ocr page 1
TÜHZLAHI1TG
VAN
VIER IN GIPS AFGECOTENE VOORWERPEN
VOORSTELLENDE DE
ANATOMIE DER HERSENEN
VAN DEN
1ENSCH
GEBOETSEERD EN UITGEGEVEN
§L JD. %t\)\\baxt,
Prosector aan i]p Utreehtsclie Boogesdlböl.
UTRECHT.
J. HERFKENS, Fz.
1849.
k:
ocr page 2
»
De hersenen van den mensen. liet regfer halfrond is
doorgesneden om de inwendige deelen te zien.
A. Be groote hersenen (cerebmm).
1.    De voorste kwab {lohus anterior).
2.    De middelste kwab (lohus medius).
3.    De achterste kwab (lohus posterior).
4.   4. De darms wijze windingen der bovenste
oppervlakte (gyri faciei superioris).
5.  5. De darmswij ze windingen der binnenste
oppervlakte (gyri faciei interioris).
6.    De scheiding tusschen het eeltaebtige lig-
chaam en de eerste winding.
7.  7. De vaatgroeve of het dal (fossa Sylvii).
8.   8. De uitwendige grijze of korslachtige stof
(substantia cinerea s. corlicalis).
9.  9. De witte of mergachtige stof (suhstanlia
alha -st medullaris).
%
ocr page 3
< m                    4' f-        .y.
10.   10. De hersenschenkels of-steelen (crura s.
pedunculi cerehri).
11.     De graauwe zeefplaat (suhstantia perforata
cinerea s. media).
12.   J2. De tepelvormige of witte ligchamen
(corpora mamillaria s. candicantia) .'■'
13.     De trechter [infundibulum).
14.     De vereeniging of kruising der gezigtszenu-
wen (chiasma neroorum opticorum).
15.   15. De zeefplaten {laminae crihrosae s. suh-
stafitia perforata cerebri anterior).
I.   I. Het eerste paar of reukzenuwen (nervi ol-
factorii).
a. a. De rcukzenuwbollen (hulhi olfactorii).
II.   II. Het tweede paar of gezigtszennwen (nervi
optici)
.
III.   III. Het derde paar of beweegzenuwen van
het oog (neroi oculomotorii).
IV.   IV. Het vierde paar of katrolzenuwen (nervi
trochleares s. pat liet ici).
V.'V. Het vijfde paar of drieling zenuwen [nervi
trigemïni s. dioisi).
VI.  VI. Het zesde paar of afvoerende zenuwen der.
oogen {neroi ahducentes s. ociilomusculares externï).
VII.   VIL Het zevende paar of aangezigtszenu-
wen (nervi faciales s. communicanten faciei).
VIII.  VUL Het achtste paar of gehoorzenu^en
[nervi acustici s. auditor ii).
                                 .;1;\
IX.  IX. Hel negende paar oi longzwelgkeel^e-
nuwen {nervi glossopltaritt»ei).
ocr page 4
X.   X. Het tiende paar of Iongrnaag- of zwer-
vende zenuwen (ner'vi pneum.ogastrici s. vagi).
XI.   XI. Het elfde paar of bijkomende zenuwen
van Willes (neroi accessorü Willisïi).
XII.   XII. Het twaalfde paar of ondertongzenu-
wen (nervi hypoglossijï
16.*Het eeltachti<^ HgchaVn of de hersenbalf
(corpus- caliosum s. tralis. cerebri s. commissura
b.   üe knie van het eeltacbt. ligch. (genu corp. call.)
c.     De wrong of spalk van hetfeeltacbt. ligch.
(splenium corp. call.).
d.   d. De dwarsche vezelen van bet eeltacbt. ligch.
(jibrae transversae corp, call).
e.    De overlangsloopende vezelen van heteeltacht.
hgch. {Jibrae longitiidinafas corp. call).
17 Het doorschijnende tusschenschot (septum
pellucidum)
dat de zijdelingsclie hersenholten van
een scheidt en uil. twee vliesjes bestaat.
18.     Het gewelf (J'orniv).
19.  f. De lïnkerschenkel van het gewelf {crus
forniüis sinistrum).
20.      De zijdelingsche hersenholte {oentriculus
laleralis s. tricornis).
g. De voorste hoorn (co?*nu anterius).
h.
De dwarsche hoorn (cormt posterius).
i.
De nederdalende of onderste hoorn (cornu
descendens s. inferius).
21.     Het gestreepte ligchaam of de voorste hersen-
kuoop {corpus striatum s. ganglion cerebri anterius).
ocr page 5
22.     Be bedding der gezigtzennwen of tweede
hersenkiioop (thalarmis neroorum optieoriim s. gan-
glion cerebri secundumj.
23.     De hoornaehtigè streep (stria cornea s.ceri^
jtrum semiciroulare Vieusseniï).
