,Îί^,Ï ju.v/.'-.ih^ it'ir! Ï'ί'Ï'^ί-ν
§ 2352.
Gelyk wy § 2349. gezegd hebben, dat de Blindheid waar van we thans
fpreeken, ongeneeslyk is, fchynd het eenigzints overtollig, dat we ons daar
mede ophouden. Een Heelmeester egter, moet zoo wel ongeneeslyke Gebre-
ken kennen, als geneeslyke, en het is hierom inzonderheid, datwe dezelve be-
fchreeven hebben.
Dat foort derzelver daarënblfive^'t: welk: g^ is op eene gedeeltelyke oB
geheele vernieling van het werktui^yke der Oogen, maakt tevens eene zee?
merklyke misftand, en vordert om^déeze reeden ook,de hulp dsr Heelkunde
voor zoo veel betreft het gebruik van Konstöogen.
§ 2354.
Men kan hetzelfde zeggen van de Blindheid veroorzaakt door aanmsrklykÃ^
Druifgezwellen der Hoornvliezen; vermits deeze, fchoon volilrekt ongenees-
lyk, de behandeling eischt dier Gezwellen | 2211. befchreeven, zoo ter weg?
neeming der Wanftaltigheid hier van afhanglyk, als om te verhoeden, dat de^
zeiven van aart verbasteren, en eene kwaade hoedaanigheid aanneemeo.
2355.
Hbedaanig men zig best kan beveiligen voor B'lindlieidj is niet ge^aklyk te-