-ocr page 1-
P
^ygSMg^ag^^Bfr
r
^
ALFREO RUSSEL WALLAGE
MAATSCHAPPELIJKE
OMGEVING EN ZEDE-
LUKE VOORUITOANG
MET PORTRET VAN DEN SCHRIJVER
L
WERELDBIBLIOTHEEK
■■.j"»
2 gfc£ffi ÊSSL^ig
Ni
P H.PRAAG»
-ocr page 2-
Yv\W Zif4*{
456
W.B.
251
-ocr page 3-
V
-ocr page 4-
-ocr page 5-
MAATSCHAPPELIJKE OMGEVING
EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
-ocr page 6-
gmgmmm uitgegeven door:
DE MAATSCHAPPy VOOR GOEDE ETS
GOEDKOOPE LECTUUR-AMSTERDAM
-ocr page 7-
ALFRED RUSSEL WALLACE
MAATSCHAPPELIJKE
OMGEVING EN ZEDELIJKE
VOORUITGANG
VERTAALD UIT HET ENGELSCH DOOR
JHR. DR. N. VAN SUCHTELEN
MET PORTRET VAN DEN SCHRIJVER
EN EEN VOORWOORD DER REDACTIE
-ocr page 8-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000012053660B
1205 3660
-ocr page 9-
-ocr page 10-
-ocr page 11-
VOORWOORD
ALFRED RUSSEI, WAU,ACE.
Op 8 Jan. 1913, toen deze natuur-onderzoeker en
mede-grondlegger van de Evolutie-theorie negen-
tig jaren oud geworden was, heeft hij tevens het
werkje voltooid dat wij hierbij aan de belangstelling
onzer lezers aanbieden. Werk van een grijsaard,
in wien het wetenschappelijk onderzoek nooit den
hervormingsdrift heeft kunnen dempen en die
aan dit levenseind nog eens heeft willen getuigen
hoe zijn wetenschap zijn maatschappelijk inzicht
versterkt en bevestigd heeft. Met Darwin baan-
breker in het geven van een antwoord op de
vraag: „Vanwaar is de mensch gekomen?" heeft
hij tevens de andere vraag willen beantwoorden:
„Waar gaat de (maatschappelijke) menschheid
heen?" En zoo er door maatschappij-hervormers
der laatste 30 jaren wel heel veel geleerdheid aan
de evolutie-theorieën ontleend is, die de weten-
schappelijke lommerd moeilijk te pand zou hebben
-ocr page 12-
VI                   AI.FRED RUSSEL WALUCE
aanvaard, als Wallace over Evolutie spreekt,
weet hij waar het om gaat en is het de moeite
waard naar hem te luisteren.
* * *
Laten we even herinneren wat hij tot die Evo-
lutie-leer van Darwin heeft bijgebracht en in welk
opzicht hij van zijn grooten landgenoot verschilde.
Reizend in onze Oost, als natuuronderzoeker,
kwam hij in 1855 allereerst tot de slotsom, dat
„elke soort ontstaan is, gelijktijdig en op gelijke
plaats, met het leven van voorafgaande soorten,
waarmee het nauw verwant was." Doch de vraag:
,,hoe de veranderingen ontstaan" liet hem geen
rust. In 1858, onder het lezen van Malthus'
beroemde studie over de Bevolkiugsleer, kwam
licht voor hem opdagen: het denkbeeld doorflitste
hem, dat hier de: ,,Overleving der meest Geschikten"
(Survival of the fittest) in het spel was, en aanstonds
schreef hij aan Darwin erover, die hier zijn eigen
theorie, waaraan hij nog aan het voortbouwen
was, herkende. Beider uiteenzetting werd gelijk-
tijdig publiek gemaakt. Wallace beschreef den
„Strijd om het Bestaan" in dezer voege: „Wie hun
„leven verlengden moesten de krachtigsten en
„meest gezonden zijn; de zwaksten en minst
„volmaakt toegerusten in den strijd ondergaan. . .
„Er was geen kwestie van dat de dieren of planten
„het vermogen zouden bezeten hebben, hun organen
-ocr page 13-
VII
VOORWOORD
„tot hoogere ontwikkeling te brengen; alleen:
,,wie het best waren toegerust om hun voedsel of
„prooi machtig te worden, konden blijven bestaan.
„'t Was niet dat de giraffe zijn nek tot lengte-
ontwikkeling had kunnen drijven, door hem uit
„te rekken om hooghangende blaren te bereiken;
„maar dank zij hun langen nek konden zij voed-
„sel machtig worden, waar dit voor de variëteit
„met korter nek onmogelijk was; en bij schaarschte
„van voedsel binnen lager bereik moesten dus de
„kortgenekten wel verdwijnen, waar de lang-
„genekten zich konden handhaven." Op dezelfde
wijze werd de invloed van het vermogen der
Nabootsing (mimicry), van Instinkt nagegaan, en
aangetoond hoe zij hielpen in het doen voortleven
eener soort.
Aldus heeft Wallace de theorie van Darwin hei-
pen bevestigen en verspreiden, zonder haar echter
geheel te onderschrijven, daar hij in bizonder-
heden van Darwin bleef verschillen en bizonderlijk
ten aanzien van het ontstaan van den mensch geen
vrede had met de uitspraak, dat ook hier de
Natuurlijke Uitlezing (Natural Selection) de éenige
factor was geweest. Wallace achtte de medewerking
van andere krachten onvermijdelijk, en toonde zich
hier, tegenover het Materialisme van andere
natuurphilosophen, een spiritualist, die zelfs
later (1881) tot een aanvaarding van het Spiri-
tisme
kwam. Ook gaf hij omstreeks dienzelfden
-ocr page 14-
VIII               AI.FRRD RTTSSEL WAIJ.ACR
tijd (1882) een geschrift uit over Landnationali-
satie,
waarin hij van den bekenden Henry George
een volkomen onafhankelijk voorganger bleek.
Inderdaad mag W allace een „stoutmoedige
en oorspronkelijke geest" heeten, van wien wij, na
dit jongste geschriftje, nog wel eens omvangrijker
werk in onze W. B. hopen op te nemen.
* * #
In het werk zelf is de schrijver uitteraard uit-
gegaan van de Engelsche toestanden, die zeker
in onderscheidene opzichten van de onze afwijken.
[Zooals bizonderlijk die in de bedrijven, de recht-
spraak en de armenwet, hoofdstuk IX en X.]
Het is niet noodig geoordeeld telkens aan te wijzen,
waar die verschillen zich voordoen: de lezer kan
zich zelf daar gemakkelijk genoeg rekenschap van
geven. En mogen enkele toestanden bij ons gun-
stiger, of ongunstiger zijn, het algemeene oordeel
blijft ook voor ons land gelden.
Red. W. B.
-ocr page 15-
EERSTE DEEL — HISTORISCH
EERSTE HOOFDSTUK.
I n 1 e i d i n g.
Alvorens in te gaan op het verband tusschen zedelijk-
heid en onze bestaande maatschappelijke verhoudingen,
zal het raadzaam zijn te onderzoeken wat wij onder
zedelijken vooruitgang hebben te verstaan en waaruit
het blijken moet of zulk een vooruitgang in later tijden,
of zelfs in het geheele tijdvak eener betrouwbare
geschiedschrijving, heeft plaats gehad.
Onder zedelijkheid verstaan wij „goed gedrag,"
niet alleen in onze onmiddellijke maatschappelijke
verhoudingen, maar ook ten opzichte van onze mede-
burgers en de geheele menschheid. Zij is gegrondvest
op het bezit van heldere denkbeelden omtrent hande-
lingen die goed of kwaad zijn en een gedurig zich
richten naar deze idealen.
Eens was — en bij velen is nog thans — het geloof
overheerschend dat de kennis van goed en kwaad
iedereen aangeboren of instinktief is en datde onzedelijke
mensch terecht voor het kwaad dat hij bedrijft wordt
gestraft. Maar dat dit niet waar, zeker niet gehéél
-ocr page 16-
2              OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
waar is, blijkt uit het feit dat in verschillende maat-
schappijen en in verschillende tijden de standaard
van goed en kwaad aanmerkelijk verandert. Wat ééns
en op een bepaalde plaats voor goed en gepast werd
gehouden, wordt later of elders niet alleen als slecht,
maar als een van de grootste misdaden beschouwd.
Het meest treffende voorbeeld van deze veranderlijkheid
van meening levert de slavernij, die door de het hoogst
beschaafde volken der oudheid, en in haast niet mindere
mate door een geslacht, waarvan nog menigeen onder
ons leeft, als volkomen gerechtvaardigd werd be-
schouwd. De eigenaars der door slaven bewerkte
suikerplantages op Jamaica werden noch door hun
bloedverwanten in Engeland, noch door het grooter
publiek als onzedelijk gebrandmerkt en het waren
meer de gruwelen van den slavenhandel in Afrika
en van het „tusschendek" op de slavenschepen, dan
de slavernij zelf die de openbare meening zoozeer
opwonden dat afschaffing van het eene en later ook
van het andere, er het gevolg van was.
Wij zijn dus wel gedwongen de gevolgtrekking te
maken dat, wat men gewoonlijk zedelijkheid noemt,
niet geheel en al is toe te schrijven aan een of ander
ingeboren begrip van goed of kwaad, maar dat het
in zekere, en dikwijls zeer ruime mate, een kwestie
van overlevering is, die voor verschillende tijden
en plaatsen wisselt naar gelang van den graad en den
aard der maatschappelijke ontwikkeling, die dikwijls
onder zoo verschillende of zelfs zoozeer uiteenloopende
bestaansvoorwaarden wordt bereikt. De telkens be-
staande zedelijkheid van een gemeenschap is grooten-
deels een product der omgeving; zij is plaatselijk en
tijdelijk en heeft geen eeuwigdurenden invloed op het
karakter.
De bedoeling van het onderhavige werk is het deze
-ocr page 17-
I INLEIDING
3
gedachte zoo helder mogelijk te ontwikkelen door te
onderzoeken wat blijvend en aangeboren en wat opper-
vlakkig en niet-aangeboren is in^.onze „zedelijkheid,"
om dan uit deze beschouwingen eenige gevolgtrekkin-
gen te maken.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Zedelijkheid, wortelend in het k a r a k-
ter. Onveranderlijkheid van het
karakter.
Ofschoon veel van wat wij zedelijkheid noemen geen
absolute sanktie vindt in de menschelijke natuur, is
het toch in zekere, en misschien vrij ruime mate, op
haar gegrondvest. Het zal daarom nuttig zijn in het
kort de natuur en den waarschijnlijken oorsprong
van wat wij „karakter" noemen na te gaan bij indivi-
duen, gemeenschappen en vooral bij die oudere en
meer oorspronkelijke onderverdeelingen der mensch-
heid die wij „rassen" noemen.
Karakter kan worden gedefinieerd als dit samenstel
van geestelijke eigenschappen en gevoelens die de
persoonlijke of nationale individualiteit vormen. Het is
in hooge mate overerfelijk, maar toch waarschijnlijk aan
meer verandering onderhevig dan vorm en bouw van
het lichaam. De combinaties van zijn samenstellende
elementen zijn zoo talrijk, dat men ze gevoegelijk
oneindig kan noemen en deze omstandigheid verleent
ieder mensch een zeer bepaalde persoonlijkheid,
die zich in zijn taal, zijn gevoelsuitdrukking en handel-
wijze openbaart.
De ziels-eigenschappen, die het karakter van een
-ocr page 18-
4             OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
man of vrouw vormen, zijn zeer talrijk; een groot
gedeelte er van zijn noodig voor de instandhouding
van het individu of van het ras, terwijl andere voor-
nainelijk van socialen of ethischen aard zijn. Deze
laatste, die ons aansporen tot waarachtigheid, recht-
vaardigheid en welwillendheid, vormen, als zij in
behoorlijke verhouding staan tot alle ander», datgene
wat wij als een goed en zedelijk karakter beschouwen
en zullen in de meeste gevallen leiden tot daden die
de algemeene goedkeuring wegdragen van dat deel
der maatschappij waarin wij leven. Deze goedkeuring
werkt dan weer terug op het karakter, zoodat het
dikwijls beter schijnt dan het in werkelijkheid is.
Zoo groot is de invloed van deze goedkeuring onzer
medemenschen, dat zij somtijds leidt tot een gedrag,
geheel verschillend van wat het zijn zou indien die
goedkeuring ontbrak. Dit is vooral het geval wanneer
die goedkeuring leidt tot welvaart of tot betrekkingen
die aanzien of voordeel meebrengen. Doch nu en dan
kan in dergelijke gevallen de betrokken persoon
toch geen weerstand bieden aan zijn natuurlijke neigin-
gen en handelt dan op een wijze waarbij zijn ware,
verborgen karakter aan den dag komt. Zulke menschen
noemen wij dan huichelaars omdat zij ons deden
gelooven dat zij van nature goed waren inplaats van
schijnbaar en slechts dan wanneer hun goede handel-
wijze voordeelig voor hen is. Vandaar dat het bij een
meer ingewikkelden toestand van beschaving buiten-
gewoon moeilijk is een karakter met juistheid te beoor-
deelen als zedelijk of onzedelijk, goed of slecht; terwijl
deze moeilijkheid niet bestaat ten opzichte van de
verstandelijke of gevoelszijde van het karakter,
die minder beïnvloed worden door de omgeving en
waarbij de verzoeking ze te verbergen minder sterk is.
Alles wijst er blijkbaar op, dat, ofschoon de hande-
-ocr page 19-
2 ZEDELIJKHEID EN KARAKTER                  5
lingen der meeste individuen voor een belangrijk
gedeelte door hun maatschappelijke omgeving worden
bepaald, dit nog geen verandering van het karakter
insluit. Ieders levens-ervaring, en vooral ook het voor-
beeld van zijn vrienden en kennissen, brengt hem er toe
hartstochten te onderdrukken, aandoeningen te be-
heerschen, in het algemeen zijn oordeel te gebruiken
alvorens te handelen, om zoodoende de achting van
zijn medemenschen en grooter geluk voor zichzelf te
verwerven; en deze pogingen, tot gewoonte geworden,
zullen het dikwijls doen voorkomen alsof een karakter
werkelijk veranderd was, totdat een of andere groote
verleiding of hevige hartstocht de gewende tucht ver-
breekt en de ware natuur, die gewoonlijk sluimert,
aan den dag brengt.
Het is nu dit ingeboren en onveranderlijke karakter
zelf dat op de nakomelingschap wordt overgedragen
en zoo is er geen voortgaande verbetering van het
karakter denkbaar zonder tusschenkomst van een of
andere selektieve werking die naar zulk een verbetering
streeft. In een algemeene beschouwing over natuur
en oorsprong van „karakter" heb ik elders aange-
toond dat er geen bewijs is voor eenigen werkelijken
vooruitgang gedurende het geheele tijdvak der historie.x)
Ik zal hieronder aantoonen welke de verlangde selek-
tieve faktor is en hoe deze vanzelf in werking zal
treden wanneer — maar ook niet eerder — onze
maatschappij zoodanig zal zijn hervormd, dat zij de
gunstige voorwaarden hiertoe biedt. (Zie het vijftiende
hoofdstuk.)
In de oudste dokumenten die ons uit het verleden
zijn overgeleverd vinden wij talrijke bewijzen er voor
dat destijds de algemeene moreele opvattingen, de
1) Character and Life (Karakter en Leven) 1912 pag. 19-31.
-ocr page 20-
6            OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
aangenomen standaard der zedelijkheid en het gedrag
dat er uit voortvloeide, in geenen deele lager stonden
dan de thans heerschende, al verschillen zij er dan
in sommige opzichten ook van.
Als voorbeelden van groote moralisten uit zeer vroege
tijden hebben wij Socrates en Plato, omstreeks 400
jaar v. Chr.; Confucius en Boeddha, een of twee eeuwen
vroeger; en nog vroeger Homerus en het groote
Indische epos, de Maha-Bharata, van omstreeks 1500
jaar v. Chr. Bij allen vinden wij bewijzen van een
intellectueel en moreel karakter volkomen gelijk aan
ons eigen, terwijl de lagere openbaringen er van,
zooals die blijken uit oorlogen en speelzucht, volstrekt
niet slechter zijn dan de hier aan beantwoordende
onzedelijkheden van tegenwoordig. In de Veda's,
die wonderbare verzameling van liederen, vinden
wij vele van de essentieele leeringen der grootste
religieuse denkers terug, tot zelfs de erkenning van den
éénen oppermachtigen God. En wanneer wij dan denken
aan de zeer beperkte natuurkennis dier tijden, moeten
wij wel toegeven dat de geest, die dergelijke denkbeelden
als in de Veda's kon bevatten en uitdrukken in zoo
schoone taal, in geen enkel opzicht lager stond dan
onze beste godsdienstige denkers en dichters, onze
Milton's en Tennyson's.x)
*) De laatste twee alinea's vormen in het Engelsche boek het
derde hoofdstuk, aangevuld met lange fragmenten uit de Maha-
Bharata. Door mijn samentrekking bevat deze vertaling een hoofd-
stuk minder dan het oorspronkelijke werk. {Noot v. <l. vertaler).
-ocr page 21-
3 ONVERANDERLIJKHEID VAN HET INTELLECT 7
DERDE HOOFDSTUK.
Onveranderlijkheid van het intellekt.
Naast de schoone literatuur en zedeleer van het
oude Indië bestond er een beschaving gelijkwaardig
aan die der klassieke volken, zich openbarend in groote
tempels, vestingen en paleizen, wapenen en werktuigen,
kleinoodiën en uitgelezen kunstvoorwerpen. Hun archi-
tektuur was in hooge mate eigenaardig en dekoratief
en bleef tot in de nieuwe tijden bestaan. Misschien
tengevolge van het tropische of subtropische klimaat
met zijn scherpgescheiden natte en droge seizoenen,
zijn de oudste gebouwen of ruïnes, die bleven bestaan,
minder oud dan de Grieksche of Romeinsche; maar die,
welke gelijktijdig met onze Gothische kathedralen
ontstonden zijn overtalrijk en vertoonen een oor-
spronkelijkheid van teekening, een weelderigheid van
versiering en een volmaaktheid van techniek als bij
welk ander schoon bouwwerk ook ter wereld.
Twee andere groote kuituren waarvan wij oor-
spronkelijke berichten hebben, zijn die van Egypte
en Mesopotamië, die beide veel ouder geweest schijnen
te zijn dan die van Indië of Griekenland. Maar terwijl
Egypte ons de meest volledige reeks ter wereld
van graven, tempels en paleizen, een overvloed van
beeldhouwwerken en tal van kenmerkende basreliefs
en muurschilderingen, die ons het geheele openbare
en huiselijke leven van het volk doen zien, heeft
nagelaten, wordt Mesopotamië slechts vertegenwoor-
digd door uitgestrekte ruïnes bij de oude steden Niniveh
-en Babyion, waaruit men echter vele fraaie beelden
en reliëfs, uitingen van een zeer bijzonderen kunststijl,
heeft opgegraven. Langer dan 2000 jaar waren de
geschiedenis en de overblijfselen dier eens grootste
-ocr page 22-
8              OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
kuituur geheel en al onbekend, behalve de vermelding
van een paar twijfelachtige feiten en namen in Grieksche
en Hebreeuwsche geschriften. Doch gedurende de
tweede helft der negentiende eeuw hebben een menigte
onderzoekers en geleerden, zooals Layard en Rawlinson,
éérst de kunstwerken aan het licht gebracht en later
ook een geweldige hoeveelheid steenen en steenplaten,
dicht bedekt met een bijzonder soort van schrift,
het spijkerschrift, dat men ten slotte, na ontzaglijke
moeite, ook heeft kunnen ontcijferen. Er zijn geheele
bibliotheken van deze steen-boeken gevonden en
naarmate de vertaling er van vordert, leeren wij ook de
geschiedenis, de wetten, de gebruiken en het dagelijksch
leven van dit oude volk evengoed kennen als die van
de oude Indiërs en Egyptenaren.
Voor het doel evenwel dat wij thans beoogen is
de Egyptische beschaving het belangrijkst, omdat
zij ons het treffendste bewijs levert van het bereiken
van een hoogen graad van wetenschappelijke ont-
wikkeling nog in den dageraad der historie. Duidelijk
blijkt dit uit dat wonderbaarlijke bouwwerk, de groote
Pyramide van Gizeh, die, ofschoon niet de alleroudste,
toch de grootste en merkwaardigste is van de ongeveer
zeventig pyramiden die men in verschillende deelen
van Egypte vindt en die ten opzichte van haar afmetin-
gen, bouw en gebruik grondiger onderzocht en be-
studeerd is dan de andere.
Van deze pyramide is historisch bekend dat zij
gebouwd werd op bevel van Koning Cheops (of Khufu)
en dat het tijdstip van hare oprichting met vrij groote
nauwkeurigheid op 3700 v. Chr. kan worden gesteld,
of ongeveer 2000 jaar vroeger dan de beschaving
welke in de Indische of Grieksche epische gedichten
wordt geschilderd. De inwendige bouw der pyramide
is het meest belangwekkend omdat er duidelijk uit
-ocr page 23-
3 ONVERANDERLIJKHEID VAN HET INTELLECT         9
blijkt dat haar bestemming niet alleen was het graf
te zijn van den koning die haar bouwde, maar tevens
een volslagen sterrenwacht tijdens zijn leven. Door
sommige hedendaagsche geschiedschrijvers is dit
ontkend. In Harmsworth's „History of the World"
(Wereldgeschiedenis) leest men: „De Pyramiden waren
niet anders dan graven, zij hebben geen enkele
sterrenkundige beteekenis of bedoeling." En later, na
vermelding van de denkbeelden van Piazzi Smith en
anderen als „ijdele hersenschimmen," wordt hieraan
toegevoegd: „Er is niets bijzonders aan deze groote
graven, behalve hun omvang en de nauwkeurigheid
van hun bouw." Bijna gelijkluidende uitspraken
vindt men in het groote werk: „Historian's History
of the World" en in „Chambers' Encyclopaedia."
Wanneer de schrijvers dezer werken het boek van
R. A. Proctor: „The great Pyramid: Observatory,
Tomband Temple" (De groote Pyramide: Sterrenwacht,
graftombe en tempel) hadden gelezen, zouden zij
geweten hebben dat hun bewering geheel en al onjuist
is. De omvang, de vorm en de hoeken, die de inwendiga
gangen maken, zijn gemeten en beschreven door tal
van zeer bevoegde onderzoekers, waarvan de voor-
zichtigste en nauwkeurigste was Piazzi Smith, destijds
Koninklijk astronoom van Schotland. Het is waar dat
hij veel „ijdele hersenschimmen" had, maar zijn
opmetingen behoorden tot de meest betrouwenswaar-
dige. De „Pyramide-godsdienst" welks bestaan hij
wilde bewijzen uit een reeks van „coïncidenties" of
overeenkomsten tusschen de afmetingen van sommige
gedeelten der pyramide en astronomische afmetin-
gen, waarvan de pyramidebouwers niet het flauw-
ste begrip konden hebben (zooals b.v. de afstand
van de zon, de precessie der nachteveningen etc.) was
zonder twijfel een ijdele hersenschim, maar hij beriep
Maatschappelijke omgeving. 2
-ocr page 24-
10             OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
zich daarvoor dan ook vrijmoedig op een „goddelijke
ingeving." Dit alles wordt door Proctor verworpen
en duidelijk verklaart hij de bedoeling van den inwen-
digen bouw der pyramide op een wijze als alleen een
ervaren astronoom dit kan. Ik wil nu zoo kort mogelijk
de onbetwijfelbare feiten en de gevolgtrekkingen die
Proctor er uit maakt, meedeelen.
De groote pyramide en de twee kleinere er naast,
die samen de Pyramiden van Gizeh vormen, staan op
een klein, rotsachtig plateau bij de punt der Nijldelta.
De grootste der drie is zoodanig geplaatst dat haar noor-
delijke zijde onmiddellijk aan den kant van dit plateau
omhoog rijst. De reden hiervan schijnt te zijn geweest
dat de bouwers haar zoo dicht mogelijk bij den 30sten
breedtegraad wenschten te zetten. In werkelijkheid
ligt zij ongeveer één en een derde mijl ten zuiden van die
breedte; maar zulk een vergissing is, voor dien vroegen
tijd, zeer gering en bovendien van weinig nadeel voor
het beoogde doel. De tweede eigenaardigheid is dat
de pyramide zuiver gericht is, dat wil zeggen dat
haar vier kanten loopen naar het noorden, zuiden,
oosten en westen. Voorts is haar grondvlak een vol-
komen vierkant en staan de vier hoeken op precies
hetzelfde peil.
Het eerste dat de bouwers te doen hadden, was het
bepalen van den juisten meridiaan. Zij konden dit op
twee wijzen: door waarneming van de zon of van de
poolster, waarvan het laatste nauwkeuriger, maar ook
moeilijker en kostbaarder was. In den tijd toen de
pyramide gebouwd werd was de poolster Alpha Draconis,
die verder van de pool verwijderd was dan onze tegen-
woordige poolster en er een cirkel om beschreef van
7° 24' doorsnede. Om de richting van deze ster in
haar laagsten stand (260 17') te bepalen, groef men
in de vaste rots een tunnel uit van omstreeks vier voet
-ocr page 25-
3 ONVERANDERLIJKHEID VAN HET INTELLECT II
middellijn om de ster iederen dag in dien stand te
kunnen waarnemen. Deze tunnel strekte zich 350
voet lang in de rots uit tot een punt, bijna onder het
middelpunt van de pyramide gelegen, waar door een
kleine, vertikale put een loodlijn kon worden neer-
gelaten om de juiste richting van den meridiaan aan
de oppervlakte te kunnen aangeven en later op iedere
volgende verdieping der pyramide naarmate deze
hooger werd. Onder het bouwen nu werd de hellende
tunnel doorgetrokken tot aan de noordelijke facade en
een nieuwe, stijgende naar het zuiden aangelegd,
die denzelfden hoek maakte met den horizont. Dit
had alle vroegere onderzoekers der pyramide verbaasd,
totdat Proctor aantoonde dat, door een holte in het
punt waar de beide tunnels hun hoek vormden met
water te vullen, de poolster door weerkaatsing kon
worden waargenomen en zoodoende met buitengewone
nauwkeurigheid de richting van den meridiaan aan
de oppervlakte der pyramide aangaf.
Maar op een afstand van 127 voet vertoont zich
iets nieuws. De stijgende tunnel verandert hier in
wat men noemt de „Groote Gang" die, ofschoon hij
dezelfde vloerlijn heeft als de tunnel, plotseling een
hoogte krijgt van 28 voet, met een breedte van 7 voet
op den vloer en van 3,5 voet bij de zoldering. Langs
iedere zijde bevindt zich een rand of bank, 20 duim
breed en 21 hoog. De wanden hellen niet naar binnen,
maar zijn gevormd door zeven steenlagen die elk drie
duim over de onderliggende uitsteken. De geheele
hellende gang bestaat uit fraai-gladden of zelfs ge-
polijsten kalksteen. Hij heeft een lengte van 156 voet
en hij eindigt op het platvorm der pyramide op de centrale
lijn van oost naar west waar de pyamide een derde
van haar hoogte bereikt heeft.1) Dit is ter hoogte van
') Wallace zegt twee derde; dit blijkt bij teekening onjuist.
-ocr page 26-
12            OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
de „Koningskamer" en het was waarschijnlijk eerst
nadatde koning gestorven was en zijn lichaam gebalsemd
en in zijn tombe geplaatst, dat de pyramide werd vol-
tooid, de openingen der gangen zorgvuldig werden ge-
sloten en de geheele buitenkant van het gebouw met
een glad omhulsel van steen werd omkleed, waarvan
nu nog slechts enkele, zeer kleine fragmenten over
zijn gebleven. Deze gang heeft nog twee andere eigen-
aardigheden die de slechts oudheidkundige onder-
zoekers hebben verbaasd. Het zijn vierkante gaten,
gehakt in de hellende banken lang de zijwanden,
ongeveer 5,5 voet van elkaar af, in het geheel 18 aan
iederen kant, precies tegenover elkaar. Aan weerszijde
van de gang, ongeveer ter halver hoogte, bevindt zich
een overlangsche groeve, waarlangs men overdwarsche
schermen zou kunnen laten glijden die gemakkelijk
zoo geplaatst konden worden dat zij nauwkeurig de
lengte-as van de gang aangaven, evenals de kruis-
draden in een astronomischen kijker. De gaten in de
banken konden gediend hebben om er dwars-zetels
in te bevestigen waarop de waarnemer stevig en ge-
makkelijk kon zitten, terwijl hij den doorgang van zon,
ster of planeet waarnam.
Naar het zuiden toe open, gaf de Groote Gang een
prachtig uitzicht op den zuidelijken hemel en maakte
het den waarnemers mogelijk hoogte en azimuth
van tal van sterren en van de planeten Mars, Jupiter
en Saturnus te bepalen. De ster Alpha Centauri, die
in dien tijd nog van de eerste grootte was, maar thans
veel van haar glans heeft verloren, zal, bij het passeeren
van den meridiaan, zich ongeveer in het midden van
het gezichtsveld hebben bevonden van deze gang die,
Zie ook de afbeeldingen der pyramide in verschillende bouw-
kundige werken. (Noot v/d vertaler).
-ocr page 27-
3 ONVERANDERLIJKHEID VAN HET INTELLECT 13
zooals Proctor zegt, het mooiste instrument voor
doorgangsbepalingen was dat ooit voor waarneming
met het bloote oog werd geconstrueerd. Tycho Brahé
heeft, met zijn beroemden quadrant van Uranienburg,
niet zulk een graad van nauwkeurigheid bereikt
als deze Oostersche sterrekundigen bijna 6000 jaar
geleden. Een groot voordeel van een ondergrondsch
observatorium boven openlucht-waarnemingen zonder
telescoop is, dat men door het einde van de gang
dicht te maken, behoudens een opening juist groot
genoeg om het voorwerp te kunnen waarnemen,
de meest glanzende sterren ook overdag kan zien.