24.     De derde hersenholte (ventriculus tert.ius).
25.     Het gat van Monro (fommen Monroi) dat de
gemeenschap der beide zijdelingsche holten daarstelt.
26.     De ingang in den trechter {aditus ad in-
fundibulum).
2f. JDe ingang tot de waterleiding van Sylvius
{aditus ad aqudeductum Syloii s. anus).
28.     De vier dubbele ligchamen {corpora qua-
drigemina).
29.     De pijnappejkiier (glandula pinealis).
30.     De groote paardenvoet of Ammonshoorn
(pes hippocampi major s. oor nu Ammonis).'é
31.     De kleine paardenvoet of vogelklaauw (pes
hippocampi minor s. calcar avis).
B. Uitwendige deelen der kleine hersenen
(cerebellü! o),
32.   32. De achterste bovenste kwab (lobus pps-
ferior superior).
33.   33. De achterste onderste kwab {lobus pos-
terior inferior).
34.   34. De teedere kwab (lobus tener).
35.   35. De twecbuikige' kwab {lobus biventer s.
puneifonnis).
ocr page 6
7
36.   36. De amandelen (tonsillae).
37.   37. De vlokken (Jlocculi).
38.     Het knoopje (nodulus).
39.   39. De voorste of vierkante bovenste kwab
(lobus anterior superior s. quadrangularis).
C. Het verlengde merg (medulla oblongata).
40.   40. De brug van Varoliiis (pons Varolii) of
hcrsenknoop (protuberantia annularis).
41.   41. De piramidevormige ligchamen of voor-
ste piramiden {corpora pyramidalia).
42.   42. De olijfvormige ligchamen (corpora oli-
varia.)
43.   43. De koordswijzc ligchamen of achterste
ruggemergsbundels {corpora restifórmia s. crura
cerebelli in/eriora).
ocr page 7
N". 2.
De ovuiiang'schc doorsnede der hersenen
(regterhelft.)
1. 1. 1. Windingen der eerste orde.
2a. 2a. 2a. 2a. 2a. Windingen der tweede orde
eerste rang:.
2b. 2b. 2b. 2b. Windingen der tweede orde
tweede rang.
3,   3. 3. Windingen der. derde orde die de eerste
met de tweede orde verbinden.
3q. De vierkante kwab der grootë hersenen.
3-6. De driekante » » »
            »
4.   4. 4. 4. Windingen der vierde orde die de
eerste en tweede rang der tweede orde vereenigen.
5.    De vaatgroeve of liet dal {fossa Syloii).
5a.
Het eiland {insula).
6,    Dé zeefplaat (lamina crtbrosa s. mbstantia
pèrforata cerebri anterior).
ocr page 8
1)
7.     Het lepclvormigc of witte ligchaatnpje (corpus
mamillare s. candicans).
8.     Het eeltachtige ligchaam (corpus callosum).
9.     De knie (genu corporis callosi).
10.   De wrong of spalk (splenium corp, calt).
11.    Het doorschijnende tusschenschot (septum
pellucidum)
bestaat uit twee vliesjes a en bt
42. De spleet
13.   Het gewelf (fornix).
14.   De punt van de knie.
15.   De zuilen (columnae fomicis).
16.   De schenkels (crura).
17.   De voorste zamenvoeging der groote hersenen
(commissura cerebri anterior).
18.   De achterste zamenvoeging (commissura pos-
terior).
19.  De trechter (infundibulum).
20.   De slijmklier of het hersenaanhangsel (glan-
dula pituitaria s. hippopkysis).
21.  Het gat van Monro (foramen Monroi).
22.   De derde hersenholte (ventriculus tertivs).
23. De waterleiding van Sylvius (aquaeductus Syloii).
24.     De vierde hersenholte (ventriculus quartus).
of de; holte der kleine hersenen.
25.     De pijnappelklier (glandula pinealis).
26.     De vierdubbele ligchamen (corpora qua"
drigemina). .
27.     De bodem of voorste en onderste wand (ruit-
vormige groeve), (fossa rhomhoidalis).
28.     Het voorste hersenklapvlies of voorste merg-
achtige Voorhang (caloula cerebelli anterior).
i
ocr page 9
10
29.    De boom des levens (arhor vitae).
30.     De graauwe stof van het verlengde merg.
31.    De brug van Varolius of hersenknoop {pons
Varolii s. protuherantia annularis).
32.    De vlok (Jïocculus),
II.    Het 2<le paar.
III.    Het 3<le paar.
33.    De voorste of vierzijdige bovenste kwab.
34.    De bovenste worm (vermis superior).
35.    De wormpiramide (pyramis vermis),
36.    Het knoopje (nodulus).
■■
i
ocr page 10
N-. 3.
Ui ovei'langsclie doorsnede der hersenen
(linkerhelft.}
yr 1. De hersenschenkels of-steelen der groote her-
senen (crura s. pedunculi cerebri).
