecommitteerde Raden
te gemoet, en daarby tastten zy tevens de waardigheid hunner Landsregering aan in on^
derscheiding van het beweerde goddelijk regt van
jagobus 3. Ook werd het verdoemen
van het gevoelen der Remonstranten en het verketteren op den kansel hoe langer hoe
feller, derwijze dat de Remonstranten, die zich gebonden rekenden door de besluiten,

11

1 Verhooren v, Oldenbarnevelt, bi 224, 225, 255—259. Resol. v. Holland, 1613, bl. 4—7,
24—27.
üytenbogaert, 607, 608. trigland, bl, 656, 657.

2 TRIGLAND, bl, 657.

3 Resol. v. Holl. 1613, bl. 28.

ocr page 530

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

waarbij het Terbreiden van de gesciiillen onder het volk verboden was, de Stalen smeek- 1617.
ten, het hun niet ten kwade te duiden, zoo zij zich op den predikstoel of op andere
wijze van den onverdragelgken blaam trachtten te zuiveren. Ook regende het schot-
schriften, het een al hatelgker dan het andere, en die van de wederpartij niet onbe-
antwoord bleven De Staten vonden dan ook den toestand hoogst zorgelyk, cn toen
Maatregelen
in de vergadering van de maand Mei 1613 opening gedaan werd van zeker advies, aan 'aanw"assS
den Koning van
Groot-Britannië gerigt en op verlangen van Zyne Majesteit aan de oneenighcden.
Staten medegedeeld, waarin van zekere verderfelijke voorslagen om den slaat dezer
Landen te ruineren gewaagd werd, verklaarden zy, dit berigt gansch niet onwaar-
schijnlijk te achten, en de bewijzen daarvan vonden zij voornamelyk in de verderfelijke
redeneringen, die in vele sleden en plaatsen tegen 's Lands Regering en de Resolutie van
de vorige Dagvaart gehouden werden, en in de pogingen bepaaldelijk Ie
Hoorn, Schoon-
hoven
en den Briel gedaan om verzet tegen de Overheid en sloornis der rust te weeg
te brengen. Dit alles werd in verband gebragt met den toeleg der Jezuïlen, die blijk-
baar met den keer, welken de zaken hier te lande namen, bijzonder gediend waren
Deze voorstelling der zaak was bestemd om die leden der Vergadering, welke nog al-
tijd afkeerig waren van kerkelyke verordeningen van staatswege in te voeren, zoo mo-
gelijk, te doen beseffen, dat het behoud van het Land cn van der Stalen gezag het uit-
vaardigen van zulke verordeningen tot eene noodwendigheid maakte. Beseffende, dat
het met de staatkunde, die zulke schitterende uitkomsten opleverde en beloofde, gedaan
zou zyn, zoo de Contraremonstranten het pleit wonnen, had de meerderheid nu eenmaal
besloten tegenover de eischen en handelingen der kerkelijken als maglhebbende op Ie
treden. Zij was in de maand Julij 1615 versterkt met twee mannen van veel gewigt:
υατί der MiJLE, die ondcr de Edelen zitting nam, en nuoo de groot, thans pensionaris
van
BoKerdam. In dezelfde maand werd dan ook bepaald, dat men in de eerstvolgende
zilling op de godsdienstgeschillen en de inrigting der Kerk orde zou stellen. De pro-
vinciale Synoden die slechts dienden om aan den tegenstand eenheid te geven, bleven
geschorst
Smout, die zijn Schrifluurlijh ja over de vraag^ of de leerpunten, die ten
huidigen dage in geschil gelrokken worden, het fondament der zaligheid raken,
le-
gen het verbod der Rotlerdamsche Magistraat had in het licht gegeven, een werk waar-
door de Stalen hun gezag regtslreeks bedreigd achtten, werd naar
's Hage ontboden,
en toen hij zich niet voldoende had kunnen reglvaardigen, naar V
Gravesande verban-
nen
4. en tegen den Franeker Hopgleeraar sibrakdus lübberti, die eenen brief aan

1 UYTEKBOGAERT, bi. 605, 607.

2 ResoL v. Holl. 1613, bi. 27, 28.

3 UYTEKBOGAERT, bl. 607,

^ liesol. v. Holl. 1613, bl. 37, 40, 41, 42.

III Deel. 2 Stuk. 85

ocr page 531

688 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

IG17. den Aartsbisschop van Canierbury had uitgegeven, waarin hij de Curatoren der Leidsche
Hoogeschool en de Staten en Regenten van
Holland scherp veroordeelde, kreeg hugo
DE GROOT van de Geconnmitteerde Raden in last, een geschrift te stellen, dat onderden
titel van
der Heeren Staten van Holland en West·Friesland godsdienstigheid in het
Latijn , het Fransch en het Nederlandsch uitkwam, en waarin de schrijver zijn uitste-
kend talent geenszins verloochende. Doch het is gevaarlijk al te zeer gelijk te hebben
of te overtuigend te spreken tegenover dezulken, die niet overtuigd kunnen of willen
worden. Men kreet wat de vermaarde schrijver als de strekking van het drijven zijner
tegenstanders had aangewezen als schandelijken spot en laster uit en scheen dus niet
te willen erkennen of niet te kunnen beseffen wat
hugo de groot aantoonde, dat het-
geen de kerkelyken verlangden, op eene republiek in de republiek, op de afhankelyk-
heid der wereldlijke Overheid moest uitloopen.

Kesoktic ter Hiervan ten volle overtuigd, ontwierpen de Staten in de wintervergadering van 1613
SeUjke beraad de acte, waarbij op de kerkelijke geschillen voor goed orde zou gesteld

schillen ontwor- ^yorden. In den aanhef wordt de aanleiding der verordening vermeld als gelegen in de
stellingen, die de partijen elkaar verweten te prediken. Sommigen, zeide men, leer-
den, dat God eenige menschen geschapen heeft ter verdoemenis; dat hij den mensch
lot de zonde noodzaakt, en eenigen tot de zaligheid uitnoodigt, die hy toch besloten
heeft te verdoemen; anderen weder, dat 's menschen natuurlijke krachten of handelin-
gen in staat waren zijne zaligheid te werken. Deze gevoelens nu strekten beide tot Gods
oneer; zij wierpen een blaam op onze »Christelyke reformatie," en streden legen der
Staten meening. Weshalve zy «lot bevordering van Gods eer en den welstand en
eenigheid der Kerken, in Gods vreeze, behoorlijk gelet op het verhandelde in de Con-
ferentie van
1611, en gebruikende de autoriteit, die hun als wettige Overheid toekwam
een ieder gelastten, te letten op de vermaning van
paülus, dat niemand gevoelen zou
boven hetgeen hij behoort te gevoelen, en dat zijn gevoelen zijn zou tot matigheid,
naardat God een iegelijk de mate zyns geloofs geschonken heeft. Dus werd verboden,
die beide uiterste gevoelens der gemeente Ie verkondigen. Slechts op de Hoogescholen
zou men in het vriendelijke over het stuk der praedestinatie mogen handelen. Niemand,
die de tegenovergestelde meeningen zoo ver niet dreef, zou mogen bemoeijelijkt worden,
en alle kerkedienaren moesten dit en alle andere stukken der Christelijke leer naar
Gods woord uitleggen. — Toen het ontwerp was voorgelezen, werd het goedgevonden
door de Edelen en door de Gedeputeerden van
Haarlemy Delft^ Leiden, Gouda,
Roiterdam, Gorinchem, Schoonhoven, Briele, Alkmaar, Hoorn, Monnikendam
en
Medemhlik. Die van Dordrecht verlangden eenige wgziging in de woorden. De Gedu-
puteerden der overige steden verklaarden niet gelast te zijn om tot de zaak mede te

!

i

i

BAUMERT, Bock V, bi. 8.

i

ocr page 532

DES VADERLANDS, 6159

werken. Toen die afgevaardigden, welke hel ontwerp goedkeurden, verklaard Ijadden,
dat zy zich gaarne eenige wijziging in de woorden zouden lalen welgevallen, traden
Dordrecht, Schiedam en Purmerende toe. Maar Amsterdam, Enkhuizen en Ε dam
bleven bij haar verwerpend oordeel; ja de afgevaardigden van Amsterdam verlangden
de resolutie uitgesteld of er bij aangeteekend te zien, dat zy daarin niet hadden toe-
gesterad. Ten slotte werd besloten, de Gecommitteerde Raden te gelasten, ten eersten
met alle mogelijke middelen, des noods door middel van de toezending van eenige
afgevaardigden, te trachten de drie steden lot eenstemmigheid over te halen ^

Vanwaar die hardnekkige tegenstand bij die drie sleden? In Enkhuizen en Edam Vernrocdelijke

oorzaken van den

heerschte het gevoelen der Contraremonstranten ^, en dezen — de overdry ving van de tegenstand van
leer der Remonstranten mögt dan evenzeer als het uiterste van de leer der Contraremon-
stranten in die acte veroordeeld zijn — wilden van geene regeling van geloofszaken
hooren, zoo zij niet door eene Synode geschiedde. In
Amsterdam had het Contra-
remonstrantsche gevoelen by leeraars en gemeente mede den boventoon; maar toch er
zaten daar in de Regering zoo vele mannen, die wisten wat regeren was, en bijgevolg
in staat zullen geweest zijn, de beweegredenen van de meerderheid der Staten te waar-
deren. Vanwaar dan de tegenstand van de meesten der Amsterdamsche Regenten?
Juist het verbazend aanzien der stad en het gezag van de mannen, die daar aan het
hoofd stonden, verklaart eenigermate het verschynsel. Die mannen waren meerendeels
zeiven niet te
'sHage aan het roer, en toch, terwijl op hen de belangen rustten eener
stad, die voor
Holland was, wat Holland was voor de Unie, moesten zij zich de daartoe
vereischte bevoegdheid ruimschoots toekennen. Vandaar welligt een eenigzins minder
welwillend gadeslaan van de staatslieden te
^s Gravenhage^ een minder gewigtig achten
van de bezwaren, welke dezen duchtten, een minder donker inzien van de toekomst^
wanneer de thans aan het roer staande mannen eens door den loop der omstandigheden
genoodzaakt moglen worden om af te treden. Dan, zoo zullen zij geredeneerd heb-
ben , dan toch waren er bekwame mannen genoeg om de erfenis des bewinds te

1 Resol. v. Holl. 1613. bl. 47—49.

2 Hoe Enkhuizen de eenheid ook in het staatkundige begreep, en hoeveel hart deze stad voor
die eenheid had, blijkt uit het gebeurde in den winter van 1615. Toen zij in eenen twist met
den lioogen Raad in het ongelijk was gesteld, gelastte zij hare Gedeputeerden zich aan de ver-
gadering der Staten te onttrekken. Tegen deze handelwijze kwamen de Staten natuurlijk met
verontwaardiging op. Zij ontwierpen eene Resolutie, bij welke bepaald werd, dat, zoo er soms
enkele Leden moedwillig uit de vergadering wegbleven, de Staten besluiten nemen zouden, als
waren zij voltallig, en de afwezigen gehouden zouden zijn zich naar die besluiten te gedragen,
en niet weder ter vergadering zouden worden toegelaten, voordat zij zich schriftelijk zouden
geregt vaardigd hebben
{Resol. v. Holl. 1615, bl. 159, 160).

85^

ocr page 533

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1()Π. aanvaarden: zg zeiven ia Amsterdam wislen immers met de kerkelijken op een
goeden voet te leven, eene kunst, die men te ^sHage niet scheen te verstaan. Men
voege hierbij, dat het een vrij zonderling verschijnsel zou geweest zijn, zoo in een
lijd van uiteenloopende gevoelens de twee toch altijd eenigzins op elkander naijverige
koopsteden juist ééne lijn getrokken hadden.
Rotterdam nu was slerk op de hand van
de Remonstranten, en haar Pensionaris,
hugo de groot, scheen bestemd, om een
tweede Oldenbarnevelt te worden, met minder karakter misschien, maar met meer ge-
leerdheid en redekunst toegerust. Dus liet het zich wel verwachten, zoo
hugo de groot
eenmaal gekozen mögt worden om lid uit te maken en misschien woordvoerder te zijn
eener bezending om
Amsterdam tot instemming in het gevoelen van de meerderheid
der Slalen te bewegen, met welk een oog men den jongen geleerden heer, die op last
zijner meesters het er op gezet zou hebben om de Amsterdamsche Vaderen tot rede
te brengen, aldaar zou zien aankomen.

Thans evenwel zou het zoo ver nog niet komen. Toen in de Dagvaart van Maart
1614 aan de Gedeputeerden der drie steden gevraagd werd, of zij thans besluiten kon-
den , )) zich met de Edelen en de andere Sleden tot de acte van accommodatie der ker-
kelijke geschillen te conformerenverklaarden zij, wel is waar, bij hun gevoelen te
volharden, maar niettemin te mogen lijden, dat elk, die zulks verkoos, de acte van
De liesolutie Januarij binnen zijn gebied uitvaardigde. — Dit geschiedde dan ook, en de acte vér-
kerkelijke ge- scheen, vermeerderd met bewijsplaatsen uit de Heilige Schrift, uit verscheidene Geloofs-
Taardiga belijdenissen, uit de artikelen van Synoden en de schriften van Godgeleerden en anderen

ontleend. Dus toegerust verwierf der Stalen Resolutie de goedkeuring van vele uilste-
kende mannen zoo binnen als buiten het Land Maar wat kon dit tegen de opge-
wondenheid der tegenpartij baten? Verachting bejegende de maatregelen der Staten van
de zijde der Contraremonslranlsche predikanten. Te vergeefs trachtten eenige gematigde
en vredelievende leeraren, als
frangisgus en Samuel lansbergen, ghristoffel heller
en albert van oosterwuk. , de meerderheid der Zuid-Hollandsche predikanten tot eene
verklaring te bewegen, waarbij zij zich zouden verbinden, zich naar de Resolutie van
Januarij 1614 te zullen gedragen. Maar weldra verschenen naamlooze bedenkingen te-
gen de door hen ontworpen verklaring, en men ontzag zich niet het als een punt van
beschuldiging tegen de
lansbergens in te brengen, dat zij om onderteekeningen te be-
komen bij eenige predikanten hadden rondgereisd, alsof het, zegt
uytenbogaert, eene
misdaad ware geweest den vrede te bevorderen en zijn best te doen, dat eene billijke
Resolutie van de Hooge Overheid werd nagekomen. Niet alleen onderwierp de Amster-
damsche predikant
jagob trigland, met goedkeuring der Regering zijner woonplaats,

1 Resol. v. Holl. 1614, bl. 58, 59, 79.

ocr page 534

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

de Resolutie in een daarover handelend geschrift ^ aan een afkeurend oordeel; maar 1617.
ook de jeugd in de scholen en het volk in de achterbuurten der steden werd legen de
Remonstranten, als Godslasteraars en landverraders, opgezet. De maatregel, door de
Staten genomen, strekte veeleer tot vermeerdering van de oneenigheid, dan tot verzoe-
ning, daar zich vaak het geval voordeed, dat in dezelfde plaats de eene predikant de
Resolutie wilde gehoorzamen, en de andere niet. Te
Oiidewater vermaande de Magis-
traat. de predikanten tot onderwerping aan de Resolutie, Doch dezen lokten een ernstig
waarschuwend schrijven uit van den Amsterdamschen kerkeraad tegen hunne stedelijke
Overheid Zoo matigde zicli deze kerkeraad eene censuur aan over de gedragingen
van Overheden, binnen de grenzen van haar gezag.
Amsterdam zou men gaarne ge- Men tracht
maakt hebben tot het middelpunt van den tegenstand op kerkelijk gebied. In Januari] het middelpuut
161Ö werd aldaar in de vroedschap voorgesteld, of men van Stadswege niet iets doen ^ iTma^keT."
zou ten behoeve van de Hoornsche afgescheidenen, die zich hadden aangesloten aan
de classis, welke tegen het verbod der Gecommitteerde Raden eenige Remonslranlsche
leeraars veroordeeld had. Het was
cornelis Pieterszoon hooft , Raad en Oudburgemees-
ter, die zich met kracht van redenen tegen zulk een denkbeeld verklaarde 3. In den
zomer van dit jaar werd mede te
Amsterdam eene vergadering gehouden van ongeveer
dertig predikanten uit verschillende plaatsen van
Noord- en Zuid-Hollandy en tegen het
einde van September derwaarts een andere vergadering van predikanten uit verscheidene
provinciën beschreven. Dit druischte regtstreeks in tegen het lot dusverre gehandhaafde
regt van den Staat, en verijdelde het nog in het voorjaar van 1613 uitgevaardigde verbod ,
dat eenig predikant van
Holland en West-Friesland zich buiten- of binnenslands den
naam of het gezag van Gedeputeerde van de Synode van
Holland en West-Friesland
zou mogen aanmatigen zonder voorgaande order der Staten of hunner Gecommitteerde
Raden Liet de Regering der stad zulke vergaderingen toe, dan kon men met regt
zeggen, dat zij eene vijandige houding aannam legen de Staatslieden, die en de zaken
der Provincie en die der Generaliteit bestuurden. Natuurlijk Irok de zaak de aandacht
in de Staten van
Holland^ en in de najaarszitting van 1615 werd besloten , dat zulke
vergaderingen onwettig en onbehoorlijk waren; dat men ze niet zou gedoogen, en in
dezen zin aan Burgemeesteren en Regeerders van
Amsterdam zou schrijven. Mögt de

1 Christel, ende noodtwend. verklaringe wat in Η formulier van eenigheyt, uytgegeven onder den
titel van Resolutie van de Doorluchtige
enz. met Godts lleylich Woorclt ende met de Leere der
G ere formeer der Kerken overeen komt of daervan verschilt.

2 Ã¼YTENBOGAEnx, bl. 023—026, 027, 630-632.

3 BRANDT, 11, bi. 239-242, 247-249.
^ Resol. v. Holl. 1013, bl. 7.

ocr page 535

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. Lesclireven vergadering legen den wil der Stalen voortgang hebben, zoo waren de oud-
ste aanwezigen uit den Hoogen en den Provincialen Raad gelast zich naar Amsterdam
Ie begeven en eerst aan Burgemeesteren aldaar en daarna aan de Vergadering der pre-
dikanten de onwettigheid der bgeenkomst kenbaar te maken en ze dadelijk te doen uit-
eengaan met de verklaring dat men al wal daar gedaan was of zou worden voor nul
en onwettig houden zou

Doch gelukkig zou men ditmaal te Amsterdam niet met gezag behoeven op te tre-
den. Elders evenwel meenden de Gecommitteerde Radén de gerezen verdeeldheden met

Oneenigheden kracht te moeten te keer gaan. Het was te Schoonhoven, Hier waren de predikanten

tc Schoonhoven.

Remonstrantschgezind; maar een vrij groot aantal ingezetenen, ongeneigd om hunne
predikatiën langer aan te hooren, begaven zich des zondags naar
Groot-Ammers om
den predikant aldaar,
samüel van der eor, die meer in hunnen smaak viel, te hooren.
Dit leidde tot scheuring. De Schoonhovensche volgers van
van der bor verkozen een
eigen kerkeraad, en de gemoederen werden opgewonden door een paar oproerige lied-
jes, vervaardigd, in de kerk van
Groot-Ammers voorgelezen en daarna in druk uit-
gegeven door piETER MAARTENsz., schoolmecster te
Lekkerkerk. Om alle uitbarsting
van ongeregeldheden te voorkomen, schreven de Gecommitteerde Raden aan de Magistraat
van
Schoonhoven, waarop deze de zaak onderzocht, en tegen hen, die zich met het ver-
spreiden dier liedjes en met het aanstellen van ouderlingen en diakenen, zonder bewilliging
of kennis van de Magistraat en den wettigen kerkeraad, hadden afgegeven, bij wijze van bui-
tengewonen maatregel en zonder vorm van proces te werk ging. De twee Schoonhovensche
burgers, die wegens deze zaak met uitzetting gestraft waren, beriepen zich op het Provin-
ciale Hof vail
Holland; maar de Gecommitteerde Raden trokken de zaak aan zich. Dit ge-
val kwam in de vergadering der Staten ter sprake, en na rijp beraad werd hier de handel-
wijze der Gecommitteerde Raden en bijgevolg der Magistraat van
Schoonhoven, die op
hunnen last gehandeld had, goedgekeurd en bekrachtigd. Voorts werd besloten, dat
zoo zich iemand door de Magistraat van
Schoonhoven verongelijkt rekende, hij deswegens
nergens elders in beklag zou mogen komen, dan bij de Staten of hunne Gecommit-
teerde Raden. Dit besluit onttrok deze zaak aan de kennisneming van den Provincialen

. Het beroep van en den Hoogen Raad. Immers kon er geen beroep op eenig regterlijk Collegie legen de

f de uitspraken der . . i tv

Stedelijke Kege- daden eencr souvereme vroedschap, krachtens de wet verrigt, toegelaten worden. Deze

terlIJke^ColkgifnslellÏDg cchter werd toen nog bestreden. Het was een tijd, waarin het staatsregt nog

ontzegd. ggyesligd worden moest. Zulks kon niet zonder tegenstand van zoodanige Collegies

geschieden, die zich daarbij in hun regt verkort achtten. Zoo hadden, bij voorbeeld,

de president en Raden van den Hove van Holland in 1615 kennis willen nemen van

de zaak van een Luikerwaal, ketelboeter van zijn ambacht, die door de Regering van

1 Resol V. Holl. 1615, bl. 145.

ocr page 536

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

Rotterdam de slad uitgezet was. Doch de Magistraat van Rotterdam had zich lot de 1617.
Staten gewend ten einde eene Terklaring te bekomen, of het Hof bevoegd was legen
hare maatregelen eenige kennis te nemen of voorloopig te beslissen. En de Staten hadden
geantwoord, dat al ware het ook, dat de ordonnanties waarop zich de Regering van
Rotterdam beroepen had, alleen op den lijd van den oorlog betrekking hadden, niette-
min van deze en diergelijke zaken door den President en Raden geene kennis zou
mogen genomen worden 1. Zulke besluiten der Staten maakten hun en bepaaldelijk
den Gecommitteerden Raden en den man, die hunne ziel en regterhand was, geene
vrienden in de twee aanzienlijke regterlijke ligchamen. Maar daarvoor mögt
olden-
BARNEVELT niet terugdeinzen. Hij was zich volkomen bewust, dat het hier de ves-
tiging van zuivere regeriogsbeginselen betrof; hij begreep, dat zich geen regerings-
vorm zonder moeijelijkheden en tegenkanting laat invoeren. Moest hij om deze
tegenkanting de zaak opgeven? Dit ware zeker gemakkelijker en meer overeen-
komstig zijne hooge jaren geweest. Hij was oud, en waartoe zich onmin op den
hals te halen om eene zaak, waarvan hij de vruchten toch niet ryp zien zou?
Zióó redeneerde
oldenbarwèvelt niet. In weerwil van zijnen ouderdom, en niettegen-
staande er aan den ondank vóór zynen dood geen einde te voorzien was, bleef zijn
moed onbezweken, en wenschte hij de zaak, die hij aanvaard had, niet door zelfzucht
en traagheid voor de nakomelingschap te moeten bederven, maar aan zijne nazaten
eenen staat van zaken te moeten achterlaten, waarbij het regeren mogelijk zijn zou.
Elders zijn regeringen niet tot stand gekomen zonder dat er bloedige offers vielen; maar
hier bepaalde zich alles tot het doen van vermaningen en het schrijven van waarschu-
wende brieven door de Gecommitteerde Raden, die dan dikwijls nog, gelijk in het ge-
val der beroeping van
agrokiüs te Haarlem 2, geene uitwerking deden. Geen bloed
is voor de vestiging van den Staatsehen regeringsvorm gestort, dan dat van den eer-
waardigen stichter zeiven. Maar, zeiden de Contraremonstranten, die vermaningen en
bemoeijingen oefenden gewetensdwang; zij strekten lot onderdrukking van de Gerefor-
meerde leer 1 Doch het zou wel ongelukkig >vezen, zoo men den onzin, welks verkondi-
ging de Staten in hunne Resolutie van Januarij 16t4 verboden, voor de leer der Gere-
formeerde Kerk moest houden. Neen! vóór de uitvoering van de vonnissen der Dortsche
Synode kan er van geene verdrukking sprake zijn. Vóór dat Igdstip bestond er slechts
strijd tusschen twee partijen, die slechts zelden, zoo als Ie
Leiden van de zijde der
Contraremonstranten 3, en te
Rotterdam van die der Remonstranlsche MagistraaH, ernstig

1 Resol. v. Holl. 1613, bl, 41, 42.

2 ÃœYTENDOCAEUT, bl. 627.

3 ÃœRANDT, 11, bl. 288-290.

4 jmASDT, II, bi. 277—288.

ocr page 537

664 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617.

op Ycrzoening bedacht waren, en gemeenlijk elkander verdachten en scholden, niels
goeds in elkander zien konden en elkander telkens en overal den voet trachllen te
ligten. Maar, zeggen anderen weder, welk eene onverbiddelijke stedelyke aristocratie
werd op zulk eene wyze ingevoerd! Zulk een bezwaar zou in den mond der Contraremon-
slranlen niets dan een voorwendsel geweest zyn, w^ant wat er van de onbekrompenheid
en volksgezindheid der Contraremonstranlsche Amsterdarasche Regeerders te zeggen viel,
kan uit de redevoering van
corhel. pietersz. hooft in 1601 tot den Raad gehouden
en uit YONDELS
Roskam ^ blijken.

Waren zij, die iets legen de Magistraat van Schoonhoven hadden in te brengen,
naar de Staten verwezen, zij verzuimden niet dit middel te baat te nemen. Aan het
hoofd dergenen, die zich verongelijkt achtten, stond de predikant van
Groot-Ammers.
Maar zij kregen ten antwoord, dat zij wel zouden doen hun ongelijk te bekennen en
zich tot gehoorzaamheid aan hunne Magistraat te schikken. Zoo zij evenwel volhielden
zich ten onregte bezwaard te rekenen, konden zij zich lot de Gecommitteerde Raden
wenden

Maar nog op een ander gebied had oldenbarnevelt in het eind van ditzelfde jaar
eene poging te wagen om zijne staatkunde te doen zegevieren,
te In 1610 was
Ic Leeuwarden de Regering gewelddadig veranderd. De aanleiding daartoe
schynt, blijkens de waarschuwing bij deze gelegenheid door Graaf
willem lodewijk
aan de Gedeputeerde Staten van Friesland gegeven, hierin gelegen geweest te zijn, dat
zich aldaar personen, den toestand van vóór den oorlog toegedaan, in het Bewind be-
vonden Dus waren er sedert Regenten op het kussen, met de staatkundige beginse-
len der jonge Republiek en haren voornaamsten staatsman
oldenbarwevelt ingenomen.
Tegenover de in
Friesland en in de Staten dezer provincie nog aanwezige vijanden van
het nieuwe gezag der Generaliteit, alsmede tegenover de onverdraagzame Gereformeer-
den konden die Regenten den blaam niet ontgaan van vijanden der Gereformeerde gods-
dienst, Libertijnen, Papisten en Mennisten te zijn of de zoodanigen Ie begunstigen. Om
de Papisten kwijt te raken, heette hel, had men in 1610 de Regering verjaagd, en
thans zag men weder begunstigers van het Catholicisme en van de ketterij aan het bewind;
by die nieuwe bewindhebbers woog het politieke belang hooger dan dat der Godsdienst; zij
mogten dan nog Geuzen zijn, zij
y^aren poliiieke, geene echte Geneefsch-Gereformeerde
Geuzen,
Het ongenoegen rees zoo hoog, vooral ten gevolge van de middelen, die de

Onlusten
Zeeuwarden
1615.

in

1 brandt, 11, bl. 250.

2 Uitgave door v. lennep, III, bl. 57.

3 Resol. V, IML 1615, bl. 134, 135. uytenbogaert, bl. 625, 632, 633.
Zie hiervoor bl. 445.

ocr page 538

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

Regering aanwendde om zich en haar beginsel Ie handhaven, dat zich in December 1614
eenige afgevaardigden uit de Burgerij bij haar vervoegden met het verzoek, »dat door
Gemagtigden uit de Magistraat en de Burgerij een onpartijdige Raad benoemd en door
dezen de Regering op een beteren voet hersteld mögt worden." Dit verzoek werd af-
geslagen, en de Gemagtigden der Burgerij, die tegen de daden der Regering durfden
protesteren, werden in hechtenis genomen, en niet ontslagen, vóórdat zij de krachtens
het oude Octrooi vernieuwde Magistraat als wettig erkenden. Hiervan namen de Staten
van
Friesland kennis op hunnen Landdag in Februarij 16iS. Van deze zijde was voor
de Leeuwardensche Regering geene ondersteuning te wachten: want ook Graaf
willesi
LODEWiJK was thans niet op hare hand. Hij had het vertrouwen op de staatkunde van
OLDEHBARNEVELT vcrloren; dezen staatsman durfde hij niet meer volgen op den moedig
en standvastig betreden weg; zijn staatsmansblik was beneveld door de kreten van de
onverdraagzame Gereformeerden, en hij zag in de versmading van hunne eischen een
gevaar voor de Republiek, zoozeer dal hg zijnen neef
maurits begon voor te stellen,
of het geen zaak werd met gezag lusschen beide te komen. Het bleek maar al te zeer,
dat de invloed van den Stadhouder van
Friesland op de Staten dezer Provincie zich
niet bijzonder werkzaam betoonde om hen lot bereidvaardige medewerking bij de uit-
voering van de besluiten der Generaliteit te stemmen. Jaar aan jaar haperde lot het
uiterste toe het consent van
Friesland tot de lasten der Generaliteit, en ook de buiten-
gewone bijdragen, van tijd tot tijd gevergd, werden niet zonder bezwaren en voorwaar-
den bewilh'gd. Toen den 20"®° Junij 1615 door de Staten-Generaal besloten was, aan
willem lodewijk te schrijven, dat hy de compagniën voetvolk van de repartitie van
de Staten van
Friesland en Groningen, wegens de oorlogstoebereidselen van den vijand,
naar de grenzen zenden en de ruiters gereed houden zou, kreeg men ten antwoord,
dat de Gedeputeerde Staten van
Friesland niet geraden vonden de compagniën te laten
trekken, zonder meer blijk van noodzakelykheid i. Dit was geen leeken van bijzonder
ontzag voor het gevoelen der Staten-Generaal, en zoo die Ifoepen in
Friesland zelve
om onlusten te keer te gaan zouden worden aangewend, was het niet meer twijfelachtig,
welke partg daarbij winnen zou. — Doch wat besloten de Staten van
Friesland met
betrekking tot de oneenigheid tusschen de Magistraat en de burgerij van
Leeuwarden?
Zij magtigden den Stadhouder, de Gedeputeerde Staten en het Hof om (Jen twist door

1(517.

84

ï Resol. Slat.-Gen. 20 Junij, 11 JuHj, 1615. In Deccmher 1614 had willem lodewijk de com-
pagniën van zijn rejjiment, toen in de Graafschap
Zutphen en in Overijssel gelegerd, nog in
Friesland teruggewenscht om hefgeen er hij de burgerij te Leeuwarden tegen de Magistraat broedde.
Zie
Archives de la Mais. d'Orange, Sér. 11 Tome 2, ρ. 441, 442, De Gedeputeerde Staten ver-
langden toen troepen gezonden te zien niet naar
Leeuwarden, maar naar Harlingen om de
Magistraat te beschermen.

III Deel. 2 Stuk.

ocr page 539

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1G17. geschikte middelen bij te leggen. Deze Gecommitteerde Autoriteiten wendden eene
poging aan om zich met de Magistraat van
Leeuwarden te verstaan, en daar deze mis-
lukte, verordenden zij, van de hun verleende magt gebruik makende, dat de tegen-
I woordige Magistraat slechts tot den eersten Januarij in het bewind zou blijven, en alsdan

I voor ditmaal door den Stadhouder, de Gedeputeerde Staten en het Hof eene nieuwe

! Magistraat en Gezworen Gemeente zou worden aangesteld. Voorts stelden zij een regle-

I ment vast, volgens hetwelk de Magistraat in het vervolg zou verkozen worden, en waarbij

slechts personen werden toegelaten, »der Hervormde Leer, zooals zij nu openlijk in de
ï^ kerk gepredikt werd," toegedaan. Zooveel bleek uit deze verordening, dat het er op

toegelegd werd, den tegenwoordigen Magistraatspersonen het bewind uit de handen te
nemen. Doch dezen waren niet van zins goedschiks te wijken. Was het den Gedeputeerden
; Staten, ondersteund door zijne Genade en het Provinciale Hof, er om te doen, mannen

van eene andere rigling op het kussen te krijgen, ook zij verlangden hunne partij niet
i te verzaken, daar zij voor hunne stad en Provincie en beider betrekking tot de Generali-

i teit ongetwijfeld weinig heils van den triomf hunner tegenpartij verwachtten. Wat deze

; tegenpartij wilde keeren, blijkt ten duidelijkste uit een brief van Graaf willem lode-

; wijk aan Prins maurits. »Ik heb wel gemerkt," schrijft hij na den afloop der on-

; lusten, »dat men het plan gehad heeft, bij deze gelegenheid, op het voorbeeld van

I Holland en Utrecht^ bet Arminianisme in te voeren en het gezag van het Provinciale

1 Hof en dat van den Gouverneur te verzwakken i." Werkelijk bestond de Leeuwarden-

; sehe Magistraat uit mannen, die den beginselen van oldenbaritevelt waren toegedaan,

t en, voor zoo veel hun invloed vermögt, geneigd waren hunne Provincie dienstbaar te

1 maken aan die staatkunde, waartoe hij de krachten der Unie juist in dezen tijd zoo

zegevierend aanwendde; terwijl Friesland onder den invloed der Gedeputeerde Staten
De Leeuwar- ^em veolal een struikelblok in den weg zou werpen. Geen wonder, dat toen de Ma-
" Siwenci^S gistraat tegen de verordening van den Gouverneur, de Staten en het Hof by de Staten-

goneiïal Generaal in beklag kwam, zij in oldekbarkevelt een krachtigen bondgenoot vond.

Maar in lyglama en in andere in verschillende betrekkingen te Hage aanwezige aan-
i zienlijke
Friezen trof zij felle tegenstanders aan. Toen den 26®'®° November 1615 afge-

I zondenen uit den Raad en de Gezworen Gemeente van Leeuwarden in de Vergadering

■ verschenen, om eene Remonstrantie over te leveren, wilde lyclama reeds dadelijk eene

j] betuiging van leedwezen over de te Leeuwarden gerezen geschillen uitlokken, en den

Ki

volgenden dag klaagde hij »over de ongepastheid en onwaarheid van de Remonstrantie
uit
LeeuwardenGn daar de Gedeputeerden uit Holland verklaard hadden, dat de
zaak spoedige voorziening vereischte en ten dien einde dadelijk de Raad van State
moest binnengeroepen worden, protesteerde hij tegen hetgeen hij overhaasting en vijan-

1 Archives de la Mais. d'Orange, 11 Sër. 11 Tome, ρ. 460, 461.

ocr page 540

DES VADERLANDS. 667

delijk optreden tegen de Provinciale Overheid in Friesland noemde. Daags daaraan 1C17.
erenwel werd beraadslaagd over de Remonslrantie uit Leeuwarden. De Vergadering
aclitte de zaak van groot gewigt, en zag er gevaar in niet alleen voor dezeslad, maar
Toor de geheele Provincie, zoo daartegen niet spoedig werd voorzien: het gezag der
Generaliteit, de privilegiën der stad
Leeuwarden^ betreffende de aanstelling der Ma-
gistraat, en de personen, die tegenwoordig aldaar in het bewind waren, moesten niet
verkort en verongelijkt worden in strijd met de belangen der Unie. Dus werd eenparig
(alleen de
Friesche Gedeputeerden slemden legen) in overeenstemming met het advies
van den Raad van Stale besloten, drie leden der Vergadering, een uit
Gelderland, een Gccommitteer-

TT 11 1 ' TT 7 Î›Î¤Â·Â· benoemd om

uit Hollandy en een uit Uirecht, met name biesmaw, burgemeester van JSijmegen, Friesland
tedikg van berkhout, raadsheer in het Hof van Holland, en yan de waal van moers-
BERGEN, naar Friesland af te vaardigen met den last om met den Gouverneur, de
Gedeputeerde Staten en het Hof in overleg te treden, ten einde een middel te vinden
om de zaken bij te leggen. Kon men hierin niet slagen, zoo moest men Iraclitcn Ie
verkrijgen, dat de Volmagten van
Friesland werden beschreven en een Landdag bijeen-
kwam om met gemeen overleg eene schikking te bewerken. Tot dien tyd toe zouden
de zaken blijven in den slaat, waarin zij zich thans bevonden, en men zou zich ontzien,
het garnizoen van
Leeuwarden tot dadelijkheden te gebruiken. Dit was zooveel ge-
zegd, als dat de Stalen, zoo zij hunnen zin en dien van de Magistraat van
Leeuwarden
niet krijgen konden, een beroep doen wilden op de magt dergenen, van wie de Gou-
verneur en de hooge Collegies hun gezag ontleenden. Doch de Graaf, de Staten en
het Hof van
Friesland waren niet gezind het hoofd in den schoot te leggen; zij raagtig-
den
DowiA en oosterzee (leden voor Friesland van de Rekenkamer der Generaliteit
om met alle middelen het vertrek der Afgevaardigden tegen te gaan. Den 7'*"'' December
verschenen deze Heeren in de Vergadering, en daar zy zich niet ontzagen ie doen gevoe-
len, dat de drie Gecommitteerden, zoo zij zich verstoutten in
li'riesland iQ komm ^ eene
beleedigende ontvangst en miskenning van het hun door de Slaten-Generaal opgedragen
gezag te wachten hadden, zoo werd besloten, de bezending voor als nog op te houden,
en liever te pogen door middel van een brief het doel te bereiken. Maar twaalf dagen
later kwam er een verzoek van den Raad van
Leeuwarden ^ om het vertrek der drie
benoemde Gecommitteerden niet uit te stellen. Daar de Stalen vermoedden, dat die Raad
hun laatste schrijven bij het afzenden van zijn verzoek nog niet ontvangen had, zoo
werd het nemen van een besluit verdaagd. Doch vier dagen
later herhaalde de Ma-
gistraat van
Leeuwarden het verzoek, er de mededeeling bijvoegende, dat men rael
geweld tegen haar te werk scheen te willen gaan. W^eldra kwamen er ook brieven
van de tegenpartij in, en nu vergaderden de Slaten-Generaal, zooals alleen in dringende

DONIA was dit sedert Augustus 1614 (Zie ItesoL· SlaL-Gen. 5 Aug. 1614).

84^

ocr page 541

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. oraslandigheden geschiedde, des zondags na de predikatie, om te beraadslagen, of men
de bezending naar
Friesland zou laten vertrekken, ja of neen. Men geraakte dien dag
lot geene beslissing en den volgenden dag kwam
lyglama aan met bittere klagten,
dat hem copie geweigerd werd
Tan de Remonstrantie van den Raad van Leeuwarden:
zoo scheen men, zeide hij, hem de gelegenheid te willen benemen om zijne partij
legen de aantijgingen van dien Raad Ie verdedigen. Voorts verhaalde hij, hoe de tegen-
woordige Magistraat aan het bewind gekomen *was door schandelijke inbreuk op het
Octrooi van 1586, op hetwelk zij zich nu beriep. De Friezen hadden het er op gezet
alles aan te wenden om de Vergadering te overreden.
Donia en oosterzee verzochten
bij de beraadslaging tegenwoordig te mogen zijn. Men trachtte hen te weren door van
hen eene commissie van de Volmagten van
Friesland te vorderen; doch nam eindelijk
genoegen met de door hen vertoonde lastbrieven van de Gedeputeerde Staten en Provin-
ciale Raden. Niettemin werd met meerderheid van stemmen besloten, dat het niet
geraden was, het besluit, waarbij de afvaardiging eener Commissie naar
Friesland be-
paald was, weder in te trekken. Dus werden de drie benoemde Heeren gelast zich
gereed te houden. Behalve
Friesland protesteerden ook Zeeland en de Heer goenders ,
lid van de Stalen-Generaal voor Groningnn, met verzoek van aanteekening, tegen dit
besluit: vóórdat de bezending voortgang had, meenden zij, moest men den Gedepu-
teerden uit
Friesland eerst de bewuste Remonstrantie mededeelen om hen in slaat Ie
stellen die te bestryden. De Gecommitteerden vertrokken j en kregen eenen brief mede
aan den Raad van
Leeuwarden, die, volgens lyclama , uitdrukkingen behelsde, welke
zweemden naar magtiging om het wettig gezag legen te slaan. Bovendien beklaagde
Ij hij zich, dat terwijl hem copie van de Remonstrantie geweigerd was, aan de Magistraat

van Leeuivarden afschriften van de aan Graaf Willem lodewijk, aan de Gedeputeerde
Hunne tus- Stalen en den Provincialen Raad geschreven brieven verleend waren. Hoe heftig echter
weidg°uit! maatregel was doorgezet, de Gecommitteerden, in
Friesland aangekomen, begrepen,

dat zij hun voornemen niet vermoglen door te drgven. De Stadhouder en de twee Colle-
gies veranderden de Magistraat en de Gezworen Gemeente, en stelden daarby drie burge-
meesters aan van vóór het jaar 1610, benevens eenen enkelen uit den aflredenden Raad.
Den 15'·"' Januarij 1616 schreef
willem lodewijk uit Leeuwarden, dat de zaken zich
lot stille en rust gezet hadden. Hiertoe had eene door hem en de Iwee Collegies uitgevaar-
digde
amnestie voor alles wat er sedert 1609 voorgevallen was, het hare bijgedragen. Het
rapport der Gecommitteerden aan de Staten werd met de stukken weggesloten om tot
nader order geheim te worden gehouden De poging derhalve van
oldenbarnevelt
en de aanhangers van zijne staatkunde mislukte, en de Staten van Friesland bleken

' EesoL StaL-Gen. 26, 27, 28 Kov.j 7, 19, 23, 27, 28, 29 Dec. 1615. 19, 21 Jan., 1 Febr.
1616. van den sasdb, bl. 187—189. wagenaar, X, bl. 88—91. van wijn, op Wagen. bi. 46—48.

ocr page 542

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

laier nog menigmaal en bepaaldelgk in liet hagchelijke oogenblik, dat komen zou, niet 1617.
byzonder geneigd om de Staten-Generaal, zoolang oldenbarneyelt hier eene meerder-
heid behield, in hunne besluiten te ondersteunen, of in hun gezag te ontzien Sedert
begon ook Graaf
willem lodewijk zich bepaald tegen oldenbarkevelt aan te kanten.
In den boven aangehaalden brief na de beslechting der geschillen te
Leeuwarden, schrijft ^»n Graaf

" _ ^ WILLEM LODE-

hy verder, dat de pogingen van oldenbarneyelt en zyne vrienden om het volk in be- wijk aan Prins
weging te brengen mislukken zouden, » zoolang het volk voorzien was van Overheids-
personen, die ijverig waren op het stuk der godsdienst. Dus tracht ik," gaat hij voort,
»zooveel ik vermag, dezulken in de Regering te krygen» Immers kan ik niet anders
dan het er voor houden, dat men door de verdeeldheid in de godsdienst en door onver-
schillige Overheidspersonen eene gevaarlijke verandering in onzen Staat beoogt, en dat
uwe Excellentie vooral op hare hoede zijn moet en er de hand aan moet houden, dat
er in de Magistraten personen komen, op welke men zich geheel kan verlaten, hopende
dat God, als het er op aankomt, een goed redmiddel en een zoodanige uilkomst zal
geven, dat, deze Staat bewaard blijve voor de vermeerdering van zijne heerlijkheid en
van de vrijheid." Dat de Graaf hier mede iels zeer bijzonders bedoelde, blijkt uit
heigeen volgt: »Ik bid uwe Excellentie dezen brief na de lezing in het vuur te werpen,
en mij met een woord te beriglen, of Zij dit werkelijk gedaan heeft, opdat ik mij
niet ongerust make."

Hoe geheim Graaf willem lodewijk den raad aan Prins maürits gegeven ook ge-
houden wilde hebben, het kan niet anders, of
oldehbarneyelt moest zijne veranderde
gezindheid vermoeden, en vermoedde hij zulks, hij moest begrijpen, welke middelen
de neef van den Prins tot zijn doel zou trachten aan te wenden. Dus was het minder
dan ooit geraden, zich in
Holland de teugels uit de hand te laten wringen. Aan de
stedelijke Magistraten moest invloed op het aanstellen van kerkelijke personen en op
het nemen van besluiten in kerkelijke zaken gewaarborgd worden of gewaarborgd blij-
ven Daartoe was niets zoozeer noodig, als eene zooveel mogelijk algemeene invoe-

' Toen de Gedeputeerden van Groningen en Ommelanden den eersten November 1616 ter ver-
gadering der Staten-Generaal verschenen, om met die van
Friesland vóór hun Hoog Mögenden
het verschil over de forten in de
Ommelanden (zie boven hl. 631, Noot 1.) af te doen, waren die
van
Friesland niet opgekomen, hoezeer zij er reeds eene halve maand vroeger hadden moeten
zijn en herhaaldelijk door de Staten-Generaal waren aangemaand. Eerst acht dagen later ver-
schenen zij (Zie
Resol. Stat.-Gen. 1 en 8 Nov. 1616).

2 Hoe de Magistraat van Gouda hare bevoegdheid begreep, blijkt μίΐ het alhier in dezen tijd
voorgevallene. In hare van ouds llemonstrantsehgezinde gemeente de uitbreiding van de prediking
der Contraremonstranten willende keeren, had zij het huis, waarin dezen vergaderden, doen slui-
ten, en stond zij hun slechts toe somwijlen bijeen te komen om een paar hoofdstukken uit den

ocr page 543

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1C17. ring van de kerkordening ran 1591 Dus werd den 20''"" December 1615 door de
Staten Yan
Holland en West-Friesland, op grond dat in eenige sleden en dorpen de
kerkelijke personen beweerden, van deze ordonnantie en de besluiten, waarbij zij werd
ingevoerd, geene kennis te dragen, besloten, aan de Magistraten van de Steden, aan
de Hoofdofficieren in de dorpen en aan de verschillende classes een uittreksel van die
kerkordening toe te zenden, behelzende die artikelen, welke de verkiezing van predi-
kanten en kerkeraden en het houden van kerkelijke vergaderingen betroffen. De missive,
welke deze toezending vergezelde, herinnerde nogmaals uitvoerig, hoe wijlen de Prins
van Oranje van het begin des oorlogs af altijd begrepen had, dat het aan de Hooge
Overheid toekwam, wetten en verordeningen in kerkelijke zaken uit te vaardigen, een begin-
sel , dat alle Vorsten en Republieken, die de Evangelische leer hadden aangenomen, in
de laatste honderd jaren in praktijk hadden gebragt: slechts door 's Prinsen moord was de
invoering van de door hem ontworpen kerkordening achterwege gebleven. Ten overvloede
werden de resolutiën op de onderlinge verdraagzaamheid mede aan de genoemde Colle-
gies en personen toegezonden, met last om zich «zonder wederzeggen daarnaar te re-
guleren

Begin der sclieu- Doch welke gehoorzaamheid was er te wachten, zoo een predikant onder de oogen van

ruigte Sllage. ^^^^^ Mögenden hun gezag openlijk trolseerde? Den 20'"°, juist op den dag, waarop

de laatst vermelde resolutie werd uitgevaardigd, voer henrigüs rosaeus, predikant te//a^e,
een man met de Tereischte gaven om op de schare indruk te maken toegerust, in zijne pre-
dikatie , ten aanhooren van vele leden der Staten, met buitengewone heftigheid tegen ver-
scheidene staatsbesluiten uit. De Staten, niet kunnende gedogen, dat zich de predikstoel
lot reglbank over regeringsdaden opwierp, en vermoedende, dat de misnoegden onder de
aanzienlijken de hand in het spel hadden, ontboden de predikanten
la faille en lamotius,
die steeds geacht waren het gevoelen der Contraremonstranten te zijn toegedaan, en gelastten
hun den ouden en den nieuwen kerkeraad bij een te roepen, en » met goede kennis, in
de vreeze des Heeren, op het exces, in de voorzeide predikatie geschied, te voorzien."
Men ziet, de Staten wilden
rosaeus door het kerkelijk gezag zelve laten veroordeelen.
In den kerkeraad, den volgenden dag gehouden, werd de zaak niet afgehandeld, maar
de beslissing tot den eerstkomenden woensdag uitgesteld. Toen de beide genoemde

Bijbel te lezen. Toen zij hiermede geen genoegen genomen en zich stout tegen hunne Overheid
uilgelaten hadden, waren er twee ontpoorterd en twee de stad uitgezet. Een dezer laatsten kwam
op vrij geleide van het Provinciale llof weder in de stad doch de Magistraat meende de voor-
loopige beslissing van dit Ilegterlijk Collegie niet te moeten laten gelden, en zelte den man op
nieuw de stad uit (
üytenbogaeut, bl. 634, 635).

1 Zie hiervoor bl. 610—512.

2 UesoL v. Holl. 1615, bl. 153— 156.

ocr page 544

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

leeraars dit aan de Staten kwamen berigten, deelden zij liun tevens mede, dat er 1017.
een bedroevend geschil tusschen denzelfden
rosaeus en uytehbogaert bestond. De
Kerkeraad had pogingen aangewend om de eensgezindheid te herstellen; doch deze
waren door de halsstarrigheid van
kosaeus verijdeld, die, zegt uïtehbogaert, door an-
deren opgezet werd om hem leed te doen, en hem tot eenen stap te tergen, die aan-
leiding tot scheuring kon geven
Rosaeus bleef zich van het Heilige Avondmaal
onlhouden. Op dit berigt ontboden de Staten
rosaeus in persoon voor zich. Zij ver-
klaarden hem hun misnoegen over zijne leerrede, en maanden hem aan tot verzoening
met
uytenbogaert en tot gemeenschapsoefening met de gemeente: nergens minder, zeiden
zij, dan in den
Haag achtten zij scheuring onder de kerkedienaren te moeten dulden.
Rosaeus antwoordde, dat hij in zyne gewraakte leerrede niets anders meende gezegd te
hebben, dan Gods woord in zijnen text medebragt; door eene predikatie van
uytewbogaert
(die eene bescheidene verantwoording tegen den blaam van ketterij behelsd had), was hij
»in zijn gemoed zoodanig ontsteld" geworden, dat hij met dezen, » zoolang hij mei de
gemeene Kerken niet vereenigd was, geene eenigheid of Christelijke liefde houden kon."
Noch de vermaning, dat zijne handelwijze tegen der Staten verordeningen indruischte,
noch de verzekering dat de Edelen en de Gedeputeerden van
alle steden in zijne hou-
ding een groot misnoegen hadden, mögt baten.
Rosaeus bleef halsstarrig. Thans lieten
de Staten den Kerkeraad weten, dat, zoo
rosaeus na herhaalde vermaningen den voor-
slag, door den Kerkeraad zeiven tot verzoening ontworpen, niet binnen veertien dagen
had aangenomen, men de zaak aan de Gecommitteerde Raden aangeven zou, die in dit
geval gemagtigd zouden worden om hem te schorsen tot de naaste Statenvergadering om
alsdan nader op de zaak te letten 2. Om deze waarschuwing bekreunde
rosaeus zich
geenszins. Hij onthield zich steeds van het Avondmaal, en nam met geene aanbie-
dingen van den Kerkeraad, om des vredes wil door
uytewbogaert aangenomen, ge-
noegen. Toen de gestelde tijd reeds lang verloopen was, werd
rosaeus voor de Gecom-
mitteerde Raden ontboden, en hem de vraag gedaan, of hij gezind was de Resolutie,
door de Staten tot bevordering van den vrede der Kerken genomen, te gehoorzamen.
Hij gaf een ontwijkend antwoord, en den Februarij 1616 werd hem lot de naaste
vergadering der Staten het prediken ontzegd,
uytenbogaert zocht door al zijnen rosaeus ge-
invloed, bepaaldelijk bij oldenbarnevelt, dezen maatregel nog te keeren, niet zonder

1 uytenbogaert was zoo weinig onverzoenlijk, dat hij in de opdragt van een zijner werken aan
de Staten kon schrijven: »indien die tempeesten deser kerckelycker verschillen te stillen waren
met hem,
uytekbogaert, als cenen Jonas over boordt te werpen, dat hij den Heere soude bidden
om sterckheyt, ende sijnen godtlijcken wille volgen, tevreden zijnde eenen lijdtlijcken vloeck te
wesen voor sijne Broederen, indien d'cenigheyt daer mede ware te koopen." (
uïtehbogaejit, bl. 626).

2 Resol. v. Holl. 1615, bl. 157—159.

ocr page 545

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. grond duchtende, dat hij rosaeus* aanhang slechts vermeerderen en te stouter maken
zou. Beter ware het, zeide hy, dat men hem,
uytekbogaert, schorste, aangezien
van hem niet te vreezen stond, dat hij dien ten gevolge scheuring zou maken l. Doch
de Gecommitteerde Raden lieten zich niet van hun voornemen afbrengen, en toen er
een rekest ten behoeve van
rosaeus gesteld en door vele gemeenteleden onderteekend
was, vonden de Staten op hunne eerstvolgende voorjaarszitting zich te meer gedrongen,
op de godsdienstzaken terug te komen. Zij stelden op nieuw plegtig de eenmaal in
kerkelijke zaken aangenomen beginselen vast, en kwamen overeen, dat de clausule op
de herziening der Formulieren in haar geheel gelaten moest worden, en verordenden
dat alle kerkedienaars en ingezetenen in Christelijke liefde, eenigheid en goede stich-
ting leven zouden op boete van voor verstoorders der gemeene rust gehouden en als
zoodanig gestraft te worden. Toen de Gedeputeerden van eenige steden zwarigheid
maakten, in eene dus gestelde Resolutie te bewilligen, ging men thans over tol de af-
Bezending aaar vaardiging van een plegtig gezantschap naar de Regenten van
Amsterdam. Het bestond
Amsterdam. ^jg Heeren van mathenesse, muys yan holy, schout van Dordrecht, van der eygk ,

burgemeester van Delft^ hugo de groot, raadpensionaris van Rotterdam^ en hases,
burgemeester van Hoorn. De last, hun den 16^®° April gegeven, strekte om de Bur-
gemeesteren en Raden der stad
Amsterdam te onderrigten van de opregte bedoeling van
Hun Edel Mögenden tot handhaving van de ware Christelijke Gereformeerde Religie, en
van de goede en gewigtige redenen, die zij hadden gehad om de bewuste Resolutiën
in de kerkelijke zaken te nemen. Den 23®*®° werd de Amsterdarasche Raad bijeenge-
roepen, en toen de afgevaardigden waren binnengeleid, hield
hugo de groot eene uit-?
Toerige, geleerde en bondige redevoering. Hij begon met der Staten blijdschap te betuigen
dat bij de Regeerders van
Amsterdam zoowel als bij de andere Staatsleden het vast besluit
bestond, om de tegenwoordige lofTelyke Regering, waaronder God Almagtig hen zoo mer-
kelijk had gezegend, te handhaven, en dat hun de redeneringen, geschriften en hande-
lingen mishaagden, waardoor men die Regering veracht en verdacht poogde te maken;
alsmede, dat zy met de Staten eenstemmig dachten aangaande het regt der Overheid
in kerkelijke zaken: ook vloeide dit regt uit de beginselen der Kerkhervorming voort,
Avelke, geen priestergezag erkennend, den Regeerders niet toeliet blindelings op eens
anders wijsheid of gewetensovertuiging af te gaan, maar hen noopte elke zaak aan Gods
Woord te toetsen. Gelijk men nu in deze beide gewigtige punten overeenstemde, zoo
Avas het wenschelijk, dat men het mede eens werd aangaande den inhoud der onlangs
aan de sleden, hoofdofficieren en classes gezonden Resolutiën, die de regering van

^ uytenbogaiirt, bl. 637—642 , 651, 652. Carleton, en dit oordeel is hooj^st onpartijdig, zo^t
(1, p. 28): »Men kan niet ontkennen, voor zoo veel ik heb kannen nagaan, dat die rosaeus

verdiend heeft, dat men hem het zwijgen opleide."

ocr page 546

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

de Kerken en de onderlinge verdraagzaamheid in sommige godgeleerde gescliillen be- ißn.
IrofTen. Nopens de regering der Kerken ^vas niets besloten, dan de kerkordening van
lo91 medebragl, die in der tyd ook door
Amsterdam was goedgekeurd. Wal de onder-
linge verdraagzaamheid aanging, steeds hadden de Gereformeerde Kerken onderscheid
gemaakt tussehen fundamenteele en niet fundamenteele artikelen, ten aanzien van welke
laatste men elkanders afwijkend gevoelen moest verdragen, overeenkomstig het beginsel
der Protestantsche Kerken, die in onderscheiding van de Katholieke Kerk, geenszins
oq)
verscheidenheid van meeningen uitbanden. Deze verdraagzaamheid, in menig stuk reeds
met der daad ingevoerd, moest ook in dat der praedestinatie worden uitgeoefend, een
stuk zoo fijn, dat zelfs kerkedienaars, die immers geenszins boven onwetendheid en
dwaling verheven Avaren, den staat van het verschil niet verslonden. Ja werkehjk had
men reeds van de oudste tijden af in de Christelijke Kerk verschillende zienswijzen be-
IreiTende dit leerstuk toegelaten. Maar, zeide men, zonder door eene Synode voorgelicht
te zijn, hadden de Staten geene verdraagzaamheid kunnen gelasten. Doch had de
Overheid dan van God Almagtig geen volkomen gezag ontvangen om alles te verbieden,
wal Hij zelf in zyn Heilig Woord verbiedt? Scheuringen nu in vraagstukken, niet ter
zahgheid noodwendig, zijn in Gods Woord verboden, en bij gevolg was de Overheid
in dit geval schuldig haar gezag te gebruiken, niet alleen zonder, maar ook legenden
wil van vele kerkedienaren. Wat hechtte men toch zoo veel gewigt aan het gezag eener
Synode? Was de Reformatie zelve door eene Synode tot stand gekomen? Was de
dwaalleer omtrent hel Avondmaal onder het beleid der Duitsche Vorsten door middel
van Synoden bestreden geworden? De Regeerders van
Bern hadden in de zaak der
scheuring, waarmede hunne Kerk wegens de verschillende opvatting der praedestinatie
bedreigd werd, met goedkeuring van
beza, juist zoo gehandeld als onlangs de Staten hier
Ie lande. Wilde men volstrekt eene Synode hooren, hier vereenigden zich de stemmen
van de voortreiTelijksle leeraren in hunne schriften tot eene Synode van de edelste gees-
ten, die getuigden, dat men schuldig was elkander in zoodanige punten te verdragen.
Ook was deze zaak reeds op verscheidene binnen- en buitenlandsche Synoden enclassi-
kale vergaderingen (als zoo vele kleine Synoden) voldingend uitgemaakt. Doch zoo dan
eene Synode al niet volstrekt noodig was, toch kon zij misschien nuttig zijn. Nullig?
Waartoe? Eene beslissing in de geschilpunten kon niets goeds uitwerken: want nimmer
zou een der gevoelens kellersch mogen heeten. Bovendien tot het vellen van een be-
slissend oordeel was een vrije geest, verheven boven allen harlsiogl, noodig, en die
werd hier, blijkens zoo vele predikatiën en geschriften, niet gevonden; van onbezadigde
personen was niets bezadigds te wachten. Men wees op goede vruchten, eertijds door
Synoden Ie weeg gebragt, maar moest niet vergeten, hoe menig Synode de scheuring
vermeerderd had en was uiteengegaan terwijl het eene deel het andere in den ban
deed. En hoe menigmaal hadden de Synoden gediend om hel kerkelijk gezag legen het

111 Deel. 2 Stuk. Â» 8ii

ocr page 547

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1C17. gezag der Overheid te stijven! Maar, dit alles daargelaten, was het doenlijk eene
Synode bijeen te roepen? Hier deden zich verscheidene vragen op. Zouden alleen
de classikale Vergaderingen afgevaardigden naar de Synode zenden of de Staten hare
leden benoemen, en zoo ja, zouden de Staten dit doen bij meerderheid of elk lid der
Slalen afzonderlijk? Zouden de Remonstranten stem in die kerkelijke vergadering heb-
ben, of, gelijk sommige predikanten verlangden, daar slechts als beklaagden te regt staan?
Voorts diende de zwarigheid omtrent de clausule van de herziening der Formulieren
eerst uit den weg geruimd te zijn. En hoedanig moest de Synode zijn: provinciaal,
nationaal of generaal? Elk dezer drie soorten van Synode had onoverkomelijke bezwaren
in. Tot eene provinciale Synode zouden de classes benoemen; maar op sommige plaatsen
stonden twee classes tegen elkander over, en wie zou hier uitmaken, welke van beide
het regt van benoemen zou mogen uitoefenen? Eene nationale Synode was eene
onbillijkheid voor
Holland^ dat zich daar ligt overstemd zou zien door provinciën, die
in een geheel anderen toestand verkeerden. En besloot men tot eene generale Synode,
zou men daar, zoo als de Koning van Groot-Britannie, de Paltsgraaf en
molinaeus
behoorlijk achtten, ook de Lutherschen toelaten? En voordat alle maatregelen tot zulk
eene zoo omslagtige zaak als eene generale Synode, getroffen waren, kon de behoefte
der Kerken geheel gewijzigd zijn. Nog bood zich hier eene belangrijke vraag aan: zou
de Overheid eenvoudig volgen wat de Synode besluiten zou? Dit zou het Land in het
uiterste gevaar kunnen brengen. Of zou zij zich, gelijk de Staten van
Zeeland gedaan
I liadden, een naoordeel voorbehouden? Deed zij dit, en verschilde haar naoordeel van

I het oordeel der Synode, zoo hadden wederspannige gemeenteleden een voorwendsel om

I zich der Overheid ongehoorzaam te betoonen. — Doch hoe moeijelijk ook te verwezen-

I lijken, de Staten achtten de bijeenkomst eener Synode eene wenschelijke zaak: alleen-

i lijk mögt men vooraf door oefening en op bet gezag der Overheid verdraagzaamheid

il leeren. — Zoover in zijne rede gekomen, ging de spreker over tot de behandeling van

i

I de ter bijlegging der godsdiensttwisten door de Staten gestelde acte zelve. Hij begint

met te herinneren, dat wat nu geschiedde, in Holland en West-Friesland niets nieuws

■

ί was. De Graven van Holland hadden den moed gehad, de pastoren in hunne dienst

I te handhaven in weerwil van alle interdicten en excommunicatiën. Het Hof van Holland

I had nog in 1556 het verketteren tegengegaan. Wat er eindelijk in de zaak van taco

j 8ijbrahds en tot bgleggiog van het verschil tusschen arminiüs en gomarus was gedaan,

was met eenparig besluit geschied. Inderdaad was men slechts by de door beide partijen

s

1 goedgekeurde Resolutie van 1611 gebleven i. Alle aanmerkingen tegen de acte vloei-

1 In zijne Remonstrantie schrijft oldenbarnevelt (bl. 28, 29), dat de zoodanigen, die zich later
door het gevoelen der Remonstranten zoo zeer geërgerd verklaarden, in de vergadering der Staten
de
Remonstrantie van IGll met duidelijke blijken van toestemming en goedkeuring hadden aan-
gclioord en ontvangen. Dus was er niets veranderd, dan zij zei ven.

ocr page 548

DES VADERLANDS. J5.1

den Yoort uit »een gepassioneerd gemoed en eene onbedwongen licentie van kwaad-
spreken:" zij was met de meeste bezadigdheid na langdurig beraad ontworpen, en om
des vredes wil was er het een en ander uitgelaten, dat
Leiden en RoUerdam er in
opgenomen wenschten, — Hierna treedt de spreker in eene uitvoerige, scherpzinnige en
geleerde verdediging der acte. Men zeide, zegt hij verder, dat door de voorstelling van
de leer der Contraremonstranten, in dit staatsstuk gegeven, de Gereformeerde Kerken
gebrandmerkt werden. Maar het gevoelen, door de acte veroordeeld, was immers niet
de leer der Kerken. De acte strekte niet om de Gereformeerde Kerken te belasten,
maar om ze te ontlasten en te zuiveren van den blaam, dien de Jezuïten haar aan-
wreven. Was het niet beter, dat de Kerken zeiven dal gevoelen veroordeelden, dan
dat de Jezuïten baar deswege lasterden. Ook het uiterste van het gevoelen der Remon-
stranten was gewraakt; maar de Remonstranten namen dit niet kwalijk, want zij zagen
er hun gevoelen niet in; integendeel, zg waren den Staten dankbaar voor de waar-
schuwende aanwyzing van dat, waarvoor zij zich te wachten hadden. Het was dan,
begreep de spreker, de acte zelve niet, die de Heeren van
Amsterdam ergerde, maar,
meende hij, zij waren bezorgd voor het inkruipen van te groote vrijheid in de leer.
Hieromtrent nu kon hij hen uit naam der Staten gerust stellen; ja, die bezorgdheid
was den Staten zeer aangenaam, vermits zij een blijk was van de zucht om de Religie
te handhaven, iets, waarin zij niet gaarne voor iemand wilden onderdoen. Werd er
slechts verdraagzaamheid geoefend tusschen de Contraremonstranten en de Remonstranten,
dan zouden zij, die verder gingen, dan de laatsten, en thans schuilden achter de be-
lasterde partij, en met haar gemeene zaak poogden te maken, hel hart niet meer hebben
om nieuwigheden in de leer te opperen. Bovendien, tegen alle afwijkingen van de leer
der Confessie en des Heidelbergschen Catechismus, slechts niet tegen de vijf punten,
raogl men iemand voor de classes beschuldigen. Anderen waren, zoo hel schijnt, be-
ducht, dat door de werking van de bewuste Resoluliën de Contraremonstrantsche leeraars
van lieverlede uit de dienst zouden raken. Doch deze vrees was volstrekt ongegroiid
en in strijd met de uitgedrukte bedoeling der Staten, die verlangden, dat de beide
gevoelens geduld zouden worden. Waren enkele predikanten uit hunne diénst gesteld,
het was niet geschied, omdat zij van het eene of het andere gevoelen waren, maar
omdat zij aan anderen de vrijheid niet gunden, die zij voor ziich zei ven verlangden, en
eerst na alle middelen van overreding te hebbenf uitgeput,·
was men genoodzaakt geweest
om van twee kwaden, de uitzetting van den predikant, of de openlijke toelating van
scheuring, het minste te kiezen. Eveneens had de Keurvorst van de
Palis gehandeld,
niet om over de gewetens to heerschen, maar juist om te verhoeden, dat de eene pre-
dikant heerschte over het geweten van den ander. Nog ééne zwarigheid legen de
onderlinge verdraagzaamheid en de uitvoering der Resoluliën bleef er over. Zij was
deze, dat daardoor de Gemeente steeds twee gevoelens zou hooren prediken en alzoo

85*

ocr page 549

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

16IT. in onrust zou worden gehouden. Bit bezwaar echter verviel, wanneer de predikanten
zich slechts onthielden op den predikstoel van sommige leerstukken te gewagen. Een
goed leeraar moest met voorzigtigheid en niet tot ontstichting prediken. Er bleven
leerstukken genoeg te behandelen over, en de bitterheid der gemeente bewees maar al
te zeer, dat de predikanten, vóórdat zij aan die punten kwamen, nog niets minder
dan de eerste Christenpligten aan hunne gemeenten hadden in te prenten. Ten over-
vloede , de beide gevoelens, en dit toont de spreker nog uitvoerig aan, verschilden
zooveel niet, of het was mogelijk, zonder tegenspraak uit te lokken, binnen zekere
grenzen uit beiderlei standpunt daarover tc handelen. Zoo meende dan de spreker,
goede redenen gegeven te hebben voor de door de meerderheid der Staten gevolgde
staatkunde in de kerkelijke zaken,. en hij verzocht ten slotte de Heeren van
Amsterdam
het gewigt der zaak te overwegen, als waaraan de welstand hing zoo van het lieve
Vaderland, als van de Kerk. Immers, zoo de verdraagzaamheid niet werd toegepast,
moesten óf al de kerkedienaars nopens de geschilpunten tot één gevoelen gebragt wor-
den; óf die van ééne der beide meeningen moesten worden geweerd; of, eindelijk,
moest men twee Gereformeerde Kerken erkennen. Alle predikanten lot één gevoelen
te brengen, was eene onmogelijkheid. Die van ééne der beide meeningen te weren,
was noch christelijk, noch uitvoerbaar; niet christelijkomdat de leer van
Christus
niet medebrengt, iemands gaven om een verschil van meening ten aanzien van een
onbegrijpelijk leerstuk onnut te maken; en anuitvoerbaar wegens het groote getal der
voorstanders zoo van het ééne als van het andere gevoelen, die men niet kon veroor-
deelen zonder het land in rep en roer te zetten. De Kerk, eindelijk, in tweeën tc
scheuren, was wel uitvoerbaar, helaas! vry wat gemakkelijker, dan de breuke te heelen.
Maar daartoe te komen was uiterst verderfelijk. De Overheid behoorde de Kerk onge-
scheurd te bewaren, zooals zij haar ongescheurd ontvangen had. Scheuring
zou tot
scheuring leiden. Was het geoorloofd om verschil ten aanzien der praedestinatie scheuring
te maken, waarom dan niet ook wegens andere punten, in welke de Contraremonstranten
het onderling oneens waren? Zoo had men niets anders te wachten, dan steeds grooter
ontbinding der Gereformeerde Kerk tot afbreuk van de ware Religie en tot vreugde en
victorie van de Papisten. En wat zwarigheid zou dit ten gevolge hebben voor den Slaat
en »voor deze treffelyke, volkrijke stad!" Door verdraagzaamheid, daarentegen, zou rust,
stilte en eendragt bevorderd, en alzoo de weg gebaand worden tot eene Synode, die
gezind en in staat zijn zou om de verschillen overeen te brengen. Om dit te bewerken,
verlangden de Gecommitteerden thans met de Amsterdamsche Heeren in overleg te
tredenj waartoe zij de dienst hunner personen aanboden,, als die met geen ander doel
waren overgekomen.

Deze rede werd met zeer groote aandacht aangehoord en gevolgd door ernstige
betuigingen van den Heer
van aiathejxesse en door belangrijke inlichtingen omtrent de

ocr page 550

'i

DES VADERLANDS. G77

meening der Regeerders van Dordrecht bg monde van den Heer muvsvanholy. Hierop 1617.
en op de verzekering der Gecommitteerden, dat zij niets liever wenschten, dan de be-
zwaren te vernemen, die nog over mogten gebleven zyn, ten einde te trachten ze uit
den weg te ruimen, werd niets anders geantwoord, dan dat de Heeren Raden op de
zaak zouden letten. De volgende dag was een zondag en daarom waren alle zaken van
dezen aard gestaakt. Maar den 2!5"®" kwamen de Burgemeesters en de Pensionaris der
stad aan het logement der Gecommitteerden, en verklaarden, na beleefde betuigingen,
Antwoord vau
dat zij en de Raden van Amsterdam zich door de gehouden redevoering ten volle onder- ojli"

rifft achtten van de gronden, die de Staten bewogen hadden tot het nemen en rond-

° Â° de groot.

zenden der bewuste Resolutiën; daarnevens hadden zij echter ook eenige redenen, die
eene andere zienswijze aanbevalen, overwogen en den bijzonderen toestand der stad in
aanmerking genomen. Hunne meening zouden zij door hunne Gedeputeerden ter Staten-
vergadering kenbaar maken. Nadat de Gecommitteerden nog eene poging hadden aan-
gewend om met de Heeren in nadere conferentie te treden, werd hun te verstaan ge-
geven , dat de Raden het ondienstig hadden gevonden m£t hen te onderhandelen of hen
andermaal te hooren,- Thans was de weg om tot een vergelijk te komen afgesneden,
en slechts in een vertrouwelijk gesprek Heten zich de Amsterdamsche Heeren nog uit,
dat hun tegenstand voornamelijk voortsproot uit hunne meening, dat de gemeente be-
ducht was voor eene verandering van de Religie; eene Synode docht hun nog steeds
het geschiktste middel, en de Resolutiën konden zij daarom niet aannemen, omdat het
openbaar gezag vereischte, dat zij, eenmaal genomen, ook werden ten uitvoer gelegd,
en dit zou, »den tegenwoordigen toestand op vele plaatsen en inzonderheid te Amsicrciam
in aanmerking genomen, afbreuk van de Kerk, verlies van nering en misschien meer
zwarigheden ten gevolge kunnen hebben." Na de Heeren van
Amsterdam nog kortelijk
te hebben doen gevoelen, dat het slechts aankwam op een vertoon van gezag tegenover
enkele heftige kerkedienaars om aan alles een einde te maken, waartoe niets anders
noodig was, dan dat de Overheden, volgens hetgeen by de Unie beloofd was, elkander
opregtelijk de hand boden, schoot den Gecommitteerden niets anders over dan bun
afscheid te nemen

Ζ,οο was men dan even ver als te voren. De poging der Staten om Amsterdam tot jj^ breukc
eenstemmigheid te bewegen was mislukt, en deze uitkomst was niet alleen te betreuren,
 onheel-

omdat het goede, hetwelk men er van gehoopt had, thans achterbleef, maar ook
omdat de zaak daardoor aanmerkelijk verergerd was. Thans toch was het laatste middel
om eenstemmigheid te verkrijgen te baat genomen,, en de oneenigheid tusschen de Staten
en
Amsterdam CA'cnmin te vergoêlyken als weg te nemen j thans was het gerucht, het-

1 Verhuel van de Heeren — gedeputeerl om de E. Heeren Burgemeesters ende Jtaden der StadC
Amsterdam te onderrichten
enz. gedruckt in Η jaer 1622.

ocr page 551

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

I mtmÊmmmmmÊmm^mmam^^^^mmummimimmmÊumeammmmÊm^mÊÊamÊBmÊÊmÊ^ÊmmÊ^m^m

1617. welk de Gecommitteerden in Amsterdam verspreid vonden, dat zij gezonden waren om
de Religie Ie veranderen, duor de liouding van de Anisterdamsche Regering althans niet
weersproken. Maar zoo de uitkomst de daden des Staatsmans regtvaardigen moet, Tvas
OLDENBARNEVELT niet te laken, dat hy niet berekend had, dat deze poging kon en zou
mislukken, en ware het dan niet raadzaam geweest een stelsel op te geven, dat o[)
Amsterdams ongezindheid om mede te werken schipbreuk lyden moest? Wat valt hier
anders op te antwoorden, dan dat het
oldewbarnevelt tot eer verstrekt, dat hij aan de
kracht van degelijke redeneringen geloofde, en niet bevroedde, dat de Heeren van
Amsterdam er in slagen zouden, de toestemming van hun verstand en de toejuiching
van hun hart, die aan eene rede als die van
hugo de groot noodwendig ten deel vallen
moest, te versmoren. En wat het raadzame van eene verandering van stelsel betreft,
hoe kon iemand, die voor zyn gevoelen gronden had aan te voeren als welke
hugo de
GROOT had uiteengezet, hoe kon zoo iemand gehouden wezen van dit zijn gevoelen
afstand te doen, tegenover eene Regering, die in de parly, welke zij koos, waarlijk
door geene hooge beweegredenen geleid werd: had zy ze gehad, zij zou ze toen met
kracht en waardigheid aan de Gecommitteerden hebben kenbaar gemaakt. Weinige
jaren daarna waren de Amsterdamsche Heeren tegen oproerige predikanten genoodzaakt
dezelfde maatregelen te nemen, wier toelating zij nu den Staten verweten. Hoe zou
men dan een staatkundig stelsel kunnen afkeuren, dat later door zijne bestrijders zeiven
is geregtvaardigd? Daarentegen, hadden de Regeerders van
Amsterdam thans hunnen
tegenstand opgegeven, hadden zij ten minste het gemis van overeenstemming eenigzins
bemanteld, en dengenen den mond gesnoerd, die de klove breed uitmaten; veel van
het later gebeurde ware verhoed geworden. Ja, de toenmalige Amsterdamsche Bewind-
hebbers dragen voor een aanmerkelijk deel de verantwoordelijkheid voor de rampen,
die gevolgd zijn, en voor het vergoten bloed van
oldenbarnevelt.
Besluit der Toen de Gecommitteerden, uit Amsterdam teruggekeerd, in de vergadering der Staten
verslag van hunne zending gedaan hadden, werd, ten blyke dat men ter wille van
Amsterdam niet van stelsel wenschte te veranderen, besloten, dat de Resolutiën, in de
kerkelijke zaken genomen, gehandhaafd zouden worden. Men voegde er by, dat de
uitdrukkingen, daarin van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis en den Catechismus ge-
bezigd, niet verstaan moesten worden, alsof daarmede bedoeld ware, dat die geschrif-
ten op gelijke lijn met de Heilige Schrift te stellen zouden zijn: integendeel het waren
slechts formulieren van eenigheid met andere Gereformeerde Kerken, die uitgelegd
moesten worden naar de Heilige Schrift. Bij hetzelfde "besluit evenwel bepaalden de
Staten uitdrukkelyk, dat de Burgemeesters en Vroedschappen van de steden, die niet
noodig vonden de Resolutiën aan te nemen, daartoe niet gehouden waren. Zoo Avas
dan het beginsel, dat elke Gemeente op het stuk der godsdienst hare eigene wetgeefster
was, juist door den tegenstand der Contraremonstrantsche steden, in praktijk gebragt.

staten.

ocr page 552

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

Dit was een gewiglig punt door de voorstanders der nog heerschende Regering gewonnen; 1617.
Maar om de praktijk van dit beginsel tot eene waarheid te maken, verordende hetzelfde
besluit tevens, dat »uit geene steden of plaatsen in andere steden of dorpen regtstreeks
of bedektelijk iels gedaan of gedoogd zou mogen worden, dat eenigen onvrede of onrust
onder de gemeente maken of voeden kon." Uit het slot van het Besluit bleek, dat
men de hoop om de steden, die nog zwarigheid maakten, door overreding te winnen,
nog niet opgaf. Ten minste werden de Gecommitteerde Raden gemagtigd, uit de Colle-
giën afgevaardigden naar zulke steden te zenden, ten einde haar tot het aannemen der
Resoluliën te bewegen. Eindelijk namen de Staten voor, de vraag in overweging te
nemen, of men de kerkordening van 1591 niet bij provisie in haar geheel zou kunnen
invoeren, en gaven zij den wensch te kennen, dat, zoo dit nader overleg vereischte,
men dit zooveel mogelijk bespoedigen en op den zelfden voet inrigten zou, waarop die
kerkordening zelve was tot stand gekomen ^

De Burgemeesters van Amsterdam hadden aan de bezending der Staten gezegd, dal Nadere vcrkla-
zij door hunne Gedeputeerden nader van hunne meening zouden doen blijken. Dit ge- ning der llegeer-
scliiedde weldra, daar in de vergadering der Staten een besluit van den Raad van ^®··®^ van
sterdam, evenwel met eene kleine meerderheid doorgegaan, werd medegedeeld, waarbij
deze Vergadering te kennen gaf, dat zij met de Resoluliën niet kon instemmen, en wel
op grond dat zij elke verandering indeRehgie, »builen wettelijke Synodale vergadering"
ingevoerd, ongeoorloofd rekende, en ten slolte verklaarde niet te verstaan, dat Contra-
remonstranlsche leeraars, die geene gemeenschap met de Remonstranten hielden, deswegens
strafbaar geacht werden. Zoo wettigde dan dc Regering van
Amsterdam niet alleen den laster
dergenen, die de Staten beschuldigden van den toeleg om de godsdienst te veranderen; maar
cn door die verklaring én door aan de Contraremonstranten het regt toe te kennen om de ge-
meenschap met de Remonstranten af Ie breken, deed zij zonder het te vermoeden zelve
»builen wettelijke Synodale Vergadering" uitspraak wat gereformeerd was, en wat niet.
Dat eene zoo bevooroordeelde Vergadering door de rede van
hugo de groot op eene
gevoelige wijze getroffen was, verried zij spoedig zelve door bij monde van de Gedepu-
teerden van hare stad in de vergadering der Staten te laten klagen, dat aan
Amsterdam
ongelijk was geschied door het drukken van het verslag van de Gecommitteerden met
de redevoering van
hügo de groot. De in de zaak betrokken personen verontschuldig-
<len zich met de verklaring, dat van het stuk wegens de uitgebreidheid niet tijdig ge-
noeg het vereischte aanlal afschriften had kunnen genomen worden: dus hadden de
Gecommitteerde Raden een zeker gelal exemplaren laten drukken, die behalve op hun
lust aan niemand verstrekt werden 2. Niettemin achtten de Heeren van
Amsterdam

' Rcsol. υ. Holl. 1616, bl. 166, 167.
2
Resol. v. Holl. 1616, bl. 179.

ocr page 553

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1017. noodig een advies door den druk gemeen te maken, dat hunnen Gedeputeerden ter
Staten vergadering ten leiddraad moest dienen. In dit stuk wordt dat wat in liet verslag
vermeld stond als door de Burgemeesters den Gecommitteerden te gemoet gevoerd, als
waarscliijnlijk onjuist verdacht gemaakt; voorts tegen de aannemelykheid der kerkorde-
ning van 1Ö91 aangevoerd, dat zij strekte om aan verkeerd gezinde politieke personen
de bevoegdheid tot het opdringen van Remonstrantsche leeraars te verleenen. Bovendien
komt men hier voor het voornemen uit, om zich met de andere tegen de meerderheid
gestemde steden te verstaan, en eindelijk werpt men in dit advies het denkbeeld op,
of in deze zaak de »intercessie van zijne Prinselijke Excellentie" niet zou behooren
ingeroepen
Ie worden. Zoo was de toeleg om eenen onwrikbaren tegenstand te bieden
erkend, de middelen om tot het doel te geraken zonder omwegen aangewezen, en het
hoofd, dat men zich wenschte te geven, met name genoemd ^ Weldra werd dat ac/fie^

1 Dat de Regering van Holland, hoezeer men Prins maubits tegen haar opstookte en hem gaarne
tegen haar had zien optreden, echter voor niemand wenschte te wijken in dienst- en lieidebetoon
aan zijn lluis, bleek in dezen tijd ten duidelijkste. Er waren onderhandelingen geopend omtrent
een huwelijk, tusschen Prins
herdrik en de oudste dochter van den Landgraaf juaubits van Hessen.
Nu stelde Holland, den 30'*®° April 1616, als presiderende Provincie voor, den Prins bij gelegen-
heid van ^ijn aanstaande hmvelijk te vereeren met eene gifte van 100,000 gulden, en hem boven-
dien een jaarlijksch inkomen te verzekeren van 24000 gulden, waarvan
Holland alleen de helft
aanbood te verstrekken. Terwijl nu de andere Provinciën maanden later nog niet gelast waren
))0p den voorslag tot bevordering van Prins
Hendriks huwelijk," had Holland reeds toen eene rente
gevestigd van 12,000 gulden, die ingaan zou op den dag der voltrekking van het huwelijk,
en niet zou ophouden, dan met den laatsten afstammeling in de regte lijn. Dit besluit was ge-
nomen uit overweging, »dat Prins
Hendrik in Holland was geboren in het jaar van den moord
zijns vaders, hetgeen alle goede liefhebbers van de vrijheid des Vaderlands en van de ware
Christelijke Religie behoorde te bewegen tot dankbaarheid voor de loficlijke ofiicicn met goed en
bloed door wijlen den Prins den Vaderlande bewezen."
Zeeland was minder mild voor Prins maürits
zeiven. Ten minste onthield de Admiraliteit van Middelburg hem in 1616 het hem bij acte van
1602 gegunde regt, op de genomen en verkochte koopvaardijschepen te heiFen. De Staten-Generaal
moesten die Admiraliteit daartoe dwingen
{Resol. 28 Mei, 1616). — Wat voorts het voorgenomen
liuwelijk van Prins
hekdrik betreft. Het vorstelijk gezin had reeds de gelukwenschingen der Staten-
Generaal aangenomen; reeds had de inoeder van Prins
Hendrik de Staten verzocht een Gezantschap
deswege aan den Landgraaf te zenden
j reeds had de Agent brederode berigt, dat op den Oc-
tohcr (1616) het huwelijk beklonken was en de eerste geschenken Λν3Γ6η geAvisseld, toen er in Febru-
ari) 1617 brieven van
brederode kwamen, rakende het huwelijk van Prins Hendrik, die de Staten-
Generaal besloten te stellen in handen van Prins
maurits, »om zulks daarop te letten, alsZ.Exc.
zal bevinden te behooren Avegens de gewigtigheid van de zaak." Uit een schrijven van
Willem
lodewijk
aan Prins maurits van Maart 1617 {Archiv, de la Mais d^Or. Sér. 11. T. 11, p. 495)
blijkt, dat er zich toen moeijelijklieden hadden opgedaan, die de bevrediging van het verlangen

ocr page 554

DES VADERLANDS. 681

door een uitvoeriger stuk Tan dezelfde strekking gevolgd, dat een pleidooi behelsde 1617.
tegen het gezag der wereldlijke Overheid in kerkelijke zaken en tegen de verdraagzaam-
heid, en met hetwelk de Amsterdamsche Regering geheel tot de zienswijze van de
Contraremonslrantsche leeraars toetrad en hunne zaak lot de hare maakle. In dit stuk
staat met zoo vele woorden uitgedrukt, dat de Staten door van
Amsterdam het nanuemen
der Resolutiën te verlangen, van deze stad »de onchristelijkste, trouweloosste en god-
deloosste zaak" vergden, en dat de verspreiding van het Verslag der Gecommilleerden
een bewijs was, hoe men de Regeerders van
Amsterdam alom verdacht wilde maken,
hunne onderdanen tegen hen ophilsen, en hen als eepe vap de Unie afkeerige partij
wilde doen voorkomen.