Als we ons nu herinneren dat de Groote Pyramide
een oppervlakte van ongeveer 55 hektaren beslaat;
dat zij volkomen vierkant is, een volkomen horizontaal
grondvlak heeft en de vier zijden nauwkeurig naar
de vier windstreken gericht zijn; dat haar zijden een
zoodanige helling hebben dat de oppervlakte van eiken
driehoek gelijk is aan die van een vierkant welks zijden
gelijk zijn aan de hoogte der pyramide; dat voorts de
helling van de dalende tunnel juist zóó is dat zij
precies gericht is op de poolster van dien tijd in haar
laagsten stand; ten slotte dat dit alles slechts met zoo
groote nauwkeurigheid kon worden uitgevoerd door
middel van juist dit stelsel van onderaardsche tunnels
en gangen dat inderdaad aanwezig is, terwijl alle
bijzonderheden van hun bouw toonen dat zij berekend
zijn voor de vereischte astronomische waarnemingen,
dan is de gevolgtrekking onafwijsbaar dat zij werkelijk
ook bestemd waren en gebruikt werden voor dergelijke
waarnemingen en dat op geen andere manier een
zelfde nauwkeurigheid kon worden bereikt.
Ik heb zulk een vrij uitvoerige beschrijving gegeven
van wat de Pyramide-bouwers deden omdat het een
belangrijk bewijsstuk is voor mijn bewering omtrent
-ocr page 28-
14            OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
de onveranderlijkheid van het menschelijk intellekt
gedurende het historisch tijdvak.
De groote meerderheid der ontwikkelde menschen
meenen dat onze wonderbaarlijke ontdekkingen en
uitvindingen op ieder gebied van kunst en wetenschap
bewijzen dat wij inderdaad verstandiger en wijzer
zijn dan de menschen uit vervlogen eeuwen, dat onze
geestelijke vermogens in kracht zijn toegenomen.
Deze meening is echter volkomen ongegrond. Wij
zijn slechts de erfgenamen van de opeengestapelde
kennis der eeuwen en het is zeer wel mogelijk en
zelfs waarschijnlijk, dat de eerste pogingen tot de
bijeenbrenging van dezen onmetelijken geestelijken
schat meer nadenken en een hooger intellekt hebben
vereischt, dan welke ook der ontdekkingen van ons eigen
tijdperk.
Wij kunnen dit misschien het best begrijpen door
eens te veronderstellen dat een onzer groote mannen
der wetenschap geboren en opgevoed was in een van
die vroegere kuituren. Wanneer Newton geboren was
in Egypte ten tijde der pyramide-bouwers, toen er nog
niet zulke wetenschappen als wiskunde bestonden en
misschien zelfs niet eens het decimale stelsel dat ons
het rekenen zoo gemakkelijk maakt, zou hij waarschijn-
lijk niets meer hebben kunnen doen dan zij werkelijk
gedaan hebben. Bij het opbouwen der wetenschappen
was iedere eerste stap het werk van een genie. Maar
thans, nu er bijna honderd eeuwen van ontdekkingen
en van specialisatie door duizenden of zelfs millioenen
werkers zijn verstreken; nu door schrift en drukpers
iedere nieuwe ontdekking spoedig alom bekend wordt
en een steeds grooter aantal menschen hun leven aan
de studie wijdt, wordt het tempo van den vooruitgang
steeds sneller en is het geheele resultaat verwonderlijk
groot. Doch dit bewijst volstrekt niet een meerderheid
-ocr page 29-
3 ONVERANDERLIJKHEID VAN HET INTELLECT IS
van de hedendaagsche ontdekkingen boven de vroegere.
Er bestaat daarom ook geen bewijs voor een voort-
durende toeneming van verstandelijk vermogen.
Maar er is nog meer dat mijn bewering versterkt.
Onlangs, eerst zeer kort geleden, zijn er papyri ontdekt
die ons inlichten omtrent de denkbeelden, het geloof
en de idealen van het tijdperk nog vroeger dan dat
van de Groote Pyramide. Het resultaat der studie
van deze en andere berichten van het oudste Egypte
wordt door Professor Adolf Erman in „The Historian's
History of the World" aldus saamgevat:
„Maar als men den ouden bewoner van het Nijldal
beschouwt als een menschelijk wezen met begeerten,
gevoelens en idealen geheel gelijk aan de onze; als
een man die streeft naar de oplossing van dezelfde
vraagstukken van praktisch socialisme als waarnaar
wij ook heden streven — dan, en dan alleen, kunnen wij
de lessen van de oude Egyptische geschiedenis in hun
ware bedoeling en beteekenis verstaan. En het helderst
zal die beteekenis misschien voor ons worden, wanneer
wij ons voortdurend voor oogen houden de mogelijkheid
dat de drie of vierduizend jaar welke die pyramide-
bouwers scheidt van de tijdgenooten van Alexander,
eigenlijk een periode was van nationaal verval, een
duister tijdperk in de geschiedenis van Egypte."
Dat een groot geschiedkundige, op grond van zijn
studie der denkbeelden en sociale toestanden in de
oudst-bekende kuituren tot dezelfde slotsom komt om-
trent hun geestelijk leven als die ik zelf afleidde uit
wat zij wetenschappelijk bereikten, mag wel als een
sterk argument gelden ter bevestiging van ons beider
onafhankelijk van elkaar gemaakte gevolgtrekkingen.
-ocr page 30-
16           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
VIERDE HOOFDSTUK.
Taal en schrift als bewijzen van
verstandelijke ontwikkeling.
Er is nog een ander bewijs er voor dat de geestelijke
vermogens der menschheid in een zeer vroeg tijdperk
geheel gelijk waren aan die in onzen eigen tijd. Er
is misschien niets moeilijkers in de menschelijke
natuur, niets dat hooger boven het laag-dierlijke
staat, dan het vermogen der geartikuleerde spraak
dat alle menschenrassen bezitten. We kunnen niet
anders dan aannemen dat haar verwerving een uiterst
langzaam proces was en dat het werd mogelijk ge-
maakt door een bijzondere ontwikkeling der hersenen,
die de noodzakelijke geestelijke kracht er voor ver-
schafte.
Hoe lang dit proces geduurd moet hebben is onmogelijk
te zeggen, maar zeker is het dat de taal reeds een
hoogen graad van volmaking moest hebben bereikt
vóór het even moeilijke proces der uitvinding van
het schrift verdere ontwikkeling der hoogere vermogens
door middel van de poëzie aan den eenen kant en de
bewaring van feiten, ontdekkingen en verklaringen
aan den anderen kant, kon mogelijk maken.
Ik wensch nu de aandacht te vragen voor het zeer
gewichtige feit, dat de oorsprong en ontwikkeling der
taal, en later van het schrift, klaarblijkelijk nagenoeg
gelijktijdig en zeker geheel onafhankelijk van elkaar,
in verschillende, niet zeer ver van elkaar verwijderde
streken valt aan te wijzen. Dit is te zien aan het ver-
schillen van de wortels der verschillende taalgroepen
in Europa, Oost-Azië en Noord-Afrika en aan het
even groote verschil in het Egyptische, Assyrische en
Chineesche schrift. Men neemt aan dat alle andere
-ocr page 31-
4 TAAL, SCHRIFT EN ONTWIKKELING               17
schriftteekens van een van deze drie zijn afgeleid en
het is bekend dat de vorm en de eigenaardigheden
der letters in hooge mate werden beïnvloed door het
verschillend materiaal waarin zij werden geschreven,
zooals hout, steenen platen, klei, was, papyrus, papier
of perkament en door het feit of zij werden gegrifd,
gedrukt of geschilderd, dan wel geschreven met een
rietje, een pen of een klein borsteltje.
Maar indien de intellektueele mensen zich als een
bijzonder soort van zoogdier had ontwikkeld doordat
de meer-geschikte variëteiten overleefden, zouden wij
van zulk een belangrijke eigenschap als de taal mogen
verwachten dat zij in één centrum ontstaan was en zich
van daaruit snel over de wereld zou hebben verspreid
om in de geïsoleerde gemeenschappen slechts geringe
wijzigingen te ondergaan. De fundamenteele verschillen
echter die wij vinden, schijnen beter te strooken met
de opvatting dat eerst toen zijn materieel organisme
als gewoon dier den vereischten graad van volkomenheid
had bereikt, die geestelijke verandering !) plaats greep
welke alleen hem in staat stelde die intellektueele
en moreele ontwikkeling te beginnen en die merk-
waardige macht over de natuurkrachten te verkrijgen
x) „Spiritual influx," letterlijk „geestelijke instrooming," zegt
Wallace. Elders (slot twaalfde hoofdstuk) ook „influx of the spirit
of the Deity" (instrooming van den geest der Godheid) en (veertiende
hoofdstuk) „divine influx." Wallace schijnt dus te gelooven aan een
bijzondere, goddelijke bezieling van den mensch, die zich op een ge-
geven oogenblik bij zijn dierlijkheid voegde en waardoor de mensch
letterlijk „hemelsbreed" van de dieren zou verschillen (zie slot
dertiende hoofdstuk, waar over den mensch wordt gesproken als van
den „hemel-geborene, in wezen slechts weinig lager dan de engelen,"
in tegenstelling met het „oneindig veel lager peil der dieren die te
gronde gaan.") Ik wijs er nadrukkelijk op dat deze theologische
opvatting, die blijkbaar de aanwezigheid, althans in kiem, van alle
hoogere, menschelijke geestvermogens, zooals sympathie, hulpvaar-
digheid en liefde, óók bij de dieren negeert, en die ongetwijfeld velen
-ocr page 32-
18            OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
en waarbij taal en schrift, gevolgd door de drukkunst,
zulke belangrijke faktoren geweest zijn.
Om de taal te kunnen ontwikkelen moet de mensen
reeds een brein en een verstand bezeten hebben ver
boven het dierlijke. Evenals bij het meer fundamenteele
vraagstuk omtrent den oorsprong van het leven moet
worden toegegeven, dat organisatie is een produkt van
leven, en niet leven van organisatie — evenzoo moeten
wij ook gelooven dat de taal een produkt is van her-
senen en van een verstand voldoende voor haar ont-
wikkeling. Maar zulke hersenen en zulk een verstand
waren niet noodig voor de lagere dieren die hun hoogst
ontwikkelde vormen bereikten in den hond, het paard,
den olifant en den aap, zonder dat zij dergelijke hoogere
vermogens definitief konden verwerven.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Wilden staan zedelijk niet lager dan
beschaafde menschen.
Wanneer de feiten en betoogen in de voorgaande
hoofdstukken uiteengezet juist zijn, mogen wij niet
verwachten ergens nog levende voorbeelden van den
„ongeestelijken" mensch te zullen vinden, daar dan
kan worden ondersteld dat het geheele menschelijke
ras den geestelijken invloed, die het zijn zuiver mensche-
lijke ontwikkeling deed beginnen, op een bepaald
tijdstip, misschien binnen een paar geslachten of
lezers dadelijk als onlogisch zal treffen, van geen wezenlijk belang
is voor hetgeen Wallace in zijn boek wil aantoonen: de mogelijkheid
in de toekomst van een nieuwen, geestelijken selectie-factor, zoodat
de aannemelijkheid zijner conclusies er niet door wordt in gevaar
gebracht. (.Yoof van den vertaler).
-ocr page 33-
5 WILDEN EN ZEDELIJKHEID                      19
zelfs binnen één enkel geslacht, onderging. De voor-
ouderlijke vorm, de gezochte „ontbrekende schakel,"
zou dan moeten zijn uitgestorven.
Als dit niet zoo was zouden wij mogen verwachten
ergens nog afgezonderde groepen van spraaklooze
menschen te zullen vinden. Hiervan bestaan echter
geen voorbeelden; integendeel, het blijkt dat zelfs de
laagste der bestaande rassen nog talen bezitten die
dikwijls buitengewoon ingewikkeld zijn van gram-
matikalen bouw en in geen enkel opzicht herin-
neren aan den primitieven diermensch waarvan zij
overblijfselen heeten te zijn. Zoolang als wij onze
kennis omtrent hen verkregen door bemiddeling
van de onbeschaafde Europeanen, die hen als slaven
vingen of als wilde beesten neerschoten, was het niet
mogelijk hen als werkelijke menschen te leeren kennen.
Maar nu wij meer betrouwbare berichten over hen
hebben van ontwikkelde reizigers en zendelingen,
blijkt het duidelijk dat wij, wanneer wij slechts met
vriendelijkheid en welwillendheid tot hun innerlijk
karakter doordringen, zullen ontdekken dat zij men-
schelijke eigenschappen bezitten van geheel denzelfden
aard als onze eigene. Een paar voorbeelden van wat
onbevooroordeelde getuigen over hen zeggen, zullen
zeer leerrijk zijn.
Na een ontmoeting beschreven te hebben tusschen
kapitein Fitzroy en het hoofd van een klein eiland
bij Tahiti ter regeling van een vergoeding wegens schade
toegebracht aan een Engelsch schip, zegt Darwin:
„Ik kan niet genoeg mijn verwondering uitdrukken
over de buitengewone mate van gezond verstand,
redeneerkracht, matiging, openhartigheid en vlugheid
van besluit die hierbij werden ten toon gespreid."
Kapitein Cook zelf, die hen zag in hun primitieve
levenswijze, spreekt over de inboorlingen van „Friendly
-ocr page 34-
20            OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG.
Isles" als zijnde: edelmoedig, dapper, openhartig, en
zonder achterdocht of verraderlijkheid, wreedheid of
wraakzucht. En een eeuw later merkt Admiraal
Erskine op dat: „hun opvatting van zindelijkheid
en betamelijkheid hooger staat dan die van de meeste
beschaafde naties;" terwijl alle Polynesische stammen
vriendelijk en zorgzaam zijn voor de zieken en bejaar-
den en een onbegrensde gastvrijheid door hen wordt
in praktijk gebracht.
Zelfs de Australische inboorlingen, die dikwijls gezegd
worden een van de laagste menschenrassen te vormen,
blijken nog tal van goede eigenschappen te bezitten
volgens hen die hen het best kennen. De heer Curr die
gedurende veertig jaar,,Beschermer der Inboorlingen" x)
in Victoria was, zegt o.a.:
„Maatschappelijk is de neger beleefd, vroolijk,
goedlachs en vertoont in zijn karakter veel goedhartig-
heid.... De inboorlingen zijn zeer naugwezet in het
nakomen van hun wetten en gebruiken, zelfs bij zware
verzoeking. De afschuw van een huwelijk met een
vrouw van een verboden graad van bloedverwantschap,
de buitengewone droefheid die zij toonen bij den dood
van kinderen of verwanten en soms zelfs van blanken —
zooals bijvoorbeeld het geval was bij den inboorling
die de eenige metgezel was van den ongelukkigen
Kennedy, toen deze vermoord werd — zijn voldoende
om te bewijzen dat zij aandoeningen en een begrip
van goed en kwaad bezitten die niet veel van de onze
verschillen."
Het feit dat de physieke kenmerken der Australiërs
wezenlijk die van het Kaukasische ras in zijn laagste
vormen zijn, heeft mij tot de gevolgtrekking gebracht,
i) „Protector of the aborigines," titel van den Regeerings-ambte-
naar, wien de zorg voor de instandhouding der oorspronkelijke
Australische bevolking is opgedragen. {Noot o, rf. vertaler).
-ocr page 35-
5 WILDEN EN ZEDELIJKHEID
21
dat deze belangwekkende menschen afstammen van
veel beschaafder voorouders en dus eer een voorbeeld
zijn van ontaarding dan van overleving van een
oertoestand."1)
Er zijn nog tal van andere voorbeelden, zoowel van
de intelligentie als van de moraliteit van wilde stammen
in alle deelen der wereld, die over het geheel genomen
een wezenlijke gelijkvormigheid van het menschelijk
karakter, zoowel moreel als emotioneel en zonder
een bepaalde meerwaardigheid van eenig ras of
land, bewijzen. Bij het verstand, waar de vooruitgang
het grootst is geweest, kan hij geheel en al worden
toegeschreven aan de accumulatieve (opeenhoopende)
werking van achtereenvolgende verwerving van kennis
die van eeuw tot eeuw werd overgeleverd. Euclides
en Archimedes waren waarschijnlijk de gelijken van de
grootste wiskundigen onzer dagen, terwijl de architec-
tuur van Griekenland, Indië en Centraal-Amerika
slechts weinig onder de middeleeuwsche gothiek staat.
Maar geen van deze alle, hoe verschillend ook in stijl,
vertoonen eenigen werkelijken vooruitgang in ver-
standelijke kracht boven die van de bouwers der veel
oudere tempels en pyramiden in Egypte. Dit laatste
land, met zijn hooge stoffelijke beschaving en zijn
merkwaardigen godsdienst, toont zich gelijkwaardig
met welke ook van zijn opvolgers.
l) Zie mijn: AustruUu and Xeut Zealand 1893, hoofdstuk V ,,De
Australische inboorlingen" waar ik deze opvatting het eerst uiteen-
zette. Over zedelijkheid bij wilden zie mijn: Nalural Selcclion and
Troptcal Nature
(Natuurlijke teeltkeus en de tropische natuur)
pgs. 199—201. Noot v. d. Red,: Over deze ontaardingstheorie zie
Prof.
J. BOEKE: De Afstamming vim den Mensch, in onze serie
Handboekjes.
-ocr page 36-
22              OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
ZESDE HOOFDSTUK.
Een selektieve werking vereischt
om het karakter te verbeteren.
Het algemeene resultaat van de tot hiertoe in korte
trekken uiteengezette feiten en argumenten dwingt
ons tot de gevolgtrekking, dat er in den loop der eeuwen
geen besliste vooruitgang der zedelijkheid heeft plaats
gehad en dat zelfs de laagste stammen, en ten allen
tijde, dezelfde intellektueele en moreele natuur bezitten
als de hoogere. De openbaringen van deze wezenlijk-
menschelijke natuur in gewoonten en gedragingen waren
echter dikwijls zeer verschillend, naar gelang van de
verschillen der sociale en moreele omgeving. Dit is ge-
heel in overeenstemming met de thans wei-gegronde
leer dat het wezenlijke karakter van den mensch,
intellektueel, emotioneel en moreel hem is ingeboren,
dat het van individu tot individu aan groote variatie
onderhevig is en dat zijn gedragsuitingen in zeer
hoogen graad gewijzigd kunnen worden door den invloed
der openbare meening en van systematisch onderricht.
Deze laatste veranderingen evenwel zijn niet erfelijk,
en hieruit volgt dat er geen definitieven vooruitgang
in moraliteit kan plaats hebben bij eenig ras, tenzij
er een of andere selektieve of afscheidende invloed aan
het werk is.
Aangezien er ten opzichte van dit onderwerp heel
wat misverstand heerscht is een kleine uitweiding
misschien raadzaam. Vele welopgevoede en intelligente
menschen schijnen te denken dat karakters of ver-
mogens die erfelijk zijn, ook noodzakelijk cumulatief
(opeenhoopend) zijn. Zij hooren dat geestelijke zoowel
als lichamelijke eigenschappen erfelijk zijn; hun eigen
ervaring leert hen dat er zoowel muzikale als groote
*
-ocr page 37-
6 KARAKTER EN SELECTIE                       23
families zijn. Zij hooren dat wijlen Sir Francis Galton
een boek schreef over erfelijk genie (Hereditary
Genius) en misschien hebben zij het zelfs gelezen;
maar ze merken niet dat noch hij noch iemand anders
bewezen heeft dat genie van welken aard ook, cumula-
tief is, dat wil zeggen dat een geniale man of vrouw in
het algemeen een of meer kinderen zal hebben met een
grèóter bedrag van het bijzondere vermogen dat zij
zelf bezitten. In werkelijkheid is precies het tegendeel
het geval. Hoe meer iemands talent of geestelijk ver-
mogen boven de middelmaat staat, hoe minder kans is
er dat een van zijn of haar kinderen nog méér van dit
vermogen zal hebben. Een werkelijk groot dichter,
schilder of musicus verschijnt plotseling in een familie
van middelmatige of zelfs in het geheel geen bekwaam-
heden in die bepaalde richtingen. Een paar voorbeelden
mogen dit toelichten.
Sir William Herschell was de zoon van een Duitsch
musicus en was zelf musicus van beroep, maar hij
werd een sterrekundig genie, een van de grootsten
zijner eeuw. Zijn zoon, Sir John Herschell, was een zeer
ontwikkeld man, met alle voordeden van opvoeding
en positie. Hij volgde zijn vader op als astronoom en
was een groot wiskundige, maar is toch nooit beschouwd
als de gelijke van zijn vader. Darwin's eminente zoon
was een wiskundige, geen natuurkundige.
De reden hiervan is dat erfelijkheid de wet volgt
van „den teruggang tot de middelmaat." Dat wil zeggen
dat alle groepen van levende wezens schommelen
rondom een doorsnee of gemiddelde wat hun karakter
betreft en dat zij, die dicht bij het gemiddelde staan,
altijd talrijk zijn, terwijl naarmate wij de uitersten
naar beide richtingen naderen, de getallen afnemen.
Families volgen dezelfde wet. Als wij een familie gedu-
rende drie of vier geslachten, die misschien een paar
-ocr page 38-
24           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
honderd personen omvatten, beschouwen, zullen som-
migen hiervan kort, anderen lang zijn, maar de meer-
derheid zal dicht bij het gemiddelde liggen en de
langste van allen zal minder kans hebben nog langere
afstammelingen te hebben dan hijzelf, dan zij wier
lengte dicht bij het gemiddelde ligt. Wel echter zullen
de kinderen van de langsten, ofschoon in het algemeen
korter dan hun ouders, neiging vertoonen boven het
gemiddelde te blijven.
Wanneer een karakter voor zijn bezitter in den strijd
om het bestaan zóó nuttig is dat het van wat men noemt
„overlevende waarde" is, zullen zij die het meest
boven het gemiddelde uit varieeren, gedurende geslacht
op geslacht bewaard blijven of worden uitgelezen, net
zoolang als die toeneming nuttig is.
Het is omdat hoogere intellektueele of moreele
vermogens zoo zelden een leven-behoudende waarde
hebben, maar integendeel herhaaldelijk het omge-
keerde het geval is, dat zij niet cumulatief zijn, al
zijn zij wèl erfelijk.
Na deze uitweiding zullen wij thans wat nauw-
keuriger gaan onderzoeken welke onze zedelijke positie
als volk is, welke de aard is van onze maatschappelijke
omgeving, hoe deze werd tot wat zij is en welke lessen
wij hieruit kunnen leeren.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
De maatschappelijke omgeving in de
negentiende eeuw.
Gedurende de achttiende eeuw begon, met den groei
der natuurwetenschappen, onze stoffelijke beschaving,
die langen tijd haast was blijven stilstaan, vooruit te
-ocr page 39-
7 MAATSCH. OMGEVING IN DE 19E EEUW          2$
gaan, hoewel aanvankelijk uiterst langzaam. De eerste
stappen werden gedaan door de toepassing van machines
in sommige huiselijke kunsten. Er kwam eenige erfij-
ning in de manieren en gebruiken van het dagel ksch
leven, maar er waren weinige aanwijzingen van een
duurzame of ingrijpende verandering, hetzij ten goede
of ten kwade, in onze geestelijke of zedelijke natuur.
De negentiende eeuw echter zag het begin van een
groote wijziging in de ekonomische omgeving tengevolge
van de snel opeenvolgende uitvindingen van arboid-
besparende machines, die, samen met de even snelle
verspreiding der stoomkracht, leidde tot een toeneming
der stoffelijke voortbrenging als nooit te voren op aarde
was aanschouwd. Gedurende ditzelfde tijdperk werden
nieuwe methoden van verplaatsing in dagelijksch gebruik
toegepast, de gemakkelijkheid van verkeer werd
verhonderdvoudigd, wetenschappelijke ontdekkingen
openden voor ons nieuwe en ongedachte geheimen
van het heelal en de geheele aarde werd, terwille
van haar schatten, zoowel plantaardige als minerale,
doorsnuffeld op een schaal, die al wat op dit gebied
sinds den dageraad der beschaving was volbracht,
nog overtrof.
Maar deze snelle toeneming van welvaarten macht
over de natuur was te veel voor onze nog zoo ruwe
beschaving en ons oppervlakkig Christendom. Zij
ging daarom vergezeld van verschillende vormen van
maatschappelijke onzedelijkheid, haast even verbazing-
wekkend en zonder voorbeeld en waarvan ik er enkele
hier in het kort zal bespreken.
Men kan zeggen dat onze omvangrijke textiel-
industrie met de negentiende eeuw is opgekomen.
De winsten nu waren aanvankelijk zöö groot en zoozeer
afhankelijk van het aantal werkkrachten, dat de
fabrikanten honderden en zelfs duizenden kinderen
Maatschappelijke omgeving, 3
-ocr page 40-
26           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
huurden van de werkhuizen der groote steden. Deze
kinderen, van vijf of zes jaar af, werden gedurende
zeven jaar als leerlingen in dienst genomen. In werke-
lijkheid werden zij niets anders dan slaven van de
fabrikanten, wier opzichters hen van zes uur 's morgens
tot zeven uur 's avonds of nog langer, lieten werken,
waarbij het, om ze in de benauwde atmosfeer der
fabrieken wakker te houden, noodig werd geacht hen
herhaaldelijk met de zweep aan te sporen. Het was
niet voor 1819 dat de leeftijd waarop kinderen in
fabrieken mochten werken, op negen jaar werd gesteld,
terwijl eerst in 1825 hun werktijd werd beperkt tot
72 uur per week.
Van dien tijd af volgden gedurende de geheele
negentiende eeuw de „Factory-acts" (fabriekswetten)
elkaar op; waarvan elk de afschaffing of verbetering
van de slechte gevolgen van kinderarbeid, onmensche-
lijkheid, wreedheid en onzedelijkheid beoogde. Deze
wettelijke pogingen werden steeds tegengewerkt door
de werkgevers, die er gewoonlijk in slaagden de wetten
bij de behandeling in het Huis van Afgevaardigden
zoodanig te verminken, dat ze nagenoeg nutteloos
werden. E. B. Browning's edele gedicht: „The Cry of
the children"1) (De kreet der kinderen) doet zien hoe
na bijna vijftig jaar strijdens het lot der arbeidende
kinderen nog steeds in hooge mate wreed en ont-
zedelijkend was, en dat van de halfwassen die op
hen volgden, haast even erg.
Naarmate de eeuw voortschreed, kwamen meer en
meer ook andere euvelen van denzelfden aard aan
het licht. Kinderen en vrouwen arbeidden onder den
grond in de kolenmijnen onder even afschuwelijke
i) Zie HELENE MERCIER - Gebonden Schakels, N. B.
CXV—VI, pag. 98 en 240.
-ocr page 41-
MAATSCH. OMGEVING IN DE 19E EEUW             27
omstandigheden wat gezondheid en zedelijkheid betreft;
groot verlies van menschenlevens werd veroorzaakt
door onvoldoende ventilatie, onveilige schoring, ge-
brekkige hijschtoestellen of andere redenen, die alle
het gevolg waren van gebrek aan voorzorg bij de
mijneigenaars. Het behoorde een kwestie van ge-
wone rechtvaardigheid te zijn dat deze eigenaars
tegenover de in hun bedrijf geschade personen niet
alleen aansprakelijk waren voor het volle bedrag van
hun loon en voor medische hulp, maar dat zij bovendien
een ruime vergoeding hadden te betalen aan hun gezin
voor geleden verdriet en angst en extra moeiten en
kosten. Doch dergelijke dingen worden tegenover
arme werklieden verwaarloosd, zoodat zelfs de geldelijke
vergoeding tot een zoo klein mogelijk bedrag is terug-
gebracht.
Het is een van de groote gebreken onzer wetgeving
dat dood tengevolge van een voorkoombare oorzaak
in een of ander winstbedrijf niet onder de misdrijven
telt. Zoolang dit niet het geval is, zal het onmogelijk
zijn de honderden en zelfs duizenden levens te redden,
die thans teloor gaan tengevolge van het verwaarloozen
van voorzorgsmaatregelen in allerlei gevaarlijke of
ongezonde bedrijven. Hoe kostbaar dergelijke voor-
zorgsmaatregelen ook mogen zijn, waar menschen-
levens op het spel staan behoorde aan kosten niet te
worden gedacht en daarom is de tegenwoordige toestand
der wetgeving dan ook onzedelijk.
Niettegenstaande alle wetten en talrijke inspekteurs
(wier salaris door de mijneigenaars behoorde te worden
betaald) nemen ontploffingen en andere rampen onder
den grond steeds toe; het jaar 1910 behaalde een
record met 1775 dooden, welk aantal, ook in verhouding
tot het geheele aantal arbeiders, het hoogste is in de
laatste twintig jaar bereikt.
-ocr page 42-
28              OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Toch is er niemand gestraft of zelfs maar aansprake-
lijk gesteld voor deze dooden en dit wijst op een be-
treurenswaardige afwezigheid van zedelijk gevoel,
zoowel bij het groote publiek als in het Parlement.
En deze houding van het Parlement wordt werkelijk
misdadig, waar het steeds zijn wetten werkeloos laat
maken uit vrees de winsten der ondernemers te zullen
verminderen en waar het dus welbewust geldmaken
hooger stelt dan menschelijk leven en welzijn.
In het geval van mijnen en steengroeven is het
Parlement nog in het bijzonder verantwoordelijk,
wijl het partikulier bezit van den mineralen rijkdom
van ons land op zichzelf reeds een schandelijke
usurpatie van publieke aanspraken beteekent, die
sinds lang onwettig verklaard had moeten zijn. Welke
argumenten — en zij zijn zeer sterk — ook worden
aangevoerd om te betoogen dat de grond geen privaat-
bezit behoort te zijn, voor de delfstoffen die hij bergt
gelden zij nog tienmaal sterker. De waarde van den
grond neemt in het algemeen toe met zijn gebruik,
maar bij de delfstoffen wordt zij juist geheel vernietigd.
