Dl
DICHTH ARPOE
VOOR DJEN BERUeHTEN W£RKTÃIG-KUNSTENAAH
G ΠΠΠΠΤ Ã
EN ÎÎ¥ÎÎ BEFAAMDE PESTHUIS-POMP.
TOEGEW IJ ΠΤ
Aan den Hooggeleerden en Wydvcrmaardea
9
HEERE
JOHAN LULO
^OQGLEERAJR in de WIS' NATUUR' en
STERREKÃNDE Bc, Bc.
in V LANDS HOOGESCHOOL
Ï Î
L Î Y D Î Î.
t
Ï - ( ^
DICHTH ARPOE
TOOR BEN BERÃCKTEN WERKTUIG-KUNSTENAAR
G ΠΠΠΠΤ Ã,
en Î¶Ï Î½Îµ befaamds pesthuis-pomp.
TOECET^ IJ D Τ
Aan den Hooggeleerden en Wydvermaarden
HEERE
JOHAN LULOFS9
HOOGLEER JAR inde WIS- NATUUR- en
STERREKUNDE êfr,
in 'j LANDS HOOQESCHOOL
Ï Î
L Πγ D Î Î.
Ï Î¿ Î W IJ D I Î G
AAN »EN
Hooggeleerden wijd vermaarden
HEERE
Joh an lulofs,
^OOGLEERJAR in de iVlS- NATUUR- tn
STERREKUNDE, Bc, (fc.
LANDS HOOGESCHOOL
Ï Î
L ΠΥ D Î Î.
a
JluLdogleeraar! die, met uw verimfc.
Voor geene Wetenfchappen fuft;
l^ie, zonder ilruikelen of hinken.
Gelijk een zuivre Diamant
( In 'c goud gevat van uw verftand )
Voor 't oog van al de waereld blinken.
t Lü·
(4)
è Lulofs! die, vol geeft en vuur.
Nog pal ilaat, als een ilaalcn muur,
In 'c ilaaven dat, mee al zijn hijgen,
't Orakel nu geen droppel nat,
( Voor al dien dv/aas verquiften fchat,)
Uit zijn Befaamde Pomp zal' krijgen,.
Geleerde, en Hoog verligte man!
Zie daar, zo 't U behaagen kan,
Een Dichtlluk uit mijn brein gebooren;
En niemand beter toegewijde
Dan U, wien mijn geringe vlijt,,
En letterkennis kan bekooren,
äffe
dichtiiap.poen
VOOR DEN
berückten wiskunstenaar
G Î Î Î Î Ï Ã,
ÎÎ ZIJNE BEFAAMDE
PESTHUIS-POMP>
C^ewljd en heilig Negental!
Mijn dichtluim zoekt uw bijiland weder j
Mijn bede is tans te iijdig teder
Tot U, dis niet dan Hemelval
Uw zuivren adem voelt ontglippen;
De Dicht- en Zangkunil niet alleen
Met eenen ilroom van Hipocreen,
Laat vloeien van uw wijze lippen:
Miar teJens ook, met uw vernuft,
( Onfeilbaar in bcfpiegelingen )
De
(O
De wetenfchappen kunt doordringen,
Daar eindig brein voor maak en Tuft.
De Weégkünft, geen der minile declén
Waar uit de Wetenfchap beilaat,
Die liemelvail en zeker gaat,
Kan boven al uw fnaaren ilrcelen ;
Wanneer 'c U iuil een Heibel toon
Op 't brein des Groeten Mans (*) te zettgn!
Dicj door de wijze waccrwetten,
't Bedrog ontdekte in Hiroos kroon.
Den Aardkloot doril zijn plaats ontzeggen.
Indien 'er buiten d' aerde maar
Een ilevig punt te vinden waar
Om zijnen hefboom op te keggen:
^ Zo dreef hem die Natuurwet aan:
Dat kragt, en magt altoos in reden,
Weerkeerig met des hefoooms leden
Gedeeld, door 't punt van werking ilaan.
Doch welk een' tijdreeks hy zouw fpillen.
Wat fneihcid door 't oneindig ruim
c·) Oziiüiiiisz, ade 5 de Aan:; Png: 57.. U'lj
(7)
Hij nodig had, om eenen'dülni
Die kloot, met al zijn wigt te tillen,
Heeft Eng'lands Wijfgeer onderzogt.
'Ook dat natuur, in werktuigkunde.
Nooit kragt- en tijdvvinfl: tevens gunde
Aan een en 'c zelve kunilgewrogt.
Die grondwet der Natuur is heden
Het voorwerp mijner Poëzy.
6! Zanggodinne ilae me by!