Waar zoo gesproken werd, was de burgeroorlog verklaard. En als om hel bestaan
van een sleden verbond tegen de Staten te staven, vereenigde
Enkhuizen hare vertoogen
met die van
Amsterdam En deze partij in het binnenland werd ondersteund door
buitenlandschen invloed.
Jacobüs , wiens lafhartigheid in oldenbarnevelt haren groot-
slen hinderpaal ontmoelle, legde het er op loe, dezen staatsman len val te brengen. Dit
was voor
oldenbarnevelt een reden te meer om niet te wijken. Want hoe vermögt hij Europa
en de zaak van het Protestantisme aan de armhartige staatkunde van eenen jacobus over
te laten? In
garletons instructie, hem in het begin van hel jaar 1616 naar ^s Hage
medegegeven, stond Ie lezen: »Zoo de godsdiensttwisten in Holland ongelukkig weder
uitbarsten mogten, zult gij niet vergeten, dat gij de dienaar zijl van eenen Meester,
dien God lot den eenigen Beschermer der Godsdienst gemaakt heeft. Dus zult gij niet
alleen in uwe zoowel particuliere als ambtshalve gehouden gesprekken de belijders van het

der beide partijen in den weg stonden, en die Graaf jan, daartoe naar 'sllage gereisd, hoopte op
te heiFen. Graaf
willem lodewijk is van oordeel, dat een afbreken van de onderliandelingt'n xiiot
zou kunnen geschieden zonder een onherstelbaar nadeel toe te brengen, niet alleen aan den goeden
naam van Prins
iiendbik, maar ook van de beide Huizen van Nassau en Hessen. Eene uitdruk-
king uit het vervolg van den brief doet denken, dat Prins
hekdrik zich niet wilde schikken naar
hetgeen de Duilsche gebruiken medebragten.
du rlessis-mornay schrijft in October 1616 aan
du maubier: »Ik beklaag Mevrouw de Prinses van Oranje zeer, als dit huwelijk, dat ik reeds voor
beklonken liield, lang wordt uitgesteld. Immers is het tijd, dat wij de toekomst van dit Huis
eenigzins verzekerd zien, zelfs in dezen tak. Het is voor de Christenheid van belang dat het ge-
slacht niet nitstcrve
{Mémoir. 111, p. 1005j. Hoe het zij, van het huwelijk is, gelijk bekend is,
niets gekomen. De oudste dochter van den Landgraaf trouwde piet den hertog van
Meckelenbtirg, —
In de lente van 1616 werd ook door de Staten-GeneraaJ eene gift toegestaan van 32,000 gulden,
bij gelegenheid van het huwelijk van Prins
Willems laalst ongehuwd gebleven dochter emilia met
den Paltsgraaf, Hertog van
Tweebruggen. Zie Resol. Stat.-Gen. 10 Febr.j 30 Aprilj 7 Meij
Π Julij;
15 Oct. 1616. 18 Febr. 1617. Resol. t;. Holl. 1616, bl. 170, 171.

^ TRiGLAKD, bl. 754—764.

III. Deel 2 Stük. 86

ocr page 555

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

^·8····Μ··········Μ·Ρ·Β····Μ·····ΜΙΙ^·^

1g17. ware Evangelie ondersteunen, maar ook duidelijk te verstaan geten, dat de verdediging
van die dwaalbegrippen in hooge mate kwetsend is voor de Majesteit Gods, dat zij Ons,
hunnen zeer waarden vriend, zeer mishaagt, en het Bewind van hunnen Slaat lot schande
verstrekt i." Wie
jagobus met de belijders van het ware Evangelie en welke gevoelens
hij met die dwaalbegrippen bedoelde, was niet twijfelachtig. Doch
oldenbarkevelt zag
zonder schroom den vreemden zendeling aankomen. Zeker van de zaak, die hij voor-
stond, en van de middelen van overreding, over welke hij beschikte, zou hij hem wel
onschadelijk welen te maken, zoo
Nederland slechts zich zeiven niet afviel.

Voorstel vau J^ist het oogenblik, dat de zaak van rosaeus te'if//a^e zoo veel opspraak baarde en
ar^^'goXdienst-bezending naar
Amsierdam slond te vertrekken, werd door garleton Ie baat ge-
twisten. nomen, om zich uit naam zijns Ronings bij de Stalen-Generaal over de godsdienstzaken

uit te laten. Hij deed het in dezelfde zitting, waarin hij de eerste maal op de ont-
ruiming van
Gulik aandrong en dal wel op de volgende wijze: De Koning, als ver-
dediger des Geloofs en Beschermer der ware Apostolische Godsdienst had allyd getracht
den strijd der godsdienstige overtuigingen van der Stalen onderdanen voor uitbarsting te
bewaren. De waarheid van het Woord Gods was de band tusschen de beide Stalen,
de vrijheid van geweten hun beider doel. Maar men moest onderscheid maken tusschen
vrijheid en bandeloosheid. Z,ij, die nieuwigheden in de godsdienst opperden, verbraken
de eenheid, verwekten twisl en openden eene deur voor den vijand. Misschien wel werd
de twist door den vijand aangehitst.
Arminius was begonnen, en hij was gevolgd en
overtroflen geworden door
een zekeren voRSTrus. Gelijk hoornen door verplanting vrucht-
baarder worden, zoo was aan
yorstius door verplaatsing naar eene andere stad slechts
gelegenheid gegeven om een boek uil te geven, vol ketterijen tegen de almagt Gods,
en spot en schimp legen Zyne Majesteit, en in zoo verre belecdigend voor de regt-
vaardighcid Hunner Hoog Mögenden, als hij daarin beweerde, dat hier te lande onge-
straft ketterij kon gepredikt worden, aangezien de doodstraf hier niet op keilers werd
toegepast. Dus verzocht zijne Majesteit dat men die slang lerug zou zenden naar het
nest, waar hij uitgebroed was, en de Provinciën van een vergif bevrijden, veel gevaar-
lijker dan alle buitenlandsche kryg. Dit verzoek belrefiende
vorstius was, zooals gar-
leton
in een brief aan winvtood zelf te kennen geeft slechts een voorwendsel: het
doel was de versterking van de Contraremonstranlsche partij en de bemoeyelyking van
de Regering. Evenwel was de Koning ook gevoelig over hel boek, waarop de Gezant
doelde, in 16115 onder den titel
Antwoord aan Slade ^ te Gouda uitgegeven. Nadat

' GARLETON, I, Jï. 9, 10.

^ Zie hiervoor, bl. 602.

3 CAHLETON, I, p, 28.

^ slade, een Engclschman, rector cencr bijzondere school te Amsterdam, en schoonzoon van tlakcius.

ocr page 556

DES VADERLANDS. G85

GARLETONS Toorslcl Slaande de vergadering met algemeene uildrukkingen beantwoord 1617.
was, le welen met dankbeluiging Toor Zijner Majesleils belangstelling en de verzekering
dat men niels zoozeer, behartigde als de handhaving van de ware Chrislelijke Rehgie en
van de Justitie in deze Landen, moest er een bepaald antwoord op vastgesleld worden.
Het ontwerp van dit antwoord kwam, door Zijne Excellentie en den Raad van State
Antwoord der
goedgekeurd, den 28®'®" April ter tafel, en behelsde, na vernieuwde dankzeggingen en
betuigingen, de verklaring, dat, vermits men er sedert eeiiige jaren op uit was om ter
zake van het verschil van gevoelen betreiTende de
praedeslinatie scheuring le maken, de
Slalen van eenige Provinciën overeenkomstig den raad door Zijne Majesteit zelve gegeven
zoodanige orde op deze zaak gesteld hadden, dat door Gods genade en de bemoeiingen
der Overheden en kerkedienaren de oneenigheden wel zouden bijgelegd worden. Aan
yorstius hadden de Staten van Holland de laak opgelegd om zich te zuiveren tegen
aantijgingen, en dus ook legen die van den geleerden
slade. Zijn boek zou men aan
bevoegde reglers ter beoordeeling geven, of er werkelyk zulke dingen in voorkwamen,
als waarover de Koning klaagde. — Zóó betaamde het den eisch des Konings ten aanzien
van
yorstius te beantwoorden. Hadden de Staten in het minst toegegeven, zy zouden
eene onregtvaardigheid begaan hebben. Want was
vorstius niet reeds zoo goed als
afgezet? Wel schrijft
carleton aan winwood, dat men niet onpartijdig was, daar meu
rosaeus schorste en vorstius in het land liet ^ Maar werd dan rosaeus verbannen, en
had hij dan ook de vrijheid niet om zich in geschrifte voor het publiek te verdedigen?
Maar, vooral, de minste maatregel tegen
vorstius zou eene stilzwijgende erkentenis ge-
weest zijn van hetgeen
garleton over het loepassen der doodstraf op ketters, als ware
dit een heilig regt der Overheid, zich niet geschaamd had te zeggen. En toch werd
cr in dc vergadering der Slalen-Generaal een man gevonden, die niet alleen bezwaar
had tegen het ontwerp van antwoord, maar er uitdrukkelijk tegen protesteerde. Het was
lyglama, de heftige tegenstander van de onlangs afgezette Leeuwardensche Magistraat.
Zulk een antwoord, beweerde hij, als waarvan het ontwerp was voorgelezen, zou den
Koning niet tevreden stellen; hel streed met de gesteldheid der Provinciën builen//οΖ/α/ίί/,
bepaaldelijk met die van
Friesland. Holland mögt zulke redenen noodig hebben om
hare zaak goed le maken, maar geenszins de andere Provinciën, en allerminst.

Hoe het zy, hij hoopte, dat die van Holland en van de andere Provinciën Zijne Ma-
jesteit believen en zoowel de eenigheid der Religie behoorlijk handhaven, als
vorstius
voor goed verwijderen zouden. Men ging le ver, en wist niel waar men le land zou
komen. Bij deze geschillen liep de Staat gevaar. Wel had Zijne Majesteit zich ver-
klaard , dal de Overheid zulke geschillen moesl bijleggen; maar hij had bedoeld, dat de
Overheid dit door middel van eene generale Sj'node doen moest. En dan liet hij, zeide hij

^ CARLETON, I, p. 29.

86

ocr page 557

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1017. len slotte, nog in het midden, hoe het Zyne Majesteit zou aanstaan, dat men het bewuste
boek van
vorstius in handen van eenige geleerden stellen zou om zoo doende het gevoelen
van Zijne Majesteit over dit werk aan hunne censuur te onderwerpen. — Hel is waar, de
stoutheid der Stalen tegen
jagobus ging ver, veel te ver voor iemand van zulk een onder-
danige gezindheid len zijnen aanzien, als de Gedeputeerde van
Friesland zich hier be-
loonde. Ook die van
Zeeland verklaarden zich, na lyglama.s rede, niet gelast om zulk
eene beantwoording van
garletons propositie toe te slaan Niettemin kreeg jagobus geene
grootere voldoening, en zija Gezant wist hem neder te zetten, door hem aldus te schry-
ven: »Wat
vorstius aanbelangt, zoo men het niet zoo ver brengen kan, dat hij uit
het Land gebannen wordt, hetgeen moeite in zal hebben wegens het aanzien van hen,
die hem herwaarts geroepen hebben, zoo meen ik toch dat men hem zal kunnen ver-
bieden zijne werken te laten drukken, gelijk hij reeds door toedoen van Uwe Majesteit
van zijn leerstoel is ontzet geworden. Wat het artikel van zijn
Antwoord aan Slade
betreft, waar hij van Uwe Majesteit spreekt, dat doet hen allen zeer veel leed, en
eenigen wenschten ernstig een vonnis tegen hem om Uwe Majesteit voldoening te geven;
maar men is van gevoelen veranderd op hel verslag van sommigen, die, de plaatsen
nagezien hebbende, verklaard hebben, dat de woorden voor eene andere verklaring
vatbaar waren, en dat zij in gemoede overtuigd waren, dat
vorstius ze niet in een
slechlen zin gebezigd had. V^oor hel overige zullen zij afgaan op het nader onderzoek
van eenige personen, wien men deze laak heeft opgedragen; en ik kan hen deswegens
niet van gebrek aan eerbied beschuldigen, vermits zij zich in deze zaak nog meer be-
zorgd betoond hebben voor de eer van Uwe Majesteit, dan voor die van God of voor hunne
eigene eer: want ik heb
vorstius als schuldig in al die opzigten aangeklaagd" Op zulk
eene wijze durfde een Minister aan den Koning schryven, wiens ijdelheid hij kende.

De door rosaeus in de Haagsche gemeente veroorzaakte moeijelijkheden, die garleton
hadden doen begrijpen, dat het vuur fel genoeg brandde om er met vrucht ohe in te
kunnen gieten, hadden inlusschen steeds bedenkelijker gevolgen.
Rosaeus had met de
indiening van een adres bij de Stalen eene poging gedaan om door een voorwaardelijk
aanbod van vrede en verzoening alle schuld op
uytenbogaert te werpen Wie met
den staal der geheele vraag onbekend was en van
uytenbogaerts krachtige tegengronden
geene kennis nam, kon ligt door dat adres misleid worden, en zoo werden al meer
|| Een deel der en meer de hoofden verward en de harten verbitterd. Eene groole schare van Haagsche

i sclJdt â™¦ oordeelende dat eene gemeente, in welke eenen man als

te^^Ä^lw^yt^^te ^®*· onlzcgd was, voor hunne regtzinnigheid en heiligheid te laag

lierk. ____

1 liesol. Stat.-Gen. 20, 26, 29 April, 1616.

2 CARLETON, 1, p. 48, 49.

3 uytenbügaebt, bl. 667—073.

ocr page 558

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

Avas gezonken, liep eiken zondag in hel naburige Rijswijk ter kerke ^ Vele aanzien- 1617.
lyken verheugden zich in het denkbeeld, dat dit schandaal voor de Regering kwade
gevolgen hebben zou, anders zou het hen geërgerd hebben, dat men de alles behalve
Arminiaansche Haagsche predikanten en den kerkeraad, die zeer aanzienlijke mannen
onder zijne leden telde aldus den nek toekeerde. Het laat zich evenwel ligt
denken, dat zij, die niet meer te
^s Hage ter kerk gingen, zich niet getroostten eiken
zondag naar
Rijswijk te loopen zonder beklag by de Regering. Ook hadden zij den
28®'®" April (1616) een adres aan de Staten gerigt, in welk stuk, met even veel be-
kwaamheid als koelbloedige hatelykheid gesteld, zy zich niet ontzagen te zeggen, dat
hun te
Hage »'t gehoor van Gods Heilig Woord en de oude vrye exercitie van de
Gereformeerde Religie" ontzegd werd Κ Op weinig plaatsen kon met minder schijn
van waarheid zoo iels verzekerd worden, dan te
Hage, Zoo men zich niellemin af-
scheidde, het was omdat eene zeer gewone ondeugd — de zelfverheffing op geeslelyke
voorreglen, dat is, de neiging van 's menschen booze natuur om roem te dragen op 't
geen haar minst toekomt — als een middel in de hand van de vijanden der Regering
gebruikt werd. — Inlusschen erkenden de adressanten ■— doch het was om den gru-
wel, aan
^s Gravenhage geschied, des te sterker Ie doen uitkomen — de onpartijdig-
heid der Stalen , waar zij met zoovele woorden .zeggen te wenschen »'t gene doorgaans
alle andere ingezetenen van
Holland en West-Friesland in vele en de principaalsle
Sleden van dien genieten." Het besluit nu van het verzoek strekte hiertoe, »dat
rosaeus
in zyn predikambt te '5 Gravenhage als voor dezen werd gecontinueerd." Tegelijk met dil vau ro-

saeus·

adres leverde rosaeus een verzoekschrift in, waarbij hij, vermits hy slechls lot de toen-
malige zilling geschorst was en hij nog van geene opheffing van deze schorsing iels
vernam, op beslissing in zijne zaak aandrong. Hij kreeg ten antwoord, dat hij leed-
wezen over het gebeurde zou hebben te beloonen ten genoegen van al de in de zaak
betrokken aulorileilen: hierloe gaven de Slalen hem tijd tol hunne cersl volgende bijeen-
komst , en lot dien termijn toe zou bij zich van alle kerkediensl hebben Ie onthouden, —
De Bewindslieden inlusschen, wel bevroedende, dal de scheuring te
Hage door aan-
zienlijke personen gedreven werd als het besle middel om de Slaton te dwingen tot eene
wijziging van hunne binnen- en builenlandsche staatkunde, en bepaaldelyk om
oldeh-
BARNEVELT als een vyand der ware godsdienst aan de kaak te stellen en hem akoo
ten val te brengen, trachtlen zich legen mogelijke gebeurtenissen Ie wapenen.
Ten dien einde ontboden de Gecommilleerde Raden in hunne vergadering uil elk

^ CARLETON, I, p. 28.

- In het bijzonder verscheidene leden van den Hoogen en den Provincialen Raad. Zie üyten-
bogaert,
bl. 640.

3 UÏTEKDOGAERT, bl. 662, 663.

Verzoek oiri

ocr page 559

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1(117. der drie Collegiên: den Hoogen Raad, den Provincialen Raad en de Rekenka-
mer, eenen Raadsheer, en onderrigUen dezen ambtshalve van al wat er met
rosaeüs
was voorgevallen. Oldenbarnevelt zelf deed opening van zaken aan den Prins; hij
ontveinsde hem niet, dat het duidelijk bleek, hoe er »naar eene pubHeke factie ge-
ÜLDENBAUNE-tracht werd," en verklaarde hem, dat de Stalen van
Holland niet zouden kunnen
liïs^^MAuiuTs Â»Zijne Excellentie handbieding af te vorderen tot instandhouding van het open-

des noods^ hand-gezag." Deze mededeeling scheen den Prins, bij wien de aanmaningen van zijnen

openbaar gezag.- neef "WILLEM LODEWiJK hare uitwerking niet gemist hadden ^, niet aangenaam te zijn;
Zijn dubbelzinnig 110·

antwoord. hij zeide, dat hij zich in dit geschil onzijdig wenschte te houden Dit was een ant-
woord, dat veel slof lot nadenken gaf. Immers had
oldehbaenevelt niet verlangd,
dat de Prins in het godsdienstgeschil partij zou kiezen; zulk een verlangen ware de
dwaasheid zelve geweest:
Oldenbarwevelt zelf was niet gezind dat Ie doen. Maar hij
had den Prins Ie verstaan gegeven, dat men het er op toe leide om door middel van
de kerkelijke scheuring het wellig gezag de verschuldigde gehoorzaamheid op Ie zeg-
gen , en daar dat gezag verpligt was zich Ie handhaven, zoo had hij den Vorst
herinnerd, wat in dezen stand van zaken zijn eed en pligt medebragt. Daar de
Prins het antwoord schuldig bleef, en geenszins betuigde, dat hij zijnen pligt kende
en dien niet anders verstond dan
oldewbarnevelt , zoo bleek hy de partij van den
tegenstand gelijk regt als het wettig gezag toe te kennen, en had hy mitsdien inderdaad
de eerste gekozen. Van dit oogenblik aan moest
oldenbarnevelt óf de teugels van
het bewind laten vallen en zoo vele uiterst gewiglige belangen als op zyne leiding
dreven, laten varen, ja de zaak van den door het bloed van
willem van Oranje en
door de opoffering van zijn eigen leven gevestigden Staat aan in zyn oog onbekwame
handen en warhoofden prys geven, óf hg moest zich voorbereiden om des noods zonder
den zoon het werk des vaders, zonder den Stadhouder de zaak van den Staat Ie handhaven.

De binnen 'ä Hage ontstane scheuring beloofde te goede gevolgen voor de vijanden
der Regering, dan dat een dergelijk schandaal, elders ontslaan, geene gewenschle zaak
Scheuvin"· ingeweest zgn. Te Zevenhuizen, een dorp gelegen onder het baljuwschap van
Zevenhazen. Schieland, betoonde zich een vyftiental ingezetenen ontevreden over de leer van hunnen
Remonstranlschen predikant. Hoezeer nu bijna overal in den naasten omtrek Conlrare-
monslrantsche leeraars slonden, die zij zonder buitengewone moeite konden gaan hooren,

1 Zie den brief van den Maart (O.S.) in Archiv. Sér. II. ï. 11. p. 463. Willem lodewijk
Avas in {jemoede overtuigd, dat bij de zege van oldekbarnevelts staatkunde de zaak van de Gere-
formeerde godsdienst en bij gevolg het Land zelve verloren zou zijn. De toestand van zaken in
zijne gouvernementen (in
Friesland oefenden de Roomsche Yolmagten tot in 1617 stemregt uit)
mag zijn oordeel over den staat van zaken in
Holland beneveld hebben.

2 uytenllogaert, bl. 664—666.

m-

ocr page 560

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

verkozen zij in eene schuur bijeen Ie komen, alwaar van elders predikanten of propo- 1617.
nenlen k\Yamen prediken. Doch hel bescheiden aanlal der Zevenhuizensche scheurmakers
was weinig geschikt om eene in het oogloopende schennis van der Stalen bevelen te
veroorzaken. Dus kwamen personen van elders, zelfs, zeide men,
\iil Amslevdam, den
toeloop bij hunne vergaderingen vergroolen. De Overheid van
Schieland, bespeurende
dal hier een begin van scheuring bestond, door personen uit andere gemeenten gestyfd,
een geval alzoo, in de laatste Resolutie der Staten voorzien en verboden, en ongezind
om door slapheid den voortgang te bevorderen eener beweging, wier doel haar niet
onbekend was; bovendien de ongelegenheden willende voorkomen, welke die zamcn-
komslen in de gemeente
Zevenhuizen ten gevolge stonden te hebben, vaardigden den

Junij 1616 eene keur uit (men noemde ze plakaai om met dezen naam, die aan Keur van Jo
den Spaanschen tijd herinnerde, de zaak hatelijk te maken), waarbij zij de scheurma-
kers (overeenkomstig de Resolutiën der Staten) als verstoorders der gemeene rust aan-
duidden, en hun verboden eenige vergadering tol oefening van de Gereformeerdß "
godsdienst te houden, anders dan in de kerken en plaatsen, daarloe van Staatswege
bestemd, »op boele dal hel huis, schuur, barg, schip, schuil, veld of andere plaalseDf
Avaar zoodanige vergadering zou worden gehouden, zou vervallen aan de armen van
het ambacht." Degeen, die in zoodanige vergadering gepredikt of eenige kerkelijke
bediening zou verrigl hebben, of in eenig huis of plaats hem toekomende de vergade-
ring zou hebben laten houden, zou beboet worden met de som van 500 gulden, waar-
voor hij dadelijk aangehouden zou mogen worden, zonder hoop op ontslag voordat de
boele voldaan was, en in geval de schuldige niet Ie vinden was of de betaling uitstelde»
zou legen zijne goederen geprocedeerd kunnen worden. Deze keur, gesteld door nuGo
de groot, als Raadpensionaris van de Stad Rollerdam, aan wier Burgemeesleren het
Baljuwschap van
Schieland toekwam, lokle geweldige kreten uit; doch zij is nimmer
ten uitvoer gelegd. De Overheid bepaalde zich lol het toespijkeren van de schuur,
waarin de vergaderingen hadden plaals gehad. Door een en ander geenszins afge-
schrikt, versloullen zich de scheurmakers de schuur met geweld Ie openen. Hel
heelle, dat het hun te doen was om eene plaals van godsvereering te herwinnen,
hoezeer men waarlijk geen hart heeft om God te vereeren in eene plaats, waartoe
men zich mei dreigen en slaan den toegang geopend heeft; maar het was eene
gewiglige zaak, het pas gewonnen nieuwe middelpunt van gevaarlijken tegenstand
legen de weltige Overheid niet te verliezen. Dus gingen de verboden zoogenaamde
godsdienstoefeningen haren gang, en zy, die ze bijwoonden, matigden zich een
hoogen toon aan, snoevende dat
Amsterdam en andere Sleden hun beloofd had-
den, al wat er van komen zou, op zich te nemen, en, zoo zij boelen moesten
betalen, die voor hen te zullen voldoen en het bedrag dier boeten op hare bij-

ocr page 561

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. dragen tot de gemeene lasten te zullen korten Hierop vaardigden de Baljuw, sche-
Nadere puWi-penen en mannen van Schieland den 26®'®° Julij eene publicatie uit, welke eigenlijk
Sid^van^Se-dienen moest om hunne keur van den 21"®° Junij te regtvaardigen, het onbehoorlijk
land. gedrag, daarop gevolgd, wereldkundig Ie maken, het wettig gezag tegen de onwettige

partïjzuchtige bescherming, waarop zich die van Zevenhuizen beroepen hadden, te hand-
haven , en voorts lijdzaamheid aan te bevelen en omzigtigheid te beloven 2. Deze mali-
ging betoonden de Rotterdamsche Heeren natuurlijk niet zonder den raad der Staten.
Hetzelfde geduld stelden dezen tegen de scheuring te
*s Hage over. Dit was den rad-
draaijers weinig naar den zin, en
uytenbogaert ^ verhaalt, dat eenige, niet geringe,
Avel bekende personen, die de scheuring onder de hand ondersteunden, hem daarover
aanspraken en aanspoorden om ze, als eene ongepaste en zeer ergerlijke zaak (zoo
drukten zij zich uit), door den Advokaat en de Gecommitteerde Raden te doen beletten.
Najaarszittïng In de najaarszitting der Staten van 1616 maakten natuurlyk de godsdiensttwisten een
oii^^rwerp hunner beraadslaging uit. Er vielen, zegt garleton^, zeer levendige woor-
dën. De gevoelens liepen zeer uiteen. Sommigen meenden, dat men de kerkordening
van 1591 bij voorraad in alle punten moest aannemen, zoo als zij daar lag; anderen,
dat deze ordonnantie vooraf noodzakelyk herziening behoefde; doch over de wijze,
' waarop deze herziening moest geschieden, waren de meeningen wederom ten uiterste

verdeeld. Ook drong een deel der Yergadering aan op de intrekking der Resolutiën en
de bijeenroeping eener Synode, ten minste om den Staten op alles van advies te dienen.
Doch dit gevoelen bragt weder den voorslag mede om eene commissie uit een gelijk
getal politieke en kerkelgke personen te benoemen, ten einde eerst de door de scheu-
ring in tweeën verdeelde classes tot eenigheid te brengen. Zelfs werd het gevoelen
gehoord, dat men de provinciale Synoden zou laten begaan, en haar de vrijheid zou
laten om te handelen en te beslissen zoo als zij zeWen zouden verkiezen. In één woord,
de verscheidenheid van meeningen was zoo groot, dat er geene kans was om ze in

^ uytenbogaeet, bl. 678. carleton, I, bl. 89, spreekt van een edict der Staten van ΗοΙΙωιά
van nagenoej; denzelfden inhoud, als die keur van het Baljuwschap van Schieland, en zegt, dat
dit edict was ingetrokken op eene verklaring van
Amsterdam en Enkhuizen, gelijk aan de belofte,
welke de Contra-Ilemonstrantsche Zevenhuizers, volgens
uytenbogaert, uit Amsterdam zeiden ge-
kregen te hebben. Het schijnt, dat hem het in
Schieland gebeurde verkeerd was medegedeeld.

2 trigland, bl. 765, deelt wel de keur, maar niet deze publicatie mede. Ook de publicatie
Avas door iiuco
de gboot gesteld, en deze was toen zeer gematigd en omzigtig, daar hij de kans
om als lid van een Gezantschap naar
Engeland te worden afgevaardigd, niet wilde verbeuren
(carletox, I, p. 179).

3 ÃœYTENBOÖAERT, bl. 688,

^ 1, p. 103.

ocr page 562

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

eene resolutie zamen te valten. Bg gevolg ging men voor eenige dagen uileen, in de 1Γ)17.
hoop, dat men na ruggespraak met zijne lastgevers met een eenigzins gevvyzigd ge-
voelen zou terugkomen. Doch deze hoop werd teleurgesteld: men was thans evenmin
in staat om tot eene eenparige resolutie te komen. De Gedeputeerden van
Dordrecht
schijnen, even als bij de bezending naar Amsterdam, eene bemiddelende houding tus-
schen
Rotterdam en Amsterdam te hebben aangenomen, en de Gedeputeeiden dezer
laatste Stad schijnen zich thans ten minste in dit opzigt aan de meerderheid te hebben
aangesloten, dat zy de bevoegdheid der Staten om in Kerkelijke zaken verordeningen
Ie maken ditmaal niet ontkenden ^ Slechts in één ding, helaas! konden de Staten
het eens worden, en dit was in het gevoelen, dat het plakaat tegen de Jezuïten en
de uitoefening »der Roomsche superstitiën", dat de Officieren van Justitie met weinig
gestrengheid toepasten, vernieuwd moest worden 2, De steller van het Register der
Rcsolutiën van
Holland en West-Friesland voegt er bij, dat men lot dit besluit kwam,
))om te voorkomen dat de Roomsche factie met de oneenigheid der Gereformeerden
haar voordeel doen mögt," Werkelijk wezen de Katholieke predikers in de provinciën
der Aartshertogen op de twisten in
Holland, om te bewijzen, dat alhier geen waar
noch vast geloof bestond, en dat alles op eeuwig twisten uilliep 3.

Maar kon men het dan niet ten aanzien van de hoofdzaak eens worden, men wilde Verzoencude
len minste in de bijzondere gevallen beslissen. Daartoe nam men de klagten by de ^βΓΒ^ίει'κ'^'^
hand, door predikanten tegen hunne Overheid of tegen andere predikanten bij de Staten
ingebragt. De predikanten van het Land van
Voorne en Pulten, zich, op grond
van aanmerkingen op de leer en hel leven van sommigen hunner, over elkander be-
klaagden, werden in de vergadering gehoord, lot Christelijke liefde aangemaand en
naar eene classicale Vergadering binnen
den Briel verwezen, werwaarts de Stalen twee
Gecommitteerden zouden zenden om, len overstaan van de hoofdofficieren van den Lande
van
Voorne en Putten en van de Magistraat van den Briel, alle goede diensten Ie doen
tot bglegging van het geschil. Tevens zou hier de zaak behandeld worden van
Willem
krijnsz.
, die door de Regenten van den Briel was afgezet. De Heeren muys van holy
en MEERMAN trokken er heen, doch hunne komst leidde tol niets en de zaken werden
na hun gedaan verslag »in bedenking gehouden, totdat op de zaak ten principale zou
besloten zijn Ook de zaak van
dirk ciiristiaassz. kwam voor. Dpze predikant

1 jxesol v. Holl. 1616, bl. 177—179. garleton, p. 104.

- Bepaaldelijk de Gedeputeerden van Enkhuizen hadden hierop aangedrongen. Zie tmcland, bl. 763.

3 Resol. Stat. Gen. 10 Oct. 1616. Resol. υ. Holl. 1616, bl. 180. carleton, 1, p, 48.

CARLETON (I, p, 124) berigt, dat de Gecommitteerden van de predikanten de aanneming der
Kesolutiën poogden te verkrijgen, doch dat dezen zulks weigerden. '

III Deel 2 Stuk. 87

ocr page 563

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. van Avenhoorn en Grosthuizen was te voren reeds wegens oneenigheid met de leden
zijner gemeente geschorst, maar door de Staten hersteld. Later was zijne kerk door
de Overheid gesloten, doch door eenige ingezetenen eigenraagtig geopend. De Staten,
ook hier bemiddelend optredende, verzochten de Gedeputeerden van
Enkhuizen^ die
over het gebeurde geklaagd hadden, te bewerken, dat
ghristiaansz. elders beroepen
werd, en namen maatregelen, dat hem middelerwiyl zijn traktement niet werd onthou-
den Maar bovenal hadden zij zich te bemoeijen met de Haagsche scheuring. Immers
moesten zij eenig antwoord geven op de rekesten, betreffende deze zaak aan hen over-
1 Kekest van de geleverd. Zij, die voorgaven, zoo rosaeus niet hersteld werd, te 'i Hage van de uit-

dolereud^e ^ Ge- oefening der Gereformeerde Godsdienst verstoken te zijn, wier getal thans tot over de
I 9«' 1200 was aangegroeid, wendden zich in September op nieuw tot de Staten met hetzelfde

\ verzoek als vroeger, maar, zoo mogelijk op nog stelliger en meesterachtiger toon.

s Zelfs de regtzinnige predikanten te Hage konden zij, behoudens de rust huns ge-

^ wetens voor God almagtig, daarom niet hooren, omdat dezen zich door het aannemen

I der Resolutie verbonden hadden om tegen Gods bevel met de dwaling vrede te houden.

Rosaeus, deden zij de Staten gevoelen, had niets gedaan, dan met advies van andere
^ Gereformeerde Kerken der Vereenigde Provinciën; en geen geneesmiddel was er voor

de doodelijke wonde, dan de uitspraak van de Gereformeerde Kerken in eene nationale
of generale Synode, aangezien het stuk van de Gereformeerde Rehgie geene particuliere
ί Kerk of provincie eigen was, en geene verandering in de leer kon gemaakt worden

j zonder de eenigheid met die Religie te verbreken. Ziedaar de leer eener Katholieke

Gereformeerde Kerk, aan de grenzen van Staten noch aan het onderscheid van volken
gebonden, luide verkondigd, eene leer, in openbaren strijd met de geschiedenis van
I de vestiging der Gereformeerde Kerken hier te Lande, welke in de bepalingen, in de

ί Unie van Utrecht vervat, zulke duidelyke sporen had achtergelaten. Zonder een zweem

I van dien toon, welke onmiskenbaar uit een opregt en werkelijk getroffen hart voort-

[ komt, voerden alzoo deze zich noemende ootmoedige supplianten de taal eener onfeil-

ί bare godsdienstkennis en staatswijsheid, en zy beriepen zich op de gehoorzaamheid, die

] zij tegen hunne Overheid aan God verschuldigd waren, alsof zij zeker konden zyn,

I dat zij aan geene menschelijke roerselen gehoor gaven noch aan wereldsche bedoelingen

1 dienstbaar waren. Daarnevens ging een verzoekschrift van rosaeus zeiven, die, onbe-

i!

.' wust, zeide hij, iets misdaan te hebben, verzocht ontslagen te worden van de verplig-

I ting om zijn leedwezen aan zijne wereldlijke en kerkelijke Overheid te betuigen, en

voorts verlangde in zyne dienst hersteld te worden, zonder gehouden te zijn met uyten-
^ BOGAERT in het gebruiken van het Nachtmaal gemeenschap te houden, of de Resolutiëa

1 Rcsol. v. Holl. 1616, bl. 180, 181. carleto?i, 1, p. 124. tbigland, bl. 762.

ocr page 564

DES VADERLANDS. J5.1

aan te nemen Uytenbogaert van den inhoud dezer Terzoekschriflen vervvitligd en 1617·
alzoo bewust, dat zijne bestrijders niet gezind waren een duimbreed te wijken, begreep; „ytIk'Ïiogaekt'^
dat de scheuring te genezen zou zijn, zoo hij zijn afscheid nam: dan toch behoefde ontslag-
ROSA.EUS geen Tergunning meer om zich
Tan de gemeenschap met hem onbesmet te
mogen houden. Dus aarzelde hij niet langer en Terklaarde hij zich in een adres aan de
Stalen bereid om, zoo zij zulks goed Tonden, zijn ontslag te vragen: na de helft
Tan
zijn
zestigjarig leven, behalve in den laatsten lijd, zonder blaam te ^s Ilage gearbeid
te hebben, was thans, zeide hij, bij al de moeite en het Terdriet dat men hem aan-
deed , de last zijnen schouderen te zwaar geworden 2. — Op geen dezer drie rekesten
vermogten de Staten wegens den slrijd der meeningen tot een beslissend antwoord te ko-
men. De beide eerste maakten de Terontwaardiging
Tan menig Lid der Stalen gaande.
Over dat
Tan uytenbogaert Tiel geene beraadslaging: allen waren het eens, en ook
Prins
maurits deelde dit gevoelen, dat men hem zijn ontslag niet moest Terleenen

In de winlerzitting van het jaar 1616 kwam de hoofdTraag weder ter sprake. Na Winterzittiug
de stelligste en opreglsle betuiging, dat waarlyk geene Terandering in de Godsdienst
bedoeld werd en integendeel elke poging om die in te Toeren streng te keer zou ge-
gaan worden, werd beraadslaagd over de Traag, of men niel, zoo al de minderheid on-
verhoopt bij haar gevoelen Tolhardde, om alle Terdere onheilen Toor Ie komen, geldige
besluiten Termogt te nemen. Deze Traag werd door de meerderheid, begrypende dat
men in zulk eene gewiglige zaak niet langer in het onzekere mögt gelaten worden,
toestemmend beantwoord: immers, dit Toerde
zij tol staTing Tan haar geToelen aan, in
alle Collegiën, ook in de Vroedschappen der Sleden, nam men bij meerderheid besluiten;
zelfs de legenstand
Tan Amsterdam tegen de Rcsolutiën was in den Raad dezer Stad
door eene zwakke meerderheid doorgedreven. Evenwel, wat verwacht was, gebeurde: de
minderheid verklaarde zich niet naar de meerderheid te mogen voegen, toen deze op hand-
having der Resolutiën als het beste middel lot Toorkoming eener voor het Land en de
Godsdienst even schadelijke scheuring bleef aandringen. Als een beter middel om tot dit
algemeen gewenschle doel te geraken, werd door sommigen het bijeenroepen eener Synode
aanbevolen, door anderen de benoeming eener Commissie uit acht of meer politieke en

ï In zijn rekest verzoekt rosaeus dezelfde vrijheid, die la faille en lamote beweerden dat hnn
gegund was, te weten, dat zij aan de Resolutie van
1614 niet verbonden waren. En intusechen
is de aanneming dier Resolutie de groote grief zijner partij tegen die beide predikanten. Of deze
grief was alzoo ongegrond, of
rosaeus beroep op deze hun gegunde vrijheid was bedriegelijk.

^ Veel leed ondervond UYTENrior.aert in dezen tijd ook door den vloed van hatelijke schriften,
die vooral op hem gemunt waren. Zie zijne
Kerkel. Hist., bl. 694—696, en de Biblioth. van
PamßfiUen op de jaren 1616 en 1617.

3 ResoL v, Holt. 1616, bl. 181. üytekbogaert , bl. 689—692.

87*

ocr page 565

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. en even vele kerkelyke personen beslaande, aan welke het onderzoek zou zyn opge-
dragen, wal in den Ireurigen toestand der Kerken te doen stond. Men kwam lot geen
ander besluit, dan dit, dat de Resolutiën zouden gehandhaafd worden, doch met mati-
ging en oordeel des onderscheids; dat de Steden, die ze niet verkozen aan te nemen,
daartoe niet zouden gehouden zijn, mits niet gedogende, dat den Regenten van de Steden
en dorpen, waar men zich aan de Resolutiën hield, door hare ingezetenen overlast werd
aangedaan; en eindelijk dat legen de volgende dagvaart als punt van beschrijving de
vraag zou gesteld worden, of het niet raadzaam was eene zoodanige Commissie te be-
noemen, als door sommigen was voorgeslagen, met den last om in gedurig overleg met
Zijne Excellentie in overweging te nemen, op welke wijze eene Provinciale Synode van
Noord- en Zuid-Ho Hand, zoo door vereeniging der partijen, waardoor sommige classes
in tweeën gedeeld waren, als door andere maatregelen, zou kunnen voorbereid worden.
Dit besluit, meende men, kon tol verzoening leiden en lot ant>voord dienen op de vele
klaagschriften, ongetwijfeld ten gevolge van onderlinge afspraak om Ie meer indruk te
I maken, in menigte door zoogenaamde
dolerende Gereformeerde Gemeenten bij de Slaten

ingediend. Eene nadere beanlwoording werden die rekesten, omdat zij wegens de ver-
wijlen , die zij behelsden, beleedigend voor de Slaten geoordeeld werden, niet waardig
geacht

Zoo liep het jaar 1616 ten einde; maar het nieuwe jaar zou geene verbetering van
den toestand aanbrengen. Integendeel, de zaken namen in
Gravenhage zulk eene
dreigende houding aan, dat men op buitengewone maatregelen bedacht moest zijn. Het
laat zich denken, dat het ter kerke gaan te
Rijswijk de afgescheidenen op den duur
verdroot. Daar ging moeite mede gepaard, en deze getroost men zich, als de uitwer-
king daaraan geëvenredigd is; maar het indrukmakende van de vertooning begon door
den lijd Ie verminderen, en daarentegen werd de verontwaardiging levendig, dat zy die
zich de eenige ware Gereformeerden achtten, de eer en de voordeelen misten aan de
van Staatswege erkende Kerk verbonden. Op dit punt maakte men zich warm. Zelfs
Graaf
willem lodewijk: avas van oordeel en »vele voorname patriotten," schrijft hij,
dachten evenzoo als hij, dat men »die van de oude Gemeente niet buiten hunne Ker-
ken, welke zij veertig jaren hadden in gehad, drijven mögt." Alsof iels anders dan
hun eigen opzet hen uit de Groote Kerk te 'i
Ilage dreef, waar immers de erkend
Conlraremonstrantsche
la faille en lamotius predikten, en alsof het, wanneer dan
eene Synode de zaak zou uilmaken, lot nog loe iels meer dan een voorbarig oordeel

1 Resol, v. Holl. 1616, hl. 198—200. De plaatsen, uit welke zoodanige rekesten Λvarcn inge-
komen, Λν3ΐ·6η
Gouda, RoUerdam, Schoonhoven, den Uriel, den Haag, Haserswoude, Uenthuisen,
Zoetermeer, Zevenhuizen, Moordrecht
en Maasland. Zij hielden het verzoek in om andere leeraars,
op grond dat men zich met de in deze plaatsen gepredikte leer niet kon veroenigeu.

ocr page 566

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

heelen mögt, te beweren dat Iiefgeen uytenbogaert leerde, niet gereformeerd was. 1617.
Maar de harlstoglen waren opgewekt, en de gevolgen eener Staatkunde, die het gros
des volks en der Grooten te hoog was, boezemden vrees in. Harlstogt nu en vrees zyn
blind, en zoo heelte het dan, dat »de Gereformeerde Religie, om welke de oorlog veertig
jaren gevoerd was," en met haar »de vryheid des Vaderlands in gevaar verkeerde" l.
Hoe? de godsdienst en de vrijheid in gevaar? Wie handhaafde dan de zaak der Gere-
formeerde Religie tegenover de Mogendheden van
Europa? Wie anders, dan de man,
op wien men het meest gebeten was. Zonder hem zouden de middelen van
Nederland
tol een religiekrijg misbruikt zijn geworden, die alle ware Staatslieden van Europa,
zoo Protestantsche als Katholieke, van ons vervreemd, de eer van het Protestantisme
in de waagschaal gesteld en na slroomen van vergoten bloed zijnen ondergang mede-
gebragt zou hebben. Het streven van de aanvoerders der Contraremonstranten strekte
tot niets minder dan tot de invoering eener Katholieke Gereformeerde Kerk. Elke
Kathoheke Kerk nu, zoo sij ten minste iets anders zijn wil dan bloot een voorwerp
des geloofs, elke Katholieke Kerk, gereformeerd zoowel als ongereformeerd, erkent,
zoo zij haar beginsel laat gelden, noch wereldsch gezag of regt boven zich, noch
menschelijk geweien tegen zich, en om zulk een juk af te schudden, daartoe was de
veertigjarige stryd gevoerd. Zoo kan het dan niet twijfelachtig zijn, aan welke zijde
bij den strijd der partijen in
Nederland de ware godsdienst en de vrijheid streden. En
toch was de tegenpartij voor de wapenen, die de Regering wilde en konde gebruiken,
onbedwingbaar. Geen wonder! Terwijl de heerschende party de bewustheid heeft, dat
zij een menschelijken en onvolmaakten toestand verdedigt, is de tegenpartij heilig in
haar eigen oogen; haar ryk is nog niet verwezenlijkt, en zij kan het zich vrij voor-
spiegelen , als het ryk der vrijheid en der waarheid, als het rijk Gods. Toen
olden-
barnevelt,
iu Februarïj 1616, rosaeus, die bij zijne ambtgenooten noch bij den Ker-
keraad ondersleuning vond, half medelydend, half waarschuwend toevoegde: »daar slaat
gij nu alleen!" antwoordde hij; »Och neen, mijn Heer, maar God de Heer is met mij,
en zoo vele vromen als er nog in 'tLand zijn 2.» Ook onder de Remonslranlen waren
vromen, maar, en dit was het onderscheid, zij getuigden zulks van zich zeiven niet,—
en met welke partij is God de Heer waarlijk geweest: met die, welke door haren triomf
magteloos is geworden, of met die, welke door haren val heeft getriomfeerd?

De afgescheidenen dan verlangden in 'ä Gravenhage zelve ter kerk te gaan. Daartoe jq^ Afgeschei-
huurden zij een grool huis, de Proostdij genaamd, en begonnen het zoo in te r'glen,
dal daarin voor het einde der maand Januarij zou kunnen gepredikt worden door predi- saan.

kaaien, die zij voornemens waren daartoe van elders uil Ie noodigen. Dit streed reglslreeks

' Zie de brieven van Graaf Willem lodewijk, in: Archives enz., p. 469, 475.
- triglaüd, bl. 884.

ocr page 567

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

J017. tegen het besluit der Staten, na de mislutte bezending naar Amsterdam genontien, en
bedoelde openlyke scheuring onder de oogen der Regering, die
τοογ het welzijn des
Vaderlands en overeenkomstig het gevoelen en den raad van wyze en onpartydige Pro-
testantsche Staatslieden elke scheuring zoo veel mogelijk wenschten te keeren. De brieven
van
du plessis mornay, den voorbeeldig vromen en wyzen Protestant, in dezen tyd aan
Nederlandsche Staatslieden en Godgeleerden geschreven, zijn vol van oordeelvellingen
en raadgevingen, die het buiten twijfel laten, of hij wenschte de Staatkunde van
olden-
BA-RNEVELT met eenen gelukkigen uitslag bekroond te zien, en keurde de scheuring
ten sterkste af i. De eigenmagtige handeling der scheurmakers vereischte alzoo krachtige
tusschenkomst. Werkelijk verbood de Haagsche Magistraat de werklieden met hunnen
arbeid in de Proostdij voort te gaan, en liet dit gebouw sluiten. Doch, verzekerd bij
Prins
ma.urits steun te vinden, liet zich de dolerende Gemeente hierdoor niet afschrik-
ken. Het was bekend, dat de Stadhouder zich tegen de Burgemeesters van
^s Graven-
hage
had uitgelaten, dat men haar behoorde toe te staan een predikant, des noods uit
Amsterdam, te ^s Hage te doen prediken. Ziedaar dan den Prins in regtstreekschen
tegenstand tegen de Staten, zonder schijn of schaduw van regt, de ongehoorzaamheid
sly ven! Ja, alsof zulke uitspraken nog niet genoeg waren, het gerucht verkondigde,
dat hij gezind was des noods zijne rybaan ten gebruike der scheurmakers af te staan:
immers gold hel hier, zeide hij, dezelfde lieden, )>die zynen vader in den stoel hadden
gezet." Door zulke woorden, die yverig verbreid en gretig opgevangen werden, stout
geworden, dreigde men de Groote Kerk op den eersten den besten zondag te zullen
innemen. Mögt hiertoe slechts de minste poging geschieden, zoo zou de rust op eene
bedroevende wgze verstoord worden, en onberekenbaar zouden de gevolgen wezen.
De Gedepu- Dus was het de taak der Regering toe te zien. Diensvolgens werden twee leden uit
legiir met^°dêelk der drie hooge Gollegiën, den Hoogen Raad, den Provincialen Raad en de Reken-
Raden^ergSird l^®™®·"» benevens al de binnen
^s Hage aanwezige Edelen, tegen vrijdag den 13^®° Januarij
voor de Gecommitteerde Raden bescheiden, om te beraadslagen wat »bij de kerkelijke
zwarigheden in
den Haag''^ te doen stond. De Hooge Raad verontschuldigde zich en
gaf aan de oproeping geen gehoor; maar daarentegen verschenen met de andere genoo-
digden de Burgemeesters en de Advokaat van
Gravenhage. Oldenbarnevelt was af-
wezig. De gansche dag van den IS**®" Januarij werd met beraadslagingen gesleten, die
tot geen bepaalden uitslag leidden. Den werd Zijne Excellentie verzocht in de

vergadering te komen, »ten einde gezamenlijk den besten en gevoegelijksten weg te
kiezen, om met handhaving van het openbaar gezag en van de Resolutiën," aan de

ï Mémoires, T. III, ρ. 952, 965, 966, 1010, 1067. In zijn brief van den Mei 1616,
aan
polta:<der, den Contraremonstrantschen Leidschen Hoogleeraar in de Godgeleerdheid, is het
alsof men de Staten en iiuco
de groot zeiven hoort spreken.

ocr page 568

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

zwarigheid een einde Ie maken. De Prins verscheen, en in zgne tegenwoordigheid werd 1617,
besloten, aan de dolerenden aan te zeggen, dat de Gecommitteerde Raden zich niet
geregtigd vonden hun verzoek om te 's
Hage voor zich te laten prediken, toe te slaan,
aangezien zulks tot openbare afscheiding strekte: diensvolgens mogten zij zich met
hunne medebroederen verdragen,, of zich ten minste van alle vergaderingen builen de
openbare kerken onthouden tot de naaste vergadering der Staten, wanneer men een
besluit zou nemen, waarbij in de godsdienstige verschillen voorzien zou worden. Doch
Zijne Excellentie was van oordeel, dat de afgescheidenen zich om deze aanmaning der
Staten niet zouden bekreunen en den volgenden dag ten spijt van alle verbod voor
zich zouden laten prediken. Hierop werd natuurlijk den Stadhouder te gemoet gevoerd,
dat het in dit geval zijn pligt was de ongehoorzaamheid met de openbare magt te keer
te gaan. Dan wat was 's Vorsten antwoord? Hij liet de registers van de Resolutiën
der Staten voor den dag halen, ze openen waar ter plaatse de door hem bij de aan-
vaarding van zijn ambt, den November 1585, bezworen instructie was inge-
schreven, en daaruit het artikel voorlezen, dat op de handhaving der ware Gerefor-
meerde Religie betrekking heeft. En toen dit geschied was, zeide hij; »zoo lang ik
leef, zal ik mynen eed houden en die Godsdienst verdedigen." Zoo verklaarde de
De Prius ver-
Prins dan thans plegtig en ambtshalve de Haagsche scheurmakers voor de vertegen- αο^ΜοΓβηάεηΓ'^^
woordigers der ware Gereformeerde Godsdienst! — Het laat zich ligt nagaan, welke ver-
bazing en ontsteltenis deze handelwijze in de Vergadering moest verwekken. Wel wist
men, hoe zich de Prins had gedragen en uitgelaten; maar in zgne openbare be-
trekking, onder het oog en den invloed der Staten, had men zoo iets niet verwacht.
Wie had mogen denken, dat hij eene partij, die het bij haar drijven aan de voor-
naamste merkteekenen der ware Kerk, aan de edelste der vruchten des Geestes
ten eenen male ontbrak; dat hij eene schare, die op het punt slond om zich met
roekeloos geweld een vermeend regt te verschaffen, dat hij do zoodanigen als de eenige
echte Gereformeerden openlijk onder zijne bescherming zou nemen; dat hij dit doen
zou onder beroep op eenen eed, dien hy den Staten had gezworen. Streed hetgeen
de Staten juist krachtens dien zelfden eed van hem vergden, tegen zijn geweten, en
kon hij hen bij hun begrip van de ware Gereformeerde Religie op hunnen weg niet
volgen, wel nu, dan moest hij zijne bediening nederleggen, en zich niet van de raagt,
hem op grond van zijnen eed door de Staten verleend, tegen de Staten willen bedie-
nen ^ — Evenwel wat na die verklaring van den Prins aan te vangen? Het ontbrak

' En dezen stap van den Prins, een stap, die van zulk eene schroomelijke begripsverwarring
getuigde, noemde zijn neef
willem lodewijk eene heroicque resolutie^ waarover hij zich zeer
verheugde en God den Allerhoogste dankte!
(Archives t. a. pl., p. 476). Hij was van oordeel
dat MACRiTS aan God en zijne zaak verpligt was geweest te doen, wat hij gedaan had. Derhalve

ocr page 569

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1017. niet aan ijverige pogingen en levendige redeneringen om bera tot andere gedachten te
brengen en bena te overtuigen, dat de ware Gereformeerde Religie niet bedreigd werd.
Doch de Prins was te weinig zelfstandig in zijn oordeel over deze yraagstiikken om den
aandrang van de leden der Tergadering anders dan met achterdocht te beschouwen.
Hij scheen eenigzins toe te geven; maar niemand zal zich gevleid hebben, dat men
nu gerust op hem rekenen kon. Intusschen buiten den Prins kon men niet. Had men
begrepen de gewapende magt noodig te hebben, hy zou ze ter beschikking der Stalen
hebben moeten stellen. Trouwens korte dagen te voren had reeds de President van het
Hof van
Holland hem eerst een deel van zijne lijfwacht afgevraagd om de onlusten
te bedwingen, die men van de ongezeggelgkheid der afgescheidenen duchtte, en hij
had zich verontschuldigd. Daarop had men hem verzocht soldaten van elders te laten
komen, en hy had dit geweigerd met te zeggen, dat zy op de grenzen tegen de vijan-
den, niet binnenslands tegen de vrienden moesten gebruikt worden. Aan eene gewapende
bedwinging van mogelijke wanordelijkheden was alzoo niet te denken. En wie anders
dan de Prins, zou nog genoegzamen invloed op de afgescheidenen kunnen uitoefenen
om hen door goede woorden binnen de palen te houden ? Zoo leende men dan het
oor aan den Prins, toen hij verzocht, »dat, daar de Edelen en Gecommitteerde Raden
eedshalve verder niet doen konden, zy zouden toelaten, dat hij, de Provinciale Raad,
de Rekenkamer en de Magistraat van
^s Gravenhage, als uit zich zeiven, eenige toe-
zegging zouden mogen doen om den aanstaanden zondag over acht dagen en zoo ver-
volgens bij leening een bekend Contraremonstrant in de kerk te doen prediken, onder
verzekering, dat Zijne Excellentie zulks bij de Staten zou verontschuldigen." Uit dit
voorstel blijkt, dat zich de Prins voor zich zeiven, in onderscheiding van de Staten,
door zijnen eed niet gebonden rekende. De door hem gevraagde vergunning zou dus
van der Staten zyde zooveel als eene verklaring zyn, dat ook zij hem als van zijnen
eed ontslagen wilden beschouwen. Hoe het zij, de vergunning om met de ongehoor-
Ilij oaderhan- zame stadgenooten te onderhandelen, werd hem verleend, en in de Raadzaal van het
(lelt met en. ^^^^ Holland^ en, zoo als garleton met zekeren ophef en niet zonder duidelijke

beleekenis aan zijn Hof berigt, op den stoel, waarop oudtijds de Graven van Holland
in hunne bediening gezeten waren, plaats genomen hebbende, ontving hy op den namid-
dag van denzelfden dag de afgevaardigden van de afgescheidenen. Bij wijze van goeden
raad en vriendelijk verzoek trachtte hy van hen te verkrygen, dat zy op morgen, ten

I

meende hij, dat God van ons nojj iets anders vorderen tan, dan dat wat wij bij zijnen heiligen
naam aan de menschen beloofd hebben, zonder weifelen {jestand te doen. Zoo
willem lodewijk
begreep, dat mauuits om des gewetcnswil de staatkunde der Staten van Holland niet kon volgen,
zoo had hij hem behooren te raden zijn post neder te leggen en van elke rol in de A'^ereenigde
Provinciën af te zien. Maar hij hield in deze zaak wel degelijk 's Prinsen »parliculier" belang
cn dat van zijn Huis in het oog
[Archiv, t, a. pl., p. 570).

ocr page 570

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

einde wanordelijkheden te vermijden, zich nog zouden getroosten naar Rijswijk ter ißi?.
Kerk te gaan: den daarop volgenden zondag, dit beloofde hg hun op zyn prinselijk
woord, zouden zij niet alleen een huis, maar de Groote Kerk ten hunnen dienste heb-
ben om er een leeraar naar hunne keuze in te laten prediken op die uren, op welke
de andere partij van het gebouw geen gebruik maakte. De vertegenwoordigers der afge-
scheidenen, zonder twijfel hoogelyk met de door den Prins jegens hen aangenomen
houding ingenomen, namen aan om, zooFeel zij vermogten, de zaak zoo aan te leggen,
dat er op morgen te
^s Hage voor hen niet zou worden gepredikt, mits zij daarna
de vergunning mogten erlangen om voor zich afzonderlyke ouderlingen en diakenen te
kiezen. Van dit antwoord werd den Gecommitteerden Raden verslag gedaan, en dezen
namen er genoegen mede, zonder evenwel eenige belofte te doen betreflende de ver-
langde verkiezing van eenen afzonderlijken Kerkeraad, Avelke het spel der scheuring
volkomen gemaakt zou hebben

Zoo als de zaken nu stonden, waren de afgescheidenen, zoo Tnenschelijke eerlijkheid
iets bij hen gegolden had, gehouden om den volgenden zondag niet in
den Haag te
laten prediken, noch over te gaan tot het verkiezen van ouderlingen en diakenen.
Niettemin deden zij het een zoowel als het ander. Zij gingen, wel niet, zoo het schijnt,
in grooten getale, maar toch zy gingen in
den Haag ter predikatie, en wel ten huize zygaauiei·pre-
van eenen ambtenaar van Prins
maurits, eenen zekeren ehoch mogh, woouaclitig in jj^g^
de nabyheid van de Groote Kerk. Maar het gros der dolerende-gemeente ging volgens
belofte naar
Rijswijk te kerk, en aldaar, dadelijk na de predikatie, verkozen zij ouder-
lingen en diakenen. Naarmate op hunne handelingen meer te zeggen viel, werd de toon,
dien zij voerden, aanmatigender. Zij leverden, als ware het tot regtvaardiging van hun
gedrag, onder den vorm van een rekest eene felle bedreiging by de Gecommitteerde
Raden in: Ziende dat hunne grieven niet verholpen werden, waren zij genoodzaakt
geweest op middelen bedacht te zijn om te vergaderen binnen ^sHage, »alwaar zij
belastingen en accijnsen betaalden tot verdediging des Lands." Tot de plaats, die zij
voor hunne godsdienstoefening verkozen hadden, was hun door de stedelijke Magistraat,
op bevel van de Gecommitteerde Raden, de toegang ontzegd. Doch, »alzoo Gods heilig
woord aan geen plaats gebonden was,.,.", hadden zij— immers God in hunne binnen-
kameren gebeden en Hem in hun dagelijksch leven trachten te verheerlijken — neen dat
niet; maar, en het klinkt alsof zij met de ernstige zaak den spot wilden drgven —
zy hadden »eene andere plaats verkozen, in welke hun Gods woord was voorgedragen
en gepredikt." Hierin »smeekten zij ootmoediglijk" niet verhinderd te worden, Doch,
wilde men dit doen, om des gewetens wil mogten noch konden zij terugtreden, en niet
zonder duidelijk te doen gevpelen, dat ook de Overheid wel eens in den strijd het

1 ncsol. V. Holl. 12, 13, 14 Jan. Iöl7. cahleton, p. 180—191. vytesbocaenx, bi. 710.
III Deel. 2 Stuk. 88

ocr page 571

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. onderspit zou kunnen delven, betuigden zij met blijdschap ora 'sHeeren naam en eer
Ie zullen lijden. — Zoo speelden die menschen met het heilige, en met de zoo ijdel
gebruikte namen van God, geweten en gemeenschap der heiligen in den mond, schroom-
den zij niet de geduchtsle verantwoordelijkheid op zich te laden, door in zulk een
hoogst hagchelijk tijdsgewricht, waarin het lot van eene der eerste raonarchiën van
Europa van het besluit der Staten kon afhangen, eene ongeneselijke wonde aan
den binnenlandschen vrede toe te brengen. De leden der Haagsche gemeente, veront-
waardigd over het woelen en woeden der afgescheidenen en over hun dreigen van in
v^eitoog dur de Groote Kerk te willen dringen, begrepen niet langer stil te mogen zitten. Er werd
nieente tegen do remonstrantie gesteld aan den Prins, de Gecommitteerde Raden, de drie hooge
dolerenden. Collegiën en de Magistraat van 'i Gravenhage, waarin zij zich, met aanhahng van eenige
ter zake dienende bijbelplaatsen, als de belijders der van den beginne hier te Lande
gepredikte Gereformeerde leer deden gelden: sommige bijzondere personen, klaagden zij,
hadden zich moedwillig van het ligchaam der gemeente afgezonderd, en dezen trachtten
hun nu, onder voorwendsel dat zij alleen bij de ware leer waren gebleven, het gebruik
der kerken en mitsdien de mogelijkheid der openbare godsdienst te ontnemen. Z
.00 die
afgescheidenen geene gemeenschap in het bedienen en ontvangen der heilige sacramenten
met hen begeerden te oefenen, wenschten zij niet gedrongen te worden eenig leeraar,
die hunne predikanten niet als regte leeraars erkende, in de Groote Kerk te gedogen.
Dit verzochten zij hunne Overheid te verhoeden en tevens smeekten zij haar hen tegen
alle oproer en overlast te beschermen. — Dit rekest werd den IS·^®" Januarij ter verga-
dering der Gecommitteerde Raden ingeleverd. Dienzelfden dag verschenen aldaar de
personen van
hogerbeets , la faille , uytenbogaert en van strijen als Gedeputeerden
van den Kerkeraad om zich te beklagen over hetgeen door Zijne Excellentie en som-
mige leden der Collegiën aan de dolerenden was toegestaan. Kort daarna verzochten
twee leden van den Provincialen Raad, twee van de Rekenkamer, en eenige Magistraats-
personen van
''s Gravenhage gehoor, en verhaalden, hoe de dolerende gemeente zich
niet aan de haar gestelde voorwaarden had gehouden, maar eenen Kerkeraad had ge-
kozen. Bijgevolg hadden zij haar verklaard, van hunnen kant niet meer gehouden te
zijn aan de haar gedane belofte. Op deze verklaring hadden de dolerenden te kennen
gegeven, dat zij niettemin den volgenden zondag zouden doen prediken. Dit nu zag
men geen middel te beletten, en alzoo achtte men best het stilzwijgend te laten ge-
schieden. — Dus kwam hun voorstel neder op den raad om den afgescheidenen ondanks
hunne ontrouw aan de gegeven belofte hunnen zin te geven. Dit was ook het gevoelen
van den Prins. Wel had hij, immers zwoer hij zulks op krachtige krijgsmanswijze,
niets geweien van de godsdienstoefening ten huize van zynen boekhouder, en had hy de
benoeming van ouderlingen en diakenen afgekeurd; maar niettemin nam hij niets terug
van hetgeen hij beloofd had. Hij speelde in dezen tijd, en de aard der zaak bragt zulks

ocr page 572

DES VADERLANDS. J5.1

mede, eene zeer dubbelzinnige rol. Terwijl hij zijn mishagen OTer de onaangenaamheden; 1017.
waarin hij eigenlijk tegen zijn wil gewikkeld was, onder zijne vertrouwden in verwenschingen
legen
uytenbogaert, volgens hem de eerste oorzaak van dat alles, lucht gaf, liet hij
zich in het openbaar hoogst loffelijk over hem uit en wilde niets weten van zijn ont-
slag terwijl zijn optreden de strekking had om
oldenbarnevelt ten val te brengen,
liet hij dezen Staatsman door eenen zijner vertrouwden verzekeren, dat hij zijn vriend
was als te voren en, had hij vroeger veel voor zijne zonen gedaan, hij nog alles wat
in zijne magt was voor hem doen wilde 2. De Prins poogde tusschen de beide partijen
door te zeilen, en had de minste gedachte niet om de Remonstranten te onderdrukken:
integendeel hij zou hen gaarne tegen geweld beschermd hebben. Maar hij begreep
niet, dat hier, waar burgerpligt duidelijk sprak, geen vergelijk te tre/Ten viel. Dat
begrepen de meeste leden der Staten van
Holland; geneigd om het onmogelijke niet
te beproeven en toe te geven, wat niet meer gekeerd kon worden, waren zij niet ge-
zind om hun gezag lafhartig prys te geven en de edelste burgers aan eene bevooroor-
deelde partg en hare hatelijke geheime aandryvers op te offeren. In deze dagen, toen
de beide partijen beweerden, dat de kern der burgerij op hare hand was, werd de
waarheid werkelijk onderzocht, en wat was de uitkomst van het onderzoek? »Het
bleek,"
garleton die in deze dagen den Prins tegen de Staten opzette, erkent het
zelf, »het bleek, dat het grootste gedeelte der inwoners van
den Haag, en wel de
besten remonstrantsch waren. Dit maakte," voegt hijerby, »de zaak te
ernstiger, dewijl
de hatelijke beschuldiging van onwaardig te zijn voor leden van de >vare Kerk door te '
gaan, zoo vele en zoo aanzienlijke lieden trof 3." Op de vergadering, waarin het zoo even
vermelde voorstel door de afgevaardigden der Gollegiën was gedaan, was
oldenbarnevelt
tegenwoordig, en in plaats van hun een antwoord te geven, dat van zwakheid getpigde,
noodigde men de Raadsheeren en Overheidspersonen uit, den volgenden dag weder te
willen verschijnen, als wanneer de Edelen mede tegenwoordig zijn zouden. In deze
vergadering van donderdag, den Ιθ*·"" Januarij, werd op voordragt van
adriaan pauw,
Raadpensionaris van Amsterdam, die van wege de Burgemeesteren dezer Stad verklaarde,
dat het noodig was over de onrust in de Kerk en onder de burgerij in
den Haag in
het breede te beraadslagen, goed gevonden, de Edelen en de afgevaardigden der Sleden
buitengewoon tegen den eerstkomenden woensdag bijeen Ie roepen. Verder kwam men
dezen dag, hoezeer Zijne Excellentie en de afgevaardigden van de Gollegiën tegenwoordig
waren en de zaken ernstig ter sprake kwamen, tot geen besluit. Maar des anderen daags

1 Yergel. uytekbogaeut, bl. 713, met een brief van een vertrouwde van den Prins in Archiv.
Scr. 11, Τ. 11, ρ. 471.

- Zie Archiv, t. a. pl.

3 p. 192, 193.

88*

ocr page 573

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617, (vrijdag, den 20''"") had de Prins mede te deelen, dat de dolerende gemeente de keuze
van ouderlingen en diakenen als niet geschied wilde beschouwd hebben, mits verkrij-
gende wat haar toegezegd was, namelgk, op aanstaanden zondag predikatie in de
Groote Kerk. Voorts verlangde zy, dat
uytenbogaert verklaren zou, geen ander
bedenken legen de leer te hebben, dan in de bewuste vijf punten was uitgedrukt. Wat
was de strekking van dit laatste verlangen? Immers geene andere dan om
uytenbogaert ,
die zich reeds herhaaldelijk genoegzaam ten dezen aanzien verklaard had bij voort-
during in verdenking van dubbelzinnigheid te brengen, hem bedektelijk door zulk eene
verklaring te nopen tot de erkentenis van hetgeen hij ontkende, namelijk, dat de
Remonstranten in die vijf punten van de formulieren afweken, en hem in eene valsche
stelling te brengen, niet alleen tegenover de Staten, die de herziening der Belgdenis-
schriften aan de Synode tot taak hadden gesteld, maar ook tegenover zoo velen, die
te juiste begrippen hadden van het ware wezen en de ware eenheid der Kerk om haar
aan gebrekkige vormen te willen binden. Zulk eene verklaring derhalve hardnekkig van
UYTEiNBOGAERT te vcrgeu was geenszins het werk van een edelen en opreglen zin. Met
terzijdestelling derhalve van dezen eisch, besloot de Vergadering, op de mededeeling,
door den Prins gedaan, dat Zijne Excellentie, de afgevaardigden uit de beide Gollegiën
en uit de Magistraat van
's Gravenhage bij decreet de verkiezing van ouderlingen en
diakenen te niet zouden doen en alle partijschap in woorden en werken verbieden.

Het gebruik Aan de dolerende Kerk werd voorts toegestaan, den aanstaanden zondag des voormid-
kerk w^rdf ^aau door den predikant van
Rijswijk te mogen doen prediken in de Engelsche of
Sacraments-Gasthuis-Kerk, mits zij het gestoelte van den Engelschen Ambassadeur on-
bezet lieten en zorgden dat de kerk vóór de dienst der Engelsche gemeente te tien
uren ontruimd was. Met deze schikking namen de dolerenden genoegen, en zij zouden
de diakenen van de Groote Kerk bij die godsdienstoefening de giften voor de armen
laten inzamelen \ Dus liep de godsdienstoefening dezen zondag rustig af, en de Vla-
mingen , in menigte uit
Leiden gekomen om den triomf hunner partij en » hel uitboe-
nen der Remonstranten" uit de Groote Kerk te aanschouwen, kwamen te vergeefs

Buitengewone Op den bepaalden dag (woensdag, den 25''®° Januarij) kwamen de Staten buitenge-
^ bijeen. De eerste twee dagen verliepen, zoo het schijnt, ν met voorbereidende ge-
land. sprekken, en den 27'"" kwam men na langdurige gedachtenwisseling tot het besluit

eene bezending naar den Prins af te vaardigen, met den Heer van brederode, Presi-
sident van den Hoogen Raad, aan het hoofd. Uit den last, aan deze bezending gegeven,

' uytenbogaeut, bl. 670.

2 Resol. υ. Holl. 18, 19, 20 Jan. 1617. οαπιετον, ρ. 193.

3 UYTENBOGAERT, bl. 717.

ocr page 574

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

bleek genoeg de geest der Vergadering. Men was ontrust en ontevreden over de hou- 1617.
ding, door den Prins aangenomen; niets van het door hem ingewilligde verkoos men als
verpliglend aan te merken, en aan die Commissie droeg men de taak op om den Prins
» levendig het belang van het openbaar gezag voor te stellen, en welk eene ondienst
aan het Land en aan zijne Excellentie zelve zou gedaan worden, zoo in de ontstane
scheuring niet voorzien werd." Den volgenden dag zou de Commissie in de tegenwoor-
digheid der Hollandsche Gedeputeerden ter vergadering der Staten-Generaal, der Raden
van State, der Gedeputeerden uit het Provinciale Hof, uit de Rekenkamer en de Haagsche
Magistraat, hiertoe in de vergadering te bescheiden, verslag doen van haar onderhoud met
den Prins. Toen dit verslag des anderen daags geleverd werd, waren werkelijk dezen allen
tegenwoordig. Het luidde, dat de Prins van meening was, dat men zich in deze godsdien-
stige geschillen van hevige maatregelen onthouden en veeleer zachte middelen gebrui-
ken moest, en wat de zaken in den
Haag betrof, zoo bleef zijne Excellentie bij zijn
aan de dolerenden gegeven woord. Dit antwoord was verre van geruslslellend. Alzoo
begreep men vóór alle dingen den Prins in de vergadering te moeten roepen, en de
afgevaardigden van den Kerkeraad in de gelegenheid te moeten stellen, hunne gegronde
bezwaren tegen de inwilliging van het verlangen der dolerenden, ten aanhooren van
den Prins, uit een te zetten. Dit een en ander geschiedde. De redevoering van
UYTENBOGAERT, die voor den Kerkeraad het woord voerde, maakte op den Prins grooten
indruk, zoo zelfs, dat hy luide bekende de zaak niet genoeg ingezien te hebben. Doch
zijn gegeven woord verlamde zijne vrijheid: de dolerenden moesten en zouden prediken,
dit was en bleef zijne leuze. Toen de Kerkeraad vertrokken Avas, ontstonden dan ook
de levendigste en hartstogtelijksle woordenwisselingen. Men wilde den Prins doen be-
grijpen, dat hij zijn woord ligtvaardig verpand had en er thans van ontslagen was,
aangezien de partij de voorwaarden, waarop het gegeven was, had geschonden. Doch
in w eerwil dat verklaard contraremonstrantsche Heeren, onder anderen het lid der Reken-
kamer DE BiJE 5 beseffende dat vóór alle dingen het gezag der Staten moest gehandhaafd
worden, zich regtstreeks en heftig tegen de dolerenden verklaarden niets mögt baten.
De Prins verlangde, dat men hun toelaten zou in de Groote Kerk te prediken, al wilden
zij ook geene gemeenschap van sacramenten met de Haagsche gemeente houden, cn
zoo de Staten hun dit niet toestonden, meende hij, dal daarmede zgnen persoon smaad-
heid geschiedde. Kortom, zonder den Prins ware toen de scheuring te 'i
Ilage ge-
fnuikt geworden. Maar thans moest men wel lot een transactie komen, en alzoo besloot
men, dat nog voor morgen (de volgende dag was een zondag) in de Engelsche kerk,
even als te voren, zou mogen gepredikt worden. Voorts zou een geschikt en vreed-
zaam contraremonstrant gekozen worden, die bij leening in die kerk zou prediken tot

^ CARLETON, p. 194.

ocr page 575

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617, de aanslaande Statenvergadering: alleen zou de gemeente, die hier ter kerk zou komen,
geen Kerkeraad mogen benoemen. Ten sloUe werd zyne Excellentie uitgenoodigd met
den Hoogen Raad en het Hof van
Holland zijne beste pogingen aan te wenden om
rosaeus en dytesbogaert te verzoenen, in de hoop, dat, zoo deze verzoening lot stand
kwam, een goed voorbeeld gegeven zou zijn tot de algemeene verdraagzaamheid, die
men nog steeds als hel doel, waarnaar men streefde, in het oog hield

Ziedaar dan het besluit, waartoe men kwam met betrekking tot de hoofdzaak, om welke
de buitengewone vergadering was bijeengekomen. Doch nog een ander teeder punt werd
Geschil over behandeld, het regt, namelyk, van den Hoogen Raad om zich klagten aan te trekken
.Ie H^veT"^ ^^^ tegen besliiitea door de stedelijke Overheden bij vorm van policie tot onderhouding der
rust binnen hare wallen genomen. Deze vraag kwam ter sprake op aandrang van de
Gedeputeerden van
Gouda en den Briel, en zij werd in dien zin beantwoord, dat men
het Hof aanschrijven zou, van zoodanige klagten verder geen kennis te nemen. Het Hof
echter bekreunde zich aanvankelijk weinig om deze aanschrijving. Eenige dagen later, ten
minste} bleek het, dat dit Collegie zich de klagten van burgers uit
Gouda^ die door
hunne Overheid uit de stad gebannen waren, »na communicatie met Zijne Excellentie",
aangelrokken en in hunne zaak beslist had. Wanneer de regterlijke magt, in versland-
houding met den Prins, aldus de daden der stedelijke Regeringen kon te niet doen, zou
de souvereinileit in der daad verplaatst zyn geworden. Buitendien was daar gevaar genoeg
voor. De Prins die nu reeds weigerachtig was om de krijgsmagt te gebruiken ter voor^
koming van onlusten, uit de godsdienstgeschillen voortgevloeid, behoefde haar slechts
het bevel te geven om zich tegen de Staten te keeren, ■—■ en de omwenteling was vol-
bragt onder toejuiching eener schare, die van zoo menigeen harer predikanten geleerd
had, hare Overheden te verguizen. In dezen sland van zaken was het de pligt der
Staten, zoo zij ten minste niet lafhartig en eervergeten hunnen post wilden verlaten,
zich des noods zoo mogelijk van de genoegzame stoffelijke magt te voorzien om zich
niet te laten overrompelen. Doch beleid was hier zaak, terwyl de tegenpartij,
niet zeker van haar regt, alsnog voor openlyk verzet terugdeinsde. Daarom was
de Magistraat van
Gouda vermaand geworden »met alle gevoegelijke discretie" le-
gen de veroordeelden te werk te gaan, en toen het bekend geworden was, dat de
Hooge Raad haar vonnis buiten werking gesteld had, schreven de Gecommitteerde Raden
naar de Heeren van
Gouda om hen te verzoeken, het Hof »in beleefde termen" Ie
antwoorden, en bij de minste goedwilligheid van den kant der schuldigen hen weder
in hunne stad op te nemen. In de oneenigheden, welke er tusschen de Magistraat van
den Briel en de afgescheidenen in deze stad en den omtrek bestonden, rieden zij een
lijdelijk vergelijk aan » nagenoeg van denzelfden aard als door Zijne Excellentie in der?

ι Resol. V. IML 25—28 Jan. 1G17. uytekbogaert, bl. 717.

ocr page 576

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

Haag was voorgesteld," en toen niettemin de bitterheid bleef bestaan, en de Magistraat 1617.
reeds de schuttery en het garnizoen in de wapenen had laten komen om bij de maatrege-
len, ter opsporing van den predikant
krijhsz genomen, de orde te bewaren, wenschte
men ten einde de aanleiding tot het kwaad te verwijderen, dezen predikant
krijnsz
vrijgeleide naar den Haag te verleenen. Maar in geval geene zachtheid mögt baten,
trachtte men toch te verhoeden, dat de krijgsmagt in deze belangrijke garnizoensplaats
een voorbeeld van ongehoorzaamheid aan de stedelijke Overheid geven mögt. Een oiR-
cier van het garnizoen van
den Briel, die in den Haag vertoevende van den Prins hevige
verwyten had moeten aanhooren, dat het garnizoen zonder zyn bevel in de wapenen
geweest was, kreeg, toen hg weder naar zyne compagnie vertrok, van de Gecommit-
teerde Raden de vermaning mede, dat hij wel zou hebben te letten op den door hem
gedanen eed om den Staat niet alleen legen de vijanden van buiten, maar ook tegen
die van binnen te verdedigen, ja! er werd eene opzettelijke acte aan het krijgsvolk van
den Briel gezonden, waarbij het gelast werd de Magistraat zonder bedenken ter hand-
having van haar gezag te gehoorzamen. ^ — Een dergelijk vergelijk als te
Graven/iago
was getroffen en nu ook in den Briel was aanbevolen, kwam ook te ïtollerdam, waar
zich mede eene »dolerende gemeente" gevormd had, tot stand, en de Prins was met
deze schikking zoo zeer ingenomen, dat hij deswegens zijnen invloed bij den Hoogen
Raad gebruikte om de intrekking te verkrygen van het
mandamentj waarbij ditCollegic
reeds uitspraak gedaan had in het belang dergenen, die tegen de Rotterdamsche Magistraat
in beroep gekomen waren

in den toestand, waarin de Gereformeerde Kerk thans was gekomen, moest het den jje Remou-
Remonslranten moeijelijk vallen, niet ongeduldig te worden. In eene remonstrantie, in het houJeii

eind van Januarij 1617 aan de Staten aangeboden, klagen zij, dat het verre g^^^omen
was, nu zij, »die niet aangevangen hadden, maar gevolgd waren, waar men hen ge-s ning.
sleept had, zich niet anders dan ter nood verdedigende, en zich altijd onder hunne
wettige Overheid buigende, voor oorzaken van beroerten uitgekreten werden 3." Hunne
gehoorzaamheid aan der Staten Resolutiën, dit zagen zij in, bragt hen in eene ongun-
stige stelling. Deswegens kwam bij de Remonstranten in sommige plaa,tsen het denk-
beeld op om zich, op hunne beurt, als de dolerende partij te doen gelden of aan te
stellen. Werkelijk waren zij de lijdende partij, vooral te
Amsterdam; maar om aan
hunne leuze, onderlinge verdraagzaamheid, volkomen getrouw te blijven, moesten zij
naar geene afzonderlijke godsdienstoefeningen trachten. Desniettemin was de verzoeking

» Resol. υ. Holl. 21, 28 Jan.; 1, 15, 17 Febr. 1617. carleton, 1, ρ. 212, 213.

2 llcsol. v. Holl. 17 Febr. 1617. caeleton, 1, p. 207.

3 CYTESDOGAEni, bl. 736.

ocr page 577

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

................... —I ........ rnrnKm^mÊmfm^m^mmmmÊimÊmme^mÊmmmÊmt

1617. om door raiddel van afzondering op hunne beurt tegen de heerschende rigling te ge-
luigen en ook eenmaal predikers naar hunnen zin te hooren, zoo groot, dat eenige
Remonstranten te
Amsterdam in den strik Tielen. Aangemoedigd door het voorbeeld
Tan eenige leden der Waalsche gemeente, die zonder stoornis afgezonderde vergade-
ringen hielden, huurden zij een pakhuis om aldaar te prediken. Het laat zich denken,
dat dit in
Amsterdam door de Regering niet anders dan met hooggaand ongenoegen
kon gezien worden. Immers ontzag deze Regering zich niet om door middel van geringe
lieden met den Prins verstandhouding te plegen ten einde hem aan te sporen om »constant
te blijven," op grond dat het »hem aan hulp van de goede zijde niet zou ontbreken
Evenwel verbieden wilde zij 't niet: immers zou dit een wapen gegeven hebben in de
hand van hen, die den Contraremonstranten de afzondering zouden hebben willen beletten.
Maar de byeenkomsten der Remonstranten beschermen wilde zij nog minder. Dus zou het
stadsgemeen vrij spel hebben. Dit konden de Remonstranten gemakkelijk voorzien, en
waarom dan niet hunne bijeenkomsten gestaakt? Het was omdat zij begrepen een be-'
wijs van hun beslaan te moeten geven, opdat, wanneer eenmaal gelijke regten aan Re^
monstranten en Contraremonstranten mogten toegekend worden, men in
Amsterdam hun
beslaan niet mögt ontkennen, en zij alzoo niet versloken moglen blijven van datgene
waarop ook zy aanspraak maakten. Daarom meenden zij zich niet bg den eerslen tegen-
stand schuil te moeten houden, en drongen, hoezeer te vergeefs, bij de Regering op
Ilunne gods-bescherming aan. Toen zg dan in het pakhuis predikatie hielden, liet men hen niet
vèrstoordT"^ ongemoeid. Straatjongens en gemeen volk wierpen de glazen ia; de predikant
ghristiaaic
GoriNGirs, van Warmond, en de toehoorders moesten vlugten, en sommigen, onder
anderen
jagob laurensz. reaal, bragten er naauwelyks het leven af. Op zondag, den
jgdcn Pebruary, kwam het graauw in grooter getal op de been, niettegenstaande er
eenige maatregelen genomen waren om de orde te bewaren, en toen de woeste bende
geene vergadering van Remonstranten uiteen te jagen vond, viel zij aan op het huis
Het huis van van een achtenswaardig ingezetene, den broeder van den Leidschen Hoogleeraar episgo-
plundercJ. ^^ piirs, rem egbertsz. bisschop, die in eene der vroegere vergaderingen der Remonstranten
in de plaats der bijeenkomst van de afgezonderde Waalsche lidmaten de aandacht op
zich gevestigd had. Men liep met een balk de deur open, drong in huis en plunderde
of vergruisde en verspilde al wat er in te vinden was, zonder zich te bekreunen om
den Officier en den Burgemeester, die zich ter plaatse van het oproer begeven hadden,
en trouwens dezen hunnen post weder verlieten. Eerst toen de onrust reeds van zelve
bedaarde, maakten andere Burgemeesters en verscheidene Raadsleden, in het huis aan^
gekomen, aan de zaak een einde

1 Ã¼ytejibogaert, bl. 731.

2 UYTENBOGAERT, bl. 739. BRANDT, 11, bl. 473—496'.

ocr page 578

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

Het is ligtelijk na te gaan, welk een indruk deze gebeurtenis in den Haag bg de 1617.
Staten, en allerwege bij de Remonstranten maken moest. Stonden de zaken dan werkelijk
tot dadelijkheden, burgerkryg, verwoesting en moord over te slaan? Was het vergade-
ren in schuren en pakhuizen, hetwelk elders voor de Contraremonstranten te slecht
gerekend werd, in
Amsterdam voor de Remonstranten nog te goed? Algemeen moest
de bevreemding of de verontwaardiging wezen over de Regering van
Amsterdam, die
buiten magte om het bedrijf der Remonstranten onregt te heeten, een stilzwijgend be-
roep op het gemeen gedaan had om onstraffelijke medeburgers te doen boeten. Welke
handelwijze was waardiger, die van zulke Regenten, welke om de policie in hunne
Stad te handhaven enkele driftige burgers uitgezet hadden, of die van de Regenten
van
Amsterdam, welke, van de handhaving der policie afstand doende, het gemeen tot
regter en beul tevens in godsdienstzaken gemaakt had? Wel mögt men instemmen met
dien Gontraremonstrantschen Engelschman, die onder het gehoor van
sophsgius, over-
tuigd geworden van de nietigheid van het verschil en de onredelijkheid om deswegens
misbaar en oproer te maken, uitgeroepen had: »o
Amsterdam, ο Amsterdam, gij plagt
de kroon te spannen, waar zijt gij nu toe gekomen! 't Is God te klagen ^!"

Intusschen was in Amsterdam veel kwaad volk, voor een goed deel van vreemde af-
komst, op de been geraakt, en het bleek spoedig, dat, zoo de Overheid zich even slap
bleef gedragen, de rijke ingezetenen en de openbare kassen gevaar zouden loopen.
Reeds spraken eenige kooplieden van de stad te verlaten, indien men geen orde stelde
op de bescherming der ingezetenen. Dit was van uitwerking bij de Heeren, wien im-
mers en te regt » de nering" na aan het harte ging. De schuttery kwam in het geweer.
»Dit bragt er den schrik in en de Stad weer in rust 2." Maar het was alsof de Rege-
ring van
Amsterdam zich ten doel gesteld had door hare gedragingen dat alles te regt-
vaardigen, Avat zij in de Remonstrantschgezinde Vroedschappen van andere sleden laakte.
Immers veranderde zij bij deze gelegenheid den vorm van den schutferseed. Te voren
werd deze afgenomen in naam der
Grafelijkheid; maar thans vergde zij eenen eed van
gehoorzaamheid aan de Overheid der Stad
in alles en tegen allen 3.

Verre evenwel van Amsterdam eenige verwijten te doen, beijverden zich de Staten,
reeds na het gebeurde op zondag den twaalfden vóór de plundering van
Bisscnops huis,
aan alle steden, behalve
Amsterdam, van de hier voorgevallen ongeregeldheden bcrigt
te geven, en haar te vermanen om toe te zien, dat zoo iets binnen hare muren niet
mögt voorvallen. Dus waren de Remonstrantschgezinde Sleden gewaarschuwd om de
Remonstranten te belelten op de Contraremonslranten wraak Ie nemen. Toen ook de

' BnAKDT, II, bl. 484.