Daarom is het een misdaad tegenover het nageslacht,
toe te staan dat de strikt beperkte delfstoffenrijkdom
van ons land privaateigendom is en op groote schaal
aan vreemdelingen wordt verkocht, uitsluitend om
de welvaart van enkele individuen te vermeerderen
en ten koste van de absolute verarming van onszelf
en onze kinderen.x)
Ik wil hier nog een ander argument aan toevoegen,
dat tot den wortel der kwestie doordringt, door te
toonen dat de eigenaars van delfstoffen zelfs niet
]) Ik heb dit veertig jaar geleden uiteengezet in een artikel: „Coal
a National Trust" (Steenkolen een nationaal bezit) dat ik voor twaalf
jaar herdrukte in mijn: „Studies, scientific and social" (Weten-
schappelijke en sociale studies) (Vol. II Chap. VIII).
-ocr page 43-
7 MAATSCH. OMGEVING IN DE 19E EEUW              20
eens een wettelijke aanspraak op hun eigendom hebben.
Het is, als ik wel heb, een grondbeginsel van het
recht dat publieke rechten niet door niet-gebruik
verloren kunnen gaan. In ons land werden de Land-
goederen als feodale leengoederen geschapen door
den Normandischen Veroveraar. Diepgelegen delf-
stoffen waren destijds niet bekend en werden, voor
zoover ik weet, niet in de oorspronkelijke oorkonden
in het bijzonder genoemd. Behalve dus daar, waar
zij sindsdien door een wet tot privaateigendom zijn
gemaakt, blijven zij nog steeds publiek-eigendom.
Ik beweer dus dat zij zoowel naar recht als naar
billijkheid door de regeering als publiek-eigendom
kunnen worden teruggenomen en als zoodanig kunnen
worden geëxploiteerd ten bate van het publiek en
het nageslacht. Een vergoeding aan de beweerde
tegenwoordige eigenaars zou slechts een kwestie
zijn van gunst, niet van recht.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Ongezonde woningen en levenver-
woestende bedrijven.x)
Het groote verschil tusschen stad- en landbewoners,
wat den levensduur en de onderhevigheid aan infectie-
ziekten betreft, is statistisch bekend en er zijn gezond-
heidscommissies en inspecteurs aangesteld om over
de ergste gevallen verslag uit te brengen. De plaatse-
lijke overheden hebben de bevoegdheid om de eigenaars
*) Wallace geeft alleen voorbeelden aan Engelsche toestanden
ontleend. Daar in het algemeen in alle beschaafde landen de toe-
standen dezelfde of gelijksoortig zijn, achtte ik het niet noodzakelijk
om, waar 't mogelijk zou zijn geweest, de Engelsche gegevens door
Nederlandsche te vervangen. (.Voo/ p. </. vertaler).
-ocr page 44-
30          OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
van ongezonde woningen te dwingen ze te verbeteren
of zelfs ze geheel te doen herbouwen. Maar aangezien
vele leden dier plaatselijke commissies en colleges
dikwijls zelf eigenaar van dergelijke perceelen zijn
of althans goede vrienden onder hun eigenaars be-
zitten, is er al heel weinig gedaan om het euvel te
genezen. Steeds maar hebben in alle deelen van het
land, de gezondheids-inspecteurs trouw hun verslagen
uitgebracht, en steeds zijn die verslagen genegeerd.
In sommige gevallen, als de inspekteur te zeer bleef
aandringen, werd hem verzocht zijn ontslag te nemen
of werd het hem ongevraagd gegeven. Ik wil hier
een paar algemeene cijfers geven.
Bij de laatste volledige volkstelling (1901) waren
er in Engeland en Wales 7,036,868 woningen, waar-
van 3,286,526, of bijna de helft, slechts één tot vier
vertrekken bezaten. In Londen hadden van 1,019,646
woningen er 672,030, dus aanzienlijk meer dan de
helft, één tot vier vertrekken, terwijl er niet minder
dan 150,000 éénkamerwoningen zijn, waarin 313,298
menschen leven, dat is gemiddeld 2x/4 per vertrek.
Ongeveer 20,000 personen huizen bij vijf in één kamer,
en nog eens 20,000 bij zes, zeven of acht. Aangezien
de meeste dier éénkamerwoningen kelders of zolders
zijn van huizen in de dichtstbevolkte buurten van
groote steden, waar de lucht onzuiver, het licht slecht
en het water schaarsch is, kan men zich den toestand
van hen die er leven voorstellen, of liever niet voor-
stellen, tenzij men ze zelf onderzocht heeft.
Even onmenschelijk, onzedelijk en zelfs misdadig
is de verwaarloozing van alle eenigszins doeltreffende
maatregelen ter beperking van de kindersterfte, die
het gevolg is van overwerking, armoede en honger
der moeders in verband met overbevolkte en ongezonde
woningen. In den krankzinnigen wedloop naar rijk-
-ocr page 45-
8 WONINGEN, BEDRIJVEN EN GEZONDHEID        31
dom door de kapitalisten en ondernemers hebben zich
onze steden allengs ontwikkeld tot een waren moord-
kuil voor de armen. Men weet dit reeds bijna een eeuw
en toch is er nog niets werkelijk afdoends tegen gedaan,
niettegenstaande alle gezondheids-wetgeving.... die
krachteloos wordt gemaakt door de vrees om de
ontzaglijke winsten van fabrikanten en krot-eigenaars
te verminderen. Een van de arbeiders-bladen vestigt
onze aandacht op de onderstaande cijfers omtrent
de kindersterfte in 1911:
Deptford, East Ward (armen)
Deptford, West Ward (rijken)
Bournville, Tuinstad
St. Mary's Ward, Birmingham
197    per     1000
68      ».          ,,
65      ..
33i      »          ,,
Dergelijke toestanden bestaan overal in het land.
Er is over gesproken en zij zijn betreurd gedurende
minstens de laatste halve eeuw. Maar wie heeft de
100,000 kinderen vermoord die jaarlijks sterven
vóór zij een jaar oud zijn? Wie heeft de millioenen
die nog net blijven leven beroofd van al wat een jeugd
gelukkig kan maken: goed voedsel, frissche lucht,
spel, rust, slaap en behoorlijke opvoeding en onder-
wijs? En weer moeten wij antwoorden: ons Parlement,
dat zich met alles bezig houdt behalve met een direkt
sparen van menschenlevens en de opheffing van de
wijdverspreide menschelijke ellende die zeer goed
op te heffen ware. En dit alles uit vrees de rijken
en machtigen te kwetsen door een geringe vermindering
van hun steeds toenemende rijkdommen. Geen denkend
man of vrouw kan gelooven dat deze staat van zaken
werkelijk geheel ongeneeslijk is en de voortdurende
berusting er in, terwijl men terzelfder tijd luide pocht
op onze beschaving, onze wetenschap, onze nationale
welvaart en ons Christendom, wijzen op een huicheU
-ocr page 46-
32           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
achtig gebrek aan nationale zedelijkheid, grooter
dan er ooit in vroeger eeuwen heeft bestaan.
Een nieuw reeks van kwalen vond zijn oorsprong
in de verschillende zoogenaamde „ongezonde be-
drijven" — het loodglazuur in de porcelein-industrie,
het staalstof bij de messenmakerij en de eindelooze
verscheidenheid van vergiftige vloeistoffen en dam-
pen in de talrijke chemische fabrieken of procédés,
waarbij zoo groote fortuinen verdiend zijn. Bij elkaar
zijn zij oorzaak van een groot direkt verlies van men-
schenlevens en een nog veel grootere blijvende schade,
gepaard aan een schrikwekkende verkorting van den
levensduur, den arbeiders in deze bedrijven toege-
voegd. En toch is er nog maar slechts in één geval
— dat van de phosphorlucifers — aan zulk een scha-
delijk bedrijf een eind gemaakt. In volle bewustheid
verkiest men rijkdom boven menschelijke gezondheid
en geluk.1)
Een van de meest moordende bedrijven schijnt
onopgemerkt te zijn gebleven tot het aan het licht
gebracht is door het arbeidersblad „The Daily Citizen"
in een reeks artikelen van Keighley Snowden onder
den titel ,,The broken Women" (Gebroken Vrouwen).
Nooit was een titel beter toepasselijk dan deze, die
slaat op de drommen van jonge vrouwen en meisjes
die te Lye en Cradley Heath gebruikt worden in de
zoogenaamde Holwaren-industrie (Hollow Ware).
Men verstaat hieronder het vertinnen, of zooals men
het gewoonlijk noemt, galvaniseeren, van emmers
en andere huishoudelijke gereedschappen, waarbij
lood gebruikt wordt en welke werkzaamheid een van de
hevigste vormen van loodvergiftiging veroorzaakt.
!) In R. H. Sherard's boek „The White Slaves of England" (De
blanke slaven van Engeland) vindt men een overzicht van sommige
dier moordende bedrijven.
-ocr page 47-
8 WONINGEN, BEDRIJVEN EN GEZONDHEID          33
De verschijnselen zijn, onder andere meer pijnlijke,
het uitvallen der haren, het loslaten en ten slotte
algeheele verlies der tanden; en zij loopen uit op een
chronische ziekte of op den dood, soms binnen een
paar maanden of jaren. Vijf jaar geleden werd er
door het Home-Office1) een zorgvuldig onderzoek
gehouden en vastgesteld dat het gevolgde procédé
levensgevaarlijk was, dat geen voorzorgsmaatregelen
het onschadelijk konden maken en dat het geheel
en al behoorde te worden verlaten.
Vanwege het Home-Office werd daarop gelast dat
na een bepaalden tijd (twee jaar) het procédé niet
meer mocht worden toegepast, maar dit bevel is
tot op dezen dag niet gehoorzaamd, behalve door
slechts enkele ondernemers. Het moordende karakter
van dit werk ging nog bovendien gepaard met ellendig
lage loonen, wat wel blijkt uit het feit, dat de arbeid-
sters ten slotte moesten staken om een loon van 10
shillings (zes gulden) per week te verkrijgen. Gehol-
pen door een paar menschenvrienden zijn zij er wer-
kelijk in geslaagd dit ellendige loon te veroveren en
zoo leven zij op het oogenblik in een toestand van
betrekkelijk geluk ! Hoelang het zal duren eer de
regeering dit moordende procédé afschaft, is niet
te zeggen. Het volgende is een kort verslag van wat
deze arme vrouwen moeten lijden. Het is een uit-
treksel uit „The Daily Citizen" van 20 November 1912.
„Zij hadden, zonder bij machte te zijn weerstand
te bieden, herhaalde en onmeedoogende loonsver-
lagingen moeten verduren. Zij hadden hun industrie
door roekelooze concurrentie van lorrige produkten
zien dalen tot een peil waarbij mannen niet langer
in staat waren genoeg te verdienen om hun gezin te
) Home-Office, Ministerie van Binnenlandsche Zaken
-ocr page 48-
34            OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
onderhouden. Zij hadden gezien hoe hun vrouwen,
dochters en zoons door den honger thuis naar de
werkplaatsen werden gedreven, waar, zooals de offi-
cieele enquête heeft aangetoond, hun gezondheid
als door vampyrs uit hun lichaam werd gezogen.
Zij hadden de invoering en groei gezien van het ,,stint-
systeem"1) waaronder jongens, meisjes en moeders
werden afgejakkerd als slaven onder de zweep, terwijl
hun loon er door daalde tot een penny (5 cent) per
uur. En daarbij leefden zij in de hutten en holen van
een stad, die alleen passend beschreven kan worden
als een van de smerigste vuilnisbelten van een bescha-
ving, die geen vuil schuwt zoodra er slechts sprake
is van winst."
Zij die weten willen welke verschrikkingen er heden
ten dage in Engeland bestaan, moeten Snowden's
artikelen over dit onderwerp maar eens lezen. Zij
zijn beheerscht van taal en geven de naakte feiten,
door een nauwgezet persoonlijk onderzoek aan het
licht gebracht. Dat zulke dingen nog steeds voor-
komen in een land dat er aanspraak op maakt beschaafd
te zijn, zou ongeloofelijk schijnen, ware het niet
dat er nog zoovele andere dingen van denzelfden aard
en haast even erg bestonden.
In het zeer volledig werk „Diseases of Occupa-
tion" (Beroepsziekten) van Sir Thomas Oliver (1908)
wordt de „Holwaren-industrie" in het „Zwarte land"
bij Birmingham slechts kort behandeld. Maar de
tinblad-industrie in Zuid-Wales wordt uitvoeriger
beschreven en zij vertoont denzelfden deerniswaar-
digen toestand der arbeidsters en dezelfde verschrik-
kelijke gevolgen voor gezondheid en leven. En toch
schijnt er niets hoegenaamd door de fabrikanten
*) Stint = bepaalde hoeveelheid, aangewezen taak. (Noot v. d.
vertaler).
-ocr page 49-
8 WONINGEN, BEDRIJVEN EN GEZONDHEID       35
te worden gedaan en niettegenstaande twee inspek-
teurs van het Home-Office van 1888 af uitvoerig
over deze gruwelen hebben gerapporteerd, schijnt
er geen notitie van te zijn genomen en geen enkele
regeering heeft zich bemoeid met arbeidsvoorwaarden,
die een schande voor de beschaving zijn.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Vervalsching, omkooperij en
spekulatie.
Na de verschrikkelijke nationale misdaad der moor-
dende bedrijven is het haast een anticlimax de vele
uitingen van oneerlijkheid en valschheid, die ons
commercieele systeem in al zijn deelen doordringen,
op te sommen. Haast ieder produkt, hetzij katoen,
linnen, wol of zijde, is zoo handig en in zoo hooge
mate vervalscht door vermenging met goedkooper
materiaal, dat de zuivere stof, zooals die door onze
grootouders werd gebruikt, nauwelijks meer te krijgen
is. Een enkel voorbeeld. Katoen werd achtereen-
volgens vervalscht met „pap" en talk en daarna
met de nog goedkooper Chineesche klei en lijmwater
en in sommige gevallen werden produkten, voor 50 %
tot 90 % uit deze laatste stoffen bestaande, als „katoen"
uitgevoerd naar landen, bewoond door wat wij „wilden"
noemen. Deze lieden ontdekken dan het bedrog eerst
wanneer een noodzakelijke wasch of een tropische
regen het goed in een flodderig en waardeloos vod
veranderen, zooals ik dit zelf heb bijgewoond in
sommige gedeelten van den Maleischen Archipel.1)
') Deze feiten worden genoemd in de negende uitgave der „En-
cyclopaedia Britannica." In latere uitgaven is het artikel „VervaU
-ocr page 50-
36          OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Nog erger haast is de vervalsching van bijkans
alle levensmiddelen — het kleurig suikergoed dat onze
kinderen zoo aanlokt inkluis — met verschillende
chemische stoffen, die dikwijls schadelijk en soms
zelfs noodlottig zijn voor de gezondheid; terwijl
zelfs de drogerijen, die wij innemen met de bedoeling
ons van allerlei kwalen te genezen, dikwijls zoo worden
behandeld dat zij öf geheel nutteloos óf schadelijk
zijn. Naast dezen vorm van oneerlijkheid staat wat
men gewone afzetterij kan noemen: bedrog omtrent
den aard en vooral de kwantiteit der verkochte goe-
deren. Garen en lappen zijn gewoonlijk korter of
smaller dan aangegeven, daar zij dan bij de enorme
hoeveelheden waarin zij in onze groote winkels ver-
kocht worden, ruimer winst opleveren.
Vervolgens heerscht er een wijdverspreid systeem
van omkooperij van bedienden en ander personeel,
met de bedoeling meer klanten of contracten te ver-
krijgen en ofschoon deze omkooperij een misdrijf
is en een menigte inspekteurs en ambtenaren noodig
is om de bedrijvers op te sporen en hun schuld te
bewijzen, hebben toch zoo weinig menschen de moeite
en het verlies aan tijd en geld, dat er toe noodig is
de wet in beweging te brengen, er voor over, dat een
zeer groot percentage van deze misdrijven onontdekt
en ongestraft blijft.
Maar nog een andere en ernstiger vorm van plun-
dering van het publiek wordt in praktijk gebracht
door de Naamlooze Vennootschappen, waarvan Enge-
land en Wales er thans 50,000 bezitten. In het jaar
1911 was het aantal nieuw opgerichte vennootschappen
5,959, terwijl er 4,353 ophielden te bestaan; een
sching" (Adulteration) beperkt tot levensmiddelen en drogerijen.
In „Chambers' Encyclopaedia" echter komen ook katoen, linnen en
wol onder de vervalschte produkten voor.
-ocr page 51-
9 VERVALSCHING, OMKOOPERIJ, SPEKULATIE 37
aangroeiing dus van 1,606 in één jaar. De „Limited
Liability Act" (wet op de beperkte aansprakelijkheid)
werd in 1855 aangenomen met de bedoeling dat nu
het publiek zijn spaarpenningen in de vennootschappen
zou kunnen beleggen en zoodoende zou kunnen deelen
in de winsten van onze industrie en handel. Men meende
dat het geheel in den haak was dat iemand voordeel
kon trekken uit het werk en de vlijt van anderen,
doch in waarheid is dit absoluut onzedelijk en is het
dan ook uitgeloopen op een omvangrijk stelsel van
zwendel en op vreeselijke verliezen voor de onnoozele
beleggers. De promotors, directeuren, secretarissen
en bankiers van deze maatschappijen winnen altijd,
maar de aandeelhouders verliezen dikwijls en de
ellende van hen die hun karig inkomen dwazelijk
hoopten te vermeerderen en tot deelneming verlokt
werden door de klinkende namen van welbekende
mannen onder directeurs en commissarissen, is on-
berekenbaar.
Onze banken dienen op groote schaal voor niets
anders dan spekulatie, een vorm van dobbelen, die
door zijn groote verbreiding en omdat hij onder een
schijn van zakelijkheid zich vertoont, misschien
nog verderfelijker is dan eenige andere. Maar dit
dobbelen kan ongehinderd zijn gang gaan en wordt
algemeen als een volkomen eerlijke zaak beschouwd,
terwijl het gewone wedden bij wedrennen »n andere
vormen van direkt dobbelspel op huichelachtige
wijze worden veroordeeld als onzedelijk en misdadig.
Ook de enorme produktie voor den buitenlandschen
handel in levensmiddelen of grondstoffen voor onze
industrieën dient slechts tot voorwerp van een speku-
latie, erger dan de wereld misschien ooit heeft gezien.
Van de op en neer gaande prijzen van koren of katoen,
steenkolen of petroleum, ijzer en andere metalen
-ocr page 52-
38           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
op de wereldmarkten, worden door een groot aantal
dobbelaars, die niet alleen de goederen die zij koopen
niet noodig hebben, maar ze zelfs nooit te zien of in
hun bezit krijgen, op twee wijzen partij getrokken.
De gewone spekulant, die koopt wanneer de prijzen
laag staan en later weer met winst verkoopt, zonder
zelf bij machte te zijn invloed op rijzen of dalen van
den prijs uit te oefenen, is een zuivere dobbelaar,
die meent dat hij de kansen van den marktprijs in
de onmiddellijke toekomst kan voorzien. Maar de
groote kapitalisten die, hetzij alleen of in vereeniging,
(zoogenaamde ringen) bepaalde produkten op zóó
groote schaal opkoopen dat zij een schaarschte op
de markt veroorzaken, welke dan tot aanzienlijke prijs-
stijging leidt, zijn eer vernuftige roovers dan dobbe-
laars, omdat zij door hun monopolie op handige wijze
uit te buiten, dikwijls nog met behulp van valsche
geruchten in wijdverspreide bladen waarvan zij eigenaar
zijn of die zij hebben omgekocht, in staat zijn enorme
winsten te behalen ten koste van hen, die wel genood-
zaakt zijn terwille van hun bedrijf of voor dagelijksch
gebruik, het bewuste artikel te koopen. Dit is een
van de methoden waardoor de groote millionairs en
multimillionairs der aarde hun rijkdommen ophoopen:
iedere cent er van is verkregen ten koste van het
consumeerende publiek.
tv* " zeker even onzedelijk als welke ook van
de meest geliefkoosde vormen van zwendelarij, zooals
spelen met gemerkte kaarten en met lood bezwaarde
dobbelsteenen of opzettelijk verliezen in een wedren.
Toch worden de bezitters van zulken rijkdom ge-
woonlijk gehouden voor verstandige zakenmenschen,
op wier zedelijkheid niets valt aan te merken.
Al deze tegenstrijdigheden in de zedelijke waar-
deering van verschillende soorten van dobbelen of
-ocr page 53-
9 VERVALSCHING, OMKOOPERIJ, SPEKULATIE        39
oneerlijke spekulatie vloeien voort uit onze ingeroeste
gewoonte slechts op bepaalde gevallen te letten,
die wij elk naar het vermeende nut van hun gevolgen
beoordeelen, inplaats van naar fundamenteele begin-
selen te kijken. Wanneer is dobbelen onzedelijk?
Niet wanneer het een kansspel is dat men zuiver
voor zijn genoegen speelt, zelfs al speelt men om een
klein geldbedrag dat voor geen der spelers van belang
is. Het fundamenteele kwaad ontstaat eerst wanneer
het misbruikt wordt om rijkdom of een inkomen
te verwerven, en wel om reden dat wat de een wint
een ander verliest. Het sociale kwaad van het dobbelen
berust daarop, dat wie op zulk een wijze rijkdom ver-
werft niets nuttigs bijdraagt tot het sociale lichaam
waarvan hij een gedeelte vormt. Als aan ieder kind,
op iedere school of college, geleerd werd dat het
moreel slecht is voor wie ook te leven van den gezame-
lijken arbeid zijner medemenschen zonder zelf een
zooveel mogelijk gelijk bedrag van nuttigen arbeid,
hetzij physiek of geestelijk, bij te dragen, zou alle
spekulatie, evengoed als tal van andere nuttelooze
bezigheden, als direkte oneerlijkheid en bedrog worden
erkend en dus al heel spoedig als onzedelijk en ver-
werpelijk worden beschouwd.
Wij zien dus dat het geheele commercieele leven
van ons land — onze onmetelijke fabrieken, onze
ontzaglijke in- en uitvoer, onze binnenlandsche handel,
onze groot-inkoop en detailverkoop, de tallooze
transacties onzer bankinstellingen — doordrongen
is van verschillende vormen van oneerlijkheid, dobbe-
larij en directe berooving van individuen of van het
publiek. Geen klasse is er geheel en al vrij van en
van jaartiental tot jaartiental neemt het euvel toe, in
dezelfde mate als onze veelgeroemde handel en
opeengehoopte rijkdom toenemen.
-ocr page 54-
40          OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Ik heb hier op deze onzedelijke praktijken de aan-
dacht gevestigd omdat zij zoo dikwijls over het hoofd
worden gezien. Toch is hun bestaan officieel erkend
door de talrijke Koninklijke Commissies en parlemen-
taire en andere verslagen, evenals door de honderden
van wetten waarin de opeenvolgende parlementen
zich er mee bezig hielden en die, stuk voor stuk,
geheel of gedeeltelijk zonder uitwerking bleven.
De reden van deze mislukking is, dat altijd slechts
symptomen en afzonderlijke feiten werden beschouwd,
terwijl naar de dieper liggende oorzaken van het
geheele omvangrijke maatschappelijke bederf niet
werd gezocht of, zoo zij al bekend waren, deze kennis
nooit invloed op de wetgeving had.
TIENDE HOOFDSTUK.
De inrichting onzer justitie is
o n z e d e 1 ij k.
Wanneer wij lezen over Turksche of andere Oos-
tersche rechtspraak, waarbij directe omkooperij van
alle ambtenaren, tot den rechter zelf inkluis, een
regelmatig verschijnsel is, zijn wij verontwaardigd
en plegen ons te verheffen op het feit dat onze eigen
rechters onomkoopbaar zijn. En toch komt het ook
in Engeland vrijwel op hetzelfde neer. Men kan geen
enkelen stap doen om recht te krijgen zonder fooien
te geven, terwijl een aanklacht of de verdediging
van een zaak iets zoo absurd ingewikkeld is dat het
haast niet is te gelooven. Jeremias Bentham heeft
dezen toestand bespot door te schilderen hoe een
vader van een groot gezin een geschil tusschen twee
zijner zoons beslechtte volgens den gebruikelijken
-ocr page 55-
10 DE ONZEDELIJKHEID ONZER JUSTITIE           41
juridischen weg. Hij wilde geen van beiden zelf onder-
vragen, maar elk van hen moest zijn lezing van het
geval vertellen aan een vreemde (een procureur)
die het opschreef en daarna een anderen vreemde
(een advokaat) opdroeg het den vader (als rechter)
en twaalf buren (de jury) mee te deelen. Vervolgens
vroegen deze laatste twee vreemden (de advokaten)
die de feiten alleen uit de derde hand kenden, allerlei
aan de andere leden van het gezin, die er iets van
wisten; en trachtten de getuigen net zoo lang zichzelf
te doen tegenspreken of te doen erkennen dat zij bij
een andere gelegenheid even verkeerde dingen gedaan
hadden, dat de jury heel en al in de war raakte en
dikwijls maar vonniste zooals de knapste advokaat
het haar voorzei.
Zóó is inderdaad het systeem onzer hedendaagsche
rechtspraak. Het is in hooge mate onrechtvaardig,
omdat de partij die het meeste betalen kan voor de
diensten van den knapsten raadsman, naar alle waar-
schijnlijkheid door diens handigheid en welsprekend-
heid een vonnis te haren gunste verkrijgt. En toch
heeft protest tegen dit onrechtvaardige en absurde
stelsel, dat ten eenenmale alle recht uitsluit voor den
arme die door een rijke wordt onderdrukt, geen uit-
werking. Men zou zoo denken dat het van zelf spreekt
dat recht ophoudt recht te zijn wanneer men er voor
moet betalen. Maar het stelsel is zoozeer door den
tijd geheiligd, het beroep van advokaat zoo geacht
en zijn belooning zoo groot, dat het nooit zal worden
verlaten, voordat er in ons maatschappelijk systeem
die fundamenteele verandering zal plaats grijpen,
die de grondoorzaak van haast al onze rechtsgedingen,
onzedelijkheid en misdaad, in den wortel aantast.
Zoowel in ons strafrecht als in ons burgerlijk recht
en rechtspraak heerscht dezelfde onrechtvaardigheid.
Maatschappelijke omgeving. 4
-ocr page 56-
42           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Wanneer een arm man beschuldigd wordt van ook
maar de geringste overtreding en door de politie voor
den rechter gebracht wordt, zal hij, zelfs al is hij vol-
komen eerlijk en achtenswaard, van het eerste oogen-
blik af behandeld worden alsof hij schuldig was.
Verkeer met zijn vrienden wordt hem dikwijls ontzegd,
en als de beschuldiging van ernstigen aard is, wordt
hij net zoo lang gevangen gehouden tot men bewijzen
tegen hem heeft opgespoord of desnoods gefabri-
ceerd. De ervaring leert dat dit laatste dikwijls voor-
komt en herhaaldelijk volkomen onschuldige menschen
worden gestraft. De uitspraak der wet, volgens welke
een Engelschman voor onschuldig behoort te worden
gehouden totdat zijn schuld bewezen is, wordt geheel
averechts toegepast; de beklaagde wordt behandeld
als schuldig totdat hij, tegenover een overstelpend
bezwarend materiaal, zelf zijn onschuld weet te be-
wijzen. Dit feit is in geen enkel opzicht te veront-
schuldigen en tenminste behoorde ieder man die een
tehuis of een vasten werkkring heeft, onmiddellijk
op eigen borgstelling (recognizances) te worden vrij-
gelaten.
Even onrechtvaardig en barbaarsch is het stelsel
van geldboeten, dikwijls voor slechts formeele over-
tredingen, met het alternatief van hechtenis. Voor
den welgestelde of den beroepsmisdadiger is die boete
een kleinigheidje, maar voor den armen drommel,
die beschuldigd wordt van dronkenschap, bedelarij,
slapen in een hooiberg of dergelijke daden die geen
werkelijke misdrijven zijn, is de gewone straf van
10 shillings (6 gulden) boete, subsidiair een week
hechtenis, terwijl misschien vrouw en kinderen in
gebrek achterblijven of naar het werkhuis moeten,
een straf oneindig onzedelijker dan de overtreding
zelf.
-ocr page 57-
10 DE ONZEDELIJKHEID ONZER JUSTITIE             43
Ook onze Armenwet (Poor Law), zooals zij gewoon-
lijk wordt toegepast, is in de hoogste mate onzedelijk.
Ziehier wat een bevoegd autoriteit, Sidney Webb,
er van zegt:
„Voor de voeten der geheele arbeidende klasse
gaapt de afgrond van de Armenwet. Ik zie voor mij
een achtenswaardig gezin, dat om steun vraagt.
Wat doen wij met dat gezin? Wij, d.w.z. de regeering
van Engeland, rukken het uiteen. Wij berooven elk
lid van al wat het leven levenswaard maakt. Als de
man het werkhuis betreedt wordt hem zijn burgerschap
ontnomen, wordt hij gebrandmerkt als onwaardig
zijn stem op een parlementslid uit te brengen. Een-
maal in het werkhuis zetten wij hem aan den arbeid
of aan het luieren onder zoo demoraliseerende omstan-
digheden dat we hem zedelijk tot een wrak maken.
De vrouw berooven wij van haar kinderen. We sturen
haar naar de waschtobbe of de naaikamer, waar zij
samen moet werken met prostituees en idioten. De
kleine kinderen worden, als zij onder de vijf jaar
zijn, naar de kinderkamer van het werkhuis gebracht,
waar zij eveneens door prostituees en idioten worden
opgepast. Daar blijven zij, dag aan dag, zonder ooit
het werkhuis te verlaten, totdat zij oud genoeg zijn
om naar de Armenwet-school te gaan of totdat zij
in hun kist gelegd worden als slachtoffer van de ver-
schrikkelijke sterfte onder de werkhuiskinderen."
