| |
-ocr page 109-
| |
| zo hier als daar hebben ontmoet in onderscheyde Konstkabinetten,
dezelve kan men zonder liefde niet beschouwen.
Een zaak is te bejammeren dat den Konstvervalscher in
de drie Japanners in \'s Gravenhage (wy zien op Bart den
Konst- Porcelyn- en Bloemverkooper) die Konsttafereelen
heeft laaten vermeenigvuldigen op een strafbaare wijze,
dewijl dat baatzuchtig Schepsel die liet kopieeren by
Theodorus vander Wilt, een Delfs schilder, die hy dan
wel verkogt of liever aansmeerde aan de stikziende Liefhebbers,
doch die dan wederom wierden gewraakt by de
echte Kenners, die opentlijk uytschreeuwden; Kan Gerard
Hoet niet beter schilderen, dan is \'t waarachtig geen
wonder dat hy geen grooter geluk weet op te loopen.
| | Het konterfijtsel van die wakkere Konstenaar is te zien
op de print H, onder het portret van den Ridder Godefried
Kneller.
JAN BRONKHORST.
| | Die Schilder is geboren tot Leyden, om en by die tijd,
en dewijl hy het ongeluk had dat zijn vader hem ontviel
op zijn dertiende jaar, bestelde hem zijn moeder by een
neef een pasteybakker tot Haarlem, om uyt dat lekker
beroep zijn kostwinning te raapen. Ondertusschen ging
hy altoos zwanger om te leeren schilderen, en die vlam
barste lichter laage uyt toen hy zich in ernst nederzette
tot Hoorn in Noorthollant, daar hy zich ook als een
malsche kuykenpastey liet inschieten in den oven des
huuwelijks. Toen viel hy aan het naschilderen van allerhande
soorten van vogels met waterverf, en hy geraakte
zo ver in die keus zonder het alderminste onderwijs, dat
hy na waarde vermag geboekt te worden onder de verdienstige
Waterverfschilders. Doch daarom verzaakte hy het
pasteybakken niet, maar hy nam de Schilderkonst waar tot
zijn
|
|
-ocr page 110-
| |
| zijn rust en lust, en het pasteybakken tot zijn broodwinning
en staf des huysgezins: en daar in stont hy vast in
zijn schoenen, want de Schilderkonst en het paleybakken
moogen wel t\'zaamen gepaart gaan, zijnde die beyden
lekkernyen, de eerste streelt het oog, en het laatste vleyd
de smaak. Hy wiert in den kalkoven des doods geschooten
op het jaar duyzent zevenhondert sesentwintig, nalaatende
een paar goede ampten, het schilderen en het pasteybakken.
| | Den braave Nederduytsche Poeet Johan Vollenhove
vereeuwigde den lof des schilderende Pasteybakkers, met
deeze woorden.
Hoe leeft en zweeft uw Schilderboek,
O Bronkhorst noch in mijn gedagten!
Wiens oog kon op panneel of doek,
Volmaakter Schilderkonst verwagten,
Dan daar men uw vernuft aan kent,
Op uw papier of parkement?
Mijn geest weyde\' in een beembd met lust,
Daar \'t woelt en leeft van tamme dieren,
En vogels, die als vreemt van rust
Geschapen, gins en weder zwieren,
Zo schoon gekleet, als Salomon
In al zijn pracht niet praalen kon.
Wie roept niet; Dit \'s geen schijn, o neen,
Natuurlijk leeven hier de vogels;
De klaauwen vatten waarze op treen;
De vlugheyt rept zich van de vlogels:
Vergat het konstpenceel geen tong,
Men hoorde hoe \'t gevogelt zong.
En wat verandring, net gemaalt,
Wat keurig oog kon ze ooit verveelen?
Wat
|
|
-ocr page 111-
| |
Wat vlijt heeft dit by een gehaalt
Uyt alle vier des aardkloots deelen?
Want nimmer baarde een hand en lucht
Zo veelerhande vogelvlugt.
Denkt iemant nu met Olieverf
Dit zagte konstwerk te verdooven?
Dees Waterverf die nooit versterf,
Gaat kracht van Olieverf te boven.
Noch holp hier toe geen meesters les:
Natuur alleen was leermeestres.
Natuur bewaart niet schoons, dat zy
In \'t licht kwam brengen voor \'t bederven:
Maar Bronkhorst, kloek van geest, als hy
Natuur met tkening en verwen
Dus volgt, verdient, de dood ten spijt,
Te leeven na zijn leevenstijdt.
ABRAHAM DIEPRAAM
| | Is een verdienstig maar beestachtig Schilder geweest,
die noch wel zo slim en kanalieus van gedrag was als
zijn
|
|
-ocr page 112-
| |
| zijn Meester Andriaan Brouwer, wiens leevenswijze zo
wel als schilderwijze hy stiptelijk navolgde in alle deelen.
Hy woonde tot Dordrecht by een Zilversmit genaamt
Waardenier, in het jaar duyzent seshondert vierenzeventig,
op welke tijd zijne stukjes wel aan den man wilden,
en hy zou\'er grooter prijzen voor hebben bedongen, by
aldien hy wat min den beest gespeelt, en zich wat vriendelijker
had aangestelt tegens de menschen. Aan een koppel
staaltjes zal den Leezer handtastelijk konnen merken uyt
wat voor een soort van stof, dat dien Schilder was
t\'zamengestelt.
| | De Antwerpsche schilders zijn gewoon van vrydags
ochtends een luchtje te gaan raapen op de Vrydagsmarkt,
en om te zien wat voor schilderyen\'er hangen voor de
luyffels der afslagers, en om eens te snuffelen of\'er hier
of daar niet een roode broek of een halfsleete mantel van
die koleur uythangt, die zy voor een prysje konnen
bekomen. Den scheele Spierings, die groote
Landschapschilder, wiens leeven wy hebben afgeschetst in ons
tweede Boekdeel der Nederlandsche Konstschilders, bleef
nooit in de achterhoede van dien togt, maar was gemeenlijk
den eerste die de Vrydagsmarkt liep doorkruyssen.
Nu gebeurde het eens dat hy een aardig stukje van met
de kaart speelende boeren zag hangen voor de luyffel eens
afslagers, welke manier hem onbekent zijnde hy van na
by bestudeerde, doch wiens maaker hy niet kende, alleenlijk
las hy op het voorgrondje den naam van Adriaan
Diepraam. Daar op trat hy in des Vendumeesters huys,
en hy vroeg, wie dat dat konststukje by hem had gebragt?
die hem andwoorde, dat zijne huysvrouw het had ontfangen
van een haveloos Wyf, die tegens ses uuren eens
zou komen zien of het een kooper had gekreegen. Bied
\'er tot tien patakons voor op myn rekening, zey den scheelen
|
|
-ocr page 113-
| |
| len Spierings die als betoovert was na dat tafereeltje,
en ik zal tegens het klokslag van vyven al aan uw huys zyn
om te zien of ik het voor die prys heb gekreegen. Dat stukje
van A. Diepraam mogt gelden twintig gulden, zo dat
het in Spierings handen geraakte, die al voor vyven na
den Vendumeester scharrelde, daar hy reeds dat leelijk
Wyf vond staan, die by den afslaager was opgehouden
met schoone woorden, en geen kleyntje stont te kijken,
toen die haar twintig guldens toetelde. Mameerke is dien
Heer die dat stukje heeft geschildert gelogeert aan uw huys?
vroeg den Landschapschilder Spierings, en het Wijf dat
zo gemaniert was als een slaagers dog andwoorde, Wat
Heer, wat Heer, ik logeer ik bai god niet anders as Bedelaars
en schamele pluggen; en wilde gai dyen fielt die dat
heet geschildert spreeken, ik woon ik kik in het wapen van
St. Krispyn na bai het Spanjaartspleyn, daar konde gai na toe
riemen as \'t ou lust, en zo niet laat et blaiven. Daar op
stoof het Wyf te deur uyt en den scheele Spierings volgde
haar na, om te zien of hy dien Abraham Diepraam aan
zijn huys kon lokken om voor hem te schilderen. Zo dra
was die Modde van Gompen of Bedelaars kastelynsche
niet in haar slot gegaan, of Spierings klopte aan, en
verzogt of dien Schilder eens geliefde by hem te komen, als
die iets noodzakelijks met hem had te spreeken. Daar
op komt\'er een figuur van boven gekleed in een linnen
keel, met een oude vuyle slaapmuts op de kop, zonder
koussen of schoenen, haveloos en bol van wangen, die halver
wege den trap bleef staan, en aan den Landschapschilder
vroeg, wat dat hy doch met hem had te schaffen?
? Maar, myn Heer Diepraam, gaf die tot andwoort,
is dit een logement, en zyn dat kleeders voor zo een braaf
Schilder? ik bid en ik bezweer uw van myn huys te willen
gebruyken tot uw herberg, myn tafel is tot uw dienst, ik
zal
|
|
-ocr page 114-
| |
| zal uw voorzien van een dubbelt pak schoone kleeders, van
hembden, manchetten, en van zakgeld, zo dat je als een
fatsoenlyk man zult voor den dag komen, en met de voornaamste
Zorgers en Konstschilders van Antwerpen konnen
verkeeren. Zo dra had Spierings zijn aanspraak niet
geeyndigt, of de blikken van Diepraam begonnen te rollen
als een paar donderklooten, hy stak een keel op als een
wapenkreet, en onder een orkaan van vloeken en van Sakramenten,
liet hy zich dus hooren; Vermaledyden scheelen
hond! ik ben een beest en ik wil als een beest leeven en
sterven, en dat ik wist dat ghy uw inbeelde een minder beest
te zyn als ik, ik zou uw met dit mes tegens de wand
vastpennen. Dit uytgegilt hebbende rukte hy een mes uyt als
een bajonet, vloog de trappen neerwaards om zijn belofte
werkstellig te maaken, zo dat indien zich Spierings
niet had weggemaakt, zou hy mogelijk niet veele Landschappen
meer gemaalt, of Konstlievenden hebben bedroogen.
| | Tot Dordrecht gaf hy op een zekere avond zittende
in een Herberg te zuypen breed op van zijn konst, waar
op een van het gezelschap een stukje, dat hy hem beduyde
zonder dat hy het eens zag, van hem kogt, onder
die mids dat zijn vrouw het eerst moest zien en dat het
haar moest aanstaan, waar in dat Diepraam bewilligde.
\'s Anderendaags kwam de vrouw met haar man op zy aanstryken,
die wel zin had in het stukje, doch zy bood\'er eenige
guldens minder voor als haar man het had bedongen,
zeggende, dat het maar een kleyn bordje was, en dat hy
het met die prys wel kon stellen. Den beestachtigen
Abraham Diepraam wiert zo dol over die ontydige
zuynigheyt, dat hy stuks het panneeltje op de knop van een
stoel in stukken sloeg, en het wyf en den man, die niet
wisten hoe dat zy ras genoeg van de trappen zouden komen
|
|
-ocr page 115-
| |
| men, de stukken na \'t hoofd wierp, quansuys als of zy
hem ten alderuyterste in zijn fatsoen hadden beldigt.
Doch korts daar aan veranderden en verslimmerden de tijden,
als die toen by na halfnaakt met het palet en de penceelen
in de hand langs de deuren van zijne bekenden om
werk liep hengelen, alommers zo vervallen als een
Spaansch bezetteling in het Kasteel des Hongersnoots
van Antwerpen.
| | Tot Breda kwam hy in de winter in garnizoen leggen
in de qualiteyt als Piekenier, want die guyt die drie a
vier rijksdaalders daags kon winnen, nam dienst voor Soldaat
op achtentwintig stuyvers per week. Dewijl hy nu
niet kon bestaan op die som, huurde hy een zoldertje na
by den manhafte onvertzaagde Meester met de zwaarde,
by de onedele gemeente gedoopt den Beul, om eenige
stukjes te schilderen. Drie a vier Konstkenners gingen
hem op een zekere tijd bezoeken, en om het geene dat gedaan
mogt zijn op te koopen, en om hem eenige stukjes te
bestellen, die niet zonder een buyk vol lacghs wederkeerden.
Een van die Heeren stont vlak tegens over Diepraam
die naarstiglijk gezeten op een oude stoof in stee van een
stoel zat te schilderen, en hy wiert gewaar dat den Schilder
gestadiglijk zulke misselijke tronien trok als een bezeten
Roomsche bedrieger, die overgooten wort met Wywater
Hy verbeelde zich dat Diepraam met hem spotte,
en hy stont op het punt om hem met een handvol gevoelige
vermaaning te beschenken, toen hy zag dat\'er een stukje
spiegelglas ter groote van een bakerschelling in zijn palet
was vastgehegt, waar in hy zich gestadiglijk spiegelde,
en aldus zijn eyge tronie in onderscheyde gelaatstrekken
uytschilderde voor dronke boeren of voor vegtende pluggen:
ook ziet men dat de meeste tronietjes op zijne
konststukjes een groote overeenkomst hebben met malkanderen.
|
|
-ocr page 116-
| |
| deren. Die byzonderheyt is ons verhaalt van een Heer
die een van het gezetschap uytmaakte om hem te gaan
zien schilderen.
| | Aangaande zijn konst die is loffelijk, en hy is geen
minder Konstenaar geweest in die wyze van schilderen
als zijn Meester Adriaan Brouwer, alhoewel min rijk van
geest in het ordonneeren en in het uytdrukken van de
hartstogten. Een wonderlijke zaak heeft hy gehad in
zijne handeling hier in bestaande, dat\'er een huyd schynt
te leggen over zijne tronien en handen, daar veele hedensdaagsche
Schilders een tronie zo raauw schilderen als
een ongezoode kalfskop, en de handen zo huydeloos
maalen als versch geschraapte verkenspooten. In de
Meyery van \'s Hartogenbosch, en in de Baronie van Breda,
plagten eertijds veele Konsttafereeltjes van dien konstigen
Abraham Diepraam te berusten, die Lambert Pain
& Vin liet opkoopen en na Parys overschikte, dewelke
ke aldaar ontrent de twintig jaaren gelden zo wel gewilt
wierden als de stukken van Adriaan Brouwer, David
Teniers, Ostade, en alzulke kluchtige schilders.
| | Daar valt niet meer te zeggen van dien Konstschilder,
dan dat hy den Wolf slachte, en hoe ouder hoe erger
wiert, en in zijne laatste dagen zo onmanierlijk tot den
Brandewyn verviel, dat het een mirakel scheen hoe dat
zijn zondig licghaam zulks kon verdraagen. Den Konsthandelaar
Kornelis Parsyn die hem, zo hy voorgaf, uyt
medelijden in zijn huys nam en liet schilderen, plagt te
verhaalen, dat hy voor zijn ontnuchtering een pint Brandewijn
dronk eer hy iets kon beginnen, en voorts had hy
een flesje den gantschen dag door op de plank van zijn
schilderesel nevens hem staan, daar hy van tijd tot tijd
uyt lurkte, anders beevden zijne handen zo vreeslijk dat
hy niets kon verrichten. De dood kreeg ten laatsten mededoo-
|
|
-ocr page 117-
| |
|
dedoogen met den verzoopen Konstschilder, en wrong
hem den hals om in het Gasthuys van Rotterdam, daar
in gelijk aan zijn Konstgenoot, die gezond zijnde alles
wat hy kon grypen en vangen door de keel joeg, en zyne
vrienden die hem ten besten poogden te raaden en op
een goeden weg trachten te brengen, met dit beestachtig
bescheyt afscheepte; Wat, Sakrement! het Gasthuys
is niet voor de verkens gesticht.
MATHYS WULFRAAT
| | Is geboren tot Aarnhem, op Nieuwejaars nacht, in
den jaare duyzent seshondert achtenveertig, en zijn vader
die de Geneeskunde oefende poogde hem ook op te trekken
in dat halsbreekent beroep, doch te vergeefs gelijk
als wy zullen aantoonen. Hy bestelde hem tot dien eynde
op de Latynsche schoolen, om de Grieksche en om de
Latynsche taalen te leeren, maar den jongen Wulfraat
had grooter zin in de Italiaansche en in de Nederlandsche
konstprenten, waar door den vader die een Hoogduytscher
was hem dikmaals zo tederlijk bestrafte, dat den
jongen niet wist in wat hoek of plaats by zich voor vaders
verbolgendheyt zou verschuylen. Maar.
Het driftvuur aangedrongen,
En voortgeparst door de Natuur,
Wort, als het blaakent vuur,
Bezwaarelijk bedwongen.
Het geen Mathys Wulfraat nu noch meer stijfde in zijn
drift tot de Schilderkonst, was dat hy kennis kreeg aan
Abraham Diepraam, die zich een geruyme tijd ophield
tot
|
|
-ocr page 118-
| |
| In het oorspronkelijke boekwerk ligt tussen
pagina 102 en 103een extra, ongenummerde
pagina met afbeeldingen van diverse schilders.
Deze tussenpagina is in het plaat-formaat te bekijken.
|
|
-ocr page 119-
| |
| tot Aarnhem. Die Konstschilder moedigde hem aan in
zijn voorneemen om een Schilder te worden, en hy onderwees
hem in de grondbeginsels der Tekenkonst, waar
door Wulfraat, die reeds drie schooten was doorgeworstelt,
niet door de vierde begeerde te wringen, zo dat den
oude Geneesheer hem tegens wil en dank bestelde by
Diepraam, die tot Aarnhem wel was gezien wegens zyn
konst, doch gewraakt aangaande zijn leeven. Hy vorderde
zodanig in Picturas loopbaan, onder het opzicht
van dien Konstenaar, dat hy zich in staat bevont om
voort te gaan zonder Meester, alleenlijk door zich te
behelpen met het leeven. Daar op verliet hy het geldeloos
Aarnhem, en hy begaf zich na het kooprijk Amsterdam,
in welke Stad hy zich neerzette en naarstiglijk
begon te schilderen. Hy was een braaf Konterfijter, en
geen gemeen Historieschilder, gelijk als blijkt uyt verscheyde
konsttafereelen van moderne gezelschappen van
Heeren en Dames, die by zijn tijd wel gewilt zijn
geweest, en als noch wel gewilt worden by de Konstbeminnaars.
Hy stierf op het jaar duyzent zevenhondert
zevenentwintig derhalve zullen wy hem laaten berusten,
en ons begeeven tot den beroenden Batailleschilder,
JAN
|
|
-ocr page 120-
| |
JAN VAN HUCHTENBURG.
| | Die beruchte Konstschilder is geboren tot Haartem,
een Stad die al van ouds vruchtbaar is geweest in
het voortbrengen van heerlijke Konstschilders. Hy kreeg
by tijds kennis aan den Konstschilder Jan Wyk, die pas
drie jaar ouder was als hy, en reeds vry ver was gevordert in de
konst, zo dat hy hem dagelijks ziende schilderen, hy eerst de
tekeningen en naderhant het penceel aangreep, waar in hy
zo een groote sprong deed, dat hy zich sterk genoeg bevoelde
om eene Itatiaansche konstvaart te onderneemen op
zijn penceel, te meer dewijl zijn broeder Jakob Huchtenburg
zich ophielt te Romen, die de Schilderkonst had
geleert by den beruchten Niklaas Berghem. Maar die
broeder was door een ontydig sterflot weggerukt op zijn
dartigste jaar, derhalve trok Jan Huchtenburg na Parys,
daar hy geraakte by den beroemden Batailleschilder van-
der
|
|
-ocr page 121-
| |
| der Meulen, onder wiens opzigt hy wonderlijk vorderde;
doch de Fransche lucht wars zynde, zakte hy wederom
af na de Nederlanden, in welk Gemeene Best hy
zich heeft opgehouden t\'zedert het jaar duyzent seshondert
en zeventig. Op het jaar duyzent zevenhondert en
acht maakte hy een verding met den Prins Eugenius van
Savoyen, om voor dien Vorst te schilderen, een waardigen
Homeer voor dien grooten Achilles, in wiens dienst
hy die tien beroemde beroemde Batailles heeft geschildert,
die den Held en den Schilder eeuwiglyk zullen doen
leeven by de Nakomelingen.
| | Het eerste Tafereel vertoont de Bataille by Zenta,
tusschen de Keyzerschen en de Ottomannen, op den elfde
van de Herfstmaand, des jaars duyzent seshondert zevenennegentig.
| | Op het tweede ziet men den Veldslag van Chiari tusschen
de Fransche en de Keyzersche Heirlegers, op den
eerste van de Herfstmaand, in het jaar duyzent zevenhondert
en een.
| | Het derde Konststuk verbeelt de Bataille van Luzara,
tusschen de Keyzerlijken en de Franschen, op den vyftiende
van de Oogstmaand, des jaars duyzent zevenhondert
en twee.
| | Op het vierde Tafereel heeft den Konstschilder den
Vetdslag van Hochstedt gemaalt, die losselijke overwinning
behaalt op de Fransche en op de Beyersche troepen,
op den dertiende van de Oogstmaand, in het jaar
duyzent zevenhondert en vier
| | Het vijfde Stuk vertoont de Bataille en de Overwinning
van Cassano, behaalt by den Prins Eugenius van
Savoyen, op Monsieur de Vendome, op den sestiende van
de Oogstmaand, in het jaar duyzent zevenhondert en
vyf.
Den
|
|
-ocr page 122-
| |
| | Den Konstschilder heeft voor zyn sesde voorwerp genomen
den Veldslag van Turin, op den sestiende van de
Herfstmaand, in het jaar duyzent zevenhondert en ses.
| | Op het zevende Konsttafereel ziet men de glorieryke
Overwinning, die de Troeppen der Geallieerden behaalden
op de Franschen by Oudenaarde, onder het gebied van
den Prins Eugenius, op den elfde van de Hooimaand,
des jaars duyzent zevenhondert en acht.
| | Het achtste voorwerp is de Bataille van Mons of van
Malplaquet, gewonnen op de Franschen, op den elfde
van de Herfstmaand, in het jaar duyzent zevenhondert
en negen.
| | Het negende Konststuk vertoont de heerlyke Overwinning,
bevogten by het Keyzerlyk Heirleger onder het
gebied van den Vorst Eugenius van Savoyen by Peterwaradyn,
op den vyfde van de Oogstmaand, in den jaare
duyzent zevenhondert en sestien.
| | En op het tiende Tafereel heeft den Bataitleschilder
afgemaalt de Bataille van Belgrado, welke groote Victorie
de Keyzerlijke troeppen op den Erfvyant behaalden,
onder het bevel van den voornoemden Prins, op den sestiende
van de Oogstmaand, in het jaar duyzent zevenhondert
zeventien.
| | Die beroemde Konsttafereelen schilderde Jan van
Huchtenburg voor den Prins Eugenius van Savoyen, en naderhant
schilderde hy die noch eens in een kleynder formaat,
doch niet minder in konst als de voorige tien
Konststukken, getyk als de Konstkenners eenpaariglijk
getuygen. Die laatste tien Batailles zijn thans in de bezitting
van Johannes Staats, Maakelaar tot Amsterdam,
alwaar zy t\'allen tyde konnen gezien worden by luyden
van fatsoen en by echte Konstkenners, zynde derzelver
Bezitter een openhartig en vriendelyk persoon, die zich
vereert
|
|
-ocr page 123-
| |
| vereert acht door diergelyke bezoeken, en die wel weet
dat men de konst niet moet opsluyten, gelyk als de Gierigaards
leeven met hunne goude en zilvere munten, maar
dat een galant Man die behoort te laaten zien aan die geenen,
die bevoegt zyn om te konnen oordeelen over derzelver
weezendlyke waarde.
| | Wy zullen ons niet inlaaten in de beschryving van die
tien alom beruchte Konstschilderyen, maar alleenlyk ter
loops zeggen, dat het Konstwonderen zijn, waar in alle
de tot de Batailles vereyschte eygenschap konstiglyk en
natuurlyk zyn waargenomen. Inzonderheyt zyn de Paarden
zo wonderlyk fix getken in honderde onderscheyde
gestaltens, dat de Kykers niet weeten wat dat zy eerst
zullen onderneemen om te pryzen; en men kan met waarheyt
zeggen, dat die oorlogshaftige dieren vry vaster in
hun schoenen staan, als sommige Schilders, wiens beelden
men wel gelyk als bouvallige huyzen diende te onderstutten
met balken en met krukken voor het vallen. Ook
heeft dien vermaarde Jan van Huchtenburg, niet alleenlyk
de hartstogten naauwkeuriglyk geobserveert, maar
zelfs de gelaatstrekken der Bevelhebbers en der Krygsluyden
zo konstiglyk waargenomen, dat men met een
opslag van \'t oog de Keyzerlyken uyt de Franschen en
uyt de Turken kan bekennen.
| | Die tien Konsttafereelen, benevens noch eenige andere
Ordonnantien, verzelt met een naauwkeurig relaas van
die Batailles, gaan uyt in prent, en zyn zo heerlyk nagevolgt
dat het een vermaak is van die te beschouwen.
Die Konstschilder is als noch onder de leevenden, alhoewel
hoog bejaart, zijnde het een jammer dat diergelyke
personen sterven, die zich door hun konst zo beroemt en
zo aangenaam weeten te maaken by de Goden der aarde,
want hy is noch op het jaar duyzent zevenhondert en elf
met
|
|
-ocr page 124-
| |
| met een goude keten, en met eene medaille van het eygen
metaal, vereert geworden by den konstlievende Prederik
Willem, Keurvost van de Palts.
JAKOB MOELAART
| | Kwam te voorschyn tot Dordrecht, op den vyftiende
van de Herfstmaand, in het jaar duyzent seshondert negenen
veertig. Hy omhelsde de Schilderkonst tot zyn
Maitres, in welke keus hem zyne Ouders lieten voortgaan,
en hem bestelden by den Konstschilder Niklaas
Maas, by den welken hy zodanig binnen eenige jaaren
vorderde, dat hy een goed konterfytsel kon schilderen.
Doch hy wiert door een zeker toeval uyt de armen der
Konstgodes gerukt, en gezonden naar Amsterdam om zyn
Ooms winkel waar te neemen, in welke dienstbaarheyt hy
zo lang volharde tot dat hy in de dienstbaarheyt des
Huuwelyks geraakte, zonder echter uyt die voorige
dienstbaarheyt te geraaken, dewyl hy dat beroep aan de
hand hield, alhoewel hy toen meer tyd had om eenige
uuren in de konstoefening en in den konsthandel te besteeden.
Hy was een van de alderbefaamste Liefhebbers in
het vergaaren van de Prentkonst der beroemdste aloude
en hedensdaagsche Meesters, welke bzigheyt hem aanleyding
gaf om zelfs de hand aan de konstploeg te slaan,
en verscheyde fraaye schriftuurlyke tekeningen te ordonneeren:
als daar den Koning Pharao met man en muys
verdrinkt in het roode meir, daar den leydsman der Israelieten
een bron uyt de dorre rots doet ontspringen om het
by na versmacht lsrael te laaven in de verzengde woesteynen,
en diergelyken. Hy legateerde op zyn krankbed
zyne alderschoonste prenten aan de Konstschilders en aan
de Konstliefhebbers zyne gemeenzaame vrienden; en dat
gedaan
|
|
-ocr page 125-
| |
gedaan hebbende ley hy zyn hoofd gerust neder, en ontsliep
in den Heere, op het jaar duyzent zevenhondert
zevenentwintig
JAN LUIKEN
| | Die groote Konstenaar vereerde door zyn geboorte
de machtige Koopstad van Amsterdam, op de sestiende
van de Grasmaand, in den jaare duyzent seshondert
negenenveertig. Zyn vader was den vroome Kasper
Luiken, wel bekent door de uytgave van een boekje getytelt,
Winst zonder Verlies, die hem bestelde onder
het bestier van den Schilder Maarten Zaagmolen, om onder
deszelfs tucht de Schilderkonst te leeren; maar hy
verliet die konst en begaf zich tot het etsen van plaaten
voor de Boekhandelaars, dat hem wonderlyk gelukte. Alle
de Konstkenners stemmen eenpaariglyk toe, dat hy een van
de alderbeste Plaatetsers is geweest waar op zich Hollant
kan beroemen, welke waarheyt doorstraalt in de meenigvuldige
boeken die hy heeft verrykt door zyne heerlyke
konstprenten, inzonderheyt in Flavius Josephus, in de
Joodsche en Mosaische Oudheden van Goeree, in de uyt
de Fransche taal overgezette boeken van den Jesuiet
Maim-
|
|
-ocr page 126-
| |
| Maimbourg, in veele Reysbeschryvingen, in verscheyde
boeken van zyn maaksel, en in een oneyndig getal van
andere heerlyke konstprenten. ln zyn Lentetyd slachte
hy het gras der Jeugd, en was tamelyk losjes, gelyk als
blykt uyt een boekje by hem gedicht, genaamt de Duytsche
Lier vol van verliefde vaarzen, en dartele minnezangen,
waar van wy dit enkelt staaltje zullen geeven
aan den Leezer.
Een straal uyt Leonoras oogen,
Noch bruyner dan den Diamant,
Stak door een heymelyk vermoogen
Myn jeugdig hart in lichten brant.
Blaas uyt, blaas uyt, o Leonoore!
Blaas uyt de vlam die my verteert;
Een vlam uyt uw gezicht gebooren,
Gezicht dat zon en maan braveert.
Die boekjes liet hy om en tom by de Boekverkoopers op
haalen, toen den Heere hem krachtiglyk aanraakte op
zyn sesentwintigste jaar, en hem oogschynelyk aantoonde,
dat het borgerlyk leeven niet voldoende was om een
Erfgenaam te worden van die overheerlyke erfenis, die
voor die geenen wort bewaart die God beminnen, en den
smallen weg die na het eeuwig leeven leyd bewandelen.
Doch den goeden Jan Luiken wiert schandelyk uytgestreeken
in het verzamelen van die boekjes, dewelke door
een baatzuchtig Boekverkooper nagedrukt hem met dozynen
wierden t\'huys gebragt, waar door hy gewaar
wiert\'er reeds meer te hebben ontfangen als hy had doen
drukken, zo dat hy den in koop opschorte, die waarschynlyk
in het eerste half dozyn jaaren niet zou hebben
opgehouden. Zo schaars is de waare Trouw onder de
hedens-
|
|
-ocr page 127-
| |
| hedensdaagsche menschen, zo dat den Dichter Jeremias
Dekker wel mogt zingen,
Zo schaarsheyt de waardy der zaaken ryzen doet,
Dan is een eerlyk man een onwaardeerlyk goet.
Doch die goede vroome Jan Luiken verviel naderhant
uyt het heet water in het vuur, en die ziekte haalde hy
zich op den hals door het leezen van de grilzieke schriften
van den Pietist Jakob Bhme, en van Antonette Bourignon,
een koppel Antikrists Heyligen, die de weerelt,
en inzonderheyt de Hoogduytsche luchtstreek, met een
grooter tal dweeperyen hebben vergiftigt als alle de Munstersche
herdoopers. Hy verkeerde dan met geene andere
menschen, dan met die geenen die behext waaren met
die zelve gevoelens; vorders ging hy na den middag
eenzaamelyk wandelen, was in huys zo gespraakzaam
als een stomgeboren, altoos mymerende met ingespanne
gedachten, zo dat hy die geenen, die met hem kwamen
spreeken over het bestellen van eenige Konstplaaten,
voorkwam als een man die niet al te wel met het hoofd
is bewaart. Om kort te gaan, hy geraakte zo diep in de
maaling door het onophoudelyk doorblaaderen dier gemelde
boeken, dat hy zich ontstoeg van zyn beroep, de
Boekverkoopers Mortier, vander Sys en anderen eerst
liet naloopen, en naderhant ontzey, zyne goederen verkogt,
het grootste deel aan den Armen weggaf, en stil
uyt Amsterdam vertrok, om enkelyk te gaan leeven op
het Geloove, en niet op des weerelds vergankelyke goederen.
Eene oude Meyd vergezelschapte hem in zyn
pelgromasie, welke Meyd hem noch overleefde, en ook
een kindsgedeelte had in zyn nalaatenschap; maar hy ondervond
binnen een korte tyd, dat de Ravens geen brood
meer leverden aan zulk soort van Profeeten, zo dat hy door
den
|
|
-ocr page 128-
| |
| den noot gedwongen wederkeerde naar Amsterdam, om
aldaar de verzaakte Etsnaald op te vatten, en zich en
zyn huysgezin te bezorgen. Echter nam hy niet meer
van zyn winst als hy noodig had om soberlyk daar van te
bestaan, de overige penningen verdeelde hy onder de behoeftigen,
zo dat zyn zoons weduwe, en een kleyn Jongetje
waar over hy Grootvader was hunne vingers niet blaauw
telden aan zyn nalaatenschap.
| | Het is al een misselyke zaak als die beuzelachtige gevoelens
van Jakob Bhme en van Antonette Bourignon
den mensch overvallen, en inzondelheyt wanneer zy zich
eens vasthegten op de vrouwen, dewelke dan doorgaans
buyten spoorige grillen bedryven gelyk als de jonge Aapen.
Ook schynt\'er een geheyme loopbaan van Verstandhouding
te zyn tusschen het Vleesch en den Geeft dier geboezemde
Santinnen, want wy hebben\'er drie gekent
van het eerste fatsoen die met haare vaders Knegten doorliepen,
en zonder de Trouw te respekteeren daar mee
boeleerden, om met een vrye conscientie die gevoelens
te konnen belyden. De eerste was een Barones, die
met haar broeders Jaager, genaamt Scheerboom na Breda
kwam aanstryken, alwaar die Gelieven een Tabakswinkeltje
gingen oprechten, zittende Madame achter de
toonbank om dagelyks een paar schellingen te ontfangen,
onderwyl dat hy voor beunhaas op de jagt liep schieten.
Maar dewyt die onaanmerkelyke winsten te gering waaren
om een huyshouding te doen bestaan, speelden zy
bankrot, meer schulden nalaatende als vierdubbelde pistoolen.
De tweede was insgelyks een Barones, die op
de bouten ging met een kaerel, genaamt Niklaas Tscheer,
die naderhant alle de werken van den Beschermheylig van
hun orde uytgaf in de Hoogduytsche taal, en somtyds
met eenige andere zotten en zottinnen van dat beslag
kwam
|
|
-ocr page 129-
| |
| kwam zitten lollen en beeven ten huyze van eene oude
vrouw, de Moeder van Adriana Simons, woonachtig in
een huys van Mevrouw Vapour gelegen op den oudendyk
buyten Rotterdam. De derde Santinne die wy gemeenzaamlyk
hebben gekent, was de Gravinne van Witgenstyn,
die met een plug der pluggen genaamt Koch doorliep,
een malle jongen die te gek was om zonder een opzichter
te zitten by een glimment vuur van Hollandsche turf in
een harde winter, en die haar vergaste op traanenbrood,
dewyl zy beyden niet veel hadden om by te zetten.
| | Maar laaten wy den stervende Konstenaar Jan Luiken
niet verlaaten op zyn uyterste, die door de dood van het
kleed der sterffelykheyt wiert ontlast op het jaar duyzent
zevenhondert twaalf, des avonds tusschen ses en zeven
uuren. Wy hoopen dat hy onder het tal dier geenen is,
waar van den Koninglyken Psalmist zingt, Kostelyk is
in de oogen des Heeren de dood zyner Gonstgenooten.
| | Zo het Schouwburg zo wel Godverzaakers als Heyligen
op het tooneel voert, zullen wy in tegenstelling van
den vroomen en godlievenden Jan Luiken, den goddeloozen
en godverzaakenden Romeyn de Hooge opvoeren,
een braaf Konstschilder, een heerlyk Plaatetser, een goed
Ordonneerder, en een verstandig Man, die al te veel geests
bezat om de heyllooze gevoelens van Lucitius Vaninus,
van Pomponatius, van Bruno Nolano, van Spinosa, en
van diergelyke solferstokken des duyvels te belyden. Dat
hy met recht den naam verdiende van Viceroy van de Hel,
is hem meer dan eens onder de fles verweeten van zyn
alderbeste vrienden, wier naamen wy met het floers des
nachts zullen bedekken, zynde het een schandvlek en
geene eer, van een boezem vriend te zyn geweest van den
Goddeloosten aller menschen.
RO-
|
|
-ocr page 130-
| |
ROMEYN DE HOOGE
| | Die Konstenaar is een Man geweest gelyk als een zeker
Romeyn, van wien de Schryvers getuygen;
dat hy alommers zo veele goede als kwaade eygenschappen
bezat: en het zelve konnen en moogen wy zeggen van
dien Romeyn, die zo verstandig was als goddeloos,derhalve
zullen wy zyn Geboortestad verzwygen, zynde
het een soort van een verwyt voor die Stad, een diergelyk
Monster uyt haaren schoot te hebben zien voortkomen.
Zyn gedrag was zo voorbeeldelyk in zyne Lentejaaren,
dat zyne Voogden hem deeze drie propositien voorstelden,
of hy zich wilde zien handen en voeten aan malkanderen
binden, en op een schip gooien na het Oosten of na het
Westen? of dat hy zich voor altoos wilde zien transporteeren
in een streng Beterhuys? dan of hy zich wilde
stellen om een beroep te leeren? waar op hy de laatste
verkoos van die drie voorstellingen, en besloot om het
schilderen te leeren.
| | Dat hy zich in die keus niet heeft vergist, maar een
konstryk Schilder en een uytmuntent plaatetser is geworden,
|
|
-ocr page 131-
| |
| den, getuygen zyne Schilderyen en Prenten; en dat hy
alzo geestryk geweest is in zyne Ordonnantien, als vruchtbaar
in allerhande Goddeloosheden, kan niemant ontkenkennen.
De by hem beschilderde Saal op het Raadhuys
der Stad Enkhuyzen, en de Krygskamer in de doelen tot
Rotterdam, waar op hy verscheyde volgeestige halfronde
beelden heeft geschildert, zyn niet te mispryzen. Ook
telt men onder zyn voornaamste konst het Lusthuys van
den Heer Matheus van Broek, buyten Dordrecht, dat
hy bemaalde met de Historie van den beruchten Held
Klaudius Civilis, een der eerste Hollandsche Edelen, die
na dat de Romeynen zynen broeder onrechtvaardiglyk
hadden gedoot, de voornaamste Edelluyden en machtige
Borgerheeren by nacht onthaalde in het Schaakerwoud,
op welk feest hy hun overhaalde om de wapens op te neemen
en de Romeynen onvoorziens op den hals te vallen,
en zo voorts, zynde dien bitteren Oorlog wyd en breet
beschreeven by den beroemden en staatkundigen geschigtschryver
Kornelius Tacitus. Zo in Haarlem als elders
vind men noch verscheyde van zyne konsttafereelen en
beschilderde kamers: maar het getal van zyne geetste
Prenten overtreft zyne Schilderyen, waar van de oneyndige
drukken, zo in boeken, pasquillen, tytels, vuyle
bedryven, en meer anderen, overtuygende blyken geeven.
| | Maar zo geestryk als hy was in de Etskonst, zo eerloos
was hy in zyn gedrag, dat al vry aanstootelyk moet zyn
geweest, dewyl de Overheyt van Amsterdam hem die Stad
ontzey, om dat hy de Jeugd vergiftigde door zyne verfoeielyke
Aretynsche prenten, als blykt uyt zyn Gomoras
boekje, getytelt, de dwaalende Hoer, en meer andere
plaaten van dat soort, die beter het dwarhout of het
gloeient zwaard verdienen, als een krans van onverwelkbaare
lauwerieren. Daar by slachte hy den Wolf
die
|
|
-ocr page 132-
| |
| die hoe ouder hoe boozer wort, want hy wiert hoe gryzer
hoe goddeloozer, zo dat men met recht het elfde
Gezang van Anakreon kon toepassen op dien wellustigen
Sardanapaal, Romeyn de Hooge.
HET
ELFDE GEZANG
VAN
ANAKREON.
De Juffers gillen dat het klinkt
Laat af, o Theos zoon ons blanke borst te streelen,
Dione kan geen ysschots veelen,
De Liefde ontsteekt geen toorts aan hem wiens hoofdhair
blinkt
Door witte Kerkhofs bloemen.
Zat men het zilver haair dan tot de knipschaar doemen
Der Schikgodinnen? vraagt Anakreon. De kruyn
Van Katwyks hooge duyn,
Hoe zeer bedekt met wintervlokken,
Met sneeuw en ys betrokken,
Groent die nier onder \'t kille vocht?
Ha! \'k zal de Juffers nooit verzaaken,
Maar \'t bed en \'t ledikant doen kraaken,
Als ik myn Roozemont verzel op Venus tocht.
De wellust is het puyk der deugden,
Des wil wil ik, schoon de schyndeugd bromt,
My dag\'lyks des te meer vervreugden,
Hoe nader dat de dood my komt.
Zulk
|
|
-ocr page 133-
| |
| Zulk soort van valsche paerlen zet de Schilderkroon weynig
luyster by; ook moet dien konstryken R. de Hooge
het al vry bont hebben aangestelt en meer als gemeen den
beest gespeelt, dewyl een zeker Heerschap, die wy om
gewichtige redenen niet zullen noemen, hem met geen
voordeelige koleuren afschildert in een bekent Voddeboekje,
gedoopt, het Boulonees Hondje. Doch boven al
schreeuwde zyn Godslasterlyk bedryf door de beyde Nederlanden,
toen hy op een Delfsche Kermis zo een vervloekte
taal uytsloeg, staande op een Quakzalvers Theater,
dat de alderbefaamste Godverzaakers nooit beticht
zijn geworden, van zich diergelyke uytdrukkingen te
hebben laaten ontvallen. Maar wy zullen ons papier niet
vorder bekladden met de snoode byzonderheden van dat
Ondier aan te haalen, alleenlyk zullen wy noch een aardig
zegswoord pennen van dien Romeyn, en hem dan
laaten dryven.
| | Eenmaal wiert hy geciteert om te kompareeren voor de
Overheyt van een zekere Stad daar hy op die tyd woonde,
en aldaar verscheenen zynde wierden hem eenige Aretynsche
prentverbeeldingen voorgehouden, en hem gevraagt;
Of hy die goddelooze plaaten niet had geetst, en onder
den duym liep uytventen? Hy bedocht zich een poos en
andwoorde toen vrymoediglyk; Ja, Achtbaare Heeren, die
plaaten heb ik veele jaaren geleden geetst, doch ik verkoop
die prenten niet, die Koopmanschap gaat myn Vrouw aan,
en ik laat haar daar mee omspringen.
| | De tyd en stond van zyn overlyden is ons onbekent,
ook heeft het ons niet gelust veel moeite te doen om die
te weeten, te meer daar wy vast gelooven, dat hy
zich thans in zo een Oord bevint, alwaar hy min benoodigt
om Brandhout, als om Nova Zemblas Ysschotsen.
JAN
|
|
-ocr page 134-
| |
| JAN VAN NIKKELEN
| | Is een Haarlemmer geweest, wiens vader een braaf
Kerkschilder was op de wyze van van Vliet, welke vader
hem in den beginne de Fransche en de Latynsche taal liet
leeren, waar in hy dan gedreeven door een natuurlyke
zucht grootelyks vorderde. Die taalen hielpen hem merkelyk
in het doorgronden der aloude en hedensdaagsche
Geschigtboeken, in de Natuurkunde, en in de Bybelsche
schriften, waar door hy gelegendheyt kreeg om dagelyks
te verkeeren met dat soort van fijne Disputanten, genaamt
Sociniaanen, die zyn verstant scherpten, doch die de gronden
van zyn Godsdienst bedurven. Naderhant onderwees
hem den vader in de Bouw- en in de Doorzichtkunde,
en eyndelyk in de handeling van het penceel, waar in hy
een grooten opgang zou hebben gemaakt by aldien hy
zich niet had bemoeit om alles te willen weeten.
| | Eerst vond hy een harde Vernies uyt, met dewelke hy
kabinetten, gueridons en doozen zo keurlyk verlakte, als
of die uyt de Indien waaren overgekomen. Naderhant
ontdekte hy een voordeelig geheym in de Fabryk van
het weeven, en hy bewoog hemel en aarde om schatryke
participanten op te zoeken, als wanneer men een
Octrooy zou verzoeken aan den Staat: doch dewyl hy
geene Nederlanders kon oploopen die zulke aanmerkelyke
sommen wilden verschieten, wiert de uytvoering van
dat geheym opgeschorst tot aan de grieksche kalenden,
dat is, tot op den Feestdag van Sint Nimmermeer. Toen
begaf hy zich tot het schilderen van Landschappen,
Bloemen, Vogels en andere cieraaden op dunne zyde
gaas tot Chassenetten, en moede zynde begaf hy zich na
het een of het ander Wynhuys, daar hy dan het gezelschap
wist te vermaaken met voor Kwaaker te spreeken,
en
|
|
-ocr page 135-
| |
| en diergelijke snaakeryen. Daarenboven had hy het geluk
van zich zo diep te wikkelen in de gonst van den
Konstschilder vander Meyn, op die tijd woonachtig tot
Amsterdam, dat die hem naderhant op fortuyn of voor ballast
mee nam na Dusseldorp, daar hy opontbooden was
door den Keurvorst van de Palts, alwaar hy aanstonds
kennis maakte met den Hofschilder en Konstbewaarder
Jan Franois Douven, en zijn weldoener liet dryven. Op
de aldereerste maal dat hy met dien Hofschilder sprak,
wist hy zyne belangens zo wel voor te stellen, dat die hem
eenige Chassenetten beval te schilderen, dewelke geplaatst
wierden in een gallery die den Keurvorst nootzaakelyk
moest doorgaan, dewelke dien Prins zodanig bevielen,
dat hy Jan van Nikkelen beval, om eenige van zijne
Buytenpaleyzen, benevens derzelver groene dreeven, fonteynen
en andere cieraaden af te tkenen, en dan op die wyze
tot Chassenetten te schilderen met koleuren.
| | Die Konstenaar betoonde korts daar aan dat hy niet minder
gekonterfijt was in de Staatkunde, als in de Schilderkonst,
en hy bewees meerder dankbaarheyt door een staatkundig
andwoort, dat hy ten voordeele van den Konterfijter
Douven gaf aan den Keurvorst van de Palts, dan hy
ooit had beweezen aan zijn Overvoeder na Dusseldorp,
den Historieschilder vander Meyn. \'t Gebeurde dat den
voorgemelde Vorst hem een uytvoerig Kabinetstukje liet zien
van den Ridder Adriaan vander Werf, benevens een
Konterfijtsel van Douven, om daar over zijn oordeel te
hooren. Hy prees het Kabinettafereeltje volgens deszelfs zuyvere
waarde, doch hy voegde\'er staatkundiglijk by, dat men
dat konstjuweel des Ridders verongelijkte, met\'er het
heerlijk Konterfijtsel van Douven nevens te stellen, het
welk zo krachtiglijk was geschildert dat het alle de konst
daar het ontrent kwam overkraide. Na de dood van
dien
|
|
-ocr page 136-
| |
dien Keurvorst geraakte hy aan het Hof van den Landgraaf
van Hessenkassel, en van daar zullen wy hem het
zy dood ofte leevend niet wederhaalen.
AUGUSTYN
TERWESTEN
| | Kwam de Konstweerelt verlichten op den vierde van
de Bloeimaand, in het jaar duyzent seshondert negenenveertig,
binnen \'s Gravenhage. Hy verorberde zijne
lentejaaren met te leeren tkenen na prenten en na
pleysterbeelden, en naderhant met het boetseeren van wasche
tronien en figuuren: welke laatste konst hem de de eerste
aanleyding gaf tot het dryven van historien op goude en
op zilvere plaaten, op de wyze van Vianen, welke plaaten
hy konstiglijk wist te bewerken. Maar hy bepaalde
zich niet in dien omtrek, hy begeerde een grooter naam
na te laaten als die van een Drijver of Boetseerder, en uyt
dien hoofde gaf hy zijne de keus van twee ongelijke zaaken;
Of zy hem de Schilderkonst wilden laaten leeren, dan of zy
hem
|
|
-ocr page 137-
| |
| hem een Vrouw wilden geeven? daar op koozen de Ouders
het min gevaarlijkste, en zy bestelden hem by Wieling,
een berucht Konstschilder, die hem de eerste penceel
en in de hand gaf; doch dewijl die wiert opontbooden
by Frederik Willem, Keurvorst van Brandenburg,
genoot hy dat onderwijs niet langer als twee jaaren, en
daar op ging hy op zijn konst wandelen aan der heyden
| | Hy nam de reys aan over Duytslant naar Italien, en
betanden zonder ongeluk te Romen, daar hy zijn tijd
niet vermorste met de berooide Bendvogels, of vergeylde
met de geparfumeerde Kourtisanen, maar naarstiglijk
studeerde na de alderaanmerkelijkste Antyken, en na
de alderschoonste Konststukken der beruchtste Italiaansche
Konstschilders, waar van hy uytvoerige tkeningen maakte
om zich op zijn wederkomst van te bedienen. Van
Romen begaf hy zich naar Venetien, die vlottende
Hoofdstad waar van den Dogue jaarlijks de zee trouwt;
dewelke hy verkiest tot zijne echte Vrouw, en die den Turk
gebruykt als zyn Byzit. Itatien wars zijnde, reysde hy op
Vrankrijk, van Vrankrijk op Engelant, en van daar scheepte
hy zich in na Holland, en belande in zijn geboorteplaats
op het jaar duyzent seshondert achtenzeventig, na een
reys van ses jaaren.
| | Die Augustyn Terwesten is een wakker Meester geweest
op Picturas schermschool, die een schoone vlakke manier
had, heerlijk tkende, vriendelijk koloreerde, en groots
ordonneerde, alle heerlijke qualityten om vorstelijke Saalen
en om groote Zolderstukken te beschilderen. Daar
by was hy zo vaardig dat het een mirakel scheen aan
die geenen, die een dag vijf a ses over een paar handjes,
en een veertien dagen over een poppen tronietje zitten te
hoetelen. Wy zullen den Leezer daar van een kleyn denkbeelt
geeven, hier in bestaande, dat toen hy by den Heere
|
|
-ocr page 138-
| |
| re Baarthout van Slingelant, naderhant Borgermeester
en Opperschout der Stad Dordrecht, een groote Saal
beschilderde met eenige Gestaltverwisselingen uyt Ovidius,
den Konstschilder Arent de Gelder, den Beeldhouwer
Nooteman, en noch een Schilder hem aldaar gingen
bezoeken,
voorneemens zijnde van hem, gelijk als geschiede
uyt te lokken om zich met hun te gaan verlustigen na buyten.