2 BnAKDT, II, bl. 499.

3 CAHLETOX, I, p. 218.

III Deel. 2 Stuk. 89

ocr page 579

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1C17. . plundering bekend was geworden werd bij het nader berigt, dal haar toegezonden werd,
deze waarschuwing herhaald ^
De Rcmoa- Men zou ligt meenen, dat het voorgevallene te Amsterdam aan de zaak der voor-
DENBARNEVELT slauders der onderlinge verdraagzaaniheid nieuwe kracht moest bijzetten. Dit was echter
IbdlfèfrbTscIml- gGval geenszins. Naarmate
oldenbarnevelt onberispelijker en meer boven alle rede-
Igke verdenking verheven was, beijverde men zich meer om allerlei verdichte grieven
ingang te doen vinden. Juist omdat men niets dadelijk te duchten had veinsde men
bang te zijn voor de toekomst. Het was een volksgeloof, een waan, neen, een waanzin
gCAVorden, dat de Arminianen het Land aan den Spanjaard zochten te brengen. Deze
uanklagt klonk door het geheele Land; zij werd mei kalmen ernst nedergeschreven in
de vertrouwde brieven van
Willem lodewijk en hun toegesnaauwd, die onder het
Amsterdamsche publiek niet met welgevallen bij de plundering stonden toe te kijken
en de Engelsche Gezant maakle zich tot den'tolk van vermoedens, die in de ontstelde
hersenen van eenen godgeleerden pamfletschrijver, als
drielenborg, te huis behoorden. » Het
was opmerkelijk," schrijft die diplomaat, »eensdeels dat daar, waar de meeste Papisten
waren, de Remonstranten de meerderheid hadden, en dat de Papisten over het algemeen
op hunne hand waren;" anderdeels, »dat de Magistraten van de meeste, zoo niet van
alle grenssteden, ten gevolge van de kunstgrepen van
olbenbaunevelt , Ilemonslranlsch
waren; daar nu de Remonstranten meerendeels Arminianen waren en de Arminianen naar
het Papisme overhelden, zoo was het gemakkelijk vooruit te zien, in geval er vreemde
hulp werd ingeroepen, lot wie die factie de toevlugt zou nemen Uit zulke uitlatingen
blijkt niets anders, dan dit,
AaX Engeland spijt had, dat het zich, door het losgeld van
de Hollandsche'en Z.eeuwsche grensplaatsen aan te nemen, het middel benomen had
om de door haar begunstigde partij gewapenden bijstand te bieden. Men zou volslagen
onkundig moeten zijn van
oldenbarkevelts staatkundige loopbaan en niet het minste be·^
grip moeten hebben van zedelijke kracht en
grootheid om te vermoeden, dat de eenige
man, die in
Europa »de papistische ligue" het hoofd bood, en onzen Staat op geenen
anderen grondslag dan op dien tegenstand gebouwd wilde hebben, de oogen naar den
vijand gewend had. Neen, hij bestreed den katholieken zuurdeesem tot in de Contra-
remonstrantsche partij toe, en juist dit was het, wat deze gevoelde en niet verduwen

ï Resol υ. Holl. 15, 21 Febr. 1617.

2 carleton (I, ρ. 217J zegt, »dat oldenbarnevelts tegenpartij niets toegai, meer om degeyolgen
dau om de dadelijke bezwarendie dan ook waarlijk niet groot waren.

3 Zie Archiv, t. a. pi, bl. 49f), Lettre 413.
^ BRANDT, bl. 499.

5 CARLETON, I, p. 197, 213.

ocr page 580

1617.

DES VADERLANDS. 707

kon. Die aanspraak der Contraremonstranten op katholiciteit maakte tevens, dat zij
zich onmogelijk met de Roomsch-Katholieken konden verdragen, wier Kerk gelijke en
ouder aanspraak deed gelden. Dat zich derhalve de Roomschen aan de Remonstranten
aansloten, hierin behoefde niets opmerkelyks gevonden, noch iels geheimzinnigs gezocht
te ^γorden. Bij de zienswijze der Remonstranten en der cchle Staatslieden konden de
Roomschen, zoo zij zich als Nederlandsche burgers gedroegen, tot vrede opgeleid en
tot vriendschap gewonnen worden. Bij die der Contraremonstranten zou vervolging en
uitroeijiog hun deel zijn, en aan welk eene barbaarschheid zulk eene houding, als de
Contraremonstranten tegen de Roomschen begeerden, ons Vaderland zou prijs gegeven
hebben, laat zich afleiden uit eene opmerking van
oldenbarhevelt zeiven in een ge-
sprek, juist in die dagen met
garleton gehouden. Ten betooge hoe noodig het was,
dat onder de Gereformeerden eendragt heerschte en, bij gevolg, dat hunne kerkelijke
zaken van Staatswege geregeld werden, voerde de Advokaat de omstandigheid aan, dat
in de Vereenigde Provinciën en bepaaldelijk in
Holland de Protestanten toen nog min-
der dan een derde deel der ingezetenen uitmaakten, en dat de Roomschen het
gezondste
(dit was zijne uitdrukking, zegt garleton met nadruk), het gezondste en rijkste gedeelte
waren. Hier spreekt waarlijk uit olderbarnevelts mond de man niet, die voorhad met
behulp der Katholieken den Slaat aan
Spanje te verraden: had hij zoo iels in het
schild gevoerd, het ware zijne zaak geweest de magt zijner handlangers te ontveinzen.
Neen! hij wilde in uitdrukkingen, berekend naar de vatbaarheid van een man als
car-
leton
, de noodzakelykheid doen uitkomen eener staatkunde, waarbij de heerschappij
niet gelaten werd aan eene party, die.door middel van het drijven van een ongenadig
en alle vergelyk afstootend leerstuk denkbeelden omtrent het wezen der Kerk wilde
doen gelden, waarbij noch andersdenkenden, noch eene algemeene landsregering bestaan
konden. Juist het toen nog overgebleven groote aantal Katholieken was een bewijs,
dat de Republiek tot stand was gekomen en aanvankelijk groot was geworden, door
de toepassing van eene onbekrompene, echt vaderlandsche staatkunde, en allerminst
van een uitsluitend kerkelijk stelsel. Die staatkunde voort te zetten was
olüehbar-
KEVELTS taak, en daarbij verkoos hij zich door geene vreemde raadslieden, evenmin
door den Keurvorst van de
Pallz als door Engeland te laten belemmeren, en, wilde
deze laatste Mogendheid hare dienst opdringen, zoo was hij er op uit om haar met
het regt, dat alsdan ook
Frankrijk had om raad te geven, af te wijzen

^ Zie het onderhoud bij carleton I, p. 219—222. Daar heet het: »les Papistes étoient la
plus saine
(cc fut son expression) et Ia phis riche parlier Dit Avoord gezond^ in dien lijd in
OLDENBARNEVELTs mond,
Staat over tegen scheuring ziek, onverdraagzaam ^ legen de Overheid weêr-
barslig.
Zoo wordt het Λvoord gezond ook gebezigd in de rede der Gedeputeerden van Holland
in
de vergaderiug der Staten Generaal van 15 Junij'löl?, waar sprake ie van »te maintineren

89*

ocr page 581

708 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. Tot de punten van beschrijving der zitting van de Staten van Holland^ die in de

Plan tot be- j^atste dagen van Februari] biieenkwam, behoorde de voorslaff der benoemins eener
noeming eener Î¿ J J ' Î² Î¿

Commissie tot Commissie, uit pohtieke en kerkelijke personen bestaande. Als beweegreden tot zulk
opheffing der ker-
kelijke zwarighc-
eene benoeming werd de overweging opgegeven, dat, bij de algemeen erkende nood-

zakelijkheid om de scheuring Ie verhoeden, de daartoe strekkende Resolution »door
sommigen al te eenzijdig uitgelegd en niet overal op dezelfde wijze uitgevoerd werden,
en bepaaldelijk in de afwijkingen in de leer buiten de vijf geschilpunten niet genoeg
werd voorzien." Aan die Commissie zou de last worden opgedragen om een »zeker
reglement te ontwerpen, waardoor alle misduiding der bedoelde Resolutiën geweerd en
nader orde op derzelver uitvoering gesteld mögt worden." Dit reglement zou zij eerst
aan Z-ijne Excellentie ter overweging mededeelen, opdat er daarna door de Staten een
besluit op genomen mögt worden. Zoo hoopte men allen leden zooveel mogelijk ge-
noegen te geven, alle kwade vermoedens weg te nemen, de gemoederen te bedaren,
de gescheurde classes en Kerken te hereenigen en alles voor te bereiden om met eenige
kans van goeden uitslag over te gaan lot de bijeenroeping van eene wettelijke en on~
partijdige Synode

Men ziet, dat de Stalen werkelijk verzoening bedoelden en daartoe den geschikten
weg wenschten in te slaan. Doch naarmate de kans grooter was, dat op die wijze de
verzoening tusschen de Staatsleden werkelijk tot stand zou komen, naar die mate moesten
OLDENBARNEVELTS tegenstanders den voorslag te liever in duigen zien vallen: immers
zou de verzoening de handhaving van het gezag van den Advokaat gew^eest zijn, en
juist om de omverwerping vaa dat gezag was het hun te doen. Daarom bleven de
brieven van
lodewijk Willem en de stemmen van de aanzienlyken, die dachten zoo
als hij,
maurits onophoudelijk aanmanen, om toch op den ingeslagen weg voort te
gaan, en zich door geene fraaije woorden of »fijnheden" te laten misleiden 2. Daarom
werd, nu de vergadering der Staten van
Holland voor de gronden van oldenbarnevelt

wat er nog gezond en geheel is zonder scheuring onder de autoriteit en gelioorzaamheid van de
Hooge Overlieid."— Hoe "weinig de Edelen van
Holland, de trouwe bondgenooten van oldenbarke-
VKLTS staatkunde, gezind waren om eenige inquisitie tegen de Kathoheken te dulden, blijkt daar-
uit, dat, toen, volgens het besluit der Staten, door het Collegie van
Hoorn (hetwelk de gemeene
middelen en de Gontributiën van de Heerlijkheden der Edelen in het Noorderkwartier en
West-
Friesland
bgstuurde) onderzoek zou gedaan Avorden naar de »pauselijke superstitiën," de Edelen
verklaarden, dit alleen te dulden in de dorpen van de jurisdictie der Grafelijkheid, doch geenszins
in die van de »particuliere Heeren, ak verkortende zulks hunne geregligheid"
{Resol. v. Holl,
23 Junij, 1617). ,

1 liesol. v. Holl. 1617, bl. 250, 251.

2 Archiv, t. a. pl.

ί

\

ocr page 582

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

scheen te zullen wijken, de strijd verplaatst in den boezem der Staten-Generaal. Hier 1617.
zou de Prins, hier zou
Engeland steun \inden tegen de Staten van Holland; hier
zou eene meerderheid van Provinciën worden tot stand gebragt, die de Regering van
dit Gewest onvermoeid door verloogen en opzettelijke bezendingen tol maatregelen zou
trachten te nopen, die noodwendig de miskenning van haar gezag en de veroordeeling
van haar stelsel ten gevolge moesten hebben.

Dadelijk bood zich eene kiesche zaak aan de behandeling der vergaderde Staten van Vraag aan-
Holland aan. De Magistraat van Oudewülev had den predikant johawnes lydius ge- ^tuQj jer ^Hü-
schorst en eenige ingezetenen van hun burgerregt ontzet. Het Hof van
Holland en de
Prins hadden zich de zaak der veroordeelden aangetrokken en » eenige moderate uitspraak
gedaan." Hier betrof het dus weder de regtsmagt der Hoven. Toen door de Regenten
van
Oudewaler mededeeling van het voorgevallene gedaan was, werd aan drie leden der
Vergadering,, één uit
Dordrecht^ uit Haarlem één, en één uit Delfl, de last opge-
dragen om van het Hof te verkrijgen, dal de zaak werd uitgesteld, totdat nog in deze
dagvaart een besluit betrejffende al zulke zaken genomen zijn zou. Doch de Gedepu-
teerden van
Dordrecht verontschuldigden zich van dien last. Nu werd de Griflier van
liet Hof van
Holland ontboden, opdat hem zou aangezegd worden, dat de Raad alle
proceduren in de bewuste zaak zou staken, en haar aan de kennisneming der Staten
zou overlaten. Dit geschiedde evenwel niet zonder protest van de Gedeputeerden van
Amslcrdam: zij verklaarden, niet te kunnen toestaan, dat men aan geloofsgenooten regt
zou weigeren. — Dat het Hof zich de zaak der Remonstranten in
Amslcrdam niet
aantrok, en de straffeloosheid der pbjnderaars van
bissghops huis stilzwijgend toeliet
had in hunne oogen natuurlijk geen bezwaar. — Doch in weerwil van het protest werd
het Hof ter verantwoording geroepen. In plaats van den Grillier verschenen de Raads-
beeren
cromhout en juniüs. Dezen verhaalden het gansche verloop der zaak; die van
Oudewater werden daarover mede gehoord, en nu Averden van wege de Stalen Zijne
Excellentie en de Raad verzocht, de partijen, behoudens zekere wijziging, op den door
hen gelegden grondslag tot eene schikking te brengen. W^eldra echter zou de dus nog
onbeantwoord gebleven hoofdvraag Ier oplossing gebragt worden.

De dag van den Maart was bestemd om het godsdienstige vraagstuk met al den Voorjaamit-
ernst, dien zulk eene gewigtige zaak vorderde, ter sprake te brengen. Hiertoe j.jgp
de Advokaat zelve al de krachten van zynen geest en overredingsgave, als tol eenen
laatsten en beslissenden strijd, te hulp. Zijne Excellentie woonde de vergadering bij,
en, nadat hel gebed gedaan was, hield
oldenbarkevelt eene uitvoerige rede, waarin
hij de vraag geschiedkundig toelichtende en aantoonende wal belreffende de kerkelijke
zaken door alle Gereformeerde Koningen, Vorsten ,en Republieken gedaan was, en hoe

' BnASDT, II, bl. 501.

ocr page 583

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1G17. men hier Ie lande altijd verslaan had, dat die zaten behandeld worden moesten, door
hel gezag
Tan de oudheid, van het nationaal gebruik, van het wezen der Reformatie,
van de praktijk der Hervormden, en van zijne eigene beginselen, door een lang leven
van zorgen beproefd en door weergalooze triomfen bekroond, eene overtuiging bij zijne
hoorders vestigen wilde, die hen als één man alle drogredenen der tegenpartij met voeten
zou doen treden. Doch al dadelijk bleek uit het advies van Prins
maurits, dat deze
rede op hem ten minste zonder uitwerking was gebleven. Van de handhaving der
Resolutiën Avilde hij ook nu niets weten. Integendeel, men moest, zeidehij, met zacht-
heid en toegefelijkheid tegen de dolerenden te werk gaan; hen onbelemmerd laten
prediken; de afgezette predikanten in hunne gemeenten hersteld zien te krijgen of
hen bij leening of anderzins door anderen van gelijke gezindheid trachten te doen ver-
vangen, alles tot tijd en wijle dat in de zaak ten principale beslist zou zijn. Ziedaar
eene staatkunde die aan eene veel eischende partij moest doen gevoelen, dat zij niets
kon vragen, hoe kwetsend ook voor het gezag der Overheid en hoe grievend ook voor
andersdenkenden, of het zou haar toegegeven Avorden, eene staatkunde waarbij de
Regering, die nimmer de leiding der zaken uit de handen behoort te geven, zich als
het ware verbond om te volgen, waar men haar brengen wilde. Ook de Staten wilden
eene verzoenende staatkunde, maar zonder in eenig opzigt aan hun regt te kort te doen.
De Resolution moesten niet verloochend worden, want zij waren wijs en billijk; doch,
bleef slechts door hare handhaving het gezag en het regt der Overheid ongekrenkt, dan
kon de Regering, zonder het roer uit de hand te laten schieten, met eenige gerustheid
stroom en getijde volgen. — Na het advies van zijne Excellentie namen de verschillende
adviezen nog den geheelen overigen tijd der vergadering en de twee volgende bijeen-
komsten in, zonder dat men tot een besluit kon komen. De zaak werd vier dagen
(tot den volgenden Dingsdag, den 8®'®° Maart) in bedenken gehouden. Doch ook toen
kwam men niet verder, en de eerstvolgende dagen werd de Vergadering door allerlei
andere zaken afgeleid. Den Maart verscheen het Collegie van den Hoogen Raad
en deelde den Staten mede, dat zij aan eenige personen van het dorp
Avenhoorn, die
zich door de Magistraat van
Hoorn in hun regt verkort achtten, op hun verzoek provisie
verleend hadden; nog andere rekesten van gelijke strekking uit
den Bricl, Gouda en
Schoonhoven waren hun aangeboden; en uit kracht van het artikel hunner instructie
waren zij gehouden al zulke personen regt te verschaffen: evenwel wilden zij dit liever
niet doen, zonder van de Staten verklaring te verlangen, of zij niet vermogten het regt
voortgang te doen hebben in weerwil van aanschrijvingen en tegenbevelen van de Hooge
Overheid of de Vroedschappen van Steden. — Zoo zagen zich de Stafen eene bepaalde
verklaring afgevorderd, en het was niet twijfelachtig, hoe die zou uitvallen. Het negende
artikel zijner instructie, waarop de Hooge Raad zich beriep, bewees inderdaad niets,

ocr page 584

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

CD de Slaten hadden voor hunne raeening genoegzame gronden ^ Evenwel stelden zij 1C17.
den Hoogen Raad in de gelegenheid zijn gevoelen nader in geschrift aan te dringen;
maar nog vóórdat dit schriftelijk vertoog ^γas ingekomen, werd door de meerderheid der
Leden bij voorraad besloten, aan den Hoogen en tevens aan den Provincialen Raad aan
te schrijven, »geene Provisiën in deze kerkelijke verschillen te willen verleenen en,
zoo zij die reeds verleend hadden, de proceduren te staken, om alzoo nog, voor zoo-
veel het mogelijk is, de steden en plaatsen in rust te houden en niet in gröotere twee-
spalt te brengen." Weinige dagen na deze aanschrijving (den Maart) zonden de
^e vraag aau-
Staten aan de beide Hoyen eenen brief, waarin hun te kennen werd gegeven, dat de

kennisneming van zulke klagten, als die zij zich hadden aangetrokken, toekwam en voorloopig be-

slist·

sedert 1572 steeds aangemerkt was als toekomende aan de Staten en in der Slaten af-
wezigheid aan de Gecommitteerde Raden, die bij hunne instructie met het opzigt en
de handhaving der kerkelijke politie waren belast. »Hoewel Wij nu,"" gingen dé Staten
Yoort, »UvNe redenen van genoegzaam gewigt hebben bevonden om daarop by gelegen-
heid te letten, zoo hebben Wij toch niet kunnen verstaan, dat aan U eenige beschik-
king toekomt, legen het regt Ons en den Sleden en in Onze afwezigheid den Gecom-
mitteerden Raden voorbehouden. Dus is Onze ernstige meening, dat de bewuste pro-
visiën zullen gehouden worden als niet verleend en voortaan niet meer te verleenen;
maar de klagers zijn aan Ons en Onze Gecommitteerde Raden te verwyzen, totdat bij
Ons anders verordend zal zijn en Gij uitdrukkelijk tot de kennis en judicatuur van
dergelijke zaken gecommitteerd zult wezen 2."

Zoo was dan een merkelijk bezwaar tegen de vrijheid van de Vroedschappen der Steden
in de handhaving van de Resolutiën der Stalen voor hel oogenblik zonder openbaren tegen-
stand uit den weg geruimd Κ Maar niettemin begrepen de Staten zeiven den weg der

^ Men vindt ze in iiüco de groot Verantw., bl. 126—132. Uet aangehaalde negende artikel
van dc instructie van den Uoogen llaad luidt: »Item, en sal de Justitie bij den voorsz. Hoogen
Rade niet veraclitert, verlenglit, noch vertogen worden om eenige besloeten brieven, al waren
die van de Uooge Overigheid, State of andere iterativelijk oft anderwerf gegeven, noch
ook om
eenigen beden ende versoeken, 't zij van groots Personagien, oft anderen van wat State oft con-
ditiën die zijn" (Zie
Gr. Placaat boek II, fol. 700—837; V, fol. 866—894). Dit arükel ziet
op de schorsing van regtsgedirigen, die tot het gebied van den Uoogen Raad behoorden, of reeds
voor dit Collegie hangende warenj maar beslist niets omtrent de vraag, wat
tot zijn regtegebied
behoorde, en wat niet.

2 Resol. v. Holl. 9, 20, 23 Maart, 1617.

3 De Hooge Raad en het Hof van Holland gaven de zaak echter niet op. Zij zonden den Staten
deductiën toe over het stuk der kennisneming van de bewuste zaken. Yolgens hun begeren
werden deze stukken aan de Steden toegezonden; maar er werd eene contradcductie van de Staten

ocr page 585

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1C17, raatigiDg Ie moeten bewandelen en dien aan de Stedelijke Overheden Ie moeten aanraden;

Gelijk zij den te groolen ijver der Remonstrantsche Regeringen bedwongen zonder hen als
strafbaar wegens de door hen getroffen strenge maatregelen uit te krijten, zoo vergenoegden
zij zich, nadal de Amsterdamsche Remonstranten hunne zaak in een vertoog, aan Hun
Edel Mögenden gerigt, voortreffelijk bepleit hadden, de Gedeputeerden van te

verzoeken, »met alle discretie op de redenen der Remonstranten in hun midden te letten i."
Gelijk zij vroeger de felheid van een en ander geschrift, uit de pen der Contraremon-
stranten gevloeid, door het betoonen van hun ongenoegen aan den schrijver gestraft hadden,
zoo toonden zij thans, dat zij geene overschrijding van de perken der kerkleer buiten
Yenaïok ver-vijf punten dulden wilden, door venator wegens zijn geschrift de iheologia vera et
üürdeeld, mera ter verantwoording te roepen, dit zijn boek voor »onstichtelijk, ergerlijk en in
den staat van den Lande geenszins tolerabel" te verklaren, hem van zijne dienst te
Alkmaar te ontslaan, en hem te gelasten zich tot nader order naar Gravesande te
begeven en noch boeken uit te geven, noch conventikels te houden. Geen herhaalde
verzoeken van den Kerkeraad en de Gemeente van
Alkmaar, geene gedurige smeekin-
gen en klagten van
venator mogten balen: de Stalen bleven bij hun vonnis Doch
met de meeste onpartijdigheid en matiging waren de zaken niet binnen de gewenschte
perken te houden. De legenparty zat niet stil. Dit bleek alleen reeds uit de bedrijven
der Haagsche afgescheidenen. De Prins, dit was goedgevonden, zou zijn best doen om
rosaeus en uvteneogaert te verzoenen; doch het was eene levensvraag voor de afge-
scheidenen om hen tot deze verzoening niet te laten komen. Immers ware hun dan
alle voorwendsel benomen. Daarom beijverde
rosaeus zich thans om de breuke als on-
heelbaar voor te stellen:
cyteitbogaert, zoo liet hij zich uit, was een Sociniaan, die
de Drieëenheid en de Godheid van
Christus loochende. Deswegens beklaagde zich
L'YTENBOGAERT bij de Staten, maar dit riglte weinig uit. Het doel werd bereikt en aan
verzoening kon noch de Prins noch iemand anders langer denken. Dus meende de Prins
alsnu aan de dolerenden een aanzienlgker kerkgebouw te moeten bezorgen. Hij liet
het oog vallen op de Kloosterkerk, die, voorheen aan eene geestelijke Orde toekomende,
thans lot geschutgieterij diende. Hierop volgde weldra een rekest der dolerenden aan
de Stalen, waarin zij op grond, dat het »Gaslhuiskerksken" hun te eng was, verr

bijgevoegd voor liet regt van den Lande en van de Steden, opdat de Gedeputeerden deswegens
gelast ter Vergadering mogten komen. Intusschen zou men zich naar de aanschrijving van den
23''®" Mei te gedragen hebben
{liesol, v. Holl. 28 April, 1617). — De maatregelen ter handslui-
ting van het Hof noemde
Willem lodewijk catilinarische praktijken en machiavellistische streeksn.
Zie Archiv, ρ.. 499. )

1 Resol. v. Holl, 10, 21 Maart, 1617. brandt, II, hl. 503-510.

3 liesol. v. Holl. 4, 11, 16, 18, 22, 23 Maartj 19, 29 April; 25 Mei; 15, 22, 24Junij, 1017,

ocr page 586

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

xochten, dat hun mede het gebruik der Groote Kerk vergund, of ten minste de Kloos- 1617·

terkerk ingeruimd mögt worden, »ten einde hun onder eenen eigenen Kerl^eraad'de Haagsche
_ Â° Â° dolerenden ver-

verkondiging des Woords en de toediening der Sacramenten door hunnen leeraar rosaeus zoeken om de

1 1 ■. . 11 11 . τ τ τ Kloosterkerk.

en nog eenen anderen, door hen te beroepen, ten deel mögt vallen." indien dit ver-
zoek ingewilligd ware, zoo zou de scheuring onder openbaar gezag haar beslag gekregen
hebben. Ook waren de Staten daartoe niet gezind. Het rekest werd door de Staten
in handen van de Regering van
Gravenhage gesteld om den Kerkeraad daarop te
hooren en in het begin der volgende week in de Stalen-Vergadering verslag van hunne
bevinding te doen, wanneer Zijne Excellentie mede uilgenoodigd en des noods beide
partijen tegen elkander gehoord zouden worden. De Kerkeraad, door de Haagsche Ma-
gistraat geraadpleegd, verklaarde genoegen te nemen met de beroeping van een Con-
tra-Rem onslrantsch leeraar, om nevens de drie anderen in de Groote Kerk te prediken,
mits hy met hen onder den beslaanden Kerkeraad Christelyke broederschap wilde hou-
den. Den Maart gaf de Magistraat van
*s Hage haar advies. Zij ging uit van
de stelling, dat de afgescheidenen niet een enkelen wettigen of billijken grond tol
afscheiding hadden, en hield vol, dat men hun niets mögt toeslaan, dat tot eene
scheuring zou leiden, »die mettertijd tot eene politieke scheuring gelrokken zou
worden." Niettemin om des vredes wil en ten einde zoo mogelijk de rust en eenig-
heid te herstellen , stelde zij hetzelfde voor, wat door den Kerkeraad geadviseerd was,
met deze uitbreiding alleen, dat nevens de Groote Kerk ook in de Kloosterkerk zou
gepredikt worden, daar buitendien de talrijkheid der Gereformeerde Gemeente een
tweede kerkgebouw noodzakelijk maakte, en voorts dat men het getal van de leden van
den Kerkeraad zou versterken, en by de verkiezing van ouderlingen en diakenen de
eene helft zou nemen uit hen, die het eene, en de andere helft uit degenen, die het
andere gevoelen waren toegedaan. Wat
rosaeüs herstel aanging, zoo kon zij daarin
niet bewilligen, aangezien hy zich niet behoorlijk jegens haar gedragen had, maar wilde men
bij leening eenen predikant aanstellen, en voldeed
rosaeüs inlusschen aan hetgeen Hun Edel
Mögenden van hem geeischt hadden, of verkozen zij hem daarvan te ontslaan, zoo zou zij zich
tegen zijn herstel niet verzetten. Ziedaar, voorwaar, een voorslag, die de halsstarrigsten, zou
men zeggen, moest bevredigen. Doch hij had voor de dolerenden wederom juist dil tegen
De dolercBden
zich, dat zoo doende de scheuring verijdeld zou geworden zyn. Reeds dadelijk in degggn ^^^gg.
vergadering toonde de Prins, dat het voorstel hem mishaagde: het was, zeide hij, lielgeno"ge"^^^
werk van
uytenbogaert, en dit was genoeg om het onaannemehjk te maken; had
deze predikant zich niet, zoo ging hij voort, nog onlangs allerhatelijkst tegen de Con-
traremonstranten uitgelaten? De Prins had het ongeluk af te gaan op de getuigenis van
kwaadwilligen, die wat
uytekbogaert volgens eenen niet eens vrij gekozen text gezegd
had, misduid hadden. De Prinses-Weduwe van
oranje en du maurier waren bij de
predikatie tegenwoordig geweest, en verklaarden beiden, dat υττΕΠΒοαΑΕΒΤ ongelyk ge-

III Deel. 2 Stuk. 90

ocr page 587

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

schiedde; de laatste Yoegde er bg, dat hg die preek des noods met zijn bloed zou willen
teekenen.
üytenbogaert wilde zich in de avondzilling in tegenwoordigheid van den
Prins verantwoorden; doch dit werd hem, wom Zijn Excellentie niet nog meer te al-
tereren," algemeen ontraden. In allen geval, het doel was bereikt, en de persoon van
UYTENBOGAERT als de oorzaak aangeduid, die de dolerenden dwong bij hunne scheuring te
volharden. Maar ook dit voorwendsel zou hun benomen worden. Niet lang hierna diende
UYTENBOGAERT voor de derde maal zijn ontslag in, met de uitdrukkelijke betuiging,
dat hy zulks deed omdat hij voor den eenigen man gehouden werd, die alles in den
Haag in de war gebragt had, en de dolerenden zich op zijne leer als op den grond
hunner afscheiding beriepen. Hij was bereid, zeide hij, zich niet alleen stil te houden,
maar ook uit den
Haag, ja uit het Land, indien hunne Edelmogenden zulks goedvon-
den, te vertrekken. Doch (behoeft het nog gezegd te worden?) het was niet om de
verwijdering der vermeende ergernis te doen. Integendeel, men verlangde een voor-
Avendsel tot scheuring te behouden totdat het doel bereikt en voor
oldenbarneyelt
het regeren eene onmogelijkheid zou geworden zijn. Daarom werd uytenbogaerts
verzoek door zgne tegenstanders volstrekt niet gunstig opgenomen. De Prins liet zich
in de vergadering, waarin
uytenbogaert zijne bede had medegedeeld, schamper ge-
noeg uit, »dat hij nu weg wilde, nu hij het al beroerd had: men moest hem doen
blijven om alles in orde te helpen brengen." Het is waar,
uytenbogaert moest op
zijne standplaats bl^'ven, opdat de scheurmakers voort zouden kunnen gaan op hem als
op een ergernis te. wijzen. De onbarmhartigheid en onraenschelijkheid van zulk een be-
staan kwam niet in aanmerking bij het voordeel, hetwelk bet opleverde. Men meende
zijne tegenpartij een edele daad van zelfopoffering te moeten beletten, ten einde de
wapenen niet te verliezen om haar te treffen. De strijd was nu eenmaal een veldslag
gelijk, en in een veldslag ontziet men de legermagt van den vyand niet. Jammer maar dat
het hier eenen strijd gold, waarin de aanwending van alle menschelyke middelen verkeerd
is, en eene verkeerdheid in het beginsel verraadt, Hoe het zij, ζόά goed zag zelfs de Prins
in, dat het ontslag van UYTEifBOGAERT de bedoelingen der scheurmakers zou verydeld heb-
ben , dat hij dit voorstel van dien predikant voor een complot verklaarde tusschen hem en
den Advokaat beraamd, om het nemen van een besluit in den zin der dolerenden te keer
te gaan.
Uytenbogaert riep God lot getuige dat hij met den Advokaat geen enkel
woord over dat zijn voornemen gesproken had ^ Doch dit was een van die angstkre-
ten, waarop God niet antwoordt. Het lijden der menschen, zoowel als hunne met ge-
luk bekroonde daden, behoort tot de middelen, die tot de bereiking zijner aanbiddelijke
bedoelingen strekken.

1C17.

Wederom ver·
zoekt uytenbo'
GAERT zija out·
slag.

En hoe kwam nu een besluit in den zin der dolerenden tot stand? Ten gevolge van

Jiesol. v. Holt. 17, 21 Maart; 29 April, uïtesbogaert , bl. 718-726 , 727 , 728,

ocr page 588

DES VADERLANDS. J5.1

de afkeurende stem Tan den Prins, die reeds Tooraf deed Termoeden, weïk een onthaal 1617.
het advies der Haagsehe Magistraat bij de dolerenden vinden zou, ging men, in plaats
van dat advies gaaf aan Ie nemen, tot 'uitstel over in de hoop van op eene andere
wyze een vergelyk te treffen. Eenige
leden der Staten met name de Heeren berk,
DE HAAN, PArw, HUGO DE GROOT en BRUYRiHK Vi'erden gelast »iets op het papier ie
zetten, ten einde daarop door de Staten een besluit mögt genomen worden, zonder
nogtans eenige scheuring te autoriseren." Reeds twee dagen later bragten de genoemde
Staatsleden hun ontwerp in de Vergadering. Zij hadden het gesteld na de afgevaardig-
den der dolerenden, in de tegenwoordigheid van Zijne Excellentie en ten overstaan van
de Magistraat van
den Haag, gehoord te hebben, en het hield het volgende in: De Kloos-
terkerk zou in orde gemaakt worden, opdat daarin te gelijkertijd als in de Groote Kerk
zou gepredikt worden; de predikant
swalmius, van Oud-Beijerland, die loen ter lijd
in de Gasthuiskerk voor de dolerenden predikte, zou bij voorraad onder de predikan-
ten van
den Haag gerekend worden en de beurten in de beide kerkgebouwen waarne-
men, alsmede de Sacramenten bedienen. W^ilde
swalmius daarin niet treden, zoo zou
een ander predikant buiten kijf het gevoelen der Contraremonstranten toegedaan, door
de Classis van
Dordrecht tot de vervulling dier dienst worden aangewezen. Eindelijk,
was de gewone tijd van de verkiezing van nieuwe kerkeraadsleden gekomen, zoo zou
men trachten zulke keuzen te doen, die geene der beide partijen uitsluitend naar den
zin waren. — Dit voorstel was in den grond hetzelfde, als dat der Haagsehe Magistraat.
Ook had het de dolerenden niet voldaan. Het mögt zoo billijk zijn, als het wilde,
scheuring begeerde men, en deze werd er door afgesneden. Niettemin werd h.et door
Reces der Sta-
de Staten bij meerderheid van stemmen aangenomen, en werd besloten, dat, zoo Je
dolerenden met dezen voorslag geen genoegen namen. Zijne Excellentie zou worden
verzocht met zyn gezag tusschen te treden, opdat alles tot de eerstvolgende vergadering
in den tcgenwoordigen staat mögt blijven, en geene dadelijkheden ondernomen mogten
worden. Gingen de misnoegden, zoo in
den Haag als elders, tot gewelddadigheden
over, dan zou Zijner Excellentie worden aanbevolen
te helpen ze te keeren. Was
daartoe te
's Hage geen krijgsvolk genoeg, zoo zou de Prins meer soldaten doen komen
om nevens de schutterg in alle voorkomende gevallen dienst te doen. De Gecommit-
teerde Raden kragen in last, dit Zijner Excellentie aan te zeggen, en tevens werden
zij gemagtigd om in geval van nood de te '
ä Hage aanwezige Edelen op te roepen. De
besluiten alsdan door Zgne Excellentie, de Gecommitteerde Raden en opgeroepene Ede-
len
tot handhaving van het gezag der Staten te nemen, waren, dit gelastten de Staten
ten slotte, »alle officieren en anderen in dienst van den Lande" gehouden te gehoor-
zamen. — Ziedaar het besluit door de Staten vóór de sluiting der zitting genomen.
Namen nu de dolerenden den voorslag aan, en bekreunde zich de Prins om den last
hem in geval dat zij dit niet deden, plegtig opgedragen? Geen van
beide. De Prins

90*

ocr page 589

716 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

ί f

1617. trachtte de Magistraat van den Haag over te halen om het gebruik der Kloosterkerk
aan de dolerenden als aan eene afzonderlijke gemeente te doen afstaan, en toen deze
Overheid op eene voegzame wijze aan Zijne Èxcellentie te kennen gaf, dat zij niet af
kon gaan van haar aan de Stalen gegeven advies, noch zich iets veroorloven mögt,
dat strekken kon om den slaat der zaken, zoo als de Slaten ze bij hun uiteengaan ge-
laten hadden, te wijzigen, verklaarde de Prins dat dit »het derde affront was, hem
door de Magistraat van
's Gmvenhage aangedaan Aldus bleek hij zich in die mate
tegenover de dolerénden te hebben verbonden, dat, zoo dezen hunnen zin niet
kregen, hij het als eene beleediging, hem persoonlijk aangedaan, moest beschouwen.
En om hem zulk eene vermeende beschaming te besparen, was het, meende hij, niet
te veel gevergd, dat de bestaande Regering zich zelve te gronde zou rigten. Hij be-
greep, evenmin als Graaf
willem lodewijk met zijne gemoedelijke raadgevingen het
scheen te begrijpen, dat het die Regering met haar tot heil des lands verworven en
uitgeoefend gezag ernst was en moest wezen.

Punten van be- punten van beschrijving ter volgende zitting van de Staten van Holland getuigden

schrijvingtervol-van hunne slandvastigheid. Zij plaatsten op den voorgrond, dat de gewapende magt ge-
houden was om de behulpzame hand te bieden tot handhaving van het gezag der Staten
en der Stedelijke Regenten. Dit punt moest als op nieuw uitgemaakt worden. Immers
scheen het twijfelachtig, wien de troepen gehoorzamen zouden, ingeval de Prins en de
Stalen tegenstrijdige bevelen mogten geven; de kansen, die elk der partyen had om
gehoorzaamheid bij de gewapende magt te vinden, werden berekend, en bij de juist
toen behandelde vraag, of men de Fransche Regimenten naar
Frankrijk zou laten
trekken, kwam het grootelijks in aanmerking, of zij geacht konden worden, den Prins
of de Stalen te zullen ondersteunen. Zoo
oldewbarnevelt hun vertrek voorstond, het
was niet omdat hij, vermoedende dat zij op de hand van den Prins zouden zijn, zich
van hen wilde ontdoen. De Prins toch en Graaf
willem lodewijk waren in geenen
deele overtuigd, dat zij op die Fransche soldaten zouden kunnen rekenen Hoe het
zij, waar zulk een twijfel mogelijk was, moest de vraag voor goed beslist worden.
Bovendien slaan dezelfde Punten van beschrijving het aannemen voor van 4000 waard-
gelders ^ op den reeds ten vorigen jare bepaalden voet, en eindelyk nog de verster-
king der krygsmagt met 4000 voetknechten legen dreigend oorlogsgevaar van buiten Κ

1 Resol v. Holl. 21, 23 Maart, 1617. uytenbogaert, bl. 726 , 727.

2 Zie Archives, Série II, T. II. p. 483, 486, 489, 503.

5 Waardgelder beteekent bezoldigde wachter of rustbewaarder. Het woord is afgeleid van
waardgeld, dat is wachtloon.

^ Resol. van Holl. 1617, bl. 315.

ocr page 590

DES VADERLANDS; 717

Doch de kerkelyke zwarigheden maakten bijna uilsluitend het onderwerp der'beraad- 1617.
slagingen in deze zitting uit. Den 25'·®° April verscheen er eene bezending van de
dolerende Gemeente te
's Hage, met den Advokaat de gla.rges aan het hoofd Zij
klaagden op nieuw dat de Gaslhuiskerk hun te klein was, en verzochten dat hun het
gebruik der Kloosterkerk »bij provisie" zou worden toegestaan, en dat daarin nevens
swALMius door RosAEus dicnst gedaan zou mogen worden. Op dit verzoek werd vier
dagen later bg meerderheid van stemmen besloten, dat de Kloosterkerk op 's Lands
kosten ten behoeve der dolerenden zou mogen gereed gemaakt worden, mits zy in dit
gebouw godsdienstoefening zouden houden op denzelfden voet als in de Gaslhuiskerk
»en anders niet." Doch de Magistraat van 's
Gravenhage maakte zwarigheid om hare
toestemming tot het in orde brengen der Kloosterkerk te geven. Evenwel liet
zij aan Do Klooster-
de Gecommitteerde Raden welen, dat, zoo dezen zulks geraden vonden, zy gaarne zou
loegeven. Werkelijk werd het geraden gevonden aan de dolerenden »eenigen schyn
 gcbragt

van conlenlement" te geven 2.

Zoo bleef te 'i Hage, voorat ook omdat de raadslieden van de dolerenden begrepen
met beleid te werk te moeten gaan, de twist voor geweldige uitbarsting bewaard, en
ten minste het beginsel van het gezag der Staten ongekrenkt. Maar elders, bepaaldelijk
te
Oudewater, had het een tyd lang het aanzien, alsof de partijen handgemeen zouden Onlusten te
worden. Reeds ia 1615 had de Magistraat aldaar verzet bij de predikanten gevonden
In het volgende jaar trad een der beide predikanten,
levinus de raedt, door aanne-
ming van de Resolulien der Staten, op de zijde der Magistraat. De andere predikant,
JOHANNES LYDius, mede uitgenoodigd om die Resolulien aan te nemen, weigerde zulks.
De Kerkeraad verklaarde zich op zijne hand en verzette zich tegen de toepassing der
Kerkenorde van
1591. Welhaast was de Gemeente in twee parlijen verdeeld; twee
Kerkeraden stonden tegen elkander over, die ten gevolge van de als altijd bemiddelende
tusschenkomst der Stalen zamen zouden raadplegen en besluiten, maar toch weinig lot
herstel der eendragt loebraglen. Integendeel de voorstanders van
lydius legden het er op toe
afzonderlyk Avondmaal te houden. De Magistraat verbood dit, en zette haar verbod kracht
by door den predikant met afzetting en de leden van den ouden Kerkeraad met ontpoorlering
te bedreigen. Niettemin bediende
lydius den Februarij (1617) het Avondmaal,

en werd dan ook daags daaraan van zijne dienst ontzet; de leden van den wederspan-
nigen Kerkeraad werden met verbod van nering gestraft. Thans moesten de Gecom-

^ Dezen schijnt üytekbogaert te bedoelen, waar hij zegt, dat de rekesten der dolerenden door
een
welbekend advokaat gesteld werden.

2 Resol v. Holl. 25, 29 April; 1 Mei, 1617.

® Zie hiervoor, bl. 661·

ocr page 591

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

3ßl7, initieerde Raden zicli wel weder met de zaak bemoeijen, te meer daar de Teroordeelden
zich op het Hof beroepen hadden
i. Lydiüs, die in den Haag gekomen was, kreeg
in last om aldaar te blijven, totdat hij en zijne tegenpartij, de Magistraat van
Oudewa-
ier,
voor de Staten gehoord zouden zyn: de kosten van zijn verblijf zouden van Lands-
wege vergoed worden. Intusschen drukte men beiden predikanten matiging en ver-
draagzaamheid op het hart en verwierf van de Magistraat het herstel der ontpoorterden
in hunnen vroegeren staat. Dus meende men de zaak nog te kunnen bijleggen, maar
LYDIÜS met de zijnen wilde de verdraagzaamheid dus uitgelegd hebben, dat elk der
predikanten met zijne aanhangers afzonderlijk Avondmaal hield, en slechts onbeduidende
zaken aan den vereenigden Kerkeraad verbleven. Alsnu moesten de Staten van
Holland
er toe overgaan om de partijen te hooren. Dit geschiedde den 22"®" April; doch we-
derom geene veroordeelende uitspraak verkiezende te doen, vermaanden zij de beide
partijen tot een opregt vergeten en vergeven: niemand, begrepen zij, behoorde om eene
andere reden, dan om een ergerlijk leven van het Nachtmaal geweerd te worden. Zoo
het den Contraremonstranten niet te doen geweest ware om een bepaald doel te berei-
ken, zij zouden geoordeeld hebben, dat christen- en burgerpligt hen noopten den
vriendelijken raad te volgen. Thans gaven zij den Staten bij geschrifte en der Magis-
traat van
Oudewater bij monde te kennen, dat hun geweten hun verbood vergiffenis
te oefenen, en Gods Woord hen belette hunne Overheid te gehoorzamen. Maar bij
woorden bleef het niet. Toen in de Raadsvergadering van den Mei, waarin
ltdius
zijnen onwil om te gehoorzamen verklaard had, een der Burgemeesters voorsloeg, hem
op nieuw te schorsen, ontstond verdeeldheid in de Vroedschap zelve. Zes leden wilden
de Vergadering verlaten, en weldra drong het gepeupel binnen, schreeuwende, dat zij
bij zijne Prinselijke Excellentie wilden blijven, noch het Nassausche bloed klein geacht
wilden hebben, en de afzetting van
lydiüs niet zouden dulden. Hierdoor verschrikt,
gaf de Vroedschap alles toe, wat
lydiüs verlangde, onderhandelde door zijnen per-
soon met het oproerige volk, en beloofde onder anderen, dat er geen meer krijgsvolk
in de stad zou komen, en niemand om het gebeurde eenigen overlast lijden zou. Toen
dit te '5
Hage vernomen was, werd onmiddellijk van daar geschreven, dat men geene
wederspannigheid dacht te dulden, en besloten, twee leden uit de Gecommitteerde
Raden met den Advocaat fiskaal
kinschot naar Oudewater af te vaardigen, ten einde
te zorgen, dat de Kapitein der aldaar in Garnizoen liggende Compagnie de Magistraat
zou handhaven. Deze Heeren vonden de Burgery in de wapenen gekomen op het ge-
rucht, dat er uit
den Haag Commissarissen te wachten waren om er eenigen uit het
bed te doen opligten. De Gecommitteerden kwamen en deden niemand eenig leed. In^
tegendeel zij trachtten de verbittering te doen bedaren, en den 11·^™ Mei werd hun uit

Zie hiervoor, bladz. 709.

ocr page 592

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

Hage geschreven, dat zij voort zouden gaan, de gemoederen Ie verzachten, alleen- 1617.
lijk zouden zij zorgen, dat bij de heerschende onrust de bediening van het Avondmaal
niet vFerd doorgedreven. Evenwel eene daad van gezag van der Staten wege was er
noodig om de onafhankelijkheid der Magistraat te herstellen, en bij de vrees dat daar-
door soms geweld mögt worden uitgelokt, besloot men dadelijk de Heeren
wittensz ,
Oud-Burgemeester van Amsierdaiïif en hugo de groot naar Oudewater te zenden, ten
einde met de Magistraat en de zich reeds aldaar bevindende Gecommitteerden te over-
leggen , of het noodig zijn zou, nog een Compagnie krijgsvolk daar binnen te brengen,
en zoo ja, de dienst eener Compagnie uit
Gouda te vergen op patent van Zyne Excel-
lentie, hetwelk zy daartoe, na mededeeling van hunnen last, van den Prins zouden
hebben te vorderen. Dit besluit werd tegen het advies der Gedeputeerden uit
Amster'
dam
genomen, die verklarende onbevoegd te zijn om toe te slaan meer garnizoen
binnen
Oudewaier te brengen, aanteekening van hun afkeurend gevoelen verzochten.
De maatregel schynt echter niet noodig gekeurd te zyn, en den Junij werd van
het Stadhuis te
Oudewater^ terwijl de Compagnie, die aldaar reeds in garnizoen
lag, in de wapenen was gekomen, eene acte der Staten van
Holland afgelezen,
waarbij het der Vroedschap afgedrongen besluit werd vernietigd. Hiermede hielden
echter de kerkelijke twisten binnen de stad niet op. Toen
levinus de raedt, de
oneenigheden moede,' zijn ontslag verzocht en bekomen had, stelde de Classis van
Gouda er edüard poppius uit Gouda aan. Doch lydius en de Kerkeraadsleden, die
op zyne hand waren, wilden hem niet als Leeraar erkennen. Nu moesten op nieuw
Gecommitteerden der Staten dervs^aarls vertrekken. Dezen wilden ten minste, lot voor-
koming van ergernis, het houden van het Avondmaal, hetwelk bestemd was eene aan-
leiding tot openbare scheuring te zyn, verhoedenj doch hunne vermaning baatte niet.
Zelfs het besluit der Staten, waarbij goedgevonden werd,
lydius, zoowel als ievinds
DE RAEDT te verplaatsen en door anderen te vervangen, werd in den wind geslagen:
ten minste bleef
lydids in dienst en ging hy voort poppius ten spijt der Magis-
traat het prediken te beletten

Dergelijke, hoezeer minder dreigende, oneenigheden hielden elders de zorg der Sta-
ten bezig, als te.
Heusden, te Brielle en te Haarlem. Overal trachtten zij, door het '
zenden van Gecommitteerden en het hooren der partijen, openbare scheuring te voor-
komen; nergens werd van hunnentwege de Contra-remonstrantsche partij volstrekt in
het ongelijk gesteld, veel minder onderdrukt: by bet minste, hoezeer slechts schijnbaar,
betoon van goeden wil van deze zyde hielden zij zich voor voldaan \ Zoo echter

» Resol. v. IMl. 16 Febr.: 17, 21 Maart; 22, 29 April; 4 , 5, 11, 12 , 20 , 24 , 25 Mei; 15
Junij 1617.
uïtenbogaeiit, bl. 673 , 674 , 785 -791. trigland, 1024—1026.

2 Resol V. IMl. 17, 23 Maart; 14, 21, 27 April; 14, 19, 20, 26,27Mei; 14,15 Junij, 1617.

ocr page 593

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

162·;· kwamen de vijanden van de Regering in Holland geenszins tot hun doel. Olbenbar-
KEVELT bleef op het kussen en scheen te mogen hopen, door inschikkelykheid en be-
leid den storm te zullen bezweren, en aan zyne beginselen den triomf te verzekeren.
Nog in Maart schreef
winwood uit Engeland aan carleton: »men zegt hier, dat
Andere maat- de godsdienstgeschillen bij u, zoo niet gesmoord, dan toch bedaard zijn l." Dit lange

regelen om de _

Contraremon- uitblijven van een gunstigen keer begonnen zij, die den Contraremonstranten de hand
te'^aoeifbereiken. hoven het hoofd hielden, gevaarlijk voor hunne zaak te achten 2. Daar alzoo de po-
gingen om OLBENBARNEVELT, hetzg lot het opgeven van zijn beginsel te brengen en
hem daardoor tot zijnen eindelijken val te doen medewerken, hetzg tot een laakbaren
of ten minste al te stouten slap te verleiden, verijdeld werden, zoo werden andere
middelen in het Averk gesteld. Men spande met
Engeland tegen OLOEHBARiiEVELT zamen,
en legen het stelsel, dat hij ten aanzien der Contraremonstranten toepaste, verwekte
men eenen kruistogt van de meerderheid der Provinciën, die zich en door bezendingen
bij de Stalen van
Holland, en in de Slaten-Generaal deden gelden.

De Koning van Groot-Britannië, wel begrijpende, dat hij Prins maurits gebruiken
kon om zijne tegen
oldenearnevelt vgandige staatkunde te doen zegevieren, was geneigd
om de beleedigende uitdrukkingen, die de Prins zich eenmaal over hem veroorloofd had,
Ie vergelen; hij vleide hem thans, en, Avare dit niet door den Prins zeiven afgewezen,
hij zou zijn best gedaan hebben, om hem eene souvereine magt in de Republiek te
dóen opdragen Thans liet zich de Prins de voorkomendheid van
Engeland in die
mate welgevallen, dat het de aandacht van den Franschen Gezant niet ontging, die aan
RICHELIEU schreef, dat 's Prinsen goede gezindheid ten aanzien van
Frankrijk grootelyks
veranderd was Ja, hij liet den Koning uitdrukkelijk verzoeken wederom een brief te
zenden, waarin hy de denkbeelden en verlangens der Contraremonstranten zou onder-
steunen , of wel door eene opzettelijke zending dezelfde zaak te bevorderen. * CARLExorf
leende zijne dienst, en gaf aan zijn Hof den hoofdinhoud van den verlangden brief op, waar-
schuwende dat men het vermoeden alsof dit schrijven uitgelokt was, mydenzou, daar het uit
godsdienstige beweegredenen moest
schijnen te komen Het verzoek werd ingewilligd,
en den April (1617) verscheen de Gezant in de Vergadering der Slaten-Generaal,

Nieuwe brief alwaar hij eenen brief van zijnen Meester aanbood, bij welken Koning jacobüs op het
yan jacobus I.

^ carleton, I, p. 235.

2 WILLEM LODEWiJK spreckt van dilaies dangereuses, Archiv. S. II, T. II, p. 487, vgl. 498,

^ Een geheim voorstel van Engeland aan den Prins, bij carleton, 1, p. 235 vermeld, schijnt^
vergeleten met p. 247, deze strekking | gehad te hebben.

^ Archives, p. 495.

5 CARLETON, 248, 249; 250.

k

ocr page 594

DES VADERLANDS. G85

verstikken der dolingen aandrong »zonder dat men mögt toelaten, dat die van de 1017.
waarachtige en oude Belijdenis gekweld werden," en eindelijk eene Synode als het
beste middel voordroeg ora tot dat doel te geraken. Dadelyk na het voorlezen van dezen
brief bedankte
olbenbarnevelt den Gezant kort, maar in zeer eerbiedige bewoordingen,
met de verzekering, dat de Staten voort zouden gaan de ware Christelyke Godsdienst
le handhaven, en Zijne Majesteit kennis zouden doen dragen van de besluiten, die zij
deswegens hetzij in de Vergadering van de Staten-Generaal, heizij in die van de Stalen
der Provinciën nemen zouden. Op voordragt van
oldenbarheyelt werd besloten, dat
er geene andere afschriften van den brief zouden genomen worden, dan één voor elke
Provincie om zich » met discretie" daarvan te bedienen

Zoo hadden dan de Gontraremonslranten in Holland en die Provinciën, welke op hunne staat der gods-
hand waren, het voordeel van zich op hunne beurt op de stem des Konings van
Groot- têeidea L dt^an-
Briianni'è,
die de Staten van Holland vroeger voor zich hadden doen spreken, te kunnen Provmcieu.
beroepen. Zij waren wel van zins noch dit noch eenig ander middel ongebruikt te laten,
Hoe de stemming in
Zeeland was zoo ten aanzien van de godsdienstige geschillen als van
OLDENBARNEVELTS persoon en invloed, was reeds meermalen gebleken. Ook zullen wij
deze Provincie by de v^rtoogen in de Staten van
Holland en in de Staten-Generaal
aan de spits zien. In
Gelderland, waar, even als in Overijssel^ de Remonstrantsche
gevoelens, bepaaldelijk in het Nijmeegsche, begonnen waren door te dringen, had de
zaak de aandacht der Staten gelrokken. Zy wilden eenige predikanten, gedeputeerd
door de Classes, ten overstaan van het Hof van
Gelderland en eenige Gedeputeerden
van het Landschap doen vergaderen ten einde een » middel van accommodatie" te be-
ramen , hetwelk door de Provinciale Synode zou kunnen aangenomen worden. Kon
men hierin niet slagen, zoo zouden het Hof en de Gecommitteerden op een »bekwaam
Interim" bedacht zijn. Dit denkbeeld stond bepaaldelijk den Predikanten van
Zutphen
en de Veluwe volstrekt niet aan. Van zulke beraadslagingen verwachtten zij slechts
uitvlugten voor ketterij, en een van Staatswege ingevoerd
Interim achtten zij eene
pest der Kerken en der godsdienst. Liever gingen zij le rade met de Contraremon-
5trantsche Predikanten, in de maand Julij des jaars 1616 te
Amsterdam vergaderd, en
namen zich voor pp de bijeenj-oeping van eene Nationale Synode aan le dringen
Hierop namen de Stalen van
Gelderland in Februarij 1617 een besluit lot handhaving
der Gereformeerde leer, hetwelk eene remonstrantie van de Predikanten van het Nij-
meegsche kwartier uitlokte. Dit vertoog werd door de Stalen in handen der Gedepu-
teerden van de Classes van
Zutphen en de Veluive gesteld. Hieruit liet zich genoeg

ί Resol. Stat. Gen. 22 April, 1β17. carleïok, 1, ρ. 259, 260.
2
uytexbogaeut, bl. 701, 702. baüdaert, B. YIll, bl. 10, 11.
III Deel 2 Stuk.

91

ocr page 595

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. afleiden, hoé zij hel stuk toet de dooi de Mjttiéegsche Predikanten toorgeslelde punten
beoordeeld wenschten te zien. Ook werdeü de gevoelens der Geldersche Remonstranten
zonder genade verworpen
Κ Zoo had in Gelderland de meening der Contraremonstran-
ten gezegevierd, en de rigting, die de Gedeputeerden van dit Landschap in de Staten-
Generaal volgen zouden, kon niet tvt^ijfelachtig zijn,

Wat nu Friesland en Groningen aanbelangt, in dezen tgd zien wij Graaf willém
LODEWiJK gverig bezig om den Contraremonstranten in de Gedeputeerden dezer Gewesten
een krachtigen steun te verzekeren. Den Februarij had zijn neef hem uit '5
Hage
geschreven: »zorg, dat de Gedeputeerden van de Provinciën van uw Gouvernement ter
vergadering der Staten-Generaal met den uitdrukkelyken last komen
Om dé Zaken der
Gereformeerden, zoo de gelegenheid zich opdoet, te handhaven en te begunstigen"
Dit verlangen werd volkomen bevredigd en den Frieschen en Groningschen Gedepu-
teerden bovendien de last opgedragen om in alles met den Prins te rade te gaan
welke wijze men thans het doel wilde pogett te bereiken, blijkt ten duidelijkste
om de Contrare- uit Graaf -vViLLEM LODEwuKs brieven Zoolang de vrijheid om afzonderlijk te vergaderen

i-nonslraiiten tot , . i i

(Ie zege te ijren-aan de Gontraremonslranten nog slechts bg wijze van toelating vergund werd, was er,
^™· meende men, niets gewonnen. Het moest hun niet alleen te doen zyn om ongestoord

te prediken. Neen! hun gevoelen moest als uitsluitend met de "ware Gereformeerde leer
overeenkomstig erkend worden, hetzij door toekenning van de vryheid tot afzonderlijke
godsdienstoefening in de voornaamste kerkgebouwen als een regt en niet als een gunst» of
wel door de uitspraak eener Nationale Synode. 'Was eenmaal het regt der Contrarertton-
stranten erkend, zoo kon deze partij alles gedaan krijgen: immers had
Christus, het
Hoofd der Kerk, volgens de leer der Amsterdamsche Regering 5, zijne magt aan de Pre-
dikanten in handen gesteld, Geene overheidspersonen, die door de Predikanten
VOOr
vganden der Religie verklaard werden, konden zich dan staande houden. Derhalve,
volgde men dezen weg, zoo waren er »voor alsnog" geene geweldige maatregelen nöo-
dig, aangezien zich alles van zelve naar wensch schikken zou*
Buitengewone aan dit plan een begin van uitvoering te geven, zond Zeeland eénige buiten-

gewone Gedeputeerden naar V Hage. Öezen verschenen den 10'^®" Mei in de Vergade-
ring der Stalen van
Hollands Met droefheid, dus spraken zij, en bekommering hadden

ï UYTENB06AEBT, W. 768—777.

2 Archiv, S. II, T. II, p. 480, vgl. 507.

3 Archives, p. 487, 488.

4 Archives, p. 487, 509, 510. In zijnen bncf, onder Ro. 415 (bl. 500), zegt de Graaf, datliij
den Prins niet »tot extremiteiten wil porren, als dewelke hij
voor alsnog niet raden kan."

" ÏRIGLASD, bl. 756.

deputatie
Zeeland,

van

ocr page 596

DES VADERLANDS. 723

α

zij de misverstanden, in de Kerken gerezen, gadegeslagen, en daar de Leden der 1617.
Staten het nog niet eens hadden kunnen worden aangaande de middelen om ze bij te
leggen, zoo bevalen zij als het geschikte middel aan, ten spoedigste eene Nationale
Synode bgeen te roepen, en inmiddels aan vele Predikanten en anderen, die op hunne
klagten bg de gewone Justitie geen regt schenen te kunnen krijgen, voorloopig genoe-
gen te geven. Vier dagen later werden de Pensionarissen van de sleden
Dordrecht^
Delft, Leiden
en Amsterdam aangewezen om een ontwerp van antwoord te stellen op
het voorstel van
Zeeland. Het moest strekken om die van Zeeland gerust te stellen
met de verzekering, dat men noch willens noch voornemens was eenige de minste ver-
andering in de ware Gereformeerde Religie te maken, — Inderdaad de »bezwaarde
kerkedienaren en lidmaten" hadden, naar de meening der Staten, geen meerderen
grond om te beweren, dat het gevoelen der Remonstranten, in de vijf punten uitgedrukt,
niet gereformeerd was, dan zij zeiven om vol te houden, dat het wel gereformeerd was.
En was hun beweren juist, was ten minste het tegendeel niet bewijsbaar, zoo verviel
dat waarop de Contraremonstranten aanspraak maakten, namelijk het regt om in hunne
afscheiding erkend te worden. — Nog vóórdat dit ontwerp in gereedheid was, verschenen
twee dagen achter elkander den 19^®" en den Mei de Gedeputeerden uit
Gelderland, ^^^^^^^ ^^^^ ^^^^

Friesland en Groninqen in de Vergadering der Staten van Holland, en leverden nex^derland, Frie$-
/ 6 6 Â» ^ gj, Gromn-

voorstel in van gelijke strekking, als dat van Zeeland, Deze vertooning was wel gen.
schikt om indruk te maken. Immers waren het hier de naaste en getrouwste bondge-
nooten, die te zamen met
Holland geleden, gestreden en overwonnen hadden, welke
deze Provincie op de plegtigste wijze haar belang op het hart drukten, en haar schenen
te willen doen gevoelen, dat, zoo zij den gegeven raad niet volgde, de verbreking
van den band der Unie op hare verantwoording zou komen. Toch wankelde
olden-
BARrTEVELT geen oogenblik. Het ware beginsel der Unie, hetwelk alleen haar kracht
gaf en haar waardig maakte te bestaan, hield hij zich overtuigd te handhaven. —
Den werd het ontwerp van antwoord aan de Staten van
Zeeland gelezen. Doch

wat te verwachten was, gebeurde. Niet alleen de Gedeputeerden van Amsterdam^
Enkhuizen^ Edam,en Purmerendy
maar ook die van Dordrecht verzochten, vóórdat
zg hunne slem uitbragten, zich met hunne lastgevers te mogen beraden. Intusschcn
drongen de Zeeuwsche Gedeputeerden nog denzelfden dag op antwoord aan. Natuurlijk
evenwel liep het nog langen tgd aan, eer dit verzoek bevredigd werd. De zitting der
Staten werd buitengewoon verlengd, en den 1.0"^®" Junij werd nevens het ontwerp van
een publicatie ter regtvaardiging van der Staten gezindheid ten aanzien der godsdienstige
zaken ook dat van het antwoord, aan de Staten van
Zeeland te geven, voorgedragen.
Met meerderheid van stemmen werd besloten, de publicatie, zoo als zg ontworpen was,
te laten drukken en uit te geven, en het ontwerp van antwoord voor vastgesteld te
verklaren. De tegenstand echter was zoo sterk, dat deze besluiten vooreerst onuitgevoerd

91*

ocr page 597

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

blefen. De Gedeputeerden van Dordrecht beschouwden de pul)licalie als onnoodig en
het antwoord als in verscheiden punten wijziging behoevende. Die van
Amsterdam en
de drie andere bovengenoemde Noord-Hollandsche steden spraken minder bescheiden,
en achtten het beter met daden te toonen wat men in de ontworpen publicatie slechts
voorgaf, en wat het antwoord aanging, verklaarden zij, dat men de Staten van
Zeeland
voor hunne trouwhartige vermaning en raad anders behoorde te bejegenen, de zaak
naar waarheid te verhalen en zich met de Staten, zoo van
Zeelandy als van de andere
Provinciën, te beraden tot het houden eener Synode. Kon men hiertoe niet verstaan, zoo
zouden hunne lastgevers zich genoodzaakt zien, publicatie tegen publicatie en antwoord
tegen antwoordi over te stellen. Openlijker tegenstand en onbewimpelder besehuldiging
van leugen en bedriegelijke handelingen was wel niet denkbaar. De minderheid io de
Staten van
Holland beantwoordde uitstekend aan het door Graaf willem lodewijk in
overleg met den Prins beraamde plan, volgens hetwelk vooral de »goede" Hollandsche
steden zich moesten doen gelden: want, wat dezen niet verkregen, zouden dc andere
Provinciën nog veel minder kans hebben te bekomen Niettemin werd negen dagen
later eenig antwoord vastgesteld, waarbij de Staten van
Zeeland vriendelijk bedankt
werden voor hunnen welmeenenden raad: zij mogten zich voor het overige verzekerd
houden, dal de Staten van
Holland opregtelijk en vóór alle dingen gezind waren dc
ware Christelyke Gereformeerde Religie bij hare zuiverheid te handhaven en de Gere-
formeerden in eenigheid te houden, ten einde alzoo tevens het openbare gezag van het
Landschap zoowel als van de Steden ongeschonden te bewaren. Wat men eigenlyk be-
geerd had, namelgk, een verhaal van den oorsprong der zwarigheden en van hetgeen
de Staten daarin gedaan hadden en verder dachten te doen, den Zeeuwschen Heeren
ten antwoord te geven, dit bleef wegens de bezwaren van de minderheid tot nader
order achterwege, daar de Gedeputeerden verklaard hadden, hun vertrek niet langer
te kunnen uitstellen

Vcrtoogcu in de Doch nu werd de vergadering der Staten-Generaal het tooneel van de vertoogen tegen
om^eene^Nltfo^-de grijze staatsman daar, om ook hier het spits af te
dän hoTdeï Wel had hij op het eind des jaars 1616, toen er bepaald moest worden, wien men

voor het jaar 1617 uit Holland ter vergadering der Staten-Generaal zou committeren, ver-
zocht van deze commissie, »als over de dertig jaren conlinueel daarmede bezwaard geweest
zijnde en nu tot den ouderdom van ongeveer zeventig jaren gekomen," te mogen wor-
den ontslagen. Doch men had het niet toegestaan Uit dat verzoek van
oldenbar-

^ Archives, p. 487. ^

2 Resol. v. Holl. 10, 14, 19, 27 Meij 10, 19 Junij, 1617.

3 Resol. ü. Holl 1016, bl. 20L

Ur'

'H

%

■I

ocr page 598

DES vaderlands.

72a

1617.

mm

KEVELT bleek, dat hg er ernstig op bedacht was, zich in zijne staalkundige betrekkingen
Tan lieverlede door anderen te laten Tervangen, ρ ging hij hiertoe over, zoo kon hy
zijnen zetel in de Staten-Generaal het eerst opgeven. Doch zijnen post in
Holland kon
hij bij het gelooi aan zijne beginselen, dat hem bezielde, niet verlaten, dan door den
nood, hetzij van geweldig verzet hetzg van ziekte of dood, gedrongen, Hoe het zij,
nog was hij lid der Staten-Generaal, toen men zich hier krachtig met den inwendigen
loe,stand van
Holland begon te bemoeijen. Reeds bij gelegenheid der onordelijkheden,
in Februarij 1617 te
Amsterdam voorgevallen, hadden de vertegenwoordigers der andere
Provinciën die van
Holland verzocht, alle middelen aan te wenden om de godsdienst-
geschillen bij te leggen. Hierop had
oldèhbarnevelt geantwoord. Toen; ook te
Oudewater onlusten waren voorgevallen, wachtte hij, schijnt het, geene uitnoodiging ai,
en gaf rekenschap van den stand der geschillen en van de bemoeiingen der Staten om
ze bij te leggen, behoudens het gezag van de Staten der Provincie i. Hoe weinig
men evenwel met het verklaarde stelsel der Hollandsche Bewindslieden genoegen wilde
nemen, bleek weldra toen den
51''®" Mei de Geldersche Gecommitteerden, ma.rtini en
van essen, die wegens het geschil tusschen Munster en den Graaf van Limburg stiritm
BRONKHORST te Hage vertoefden, tevens in de Staten-Generaal verslag gaven van de
kerkelijke geschillen, die in hun Gewest hier en daar begonnen uit te barsten: de Staten
van
Gelderland, voegden zij er bg, zagen ter voorkoming van verder misverstand geen
beter noch zekerder hulpmiddel, dan de bijeenroeping eener Nationale Synode.'^'Zoowel
het Hof van
Gelderland als de Gecommitteerden dezer Provincie in de Staten-Generaal
hadden diensvolgens uitdrukkelijk in last de zamenkomst van zulk eene Synode te be-
vorderen. Zoo was de zaak nog geenszins kwetsend voor
Holland voorgesteld. Maar
zulk eene bescheidenheid was van
Zeeland niet te wachten. Den lö*^®" Junij berigtten
de , Zeeuwsche Gedeputeerden
{Zeeland zat juist in de Vergadering voor), dat de
Staten van hun Gewest van overlang met groote droefenis de in
Holland ten aanzien
der Godsdienst gerezen zwarigheden vernomen hadden: de Staten dezer Provincie, zei-
den zij, schenen geen geschikt middel te hebben kunnen vinden om het kwaad te
doen ophouden. Eene buitengewone zending van Gedeputeerden, zoo uit
ZeelandnXiuil
andere Provinciën, strekkende om Holland te doen medewerken tot het bijeenroepen van
eene Nationale Synode was tot nog toe zonder vrucht gebleven. Na het vertoog van den
51"®" Mei door de Geldersche Gedeputeerden gedaan, verwachtten zij, dal de Provin-
ciën , die hare Gedeputeerden toen nog geen bepaalden last gegeven hadden om in deze
zaak partij te kiezen, thans genoegzame inlichtingen gegeven zouden hebben. Bij ge-
volg verlangden zij dadelijk de meening over deze zaak te hooren. De Gedeputeerden
van
Gelderland^ Friesland, Groningen en Ommelanden ondersteunden onmiddellijk dil

Hcsol Stat. Gen. 15, 21 Febr.j 5 Mei, 1617.

ocr page 599

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. voorstel door de yerlilaring, dat hunne Provinciën eene deputatie , als door Zeeland
vermeld was, naar Bolland hadden gebonden, maar nog geen antwoord bekomen had-
Houding derden. Hierop verklaarden die van Holland geenen last te hebben om over deze zaak te
deputod^^^^ hetuigden gaarne te zullen vernemen, wat de andere Provinciën

Staten-Generaal. jj^j raden zouden te doen, om gedurende den tijd, die er vóór de bijeenkomst eener
Nationale Synode noodwendig met allerlei beschikkingen verloopen moest, » in overeen-
stemming met de bepalingen der Unie, dat wat er nog gezond en geheel was zonder
scheuring, onder het gezag en de gehoorzaamheid van de Hooge Overheid der Provin-
cie en der stedelijke Magistraten te handhaven," Dit was de voorwaarde, die
Holland
bij alle bemoeijiAgen in deze zaak gesteld wilde hebben. De Contraremonstranten, vóór
de beslissing eener Synode, als de eenige ware Kerk te erkennen, achtten de Staten
van dit Gewest hetzelfde te zijn, als hun eigen gezag omver te werpen. Kon eene
Synode verordend worden met genoegzame waarborgen voor het zelfstandig gezag der
Overheid, zoo zouden zij zich daartegen niet verzetten. Hadden de Contraremonstran-
ten toen eerlijk afstand gedaan van alle eischen in afwachting van de uitspraak eener
Synode,
Holland zou er toe over hebben kunnen gaan om de byeenkomst van zulk
eene kerkelijke Vergadering met ernst te bevorderen. Hoe weinig echter de Provinciën
die voorwaarde van
Holland wilden doen gelden; integendeel, dat zij j,uist de tegen-
woordige Regering aldaar ten val wilden brengen, is reeds genoeg gebleken. Alleen
VirecJit is op Utrecht was onverdeeld en moedig op de hand der Hollandsche Regering. De vertegen-
woordigers van deze Provincie verklaarden nog in dezelfde vergadering, waarin dit
voorgevallen was, dat zij eene Nationale Synode onnoodig achten. Hunne Bewindslieden
hadden eene bijzondere Synode in hunne Provincie gehouden, en deze maatregel was
door een goed besluit der Stalen achtervolgd. Voorts verstonden zig, dat men gehouden
was, die van
Holland de hand te bieden, tot handhaving van hunne Overheid in het
Land en in dé Steden en tot wering van alle verdere scheuring in de Kerk en mis-
verstanden onder de Leden van den Staal. Hierna verklaarden de Overgsselsche Gede-
puteerden, dat zij betreffende deze zaak nadere orders van hunne laslgevers wachtten.
Den eerstvolgenden dag werden de beraadslagingen over hetzelfde onderwerp hervat.
Thans verklaarden de Geldersche Gedeputeerden regtstreeks, dat zij gelast waren eene
Nationale Synode te helpen bevorderen, »tot instandhouding der eenmaal aangenomen
leer en tot wering van scheuring, en verzochten diensvolgens de Gedeputeerden, welke
nog niet gelast \varen, daartoe last van hunne principalen te willen bekomen. Die van
Holland deelden toen mede, dat hunne principalen met de zaak bezig waren, en ver-
zochten deswegens, dat men met geene overhaasting wilde te werk gaan. De gewone
en buitengewone Gedeputeerden
Ύαη Zeeland, Friesland en Groningen verlangden thans,
dat de Provinciën de beraadslaging over den tijd, de plaats en den vorm der Synode binnen
twee maanden aan de orde zouden stellen.
Utrecht keurde het nemen van zulk een

(Ie liand van Hol'
land;

ocr page 600

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

besluit onbewimpeld af. Overijssel, zeiden de Gedepüteei-den van dit Gewest, voegdè .1617.

*

zich bij de Provinciën, die de zaak in bedenken hielden* Elf dagen kwam dezelfde

vraag weder ter sprake» Thans gaf Gelderland den 16^®® Augustus op als den dag der

bijeenkomst ter beraming van tijd en vorm der Synode. Holland en Utrecht, zoowel

als de andere Provinciën, bleten bij hare vroeger uitgedrukte gevoelens. Alleen stelden vooralsnog'Om-

de Gedeputeerden van Overijssel thans de mededeelirig van hun advies niet langer uit. desgelijks.

Zy leverden eèü uittreksel over van de ïlesoluliën def Ridderschap en Sleden van

Overijssel y waaruit bleek, dat eene deputatie uit de Staten van Gelderland haar had

voorgesteld in het houden eener Nationale Synode te bewilligen j en dat bij haar eene

missive van Zijne Excellentie ontvangen was strekkende tot hetzelfde einde. Niettemin

konden zij, en dit hadden zij ook op die aanmaningen verklaard, geenszins lot zulk

eene Synode hare toestemming geven i.

Den 24"®" Jun^ waren de Staten van Holland uiteéngegaan met de afspraak om
maandag over drie weken als by continuatie zonder nadere beschrijving bij elkaar te
komen, »op hoop dat ieder van de Leden zich bedenkende bij de genade Gods lot
eene uitkomst in deze religiezaken komen zou." Doch nog vóórdat de Vergadering
weder bijeenkwam, was de slaat van zaken alweder dreigender geworden.

De Kloosterkerk in den Haag, dit was toegestaan, zou voor de dolerenden op kosten

der Provincie, in orde gebragt worden. Maar trokken dezen alzoo in dit kerkgebouw, dan

zouden zij het gebruik daarvan aan de Staten te danken hebben: het i'egt der Stalen, om

hun zoo iels toe te slaan zou erkend, in één woord, er zou uit het standpunt der Gon-

traremonslranteh een groole misslag begaan wezen. Dit wilde men verhoeden, en men

besloot eenvoudig en bij koelen rade zich van de Kloosterkerk, nu zij bijna gereed

was, met geweld meester te maken. Dit plan werd den Julij uitgevoerd. Toen j^g naagacJie

bragten eenigen uil hunne Gemeente in de vroegte eén predikstoel met de üöodige ken"ich%an"(lc

zitbanken in het gebouw, en dien dag trad hun gewone Predikant er vóór en na den Kloosterkerk
^ . ' ^ Â® meester.

middag op. De Gecommitteerde Raden begrijpende, dat »deze zaak door vélen wat
zeer vreemd zou kunnen worden opgenomen," gaven er zeiven berigt van öan de ter
dagvaart komende Steden, én voegden er de vermaning bij om hare Gedeputeerden
sliplelijk op den bestemden dag te zenden. Inlusschen ontbood het Collegie den Pre-
dikant der dolerenden voor zich. Op de vraag op wiens last hij den vorigen dag in
de Kloosterkerk had gepredikt, antwoordde de man, dat hg niets liever verlangde dan
naar zijne vorige Gemeente terug te mogen keeren, die zgne dienst groolelijks noodig
had. Maar zijne Excellentie had zulks niet toegelaten. Op dezen last nu had bij ge-
meend niet kwalijk gehandeld te hebben met in de genoemde kerk te prediken.

nesol Slat. Gen. 31 Mei; 15, 16, 27 Junij. 'Archiv, ρ, 52β.

ocr page 601

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. Immers zou de zaak nog slechts vreemder aanzien gehad hebben, zoo niet hij, maar
een vreemd Predikant was opgetreden
PlinsMAüRiTs Doch wat gebeurde weldra na de gewelddadige inbezitneming der Kloosterkerk?
renden^ter SS" '^o^gß'^dßn Zondag (16 July) hoorde Prins maurits volgens gewoonte uytenbogaert
nog prediken in de Fransche Hofkapel, schoon hij reeds in February vandaar was
weggebleven, toen deze Predikant het Avondmaal bediend had. Maar den deed

hij eenen veel beteekenenden slap en ging in de Klooslerkerk ter predikatie, vergezeld
van een groot gevolg vai\ Edelen en Vrouwen 2, De Prinses-Weduwe van
Oranje en
Prins
hendrik bleven tjyteitboga.ert hooren in de Fransche Kerk. Bg de beslaande
omstandigheden was dit van
maurits zyde eene daad van vijandschap tegen de Staten
van
Holland, eene openlijke betuiging, dat hij den Contraremonstranten de hand boven
het hoofd dacht te houden, en van zins was hen in hunne minachting van der Staten
gezag te stijven en op den weg hunner aanmatiging te volgen. .Te volgen? Neenl
voor te gaan. En dank zij der Voorzienigheid, die ons Vaderland in de overmaat des
ongeluks eene uitkomst, in de uiterste wetsverkrachting zelve een waarborg van orde
bereid heeft. Want in
maurits had de opstand wel een medepligtige, maar tevens een
hoofd gevonden.ii Van nu aan stond al het gezag, al de magt van den zoon van
wil^
LEM van
Oranje, van den hejd der Nederlanden, der tegenpartij van de wettige|orde
ten dienste; maar zoo zou dan ook een waardig tweegevecht, eene geregelde magts-
proef tusschen de twee strydende partijen, zonder inmenging van het woest gemeen,
den twist kunnen beslechten.
Maurits zelf had de zaak in handen genomen. Nii
moglen al de ondergeschikte personen de baan ruimen, en alle ongeregelde hartslogten
zich schuil houden. Nu mögt men allen lust tot straatrumoer of gewelddadigheden
tegen de Remonstranten of de hoofden der Regering uit de zinnen zetten, want
maurits
was de man niet om zulk eene lafhartigheid te dulden. Hij had zijn karakter als
krijgsman tegenover het onordelijk gepeupel, zijn karakter als edelman tegenover de
tegenparty, wier onderdrukking hy ook beloofd h^d te beletten 3, zijnen onbevlekten

ί IResol. v. Holl. 10 Julij, 1617. uttenrogaert , bl. 724 , 725,

? BAüDAERT (B. IX, bl, 85) en na hem uytenbogaert (bl. 729) en brandt (II, 556) zeggen, dat
Graaf
Willem lodewijk met Prins maurits den 23'*®" Julij de Kloosterkerk bezocht heeft. Dit
blijkt thans uit de brieven, in de
Archives de la mais. d'Or. (T. 11. S. II) uitgegeven, niet waar
te zijn. Een brief van den Graaf uit Leeuwarden is den 23'*®·' Julij gedagteekend. Eerst in
October kwam zijne Genade in den Haag, hoe vurig de Prins zijne komst ook vroeger gewenscht
had, daar hij, zeide hij, niemand had, op Λvien hij zich verlaten kon. De Graaf, daarentegen,
begreep, dat om in Friesland tegenwerking tegen den last, aan de Gedeputeerden medegegeven, te
voorkomen, zijne tegenwoordigheid in zijn Gouvernement noodig was (zie
Archiv, ρ. 511, 513,
514, 518, 529—533, 535, 539, 540, 545, 548).

3 uytenbogaert, bl, 719.

. \

ocr page 602

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

roem tegenover gansch Europa Ie handhaven. En geene dolle of al te gewaagde 1617.
slappen waren van hem te duchten. Immers geen harlslogt ^-eef bij dit bedrijf
met hem zijn spel. De houding, die hij nu openlijk aannam, was hem opgedrongen,
en van alle eerzucht om voor zich eenige magtsvermeerdering of verandering van staat
te verwerven was hij volkomen vrij. Inderdaad, wanneer men aannemen moet, dat hel
twistvuur niet gedempt zou geworden zijn, dan raag men wel dankbaar erkennen, dat
slAURiTs door zich aan het hoofd der Contraremonstranten te plaatsen het land voor
grooter schande en misschien voor den ondergang behoed heeft. Had hy
Nederland^
van alle kanten besprongen, van den buitenlandschen vgand gered, thans nu het land
op den weg was zich zelf rampzalig te maken, thans redde hij het land van het gevaar,
Avaarin het zich zelve bragt.

Intusschen zalen de predikanten niet slil. Men kon van hen niet verwachten, dat Jdevansepa·

ratie,

zy eenige ingezetenen van den Haag met een Advocaat tot woordvoerder, dat zy zelfs
eenen geboren Prins alleen de eer van den triomf zouden laten. In Julij 1616 ^ was
er eene soort van Nationale byecnkomst van predikanten te Amsierciamc gehouden;
ook in dit jaar, 1617, zouden zij het niet aan gemeenschappelyke beraadslagingen
laten ontbreken. Reeds in het begin van April hadden de Gecommitteerde Raden de
Regering van
Amsterdam gewaarschuwd, dat er in hare stad eene vergadering van
kerkelijke personen op til was met het doel om zich tegen de maatregelen der Staten
aan te kanten Doch in Julij van dit zelfde jaar vond in dezelfde stad eene verga^
dering van Hollandsche predikanten plaats, waarin het kwam tol de vaststelling van eene
ade van separatie^ bij welke de Remonstranten met hunne leer en bedrijf voor schade«·
lijke verstoorders van de openbare rust en van den vrede der Kerken, en de handelwijze
van degenen die zich van hen hadden afgezonderd, voor goed en christelijk verklaard
werd Zoo werden de gemoederen van de zoodanigen, die tot nog toe geene partig
hadden gekozen, van verschillende kanten bestormd. De kans, die de meerderheid in
de Staten van
Holland lot nog toe op de overwinning gehad had, begon aanmerkelijk
te verminderen; de glans van Prins
maurits met zijn Hof en yan den Frieschen
Gouverneur, den tweeden groolen Heer der Republiek, spande zamen met dien banvloek
der predikanten om al wie flaauw of onverschillig was het hart om Ie koopen en
het
hoofd te bedwelmen. En toch gaf de Regering den strijd niet op.

Op den Zondag, waarop Prins maürits in de Kloosterkerk ter godsdiensioefening Zomerzïtting
gegaan was, waren de Staten van Holland reeds weder sedert eenige dagen bijeen.

^ Zie hiervoor, bl. 721.

2 Resol V. Holl. 8 April, 1617.

3 b^cdaert, B IX, bl. 26.