Een vreemdeling, hier aangebeedea
En toegejuicht van hogerhand.
Wil met geweld, Gods ordeningen,
Dc wetten der natuur verwringen.
Door 't windas van zijn trots veriland,
*t Gaat wel! ik voel mijn bloed verhitten,
Om rullig eens dien vreemden Haan
Een Dichtfpoor in zijn kam te flaan,
En in zijn vceren braaf te zitten.
e Kunfthaan! die aan 't Weener-Hof,
Zo luid uw kunil wiil uit te krabden,
Het
( 8 )
Het oog eens Grooten Mans tc paeiè'n
Met kunilgewrogten, die, in 't flof
DcT mynen, uw vernuft kon baarenj
Zo waardig in Zijn Edel oog.
Dat Zijn gezag u herwaarcs toog,
Als 't wonder der Wiskunilenaarcn.
's Lands trek, van zelfs genoeg verzot, 'i
Verflingert, op Uitheemfche zoekers
Van wondren, en natuur verkloekcrs
Ontvangt u als een' aardfchen God,
Die 't Agfle Wonder hier zou fcheppen !
De Hoofdwet van de Weegkunil ilil
Doen ffcaan zou, naar zijn zin en wil.
Dat zij zig roeren kon nog reppen.
Maar bergen gingen zwanger van
Jupijn, het hoofd der Hemelfchaaren,
En konden niet dan muizen baaren,
ó Genneté! verwaande man!
Zo ilaat het ook met u te duchten;
Die jaaren trdj 's Lands nodig geld
Ten
(9 )
Ten prooii van uw dwaasheid fteldj
Da::r zo veel wijze lien om zugcen.
6 Dommekragt I die met een kop
Vol wlnds, de onwankelbaare wetten
Der Werktuigkunde wik verzetten;
Hoe lang zal de opgeblaazen krop
Van uw verwaant en ydcl poogen,
( Met Herraes fluit en toverroe, )
In fiaap ons wiegen, trots te moe,
En met ons Ilhijnlandcs Argus oogcn?
Hoe lange zult ge een fchrander
0;ti zijne puik Wifkunflenaaren
B-;roemt tot Hercules pilaaren,
in plaats van Juno, eene wolk
2o onbefchaamt te omhelzen geeven?
Terwijl zo billijk met ons ilerk
Vertrouwen, op uw wonderwerk,
Wert buitens 's Lands de fpot gedreeven.
Hoe lang houd ge ons in 'ε blinde zog
Van uwe kunPcgeheime gangen?
Die
(lo)
Die van bedrog te zamen hangen.
ó Windbuil! die, met al 't gepoch
Der vinders van 't verborgen zuiën
Van 't eeuwig zclfbeweegent ding.
En der vierkandng van den kring
's Lands Grooten braaf weet in te luica
Met pompwerk, dat door eigen kragt.
En fndheid tefFens in 't beweegcn,
De Meer ten gronde toe zal legen;
Indien men maar geduldig wagt
Naar 't eeuwig onderhanden blijven
Van die afgodifche uinjerpomp:
Waar aan men, al te lomp en plomp,
Veruinjert 's Lands gemunte fchijven;
En dat nog op Gewijden grond
Eens Godshuls wijl de drift en ijver
Haar plaats gunde in de Peilbuis - vijver;
AViens water 2ij van zelfs in 't rond
Omvoeren zal, door innig leven
En Kracht en Snelheid te gelijk;
Zo
(lO
Zo du 'nai maker Ixier van blijk
En proef in 't openbaar zal geven.
Intusfchen houd gc, zeer parmant,
Haar fchiiil nog voor nieuwsgierige oogenj
Het eenen digten huik omtogen,
Of, als een Ikiilgdom van 't Land
Beuootén in een houten Tempel;
Daar met een trots, die elk verveelt,
Ikar Vv'lchelpaap zijn rol In fpeeltl
Misbruikende onbefchaamt den ilempei
\^an 's Lands gezag, waar mee hij ftouc
Op zijnen fchüdwagt, gants belachlijk,
Î'οοΠallen toegang, boe ontzachlijk,
Zijn Pomp zo vafl verzegelt hout
Ah Janus Kerk in vredenstijden.
Wat zeg ik! zelfs mag niemand, hoe
Aanzienlijk, tot op tweepaar roê.
Haar ilandplaats met den voet ontwijden.
Zo hoog is die uitheemfche fchat
Van fv^ijsheid, hier in micht gcdeigert
Dat
(ιÎ
Dat hij aan Graaven heeft geweigen.
En Burgemeefters van de Stad,
*t Gezigt van 'c yz'ren kunilgcvaarce;
Dat lang genoeg 't Bataafche Atlicen
In 't licht ilond, en trapte op de teen.