Terwesten ontzey hun dat verzoek met beleefdheyt,
zeggende dat hy noch iets nootwendigs moest doen, doch
indien zy binnen een paar uuren geliefden wederom te komen,
dat hy als dan de eer zou hebben van hun te vergezelschappen.
Die drie Konstenaars kwamen dan weder
op de bestemde tijd, en beschouwden met verwondering,
dat hy een groot Schoorsteenstuk bestaande in drie a
vier beelden, het geen pas twee uuren geleden alleenlijk
losjes met een krijtpen was beworpen, had aangelegt
en geheelijk gedoodverft met de daar toe vereyschte koleuren.
| | Ook is hy genoegzaam den eerste Bouwheer geweest,
die de \'s Gravenhaagsche Hooge School der Tekenkonst,
vervallen in het jaar duyzent seshondert twee- en
drieentachentig, heeft op nieuws helpen optrekken, aankweeken
en onderhouden, als een zaak van de alderuyterste
nootzaakelijkheyt voor de aankomende jonge Meesters,
en voor de leergierige Jongelingen.
| | In het jaar duyzent seshondert en negentig beriep hem
den op die tijd regeerende Keurvorst van Brandenburg
na Berlijn, en begenadigde hem met het Eerampt van \'s
Keurvorsten Hofmaaler. Aldaar beschilderde hy de zogenaamde
Porcelijnsaal op Oranjenburg, voor zijn eerste
beginsel, welk begin hooglijk wiert geroemt by zijn
Keurvorstelijke Doorluchtigheyt, en by alle de konstlievende
Hovelingen. Naderhant bemaalde zijn lieffelijk
konst-
|
|
-ocr page 139-
| |
| konstpenceel de meeste Vorstelijke Paleyzen buyten Berlijn,
benevens de galleryen, oranjeryen, en de beschootene
zolderstukken van de ruymen Saalen, tot een byzonder
genoegen van dien konstgeneygden Vorst, en van
den Heere Dankelman, \'s Vorsten Gonsteling en President
in den Vorstelijken Hofraat. Dewijl hy nu zag dat
hy de genade des Keurvorsts had gewonnen door zijn
loffelijke konst, nam hy zijn slag waar om aan die Doorluchtigheyt
een voorstel te doen, aangaande het oprechten van
een Konst-Akademie op de Fransche wijze, en hy was zo
welspreekent op dat kapittel, dat hy den zelven overhaalde
in zijne belangens, die hem het bewind zo over het
gebouw als over de daar toe behoorende maatregels overgaf,
en de noodige penningen deed tellen. In die onderneeming
was hem zijn broeder Elias Terwesten, gedoopt
de Paradijsvogel, zeer behulpzaam, die hem uyt
Romen, daar hy Bloemen, Vrugten en Dieren schilderde,
de keurlijkste afgietsels van de alderbeste antijksche beelden
bezorgde en overschikte na Berlijn: ook kogt hy
voor hem op het alom befaamt Konstkabinet van Pietro
Beltorio, vervult met zeer konstige marmere, steene en
houte beelden der in die eeuw vermaarde Beeldhouwers,
dewelke eindelijk in onderscheyde kisten gepakt overkwamen
zonder merkelijke schade.
| | Ondertusschen liet A. Terwesten ses ruyme vertrekken
vervaardigen, ieder vertrek geschikt tot een byzonder
gebruyk, en voorzien met bekwaame Opzichters om de
Jeugd te onderwijzen.
| | Het eerste Apartement diende om de Jongelingen te onderwijzen
in de beginselen der Tekenkonst.
| | In het tweede Vertrek leerde de Jeugd tkenen na
pleysterbeelden.
| | De derde kamer was geschikt voor de Heeren Regenten
In
|
|
-ocr page 140-
| |
| | In het vierde Apartement wiert de Doorzichtkunde,
de Meetkunde, de Bouwkunde, en de Vestingbouwkunde
geleert.
| | Het vijfde Vertrek was gedestineert om de jonge Schilders
te onderwijzen in de Ontleedkunde des menschelijken
licghaams, als ook in het plooyen der kleeders en
draperyen.
| | Het sesde Apartement bestont in een groote ovaale Saal,
in de rondte bezet met de voorgemelde beelden, zo konstiglijk
geplaatst dat ieder beeld gemakkelijk kon wenden
en keeren op zijn voetstuk, en zonder groote moeite verzet
worden.
| | Die heerlijke Akademie der vrye Konsten was voltooit
op het jaar duyzent seshondert zevenennegentig, en toen
noode den Architekt, den Heer Terwesten, zijn
Keurvorstelijke Doorluchtigheyt en het Hofgezin om het
Gebouw en om de verdeelingen te bezichtigen, dewelke
daar in groot genoegen naamen, en de Konstschilder geluk
wenschten met zijn gelukkig gesticht, over welke Hooge
School den Keurvorst den Heere Dankelman tot President
aanstelde. Den Konstschilder Terwesten is tot driemaal
toe benoemt en aangestelt geweest tot Hoogleeraar van die
Hooge School der Konsten, en zonder de tusschenkomst
van de dood zou hy het mogelijk zijn gebleeven: maar
die schraale Scherminkel rukte hem uyt het Leevens
bloempark, op den elfde van de Louwmaand, in het jaar
duyzent zevenhondert en elf, tot een onuytspreekelijk verlies
der aankomende en der reeds gerijpte Konstschilders
van het Keurvorstendom van Brandenburg.
JOHAN
|
|
-ocr page 141-
| |
JOHAN
VERKOLJE
| | Bescheen het machtig Amsterdam, op den negende van
de Sprokkelmaand, des jaars duyzent seshondert en
vijftig. Hy had het ongeluk dat hy gekwetst wiert met een
naald in zijn hiel onder het speelen met zijne medejongens,
op zijn tiende jaar, zonder dat men daar acht op gaf;
doch de pijn vermeerderde zodanig binnen een maand
drie a vier, dat zijne Ouders hem lieten voeren na Jisp,
by een voornaam Heelmeester genaamt Mr. Kornelis, in
welk Dorp hy verscheyde achtereenvolgende jaare bedlegerig
moest blijven leggen. Onder ander speeltuyg gaaven
zy hem, om zijn smart voor eenige ogenblikken te
verzachten, eenige prentjes, die hy met zeer veel yver
op zijn manier natkende. Een zeker liefhebber genaamt
Bronkhorst dat ziende, raade hem om een beter soort
van prenten na te tkenen, waar door hy zo ver vorderde,
dat zijn zoon Niklaas Verkolje, een by uytneemendheyt
verdienstig konstschilder, noch een tkening tot een gedachtenis
bewaart, die zijn vader Jan Verkolje op het bed
leg-
|
|
-ocr page 142-
| |
| leggende heeft getekent, verbeeldende den Bacchus van
Andrea de Mantegna, met de pen omgetrokken en met
Ostindischen ink geschaduwt, zo naauwkeuriglijk nagevolgt,
dat zelfs de gelaatstrekken daar in zijn waargenomen.
Ook liet hy het daar by niet berusten, maar hy begaf
zich tot het doorgronden van de Doorzichtkunde, dewelke
hy bemachtigde binnen een maand, zonder eenig
ander behulp als het gebruyk dier boeken die daar over
handelen.
| | Naderhant nam hy de konstpenceelen op, om eens te
beproeven of hy iets van belang zou konnen uytvoeren
in de Olieverf, en hy nam zo een groot welgevallen in de
Konst van Gerard Pietersz. van Zeyl, door de wandeling
bekent by den naam van Geraards, dat hy besloot
zich na deszelfs schilderijen te oeffenen, welke handeling
hy binnen een korte tijd zo natuurlijk wist na te bootsen,
dat zijne kopeijen by de Konstkenners wierden begroet
als zo veele Origineelen, gelijk als uyt het vervolg zal
blijken. Den beruchte Konstschilder Jan Lievens, onder
wiens tucht zich J. Verkolje had gestelt voor een half
jaar, zag gevalliglijk eenige onvolmaakte stukken van dien
gemelden Geraards, die door deszelfs overlijden onvoltooit
waaren gebleeven, die hy kogt en door den aankomende
jonge Konstschilder liet opschilderen. Ondertusschen
schilderde die ook een stukje op die zelve manier
van den overleeden Geraards, het welk zijn Meester Jan
Lievens zo wel beviel, dat hy tegens zijn Leerling zey;
Geef my dat stukje, Verkolje, ik zal je weerom iets anders
schenken. Zo dra was J. Lievens dat stukje niet
machtig of hy verzogt eenige Liefhebbers op zijn konst, en als
die gekomen waaren beval hy aan Verkolje van dat stukje op
den schilderesel te zetten, onderwijl dat hem iemant liet
afroepen om met hem te spreeken. Die Konstkenners
bezaa-
|
|
-ocr page 143-
| |
| bezaagen en bestudeerden dat stukje van onder tot boven,
en mompelden toen onder malkander als een zwarm
brommende Byen; Wat selderment is dat te zeggen? den
Schilder Geraards is dood, Jan Lievens is in geen staat om
een diergelyk konststukje te maaken, hoe is hy daar aan gekomen?
komen? Den konstrijken Verkolje nam dat zeggen in
acht, waar uyt hy niet alleenlijk zijn vermoogen leerde kennen,
maar het diende hem ook tot een spoor, om met noch
grooter yver in het konstperk voort te draaven.
| | Op het jaar duyzent seshondert tweeenzeventig kwam
hy te trouwen tot Delf, en bleef daar t\'zedert die tijd
woonen, alwaar hy zich begaf tot het schilderen van
konterfijtsels, waar mee hy het zo drok kreeg, dat hy
geen tijd over had om eenige Historiestukken te ordonneeren,
het geen hy echter in het vervolg werkstellig
maakte. Daarenboven wist hy zich zo bemint te maaken
by de Overheyt, by de Bedienaars van de hervormde Kerk,
by den Borger en by het Gemeen, dat hem met eenpaarigheyt
van stemmen het Ampt van Diaken wiert opgedraagen.
| | Onder zijne Historiesche ordonnantien schat men voor
waardige konststukken een Venus en Adonis, welk tafereel
in prent uytgaat; eene knielende Kluyzenaares, waar
by een lampje hangt, en op de voorgrond een konstige
distel is gebragt; een Harder en Harderinne; een Trompetter,
en zo voorts, wonderlijk, krachtig, en zuyver
geschildert en gekoloreert. De konstigste Konterfijtsels
van dien braaven Konstenaar bestaan in de Kinders van
den Heer vander Heul, Buskruytmaaker buyten de Waterslootsche
poort tot Delf; en van de families van de
Heeren Borgermeesters Berkhout en Vreedenburg. Ook
zijn de portretten van den Advokat de Bries, en van zyne
Huysvrouw, van den Predikant der Remonstranten
Gerard
|
|
-ocr page 144-
| |
| Gerard Brand, en inzonderheyt het konterfijtsel van den
Heere Bogaart Rechtsgeleerde, wonderlijk en konstiglijk
getekent en geschildert.
| Die groote Man eyndigde met lof zijn eerlijke leevensloop
binnen de Stad Delf, op het jaar duyzent seshondert
drieennegentig, nalaatende een Vrouw en vijf Kinders,
drie Dochters en twee Zoonen, waar van wy den
oudste zullen laaten volgen op den vader, genaamt
NIKLAAS VERKOLJE.
| | Die beroemde Historie- en Konterfijtselschilder is geboren
tot Delf, op den elfde van de Grasmaand, in het
jaar duyzent seshondert drieenzeventig. Zijn vader onderwees
hem van de eerste jeugd af aan in de grondbeginsels
der Tekenkonst, waar toe hy als uyt de wieg
scheen geneygt te zijn, en daar by was hy zo leesgierig
dat hy onverschilliglijk allerhande leeswaardige boeken
door
|
|
-ocr page 145-
| |
| doorbladerde; ja als hy aan tafel zat om te eeten stak\'er
altoos een boek a twee in de Japonsche rok, die hy van
tijd tot tijd inzag indien de spijs zulks kwam toe te laaten.
| | Op het vijftiende jaar begon het konstvuur in Niklaas
Verkolje oogschijnlijk door te straalen, derhalve bevlijtigde
hy zich naarstiglijk in het doorgronden van de Doorzichtkunde,
een talent dat zo hoognoodig wort vereyscht
in een braaf Konstschilder: en toen hy die wetenschap
machtig was geworden, stak hem den vader de konstpenceelen
in de vuyst, ter goeder uure, dewijl hy niet
alleenlijk daar in dag op dag merkelijk vorderde, maar
insgelijks een van de verdienstigste Konstschilders wiert
der vereenigde Nederlanden. Op het jaar duyzent seshondert
drieennegentig kwam zijn konstrijken vader te
sterven, waarlijk een bystergroote slag voor dat huysgezin,
dewijl de moeder, gelijk als wy reeds hebben gezegt,
bleef zitten met een gestarnt kinders, een paar zoonen,
en drie dochters. Doch dat verlies was ongelijk grooter
voor Niklaas Verkolje als voor de overige kinders, dewijl
dat voor de Familie ontijdig overlijden den weeligen
loop van zijn konstbloed scheen te zullen stremmen, maar
door zijn moed en yver geraakte hy het hoekje te boven.
Hy ondernam, met alzo veel oordeel als liefde, om de onopgemaakte
Konsttafereelen van zijn vader op te schilderen,
en wiert te meer aangespoort in dat loffelijk voorneemen,
dewijl die allen waaren verzegt aan onderscheyde Konstbeminnaars,
en die onderneeming gelukte zo wel, dat hy
de Liefhebbers van zijn vaders konst zo volkomentlijk
kwam te vergenoegen, als of die Konsttafereelen waaren
voltooit geworden by de hand van den ouden Konstenaar
Johan Verkolje.
| | Tot op zijn eenendartigste jaar (toen kwam hy te trouhad
|
|
-ocr page 146-
| |
| wen) had hy zich altoos gehouden aan zijn vaders manier,
maar van die tyd veranderde hy van schilderwijze, en hy begaf
zich tot het ordonneeren van woelige Historien en van
rijkelijk geordonneerde Kabinetstukken. Het getal van die
Konsttafereelen is zodanig uytgedeyt door zijn bovengewoone
naarstigheyt, dat wy onze pen niet durven waagen
in dien konstrijken Oceaan, om aan den Leezer een
omstandig verhaal te geeven van alle zijne heerlijk uytgevoerde
konsttafereelen, of waar die berusten. Wy zullen
dan maar alleenlijk zeggen, dat\'er een Moses vinding
hangt geschildert door zijn konstrijke hand in de familie
van den Heere Pieter de Wolf, als van \'s gelijken een
Schoorsteen stuk zijnde een kaarslicht, en vervattende een
paar konterfijtsels van de kinders. By den Heer Jan de
Wolf is een konstiglijk beschildert deksel van een Clavecimbel
te zien; by den Heer David Valkenier, Oud
Schepen der Stad Amsterdam, berust eene Europa die by
Jupyn wort vervoert onder de gedaante van een Stier,
benevens een Schaaking van Proserpina by Pluto, die
haar in de Hel voert om daar langs een Hemel van wellust
te genieten. Ook konnen de Konstbeminnaars een
schoone Saal, door dien grooten Konstschilder bemaalt,
beschouwen tot Uytrecht, by den Heer van Mollem,
verbeeldende de Historie van den Pastor Fido, of getrouwen
Harder, zo boven heerlijk in het Italiaans berymt
door den Ridder Guarini.
| | Daarenboven is dien Niklaas Verkolje een wakker
Konterfijter, gelijk als de meenigvuldige Konterfijtsels van
zijn konstrijke hand getuygen, welke konterfijtsels voor
het grootste deel zijn geschildert na persoonen van het aldereerste
fatsoen, als by voorbeelt. Tot Hoorn heeft hy
gekonterfijt de Edele Heeren van Oofthuyzen, Mevrouw
van Schoonewal, den Heer van Obreede, van Foreest,
van
|
|
-ocr page 147-
| |
| van Pijlswaart, enz. Ook zijn tot Delf verscheyde
welgelijkende en wel uytgevoerde Portretten van dat zelve
Konstpenceel te zien, en onder anderen dat van den
Heer Kristoffel Buedeken, geschildert tot de voeten toe
uyt, gezten in zijn studeerkamer en zich vervrolijkende
met de Medaillekunde.
| | Wy hebben onlangs eenige Tekeningen en zwarte
konstprinten van dien vermaarden Overvlieger gezien,
zo schoon en zo geestrijk van Ordonnantie, dat zy meer
als de proef konnen uytstaan tegens de alderfijnste
Konstbedillers. Hy had het ongeluk van op het jaar duyzent
zevenhondert achttien overvallen te worden door een
zwaare derdendaagsche koorts, die hem zeven maanden
aanhing, en zodanig afmatte dat hy in die zeven maanden
geene konstpenceelen kon gebruyken. Ondertussche verzogt
hem den Heer Adriaan Blok, die werkerlijk bezig
was om een Stamboek te maaken ter eere van de uyt papiergesneede
Schaarkonst van zijne overleede Huysvrouw,
Johanna Koerten, of hy Niklaas Verkolje dat Stamboek geliefde
te vercieren met de getkende konterfijtsels dier
Souvereynen Vorsten en Vorstinnen, en andere doorluchte
Persoonagien, dewelke die Konst met hunne tegenwoordigheyt
hadden vereert? welk verzoek hy bewilligde, en
in zijne tusschenpoozingen van rust uytvoerde. Onder
die getkende Konterfijtsels heeft hy ook zijn eygen portret
gebragt, het welk inzonderheyt is vereert geworden
met de navolgende vaarzen van twee Nederlandsche
Puykdichters, Feytema en Bogaart. Aldus klinkt het
vaars van den eerste Dichter,
Verkolje, alom beroemt door de eelste tafereelen;
Dien stichter van vrouw Bloks voortreffelijkste
eertropheen,
Heeft
|
|
-ocr page 148-
| |
| Heeft zich dus afgemaalt by \'t puyk dier konstjuweelen,
En streelt, ja streelt de ziel van ieder Protogeen.
Wie zich den Tyber, Seine en Teems ten voorbeelt
stellen,
Den Amstel groet in hem den Fenix der Apellen.
En den laatste laat zich dus hooren op geen gemeene
toonen.
Dus praalt door eygen hand Verkoljes minste deel,
Die Koertens Stamboek voert ten hemel door \'t
penceel.
Laat Alexander vry Apelles trekken loven,
Dees Duytsche Apelles streeft den Griekschen ver te
boven.
Noch onlangs hebben wy dien Konstfenix in een volmaakte
gezondheyt gezien in Amsterdam, wy verhoopen
dat hy daar in noch veele jaaren mag volharden, tot welzijn
van zijn Huysgezin, en tot een oogenlust der verstandige
Konstbeminnaars.
JAKOB KONING
| | Was een Tijd- en Konstgenoot dier voorgaande beruchte
Konstschilders, en een Discipel van Adriaan vanden
Velde. Hy volgde de stijl en het beroep van zijn Meester,
en schilderde Landschappen gestoffeert met allerhande
dieren, ook naderhant Historiestukken. Hy geraakte
te Koppenhagen aan het Hof van den Koning van
Denemarken, by welke Majesteyt hy inzonderheyt wel
was gezien, als ook by de voornaamste Hovelingen.
Of hy zijn dood heeft gevonden in dat Rijk der Ossen,
dan of hy naderhant wederkeerde na het vaderlant, konnen
|
|
-ocr page 149-
| |
| nen wy niet zeggen, derhalve zullen wy\'er afscheyden,
en ons begeeven na den Schilder,
N. DROOGSLOOT.
| | Sommige Kronijkschryvers van de leevens der Konstschilders
beweeren, dat hy geboren is tot Gorkom, en anderen
wederom vloeken en bannen, dat hy het eerste licht
zag tot Dordrecht; doch dewijl ons dat verschil niet eens
raakt aan onze koude kleeders, zullen wy die geleerde
Weetnieten dat proces onder hun eyge bende laaten opmaaken.
Hy schilderde Boerenkermissen wier Dorpen
men kende aan hunne Kerken en Torens, weerzijds bezet
met een rey huyzen, voorzien met Zoetekoekskramen,
met Bedelaars en met alzulke Kermisgasten. Vorders
was zijn manier overeenkomstig met zijn naam, men
noemde hem Droogsloot, en hy schilderde drooge beelden,
die alle schijnen gegooten te zijn in eene en dezelve
vorm.
JAN VAN DER BENT
| | Was een Amsterdammer by geboorte, een Leerling van
Adriaan vanden Velde, wiens manier hy ook stiptelijk
navolgde in alle deelen. Hy had geen aandoening van de
schoonste helft des Menschdoms, waar door hy altoos
inwoonde by vreemden. Eenmaal had hy ontrent de vier
duyzent gulden op zijn kamer leggen, wel verzekert in
een kist, welken buyt hem wiert geligt als hy eens voor
eenige dagen van huys was gegaan, welk verlies hem als
een donderslag voorkwam, en des te meer, dewijl hy
niemant dorst betijen. Hy had wel een waarschijnlijk
vermoeden op zijnen Huyswaard, doch geen bewijs, gevolglijk
moest hy tot barstens toe gedult neemen, de
Goudvink was uyt de kooi geligt, en wie dien uytligter
was
|
|
-ocr page 150-
| |
| was kon hy niet raaden. Hy zette de teering uyt mistroostigheyt,
en stierf aan die ziekte op het jaar duyzent
seshondert en negentig.
PIETER VAN RUYVEN
| | Is geboren op het jaar duyzent seshondert en vijftig.
Hy was in den beginne een zeer gemeen Schilder, doch
die zich door eene onvermoeide vlijt zo hoog wist op te
tillen, dat hy een zetel verdient onder de roemenswaardige
Historieschilders. Zijn konst bestont voornamelijk
in het schilderen van groote Historietafereelen, Zolderstukken,
graauwe beelden in nissen, Vogels en in cieraaden
of lofwerken. Hy schilderde die befaamde praalboogen,
toen Willem den derde, Koning van Engelant,
Schotlant en Yrlant, glorieuzer gedachtenis, prachtiglijk
wiert ontfangen in \'s Gravenhague, welke praalboogen
de Konstkenners opbazuynden met eene algemeene
goedkeuring. Op het Koninglijk Lusthuys het Loo,
heeft hy onderscheyde Saalen en Zolderstukken bemaalt,
waardig om gezien en om geroemt te worden. By den
Heere Pieter de la Court vander Voort tot Leyden, hebben
wy een Zolderstuk gezien, dat met zeer veel oordeel
is geschildert. Voor de rest konnen wy\'er van getuygen,
dat hy een hups, vriendelijk en eerlijk man was, alzo wy
hem gemeenzaamlijk hebben gekent tot Delf, en het
smart ons dat hy niet meer onder de leevenden is, zijnde
hy overleeden in het jaar duyzent zevenhondert en achtien.
MATHYS WYTMAN
| | Vereerde door zijn geboorte de Hoofdstad van de Heeren
van Arkel de Stad Gorinchem, by verkorting Gorkom,
in den jaare duyzent seshondert en vijftig. Hy schilderde
|
|
-ocr page 151-
| |
| de in \'t kleyn uytvoeriglijk en konstiglijk hedensdaagsche
gezelschappen, en byeenkomsten van Heeren en Dames,
op de wijze van Netscher, met zeer schoone Landschappen,
en wel behandelde verschieten. Naderhant
begaf hy zich tot het schilderen van Bloemen en van
Fruyten, in welke stijl hy een groot Meester zou zijn
geworden, indien de dood onder de gedaante van een
veenmol zijn teevens kauwoerde niet had afgeknaagt, op
zijn negenendartigste jaar, in de eeuw duyzent seshondert
negenentachentig.
N. MARIENHOF
| | Was zijn Tijd- en Konstgenoot die de handeling van
den beruchten Petrus Paulus Rubens zo konstiglijk
navolgde, dat de Konstkenners hem niet genoegzaam na
waarde konnen pryzen. Hy vertrok van Uytrecht na
Brussel, daar hy trouwde, en korts na het huuwelijk,
dank zy zijne huysvrouw, dewelke gelijk als een Zeelt
altoos begeerde te spartelen in eene eeuwigduurende beweeging,
Tant quil dure.
JAN
|
|
-ocr page 152-
| |
JAN VAN DER MEER
| | Wort ook geplaatst onder de Uytrechtsche Konstschilders,
alhoewel hy geboren is te Schoonhoven en
ook meestentijds aldaar heeft gewoont. Zo dra als hy
gevoelde dat zijne konstwieken vlug waaren om te konnen
vliegen na andere Luchtstreeken, begaf hy zich na
Romen in het gezelschap van Lieve Verschuur, en aldaar
verorberde hy naarstigtijk zijne uuren in zich te oefenen
na de Antijken, en na de Konsttafereelen der beruchtste
Italiaansche Konstschilders. Hy schilderde zijne beelden
op een grootsche breede wijze, op de wijze van Guido
Rheni, alle welke stukken hy overvoerde naar Uytrecht,
dewijl hy niet om den broode behoefde te schilderen voor
de konstkoopende keelbeulen, want zijn Grootvader die
zeer rijk was had het bijster drok met dien Jongeling,
doorgaans zeggende; Jantje, Jantje, zo\'er een Heertje
onder ons geslacht moet komen, zulje\'er ruym zo na toe
weezen als een ander. Om nu die voorzegging goed te
maaken zond grand Papa hem braave wisselbrieven over,
zo dat zyn goudbeurs beter voorzien was als die van een
Spaansch
|
|
-ocr page 153-
| |
| Spaansch Officier, die in drie jaar geen betaaling heeft
gezien, en echter kaal en knap voor den dag moet komen.
| | Dien konstrijken Jan vander Meer was pas wedergekeert
van zijn Roomsche Pelgromasie tot Uytrecht, toen
hy het geluk kreeg van met een rijke Weduwe die een
schoone Lootwitmakery aanhielt te trouwen. Daar by
sloeg een tweede geluk, dat hy de eer had van die Weduwe
ten eerste te bezwangeren, dewelke geene kinders kon
overwinnen by haaren eersten man, waar door zy hem
zo lief kreeg dat zy hem een Reypaard op stal hield,
om zich als het hem geliefde omstreeks Uytrecht te gaan
verlustigen. Maar, helaas! die vreugd was van geen lange
duur, dewijl hy eerst die lieve huysvrouw en naderhant
zijn Lootwitmaakery verloor, dewelke benevens zijn
huys en alles wat hy bezat eerst geplondert en toen verbrant
wiert door de Fransche Soldaaten, in het rampspoedig
jaar van duyzent seshondert tweeenzeventig. By
die gelegendheyt kreeg dien ongelukkigen Konstschilder
noch een tweede ramp, die wy wijdloopig hebben
verhaalt in het leeven van den Prins der Bloemschilders
Jan David de Heem.
BARENT VAN KALRAAT.
| | Die Konstenaar is geboren tot Dordrecht, op den
achtentwintigste van de Oogstmaand, in den jaare duyzent
seshondert en vijftig. De Tkenkonst leerde hy by
zijn broeder Abraham Kalraat, waar na zijn vader hem
bestelde om in de Schilderkonst onderweezen te worden
by Albert Kuyp, den zoon van Jan Gerritsz. Kuyp,
van wien wy hier vooren hebben gemelt. In den beginne
volgde hy den stijl van zijn Meester, maar naderhant
veranderde hy van keus, en begaf zich tot schilderen van
Ryn-
|
|
-ocr page 154-
| |
| Ryngezichten en Landschappen, op de wijze van Herman
Zachtleeven, wiens manier hy poogde na te volgen,
doch nooit kon achterhaalen. Wy onderstellen dat dien
Barent van Karaat noch leeft, altoos zijn overlijden is
ons niet gebleeken, ook bekennen wy openhartiglijk\'er
niet sterk na getaalt te hebben.
ROOCHUS VAN VEEN
| | Was een Waterverfschilder, een tijdgenoot van den
bovengemelden Kalraat, die zijn oudste zoon onderwees
in die Konst, en toen in maatschappy schilderden. Zy woonden
in de Beverwyk, daar zy zo gerust leefden als een
koppel Kluyzenaars, en naarstiglyk allerhande Gediertens
en Vogels schilderden na het leeven op de manier van
Holsteyn, doch wel zo goed en beter uytgevoert. In het
jaar duyzent zevenhondert en ses wierden hunne nagelaatene
Schilderyen, Tkeningen en Prenten verkogt tot
Haarlem, na dat de laaste telg van die Konststam het
Verkeerspel des leevens aan de onweerstaanbaare dood had
overgeeven.
DIRK VAN DEELEN
| | Kwam te voorschyn tot Heusden, en leerde de Schilderkonst
by den beroemden Konstschilder Frans Hals,
wiens manier hy verliet en zich begaf tot het schilderen
van Tempels, Gebouwen en Doorzichten, in welken styl
hy een verdienstig Konstschilder is geworden. Hy begaf
zich met\'er woon naar Armuyden, daar hy borgermeester
wiert, en in het midden van die Hoofdstad der Zoutkeeten
is overleeden.
ABRA-
|
|
-ocr page 155-
| |
| ABRAHAM DE HENS
| | Is geboren tot Uytrecht, en getrouwt tot Dordrecht,
daar hy zynen konstzetel plaatste en bleef woonen. Hy
was een Leerling van Kristiaan Striep, en schilderde
schoone Kruyden die hy vervrolykte met cierlyk gekoleurde
Slangen, Hagedissen, groene Kikvorschen, Vlindertjes
en andere Insekten, natuurlyk en uytvoeriglyk
behandelt. In zyn staat van Weduwenaar stak hy de
penceelen in het dak, en den vogtel op de heup, en
diende eerst als Luytenant en naderhant als Kapiteyn op
een Brandschip. Doch zo dra had hy zich voor de tweede
maal niet gewaagt op het brandschip van een tweede
huysvrouw, of hy trok met\'er woon na Leerdam, daar hy
stil op zyn muyltjes leefde van zyne renten, en Borgermeester
van die Stad is gestorven.
| | Het schynt dat de Schilders noch al wel willen
Borgermeesteren, wie weet of den dronken Tapytschilder
Willem Fouchier, die reeds schepen is geweest tot
Ysselstyn, ook niet met\'er tyd aldaar Borgermeester zal worden,
te meer door dien men ziet dat het Hoen en zulk
soort van Boerenspeelmans vee, die waardigheyt in die
baronny weeten te verkrygen door grimmige Drossaarts
honing om den baard te smeeren, en op een slaafsche
wijze te flikkeflooyen.
PIETER VANDE LEEUW, BASTIAANSZ.
| | Die Konstenaar is een goed schilder geweest in Osjes,
Koetjes, Geytjes, Schaapjes, en in ander vee, die zich
stipt hielt by manier van zyn Meester Adriaan vanden
Velde. En nu zullen wy met een paar Groeningsche Konstenaars
op het tooneel komen, beyde Konstschilders en
Dichters, doch geboren onder een verschillig gestarnt,
den
|
|
-ocr page 156-
| |
| den eerste onder een gelukkig, en den tweede onder een
rampspoedige planeet, want Jan had de Lukgodes tot
een vriendin, en Jakob tot zyn stiefmoeder.
JAN STARRENBERG,
| | Een Groenings kind was een braaf Konstschilder, doch
die wel zo pryswaardig was wegens zyne historiesche
Ordonnantien, en geestryke vindingen, als wegens zyne
schilderwyze. Hy had een ruuwe en wreede manier, enkelyk
bekwaam tot hooge Zolderstukken, dewyl den afstant
diergelyke schilderyen verzagt aan het oog, die anders
schynen gemaalt te zyn in de verbolgendheyt des
konstschilders.
| | Die Jan Starrenberg had een weergalooze welbespraakte
tong, en geen mindere vrypostigheyt, waar door hy
zich ongevoeliglyk wist te vlyen in de gonst van zyn
Vorstelyke Doorluchtigheyt, en van de meeste Hovelingen.
De uur en stond dat die welbespraakte tong verdorde
zijn ons onbekent, derhalve zullen wy ons vervoegen
tot zyn Stad- Konstgenoot en boezemvriend
JACOB DE WOLF.
| | Die Konstenaar sloeg een geheel andere weg in als zyn
Medekonstschilder Jan Starrenberg, doch min gelukkig
of schoon meer heerlyk, want hy poogde zich geacht te
maaken door zyn Konst, in stee van door een praatje, maar
vond zich in dat loffelyk besluyt bedroogen. Hy zag en
kende zyn vermoogen in de Schilderkonst, doch dat
kwam hem niet te stade, hy moest zien en lyden dat zeer
gemeene Schilders het toppunt van het rad der Lukgodes
bemachtigden, daar hy als een rampzalig mensch op den
grond bleef zitten zuchten. Die wederwaardigheyt verdroot
hem ten laatsten, hy pleegde raad met de Wanhoop
in
|
|
-ocr page 157-
| |
| in plaats van met Reden, en hy besloot zich te wreeken
over de fortuyn, door haar het voorwerp van haar haat
te ontrukken. Dat vervloekt besluyt maakte hy ook werkstellig,
hy plante een ontscheede bajonet met de punt opwaards,
wierp zich achterwaards over daar in, en voer verstoort
ter hellen. Die zelfsmoord geschiede op het jaar
duyzent seshondert vyfentachentig.
| | Den Dichter Ludolf Smids, die tot het jaar duyzent
seshondert vierentachentig te Groeningen woonde, heeft
dien onzaligen Jakob de Wolf gemeenzaamelyk gekent,
en dikmaals gaan bezoeken; ja noch daarenboven eenige
van zijn konststukken bestooken met een vaarsje, waar
van wy\'er een zullen aanhaalen.
OP EENE
KASSANDRA
GESCHILDERT BY
JAKOB DE WOLF
Uw Priesterin, Apoll\' is in gevaaar!
Egystus, en dochter van Tyndaar,
Staan al gereed met uytgetoogen zwaarde.
Daal neerwaards, God, en neem haar op van de aarde.
O Pallas help! Kassandra moet\'er aan,
Waar is uw zwaard? uw krygsspeer om te slaan?
Daar treed zy bleek, verbaast en ingetrokken.
Het golvent kleed ontdekt haar bruyne lokken
En blanken rug, terwijl het neerwaards plooit
Schoon Pallas op dit Hof geen bliksems strooit,
En dat Apoll\' sluyt zyne wreede oogen;
\'t Gemeen, Mevrouw, is met uw ramp bewoogen.
Ghy
|
|
-ocr page 158-
| |
|
Ghy wort door Wolf onsterflyk, en
Kathryn*, Wiens vers uw bloed, wiens dicht uw zee zal zyn. Dus zal
men staag Kassandra zien en hooren, Als nooit gedoot, of deftiger
herbooren.
JOHANNA KOERTEN,
| | De geweeze huysvrouw van den Heer Adriaan Blok,
verscheen tot een kostelyk juweel voor de Konstkroon
van Amsterdam, op den zeventiende van de Slachtmaand,
in den jaare duyzent seshondert en vijftig. Die
roemwaarde Juffer gaf van haare tedere jeugd af aan
doorschijnende blyken van haare ongemeene zucht voor alle
Konsten en wetenschappen, gelyk als bleek aan haar loffelyk
borduuren, konstig kantenaayen en speldewerken,
aardig gieten van wassche beelden en vrugten, cierlyk
schryven, lieffelyk zingen, heerlyk met een diamante
stift, vogels, bloemen en spreuken te schryven op roemers en
op bokaaten, vercierde zyde bloemen en cieraaden te maa*Katharina
*Katharina Lescaille. ken,
|
|
-ocr page 159-
| |
| In het oorspronkelijke boekwerk ligt tussen
pagina 142 en 143 een extra, ongenummerde
pagina met afbeeldingen van diverse schilders.
Deze tussenpagina is in het plaat-formaat te bekijken.
|
|
-ocr page 160-
| |
| ken, en meesterlyk schilderen met waterverf, van alle
welke konsten den Heere A. Blok noch staalen kan toonen
aan de nieuwsgierige Konstbeminnaars. Wie weet,
tot wat voor een toppunt van volmaaktheyt dat die
geestryke Johanna zou zyn gesteegen, by aldien zy haar
stiptelyk had gehouden aan de Schilderkonst, maar zy
gedachtig zynde aan de les van Apell\', Schoenmaaker houje
by uw leest, hield voet by stek by de Schaar, dat konstinstrument
der vrouwelyke Sexe, en vertoonde aan de
beschaafde weerelt zulke ongemeene wonderen, gesneden uyt
Papier, dat zich de Schilderkonst eene diergelyke
Papierschilderes niet behoefde te schaamen.
| | Zeer zelden heeft men Konstschilders gekent die niet
hun\'s gelyk hebben ontmoet, ja meestentijds hunne Meesters,
daar de bovengemelde Juffrouw Blok nooit haar \'s
gelyk ontmoete, veel min een Konstenares die haar kon
voorby rennen. Uyt dien hoofde is zy altoos begroet
geworden voor het wonder van haare Eeuw, en zal niet
minder worden opgebazuynt by de Naneeven, die alzo
min als haare Tydgenooten zullen konnen begrypen, hoe
dat die konstryke Jufferlyke hand die konstmirakelen heeft
uytgewerkt, alleenlyk door het behulp van een Schaar op
wit papier, die de ervaarendste Konstenaars onmachtig
zyn om door het Konstpenceel te vertoonen op doeken
en op panneelen. Ook bepaalde zy haar Snykonst niet in
het snyden van Zeen, Landschappen, Dieren, Vogels,
Bloemen, en meesterlyk Schrift te knippen, maar zy snee
desgelyks heerlyke gelykende Konterfytsels, zo dat de
Konstschilders het Konstspel aan een Juffer moesten gewonnen
geeven in alle deelen.
| | Die ongemeene, en nooit by de Voorouders bekende
Snykonst, bazuynde haaren wel verdienden lof tot aan de
verafgelegendste Ryken en Luchtstreeken, zo dat\'er
geene
|
|
-ocr page 161-
| |
| geene doorluchtige Persoonagien in Amsterdam kwamen,
die niet lieten verzoeken om de eer te moogen hebben
van de Konst en ter zelve tyd de Konstenaars te begroeten.
Den beruchte Czaar Peter Alexewits, Keyzer van
Groot Ruslant, vereerde Mejuffrouw Blok met zyn Keyzerlyk
bezoek, en den Vorst Johan Willem, Keurvorst
van de Palts, bood haar duyzent guldens voor drie stukjes
van die uyt papier gesneede konst, zonder dezelve
voor dat bot te verkrygen. Ook had zy de eer van voor
de Vorstin Anna Maria Josef van Nieuwburg, derde Gemalinne
van den Keyzer Leopoldus den eerste, Aaardshartog
van Oostenryk, &c. een heerlyk Konststuk te snyden,
bestaande in Bloemen, Arenden, Wapens, Kroonen en
in andere cieraaden, waar voor zy een Keyzerlyk geschenk
kreeg van vier duyzent gulden. Daarenboven heeft zy
diergelyke konstwerken gesneeden voor de godvruchtige
Maria, Koninginne van Engelant, Schotlant, en Yrlant,
en voor meer andere Vorstinnen en doorluchre Persoonaagien,
te lang om hier aan te haalen. Het Konterfytsel
van den Keyzer Leopold, door die wonderbaare Johanna
Koerten uyt papier gesneeden, en op de wyze van
Melan geharsseert, hangt noch te Weenen in de Keyzerlyke
konstkamer, welk Konterfytsel den befaamde Latynsche
Dichter en Hoogleeraar Francius vereerde met een
konstig vaars, aldus vertaalt door A. Monen.
Dit \'s Keyzer Leopold, zyn linker vuyst bewaart
Den weereldkloot dien hy bestiert, zyn rechter \'t
zwaart.
Wyk Mentors koper, wyk al \'t marmer der Lyzippen,
Apelles arbeyt, en Parrhazius vol zwier.
Een afgerechte hand, en konstschaar fix in \'t knippen,
Werkt grooter wond\'ren voor het oog op dun papier
Den
|
|
-ocr page 162-
| |
| In het oorspronkelijke boekwerk ligt tussen
pagina 142 en 143 een extra, ongenummerde
pagina met afbeeldingen van diverse schilders.
Deze tussenpagina is in het plaat-formaat te bekijken.
|
|
-ocr page 163-
| |
| Den Hoogh Edele Groot Achtbaare Heere Johan Six,
Borgermeester der Stede Amsterdam, loffelyker geheugenis,
zong niet onaardigtyk tot haaren roem aldus.
Vrouw Blok, cieraad en roem van \'t Y,
Maalt zonder verf een schildery.
Gewis haar braave naam zal leeven,
Zo lang men eer aan konst zal geeven.
Ook heeft den Latynsche Puykdichter, den Heer Jan van
Broekhuyzen, dit volgende vaars gedicht op het Konterfytsel
van den Geneesheer David van Hoogstraaten, op
deeze wyze vertaalt door den Nederduytsche Poeet J.
Vollenhoven.
Johanna Koertens schaar laat naauwlyk \'t leeven derven
Aan Davids beeld, die in gedichten vry van sterven
Volleert, en door zyn konst in toon en zang vermaart,
In Memnosyns papier dus eeuwig blyft bewaart.
| | Behalve die Puykdichters hebben de geleerdste Mannen,
en de braafste Puykpoeeten, van tyd tot tyd haaren
verdienden lof opgezongen, op Latynsche en op Nederlandsche
toonen. Onder dat tal tellen wy de Heeren
Kaspar en Jan Brant, de Feytams, Jan Baptist Wellekens,
A. Bogaart, den Hoogleeraar Relant, en meer anderen
te veel in getal om alhier op te tellen.
| | Maar Gesine Brit dichte op de papiere Snykonst van
Juffrouw Johanna Koerten, Huysvrouw van den Heer
Adriaan Blok, een Harderszang al te schoon van vinding
om alhier te verzwygen. Aldus luyden die klanken.
KO-
|
|
-ocr page 164-
| |
| KORIDON
HARDERZANG
Op de Papiere Snykonst
VAN JUFFROUW
JOANNA KOERTEN
HUISVROUW VAN DEN HEERE
ADRIAAN BLOK
De vrugtb\'re Lentezon was uit de kim gereezen,
En gaf, in \'t bly saizoen, een lieffelyker weezen
Aan \'t kwynende aardryk, door de winterkouw ontstelt;
De boomen liepen uit, het bleekbestorven veld,
En treurig akkerland kreeg leevendiger verven:
Als Harder Koridon, vermaard by (a) Gysbrechts erven,
In \'t vrugtbaar (b) Leeuwendaal, dat alle stormen stuit,
Zyn graage kudde dreef in \'t gras ten schaapstal uit;
En, by een zilv\'re bron blygeestig nergezeeten,
Zyn digtftuit hooren liet, als de eer der Veldpoeten.
Hy zong voor berg en dal, op (c) Sirakuser wijs,
De schrand\'re Kunstheldin, aan Amstels boord, ten prys,
Die, boven Pallas Koor, van eed\'ler geest gedreeven,
(a) Amsteldammers.
(b) Holland.
(c) Men zegt dat de Harderzangen te Sirakuze eerst gevonden zyn.
Als
|
|
-ocr page 165-
| |
| Als tegen vrouw Natuur in \'t konstperk schynt te streeven,
Wanneer haar scherpe Schaar, met onvermoeide vlyt,
(a) Uit levenlooze blan, een and\'re Waereld snyd.
Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen en Lauw\'rieren,
Om schrand\'re Galatee gulhartig te versieren.
Hoe heeft zy (b) Bosmans Rei aan zich zo dier verpligt?
Het (c) vrygevochten Volk, dat traag voor dwanglust zwigt,
En staakte \'t (d) yz\'re juk van (e) Wreedaarts hoog
vermoogen,
Ziet hier de (f) Heemraen, die, met meer dan Argus oogen,
Bewaakten \'t Vrye veld, die Vaders van \'t gemeen,
Van (g) Woestaard, in het (h) groen, gemartelt en
vertren:
Gelyk men men Orfeus, die \'t gedierte deed bedaaren,
Onnozel sneuv\'len zag door Bacchus dart\'le schaaren,
Van Amstels Kunstheldin, uit (i) witte boomschors wer
Al snydende geteelt, tot (k) Stamspruits vreugd en eer;
Die, om zyn heldendeugd en wysheid, waard te looven,
Nu Landraads (l) Broederschap, door de (m) allerfynste
klooven
Zo luisterryk beschouwt, dat schyn voor\'t wezen pleit,
En gryzen Vroomaart, vol van twyffeting, misleid.
Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen en Lauw\'rieren
(a) Papier.
(b) De Hagenaars.
(c) De Nederlanders.
(d) De heerschappey van Spanje.
(e) Konink Philip de Tweede.
(f) Jan en Cornelis de Wit.
(g) \'t Haagse Graau.
(h) \'t Groene Zootje.
(i) \'t Wit papier.
(k) De zoon van Jan de Wit.
(l) De gebroeders de Witten.
(m) Gesneeden papieren.
Om
|
|
-ocr page 166-
| |
| Om schrand\'re Galatee gulhartig te versieren.
Haar eed\'le Schaar verwint den Beitel, en \'t Penseel,
En toont den (a) Britsen Roem, die wreev\'lig (b) Woudkrakkeel,
Gelyk een Herculus grootmoedig klonk aan banden;
En \'t wilde (c) Boszwyn dreef uit Veneryks Waranden.
Zy heeft dien dapp\'ren Held, Saturnus roem ten spyt,
In haar (d) gekerfde blan, aan de Eeuwigheid gewyd:
By \'t (e) groote Meesterschap, dat Ryn- en
Donau-stroomen,
Met and\'re Vloeden, leert voor eed\'le (f) Stamhuis
schroomen;
In de Oostenryker Buurt, van (g) Adelaard gebouwt,
Gelyk een schuilvertrek, voor \'t ongetoomde woud:
Daar Galatee geroemt van (h) Hermans wyze Tolken,
Gelyk een wonder schynt by allerhande volken.
Zo trekt, voor \'t Zonnelicht, de wisselbaare Maan
Haar bleeke hoorens in, die beevende ondergaan.
Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen en Lauw\'rieren,
Om schrand\'re Galatee gulhartig te versieren.
Al \'t bos kreeg ooren, toen \'s Lands Eelhart op een halm
Den laatsten zangprys streek, terwyl de wedergalm
Zich spreidde door de lucht, en wekte Rusland Knapen,
(a) Willem den den derden Koning van Engelant.
(b) Den Oorlog.
(c) Geweetens dwang.
(d) Geknipt papier.
(e) Leopoldus, Rooms Keizer.
(f) \'t Huis van OostenryK.
(g) De Roomze Keizers.
(h) Raadsheeren van den Keizer.
Die
|
|
-ocr page 167-
| |
| Die, aan den Winterhaart, onachtzaam bleeven slaapen,
Als waarenze onbewust, hoe schrand\'re Galatee,
De Vreugde van ons Vlek, hun (a) wakk\'ren Hooftman sne
Uit onversierde stof, van (b) Groenborst afgekomen,
Die Paerlemer beschaamt, en Indus goude zoomen.
Hy, die den Tanas beschermde voor geweld,
En, aan \'t Meotis meir, den naam verkreeg van Held,
Toen, op Alcides spoor, hy met zyn sterke handen
Een wreeder Hydra sloeg; den schrik van zee en stranden:
Daar Mechaas halve maan, van haar sieraad ontbloot,
Vergeefs aan Nereus riep, in \'t nypen van den nood;
Dat overwonnen Hoofd, zo ryzig op de leden,
Word door de Snyschaar nu van Konstlief aangebeden,
In \'t (c) hagelwit gewaad, van Bloemmaagd toegereed.