III Deel, 2 Stuk. 92

ocr page 603

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

mSSSÊSSÊÊSÊÊÊÊÊÊËÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊm , . fSBÊSBÊÊSÊSBBSBBÊÊBSÊÊBSBBÊm

ißi7. Doch niet toor Dingsdags 'üä dieh Zondag kwamen de groote Traagslükken ernslig
ter sprake. Toen werd de publicatie, welke eene regtvaardiging van der Staten handelingen
in de kerkelijke verschillen zou inhouden, alsmede het antwoord, aan de Gedeputeerden
ΎΆη Zeeland en de andere Provinciën te geven, op nieuw in beraadslaging gebragt. De
stemmen staakten natuurlyk ook nu; doch begrijpende, dat dé meerderheid de zaak
volstrekt doorzetten moest, bragt de Advocaat al het gesprokene tot eene slotsom en
kondigde de uitvaardiging der publicatie, en de vaststelling van het antwoord als het
besluit der Vergadering af. Dadelijk kwamen de vijf Sleden hiertegen op: mén be-
hoorde, zeiden zij, zoowel de publicatie als het antwoord terug te houden, of anders
te stellen en in te riglen.
Amsterdam voegde er nog in het bijzonder bij, dat zij bij
openbare verklaring wereldkundig zou maken, hoe de zaken in de Staten-vergadering
gedreven werden. Nog werd in de bijeenkomst van denzelfden dag de voorslag gedaan,
of men niet,'ter voorbereiding van eene Kerkelijke Vergadering, zou kunnen overgaan
tot het doen houden eener zamenkomst van de geleerdste en vreedzaamste mannen uit
de vijftien Classes van
Hólland en West-Friesland, onder autoriteit van de Staten, met
den last om den slaat des geschils te stellen en een middel te beramen ten einde de
onderlinge verdraagzaamheid te verzekeren tot tijd en wgle de geschillen beslist zouden
zyii. t Doch bok tefi dezen aanzien kon ttien niet tot eenstèirimigheid komen en de zaak
werd in bedenken gehouden.
OldenbArnevelt evenwel en zij die zyne staatkunde on*
dersteunden', hadden het sleHige voornemen om te pogen aan al die-onzekerheden en
aan" al dat krachtverspil zonder beslissend overwigt een einde te maken. Zij beraadden
zich onderling en kwamen overeen in het ontwerpen van een besluit, hetwelk het
eindoordeel der Vergadering uitdrukken en den weg, dien men begreep voortaan streng
Ié moeten volgen, aanwijzen zou. Was zulk een besluit afgekondigd, dan zou men de
zaken haren noodwebdigen loop laten, zonder door voorlgezette of hervatte Statenver-
gaderingen den toestand slechts te verergeren of het onvermogen om tot eenparigheid
te komen verder wereldkundig te maken. Den Augustus werd dat 'ontwerp in de
'Vergadering gebragt, tegelyk met de bewuste publicatie en het antwoord aan
Zeeland
'en de andere Pi'ovinciën, welke" beide laatste stukken dan toch eindelijk, hoe dan ook,
iitt outwerp diénden vastgesteld te worden. In weerwil van den tegenstand der vijf Sleden en het

der scherpe Re- Â· i ·. / j

solutie aan den protest van twce uit de vyf [Amsterdam en Enkhuizen), werd het besluit opgemaakt

äcM. de vaststelling van al de drie stukken niet langer uit te stellen: den volgenden dag

zou men ze aan een laatste onderzoek onderwerpen. In den namiddag zou zich eene
Commissie, uit de Heeren
van mathenesse, van veenhuizen en oldenbarnjvelt bestaandei
niet alleen bij Zijne Excellentie, maar ook bij Mevrouw de Prinses van Oranje en Prins
HENDRIK vervoegen, ten einde deze vorstelijke personen op de hoogte te brengen van het-
geen de meerderheid der Stalen thans bedoelde, en te trachten hen te overtuigen van de
noodwendigheid en redelgkheid van deze hare bedoeling. Gewigtig oogenblik voorwaar! De

ocr page 604

DES VADERLANDS. J5.1

man, die immers wel zeggen mögt wat hem dienstig docht lot redding van den Staat , welken
hij zelf met Gods almagtige hulp zijn roemrijk voortbestaan verzekerd had, die man,
vergezelschapt door de aanzienlijksten van wat er uit de moorddadige bevrydingsoorlog
van
Hollands adel was overgebleven , waagt eene laatste poging om den Vorst., die over
de voornaamste magt van dien Staat te beschikken had, maar deze magt, zoo oordeelde
hy, tot verderf des Lands stond te gebruiken, door al wat menschelijke overreding ver-
mögt , tot andere gedachten te brengen. Liet die Vorst zich winnen, dan was de tegenstand *
met éénen slag verwonnen, en dankbaar zou men hebben mogen zijn, dat die tegenstand
hem tot hoofd had bekomen omjn hem voor overtuiging vatbaar te worden. Hoedanig
evenwel Avas het ontwerp van het eindbesluit der Vergadering, dat den Prins door die
Commissie werd voorgelegd? Het hield de stellige verklaring in, dal, zoo het met schen-
nis van de hoogheden, vry- en geregligheden des Lands en der Sleden van
Holland en
West-Friesland geschieden moest, men niet in hel bijeenroepen van eene Provinciale,
veel minder Nationale Synode bewilligen kon. Opdat een iegelijk onderrigt ,mogt zijn
van de opregte goede meening van de Edelen en .meeste Sleden om waarheid,en een-
heid in godsdienstzaken te behouden, zoo zou de daartoe ontworpen verklaring gedrukt en
openbaar gemaakt worden, alsmede het bewuste antwoord aan de Provinciën worden afge-
leverd. Voorts zouden de Resolutiën, vroeger op de kerkelyke zaken genomen, door
de Edelen en Regenten, die zulks dienstig oordeelden, met alje bescheidenheid mogen
toegepast worden. Ten dien einde werden de Regenten van de steden gemagligd, zoo
noodig, een regt te gebruiken, dat de best geregeerde Hollandsche sleden als haar toeko-
mend aanmerkten, en lot afwering van gewelddadigheden krygsvolk in dienst mogen nemen.
Tegen helgcen de stedelijke Regenten tot uitvoering der Resolution doen zouden , ; zou
geen beklag zijn toegelaten, anders dan by de Staten; >vat door eenig Collegie van
Justitie of anderzins daartegen mögt gedaan worden, zou nul en van onwaarde zyn.
Al wie in eed of dienst der Staten of Steden was, zou gehouden zijn de hand te biederi
tot het afweren van dadelijkheden tegen het gezag dier Overheden, Aan de Bevelheb-
bers van het krijgsvolk zou bevolen worden, den Heeren Staten of in hunne afwezigheid
den Gecommilleerden Raden en den Magistraten der sleden (ook niettegenstaande eenige
andere bevelen) getrouw en gehoorzaam te wezen, en alle dadelijkheden zonder uiizon-
dering te helpen weren, op straffe van cassatie. — Dit was het, waarop de Staten des
Prinsen goedkeuring verlangden. Alle punten, waaromtrent zy het met hem oneens waren,
werden in dit stuk in hun voordeel uitgemaakt. Op geen andere voorwaarde was hun
het regeren mogelyk, en voor dwang en geweld uil de regering te wijken, dit begrepen
zij om des Lands en om huns zelfs wil niet te vermogen. De resolutie, welke toen in
ontwerp aan den Prins werd medegedeeld, heeft na hare uitvaardiging den naam van
scherpe Resolutie bekomen. Zij was evenwel niet strenger, dan de omstandigheden
volstrekt vorderden. W^anneer de Regering haren pligt kende en daarvoor niet lerug-

92*

ocr page 605

ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. deinsde, moest zij zich aldus wapenen. Maar hoe nam de Prins het ontwerp op? Dit
was niet lang twijfelachlig. Hij ontveinsde zijn misnoegen niet, en gaf te kennen, dat
dit ontwerp hem voorkwam te strekken lot eenige vermindering van zijn gezag over het
krygSvolk. Hierop trachtte men den Prins te doen begrijpen, dat dit gezag door de
Resolutie in het geringste niet verminderd werd, en tóen men hem, als reeds zoo dik-
wijls Ie voren, regtstreeks afvorderde, het gezag der Overheden te handhaven, antwoordde
hij ronduit, dat dit gezag ongeschonden zijn zou, zoo lang men het niet gebruikte om
de godsdienst te onderdrukken. Een afdoend antwoord gaf hij echter niet, maar ver-
langde den volgenden dag nader in de Vergadering te worden gehoord Werkelijk
De l'rins in de verscheen Zijne Excellentie den Augustus in de Vergadering. Hij zeide van eenige
kden, die bg hem geweest warenvernomen te hebben , dat de Vergadering van plan
was uiteen te gaan. Dit kon. hij niet goed vinden ι immers was er niet eens voorloopig
in de bestaande zorgelijke omstandigheden eenige orde gesteld. Dus scheen hij het hem
gisteren medegedeelde ontwerp als niet eens in aanmerking komend te beschouwen.
Evenwel hij gewaagde er van; doch slechts om te vragen, wat de meening der Verga-
dering was ten aanzien van dat hem gisteren, » zoo hem docht, in groote hevigheid"
medegedeelde stuk. Hij scheen zich dus van een besluit in overijling en drift genomen
op het beter oordeel der Vergadering te beroepen. Zoo begeerde de meerderheid der
Vergadering zich niet te laten bejegenen, 's Prinsen voorstel kon niet in overweging
genomen worden. Enkele kden namen het woord, maar zonder orde. Toen
oldenbar-
WEVELT; ©p 's Prinsen roeping om de Magistraten tc ondersteunen, aandrong, viel een
der Amsterdamsche Gedeputeerden, het was de Burgemeester
reinier pauw , hem in
de rede,'met te zeggen, dat dit het advies was van den Advocaat en van eenige an-
deren, maar dat Zijne Excellentie dit niet voor het gevoelen der Vergadering moest
houden. Deze uitval deed den Advocaat het geduld veriiezen, en het kwam tusschen
hem en den Amsterdamseben Burgemeester tol bittere woorden. Dit gaf den Prins de
gelegenheid om als vredestichter op te treden en naar aanleiding van den twist te
zeggen, dat toen hij zijnen eed gezworen had, zij het allen eens waren, bepaaldelijk
op liet stuk der Godsdienst, maar dat hy thans zich wachten zou om uit inschikkelyk-
heid voor eene partij iels Ie doen, dat in strijd kon zijn, hetzij al of niet regtstreeks,

ï CARLETONS berigt (I, p, 343j is niet geheel juist. Het waren met les Dcputés des Villes qui
ont résolu d'avoir un Synode National^
die de Yorstelijle personen waren gaan spreken, noch
was het
Ie lendemain de ia séparation des Flats, maar den dag vóór die scheiding. Zie voorts
UYTEKBOGAERT, bl. 807.
Resol. v, HolL 4 Aug. 1617, In een later berigt aan den Koning herhaalt
hij deze onnaauwkeurigheden niet. Wel zegt hij hier (11, p. 31) dat 15 of meer Gedeputeerden
uit de Slaten van
Holland de Vorstelijke personen gingen bezoeken. Het kan zijn, dat zich boven
de drie benoemden jneer leden aan de deputatie hebben aangesloten.

ocr page 606

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

met zijnen eed aan allen gezworen En hiermede verliet hij de Vergadering. Dat 1617.
argument evenwel, hoe uitnemend geschikt ook om 's Prinsen aflogt te dekken, over-
tuigde de Vergadering niet. Immers wist men, dat de tegenparty nimmer onoverwin-
neiyk zou geweest zijn, zoo de Prins haar niet had willen stijven, en dat hij alzoo het
regt niet had zich op iets, dat het gevolg van zyn doen was, als op de beweegreden
van zijn doen te beroepen. Hoe het zij, na zgn vertrek werden do Resolutie, het
antwoord aan de Provinciën en de Publicatie ter regtvaardiging van der Stalen gedrag ^
bij meerderheid van stemmen vastgesteld. De Gedeputeerden
ytm i Dordrecht "verzochlcü
aanteekening, dat zulks in strijd was met hunnen last. Amsterdam en Enkhuizen
prolesleerden en verlangden, dat dit hun protest mede openbaar gemaakt,zou worden,
en
Edam en Purmerende zouden hunne lastgevers van alt het gebeurde een verslag
doen, zoo ongunstig, als het hun voorkwam te verdienen. Zoo was dan de oorlog ver-
klaard tusschen de meerderheid der Staten en den Prins, mett dci minderheid der Hol-
landsche Sleden en de meeste der Provinciën op zijne zyde. Sedert de scherpe Reso-
lutie, schrijft
garleton beleden sommigen van oldenbarnevelts yverigste vrienden,
dal zijn oordeel, zoo al niet door hoogmoed, dan toch door stijfzinnigheid werd verblind.
Zij die zoo oordeelden, moeten - menschen van niet zeer degelijke zedelyke beginselen
geweest zijn, daar zij schenen te meenen, .dat men de behartiging vanshelgcen men
zijn pligt acht, moet opgeven, Avanneer men hel vooruilzigt»kwyt isdom erivoldoening
mede te behalen. Zoodanig was
oldenbarkevelt niet. -Niet alleen zocht hij geene
voldoening, maar zelfs schroomde hij niet te sterven voor zijne zaaki^^ï Niets schroomde
hij, dan de zaak van zyn Land, die hij met de eer der Lands-Regering gemoeid achtte,
lafhartig te verzaken. Gaf hij toe, zoo was zijne zaak zeker verloren; hield hy vol,
zoo kon hij de vrijheid en hel leven er bij inschieten, maar toch ontbrak niet alle kans
op de zege: hy wist, dat de tegenstand het werk was 'van weinigen, die juist niet
algemeen als orakels van wijsheid en toonbeelden van belangeloosheid werden aange-
staard, en moest het ergste gebeuren, het gevoel zal hem-niet ontbroken hebben, dat
eene zuivere zaak door de zelfopoffering van hem,,die haar voorslaat, slechts winnen

--——--■. . . Ir fvf;·.. t' i '!li_· iU

' CARLETON, 11-, ρ. 32. ' ^

2 Deze publicatie kwam dadelijk in het ïiclit met den titel: Verclaringhc van de 11,11. Stalen
van Holland ende West-Frieslant, wacr by hare Mo. Ed. int kort verthoonen die oprechte goede
meeninghe die sy altijdts ghehadt hebben ende noch hebben omme neffens die vrijheyden ende
rechten der Landen ende Sleden van 11. ende W.-Vr. die ware Christel. Gheref. Religie in suy-
verheydt te behouden; ende waeromme hare Mo. Ed. toekompt kerckehjcke wetten te maecken
ende dopn onderhouden.
Zie Bibl. van Pamß. 1617, No. 1244 en 1353. Uet is een stuk, waarin
men de geleerdheid en bondigheid van cenen
h. de groot erkent.

^ cAiiLEm·, II, p. 67.

ocr page 607

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. kan. Wie geen begrip heeft ταη zelfopoffering voor een beginsel, verklaart, even als
GARLETON deed de beweegreden van zulk eene standvastigheid niet te kunnen be-
grijpen, of hij zoekt ze in eene ondeugd.
Oldenbarivevelts volharding aan hoogmoed
te wijten, lag voor de hand. Immers had hij er het uiterlijk van. Die zekerheid en
dat gezag, waarmede hij zelfs de moeijelijksle vraagstukken aanpakte; de hooge toon,
dien hij de Stalen leerde zelfs tegen Koningen en Vorsten te voeren; die altyddu-
rende ernst, het kenmerk van den man, die, vol van de zaken van den Staat, geene
behoefte heeft aan vertrouwelijke ontboezemingen; die kalmte, welke slechts zelden
door eenige meerdere warmte in het voorstaan of verdedigen van een gevoelen werd
afgewisseld: ziedaar genoeg om hem door dengenen, die hem niet begreep, van hoog-
heid te .doen verdenken

Bezending naar In dezelfde j vergadering van den o"*®" Augustus kwam, na 's Prinsen vertrek, nog een

(ïfi^ JSficl

hoogst gewiglig geval ter sprake. De Gedeputeerden, namelijk, van den Briel achtten
zich verpligt mededeeling te doen van een gerucht, volgens hetwelk de dolerenden in
hunne stad op morgen zich van de Engelsche of Gasthuiskerk wilden meester maken, ten
einde die voor hunnen prediker te gebruiken. Dit gerucht was, docht hun, niet van
grond ontbloot, en, gebeurde werkelijk zoo iets, dan kon daaruit »groot rumoer en
zwarigheid lot . bloedstorting loe" ontstaan. Alzoo verzochten zij hulp en bijstand. Op
deze mededeeling werd besloten, twee leden uit het Collegie der Gecommitteerde Raden,
de Heeren
ruygnaver en meerman, naar den Briel \e zenden, ten einde Ie zorgen, dat,
overeenkomstig de pas genomene Resolutie, de officieren en soldaten aan de Magistraat
in hel handhaven der orde de behulpzame hand boden en bepaaldelyk alle dadelijkheden
van het inbezilnemen van kerkgebouwen en openbare plaatsen te keer gingen, en die
krygslieden, welke weigeren mogten deze diensten te doen, dadelijk gecasseerd werden. Ook
dit besluit ging natuurlgk niet zonder tegenspraak door: er waren er in de vergadering,
die de afgevaardigden van de Brielsche dolerenden, tegenwoordig in
den Haag, eerst
gehoord en vermaand wilden hebben zich van zulk een bedrijf te onthouden. Evenwel de
Commissarissen begaven zich naar
den Briel; drie kapiteins, wien een "nieuwe eed, dat
zg de Magistraat handhaven zouden, gevergd werd, zwoeren zulks zonder eenige zwa-
righeid. Weldra verspreidde zich het gerucht, dat Prins
maurits voornemens was de
stad te overrompelen. Hierop kwam de burgerij in de wapenen; de wachten der soldalen
werden verdubbeld, en geschut tegen de plaats, waar men gewoonlijk van de rivier aan
wal stapte, gerigt. Dit maal echter kwam de Prins niet. Maar over deze verlooning
was hij niettemin zeer verstoord. Den verscheen hij aan het hoofd van den Raad

^ t. a. p.

2 Zie over oldenbabnkvelt's karakter en manieren ook carleton, 1, p. 336, 311. II, p. 2ö.

ocr page 608

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

van State in de Staten-Genéraal. -Hier zelte bij de bezwaren uiteen, die zijns inziens 1617.
verbonden vraren aan den nieuwen eed, op last der Hollandsche Staten van het kr^'gs-
volk gevergd: zoo werden burgers en soldc^ten tegen élkaiider opgezet én dezen tot
werktuigen gebruikt om de gewetens van genen te dwingen. In het bijzonder beklaagde
hij zich over het gebeurde in
den Briel, en besloot met te vragen, dat de Staten van
Holland door de Staten-Generaal zouden worden vermaand van het vorderen van dien
nieuwen eed af te zien en zich tevreden te stellen met het oude eedformulier, volgens
Nieuwe eed
hetwelk de krygslieden trouw zwoeren aan de Staten-Generaal, aan Zijne Excellentie en ^αΓ/Ζο^βκ/νΞ
aan de Steden^ in welke zij in garnizoen lagen. Dit voorstel van den Prins gaf aanleiding J^Jg"·'^*^®''^^®"
tol langdurige en levendige woordenwisselingen. Er waren er, die vèrlangden, dat de Gene-
raliteit of de Raad van State den nieuwen eed, door de Staten van Holland gevorderd,
vernietigen zouden; doch dit kon moeijelijk geschieden, aangezien die zoogenaamde nieuwe
eed slechts de toepassing was van den ouden eed op een bijzonder geval · Wat
daarentegen het casseren der weigerachtige krijgslieden door de Staten van Holland aan-
belangt, deze Overheid kon slechts de betaling onthouden aan de ^soldaten, welke opde
repartitie harer Provincie stonden, en, deed zij dit, alsdan zouden spoedig de steden,'die
het niet mét de meerderheid eens waren, de soldij voorschieten met'het plan om deze
hare schade bij de opbrengst der provinciale belastingen te verhalen. Dus. was er aan
de eene zijde niet veel tegen den maatregel
yan Hvlïand te doeü, en aan den anderen
kant had zij zoo veel niet te beduiden. Ook verklaarde OLDENBAtiPiEVELT zich sterk
tegen 's Prinsen voorstel: hoe konden, zeide hij, de Hollandsche Gedepuleerden ter
Generaliteit medewerken lot het veranderen van een besluit i' door dè Staten hunner ,
Provincie genomen? Evenwel beloofde hij, dat dé Staten van Holland zich zoo zouden
weten te gedragen, dat men geen grond van klagt zou hebben. Toch ging het voorstel
met meerderheid van stemmen door 2. r Van hunnen kant bleven die van Holland dié
vernieuwing van den eed niet vorderen; zij hadden reden om té duchten, dat zij slechts
weigering van de soldaten zouden uitlokken. -Bij eene älgemeehe monstering moesleB
zelfs eens de Commissarissen, wilden zij de önheusche bejegening., waarméde zij bedreigd
werden, ontgaan, zich haastende verklarén, dat zij niet gekomen'waren om den eed
te wyzigen. Slechts te
Schoonhoven werden eenige Engelsche oiTicieren, die hiér in
garnizoen lagen, op het stadhuis geroepen, en in plaats van hun hier een nieuwen
eed te vergen, deed men hen slechts beloven, de Magistraat bij te slaan 3.

1 Zoo dacht zelfs willem lodewjjk^ zie Archiv, t. a. pl. p. 537. -

- GARLETOii, 1, p. 339, 340. Het verhandelde in de Staten-Generaal werd niet in het {jcwone
llegister der Resolutiën opgfenomen, maar in het Secreetboek aangeteekend. Zie voorts
ResoL
v. Holl.,
5 Aug. 1617.

3 cAnLETOJi, II, ρ. 23, 24, 33.

ocr page 609

756 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

ißl7. Met dit aï was de Regering van Holland van zins, het reces der Staten als haar

Plan der Hol-jj^j^jgjg woord beschouwende, te beproeven, hoe ver zij het met de uitvoering derReso-
landsche Rege- Â» r ' j b

ring. lutie van 4 Augustus zou kunnen brengen. Het was thans haar plan, zich zonder veel

ophef de stoffelijke kracht te verzekeren, die vereischt was om in voorkomende gevallen
haar gezag te doen gelden. Intusschen zou zij geene pogingen meer wagen om een-
stemmigheid tusschen de Leden der Provincie te verkrijgen: de bijeenkomst der Staten
kon in deze omstandigheden slechts strekken om de onmogelijkheid van gemeen overleg
V op eene ergerlijke wijze aan het licht te brengen; dus wenschte men, zoo lang het
eenigzins geschieden kon, de zitting der Stalen te verdagen. Ja de Regering zelve wilde
zich, zoo veel mogelijk, op den achtergrond houden;
oldenbarnevelt besloot, om den
wil zijner gezondheid, eerst naar
Yianen^ dan Txtxdit Amersfoort en Utrecht te vertrekken.
De Hollandsche Gedeputeerden bleven terug uit de Staten-Generaal. Zoo liep men het
minste gevaar om lot maatregelen gedwongen te worden, die men vermgden wilde, en
bij de tydelgke verwijdering der meest gehate personen, zou de verbittering eenigzins
kunnen bedaren; van lieverlede zou men zich aan den toestand gewennen; men zou
beginnen in te zien, dat de Regering zich toch ook op regt en billijkheid beroepen
mögt, en dat van al de gruwelen, waarvan men de Regering verdacht hield^ niet één
begaan werd. In één woord, men begreep de zaken een tijd lang aan haren natuurlijken
loop te moeten overlaten en na al wat voorgevallen en besloten was, zoo mip mogelijk
te moeten verrigten i.

Het liet zich wel denken, dat de tegenstanders van de staatkunde der Hollandsche
Regering haar bij dit plan geen rust zouden laten. Zij zou, daarop had men het gezet,
zich niet schuil houden; integendeel, zij zou zich hebben te verantwoorden, en tot
oplossing van de spanning, al ware het tot hare eigene veroordeeling, medewerken.

Plegtig protest Den eersten slap deed de stad Dordrecht. Den 29''°° Augustus verscheen er eene acht-
telgen de Κ^ομΙο Regering dezer stad voor het Collegie der Gecommitteerde Raden,

van 4 Aug. tegen de Resolutie van 4 Augustus plegtig te protesteren. Zy begonnen met hun

leedwezen te betuigen, dat zij het Collegie zoo zwak vonden. Inderdaad waren er,
overeenkomstig het plan der Regering, slechts twee leden tegenwoordig. Niettemin
kweten zij zich van hunnen last en verklaarden, dat hunne stad, ook na de moeite
door de Heeren
vaw duivenvoorde en hugo de groot uit naam van de Gecommit-
teerde Raden aangewend om haar over te halen, de bewuste Resolutie niet kon goed-
keuren, maar ze moest wraken, eensdeels omdat zij niet kon strekken tot wegneming
van de tegenwoordige zwarigheden, anderdeels omdat zij "genomen was bij meerderheid
van stemmen en bij afzonderlijke'beraadslaging, buiten de vergadering vooraf ont-

1 cABtETOli, II, p. 25, 47, 48.

ocr page 610

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

worpen.— Wanneer τοογ het overige de resolutie behoorlijk in stemming gebragt was, ißi?.
kon dit geen grond van niet-geldigbeid opleveren: in de Staten-Generaal gingen de vier
Provinciën even zoo Ie werk en beraamden vooraf wat zij in de zaak van de bijeenroe-
ping der Synode besloten wenschten te zien ^ Hoe het zy, op deze gronden verzochten
de Dorische Gedeputeerden, dat de Resolutie niet mögt worden ten uitvoer gelegd:
anders waren de Heeren van
Dordrecht, zeiden zij, genoodzaakt, zich riiet raad en
daad daartegen te verzetten. Veertien dagen later verschenen er Gedeputeerden van de
Protest vau
vier andere steden,
Amsterdam, Enkhuizen, Edam en Purmerend, en protesteerden ^nMufzln! enz.
mede, doch in vry wat heftiger bewoordingen: waardgelders ten koste van het Land
aan te nemen, daar men het gewone oorlogsvolk kwalijk kon betalen, was ondienstig,
en onnoodig, zoo het niet was om de eene partij er mede tc onderdrukken. Evenmin
konden zij toelaten, dat men het krygsvolk door nieuwe verbindtenissen aan het bevel
van Zijne Excellentie trachtle te onttrekken. Eindelijk, dat men den Collegien van
Justitie de hand deed sluiten, was tegen otde en gebruik des Lands en buiten alle reden,
te meer als dit strekken moest om aan de goede Gemeente Remonstranten op te drin-
gen In deze mate hadden die vier Steden alle verschooning tér zyde gezel. Zij
kwamen hare bedreiging, bij deze gelegenheid uitdrukkelijk herhaald, getrouwelijk na .
door hare grieven aan de Provinciën mede te deelen; ja zelfs lieten zij
eene Regtvaar-
diging
van hunne inzigten en handelingen drukken en zonden Afgevaardigden naar
alle steden van
Holland om de gronden van haar gedrag uileen te zetten

Doch een nog onaangenamer bezoek bedreigde de Gecommitteerde Raden van Holland, Eeno bezending
te weten, eene herhaalde bezending van wege de Staten van Zeeland. Men was onder-gitkf^om^de^b^-
rigt geweest, dat er Gedeputeerden uit
Zeeland Ie wachten waren om met de Provinciën, jf^i,

die op de bijeenroeping van eene Synode aandrongen, te beraadslagen, en om hunne/««'^·
komst te voorkomen, was
hugo de groot opzellelijk naar Zeeland geweest. Doch zijne
overtuigingskracht had ook hier gefaald. Wel was hij en de Edelman, die hem verge-
zelde beleefd door de Zeeuwsche Heeren ontvangen', maar hel volk te
Middelburg
gaf duidelijk blgken, hoe ongunstig hel over de Hollandsche Staatslieden en het doel
hunner overkomst dacht. Het schoolde in zoo grooten getale voor het Stadhuis zamen,
terwijl de Hollandsche Heeren aldaar ter vergadering waren, dat dezen geraden vonden

ï CARLETON (I, p. 293) zegt zelf: »les Députés des quatre Provinces, qui — consultent en
commun, out résoln premièrement de trailer cette afiPaire dans Paesemblée des Étate-Généraux.

2 Resol. V. Holl. 29 Aug. 12, 13 Sept. 1617.

3 liibl. ν. Pamßellen, No. 1245.
^ CAHLETON, II, ρ. 64, 65.

5 CÄRLET05 (II, ρ. 24, 25, 33) noemt hem niet. Het zal de Heer van düivenvoobdegeweest zijn,
III D
eel. 2 Stük. 95

ocr page 611

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. door feen achterdeur te. vertrekken, en te Veere bij het scheepgaan moesten zij zich
haasten om niet in het water gedrongen te worden, en toen zij van wal slaken, ging
er een gejuich op, alsof men zich gelukkig achlte, menschen, die een walg en een
afschuw waren, kwijt te zijn. Ζ,οο had men het volk opgezet tegen mannen, die het
onbevoegd was te beoordeelen, en waarop het Land regt had en nog heeft roem te
dragen. In
Holland zelf was het niet beter; in den Haag trachtte men zijne verachting
tegen ϋΥΤΕΝΒοαλΕκτ door de grofste baldadigheid, tegen zijn huis gepleegd, te ken-
nen te geven; te
Haarlem werd door zeker persoon eene weddingschap gedaan en
eene taal gevoerd, die van zulk een haat tegen den Advocaat getuigde, dat de Rege-
ring niet kon nalaten, de zaak bij de Stalen aan te geven. Doch wat was van het
volk te wachten, wanneer een Amsterdamsch Burgemeester zich niet ontzag
oldeis-
BARREYELT in de vergadering der Staten verachtelijk te bejegenen i?

Den 51"" Augustus verscheen de Heer joachimi, een der ervarenste Zeeuwsche
Staatslieden en lid der Slalen-Generaal, voof het Collegie, om van wege de Stalen van
Zeeland^ dagelijks bezig, zeide hij, met het bedenken van middelen om de kerkelijke ver-
schillen in
Holland bij te leggen, te vernemen, legen wanneer de vergadering der Slalen
dezer Provincie zou gehouden worden. Dan wenschlen zij met hen in overleg te treden.
Was er geen tyd bepaald, waarop zij weder bijeen zouden komen, zoo vraagde hy, of
er geene opzettelijke beschrijving zou kunnen geschieden. — Het was er blijkbaar op
toegelegd om den Hollandschen Staatslieden het volhouden van hun stelsel om eenigen
tijd zonder Slatenvergaderingen te regeren, een stelsel waarvan de tegenstanders voor
hunne zaak weinig goeds verwachtlen, onmogelijk Ie maken. De Gecommitteerde Raden
antwoordden, dat werkelijk de tijd, waarop de Staten bijeen zouden komen, niet was
bepaald en zoolang de Advocaat afwezig was, wel niet bepaald zou worden. Zo'nder
dringende zaken zou die Staatsman nog wel eenige dagen afwezig blgven. Intusschen
zou men hem van de boodschap kennis geven

Den September, toen de Zeeuwsche Gedeputeerden hunne geloofsbrieven, die zij
nog niet ingeleverd hadden, kwamen overhandigen, en op nieuw hun verlangen te ken-
nen gaven, dat de Slaten beschreven mogten worden, vraagden hen de Gecommitteerde
Raden mededeeling van het voorstel, dat zij gelast waren van wege de Slalen hunner
Provincie in de vergadering, zoo zij bijeen gekomen zou zijn, te doen. Dit diende
men te welen, wilde men de Stalen »met kennis" bijeen roepen. De Zeeuwsche
Heeren ontveinsden niet, dat zij dit alvveder voor eene uitvlugt hielden. Evenwel had-
den zij, ook na herhaald verzoek, ondersteund door de bitse aanmaning der Gedepu-

» Resol V. Holl. 8, 23 Aug. 1617. cmetojï, I, ρ. 342. uytenbocaert , bl. 804.
2 Resol υ. Holl 31 Aug. 1617.

ocr page 612

DES VADERLANDS. 739

•«sw

teerden van de Noord-Hollandsche Steden, Tier dagen later nog geen bepaald antwoord. if'l?·
Toen zij den derzelfde maand op nieuw aandrongen, dat de vergadering der

Staten met den eersten belegd, of hun ten minste een afdoend antwoord gegeven mögt
worden, kregen zij ten bescheid, dat men nader over de zaak beraadslagen en binnen
korte dagen antwoorden zou. Hiermede niet tevreden, dwongen zij de Gecommitteerde
Raden zich te verbinden, binnen drie of vier dagen aan hun verlangen te voldoen.
Zoo moest dan aan het uitstel een eind komen; er moest raad geschaft worden, en de
tegenwoordige leden durfden de verantwoording niet langer op hunne schouderen nemen.
Dus werden de Heeren
meerman en wittensz naar Utrecht gezonden om oldeiisarwevelt
te gaan spreken. Intusschen zouden de andere leden van het Collegie hunne lastge-
vers gaan raadplegen om te vernemen, of zij in deze omstandigheden nog verlangden
vol te houden.

Volhouden, ziedaar het bescheid, dat zg van OLDEWBARiiEVELT en van het meerendeel
hunner lastgevers inwonnen. Alzoo kregen de Zeeuwsche Gedeputeerden, volgens een
besluit by meerderheid van stemmen door het Collegie genomen, den September

ten antwoord, dat er met hoop op goede vrucht geene vergadering der Hollandsche
Staten kon belegd worden, ten ware zij zich nader geliefden te verklaren aangaande
hetgeen zij voor te stellen hadden, waartoe men hen alsnog vriendelyk uitnoodigde. De
Zeeuwsche Gedeputeerden verklaarden hierop, dat zij gelast waren, hun voorstel slechts
in de vergadering der Staten zelven te doen, en dus was aan alle verdeie bemoeüing
een einde gekomen

Doch toen was de groote vraag reeds weder voor de Staten-Generaal gebragt, en de
houding der Hollandsche Gedeputeerden in die Vergadering was van dien aard, dat de
Zeeuwen genoegzaam van de gezindheid van de meerderheid der Leden van deze Pro-
vincie onderrigt konden worden.

Reeds vóór de zoogenaamde Scherpe Resolutie had de stad Rotterdam waardgelders- Waardgelders
, , , , ,
 i^VtrechtgiW^.

ten getale van tweehonderd man, ter handhaving van haar gezag legen oproer bmnen

hare veste aangenomen 2, Thans ging ook Leiden over tot het liglen van vierhonderd
man tot hetzelfde einde Dit liet de Contraremonstranische partij met den Prins aan haar
hoofd zonder tegenstand geschieden. Maar toen de Staten van
Utrecht zes compagniën
waardgelders geligt hadden, meende men, dat niet rustig te kunnen aanzien. Hiermede,
oordeelde men, namen de Staten dezer Provincie eene al te zelfstandige hoiidiug bin-
nen de Unie aan. Waartoe dat krijgsvolk uitgerust buiten medeweten van de Generaliteit,
wanneer het niet dienen moest om den zin der ütrechtsche Bewindslieden door te drijven,

ï liesol. v.Jloll. 9, 13, 15j 23 Sept. 1617.
- CAIILETON, 1, p. 292.
2 CARLETO!*, II, p. 46.

95'

ocr page 613

740 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1017. des DOods ook legen de Generaliteit? Wat had Utrecht voor, dat buiten gemeen overleg
met de andere Provinciën zulk eene aanzienlijke magt op de been moest gebragt en
gehouden worden? Maar binnen
Utrecht had het Remonstrantisme gezegevierd; in Utrecht
had UYTEiiBOGAERT een grpoten aanhang; hier was nog onlangs eene vergadering van Ar-
minianen gehouden, om, wie weet wat, te beramen en, bovenal, hier hield OLDErt-
BARiiEVELT sints cenigen tyd zyn verblyf; hij bleef weigeren zich weder naar
Holland
te begeven: zou hij welligt hier den zetel vestigen willen van eene nieuwe Unie, wier
kracht, terwijl hi]
Holland door eenige weinige zijner handlangers liet regeren, van
De Prins ver-hem te Utrecht uitging? Geen wonder, dat, waar tot zulke vragen grond scheen te
tegen''beslaan, de Prins zich de zaak aantrok. Hij verscheen den 1September met den Raad
van State in de vergadering der Staten-Generaal. De ligting, door de Provincie
Utrecht
ondernomen, verklaarde hy, was eene zaak van groot gewigt en veruitziende gevolgen.
Diensvolgeiis verzocht hy Hun Hoog Mogende» daarop te letten en een besluit te nemen,
zoo als zij voor het gemeene beste en de verzekerdheid van den staat van den Lamie
zouden bevinden te behooren. Voor zijn advies en dat van den Raad van State draalde
hij niet uit te komen. Immers op grond dat door d« Provinciën, zonder voorkennis
van de Generaliteit, geen krijgsvolk behoorde te worden aangenomen, vermits dit lot
verwarring in den staat van den Lande en in de financiën, alsmede tot naijver onder
het krijgsvolk leiden zou^ stelde hij voor, dat de Staten van
Utrecht van wege de
Staten-Generaal verzocht zouden worden, de redenen op te geven, die hen tot de be-
wuste ligting hadden bewogen, en met deze ligting intusschen niet voort te gaan. Op
dit advies vallen de ütrechtsche Gedeputeerden,, de Heeren
de goijeiv en van moers-
bergen
, het woord, en gaven te kennen, dat zij lot dus verre van die ligting niets
zekers vernomen hadden, maar durfden verzekeren, dat zij geschieden zou tot dienst
van de Generaliteit en tot beveiliging van de Provincie en de stad
Utrecht legen dezul-
ken, die na de muiterij van 1610 der Regering nog een kwaad hart toedroegen. Ook
waren de »Papisten" aldaar talrijk, en moest men niet vergeten, dat de wervingen ten
behoeve van den Koning van Spanje en de Aartshertogen aan de sterkte van ons leger
afbreuk deden. Dit waren slechts uitvlugten, waarmede de Gedeputeerden zich voor
het oogenblik behielpen. De ware oorzaak der ligting was deze, dat de Staten en de
Magistraat te
Utrecht zich en hunne stad en Provincie niet medegesleept wenschten te
, zien in de contraremonstrantsche omwenteling, die al dreigender en dreigender kwam
opzetten. Op die gronden evenwel verzochten de Heeren
van moersbergen en degoijer,
dat de Staten-Generaal betreffende de ligting niets besluiten zouden, voor en aleer de
Staten van
Utrecht deswegens waren gehoord. Niettemin besloot de Vergadering aan de
Staten dier Provincie te schrijven, dat de bewuste ligting Hun Hoog Mögenden te vreemder

' CAHLETOS , II, p. 45.

ocr page 614

DES VADERLANDS. 785 -i:

Toorkwam, omdat zij bij de zorg, die de Staten van Utrecht steeds τοογ de rust en jgi^;
orde in hunne Provincie gedragen hadden, zich niet konden voorstellen, dat er thans
een bijzonder gevaar dreigde. Bij gevolg verzochten en begeerden zij, dat zij de lig-
ting zouden slaken, tot dat zij hen onderrigt zouden hebben van de redenen, die
hen tot dien maatregel hadden bevlogen. Spoedig kwam er antwoord van de Staten van
Utrecht op dit schrijven; maar het werd onvoldoende bevonden, en op advies van Zijne
Excellentie en den Raad van State werden er vier Gecommitteerden benoemd, de
Gecommitteer-
leden van ditzelfde Collegie van randwijk, van driel ^ en lyglama, en deTresorier-J®^
Generaal
de bie, om naar Utrecht te vertrekken ten einde de Stalen en de Magistraat
te bewegen de ligling te slaken, en verder niets te doen, dan op order en met toestem-
ming van Hun Hoog-Mogenden. Bovendien werd aan den Colone!
ogle, Gommandanl
van het krijgsvolk te
Utrecht^ die zich op het oogenblik te Dordrecht bevond, gelast,
zich terstond naar
Utrecht te begeven, en in gemeen overleg met de Staten en de Ma-
gistraat aldaar te zorgen, dat alles in die slad »in goede orde, rust en stilligheid ge-
handhaafd werd", en er geene »nieuwigheid" toe te lalen. Eerst nadat lang over dit
woord
nieuwigheid geredetwist was, werd het in de instructie opgenomen, op grond dat
men meende te weten, dat
oldenbarnevelt een bevelschrift bij zich had, strekkende om
de Hoofd-Officieren van de repartitie van
Holland^ te Utrecht in garnizoen, den Staten
van
Utrecht trouw te lalen zweren Werkelijk was den 26''°° September bij de Ge-
commitleerde Raden van
Holland voorgesteld, om op verzoek der Staten van Utrecht,
tot voorkoming van ongelegenheden tusschen het oude en het nieuw aangekomen gar-
nizoen binnen
Utrecht^ aan de Officieren van de soldalen, die ter repartitie van//o//öMt/
stonden, te schrijven, dat zij zich te gedragen zouden hebben naar de bevelen van de
Staten en de Magistraat van
Utrecht ^ gelijk zij naar hunnen eed schuldig waren.
Toen had
witsz zich daartegen verklaard en de Vergadering, zoo het schijnt, in een
ontevreden stemming verlaten.· Den volgenden dag was Prins
maurits met het plan tot
dat schrijven bekendgemaakt en liet hij eenige leden van het Collegie der Gecommilteerde
Raden voor zich komen, die hy verzocht, dat men voor alsnog zoo iels niet schrijven
zou, noch het doen zou, zonder hem daarin te kennen — Den 5·^®° October waren
de Gecommitteerden te
^s Hage terug, en in tegenwoordigheid van Prins maurits en
den Raad van Slale deden zij verslag van bun weervaren in de Staten-Generaal, Alles
Antwoord
was vervat in een schriftelijk antwoord der Staten van Utrecht, Met bijzonder genoegen

ï Oud-burgemeester van Rolt&rdam^ sints Mei 1617 lid van den Raad van State. Zie ResoL
Stat.-Gen.
1 Mei, 1617.

2 Resol. Stat.-Gen. 18 Sept. 1617. cabletos, 11, p. 63, 64, 73,

3 licsol. V. IM. 26 , 27 Sept. 1617.

ocr page 615

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. en erkentelijkheid (zoodanig was de strekking van dit antwoord) badden de Staten in
de lot hen gekomen Comraissie een blijk gezien van de helangslelling der Staten-Gene-
raal, en zij twyfelden niet, of, gelijk dezen hen in het jaar 1610 tegen het oproer
gehandhaafd hadden, zoo zouden zij hen ook thans niet beletten zich tegen het oproer
te wapenen, en zich in staat te stellen om hunne bondgenooten tegen gewelddadig
verzet bij te staan. Het gebeurde in 1Ö86 en 1610 had bewezen, hoe noodig het was
zich bij tijds gereed te houden, en de straffeloos gepleegde wederspannigheid, die de
Staten van
Holland moesten verduren, had hen op eenen maatregel bedacht doen zijn,
die hen behoeden moest voor de noodzakelijkheid om op hunne beurt voor geweld te
bukken. Tot dien maatregel waren zij volkomen bevoegd wegens het regt van Souve-
reiniteit, hetwelk hun in hunne Provincie alleen toekwam en dat zij sedert de afzwering
van den Koning van
Spanje bestendig hadden doen gelden, een regt, dat de Staten-
Generaal, Volgens het eerste artikel der Unie'(waarop het bestaan der Generaliteit ge-
grond was), gehouden waren met raad, lijf, goed en bloed voor schennis te bewaren,
Deze Souvereiniteit bragt in de eerste plaats mede, dat elke Provincie het regt had,
zich tegen dreigend geweld te wapenen. Haar dit regt te willen benemen zou regt·
streeks slryden met de bezworen beloften, en de Gedeputeerden der Provinciën ter
Vergadering der Staten-Generaal zouden met geene mogelykheid wettig gemagtigd
kunnen zyn om dat regt tot een punt van onderzoek te maken. Ook Zijne Excellentie,
als Gouverneur van
Utrecht, zou tot het ontnemen van dat regt niet begeeren noch
wettig vermogen te adviseren, aangezien hij bij commissie en instructie, by hand en
eede bevestigd, beloofd had, de ordonnantiën en resolutiën, door de Staten van
Utrecht
gemaakt en nog te maken, zoo op de religie als anderzins, uit te voeren en te doen
uitvoeren, na te komen en te doen nakomen. Eindelijk ook de Raad van State zou
evenmin tegen datzelfde regt kunnen optreden, dewijl bij een afzonderlijk artikel van
zyne instructie uitdrukkelijk verklaard was, dat de Staten-Generaal noch de Staten der
Provinciën van hunne Souvereiniteit afstand hadden gedaan, maar ze zich in alle zaken,
in die instructie niet in 't bijzonder genoemd, hadden voorbehouden. Hun regt, der-
halve tot het nemen van den bewusten maatregel was boven alle bedenking verheven,
en wat hunne beweegredenen daartoe betrof, niemand kende den staat hunner Provincie
beter, dan zij, noch was meer geneigd om haar geene onnoodige lasten op te leggen.
Doch de haar thans opgelegde last van het bezoldigen dier zes Compagniën was maar
al te noodig: immers ging er geen dag voorbij, dat men niet van het uitslaan van op-
roerige taal en van het uitgeven van schotschriften tegen hunne regering hoorde; ja,
men streefde kennelijk om der Staten regt en gezag anderen in handen te spelen, en
ontzag zich niet, luide eene omwenteling te voorspellen. Wat hel bezwaar betrof,
dat het garnizoen over de nieuwe ligting ontevreden kon zijn, dit mögt niet gelden,
vermits de krijgslieden volgens hunnen eed gehouden waren, zoolang zij in de stad,

ocr page 616

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

de steden en in het gewest van Utrecht gebruikt werden, de Staten van Utrecht Ie 1617.
eerbiedigen en te gehoorzamen. Waarom zou men ook thans meer bezwaar zien in
den onderscheidenen eed door deze en gene troepen gezworen: zelfs krijgsvolk, door
de Generaliteit betaald, diende op verscheidene commissiën en eeden. Ten slotte, de
slaat van oorlog zou bij hunne ligting niet lijden, daar zg van zins waren hunne ge-
dragen consenten boven het onderhoud der waardgelders even goed op te brengen
als de andere Provinciën. — Ziedaar voorwaar ronde teal. In geenerlei opzigt ont-
veinsden de Staten van
Utrecht ^ dat het dry ven der Contraremonstranten in Holland in
hun oog niets anders was dan oproer, en dat zij evenmin gezind waren voor zulk een
onweltigen dwang te wijken, als zij er behoudens het onwedersprekelijkst regt toe ge-
dwongen konden worden. Geen wonder, dat men in zulk een staatstuk de hand van
OLDENBARHEVELT meende te herkennen — Na het lezen van dit schrijven werd hel
advies van Zijne Excellentie en den Raad van State gevraagd, die daarop antwoordden,
dat zij raden zouden, den Stalen van
Utrecht op nieuw ernslig te schrijven, en te
trachten hen met goede redenen, die dienen mogten om hunne bezwaren op te lossen,
zonder hunne Souvereiniteitsregten te na te komen, te bewegen »bij deze gelegen-
heid en by de tegenwoordige geschillen in religiezaken" de gedane ligting te willen
laten varen, en zich bij het meerendeel der andere Provinciën en bij Zijne Excellentie
en den Raad van State te voegen. Duidelijker kon wel niet te kennen gegeven worden,
dat men de vraag van het regt ter zijde liet, maar de Staten van
Utrecht aanmaande,
eene door den eisch der tydsomstandigheden te wettigen staatkundige partij te kiezen.
De meerderheid omhelsde dit advies, en de Raad van State zelve (niet zoo als vroeger
een lid der Vergadering of de GrifiSer der Staten} werd verzocht zulk eenen brief te
ontwerpen, die dan in de Vergadering zou vastgesteld worden. De Hollandsche Gede-
puteerdeo keurden het herhaalde schrgven af, daar de ligting toch reeds voltrokken was,
en tegen het tevens genomen besluit om aan
ogie bij vernieuwing den last op te dra-
gen, dat hy aües »in stilte zou houden," deden zij gelden, dat dit een zonderlingen
blaam op de stad wierp, aangezien alles te
Utrecht »in stilte" was. De ütrechlsche Ge-
deputeerden verklaarden rondborstig niet te kunnen goed heeten, dal men de Staten
hunner Provincie op nieuw lastig viel, terwyl zg niets anders deden, dan wat zij naar
eed en pligt gehouden waren te doen.

Terwijl Utrecht zich zoo gelden deed, had ook Holland zich in de Vergadering der Hervatting der
Staten-Generaal dapper gekweten. Den Sejrtember herinnerden de Zeeuwsche Ge- in^äS^Ge-

depuleerden, hoe in Junij laatstleden bepaald was, dat de beraadslaging over de bijeen-
roeping eener Nationale Synode binnen Iwee maanden aan de orde gesteld zou worden
Nationale Syoo-

ί Resol Stal,'Gen. 19, 26 Sept.; 3 Oct. 1617. carleto», 11, p. 73.
2 lie hiervoor, bl. 726 , 727.

ocr page 617

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. Deze termijn was ruim verstreken, en weder waren buitengewone Gedeputeerden in
den Haag ^ en de staal der godsdienstige zaken was sedert niet verbeterd, maar werd
integendeel met den dag erger, en er kwamen hoe langer hoe meer staatkundige be-
langen in het spel. Diensvolgens drongen zij aan op de dadelijke hervatting der toen
iiitgeslelde beraadslagingen. Aan deze aanmaning werd onverwijld gevolg gegeven. Den
volgenden dag zouden de gevoelens verder gehoord zijn geworden, wanneer de Holland-
sche Gedeputeerden niet op nieuw een dag uitstel verzocht hadden. Maar den onder
het Voorzitterschap van den Heer
van malderé, wiens heftigheid tegen de Remon'
stranten naauwelijks grenzen kende i, zou er dan ook doorgetast worden. De adviezen
werden verder ingewonnen, en onder anderen het voorstel gedaan om eenigen uit de Ver-
gadering te committeren ten einde de bemoeijingen, ten jare 1607 ter bijeenroeping
eener Algemeene Synode gedaan, weder op te vatten en eenige artikelen, behelzende
de orde, tijd en plaats van zulk eene Synode, te ontwerpen. Ook namen sommige
van de Provinciën aan, hare adviezen op schrift te brengen, ten einde de President
daaruit een besluit zou opmaken. Doch wederom wisten die van
Holland uitstel
te erlangen: zij hadden, zeiden zij, op de uifgebragte adviezen nog iets in het
midden te brengen, hetwelk zij zich verbonden in te leveren. Niettemin werd
met meerderheid van stemmen bepaald, dat de Provinciën hare adviezen schriften
lijk zouden overgeven. In den namiddag van denzelfden dag beraadslaagden de Ge^
committeerde Raden van
Holland over het dien morgen in de Slaten-Generaal voorge-
vallene, en de uilslag van hun beraad was, dat zij de Heeren
vak der dussew en vax
TEiLiKGEN gelastten, »zich in stiihgheid eens naar Utrecht bij den Heer Advocaat te
vervoegen om zijn raad en advies, en om hem te verzoeken zoo spoedig mogelijk te
huis te komen." Eerst den 26'*®" konden deze beide Heeren verslag doen van hun
bezoek bij
oldekbarnevelt ; dus te laat om daarvan partij te trekken voor de zitting
van dien dag. Men wist evenwel de beraadslagingen in de Slaten-Generaal nog een
dag te doen uitstellen, door in deze Vergadering een verzoek in te zenden om hand-
having van het openbaar gezag der Provinciale Overheid tegen volksberoerten. Dit
verzoek toch stelde eene andere vraag aan de orde, en ten gevalle van de Hollandsche
Gedeputeerden werden zoowel de beraadslagingen over dit verzoek, als alle andere, die
met het kerkelijke vraagstuk in verband stonden, tot den volgenden dag uitgesteld.
Dus kregen de Gecommitteerde Raden lijd om
oldenbarwevelts advies in overweging
te nemen. En hoedanig was dit? Een stellig besluit tot het houden eener Nationale
Synode moest men »bij alle goede wegen" te keer gaan, maar aandringen op het
committeren van personen van beide partyen, belast met de taak om den -staat van het

ï Hij had zich laten ontvallen, dat zoo men zes of zeven Remonslrantsche predikanten aan een
hing, de zaken haast geaccommodeerd zouden wezen
(uytewbogaert, bl. 802).

ocr page 618

DES VADEBLANDS. 745

Yfaagsluk te stellen in die Provinciën, waar godsdienslgeschillen bestonden; daarna igi'
moesten er Provinciale Synoden bijeenkomen, en moest men zien, lioe ver men de zaak
daar brengen kon, om zoo eindelijk tot eene Nationale Synode over te gaan. Zoo de
Provinciën evenwel eene Nationale Synode zonder die voorbereidende maatregelen door-
dreven, moest
Holland daartegen protesteren en de nietigheid van zulk een besluit bij
in te leveren acte staven. Dadelyk kwam
hugo de groot in de Vergadering der Gecom-
mitteerde Raden, evenwel bij afwezigheid van de Heeren
wittensz en verdam, met
een ontwerp van zulk een »protest van nulliteit" voor den dag om in geval van nood
te gebruiken, maar de vaststelhng werd nog een dag uitgesteld, en toen nu den vol-teï.
genden dag het ontwerp op nieuw voorkwam, gaven de Heeren
wittensz en witsz
hunne goedkeuring niet. Werd ooit zulk eene acte ingeleverd, zoo zouden zij uit
naam hunner principalen eene verklaring daartegen over stellen, waarvan zy het ont-
werp reeds dadelyk ter tafel bragten.

Doch de boodschap der Gecommitteerde Raden aan oldeiïbarnevelt had ook gestrekt
om hem aan te sporen ten spoedigste t'huis te komen. Aan dit gedeelte van het ver-
zoek had hi] geen gehoor gegeven: de Afgevaardigden bragten dienaangaande het berigt
mede, dat hij »nog gansch zwak en ongeschikt was lot het behandelen van Staats-
aangelegenheden" i, Î¹

Op den 27'*®° van de maand September zou de groote zaak zonder vtrder uitstel in
de Staten^Generaal ter sprake komen. Maar toen had het voorstel van
Holland den
voorrang. Het strekte daartoe, dat, aangezien de Provinciën zich op den ingeslagen
weg ten aanzien der kerkelijke geschillen niet hadden kunnen verslaan, zij zich rond
zouden gelieven te verklaren aangaande de handhaving van het openbaar gezag, zoo in
het kerkelijke als in het staatkundige, hetwelk in
Holland zoo in hel oog loopend ge-
schonden was. Dit gezaff verzocht
Holland in de eerste plaats op grond der Unie door. Holland eischt
^ ^ IIb handhaving van

de Generaliteit gehandhaafd te zien, en in de tweede plaats verzocht het, dat de Pro-haar gezag op
... 1 . 11 grond der Unie.

vincien zoodanige middelen zouden geheven voor te slaan, welke tot herstel van rust en

eenigheid, tot voorkoming van verdere zwarigheden en in hel byzonder tot stuiting van

scheuring zouden kunnen dienen en met algemeene stemmen zouden kunnen worden

aangenomen. Ziedaar op welk een terrein Holland thans de vraag wist te brengen.

Voorwaar, oldenearnevelt was niet Ie vergeefs geraadpleegd. Het was of de Regering

dezer Provincie nieuwe kracht bekomen en nieuwe kans gekregen had om id den zwa-

ren strijd de overwinning te behalen. Immers waren thans de vier Provinciën met hare

twee Gouverneurs en den Raad van State genoodzaakt om er vooruil te komen, dat

zij het wettig gezag in Holland niet legen gewelddadig verzet verkozen te verdedigen

Outwerp-^)?O-
test van nulli-

en de verpligting, door de heilig bezworen Unie hun opgelegd, niet telden. Geen

^ Resol. V. Holl. 23, 26 Sept. 1617.
III Deel. 2 Stük.

94

ocr page 619

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

lfil7. wonder dat na deze krijgsbeweging in het kamp van den tegenstander een weinig
Terwarring ontstond. Toen op Hollands voorstel ornvrage gedaan was, waren de adviezen
der Provinciën zoo uileenloopend, dat er geen besluit kon genomen worden. Maar men
werd het spoedig eens, dat men zich niet uit het vehl zou laten slaan. Des anderen
daags werd op verzoek van de Geldersche Gedepuleerden het nemen van een besluit
weder uitgesteld, en den 29"®" waren de vier Provinciën gereed met hare adviezen,
die daarna, volgens het voorstel van don Voorzitter in de vergadering van den
op schrift gesteld, aan den Griffier der Stalen werden overhandigd. Deze adviezen nu
sloegen op
Hollands voorstel hoegenaamd geen acht, en alzoo werd aan de Regering

Voorstel der dezer Provincie regt geweigerd. De Gedeputeerden van Gelderland verklaarden over-
4 Proviuciëu lot Â· i . , , i i i i · i i , · ·

bijeenroeping eenkomstig de meenmg hunner lastgevers, dat lol beslechtmg der godsdienstige ge·'

> »die de gemoederen der ingezetenen veronlrusllen en de gemeene zaak met
gevaar bedreigden," de bijeenroeping eener Nationale Synode noodwendig was, en diens-
volgens stelden zij voor, op den grondslag in de maand Mei des jaars 1607 gelegd,
voort te bouwen en dadelijk uit elke Provincie Gecommilleerden te benoemen, om do
noodige voorbereidende bepalingen te maken. Met eenigzins andere bewoordingen ad·^
viseerden Zeeiandl,
Friesland en Groningen en Ommelanden hetzelfde. Doch het ontbrak

Tegenvoorstel ook dit maal niet aan een krachtig, mede schriftelijk ingeleverd tegenadvies van Hol-

vaii Holland.

land. Het hield, overeenkomstig den ingewonnen raad van oldenbarwev&lt, de uit-
eenzetting in
Tan de noodzakelijkheid eener Provinciale Synode, om wanneer deze do
zaak niet volkomen uit kon maken tot eene Nationale Kerkvergadering te komen. Reeds
waren, heette het, de Stalen van
Holland bezig om door het stellen van den staat des
geschils en andere maatregelen zulk eene Provinciale Synode voor te bereiden. En
vermits middelerwijl de Regering haar gezag behoorde te handhaven, zoo herhäalde de
Provincie, uit kracht van bij de Unie bezworen beloften, het verzoek om handbieding
tegen volksonlusten. Aangezien voorts de bescliikking over het stuk der Religie bg de
Unie aan elk der Provinciën was voorbehouden zoo kon
Holland niet toestaan, dat
in deze zaak iets tegen wil en dank van eenige Provincie bepaald werd. Voor alsnog
derhalve
Terzette zij zich tegen de benoeming van Gecommitteerden ter voorbereiding
eener Nationale Synode. Ging men hiermede voort, zoo zöu zij daartegen protesteren
op grond van verkrachting der Unie en overweldiging van de vrijheid en geregligheid
dezer Landen, en alles onwettig en van onwaarde verklaren wat op dien voet ondernomen
werd, terwijl zij zich onschuldig kende aan alle misverstanden en ongelogenheden, die
daaruit verder konden voortvloeijen, Doch de blijken, dat
Holland in zich zelve niet
eendragtig was, bleven ook thans niet achter. De Steden
Dordrecht^ Amsterdam^ Enk^

Afzonderlijke Awi^en, Edam en Purmerende leverden eene afzonderlijke verklaring in, waarby zy
verklaring der 5

Steden. -—--------

J Men zie Artikel 13 der Unie.

ocr page 620

DES VADERLANDS. 747

beluigden, dal de legensland tegon de Nalionale Sjnode volslrckt niel mel haar genoegen 1617.
geschiedde. Tegen deze afzonderlijke verklaring braglco de Hollandsche Gedeputeerden
nog op denzelfden dag het volgende in: de orde, in de Staten van
Holland in acht
genomen, bragt mede, dal bij meerderheid van stemmen besluiten genomen werden,
behalve in zekere mei name uitgezonderde zaken, waartoe echter de Religiezaken niet
behoorden; ook de inslruclie, door de Gecommitteerde Raden bezworen, schreef dit
Goliegie voor, bij meerderheid van stemmen besluiten te nemen, en verbood de leden
ia hunne bediening op kwartieren of sleden in het byzonder Ie letten. Bij gevolg mögt
ia de Generaliteit op de af/.onderlijke verklaring van eenige Hollandsche Steden of bg-
zondere leden van genoetnd Goliegie geen acht geslagen worden.

De Utrechlsche Getlepuleerdt n verzetten zicli in hun schriftelijk advies op meer al- Advies rau
gemeene gronden tegen het bijeenroepen eener Nationale Synode en den tol voorberei-
ding daartoe voorgeslelden maatregel. De tegenwoordige tijd, zeiden zij, was niet ge-
schikt om iels vruchtbaars tot vrede en godzaligheid strekkende van zulk eene Synode
te wachten. Men niogl zich niet beroepen op heigeen in 1597 en 1606 ten aanzien
Tan het houden eener Nationale Synode besloten was, vermits dit door hen zeiven, die
nu de Synode dreven, was weersproken en verwor[)cn. Bovendien wat waren sedert de
zaken en de stemming der gemoederen veranderd! Noodiger dan het byeenroepen eener
Synode vonden zij het handhaven der Overheid legen overweldigingen en verguizing,
waartoe de Provinciën jegens elkander bij de Unie verbonden waren. Daar, eindelijk,
bij dezelfde Unie de Godsdienst aan het goeddunken van elke Provincie was overgelaten,
zoo kon de eene Provincie de andere op dit stuk niets opdringen, ten ware raen de
Unie moedwillig en zonder oorzaak wilde breken, hetgeen een middel zou zijn lol haren
val, waarnaar de vijanden van Gods heilig Woord en van den welstand dezer Landen zoo
zeer verlangden. Wilde men niettemin de Synode doordrijven, zoo protesteerden zij wegens
onmiskenbare schennis van de Unie en van andfre pleglige verbonden, daarop gegrond,
en wegens miskenning van dezer Landen regten , vrijheden en privilegiën, die zij mei hunne
goede bondgenooten besloten waren te handhaven naar hun uiterst vermogen. —
Overijssel
bleef, doch met minder levendigheid, zich legen het houden eener Nalionale Synode |

verzeilen. Ging men daartoe over, zoo behield Overijssel zich haar zelfstandigheid t

voor, en zou het gezag der Overheid in kerkelijke zaken, gelijk zij sleeds gedurende |

de Reformatie gedaan had, welen te handhaven Zoo spraken de Overijsselsche Ge- |

deputeerden, doch in hunne Provincie begon zich de Contraremonstranlsche partij krach- ji

tig te laten gelden. Eenige dagen later verschenen er Afgevaardigden uil do sleden De- vcrdeeWheid |
venter en Hasselt
om, legen het besluit der Stalen hunner Provincie, zich aan te sluiten f

aan het gevoelen dergenen, die op het houden eener Synode aandrongen. De meeste ilj

ï liesol. Stat.-Gcn. 21, 22, 23, 26, 27, 29 Sept. 1017.

94*

ocr page 621

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. Jonkers yan Vollenhoven ^ verzekerden zij daarbij, hadden bovendien bij missive aan de
Regering van
Deventer en van Hasselt de bevordering eener Synode aanbevolen; ja,
de stad
Vollenhoven zelve had schriftelijk verzocht haren naam bij de aanbeveling eener
Nationale Synode te gebruiken. Oe brieven van den Prins en de bemoeijingen van
GARLETON Waren alzoo niet zonder vrucht gebleven. De laatste schryft zelf naar zijn
Hof: »Ik heb als byzonder persoon op eenige van de voornaamsten der drie Provinciën,
die zich tegen de Nationale Synode verzetten, trachten te werken, zonder mij openlijk
der andere partij toegedaan te toonen, opdat de zaak het aanzien hebbe, alsof zij uit eigen
beweging handelden en niel op aanstoking van anderen." Reeds bleek het, dat
Over-
ijssel
zich ligt aan de vier Provinciën zou aansluiten: alleen Kampen hield zich sterk
aan den kant der Remonstrantenf en trachtte zelfs met boeten het hooren van predika-
tiën van leeraars der andere partij te keer te gaan; maar ook
Zwolle was reeds weife-
lend ^ Hoe het zij, nog protesteerden de Gedeputeerden der Provincie ditmaal tegen
de handelwyze der Steden
Deventer en Hasselt^ als eene nieuwigheid, aangekant legen
de Staatsregeling hunner Provincie, en inzonderheid tegen de aanmatiging derzulken,
die niet eens tot de Staten der Provincie beschreven waren, noch daar ooit verschenen,
cn toch verzocht hadden, dat hun naam in deze zaak gebruikt werd 2. !

De sterke protesten van Holland en Utrecht konden niet missen ten minste eenigen
indruk te maken. Niemand kon twyfelen aan de waarheid, dat in het stuk der Re-
ligie geene overstemming gelden mögt. Vandaar dat men reeds in Mei en Junïj de
vraag geopperd had, of het niet raadzaam was, dat de vier Provinciën met de vijf
Ilollandsche Steden een afzondeflyke Synode hielden, in de meening, dat niets den
)) Arminianen" meer afbreuk kon doen 3. Doch deze maatregel zou der Hollandsche
Regering de zaak gewonnen gegeven hebben, die zich dan ook gansch niet afkeerig
van dit denkbeeld betoonde. Immers zou zij alsdan haar stelsel van onderlinge ver-

1 carleton, i, p. 312. II, p. 61, 68, 73.

2 Resol. Stat.-Gen. 4, 12 Oct. 1617. Dc stad Hasselt had geen regt van stemmen in de Staten
van
Overijssel, evenmin als- de stad Vollenhoven; wei de gedeputeerde Jonkers uit het baljuw
schap Vollenhoven
(zie wicquefort, Hist. d. Prov. Un. L, 1.). Den 25"«" Nov. 1617 overhandigden
dc Gedeputeerden van
Overijssel ter vergadering der Staten-Generaal eeneti brief van dc Staten
Imnner Provincie, het verzoek behelzende om handhaving van hun souverein regt tegen den
tegenstand van sommigen in hunne Provincie, waaronder dezulken die bloot
onderdanen waren
zonder regeringsregten
{Resol. Stat. Gen.).

3 Archiv. S. II, Τ. II, ρ. 522, 525. carleton, I, ρ. 313. II, ρ. 30, 46, 73. De Grondwet
van den Staat verbood zulk eenen maatregel in het geheel niet: integendeel het IS**® Artikel der
Unie, later gcamplieerd, erkende de Godsdienst als een hijzonder belang niet alleen van elke
Piovincic, maar ook van elke
Stad.

ocr page 622

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

draagzaamheid, des noods met Utrecht en Overijssel verbonden, in een Synode hebben i(;i7.
kunnen lalen bezegelen, en zij ware op haar grondgebied onaantastbaar gebleven.
Dus liet men het denkbeeld van een afzonderlijke Synode varen. Doch in allen geval
^τas dat denkbeeld een blijk, dat men de onmogelijkheid om
Holland met wettige
middelen tot de Synode te dwingen inzag. Zoo zal dan ook nu de krachtige taal dier
hvee Provinciën niet geheel zonder uitwerking gebleven zijn. Welligt mogen wij hier-
van een bewijs zien in de poging, die nog in de Vergadering van den 50"®" September
averd aangewend om de denkbeelden van oldenearitevelt te doen zegevieren. Immers
werd toen voorgesteld, dat elk der Provinciën, om de kerkelyke geschillen te beter bij
te leggen, door eene Commissie van godgeleerden en politieke personen den staat der
vraagstukken zou laten stellen en » eenen bekwamen voet van onderlinge verdraagzaam-
heid beramen," waardoor middelerwijl alle verdere scheuring zou geweerd worden.
Tevens zou den predikanten verboden worden » verder eenige hevigheid in hunne pre-
dikatiën te gebruiken, waardoor de gemeenten niet gesticht, maar veeleer legen hare
Overheid en tegen elkander opgezet werden." Doch al zulke voorstellen werden door
de drijvers der Synode, wel bewust van welken kant zij kwamen, als tot gevaarlijk
uitstel leidend uitgekreten, en konden dus de Vergadering niet tol een eenstemmig
l)esluit doen geraken i. Integendeel, men had vast besloten niet alleen in weerwil van
Hol-
lands
en Utrechts protest de Synode door te zetten, maar ook vooreerst aan deHolland-
sche en daarna, zoo het eenigzins geschieden kon, ook aan de Utrechtsche Regering de
middelen te benemen om haar regt te handhaven. Dit bleek dadelijk ten duidelijkste.
In de laatste dagen van September, namelijk, nam de Prins de gelegenheid, dat de
De Prins ver-
Magistraat van den Briel waardgelders wilde doen ligten, te baat, om te toonen,
hij niet gezind was, dit overal toe te lalen. Op het berigt van dat voornemen der
Brielsche Regering begaf hij zich derwaarts in den nacht van den 28"'°° September met
Prins
Hendrik, verscheidene Engelsche en Fransche Officieren en eenige soldaten van
zyne lijfwacht, en kwam onverwacht 's morgens om zes uren met het opengaan van
de poort daar binnen. Dadelyk ontbood hij de Magistraat in zijn logement bij zich,
en gaf haar zijn verlangen te kennen, dat zij de Vroedschap zou vergaderen. Binnen
een uur was de Vroedschap bijeen, en liet zich de Prins op het Stadhuis vinden. Hier
gaf hij onbewimpeld te kennen, dat hij gekomen was om hun te ontraden de voorge-
nomen ligting van waardgelders door te zetten. De Vroedschap verwijderde zich hierop
eenigen tyd om te beraadslagen, en kwam met het antwoord terug, dat zijgeene waard-
gelders ligten zoude, wanneer de Prins nog twee Compagniën soldaten
in de stad wilde
leggen. Dit was slechts een glimp, dien zij gaf aan de onderdanige herroeping van
haar besluit. De Prins stond natuurlijk het verzoek om die vermeerdering
van garnizoeo

ncsol. Stat.-Gen. 30 Sept. 1617.

ocr page 623

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1C17. gereeilelijk loe, en gaf order aan de Compagnie van den Kapitein treslong, en aan
die van zijnen broeder Prins
heindrik, de laalsle in garnizoen Ie Del β, oin naar den
Briel
op te rukken. Zijn verlrek uil V Gravenhage was intussclien niel lang onbekend
gebleven, en het is ligt na te gaan, welk eenen indruk deze slap op de leden der
Regering, aldaar tegenwoordig, maken moest. Allerlei vreemde geruchten van's Prinsen
plannen kwamen in omloop, en toen de Gecommitteerde Raden de zekerheid hadden
van zijne aankomst te
Brielle, vergaderden zij dadelijk en vaardigden de Heeren äuyg-
HAVER en MEERMAN derwaarts af, » ten einde de bedoeling van Zyne Excellentie te ver-
nemen , en hera aldaar in alle voorvallende zaken op zijde te staan en van advies te
dienen, ten meeslen dienste van den Lande." Op hunne reize schijnen deze Heeren
het bevel, aan de Compagnie van Prins
Hendrik te Delft gegeven, te hebben vernomen
en daarvan door middel van den Pensionaris
camerlis^ naar 's IJage berigt gezonden te
hebben. Dadelijk verordenden de Gecommitteerde Raden, dat de Compagnie uit
Delft
niet vertrekken zou; eerst wilden zij advies van hunne naar den Briel afgevaardigde
medeleden hebben. Voorts besloot dit Collegie den Advocaat in haast van het g^ibeurde
kennis Ie geven, en daar men welligt vermoedde, dat de Prins uit
den Briel zich naar
Utrecht zou begeven om ook aldaar met behulp van het garnizoen de Staten te regt
te zetten, zoo schreef men, onder protest van
wittensz, aan de Kapiteins van de Hol-
landsche troepen te
Utrecht, om hen ernstig te vermanen, »naar hun vermogen te
zorgen, dat alles te
Utrecht stil mögt blijven zonder eenige nieuwigheid of verandering
toe te laten, en voorts de bevelen van de Staten van
Utrecht volgens hunnen eed te
gehoorzamen." Dit schrijven echter werd aan den Advocaat toevertrouwd om het aan
de Staten van
Utrecht mede te deelen of daarmede te handelen, zoo als hij raadzaam
zou achten. Middelerwijl hadden
ruyghaver en meerman, bij wie zich hun medelid
VERDAM gevoegd had, in
den Briel aangekomen, den Prins verzocht, de Compagnie
zyns broeders, zoolang hij zelf nog in
den- Briel vertoefde, daar niet binnen te laten
komen, op grond dat dit de reeds in omloop gekomen vreemde geruchten slechts stijven
zou. Doch de Prins bekreunde zich niet om dit verzoek, en verkoos de aankomst der
Compagnie uit
Delft in den Briel af Ie wachten. In de meening echter, dat men
haar zou kunnen blijven ophouden, ontbood hij de Compagnie van zijnen neef Graaf
JAW ERNST van Nassau uit Dordrecht^ en werkelijk kwam deze 's avonds den eersten
October te scheep voor de poort der stad aan. Doch reeds in den morgen van den
volgenden dag kwam de Compagnie uit
Delft aan, en kon Graaf jan ernst met zijn
krijgsvolk naar
Dordrecht terugkeeren. De Prins zelf begaf zich weder naar 'i Hage.
En zoo had de tegenparly van Hollands Regering op dit punt volkomen gezegevierd:
eene zoo belangrijke'grensvesting was onttrokken aan de magt harer eigene Regering,
die men als de handlangster beschouwde eener partij, wier ondergang men gezworen
had, en men had gezorgd, dat
oldenbarnevklt den Briel ten minste'niet lot zijn eigen

ocr page 624

DES VADERLANDS.

voordeel door de Engeische troepen zou hebben lalen ontruimen. Ook besloten de
Slaten-Generaal, na door eenen brief van den Prins uil cfen hel gebeurde vernomen
te hebben, »Zijne Excellentie voor zijne groote zorgvuldigheid, nioeile en arbeid leD
dienste van den Lande" pleglsta'.ig te bedanken

Had MAURiTs den raad van sommigen gehoor gegeven hij zou het niet bij hel
beletten der ligting in
den Briel gelalen, maar te Leiden denzelfden maatregel
genomen hebben. Hier scheen de zaak ruim zoo dringend, want in de eerste dagen
van October werd zelfs het volk aldaar handgemeen met de waardgelders, die binnen
een staketsel (halelijk de
Arminiaansche schans genaamd) bij het Sladhuis de wacht
betrokken Doch de Prins leidde alles gelijk een voorziglig veldheer. Thans van
den Briel^ en sinis lang van Amsterdam en Ënkhuizen verzekerd, meende hij de kans
te kunnen afwachten, en voor alsnog den vyand in zijne broeinesten Xefi/e« en
Utrecht
niet te moeten gaan opjagen Dit zou geweldige botsing en bloedig schandaal
hebben kunnen geven, en hiervoor meende hij, als een wijs en vaderlandlievend man,
Nederland te moeten behoeden.

Dat de meerderheid der Provinciën in de Stafen-Generaal zich door geeno protesten
zou laten terug houden van het doorzetten der Synode bleek reeds den October,
toen de personen benoemd werden, die belast zouden worden met de taak om eenigc
artikelen te ontwerpen, waarby de wyze van bijeenroeping, den tijd en de plaats der
Synode zouden bepaald worden.
Gelderland^ Zeeland^ Friesland, en Groningen en
Ommelanden
benoemden elk twee personen. Holland en Utrecht verklaarden de be-
noeming onwettig, en ook
Overijssel deed geene zoodanige benoeming. De vergadering
van denzelfden dag leverde nog een IreiTend bewijs, hoe weinig men zich
om Hollands
en Utrechts tegenstand bekreunde. Men behandelde ze als reeds veroordeelde partij.
De Secretaris van den Raad van State bragt toen de ontwerpen der brieven ter tafel,
die aan de Staten van
Utrecht ter beantwoording hunner laatste missive, en aan den
Colonel
ogle zouden gezonden worden. De Hollandsche Gedeputeerden verzochten, op
grond dat zij daarin eenige voor den slaat des Lands gevaarlijke stellingen vonden, copie
van de ontwerpen, ten einde daarop later het advies hunner lastgevers uit te brengen;

Personen be-
noemd om arti-
kelen op do bc-
Bclirijving eencr
Nationale Synode
te ontwerpen.

ï Archiv. S. II, T. II, Lettre 448. carleton, H, p. 05, 71, 72. liesol. v. Holl. 29 Sept.;
1 Oct. 1617.
liesol. Stai.-Gen. 2 Oct, 1617.

2 Zelfs in de Slaten-Generaal werd den Oct. voorgceteld, of het bij deze gelegenheid niet
dienstig zou zijn, dat Zijne Excellentie de steden bezocht, waar dat vereischt was, of hij zc ook
in meer rust en slilte hrengen kon, dan waarin zij zich thans ten gevolge van de nieuw gcligte .
compagniën bevonden.

3 OTTEKBOGAERT, hl. 887} CARIETON, 11, p. 70.
* CARLETON, II, p. 71.

7öi

Botsing lus-
schen de waard-
gelders en de
burgers te Lei'
den.

ocr page 625

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. en "^ie van Ulrechl begeerden uitstel lot nadat Holland haar advies zou hebben uitge-
bragl. Nieliemiü gelastte de President (toen was dit de Friesche Edelman BURM.vriiA),
de brieven, aangezien vijf Provinciën ze hadden goedgekeurd, zoo als zij daar voorgelezen
waren, op te stellen en af te zenden. Die van
Holland verzochten aanteekening, dat
hun copie geweigerd en het uitbrengen van advies belet was. Doch dit baatte niets,
en zij konden er zich mede troosten, dat hun, als ten spot, toen dit lot niets meer
dienen kon, copie van de brieven verleend werd
Inhoud dier Den 12''"" October bragten de acht benoemde Gecommitteerden de verlangde oulwerp-
üutweip ai e ^p beschrijving eener Nalionale Synode, steeds onder protest van Holland,

Utrecht en Overijssel, ter tafel. Het eerste artikel strekte om 14 dagen of drie weken
vóór de byeenkomst der Synode een algemeenen vasten- en bededag Ie doen uitschrijven,
om op de voorgenomen handeling Gods zegen af Ie smeeken Andere artikelen hiel-
den in, dat mede lot de Synode zouden opgeroepen worden de Kerken van de Walsche
laai onder de gehoorzaamheid van de Staten-Generaal, alsook de Kruiskerk van beide
lalen in
Brabant, Vlaanderen en andere Nederlandsche Provinciën, die zich daartoe onder
de naastgelegene Provinciale Synode voegen zouden, dat de Koning van
Groot-Brilannië,
de Gereformeerde Kerken in Frankrijk, de Keurvorst van de Paltz, de Landgraaf van
Hessen
, de Gereformeerde Kerken in Zwitserland en, des verkiezende, ook die in Oost-
Friesland
uilgenoodigd zouden worden om elk drie of vier godgeleerden te willen af-
vaardigen; dat alleen Gods woord de maatstaf der gevoelens zijn zou; dat twee personen
door elk der Provinciën benoemd en door de Staten-Generaal gemagtigd zouden worden
om de kerkelijke Vergadering te leiden, en de acten der Synode aan de goedkeuring
der Staten-Generaal zouden onderworpen worden. Voorts werd de eerste Mei des
volgenden jaars als de dag van de bijeenkomst der Synode, de eerste Februarij als
het tijdstip, waarop de voorbereidende Provinciale Synoden moesten gehouden zijn,
en eene der steden
Dordrecht, Utrecht of 'i Gravenhage als de plaats, waar de

1 Resol. Stat, Gen. 4 Oct. 1617. Den 7^®" Oct. ontvingen de Staten-Generaal antwoord van de
aanwezende leden der Staten van
Utrecht. Bij dit antwoord meldde men, dat de brief nog niet
aan de Staten medegedeeld had tunnen worden, en verzocht men de Staten-Generaal »liet regt
en de redenen van de Staten van
Utrecht heter te wegen en in meer achting te nemen, dan uit
II. 11. M. missive bleek geschied te zijn."

2 JOACIUMI, een der acht opstellers der ontwerpartikelen, had reeds den 29 Augustus voorge-
steld, zulk een bededag uit te schrijven, en wel met allerlei voor de Hollandsche Regering grie-
vende beweegredenen. De bededag was toen uitgeschreven, ook door
Holland, doch zonder
al die motieven. Zie
Resol. Stat. Gen. 29, 30 Aug. 1617. Resol. v. Holt. 4 Sept. 1617.
In zulke gebeden zegende men God voor ai het goede, dat hij Nederland verleend had en nog
verleende, en men vloekte den man, dien God tot de bewerking van dat goede wel had willen
gebruiken.

ocr page 626

DES VADERLANDS. 785 -i:

Synode vergaderen zou, voorgeslagen ^ , Deze artikelen, zou men zeggen, hadden 1C17.
niets wat de Overheid eenigzins huiverig kon maken of het gevoelen der Remonstran-
ten vooraf scheen te veroordeelen. Het is waar, maar niettemin was de zaak der Re-
monstranten reeds veroordeeld in, de schatting dergenen, die het houden der Synode
doordreven, en wier rigting in die Kerkvergadering ongetwijfeld den boventoon zou
voeren. Bovendien, het besluit tot de bijeenroeping was eene zegepraal van Slaatslieden,
die zich niet ontzagen eene kerkelijke partg te vleijen, welke even gevaarlijk was voor
den Slaat als voor de ware beginselen der Reformatie. Eindelijk, met dat besluit stelde
men de oproerige tegenstanders der Hollandsche Regering in hel gelijk, en gaf men
deze Regering, die immers verlangde, dat vóór de bijeenroeping der Syiiode haar ge- ''
schonden gezag gehandhaafd werd, aan hare vijanden prijs. Daarom bleef OLDEifBARKE-
YELT onwrikbaar. Weinig tijds later smeekte hem een Remonstrantsch predikant, waar-
schijnlijk TJYTENBOGAERT Zelf, de Staten van
Holland te willen overhalen om hunne
toestemming te geven tot hel houden eener Nationale Synode: immers zou men haar
zonder
Hollands toestemming toch doordrijven, »al moest men daartoe ook de geheele
Regering veranderen, door al degenen, die zich tegen de bijeenroeping der Synode
verklaarden, af te zetten;" gebeurde dit, zoo zouden de Remonstranten zeker veroor-
deeld, en, indien zij zich alsdan niet aan de Synodale decreten wilden onderwerpen,
uit het Land verbannen worden. Zoo iets was niet te vreezen, indien de Regering
onveranderd bleef, vermits deze alsdan mede hare Gedeputeerden in de Synode zou
hebben, en zou kunnen maken, dat ook de Remonstranten naar behooren gehoord
werden en mede mogten stemmen met eenige kans op een gematigd vonnis, welke
anders verre Ie zoeken zou zijn. Doch wat was OLDE^BARTiEVELτs antwoord? Het
luidde »kort en scherp," zegt de berigigever: »dat zyne eer en eed, den Landen ge-
daan, hem niet toeliet, zijnen Heeren Meesters te raden wat hij wist ten ecnenmale
tegen 's Lands hoogheid en geregtigheid te strijden en tot 's Lands merkelijke ondienst
te strekken: wilden anderen zulks doen, het stond hun vrij , maar hij zou hel niet doen" 2.

Op dit oogenblik evenwel hield OLDE^'BARNEVELτ zich eenigzins van hel looneel ver- De bevoegdheid
wijderd te Utrecht op. De man, die thans Ie '5 Hage de herhaalde aanvallen van hen, teTrdellSendo'or
die de Regering bestormden, uithield, was hugo de groot, in zijne hoedanigheid gei" JSo!
medelid van het Collegie van Gecommitteerde Raden. Dit Collegie zag zelfs zyn regt
openlijk in twijfel getrokken, en het was de Hooge Raad, die de houding aannam van
hel gezag der Gecommitteerde Raden te moeten miskennen. Dit Gereglshof had het
bij de in Maart gevallen voorloopige beslissing 3 niet laten berusten. Toen de beide

1 Resol. Slat. Gen. 12 Oct. 1G17.

2 Zie VYTENBOGAERT, hl, 881.
^ Zie hiervoor, hl. 711.

III Deel 2 Stuk. 9ö

ocr page 627

'54 ALGE3IEENE GESCHIEDENIS

ltU7. Hoven mededeeling bekomen hadden van de Resolutie van 4 Augustus met de vermaning
om zich daarnaar, overeenkomstig de aanschrijving van den 23'"=" Maart, te regelen,
gaven zij ten antwoord, dat zy dit ambts- en eedshalve om verscheidene gewigtige
redenen niet vermogten te doen: integendeel, zij waren besloten allen ingezetenen
zonder onderscheid regt en geregtigheid te verschaffen volgens hunne instructie i. Dit
antwoord was, met eene uitvoerige uiteenzetting van de gronden, op welke zij zich
beriepen, vastgesteld in eene vereenigde vergadering van de beide Hoven, bijgewoond
door Prins
maurits, die thans voor het eerst zulk eene zitting bezocht. Voornamelijk
drukten zy op de omstandigheid, dat de bewuste Resolutie niet met algemeene stemmen
was genomen: van een deel van het ligchaam der Staten, beweerden zij, konden zij
geene bevelen aannemen 2, Ook was het hun maar al te goed bekend, dat zelfs in
het Collegie der Gecommitteerde Raden geene eenstemmigheid heerschte, en dat hier
van hetgeen met de godsdienstzaken in verband stond, niets doorging dan onder protest
van de leden uit
Dordrecht en Amsterdam. Daarom stelde de Hooge Raad niet alleen
thans weder twee uitgezette Haarlemsche burgers tegen hunne Overheid in het gelijk
maar ging in zijne minachting van het gezag der Gecommitteerde Raden zoo ver van
zich te durven beklagen, dat hij zich door dit Collegie de, genomene Resolutien,
onder anderen de uitschryving van den biddag, toegezonden zag. Zulke adviezen,
meenden zij, had de Raad slechts van de Staten zeiven af te wachten. Op geen van
hunne bezwaren bleven de Gecommitteerde Raden, natuurlyk evenwel alweder onder
protest van de Heeren
witteiïsz en witsz, der regterlijke magt een antwoord schuldig.
Beriepen de Hoven zich op hunne instructie; de Staten hadden hun die gegeven; aan
de Staten stond het dus ook, die instructie te verklaren en des noods te wijzigen.
Maakte men zwarigheid tegen de Resolutie, als bij meerderheid van stemmen genomen;
ook de verkiezing der Raadsheeren geschiedde by meerderheid van stemmen, ja de
vonnissen der Hoven zeiven waren immers niet krachteloos, als zij slechts bij meerder-
heid van stemmen geveld waren. Eindtdijk werd de Hooge Raad op nieuvi' herinnerd,
dat bij afwezigheid van de Staten de Gecommitteerde Raden de plaats der Staten be-
kleedden , en »zeer vriendelijk vermaand, hun (den Gecommitteerden Raden) geene
oorzaak te willen geven om het gezag, dat hun wettiglijk bij hunne instructie was
verleend, en dat voor dezen onder anderen ook de Hooge Raad zelve door het aanne-
men van verscheidene commissiën erkend had, op het scherpst te moeten verdedigen,
of de Heeren Staten in deze bezwaarlyke tyden met zoodanige geschillen lastig te

1 Rcsol. v. Holl 15, 27 Sept. 1617.

2 CARLETOlf, II, ρ. 64.

3 Resid. V. Holl. 4 Oct. 17 Nov. 1617.

ocr page 628

DES VADERLANDS.

vallend" Er behoorde moed toe om, zoo ταη alle zijden besprongen, stand Ie houden. Maar lfi'7.
hugo de groot was even als oldeiïbarhevelt vervuld van hel geloof aan het goed regt
van de zaak, die hij voorstond, en in hem leefde, blijkens zijne brieven uit dezen tijd, i

het gevoel, dat de staatsman zich moet weten te getroosten zyne tegenwoordige rust
en voldoening aan de toekomst op te oiFeren: »indien de boomen," zeide hij, »die wij
planten,
07is niet beschaduwen, zoo zullen ten minste onze nazaten zich in hun lom-
mer verblijden," en elders: »de edelste pogingen hebben slechts tegenspoed tot hun
loon; doch zoo moet de goede zaak zegevieren, indien al niet in het tegenwoordige,
dan ten minste in de toekomst. Groote boomen groeijen langzaam." ,

Zoo veel geduld legde de tegenpartij niet aan den dag. Integendeel niet alleen werd
daar, waar scheuring bestond, de wonde door het verwekken van gedurige botsingen,
gelijk te
Oiidewaier, bloedend gehouden maar op nieuwe punten trachtte men er-
gernis en scheuring te doen ontstaan. Zoo lieten eenige ingezetenen van
Nieuwkoop
eenen predikant uit Amsterdam voor zich prediken, en personen mi Aarlanderveen ^
die elders naderbij en met meer gemak predikanten naar hunnen smaak konden hooren,
kwamen het getal der toehoorders bij deze predikatiën versterken Zoo verzocht Prins
MAURiTS zelf de Fransche Kerk te
Dordrecht, eenen leeraar naar Hage te zenden
om in de Hofkerk te prediken voor dezulken, die eenen
uytewbogaert niet begeerden
te hooren Maar ook liet meri de Bewindslieden geen oogenblik rust bij hun besluit
om de vergadering van de Staten van
Holland zoo lang mogelijk uit te stellen. Den
4''®" October verschenen twee Gedeputeerden uit Dordrecht, de Heeren gornelis vaw
BEVEREïT en JOHAN BERGK, voor de Gecommitteerde Raden om dit Gollegie aan te zeg-
gen, dat hunne principalen van oordeel waren, dat op het verzoek der Staten van
Zeeland behoorde acht geslagen en »in deze droevige lijden en verscheiden rumoeren"
de vergadering der Stalen ten eersten behoorde beschreven te worden. Ditmaal begrepen
de Gecommitteerde Raden dit verzoek niet te kunnen afslaan. Inderdaad, met welk regt j)^ bijeenioc-
konden zij zich aanstellen als bestendige heerschers, die van geene hoogere magt hun J^Ïf
gezag ontleenden, en hoe vooral de bron der geldmiddelen behoorlijk te doen vloeijen,
sloten,
daar de Sleden der verschillende partijen dreigden geene gelden te zullen toestaan,
bijaldien men hare inzigten niet volgde? Dus begreep het Collegie den October,

dat het » noodig en dienstig was de Staten bijeen te roepen," en besloot men, in de
volgende Aveek de punten van beschryving op te maken, Deze punten zou men

1 Resol V. lïoll. 4 Oct. 1617 en aldaar bl. 430—433.

2 Resol V. Holl. 8, 9, 17, 26 Aug. 25, 31 Oct.

3 Resol. V. Holl. 23, 29 Sept. 3 Oct. 1617.
^ Resol. V. Uull. 7 Oct. 1617.

7315

ocr page 629

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

ißl?· aan het oordeel van den Advocaat onderwerpen, en hem tevens verzoeken op Ie geven,

wanneer hij dacht weder te 's Hage terug te kunnen zijn: daarnaar zou men den dag

der bijeenkomst bepalen ^

Oordeel dei- Om het gevoelen dergenen, die eene Synode noodig achtten als op waarheid gegrond

GTrefomeer^^^^ doen voorkomen, was het vooral noodig, dat men zich op de stem der Gerefor-

over (Ie bijeen- ^eerden in het Buitenland beroepen kon, en dat de Gereformeerde Vorsten zich gereed
roeping eener ^ ^ ' Â°

Synode. betoonden om lot die Kerkvergadering mede te werken. Wat dit laatste betrof, van de

bereidwilligheid van jagobus I kon men verzekerd zijn, en zyn schoonzoon, de Keurvorst
van de
Pallz, kon in deze zaak, vooral na een bezoek door hem kortelings te Sedan
gebragt, naauwelijks anders handelen, dan zijnen schoonvader en Prins maurits aange-
naam zou wezen. Ook zien wij hem het aanbod doen om opzettelijk een afgezant naar
de Nederlanden te zenden, ten einde in de godsdienstzaken zulke adviezen te geven en
zulke maatregelen te bevorderen, als men slechts zou verlangen. Dit aanbod werd door
den Prins afgeslagen: hij vergde niets anders van den Keurvorst, dan dat hij te gele-
gener tijd zekere Godgeleerden naar de Synode zou afvaardigen. Hiertoe was ook
jagobus
gereed 2. Yan deze zyde ging dus alles naar wensch. Maar hoe zich op de gunstige
meening van buitenlandsche Gereformeerde staatslieden en godgeleerden te beroepen,
waar een
du-plessis morway, regtstreeks om zijn oordeel gevraagd, geantwoord had:
)) Van die scheuring in
Holland heb ik een afschuw: zij is even verderfelijk voor den
Staat, als ergernisbarend voor onze Kerken" Ja, uit
Engeland zelf kwamen brieven,
Avaarin men zich met veel minachting over het plan om eene Synode bijeen te roepen
uitliet, en verzekerde, dat de Koning weldra blyken zou van gedachten ten dien aan-
zien veranderd te zijn Zulke geruchten moesten lot eiken prijs tegengegaan worden.
Dus verzocht men den Engelschen Gezant bij de Staten-Generaal gehoor te vragen, en
daar »onder voorwendsel alsof hij antwoord verlangde op den laatstelijk door Z.ijne
Majesteit geschreven brief," de bijeenroeping eener Synode aan te bevelen, opdat het
blijken mögt, dat de Koning nog altijd hetzelfde gevoelen koesterde: dit, voegde men
er bij, was volstrekt noodig, wilden de Gedeputeerden ter Vergadering der Slaten-
Generaal bij hunnen terugkeer in hunne Provinciën de gemoederen gunstig gestemd
houden op het stuk van zulk eene Kerkvergadering
Carletoit liet niet na aan dit

1 iCesol V. [Ml. 4, 7 Ocl. 1617.

