|
P
|
^ygSMg^ag^^Bfr
|
|||||||||||||||||||||
|
r
|
||||||||||||||||||||||
|
^
|
||||||||||||||||||||||
|
ALFREO RUSSEL WALLAGE
MAATSCHAPPELIJKE
OMGEVING EN ZEDE- LUKE VOORUITOANG MET PORTRET VAN DEN SCHRIJVER
|
||||||||||||||||||||||
|
L
|
||||||||||||||||||||||
|
WERELDBIBLIOTHEEK
|
||||||||||||||||||||||
|
■■
|
||||||||||||||||||||||
|
2 gfc£ffi ÊSSL^ig
|
||||||||||||||||||||||
|
Ni
|
||||||||||||||||||||||
|
P H.PRAAG»
|
||||||||||||||||||||||
|
Yv\W Zif4*{
|
|||||||
|
456
W.B.
251
|
|||||||
|
V
|
|||
|
MAATSCHAPPELIJKE OMGEVING
EN ZEDELIJKE VOORUITGANG |
||||
|
gmgmmm uitgegeven door:
DE MAATSCHAPPy VOOR GOEDE ETS
GOEDKOOPE LECTUUR-AMSTERDAM |
||||
|
ALFRED RUSSEL WALLACE
MAATSCHAPPELIJKE
OMGEVING EN ZEDELIJKE
VOORUITGANG
VERTAALD UIT HET ENGELSCH DOOR
JHR. DR. N. VAN SUCHTELEN
MET PORTRET VAN DEN SCHRIJVER
EN EEN VOORWOORD DER REDACTIE |
||||
|
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
|
|||||
|
A06000012053660B
|
|||||
|
1205 3660
|
|||||
|
VOORWOORD
|
|||||
|
ALFRED RUSSEI, WAU,ACE.
Op 8 Jan. 1913, toen deze natuur-onderzoeker en
mede-grondlegger van de Evolutie-theorie negen- tig jaren oud geworden was, heeft hij tevens het werkje voltooid dat wij hierbij aan de belangstelling onzer lezers aanbieden. Werk van een grijsaard, in wien het wetenschappelijk onderzoek nooit den hervormingsdrift heeft kunnen dempen en die aan dit levenseind nog eens heeft willen getuigen hoe zijn wetenschap zijn maatschappelijk inzicht versterkt en bevestigd heeft. Met Darwin baan- breker in het geven van een antwoord op de vraag: „Vanwaar is de mensch gekomen?" heeft hij tevens de andere vraag willen beantwoorden: „Waar gaat de (maatschappelijke) menschheid heen?" En zoo er door maatschappij-hervormers der laatste 30 jaren wel heel veel geleerdheid aan de evolutie-theorieën ontleend is, die de weten- schappelijke lommerd moeilijk te pand zou hebben |
|||||
|
VI AI.FRED RUSSEL WALUCE
|
||||
|
aanvaard, als Wallace over Evolutie spreekt,
weet hij waar het om gaat en is het de moeite waard naar hem te luisteren. * * *
Laten we even herinneren wat hij tot die Evo-
lutie-leer van Darwin heeft bijgebracht en in welk opzicht hij van zijn grooten landgenoot verschilde. Reizend in onze Oost, als natuuronderzoeker, kwam hij in 1855 allereerst tot de slotsom, dat „elke soort ontstaan is, gelijktijdig en op gelijke plaats, met het leven van voorafgaande soorten, waarmee het nauw verwant was." Doch de vraag: ,,hoe de veranderingen ontstaan" liet hem geen rust. In 1858, onder het lezen van Malthus' beroemde studie over de Bevolkiugsleer, kwam licht voor hem opdagen: het denkbeeld doorflitste hem, dat hier de: ,,Overleving der meest Geschikten" (Survival of the fittest) in het spel was, en aanstonds schreef hij aan Darwin erover, die hier zijn eigen theorie, waaraan hij nog aan het voortbouwen was, herkende. Beider uiteenzetting werd gelijk- tijdig publiek gemaakt. Wallace beschreef den „Strijd om het Bestaan" in dezer voege: „Wie hun „leven verlengden moesten de krachtigsten en „meest gezonden zijn; de zwaksten en minst „volmaakt toegerusten in den strijd ondergaan. . . „Er was geen kwestie van dat de dieren of planten „het vermogen zouden bezeten hebben, hun organen |
||||
|
VII
|
|||||||
|
VOORWOORD
|
|||||||
|
„tot hoogere ontwikkeling te brengen; alleen:
,,wie het best waren toegerust om hun voedsel of „prooi machtig te worden, konden blijven bestaan. „'t Was niet dat de giraffe zijn nek tot lengte- ontwikkeling had kunnen drijven, door hem uit „te rekken om hooghangende blaren te bereiken; „maar dank zij hun langen nek konden zij voed- „sel machtig worden, waar dit voor de variëteit „met korter nek onmogelijk was; en bij schaarschte „van voedsel binnen lager bereik moesten dus de „kortgenekten wel verdwijnen, waar de lang- „genekten zich konden handhaven." Op dezelfde wijze werd de invloed van het vermogen der Nabootsing (mimicry), van Instinkt nagegaan, en aangetoond hoe zij hielpen in het doen voortleven eener soort. Aldus heeft Wallace de theorie van Darwin hei-
pen bevestigen en verspreiden, zonder haar echter geheel te onderschrijven, daar hij in bizonder- heden van Darwin bleef verschillen en bizonderlijk ten aanzien van het ontstaan van den mensch geen vrede had met de uitspraak, dat ook hier de Natuurlijke Uitlezing (Natural Selection) de éenige factor was geweest. Wallace achtte de medewerking van andere krachten onvermijdelijk, en toonde zich hier, tegenover het Materialisme van andere natuurphilosophen, een spiritualist, die zelfs later (1881) tot een aanvaarding van het Spiri- tisme kwam. Ook gaf hij omstreeks dienzelfden |
|||||||
|
VIII AI.FRRD RTTSSEL WAIJ.ACR
tijd (1882) een geschrift uit over Landnationali-
satie, waarin hij van den bekenden Henry George een volkomen onafhankelijk voorganger bleek. Inderdaad mag W allace een „stoutmoedige
en oorspronkelijke geest" heeten, van wien wij, na dit jongste geschriftje, nog wel eens omvangrijker werk in onze W. B. hopen op te nemen. * * #
In het werk zelf is de schrijver uitteraard uit-
gegaan van de Engelsche toestanden, die zeker in onderscheidene opzichten van de onze afwijken. [Zooals bizonderlijk die in de bedrijven, de recht- spraak en de armenwet, hoofdstuk IX en X.] Het is niet noodig geoordeeld telkens aan te wijzen, waar die verschillen zich voordoen: de lezer kan zich zelf daar gemakkelijk genoeg rekenschap van geven. En mogen enkele toestanden bij ons gun- stiger, of ongunstiger zijn, het algemeene oordeel blijft ook voor ons land gelden. Red. W. B.
|
||||
|
EERSTE DEEL — HISTORISCH
|
|||||
|
EERSTE HOOFDSTUK.
I n 1 e i d i n g. Alvorens in te gaan op het verband tusschen zedelijk-
heid en onze bestaande maatschappelijke verhoudingen, zal het raadzaam zijn te onderzoeken wat wij onder zedelijken vooruitgang hebben te verstaan en waaruit het blijken moet of zulk een vooruitgang in later tijden, of zelfs in het geheele tijdvak eener betrouwbare geschiedschrijving, heeft plaats gehad. Onder zedelijkheid verstaan wij „goed gedrag,"
niet alleen in onze onmiddellijke maatschappelijke verhoudingen, maar ook ten opzichte van onze mede- burgers en de geheele menschheid. Zij is gegrondvest op het bezit van heldere denkbeelden omtrent hande- lingen die goed of kwaad zijn en een gedurig zich richten naar deze idealen. Eens was — en bij velen is nog thans — het geloof
overheerschend dat de kennis van goed en kwaad iedereen aangeboren of instinktief is en datde onzedelijke mensch terecht voor het kwaad dat hij bedrijft wordt gestraft. Maar dat dit niet waar, zeker niet gehéél |
|||||
|
2 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
waar is, blijkt uit het feit dat in verschillende maat-
schappijen en in verschillende tijden de standaard van goed en kwaad aanmerkelijk verandert. Wat ééns en op een bepaalde plaats voor goed en gepast werd gehouden, wordt later of elders niet alleen als slecht, maar als een van de grootste misdaden beschouwd. Het meest treffende voorbeeld van deze veranderlijkheid van meening levert de slavernij, die door de het hoogst beschaafde volken der oudheid, en in haast niet mindere mate door een geslacht, waarvan nog menigeen onder ons leeft, als volkomen gerechtvaardigd werd be- schouwd. De eigenaars der door slaven bewerkte suikerplantages op Jamaica werden noch door hun bloedverwanten in Engeland, noch door het grooter publiek als onzedelijk gebrandmerkt en het waren meer de gruwelen van den slavenhandel in Afrika en van het „tusschendek" op de slavenschepen, dan de slavernij zelf die de openbare meening zoozeer opwonden dat afschaffing van het eene en later ook van het andere, er het gevolg van was. Wij zijn dus wel gedwongen de gevolgtrekking te
maken dat, wat men gewoonlijk zedelijkheid noemt, niet geheel en al is toe te schrijven aan een of ander ingeboren begrip van goed of kwaad, maar dat het in zekere, en dikwijls zeer ruime mate, een kwestie van overlevering is, die voor verschillende tijden en plaatsen wisselt naar gelang van den graad en den aard der maatschappelijke ontwikkeling, die dikwijls onder zoo verschillende of zelfs zoozeer uiteenloopende bestaansvoorwaarden wordt bereikt. De telkens be- staande zedelijkheid van een gemeenschap is grooten- deels een product der omgeving; zij is plaatselijk en tijdelijk en heeft geen eeuwigdurenden invloed op het karakter. De bedoeling van het onderhavige werk is het deze
|
||||
|
I INLEIDING
|
|||||||||
|
3
|
|||||||||
|
gedachte zoo helder mogelijk te ontwikkelen door te
onderzoeken wat blijvend en aangeboren en wat opper- vlakkig en niet-aangeboren is in^.onze „zedelijkheid," om dan uit deze beschouwingen eenige gevolgtrekkin- gen te maken. |
|||||||||
|
TWEEDE HOOFDSTUK.
Zedelijkheid, wortelend in het k a r a k-
ter. Onveranderlijkheid van het
karakter.
Ofschoon veel van wat wij zedelijkheid noemen geen
absolute sanktie vindt in de menschelijke natuur, is het toch in zekere, en misschien vrij ruime mate, op haar gegrondvest. Het zal daarom nuttig zijn in het kort de natuur en den waarschijnlijken oorsprong van wat wij „karakter" noemen na te gaan bij indivi- duen, gemeenschappen en vooral bij die oudere en meer oorspronkelijke onderverdeelingen der mensch- heid die wij „rassen" noemen. Karakter kan worden gedefinieerd als dit samenstel
van geestelijke eigenschappen en gevoelens die de persoonlijke of nationale individualiteit vormen. Het is in hooge mate overerfelijk, maar toch waarschijnlijk aan meer verandering onderhevig dan vorm en bouw van het lichaam. De combinaties van zijn samenstellende elementen zijn zoo talrijk, dat men ze gevoegelijk oneindig kan noemen en deze omstandigheid verleent ieder mensch een zeer bepaalde persoonlijkheid, die zich in zijn taal, zijn gevoelsuitdrukking en handel- wijze openbaart. De ziels-eigenschappen, die het karakter van een
|
|||||||||
|
4 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
man of vrouw vormen, zijn zeer talrijk; een groot
gedeelte er van zijn noodig voor de instandhouding van het individu of van het ras, terwijl andere voor- nainelijk van socialen of ethischen aard zijn. Deze laatste, die ons aansporen tot waarachtigheid, recht- vaardigheid en welwillendheid, vormen, als zij in behoorlijke verhouding staan tot alle ander», datgene wat wij als een goed en zedelijk karakter beschouwen en zullen in de meeste gevallen leiden tot daden die de algemeene goedkeuring wegdragen van dat deel der maatschappij waarin wij leven. Deze goedkeuring werkt dan weer terug op het karakter, zoodat het dikwijls beter schijnt dan het in werkelijkheid is. Zoo groot is de invloed van deze goedkeuring onzer
medemenschen, dat zij somtijds leidt tot een gedrag, geheel verschillend van wat het zijn zou indien die goedkeuring ontbrak. Dit is vooral het geval wanneer die goedkeuring leidt tot welvaart of tot betrekkingen die aanzien of voordeel meebrengen. Doch nu en dan kan in dergelijke gevallen de betrokken persoon toch geen weerstand bieden aan zijn natuurlijke neigin- gen en handelt dan op een wijze waarbij zijn ware, verborgen karakter aan den dag komt. Zulke menschen noemen wij dan huichelaars omdat zij ons deden gelooven dat zij van nature goed waren inplaats van schijnbaar en slechts dan wanneer hun goede handel- wijze voordeelig voor hen is. Vandaar dat het bij een meer ingewikkelden toestand van beschaving buiten- gewoon moeilijk is een karakter met juistheid te beoor- deelen als zedelijk of onzedelijk, goed of slecht; terwijl deze moeilijkheid niet bestaat ten opzichte van de verstandelijke of gevoelszijde van het karakter, die minder beïnvloed worden door de omgeving en waarbij de verzoeking ze te verbergen minder sterk is. Alles wijst er blijkbaar op, dat, ofschoon de hande-
|
||||
|
2 ZEDELIJKHEID EN KARAKTER 5
|
||||||
|
lingen der meeste individuen voor een belangrijk
gedeelte door hun maatschappelijke omgeving worden bepaald, dit nog geen verandering van het karakter insluit. Ieders levens-ervaring, en vooral ook het voor- beeld van zijn vrienden en kennissen, brengt hem er toe hartstochten te onderdrukken, aandoeningen te be- heerschen, in het algemeen zijn oordeel te gebruiken alvorens te handelen, om zoodoende de achting van zijn medemenschen en grooter geluk voor zichzelf te verwerven; en deze pogingen, tot gewoonte geworden, zullen het dikwijls doen voorkomen alsof een karakter werkelijk veranderd was, totdat een of andere groote verleiding of hevige hartstocht de gewende tucht ver- breekt en de ware natuur, die gewoonlijk sluimert, aan den dag brengt. Het is nu dit ingeboren en onveranderlijke karakter
zelf dat op de nakomelingschap wordt overgedragen en zoo is er geen voortgaande verbetering van het karakter denkbaar zonder tusschenkomst van een of andere selektieve werking die naar zulk een verbetering streeft. In een algemeene beschouwing over natuur en oorsprong van „karakter" heb ik elders aange- toond dat er geen bewijs is voor eenigen werkelijken vooruitgang gedurende het geheele tijdvak der historie.x) Ik zal hieronder aantoonen welke de verlangde selek- tieve faktor is en hoe deze vanzelf in werking zal treden wanneer — maar ook niet eerder — onze maatschappij zoodanig zal zijn hervormd, dat zij de gunstige voorwaarden hiertoe biedt. (Zie het vijftiende hoofdstuk.) In de oudste dokumenten die ons uit het verleden
zijn overgeleverd vinden wij talrijke bewijzen er voor dat destijds de algemeene moreele opvattingen, de |
||||||
|
1) Character and Life (Karakter en Leven) 1912 pag. 19-31.
|
||||||
|
6 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
aangenomen standaard der zedelijkheid en het gedrag
dat er uit voortvloeide, in geenen deele lager stonden dan de thans heerschende, al verschillen zij er dan in sommige opzichten ook van. Als voorbeelden van groote moralisten uit zeer vroege
tijden hebben wij Socrates en Plato, omstreeks 400 jaar v. Chr.; Confucius en Boeddha, een of twee eeuwen vroeger; en nog vroeger Homerus en het groote Indische epos, de Maha-Bharata, van omstreeks 1500 jaar v. Chr. Bij allen vinden wij bewijzen van een intellectueel en moreel karakter volkomen gelijk aan ons eigen, terwijl de lagere openbaringen er van, zooals die blijken uit oorlogen en speelzucht, volstrekt niet slechter zijn dan de hier aan beantwoordende onzedelijkheden van tegenwoordig. In de Veda's, die wonderbare verzameling van liederen, vinden wij vele van de essentieele leeringen der grootste religieuse denkers terug, tot zelfs de erkenning van den éénen oppermachtigen God. En wanneer wij dan denken aan de zeer beperkte natuurkennis dier tijden, moeten wij wel toegeven dat de geest, die dergelijke denkbeelden als in de Veda's kon bevatten en uitdrukken in zoo schoone taal, in geen enkel opzicht lager stond dan onze beste godsdienstige denkers en dichters, onze Milton's en Tennyson's.x) *) De laatste twee alinea's vormen in het Engelsche boek het
derde hoofdstuk, aangevuld met lange fragmenten uit de Maha- Bharata. Door mijn samentrekking bevat deze vertaling een hoofd- stuk minder dan het oorspronkelijke werk. {Noot v. <l. vertaler). |
||||
|
3 ONVERANDERLIJKHEID VAN HET INTELLECT 7
DERDE HOOFDSTUK.
Onveranderlijkheid van het intellekt.
Naast de schoone literatuur en zedeleer van het
oude Indië bestond er een beschaving gelijkwaardig aan die der klassieke volken, zich openbarend in groote tempels, vestingen en paleizen, wapenen en werktuigen, kleinoodiën en uitgelezen kunstvoorwerpen. Hun archi- tektuur was in hooge mate eigenaardig en dekoratief en bleef tot in de nieuwe tijden bestaan. Misschien tengevolge van het tropische of subtropische klimaat met zijn scherpgescheiden natte en droge seizoenen, zijn de oudste gebouwen of ruïnes, die bleven bestaan, minder oud dan de Grieksche of Romeinsche; maar die, welke gelijktijdig met onze Gothische kathedralen ontstonden zijn overtalrijk en vertoonen een oor- spronkelijkheid van teekening, een weelderigheid van versiering en een volmaaktheid van techniek als bij welk ander schoon bouwwerk ook ter wereld. Twee andere groote kuituren waarvan wij oor-
spronkelijke berichten hebben, zijn die van Egypte en Mesopotamië, die beide veel ouder geweest schijnen te zijn dan die van Indië of Griekenland. Maar terwijl Egypte ons de meest volledige reeks ter wereld van graven, tempels en paleizen, een overvloed van beeldhouwwerken en tal van kenmerkende basreliefs en muurschilderingen, die ons het geheele openbare en huiselijke leven van het volk doen zien, heeft nagelaten, wordt Mesopotamië slechts vertegenwoor- digd door uitgestrekte ruïnes bij de oude steden Niniveh -en Babyion, waaruit men echter vele fraaie beelden en reliëfs, uitingen van een zeer bijzonderen kunststijl, heeft opgegraven. Langer dan 2000 jaar waren de geschiedenis en de overblijfselen dier eens grootste |
||||
|
8 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
kuituur geheel en al onbekend, behalve de vermelding
van een paar twijfelachtige feiten en namen in Grieksche en Hebreeuwsche geschriften. Doch gedurende de tweede helft der negentiende eeuw hebben een menigte onderzoekers en geleerden, zooals Layard en Rawlinson, éérst de kunstwerken aan het licht gebracht en later ook een geweldige hoeveelheid steenen en steenplaten, dicht bedekt met een bijzonder soort van schrift, het spijkerschrift, dat men ten slotte, na ontzaglijke moeite, ook heeft kunnen ontcijferen. Er zijn geheele bibliotheken van deze steen-boeken gevonden en naarmate de vertaling er van vordert, leeren wij ook de geschiedenis, de wetten, de gebruiken en het dagelijksch leven van dit oude volk evengoed kennen als die van de oude Indiërs en Egyptenaren. Voor het doel evenwel dat wij thans beoogen is
de Egyptische beschaving het belangrijkst, omdat zij ons het treffendste bewijs levert van het bereiken van een hoogen graad van wetenschappelijke ont- wikkeling nog in den dageraad der historie. Duidelijk blijkt dit uit dat wonderbaarlijke bouwwerk, de groote Pyramide van Gizeh, die, ofschoon niet de alleroudste, toch de grootste en merkwaardigste is van de ongeveer zeventig pyramiden die men in verschillende deelen van Egypte vindt en die ten opzichte van haar afmetin- gen, bouw en gebruik grondiger onderzocht en be- studeerd is dan de andere. Van deze pyramide is historisch bekend dat zij
gebouwd werd op bevel van Koning Cheops (of Khufu) en dat het tijdstip van hare oprichting met vrij groote nauwkeurigheid op 3700 v. Chr. kan worden gesteld, of ongeveer 2000 jaar vroeger dan de beschaving welke in de Indische of Grieksche epische gedichten wordt geschilderd. De inwendige bouw der pyramide is het meest belangwekkend omdat er duidelijk uit |
||||
|
3 ONVERANDERLIJKHEID VAN HET INTELLECT 9
blijkt dat haar bestemming niet alleen was het graf
te zijn van den koning die haar bouwde, maar tevens een volslagen sterrenwacht tijdens zijn leven. Door sommige hedendaagsche geschiedschrijvers is dit ontkend. In Harmsworth's „History of the World" (Wereldgeschiedenis) leest men: „De Pyramiden waren niet anders dan graven, zij hebben geen enkele sterrenkundige beteekenis of bedoeling." En later, na vermelding van de denkbeelden van Piazzi Smith en anderen als „ijdele hersenschimmen," wordt hieraan toegevoegd: „Er is niets bijzonders aan deze groote graven, behalve hun omvang en de nauwkeurigheid van hun bouw." Bijna gelijkluidende uitspraken vindt men in het groote werk: „Historian's History of the World" en in „Chambers' Encyclopaedia." Wanneer de schrijvers dezer werken het boek van
R. A. Proctor: „The great Pyramid: Observatory, Tomband Temple" (De groote Pyramide: Sterrenwacht, graftombe en tempel) hadden gelezen, zouden zij geweten hebben dat hun bewering geheel en al onjuist is. De omvang, de vorm en de hoeken, die de inwendiga gangen maken, zijn gemeten en beschreven door tal van zeer bevoegde onderzoekers, waarvan de voor- zichtigste en nauwkeurigste was Piazzi Smith, destijds Koninklijk astronoom van Schotland. Het is waar dat hij veel „ijdele hersenschimmen" had, maar zijn opmetingen behoorden tot de meest betrouwenswaar- dige. De „Pyramide-godsdienst" welks bestaan hij wilde bewijzen uit een reeks van „coïncidenties" of overeenkomsten tusschen de afmetingen van sommige gedeelten der pyramide en astronomische afmetin- gen, waarvan de pyramidebouwers niet het flauw- ste begrip konden hebben (zooals b.v. de afstand van de zon, de precessie der nachteveningen etc.) was zonder twijfel een ijdele hersenschim, maar hij beriep Maatschappelijke omgeving. 2
|
||||
|
10 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
zich daarvoor dan ook vrijmoedig op een „goddelijke
ingeving." Dit alles wordt door Proctor verworpen en duidelijk verklaart hij de bedoeling van den inwen- digen bouw der pyramide op een wijze als alleen een ervaren astronoom dit kan. Ik wil nu zoo kort mogelijk de onbetwijfelbare feiten en de gevolgtrekkingen die Proctor er uit maakt, meedeelen. De groote pyramide en de twee kleinere er naast,
die samen de Pyramiden van Gizeh vormen, staan op een klein, rotsachtig plateau bij de punt der Nijldelta. De grootste der drie is zoodanig geplaatst dat haar noor- delijke zijde onmiddellijk aan den kant van dit plateau omhoog rijst. De reden hiervan schijnt te zijn geweest dat de bouwers haar zoo dicht mogelijk bij den 30sten breedtegraad wenschten te zetten. In werkelijkheid ligt zij ongeveer één en een derde mijl ten zuiden van die breedte; maar zulk een vergissing is, voor dien vroegen tijd, zeer gering en bovendien van weinig nadeel voor het beoogde doel. De tweede eigenaardigheid is dat de pyramide zuiver gericht is, dat wil zeggen dat haar vier kanten loopen naar het noorden, zuiden, oosten en westen. Voorts is haar grondvlak een vol- komen vierkant en staan de vier hoeken op precies hetzelfde peil. Het eerste dat de bouwers te doen hadden, was het
bepalen van den juisten meridiaan. Zij konden dit op twee wijzen: door waarneming van de zon of van de poolster, waarvan het laatste nauwkeuriger, maar ook moeilijker en kostbaarder was. In den tijd toen de pyramide gebouwd werd was de poolster Alpha Draconis, die verder van de pool verwijderd was dan onze tegen- woordige poolster en er een cirkel om beschreef van 7° 24' doorsnede. Om de richting van deze ster in haar laagsten stand (260 17') te bepalen, groef men in de vaste rots een tunnel uit van omstreeks vier voet |
||||
|
3 ONVERANDERLIJKHEID VAN HET INTELLECT II
middellijn om de ster iederen dag in dien stand te
kunnen waarnemen. Deze tunnel strekte zich 350 voet lang in de rots uit tot een punt, bijna onder het middelpunt van de pyramide gelegen, waar door een kleine, vertikale put een loodlijn kon worden neer- gelaten om de juiste richting van den meridiaan aan de oppervlakte te kunnen aangeven en later op iedere volgende verdieping der pyramide naarmate deze hooger werd. Onder het bouwen nu werd de hellende tunnel doorgetrokken tot aan de noordelijke facade en een nieuwe, stijgende naar het zuiden aangelegd, die denzelfden hoek maakte met den horizont. Dit had alle vroegere onderzoekers der pyramide verbaasd, totdat Proctor aantoonde dat, door een holte in het punt waar de beide tunnels hun hoek vormden met water te vullen, de poolster door weerkaatsing kon worden waargenomen en zoodoende met buitengewone nauwkeurigheid de richting van den meridiaan aan de oppervlakte der pyramide aangaf. Maar op een afstand van 127 voet vertoont zich
iets nieuws. De stijgende tunnel verandert hier in wat men noemt de „Groote Gang" die, ofschoon hij dezelfde vloerlijn heeft als de tunnel, plotseling een hoogte krijgt van 28 voet, met een breedte van 7 voet op den vloer en van 3,5 voet bij de zoldering. Langs iedere zijde bevindt zich een rand of bank, 20 duim breed en 21 hoog. De wanden hellen niet naar binnen, maar zijn gevormd door zeven steenlagen die elk drie duim over de onderliggende uitsteken. De geheele hellende gang bestaat uit fraai-gladden of zelfs ge- polijsten kalksteen. Hij heeft een lengte van 156 voet en hij eindigt op het platvorm der pyramide op de centrale lijn van oost naar west waar de pyamide een derde van haar hoogte bereikt heeft.1) Dit is ter hoogte van ') Wallace zegt twee derde; dit blijkt bij teekening onjuist.
|
||||
|
12 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
de „Koningskamer" en het was waarschijnlijk eerst
nadatde koning gestorven was en zijn lichaam gebalsemd en in zijn tombe geplaatst, dat de pyramide werd vol- tooid, de openingen der gangen zorgvuldig werden ge- sloten en de geheele buitenkant van het gebouw met een glad omhulsel van steen werd omkleed, waarvan nu nog slechts enkele, zeer kleine fragmenten over zijn gebleven. Deze gang heeft nog twee andere eigen- aardigheden die de slechts oudheidkundige onder- zoekers hebben verbaasd. Het zijn vierkante gaten, gehakt in de hellende banken lang de zijwanden, ongeveer 5,5 voet van elkaar af, in het geheel 18 aan iederen kant, precies tegenover elkaar. Aan weerszijde van de gang, ongeveer ter halver hoogte, bevindt zich een overlangsche groeve, waarlangs men overdwarsche schermen zou kunnen laten glijden die gemakkelijk zoo geplaatst konden worden dat zij nauwkeurig de lengte-as van de gang aangaven, evenals de kruis- draden in een astronomischen kijker. De gaten in de banken konden gediend hebben om er dwars-zetels in te bevestigen waarop de waarnemer stevig en ge- makkelijk kon zitten, terwijl hij den doorgang van zon, ster of planeet waarnam. Naar het zuiden toe open, gaf de Groote Gang een
prachtig uitzicht op den zuidelijken hemel en maakte het den waarnemers mogelijk hoogte en azimuth van tal van sterren en van de planeten Mars, Jupiter en Saturnus te bepalen. De ster Alpha Centauri, die in dien tijd nog van de eerste grootte was, maar thans veel van haar glans heeft verloren, zal, bij het passeeren van den meridiaan, zich ongeveer in het midden van het gezichtsveld hebben bevonden van deze gang die, |
||||||
|
Zie ook de afbeeldingen der pyramide in verschillende bouw-
kundige werken. (Noot v/d vertaler). |
||||||
|
3 ONVERANDERLIJKHEID VAN HET INTELLECT 13
zooals Proctor zegt, het mooiste instrument voor
doorgangsbepalingen was dat ooit voor waarneming met het bloote oog werd geconstrueerd. Tycho Brahé heeft, met zijn beroemden quadrant van Uranienburg, niet zulk een graad van nauwkeurigheid bereikt als deze Oostersche sterrekundigen bijna 6000 jaar geleden. Een groot voordeel van een ondergrondsch observatorium boven openlucht-waarnemingen zonder telescoop is, dat men door het einde van de gang dicht te maken, behoudens een opening juist groot genoeg om het voorwerp te kunnen waarnemen, de meest glanzende sterren ook overdag kan zien. Als we ons nu herinneren dat de Groote Pyramide
een oppervlakte van ongeveer 55 hektaren beslaat; dat zij volkomen vierkant is, een volkomen horizontaal grondvlak heeft en de vier zijden nauwkeurig naar de vier windstreken gericht zijn; dat haar zijden een zoodanige helling hebben dat de oppervlakte van eiken driehoek gelijk is aan die van een vierkant welks zijden gelijk zijn aan de hoogte der pyramide; dat voorts de helling van de dalende tunnel juist zóó is dat zij precies gericht is op de poolster van dien tijd in haar laagsten stand; ten slotte dat dit alles slechts met zoo groote nauwkeurigheid kon worden uitgevoerd door middel van juist dit stelsel van onderaardsche tunnels en gangen dat inderdaad aanwezig is, terwijl alle bijzonderheden van hun bouw toonen dat zij berekend zijn voor de vereischte astronomische waarnemingen, dan is de gevolgtrekking onafwijsbaar dat zij werkelijk ook bestemd waren en gebruikt werden voor dergelijke waarnemingen en dat op geen andere manier een zelfde nauwkeurigheid kon worden bereikt. Ik heb zulk een vrij uitvoerige beschrijving gegeven
van wat de Pyramide-bouwers deden omdat het een belangrijk bewijsstuk is voor mijn bewering omtrent |
||||
|
14 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
de onveranderlijkheid van het menschelijk intellekt
gedurende het historisch tijdvak. De groote meerderheid der ontwikkelde menschen
meenen dat onze wonderbaarlijke ontdekkingen en uitvindingen op ieder gebied van kunst en wetenschap bewijzen dat wij inderdaad verstandiger en wijzer zijn dan de menschen uit vervlogen eeuwen, dat onze geestelijke vermogens in kracht zijn toegenomen. Deze meening is echter volkomen ongegrond. Wij zijn slechts de erfgenamen van de opeengestapelde kennis der eeuwen en het is zeer wel mogelijk en zelfs waarschijnlijk, dat de eerste pogingen tot de bijeenbrenging van dezen onmetelijken geestelijken schat meer nadenken en een hooger intellekt hebben vereischt, dan welke ook der ontdekkingen van ons eigen tijdperk. Wij kunnen dit misschien het best begrijpen door
eens te veronderstellen dat een onzer groote mannen der wetenschap geboren en opgevoed was in een van die vroegere kuituren. Wanneer Newton geboren was in Egypte ten tijde der pyramide-bouwers, toen er nog niet zulke wetenschappen als wiskunde bestonden en misschien zelfs niet eens het decimale stelsel dat ons het rekenen zoo gemakkelijk maakt, zou hij waarschijn- lijk niets meer hebben kunnen doen dan zij werkelijk gedaan hebben. Bij het opbouwen der wetenschappen was iedere eerste stap het werk van een genie. Maar thans, nu er bijna honderd eeuwen van ontdekkingen en van specialisatie door duizenden of zelfs millioenen werkers zijn verstreken; nu door schrift en drukpers iedere nieuwe ontdekking spoedig alom bekend wordt en een steeds grooter aantal menschen hun leven aan de studie wijdt, wordt het tempo van den vooruitgang steeds sneller en is het geheele resultaat verwonderlijk groot. Doch dit bewijst volstrekt niet een meerderheid |
||||
|
3 ONVERANDERLIJKHEID VAN HET INTELLECT IS
van de hedendaagsche ontdekkingen boven de vroegere.