Dus zong hy, die zyn tyd in de akkerbouw versleet.
Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen, en Lauw\'rieren,
Om schrand\'re Galatee gulhartig te versieren.
Laatst hoorde ik Zegemond, een Knaap van Overzee,
Al zingende langs \'t veld, terwyl zyn weelig vee
in klaverbeemden weidde, aan versse vlieten melden,
Hoe Galatee de Bloem van (d) Frisoos Letterhelden,
Apols geheim\'nis Tolk, en trouwsten Wichelaar,
Naar \'t leven trof, en snee, met haar gesleepen Schaar,
In (e) nederige blan, nu ryk van roem en luister,
(a) Czaar Peter Alexewits.
(b) \'t Land daar \'t Vlas op groeit dat daar na tot papier word
gemaakt.
(c) Dit ziet ook op \'t papier.
(d) Do. Baltasar Bekker predikant te Amsterdam.
(e) Papier.
Daar
|
|
-ocr page 168-
| |
| Daar Cerberus voor beeft, terwyl hy in het duister
By Pluto zich verschuilt, op \'t wenken van de hand,
Die Circes toverkunst verbryzelde in het zand.
Terwyl nu Galatee, uit blanke (a) schors van boomen,
Een oegst van Spreuken snyd, daar Leezaard, zonder
schroomen,
Zyn graagen lust me boet, en deftig onderhoud:
Daar dit gesneden Schrift geen boekstaaf wykt van goud.
Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen en Lauw\'rieren
Om schrand\'re Galatee gulhartig te versieren.
Landroemers Veldpyp klonk hier mede juist op \'t slag;
Met vreugde denk ik aan den aangenaamen dag,
Toen wyze (b) Waarmond, hier alom by Vreliefs schaaren
Eerbiedig aangeben, als \'t hoofd der Offeraaren
Van \'t groote Orakelkoor, die schrandere Eskulaap,
Die al de Buurt verpligt, en my, een armen Knaap,
De duist\'re paden wees, daar slangen zich verschoolen,
Om niet, op Volkerts spoor, in \'t woeste woud te doolen:
Hoe speeld die blyde dag my altoos in den zin!
Toen hy vereuwigd wierd van Amstels Konstheldin;
Daar hy, (c) in slechte stof, van Veld\'ling opgeleezen,
Het kloekste brein verbaast met zyn gesneeden weezen.
Men roem geen konstenaars om hun geleerd verstant,
Nu \'t zwakste (d) snytuig van een Vrouw de kroone
spant.
(a) Dit verbeeld ook papier, alzoo men daar in oude tyden plagt
op te schryven.
(b) Galenus Abrahamz, der Mennoniten Leeraar en M. Doctor.
(c) Linnen vodden om papier van te maaken.
(d) J. Koertens Schaartje.
Komt
|
|
-ocr page 169-
| |
| Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen en Lauw\'rieren,
Om schrand\'re Galatee gulhartig te versieren.
Ik dreef hun zanglust voort op \'t ruisschen van het meer.
Minerve belg\' zig niet, daar zy, met helm, en speer,
En schild gewapend, by (a) Held Kosmus bly gezeten,
Van (b) Vezels hangt aan een, wel eer op \'t veld
versmeeten.
Wie zag vrouw Pallas ooit met meerder schranderhen,
Dan nu, van Galatee zo konstig uitgesnen?
Arachne doende zelfs haar reukeloos vertrouwen,
Kon zy, vervormd, nu eens \'t doorluchtig beeld beschouwen,
En sprak voor elk, ontlast van hoogmoeds yd\'len waan,
\'t Is uit met Thebe, met Amfion is \'t gedaan,
Apelles schilderkroon legt in het stof vertreeden,
Myn spinnery staat stil, myn draad is afgesneeden,
Een Konstheldin braveert Minervaas School aan \'t Y;
Terwyl haar ryke geest alle and\'ren streeft voorby.
Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen en Laurieren;
Om schrand\'re Galatee gulhartig te versieren.
de gryze Tyber hoort, in \'t diepste van zyn kil,
Vol blyschap opgewekt, daar hy gerust en stil
zyn golven houd in tucht, de Faam dus opgesteeken:
Hoe ergens in (c) een vlek, by Waterlandse streeken,
daar Y-, en Amstelstroom, vereenigt samen gaan,
de schrand\'re Konstheldin, uit drooge en (d) witte blan,
(a) Kosmus de derde.
(b) Ziende op \'t papier.
(c) Amsteldam.
(d) Papier.
De
|
|
-ocr page 170-
| |
| De (a) ses paar stammen van de aloude Tyberraaden,
Aan Jupiter gewyd, van (b) afgesleeten draaden.,
Doorluchtig gaf aan \'t licht, veel schooner als kristal,
Van \'t nootlot vrygemaakt voor \'t wankelbaar geval:
Gelyk de (c) Keurtelg, die by de Elvestroom verheeven,
Van Galatee verkrygt een onverwelklyk leeven,
Daar hy de Kunstschaar looft, en \'t vrouwelyk vernuft,
Die al \'t Godinnendom in zyn geheim versuft,
En nu den Zangberg noopt, om met verheven snaaren
Te zingen haaren lof; terwyl (d) een stapel blaeren,
Van (e) Febus wakk\'ren Rei, met Pindus vocht bespat,
Den wierook voor haar zwaait, die druipt als geurig nat.
Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen en Lauw\'rieren,
Om schrand\'re Galatee voor eeuwig te versieren.
| | Dus kweelde Koridon tot dat de dag verzonk,
En \'t Avondlicht wer in Botes tabbert blonk.
Toen zocht hy \'t vee by een, en de afgedwaalde schaapen,
Om in een zachte kooi haar zoete rust te raapen;
Terwyl hy in zyn stulp, geweken uit het veld,
Aan al zyn haartgezin van Gatatee vertelt.
Doch dewyt\'er geen gelukzaligheyt van een lange
duur is op deeze ondermaansche weerelt, en dat alles
wat ooit leeven ontfing ten laatsten moet grafwaards
(a) De twaalf eerste Roomse Keizers.
(b) \'t Linnen daar \'t papier van gemaekt word.
(c) Fredrik den derden, Keurvorst &c. en Markgraaf te
Brandenburg. &c.
(d) Stamboek van J. Koerten.
(e) Daar de Digters hunne vaarzen op geschreven hebben.
daalen
|
|
-ocr page 171-
| |
| daalen, zag den Heer Adriaan Blok zyn geliefde Konststar
verschieten, op den achtentwintigste van de Wintermaand,
des jaars duyzent zevenhondert en vyftien, in
den ouderdom van vyfensestig jaaren. Doch haar bedroefde
Echtgenoot, die na haar overlyden nooit het geheugen
verloor van zyne diergeliefde Johanna Koerten,
heeft de Konterfytsels van alle die Souvereynen en
hooge Standspersoonen, die met eyge handen hunne
doorluchte naamen hebben geschreeven in haar Stamboek,
laaten uyttkenen door de konstryke hand van
den beroemden Konstschilder Niklaas Verkolje, en doen
plaatsen vlak tegens over hunne handtkeningen. Noch
heeft dien Heer onderscheyde Tekeningen laaten maaken
by de alderbeste Konstschilders, dewelke zin speelen op
verscheyde in dat Stamboek vervatte zinspreuken, welk
boek hem beyden doet gedenken aan haare ongemeene
papiere Snykonst, en te zelver tyd aan haare Kristelyke
deugden. Haar Konterfytsel staat op de prent negenentwintig,
geetst door Jakob Houbraken, in welk portret
een een naauwkeurig oog het uytgestrekt zielsvermoogen
van die Konst- en deugdryke Johanna Koerten kan leezen.
WILLEM VAN INGEN,
| | Gedoopt den eersten, brengen wy thans te voorschyn
uyt de duysternis der vergetelheyt, waar in honderde
braave Konstschilders zoude leggen te krieuwelen, byaldien
zy door de pennen der Geschigtschryvers niet wierden
uytgespit uyt dien molshoop, genaamt, hy is gestorven
en vergeeten. Wy zullen aanstonds ontdekken
waarom dat wy hem tytelen den eersten.
| | Die Konstenaar is geboren tot Uytrecht, korts na het
jaar duyzent seshondert en vyftig, en op de Schilderkonst
belust, leerde hy daar van de grondbeginsels, en
die
|
|
-ocr page 172-
| |
| die machtig zynde, gaf hy zich over aan het onderwys
van den Konstlchilder Anthony Grebbber, die hem zo ver
brogt dat hy kon gaan zweeven op zyne eyge slagwieken.
Zyn eerste zucht was om Romen te bezoeken, om zich,
in navolging van zyne leerzaame Voorzaaten, te oeffenen
na die overheerlyke overblyfsels der aloude beeldhouwers
en Bouwkonstenaars, en na de nooit genoeg volpreeze
Konsttafereelen van Michel agnolo, Raphael Urbyn, Julio
Romano, Tintoret, en alzulke Schilderkonsts Paradysvogels.
Dat loffelyk voorneemen wiert begonstigt
door een schoone gelegendheyt, alzo den Eerwaarde
Heer Johannes van Neerkassel, Bisschop van Kastorien,
en Vicaris over de Roomschgezinde Kerken der
Nederlanden, derwaards trok, die hem onder zyn gevolg
meenam na Romen, en door zyn voorspraak hem in voerde
by den beruchten Carlo Moratti, onder wiens opzicht hy
een jaar schilderde, na welke tyd hy verscheyde schoone
Altaarstukken maalde voor de Romeynsche Kerken en
Kapellen.
| | Ondertusschen plaagden hem de dorstige Bend vogels
onophoudelyk om zich te laaten inlyven in hun doorluchtige
Broederschap, en zy waaren zo welspreekent,
of liever zo lastig, dat hy den dag bestemde om zich te
laaten doopen. Doch die vreugd wiert gestoort door
eenige platgebekte Hoogduytsche schilders, die nydig
zynde om dat de Bend hun had afgekeurt, zich vervoegden
aan de Heylige Inquisitie, en voorgaaven; Dat
die Bend een Kweekschool was van Kettersche gevoelens,
strydig tegens de waare Roomsche Kerk, gelyk als niet
duyster bleek uyt de goddelooze plegtighden van den
Wederdoop, en meer andere snoode gruuwelen. De
Inquisiteurs vatten aan stonds vuur op die Germaansche,
dat is, op die gebaarde beuzelachtige beschuldiging, en
hitsten
|
|
-ocr page 173-
| |
| hitsten fluks hunne Bloedhonden op, onder verbloeming
Dienaars van de Heylige Inquisitie misnaamt, om dat
nest te stooren, en om die Kettersche Herdoopers in verzekering
te neemen. Den wakkere David de Koning, een
braaf Konstschilder, die wy t\'zedert gemeenzaamelyk
hebben gekent tot Antwerpen, was den eerste die de
Rakkers by de kraag greepen, en zy vroegen hem, na
dat zy alvoorens zyn goudbeurs hadden geexamineert en
gesequestreert, wie dat hy was? waar op hy zonder eenige
achterdogt, denkende dat het opgestelt spel was by
eenigen van \'t gezelschap verzonnen om hun te verschrikken;
Ik ben genoeg vermaart, myn naam is den Koning
David. De Hapschaars waanden dat hy den Koning der
Herdoopers was, derhalve knevelden zy hem met dubbelde
dievenkoorden, waar op David de Koning ziende
en voelende dat het ernst wiert, aan zyn droefheyt den
lossen teugel vierde in deeze Antwerpsche klaaglieders;
Ba Jesus, Maria en Sint Josef, wat komt mai over! O
Sint Michiel, Pater van onze Antwerpsche Abday der witte
Heeren, waar kan ieen fatsoenlyk Manskind toe komen!
Hadde ik kik dat schrikkelaik onweer voorzien, ik ha de kik
mai liever gehauden bai onze Signoriaale frugaliteyt van
ieen schotel met Vlaamsche Mosselen, en ieen potteke Leuvensbier,
as binnen Romen te gaan lekkerbekken op Sardaintjes,
en op Montefiascone wainen. Maar hun onschuld
bleek korts daar aan, en de gevangens wierden op vrye
voeten gestelt. Zo dra als die donkere wolk der vervolging
was overgewaayt, wiert den Benddoop hervat, en
den Konstschilder Willem van Ingen wiert met de behoorlyke
plegtigheden gedoopt, den Eersten, om dat hy den
eerste was, die in de Schilderbend trat na de Persecutie
der Heylige Inquisitie.
| | Eenige tyd daar na vertrok dien Konstschilder naar
Vene
|
|
-ocr page 174-
| |
| Venetien, daar hy schilderde by Monsieur le Febre, die
de meeste Konsttafereelen van Paulo Veroneze op het
koper heeft gebragt, tot geen gemeen nut en vermaak
der Schilders, en der Papiere konstbeminnaars. Uyt Venetien
begaf hy zich na Napels, en van daar kwam hy
afzakken na de Nederlanden, en zette zich neer tot Amsterdam,
in welke Stad hy veele schoone konsttafereelen
heeft geschildert, en ook ten laatsten is overleeden.
NIKLAAS DE VREE
| | Is een goed Schilder geweest in landschappen, bloemen,
disels, kruyden, en in diergelyke groene voorwerpen.
Zyn Konststukken zyn beter bekent als zyn
persoon, aangezien hy zich ten eenemaal afzonderde van
den onmegang met de Menschen, en by na met niemant
verkeerde als met den grooten plaatetser Jan Luiken,
die te gelyk met hem het gevoelen belee van den Pikdraads
Profeet Jakob Bhm, den Evangelist van Jan de
Quaker, en van den broodmaageren Kassier Liebenroode.
Dewyl het woelent Amsterdam hem verveelde verreysde
hy naar Alkmaar, daar hy in stilte is overleeden,
op het jaar duyzent zevenhondert en twee, en veelligt
zich nu met den flikker J. Bhm zit te papegaayen met
de zeven Brongeesten.
ABRA
|
|
-ocr page 175-
| |
ABRAHAM
HONDIUS.
| | Die Konstenaar is een groot Man geweest in zyn beroep,
doch gants ongelukkig in zyn humeur, waar
toe hy met zyn gedrag veel hielp, gelyk als wy vervolgens
zullen zeggen, en daarom hebben wy hem den Vuurdief
Prometheus tot een zinnebeelt gegeven, wiens lever, dat is,
wiens Conscientie, gestadiglyk door den Arent van zyne
bewuste overtreedingen wiert geknaagt en gegeeten. Dewyl
hy wel eer eens had hooren mompelen, dat het beter is een
anders goederen als geene te gebruyken, stak hy over
naar Engelant met een anders huysvrouw, met dewelke
hy te Londen leefde als met eene echte Gemalinne. Na
de dood van die Dame trouwde hy met eene slons, die met
een mandje op \'t hoofd haar brood won op de groenmarkt,
waar in zy voor de luyden de gekogte moeskruyden
en vruchten liep t\'huys brengen. Die Kamenier
van Pomona nam dagelyks een hartsterkent teugje,
het welk Hondius vreeslyk verdroot, dewyl zy hem moest
dienen in zyn Podagreus lyden, waar in zy hem dan zo
zachtzinniglyk behandelde, dat hy dol en half duyvels
dacht te worden. Eenmaal gebeurde het dat hy vier
maan-
|
|
-ocr page 176-
| |
| maanden lang bedlegerig was geweest aan die Quatiteyts
kwaal, zynde zyn loopers al ommers zo lam als die van
den staatkundige Liefhebber der Geleerdheyt, den
geweezen Merkuurschryver Laurens Arminius. Die gelegendheyt
nam Mevrouw Hondius waar, en verorberde
dagelyks een driedubbelde dossis kraamanys, waarschynlyk
om daar langs de doorstraaling te bevorderen in de
beenen van haaren wolf-lammen Konstschilder, zynde Man
en Vrouw eene en dezelve: maar den verbitterden Abraham
Hondius beloonde die welmeenende vrouw op eene
ondankbaare wyze, want hy sloeg op een zekere tyd zo
hartiglyk met een stok op haar lastdraagent hoofd, dat
hy ze voor dood liet leggen. Zo dra had hy dat schelmstuk
niet gepleegt, of hy begon een keel op te steeken als
een brandklok om zynen oudsten zoon Abraham, die zo
dra niet by zyn Papa was gearriveert of den bevreesde
Konstschilder snaauwde hem toe; Abraham, Abraham,
fluks dievekind reykme myn koussen en schoenen op dat ik de
vlugt neem na Holland, want ik heb uw Moeder doodgeslagen.
Die oude tamme zondaar, gegeesselt door zyn Gewisse,
wilde het Gerecht ontvlugten door de loop, daar
hy geen stroobreete ver kon kriewelen.
| | Vorders was hy een braaf Konstschilder, die genoegzaam
alles wel schilderde, want hy maalde Konterfytsels,
Trojaansche verwoestingen, Kaarslichten, Beelden, Hartejagten,
Honden- en Beerengevegten, Valkenjagten,
Paarden en Honden, welke laatste dieren hy wonderlyk
schoon en natuurlyk schilderde, zo dat niet veele Dierenschilders
hem daar in zullen voor by zeylen. Het heugt
ons eene Amsterdamsche Hondenmarkt van hem gezien
te hebben, waar in boven de dartig onderscheyde soorten
van honden kwamen, heerlyk getkent en lieftalliglyk
geschildert, op welk tafereel hy onder anderen een witte
teef
|
|
-ocr page 177-
| |
| teef had afgemaalt benevens ses welpen, in wiens blikken
men de zorg en de liefde voor haar kroost zag doorstraalen.
Vorders was dat Konststuk gestoffeert met schoone
beelden van Mannen en Vrouwen, en met ander aardig bywerk,
alles uytvoeriglyk en konstiglyk behandelt. Hy is in
Londen gestorven, en zyn Konterfytsel geschraapt door
Jan Smit, en gevolgt door Houbraken, is te zien op de
prent H, nommer drie zo den Suppliant gelieft te verklaaren.
FRANCOIS DANKS,
| | Gebendnaamt de Schildpat, was een Amsterdammer
van geboorte, die kleyne Historiestukken schilderde. Hy
boetseerde het model voor het Tydsbeeld op de Heerengraft
tot Amsterdam, in den jaare duyzent seshondert
sesenveertig, na welk model het uyt steen wiert uytgebytelt
met dit byschrift, Myn glas loopt ras. Den vrolyken
Dichter, Kornelis van Ryssen, zinspeelt daar op in
dit volgent stekelvaarsje.
Een Meugveel was zyn glas zo ras niet volgeschonken,
Of \'t wiert, zo dra hy \'t kreeg, van hem weer uytgedronken,
Waar op hem iemant vroeg, hoe hy zo gulzig was?
Hy sprak, een schoone spreuk doet staag myn dorst
ontvonken,
\'k Vondze op de Heerengraft, daar staat, Myn glas
loopt ras.
JAN VAN OLEN
| | Was een Amsterdammer, voor \'t minst heeft hy\'er
gewoont van het jaar duyzent seshondert eenenvyftig,
tot op het jaar duyzent seshonderachtennegentig, toen hy
kwam
|
|
-ocr page 178-
| |
| kwam te overlyden. Die Konstschilder had het penceel
zodaanig tot zyn wil dat hy allerhande schilderyen kon
nabootsen, en in zonderheyt de Vogelstukken van Melchior
Hondekoeter, zo dat de fijnste Konstkenners veelstijds
verlegen stonden, wanneer men hun oordeel daar over
kwam te vergen. Die konstgreep ley geen windeyers aan
onzen J. v. Olen, dewijl de Vogelstukken van den goeden
Hondekoeter vrywilliger op die tyd als hedensdaags
gewilt wierden, welke konstgreep een nagel was aan de
doodkist van den Konstschilder Melchior, dewelke binnens
huys door een boosaardige Xantippe, en buytens
deurs wiert geplaagt door een onecht gebroed van haanen
en hoenders, zo dat men zich niet eens behoeft te verwonderen,
dat die Konstenaar somtijds zijn derde fles
ontkurkte om die gedupliceerde smart te verzetten.
ABRAHAM STORK
| | Een Amsterdammer, schilderde meestentijds ontroerde
en stilse Zeen, beslaagen met allerhande Vaartuygen, en
Zeehoofden, vol gewoel van menschen, ook Steygerbooten
en andere scheepen, opgepropt met Matroozen en
Soldaaten, met scheepskisten kooigoederen en diergelyke
Buytelants huysraad, om die persoonen op hunne op de
ankers dryvende scheepen te transporteeren, welk gewoel
hy konstiglyk en natuurlyk wist af te maalen. Maar boven
al wort een zeker stuk geroemt dat de inhaaling des
Hartogs van Marlebroug op den Amstel verbeelde, verzelt
met een bloedelooze vloot van allerhande Binnenjachten.
DAVID COLYNS
| | Was al mee een Amsterdammer, wiens voornaamste
konst bestont in het schilderen van Bybelsche Historien
|
|
-ocr page 179-
| |
| en in zonderheyt van woelige voorvallen in dewelke hy
veele beelden kon te pas brengen, als daar Israel het
Manna des Hemels opgadert, daar Moses de dorstige
Hebreen drenkt uyt een dorre rots, en alzulke stichtelyke
ordonnantien.
BARENT GAAL
| | Is een Haarlemmer by geboorte, en een Leerling van den
alom beroemden Konstschilder Filip Wouwerman, wiens
manier hy al vry wist na te bootsen, ook bestaan meest
alle zyne schilderyen in Batailles en in Pleysterplaatzen.
Voor de rest was hy zo eygenzinnig als een Schoolmeester,
en dat Ezels gebrek koesterde hy tot zyn nadeel,
als uyt het volgent geval zal blyken.
| | Het gebeurde eens dat een Heer voor wien hy een tafereel
schilderde hem ging bezoeken, om eens te zien of
hy\'er wat mee vorderde, doch den Schilder stont de
muts niet om dat bezoek af te wachten. Hy beval dan
te zeggen tegens dat Heerschap, dat hy niet t\'huys was,
en hy gaf die order in zulke luyde termen dat dien Heer
die makkelijk kon hooren, die daar op vertrok, doch
met een vast voorneemen om hem die onbeleefdheyt betaalt
te zetten. Zo dra als het stuk opgeschildert was
ging hy daarmee na het huys van dien beldigden Heer,
die hoorende dat\'er wiert aangeschelt het hoofd uyt de
venster stak, en den Schilder, benevens zyn jongen die de
schildery droeg ziende, riep hy hen toe, Ik ben niet t\'huys.
Barent Gaal begon eens te lacghen, denkende dat dien
Heer dat zey om te spotten, en andwoorde op een vrolyke
toon, Ja, ja, myn Heer, ik zie wel dat je t\'huys
zyt, laat de deur maar openen, ik kom je het bewuste stuk
schildery brengen. Doch den Heer beet dien eygenzinnigen
Schilder toe; Dat ik t\'huys ben is waar, doch toen ik
de laatste maal aan uw huys kwam, was ik genootzaakt, of
schoon
|
|
-ocr page 180-
| |
| schoon ik uw hoorde spreeken, zonder uw te moogen zien,
nu kon je insgelyks met uw schildery, want de wraak is zoet,
gaan aftrekken. Dat gezegt hebbende sloot hy het venster,
en Barent Eygenzinnig moest troosteloos met zijne
opgemaakte Schildery verkassen.
ISAAK KOENE
| Was een goed Landschapschilder, een Leerling van
den Konstschilder Isaak Ruysdaal, welke Landschappen
den bovengemelde Barent Gaal stoffeerde met beelden;
en meer weeten wy van dien Konstenaar niet te schryven.
PIETER vander HULST.
| | Is een Dortenaar geweest, geboren op den achtiende
van de Sprokkelmaand, in den jaare duyzent seshondert
|
|
-ocr page 181-
| |
| dert tweeenvyftig. Hy reysde ook na het konstryk Romen
daar de Bendvogels, die hy waarschynlijk zal bel-
digt hebben, hem doopten met de benaaming van de Zonnebloem,
dewijl hy die bloemen veeltijds te pas bragt op zijne
schilderyen; een soort van Bloemplakaaten, dewelke wy
nooit hebben ontmoet op de konstrijke Bloemtafereelen
van de groote Overvliegers Jan David de Heem, Abraham
Mignon, of den vroomen broeder Zegers. Vorders
stoffeerde die Pieter vander Hulst zijne Bloemstukken
met fraaye wilde kruyden, Slangen, Hagedissen, Vlindertjes,
en al zulk soort van Bloemschilders cieraaden.
Naderhant verviel hy tot konterfijten, dat zo min te beduyden
had als de Konterfijtseltjes van het geel Rotterdams
Meyertje, die dooorgaans twee portretten leelijk
weet te treffen, tegens twintig konterfijtsels die hy komt
te missen.
N. PEUTEMAN
| | Was een geboren Rotterdammer, die zo graag zoet
Rotterdammer bier en een Barneveltje dronk als een ander,
zonder dat wy daarom het jaar van zijn geboorte
hebben konnen naspeuren. Hy schilderde allerhande soort
van stilleeven, als vanitassen, staande beelden geschildert
op uytgehakte planken, daar men somtijds een
voorhuys mee oppronkt, om de na het school, of op
boodschap loopende jongens te vermaaken en op te houden.
Die Schilder van stilleeven ontstelde eens doodelijk
op zo eene ongemeene wijze, dat het ons lust om
dat geval alhier te verhaalen.
| | Den Neef van den schilder Peuteman, die in de Vroedschap
der Stede Rotterdam zat, verzogt hem om een
Tafereel voor hem te schilderen, waar op hy de vergankelijkheyt
van \'s menschen leeven moest afmaalen, in zielroerende
|
|
-ocr page 182-
| |
| rende en op het alderuyterste beweeglijke vertooningen.
Om zich nu van de voornaamste voorwerpen tot dat Vanitas
tafereel te voorzien, bezorgde hy hem de sleutel
van de Chirugyns kamer tot Rotterdam, waar na toe hy
zich voor de eerste reys begaf op den namiddag,
om eenige tkeningen en schetsen te maaken na die
Geraamtens; doch het zy dat hy te veel gegeeten of te
veel gedronken had, den Schilder stelde het tkenen uyt
op zyn Pools, ad referandum, en ging gerust een uyltje
zitten vangen. Nu was het op den achtinde van de
Herfstmaand, in het jaar duyzent seshondert tweeennegentig,
toen die almeene Aardbeeving, Engelant, Vlaanderen,
Brabant, het gantsche Land van Luyk en de Nederlanden
dee schudden, waar door alle de Geraamtens
begonnen te rammelen als spaansche Kastanjetten, zo dat
den vroome Peuteman ontwaakte, die beter die vertooning
had doorgeslapen. Hy ontwaakte en zag dat alle
de Geraamtens met de hoofden schudden, als zo veele
verzoope Barneveltjes smuygers, dat de bekkeneelen op
de tanden knarsten, en met de armen en beenen zo onordentlijk
slingerden en schermden als of zy hem uytdaagden tot
een tweegevegt, en slagvaardig stonden om hem op het
lijf te vallen. Hy rolde dan in doodsangst de trappen
af, de deur uyt, en voorts op de straat, zijnde zo bleek
bestorven als een Yrsch Eedverwant, die na het driekant
Tyburn, dat berucht kerkhof der Schotsche en Yrsche
Koningsmoorders, wort gesleept om gevierendeelte worden.
Op de straat gekomen zijnde ontdekte hy aanstonds
de oorzaak van de ongewoone beweeging dier Geraamtens;
doch die ontdekking kon hem niet baaten, de ontsteltenis
had zich al te diep gezet en was hem in \'t bloed
geslaagen, zo dat hy korts daar aan kwam te overlyden, en
neerwaards daalde na het groot magazyn allergeraamtens
JAN
|
|
-ocr page 183-
| |
| JAN KLAASZ. RIETSCHOOF
| | Is geboren tot Hoorn, op het jaar duyzent seshondert
tweeenvyftig, en had het geluk van onder de konsttucht
te geraaken by den beroemden Zeeschilder Ludolf Bakhuyzen,
wiens handeling hy tot aan zyn dood toe behield,
zo dat hy met recht mag worden geboekt onder
de braave Zeekonstschilders. De dood nam die Rietschoof
mee die voor zyn schilderesel stont en onldig was in zyn
beroep, op den derde van de Slachtmaand, in den jaare
duyzent zevenhondert negentien.
HENDRIK RIETSCHOOF
| | Den zoon van Jan Klaasz. Rietschoof, geboren op het
jaar duyzent seshondert achtenzeventig, die \'s vaders
spoor volgt met breede stappen, en geen minder Zeeschilder
is als den geweezen ouden Jan Klaas.
KORNELIS HOLSTEYN
| | Kwam voor den dag springen tot Haarlem, in den jaare
duyzent seshondert drieenvyftig. Wy konnen voor de
waarheyt niet zeggen, of hy de Schilderkonst leerde by
zyn vader, die een goed Glasschryver was en veel met
waterverf tekende, dan of hy zyn eygen onderwyzer is
geweest. Altoos het is zeker dat hy geboekt staat voor
een wakker Konstschilder, als blijkt uyt dat Konststuk
by hem geschildert tot een Schoorsteensttuk op de Weeskamer
van het Stadhuys tot Amsterdam, op welk tafereel
Lycurgus staat verbeelt daar hy zyn Neef verklaart
tot zyn Erfgenaam. Dat Schoorsteenstuk is door den
verglaasden Poet Jan Vos bestooken met de vier volgende
regels.
Lykur-
|
|
-ocr page 184-
| |
| Lykurgus houd zyn Neef voor wettig erf van \'t landt.
De hulp der voogden strekt den wees, een mond, en
handt.
Hier leert men de Eygenbaat den wees zyn erfrecht
geeven.
Zo blyft des vaders zorg als \'t licghaam sterft in \'t leeven.
SIMON VANDER DOES
Had tot zyn Overgrootvader een Geheymschryver der
Stad Amsterdam, zyn Grootvader bekleede het ampt
van Sekretaris op de Assurantiekamer, zyn Vader gedroeg
zich als een fatsoenlyk Man betaamt, daar hy in tegendeel
een schandvlek voor zyn Geslagt, en een ergernis is
geweest aan bekenden en aan onbekenden. Die ondergaande
zon zag het eerste zonnelicht op het jaar duyzent
seshondert drieen vyftig, en volgde \'s Vaders manier in
het schilderen van Landschappen en van Dieren, doch
hy verwyderde zich van \'s Vaders manieren.
| | Toen hy zich verbeelde vlug genoeg te zyn om te
konnen dryven op zyne eygen slagriemen, verliet hy het
huys van zyn Moey, by dewelke hy inwoonde in \'s
Gravenhage, en hy ondernam in den beginne een tocht
na Vrieslant, en van daar na Londen: doch het schynt
dat hy het aldaar niet kon rondschieten, alhoewel\'er in
dat wellustig Babel geen gebrek is aan de drie kapitaale
noodwendigheden des vergankelyken leevens, aan lekkere
spys, aan smaakelyke drank, en aan delikaate vrouwen.
Hy trouwde oud sesendartig jaar met een Juffer, die
min goede als kwaade eygenschappen bezat (een Schilders
keus, vrienden, wat valt daar veel over te zeggen) en
onder de linksche qualityten munte inzonderheyt haar
verquistent humeur uyt, dewijl zy alles wat hy met zijn
konst-
|
|
-ocr page 185-
| |
| konstpenceel kwam te oogsten, fluks tot kaf wiert gemaalen
op den molen der zorgeloosheyt, waar door de huyshouding
meestentyds zo geldeloos was, als de doorluchte familie
van Jan van G***, een Aterling van een by God en
by den mensch gevloekten Lingenschen Stedehouder.
Daar by sloeg noch een ramp, want het ongeluk gaat
doorgaans verzelt gelijk als een koppel Bedelmonniken,
dat zijn bloedverwant, den Heer de Graaf, die hem ter
liefde zyns vaders zou hebben opgetilt uyt het slijk der
behoeftigheyt, eer nu van afzag wegens zijn slegte verkiezing
in een vrouw, en hem liet dryven. En des niet
tegenstaande ploegde hy als een daglooner voor zijn schilderesel,
hy stoorde zich niet eens aan de klagten van het
wyf over \'t gebrek aan geld, hy bekreunde zich in \'t
minste niet aan de onbeleefde requesten der ongeduldige
schuldeysschers, noch aan de klaaglieders des Huysheers,
die hy niet eens wilde hooren, zien of spreeken, hy schilderde
maar naarstiglijk van meet af aan, en liet vorders
fioolen zorgen.
| | Ondertusschen hemelde Madame zijne Gemalinne ten
deelen door de lepelzucht, volgens de waarschynlijke
gissingen der Geleerden, en liet hem tusschen een paar
ontbiesde stoelen zitten hurken in de assche, waar op zich
toen evenwel eenige goede vrienden opdeeden, die hem
een plaats verzorgden in het Gasthuys achter de Hal, in
\'s Gravenhage. Maar dat kon ook al niet lukken, want
na aldaar twee a drie jaaren gewoont te hebben, kreeg hy
de poppen in \'t hoofd en hy marcheerde op het ordinaar
reytuyg eens Landloopers, op zijne platte voeten, na
Brussel, daar hy het ook niet langer als een dozijn maanden
kon uytharden, zo dat hy van daar neerzakte naar Antwerpen,
in welke Stad hy de eer had van te schilderen
voor de heeren Konstkoopers, by de Sinjoors genaamt,
ver-
|
|
-ocr page 186-
| |
| vervloekte en vermaledyde keelbeulen. Waar dat hy
t\'zedert vervoer konnen wy niet getuygen, derhalve zullen
wy eens ter loops zien, wat\'er te zeggen is van zijn
jongen zoon
JAKOB VANDER DOES JAKOBSZ.
| | Den bovengemelde Heer de Graaf, ziende dat\'er geest
en lust in die knaap stak tot de Schilderkonst, kreeg
hoop van door hem het verval in dat Geslagt te herstellen,
en bestelde hem by den beroemden Konstschilder
Karel du Jardyn, onder wiens opzigt hy zo lang verbleef,
tot dat Karel die kluchtige luym kreeg om Romen
eens te gaan zien, gelijk als wy hebben verhaalt in
het tweede deel van onze leevensbedrijven der Nederlandsche
Konstschilders en Konstschilderessen. Jakob
vander Does Jakobsz. nam toen Gerard Netscher, dien
heerlijken Konterfijtselschilder, in den arm, en na deszelfs
schilderlessen een paar jaaren te hebben bygewoont,
vervoegde hy zich by den befaamden Historieschilder
Gerard de Lairesse tot Amsterdam. t\'Zedert die tijd wiert
hy zijn eygen Leermeester, en gaf dagelijks geen geringe
blijken van zijn grooten geest aan de Konstlieven, die hem
beschouwde als een Fenix die uyt \'s Vaders houtmyt was
ontlooken. Daar by was hy stout in alle zijne onderneemingen,
en bekwaam om groote zaaken konstiglijk en
gelukkiglijk uyt te voeren op doeken en op panneelen;
doch daarentegen was hy zo driftig en zo haastig, dat
men eerder een opiaat moest gebruyken om hem te sussen,
als een kordiaal om hem aan te zetten. Hier van toonde
hy een staaltje, toen hy een groot Konststuk in flarden
snee waar aan hy reeds vier weeken had geschildert, om
dat hy het niet na zijn zin kon krygen. Die zelve Ordonnantie
ondernam hy voor de tweedemaal, en die
gelukte
|
|
-ocr page 187-
| |
| gelukte zo wenschelijk, dat hy een geschenk van dat tafereel
deed aan den Heer de Graaf, die het in dank aannam,
en den jongen Konstschilder een schoon Rypaard en
een braave goudbeurs daar tegens vereerde, en voor hem een
Edelmans plaats verkreeg onder het gevolg van den Heer
van Heemskerk, toen die als Afgezant wegens den Staat
vertrok naar Parys: ook zou hy aldaar een schoon fortuyn
hebben gemaakt, indien den onderaardsche gewelddaadigen
Mierewijs Scherminkel hem niet van den troon
des dierbaaren leevens had nedergebonst, en ontydiglijk
gedoemt tot de schaar der Schikgodinnen.
THEODOOR EN KRISTOFFEL LUBIENETZKI
| | Waaren twee konstrijke broeders, zijnde den eerste
Theodoor geboren te Krakouw, op het jaar duyzent
seshondert drieenvijftig, en den tweede verscheen voor de
eersttemaal te Stettin, in de eeuw duyzent seshondert
negenenvijftig. Zy leerden de beginsels der Schilderkonst
tot hun uytspanning by den schilder Juriaan Stur tot
Hamburg, waar by zy eenige andere oeffeningen voegden
die den Adel, en inzonderheyt die de Jongelingen van eene
adelijke geboorte behooren te bezitten, om zich daar door
van het gemeen te onderscheyden, het zy in den Oorlog,
Vreede, of op hunne Reystogten in het bezoeken van
uytheemsche gewesten, en in het behandelen van vreemde
Natien.
| | Die beyde broeders kwamen na de Nederlanden afzakken
op het jaar duyzent seshondert vijfenzeventig,
en Kristoffel gaf zich over aan het onderwijs van den
Konstschilder Adriaan Bakker, daar Theodoor zich
vervoegde by den grooten Historieschilder Gerard de Lairesse,
wiens manier hy zo vlytiglijk bestudeerde, dat men
altoos iets van dien wakkeren Konstenaar zag doorstraalen
op
|
|
-ocr page 188-
| |
| op zijne Historietafereelen. Dien oudste Lubienetzki
geraakte eerst aan het Hof van den Groot Hartog van
Toskanen, van daar kwam hy aan het konstlievent Hof
van den Keurvorst van Brandenburg, welke Vorst hem
aanstelde als zijn eerste Kamerdienaar, en als Direkteur
van de Hooge Konstschool; doch in het jaar duyzent
zevenhondert en ses verreysde hy na Polen, in welk vaderlijk
klimaat hy is overleeden. Den jongste broeder
Kristoffel Lubienetzki, een zeer lieftallig en by de
gantsche weerelt bemint Edelman, is noch op den huydigen dag
woonachtig binnen \'t machtig Amsterdam, hy is een braaf
Konstschilder in Historien en in welgelijkende Konterfijtsels,
zijnde daarenboven voorzien met de eerampten van
Diaken en Kerkmeester der Remonstranten Kerk.
| | De geboorte-eeuw van dit paar adelijke broeders was
eene aangenaame eeuw voor de Konstschilders, waar in
zich de Heeren van het eerste fatsoen opentlijk verklaarden
als Voorstaanders van de Schilderkonst, hebbende
tot hun voorganger den konstlievenden Heer van Maarsseveen,
Ridder van de Order van Sint Michiel,&c. Op
het jaar duyzent seshondert vierenvijftig, wiert de Broederschap
der Schilderkonst ingewijt door de Schilders,
de Beeldhouwers, en derzelver Begonstigers, gelijk als
blijkt uyt een vaars uyt den naam van de navolgende
Konstschilders Koetser, vander Elst, de Held Stokade, en
meer anderen opgedraagen aan den voornoemden Heer
van Maarsseveen, door den beruchten Konstschilder Asselyn,
gebendnaamt Krabbetje. Het St. Lukas feest vierden
zy plegtiglijk op de groote Saal van St. Joris doelen
binnen Amsterdam, zijnde die Saal geciert met konstige
Festoenen, verciert met zinspeelende vaarzen op
die loffelijke vereeniging.
| | Dit onderstaande vaars was gestrikt op het Feston, t\'zamen
|
|
-ocr page 189-
| |
| men gestelt uyt de gereedsschappen der Konstschilders,
verbeeldende de Eenigheyt van die konstrijke Broederschap
Aldus is de Eeenigheyt der Konst en Konstgenooten,
Gelijk dit schildertuyg gebonden is in een:
Zo bind de liefde hun als Broeders in \'t gemeen,
Wanr de Eenigheyt en Vree wort met dien band geslooten
Op het Feston van de Muziekinstrumenten, toegeeygent
aan den God Apol, kon men deeze vier regels leezen.
De Konstgodin, verknogt aan d edele Pozy,
Scheen door Apolloos lier ten Hemel op te vaaren.
Twee Konsten na in \'t bloed, vereent in Maatschappy.
Apol bemint \'t penceel, Apelles zang en snaaren.
Daarenboven hadden zy een Tafelwet opgestelt, zo voor
hun in \'t byzonder, als voor de Konstschilders, de
Beeldhouwers, de Dichters, en voor de Liefhebbers der
Dicht en Schilderkonst, die voor \'t minst een getal van
hondert persoonen uytmaakten, bestaande in de volgende
berymde aan spraak.
Liefhebbers, Konstenaars, die op de Voetboogssaal,
Staat met den anderen gereet, om \'t middagmaal
Te houden:
Het dronken drinken zy geschuuwt van deezen dag,
Die drie gezondheen heeft bloodshoofds voldaan,
vermag,
Indien hem meerder wiert gevergt die nederzetten;
Den geenen die meer lust en zal men niet beletten,
Zo slegts geen overdaat aan tafel wort gepleegt.
Den
|
|
-ocr page 190-
| |
| Den ouden Keulsche Papa, vader Joost vanden Vondel,
was niet alleenlijk mee een der genoode gasten op dit
Feest, maar hy wiert zelfs aan het hooge end van de tafel
geplaatst op een verheeven zetel, en een van het gezelschap,
opgeschikt als den Dichtgod Apol, bekroonde
zynen kaalen bol met een cierlijk gevlogten Lauwerkrans.
Hy wederom tot een proef van dankbaarheyt bekroonde
dat feestmaal met de onderstaande vaarzen.
Gelijk de Zonnebloem haar oogen
Uyt minne draait naar \'s Hemelsboogen,
En volgt met haar gezicht
Het alverkwikkent licht,
De Zon, die \'t al zijn verwe geeft,
En daar geboomt en plant by leeft;
Zo volgt de Schilderkonst,
Uyt aangeboren gonst,
Ontsteeken van een heilig vuur,
De schoonheyt van natuur,
Met haare streeken en penceelen;
En geeft dat de doeken en panneelen
Het leeven, waar ze zweeft en zwiert;
Verkloekt de menschen en \'t gediert.
O Edele Schildermin!
O tiende Zanggodin!
Wy loopen uw met de andere negen
Parnasgodinnen tegen;
Van zingen noch van speelen moe:
Ontfang dees kroon, zy komt uw toe.
Dat vaarsje van Papa J. v. Vondel beandwoorde geen
onaardig Dichter met dit konstig Klinkdicht.
Toen
|
|
-ocr page 191-
| |
| KLINKDICHT.
Toen \'t groote licht verscheen op \'t feest der Konstenaaren,
Was ieder een verheugt, en zo vernoegt en bly,
Dat wie den Vader zag ontstak in Poezy,
Nu dat de Konstgodin hier met Apol zou paaren.
Terwijl de Priesterschap, door zang en spel der snaaren,
Begroete dus die Zon: o Fenix van ons Landt!
Die \'t gantsche Helikon doet luystren naar uw trant,
En wijd aan God Jupyn een kroon van gryze haaren,
Die stadig zijn omringt met heylige lauwerblaan.
Wat offer zullen wy voor deeze weldaad branden?
Wie dankbaar is voor gonst, die heeft de gonst voldaan;
Want dankbaarheyt is meer als duyzent offerhanden.
Den Vader zy vernoegt, nu dat St. Lukas hier
Uw schenkt Apelles schild, Apollo zijn Laurier
Dit Feest wiert geviert met een buytengewoone vreugd,
de glaazen klonken in \'t rond als zilvere tafelschellen,
elk scheen hoofd voor hoofd vergood, en zo de Ouden
als de Jongen, bezielt door de geesten des Wijngods,
huppelden in hunne gedachten op de altoos groenende
toppen van Pindus. Dewijl nu Vader Bacchus en de
hemelsche Cecilia alommers zo wel akkordeeren als den
God der druyven en de Godes der graanen, begonnen zy
alle te gelijk het volgent Liedeke gezet op muziekaale
nooten, op te zingen.
Het
|
|
-ocr page 192-
| |
| Het Feestlied van St. Lukas broederschap
Laat Romen op de konst en haar aloudheyt brallen,
En Tivoli op al zyn grootsche watervallen,
En Napels op het graf van Maro en zyn gonst;
Hier is de Beurs, en \'t Geld, en Liefde tot de konst.
| Dat\'er om de berymde aanspraak wegens de Maatigheyt
zo niet wiert gedacht, zo min als de Monniken op den
Feestdag van den Insteller van hun Order gedenken aan
deszelfs inzettingen, is gemakkelijk te gelooven, en niet
ongemaklijk om te begrypen; want wie kan te gelijk
onverzaaft drinken en wijs blijven?
| | Zy naamen een vast besluyt eer dat zy scheyden, om
een diergelijk Feest jaarlijks te vieren ter eere van St.
Lukas, en lieten tot dien eynde een gedenkschild maaken,
waar in zich eene afgebrooke en eene opgerechte gedenknaald
vertoonden, zynde de gaave spits omwimpelt
met dit byschrift, Uyt liefde vernieuwt. Doch dat goed
voor-
|
|
-ocr page 193-
| |
voorneemen raakte met\'er tijd geheel in \'t vergeetboek,
en het gedenkschild is door het stof der vergetelheyt zodanig
bestooven geworden, dat men\'er hedensdaags met
spaaden na diende te delven, gelijk als de drinkers van
den Nijl doen na hunne aloude ingezulte Egyptische
Koningen.
JAN HOOGZAAT
| | Een Amsterdammer, is geboren op den twaalfde van
de Lentemaand, in den jaare duyzent seshondert vierenvijftig.
Hy is geen van de laatste, maar in tegendeel
een van de alderbeste Leerlingen van den grooten Konstschilder
Gerard de Lairesse, een Konstenaar die alom zeer
is berucht, zo wel door zijne groote als kleyne
Historietafereelen. Hy heeft veele uytmuntende Persoonaagien
bedient met zijn konst, en de eer gehad van onderscheyde
Konsttafereelen te maalen op het Loo, het Versailles
van zijn Majesteyt Koning Willem den derde. Ook
heeft hy verscheyde Konstschilderyen gemaakt voor de
Hoogh Edele Groot Achtbaare Heeren Borgermeesters
der Stede Amsterdam, voor de Heeren Johan Trip, A.
Velters,
|
|
-ocr page 194-
| |
| Velters, Johan Six, den Heer Schepen van Aalst, en
voor een groot getal andere Heeren. Daar by is het groot
oppervlak in het verwelfsel van de Borgersaal op het
achtste weereldwonder, het Raadhuys van Amsterdam,
by hem geschildert. Aldus luyd den inhoud van dat
Konsttafereel.
| | De machtige en door de gantsche weerelt beroemde
Koopstad Amsterdam zit aldaar op luchtige wolken,
heerlijk verheeven en Koninglijk uytgedost, ook legt in
haaren schoot een bondelbijl omvlogten met groene Lauwerieren,
om te gelijk haare bloeiende en eendrachtige
Regeering te doen blijken. Zy leunt op een schoone
scheepsteven, behangen met het laater kruytschild, tot een
zinnebeelt van haar beruchte scheepvaart, uyt welken
hoofde den Zeevoogd Neptuyn haar de stvenkroon opdraagt,
onderwijl dat Merkuur haar den gouden staf der
koopmanschap schenkt, en Cybele, de Godin der
aarde, door de aanbieding van haare sleutels de gantsche
weerelt openstelt tot het dryven van haaren Koophandel.