Met al zijn ysrcüjke zv/aarte.
Dat lang genoeg met al zijn fchalk
Gebrom, en onbefchofte leden,
In de oogen van 's Lands Archimeden
Geen fplinter was, maar wel een balk.
De Heeraraan, daar ons Kunfcorakel
Al zijn geleend gezag van trekt.
Ontvangt hij egter, en ontdekt
Hun 't fameniliel van Rad en Schakel,
Waar door *t bezielde ding zig roert.
Dan word toe aan de Starrebogen,
Zijn onnavolgbaar kunilvermogen
In kunilverrukking opgevoert!
In iltilte word dan opgenomen
β
De proef van 't zelf bewegend werk,
â ίÎ
(13)
In kragten dan zo fors en ilerk,
Dat hij zijn kunadrlfc moet betomen,
Dan vak er in ds Pefbhuis - fioot,
(Met een afgrysielijk geklater,)
Wei ElfnW Zeven tonnen water;
Î"αη eene hooge ileigergoot,
In een minuut uit yder koker ^
ÎÎ telkens, met geraas zo doi
in 'c loeien, of hier ^Etnaas hol
Weersahr.de van den Reuzen moker.
O
Dan braakt deez vijver - krokodil,
(Als van den God des Nijls bczeetcn)
Een bare Zee; (niet aftemeeten;
Met zulk een razend pompgegil,
Dat hun die op het Peflhuis woelen
Niets van dit al begryplijk is;
Dan worden ze op dat pas gewis
Betovert, zonder dat zij 't voelen.
ó Dan verfpreid zig eene maar^
Uit geene Onadelijke monden.
Dat
( Î )
pat alles is naar wenfch bevonden j
Dat deze Werktuig-kunilenaar .
Iets Godlijks, tot 's Lands nut en voordeel,
.Gewrocht heeft; tegens al 'c gefnap
Der kenners van zijn wetenfchap;
Bedot in hun voorbarig oordeel.
Dan heet hij een geleerden nar:
( Düs noemt min Neérlands Archimedes)
Die aan de Maakiler onzes Vredes
Uier ilrydig tegens kikken dar.
Î1 zag men hem met brieven pleiten
Dat ons geloof, in Gennetè,
Befpot wierd over Land en Zee,
Van Albions Sociëteiten:
Nog moet hij met die grauw en fnauw
Zig trooilen, van zo groot een Stijver,
i'.iaar Goón I zo 't waar is 't geen mijn ijver
Hier dus ontvalt, hoe prompt en gaauw
Zou 't ook van leer zijn, met den fabej
Der tonge van een' Batavier:
ZO
(ï5)
⢠Zo h;:m een Goud en Edel dier,
( Als dat vzn Apuléiis Fabel, )
Met zijn gebalk te laflig viel.
Geen liolJands hart, geen Vrijgeboren,
t
Zouw zich dus laten ringelooren;
Voor al geen Hooggeleerde ziel,
2ie di2.r, een wonder by een wonder!
Ue Heeniradn zien de proeven, naar
't Beftek van Genneté, heel klaar
Al 't Pefchuis - voll« is blind, en zonder
't Gebruik der zinnen op dat pas;
Of zo het van de ileiger - deelen,
dit gedrocht zijn houte keelen
Eens water ziet; ó Goon! de plas
Is droevig ibber en bekrompen;
En meer niet dan gewoone vlijc
ïviet winil van kragten en van tijd
Kan geven uit gemeene pompen.
Maar had mijn Held geen beter kans
De Herkers van zijn avontuuren
Te
â (lO
Te doeken met zijn toverkuurcn! 9
'k I\ieGn ja; die zijn reets door den glans
Van zij α geleerdheid, ziende blinden; ^
En, door een ingefchapen zucht
Tot geeilen uit een vreemde lucht,
Zijn kunflgeheime boezem - vrinden.
Dus, half begochelt door die drift,
Voor dat ze tot de kunflproef korasn,
Helpt hij ze ligt geheel aan 't droomen:
Om zo onfeilbaar als de ^chrif:.
Zijn wondar-pomp ons aan te prijzen;
Te flaven dat ze 't echte merk
Pleeft van 'c beloofde wonderwerk.
Al ilofs genoeg'om te bewijzen ,
Zo zeker als Euclides, dat'
Hier geene onnoos'Ie peflhuis - duiven,
Maar 't Heemraadfchap van toverkluiven
Word lelijk by den neus gevat.
Ei zie eens op wat losfe fchroeven
Dit lofgerucht der pompen draait!
Een
(ï?)