Er bestaat daarom ook geen bewijs voor een voort- durende toeneming van verstandelijk vermogen. Maar er is nog meer dat mijn bewering versterkt.
Onlangs, eerst zeer kort geleden, zijn er papyri ontdekt die ons inlichten omtrent de denkbeelden, het geloof en de idealen van het tijdperk nog vroeger dan dat van de Groote Pyramide. Het resultaat der studie van deze en andere berichten van het oudste Egypte wordt door Professor Adolf Erman in „The Historian's History of the World" aldus saamgevat: „Maar als men den ouden bewoner van het Nijldal
beschouwt als een menschelijk wezen met begeerten, gevoelens en idealen geheel gelijk aan de onze; als een man die streeft naar de oplossing van dezelfde vraagstukken van praktisch socialisme als waarnaar wij ook heden streven — dan, en dan alleen, kunnen wij de lessen van de oude Egyptische geschiedenis in hun ware bedoeling en beteekenis verstaan. En het helderst zal die beteekenis misschien voor ons worden, wanneer wij ons voortdurend voor oogen houden de mogelijkheid dat de drie of vierduizend jaar welke die pyramide- bouwers scheidt van de tijdgenooten van Alexander, eigenlijk een periode was van nationaal verval, een duister tijdperk in de geschiedenis van Egypte." Dat een groot geschiedkundige, op grond van zijn
studie der denkbeelden en sociale toestanden in de oudst-bekende kuituren tot dezelfde slotsom komt om- trent hun geestelijk leven als die ik zelf afleidde uit wat zij wetenschappelijk bereikten, mag wel als een sterk argument gelden ter bevestiging van ons beider onafhankelijk van elkaar gemaakte gevolgtrekkingen. |
||||||
|
16 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
VIERDE HOOFDSTUK.
Taal en schrift als bewijzen van
verstandelijke ontwikkeling. Er is nog een ander bewijs er voor dat de geestelijke
vermogens der menschheid in een zeer vroeg tijdperk geheel gelijk waren aan die in onzen eigen tijd. Er is misschien niets moeilijkers in de menschelijke natuur, niets dat hooger boven het laag-dierlijke staat, dan het vermogen der geartikuleerde spraak dat alle menschenrassen bezitten. We kunnen niet anders dan aannemen dat haar verwerving een uiterst langzaam proces was en dat het werd mogelijk ge- maakt door een bijzondere ontwikkeling der hersenen, die de noodzakelijke geestelijke kracht er voor ver- schafte. Hoe lang dit proces geduurd moet hebben is onmogelijk
te zeggen, maar zeker is het dat de taal reeds een hoogen graad van volmaking moest hebben bereikt vóór het even moeilijke proces der uitvinding van het schrift verdere ontwikkeling der hoogere vermogens door middel van de poëzie aan den eenen kant en de bewaring van feiten, ontdekkingen en verklaringen aan den anderen kant, kon mogelijk maken. Ik wensch nu de aandacht te vragen voor het zeer
gewichtige feit, dat de oorsprong en ontwikkeling der taal, en later van het schrift, klaarblijkelijk nagenoeg gelijktijdig en zeker geheel onafhankelijk van elkaar, in verschillende, niet zeer ver van elkaar verwijderde streken valt aan te wijzen. Dit is te zien aan het ver- schillen van de wortels der verschillende taalgroepen in Europa, Oost-Azië en Noord-Afrika en aan het even groote verschil in het Egyptische, Assyrische en Chineesche schrift. Men neemt aan dat alle andere |
||||
|
4 TAAL, SCHRIFT EN ONTWIKKELING 17
|
|||||
|
schriftteekens van een van deze drie zijn afgeleid en
het is bekend dat de vorm en de eigenaardigheden der letters in hooge mate werden beïnvloed door het verschillend materiaal waarin zij werden geschreven, zooals hout, steenen platen, klei, was, papyrus, papier of perkament en door het feit of zij werden gegrifd, gedrukt of geschilderd, dan wel geschreven met een rietje, een pen of een klein borsteltje. Maar indien de intellektueele mensen zich als een
bijzonder soort van zoogdier had ontwikkeld doordat de meer-geschikte variëteiten overleefden, zouden wij van zulk een belangrijke eigenschap als de taal mogen verwachten dat zij in één centrum ontstaan was en zich van daaruit snel over de wereld zou hebben verspreid om in de geïsoleerde gemeenschappen slechts geringe wijzigingen te ondergaan. De fundamenteele verschillen echter die wij vinden, schijnen beter te strooken met de opvatting dat eerst toen zijn materieel organisme als gewoon dier den vereischten graad van volkomenheid had bereikt, die geestelijke verandering !) plaats greep welke alleen hem in staat stelde die intellektueele en moreele ontwikkeling te beginnen en die merk- waardige macht over de natuurkrachten te verkrijgen x) „Spiritual influx," letterlijk „geestelijke instrooming," zegt
Wallace. Elders (slot twaalfde hoofdstuk) ook „influx of the spirit of the Deity" (instrooming van den geest der Godheid) en (veertiende hoofdstuk) „divine influx." Wallace schijnt dus te gelooven aan een bijzondere, goddelijke bezieling van den mensch, die zich op een ge- geven oogenblik bij zijn dierlijkheid voegde en waardoor de mensch letterlijk „hemelsbreed" van de dieren zou verschillen (zie slot dertiende hoofdstuk, waar over den mensch wordt gesproken als van den „hemel-geborene, in wezen slechts weinig lager dan de engelen," in tegenstelling met het „oneindig veel lager peil der dieren die te gronde gaan.") Ik wijs er nadrukkelijk op dat deze theologische opvatting, die blijkbaar de aanwezigheid, althans in kiem, van alle hoogere, menschelijke geestvermogens, zooals sympathie, hulpvaar- digheid en liefde, óók bij de dieren negeert, en die ongetwijfeld velen |
|||||
|
18 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
en waarbij taal en schrift, gevolgd door de drukkunst,
zulke belangrijke faktoren geweest zijn. Om de taal te kunnen ontwikkelen moet de mensen
reeds een brein en een verstand bezeten hebben ver boven het dierlijke. Evenals bij het meer fundamenteele vraagstuk omtrent den oorsprong van het leven moet worden toegegeven, dat organisatie is een produkt van leven, en niet leven van organisatie — evenzoo moeten wij ook gelooven dat de taal een produkt is van her- senen en van een verstand voldoende voor haar ont- wikkeling. Maar zulke hersenen en zulk een verstand waren niet noodig voor de lagere dieren die hun hoogst ontwikkelde vormen bereikten in den hond, het paard, den olifant en den aap, zonder dat zij dergelijke hoogere vermogens definitief konden verwerven. |
|||||||
|
VIJFDE HOOFDSTUK.
Wilden staan zedelijk niet lager dan
beschaafde menschen. Wanneer de feiten en betoogen in de voorgaande
hoofdstukken uiteengezet juist zijn, mogen wij niet verwachten ergens nog levende voorbeelden van den „ongeestelijken" mensch te zullen vinden, daar dan kan worden ondersteld dat het geheele menschelijke ras den geestelijken invloed, die het zijn zuiver mensche- lijke ontwikkeling deed beginnen, op een bepaald tijdstip, misschien binnen een paar geslachten of |
|||||||
|
lezers dadelijk als onlogisch zal treffen, van geen wezenlijk belang
is voor hetgeen Wallace in zijn boek wil aantoonen: de mogelijkheid in de toekomst van een nieuwen, geestelijken selectie-factor, zoodat de aannemelijkheid zijner conclusies er niet door wordt in gevaar gebracht. (.Yoof van den vertaler). |
|||||||
|
5 WILDEN EN ZEDELIJKHEID 19
|
|||||
|
zelfs binnen één enkel geslacht, onderging. De voor-
ouderlijke vorm, de gezochte „ontbrekende schakel," zou dan moeten zijn uitgestorven. Als dit niet zoo was zouden wij mogen verwachten
ergens nog afgezonderde groepen van spraaklooze menschen te zullen vinden. Hiervan bestaan echter geen voorbeelden; integendeel, het blijkt dat zelfs de laagste der bestaande rassen nog talen bezitten die dikwijls buitengewoon ingewikkeld zijn van gram- matikalen bouw en in geen enkel opzicht herin- neren aan den primitieven diermensch waarvan zij overblijfselen heeten te zijn. Zoolang als wij onze kennis omtrent hen verkregen door bemiddeling van de onbeschaafde Europeanen, die hen als slaven vingen of als wilde beesten neerschoten, was het niet mogelijk hen als werkelijke menschen te leeren kennen. Maar nu wij meer betrouwbare berichten over hen hebben van ontwikkelde reizigers en zendelingen, blijkt het duidelijk dat wij, wanneer wij slechts met vriendelijkheid en welwillendheid tot hun innerlijk karakter doordringen, zullen ontdekken dat zij men- schelijke eigenschappen bezitten van geheel denzelfden aard als onze eigene. Een paar voorbeelden van wat onbevooroordeelde getuigen over hen zeggen, zullen zeer leerrijk zijn. Na een ontmoeting beschreven te hebben tusschen
kapitein Fitzroy en het hoofd van een klein eiland bij Tahiti ter regeling van een vergoeding wegens schade toegebracht aan een Engelsch schip, zegt Darwin: „Ik kan niet genoeg mijn verwondering uitdrukken
over de buitengewone mate van gezond verstand, redeneerkracht, matiging, openhartigheid en vlugheid van besluit die hierbij werden ten toon gespreid." Kapitein Cook zelf, die hen zag in hun primitieve
levenswijze, spreekt over de inboorlingen van „Friendly |
|||||
|
20 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG.
Isles" als zijnde: edelmoedig, dapper, openhartig, en
zonder achterdocht of verraderlijkheid, wreedheid of wraakzucht. En een eeuw later merkt Admiraal Erskine op dat: „hun opvatting van zindelijkheid en betamelijkheid hooger staat dan die van de meeste beschaafde naties;" terwijl alle Polynesische stammen vriendelijk en zorgzaam zijn voor de zieken en bejaar- den en een onbegrensde gastvrijheid door hen wordt in praktijk gebracht. Zelfs de Australische inboorlingen, die dikwijls gezegd
worden een van de laagste menschenrassen te vormen, blijken nog tal van goede eigenschappen te bezitten volgens hen die hen het best kennen. De heer Curr die gedurende veertig jaar,,Beschermer der Inboorlingen" x) in Victoria was, zegt o.a.: „Maatschappelijk is de neger beleefd, vroolijk,
goedlachs en vertoont in zijn karakter veel goedhartig- heid.... De inboorlingen zijn zeer naugwezet in het nakomen van hun wetten en gebruiken, zelfs bij zware verzoeking. De afschuw van een huwelijk met een vrouw van een verboden graad van bloedverwantschap, de buitengewone droefheid die zij toonen bij den dood van kinderen of verwanten en soms zelfs van blanken — zooals bijvoorbeeld het geval was bij den inboorling die de eenige metgezel was van den ongelukkigen Kennedy, toen deze vermoord werd — zijn voldoende om te bewijzen dat zij aandoeningen en een begrip van goed en kwaad bezitten die niet veel van de onze verschillen." Het feit dat de physieke kenmerken der Australiërs
wezenlijk die van het Kaukasische ras in zijn laagste vormen zijn, heeft mij tot de gevolgtrekking gebracht, i) „Protector of the aborigines," titel van den Regeerings-ambte-
naar, wien de zorg voor de instandhouding der oorspronkelijke Australische bevolking is opgedragen. {Noot o, rf. vertaler). |
||||
|
5 WILDEN EN ZEDELIJKHEID
|
||||||||
|
21
|
||||||||
|
dat deze belangwekkende menschen afstammen van
veel beschaafder voorouders en dus eer een voorbeeld zijn van ontaarding dan van overleving van een oertoestand."1) Er zijn nog tal van andere voorbeelden, zoowel van
de intelligentie als van de moraliteit van wilde stammen in alle deelen der wereld, die over het geheel genomen een wezenlijke gelijkvormigheid van het menschelijk karakter, zoowel moreel als emotioneel en zonder een bepaalde meerwaardigheid van eenig ras of land, bewijzen. Bij het verstand, waar de vooruitgang het grootst is geweest, kan hij geheel en al worden toegeschreven aan de accumulatieve (opeenhoopende) werking van achtereenvolgende verwerving van kennis die van eeuw tot eeuw werd overgeleverd. Euclides en Archimedes waren waarschijnlijk de gelijken van de grootste wiskundigen onzer dagen, terwijl de architec- tuur van Griekenland, Indië en Centraal-Amerika slechts weinig onder de middeleeuwsche gothiek staat. Maar geen van deze alle, hoe verschillend ook in stijl, vertoonen eenigen werkelijken vooruitgang in ver- standelijke kracht boven die van de bouwers der veel oudere tempels en pyramiden in Egypte. Dit laatste land, met zijn hooge stoffelijke beschaving en zijn merkwaardigen godsdienst, toont zich gelijkwaardig met welke ook van zijn opvolgers. |
||||||||
|
l) Zie mijn: AustruUu and Xeut Zealand 1893, hoofdstuk V ,,De
Australische inboorlingen" waar ik deze opvatting het eerst uiteen- zette. Over zedelijkheid bij wilden zie mijn: Nalural Selcclion and Troptcal Nature (Natuurlijke teeltkeus en de tropische natuur) pgs. 199—201. Noot v. d. Red,: Over deze ontaardingstheorie zie Prof. J. BOEKE: De Afstamming vim den Mensch, in onze serie Handboekjes. |
||||||||
|
22 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
ZESDE HOOFDSTUK.
Een selektieve werking vereischt
om het karakter te verbeteren. Het algemeene resultaat van de tot hiertoe in korte
trekken uiteengezette feiten en argumenten dwingt ons tot de gevolgtrekking, dat er in den loop der eeuwen geen besliste vooruitgang der zedelijkheid heeft plaats gehad en dat zelfs de laagste stammen, en ten allen tijde, dezelfde intellektueele en moreele natuur bezitten als de hoogere. De openbaringen van deze wezenlijk- menschelijke natuur in gewoonten en gedragingen waren echter dikwijls zeer verschillend, naar gelang van de verschillen der sociale en moreele omgeving. Dit is ge- heel in overeenstemming met de thans wei-gegronde leer dat het wezenlijke karakter van den mensch, intellektueel, emotioneel en moreel hem is ingeboren, dat het van individu tot individu aan groote variatie onderhevig is en dat zijn gedragsuitingen in zeer hoogen graad gewijzigd kunnen worden door den invloed der openbare meening en van systematisch onderricht. Deze laatste veranderingen evenwel zijn niet erfelijk, en hieruit volgt dat er geen definitieven vooruitgang in moraliteit kan plaats hebben bij eenig ras, tenzij er een of andere selektieve of afscheidende invloed aan het werk is. Aangezien er ten opzichte van dit onderwerp heel
wat misverstand heerscht is een kleine uitweiding misschien raadzaam. Vele welopgevoede en intelligente menschen schijnen te denken dat karakters of ver- mogens die erfelijk zijn, ook noodzakelijk cumulatief (opeenhoopend) zijn. Zij hooren dat geestelijke zoowel als lichamelijke eigenschappen erfelijk zijn; hun eigen ervaring leert hen dat er zoowel muzikale als groote |
|||||
|
*
|
|||||
|
6 KARAKTER EN SELECTIE 23
|
|||||
|
families zijn. Zij hooren dat wijlen Sir Francis Galton
een boek schreef over erfelijk genie (Hereditary Genius) en misschien hebben zij het zelfs gelezen; maar ze merken niet dat noch hij noch iemand anders bewezen heeft dat genie van welken aard ook, cumula- tief is, dat wil zeggen dat een geniale man of vrouw in het algemeen een of meer kinderen zal hebben met een grèóter bedrag van het bijzondere vermogen dat zij zelf bezitten. In werkelijkheid is precies het tegendeel het geval. Hoe meer iemands talent of geestelijk ver- mogen boven de middelmaat staat, hoe minder kans is er dat een van zijn of haar kinderen nog méér van dit vermogen zal hebben. Een werkelijk groot dichter, schilder of musicus verschijnt plotseling in een familie van middelmatige of zelfs in het geheel geen bekwaam- heden in die bepaalde richtingen. Een paar voorbeelden mogen dit toelichten. Sir William Herschell was de zoon van een Duitsch
musicus en was zelf musicus van beroep, maar hij werd een sterrekundig genie, een van de grootsten zijner eeuw. Zijn zoon, Sir John Herschell, was een zeer ontwikkeld man, met alle voordeden van opvoeding en positie. Hij volgde zijn vader op als astronoom en was een groot wiskundige, maar is toch nooit beschouwd als de gelijke van zijn vader. Darwin's eminente zoon was een wiskundige, geen natuurkundige. De reden hiervan is dat erfelijkheid de wet volgt
van „den teruggang tot de middelmaat." Dat wil zeggen dat alle groepen van levende wezens schommelen rondom een doorsnee of gemiddelde wat hun karakter betreft en dat zij, die dicht bij het gemiddelde staan, altijd talrijk zijn, terwijl naarmate wij de uitersten naar beide richtingen naderen, de getallen afnemen. Families volgen dezelfde wet. Als wij een familie gedu- rende drie of vier geslachten, die misschien een paar |
|||||
|
24 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
honderd personen omvatten, beschouwen, zullen som-
migen hiervan kort, anderen lang zijn, maar de meer- derheid zal dicht bij het gemiddelde liggen en de langste van allen zal minder kans hebben nog langere afstammelingen te hebben dan hijzelf, dan zij wier lengte dicht bij het gemiddelde ligt. Wel echter zullen de kinderen van de langsten, ofschoon in het algemeen korter dan hun ouders, neiging vertoonen boven het gemiddelde te blijven. Wanneer een karakter voor zijn bezitter in den strijd
om het bestaan zóó nuttig is dat het van wat men noemt „overlevende waarde" is, zullen zij die het meest boven het gemiddelde uit varieeren, gedurende geslacht op geslacht bewaard blijven of worden uitgelezen, net zoolang als die toeneming nuttig is. Het is omdat hoogere intellektueele of moreele
vermogens zoo zelden een leven-behoudende waarde hebben, maar integendeel herhaaldelijk het omge- keerde het geval is, dat zij niet cumulatief zijn, al zijn zij wèl erfelijk. Na deze uitweiding zullen wij thans wat nauw-
keuriger gaan onderzoeken welke onze zedelijke positie als volk is, welke de aard is van onze maatschappelijke omgeving, hoe deze werd tot wat zij is en welke lessen wij hieruit kunnen leeren. |
||||||
|
ZEVENDE HOOFDSTUK.
De maatschappelijke omgeving in de
negentiende eeuw. Gedurende de achttiende eeuw begon, met den groei
der natuurwetenschappen, onze stoffelijke beschaving, die langen tijd haast was blijven stilstaan, vooruit te |
||||||
|
7 MAATSCH. OMGEVING IN DE 19E EEUW 2$
|
||||||
|
gaan, hoewel aanvankelijk uiterst langzaam. De eerste
stappen werden gedaan door de toepassing van machines in sommige huiselijke kunsten. Er kwam eenige erfij- ning in de manieren en gebruiken van het dagel ksch leven, maar er waren weinige aanwijzingen van een duurzame of ingrijpende verandering, hetzij ten goede of ten kwade, in onze geestelijke of zedelijke natuur. De negentiende eeuw echter zag het begin van een
groote wijziging in de ekonomische omgeving tengevolge van de snel opeenvolgende uitvindingen van arboid- besparende machines, die, samen met de even snelle verspreiding der stoomkracht, leidde tot een toeneming der stoffelijke voortbrenging als nooit te voren op aarde was aanschouwd. Gedurende ditzelfde tijdperk werden nieuwe methoden van verplaatsing in dagelijksch gebruik toegepast, de gemakkelijkheid van verkeer werd verhonderdvoudigd, wetenschappelijke ontdekkingen openden voor ons nieuwe en ongedachte geheimen van het heelal en de geheele aarde werd, terwille van haar schatten, zoowel plantaardige als minerale, doorsnuffeld op een schaal, die al wat op dit gebied sinds den dageraad der beschaving was volbracht, nog overtrof. Maar deze snelle toeneming van welvaarten macht
over de natuur was te veel voor onze nog zoo ruwe beschaving en ons oppervlakkig Christendom. Zij ging daarom vergezeld van verschillende vormen van maatschappelijke onzedelijkheid, haast even verbazing- wekkend en zonder voorbeeld en waarvan ik er enkele hier in het kort zal bespreken. Men kan zeggen dat onze omvangrijke textiel-
industrie met de negentiende eeuw is opgekomen. De winsten nu waren aanvankelijk zöö groot en zoozeer afhankelijk van het aantal werkkrachten, dat de fabrikanten honderden en zelfs duizenden kinderen |
||||||
|
Maatschappelijke omgeving, 3
|
||||||
|
26 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
huurden van de werkhuizen der groote steden. Deze
kinderen, van vijf of zes jaar af, werden gedurende zeven jaar als leerlingen in dienst genomen. In werke- lijkheid werden zij niets anders dan slaven van de fabrikanten, wier opzichters hen van zes uur 's morgens tot zeven uur 's avonds of nog langer, lieten werken, waarbij het, om ze in de benauwde atmosfeer der fabrieken wakker te houden, noodig werd geacht hen herhaaldelijk met de zweep aan te sporen. Het was niet voor 1819 dat de leeftijd waarop kinderen in fabrieken mochten werken, op negen jaar werd gesteld, terwijl eerst in 1825 hun werktijd werd beperkt tot 72 uur per week. Van dien tijd af volgden gedurende de geheele
negentiende eeuw de „Factory-acts" (fabriekswetten) elkaar op; waarvan elk de afschaffing of verbetering van de slechte gevolgen van kinderarbeid, onmensche- lijkheid, wreedheid en onzedelijkheid beoogde. Deze wettelijke pogingen werden steeds tegengewerkt door de werkgevers, die er gewoonlijk in slaagden de wetten bij de behandeling in het Huis van Afgevaardigden zoodanig te verminken, dat ze nagenoeg nutteloos werden. E. B. Browning's edele gedicht: „The Cry of the children"1) (De kreet der kinderen) doet zien hoe na bijna vijftig jaar strijdens het lot der arbeidende kinderen nog steeds in hooge mate wreed en ont- zedelijkend was, en dat van de halfwassen die op hen volgden, haast even erg. Naarmate de eeuw voortschreed, kwamen meer en
meer ook andere euvelen van denzelfden aard aan het licht. Kinderen en vrouwen arbeidden onder den grond in de kolenmijnen onder even afschuwelijke |
||||||
|
i) Zie HELENE MERCIER - Gebonden Schakels, N. B.
CXV—VI, pag. 98 en 240. |
||||||
|
MAATSCH. OMGEVING IN DE 19E EEUW 27
omstandigheden wat gezondheid en zedelijkheid betreft;
groot verlies van menschenlevens werd veroorzaakt door onvoldoende ventilatie, onveilige schoring, ge- brekkige hijschtoestellen of andere redenen, die alle het gevolg waren van gebrek aan voorzorg bij de mijneigenaars. Het behoorde een kwestie van ge- wone rechtvaardigheid te zijn dat deze eigenaars tegenover de in hun bedrijf geschade personen niet alleen aansprakelijk waren voor het volle bedrag van hun loon en voor medische hulp, maar dat zij bovendien een ruime vergoeding hadden te betalen aan hun gezin voor geleden verdriet en angst en extra moeiten en kosten. Doch dergelijke dingen worden tegenover arme werklieden verwaarloosd, zoodat zelfs de geldelijke vergoeding tot een zoo klein mogelijk bedrag is terug- gebracht. Het is een van de groote gebreken onzer wetgeving
dat dood tengevolge van een voorkoombare oorzaak in een of ander winstbedrijf niet onder de misdrijven telt. Zoolang dit niet het geval is, zal het onmogelijk zijn de honderden en zelfs duizenden levens te redden, die thans teloor gaan tengevolge van het verwaarloozen van voorzorgsmaatregelen in allerlei gevaarlijke of ongezonde bedrijven. Hoe kostbaar dergelijke voor- zorgsmaatregelen ook mogen zijn, waar menschen- levens op het spel staan behoorde aan kosten niet te worden gedacht en daarom is de tegenwoordige toestand der wetgeving dan ook onzedelijk. Niettegenstaande alle wetten en talrijke inspekteurs
(wier salaris door de mijneigenaars behoorde te worden betaald) nemen ontploffingen en andere rampen onder den grond steeds toe; het jaar 1910 behaalde een record met 1775 dooden, welk aantal, ook in verhouding tot het geheele aantal arbeiders, het hoogste is in de laatste twintig jaar bereikt. |
||||
|
28 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Toch is er niemand gestraft of zelfs maar aansprake-
lijk gesteld voor deze dooden en dit wijst op een be- treurenswaardige afwezigheid van zedelijk gevoel, zoowel bij het groote publiek als in het Parlement. En deze houding van het Parlement wordt werkelijk misdadig, waar het steeds zijn wetten werkeloos laat maken uit vrees de winsten der ondernemers te zullen verminderen en waar het dus welbewust geldmaken hooger stelt dan menschelijk leven en welzijn. In het geval van mijnen en steengroeven is het
Parlement nog in het bijzonder verantwoordelijk, wijl het partikulier bezit van den mineralen rijkdom van ons land op zichzelf reeds een schandelijke usurpatie van publieke aanspraken beteekent, die sinds lang onwettig verklaard had moeten zijn. Welke argumenten — en zij zijn zeer sterk — ook worden aangevoerd om te betoogen dat de grond geen privaat- bezit behoort te zijn, voor de delfstoffen die hij bergt gelden zij nog tienmaal sterker. De waarde van den grond neemt in het algemeen toe met zijn gebruik, maar bij de delfstoffen wordt zij juist geheel vernietigd. Daarom is het een misdaad tegenover het nageslacht, toe te staan dat de strikt beperkte delfstoffenrijkdom van ons land privaateigendom is en op groote schaal aan vreemdelingen wordt verkocht, uitsluitend om de welvaart van enkele individuen te vermeerderen en ten koste van de absolute verarming van onszelf en onze kinderen.x) Ik wil hier nog een ander argument aan toevoegen,
dat tot den wortel der kwestie doordringt, door te toonen dat de eigenaars van delfstoffen zelfs niet ]) Ik heb dit veertig jaar geleden uiteengezet in een artikel: „Coal
a National Trust" (Steenkolen een nationaal bezit) dat ik voor twaalf jaar herdrukte in mijn: „Studies, scientific and social" (Weten- schappelijke en sociale studies) (Vol. II Chap. VIII). |
||||
|
7 MAATSCH. OMGEVING IN DE 19E EEUW 20
eens een wettelijke aanspraak op hun eigendom hebben.