2 Archiv, de la Mais. d'Or. S. 11, ï.II. , 435, 436, 437. carleton, II, p. 4,5,29,36,63.

3 DU PLEssis MORNAY, Mêmoircs, 111,' p. 1092, 1113.

carleton, II, p. 69. Carletons Correspondent na winwoods dood, de Secretaris lake, verklaart
zich gedurijT tegen het denkbeeld der bijcenroeping eener Synode.

5 carletox , 11, p. 62 , 63.

ocr page 630

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

verzoek gehoor te geven, en verscheen den 6''®° October voor de Stalen. Zijne rede behelsde IÖ17.
eene veroordeeling van alles wat gedaan was om het gevoelen der Remonstranten "^^or
een kerkelijk doemvonnis Ie vrijwaren,
eene.reglvaardiging van den tegenstand der Contra-
Remonstranten en eene sterk gekleurde schilderij van den toestand uit een en ander
voortgesproten. In dezen slaat van zaken aan de Overheid de beslissing tusschen de twee
strijdige gevoelens te laten, ware Gode onttrekken wat Godes is. Het beste was de
bijeenroeping van eene Nationale Synode. Dat men zich daartegen op het artikel der
Unie beriep, waar de godsdienst voor de zaak van élke Provincie verklaard wordt, dit
was slechts eene uitvlngt, aangezien het
Holland bij de vaststelling van dat artikel toch
wel om de· handhaving der ware Gereformeerde godsdienst te doen was geweest; en
wat- het punt' van
eer en van de souvereiniteit der Provincie Holland betrof, dit bleef
ongedeerd, als men ten gevalle van Zijne Majesteit toegaf, die nog in Maart laatstleden
de Synode had aangeprezen bij een opzettelijk schrijven, waarop hij thans, zonder
langer uitstel, antwoord verlangde Des anderen daags besloten de Staten, dat van
deze Propositie slechts eene copij voor elke Provincie zou genomen worden, en ze niet
in druk zou worden uitgegeven, om de gemeente niet nog meer te beroeren. Maar
daar men den Gezant niet uitgenoodigd had om zijne rede voor het publiek verborgen te
houden, zoo kan het niet bevreemden, dat niettemin spoedig de Fransche text en eene
Nederlandsche vertaling in het licht verscheen

Doch ook den Hollandschen Bewindslieden ontbrak het niet aan iegtslreekschcn steun van Kede van «u
buiten. Zoolang
du maurier de Gezant van Frankrijk bleef, en deze was in de eerste da-
gen van November, na een viertal maanden afwezig geweest te zijn, Ie
's Hage terug 3·
zoolang de staatkunde van
oldenbarnevelt te Parijs gewaardeerd bleef, kon het niet
anders, of
Frankrijk moest met alle magt de zaak van de Hollandsche Gecommitteerden
ondersteunen. Toen dan ook
du maurier den S^"®" November voor het eerst weder 'na
Eyne reize in de vergadering der Staten-Generaal verscheen, nam hij dc gelegenheid
waar om zijns Meesters gevoelig leedwezen over de gerezen misverstanden te betuigen.
Hij zou, zeide hij, en duidelijk wierp hij daarmede een blaam op
garletons laatste
redevoering, hij zou den oorsprong dier twisten niet trachten op te halen, Vermits Hun
Hoog Mögenden dien beter dan iehiand kenden, nóch een middel daartegen aan de
hand doen; maar ried hun aan, in zichzelven, in eendragtig zamenwerken hel genees-

» Zie de redevoering bij baudaert. IX, 69 enz. in uittreksel bij uttewbocaeftt, bl. 829, 830,
en de afzonderlijke uitgaven, aangeteekend in
Uibl. υ. Pamfl. N". 1249—1251.

2 Resol Slat. Gm. ß, 7 Oct. 1617. mbl. v. Pamfl. N". 1249—1251. Carleton, 11, ρ. 94, 95.

^ Bij zijn vertrek had hij een gouden ketting ter Λvaarde van 3000 gulden tea geechcnke ge-
kregen.
Rcsol. SiaL Gen. 19 Janij, 1617,

ocr page 631

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. middel te zoeken, opdat de Republiek hare zinspreuk en baar wapen niet te vergeefs
iiiogt voeren en haar goede naam tot beschaming barer thans reeds in hare vernedering
juichende vijanden hersteld mögt vv^orden Doch de eendragt, die
oldesbarnevelt
in de medewerking der Generaliteit tot handhaving van bet gezag der Regering van
Holland zou hebben willen zien blyken, was verder dan ooit te zoeken, Vier dagen
na die rede van den Franschen Gezant stelden de Gecommitteerden van
Zeeland, thans
in de vergadering der Staten voorzittend, de beraadslaging over de ontwerpartikelen op
de beschrijving der Nationale Synode tegen eenen der eerstvolgende dagen aan de orde,
en in weerwil van den tegenstand, dien de drie Provinciën op grond van de onwet-
Beraadslaging tigheid der geheele handeling boden, werd die beraadslaging den 10·^°° November wer^
artlkelL^'^op^'^Lli-elijk geopend.
Gelderland, Zeeland, Friesland en Groningen en Ommelanden keurden
Natioäir^Syn- ^^®*· Ontwerp goed en namen het aan. Weder trachtten de drie overige Provinciën de
beraadslaging alsnog te keeren door te verklaren, dat men ten minste wachten moest,
lot na de Vergadering der Staten van
Holland, die nu binnen veertien dagen of drie
weken zou plaats hebben; doch slechts omdat er eenige wijzigingen in het ontwerp
waren voorgesteld, waaromtrent men zich met elkander verstaan moest, werd zij, en dat
Protest
van niet langer dan tot den volgenden dag, uitgesteld. Toen echter leverden de Hollandsche
committeerden een protest in, waarbij zij zich weder op het Artikel der Unie be-
riepen en
op grond van het eerste Artikel handhaving eischten. Vermits het vreemd
en onredelijk was, zeiden zij, dat men bij overstemming iets wilde gelasten in zaken,
waarover de Generaliteit geene beschikking had, waarschuwden zij als met de wet in
de hand den tegenwoordigen en de toekomstige presidenten en den griffier der Vergade-
ring zich te onthouden van het stellen of onderteekenen van eenige acten, missiven of
verordeningen in godsdienstzaken op naam der Staten-Generaal, zoo zij niet gehouden
wilden zijn voor schuldig of medepligtig aan eene openbare onwaarheid. Doch wederom
verried zich de oneenigheid, die
Holland zelve verdeelde. De vijf Hollandsche Steden
verklaarden door hare afgevaardigden, dat tot zulk een protest geen last was gegeven
door de Staten van
Holland, in wier Vergadering niet opzettelijk beraadslaagd was over
het regt verstand en de toepassing van eenig artikel der Unie. De Gecommitteerde
Raden hadden in deze zaak zonder genoegzame' bevoegdheid gehandeld. — Maar dit
A'erdeeldlieid maal was het de Provincie Holland niet alleen, wier inwendige verdeeldheid zoo sterk
uitkwam: ook uit
Gelderland verhieven zich stemmen tegen hetgeen op last van
dit Gewest heette te geschieden. Deze stemmen waren die van de Heeren
biesman en

1 ResoL Stat. Gen, 3 Nov. 1617. Carleton, Ii, ρ. 129, 176. Juist op cénen dag troflen
brieven van den Ilollandschen Gezant te
Londen, van dien te Parijs en van den agent brederode
te Heidelberg, alle meldende, hoezeer liet Land ten gevolge van de godsdiensttwisten in de algo-
meene achting gedaald Avas.

ocr page 632

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

VAw BRIENEN Zij verklaarden, dat zij, ziende hoe men de Synode legen den wil van 1617.
drie Provinciën wilde doordrijven, zich tol hunne principalen, de Ridderschap en de
Sleden in het Wymeegsche kwartier, gewend hadden met de vraag, of heigeen Ie Arn-
hem lol bevordering der byeenroeping eener Synode besloten was, met hun genoegen
was geschied. Hierpp hadden zij alsnog geen antwoord, hoezeer, bijaldien hunne prin-
cipalen gezind geweest waren, de handeling goed te keuren, dit antwoord sedert lang
ingekomen had kunnen zijn. In dezen stand van zaken konden zij niet goed vinden,
dat in naam der Staten van
Gelderland een maatregel werd doorgezet, die lot schennis
der Unie en tot scheuring tusschen de Provinciën kon leiden. — In weerwil van alle
tegenspraak gedroegen zich de overige Geldersche Gecommitteerden als volkomen ge-
magtigd, om uit naam hunner Provincie Ie handelen. Toen zij, even als de Zeeuw-
sche, Friesche en Groningsche leden, verklaard hadden, zich met de voorgestelde wij-
zigingen te vereenigen, werd het ontwerp aangenomen en vastgesteld en aan de drie
Provinciën', alsof woorden hier wat afdeden, waar daden spraken, verzekerd, dal men
haar niet uitsloot. Dit immers was de strekking van het »ernstig en vriendelijk" ver-
zoek, dat zy zich alsnog mei de meerderheid zouden gelieven te vereenigen

Nog eene poging wilde Holland aanwenden om het doordrijven van de Nationale Syn-
ode te keeren. Men nam daartoe de gelegenheid te baat, dat de Provincie
UlrecJU
voorzat: een voorzitter uit eene der vier Provinciën zou elke beraadslaging, die leiden
kon lot het verijdelen van het reeds verkregene, hebben kunnen tegenhouden \ De
poging bestond hierin, dat werd voorgesteld, de vroeger uitgevaardigde plakalen legen
Nieuwe i)ogitig
»het kwalijk spreken van de Regering van den Lande, van Zyne Excellentie en van ^p^j^g™
de Magistraten van de Steden" Ie vernieuwen. Wanneer dit geschied was, zouden ^^

land, Utrecht en Overijssel zich daarvan, als van een wapen, door de Generalileil
geijkt, hebben trachten te bedienen, om het schelden en lasteren op openbare plaatsen
en op den predikstoel te keer te gaan. Thans voöral kende de lof geene palen, welke
aan Prins
maurits door de Conlrareraonslrantsche predikanten werd toegezwaaid, en men
kan ligt nagaan, met hoe weinig staalkundig doorzigt dit geschiedde, en hoe al die lof
in verwenschingen op de hoofden der van Arminianisme beschuldigde Magistraatspersonen
nederkwam. — Maar bovendien wenschle de tegenpartij in de Staten-Generaal, dat aan
de Provinciën geschreven werd, ten einde elk derzelven, na overleg met eenige bevoegde
Godgeleerden, den slaat der vraag, waar op het bij de bestaande leerstellige geschillen

' Eene dergelijke verklaring werd ook ingeleverd door Willem beck, Gecommitteerde van wegc
dc llidderschap van 't Nijmeegsche kwartier. Doch hij sprak voor zich afzonderlijk, omdat hy
■Hilde doen uitkomen, dat hij persoonlijk niet tegen de Synode wae.

2 Resol. Slat. Gen. 7, 10, 11, Nov. 1617.

' CARLET05, II, ρ. 110, 111.

ocr page 633

ALGEMEENE GESCHIEDENIS

aankwam, zou lalen opmaken. Op deze wijze zou men de reeks der door oldenbar-
KEVELT aanbevolen maatregelen hebben geopend. Geen wonder, dat die voorstellen geen
ingang vonden, maar van uitstel lot afstel kwamen ^ Men zag in het laatste der beide
voorstellen een list om tijd Ie winnen en de strekking om in de andere Provinciën dezelfde
geschillen als in
Holland uit Ie lokken Inderdaad, zelfs in de meest Conlraremon-
strantsnh geachte Gewesten zou een aantal voorstanders van de zienswijze der Hollaodsche
Remonslranlen voor. den dag gekomen zijn, by de minsle openbare gelegenheid, hun
gegeven, om aan het woord te komen. Met byzondere zorg werd in
Friesland en in
Groningen de openbaarmaking van zulke gevoelens door willem lodewijk gekeerd.
Met geen ander doel keerde hy reeds vóór het eind des jaars 1617 naar zijn Gouver-
nement terug na in
Holland alles wat de nederlaag van oldenbarnevelt en zijne
staatkunde bevorderen kon, ijverig voorgestaan te hebben.

Doch in weerwil van alle tegenwerking was men besloten alles door te zetten. Naau-
welijks was
Ütrechls voorzitterschap in de Staten ten einde, of er werd voorgesteld,
dat »nademaal de bijeenroeping der Synode was vastgesteld," de Provinciën de plaats
der bijeenkomst zouden bepalen.
Dordrecht, Utrecht en ^s Gravenhage waren genoemd.
De Koning van
Groot-Brilannie had zich zeer sterk tegen de keus van Utrecht als plaats
der bijeenkomst verklaard: deze stad, meende hij, was allyd geneigd tot oproer en
muiterij en was gansch en al voor de Arminiaansche partij gestemd, waartoe zij door
de tegenwoordigheid van
oldekbarkevelt in haar midden nog meer aangespoord was
Die grond scheen zwaar bij de vier Provinciën te wegen, althans zy kozen algemeen de
Stad
Dordrecht en ontzagen zich dus niet eene stad aan te wijzen op het gebied zelve
van de voornaamste der Provinciën, die zich zoo sterk tegen de Synode verklaarden.
Op dezen zelfden dag, den November, leverde elk der vier Provinciën tegen

760

]ßl7.

Dordrecht als
de plaats van de
bijeenkomst der
Synode bepaald.

Tegcuverklarin-
gen tegen
Hol-
lands
protest.

Hollands protest eene tegenverklaring in, welke bewees hoedanigen indruk dat protest
op haar gemaakt had, maar tevens toonen moest, dat zij zich daardoor niet zouden
laten terughouden om de wettelijke vormen bij het doorzetten van hare onwettige
maatregelen te blijven bezigen. De voornaamste grond, dien men in die tegenverkla-
ringen deed gelden, was deze, dat de regel der Unie, volgens yk-elken de Godsdienst
eene bijzondere zaak van elke Provincie was y niet meer mögt gelden: immers werd
thans van staatswege feitelijk slechts ééne, de Gereformeerde, Godsdienst beleden, wier
handhaving de Staten zich, bij het benoemen van staats- en krijgsambtenaren, bij ca?

1 Resol, Slat. Gen. 17, 18 Nov. I6I7.
- CÄRLETOT«, II, ρ. 108
3 cARLEToif, 11, ρ. 153, 154.
^ CARLETON, II, ρ. 104, 113.

ocr page 634

DES VADERLANDS. 7915

pilulatiën en traktaten ten taak gesteld hadden: hoe kon dan een artikel van kracht 1617.
zijn, hetvyelk de keuze tusschen katholiek of gereformeerd vryliet? Wilde men zich
op dat artikel beroepen, het zou slechts kunnen zgn met het doel om de Godsdienst
te Ycranderen. Terwijl men zich dus over
Holland beklaagde, dal het de Godsdienst
wilde Teranderen, ontzag men zich niet de Unie als reeds stilzwijgend en feitelijk
veranderd aan te nemen. daarentegen, hield zich aan de Unie als aan een

plegtanker vast, om, zoo mogelijk, de vrijheid van den Staat tegenover elke kerkelijke ,

partij te handhaven, en bevorderde alzoo tevens, beter dan de tegenpartij, de zaak
der godsdienst, die met eene op katholiciteit aanspraak makende Kerk allerminst
gediend is. —
Zeeland behandelde de zaak zeker het minst ernslig. Het gold, be-
weerden de Gecommitteerden dezer Provincie, hier slechts eene vraag van openbare
orde, waarin men gewoon was bij meerderheid van stemmen . te beslissen. Dus had
Holland^ dit leidden zij er uit af, groot ongelijk, dat het met zulke ernstige protesten
en insinuatiën voor den dag kwam

Men was nu^van zins, geregeld met het verordenen der maatregelen, voor de bijeen-
komst der Synode gevorderd, voort te gaan, en twee dagen later werd voorgesteld, dat
Gecoramitteer-
, . den benoemd tot

de Provinciën ieder eenen Gecommitteerde zouden gelieven te benoemen met den last het ontwerpen

om gezamenlijk den uitschrijvingsbrief te ontwerpen. De vier Provinciën verklaarden
zich daartoe bereid, maar verlangden, dat de bewuste brief niet zou afgezonden worden^®
Synode,
vóór den eersten Januarij of Februarij, ten einde Holland tijd te laten in de aanstaande
Statenvergadering de zaak nader te overwegen en zich met de meerderheid te vereeni-
gen. Niettemin moest
Hollaiid tegen deze voortzetting der maatregelen tot de bijeenroe-
ping der Synode protesteren.
Utrecht en Overijssel sloten zich aan dit protest aan. Toch
kondigde de President het verlangen der meerderheid af als een wettig besluit der Ver-
gadering. Om verantwoord te zijn tegen de gevolgen van eenen maatregel, door Hollands
protest met den blaam van onwettigheid beladen, kreeg de Griffier bij missive van den
Voorzitter bijzonderen last om dat besluit in de notulen te insereren. De dag van den
24"®" November was bestemd voor de voorlezing van de concepten der uitschrijvings-
brieven aan den Koning van
Groot-Britannië, de Kerken in Frankrijk^ den Keurvorst
van de
Pallz, den Landgraaf van Hessen^ de Walsche Kerken van deze Landen, de
Steden
Emhden en Bremen^ Zürich, Bern en Basel en aan de Provinciën. Hiervan
welligt onder de hand onderrigt, behandelden de Gecommitteerde Raden van
Holland
de vraag, wat te doen ten einde de verdere maatregelen zoo mogelijk nog te keeren,
terwijl de Staten-Generaal in de bovenzaal van hetzelfde gebouw de ontwerpen der uit-'
schrijvingsbrieven zouden onderzoeken. De Gecommitteerde Raden besloten de Staten-
Generaal no|^aals te verzoeken, de te nemen maatregelen niet door te zetten tot op

» Resol. Slat. Gen. 20 Nov. 1617.
III DEEL. 2 Sttjk.

761

ocr page 635

762

algemeene geschiedenis

»

1G17. de bijeenkomst van de Slaten van Holland,' Aie ophanden was,'en eenigen uit hun
midden begaven zicli naar boven om dit verzoek dadelijk te doen. Doch binnenkomende
bevonden zij, dat men reeds bezig was met het voorlezen der ontwerpen. Deze voor-
lezing bij Ie wonen achtten zij beneden hunne waardigheid, en, gevolgd door de Ge-
committeerden van
Utrecht en Overijssel, verlieten zij de vergadering: alleen de Heer
wiTsz bleef het lezen bijwonen, en eerst daarna zag men ook hem, naar beneden ont-
boden , zich verwijderen. Daarentegen beloonden ook de Heeren
van brieheit en bies-
man,.
door mede henen te gaan, niets met het bedrp gemeen te willen hebben.
Beneden teruggekomen, besloten de Gecommitteerde Raden het verzoek om opschorting
der bewuste maatregelen in beleefde bewoordingen te herhalen, en op nieuw begaven
zij zich ten dien einde naar boven. Doch thans waren de ontwerpen aireede vastgesteld,
hoezeer met de bepaling, dat zij eerst met Februarij afgezonden zouden worden. Hierop
beraadslaagden zij nader, en besloten dat men het advies van den Advokaat inwinnen
en daarvan den volgenden dag verslag doen zou Hoezeer in 'i
Gravenliage terug,
weinig naar het, uiterlijk
2 en gansch niet naar den geest veranderd, hield oldewbar-
WEVELT nog het huis. Zijn advies hield in, dat men het vroeger protest vernieuwen
en met nieuwe gronden versterken zou. Dit geschiedde door de hand van
hugo de
Deductie van GROOT, en den eersten December werd de zoogenaamde deductie van de Gecommilteer-
maatregelen'^^dL'rHolland tegen alle maatregelen, in de kerkelijke zaken sedert den No-
fn'zaL van'g^ods- Staten-Generaal genomen, in de Vergadering voorgedragen. Zij begon

met de klagt, dat men alle verzoeken van Holland om handhaving van haar gezag in
den wind geslagen, en al de gronden, lot slaving van dit haar verzoek aangevoerd,
onopgelost gelaten had. Men verwierp, het is waar,
Hollands beroep op het 15de
Artikel der Unie; maar wilde men dit Artikel anders verklaren dan
Holland deed,
zoo zou men, onder voorwendsel van verklaring, al de Artikelen der Unie, waarvan de
meeste op verre na zoo klaar niet waren als het 13de, gemakkelijk weg kunnen rede-
neren. Het was duidelijk dat sedert de Gereformeerde Religie algemeen omhelsd was
geworden, de godsdienst niet opgehouden had de zaak der bijzondere Provinciën te zijn.
Immers hadden de Provinciën daarbij niets van haar oorspronkelijk regt kunnen verlie-
zen , evenmin tegenover de Unie, als tegenover zoo vele andere insgelijks Gereformeerde
Rijken. Zoo de Unie hare besluiten in zake van godsdienst aan enkele Provinciën op-
dringen kon, waarom zouden de andere Gereformeerde Rijken dit niet insgelijks mogen
doen ? Neen! evenmin als de
Nederlanden iets in zake van godsdienst over vreemde

dienst.

1 Resol Stat. Gen. 22, 24 IVov. liesol. v. Holl. 24 Nov. 1G17.

2 Alleenlijk gebruikte liij sedert een wandelstok (carleton, II, p. 100,110, lll)||Ook Da maüribr
schreef naar zijn Hof, dat oldenbarnevelt vol moed en met het voornemen om niet terug te dein-
zen was terufi gekomen (
oüvbé, p. 263, 204).

ocr page 636

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

Staten te zeggen hadden, evenzoo min hadden Treemde Staten eenigen vorm van gods- 1617.
dienst aan de Provinciën voor te schreven, en zoo de Provinciën geenerlei gezag van
dien aard over zich aan vreemden konden toekennen, konden zg dit evenmin aan de
Unie, vermits hare aanspraak geene andere was, dan vtelke ook die vreemden zouden
kunnen laten gelden. Aan overwonnene steden en plaatsen had de Generaliteit de Ge-
reformeerde Godsdienst kunnen voorschrijven;
mnax Holland was geen overwonnen land;
integendeel, voornamelyk door
Hollands goed en bloed waren die overwinningen be-
haald en die veroveringen geschied. Alzoo verlangde
Holland de volheid van haar
regt te blijven gebruiken, gelijk de Zwitsersche Cantons en de Geünieerde Vorsten,
die elk op zijn gebied het regt van bijzondere verordeningen in het kerkelijke uitoefen-
den, en blijkens de bijzondere kerkordeningen van
Utrecht ι Holland, Groningen en Zee-
land
ook de Staten dezer Gewesten sedert de algemeene invoering der Gereformeerde
Godsdienst gedaan hadden. Na deze zoo krachtige verklaring, die zoo duidelijk deed ge-
voelen, dat
Hollands Staatslieden wars waren van de slavenbanden, waaraan eene Gere-
formeerde Godsdienst met voor alle Gereformeerde Rijken geldend gezag den Slaat leggen
zou, gaat de
deductie over tot het betoog van de onwettigheid van alles wat tot nog toe
tegen
Holland, en van de geldigheid van alles wat door de Hollandsche Gecommitteerden
voor
Hollands regt gedaan was In weerwil van alles echter, dus luidde de deductie
verder, verlangden de Staten van Holland geenszins de eenigheid met de Evangelische
Kerken binnen- en buitenslands te verbreken, blijkens hun aanbod om als de Kerken
in
Holland voorloopig tot rust gebragt zouden zijn, eene Nationale en eindelijk zelfs
eene Generale Synode te laten houden. Ten slotte verklaarde men te hopen, dat de
Staten van de andere Provinciën, thans ten minste van alles wel onderrigt, alles zouden
herstellen, wat in deze zaak tegen de Unie en de geregtigheid van de byzondere Pro-
vinciën was geschied, verzoekende, dat men eenparig besluiten mögt, de Staten der
Provinciën binnen de vier maanden te doen bijeenkomen om de geschiktste middelen
tot behoud der eendragt tusschen de Provinciën, met handhaving van de vrijheid van
elk derzelven, te beramen; dat omstreeks denzelfden tijd in elke Provincie eene
Provinciale Synode mögt gehouden worden met de taak belast om den staat der
quaestie op te maken en den voet aan te wyzen, waarop zonder kwetsing der waar-
heid of aansloot voor de gewetens, redelijke verdraagzaamheid zou kunnen geoefend
worden; dat, eindelijk, intusschen alle oproerige taal en schotschriften door nieuwe
plakaten gestrengelyk mogten verboden worden. — Door al die gronden en zulke rede-
lijke voorstellen lieten zich echter de Gecommitteerden der vier Provinciën niet bewegen:

1

Zie hiervoor, hl. 515.

^ Dit betoog berust grootendeels op reeds vroeger in verschillende slukken aangevoerde grondeu.
Zie bl. 742 en 747.

9G

ocr page 637

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. mei ongeloofelijke kalmle, len minsle in de vormen, die zij in de vergadering der
Stalen-Generaal in acht namen, staplcn zij over alle bezwaren heen, en gingen voort
op den eenmaal betreden weg
strijd over de In de tweede week der maand December nam de lang verwachte vergadering der
schr|ving^tot L Stalen van
Holland eenen aanvang. Veel was er over de punten van beschrijving
si van iïol-ε®^^^®'·· ί^®®^® iï^ Oclober hadden de steden Amsterdam, Enkhuizen, Edam en Pur-
merende
bij de Gecommitteerde Raden zekere artikelen ingeleverd, welke men onder
die punten opgenomen wenschle. Deze zaak achlle die Raden van zoo veel belang,
dat zg OLDENBARNEVELT deswcgcns dringender dan ooit verzochten uit
Utrecht terug te
komen, heigeen hij dan ook deed. Wat die vier steden voorstelden, had de strekking
om de Resolutie van den Augustus ter zijde le zetten. Doch van de andere Hol-
landsche sleden, hiervan onderrigt, zonden
Haarlem, Leiden, Gouda, Rotterdam,
Schoonhoven, dén JBriel, Alkmaar
en Hoorn afgevaardigden naar de Gecommitteerde
Raden, en verzochten de vaststelling der punten van beschrijving nog uit te stellen,
totdat zg alles behoorlijk zouden overwogen hebben. De Gecommilleerdc Raden schroom-
den ditmaal een al le lang uitstel der vergadering, en op hun verzoek waren de afge-
vaardigden der laatstgenoemde sleden spoedig gereed met de verklaring, dat zij de
punten, door
Amsterdam en de drie andere Sleden gesteld, als strijdig met de vrijhe-
den en geregligheden van den Lande en met het gezag der Stalen beschouwden: werd
in de Punten van beschrijving iels opgenomen ten nadeele van de »wettig genomen"
Resolutie van den 4^®° Augustus, zoo zouden vele Sleden op zoodanig eene beschrijving
niet gezind zijn op le komen, en in allen gevalle daartegen duchtige gronden aan-
voeren, hetgeen een geschil zou uitlokken, dat beter achterwege gelaten ware. Doch
de vier Sleden zagen zich thans krachtig door een gewigligen slap van Prins
maurits
ondersteund. In gezelschap van Graaf Willem lodewuk (frederik hewdrik had zich
verontschuldigd van mede te gaan) begaf hij zich op reis om de verschillende steden
van
Holland te bezoeken, len einde haar te bewegen zich met de punten, door Am-
sterdam
gesteld, te vereenigen, en haar van de ongegrondheid te overtuigen van de
geruchten, die er ten zijnen laste waren verbreid, alsof hij naar het oppergezag streefde.
De Sleden, die hij niet persoonlijk bezocht, ontvingen van hem schriftelijke vertoo-
gen en aanmaningen. Overal werd hij beleefd ontvangen; alleenlijk was men er le
Leiden een oogenblik op bedacht den Prins den toegang lot de stad Ic ontzeggen.
Evenwel beseffende, dat de houding, door hem bij het bezoeken der sleden in
acht genomen, alleszins vreedzaam was, maakte men ook hier geene zwarigheid hem
toe le laten. Had de Prins ooren gehad voor de inblazingen van sommigen, en over
de raadzaamheid van geweldige maatregelen gedacht, zooals de Koning van
Engeland

lajnd.

Rcsol. Stat, Gen. 25 Nov. 1 Dec. 1617. Resol. v. Holl, 26, 31 Nov. 1617.

ocr page 638

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

deed, eene voorzorg als die van de slad Leiden ware niet overtollig geweest En 1617.
werkelijk ging van den Prins de spraak, dat hij, slaande op het gevest van zijn zwaard,
gezegd had: »
hiermede zal ik de Religie, die mgn Heer vader in deze landen geplant
heeft, verdedigen! en ik zal zien wie mij zulks beletten zal" Hoe het zij, in dezen
stand der zaak, stelde
hugo de groot, uit naam van den Advokaat in het Collegie der
Gecommitteerde Raden de vraag voor, of het nu niet raadzaam was, de
άοοτ Amsterdam
met hare volgehngen verlangde Punten aan de acht Sleden, Haarlem^ Leiden, enz.,
en wederkeerig de bedenkingen dezer acht Sleden aan de Edelen en de tien overige
sleden' van
Holland toe te zenden 3, Z.oo werd elke partij bekend gemaakt met het-
geen de legenparty in de vergadering, behandeld wenschte te zien, en deze maatregel
schijnt ditmaal de vaststelling en toezending der Punten van beschrijving te hebben
moeten vervangen.
De groots voorstel werd goed gevonden, en weldra kwamen alsnu
de Staten bijeen.

Had MAURiTs getracht voor de toelating eener Nationale Synode eene meerderheid Ic Mondgesprek

tusschen Prine

winnen; de Fransche Gezant had van zijnen kant zich beijverd, matjrits zeiven van demaunixs cn ol-

„ Â« , . Î¤Î› 1.111.. . DENBARNEVELT.

onaannemelijkheid van zulk eene Synode te overtuigen. Bovendien had hij weten te
bewerken, dat er een onderhoud tusschen den Prins en
oldenbarneyelt plaals greep.
Deze beiden hadden elkander niet gezien sedert het bezoek door den Advokaat in Au-
gustus vóór zijn vertrek naar
Vianen aan den Prins gebragt. Toen had oldenbarwevelt
den Prins willen doen begrgpen, dat zijn eer en gezag bg de staatkunde der Holland-
sche Regering geen gevaar liep, en hem opgewekt om zelf een voorslag te doen, die
tot verzoening kon leiden, verklarende, dat hij liever van zijne staatsdienst ontslagen
wilde zijn, dan tegen den zin Zijner Excellentie in 's Lands dienst te blijven Κ Van
oldenbarnevelts ontslag wilde maurïts niets hooren. Wat ook zou het gevolg daarvan
geweest zijn? Immers geen ander, dan dit, dat de schyn zou ontstaan zijn alsof het
alleen om het aftreden van éénen man te doen ware geweest; de yver van
oldehbar-
wevelts
talrijke volgelingen zou niet merkbaar verzwakt, maar die^ zijner vijanden, door
zijn aftreden aanvankelijk bevredigd, zou verflaauwd zyn, en aldus zou de partij, voor
wie de Prins in gemoede opgetreden was, alleen den last geleden hebben eener verzoe-
ning, door
oldenbarnevelts aftreden tot stand gekomen. Zoo iets was van den Prins

1 carlkton, II, p. 86 , 87, 104, 111, 112, 114, 115, 117. Reeds vroeger had Prins maubits ge-
tracht op de Edelen van
Holland te werken en Jien van oldekbabkevelts staatkunde terug fe bren-
gen; doch te vergeefs. Zie
carleton, p. 86.

2 Ã¼ytenbogaert, bl. 814.

3 Resol, V. Holl. 21, 26—28 Oct. 9, 24, 31 Nov. 1617.
* üYTERDOr.AERT, bl. 811.

ocr page 639

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

niet te wachten. De zege van de door hem in bescherming genomen partij moest
verzekerd worden, ziedaar alles wat hij beoogde. Dus liet het zich aanzien, dat het
onderhoud thans door
du ma.tjrier bewerkt , niet veel zou uitrigten. Den .9·^®" Decem-
ber ging de Advokaat den Prins bezoeken; hij sprak, schrijft de Fransche Gezant, met
eene yerwonderlijke kracht en beradenheid, en de Prins kwam rond uit Toor de rede-
nen, die hg meende te hebben om op hem Terstoord te zijn. Niettemin scheidden zij
op goeden voet, en
du maurier meende· wat goeds gesticht te hebben

In eene der eerste vergaderingen van deze zitting ^ deed oldenb ar nevelt het verzoek,
dat de Staten, zijne lange diensten, zynen zeventigjarigen ouderdom en de zwakheid van
zijn gestel in aanmerking nemende, hem, bepaaldelyk in de tegenvroordige omstandighe-
den, zoo al niet zijn menigmaal verzocht ontslag, dan ten minstede vergunning mogten
verleenen, om zich voorloopig en tot zyn geheel herstel toe voor verontschuldigd van
zijne gewone drukke deelneming aan 's Lands zaken te houden. Hiermede deed de
bejaarde staatsman zoo veel, dat de Staten, zonder hem eenigzins te krenken, desver-
kiezende hem zyn ontslag hadden kunnen geven, en toch verzaakte hij zijne partij
noch onttrok hij zich aan het gevaar van het oogenblik. Ontslag werd hem niet ver-
leend, maar zijn verzoek voor het overige stilzwijgend toegestaan Î¹
Kede van du Daags' daaraan verzocht de Fransche Gezant du maureir gehoor voor de Vergadering
vergadering'^ der Staten van Holland. Dit baarde opzien. Immers luidde de last der Buitenlandsche
fire^^'^ Gezanten gewoonlijk aan, de Generaliteit, en geenszins aan de Staten eener bijzondere
Provincie, Evenwel vroeger reeds had men den Franschen Gezant in de zaak van een
bijzonder persoon voor de Staten van
Holland zien optreden en ook de Heer de la
jsouE had in het bijzonder' bij de Staten dezer Provincie gehoor gehad Thans niet-
temin , nu hy niet veel .meer te zeggen scheen te hebben, dan hy reeds den No^
vember by de Staten Generaal in het midden had gebragt, werd hg geacht met dezen
slap te willen toonen, dat hij
Hollands Souvereiniteit zoo zeer builen kijf stelde,
Ρ dat hij tot deze Provincie, als tot eei» afzonderlijken Staat, uit naam van zijnen Meester

1 ouvké, p. 264. uytenbogaert (bl. 828,,829) spreekt ook van een en ander onderhoud om-
streeks dezen tijd van den Advokaat met den Prins en Graaf
willem lodewijk, waarbij hij weder
op een voorslag van verzoening zou hebben aangedrongen, ^

2 In deze zitting trad uomb. hogerbeets het eerst als lid op. Hij was kort te voren als lid van
den Höogen Raad, waarin hij met zijne gevoelens alleen stond, ontslagen, om het ambt van
Pensionaris van
Leiden weder te kannen) aan vaarden, 'Resol, v, Holl. 18 Nov. 8 Deo. 1617.

3 Jtesol. V. Holl. 13 Dec. 1617.

^ Te weten in de zaak van den karthuizer paül de ravoyrk.
5 Zie hiervoor, bl. 640.

ocr page 640

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

iet woord riglle. CARLETOïf, die steeds beweerde met niemand anders dan met de Staten- 16Π.
Generaal iets te verrigten te hebben, trok zich deze stap van den Franschen Minister
nan, evenwel niet zonder aan zijn Hof de vraag te riglen, of het ook hem niet geraden
zijn zou, zich aldus tot de Staten van
Holland in het bijzonder te wenden — Du
MAüRiBRS rede had werkelijk dezelfde strekking, als die welke hg voor de Stalen-Generaal
gehouden had. De geschillen, zeide hij, hoe gewigtig ook, waren niet waard, dat men
daarvoor de kracht, den roem, ja het beslaan van den Staat op het spel zette. In
Holland
was de vrijheid herleefd, en ziet — thans stond zij in Holland te gronde te gaan.
Dus zouden de weldaden van
Hendrik den Grooten vergdeld worden, en hunne trouwste
en magligsle vrienden zouden de voortzetting dier weldaden kwalijk besteed achten
aan dezulken, die hunne eigene zaak verrieden. De schande zulk een heerlijk goed,
als zij verkregen hadden, niet te hebben kunnen behouden, zou grooter zijn dan het
nooit te hebben verkregen. Dus bezwoer hij hen eendragtig te zijn, en zich te houden
bij heigeen hen groot had gemaakt. Uit liefde voor het vaderland, hetwelk zich geheel
op hen verhet, moest men niet hardnekkig blijven bij een eenmaal opgevat gevoelen.
Wie het gereedst was om zijn gevoelen op te geven, toonde de meeste liefde voor *t
vaderland en oogstle de eer der schoonste zege in — Ziedaar eene waarlijk onpar-
tijdige rede: slechts hij, die in aanmerking nam, eensdeels dat de Gezant bepaaldelijk
lot
Holland sprak, waar de meerderheid moeijelijk geacht kon worden de partij te zyn,
die de eendragt verstoorde; andersdeels dat hij op het bondgenootschap met
Frankrijk
wees, hetwelk een ander staatkundig beginsel dan bet gereformeerd kerkelijke on-
derstelde, slechts de zoodanige kon doorgronden, welke staatslieden hij wenschte te
ondersteunen, en welke partij hem voorkwam den Staat ten verderve te voeren en den
vijand, die, zeide hij, nog altijd voor de poorten stond, in de hand te werken. Du
MAURiER bezat de overtuiging, dat de waarheid kans heeft om lot de harten door te
dringen, en daarom had hij zich opgewekt gevoeld, die taal in de vergadering der
Staten van
Holland te spreken. Maar zijne goede verwachting werd bedrogen: het blijkt
niet, dat iemand op de door hem op nieuw aangedrongen gronden van zijn gevoelen
afstand gedaan heeft. Ook vond de Gontraremonstrantsche parlij zoo veel aanmoediging
in de bemoeijingen van oLDENBARNEVii.TS vganden, dat zij, van de
zege verzekerd, niet
in den zin kreeg, om den strijd op te geven.
Carletoh had thans eene goedp gelegen-
heid bekomen, om de Hollandsche Regering te kwellen en te benadeelen. — De rede,
door dezen Gezant den October dezes jaars gehouden, was, tegen het verzoek en
den zin der Hollandsche Regering en in strijd met het besluit der Stalen-Generaal in

1 CARLETON, II, p. 138, 139, 148. 's Konings weifelend antwoord op de vraag leest men bl. 158.

2 Resol. V, Holl. 14, 15 Dec. 1617.
^ Zie hiervoor, bl. 757.

ocr page 641

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1617. het licht gekomen. Een ongenoemd auteur scheen Ie meenen, dat die rede, thans
gemeen goed geworden, ook de openbare kritiek mögt doorstaan: ten minste hij zelte
hen, die de uitgave van
ca.rleto]vs redevoering bezorgd hadden, deze hunne onbe-
scheidenheid betaald, door eene kritiek uit te geven onder den titel van
Weegschaal
om de Oratie van den Ambassadeur D, Carleton in alle billijkheid regt te overwegen
In dit geschrift werden, in tegenspraak met hetgeen cARLETorf zoo oppervlakkig beweerd
had, de aanleiding en de ware toedragt der kerkelijke staatsgeschillen uiteengezet, en
zy, op wie die Gezant de schuld had geladen, op de meermalen reeds door de Holland"
sehe en de Utrechlsche Regering aangevoerde gronden, verdedigd. De Gezant trok zich de

cAiiLETON zaak aan. Het was hem gemakkelyker tegen dit schotschrift uit te varen, dan het uitvoerig

treedt op tegen

de Weegschaal, antwoord op zijne rede, door de Staten van Holland opgesteld le wederleggen. Den
21''®" November berigtte de President,
burmania, aan de Vergadering der Staten-Generaal,
dat GARLETOif, met den vinger op dat schotschrift, hem gevraagd had, of dit nu het
reeds zoo lang verbeide antwoord was op den laatsten brief van Zijne Groot-Britannische
Majesteit. Dit woord getuigde van niet geringe verstoordheid, en weldra bleek het, dat
hij voldoening verlangde, en tevens trachtte om, door middel van de vervolging dezer
zaak, de hoofden der door hem tegengewerkte rigting ten val te brengen. Hy wilde
niemand geringere dan
grotius en uytehbogaert voor de auteurs gehouden hebben.
Zelfs wees hij op eene byzonderheid, die, meende hy, door
oldenbarwevelt den schry-
vers aan de hand moest gedaan zijn Κ Op die mededeeling van den President verklaarde
zich de Vergadering »zeer ontroerd en bedroefd," dat zulk een boekske was in het licht
gekomen. Het was in
Holland, hoezeer te Utrecht gedrukt, het eerst verspreid, en
nu werden de Gecommitteerden dezer Provincie uitgenoodigd, het zoo veel doenlijk te
doen intrekken. Zij antwoordden, dat men daartoe reeds last gegeven had. Dit zouden
de vertegenwoordigers der andere Provinciën zorgen dat ook door hunne lastgevers
geschiedde, en zoo, hoopte men, zou
carletokts wijsheid en bescheidenheid zich vol-
daan rekenen. Doch reeds den volgenden dag verzocht de Ambassadeur, dat onderzoek
gedaan mögt worden naar den schrijver en den drukker. Ook dit, verklaarden de
Hollandsche leden, was reeds van wege de Staten hunner Provincie geschied, en de
andere Provinciën namen aan, het insgelyks te laten doen. Maar nog achtte
garletoit
de voldoening niet genoegzaam. Hij verscheen den November in de Vergadering,

en hield hier eene rede, waarin hij alles opsomde wat in'de Weegschaal beleedigends
voor Zijne Majesteit den Koning en voor zijn eigen persoon voorkwam, de meeningen

1 liihl. V. Pamß. Ν». 1252.
- Zie dit stuk bij
üytenbogaert, bl. 831—-859.
carleton, II. p. 121, 122, 126.

ocr page 642

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

Tan den aulenr op zijne wijze bestreed, en de uitvaardiging eischte van een buiten- 1617.
gewoon plakaat, waarbij gelast zou worden de exemplaren van het boekske in het
openbaar te verbranden : hij, die exemplaren opspoorde, zou eene belooning, en de drukker,
zoo hij binnen veertien dagen den schrgver noemde, vergiffenis erlangen. Tegen
dezen
eisch lieten de Hollandsche leden zich hooren: na hetgeen in hunne Provincie reeds in
deze zaak geschied was, achllen zij zich bezwaard voor alsnog meer te doen, zonder
voorafgaande mededeeling aan de Staten; voorts namen zij de gelegenheid te baat, om
nogmaals op de vernieuwing der plakaten tegen het kwaadspreken van de Regering,
en tegen het schrijven van lasterlijke geschriften aan te dringen: had men daartoe wil-
len besluiten, zoo ware de uitgave van het boekske voorgekomen.
Ulrecht onder-
steunde
Holland ook thans; maar de vier Provinciën waren gezind op garletoics
eisch een zoodanig plakaat, als hij werischte, uit te vaardigen. Alleenlyk gaven zg
aan die van
Holland verlof, om van den Engelschen Ambassadeur uitstel te ver-
zoeken tot tijd en wijle, dat de Staten van
Holland vergaderd zouden zyn. Diens-
volgens vervoegden zich
de groot en wittensz bg den Ambassadeur. Maar deze ant-
woordde, dat de zaak evenmin
Holland, als eenige andere Provincie in het bijzonder
raakte, ten ware men erkennen wilde, dat de schrijver en drukker in
Holland te huis
behoorden. Hy had slechts met de Staten Generaal te maken, aan wie zgne geloofs-
brieven luidden, en van dezen wachtte hij voldoening, en wel vóór den volgenden
woensdag, aangezien hij alsdan aan zijnen Meester verslag van do zaak geven moest.
Van dit antwoord gaf hij zelf schriflelijk kennis aan de Staten Generaal, het voorkomen
aannemende, alsof hij de waarheidsliefde van
hügo de groot mistrouwde, en bij deze
schriftelijke mededeeling voegde hij het verzoek, dat, ingeval er ontdekt werd, dat
iemand kennis van den schrijver en den drukker van het schotschrift gehad had, zon-
der hen aan Hun Hoog Mögenden aangebragt te hebben, de zoodanige aan dezelfde
straf, als de schrijver en de drukker, onderworpen zou zijn. Zoo meende
carleton
mogelijk wel de aanzienlijkste mannen der Republiek aan eene schandelijke straf bloot
te stellen. Alsnu werd de Griffier der Staten-Generaal gelast het verlangde plakaat te
ontwerpen en daarin de laatstelijk toegevoegde bedreiging niet te vergeten . ^ Doch de
Hollandsche Staatslieden waren niet gezind te wijken voor den onbeschaamden eisch van
den Engelschman, die, docht hun, slechts het verdiende loon van zijne eigene bekrom-
pene staatkunde gekregen had. Op nadere aanmaning .der vier Provinciën werd het
ontwerp van het plakaat den December gelezen en vastgesteld met deze bepaling pjak^at tgg^^
evenwel, dat men aan de Hollandsche Gecommitteerden er eene kopij van bezorgen zou
Weegtchaai

ί <> ^ tegen den zm van

ten einde zij deswegens aan hunne lastgevers berigt zouden kunnen geven. Alsnu be- bolland vastge-

etcld.

noemden de Staten van Holland eene commissie, bestaande uit de pensionarissen van

ï Resol. Stat. Gen, 21, 22, 25, 27 Nov. 1617. CAnLEm, II. p. 123—133.

III Deel. 2 Stuk. 97

ocr page 643

ALGEMEENE GESCHIEDENIS

^ 770

Haarlem y Amsterdam en Rotterdam en den secretaris sran Enkhuizen, tot onderzoek
Tan de Weegschaal, en intussclien werden de Gedeputeerden, die zich naar de Tergade-
ring der Stalen Generaal begaTen, gelast zich tegen de uitvaardiging van het plakaat Ie
Terzetten.
Niettemin werd äldaar lot die uitvaardiging besloten, en de Hollandsche leden
zagen zich genoodzaakt, ondersteund door
Utrecht en Overijsselj te verklaren, dat
men, zoolang
Holland niet toetrad, geene vrijheid had om het plakaat op naam der
Staten-Generaal uit te vaardigen. In deze overtuiging verboden de Staten van
Holland
den drukker der Generaliteit het plakaat te drukken, en toen garleton, zich aanstel-
lende alsof hij het et voor hield dat het staatstuk reeds gedrukt was, eenige exemplaren
daarvan bij den drukker liet ontbieden, kreeg hij ten antwoord dat deze het verbod niet
in den wind geslagen en het plakaat niet gedrukt had. Nu riep de President der Staten-
Generaal den drukker tot het geven van rekenschap. Niettemin bleef deze weigerachtig om
het plakaat te drukken, en de President verlangde de kopij van het plakaat terug. Daarop
besloten de Staten-Generaal het stuk aan de Staten der gezamenlyke Provinciën toe te
zenden met het verzoek, het elk in hun Gewest te laten drukken en uitvaardigen.
Hiertegen protesteerden
Holland, Utrecht en Overijssel, en uit Gelderland de Heer van
BRïEiïEït, wiens protest echter laler door de Staten zijner Provincie scherp afgekeurd
werd. — Alsnu wenschte de Engelsche Gezant niets liever, dan dat zijn Koningi met het
ter zijner
Toldoening door de Staten-Generaal verordende, al bleef het ook in enkele
Provinciën onuitgevoerd, genoegen zou nemen. Dus wachtte hy nader order af, en ze
bekomen hebbende, kon hij, den 20'*®" Januarij daaraanvolgende, aan de Staten-Generaal
des Konings dankbetuigingen voor de gegeven voldoening mededeelen. Evenwel gaf hij
alsnog zijn verlangen te kennen, dat het plakaat mede werd uitgevaardigd in die Pro-
vinciën waar zulks nog niet geschied was, en wel bepaaldelgk in
Holland. Dit verlangen
echter werd niet bevredigd. Integendeel er kwam
Tan het geschrift weldra eene Fran-
sche vertaling met een scherpe voorrede in het licht, voor welker auteur de Gezant
den predikant
uytenbogaert schynt te hebben willen doen doorgaan. Dus vond hij op
nieuw aanleiding om zich bij de Slaten-Generaal te beklagen. Ten einde hem genoe-
gen te geven, lieten de Staten van /ie/Zawii eenige exemplaren der Fransche vertaling
binnensdeurs in hunne vergadering verbranden, en hiermede liep de geheele zaak af
Doch wat viel nu, ten aanzien van de hoofdzaak, in de wintervergadering van de

•1617.

Wiuter verga-
dering der Staten
van
Holland.

1 Resol. Stat. Gen. 4, 6, 8, 11, 12, 27 Dec. 1617. 20, 26 Jan. 28 Febr. 1618. Resol. van
Holl.
8 Dec. 1617. cableton, II. p. 132, 133, 143—145, 156, 166, 167, 177, 185, 186 , 204,
205, 213. — De auteur en de drukker der
Weegschaal zijn nooit ontdekt geworden. De Koning
van
Engeland hield zich overtuigd, dat hugo de groot de schrijver was (carleton, II. p. 173).
baudaert noemt den IJtrechtschen predikant jag. tauriküs (zie üytenbogaert, bl. 862). Een bcrigt
bij
carlet0n (II, p. 194) noemf insgelijks taurwus.

ocr page 644

DES VADERLANDS. 97

Staten yan Holland Toor? Behahe de Traag aangaande de Synode moest ook de staat van 1617.
uitgaven en ontvangst voor het volgende jaar opgemaakt worden. De Prins, die gaarne
gezien had, dat
Holland de bekostiging der Fransche regimenten, die deze Provincie bij
besluit vän den Augustus i van zich had afgeschoven, weder op zich had genomen,
wenschte, dal de geldmiddelen vóór de godsdienstgeschillen aan de orde gesteld zouden
worden. Had
Frankrijk voor den dag kunnen komen met het aanbod van dadelijke
betaling dezer troepen, de invloed van den Franschen Gezant op de Contraremonstranten
en den Prins zou grooter geweest zijn; dan toch zou men niet hebben kunnen ontken-
nen, dat het bondgenootschap met dit Rijk tot iets nut was. Doch in plaats van zulk
een aanbod was
du maubier den 3''®" November bij de Staten-Generaal met verontschul-
digingen aangekomen, wegens onvermogen om de achterstalligö soldij te betalen
\ Het
is waar, door de houding van den Koning van
Frankrijk was de vrede in het zui-
den hersteld, en waren de Stalen van hun onderstand aan den Hertog van
Savoye
ontslagen geraakt; maar daarvoor duchtte men, nu de vgand de handen in het zuiden
ruim had, eene hervatting van den oorlog op onze grenzen, en dezelfde personen, die
zoo tegen het sluiten van het Bestand gegverd hadden, verlangden nu niets liever, dan
het gerekt te zien, vermits de oorlog ruim zoozeer
oldenbarnevelts diplomatische, als
MAURiTS militaire bekwaamheden onmisbaar zou maken, en men rust van buiten ver-
langde , om intusschen in het binnenland de omwenteling door Ie zetten en den Advokaat
van het kussen te dringen
Κ Zoo moest het Bestand, oldenbaunevelts werk, door
zijne tegenstanders tot
oldenbarreyelts ondergang misbruikt worden. — In weerwil van
MAURITS verlangen en de korlheid van den tijd, die nog vóór den aanvang van het
jaar 1618 overschoot, werd het godsdienstige vraagstuk het eerst aan de orde gesteld.
Vrij kalm, veel kalmer althans, dan men na de heftige vertoogen in de Stalen-Generaal
had mogen wachten, kwam het middel, tegen de verdeeldheid in het godsdienstige aan
te wenden, Ier sprake. Den 19^®" December waren de gedeputeerden uit de vijf Sleden
gereed met een ontwerp ter bgeenroeping eener Provinciale Synode onder beding, dal
zg door eene Nationale achtervolgd zou worden, waartoe zij slechts tot voorbereiding
zou strekken. Tegen dit concept stelden de Edelen en de gedeputeerden der overige
Steden twee dagen later een ander over, hetwelk eene Provinciale Synode aanbeval, die
de bijlegging der geschillen tot bepaalde taak zou hebben. Daar echter ook de stellers
van dit laatste ontwerp geene beslissing aan de Provinciale Synode opgedragen wilden heb-
ben, en zg zelfs goedvonden, eenige godgeleerden uit de andere Provinciën in deze Pro-

ï Resol. V, Holt. 5 Aug. 1β17.

2 Resol. Slat. Gen. 3 Kov. 1617.

3 Vergel. carletos, II, p. 115, 116.

94*

ocr page 645

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1017. Tinciale kerkvergadering toe te laten om hun advies te doen hoóren, ja, in geval dit alles
tot niets leidde, het uitzigt op eene Generale Synode openden, zoo was eene overeenbren-
ging der beide gevoelens niet ondenkbaar, hoezeer nog altijd het groole verschil overbleef,
dat dezen de benoeming der leden van de Provinciale Synode aan de Magistraat,
Commissie be- genen aan de classes wilden opdragen. Er werd dan eene commissie benoemd, uit
cra^pten nopens β^^βη der Edelen en eenige gedeputeerden der voornaamste Steden bestaande, om de
eraer^Provinciale^ Ontwerpen, ZOO veel mogelijk, overeen te brengen,-en zoo ging de Vergadering

Synode overeen te uiteen, »met meening en besluit om zonder nieuwe beschryving den 10·^°° Januarg

brengen.

weder byeen te komen." ^ Dus scheen er thans werkelijk eenige kans tot verzoening in
Holland te ontstaan, en, onverdeeld in eigen boezem, was Holland sterk genoeg tegen
de andere Provinciën, ja, zou het dezen ligt kunnen doen gevoelen, dal haar tegen-
stand doelloos was geworden. Ook uit
Engeland kwamen berigten aangaande het per-
soonlijke gevoelen van
jacobus I en zijne staatkunde in kerkelijke zaken, die niet anders^
dan geschikt waren om den Contraremonstranten den mond te stoppen. Vooreerst wees men
steeds op de handelwijze van dezen Koning in de kerkelijke geschillen, welke vroeger in
zijn Ryk waren voorgekomen, eene handelwyze, die veel overeenkomst had met die der
' Staten
ia Holland, en thans vernam men door een schrijven van den Nederlandschen jGe-
zant 'te
Londen^ dat de Koning zich had uitgelaten, hoe hy van de vijf artikelen de
eerste vier goedkeurde en over bet laatste niet beslissen wilde, alsmede, dat hij de be-
slissing des geschils door eene Provinciale Synode mogelijk achtte. Tegelijk met dit
berigt uit
Engeland kwam eene mededeeling van den Agent der Staten te Liibe/c van
gelijke strekking. Dit was voor de Contraremonstrantsche partij te veel om te verduwen·.
Zy herinnerde zich, dat ook de Gezant te
Parijs en de Agent te Heidelberg zich in
hunne brieven in eenen voor de Remonstranten günstigen zin hadden uitgelaten, en
wilde weten dat die beschouwingen aan al de zaakgelastigden der Staten in het buitenland
uit
Hage in de pen waren gegeven. Dus dreef men bij de Staten-Generaal een besluit
door, waarbij den Gezanten of Agenten der Republiek verboden werd, aan de Hoven of
in de Stalen, alwaar zij gevestigd waren, immer op grond van bijzondere brieven,
uit
Nederland ontvangen, over de godsdienstgeschillen te spreken, maar daartoe de be-
velen af te wachten, die de Slalen-Generaal hun geven zouden. Ook Irachlte CARLETori
spoedig eene nadere verklaring van
jagobüs bedoeling uit te lokken, waartoe deze Vorst,
die het bijna nooit met zich zeiven eens was, noch wist wat hij wilde, zich vinden liet
_ In allen gevalle, de kans der Hollandsche Regering scheen schooner te staan dan

ί Resol. Holl. 19, 21 Dec. 1617. Oüvbk, p. 265, 266. Carleton, II, ρ. 137, 148, 149, 150,
152. De naauwkeurigheid vau
carleions berigt en uitdrukkingen laat hier veel te wenschen over.

2 Carleton, II, ρ. 146, 147, 157, 167, 172.

3 Niet allen evenwel dachten zoo gunstig over den staat van zaken op dit oogenblik. Op den

ocr page 646

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

Troeger. Er moest een slag geslagen worden, die de Gontraremonslrantsche partg weder löis.
nieuw leven bgzetle en tevens hare kracht vermeerderde. Hiertoe was gelegenheid ge-
Staatvaa zakeu
neeg voorhanden. De Regering van Nijmegen, dit was reeds genoeg gebleken, was ^
op de hand der Remonstranten; maar het ontbrak in deze slad, ja in den boezem der
Magistraat zelve geenszins aan ijverige voorstanders der tegenovergestelde^ partij· Konden
dezen op het kussen geholpen worden, zoo was aan den twijfel betreffende het regt der
Geldersche Gedeputeerden, om in den naam der Stalen van hun Landschap de bgeenroe-
ping eener Nationale Synode voor te slaan, een einde gekomen. De Ngmeegsche Burge-
meesleren, Schepenen en Gemeensheden zagen reeds in het jaar 1617 duidelyk in, waar
men het op toelegde. Zij trachtten zich tegen alle mogelijke gevallen Ie wapenen, en
wel door diegenen in den arm te nemen, van wier zyde zij, wanneer het eenmaal zoo
ver mögt komen, eene partydige beoordeeling te schroomen hadden. In de maand Julij
1617 gaven zy aan de Stalen Generaal, ten overstaan van Prins
maurits, opening van
den staat van zaken in hunne stad, onderwierpen zich geheel aan het inzigt der Staten,
en Terwierven van hen de verklaring, dat er niets door middel van het garnizoen tegen
de Magistraat en de Gemeenslieden zou ondernomen worden. Ten overvloede wisten
zij met de onvergenoegden in hunne stad, die zg door het beroepen van een vierden
predikant trachtten te bevredigen, een vergelijk te treffen, hetwelk door den Prins be-
krachtigd werd. Doch niets baalle. Het aanmatigend gedrag, de beschuldigingen en de
uittartingen der tegenpartij bleven voortduren. Nogmaals evenwel, het was in November,
werden de geschillen, zoo het heette, bijgelegd; maar met even weinig vrucht, In
die zelfde maand kwam er een schotschrift uit, waarin Zyne Excellentie werd aange-
maand, bij de vernieuvs'ing van de Magistraat te zorgen, dat de Arminianen uit de Re-

relfden dag (den 28·'®» December 1617), waarop du mauwer aan dü plessis-sionnar zijne hoop tc
kennen geeft, «dat de zaken weldra een beteren plooi zouden nemen," schrijft hem de Prinses-
Weduwe van Oranje: »Het betreft de Godsdienst niet alleen: de geheele Staat is er mede ge-
moeid, en die Staat gaat te gronde, zoo er niet spoedig in voorzien wordt. Gij zijt een dergenen
geweest, die wijlen Mijnheer mijnen echtgenoot geholpen hebt hem te stichten, help, Mijnheer,
thans zijne kinderen te verhoeden, dat hij te gronde ga. Zoo de dooden tennis droegen, van
hetgeen hier beneden voorvalt, ik houd mij overtuigd, dat hij er u in zijnen naam en hij zijne
asch toe zou bezweren. Kom, bid ik u, herwaarts over. Gij moest daartoe van Overheidswege
geroepen zijn, maar, in Gods naam, zie niet op nietige formaliteiten. De tijd dringt" enz.
Mémoires
de du PLEssis-ïioMAY, m, p. 1204—1207. Vah der mijle noodigde hem insgelijks om over te
komen en wel te zijnen huize (p.
1203). Ook de Pensionaris pauw schreef omstreeks dezen lijd
om van hem een advies, den Contraremonstranten gunstig, te bekomen. Werkelijk was hij in het
leerstellige op hunne hand en gezind om eene
Naliomle Synode aan tc bevelen, maar hij achtte
alle scheuring een gruwel.

ocr page 647

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618, gering geweerd werden. Deswegens had de aangerande Magistraat getracht den Prins
beter in te lichten, maar als voorbode van hetgeen haar te wachten stond, een ontwij-
kend antwoord bekomen. In weerwil van dit alles was de Magistraat niet gezind te
wijken. Zij maakte de Staten-Generaal en den Prins bekend met haar voornemen,
waarin zij zich door het beste deel der ingezetenen ondersteund achtte, en verzocht den
laatste onderdanig niets te doen tegen «het oude gebruik harer stad, terwp zij verzekerde
alle verschillen aan »gewillekeurde" regters te willen onderwerpen, en in de kerkelijke
zaken' de uitspraak eener Provinciale of Nationale Synode te willen volgen. Het oude ge-
bruik, waarvan zij melding maakte, bragt mede, dat de verkiezing van de Magistraat
geschiedde door de Gemeenslieden, die, oorspronkelijk de vertegenwoordigers van de bur-
gerij, van lieverlede lot den aard van een ligchaam waren overgegaan, gelijk aan de
Vroedschap in andere plaatsen. Dit Gollegie verkoos de leden van den Raad voor hun
leven: slechts ten gevolge van een vonnis wegens zware misdaden konden de eens ver^
kozenen worden afgezet. Voorts werden jaarlijks op den Januarij (ouden stijl) twee
nieuwe burgemeesters door de Raadsleden uit hun midden gekozen. Dit gebruik was
gevolgd tot in 1591, toen de stad aan de Staatschen was overgegaan. Het verdrag, bij
de overgave gesloten, bragt het regt om de Magistraat te vernieuwen aan den Prins
Stadhouder, doch uitdrukkelijk » bij provisie en gedurende den oorlog." Bovendien had
Zijne Excellentie bij den overgang der stad beloofd, haar volgens de bestaande privile-
giën te zullen besturen. Ook had de Prins nog nooit burgemeesters of raadsleden aan-
gesteld, dan met gemeen overleg uit eene naamlijst, door de Magistraat opgemaakt.
Deze staat van zaken nu, altijd eenigzins van de willekeur des Prinsen afhankelijk, had
met den vrede opgehouden, maar eershalve en uit erkentelijkheid had men den Prins
het regt laten uitoefenen van de keuze der Magistraatspersonen goed te keuren en hen
in hunne waardigheid te bekrachtigen, een regt, dat nimmer noch aan den Kanselier
en Raden van het Hof van
Gelderland^ noch aan de Hertogen of Graven van Gelder^
noch zelfs aan den Keizer had toegekomen. Dua meende de Magistraat volkomen regt
te hebben niet alleen, maar krachtens haren eed verpligt te zijn om te doen, wat zij
den 12^®° Januarij 1618 deed. Toen vergaderde zg des morgens vroegtijdig, om de
nieuwe burgemeesters te verkiezen, de plaatsen van vier, wegens deelgenootschap aan
de ongeregeldheden afgezette raadsleden te vervullen, en de overige in hunne betrekking
De Prins ver- te bevestigen. Terwyl zij nog op het Raadhuis te zamen waren, verscheen aldaar de Prins,
traarlldaM,"^^ die in de stad was gekomen, met den Kanselier en de Raden van
Gelderland^ en niet zonder
vertoon van eene belangrijke militaire magt, hetgeen alle gedachte aan verzet moest afsnijden,
belegde hij eene vergadering, waartoe hij enkele leden der Magistraat binnen riep. De
niet binnen geroepenen protesteerden tegen hetgeen Zijne Excellentie verrigtte; maar deze
liet zich niet terughouden van zgn genomen besluit, en benoemde eene nieuwe Magistraat,
en daaconder mede diegenen, welke een vonnis wegens verzet tegen de Overheid ten hunnen

ocr page 648

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

laste hadden ■— De in hun oog verongelijkte oude Magistraat verkoos dit niet zonder be- I6is,
klag te laten geschieden. Zij zond eenige afgevaardigden naar
Gravenhage, die den 24"''°
Januarij, in de tegenwoordigheid van zijne Excellentie, ter vergadering genoodigd, bij
tmtspersonen.
monde van johannes biel , Raad en Syndicus der stad 2, hare zaak voor de Staten-Ge-
neraal voordroegen. Tot dezen, zeiden zij, wendden zij zich, want wat de Prins ge-
daan had', had hy slechts op gezag der Generaliteit mogen doen; ook was hun door
middel van krijgsvolk van de Generaliteit geweld aangedaan. Niet voor het Hof van
Gel-
derland
behoorde hunne zaak, vermits hunne stad nooit aan dit Hof onderhoorig was ge-
weest. Ook niet voor de Staten van
Gelderland, aangezien geene byzondere Provincie
zich kon aantrekken, wat van wege de Generaliteit geschied was. Van de Staten-Gene-
raal derhalve, van wie de Prins oorspronkelijk zijnen last bekomen had, verzochten zij
verhaal en herstel: immers waren de troepen der Generaliteit zonder uitdrukkelyk bevel
van Hun Hoog Mögenden gebruikt, en, bestond er eenig verschil tusschen hen en hun-
nen Stadhouder, zoo stond de beslissing aan de Staten-Generaal en niet aan den Prins,
die hier partij en geenzins regier was. Ten gevolge
Van het thans door den Prins ge-
velde vonnis waren mannen, die de eer hadden leden der Staten-Generaal zeiven te
zgn en 's Lands geheimen aan zich toevertrouwd te zien, als eerloozen afgezet. Men
moest hun niet tegenwerpen, dat de Prins niet anders gedaan had, dan wat hem krachtens
de capitulatie van 1591 was toegestaan
gedurende den oorlog te verrigten, en dat de
oorlog slechts door een Bestand was afgebroken en geenszins door een volkomenen vrede
was geeindigd. Er was slechts een Bestand getroffen, dit erkenden zij, maar een Be-
stand, waarbij de ergste vijanden van den Staat weder in het bezit hunner ver-
beurd verklaarde goederen gekomen waren, en zou dan de hoofdstad van het eerste
kwartier van het Vorstendom
Gelderland, de eerste in rang van alle Provinciën, bij
dat Bestand niet weder in het genot van hare eeuwenheugende privilegiën geraakt zgn?
Alzoo besloten zij hunne rede met het verzoek, dat de verkiezing, door de oude Magis-
traat gedaan, gehandhaafd worden mögt, of ten minste, in geval de zaak niet dadelyk
kon uitgemaakt worden, die Magistraat bij voorraad in hare bediening mögt worden
bevestigd, totdat door Hun Hoog Mögenden anders beschikt zou zijn. — Na het vertrek
der Afgevaardigden uit de vergadering deed de Prins op zijne beurt een verhaal van
het gebeurde, en beweerde gehandeld te hebben volgens het gezag, hem als Stadhouder
van
Gelderland toekomende. Spoedig hierna ontvingen de Staten Generaal een schrij-
ven van den Kanselier en Raden van het Vorstendom Gelder en Graafschap
Zuiphen,
waarbij zij hunne bevreemding te kennen gaven over den stap van zekere personen,

Archives de la Mais, d'Orange, S. Π. T. II. p.. 551.
^ In 1615 had hij een deel uitgemaakt van de belangrijke zending naar de Haneeeteden. Zie

hiervoor bl. 577.

ocr page 649

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1018. zich noemende Afgevaardigden van de Magistraat van Nijmegen, Zij voor zich kenden
geene andere Magistraat van die stad, dan die, welke door Zijne Excellentie krachtens
de capitulatie aangesteld was. Ook de nieuwe Magistraat van
Nijmegen beklaagde zich
bij de Stalen Generaal over het gedrag der afgezette Magistraatspersonen, ja, zij ver-
klaarde niet langer te willen, dat
biesman , in wien deze laatslen een warm voorstander
gevonden hadden, hare stad langer in de Vergadering der Stalen Generaal vertegen-
woordigde. Om deze verklaring echter bekreunde
biesmaw zich niet: hij zeide lid der
Vergadering te zijn als vertegenwoordiger van de Provincie
Gelderland en niet van de
stad
Nijmegen in het byzonder. Ook bleef hy de vergaderingen bywonen, totdat hij
den 15 Maart, zoo als hij het deed voorkomen, vrywillig zijn afscheid nam.

Lang duurde hel eer dat men in de zaak van Nijmegen tot eenig besluit kwam. Zoo
de Staten-Generaal aan het verzoek der oude Magistraat gehoor hadden gegeven, zou-
den zij den Prins voor hunne vierschaar hebben moeten dagen, en zelfs de Hollandsche
partij moest begrijpen, dat hieraan niet gedacht kon worden. Niellemio verzochten de
afgevaardigden der oude Magistraat gehoor bij de Staten van
Holland^ en wierpen zich,
zeiden zij, in de armen van Hun Edel Mögenden, in de hoop van door hen gehand-
haafd te worden. De Staten dezer Provincie meenden zich de zaak te mogen aantrekken
op grond dat »de stad
Nijmegen met de middelen van Holland gewonnen" en voor de
Unie bewaard was gebleven, en het ongenoegen, aldaar aan een groot deel der Magis-?
traat en der ingezetenen gegeven, van algemeen belang geacht kon worden te wezen.
Nietlemin besloten zij de zaak te verwijzen aan den Landdag van
Gelderland, die in
Blaart vergaderen zou, en ditmaal, op verzoek der Staten dezer Provincie, ook door den
Prins zou bezocht worden. Men zou zich laten welgevallen, dat de nieuw aangestelde
Magistraat op het kussen bleef, mits men de gedane poging om zich regt te verschaf-
fen, niet op de oude Magistraat wilde wreken. Konden de Staten van
Gelderland geen
vergelijk tusschen de partijen tot stand brengen, dan diende de zaak voor de Gene-
raliteit en, volgens de Unie, voor elke Provincie in het byzonder gebragt te worden.
Dus werd door
Holland zelve een middel aan de hand gedaan, waardoor de Staten
Generaal ontheven werden van de noodzakelijkheid om openlijk aan de Nijmeegsche
Hunnezaakaan f^^rcssanten regt te weigeren. Gretig omhelsden zij deze uitkomst en van hunnentwege
landdag^tanbr ^^ Staten van
Gelderland uitgenoodigd goedgunstiglijk op de klagten uit Nij^

volen. megen te letten en de zaak te willen doen bijleggen. De klagers ziende dat hun geen

andere hoop overbleef, schijnen zeiven met deze schikking genoegen genomen te heb-
ben: immers hadden zij reeds verzocht, dal de Staten Generaal op hun verzoek niel
beschikken, maar de zaak voor alsnog zouden laten berusten ^

α

1 Bcsol Slat. Gen. 9, 15, 24, 29 Jan. 2, 6, 20, 21, 27 Febr. 14, 15, 19, 27 Maart 1618.
Resol. Holl. 13, 24 Febr. 23, 24 Maart 1618. Een schrijven der Staten van Holland aan die van
Gelderla7id, in het belang der dolerenden Nijmeegsche Oud-Magistraat, is ingelaschi, bl. 572—574.

ocr page 650

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

In allen geTalle was, nu de door den Prins le iVijwe^e»doorgedreven Magistraatskeus lßl8.
in sland gehouden werd, aan de Remonslrantsche parlij in Gelderland een onherstelbare
slag toegebragt, en thans was
Tan de Geldersche Dagvaart alles le verwachten, wat de
Contraremonstranten slechts wenschen konden, voornamelijk daar Prins
ma.ürits aldaar
al het gewigt van zijnen invloed zou laten gelden. Déze invloed was door het overlijden
Overlijden ταα
zijns oudsten broeders, in February 1618, niet weinig toegenomen. Immers zag de Prins g^^gjj
broeder,
door deze gebeurtenis zyn rykdom en aanzien aanmerkelyk vermeerderd, daar hg erf-
genaam geworden was van al de goederen en titels zijns broeders, onder anderen van
het Prinsdom van
Oranje, Wel zochten sommigen, die 'sPrinsen vrienden niet waren,
hem, die van nu aan Heer was van
zoq vele goederen, in het gebied der Aartshertogen
gelegen, en van een Prinsdom, waar de Katholieke Godsdienst in het openbaar werd
uitgeoefend, deswegens eenigzins verdacht te maken; maar alles stuitte af op het ver-
trouwen, hetwelk de Prins bij de Contraremonstranten genoot i.

Terwijl alzoo de Prins de kracht der Contraremonstranten steeds versterkte, en
op het punt stond, hun slag op slag voor vroegere tegenstanders bondgenooten
le bezorgen, werd het gßzag der Hollandsche Regering in
Holland zelve gedurig
stouter miskend. Te
Oudewater^ onder anderen, bleef het alweder niet bij ergerlijke Woelingen der
twisten tusschen de beide predikanten, lydius en poppius. Een deel der burgerij stranten in <le
legde het er op toe om door dreigementen de verkiezing van nieuwe Magistraatspersonen
naar hunnen zin te doen uitvallen. Nu besloten de Staten, commissarissen daarheen
te zenden, om de zaak »zoo gematigd en onpartijdig mogelijk, en ten meesten
profijte der Gereformeerde Religie" te behandelen. Zij, die over het verkiezings-
werk gesteld zouden zijn, moesten »God den Heer bidden, dal de bek waamsten verkoren
mogten worden," en een iegelijk werd vermaand, om als goeden Christenen betaamde,
den uitslag van het aldus volbragte werk te eerbiedigen. Doch weinig baatten zulke
bedoelingen bij eene gemeente, die zich niet ontzag, gewapend den predikant poppiüs,
hoezeer door de Magistraat in de kerk gebragt, le beletten dienst te doen, en
ltdius
op den predikstoel te handhaven. »Wij hebben met de burgemeesters niet te doen,"
durfde men roepen. Van de goedkeuring van den Prins hielden zich de oproermakers,
gelijk zij beweerden, verzekerd, en loen een der burgemeesters bij dat tooneel in de
kerk waarschuwend zeide, dat
poppius hun door de Heeren Stalen was toegezonden^
werd hem te gemoet gevoerd: »Ja door
uwe StatenI" Ook viel de Regentenkeuze,
waarbij men evenmin schroomde geweld le gebruiken, alles behalve onpartijdig uit, en
na de partijen gehoord te hebben, wisten de Staten er niets beters op, dan ze met
vermaning en de verklaring, dat men nader op de zaak lerug zou komen, naar huis

1 Mesol. Stal. Gen. 5 Maart, carletox II, p. 209, 214-216.

III Deel. 2 Stük. 98

ocr page 651

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. te zenden i. In den Briel was liet vertrouwen der Contraremonstranten sedert het be-
zoek, door den Prins aan deze stad gebragt, niet verminderd. Voor dal tijdstip liep
het volk aldaar, opgehitst door den predikant
Willem krijnsz , die zich door het Provin-
ciale Hof zag slijven, een tyd lang dag en nacht gewapend, roemende bovendien
het garnizoen op zijne zijde te hebben, en rigtte de Kerkeraad der dolerende ge-
meente een rekest aan het Hof van
Holland^ hetwelk, zegt hugo de groot, zoo
veel behelsde als »dat ^men zien zou wie de hardste vuisten had." In het najaar van
1617, wist zulk eene stoutheid zich uit ontzag voor de militaire Overheid eenigzins te
bedwingen; maar, dreigde men niet meer als vroeger, een kerkgebouw te willen in-
nemen, er mögt van komen wat er wilde, men drong herhaaldelijk aan op het be-
komen van eene openbare kerk, en wel op zulk een toon, dat de Staten, terwyl zij
de Brielsche Magistraat tot zoo groot mogelijke inschikkelykheid aanspoorden, levens
raadzaam achtten hel garnizoen tol waakzaamheid tegen gewelddadigheid te vermanen
Te
Heusden, werwaarts de Gecommitteerde Raden den Januarij 1618 de Heeren
wittehsz en hugo de groot gezonden hadden, om het misverstand tusschen de pre-
dikanten
GREvius en voetiüs bij te leggen, en te zorgen, dat de verkiezing van de
Magistraat »zoo veel mogelijk tot ieders genoegen behoorlijk" geschiedde, werd, ten spijt
dezer afgevaardigden, de wettige verkiezing door oploop vernietigd en de keuze van re-
genten, die aan de Contraremonstrantsche partij welgevallig waren, met geweld doorge-
dreven, en toen de Stalen zich in hunne vertegenwoordigers »verachtelijk bejegend"
verklaarden, en de te niet gedane verkiezing herstellen wilden, ging dit besluit niet
zonder bezwaar van den kant der vyf Sleden door De minste daad van gezag van de
zijde der stedelijke Overheden, die niet altijd de■ lankmoedigheid, welke den Staten op
'hun hooger en verder verwijderd standpunt paste, in acht nemen konden, werd als ver-
drukking uitgekreten en ten breedste uitgemeten. Toen, bij voorbeeld, de Magi-
straat te
Schoonhoven een tuinhuisje van vermolmde planken, waaronder de predikant
der dolerenden ten spijt van haar verbod stond te prediken, had laten omverwerpen,
werd door het geheele land het gerucht verbreid, dal hel huis, waarin de gemeente
vergaderde, onder den voel gehaald was De kans op de zege werd voor de aan-
hangers van OLDEWBARPiEYELTS Staatkunde hoe langer hoe geringer. Op een triomf door-
middel van geweld hadden zy nooit kunnen rekenen. Wal vermogten de weinige hon-

ï Rcsol Boll 15 Nov. 20 Dee. 1617. 4, 9, 17, 20, 22, 23 Jan. 1618. OuvnÉ, p. 267. uyten-
bogaert,
bl. 900 —903. Hugo de groot, Yeranlw. bl. 91, 94.

2 Uytenrogaert, bl. 781. Hügo de groot, Verantw, bl. 91, 239. Resol. Holl, 9 Nov. 1617,
26
Jan. 10 Februarij , 1618.

3 Resol. Holl. 2, 16 Jan. 1618. Hugo de groot, t. a. pl. bl. 94, 95.
^ IIytenbogaert , bl. 756.

ocr page 652

DES VADERLANDS. 779

Â¥

derden waardgelders tegen de vele duizenden krggslieden , die den Prins nimmer afval- 1618.
len zouden? Wat anders dan in het gunstigste geval hen, die de stedelijke overheden
bedreigden, in ontzag te houden. Slechts op de hoop, dat de in enkele steden en in de
meeste Provinciën bovendrijvende of op het kussen gebragle parlij eindelijk beter ingelicht
zou worden of voor beter ingelichte personen plaats zou maken, slechts op deze hoop,
hoe zwak ook, gaven zij eene zaak niet op, die bovendien hun eergevoel en hunne overtuiging
hun verboden te verzaken. Toch dichtte men hun den toeleg toe, om 's Lands krijgs-
magt te verzwakken. Met deze bedoeling zouden zij, heette het, gaarne gezien hebben,
dat de Fransche regimenten ontslagen werden, hoezeer het voor zeker mag gehouden
worden, dat
oldekbarnevelt hoogst ongaarne, met de terugzending dier troepen, dezen
band tusschen de Vereenigde Nederlanden en
Frankrijk verbroken zou hebben gezien,
en ook
bu matjrier zich niet tegen den zin van den Advokaat zou beijverd hebben,
dat het voor
Frankrijk altijd bezwarend zoogenaamde Secours werd in stand gehouden.
Maar
Holland wilde zich niet langer belast zien met het voorschieten der soldij, die
sints geruimen tijd was achtergebleven. Ziedaar de reden, waarom men in
Holland
geneigd scheen de wegzending der Fransche krggslieden te bevorderen

Of overtuiging en verzoenende maatregelen nog iets zouden vermogen tot handhaving
van de Hollandsche Regeriog en haar stelsel, dit moest blijken in de zitting der Staten van
Holland, die in de eerste helft der maand Januarg 1618 op nieuw eenen aanvang nam.
De eerste dagen verliepen geheel met de behandeling van bijzondere zaken, vooral met
het hoeren der partyen uit
Oudewaier. Maar al had men ook al die geschillen kunnen
bijleggen, het zou weinig tot de hoofdzaak hebben afgedaan, omtrent welke men elkander
niet verstaan kon. Te vergeefs maanden thans ook de Zweedsche Ambassadeurs
skytte
en VAN DUCK bij hel plegtig afscheid, dat de eerste kort voor zyn vertrek van de
Staten-Generaal en in het byzonder van die van
Holland nam, hen tot eendragt
aan Deo
27"®° Januarij leverden de Gedeputeerden van Haarlem ^ namens de Verklaring van
Magistraat hunner stad ter vergadering der Stalen eene pleglige verklaring in, die na
ingewonnen advies van
oldenbaritevelt en de groot gesteld was en waarbij zij, >>voor^^^ Consenten
en aleer tot het stuk der consenten te komen", van al de leden eene even rondborstige weigert,
verklaring verlangden aangaande den tegenwoordigen slaat van zaken en of men al of
niet gezind was het gezag der stedelijke Magistraten in den geest der Resolutie van den

1 Resol. Holl. 5 Aug. 1617. 9 Febr. 1618. carleton II, ρ. 85 , 98, 110, 179. Dadelijk na
zijne terngkomst uit
Frankrijk verontschuldigde du maukiea den Koning zijnen Meester op eene
inderdaad indrukmakende wijze wegens het achterblijven der soldij. Later werd eeu begin ge-
maakt met het aflossen der achterstallen.
Resol. Stat. Gen, 3 Wov. 1617. cablktow, 11, p. 208.

' Resol Holl, en Resol. Stat. Gen. 6 Febr. 1618.

98*

ocr page 653

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. Auguslus te handhaven Deze stap, waarmede men de bewilliging der consenten

van de volledige voldoening der Regeringspartij afhankelijk scheen te stellen, maakte
veel geruchts ook buiten de vergadering, ja buitenslands 2. Du
maurier, de verwarring
duchtende, die zulk een maatregel te weeg zou brengen, daar het krijgsvolk bij gemis
aan betaling oproerig zou worden sprak er
de groot over aan. Deze meende zgne
partij genoegzaam te regtvaardigen, door den Gezant de inzage yan de reeds in het Fransch
vertaalde zoo bondige verklaring der Haarlemsche'Gedeputeerden zelve te bezorgen. In
allen gevalle echter was tot de ongunstigste vermoedens en tot vrees voor de grootste
rampen aanleiding genoeg voorhanden Reeds naderde weder de tyd, dat de zitting
ten minste tydelyk moest worden gesloten, toen eene poging gedaan werd om ten aan-
zien van de kerkelijke zaak tot een besluit te komen. Doch te vergeefs. Eenige dagen
Poging ora de later werd het ontwerp op het stuk der Provinciale Synode, waarin men de beide ont-

beide concepteu i Ï„Ï„ ·

op de Provinciale werpen der vorige zitting had pogen overeen te brengen, voorgelezen. Het nieuwe

fe^"brengeni ontwerp, door oldenbarwevelt zeiven gesteld, hield den voorslag in, dat de andere
Provinciën afgevaardigden ter Hollandsehe Synode zouden kunnen zenden. Dit was,
erkende men, eene inbreuk op het strenge regt van het Land en de Overheid van
Holland; maar, meende men, daartoe moest men overgaan om de bijlegging der ge-
vaarlijke kerkelijke geschillen mogelijk te maken. Doch de afgevaardigden j van ver^-
scheidene Steden wilden zich zulk eene inwilliging aan de tegenparty niet laten welge-
vallen. Bovendien bleef het onuitgemaakt, of de Classes, dan wel de Staten, de
afgevaardigden tot de Provinciale Synode zouden benoemen, en of daarin de Remon-
stranten in gelijken getale als de Contraremonstranten vertegenwoordigd zouden zijn
Toen derhalve de Vergadering nog bemoeid werd met de zaak der ontschutterde Leid-
sche burgers, was het geen wonder, dat de voorname vraag den Februarij, op

Avelken dag de Vergadering tot den Maart werd gescheiden, onbeslist was gebleven.
Zaak der ent- In de maand Januarij 1618 hadden de Burgemeesters van Leiden, in plaats van den
sehe burgers. sedert een dertigtal jaren gebruikelijken eed, waarby de Koning van Spanje en zyne
aanhangers voor vyanden verklaard en den Lande van
Holland en hun die met het-
zelve vereenigd bleven, trouw gezworen werd, de schutterij een eed afgevergd, nage-

1 Verldaringhe van de EE. HH. Magistraten enz. van Haerlem enz. Bibl. v. Pamfl. No. 1404.
1)
e groot, Verantw, bi. 228—238. wagenaar, X bl. 187—191.

2 Carluton II, p. 222. Vgl. ρ. 129, 197.

3 OUVEÉ ρ. 267.

^ Men zie liet oordeel van Graaf jan de Jonge over den toenmaligen toestand, in een brief aan
zijnen vader,
Archiv, de la Mais. d'Or, S. 11. T. 11. Lettre 454.