Een Winter is 't! We zijn bekaait!
*t Is gochelfpel met deze proeven.
De goede peflhuis - vader, wien
Die hekfery met Ilollands - groeten
't hare gaat, jaaren heefc verdroocen
Di moeite en overlail van dien
Bedriegelijke wonderwerker,
Verwenfchc hem daags wei duizentwerf.
Van zijn gevv'ijde PeiUiuis-erf,
Weer in der mynen zwarten kerker,,
Hij kruiil en zegent zig met al
Z'jn volk, zo dra hij 't franfch gekakel
Van verr' maar hoort in 't pcmporakel;
Bevreeil ook voor de raddenval
Van zijn geheime toverkragten.
Hij fchuwt hem ilimmer dan de Peil;
En wenfcht hem, met zijn gochelneft,
Eij rickaté in 's afgronds nachten.
:^.ίaar 't kunilorakel lacht zig krom,
Dat Hollands Adelijke hansreij
Zo
(.8)
Zo nii1% naar de pijpen 'clansfen
Van zijp laatdunkenr kunilgebrora.
Hoe kittelt hem dc milt, in 't paaien
hun vooringenomenheid
Met onvoldoenend proef - ^efcheid,
En onbefchaamt victorie kraaien.
Hij kokermuik in zijne vuiil:
Als hij die. Ilooggebooren zielen
Ziet voor een yz'ren Afgod knielen;
Wiens onmagt gantfch Euroop vcrguiil·,
H'j greinil: dat Hollands bloode dasfen.
Zo bocii en onbefehaamt,van geeft.
Als botterikken ftaan bedeeil
Voor zijn geheime kunftgrlmmasfen.
Maar wee zijn loos becirog; indien
Zin: 't iieemraadfchap wil doen belezen
OiTi, met een onbeguichek wezen.
De proefhervattinge re zien.
Dan zie ik, aan den Staaten Hemel,
Zijn Star van aangebeden kunil.
(IP)
Van Lionels misbruikt gezr.g en gunil
Verfchietenj met een fnel gewemel;
En fleepen eenen langen ftaarc
Van fchande na zig en veragting;
Geen beter uickomil of verwagdng
Is dan zo trots een pochhans waard.
Hoog Eed'le Heemraan, Achtb're leden
Van Ilhynlands hooge I leemraadfchap!
DIc Genneté den hoogften trap
Van uwe gunil hebt doen betreeden,
I^Iijn Zangfler wenfcht, te ilout mlsfchien ^
U beter werktuigkundige oogen;
Om 't zielbetov'rend fchynvermogcn
Der Pompen j door en door te ; icn.
Zij wenfcht, met al te vrije toonen
Dat ge, in 't - herproeven voor den ftaat.
De wyze Noothulp neemt te baat
Van Archimedes egte Zoonen ^
Gefield op Batoos wettig erf,
In Vorfc Euclides worilelperkcn j
Kunil
(20)
K;;niliielderi, groot van brem en werken;
Gewijde Prieilers van Minerf :
Die zullen 't valfche Kunil - Orakel,
Bij 't eeu^'ig v/etboek der natuur
' ( Bez.icid van Newtons geeil en vuur )
Bezwecren, dat zijn toverfchakel
En wichelilaf, die d' Opper-GoCn
A'^erwaten durft naar de cogen ileeken.,^
Vergruizen, tot een zigtbaar teken.
Dat 's Hemels Eer geen menfchen hoon
A^erdragen kan, in 't ydd poogen
Naar iets dat tegens 't eeuwig werk
Der fcheppinge aandruiil; die het merk
En zegel draagt van 't Alvermoogen.
Die ZüIIen d' yzren Dagons Pomp
\^oor d' -Ark van Archimcdes wijsheid
( Eerwaardig door haar zuiv're grijsheid, )
Doen Valien, met een finak en plomp.
Waar van 't Geleerde Euroop' zal wagen:
Ten blijke dat in Leeuwendaal,
Mi'
(2:)
i'.'IIncr/aas Prkniers dezen Baal,
Nooit Oifcr hebben tocgedmagen,
Eil das onfchuldig z,tjn aan al
Tc laftcrlijke fchande en ichade.
Die deze malle pomplravade
Ix'codwcndig r.a zig ileepen zal.
Jjk fclicuwipcl helpt de Jeugd aan 'ε zingen
In Pallas vryze letterilad.
Triomf! de Wener Goliath,
Tie de eemrige flagordeningcn
Der vraarheid, in dit goede land,
J-ioedwillig hccDcn derft en ichelden,
Is kloek, dncr Newtons worilelhelden^
Met al zijn trotsheid, cvennand.