Het is, als ik wel heb, een grondbeginsel van het recht dat publieke rechten niet door niet-gebruik verloren kunnen gaan. In ons land werden de Land- goederen als feodale leengoederen geschapen door den Normandischen Veroveraar. Diepgelegen delf- stoffen waren destijds niet bekend en werden, voor zoover ik weet, niet in de oorspronkelijke oorkonden in het bijzonder genoemd. Behalve dus daar, waar zij sindsdien door een wet tot privaateigendom zijn gemaakt, blijven zij nog steeds publiek-eigendom. Ik beweer dus dat zij zoowel naar recht als naar billijkheid door de regeering als publiek-eigendom kunnen worden teruggenomen en als zoodanig kunnen worden geëxploiteerd ten bate van het publiek en het nageslacht. Een vergoeding aan de beweerde tegenwoordige eigenaars zou slechts een kwestie zijn van gunst, niet van recht. |
||||||
|
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Ongezonde woningen en levenver-
woestende bedrijven.x) Het groote verschil tusschen stad- en landbewoners,
wat den levensduur en de onderhevigheid aan infectie- ziekten betreft, is statistisch bekend en er zijn gezond- heidscommissies en inspecteurs aangesteld om over de ergste gevallen verslag uit te brengen. De plaatse- lijke overheden hebben de bevoegdheid om de eigenaars *) Wallace geeft alleen voorbeelden aan Engelsche toestanden
ontleend. Daar in het algemeen in alle beschaafde landen de toe- standen dezelfde of gelijksoortig zijn, achtte ik het niet noodzakelijk om, waar 't mogelijk zou zijn geweest, de Engelsche gegevens door Nederlandsche te vervangen. (.Voo/ p. </. vertaler). |
||||||
|
30 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
van ongezonde woningen te dwingen ze te verbeteren
of zelfs ze geheel te doen herbouwen. Maar aangezien vele leden dier plaatselijke commissies en colleges dikwijls zelf eigenaar van dergelijke perceelen zijn of althans goede vrienden onder hun eigenaars be- zitten, is er al heel weinig gedaan om het euvel te genezen. Steeds maar hebben in alle deelen van het land, de gezondheids-inspecteurs trouw hun verslagen uitgebracht, en steeds zijn die verslagen genegeerd. In sommige gevallen, als de inspekteur te zeer bleef aandringen, werd hem verzocht zijn ontslag te nemen of werd het hem ongevraagd gegeven. Ik wil hier een paar algemeene cijfers geven. Bij de laatste volledige volkstelling (1901) waren
er in Engeland en Wales 7,036,868 woningen, waar- van 3,286,526, of bijna de helft, slechts één tot vier vertrekken bezaten. In Londen hadden van 1,019,646 woningen er 672,030, dus aanzienlijk meer dan de helft, één tot vier vertrekken, terwijl er niet minder dan 150,000 éénkamerwoningen zijn, waarin 313,298 menschen leven, dat is gemiddeld 2x/4 per vertrek. Ongeveer 20,000 personen huizen bij vijf in één kamer, en nog eens 20,000 bij zes, zeven of acht. Aangezien de meeste dier éénkamerwoningen kelders of zolders zijn van huizen in de dichtstbevolkte buurten van groote steden, waar de lucht onzuiver, het licht slecht en het water schaarsch is, kan men zich den toestand van hen die er leven voorstellen, of liever niet voor- stellen, tenzij men ze zelf onderzocht heeft. Even onmenschelijk, onzedelijk en zelfs misdadig
is de verwaarloozing van alle eenigszins doeltreffende maatregelen ter beperking van de kindersterfte, die het gevolg is van overwerking, armoede en honger der moeders in verband met overbevolkte en ongezonde woningen. In den krankzinnigen wedloop naar rijk- |
||||
|
8 WONINGEN, BEDRIJVEN EN GEZONDHEID 31
dom door de kapitalisten en ondernemers hebben zich
onze steden allengs ontwikkeld tot een waren moord- kuil voor de armen. Men weet dit reeds bijna een eeuw en toch is er nog niets werkelijk afdoends tegen gedaan, niettegenstaande alle gezondheids-wetgeving.... die krachteloos wordt gemaakt door de vrees om de ontzaglijke winsten van fabrikanten en krot-eigenaars te verminderen. Een van de arbeiders-bladen vestigt onze aandacht op de onderstaande cijfers omtrent de kindersterfte in 1911: |
|||||||||
|
Deptford, East Ward (armen)
Deptford, West Ward (rijken) Bournville, Tuinstad St. Mary's Ward, Birmingham |
197 per 1000
68 ». ,,
65 ..
33i » ,,
|
||||||||
|
Dergelijke toestanden bestaan overal in het land.
Er is over gesproken en zij zijn betreurd gedurende minstens de laatste halve eeuw. Maar wie heeft de 100,000 kinderen vermoord die jaarlijks sterven vóór zij een jaar oud zijn? Wie heeft de millioenen die nog net blijven leven beroofd van al wat een jeugd gelukkig kan maken: goed voedsel, frissche lucht, spel, rust, slaap en behoorlijke opvoeding en onder- wijs? En weer moeten wij antwoorden: ons Parlement, dat zich met alles bezig houdt behalve met een direkt sparen van menschenlevens en de opheffing van de wijdverspreide menschelijke ellende die zeer goed op te heffen ware. En dit alles uit vrees de rijken en machtigen te kwetsen door een geringe vermindering van hun steeds toenemende rijkdommen. Geen denkend man of vrouw kan gelooven dat deze staat van zaken werkelijk geheel ongeneeslijk is en de voortdurende berusting er in, terwijl men terzelfder tijd luide pocht op onze beschaving, onze wetenschap, onze nationale welvaart en ons Christendom, wijzen op een huicheU |
|||||||||
|
32 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
achtig gebrek aan nationale zedelijkheid, grooter
dan er ooit in vroeger eeuwen heeft bestaan. Een nieuw reeks van kwalen vond zijn oorsprong
in de verschillende zoogenaamde „ongezonde be- drijven" — het loodglazuur in de porcelein-industrie, het staalstof bij de messenmakerij en de eindelooze verscheidenheid van vergiftige vloeistoffen en dam- pen in de talrijke chemische fabrieken of procédés, waarbij zoo groote fortuinen verdiend zijn. Bij elkaar zijn zij oorzaak van een groot direkt verlies van men- schenlevens en een nog veel grootere blijvende schade, gepaard aan een schrikwekkende verkorting van den levensduur, den arbeiders in deze bedrijven toege- voegd. En toch is er nog maar slechts in één geval — dat van de phosphorlucifers — aan zulk een scha- delijk bedrijf een eind gemaakt. In volle bewustheid verkiest men rijkdom boven menschelijke gezondheid en geluk.1) Een van de meest moordende bedrijven schijnt
onopgemerkt te zijn gebleven tot het aan het licht gebracht is door het arbeidersblad „The Daily Citizen" in een reeks artikelen van Keighley Snowden onder den titel ,,The broken Women" (Gebroken Vrouwen). Nooit was een titel beter toepasselijk dan deze, die slaat op de drommen van jonge vrouwen en meisjes die te Lye en Cradley Heath gebruikt worden in de zoogenaamde Holwaren-industrie (Hollow Ware). Men verstaat hieronder het vertinnen, of zooals men het gewoonlijk noemt, galvaniseeren, van emmers en andere huishoudelijke gereedschappen, waarbij lood gebruikt wordt en welke werkzaamheid een van de hevigste vormen van loodvergiftiging veroorzaakt. !) In R. H. Sherard's boek „The White Slaves of England" (De
blanke slaven van Engeland) vindt men een overzicht van sommige dier moordende bedrijven. |
||||
|
8 WONINGEN, BEDRIJVEN EN GEZONDHEID 33
De verschijnselen zijn, onder andere meer pijnlijke,
het uitvallen der haren, het loslaten en ten slotte algeheele verlies der tanden; en zij loopen uit op een chronische ziekte of op den dood, soms binnen een paar maanden of jaren. Vijf jaar geleden werd er door het Home-Office1) een zorgvuldig onderzoek gehouden en vastgesteld dat het gevolgde procédé levensgevaarlijk was, dat geen voorzorgsmaatregelen het onschadelijk konden maken en dat het geheel en al behoorde te worden verlaten. Vanwege het Home-Office werd daarop gelast dat
na een bepaalden tijd (twee jaar) het procédé niet meer mocht worden toegepast, maar dit bevel is tot op dezen dag niet gehoorzaamd, behalve door slechts enkele ondernemers. Het moordende karakter van dit werk ging nog bovendien gepaard met ellendig lage loonen, wat wel blijkt uit het feit, dat de arbeid- sters ten slotte moesten staken om een loon van 10 shillings (zes gulden) per week te verkrijgen. Gehol- pen door een paar menschenvrienden zijn zij er wer- kelijk in geslaagd dit ellendige loon te veroveren en zoo leven zij op het oogenblik in een toestand van betrekkelijk geluk ! Hoelang het zal duren eer de regeering dit moordende procédé afschaft, is niet te zeggen. Het volgende is een kort verslag van wat deze arme vrouwen moeten lijden. Het is een uit- treksel uit „The Daily Citizen" van 20 November 1912. „Zij hadden, zonder bij machte te zijn weerstand
te bieden, herhaalde en onmeedoogende loonsver- lagingen moeten verduren. Zij hadden hun industrie door roekelooze concurrentie van lorrige produkten zien dalen tot een peil waarbij mannen niet langer in staat waren genoeg te verdienen om hun gezin te |
||||
|
) Home-Office, Ministerie van Binnenlandsche Zaken
|
||||
|
34 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
onderhouden. Zij hadden gezien hoe hun vrouwen,
dochters en zoons door den honger thuis naar de werkplaatsen werden gedreven, waar, zooals de offi- cieele enquête heeft aangetoond, hun gezondheid als door vampyrs uit hun lichaam werd gezogen. Zij hadden de invoering en groei gezien van het ,,stint- systeem"1) waaronder jongens, meisjes en moeders werden afgejakkerd als slaven onder de zweep, terwijl hun loon er door daalde tot een penny (5 cent) per uur. En daarbij leefden zij in de hutten en holen van een stad, die alleen passend beschreven kan worden als een van de smerigste vuilnisbelten van een bescha- ving, die geen vuil schuwt zoodra er slechts sprake is van winst." Zij die weten willen welke verschrikkingen er heden
ten dage in Engeland bestaan, moeten Snowden's artikelen over dit onderwerp maar eens lezen. Zij zijn beheerscht van taal en geven de naakte feiten, door een nauwgezet persoonlijk onderzoek aan het licht gebracht. Dat zulke dingen nog steeds voor- komen in een land dat er aanspraak op maakt beschaafd te zijn, zou ongeloofelijk schijnen, ware het niet dat er nog zoovele andere dingen van denzelfden aard en haast even erg bestonden. In het zeer volledig werk „Diseases of Occupa-
tion" (Beroepsziekten) van Sir Thomas Oliver (1908) wordt de „Holwaren-industrie" in het „Zwarte land" bij Birmingham slechts kort behandeld. Maar de tinblad-industrie in Zuid-Wales wordt uitvoeriger beschreven en zij vertoont denzelfden deerniswaar- digen toestand der arbeidsters en dezelfde verschrik- kelijke gevolgen voor gezondheid en leven. En toch schijnt er niets hoegenaamd door de fabrikanten *) Stint = bepaalde hoeveelheid, aangewezen taak. (Noot v. d.
vertaler). |
||||
|
8 WONINGEN, BEDRIJVEN EN GEZONDHEID 35
te worden gedaan en niettegenstaande twee inspek-
teurs van het Home-Office van 1888 af uitvoerig over deze gruwelen hebben gerapporteerd, schijnt er geen notitie van te zijn genomen en geen enkele regeering heeft zich bemoeid met arbeidsvoorwaarden, die een schande voor de beschaving zijn. |
|||||
|
NEGENDE HOOFDSTUK.
Vervalsching, omkooperij en
spekulatie. Na de verschrikkelijke nationale misdaad der moor-
dende bedrijven is het haast een anticlimax de vele uitingen van oneerlijkheid en valschheid, die ons commercieele systeem in al zijn deelen doordringen, op te sommen. Haast ieder produkt, hetzij katoen, linnen, wol of zijde, is zoo handig en in zoo hooge mate vervalscht door vermenging met goedkooper materiaal, dat de zuivere stof, zooals die door onze grootouders werd gebruikt, nauwelijks meer te krijgen is. Een enkel voorbeeld. Katoen werd achtereen- volgens vervalscht met „pap" en talk en daarna met de nog goedkooper Chineesche klei en lijmwater en in sommige gevallen werden produkten, voor 50 % tot 90 % uit deze laatste stoffen bestaande, als „katoen" uitgevoerd naar landen, bewoond door wat wij „wilden" noemen. Deze lieden ontdekken dan het bedrog eerst wanneer een noodzakelijke wasch of een tropische regen het goed in een flodderig en waardeloos vod veranderen, zooals ik dit zelf heb bijgewoond in sommige gedeelten van den Maleischen Archipel.1) ') Deze feiten worden genoemd in de negende uitgave der „En-
cyclopaedia Britannica." In latere uitgaven is het artikel „VervaU |
|||||
|
36 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Nog erger haast is de vervalsching van bijkans
alle levensmiddelen — het kleurig suikergoed dat onze kinderen zoo aanlokt inkluis — met verschillende chemische stoffen, die dikwijls schadelijk en soms zelfs noodlottig zijn voor de gezondheid; terwijl zelfs de drogerijen, die wij innemen met de bedoeling ons van allerlei kwalen te genezen, dikwijls zoo worden behandeld dat zij öf geheel nutteloos óf schadelijk zijn. Naast dezen vorm van oneerlijkheid staat wat men gewone afzetterij kan noemen: bedrog omtrent den aard en vooral de kwantiteit der verkochte goe- deren. Garen en lappen zijn gewoonlijk korter of smaller dan aangegeven, daar zij dan bij de enorme hoeveelheden waarin zij in onze groote winkels ver- kocht worden, ruimer winst opleveren. Vervolgens heerscht er een wijdverspreid systeem
van omkooperij van bedienden en ander personeel, met de bedoeling meer klanten of contracten te ver- krijgen en ofschoon deze omkooperij een misdrijf is en een menigte inspekteurs en ambtenaren noodig is om de bedrijvers op te sporen en hun schuld te bewijzen, hebben toch zoo weinig menschen de moeite en het verlies aan tijd en geld, dat er toe noodig is de wet in beweging te brengen, er voor over, dat een zeer groot percentage van deze misdrijven onontdekt en ongestraft blijft. Maar nog een andere en ernstiger vorm van plun-
dering van het publiek wordt in praktijk gebracht door de Naamlooze Vennootschappen, waarvan Enge- land en Wales er thans 50,000 bezitten. In het jaar 1911 was het aantal nieuw opgerichte vennootschappen 5,959, terwijl er 4,353 ophielden te bestaan; een sching" (Adulteration) beperkt tot levensmiddelen en drogerijen.
In „Chambers' Encyclopaedia" echter komen ook katoen, linnen en wol onder de vervalschte produkten voor. |
||||
|
9 VERVALSCHING, OMKOOPERIJ, SPEKULATIE 37
aangroeiing dus van 1,606 in één jaar. De „Limited
Liability Act" (wet op de beperkte aansprakelijkheid) werd in 1855 aangenomen met de bedoeling dat nu het publiek zijn spaarpenningen in de vennootschappen zou kunnen beleggen en zoodoende zou kunnen deelen in de winsten van onze industrie en handel. Men meende dat het geheel in den haak was dat iemand voordeel kon trekken uit het werk en de vlijt van anderen, doch in waarheid is dit absoluut onzedelijk en is het dan ook uitgeloopen op een omvangrijk stelsel van zwendel en op vreeselijke verliezen voor de onnoozele beleggers. De promotors, directeuren, secretarissen en bankiers van deze maatschappijen winnen altijd, maar de aandeelhouders verliezen dikwijls en de ellende van hen die hun karig inkomen dwazelijk hoopten te vermeerderen en tot deelneming verlokt werden door de klinkende namen van welbekende mannen onder directeurs en commissarissen, is on- berekenbaar. Onze banken dienen op groote schaal voor niets
anders dan spekulatie, een vorm van dobbelen, die door zijn groote verbreiding en omdat hij onder een schijn van zakelijkheid zich vertoont, misschien nog verderfelijker is dan eenige andere. Maar dit dobbelen kan ongehinderd zijn gang gaan en wordt algemeen als een volkomen eerlijke zaak beschouwd, terwijl het gewone wedden bij wedrennen »n andere vormen van direkt dobbelspel op huichelachtige wijze worden veroordeeld als onzedelijk en misdadig. Ook de enorme produktie voor den buitenlandschen
handel in levensmiddelen of grondstoffen voor onze industrieën dient slechts tot voorwerp van een speku- latie, erger dan de wereld misschien ooit heeft gezien. Van de op en neer gaande prijzen van koren of katoen, steenkolen of petroleum, ijzer en andere metalen |
||||
|
38 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
op de wereldmarkten, worden door een groot aantal
dobbelaars, die niet alleen de goederen die zij koopen niet noodig hebben, maar ze zelfs nooit te zien of in hun bezit krijgen, op twee wijzen partij getrokken. De gewone spekulant, die koopt wanneer de prijzen laag staan en later weer met winst verkoopt, zonder zelf bij machte te zijn invloed op rijzen of dalen van den prijs uit te oefenen, is een zuivere dobbelaar, die meent dat hij de kansen van den marktprijs in de onmiddellijke toekomst kan voorzien. Maar de groote kapitalisten die, hetzij alleen of in vereeniging, (zoogenaamde ringen) bepaalde produkten op zóó groote schaal opkoopen dat zij een schaarschte op de markt veroorzaken, welke dan tot aanzienlijke prijs- stijging leidt, zijn eer vernuftige roovers dan dobbe- laars, omdat zij door hun monopolie op handige wijze uit te buiten, dikwijls nog met behulp van valsche geruchten in wijdverspreide bladen waarvan zij eigenaar zijn of die zij hebben omgekocht, in staat zijn enorme winsten te behalen ten koste van hen, die wel genood- zaakt zijn terwille van hun bedrijf of voor dagelijksch gebruik, het bewuste artikel te koopen. Dit is een van de methoden waardoor de groote millionairs en multimillionairs der aarde hun rijkdommen ophoopen: iedere cent er van is verkregen ten koste van het consumeerende publiek. tv* " zeker even onzedelijk als welke ook van
de meest geliefkoosde vormen van zwendelarij, zooals spelen met gemerkte kaarten en met lood bezwaarde dobbelsteenen of opzettelijk verliezen in een wedren. Toch worden de bezitters van zulken rijkdom ge- woonlijk gehouden voor verstandige zakenmenschen, op wier zedelijkheid niets valt aan te merken. Al deze tegenstrijdigheden in de zedelijke waar-
deering van verschillende soorten van dobbelen of |
||||
|
9 VERVALSCHING, OMKOOPERIJ, SPEKULATIE 39
oneerlijke spekulatie vloeien voort uit onze ingeroeste
gewoonte slechts op bepaalde gevallen te letten, die wij elk naar het vermeende nut van hun gevolgen beoordeelen, inplaats van naar fundamenteele begin- selen te kijken. Wanneer is dobbelen onzedelijk? Niet wanneer het een kansspel is dat men zuiver voor zijn genoegen speelt, zelfs al speelt men om een klein geldbedrag dat voor geen der spelers van belang is. Het fundamenteele kwaad ontstaat eerst wanneer het misbruikt wordt om rijkdom of een inkomen te verwerven, en wel om reden dat wat de een wint een ander verliest. Het sociale kwaad van het dobbelen berust daarop, dat wie op zulk een wijze rijkdom ver- werft niets nuttigs bijdraagt tot het sociale lichaam waarvan hij een gedeelte vormt. Als aan ieder kind, op iedere school of college, geleerd werd dat het moreel slecht is voor wie ook te leven van den gezame- lijken arbeid zijner medemenschen zonder zelf een zooveel mogelijk gelijk bedrag van nuttigen arbeid, hetzij physiek of geestelijk, bij te dragen, zou alle spekulatie, evengoed als tal van andere nuttelooze bezigheden, als direkte oneerlijkheid en bedrog worden erkend en dus al heel spoedig als onzedelijk en ver- werpelijk worden beschouwd. Wij zien dus dat het geheele commercieele leven
van ons land — onze onmetelijke fabrieken, onze ontzaglijke in- en uitvoer, onze binnenlandsche handel, onze groot-inkoop en detailverkoop, de tallooze transacties onzer bankinstellingen — doordrongen is van verschillende vormen van oneerlijkheid, dobbe- larij en directe berooving van individuen of van het publiek. Geen klasse is er geheel en al vrij van en van jaartiental tot jaartiental neemt het euvel toe, in dezelfde mate als onze veelgeroemde handel en opeengehoopte rijkdom toenemen. |
||||
|
40 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Ik heb hier op deze onzedelijke praktijken de aan-
dacht gevestigd omdat zij zoo dikwijls over het hoofd worden gezien. Toch is hun bestaan officieel erkend door de talrijke Koninklijke Commissies en parlemen- taire en andere verslagen, evenals door de honderden van wetten waarin de opeenvolgende parlementen zich er mee bezig hielden en die, stuk voor stuk, geheel of gedeeltelijk zonder uitwerking bleven. De reden van deze mislukking is, dat altijd slechts symptomen en afzonderlijke feiten werden beschouwd, terwijl naar de dieper liggende oorzaken van het geheele omvangrijke maatschappelijke bederf niet werd gezocht of, zoo zij al bekend waren, deze kennis nooit invloed op de wetgeving had. |
||||||
|
TIENDE HOOFDSTUK.
De inrichting onzer justitie is
o n z e d e 1 ij k. Wanneer wij lezen over Turksche of andere Oos-
tersche rechtspraak, waarbij directe omkooperij van alle ambtenaren, tot den rechter zelf inkluis, een regelmatig verschijnsel is, zijn wij verontwaardigd en plegen ons te verheffen op het feit dat onze eigen rechters onomkoopbaar zijn. En toch komt het ook in Engeland vrijwel op hetzelfde neer. Men kan geen enkelen stap doen om recht te krijgen zonder fooien te geven, terwijl een aanklacht of de verdediging van een zaak iets zoo absurd ingewikkeld is dat het haast niet is te gelooven. Jeremias Bentham heeft dezen toestand bespot door te schilderen hoe een vader van een groot gezin een geschil tusschen twee zijner zoons beslechtte volgens den gebruikelijken |
||||||
|
10 DE ONZEDELIJKHEID ONZER JUSTITIE 41
juridischen weg. Hij wilde geen van beiden zelf onder-
vragen, maar elk van hen moest zijn lezing van het geval vertellen aan een vreemde (een procureur) die het opschreef en daarna een anderen vreemde (een advokaat) opdroeg het den vader (als rechter) en twaalf buren (de jury) mee te deelen. Vervolgens vroegen deze laatste twee vreemden (de advokaten) die de feiten alleen uit de derde hand kenden, allerlei aan de andere leden van het gezin, die er iets van wisten; en trachtten de getuigen net zoo lang zichzelf te doen tegenspreken of te doen erkennen dat zij bij een andere gelegenheid even verkeerde dingen gedaan hadden, dat de jury heel en al in de war raakte en dikwijls maar vonniste zooals de knapste advokaat het haar voorzei. Zóó is inderdaad het systeem onzer hedendaagsche
rechtspraak. Het is in hooge mate onrechtvaardig, omdat de partij die het meeste betalen kan voor de diensten van den knapsten raadsman, naar alle waar- schijnlijkheid door diens handigheid en welsprekend- heid een vonnis te haren gunste verkrijgt. En toch heeft protest tegen dit onrechtvaardige en absurde stelsel, dat ten eenenmale alle recht uitsluit voor den arme die door een rijke wordt onderdrukt, geen uit- werking. Men zou zoo denken dat het van zelf spreekt dat recht ophoudt recht te zijn wanneer men er voor moet betalen. Maar het stelsel is zoozeer door den tijd geheiligd, het beroep van advokaat zoo geacht en zijn belooning zoo groot, dat het nooit zal worden verlaten, voordat er in ons maatschappelijk systeem die fundamenteele verandering zal plaats grijpen, die de grondoorzaak van haast al onze rechtsgedingen, onzedelijkheid en misdaad, in den wortel aantast. Zoowel in ons strafrecht als in ons burgerlijk recht
en rechtspraak heerscht dezelfde onrechtvaardigheid. Maatschappelijke omgeving. 4
|
||||
|
42 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Wanneer een arm man beschuldigd wordt van ook
maar de geringste overtreding en door de politie voor den rechter gebracht wordt, zal hij, zelfs al is hij vol- komen eerlijk en achtenswaard, van het eerste oogen- blik af behandeld worden alsof hij schuldig was. Verkeer met zijn vrienden wordt hem dikwijls ontzegd, en als de beschuldiging van ernstigen aard is, wordt hij net zoo lang gevangen gehouden tot men bewijzen tegen hem heeft opgespoord of desnoods gefabri- ceerd. De ervaring leert dat dit laatste dikwijls voor- komt en herhaaldelijk volkomen onschuldige menschen worden gestraft. De uitspraak der wet, volgens welke een Engelschman voor onschuldig behoort te worden gehouden totdat zijn schuld bewezen is, wordt geheel averechts toegepast; de beklaagde wordt behandeld als schuldig totdat hij, tegenover een overstelpend bezwarend materiaal, zelf zijn onschuld weet te be- wijzen. Dit feit is in geen enkel opzicht te veront- schuldigen en tenminste behoorde ieder man die een tehuis of een vasten werkkring heeft, onmiddellijk op eigen borgstelling (recognizances) te worden vrij- gelaten. Even onrechtvaardig en barbaarsch is het stelsel
van geldboeten, dikwijls voor slechts formeele over- tredingen, met het alternatief van hechtenis. Voor den welgestelde of den beroepsmisdadiger is die boete een kleinigheidje, maar voor den armen drommel, die beschuldigd wordt van dronkenschap, bedelarij, slapen in een hooiberg of dergelijke daden die geen werkelijke misdrijven zijn, is de gewone straf van 10 shillings (6 gulden) boete, subsidiair een week hechtenis, terwijl misschien vrouw en kinderen in gebrek achterblijven of naar het werkhuis moeten, een straf oneindig onzedelijker dan de overtreding zelf. |
||||
|
10 DE ONZEDELIJKHEID ONZER JUSTITIE 43
Ook onze Armenwet (Poor Law), zooals zij gewoon-
lijk wordt toegepast, is in de hoogste mate onzedelijk. Ziehier wat een bevoegd autoriteit, Sidney Webb, er van zegt: „Voor de voeten der geheele arbeidende klasse
gaapt de afgrond van de Armenwet. Ik zie voor mij een achtenswaardig gezin, dat om steun vraagt. Wat doen wij met dat gezin? Wij, d.w.z. de regeering van Engeland, rukken het uiteen. Wij berooven elk lid van al wat het leven levenswaard maakt. Als de man het werkhuis betreedt wordt hem zijn burgerschap ontnomen, wordt hij gebrandmerkt als onwaardig zijn stem op een parlementslid uit te brengen. Een- maal in het werkhuis zetten wij hem aan den arbeid of aan het luieren onder zoo demoraliseerende omstan- digheden dat we hem zedelijk tot een wrak maken. De vrouw berooven wij van haar kinderen. We sturen haar naar de waschtobbe of de naaikamer, waar zij samen moet werken met prostituees en idioten. De kleine kinderen worden, als zij onder de vijf jaar zijn, naar de kinderkamer van het werkhuis gebracht, waar zij eveneens door prostituees en idioten worden opgepast. Daar blijven zij, dag aan dag, zonder ooit het werkhuis te verlaten, totdat zij oud genoeg zijn om naar de Armenwet-school te gaan of totdat zij in hun kist gelegd worden als slachtoffer van de ver- schrikkelijke sterfte onder de werkhuiskinderen." Natuurlijk zijn niet alle werkhuizen zoo slecht
als dit. Maar vele zijn het wèl en zijn het geweest gedurende de driekwart-eeuw van hun bestaan. Mogen wij er ons daarom wel over verwonderen dat iedere week een stuk of wat arme en eerlijke ouders zelf- moord plegen, liever dan hun kinderen te zien ver- hongeren of van hen gescheiden te worden in het werkhuis ? De menschen, die wij op deze wijze den |
||||
|
44 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
dood injagen, zijn voor het meerendeel even goed
als wijzelf ; maar toch gaan de „Guardians of the Poor" (Armbesturen) — welgestelde dames en heeren — maar week aan week en jaar op jaar voort van die zelfmoorden aanteekening te houden zonder protest en blijkbaar zonder eenige wroeging. Zoo doodend is de uitwerking van lang voortgezette gewoonte. |
||||||
|
ELFDE HOOFDSTUK.
