EEN WOORD VOORAF.
Reeds geruimen tyd berustten bij mij een aantal stukken
en bescheiden betreifende de kleine gemeente Toegoe. In de
November afl. van âHendriks Kleine Zendbode" bracht de
Eedacteur deze gemeente ter sprake en dit gaf my aanleiding
om met hem in correspondentie te treden. Hy maakte echter
bezwaar om zulk een uitgebreid stuk te plaatsen, dewyl de
âZendbode" alleen kortere stukken opneemt, en wees my âde
Macedoniër" aan als meer geschikt voor dergelijke studie.
Bij de verschijning van deze bladen betreffende eene ge-
meente, die mij steeds bij toeneming dierbaarder werd, betuig
ik mijnen innigen dank aan den herder en leeraar Ds. Klomp
te Mees+ 3r Cornelis, en ie zonderheid aan de heeren van Dis-
sel, Inspecteur van het Inlandsch Onderwijs, en Mr. van der
Chys, voor het helpen opsporen der Oorkonden, die in deze
bladen eene plaats hebben gevonden.
De Weeskamer te Batavia was voor mij als geen belang-
hebbende een gesloten bureau. Onder belanghebbenden verstaat
men Regeerings Ambtenaren of personen van de Rechterlijke
Macht. Indien de Regeering mij toelating gaf, dan zou de
Weeskamer met genoegen mij afschrift laten nemen, van het-
geen daar over Toegoe mócht te vinden zyn.
Ik had echter geen moed daarvoor eene aanvraag te doen,
uit ervaring wetende, dat my dit weinig baten zou, want de
jongeheer van Rees en zijn trawant, â dit was van alge-
meene bekendheid, â· oefenden geen geringe kracht uit op de
Secretarie, en de invloed van dien jongen man op zijnen vader,
den Gouv.-Generaal, en het Kantoor te Buitenzorg, was in