De nevens haare zy leggende wapentuygen betkenen
beeldspraakelijk, dat zy haare vryheyt en achtbaarheyt
kan en weet te verdaadigen. Alle bedenkelijkheden
vloeien na haar toe uyt den overvloeds hoorn; en
den Adelaar des Roomschen Rijks verheft zich boven
haar hoofd, met de Keyzerlijke kroon, aan haar weleer
door den Keyzer Maximiliaan geschonken. De Faam
schijnt alle die voortreffelijke waardigheden door de geheele
weerelt uyt te trompetten, terwijl zich Amsterdam
door den tijd, met behulp van het verstant en van de
naarstigheyt, noch hooger ziet opvyzelen. In het verschiet
op de wolken ziet men de adelijke konsten en wetenschappen
verbeelt door Kindertjes die malkanderen verzellen
in die konstoeffeningen. Herkules, het zinnebeelt der
deug-
|
|
-ocr page 195-
| |
| deugdelijke dapperheyt is aan den anderen kant in de
weer, om de wangonst, en om de andere lasterzieke gedagten
en partyen op de vlugt te dryven, en om de
macht van Amsterdam te bevryden voor die schendzuchtige
monsterdieren, en eere, goed, en bloedroovende
wanschepsels.
| | Die wakkere Konstschilder leeft noch, en wy hoopen
en wenschen dat hy noch lange jaaren tot een oogen troost
der Konstlievenden mag leeven; en na die laatste wensch
begeeven wy ons tot den ouden Konterfijter
JAN VOLLEEVEN.
| | Die Schilder kwam langs den bedekte weg der menschwording
te voorschijn binnen Geertruydenberg, een arm
Visschers Schevelingen, na by door de groote Verstanden
befaamde Frontierstad Breda, op het jaar duyzent seshondert
vierenvijftig. De Zalmvischers, die nooit geen
Konstschilder binnen den omtrek van hunne gedukte
wallen hadden zien opstuyven, beschouwden hem als een
Tovenaar, dewijl hy in stee van mee op die geschubde
jagt te tyen, gelijk als zijne gelaarsde Stadgenooten, zijn
tijd besteede in het trekken van haaken en oogen tegens
de geele muuren, en zy stonden op het punt om hem te
gaan onderdompelen, toen eenige Schoolgeleerden, die
nu en dan eens tot Rotterdam waaren verzeylt geweest,
zich begonnen te verbeelden dat\'er misschien een Bordetjesmaaker
in dien Jongen stak, derhalve brogten zy
hem by den Konstschilder Netscher om dat keurig ambacht
te leeren. Naderhant geraakte hy by de Konterfijtselschilder
Niklaas Maas, en by Jan de Baan, en zulk
soort van plaatsverwisseling noemen wy, Uyt het Vagevuur
in de Hel te tuymelen. Hy liet zijn anker vallen in \'s
Gravenhage, waarschynlijk om zich te konnen bedienen
van
|
|
-ocr page 196-
| |
| de Schevelingsche Vischreuk, want de geboorte zucht
valt zo schielijk niet af als een oude Maitres, en aldaar
schilderde hy welgelijkende Konterfijtsels, benevens zijn
zoon die hy heeft opgetrokken in de zelve stijl van Konterfijten.
KAREL FABRITIUS
| | Was een vermaart Schilder in de Doorzichtkunde, berucht
voor den beste van zijn eeuw, en ter zelve tijd een
goed Konterfijter. Waar en op wat plaats dat hy geboren
is, komt ons te vooren als een duystere text, alleen weeten
wy dat hy veele jaaren gewoont heeft tot Delf, en dat
zijn naam gedagtkent staat in de Gedenkschriften van
die Stad, door het springen van het buskruyts magazyn,
voorgevallen op den twaalfden October, des jaars duyzent
seshondert vierenvijftig. Door dat ongeluk sneuvelden
zijn Schoonmoeders Broeder, benevens den Koster
van de Oude Kerk, met den welken hy bezig was
om te konterfijten, als ook Mathys Spoors zijn Leerling,
welke persoonen deerlijk door het instorten van het huys
onder het puyn wierden verplettert. Fabritius wiert na
verloop van ses a zeven uuren noch eenigzins leevent van
onder de puyn uytgedolven, en in het Gasthuys gebragt,
doch zijn benaauwde ziel verhuysde binnen een kwartier
uurs uyt het verplettert licghaam, hebbende hy naauwelijks
den ouderdom berijkt van dertig jaaren. Een zeker Poeet
van deux aas, gedoopt Arnold Bon, vereerde, (dus noemde
hy dat geschenk,) zijn gebeente met een Treurdicht, dat
waarlijk niet bon maar tres mechant, en zo zot als
lang is, zo dat wy ons wel zullen wachten van dat uyt te
schryven.
JAN
|
|
-ocr page 197-
| |
| JAN VAN BUNNIK
| | Is geboren tot Uytrecht, op het jaar duyzent seshondert
vierenvijftig. Zijne Ouders bestelden hem by den
beruchten Landschapschilder Herman Zaftleeven, onder
wiens opzigt hy zo merkelijk vorderde, dat hy binnen de
drie jaaren zijn eygen Meester dorst worden, welk voorneemen
hy niet alleenlijk werkstellig maakte, maar ook
loffelijk volvoerde. Gelijk als de jonge Oojevaars in den
beginne boven hun geboortenest klapperwieken, en daar
na een korte vlugt onderneemen, eer dat zy zich ver van
honk durven begeeven, zo gedroeg zich ook onzen Jan
van Bunnik, die eerst zijn vermoogen in de konst beproefde
onder zijn Ouders huysdak, en toen een korte reys
ondernam na het Land van Kleef, die wel gelukte. Te
Rees schilderde hy eenige tijd voor den franschen Overste
Salis, en vertrok van daar na Frankfoort aan de Main,
in welke Stad hy zich een tijd lang ophielt by zijn Konstgenoot
Merian. Uyt Frankfoort trok hy na Heydelberg
en van daar na Spier, daar hy verscheyde konstige Landschappen
schilderde voor Karel Lodewijk, Keurvorst
van de Palts, en voor eenige andere voornaame Standspersoonen.
Hy verliet dat Hof en reysde over de Alphen
en het Milanees op Genua, in welke hoofdstad hy kennis
maakte by den Wildenzwynenjachten schilder Pieter
Moulyn, gebendnaamt Tempeest, die hem gebruykte tot
het schilderen van verscheyde Landschappen. Uyt dat
gemeenebest vertrok hy na Livorno; daar hy onderscheyde
Konsttafereelen maalde voor den Hollandschen Konsul,
en die gedaan zijnde zette hy zijn reys voort na Romen.
Te Romen wiert hy aanstonds bekent met de
Konstschilders Karel Marat, Abraham Genoels, Ferdinand
Voet, Adriaan Hooning, gebendnaamt den Lossenbruyer-
|
|
-ocr page 198-
| |
| bruyer, waar van Jonker van Merwede, Heer van Klootwijk,
gewaagt in zijne Aretynsche rymen, getijtelt
Roomsche Mintriomfen, en met Kornelis Bloemaart dien
konstigen Plaatsnyder. Doch te Romen kon hy ook niet
al te lang huyshouden, maar zette zijn koers na Napels,
in welke Stad hy veele konstige Landschappen schilderde,
en toen keerde hy weder na Romen. Hy verliet korts
daar aan Romen voor de tweedemaal, en bezogt Boulogne,
Ferrare en Venetien, en van daar trok hy na Modena,
alwaar hy de gelegendheyt kreeg van eenige Konststukken
te schilderen voor Franois den tweede, Hartog
van Modena, welke Vorst zo een achting kreeg voor zijn
konst, dat hy hem aan zijn Hof nam als \'s Vorsten Hofschilder,
op een braaf jaarlijks traktement, behalve de
geschenken. By dien Hartog verbleef hy acht achtereenvolgende
jaaren, in welke tijd hy veele schoone Landschappen
schilderde voor dat Hof, en voor de Vorstelijke
Lusthuyzen.
| | Op die tijd ondernam den Hartog Franois een beedevaart
na Loretto, op welke togt hy dien Vorst verzelde,
als van \'s gelijken na Romen, daar hy zich toen liet inhulden
in de Roomsche schilderbend, die hem vereerde
met den bendnaam van de Keteltrom. Maar zo dra was
hy niet wedergekeert te Modena, of het hart begon te
jeuken na het Vaderlant, derhalve verzogt en verkreeg
hy zijn ontslaging van den Hertog, die hem een Paspoort
bezorgde om langs Vrankrijk ongemoeit weder te keeren na
de Nederlanden. Doch hy hielt zich noch eenige tijd op
te Turin, ter liefde van den Konstschilder Ferdinand Voet,
waar na zy te zamen reysden op Lyons, in welke Stad
zy een trits van drie braave Schilders vonden, Gillis Weenix,
vander Kabel, en P. van Blommen. De Schilders
Kronijk zegt, dat zy dronken en klonken als zo veele
Peer-
|
|
-ocr page 199-
| |
| Peerpotsheeren, die den Bacchus feestdag vieren van de
insteller hunner dronke Order Heerke Pot; en na den
Vaarwel teug zette van Bunnik zijn reys voort,
vergezelschap met Ferdinand Voet, welke laatste halte
hield in zijn geboortestad Antwerpen. Die F. Voet was een
groot Historie- Konterfijtsel- en Landschapschilder, waar
van de proeven de som goedmaaken. Daar wort verhaalt
dat hy te Romen in een Herberg waar in de Schilders altoos
by malkander komen, op de muur van hun Kollegiekamer
een geheel Bendfeest van Schilders heeft get-
kent met houtskool, zijnde ieder beeld in \'t byzonder
kenbaar aan zijn weezen: daar by zijn die beelden zo fix
getekent, en zo konstiglijk geschikt, dat het de Aanschouwers
doet verstommen. Ook betuygt het Bendgenootschap
hun achting voor die Tekening, als die dat van de
gewitte wand altoos uytzondert als de Kamer jaarlijks
wort schoongemaakt, om zo lang als het eenigszins doenlijk
is met dat Konstjuweel te pronken.
| | Nu valt\'er niet meer te zeggen van den Konstschilder
Jan van Bunnik, als dat hy na zijn overkomst verscheyde
stukken heeft geschildert op het Loo voor den Koning
van Groot-Brittanje, Willem den derde, als van\'s gelijken
op het huys te Zeyst voor den Heer van Odijk,
en op Voorst voor den Graaf van Albemarle. Het is te
bejammeren dat die groote Konstenaar in een groote armoede
is overleeden, in het jaar duyzent zevenhondert
zevenentwintig, zijnde hy in zijne hooge jaaren berooft
en geplondert geworden door zijne Jongens, die met hem
omsprongen gelijk als wel eer de Barberijnen leefden met
de schatten van Romen.
JAN
|
|
-ocr page 200-
| |
JAN FRANOIS DOUVEN.
| | Het gering, kleyn en ongeacht Steedje Roermont, gelegen
in het Hartogdom Gelder, beroemt zich over
de geboorte van dien Konstschilder, die aldaar het eerste
licht zag op den tweede van de Lentemaand, in het jaar
duyzent seshonder sesenvijftig. Zijn Vader was Rentmeester
van het Kathedraal Kapittel tot Roermont, die
in zijn jeugd had gereyst, en zich een geruyme tijd te
Romen opgehouden, waar door hy een liefde had opgevat
voor de Schilderkonst, die zijn zoon daar toe aanspoorde,
doch het geluk niet had van die vrucht te zien rijpen,
dewijl hy kwam te sterven oud zynde drieendertig jaaren.
|
|
-ocr page 201-
| |
| ren. Zijn Moeder bestelde hem achtervolgens den laatsten
wil van haaren Man by den Konstschilder Gabriel
Lambartin tot Luyk, die verscheyde jaaren had gewoont
te Romen, en konstrijk in zijn Vaderlant was wedergekomen.
Na zich eenige tijd aldaar te hebben opgehouden
in vlytiglijk te leeren tkenen en schilderen, keerde
hy te rug na zijn geboorteplaats om zich by zich zelve
verder te oeffenen.
| | Op die tijd resideerde te Roermont Don Jan Dellano
Velasco, Raad en Intendant der Finantien wegens Karel
den tweede Koning van Spanje, die een groot Liefhebber
was van de Schilderkonst, en geen minder Konstkabinet
bezat als zijn Koning. Tot dien Heer kreeg den jongen
Konstschilder toegang, voor wien hy drie achtereenvolgende
jaaren de schoonste Konst der alderberuchtste Italiaansche
Meesters kopieerde, waar door hy zo bekent
wiert dat Vorst Jan Willem, Hartog van Neurenborg,
Gulik, Berg, &c. hem opontbood om aan zijn Hof tot
Dusseldorp te komen. Aldaar konterfijte hy aanstonds
dien konstlievende Keurvorst, benevens verscheyde andere
doorluchte Persoonaagien en voornaame Hovelingen,
welke Konterfijtsels dien Vorst zo wel bevielen, dat hy
hem die pas achtentwintig jaaren had bereykt aanstelde
tot zijn Hofschilder.
| | Korts daar aan trok dien Hartog na Weenen, op welke
reys den Konstschilder Douven hem vergezelschapte,
die daar door de gelegendheyt kreeg om den Keyzer Leopold,
de Keyzerinne Eleonora, en verscheyde Grooten
te konterfijten, voor welke kontersijtsels hy niet alleen
rykelyk wiert beloont, maar noch daarenboven by den
Keyzer vereert met een schoone goude keten en medaille.
| | Onderwijl dat hy nu zijn konst voortzette tot Dusseldorp
|
|
-ocr page 202-
| |
| dorp voor den Hartog tegens zijn wederkomst van Weenen,
stierf Karel, Keurvorst van de Palts, zonder erven, waar
door den Vorst Flip Willem Keurvorst wiert, en zyn
Hof van Neuborg verplaatste tot Heydelberg, ontrent
die zelve tijd dat Maria Sophia van Neuborg trouwde
met de Koning van Portugaal, waar door den Konterfijtselschilder
Jan Franois Douven de reys moest aanneemen
na dat Koningrijk, om dat Koninglijk paar te konterfijten,
van waar hy wederkeerde met een ryk present,
benevens het Koninglyk geschenk van een goude medaille.
Zo dra was hy niet wedergekeert uyt Portugaal, of
den Keyzer Leopold ontbood hem na Weenen, voornemens
om hem te houden voor zyn Hofschilder, maar hy
moest die Hoofdstad schielyk verlaaten, dewyl de derde
Princes Van Neuborg in echt stont te treeden met den Koning
van Spanje, waar door hy schielijk haar konterfytsel
moest maalen om dat over te zenden aan die Majesteyt.
Hy zou na dat hy dat portret had opgeschildert
in geen gebreken zyn gebleeven van weder te keeren na
Weenen, doch alzo die luchtstreek nadeelig was aan zijn
gezondheyt, verkoos hy liever tot Dusseldorp te verblyven
by Jan Willem, Keurprins van de Palts, en zyn weldoender.
| | Eenige tyd daar na verloor den Keurprins door het algemeen
sterflot zyne vorstelyke Gemalinne Maria Anna, en
ter zelve tyd zynen doorluchtigen Vader Filip Wilhelm,
waar door den groote Meceen van Douven Keurvorst van
de Palts wiert, en korts daar na hertrouwde met Maria
Anna Lucia, de Dochter van den Groot Hartog van
Toskanen. Zo dra was dat Huwelyk niet voltrokken of
den Konstschilder vertrok op \'s Keyzers order na Koppenhapen,
om de Koninglyke Princes Charlotte, de gedestineerde
Bruyd voor den Roomsch Koning Josef, te
kon-
|
|
-ocr page 203-
| |
| konterfyten. Hy portretteerde by die gelegendheyt den
Koning en de Koninginne van Denemarkken, welke Majesteyten
hem met een Koninglyke Goudbeurs en een zwaare
goude medaille beschonken. Doch dat voorgenomen
huuwelyk wiert nooit om zekere gewigten der staatkunde
voltrokken, zulks den Heer Douven op de order des
Keyzers in het hartje van de winter trok na Modena, om het
Konterfijtsel van Amelia, Princesse van Hanover, te schilderen.
Doch de ongemakken van die wintertogt wierden
verzagt door het vermaak van zo veele heerlijke Italiaansche
konsttafereelen, onder dewelke\'er waaren van den
weergalozen Corregio te beschouwen, wiens Konststukken
al ommers zo raar zyn als witte Ravens. Hy portretteerde
die Princes op twee byzondere wyzen, leevensgroote en
ook in \'t kleyn tot de voeten toe uyt, welke Konterfytsels
wierden overgeschikt na Weenen, waar op korts daar
aan die Princesse tot Roomsch Koninginne wiert verklaart,
en de Trouw met den Roomsch Koning Josef
voltrokken.
| | Eenige tyd daar na moest zich onzen Konstschilder na
Florence de Hoofdstad van Toskanen begeeven, uyt order
van de Keurvorstin van de Palts, om den Groot
Hartog haaren Vader te Konterfyten. Aldaar kon hy
zyne oogen laaten weyden over de Konsttafereelen der alderberuchtste
Italiaansche, Fransche en Nederlandsche
Schilders, over de Antyken der befaamste aloude Beeldhouwers,
en over die onvergelykelyke Saal, van over de drie
hondert jaaren verrykt met de Konterfytsels der alderberoemste
Konstschilders, waar onder zich ook het konterfytsel
laat zien van Raphael d\'Urbino, den Prins aller
Konstmaalers, gekonterfyt door zyn eyge konstryke hand,
benevens duyzende andere zeldzaamheden. Die Vorst
behandelde den Konstschilder met een byzondere achting,
en
|
|
-ocr page 204-
| |
| en hy beschonk hem met een heerlyke goude keten en medaille,
na hem alvorens zyn konterfytsel te hebben verzogt
om by de portretten der andere Konstschilders te
plaatzen.
| | Weynige jaaren daar na portretteerde hy den tegenwoordigen
Keyzer, Karel van Oostenryk, die zyn reys
nam over Dusseldorp om bezitting te neemen van het Koningryk
van Spanje; en naderhant konterfyte hy de Princesse
Elizabeth, de Dochter van den Hartog van Bronswyk,
dewelke op het jaar duyzent zevenhondert en negen
op den Keyzerlyken troon wiert verheeven. Zo dat Jan
Franois Douven de eer heeft genooten van drie Keyzers,
zo veele Keyzerinnen, vyf Koningen, zeven Koninginnen,
en een zeer groot getal van Souvereyne Vorsten en
Vorstinnen te konterfyten na het leeven, waar door hy
zyn roem zag opwaards klimmen, en zyne schatten
vermeerderen.
| | Die Konterfyter moet men zeggen had ook een Vorst
zonder wedergaa tot zyn Meceen, want die Keurvorst
spaarde geene kosten om de beruchtste Konsttenaars aan zyn
Hof te lokken, die\'er te bekomen waaren in de geheele
Kristen weerelt, zynde Dusseldorp by zyn leeven een
kleyn Romen. Hy had in zyn dienst de beroemde Konstschilders
Antonio Pelgrini, en Dominico Zanetti,
twee Historieschilders in leevensgroote beelden, benevens
Adriaan vander Werf, Jan Weeninx, Anthony Schoonejans,
Eglon vander Neer, Rachel Ruys, Gerard de Lairesse,
Pieter Boy, behalve noch drie Frescoschilders, en daar
onder Antonio Bernardi van Bologne, die de eer heeft gehad
van vier Keurvorsten van de Palts te bedienen. Onder
de konstryke Beeldhouwers marcheerde in het front
den Chevalier Grupello, onder wiens opzigt alle de andere
Beeldhouwers in marmer, in steen, en in andere
stoffen
|
|
-ocr page 205-
| |
| stoffen kapten en bytelden: ook is dien Grupello den
boerseerder van dat model waar op het pronkbeelt des Keurvorsts
te paard gezeten, en meer dan leevensgroote is gegooten;
een heerlyk stuk dat geplaatst is op de groote markt van
Dusseldorp. Hier by kwamen noch twee Konstenaars die
in kleyne ivoore beelden Overvliegers waaren, Antonio
Leonino en Ignatius van Eulhoffer, een Duytscher die
zich lange jaaren had onthouden te Romen. Daarenboven
was\'er noch een Italiaan aan \'t Hof die zo afgericht was
op het gieten van Pleysterbeelden, als ooit den beruchte
Konstkooper Bart afgericht is geweest in de vermeenigvuldiging
van Kopeyen, alle welke Konstenaars een Vorstelyk
traktement genooten, uytgezondert de daar by komende
geschenken.
| | Het staat ons doch twyffelachtig voor gehoort te hebben,
dat dien konstige konterfyter dood is, doch hoe en op
wat wyze, en of zulks waar is of onwaar, konnen wy niet
schryven, gevolglyk is het best\'er van af te zien, en ons
te begeeven tot
SIMON GERMYN.
| | Die Schilder is geboren tot Dordrecht, op den zelve dag
dat Willem den derde wiert geboren in \'s Gravenhage,
doch den eerste had het geluk niet van drie kroonen te
verrooveren, maar moest zich eerst behelpen met het maalen,
en naderhant met te vagabondeeren op het konstkoopen.
In den beginne gaf hy zich over aan het onderwys van
den beroemden Godefried Schalken, die hy verzaakte om
bloemen en om vruchten te leeren schilderen by Lodewyk
Smits, die gelijk als wy hebben verhaalt, Bloem en
Fruytstukjes penceelde, dewelke in de dunne lucht verdweenen
gelyk als de beloften der Hovelingen, of als de
Donatien inter vivos van bedriegelyk gryze Manufaktury
zon-
|
|
-ocr page 206-
| |
| zondaaressen. Naderhant verzaakte Simon den Dortenaar
op nieuws het konstpenceel, en begaf zich tot het Konstkoopen
en verkoopen, daar in gelyk aan de Israelieten,
dewelke den waaren God afvielen, om zich te verontreynigen
met uytheemsche afgoden.
WILLEM BEURS
| | Is al mee een Tydgenoot van het jaar duyzent seshondert
sesenvyftig, wiens Papa een Schoenlapper was, en
hem bestelde om het Dievenberoep (een Snyders styl) te
leeren. Maar dien jongen was al te edelmoedig, die verwierp
de stopnaald en verkoos het penceel, zo dat den
gepothuysden Vader hem tegens wil en dank moest overgeeven
aan het opzigt van den Schilder Willem van Drillenburg,
die hem zo ver brogt dat hy aleen aardig Landschap
na \'s Meesters trant kon tkenen. Maar hy wiert
die groene keus haast wars, en begaf zich tot het konterfyten,
en zou het zo ver als iemant hebben gebragt indien
hy de zonde zyns Vaders niet had gevolgt, van
gantsche dagen en halve nachten te zitten drinken en rooken
in kelderkroegen, en in geneverkitten. Dat kruyers
en sleepers vermaak was de voornaamste oorzaak dat hy
het niet langer kon houden tot Amsterdam, daar hy getrouwt
was en gezten, maar een sprong moest doen na
Grol, alwaar hy bloempjes schilderde en de jeugd liep
onderwyzen in de schilderkunde. Doch hy bepaalde
zyne uytgestrekte heerszucht niet in die twee bezighden,
hy slachte een ander Dortsengels schilder, hy moest boeken
schryven die alommers zo grolachtig van inhoud
waren als zyn schuylplaats de Stad Grol. Hy pende dan
een boekje getytelt, de Weerelt in \'t kleyn, waar van
wy den Leezer een uyttreksel zullen geeven, mids dat
wy onze styl zullen gebruyken.
Maar
|
|
-ocr page 207-
| |
| Maar wy zullen ons spoeden, (schryft hy) om wat meer
te zeggen van de gezonde Knollen, die wanneer ze droog en
zoet zyn gelyk als de Nymeegsgsche Knollen, wel een Geneesheer
konnen bespaaren, wiens medecynen meestentyds niet proefhoudent
worden bevonden. Die Knollen worden gehoogt met
wit, geelen oker en zwart, maar dat licht moet vermindert
worden in de schaduwen, &c. Zo\'er nu iemant mogt
verlgen vallen, wat hy somtyds zal ordonneeren voor de
keuken, die zou niet kwalyk doen indien hy een tafereel liet
schilderen door een konstig Meester, op welk stuk hy alle de
vrugten en moeskruyden die ieder saisoen uytlevert moest
konterfyten, als wanneer hy maar dat Register kon nazien
wanneer zyn smaak heem noopte om eenige boomvrugten,
moeskruyden, of andere gewassen te nuttigen.
| | Hoe gevalje die stelling, Leezer? Wy gelooven indien
de weerelt tot dat besluyt, dat ieder persoon voor zyn
hoofd zo een keukenstuk behoorde te laaten schilderen,
kon gebragt worden, het gros der Schilders Warmoeziers
zou worden, en Hoven en Tuynen aanleggen om
die peul- boom- en aardvrugten na het leevem te konterfyten.
N. KLOOSTERMAN
| | Is geboren in Hanover, op het jaar duyzent seshondert
sesenvyftig, maar hy heeft meestentyds gewoont in Londen,
daar hy ook is gestorven. Hy was een braaf Konterfytselschilder,
die niet ver behoefde te wyken voor
eenige zyner Konstgenooten, ook zyn zyne konterfytsels
altoos wel gewilt geworden by den Adel en by de Koopluyden.
Dat hy geen gemeen Schilder is geweest blykt,
dewyl hy in het jaar duyzent seshondert sesennegentig
opontbooden wiert na Madrid, om den Koning van Spanje,
de Koningin, en eenige Grandes te konterfyten, in
welke
|
|
-ocr page 208-
| |
| welke Konterfytsels hy zich zo loffelyk kweet, dat hy
met een braaf tal vierdubbelde Spaansche pistoolen, benevens
verscheyde aanzienlyke geschenken wederkeerde na
Londen. By onze tyd dat wy in Londen woonden had
hy de eer van de Koninginne Anna te konterfyten, leevensgroote
tot de voeten toe uyt, welk Koninglyk portret
wiert opgehangen in Guildhal, benevens de Konterfytsels
van den Koning Wilhelm den derde, en de Koningin
Maria zyne Gemalinne. Die Koninginne Anna had hy
staande verbeelt, met den scepter in de eene en met den
weereltkloot in de andere hand, zo rykelyk opgeschikt,
dat de kykers zich inbeelden de goude lakensche en andere
kostelyke zyde stoffen te hooren kraaken. Doch in
het bloempje van zyn gelukzaligheyt kreeg hy een ramp
die zo ongemeen is dat wy die den Leezer tot een spiegel
zullen mededeelen.
| | Die Kloosterman was van een verliefde gesteltenis, om
nu niet genootzaakt te zyn van gestadiglyk in der Hoeren
Wynhuyzen van Drurylane en van Konventgarden te
moeten loopen, en zyn gezondheyt te waagen aan die
voor alle man gereed staande of leggende vloernymfen,
deed hy voor zyn winterprovisie een alderliefte mooi
venusdiertje op, die by dag voor Gouvernante, en by nacht
voor Bedbewaarster zou speelen in zyne huyshouding.
Dat doortrapt Poesje wist hem zodanig in te neemen door
een nagebootste tedere liefde, dat hy alles toevertrouwde
aan die Delila, dewelke op een zekere tyd dat hy voor een
dag a ses zich was gaan verlustigen buyten Londen, Kisten
en Kabinetten liet openslaan en opensteeken, alle
zyne goude en zilvere munten, bankbrieven, juweelen,
en andere kostelykheden zakte en pakte, en stil ging
doorstryken, zonder dat hy haar ooit heeft konnen achterhaalen.
Dat ongeluk sloeg hem zodanig om \'t hart
dat
|
|
-ocr page 209-
| |
dat hy\'er zinneloos door wiert, en in die bedroefde omstandigheden
is gestorven.
JAN GRIFFIER
| | Kwam voor \'t licht springen in Amsterdam, op het
jaar duyzent seshondert sesenvyftig. Zyn vader bestelde
hem op een Timmermans winkel, maar gelyk als
Tuynmans spreekwoordenschat wel zegt; alle hout is niet
bekwaam tot timmerhout, en dat bleek in het gedrag van
den jonge Griffier, die in stee van met de schaaf te
rollen, de muuren bekrabbelde met Exters en Bontekraayen, en
liever een stuk houtskool als den bytel behandelde. Den
Tim-
|
|
-ocr page 210-
| |
| Timmerman zond hem dan den vader t\'huys, die hem
op een ander ambacht bestelde, maar dat wilde zo min
lukken als het eerste, zo dat men hem op nieuws ter
school liet gaan om inmiddels te beraamen wat men met
dien stouten knaap zou aanvangen. Doch hy speelde onder
\'s hands het boefje van meet af aan, want in plaats
van na de school te gaan, ging hy met een Tegelbakkers
jongen na zijn winkel om hem te helpen schilderen, en
kwam stemmigjes op de gezette uur t\'huys eeten, en dat
spel dreef hy zo lang tot dat de baken uytkwamen, waar
door den Vader klaarlyk ziende dat\'er geen zalf aan te
stryken was, hem bestelde op het Tegelschilderen. Hy
gedroeg zich zo wel in dat nieuw beroep dat hy in \'t
kort beter schilderde als alle de andere gezellen, waar op
den Meester van die Tegelbakkery den ouden Griffier beloofde,
die hem kwam waarschouwen dat hy zijnen jongen
zou t\'huys haalen, van die jongen Schilder, zo hy hem
noch maar een jaar wilde laaten blyven, tot opzichter over
de tegelbakkery te stellen, en goed loon te zullen geeven.
Doch den Vader of den Zoon hadden geene ooren voor
die voorstelling, Jan Griffiers heerszucht kon zich niet
laaten bepaalen in dien engen omtrek van tegelschilder,
maar hy vervoegde zich by een Bloemschilder by wien
hy \'t niet lang maakte, dewyl die Florist meer gezet was
op dronken drinken, als op naarstiglyk te schilderen. Hy
verkoos dan den Konstschilder Roelant Rogman tot zyn
Onderwyzer in de Schilderkonst, en hy maakte zich zo
bemint door zyn naarstigheyt en goed gedrag, dat de
Konstschilders Lingelbag, Adriaan vanden Velde, Ruysdaal,
en Rembrant van Ryn hem den vryen toegang
verleenden op hunne schildervertrekken. Zeer gaarn had hy
willen leeren by den beroemden Rembrant van Ryn, maar
die zette hem af met te zeggen; Dat Roelant Rogman
hem
|
|
-ocr page 211-
| |
| hem al te goeden vriend was om hem zyne Leerlingen te
onttrekken. Hy begreep al vroeg dat een Landschap helder
van koleur behoorde te zyn, en wist de manier van
Lingelbag en van A. vanden Velde zo konstiglyk na
te bootsen, dat zyn Meester Rogman, die wat geroost
schilderde, dikmaals gewoon was tegens hem te zeggen; Ik kan
wel zien, Jantje Griffier, wie dat ghy onlangs hebt weezen
bezoeken.
| | Toen den Konstschilder Jan Griffier zich nu sterk genoeg
gevoelde om op zyne wieken te gaan dryven, stak
hy over van Rotterdam op Londen, trouwde aldaar, en
won veel geld met het schilderen van Italiaansche ruynen;
en naderhant met het maalen van Ryngezigten,
gestoffeert met wel getkende en gekoloreerde beelden,
benevens allerley soort van vaartuygen. Dewyl hy nu een
groot Liefhebber was van vaaren, kogt hy een Jacht
voor een somme van drie duyzent gulden, trok daar in
met der woon, benevens zyn huysgezin, en voer daar in
na die plaatsen daar hy eenige schilderachtige voorwerpen
kon ontmoeten, als na Greenwich, Gravezend, Winsor,
en zo voorts, alle welke gezigten hy konstiglyk tekende en
schilderde. Ondertusschen verzamelde hy veele Konststukke
van uytheemsche en ook van inlandsche Meesters, behalve
geen kleyn gedeelte van zyn konst, en na een schoon kapitaal
gewonnen te hebben, besloot hy van met zyn Jacht
over te steeken na het Vaderlant. Hy huurde ten dien eynde
een bedreeven Stuurman en eenige Matroozen, en na
zich op zyn Engelsch te hebbeg gevictualieert, stak hy
in zee, doch niet ter goeder uure, want zy wierden beloopen
van een zwaare storm, zo dat zy mast en stengen
verlooren, en voor \'t Vlie op een zandplaat schipbraak
lden, en te naauwer noot door de hulp der Schippers
hun leeven bergden. Door dat ongeluk verloor den rampspoe-
|
|
-ocr page 212-
| |
| spoedigen Konstschilder alles wat hy bezat, uytgezondert
dat zyn Dochter eenig geld in een leere riem had geborgen
om haar licghaam, dat hem wel te stade kwam om
zich in dat deerlyk ongeluk daar van te bedienen.
| | Hy belande tot Rotterdam en zet te zich aldaar neer,
daar hy bekent wiert met eenen van Dulken, die hem een
halfsleet Jacht verkogt, te betaalen in gekonditioneerde
paayen, welk vaartuyg hy voor zyn huysgezin en om
in te konnen schilderen liet klaar maaken, met welk Jacht
hy van Stad tot Stad, en van Dorp tot Dorp voer, gelyk
als hy daar mee een geruyme tyd op de Heeren, Keyzers,
en Leydsche Graften van Amsterdam heeft gelegen.
Tusschen beyde voer hy ook wel eens na Hoorn, Alkmaar,
en Enkhuyzen, ook eenmaal na Dordrecht dat hem
haast zuur had opgebrooken, dewyl hy de ondieptens
daar omstreeks niet kennende, verzeylde op een zandplaat,
waar op hy ontrent de acht dagen bleef zitten,
toen\'er een hooge vloed kwam die de kiel vlot maakte,
welke gelegendheyt hy niet verzuymde om zich te redden.
Na eenige jaaren aldus herom te hebben gezworven
in zyn vlottent waterpaard, besloot hy van daar mee
over te steeken naar Engelant, doch hy scheepte zyn
vrouw en kinders in op een ander vaartuyg, gedachtig
aan zyn voorgaande schipbraak, zeggende; Dat indien
hem een tweede ongeluk van die natuur overkwam, hy dan
maar alleenlyk voor zich zelfs zou ongelukkig weezen. Die
roekelooze togt gelukte beter als eenig mensch zich kon
verbeelden, hy belande gelukkiglyk tot Londen, in welke
Hoofdstad hy zich tot aan zyn dood toe heeft onthouden.
| | Voor de rest was dien Jan Griffier een groot Konstenaar,
en het heugt ons, (zegt den Schryver van deeze
boekdeelen) dat ik hem eenmaal ging bezoeken buyten
Londen
|
|
-ocr page 213-
| |
| Londen op Milbank daar hy op die tyd woonde, en eenige
stukken schilderde voor den Hartog van Beaufort,
aan wiens Hof ik toen woonde als Hofschilder. Ik was
ten uyterste verwondert te zien dat dien oude Konstschilder
zo konstiglyk en meesterlyk de manier van onderscheyde
beruchte Meesters wist na te bootsen, als van
Rembrant van Ryn, Melchior Hondekoeter, Ruysdaal,
Poelenburg, Teniers, en van meer andere Konstschilders,
waar aan zich veele Liefhebbers hebben vergaapt, die
steunende op hun kennis, Griffiers stukken kogten voor
echte konststukken van die voornoemde Meesters.
| | Hy liet een zoon na gedoopt Robert Griffier, geboren
in Engelant, op het jaar duyzent seshondert achtentachtig,
een braaf Schilder die het konstspoor van den Vader
opvolgt met onvermoeide schreeden. Die zoon was niet
by hem toen hy schipbraak leed voor het Vlie, maar hy
woonde in Yrlant, van waar hy naderhant overstak na
Holland, en zich een tyd lang tot Amsterdam heeft opgehouden,
daar hy de Schilderkonst met roem oeffende,
en zich berucht maakte door het schilderen van Ryngezigten,
op de wyze van zyn Vader Jan Griffier, en van
Herman Zaftleeven. t\'Zedert eenige jaaren is hy
opgebrooken na Londen, in welke Stad hy waarschynlyk zo
wel zyn fortuyn zal maaken als in Hollant, want de Engelsche
zyn groote Konstbeminnaars, die vry gereeder
zyn om van hunne Guinees te scheyden, als veele van
onze Nederlandsche Liefhebbers van hunne Sesd\'halven.
N. HUYSMAN
| | Is een Brabandsche Signoor, geboren in den jaare duyzent
seshondert sesenvyftig, bekent by den naam van den
Mecghelschen Huysman. Hy is, indien hy noch leeft,
en hy was, zo hy is gestorven, een wakker Landschapschilder
|
|
-ocr page 214-
| |
| schilder, die een ongemeene krachtige en op den Italiaanschen
trant zweemende manier heeft, en een konstig
waarneemer is van de lichten en schaduwen, welke Landschappen
hy zelfs stoffeerde met aardige beelden en dieren.
Maar daar is een groot jammer in die konst hier in bestaande,
dat zyne Landschappen gelyk zyn aan een nest
met Koolmeezen, zie je\'er een, ziet\'er hondert, het is
al het zelfde, een bewys dat hy zo ryk van geest niet is
geweest als Salvador Rosa, of als den Roomschen Dierenschilder
Roos, welke Overvliegers de uytgestrektheyt van
hun groote geest deeden zien, door de meenigvuldige
veranderingen hunner konsttafereelen.
WILLEM WISSING.
| | Die beruchte Konterfyter vereerde \'s Gravenhage met
zyn geboorte, in den jaare duyzent seshondert sesenvyftig.
Zyn eerste Leermeester was den Konstschilder Willem
Doudyns, die hem eerst de Tekenkonst en naderhant
de handeling der verwen leerde, waar na hy overstak op
Londen, om het konterfyten te leeren by den beruchten
Ridder Pieter Lely, welk besluyt gelukkiglyk en na
wensch uytviel in alle deelen Hy wiert Hofschilder
van Jakob den tweede, Koning van Groot-Brittanje, die
drie Koningryken ter liefde van een Wyf, en van de Eerwaarde
Paters Jesuieten, vermalde, een bedroeft voorbeelt
dat niet als van dwaaze Vorsten staat nageaapt te worden.
Die Jakob den tweede vaardigde hem ook af na \'s Gravenhage,
toen zyn Dochter Maria Stuart getrouwt was
aan Willem den derde, Prins van Oranje, welk doorluchtig
paar hy konterfyte, en na Londen overvoerde voor
den Koning haar Vader. Hy wiert geacht den beste
Portretschilder van zyn eeuw te zyn, doch dat geluk
was zyn ongeluk, dewyl zyn konst en zyn fortuyn zo
vreeslyk
|
|
-ocr page 215-
| |
| vreeslyk schitterden in de nydige hondsblikken van eenige
Konterfyters, die hem voor zijn tijd door vergif wegmaakten
na de Eliseesche velden, volgens de getuygenis
der Engelschen.
| | Hy is gestorven buyten Londen op het Lusthuys van
den Graaf van Essex, op den tiende van den Sprokkelmaand,
in het jaar duyzent seshondert zevenentachentig,
pas bereykt hebbende den ouderdom van veertig jaaren,
uyt welken hoofde\'er onder het konterfytsel van dien
grooten Konstschilder Willem Wissing, geschraapt in
zwarte konst by Jan Smit, de volgende zinspreuk is gestelt.
Ongemeene Konstenaars zyn kort van leeven.
DIRK MAAS
| | Is geboren tot Haarlem op den elfde van de Herfstmaand,
des jaars duyzent seshondert sesenvyftig. Zyn
eerste Leermeester in de Schilderkonst was Hendrik Mommers
die gemeenlyk Italaainsche groenmarkten schilderde;
doch naderhant geraakte hy by Niklaas Berghem, wiens
Landschappen hem beter bevielen als alle de Italiaansche
Groenkrameryen van zijn voorgaande Meesters. Eyndelijk
wiert hy bekent met den grooten Konstschilder J.
van Hugtenburg, onder wiens opzigt hy een braaf Schilder
is geworden van Batailles en van Paarden
GUILLIAM DE HEUS
| | Komt nu op het toneel met zijn neef Jakob de Heus,
beyden twee braave Schilders, waar van den laatste de
manier van zijn Oom zo natuurlijk wist na te bootsen,
dat de Schilderbend, die naauwkeuriglijk de persoonagien
bestudeert, hem vereerde met den naam van Afdruk.
Guilliam
|
|
-ocr page 216-
| |
Guilliam de Heus was een Leerling van den vermaarde
Jan Both, en volgde de schilderwijze van zijn Meester
zonder zich daar van een stroobreedte te verwijderen.
Hy heeft veele jaaren in ltalien en voornaamelijk te Romen
gewoont, en naderhant kwam hy afzakken na
Uytrecht zijn geboorte plaats, in welke Stad hy ook in
een hoogen ouderdom is overleeden.
JAKOB DE HEUS
| | Is geboren tot Uytrecht, in den jaare duyzent seshondert
zevenenvijftig, en zijn Oom spoorde hem genoegzaam
van de wieg af aan om te leeren tekenen, en
naderhant onderwees hy hem in het schilderen, waar in
Jakob zodanig vorderde en zulke ongemeene sprongen
deed, dat hy den ouden ver voor uyt draafde. Toen hy
zich sterk genoeg gevoelde om op zijn konst te reyzen
begaf hy zich na Romen, in welke Stad en in andere
Steden van Italien hy zich wakker bevlytigde in het kopieeren
der beruchtste Italiaansche Landschapschilders,
en voornaamelijk in zijn handeling te schoeien op de leest
van den Prins der Landschapschilders, den groote Salvador
Rosa. Daarenboven schilderde hy konstiglijk Paarden,
|
|
-ocr page 217-
| |
| den, Koeien, en andere Dieren, want hy had de Tkenkonst
zo fix als iemant van zijn konstgenooten, aangezien
hy onderscheyde jaaren op de Akademie der Schilderkonst
had getkent na het leeven.
| | Die Jakob de Heus was een welgemaakt Jongman, niet
misgedeelt in geest, wel bespraakt, geestrijk in zijne
andwoorden, vrolijk van aart, en wel gezien by \'t gezelschap.
Het lust ons den Leezer een staaltje van een aardig
andwoort, tot een proef op de som mede te deelen.
Hy woonde te Venetien by den Heer Lucatello, Geheymschrijver
van dat Gemeene Best, in wiens koets hy dien
Heer eenmaal vergezelschapte na zijn buytenplaats, als
wanneer het eene koetspaard zijn hoefyzer verloor, dewijl
de weg overal was bezaait met keysteenen, waar door
het begon te hinken. De Koetsier hield daar op het reytuyg
stil, en waarschouwde zijn Heer, die daar op uyt de
koets sprong, het paard by de poot greep en eenige geheym
beduydende woorden daar over binnes monds mompelde,
waar op den Schilder hartiglijk begon te lacghen.
Den Heer Lucatello keerde zich daar op na den Konstenaar,
en vroeg eenigzins verstoort; Hoe, de Heus, lacghje
daar om, of geloofje niet dat\'er zekere woorden zyn die een
byzondere kracht hebben om menschen en om dieren staansvoets
te geneezen? Vriend dat zou wat beginnen te ruyken na
de H. Inquisitie. Den vrolijke Konstenaar lacghte dat hy
schudde over die ernstige vraag des Geheymschrijvers,
en andwoorde aardiglijk. Indien de woorden het vermoogen
hebben van een hinkent paard rap te maaken, dan verwonder
ik my grootelyks, myn Heer, dat\'er noch hoefsmeeden
worden gevonden in Italien.
| | Na zich eenige jaaren te hebben onthouden in Italien,
en meenig nachtje te hebben doorgebragt met de Romeynsche
Bendvogels, keerde hy te rug na het Vaderlant
|
|
-ocr page 218-
| |
| lant, en sloeg zich neer tot Uytrecht, daar hy woonde in
het huys van zijn broeder den Postmeester. Maar hy bankte
aldaar niet lang, dewijl den Hoogleeraar Teiller, Professor
in de Wiskonst tot Nijmwegen, hem hoop gaf van
door den Heer Dankelman, eerste Minister des Keurvorsts
van Brandenburg, Hofschilder te zullen worden aan het
Hof van Berlijn. Jakob de Heus liet zich gezeggen, en nam
de reys aan na Berlijn, in \'t gezelschap van dien bovengemelde
Hoogleeraar, maar ter kwaader uur, want dien
aanslag miskraamde, dewijl den Heer Dankelman in ongonst
geraakte by den Keurvorst, en daar op zonk hun
hoop in de biezen. Die mislukte aanslag trof den Professor,
die zich beter verstont op de Wiskunde, als op de
vertroosting der Wijsbegeerte van Boethius, zo hevig,
dat het hem in den bol begon te scheelen, (die kwaal is
niet ongemeen onder de Geleerden) zo dat de Heus niet
langer wist hoe hy \'t met hem zou stellen. Den Schilder
dan pakte zijn spillen by een, en keerde weder naar
Uytrecht, daar hy zich zette tot het schilderen van
schoone konsttafereelen, dewelke voor het meerder gedeelte
wierden verzonden naar Italien. Hy was den naarstigste
niet, doch wonderlijk vaardig en fix in \'t schilderen,
als die gemeenlijk zich na den middag en \'s avonds
ging vermaaken met goed gezelschap, en ook dikmaals
een speelreysje ondernam naar Amsterdam en elders, om
zijne goede vrienden te bezoeken. Doch op zijn laatste
pleyziertogt naar Amsterdam ley de dood onderwege in een
hinderlaag, die hem meesleurde na dat Rijk, van waar men
zegt dat ze nooit op de weerelt konnen wederkeeren.
| | In de Bloeimaand, voor hem een Bloedmaand, des
jaars duyzent zevenhondert en een, verliet de Heus het
Sticht om zich tot Amsterdam te gaan vervrolijken by
zijne vrienden, dat is op goed Nederduyts, om zo veel
en
|
|
-ocr page 219-
| |
en meer te drinken als hy kon verdraagen. Hy dronk
dan vry sterk tot diep in de nacht, doch na bed gaande
begon hy geweldiglijk te braaken, en toen bloed te spuuwen,
in welke benaauwdheyt hy verhuysde na het Rijk
der Schimmen. Een zeker Nederduyts Poet bekranste
zijn graftombe met een festoen van vaarzen, waar van
wy het besluyt alleenlijk zullen aanhaalen.
Gants Uytrecht smelt in rouw, den Rijn gevoelt
het leet,
Hy deynst en schelt het lot voor koppig, nors en
wreet.
Wie, roept hy, zal Voortaan mijn\' weelige akkers maalen,
Nu ik mijn Konstenaar zo vroeg zie grafwaards daalen?
Daar zwijmt dat Konstjuweel, daar vlugt die groote
Geest:
Mijn zon is uytgedooft, de Heus is, laes, geweest.
FILIP TIDEMAN
| | Was een Hamburger, die aldaar ter weerelt kwam op
den tweeentwintigste van de Wintermaand, op het
jaar duyzent seshondert zevenenvijftig, afkomstig uyt
braave en eerlijke Ouders, wier voetstappen hy altoos
heeft achtervolgt met onvermoeide schreeden. Zy lieten
hem de Latynsche taal leeren, voornemens om hem op te
trekken in de studien, maar den jongen Tideman gaf in \'t
kort blijken dat hy tot een Konstschilder in de wieg was
gelegt, het welk den Vader ziende, zo bestelde hem die
by den maaler Dirk Raes, onder wiens opzigt hy zodanig
toenam in de Schilderkonst, dat hy niet langer een
leybant noodig had, maar zonder onderwijs ging schilderen,
en Leerlingen onderwijzen. Na een paar jaaren
zijn eygen Heer en Voogd te hebben geweest, begaf hy
zich
|
|
-ocr page 220-
| |
| zich naar Amsterdam, onder de leertucht van den beruchten
Gerard de Lairesse, voor een halfjaar, ging
toen op zich zelve woonen, en kreeg aan stonds zo veel en
meer te doen als hy kon bereeden. Den Konstschilder
de Lairesse die zich overkropt zag met aanbestelde konst,
en die het penceel van Tideman hooglijk achte, wist hem
op nieuws by zich te lokken, en gaf hem een kamer in
zijn huys, benevens een jaarlijksche som gelds, waarvoor
hy hem behulpzaam was in het schilderen van zolderstukken,
kamers, graauwe beelden in nissen, en alzulke
konststukken; maar dat mooi weder duurde geen
eeuw, Gerard de Lairesse was al een moeielijk man op de
behandeling, waar door F. Tideman zijne afscheyt van
hem nam, en hem alleen liet schilderen. Toen kogt die
Konschilder zijn Borgerschap tot Amsterdam, en zette
zich aldaar ter neer, waar op de bestelde konststukken
en andere groote werken hem toeschooten van alle kanten.
| | Onder de voornaamste Konstwerken van dien Schilder
worden getelt, de beschilderde Orgeldeuren in de Luthersche
ouwe Kerk tot Amsterdam. Eene Achtersaal in het
huys van den Heere Johan van Droogenhorst. By den
Heer Borgermeester Verschuur tot Hoorn drie zolderstukken,
benevens de schoorsteenstukken, waar van het
eerste de Godes Venus verbeelt, die zich by Jupyn beklaagt
over het ongelijk dat Juno aan haar zoon Eneas
doet. De vier hoeken van dat zolderstuk zijn verciert
met Historiesche beelden, waar op in den eersten hoek
den Godvruchtigen Eneas staat verbeelt, die zijnen stokouden
Vader Anchises op zijn schouders red uyt de brand
van Trooyen, en daar nevens de zinnebeelden, van de
Godvruchtigheyt en de Dapperheyt.
| | In den tweeden hoek ziet men de Godin Juno daar zy by
Eool
|
|
-ocr page 221-
| |
| Eool den God der winden komt, met een verzoek van
de stormen uyt te laaten, en de Trojaansche vloot te verdelgen,
en daar by de Geveynstheyt en de Eenzydigheyt.
| | Den derden hoek vertoont Eool daar hy de winden loslaat,
dewelke vreeslijk stormen op de Trojaansche vloot,
en daar nevens de wreedheyt en de gramschap.
| | Op den vierden hoek ziet men Turnus die de Trojaansche
vloot in brand steekt, en hoe de schepen door
de Moeder der Goden Cybele herstelt worden in zeenymfen,
benevens de zinnebeeelden van Gevaar en van
Hulp.
| | Den vroome Tideman had eens een kluchtig geval toen
hy het Tuynhuys van den Heer Kristiaan van Hoek, aan
de stille Vecht, bemaalde met eenige zinnebeelden in
Nissen. Dat werk was laat in het jaar begonnen, en onderwijl
vroos de Vecht toe, waar op den Konstschilder
besloot van weder te keeren naar Amsterdam. Een zeker
Apokryfschilder die aldaar de posten en het lijstwerk
marmerde, genaamt Smit, had zijn schaatsen meegenomen,
en Tideman die niet afgerecht was op het schaatsreyden
zou hem by een achterslip vasthouden en zo nasullen,
doch die krygslist wou niet lukken, derhalve vondmen
goed dat den op het ys onbedreeven Schilder zich
zou bakeren in zijn mantel, en dat Smit hem dan zo leggende
zou voortsleepen. Dat spel ging aan en gelukte,
en zy kwamen behouden tot Amsterdam, maar die reys
stont den Konstschilder duur, want toen hy aan de Beerebijt
den mantel wilde omslaan voor de koude, zag men
dat die vol luchtgaaten was geraakt door het schaaven
over het ys, waar over niet weynig wiert gelacghen by
zijne goede vrienden aan dewelke hy die reliquien vertoonde.
| | Wy zullen ons niet inlaaten om zijne overige konststuk
|
|
-ocr page 222-
| |
| stukken aan te haalen, de overgroote meenigte zijner Tekeningen
en Schetssen zijn zo veele blijken van \'s mans
naastigheyt en yver, die zijn tijd niet vermalde gelijk als
veele andere Konstschilders. Gebeurde het al eens dat hy
zich wat verlustigde, dat was met de handviool die hy meesterlijk
speelde; anders vond men hem nooit ledig, maar
altoos buyten zijn schildertijd met een boek in de hand,
of met de tekenpen. Daarenboven was hy een vroom, oprecht,
en eerlijk man, drie eygenschappen, dewelke zo
raar zijn onder het gros der Schilders, als de vierdubbelde
goude pistoolen raar zijn onder de Poeten, zijnde Venus
doorgaans hun Patrones, en Bacchus hun Beschermheylig.
| | Vorders valt\'er niet meer te schrijven over dien konstrijken
Filip Tideman, als dat hy den laatsten tol betaalde
aan de Natuur op den negende van de Wiedemaand, in
den jaare duyzent zevenhondert en vijf.