Dit wonder zal uw' Mogenheden
Vvel dra 't geloof in Genneté
Omwringen, en van liev.erié,
Tot de openbare proef doen treden.
Ei rieeren! maakt dan eind van 'c ipel:
E.r 't Hoofd der valfchc kunil - profeetcn,
Zo
Zo vaft à kluiiler:; aan de iceten
Van zijn verleidend kunilgeilel,
Bat God u nog goemenfch herovert.
. Maar fdl; mijn Zangiler byt me in 't oor,
â Triomf! de IIeemr2r.n zijn reeds door
Der Goden gunil van zelfs onttoverd.
â Zij zien, mee Lynceus oogen tans,
,, lioe langer dat dc kuniluil peutert,
â Hoe meer dat alles liort en leutert j
j, En zijn al buiten hoopen kans
â Om met hem in den lof te deelen
â Van 't alverbluffend kunilgewrodit.
Zij ftaan vol vreezc, en agterdogt
âDat hij, met flank, haafop zal fpeelen,
â Hen laatende den lafl aJIcen,
â Van 't bits venvyt en fchamper klagen
â Der zugtende ingelanden dragen,
â Gegrond op billijkheid van reên,.
â Want aan onmogelijke grillen
â ( Op louter avontuur godwcuds)
EeiJ
(=3)
j, Een 'tiende van een tonnegouds,
â Vooj hunne rc-kcning te fpilien.
â Is al te groot een fom, gev/is^
â Om zonder harde pleitgedingen
j, Der Boeren vrekke beurs te ontwringen,
â Die zuur genoeg gewonnen is.
j, Waar bij gevoegd, door Hollands Staten,
â Nog ruim de helft van dezen fehat;
â Komt voor 't bedrag van alles wat
jj Een ding, dat nergens toe kan baten,
â Aan ftoffe koil en arbeidsloon,
j, Schaars Elfhondert Gouden ryders,
â 7.0 fteken hier Natuur -.beürjders
â Den draak, met 's Lands gemunte Goon.
ó Schiclijke ommezwaai van zaken
Voor 't lieemraadfchap! (want Genneté
Begreep al voor een jaar of twee,
Dat hij zijn werk niet goed kon maken,)
O Snel verloop van 't kunilgety!
Dat zij.i Hoog Edele Patrocnen,
Ai-
(Î)
/iiom zal incc dsn Tulband kroonen
Van welverdiende fpctterny.
Dac komt van vreemde lufl te voeden;
En waarlijk, als men 't zeggen dar
Der Groeten hooge gJoriilar
Moet'op haar. beurt, al mede eens bloeden?
Orrt niet met Lueifer, de vlag
Van 't licht alleen te willen voeren.
En aller wijzen tong te fnoeren
Door onverflandig kunilgezag.
Wat middel nu ter hand genomen,
Daar 't ivunilwerk heel in de asfche leid^
Om 's Landsmans ilugge kregelheid
Te paaien, hem den mond te toornen?
Vvat handel'vijs op nieuw beraamd,
Orn 't wanbeilier van Ryn'ands Heeren
Te ifceeken in de beile kleeren?
Daar 'c van rondom zig zelve fehaamt.
Tot de openbaare proef te rooien;
De Pcmpj als eene vuile Bruid,
Dcot
(^i)
Door 't graauw mec drekj in plaats van kriii^j
Gebloemte, en Lovers te zien itrooien,
Strijci tegens 't Edel Gloripunti
Of zelve mondeling te tuigen
Dat al die ophef legt in duigen!
lïet aanzien is te veel verdunt.
Ligt kan hen deze vraag nog baaren :
Wie'Heeren! heefc de meelle fchuiJi
Hij, die u heeft de kap gevuld.
Cf gij, die tweepaar volle jaaren
Die vullen liet als blindemans i
Want fchoon hij blyft een aartsbedrieger,
Jlij heeft, met Ikarus den vlieger,
I\'iet voerman Faëton, nogtans,
Wat groots beilaan in zijn gedachten,
Hij wilde d' Eedele Natuur
Schoffecren; zengende aan haar vuur
Zijn ingebeelde kennisfchagten.
Maar gij, die midden in het licht
Bcr Wis-Natuur- en Werktuigkunde,
pe duifterms hier piaatze gunde j
En ily rde met uw toeverzigc,
Hebt onverfchoonbaar u gedraagen,
Met uwen wonderdocnden held;
Om duizend r^edcns reeds gemeld,
En die gij voorts u zel^Mcunt vragen.
Wat kunilgreep dan met lift bedagt,
Om. hunnen yver zonder kennis.
Te mommen voor der fpreeuwen fchennis ?