Natuurlijk zijn niet alle werkhuizen zoo slecht
als dit. Maar vele zijn het wèl en zijn het geweest
gedurende de driekwart-eeuw van hun bestaan. Mogen
wij er ons daarom wel over verwonderen dat iedere
week een stuk of wat arme en eerlijke ouders zelf-
moord plegen, liever dan hun kinderen te zien ver-
hongeren of van hen gescheiden te worden in het
werkhuis ? De menschen, die wij op deze wijze den
-ocr page 58-
44           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
dood injagen, zijn voor het meerendeel even goed
als wijzelf ; maar toch gaan de „Guardians of the
Poor" (Armbesturen) — welgestelde dames en heeren —
maar week aan week en jaar op jaar voort van die
zelfmoorden aanteekening te houden zonder protest
en blijkbaar zonder eenige wroeging. Zoo doodend is
de uitwerking van lang voortgezette gewoonte.
ELFDE HOOFDSTUK.
Aanw ij zingen van toenemende
zedelijke ontaarding.
In de verslagen van den „Register-General" (Sta-
tistisch bureau) komen een paar statistieken voor
die van bijzonder belang zijn omdat zij duidelijk wijzen
op sommige uitingen van zedelijke ontaarding die
in de laatste halve eeuw zijn toegenomen, tegelijk dus
met de buitengewone vermeerdering van den rijkdom
en ook, zooals ik in de vorige hoofdstukken heb aan-
getoond, met verschillende vormen van nationaal,
economisch en maatschappelijk bederf.
De eerste der bedoelde uitingen is de voortdurende
stijging van het aantal sterfgevallen tengevolge van
alcoholisme in verhouding tot de bevolking sinds het
jaar 1861. De meeste menschen zullen hierover ver-
baasd staan, omdat de drinkgewoonte toch zeker is
afgenomen; maar wanneer die gewoonte zoo machtig
wordt en zoolang aanhoudt tot zij de direkte aan-
leiding tot den dood wordt, doet zij ons toch het drank-
euvel in zijn meest afschrikwekkenden vorm zien.
De onderstaande cijfers zijn aan de achtereenvolgende
verslagen waarop de jaartallen betrekking hebben,
ontleend:
-ocr page 59-
II ZEDELIJKE ONTAARDING
45
Gemiddelde   Sterfgevallen tengevolge van Alkoholisme
in de jaren:
                                       per millioen levenden:
l86l—1865                                            41,6
1866—1870                                            35,4
1871—1875                                            37,6
1876—1880                                            42,4
1881—1885                                            48,2
1886—1890                                            56,0
1891—1895                                            67,8
1896—1900                                            85,8
1901—1905                                            78,4
1906—1910                                            54,6
Er zijn enkele onregelmatigheden: de verhouding
is ongeveer gelijk gedurende de eerste twintig jaren,
daarna komt er een zoo sterke en voortdurende toe-
neming, dat van 1876—80 tot 1896—1900 de sterfte
is verdubbeld, terwijl de laatste tien jaar weder een
afneming te constateeren valt, die vooral in de laatste
vijf jaar zeer duidelijk is.
Maar een nog erger en verontrustender verschijnsel
is de in den laatsten tijd sterk toenemende sterfte
tengevolge van alkoholisme onder vrouwen. Tot
1876 werden voor de beide geslachten geen afzonder-
lijke cijfers gegeven. De volgende tabel begint daarom
met dit jaar:
Gemiddelde Sterfgevallen tengevolge van Alkoholisme
per millioen
in de jaren:
                                mannen             vrouwen
1876—1880
60,1
24,0
1881—1885
66,6
31-0
1886—1890
73,6
39>2
1891—1895
86,6
50,2
1896—1900
106,2
66,6
1901—1905
9S»o
63,0
1906—1910
66,6
43,6
-ocr page 60-
46           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Deze cijfers, hoe betreurenswaardig en verbazend
ook op zichzelf, zijn niets in vergelijking met wat
zij nog doen vermoeden. Dood door den drank is,
meer dan bij welke andere ziekte ook, wel het aller-
uiterste en zeldzaam voorkomende gevolg van ge-
woonte-misbruik. Mannen en vrouwen kunnen hun ge-
zondheid in hooge mate schaden, hun gezin te gronde
richten en jammerlijke dronkaards zijn, zonder
nochtans er aan te sterven. Welke de verhouding
is van hen die moreel en physiek te gronde gaan door
den drank tot hen die er aan sterven, is niet bekend,
maar ik denk dat één doode op iooo drankzuchtigen
waarschijnlijk een te hooge schatting is en dat één
doode op duizend matige drinkers, die ook wel eens
of zelfs dikwijls dronken zijn, dichter bij de waarheid
komt. Men zou nu meenen dat dit een toeneming van
het alkoholverbruik moest insluiten, terwijl dit in
werkelijkheid verminderd is. Maar hoogstwaarschijnlijk
is die vermindering toe te schrijven aan het feit dat
een zeer groot aantal matige drinkers het gebruik
van alkohol, in welken vorm ook, geheel hebben af-
geschaft.
Aan den anderen kant wordt er, tengevolge van
het toenemend aantal dergenen die alleen tijdelijk
werk vinden in onze groote steden en wier eenige
weelde bestaat in de opwinding van den drank, een
grooter hoeveelheid van goedkoope en met schadelijke
stoffen vervalschte spiritualiën en likeuren verbruikt,
wat, in samenwerking met een gebrek aan gezond
voedsel, meer dan vroeger tot een noodlottig einde voert.
Toeneming van zelfmoord.
Deze toeneming is reeds lang bekend en wordt alge-
meen toegegeven. Men veronderstelt dat zij grooten-
deels het gevolg is van den steeds scherper wordenden
-ocr page 61-
II ZEDELIJKE ONTAARDING
47
strijd om het bestaan in de groote steden, de stijging
der werkloosheid en de vrees voor het werkhuis als
eenig alternatief van den hongerdood. Hieronder
volgen de cijfers van de laatste 45 jaren waarover
officieele gegevens zijn gepubliceerd.
Gemiddelde Sterfgevallen door zelfmoord
in de jaren:
per millioen levenden
1866—1870
66,4
1871—1875
66,0
1876—1880
73,6
l88l—1885
73.8
1886—1890
79>4
l80I—1895
88,6
1896—1900
89,2
1901—1905
100,6
1906—1910
102,2
Een tabel als deze, voor een land dat zoo trotsch
is op zijn enormen rijkdom, op zijn steeds toenemenden
commercieelen bloei, op zijn wonderbaarlijken vooruit-
gang in wetenschappen, kunsten en heerschappij
over de krachten der natuur, mocht ons zeker wel te
denken geven en ons tot de overtuiging brengen dat
er iets radikaal-verkeerds is in het maatschappelijk
stelsel dat dergelijke vreeselijke euvelen voortbrengt.
En dit moest des te eer worden ingezien, waar
dezelfde toeneming valt waar te nemen in al die landen
die ons in rijkdom en commercieelen bloei nabij
komen.
Er is een kategorie van ziekten, die noodlottig
zijn voor kinderen spoedig na hun geboorte. Gedurende
de laatste halve eeuw zijn zij voortdurend toegenomen
en zij moeten hier in het bijzonder genoemd worden,
omdat zij schijnen te wijzen op physieke ontaarding
-ocr page 62-
48           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
zoowel als op persoonlijke onzedelijkheid van gevaar -
lijken en misschien zelfs misdadigen aard.
Gemiddelde Sterfgevallen op iooo geboorten,
in de jaren:
         Ontijdige geboorten Aangeboren ziekten
*86i—1865
11,19
1,76
1866—1870
11,50
1,84
1871—1875
12,60
1,85
1876—1880
13,38
2,39
1881—1885
14,18
3,23
1886—1890
l6,I0
4,20
I&QI—1895
18,40
4,70
1896--I9OO
19,60
4,90
1901--1905
20,20
5,90
1906--I909
20,00
6,60
Deze sterke stijging in de laatste vijfenveertig
jaar van de sterfte onder zeer jonge kinderen, waar-
mee abnormaliteiten van moeder of kind in verband
staan, is zeer kenmerkend. De toeneming in de eerste
reeks kan worden toegeschreven aan een grooteren
afkeer van zwangerschap en mislukte pogingen haar
te vermijden. Doch die in de tweede reeks wijst
op schadelijke invloeden op de moeder, zooals arbeid
in ongezonde of doodelijke bedrijven, die zooals wij
reeds zagen, in diezelfde periode sterk vermeerderden.
Dergelijke arbeid voor jonge getrouwde vrouwen
behoorde in een beschaafde gemeenschap onmogelijk
te zijn.
Over het omvangrijke onderwerp der prostitutie,
waarvan de hedendaagsche beweging tot onderdrukking
van wat men noemt den „handel in blanke slavinnen"
een der uitingen is, wensch ik hier niet uit te weiden,
omdat ik geen statistieken kan vinden die aantoonen
kunnen of zij gedurende de laatste eeuw is toe- dan
wel afgenomen. Maar aangezien alle voorwaarden
-ocr page 63-
II ZEDELIJKE ONTAARDING
49
tot haar ontwikkeling gunstig waren, twijfel ik er
niet aan of zij is in verhouding tot de bevolking toe-
genomen. Deze voorwaarden waren: de enorme
groei der groote steden, het stijgend aantal onge-
huwde en welgestelde jonge mannen, gepaard aan het
enorme aantal meisjes en jonge vrouwen, wier loonen
onvoldoende zijn om hen in een redelijke mate van
levensvreugde te voorzien.
De processen voor de Echtscheidingshoven (Divorce
Courts) toonen ons weer een ander resultaat van
rijkdom en lediggang, terwijl een mijner vrienden,
die langen tijd in Londensche kringen verkeerd
heeft, mij verzekert dat zoowel in de landhuizen
als in de stad nu en dan orgieën worden gevierd, die in
het Rome van de meest verliederlijkte keizers nauwe-
lijks zouden kunnen zijn geëvenaard.
Ook over den oorlog behoef ik niets te zeggen.
Sinds de opkomst van het Romeinsche rijk is hij
altijd min of meer chronisch geweest; maar er is
thans ongetwijfeld een afkeer van den oorlog onder
de beschaafde volken merkbaar. De haast ondragelijke
last der bewapening en daarnaast de schijnheiligste
verklaringen ten gunste van den vrede, bewijzen echter
het haast volkomen ontbreken van alle zedelijkheid
als leidend beginsel bij de heerschende klassen. Met
het oog hierop schijnt de toenemende macht der
Arbeiderspartijen over de geheele wereld het eenige
feit dat hoop geeft op een werkelijken zedelijken
vooruitgang.
-ocr page 64-
TWEEDE DEEL — THEORETISCH
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Natuurlijke teeltkeus bij de dieren.
Terwijl ik bezig was dit boek te schrijven sprak
ik er over bij gelegenheid van een der talrijke inter-
views naar aanleiding van mijn laatsten verjaardag.
Dit leidde tot eenige verkeerde voorstellingen van
mijn denkbeelden en liet mij weer eens zien hoe
weinigen van de gewone dagbladschrijvers eenige
werkelijke kennis bezitten omtrent aard en omvang
der „natuurlijke teeltkeus," vooral wat betreft het
menschelijk ras. Dezelfde onwetendheid bestaat ten
opzichte van „erfelijkheid," welk woord haast tot
een tooverformule geworden is, waarmee de meeste
schrijvers tal van dingen willen verklaren waarop
het in het geheel niet van toepassing is. Waar nu
het onderhavige werk een zeer gedrongen betoog
is, dat voor een belangrijk deel op deze groote natuur-
wetten steunt, stel ik mij voor een tweetal hoofd-
stukken te wijden aan een uiteenzetting van de wer-
king der natuurlijke teeltkeus bij de lagere dieren
en vervolgens bij den mensch.
Dat zulk een uiteenzetting noodzakelijk is kan blijken
-ocr page 65-
12 NATUURLIJKE TEELTKEUS BIJ DE DIEREN SI
uit het onderstaande uittreksel uit een van onze in-
vloedrijkste en bestgeschreven dagbladen, de „Pall
Mali Gazette." Na melding gemaakt te hebben van
mijn meening omtrent de totale rotheid onzer
tegenwoordige beschaving, legt het blad mij de woorden
in den mond: „En het gemiddelde der menschheid
zal zoo blijven totdat de natuurlijke selectie ingrijpt
om haar te redden." (Wat ik den interviewer in
werkelijkheid zeide was: „totdat een of andere vorm
van selectie haar verbetert.") De schrijver gaat dan
als volgt voort:
„Deze woorden moeten den interviewer als een
doodvonnis in de ooren geklonken hebben. Want,
populair gesproken, is de leer der natuurlijke selectie
de leer van „De laatste is voor den duivel." Wanneer
de natuurlijke selectie vrij spel had zouden er geen
commissies voor kinderzorg, geen armenwetten, geen
hospitalen, geen ouderdomspensioenen zijn. Alle
humanitaire pogingen om voor de zwakken te zorgen
en hen op hun levensweg te steunen, iedere poging
om de ontmoedigden op te heffen, alle samenwerking
om gelijkheid onder vakgenooten te handhaven,
worden als kinderachtig of nog erger veroordeeld
door de leer, die volgens Dr. Russel Wallace alleen
in staat is het peil der menschheid te verhoogen.
Zijn eigen geneesmiddelen voor de euvelen der maat-
schappij, de opheffing die hij onmogelijk acht zonder
eerst neer te drukken, de onterving van den ongeboren
erfgenaam, de stakingen die hij toejuicht, de univer-
seele opvoeding die hij voorstaat, dit alles is direct
tegenovergesteld aan de werking der natuurlijke
selectie."
Waar nu al mijn wetenschappelijke vrienden aan
mij de ontdekking der theorie van de natuurlijke
teeltkeus, meer dan vijftig jaar geleden, toeschrijven
-ocr page 66-
52            OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
en waar dit het geheele lezende publiek in noodelooze
herhaling gedurende al dien tijd is ingestampt, klinkt
het vrij vermakelijk nu te moeten hooren dat ik niet
weet wat natuurlijke selectie is, noch wat zij mee-
brengt. Het is wel een treffend bewijs ervoor dat dit
onderwerp thans als zoo oud en algemeen bekend
wordt beschouwd, dat een publiek schrijver het niet
meer noodig acht het eerst nog eens te bestudeeren
vóór hij er zoo beslist en dogmatisch over schrijft.
Had hij dit wel gedaan, dan zou hij mij niet met zulk
een stelligheid meeningen toedichten waarvan ik in
verscheidene mijner werken het foutieve heb aange-
toond.
Ik stel mij dus voor hier een kort overzicht te geven
van de wezenlijke verschijnselen der natuurlijke
teeltkeus; hoe zij is te werk gegaan bij de evolutie
der haast eindeloos verschillende vormen van planten
en lagere dieren, om daarna zoo duidelijk het mij
mogelijk is uiteen te zetten waarom, en in welke
mate, haar werking bij den mensch verschillend is.
Verschil tusschen Lamatckianisme
en Darwinisme.
De eerste groote natuurkundige, die een gedetail-
leerde verklaring gaf van de wijze waarop hij meende
dat de verschillende vormen van dierlijk leven waren
ontstaan, was Lamarck, een tijdgenoot van Buffon
en Goethe, die beiden wel aan een evolutie geloofden,
maar geen verklaring er van gaven hoe die in haar
werk ging. Lamarck evenwel opperde het denkbeeld
dat de verschillende organen der dieren gewijzigd
werden door hun willekeurig gebruik, hetwelk hun ont-
wikkeling in de hand werkte; zooals bijvoorbeeld
de vlugheid van een antiloop toeneemt doordat, ten
gevolge van het vluchten voor den leeuw, zijn pooten,
-ocr page 67-
12 NATUURLIJKE TEELTKEUS BIJ DE DIEREN 53
al vluchtende, sterker worden. Zoo verklaarde hij
den langen hals en de lange voorpooten van den giraf
door het voortdurende uitrekken dezer lichaams-
deelen om in tijden van groote droogte het gebladerte
der boomen te kunnen bereiken. Naast deze zijn ook
andere oorzaken in het spel, zooals beschreven in de
volgende passage, door Sir Charles Lyell vertaald
of weergegeven in zijn „Principles of Geology" (Be-
ginselen der Geologie):
„Iedere belangrijke wijziging in de plaatselijke om-
standigheden waaronder een of andere diersoort
leeft, brengt een wijziging hunner behoeften mee
en deze nieuwe behoeften prikkelen hen tot nieuwe
handelwijzen en gewoonten. Deze handelingen ver-
eischen een meer herhaald gebruik van sommige
lichaamsdeelen, die daarvóór slechts matig geoefend
werden, met het gevolg dat zij zich thans forscher
ontwikkelen. Andere organen daarentegen, die niet
langer gebruikt worden, worden kleiner en ontaarden,
ja gaan soms geheel en al te gronde, terwijl in hun
plaats zich nieuwe organen ontwikkelen voor het
verrichten der nieuwe funkties."
Op een andere plaats zegt hij:
„En zoo worden otters, bevers, watervogels, schild-
padden en kikvorschen niet van zwempooten voor-
zien opdat zij zouden kunnen zwemmen, maar omdat
hun behoeften hen dwongen in het water hun voedsel
te zoeken, spreidden zij de teenen van hun pooten
uit om het water beter weg te duwen en zich snel
langs zijn oppervlakte te kunnen bewegen. Door dit
herhaalde uitspreiden hunner teenen werd de huid
die hen aan het benedeneinde verbond, gewend aan
uitrekking, totdat in den loop des tij ds de breede
zwemvliezen werden gevormd, die thans de teenen
verbinden."
-ocr page 68-
54           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Bij de planten, waarbij geen willekeurige bewegingen
voorkomen, schreef hij de oorzaak der wijziging
bijna uitsluitend toe aan verandering der plaatselijke
omstandigheden, naarmate de verschillende soorten
zich over de oppervlakte der aarde verspreidden.
Hij veronderstelde dat de invloed van bodem, tempe-
ratuur, licht of schaduw bepaalde veranderingen te weeg
bracht, die gelijdelijk toenamen, op dezelfde wijze
als lang in onze tuinen gekweekte planten zich zoo-
danig hebben gewijzigd dat de wilde voorouders er
van thans niet meer zijn te herkennen.
Sir Charles Lyell, die een zorgvuldige studie maakte
van Lamarck's groote werk, merkt uitdrukkelijk
op dat dit geheele betoog vaag en zeer algemeen is
en dat er geen bijzondere voorbeelden worden gegeven,
waardoor wordt aangetoond hoe die beweerde oor-
zaken gewerkt zouden hebben om de ontelbare ver-
anderingen te weeg te brengen, die moeten hebben
plaats gegrepen. Wat echter nog belangrijker lijkt,
is de onmogelijkheid van een verklaring hoe de tal-
rijke kleine aanpassingen van elke soort aan haar
omgeving het gevolg zouden kunnen zijn van de
directe inwerking dier omgeving zelf — zooals bij
planten de oneindige verscheidenheid van den blad-
vorm, van bloemen en vruchten; bij de dieren de
aanpassing van de grootte van de tanden der zoogdieren,
of van de snavels, wieken en klauwen der vogels,
aan het voedsel waarvan zij leven, terwijl de enorme
reeks van kleuren en kenteekenen bij de meeste dier-
groepen van dien aard is dat geen nog zoo sterke
begeerte of oefening aan den eenen kant, noch een
directe inwerking van uitwendige oorzaken aan den
anderen kant, haar met mogelijkheid kan hebben
doen ontstaan. Het is daarom dan ook niet te ver-
wonderen dat, — ofschoon er met een groote mate
-ocr page 69-
12 NATUURLIJKE TEELTKEUS BIJ DE DIEREN           55
van waarschijnlijkheid was aangetoond, dat er ver-
anderingen hadden plaats gegrepen, die tot een evolutie
van soorten uit vroeger bestaande soorten leidden, —
toch de oorzaken dier veranderingen, vooral van die
welke noodig waren om de verwonderlijke aanpassingen
die voortdurend ontdekt werden, te weeg te kunnen
brengen, niet konden worden aangetoond.
Het is noodzakelijk hierop te wijzen, omdat anders
de bijna algemeene verwerping van Lamarck's poging
tot oplossing van het vraagstuk der evolutie, tegenover
de bijna onmiddellijke en algemeene aanvaarding van die
van Darwin, niet zou zijn te verklaren. Het geloof in de
evolutieleer als eenige redelijke verklaring van de
geleidelijke ontwikkeling der tallooze vormen van
levende wezens, werd meer en meer algemeen. De
lange reeks van argumenten die voor haar pleitten
werd op bewonderenswaardige wijze vermeerderd
door Robert Chambers in zijn „Vestiges of Creation"
(Overblijfselen der schepping) dat in 1844 anoniem
verscheen, terwijl Herbert Spencer's meesterlijke uit-
eenzetting van de bewijzen voor een algemeene evo-
lutie een groot aantal natuurkundigen en mannen
van wetenschap overtuigde. Maar toch bleef de aard
der wetten en krachten, waardoor de evolutie der
organische wereld in al haar verscheidenheid en
schoonheid zou kunnen zijn ontstaan, niet alleen
onbekend, maar zelfs onvermoed; zoodat zelfs een
zoo groot denker als Sir John Herschel haar het
„mysterie aller mysteries" noemde. Ik wil thans zoo
kort mogelijk de grondtrekken aanduiden van de
oplossing, die Darwin in zijn baanbrekend en opzien-
barend werk „The origin of species" (Het ontstaan
der soorten) van het mysterie geeft.
r
-ocr page 70-
56           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Natuurlijke selectie als de w e z e n-
lijke factor bij het ontstaan der
soorten.
Er zijn twee groote, algemeene en zeer opvallende
kenmerken der geheele organische wereld die, juist
omdat zij zoo heel gewoon zijn, bijna geheel over
het hoofd gezien werden voordat Darwin hun belang-
rijkheid aantoonde. Deze kenmerken zijn ten eerste:
de groote veranderlijkheid (variabiliteit) bij alle
gewone en wijdverspreide soorten; en ten tweede:
hun geweldig vermogen tot vermenigvuldiging.
Voorbeelden dier veranderlijkheid vindt men in
ieder boek over Darwinisme of organische evolutie;
het is hier voldoende den lezer naar eigen waarne-
ming te verwijzen en slechts een paar zeer teekenende
feiten in herinnering te brengen. Ieder ziet dat er
onder honderd of duizend menschen die hij kent
of herhaaldelijk ontmoet, geen twee geheel op elkaar
gelijken. Dit verschijnsel is „veranderlijkheid." Ieder
weet ook dat het verschil tusschen hen dikwijls zeer
aanzienlijk is en steeds, wanneer men er twee naast
elkander plaatst, gemakkelijk is waar te nemen en
te beschrijven. Men weet voorts dat zij verschillen
in ieder deel of orgaan dat men zien kan: in lengte
en omvang van het lichaam; vorm van handen, voeten,
hoofd, ooren, neus en mond; in de verhoudingen van
armen, beenen en romp; in rijkdom en geaardheid
van het haar — grof of zacht, sluik of krullend en
van alle mogelijke tinten tusschen vlasgeel en diep-
zwart. Te verklaren dat variabiliteit bij mannen en
vrouwen, zelfs van eenzelfde ras en in hetzelfde land,
een zeldzaam verschijnsel zou zijn, ware een be-
lachelijke miskenning der feiten of een opzettelijke
verdraaiing der waarheid. Maar wat dieren en planten
-ocr page 71-
12 NATUURLIJKE TEELTKEUS BIJ DE DIEREN 57
in wilden staat betreft, heeft deze miskenning inder-
daad plaats gehad en zij is als een argument tegen
de theorie van Darwin gebruikt. Het is evenwel thans,
na directe waarnemingen en metingen, duidelijk
bewezen dat ook dieren, wanneer men slechts een
paar honderd exemplaren, zelfs uit dezelfde streek
en in hetzelfde jaargetijde, vergelijkt ten opzichte van
hun afmetingen, ongeveer in dezelfde mate, en in
hun zichtbare onderdeden of organen tot op zekere
hoogte, evenzeer verschillen, als menschen.
Dit was echter nog niet goed bekend toen Darwin
het materiaal voor zijn verschillende werken verza-
melde. Soms zegt hij, zelfs als het ware voorwaarde-
lijk: „wannéér zij varieeren, want zonder variatie
kan de selectie niets uitrichten" en men heeft dit
wel opgevat alsof hij toegaf dat variatie een zeldzaam
inplaats van een algemeen verschijnsel was. Hij
spreekt ook dikwijls van opeenhooping van kleine
of geringe variaties en dit heeft geleid tot de bewering
dat variaties, omdat zij oneindig klein zijn, in het
begin voor hun bezitter ook van geenerlei nut kunnen
wezen in den strijd om het bestaan.
Snelle vermeerdering van alle
organismen.
Dit is een ander natuurverschijnsel dat men steeds
in het oog behoort te houden bij alle beschouwingen
over de werking der natuurlijke teeltkeus. Niettemin
wordt het dikwijls door hen die de theorie kritiseeren
geheel en al over het hoofd gezien. Om een sprekend
voorbeeld te noemen: een niet ongewoon Europeesch
onkruid van het geslacht der cruciferen brengt aan
één plant ongeveer 700,000 zaden voort, waaruit men
kan berekenen dat, wanneer elk zaadje maar gedurende
drie opeenvolgende jaren vrij groeiruimte had, hun
Maatschappelijke omgeving 5
-ocr page 72-
58         OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
gezamenlijke produktie een oppervlakte van ongeveer
2000 maal de geheele landoppervlakte der aarde zou
bedekken. Sommige kleine waterdiertjes, die zich
binnen een paar uur door deeling vermenigvuldigen,
zouden, indien zij maar voedsel vonden, in dienzelfden
tijd een ruimte kunnen innemen gelijk aan die van
het geheele zonnestelsel. Zelfs het grootste en het
langzaamst zich voortplantende van alle bekende
zoogdieren, de olifant, zou, als hem ruimte en vrijheid
tot vermenigvuldiging werd gelaten, gedurende 750
jaar niet minder dan negentien millioen dieren voort-
brengen.
Verreweg het meerendeel der populaire kritieken
op het Darwinisme vergeten voortdurend deze twee
groote natuurverschijnselen: enorme variabiliteit
rondom een gemiddelde van elk deel of orgaan, en
een zoo sterk en steeds aanwezig vermogen tot ver-
menigvuldiging, dat zelfs in het geval van dewervel-
dieren, van hen die ieder jaar geboren worden slechts
een klein gedeelte — een tiende of zelfs maar een
honderdste — het volgend jaar nog in leven is. Wanneer
zij allen bleven leven zou hun aantal voortdurend
moeten toenemen, wat niet het geval is. Uit deze
sterke vermenigvuldiging vloeit voort wat men noemt
,,de strijd om het bestaan" (struggle for live), die
uitloopt op „het overleven der meest geschikten"
(survival of the fittest).
Deze „strijd om het bestaan" richt zich of tegen
krachten van de anorganische of tegen die van de
organische natuur. Onder de eerste rekenen wij
stormen, overstroomingen, hevige koude, langdurige
droogte, geweldige sneeuwjachten enz., die alle hun
schatting eischen van de zwakkere of minder voor-
zichtige individuen eener soort, d.w.z. van hen die
minder in staat zijn dergelijke gebeurtenissen te over-
-ocr page 73-
12 NATUURLIJKE TEELTKEUS BIJ DE DIEREN 59
leven. Bij de beoordeeling hiervan moeten wij steeds
bedenken dat de Natuur op enorme schaal werkt;
en dat, ofschoon er nu en dan een paar zwakkere
individuen in het leven kunnen blijven terwijl er een
paar sterkere te gronde gaan, het toch — wanneer
wij slechts met honderden millioenen rekenen, waarvan
er op iedere honderd ieder jaar negentig of tachtig
onvermijdelijk sterven en dus slechts tien of twintig
millioen in het leven blijven — onmogelijk is aan te
nemen dat die overlevenden (niet in één jaar maar
jaar op jaar gedurende het geheele bestaan van elke
soort) niet in doorsnee beter zouden zijn aangepast
aan de ingewikkelde levensvoorwaarden hunner om-
geving dan zij die bezwijken. Het is een waarheid
die geen bewijs meer behoeft, dat de geschiktste
de andere overleven.
Precies hetzelfde gebeurt met betrekking tot de
organische omgeving, waaraan elke soort evengoed
behoort te zijn aangepast om te kunnen bestaan. De
twee belangrijkste factoren voor het dierlijk leven
zijn: de aanwezigheid van voldoende voedsel gedurende
een aantal opeenvolgende jaren en de mogelijkheid
om aan hun verschillende vijanden te ontkomen.
Wanneer het voedsel schaarsch is zullen de sterksten,
of zij die het snelst kunnen eten en verteren, of zij
die het voedsel op grooter afstand kunnen ontdekken
of het sneller kunnen bereiken, een voorsprong hebben.
Aan hun vijanden ontkomen zij door kracht, vlugheid,
scherpte van gezicht, voorzichtigheid, of door kleuren
die in overeenstemming zijn met hun natuurlijke
omgeving, en zij die deze of andere voordeelen bezitten
zullen op den langen duur overleven. De zwakkere,
minder goed toegeruste of kleinere soorten zijn dikwijls
nog op bijzondere wijze beschermd, bijvoorbeeld
door hun gewoonte om alleen 's nachts uit te gaan,
-ocr page 74-
60           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
of om in holen in den grond te leven; door het bezit
van vergiftige stekels of tanden, van een beschuttend
pantser, of van kleuren die zoo nauwkeurig overeen-
komen met de omgeving, dat zij voor hun voornaamste
vijanden verborgen blijven.
Natuurlijke teeltkeus of het o v e r -
leven der meest geschikte n.