Aanw ij zingen van toenemende
zedelijke ontaarding. In de verslagen van den „Register-General" (Sta-
tistisch bureau) komen een paar statistieken voor die van bijzonder belang zijn omdat zij duidelijk wijzen op sommige uitingen van zedelijke ontaarding die in de laatste halve eeuw zijn toegenomen, tegelijk dus met de buitengewone vermeerdering van den rijkdom en ook, zooals ik in de vorige hoofdstukken heb aan- getoond, met verschillende vormen van nationaal, economisch en maatschappelijk bederf. De eerste der bedoelde uitingen is de voortdurende
stijging van het aantal sterfgevallen tengevolge van alcoholisme in verhouding tot de bevolking sinds het jaar 1861. De meeste menschen zullen hierover ver- baasd staan, omdat de drinkgewoonte toch zeker is afgenomen; maar wanneer die gewoonte zoo machtig wordt en zoolang aanhoudt tot zij de direkte aan- leiding tot den dood wordt, doet zij ons toch het drank- euvel in zijn meest afschrikwekkenden vorm zien. De onderstaande cijfers zijn aan de achtereenvolgende verslagen waarop de jaartallen betrekking hebben, ontleend: |
||||||
|
II ZEDELIJKE ONTAARDING
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
45
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Gemiddelde Sterfgevallen tengevolge van Alkoholisme
in de jaren: per millioen levenden: l86l—1865 41,6
1866—1870 35,4
1871—1875 37,6
1876—1880 42,4
1881—1885 48,2
1886—1890 56,0
1891—1895 67,8
1896—1900 85,8
1901—1905 78,4
1906—1910 54,6
Er zijn enkele onregelmatigheden: de verhouding
is ongeveer gelijk gedurende de eerste twintig jaren, daarna komt er een zoo sterke en voortdurende toe- neming, dat van 1876—80 tot 1896—1900 de sterfte is verdubbeld, terwijl de laatste tien jaar weder een afneming te constateeren valt, die vooral in de laatste vijf jaar zeer duidelijk is. Maar een nog erger en verontrustender verschijnsel
is de in den laatsten tijd sterk toenemende sterfte tengevolge van alkoholisme onder vrouwen. Tot 1876 werden voor de beide geslachten geen afzonder- lijke cijfers gegeven. De volgende tabel begint daarom met dit jaar: Gemiddelde Sterfgevallen tengevolge van Alkoholisme
per millioen
in de jaren: mannen vrouwen |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
46 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Deze cijfers, hoe betreurenswaardig en verbazend
ook op zichzelf, zijn niets in vergelijking met wat zij nog doen vermoeden. Dood door den drank is, meer dan bij welke andere ziekte ook, wel het aller- uiterste en zeldzaam voorkomende gevolg van ge- woonte-misbruik. Mannen en vrouwen kunnen hun ge- zondheid in hooge mate schaden, hun gezin te gronde richten en jammerlijke dronkaards zijn, zonder nochtans er aan te sterven. Welke de verhouding is van hen die moreel en physiek te gronde gaan door den drank tot hen die er aan sterven, is niet bekend, maar ik denk dat één doode op iooo drankzuchtigen waarschijnlijk een te hooge schatting is en dat één doode op duizend matige drinkers, die ook wel eens of zelfs dikwijls dronken zijn, dichter bij de waarheid komt. Men zou nu meenen dat dit een toeneming van het alkoholverbruik moest insluiten, terwijl dit in werkelijkheid verminderd is. Maar hoogstwaarschijnlijk is die vermindering toe te schrijven aan het feit dat een zeer groot aantal matige drinkers het gebruik van alkohol, in welken vorm ook, geheel hebben af- geschaft. Aan den anderen kant wordt er, tengevolge van
het toenemend aantal dergenen die alleen tijdelijk werk vinden in onze groote steden en wier eenige weelde bestaat in de opwinding van den drank, een grooter hoeveelheid van goedkoope en met schadelijke stoffen vervalschte spiritualiën en likeuren verbruikt, wat, in samenwerking met een gebrek aan gezond voedsel, meer dan vroeger tot een noodlottig einde voert. Toeneming van zelfmoord.
Deze toeneming is reeds lang bekend en wordt alge-
meen toegegeven. Men veronderstelt dat zij grooten- deels het gevolg is van den steeds scherper wordenden |
||||
|
II ZEDELIJKE ONTAARDING
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
47
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
strijd om het bestaan in de groote steden, de stijging
der werkloosheid en de vrees voor het werkhuis als eenig alternatief van den hongerdood. Hieronder volgen de cijfers van de laatste 45 jaren waarover officieele gegevens zijn gepubliceerd. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Gemiddelde Sterfgevallen door zelfmoord
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Een tabel als deze, voor een land dat zoo trotsch
is op zijn enormen rijkdom, op zijn steeds toenemenden commercieelen bloei, op zijn wonderbaarlijken vooruit- gang in wetenschappen, kunsten en heerschappij over de krachten der natuur, mocht ons zeker wel te denken geven en ons tot de overtuiging brengen dat er iets radikaal-verkeerds is in het maatschappelijk stelsel dat dergelijke vreeselijke euvelen voortbrengt. En dit moest des te eer worden ingezien, waar
dezelfde toeneming valt waar te nemen in al die landen die ons in rijkdom en commercieelen bloei nabij komen. Er is een kategorie van ziekten, die noodlottig
zijn voor kinderen spoedig na hun geboorte. Gedurende de laatste halve eeuw zijn zij voortdurend toegenomen en zij moeten hier in het bijzonder genoemd worden, omdat zij schijnen te wijzen op physieke ontaarding |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
48 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
zoowel als op persoonlijke onzedelijkheid van gevaar -
lijken en misschien zelfs misdadigen aard. Gemiddelde Sterfgevallen op iooo geboorten,
in de jaren: Ontijdige geboorten Aangeboren ziekten |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Deze sterke stijging in de laatste vijfenveertig
jaar van de sterfte onder zeer jonge kinderen, waar- mee abnormaliteiten van moeder of kind in verband staan, is zeer kenmerkend. De toeneming in de eerste reeks kan worden toegeschreven aan een grooteren afkeer van zwangerschap en mislukte pogingen haar te vermijden. Doch die in de tweede reeks wijst op schadelijke invloeden op de moeder, zooals arbeid in ongezonde of doodelijke bedrijven, die zooals wij reeds zagen, in diezelfde periode sterk vermeerderden. Dergelijke arbeid voor jonge getrouwde vrouwen behoorde in een beschaafde gemeenschap onmogelijk te zijn. Over het omvangrijke onderwerp der prostitutie,
waarvan de hedendaagsche beweging tot onderdrukking van wat men noemt den „handel in blanke slavinnen" een der uitingen is, wensch ik hier niet uit te weiden, omdat ik geen statistieken kan vinden die aantoonen kunnen of zij gedurende de laatste eeuw is toe- dan wel afgenomen. Maar aangezien alle voorwaarden |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
II ZEDELIJKE ONTAARDING
|
|||||||
|
49
|
|||||||
|
tot haar ontwikkeling gunstig waren, twijfel ik er
niet aan of zij is in verhouding tot de bevolking toe- genomen. Deze voorwaarden waren: de enorme groei der groote steden, het stijgend aantal onge- huwde en welgestelde jonge mannen, gepaard aan het enorme aantal meisjes en jonge vrouwen, wier loonen onvoldoende zijn om hen in een redelijke mate van levensvreugde te voorzien. De processen voor de Echtscheidingshoven (Divorce
Courts) toonen ons weer een ander resultaat van rijkdom en lediggang, terwijl een mijner vrienden, die langen tijd in Londensche kringen verkeerd heeft, mij verzekert dat zoowel in de landhuizen als in de stad nu en dan orgieën worden gevierd, die in het Rome van de meest verliederlijkte keizers nauwe- lijks zouden kunnen zijn geëvenaard. Ook over den oorlog behoef ik niets te zeggen.
Sinds de opkomst van het Romeinsche rijk is hij altijd min of meer chronisch geweest; maar er is thans ongetwijfeld een afkeer van den oorlog onder de beschaafde volken merkbaar. De haast ondragelijke last der bewapening en daarnaast de schijnheiligste verklaringen ten gunste van den vrede, bewijzen echter het haast volkomen ontbreken van alle zedelijkheid als leidend beginsel bij de heerschende klassen. Met het oog hierop schijnt de toenemende macht der Arbeiderspartijen over de geheele wereld het eenige feit dat hoop geeft op een werkelijken zedelijken vooruitgang. |
|||||||
|
TWEEDE DEEL — THEORETISCH
|
|||||
|
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Natuurlijke teeltkeus bij de dieren. Terwijl ik bezig was dit boek te schrijven sprak
ik er over bij gelegenheid van een der talrijke inter- views naar aanleiding van mijn laatsten verjaardag. Dit leidde tot eenige verkeerde voorstellingen van mijn denkbeelden en liet mij weer eens zien hoe weinigen van de gewone dagbladschrijvers eenige werkelijke kennis bezitten omtrent aard en omvang der „natuurlijke teeltkeus," vooral wat betreft het menschelijk ras. Dezelfde onwetendheid bestaat ten opzichte van „erfelijkheid," welk woord haast tot een tooverformule geworden is, waarmee de meeste schrijvers tal van dingen willen verklaren waarop het in het geheel niet van toepassing is. Waar nu het onderhavige werk een zeer gedrongen betoog is, dat voor een belangrijk deel op deze groote natuur- wetten steunt, stel ik mij voor een tweetal hoofd- stukken te wijden aan een uiteenzetting van de wer- king der natuurlijke teeltkeus bij de lagere dieren en vervolgens bij den mensch. Dat zulk een uiteenzetting noodzakelijk is kan blijken
|
|||||
|
12 NATUURLIJKE TEELTKEUS BIJ DE DIEREN SI
uit het onderstaande uittreksel uit een van onze in-
vloedrijkste en bestgeschreven dagbladen, de „Pall Mali Gazette." Na melding gemaakt te hebben van mijn meening omtrent de totale rotheid onzer tegenwoordige beschaving, legt het blad mij de woorden in den mond: „En het gemiddelde der menschheid zal zoo blijven totdat de natuurlijke selectie ingrijpt om haar te redden." (Wat ik den interviewer in werkelijkheid zeide was: „totdat een of andere vorm van selectie haar verbetert.") De schrijver gaat dan als volgt voort: „Deze woorden moeten den interviewer als een
doodvonnis in de ooren geklonken hebben. Want, populair gesproken, is de leer der natuurlijke selectie de leer van „De laatste is voor den duivel." Wanneer de natuurlijke selectie vrij spel had zouden er geen commissies voor kinderzorg, geen armenwetten, geen hospitalen, geen ouderdomspensioenen zijn. Alle humanitaire pogingen om voor de zwakken te zorgen en hen op hun levensweg te steunen, iedere poging om de ontmoedigden op te heffen, alle samenwerking om gelijkheid onder vakgenooten te handhaven, worden als kinderachtig of nog erger veroordeeld door de leer, die volgens Dr. Russel Wallace alleen in staat is het peil der menschheid te verhoogen. Zijn eigen geneesmiddelen voor de euvelen der maat- schappij, de opheffing die hij onmogelijk acht zonder eerst neer te drukken, de onterving van den ongeboren erfgenaam, de stakingen die hij toejuicht, de univer- seele opvoeding die hij voorstaat, dit alles is direct tegenovergesteld aan de werking der natuurlijke selectie." Waar nu al mijn wetenschappelijke vrienden aan
mij de ontdekking der theorie van de natuurlijke teeltkeus, meer dan vijftig jaar geleden, toeschrijven |
||||
|
52 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
en waar dit het geheele lezende publiek in noodelooze
herhaling gedurende al dien tijd is ingestampt, klinkt het vrij vermakelijk nu te moeten hooren dat ik niet weet wat natuurlijke selectie is, noch wat zij mee- brengt. Het is wel een treffend bewijs ervoor dat dit onderwerp thans als zoo oud en algemeen bekend wordt beschouwd, dat een publiek schrijver het niet meer noodig acht het eerst nog eens te bestudeeren vóór hij er zoo beslist en dogmatisch over schrijft. Had hij dit wel gedaan, dan zou hij mij niet met zulk een stelligheid meeningen toedichten waarvan ik in verscheidene mijner werken het foutieve heb aange- toond. Ik stel mij dus voor hier een kort overzicht te geven
van de wezenlijke verschijnselen der natuurlijke teeltkeus; hoe zij is te werk gegaan bij de evolutie der haast eindeloos verschillende vormen van planten en lagere dieren, om daarna zoo duidelijk het mij mogelijk is uiteen te zetten waarom, en in welke mate, haar werking bij den mensch verschillend is. Verschil tusschen Lamatckianisme
en Darwinisme. De eerste groote natuurkundige, die een gedetail-
leerde verklaring gaf van de wijze waarop hij meende dat de verschillende vormen van dierlijk leven waren ontstaan, was Lamarck, een tijdgenoot van Buffon en Goethe, die beiden wel aan een evolutie geloofden, maar geen verklaring er van gaven hoe die in haar werk ging. Lamarck evenwel opperde het denkbeeld dat de verschillende organen der dieren gewijzigd werden door hun willekeurig gebruik, hetwelk hun ont- wikkeling in de hand werkte; zooals bijvoorbeeld de vlugheid van een antiloop toeneemt doordat, ten gevolge van het vluchten voor den leeuw, zijn pooten, |
||||
|
12 NATUURLIJKE TEELTKEUS BIJ DE DIEREN 53
al vluchtende, sterker worden. Zoo verklaarde hij
den langen hals en de lange voorpooten van den giraf door het voortdurende uitrekken dezer lichaams- deelen om in tijden van groote droogte het gebladerte der boomen te kunnen bereiken. Naast deze zijn ook andere oorzaken in het spel, zooals beschreven in de volgende passage, door Sir Charles Lyell vertaald of weergegeven in zijn „Principles of Geology" (Be- ginselen der Geologie): „Iedere belangrijke wijziging in de plaatselijke om-
standigheden waaronder een of andere diersoort leeft, brengt een wijziging hunner behoeften mee en deze nieuwe behoeften prikkelen hen tot nieuwe handelwijzen en gewoonten. Deze handelingen ver- eischen een meer herhaald gebruik van sommige lichaamsdeelen, die daarvóór slechts matig geoefend werden, met het gevolg dat zij zich thans forscher ontwikkelen. Andere organen daarentegen, die niet langer gebruikt worden, worden kleiner en ontaarden, ja gaan soms geheel en al te gronde, terwijl in hun plaats zich nieuwe organen ontwikkelen voor het verrichten der nieuwe funkties." Op een andere plaats zegt hij:
„En zoo worden otters, bevers, watervogels, schild-
padden en kikvorschen niet van zwempooten voor- zien opdat zij zouden kunnen zwemmen, maar omdat hun behoeften hen dwongen in het water hun voedsel te zoeken, spreidden zij de teenen van hun pooten uit om het water beter weg te duwen en zich snel langs zijn oppervlakte te kunnen bewegen. Door dit herhaalde uitspreiden hunner teenen werd de huid die hen aan het benedeneinde verbond, gewend aan uitrekking, totdat in den loop des tij ds de breede zwemvliezen werden gevormd, die thans de teenen verbinden." |
||||
|
54 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Bij de planten, waarbij geen willekeurige bewegingen
voorkomen, schreef hij de oorzaak der wijziging bijna uitsluitend toe aan verandering der plaatselijke omstandigheden, naarmate de verschillende soorten zich over de oppervlakte der aarde verspreidden. Hij veronderstelde dat de invloed van bodem, tempe- ratuur, licht of schaduw bepaalde veranderingen te weeg bracht, die gelijdelijk toenamen, op dezelfde wijze als lang in onze tuinen gekweekte planten zich zoo- danig hebben gewijzigd dat de wilde voorouders er van thans niet meer zijn te herkennen. Sir Charles Lyell, die een zorgvuldige studie maakte
van Lamarck's groote werk, merkt uitdrukkelijk op dat dit geheele betoog vaag en zeer algemeen is en dat er geen bijzondere voorbeelden worden gegeven, waardoor wordt aangetoond hoe die beweerde oor- zaken gewerkt zouden hebben om de ontelbare ver- anderingen te weeg te brengen, die moeten hebben plaats gegrepen. Wat echter nog belangrijker lijkt, is de onmogelijkheid van een verklaring hoe de tal- rijke kleine aanpassingen van elke soort aan haar omgeving het gevolg zouden kunnen zijn van de directe inwerking dier omgeving zelf — zooals bij planten de oneindige verscheidenheid van den blad- vorm, van bloemen en vruchten; bij de dieren de aanpassing van de grootte van de tanden der zoogdieren, of van de snavels, wieken en klauwen der vogels, aan het voedsel waarvan zij leven, terwijl de enorme reeks van kleuren en kenteekenen bij de meeste dier- groepen van dien aard is dat geen nog zoo sterke begeerte of oefening aan den eenen kant, noch een directe inwerking van uitwendige oorzaken aan den anderen kant, haar met mogelijkheid kan hebben doen ontstaan. Het is daarom dan ook niet te ver- wonderen dat, — ofschoon er met een groote mate |
||||
|
12 NATUURLIJKE TEELTKEUS BIJ DE DIEREN 55
van waarschijnlijkheid was aangetoond, dat er ver-
anderingen hadden plaats gegrepen, die tot een evolutie van soorten uit vroeger bestaande soorten leidden, — toch de oorzaken dier veranderingen, vooral van die welke noodig waren om de verwonderlijke aanpassingen die voortdurend ontdekt werden, te weeg te kunnen brengen, niet konden worden aangetoond. Het is noodzakelijk hierop te wijzen, omdat anders
de bijna algemeene verwerping van Lamarck's poging tot oplossing van het vraagstuk der evolutie, tegenover de bijna onmiddellijke en algemeene aanvaarding van die van Darwin, niet zou zijn te verklaren. Het geloof in de evolutieleer als eenige redelijke verklaring van de geleidelijke ontwikkeling der tallooze vormen van levende wezens, werd meer en meer algemeen. De lange reeks van argumenten die voor haar pleitten werd op bewonderenswaardige wijze vermeerderd door Robert Chambers in zijn „Vestiges of Creation" (Overblijfselen der schepping) dat in 1844 anoniem verscheen, terwijl Herbert Spencer's meesterlijke uit- eenzetting van de bewijzen voor een algemeene evo- lutie een groot aantal natuurkundigen en mannen van wetenschap overtuigde. Maar toch bleef de aard der wetten en krachten, waardoor de evolutie der organische wereld in al haar verscheidenheid en schoonheid zou kunnen zijn ontstaan, niet alleen onbekend, maar zelfs onvermoed; zoodat zelfs een zoo groot denker als Sir John Herschel haar het „mysterie aller mysteries" noemde. Ik wil thans zoo kort mogelijk de grondtrekken aanduiden van de oplossing, die Darwin in zijn baanbrekend en opzien- barend werk „The origin of species" (Het ontstaan der soorten) van het mysterie geeft. |
|||||
|
r
|
|||||
|
56 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
|
|||||
|
Natuurlijke selectie als de w e z e n-
lijke factor bij het ontstaan der
soorten.