Een icunilgreep die in volle kracht,
Tans v/erkzaam
is y met uit te ilroolën
Dat 's nagts de Pomp bedorven ^vord
Van menfchen, die, door nyd gepord.
Jaloers zijn haar te zien voltooien.
Om deze fint een glimp of verf
Te geven, heeft men kcrts vergeeven,
Baldadiglijk gebragt om 't leven.
Den waakhond van de Peilhuis - werf.
En toen met alleman aan 't waakeni
Ter weering van de nyd, die vak^
(27)
Qusniuis, dien blaffer bracht oni hals,
Oni beter tot haar wit te raaken.
Maar ach! die quinkilag is ie plomp
Cm 't fiXaatgepfnpel meê te paaiëii.
De kunri:vos, en die mst hem draaien,
7Sm zelfs de ichsndcrs van de pomp.
Zij zoeken duizent valfchs fpooren.
Om de openbare proef te ontgaan j
En mcoglijk moet de roede haan
Ii:m fchande nog in de af.che fniocren;
En dan ( om log lüet heel en al
Hier 't Gk)ripi5nt bij in te brokken, )
De alarmklok zelfs met liil getrokken,
Gefchreeuv/C? zie daar, de Li.üïs gai
D:r nydigaarrs, Iieefc, trots van kammen,
"t Voltooien van de Porrip à ipyt!
Geiliiit, en haar aan 't vuur gcivyd:
T-n fpeeltmg van de tong der vlammen.
Maar neen: hier raail de Poëzy:
O
Die laatils toevlugt, toL het keeren
(28)
Eer fclande, kon het Feilhuis deercn.
ΰÎο.ηÏ2ÎÏ zeg άÎ,Î^ rond en vry,
V^äz raad de beile u dankt in dezen;
Crn Hynlinds I-Ieemraadlcliap er ineé
Te zuiveren: v/ant Gsnneté
Moet hier, vaii dies 't ciür wezen.
Uit an:v/oor: veer: ze ons te gcmoet,
â Ik r2ade..Kyn]and3 Eed']2 Heeren,
35 Dit ze e:ns uit dk exempel ^ leeren
,5 Vcrzaaken 't vreemde nachtgelroet
jj Van uilen, cn vaa kaniiliirp'jcn
5, DiCj tuk op roof van Staa:cn gont,
â rjec krommen bek en klauwen ilout,
j3 liler komen l-iollands kas befLrijën.
5, Dat ze, edelmoedigj even mik,
j5 ( Orn liunnen misilag te verzoeten, )
Uit eig-n beurs de kollen loeten
â Aan hunne troetelpop verflik â
js Groothartig, aan 't gemeen bekennen3
Bat ze ait onkundigheid van 's merg
(2p (
â Der weegkunil, zonder liil of erg
,s In 'c hart te voên, zig lieten mennen
â Door 't mondgcbit huns lievelings;
â Beruilend in zijn kunilvennogen;
â Wijl hunner een, met eigen oogen,
â 't Model des yz'ren watersfïnks j,
jj Te Wenen had naar wenfch gefchouwen.
5, En daarom zonder Dag of iloot,
â Zich vleiden dat de pomp in 't groot,
η Ook kunilmirakels hier zou brouwen.
( Maar 't zal hem ligt vergeeten zijn
Dat zulk vertrouwen, hier te lande.
Bedroog den Grooten 's Gravezandc.
â Voorts, dat ze door den zwymelwija
), Van onzen tulme'geeil beilooven,
â Uit ijver voor 't gemeenebeil.
Door zijne Peilhuispomp en peil,
»5 2ich lieten van 't verilant beroven.
â Schoon Mannen, van beproefde trouw,
j, En ijver, om voor Land te ilaven,
Wis-
(30)
jj Wiskunilig fchier te kennen gaven
â De onmoog'Iijkheid van 't kimilgebouw j
â Bij monde, en met geleerde fchriften.
â Bewaart in hunne Boekerij j
â Maar door de zeef der Poè'zij,
j, Niet vloeibaar, hier ter plaats te ziften.
3, En laaft'lijk, dat ze, in 't openbaar^
â Ter vierfchaar van 't Gerichte treeden ^
â Hem 't vonnis zijner ilraf ontleden,
â Voor 't oog van Pallas Prieilerfchaar,
â Dan moet hem Midas kroon beilraalcn;
â ( Te pronk gevleugelt aan de ka.ik )
â Zijn beril, tot ijders fpotvermaak,
â Met dit befchreeven vonnis praaien.
â Dit is hij! die met mond en daad,
â Van hovaardy en moetwil dronken ^
â \^oor al de vrijheid hem gefchonken,
â Bedriegen doril een Wijzen Staat.
