' Ontledingen en Ontdekkingen. 2.Ψ.
gen, in deSomerofwarm weer. Naderhand heb ik de .
lever van de Salm op mijn Comptoir genomen, en foo
aanilonts het bloed , dat ik uit de bloed-vaten nam,
geobferveert 5 maar in de bloed-deelén geen onder-
fcheid können fien. By dit geval obferveerde ik ook de
lever van de Salm, en fag dat defelvige niet en beilond
als uit globulen van verfcheide grootheden , dog die
boven andere uitftaken ingroote, oordeelde ik vette
zijn. Soo ik defèn aangaande iets nader kan ontde&^
ken, fal ik niet nalaten Ui Ed: daar van advertentie te
geven.
Ik heb de tijd waargenomen dat de Oeilersüit Enge-
land tot ons in korten tijd over quamen, en heb daar als
doen met verwondering gefxen, wac een overgroote be-
weginge de baarden van de Oefters maakten, en fchoon
ik feer kleine flukjens van de baart van de Oefter nam,
ja die foo klein waren, dat eenige honderd foodanigc
deeltjens geen grof zant groote ibude können uitma-
ken , egter zulken groote beweging in foo een klein
afgebrooke deeltje van de baard hadde, dat het önbe-
grijpelijk was, want foo een verhaald klein deeltje,
beeide my de gedaante wel uit van een Garnaat met zijn
continuele bewegende pooten , en andere wel wedec
een Kreeft, ende men foude wel gefworen hebben, dat'
het geen deeltje van de Baart van de Oefter , maar een
Dieropzijnfeiven was,d;^ar het nogtans ter contrarie
bleek; want foodanig deeltje van de Oefter baart maak^
te gants geen voortgang, en bleef al bewegende op ee-
ne plaats leggen, ja foo lang, dat mijn g^figt moede
zijnde van fien, eintélijk het moft verlaten : en daar
heneffens hadden de vefeltjens die aan foodanig kleini
dd a deeltje