Er zijn twee groote, algemeene en zeer opvallende
kenmerken der geheele organische wereld die, juist omdat zij zoo heel gewoon zijn, bijna geheel over het hoofd gezien werden voordat Darwin hun belang- rijkheid aantoonde. Deze kenmerken zijn ten eerste: de groote veranderlijkheid (variabiliteit) bij alle gewone en wijdverspreide soorten; en ten tweede: hun geweldig vermogen tot vermenigvuldiging. Voorbeelden dier veranderlijkheid vindt men in
ieder boek over Darwinisme of organische evolutie; het is hier voldoende den lezer naar eigen waarne- ming te verwijzen en slechts een paar zeer teekenende feiten in herinnering te brengen. Ieder ziet dat er onder honderd of duizend menschen die hij kent of herhaaldelijk ontmoet, geen twee geheel op elkaar gelijken. Dit verschijnsel is „veranderlijkheid." Ieder weet ook dat het verschil tusschen hen dikwijls zeer aanzienlijk is en steeds, wanneer men er twee naast elkander plaatst, gemakkelijk is waar te nemen en te beschrijven. Men weet voorts dat zij verschillen in ieder deel of orgaan dat men zien kan: in lengte en omvang van het lichaam; vorm van handen, voeten, hoofd, ooren, neus en mond; in de verhoudingen van armen, beenen en romp; in rijkdom en geaardheid van het haar — grof of zacht, sluik of krullend en van alle mogelijke tinten tusschen vlasgeel en diep- zwart. Te verklaren dat variabiliteit bij mannen en vrouwen, zelfs van eenzelfde ras en in hetzelfde land, een zeldzaam verschijnsel zou zijn, ware een be- lachelijke miskenning der feiten of een opzettelijke verdraaiing der waarheid. Maar wat dieren en planten |
|||||
|
12 NATUURLIJKE TEELTKEUS BIJ DE DIEREN 57
in wilden staat betreft, heeft deze miskenning inder-
daad plaats gehad en zij is als een argument tegen de theorie van Darwin gebruikt. Het is evenwel thans, na directe waarnemingen en metingen, duidelijk bewezen dat ook dieren, wanneer men slechts een paar honderd exemplaren, zelfs uit dezelfde streek en in hetzelfde jaargetijde, vergelijkt ten opzichte van hun afmetingen, ongeveer in dezelfde mate, en in hun zichtbare onderdeden of organen tot op zekere hoogte, evenzeer verschillen, als menschen. Dit was echter nog niet goed bekend toen Darwin
het materiaal voor zijn verschillende werken verza- melde. Soms zegt hij, zelfs als het ware voorwaarde- lijk: „wannéér zij varieeren, want zonder variatie kan de selectie niets uitrichten" en men heeft dit wel opgevat alsof hij toegaf dat variatie een zeldzaam inplaats van een algemeen verschijnsel was. Hij spreekt ook dikwijls van opeenhooping van kleine of geringe variaties en dit heeft geleid tot de bewering dat variaties, omdat zij oneindig klein zijn, in het begin voor hun bezitter ook van geenerlei nut kunnen wezen in den strijd om het bestaan. Snelle vermeerdering van alle
organismen. Dit is een ander natuurverschijnsel dat men steeds
in het oog behoort te houden bij alle beschouwingen over de werking der natuurlijke teeltkeus. Niettemin wordt het dikwijls door hen die de theorie kritiseeren geheel en al over het hoofd gezien. Om een sprekend voorbeeld te noemen: een niet ongewoon Europeesch onkruid van het geslacht der cruciferen brengt aan één plant ongeveer 700,000 zaden voort, waaruit men kan berekenen dat, wanneer elk zaadje maar gedurende drie opeenvolgende jaren vrij groeiruimte had, hun Maatschappelijke omgeving 5 |
||||
|
58 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
gezamenlijke produktie een oppervlakte van ongeveer
2000 maal de geheele landoppervlakte der aarde zou bedekken. Sommige kleine waterdiertjes, die zich binnen een paar uur door deeling vermenigvuldigen, zouden, indien zij maar voedsel vonden, in dienzelfden tijd een ruimte kunnen innemen gelijk aan die van het geheele zonnestelsel. Zelfs het grootste en het langzaamst zich voortplantende van alle bekende zoogdieren, de olifant, zou, als hem ruimte en vrijheid tot vermenigvuldiging werd gelaten, gedurende 750 jaar niet minder dan negentien millioen dieren voort- brengen. Verreweg het meerendeel der populaire kritieken
op het Darwinisme vergeten voortdurend deze twee groote natuurverschijnselen: enorme variabiliteit rondom een gemiddelde van elk deel of orgaan, en een zoo sterk en steeds aanwezig vermogen tot ver- menigvuldiging, dat zelfs in het geval van dewervel- dieren, van hen die ieder jaar geboren worden slechts een klein gedeelte — een tiende of zelfs maar een honderdste — het volgend jaar nog in leven is. Wanneer zij allen bleven leven zou hun aantal voortdurend moeten toenemen, wat niet het geval is. Uit deze sterke vermenigvuldiging vloeit voort wat men noemt ,,de strijd om het bestaan" (struggle for live), die uitloopt op „het overleven der meest geschikten" (survival of the fittest). Deze „strijd om het bestaan" richt zich of tegen
krachten van de anorganische of tegen die van de organische natuur. Onder de eerste rekenen wij stormen, overstroomingen, hevige koude, langdurige droogte, geweldige sneeuwjachten enz., die alle hun schatting eischen van de zwakkere of minder voor- zichtige individuen eener soort, d.w.z. van hen die minder in staat zijn dergelijke gebeurtenissen te over- |
||||
|
12 NATUURLIJKE TEELTKEUS BIJ DE DIEREN 59
leven. Bij de beoordeeling hiervan moeten wij steeds
bedenken dat de Natuur op enorme schaal werkt; en dat, ofschoon er nu en dan een paar zwakkere individuen in het leven kunnen blijven terwijl er een paar sterkere te gronde gaan, het toch — wanneer wij slechts met honderden millioenen rekenen, waarvan er op iedere honderd ieder jaar negentig of tachtig onvermijdelijk sterven en dus slechts tien of twintig millioen in het leven blijven — onmogelijk is aan te nemen dat die overlevenden (niet in één jaar maar jaar op jaar gedurende het geheele bestaan van elke soort) niet in doorsnee beter zouden zijn aangepast aan de ingewikkelde levensvoorwaarden hunner om- geving dan zij die bezwijken. Het is een waarheid die geen bewijs meer behoeft, dat de geschiktste de andere overleven. Precies hetzelfde gebeurt met betrekking tot de
organische omgeving, waaraan elke soort evengoed behoort te zijn aangepast om te kunnen bestaan. De twee belangrijkste factoren voor het dierlijk leven zijn: de aanwezigheid van voldoende voedsel gedurende een aantal opeenvolgende jaren en de mogelijkheid om aan hun verschillende vijanden te ontkomen. Wanneer het voedsel schaarsch is zullen de sterksten, of zij die het snelst kunnen eten en verteren, of zij die het voedsel op grooter afstand kunnen ontdekken of het sneller kunnen bereiken, een voorsprong hebben. Aan hun vijanden ontkomen zij door kracht, vlugheid, scherpte van gezicht, voorzichtigheid, of door kleuren die in overeenstemming zijn met hun natuurlijke omgeving, en zij die deze of andere voordeelen bezitten zullen op den langen duur overleven. De zwakkere, minder goed toegeruste of kleinere soorten zijn dikwijls nog op bijzondere wijze beschermd, bijvoorbeeld door hun gewoonte om alleen 's nachts uit te gaan, |
||||
|
60 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
of om in holen in den grond te leven; door het bezit
van vergiftige stekels of tanden, van een beschuttend pantser, of van kleuren die zoo nauwkeurig overeen- komen met de omgeving, dat zij voor hun voornaamste vijanden verborgen blijven. Natuurlijke teeltkeus of het o v e r -
leven der meest geschikte n. Het is hier de plaats om op te merken dat de uit-
drukking „Natuurlijke teeltkeus of selectie" die zoo dikwijls verkeerd begrepen werd, aan Darwin werd ingegeven door de wijze waarop bijna al onze varië- teiten van kultuurplanten en huisdieren uit hun wilde vormen, door voortgezette verbetering gedurende vele geslachten, ontstonden. De methode hierbij gevolgd is het kweeken of fokken van een groot aantal en dan de beste uit iedere generatie te „kiezen" tot ouders van het volgend geslacht. Deze methode, toegepast door honderden boeren, tuinlieden, honden-, paarden- en kippenfokkers en vooral door duivenliefhebbers, heeft tot uitkomst gehad al onze nuttige, schoone en wonderlijke soorten van vruchten, groenten en bloemen; sleepers- en renpaarden, hazewinden, patrijshonden en buldoggen; koeien die een overvloed van de beste melk en schapen die groote hoeveelheden van de fijnste wol geven. Al deze soorten werden langzamer- hand voor de bijzondere doeleinden van den mensen voortgebracht, maar een dergelijk resultaat werd door de natuur bereikt door middel van snelle ver- meerdering, groote veranderlijkheid en voortdurende vernietiging van alle individuen, die minder goed bij de levensomstandigheden hunner omgeving waren aangepast, zoodat alleen de sterksten of de vlugsten, de het best verborgenen of het meest voorzichtigen, de het best met tanden, horens, hoeven of klauwen |
||||
|
12 NATUURLIJKE TEELTKEUS BIJ DE DIEREN 6l
gewapenden, zij die het best konden zwemmen, of
die elkaar beschermden door in troepen of kudden te leven, het langst bleven bestaan en er zoo toe bijdroegen de volgende generatie nog meer te verbeteren. ,,Over- leving van de geschiktsten" is de term waarmede Herbert Spencer het best meent te kunnen weergeven wat plaats heeft en het is inderdaad een zeer bruikbare omschrijving, die men steeds in gedachte behoorde te houden bij het spreken over of het nasporen van het proces waardoor zich de oneindig verscheidene en schoone voortbrengselen der natuur hebben ont- wikkeld. Er is werkelijk geen enkel deel of orgaan van welk dier of welke plant ook, dat niet door toedoen dier fundamenteele feiten, vermenigvuldiging en ver- anderlijkheid, uit een of ander verwant dier of plant zou kunnen ontstaan. Het is van belang hier op te merken dat de twee
wezenlijke factoren van het proces der voortdurende aanpassing bij de omgeving nl.: groote variabiliteit en snelle voortplanting, geen deel uitmaakten van de theorie van Lamarck, die door sommigen nog steeds voor even goed als die van Darwin wordt gehouden. Even belangrijk is het feit dat, terwijl een uitgebreide groep van levensverschijnselen, zooals kleuren, wapenen, haar, schalen en veeren, moeilijk kunnen worden verondersteld te zijn ontstaan of gewijzigd door eigen wil of door de directe inwerking der omgeving, zij wèl stuk voor stuk volkomen verklaard kunnen worden door de fundamenteele en noodzakelijke processen van veranderlijkheid en overleving, die langzaam en voortdurend, maar soms, na lange tusschenpoozen, met buitengewone hevigheid, in alle levende wezens werken. Een van de zwakste en meest dwaze tegenwerpingen
tegen de theorie van Darwin is deze, dat zij de varia- |
||||
|
62 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
biliteit niet verklaart en daarom waardeloos is. Men
zou even goed kunnen zeggen dat Newton's ontdekking van de wetten der zwaartekracht waardeloos is omdat noch hij, noch iemand daarna, ook haar oorzaak ontdekte; of dat de golvingstheorie van het licht en de warmte waardeloos is, omdat de oorsprong van den ether, de stof die golft, niet bekend is. Het begin der dingen kan nooit geweten worden en, zooals Darwin terecht zegt, het is dwaas den tijd met bespie- gelingen daarover te verspillen. Ik geloof dat ik in mijn „World of Life" (Levende wereld) heb aange- toond dat oneindige variabiliteit een grondwet der natuur is en dat ik haar vermoedelijke bedoeling heb aangeduid. Deze bedoeling schijnt te zijn geweest de ontwikkeling van een levende wereld die haar hoogtepunt bereikt in den Mensch, een wezen, in staat om te leeren en te genieten en tot op zekere hoogte het onmetelijke heelal rond hem te begrijpen, van het mikroskopische leven in haast iederen waterdruppel af tot aan de wentelende nevelvlekken op haast on- denkbare afstanden toe. Wanneer wij hem zoo beschouwen is de mensch
evenzeer verheven boven en even verschillend van de dieren die ten onder gaan, als déze verheven zijn boven en verschillen van de onbezielde massa's mete- orische stof, die zooals wij thans weten, de schijnbaar ledige ruimten van ons zonnestelsel vullen en waarvan kometen en sterren naar alle waarschijnlijkheid samenballingen zijn, ontstaan door de werking van de verschillende kosmische krachten, welke overal in staat schijnen te zijn verscheidenheid en regelmaat te scheppen uit een meer eenvormigen maar minder geordenden baaierd. Maar behalve met dit prijzenswaardig verstand
is de mensch begiftigd met wat wij moreel gevoel |
||||
|
13 TEELTKEUS DOOR DEN GEEST GEWIJZIGD 63
noemen: een nooit rustend besef van recht en onrecht,
goed en kwaad, van orde, schoonheid en waarheid, dat in zijn geheel zijn zedelijk en aesthetisch karakter uitmaakt, op welks oorsprong en vooruitgang ik in dit werk eenig licht wil trachten te werpen. De lange loop der menschelijke geschiedenis leidt ons tot de gevolgtrekking, dat deze hoogere natuur des menschen ontwaakte in een zeer ver verleden en dat zij, ofschoon zij zich in verschillende richtingen heeft ontwikkeld, tot dusver het geheele ras nog niet veel schijnt te hebben verheven boven zijn oorspronkelijken toe- stand, toen de mensch door instrooming van den geest der Godheid een „levende ziel" werd. Wij willen thans enkele van de veranderingen
nagaan die deze hoogere natuur van den mensch heeft te weeg gebracht in de werking van de wetten der variatie en der natuurlijke selektie. Zij zijn zeer belangrijk en nog zoo weinig begrepen, dat haast alle populaire schrijvers over de toekomst der mensch- heid er toe komen als wetenschappelijke gevolgtrek- kingen dingen te constateeren die volkomen tegen- gesteld zijn aan de werkelijke lessen der evolutie. |
||||||
|
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Teeltkeus zooals zij door den geest
wordt gewijzigd. De theorie der natuurlijke teeltkeus, zooals zij
door Darwin werd uiteengezet, slaagde er zoo vol- komen in den oorsprong van de haast oneindig ver- schillende vormen der organische wereld, stap voor stap, gedurende de lange opeenvolging der geologische tijdperken, te verklaren, dat men als vanzelf veron- |
||||||
|
64 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
derstelde dat zij even toepasselijk zou zijn op de mensch-
heid. En men hield dit haast voor zeker toen Darwin in zijn later werk „The Descent of Man" (Afstam- ming van den Mensch) door een reeks van overtui- gende feiten en betoogen bewees dat de physieke bouw van den mensch in al zijn deelen en organen in zoo buitengewone mate geleek op dien van de anthropoïde apen, dat beider afstamming van een of anderen gemeenschappelijken voorvader waar- schijnlijk was. Zoo nauw is deze gelijkenis, dat ieder been en iedere
spier in het menschelijk lichaam zijn tegenhanger heeft bij de apen, waarbij de verschillen slechts onbe- duidende wijzigingen van vorm of stand zijn. Toch leidden deze verschillen tot een zoo verschillende uiterlijke gedaante, houding en levenswijze, dat wij de nauwe verwantschap, die werkelijk bestaat, slechts met moeite herkennen. Deze verwantschap is zoo groot en onmiskenbaar, dat de groote en conserva- tieve zoöloog wijlen Sir Richard Owen verklaarde, dat de groote moeilijkheid voor den anatoom was eenig belangrijk verschil tusschen mensch en aap te ontdekken en te bepalen. In de afmetingen, vorm en omvang der hersenen echter vond Owen voldoende verschil om den mensch in een afzonderlijke orde der zoogdieren, die der Bimana of tweehandigen, te plaat- sen, terwijl alle andere leden van het apengeslacht, apen, bavianen en lemuren, de orde der Quadrumana of vierhandigen vormden. Deze klassifikatie is door de meeste moderne biologen verworpen; zij beschou- wen den mensch slechts als een afzonderlijke familie — de Hominidae — van de orde der Primaten, welke orde alle vierhandige dieren, den mensch inkluis, omvat. Wanneer wij evenwel de hersenen als het orgaan
|
||||
|
13 TEELTKEUS DOOR DEN GEEST GEWIJZIGD 65
van den geest erkennen en ons juist rekenschap
geven van het volkomen verschil en de enorme supe- rioriteit van den menschelijken geest, vergeleken met dien van alle andere zoogdieren, zullen wij toch geneigd zijn Owen's indeeling als de meest natuurlijke te aanvaarden. En zij wordt dit voor ons zéker, wanneer wij er ons rekenschap van geven, welk een enorm werk deze geest verricht heeft door de werking van die groote wet der natuurlijke teeltkeus, die in ieder ander deel der orga- nische wereld oppermachtig heerscht, te wijzigen en haast geheel op te heffen. Wij hebben in het vorige hoofdstuk gezien hoe iedere
vorm van organisch leven gedurende heel den loop der geologische tijdperken onderworpen was aan de wet der natuurlijke selektie, die onophoudelijk hun lichamelijken vorm en bouw, uiterlijk en innerlijk gewijzigd heeft in volkomen aanpassing bij de opeen- volgende veranderingen der omringende wereld, terwijl die wereld zelf door hen nauwelijks, zoo wel iets, werd gewijzigd. Een paar alleenstaande feiten, zooals de vorming van eilanden door koraalvormende zoöphy- ten of het dammen van een paar rivieren door den ruwen, maar zeer merkwaardigen arbeid van den bever, kunnen nauwelijks als uitzonderingen op dezen regel worden beschouwd. Maar zoodra de mensen op aarde verschijnt, zelfs
in de vroege periodes waarin wij eenig bewijs van zijn bestaan vinden, of in den laagsten staat van wildheid waarin wij hem thans nog kunnen bestudeeren, vinden wij hem in staat de natuur te gebruiken, op haar krachten in te werken en zijn omgeving, zoowel de anorganische als de organische, te veranderen op een wijze die een geheel nieuw verschijnsel in de organische wereld vormt. Zelfs bij de ruwsten der moderne wilden worden
|
||||
|
66 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
gewonden of zieken geholpen, althans met voedsel
en beschutting, en dikwijls ook op andere wijze, zoodat zij genezen onder omstandigheden die voor de meeste hoogere dieren noodlottig geweest zouden zijn. Evenmin behoeft een minder stevige gezondheid of lichaamskracht, of zelfs het verlies van een der ledematen of van het gezicht, noodzakelijk den dood ten gevolge te hebben. De minder geschikten worden daardoor niet, zooals bij alle andere dieren, uitge- schakeld en wij zien, voor het eerst in de geschiedenis der wereld, de groote wet der natuurlijke teeltkeus tengevolge van de overleving der meest geschikten alleen, tot op zekere hoogte opgeheven. Doch dit is slechts de eerste en minst belangrijke
uitwerking door de hoogere vermogens van den mensch teweeg gebracht. In de geheele dierlijke wereld wordt, zooals wij gezien hebben, iedere soort in harmonie met de langzaam veranderende omgeving gehouden door wijzigingen van haar eigen organen en vermo- gens, waardoor dan geleidelijk nieuwe soorten ontstaan, die evengoed bij de nieuwe omgeving zijn aangepast als hun voorouders waren vóór de verandering plaats greep. Bij den mensch evenwel waren dergelijke lichame-
lijke aanpassingen overbodig, omdat zijn zooveel hoogere geest het hem mogelijk maakte al deze moei- lijkheden op een nieuwe en geheel andere wijze op te lossen. Zoodra zijn eigenaardige, speciaal-mensche- lijke vermogens ontwikkeld waren (en tot op dit oogenblik weten wij nog niets van hem in een vroegeren toestand) hield hij op den invloed der natuurlijke selektie te ondergaan, voorzoover zijn lichamelijken vorm en bouw betreft. Als gewoon dier beschouwd bleef hij sindsdien nagenoeg stationair, de veran- deringen in de omringende wereld hielden op die mach- |
||||
|
13 TEELTKEUS DOOR DEN GEEST GEWIJZIGD 67
tige wijzigende werking op hem uit te oefenen, die
alle andere leden der geheele organische wereld beheerscht. Om zich te beschermen tegen de grootere en sterkere zoogdieren maakte hij gebruik van wapenen, zooals knotsen met steenen knop, houten speren, pijl en boog en allerlei soorten van vallen en strikken, die alle buitengewoon doeltreffend zijn wanneer geheele gezinnen of grootere troepen bij hun gebruik samenwerken. Tegen de ruwheid der getijden beschutte hij zich door kleederen van huiden en door een of anderen vorm van dak of huis waaronder hij des nachts veilig kon rusten, zonder gevaar voor storm en regen en de aanvallen van wilde dieren. Door het gebruik van vuur werd hij in staat gesteld zoowel wortelen als vleesch genietbaarder en tevens ver- teerbaarder te maken, waardoor de verscheidenheid en hoeveelheid van zijn voedsel ver boven die van eenige andere lagere diersoort toenam. Nog meer: door den primitiefsten vorm van kweeking gelukte het hem de beste vruchten, wortelen en knollen, zoowel als de meest voedzame zaden, zooals die van rijst en mais, tarwe en gerst, te vermenigvuldigen, waardoor hij steeds in de nabijheid van zijn woon- plaats een overvloed van voedsel had om in al zijn behoeften te voorzien en hem bijna altijd te vrijwaren tegen schaarschte, hongersnood of noodlottige droogte. Wij zien dus dat met de komst van den mensch er een wezen was verschenen waarin die teere kracht, die wij geest noemen, van veel grooter gewicht werd dan de zuiver lichamelijke bouw. Ofschoon zijn lichaam naakt en onbeschut was, gaf zijn geest hem kleeding tegen de verschillende ruwheden van het klimaat. Ofschoon niet instaat het hert in snelheid of den wilden stier in kracht te evenaren, gaf de geest hem de wapenen om beiden te overwinnen. Ofschoon |
|||||
|
•
|
|||||
|
68 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
minder geschikt dan de meeste andere dieren om van
de planten en vruchten te leven die de ongeholpen natuur aanbiedt, heeft dit wonderbare vermogen hem geleerd de natuur tot zijn eigen voordeel te beheerschen en te richten en haar gedwongen bijna overal waar en wanneer hij dit wenscht voedsel voor hem voort te brengen. Van het oogenblik af dat de eerste huid als bekleeding werd gebruikt; dat de eerste ruwe speer werd gemaakt om hem op de jacht bij te staan; dat voor het eerst een vuur zijn voedsel kookte; dat het eerste zaad gezaaid of de eerste stek geplant werd; van dit oogenblik af had een groote revolutie in de natuur plaats gegrepen, een revolutie die in geen der voorgaande eeuwen van de geschiedenis der aarde haar weerga heeft gehad. Er was een wezen opgestaan dat niet langer onder- worpen was aan lichamelijke verandering, mee met de veranderingen van het physisch heelal; een wezen dat tot op zekere hoogte boven de natuur stond, voor zoover hij het verstond haar werking te beheer- schen en te regelen en dat zelf in overeenstemming met haar kon blijven, niet dooreenige lichamelijke verande- ring maar door de groote macht van zijn geest. De hierboven uiteen gezette opvatting omtrent
de overdracht der werking van de natuurlijke teelt- keus van het lichaam tot den geest bij den primitieven mensch, was mijn eerste oorspronkelijke wijziging dier theorie; zij werd in 1864 meegedeeld in de ,,Anthrop- ological Review." Zij verwierf de goedkeuring zoowel van Darwin zelf als van Herbert Spencer en ik ben mij niet bewust dat ooit iemand eenige fout in het betoog waarop zij rust heeft kunnen aan- toonen. Dit is zeker van het hoogste belang, omdat wanneer de theorie waar is, iedere toekomstige belang- rijke wijziging in de uiterlijke gedaante van den mensch |
||||
|
13 TEELTKEUS DOOR DEN GEEST GEWIJZIGD 69
is uitgesloten, terwijl zij tevens een verklaring geeft
van de volkomen gelijkheid der drie groote menschen- rassen: het blanke of Kaukasische, het gele of Mon- goolsche, en het zwarte of Neger-ras, in iedere wezenlijk menschelijke eigenaardigheid van vorm of bouw. Bovendien naderen de drie rassen, in hun beste ver- tegenwoordigers, allen zeer dicht eenzelfde ideaal van symmetrie en schoonheid. Toch is er zoo weinig aandacht geschonken aan dit gezichtspunt, dat de meeste populaire en zelfs enkele wetenschappelijke schrijvers het voor een uitgemaakte zaak houden, dat er in dit opzicht geenerlei verschil tusschen den mensch en de lagere dieren bestaat. Zij nemen aan dat onze lichamen voorbestemd zijn om in een verre toekomst en op onbekende wijze te veranderen en dat de voorstelling als zou er ooit een grens zijn aan de volmaking van het menschelijk lichaam, slechts een product der verbeelding is. Anderen weer zijn zoo doordrongen van de alom-
geldigheid der natuurlijke selektie als een zegenrijke natuurwet, dat zij er aanmerking op maken wanneer wij tusschenbeiden komen bij wat zij noemen: de uit- schakeling der ongeschikten door ziekte en dood; zelfs wanneer die ziekte veroorzaakt wordt door de ongezonde toestanden in onze moderne steden of de ellende en het gebrek, die het gevolg zijn van ons onredelijke en onzedelijke maatschappelijke stelsel. Dergelijke schrijvers weten niets van het ontwijfelbare feit dat liefde, sympathie en medelijden een even wezenlijk deel der menschelijke natuur vormen als de hoogere intellektueele en zedelijke vermogens; dat zij reeds in de vroegste tijdperken der historie en onder de laagst-staande wilden ten volle tot uiting komen, niet alleen tusschen de leden van eenzelfde gezin, maar ook voor den geheelen stam en zelfs |
||||
|
70 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
dikwijls tegenover iederen vreemdeling, die niet een
erkende of ingebeelde vijand is. Het eerste reisverhaal dat ik mij herinner mij door mijn vader te hebben hooren voorlezen was dat van Mungo Park, een der eerste ontdekkingsreizigers van den Niger. Eens lag hij daar ziek en verlaten en een paar negervrouwen verpleegden hem, gaven hem te eten en redden hem het leven. Terwijl hij in hun hut lag hoorde hij hen buiten zingen over den armen blanke: „Hij heeft geen moeder om hem melk te geven,
Geen vrouw om zijn graan te malen." Gastvrijheid is inderdaad een der meest algemeene menschelijke deugden, in sommige gevallen is zij als het ware een godsdienst. Zij is een inherent deel van de „menschelijke natuur" en in direkten strijd met de strenge wet der natuurlijke teeltkeus, die steeds alom in het lagere dierenrijk heeft geheerscht. Zij die aanbevelen de natuurlijke teeltkeus onder ons vrij spel te laten op grond dat wij anders tegen-natuur- lijk handelen, zijn volkomen onwetend omtrent het onderwerp waarover wij spreken. Zij zelf handelen tegen de natuur, de ongeleerde, onschijnheilige men- schelijke natuur. Zij trachten de hoogere natuur te brengen tot het peil der lagere; de hemel-geboren menschheid, in wezen slechts weinig lager dan de engelen, tot het oneindig veel lager peil der dieren, die te gronde gaan. De conclusie van het eerste deel van dit werk:
dat het hoogere verstandelijke en zedelijke karakter van den mensch nagenoeg is blijven stilstaan gedurende de geheele menschelijke geschiedenis en dat de oorzaak van dit verschijnsel gelegen was in de afwezigheid van een of anderen selektieven invloed, in staat het tot ontwikkeling te brengen; deze conclusie maakt |
||||
|
13 TEELTKEUS DOOR DEN GEEST GEWIJZIGD 71
at noodzakelijk nog eenige verdere verklaring te
even omtrent den vermoedelijken of mogelijken orsprong dier hoogere natuur en ook van dit bewon- erenswaardige menschelijke lichaam, dat eveneens en toestand van durende onveranderlijkheid schijnt 2 hebben bereikt. |
||||||
|
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
De wetten der erfelijkheid en
omgeving. Bij de behandeling van de groote vraagstukken der
organische ontwikkeling is er waarschijnlijk geen jebied waarop zooveel dwaling en misverstand heerscht ils omtrent den aard en de grenzen der erfelijkheid. Deze misvattingen komen niet alleen voor in de zeer populaire geschriften over evolutie, maar zelfs in die van mannen van wetenschap en van specialiteiten op biologisch gebied en zij zijn des te belangrijker en gevaarlijker, omdat hun verspreiders Herbert Spencer, en in zekere mate ook Darwin kunnen aanhalen als aanhangers van dergelijke denkbeelden. Het onderwerp is hier vooral van belang, omdat het
de vraag insluit of de inwerkingen van omgeving, opvoeding en oefening in eenigerlei mate overdraag- baar zijn van de door hen gewijzigde individuen op hun nageslacht; m. a. w. of zij cumulatief zijn of niet. Dit is inderdaad het veel besproken en voor het leven zoo belangrijke vraagstuk der erfelijkheid van verworven eigenschappen. Lamarck nam aan dat de uitwerking van gebruik of niet-gebruik, een andere vorm van hetzelfde algemeene verschijnsel, erfelijk was en een belangrijk deel van zijn geheele evolutieleer berustte op deze veronderstelling. Zij leek zóó waarschijnlijk |
||||||
|
72 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
en werd blijkbaar door zooveel feiten gesteund, dat
Darwin, evenals de meeste andere natuurkundigen uit dien tijd, haar zonder nader onderzoek aannam en dat, toen hij zijn eigen theorie der Pangenesis *) uitwerkte teneinde de hoofdfeiten der erfelijkheid te verklaren, zijn veronderstellingen pasklaar werden gemaakt om ook deze verschijnselen te kunnen omvatten. Laat ons dus eerst nagaan wat bedoeld wordt met die „verworven eigenschappen", die door de ware erfelijkheidstheorie moesten worden verklaard. Als regel wordt de groote meerderheid der bijzonder- heden van een of andere soort van dier of plant voort- durend in de afstammelingen gereproduceerd. De korte staart van het winterkoninkje, de veel langere staart van de langstaartige mees, de kuif van de kuif- mees en van tallooze andere vogels vertoonen, wanneer zij volwassen zijn, hetzelfde karakter als bij hun ouders. Men noemt dit ingeboren eigenschappen. In enkele zeldzame gevallen evenwel worden er nakomelingen geboren die materieel van hun ouders verschillen. Zoo bijvoorbeeld wanneer er een witte merel of een katje met zes teenen verschijnt; maar ook deze eigenschappen zijn ingeboren en dikwijls in sterke mate erfelijk. Al deze eigenschappen zijn onderworpen aan variatie en kunnen daarom door selektie, hetzij natuurlijke of kunstmatige, worden gewijzigd en bij huisdieren is de uitwerking van een dergelijke selektie dikwijls ontzaggelijk. Als voor- beelden dienen de „pouters" en tuimelaars onder de duiven, de buldog en de hazewind en de tallooze hoendersoorten, van al welke bekend is dat zij *) Theorie, volgens welke alle cellen van het lichaam kleine korrel-
tjes, gemmulae, afzonderen, waaruit de geslachtsstoffen gevormd worden, zoodat het verklaarbaar is dat hierin ook alte eigenschappen der ouders in aanleg aanwezig zijn. [Koot v. it. vertaler). |
||||
|
14 DE WETTEN DER ERFELIJKHEID EN OMGEVING 73
door kunstmatige teeltkeus van gunstige variaties
gedurende den loop van vele eeuwen zijn voortgebracht. En van al deze variëteiten is het karakter in sterke mate erfelijk. Eigenschappen die tijdens het leven van het individu
verworven worden tengevolge van een verschil in gebruik van bepaalde organen of tengevolge van blootstaan aan licht, hitte, droogte, wind, vocht etc, zijn vergelijkenderwijs gesproken zeer onbeduidend en staan dikwijls nog in zoo nauw verband met in- geboren eigenschappen en met de uitwerkingen van natuurlijke of kunstmatige teeltkeus, dat het uiterst moeilijk is zich er zonder zóó zorgvuldige en zóó lang voortgezette proeven als tot dusver nog niet kon- den genomen worden, van te overtuigen, of zij in eenigerlei mate overdraagbaar zijn van de ouders op hun nakomelingschap en dus cumulatief. Bijna ieder afzonderlijk geval van vermeende over-
erving van dergelijke eigenschappen, bleek, bij nauw- gezet onderzoek, op andere wijze verklaard te kunnen worden; maar er is een zeer groote algemeene waar- schijnlijkheid, dat indien deze erfelijkheid in geringe mate bestond, zij toch zeker geen factor van eenig belang zou zijn in het proces der organische evolutie, waarvan de factoren alle alomtegenwoordig moeten zijn omdat het proces zelf alomtegenwoordig is. Ik wil mij daarom hier bepalen tot een korte opsomming van enkele van de zeer talrijke gevallen waarin het voortgezet gebruik een orgaan niet versterkt of verbetert, maar dikwijls zelfs het omgekeerde plaats heeft; en van andere, waarbij niet kan worden beweerd dat de werking der omgeving eenig aandeel, wat dan ook, gehad kan hebben in de voortdurende verandering of specialiseering van het bewuste deel of orgaan: Aantal, afmetingen, vorm, stand en samenstelling der tanden zijn bij alle zoog- Maatschappelijke omgeving. 6
|
||||
|
74 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
dieren buitengewoon verschillend en leveren voor
de geheele klasse de beste kenteekenen op om haar in families en geslachten te onderscheiden. Zij zijn daarom van groote beteekenis bij het bepalen der verwantschap van uitgestorven soorten, omdat de kaakbeenderen en de tanden, vooral de laatste, het meest bewaard blijven. Maar aangezien de blijvende tanden steeds volkomen gevormd worden terwijl -zij nog in het kaakbeen opgesloten en door het tand- vleesch bedekt zijn, is het zeker dat de bijzondere aanpassing der tanden van iedere soort tot het grijpen, verbrijzelen, scheuren of vermalen van haar eigen- aardig voedsel met geen mogelijkheid kan zijn te weeg gebracht door de handeling van het voeden zelf, welker uitwerking toch haast altijd is de tanden af te slijten en juist minder bruikbaar te maken. Zulk een aanpassing kan onmogelijk tot stand zijn gekomen door gebruik alleen of door eenige andere directe werking der omgeving. Maar toch hebben enkele uitnemende palaeontologen, omdat de aanpassing zoo in het oog vallend is, het voor bewezen verklaard dat zij door de veranderingen der omgeving is ie weeg gebracht en dat zij een zeer sterk bewijs levert voor de „erfelijkheid van verworven eigenschappen," een bewering die echter door geen enkel direct bewijs gestaafd wordt. Dezelfde tegenwerping is van toepassing op de
meeste zintuigen. Het inwendige gehoororgaan bestaat uit een zeer ingewikkeld stelsel van beenderen en vliezen, beschermd door het uitwendige oor, maar men kan zich zelfs niet verbeelden dat het lang- zamerhand zich zou hebben ontwikkeld door de wer- king der luchtgolvingen, waarvan het de trillingen naar de hersenen overbrengt. Het oog levert een nog treffender voorbeeld, aan-
|
||||
|
14 DE WETTEN DER ERFELIJKHEID EN OMGEVING 75
gezien veelvuldig gebruik het schaadt of zelfs ver-
woest, terwijl bijzondere eigenschappen ervan, zooals ver- of bijziendheid zonder twijfel aangeboren zijn en gewoonlijk gedurende het geheele leven blijven. Zoo kunnen ook de wonderbaarlijk verschillende
snavels van vogels niet door het gebruik ontstaan zijn en, eenmaal gevormd, blijven zij dan ook onver- anderlijk. Toch, gezien de zeer groote verschillen binnen elke soort, varieeren zij gemakkelijk en passen zij zich door „overleving der geschiktsten" bij nieuwe levensomstandigheden aan. Even onmogelijk is het gebruik of niet-gebruik,
of de werking der omgeving, in verband te brengen met de geleidelijke ontwikkeling of de algeheele aanpassing bij de omstandigheden der uitwendige bedekking van haast alle levende wezens — het haar der zoogdieren, de veeren der vogels, de schalen, de hoornachtige huid of stevige schilden der reptielen of de schoon-geribde, gepunte, gedraaide of getorende en een oneindige verscheidenheid van kleur en teeke- ning vertoonende schelpen der molusken (week- dieren). Nog overtuigender voorbeelden biedt het groote rijk der insekten, van de massieve bewapening der overal aanwezige kevers, meer verschillend in vorm, bouw, versiering eti kleur dan eenige andere groep van levende wezens, tot aan de weer geheel andere vlinders, die de geheele klasse der vogels evenaren, misschien wel overtreffen door hun bewon- derenswaardige gratie en schoonheid, maar bij wier ontwikkeling en nauwe aanpassing bij hun omgeving een directe inwerking dier omgeving zelf of de invloed van gebruik of niet-gebruik met geen mogelijkheid een rol kon spelen. De organische natuur is zonder eenigen twijfel
één en ondeelbaar. Zij heeft zich ontwikkeld door |
||||
|
76 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
middel der fundamenteele krachten van leven, groei
en vermenigvuldiging en de even fundamenteele wellen van variatie, erfelijkheid en enorme toeneming, welke een voortgezette aanpassing in vorm, bouw, kleur en gewoonten bij de langzaam veranderende omgeving ten gevolge hebben. Deze krachten en wetten zijn algemeen in hun werking en kunnen ten volle worden toegepast bij de verklaring van het geheel der verschijnselen die wij thans bespreken. Wij zien dan dat bij verreweg het grootste deel der levende wereld iedere wijziging in uitwendigen bouw, vorm of kleur tijdens het leven van het individu onmogelijk is, terwijl bij het overschot haar invloed, zoo zij al bestaat, zeer gering is. Een werkelijk bewijs van de erfelijkheid dier aldus te weeg gebrachte lichte ver- anderingen is tot dusver nog nooit geleverd en het is daarom volkomen overbodig en onlogisch, haar bestaan aan te nemen en te beweren dat zij eenig aandeel heeft in het eeuwig-werkende en universeele proces der evolutie. Door de geheele reeks van de dierenwereld heen,
vooral in de hoogere groepen, die het dichtst tot ons naderen, staan geestelijke en physieke eigenschappen in een zoo onontwarbaar verband met de wetten van evolutie en erfelijkheid, dat elk van hen, afzonderlijk bestudeerd, ons tot dezelfde gevolgtrekkingen leidt. Wij behoeven er ons daarom niet over te verwonderen dat alle mogelijke dierenfokkers uitgaan van het beginsel, dat alle eigenschappen van hun verschillende fokdieren, hetzij lichamelijk of geestelijk, ingeboren en het gevolg van selectie zijn; terwijl oefening, ofschoon noodzakelijk om de goede eigenschappen van het individu te voorschijn te brengen, geen deel heeft gehad bij het tot stand komen dier eigenschappen. Wanneer een paard of hond met goeden stamboom |
||||
|
14 DE WETTEN DER ERFELIJKHEID EN OMGEVING 77
bij toeval gekwetst wordt, zoodat hij niet meer regel-
matig geoefend kan worden, wordt hij niettemin toch voor het fokken gebruikt, zonder dat men eenigszins maar twijfelt aan zijn vermogen om zijn uitmuntende eigenschappen op zijn nageslacht over te dragen. Waar 't het menschelijk geslacht evenwel be-
treft, spreken tal van schrijvers gedachteloos van een erfelijkheid van kracht of vaardigheid, die het gevolg zou zijn van een of anderen mechanischen arbeid of van een bepaald beroep dat, zooals in de Indische kasten, gedurende geslacht op geslacht in éénzelfde familie wordt uitgeoefend. Maar van een voortgaande verbetering is hierbij hoegenaamd niets te bespeuren. Die kinderen, die een natuurlijken aanleg voor het werk hadden, werden natuurlijk de opvolgers hunner ouders en hierbij is in het geheel niets erfelijk, tenzij alleen die ingeboren aanleg. Velen verontrusten zich bij de bewering dat de
uitwerkingen van opvoeding en oefening niet erfelijk zijn en meenen, dat, wanneer dit werkelijk het geval was, er geen hoop op verbetering van het ras zou be- staan. Nadere overweging evenwel zal hen leeren dat wanneer de resultaten onzer opvoeding in den ruim- sten zin, in huis, werkplaats, natie en eindelijk in de wereld, inderdaad erfelijk waren, zelfs maar in den geringsten graad, juist dan weinig hoop voor de mensch- heid zou bestaan. Geen duidelijker bewijs hiervoor dan het feit, dat wij niet allen veel slechter zijn dan het geval is en dat er nog steeds iets van moraal of menschelijkheid, van liefde tot waarheid en gerechtig- heid om hun zelfs wil, onder ons bestaat. Wanneer wij een blik werpen op het verleden der
menschheid, zien wij een haast onafgebroken reeks van oorlogen en gevechten tusschen de verschillende rassen, volken en stammen. En wij kunnen vagelijk |
||||
|
78 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
begrijpen dat deze voortdurende strijd leidde tot
een even streng selektie-proces als in het lagere dierenrijk. Er kan nauwelijks aan worden getwijfeld dat als gevolg van dezen strijd de physiek sterksten, die het handigst de wapenen voerden en het best tot den krijg waren toegerust, overleefden en de zwak- keren en minder toegerusten óf verdelgd öf door hun overwinnaars tot slaaf gemaakt werden. Dit nu leidt tot beurtelings succes en mislukking. Wij zien groote veroveraars en groote materieele kuituren als een gevolg van hun opeenhooping van rijkdom en slaven. Dan bloeiden, voor een poosje, weelde en kunsten, en daarmee kwamen de heerschers die ontaarding en bederf bevorderden door hun leven te huis. Ver- volgens stonden nieuwe veroveraars op, dikwijls van lager beschaving — barbaren, zooals zij genoemd werden — maar hooger in eenvoud en huiselijke deugden en een natuurlijker leven van produktieven arbeid. Deze, of een gedeelte van hen, kwamen op hun beurt tot weelde en beschaving, tot een leven van grove zinnelijkheid en het wreedste despotisme, totdat de verontwaardigde menschheid weer nieuwe ver- overaars voortbracht om hetzelfde oude, verschrikke- lijke spel weer te herhalen. De bloeitijdperken dier oude beschavingen, die
altijd op verovering, moord en slavernij berustten, zijn thans nog voor ons kenbaar in de ruïnes van groote steden, tempels, paleizen, dikwijls van een wonderbare grootschheid en met aanduidingen van een kunst, een wetenschap en een literatuur, die nog in Egypte, Indië, Griekenland en Rome onze bewondering opwekken. En zij zetten zich voort door de middeleeuwen tot op onzen eigen tijd. Maar de onmenschelijkheden en verschrikkingen dier tijd- perken zijn onnoemelijk. Een duister tafereel er van |
||||
|
14 DE WETTEN DER ERFELIJKHEID EN OMGEVING 79
wordt gegeven in dat machtige boek van Winwood
Reade: „The Martyrdom of Man" (Het martelaar- schap van den Mensch) en Burns doen zij de regels schrijven: „Man's inhumanity to man
Makes countless thousands mourn." *)
Men denke aan de gruwelen in de voortdurende
oorlogen in die dagen vóór het Roode Kruis iets deed om ze te verzachten. Men denke aan die oude kasteelen, waarvan velen behalve een kerker ook een betaalden folteraar en beul hadden. Men denke aan de syste- matische martelingen der eeuwen; aan de heksen- processen en de inquisitie. Men denke aan de brand- stapels te Smithfield en in iedere groote stad van Europa. Men denke aan „Truth for ever on the scaffold,
Wrong for ever on the throne." -) Vrijheid van spreken, zelfs van gedachte, was
overal een misdaad. Maar hoe bleef dan waarheids- liefde tot op dezen dag als een ideaal leven? Om aan deze verschrikkingen te ontkomen, moesten de zacht- moedigen, de goeden, geleerden en vredelievenden hun toevlucht nemen in kloosters, waar de Kerk, door middel van het celibaat der geestelijkheid, zooals Galton het uitdrukt: „door een maatregel, zeldzaam onverstandig en zelfmoordend, de nakomelingschap onzer voorouders hielp verdierlijken." Zóó was de werkelijke opvoeding van den mensch
toen hij uit zijn wildheid tot beschaving opsteeg en zij ging gepaard met een flinke mate van averechtsche ') Des menschen onmenschclijkheid tegenover den mensch
Doet ontelbare duizenden treuren.