5 Resol Holl. 14, 17 Febr. 1618. Oüvré, ρ. 266. Carleton, 11 ρ. 203.

ocr page 654

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

noeg gelijk aan dien, in lö66 naar aanleidiag der beeldslormerij gezworen, waarbij
men eenvoudig beloofde de Burgemeesters en Regenten bij te staan, de vrijheden der
stad te verdedigen en alle oproer te weren. Dezen, zoo het heette, nieuwen eed wei-
gerden de schutters, len geiale van zeshonderd, onvoorwaardelijk te zweren. Wel
wilden de Burgemeesters hunne bezwaren met mondelinge verzekeringen, maar geens-
zins met eenige schriftelijke acte te gemoet komen. Toen de schutlers derhalve wei-
gerachtig bleven, zagen zij zich uit hunne dienst ontslagen, en werden andere, min
geachte personen in hunne plaats aangesteld. De ontschutterde burgers wendden zich
tot den Hoogen Raad. Deze ontbood de Magistraat der stad
Leiden y die zich niet ge-
roepen achtte op dit opontbod te verschijnen. Hierop zond de Hooge Raad het rekest
der ontschutterde burgers en de andere stukken, deze zaak betreffende, aan de Staten
der Provincie, welke een en ander der Magistraat van
Leiden in handen stelden,
met verzoek de zaak te willen bijleggen. Nu leverden de Leidsche burgers een nieuw
verzoekschrift in bij den Hoogen Raad. Intusschen echter legden zij de wapenen niet
af en bleven zy zich als schutters gedragen. Dit werd hun door de Magistraat verbo-
den. Tegen dit verbod beriepen zich de burgers, steeds na ingewonnen advies van
regtsgeleerden, op het Hof van
Holland. Een derde verzoekschrift aan den Hoogen
Raad werkte zoo veel uit, dat dit Collegie de Stalen verzocht den burgers regt te ver-
schaffen: anderzins zou men zich genoodzaakt zien, zelf provisie te verleenen. Deze
missive werd door de Staten beantwoord met de betuiging hunner hqoggaande bevreem-
ding: vermits, zeiden zij, daaruit bleek, dat de Raad zich niét naar hun meermalen
uitgedrukt billijk verlangen aangaande zijne onbevoegdheid in zaken van stedelijke poli-
tie wilde voegen De Leidsche burgers intusschen, in wier oogcn het eene onge-
remdheid scheen te zijn, dat hunne Overheid zich voor de Souvereine magt hield,
en die derhalve haar gezag volstrekt niet ontzagen, maar deswegens ook haar on-
genoegen ondervonden, begrepen zich tot den Prins te moeten wenden. Dit echter
belette de Magistraat geenszins in het begin der maand Maart twee of drie der
oneerbiedigsten uit de stad te bannen. Thans zouden de afgezette schutters den
nieuwen eed op de mondeling toegestane voorwaarden hebben willen afleggen; doch
ditmaal wilde de Magistraal hun de gelegenheid niet geven om aldus hunne op-
roerigheid goed te maken. De gemoederen bleven verstoord, en eensdeels de niet
onberispelyke tucht der waardgelders, anderdeels de boete op hel verzuim der

1«18.

' Ook de zaak van twee uitgezette Haarlemsclie burgers bleef zich de Hooge Raad aantrekken,
niet zonder dat de Regering van
Haarlem zich deswegens bij de Staten beklaagde. Resol v. Holl.
17 Nov. 22 Dec. 1617. De Hooge Raad trachtte rich te verantwoorden bij ecne Deputatie in de
Statenvergadering, 9 Febr. 1618.

ocr page 655

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1018. dienst van de ontschutterde burgers iagevorderd, alsof zij door eigen schuld van deze
dienst vrij bleven, verbitterden de misnoegden nog meer i.

intusschen waren de Staten weder bijeengekomen, en toen men tot de behandeling
van het stuk der consenten, hetwelk geen uitstel meer duldde, zou overgaan, verzoch-
ten de Gedeputeerden van
Haarlem, » alvorens in besogne te treden, dat de Edelen en
Steden zich rond en opregt zouden verklaren" op het geschrift, den 27®'"° Januarij
door hen overgeleverd; alsmede, dat hun acte verleend zou worden, dat de proceduren
en vonnissen van den Hoogen Raad in de zaak van de twee door de Haarlemsche Ma-
gistraat uitgezetle onrustige burgers hunne stad in haar regt niet te kort zouden doen,
en zij niet gehouden zou zijn al zulke gewijsden te gehoorzamen. De tijd was te kort
om nog denzelfden dag over de gewiglige vraag, thans door
Haarlem aan de orde ge-
üTrfiïifciM eisclit steld, te beraadslagen. De ordonnanties tot de aanstaande verpachting moesten vaslge-
waardgeldera nlt sleW worden, en thans verklaarden die van Haarlem in de verpachting van de

kunnen bewilligen, dan mits »de waardgelders daaruit betaald
werden, nevens de andere soldaten, die de souvereiniteit van de Staten naar behoo-
ren wilden eerbiedigen." Dit mögt eene ronde verklaring heeten. Waren de waard-
gelders voornamelijk ter uitoefening van de Resolutiën der Staten aangenomen, zoo
moesten de kosten ook uit 's Lands middelen gevonden worden; waren, daarentegen,
verscheidene korpsen blijkbaar gezind om bevelen te gehoorzamen tegen het gezag der
Stalen, zoo moesten zij niet uit 's Lands middelen worden bezoldigd, aangezien men on-
gezind was zelf de roede te betalen, waarmede men zou getuchtigd worden 2. Z.ulk
eene liagchelyke en niets ontziende handelwyze konden de bezadigden onder degenen,
die de overtuiging van
Haarlem deelden, geenszins goedkeuren. Oldenbarnevelt ten
minste was van oordeel, dat men de gemeene middelen niet tot betaling der waardgel-
ders moest aantasten ^ ^ en hoe zeer
du maurier daartegen gestamd was, bleek op nieuws
Kedevoermguit de rede, welke hij nog denzelfden dag voor de Staten van Holland hield. Wederom
inde vergadering betreurde hij de steeds fellere tweedragt, en de weg, dien ^j tot afwending der drei-
den geß^e gevaren aanwees, was dezelfde, dien oldenbarnevelt steeds aanprees. Het kwaad,
l3doa Maart, ^yg redeneerde hij, kon niet genezen worden, dan of door geweld, of door eene. be-
slissing tusschen de strijdende partijen, of door eene bylegging der geschillen. Geweld
was onraadzaam, want op den duur wreekte het zich zelve; eene beslissing kon slechts

1 Resol. Holl. 21, 24 Febr. 1 Junij; 20, 21 Juli] 1618. Resol. Stat. Gen. 17 Aug. 1618.
Cableton, II, p. 195. Cort verhael dienende tot justificatie van de schutters der stede Leyden
enz. te Tindon in Cort verhael van de ontschutteringe enz. Bibl. v. Pamfl. No. 1414.

2 OüVBÉ, p. 267.

3 Vet hooren, No. 228. bl. 309.

ocr page 656

DES VADERLANDS. 785 -i:

door eene Generale Synode worden gegeven, en dit was eene zaak van langen adem leis.
en hagcLelijke uitkomst: dus bleef alleen onderlinge verdraagzaamheid als redmiddel
over. Eene Nationale Synode was niet kwaad; doch daartoe dienden zich alle Provinciën te
verstaan, anders zou zy, bij onwil van enkele Provinciën om zich aan hare beslissing
te onderwerpen, het kwaad slechts verergeren. Niels echter belette eene Provinciale
Synode te doen houden, en als deze geen beslissend vonnis velde, zou men later tot
eene Nationale Synode kunnen overgaan. Op deze wijze moesten de Nederlanders zich
zeiven helpen en ophouden aan het Buitenland een toonbeeld van zwakheid en een
voorwerp van spot aan te bieden. — Hier had de Gezant kunnen eindigen: hij was
genoegzaam de tolk geweest van zijns vriends
oldehbarnevelts denkbeelden, en had
ten slótte, waar hij van den spot van het Buitenland gewaagde, de bitterheid van het
gevoel uitgedrukt, dat den grijzen Staatsman bezielen moest op de vraag, of hij daarom
het land aan
Spanjes geweld en leigesters lagen ontrukt had om het door opstand legen
hem niet alleen, maar legen de beginselen, waaraan het zijn bestaan te danken had,
smadelyk Ie gronde te zien gaan. Doch nog lag
du maurier iets op hel hart: de zyns
bedunkens verderfelijke staatkunde, die in
Haarlems verklaring hare uitdrukking vond,
moest hij nog luide laken. Er waren er, dus sprak hij voordat hij * eindigde, er waren
er, die aarzelden de middelen toe te staan om in de staatskosten te voorzien. Deed men dit, zoo
zocht men het geneesmiddel tegen het gevaar in een veel grooler gevaar dan het be-
staande gevaar zelve. Immers zoudén bij de toepassing van dat middel de soldaten, on- |
betaald gebleven, in opstand komen; het volk zou afleeren de belastingen te betalen
en niet gemakkelijk zou men het er weder aan kunnen wennen. Kortom, aan de eene
zijde bestond onwettig verzet, aan de andere te groole strengheid: daaraan moest een
einde komen. Thans immers arbeidden zij slechts voor hunne vijanden en deden zij
in weinige maanden wat de vijanden in geene halve eeuw hadden vermögt. De binnen-
landsche vrede moest een sterken band slaan om den uileenvallenden Staat. Kookte en
gistte het in hun land, als nieuwe wijn, des Ie meer moest men de hoepels en duigen
van hel vat verzekeren, opdat niet alles werd uitgestort — Deze taal waren sommi- f
gen oneerlijk genoeg om als afkomstig van den vertegenwoordiger cener katholieke Mo-
gendheid in verdenking te willen brengen en anderen onnoozel genoeg om werkelijk
als verdacht te beschouwen.

Daags na het houden dezer redevoering moest de vraag belreffende de inwilliging der Gecleeltelykc
consenten lot eene beslissing komen. Men begreep tot wederzijdsche toegefelijkheid ïrï'ïngaande
verpligt te zijo. Toen derhalve de beraadslaging over
Haarlems voorstel aan.de orde
was, verslonden de meeste stemmen, dat de verklaring, in dal voorstel vervat, in over-

1 Kesol Holl. 13 Maart, 1618.

2 Cai\leton, 11, p. 229.

i

ocr page 657

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

tggBBBBgBBBHgggggBBB^

1618. eenslemming was met de bepalingen der Unie, en dat men op de gevoegelijksle wegen
bedacht zou zijn om in den bestaanden toestand aan den eisch der Unie tot handiiaving
van het gezag der Overheid te voldoen. Hiermede, hoopte men, zouden die van/iaar/em
genoegen nemen en de consenten inwilligen. Eenige dagen later werd deze uitkomst
in zoo verre verkregen , dat men de consenten als ingewilligd meende te mogen beschouwen,
maar onder uitdrukkelijk beding, dat » voldoening gedaan zou worden van eenige moed-
willigheden in verschillende plaatsen tegen het openbaar gezag gepleegd, en dat nader
gelet ZOU' worden, wat de verpligtingen der krygslieden waren en wel bepaaldelijk
welke gehoorzaamheid zij hunnen betaalsheeren schuldig waren; voorts zou men hunnen
eed in overweging nemen en hun vorig gedrag nagaan" ^ Alsnu geschiedde de ver-
pachting en invordering als in het vorige jaar, evenwel nog niet in de
sleden Haarlem,
Leiden^ Gouda, Rotterdam, Schoonhoven, den Briel, Alkmaar
en Hoorn 2. De
vijf Steden speelden hierbij eene vrij bescheidene rol uit vrees van de zaken te vroeg
tot het uiterste te drijven. Wel maakten zij zwarigheid, maar hoezeer ernstig ver-
zocht, onthielden zij zich, van de mededeeling harer gronden, »teneinde, zegt
de
groot niet notoirlgk in het ongelijk gesteld te worden of bij gelijke ronde verkla-
ring belet te worden in het voorgenomen dessein." Dit » dessein" mögt nog niet aan den
dag komen. Eerst moest de Prins den tegenstand van sommige leden van
Gelderland
breken, om daarna, zoo mogelgk, ook Overijssels stem voor de Contraremonslrantpn
te winnen. Voordat men zoo ver gekomen was, wilde men niet doortasten. Zelfs hield men
de uitschrijvingsbrieven tot de Synode, wier afzending reeds in Februarij had moeten ge-
schieden , nog altyd op, en verborg de eigenlyke reden van dit uitstel achter het voorwendsel,
dat men,
Holland goedgunstig den tijd wilde laten om uit eigen beweging toe te treden Κ
De Prins reist 20''®" Maart ging de Prins naar de Vergadering der Staten van Gelderland op

to Semhen^®^®· ^il^ie den togt over Utrecht nemen. De Staten van Utrecht, beducht dat zijne
Landdag. tegenwoordigheid in hunne hoofdstad eene aanleiding tot oproerige bewegingen onder het
volk worden mögt, en niet schroomende den Prins een bewijs van wantrouwen te geven,
ontrieden hem binnen hunne wallen te komen; doch de Prins spotte met hunne zorg-

1 Resol. Holl 14, 16 Maartj 6 April, 1618.

2 In de Resol. v, Holl. 6 April, 1618, wordt Schoonhoven niet genoemd, voorzeker ten gevolge
van e«n dier drukfouten, waardoor deze Resolutiën voor iemand die der zake niet kundig is,
soms onverstaanbaar zijn. Zeker is het, dat
Schoonhoven van de belastingen voor liet leger een
bedrag afhield, voldoende om hare waardgelders, ten getale van 150 man, te bekostigen (
car-
LETON, 11, p. 252. Verhoor, No. 228, hl. 309).

3 Verantw. hl. 236.

^ carleton, 11, p. 192, 193.

ocr page 658

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

vuldigheid; hij kwam binnen Utrecht, en de zaak liep rustig af^. Spoedig bleek wat de 1618.

invloed van den Prins van Oranje vermögt om den Staten, te Arnhem vergaderd, moed te

geven tot doortastende maatregelen. Aan van brieneit en biesmaw werd hunne hoedanig- Besluiten van
1-1 .-I 1· · ^ 1..1 ^^^ GelderscUea

neid van gedeputeerde ter Generaliteit ontnomen; aan den laalsten, gelijk mede aan den Landdag.
Pensionaris van Nijmegenjohan biel , bovendien de bevoegdheid ontzegd om ooit eenig
ambt te dezer slede of in de geheele Provincie te bekleeden, en de namen dezer drie
aanzienlijke en verdienslelyke mannen opgeteekend in een protokol, bestemd ora dezul-
ken voor de nakomelingschap te brandmerken, die zich aan landsverraad schuldig maak-
ten. De Graaf
vaw kuilekburg ontging ter naauwernood denzelfden smaad, en moest
eene scherpe bestraffing verduwen, en zich de aanmaning laten welgevallen om voort-
aan beter de bedoelingen zijner Meesters te dienen Het liet zich denken, dat de
nieuw benoemde Geldersche Gedeputeerden ter Generaliteit zich als gehoorzame dienaren
van de meerderheid der Staten hunner Provincie zouden gedragen.' Z-y kregen den last
mede om de Nationale Synode door te zetten, en op de afdanking der waardgelders
aan te dringen, en werkelijk hebben zij eer meer dan minder gedaan, dan hun lastbrief
hun had voorgeschreven

De Stalen van Holland waren niet onbewust van heigeen er in de Slalen-vergadering
te
Arnhem verhandeld werd, en daar den 25"'®" Maart de tusschenkomst, die men aan
de dolerende oude Magistraat van
Nijmegen beloofd had, ter sprake kwam, zoo werd
alsloen voorgesteld, bij den brief ten behoeve dier oude Magislraat een schrijven te
voegen, waarbij men de Slalen^van
Gelderland verzoeken zou, niet te willen medewer- Schryvcn van
ken, dat aan
Holland de Nationale Synode werd opgedrongen. Tevens werd in omvraag jiolland aan die
gebragt, of men niet eene missive van denzelfden inhoud aan de Staten van
Overijssel
zou rigten. De beide voorstellen werden aangenomen, doch legen het advies der vijf
Steden. Zoo verre was
Amsterdam van het denkbeeld verwijderd, om zich met zulke
brieven te vereenigen, dat de Gedeputeerden dezer stad juist in dezelfde vergadering
van den eenige Punten en Redenen indienden, strekkende ter aanbeveling van

bet houden eener Nationale en ter afkeuring eener Provinciale Synode In spijl van

^ cAiiLETON, II, p. 231, 247.

2 canleton, II, p. 242 , 243. Uit dcu toon van zelfverdedigii){j, door den Graaf va» küilenbürg
en den Heer van bbienen aangeslagen bij hun afscheid van de Staten-Generaal, toen zij zich naar
de Staten van
Gelderland ;zouden begeven, bleek reeds, dat zij toen wieten, wat hun Ie wachIen
stond.
Resol. Stat.-Gen. 14 Maart, 1618.

5 bhandt, II, bl. 713.

^ Zie Justificatie van de Cours, die ghchouden wort bij de Steden Dordrecht enz. {BiUioth. v,
imßetl,
No. 1355.) bl. 104, 109. In de voorrede vóór deze Justificatie beweert men, dat, zoo

2 Deel. III Stük. 99

4

ocr page 659

ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1(518. het gevoelen der vijf Sleden, werd den 24''®" Maart het ontwerp van den brief aan de
Slaten van
Gelderland en van dien aan de Staten van Overijssel voorgelezen. In het
schrijven aan de Slaten van
Gelderland werd het verzoek gegrond op de verderfelijke
gevolgen, die van eene Nationale Synode te wachten waren, en aangedrongen door de
aanmaning, dat de Gelderschen mogten gedenken, wat tot hun behoud door
Holland vroeger
gedaan was en nog bij voortduring gedaan werd, en zorgen moglen,
daX Holland daartoe
in staat bleef Toen de ontwerpen waren voorgelezen, verzochten de Gedeputeerden
der Tijf steden kopij, ter mededeeling aan hunne principalen. Dit kon hun niet ge-
weigerd worden. Evenwel, daar de brief aan de Slaten van
Gelderland te laat zou ge-
komen zijn, zoo de Heeren van
Amsterdam en van de vier andere steden hun advies
wat lang hadden opgehouden, zoo werd besloten, de brieven dadelyk af te zenden.
Hiertegen protesteerden de Gedeputeerden der vyf sleden: de missiven, beweerden zij,
moglen niet op den naam der Staten van
Holland afgezonden worden, vermits daar-
toe niet hadden medegewerkt. Om hun genoegen te geven, werd verklaard, dat die
brieven dan op naam van de Ridderschap, de Edelen en de meeste Steden van
Holland
zouden geschreven worden. Hiermede echter lieten zg zich niet tevreden stellen; in-
tegendeel, zij verboden den Secretaris, bij schriftelijke acte, de verzending der missiven
te bezorgen. De meerderheid, daarentegen, gebood den Secretaris uitdrukkelijk wal
de anderen hem verboden. Tot bijlegging van dit geschil stelde
Delft nog voor,
den Gedeputeerden der vijf steden eenige dagen uitstel te vergunnen. Doch de Verga-
dering ging onverzoend uiteen, en de Secretaris, gehoor gevende aan de meerderheid,
verzond de brieven nog denzelfden dag Ontvingen dus de Slaten van
Gelderland en

h'ct dertiende Artikel vaa de Unie van Utrecht verschil van Reli{][ic binnen de grenzen der Geüni-
eerde Provinciën toeliet, dit artikel thans niet meer gold. Ten bewijze hiervan beroept men zich
op eene verklaring der Heeren van
Holland van den 14^®° Junij 1583, waarbij zij de openbare
oefening van elke Religie behalve de Gereformeerde verboden wenschen te zien. De auteurs nu
dier voorrede Avillen het doen voorkomen, alsof deze verklaring eene toetreding was tot eene
resolutie der Staten-Generaal, waarbij het bewuste artikel uitdrukkelijk zou opgeheven zijn.
Daartoe maken zij gebruik van een reces van de Gedeputeerden der Geünieerde Provinciën van
den 12·^°" Mei 1583, hoezeer er «op dit reces door de Staten van
Holland en van andere Provin-
ciën nimmer approbatoire resolutien ter vergadering der Staten-Generaal zijn ingebragt." Zoo
spreken de Gedeputeerden van
Gelderland zeiven in een stuk, ingelascht in de handelingen van
de vergadering van 11 Julij 1618, welk stuk in de gemelde voorrede grootendeels is afgeschreven.
Dus is de onjuiste opgave tegen beter weten aan geschied.

1 Zie den brief in de Resol. van Holt. 1618, bl. 570—572. Den brief aan Overijssel vindt men
aldaar bl. 574, 575.

2 Resol Holl. 23, 24 Maart. Het protest der vijf Steden tegen het afzenden der brieven vindt

786

ocr page 660

DES VADERLANDS. 99

Overijssel brieven van de meerderheid der Staten van Holland^ die zonder gevolg ble- l^'is.
ven: de Prins kreeg te
Arnhem een brief van de vijf Sleden, waarbij dezen hem ver-
zochten al het mogelijke te doen, dat de Stalen van
Gelderland en Overijssel de Nati-
onale Synode moglen doorzeilen, en deze brief trof maar al te goed doel i. Alzoo
hadden in den boezem der Staten van
Holland tegenover de minderheid juist dezelfde
tooneelen plaats, als in de vergadering der Stateo-Generaal tegenover de drie Provin-
ciën, aan wier hoofd
Holland stond. Doch dit was het onderscheid, dat in de Stalen
van
Holland tegenover de vijf Sleden overstemming plaats mögt hebben, en in de Sta-
ten-Generaal tegenover
Holland geene overstemming plaats hebben mögt.

Terwijl de Prins, als het ware, den grooten oorlog voerde; terwijl hij Gelderland

verzekerde en het op Overijssel toelegde, ten einde de Hollandsche Regering door

middel van de Staten-Generaal onder den duim te krijgen, werd in Holland met het

uitstrooijen van lasterlijke geruchten en het uitgeven van schotschriften een kleine oor- Lasterlijke ge-
, 1 . . 1 . 1 . , schriften tegea

log tegen oldenbarnevelt geopend, /.ijne eigene misslagen bragten hem met ten val, oldenbahne-

Integendeel, wijsheid en bekwaamheid, kracht met matiging vereenigd, maakten hem
steeds onaantastbaar. Wel nu dan, als hy door geene verkeerde slappen vat op zich
gaf, moesten hem booze stukken worden aangewreven: hij, de grootste en edelste man
der Republiek, die haar »onder het hart had gedragen" en haren naam groot gemaakt
had in de wereld, moest tot een onwaardigen, hoovaardigen, hebzuchtigen, zich zeiven
zoekenden mensch, tot een omgekochten landverrader gemaakt worden, opdat de on-
kundigen en onverschilligen moed genoeg zouden hebben om hem te verguizen en
lafhartigheid genoeg om hem uit den weg te laten ruimen. Zijn geheele leven werd
opgedolven; in zijne afkomst als Slichtenaar eene grieve gevonden, zijn adel in twijfel
gelrokken, aan zijn huwelyk onedele beweegredenen toegeschreven, zijne bloedver-
wanten tot moordenaars en zedelooze monsters, zijne zonen lol eervergeten welluste-
lingen gemaakt zijne staatkundige loopbaan nagegaan, het geschenk dat hij van
den Koning van
Frankrijk had aangenomen, hem verweten, alsof het fier Ie weigeren
niet de grootste misstap zou geweest zijn de overgang van
Wezel ^ de terugroeping

men in Justificatie van de Cours, bl. 115. Den 27»"=° Maart leverde ook Enkhuizen Redenen in
ter aanbeveling van het houden eener Nationale Synode. Zie
Juslific. enz. bl. 112.

ï carleton, II, p. 229, 230,

2 Dit alles, hoezeer eeret ten volle uitgesproken in de Gulden Legende van den nieuwen St. Jan,
die eerst na oldenbarnevelts gevangenneming uitkwam, werd door zijne vijanden reeds vóór dit
tijdstip rondgedragen, gelijk dan ook de inhoud van dat lage scliotschriil duidelijk wordt aange-
kondigd in het
Noodwendig en levendig discours en in de Provisionele opening.

Immers wanneer hij dat geschenk geweigerd had, zou het geweest zijn, alsof hij den Kooing

94*

ocr page 661

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. Tan AERSSEN hem te laste gelegd, alsof de val dier slad niet het begin en de voor-
waarde geweest ware van
Nederlands krachtige houding in de Guliksche erflanden,
en 'het onlslag van dien diplomaat niet door de noodzakelijkheid en door het gedrag
van den, zoo het heette, verongelijkten man zelve geboden ware geweest. Maar,
daar dit alles niets afdeed en juist bewees, dat men het in toevalligheden en in
het lang verladene moest gaan zoeken, zoo werd de onbeschaamdste leugen verzon-
nen: hij had goud van
Spanje ontvangen; men had het geld zien blinken en als het
ware hooren rammelen, ja, de som op een register te
Brussel ingeschreven gezien ^ —
Den April kwam er een vertoog van
oldenbarnevelt in de Vergadering der Staten
van
Holland, handelende over den tegenwoordigen staatkundigen toestand; maar er was eene
klagt bijgevoegd over een lasterlyk geschrift, op hem gemunt, hetwelk nog vóór dat het
gedrukt was, ontdekt was geworden. Zekere
dankerts, vroeger notaris te ^sHage, een
man, die reeds ten tijde van de onderhandelingen over het Bestand een laakbaar schot-
schrift vervaardigd had, waarvoor hij echter op voorspraak van
uytenbogaert vergiffenis
had ontvangen, had zich in staat van dronkenschap te
Amsterdam, waar hij zich voor
(Ie vervolging van den Fiskaal van den Hove, die hem om andere overtredingen op-
spoorde, in veiligheid zocht te stellen, een door hem eigenhandig geschreven smaad-
schrift laten ontvallen, waarin hij aannam, in regte te bewijzen, dat de Ad vokaat 120,000
dukaten ontvangen en
tjytenbogaert 80,000 gulden getrokken had Bij dit hand-
schrift was eene lijst gevonden van personen, van wie de schry ver bijdragen verwachtte
om de kosten van de uitgave te dragen. De Advokaat, kennis van dit geschrift bekomen
hebbende, verzocht de Staten op deze zaak te letten: hij, zoowel als
uytenbogaert,
was bereid zich voor den" regter te verantwoorden; daartoe begeerde hij, dat men dak-
kerts
uit Atnsierdam herwaarts liet brengen om zijne beschuldigingen te bewijzen.
Hierop werd naar
Amsterdam geschreven. Doch, hoezeer men den lasteraar aldaar ie

Ie iennen had -wilTen geven, dat hij op zijne dienst niet ïiad te retenen, terwijl hekdbik, om de
Republiek te dienen, de overtuiging noodig had, dat ook zij hem ten dienste zou staan.

ï liij de verbreiding van dien laster verried men zelf, dat men' de zaak voor een verzinsel
hield. Zoo zegt de Schrijver van
den Gouden blaesbalck van den Spaenschen Schalck, hl. 5:
))deze patriotten (bedoelende de auteurs van het
Noodwendig en levendig discours en van de
Prakiijcke van den Spaenschen Raedt) al mede van pistoletten spreken (Avaarmede OLDENBAnNEVELT
zou omgekocht zijn), maer toen noch niet en wisten van deii blaesbalck, hoe die pistoletten over-
geblazen zijn," Uier maakt de Schrijver onbedachtzaam de geheele zaak blijkbaar tot eene grap.

2 Met de aantijging, dat uytenbogaert jaarlijks groote sommen beschikbaar had en de Remon-
strantsche predikanten de beurzen altijd vol geld droegen, trachtte mende afgunst der Contraremon-
strantsche predikanten gaande te maken. Die aantijging vindt men in:
Noodwendig en levendig
disc
.i bi. 29. Prakt. v. d. Sp. Raedt^ bl. 24, 43. Provis. opening^ hl. 11.

, \

ocr page 662

DES VADERLANDS. 789

1618.

gijzeling zelte, weigerde men, hem naar 's Hage te laten gaan, zich op het priyilegie
der stad beroepende, volgens hetwelk de misdaden, te
Amsterdam bedreven, voor de
Schepenbank aldaar geoordeeld moesten worden, en toen nu de Advocaat-Fiskaal zich
in persoon naar
Amsterdam begaf, om dankerts te verhooren, vond hij zich in de
behoorlyke vervulling van deze taak bemoeijelijkt

Al waren de Consenten gedeeltelijk ingewilligd, de beslissing omtrent de regeling der
kerkelijke zwarigheden was geen slap verder gekomen. Er was eene Commissie be-
noemd, bestaande uit Gedeputeerden van eenige sleden van de beide partijen met den
Heer
vatt veenhuizen aan het hoofd, om naar aanleiding van het vertoog, den April
door den Advokaat ingeleverd, eenig besluit te stellen bij vorm van reces, waarop men
op een bepaalden dag in Mei weder bijeen zou komen. Intusschen hielden de verbit-
tering en de botsingen op enkele plaatsen aan. De nieuw benoemde Magistraat van
Ileusden beklaagde zich bij de Staten over de bejegening, die zy van hunne Commis-
sarissen voor de verpachting der middelen had moeten verduren, en aangezien deze
Magistraat stilzwijgend door de Staten erkend was, zoo oordeelde de meerderheid, dat
die Commissarissen wel wat meer omzigtigheid in acht hadden mogen nemen. Anderen
echter keurden hun gedrag goed, en begrepen, dal pligt was, de zaak van
Umsdeiiy
zoowel als die van Oudewater, eens ernstig ter hand te nemen.. Dat het te Oudewater
nog gevaarlijk gesteld was, werd gestaafd door eene missive uit deze stad, door die van
Gouda medegedeeld, waarin men onder bedreigingen onlusten "aankondigde legen den
25«tcn Α,ρπΐ^ den dag der verkiezing van nieuwe Schepenen aldaar. De Geeommilteerde
Raden werden gelast hierop te lellen en met Zijne Excellentie Ie spreken, opdat alle
dadelijkheden en onorddijkheden moglen vermeden worden. »En hiermedezoo staat
in het Register der Resoluliën van
Holland te lezen, »is de Vergadering gescheiden
op reces en om tegen den Mei wederom by elkaar te komen, in hope dal God
Almagtig een goede uilkomst te Zijnes Heiligen naams eere en welstand van den Slaat
van den Lande geven zal, Amen!"

De hoop op die uitkomst, zoo als de Hollandsche Regering ze wenschle, moest in-
tusschen juist op dit oogenblik wel zeer gering wezen. Immers was er tegen de Re-
gering en bepaaldelyk tegen
oldenbarnevelt een ongehoorde aanval geschied in een
geschrift, getiteld
Noodtwendigh en levendigh discours van eenighe getrouwe patrioUm
ende liefhebberen onses Vaderlandts over onsen droevighen ende periculeusen staet 3.

' Rcsol. V. Holl. 7, 11 April, 1618. carleton, H, p. 230, 244. Na oldehbarnevelts val
werd aan de Heeren vaa
Amsterdam vrije beschikking over den persoon van dankerts gelaten.
liesol. V. Holl. 2 Nov. 1618. Zie voorts dytenbogaerts Leven en Verantw. hl. 212—216..

2 Resol. υ. Holl. 7, 10 April, 1618r
' Bibl. V. PamfleU. No. 1445.

ocr page 663

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. Met buitengemeen talent geschreven, moest deze toespraak aan de »Hooge Machten,
achtbare Heeren en goede Gemeente" een ieder, wien het beginsel, waarom het in den
uitgebroken burgerstrijd te doen was, niet klaar voor den geest stond, treffen en met
verontwaardiging tegen de aangevochten partij vervullen. Tegelijker tijd verscheen een
ander schotschrift,
Practijcke van den Spaenschen raedt^ dat is^ klare vertooning dat
de raad door Lipsius, Puteanus en Campanella gegeven
(te welen, om den Vereenigden
Nederlanden tijd en rust te laten opdat zij zich zeiven door tweedragt den ondergang
bereiden en weder onder den Koning van
Spanje komen mogten), in allen deele of al
reeds in het werk gesteld is of nog dagelijks in het werk gesteld wordt
Dit ge-
schrift heeft geene verdiensten van stijl en inkleeding; integendeel, terwijl het
Nood'
wendig en levendig discours
overal door vlugheid en losheid gekenmerkt is, en de pen
van FRAIV901S VAN AERSSEN, wicn het werd toegeschreven, volkomen waardig mag
geacht worden ^^ is de
Praktijk van den Spaanschen raad onbevallig en huidiel-
achtig; terwijl in het eerste de feiten meestal slechts met behendigheid wopden
verwrongen en in een valsch licht gesteld, komen in het tweede grove vergissingen en
valsche feilen voor 3. Op deze beide geschriften meende
oldenbarnevelt , die in het
Noodwendig discours spottend met den naam van den Grooten Pensionaris werd aan-
Kemonstrantie geduid, niet te moeten zwygen. Hij stelde eene Remonstrantie, gerigt aan de Stalen
NEVELT."^"^^^ van Holland en West-Friesland, maar geschreven met het oog op het publiek. Zij is
gedagleekend van den 20''®" April 1618. Wanneer een man, zoo hoog geplaatst als
hij, met zulk een geschrift voor den dag kwam, moest er niets aan ontbreken, zoo
hij daarmede zijne waardigheid niet zou te kort doen. Werkelijk is deze Remonstrantie
een uitnemend stuk. Had
aerssen zich een man van woorden betoond, olden-
barkevelt
betoonde zich hier een man van kracht, die de kunstgrepen der welspre-
kendheid niet behoefde. Wilde men hem ontstellen met de bedreiging, dat men een

1 Bihl, V. Pamflett. No. 1452.

2 In zijne Remonstrantie van den 30'*®" Mei 1618 zweert aebssen, dat hij het Noodw. en
levendig disc,
niet heeft geschreven j maar zijn aandeel aan de beAverking zal van dien aard ge-
^veest zijn, dat hij gemeend zal hebben te mogen ontkennen, het in eigenlijken zin zelf te hebben
geschreven.
Oldenbarkevelt hield het er voor, dat het geschrift in Amsterdam was ontworpen,
maar in
den Haag wat den vorm betreft tot' Tolkomenheid gebragt (Zie zijne Remonstr,).

^ Zoo wordt bl. 49 (in een latere uitgave bl. 46) een gezegde van den Koning van Frankrijk
als op oldenbarnevelt gemunt voorgedragen, terwijl die Vorst het juist op aebssen gemunt had,
blijkens de Remonstrantie van dezen diplomaat zeiven van den 29'*®" Oct. 1613. Ook wordt het
antwoord van de Staten-Gen., den 28'*®" Mei 1594 op eene missive van den Aartshertog gegeven,
hemelhoog verheven, daar de auteur niet scheen te weten dat
olpenbarnevelt dit antwoord ge-
steld had.

ocr page 664

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

tafereel van zgn leven zou ophangen, zoo verklaart hij hier, dit naar waarheid en kortelijk 1(>18.
zelf te willen doen, en nu legt hy op het eenvoudigst, op het bescheidenst en op het
krachtigst, mannelijk en dapper, zijn leven bloot. Hij verhaalt, hoe hij het Land by de
aanvaarding zijner openbare betrekking had gevonden en wat het onder zijn bewind
geworden was; ontzenuwt alle aanlygingen; laat zonder eenigen ijdelen eigenlof geen
enkele blaam op zich en zijne staatkunde kleven, en geeft ten slotte den raad, dat
men wel moedig volharden moest op den ingeslagen weg, maar, alles vergelend, zich
op nieuw met liefde, eenigheid en vertrouwen moest wapenen. Wat hem aanging,
hy had, schrijft hij, ten naasten bij gelijke zwarigheden moeten lijden en door Gods
genade overwonnen in lö86 en 1587 onder den Graaf van
leigester, in Iö88cnlö89
onder den Baron
willoughby, in 1600 na den slag van Vlaanderen ^ in 1608 in de
handeling van de
Trèves. De waarheid had nu twee en dertig jaren de leugenen over-
wonnen. Zijn vertrouwen was, dat God de Heer Almagtig de waarheid nog voorslaan,
de leugenen en de leugenaars beschamen zou. Anderen in hooge betrekking geplaatst
en van groote verdiensten, zoo in deze landen als in de naburige Ryken, hadden vóór
en in zijnen tijd gelijke ook wel grooler lasteringen moeten verdragen. — Ziedaar hoe
OLDEKBARNEVELT zich verdedigde. Indien de hoogste bekwaamheid zelve, met de zui-
verste opregtheid gepaard, zich
Yerdedigen moest, op geene andere wyze zou zij
het doen.

Onder den indruk van zulke gebeurtenissen: want het in het licht verschijnen van
zulke geschriften mögt wel als eene gebeurtenis worden aangemerkt, werd de Voor-
jaarszitting van 1618 den 15 Mei, dus eenige dagen later dan aanvankelijk bepaald
was, geopend. Nog altijd hadden de acht Steden de invordering der gemeene middelen
niet ingewilligd: daartoe wachtten zij nog nader voldoening op hare verklaring. Thans
werd er een stap van gewigt ter harer bevrediging gedaan. Den 18'*®'' Mei verklaarden
Vergelijk tus-
de Gedeputeerden van
Amsterdam, door hunne principalen gelast te wezen )> tot hand- partje/'' in'^'de
having van de politieke autoriteit van de Stalen van
Holland en West-Friesland ^n
Zijne Prinselijke Excellentie en de respective Magistraten der sleden en tot conservatie
van de wettelijke Regering, vrij- en geregligheden van het voorzeide Land en Sleden."
De Gedeputeerden van
Dordrecht^ gevraagd of zij zouden willen verklaren, zich hier-
mede te vereenigen, begeerden vooraf te mogen weten, of de Gedeputeerden van
Haarlem »met die verklaring genoegen nemen en alsdan tot de consenten voortgaan
zouden." Dadelijk konden de Gedeputeerden van
Haarlem deze vraag niet beantwoor-
den; maar reeds den volgenden dag waren zy genoegzaam gelast, en vraagden, of
Dordrecht^ Edam, Enkhuizen en Purmerende bereid waren, dezelfde verklaring als
Amsterdam af te leggen. De Gedeputeerden dezer vier sleden legden werkelijk de ver-
langde verklaring af, en alsnu verklaarde
Haarlem zich voor bevredigd en »willigde de
consenten in. Evenwel legelyk met deze inwilliging slelden de Haarlemsche Gedepu-

ocr page 665

T92

ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. leerden een geschrift in handen ran den Advokaat, waarin eene repartitie was voorge-
dragen, zoo hel schijnt, van de kosten van het onderhoud der waardgelders. Tot die
repartitie verklaarden de vijf Steden niet te kunnen verslaan: zij zou, dachten zij,
nieuwe verbittering te weeg brengen. Ook bleef de zaak hierbij. Zoo de vijf Steden
van
nieuwe verbittering spraken, gaven zij te kennen, dat zij de verbittering thans
weggenomen en eene verzoening getroffen achtten. Zoo vatten ook de Edelen en de
andere Steden de zaak op. Zij verklaarden zich op hunne beurt tevreden gesteld met
de ronde verklaring der vijf Sleden, »die, vertrouwden zij, van harte gemeend was
en verlangden, dat van alles aanteekening gehouden werd » om te dienen naar behoo^
ren." Hoe weinig evenwel die »ronde verklaring" der vijf Steden beteekende, zou maar al
te spoedig blijken. — Nu het getroffen vergelijk nog versch was, gingen twee belangrijke
besluiten zonder tegenstand door. Vooreerst, een plakaat legen lasterlijke geschriften
en redeneringen, hetwelk men aan de Staten-Generaal zou voordragen met verzoek,
dat het dadelijk werd vastgesteld: bereikte men dit doel niet, dan zou men het van
wege de Staten van
Holland doen uitvaardigen. Ten tweede, eene acte op de onder-
linge handhaving van de autoriteit. Zij luidde als volgt: »De Ridderschap, Edelen en
Steden van
Holland en West-Friesland rijpelijk en met alle goede inzigten gelet heb-
bende op de tegenwoordige gelegenheid van den staat dezer Landen
{Holland en West^
Friesland),
hebben na voorafgegaan reces en rapport, volgens last en resolutie van de
gezamenlijke Heeren Edelen en Vroedschappen van de steden, eend ragt,elijk, opregtelijk ,
vastelijk en volkomenlijk elkander verzekerd en beloofd, verzekeren en beloven bij
dezen, vromelijk en getrouwelijk t.e helpeij voorstaan en handhouden de pubheke auto-
riteit van de Heeren Staten van
Holland en West-Friesland, van Zijne Prinselijke
Excellentie, en van de respective Magistraten van de steden der genoemde Landen,
mitsgaders de wettelyke Regering, vrijheden en geregligheden en privilegiën van dezelve
Landen en Steden." Wat deze acte in de gegevene omstandigheden beteekende, kon
niemand duister zijn, en zoo de vijf Sleden weldra, in plaats van onderlinge handhaving,
op nieuw tegenstand hebben geboden, waar het gold,
Holland tegen de meerderheid
der Staten-Generaal in het gelijk te stellen, hebben zg, en wie zich later by haar
voegde, zich aan woordbreuk schuldig gemaakt. Te opmerkelijker was de houding der
vgf Steden, omdat men van den anderen kant zoo weinig tot inschikkelijkheid gezind
was, dat nog denzelfden dag, toen de middelen »van den Lande" werden vastgesteld,
de Gedeputeerden van de acht steden, met
Haarlem aan het hoofd, uitdrukkelijk ver-
klaarden , dat daaruit de betaling der waardgelders gevonden zou moeten worden. Toch
schijnt dit geene aanmerking der vijf Steden uitgelokt te hebben

Alsof deze verzoening, hoezeer kort en slechts schijnbaar, tusschen de beide partijen

ResoL V. Holl. 18, 19, 21 Mei 1618.

ocr page 666

DES VADERLANDS. 61 Î¿ '

die de Proleslanlen verdeelden, door eene vernieuwde gestrengheid tegen de Katho- 1618.
lieken bezegeld had moeten worden, werd juist in deze dagen het plakaat »legen de
Verordeniugea
Jczuiten en Roomsche superstitiën" vernieuwd. En inderdaad, wilde de Regeringspartij iSu.^*^
in
Holland niet in verdenking komen van het niet ernstig te meenen met de betui-
ging, dat zij de Gereformeerde Godsdienst als uitsluitend onder openbaar gezag uit te
oefenen wilde handhaven, zoo moest wel van tijd tot tyd legen het insluipen van
misbruiken op dit gebied en legen de slapheid der ambtenaren in het te keer
gaan der Roomsche godsdienstoefeningen gewaakt worden. Het lijdelijk verblyf van
Groote Heeren, die de Roomsche Godsdienst beleden, in het land, gaf meer-
malen aanleiding lot wetsovertrediDg. Zulke Heeren hadden de vergunning om ten
hunnen huize met hun gezin godsdienst te oefenen. Maar deze huiselijke godsdienst-
oefeningen werden wel eens door enkele Katholieken uit de stad bijgewoond, en aldus
verloren zij geheel haar oorspronkelijk karakter. Zoo zag zich, in Maart 1618, de
Schout van
Delft genoodzaakt verscheidene personen, waaronder ook soldalen van de
pransche troepen, in de boete te beslaan, omdat zij de godsdienstoefening, alleen be-
stemd voor het gezin van
don emawuel van Portugal^ toen aldaar vertoevend, hi^dden
bijgewoond. Bij gelegenheid dat de Staten van
Holland den Schout van Delft legen
dc klagt van don emanuel wegens die beboeting in het gelyk stelden, besloten zij le-
vens, den Resident van
Venetië te laten aanzeggen, dat hij niemand dan zijne bedien-
den ten zijnent ter huisgodsdienst mögt toe laten, en Graaf karel van egmokd, die als
bijzonder persoon in het land was, te doen weten, dal hij alhier zijne godsdienst niet
mögt laten uitoefenen. De vrijmoedigheid der Katholieken ging op sommige plaatsen, zoo
als te
Warmer y Jisp en Crommenie^ tamelijk ver. Te Heukelom werd bij het Pink-
sterfeest zelfs bedevaart gehouden. Dit werd dan ook in 1618 den Officier aldaar ge-
last wbij alle doenlijke wegen" te weren, en by de vernieuwing van hel laatst vermelde
plakaat dreigde men de oÖicieren,' zoo zy niet letten op het onderhouden van de
voorschriften, daarin verval, het op hunne personen te verhalen. In één woord de ijver
der ambtenaren werd algemeen aangewakkerd »om de vrijheid, alom door de Pausge-
zinden genomen, een weinig te beteugelen

Dat de plegtige belofte van wederzydsche handhaving, door de Sleden der verschil-
lende partijen in
Holland èlkander den 19'·®'' Mei gegeven, niets Ie beduiden had,
bleek reeds vóór hel eind derzelfde maand, toen het antwoord op de rede, den 13·^°"
door DU MAURiER gehouden, op nieuw Ier sprake kwam. In het ontwerp 2 werden de
vermaningen, door den Gezant gegeven, wijs en heilzaam genoemd, en trad men in
eene uitvoerige uiteenzetting van den staat van zaken. De meerderheid keurde dit onl-

» Hesol V. Holl. 20, 30 Maart; 10, 19 Mei; 1 Junij 1618.
^ Geïnsercerd, 14 Apr. 1618.

III Deel. 2 Stük. 100

ocr page 667

Gr>0 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. werp goed; maar de vyf Steden, waarbij zich ditmaal voor het eerst Schiedam als zesde
vainu'^arn^Sne keurden het af, op grond dat het al te zeer onze eigene ongelegenheden open-

st^d ^^^^ baarde Eene dergelijke aanmerking hadden zij op het concept van antwoord, hetwelk
van Hollandswege zou ondersteund worden in de Generaliteit op eene propositie van
garletoii, aldaar den Mei gedaan 2, Deze begeerte om het Buitenland niet te

zeer in den waren slaat van zaken in te wijden, vloeide voort uit het van toen af door
de Conlraremonslrantsche partij gemaakte plan om zonder veel ophef aan den tegen-
stand van
Holland en Utrecht een eind te maken. Men gevoelde zich sterk genoeg om
weldra den laatsten slag te slaan; Engelands tusschenkomst had men niet noodig, en
den een of anderen slap van
Frankrijk, hetwelk ongetwyfeld voor oldenbarnevelt partij
zou kiezen, wilde men volstrekt voorkomen of te keer gaan. Immers nu de Prins den
Overijsselschen Landdag bezocht had, was alles verrigt, en thans moest men doorlasten,
υβ
Prins be- Den Mei uit 'ä Hage vertrokken, was de Prins van Oranje den 29'*"° dezer maand
ijssekchen LanL ^crug. Zijne zege evenwel was bij de Staten van
Overijssel zoo volkomen niet,

als bij die van Gelderland. Van de Steden was Deventer op zijne hand, Zwolle verdeeld,
en
Kampen slcrk op de zijde der Remonstranten. Kon men Zwolle winnen, zoo was
in de Vergadering de meerderheid voor de besluiten, die de Prins wilde doordrijven,
verzekerd, en Zijne Excellentie was het met zich zelve genoegzaam eens om daartoe
geene maatregelen te ontzien: hij was er zelfs op bedacht om deze stad door een gar-
nizoen te dwingen, hetwelk daar trouwens noodig scheen in geval van vijandelykheden
van den kant der Spanjaarden.
Holland was den Prins voor geweest met het schrijven
van een brief aan de Stalen van
Overijssel waarin alles wat tegen het toestaan eener
Nationale Synode pleille, was aangevoerd; maar daarentegen hadden ook de vijf Sleden
niet nagelaten door een opzettelijk schryven, van een protest verzeld, de redenen van
de meerderheid dezer Provincie te trachten te ontzenuwen Hoe het zij, de uitslag van
's Prinsen bemoeijingen was een besluit van de Ridderschap en de Steden van
Overijssel,
den 7''"" Mei genomen, waarby zij sterk deden uitkomen, dat zy alleen op aandrang van
den Prins het houden van eene Nationale Synode inwilligden, vertrouwende op zijn
Prinselijk woord, dat die Synode slechts tot bijlegging der geschillen zou strekken,
zonder de regten der Provinciën of harer leden te verkorten , of ter oorzake van religie
iemand te bezwaren, en dat de nog weigerachtige Provinciën slechts door middel van

ï In de llesol. v, Holl. 24 Mei, staat: ))als al te zeer onze eigene ingezetenen openbarende.'
_ Hier moet ongetwijfeld voor ingezetenen gelezen worden inconveniënten.

2 Resol. V. Holl. 24, 25 Mei, 1618.

Ingelascht in de Resol. v. Holl 1618, bl. 574, 575.

4 Carletok, II p. 246, 252, 259, 262, 263, 267.

das-

ocr page 668

. DES VADERLANDS. 100

overtuiging zouden worden overgehaald om daartoe insgelijks hare toestemming te ge-
ven. Onder zulke voorwaarden stonden zij dan ook toe, dat hare Gedeputeerden Ier
Generaliteit de afdanking der Waardgelders zouden helpen bevorderen Het spreekt
van zelve, dat de Overijsselsche Gedeputeerden bij een zoo voorwaardelijken last
geene byzondere vaardigheid beloonden om de maatregelen, tegen
Holland en Utrecht
genomen, te ondersteunen, en tevens moest de Prins zich eenigzins bezwaard achten
<loor hetgeen men als door hem beloofd wereldkundig maakte. Doch de hoofdzaak
scheen gewonnen; de Provincie had het houden der Synode in beginsel toegegeven, en
door latere zorg was aan die voorwaarden eene minder beperkende uitlegging te geven,
en kon ten minste de Prins van zijne belofte ontslagen worden. Werkelijk leverden
de Gedeputeerden van
Overijssel, toen het er op aankwam, eene nadere verklaring in,
w egens de Resolutie van 7 Mei: deze zoogenaamde nadere verklaring was niets anders „
dan eene andere uitgave van hetzelfde besluit, maar waarbij de vermelding van het
door den Prins gegeven woord geheel was weggelaten 2. Men achtte de zaak die hel
betrof heilig (zoo immers noemt haar
bogerman in zync briefwisseling met garleton ,
en meende weliigt daarom niet te naauw op de eerlijkheid der middelen te behoeven
te zien, terwijl toch wie waarlijk een heilig oogmerk heeft, geloof genoeg bezit aan
de zege van zijne zaak, om naauwgezet te zgn in de keus der middelen.

De Staten-Generaal hadden slechts op den afloop van 's Prinsen togt naar Overijssel
gewacht om de maatregelen, die de bijeenkomst van een Synode ten gevolge moesten
hebben, door te zetten. Dit bleek reeds dadelijk den SO""" Mei, toen de President, de
Voorstel om
Heer nawivisg, gedeputeerde uit Friesland, mét het volgende voorstel aankwam. Om-dor Synodraöor
streeks een jaar geleden, zeide hij, was men in deze Vergadering begonnen naar mid-
delen om te zien, waardoor de Kerk Gods, door twisten verdeeld, weder tot de vorige
eenigheid teruggebragt zou kunnen worden. Bij geen ander middel had men baat meenen
te kunnen vinden, dan bij het houden eener Nationale Synode. Reeds waren de ont-
werpen van bijeenroeping vastgesteld. Thans nu Hun Hoog Mögenden in zulk een groot
getal tegenwoordig waren, stelde hij voor, de laatste hand aan het werk der Synode te
leggen. — Van eene schikking, waarbg de beide parlgen iets zouden hebben moeten toe-
geven , wilde men dus niels Aveten. Van te grooter beteekenis was dit voorstel, omdat de
Fransche Gezant den vorigen dag zijne bemiddeling had aangeboden. Men moest zich,
Voorstel van
dus had hij zich alstoen in eene rede, in de Staten-Generaal gehouden, doen hooren,®"
mauiuer.
men moest zich stipt aan de Unie houden. Vrijwillig ging men zulke verbindtenissen

^ Zie dit besluit {geregistreerd onder 17 Julij, 1618.
^ Resol Stat.-Gen. 18 Aug. 1618.
3 CAiiLETON, II, p. 272. Yergel. bl. 280.

100*

ocr page 669

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. aan; maar, eenmaal aangegaan, waren zij verpligtend, en in het bijzonder geval, dat
(Ie Vereenigde Provinciën verdeeld hield, ^γas het niet mogelijk, zich onkundig te
veinzen, wat de Unie oorspronkelijk gewild had. Evenwel, had hy er bijgevoegd, in
zulke gevallen moest men, om niet van kwaad tot erger te komen, van beide zyden de
zaak niet te naauw nemen, en de Koning van
Frankrijk, gedachtig aan de wijsheid
in vroeger tyd door de Republiek ten toon gespreid, achtte dezen Staat niet zoo ont-
daan van waarlijk vaderlandslievende burgers, dat er geene mannen zouden te vinden
zijn, in staat om een vergelijk te treffen, dat de beide partijen bevredigde tot tijd en
wijle dat er eene eindschikking kon tot stand komen. Hiertoe nu werd door zgne Ma-
jesteit aan de Republiek de dienst van haren Gezant aangeboden. Bij dezen raad en
dit aanbod voegde
du maürier de klagt, dat hij op zyne drie voorgaande voorstellen
, alsnog geen antwoord bekomen had. — Liever dan de beantwoording te bespoedigen, kwam
men daags daarna, gelijk wij zagen, met een voorstel aan, om de maatregelen tot het
houden der Synode te hervatten, hetgeen den Franschman genoeg deed blijken, dat
men zijnen raad in den wind sloeg, zijne dienst versmaadde en
Frankrijks bondgenoot-
schap niet telde. En dit niettegenstaande
Frankrijk juist toen door het aanzoek om
voor het oog van
Europa zijne scheepsmagt met die der Staten te vereenigen en ge-
zamenlijk legen de zeeroovers strijd te voeren, en door het overzenden van gelden tot
onderhoud zijner regimenten in Nederlandsche dienst, zoo duidelijk toonde, dat het de
belangrijkheid van het bondgenootschap met iVerfeHawc? erkende ^
Tgvsv'^X men Frankrijks
aanbiedingen zonder bereidvaardigheid of heuschheid aannam, had men alle voorkomendheid
over voor den Gezant van
Engeland, welk land in de raadgevingen die bet ons geven liet,
zich alleen door nayver liet leiden, en geene staatsmannen scheen te bezitten, in staat
het belang van het krachtig voortbestaan der Repubhek te bevroeden. En alsof dit
alles nog niet genoeg ware om
du maurier te ontstemmen, liet men den voormaligen
Nederlandschen Gezant in
Frankrijk openlgk in de Slaten-Generaal aan hel woord ko-
men en de zaken van het Fransche Hof in een dubbelzinnig daglicht stellen. Den
Remonstrantie
50®'®" Mei toch droeg frangois van aerssen een vertoog voor, uitgelokt door een geschrift,

tan aerssen.

hetwelk de Heer van der mijle onder den titel Ontdekking van de valsche Spaansche
Jezuïtische Praktijk
^ in het licht had gegeven om zgnen schoonvader tegen den aanval
van het
Noodwendig en levendig discours te verdedigen. In dit geschrift had van der

1 Tiesol. Stat.-Gen. 27, 28 April; 1, 29, 30 Mei; 1 Junij, 1618.

2 Bibl. V. Pamfl, N" 1463. De aanloop van dit geschrift is eenigzins onhandig, daar de auteur
de mogelijke strekking zijner tegenpartij als haar regtstreeksclx doel voorstelt. Voor het overige
spreekt hij zeer heusch en eervol over Prins
maurits en jakobus I. Waar hij tegen de beschal-
diging alsof
oldenbarnevelt omgekocht was, opkomt, wordt zijn toon waardig: »God is regtvaar-
dig, die anders zal beginnen daar de menschen zullen ophouden, enz." (bl. 18).

ocr page 670

1

DES VADERLANDS. 797

MijLE doen gevoelen dat er gegronde redenen bestaan hadden om AERSSnirs gezantschap 1618.
in te trekken. Daartegen nu kwam deze op in een Tertoog, dat bij vele trekken van
onvergenoegdheid en hebzucht en geen gering aantal hatelijkheden tegen
oldembar-
NEVELT en VAN DER MIJLE, welke het beneden de waardigheid der Vèrgadering was aan
te hooren, eene half ware voorstelling bevatte van de toedragt van zaken, die tot zyn
ontslag geleid had i. Dezen man tot het behandelen van zulk een onderwerp gehoor
té verleenen, was van de zijde der Staten-Generaal eene bedreiging tegen
Frankrijk
gerigt, alsof men van zins was hem, die te Parijs zoo zeer mishaagd had, weder rang
en stem onder de raadslieden der Republiek te geven.

Welk eene houding was Holland gezind in den dus weldra met versehe kracht vernieuwden
strijd in acht te nemen ?
oldenbarnevelt was te zeer staatsman om thans, nu bij voortgezetten Oj^denbarne-
tegenstand slechts de kracht van geweldige maatregelen scheen te kunnen beslissen, en toT^ toeg^efelijk-
de stoffelijke magt geheel aan de zijde zyner wederparlijders was, niet tot eenige in-
schikkeiijkheid geneigd te wezen. Den 27'*®° Mei stelde hij in de vergadering der Stalen
van
Holland voor, het houden eener Nationale Synode in te willigen onder voorwaarde,
dat zij slechts verzoenend en niet verdoemend optreden zou Doch deze voorslag had
alle kans van door geene der beide partijen te worden aangenomen.
Oldenbarnevelts
vijanden en Prins maürits met hen zouden hoogst ongaarne gezien hebben, dat de ge-
hate staatspartij door tijdig toegeven den voor haar bestemden val voorkomen had Van
den anderen kant waren de Remonstranten, die zich als zoodanig op den voorgrond ge-
steld hadden, beducht, dat, als men de Nationale Synode eenmaal toegaf, zij zich niet
onthouden zou van eene beslissing, die voor hen noodlottig zou wezen. Dus bekreun-
den de Staten-Generaal zich volstrekt niet om
oldenbarnevelts voorslag, evenmin
als zij acht sloegen op het voorstel, dat
du maurier na overleg mei den Ad-
vokaat gedaan had, en waarin hij, van vaderlandslievende mannen,. in staat om
een middel van verzoening te vinden; gewagend, het oog op
oldenbarnevelt gehad
had. Maar ook de meerderheid in de Staten van
Holland scheen tegen inschikkelijk-
heid gestemd. Den 29'*®" Mei verstond zij, dat het houden eener Nationale Synode
voor alsnog dienstig noch noodig was. Het uiterste waar zij toe komen kon, was eene
Provinciale Synode, tot welke bevoegde kerkedienaren uit de andere Provinciën en
des noods buitenlandsche godgeleerden zouden genoodigd worden , die met den last zouden
bijeengeroepen worden om den twist door wederzijdsche toegefelijkheid bij te leggen.

' Zie de Remonstrantie v. fr. v. aerssen genoteerd in de Bibl. v. Pamß, Ν" 1474.
- OuvRÉ, ρ. 273.

^ du Maurier schreef aan zijn Hoi: »Hij, Prins maürits, is ontevreden over de pogingen, die men
aanwendt, om
Holland met de meerderheid te verzoenen, daar hij inziet, dat dit de Avoiide, die
liij blijkbaar open houden wil, in den grond zou genezen" (οϋνιιέ, ρ. 269).

ocr page 671

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. Den volgenden dag echter kwam men alweder een slap nader en vond goed, dat men
bij Igd en wijle in overweging nemen zou of na de Provinciale Synode het houden
Voorslag van eener Nationale kerkelijke vergadering nog noodig zou blgken te wezen Wanneer
het mogêl^k zou de tegenstanders der Hollandsche staatkunde vrede gewenscht hadden, ware hij op dit
meTïlLnder hat beklonken geweest. Immers kon de strijd thans bij eenige goedwilligheid

verstaan. geacht worden op een woordenstrijd neder te komen: beide partijen verlangden eene Pro-
vinciale Synode; slechts wilde de eene haar als de noodwendige voorloopster eener Na-
tionale Synode beschouwd hebben, terwgl de andere slechts de mogelykheid stelde, dat
eene Nationale Synode zou blyken noodig te zijn. Waren nu de voorstanders der noodwen-
digheid eener Nationale Synode werkelijk van de waarheid van hun beweren overtuigd, zoo
konden zij er immers gerust op zyn dat zij na het houden der Provinciale Synode zou
blijken noodig te wezen, en dan was immers de Provinciale Synode van zelve de voor-
loopster der Nationale geworden. Maar het was niet zuiver om de zaak, niet om de
godsdienst, het was om de vernedering van
oldenbarwevelts party te doen, -Dit bleek
evenzeer uit het voorstel, den 30'*®" Mei in de Staten-Generaal gedaan, als uit de hou-
ding van de Gedeputeerden der zes steden in de vergadering der Staten van
Holland
op denzelfden dag. Zij wenschten de Nationale Synode onvoorwaardelijk aangenomen
te zien op den voet, waarop liy door de Staten-Generaal zou worden uitgeschreven.
Dus verlangden zij geene pogingen om het geschil bij te leggen aangewend te zien, en
door hunnen tegenstand doemden zg weder alles, wat men zonder hen zou beproeven,
reeds vooraf tot magteloosheid. Doch toen nu die leden der Staten van
Holland^
>velke niet dan noode tot inschikkelijkheid gekomen waren, het voorstel, den in

de Staten-Generaal gedaan, vernomen, en de vruchteloosheid van de tusschenkomst van
den Franschen Ambassadeur bemerkt hadden, konden zij een en ander slechts als eene
Teruggestooten, uitdaging beschouwen, en moedig namen zij den toegeworpen handschoen op. Den
zich fier. Sl'tea Mei verklaarden de Gedeputeerden van Haarlem , dat zij met de Gedeputeerden
der andere steden vergaderd waren geweest en, alles overlegd hebbende, het houden
eener Nationale Synode niet konden inwilligen, als waardoor aan bet regt van
Holland
in de hoogste mate werd te kort gedaan; derhalve begeerden zij, ter Generahteit de
verklaring gedaan te zien, dat deze Provincie niet kon dulden, dat men haar de Natio-
nale Synode opdrong: deed men dit, zoo zou zij zich daartegen moeten verzetten.
Voorts, bekend met den inhoud der schotschriften tegen
oldenbarnevelt, waaruit niet
onduidelijk bleek, dat de vryheid van dezen staatsman in gevaar was, en duchtende,
dat zoo men aan hem de handen durfde slaan, menig ander mede niet veilig zou
wezen, zoo verlangden zy, voor eerst, de vernieuwing van de Resolutie in 1586 genomen,
waarbij in de veiligheid van de Leden der Statenvergadering tegen de lagen der Leices-

Resol V. IIoU. 26, 29, 30 Mei, 1618.

ocr page 672

DES VADERLAISDS. 799

lersche partij voorzien Avas geworden, en, len tweede, een streng onderzoek naar de leis.
schrijvers van alle eerroovende geschriften, bepaaldelijk tegen
oldbnbarnevblt. Aan dit
voorstel werd bij de omvrage nog toegevoegd, dat men den eed van het krijgsvolk in
overweging zou nemen, en in de Staten-Generaal, herhalende wat men aldaar reeds
drie malen ^ gedaan had, ïou aandringen op het nemen van een besluit, waarbij de
Provinciën het Plakaat, den 7 Julij 16lö door
Holland »op eerroovende boekskens en
oproerige propoosten" uitgevaardigd, zouden overnemen om het mede len harent te la-
ten afkondigen: geschiedde dit, zoo zouden de in
Holland schuilende lasteraars en op-
roerlingen zich niet in eene andere Provincie in veiligheid kunnen stellen. Het dus
uitgebreide voorstel leidde dadelyk tot het besluit, bij meerderheid van stemmen ge-
nomen, dat men den Provinciën in de Generaliteit het ongelijk, hetwelk zij
Holland
deden, onder het oog zou brengen, en zoo zy niet lot inkeer kwamen, in verzet zou
komen; dat de Resolutie van 1586 voor vernieuwd en hel bewuste Plakaat len minste
in
Holland voor vastgesteld zou gehouden worden; dat het onderzoek naar de auteurs
der lasterschriften tegen den Advokaat zou worden aangevangen, en de eed, door het
krijgsvolk gezworen, aldus verklaard, dat zij hunnen betaalsheeren en den Magistraats-
personen in de sleden, alwaar zij in garnizoen lagen, gehouden waren te gehoorzamen
en hen legen alle dadelijkheden bij te staan

De eerste gelegenheid om aan dit besluit gevolg te geven, voor zooverre het de me-
dedeeling betrof, in de Generaliteit te doen, zagen de Gedeputeerden van
Holland
zich verschaft op den Junij, toen het antwoord Ier sprake kwam, aan carleton op
zijne rede van den Junij te geven. Deze Gezant had alstoen, bij zijn aanstaand vertrek
Berigtcn aan
tot een uitstapje naar Engeland ^ onder anderen zyn verlangen te kennen gegeven om in
staat gesteld te worden, zoodanige beriglen aangaande den toestand der kerkelijke ge-
schillen aan zijnen Koning over te brengen, dat Zijne Majesteit zien kon, dat zijne
raadgevingen niet vruchteloos geweest waren en hij zich in deze zaak behoorlijk ge-
kweten had. Na beraadslaagd te hebben over de wijze, hoe in hun antwoord aan dat
verlangen te voldoen, besloten de Staten-Generaal het advies van de Zeeuwsche Gede-
puteerden te volgen. Dezen hadden voorgesteld, den Koning Ie berigten, dat men
reeds volgens zijnen » hoogwijzen" raad hel besluit tot eene Nationale Synode genomen
had, en, zoo sommige Provinciën daarin nog niet volkomen bewilligden, men zich
beijverde om haar daartoe ο ver te halen. Dit was naar het oordeel der Hollandsche en
en der Utrechtsche Gedeputeerden Ie veel gezegd: eene zoo stoute verklaring aangaande
het welslagen van het opzet om de Nationale Synode door te drijven was beleedigend
roor Holland, en de Afgevaardigden van dit
Gewest waarschuwden de Provinciën ernstig,

geren.

» Den 19, 21 cn 25 Mei, 1618.
2 licsol. V.
Holl. 31 Mei, 1618.

ocr page 673

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. dat, zoo men hun de Nationale Synode wilde opdringen, zij zulks niet zouden dul-
den ^ Niettemin werd het antwoord, den volgenden dag, zoo als het door de Zeeuwsche
Gedeputeerden gesteld was, goedgekeurd, en wel bij afwezigheid van die van
Holland.
Deze afwezigheid alleen reeds had de Vergadering van het nemen van een eindbesluit
moeien terughouden; maar bovendien had de Griffier der Staten medegedeeld, dat de
Heer
van mathenesse den vorigen avond ten zijnen huize van hem had verlangd te
vernemen, hoe dien morgen de beraadslaging over het antwoord, aangaande den slaat
der kerkelijke geschillen aan
garleton te geven, was afgeloopen. Toen hij vernomen
had, dat
Zeelands advies gevolgd was, had hij zich hoogelijk beklaagd, en gezegd, dat
die van
Holland daarmede geen genoegen zouden nemen, noch gedoogen, dat zy in
zaken, de godsdienst belreffende, overstemd werden: op dit stuk hadden zij alléén order
te stellen, en zouden dat ook welen te doen. Dus waren de Staten-Generaal genoeg-
zaam gewaarschuwd aangaande den weg, dien
Hollandy door den nood gedrongen, zou
meenen te moeten inslaan. Doch niets baatte: men had besloten allen tegenstand des
noods met geweld te onderdrukken.

In deze omstandigheden was de eenig overgeblevene hoop van de Hollandsche staatslie-
den op
Frankrijk gevestigd. Aan het Hof van dit Rijk vond oldenbarneyelts staatkunde
mannen, die haar begrepen en waardeerden, en geneigd waren haar met al den invloed
van hun land te ondersteunen. Kon
Frankrijk door het overzenden van eenige gelden
tot betaling der Fransche troepen en tot teruggave van de voorgeschoten soldy een spre-
kend bewys geven, dat het haar met het bondgenootschap ernst was; kon tevens een
Fransch staatsman als buitengewoon Gezant overkomen om te beproeven de beide partijen
lot matiging te bewegen en eene verzoening op den door
oldenbarnevelt beraarüden
voet te bewerken, zoo was er nog eenige kans op de afwending van de gevreesde
i)e
overkomst onlknooping. In het begin van het jaar 1618 was het denkbeeld om du plessis morways
van DU ^^Essis (jygpj^Qj^gj. ^jj lokken op nieuw geopperd, en toen had oldenbarnevelt zelf daarover
met
du maurier gesproken. Maar, zou zyne komst de gewenschte uitwerking hebben,
zoo moest hij daartoe noch openlijk noch onder de hand van
oldenbarnevelts zijde
uitgenoodigd schijnen. Daar nu de naauwgezetheid van
du plessis-mornay hem ver-
bood zich met eene zoo hagchelijke zaak te bemoeijen, zonder daartoe door het open-
lijk aanzoek van de beide partijen als het ware genoodzaakt te zijn en
maurits, door
du maurier gcpolst, hem niet wenschte te zien komen, dan wanneer de bijeenroeping
eener Nationale Synode beklonken en dus het eigenlijk doel zijner komst reeds verval-
len zou zijn, zoo moest alle hoop om hem te zien verschynen weldra opgegeven wor-
den Doch ligt zou zich een andere Fransche staatsman laten vinden om volgens

woknat

wenscht.

1 nesol. Stat.-Gen. 2, 5, 6 Junij, 1618.

2 ouvre, p. 269, 270. dü plessis-wobkay, Mémoires, IV, p. 6, 7, 14, 17, 27.

ocr page 674

DES VADERLAISDS. 801

OLDENBARNEVELTS wcDsch cene poging te doen ten einde een vergelijk tusschen de beide Ifiis.
partijen lot stand te brengen. Dit nu wilden de Staten-Generaal volslrektelijk beletfen.
Wanneer men, dus redeneerden zij, den Koning van
Frankrijk eens voorkwam en een
Nederlandsch zaakgelastigde met eene buitengewone zending naar het Fransclie Hof be-
lastte, dan immers was alle aanleiding om een buitengewonen Gezant uit i^rflM/iHj/i her-
waarts af te vaardigen vervallen. In dezen geest werd het voorstel gedaan om of een
Eene buiten-
buitengewonen Gezant ΏΆΆτ Frankrijle te zenden, of den Heer van marqtiette, die door
Prins
maürits ter behartiging zijner bijzondere belangen als Prins van Oranje, met
medeweten der Staten-Generaal, naar
Frankrijk gezonden van wege de Staten
eene zending bij den Koning op te dragen Reeds wegens den aard der door den
Heer van
marquette te voeren bijzondere onderhandelingen kon zijn persoon in Frank-
rijk
niet zeer aangenaam zijn, en bovendien wenschte men hem thans van staatswege
met eene alles behalve beleefde boodschap te belasten. Op het eind der maand Mei
hadden de Staten het zeker berigt ontvangen, dat de som van 500,000 gulden zou
worden verstrekt tot voorziening in het onderhoud der Fransche troepen voor het loo-
pende jaar, en dat bovendien 273,000 gulden zouden worden overgezonden ter gedeel-
telijke aanzuivering van de sedert 1615 onbetaald gebleven soldij. Dit was door
nv maü-
rier
bij zijne audientie van den 1'*®" Jung bevestigd geworden IVy de rondborstige
mededeeling aangaande den benarden staat der Fransche geldmiddelen en de bondige
verontschuldigingen, door den Franschen Gezant gedaan, kon die toezegging van voort-
gezette betaling niet anders dan op eene dankbare wijze worden opgenomen, eh toch ^
wilde men nu hetzij aan
marquette hetzij aan een buitengewonen Gezant de laak opdragen
om gezamenlijk met den Heer van
langerak er bij den Koning op aan te dringen, dal
de som, voor het loopende jaar Ie verstrekken, niet lot 300,000 gulden verminderd, maar
lot het oorspronkelyk bedrag van 600,000 verhoogd werd, en bovendien nog de achter-
slallen geheel mogten worden aangezuiverd. Nadat dit voorstel den Junij gedaan was,
verzetten de Hollandsche Gedeputeerden zich herhaaldelgk toen en later 4 daartegen,
zonder evenwel eenen anderen grond aan te voeren , dan dat die zaak den Heer van
LAifGERAK moest krenken, daar het was alsof men hem alleen de behartiging van de
belangen der Republiek niet toevertrouwde, en, hoezeer
aerssen en zyne vrienden er
steeds op uit waren om hem als onbekwaam af te schilderen, zoo blpt uit stellige

1 Ãœesol. Stat.-Gen. 26, 29 Mei, 1618.

2 Resol SlaL-Gen. 9 Junij, 1618.

3 Resol. Stat.-Gen. 29 Mei, 1 Junij. Reeds vroeger (zie Rml. 17 April en 14 Mei) had lan-
CERAK de te verwachten gelden aangekondigd.

^ 14, 19, 20 Junijj Resol. v, Holl. 15 Jtinij. '

ÜI Deel 2 Stuk. 101

ocr page 675

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

Ifiis. getuigenissen ^ en uit het ontbreken van gegronde klagten, dat hij alle Tertrouwen
verdiende.

1)0 vernieu- Wilde men Holland dvvarsboomen, door die taak van staatswege aan marqtjette op te
PMaattegenlasi het Spreekt van zelve, dat men ongenegen was om ten gevalle van die Pro-

ten'^eL^^gwei" ^®*· plal^a^t van 1615 tegen lasterlijke geschriften en redeneringen van wege de

Generaliteit te laten vernieuwen. Toen deze zaak op denzelfden dag en nogmaals den
19''°" Junij in omvraag werd gebragt, verklaarde de meerderheid, de verlangde
vernieuwing van dat plakaat »bg deze gelegenheid niet dienlijk" te achten: stelde
men order op de zaak, die tot al die aanvallen aanleiding gaf, dan verviel het
smadelijk schrijven en spreken van zelf. — Kon men duidelyker te kennen geven, dat
men de aanranders van
oldenearneyelts eer in het gelijk stelde; dat men hem len
minste tegen hen niet in bescherming verkoos te nemen?

Intusschen was de zitling der Staten van Holland den IS^·"" Junij »bij conlinuatie"
op nieuw aangevangen, en in deze vergadering kwam het groote vraagstuk den 16"'''"
daaraanvolgende weder ter sprake, Alstoen- w^erd door de meerderheid besloten, dat
men de Provinciale Synode voor vastgesteld te houden had, maar, wanneer in zoodanige
vergadering het geschil niet beslecht had kunnen Avorden, de bijeenroeping eener Na-
tionale Synode in overweging zou nemen. Dus kwam men toen weder lot het punt, waarop
men den 30''""Mei gestaan had, en alzoo lot een voorstel terug, waarop, met een weinig
goeden wil bij de tegenpartij, een vergelijk mogelijk was. Maar de zes Sleden verlangden
op nieuw dadelyk inwilliging van de Nationale Synode. Men verzocht haar zich nader te
willen bedenken en zich eindelyk met de meerderheid te willen vereenigen. De hoop, dat
aan dit verzoek gehoor zou gegeven worden, kon en wilde men niet opgeven: althans toen
ten zelfden dage het sluk van de Synode ook in de Generaliteit in omvrage gebragt werd,
verzochten die van
Holland uitstel van beslissing totdat de Stalen hunner Provincie een
middel om lol eenstemmigheid te komen zouden gevonden hebben, alsof dit toen nog te
vinden geweest ware. Slechts tot het begin der volgende week werd het uitslel verleend

Had men in Holland een oogenblik kunnen hopen, dat de zes Sleden zich met
de meerderheid zouden verecnigen, drie dagen later bleek deze hoop ydel geweest
te zijn. Toen loch waren zij daartoe even weinig gezind als ooit. Maar alsnu werden
de Hollandsche Staten een paar dagen lang bezig gehouden met de beraadslaging
over de maatregelen te nemen tegen een nieuw schotschrift op
οιβενεακκευειτ
gemunt. Zijne Remonstrantie, hoe afdoende ook, konden zijne vijanden niet onbeant-
woord laten: immers zouden zij zich alsdan als uit het veld geslagen erkend hebben.

gpr<l.

1 In dc Uesol. v. de Stal.-Gen. 27 Nov. 1614 vindt men gewag van een brief van jeasni.v,
in welken langeraks bemoeijingen zeer werden geprezen.

2 Resol V. Holl, en SiaL-Gen. 16 Junij, 1618.

ocr page 676

ΙΙΙΙΗΙίρΡ^Ιΐρ^Β^ΡΡΜΙριΡίΐιΡ-^!^^ L ..ι..11· iji.iHMiiiiii··· ι ...ι .μι m ilijii

DES VADERLANDS. 805

Reeds op het eind van April wist carletow, dat zich zekere personen aan het werk 1618.
gezet hadden om hem en
van der mijle Ie beantwoorden ^ De vrucht van dezen
arbeid was een geschrift, getiteld:
Provisionele Opening van verscheiden zaken^ gesteld
in de Remonstrantie van den Advokaat van Holland, enz.
2 ^ blijkbaar door iemand, oidenbabne-
die de staatszaken van nabij kende, en met uitnemend talent geschreven. Zeker had aerssen ^^lisioneifope-
weder de hand in dit scholschrift gehad. De weg, dien men hier insloeg om toch
iels legen
oldenbarwevelts zelfverdediging te kunnen aanvoeren, was deze, dat men
de opreglheid, waarmede hij van zich zeiven gesproken had, ijdelheid en hoogmoed
noemde; dat men wat er groots en goeds was tot stand gekomen, aan den Prins en zoo
vele andere staaislieden toeschreef, en daarentegen de oneenigheden in Kerk en Slaat
aan
oldekbarnevelt weet, »als die tot de hoogsle autoriteit in den lande geklommen
was," aleof dit hem dan ook geen aanspraak gaf op de eer van het groote en goede,
in zynen lyd verrigt. Voor het overige bevat ook dit geschrift niet de geringste slellige
beschuldiging, alleen vermoedens en bedekte aantijgingen. Niettemin werd er op zijne
inhechtenisneming gedoeld als op eene zaak, die reeds bij zijne tegenstanders vast
stond. — Het bestaan van zulk een geschrift kon door de Slalen van
Holland niet
veronachtzaamd worden: ook maakte het den 20'*®" Junij een onderwerp hunner beraad-
slaging uit, waarna besloten werd, het lot nader onderzoek den Advokaat fiskaal
in handen Ie stellen, en intusschen de verspreiding legen te gaan en schrijver en druk-
ker op te sporen. Het kon niet anders, of de minderheid moest hare goedkeuring van
het
Schandschrift aan den dag leggen. Zij deed dit door legen het genomen besluit
den eisch over te zeiten, dat men insgelijks maatregelen mögt nemen tegen de
Justifi-
catie van de Resolutie van den Augustus ^
als zonder openbaar gezag in het
licht gegeven. Verachtelijker kon men wel niet over deze verzameling van grootendeels
authentieke stukken en bijgevolg over de handehngen der Staten oordeelen. Niettemin
werd goedgevonden, dat men die
Justificatie zou laten onderzoeken en, bijaldien men
daarin iets vond dal ten nadeele strekte hetzij van den Slaat, hetzij van cenige Leden
der Stalen of van bijzondere personen, daarop naar behooren zou gelet worden. Twee
dagen later handelde men, bg afwezigheid van den zoo gruwelijk aangeranden gryzen
Staatsman, op nieuw over de zaak. Toen eerst legde men onbedwongen zijne
diepe
verontwaardiging over het schotschrift aan den dag, en in eene reeks van besluiten gaf
men voldoening aan het besef van den pligt, dien de Staten van
Holland tegenover
den Advokaat des Lands te vervullen hadden. Na uitloving van eenen prijs van öOO
gulden voor dengenen, die den schrijver of den drukker aanbrengen zou, bepaalde

1 UARLETON, II, p. 260.

2 Bihl v. Pamfl. N» 1465.

3 Bihl. V. Pamfl.mo 1353.

101*

ocr page 677

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. men, dat de Staten den persoon van oldenbarnevelt in hunne bescherming namen,
men^den^persoon â„¢ogt aangedaan worden, als hun zeiven aangedaan zouden beschouwen;

van OLDENBAR- (j^t hï] door ecuc Deputatie uit de Vergadering zou uitgenoodigd worden om, des ver-

NEVELT bij ver-
nieuwing in hun-
kiezende, nog dien namiddag in de vergadering te verschijnen, opdat hy het besluit,
Be bescherming. .. . i , , i . · i , , .,

ten zijnen aanzien genomen, en de bede vernemen mögt, om » onverdrietig het beleid

van zaken zoo in de vergadering als anderzins voorl te zetten." Bij deze gelegenheid
zou men zijner wijsheid in bedenking geven, of het voor de dienst des Lands niet
raadzaam ware, dat wel zijne Remonstrantie nog opzettelijk aangeboden en in overweging
genomen, maar het schryven en indienen van apologiën daarby gelalen werd, in dier
voege dat noch aan het vertoog, door
van der mule eenige dagen geleden aangeboden ^,
noch aan de Remonslranlie van
van aerssen gevolg gegeven werd. Dus hoopte men
het verder twistgeschrijf te keeren. Dit besluit kon weder niet doorgaan zonder eene
grove hatelijkheid van den kant der tegenpartij. Zij stelde voor, mede een prijs uit te
loven voor dengenen, die de schrijvers van
Aq Weegschaal Gn Aß Juslificatie van de Reso-
liilie van den Augustus
aanbrengen zou, welke geschriften zij te zamen brandmerkte
als » zeer schandelyk voor den staat van het land en kwetsend voor de Grooten, vrien-
den dezer Landen, en eenige voorname leden van dien." »Dit voorstel echter had geen
gevolg, maar wel werd er eene Commissie benoemd met den Heer
van asperen aan
het hoofd om den Advokaat te begroeten en hem het resultaat der beraadslagingen mede
te deelen. Nog denzelfden dag werd een plakaat legen de
Provisionele Opening uitge-
vaardigd , waarin dit geschrift verklaard werd vol te zyn van )) groote en onverdragelyke
lasteringen tegen de Regering van het land, en verscheidene voorname ambtenaren,
bepaaldelyk tegen den Advokaat, wiens langdurige goede en opregte diensten Hun
Edel Mögenden en al de wereld genoeg bekend waren, en die voor dezen was genomen en
alsnog gehouden werd in Hun Edel Mögenden bijzondere bescherming en veilige hoede." 2
Intusschen was bij de Edelen, wier ziel
oldenbarhevelt was, en de meerderheid
der Sleden een vast plan tot rijpheid gekomen, waarnaar,zij in de gegevene omstandig-
heden, nu zij de hoop om de zes Steden zich met hen te zien vereenigen, moesten
opgeven, tegenover de Stalen-Generaal handelen zouden. Van wege de Edelen (en dezen,
met de maand Augustus door twee nieuw beschrevene Heeren, de Heeren
van sghagen en
VAN vv^ARMOND verslerkt ^^ zien wy in dit tijdsgewricht alle gewigtige voorslagen doen)

ï Hier wordt gedoeld op het Vertooch aen de Ή.Μ. HH. Stalen Oen. bij d. H. v. d. Mijle
overghegheven tegen de Hemonstr. v. Fr. v. Aerssen,
waarbij eene menigte authentieke beselieidcn
gevoegd waren, geschitt om
aerssens ware betrekking tegenover het Fransche Hof in het licht te
stellen. Zie hiervoor bl. 530, Noot 1.

2 Resol, Holl. 20, 22, 23 Jnnij 1618.

3 Resol. Holl 2, 3 Aug. 1618.

ocr page 678

DES VADERLANDS. 803

werd den Junij een voorstel gedaan, strekkende om den Staten-Generaal op eene 1618,

plegtige wijze rekenschap af te vorderen en voorwaarden te stellen. Het voorzitterschap
van
Holland ter Generaliteit was nu verstreken; dus was er vooreerst geèn kans dat
aldaar een voorstel in
Hollands zin zou gedaan worden. Al zoo bleef er geen ander
middel over oni de Staten-Generaal tot het in overweging nemen van
Hollands belangen
te brengen, dan dit, dat de Staten van
Holland als één ligchaam zich ter vergadering
der Generaliteit begaven en daar hunne zaak voordroegen. Wat zij verlangden be-
stond hierin, dat de Staten-Generaal kort en goed zouden verklaren, of zij van zins
waren, de Nationale Synode zonder
Hollands toestemming door te drijven, al of niet.
Zoo ja, alsdan zouden die van
Holland hun den pligt yoorhouden, welken de Unie
hun opleide, en ingeval zij dien niet verkozen na te komen, zich ongezind verklaren
om op het vqorstel van den Raad van State voor dit jaar de consenten in te brengen. De staten vnu
Hollands Staten evenwel, dit zouden zij er bijvoegen, waren geneigd om zoo veel mo- ^t'^trengen der
gelijk toe te geven: zij vonden goed eene Provinciale Synode bijeen te roepen, tot

welke zii eenii^e bevoegde personen uit de Provinciën wenschten te noodigen. Kon de ten-Generaal

^ ^ ^ ^ voorwaarden stel-

zaak in deze Provinciale Kerkvergadering gevonden worden, zoo verviel de noodzakelijk-len.
heid eener Nationale Synode; doch in het andere geval zou Holland wel tot het hou-
den eener Nationale of Generale Synode kunnen verslaan. Ten slotte, als ware het om
de Provinciën te doen gevoelen, hoe veel haar aan
Hollands goede gunst gelegen was,
en dat hare halsstarrigheid ten gevolge hebben kon, dat
Holland voortaan weigerde om
haren rijkdom en crediet voor d« andere Provinciën veil te hebben, moest men aan-
dringen op de aanzuivering van zoo menige nog onbetaald gebleven schuld en op de
reeds meermalen gevraagde ^ teruggave van hetgeen
Holland tot het onderhoud der
Fransche troepen had voorgeschoten. Het ernstig aanzoek om terugbetaling van de ten
behoeve dezer troepen voorgeschoten gelden had te meer klem, omdat de Staten-Gene-
raal thans lastig gevallen werden door rekest op rekest, waarby de betaalmeester zich
beklaagde, dat deze of gene Provincie ten achteren was in het leveren van haar aan-
deel in de soldij die sedert eenigen tijd niet meer door
Holland alleen werd voorge-
schoten Ook waren in het vooruitzigt dat
Holland met zulke eischen zou aankomen,
de Provinciën kort te voren ^ reeds aangemaand om niet alleen de defecten van hare
voorgaande consenten aan te zuiveren, maar ook de voorgeschoten penningen aan
Hol-
land
te voldoen. — Zulk een optreden derhalve was een strijdplan, dat kans op slagen

1 Resol. Holl. 27 Maart, 23 Mei, 1618.

2 Resol. Slat.-Gen. 1, 17 Blei, 2 Junij 1618.

3 Resol. Holl. 16 Mei 1618.
^ 19 Junij.

ocr page 679

ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1C18. aanbood. Geen wonder, dat de zes Sleden er tegen waren, ja, verklaarden, dal, in
geval men er toe besloot, zij zich op hare beurt tot een plegtige openbaarnaaking van
gevoelens genoopt zouden zien. Hierop werd voorgeslagen, dat dan slechts die leden der
Staten, welke zulks goed vonden, ter Generaliteit zouden verschynen, en deze vertooning
derhalve niet op naana der Staten geschieden zou. Doch zelfs dan, verklaarde de
tegenpartij, zou zij de zaak niet stilzwijgend kunnen laten voorbijgaan. Dus werd voor
het joogenblik niets beslist

Maar reeds zou het, wanneer het voorstel der Edelen tot uitvoering kwam, OMioodig
zijn, de Staten-Generaal naar hun voornemen ten aanzien der Nationale Synode te vra-
De Staten-Ge-gen. Immers besloot deze Vergadering twee dagen later, de uitschryving dadelyk te
de Nationale Syn-doen plaats hebben tegen den 1®'°" November, en vermits men wist, dat van Frankrijks
S Zwarigheid gemaakt zou worden om de Gereformeerde Kerken des Rijks in de

Nederlandsche Synode ta lalen vertegenwoordigen zoo zou men den Koning van
Frankrijk ootmoedig verzoeken, zulks toe te slaan, en dit verzoek aandringen met de
verzekering, dat de Synode tot niets anders zou strekken, dan om de in de Vereenigde
Nederlanden gerezen geschillen bij te leggen, opdat deze Republiek des te beter in
staal gesteld mögt worden tot de dienst van Zijne Majesteit en zijn Rijk. Bij de be-
raadslaging, die tot dit besluit leidde, verklaarden de Gedeputeerden van
Overijssel,
dat zij alle uren de aankomst hunner medegedeputeerden verwachtten ten einde te zamen
op de voorgestelde zaak te adviseren. ïwee namelijk uit hun midden, de Heeren
kip-
perda,
en sloet, waren vertrokken 3 om bij het voorwaardelgke van hunnen last nadere
inlichting te vragen, en daarvan zouden zij hunne slem laten afhangen. Niettemin
verklaarden zij, overeenkomstig dien last, geene oorzaak van vertraging in deze zaak
te willen geven. Ook werd het voorstel aangenomen niet alleen, maar bovendien be-
sloot men denzelfden dag, mede tegen den zin van
Holland, om ten allereersten eene
buitengewone bezending naar
Frankrijk af te vaardigen Toen het voornemen om zich
om
Hollands regten niet te bekreunen alzoo meer en meer zijne uitvoering naderde, kwamen

Acte van non- (jg Gedeputeerden van Zeeland met eene acte van zoogenaamde non-prejudicie voor den
prejudicie van

Zeeland. dag, waarvan ziij de registratie verlangden en verkregen, en welke, bestemd om het gewetens-
bezwaar , dat er mogelijk bij dezen en genen wegens het ongelijk,
Holland aangedaan,
mögt overgebleven zijn, weg te nemen, inderdaad slechts eene verontschuldiging inhield, die
bewees, dat men schuld gevoelde. Zy behelsde de betuiging van hun leedwezen, dat hunne

1 Resol Holl 23 Junij, 1618.!

2 ouvRÉ, p. 268. Dü plessis-riobway, Mémoives 111, p. 1168. carleton, II, p. 195,

3 nesol Stat.-Gen. 15 Julij, 1618.