2. Het tepelvormige of witte ligchaarnpjc (cor-
pus mamillare s, candicans).
'
3, De trechter (infundibulum),
4.    De vereeniging of kruising der gezigtszenu-
wen (chiasma nervorum oplicorum).
5.    De zeefplaat (lamina crïbrosa $. mbstantia
perforata cerebri anterior).
I.    Het eerste paar.
II.   Het tweede paar.
III.  Het derde paar.
6.     Het eeltachtige ligchaam of de hersenbalk
[corpus callosum s. trabs cerebri s. commissiira
magna).
ocr page 11
"■
12
/ 7. De knie (genu corp. calL),
8.     De wrong {splenium corp. call.).
9.     De dwarsebe vezelen van het eeltacht. ligch.
[fibrae transversae corp. call.).
10.   De overlangsloopende vezelen van het eeltacht.
ligch. (fibrae longitudinale* corp. call.).
11.     Het gestreepte ligchaam (corpus striatum).
*-
12. De bedding der gezigtszenuwen (thalamum
n eroorum opticorum).
s
13. De derde hersenholte (ventriculus tertius).
'
14. De waterleiding van Sylvius (auuaeductus
Sylviï).
s 15. De vierdubbele ligchamen {corpora quadri-
gemina).
* Nates.
** Testes.
16. De pij nappelklier (glandula pinealis).
Syntema voor het verband der gevoelvezelen
der groot e hers enen.
a.   a. De achterste colom van het ruggemerg,
/ (voor het gevoel.)
b.     De eerste boog der gevocldraden aan den
/ bodem der derde hersenholte, gaande naar de
weeke commissura der gezigtszenuwen.
c. Doorsnede der gezigtszenuwen bij deoverkruisiiig.
d.  d. d. Het gewelf of de tweede boog die zich
met de gevocldraden vereenigt in de holte der
ventriculi.
ocr page 12
13
e.    De voorste zamenvoeging der groote hersenen
(commissura ccrehri anterior).
f.  f. ƒ. ƒ. De derde boog die zich met de ge-
voeldraden vereenigt {windingen dar lste orde).
g.    De reukzenuw welke met deze winding
zamenhangt.
h—h. De uitstralende vezelen welke de boog
■f. f. f. f. met de bastachtige stof der tweede win-
ding verbinden.
, i. i. De schenkels der kleine hersenen naar de
vierdubbele ligchamen gaande en zich met a. en b.
gevoeldraden {eerste boog) vereenigen.
ocr page 13
#
ijl
De ovcrlangsche doorsnede der hersenen
(linkerhelft.)
1.    De vereenïging of kruising der gezigts zenuwen
(chiasma nervorum opticorum).
2.     De zeefplaat(latnina cribrosa s. subst.perfor.
cerebr. ant.).
I.     Het eerste paar.
II.     Het tweede paar.
3.     Het eeltachtige ligchaam {corp. call.).
4.     De knie (genu corp. call.).
5.     De wrong (sj)lenium corp. call.).
6.     De dwarsche vezelen van het eeltacht. ligchaam
Cflbrae transversae corp. call.).
7.     De overlangsloopende vezelen van het eeltacht.
ligch. (fibrae lotigitudinales corp. call.).
ocr page 14
15
8.  8. Het gestreepte ligchaam (corpus striatum).
9.    De bedding der gezigtszcnuwen (thalamus
nero. optie).
10.    De vierdubbele ligchamen (corpora quadri-
gemina).
11.    De pijnappelklier (glandula pinealis).
W' Loop der vezelen voor de beweging naar de
bastachtige stof.
a.    Pyramidale ligchamen.
b.    Loop der beweeg vezelen door de brug van
Varolius.
c.  De hersenschenkels of benedenste beweegdraden.
d.    De buitenste of klimmende beweegdraden na
de wegneming der gevoeldraden en zwarte stof.
e.  e. De overgang der beweegdraden in het ge-
streepte ligchaam.
ƒ. ƒ. Opklimmende vezelen die de beweegdraden
ten het gestreepte ligchaam met de bastachtige zelf-
standigheid en winding der vierde orde verbinden.
g. g. Uitstraling der bandvormige ligchamen (in
het systema der gevoeldraden der kleine hersenen).
h, h. Systema van bundels welke uit de kleine
hersenen zich vereenigen tot de schenkels naar de
vierdubbele ligchamen.
i. De overgang der brug van Varolius in de
kleine hersenen (vereeniging der kleine hersenen
met de vezelen der beweging).
ocr page 15
16
k. k. k. De derde boog die zich metdegevoel-
draden vereenigt (windingen der eerste orde.)
I. De reukzennwen welke met deze windingen
zamenhangen.
m. m. Uitstralende vezelen, welke de boog k. k.
met de bastachtige stof der tweede wending ver-
binden.
*S?'