2) Waarheid voor eeuwig op het schavot Het Kwaad voor eeuwig op den troon.
|
||||
|
80 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
selektie tengevolge van de wreede straffen, opsluiting
in gevangenissen, marteling of dood van hen die de heerschers weerstonden, en met het overleven van juist de slechtste heeren en tyrannen. Moeten wij er dan niet dankbaar voor zijn dat deze opvoeding en gewoonte en al de verschillende invloeden van een dergelijke ■ omgeving niet erfelijk zijn? En is niet het feit dat de geheele wereld nog niet volkomen ontaard is, dat er nog steeds iets goeds overblijft in onze zoo wreed onderdrukte menschelijke natuur, een onweerleg- baar bewijs er voor dat die invloeden inderdaad niet erfelijk zijn? Wanneer wij ons herinneren dat vele dier verlagende
wetten en gebruiken, onderdrukkingen en straffen tot in onzen eigen tijd hebben bestaan; dat de afschaffing van den afschuwelij ken slavenhandel en de even afschu- welijke slavernij nog velen onder ons in het geheugen ligt; dat het stelsel der loonslavernij, de onder- scheiding in klassen, de grove onrechtvaardigheid der wetten, het overwerk der millioenen arbeiders, de onzedelijke luxe en luiheid van de enkele duizenden der hoogere klasse bevordert, terwijl veel meer duizen- den jaarlijks sterven van gebrek aan het meest nood- zakelijke; dat het leven van millioenen wordt verkort door oorzaken die gemakkelijk konden voorkomen worden, terwijl nog eens millioenen hun geheele leven in een voortdurenden en haast onmenschelijken arbeid doorbrengen, alleen om de rijken de middelen tot meerder genot en verderfelijke weelde te verschaf- fen — wanneer wij ons dit alles te binnen brengen moeten wij wel verbaasd staan over het feit, dat er niettemin nog zooveel waarachtige goedheid en men- schelijkheid onder ons leeft, als zonder twijfel het geval is ten spijt van alle ontaardende invloeden die ik zoo juist heb opgesomd. |
||||
|
14 DE WETTEN DER ERFELIJKHEID EN OMGEVING 8l
Voor mij is er maar één aannemelijke verklaring
voor dit zeer merkwaardige en haast ongelooflijke verschijnsel. Het is deze: dat de goddelijke natuur * in ons, — dat deel onzer hoogere natuur dat ons boven de dieren verheft en door welks invloed wij menschen zijn, — niet kan verloren gaan, zelfs niet duurzaam kan ontaarden onder hoe ongunstige omstandigheden of door hoe zinnelooze en slechte , , opvoeding ook. Zij blijft altijd in ons als het centrale
en wezenlijke deel onzer menschelijke natuur, klaar om te antwoorden op iedere gunstige gelegenheid die zich voordoet, te grijpen en vast te houden ieder brokstuk je van een hooge gedachte of edele daad dat onder haar bereik komt en zich, zelfs tot den dood, te verzetten tegen iedere valschheid in leering, iedere dwingelandij in daden. De zedeleer van Plato en van de groote moralisten van het Ciceroniaansche tijdperk, samen met die van Jezus en zijn discipelen en volgelingen, hebben de heilige vlam der zuivere menschelijkheid in leven gehouden en hun behoud is misschien wel de grootste dienst dien het monniken- dom aan de menschheid heeft bewezen. Als de chris- telijke kerk niets anders gedaan had dan in haar kloosters en abdijen de mooiste werken der klassieke literatuur die tot ons gekomen zijn te bewaren en ons de glorie der Gothiek te geven, die in steen de grootsch- heid en verhevenheid, den vrede en de schoonheid van een zuiveren godsdienst schijnt uit te drukken, zou zij niettegenstaande haar vele tekortkomingen, haar wreedheid en onderdrukking, haar verzet tegen de studie der natuur en de vrijheid van gedachte, haar bestaan volkomen gerechtvaardigd hebben als een middel tot verwerkelijking van die hoogere en zuiver- der beschaving, die de onmiddellijke toekomst misschien voor ons gereed houdt. |
||||
|
82 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Eenig licht over het vraagstuk
van het Kwade. Alvorens tot een ander deel van mijn onderwerp
over te gaan schijnt het mij noodig enkele opmer- kingen te maken in antwoord op een tegenwerping die zonder twijfel en terecht zal worden gemaakt. Waarom, zoo zal men vragen, heeft onze hoogere menschelijke natuur, als zij toch in wezen goddelijk is, zulke langdurige en vreeselijke verduisteringen moeten dulden, waarom heeft het lagere zoo dikwijls en zoo lang het hoogere overheerscht? Dit is natuurlijk een der vele vormen van het oude vraagstuk van den oorsprong des Kwaads, welk vraagstuk wel steeds onoplosbaar zal zijn. Maar aangezien het hier een bepaald en wei-begrensd gedeelte van dit vraagstuk geldt, schijnt het mogelijk eenig denkbeeld te krijgen van een oplossing er voor. Waar nu zulk een mogelijke oplossing mij tijdens de samenstelling van dit boek inviel, wil ik haar zoo kort mogelijk uiteenzetten, in de hoop dat zij enkelen mijner lezers belang moge inboezemen. In mijn laatste werken, „Man's Place in the Uni-
verse" ('s Menschen plaats in het Heelal) en „The World of Life" (De levende Wereld), zag ik mij genood- zaakt tot de gevolgtrekking, dat het ontwikkelingsplan van het heelal van sterren en nevelvlekken dat wij kennen en in het bijzonder dat van onze zon en ons zonnestelsel, juist zoodanig was dat het op onze aarde, en daar alleen, de meest geschikte voorwaarden bood voor het ontstaan en de evolutie eener organische wereld, die in den mensch haar hoogtepunt bereikte. Bovendien, dat die voorwaarden zoodanige waren, dat zij een maximum van verscheidenheid, zoowel van organische als anorganische produkten, dienstig |
||||
|
14 DE WETTEN DER ERFELIJKHEID EN OMGEVING 83
voor den mensch, opleverde, die de ontwikkeling
der grootst mogelijke verscheidenheid van karakter en vooral van zijn hoogere geestelijke en zedelijke natuur bevorderde: wat ik hier de goddelijke bezieling heb genoemd, die op een bepaald tijdperk der evolutie den mensch plotseling boven al de andere dieren verhief en als het ware een nieuw wezen schiep van een voortgezet geestelijk bestaan in een wereld of in werelden, waarin een eeuwige vooruitgang voor hem mogelijk werd. Om hem voor te bereiden voor dezen vooruitgang in steeds toenemende verscheiden- heid, waren vermogens van enormen omvang vereischt en deze verlangden weer een ontwikkeling in iedere richting die de aardsche omstandigheden mogelijk maakten. Opdat deze uiterste verscheidenheid van karakter zou kunnen ontstaan was een groote tijds- ruimte, gemeten naar opeenvolgende geslachten, nood- zakelijk, ofschoon zij geheel onbeduidend is verge- leken bij den duur van het voorafgaande organische leven op aarde en nog onbeduidender vergeleken bij het geestelijk leven dat er op volgt. Het is misschien hierdoor dat talen zoo snel verschillend en voor elkaar onverstaanbaar worden reeds na een vrij korten tijd van afzondering, waarin zij betrekkelijk kleine ge- meenschappen tot stammen of volken bijeen houden, die zich ieder op eigen gelegenheid onder den invloed van hun bijzondere physieke omgeving en oorspron- kelijke gewoonten, gebruiken en manier van denken ontwikkelen. Tusschen aangrenzende stammen ont- staat licht een antagonisme, dat er toe leidt zich tegen anderen te beschermen door het kiezen van hoofden of door een soort van militaire bondgenootschappen. Dit vereischt organisatie en overleg; na een poosje onderwerpen de machtigen de zwakkeren; dan ver- mengen zij zich en er ontstaat een nog grooter ver- |
||||
|
84 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
scheidenheid. In dezen voortdurenden strijd hebben
de minst ontwikkelden het meest te lijden, maar het ras in zijn geheel komt toch telkens een stap vooruit op den weg der beschaving. Het mooiste voorbeeld van dezen vooruitgang door
antagonisme leveren de staatjes van het oude Grie- kenland, waar ieder koninkrijkje zijn eigen vorm van kunst, regeering en kuituur voortbracht om hem op alle deelen van Europa over te dragen. Na twee- duizend jaar van vernedering onder Romeinsche en Turksche heerschappij, is de Grieksche taal nog maar weinig veranderd, terwijl de oude kunst en literatuur nog steeds onovertroffen zijn. Op dezelfde manier bracht Rome het recht, de literatuur en het krijgswezen tot een hoog peil ; het laatste verviel, maar de literatuur en het recht gingen voort de be- schaafde wereld te verlichten bij haar lange wor- steling om vrijheid. Waar ook maar de voorwaarden gunstig waren voor vooruitgang in kunst of weten- schap, was steeds tijd noodig voor zijn vollen groei en ontwikkeling, terwijl voortdurende oorlog orga- nisatie en verzet tegen verovering of verwoesting noodzakelijk maakte. Zelfs de wreedheden en bloed- baden van despotische heerschers wekten ten slotte de onderdrukten tot opstand op en brachten zoo- doende de edeler gevoelens van vaderlandsliefde, moed en vrijheidszin tot ontwikkeling. En in de aller- slechtste tijden was er nog een onderstroom van vreed- zamen arbeid, kunst en wetenschap, die de volken langzaam voort droeg naar een hooger staat van beschaving. De hier aangeduide opvatting zal misschien iets
begrijpelijker worden wanneer wij haar toepassen op de negentiende eeuw, waarover ik op zoo veroor- deelende wijze heb geschreven. De voorafgaande |
||||
|
14 DE WETTEN DER ERFELIJKHEID EN OMGEVING 85
achttiende eeuw was zonder twijfel een ietwat stilstaand
tijdperk van een vrij alledaagsch karakter in literatuur, kunst, wetenschap en sociaal leven. Ook haar on- deugden waren laag bij den grond, haar regeeringen slecht, haar strafstelsel wreed en haar erkenning van de slavernij demoraliseerend. Zij was een soort van „duistere eeuw" tusschen den literairen en natio- nalen glans van de eeuw van Elisabeth en den wónder- baarlijken wetenschappelijken en industrieelen voor- uitgang van die van Victoria. Maar dit laatste tijdperk was er een van grooten
opbloei voor de speciaal menschelijke deugden van rechtvaardigheid, medelijden en vrijheidsliefde, benevens voor de opvoeding. En ofschoon de snelle toeneming van de welvaart door de onderwerping van natuur- krachten leidde tot al de kwade gevolgen van een ongebreidelden groei van persoonlijken rijkdom en macht, waren toch deze euvelen in al hun hevigheid en verschrikkelijkheid misschien juist noodzakelijk om in een voldoend aantal geesten den wil op te wekken zich er van te bevrijden. Tijd was ook noodig voor de arbeiders om hun eigen macht te leeren kennen en, zeer geleidelijk, te leeren gebruiken. Het brand- stichten en het vernielen van machines in het begin der eeuw werd vervangen door organisatie en staking; stap voor stap werd de politieke macht door de massa veroverd, maar eerst thans, in de twintigste eeuw, begint zij te leeren hoe zij haar kracht op doeltref- fende wijze moet gebruiken. Toch zijn er aanwijzingen voor alsof de geheele marsch van den vooruitgang gevaarlijk snel heeft plaats gegrepen. Misschien ware het veiliger geweest als de groote toeneming van kennis en de enorme opeenstapelingen van rijkdom over twee eeuwen waren verspreid geworden inplaats van over eene. In dat geval zou onze hoogere natuur |
||||
|
86 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
beter in staat zijn geweest gelijken tred te houden
met de groeiende euvelen van overbodigen rijkdom en toenemende weelde en zou het mogelijk zijn geweest hen te breidelen, vóórdat zij die volle macht ten kwade verkregen die zij thans bezitten. Maar niettemin zijn de voorteekenen voor de toe-
komst gunstig. De groote massa van de meer intel- ligente arbeiders wenschen Rechtvaardigheid. Zij drin- gen aan op afschaffing van monopolies op de natuur- krachten en op een geleidelijke toelating van allen tot gelijke arbeidsgelegenheid bij vrije verwerving van den nationalen bodem. Zoodoende kan een nieuw tijdperk van vreedzame hervorming en zedelijken vooruitgang beginnen. |
||||||
|
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Zedelijke vooruitgang door een
nieuwen vorm van selektie. Vele lezers en ook sommige schrijvers van boeken
over organische evolutie, schijnen geheel onkundig ervan dat Darwin twee soorten van selektie onder- scheidt, beide even „natuurlijk," maar op verschillende wijze werkend en een ietwat verschillend resultaat te weeg brengend. De tweede soort noemde hij ,,sexu- eele teeltkeus" en in zijn „Ontstaan der Soorten" beschrijft hij haar kort als te bestaan in het vechten der mannetjes om het bezit der wijfjes, wat onge- twijfeld ook bij tal van hoogere werveldieren en ook bij insekten voorkomt. Maar onder deze sexueele teeltkeus verstaat hij
ook nog een andere soort van wedijver, nl. het ten toon spreiden van speciaal mannelijke versierselen |
||||||
|
15 ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM 87
bij vele vogels en de keuze van de fraaiste door de
wijfjes. Aan dit onderwerp besteedt hij haast de helft van zijn boek over „De afstamming van den Mensch en de teeltkeus in verband met het geslacht." Teelt- keus door middel van het vechten der mannetjes heeft geleid tot de ontwikkeling van het hertengewei, de houwers van het wildzwijn en de manen van den leeuw, die als een schild dienst doen. Deze gevechten leiden zelden tot den dood van de overwonnen dieren, maar wel tot een talrijker nageslacht voor den over- winnaar en dit leidt tot verbetering van het ras, doordat het zijn kracht en geschiktheid tot vechten hoog houdt. Wat den anderen vorm van selektie betreft: het
ten toon spreiden van versieringen door mannelijke vogels en de veronderstelde voortdurende ontwikkeling dier versieringen door de waardeerende keuze der wijfjes, ik geloof dat déze selektie denkbeeldig is. Ik heb dit onderwerp in vele van mijn boeken behan- deld en mijn beschouwingen hieromtrent zijn thans door de evolutionisten over het algemeen aanvaard. Het feit dat de kleuren van mannelijke insekten, vooral van vlinders, bijna volkomen gelijk zijn aan die van vogels, bracht mij het eerst tot deze gevolg- trekking, daar wij moeilijk kunnen aannemen dat insekten eenigen aesthetischen smaak bezitten, zelfs indien zij werkelijk kleuren zouden kunnen zien, wat ik in mijn laatste werk op grond van sterke argu- menten heb betwijfeld. Bij den mensch evenwel zijn de omstandigheden
geheel en al anders. Want terwijl, zooals ik in het veertiende hoofdstuk heb aangetoond, die soort van natuurlijke selektie die door alle eeuwen heen de oneindig verschillende dierlijke vormen in harmonie bracht met hun omgeving, ophield te werken op |
||||
|
88 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
het menschelijk lichaam en slechts korten tijd invloed
op zijn lagere geestelijke vermogens bezat, had de sexueele teeltkeus de neiging om, als zij werkte, nadeelig te werken tengevolge van polygamie, pros- titutie en slavernij, ofschoon zij zeker het vermogen bezit om in de toekomst zoodanig invloed te oefenen dat zij den intellektueelen en moreelen vooruitgang bevor- dert en daardoor het ras zal kunnen opheffen tot den hoogsten graad van beschaving en welzijn, dien het in staat is in dit aardsche leven te bereiken. Eugenics1), of rasverbetering door
het huwelijk. Het volkomen ophouden van de werking der natuur-
lijke selektie als oorzaak van verbetering van ons ras, zoowel physiek als geestelijk, leidde tot het voorstel van wijlen Sir F. Galton tot het scheppen eener nieuwe wetenschap, die hij „Eugenics" noemde. Een vereeni- ging werd opgericht en veel werd er geschreven over middelen om ontaarding te verhoeden en het ras tot een hooger peil te verheffen. Sir Galton's eigen voorstellen bepaalden zich tot het geven van premies of uitzetten voor huwelijken van personen van uit- nemende physieke, geestelijke en zedelijke eigen- schappen, die door een soort van onderzoek of examen moesten worden vastgesteld. Dit nu zou misschien niet veel kwaad doen, maar zéker al heel weinig goed. De werking er van zou uiterst begrensd blijven en, voorzoover het sommige paren er toe bracht een huwelijk aan te gaan terwille van het finantieele voordeel, zou het uitteraard absoluut onzedelijk zijn en waarschijnlijk tot geen merkbare verbetering van het ras leiden. ') Van de Grieksche woorden „eu" goed, en „genos" geslacht,
afstamming. |
||||
|
15 ZED.VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM 89
Maar er schuilt een groot gevaar in zulk een kunst-
matige selektie door deskundigen, die al heel spoedig methoden zouden gaan volgen geheel verschillend van die van den grondvester der leer. Er zijn reeds voorstellen gedaan tot „afzondering van de zwak- zinnigen," en de „onvruchtbaarmaking der ongeschik- ten" ook van sommige klassen van misdadigers is reeds ter sprake gebracht. Dit zou al gauw kunnen worden uitgebreid tot het dooden van misvormde kinderen, wat inderdaad al werd voorgesteld door wijlen Grant Allen; terwijl Hiram M. Stanley in een werk over „Our Civilisation and the Marriage Problem" (Onze beschaving en het huwelijksvraagstuk) nog verder reikende maatregelen voorsloeg. Hij zegt: „De dronkaard, de misdadiger, de zieke, de zedelijk zwakke behoorde in het geheel niet in de maatschappij te komen. Niet hervorming, maar voorkoming moest de leuze zijn." En in een volgende passage duidt hij aldus de methoden die hij zou willen volgen aan: „In de ware gouden eeuw, die niet achter ons, maar voor ons ligt, zal het voorrecht van ouderschap worden beschouwd als een eer voor betrekkelijk weinigen en er zal geen kind worden geboren dat niet alleen gezond is van lichaam en geest, maar dat niet ook boven het gemiddelde staat wat natuurlijken aanleg en zedelijke kracht betreft." En hij besluit: „De belangrijkste kwestie in de maatschappij, de inherente hoedanigheid van de leden waaruit zij is samengesteld, behoorde door geoefende specialiteiten te worden geregeld." Natuurlijk zullen onze moderne eugenisten ieder verlangen naar maatregelen als waarop hier gedoeld wordt en die in alle opzichten gevaarlijk en verwerpelijk zijn, ontkennen. Maar ik protesteer ten sterkste tegen elke indirekte inmenging in de vrijheid van huwelijk, die, zooals ik zal aantoonen, niet alleen geheel on- Maatschappelijke omgeving. 7
|
||||
|
90 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
noodig is, maar een veel grooter bron van gevaar
voor zedelijkheid en welzijn der menschheid zou zijn dan de slechts tijdelijke euvelen die zij tracht te ge- nezen. En ik geloof dat ook al mijn lezers bezwaar zullen hebben tegen eenigerlei wetgeving op dit gebied door een toevallig lichaam van verkozen personen, die al geheel onbekwaam zijn om veel minder inge- wikkelde vraagstukken te behandelen en dus stellig dit op noodlottige wijze zouden verknoeien. Het is in de hoogste mate verwaand en onverstandig,
te trachten door dwingende wetten in te grijpen in de meest levensbelangrijke en heiligste van alle men- schelijke verhoudingen, nog afgezien van het feit dat onze tegenwoordige staat van maatschappelijke ontwikkeling niet alleen buitengewoon onvolmaakt, maar, zooals ik reeds heb aangetoond, door en door bedorven en rot is. Hoe zou het mogelijk zijn door wetgeving die verhoudingen tusschen de twee sexen vast te stellen die het beste zijn voor individu en ras, in een maatschappij waarin een groot deel der vrouwen gedwongen zijn dagelijks uren lang te werken voor het bloote levensonderhoud in een haast vol- slagen afwezigheid van alle redelijke genoegens, zoodat duizenden ten slotte in een geheel onpassend huwelijk worden gedreven, alleen maar om zich een zekere mate van persoonlijke onafhankelijkheid of physiek welzijn te verzekeren. Men beschouwe eens, aan den eenen kant, het leven
der welgestelden zooals het wordt geschilderd in allerlei nieuwsbladen en tijdschriften met hun einde- looze rubrieken gewijd aan vermaak en weelde, aan haast onbegrijpelijke verkwisting en buiten- sporigheden, blijkend bv. uit den prijs van een dames- toilet of een uitgave van meer dan duizend pond aan bloemen voor één enkel feest. En aan den anderen |
||||
|
15 ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM 91
kant beschouwe men het afschuwelijke leven van
millioenen werkers, zóó ellendig betaald en zóó onzeker van hun arbeid, dat vele duizenden hunner vrouwen en jonge meisjes de straat op worden gedreven, alleen maar om de eentonigheid van hun onafgebroken arbeid te breken en ook, wat het ook koste, een klein proefje te krijgen van de genoegens des levens. En dan vrage men zich af of een wetgeving die dezen toestand niet kan verbeteren, zich moet gaan bemoeien met het groote vraagstuk van het huwelijk en de heiligdommen van het gezinsleven. Is het niet een afschuwelijke bespotting dat al de opeenvolgende regeeringen, die gedurende veertig jaar hebben toe- gezien hoe het volk dat zij beweren te regeeren door zijn schandelijke levensomstandigheden zoozeer tot wanhoop wordt gedreven, dat een steeds toenemend gedeelte den dood door zelfmoord zoekt als het eenig middel om er aan te ontkomen — dat regeeringen die niets gedaan hebben om een eind te maken aan deze voortdurende verschrikking van ellende en zelf- moord, in staat geacht zouden worden om enkele van de vreeselijkste gevolgen van dien toestand te genezen en daarbij zijn oorzaken absoluut onaangetast te laten? Het is, op gronden die ik later zal ontwikkelen,
mijn vaste overtuiging dat, wanneer wij eerst maar den Augiasstal van onze tegenwoordige maatschap- pelijke organisatie hebben gereinigd en een zoodanige regeling hebben getroffen dat allen hun deel bijdragen aan physieken of geestelijken arbeid en ieder het volle en gelijke loon voor zijn werk ontvangt, de toekom- stige vooruitgang van het ras verzekerd is door een volkomen ontwikkeling van zijn hoogere natuur, tengevolge van een bijzonderen vorm van selektie welke dan zal optreden. |
||||
|
02 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Wanneer mannen en vrouwen, voor het eerst in
den loop der beschavingsgeschiedenis, gelijkelijk vrij zijn om hun edelste aandriften te volgen; wanneer lediggang en misdadige of schadelijke weelde aan den eenen kant en vrees voor honger aan den anderen kant gelijkelijk onbekend zijn; wanneer allen de beste en ruimste opvoeding ontvangen die de stand van beschaving en kennis toelaat; wanneer de standaard der openbare meening door de wijsten en besten onder ons wordt bepaald en systematisch der jeugd wordt ingeprent; dan zal vanzelf een stelsel van waarachtig natuurlijke selektie in werking treden, dat gestadig zal streven naar de verwijdering van de lagere, minder ontwikkelde of in eenig opzicht gebrek- kige individuen enzoodoende voortdurend het physieke, moreele en intellektueele peil van het ras zal ver- heffen. De wijze waarop deze selektie precies zal werken, wil ik thans in het kort uiteen zetten. Vrije selektie in het huwelijk.
