I. HOOFDSTUK,
OVER DE
ziektens der tanden
ε ν
derzelver gevolgen.
Î. AFDEELING.
Het Bederf van de Tanden
fpruttende.
3 e gemeenik Ziekte der Tanden en voor welke zy het meest bloot-
ilaan is zulk een ongemak, dat den naam van verllerving (Biortiftca-
tie') fchynt te verdienen; maar fomtyds is 'er nog meer by, want het enkel ver-
ilerf van dit deel zoude van weinig uitwerking zyn , wyl men ondervind, dat
de Tanden na hun verilerf niet verrotten ; en dus ben ik van gevoelen , dat
'er geduurende het ieeven eene werking in is, die eene verandering in het
zieke deel te weeg brengt; deze moet altoos van buiten in een klein gedeel-
te van het Ligchaam van den Tand beginnen, en vertoond zich gemeen-
iyk in het eerst als een dof wit vlakje , het welk gebooren word , uit het
losgaan van het emailleerzel, wanneer het zyne regelmatige en cristallyne
Natuur verliest, en tot eenen ftaat van Poeder gebragt word; wanneer het
famenweefzel verbrooken word; het welk dergelyke uitwerkingen voort-
brengt als tot Poeder geftooten Cristal: wanneer dit nu weg is , ftaat het
beenagtig deel vail den Tand bloot; (a) en wanneer het ongemak dit deel afan-
ge-
F (λ ) Dit ongemak van den Tand word in hei Latyn Can'^s genoemd, en word door de Tandmeesters
in verfcheiden foorien verdeeld: de ergfte dezer is de Canes profunda, of het invreetendbiderf:
Πd·-
u'u verrotting om-