ERNST STUVEN.
| | Die Schilder was een Hamburger van geboorte, die de
Tken- en de Schilderkonst leerde by een Konstenaar in
zijn geboortestad, genaamt Hins, en die toen pas achtien
jaaren oud kwam overvliegen naar het kooprijk Amsterdam,
om het konterfijten, dat profijtelijk beroep, te leeren.
Hy vervoegde zich ten dien eynde by Jan Voorhout,
een Schilder die hy had gekent tot Hamburg, die
hem minnelijk ontfing, alzo dien Ernst Stuven goed van
inborst scheen te zijn; doch ziende dat zijn penceel meer
zweemde op het bloemschilderen, als op het konterfijten,
bestelde hy hem by den Schilder Willem van Aalst, om aldaar
die konst te leeren. Naderhant geraakte hy by den beruchten
Bloemschilder Abraham Minjon, onder wiens opzigt
hy zodanig vorderde, dat hy besloot by zich zelve
te schilderen, het geen hem zo wel gelukte, dat hy voornam
|
|
-ocr page 223-
| |
| nam een Huwelijksbloem te neemen, by dewelke hy verscheyde
kinders teelde, die hy fatsoenlijk zou hebben
konnen grootbrengen, byaldien hy niet dagelijks met den
bek in \'t nat had gezten.
Alle de Roomsche Historieschrijvers getuygen eenpaariglijk,
dat den Keyzer Nero van een goeden inborst
was, zo lang als hy luysterde na de Zeedelessen van Seneca,
doch zo dra had hy zich niet ontslaagen van die
tucht, of hy vierde den lossen teugel aan duyzende
ongebondentheden en andere gruuweldaaden. Dus getuygde
ook Jan Voorhout van dien Ernst Stuven, dat hy
minzaam, beleeft en goedaardig was, zo lang als hy onder
het opzigt was van zijn Meester; doch dat hy zo dra die
roede niet zynde ontwassen, uyt spatte tot alle ongebondenheyt,
stoutheyt, en weergaalooze stoute bedrijven, waar
van wy\'er een dat zeer aanmerkelijk is zullen beschrijven,
voorgevallen zo ons is bericht geworden, in het jaar duyzent
seshondert zevenennegentig.
| | Die Bloemschilder Ernst Stuven had een kontrakt
aangegaan met de Ouders van een Jongen genaamt Willem
Grasdorp, om dien Grasdorp te onderwijzen in de Schilderkonst
geduurende drie achtereen volgende jaaren, en
dat voor een gekonditioneerde som jaarlijks. Ondertusschen
vatte hy een weerzin op tegens dien Jongen, en hy
stelde alle middelen in \'t werk om hem het leeven zo benaauwt
te maaken als \'t doenlijk was, om aldus een beschuldiging
van onwilligheyt tegens hem te formeeren,
en daar door de Ouders te dwingen van dat verbant voor
een sommetje af te maaken. Ten dien eynde beschuldigde
hy dien Leerling over diefstal aangaande een vermist
portretje, doch dat wiert korts daar aan gevonden. Des
niet tegenstaande mishandelde hy gestadiglijk dien Leerling,
en het geen het slimste van allen was, hy belette
hem
|
|
-ocr page 224-
| |
| hem te konnen schrijven aan zijne Ouders, ten welken
eynde hy deszelfs kleeders had gebragt in de bank van
Leening, op dat hy niet mogt wegloopen. Daarenboven
moest hy honger en gebrek lijden, en schoon hy zijn noot
klaagde aan de buuren langs het dakvenster, echter begeerde
zig niemant met hem te bemoeien, bevreest voor
de kwaadaardigheyt van zijn Meester. Ondertusschen
bedacht den Jongen een vond, om een brief geadresseert
aan zijn Moeder in stilte te geeven aan een Weeversbaas, die
veeltijds by Stuven kwam, om bloemen en om lofwerken
dienstig in zijn ambacht te leeren tkenen. Zo dra had de
Moeder dien brief niet ontfangen, of zy kwam van Zwol
daar zy woonde over naar Amsterdam, en zond haar
mans broeder om met haar zoon te spreeken, die by den
boosaardigen Schilder wiert ontfangen met scheldwoorden
en met slaagen, als die dien Vreeedemaaker met een bebloeden
kop buyten de deur stiet, die aanstonds zijn
klagten over die mishandeling ging doen by den Hoofdofficier.
Dien Heer vaardigde fluks een Gerechtsdienaar
af na dien roekeloozen Ernst Stuven, doch die
kwam te rug geteystert op dezelve wijze; zeggende,
dat die kaerel een dol mensch geleek, die een iegelyk
schold en sloeg die hem voorkwam, gelyk als hy te zelver
tyd den Maakelaar Loot behandelde die gevalliglyk daar voor
by kwam, en een woordje ten besten sprak, en hem ontfatsoenlyk
bejegende en voor een schoft schold, dewyl hy hem
wegens een schuld had uytgewonnen, zo dat die bly was zyn
biezen te pakken, en heelshuyds te vertrekken. Den Hoofdschout
zond daar op twee andere Gerechtsdienaars met
bevel, van aanstonds dien Jongen los te laaten: doch den
dollen Bloemist weygerde dat te doen, en schold en lasterde
zijne Overhden, daar hem zijn Wijf in hielp, die
de stoutheyt had van zelver na den Hoofdofficier te gaan,
en
|
|
-ocr page 225-
| |
| en over het aangedaan ongelijk te klaaggen, by wien zy
het zo ver bragt door haar stout spreeken en schelden,
dat die beval van haar te brengen in de boeien. Zo dra
als den Schilder dat hoorde liet hy door zijn zoon buskruyd
en kogels koopen, laade een koppel pistoolen, en
hield zich gereed tegens den aanstaanden aanval, want
hy was zo zot niet of hy voorzag wel, dat een diergelijk
spel niet makkelijk zou afloopen, ook beval hy dien
zelven zoon een paar manden met steenen op een bovenkamer
te draagen, en dat gedaan zijnde verzekerde hy
vensters en deuren.
| | Tegens het vallen van den avondstond, besmeerde hy
met vermillioen zijn tronie en handen, ging uyt een venster
leggen, en schreeuwde tegens een groote meenigte
Borgers die aldaar t\'zamen getropt waaren om te zien hoe
het met hem zou afloopen; Dat hy door God was aangestelt
tot een Rechter over de Overheden van Amsterdam,
dewyl die verscheyde onschuldige menschen hadden ter dood
gebragt, wier bloed wraak vorderde, en dat hy den man was
die dat zou wreeken. Dat zeggen zag op die Muytemaakers,
die in den oploop van het jaar duyzent seshondert
sesennegentig wierden gevat, en voor de Waag van Amsterdam
opgeknoopt, waar door als ook door de manhaftheyt
der gewapende Borgers, den oproer gedempt
en de overheden en andere fatsoenlijke lyden wierden
beschut voor vordere beledigingen. Uyt dien hoofde
wierden alle die geenen die vrywilliglijk de wapens hadden
opgevat beschonken met een zilvere Gedenkpenning,
waar op den Zeegod Neptuyn stont verbeelt, wiens
schulpkaros voortgetrokken door een koppel zeepaarden
de ontstelde baaren doorsnee, ontstelt door wederzijdsche
winden, benens dit byschrift,
Motos
|
|
-ocr page 226-
| |
| Motos prstat componere fluctus.
Dat is op Nederduyts,
Best is \'t de driften van de baaren neer te zetten.
Na het eynde van die Herdoopers aanspraak sloot Ernst
Stuven het venster, keerde zich tot den ontstelde Leerling,
en zey hem met een forsse stem, dat hy zich tot de
dood zou bereyden, waar door den jongen niet wist waar
dat hy zou kruypen. Nadat die storm een weynig was bedaart
beval hy Grasdorp van nevens hem op het bed te
komen leggen, zijnde hy gewapent een koppel gelaade
pistoolen en met een ontscheede degen, welke doodelijke
instrumenten de lust van slaapen wel benaamen aan die
knaap, doch den Schilder sliep zo gerust een tijd lang dat
dat hy snorkte. Hy ontwaakte in de morgenstond ontrent
het klokslag van drien, greep toen den jongen by een
vlerk, fleurde hem van het bed, en gilde als een raazent
mensch; Zieje dat licht wel, donderskind? nu is je vonnis
opgemaakt sa spreekje laatste gebed, je moet sterven. Daar
op ging hy weerom te bed leggen, en den leerling, die
ieder moment de dood te gemoet zag, liep in het duyster
omzoeken, of\'er geen kans voor hem was dien doodendans
te ontspringen, maar te vergeefs, want de deuren
en vensters waaren zo wel bebolwerkt dat er de alderminste
hoop niet was van te konnen vlugten, waar door
den jongen\'er van afzag, en zich zo dra als het dag
wiert zette tot schilderen, om geene de alderminste reden
van misnoegen te geeven aan den raazenden Konstschilder
Ondertusschen ontwaakte Stuven, vloog ten bedde uyt,
en stoof na de schilderkamer, daar hy den ongelukkigen
Grasdorp met de haairen van voor den schilderesel aftrok,
en langs de vloer sleurde, die daar op uyt al zijn
macht
|
|
-ocr page 227-
| |
| macht moord moord! begon te schreeuwen, waar op de
buuren den Schilder toeriepen en met zoete woorden op
de achterplaats kreegen, daar zy hem zo lang ophielden
met praaten, dat den jongen middel vond dien dollen
langs een niet al te wel verzekert venster te ontsnappen.
| | Ondertusschen had zich de Overheyt van Amsterdam
beraaden over dat stout bedrijf, te meer dewijl dien Ernst
Stuven in den gemelden oploop van het kanaille was gezien
geweest in het huys van den Afgezant Boreel, toen
dat wiert geplondert, waar door zy aan de Onderschouten
last gaaven van hem leevent of dood te leveren, die
tegens den avondstondt gesterkt met de Stadsdienaars na
zijn woonplaats op de Bloemgraft trokken, en op
zijn huys aan vielen. Maar den dollen Schilder verdedigde
zich als een Beer, die gooide zo vreeslijk met
steenen neerwaards, dat de Gerechtsdienaars niet wisten
waar zy zich zouden bergen, en echter rammeyde zy de
benedendeur in spaanders, daar een Ratelwacht dacht
door te kruypen, doch schielijk met een bebloede kop te
rug deynsde. Daar op beslooten de Schouten, ziende
dat\'er geen kans was om hem zonder gevaar langs die
kant te vermeesteren, van hem langs het huysdak te bestormen,
daar zy eer hy zulks gewaar wiert op de zolder
kwamen, maar geen van allen dorst de kat de bel aanbinden,
wijl hy met den degen in de vuyst aan de voet van
den zoldertrap op schildwacht stond, en by duyvel en
dood zwoer van den eersten die afkwam te doorstooten.
Daar op braaken zy eenige planken van de zoldering los,
en gingen hem te keer met Schippers haaken, die hy een
tijd lang ontdook, doch eyndelijk sloeg hem een Gerechtsdienaar
met een haak in het kaakebeen, en hielt hem zo
vast dat hy niet veel sprongen meer kon maaken, waar
op hy zijn degen wegwierp, en zich opgaf op genade
of
|
|
-ocr page 228-
| |
| of op ongenade. Maar het spreekwoort zegt daar is geen
schelm te vertrouwen, derhalve liet hem den Harpoenist
des Gerechts niet los, voor dat eenige Gerechtsdienaars
neerwaards waaren geklommen die hem zo vast knevelden
met dievekoorden, en de gewrigten van zijne handen
zo wel verzekerden met bracelletten, dat\'er de minste
kans niet voor hem was om dien dans te ontspringen,
en daar op pakten zy hem in een sleedje, en bragten hem
in de boeien.
| | Na dat hy dan was verhoort by de Heeren Schepenen,
wiert hy in het Rasphuys gezet voor twaalf jaaren, en zijn
Wijf wiert in het Spinhuys gebilletteert, in welke respektieve
logementen dat paar gelegendheyt had om over
des weerelds wisselvalligheden te filosofeeren. Den woedende
Stuven kreeg een geruyme tijd daar na afslag van
ses jaaren, zo door herhaalde beloften en betuygingen van
zich beter te draagen in het toekomende, als door de
voorspraak van eenige Konstbeminnaars, die noch eenige
achting voor hem hadden wegens zijne konstige Bloemschilderyen.
Na verloop van ses jaaren geraakte hy uyt
het Rasphuys, met bevel van de Stad te ruymen, waar
aan hy zo min gehoorzaamde als eertijds aan het bevel
des Opperschouts, hy bleef posthouden in Amsterdam,
maakte op nieuws vreemde figuuren, en lasterde van meet
af aan de Overheyt, waar door hy voor de tweedemaal
geligt en in zijn oud vertrek het Rasphuys wiert gezet.
Aldaar schilderde hy verscheyde Bloemstukken voor deeze
en geene Liefhebbers van Flora, tot dat hy wiert ontslaagen,
met een herhaalt bevel van de Stad te ruymen,
waar op hy zich begaf na Haarlem by den alom bekende
Romeyn de Hooge. Uyt Haarlem trok hy na Rotterdam daar
hy eenige bloemstukken schilderde voor een zeker Heer;
die hem spijs en drank en een dukaat daags gaf, in welke
Stad
|
|
-ocr page 229-
| |
Stad de dood hem den hals toewrong, en door die Ottomannische
executie maakte die maagere Scherprechter
een eynde van Ernst Stuvens verachtelijk leeven.
ELIAS VAN DEN BROEK
| | Was een Sinjoor geboortig van Antwerpen, die beter
wist te schilderen als te leeven. Zijn stijl bestont
in het schilderen van Bloemen, Kruyden, Hagedissen,
Slangen en diergelijke voorwerpen. Hy was genootzaakt
van Antwerpen te verlaaten, en zich te vertrekken naar
Amsterdam, dewijl de in fluweelgebroekte Sinjoors van die
eerste Stad hem beschuldigden van de Vlindertjes geplakt
en niet geschildert te hebben, daar die besnuyfde Hannekens
niet overwoogen, dat de geplakte Vlindertjes
schooner en natuurlijker zijn als geschilderden, dewijl
zy niet alleenlijk hun gantsche tkening behouden, maar
ook langer dan de geschilderden duuren. Hy maakte in
den beginne een goeden opgang in Amsterdam, doch hy
liet zijn fortuyn met de voet door een Sinjooriaale koppigheyt,
dewijl hy krakkeelde met een Heer zijn Konst
Me-
|
|
-ocr page 230-
| |
| Meceen, die daar op zo een haat tegens hem opvatte,
dat hy noch den Schilder, noch de meenigvuldige Bloemstukken
en geschilderde Kruyden, die hy van Elias vanden
Broek had gekogt en rykelijk betaalt, in zijn oogen
kon dulden, maar dezelve aan de Konstbeminnaars ten
besten gaf met deeze woorden; Daar staan de Schilderyen,
Heeren, geef\'er zo veel en zo weynig voor als je begeert,
want ze zyn doorns in myne oogen. Die Liefhebbers
vatten aan stonds dien Heer op zijn woord, en gaaven
vyfentwintig a dartig guldens voor een Bloem- of
Kruydstuk, waar voor den Schilder hondert daalders had
geeyscht, en ook gekreegen; en daar op daalde de markt
van zijn konst zo deerlijk, dat hy een weerzin kreeg
in het leeven.
| | Om de waarheyt niet te benadeelen, dien Elias vanden
Broek was geen tovenaar in de Schilderkonst, want voor
eerst die een van zijne stukken ziet, ziet\'er hondert, dewijl
hy geen geest had om zyne ordonnantien die zeer
maager zijn te varieeren; en ten tweeden zyn de Bloemen,
Kruyden en groene bladen zo zwaar als loot, een
slegte qualiteyt in die styl, dewyl die lenteschatten zo
dun en doorschynent als kristal behooren gekonterfijt te
worden, anders zijn het prullen. Hy woonde buyten
de Utrechtsche poord op het Moolepad, daar hy een
fraaye Bloemtuyn had tot zyn gebruyk, en hemelde op
het jaar duyzent zevenhondert en elf.
LAURENS VANDER VINNE, VINCENTSZOON
| | Die Konstenaar die zyn vader slacht, en alles schildert
wat hem voorkomt, doch het meest uytsteekt in Bloemstukken,
is geboren tot Haarlem, op den vierentwintigste
van de Lentemaand, in den jaare duyzent seshondert
achtenvyftig, en heeft geen ander onderwijs gehad als van
dien
|
|
-ocr page 231-
| |
| dien vader. Zyn meeste bezigheyt bestont in het uytschilderen
van de geachtste Tulpen, Hyacinthen, Auriculas en
andere bloemen voor de Heeren floristen. Inzonderheyt
heeft den Heer Filip de Flines hem de raarste en zeldzaamste
uyt de Oost- en Westindien overgevoerde gewassen
laaten konterfyten. Thans houd hy zich op, zo hy noch
leeft, want wy hebben niet een Spaansch woord van zyn
overlyden gehoort, met patroonen voor de Fabriqueurs
te tekenen.
PAULUS VAN HILLEGAART, EN PIETER DE RUELLES
| | Zyn twee braave Konstschilders geweest, indien we
de Dichters moogen gelooven. Wat zy hebben geschildert
is ons onbekent, doch dat zy braave Meesters zijn geweest
blijkt uyt de Dichtkunde, waar door hun naam zo
leevend is gebleeven, gelijk als de visch leevend blyft
in een vischkaar verzelt door bruyne Zeelten. Den
Dichter, ons mee zo bekent als den Man in de Maan, bekranst
die beyde Konstenaars, en laat zich aldus over
Paulus van Hillegaart hooren.
Helaas! te vroeg heeft ons die braave geest beegeeven,
In \'t luyken van zyn jeugd, in \'t bloeienst van zyn lent.
Zyn naam zal, spyt de dood, in Amstel eeuwig leeven,
Zo lang Apollos kar het scheepryk Y berent.
Voldoet uw laatste pligt, Apelles lievelingen,
En ciert zyn waarde kruyn met kranssen van laurier,
En wilt tot zynen roem gewyde vaarzen zingen,
Zo stookt gy hem na waard een onuytbluslyk vier.
Het schynt dat Pieter de Ruelles zo wel een Dichter als
een Konstschilder is geweest, dewyl dien zelve Dichter in \'t
eynde van zyn vaars op deezen toon komt te zingen.
En
|
|
-ocr page 232-
| |
| En gy, myn Zangodin, die zulk een Dichter minde,
Spoei uw na Dafn toe, en haal by haar een krans,
Die zijn roemwaardig hooft cier\' met een dubb\'len
glans,
En voeg uw op zijn zark, dan zal noch tyd noch jaaren,
Zyn onverwelkb\'ren roem met hem in \'t graft doen
daalen.
N. RYSBREGTS
| | Is geboren tot Antwerpen onder het gestarnt van Herakliet,
want geen mensch heeft hem ooit zien lacghen,
en dat is al wat raars in een Antwerpsche Sinjoor, want
die Hannekens lacghen meestentijds om niet met al, gelyk
als de zotten. Hy ging al vroeg na Parys, wy zeggen
hy ging, dat is te zeggen op zyn ossenleere zoolen, want
den hals had zo veel penningen niet om een plaats te bespreeken
in de Brusselsche Huurkoets op Parys, en op
die wijze reyzen de meeste Brabandsche Konstschilders.
Te Parys schilderde hy naarstiglijk, en dat kon niet minder,
want hy was zo verzot op de gezelschappen,
gelijk als een Uyl verlieft is op het zonnelicht; en die
naarstigheyt vervulde zyn gebrek van geest, dewijs hy
zich daar door herstelde in een braaf Landschapschilder.
Het is wel waar dat zyne ordonnantien en verkiezingen al
ommers zo zwaarmoedig zijn als zijn humeur, maar wat
zwaarigheyt, zy zijn aan den andere kant zo konstiglyk
geschildert, zo meesterlyk behandelt, de beelden en de
boomen zo fix getkent en gekoloreert, de vordere bywerken
zo wonderlijk behandelt, en daar by de houding
zo heerlijk verstaan, dat wy weynige Landschapschilders
kennen die hem het penceel uyt de hand zullen neemen.
Wy hebben een aardig Landschapje geschildert by dien
Rysbregts geschildert gehad, dat wy hebben vernegotieert
aan
|
|
-ocr page 233-
| |
| aan Willem den Portier, een Konstkooperte Rotterdam,
dat deszelfs waarde zo volkomentlyk aantoonde, dat
veele Konstkenners het aanzaagen voor een Kabinetstukje
van Francisco Mil. Het eenigste daar men op zou konnen
vitten is, dat sommige van zyne boomen wat te bar
groen, en zyne Konstschilderyen wat te droefgeestig vallen:
maar dan kan men ook te zelver tyd verwyten aan
den Mecghelschen Huysman, dat zyne hemelsblaauwe
luchten afsteeken tegens zyne beenzwarte gebergtens en
getaande boomen, gelyk als een blaauwe Schippers muts
zou afsteeken op een geborduurt Kwakzalvers kleed van
zwart Engels laken. Hy heeft veel geschilder voor eenen
myn Heer Vervoort, een Koetsiers jongen die vervelt is
in een goudlakensche Konstkooper, en die goede slagen
heeft gedaan met die verstandiglyk behandelde schilderyen,
onderwyl dat den bedroefde Rysbregts zich en zyn
huysgezin moest aazen met een schotel Preyzop, met
ongaar Antwerps brood, en met half gekokte bieren.
Dus verre aangaande zijn konst, en nu een vrolyk woord
vyf a ses aangaande zijn kluchtig huuwelyk, en dat gedaan
zynde zullen wy een aardig andwoort van die bedrukten
Schilder aanhaalen, en\'er dan los van afscheyden.
| | Hy viel ziek te Parys of te Lions, wy konnen met
waarheyt niet zeggen in welke Stad, alwaar hy gelogeert
was by een oude fransche Dame die een Herbergje had
opgezet, om aan de weerelt een zichtbaar bewys te geeven
van haar eerlyke broodwinning. Die respektieve
Madona paste hem getrouwelyk op, en vierde en streelde
hem zo aardiglyk in zyn ziekte, dat hy by zich zelve
besloot haar zyn rechterhand te geeven, welk besluyt hy
ook als een vroom Katholiek schilder volbragt, want zo
dra als hy aan de beterhad kwam voltrok hy met haar het
Huuwelyk, en hy zakte met die Molyk af naar Antwerpen
|
|
-ocr page 234-
| |
| pen. Wy hebben dat paar eens zien zitten, zy toegelolt
met een Servet die geen zeep had gezien in de eerste vyftien
maanden, en hy gekapt met een onvergeeflyken hoed,
die alzo zeer buyten de mode was als de baarden onzer
voorouders, beyden zo vrindelyk op malkander lonkende,
als of zy door een geruineert Aktionist waaren toegestelt
op een Assche woensdag.
| | Het is ontrent een jaar of anderhalf geleden, dat dien
vroome Saturnus zich liet bepraaten door eenige jonge
Konstschilders, om zich mee eens te waagen onder de
tenten der om loon lievende Antwerdsche zondaaressen,
en om zich wat te vermaaken, en om de weerelt, den
duyvel en vleesch te braveeren door die heldaftige onderneeming.
Hy liet zich gezeggen en slenderde mee al
zuchtende, als wanneer zy hem introduceerden in een
Spaansche Kot, alwaar zy eenige Dames vonden die de
bittere armoede op haar gekreukte wangen, en het Napels
vuur op haare voorhoofden droegen. Die Heeren
kommandeerden aanstonds een kom met inlands wacgholder
water, een drank waar in niet anders ontbreekt als een
handvol zwavel om\'er den Satan op te trakteeren, benevens
eenige potten Verkensleuvens bier, en daar op
gingen de Traktanten en de Katten zitten drinken en lollen
als zo veele versch ontscheepte Oostindische Matroozen,
onderwyl dat Rysbregts zo vrolyk zat te loeren, als
een gryze Randsuyl onder een troep Westindische Papegaayen.
Een uyt het doorluchtig gezelschap zag dat den
Landschapschilder geen vloernymf op zyn linker knie
had zitten, waar op hy aanstonds ordonneerde aan de Klokhen
van die schurfde Herfstkuykens, om den Heer Rysbregts
te voorzien met een Juffer, die daar op een spook
dat men met geen hooivork zou hebben aangetast liet afkomen,
en zitten nevens den schilder. Den Dichter Lukretius
|
|
-ocr page 235-
| |
kretius zingt, dat alle de dieren geneygt zyn tot de kopulatie,
en dat bleek in Sinjoor Rysbregts, die aanstonds
die Dame tot een teken van zyn affektie een zeker iets
dreygde te doen manieren dat geen naam heeft, waar op
zy schielijk haar vereelde hand te rug trok met een adelyke
verontwaardiging, het geen hem zodanig vergrimde
dat hy luydkeels uytgromde; Wel zie, bai den akrement!
Bello, pakt\'er dan moor ieens met de tang naar.
JAKOB VAN KAMPEN,
| | Heer van Rambroek, was een Haarlemmer van geboorte,
wiens schilderwyze groots was en breet, zo in
zyne Historiestukken als byzondere beelden, sterk en trots
op de manier van de konstryke Schilders, Jan Bylaart,
en den beruchten Bronkhorst. Tot Breda in een Koffyhuys
hongen eertyds twee konsttafereelen, die wy dikmaals
hebben bestudeert onder het drinken van een kopje
koffy, beyde deze konterfytsels verbeelden een Dame rykelyk
gejuweelt, en een Harderinne zedigjes opgeschikt,
zynde het een geschildert by Rembrant van Ryn, en het
ander by Jakob van Kampen, waar van dat den Koffyhuyshouder
het volgent relaes gaf aan de gasten.
Rem-
|
|
-ocr page 236-
| |
| Rembrants grooten naam stak van Kampen in de
oogen,
(vertelde hy) en daarom heeft hy die Harderin geschildert
die zo stemmig is toegetakelt met een strooye hoed op \'t hoofd,
waar op een Roos, het zinnebeelt van schaamte, is vastgehegt,
gekleed in een styf keurslyf bloedroot gekoleurt, en
een geele bovenrok, beyde forsse koleuren. Zo dra had dien
beruchten Bouwheer en Konstschilder, die schoone Veldnymf
niet gemaalt, of hy noode alle de beste Konstkenners, en verzogt
aan die Heeren van hun oordeel te geeven over dat tafereel,
die het eenpaariglyk preezen, en tot den Hemel toe
verhieven, zeggende nooit schooner stuk van zyn hand gezien
te hebben. Daar op verzogt hy hun van de oogen voor het
grootste gedeelte toe te nypen, en het dan in het geheel te
beschouwen, hetgeen zy deeden, en daar op vroeg hy; En wat
speelt nu de meester of is het krachtigste op dat stuk?
waar op zy zo dra niet hadden gerepliceert, het Aangezigt
en de Handen, of hy sprak; Daar in bestaat de Konst,
Heeren, maar niet in alles te overtaanen of zwart te maaken
om een tronie of om een halsjuweel te doen afsteeken, gelyk
als den beroemden Rembrant doet. Ik heb de twee koleuren
uytgekipt die alle andere koleuren overkraayen, en des
niettegenstaande triomfeert het hoofd van myn Harderin, en
haare handen; ook is\'er bloed in de wangen en in de handen,
daar de beelden van R. v. Ryn\'er meestendeels uytzien
als bloedelooze schimmen.
| | Wy willen wel bekennen dat hy ten deelen gelyk had
en ten deelen ongelyk, want het was waar dat men het
bloed zag speelen door die wangen van zyne bevallige
Nymf, en dat alles aanvalliglijk was behandelt, maar
het konterfytsel van Rembrant van Ryn was zo krachtig
en zo verstandig van lichten en schaduwen, en de houding
had hy zo zonderling in acht genomen, dat men fluks
in het intreeden van de Koffysaal het stuk van Rembrant
zag
|
|
-ocr page 237-
| |
| zag, en naderhant de schildery van den Konstschilder
J. v. Kampen moest gaan opzoeken.
| | Daar wort verhaalt, zonder dat wy iemant willen verpligten
van het te gelooven, dat hy in zyn togt die hy dee
naar Italien, voorneemens was zich in die luchtstreek te
oefenen na de Schilderkonst der alderberuchtste Konstschilders.
Doch, zeggen die Kronykschryvers, hy ontmoete
by de weg een Waarzegster die hem om een aalmoes
vroeg, en zich aanbood om hem goedergeluk en zyn
toekoment fortuyn te voorzeggen. Jakob van Kampen
gaf haar eenig geld, en liet haar zyn hand kyken, waar
op zy hem aanstonds zey, dat hy een schilder was die na
Italien trok om aldaar zyn konst voort te zetten. Doch
(vervolgde zy) ghy gaat als Schilder daar na toe, maar
zult voor Bouwmeester wederkeeren, en in uw Vaderlant
worden gebruykt tot heerlyke werken. Ook voorzeg ik uw
dat het oud Raadhuys van Amsterdam zal afbranden, maar
ghy zult uyt deszelfs assche een heerlyker gebouw doen opreyzen,
waar door uw naam tot aan het gestarnt zal steygeren,
en eeuwiglyk gelyk als een Ceder van Libanon groenen
by de Naneeven. Den jongen Konstenaar lacghte eens
met die voorzegging, die echter in alle deelen op tyd en
wylen is vervult geworden, wyl hy te Romen belande, en
aldaar zich inwikkelde in de gonst van een Kardinaal,
die hem aanleyding gaf om de Bouwkunde te leeren, waar
in hy zo een overvlieger wiert, dat die zelve Prins van
de H. Kerk hem naderhant gebruykte in het oprechten
van onderscheyde heerlyke gebouwen.
| | Hy was den voornaamste Bouwheer die gebruykt is geworden
in het stichten van het Stadhuys van Amsterdam,
geschat, en by de gantsche weerelt goedgekeurt voor het
achtste weereldswonder. Ook heeft hy dat overheerlyk
gebouw gesticht in \'s Gravenhage, genaamt het huys van
Prins
|
|
-ocr page 238-
| |
Prins Maurits, dat zo ongelukkiglijk over eenige jaren afbrande,
uyt wiens assche wel een jonge Fenix, doch min
schoon als den oude, is herboren. Daar by heeft hy dat konstig
gebouw geordonneert het Amsterdams Schouwburg,
dat voor geen Schouwburg in Bouwkonst, (wy spreeken van
geen groote) behoeft te wyken. Noch is dien beroemden
Jakob van Kampen den Bouwmeester van het huys van
den Heer van Zuylighem, tot Voorburg, na by \'s Gravenhage,
als van \'s gelyken van den Heer Dedel, te Lis,
en van een groot getal andere weergalooze gebouwen.
Hy is overleeden op zyn Heerlykheyt van Rambroek,
en tot Amesfoort begraaven. Zyn Grafstee pronkt met
het volgent vierregelig vaarsje.
d\'Aartsbouwheer, uyt den stam
Van Kampen, rust hier onder:
Die \'t Raadhuys t\'Amsterdam
Gesticht heeft, \'t achtste wonder
GASPAR PEDRO VERBRUGGEN
| | Is een Antwerpsche Sinjoor by geboorte en by Godsdienst,
en geen onverdienstig Bloem- en Fruytschilder, die
zich
|
|
-ocr page 239-
| |
| zich een grooter naam heeft verkreegen in zyn geboorteplaats,
als wel in eenige andere Steden, en die zoet en
zuur heeft gesmaakt in de Konfituurwinkel des weerelds.
Wy zullen den Leezer eerst een beschryving geeven van
zyn konst, en vervolgens van zyn leeven.
| | Zyn Bloemtafereelen zyn inderdaad los, meesterlyk
en fix geschildert, de bloemen zyn krachtig, en voor al
zo zyn de heulbloemen flodderachtig behandelt, en de
anemonien op een dartele wyze gepenceelt: maar die zelve
Bloemtafereelen gelyken niet na de doorschynendheyt
en na de tederheyt van Floras lenteschatten, zy vervatten
meer geest als waarheyt, en zyn vry bar, hart en getrokken
verbeelt, en meer bekwaam tot groote Saalen,
of tot Zoldersukken, als om opgehangen te worden in
Konstkabinetten. De Fruytstukken van dien Baas zyn
noch minder van deugd, want zyne geschilderde Persikken
en Abrikoozen schynen gebraaden, in stee van overwaassemt
met die blos, die de Natuur daar aan als tot een
doorschynent opperkleed heeft te kost gehangen. Wy konnende
Bloemstukken van dien Pedro nergens beter by vergelyken
als by den Noortwyksche Fruytvloot, schoone koleuren,
maar zonder oordeel of houding onder malkanderen
gerangeert; of byeen omgekeerde Bibliotheek, hier en
daar wat goeds, maar wie wil zich zelve de moeite geeven
om dat onder dien verwarden hoop te gaan opzoeken;
en by den opschik van een Marmerschilders winkel,
over al blixemende koleuren, doch by den ruys hier
en daar gezet, gelyk als een Boerenkoster handelt met de
veelkleurige Roomsche Santen en Santinnen.
| | Eenmaal schilderde dien Gaspar Pedro Verbruggen een
Bloemstuk in duel tegens Simon Hardim, een ander Antwerps
Bloemschilder, welke beyde stukken zouden hangen
op het Hof van den Koning van Engelant Willem
den
|
|
-ocr page 240-
| |
| den derde, tot Breda; maar het Bloemtafereel van den eerste
wiert verworpen, en dat van den tweede aangenomen,
die voor of na geen Bloemstuk dat half zo goed was
schilderde. Daar in was dien S. Hardim gelyk aan den
Fransche Poet Monsieur Chapelain, die eenmaal in zyn
leeven een goed gezang berymde, en naderhant dien
roem in de assche der verachting zag zinken door de uytgaave
van zyn Heylige Roman, getytelt, de Maagd van
Orleans, en door eenige andere prulvaarzen van dat zelve
beslag. Vorders weeten wy niet te zeggen of te schryven,
dat dien Verbruggen ooit is gebruykt geworden by
Souvereyne Vorsten of by hooge Standspersoonen, maar
wel dat zyne bloemtafereelen wel gewilt waaren geduurende
een zekere tyd by de Antwerpsche pannebroeken,
by de Brusselsche kuykenseeters, by de Mecghelsche
maanblusschers, by de Liersche schaapshoofden, by de
Leuvensche zatterikken, en by de Gentsche stroppendraagers,
doch buyten dien omtrek deeden zy geene byzondere
mirakelen. Ook schilderde hy veele stukken
voor de Antwerpsche Konstkoopers, die daar mee alle
Markten en Kermissen afliepen, en op de Frankfoorder
en Lypziger Mis goede winsten aan hadden, dewyl de
Hoogduytschen zich vergaapten aan die vuurige en blixemende
schoone koleuren. Maar als die op den buyt waaren
uytgestooven, dan zag men doorgaans een half dozyn
bloemstukken van Sinjoor Pedro voor de luyffels der
afslaagers hangen op de Antwerpsche Vrydagsmarkt, daar
hy dan tegens den tyd der verkooping, zynde meestentyds
tegens elf uuren, eenige by hem geinstrueerde en met roode
mantels opgetraliede Heeren na toe schikte, die dan
tegens malkander opbooden, tot zo lang dat\'er een
vreemde Liefhebber op het laatste bot hoogde, waar op
het fluks was bons, want den afslaager wist mee \'t geheym
|
|
-ocr page 241-
| |
| heym van die Vrydagsmis, en dan zat dien kooper te
kyken voor de betaaling der ballen. Daar in, en in die
krygslist verbeelde Dom Pedro Vetbruggen den Dopjeskramer,
en de geposteerde Sinjoors de valsche speelders,
die men dikmaals in de Veerschuyt ontmoet tusschen
Amsterdam en Ouwerkerk, die in den beginne onder
malkanderen speelen en handen vol geld opzetten, doch
zo dra hapt een winzuchtig Reyziger niet na dat vergult
of verzilvert aas, of het is aanstonds, kip ik hebje, hy
krygt de haak in de keel, en wort zo geldeloos gespeelt,
dat hy naauwelyks een paar stuyvers overhout om een glas
bier te konnen drinken aan de pleysterplaats van de schuyt,
een Herberg genaamt den Voetangel.
| | Doch de leevenswyze van dien Bloemschilder was zeer
byzonder toen hy woonde tot Antwerpen, want tegens
elf uuren ging hy gemeenlyk spansseeren op de Antwerpsche
Meer, de vergaderplaats der leegloopers, gebakert
in een roode scharlaken mantel, gekoiffeert met een zindelyk
opgezette Spaansche Paruyk, de kroon van zyn
hoofd geciert met een fraaie Kastoor, en voorts de rest
den opschik na behooren. Aldaar voegde hy zich by de
wandelaars van de eerste Klasse, die hem gaarn hoorden
kouten, want hy was vrolyk van humeur, en al vry aardig
voor een Sinjoor, ging tegens twaalf uuren in het
Koffihuys van le Sieur Anthoine, en dronk aldaar zyn Koffy
en zyn Chokolaat, schreeuwde in \'t hondert, want zyn
landluyden moeten luydruchtig praaten, regeerde op zyn
beurt de weerelt, rukte den Sultan van den troon, tilde
\'er den Keyzer boven op, herstelde den gevlugten Jakob
den derde, Koning van Engelant, wederom in de
bezitting van zyne drie Koningryken, konfineerde den
Koning Willem en de Koningin Maria in den Tour van
Londen, bedwong den Koophandel der Hollanders, schonk
dat
|
|
-ocr page 242-
| |
| dat Gemeene Best, benevens de beyde Oostindien, aan
de Koningen van Spanje en van Portugal, en liep dan tegens
het klokslag van een uur spyzen in het Ordinaris van
Monsieur Laboureur op de Meer, of in het tonnetje op
de Eyermarkt. Na de maaltyd trok hy na zyn huys,
onder het voorwendsel dat hy gewoon was schielyk Thee
te drinken na het middagmaal, en ging dan zitten speelen
met de penceelen, dat men\'er geen oog kon ophouden.
Maar zo dra als hy de klokken van O. L. V. Kerk
het uur van sessen in de zomer, en dat van drien hoorde
beyeren in de winter, ley hy palet en penceelen neer,
om die zelve oefening te hervatten van \'s ochtends, of
hy ging een glaasje Wyn of Bier drinken te Burgerhout,
op den Dam, na de Markgravenley, en alzulke vergaderplaatsen
buyten Antwerpen, en tegens den avond
vloog hy na de Keyzerskroon, een Wynhuys na by de
beurs, daar de voornaamste op die tijd leevende Konstschilders
vergaderden om \'s winters een tonnetje oesters,
nieuwe zoute visch, en stokvisch, en om \'s zomers een
kreeftje, een botje, en een schoteltje koude paling te eeten,
en braaf in de Wyn te laaten zwemmen. Onder
die doorluchtig Societeyt bevonden zich de Konstschilders
Spiering, Frank, van Schoor, Eykens, Tyssens,
Gillemans, en meer anderen, die standvastiglijk kompa.
reerden tegens de aankomst van de uylenvlugt, en die
dan zo onvergeeflijk schreeuwden, gilden en lolden, dat
\'er de nabuurige kinders de stuypen van op den hals
kreegen, en onze Gaspar Pedro Verbruggen was Feytje
de voorste in dat adelijk plaisier. Tegens tien a elf uuren
betaalde hy zijn gelacgh en marcheerde half dronken na
zijn wooning, doch niet om te gaan rusten, maar om te
gaan schilderen; want dan vond hy twee a drie paletten met
verf, schoongemaakte penceelen, en een begonne schildery
|
|
-ocr page 243-
| |
| dery twee a drie gereet staan, die een van zijne Leerlingen
aldaar had geplaatst op zijn bevel, en daar mee den
mantel en rok uytgetrokken, de Spaansche Paruyk afgezet,
een besmeerde japon aangetrokken, en een slaapmuts van dito
soort opgezet, en allegramento gevallen aan \'t Bloemschilderen.
En waarom als een uyl de zon verzaakt, en
het kaarslicht uytgekoozen? zal ons misschien den Leezer
vraagen; en wy zullen hem andwoorden; om quansuys
den grootschen duyvel te speelen, Moeder ik mosselen,
ik behoef maar een uur vyf a ses daags te schilderen om
het Heertje te speelen, en om alzulke glorieuze, maar armoedige
beweegredenen, dewelke veracht worden by de
Wyzen, en dewelke de Zotten pryzen. Ook dobbelde den
Bloemschilder somtijds wel eens mee om tydverdryf, gelijk
als hy dan eens een notabele som voor een Konstenaar,
vier a vijfhondert guldens, verloos aan eenige Antwerpsche
Jonkers, die hem leelijk uytlachten na zijn verlies,
en hem schimpsgewijze toebeeten; Bai God! Peerke,
jeert nauw naar ou huys, en goot as een braaf manneke
nieerstig zitten blommekens schilderen, en as ge weer een
stuyverke hebt gewonnen, komt dan bai ons, waai zullen
het dan op den zelven interest neemen.
| | Maar hy beging een zotte daad in de bloem zijns
leevens, en toen zijn konst op de hoogste markt was, welk
bedrijf wel den eersten steen heeft gelegt aan zijn verderf.
Hy vryde over een braave Antwerpsche Juffer, die, zo
men zegt, een kapitaal bezat van vijfentwintig a dertig
duyzent guldens, en dewijl hy een Jongman fraai van
leden en welbespraakt was, en noch daarenboven den naam
en ook de daad had dat hy veel geld won, kreeg hy het
Jawoord van de Vryster en van de Vrienden, en alles
wiert vervaardigt tot het aanstaande huuwelijk. Maar
toen het op het nypen aankwam, zond den kwaalijk beraaden
|
|
-ocr page 244-
| |
| raaden Bloemschilder zijn kat na de Bruyd, den Bruydegom
kreeg naberouw, en hy liet de Bruyd en de vergaderde
vrienden bedanken voor de eer, welke weygering
hy met dit kompliment verzelde; Ken wil ik kik, bai
God! main persoon niet verslingeren aan een Uffrouw,
wiens Vader is gefailleert geweest; (gefailleert is bankrot
gespeelt) moor ik zal ik kik een degelaike Dochter
trouwen, woor op niet eene jeer zal kannen gepopegaait
worden. Ook hield hy zijn woord daar in als een wijf,
want korts daar aan ente hy een jongen schilder op den
Roozenstruyk van zijne eerlyke huysmeyd, die hy gedwongen
wiert om te trouwen, en na die tijd was het Predikheeren
processie, deerlijk zien, het spook dat dag en
nacht in zijn huys waarde was de armoede, dat niet eer
verbannen wiert voor dat die gemalinne hemelde, en na
haar overlijden was den Bloemschilder weer spikspelder
nieuw, leefde als Rogier Vetpot, en liet fioolen zorgen.
| | Doch gelijk als alle ondermaansche geschapendheden
onderhvig zijn aan onderscheyde beurtverwisselingen,
zo was onze Dom Gaspar zo min vry als een ander, het
geen hem de Ondervinding, die Meesteres der Wyzen
en der Gekken, leerde tot zijne schade. De zo dikmaals met
goede en met kwaade bejegeningen afgezette Schuldeysschers
begonnen te muyten; den Schilder kreeg de eene
Citatie voor en de andere na; zijn beste vrienden waaren
gestorven, en de overigen hadden hem begeeven; hy was
oud en verlept geworden onder het harnas van een Spaansche
glorie; zijne affaires waaren verloopen, en hy had
schulden zonder eynde; waar op hy schielijk besloot van
te veranderen van Luchtstreek, en om geen ergernis te
geeven verhuysde hy by nacht, eer dat zijn gebuuren
noch eens waaren opgereezen. Het kooprijk Amsterdam
was de eerste plaats daar hy halte hield, na het ontsnappen
|
|
-ocr page 245-
| |
| pen van dien Antwerpsche brand van Troyen; en dewijl
hy wel eer eens had hooren zeggen, (zeggen moest het
zijn, want hy las nooit of zelden) dat den mensch een
gezellig dier is, nam hy een geestelijke Dochter mee om
zijn bedroefde ziel te vervrolijken door eenige onstichtelijke
diskoerssen, onderwijl dat hy tot een erkentenis
van dien troost haar hemdsmouw zou repareeren. Den
vroome Willem vander Hoeven, Koffyschenkeren Dichter
in de Kalverstraat, die onlangs door de dood zo fijn
is gemaalen als een loot verbrande Koffyboonen, heeft
ons verhaalt, dat hy een goeden opgang maakte in Amsterdam,
doch dat hy op nieuws zijn eygen nadeel bewerkte,
zo dat hy genootzaakt was over te vliegen na
\'s Gravenhage, daar hy zich verbeelde dat het geld opgeschept
stont met gantsche melkteylen, en dat de Afgezanten
aldaar resideerende hem zouden naloopen om zijne
Bloemstukken te moogen erlangen. Hy rekende ook
niet t\'eenemaal buyten den waard, en hy zou in dat Hollands
lustpaleys fatsoenlijk hebben konnen leeven, by aldien
hy meer tijd en oordeel had besteet op zijne bloemtafereelen;
maar hy was dat schrobben zo gewoon, dat
hy twaalf Apostelen met eene streek moest maalen, of
hy kon niet bestaan volgens zijn bedunken. Daar op
keeken de Konstbeminnaars van die gedrukte bloemen af,
en hy bleef zitten roesten met zijne stukken, zo dat goeden
raad duur begon te worden by den Bloemist, want
den buyk is een ongeduldig Schuldeysscher; ook moest
het Klopje \'s ochtends haar Koffy, en voorts den gantschen
dag door haardubbelde Kraamanys hebben, benevens
andere koelwaters van dat soort, of zy stelde een keel op
als een wapenkreet. Gaspar Pedro Verbruggen vond ten
laatsten een gevaarlijk huysmiddel uyt tegens die kwaal,
hier in bestaande, dat hy een dronke Wijf opliep, die
met
|
|
-ocr page 246-
| |
| met zijne schielijk afgebakke stukjes onder haar visnets
falie den gantschen Haag liep afvourageeren, en die dezelven
aanbood voor een kleyn prysje in alle Koffyhuyzen,
Wyn- en Bierherbergen, waar voor hy haar meer gaf als hy
kon missen, en noch daarenboven als de markt goed was
dronken maakte. In die bedroefde omstandigheden hebben
wy dien Bloemschilder gelaaten, zonder het alderminste
vooruytzicht van verbetering, tot ons leedweezen,
daar hy, indien hy zijn fortuyn in acht had geslaagen,
getelt kon zijn geweest onder de gelukkigste Konstschilders.