Het is hier de plaats om op te merken dat de uit-
drukking „Natuurlijke teeltkeus of selectie" die zoo
dikwijls verkeerd begrepen werd, aan Darwin werd
ingegeven door de wijze waarop bijna al onze varië-
teiten van kultuurplanten en huisdieren uit hun wilde
vormen, door voortgezette verbetering gedurende vele
geslachten, ontstonden. De methode hierbij gevolgd
is het kweeken of fokken van een groot aantal en dan
de beste uit iedere generatie te „kiezen" tot ouders
van het volgend geslacht. Deze methode, toegepast
door honderden boeren, tuinlieden, honden-, paarden-
en kippenfokkers en vooral door duivenliefhebbers,
heeft tot uitkomst gehad al onze nuttige, schoone en
wonderlijke soorten van vruchten, groenten en bloemen;
sleepers- en renpaarden, hazewinden, patrijshonden
en buldoggen; koeien die een overvloed van de beste
melk en schapen die groote hoeveelheden van de
fijnste wol geven. Al deze soorten werden langzamer-
hand voor de bijzondere doeleinden van den mensen
voortgebracht, maar een dergelijk resultaat werd
door de natuur bereikt door middel van snelle ver-
meerdering, groote veranderlijkheid en voortdurende
vernietiging van alle individuen, die minder goed
bij de levensomstandigheden hunner omgeving waren
aangepast, zoodat alleen de sterksten of de vlugsten,
de het best verborgenen of het meest voorzichtigen,
de het best met tanden, horens, hoeven of klauwen
-ocr page 75-
12 NATUURLIJKE TEELTKEUS BIJ DE DIEREN 6l
gewapenden, zij die het best konden zwemmen, of
die elkaar beschermden door in troepen of kudden te
leven, het langst bleven bestaan en er zoo toe bijdroegen
de volgende generatie nog meer te verbeteren. ,,Over-
leving van de geschiktsten" is de term waarmede
Herbert Spencer het best meent te kunnen weergeven
wat plaats heeft en het is inderdaad een zeer bruikbare
omschrijving, die men steeds in gedachte behoorde
te houden bij het spreken over of het nasporen van
het proces waardoor zich de oneindig verscheidene
en schoone voortbrengselen der natuur hebben ont-
wikkeld. Er is werkelijk geen enkel deel of orgaan
van welk dier of welke plant ook, dat niet door toedoen
dier fundamenteele feiten, vermenigvuldiging en ver-
anderlijkheid, uit een of ander verwant dier of plant
zou kunnen ontstaan.
Het is van belang hier op te merken dat de twee
wezenlijke factoren van het proces der voortdurende
aanpassing bij de omgeving nl.: groote variabiliteit
en snelle voortplanting, geen deel uitmaakten van de
theorie van Lamarck, die door sommigen nog steeds
voor even goed als die van Darwin wordt gehouden.
Even belangrijk is het feit dat, terwijl een uitgebreide
groep van levensverschijnselen, zooals kleuren, wapenen,
haar, schalen en veeren, moeilijk kunnen worden
verondersteld te zijn ontstaan of gewijzigd door eigen
wil of door de directe inwerking der omgeving, zij
wèl stuk voor stuk volkomen verklaard kunnen worden
door de fundamenteele en noodzakelijke processen
van veranderlijkheid en overleving, die langzaam en
voortdurend, maar soms, na lange tusschenpoozen,
met buitengewone hevigheid, in alle levende wezens
werken.
Een van de zwakste en meest dwaze tegenwerpingen
tegen de theorie van Darwin is deze, dat zij de varia-
-ocr page 76-
62           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
biliteit niet verklaart en daarom waardeloos is. Men
zou even goed kunnen zeggen dat Newton's ontdekking
van de wetten der zwaartekracht waardeloos is omdat
noch hij, noch iemand daarna, ook haar oorzaak
ontdekte; of dat de golvingstheorie van het licht
en de warmte waardeloos is, omdat de oorsprong van
den ether, de stof die golft, niet bekend is. Het begin
der dingen kan nooit geweten worden en, zooals
Darwin terecht zegt, het is dwaas den tijd met bespie-
gelingen daarover te verspillen. Ik geloof dat ik in
mijn „World of Life" (Levende wereld) heb aange-
toond dat oneindige variabiliteit een grondwet der
natuur is en dat ik haar vermoedelijke bedoeling
heb aangeduid. Deze bedoeling schijnt te zijn geweest
de ontwikkeling van een levende wereld die haar
hoogtepunt bereikt in den Mensch, een wezen, in staat
om te leeren en te genieten en tot op zekere hoogte
het onmetelijke heelal rond hem te begrijpen, van
het mikroskopische leven in haast iederen waterdruppel
af tot aan de wentelende nevelvlekken op haast on-
denkbare afstanden toe.
Wanneer wij hem zoo beschouwen is de mensch
evenzeer verheven boven en even verschillend van
de dieren die ten onder gaan, als déze verheven zijn
boven en verschillen van de onbezielde massa's mete-
orische stof, die zooals wij thans weten, de schijnbaar
ledige ruimten van ons zonnestelsel vullen en waarvan
kometen en sterren naar alle waarschijnlijkheid
samenballingen zijn, ontstaan door de werking van
de verschillende kosmische krachten, welke overal in
staat schijnen te zijn verscheidenheid en regelmaat te
scheppen uit een meer eenvormigen maar minder
geordenden baaierd.
Maar behalve met dit prijzenswaardig verstand
is de mensch begiftigd met wat wij moreel gevoel
-ocr page 77-
13 TEELTKEUS DOOR DEN GEEST GEWIJZIGD 63
noemen: een nooit rustend besef van recht en onrecht,
goed en kwaad, van orde, schoonheid en waarheid,
dat in zijn geheel zijn zedelijk en aesthetisch karakter
uitmaakt, op welks oorsprong en vooruitgang ik in
dit werk eenig licht wil trachten te werpen. De lange
loop der menschelijke geschiedenis leidt ons tot de
gevolgtrekking, dat deze hoogere natuur des menschen
ontwaakte in een zeer ver verleden en dat zij, ofschoon
zij zich in verschillende richtingen heeft ontwikkeld,
tot dusver het geheele ras nog niet veel schijnt te
hebben verheven boven zijn oorspronkelijken toe-
stand, toen de mensch door instrooming van den
geest der Godheid een „levende ziel" werd.
Wij willen thans enkele van de veranderingen
nagaan die deze hoogere natuur van den mensch
heeft te weeg gebracht in de werking van de wetten
der variatie en der natuurlijke selektie. Zij zijn zeer
belangrijk en nog zoo weinig begrepen, dat haast
alle populaire schrijvers over de toekomst der mensch-
heid er toe komen als wetenschappelijke gevolgtrek-
kingen dingen te constateeren die volkomen tegen-
gesteld zijn aan de werkelijke lessen der evolutie.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Teeltkeus zooals zij door den geest
wordt gewijzigd.
De theorie der natuurlijke teeltkeus, zooals zij
door Darwin werd uiteengezet, slaagde er zoo vol-
komen in den oorsprong van de haast oneindig ver-
schillende vormen der organische wereld, stap voor
stap, gedurende de lange opeenvolging der geologische
tijdperken, te verklaren, dat men als vanzelf veron-
-ocr page 78-
64           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
derstelde dat zij even toepasselijk zou zijn op de mensch-
heid. En men hield dit haast voor zeker toen Darwin
in zijn later werk „The Descent of Man" (Afstam-
ming van den Mensch) door een reeks van overtui-
gende feiten en betoogen bewees dat de physieke
bouw van den mensch in al zijn deelen en organen
in zoo buitengewone mate geleek op dien van de
anthropoïde apen, dat beider afstamming van een
of anderen gemeenschappelijken voorvader waar-
schijnlijk was.
Zoo nauw is deze gelijkenis, dat ieder been en iedere
spier in het menschelijk lichaam zijn tegenhanger
heeft bij de apen, waarbij de verschillen slechts onbe-
duidende wijzigingen van vorm of stand zijn. Toch
leidden deze verschillen tot een zoo verschillende
uiterlijke gedaante, houding en levenswijze, dat wij
de nauwe verwantschap, die werkelijk bestaat, slechts
met moeite herkennen. Deze verwantschap is zoo
groot en onmiskenbaar, dat de groote en conserva-
tieve zoöloog wijlen Sir Richard Owen verklaarde,
dat de groote moeilijkheid voor den anatoom was
eenig belangrijk verschil tusschen mensch en aap te
ontdekken en te bepalen. In de afmetingen, vorm
en omvang der hersenen echter vond Owen voldoende
verschil om den mensch in een afzonderlijke orde der
zoogdieren, die der Bimana of tweehandigen, te plaat-
sen, terwijl alle andere leden van het apengeslacht,
apen, bavianen en lemuren, de orde der Quadrumana
of vierhandigen vormden. Deze klassifikatie is door
de meeste moderne biologen verworpen; zij beschou-
wen den mensch slechts als een afzonderlijke familie
— de Hominidae — van de orde der Primaten, welke
orde alle vierhandige dieren, den mensch inkluis,
omvat.
Wanneer wij evenwel de hersenen als het orgaan
-ocr page 79-
13 TEELTKEUS DOOR DEN GEEST GEWIJZIGD 65
van den geest erkennen en ons juist rekenschap
geven van het volkomen verschil en de enorme supe-
rioriteit van den menschelijken geest, vergeleken met
dien van alle andere zoogdieren, zullen wij toch geneigd
zijn Owen's indeeling als de meest natuurlijke te
aanvaarden. En zij wordt dit voor ons zéker, wanneer wij
er ons rekenschap van geven, welk een enorm werk deze
geest verricht heeft door de werking van die groote wet der
natuurlijke teeltkeus, die in ieder ander deel der orga-
nische wereld oppermachtig heerscht, te wijzigen
en haast geheel op te heffen.
Wij hebben in het vorige hoofdstuk gezien hoe iedere
vorm van organisch leven gedurende heel den loop
der geologische tijdperken onderworpen was aan de
wet der natuurlijke selektie, die onophoudelijk hun
lichamelijken vorm en bouw, uiterlijk en innerlijk
gewijzigd heeft in volkomen aanpassing bij de opeen-
volgende veranderingen der omringende wereld, terwijl
die wereld zelf door hen nauwelijks, zoo wel iets,
werd gewijzigd. Een paar alleenstaande feiten, zooals
de vorming van eilanden door koraalvormende zoöphy-
ten of het dammen van een paar rivieren door den
ruwen, maar zeer merkwaardigen arbeid van den
bever, kunnen nauwelijks als uitzonderingen op
dezen regel worden beschouwd.
Maar zoodra de mensen op aarde verschijnt, zelfs
in de vroege periodes waarin wij eenig bewijs van zijn
bestaan vinden, of in den laagsten staat van wildheid
waarin wij hem thans nog kunnen bestudeeren,
vinden wij hem in staat de natuur te gebruiken, op
haar krachten in te werken en zijn omgeving, zoowel
de anorganische als de organische, te veranderen op
een wijze die een geheel nieuw verschijnsel in de
organische wereld vormt.
Zelfs bij de ruwsten der moderne wilden worden
-ocr page 80-
66           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
gewonden of zieken geholpen, althans met voedsel
en beschutting, en dikwijls ook op andere wijze,
zoodat zij genezen onder omstandigheden die voor
de meeste hoogere dieren noodlottig geweest zouden
zijn. Evenmin behoeft een minder stevige gezondheid
of lichaamskracht, of zelfs het verlies van een der
ledematen of van het gezicht, noodzakelijk den dood
ten gevolge te hebben. De minder geschikten worden
daardoor niet, zooals bij alle andere dieren, uitge-
schakeld en wij zien, voor het eerst in de geschiedenis
der wereld, de groote wet der natuurlijke teeltkeus
tengevolge van de overleving der meest geschikten
alleen, tot op zekere hoogte opgeheven.
Doch dit is slechts de eerste en minst belangrijke
uitwerking door de hoogere vermogens van den mensch
teweeg gebracht. In de geheele dierlijke wereld wordt,
zooals wij gezien hebben, iedere soort in harmonie
met de langzaam veranderende omgeving gehouden
door wijzigingen van haar eigen organen en vermo-
gens, waardoor dan geleidelijk nieuwe soorten ontstaan,
die evengoed bij de nieuwe omgeving zijn aangepast
als hun voorouders waren vóór de verandering plaats
greep.
Bij den mensch evenwel waren dergelijke lichame-
lijke aanpassingen overbodig, omdat zijn zooveel
hoogere geest het hem mogelijk maakte al deze moei-
lijkheden op een nieuwe en geheel andere wijze op
te lossen. Zoodra zijn eigenaardige, speciaal-mensche-
lijke vermogens ontwikkeld waren (en tot op dit
oogenblik weten wij nog niets van hem in een vroegeren
toestand) hield hij op den invloed der natuurlijke
selektie te ondergaan, voorzoover zijn lichamelijken
vorm en bouw betreft. Als gewoon dier beschouwd
bleef hij sindsdien nagenoeg stationair, de veran-
deringen in de omringende wereld hielden op die mach-
-ocr page 81-
13 TEELTKEUS DOOR DEN GEEST GEWIJZIGD 67
tige wijzigende werking op hem uit te oefenen, die
alle andere leden der geheele organische wereld
beheerscht. Om zich te beschermen tegen de grootere
en sterkere zoogdieren maakte hij gebruik van wapenen,
zooals knotsen met steenen knop, houten speren,
pijl en boog en allerlei soorten van vallen en strikken,
die alle buitengewoon doeltreffend zijn wanneer
geheele gezinnen of grootere troepen bij hun gebruik
samenwerken. Tegen de ruwheid der getijden beschutte
hij zich door kleederen van huiden en door een of
anderen vorm van dak of huis waaronder hij des
nachts veilig kon rusten, zonder gevaar voor storm en
regen en de aanvallen van wilde dieren. Door het
gebruik van vuur werd hij in staat gesteld zoowel
wortelen als vleesch genietbaarder en tevens ver-
teerbaarder te maken, waardoor de verscheidenheid
en hoeveelheid van zijn voedsel ver boven die van
eenige andere lagere diersoort toenam. Nog meer:
door den primitiefsten vorm van kweeking gelukte
het hem de beste vruchten, wortelen en knollen,
zoowel als de meest voedzame zaden, zooals die van
rijst en mais, tarwe en gerst, te vermenigvuldigen,
waardoor hij steeds in de nabijheid van zijn woon-
plaats een overvloed van voedsel had om in al zijn
behoeften te voorzien en hem bijna altijd te vrijwaren
tegen schaarschte, hongersnood of noodlottige droogte.
Wij zien dus dat met de komst van den mensch
er een wezen was verschenen waarin die teere kracht,
die wij geest noemen, van veel grooter gewicht werd
dan de zuiver lichamelijke bouw. Ofschoon zijn lichaam
naakt en onbeschut was, gaf zijn geest hem kleeding
tegen de verschillende ruwheden van het klimaat.
Ofschoon niet instaat het hert in snelheid of den
wilden stier in kracht te evenaren, gaf de geest hem
de wapenen om beiden te overwinnen. Ofschoon
-ocr page 82-
68           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
minder geschikt dan de meeste andere dieren om van
de planten en vruchten te leven die de ongeholpen
natuur aanbiedt, heeft dit wonderbare vermogen
hem geleerd de natuur tot zijn eigen voordeel te
beheerschen en te richten en haar gedwongen bijna
overal waar en wanneer hij dit wenscht voedsel voor
hem voort te brengen. Van het oogenblik af dat de
eerste huid als bekleeding werd gebruikt; dat de
eerste ruwe speer werd gemaakt om hem op de jacht
bij te staan; dat voor het eerst een vuur zijn voedsel
kookte; dat het eerste zaad gezaaid of de eerste
stek geplant werd; van dit oogenblik af had een
groote revolutie in de natuur plaats gegrepen, een
revolutie die in geen der voorgaande eeuwen van
de geschiedenis der aarde haar weerga heeft gehad.
Er was een wezen opgestaan dat niet langer onder-
worpen was aan lichamelijke verandering, mee met
de veranderingen van het physisch heelal; een wezen
dat tot op zekere hoogte boven de natuur stond,
voor zoover hij het verstond haar werking te beheer-
schen en te regelen en dat zelf in overeenstemming met
haar kon blijven, niet dooreenige lichamelijke verande-
ring maar door de groote macht van zijn geest.
De hierboven uiteen gezette opvatting omtrent
de overdracht der werking van de natuurlijke teelt-
keus van het lichaam tot den geest bij den primitieven
mensch, was mijn eerste oorspronkelijke wijziging
dier theorie; zij werd in 1864 meegedeeld in de ,,Anthrop-
ological Review." Zij verwierf de goedkeuring
zoowel van Darwin zelf als van Herbert Spencer
en ik ben mij niet bewust dat ooit iemand eenige
fout in het betoog waarop zij rust heeft kunnen aan-
toonen. Dit is zeker van het hoogste belang, omdat
wanneer de theorie waar is, iedere toekomstige belang-
rijke wijziging in de uiterlijke gedaante van den mensch
-ocr page 83-
13 TEELTKEUS DOOR DEN GEEST GEWIJZIGD 69
is uitgesloten, terwijl zij tevens een verklaring geeft
van de volkomen gelijkheid der drie groote menschen-
rassen: het blanke of Kaukasische, het gele of Mon-
goolsche, en het zwarte of Neger-ras, in iedere wezenlijk
menschelijke eigenaardigheid van vorm of bouw.
Bovendien naderen de drie rassen, in hun beste ver-
tegenwoordigers, allen zeer dicht eenzelfde ideaal
van symmetrie en schoonheid. Toch is er zoo weinig
aandacht geschonken aan dit gezichtspunt, dat de
meeste populaire en zelfs enkele wetenschappelijke
schrijvers het voor een uitgemaakte zaak houden,
dat er in dit opzicht geenerlei verschil tusschen den
mensch en de lagere dieren bestaat. Zij nemen aan
dat onze lichamen voorbestemd zijn om in een verre
toekomst en op onbekende wijze te veranderen en dat
de voorstelling als zou er ooit een grens zijn aan de
volmaking van het menschelijk lichaam, slechts een
product der verbeelding is.
Anderen weer zijn zoo doordrongen van de alom-
geldigheid der natuurlijke selektie als een zegenrijke
natuurwet, dat zij er aanmerking op maken wanneer
wij tusschenbeiden komen bij wat zij noemen: de uit-
schakeling der ongeschikten door ziekte en dood;
zelfs wanneer die ziekte veroorzaakt wordt door de
ongezonde toestanden in onze moderne steden of de
ellende en het gebrek, die het gevolg zijn van ons
onredelijke en onzedelijke maatschappelijke stelsel.
Dergelijke schrijvers weten niets van het ontwijfelbare
feit dat liefde, sympathie en medelijden een even
wezenlijk deel der menschelijke natuur vormen als
de hoogere intellektueele en zedelijke vermogens;
dat zij reeds in de vroegste tijdperken der historie
en onder de laagst-staande wilden ten volle tot uiting
komen, niet alleen tusschen de leden van eenzelfde
gezin, maar ook voor den geheelen stam en zelfs
-ocr page 84-
70           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
dikwijls tegenover iederen vreemdeling, die niet een
erkende of ingebeelde vijand is. Het eerste reisverhaal
dat ik mij herinner mij door mijn vader te hebben
hooren voorlezen was dat van Mungo Park, een der
eerste ontdekkingsreizigers van den Niger. Eens
lag hij daar ziek en verlaten en een paar negervrouwen
verpleegden hem, gaven hem te eten en redden hem
het leven. Terwijl hij in hun hut lag hoorde hij hen
buiten zingen over den armen blanke:
„Hij heeft geen moeder om hem melk te geven,
Geen vrouw om zijn graan te malen."
Gastvrijheid is inderdaad een der meest algemeene
menschelijke deugden, in sommige gevallen is zij als
het ware een godsdienst. Zij is een inherent deel
van de „menschelijke natuur" en in direkten strijd
met de strenge wet der natuurlijke teeltkeus, die steeds
alom in het lagere dierenrijk heeft geheerscht. Zij
die aanbevelen de natuurlijke teeltkeus onder ons
vrij spel te laten op grond dat wij anders tegen-natuur-
lijk handelen, zijn volkomen onwetend omtrent
het onderwerp waarover wij spreken. Zij zelf handelen
tegen de natuur, de ongeleerde, onschijnheilige men-
schelijke
natuur. Zij trachten de hoogere natuur
te brengen tot het peil der lagere; de hemel-geboren
menschheid, in wezen slechts weinig lager dan de
engelen, tot het oneindig veel lager peil der dieren,
die te gronde gaan.
De conclusie van het eerste deel van dit werk:
dat het hoogere verstandelijke en zedelijke karakter
van den mensch nagenoeg is blijven stilstaan gedurende
de geheele menschelijke geschiedenis en dat de oorzaak
van dit verschijnsel gelegen was in de afwezigheid
van een of anderen selektieven invloed, in staat het
tot ontwikkeling te brengen; deze conclusie maakt
-ocr page 85-
13 TEELTKEUS DOOR DEN GEEST GEWIJZIGD 71
at noodzakelijk nog eenige verdere verklaring te
even omtrent den vermoedelijken of mogelijken
orsprong dier hoogere natuur en ook van dit bewon-
erenswaardige menschelijke lichaam, dat eveneens
en toestand van durende onveranderlijkheid schijnt
2 hebben bereikt.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
De wetten der erfelijkheid en
omgeving.
Bij de behandeling van de groote vraagstukken der
organische ontwikkeling is er waarschijnlijk geen
jebied waarop zooveel dwaling en misverstand heerscht
ils omtrent den aard en de grenzen der erfelijkheid.
Deze misvattingen komen niet alleen voor in de zeer
populaire geschriften over evolutie, maar zelfs in
die van mannen van wetenschap en van specialiteiten
op biologisch gebied en zij zijn des te belangrijker en
gevaarlijker, omdat hun verspreiders Herbert Spencer,
en in zekere mate ook Darwin kunnen aanhalen
als aanhangers van dergelijke denkbeelden.
Het onderwerp is hier vooral van belang, omdat het
de vraag insluit of de inwerkingen van omgeving,
opvoeding en oefening in eenigerlei mate overdraag-
baar zijn van de door hen gewijzigde individuen op hun
nageslacht; m. a. w. of zij cumulatief zijn of niet.
Dit is inderdaad het veel besproken en voor het leven
zoo belangrijke vraagstuk der erfelijkheid van verworven
eigenschappen. Lamarck nam aan dat de uitwerking
van gebruik of niet-gebruik, een andere vorm van
hetzelfde algemeene verschijnsel, erfelijk was en een
belangrijk deel van zijn geheele evolutieleer berustte
op deze veronderstelling. Zij leek zóó waarschijnlijk
-ocr page 86-
72            OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
en werd blijkbaar door zooveel feiten gesteund, dat
Darwin, evenals de meeste andere natuurkundigen
uit dien tijd, haar zonder nader onderzoek aannam
en dat, toen hij zijn eigen theorie der Pangenesis *)
uitwerkte teneinde de hoofdfeiten der erfelijkheid
te verklaren, zijn veronderstellingen pasklaar werden
gemaakt om ook deze verschijnselen te kunnen
omvatten. Laat ons dus eerst nagaan wat bedoeld
wordt met die „verworven eigenschappen", die door
de ware erfelijkheidstheorie moesten worden verklaard.
Als regel wordt de groote meerderheid der bijzonder-
heden van een of andere soort van dier of plant voort-
durend in de afstammelingen gereproduceerd. De
korte staart van het winterkoninkje, de veel langere
staart van de langstaartige mees, de kuif van de kuif-
mees en van tallooze andere vogels vertoonen, wanneer
zij volwassen zijn, hetzelfde karakter als bij hun
ouders. Men noemt dit ingeboren eigenschappen.
In enkele zeldzame gevallen evenwel worden er
nakomelingen geboren die materieel van hun ouders
verschillen. Zoo bijvoorbeeld wanneer er een witte
merel of een katje met zes teenen verschijnt; maar
ook deze eigenschappen zijn ingeboren en dikwijls
in sterke mate erfelijk. Al deze eigenschappen zijn
onderworpen aan variatie en kunnen daarom door
selektie, hetzij natuurlijke of kunstmatige, worden
gewijzigd en bij huisdieren is de uitwerking van een
dergelijke selektie dikwijls ontzaggelijk. Als voor-
beelden dienen de „pouters" en tuimelaars onder de
duiven, de buldog en de hazewind en de tallooze
hoendersoorten, van al welke bekend is dat zij
*) Theorie, volgens welke alle cellen van het lichaam kleine korrel-
tjes, gemmulae, afzonderen, waaruit de geslachtsstoffen gevormd
worden, zoodat het verklaarbaar is dat hierin ook alte eigenschappen
der ouders in aanleg aanwezig zijn. [Koot v. it. vertaler).
-ocr page 87-
14 DE WETTEN DER ERFELIJKHEID EN OMGEVING 73
door kunstmatige teeltkeus van gunstige variaties
gedurende den loop van vele eeuwen zijn voortgebracht.
En van al deze variëteiten is het karakter in sterke
mate erfelijk.
Eigenschappen die tijdens het leven van het individu
verworven worden tengevolge van een verschil in
gebruik van bepaalde organen of tengevolge van
blootstaan aan licht, hitte, droogte, wind, vocht
etc, zijn vergelijkenderwijs gesproken zeer onbeduidend
en staan dikwijls nog in zoo nauw verband met in-
geboren eigenschappen en met de uitwerkingen van
natuurlijke of kunstmatige teeltkeus, dat het uiterst
moeilijk is zich er zonder zóó zorgvuldige en zóó
lang voortgezette proeven als tot dusver nog niet kon-
den genomen worden, van te overtuigen, of zij in
eenigerlei mate overdraagbaar zijn van de ouders op
hun nakomelingschap en dus cumulatief.
Bijna ieder afzonderlijk geval van vermeende over-
erving van dergelijke eigenschappen, bleek, bij nauw-
gezet onderzoek, op andere wijze verklaard te kunnen
worden; maar er is een zeer groote algemeene waar-
schijnlijkheid, dat indien deze erfelijkheid in geringe
mate bestond, zij toch zeker geen factor van eenig belang
zou zijn in het proces der organische evolutie, waarvan
de factoren alle alomtegenwoordig moeten zijn omdat
het proces zelf alomtegenwoordig is. Ik wil mij daarom
hier bepalen tot een korte opsomming van enkele van
de zeer talrijke gevallen waarin het voortgezet gebruik
een orgaan niet versterkt of verbetert, maar dikwijls zelfs
het omgekeerde plaats heeft; en van andere, waarbij
niet kan worden beweerd dat de werking der omgeving
eenig aandeel, wat dan ook, gehad kan hebben in de
voortdurende verandering of specialiseering van het
bewuste deel of orgaan: Aantal, afmetingen, vorm,
stand en samenstelling der tanden zijn bij alle zoog-
Maatschappelijke omgeving. 6
-ocr page 88-
74           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
dieren buitengewoon verschillend en leveren voor
de geheele klasse de beste kenteekenen op om haar
in families en geslachten te onderscheiden. Zij zijn
daarom van groote beteekenis bij het bepalen der
verwantschap van uitgestorven soorten, omdat de
kaakbeenderen en de tanden, vooral de laatste, het
meest bewaard blijven. Maar aangezien de blijvende
tanden steeds volkomen gevormd worden terwijl -zij
nog in het kaakbeen opgesloten en door het tand-
vleesch bedekt zijn, is het zeker dat de bijzondere
aanpassing der tanden van iedere soort tot het grijpen,
verbrijzelen, scheuren of vermalen van haar eigen-
aardig voedsel met geen mogelijkheid kan zijn te
weeg gebracht door de handeling van het voeden
zelf, welker uitwerking toch haast altijd is de tanden
af te slijten en juist minder bruikbaar te maken. Zulk
een aanpassing kan onmogelijk tot stand zijn gekomen
door gebruik alleen of door eenige andere directe
werking der omgeving. Maar toch hebben enkele
uitnemende palaeontologen, omdat de aanpassing
zoo in het oog vallend is, het voor bewezen verklaard
dat zij door de veranderingen der omgeving is ie weeg
gebracht
en dat zij een zeer sterk bewijs levert voor
de „erfelijkheid van verworven eigenschappen," een
bewering die echter door geen enkel direct bewijs
gestaafd wordt.
Dezelfde tegenwerping is van toepassing op de
meeste zintuigen. Het inwendige gehoororgaan bestaat
uit een zeer ingewikkeld stelsel van beenderen en
vliezen, beschermd door het uitwendige oor, maar
men kan zich zelfs niet verbeelden dat het lang-
zamerhand zich zou hebben ontwikkeld door de wer-
king der luchtgolvingen, waarvan het de trillingen
naar de hersenen overbrengt.
Het oog levert een nog treffender voorbeeld, aan-
-ocr page 89-
14 DE WETTEN DER ERFELIJKHEID EN OMGEVING 75
gezien veelvuldig gebruik het schaadt of zelfs ver-
woest, terwijl bijzondere eigenschappen ervan, zooals
ver- of bijziendheid zonder twijfel aangeboren zijn
en gewoonlijk gedurende het geheele leven blijven.
Zoo kunnen ook de wonderbaarlijk verschillende
snavels van vogels niet door het gebruik ontstaan
zijn en, eenmaal gevormd, blijven zij dan ook onver-
anderlijk. Toch, gezien de zeer groote verschillen
binnen elke soort, varieeren zij gemakkelijk en passen
zij zich door „overleving der geschiktsten" bij nieuwe
levensomstandigheden aan.