4 Resol Stat.-Gen. 25 Junij, 1618.

806

ocr page 680

DES VADERLAISDS. 807

»christelijke en opregte bedoeling" bij hel doorzeilen der uitschrijving eener Nationale Synode lOis.
misduid werd, alsof zij daarmede de regten van eenige Provincie te kort wilden doen.
Om dit vermoeden weg te nemen verklaarden zij rond en opregt, zoo iets evenmin als
eenige inbreuk op de Unie te bedoelen. — Die van
Bolland oordeelden te regt, dat zulk
eene betuiging in slryd met de daad niets afdeed Dus was voor deze Provincie de
lijd daar om den voorslag der Edelen van den Junij ten uitvoer te brengen, of

soms de Slaten-Generaal terug zouden willen komen van het ongelijk, dat zij Holland
aandeden, en de uitschrijving der Synode ten minste nog zouden willen uitstellen. De
Gedeputeerden der zes Steden werden alsnu verzocht, dien plegligen stap te willen la-
ten geschieden, of zich ten minste niel openlijk in de Generaliteit daartegen te willen
verklaren. Dit verzoek weigerden
zij: integendeel zij verklaarden zich mede naar de
vergadering der Slaten-Generaal te willen begeven en daar juist het tegenovergestelde
voor te zullen slaan van hetgeen de meerderheid zou komen verzoeken. Niettemin ver-
koos de meerderheid zich niet in de uitvoering van haar voornemen te laten dwars-
boomen. Den gaf de Heer
van mathenesse in de Generaliteit te kennen, dat de

Staten van Holland, beneden vergaderd, voornemens waren in haar midden te verschij-
nen; hij begeerde alzoo te welen, wanneer de Heeren gelegenheid hadden hen af te
wachten. Hierop stelde de Voorzitter de vraag voor, of het niet goed zou zyn, Zijne
Excellentie, Prins
maurits, en zijn Genade, Graaf wildem lodewijk, uit te noodigen <
mede ter vergadering te willen verschijnen. Zoo verlangde men zich door de tegenwoordig-
heid dezer beide vorsten te wapenen legen den indruk, dien de achtbaarheid der Hollandsche
Heeren stond Ie maken.
Willem lodewijk was niet te vergeefs in dit lydsgewricht
overgekomen. Wel wetende, welke zaak hy kwam voorthelpen en zoo raogehjk len
einde brengen, hadden de Hollandsche Gedeputeerden, die hem den Junij op last
der Stalen van
Holland hadden verwelkomd, hem de rust van den Staat op het ern-
stigst aanbevolen. Zijne'^Genade had zynen dank betuigd en »zijnen persoon tot alle
goede diensten ten beste van den Lande aangeboden 2." Van beide zijden mogten dit
betuigingen heelen, die het tegenovergestelde beleckenden van hetgeen zij schenen te
zeggen. — Toen de Prins en Graaf WILLEM LODEWIJK op de uitnoodiging verschenen j)eputatie e»

waren, traden Iwee der Edelen en de Gedeputeerden van al de Steden van Holland

^ ten van Holland

binnen, en bi] monde van den grijzen Slaalsman, die in waarheid de vader heelen i" ^e Staten-Ge-

neraal.

mögt van den Staal, welke thans door toedoen zijner onleerzame kweekelingen van zijne
staats- en regeringsbeginselen zoo jammerlijk slond af te wijken, werd eene verklaring
gedaan van den volgenden inhoud: Bij verscheidene pleglige eeden verbonden, de vrijheid
cn regten hunner Provincie te handhaven, die thans gekrenkt Averden doordien de

1 Resol. Stat.·Gen. 27 Junij· Resol. Holl. 28 Junij, 1618.
^ VxesoL IToll. 12 Junij, 1618.

ocr page 681

808 ALGExUEENE GESCHIEDENIS

1618.

Generalileit in godsdienslzaken eene beschikking wilde Deraen, die baar zonder bewil-
liging Tan al de Provinciën niet toekwam, Termaanden de Edelen en Sleden van
Holland en West-Friesland de Gecommitteerden van de Vereenigde Nederlanden, wel
te willen bedenken, hoe heilzaam de magt en het aanzien, waartoe
Holland door Gods
genade geslegen was, voor de andere Provinciën steeds geweest.was en nog was. Van
dien trap zou
Holland ongetwyfeld moeten afdalen, en onbekwaam zou deze Provincie
worden om hare bondgenooten te baten, zoo men haar de Nationale Synode opdrong.
Maar was dan alle vergelyk onmogelgk? De Staten Tan
Holland bedoelden, even als de
andere Provinciën, opregtel^k de handhaving van de ware op Gods heilig woord ge-
gronde Gereformeerde Religie, en van den anderen kant verklaarden de andere Provin-
ciën met de byeenroeping eener Nationale Synode niets te beoogen, dan de bylegging
der geschillen aangaande de vijf punten, builen welke in
Holland geene afwijking van
de leer geduld werd noch zou worden. Dit zelfde doel nu wenschten de Stalen van
Holland ook te bereiken. Wel is waar, begeerden zij het door eene Provinciale Synode
te beproeven; maar zij waren gezind, tot zulk eene Synode ten hunnen kosle bevoegde
kerkelijke personen uit al de overige Provinciën Ie noodigen: kon nu de Provinciale
Kerkvergadering de zaak binnen egne maand of zes weken niet tot het gewenschle
einde brengen, dan verlangden zij eenige uitlandsche Gereformeerde godgeleerden ge-
noodigd te zien om met hunnen bijstand het goede werk der Terzoening te hervallen,
en zoo ook deze poging binnen twee maanden niet tot het doel leidde, alsdan zou men
lot eene uitspraak tusschen de beide onvereenigbare gevoelens kunnen komen. Hiervan
was wat goeds te verwachten: niet van het opdringen eener Nationale Synode, daar dit
niet zonder verkrachting der Unie geschieden kon. Men beweerde, dat het Ar-
tikel niet meer van kracht was, en Zijne Excellentie had tot slaving van dit gevoelen
in deze Vergadering op een reces gewezen, door de Gedeputeerden der Vereenigde
Gewesten den Mei 1583 vastgesteld doch dil beweel niets ter wereld, aange-

zien dat reces nimmer'door eenig goedkeurend besluit van eene der Provinciën gevolgd
was en de door Zijn Excellentie in 1590 als Gouverneur van
Utrecht bezworen
Instructie de voortdurende geldigheid van dat Artikel uitdrukkelyk onderstelde. Op dit punt
derhalve werden de Provinciën verzocht nader te lellen, daarbij het aanbod, thans door
Hol-
land
gedaan, in overweging te nemen en inlusscheh de uitschrijving der Nationale Synode
achterwege te lalen. Maar nog andere verzoeken, dus ging de redenaar voort, had//oi/awrf
te doen. Hoe dringend het ook was, een besluit te nemen op het inbrengen der consenten,
loch vermogten de Staten van
Holland zulks niet, tenzij de andere Provinciën eerst hare

η

1 Zie hiervoor bl. 785, 786. Noot 4.

2 De vermelding en ontzenuwing van het argument, uit het reces van 12 Mei 1583 ontleend,
schijnt eerst later in de schriftelijke redactie van deze rede te zijn opgenomen. Zie hierna.

■ I

ocr page 682

DES VADERLAISDS. 809

besluiten kenbaar maakten op de aanzuivering der defecten van de voorgaande jaren.
Men verwees op de ingeleverde consenten van het loopende jaar, waarbij het punt van
de zuivering dier defecten niet over het hoofd gezien -was maar hiermede handelde
men zeer onbehoorlyk, aangezien het consent van de defecten der voorgaande jaren
lang te voren verzocht was en daarom ook vooraf gedragen moest worden. Derhalve
werden de Gedeputeerden der Provinciën alsnog uitgenoodigd, zich op dit stuk rond-
borstig te verklaren. Voorts, aangezien de Staten
Tan Holland vóór het dragen van
hunne consenten voor het loopende jaar noodwendig weten moesten, of zij rekening
konden maken op de terugbetaling yan de tot het onderhoud der Fransche troepen
door hen voorgeschoten gelden met de intresten, zoo verzochten zij hierop mede het
besluit der Provinciën te mogen vernemen. Eindelijk, vermits het alleszins onvoegzaam
was, dat de herhaalde redevoeringen van den Franschen Ambassadeur onbeantwoord
bleven, en men voorgaf, deze onheuschheid met eene buitengewone zending, waarin
Holland niet toestemde, goed te willen maken, zoo werden de Provinciën alsnog ver-
zocht niet met de beantwoording van dien Gezant te dralen en de buitengewone
zending tot betere gelegenheid uit te stellen — Deze rede, zoo weinig berekend
om de harten te winnen, kon niet anders dan eenen onaangenamen indruk op de
tegenparty maken. Ook had de spreker niet eens de mogelijkheid eener Nationale
Synode doen doorschemeren, en dus minder toegestaan dan de Heeren van
Holland
reeds schenen ingewilligd te hebben. Daarentegen echter had hij van eene eind-
uitspraak tusschen de beide strijdige godgeleerde gevoelens gewaagd, In allen ge-
valle was hier een grondslag gelegd, op welken onderhandelingen tusschen de par-
tijen geopend konden worden, en dit was alles wat voor het oogenblik verlangd kon
worden. — Naauwelyks had
oldettbarnevelt geëindigd met' spreken en was het ver-
zoek gedaan, dat wat nu mondeling gezegd was, op schrift gebragt en aldus ingele-
verd mögt worden, of 'de Gedeputeerden der zes steden kregen het woord, en verklaar-
den, dat zij op vroeger meermalen medegedeelde gronden de bijeenroeping van eene
Nationale Synode als het beste middel beschouwden om uit de bestaande zwarigheden
te geraken, en niet inzagen, hoe daarmede de hoogheid en het regt van
Holland ge-
krenkt werd. Nu volgde de beraadslaging, en de vier Provinciën,
Gelderland^ Zeeland^
Friesland
en Groningen en Ommelanden verklaarden zich van hetzelfde gevoelen als de
zes Steden van
Holland^ en verlangden alzoo, dat de uitschrijving van de Synode dadelijk
voortgang hebben zou. Die van
Overijssel wachtten nog steeds op nadere inlichting.

1 Resol Stat.-Gen, 12, 19, 25 Junij 1618.

2 Mesol. Holt. 28 Junij 1618. Vergel. deze Resol. onder 3 Julij, alwaar de rede, zoo als zij
later op schrift gebragt werd, staat ingelaecht.

UI Deel, 2 Stuk, 102

ißls.

ocr page 683

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. maar meenden de uitschrijving niet te mogen tegenhouden. Die van Utrecht, daarentegen,
de regeling der godsdienst steeds als een souverein regt van elke Provincie beschouwende,
bleven
Holland ondersteunen, ja, verklaarden luide, dat, als Holland hen verzoeken
mögt om hare kerkelijke geschillen te helpen bijleggen, zij deze Provincie gaarne
zouden bijstaan. Van de verslandhouding tusschen
Holland en Utrecht ter wederzyd-
sche ondersteuning in hun regt, hetwelk zij thans door de andere Provinciën bedreigd
achtten, is later als van eene strafbare zamenzweriog veel ophef gemaakt. Intusschen
hebben noch
Holland noch Utrecht van die zaak immer een geheim gemaakt: inte-
gendeel, zij beweerden daarmede overeenkomstig de beloften te handelen, onder eeden
bij de llaie afgelegd, en zouden gemeend hebben, zoo zij anders gehandeld hadden,
zich aan lafhartige trouwbreuk schuldig te maken.

Daags na deze vergadering beraadslaagden de Stalen van Holland over het aldaar
voorgevallene. Men beklaagde zich, dat de Staten-Generaal, in weerwil der aangevoerde
redenen en alsof er gansch geene redenen waren aangevoerd, besloten hadden met de
uitschrijving der Synode voort te gaan, ja zelfs geen voorslag tot eenige schikking ge-
daan hadden. Zoo scheen de laatste hoop op eene vriendschappelyke bijlegging van

Aanschrijving het verschil vervlogen. Niettemin wilden de Heeren van Holland, zoo veel in hen was,
van tle Staten . i , , , i Â·Â· Î¹

van i/o/toi?aan eiken regtmaligen grond van beklag aan hunne tegenparty ontnemen, en er werd voor-

e asses. gesteld, ten einde zich te bevryden van de blaam alsof men verandering in de Gods-
dienst zocht in te voeren, alle
Classes aan te schrijven, dat zij de predikanten, welke
iets leerden boven en buiten de vp punten, censureren en tegen hen van wege de Kerk
en des noods van Staatswege procederen moesten; voorts dat zy van nu aan weder
niet alleen classicale vergaderingen, maar ook synodale vergaderingen in elk der kwar-
tieren zouden houden, en eindelijk, dat zy het woord
bekwame personen in de kerk-
ordening van lë91 van dezulken te verstaan hadden, die professie deden van de
Gereformeerde Godsdienst. Doch van hun strijdplan tegen de Provinciën wenschten zij
geen duim breed af te wijken, en, tegen het uitdrukkelijk advies van
Amsterdam en
Enkhuizen y besloten zij in de Generaliteit te blyven vorderen, dat men, alvorens tot
de consenten over te gaan, de defecten aanzuiverde, aan Bolland zgne voorschotten te-
Gewigt van den rugbctaalde, en van de buitengewone bezending naar Frankrijk afzag. Deze inhouding
inhoudenderco^^ Consenten had een geducht wapen kunnen zijn: want zoo Holland geene middelen
senten. toestond, konden op den duur de soldaten niet betaald worden, die op Hollands repar-

titie stonden, en die soldalen zou men, zoo het tot geweld moest komen, noodig
hebben om
Holland te dwingen. Maar hetgeen, indien de Provincie Holland zelf niet
oneenig geweest ware, misschien een middel zou geweest zijn, om haar de zege te
verzekeren, werd nu krachteloos gemaakt. Immers ontzag
Amsterdam zich niet om
te beloven, als de Staten van
Holland niet betaalden, het onderhoud der soldaten op
hare rekening te nemen, en het slond te bezien, of den Slaten van Holland* zeUeD,

ocr page 684

. DES VADERLANDS. 811

bij den onwil van een deel hunner ingezetenen, genoegzame middelen zouden ioevloeijen 1618.
om troepen Ie bezoldigen, die zij alleen door trouwe betaling der soldij hopen konden
aan zich te Terbinden. Te
Huisduinen zag men reeds de ergerlijkste tooneelen. Niet
alleen werden hier de Overheden en de predikant nageloopen, uitgelagchen en uiige-
floten, maar ook de ontvangers uitgescholden en hun toegeduwd, dat 's Lands gelden
slecht besleed werden ^ En hoe zou de invordering der belastingen vlotten in plaat-
sen als
Ileusden en Oudewater, waar het openbaar gezag nog steeds of niet of kwalijk
erkend werd 2? Daarom zou de Hollandsche Regering gaarne het gereed geld beschik-
baar gehad hebben, dat uit
Frankrijk tot het onderhoud der Fransche troepen te
wachten was, en stond zy zoo zeer op de kwgting harer voorschotten, in de hoop,
dat men dat geld tot die afrekening bestemmen mögt. — Zóó berekende men van
wederzijde de kansen! Zoo schenen thans de
Nederlanden op den rand van een bloe-
digen burgeroorlog te zweven! — Om alle verwarring in de financiën te voorkomen en
te verhoeden, dat men op het krediet van
Amsterdam zou moeten gaan steunen,
begreep men alles te moeten aanwenden om de consenten ingeleverd te krijgen. Daartoe
verschenen Zijne Excellentie en Graaf
Willem lodewijk den 29"°° Juny in de verga-
dering der Staten-Generaal, en verzochten de Provinciën op het ernstigst, daarmede
niet langer te talmen. Alle Provinciën verklaarden zich daartoe bereid, alleen de
Gedeputeerden van
Holland bleven zich verontschuldigen op grond dat hunne lastgevers
over de zaak nog beraadslaagden. Maar ook de andere partij bleef volharden, en als
ten teeken hiervan werd nog in dezelfde bijeenkomst besloten, Zijne Excellentie en Graaf
WILLEM LODEWIJK te vcrzockcn, de uitschrijvingsbrieven ter Synode met hunne schrifte-
lijke aanbevelingen vergezeld te willen doen gaan 3.

Den 5''®" Julij ontvingen de Staten-Generaal de verklaring schriftelijk, die, den 28"'®° Voorstel om

der vorige maand van Hollands wege mondeling gedaan was. Twee dagen later wer«! kfarbg'^van ^de^

in de Vergadering voorgesteld : nademaal in die verklaring » verscheidene punten en der ^o-

redenen van gewist" voorkwamen, »strekkende tot bylegging der verschillen," of hetvinciëntovragen,

^ ter zijde gesteld.

deswegens niet dienstig zou zijn, van wege de- Staten-Generaal kopg dezer verklaring
aan de Provinciën toe te zenden, met vermaning, het stuk te willen onderzoeken,
daarop rypelijk te letten en haar advies daarover ten eersten in' te zenden. W^at was
op dit voorstel het advies van de Gedeputeerden der vier Provinciën? Zij oordeelden,
dat de verklaring nagenoeg niets anders inhield, dan reeds meermalen door
Holland

1 Zie plakaat tegen »de insolentien" tc Huisduinen, JResol. Holl. 30 Junij 1618. Bij ditplakaat
Avorden de schuldigen met geeseling, en, in geval van complot en oproer, met den dood bedreigd,

2 Resol. Holl. 27 April, 1, 14, 15, 23, 26, 30 Junij; 4, 6 Julij 1618.

3 Resol. Stat.-Gen. 29 Junij.

811*

ocr page 685

856 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618.

was aangevoerd; dat het dus onnoodig was, van wege de Staten-Generaal daarover het
advies hunner lastgevers te vragen: ware dit nog noodig, zoo zouden zy zeiven zulks
wel doen. Dit schijnbaar zoo natuurlijk advies was van het grootste belang. Wanneer
de verklaring van
Holland van wege de Generaliteit aan de overweging van de Provin-
ciën ware aanbevolen en haar advies daarover gevraagd, zou het gebleken zyn, dat de
Staten-Generaal aan het stuk groot gewigt hechtten niet alleen, maar de Staten der
verschillende Provinciën zouden het in hunne vergaderingen hebben moeten onderzoe-
ken. Dan zou ongetwijfeld in die vergaderingen menige stem zich, zoo al niet regt-
slreeks voor
Holland ^ dan ten minste ten voordeele eener schikking met Holland hebben
doen hooren, en het zou te wachten geweest zijn, dat de Gecommitteerden van de vier
Provinciën of van sommige derzelven in last gekregen hadden, hun roekeloos en ver-
achtelijk gedrag tegen
Holland te staken. Dit een en ander wilden deze Gecommitteerden
vermijden. Hun advies getuigde, dat hunne zaak niet zuiver was; dat zij een nader
onderzoek schroomden; dat de meerderheid in de Slatenvergaderingen hunner Provin-
ciën kunstmatig verworven was en ligtelyk uit het veld geslagen kon worden: anders
hadden zij, al moest daarmede ook nog wat tijd verloopen, niet alleen zonder bezwaar
een stuk, dat naar hun beweren zoo weinig te beduiden had, nader ter toets zien
brengen, maar zich verpligt gerekend in zulk een hagchelijk oogenblik aan het billijk
verzoek gehoor te geven eener tegenparty, die niet zonder den vreeselyksten schok
voor den geheelen Slaat scheen geveld te kunnen worden. — De Gedeputeerden van
Holland en Utrecht, het gewigt der zaak inziende, verzochten de andere Provinciën
ernstig het voorstel niet te verwerpen. Doch te vergeefs.
Holland was veroordeeld: het
moest en het zou onder den voet getreden worden.

Alsof de schreeuwende wanklank tusschen de stem van Holland en die der zes
Hollandsche Sleden nog niet duidelijk genoeg was uitgekomen, leverden deze laatsten
den Juhj in de Staten-Generaal eene verklaring in, waarbij zij zich beklaagden over
het verschil, dat er bestond tusschen de verklaring, den S''®" Julij door de Staten van
Holland schriftelijk ingeleverd, en die, welke den Junij was uitgesproken. Dit

beklag heeft iets bevreemdends: immers zal oldenbarnevelts rede niet minder kernach-
tig geweest zijn dan de schriftelijk ingeleverde verklaring. Toch schijnt zekere bijzon-
heid in zyne rede niet te zijn voorgekomen, maar later te zyn ingelascht, te welen,
de wederlegging van het bewijs, hetwelk men uit het reces van den 13'^®° Mei 1583
wilde ontleenen om te doen gelooven, dat het 15'^® Artikel der Unie vervallen was.
Niet voor den 28"®" Junij toch schijnt men met dat vermeende bewijs te zijn aange-
komen. Eerst den Julij »werd door de Gedeputeerden van
Dordrecht opening ge-
daan van hetgeen zij hadden opgezocht tot bewijs van de gemeenschap van de Gerefor-
meerde Religie over de Geünieerde Provinciën, en dat zij schuldig zijn, elkander daarin te
maintineren." Het hier bedoelde stuk nu kan niets anders geweest zijn, dan het bewuste

Beklag aau-
gaande liet ver-
schil tusscheii de
mondelinge ver-
klaring van den
28»'®» Junij, en
hare schriftelijke
redactie.

ocr page 686

DES VADERLAISDS. 813

reces. Die Gedepuleerden moeien het derhalve eerst kort te Toren hebben opgespoord. 16I8.
Zij schijnen den Prins er opmerkzaam op gemaakt te hebben, die het, zoo als wij uit de
schriftelijke redactie van
Ilolldnds verklaring weten, in de vergadering der Slalen-Gene-
raal vertoond heeft. Is dit den 29'^™ Juny geschied, toen de Prins werkelijk ter Gene-
raliteit tegenwoordig is geweest, dan konden die van
Holland by de opschriflstelling
hunner verklaring nog juist gebruik van deze bgzonderheid maken. Dat nu de Gedepu-
leerden der zes Sleden daarin eene misdaad vonden, bewyst alleen hu^ne^spijt, dat een
bewijs, met zulk een gelukkig gevolg
opgezocht (hoezeer men in zulke zaken naar de
bewijzen niet moet behoeven te
zoeken) en waarvan zooveel ophef gemaakt was, zoo
spoedig in een staatstuk, dat ter algemeene kennis komen moest, wederlegd was 1.

Toen de acte van beklag der zes Sleden aan de Stalen-Generaal was medegedeeld,
besloot de Vergadering ze achter de verklaring van
Holland te laten inschrijven, hoezeer
de Gedeputeerden van
Utrecht begrepen, dat men van de verklaring der zes Steden
geene kennis nemen mögt. Hierop gaven de vier Provinciën te kennen, dat zy op
Verklaringen
hare beurt verklaringen zouden inleveren, om achter de verklaring van Holland ^^-'^Gdderlandtegm
voegd te worden 2. Evenwel schijnen slechts die van Zeeland en van Gelderland zich
van die laak gekweten te hebben. Ook bevallen de verklaringen dezer beide Provin- ^o^r'^^deze^'pw-
ciën inderdaad alles wat men trachten kon voor haar gevoelen te zeggen, en werden
vincie.
zij weder door Holland zoo bondig beantwoord, dat het niet Ie verwonderen is, zoo
Friesland en Groningen zich van het inleveren van diergelijke stukken onthouden hebben.
In hunne verklaringen legden zich de Zeeuwsche en Geldersche Gedeputeerden bepaal-
delijk toe op de ontzenuwing van het 15^° Artikel der Unie, het plegtanker van
Hollands regt. Dit artikel, beweerden die van
Zeelandy moest verklaard worden uit de
daarop gevolgde praktijk, en dan bleek, hoe, nadat de openbare oefening der Roomsche
Religie dooj eenparig verbod was opgeheven, er sedert maar ééne openbare Godsdienst
was geweest, die door de Generaliteit ingevoerd was in alle steden, welke met hare
wapenen waren veroverd, zonder dat die steden verwezen waren naar hare Provinciale

' Maar waartoe bragten de Gedeputeerden vaii Dordrecht het bewuste stuk nog den Julij
iu de -vergadering der Staten van
Holland te berde? Dit verklaart zich van zelf, wanneer men in
aanmerking neemt, dat die Gedeputeerden in dezelfde vergadering het verschil tuesehen den
schriitelijken en den mondelingen inhoud der verklaring van
Holland ter sprake gehragt, en uit
naam der zes Steden hun voornemen aan den dag gelegd hebben om zich deswegens bij de Gene-
raliteit te beklagen (Zie
Resol. Holl. 5 Julij en 3 Julij). Bestond nu dat verschil hierin, dat de
bewijskracht van het bewuste stuk eerst in de schriftelijke redactie wedersproken was, zoo kwam
de vermelding van dat stuk bij de mededeeling der Dorische Gedeputeerden noodzakelijk te pas.

2 Itesol. Slal.-Gen. 7 Julij, 1618. Den Julij beloofde ook Overijssel eene verklaring in te
leveren.

ocr page 687

814

ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. Overheid om eenige orde omlrent de godsdienst te ontvangen, hetgeen toch had be-
hooren te geschieden, wanneer de beschikking over de godsdienst aan de Provinciën
en ttiet" aan de Generaliteit toekwam.
Groningen, by Toorbeeld, was eene vrije Pro-
Tincie en uitdrukkelijk in de Unie begrepen geweest, en nogtans had de Generahleit
haar den eed opgelegd om de Gereformeerde^ Godsdienst aan te nemen en te bescher-
men, terwijl zij toch door den afval
Tan de Unie en de daarop gevolgde verovering
haar regt niet had kunnen verliezen. — Dit voorbeeld, ontleend aan hetgeen met ver-
overde steden was voorgevallen, griefde die van
Holland, blijkens hun antwoord, uiterst
diep: zy waren dus, zeiden zy, God lof niet veroverd geworden, maar, zonder roem ge-
sproken , waren zy naast God de voornaamste oorzaak van de verovering van de andere
Provinciën en sleden geweest, en alzoo Kielden zy dat voorbeeld, zoo men het op hen
wilde toepassen, voor ongepast en beleedigend: want aan heroverde steden konden door
de Staten-Generaal wetten opgelegd worden, welke van dezulken, die niet van de Unie
afgevallen waren, zonder groot onregt niet gevergd konden worden. Die van
Zeeland
hadden tot staving van hun - beweren ook van het traktaat met Engeland gewaagd,
waarbij bepaald was, geene Gouverneurs en officieren van welken rang ook aan te
stellen, dan die de Gereformeerde Godsdienst beleden. Hoe, antwoordden daarop die
van
Holland, hadden bij dit traktaat anderen aan de Staten der Provinciën eene ver-
pligte godsdienst opgelegd, of hadden de Staten der Provinciën dit daarbij aan anderen
gedaan? Was nu dit laatste het geval, zoo hadden zg door dat traktaat van geenerlei
regt, dat hun toekwam, afstand gedaan. — Ook was het, al hadden die van
Gelder-
land
zulks in hunne verklaring gezegd, niet onopregt en oneerlijk, aan de eene zijde
de handhaving der godsdienst te bedingen, en aan de andere zijde de vrye beschikking
over de religie te behouden: want in regte stond het vast, dat niemand, zoo hij
zelf niets belooft, gebonden zyn kan door hetgeen hij van een ander bedingt. Dezelfde
Gedeputeerden hadden zich op de Instructie, den 21°*®" November 1583 aan den Raad
van State gegeven, beroepen; doch, herinnerden die van
Hollandhet punt, waarbij
dien Raad de zorg voor de Gereformeerde Religie was opgedragen, was benevens an-
dere punten, waarby hem te groot gezag was verleend, uit de laatste Instructie voorbe-
dachtelijk weggelaten. — Maar, beweerden die van
Zeeland, al moest het 13·^® Artikel
letterlyk verslaan en dus in het voordeel van
Holland uitgelegd worden, bij het opstel-
len der Unie was aan de tegenwoordige godsdienstgeschillen niet gedacht, en derhalve
kon men op grond van dal artikel geen toelating van afwykende meeningen in de Ge-
reformeerde Kerk vorderen. Deze redenering vooral was uiterst zwak, en
Holland
bleef niet in gebreke dit te doen uitkomen. Immers had men, ten tijde van het
sluiten der Unie, zelfs de Kerken van de Augsburgsche Confessie te
Brussel, Ant-
iverpen
en elders onder de Gereformeerde Kerk begrepen, laat staan dan de ver-
scheidenheden, die er in den boezem der eigenlijk gezegde Gereformeerde Religie

ocr page 688

DES VADERLAISDS. 827

zelve toen reeds bestonden, zonder de Kerk van Gouda en die Tan St. Jakob te lois.
Utrecht uit te zonderen: en zou dan thans de vrijheid, die men zich bij de Unie
had voorbehouden, Om, des verkiezende, de geheele Gereformeerde Godsdienst niet
aan te nemen, niet eens zoo ver strekken, dat men zekere leerstellingen binnen
de grenzen der Gereformeerde Godsdienst vermögt aan te nemen al of niet? Zoo
ver was het daar vandaan, dat men in den tijd van de Unie en nog lang daarna
zekere leerstellingen als ongereformeerd had willen uilsluiten, dat men zelfs bg het
traktaat, met
Engeland gesloten, het groole verschil, hetwelk er tusschen.de Neder-
landsche Kerken en de Engelsche Kerk bestond, niet zoo groot geacht had, dat de
laatste niet nog altijd als één met de Nederlandsche Kerken beschouwd kon wor-
den. En beriep men zich, zoo als vooral de Gedeputeerden van
Gelderland deden,
op het verhandelde in 1585 betreffende de verandering van het 15"^° Artikel: dit be-
wees juist den waren zin van dat Artikel, daar men er niet in zou hebben behoeven te
brengen, wat er reeds in lag. Bovendien bij die verandering, al ware zij tot stand
gekomen, zou wederom geenerlei verscheidenheid, zelfs niet de Kerk van
Gouda en
van St. Jacob te
Utrecht, buiten de Gereformeerde Kerk gesloten zijn geworden. Maar
zij was, niettegenstaande de gunstig gestemde meening der Provinciën, niet tol stand
gekomen. Daartoe zou, gelijk men toen erkende, de uitdrukkelijke toestemming van
alle Provinciën vereischt geweest zyn, en deze was niet gevolgd. Zoo was dan dat
Artikel alsnog in onverzwakte kracht geldig, en kon
Holland niet door de besluiten
van enkele Provinciën tot bijeenroeping eener Nationale Synode gedwongen worden.
Maar het was, en hier kwam alles op neer, het was
Holland niet te doen om uitzon-
deringen op te werpen, ten einde zgne vrijheid te misbruiken en de Gereformeerde
Religie te verzaken of te veranderen: integendeel, de Stalen van
Holland verklaarden
ook bij deze gelegenheid uitdrukkelyk, dat »zij alle hooge Overheden, die eens tot
de kennis der ware Religie gekomen waren, in consciëntie verpligl achtten, haar met
alle mogelijke middelen te handhaven: dus hielden zij zich eeuwiglijk verbonden, de
ware Gereformeerde Religie, en die alleen, openbaar te handhaven, bereid zijnde daarvoor
goed en bloed op te zetten, gelijk zij voordezen trouw gedaan hadden; — maar daar-
nevens verstonden zy, dat gelyk zij de ware Religie vrywillig en ongedwongen
hadden aangenomen, zg haar ook vrgwillig en ongedwongen wilden blgven aankleven,
zonder dat zij zich en hunne Provincie in het stuk der godsdienst ooit tot onderda-
nen gemaakt hadden, evenmin van de Generaliteit, als van de andere Gereformeerde
Landen, Rijken of Republieken i." Zoo verdedigde
Holland onverdroten en telkens

^ Zie de verklaring van Zeeland, Resol. SlaL-Gen. 9 Julij; die van Gelderland 11 Julij; de
tegenverklaring van
Holland tegen die van Zeeland, 14 Jalij,· tegen die van Gelderland 20
Julij, 1618.

ocr page 689

816 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

161S. met nieuwen moed en grooter kraclit, het ware Protestantsehe beginsel, yolgens hetwelk
de Kerk alleen op de vrije keuze harer belijders steunt, in het heilig vertrouwen, dat haar
bestaan aldus beter gewaarborgd is dan door eenigen band van uitwendige eenheid. Had
de tegenparly een genoegzaam besef van christelijk geloof gehad, zy had ,voorHollands
redenen blijmoedig het hoofd gebogen, en allerminst haar geweten verstaald om te
wanen dat men over de vraag, wat hier regt was, moest heenstappen. Maar wat de
Staten van
Holland voor hunne Provincie vorderden, waarom gunden zij ditzelfde niet
aan hunne eigene burgers? Waarom verdrukten zy de godsdienstige vryheid binnen
hunne eigene grenzen? Wie zoo vraagt, vergeet, dat de Staten van
Holland niemand
dwongen, maar slechts niet gedwongen wilden wezen om het geweten der Remonstran-
ten te laten dwingen.

Terwyl al deze verklaringen en tegenverklaringen achtereenvolgens werden ingediend,
kwam de strgd al meer en meer zijne beslissing naby. Den July hadden de Staten
van
Holland de brieven van de Staten-Generaal gedagteekend van den 25''®" Junij ont-
vangen, waarbij de Nationale Synode tegen den 1®'®" November bijeengeroepen werd,
met verzoek alles daartoe te willen voorbereiden. Nadat dit schryven in de vergadering
Bolland zendt was voorgelezen, besloot de meerderheid,. het met de bijbehoorende stukken terug te
wawbö^Te Syno- eenden met de verklaring, dat men een en ander met verwondering ontvangen had,
ïhmeif aangezien de Provincie
Holland in het houden der Synode niet had bewilligd. De zes
Steden, daarentegen, verklaarden gelast te wezen, den uitschrijvingsbriefaan te nemen en
daarop te antwoorden, dat zij op de Synode zouden verschynen. De Gedeputeerden
van
Dordrechtf die men bezworen had het land van Holland het ongelijk niet te wil-
len aandoen, van hunne stad lot het houden der Nationale Synode te laten gebruiken,
antwoordden, dat zij in de bepaling, volgens welke die Synode in hunne stad zou ge-
houden worden, niets konden veranderen. ■— Toen de Staten-Generaal de missive van
Holland ten geleide der teruggezonden stukken gelezen hadden, verlangden de vyf
Provinciën, dat men den brief met de daarby gevoegde punten op nieuw aan
Holland
zou toezenden, met het verzoek zich met de meerderheid te willen vereenigen. Dit-
maal zat
Utrecht voor,» en daar deze Provincie dit verlangen niet deelen kon, zoo
kwam de zaak niet tot een besluit; doch zelfs de Gedeputeerden van
Utrecjit gaven te
kennen, dat zy het bejammeren moesten, dat de Staten van
Holland zulk een belangrijk
besluit slechts by meerderheid van stemmen genomen hadden, en wenschten, dat zij
alsnog lot eenparigheid zouden trachten te komen. Die wensch was ydel. In de vergade·'
^ ring van den 7'^®" July zelve verklaarden de Gedeputeerden van de zes Steden aan de

Staten-Generaal, dat het terugzenden van den brief tegen hunnen zin geschied was ^
Zoo ver was
Holland nog altyd van eenparigheid verwyderd! Intusschen diende er

Resol. Holt. 6 Julijj Resol. Stal,-Gen. 7 Juiij, 1618.

ocr page 690

. DES VADERLANDS. 817

een besluit genomen Ie worden, wat op liet antwoord van Holland te doen. Hiertoe 161S.
kwam men den July. Toen besloot men de stukken op nieuw aan de Staten ran
Holland toe te zenden en »beleefdelijk en vriendelijk" daarbij te sehryven, dat men
met verwondering de missive, waarbij de uilschryvingsbrief terug was gezonden, had
gelezen, en niet gemeend had, dat de Staten van
Holland tot zulk eene ongehoorde
handelwijze zouden hebben kunnen overgaan, en dat wel zonder de zaak vooraf
aan het oordeel van de Vroedschappen der Sleden onderworpen te hebben. De
opregte bedoeling van Hun Hoog Mögenden was slechts de rust en eensgezindheid
te herstellen, waarnaar immers de Staten van
Holland evenzeer verlangden. Niet
alleen zij, maar de geheele wereld achtte eene Nationale Synode daartoe het ge-
schiktste middel. Dit middel, wenschten zij, mogten die van
Holland insgelgks goed-
vinden , opdat, gelijk men het eens was in het doel, men het alzoo ook eens zijn
mögt in het middel. Hoe » beleefd en vriendelijk" dit schrgven ook gesteld zijn mögt,
de Gedeputeerden van
Holland en ook van Utrecht betuigden bij hunne vorige verkla-
ringen te volharden, en wat zij thans bijna geenen dag verzuimden te doen, zij
drongen er alweder op aan, dat de verklaring van den 28'*"" Junij, zoo als zij den
Julij schriftelijk was ingediend, van Generaliteitswege aan de Provinciën zou
worden toegezonden om daarop ernstig te letten. Doch in plaats van daaraan te
voldoen, besloot men, als ware hel met het doel om aan de stad
Dordrecht^ voor de
vermaning, die zij in de vergadering der Stalen van
Holland had moeten hooren,
ecnige vergoeding te schenken, aan deze stad eenen brief van dankbetuiging te schrij-
ven voor de vergunning, dat de Synode binnen hare wallen zou gehouden wor-
den , »verhopende, dat deze handeling tol Gods eer, rust der Kerk, en der Landen
dienst bégonnen en wel ten einde gebragt worden mögt." Ja, op dezen zelfden dag
bleek ten duidelijkste, dat het voornemen bestond om ten spoedigste allen tegenstand
onmogelijk te maken. De voorzitter, namelijk, noodigde de Provinciën uit, zich legen
De Stateu Ge-
den volgenden dag te willen bedenken, ten einde alsdan een besluit te nemen op hel ζ^ηΓίβη'"^ besIuU
afdanken van de waardgelders te
Utrecht en in eenige steden van Holland. Hierop JjjaX^" ^Jgr'"^'
verzochlen de Hollandsche en de Utrechlsche Gedeputeerden, op grond dat de zaak
der waardgelders.
waardgelders de Generaliteit niet aanging, deze bemoeijing achterwege te laten en hunne
souvereine regten niet te schenden. Doch dit verzoek werd, met zoo menig reeds ge-
daan protest, in den wind geslagen

Al deze maatregelen strekten den 11"'®" Julii tot het onderwerp der beraadslaging in Maatregel van

, , Holland daarte-

ue vergadermg der Staten van Holland, Men vond de voornaamste oorzaak van degen,
stoutheid der Slaten-Generaal in de oneenigheid, die Holland verdeelde: aan de ontrouw,
die de zes Steden tegen haar eigen land pleegden, was het te wijten, dat de Provin-

» Resol. Stat. Gen. 9 Julij, 1618.
III Deel. % Stuk.

817*

ocr page 691

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1c18, ciën zich meer aanmatigden, dan haar toekwam. Dit intusschen achtten de Edelen en
de meeste Steden niet te mogen dulden, en zy vonden goed, dat wederom boven de
gewone Gedeputeerden een zeker aantal leden uit hun midden ter vergadering der
Slaten-Generaal zouden verschijnen, om aldaar aan de Provinciën »kort en klaar het
ongelijk, dat zij
Holland aandeden, voor te houden," haar te vermanen daaraan als-
nog een eind te maken, en het paket, waarbij hun de uitschrijvingsbrief ten tweeden
male was toegezonden, ongeopend terug te geven. Voorts zouden zg verklaren, dat
het der Generaliteit niet toekwam, op het sluk der aangenomen waardgelders resoluties
te nemen: zij, die ze hadden aangenomen, hadden zulks tegen volksbewegingen gedaan
en waren deswegens aan niemand verantwoording schuldig: wilde men de regten van
Utrecht ten dezen aanzien miskennen, zoo zou Holland deze Provincie met alle
magt bijstaan, naar de verpligting door de Unie opgelegd. Ten slotte zouden zij op
nieuw te kennen geven, dat zij de consenten niet zouden inbrengen, vóór en aleer
de Provinciën de defecten gezuiverd, de voor het onderhoud der Fransche troepen
voorgeschoten gelden terugbetaald, de oude schulden voldaan en de op interest loo-
pende penningen afgelost hadden. Van dezen slap zou de buitengewone Deputatie Prins
ma.tjrits en Graaf Willem lodewuk kennis gaan geven en hen om handhaving van
Jlollands regt verzoeken. Bovendien zou men, naar aanleiding der uitschryvingsbrie-
ven, aan de Koningen, Vorsten en Republieken toegezonden, aan deze zelfde Mogeiid-
heden van Hollands wege berigten zenden om haar bekend te maken, dat men met
die uitschrijving tegen
Hollands regt en legen de Unie handelde. Sommige leden ver-
langden bovendien thans uitgemaakt te zien, dat het onderhoud der waardgelders ten
laste van de Provincie moest komen; doch de Gedeputeerden van
Delft en Gorinehem
verklaarden gelast te wezen, zulks niet toe te staan. — Het laat zich denken, dat de zes
Steden zich tegen dit alles »dapper te weer stelden." Zij wilden de missive der Staten
Generaal geopend en overwogen hebben, en, zoo zij lijden moglen, dat men op de zui-
vering der defecten als anderzins aandrong, zij wilden zulks niet als eene voorwaarde
voor het inbrengen der consenten gesteld hebben, en veroorloofde men zich de Mogend-
heden aangaande <le zaak der Synode^ te schrijven, ook zg zouden op hare beurt het-
zelfde doen. Niettemin ging al het voorgestelde door tot hel beginsel toe, dat de
waardgelders zoo in
Utrecht als in Holland ten laste van hel gemeene land behoorden
te komen. Den volgenden dag evenwel meende men de genomene besluiten nogmaals
rustig in overweging te moeten nemen, en thans werden zij in menig opzigt gewijzigd.
Er werd alsnu besloten, de brieven aan de Mogendheden »ten einde weerspraak te ver-
mijden" niet op naam der Staten af te zenden, en de vraag ten wiens laste de betaling
der waardgelders komen zou, in het midden te laten. Daarentegen bepaalde men thans
uitdrukkelyk, dat de Deputatie Zijne Excellentie en den Graaf ook van de
waardgelders
spreken en hen verzoeken zou, alles wat de Stalen yan Holland deden, te helpen onder-

ocr page 692

DES VADERLANDS. 819

m

steunen. Eindelijk vond men goed, de missive der Generaliteit ten geleide van den uit- lOls.
schryvingsbrief te openen en Ie lezen, maar bleef bij liet voornemen ze terug te ge-
ven. Nadat zich de Deputatie bij monde van den Advokaat van haren last ter verga-
dering der Staten-Generaal gekweten had, kregen aldaar ook de Gedeputeerden der
zes steden, die haar weder als hare schaduw gevolgd waren, het woord om als vroeger
legen hunne medebroeders te getuigen. In plaats van zich door
oldekbarnevelts rede De Staten-Ge-
eenigermate getroffen te betoonen, beklaagden zich de vier Provinciën over den weini- jjmj voorlie-
gen eerbied, dien men met het teruggeven der missive en het voornemen om aan de afbren-
Mogendheden tegenbrieven te zenden, der Generaliteit bewees. Men besloot bij de
aangevangen maatregelen te volharden, en verzocht die van
Holland den uitschrijvings-
brief alsnog aan te nemen, »of anders niet kwalgk te willen nemen, dat men op mid-
delen bedacht was om hen, wien zulks aanging, van het verhandelde kennis te doen
dragen," en bijaldien de welgemeende handelingen van de Staten-Generaal buitenslands
in een valsch daglicht gesteld werden, zoo zou men zich bij de vreemde Hoven
regtvaardigen. De Overysselsche Gedeputeerden verklaarden nog altijd op naderen last
te wachten. Die van i/irecÄi ondersteunden Hollands voorstellingen, en toen het stuk
der waardgelders afzonderlijk ter sprake kwam, verklaarden zij, dat zoolang deze krijgs-
lieden niet ten laste der Generaliteit gebragt werden, niemand reden van klagten had.
Desniettegenstaande begreep de Vergadering, »dat de waardgelders
in dezen tijd legen
de orde, dienst en welvaren van 't Land waren en lot verontrusting der gemoede-
ren strekten." Men besloot voort te gaan met de aangevangen bemoeyingen ten einde
hen »met gevoegelyke middelen" af te danken ^ Die uitdrukking
in dezen tijd l)c-
Avijst, dat men zelf gevoelde eene onregtmalige handeling te begaan, waarvoor slechts
in de tijdsomstandigheden verschooning kon gezocht .worden. Ook kwam het niemand
in den zin de te nemen maatregelen uit te strekken tot de waardgelders, die de Steden
Edam, Monnikendam en Purmerende voortdurend in hare dienst hadden 2, Het besluit
betreffende de afdanking der waardgelders dwong de bedreigde partij op maatregelen
lot mogelijke schikking bedacht te zijn. De Stalen van
Utrecht zouden niet eenslem- Gezindheid der
mig tot volharding gezind bevonden worden. Reeds op het eind van Mei hadden zich ^re^.
in hun midden stemmen verheven tegen
ledenberg en andere hoofden der Remon-
strantsche partij, en men had toen den Prins op zyne lerugreize uit
Arnhem eervol in
de stad
Utrecht ontvangen Jn Juny had men beraadslaagd over de voorwaarde, op
welke men zich de afdanking der waardgelders zou laten welgevallen. Die voorwaarde

^ Resol. Holl. 11, 12 Julij. Resol. Stat. Gen, 12 Julij 1618.
2 Resol, Holl. 1, 22 Junij, 1618.
2 CARLETOS, II, ρ. 267 , 268.

101*

ocr page 693

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1G18. was, dat het garnizoen uit de stad vertrekken zou en vervangen zou worden door an-
dere compagniën, uil landzaten, dat is geboren Nederlanders beslaande, en gesteld ter
repartitie van de Staten van
Utrecht. Dit was oldenbarnevelt bekend, want ledenberg
had hem zulks medegedeeld Thans, na het besluit der Staten-Generaal van den
Julij, was de lyd daar om aan zulk een plan gevolg te geven, en
oldenbariïeyelt
was voor eene afdanking der Utrechtsche waardgelders gestemd, mits zy voorzigtig en
geleidelijk in het werk gesteld werd, en tevens het oude garnizoen allengskens vervangen
werd door Nederlandsche soldaten, die zich »naar hunnen eed en de Unie zouden te
gedragen hebben." Ja ook de afdanking der waardgelders in de Hollandsche steden
wenschte de Advokaat thans bewerkstelligd te zien, mits zij met dezelfde behoedzaamheid
geschiedde, en den IS*^"" Julij werd een voorslag, daartoe strekkende, door hem gedaan
in de tegenwoordigheid van den Prins van Oranje, den Graaf
Willem lodewijk van
Nassau en een vijfentwintigtal Hollandsche staatsleden 2. In weerwil van deze ver-
zoenende voorslagen werden
oldenbarnevelt allerlei hevige raadslagen toegedicht: het
zou op zijn aanstoken geweest zijn, dat de pensionarissen van
Rotterdam, Leiden en
Haarlem ^ en de burgemeester de lange van Gouda de Utrechtsche Gedeputeerden
hadden ontraden, in onderhandeling over de afdanking der waardgelders te treden, en
liun alle hulp hadden aangeboden om maar de afdanking te beletten Al had
olden-
BARNEVELT zulks gedaan, hy ware in geenen deele strafbaar geweest, want alsdan zou
hij slechts uitgevoerd hebben, wat als het ware in het volle licht der zon door de
Staten, zijne. Meesiers, ter handhaving van hun regt legen het schreeuwend onregt der
Generalileit beraamd, en den Prins door middel eener plegtige Deputatie medegedeeld
was. Toch is de Advokaat gestraft, alsof regt onregt ware geweest. Dat voor hei
overige die van
Utrecht toen der tgd volstrekt niet gezind waren om een halsstarrige
houding tegen de Staten-Generaal aan te nemen, blijkt mede uit de missive van de
Gecommiteerde Slaten 'sLands van
Utrecht^ den 15''®" Julij by de Generaliteit ontvaa-

1 Yerhooren van OldenbarneveU. No. 6, bl. 13.

2 Yerhooren, No. 7. bl. 14.

3 De Heeren de groot, hogerbeets en haan.

^ Zie wagenaar (X, bl. 210—215), die hier en bij alles, Avaarbij in dit tijdsgewricht de
Utrechtsche Heeren betrokken waren, van geschrevene Verbalen en Verhoeren gebruik gemaakt
heeft. Zie voorts
h. de groot, Veranitv. bl. 244—252. Yerhooren No. 5, 7, 8 (bl. 11, 13, 15).
In zijn antwoord op de vraag No. 23 (bl. 25) verwijst
oldenbarnevelt naar de notulen van de
vergadering der Staten van
Holland van den 13''®" Julij. Het Register der Resol. bevat nicls
van hetgeen de Reglers bedoelen. Het schijnt dat zij de bijeenkomst, van welke
oldenbarxevelt
No. 7 (bl. 14) gewaagt, ten onregte voor eene Statenvergadering gehouden hebben.

ocr page 694

DES VADERLAISDS. 821

gen, waarBij zij de weigering der Staten hunner Provincie om tot de uitschrijving eener icis.
Nationale Synode over te gaan op het zachtste voorstelden, en het uitzigt openden, dat
de Staten bg hunne eerste byeenkomst op deze weigering terug zouden kunnen ko-
men Wat LEDENBERG bewogen heeft niet met den Prins over de afdanking der
waardgelders te spreken, is ligt na te gaan. Het was gemis aan vertrouwen en de
vrees, dat by het afspringen der onderhandeling de indruk op het Utrechtsche garni-
zoen , zoowel als op de waardgelders zeiven noodlottig zou hebben kunnen wezen. En
toen nu de Utrechtsche Gedeputeerden het onraadzaam achtten stappen te doen, die
tot de afdanking zouden hebben kunnen leiden, wilden die van
Holland niet, dat
alleen het bezwaar van de kosten hen daartoe deed besluiten, en zij boden aan, die
kosten op hunne rekening te nemen 2. -

In weerwil van alle onderhandelingen buiten de vergadering, konden de Staten van//o/-
land de maatregelen der Generaliteit, die tot afdanking der waardgelders leiden moesten,
niet als regtmatig laten gelden. Daar nu aan den Raad van State met Zyne Excellentie en
Graaf
Willem lodewijk de taak was opgedragen om een advies in te dienen, hoe die af-
danking te bewerkstelhgen, zoo kwamen zy den 16''''" July in een ernstig schrijven aan
den Raad van State daartegen op. Niettemin had de Raad van State den hel ver-

langde advies gereed. De Prins van Oranje en zijn neef werden uitgeuoodigd het met dat Advies van den
Gollegie in persoon te komen aanbieden. Het hield in dat, vermits het bleek, hoe »Ier J^p^g^JJ"jj^j-^jf!
oorzake der waardgelders het inbrengen der consenten meer en meer op de lange baan ^^"jjggije^'^
werd geschoven", de Raad »goed, dienstig en noodigachtte, dat zy met gevoegelijke mid-
delen en manieren ten eersten werden afgedankt:" daartoe zouden de Staten-Generaal
hetzij door middel van brieven, hetzij door het zenden eener Deputatie de Staten van
Utrecht en van Holland vriendelijk nopen, terwijl de sleden, waar de afdanking zou
hebben plaats gehad en zulks noodig zou bevonden worden, dadelyk voorzien zouden
worden van zoodanige compagniën inheemsche soldaten, als meest geschikt geoordeeld
zouden worden »tot beveiliging der steden, tot handhaving van het gezag der Ma-
gistraat en tot verdediging der goede burgers tegen alle kwaad en moedwil." Met dit
advies vereenigden zich de vier Provinciën, met dien verstande dat zij aan het zenden
eener Deputatie boven het schrijven van brieven de voorkeur gaven. De Gedepu-
teerden van
Utrecht waren afwezig. Die van Overijssel konden mede met de af-
danking genoegen nemen; doch vermits die van
Holland beweerden, dat zy streed
tegen hun souverein regt, zoo verzochten zij de afvaardiging der Deputatie uit te
stellen, minstens totdat zij het advies aan hunne lastgevers zouden hebben medegedeeld.
Nog altijd toch waren de Overysselsche Gedeputeerden in het onzekere omtrent de

1 Hesol. Stat. Gen. 13 Julij, 1618.

2 h. de groot, Verantw. bl. 215, 245^ 252. oüvbé, p. 282.

ocr page 695

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

ifiis. eigenlijke strekking van hunnen last. Wel waren er telkens nieuwe medegedeputeerden
aangekomen, doch dezen hadden zoo weinig inlichting kunnen geven, dat zij eerst om
nadere verklaring geschreven hadden en, toen dit niet gebaat had, de Heeren
ripperdAl
en SLOET uit hun midden gezonden hadden om te verzoeken, dat er eene bijeenkomst
van de Ridderschap en de Sleden mögt plaats hebben. Daartoe was echter nog geene
gelegenheid geweest, en de genoemde Heeren waren onverrigter zake teruggekeerd.
Laatstelijk evenwel had de Drost van
Salland geschreven, dat de Landdag nu binnen
een dag of twee zou vergaderen, en het besluit van deze Vergadering wenschten de
Overijsselsche Gedeputeerden af te wachten i. De Sta ten-Generaal verleenden evenwel
den 20®'®" Julij slechts uitstel tot den volgenden dag, en verzochten de Hollandsche
Gedeputeerden middelerwijl met hunne principalen over de zaak te rade te gaan

Toen dien volgenden dag, het was een zaturdag, het advies van den Raad van State
in de vergadering der Staten van
Holland ter tafel kwam, waren de Edelen en de
meeste Steden van oordeel, dat de jdaarin voorgeslagen zaak van zoodanig gewigt was,
dal men in de Generaliteit het nemen van een besluit deswegens behoorde uit te stel-
len , totdat de Utrechtsche Gedeputeerden weder zouden zijn aangekomen, hetgeen na
De tegenpartij een Viertal dagen het geval zijn zou. Doch die Leden, welke het met de Provinciën
staten °Γ™]ιΓ(ΐβ eens waren, hadden een middel bedacht om aan de Staten van Holland eiken tegenstand
zci^'^'^vergaferfn'^ tegen de maatregelen, die de Staten-Generaal voornemens waren eerstdaags ten uitvoer
te beletten. [g brengen, onmogelijk te maken. Zij drongen aan op het scheiden der Vergadering
van de Staten van
Holland, minstens voor tien of twaalf dagen (binnen dien tijdreken-
den zij, dat alles wat men voorhad te doen, zou afgeloopen zijn). Reeds waren van
Amsterdam alleen de Heer de vrij, en van Enkhuizen alleen de Heer tromper tegen-
woordig; die van
Edam en Purmerende waren allen weggebleven. Toen nu de Edelen
en de andere Steden beweerden, dat de Vergadering in deze gewigtige oogenblikken
niet uiteengaan mögt, maar bijeen behoorde te blijven om op alles wat er voorvallen
kon, te lellen, en herinnerden dat bovendien niet al de punten van beschrijving waren
afgedaan, begrepen desniettegenstaande de Gedeputeerden van
Dordrecht, Amsterdam,
Schiedam
en Enkhuizen, vermits de meeste hunner medegedeputeerden reeds waren
vertrokken, en zy zeiven insgelijks op hun vertrek stonden, daar zg noodzakelyk naar
huis moesten om verderen last te bekomen, dat de Vergadering als tijdelyk gesloten
moest worden aangemerkt: deed men haar niettemin voortgang hebben, zoo zouden zij
van onwaarde houden al wat er zou worden gedaan. Van deze verklaring verzochten
zij aanteekening tot hunne ontlasting. W^at de zaak, die nu aan de orde gesteld was,
betrof, zoo waren zig van oordeel, dat de Deputatie, van welke in het advies van den

I Resol. Slat.-Gen. 18 Julij, 1618.
^ Resol. Stat.-Gen. 20 Julij, 1618.

ocr page 696

DES VADERLAISDS. 823

Raad van State gewag gemaakt werd, voortgang behoorde te hebben, en dat wat de 1618.
Edelen en de andere Steden daartegen zouden inbrengen, niet op naam der Stalen,
maar slechts als een bijzonder gevoelen mögt worden voorgedragen. Eindelijk wendden
zij nog eene poging aan om de afzending der brieven aan de Mogendheden over de
zaak der Nationale Synode Ie keer te gaan i, en hiermede liep de vergadering van
dezen dag ten einde

Den volgenden maandag * (den 25"®" Julij) vatte men in de Generaliteit hel stuk

der waardgelders weder op, waar men het den voorgaanden vrydag gelaten had.

Alstoen begrepen de vier Provinciën, dat men moest overgaan lot benoeming van Beuoemingvan

cciio DcDut&tie

Afgevaardigden naar Utrecht om de Staten dezer Provincie over te halen tol afdan- ^er staten-Gene-
king der waardgelders, tot inwilliging der Nationale Synode en lol bespoediging ^an ariSnking^der

het inbrengen hunner consenten en van de betaling van hun aandeel tot het onderhoud waardgelders tc

" bewerken,

der Fransche troepen, en »daar het hier eene zaak van aanbelang gold," zoo wil-
den zij Zijne Excellentie als Stadhouder en Gouverneur van
Utrecht verzocht hebben,
zich mede naar
Utrecht te willen begeven om met en nevens de Heeren, die derwaarts -
afgevaardigd zouden worden, de zaken te bevorderen. De Gedeputeerden van
Holland
verzochten, dat men het nemen van een besluit in deze zaak een vijftal dagen zou
uitstellen, totdat hunne lastgevers een besluit zouden genomen hebben betreffende het
advies, den door den Raad van State uitgebragt: tegen dien lijd hoopten zij, dat

ook de ütrechlsche Gedeputeerden terug zouden zijn. Die van Overijssel stemden dit-
maal weder voor het advies van
Holland, in de verwachting, zeiden zij, dat de Heeren
van
Holland eenen weg zouden Aveten te vinden om lot de afdanking der waardgelders
te komen. Doch men bleek geene voorstellen of voorwaarden van de Stalen van
Hol-
land te willen afwachten, en ging tot de benoeming der Deputatie over. De Heeren

eoetzelaar, voogt, makmaker, schot, schwarzehbubg, oosterzee, 8ghaffer cn

GOCKiNGA werden verkozen, en er werd beslolen, den Staten van Utrecht van dit besluit
kennis te geven, met verzoek hunne Vergadering in afwachting van de komst der Depu-
tatie niet uiteen te laten gaan, of zoo zij reeds gescheiden was, haar op nieuw te willen
beschrijven Toen
oldewbarnevelt hiervan kennis bekomen had, liet hij, begrijpende
dat de zaak geen uitstel duldde, de leden der Staten van
Holland tegen den volgenden
dag bijeenroepen. De vergadering evenwel was, zoo als zich na het den SI"®" voorge-
vallene wel denken liet, geenszins voltallig. Men besloot nevens de gewone Gedepu-

^ Reeds herhaaldelijk hadden de vier Steden (Edam en Purmerend waren absent) zich tegen
(Jtze zaak verzet (zie
ResoL Holl. 19 en 20 Julij).

^ Resol. Holl. 21 Julij. Verhooren v. Oldenb. No. 11, bl. 16,17. h. de groot, Verantw. bl.2o3.

3 Resol. Stat.·Gen. 23 Julij, 1618.

ocr page 697

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

es-bbssbsa-—ssb—asss^

1618. teerden Ycrsclieidene andere leden ter Generaliteit af te vaardigen, om er nogmaals
op aan te dringen, dat men de Deputatie naar
Utrecht mögt uitstellen, ten minste tot
er eenig antwoord van de Staten van
Utrecht op de laatste missive zou zijn ingeko-
men, en in geval dit werd afgeslagen, dat men van de instructie, die de Deputatie
mede krygen zou, inzage mögt vergunnen, om daarvan een punt van beraadslaging te
Vertoogen van maken. De Gedeputeerden kweten zicb op eene krachtige wyze van dezen last. Zy
gen/'' a ^gj-ggchten uitstel ook op grond, dat de Staten van Holland, die na een dag of twee
weder bijeen zouden zijn, eerst een besluit behoorden genomen te hebben op het
advies van den Raad van State, aangezien »zij uit kracht van de Unie en andere
bijzondere traktaten gehouden waren mede voor die van
Utrecht te zorgen," en ten
einde hun verzoek om opening van de instructie der Deputatie naar
Utrecht aan te
dringen, voerden zy aan, dat de zaak hen zeer van nabij raakte, vermits men
wat te
Utrecht zou gedaan worden, spoedig ook in Holland zou willen doen plaats
grijpen. — Die van
Holland verlangden, dat er van de zijde der Staten-Generaal
niets geheims geschieden zou; dat men met zijne plannen openlijk voor den dag
zou komen, gelijk zij rond uitkwamen voor alles wat zij voornemens waren. Kon
er duidelijker verklaard worden, dat zij zich verpligt rekenden,
Utrecht met alle
oorbare middelen bij te staan, dan door dat openlijk beroep op de Unie, die wilde, dat
de Provinciën »ten eeuwigen dage vereenigd zouden blijven alsof zij maar ééne Pro-
vincie waren, zonder zich door eenigerlei verbond of handeling, van wat natuur ook,
van een te laten scheiden Vielen de andere Provinciën van de Unie af, door hare
beginselen en bepalingen niet te tellen, dit was slechts een grond te meer om zich te
naauwer aan de eenig overgebleven trouwe Provincie aan te sluiten. Maar bovendien
beriep men zich op bijzondere traktaten, tusschen
Holland en Utrecht getroffen, en
men bedoelde, vooreerst, het traktaat, gemaakt ten tijde van de overdragt der tempora-
liteit aan Keizer
karel; ten tweede, de handeling, gevallen op de Satisfactie van
Utrecht, na de Pacificatie van Gent, waarbij de Staten van Utrecht onder anderen vrije
beschikking over de Religie bedongen en de Staten van
Holland hun beloofd hadden,
hen daarin te handhaven; en ten derde, de belofte door de Staten van
Holland gedaan
ten tijde van de opdragt van het Gouverneurschap aan Prins
maurits Al die ver-
bonden en overeenkomsten waren nooit te niet gedaan; men was verpligt ze te laten
gelden, en alzoo kon men er zich met regt op beroepen. In weerwil van dat alles
begreep de Vergadering, na de Hollandsche Gedeputeerden gehoord te hebben, dat er
geene voldoende redenen waren om van de ten aanzien der Deputatie naar
Utrecht ge-
nomen Resolutie af te zien, »te meer omdat de bezending niet alleen zou strekken om

1 Artikel 1.

2 h. de groot, Verantw. bl. 243, 244.

ocr page 698

DES VADERLANDS. 821')

te komen lot de afdankiag der waardgelders, maar ook tot de bevordering Tan de zaak ld8.
der Nationale Synode, der consenten en der betaling van de Fransche troepen." Die
van
Overijssel zouden de Deputatie uitgesteld hebben willen zien; doch bespeurende
dat de meeste Provinciën haar verkozen door te zetten, zoo lieten zij zich den maatre-
gel welgevallen en benoemden thans ook eenen Gecommitteerde uit hunne Provincie,
den Heer
scheel , om deel der Deputatie uit te maken, en in die betrekking alles wal men
verkrggen wilde, te helpen bevorderen, behalve de zaak der Synode, »aangezien zij
op dit stuk niet gelast waren Zoo zou de zaak voortgang hebben. Alleenlijk kregen
die van
Holland de belofte, dal de taak der Deputatie voor alsnog zich lol Utrecht
bepalen, en zich niet tot de steden van Holland, die waardgelders aangenomen hadden,
uitstrekken zou. De weigering om in overleg over de Instructie te treden, veront-
schuldigde men met de verklaring, dat aan de Deputatie geene Inslruclie medegegeven
zou worden, maar dat de stukken, by de vorige bezending in de zaak der Utrechlsche
waardgelders gebruikt, tot Instructie dienen zouden 2. Toen de Hollandsche Gedeputeerden
met het berigt van de wijze, waarop men in de Generaliteit hunnen voorslag beantwoord
had, in de vergadering der Staten hunner Provincie terug waren gekomen, werd aldaar
besloten, dat men van wege deze Vergadering mede eene Deputatie naar
Utrecht zenden Die van Holland
zou, voorzien van geloofsbrieven aan de Staten van Utrecht en aan Zijne E^c^l^ß^lie, j-jgp^^jj^^j^^j.
en met den last om de zaken te
Utrecht »tot de beste accommodatie te helpen belei-
den," Ook zou men die Deputatie brieven mede geven aan de bevelhebbers van de
Compagniën, te
Utrecht in garnizoen, maar Ier repartitie van Holland statinde, waarby
zij vermaand zouden worden, niets te doen tegen de besluiten van de Stalen van
Hol-
land^
maar de Staten van Utrecht te eerbiedigen en de thans met bijzonderen last over-
gezonden afgevaardigden, als de verlegcnwoordigers van hunne belaalsheeren, volgens
bunnen eed te gehoorzamen. Niet dat er plan was deze troepen tol dadelijkheden en
bloedstorting te bezigen; neen! men verlangde niets anders dan dal zij, wanneer de
Prins hun tegen den wil der Stalen bevelen mögt de wapenen af te leggen, dit op
grond van de strijdige orders der Staten bedaardelijk en standvastig weigeren zouden.
Een besluit als
Holland nu nam, vloeide voort uit de verbindtenissen, die er tusschen
Holland en Utrecht bestonden. Bij de door hen voorgestane en luide verkondigde ge-
voelens en beginselen konden die van
Holland dat wat er Ie Utrecht stond uitgevoerd
te worden, niet rustig aanzien noch zonder eenige bemoeijing van hunne zijde laten ge-
schieden. Het besluit was wettig genomen: de leden der vergadering, het is waar, wa-
ren niet in vollen getale bijeen, maar, al waren de Staten geheel gescheiden geweest,
de Gecommitteerde Raden hadden immers het regt om in afwezigheid der Stalen te

» Resol. Stat.-Gen. 24 Julij, 1618.

»

2 Zie hiervoor bl. 741.

III Deel. 2 Stuk. 104

ocr page 699

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. handelen. Boyendien is het tóen genomen besluit later hèrhaaldelyk door de meerder-
heid in de Tolle vergadering goedgekeurd geworden. En wat de brieven aan de krijgs-
bevelhebbers aangaat, de Staten van
Holland hadden de legermagt in den aanvang niet
op de been gebragt, noch onderhielden die legermagt bij voortduring, om er een
wapen van te zien maken, waarmede men hen zeiven tegen hunnen zin zou dwingen.
De soldaten, het is waar, zwoeren gehoorzaamheid aan de Staten-Generaal en aan Zijne
Excellentie, maar tevens aan de Staten der Provinciën en aan de Regenten der steden:
geen wettig bevel kon door de Staten-Generaal gegeven worden, dan in overeenstem-
ming met den wil der Provinciën, in hare Vergaderingen gebleken,. en de Stadhouder
ontving van die Provinciën bevelen. Ontstond er in zaken, die den grondslag der ITnie
raakten, een onverzoenlijke tweespalt tusschen de verschillende staatsleden, dan was de
Generaliteitsarmee, als zoodanig, uit den aard der zaak als niet meer aanwezig te be-
schouwen, en de troepen keerden terug lot de beschikking van hen, die ze hadden
geligt en ze bezoldigden. Dus begrepen het de Heeren van
Holland, en het zou slechts
lafhartigheid geweest zijn, zoo zy dit inzigt niet hadden doen gelden, Alzoo gingen
zij dadelijk over tot de benoeming der personen, die met de zending naar
Utrecht be-
last zouden wordeui Benoemd werden uit elk der drie sleden.
Leiden, Rotterdam en
Gouda, één Gedeputeerde, te weten, hogerbeets, hugo de groot en dirk jacoesz.
scnoownovEN. De beiden eersten hadden zich gaarne van de hagchelijke taak veront-
schuldigd gezien; doch, op hunnen eed gewezen, namen zij ze op zich: alleen begeerde
HOGERBEETS niet zonder burgemeester der stad
Leiden te vertrekken, en werd des-
wegens de burgemeester
torenvliet mede benoemd. De groot wenschle voorzeker de
toekomst, die hy zicli droomde, niet te bederven door zich nog meer ongevallig aan
den Prins Ie maken, en
hogerbeets vreesde, dat hij door de Magistraat der stad, wier
pensionaris hij was, later in het ongelijk mögt gesteld worden. Deze zelfde vrees deed
ook MEERMAN Verklaren, dat hij niet in het bijzonder gelast was om tot het genomen
besluit mede te werken. De Heer
dierhout, eindelijk, herinnerde bij deze gelegenheid,
dat de stad
Gorinchem, bij haar gevoelen bleef, en de waardgelders niet ten laste van
het gemeene Land gebragt wenschte te zien. In weerwil van deze bezwaren vertrok
de Deputatie nog denzelfden dag en alzoo vroeger dan Zijne Excellentie met de door

De Prins ver- de Staten Generaal benoemde Gecommitleerden, die eerst den Julij op reis gin-

trekt naar tw τ» · m · Ï„ · i

ϋ-ec/it. gen· De Prins nam al de voornaamste officieren, die in den omtrek van den Haag

waren, naar Utrecht mede. Graaf Willem lodewijk bleef te ^sHage om bij alle moge-
lijke gebeurtenissen bij de hand te zyn i.

Dat aan de Staten van Utrecht de stap van die van Holland niet ongevallig zijn zou,
bleek spoedig. Den toch verscheen de Heer
van moersbergen, door hen afge-

Uesol. v. Holl, 24 Julij, 1618. Verhooren v. oldesb. No. 11, bl. 18, 19. carleton, II,p. 274.

ocr page 700

. DES VADERLANDS. 827

vaardigd. Hij zeide ία haast naar 's Hage Ie zijn afgezonden op het herigt van de ifilS.
komst van Zijne Excellentie met de Gedeputeerden der Staten Generaal en van heigeen

>> ir O moersbereen te

dezen in last hadden. Dit was eene zaak, die de Sóuvereiniteit van Holland^ zoowel■^«i'«.
als van
Utrecht aanging. Steeds hadden de Stalen van Utrecht gunst gevonden bij de
Provincie
Holland ^ zonder welke zij hunne vrijheden en regten niet zouden hebben
kunnen bewaren. Dus hadden zij voorgenomen, in dezen niets te doen, dan ten over-
slaan en met advies van Gedeputeerden uit
Holland en verwachllen zij door eene aan-
zienlijke Deputatie uit deze Provincie met raad en daad bijgestaan te zullen worden.
Vernomen hebbende, dat aan dit verzoek reeds voldaan was, zeide de Heer van
moers-
bergen
der Vergadering dank. Een anlvvoord, meenden de Gedeputeerden van jDordrec/ii
na zijn vertrek, konden de Staten hem niet geven: daartoe was de Vergadering niet
talrijk genoeg; gaf men niettemin eenig antwoord, zoo kon dit slechts voor het bijzon-
der gevoelen van enkele particulieren gelden, gelijk ook het besluit van gisteren niet
voor de uitdrukking van den wil der Stalen gelden mögt. Zoo bleven de Gedeputeerden
der wederspannige steden hun plan getrouw. De Vergadering woonden zij slechts bij
om tegen hare maatregelen te getuigen, en weldra, door den Prins daartoe uit
Utrecht
uifgenoodigd, zonden zij Gedeputeerden uit hun midden derwaarts om ook hier legen
de vertegenwoordigers van de Stalen hunner Provincie op te treden en 's Prinsen han-
delingen te ondersteunen.

Doch welk eenen loop namen de zaken te Utrecht? Toen de Hollandschc Deputatie Bedrijf der Hol-
den Julij des morgens te acht uren aldaar was aangekomen, kwam op haar ver- tfe
zoek de Secretaris
ledenberg bij haar. Zij maakte hem bekend met hel doel harer ;
komst en verzocht hem, voor haar bij de Stalen gehoor te vragen. Dit werd haar ver-
leend, en DE GROOT hield in de Vergadering eene toespraak, strekkende om het onmis-
kenbaar regt der Staten tot het in dienst houden der waardgelders en de onreglmatigheid
der door de Stalen-Generaal tot afdanking dezer soldaten beraamde maatregelen te doen |
uitkomen, en hun allen mogelijken bijstand van
Holland tot handhaving van hun regt |
aan Ie bieden. Terstond daarna werd de Deputatie voor den Raad der stad toegelaten, j
en daar werden dezelfde redenen gesproken. — Het doel was ongelwijfekl om de Stalen |
lot moedig verzet legen den eisch der Stalen-Generaal aan te sporen: slechts na de |
sterkste v^aarborgen, dat hunne regten en hunne waardigheid gehandhaafd zouden |
worden, bekomen Ie hebben, wenschlen die van
Holland^ dat de Stalen van Utrecht |
in de afdanking der waardgelders zouden bewilligen, en tol het toeslaan der Synode |
^ulde men hen in het geheel niet zien overgaan. Daartoe moest men den Prins door een |
ontzagwekkend vertoon van militaire magl doen begrijpen, dal hij hier niet, als te
Nijmegen, |
door van zijne zijde eenige poslen met krijgsvolk Ie bezetten, alles in bedwang houden, den
Raad afzetten en de zaken naar zijnen zin zou kunnen drijven. Met hetzelfde doel had men,
dadelijk na die Regeringsverandering te
Nijmegen, gaarne gezien, dat eenige plaatsen in het

827*

ocr page 701

828 ALGEMEEJNE GESCHIEDENIS

1018. Land van Ulrecht en op de grenzen dezer Provincie mei eene genoegzame niagl bezet
werden.
Schoonhoven was door die van Ulrecht, Woerden door die van Holland, be-
paaldelijk door die van
Leiden, als een geschikt punt voorgeslagen om krijgsvolk Ie
ontvangen.
Moersbergen, door uytenbogaert op verzoek van hogerbeets over deze
zaak onderhouden, had over het bezeilen van
Woerden aan ledenberg geschreven,
en daarbij gevoegd: »dat men ook de Huizen te
Duurstede, ter £em en te Ahkoude
behoorde te bezetten." ^ Thans ried de groot met geen ander doel de Magistraat om
de wacht aan de
Witle-Yrouwenpoort te versterken, opdat de Prins geen nieuwe troe-
pen in de stad mögt brengen, en maakte gebruik van de vrees voor woelingen om die
van
Ulrecht tot het trouw bewaken der posten binnen hunne stad te bewegen. Er liepen,
namelijk, geruchten, dat de Contraremonstranten van zins waren zich van een kerkgebouw
meester te maken, en dat velen uit
Holland, benevens verscheidene personen, vroeger
om hunne onruslighcid ter stad uitgezet, gekomen waren om hun daartoe de behulp-
zame hand te bieden. Tegen dergelijke bewegingen gewapend en in het algemeen op
eene eerbiedwekkende wijze toegerust, wenschlen die van
ΗοΙΙαηώ dat men den Prins
jje Prins en de zou Ontvangen. Deze kwam nog in den avond van den 26'"'" aan, werd dadelyk van
uiUeGLeraliteitwege de Staten begroet, en verscheen des anderen daags met de Gedeputeerden uit de
klT Slalen-Generaal in de vergadering van Hun Edel Mogenden. Zij waren gekomen, dus

luidde de rede hier gehouden, om eenige zaken voor te dragen, waarvan de minste
zelfs uiterst belangrijk was. Vooreerst dan hadden Hun Hoog Mögenden tot nog toe
gehoopt, dat de Staten van
Utrecht de waardgelders zouden afgedankt hebben; maar
daar dit tot hun leedwezen nog niet geschied was, zoo verzochten zij hen, dit alsnu
te doen, en te bedenken, »dat bij deze gelegenheid van tijd en zaken, die, Godbetere
het, bezwaarlijk en bedroefd was, volk, geligl buiten en tegen order van de Generali-
teit, tot ondienst van den Lande, lol ontrusting der gemoederen en lot last van de
Gemeenten niet diende onderhouden te worden." Niet minder kort en onbewimpeld
was de taal, waarin de Staten van
Utrecht daarna vermaand weerden om in de Nationale
Synode te bewilligen, de Consenten in te brengen en in het onderhoud der Fransche
troepen te voorzien Terwijl over het antwoord, op dit voorstel te geven, beraad-
slaagd werd, bezochten de Hollandsche Gedeputeerden den Prins van Oranje, deelden
hem mede, welke taak zij ook by hem te vervullen hadden, en verzochten hem, vol-
gens dezen hunnen last, niets te willen verriglen tegen den zin der Stalen van
Utrecht,
maar met gemeen overleg een vergelijk tot stand te helpen brengen, waarbij^e Provin-
ciën
Holland en Utrecht gehandhaafd mogten worden legen het geweld, dat anderen
haar wilden aandoen. Slaagde men in het treffen van zulk een vergelijk, zoo zou geene

1 WAOESAAR, X, bl. 206, 207.

2 Provinc, Utr. Archief.

ocr page 702

DES VADERLAISDS. 829

zwarigheid tegen de afdanking gemaakt worden Het laat zich denken, hoe deze 1618.
toespraak den Prins moest smaken, die met geen ander doel gekomen was dan om eene
^oUan^j^chf De-
zoodanige verandering in de Regering door te drijven, dat de bedoelingen der Contra- pntatie door den

jrxlils·

remonstranten voortaan in Utrecht geen beletsel meer zouden vinden. Ook bezigde hij
tegen de Hollandsche Heeren woorden, die maar al te zeer verrieden, hoe vooringenomen
hij was en wat hij in het schild voerde: » Men zou de Magistraten wel beschermen, als men
maar eerst wist, hoe zg regeren zouden, en wat hadden zij tot nogtoe bedoeld ? Vyf valsche
punlen hadden zij in de godsdienst willen invoeren, en hem, den Prins, had men willen
afzetten en het land uitjagen. Doch hij wist daar raad op, met vijf Provinciën en zes
Hollandsche Steden op zijne hand. In
Utrecht moesten de Contraremonstranten ook kerken
hebben, en de waardgelders, erger dan de Spaansche kasteelen, moesten afgedankt." Tegen
zulke woorden viel niet te redeneren. Wilde men zelfs de handhaving der vijf punten voor
strafbare ketterij doen gelden, en de kiesche vraag omtrent de grenzen der bevoegd-
heid van de Staten ter eener en van den Stadhouder ter anderer zijde, in zulk een
groven vorm voorstellen, alsof het er om te doen was, den Prins het land uit te jagen,
dan bleef er voor
Utrecht en Holland niets meer over, dan voor het geweld te wijken.
Stond DE GKOOT den Prins voor het oogenblik waardiglijk te woord, en deed hij, toen deze
zich had laten ontvallen, dat de Advokaat de schuld van alles was, hem hierop bescheid
met te zeggen, dat, als de Advokaat dood was, zij allen zich verpligt zou<len rekenen
's Lands geregtigheid voor te staan toch begrepen de Hollandsche Gedeputeerden nu
vooral, dat hunne komst weinig goeds zou uitrigten, en zij verlangden van de Staten van
i/irec/iHe mogen weten, of zij goed vonden, dat zij vertrokken. Dezen antwoordden, dat zij
hun vertrek ongeraden achtten, en de Gedeputeerden bleven, voorzeker mctnogecnige
hoop in het hart, dat de Prins door de krachtige houding der Regering en der bezet-
ting van
Utrecht belet zou worden, zijne plannen te volvoeren, en wel besloten, daar-
toe al wat zij vermogten moedig in het Λverk te stellen. — Na de mcening van de
Antwoord der

Staten van U-

Vergadering der Staten van Utrecht verslaan te hebben, maakte ledewberg hugo treckt.
de groot daarmede bekend, en op zijn verzoek stelde deze hun antwoord op het voor-
stel van de Gedeputeerden der Slafen-Generaal 3. Rijpelijk gelet hebbende, dus luidde
dit staatstuk, op hetgeen voorgesteld Avas door zijne Excellentie en de Heeren, die uit
de Gedeputeerden van vijf Provinciën tot hen waren afgezonden (aldus erkende men de
Deputatie niet als weltige vertegenwoordigster der Slaten-Generaal), verzochten de Sla-
ten van
Utrecht »zijne Prinselijke Excellentie vastelijk te willen gelooven, dat Hun Edel

\

» jResol. UolL 27 Julij, 1618. Verhooren v. OLDENnARNEVELT. No. 16. bl. 22.
2
wagenaan, X, bl. 223, 224, uit zekere geschrevene aantcekeningen vaa de groot zeiven.
2
Verantw. van h. de groot, bl. 258, 261.

ocr page 703

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

]ßi8, Mogenden, gedachtig aan de groote en onsterfelyke diensten door hem bewezen, nim-
mermeer zouden nalaten, ze bg alle mogelgke middelen van dankbaarheid te erkennen
en hem te handhaven bij het gezag, hetwelk hem als Gouverneur bij commissie van
Hun Edel Mögenden zeiven was opgedragen, vertrouwende op hunne beurt, dat
zijne Excellentie overeenkomstig die commissie niet nalaten zou Hun Edelmogenden
als wettelijke en opperste regeerders van den Lande van
Utrecht tot voorstand van hunne
autoriteit, hoogheid en geregtigheid tegen een ieder de goede hand te bieden." Insge-
lijks verzochten zij »de Heeren Staten van de naburige Provinciën mede vaslelijk te
gelooven, dat zij de verbindtenissen, met hen aangegaan, opregt zouden nakomen en hen
diensvolgens met raad, lijf, goed en bloed bij hunne vryheden en geregtigheden zouden
handhaven, verlangende dat zij hun bij alle voorkomende gelegenheden desgelijks doen
zouden." Ter zake komende, verklaarden zij nog altijd de vroeger medegedeelde gewigtige
redenen te hebben om hunne Provincie nader te verzekeren tegen alle geweld en moedwil
van eenige onrustige personen, die door de straffeloosheid, welke zij in naburige plaat-
sen ondervonden, aaagemoedigd, de droevige gelegenheid dezer tyden misbruikten om
zich al stouter en stouter te laten gelden. Hun regt tot zulk eene beveiliging der orde
was onbetwistbaar. De Unie hadden zij aangegaan, niet om van dat regt iets af te
staan, maar om het zich te beier te verzekeren, gelyk ten overvloede uit de Instructie,
in der tijd aan den Raad van State gegeven, ten duidelijkste bleek. Wilde evenwel
Zijne Excellentie of de Heeren Gedeputeerden eenige voorslagen doen, die tot rust en
eenigheid der Provinciën met behoud van hun Souverein regt konden strekken, zoo wer-
den, aangezien de Provincie
Holland van ouds niet alleen door vriendschap, maar ook
door traktaten aan die van
Olrecht in het bijzonder verbonden was, en Holland, waar
dezelfde orde op de verzekering der rust in de steden gesteld was, in deze zaak even-
zeer als
Utrecht was betrokken, zoo werden, zeiden zg , zyne Excellentie en de Gede-
puteerden verzocht, die voorslagen kenbaar te maken aan de Staten van
Holland te
Hage, werwaarts zy willig en bereid waren tegen den te bepalen tyd hunne Gedepu-
teerden , met volmagt toegerust, te zenden. Ook de beschikking over de godsdienstzaken
was een zeer noodwendig deel van de souvereiniteit van elk der Provinciën in het by-
zonder: het 15·^" Artikel der Unie was steeds in volle kracht, en aangaande het punt des
geschils was overeenkomstig het regt, hun bij dat artikel voorbehouden, reeds in 1612
eene beslissing door hen genomen. Bovendien de Staten van
Holland hadden herhaal-
delijk )) met klare en onwedersprekelyke redenen" bewezen, dat eene Nationale Synode,
zonder toestemming van al de Provinciën, niet wettig byeengeroepen worden kon.
Alzoo verzochten zij de Provinciën in plaats van tegen regt en wet zulk eene Synode
op te willen dringen, den voorslag, onlangs door
Holland gedaan, in overweging te
Λνϊΐΐεη nemen. Wat de vermaning betrof tot het inbrengen der consenten, deze achtten
zij onnoodig, aangezien zij zich in dit stuk van de dagteekening der Unie af tot

ocr page 704

DES VADERLAISDS. 843

dezen huidigen dag toe zoo vaardig, getrouw en onbekrompen, als iemand, gekweten 1618.
hadden, en wat eindelijk de betaling der Fransche troepen aanging, daarover onderhan-
delde men met zijne Majesteit den Koning van
Frankrijk y en een buitengewoon Gezant
slond uit dat land aan te komen: de mededeelingen, door dezen te doen, zouden zij
afwachten,' voor dat zg in deze zaak een besluit namen Ziedaar voorwaar krachtige
taal als van mannen, die van hun regt en van het onregt hunner tegenpartij volkomen
verzekerd waren. — Met dit antwoord ware de taak van den Prins afgeloopen geweest,
De Prins blijft

.... , .. niettemin in de

wanneer liij tot niets meer gemagligd geweest ware, dan zijn openbare last luidde, om, stad.

namelijk, de Stalen van Utrecht over te halen lot vrijwillige afdanking. Dit doel bleek
niet bereikt te zijn, en toch bleef de Prins. De Staten-Generaal, onderrigt van het ant-
woord der Staten van
Utrecht, gaven hem geen naderen last en lieten hem dus de handen
vrij. De Staten van
Utrecht bespeurende, dat de Prins geene aanstalten maakte om hunne
stad te verlaten, begonnen te duchten, dat hij tegen hunnen zin, de waardgelders zou
afdanken, en begrepen, dat dit het sein zou wezen tot eene omwenteling, die andere
personen op het kussen zou brengen, gereed om aan de eischen der Staten Generaal
gehoor te geven. De vraag, wat in deze omstandigheid te doen, bragt verdeeldheid
van gevoelen, onrust en verwarring in de Vergadering te weeg. Sommigen wilden,
dat men den Prins geen beletsel in den weg zou leggen; anderen, begrepen, dat de
Soldaten weigeren moesten 's Prinsen bevelen te gehoorzamen. Ledenberg was ijverig
in de weer, om ingeval de Prins troepen naar de stad mögt laten oprukken, ze door
tegenbevelen terug te houden. Den 30''"° Julij hadden er voor en na den middag
op den huize
Zuileslein, het eigendom van den Heer van renesse, bijeenkomsten plaats
van aanzienlijke Regeringspersonen, waaronder de Utrechtsche Gedeputeerden ter Gene-
raliteit. Hier onderhield men zich over de vraag: hoe de bevelhebbers der waardgelders
en der schutterij zich zouden houden.
Hartevelt, de oudste kapitein der waardgelders,
verscheen hier zelf, en bevestigde hier wat hy reeds te kennen gegeven had, dat hij
en de zijnen niet begeerden tegen de Stalen Generaal en den Prins te dienen, eene
verklaring, die hem scherpe aanmerkingen en verwyten op den hals haalde, en mede-
bragt, dat
frederik van baexen, Heer van koningsvrij, in zijne plaats werd aange-
steld Ook de Hollandsche Gedeputeerden gaven aan geene moedeloosheid toe. Daar
hun meermalen tegemoet gevoerd was, dat zij geen regt hadden zich voor Gedeputeer-
den der Staten van
Holland uit te geven, maar slechts afgezondenen waren van het Col-
legie der Gecommitteerde Raden, zoo verzochten zij, reeds den 27"°", dat de Staten van

' Prov. Utr. Archief.