HENDRIK CARREE
| | Is geboren tot Amsterdam, in den jaare duyzent seshondert
achtenvijftig, en heeft tot zijn Leermeesers gehad
J. Jordaans, en naderhant Juriaan Jakobsz. een
Hamborger die te Leeuwaarden woonde, en Hofschilder was
van zijn Hoogheyt den Prins van Oranje, in wiens dienst
hy ook is gestorven, na dat hy het Hof van dien Vorst
had verrijkt met schoone Konststukken, waer in uytstaaken
heerlyke Wildezwynenjagten. Zijn manier was in
veele deelen gelijk aan die van Franois Snyders, die zijn
onderwijzer was geweest in de Schilderkonst, zo wy A.
Houbraken durven gelooven.
BERNART SCHENDEL
| | Was zijn Konst- en Tijdgenoot, een Haarlemmer van
geboorte, die een braaf Historieschilder is geweest, een
vroom Israliet, die beter een Heremyt geleek als een
Konstschilder, en die meer de Kerk bezogt als de Wynhuyzen;
en daar hebje alles dat wy van dien man weeten te
schryven.
REY-
|
|
-ocr page 247-
| |
| REYNIER BRAKENBURG
| | In tegendeel, was zo los als een Maartsche zonneschyn,
en schilderde konstiglijk Borger- en Boerengezelschappen,
die binnens huys zitten te troeven en te drinken,
op de manier van Ostade. Hy was een Leerling van
Mommers, en won veel geld met schilderen, dat hy meesterlijk
wist om te zetten, want hy verviel in zijn laatse
jaaren tot dronken drinken, dat den Leezer niet vreemt
zal voorkomen, wanneer wy hem zeggen dat hy te gelijk
een Poet was en een Schilder. Hy stierf in Vrieslant,
en heeft ons daar door de gelegendheyt gegeeven om
van hem te scheyden, en het leeven te verhaalen van
den Konstschilder
DIRK DALENS.
| | Die Konstenaar is geboren tot Amsterdam, in het jaar
duyzent seshondert negenenvijftig, en leerde de konst
by zijn vader, een tamelijk goed Landschapschilder,
doch die hy in de loopbaan der Schilderkonst voorby
snorde. In het jaar duyzent seshondert tweeenzeventig
begaf hy zich na Hamborg om den moedwil der
Franschen te ontwyken, daar hy den Konstschilder Jan
Voorhout vond, die om dezelve reden het lieve Vaderlant
had verlaaten. Na dat die moedwillige Soldaaten
waaren afgeweezen, en na hunne wynbergen vertrokken,
begaf zich D. Dalens na Amsterstam, vol hoop
van de vruchten der lieve vrede te smaaken, dewijl de
half verstikte konsten toen begonnen te herbloeien, en
een ieder die maar iets van belang kon maaken, zich makklijk
op zijn konst kon geneeren. Maar, helaas! den kalanderworm
des doods verdorde de leevens kauwoerde des
Landschapschilders, die zijn afscheyt van de weerelt nam,
in
|
|
-ocr page 248-
| |
| in het jaar duyzent seshondert achtentachentig, oud negenentwintig
jaaren.
N. BALJUW
| | Is uyt de bolster der menschwording gevallen in Antwerpen,
om en by die eeuw, en is een rechte wedergaa
voor den droefgeesigen Rysbregts, zijnde hy alommers
zo vrolijk van humeur als dien Landschapschilder. Zijn
voornaamste studie bestaat in het schilderen van steene
vaazen voor de Antwerpsche Bloemschilders, welke vaazen
hy op een vaste prys heeft gestelt, gelijk als de Bakkers
het brood en de koekjes op een zekere prys stellen.
Om de waarheyt te zeggen, die vaazen zijn konstiglijk
geschildert en wel gekoloreert, maar vallen wat plat dat
een jammer is, want de kindertjes, satyrs, nymfen en
andere cieraaden daar hy die mee opschikt zijn six getekent
en wel behandelt. Hy geeft ook voor een Historieschilder
te zijn, en wy hebben eens eenen aan het kruys hangenden
Kristum van hem gezien, benevens eenig ander
bywerk daar toe behoorende, welk stuk ons deed lacghen,
in stee van ons aan te doen met een Godvruchtige
aandacht. Dat stervent beeld zal hy waarschijnlijk
hebben gekonterfijt na zijn eygen tronie en licghaam,
want het had pikzwart haair, ingevalle kaaken, holle
oogen, en een gepunte kin, en daar by was het licghaam
vriendelijk gekoloreert met helder beenzwart, en met bruynroot,
en vleeschkoleur die beter aan een Guineesche moor
zou hebben gevoegt, als aan den Zaligmaaker. Wy weeten
niet of hy noch leeft, dan of hy is nedergedaalt ter
zielen; aan het eerste is niet veel verbeurt, en aan het
laatste is ons noch minder gelegen.
MICHIEL
|
|
-ocr page 249-
| |
| MICHIEL MADDERSTEEG
| Is een Konst- en Tijdgenoot geweest van dien voorgaanRidder
van de droevige figuur, en een Leerling van Ludolf
Bakhuyzen dien Fenix der Zeenschilders. Hy was een
van de alderbeste Leerlingen die dien Bakhuyzen heeft
voortgebragt, en verstont zich daarenboven meesterlijk
op de Scheepsbouwkunde, benevens alle de daar toe vereysschte
toetakeling. Daar worden hier te land niet veele
stukken van zyn hand gezien, dewijl hy genoegzaam altoos
schilderde voor het Hof van Brandenburg, welk beroep
hy eyndelijk wars wiert, en zich begaf tot den Koophandel.
Hy zette zich ten dien eynde neer in zijn Geboortestad
Amsterdam, en viel aan het Koopmanschappen,
waar in Merkuur hem min gonstig was als St. Lukas,
het geen de dood merkte, die derhalve de laatste
koop met hem sloot, en hem meenam nam na het onderaards
rijk der schaduwen.
N. VAN OPSTAL
| | Die verdienstige Historieschilder is om en by de bovengemelde
tijd geboren, en heeft zich berucht gemaakt
|
|
-ocr page 250-
| |
| maakt in zijn Geboortestad het Sinjooriaale Antwerpen.
Verscheyde Kerken en Kapellen pronken met zyne Altaarstukken,
en een groot getal huyzen zijn verciert met schoone
Historiestukken, by dat konstrijk penceel geschildert.
Ook maalde hy veele bevallige Nymfen en vriendelijke
Kindertjes voor de Antwerpsche en Brusselsche Bloemschilders,
die dezelve dan stoffeerden met Bloemen,
Vruchten en Kruyden. Maar hy heeft noch grooter eer
ingelegt door het kopieeren van een eenig Altaarstuk, als
door alle zijne eyge ordonnantien, en dat was het alom
beroemt Altaarstuk Van het Kolveniers gild in de Kerk
van O. L. Vrouw, binnen Antwerpen. Dat overheerlijk
Altaarstuk bestaat uyt vijf onderscheyde konststukken, en
de voornaamste Altaartafel verbeelt eene afdoening des
dooden Zaligmaakers van het galghout des kruys; de eene
binnendeur vervat het bezoek van de Heylige Maagd
Maria by de bevruchte Elizabeth, de Huysvrouw des
Priesters Zacharias, zijnde die Moeder Maagd ter zelve
tijd bezwangert door den H. Geest; en op de tweede binnendeur
ziet men den Godvruchtigen Simeon, in de gestalte
van een schoone Gryzaart, die Jesum tusschen zijne armen
heeft gevat, en die blaakt door de weeromstuyting van de
straalen dier Godheyt. Op die eene buytendeur heeft den
beruchten Konstschilder St. Kristoffel afgemaalt in de gestalte
van een Reus, die het kind Jesus Kristus dien Heere
des Hemels en der Aarde op zijn breede schouders torst,
en onder dien zwaaren last schijnt te bezwyken; en op
de andere buytendeur staat een Kluyzenaar met een Lantaarn
in de hand, die dien Heylig schijnt voor te lichten.
Het is aan een iegelijk bekent, dat dat weergaaloos Altaarstuk
is geschildert by Pieter Paulus Rubens, en dat
het geboekt staat voor het alderheerlijkste Konststuk van
dien Fenix der Historieschilders. Dat Altaarstuk is gekopieert
|
|
-ocr page 251-
| |
| kopieert om na Vrankrijk verzonden te worden by onzen
van Opstal, en zo heerlijk gekopieert, dat de Franschen
zo wel als de Brabanders moesten getuygen, dat\'er geene
Konstschilders bekent waaren in die beyde Luchtstreeken,
bekwaam om een diergelijke konstkopey te maaken.
Voor de rest was dien Historieschilder een kort, rond
en gebuykt manneke, goed rond goed zeeuws, die men
weynig vind onder de Antwerpenaars, en die ieder avond
om zijn pintje Leuvensbier ging in de Herberg van den
Granaatappel, na by de Antwerpsche beurs, daar veele
Schilders t\'zamen kwamen. Die Heeren zaaten in een
opperkamer, zo lang als een lynbaan, en zo smal als een
paar Noordsche planken, en zwetsten, en teerden, en
dronken, en klonken, dat men het niet zou hebben hooren
donderen, als was \'t ook dat het onweer in dat bierhuys
was geslagen, en ons N. van Opstalletje was geenszins
den laatsten in de vermeenigvuldiging van dat Antwerps
laweyt. Dat manneke kakelde als een eyerleggende Hen,
schreeuwde als een afslaager onder een troep Konstkoopers,
dronk als een spons die niet genat is in ses weeken, en
ging dan waggelen als een wilde Gans na zijn huys, om
daagsch daar aan, als zijn schildertaak afgehaspelt was,
het zelve leeven te hervatten.
JUSTUS VAN HUISUM
| | Kwam ter weerelt in Amsterdam, op het jaar duyzent
seshondert negenenvijftig, en wiert bestelt by den konstrijken
Landschapschilder Niklaas Berchem, onder wiens
opzicht hy zo wonderbaarlijk toenam binnen weynig jaaren,
dat het zonde en jammer was dat hy zich niet altoos
hield aan die schilderwijze, Doch Justus was al te
vlug van geest om zich binnen dien omtrek te bepaalen,
die
|
|
-ocr page 252-
| |
die begaf zich tot het schilderen van Historiestukken, byzondere
Beelden, Landschappen, Watergezichten,
Ruytergevegten, en Konterfytsels: maar om de waarheyt
te zeggen, zo bestont zijn grootste talent in het schilderen
van Bloemstukken, in welke stijl hy ook zijn zoon,
dien Fenix aller Bloemschilders, en wiens konst wy vervolgens
zullen beschryven, heeft opgetrokken. Hy ley
dit vergankelijk leeven af in den jaare duyzent zevenhondert
en sestien.
N. VERENDAAL.
| | Die Konstzon der Bloemschilders verscheen ook in die
eeuw tot Antwerpen, en was by zijn leeven berucht
voor een van de alderbeste zo wel als voor den uytvoerigste
aller Bloemschilders. Zijn manier is zuyver en
breet, en zijne bloemtafereelen zijn welgeschikt, maar de
naauwkeurigste houding is\'er niet op te vinden; ook is dat
al een byzonder talent in een Bloemschilder. De roode Roozen,
Angelieren, gevlamde Heulbloemen, Stokroozen,
benevens alle kleyne gewassen en bloempjes schilderde hy
heerlijk, maar zijn witte Roozen, en witte Papavers vallen
wat koud, ook zijn de groene bladers wat bar van koleur,
en men ziet de zon niet door zijne bloemtafereelen
doorstraalen: doch als men zijne bloemstukken in \'t
geheel beschouwt, moet men zeggen dat hy een braaf
Schilder is geweest.
Hy
|
|
-ocr page 253-
| |
| | Hy was een kleyn onnozel en hooggeschoudert Manneke,
die een schoon maar ongegoed Antwerps meysje
trouwde, die hem billetteerde in het Zodiaks teken van
den Ram, en het helder liet glippen met een Heer,
die na haar Mans dood alle die overspeelige overtreedingen
uytwischte door de spons des huuwelijks. Den gelukkigste
Schilder is hy niet geweest, want hy schilderde
om den broode en leefde armelijk, niet dat zijne Bloemstukken
niet genoeg mogten gelden, maar dewijl hy zo
langdraadig was in het schilderen, als sommige persoonen
zijn in hunne diskoersen. Den Schilder Ferdinand van
Kessel heeft ons verhaalt, dat hy dien Verendaal eens
ging bezoeken, die hy bezig vond met een gevlamde
Angelier te schilderen, doch dat hy niet lang by hem was
geweest of de vrouw kwam na boven stuyven, en schreeuwde
tegens den bezoekaflegger; Moor kaikt ieens, main
Heer van Kessel, dat is nouw den vierde dag al dat
Verendaal over dai verbraste Angelier zit te toveren,
ik neem strak de bloem en jeer ze uyt het venster. Den
Brusselsche Bloemschilder Morel, een Leerling van
Verendaal, heeft ons ook eens vertelt, dat zijn Meester
een schoon kapitaal bloemstuk schilderde voor de
Vorstin van Simmeren, welke Princes uyt een pryslijke
nieuwsgierigheyt hem eens ging bezoeken, om te
te zien of haar Bloemtafereel wat vorderde. Die Dame
wiert by Mejuffrouw Verendaal na boven gebragt op een
kleyn morssig schilderkamertje, waar op dien Bloemmaaler
zat in een Limoen kas, met een stoofje onder zijn
voeten, en met een groen dekentje over zijn knien, want het
was in \'t hartje van de winter, tabak rookende uyt een
kort pypje onder het schilderen. Hy bleef zitten, na
die Vorstin te hebben gegroet met een knik des hoofds,
waar over die doorluchte Persoonagie eens begon te grimlacghen,
|
|
-ocr page 254-
| |
| lacghen, en dewijl hy zijne opgeschilderde bloemen voor
het stof met papier bedekte, gelijk als een Mecghelsche
Speldewerkster haare kanten bedekt, verzogt zy hem van
dat voorhangsel eens weg te neemen. Hy stont op, ontspelde
de papieren, en noode daar op de Princes van te
gaan zitten en het stuk te beschouwen. Mevrauw,
(sprak hy zonder eens het pypje af te leggen) gaa moor
zitten in den Limoenbak, het is wel de pain woord om
het van ter dege te bekaiken, en dan zal ik kik het ouw
expliceeren. De Vorstin van Simmeren repliceerde, dat zy het
wel kon zien zonder daarom in de Limoenkas te gaan zitten,
en daar op vervolgde hy, aldus zijn geleerde Antwerpsche
oratie; Zie, Mevrauw, over die twee roode Roozen is een
geheele week zoek gerookt, en ik heb ik kik ruym vier dagen
zitten hoetelen op die Papaver. Da Kapelleke da gunds
zit heet drie zomersche dagen met ieen spel vastgespieet geweest
tegens mainen Schilderesel ieer ik kik het kon mieester
worden, moor nouw ontbeert\'er ook niet anners aan as de
sprook, &c. Op dien trant ging den Bloemschilder voort
zonder ophouden, en hy zou dat airtje zo lang hebben
gerekt als ruytenloot, indien die Princes, die niet gewoon
was zodanige lucht te ruyken, niet was opgestaan
en vertrokken, geevende in het uytgaan eenige dukaaten
aan Madame Verendaal, met een verzoek, van den Heer
Verendaal wel te trakteeren, die een welleevent Man was,
en een verdienstig Konstschilder, het geen echter by die
Ligtdomdyne niet wiert nagekomen, want den ongelukkige
Schilder moest dikmaals eenige verwen verkoopen
aan zijne Leerlingen, om een potteke Leuvensbier te gaan
drinken. Hy stierf binnen zijn Geboorteplaats Antwerpen,
en wiert onder het luyden der klokken, en onder
het lollen der Paapen, ondergedompelt in de gewyde
aarde.
N. MO-
|
|
-ocr page 255-
| |
| N. MOREL
| | Is een Leerling geweest van den bovengemelden Verendaal,een
braaf Bloemschilder, die alommers zo ongelukkig
op zijn ouden dag is als zijn Meester. Hy heeft
een schoone breede manier, zijn bloemen zijn wel gekoloreert,
los geordonneert, en flodderachtig geschildert,
in zonderheyt schildert hy zijne witte bloemen zo dun als
glas, maar het gemeenste van zijn konst zijn de groene
blaaders, en andere kruyden. Hy had goede dagen ten
tijde dat Klemens, Hartog van Beyeren, Gouverneur
was van de Spaansche Nederlanden. Op die tijd leerden
wy schilderen tot Antwerpen, en dewijl ik, zegt den
Schryver van dit boek, veel tot Morels lof hoorde
papegaayen van de Antwerpsche Hannekens, begaf ik my na
Brussel om dien konstige Bloemschilder te bezoeken, die
aldaar een huys bewoonde als een Paleys, doch gemeubeleert
als een Kortegaart van Spaansche Soldaaten. Hy
ontfing my zeer beleeft, toonde my boven de dertig zo
opgemaakte als begonne Bloemstukken, dewelke waarlijk
konsig waaren geordonneert en geschildert, en dat gedaan
zijnde verzogt hy my om een bouteille wyn met hem
te drinken. Wy gingen zitten by een schoone fonteyn
in de bassecour van zijn huys, en aldaar begon hy te
klimmen op zijn Kastilliaansche Paarden, zeggende, dat
hy een gewonnen en geboren Edelman was, die op dat punt
geen haair breete behoefde te wyken voor den Hartog van
Beyeren; dat hy de Schilderkonst enkelyk voor zyn plaisier,
en niet als een broodwinning oefende, want dat hy verscheyde
domeynen had leggen om en tom Brussel; en dat hy
wenschte uyt de grond van zyn ziel dat alle Konstschilders
gelyk als hy konden bestaan, en alzulke gaskonades. Na dat
wy onze derde bouteille hadden ontkurkt, verzogt ik
hem
|
|
-ocr page 256-
| |
| hem om eens boven op den toren van zijn huys te gaan,
en de schoone omleggende gezigten van Brussel te beschouwen,
dat hy beleefdelijk toestont, en daar op klommen
wy na boven gelyk als een paar Leydekkers. Na
dat wy on ze oogen hadden verlustigt in die heerlijke gezigten,
vroeg ik aan den adelijken Bloemschilder, waar
omstreeks dat zyne domeynen en adelijke landgoederen
waaren gelegen? waar op hy zonder de geringste bedeestheyt
andwoorde; Ho, mayn Heer, die leggen zo wait van
hier da me al ieen lange verrekaiker zou moeten hebben om
die te beraiken. Ook was dat de waarheyt, want wy gelooven
dat den alderlangste Verrekyker van den beruchten
Hartszoeker dat mirakel niet zou hebben konnen verrichten
| | Dat de meeste Schilders aan vreemde invallen en aan
zotte luymen onderhevig zijn is alom bekent, en dat dien
Heer Morel ook geen kleyntje met die ziekte behebt was,
zullen wy met een enkelt voorbeelt bewyzen.
| | Ik hielt my, zegt den Autheur, eens eenige weeken
op tot Brussel, om de leevenswijze van het wellustig Hof
des Hartogs van Beyeren te beschouwen, die op die tijd
leefde, gelijk als wel eer Karel den tweede Koning van
Groot-Brittanje leefde, Hofpoppen en Gonstelingen by
\'t gros, en in die tijd ging ik den Konstschilder Morel
dikmaals bezoeken. Op een zekere namiddag wiert ik
ingelaaten by een Meyd die zo nat was dat zy droop,
en die my al lacghende zey, dat haar Heer met eenige
andere Heeren zat te drinken op het torenkamertje, en
dat hy order had gegeeven van een ieder die na hem
vroeg te laaten opkomen. Ik klom dan na boven, daar
ik den Bloemist, benevens het gezelschap bestaande in
drie persoonen zag zitten drinken en klinken in gloria,
en na dat ik een stoel had gekreegen dronk en klonk ik
als de rest, \'s lands wijze, \'s lands eere. Na dat ik eenige
|
|
-ocr page 257-
| |
| nige glaazen Bourgonjewyn had gedronken, vroeg ik aan
Morel met wien ik reeds gemeenzaamelijk ommeging,
hoe dat zijn Meyd zo nat was geworden? waar op hy
schaterende door het onmaatig lacghen andwoorde; Bai
God! Campo, da zal ik ouw vertellen. Ik kreeg ieen gier,
en zai, Jenno, wilde me wel ieens ieen plaizierke geeven?
en zai andwoorde, O Ja, main Heer, as het ouw Edele
moor zal gelieven. Daar op brogt ik kik dai Malloot na de
kom in main Bassecour, en ik zai, daar Jenno, daar zain
ses permissie schellingen, spring in de fontain, en zo dra ha
ik da niet gezait, of zy vloog as ieen Aisvogel in \'t water;
en ik ha zo ieen kortswyl in dai gril, dat ik haar vaiftig
of sestig permissie schellingen liet verspringen. Ik wil wel
bekennnen, dat dat verhaal my surpreneerde, dewijl my
zulks een leevent denkbeelt gaf van de zotte luymen der
Konstschilders, en het is my leet dat ik hem pas zeven
jaar geleden heb gekent, dat hy in een paar weeken geen
vijftig permissie schellingen kon winnen. Hy is noch
woonachtig tot Brussel daar hy de Schilderkonst oefent
als van te vooren, die niet is verbetert met de jaaren.
N. CREPU
| | Is een Waal by geboorte, die in zijn jeugd en ook in
zijn manbaarheyt den oorlog volgde, en in de hongerige
qualiteyt van Spaansche Luytenant de partisaan voerde.
Hy had altoos een groote zucht voor de Schilderkonst,
en schilderde somtijds in \'t leger op een stuk van zijn
kampagne tent by gebrek van een geplemuurt doekje; en na
dat hy afgedankt was op een jaarlijks inkomen van Spaansche
beloften, begaf hy zich naar Antwerpen, en zette
zich tot schilderen. Het is onbegrypelijk dat een Man
die tot op zijn veertigste jaar de trommel nadraafde, zo
een heerlijk Bloemschilder is geworden zonder het onderwys
|
|
-ocr page 258-
| |
| wijs van eenig Meester, want hy was in zijn soort en in
zijn eeuw voor een van de alderbeste Bloemschilders berucht
in de Spaanssche Nederlanden. Zijn bloemen zijn
zo dun geschildert als water, en heerlijk getekent, wel
gekoloreert, meesterlijk getoetst, en daar is een verstandige
schikking en houding in zijne tafereelen. Wy hebben
een stuk van hem gezien dat hy aan een Bakker in
voldoening had gegeeven voor vyf a sesendertig gulden
aan gelevert brood, dat zo schoon was dat wy\'er verstomt
over stonden te kyken. Het voornaamste van dat
konststuk was een vaas vol bloemen konst- en geestrijk
geordonneert, en waar op inzonderheyt de roode en
de witte Roozen zo lieftalliglijk waaren behandelt,
dat zy van rypheyt scheenen te druypen, zo wel als de
Heulbloemen en de Tulpen die verwonderlijk waaren in
de oogen der Konstkenners. Op den voorgrond had
hy een driekleurige Amaranthus en eenige andere Kruyden
geschildert, benevens een water waar in men verscheyde
aardige schulpen, hoornen, zee gewassen, paerlen,
en rivierkreefjes zag leggen, alles zo vriendelijk verkoozen
en zo geestrijk gemaalt dat men zich niet kon
verzaaden in het beschouwen. Naderhant is\'er aan dien
Bakker hondert dukatons gepresenteert voor dat Bloemstuk,
doch of hy het voor die prys heeft afgestaan,
konnen wy niet zeggen.
| | Hy trouwde al vry ver in de veertig jaaren met de
Dochter van den Minjatuurschilder Pauli, oud vijftien a
sestien jaaren, een Meysje dat zo veel geld had als een
paard met zijn hoef kan toenypen, zynde hy zelf zo
ryk als de gereduceerde Spaanssche Luytenants doorgaans
zijn, zo dat de Bruyd de verdubbeling der armoede tot
een bruydsschat brogt onder het huysdak des Bloemschilders.
De Bruyloft wiert gehouden, volgens het verhaal
daar
|
|
-ocr page 259-
| |
| daar van aan ons gedaan door zijn leerling Simon Hardim,
met een schotel zoute visch en een dozyn gezoode en
gebraade haringen, en de bruylofts koets wiert gespreyt
langs het element der aarde op den scharlaken mantel des
Konstenaars, en daar op ging dat paar vrolijk en zorgeloos
leggen kussen. Hy bewoonde een tamelijk groot huys
met een groote tuyn daarachter, die hy bezaaide met allerley
soort van bloemen en kruyden, en dat was loffelijk:
maar in stee van na die bloemen naarstiglijk te schilderen,
vermalde hy zijn tijd in het toestellen van vogeltjes knippen,
of in het vangen van witjes en veel kleurige Vlindertjes,
zo dat de armoede hoe langer hoe meer haare
wortels schoot in die bedroefde huyshouding.
| | Maar inzonderheyt was hy een doodvyant van de Antwerpsche
konstkoopende keelbeulen, die hy niet mogt
zien noch luchten, dewijl hem die den voet op den nek hielden,
en pas zo veel gaaven voor zijne schoone Bloemstukken,
als\'er wiert vereyscht om zijn elendige leevensspan
uyt te rekken. Op een tijd zond hy een stukje na
de Vrydagsmarkt, op hoop van dat aldaar tot meerder
voordeel te verkoopen, doch het had pas een halfuur gehangen
voor de luyffel van een afslaager, toen zijn leerling
Hardim, die gelast was van te luysteren wat\'er wiert gepraat
over dat stukje, hem kwam waarschouwen, dat
een Konstkooper het tot niet stont te verachten. Crepu
die zo schielijk vuur vatte als een doosje versche tondel,
vloog achter na zijn tuyn, en brak een steevige stok uyt
een wyngaart, die hy onder zijn mantel verborg, en daar
op marcheerde hy na de Vrydagsmarkt, daar hy dien
konstkooper noch dien zelven text van konstverachting
hoorde verhandelen. Fluks greep hy hem by zijn vacht,
wierp den mantel op de grond, en diverteerde dien
kwaadspreekenden keelbeul zo hartiglijk dat hy hem gerekt
|
|
-ocr page 260-
| |
| rekt en gestrekt voor half dood liet leggen.
| | Het wiert hem ten laatsten zo benauwt binnen Antwerpen,
dat hy voor goed by nacht vertrok na Brussel zonder
zijn Schuldeysschers te waarschouwen, die ontrent zo
een Inventaris vonden in het huys van Crepu, als\'er
opggetkent wort in het Blyspel van Brederoos Spaanschen
Brabander. In die Hoofdstad der thans Oostenryksche
Nederlanden ontmoete hy een avontuur, die hem haast
had gebragt aan het dwarshout der dieven. Den Spaanschen
Gouverneur liet een tam Hert door die Stad loopen,
dat zo mak was dat het in de Borgerhuyzen
liep snuffelen als een Hond, zonder iemant te bel-
digen. Onze Bloemschilder die op een winterschen
avond tot laat in den nacht Brussels Pharosbier had
zitten drinken met zyn boezemvriend den Doktoor
Frooi, en braaf bestooven naar zijn logement defileerde,
ontmoete gevalliglijk dat Hert, dat op zijn achterste
stangen ging staan, en hem met de voorste omarmde.
Het was pikdonker, zo dat Crepu niet kon zien war hy
voor had een spook of een dier, doch braaf en daar by
braaf beschonken zijnde, trok hy zijn degen en stiet dat
dier overhoop, dat eenige zuchten gaf, en dood nederviel
voor zijn voeten. Den stoute Crepu, die vry ontnuchtert
was geworden door dat voorval, examineerde dat
spook en bevont dat hy het tam Hert had doodgestooken,
waar op hy het op zijn schouders torste en\'er mee na
zijn huys slenderde om het in het zout voor alle toevallen
te bewaaren, en\'er een gedeelte van den winter lekker
van te smullen met zijne Huysgenooten, want de Spaansche
Officiers vallen niet afkeerig van een gestoolen brokje.
Daags daar aan wiert het Hert gemist, waar op den
Gouverneur order gaf van een naauwkeurige navorsching
te doen, doch vruchteloos, zijnde het nergens te vinden.
Den
|
|
-ocr page 261-
| |
| Den Opperjaager verzogt daar op den Gouverneur te spreeken,
en zey dat hy zich sterk maakte van het leevent of dood
te vinden, indien zijne Excellentie zulks geliefde te
ordonneeren, die hem dat toestont, en daar op nam dien Jager
alle de brakken, liet de jagthoorns steeken, en doorrende
alle de sraaten van Brussel. Zo dra was hy niet gekomen
voor het huys van den onschuldigen Moordenaar of de
Brakken kreegen de lucht Van het Hert, en vloogen als
Leeuwen de deur in, welk geluyt Crepu zo doodelijk in
de ooren klonk dat hy palet en penceelen neerwierp, na
de zolder vloog, en zich over vyf a ses huyzen sauveerde,
zeggende tegens een borger die hy alleen vond by zyn
Meyd die gevalliglijk op de zolder lynwaat ophing, dat
hy een Man was die een neerlaag had gedaan, die hem daar
op langs een achterdeur liet sluypen, en omkyken na een
belle echappade. Daar op gaf den Gouverneur last van
dien Bloemist te apprehendeeren dood of leevend, en
waarschynlyk zou hy hem het laaste daglicht hebben laaten
zien langs een hennepe verminderglas, indien hy
hem by de kop had konnen krygen in zijn eerste gramschap;
maar onderwijl dat die verkoelde, maakte den
Schilder zo veele vrienden op die voor hem solliciteerden,
dat die Excellentie van de omstandigheden onderrecht
zynde hartiglijk lacghte, en beval dat hy op zijn woord
kon wederkeeren, zonder dat hem iets kwaads zou wedervaaren,
waar op Crepu wederkeerde tot Brussel, en
zich naarstiglijk nederzette tot schilderen.
| | Maar nu volgt zijn laatste doodelijke avontuur die hy
zich zelven op den hals haalde door zijn Onmaatigheyt,
en die eene eynde maakte van alle zyne avontuuren.
| | Een Brussels Heer bestelde hem een koets om die te
beschilderen met zijn wapens en met bloemen, zijnde het
op die tijd de mode van te ryden in geschilderde koetsen.
Crepu
|
|
-ocr page 262-
| |
| Crepu begon die koets te schilderen, en was reeds geavanceert
tot over de grootste helft, toen zijn krediet verslapte
of liever dood liep by den Bakker, Brouwer, Slager
en Vischkooper, derhalve vervoegde hy zich by een
zeker Advokaat zijn vriend die ons dat geval, benevens
het voorgaande heeft verhaalt, en hy smeekte hem in zeer
demoedige termen van by dien Heer een goed woord te
willen doen ten zynen voordeel, dewijl hy in de alderuyterste
verlegendheyt zich bevont om vyfentwintig
Rijksdaalders, die hem tot een spoor zouden strekken
om die koets met meerder lust te voltrekken. Den Advokaat
voldee zijn verzoek, en stelde dien Heer het Request
des berooiden Konstenaars zo smaakelijk voor, dat
die in het verzoek bewilligde, en aan dien Rechtsgeleerden,
in stee van vyfentwintig, vyftig Patakons gaf om die
aan den Bloemschilder te behandigen. Den konstryken
maar doodarmen Crepu was als uytgelaaten door een
overdaadige blyschap op den ontfangs van die penningen,
die zond aan stonds om zijn boezemvriend den Doktoor
Frooi, liet hem dien schat kyken, en gilde uyt; Ziet
eens, Sakrament! wat voor een Schilder dat ik ben, die
vyftig Patakons heb ik ontfangen in stee van vyfentwintig
daar ik om had gevraagt, nu zyn we behouden, en wy zullen
eens een dag vyf a ses teeren en smeeren als Baanderheeren.
Den Doktoor die geen pollevyen onder zyn
schoenen, of geen schoon linnen droeg in de hondsdagen,
trok zijn schouders op van vreugde gelijk als een Brabandsche
Kerkbedelaar die een halve permissie schelling
krygt tot een aalmoes, en liep als een windhond na de
Hal en na de Vischmarkt om vleesch en visch te koopen,
dat fluks wiert gezooden en gebraaden, en half
raauw verslonden. Na die Heeren maaltijd leyde den
Bloemschilder den Doktoor naar het Schippers huys,
een
|
|
-ocr page 263-
| |
een deftige Wynherberg binnen Brussel, en aldaar ging
dat doorluchtig paar, dat daags te vooren zo veel geld
niet had om een glas bier te betaalen, de lekkerste Bourgonjewyn
zitten ingulpen als water. Dat Brits leeven
duurde drie dagen en zo veele nachten, doch op den
vierden dag kreeg Crepu een heete koorts door dat onmaatig
zuypen, die hem binnen korte dagen uyt dit
sterfelijk leeven rukte, zonder dat zijn boezem vriend den
verfoeielyken Geneesheer Frooi hem kon behouden door
alle zijne Paracelsische moordmedikamenten. En nu
zullen wy den dooden Bloemschilder laaten berusten,
om de konst en om het leeven te beschryven van zijn
Leerling Sinjoor
SIMON HARDIME.
| | Die Sinjoor is geboren tot Antwerpen uyt een Walsche
vader en een uyt Antwerpsche moeder, en wat voor
een
|
|
-ocr page 264-
| |
| een heylzaame inborst dat\'er uyt een diergelijke vermenging
is te hoopen, konnen de Natuurkundigen beter uytleggen,
als de Fabriekeurs in zyde en in wolle stoffen.
Hy is een Leerling van den beruchte Konstschilder Crepu,
onder wiens opzigt hy een goed Bloemschilder is gewor.
den, doch die wel zo konstig schilderde voor de dertig,
als na de dertig jaaren. Hy heeft een schoone breede
manier, en koloreert zyn bloemen wel, inzonderheyt als
hy schildert na het leeven; maar hy verstaat de schikking
of de houding alzo min als het uyltje, dat in het bovenstaande
Vignetje aan de voeten van de Godes der Geleerdheyt
zit te pryken. Hy heeft de eer gehad van een
Schoorsteenstuk te hebben geschildert op het Hof van Breda
voor den Koning van Engelant Willem den derde,
dat weergaaloos schoon is van houding en van bloemen,
en wiens gelyk hy voor of na niet uyt zyn konstpenceel heeft
zien rollen. Ook heeft hy verscheyde Bloemstukken geschildert
voor Milord Scharboroug, voor welgegoede Antwerpsche
en Brusselsche Koopluyden, en voornaamelyk
voor een paar broeders, beyden Kanonikken van St. Jakobs
Kapittel tot Antwerpen, en beyden te wys om opgeslooten,
en te zot om alleen by het vuur vertrouwt te worden.
| | Die Simon Hardim is een kluchtige Kabouter, die
zijn leevenswyze verdeelt tusschen de Kerk, en tusschen
dronken drinken, want als hy \'s avonds te vooren zo vol
als een zwyn na bed is gekroopen, is hy gewoon zich \'s
anderendaags te beroemen in deeze termen; Bai God!
Messieurs, ik wou wel om een stoop Leuvensbier datge gisteren
avond bai ons woord geweest, we hebben ons zo geestig
gediverteert da ik kik het niet kan na vertellen. \'s Ochtends
vroeg rende hy gemeenlyk na de eene of na de andere Kapel,
gelyk als een Bouloneesche Postesel, om de eerste Mis te
knappen, waar onder hy dan zat te steenen en te zuchten
gelyk
|
|
-ocr page 265-
| |
| gelyk als een jonge vrouw die voor de eerste reys is benoodigt
om Lucinas hulp, en die Mis gehoort hebbende nam hy
een slok Antwerpsche genever, en ging dan naarstiglijk zitten
schilderen. Voor de rest was hy altoos onder de Paapen
verwart, met dewelke hy zich drie a viermaal per week
losselyk volsoop in het Ramshooft, in het Schutters
hoske, in de Granaat, in Kelders, en in alzulke dollemans
bierkastelenyen. Doch toen den Bisschop van Antwerpen
een verbod had laaten uytgaan, dat geene weereldlyke
Priesters langer zouden vermoogen te gaan in eenige
publieke Bier- of Wynhuyzen, om de groote ergernis
die zy gaaven door hun dagelyksche dronkenschap en
onbeschofte diskoerssen, namen de Heeren Paris, de Hond,
de Borrekens, vander Speek, benevens noch drie a vier
Oremusbroeders van de natte gemeente, een schuylplaats
by een verzoopen Antwerpschen vleeschhouwer die een
schoon wyf had, daar hy zo min gebruyk van maakte als
van zijn Kerkboek, en onze Konstschilder S. Hardim
maakte een van dat gezelschap uyt, in welk huys zy
dronken en klonken dat de gebuuren\'er over dreygden
te klaagen, welke dreygementen zy echter niet werkstellig
maakten, dewyl een Antwerpsche Sinjoor een groote
eerbied betuygt voor een Priester Godes. Dat stichtelyk
leeven rekte hy zo lang uyt als de winst van het konstpenceel
die onkosten kon goedmaaken, en toen hy gewaar
wiert dat hy dat handje niet langer kon uythouden, vertrok
hy uyt Antwerpen by zyn broeder in \'s Gravenhage,
by wien hy zo welkom was als een hond in een spel kegels,
waar op hy zijn koers zette na het koopryk Breda,
daar den borger meer benoodigt is om brood als om schilderyen.
Eyndelyk stak hy over naar Engelant, daar hy
het tamelyk wel stelt, zo wy gehoort hebben, en dewyl
hy een goede hals is, wenschen wy hem alles goeds toe,
en
|
|
-ocr page 266-
| |
| en wy verhoopen dat hy daar in tot aan zyn laatste uur
toe mag volharden.
SIMON VERELST
| | Is een Schilder geweest uyt duyzent, een Man die met
zo veel oordeel zyne bloemtafereelen schikte, dat men
ze alommers zo zeer om de heerlyke houding, en om de
aardige lichten en schaduwen die hy daar op te pas bragt
moet beminnen, als om de keurlyk geschilderde bloemen.
Zyn konspenceel is breet, zuyver en snel, drie qualiteyten
die juyst alle bloemschilders niet bezitten, en schoon
hy zeer uytvoerig schilderde, echter wist hy die breede
manier te bewaaren op zyne bloemen en fruyten, dewelke
zo wel van verre hunne werking doen, als van na by,
gelyk als alle de echte Konstkenners moeten bekennen.
Het is ons gelukt zeer veele heerlyke bloemstukken en
fruyttafereelen van dien beruchten Konstschilder Simon
Verelst gezien te hebben, doch de meesten en de besten in
Londen, in welke Hoofdstad die met lantarens worden opgezogt,
want de Engelschen kennen zeer wel de innerlyke
waarde van een schoon tafereel. Maar het kapitaalste
stuk en ook het heerlykste, hebben wy ontrent acht jaaren
geleden zien verkoopen in Londen voor vyf a seshondert
guldens, een bloemsuk zo heerlyk geordonneert, zo verstandiglyk
geschikt, zo konstiglyk en zo uytvoeriglyk
behandelt, dat wy, en meer andere Konstbeminnaars,
ons niet volkomentlyk in deszelfs beschouwing konden
verzaaden. Het groote licht van dat verwonderlyk Bloemtafereel
bestont uyt drie witte Roozen, benevens derzelver
knopjes, de sommige half open, en de anderen eerst
aan het opengaan, nevens welke bloemen hy een paar
roode Roozen had gevoegt, en een doorryp Egelantierroosje
dat door malsheyt van zyn steel scheen te druypen.
In
|
|
-ocr page 267-
| |
| In de witte Roozen kon men het water natuurlijk zien
speelen, en het wit was zo konstiglyk gebrooken door veelkleurige
en doorschynende warme schaduwen, dat wy
bleeven hangen tusschen de Natuur en de Konst. De roode
Roozen scheen eerder getovert te zyn, als geschildert,
en men zag de zon dartelen op derzelver breede bladers.
Onder anderen had hy in het bovenste van die bloemvaas
een Heulbloem gebragt die zyne bladers strooit, welke
bladers hier en daar op de onderstaande bloemen vielen,
en geen geringe luyster aan dat bloemtafereel byzetten,
wiens groene bladers, kleyne bloemtakjes, waterdroppels
en insekten, zo vlindertjes als spinnen, zo overheerlyk
en uytvoeriglyk waaren geschildert, dat het in ons vermogen
niet is alle die wonderen te beschryven na hunne
waarde. Noch hebben wy een groote tros druyven, benevens
eenige groene bladers, aan een blaauw lint hangende,
by die zelve konstryke hand geschildert, zien
verkoopen voor twintig Guinees, welke druyvetros zo
natuurlyk en rond was geschildert, dat die tros eer een waare
druyvetros geleek als een geschildert tafereel. Zo een
Konstbeminnaar zich wil zien overtuygen, dat ik my niet
begeeven heb buyten den omtrek des waarheyt, die behoeft
zich maar aan te geeven by den door de gantsche
weerelt beruchten en geleerden Hoogleeraar, den Heere
Boerhave, Professor Botanicus op de Hooge Schoolen
tot Leyden, welke Heer een Kabinetstukje bezit geschildert
by Simon Verelst, een konstjuweel dat voor geene
bloemschilderyen de vlag behoeft te stryken, en dat wy
noch onlangs met een diepe verwondering hebben beschouwt.
De zon schiet zyn straalen door dat lieflyk
Kabinetstuk waar op twee Tydeloozen staan verbeelt, zo
dun gekoloreert en zo verstandiglyk geschikt, dewyl de onderste
voor het grootste gedeelte in de schaduwe is gehouden,
|
|
-ocr page 268-
| |
| houden, dat men niets kan zien dat daar boven zal kraaijen.
Op dat zelve stukje is ook een geele bloem geschildert,
zo wonderlyk gekoloreert, zynde alle de koleuren
zo levendig, dat het een wonder schynt, hoe die groote
Man de konst zo ver heeft weeten na te speuren.
| | Maar wie zou nu konnen gelooven dat die Konstzon
zo rampspoediglyk is verduysert geworden door den
eklips der glorie, niet tot over de grootste helft, maar
in \'t geheel, zo dat men t\'zedert die zonnetaaning geen
schaduw van S. Verelst op zyne bloemen heeft konnen
vinden. Wy gingen hem ontrent achtien jaaren geleden
dikmaals bezoeken, zynde hy op die tyd gelogeert, of
liever op de galey vastgeklonken, by een Londensche
Konstkooper, genaamt Lovejoy, woonachtig in de strand
een der voorsteden van Londen, en wy konden ons
niet genoeg verwonderen, hoe het mogelyk was, dat die
Man zo was vervallen. Zyne geschilderde bloemen waaren
niet alleenlyk voos en wolachtig gepenceelt, maar
ook daar by mistkent, en zo groot van omtrek, dat de
roode en witte Roozen tweemaal grooter waaren als het
leeven, en de Peonien en de Papavers schilderde hy niet
minder van circumferentie als gemeene tafelassiettes.
Voor al waaren de groene bladers deerlyk gekoloreert,
en men kon geen groene roode Roozenbladers uyt de
witte onderscheyden, ook gelken de breede Heulbladers
meer na lappen van groene dekens, als naar iets anders.
Den Leezer zal waarschynlyk belust zyn om de oorzaak
van dit verval in de konst te weeten, en wy zullen hem
van die nieuwsgierigheyt geneezen.
| | Den Prins van Cond, die eenig misnoegen had opgevat
tegens het Fransche Hof, stak over na Londen, onder
de Regeering van Karel den tweede, en die Vorst,
benevens den Hartog van Buckingham, waaren de aldereerste
|
|
-ocr page 269-
| |
| eerste grondleggers van zyn verderf. Zy hadden opgemerkt
dat S. Verelst zeer glorieus en vry hongerig was na
loftuytingen, want als een ander hem niet prees, prees
hy zich zelven, en die gelegendheyt greepen die twee
hooge Persoonagien by \'t hair om hem te doen buytelen.
Zy vroegen hem of hy, die zo een groot Konstschilder
was, hunne Konterfytsels niet zou konnen schilderen?
want, zeyden zy, niets is boven het vermoogen van zo een
Konstpenceel, en den glorieuze Konstschilder nam fluks
dien haak in, en repliceerde, dat hy, God dank, alles kon
schilderen wat\'er te zien was onder het azuure uytspansel
des hemels. Daar op wiert\'er een tyd bestemt om te zitten
voor die konterfytsels, en zo hy aan den eene kant
het geluk had van die Persoonaagien te treffen, had hy aan
den anderen kant het ongeluk van die te behandelen als geschilderde
Zonnebloemen, waar door den Koning Karel,
en alle de Lords en Gonstelingen, op het eerste gezigt
van die gekonterfyte Prinssen zich schier te barsten moesten
lacghen. Den Prins van Cond gaf hem hondert, en
den Hartog van Buckingam sestig Guinees, en zy zwoeren
hoog en laag, dat de Ridders A. v. Dyk, P. P. Rubens,
en Pieter Lely, zo min in het konterfyten by hem
te pas kwamen, als een Oesterhoertje vergeleeken kan worden
by de overschoone Hartoginne van Kleeveland, en zo
voorts. Die glorieuze Konstenaar wiert zo opgeblaazen
door die ryke geschenken, en door die onbepaalde loftuytingen,
dat hy het niet langer kon harden van glorie,
hy sliep zo min \'s nachts als Mas Anjello, hy verwaardigde
zich niet eens van zyne Konstgenooten te groeten,
ook stak hy het penceel in \'t dak, en hy ging geheele
dagen alleen al mymerenden wandelen. Eyndelyk wakkerde
die ziekte zodanig dat hy in een krankzinnigheyt
verviel, hy liet een fluweele kleed maaken, verniste zyn
hoed
|
|
-ocr page 270-
| |
| hoed en schoenen, ging in de zon spansseeren, en zey tegens
die geenen die hem aanspraaken; Sta af, ik ben den
God der bloemen, en den Koning der Konterfyters. Ja dat
meer is hy liet aan het Hof van Whithal vraagen; Of zyn
Majesteyt ook belet was, dat hy anderszins zich de eer
zou geeven van een uurtje met hem te komen praaten; en hy
deed\'er byvoegen, dat hy verhoopte dat hem zulks niet zou
geweygert worden, dewyl het onderscheyt van fatsoen niet
veel verscheelde tusschen hun beyden, zynde hy Karel Stuart
Koning van Groot-Brittanje, en hy Simon Verelst Koning
der Konstschilders. Eyndelyk wiert hy zo vreeslyk gek,
dat de vrienden genootzaakt waaren hem een geruyme
tyd te logeeren in een duyster vertrek voorzien met
versch stroo, en alhoewel hy t\'zedert tamelyk by zyn
verstant is gekomen, echter heeft hy nooit als van te
vooren konnen schilderen.
| | Den tyd en stond van zyn overlyden is ons onbekent,
hy was vry bejaart toen wy hem leerden kennen, zo dat
hy waarschydelyk thans ter plaatzen is daar hy geene
bloemen of fruyten meer behoeft schilderen.
N.VER
|
|
-ocr page 271-
| |
N. VERELST
| | Is de Nicht van dien rampzaligen Bloemschilder,
en alhoewel zy merkelyk verscheelen in jaaren, zullen
wy haar echter op den Oom laaten volgen. Die schoone
Juffer is een zeer verdienstige Historie- en Konterfytselschilderes,
die indien zy wegens de konst met Minerva
zou moeten kampen, min slegt van de reys zou komen
als de hier boven uytgebeelde Arachne, want de aardsche
Konstgodinnen zyn hedensdaags wel zo vermoogende als
de olympische Konstgodessen. Wy hebben onderscheyde
Historiestukjes en kleyne Konterfytsels van haare konstryke
hand gezien in verscheyde Londensche Konstkabinetten
meesterlyk en konstiglyk geschildert, ook heugt
het ons niet ooit zulke schoone beelden te hebben gezien,
geschildert by een vrouwelyk penceel, als van die bevallige
Juffer.
| | Doch de Schilderkonst was haar eenigste talent niet,
zynde zy niet alleenlyk zo taalkundig als eene Anna Maria
Schuurmans, maar ook afgerecht op veelerhande Muziek
instrumenten. Op het kapittel der Taalkunde
zul-
|
|
-ocr page 272-
| |
| zullen wy den Leezer een aardig geval verhaalen.
| | Die Juffrouw Verelst was eens in het gezelschap van
een Konstschilder en van haar Moei na het Londens
Schouburg gegaan in Drury Lane, en kreeg gevalliglyk een
plaats in een Logie, waar in vyf a ses Hoogduytsche
Heeren zaaten. Na het eersten bedryf begonnen die Kavaliers
te praaten over de schoonheyt en over het bel air
van onze Konstschilders in hun Moedertaal, en dewyl
zy zich uytlieten in buyten spoorige loftuytingen, keerde
zy haar eyndelyk om, en sprak in goed Hoogduyts;
Waarlyk, Heeren, men behoort de zeedigheyt van een jonge
Juffer meer te verschoonen, en haar zo bovenmaatiglyk
niet te pryzen in haar tegenwoordigheyt. De Heeren Germaanen
stonden zo verstomt te kyken als Klokkengieters
die een kwaade geut hebben gedaan, en zy verzogten pardon
in langdraadige komplimenten. Na het tweede bedryf hervatten
die Heeren hun diskoers in de Italiaansche taal, en
kreegen het zelve bescheyd in die als in de Hoogduytsche
taal, zo dat zy niet wisten wat te zeggen. Voor de derdemaal
zey een van die Kavaliers in \'t Latyn, dat zy nu echter
niet verstoort zouden worden in hun tot tweemaal toe
afgebrooken diskoers, en daar op begonnen zy in die
taal een gesprek te houden over haare ongemeene qualiteyten.