Even onmogelijk is het gebruik of niet-gebruik,
of de werking der omgeving, in verband te brengen
met de geleidelijke ontwikkeling of de algeheele
aanpassing bij de omstandigheden der uitwendige
bedekking van haast alle levende wezens — het haar
der zoogdieren, de veeren der vogels, de schalen, de
hoornachtige huid of stevige schilden der reptielen
of de schoon-geribde, gepunte, gedraaide of getorende
en een oneindige verscheidenheid van kleur en teeke-
ning vertoonende schelpen der molusken (week-
dieren). Nog overtuigender voorbeelden biedt het
groote rijk der insekten, van de massieve bewapening
der overal aanwezige kevers, meer verschillend in
vorm, bouw, versiering eti kleur dan eenige andere
groep van levende wezens, tot aan de weer geheel
andere vlinders, die de geheele klasse der vogels
evenaren, misschien wel overtreffen door hun bewon-
derenswaardige gratie en schoonheid, maar bij wier
ontwikkeling en nauwe aanpassing bij hun omgeving
een directe inwerking dier omgeving zelf of de invloed
van gebruik of niet-gebruik met geen mogelijkheid
een rol kon spelen.
De organische natuur is zonder eenigen twijfel
één en ondeelbaar. Zij heeft zich ontwikkeld door
-ocr page 90-
76           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
middel der fundamenteele krachten van leven, groei
en vermenigvuldiging en de even fundamenteele
wellen van variatie, erfelijkheid en enorme toeneming,
welke een voortgezette aanpassing in vorm, bouw,
kleur en gewoonten bij de langzaam veranderende
omgeving ten gevolge hebben. Deze krachten en wetten
zijn algemeen in hun werking en kunnen ten volle
worden toegepast bij de verklaring van het geheel
der verschijnselen die wij thans bespreken. Wij zien
dan dat bij verreweg het grootste deel der levende
wereld iedere wijziging in uitwendigen bouw, vorm
of kleur tijdens het leven van het individu onmogelijk
is, terwijl bij het overschot haar invloed, zoo zij al
bestaat, zeer gering is. Een werkelijk bewijs van de
erfelijkheid dier aldus te weeg gebrachte lichte ver-
anderingen is tot dusver nog nooit geleverd en het
is daarom volkomen overbodig en onlogisch, haar
bestaan aan te nemen en te beweren dat zij eenig
aandeel heeft in het eeuwig-werkende en universeele
proces der evolutie.
Door de geheele reeks van de dierenwereld heen,
vooral in de hoogere groepen, die het dichtst tot ons
naderen, staan geestelijke en physieke eigenschappen
in een zoo onontwarbaar verband met de wetten van
evolutie en erfelijkheid, dat elk van hen, afzonderlijk
bestudeerd, ons tot dezelfde gevolgtrekkingen leidt.
Wij behoeven er ons daarom niet over te verwonderen
dat alle mogelijke dierenfokkers uitgaan van het
beginsel, dat alle eigenschappen van hun verschillende
fokdieren, hetzij lichamelijk of geestelijk, ingeboren
en het gevolg van selectie zijn; terwijl oefening,
ofschoon noodzakelijk om de goede eigenschappen
van het individu te voorschijn te brengen, geen deel
heeft gehad bij het tot stand komen dier eigenschappen.
Wanneer een paard of hond met goeden stamboom
-ocr page 91-
14 DE WETTEN DER ERFELIJKHEID EN OMGEVING 77
bij toeval gekwetst wordt, zoodat hij niet meer regel-
matig geoefend kan worden, wordt hij niettemin toch
voor het fokken gebruikt, zonder dat men eenigszins
maar twijfelt aan zijn vermogen om zijn uitmuntende
eigenschappen op zijn nageslacht over te dragen.
Waar 't het menschelijk geslacht evenwel be-
treft, spreken tal van schrijvers gedachteloos van
een erfelijkheid van kracht of vaardigheid, die het
gevolg zou zijn van een of anderen mechanischen
arbeid of van een bepaald beroep dat, zooals in de
Indische kasten, gedurende geslacht op geslacht
in éénzelfde familie wordt uitgeoefend. Maar van
een voortgaande verbetering is hierbij hoegenaamd
niets te bespeuren. Die kinderen, die een natuurlijken
aanleg voor het werk hadden, werden natuurlijk
de opvolgers hunner ouders en hierbij is in het geheel
niets erfelijk, tenzij alleen die ingeboren aanleg.
Velen verontrusten zich bij de bewering dat de
uitwerkingen van opvoeding en oefening niet erfelijk
zijn en meenen, dat, wanneer dit werkelijk het geval
was, er geen hoop op verbetering van het ras zou be-
staan. Nadere overweging evenwel zal hen leeren
dat wanneer de resultaten onzer opvoeding in den ruim-
sten zin, in huis, werkplaats, natie en eindelijk in de
wereld, inderdaad erfelijk waren, zelfs maar in den
geringsten graad, juist dan weinig hoop voor de mensch-
heid zou bestaan. Geen duidelijker bewijs hiervoor
dan het feit, dat wij niet allen veel slechter zijn dan
het geval is en dat er nog steeds iets van moraal of
menschelijkheid, van liefde tot waarheid en gerechtig-
heid om hun zelfs wil, onder ons bestaat.
Wanneer wij een blik werpen op het verleden der
menschheid, zien wij een haast onafgebroken reeks
van oorlogen en gevechten tusschen de verschillende
rassen, volken en stammen. En wij kunnen vagelijk
-ocr page 92-
78           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
begrijpen dat deze voortdurende strijd leidde tot
een even streng selektie-proces als in het lagere
dierenrijk. Er kan nauwelijks aan worden getwijfeld
dat als gevolg van dezen strijd de physiek sterksten,
die het handigst de wapenen voerden en het best
tot den krijg waren toegerust, overleefden en de zwak-
keren en minder toegerusten óf verdelgd öf door hun
overwinnaars tot slaaf gemaakt werden. Dit nu leidt
tot beurtelings succes en mislukking. Wij zien groote
veroveraars en groote materieele kuituren als een
gevolg van hun opeenhooping van rijkdom en slaven.
Dan bloeiden, voor een poosje, weelde en kunsten,
en daarmee kwamen de heerschers die ontaarding
en bederf bevorderden door hun leven te huis. Ver-
volgens stonden nieuwe veroveraars op, dikwijls van
lager beschaving — barbaren, zooals zij genoemd
werden — maar hooger in eenvoud en huiselijke
deugden en een natuurlijker leven van produktieven
arbeid. Deze, of een gedeelte van hen, kwamen op hun
beurt tot weelde en beschaving, tot een leven van grove
zinnelijkheid en het wreedste despotisme, totdat
de verontwaardigde menschheid weer nieuwe ver-
overaars voortbracht om hetzelfde oude, verschrikke-
lijke spel weer te herhalen.
De bloeitijdperken dier oude beschavingen, die
altijd op verovering, moord en slavernij berustten,
zijn thans nog voor ons kenbaar in de ruïnes van
groote steden, tempels, paleizen, dikwijls van een
wonderbare grootschheid en met aanduidingen van
een kunst, een wetenschap en een literatuur, die
nog in Egypte, Indië, Griekenland en Rome onze
bewondering opwekken. En zij zetten zich voort door
de middeleeuwen tot op onzen eigen tijd. Maar de
onmenschelijkheden en verschrikkingen dier tijd-
perken zijn onnoemelijk. Een duister tafereel er van
-ocr page 93-
14 DE WETTEN DER ERFELIJKHEID EN OMGEVING 79
wordt gegeven in dat machtige boek van Winwood
Reade: „The Martyrdom of Man" (Het martelaar-
schap van den Mensch) en Burns doen zij de regels
schrijven:
„Man's inhumanity to man
Makes countless thousands mourn." *)
Men denke aan de gruwelen in de voortdurende
oorlogen in die dagen vóór het Roode Kruis iets deed
om ze te verzachten. Men denke aan die oude kasteelen,
waarvan velen behalve een kerker ook een betaalden
folteraar en beul hadden. Men denke aan de syste-
matische martelingen der eeuwen; aan de heksen-
processen en de inquisitie. Men denke aan de brand-
stapels te Smithfield en in iedere groote stad van
Europa. Men denke aan
„Truth for ever on the scaffold,
Wrong for ever on the throne." -)
Vrijheid van spreken, zelfs van gedachte, was
overal een misdaad. Maar hoe bleef dan waarheids-
liefde tot op dezen dag als een ideaal leven? Om aan
deze verschrikkingen te ontkomen, moesten de zacht-
moedigen, de goeden, geleerden en vredelievenden
hun toevlucht nemen in kloosters, waar de Kerk,
door middel van het celibaat der geestelijkheid, zooals
Galton het uitdrukt: „door een maatregel, zeldzaam
onverstandig en zelfmoordend, de nakomelingschap
onzer voorouders hielp verdierlijken."
Zóó was de werkelijke opvoeding van den mensch
toen hij uit zijn wildheid tot beschaving opsteeg en
zij ging gepaard met een flinke mate van averechtsche
') Des menschen onmenschclijkheid tegenover den mensch
Doet ontelbare duizenden treuren.
2) Waarheid voor eeuwig op het schavot
Het Kwaad voor eeuwig op den troon.
-ocr page 94-
80           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
selektie tengevolge van de wreede straffen, opsluiting
in gevangenissen, marteling of dood van hen die de
heerschers weerstonden, en met het overleven van juist
de slechtste heeren en tyrannen. Moeten wij er dan
niet dankbaar voor zijn dat deze opvoeding en gewoonte
en al de verschillende invloeden van een dergelijke
■ omgeving niet erfelijk zijn? En is niet het feit dat de
geheele wereld nog niet volkomen ontaard is, dat er
nog steeds iets goeds overblijft in onze zoo wreed
onderdrukte menschelijke natuur, een onweerleg-
baar bewijs er voor dat die invloeden inderdaad niet
erfelijk zijn?
Wanneer wij ons herinneren dat vele dier verlagende
wetten en gebruiken, onderdrukkingen en straffen
tot in onzen eigen tijd hebben bestaan; dat de afschaffing
van den afschuwelij ken slavenhandel en de even afschu-
welijke slavernij nog velen onder ons in het geheugen
ligt; dat het stelsel der loonslavernij, de onder-
scheiding in klassen, de grove onrechtvaardigheid
der wetten, het overwerk der millioenen arbeiders,
de onzedelijke luxe en luiheid van de enkele duizenden
der hoogere klasse bevordert, terwijl veel meer duizen-
den jaarlijks sterven van gebrek aan het meest nood-
zakelijke; dat het leven van millioenen wordt verkort
door oorzaken die gemakkelijk konden voorkomen
worden, terwijl nog eens millioenen hun geheele
leven in een voortdurenden en haast onmenschelijken
arbeid doorbrengen, alleen om de rijken de middelen
tot meerder genot en verderfelijke weelde te verschaf-
fen — wanneer wij ons dit alles te binnen brengen
moeten wij wel verbaasd staan over het feit, dat er
niettemin nog zooveel waarachtige goedheid en men-
schelijkheid onder ons leeft, als zonder twijfel
het geval is ten spijt van alle ontaardende invloeden
die ik zoo juist heb opgesomd.
-ocr page 95-
14 DE WETTEN DER ERFELIJKHEID EN OMGEVING 8l
Voor mij is er maar één aannemelijke verklaring
voor dit zeer merkwaardige en haast ongelooflijke
verschijnsel. Het is deze: dat de goddelijke natuur *
in ons, — dat deel onzer hoogere natuur dat ons
boven de dieren verheft en door welks invloed wij
menschen zijn, — niet kan verloren gaan, zelfs niet
duurzaam kan ontaarden onder hoe ongunstige
omstandigheden of door hoe zinnelooze en slechte
          , ,
opvoeding ook. Zij blijft altijd in ons als het centrale
en wezenlijke deel onzer menschelijke natuur, klaar
om te antwoorden op iedere gunstige gelegenheid
die zich voordoet, te grijpen en vast te houden ieder
brokstuk je van een hooge gedachte of edele daad
dat onder haar bereik komt en zich, zelfs tot den
dood, te verzetten tegen iedere valschheid in leering,
iedere dwingelandij in daden. De zedeleer van Plato
en van de groote moralisten van het Ciceroniaansche
tijdperk, samen met die van Jezus en zijn discipelen
en volgelingen, hebben de heilige vlam der zuivere
menschelijkheid in leven gehouden en hun behoud
is misschien wel de grootste dienst dien het monniken-
dom aan de menschheid heeft bewezen. Als de chris-
telijke kerk niets anders gedaan had dan in haar
kloosters en abdijen de mooiste werken der klassieke
literatuur die tot ons gekomen zijn te bewaren en ons
de glorie der Gothiek te geven, die in steen de grootsch-
heid en verhevenheid, den vrede en de schoonheid van
een zuiveren godsdienst schijnt uit te drukken, zou zij
niettegenstaande haar vele tekortkomingen, haar
wreedheid en onderdrukking, haar verzet tegen de
studie der natuur en de vrijheid van gedachte, haar
bestaan volkomen gerechtvaardigd hebben als een
middel tot verwerkelijking van die hoogere en zuiver-
der beschaving, die de onmiddellijke toekomst misschien
voor ons gereed houdt.
-ocr page 96-
82           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Eenig licht over het vraagstuk
van het Kwade.
Alvorens tot een ander deel van mijn onderwerp
over te gaan schijnt het mij noodig enkele opmer-
kingen te maken in antwoord op een tegenwerping
die zonder twijfel en terecht zal worden gemaakt.
Waarom, zoo zal men vragen, heeft onze hoogere
menschelijke natuur, als zij toch in wezen goddelijk
is, zulke langdurige en vreeselijke verduisteringen
moeten dulden, waarom heeft het lagere zoo dikwijls
en zoo lang het hoogere overheerscht? Dit is natuurlijk
een der vele vormen van het oude vraagstuk van den
oorsprong des Kwaads, welk vraagstuk wel steeds
onoplosbaar zal zijn. Maar aangezien het hier een
bepaald en wei-begrensd gedeelte van dit vraagstuk
geldt, schijnt het mogelijk eenig denkbeeld te krijgen van
een oplossing er voor. Waar nu zulk een mogelijke
oplossing mij tijdens de samenstelling van dit boek
inviel, wil ik haar zoo kort mogelijk uiteenzetten,
in de hoop dat zij enkelen mijner lezers belang moge
inboezemen.
In mijn laatste werken, „Man's Place in the Uni-
verse" ('s Menschen plaats in het Heelal) en „The
World of Life" (De levende Wereld), zag ik mij genood-
zaakt tot de gevolgtrekking, dat het ontwikkelingsplan
van het heelal van sterren en nevelvlekken dat wij
kennen en in het bijzonder dat van onze zon en ons
zonnestelsel, juist zoodanig was dat het op onze aarde,
en daar alleen, de meest geschikte voorwaarden bood
voor het ontstaan en de evolutie eener organische
wereld, die in den mensch haar hoogtepunt bereikte.
Bovendien, dat die voorwaarden zoodanige waren,
dat zij een maximum van verscheidenheid, zoowel
van organische als anorganische produkten, dienstig
-ocr page 97-
14 DE WETTEN DER ERFELIJKHEID EN OMGEVING 83
voor den mensch, opleverde, die de ontwikkeling
der grootst mogelijke verscheidenheid van karakter
en vooral van zijn hoogere geestelijke en zedelijke
natuur bevorderde: wat ik hier de goddelijke bezieling
heb genoemd, die op een bepaald tijdperk der evolutie
den mensch plotseling boven al de andere dieren
verhief en als het ware een nieuw wezen schiep van
een voortgezet geestelijk bestaan in een wereld of
in werelden, waarin een eeuwige vooruitgang voor
hem mogelijk werd. Om hem voor te bereiden voor
dezen vooruitgang in steeds toenemende verscheiden-
heid, waren vermogens van enormen omvang vereischt
en deze verlangden weer een ontwikkeling in iedere
richting die de aardsche omstandigheden mogelijk
maakten. Opdat deze uiterste verscheidenheid van
karakter zou kunnen ontstaan was een groote tijds-
ruimte, gemeten naar opeenvolgende geslachten, nood-
zakelijk, ofschoon zij geheel onbeduidend is verge-
leken bij den duur van het voorafgaande organische
leven op aarde en nog onbeduidender vergeleken
bij het geestelijk leven dat er op volgt. Het is misschien
hierdoor dat talen zoo snel verschillend en voor elkaar
onverstaanbaar worden reeds na een vrij korten tijd
van afzondering, waarin zij betrekkelijk kleine ge-
meenschappen tot stammen of volken bijeen houden,
die zich ieder op eigen gelegenheid onder den invloed
van hun bijzondere physieke omgeving en oorspron-
kelijke gewoonten, gebruiken en manier van denken
ontwikkelen. Tusschen aangrenzende stammen ont-
staat licht een antagonisme, dat er toe leidt zich tegen
anderen te beschermen door het kiezen van hoofden
of door een soort van militaire bondgenootschappen.
Dit vereischt organisatie en overleg; na een poosje
onderwerpen de machtigen de zwakkeren; dan ver-
mengen zij zich en er ontstaat een nog grooter ver-
-ocr page 98-
84            OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
scheidenheid. In dezen voortdurenden strijd hebben
de minst ontwikkelden het meest te lijden, maar
het ras in zijn geheel komt toch telkens een stap
vooruit op den weg der beschaving.
Het mooiste voorbeeld van dezen vooruitgang door
antagonisme leveren de staatjes van het oude Grie-
kenland, waar ieder koninkrijkje zijn eigen vorm
van kunst, regeering en kuituur voortbracht om hem
op alle deelen van Europa over te dragen. Na twee-
duizend jaar van vernedering onder Romeinsche
en Turksche heerschappij, is de Grieksche taal nog
maar weinig veranderd, terwijl de oude kunst en
literatuur nog steeds onovertroffen zijn. Op dezelfde
manier bracht Rome het recht, de literatuur en het
krijgswezen tot een hoog peil ; het laatste verviel,
maar de literatuur en het recht gingen voort de be-
schaafde wereld te verlichten bij haar lange wor-
steling om vrijheid. Waar ook maar de voorwaarden
gunstig waren voor vooruitgang in kunst of weten-
schap, was steeds tijd noodig voor zijn vollen groei
en ontwikkeling, terwijl voortdurende oorlog orga-
nisatie en verzet tegen verovering of verwoesting
noodzakelijk maakte. Zelfs de wreedheden en bloed-
baden van despotische heerschers wekten ten slotte
de onderdrukten tot opstand op en brachten zoo-
doende de edeler gevoelens van vaderlandsliefde,
moed en vrijheidszin tot ontwikkeling. En in de aller-
slechtste tijden was er nog een onderstroom van vreed-
zamen arbeid, kunst en wetenschap, die de volken
langzaam voort droeg naar een hooger staat van
beschaving.
De hier aangeduide opvatting zal misschien iets
begrijpelijker worden wanneer wij haar toepassen
op de negentiende eeuw, waarover ik op zoo veroor-
deelende wijze heb geschreven. De voorafgaande
-ocr page 99-
14 DE WETTEN DER ERFELIJKHEID EN OMGEVING 85
achttiende eeuw was zonder twijfel een ietwat stilstaand
tijdperk van een vrij alledaagsch karakter in literatuur,
kunst, wetenschap en sociaal leven. Ook haar on-
deugden waren laag bij den grond, haar regeeringen
slecht, haar strafstelsel wreed en haar erkenning
van de slavernij demoraliseerend. Zij was een soort
van „duistere eeuw" tusschen den literairen en natio-
nalen glans van de eeuw van Elisabeth en den wónder-
baarlijken wetenschappelijken en industrieelen voor-
uitgang van die van Victoria.
Maar dit laatste tijdperk was er een van grooten
opbloei voor de speciaal menschelijke deugden van
rechtvaardigheid, medelijden en vrijheidsliefde, benevens
voor de opvoeding. En ofschoon de snelle toeneming
van de welvaart door de onderwerping van natuur-
krachten leidde tot al de kwade gevolgen van een
ongebreidelden groei van persoonlijken rijkdom en
macht, waren toch deze euvelen in al hun hevigheid
en verschrikkelijkheid misschien juist noodzakelijk
om in een voldoend aantal geesten den wil op te wekken
zich er van te bevrijden. Tijd was ook noodig voor de
arbeiders om hun eigen macht te leeren kennen en,
zeer geleidelijk, te leeren gebruiken. Het brand-
stichten en het vernielen van machines in het begin
der eeuw werd vervangen door organisatie en staking;
stap voor stap werd de politieke macht door de massa
veroverd, maar eerst thans, in de twintigste eeuw,
begint zij te leeren hoe zij haar kracht op doeltref-
fende wijze moet gebruiken. Toch zijn er aanwijzingen
voor alsof de geheele marsch van den vooruitgang
gevaarlijk snel heeft plaats gegrepen. Misschien
ware het veiliger geweest als de groote toeneming van
kennis en de enorme opeenstapelingen van rijkdom
over twee eeuwen waren verspreid geworden inplaats
van over eene. In dat geval zou onze hoogere natuur
-ocr page 100-
86           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
beter in staat zijn geweest gelijken tred te houden
met de groeiende euvelen van overbodigen rijkdom
en toenemende weelde en zou het mogelijk zijn geweest
hen te breidelen, vóórdat zij die volle macht ten kwade
verkregen die zij thans bezitten.
Maar niettemin zijn de voorteekenen voor de toe-
komst gunstig. De groote massa van de meer intel-
ligente arbeiders wenschen Rechtvaardigheid. Zij drin-
gen aan op afschaffing van monopolies op de natuur-
krachten en op een geleidelijke toelating van allen
tot gelijke arbeidsgelegenheid bij vrije verwerving
van den nationalen bodem. Zoodoende kan een nieuw
tijdperk van vreedzame hervorming en zedelijken
vooruitgang beginnen.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Zedelijke vooruitgang door een
nieuwen vorm van selektie.
Vele lezers en ook sommige schrijvers van boeken
over organische evolutie, schijnen geheel onkundig
ervan dat Darwin twee soorten van selektie onder-
scheidt, beide even „natuurlijk," maar op verschillende
wijze werkend en een ietwat verschillend resultaat
te weeg brengend. De tweede soort noemde hij ,,sexu-
eele teeltkeus" en in zijn „Ontstaan der Soorten"
beschrijft hij haar kort als te bestaan in het vechten
der mannetjes om het bezit der wijfjes, wat onge-
twijfeld ook bij tal van hoogere werveldieren en ook
bij insekten voorkomt.
Maar onder deze sexueele teeltkeus verstaat hij
ook nog een andere soort van wedijver, nl. het ten
toon spreiden van speciaal mannelijke versierselen
-ocr page 101-
15 ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM 87
bij vele vogels en de keuze van de fraaiste door de
wijfjes. Aan dit onderwerp besteedt hij haast de helft
van zijn boek over „De afstamming van den Mensch
en de teeltkeus in verband met het geslacht." Teelt-
keus door middel van het vechten der mannetjes
heeft geleid tot de ontwikkeling van het hertengewei,
de houwers van het wildzwijn en de manen van den
leeuw, die als een schild dienst doen. Deze gevechten
leiden zelden tot den dood van de overwonnen dieren,
maar wel tot een talrijker nageslacht voor den over-
winnaar en dit leidt tot verbetering van het ras, doordat
het zijn kracht en geschiktheid tot vechten hoog
houdt.
Wat den anderen vorm van selektie betreft: het
ten toon spreiden van versieringen door mannelijke
vogels en de veronderstelde voortdurende ontwikkeling
dier versieringen door de waardeerende keuze der
wijfjes, ik geloof dat déze selektie denkbeeldig is.
Ik heb dit onderwerp in vele van mijn boeken behan-
deld en mijn beschouwingen hieromtrent zijn thans
door de evolutionisten over het algemeen aanvaard.
Het feit dat de kleuren van mannelijke insekten,
vooral van vlinders, bijna volkomen gelijk zijn aan
die van vogels, bracht mij het eerst tot deze gevolg-
trekking, daar wij moeilijk kunnen aannemen dat
insekten eenigen aesthetischen smaak bezitten, zelfs
indien zij werkelijk kleuren zouden kunnen zien,
wat ik in mijn laatste werk op grond van sterke argu-
menten heb betwijfeld.
Bij den mensch evenwel zijn de omstandigheden
geheel en al anders. Want terwijl, zooals ik in het
veertiende hoofdstuk heb aangetoond, die soort van
natuurlijke selektie die door alle eeuwen heen de
oneindig verschillende dierlijke vormen in harmonie
bracht met hun omgeving, ophield te werken op
-ocr page 102-
88             OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
het menschelijk lichaam en slechts korten tijd invloed
op zijn lagere geestelijke vermogens bezat, had de
sexueele teeltkeus de neiging om, als zij werkte,
nadeelig te werken tengevolge van polygamie, pros-
titutie en slavernij, ofschoon zij zeker het vermogen
bezit om in de toekomst zoodanig invloed te oefenen dat
zij den intellektueelen en moreelen vooruitgang bevor-
dert en daardoor het ras zal kunnen opheffen tot den
hoogsten graad van beschaving en welzijn, dien het
in staat is in dit aardsche leven te bereiken.
Eugenics1), of rasverbetering door
het huwelijk.
Het volkomen ophouden van de werking der natuur-
lijke selektie als oorzaak van verbetering van ons
ras, zoowel physiek als geestelijk, leidde tot het voorstel
van wijlen Sir F. Galton tot het scheppen eener nieuwe
wetenschap, die hij „Eugenics" noemde. Een vereeni-
ging werd opgericht en veel werd er geschreven over
middelen om ontaarding te verhoeden en het ras
tot een hooger peil te verheffen. Sir Galton's eigen
voorstellen bepaalden zich tot het geven van premies
of uitzetten voor huwelijken van personen van uit-
nemende physieke, geestelijke en zedelijke eigen-
schappen, die door een soort van onderzoek of examen
moesten worden vastgesteld. Dit nu zou misschien
niet veel kwaad doen, maar zéker al heel weinig goed.
De werking er van zou uiterst begrensd blijven en,
voorzoover het sommige paren er toe bracht een
huwelijk aan te gaan terwille van het finantieele
voordeel, zou het uitteraard absoluut onzedelijk zijn
en waarschijnlijk tot geen merkbare verbetering
van het ras leiden.
') Van de Grieksche woorden „eu" goed, en „genos" geslacht,
afstamming.
-ocr page 103-
15 ZED.VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM 89
Maar er schuilt een groot gevaar in zulk een kunst-
matige selektie door deskundigen, die al heel spoedig
methoden zouden gaan volgen geheel verschillend
van die van den grondvester der leer. Er zijn reeds
voorstellen gedaan tot „afzondering van de zwak-
zinnigen," en de „onvruchtbaarmaking der ongeschik-
ten" ook van sommige klassen van misdadigers is
reeds ter sprake gebracht. Dit zou al gauw kunnen
worden uitgebreid tot het dooden van misvormde
kinderen, wat inderdaad al werd voorgesteld door
wijlen Grant Allen; terwijl Hiram M. Stanley in een
werk over „Our Civilisation and the Marriage Problem"
(Onze beschaving en het huwelijksvraagstuk) nog
verder reikende maatregelen voorsloeg. Hij zegt:
„De dronkaard, de misdadiger, de zieke, de zedelijk
zwakke behoorde in het geheel niet in de maatschappij
te komen. Niet hervorming, maar voorkoming moest
de leuze zijn." En in een volgende passage duidt
hij aldus de methoden die hij zou willen volgen aan:
„In de ware gouden eeuw, die niet achter ons, maar
voor ons ligt, zal het voorrecht van ouderschap worden
beschouwd als een eer voor betrekkelijk weinigen en
er zal geen kind worden geboren dat niet alleen gezond
is van lichaam en geest, maar dat niet ook boven het
gemiddelde staat wat natuurlijken aanleg en zedelijke
kracht betreft." En hij besluit: „De belangrijkste
kwestie in de maatschappij, de inherente hoedanigheid
van de leden waaruit zij is samengesteld, behoorde
door geoefende specialiteiten te worden geregeld."
Natuurlijk zullen onze moderne eugenisten ieder
verlangen naar maatregelen als waarop hier gedoeld
wordt en die in alle opzichten gevaarlijk en verwerpelijk
zijn, ontkennen. Maar ik protesteer ten sterkste tegen
elke indirekte inmenging in de vrijheid van huwelijk,
die, zooals ik zal aantoonen, niet alleen geheel on-
Maatschappelijke omgeving. 7
-ocr page 104-
90            OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
noodig is, maar een veel grooter bron van gevaar
voor zedelijkheid en welzijn der menschheid zou zijn
dan de slechts tijdelijke euvelen die zij tracht te ge-
nezen. En ik geloof dat ook al mijn lezers bezwaar
zullen hebben tegen eenigerlei wetgeving op dit gebied
door een toevallig lichaam van verkozen personen,
die al geheel onbekwaam zijn om veel minder inge-
wikkelde vraagstukken te behandelen en dus stellig
dit op noodlottige wijze zouden verknoeien.
Het is in de hoogste mate verwaand en onverstandig,
te trachten door dwingende wetten in te grijpen in
de meest levensbelangrijke en heiligste van alle men-
schelijke verhoudingen, nog afgezien van het feit
dat onze tegenwoordige staat van maatschappelijke
ontwikkeling niet alleen buitengewoon onvolmaakt,
maar, zooals ik reeds heb aangetoond, door en door
bedorven en rot is. Hoe zou het mogelijk zijn door
wetgeving die verhoudingen tusschen de twee sexen
vast te stellen die het beste zijn voor individu en
ras, in een maatschappij waarin een groot deel der
vrouwen gedwongen zijn dagelijks uren lang te werken
voor het bloote levensonderhoud in een haast vol-
slagen afwezigheid van alle redelijke genoegens,
zoodat duizenden ten slotte in een geheel onpassend
huwelijk worden gedreven, alleen maar om zich een
zekere mate van persoonlijke onafhankelijkheid of
physiek welzijn te verzekeren.