2 Resol Stat.-Gen. 31 Julij, 1618.

3 WAGENAAR, X, bl. 227—220.

ocr page 705

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

]fii8. Holland^ hun * nog andere afgevaardigden zouden toevoegen, opdat het onmiskenbaar
bJijken mögt, dat zij werkelijk het karakter bezaten, hetv^elk men hun wilde betwisten,
en bemerkende, dat aan de bevelhebbers van het Ulrechtsche garnizoen bevelen zouden
gegeven worden, in strijd met den verklaarden wil der Staten van dat Gewest, zoo
drongen zy er tegelyk op aan, dat aan Graaf
ernst van nassau, aan den Generaal
horatio yere en de verdere krijgsoversten en kapiteins bij brieven gelast werd, zich
naar hunnen eed en pligt te gedragen. Aan dit verzoek besloten de Staten van
Hol-

]Je llollandsclie Imd te voldoen. Zij vernieuwden den last der Gedeputeerden, benoemden de Heeren

Ueputatie ver- Ï„Ï„ Î± Î»

sterkt. wessel van boetselaar, Heer van Asperen ^, maarten ruighaver en jan janszoon

ENGELSMAN, om zich te Utrecht aan hen aan te sluiten, en schreven en verzonden
brieven aan de genoemde bevelhebbers, waarbij hun bevolen werd )> niets te doen of
te attenteren, of te laten doen of attenteren tegen de Resolutiën van de Staten der re-
spective Provinciën, in welke zij gebruikt werden." Toen de Stalen van
Holland dit
besluit namen, verklaarden de Amsterdamsche leden, dat men besluiten mögt nemen,
zoo veel als men wilde, maar dat het toch niets afdeed, en de Heer
muys van holt , op
dit oogenblik binnentredende, voer heftig uit tegen het genomen besluit. De Gedepu-
teerden van
Amsterdam en Dordrecht lieten het hier niet bij; maar zg beleiden in
den namiddag eene soort van vergadering ten huize van den Heer
witsz, waar ook de
Heer van
duivenvoorde uil de Edelen verscheen. Hier leverden zy eene acte in,
waarbij de Deputatie naar
Ulrecht en de afzending der brieven aan de krijgsbevelheb-
bers werden gewraakt. In den loop van den avond werd dit stuk nog door den Heer
tromper van Enkhuizen ^ en door twee burgemeesters van Schiedam onderteekend 2.

Door de Stalen van Holland (die in deze dagen ten getale van soms meer, soms min-
der dan dertig leden en dus talrijk genoeg bijeen waren), in weerwil van allen tegenstand
ondersteund, deden de Hollandsche Gedeputeerden al wat in hen was, om te weeg te
brengen, dat de Prins, zoo hij iels tegen den zin der Slaten van de krijgsmagt vergde,
een weigerend antwoord zou bekomen.
Hugo de groot schroomde zelfs niet, hartevelt
een lafaard te noemen. Zg gaven de brieven hunner lastgevers aan de officieren over, na
alvorens (zoo weinig spanden zij geheime aanslagen) den Prins medegedeeld te hebben,
dat zij de uitvoering van dit gedeelte van hunnen last tot dusver hadden uitgesteld,
maar nu daarmede niet langer dralen mogten. De Prins antwoordde, dat zoo zy den
soldaten betaling weigerden, hij andere Afgevaardigden uit
Holland (doelende op de
Deputatie van
Amsterdam en de vijf andere steden) tegemoet zag, die daarvoor wel

^ De Heer van Asperen was den 30''®" Julij nog niet te 'sHage aangekomen, om vandaar
de reize aan te nemen; dus sloeg men toen voor,
oldenbabnevelts schoonzoon, den Baron van
wesekburg (brederode) in zijne plaats te zenden {Resol. Holl. 30 Julij).

2 Resol. Holl. 28 Julij, 1618.

ocr page 706

DES VADERLAISDS. 845

9

zorgen zouden. Thans leed het geen twijfel meer, of de Prins zou van de waardgel- 1618. ,
ders eischen, dat zy de wapenen zouden nederleggen. De Engelsche Commandant » jjet^^jf op gez^et^^

die reeds voorlang met het ongenoegen van zijnen Koning bedreigd was, zoo hii den waardgelders

" Î“ . O' -^afte dftukeii.

Staten van Utrecht mögt verkiezen te wille te zyn ^, kwam nog den avond van den

5Q8ten (jg Hollandsche Heeren raadplegen, wat hem te doen stond 2. »Draag voor het
minst zorg, was hun antwoord, dat het lot geen bloedstorliog kome." Indien alzoo de
Utrechlsche bezetting hunnen zin gedaan had, zou zij 'sPrinsen bevelen niet gehoorzaamd,
doch, zoo deze alsdan tot maatregelen van geweld overging, zich onderworpen hebben.
Maar zou de Prins, wanneer hy bij die bezetting onwil aangetroffen had om zijne be-
velen te gehoorzamen, voor geweld teruggedeinsd zijn? Het tegenovergestelde mag men
afleiden uit de beschuldiging, naderhand tegen de Hollandsche SlaatsHeden, die de
slagtoffere worden moesten, ingebragt, dat hunne handelingen gestrekt hadden »om de
stad
Utrecht in een bloedbad te verkeeren?" Dit toch zou alleen hebben kunnen
geschieden ten gevolge van de maatregelen van den Prins, zoo hij, in geval de Utrechl-
sche waardgelders en bezetting zyn bevel niet gehoorzaamd hadden, voor hunne lijdelijke
houding (want eene aanvallende rol van hunne zijde kon nimmer Ie pas komen} niet
had willen wijken. — Doch Gode zij dank! tot een bloedbad zou het niet komen. Dc
Prins was zeker van zyne zaak. De krygsoversten en soldalen, hoe konden zij anders
dan 's Prinsen bevelen gehoorzamen? Aan 's Prinsen zijde was al wat tot het versland,
in staalkundige vraagstukken onervaren, en tot het gemoed van den soldaat moest
spreken. Kwam den Prins gezag toe, ja of neen? Waren de Slalen-Generaal minder
dan de Staten eener Provincie of de Magistraat eener slad, het geheel minder dan een
enkel deel? Zoo redeneerde de soldaat, en daarbij, de Prins was omgeven, de slad
vervuld van vreemde edellieden met militaire rangen. Dezulken hadden nooit begrip
gehad hoe het mogelijk was, dat een Vorst, als
maurits, een ondergeschikte rol in
het land kon vervullen. Zoo goed als hunne koningen in hun vaderland ontleende in
hun oog de Prins hier te lande een onvoorwaardelijk regt van wegc hem zeiven, zijne
geboorte en zijnen rang. Zy zouden niet geschroomd hebben, die lastige burgerhceren,
des noods gevoelig, tot rede Ie brengen.

Nu het genoegzaam gebleken was, dat de Prins voor geene overreding zou zwichten,
en de kans om in onderhandeling Ie treden geheel en al was afgesneden, begrepen de
Hollandsche Gedeputeerden, dat hunne laak te
Utrecht was afgeloopen. Zij besloten 1c De Hollandsche
eerder lot hun vertrek, omdat de meeste leden der Regering, en ledenberg mei hen, {J^jj]^®''*®
de slad verlaten hadden uit vrees dat men zich niet ontzien zou hen te doen boeten
voor de houding, door hen aangenomen. De Hollandsche Heeren hadden alle reden om

ver-

ï CAHLETON, 11, 82-84, 104, 247, 2f48.

- cAfiLEToN, 11, p. 291, 292. Yerantw. v, uugo de groot, bl. 267. wauenaar, X, bl.236,231.
III Deel 2 Stuk, 105

ocr page 707

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

ri . '.14.Ι|!Λ^

834

1618. niets minders te duchten. Immers vernamen zy later, dat zij geen half^uur langer in
Ulrecht haddgn moeten blijven, of men zou hen in verzekerde bewaring genomen heb-
ben. — Op het oogenblik, dat zij
mXlUrecht afreden, zagen zij de afgevaardigden van
de zes Sleden van den wagen stappen ^

Daags voordat de Prins tot een beslissenden stap wilde komen, had hij als een ervaren
krijgsoverste en man van beleid, gelijk hij was, de toegangen tot die plaatsen der stad,
waar iets van belang zou hebben kunnen ondernomen worden, door het gewone garni-
zoen en eenige vaandels, die hij, ter sterkte van drie compagniën in de stad had
laten rukken, doen bezetten. Den Julij, 'smorgens vroeg, vergezeld van de

Gedeputeerden der Staten-Generaal en den ganschen stoet der hooggeplaatste offi-
cieren en edellieden van zijn gevolg, begaf hij zich naar de
Neude. Hier vond hij
eene compagnie waardgelders in de wapenen, die den vorigen nacht aldaar de wacht
Dc waardgel- gehad had. Hij gebood hun dadelyk, de wapenen neder te leggen, en — zonder
wapenen^ar ecoigc tegenspraak gehoorzaamden zij. Thans werd de trom geroerd om de overige
compagniën te doen opkomen en ze alsdan mede de wapenen te doen nederleggen. Zij
verschenen op de oproeping, en boden den Prins uit eigen beweging aan, de wapenen
af te leggen, verklarende ze te zullen bewaren tot nader order en last van Zijne Excel-
lentie 3. Toen de zaak aldus was afgeloopen, kwam eene Commissie van de Staten
van
Uifechl, uit zes leden bestaande, waaronder hun Advokaat hamel, om den Prins
dank te zeggen voor hetgeen hij verrigt had, en hem te verzoeken, met hen op de
andere punten, die de Deputatie in last had te behartigen, in onderhandeling te treden.
Nadat de felste voorstanders der Remonstrantsche -partij den moed hadden opgegeven,
• hadden thans de aanhangers van de zaak, die de Prins voorstond, de meerderheid
in de Staten van
Utrecht^ en dezen wraakten wat er gedaan was om de afdanking
der waardgelders te verhoeden Niets belette alzoo van nu aan den Prins om de om-
wenteling te
Utrecht volkomen te maken. Den 3·^°" Augustus verscheen hij met de
Gedeputeerden der Staten-Generaal op het Raadhuis, waar eenige burgers, zich noemende
gemagtigden van de gemeente, kwamen verzoeken dat de stedelijke Regering veranderd mögt
worden. De Prins verlangde niets liever, en droeg aldaar een ontwerp voor betreffende

^ HRANDT^ II, ρ. 810—817. In hun verslag van den Augustus ter vergadering der Staten van
Holland, zeggen de Gedeputeerden van Dort, mede uit naam van die der vijf andere steden, dat
zij te
Utrecht komende, de waardgelders reeds afgedankt gevonden hadden. Ook zijn de Holland-
sche Gedeputeerden eerst bij het aanbreken van den dag van den 31®'®° vertrokken.

2 licsol. Holl. 1 Aug. 1618.

3 Rcsol. Stat.-Gen. 1 Aug. 1618.
^ Resol Iloil. 3 Aug. 1618.

ocr page 708

. DES VADERLANDS. 835

de YeranderÏDg van de keur der Magistraat, strekkende, onder anderen, om hare leden i^is.

Yoorlaan niet jaarlijks te .doen aftreden, maar Toor liun leven aan te stellen. Dit ont- ^^ ^/rif/Fvcr-

werp werd door den Raad aan de Stalen van Utrecht medegedeeld, en Zijne Excellentie

verzocht met de Deputatie voor Hun Edel Mögenden te verschijnen, Alstoen werd het

concept door de Geëligeerden en de Ridderschap, onder zeker voorbehoud, doch door de

kleine Steden onvoorwaardelijk aangenomen, en diensvolgens de Regering veranderd, in

dier voege, dat de nieuwe Vroedschap, veertig leden sterk, gekozen werd uil den ouden

Raad en eene lijst van zestig personen, waarvan ,de Prins twintig had opgegeven i. Vier

dagen later drong de Deputatie met den Prins aan het hoofd bij de Staten van Utrecht op

nieuw aan op de aanneming van het voorstel betreffende de bijeenroeping der Nütionale

Synode, en het antwoord was, dat men eerstdaags Gedeputeerden ter Generaliteit zenden

zou met last om in deze zaak tot het gevoelen der vijf Provinciën toe te treden. Aangaande

het stuk der consenten en de betaling der Fransche troepen zouden zi] het Landschap nader

beschrijven. — Ook in de beide eerste Leden der Stalen, te weten de Geëligeerden en de

Ridderschap, geschiedden later aanmerkelijke veranderingen, Ledenberg nam zijn ontslag

als Secretaris. De tegenstanders van de staatkunde der Generaliteit werden door andere

Heeren vervangen , terwijl de Ridderschap reeds door zeven nieuwe Edelen vermeerderd

was 2. Reeds den hadden de Gontrarémonstranlen de Buurkerk lot hun gebruik Ue Contrare-

gekregen. Toen trad er een predikant van Amsterdam op met verbazenden toeloop van ™en"de DomS

binnen en builen de stad, en weldra verwisselden zij dat kerkgebouw voor de Domkerk,

terwijl de Remonstranten zich, op last van de Vroedschap, met de Buurkerk moesten

vergenoegen â– 

Nu was het pleit tegen Holland gewonnen, en het kwam er voor de Staten dezer Gezindheid der
Provincie nog slechts op aan om waardig en voegzaam te wijken zonder onregt rogl tc^j^j]"
noemen noch de hoogheid huns Lands te kort Ie doen. Waar zij werkelijk in het ongelijk
waren, wisten zij dit bij nader inzigt rondborstig te erkennen, en waar het christelijk
geloof hun toescheen inderdaad bedreigd te worden, poogden zy het gevaar door ge-
strenge maatregelen af te wenden. Van een en ander gaven zij in deze zelfde dagen
een duidelijk bewijs. Den 19''''" Julij werd er in hunne vergadering een boekje vertoond,
Ic
Gouda gedrukt, in hetwelk de godheid van Christus werd bestreden. In de sterkste
bewoordingen veroordeelden de Staten dit geschrift, »God Almagtig biddende, de straf
wegens zulke zonde niet over deze Landen te laten komen." Zij verordenden de streng-
ste navorschingen ten einde hen, die aan de uitgave schuldig stonden, op te sporen,

1 Resol. Stat.-Gen. 4 Auf-. 1618. brandt, 11, bl. 818.

2 Uesol Siat.Gen. 10 Aug. 1618. avagenaau, X, hl. §33, 234

3 ERASDT, 11, bl. 8iy, 82Ó.

105*

ocr page 709

856 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618.

en niet zonder de regten van Gouda en RoUerdam^ waar de schuldigen schenen te
huis te behooren, eenigermate voorby te zien, droegen zij de zaak aan het Hof van
Holland op i. En ten bewijze van de bereidwiUigheid der Hollandsche Staten om
ongelijk te erkennen, kan strekken, dat, toen de Staten-Generaal opkwamen tegen
eene voorloopige order door de Staten van
Holland gesteld op den koers van het geld
zonder de andere Provinciën daarin te kennen, zij, na eenige verontschuldigingen, ten
slotte volmondig erkenden, dat er in deze zaak een abuis begaan was Daarentegen,
toen het eerste berigt van de afdanking der waardgelders was ingekomen, en de Staten-
Generaal besloten, den Prins en zijne mede-Gedeputeerden te bedanken, dat zij het zoo
hadden weten aan te leggen » dat de zaak door Gods genade zoo goed was afgeloopen
schroomde de Hollandsche Gedeputeerde ter Generaliteit, de Heer
van mathenesse,
geenszins, te verklaren, dat die afdanking »kwaad was en buiten behoorlijke vorm en
manier geschied" en zyne lastgevers haar derhalve niet goed zouden kunnen heeten

Doch nog ééne hoop scheen er voor de voorstanders van oldenbarnevelts staatkunde
over. De komst van den buitengewonen Franschen Gezant-kon voor hen misschien nog
heil aanbrengen. De zekerheid, dat deze stond te komen, was den Staten-Generaal ge-
bleken uit brieven van den Gezant
te*Parijs. De Heer van langerak had op last van
Zijne Excellentie en de Staten den Koning willen overhalen, aan eenige predikanten
vergunning te geven om de Synode bij te wonen; doch de Koning had hem
verwefZen
op hetgeen zijn buitengewone Gezant zou mededeelen. Dus was zijn besluit genomen
om zulk een Gezant te zenden. Ten gevolge van dit besluit zagen de Staten-Generaal
van de door hen beraamde buitengewone zending naar
Frankrijk af. Gaarne had men
gezien, dat nu ook van Engelands zijde een buitengewoon Gezant verschijnen mögt, en
de Prins schreef naar
Engeland om zulks te bwerken doch op een tijdstip, dat het
huwelijk van den Prins van
Wales met de Infante van Spanje op het punt scheen van
beklonken te worden, scheen zulks waarschijnlijk niet raadzaam. Bij het uitstapje dat
garleton maakte, was er thans in het geheel geen Engelsche Gezant te *s Hage.
Tot het vervullen van den post van buitengewoon gezant naar Nederland was nu, daar

Boissise's

komst 13 aan-
staande.
 du plessis-mornay zich vcrontschuldigde, de keuze gevallen op thümery , Heer van boissise ,

een man die reeds verscheidene gezantschappen in Engeland en Duitschland had waarge-
nomen , en als onderhandelaar tusschen het Hof en de oproerige Prinsen goede diensten
had bewezen. Hij was katholiek, maar de vele staatkundige betrekkingen, waarin hij

ι Resol. Holl 19, 20, 26 Julij, 1618.

2 Resol StaL-Gen, 24, 26 Julij, 1618.

3 Resol Stat-Gen. 1 Aug.
CARLETON, II, p. 276, 277.

ocr page 710

DES VADERLANDS, 857

1618.

met protestanten in aanraking gekomen was, braglen mede dat dit geene zwarigheid
opleverde. Evenwel maakten
aerssen en zyn aanhang ook van deze omstandigheid ge-
bruik om achterdocht tegen hem op te wekken, alsof het om zijnen invloed te onder-
mijnen nog niet genoeg was, dat men zijne komst als door
oldenbarnevelt uitgelokt
deed voorkomen. Niettemin verwachtte
du maurier van die komst nog wat goeds.
De zaken werden van den Hollandschen kant te
Parijs zoo voorgesteld, dat boissise en
menig protestantsch predikant met hem het er voor moest houden, dat regt en rede
zich aan de zijde van de tegenstanders.der Nationale Synode bevonden. Daarom gelast-
ten de Staten-Generaal hunnen Gezant in
Frankrijk zich aan geene brieven uit Holland^
hoedanig en van wien ook afkomstig, te sloren, en yverig voort te gaan met zyne po-
gingen, dat er vertegenwoordigers van de Fransche Kerken op de Nationale Synode
verschijnen mogten. De Fransche Regering verlangde dit in geenen deele, en daartoe
bestond bij haar grond genoeg. Immers moesten zij ongaarne bij hare Protestantsche
ingezetenen de meening zien wortel schieten, dat zij leden waren eener algemeene Ge-
reformeerde Keïk, die trots de Roomisch-Katholieke Kerk naar eenheid van geloofsregel
streefde, bij al hare belijders onder welk gebied ook staande Brieven tot waarschu-
wing tegen alles wat uit
Holland ten nadeele van de bijeenroeping der Synode kon ge-
schreven worden, gingen ook af naar
caron te Londen^ en brederode te ileidteiftergf ^^
en alzoo was men in het Buitenland onderrigt, dat men zich door niets van het door-
zetten der Synode zou laten terughouden. Zoo
boissise niettemin vol moed zijne zen-
ding aanvaardde, moet zijn vertrouwen op de redelijkheid der gronden, die hij mede-
bragt, en op zijne eigene overredingskracht wel groot geweest zijn.

ïn afwachting van zijne aankomst meende du maurier zijne ontevredenheid wegens
den loop, dien de zaken namen, niet te moeten ontveinzen.
Aerssens ongunstige uit-
strooisels over
boissise noemde hij luide, opdat de Prins het hooren mögt, verzinsels
van boosaardige personen, die er op uit waren om achterdocht te zaaijen en alles in
do war te brengen: op dien koop, voegde hij er bij, zou men van
Frankrijk niets
goed vinden dan haar geld. Eene aanleiding om zijn ongenoegen te kennen te geven
vond hij in de omstandigheid dat verscheidene voorstellen, door hem gedaan, nog onbe-
antwoord waren gebleven; de Staten-Generaal hadden tot nog toe gemeend, dit antwoord
aan een buitengewjpnen Gezant op te dragen. Toen zich de Staten dan nu deswegens bij
hem kwamen verontschuldigen, stelde hij zich uiterst verstoord aan, en zeide, dat Zijne
Majesteit, de Koning van
Frankrijk ^ reden had om zich door hen beleedigd te achten.
In weerwil van deze verklaring haastten de Staten van
Holland zich niet om van hunne
zijde de noodige stappen te doen, ten einde de Fransche Gezant eindelijk beantwoord

1 nesol StaL-Gen. 26 Julij, 1618. odvbé, p. 268, 281, 282. carleton, 11, p. 273.

2 llesol Slal.-Gen. 27 Julij, 1618.

ocr page 711

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. mögt worden. Zij lieten hem gaarne eene reden Tan misnoegdheid behouden, die hij
op de Staten-Generaal kon verhalen i.
Beroadslagin- Doch wat viel er na de afdanking der waardgelders te Utrecht in de Stalen van
^StoS^^na ^^ö/^awci voor? In de vergadering van den Augustus, in welke de onverrigter zake
^ïïérs ^te Utrecht teruggekeerde Gedeputeerden van hunne zending verslag deden, namen de
VirecM. Amsterdamsche leden dadelijk een hoogen toon aan om die geheele Deputatie te wraken,

en, voegden zij er bij, »dewijl met zulk eene manier van handelen de zaken slechts
in grooter ongelegenheid gebragt lyerden, zoo smeekten zij de Edelen en de andere
Steden aldus niet voort te gaan, maar hunnen medeleden, die niet minder betaalsheeren
waren dan zij, meer eerbied te betoonen: anders zouden zy daartegen moeten doen,
wat zij konden." Hierop werd van wege de Edelen de maatregel behoorlijk geregtvaar-
digd; maar ten slotte de verzoenende vraag gedaan, of de vier Steden
{Dordrecht^ Am-
sterdam^ Enkhuizen
en Edam) niettemin iets anders bedacht hadden om lot eene ge-
wenschle schikking Ie komen: was dit het geval, zoo werden zij verzocht, zulks bekend
te maken. Met dit advies vereenigden zich
Haarlem, Leiden, Gouda, Rotterdam,
Schoonhoven, Briele, Alkmaar
en Hoorn, Dus wilde men van de minderheid voor-
waarden afwachten om met gemeenschappelijk overleg de regten van
Holland voor een
gewelddadig tusschenlreden van de Generaliteit en den Prins te kunnen behoeden. Maar
de Gedeputeerden der vier sleden eischten onvoorwaardelyke gehoorzaamheid van/To/^anc?;
zij verlangden de vernedering hunner eigene Provincie voor het oppergezag der Genera-
liteit. Immers verklaarden zij, dat nu althans in de Nationale Synode bewilligd, de waard-
gelders afgedankt, des noods compagniën gewone soldaten daarvoor in plaats genomen,
en eindelijk de zaken beter dan tot nog toe tot rust des Lands
en lot behoudenis der
Religie moesten aangelegd worden. Die van
Delft verklaarden hierop, dat het drijven
zoo van de eene als van de andere zgde hun leed was, en hierbij bleef het ditmaal.
Alleenlijk, bij het resumeren van het verhandelde, stelde de Advokaat aan de Gedepu-
teerden der steden, die waardgelders hadden aangenomen, voor, afzonderlijk bijeen te
komen en gezamenlijk te beramen, hoe zij daarmede verder dachten te handelen. Het
is niet twijfelachtig, wat hy met dit voorstel bedoelde: hij wilde, dat die Steden vrij-
willig, zonder bevelen van anderen af te wachten, tot het afdanken harer waardgelders
overgingen. Was dit de strekking van het voorstel, zoo was het te \vachten dat de vier Steden,
die de waardgelders op hoog gezag gecasseerd wenschten te zien, daartegen ingenomen zouden
zijn. Werkelijk spraken zij er legen; doch niettemin werd het aangenomen. — In dezelfde
vergadering werd hierna nog door de Gedeputeerden van
Schoonhoven mededeeling ge-
daan, dat, volgens bij hen ingekomen berigt. Zijne Excellentie en de Gedeputeerden der
Staten-Generaal, die te
Utrecht waren, het voornemen hadden om zich vandaar naar

Resol Siai,-Gen. 30 Julij, 2 Aug. Oüvi\é, p. 282.

ocr page 712

1618.

DES VADERLANDS. 859

hunne stad te begeven, ten einde aldaar insgelijks de waardgelders af te danken.
In deze omstandigheid verzochten zy, zich door eenige Gedeputeerden uit de Vergade-
ring der Staten van
Holland met raad en daad bijgestaan te mogen zien. De meer-
derheid vond goed, dat eenigen uit de Magistraat van
Qouda en Rotterdam derwaarts
zouden vertrekken; maar de Gedeputeerden van de vier Steden, ^γaarbij
Delft zich
ook thans voegde, keurden zulks af, en zeiden, »dat men de zaak wat behoorde in
te zien, en aan zijne Excellentie en de Gedeputeerden van de Staten-Generaal zulk
een aanstoot niet behoorde te geven i." Later is gezegd, dat die van
Rotterdam
ΛvaaΓdgeldeΓs uit hunne stad naar Schoonhoven gezonden hebben, om deze plaats le-
gen de maatregelen van den Prins te verzekeren. Doch groot is liet aantal Rotterdam-
sche waardgelders niet geweest, die te
Schoonhoven in dienst gekomen zijn, en boven-
dien had de Magistraat zorg gedragen om ze vooraf uit hare dienst te ontslaan, waarna
zij vrij waren om zich aan eene andere slad te verbinden. Hoe het zij, feitelijk verzet,
dit was niemand beier daü de Magistraat van
Schoonhoven zelve bekend, had de Prins
in hare slad niet te duchten. Zij had meer reden om voor de twee compagniën waard-
gelders , die zij in hare dienst had, te vreezen, dan om daarop te bouwen: dat toch
deze soldaten zich buiten hare kennis van kruid en lood voorzien hadden, was waarlijk
niet geruststellend Κ

Den volgenden dag werd - op nieuw omvrage gedaan, of er ook Leden waren, die
iels voor te slellen hadden, dat tot oplossing der zwarigheden kon strekken. Die van
Dordrecht verklaarden daarop, dat zij niet met de Gedeputeerden van de andere sleden
hadden gesproken, maar Steeds voor het best moesten houden, de waardgelders af te
danken en in de Nationale Synode te bewilligen. Dus kwamen zij geen voetstap nader.
Doch ook de andere parlij bleef hardnekkig, in weerwil van de verzoenende vermanin-
gen van OLDENBARNEVELT. Volgcus de verklaring van die van
Haarlem waren de Steden
van hunne party vergaderd geweest, en de uitslag harer beraadslaging was geweest, dat
zij nog dachten te blijven bij hetgeen laatstelijk op het stuk der kerkelijke zaken bepaald
was. Dit was voorwaar niet weinig gezegd; want hiermede bedoelden zij wat den
July besloten was. De Staten-Generaal hadden, aangezien de Stalen van
Holland wei-
gerachtig bleven de uitschrijvingsbrieven tot de Synode aan te nemen, deze missiven aan
elk der Sleden van
Holland afzonderlek toegezonden 3, Hierop nu was alstoen besloten,
dal de vroegere prolesten herhaald, dé brieven door de Steden insgelijks teruggezonden
en verklaard zou worden, dat men »den ganschen handel voor nul en geener waarde

1 Resoi. Jloll. 1 auff. 1618,

2 Verhooren v. oldexnanxevelt. No. 254, bi. 148. n. de groot Yeraniw. bl. 222, 223.

3 Resol Stat.'Gen. 27 Julij, 1618.

ocr page 713

840

j'kpi'wjïipi'jjihüviilv.

-"wr

mwfiiemi"!·

ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. hield en zich lot de kosten niet gehouden rekende." ^^ Wat voorts de waardgeklers be-
trof, zoo verklaarden die van
Haarlem in naam der Steden hunner partij, dat zij ze
niet daa door den nood gedrongen hadden in dienst genomen, en zich thans wél daarbij
bevonden en ze zoolang in dienst zouden houden, totdat zij genoegzaam ingelicht
zouden zyn, in hoe verre gewone soldaten volgens hunnen eed gehouden waren, de
Staten van de Provincie en de Magistraat van de steden te gehoorzamen. Op deze af-
doende verklaring, werd van wege de Edelen in het midden gebragt, dat zij nog, even
als altijd, betuigden, »de ware opregte Evangelische Religie in zuiverheid te willen
handhaven: altijd was er verschil van gevoelen geweesi aangaande de vijf punten, en
zij konden niet toelaten, dat-in dezen den een het gevoelen van den ander werd opge-
drongen. De maatregelen, die er tegen eenige predikanten genomen waren, hadden
niet in eenig gevoelen aangaande de leer, maar slechts in de gedragingen van die pre-
dikanten zeiven hunnen grond gehad. Nog altijd achtten zij eene Provinciale Synode
het geschiktst om middelen van christelijke verdraagzaamheid te vinden. En wat den
eed der gewone krijgslieden betrof, dezen w^aren, huns bedunkens, verpligt de Staten
en de Magistraat der steden, waar zij in garnizoen lagen," te gehoorzamen, en alle
gewelddadigheden te keer te gaan, al ware het ook in zake van religie of legen de
bevelen van de Staten-Generaal of van wien ter wereld ook. Met deze betuiging
stemden de acht Steden en
Delft als negende in. Doch de Gedeputeerden der zes
sleden bestreden ze op alle punten: de feiten^ zeiden zij, weerspraken het be-
weerde omtrent de behandeling, door eenige predikanten ondergaan: zulks konden het
gebeurde te
Hagc zelve en de strenge plakaten tegen geloofsgenooten getuigen; en
wat den krijgs-eed betrof: de soldaten waren slechts »in zóóverre aan de Staten van de
respeclive Provinciën verbonden, als derzei ver eed was medebrengende:" deze eed
was goed en zij konden niet toelaten, dat men daarin by nadere uitlegging eenige
verandering bragt. — In weerwil van deze bondige verklaring sloeg de Advokaat den
zes Sleden voor, met elkander afzonderlijk te rade te willen gaan, of zij ook wat in
het midden te brengen hadden, waarop de andere Sleden zich met haar zouden kunnen
verslaan. Al weder een voorstel lot onderhandeling en verzoening. — Had de Advokaat
zich in het vorige en nog in dit jaar geheel of ten deele van het bijwonen der ver-
gaderingen onthouden, thans was hy eiken dag op zijnen post: .hij verliet de zijnen
niet, en deed wat hij kon om hunne zaak te redden, al was het hem niet onbekend,
dat hij zich daardoor persoonlijk aan gevaar bloot stelde. Doch zyn voorstel vond geen
gehoor. De zes Steden verontschuldigden zich van het ontwerpen van eenigen voorslag
tot schikking, en niet zonder zekeren spot verzochten zij den Advokaat de moeile te
willen nemen zelf zoo iels te ontwerpen. Het laat zich begrijpen, dal de Advokaat

Resol V. Holl. 28 Julij, 1618.

ocr page 714

DES VADERLANDS. 841

hiertoe niet kon overgaan Had hij zich aan het werk gezel, zoo ware daarmede
geen gevaar hoegenaamd zelfs tijdelijk afgewend; daarentegen, hadden zich de Gedepu-
teerden der zes steden tot eene beraadslaging en tot voorstellen verledigd, welke lol schikking
konden leiden, zoo zouden de maatregelen, die hunne medestanders, de Slaten-Gene-
raal en de Prins, in den zin hadden, noödwentlig zoo lang opgeschort geworden zijn.

1(118.

Den Augustus hragten de zes Steden de zaak van de Deputatie der Hollandsche
Heeren naar
Utrecht en alles wat gedaan was om 's Prinsen plannen legen Ie gaan,
weder Ier sprake, met geen ander doel, dan om de personen, die daarbij werkdadig
geweest waren en die zij met name aangewezen wenschten Ie zien, in ongelegenheid
te brengen. Men antwoordde, »dat deze zaak op een anderen tyd te pas zou komen,
en dat men voor dezen lijd de geheele zaak van
Utrecht in hare waarde of onwaarde
zou laten, zoo als zij was." Steeds bleef het intusschen het streven van de leiders der
Vergadering, dat de zes Steden tot eenigen voorslag van bemiddeling mogten overgaan;
maar even volhardend als de Edelen haar daartoe uitnoodigden, even hardnekkig bleven
zij zulks weigeren, en bij gevolg was er eiken dag grond om Ie vreezen, dat den Prins
en de Gedeputeerden der Stalen-Generaal uit
Ulrecht terugkomen en ook in de Hol-
landsche steden lol hel afdanken der waardgelders zouden overgaan. De spanning en
de onrust, die deze staat van zaken bij de onzekerheid, wat in dal geval gebeuren
zou, leweegbragt, noopten de Edelen de Steden, dié waardgelders in hare dienst hadden
genomen, in de vergadering van den 4·^®° Augustus, ernstig te verzoeken, zich te ver-
klaren, wal zij doen zouden, en haar te doen gevoelen, dat men geene dadelijkheden
door haar wenschle ondernomen Ie zien, door Avelke het geheele Land op eenen weg
zou kunnen gebragt worden, die lol de schroomelijksle uilkomst leidde. De Gedepu-
teerden der bewuste steden antwoordden, dat hunne lastgevers het volste regt gehad
hailden om zich ter hunner beveiliging van eigen krijgsvolk te voorzien, en dal zij zich
daarvan in geenen deele ontdoen konden, dan onder voorwaarde, dal zij daarvoor troepen
bekwamen, die bereid waren hen te verdedigen legen alle geweld, van welken kant hét
ook komen mögt. De Magistraten wantrouwden den Prins, en zij hadden er reden loe.
Zij verkozen niet, door hem, gerugsteund door eene hun vijandige partij binnen hunne
eigene veste, aan allerlei overlast en gevaar blootgesteld en van het kussen gejaagd,
ja, mogelijk in verzekerde bewaring genomen Ie worden. Vooral den Advokaat bedreigde
de felheid zijner benijders met zulk een lol, hoezeer alle schijn van reden om hem
gewelddadig te bejegenen weggenomen was: immers was bij het, hij, de »mond" der
Edelen, die thans de ergernis uit den weg geruimd en niet alleen de waardgelders af-
gedankt, maar zelfs eene Nationale Synode toegestaan wenschle te zien. Doch zijne
haters konden niet rusten vóór zijnen val: zij hielden zich overtuigd en overreedden den

' Rcsol v, IML, 2 Aug. 1G18.
III Deel. 2 Stuk.

lOG

ocr page 715

842 ALGEÜIEENE GESGHlEDEKiS

rngÊmmÊmmÊÊi^^m^^mm^^^ÊÊÊiÊÊ^mÊÊ^ÊmÊmiÊmÊm^^eammm^Ê^mmmmmÊ^mmÊÊ^Êmm

lois. Prins, dat, zoolang oldenbarkevelt zich aan hét bewind bevond, er voor hunne partij
niets gewonnen was. Dus, schuldig of onschuldig, hij moest het slagtofier worden.
Waren er dan geene strafbare daden door hem bedreven, zoo moesten zijne beginselen
gestraft worden. Hiervan bewust, stelden de Edelen den Augustus voor, dat in
geval er gedurende den tigd, dat men over de Provinciale Synode en over de voorwaarden
van de byeenroeping der Nationale Synode handelen zou , eenige aanslag tegen de sleden ,
die waardgelders in dienst hadden, ondernomen mögt worden, de verschillende Leden
van
Holland en West-Friesland elkander volgens de bestaande verbindtenissen bijstaan
zouden; alsmede, dat men den Advokaat bij vernieuwing, volgens verscheidene vroegere
besluiten, in der Stalen bescherming nemen zou. Noch op het een, noch op het ander
verkozen zich de vijf Steden
[Schiedam ditmaal niet genoemd) Ie verklaren. Des-

Avegens werd haren Gedeputeerden tegemoetgevocrd, dat zij niettemin bedenken moesten,
overeenkomstig de Verdragen en Verbonden gehouden Ie zijn, de andere sleden te bescher-
men en bij te staan, en, wat den persoon des Advokaats aanging, daar hij deed, wal hij
verpligt was, zoo zou hij, dus betuigde hij zelf, geen uur langer in dienst blijven, wanneer
hij zich niet verzekerd kon houden, in de bescherming der Staten te slaan. In dezelfde
De zes steden vergadering werd de mededeeling gedaan, dat aangezien de zes Steden niet tot eenigen
neklig'^cen voor- voorslag ter bemiddeling der godsdienstgeschillen te brengen waren, alsnu de Edelen
^eling^O do™'^'ontwerp zouden opstellen, opdal dit »op morgen met een ongepassioneerd
gemoed mögt worden onderzocht, in de hoop dal God Almaglig zijnen zegen tot on-
derling verstand en eenigheid geven zou Hoe dikwijls was deze vrome wensch reeds
geuit, en hoe dikvvyls te vergeefs! — Den volgenden dag herhaalden de Edelen de vraag,
I of nu werkelijk al de Leden gezind waren om elkander legen alle dadelykheden te

1 beschermen; indien ja, zoo zouden zij het ontwerp mededeelen; indien neen, zoo zou

zulks onnoodig zijn. Immers slechts ingeval al de Leden zich eendraglig aaneensloten,
I kon
Holland het vraagstuk der Synode dus opgelost zien, dat daarbij de hoogheid des

Lands niet te kort werd gedaan. Weder weigerden de zes Sleden zich te verklaren: zij
wenschten
Holland zonder wil of magt over te leveren. Niettemin verlangde de meer-
Voorstel der derheid mededeeling van het ontwerp. Het hield in, dal er eene Provinciale Synode
Etleleu, ^^^ gehouden worden ter voorbereiding lot de Nationale, en bijaldien de zaak zelfs op

deze laatste » niet gevonden worden kon," zoo zou er eene Generale Synode byeenge-
roepen worden. De meerderheid vond goed, dat men op den voet van dit ontwerp zou
mogen beginnen te onderhandelen: alleenlijk verlangde men vooraf kopij van het ont-
werp om het, elk aan zijne lastgevers, te kunnen mededeelen. Doch de Gedeputeerden
der zes sleden keurden het ontwerp af, op grond dat daarbij alles wat in deze zaak
lot dus verre gedaan was, omver was geworpen. Het is waar, ging dat voorstel door,

' Resol. V. Holl., 3, 4, 7 Aug. 1618.

^ \

ocr page 716

. DES VADERLANDS. 855

dan zou de zaak van de bijeenroeping der Synode op nieuw bij de Stalen-Generaal in 1618.
behandeling genomen hebben moeten worden, en wat er gedaan was ter uitschrijving
der Synode, zou als niet geschied aangemerkt geworden zgn. Doch, kwam de Nationale
Synode slechts tot sland, dan vpas immers al wat men wenschte verkregen? Neen! Men
wenschte nog iets anders: de tegenstand tegen de maatregelen, reeds door de Sfaten-
Generaal genomen, moest gebroken, of liever de tegenstanders moesten geveld worden,
en ten dien einde ging men voort met de van den aanvang aan zoo verwonderlijk
behendig gevolgde staatkunde, en zorgde, dat men de partij, die ten val gebragt
moest worden, niet zoo veel toe liet geven, dat er geen voorwendsel meer beslaan zou
hebben, om ze ter neder te slaan'. Den Augustus traden de Edelen in nadere bij-
zonderheden, in hun ontwerp vervat. De uitteschrijven kerkelijke vergaderingen zouden
zich alleen bezig te houden hebben met de vijf punten: wat daarbuiten tegen de regt- |

zinnige leer scheen te strijden, stond ter censuur der Kerk, aan welke des- noods door
den wereldlyken arm regt verschaft kon worden. Op de Provinciale Synode alzoo zou
men de vyf punten behandelen, en al wat aldaar niet uitgemaakt kon worden, zou
men in de Nationale Synode brengen; wat eindelijk ook hier niet beslecht worden kon,
zou in eene Generale Synode van alle Gereformeerde Kerken der Christenheid beslist
worden, met dien verstande, dat niemand aan deze beslissing zou gehouden zijn, dan
wie er zich vrijwillig aan onderwierp. Hiermede meenden de Edelen zoo ver te zijn
gegaan, als met behoud van de vrjjheid en souvereinileit van
Holland eenigzins ge-
schieden kon. Wie daarmede geen genoegen nam, moest dit slechts te kennen geven
en zelf met een voorslag voor den dag komen. In gemoede waren alzoo de zes Sleden
op nieuw verpligt in eene onderhandeling te treden, die het dreigend geweld zou gekeerd
hebben. Doch geene zedelijke verpligting tellende, wilden zij geenerlei voorslag doen,
en bepaalden zich lot de verklaring, dat men had toe te treden tot hetgeen de Stalen-
Generaal in de zaak der Synode gedaan hadden ^

Den 13'·®" Augustus kwam de Prins uit Utrecht te ^s Gravenhage terug. Zouter DePrineisnit
eenige daad van geweld gepleegd worden, dan was die alzoo nu spoedig te wachten. '
BorssiSE, die reeds den 4''®" Augustus alhier was aangekomen, ging den Prins op dien
dag zeiven bezoeken. Zijn moed was sedert zijne komst uil
Frankrijk ter neder ge-
slagen. Overtuigd dat het regt en de bekwaamheid uitsluitend aan de zijde van
oldeit-
BARIVEVELT CU zijoen aanhang waren had hij zich eene niet al te moeijelijke zege
beloofd. Zoo hij den Prins volgens zijne Instructie op den toon van het onbepaaldst
vertrouwen bejegende, en behendig de belangstelling ontveinsde, die
Frankrijk voor
OLDEKBARNEVELT gevoelde, waande hij zonder al te grooten aansloot de staatkunde, die

1 Resol. V. Holl., 8, 9 Aug. 1618.

2 CÄIILETON, II, ρ. 287.

855*

ocr page 717

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1(518. DU MAURiER steeds had voorgestaan, ook thans te zullen doen zegevieren. Doch weldra was
hy beter ingelicht omtrent de kracht en de bedoelingen der tegenpartij. Toen hij den
Prins bij het bezoek, dat hij hem den IS*·®" Augustus bragt, voorstelde, de Regenten
der steden te magtigen, voorloopig in plaats der waardgelders eenige compagniën ge-
wone troepen ter hunner bescherming te kiezen, antwoordde deze kortaf: » De Regenten
moeten hunne veiligheid nergens anders dan in de openbare veiligheid zoeken Z,ie-
daar een magtwoord, dat in het algemeen waar mag wezen, maar hier niet gelden
mögt, waar, mede door 's Prinsen houding zelve, eene partij tegen de Regenten was op-
Boissises rede geruid. Den 14'*°" Augustus had boissise , vergezeld van du maurier , gehoor by de
iie/staten^-gene^ Staten-Generaal^ in tegenwoordigheid van zyne Excellentie en van Graaf wille μ lode-
WIJK. Reeds vooruit ontmoedigd door de stroefheid en het wantrouwen, dal hij op
het gelaat der aanwezigen las ^^ begon
boissise te spreken. Dadelijk gaf hij reken-;
schap van het doel zijner zending. De Koning had hem herwaarts gezonden om de
Staten bekend te maken met het leedwezen en het ongenoegen van Zijne Majesteit we-
gens de geschillen, die hunnen Staat met eene gevaarlijke wending schenen te bedreigen.
Ilij was gekomen om aan het streven van
du maurier, wiens pogingen de volledige
goedkeuring van zijn Hof verwierven, meer kracht bij te zetten. Had
Hendrik IV ge-
leefd, het ware met hunne binnenlandsche oneenigheden zoo ver niet gekomen. Immers
bragten
Hendriks beginselen mede, dat in geheel de Christenheid, bij verschil van gods-
dienstige overtuiging, vrede kon heerschen, en
hekdriks roem gaf hem het regt om
aan die beginselen ook in het buitenland de zege te verzekeren. Dus zou hij de ge-
schillen in de Vereenigde Provinciën in de geboorte gesmoord hebben. Wat
hekdrik
zelf niet meer doen kon, mögt thans zijne gedachtenis uitrigten! Dus bezwoer hen de
Koning, zyn zoon, bij de gedachtenis zijns vaders, bij hunne onderlinge vriendschap,
die HENDRIK overleefd had, bij de liefde voor hun eigen vaderland en voor zich zeiven,
zich niet langer door al te fijne vraagstukken te laten verdeelen. Staten gingen te
gronde, zoo zij van hun beginsel afvallig werden: daarom moesten zij aan de Unie,
ongewijzigd, getrouw blijven. Godsdienstige geschillen, als welke onder hen bestonden,
streden met Gods wil, die zekere geheimen met een ondoordringbaren sluijer voor ons
bedekt had. De bitterheid en de harlstogt, die ten gevolge van die twisten onder hen
heerschten, stonden hen te verleiden lot onmenschelijkheden en snoodheden, den chris-
lennaam onwaardig. Wilde men in deze vraagstukken tot eenige beslissing komen,
zoo moesten de maatregelen, daartoe strekkende, algemeen worden goedgevonden. In
Frankrijk had men genoegzaam gezien, dat de menschen op het sluk der godsdienst

1 oüVBÉ, p. 283.

2 Ã¼uvbé, p. 283.

ocr page 718

DES VADERLAISDS. 845

slechts overtuigd, niet gedwongen wilden wezen, en overtuigd werd men niet door eene Ifiis.
uitspraak ten voordeele
Tan een jler beide uiterste gevoelens. Hel einde van het Bestand
was op handen; vond de oorlog, bij hare nieuwe uitbarsting, hen Iweedragtig, zoo
was hun val gewis. »Gij, Mijnheer (dus wendde hij zich thans lot Prins
maurïts), red
dezen Staat, die zich in uwe armen geworpen heeft; red hem, opdat de gedachtenis van
uwe overwinningen en zegepralen met dezen Slaat lol de nakomelingschap worde over-
gebragt. En gij, Mijne Heeren, redt den Staat door uw wijs beleid!" — Zoo sprak de
Fransche Gezant en (was het ironie of huichelarij?) de Stalen verzochten hem zijnen
Koning voor zijne »vaderlijke zorg en hoogwijzen raad" Ie bedanken. De Gezant had
een beroep gedaan op de beginselen van eenen
iiehdrik, den Groolen, welke ook die
van WILLEM
van Oranje geweest waren; docli die beginselen moglen in de oude Staats-
lieden van
hendriks Bewind in Frankrijk ^ zy moglen in oldekbarkevelt en in zijne
leerlingen nog leven, — om ze te vallen waren de geesten dergenen, tol welke hij sprak,
te beneveld en hunne gemoederen te zeer door hartstogt vooringenomen. Wal in
groole geesten aan hel licht is gekomen, wordt niet zelden op nieuw als door don-
kere wolken overlogen. Zulk eene ure der verduistering was het ihans bij ons te
lande. — Doch reeds baanden de geweldige maatregelen, die men op het oog had, voor
het licht den weg om weder door te breken. Het onverdiend vergoten bloed van den
groolsten vertegenwoordiger der ware beginselen van den nieuwen tijd, zou den moed
voor goed bekoelen en teweegbrengen, dat men slechts
onwillig op den ingeslagen weg
voort zoü gaan, om hoe eer hoe beter om te keeren.

Denzelfden dag stelden de Edelen in de vergadering der Stalen van Holland op nieuw
de vraag voor, of de Steden thans ook iels bedaclil hadden, dal strekken kon om hel hoofd-
bezwaar, de moeijelykheid, die de uitschrijving der Nationale Synode opleverde, uil den
weg te ruimen. De meeste Leden verklaarden hierop nog altijd lot niets anders gelast

te zijn, dan lol het toeslaan eener Provinciale Synode. Thans echter het voorstel der De meerderheid

in de Staten van

Edelen van den Augustus vernomen hebbende, en verlangende zoo veel toe te geven Holland is gun-
als met 's Lands vrijheden en geregligheden beslaan kon, zoo zouden zij dal voorstel aan voorsteTder Edc^
hunne lastgevers gunstig aanbevelen, ten einde daartoe te mogen toetreden, en dus ein- gestemd,
delijk eenmaal »uit deze droevige zwarigheden te geraken." Maar de Gedeputeerden van
Dordrecht, Amsterdam, Enkhuizen, Edam, Monnikendam en Purmerende wilden ook
nu van niets anders welen dan van eene gave aanneming der Nationale Synode, zoo als zij
door de Generaliteit was uitgeschreven: daartoe, voegden zij er bij, »was het hoog lijd,
en men diende er geen uur langer mede Ie talmen: anders zou wat door deze Verga-
dering niet gedaan werd, door anderen voor haar gedaan worden." Hierop weerden
die Gedeputeerden verzocht, den voorslag der Edelen eens afzonderlijk in overweging te
nemén en Ie zien, of men elkander daarop niet zou kunnen verslaan: de uitschrijving
der Nationale Synode en de bepaling van den dag der bijeenkomst door de Generaliteit

ocr page 719

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. ZOU dan geldig mogen blijven Doch, aan de eenmaal aangenomen houding getrouw,
sloegen de Gedeputeerden der genoemde sleden ook dit verzoek af, met hetwelk inder-
daad aanvankelijk reeds alles werd toegegeven.

Houding der Terwijl dus de verzoening binnen den boezem der Staten van Holland alleen door
depuLÏrSi^dêonverbiddelijkheid der minderheid niet tot stand kwam, hielden deze Staten zich
Generaliteit. jj^g stegjg goed tegenover de Generaliteit. Den laatstleden was aldaar het inbren-

gen der consenten op nieuw voorgesteld, en Holland had volhard bij de eenmaal ge-
stelde voorwaarden. Twee dagen later had hetzelfde alweder plaats, en nu besloot de
Vergadering, dat men den Raad van State zou verzoeken eenigen zijner leden den
last op te dragen om de Staten van
Hollandy ten einde verwarring in de geldmiddelen
te voorkomen, tot inschikkelijkheid te bewegen 2. — In deze dagen was het schip, dat
naar
Dieppe gezonden was om het geld, voor de Fransche troepen bestemd, af te halen,
te
Rotterdam binnengeloopen, en nu was het dadelijk Hollands streven, dat geld in
handen te krggen. Men besloot alzoo de aflevering dier penningen te vorderen in
mindering van de gedane voorschotten Ook dit was een middel om de Generaliteit
te doen gevoelen, dat
Holland niet magteloos was, zoo men haar niet onregtvaardig
van het hare wilde berooven. — Toen den in tegenwoordigheid van Zijne Excellentie
en van Graaf
Willem lodewijk verslag gedaan was van de zending naar Utrecht, en
de Heeren, die de Deputatie hadden uilgemaakt, voor de wijze, op welke zij zich van
hunne taak hadden gekweten, plegtig bedankt, en de Prins verzocht was op die Avijze
»met ernst voort te gaan, tot rust, vrede, welstand en verzekerdheid van den Slaat
van den Lande," en daarna de Hollandsche leden »vriendelyk en ernstig uitgenoodigd
waren zich met de andere Provinciën in alle punten te willen vereenigen en hunne
waardgelders ten' dien einde af te danken, in de Synode te bewilligen en hunne con-
senten in te brengen," antwoordden dezen, dat, wanneer het verslag op schrift gesteld
zou zijn, zij het aan hunne lastgevers zouden mededeelen, die daarop doen zouden wat
zij zouden vermeenen te behooren: intusschen bleven zij er op staan, dat men hunne
regten eerbiedigen zou. De heer
witsz van Dordrecht echter vereenigde zich uit naam
der zes Steden met de hulde door de Staten-Generaal aan zijne Excellentie gedaan —
Op dien zelfden dag rigtten de Hollandsche Edelen in de Statenvergadering, als ten over-
vloede , nogmaals de vraag tot de Gedeputeerden der zes Steden, of zij niet door afzon-
derlijk overleg tot eenen voor de overige Leden aannemelijken voorslag nopens de Synode

■li ■

1 Resol v. Holl., 15 Aug. 1618.

2 Resol. Stat.-Gen. 13, 15 Aug. 1618.

3 Resol Stat.-Gen., 15 Aug. Resol. v. Holl., 16 Aug. 1618.
^ Resol. Stat.-Gen., 16 Aug. 1618.

• \

ocr page 720

DES VADERLAISDS. 847

komen wilden, en op het ook nu weigerachlig antwoord, Terzochlen zij de overige iei8.
Gedeputeerden de dreigende gevaren en onheilen door tijdig toegeven te voorkomen.
Ten dien einde stelden zij voor, de Vergadering te verdagen lot dat allen daarloe vollen
last van hunne principalen bekomen zouden hebben : zij van hunnen kant zouden zich
tot hetzelfde doel beijveren. De meerderheid keurde dit voorstel goed, en verbond zich
])e Statenver-
gedurende een reces van een viertal dagen hare lastgevers lot het aannemen van de
uitschrijving der Nationale Synode te gaan overhalen, »mits men zich slechts in tliege-
Synode niet zou onderwinden kerkelijke wellen te maken, noch de Synodale acten in
de Generaliteit zouden worden vastgesteld, voor en aleer zij bij de Provinciën elk afzon-
derlijk overwogen zouden zijn." Toen alzoo dat voorstel was aangenomen, en bovendien
de Steden, die waardgelders in hare dienst hadden genomen, zich de vermaning hadden
laten welgevallen, dat zij ze gevoegelyk zouden zien af te danken en de handhaving
der openbare veiligheid aan hare schutterijen zouden toevertrouwen; toen, voorwaar,
was al het mogelyke geschied, en de Staten-Generaal hadden hunnen zin gekregen:
althans konden zij gerust en zonder iels aan te vangen de terugkomst der Ilollandscho
Staatslieden legen den volgenden dingsdag (den 21""'} afwachten. Doch wat deden in
dezen stand der zaak de Gedeputeerden der zes Steden? Zij verzochtenj dat de Verga-
dering niet geschorst, maar de waardgelders dadelijk afgedankt en de Nationale Synode
onverwijld aangenomen mögt worden. Zoo er eenige leden, onder voorwendsel van nog
naderen last te behoeven, verJ.rekken wilden, zij moglen hel lijden, maar waren van
zins legen alle voorkomende gevallen de Vergadering voort te zetten ^ — Waartoe dit
nieuw verzet tegen de besluiten der Vergadering? waarloe thans door zich legen het
reces te verzetten het tegenovergestelde gedaan van hetgeen zij eenigen lijd geleden
gedaan hadden, en zich alleen in wederspannigheid legen de wellige meerderheid gelijk
gebleven? Het was omdat men den Prins en de Staten-Geneneraal door geenen zedelijken
band genoopt wenschte te zien, de geweldige maatregelen, die zij op het oog hadden,
minstens te verdagen. Het was omdat zy
Holland zelfs den schijn niet gunden van
vrijwillig het hoog bevel der - GeneraUteit Ie gehoorzamen. De Vergadering van
Hol-
lands
Stalen moest bijeenblyven om hare eigen schande te zien en door hare tegenwoor-
digheid hare vernedering volkomen en onherroepelijk te maken, welligt ook opdat
sommige leden, die men hunne moedige pliglsbelrachling mei hunne eer en vrijheid
meende betaald te zetten, zich niet onder voorwendsel van overleg mèl hunne lastgever»
uit de voeten zouden maken. — Deze tegenkantiog der minderheid trok men zich echter niet
aan, en nadat men, alsof de Nationale Synode reeds ingewilligd geweest ware, nog in
rondvraag gebragt had, of de voorbereidende Provinciale Synode eene gemeenscha,ppelijke
vergadering van
Noord- en van Zuid-Holland zijn zoude, dan wel of de beide kwar-

' Resol. V. Holl., 16 Aug. 1618.

ocr page 721

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

a

1618. tieren, gelijk tot nog toe het gebruik geweest was, elk eene afzonderlijke Synode hebben
Eene Gommis-zouden, werd besloten, dat eene Commissie, beslaande uit cénen der Edelen en een lid
aenTotï:Sins uit elk der steden
Haarlem, Leiden, Rotterdam en Alkmaar, tot Zijne Excellentie gaan
gezonden. zouden om hem te begroeten, hem den staat en de zaken van het Land in het belang van
het herstel der eensgezindheid aan te bevelen, het genomen reces aan te zeggen en
hem te verzoeken te zorgen, dat er intusschen geene dadelijkheden ondernomen werden,
in de hoop, dat tegen de naaste bijeenkomst al de leden »tot onderling goed eenparig
verstand" geraken zouden ^ Dit was een voorstel tot het treffen
Tan een soort van
wapenstilstand. De Prins wachtte do Commissie af, voor welke
oldenbarwevelt, die
de Edelen vertegenwoordigde, het woord zal gevoerd hebben, en stond den grijsaard
in zyn onschendbaar karakter van redenaar der Souvereine Mogendheid van
Holland
te woord, met het voornemen in het hart om, na eenige dagen of uren misschien, de
handen aan hem te slaan. Het is waar, het onvriendelijk stilzwijgen, door den Prins
bewaard, deed de Commissie de ijdelheid van haren stap gevoelen
Aanleiding tot Dadelijk bleek het vergeefsche ook van deze poging nog denzelfden dag uit hetgeen er in
het afdanken der vergadering der Staten-Generaal voorviel. Er werd een verzoekschrift gelezen van de ont-
/fo//««^*^^" ''^schutterde Leidsche burgers, waarin zij zich in het bijzonder beklaagden over »de ondrage-
lijke grofheden, zoo met woorden als daden, door de waardgelders bedreven, en de openbare
verdrukkingen, straatschenderijen en gewelddadigheden, straiFeloos door hen gepleegd." De
indiening en mededeeling van dit verzoekschrift diende om eene aanleiding te geven ten
einde lot een besluit betreffende de waardgelders te komen. De Hollandsche Gedepu-
teerden , aangemaand om op die zaak orde te stellen, verklaarden, dat geene gegronde
klagten deswegens bij de Staten hunner Provincie waren ingekomen, anders zouden zij
die aanmaning niet hebben afgewacht ora zulke ongeregeldheden tegen te gaan. Doch dit
belette niet, dat onmiddellyk het voorstel gedaan werd om de waardgelders af te danken
wegens hunnen moedwil tegen de goede burgers, en het ongenoegen, daardoor verwekt.
Dit voorstel werd aangenomen en er werd besloten dadelijk een plakaat op naam der
Generaliteit uit te vaardigen, waarbij den waardgelders gelast werd, hunne wapenen
af
Ie leggen binnen den tijd van 24 uren na de uitvaardiging, onder bedreiging van als op-
roerlingen aan lijf en goed gestraft te worden, anderen ten voorbeeld. Zijne Excellentie en
de Gecommitteerden, die met hem naar
Utrecht geweest waren, zouden met de uitvoe-
ring belast worden. Toen dit besluit genomen was, verklaarden die van
Holland, dat
de Staten hunner Provincie reeds middelen hadden beraamd en voorgeslagen, niet alleen

^ Resol. V, Holl., 16 Aug.

2 »Les arguments," zegt ouvré, p. 284, »les argumenis (de Barneveld) échouèrent contre Ia
silencieuse opiniatrelé du prince." Dit zegt hij met betrekking tot het onderhoud, dat
oldeiiban-
^ΈVELT den l?··"" Aug met den Prins had.

ocr page 722

DES VADERLAISDS. 849

om tot het afdanken der waardgelders te komen, maar ook om de Nationale Synode in 1018,
te willigen. Dus verzochten zij de uitvoering van het besluit te schorsen tot den aan-
staanden dingsdag, wanneer de Staten weder bijeen zouden zgn, of hun ten minste tot
morgen tijd te laten om van het genomen besluit aan hunne principalen verslag te doen.
Doch niets mögt baten. De Fransche Ambassadeurs deden op uitnoodiging der Leidsche
Laatste pogiwg
en Rotterdamsche Gedeputeerden nog eene poging, en den volgenden dag deelde de ^ante""^'^'^^
Voorzitter
manmaker in de Vergadering hun ernstig verzoek mede, dat men toch vooral
nog de uitvaardiging van het plakaat zou uitstellen, dewijl zij duchtten, dat die zaak tot
bloedstorting zou kunnen leiden, — Inderdaad, uit de taal der ontschutterde Leidsche bur-
gers , onder anderen, was gebleken, hoe verbitterd men was tegen de Regering, die de
waardgelders in hare soldij had, en zou men die Regering nu eensklaps van de be-
scherming van deze krijgslieden berooven? Dit was immers zoo goed als haar aan de
wraak van hare vijanden ten prooi te laten? Zoo scheen het; maar werkelijk was dit
gevaar zoo groot niet. En hier is het de plaats om op nieuw van geluk bij het onge-
luk te spreken. Dat de Prins aan het hoofd stond was een waarborg. De volksleiders
wisten, dat hij geen oproer, plundering of moord zou dulden. Zij onthielden zich dus
van den minsten wenk, die daartoe zou hebben kunnen aanzetten, en het ontzag voor
den Prins, het vertrouwen op hem, was bij den gemeenen man groot genoeg om van
dien kant alle gewelddadigheden te voorkomen. Maar dat de bestaande stedelijke Re-
genten aan het bewind zouden blijven, dit was niet te verwachten, en groot was de
onrust, die er onder hen heerschte Men dacht er niet meer aan, de waardgelders
aan te houden, en was er nog slechts op bedacht om ze tijdig genoeg af te danken,
ten einde het gebiedend optreden van den Prins te voorkomen. Trouwens, de tus-
schenkomst der Fransche Gezanten werd zonder pligtplegingen in den wind geslagen.
Immers werd onmiddellijk na de mededeeling van hun verzoek het ontwerp van
het plakaat tot afdanking der waardgelders gelezen en goedgekeurd, en het besluit ge-
nomen, dat men het dadelijk zou laten drukken en het gedrukt in handen van zijne
Excellentie en de Gecommitteerden gesteld zou worden. Hierop herhaalden de HoUand-
sche Gedeputeerden hun verzoek om uitstel: zij hoopten vastelijk, dat bij de terugkomst
van de Leden der Staten van
Holland aan de Staten-Generaal op de beide punten ge-
noegen zou gegeven worden, en verzochten, dat men gedachtig zijn wilde aan de goedo
diensten, die
Holland, hetwelk thans den toon van een smeekeling moest aannemen,
vroeger aan de andere Provinciën bewezen had en nog zou kunnen bewijzen: zelfs
tegen
Utrecht, klaagden zij, was men zoo overhaast niet te werk gegaan. Zoo ver was
het met
Holland gekomen, dat het, met het regt en de Unie voor zich, de andere
Provinciën, die meerendeels zonder
Holland nog onder den dwang van Spanje gekromd

ï CARLETON, 11, p. 281, 282.

III Deel. 2 Stuk. 107

ocr page 723

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1C18. zouden gelegen hebben, als een veroordeelde om genade bidden moest Μ Maar nog
Oe vernedering was de mate der Yernedering, die men Holland aandoen wilde, niet Tolgcraelen.

J^® wellige Regering dezer Provincie moest geheel miskend en dus bejegend worden,
alsof zij niet meer bestond. Dingsdag den bragt
manmaker het plakaat gedrukt

Ier tafel, en thans werden onder de Hollandsche Gedeputeerden uitdrukkelijk die der zes
steden ter vergadering geroepen, alsof zy eene wettige magt in den Slaat en
Hollands
Avare vertegenwoordigers waren. Alsnu werd beraadslaagd, of men het plakaat zou uit-
vaardigen, en bijaldien het niet gehoorzaamd werd, den Prins en den Gecommitteer-
den, die naar
Utrecht geweest waren, de uilvoering op zou dragen. Hierop werd »met
toestemming van de Gedeputeerden der zes steden," zegt het Register der Resolutiën,
besloten het dadelijk te ^sHage uit te vaardigen, en het toe te zenden niet alleen aan
de Burgemeesters en Regeerders van de steden, die waardgelders aangenomen hadden,
in de eerste plaats aan die van
Leiden, met verzoek, dat ieder het ten zijnent zou uit-
vaardigen ; maar ook aan de kapiteins der verschillende compagniën waardgelders, met
last zich er naar te gedragen. Daarna werden de zes Sleden verzocht, gelijk er eene
Commissie uit haar midden bij de afdanking te
Utrecht tegenwoordig geweest was, zoo
ook thans eenigen van harentwege te commitleren ten einde zich te voegen bij den
Prins en de Commissie der Staten-Generaal tot uitvoering van het plakaat. Thans ver-
zocht
de groot »van wege de aanwezige Gedeputeerden van eenige andere steden van
Holland,''^ zegt wederom het Register, alsof de wellige Gedeputeerden geene Staten
van
Holland meer vertegenwoordigden, — thans verzocht de groot op nieuw de uit-
vaardiging uit te stellen lot den volgenden dag, als wanneer «al de Sleden van/io/Zawt/
en daaronder ook de zes" bij elkander zouden zijn om in deze zaak een besluit te
nemen, »zoodat men alsdan niet buiten de gewone orde zou behoeven te gaan." Zoo
hield DE GROOT bescheiden, maar duidelijk, de reglen van
Holland, die voorbeeldeloos
onbeschaamd miskend werden, tot het uiterste staande. In dezelfde vergadering werd
voorts beraadslaagd over het ontwerp van antwoord , aan
eoissise te geven, maar de be-
raadslaging uitgesteld »ten verzoeke van de Heeren Gecommitteerden van de Edelmo-
gende Heeren Stalen, van
Holland en West friesland ter dezer vergadering." In
deze zaak erkende men dus de Gedeputeerden weder bij hunnen vollen titel, als
om hen te doen gevoelen, dat zij zieh slechts op het stuk der waardgelders en
der Synode te onderwerpen hadden om weder in genade Ie worden aangenomen;
doch evenwel voegde men er bij, dat het uilslel verleend was »met goedvinden van de
Gedeputeerden der
zes steden — Op dit tijdstip, nu de tegenstand tegen de Slaleo-
Generaal in
Holland had opgehouden, en reeds nagenoeg overal de waardgelders y^aren

1 Bcsol. Slal.-Gen. 18 Aug. 1618.

2 Rcsol StaL-Gen. 21 Aug. 1G18.

ocr page 724

. DES VADERLANDS. 107

afgedankt, gaven de Regenten der stad Gouda een stoutmoedig blijk, dat zij in de zaak Ißis.
van de Synode geene onbehoorlijke maatregelen door hun stilzwijgen verkozen goed te
maken. Zij schreven op een nader verzoek der Staten-Generaal, aan de Steden van
Holland gedaan en strekkende om de uitschrijvingsbrieven in den Raad en Vroedschap
te willen brengen, dit antwoord, dat zij dat verzoek hadden ontvangen, en, »als de
zaak van wege de Edel Mögenden Heeren Staten van
Holland en Weslfriesland voor-
gedragen zou worden, niet zouden nalaten daarop te lellen en te besluiten zoo als zij
behoudens hunnen eed en de vrijheden van het Land en van hunne slad zouden achten
te behooren

Tot het laalste toe werd de Hollandsche Regering door de Fransche Gezanten onder-
steund, De Slaten-Generaal verlangden zich de overgezonden penningen ter hand gesteld
te zien om ze tot betaling der soldg in het loopende jaar te doen dienen; maar de
Staten van
Holland vorderden ze voor zich, uit kracht van hun regt op terugontvangst
van de gedane voorschotten, en de Fransche Gezanten waren gezind om hun genoegen
te geven Den Augustus gaven zij den Staten-Generaal te kennen, dat zij,

wat hen betrof, de penningen wel aan de Generaliteit zouden willen afstaan; maar dal
zy hiertoe de toestemming der Slaten van
Holland niet konden verkrijgen, en dan ook
van oordeel waren, dat men
Holland die opoffering niet vergen kon Doch alle
voorspraak der Fransche Gezanten was gdel. Dit bleek hun overtuigend uit het ant-
woord , dat
BoissisE den 20''°° van de Slaten-Generaal op zijn voorstel verkreeg. Antwoord aan
Het behelsde na eenige algemeene dankbetuigingen de volgende woorden: )>Wat^"'^^^^^^cgiiven.
aangaat de oneenigheden, die de Republiek
schijnen te beroeren, zoo verklaren Hun
Hoogmogenden, i dat, Gode zij dank, de gevaren niet zoo groot zijn, als men er buitenslands
van opgeeft. Waren zij dat werkelijk geweest, zoo zouden Hun Hoogmogenden zeiven
zyne Majesteit er kennis van gegeven hebben." Zij verzochten dus slechts de overkomst
van drie of vier godvreezende onbesproken Gereformeerde Fransche Godgeleerden
om de Nationale Synode bij te wonen. Dit, hoopten zy, zou de Koning niet afslaan,
en zoo zouden de Stalen »met de zachtste, gevoegelijkste en redelijkste middelen" de

^ Resol, Siat.-Gen. 22 Aug. vgl. 14 Aug. en 27 Julij 1618. De andere Steden schijnen niet op
zoo hoogea toon, als den 28"'® Julij besloten was (zie hiervoor bl. 839 en 840), geantwoord
te hebben.

Eesol. SlaL'Gen. 18 Aug.

2 De Staten-Generaal verzochten alstoen de Heeren van Holland ^ zoo zij dan de penningen
ontvingen, ten minste voor de betaling van de Fransche troepen voor het loopende jaar te zorgen,
vermits verscheidene Provinciën, op die penningen rekening makende, in die betaling voor dit jaar
niet voorzien hadden. De Hollandsche Gedeputeerde, de Heer van
mathenessb, nam hiermede nog geen
genoegen en sprak van het ongelijk, dat men ook liierdoor
Holland aandeed {Resol. Stat.-Gen. 23 Aug.).

107*

ocr page 725

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. rust en eenigheid herslellen. — Men ziet, de laai der Slaten-Generaal was gelijk aan
die van dengenen, die eenig dreigend gevaar na krachtige inspanning meester geworden,
en voortaan zeker van zijne zaak, de ongezochte hulp van vreemden met een: »de
zaak heeft niets te beduiden," afwijst. Het laat zich denken, dat zulk een antwoord
niet met
Hollands toestemming gegeven werd. Oldekbarnevelt had er krachtig op
aangedrongen, dat men
boissise op zijn voorstel, des noods door middel eener byzondere
Deputatie van Hollandsche Staatsleden, den staat van het geschil zou uiteen zetten, en
daarbij vooral niet vergelen, hem het regt te verklaren, hetwelk in zulke vraagstukken
aan elke Provincie toekwam. Na zulke inlichtingen had hy gewild, dat men
boissise
als scheidsman had ingeroepen. Maar zyn aandrang rigtte niets anders uit, dan dal men
hem herinnerde, hoe hij vroeger de uitspraak van den Koning van
Engeland en van
den Keurvorst van de
Pallz had afgeslagen met de betuiging, dat men zoolang hij
leefde en eenigen invloed had, geen zee of bergen zou oversteken om in eene zaak
van dezen aard raad in te winnen. Hoe kon hij dan thans, dus verweet men hem,
de tusschenkomst van een Papisliscli, door Jezuiten beheerscht Vorst, en van een,
hoewel gematigd, loch insgelijks Papistisch en voor zijne godsdienst ijverenden Ambassa-
deur wenschen ingeroepen te zien ^ — Twee dagen vóór de vaststelling van het vermelde
antwoord aan
boissise waren de Staten van Holland na hun reces weder voor hel eerst
vergaderd. Het gold toen al spoedig de vraag, of men hel plakaat van de Staten-
Generaal op het afdanken der waardgelders zou doen uilvaardigen, al of niet. De
Edelen en de meerderheid der Leden waren van gevoelen, dat, aangezien de afdanking
reeds byna overal was geschied, en die van
Leiden daarmede bezig waren, hel onnoodig
was, die uitvaardiging te doen plaats hebben. Op morgen kon men de Leidsche Ge-
deputeerden over de zaak hooren en dan naar bevind van zaken handelen. Het spreekt
van zelve, dat de zes Steden zich hiermede niet vereenigden: daar zij zegevierden in
de vernedering van
Holland^ zoo wilden zy de dadelijke uitvaardiging van hel plakaat.

De Edelen stel- Op Vrijdag, den Augustus, leverden de Edelen eene schriftelijke verklaring in,

len voor, in het â€ž , i i ο Ï„Ï„ n ,

lioudea der Na- ^γaarblj ZIJ den gedragsregel, door de Staten van Holland tot nog toe len aanzien van
lewUUgeiu'^"'^^^^^^ godsdienstige geschillen gevolgd, als redelijk en noodzakelijk reglvaardigden. Niette-
min , gingen zy voort, en al hoewel zij gaarne gezien hadden, dat eerst de proef ge-
nomen ware, »wal zegen God Almaglig op de bemoeijingen van eene Provinciale
Synode had willen geven," gaven zij, gezind hunnen bondgenooten en medeleden
zoo veel mogelyk te gemoet Ie komen, aan den aandrang loe, door de andere Provin-
ciën en eenige Sleden van
Holland en Weslfriesland gedaan, en bewilligden in het
houden van eene Nationale Synode. Niet evenwel zonder zich de beginselen, die niet
verloochend worden mogten, uitdrukkelijk voor te behouden. De
verklaring hield name-

1 llesol. Slat.-Gen. 25 Aug. carletox, Π, p. 28S. Resol. Holl. 23, 25 Aug.

ocr page 726

DES VADERLAISDS. 865

lijk verder het volgende in; dat, hoewel de Leden van Holland en Westfriesland de leis.
Mare Gereformeerde Religie met de Geünieerde Provinciën en andere Rijken en Landen
gemeen hadden, noglans het gezag over kerkelijke zaken aan de Stalen van elke
Provincie in het bijzonder toekwam, en niet door de Generaliteit mögt uitgeoefend
wordeji, dan bij eenparige toestemming van alle Provinciën; dat door de Nationale
Synode geene uitspraak behoorde gedaan te worden tusschen de gevoelens, in de vijf
punten vervat, aangezien dit vraagstuk eensdeels al de Gereformeerde Kerken, en dus
ook de buitenlandsche aanging, en anderdeels de gemoederen in het binnenland daartoe
niet onbevooroordeeld genoeg waren. De laak der nationale l^ynode behoorde te zijn, de
uiteenloopende gevoelens te vereenigen in eene bepaling van het dogma, van dien aard,
dal zy met Gods woord beslaan en alzoo met een goed geweten aangenomen worden
•kon: mögt men onverhoopt daarin niet slagen, en werd er eene uitspraak tusschen de
onvereenigbare gevoelens vereischt, dan behoorde men in eene Generale Synode Ie bewilli-
gen, opdat aldaar mögt uitgemaakt worden, wat al of niet voor fundamenteel te hou-
den was, en len aanzien van hetgeen niet fundamenteel bevonden was, de grenzen,
waarbinnen verscheidenheid van gevoelen geoorloofd zyn zou, bepaald raoglen Avorden.
Voorts begreep men, dat geenerlei aden of besluiten van eenige particuliere of Na-
tionale Synode de Landen of ingezetenen van
Holland en Westfriesland zouden verbin-
den, zonder uitdrukkelijke loeslemming en goedkeuring van de Slaten dier Landen,
daartoe welliglijk beschreven. Bovendien verlangde men, dat, ten einde de Nationale
Synode Ie leiden, de Stalen van
Holland eenige Staatslieden met het regt om hoofdelijk
te stemmen zouden mogen afvaardigen, in een getal minstens de helft grooler, dan dat
der staalkundige afgevaardigden van de andere Gewesten, zoo wegens de grootheid van
deze Provincie als wegens het bijzonder belang, hetwelk zij bij de zaak had. Eindelijk
herinnerde men nog uitdrukkelyk, geenerlei verandering loe Ie slaan van heigeen by
alle verbindlenissen en traktaten was bepaald, te weten, dal in
Holland en Westfriesland
ieder burger of ingezetene in zijn gevoelen en godsdienst vrij zou blijven; dal men
niemand ter zake der godsdienst zou mogen achterhalen, onderzoeken of cenigen
overlast aandoen, len ware hij zich vrijwillig aan een anderen regel onderwerpen mögt.
Op deze voorwaarden en anders niet, waren de Edelen genegen in het houden der
Nationale Synode te bewilligen.

Op deze tegemoetkoming van Holland hadden de andere Provinciën van hare zijde
iets kunnen en moeten toegeven. De Generale Synode, in geval zij vereischt zijn
mögt, en de krachtdadige vertegenwoordiging van
Holland op de Nationale Synode Ie
weigeren, konden zij niet zonder onredelijk te zijn; het gezag der Gewestelijke Sla-
ten in kerkelijke zaken te verwerpen, konden zij niet zonder zich onstaalkundig te
betoonen; hel geloofsonderzoek toe te slaan, konden zij niet zonder inderdaad op nieuw
katholiek te worden. En toch het voorstel der Edelen mögt geen genade vinden, reeds

ocr page 727

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. niet Mj de zes Hollandsche Steden. Wat won men, zoo er geene Nationale Synode
gehouden werd, zoodanig ingerigt, dat men zich verzekerd houden kon, dat aldaar het
doemvonnis over de beschermelingen van de gehate partij en over de personen, die men
voor zgne oogen niet langer dulden kon, werd uilgesproken ? -— Terstond na de mededee-
ling der Edelen verklaarde
Dordrecht, dat zij, bg de aanneming Tan het voorstel geen
heil ziende, zich hield aan de gedane uitschrijving van de Staten-Generaal. Dus bad
zij de andere leden alsnog die uitschrijving gaaf te willen aannemen.
Amsterdam ver-
klaarde insgelijks met zulke »beperkende en sluiksche bepalingenals het voorstel
medebragt, de zaak niet gebaat te zien, en met
Schiedam, EnJthuizen, Edam en
Purmerend, >vereenigde zij zich met het door Dordrecht uilgebragt advies. Haarlem
verzocht afschrift van het voorstel om te onderzoeken, in hoeverre het met haren last
overeenkwam.
Delft, Leiden, Rotterdam, Schoonhoven, Briele, Alkmaar, Hoorn en·
Medemhlik vereenigden zich min of meer volkomen met het voorstel der Edelen. Go-
rinchem
en Monnikendam waren door afwezigheid harer Gedeputeerden niet vertegen-
woordigd, en
Gouda betuigde ronduit, de Nationale Synode niet toe te staan, maar te
blijven bij de Godsdienst, die zij had aangenomen en nog bezat, en bij welke zij door
wijlen den Prins van Oranje en sedert bij voortduring erkend was. Nadat aldus van het ge-
voelen der verschillende leden gebleken was, verzochten hen de Edelen, elk zyn advies
oj) schrift te stellen, ten einde des te beter ingelicht de zaak in nadere behandeling te
nemen. Nu waren er nog andere belangrijke vragen aan de orde. Die betreffende de
uitvaardiging van het plakaat op het afdanken der waardgelders werd opgelost door de
verklaring dat zij niet meer noodig was, vermits de afdanking aireede was geschied. In
de zaak van hel inbrengen der consenten, waarop nog daags te voren by eene Depu-
tatie van den Raad van State van wege de Generaliteit was aangedrongen, alsmede in
het hangende geschil over het antwoord aan
boissise te geven, en over de aanvaarding
van de uit
Frankrijk overgezonden gelden, volhardde de meerderheid bij haar vroeger
verklaard gevoelen

De Edelen van Den volgenden dag, Zaturdag den , werd de hoofdvraag zonder uitstel weder
Holland verma- , , ,

nen de Staten tot door de Edelen geopperd, en thans vermaanden zij de Steden, zich nader te verkla-
ding^toTdeiSi^®·· ^oudcn der Nationale Synode, en elk hare verklaring schriftelijk te
der Staten-Gene- ^yjUgn inleveren »om te mogen gelden voor resolutie van inwilliging der Nationale
Synode, tegen den eersten November bijeen te roepen." De zes Steden beantwoordden
deze aanmaning aldus: »haar gevoelen, zeiden zij, was bekend, en alsnog achtten zij
het wenschelijk, dat ook de andere Leden de uitschrijving van de Staten-Generaal zonder
uitvlugten of beperkingen aannamen; anders werd, naar hun oordeel, de zaak vruchteloos
gemaakt." Doch die van
Haarlem toonden zich ditmaal rekbaarder, dan den vorigen

1 Resol. Holl. 23 en 24 Aug. 1618.

ocr page 728

DES VADERLAISDS. 867

dag. Thans vereenigden zij zich met het voorstel der Edelen, mits daaraan deze be- 1618.
paling werd toegevoegd: »dat niemand tegen zijn gemoed gehouden zijn zou op de
Provinciale of de Nationale Synode te verschijnen, noch by openbaar gezag der Overheid
daartoe gedwongen zou mogen worden." Tegen deze bepaling kAvam van de zijde der
meerderheid geen tegenstand. Alleen
Gouda volhardde, zeiden' hare Gedeputeerden,
»bij de besluiten van het begin der onlusten aan tot nu loe van tijd tot lijd op het
stuk der godsdienst genomen: zij duldden in zake van godsdienst geene overstemming.
De Burgemeesters, Schepenen en Raden hunner stad zouden doen, wat zij lot de eer
en de dienst Gods en tot verzekering der rust hunner ingezetenen zouden bevinden te
behooren. Nogtans waren zij niet van meening, de openbare uitoefening van eenige ^·

andere godsdienst behalve de Gereformeerde toe te laten. Kortom, zij stonden de Na- Do Nationale [,
tionale Synode niet toe i." Doch ééne slem kon het besluit der Stalen niet keeren. ftaanf^ l'f

Het hoofdpunt was ingewilligd: de Nationale Synode in dier voege toegestaan, dat de

uitschrijving, door de Slalen-Generaal geschied, voor aangenomen gelden kon. Maar was i.

daarmede aan het verlangen dergenen voldaan, die de zaak zoo ver gebragt hadden ? '

Neen, de bewindslieden, wier beginselen de maatregelen veroordeelden, die men door- i |

gedreven had en nog verder doordrijven wilde, die bewindslieden moesten \an het . ^

kussen, of by al wat men gewonnen had, ontbrak de voldoening, die men gezocht had.
Van lieverlede kon men lol de gcAvcnschte verandering van de wethouderschappen in 11;

de verschillende sleden geraken ; doch wat vermögt men langs den wettehjken of slechts
schijnbaar weltelijkcn weg legen
oldedbarkevelt? Hem, den advokaat der Edelen, die j ι

naast God niemand eenige verantwoording schuldig was, dan alleen den Stalen van
Holland; hem, wiens betrekking niet van de eene of andere gemeentelijke keur afhan-
kelijk was, en wat meer zegt, die door de weergalooze diensten, door hem bewezen,
zich zei ven gemaakt had lot dat wat hij was, ja, zonder wien zelfs de Prins niet ge-
worden zyn zou, die hij was, — hoe dien man van zijne plaats te drijven? Hoe anders,
dan door geweld? Het noodwendig en voor de bewerkers zeiven, al hadden zij het
nu ook anders gewild, onvermijdelijk gevolg van al het gebeurde was, dat men de
handen aan
oldenbarnevelt sloeg; de hoop, dat wanneer men hem eenmaal in han-
den had, er wel eenige schuld in hem te vinden zou zijn, gaf daartoe den noodigen
moed; en op volmagt, door de Staten-Generaal verstrekt, gaf de Prins als hoofd
ογ.οενβαβνε-
der Commissie, die hem tot afdanking der waardgelders ter ziide gestaan had, na zich

" Â° j σ u0gerbket3 cn

met de Gedeputeerden des zes Hollandsche steden verstaan te hebben, op Dingsdag mdenbeug in
, QQsicn All hechtenie
geno

den iö Augustus, het bevel tot oldewbarpievelts inhechlenisneming. Hem alleen men.

als schuldige te behandelen had geen schijn. In de keus van degenen, die nevens hem

zouden getroffen worden, liet men zich door de uitstekende verdiensten en den ijver

i Resol Holl. 25 Aug. 1618.

ocr page 729

8154 ALGEMEENE GESCHIEDENIS

1618. bepalen, waarmede de partg, die men vernietigen wilde, gediend was, en hugo de
groot
en romboüt hqgerbeets werdeu mede in verzekerde bewaring gesteld, en aan-
gezien toch
Utrecht in alles aan Hollands zijde gestaan had, zoo zond men bevelen der-
waarts, dat men zich van
ledenberg zou verzekeren God had besloten, dat olden-
BARicEVELTs zaak zegevieren zou: daarom bestemde Hij hem tot de heerlijke roeping
om ze te bezegelen met zijn bloed.

CARLETON, II, p. 285 , 289.