Mejuffrouw Verelst liet die Heeren een tyd lang
Praaten, en keerde haar toen om voor de derdemaal; En
waarom (sprak zy vriendelyk lacghende) zouden de Heeren
meer bevoorrecht zyn om de Latynsche taal te bezitten
als de Vrouwen? en is het niet genoeg (vervolgde zy) van
onze Sexe buyten alle publieke digniteyten te hebben uytgeslooten,
zonder die noch daarenboven buyten de Taalkunde te
willen sluyten? dat bescheyd trof de Heeren Duytschers
als een donderslag, zy keeken malkanderen eens aan
zonder te konnen spreeken door verwondering, maar ten
laatsten
|
|
-ocr page 273-
| |
| laatsten verzogt een jonge Graaf van dat gezelschap,
of hy de eer mogt hebben van haar woonplaats te weeten,
en haar een visite te moogen geeven? waar op zy
repliceerde; Het geheel gezeelschap van de Heeren kan my
komen zien als het hun zal gelieven, want ik ben een
Schilderes, en gevolglyk een persoon die een iegelyk moet ontfangen.
Daar op gingen die vyf Edelluyden \'s anderendaags
die schoone taalkundige Konstschilderes bezoeken,
en lieten zich alle vyf vervolgens konterfyten, welke
Konterfytsels zy hoofd voor hoofd met een aanzienlyk
present, behalve de betaaling, vergezelschapten.
| | Wy hebben van haar dood niets gehoort, en verhoopen
dat zy noch woont onder levenden; en na dien
wensch zullen wy ons vervoegen tot den konstryken
Historieschilder
N. VAN SCHOOR.
| | Die braave Konstschilder is of te Brussel of tot Antwerpen
geboren, en verdient wel een plaats van eer onder
de Konstschilders. Hy had een lieflyk koloriet en een
vriendelyk schilderwyze, was een braaf Tekenaar, een
stout Ordonneerder, kort om, een verdienstig Konstenaar.
Zyn voornaamste talent bestont in het schilderen van Patroonen
voor de Brusselsche en Antwerpsche Tapissiers,
ook maalde hy verscheyde half naakte Nymfen en Kindertjes
voor de Bloemschilders, om die te stoffeeren met
Bloemen, Vruchten en Kruyden, en wy hebben verscheyde
stukken van dat soort by hem en by den Bloemschilder
Morel geschildert, en met landschappen of achtergronden
by Rysbregts gepenceelt, gezien, dewelke de
oogen vastgehegt hielden op haare bekoorelykheden.
Vorders was hy een vriendelyk man, die zyne uuren naarstiglyk
verorberde, en een fraaye stuyver aan geld, de
vrucht
|
|
-ocr page 274-
| |
vrucht zyns arbeyds, aan zyne huysvrouw heeft nagelaaten.
Hy is gestorven tot Antwerpen, na dat hy die Stad had verreykt
met onderscheyde schoone konsttafereelen, daar in
gelyk aan de veel kleurige Vlindertjes, die na het leggen
van hunne eytjes sterven, om tegens de toekomende Lente
in hunne geboorte te herleeven.
N. EDEMA
| | Is een konstig Landschapschilder geweest, die wy gemeenzaamelyk
hebben gekent, een Konst- en Tydgenoot
der bovengemelde Konstschilders. Hy was zo
het ons wel voorstaat een Vries by geboorte, die, gelyk
als Juffrouw Merian na Suriname overstak om de Vlindertjes
en andere kruypende en vliegende diertjes van die
luchtstreek te konterfyten, insgelyks na de Engelsche
Westindien overvoer, om de rotsen en klippen van die
Gewesten uyt te tekenen en te schilderen, ook bestaan
zyn meeste Konsttafereelen in veel kleurige rotsen, gebergtens,
en hemelhooge klippen. Die Konstenaar bezat
een heerlyk penceel, en een fixe behandeling, was
een goed koloreerder, en verstont zeer wel de houding
van een schildery, maar hy was niet afgerecht op het
schilderen van beelden, of dieren, dewelke andere Schilders
|
|
-ocr page 275-
| |
| ders gewoon waaren voor hem te maaken. Het was een
groot jammer dat dien groote Konstschilder alommers zo
verzot was op de Gravesche wyn, als een oude geyle
Weduwe verzot is op een fris jong kaerel, en dat vocht
gaf hem den doodsteek, zynde hy geen liefhebber van
de Engelsche poppen of van eenige andere gezondheytkrenkende
overdaadigheden.
| | Onder de Regeering van Willem den derde, Koning
van Groot-Brittanje, deeden de Messengers op een nacht
huyszoeking naar eenige Yrsche Priesters binnen en in de
voorsteden van Londen, en zy kwamen tusschen twee a
drie uuren in de morgenstont instommelen in de slaapkamer
van onzen Schilder, die zyn vierde fles had ontkurkt
\'s avonds te vooren, en vry laat was gaan rusten.
Edema ontwaakte op dat gedruys, en den Messenger met
zyn by hebbende escorte wilde weerom vertrekken, ziende
dat hy had misgetast uyt alle de omsandigheden, toen
den Konstschilder hem vriendelyk verzogt, van maar zo
lang te willen blyven tot het hy zyne oogleden had geopent,
die door de lym van het gefabriceert Gravesch druyvenvocht
vastgekleeft waaren. Dat verzoek geobtineert
en zyn gezigt wedergekreegen hebbende, verzogt hy hun
van een glas Clairet met hem te willen drinken, tot straf
dat zy zyne nachtrust hadden gestoort, waar in zy bewilligden;
en daar op stont hy op uyt zyn bed, schoot
zyn Japonsche rok aan, liet eenige flessen Gravesche wyn
binnen brengen, en trakteerde kavalierement den Heer
Messenger, benevens zyne by hebbende Janitsaaren. Maar
Heer Messenger, vroeg Edema, die zy zonder eenig
deksel in zyn bed hadden vinden leggen, wat relaas zulje
nu geeven van uw verrichting? waar op den Mestsenger
andwoorde, O, myn Heer, wy zullen daar niet eens van
melden. Neen, myn Heer den Messenger, herhaalde den
spits-
|
|
-ocr page 276-
| |
| spitsvinnigen Konstschilder, dat mag niet verzweegen
worden, ik verzoek uw dan vriendelyk van te relateeren, datje
een Konstenaar hebt gevonden die altoos met de billen bloodshooft
legt voor die Messengers, die naar Yrsche Paapen komen
zoeken in zyn slaapkamer.
| Hy vond het eynde van zyn leeven op den bodem van
zyn fles wyn de Grave, en liet meer konststukken na als
schulden, en dat is al iet zeldzaams in een Konstschilder:
doch dat die schilderyen in stee van in de handen
der Israelieten onder de roofgierige klaauwen der Filistynen
vervielen, daar aan behoeft niemant te twyfelen.
N. VAN BERGEN
| | Was een geboren Bredanaar, een Man die de Schilderkonst
in zyn Lentejaaren reeds zo ver had gebragt
dat hy voor niemant behoefde te wyken, en waarschynlyk
de alderberuchtste Historieschilders zou hebben
geevenaart, byaldien de nydige Schikgodes dien kostelyken
leevensdraad niet ontydiglyk had afgeknipt. Hy
was een zoonszoon van dien beruchten Turfschipper die
de Stad van Breda verrooverde met zyn Turfschip, doch
dewyl
|
|
-ocr page 277-
| |
| dewyl de Nakomelingen des braaven Schippers zich hadden
opgeworpen tot Heeren, deelde hy mee in die glorie,
en schaamde zich quansuys den naam van Schilder
te voeren. Hy had een grootsche manier en grootsche
gedachten, en wy hebben een van de Romeynsche antyken
by hem geschildert gezien, zynde den steygerenden
Bucefaal op het Kapitool, dat moedig paard dat
vastgehouden wort by den grooten Alexander, het werk
van den beruchten Beeldhouwer Phidias, beyden verbeelt
leevensgroote tot de voeten toe uyt, zo verwonderlyk
getekent, zo heerlyk gekoloreert, en zo meesterlijk behandelt,
dat het den Konstkenner voorkomt als een mirakel,
hoe dat een Man de konst zo weezendlijk heeft
bezten in zulke tedere jaaren. Ook hebben wy een vlugting
van die zelve konstrijke hand gehad, zijnde St.
Josef, de Maagd Maria, het Kind Jesus, benevens een
Esel, ruym half leeven, zo natuurlijk op de manier van
Rembrant van Ryn, en zo mals in de verf geschildert,
dat het een wakker Konstkenner moest zijn die het onderscheyt
kon merken. Hy stierf jong gelijk wy alvoorens
hebben gezegt, en wiert by de gebeentens zijner
Voorouders ondergedompelt in de Sinte Anna Hoofdkerk
tot Breda.
N. SMITS
| | Was ook een Bredanaar, de zoon van een Krygsauditeur,
die de konst zo ver bezat dat hy braave Historiestukken
schilderde, die thans raar zijn om te bekomen,
en daarom zo veel te meer worden geschat by de echte en
verstandige Konstkenners. Hy heeft verscheyde Historie-
en Zolderstukken geschildert op het huys te Honslaarsdyk,
en voor veele \'s Gravenhaagsche Liefhebbers; en dat
is \'t al dat wy van onzen Landsman weeten na te vertellen.
N. VRO
|
|
-ocr page 278-
| |
| N. VROMANS
| | Bygenaamt den Slangenschilder, is een goed Bloem- en
Kruydenschilder geweest, geboren in het jaar duyzen seshondert
achtenvyftig, doch in wat plaats is ons nooit
gebleeken. Doorgaans schilderde hy wilde kruyden, als
gemeene Distels, Marias Melkdistels, Doorns, Braamen,
en ook veeltijds uytheemsche gewassen, dewelke hy dan
stoffeerde met Slangen, Kikvorschen, Muyzen, Hagedissen,
Vlindertjes, Spinnen, Ruspen, en alzulke geene onaangenaame
voorwerpen, indien zy wel behandelt worden
Ook maalde hy dikmaals verscheyde stukken met vogelnestjes
vol eytjes, en ook wel met vederlooze vogeltjes voorzien,
hangende tusschen de takken van braamen, waar
tegens een mooi gevlamde Slang, of een bonte Hagedis
opklom om die te verslinden, welk jong pluymgedierte
dan hun innerlijke vrees liet blijken, de sommigen
door de vlugt, anderen door een keel op te steeken, en
een derde soort door het hoofd in \'t nest te verschuylen,
onderwyl dat het Mannetje of het Wijfje dien vyant
Poogt af te weeren met bek en pooten. De gebroeders
Munte, Pachters en Wynkoopers in \'s Hartogenbosch,
hebben veele stukken van dien Vromans, doch van het
minste soort, dewijl hy die in het verslappen van zijn
konstvuur, en toen het hem in den bol scheelde, heeft geschildert,
en als een Konstenaar met die twee bedroefde
kwaalen, hooge jaaren en zotheyt, is behebt, zullen\'er
zeer zelden groote konstmirakelen uyt zijn penceel
rollen. Wy moeten den nieuwsgierigen Leezer drie
kluchtige onderneemingen van dien vroomen Vromans
verhaalen, waar uyt hy makkelijk zal konnen besluyten,
hoe na dat dien Konstschilder is gelogeert geweest aan de
Republijk der Geleerden.
Het
|
|
-ocr page 279-
| |
| | Het is ontrent twee a drieentwintig jaaren geleden dat
Vromans een tamelijke som me gelds ontfing voor een dozyn
aanbestelde konststukken, en daar op bevont hy zich in staat
om een zeker voorneemen uyt te voeren, waar mede hy
was bezwangert geweest jaaren en maanden. Hy kogt
dan alles het geen hy noodig oordeelde om die groote
zaak werstellig te maaken, sloot zich op in zijn kamer, na
alvoorens leevensbehoeftens te hebben verzorgt voor ses
weeken, en viel daar aan het toestellen van een Machine
om te leeren vliegen. Na dat heerlijk konstwerktuyg,
liever na die halsbreekende machine vervaardigt te hebben,
noode hy eenige vrienden en bekenden om dat wonder te
beschouwen, klom op een laag Boerenhuysje, zette zich
schrylings op die machine, en liet zich afstooten. Maar wie
als een ongeloovige Heyden, Jood of Turk, zou dat mirakel
durven ontkennen, hy was eer beneden als die hem hadden
afgestooten, en brak maar alleenlijk een been, en verstuykte
een schouder, ley twee maanden plat te bed, en verrees
toen uyt den dooden om een tweede zotheyt te beginnen.
| | Sinjeur Vromans had een geruyme tijd geschildert voor
een Schotsman, die een bedrukte Heerlijkheyt had gekogt,
en den degen tegens de ploeg verwisselt, verzekert
dat een geweezen Officier, die des zomers in de Meyery van
\'s Hartogenbosch een Boerejonkers leeven voert, niet in
een storm voor de Stad van Ryssel zal dood geschooten
worden; ook wilde hy met een eens een proefje te neemen,
hoe lang dat een kaerel die geen kouragie heeft ten platten
lande kan leeven. Die knaap die ongewoon was veel
goud voor een duyt te geeven, gaf aan den Schilder een
stuk onbruykbaar Heylant, waar mee zich die liet paaijen,
en op welk stuk land hy een klucht speelde die wy
den Leezer zullen ontvouwen.
| | Hy gaf om een begin te geeven aan die klucht een vodde
|
|
-ocr page 280-
| |
| deboekje uyt, getytelt zo het ons voorstaat Oogenzalf,
waar in hy een voorslag maakte om alle de onderscheyde
Godsdiensten te vereenigen, en dat gedaan zijnde te leeven
als Adam en Eva, onze aloude Voorouders. Tot
dien eynde liet hy een groote loots van ongeschaafde
planken opslaan op dat schots stuk Heylant, en hy verwisselde
zijne kleeders in aan een genaayde schaapsvellen,
en ging bloods hoofds, met ongeschoeide voeten, en
met een palsterstok in de hand die luye Leere prediken aan
de omleggende Heyboeren, waar van hy\'er eenigen overhaalde
om Vrouw en Kinders te verlaaten, en by hem
in die loots te komen woonen. Die nieuwbekeerden
trakteerde hy op water, melk, wrongel, kaas, en moeskruyden,
de eerste spyze en drank onzer voorzaaten:
doch dewijl zijn beurs schraal voorzien was, en dat de
Boeren vraaten als Wolven, zou dien yver ten laatsten
op by nacht te gaan steelen zijn uytgeloopen, indien de
onbekeerde Heykrekels daar geen schot voor hadden geschooten.
Het ging tegens de winter, en de meeste Meyerysche
Boeren die gezamentlijk geboren dieven zijn, kreegen
trek na die ongeschaafde deelen, derhalve rotte een met
hamers en met breekyzers gewapende party te zamen, sloopte
die loots, verjoegen den gekken Harder en zijn hongerige
Kudde, en ging met dien Noortschen buyt stryken.
| | De derde en de vermaakelijkste klucht speelde hy aan
het huys van Thomas met de leere broek, dus was den
bynaam van Munte, aan en in het huys van dien Wijnkooper,
op de volgende wijze.
| | Hy moest een groote hondert guldens hebben, die hy in
dat huys met het schilderen van Slangen en Kruyden had
verdient, des verzogt hy op een zekere tijd aan dien Thomas
Munte, of hy zo goed geliefde te zijn van hem die
pen
|
|
-ocr page 281-
| |
| penningen te schieten, zeggende, dat hy eyndelijk een
geheym had ontdekt, niet alleenlijk om zich zelven,
maar desgelijks om hem Thomas Munte, benevens alle
zijne kinders en naneeven te verrijken tot in alle eeuwen.
Den Wynkooper vroeg hem, waar in dat die konst bestont?
? doch hy andwoorde, van zulks aan geen sterffelijk
mensch te zullen zeggen voor dat hy alles tot dien eynde had
vervaardigt, waar op Munte hem dat geld schoot, nieuwsgierig
zijnde wat\'er voor den dag zou komen. Die hondert
guldens besteede hy aan allerhande kruyden, zaaden,
en poeders, en toen verzogt hy hem om twee hondert
leege flessen te leen, en dat hy de loots op de groote
plaats staande tot zijn gebruyk mogt hebben alleenlijk
voor drie weeken, als wanneer hy hem den Elixir der Wynwijzen
zo ryp zou lveren, dat hem de tanden zouden
wateren uyt loutere graagte om dat Paracelsis geheym
te smaaken. Den Wijnkooper beademde alle die requesten
met een fiat, en daar op liet hy zoetemelk met
aamen en met emmers komen, vulde daar mee die flessen,
verdeelde zijne ingredienten, deed die op de zoetemelk,
kurkte alles behoorlijk, sloot toen de loots, en ging
daar op met Munte zitten papegaayen. Die flessen, sprak hy
op een vergenoegde toon, zullen de vyfdeweezendheyt
van alle de wynstokken des weerelds uytleveren, en dat geheym
bestaat alleenlyk in eene oordeelkundige vermenging der
kruyden, zaaden en poeders, als by voorbeelt. Open het
bomgat van een Oxhooft gemeene Fransche wyn, stort\'er
het vierdepart in van een fles nommer een, en fluks zulje
een Oxhooft heerlyke Rynschewyn krygen. Nommer twee
maakt Bourgonjewyn, drie geeft Champagnewyn, en vier
herschept een schraale Koertwyn in zo een overheerlyke
Tokayerwyn, dat den Bisschop van Raab\'er zo min tegens op
kan met zyn Hongaarsche wynstok, als een Jansenist kan
har-
|
|
-ocr page 282-
| |
| hardebollen tegens den Paus van Romen. Den baatzuchtige
Thomas met de leerebroek ging natuurlijk zitten
lacghen als een zot, en den Schilder Vromans defileerde
na zijn schildervertrek, om met gedult het goed gevolg
van zijn geheym af te wachten. Op den vijfde dag stont
Munte, die meer muyzenesten in zijn hooft logeerde als
een oude muyskat, \'s ochtends vroeg op, en ging op
zijn plaats een luchtje scheppen; doch hy had zich niet
lang vervrolijkt in die oeffening, of hy hoorde een groote
slag, die van een tweede, derde en van meer diergelijke
slagen zo kort wiert achtervolgt, dat hy wel zag
dat\'er gevaar stak in \'t uytstel, derhalve schreeuwde hy
als een donder, om zijn twee knegts, die de loots met
een bierboom openrammeyden, en er invloogen, om de flessen
die als bommen sloegen zo veel als \'t doenlijk was
te bewaaren voor een algemeen verderf. Maar die eens had
gezien, hoe\'er die knegts uytzaagen door het sop van die
kruydermelk, zou zich hebben moeten bederven door \'t
lacghen, onderwijl dat den vroome Konstenaar, die toegeschooten
was op die Brusselsche bombardeering, dat
spel bekeek met eene stosche graviteyt, zeggende niet
anders als, het is myn schuld niet, Meester Thomas, maar
de groote hette, de zon is in het teken des Leeuws, en dat
dier en den wyn zyn volslaage vyanden.
| | Naderhant geraakte hy by den Heer Koehoorn, Major
de la Place tot Remunt, daar hy verscheyde stukken
voor schilderde, dewelke vry verscheelen van de eerstelingen
die hy maakte oud vyf a sesegdertig jaaren. Na
dat dien Heer hem had afgescheept trat hy in een Klooster
of in een Abdy, en zo een stal diende hem, zijndehy
oud, zot en arm, een trits van Joodsche zegeningen, die
wy noch hebben gezien in den nagvolgenden Konstschilder,
ARNOLD
|
|
-ocr page 283-
| |
ARNOLD VERBUYS.
| | Dien Arnold Verbuys is een Dortenaar, geboren om en
by die streek van het jaar duyzent seshondert zeven
a achtenvijftig; doch by wie dat hy de Schilderkonst
heeft geleert konnen wy niet zeggen. Hy was een braaf
Historie- en Konterfytselschilder, maar een slegt Ordonneerder,
want als hy een stuk zou ordonneeren van drie beelden,
was hy benoodigt om driehondert prenten. Hy koloreerde
heerlijk, maar hy mistkende deerlijk, en het
heugt ons dat wy hem een geheele zomersche dag hebben
zien tkenen over den omtrek van een half beeld, zijnde
een Nymf die op een bommetje speelt, daar hy de prent
van den beruchten Gerard de Lairesse had voor hem leggen,
waar uyt dat beeld wiert gekopieert. Hy heeft een geruyme
tijd geschildert voor den Heer de Munk, op een
tijd Borgermeester van Middelburg, in wiens huys hy
onder andere konsttafereelen een Kamer penceelde, waar
aan den Schilder de pynelijke straf van het gloeient
zwaard, en den Heer dat strafvonnis verdienden, dat wy
thans niet zullen noemen.
Hy
|
|
-ocr page 284-
| |
| | Hy trouwde met een Dame, die juyst voor hem in de
wieg was gelegt, een ligte feex zo loos als een slang,
en noch alzo buygzaam in \'t bed, die zo een zeedig bekje
kon zetten als of zy was gespeent met gekonfijte stukjes
en brokjes van Ziekentroosters zeedelessen; ook gaf zy
voor dat zy liever een kommetje moeskruyd uyt den pot
des doods zou slurpen, dan dat zy de innerlijke warmte
van haar gesteltenis op eene andere wijze zou ten onderbrengen,
als door den yver van haare gebeden. By die
gemalinne won hy verscheyde zoonen en dochteren, welke
hy allen, benevens zijne huysvrouw, voor hem grafwaards
heeft zin daalen, eene uytgezondert van de vrouwelijke
sexe, die op \'s Moeders bevoorrecht altaartje haar
geneerde in \'s Gravenhague.
| | Toen Breda vol Engels garnizoen lag, en dat men\'er
meer goude Guinees zag zwemmen, als thans zilvere
quartjes, kwam hy overvliegen met drie a vier stukken,
by hem geschildert. Het kapitaalste ontrent acht voeten
hoog en zeven breet, bestont uyt eenige kindertjes die
festoenen vlogten uyt bloemen en kruyden, waar onder
een meysje was dat hy zo onbeschaamt naakt had geordonneert
dat het Paasschen en Pinxteren blood gaf, daar de
jongetjes om stonden te lacghen. Tusschen of ter zijden
een welgetekende en wel geschilderde boom was een groote
vaas geordonneert, gekoloreert als Benthemer steen,
breed gehandelt, waar op men een ring zag met een loofwerkje
geciert, waar door hy eenige veylranken en bladers
had geslingert, die dat stuk geen geringe luyster byzetten.
Vorders zag men op den voorgrond eenige losse
bloemen leggen, welke voorgrond konstiglijk was gebroken
met eenige welgetoeste aarde kluyten, maakende in
het geheel een vrolijk konsttafereel uyt van een bevallige
verkiezing
Het
|
|
-ocr page 285-
| |
| | Het tweede konststuk verbeelde een Maria Magdalena,
daar zy geknielt in de steenrots haare zonden beschreyt,
voorzien met een doodshoofd, een disciplyn, en
met de vordere huyscieraaden van een boetedoende Heremytinne.
Dat beeld was waarlijk schoon van aangezigt, en
liet een paar rollende lelieblanke tetten, benevens twee
poezelige armen en delikaate handen zien, vry vermoogender
om de wellust, als om de Godvruchtigheyt op te
wekken.
| | Het derde tafereel was het te pronk stellen van den
Zaligmaaker Jesus Kristus, met de doorne kroon op het
gebenedyt hoofd, en den rietstaff in zijne gebonde handen,
tusschen twee Jooden, gekopieert na een bekende
prent van den Ridder Anthony van Dyk. Het was
een jammer dat het was gekopieert na een prent die alle
de aankomende jongens kennen die pas een week vijf a
ses hebben leeren tekenen, want het was niet minder mals
en lekker gekoloreert en geschildert als de twee voorgaande
schilderyen. Die konsttafereelen liet hy aan een iegelijk
die maar effentjes doortrokken was met geur van Konstbeminnaar
aanbieden, en ik, zegt den Schrijver van deeze
boeken, brogt verscheyde Engelsche hooge Officiers in
zijn logement, alle liefhebbers van de Schilderkonst, die
de schilderyen preezen, doch niet eens na den prijs
vroegen, waar door den berooide Arnold Verbuys genootzaakt
was die in zijn Herberg te laaten verkoopen.
Het scheen dat\'er een vloek hing over zijne schilderyen,
want die drie stukken, alle drie leevensgroote, dewelke
ten minsten hondert Dukatons waardig waaren, wierden
in de tegenwoordigheyt van meer als hondert en vijftig
toekijkers, zo Konstkenners als anderen, verkogt voor
zeventig a tachentig guldens, waar op den arme Konstschilder
geen vette soppen kon weeken. Ondertusschen
had
|
|
-ocr page 286-
| |
| had hy in de Herberg van de Zwaan, neffens het Raadhuys,
geteert en gesmeert als een Baanderheer, en dagelijks
eenige Jakhalzen, die hem honing om den mond
wisten te smeeren, met den bek in \'t nat gehouden, en
ook zich op ieder voor- en namiddag, zo wel als \'s avonds
en \'s nachts bezoopen, en dat by een Waardin genaamt
Juffrouw Tourhout, die krijt gebruykte als een geopende
paster, twee en ook wel drie schreefjes voor een; zo dat
toen hy alle de onkosten van den Vendumeester en van de
pacht, beneffens het loon van den boelhuys knegt, en
de rekening van de onrechtvaardige Waardin uyt die penningen
had betaalt, er noch eenige medailles van zijn
geboorteplaats a twintig stuyvers het stuk te kort schooten
om zijn gelag te betaalen. Hy vervoegde zich by
my als een gezel van St. Lukas, en ik leende hem zo veel
dat hy zich kon redden, en gemakkelijk na Middelburg
wederkeeren, waar op hy vry dronken zijn afscheyt nam,
en zich inscheepte in den Veerman op Middelburg, met
een yle beurs en met berooide zinnen.
| | Twee drie maanden na zijn vertrek, schreef ik hem
een brief, dat ik vijf a ses Konterfijtsels voor hem had
verkreegen, en dat hy kon overkomen, zo hy het de
moeite waardig oordeelde, om die te komen schilderen.
Daar op kwam Meester Arnold overvliegen met drie
schilderyen van zijn hand, die wederom te koop aangebooden
wierden aan Jan alleman, zonder dat\'er iemant
eens na kwam omkijken. Toen wist hy mijn moeder
en my zo schoon te bepraaten, dat wy hem innaamen in
ons huys, en hem een schoone kamer, benevens onze tafel,
die wel een van de lekkerste in geheel Breda was,
en vry vuur en licht gratis gaaven, onder die mids, dat
hy my eenige steene vaazen zou schilderen voor die
beleefdheyt die ik zou cieren met bloemen en met
fruyten;
|
|
-ocr page 287-
| |
| fruyten; en dat akkoort getroffen zijnde ging Verbuys
naarstiglyk zitten schilderen.
| | Hy konterfijte eenige persoonen der beyde Sexen, doch
hy liet de menschen zo lang zitten, dat de sommigen het
wederom komen vergaaten, als onder anderen eene zekere
Juffrouw Stikkers, die hy liet pal zitten van acht uuren voor
den noen, tot vyf uuren in den namiddag, waar door
dat meysje, dat al te veel vuur had om zo lang stil te zitten,
niet eens dacht aan het wederkeeren, en hem het
konterfytsel liet houden.
| | Doch dat was een van de minste gebreeken van dien ongelukkigen
Konstschilder, die slachte Uylenspiegel en kon
nergens het veld inhouden, die zoop zich alle avonden vol
en dol, die raasde en tierde tegens onze Dienstmeysjes als of
hy ze voede en betaalde; en daar by huyshoude hy zo slorzig
op zijn kamer, als of\'er een troep Spaansche Soldaaten op
waaren gebilletteert a discretion, om den Huysheer te doen
raazent worden, waarom wy hem buyten de deur boenden
om elders zijn fortuyn te gaan opzoeken. Dewijl nu dat
Steedje opgepropt was met Krygsvolk, en dat hy zo geldig
was als een Lijflandsche boer, was hy bly van in te kruypen
by een doodarme Snijder, die hem een salet verhuurde
zo ruym als een holle waterwillig, en alommers zo
rijkelijk gemeubeleert als de studeerkamer van een Fransch
bladschrijver. Aldaar schilderde hy eenige geringe stukjes,
die een dronken wijf voor hem liep uytventen, tot
dat hy het geluk kreeg van een pachter en zijn vrouw te
schilderen, die hem sestig gulden betaalden voor die twee
konterfijtsels, en daar op speelde hy van meet af aan voor
het heertje, en dronk en klonk zonder ophouden.
| | Ik ontmoete hem eenmaal in een fatsoenlijk Wynhuys,
een ontmoeting buyten mijn verwachting, dewijl dien
Konstenaar doorgaans die gezelschappen verkoos daar
zijn
|
|
-ocr page 288-
| |
| zijn haan Koning en hy den gequalificeerste was van de
kompagnie. Hy begon fluks tegens my te morren, en
ziende dat ik zijn praatjes met veraachting beandwoorde,
eyschte hy my voor de kling daar ik insgelijks
mee om moest hebben gaan zitten lacghen, doch dewijl
hy zich den tijtel van braaf te zijn aanmaatigde, en dat
ik mee in die eeuw den geduldigste niet was, rees ik op
en zey, dat hy my kon volgen. Ik brogt hem op het
Kerkhof van de Kathedraale Kerk van Breda, en beval
hem te trekken. Hy stelde zich schrap, doch vroeg eer
den dans aanging; waarom dat ik juyst het Kerkhof had
uytgekipt? waar op ik repliceerde, om dat ik uw hier kan
onderdompelen na dat ikje met de neus in het zand zal hebben
ter neergelegt. Dan hadje een spade moeten meebrengen,
andwoorde hy doch ik zalje dat wel beletten. Maar A.
Verbuys rekende zonder waard, hy raakte zijn degen quyt,
die ik aan den wijnhuys knegt gaf, by wien hy die
voor eenige penningen moest rantsoeneeren.
| | Het is ruym veertien jaaren geleden dat ik woonde tot
Delf, als wanneer ik op een zekere namiddag onder het
wandelen een persoon zag gaan aan de overzy van die
brug waar langs ik passeerde, dien ik my verbeelde meer te
hebben gezien, waar op ik de brug overstoof en zag dat het
den Konstschilder Verbuys was, die my beleefdelijk groete
zonder te spreeken. Is myn Heer niet Arnold Verbuys
den Konstschilder? vroeg ik, en hy andwoorde op een
bedrukte toon, Ja, myn Heer, wel eer was ik die persoon,
doch thans ben ik uytgeschrapt op het Kantoorboek der leevenden:
en zoje nieuwsgierig zyt om te zien of ook myn
woord myn zegel is, gaa met my mee, want ik verzeker
uw dat ik in het element des waters die rust gaa zoeken, die
ik alhier niet kan vinden op der aarde: met een woord,
Campo, ik ga om me te verdrinken. Ik dacht in den beginne
|
|
-ocr page 289-
| |
| ginne dat hy\'er mee spotte, doch zijn wild gezigt, en
alle zijne gebaaren overtuyg den my dat\'er iets ongemeens
haperde aan dat rampzalig uurwerk, te meer daar hy zo
schraal in de kleeders en vordere toestel was dat het zich
schaamde. Ik verzogt hem om een fles wijn met my te
gaan drinken, dat hy een geruyme tijd halstarriglijk weygerde,
doch dewijl ik niet afhield had ik het geluk van
die wanhoopende bruyd te winnen. lk bragt hem dan
in het Gulde vlies, en aldaar verhaalde hy my, dat zijne
Huysvrouw, benevens alle zijne kinders, waaren overleeden,
uytgezondert eene dochter; dat hy oud, arm en
verlaaten was van alle zijne wel eer goede vrienden, en
zo voorts; gevolglijk dat hy deeze bedroefde weerelt
wars was, en een eynde wilde maaken van zijn troosteloos
leeven. Dat verhaalt hebben begon hy zo onzinniglijk
te huylen, dat ik my bewoogen bevoelde over zijn
beklaaglijke konditie, derhalve bood ik hem een kamer,
mijn tafel, en geld aan, benevens een pints flesje wijn \'s daags,
en \'s ochtends en \'s avonds een glas brandewijn, op hoop
dat in tijd en wijlen de zaaken van gestalte mogten komen
te veranderen. Hy aanvaarde die aanbieding, maar dit
moet ik\'er toe doen, dat hy toen al anderhalve Drielingsfles
had ingeslurpt, en de wijn vervrolijkt, en na dat wy
onze derde fles hadden verorbert, brogt ik hem in mijn
logement, liet hem een kamer en bed gereetmaaken, gaf
hem een goed avondmaal, en daar op ging den Schilder
gerust leggen slaapen. \'s Anderendaags ontbood hy zijn
equipagie tot het schilderen; doch hoe was dien Hektor
verandert van den eerste, het was een bedrukte arbeyd met
den oude knegt, en daar by liep zijn konstpenceel zo
stram als een ontstelde Dorpklok in het saisoen van de
kropsalaad, dewijl de Kosters dan den olie gedestineert
voor de klok, gieten over hun kroppen, en noch daaren-
|
|
-ocr page 290-
| |
| enboven de onschuldigge Kerkuylen een lak op \'t lijf gooien
door te zweeren, dat die den olie hebben uytgepooit. Alhier
zou ik my konnen uytbreyden over het gedrag van
dien onverbterlijken Verbuys, die gelijk als de ontdooide
Slang in de Fabel zijn weldoender poogde te verworgen,
waar op hy voor de tweedemaal uyt het Paradijs wiert
geschopt, zonder dat wy t\'zedert ooit hebben gehoort
waar dat hy is verbleeven.
| | Waarlijk het is een jammer geweest dat die Konstenaar
zo ongelukkig gehumeurt was, want hy was in het
krachtigste van zijn tijd een braaf schilder, die wel wat
goeds kon doen als het hem luste. Wy hebben ontrent
zeven jaaren geleden een stukje van Verbuys gezien ten
huyze van Jan Bezooyen, een Nootenkooper op de Blaak
tot Rotterdam, dat hy had gekopieert na het bekent
prentje van Hannibal Karats, daar het naakt hoertje van
het bed stapt, onderwijl dat den grijze paay de poot in
den buydel steekt om het toekoment nachtbanket te beloonen
by vervroeging. Dat Kabinetbordeeltje was zo
heerlijk gekoloreert, het naakt zo helder geschildert, en
de houding zo konstiglijk geobserveert, dat wy thans
geen Schilder weeten te noemen, zonder dat wy iemant
poogen te benadeelen, die dat tafereeltje kan verbeteren.
KORNELIS VERELST
| | Is een broeder of een neef geweest van den vermaarden
Simon Verelst, een goed Bloemschilder, van wiens hand
wy verscheyde stukken gezien hebben te Londen, dewelke
hy waarschynlijk in dat overgroot Babel had gepenceelt,
en die noch hedensdaags wel gewilt worden by de Britsche
Konstbeminnaars, die door geene andere als door
hun eyge oogen behoeven te zien om een fraai stuk te
kennen. Wy konnen vorders niet veel waters over dien
Kon-
|
|
-ocr page 291-
| |
Konstenaar troebel maaken, want wy hebben hem nooit
gezien of gekent, en\'er ook nooit van zijne leevenswijze
hoore spreeken, des zullen wy ons vervoegen tot den
Batailleschilder
N. FRANK.
| | Die Konstenaar kwam uyt de dubletschulp der huuwewelijks
tederheyt te voorschijn binnen Antwerpen,
daar hy zich al by tijds tot de Teken- en Schilderkonst
moest begeeven, dewijl zijn Ouders een geringer kapitaal
bezaaten als de Hartoginne Douariere van Marleboroug,
en gevolglijk geen leegloopers konden kleeden of
reeden. Hy heeft ons wel gezegt wie dat zijn onderwyzer
is geweest, doch om oprechtelijk te biegten, het is ons
ontschooten. Hy was geen gemeen Konstenaar, maar in
tegendeel een Man die een goed paard en beeld tekende
en
|
|
-ocr page 292-
| |
| en schilderde, en die inzonderheyt dat oorlogshaftig dier
vast in zijn schoenen en hegt op zijn kooten plante, en dat is
al vry wat te zeggen. Wy hebben een schildery van hem
gezien tot Antwerpen, een tamelijk groot stuk in de lengte,
verbeeldende, zo het ons wel voorstaat, de belegering
van Namen, by Willem den derde, Koning van Groot-Brittanje,
dat verstandiglijk geordonneert en konstiglijk was
geschildert. Op den voorgrond had hy dien doorluchten
Vorst geordonneert, verzelt met verscheyde Generaals zo
van het voetvolk als van de ruytery, alle gezeeten op
overschoone bataillepaarden. Onder veele andere Krygsbevelhebbers
zag men op dat tafereel de konterfijtsels van
Milord Ouwerkerk, den Generaal Koehoorn, Milord
Kuts, Monsieur l\'Etang, Overste van de Gardecorps
&c., benevens onderscheyde bekende Hovelingen, die
met malkanderen over dat beleg scheenen krygsraat te
houden. In het verschiet had hy het Kasteel van Namen
geschildert, gesticht op een hooge rots, en daar om en
tom al den omsleep van dat vermaart beleg, neffens de
gekampeerde Armee der Geallieerden, en de rest van die
doodelijke etceteras. Wy bekennen dat ons dat Konststuk
wonderlijk beviel op die tijd, hoe het ons nu zou
bevallen is ons onbekent: doch echter moeten wy ook dat
geene dat\'er ons in die eeuw in misstont van getuygen, te
weeten, dat de manier van dien Batailleschilder ons vry dor
en schraal voorkwam; hy bezat dat mals penceel niet van
den beroemden Batailleschilder Jan van Huchtenburg;
ook hadden zijne luchten die aangenaame helderheyt niet,
en aan zijne voorgronden ontbrak die vriendelijke warmte,
die zo behulpzaam is aan de houding van een
konsttafereel. Dat stuk was het eerste en ook het laatste
dat wy van dien Frank hebben gezien, dewijl hy weynig
en ook tam schilderde, en daar by was hy meer
geneygt
|
|
-ocr page 293-
| |
| geneygt om konst te koopen, als om die te maaken.
| | Hy was een wakker slag van een Man, groot en welgemaakt,
en welbespraakt voor een Brabander, en inzonderheyt
voor een Spaanschen Brabander van Antwerpen,
Een Paap van zijn kennis, een groot voortzetter
des huuwelijks, by de onedele Gemeente gedoopt een
Koppelaar, kwam hem noch Jongman zijnde een partijtje
voordraagen, een overzilvert klompje bitter duyvels,
in stee van bitter heylig, waar van een iegelijks maag zou
hebben gewalgt, uytgezondert die van een schraalen Antwerpsche
Sinjoor. Dat partytje bestont in een vergulde
zottin, zo gek als groot, en zo leelijk als rijk, die\'er
uytzag als een Swaabs paard, voor dun, en achter maager,
en waar aan niets ontbrak als een yzere stamper, om
by de Jongens gebruykt te worden tot een Klakkebos om
elzenproppen door te jaagen. Dewijl nu de Antwerpsche
Sinjoors geen koopmanschap konnen sluyten, al was
het ook maar over een hoefyzer, of daar moet Leuvensbier
op toe bedongen worden om den koop te doen glyen,
sleurde den Batailleschilder den Paap met een strootje na
de Herberg van het Ramshooft, en aldaar eyschten zy
een vrye kamer gelijk als een koppel Yrsche konspirateurs,
om zonder beluystert te worden hun eedgespan te
ontginnen tegens het kapitaal van die bystergekke Juffer.
| | Na eenige pinten Leuvensbier ingegulpt, en eenige half
dozijnen roggebroods boterammekes met koude aberdaan
ingeschokt te hebben, sloeg den Paap een volle pint doot
met zijn adem, veegde toen op zijn Antwerps de lippen
af op de linker mouw van zijn schraal zwart kleedje, en
opende het Kongres met deeze woorden. Bai God!
main Heer Frank, zo ge dit partaike verjeert, dat ik kik
ou in den mond zal doen vliegen, zaide onweert om voor
den noen te gaan ontbaiten te Burgerhout, en om op den namid-
dag
|
|
-ocr page 294-
| |
| dag ieen schotelke sellerai te gaan peuzelen in de Markgraven
lay. Na die schoone inleyding ley hy de zaak open aan
den Batailleschilder, en verklaarde op zijn priesterschap,
dat hy bekent was met een rijpe jonge Juffer zonder
Ouders, die een groote dartig duyzent gulden bezat, en
hy verzekerde Frank van ze hem kosteloos en schadeloos
te zullen leveren, mids voor dien diens een erkentenis genietende
van een zekere somme gelds, waar over zy zouden
overeenkomen. Den Konstschilder sparde zijne oogen
zo wijd open dat den Paap bang wiert, doch het
was uyt loutere blijdschap, en niet uyt een schielijke
gramschap, want hy vloog overend van de bierbank,
omarmde den Priester des Heeren, en drukte hem zo
hartiglijk dat Heerom de ribben begonnen te kraaken,
die uytgilde; Moor zacht, moor zoetekes, main Heer
Frank, gen kuntme, pest mordiu! met zulke karessen niet
vermooken. Den Schilder ging dan weerom zitten op
zijn plaats, en na dien Abt der Koppelaars goude
bergen te hebben belooft, en hem een zilver snaarorlogietje
als een voorgeschenk te hebben vereert, benevens
een paar spaansche patakons, de grootste helft van zijn
kapitaal, ging dat paar zo broederlijk zitten tabak rooken
en Leuvensbier kaauwen, tot dat zy malkanderen niet
langer konden zien ofte hooren, en genootzaakt waaren
aldaar dien nacht over te blijven. Kortom den Priester liet
zich eenige dagen lang trakteeren by dien in gelde uytgeteerden
Konstenaar, en toen geleyde hy hem na die leelijke
vergulde Molik, die fluks als een doosje met verschgebrande
tondel vuur vatte op het gezigt van Frank, want hy was inderdaad
een schoon en welgemaakt manspersoon, en die
zich wel wist voor te doen, waar door de koop binnen korte
dagen wiert getroffen, en den Konstenaar zich in het bezit
zag van een kapitaal, waar op hy nooit had durven hoopen.
En
|
|
-ocr page 295-
| |
| | En wie doch als een Twyfelaar zou nu niet hebben
gedacht, dat dien Batailleschilder bewaart was voor alle
de toevallen van een toekomende behoeftigheyt? helaas!
den hals kende de waarde niet van het geld; die leefde
gelijk als Sieur Tesschers, den geweezen Stadsdrukker
van Breda, die \'s ochtends vroeg het spit liet aanleggen
om op een snikheete Kalfsborst te ontbijten; die meer
soorten van wynen in zijn kelder herbergde als meenig
Bredaasche Wynkooper; en die zijne knegts van de
drukkery liet afroepen om met hem te dammen, en
de eene fles met wijn voor en de andere na te drinken,
in stee van die te laaten arbeyden en letters te zetten.
Op die voet leefde Frank, die kleede zich als een
Heer van het eerste fatsoen, die at en dronk zo lekkertjes
als den Abt van St. Bernards buyten Antwerpen, die
kompareerde ieder avond in het wynhuys van de kroon, en
die stak de konstpenceelen in \'t dak, om als Konstkooper
te gaan koopmanschappen. Of het nu was dat hy
geen achtsloeg op zijne zaaken, of dat hy zich uytputte met
het houden van Maitressen, dewijl zijn wyf al te leelijk
en ook al te zot was om\'er den echten pligt op weg te
werpen, dan of hy te veel Bourgonje- en Champanjewijnen
verorberde, altoos dit is\'er van, dat hy zodanig verviel
binnen korte jaaren dat men Frank in Frank
niet
meer kon vinden, zijnde hy gesmolten gelijk als een
wasche beeld dat dagelijks voor een kleyn vuur wort gerooft
door een Toveres, om deezen ofte geenen langzaamlijk
te doen quynen. Daar by begon het hem in
den bol te scheelen, en in die bedroefde omstandigheyt
van doodarm en van half gek, hebben wy hem gelaaten
tot Antwerpen, niet weetende of hy noch leeft, dan of
hy is overlden.
PATER
|
|
-ocr page 296-
| |
| PATER SUQUET.
| | Die Suquet was een Dominikaaner Pater, geboortig
uyt fatsoenlijke welgegoede Ouders, binnen de Stad van
Antwerpen, zijnde zijn Suster getrouwt aan een Antwerps
Heer, genaamt Longinus, die voorgaf (wy hebben
het hem in persoon hooren vertellen) van afkomstig
te zijn van dien Krygsknegt, die de zy des Zaligmaakers
doorstak met zijn speer, en die naderhant, volgens
de Roomsche Legende, een Heylig en een Martelaar is
gestorven. Dat sprookje vertelde hy in het Dorp van \'s
Prinssenhague, buyten Breda, aan den Heere Adriaan
Baix, Rentmeester, en aan meer anderen, die, schoon
dat die Heeren hem poogden te overtuygen, dat\'er nooit
geen Longinus geweest was op deeze weerelt, en dat dat
woord alleenlijk een speer betekende in de Grieksche
taal, echter die Heeren met deeze Antwerpsche welgemanierdheyt
beandwoorde; Ja, ja, bai God! kaut gai
liens moor wat aan, ik weet ik kik wel dat dai Genealogy
oprecht is, want main grootvaarke en main Monpeerke
hebbe ik kik dat duyzentmaal hooiren vertellen.
| | Die Pater wiert Kapellaan in het Dorp van \'s Prinssenhague,
en aldaar hebben wy hem gekent, en zo gemeenzaamelijk
gekent, dat wy konnen getuygen dat hy een
van de aldereerlijkste Dominikaaner Paapen is geweest
die wy ooit hebben behandelt. Hy was een braaf Miniatuurschilder,
zo in konterfijtsels, als in historien. Hy
konterfijte den Generaal Salish, Gouverneur van Breda,
welk welgetekent konterfijtsel hy had geplaatst op een
aardig borststal, zeer zindelijk en uytvoeriglijk geschildert;
doch dien Silesier beandwoorde de beleefdheyt des
Schilders op een ondankbaare wijze, want hy betaalde
hem zelfs niet in goede woorden; ook behoort men dat aan
iemant
|
|
-ocr page 297-
| |
| iemant ten besten te houden die min kennis heeft van
keurlijke Konstschilderyen, als van delikaate Bacgheragerwynen.
Wy hebben daarenboven veele welgetekende
Hisoriestukjes gezien, geordonneert en geschildert by
dien konstrijken Pater, welke bevallige Kabinetstukjes
zo fix waaren behandelt en zo schoon gekoloreert, dat
zy ons beter bevielen als die van sommige by beroep
Miniatuurschilders, die zich Konstschilders noemen, zonder
dat men dat eens op hunne gehoetelde tafereelen kan
bemerken.
| | Maar het was een bedroefde bezoeking voor dien vroomen
Dominikaaner, van zich onophoudelyk te zien en
te voelen opeeten door het pynlyk Podagra, als die op
het laatst van zyn dagen zeer zelden veertien dagen vry
was van het een of van het ander acces van die quaal, zo
dat hy een elendig leeven voerde. Maar dewijl wy ons tot
een onpartydig Schryver hebben voorgestelt, welk eerlyk
Karakter wy niet graag door een tegenstrydig bewys zouden
bezoedelen, vinden wy ons verpligt om te zeggen, dat
hy\'er heerlyk toe arbeyde, als die den wyn zo smaakelyk
innam, gelyk als een Karper een wynsopje slurpt, en die
zeer zelden het woord Neen vinden kon, als hem een vriend
verzogt om een half dozyn flesjes met hem te ontkurken.
Daar by had hy noch het ongeluk, dat hy zeer gemeenzaamlyk
bevrient zynde by den bovengemelden Heer
Adriaan Baix, Rentmeester van het Dorp waar in hy
voor Kapellaan speelde, dikmaals wiert uytverzogt, daar
hy dan zo onvertzaaft dronk en rookte, en meestentyds
tot diep in den nacht, dat hy doorgaans \'s anderendaags
het pynlyk bed moest bewaaren voor veertien dagen,
waar uyt hy dan vol vuur en moed verrees om op nieuws
op kosten van ongelyk te gaan zitten drinken. Die leevenssnaar
rekte hy zo lang uyt tot dat die in stukken knapte, den
Pastoor
|
|
-ocr page 298-
| |
Pastoor verklaarde Pater Suquet eerst voor onbekwaam om
den Kerkdienst waar te neemen, schikte hem te rug naar
het Dominikaaner Klooster, daar hy korts daar aan overleed,
ten deelen door droefgeestigheyt, en ten deelen
door al te fel den Wynoogst te hebben waargenomen.