Men beschouwe eens, aan den eenen kant, het leven
der welgestelden zooals het wordt geschilderd in
allerlei nieuwsbladen en tijdschriften met hun einde-
looze rubrieken gewijd aan vermaak en weelde,
aan haast onbegrijpelijke verkwisting en buiten-
sporigheden, blijkend bv. uit den prijs van een dames-
toilet of een uitgave van meer dan duizend pond aan
bloemen voor één enkel feest. En aan den anderen
-ocr page 105-
15 ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM 91
kant beschouwe men het afschuwelijke leven van
millioenen werkers, zóó ellendig betaald en zóó
onzeker van hun arbeid, dat vele duizenden hunner
vrouwen en jonge meisjes de straat op worden gedreven,
alleen maar om de eentonigheid van hun onafgebroken
arbeid te breken en ook, wat het ook koste, een klein
proefje te krijgen van de genoegens des levens. En
dan vrage men zich af of een wetgeving die dezen
toestand niet kan verbeteren, zich moet gaan bemoeien
met het groote vraagstuk van het huwelijk en de
heiligdommen van het gezinsleven. Is het niet een
afschuwelijke bespotting dat al de opeenvolgende
regeeringen, die gedurende veertig jaar hebben toe-
gezien hoe het volk dat zij beweren te regeeren door
zijn schandelijke levensomstandigheden zoozeer tot
wanhoop wordt gedreven, dat een steeds toenemend
gedeelte den dood door zelfmoord zoekt als het eenig
middel om er aan te ontkomen — dat regeeringen
die niets gedaan hebben om een eind te maken aan
deze voortdurende verschrikking van ellende en zelf-
moord, in staat geacht zouden worden om enkele
van de vreeselijkste gevolgen van dien toestand te
genezen en daarbij zijn oorzaken absoluut onaangetast
te laten?
Het is, op gronden die ik later zal ontwikkelen,
mijn vaste overtuiging dat, wanneer wij eerst maar
den Augiasstal van onze tegenwoordige maatschap-
pelijke organisatie hebben gereinigd en een zoodanige
regeling hebben getroffen dat allen hun deel bijdragen
aan physieken of geestelijken arbeid en ieder het volle
en gelijke loon voor zijn werk ontvangt, de toekom-
stige vooruitgang van het ras verzekerd is door een
volkomen ontwikkeling van zijn hoogere natuur,
tengevolge van een bijzonderen vorm van selektie
welke dan zal optreden.
-ocr page 106-
02           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Wanneer mannen en vrouwen, voor het eerst in
den loop der beschavingsgeschiedenis, gelijkelijk vrij
zijn om hun edelste aandriften te volgen; wanneer
lediggang en misdadige of schadelijke weelde aan
den eenen kant en vrees voor honger aan den anderen
kant gelijkelijk onbekend zijn; wanneer allen de beste
en ruimste opvoeding ontvangen die de stand van
beschaving en kennis toelaat; wanneer de standaard
der openbare meening door de wijsten en besten
onder ons wordt bepaald en systematisch der jeugd
wordt ingeprent; dan zal vanzelf een stelsel van
waarachtig natuurlijke selektie in werking treden,
dat gestadig zal streven naar de verwijdering van de
lagere, minder ontwikkelde of in eenig opzicht gebrek-
kige individuen enzoodoende voortdurend het physieke,
moreele en intellektueele peil van het ras zal ver-
heffen. De wijze waarop deze selektie precies zal
werken, wil ik thans in het kort uiteen zetten.
Vrije selektie in het huwelijk.
Het zal algemeen worden toegegeven dat, ofschoon
thans vele vrouwen eer uit noodzakelijkheid dan uit
vrije verkiezing ongehuwd blijven, er toch steeds een
aanzienlijk aantal is die geen sterke neiging tot het
huwelijk vertoonen en meer trouwen om een onder-
komen te hebben dan uit persoonlijke liefde of sterke
sexueele aandrift. In een maatschappij nu waarin
alle vrouwen ekonomisch onafhankelijk waren, waarin
allen ten volle deelnamen aan het publieke leven en
sociale of intellektueele genoegens, en wat stoffelijk
welzijn of sociale positie betreft niets door een huwelijk
hadden te winnen, zou hoogstwaarschijnlijk het aantal
der uit verkiezing ongehuwde vrouwen nog toenemen.
Waarschijnlijk zou men het voor een vrouw als een
vernedering gaan beschouwen, wanneer zij een man
-ocr page 107-
15 ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM 93
huwde dien zij niet liefhebben en achten kon. En
deze overweging zou op zijn minst er toe leiden dat
huwelijken werden uitgesteld totdat men een waar-
digen en sympathieken echtgenoot ontmoette.
Bij den man is, aan den anderen kant, de liefdes-
drang algemeener en meestal ook sterker en in een
maatschappij als hier werd verondersteld zou er geen
andere weg zijn om dien hartstocht te bevredigen
dan in het huwelijk. Iedere vrouw zou daarom waar-
schijnlijk aanzoeken ontvangen en daardoor zou een
machtig middel tot selektie in handen van het vrouwe-
lijk geslacht zijn gegeven. Er kan weinig twijfel bestaan
omtrent de wijze waarop onder het opvoedingssysteem en
de publieke meening als hier werd verondersteld, deze
selektie zou worden uitgeoefend. De luien of de zeer zelf-
zuchtigen zouden bijna algemeen worden verworpen;
de chronisch zieken of zwakzinnigen zouden eveneens
als regel ongehuwd blijven, althans tot een meer
gevorderden leeftijd, terwijl zij, die neiging tot krank-
zinnigheid vertoonden of eenig aangeboren gebrek
hadden, ook door de jongere vrouwen zouden worden
afgewezen, omdat men het als een misdaad tegenover
de maatschappij zou beschouwen, het middel te zijn
tot bestendiging van dergelijke ziekten of gebreken.
Wij moeten hier ook nog rekening houden met
een bijzonderen factor, die tot dusver nagenoeg onop-
gemerkt bleef, doch die er toe zou bijdragen de aldus
uitgeoefende selektie te versterken. Het is een feit,
aan statistici welbekend, dat ofschoon de vrouwen
bij bijna alle beschaafde volken in de meerderheid
zijn, dit toch geenszins aan een natuurwet is toe te
schrijven, want dat er bij ons, en ik m;en ook in alle
landen van het continent, ongeveer 31/., a 4 °0 meer
mannelijke dan vrouwelijke kinderen geboren worden.
Maar tusschen de leeftijden van vijf tot vijf-en-dertig
-ocr page 108-
94         OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
jaar stierven er in 1910 4225 mannen door ongeluk
of geweldpleging tegen 1300 vrouwen, dat is dus in
één jaar tijds 2925 meer mannen dan vrouwen. Jaren
achtereen is het aantal van deze klasse van dooden
niet sterk veranderd, zoodat men voor die leeftijden
het surplus van sterfgevallen bij mannen, die voorko-
men hadden kunnen worden, op omstreeks 3000 per
jaar kan stellen. Zonder twijfel is dit surplus toe
te schrijven aan het feit dat jongens en jonge mannen,
zoowel bij het spel als bij den arbeid, meer aan ver-
schillende ongelukken bloot staan dan de vrouwen
en is hieraan het vaste overschot van vrouwen
bij de normale beschaafde bevolkingen te wijten.
In 1901 was het overschot ongeveer een millioen,
terwijl het vijftig jaar vroeger, toen de bevolking
ongeveer half zoo groot was, slechts 359000 bedroeg,
of aanzienlijk minder dan de helft van het tegenwoor-
dige aantal. Dit is ook juist wat wij kunnen verwachten
na de voortdurende toeneming van ongevallen en na
de sterke landverhuizing, welke beide factoren het meest
van invloed zijn op de mannen.
Het blijkt dus dat het grooter aantal vrouwen
in onze hedendaagsche bevolking niet een natuurlijk
verschijnsel is, maar geheel en al een gevolg van onzen
eigen, door de mannen geschapen, socialen toestand.
Wanneer de levens van al onze medeburgers als van
gelijke waarde voor de gemeenschap worden beschouwd,
onverschillig hun klasse of welstand, zal ook een veel
geringer aantal te lijden hebben onder dergelijke
voorkoombare gebeurtenissen. En wanneer onze kolo-
nies een normale bevolking bezitten en de enorme
uitgestrektheid onbebouwde of ten halve bebouwde
grond in ons eigen land op de gunstigste voorwaarden
wordt opengesteld voor ons eigen volk, zal de groote
stroom van landverhuizers afnemen en ophouden de
-ocr page 109-
IS ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM 95
verhouding der geslachten te beïnvloeden. Het resultaat
van deze verschillende oorzaken, die thans alle er
toe bijdragen de vrouwelijke bevolking de overhand te
geven, zal in een redelijk en rechtvaardig maat-
schappelijk stelsel, waarvan wij mogen hopen het
begin spoedig te zullen zien, juist in een tegenge-
stelde richting werken en binnen enkele generaties
eerst de beide geslachten tot gelijkheid en later het
mannelijk geslacht tot een meerderheid in aantal
brengen.
Ongetwijfeld zullen sommigen de tegenwerping
maken dat de vrouwen, zelfs wanneer zij, tengevolge
van verbeterde ekonomische omstandigheden, een
vrije keuze hebben, toch niet altijd wijzelijk een keuze
zullen doen die het ras vooruit brengt. Maar niemand
heeft het recht zoo iets te beweren zonder sterke
argumenten tot staving er van aan te voeren. Wij
hebben geslachten lang de vrouwen op alle mogelijke
wijzen vernederd, maar wij weten nu dat haar
ontaarding niet erfelijk is en daarom niet blijvend.
De groote wijsgeer en ziener Swedenborg ver-
klaarde dat, terwijl de man rechtvaardigheid en
macht om hun zelfswil liefheeft, de vrouw die lief-
heeft voorzoover zij ze ziet in het karakter van den
man. Ik geef in het algemeen toe dat er waarheid
steekt in deze opmerking, maar er steekt nog meer
waarheid in het omgekeerde: dat zij niet bewonderen
en liefhebben die mannen, die zichtbaar onrecht-
vaardig, dom en zwak zijn en nog minder hen die
misvormd, ziek of opvallend slecht zijn, ofschoon
zij onder de tegenwoordige omstandigheden dikwijls
er toe gedreven worden hen te trouwen. Het mag
daarom als zeker worden aangenomen, dat wanneer de
vrouwen ekonomisch en sociaal vrij zijn om te kiezen,
een groot aantal van de slechtste mannen onder alle
-ocr page 110-
           OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
klassen, die thans gemakkelijk vrouwen krijgen,
allerwegen zullen worden verworpen.
Deze methode van verbetering door ter zijde schui-
ving van minder wenschelijke individuen heeft nu
vele voordeden boven het bevorderen van vroege
huwelijken der meer bewonderden. Want wat het
meest noodig is, is de verbetering van het gemiddelde
van "onze bevolkingen en dit wordt beter bereikt
door verwerping van de lagere typen dan door de
reeds hooger staande typen nog een klein beetje
hooger op te heffen. Groote en goede menschen
worden steeds in voldoend aantal voortgebracht
en werden het in alle ontwikkelingsphasen der be-
schaving. Wij hebben er niet meer van noodig, maar
wèl is noodig een vermindering van de zwakkeren en
minder ver gevorderden. Dit wied-proces is het werk
geweest van de natuurlijke selektie waardoor het ge-
heele glorieuze planten- en dierenrijk ontwikkeld
en vooruit gebracht werd. De overleving van de ge-
schiktsten is in werkelijkheid de uitdooving van de
óngeschikten en het is de eenige, schitterende straal
van hoop voor de menschheid dat, naarmate wij vor-
deren met de hervorming van ons tegenwoordige
wreede en verderfelijke maatschappelijke stelsel, wij
een selektieve kracht vrijmaken in het huwelijk,
die gestadig en zeker het karakter, zoowel als de kracht
en de schoonheid van ons ras zal verbeteren.
Maatschappelijke hervorming en
overbevolking.
Een van de meest algemeene en schijnbaar sterkste
tegenwerpingen tegen ieder ingrijpend stelsel van
maatschappelijke hervorming en vooral tegen zoo-
danige die een eind willen maken aan gebrek en vrees
voor honger is, dat in elke maatschappij waarin dit
-ocr page 111-
15 ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM 97
bereikt is, de vroege huwelijken talrijker zullen worden,
dat er geen reden tot voorzichtige beperking van groote
gezinnen zal bestaan en dat, zooals Malthus voorspelde,
binnen enkele geslachten de bevolking tot boven de
bestaansmogelijkheid zal aangroeien. Er zou dan
een voortdurende afneming van welstand intreden,
uitloopende op algemeene armoede, nog erger dan thans
bestaat, juist omdat zij algemeen ware. De volgende
aanhaling van een voornaam Amerikaansch schrijver
doet zien dat deze vrees werkelijk is gevoeld:
„Als het waar is dat de rede den loop der mensche-
lijke evolutie moet richten en als het ook waar is
dat selektie van de geschiktsten de eenige methode is
om dit doel te bereiken, dan moet ook, wil er ook maar
éénige rasverbetering plaats hebben, de verschrikkelijke
wet der vernietiging van de zwakken en hulpeloozen
met Spartaansche flinkheid vrijwillig en vastberaden
worden ten uitvoer gebracht. Maar tegen zulk een wijze
van doen komt het beste wat in ons is in opstand." x)
Een nieuwer auteur, Dr. W. M. Flinders Petrie,
de welbekende Egyptoloog, heeft dergelijke denk-
beelden verkondigd op een wijze die duidelijk doet
uitkomen wat hij meent dat onze moderne maatschappij
noodig heeft. Van de arbeidersverzekering tegen
ongelukken zegt hij:
,,De onmiddellijke uitwerking hiervan op het karak-
ter is dat zij de onvoorzichtigen, gedachteloozen en
onbekwamen vrijwaart voor de gevolgen hunner fouten
en dit vermindert al dadelijk sterk de opvoedende
en uitwiedende werking dier slechte eigenschappen."
En over het ouderdomspensioen concludeert hij:
„De natuur kent geen recht op bestaan, maar
alleen de noodzakelijkheid om zich van hen die onder-
*) Prof. Joseph Le Coute, in „The Monist" Vol. I pg. 334.
-ocr page 112-
98        OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
houd behoeven te ontslaan, door ze óf sterker te maken
öf op te ruimen."
Omtrent de geweldige verkwisting van kinder-
levens die thans heerscht en waarvan hij toegeeft
dat zij te voorkomen ware, merkt hij op:
„Wij moeten erkennen dat slechts de toeneming
bereikt zou worden van het lagere en laagste type
van zorgelooze, verkwistende, vuile en onbekwame
gezinnen. Is het wel de moeite waard onze bevol-
kingsstijging te verwateren met 10 % meer van
de slechtste soort ?"
En hij besluit aldus:
„Deze beweging is bezig een van de weinige over-
blijfselen van de natuurlijke uitwieding der onge-
schikten, die onze beschaving nog heeft overgelaten,
aan kant te zetten. En stellig zal zij in den loop van een
eeuw meer ellende dan geluk veroorzaken."1)
Het geheele boek is vol van dergelijke beweringen
als de bovenstaande, tot staving waarvan feiten noch
argumenten worden aangevoerd. Hij neemt zonder
meer aan dat de mislukkelingen in onze moderne
maatschappij zoo zijn door hun eigen schuld — zij
zijn „verworpelingen," die medelijden noch hulp
verdienen. Hij weet klaarblijkelijk niets van het
werk van Dr. Bernardo, die deze verworpen kinderen,
van de straat opgeraapt en uit het werkhuis gehaald,
door een goede en vriendelijke behandeling tot den
arbeid heeft opgevoed en bij duizenden naar Canada
heeft gezonden. Er werd aanteekening gehouden
van hun volgend leven en het bleek dat slechts zeer
weinigen mislukten, terwijl een zeer groote meer-
derheid nuttige burgers werden in hun nieuwe land.
1) „Janus in Modern Life" (Janus in het moderne leven). W. M.
Flinders Petrie.
-ocr page 113-
15 ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM 99
Over het algemeen stonden zij in geen enkel opzicht
lager dan het gemiddelde der emigranten die op eigen
kosten gaan en die, gelijk bekend is, tot onze beste
arbeiders behooren.
Geen der schrijvers van de hier aangehaalde soort
schijnt bekend te zijn met de onderzoekingen van
Herbert Spencer, Sir F. Galton en anderen, omtrent
de natuurlijke wetten die de stijging der bevolking
bepalen, wanneer men deze wetten vrij laat werken
onder rationeele en zedelijke maatschappelijke omstan-
digheden. Ik zal daarom hier een korte beschrijving
dier wetten geven.
                                                       1
In een merkwaardig opstel, het eerst verschenen
in 1852, onderzocht Herbert Spencer met zijn gewoon
wijsgeerig inzicht het vraagstuk der voortplanting
en der bevolking voor het geheele dierenrijk en toonde
hij aan dat de duur van het individueele leven en de
toeneming der soort in omgekeerde verhouding tot elkaar
stonden; die groepen die de eenvoudigste organisatie
en het kortste leven hebben, brengen het grootste
aantal nakomelingen voort; met andere woorden:
individuatie en voortplanting werken elkaar tegen.
Maar individuatie hangt bijna geheel en al af van de
ontwikkeling en specialisatie van het zenuwstelsel,
waardoor alleen alle vooruitgang in instinkt, gevoel
en intellekt mogelijk is. De bestaande mate van toe-
neming bij den mensch werd bepaald door de nood-
zakelijkheden van zijn wilden toestand, waarin zij,
evenals bij de meeste zoogdieren, gewoonlijk juist
zoodanig is dat zij een beperkte gemiddelde bevolking
kan handhaven. Bij een werkelijken vooruitgang van
beschaving evenwel neemt de gemiddelde duur van
het leven toe en wordt de mogelijke toename der
bevolking onder gunstige omstandigheden zeer groot,
daar onder deze nieuwe voorwaarden de vruchtbaarheid
-ocr page 114-
100         OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
grooter is dan noodig. Weliswaar is er tegenwoordig
geen algemeene intellektueele vooruitgang waar te
nemen, maar dat de feiten overeenstemmen met
de theorie blijkt toch wel uit het bekende verschijnsel
dat intellektueel hoogstaande ouders geen groote
gezinnen hebben, terwijl de snelste toeneming plaats
grijpt in die bevolkingsklassen, die zich met gezonden
handen-arbeid bezig houden.
Het is echter zeker dat een wet, gegrond op zulk
een breede basis van physiologische waarneming,
in werking zal blijven en wij mogen er daarom zeker
van zijn, dat, wanneer het intellektueele peil van het
geheele ras door de algemeene kuituur en physieke
gezondheid zal rijzen, ook de wet der afnemende
vruchtbaarheid zich zal doen gelden en er naar zal
streven om in de toekomst een nauwkeurig evenwicht
tot stand te brengen tusschen de mate van toeneming
der bevolking en die der sterfelijkheid.
Een meer direkte en werkzamer beperking van een
snelle bevolkingstoeneming zal evenwel nog worden
veroorzaakt door de maatschappelijke hervormingen
waarvan ik reeds sprak. Wanneer er geen armoede
meer bestaat en aan vroege huwelijken noch ekono-
mische noch maatschappelijke voordeden meer ver-
bonden zijn, lijdt het geen twijfel of zij zullen ook
meestal tot een later leeftijd worden uitgesteld. De
uitbreiding van den opvoedings- of leertijd voor de
geheele bevolking met enkele jaren meer dan tegen-
woordig zal, in verband met den groeienden afkeer der
openbare meening van alle huwelijken tusschen personen
die nog geen ernstigen levensarbeid zijn begonnen, nog
meer invloed oefenen. Het zou ook een wezenlijke
taak der opvoeding zijn de jeugd in te prenten, het
huwelijk uit te stellen tot beide partijen de ruimste
gelegenheid hebben gehad elkaar door en door te
-ocr page 115-
15 ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM IOI
leeren kennen, alvorens een zoo ernstige verantwoor-
delijkheid op zich te nemen als het huwelijk gewoonlijk
meebrengt.
De uitwerking van zelfs maar een paar jaar uitstel
van het huwelijk op de bevolking is zeer aanzienlijk.
Sir F. Galton heeft uit de beste verkrijgbare statistieken
aangetoond, dat wanneer wij getrouwde vrouwen
van twintig vergelijken met die van negen-en-twintig
jaar, hun vruchtbaarheid zich verhoudt als 8 tot 5.
Maar hieruit blijkt nog niet de geheele invloed op de
bevolkingstoeneming. Wanneer het huwelijk wordt
uitgesteld, wordt ook de afstand tusschen opeen-
volgende generaties in dezelfde verhouding vergroot,
terwijl nog een andere uitwerking in dezelfde richting
wordt teweeg gebracht door het feit, dat hoe hooger
de gemiddelde huwelijksleeftijd is, hoe minder geslach-
ten op hetzelfde tijdstip in leven zijn. Het is de uit-
werking van al deze drie factoren te zamen die de
feitelijke stijging der bevolking tengevolge van deze
eene oorzaak bepaalt.
Sir F. Galton geeft een merkwaardige tabel die
de vereende werking dezer oorzaken doet zien.
Hij vindt dat wanneer van honderd moeders de dochters
in elke volgende generatie telkens op hun 20ste jaar
huwen, de toeneming van dergelijke moeders in elke
generatie 1,15 zal bedragen. Indien zij echter op 29.
jarigen leeftijd huwen zal in iedere volgende generatie
het aantal dier moeders in een verhouding van 0,85
afnemen. Als dit 108 jaar wordt voortgezet zullen
de moeders die op twintig jaar trouwden tot 175
zijn toegenomen en in 216 jaar tot 299; terwijl zij
die op 29 jaar trouwden zullen zijn afgenomen tot
resp. 61 en 38. Hieruit blijkt dat onder de tegenwoor-
dige maatschappelijke omstandigheden de huwelijks-
leeftijd, vereischt om de bevolking op peil te houden,
-ocr page 116-
102        OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
ergens tusschen 20 en 29 jaar ligt. De bovenstaande
cijfers berusten evenwel op bepaalde gevallen en de
werkelijkheid wordt zooveel ingewikkelder tengevolge
van het aantal kinderlooze huwelijken, de kinder-
sterfte en andere oorzaken, dat men ze slechts moet
beschouwen als in het algemeen aanduidende een
wet van vrij snelle daling der vruchtbaarheid bij ieder
jaar waarmee de huwelijksleeftijd der moeder wordt
verhoogd.
Ik heb nu, naar ik hoop, twee belangrijke beginselen
in verband met den. menschelijken vooruitgang in
het licht gesteld. In de eerste plaats heb ik doen zien
dat de moderne opvattingen omtrent de noodzakelijk-
heid om zich direct met sommige in het oog vallende
sociale euvelen te bemoeien, zooals de ontaarding
van het ras en de verschillende vormen van sexueele
onzedelijkheid, fundamenteel verkeerd zijn en ver-
oordeeld zijn tot mislukking, zoolang als de grondoor-
zaken dier euvelen — wijd verspreide armoede, gebrek
en honger — niet aanzienlijk zullen zijn verminderd
en ten slotte geheel opgeheven. Ik heb aangetoond
dat de menschelijke natuur op zich zelf niet zulk een
volkomen mislukking is als onze moderne eugenisten
schijnen te veronderstellen, maar dat zij wordt beïn-
vloed door fundamenteele wetten die onder redelijke,
rechtvaardige en voor allen gelijke ekonomische om-
standigheden automatisch al die euvelen zullen op-
heffen.
In de tweede plaats heb ik aangetoond dat de vrees
voor overbevolking, als resultaat van de opheffing
der armoede, geheel en al ongegrond is, een bloote
boeman, geschapen door onwetendheid omtrent de
wetten der natuur en door de verwaande meening dat
men maatschappelijke euvelen zou kunnen verbeteren
zonder de door den mensch zelf geschapen oorzaken
-ocr page 117-
15 ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM IO3
die hen voortbrengen, te wijzigen. De drie groote natuur-
wetten die al onze kwasi-hervormers negeeren zijn:
in. Dat een zeer bescheiden verhooging van den
gemiddelden huwelijksleeftijd — die stellig het gevolg
zou zijn van een werkelijk rationeel stelsel van op-
voeding in verband met ekonomische gelijkheid —
noodzakelijk de verhouding der bevolkingsstijging
vermindert.
2°. Dat naarmate gelijkheid van opvoeding en
ekonomische omstandigheden wordt bereikt, een zoo
groot aantal mannenlevens, die nu door voorkoombare
oorzaken te gronde gaan, zal behouden blijven, dat, in
verband ook met het feit dat de mannelijke geboorten
de vrouwelijke overtreffen, het aantal der vrouwen
zoozeer zou afnemen, dat het al spoedig geringer zou
zijn dan dat der mannen, inplaats van zooals thans
het geval is, grooter. Hetgeen den vrouwen een werke-
lijke keuze voor het huwelijk zou mogelijk maken
en tevens de gelegenheid geven het huwelijk uit te
stellen, van welke gelegenheid een groot aantal van
hen om allerlei redenen gebruik zou maken.
3U. Dat de wet van de afnemende vruchtbaarheid
bij toenemenden hersenarbeid, tengevolge van betere
opvoeding en langer studie, die vermindering van
vruchtbaarheid nog in de hand zou werken.
Deze drie natuurlijke oorzaken werken alle in ééne
richting; de gelijkmaking van geboorte- en sterfte-
cijfer. En hun werking zou door de openbare meening
zoodanig geregeld worden dat alle gevaar, zoowel
voor een stijging als voor een daling die schadelijk
ware voor het welzijn van eene gemeenschap, natie
of ras, zou worden vermeden.
-ocr page 118-
104         OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
De toekomstige toestand der vrouw.
De voorgaande uiteenzetting van de werking van
bestaande natuurwetten wanneer zij vrij spel hebben
onder rationeele voorwaarden van beschaving, doet
duidelijk zien dat de positie der vrouw in een niet vèr
verwijderde toekomst veel hooger en belangrijker
zal zijn dan tot dusver voor of door haar werd geëischt.
Hoewel in politiek en maatschappelijk opzicht
op voet van volkomen gelijkheid met den man, zal
zij in verantwoordelijkheid en macht nog boven hem
staan, voorzoover de toekomstige zedelijke voor-
uitgang van het ras in zoo hooge mate van haar vrije
huwelijkskeuze afhangt. Als zij in den loop des tijds
meer en meer haar ekonomische onafhankelijkheid
bereikt, zal deze alleen reeds haar een werkelijke
keuze mogelijk maken, die zij vroeger nooit heeft
gehad. Maar deze mogelijkheid zal nog vergroot
worden door het feit dat, bij een steeds dichter nadering
tot gelijkheid van levensvoorwaarden voor ieder
kind dat geboren wordt, het vreeselijke surplus van
mannelijke sterfgevallen, vooral onder jongens en
jeugdige personen, tengevolge van verschillende ver-
mijdbare oorzaken, zal verdwijnen en daardoor
de tegenwoordige minderheid van mannen zal plaats
maken voor een minderheid van vrouwen. Dit zal
leiden tot een grootere mededinging om het bezit
der vrouwen en zal aan de vrouwen de macht geven
om alle mannen van een lager karaktertype af te
wijzen.
Het zal haar bijzondere taak zijn de openbare
meening, zoowel door opvoeding in huis als door haar
socialen invloed, zoodanig te vormen, dat de vrouwen
der toekomst de regeneratrices worden van het geheele
menschelijke geslacht. Wij hopen en gelooven dat zij
-ocr page 119-
15 ZED. VOORUITG. DOOR NIEUWEN SELEKTIE-VORM IOS
ten volle zullen zijn berekend voor de hooge en ver-
antwoordelijke taak die zij, in overeenstemming met
de wetten der natuur, geroepen zullen zijn te ver-
vullen.
De zekerheid dat deze machtige selektieve factor
in werking zal treden juist naarmate wij ons bestaande
maatschappelijke stelsel hervormen, door de opheffing
der armoede en de instelling van volkomen gelijkheid
in opvoeding en ekonomische positie, doet ons zien
dat de Natuur — of de Universeele Geest — onze wereld
niet zóó volslagen verbroddeld heeft, dat de zwakke
en onwetende pogingen der eugenisten noodig zouden
zijn om haar weer in orde te brengen, daarbij de
groote fundamenteele oorzaken van alle bestaande
maatschappelijke euvelen absoluut onaangeroerd la-
tend. Laten zij al hun energie liever besteden om dit
bepleisterd graf van ellende en onwetendheid te zui-
veren, en de weldadige wetten der menschelijke natuur
zullen vanzelf wel den physieken, intellektueelen en
zedelijken vooruitgang van ons ras te weeg brengen.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Hoe een tijdperk van zedelijken
vooruitgang in te leiden.
In het zevende tot elfde hoofdstuk van dit boek
heb ik een zoo kort mogelijke schets gegeven van den
groei tijdens de negentiende eeuw van de sociale
omgeving te midden waarvan wij thans leven.
Wij zien een voortdurenden vooruitgang van 's men-
schen macht over de krachten der natuur, tot een
mate die alles overtreft wat hij tot dusver in den
loop van alle vroegere eeuwen zijner overgeleverde
geschiedenis in staat was te doen.
Maatschappelijke omgeving. 8
-ocr page 120-
IOÓ         OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
Wij zien ook dat het resultaat van deze groote
ekonomische revolutie bijna geheel en al slecht is
geweest.
Wij zien dat de honderdvoudige toeneming van rijk-
dom, ruimschoots voldoende om in alle noodzakelijke
levensbenoodigdheden en gemakken en in alle heil-
zame verfijning en luxe voor onze geheele bevolking
te voorzien, op een zóó grof-onrechtvaardige wijze
werd verdeeld, dat de werkelijke levensvoorwaarden
van hen die al dien rijkdom voortbrengen, steeds
slechter zijn geworden, doordat er geen afdoende
regeling is gemaakt, waardoor uit den rijken over-
vloed die er wordt voortgebracht allen het wezenlijk
benoodigde voor een gezond en gelukkig bestaan
kunnen verkrijgen.
Wij hebben geweldige steden zien opgroeien, elk
van hen vol overbevolkte ongezonde sloppen, waar
mannen, vrouwen en kinderen vroegtijdig sterven, met
een zekerheid alsof een bende geheime gifmengers
voortdurend bezig was hen uit den weg te ruimen.