â Den Salomon van onzen daagen
,3 DorH: weigeren te fpraak te flaan;
>j
(sO
5, Ons heeft begochek en verraan;
â En daarom deze ilraf moet dragen e
â Men iloeg hem voorts de rugge raaavv%
,, Men heeft hem Leyden uitgedreven,
5j En 'c gantfche kunilgeilel gegeven
â Ter ilooping, aan 't behoeftig graauw |
â Zie daar mijn raat. Hier zwijgt ze. en fpreemvenj,
( Y/len 't antwoort valt in 't oor, en meê
Gebeeten tegens Genneté )
Slaan, met verward geroep, aan 't fcbreeuwen
Neen, Zangiler! 't vonnis is niet goed,
d'Een wil hem als Ixiön draiën
Cp 't wentelrad der pompe, en braaien
Gelijk men valfclie munters doet:
Om dat hij zelfs de munt der Goden,
Gedrukt op 't wezen der natuur,
Vervalfchen wou, en dus, door 't vuur.
Hem keerende om zijn' as, wil dooden.
Een ander wil met Marsias,
Hem villen, tot een zegeteken.
(3^)
Zijn iiuic op Pallas Tempel ileken
Hem raauw, aan zijne toverkas,
JBefmeert met pek en hars, doen kleven;
Doen fpyk'ren als een vledermois;
Ten fpiegel van al 't vreemd gefpuis
Dat herwaart aankomt overzweven.
Die wil hem als een tovenaar.
Op de oude Schaal t' Ouwater Weegen j
Haalt hij geen ponden, driemaal negen
Min zeven, dan geen ftraf te zwaar.
En geene, meer gezind tot fchersfen .
Wil met de zuigers zijner pomp,
Voor 't water, aan 't beilek te lomp.
Hem zelf, tot zo veel water perfsen.
Daar is 'er, die bedaart van zin,
Zig kanten tegens al dit blaffen :
Wyl 't Recht niet toelaat hier te foraiFen
Een zendeling der Keizerin.
«
En daarom willen ze ongefchonden
Hem keeren doen naar Ooilenryk;
TfT
(33)
f. f.η.. T? .Tf'l-T.i-
Tot relScTsid, op ziin ras gebonden:
Om Fraai Curieus j voor poen of kruim ^
Te !aatâ¬n zien aan grcote Keer:n:
Î?ααΤ zwaarte zal h:;iii iu:te] decrcn ^
2o draait de ^weegkunil cp zijn duim.
Coli kan ze teftens voor flellaadl·;
En. mirjJ^j ah e^n bezi^ilJe tril,
H-in dienen, waar Ii'j elders wil
Î2 liccfluolj en d; pcrfonaadje
Vertüonenj van een fchyn^ii^erd
Qaakzalvcr, in de wetenfchappen;
Die op metaalea voeten frappen.
En de ecu^'/en tarten. oiiqedecr:â
Dit Vonnis kan mij bcfl· bekooren;
Di^s hing ik er mijn zegel aan;
En hei^ na 't end der lettcrbaan,
Docr irJjne .Zangft-Î afgefchocren.
6 ICunn:a"n die, met uw gekras^
Op vieugclen van kanfl^ebrekenj
(34)
In Hollands tuin z?j: neer geilreeken,
Verpikksnde al 'c geleerd gewas»
Qiiikzilvcr! die met al de kuiirco
Van uw wiskunilig onvirland.
Niets ulrgerichi hebt, hier te land^
Dan drek alt zuiver goud te piiuren.
En dies voor al mv duurkoop raars
In Lecüwendaal te komen venten ,
W^l ruim de hoofdiom, met de r:n:cnj
Moog: beuren, van ck hekelvacrs,
Gaa heen 5 m Ii^bt gij ftof toi khgen.
Cm 't drukken dezer Ilekelpcrj,
üKraiicr! die ceen firaatirefcliers
Der turidragren kunt verdragen. '
Klaag nu 't Gemeerlandjhuis uw leed:
Want daar zijc ge ab een ingebcoren
Tes huizes, aan de kroon gezwocren;
Daar ilaat uw tafelbord gereed .
Daar moeten Rynlandj boon u fureeleo
ÎÎΰ Heemraad zelf, naar uw befiuit.:· '
pa-
(35)
Daar draait ge ér in, of floot ér uit;
Die u behagen of verveelen.
Daar kunt ge janken bij den haart,
Gelijk een rekel die verleegen
Een kbm heeft op den ftaart gekreegen^
Dit Hekelvaers is jankens waard.