Het zal algemeen worden toegegeven dat, ofschoon
thans vele vrouwen eer uit noodzakelijkheid dan uit vrije verkiezing ongehuwd blijven, er toch steeds een aanzienlijk aantal is die geen sterke neiging tot het huwelijk vertoonen en meer trouwen om een onder- komen te hebben dan uit persoonlijke liefde of sterke sexueele aandrift. In een maatschappij nu waarin alle vrouwen ekonomisch onafhankelijk waren, waarin allen ten volle deelnamen aan het publieke leven en sociale of intellektueele genoegens, en wat stoffelijk welzijn of sociale positie betreft niets door een huwelijk hadden te winnen, zou hoogstwaarschijnlijk het aantal der uit verkiezing ongehuwde vrouwen nog toenemen. Waarschijnlijk zou men het voor een vrouw als een vernedering gaan beschouwen, wanneer zij een man |
||||
|
15 ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM 93
huwde dien zij niet liefhebben en achten kon. En
deze overweging zou op zijn minst er toe leiden dat huwelijken werden uitgesteld totdat men een waar- digen en sympathieken echtgenoot ontmoette. Bij den man is, aan den anderen kant, de liefdes-
drang algemeener en meestal ook sterker en in een maatschappij als hier werd verondersteld zou er geen andere weg zijn om dien hartstocht te bevredigen dan in het huwelijk. Iedere vrouw zou daarom waar- schijnlijk aanzoeken ontvangen en daardoor zou een machtig middel tot selektie in handen van het vrouwe- lijk geslacht zijn gegeven. Er kan weinig twijfel bestaan omtrent de wijze waarop onder het opvoedingssysteem en de publieke meening als hier werd verondersteld, deze selektie zou worden uitgeoefend. De luien of de zeer zelf- zuchtigen zouden bijna algemeen worden verworpen; de chronisch zieken of zwakzinnigen zouden eveneens als regel ongehuwd blijven, althans tot een meer gevorderden leeftijd, terwijl zij, die neiging tot krank- zinnigheid vertoonden of eenig aangeboren gebrek hadden, ook door de jongere vrouwen zouden worden afgewezen, omdat men het als een misdaad tegenover de maatschappij zou beschouwen, het middel te zijn tot bestendiging van dergelijke ziekten of gebreken. Wij moeten hier ook nog rekening houden met
een bijzonderen factor, die tot dusver nagenoeg onop- gemerkt bleef, doch die er toe zou bijdragen de aldus uitgeoefende selektie te versterken. Het is een feit, aan statistici welbekend, dat ofschoon de vrouwen bij bijna alle beschaafde volken in de meerderheid zijn, dit toch geenszins aan een natuurwet is toe te schrijven, want dat er bij ons, en ik m;en ook in alle landen van het continent, ongeveer 31/., a 4 °0 meer mannelijke dan vrouwelijke kinderen geboren worden. Maar tusschen de leeftijden van vijf tot vijf-en-dertig |
||||
|
94 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
jaar stierven er in 1910 4225 mannen door ongeluk
of geweldpleging tegen 1300 vrouwen, dat is dus in één jaar tijds 2925 meer mannen dan vrouwen. Jaren achtereen is het aantal van deze klasse van dooden niet sterk veranderd, zoodat men voor die leeftijden het surplus van sterfgevallen bij mannen, die voorko- men hadden kunnen worden, op omstreeks 3000 per jaar kan stellen. Zonder twijfel is dit surplus toe te schrijven aan het feit dat jongens en jonge mannen, zoowel bij het spel als bij den arbeid, meer aan ver- schillende ongelukken bloot staan dan de vrouwen en is hieraan het vaste overschot van vrouwen bij de normale beschaafde bevolkingen te wijten. In 1901 was het overschot ongeveer een millioen,
terwijl het vijftig jaar vroeger, toen de bevolking ongeveer half zoo groot was, slechts 359000 bedroeg, of aanzienlijk minder dan de helft van het tegenwoor- dige aantal. Dit is ook juist wat wij kunnen verwachten na de voortdurende toeneming van ongevallen en na de sterke landverhuizing, welke beide factoren het meest van invloed zijn op de mannen. Het blijkt dus dat het grooter aantal vrouwen
in onze hedendaagsche bevolking niet een natuurlijk verschijnsel is, maar geheel en al een gevolg van onzen eigen, door de mannen geschapen, socialen toestand. Wanneer de levens van al onze medeburgers als van gelijke waarde voor de gemeenschap worden beschouwd, onverschillig hun klasse of welstand, zal ook een veel geringer aantal te lijden hebben onder dergelijke voorkoombare gebeurtenissen. En wanneer onze kolo- nies een normale bevolking bezitten en de enorme uitgestrektheid onbebouwde of ten halve bebouwde grond in ons eigen land op de gunstigste voorwaarden wordt opengesteld voor ons eigen volk, zal de groote stroom van landverhuizers afnemen en ophouden de |
||||
|
IS ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM 95
verhouding der geslachten te beïnvloeden. Het resultaat
van deze verschillende oorzaken, die thans alle er toe bijdragen de vrouwelijke bevolking de overhand te geven, zal in een redelijk en rechtvaardig maat- schappelijk stelsel, waarvan wij mogen hopen het begin spoedig te zullen zien, juist in een tegenge- stelde richting werken en binnen enkele generaties eerst de beide geslachten tot gelijkheid en later het mannelijk geslacht tot een meerderheid in aantal brengen. Ongetwijfeld zullen sommigen de tegenwerping
maken dat de vrouwen, zelfs wanneer zij, tengevolge van verbeterde ekonomische omstandigheden, een vrije keuze hebben, toch niet altijd wijzelijk een keuze zullen doen die het ras vooruit brengt. Maar niemand heeft het recht zoo iets te beweren zonder sterke argumenten tot staving er van aan te voeren. Wij hebben geslachten lang de vrouwen op alle mogelijke wijzen vernederd, maar wij weten nu dat haar ontaarding niet erfelijk is en daarom niet blijvend. De groote wijsgeer en ziener Swedenborg ver- klaarde dat, terwijl de man rechtvaardigheid en macht om hun zelfswil liefheeft, de vrouw die lief- heeft voorzoover zij ze ziet in het karakter van den man. Ik geef in het algemeen toe dat er waarheid steekt in deze opmerking, maar er steekt nog meer waarheid in het omgekeerde: dat zij niet bewonderen en liefhebben die mannen, die zichtbaar onrecht- vaardig, dom en zwak zijn en nog minder hen die misvormd, ziek of opvallend slecht zijn, ofschoon zij onder de tegenwoordige omstandigheden dikwijls er toe gedreven worden hen te trouwen. Het mag daarom als zeker worden aangenomen, dat wanneer de vrouwen ekonomisch en sociaal vrij zijn om te kiezen, een groot aantal van de slechtste mannen onder alle |
||||
|
0Ó OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
|
|||||
|
klassen, die thans gemakkelijk vrouwen krijgen,
allerwegen zullen worden verworpen. Deze methode van verbetering door ter zijde schui-
ving van minder wenschelijke individuen heeft nu vele voordeden boven het bevorderen van vroege huwelijken der meer bewonderden. Want wat het meest noodig is, is de verbetering van het gemiddelde van "onze bevolkingen en dit wordt beter bereikt door verwerping van de lagere typen dan door de reeds hooger staande typen nog een klein beetje hooger op te heffen. Groote en goede menschen worden steeds in voldoend aantal voortgebracht en werden het in alle ontwikkelingsphasen der be- schaving. Wij hebben er niet meer van noodig, maar wèl is noodig een vermindering van de zwakkeren en minder ver gevorderden. Dit wied-proces is het werk geweest van de natuurlijke selektie waardoor het ge- heele glorieuze planten- en dierenrijk ontwikkeld en vooruit gebracht werd. De overleving van de ge- schiktsten is in werkelijkheid de uitdooving van de óngeschikten en het is de eenige, schitterende straal van hoop voor de menschheid dat, naarmate wij vor- deren met de hervorming van ons tegenwoordige wreede en verderfelijke maatschappelijke stelsel, wij een selektieve kracht vrijmaken in het huwelijk, die gestadig en zeker het karakter, zoowel als de kracht en de schoonheid van ons ras zal verbeteren. Maatschappelijke hervorming en
overbevolking. Een van de meest algemeene en schijnbaar sterkste
tegenwerpingen tegen ieder ingrijpend stelsel van maatschappelijke hervorming en vooral tegen zoo- danige die een eind willen maken aan gebrek en vrees voor honger is, dat in elke maatschappij waarin dit |
|||||
|
15 ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM 97
bereikt is, de vroege huwelijken talrijker zullen worden,
dat er geen reden tot voorzichtige beperking van groote gezinnen zal bestaan en dat, zooals Malthus voorspelde, binnen enkele geslachten de bevolking tot boven de bestaansmogelijkheid zal aangroeien. Er zou dan een voortdurende afneming van welstand intreden, uitloopende op algemeene armoede, nog erger dan thans bestaat, juist omdat zij algemeen ware. De volgende aanhaling van een voornaam Amerikaansch schrijver doet zien dat deze vrees werkelijk is gevoeld: „Als het waar is dat de rede den loop der mensche-
lijke evolutie moet richten en als het ook waar is dat selektie van de geschiktsten de eenige methode is om dit doel te bereiken, dan moet ook, wil er ook maar éénige rasverbetering plaats hebben, de verschrikkelijke wet der vernietiging van de zwakken en hulpeloozen met Spartaansche flinkheid vrijwillig en vastberaden worden ten uitvoer gebracht. Maar tegen zulk een wijze van doen komt het beste wat in ons is in opstand." x) Een nieuwer auteur, Dr. W. M. Flinders Petrie,
de welbekende Egyptoloog, heeft dergelijke denk- beelden verkondigd op een wijze die duidelijk doet uitkomen wat hij meent dat onze moderne maatschappij noodig heeft. Van de arbeidersverzekering tegen ongelukken zegt hij: ,,De onmiddellijke uitwerking hiervan op het karak-
ter is dat zij de onvoorzichtigen, gedachteloozen en onbekwamen vrijwaart voor de gevolgen hunner fouten en dit vermindert al dadelijk sterk de opvoedende en uitwiedende werking dier slechte eigenschappen." En over het ouderdomspensioen concludeert hij:
„De natuur kent geen recht op bestaan, maar
alleen de noodzakelijkheid om zich van hen die onder- |
|||||
|
*) Prof. Joseph Le Coute, in „The Monist" Vol. I pg. 334.
|
|||||
|
98 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
houd behoeven te ontslaan, door ze óf sterker te maken
öf op te ruimen." Omtrent de geweldige verkwisting van kinder-
levens die thans heerscht en waarvan hij toegeeft dat zij te voorkomen ware, merkt hij op: „Wij moeten erkennen dat slechts de toeneming
bereikt zou worden van het lagere en laagste type van zorgelooze, verkwistende, vuile en onbekwame gezinnen. Is het wel de moeite waard onze bevol- kingsstijging te verwateren met 10 % meer van de slechtste soort ?" En hij besluit aldus:
„Deze beweging is bezig een van de weinige over-
blijfselen van de natuurlijke uitwieding der onge- schikten, die onze beschaving nog heeft overgelaten, aan kant te zetten. En stellig zal zij in den loop van een eeuw meer ellende dan geluk veroorzaken."1) Het geheele boek is vol van dergelijke beweringen
als de bovenstaande, tot staving waarvan feiten noch argumenten worden aangevoerd. Hij neemt zonder meer aan dat de mislukkelingen in onze moderne maatschappij zoo zijn door hun eigen schuld — zij zijn „verworpelingen," die medelijden noch hulp verdienen. Hij weet klaarblijkelijk niets van het werk van Dr. Bernardo, die deze verworpen kinderen, van de straat opgeraapt en uit het werkhuis gehaald, door een goede en vriendelijke behandeling tot den arbeid heeft opgevoed en bij duizenden naar Canada heeft gezonden. Er werd aanteekening gehouden van hun volgend leven en het bleek dat slechts zeer weinigen mislukten, terwijl een zeer groote meer- derheid nuttige burgers werden in hun nieuwe land. |
||||||
|
1) „Janus in Modern Life" (Janus in het moderne leven). W. M.
Flinders Petrie. |
||||||
|
15 ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM 99
Over het algemeen stonden zij in geen enkel opzicht
lager dan het gemiddelde der emigranten die op eigen kosten gaan en die, gelijk bekend is, tot onze beste arbeiders behooren. Geen der schrijvers van de hier aangehaalde soort
schijnt bekend te zijn met de onderzoekingen van Herbert Spencer, Sir F. Galton en anderen, omtrent de natuurlijke wetten die de stijging der bevolking bepalen, wanneer men deze wetten vrij laat werken onder rationeele en zedelijke maatschappelijke omstan- digheden. Ik zal daarom hier een korte beschrijving dier wetten geven. 1 In een merkwaardig opstel, het eerst verschenen
in 1852, onderzocht Herbert Spencer met zijn gewoon wijsgeerig inzicht het vraagstuk der voortplanting en der bevolking voor het geheele dierenrijk en toonde hij aan dat de duur van het individueele leven en de toeneming der soort in omgekeerde verhouding tot elkaar stonden; die groepen die de eenvoudigste organisatie en het kortste leven hebben, brengen het grootste aantal nakomelingen voort; met andere woorden: individuatie en voortplanting werken elkaar tegen. Maar individuatie hangt bijna geheel en al af van de ontwikkeling en specialisatie van het zenuwstelsel, waardoor alleen alle vooruitgang in instinkt, gevoel en intellekt mogelijk is. De bestaande mate van toe- neming bij den mensch werd bepaald door de nood- zakelijkheden van zijn wilden toestand, waarin zij, evenals bij de meeste zoogdieren, gewoonlijk juist zoodanig is dat zij een beperkte gemiddelde bevolking kan handhaven. Bij een werkelijken vooruitgang van beschaving evenwel neemt de gemiddelde duur van het leven toe en wordt de mogelijke toename der bevolking onder gunstige omstandigheden zeer groot, daar onder deze nieuwe voorwaarden de vruchtbaarheid |
||||
|
100 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
grooter is dan noodig. Weliswaar is er tegenwoordig
geen algemeene intellektueele vooruitgang waar te nemen, maar dat de feiten overeenstemmen met de theorie blijkt toch wel uit het bekende verschijnsel dat intellektueel hoogstaande ouders geen groote gezinnen hebben, terwijl de snelste toeneming plaats grijpt in die bevolkingsklassen, die zich met gezonden handen-arbeid bezig houden. Het is echter zeker dat een wet, gegrond op zulk
een breede basis van physiologische waarneming, in werking zal blijven en wij mogen er daarom zeker van zijn, dat, wanneer het intellektueele peil van het geheele ras door de algemeene kuituur en physieke gezondheid zal rijzen, ook de wet der afnemende vruchtbaarheid zich zal doen gelden en er naar zal streven om in de toekomst een nauwkeurig evenwicht tot stand te brengen tusschen de mate van toeneming der bevolking en die der sterfelijkheid. Een meer direkte en werkzamer beperking van een
snelle bevolkingstoeneming zal evenwel nog worden veroorzaakt door de maatschappelijke hervormingen waarvan ik reeds sprak. Wanneer er geen armoede meer bestaat en aan vroege huwelijken noch ekono- mische noch maatschappelijke voordeden meer ver- bonden zijn, lijdt het geen twijfel of zij zullen ook meestal tot een later leeftijd worden uitgesteld. De uitbreiding van den opvoedings- of leertijd voor de geheele bevolking met enkele jaren meer dan tegen- woordig zal, in verband met den groeienden afkeer der openbare meening van alle huwelijken tusschen personen die nog geen ernstigen levensarbeid zijn begonnen, nog meer invloed oefenen. Het zou ook een wezenlijke taak der opvoeding zijn de jeugd in te prenten, het huwelijk uit te stellen tot beide partijen de ruimste gelegenheid hebben gehad elkaar door en door te |
||||
|
15 ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM IOI
leeren kennen, alvorens een zoo ernstige verantwoor-
delijkheid op zich te nemen als het huwelijk gewoonlijk meebrengt. De uitwerking van zelfs maar een paar jaar uitstel
van het huwelijk op de bevolking is zeer aanzienlijk. Sir F. Galton heeft uit de beste verkrijgbare statistieken aangetoond, dat wanneer wij getrouwde vrouwen van twintig vergelijken met die van negen-en-twintig jaar, hun vruchtbaarheid zich verhoudt als 8 tot 5. Maar hieruit blijkt nog niet de geheele invloed op de bevolkingstoeneming. Wanneer het huwelijk wordt uitgesteld, wordt ook de afstand tusschen opeen- volgende generaties in dezelfde verhouding vergroot, terwijl nog een andere uitwerking in dezelfde richting wordt teweeg gebracht door het feit, dat hoe hooger de gemiddelde huwelijksleeftijd is, hoe minder geslach- ten op hetzelfde tijdstip in leven zijn. Het is de uit- werking van al deze drie factoren te zamen die de feitelijke stijging der bevolking tengevolge van deze eene oorzaak bepaalt. Sir F. Galton geeft een merkwaardige tabel die
de vereende werking dezer oorzaken doet zien. Hij vindt dat wanneer van honderd moeders de dochters in elke volgende generatie telkens op hun 20ste jaar huwen, de toeneming van dergelijke moeders in elke generatie 1,15 zal bedragen. Indien zij echter op 29. jarigen leeftijd huwen zal in iedere volgende generatie het aantal dier moeders in een verhouding van 0,85 afnemen. Als dit 108 jaar wordt voortgezet zullen de moeders die op twintig jaar trouwden tot 175 zijn toegenomen en in 216 jaar tot 299; terwijl zij die op 29 jaar trouwden zullen zijn afgenomen tot resp. 61 en 38. Hieruit blijkt dat onder de tegenwoor- dige maatschappelijke omstandigheden de huwelijks- leeftijd, vereischt om de bevolking op peil te houden, |
||||
|
102 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
ergens tusschen 20 en 29 jaar ligt. De bovenstaande
cijfers berusten evenwel op bepaalde gevallen en de werkelijkheid wordt zooveel ingewikkelder tengevolge van het aantal kinderlooze huwelijken, de kinder- sterfte en andere oorzaken, dat men ze slechts moet beschouwen als in het algemeen aanduidende een wet van vrij snelle daling der vruchtbaarheid bij ieder jaar waarmee de huwelijksleeftijd der moeder wordt verhoogd. Ik heb nu, naar ik hoop, twee belangrijke beginselen
in verband met den. menschelijken vooruitgang in het licht gesteld. In de eerste plaats heb ik doen zien dat de moderne opvattingen omtrent de noodzakelijk- heid om zich direct met sommige in het oog vallende sociale euvelen te bemoeien, zooals de ontaarding van het ras en de verschillende vormen van sexueele onzedelijkheid, fundamenteel verkeerd zijn en ver- oordeeld zijn tot mislukking, zoolang als de grondoor- zaken dier euvelen — wijd verspreide armoede, gebrek en honger — niet aanzienlijk zullen zijn verminderd en ten slotte geheel opgeheven. Ik heb aangetoond dat de menschelijke natuur op zich zelf niet zulk een volkomen mislukking is als onze moderne eugenisten schijnen te veronderstellen, maar dat zij wordt beïn- vloed door fundamenteele wetten die onder redelijke, rechtvaardige en voor allen gelijke ekonomische om- standigheden automatisch al die euvelen zullen op- heffen. In de tweede plaats heb ik aangetoond dat de vrees
voor overbevolking, als resultaat van de opheffing der armoede, geheel en al ongegrond is, een bloote boeman, geschapen door onwetendheid omtrent de wetten der natuur en door de verwaande meening dat men maatschappelijke euvelen zou kunnen verbeteren zonder de door den mensch zelf geschapen oorzaken |
||||
|
15 ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM IO3
die hen voortbrengen, te wijzigen. De drie groote natuur-
wetten die al onze kwasi-hervormers negeeren zijn: in. Dat een zeer bescheiden verhooging van den
gemiddelden huwelijksleeftijd — die stellig het gevolg zou zijn van een werkelijk rationeel stelsel van op- voeding in verband met ekonomische gelijkheid — noodzakelijk de verhouding der bevolkingsstijging vermindert. 2°. Dat naarmate gelijkheid van opvoeding en
ekonomische omstandigheden wordt bereikt, een zoo groot aantal mannenlevens, die nu door voorkoombare oorzaken te gronde gaan, zal behouden blijven, dat, in verband ook met het feit dat de mannelijke geboorten de vrouwelijke overtreffen, het aantal der vrouwen zoozeer zou afnemen, dat het al spoedig geringer zou zijn dan dat der mannen, inplaats van zooals thans het geval is, grooter. Hetgeen den vrouwen een werke- lijke keuze voor het huwelijk zou mogelijk maken en tevens de gelegenheid geven het huwelijk uit te stellen, van welke gelegenheid een groot aantal van hen om allerlei redenen gebruik zou maken. 3U. Dat de wet van de afnemende vruchtbaarheid
bij toenemenden hersenarbeid, tengevolge van betere opvoeding en langer studie, die vermindering van vruchtbaarheid nog in de hand zou werken. Deze drie natuurlijke oorzaken werken alle in ééne
richting; de gelijkmaking van geboorte- en sterfte- cijfer. En hun werking zou door de openbare meening zoodanig geregeld worden dat alle gevaar, zoowel voor een stijging als voor een daling die schadelijk ware voor het welzijn van eene gemeenschap, natie of ras, zou worden vermeden. |
||||
|
104 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
De toekomstige toestand der vrouw.
De voorgaande uiteenzetting van de werking van
bestaande natuurwetten wanneer zij vrij spel hebben onder rationeele voorwaarden van beschaving, doet duidelijk zien dat de positie der vrouw in een niet vèr verwijderde toekomst veel hooger en belangrijker zal zijn dan tot dusver voor of door haar werd geëischt. Hoewel in politiek en maatschappelijk opzicht
op voet van volkomen gelijkheid met den man, zal zij in verantwoordelijkheid en macht nog boven hem staan, voorzoover de toekomstige zedelijke voor- uitgang van het ras in zoo hooge mate van haar vrije huwelijkskeuze afhangt. Als zij in den loop des tijds meer en meer haar ekonomische onafhankelijkheid bereikt, zal deze alleen reeds haar een werkelijke keuze mogelijk maken, die zij vroeger nooit heeft gehad. Maar deze mogelijkheid zal nog vergroot worden door het feit dat, bij een steeds dichter nadering tot gelijkheid van levensvoorwaarden voor ieder kind dat geboren wordt, het vreeselijke surplus van mannelijke sterfgevallen, vooral onder jongens en jeugdige personen, tengevolge van verschillende ver- mijdbare oorzaken, zal verdwijnen en daardoor de tegenwoordige minderheid van mannen zal plaats maken voor een minderheid van vrouwen. Dit zal leiden tot een grootere mededinging om het bezit der vrouwen en zal aan de vrouwen de macht geven om alle mannen van een lager karaktertype af te wijzen. Het zal haar bijzondere taak zijn de openbare
meening, zoowel door opvoeding in huis als door haar socialen invloed, zoodanig te vormen, dat de vrouwen der toekomst de regeneratrices worden van het geheele menschelijke geslacht. Wij hopen en gelooven dat zij |
||||
|
15 ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM IOS
ten volle zullen zijn berekend voor de hooge en ver-
antwoordelijke taak die zij, in overeenstemming met de wetten der natuur, geroepen zullen zijn te ver- vullen. De zekerheid dat deze machtige selektieve factor
in werking zal treden juist naarmate wij ons bestaande maatschappelijke stelsel hervormen, door de opheffing der armoede en de instelling van volkomen gelijkheid in opvoeding en ekonomische positie, doet ons zien dat de Natuur — of de Universeele Geest — onze wereld niet zóó volslagen verbroddeld heeft, dat de zwakke en onwetende pogingen der eugenisten noodig zouden zijn om haar weer in orde te brengen, daarbij de groote fundamenteele oorzaken van alle bestaande maatschappelijke euvelen absoluut onaangeroerd la- tend. Laten zij al hun energie liever besteden om dit bepleisterd graf van ellende en onwetendheid te zui- veren, en de weldadige wetten der menschelijke natuur zullen vanzelf wel den physieken, intellektueelen en zedelijken vooruitgang van ons ras te weeg brengen. ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Hoe een tijdperk van zedelijken
vooruitgang in te leiden. In het zevende tot elfde hoofdstuk van dit boek
heb ik een zoo kort mogelijke schets gegeven van den groei tijdens de negentiende eeuw van de sociale omgeving te midden waarvan wij thans leven. Wij zien een voortdurenden vooruitgang van 's men-
schen macht over de krachten der natuur, tot een mate die alles overtreft wat hij tot dusver in den loop van alle vroegere eeuwen zijner overgeleverde geschiedenis in staat was te doen. Maatschappelijke omgeving. 8
|
||||
|
IOÓ OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Wij zien ook dat het resultaat van deze groote
ekonomische revolutie bijna geheel en al slecht is geweest. Wij zien dat de honderdvoudige toeneming van rijk-
dom, ruimschoots voldoende om in alle noodzakelijke levensbenoodigdheden en gemakken en in alle heil- zame verfijning en luxe voor onze geheele bevolking te voorzien, op een zóó grof-onrechtvaardige wijze werd verdeeld, dat de werkelijke levensvoorwaarden van hen die al dien rijkdom voortbrengen, steeds slechter zijn geworden, doordat er geen afdoende regeling is gemaakt, waardoor uit den rijken over- vloed die er wordt voortgebracht allen het wezenlijk benoodigde voor een gezond en gelukkig bestaan kunnen verkrijgen. Wij hebben geweldige steden zien opgroeien, elk
van hen vol overbevolkte ongezonde sloppen, waar mannen, vrouwen en kinderen vroegtijdig sterven, met een zekerheid alsof een bende geheime gifmengers voortdurend bezig was hen uit den weg te ruimen. Wij zien duizenden meisjes, door den honger ge-
dwongen, werken in een vergiftigde omgeving die de vreeselijkste, pijnlijke en misvormende kwalen ver- oorzaakt en noodlottig is voor een leeftijd, die had behooren te zijn en ook had kunnen zijn, het tijdperk der hoogste genieting hunner vrouwelijkheid. En tot op dezen dag zijn er geen afdoende maatregelen ge- nomen om aan deze toestanden een eind te maken. Wij zien nog steeds millioenen vergeefs worstelen
om niets meer dan het allernoodzakelijkste levens- onderhoud (het eenige wat zij in hun ellende verlangen), een strijd die dikwijls uitloopt op feitelijken honger- dood of zelfmoord, waartoe zij door de vrees voor dien hongerdood worden gedreven. En toch doen onze regeeringen, gekozen uit de best opgevoeden, de meest |
||||
|
16 TIJDPERK VAN ZED. VOORUITG. IN TE LEIDEN 107
begaafden, de meest welgestelden van het land;
met een absolute macht om alle wetten en regelingen te maken die zij verkiezen; met een overvloedig fonds van opgestapelden rijkdom om gebruik van te maken; toch doen onze regeeringen niets, ofschoon er jaar- lijks méér menschen omkomen van gebrek, dan er vermoord worden in een grooten oorlog en méér kinderen dan door vele Herodes' konden worden geslacht. En terwijl dit alles geschiedt in die diepten, waar
,,Pale anguish keeps the heavy gate,
And the Warder is Despair,"*) tieren iets hooger, onder die middelklasse van ver-
spreiders van noodzakelijke en luxe-behoeften, om- kooperij, vervalsching en allerlei vormen van oneer- lijkheid. En nog hooger, onder de groote kapitalisten, de
handels-vorsten en koningen der industrie, vinden wij de wreede meesters die de loonen neerdrukken tot beneden het peil der bestaansmogelijkheid en die een stelsel van speculatie in stand houden, geweldiger en omvangrijker dan de wereld ooit gekend heeft. En tenslotte is ook de inrichting van wat wij ,,Justi-
tie" noemen (en waarop wij zoo trotsch zijn omdat onze rechters onomkoopbaar zijn) ten eenenmale onrechtvaardig, omdat zij berust op een systeem van fooien bij iederen stap, omdat zij zoo lastig en vol technische bezwaren is, dat men advocaten en hun kostbare raadgevingen noodig heeft en omdat de geringste vergrijpen gestraft worden met boete of gevangenis, waardoor armoede zelf tot een misdaad >) De bleeke angst bewaakt de zware poort. En de wachter
is Wanhoop. |
||||
|
108 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
wordt gestempeld, terwijl zij die maar geld hebben
praktisch vrij uitgaan. Ten aanschouwe van deze verschillende groepen
van onbelwijfclbarc feiten, waarvan vele zóó in hel oog- vallend en vreeselijk zijn, dat zij niet kunnen worden overdreven, zegt men niet te veel door de bewering dat ons geheele maatschappelijke stelsel rot is van top tot teen en dat onze sociale omgeving, als geheel genomen en in betrekking tot de bestaande mogelijkheden en onze eischen, de slechtste is die de wereld ooit heeft gekend. Zoo zijn de slechte resultaten van een maatschappe-
lijke omgeving, die wij zelf in den loop van een enkele eeuw hebben geschapen. Wij hebben het van kwaad tot erger zien worden en hebben hier en daar gedurende die geheele periode enkele onbeduidende genees- middeltjes aangewend, maar de euvelen zijn voort- durend toegenomen. Maar het is thans aan de meer intelligente arbeiders duidelijk geworden dat, wanneer wij dien toestand willen verbeteren — of wanneer wij willen verhoeden dat hij nog slechter wordt — wij den wortel van het kwaad moeten aantasten en zoo- veel mogelijk die toestanden, die zoo klaarblijkelijk verkeerd, die zulke afschuwelijke mislukkingen zijn, moeten omverwerpen. En gelukkig is dit geenszins zoo moeilijk als het wel lijkt, omdat een groote groep onzer denkers en een aanzienlijk aantal onzer arbeiders klaar en duidelijk zien welke die wortels zijn en, schoon» minder duidelijk, hoe de euvelen die er uit voortkomen te genezen zijn. Zij zullen daarom iedere regeering die zich wijdt aan de taak hunner genezing, krachtdadig steunen. Hieronder volgen nu mijn eigen denkbeelden omtrent de wijze waarop het vraagstuk moet worden aangevat om het tot een degelijke en duurzame oplossing te brengen. |
||||
|
16 TIJDPERK VAN ZED. VOORUITG. IN TE LEIDEN 109
De grond-oorzaak en de genezing.