Wij zien duizenden meisjes, door den honger ge-
dwongen, werken in een vergiftigde omgeving die de
vreeselijkste, pijnlijke en misvormende kwalen ver-
oorzaakt en noodlottig is voor een leeftijd, die had
behooren te zijn en ook had kunnen zijn, het tijdperk
der hoogste genieting hunner vrouwelijkheid. En tot
op dezen dag zijn er geen afdoende maatregelen ge-
nomen om aan deze toestanden een eind te maken.
Wij zien nog steeds millioenen vergeefs worstelen
om niets meer dan het allernoodzakelijkste levens-
onderhoud (het eenige wat zij in hun ellende verlangen),
een strijd die dikwijls uitloopt op feitelijken honger-
dood of zelfmoord, waartoe zij door de vrees voor dien
hongerdood worden gedreven. En toch doen onze
regeeringen, gekozen uit de best opgevoeden, de meest
-ocr page 121-
16 TIJDPERK VAN ZED. VOORUITG. IN TE LEIDEN 107
begaafden, de meest welgestelden van het land;
met een absolute macht om alle wetten en regelingen
te maken die zij verkiezen; met een overvloedig fonds
van opgestapelden rijkdom om gebruik van te maken;
toch doen onze regeeringen niets, ofschoon er jaar-
lijks méér menschen omkomen van gebrek, dan er
vermoord worden in een grooten oorlog en méér
kinderen dan door vele Herodes' konden worden
geslacht.
En terwijl dit alles geschiedt in die diepten, waar
,,Pale anguish keeps the heavy gate,
And the Warder is Despair,"*)
tieren iets hooger, onder die middelklasse van ver-
spreiders van noodzakelijke en luxe-behoeften, om-
kooperij, vervalsching en allerlei vormen van oneer-
lijkheid.
En nog hooger, onder de groote kapitalisten, de
handels-vorsten en koningen der industrie, vinden
wij de wreede meesters die de loonen neerdrukken
tot beneden het peil der bestaansmogelijkheid en die
een stelsel van speculatie in stand houden, geweldiger
en omvangrijker dan de wereld ooit gekend heeft.
En tenslotte is ook de inrichting van wat wij ,,Justi-
tie" noemen (en waarop wij zoo trotsch zijn omdat
onze rechters onomkoopbaar zijn) ten eenenmale
onrechtvaardig, omdat zij berust op een systeem van
fooien bij iederen stap, omdat zij zoo lastig en vol
technische bezwaren is, dat men advocaten en hun
kostbare raadgevingen noodig heeft en omdat de
geringste vergrijpen gestraft worden met boete of
gevangenis, waardoor armoede zelf tot een misdaad
>) De bleeke angst bewaakt de zware poort. En de wachter
is Wanhoop.
-ocr page 122-
108          OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
wordt gestempeld, terwijl zij die maar geld hebben
praktisch vrij uitgaan.
Ten aanschouwe van deze verschillende groepen
van onbelwijfclbarc feiten, waarvan vele zóó in hel oog-
vallend en vreeselijk zijn, dat zij niet kunnen worden
overdreven, zegt men niet te veel door de bewering dat
ons geheele maatschappelijke stelsel rot is van top tot
teen en dat onze sociale omgeving, als geheel genomen
en in betrekking tot de bestaande mogelijkheden en onze
eischen, de slechtste is die de wereld ooit heeft gekend.
Zoo zijn de slechte resultaten van een maatschappe-
lijke omgeving, die wij zelf in den loop van een enkele
eeuw hebben geschapen. Wij hebben het van kwaad
tot erger zien worden en hebben hier en daar gedurende
die geheele periode enkele onbeduidende genees-
middeltjes aangewend, maar de euvelen zijn voort-
durend toegenomen. Maar het is thans aan de meer
intelligente arbeiders duidelijk geworden dat, wanneer
wij dien toestand willen verbeteren — of wanneer wij
willen verhoeden dat hij nog slechter wordt — wij
den wortel van het kwaad moeten aantasten en zoo-
veel mogelijk die toestanden, die zoo klaarblijkelijk
verkeerd, die zulke afschuwelijke mislukkingen zijn,
moeten omverwerpen.
En gelukkig is dit geenszins
zoo moeilijk als het wel lijkt, omdat een groote groep
onzer denkers en een aanzienlijk aantal onzer arbeiders
klaar en duidelijk zien welke die wortels zijn en,
schoon» minder duidelijk, hoe de euvelen die er uit
voortkomen te genezen zijn. Zij zullen daarom iedere
regeering die zich wijdt aan de taak hunner genezing,
krachtdadig steunen. Hieronder volgen nu mijn eigen
denkbeelden omtrent de wijze waarop het vraagstuk
moet worden aangevat om het tot een degelijke en
duurzame oplossing te brengen.
-ocr page 123-
16 TIJDPERK VAN ZED. VOORUITG. IN TE LEIDEN 109
De grond-oorzaak en de genezing.
Wanneer wij nauwlettend den langen sleep van maat-
schappelijke euvelen nagaan die in de negentiende
eeuw zijn opgegroeid, zullen wij vinden dat elk van
hen, hoe verschillend zij ook mogen zijn van aard
en gevolgen, berust op dezelfde algemeene oorzaak,
maar die op verschillende wijze kan worden omschreven.
1°. Zij zijn, in het algemeen, een gevolg van ons
leven onder een stelsel van universeele concurrentie
om de middelen van bestaan; het geneesmiddel
hiervoor is even universeel : coöperatie.
2*. Dit stelsel kan ook worden omschreven als
een stelsel van ekonomisch antagonisme, als tusschen
vijanden; het geneesmiddel is dan een stelsel van
ekonomische broederschap, als in een groot gezin of
onder vrienden.
3'. Ons systeem is er ook een van een monopolie
van enkelen op alle middelen van bestaan: den grond,
zonder toelating tot welke geen leven mogelijk is;
en het kapitaal of het resultaat van opgespaarden
arbeid, dat thans in het bezit is van een beperkt aantal
kapitalisten en daarom eveneens een monopolie is.
Het geneesmiddel is hier vrije toelating tot den grond
en het kapitaal voor allen.
4". Het kan ook worden gedefinieerd als sociale
onrechtvaardigheid,
voorzoover het veroorlooft dat
enkelen in iedere generatie den opgespaarden rijkdom
van alle vorige generaties erven, terwijl de velen niets
erven. Het geneesmiddel is hier de aanvaarding van het
beginsel van gelijkheid van levenskansen voor allen
of van een algemeen staatserfrecht ten bate van de
geheele gemeenschap.
Deze vier definities van de bestaande oorzaken
van al onze sociale euvelen, kunnen, naar ik meen,
-ocr page 124-
110          OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
niet worden, >betwist en de geneesmiddelen er voor
kunnen worden samengedrongen in één algemeene
stelling: dat het de eerste plicht (wat belangrijkheid
betreft) is van een beschaafde regeering om den
arbeid der geheele gemeenschap te organiseeren voor
het gelijke welzijn van allen; maar dat het ook haar
eerste plicht (wat den tijd aangaat) is onmiddellijk
maatregelen te treffen om den dood door gebrek en
vermijdbare ziekten
tengevolge van ongezonde wonin-
gen en gevaarlijke bedrijven, te beperken, terwijl
zij met zorg voortwerkt aan de duurzame opheffing
van gebrek te midden van rijkdom.
Ik heb zelf aangeduid hoe deze twee doeleinden
het best bereikt kunnen worden en hoop dit nog nader
uit te werken. Ondertusschen vestig ik de aandacht
op Standish O'Grady's brief „To the Leaders of Labour"
(Aan de Leiders van den Arbeid) in „The New Age"
(de Nieuwe Eeuw) van 21 November 1912, waarin
hij, na te hebben gesproken over den zeer natuur-
lijken angst der rijken dat zulk een radikale reorga-
nisatie der maatschappij tot hun eigen finantieelen
ondergang zou leiden (wat zeer zeker niet het geval
behoeft te zijn) de volgende belangwekkende opmer-
king maakt, waarmede naar ik hoop al mijn lezers
het eens zullen zijn:
„Doch wat zij maar niet kunnen inzien is, dat in
een wereld als deze, die door een oneindige goedheid
en wijsheid is geschapen, het Recht altijd het groote
houvast is zoowel voor de menschen als voor de naties,
voor de rijken zoowel als de armen en dat het Onrecht
vroeger of later moet uitloopen op ellende en ver-
nietiging."
Dit is gezonde moraal. Wij hebben gedurende de
laatste eeuw Onrecht gezaaid en wij hebben geoogst,
en zijn nog steeds bezig te oogsten „ellende en ver-
-ocr page 125-
IÓ TIJDPERK VAN ZED. VOORUITG. IN TE LEIDEN III
nietiging." Het is tijd dat wij verandering brengen in
onze methoden, die allen (zooals ik meen voldoende
te hebben in het licht gesteld) fundamenteel slecht,
radikaal onrechtvaardig, absoluut onzedelijk zijn.
Wij hebben ons zelf een a-moreele en immoreele
sociale omgeving geschapen. Om de onvermijdelijke
gevolgen daarvan ongedaan te maken moeten wij
van koers veranderen. Wij moeten er op aan sturen,
dat heel onze ekonomische wetgeving, al onze maat-
schappelijke hervormingen precies de tegenoverge-
stelde richting uitgaan dan tot dusver en dat zij alle
streven in de richting van een der vier geneesmiddelen
die ik heb aangewezen. Alleen op deze wijze kunnen
wij hopen onze bestaande onzedelijke omgeving in
een zedelijke te veranderen en een nieuw tijdperk van
zedelijken vooruitgang in te treden.
In het twaalfde tot vijftiende hoofdstuk heb ik
aangetoond dat de wetten der Evolutie, zooals zij
in werkelijkheid op de menschheid van toepassing
zijn, allen gunstig zijn voor den vooruitgang van waar-
achtige beschaving en zedelijkheid. Slechts ons be-
staande wedijverend en antagonistisch sociale systeem
is het dat hun heilzame werking opheft. Daarom moet
dit systeem radikaal worden veranderd in een van
broederlijke coöperatie en coördinatie ten bate van
het welzijn van allen. Om te slagen moeten wij dit
beginsel maken tot onzen gids en poolster bij alle
sociale wetgeving.
-ocr page 126-
-ocr page 127-
INHOUD
pag-
Voorwoord................................. V
EERSTE DEEL: HISTORISCH
EERSTE HOOFDSTUK:
Inleiding ................................ I
TWEEDE HOOFDSTUK:
Zedelijkheid, wortelend in het karakter —
Onveranderlijkheid van het karakter........ 3
DERDE HOOFDSTUK:
Onveranderlijkheid van het intellekt ........ 7
VIERDE HOOFDSTUK:
Taal en schrift als bewijzen van verstandelijke
ontwikkeling ............................ 16
VIJFDE HOOFDSTUK:
Wilden staan zedelijk niet lager dan beschaafde
menschen................................ 18
ZESDE HOOFDSTUK:
Een selektieve werking vereischt om het karak-
ter te verbeteren.......................... 22
ZEVENDE HOOFDSTUK:
De maatschappelijke omgeving in de negen-
tiende eeuw.............................. 24
-ocr page 128-
114         OMGEVING EN ZEDELIJKE VOORUITGANG
ACHTSTE HOOFDSTUK:
Ongezonde woningen en levenverwoestende
bedrijven ................................ 29
NEGENDE HOOFDSTUK:
Vervalsching, omkooperij en spekulatie........ 35
TIENDE HOOFDSTUK:
De inrichting onzer justitie is onzedelijk .... 40
ELFDE HOOFDSTUK:
Aanwijzingen van toenemende zedelijke ont-
aarding.................................. 44
TWEEDE DEEL: THEORETISCH.
TWAALFDE HOOFDSTUK:
Natuurlijke teeltkeus bij de dieren — Verschil
tusschen Lamarckianisme en Darwinisme —
Natuurlijke selektie als de wezenlijke factor bij
het ontstaan der soorten — Snelle vermeerdering
van alle organismen — Natuurlijke teeltkeus of
het overleven der meest geschikten ........ 50
DERTIENDE HOOFDSTUK:
Teeltkeus zooals zij door den geeest wordt ge-
wijzigd .................................. 63
VEERTIENDE HOOFDSTUK:
De wetten der erfelijkheid en omgeving — Eenig
licht over het vraagstuk van het Kwade.... 71
VIJFTIENDE HOOFDSTUK:
Zedelijke vooruitgang door een nieuwen vorm
van selektie — Eugenics, of rasverbetering door
het huwelijk — Vrije selektie in het huwelijk —
Maatschappelijke hervorming en overbevolking
— De toekomstige toestand der vrouw...... 86
ZESTIENDE HOOFDSTUK:
Hoe een tijdperk van zedelijken vooruitgang in
te leiden — De grond-oorzaak en de genezing 105
-ocr page 129-
WERKEN OVER: GESCHIEDENIS,
OPVOEDING, MAATSCHAPPIJLEER
VERSCHENEN BIJ DE WERELD-BIBLIOTHEEK
GERARD BRANDT, Uit het leven en bedrijf
van den Heere Michiel de Ruyter.
Bloemlezing met Inleiding door Prof. G. Kalff (met
portr. en afbeeldingen).
                                   I. 0.60
N.B. VIII-X.
MEVROUW CAMPAN, Marie Antoinette. Her-
inneringen uit haar leven. Bewerkt door S. J. Bouberg
Wilson. Met 16 historische afbeeldingen.
I. f 0.90 C. 1.05 L. 1.20
W.B. 113-116*. „Boeken, die geen enkel uitgever „aandurft," durft de
Wereld-Bibliotheek aan, en ze blijft ze aandurven. Deze uitgaaf bewijst
het voor de zooveelste maal. Zeker, ieder weet, dat 't een beroemd werk
is, en dat 't schitterende documenten bevat. — Wat is alles in dit boek
frisch en levend, hoe bespeuren we hier overal de begaafde hoogstaande
vrouw, die tot luisteren dwingt, de aandacht voortdurend gespannen
houdt en prikkelt; hoe voortreffelijk schetst zij de groote koningstragedie,
hoe weet zij te ontroeren en te doen meeleven."
        (Opr. Haart. CA.)
Dr. RUDOLF EISLER, Sociologie. Vertaald door
Dr. N. van Suchtelen.
                I. f 0.50, C. 0.65 L. 0.80
W.B. 157-158*. Dit werk zal behooren tot de serie Monografieën. Het geeft den
lezer een uitnemenden en veelzijdigen kijk op alle beschavingsvraag-
stukken in hun betrekkelijkheid. Hoe beknopt ook in zijn uiteenzettingen,
laat het sterk voelen den geweldigen samenhang der levensverschijnselen
van staat, maatschappij, godsdienst, wetenschap, kunst, recht, zeden,
gebruiken en instellingen; geeft hun ontwikkelingsgang aan en werkt
daardoor al aanstonds sterk leerzaam suggestief tegen eenzijdigheid en
bekrompenheid, terwijl het den blik opent voor zeer wijde horizonten.
„Welk een ruimte van inzicht wordt hier gegeven. Het boek verdient
warme aanbeveling in ruime kringen, door zijn rijken inhoud."
(Dordlschr Courant.)
C. K. ELOUT, Onze Staatkundige P a r t ij e n.
C. 0.40
H.b. „In dit werkje is met succes de kunst betracht 0111 „in a nutshell" het
belangrijkste uit het gebied der politiek samen te vatten." ( Vaderland.)
„De auteur heeft zich blijkbaar moeite gegeven over ontstaan, historie
-ocr page 130-
en huidig standpunt der verschillende partijen onpartijdige inlichtingen
te geven en is daarin, ook wat ónze partij betreft, wel geslaagd.
[liet Volk.)
,,Met groote objectiviteit en helderheid laat hij licht vallen op het staat-
kundig leven in Nederland; ook in zijn geschiedenis, zoodat zijn geschrift
een meer dan actueele beteekenis heeft."
                [Kerkelijke Courant.)
Mr. Dr. M. J. FLIER — Mej. Mr. J. F. LYCKLAMA a
NYEHOLT — Jhr. Mr. Dr. B. DE JONG VAN BEEK
EN DONK: Wereldwelvaart — Wereld-
recht — Werelvrede. Met eenalgemeeneinlei-
ding van Jhr. Dr. Nico van Suchtelen.
                C. 0.40
H.b. „Voortreffelijke opstellen." F. C. M. KNOBEL in liet Midden.
,,De lectuur van dit boekje is zeer aan te bevelen als tegenwicht op de door
den feestelijken rompslomp onwillekeurig wat sceptisch stemmende
verslagen der vredescongressen"....
                                De Avondpost.
HELEN KELLER, Mijn Levensgeschiedenis.
Vertaald door mej. L. Stuart,-voorrede van J. van den
Ouden. Voorzien van 12 afbeeldingen.
I. f 0.50 C. 0.65 L. 0.80
W.B. 122-123*. Dit levensverhaal van het blind- en doofgeboren Amerikaan-
sche meisje, dat het zoover gebracht heeft, tot zij talen leest en spreekt, tot
zij wiskunde en natuurkunde heeft geleerd, examen voor de Hoogeschool
heeft gedaan; dat haar geest ontwikkeld heeft en zoo vroolijk en opge-
ruimd is, is terecht een der merkwaardigste boeken van onzen tijd
genoemd. — „Dit boek is een getuigenis." J. v. d. OUDEN. — „De merk-
waardigste figuren der 19e eeuw zijn Napoleon en Helen Keiler."
MARK TWAIN.
TH. HOLMES en I. H. BOEKE, In en buiten de
gevangenis.
                                                Cf 0.40
H.b. „Het is een kort, onopgesmukt opstel, waaruit een mild humaniteits-
gevoel spreekt en dat stof genoeg tot nadenken geeft."
         [Avondpost.)
„De heer Boeke is geen jurist, doch zijn zuiver menschkundige beschou-
wingen zijn voor den jurist, voor den rechter wel van waarde."
[Weekblad v/h Recht)
NELLIE VAN KOL, Aphorismen. (Over Opvoeding en
Leven), bijeenverzameld door Johanna Dorre — mei
Inleiding en Aanteekeningen van Mevr. v. Kol (uiteen-
zetting van haar huidige, christelijke, levensovertuiging)
I. f 0.20 C. 0.30 L. 0.40 K. o.8c
N.B. CXI. „Een klein, pittig boekje, dat ik ieder aanraad te koopen. Voora
-ocr page 131-
voor ons, moeders, die zich bij de opvoeding helaas maar al te vaak laten
leiden door ingevingen van sleur en oogenblik, bevat het zoo menige
nuttige wenk."
                                                                    {Opwaarts.)
KARL MARX, Het Kapitaal. Deel I (1-3), vertaald
door F. van der Goes. Herdruk in bewerking.
I. f 0.60 C. 0.75 L. 0.90
W.B. 141/3. Deel I, 2e stuk (4-5). idem. I. f 0.60 C. 0.75
L. 0.90
W.B. 163-165. Dit tweede stuk van het eerste deel bevat: De Produktie der
relatieve Meerwaarde:
Begrip der relatieve meerwaarde; Coöperatie;
Verdeeling van Arbeid en Manufaktuur; Machine-wezen; Groot-indus-
trie. — De Produktie van Relatieve en Absolute Meerwaarde: Absolute
en relatieve meerwaarde; Kwantitatieve veranderingen in den prijs van
arbeidskracht en in meerwaarde; Versehillende Formulen voor de
Mecrwaardewel.
Deel I (Slot).                                         I. f 0.60 C. 0.75 L. 0.90
W.B. 191-193. Met dit derde stuk is thans het eerste deel van dit belangrijke
werk voltooid.
Inhoud: Het Arbeidsloon: Omzetting van de waarde der arbeidskracht
in arbeidsloon; Het tijdloon; Het stukloon; Nationale verscheidenheid
der arbeidsloonen. — De akkumulatie van hel kapitaal: Enkelvoudige
reproduktie; Omzetting van meerwaarde in kapitaal; De algemeene
wet der kapitalistische akkumulatie; De zoogenaamde oorspronkelijke
akkumulatie; De moderne kolonisatieleer.
HELENE MERCIER, Verbonden Schakels, met
een inleiding van Mevr. Kapteyn-Muysken: Een Heilige
van den nieuwen tijd.
                   I. f 0.40 C. 0.55 L. 0.70
N.B. CXV-CXVI. Inhoud: Een Heilige v. d. Nieuwen Tijd (door Mevr. Kapteyn-
Muysken)— Wegwijzers — Karaktervorming der vrouw — Elizabeth
Browning — Aurora Leigh — Georg Elliot's uitgangspunt — Philantropie
— Stuart Mill's Socialisme — Het kiesrecht der vrouw — Een eisch
der tijds.
„Om dat verwonderlijk sterke meegevoel, dat ondanks haar zwakke
zich onverpoosd in daden uitte, bij zoo gelukkige klaarheid van geest,
verschijnt ons Helene Mercier als een der schoonste en hoogste pcrsoon-
lijkhedcn
in het Nederland van de tweede helft der vorige eeuw. Hoe de
verste, zuiverste individualiteit voert tot het innigst gemeenschapsgevoelen
heeft haar leven op ontroerende wijze aangetoond. En dit boek geeft er
het kort begrip van."
                  FRANS COENEN in De Amsterdammer.
. ■ . .„In alles dus het naastbijliggende, en — zoo zou men geneigd zijn
te denken — het meeót voorbijgaande, datgene wat na een ontwikkeling
van twintig, dertig jaar al lang overleefd moet zijn. Wat maakt het uit
langs welken weg juist deze ééne Amster-^msche vrouw van goeden
-ocr page 132-
huize zich van sommige vooroordeelen vrijmaakte en wat zij voor haar
soortgenooten begeerde! Hoe kan het nu nog belangrijk zijn wat toen
gezegd werd over instellingen en boeken, die óf hun kindsheid te boven
óf voor een goed deel verouderd zijnl Waarschijnlijk toch — in een tijd
dat menschen en toestanden sneller dan ooit te voren veranderden —
heeft datgene wat toen over het voorkomen van die dingen geschreven
werd, voor ons alleen een anecdotische beteekenis!
Zoo zou men denken, maar zoo is het niet. Mevr. C. Kapteyn-Muysken,
die deze nieuwe uitgaaf van „Verbonden Schakels" inleidde, heeft vol-
komen gelijk als zij zoowel aan de persoonlijkheid van Helene Mercier
als aan haar tijd een beteekenis toeschrijft, die zich ook nu nog gelden
doet"
                                             ALBERT VERWEIJ in De Beweging.
MICHELET, De Martelaren van Rusland. Ver-
taling van S. J. Bouberg Wilson.
                         L. f 0.40
W.B. 3. De groote Fransche geschiedschrijver heeft in 1852 de martelaren van
den Russischen bevrijdingskamp, den strijd tegen autocratie en bureau-
cratie geteekend, en den langen duur dier worsteling verklaard uit den
aanleg van het Russische volk. Dit vooral maakt dit werkje ook voor
onzen tijd, nu het schijnt of we het einde der worsteling naderen, diep
interessant.
PLATOON's Verdediging van Socrates.
I. f 0.20 C. 0.30 L. 0.40
W.B. 170.
IS. QUERIDO, Napoleon (Geïll.).                   C. f 0.40
H.b. „Het is precies het boek dat van Querido over zulk een onderwerp
te verwachten was, nu eens doordringend en fijn proevend, dan stormachtig
onbeheerscht, vol stoute beelden, verheven en familiaar, verrassend
en schokkend in de overgangen, altijd vol warmte en strijdbaarheid."
(De Telegraaf.)
Dr. FRITS VAN RAALTE, Vragen over Opvoeding
C. f 0.40
H.b. „Van Raalte's opstellen geven steun en houvast aan hen, die zich in
school of huis wezenlijk ernstig met kinderen willen bezighouden."
(Auondpost.)
J. J. ROUSSEAU, Emile, of over het wezen der
Opvoeding. Uit het Fransch bewerkt door Is.
Querido. Eerste deel.
                    I. f 0.50 C. 0.65 L. 0.80
W.B. 149-150*. „Het meeste genot en leering geeft misschien het lezen van 't
oorspronkelijke. Doch nu het in 't Nederlandsch is overgebracht door
een onzer grootste schrijvers, een denker tevens, kan men er zeker
vrede mee hebben, dat deze zijn eigen taal en stijl leende aan de ge-
-ocr page 133-
dachten en ideeën, aan de paedagogiek van den Franschen schrijver.
Interessant en zeer leesbaar is het boekje op deze wijze zeker geworden."
(Nieuwsblad voor Nederl.)
JOHN RUSKIN, T ij d en G e t ij. Brieven aan een werk-
man. Vertaling Mevr. Uildriks — Inleiding L. S. —
Portret.
                                             I. f 0.40 C. 0.55 L. 0.70
W.B. 94-95. Ruskin is een der belangwekkendste figuren in het 19e eeuwsche
Engeland. Zijn geschriften over kunst, zoowel als die over de maatschappij
hebben een grooten revolutionneerenden invloed geoefend. Hij is een
der eerste geweest, om de maatschappelijk kwesties te bezien uit een
oogpunt van: „Wal wordt er pan den menscli?" — Een voorganger in
„volkskracht," een geboren zedemeester, boetprofeet, fel en hevig.
Deze brieven doen hem kennen in zijn bizonderheid, zoowel 't blijvende
als 't tijdelijke ervan. Lectuur, die tot denken prikkelt.
SALZMANN, Mierenboekje, of de Opvoeding
van Opvoeders. Vertaald door Louis Landry. Met
uitvoerige inleiding van Dr. J. H. Gunning. 2e druk,
(6e-8e duizend.)
                           I. f 0.20 C. 0.30 L. 0.40
W.B. 23. Zoowel om het nog altijd frissche en interessante van het werkje
zelf, als om de belangwekkende schets van de 18e eeuwsche geestes-
beweging, door dr. Gunning als Inleiding gegeven, zal dit werkje ook
in dezen herdruk zeker alle aandacht vragen.
SIGHELE, De Menigte als Misdadigster. Uit
het Italiaansch door Mej. Anna Polak.
                L. 0.70
W.B. 26-27. In dezen tijd, waarin de menigte meer dan ooit heerscht, is
een werk, dat haar zielsgesteldheid wetenschappelijk bestudeert, van
het ontzaglijkst nut. Sighele is een leerling van den bekenden socialis-
tischen hoogleeraar Ferrf; hij is zelf sociaal-democraat. Dit maakt zijn
studie er zeker niet minder belangwekkend om.
DE TOCQUEVILLE, Mijn herinneringen aan
den Opstand in 1848. Vertaling S. J. Bouberg
Wilson.
                                             I. f 0.40 C. 0.55 L. 0.70
W.B. 34-35. De Tocqueville was een groote persoonlijkheid in het Frankrijk
van 1840-50. Lid van het Parlement, gematigd liberaal, onafhankelijk
denker en scherpzinnig opmerker, was hij uitnemend in staat achter de
schermen te kijken en ons den binnenkant van den opstand in zijn land
aan te toonen. Zijn fout is, dat hij zichzelf al te voortreffelijk vindt.
Maar desniettemin zijn de herinneringen aller-interessantst voor ieder,
die wil weten hoe 't werkelijk toegaat in revolutie-tijden.
-ocr page 134-
H. G. WELLS, De Twintigste Eeuw en hare
waarschijnlijke Ontwikkeling.
I. f 0.40 C. 0.55 L. 0.70
W.B. 59-60. Wells, de fantast, is ook socioloog. Maar als kenner der natuur-
kundige wetenschap bekijkt hij onze maatschappij uit een ander oogpunt
dan de meesten, die zich aan toekomstvoorspellingen voor haar gewaagd
hebben. Hij gaat uit van het verkeerswezen en van de ontwikkeling
der mechanische hulpmiddelen; hij neemt de menschen niet als toekomst-
engelen, maar zooals ze zijn, doch hij heeft ook geen vooroordeelen en
is heelemaal geen man van het behoud. Zoo ziet zijn toekomst-profetie
later en nader in zijn Modern Utopia ontwikkeld, er heel anders uit
dan die, welke we al kennen. Een dubbele reden om haar met belang-
stelling te lezen.
Dr. C. J. WIJNAENDTS FRANCKEN, Benjamin
F r a n k 1 i n. Een Monografie. Met portret.
I. f 0.20 C. 0.30 L. 0.40
W.B. 104. Het leven van groote mannen heeft altijd velen geboeid. Dr.
Wijnaendts Francken vertelt echter niet alleen het leven van dezen
grooten medestichter der Amerikaansche republiek, hij geeft ons ook
uitvoerig zijn denkbeelden over belangrijke vraagstukken. Een werkje,
waarvan opvoedende kracht uitgaat. De Ho/stad: „die groote mensch
lééft, waarlijk groot, ja monumentual vóór ons op; en daarom is dit
werk geslaagd."
Prof. THEOBALD ZIEGLER, De NegentiendeEeuw
(Geestelijke en Sociale Stroomingen) vertaald door
Leo Polak. Eerste en tweede deel, geïllustreerd.
W.B. 173-176 en 235-238*. In twee deelen. Samen I. f 1.70 C. 2.—
L. 2.30.
Ziegler's Negentiende Eeuw kwam in zijn Nederlandsche overzetting in
Juni gereed en trekt nu allentwege wijde belangstelling.
„Een boek voor iederen student. Het geeft den lezer een frisschen kijk
op persoonlijkheden en vraagstukken, inzonderheid het maatschappelijk
vraagstuk, zooals dat in de 19e eeuw steeds meer naar voren kwam."
(Minerua).
„Een kostelijk boek, een prachtig werk, dat in geen enkel huis van een
mensch die wil weten welke de geestelijke stroomingen van eigen tijd
zijn en uit welke bronnen ze voortkomen, mag ontbreken."
(Vrije Vroomheid.)
„Een interssant, leerzaam boek. De heer Leo Polak zorgde voor een vlotte,
zuivere vertaling, die met tal van verklaringen onder aan de bladzijden,
het werk voor den Nederlandschen lezer zeer begrijpelijk maakt."
(Nieuwsblad voor Nederl.)