JOHANNES TJASINK
zag te Amsterdam in 1809 het levenslicht. Zijn ouders
stonden in geenerlei betrekking tot het tooneel. Reeds op
veertienjarigen leeftijd verloor hy zyn vader, een zeer ge-
acht boekhandelaar, waarna hij in diens vak, door zijn weduwe
voortgezet, werd opgeleid.
Er bestond voor den jongeling geen grooter vermaak
dan het bijwonen der voorstellingen in den Stads-schouw-
burg. Hem was het nog gegeven, een Snoek, een Evers,,
een Grevelink, een Jelgerhuijs, een Rombach en Majofski
te zien, te hooren, en te gevoelen, en reeds zeer spoedig
stond hij met vele kunstenaars van naam op vertrouwe-
lijken voet.
Door de natuur met een open, vriendelijk gelaat, een kloeke
gestalte en even aangename als krachtige stemmiddelen
toegerust, ontwaakte bij hem dra de zucht het tooneel t&
betreden, zoodat het niet lang duurde, of hij verscheen, in
een besloten kring: Arbeid en Uitspanning^ ten tooneele.
Uit deze vereeniging ontstond het tooneelminnend gezel-
schap : Vriendschap zij ons doel, onder presidium van den
Heer Jhr. J. Warin. Deze vriendenkring gaf, in vyf ä zes
Zondagavonden, gedurende het winterseizoen, zijn voorstel-
lingen in den voormaligen Franschen Schouwburg, op de
Erwtenmarkt. Aldaar was Tjasink een der voornaamste
werkende leden, wiens goede roep als tooneelspeler zich
reeds bij het publiek een weg had gebaand.