Wanneer wij nauwlettend den langen sleep van maat-
schappelijke euvelen nagaan die in de negentiende eeuw zijn opgegroeid, zullen wij vinden dat elk van hen, hoe verschillend zij ook mogen zijn van aard en gevolgen, berust op dezelfde algemeene oorzaak, maar die op verschillende wijze kan worden omschreven. 1°. Zij zijn, in het algemeen, een gevolg van ons
leven onder een stelsel van universeele concurrentie om de middelen van bestaan; het geneesmiddel hiervoor is even universeel : coöperatie. 2*. Dit stelsel kan ook worden omschreven als
een stelsel van ekonomisch antagonisme, als tusschen vijanden; het geneesmiddel is dan een stelsel van ekonomische broederschap, als in een groot gezin of onder vrienden. 3'. Ons systeem is er ook een van een monopolie
van enkelen op alle middelen van bestaan: den grond, zonder toelating tot welke geen leven mogelijk is; en het kapitaal of het resultaat van opgespaarden arbeid, dat thans in het bezit is van een beperkt aantal kapitalisten en daarom eveneens een monopolie is. Het geneesmiddel is hier vrije toelating tot den grond en het kapitaal voor allen. 4". Het kan ook worden gedefinieerd als sociale
onrechtvaardigheid, voorzoover het veroorlooft dat enkelen in iedere generatie den opgespaarden rijkdom van alle vorige generaties erven, terwijl de velen niets erven. Het geneesmiddel is hier de aanvaarding van het beginsel van gelijkheid van levenskansen voor allen of van een algemeen staatserfrecht ten bate van de geheele gemeenschap. Deze vier definities van de bestaande oorzaken
van al onze sociale euvelen, kunnen, naar ik meen, |
||||
|
110 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
niet worden, >betwist en de geneesmiddelen er voor
kunnen worden samengedrongen in één algemeene stelling: dat het de eerste plicht (wat belangrijkheid betreft) is van een beschaafde regeering om den arbeid der geheele gemeenschap te organiseeren voor het gelijke welzijn van allen; maar dat het ook haar eerste plicht (wat den tijd aangaat) is onmiddellijk maatregelen te treffen om den dood door gebrek en vermijdbare ziekten tengevolge van ongezonde wonin- gen en gevaarlijke bedrijven, te beperken, terwijl zij met zorg voortwerkt aan de duurzame opheffing van gebrek te midden van rijkdom. Ik heb zelf aangeduid hoe deze twee doeleinden
het best bereikt kunnen worden en hoop dit nog nader uit te werken. Ondertusschen vestig ik de aandacht op Standish O'Grady's brief „To the Leaders of Labour" (Aan de Leiders van den Arbeid) in „The New Age" (de Nieuwe Eeuw) van 21 November 1912, waarin hij, na te hebben gesproken over den zeer natuur- lijken angst der rijken dat zulk een radikale reorga- nisatie der maatschappij tot hun eigen finantieelen ondergang zou leiden (wat zeer zeker niet het geval behoeft te zijn) de volgende belangwekkende opmer- king maakt, waarmede naar ik hoop al mijn lezers het eens zullen zijn: „Doch wat zij maar niet kunnen inzien is, dat in
een wereld als deze, die door een oneindige goedheid en wijsheid is geschapen, het Recht altijd het groote houvast is zoowel voor de menschen als voor de naties, voor de rijken zoowel als de armen en dat het Onrecht vroeger of later moet uitloopen op ellende en ver- nietiging." Dit is gezonde moraal. Wij hebben gedurende de
laatste eeuw Onrecht gezaaid en wij hebben geoogst, en zijn nog steeds bezig te oogsten „ellende en ver- |
||||
|
IÓ TIJDPERK VAN ZED. VOORUITG. IN TE LEIDEN III
nietiging." Het is tijd dat wij verandering brengen in
onze methoden, die allen (zooals ik meen voldoende te hebben in het licht gesteld) fundamenteel slecht, radikaal onrechtvaardig, absoluut onzedelijk zijn. Wij hebben ons zelf een a-moreele en immoreele
sociale omgeving geschapen. Om de onvermijdelijke gevolgen daarvan ongedaan te maken moeten wij van koers veranderen. Wij moeten er op aan sturen, dat heel onze ekonomische wetgeving, al onze maat- schappelijke hervormingen precies de tegenoverge- stelde richting uitgaan dan tot dusver en dat zij alle streven in de richting van een der vier geneesmiddelen die ik heb aangewezen. Alleen op deze wijze kunnen wij hopen onze bestaande onzedelijke omgeving in een zedelijke te veranderen en een nieuw tijdperk van zedelijken vooruitgang in te treden. In het twaalfde tot vijftiende hoofdstuk heb ik
aangetoond dat de wetten der Evolutie, zooals zij in werkelijkheid op de menschheid van toepassing zijn, allen gunstig zijn voor den vooruitgang van waar- achtige beschaving en zedelijkheid. Slechts ons be- staande wedijverend en antagonistisch sociale systeem is het dat hun heilzame werking opheft. Daarom moet dit systeem radikaal worden veranderd in een van broederlijke coöperatie en coördinatie ten bate van het welzijn van allen. Om te slagen moeten wij dit beginsel maken tot onzen gids en poolster bij alle sociale wetgeving. |
||||
|
INHOUD
|
|||||
|
pag-
Voorwoord................................. V
EERSTE DEEL: HISTORISCH
EERSTE HOOFDSTUK:
Inleiding ................................ I
TWEEDE HOOFDSTUK:
Zedelijkheid, wortelend in het karakter —
Onveranderlijkheid van het karakter........ 3 DERDE HOOFDSTUK:
Onveranderlijkheid van het intellekt ........ 7
VIERDE HOOFDSTUK:
Taal en schrift als bewijzen van verstandelijke
ontwikkeling ............................ 16 VIJFDE HOOFDSTUK:
Wilden staan zedelijk niet lager dan beschaafde
menschen................................ 18 ZESDE HOOFDSTUK:
Een selektieve werking vereischt om het karak-
ter te verbeteren.......................... 22 ZEVENDE HOOFDSTUK:
De maatschappelijke omgeving in de negen-
tiende eeuw.............................. 24 |
|||||
|
114 OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
|
|||||
|
ACHTSTE HOOFDSTUK:
Ongezonde woningen en levenverwoestende
bedrijven ................................ 29 NEGENDE HOOFDSTUK:
Vervalsching, omkooperij en spekulatie........ 35
TIENDE HOOFDSTUK:
De inrichting onzer justitie is onzedelijk .... 40
ELFDE HOOFDSTUK:
Aanwijzingen van toenemende zedelijke ont-
aarding.................................. 44 TWEEDE DEEL: THEORETISCH.
TWAALFDE HOOFDSTUK:
Natuurlijke teeltkeus bij de dieren — Verschil
tusschen Lamarckianisme en Darwinisme — Natuurlijke selektie als de wezenlijke factor bij het ontstaan der soorten — Snelle vermeerdering van alle organismen — Natuurlijke teeltkeus of het overleven der meest geschikten ........ 50 DERTIENDE HOOFDSTUK:
Teeltkeus zooals zij door den geeest wordt ge-
wijzigd .................................. 63 VEERTIENDE HOOFDSTUK:
De wetten der erfelijkheid en omgeving — Eenig
licht over het vraagstuk van het Kwade.... 71 VIJFTIENDE HOOFDSTUK:
Zedelijke vooruitgang door een nieuwen vorm
van selektie — Eugenics, of rasverbetering door het huwelijk — Vrije selektie in het huwelijk — Maatschappelijke hervorming en overbevolking — De toekomstige toestand der vrouw...... 86 ZESTIENDE HOOFDSTUK:
Hoe een tijdperk van zedelijken vooruitgang in
te leiden — De grond-oorzaak en de genezing 105
|
|||||
|
WERKEN OVER: GESCHIEDENIS,
OPVOEDING, MAATSCHAPPIJLEER VERSCHENEN BIJ DE WERELD-BIBLIOTHEEK
|
||||||
|
GERARD BRANDT, Uit het leven en bedrijf
van den Heere Michiel de Ruyter. Bloemlezing met Inleiding door Prof. G. Kalff (met portr. en afbeeldingen). I. 0.60 N.B. VIII-X.
MEVROUW CAMPAN, Marie Antoinette. Her-
inneringen uit haar leven. Bewerkt door S. J. Bouberg Wilson. Met 16 historische afbeeldingen. I. f 0.90 C. 1.05 L. 1.20
W.B. 113-116*. „Boeken, die geen enkel uitgever „aandurft," durft de
Wereld-Bibliotheek aan, en ze blijft ze aandurven. Deze uitgaaf bewijst het voor de zooveelste maal. Zeker, ieder weet, dat 't een beroemd werk is, en dat 't schitterende documenten bevat. — Wat is alles in dit boek frisch en levend, hoe bespeuren we hier overal de begaafde hoogstaande vrouw, die tot luisteren dwingt, de aandacht voortdurend gespannen houdt en prikkelt; hoe voortreffelijk schetst zij de groote koningstragedie, hoe weet zij te ontroeren en te doen meeleven." (Opr. Haart. CA.) Dr. RUDOLF EISLER, Sociologie. Vertaald door
Dr. N. van Suchtelen. I. f 0.50, C. 0.65 L. 0.80 W.B. 157-158*. Dit werk zal behooren tot de serie Monografieën. Het geeft den
lezer een uitnemenden en veelzijdigen kijk op alle beschavingsvraag- stukken in hun betrekkelijkheid. Hoe beknopt ook in zijn uiteenzettingen, laat het sterk voelen den geweldigen samenhang der levensverschijnselen van staat, maatschappij, godsdienst, wetenschap, kunst, recht, zeden, gebruiken en instellingen; geeft hun ontwikkelingsgang aan en werkt daardoor al aanstonds sterk leerzaam suggestief tegen eenzijdigheid en bekrompenheid, terwijl het den blik opent voor zeer wijde horizonten. „Welk een ruimte van inzicht wordt hier gegeven. Het boek verdient warme aanbeveling in ruime kringen, door zijn rijken inhoud." (Dordlschr Courant.)
C. K. ELOUT, Onze Staatkundige P a r t ij e n.
C. 0.40
H.b. „In dit werkje is met succes de kunst betracht 0111 „in a nutshell" het
belangrijkste uit het gebied der politiek samen te vatten." ( Vaderland.) „De auteur heeft zich blijkbaar moeite gegeven over ontstaan, historie |
||||||
|
en huidig standpunt der verschillende partijen onpartijdige inlichtingen
te geven en is daarin, ook wat ónze partij betreft, wel geslaagd. [liet Volk.)
,,Met groote objectiviteit en helderheid laat hij licht vallen op het staat- kundig leven in Nederland; ook in zijn geschiedenis, zoodat zijn geschrift een meer dan actueele beteekenis heeft." [Kerkelijke Courant.) Mr. Dr. M. J. FLIER — Mej. Mr. J. F. LYCKLAMA a
NYEHOLT — Jhr. Mr. Dr. B. DE JONG VAN BEEK EN DONK: Wereldwelvaart — Wereld- recht — Werelvrede. Met eenalgemeeneinlei- ding van Jhr. Dr. Nico van Suchtelen. C. 0.40 H.b. „Voortreffelijke opstellen." F. C. M. KNOBEL in liet Midden.
,,De lectuur van dit boekje is zeer aan te bevelen als tegenwicht op de door den feestelijken rompslomp onwillekeurig wat sceptisch stemmende verslagen der vredescongressen".... De Avondpost. HELEN KELLER, Mijn Levensgeschiedenis.
Vertaald door mej. L. Stuart,-voorrede van J. van den Ouden. Voorzien van 12 afbeeldingen. I. f 0.50 C. 0.65 L. 0.80
W.B. 122-123*. Dit levensverhaal van het blind- en doofgeboren Amerikaan-
sche meisje, dat het zoover gebracht heeft, tot zij talen leest en spreekt, tot zij wiskunde en natuurkunde heeft geleerd, examen voor de Hoogeschool heeft gedaan; dat haar geest ontwikkeld heeft en zoo vroolijk en opge- ruimd is, is terecht een der merkwaardigste boeken van onzen tijd genoemd. — „Dit boek is een getuigenis." J. v. d. OUDEN. — „De merk- waardigste figuren der 19e eeuw zijn Napoleon en Helen Keiler." MARK TWAIN.
TH. HOLMES en I. H. BOEKE, In en buiten de
gevangenis. Cf 0.40 H.b. „Het is een kort, onopgesmukt opstel, waaruit een mild humaniteits-
gevoel spreekt en dat stof genoeg tot nadenken geeft." [Avondpost.) „De heer Boeke is geen jurist, doch zijn zuiver menschkundige beschou-
wingen zijn voor den jurist, voor den rechter wel van waarde." [Weekblad v/h Recht)
NELLIE VAN KOL, Aphorismen. (Over Opvoeding en
Leven), bijeenverzameld door Johanna Dorre — mei Inleiding en Aanteekeningen van Mevr. v. Kol (uiteen- zetting van haar huidige, christelijke, levensovertuiging) I. f 0.20 C. 0.30 L. 0.40 K. o.8c N.B. CXI. „Een klein, pittig boekje, dat ik ieder aanraad te koopen. Voora
|
||||
|
voor ons, moeders, die zich bij de opvoeding helaas maar al te vaak laten
leiden door ingevingen van sleur en oogenblik, bevat het zoo menige nuttige wenk." {Opwaarts.) KARL MARX, Het Kapitaal. Deel I (1-3), vertaald
door F. van der Goes. Herdruk in bewerking. I. f 0.60 C. 0.75 L. 0.90
W.B. 141/3. Deel I, 2e stuk (4-5). idem. I. f 0.60 C. 0.75
L. 0.90
W.B. 163-165. Dit tweede stuk van het eerste deel bevat: De Produktie der
relatieve Meerwaarde: Begrip der relatieve meerwaarde; Coöperatie; Verdeeling van Arbeid en Manufaktuur; Machine-wezen; Groot-indus- trie. — De Produktie van Relatieve en Absolute Meerwaarde: Absolute en relatieve meerwaarde; Kwantitatieve veranderingen in den prijs van arbeidskracht en in meerwaarde; Versehillende Formulen voor de Mecrwaardewel. Deel I (Slot). I. f 0.60 C. 0.75 L. 0.90
W.B. 191-193. Met dit derde stuk is thans het eerste deel van dit belangrijke
werk voltooid. Inhoud: Het Arbeidsloon: Omzetting van de waarde der arbeidskracht
in arbeidsloon; Het tijdloon; Het stukloon; Nationale verscheidenheid der arbeidsloonen. — De akkumulatie van hel kapitaal: Enkelvoudige reproduktie; Omzetting van meerwaarde in kapitaal; De algemeene wet der kapitalistische akkumulatie; De zoogenaamde oorspronkelijke akkumulatie; De moderne kolonisatieleer. HELENE MERCIER, Verbonden Schakels, met
een inleiding van Mevr. Kapteyn-Muysken: Een Heilige van den nieuwen tijd. I. f 0.40 C. 0.55 L. 0.70 N.B. CXV-CXVI. Inhoud: Een Heilige v. d. Nieuwen Tijd (door Mevr. Kapteyn-
Muysken)— Wegwijzers — Karaktervorming der vrouw — Elizabeth Browning — Aurora Leigh — Georg Elliot's uitgangspunt — Philantropie — Stuart Mill's Socialisme — Het kiesrecht der vrouw — Een eisch der tijds. „Om dat verwonderlijk sterke meegevoel, dat ondanks haar zwakke
zich onverpoosd in daden uitte, bij zoo gelukkige klaarheid van geest, verschijnt ons Helene Mercier als een der schoonste en hoogste pcrsoon- lijkhedcn in het Nederland van de tweede helft der vorige eeuw. Hoe de verste, zuiverste individualiteit voert tot het innigst gemeenschapsgevoelen heeft haar leven op ontroerende wijze aangetoond. En dit boek geeft er het kort begrip van." FRANS COENEN in De Amsterdammer. . ■ . .„In alles dus het naastbijliggende, en — zoo zou men geneigd zijn
te denken — het meeót voorbijgaande, datgene wat na een ontwikkeling van twintig, dertig jaar al lang overleefd moet zijn. Wat maakt het uit langs welken weg juist deze ééne Amster-^msche vrouw van goeden |
||||
|
huize zich van sommige vooroordeelen vrijmaakte en wat zij voor haar
soortgenooten begeerde! Hoe kan het nu nog belangrijk zijn wat toen gezegd werd over instellingen en boeken, die óf hun kindsheid te boven óf voor een goed deel verouderd zijnl Waarschijnlijk toch — in een tijd dat menschen en toestanden sneller dan ooit te voren veranderden — heeft datgene wat toen over het voorkomen van die dingen geschreven werd, voor ons alleen een anecdotische beteekenis! Zoo zou men denken, maar zoo is het niet. Mevr. C. Kapteyn-Muysken, die deze nieuwe uitgaaf van „Verbonden Schakels" inleidde, heeft vol- komen gelijk als zij zoowel aan de persoonlijkheid van Helene Mercier als aan haar tijd een beteekenis toeschrijft, die zich ook nu nog gelden doet" ALBERT VERWEIJ in De Beweging. MICHELET, De Martelaren van Rusland. Ver-
taling van S. J. Bouberg Wilson. L. f 0.40 W.B. 3. De groote Fransche geschiedschrijver heeft in 1852 de martelaren van
den Russischen bevrijdingskamp, den strijd tegen autocratie en bureau- cratie geteekend, en den langen duur dier worsteling verklaard uit den aanleg van het Russische volk. Dit vooral maakt dit werkje ook voor onzen tijd, nu het schijnt of we het einde der worsteling naderen, diep interessant. PLATOON's Verdediging van Socrates.
I. f 0.20 C. 0.30 L. 0.40
W.B. 170.
IS. QUERIDO, Napoleon (Geïll.). C. f 0.40
H.b. „Het is precies het boek dat van Querido over zulk een onderwerp
te verwachten was, nu eens doordringend en fijn proevend, dan stormachtig onbeheerscht, vol stoute beelden, verheven en familiaar, verrassend en schokkend in de overgangen, altijd vol warmte en strijdbaarheid." (De Telegraaf.)
Dr. FRITS VAN RAALTE, Vragen over Opvoeding
C. f 0.40
H.b. „Van Raalte's opstellen geven steun en houvast aan hen, die zich in
school of huis wezenlijk ernstig met kinderen willen bezighouden." (Auondpost.)
J. J. ROUSSEAU, Emile, of over het wezen der
Opvoeding. Uit het Fransch bewerkt door Is. Querido. Eerste deel. I. f 0.50 C. 0.65 L. 0.80 W.B. 149-150*. „Het meeste genot en leering geeft misschien het lezen van 't
oorspronkelijke. Doch nu het in 't Nederlandsch is overgebracht door een onzer grootste schrijvers, een denker tevens, kan men er zeker vrede mee hebben, dat deze zijn eigen taal en stijl leende aan de ge- |
||||
|
dachten en ideeën, aan de paedagogiek van den Franschen schrijver.
Interessant en zeer leesbaar is het boekje op deze wijze zeker geworden." (Nieuwsblad voor Nederl.)
JOHN RUSKIN, T ij d en G e t ij. Brieven aan een werk-
man. Vertaling Mevr. Uildriks — Inleiding L. S. — Portret. I. f 0.40 C. 0.55 L. 0.70 W.B. 94-95. Ruskin is een der belangwekkendste figuren in het 19e eeuwsche
Engeland. Zijn geschriften over kunst, zoowel als die over de maatschappij hebben een grooten revolutionneerenden invloed geoefend. Hij is een der eerste geweest, om de maatschappelijk kwesties te bezien uit een oogpunt van: „Wal wordt er pan den menscli?" — Een voorganger in „volkskracht," een geboren zedemeester, boetprofeet, fel en hevig. Deze brieven doen hem kennen in zijn bizonderheid, zoowel 't blijvende als 't tijdelijke ervan. Lectuur, die tot denken prikkelt. SALZMANN, Mierenboekje, of de Opvoeding
van Opvoeders. Vertaald door Louis Landry. Met uitvoerige inleiding van Dr. J. H. Gunning. 2e druk, (6e-8e duizend.) I. f 0.20 C. 0.30 L. 0.40 W.B. 23. Zoowel om het nog altijd frissche en interessante van het werkje
zelf, als om de belangwekkende schets van de 18e eeuwsche geestes- beweging, door dr. Gunning als Inleiding gegeven, zal dit werkje ook in dezen herdruk zeker alle aandacht vragen. SIGHELE, De Menigte als Misdadigster. Uit
het Italiaansch door Mej. Anna Polak. L. 0.70 W.B. 26-27. In dezen tijd, waarin de menigte meer dan ooit heerscht, is
een werk, dat haar zielsgesteldheid wetenschappelijk bestudeert, van het ontzaglijkst nut. Sighele is een leerling van den bekenden socialis- tischen hoogleeraar Ferrf; hij is zelf sociaal-democraat. Dit maakt zijn studie er zeker niet minder belangwekkend om. DE TOCQUEVILLE, Mijn herinneringen aan
den Opstand in 1848. Vertaling S. J. Bouberg Wilson. I. f 0.40 C. 0.55 L. 0.70 W.B. 34-35. De Tocqueville was een groote persoonlijkheid in het Frankrijk
van 1840-50. Lid van het Parlement, gematigd liberaal, onafhankelijk denker en scherpzinnig opmerker, was hij uitnemend in staat achter de schermen te kijken en ons den binnenkant van den opstand in zijn land aan te toonen. Zijn fout is, dat hij zichzelf al te voortreffelijk vindt. Maar desniettemin zijn de herinneringen aller-interessantst voor ieder, die wil weten hoe 't werkelijk toegaat in revolutie-tijden. |
||||
|
H. G. WELLS, De Twintigste Eeuw en hare
waarschijnlijke Ontwikkeling. I. f 0.40 C. 0.55 L. 0.70
W.B. 59-60. Wells, de fantast, is ook socioloog. Maar als kenner der natuur-
kundige wetenschap bekijkt hij onze maatschappij uit een ander oogpunt dan de meesten, die zich aan toekomstvoorspellingen voor haar gewaagd hebben. Hij gaat uit van het verkeerswezen en van de ontwikkeling der mechanische hulpmiddelen; hij neemt de menschen niet als toekomst- engelen, maar zooals ze zijn, doch hij heeft ook geen vooroordeelen en is heelemaal geen man van het behoud. Zoo ziet zijn toekomst-profetie later en nader in zijn Modern Utopia ontwikkeld, er heel anders uit dan die, welke we al kennen. Een dubbele reden om haar met belang- stelling te lezen. Dr. C. J. WIJNAENDTS FRANCKEN, Benjamin
F r a n k 1 i n. Een Monografie. Met portret. I. f 0.20 C. 0.30 L. 0.40
W.B. 104. Het leven van groote mannen heeft altijd velen geboeid. Dr.
Wijnaendts Francken vertelt echter niet alleen het leven van dezen grooten medestichter der Amerikaansche republiek, hij geeft ons ook uitvoerig zijn denkbeelden over belangrijke vraagstukken. Een werkje, waarvan opvoedende kracht uitgaat. De Ho/stad: „die groote mensch lééft, waarlijk groot, ja monumentual vóór ons op; en daarom is dit werk geslaagd." Prof. THEOBALD ZIEGLER, De NegentiendeEeuw
(Geestelijke en Sociale Stroomingen) vertaald door Leo Polak. Eerste en tweede deel, geïllustreerd. W.B. 173-176 en 235-238*. In twee deelen. Samen I. f 1.70 C. 2.—
L. 2.30.
Ziegler's Negentiende Eeuw kwam in zijn Nederlandsche overzetting in Juni gereed en trekt nu allentwege wijde belangstelling. „Een boek voor iederen student. Het geeft den lezer een frisschen kijk op persoonlijkheden en vraagstukken, inzonderheid het maatschappelijk vraagstuk, zooals dat in de 19e eeuw steeds meer naar voren kwam." (Minerua).
„Een kostelijk boek, een prachtig werk, dat in geen enkel huis van een mensch die wil weten welke de geestelijke stroomingen van eigen tijd zijn en uit welke bronnen ze voortkomen, mag ontbreken." (Vrije Vroomheid.)
„Een interssant, leerzaam boek. De heer Leo Polak zorgde voor een vlotte, zuivere vertaling, die met tal van verklaringen onder aan de bladzijden, het werk voor den Nederlandschen lezer zeer begrijpelijk maakt." (Nieuwsblad voor Nederl.)
|
||||