Hoog Eed'le Heemraan, die met yver,
( Om de Eer van uwe veege hoop,
Voor 't fpotten van 't Geleerde Euroop
Te fluiten, ) uwen rookverdrijver
Nog licfkoofl uit verlegenheid |
Wat is er, mag men billijk vragen,
Tog in hem, dat uw hoog behaagen
Zo heeft verflingert en verleid?
Wat proeven heeft hij tog gegeven
Van zijn bekwaamheid, ergens in?
't Is v/aar zijn grillig kunilbegin
Heeft, bij geluk, eens rook verdreven.
Of rook gemaakt meer dan ér was ;
Verdient hij daarom zo veel eere?
Dat
(3^)
Dat iij j3an :t fdioorileen vcegeii ksre ;
Zo komt hij dubbei u te pas.
â V · -
Ook kan hij als een v/eerliaan draaien
Op 't rookgat van 't Gemeenlandshuis.
Dat 's 't al, daar zo veel kunilgedruis,
U^v Mogenbeén mee weet te paaien
Waar voor geen bouwitof· was te goed j,
Of aJ te veel na geld kon ruiken,
Om aan zijn proefiluk te gebruiken;
Daar zelfs een gapende Etnaas gloed,
Van Mulciber met zijn Cyclopen,
En Reuzenfmics, aan kwam te pas:
Zo 't magtig Amilerdam niet ras,
De gloênde fmitfe voor hem open
Geile]t had, op fcheeps-timmerwerf.
Daar 't edile hout toe was van noden,
Ooit toegewijd aan 't hoofd der Goden.
Wat Kunilenaar, op Batoos erf
GeteeJt, gewonnen, en gebooren.
Zou tans ( fchoon hem voor uw gezigt,
ÎίίÏ'
(s?)
0-.nrcheeD Minervaas glans en licht )
U toi icts diergelijks bekooren.
Daar deze menfch niet anders dan
Een buitel is in aart en zeden.
Een ezel in venland, en reden.
Die fiegts de bloote fchorsen van
De werkruigkunde heeft geknabbeit;
Dk al wat hij zig onderwind,
Uit boeken, bij de tail, en blind,
En zender oordeel fteelt, en grabbelt.
ik zwijg 5 wat naare fchim en dwerg
Zijn geeil is, in Eudides boeken,
Hoe ver zijn kruipziel is te zoeken
In /ipolonius, en 't merg
Der Stelkunft; veel te rein en puurs
Voer zijn benevel; brein; kortom :
Ik zwijg, hoe blind hij is en donij
In de Eeale kennis der Natuure,
Dit alles kan Uw Mogenheên^
Den kwaden uitilag zijner v/erken.
Ge.
(3S)
Gedrag en kanftbefcek doen merken;
Zo klaar als Axioma écn!
nog kunt ge 6 verliefde Oreiten!
Niet fcheiden van uw Fikdes;
Vaarwel dan, Houd mijn Zangeres
Deez' ronde Poëzy ten beften,
η
ISKUNSTENAARS van dezen Staat!
Hoogleeraars van 't Bataaffch' Atheenen!
Wier licht, te kragtig heeft gefcheenen
In de oogen va.n dien onverlaat;
Die daarom u, met al zijn marren,
En walgent kunftgelieim gedrag,
Niet anders deed, dan jaar en dag,
Onwaardig laileren, en farren.
Maar trouwens roch met eigen mond
Vv'^ant anders geeft hij lui van dagen
En aanzien, die na 't kunilwerk vragen,
Befcheid door 't grenzen van een hond.
(39)
Daar Gij, grootmoedig al zijn blaiien
Veracht hebt, met ililzwijgenheid;
Terwijl zijn eigen wanbeleid
Uw Regter is, om hem te ilrafFen â
Triomf! de Dichter is in 't end,
( Daar alle wijze tongen zwegen )
Den hoogen Zangberg opgefteegen :
Om hem, in deez' Poëten - prent j
Op Helicon ten toon te draagen.
En mDoglijk al ons Dichterdom,
Op 't roeren dezer Hekeltromj
In 't harnas tegen hem te jaagen.
Maar meeil, om voor 't Geleerde EiiroopV
U rein en zuiver te verklaaren
Van 't rooken aan dit vreemde gaaren,
V/iens blinde luim u nooit bekroop:
In dezen bundel van gedachten
Te wijden aan Apollos Kerk,
Den Naneef tot een eeuwig merk,
Dat Genneté, met al zijn kragten,
Ï
(40)
ü nooit lieefc aan zijn fnoer gehegt,
dat u 't aangenaamft zal wezen.
Van alles v/at hier valt te lezen,
Is 't laatile woord! Ik heb gezegt