N. MAAS
| | Gevalliglyk gedenken wy aan dien braaven Konstschilder,
dewyl deszelfs Weduwe dikmaals smaakelyke
Mortadelles tot een present overschikte aan dien bovengemelden
Pater Suquet, (alle de Paapen en Monnikken zyn
geprevilegieerde Ontfangers, dewelke met de getrouwde
Vrouwen, de Weduwen, de jonge en de oude Dochters,
benevens de superfyne Klopjes, haare maandelyksche rekeningen
openen en sluyten) dewelke Mortadelles vry beter
een fles wyn verzelden als een schotel met sneeuwballen.
Die Konstschilder is een Antwerps kind geweest
by geboorte, zo wy berecht zyn geworden, een Man
die geenszins de minste maar integendeel een der beste
Konstschilders was van zyn eeuw, gelyk honderde zo Altaarstukken
als Historiestukken, en Modellen tot Tapyten
bewyzen.
|
|
-ocr page 299-
| |
| bewyzen. Den Tapytmanufakturier Leniers, woonachtig
tot Brussel, heeft acht modellen van tapyten geschildert
by dien konsryken Maas, dewelke voor geene
thans leevende Hisorieschilders behoeven te wyken. De
eerste vier modellen verbeelden de vier Hoofdstoffen,
uytgebeelt door leevensgroote beelden en kindertjes, heerlyk
getekent en overheerlyk geschildert, waar op men
onder anderen figuuren een vrouwenbeelt ziet dat het
element des waters verbeelt, en op haar reehterhant een
schip draagt, het haair en de losse tuyten verciert met
koraaltakken, paerlen en andere zeegewassen, en omringt
met allerhande soort van visschen, welk beelt zo bevalliglyk,
en daar by zo boven maaten konstiglyk getekent,
en zo meesterlyk is geschildert, dat wy durven zeggen
beelden gezien te hebben uyt de school van Rubens, als
van Schut, Diepenbeek, van Hoek, en meer andere Konstschilders,
die\'er niet eens by waaren te vergelyken. De
vier andere modellen verbeelden de vier deelen des weerelds,
en zyn van dezelve konstzwaarte, zynde alle de
beelden fix getkent en behandelt.
| | Daarenboven was dien konstryken Maas een groot en
groots Ordonneerder, die heerlyke Tekeningen voor het
grootste gedeelte met Oostindiesche ink gewassen heeft
nagelaaten. Dat hy een braaf Tekenaar en Ordonneerder
is geweest, zal den Leezer blyken wanneer ik hem
zeg, dat hy een boek van de Gestaltverwisselen van Ovidius
Naso heeft geordonneert en getekent, dat deszelfs
Weduwe korts na zyn overlyden verkogt voor acht hondert
guldens.
| | Maar die groote Konstenaar heeft\'er meer anderen geslacht,
en is deerlyk gevallen daar hy zyn uyterste best
poogde te doen, en dat was in het schilderen van een Altaarstuk
dat noch kan gezien worden in de Kerk van O.
L.
|
|
-ocr page 300-
| |
| L. Vrouwe binnen Antwerpen, welk stuk zyn gloriezon
vreeslyk deed eklipseeren. Zo het ons wel heugt bestaat
die Altaartafel in vier a vyf beelden, in de gemartelt
wordende Santinne, in den scherprechter, en in eenige
kindertjes. De Martelaares is vry slegt getekent, en noch
slimmer geschildert, de kleedy is onnoozel geplooit en
wolachtig behandelt, en de hartstogten zyn\'er in \'t geheel
niet in waargenomen. Den Beul en de Kindertjes
bevallen noch minder aan de Konstkenners, zynde dezelve
verwrongen, onnatuurlyk van gestalte, en zo slegt
van uytvoering, dat Maas beter op dien dag hondert
dukaten had verspeelt, als dat Altaarstuk te hebben begonnen.
Doch gedaane zaaken hebben geen keer, zegt
het spreekwoort, en de verdienstige Schilders bezitten
zich zelven niet altoos ten allen tyden, waar van dat den
grooten Konstfenix Pieter Paulus Rubens zelfs een proef
heeft gegeeven op dat overheerlyk Konsttafereel, dat als
noch de Kerk verciert van de Antwerpsche St. Michiels
Heeren. Op die Altaartafel ziet men een Ste Katharina,
bygenaamt het vrouwtje met den langen arm,
dewyl den linker arm wel drie a vier duymen langer is
als den rechter arm: doch de uytmuntende konst vervat
op dat Altaarstuk dat tot Romen is geschildert, verblint
de oogen der aanschouwers, die dien mistal niet
willen zien noch belyden
N. VAN ZON
| | Is een geboren Nederlander, doch wiens geboorteplaats
wy den Leezer niet konnen zeggen, maar wel dat
hy in Engelant zyn meeste jaaren heeft zien verzwinden,
en ook aldaar is gestorven. Hy was een braaf Bloemschilder,
die een schoon penceel voerde, zo wel in het
verbeelden van fruyten, als van bloemen. Daar by was
hy
|
|
-ocr page 301-
| |
| hy alzo bekwaam tot het schilderen en ordonneeren zo
wel van groote als van kleyne Konsttafereelen, en weergaloos
in het maalen van groote kruyden. De Bloemen die hy
na het leeven schilderde zyn zo schoon behandelt, zo bevalliglyk
gekoloreert, en zo fix getekent, dat\'er weynige
Bloemschilders worden gevonden die hem dat konnen
nadoen, wy reppen niet eens van vetbeteren. Maar wy
hebben niemant gekent die vrolyker gekoloreerde Persikken,
Appelen, en druyven schilderde als dien konstryken
van Zon, en de Noortwyker fruytschepen hebben ons
dikmaals aan dien braaven man doen gedenken, die zo
natuurlyk den blos en de waassem op die smaakelyke
fruyten wist te maalen, datze niets behoefden toe te geeven
aan het leeven.
| | Hy was pas gestorven toen wy te Londen kwamen, en
ik, zegt den Schryver van deeze Boekdeelen, heb meest
alle zyne overgebleeve onvolmaakte Bloemstukken opgeschildert,
waar toe ik my bediende van zyne geschilderde
schetsen, onder welke bloemstukken\'er vier waaren, hoog
tussen de acht a negen voeten, dewelke hy zeer rykelyk
had geordonneert, geciert met goude lakensche en damaste
gordynen, en verheerlykt met goude en met zilvere
vaazen.
| | De voornaamste oorzaak van zyn dood was het verlies
van een meysje zyn dochter, over welk verlies hy zich
niet kon noch begeerde te troosten, en dat duurde tot
dat hy die zelve dood tot troost in den arm nam, die
hem by zyn geliefde dochter bragt ter welke plaats wy
hem zullen laaten berusten, tot dat het ons beurt wort
hem aldaar te gaan vinden.
N. SALOMON.
| | Die Konstenaar was ook een geboren Nederlander,
die
|
|
-ocr page 302-
| |
| die Homeer slachte, dewyl wy uyt zeven Steden geen
eene Stad, weeten uyt te kippen, om aan dezelve de
eer van zyn geboorte toe te schryven. Hy heeft meestentyds
gewoont te Londen, daar hy ook in stof en in
asche is verandert geworden; een slechte artykel voor een
man die onbewust is waar hy na toe reyst, en gaarn ter
bekende plaats zou verblyven. Wy hebben hem gemeenzaamelyk
gekent binnen Londen, en gekent voor een
goed Historieschilder, en voor een Persoon die niemant
poogde te benadeelen, en gevolglyk wel gezien was,
zo by de Engelschen als by de Nederlanders. Hy schilderde
jaar uyt jaar in voor een zeker Tapissier genaamt
vander Bank, welke Manufakturier wy eenmaal gingen bezoeken
met een gezelschap, om den Konstschilder Salomon
een visite te geeven, die bezig was om de batailles en de
triomfen van den grooten Alexander te kopieeren, geordonneert
en geschildert by den Schilder Karel de Bruyn,
en op het koper gebragt by Edeling en by Audran, de
twee beruchtste plaatsnyders van Vrankrijk, na welke
Kontafereelen Lodewijk den veertiende insgelijks tapyten
heeft laaten weeven in de Goblins te Parys. Den SchilderSalomon
kopieerde die prenten zo meesterlyk dat het
een lust was die te aanschouwen, inzonderheyt schilderde
hy de tronien en de naakten zeer bevalliglyk, en plooide
de draperyen breet en meesterlyk, gelyk als wy ook ons
genoegen daar over tegens Sieur vander Bank betuygden.
Maar een groove misslag verzweeg ik tegens dien Tapissier,
zegt den Schryver van dit Boek, en die bestont
hier in, dat hy by gebrek van opvoeding de behoorlyke
koleuren der draperyen niet wist te geeven aan
die doorluchte persoonagien, en wel voornaamelyk aan
de Persiaansche Koninginnen en aan andere Hofdames in de
Tent van den Koning Darius, en uyt dien hoofde behoorde
|
|
-ocr page 303-
| |
| de de Historieschilder mannen van een goede opvoeding
te zyn, wel beleezen zo in de aloude als in de moderne
Geschigtboeken, om de vereyschte Karakters, wapens,
paarden, kleeders, en andere toestel te konnen geeven
aan hunne persoonagien.
| | Die vroome Konstenaar trouwde een oud, leelijk en
ongegoed wyf, zonder dat hy eens wist den Waarom van
dat huwelyk, want zyn konst aan eene kant gezet, zo schoot
Salomon veel te kort in wysheyt by zyn naamgenoot den
Koning Salomon; ook verzotte den laatste niet op oude
kollen, maar op jonge speelpoppen, en voor zo ver
als ons de ondervinding heeft geleert, zouden wy het
met de keus van den Koning Salomon houden. Dat oud
wyf wiert gek, en dewyl den Konstenaar waarschynlyk
die Dame had getrouwt om haar versant, wiert hy zot
door den weerslag, zy stierf en hy volgde haar, en daar
hebje het geheele leevensbedryf van Salomon en van Salomonina.
N. VAN DALEN.
| | Die Schilder is woonachtig tot \'s Hartogenbosch, indien
hy leeft, en zo hy gestorven is weeten wy hem niet
aan te wyzen, zo min als zyn geboorteplaats, twee byzonderheden
waar aan minder is gelgen als aan de goede
overkomst der Oost- en Westindiesche schepen. Wy
hebben verscheyde aardige Bloemstukken gezien geschildert
by dien Florist, dewelke uytvoeriglyk waaren
behandelt, en vry dun gekoloreert: doch het was een
jammer dat hy tegen zulke pikzwarte gronden maalde, op
de wyze van Kalf, waar door de bloemen\'er op afstaaken,
gelyk als een stalkaars afsteekt op een duystere nacht.
Dat vroom Bloemschildertje, dat ontrent drie vierdeparten
|
|
-ocr page 304-
| |
| ten van een Haarlem iets weevertje kon goedmaaken,
slachte Adam, en was gelukkig zo lang als het geen Eva
op zy had, doch het kipte een noothulp uyt tegens de eenzaamheyt
der lange koude wintersche nachten, een kanailleus
spook uytgebroet uyt de gest des menschendoms, by
dewelke hy een dochter teelde die geen aartje had na
haar vaartje, maar een sloeri was als de moeder. Nog
geen drie weeken was hy vastgeklonken geweest aan dien
huuwelijks bedelblok, of zyn Engelsch orlogie moest springen,
korts daar aan zyn zilvere snuyftabaksdoos, en eyndelyk
zyn degentje van het eyge metaal, waar over hy
meer doleerde als over het verlies van de voorige panden,
dewyl het onderzoekent oog des weerelds dat laatste
Pand, als zynde zichtbaar, schielyker kon missen als de
twee voorige in het duyster schuylende panden. Eyndelyk
kroop hy uyt een tamelyk goed huys in een gangetjes
muyzeval, waar in hy als een slaaf met de penceelriemen
moest zitten roeien, om die twee wyfjes Kasuarissen te
mainteneeren, waar van de oude nevens zyn ontwapende
zy zat te horren op een piepent spinnewiel, onderwyl
dat de jonge langs de \'s Hartogenbosche straaten met zyne
bloemstukjes liep leuren en zeuren.
N. VAN
|
|
-ocr page 305-
| |
N. VANDE LEUR
| | Is een Bredanaar, geboren om streeks het jaar duyzent
seshondert ses-a zevenenvyftig, die Roomsgezint zynde
zich al by tyds na Romen begaf om beyde de lucht van het
H. Romen en van de Teken- en Schilderkonst in te ademen.
In die aloude Stad had hy het geluk van een konstlievent
Kardinaal aan te treffen, die hem zyn protektie,
en de gelegendheyt gaf om schoone Italiaansche en Nederlandsche
schilderyen te kopieeren. Ook verwaarloosde
hy geenszins de dierbaare uuren des leevens, maar tekende
|
|
-ocr page 306-
| |
| kende en schilderde dag en de nacht naarstiglyk, waar
door hy wel een heerlyk Navolger wiert, doch het ongeluk
had van altoos een gemeen Ordonneerder te verblyven.
Dewyl hy myn aldereerste Leermeester is geweest
zegt den Autheur van deeze Leevensbeschryving
der Nederlandsche Konstschilders en
Konstschilderessen,had
ik de gelegendheyt om dagelyks zyn konst te zien,
waar over ik op die tyd niet veel kon oordeelen; doch
t\'zeder heb ik die dikmaals gaan bekyken, dewyl zyne
Susters een verfwinkel ophielden, en ik zelden mankeerde,
als ik aldaar eenige verwen ging koopen, van myne
oogen daar in te laaten gaan speelemeyen.
| | Die Konstenaar voerde een schoon en breed penceel,
tekende braaf vrolyk, koloreerde, verstont zich treffelyk
op de Doorzichtkunde, kende in de grond de kracht
der verwen, maar was en verbleef een Echo, die geen
geluyt kon slaan voor dat andere Konstschilders door den
mond van hunne penceelen hadden gesprooken. Wy
hebben stukken gezien by hem gekopieert na Pieter
Paulus Rubens, maar zo heerlyk gekopieert dat het al
een keurig oog moest zyn om die kopeyen uyt de echte
Konsttafereelen van dien Historieschen Overvlieger te
onderscheyden. Onder veele andere schilderyen hing\'er
in een groote saal een Kopey geschildert naar een Italiaans
stuk te Romen, verbeeldende een leevensgroote
Engelbewaarder die een schoon kind by de hand vasthielt
om dat op den rechten weg te leyden, welk tafereel zo
kloek, zo schoon, en zo meesterlyk was geschildert, dat
het een lust verstrekte aan een Konstschilder om het uuren
lang te beschouwen. Noch hebben wy een paar konterfytsels
gezien, geschildert by dien vroomen vande
Leur, zynde het eene een prokoreur en het tweede zyn
eygen Suster, getrouwt aan dien Boer- en Borgermelker,
beyden
|
|
-ocr page 307-
| |
| beyden uytmuntent van gelykenis, fix getekent, wel behandelt,
op de Italiaansche wyze gekoloreert, en braaf
van houding, zo dat het een jammer was dat hy het
konterfijten niet aanhielt, waar in hy zou hebben geexcelleert,
en dat hy het ordonneeren waar in hy een breekebeen
was en bleef niet liet dryven.
| | Die N. vande Leur was een deugdzaam en volkomen
eerlijk Man, die met veel liefde zyne Leerlingen onderwees,
en altoos even voor het vallen van den avonstont
na boven kwam op de Teken- en Schilderkamer, om
onze verrichting van dien dag na te zien, als wanneer hy
zelden mankeerde om ons het een of het ander historietje
te vertellen. Een paar van die vertellingjes zal ik den
Leezer mededeelen dewijl wy die niet onaardig hebben
bevonden.
| | Ik was reeds een jaar te Romen geweest, (verhaalde hy
op een zekere namiddag) zonder my ooit laat op de straat
te hebben gewaagt, uyt vrees voor de Bandieten, die een
aalmoes vorderen met het stilet in de vuyst, gelyk als de
Luyksche bedelaers, toen ik eenmaal tamelyk laat uyt een
gezelschap van Nederlanders komende, door een kaerel met
het bloot stilet in de vuyst by de mouw wiert gevat, die
dronken scheen te zyn, en my beval van myn beurs over te
lveren. Ik gehoorzaamde hem aanstonds, en gaf hem een
paar handen vol zilvergeld, waar op hy my losliet, een
goeden nacht toewenschte, en liet vertrekken. Ik was zo
blyde als een Engel van dat gevaar zo gelukkiglyk ontsnapt
te zyn, doch ik rekende zonder den waard, want naauwelyks
een dozyn huyzen ver gegaan zynde, beval my den
Bandiet van op nieuws by hem te komen, welk bevel ik
voor de tweedemaal gehoorzaamde, waar op hy my vroeg;
Of ik ook by geval een Orlogie en een Goudbeurs byme
droeg? waar op ik Ja andwoorde, daar hy hartiglyk om
ging
|
|
-ocr page 308-
| |
| ging staan lacghen. Die vrolykheit woei schielyk weer over,
en daar op vroeg hy my andermaal, wat myn beroep was?
waar op ik repliceerde, een jong Schilder en een Nederlander
te zyn, die te Romen gekomen was om myn konst voort
te zetten. Benje een Schilder, Bloodaart, vervolgde hy beginnende
op nieuws te lacghen, daar benje alzo bekwaam toe als
een urinaal is tot een buyskruytmolen; hier isje geld weerom,
Pootuyl, keer daar mee te rug naje Land en wort een Leekebroeder,
die py zalje beter voegen als de livery van St.
Lukas, want Schilders zyn andere knaapen. Dit gezegt
hebbende ging hy zyns weegs, en ik stapte na myn logement
met wyde schreeden, met eene heylig voorneemen van in het
toekomende zo laat niet te gaan langs de gevaarlyke straaten
van Romen. Maar het fraaiste van die klucht was dat
ik \'s anderendaags myn voorval vertelde aan eenige Nederlanders
en Italiaanen, die\'er al zo smaakelyk om begonnen
te lacghen als den Bandiet had gedaan, en die tegens my
zeyden; Ha, Signoor van de Leur, die knaap is Dom
Juan van Ravenne geweest, die een Konstschilder is geweest
alhier binnen Romen, en\'er twee heeft neergelegt en thans
voor Bandiet loopt, doch die tot noch toe niemant heeft beldigt
van zyn voorig beroep, de eenigste goede qualityt die
hem is bygebleeven.
| | Het tweede vertellingje, dat dien deugdzaamen Konstschilder
ons verhaalde, bestont in deeze omstandigheden.
| | Op een avond, zey hy, was ik in de Eetsaal van den
Kardinaal myn Patroon, die vergezelschapt was van eenige
voornaame Kerkprelaaten, en de konversatie viel op den
voorgaanden Oorlog tusschen de Porte en den Keyzer, waar
op een Abt dit opmerkelyk geval van den Graaf van Waldek
verhaalde. Die Generaal, sprak hy was eens vroeg
\'s morgens uytgereeden, alleenlyk verzelt door een oud Ruy-
ter
|
|
-ocr page 309-
| |
| ter die zo moedig was, dat hy volgens de getuygenis van
zyn officiers meer bekwaamheyt had tot het handelen van
een mestvork, als tot het lossen van een paar pistoolen. Den
Generaal was noch geen hondert roeden buyten den omtrek
van het Keyzerlyk heir geavanceert, toen hy wiert aangeranst
door een koppel Turksche Spahis, die fluks ieder een
pistool op hem afbranden zonder hem te quetsen, waar van hy\'er
een dood uyt de saal dee tuymelen, doch met de tweede schoot
miste hy den tweeden die toen met het overgehaalt pistool in
de vuyst op hem toe rende. Den oude Ruyter, die tot daar
toe het spel had beschouwt als een toekijker, rukte toen het
pistool uyt de holster, en onder het schreeuwen van, Ach
arme Graaf van Waldek! schoot hy den Turk van de Meer
dat hy by zijn medgezel bleef leggen, door welke scheut by
den ruys hy den Graaf redde, die hem daags daar aan zijn
paspoort gaf, benevens een jaarlijks pensioen om eerlijk van
te leeven.
| | En nu weeten wy anders niet te zeggen van dien
Konstschilder, als dat hy een Altaarstuk heeft geschildert
in de Minnebroeders Kerk tot Breda, uyt welke klaauw
men de Konstleeuw makkelijk kan kennen. Hy stierf
door de teering, doch op wat jaar konnen wy niet navertellen,
dewijl ons die tyding nooit is overgebrieft
door de Bredaasche Kouranten.
FERDINAND VAN KESSEL
| | Was een Antwerpenaar van geboorte, een waardig
Kind van den by ons aangehaalden Jan van Kessel, een
Konstschilder die voor niemant anders zijn hoed behoefde
te ligten als voor den alom beroemden Fluweelen Breugel,
dien weergaloozen Fenix der Landschap Dieren- en
Vogelschilders. Den jonge Ferdinand had zyn Vader
tot zijn Leermeester, onder wiens heylzaame Leertucht
hy
|
|
-ocr page 310-
| |
| hy een braaf Konstschilder wiert, zonder dat hy daarom
tot deszelfs volmaaktheyt geraakte; en echter heeft men
hem waardig geacht om een Schilder te zijn van twee
Koningen.
| | Hy wiert opontboden by den meergemelden Jan de
Wys uyt Antwerpen na Breda, op het verzoek van den
Heer Molo, Resident van den Koning van Polen, die
hem uyt den naam zyns Konings, den onverwinnelijken
Johan Sobietsky, verzogt om eenige Dieren en Vogelenstukken
te willen schilderen voor dien Vorst, waar van hy
rykelyk, gelyk als ook geschiede, zou geloont worden.
De oorzaak van dat men hem ontbood uyt Antwerpen,
en dat hy voor dien Koning Kabinetstukken zou schilderen,
was dat den Heer Resident gevalliglijk een koppel
stukjes van onzen Konstschilder gekogt, en overgeschikt
had aan zyn Vorst, die dezelve zo wel bevielen
dat hy\'er een geheel Kabinet mee wilde vercieren. Daar
op viel onzen F. v. Kessel aan het penceelen, als of hy
loot schaafde, en dewyl men hem had onderrecht van \'s
Konings smaak, maalde hy de navolgende Kabinettafereelen,
dewelke wy hebben gezien voor het grootste gedeelte.
| | Voor eerst schilderde hy op een groote kopereplaat,
hoog drie, en breed vierdehalf voet, de vier Elementen,
verbeelt door vier kindertjes, waar van het eene gezeten
op een Arend de lucht verbeelde, en omringt was met een
onnoemelyk tal van allerhande vogeltjes: het tweede
wicht vertoonde de aarde, en ruste met zyn rechter arm
op den tieran des wouds, een fieren Leeuw, vorders laagen
om en by hem veelerley soorten van Aardvrugten,
ook zag men verscheyde zo cierlyke bloemen, als wilde
kruyden op den voorgrond uytspruyten. Het derde kind
was het vuur, uytgedrukt door allerley krygstuyg, cierlyk
met goud en zilver ingeleyde Harrenassen, Keteltrommen
|
|
-ocr page 311-
| |
| men met geborduurde zyde en Damaste Dekkleeden,
Vaandels, Speeren, verzelt met een mooi Aapje dat een
glaasje rossoli dronk en een pypje rookte: en het vierde
wicht verbeelde het water, leunende op een bron Gods
kruyk, op den oever van een rivier, waar in men honderde
zee- en watervisschen zag zwemmen en dobberen,
onderwijl dat men aan de voeten des kinds, koraaltakken,
schulpen, paarlen en andere zeegewassen zag afgemaalt.
Dat Konstkabinet was vervat in een smalle ebbenhoute
lyst, en den binnenkant gestoffeert met een smal goud
biesje, en om en tom waaren veertien a sestien onderscheyde
stukjes vervat, verbeeldende eenige zeldzaamheden,
van dieren, vogels, wapenrustingen, en visschen,
dier vier hoodstoffen, vervat in een groote schoone lyst,
alle welke aangenaame voorwerpen maar een Kabinetstuk
opmaakten.
| | Op die zelve wijze schilderde hy de vier deelen des
weerelds voor dien oorlogshaftigen Koning der Polen;
als van \'s gelijken die voorgenoemde vier Elementen
noch eens op vier byzondere tafereelen, op dewelke hy
een ruymer veld had om alle de daar van afhankelyke
leevende en groeibaare voorwerpen konstiglyk en zeer
natuurlyk te konterfijten. Op die voet maalde hy insgelyks
op vier groote kopere plaaten de vier gedeeltens der
aarde, en op ieder konststuk verscheyde persoonaagien
der beyde sexen, alsmede eenige kindertjes; en hy schilderde
een oneyndig tal vrugten, dieren, vogels, visschen
als andere zeldzaamheden, dewelke ieder deel voortteelde,
op die vier konsttafereelen, waar toe hy zich voornaamelyk
bediende van duyzende getkende, en by zyn
Vader Jan van Kessel uytvoeriglyk geschilderde modellen:
en als hem iets ontbrak nam hy de Kruydboeken,
der dieren, visschen- en vogelbeschryvingen tot zyn behulp,
|
|
-ocr page 312-
| |
| hulp, ook wierden de vier weereddeelen gepent by den
vroome Simon de Vries, en met geestryke prenten verrykt
door des Satans Luytenant Romeyn de Hooge, niet
overgeslaagen.
| | Maar boven al schilderde hy het stichtelyk leevensgedrag
van Reynaart den Vos op een tamelijk groot Kabinetstuk,
omcingelt met langwerpige stukjes op kopere
Plaaten geordonneert, op de welke men alle die schelmstukken
zag gemaalt, die te leezen zijn in de geloofwaardige
Kronyk van deszelfs leeven. Met dat stuk bleef hy
zitten, dewijl den Koning van Polen kwam te sterven,
en den Heer Molo, alhoewel het die had aanbestelt het
weygerde te betaalen, waar over hy dikmaals doleerde, als
die geen grooter vermaak kende als te rammelen in goude
en in zilvere munten.
| | Den bovengemelde Koning schiep zo een ongemeen
behaagen in de Kabinet stukken van dien Ferdinand van
Kessel, dat hy een tamelijk ruym Kabinet had doen stichten
om die Konsttafereelen daar in zonder byvoeging
van eenige andere konst, te plaatsen. Dat Kabinet brande
tot den grond toe af, tot \'s Vorsten misnoegen, waar
op den Schilder binnen weynig jaaren die zelve stukken,
waar van hy de modellen had bewaart, voor de tweedemaal
schilderde, en noch rykelijker wiert beloont als
van te vooren.
| | Daar by schilderde hy veele konsttafereelen voor den
schatrijken Abt van den Olyfberg, van welke Prelaat wy
alle de brieven in tamelijk goed Latyn opgestelt hebben
geleezen. Ook kon men wel zien dat die brieven waaren
gepent by een Kerkprelaat, want de artykels van sus en
zo veel af te dingen, waaren in die gewijde missives zo
dik gezaait als de starren aan het halfrond, waar tegens
den Konstschilder, die Satans gierig was nooit toe verstont
|
|
-ocr page 313-
| |
-ocr page 314-
| |
| mente Bul, gepent in goude letters, waar in dien Vorst
hem en alle zyne nakomelingen veradelde, en met zulke
heerlyke eertytels ophulde, dat het te lang zou vallen
om die alle aan te haalen. Doch het Konstschildertje
excuseerde zich wegens de zwakheyt zyns licghaams, als
die alommers zo podagreus was als den laatst overleeden
Schryver van den Hollandsche Merkuur, den zoons zoon
van den grooten Armyn; en dat was waar, want alle
zyne vingers stonden zo krom als de klauwieren van Rukers
klavecimbels, en hy stont zo vast op zyn gezwolle
pooten, gelyk als de naald van een zeekompas in een
vliegende storm. Ook was hy zo welleevent als een geboren
Antwerps wicht doorgaans is, en hy verstont zich op
zo veelerhande komplimenten als den ontvleeschten Krankbezoeker
van Ysselstyn. Maar dat waaren de kooten niet,
de beelden het zy van mans, vrouwen, of kindertjes,
die geen gemeene luyster gaaven aan zyne schilderyen,
wierden tot Antwerpen geschildert by de beroemde Historieschilders,
Eykens, Maas, van Opstal, Biset, en
meer anderen. De Landschappen wierden ook in die
zelve stad gepenceelt by Spierings, Rysbregts, en andere
braave Landschapschilders; ja tot de ontstelde zeen inkluys
liet hy maalen, by den Antwerpsche vande Velde;
en de schilderyen, waar op hy eenige gebouwen, het zy
Antwerpsche of hedensdaagsche, te pas bragt, tkende
en schilderde Genoels, benevens noch een andere Schilder
die wy thans niet konnen noemen. Daarenboven hadden
de Bloemschilders Verbruggen, Bosschaarts en Hardim
veele groote bloemschilderyen gemaalt voor ons Konstschildertje,
na dewelke het die bloemen om dewelke het
benoodigt was kopieerde, ook wel eens by en geval een
geheel bloemtafereel uyt schilderde, en in het kleyn te
pas bragt op de stukken des Konings van Polen. Den
Fruyt-
|
|
-ocr page 315-
| |
| Fruytmaaler Gillemans voorzag hem insgelijks van allerhande
zo leevensgroote als andere Vruchtstukken: kortom
hy had alle die Konstschilders in zakken behooren
te steeken, om mee te neemen na Polen, indien hy die
achting die den Vorst voor hem had opgevat wilde bewaaren,
zynde hy gelyk aan het Juffertje in Nasos gezangen,
dat haar voornaamste schoonheyt was verschuldigt
aan haar Toilet, strikken, linten, mouches, roode
en witte koleuren, en de minste bekoorlykheden zag
men voortkomen uyt haar zelve.
| | Maar echter die Konstarmoede uytgezondert was F. v.
Kessel een braaf Konstschilder, die zyne dieren, vogels,
visschen, bloemen, kruyden, en vruchten, fix tekende,
vrolyk koloreerde, konstiglyk en uytvoeriglyk behandelde,
en daar by zo aardiglyk toetste, dat het makkelyk
was om te zien dat hy meesterlyk meester was over zyne
konstpenceelen; en dat was al iets byzonders, dewyl hy
die moest behandelen met zulke kromme haaken en oogen.
Voor de rest was het een vermaakelyk Antwerps praatertje,
vol poetsen en kluchten, waar van wy\'er den
Leezer een stuk a twee zullen opdisschen.
| | Ik ben zyn Leerling geweest in myn groote jeugd, zegt
den Autheur van deeze boekdeelen, en hy speelde my op
een zekere tyd een pots, die al vry aardig is om een enkelde
byzondere zeldzaamheyt. Ik zal dan openhartiglyk
opbiegten, en vergeef ons die adelyke zwakheyt,
gestrenge Tuchtheeren, dat ik een ongemeen beminnaar
geweest ben van de vrouwen, die schoonste wederhelft
der Schepselen, en dat die zelve zucht ons tot
noch toe is bygebleeven, wel met mindere bekwaamheden,
doch met geen minder drift, zullen wy voor geene Katos
ontkennen. Ferdinand van Kessel, die stilzwygens myn
geneydheyt had bestudeert, verzogt my eens op een winter-
|
|
-ocr page 316-
| |
| tersche namiddag om een fles wyn met hem te drinken,
een gonstbewys dat ik voor noch na heb genooten. Onder
een diskoers van deeze en van geene zaaken, vroeg
hy my, of ik wel kon zwygen? een deugd daar mee de
aankomende Jongelingen niet al te bekent zyn, zynde
het gros derzelver alommers zo driftig om de gonstbewyzen
der Juffers uyt te trompetten, als om dezelve te
verkrygen. Ik andwoorde dat ik myn tong vry meester was
na myn jaaren, en dat hy nooit eenige geheymen, die
verzweegen behoorden te worden, van die tong had
hooren rollen, waar op hy meesmuylende repliceerde;
Ja maar, myn waarde Jakob, dit is een geheym, verzelt
met een gonstbewijs van een jonge Dame myn Matres, dewelke
ik uw noch van deeze nacht in uwe vlammende bouten
zal overgeeven, dewyl zy over myne hooge jaaren begint
te klaagen, en ik liever heb dat zy aan uw die tedere
faveurs besteet, als aan een ander, die dezelve mogelyk
verbreyden, ten minsten zo dankbaarlyk niet zou erkennen.
Denk niet, vervolgde hy op een ernstige toon, dat ik met
uw zoek te spotten, te meer daar ik by de weerelt geboekt
staa voor een Paternosterkraaker, voor een Papenzot, en
voor een Erfvyant der Vrouwen; schyn bedriegt, vriend
Jakob, ik heb myne zwakheden zo wel als een ander, maar
ik heb\'er altoos den vernis der schynheyligheyt overgeblaazen,
en die dat konstje verstaat kan doorgaan voor een persoon
van een onbesprooken leeven, alhoewel hy meerder vlekken
op zyn gewisse voert, als een koppel Luypaards draagen op
hunne gepenningde vachten. Ik zou haast hebben opgevloogen
uyt myn stoel om dien goedaardigen Konstschilder
te omhelzen, voor \'t minst ik hield my zo, waar op
hy my zey dat zulks onnoodig was, en dat ik tegens negen
uuren kon wederkomen, als wanneer\'er een zacht geschud
bruydlofsbed voor my en voor die Juffer zou gereet
|
|
-ocr page 317-
| |
| reet leggen op de achterkamer, dat ik my provisioneelyk
kon gaan diverteeren by Monsieur Gaillart (by dien
Koffihuyshouder, en met eene een wynschenker, was
myn dagelyksche loop,) en een fles Gravesche wyn
drinken, en dat hy ondertusschen alle de moeielykheden
uyt de weg zou ruymen. Daar op nam ik mijn afscheyt
en ik snorde na le Sr. Gaillart, daar ik den Heer Guillaume
ontmoete, die Kapiteyn was onder het toenmaals
tot Breda in garnizoen leggent Regiment van Nassou Walon,
met den welken ik drie partyen op de Billart speelde,
en al willens drie flessen wijn verloor om de gelegendheyt
te hebben van met hem, die mijn vriend was,
te konnen drinken en praaten. Dien Officier verwonderde
zich van my zo buyten gemeen verheugt te zien, want
het vreugdvuur flikkerde in mijn groote blikken, en ik
stelde geene andere gezondheden in als die de liefde en
de vrouwen raakten, waar op hy my vroeg; Of ik een
nieuwe overwinning op de eene of op de andere Minnevesting
in \'t oog had, en aan wie van de Bredaasche schoonheden
den neusdoek zou toegeworpen worden? Ik repliceerde;
Dat ik een nacht als die van Jupyn en van Alcmena zou genieten,
en een Dame streelen die zo schoon was als een
Grieksche Ismene, en die trots eene Korintische Lais op het
zwaanendons kon dartelen, en daarenboven het duel niet
aannam na den ontfangst van een gulde regen, gelyk als een
geintresseerde Dana, maar die my als een Brongodes met liefdegonstbewyzingen
zonder het geringste belang zou
overstulpen. Hy lacghte dat hy schudde over mijne dichkundige
uytdrukkingen, en stelde alles in \'t werk om my dat geheym
ongevoeliglijk te ontfutselen, zijnde hy een doortrapte
Vos van ruym veertig, en ik een onnoozel Kuyken van ontrent
achtien jaaren, maar hy taste mis; waar op hy ziende
dat\'er geen achterkomen aan was, met my eenige Fransche
|
|
-ocr page 318-
| |
| sche airtjes ging zitten zingen, en onze wijn effen voor
het klokslag van negen uuren verorbert zijnde, nam ik
afscheyt van dien geprevilegieerden doodslager, en ik
vloog op de wieken van mijn verlangen na het logement
van den Konstschilder Ferdinand van Kessel.
| | Hy ontfing my stilletjes aan de deur daar hy my stont
op te wachten, en na alvoorens gezegt te hebben, dat ik
my zo stil moest houden en zo gerust gaan slaapen als
een jongen die St. Niklaas verwacht, geleyde hy my op
de afgesprooke achterkamer, daar ik my ontkleede in minder
tijd als een superfijn Mennonist susje noodig heeft
om haare handschoentjes uyt te trekken op een plegtig
kraambezoek, waar op hy de kaars wegnam, na my
nochmaals bevoolen te hebben van te slaapen. De wijn die
ik met den Kapiteyn Guillaume had gedronken, was meer
de oorzaak dat ik in slaap viel als zijn herhaalt bevel, na
dat ik echter alvoorens langer als een uur lang in \'t bed
had leggen buytelen als een bruynvisch in een storm,
toen ik eenig gestommel hoorde, waar op ik overend stoof
en twee persoonen zo my dacht hoorde komen aanslurven.
Zyje wakker, vriend Jakob? vroeg den Konstschilder met
een zachte stem, en ik andwoorde zachtjes; Ja, myn
Heer van Kessel, waar op hy herhaalde, dat is puyk,
Liefhebber van de naakte waarheyt, schik wat op hier is uw
toekomende Bruyd, wel eer myn Beminde. Ik greep
toe in \'t duyster en voelde een koiffuur, maar iets laager
een yskoude bol die my deed schrikken, waar op hy een
dieve kaarsje voor den dag haalde, en my een vergult
doodshooft liet zien, gekoiffeert met een rijke fontagne,
op die tijd de mode. Dat doodshooft, sprak hy met een
bedroeft geluyt, is wel eer mijn Maitres geweest, eene
Antwerpsche Juffer, die in het hevigste van onze onderlinge
wederzydsche liefde kwam te sterven. Zy wiert begra-
ven
|
|
-ocr page 319-
| |
| ven in de Burgtkerk van Antwerpen, en ik kogt den Doodgraaver
om voor een goude Souvereyn die my beloofde met
eede, van my het doodshooft van die overleede Juffer te zullen
toezenden, zo dra als het vleesch door den tyd zou zyn
verteert, onder deeze twee konditien, de eerste indien hy zo
lang leefde, en de tweede, onder een reciproque belofte van
myne kant, van hem alsdan tweede goude Souvereynen te
zullen geeven voor dat yslyk geschenk. Wy hebben ons woord
gehouden van weerskanten, en dat is die Maitres die ik beloofde
van uw te zullen overleveren tusschen uwe graage
bouten. Ik heb mijn woord gepresteert, en bid en smeek
den alvermoogenden Schepper van Hemel en van aarde, dat
die vertooning het zelve uytwerksel mag doen op uw gesteltenis,
gelyk als zy heeft gedaan op mijne hartstogten. Ik
verfoei de liefde, de vrouwen, en alle de onkuysche lusten;
ik dank God dat ik my kan vervoegen tot den Schepper, in stee
van tot de Schepselen of noch zo schoon als Engelen; en dat
ik in staat ben om hem een onbevlekte ziel in een onbevlekt
licghaam te konnen overleveren ten allen tyden.
| | Aldaar zweeg dien vroome Konstenaar, en ik gevoelde
mijn ziel zodanig op dat ogenblik geraakt, zo door die
yslijke vertooning, als door de kristelijke toepassing van
dien F. v. Kessel, dat ik een vast besluyt nam van mijn
leevensgedrag te verbeteren: doch ik zeg het met smart,
mijn verliefde gesteltenis, de gelegendheden, en den
dagelijkschen ommegang met Officieren en met andere roekelooze
Kabouters, hebben een stok in het wiel gestooken
van dat Godvruchtig voorneemen.
| | De volgende pots is wel zo vermaakelijk, en die zullen
wy achtervolgens onze belofte den Leezer verhaalen,
en als dan een behoorlijk afscheyt neemen van den
Konstschilder Ferdinand van Kessel.
| | Na de dood van zijn Meceen, den beruchten Johan
So-
|
|
-ocr page 320-
| |
| Sobietsky Koning der Polen, trat hy in de qualityt als
Hofschilder in dienst van den Gouverneur van Breda,
den Generaal Webbenom, een groot gonsteling van den
Vorst Willem van Nassau, op die tijd noch geen Koning
van Groot-Brittanje. Nu gebeurde het dat een voornaam
Heer vroegmorgens verzogt om met den Generaal
te spreeken, eer dat alle die geenen die dagelijks hun
Hof kwamen maaken by zijne Excellentie noch waaren
opgedondert. Den Kamerdienaar zey, dat den Generaal
noch niet was opgestaan, doch dat hy hem dat verzoek
zo dra als hy ontwaakte zou voordraagen, en hem als
dan bescheyd zou komen brengen. Daar op ging dien Heer
wandelen over de Bassecourt, en een deur ziende die half
openstont, trat hy daar in en zag Ferdinandje van Kessel
zitten schilderen, die opstont en hem een stoel presenteerde
om te gaan zitten. Zy diskoereerden eenige ogenblikken
over de Schilderkonst, toen dien Heer een dwarsfluyt
zag staan tegens de glaazen van een venster, waar
op hy oprees, en een liefhebber van de Muziek zijnde aan
den mond zette om een airtje te speelen. Maar op het
eerste geblaas vloog zijn gantsche tronie vol tonnetjes
zwart, en zijn blonde paruyk, fijne neteldoeksche
das, kleed en hemd, wierden mee niet weynig door dat
guineeskoleure hemelsblaauw bestooven. Dien Heer
wiert verwoed over dat belacghelyk accident, en zo veels
te meer, dewijl den Kamerdienaar hem op een volle galop
kwam waarschouwen dat den Generaal hem zat te
wachten, waar op hy onder vreeslijk vloekkenen bannen
na de audientiesaal trat, na zich alvoorens met zijn neusdoek
meer te hebben besmeurt, als gekuyscht. Den
Gouverneur begon te lacghen dat hy schudde, zo als hy
hem zag inkoomen, en vroeg; Hoe zieje\'er zo uyt, myn
Heer, of komje ook van een visite te geeven aan Beelzebub
den
|
|
-ocr page 321-
| |
| den God der vliegen, want ik zie honderde van zyne hovelingen
hangen in uw paruyk, en op uw lynwaad en kleeders?
Den Heer repliceerde, dat den Hofmaaler van zijn Excellentie
hem dat affront had gedaan, en hy verzogt in
nadrukkelijke termen aan den Gouverneur van den Hofschilder
te willen doen binnenstaan, om hem daar over
te straffen, en ook om aan zijn persoon door dien Schilder
een behoorlijke voldoening te doen erlangen voor
die hem toegebragte beldiging. Den Generaal Webbenom
beval dat men F. v. Kessel zou by hem doen komen,
die zo dra niet in de Audientiesaal getreeden was, of
den Gouverneur vroeg hem ernstiglijk; Waarom dat hy
een Heer van fatsoen had toegestelt als een Schoorsteenveeger?
ger? waar op het Konstschildertje stemmiglijk andwoorde;
Die dwarsfluyt, Uw Excellentie, heb ik laaten maaken
voor wijzen en voor narren, voor de wyzen om die te
bekyken en te laaten staan, en voor de narren om die in de
hand te neemen, en\'er op te blaazen. Den Generaal begon
op nieuws zo buytenspooriglijk te lacghen over dat
kluchtig andwoort, dat dien Heer een kort afscheyt nam,
ziende dat hy niet veel voldoening voor die schimp stont
te erlangen.
| | Die Konstenaar stierf tot Breda, uytgeput door het
podagra, Chiragra, en door onophoudelijk te schilderen,
want wy gelooven dat\'er niet veele Nederlandsche
Schilders zyn die zo een groot getal konstschilderyen in
de weerelt hebben gebragt als dien konstrijken Ferdinand
van Kessel, en daar van zullen wy de reden zeggen, hy
was vaardig en naarstig.
N. EY-
|
|
-ocr page 322-
| |
N. EYKENS.
| | Die groote Konstschilder is geboren omstreeks die eeuw
in het konstrijk Antwerpen, een Man die een groot
Meester was in de drie voornaamste hoofdpunten van de
Schilderkonst, in wel te tkenen, wel te koloreeren, en
wel te schilderen. By wat voor een Schilder dat hy de
konst leerde konnen wy niet zeggen, maar dat hy de
konst wel heeft geleert, daar van geeven de geschilderde
getuygen blijken, dewelke hy maalde voor de Kerken en
voor de Konstkamers der Konstbeminnaars, en thans hooger
worden geschat als by zijn leeven. In de Hoofdkerk
van O. L. Vrouw tot Antwerpen is een Altaarstuk te zien,
geordonneert, en geschildert, by dat geestrijk breyn en
by die konstrijke hand, waar op de Liefhebbers noch dagelijks
nieuwe behoorelijkheden ontdekken. Op dat Altaarstuk
staat de Koninglijke Maagd en Martelares Katharina
verbeelt, disputeerende tegens de Heydensche leeraaren,
waar van\'er een is die haar uyt een groot geopent
boek vol vreemde Karakters poogt te overtuygen wegens
de waarheyt des Heydenschen Godsdiensts, waar tegens
zy krachtiglijk schijnt in te leggen. Die schoone Maagd
dewelke
|
|
-ocr page 323-
| |
| dewelke een Koninglijk opslag in haare ontzacghelijke
oogen draagt, en een hooggeboren air heeft, is ook koninglijk
opgeschikt, behangen met een heerlijke mantel,
gevoert met kostelijk bont, zwaayende over haare blanke
voeten, op dewelke zy zo vast staat geplant als of zy
gelijk als een Atlas de weerelt zou torssen.. Boven haar
hoofd ziet men een gallery geschildert met overleunende
aanschouwers, waar onder zulke weezendlyke tronien
gezien geworden, datze de Konstkenners verbaazen: om
kort te gaan die konstiglijk geschilderde Altaarschildery is
die plaats wel waardig die zy beslaat onder en by zo
veele heerlijke Altaarstukken, geschildert by de alderberuchtste
Nederlandsche Schilders.
| | In de St. Joris Kerk, zo wy ons in den naam van de
Kerk niet vergissen, staat noch een Altaarstuk gemaalt
by dien konstrijken Eykens, welk stuk wy boven de vijftig
reyzen hebben gaan zien, zonder ons wegens deszelfs
ongemeene schilderwijze te konnen verzaaden. Het verbeelt
het laatste Avondmaal des Heeren Jesu Kristi met
zijne discipelen, en is geschildert op de Italiaansche
trant, zonder dat echter den Konstenaar ooit die luchtstreek
had bezigtigt als in reysbeschryvingen en op konstprenten.
| | Sommige albedillers baffen hem aan, en verwijten hem
als een doodschuldig misbedrijf, dat zijne meeste vrouwentronien
elkanderen gelijken; doch zy konnen hem
geene mistallen verwijten in die bekoorelijke tronien. De
reden van die gelijkenis komt, dat Eykens, die min geld
by zijn leeven bezat als Milord Cadogan, geen hondert
dukaten jaarlijks kon missen om die te kost te hangen
aan gehuurde vrouwen modellen, en uyt dien hoofde
zich bediende van de bevallige tronien en van het schoon
naakt van zijne drie a vier dochters. Die zelfde feyl zo
het
|
|
-ocr page 324-
| |
| het al eens een feyl mogt gedoopt worden, zou men
konnen verwijten aan den beruchten en vriendelijken
Konstschilder Albano, die meestendeels alle zijne modellen
haalde uyt zijne eyge schoone Familie. Den braave
Konstenaar Gerard Hoet heeft zich desgelijks daar mee
beholpen, en meer andere verdiensige Meesters, zonder
dat wy den grooten Pieter Paulus Rubens eens willen
aanhaalen, die de tronien, en waarschynlijk ook het
naakt van zijne schoone Vrouwen, te pas bragt op honderde
Konsttafereelen.
| | Dat dien Eykens daarby een Meester is geweest die
verwonderlijk een stuk houtskool zo op wit papier als anderszins
behandelde, en zo vast als een muur tekende,
is noch hedensdaags op een herbergs muur te zien binnen
de Stad van Antwerpen. Dikmaals hebben wy den
Hospes van die Herberg, of anders van dat Hofke gelijk
als de Antwerpenaars het noemden, den penning gegont,
om het vermaak te hebben van die op de muur
getekende leevensgroote beelden te beschouwen. Zo wy
ons niet bedriegen verbeelden die konstrijke Tekeningen
eenige vrolijke knaapen die aan een tafel zaaten te smullen,
welke tafel was opgedisscht met verscheyde soorten van gerichten,
welk gezelschap door eenige gemaskerde beelden
wiert opgepast. Het heugt ons dat\'er onder anderen een
van die oppassers was gekleed als een Harleqyn, die met
een schenkbord met glaazen in de rechter en met een florentynsche
bouteille in de linkerhand, schenkens gereed,
zeer yverig komt aanstappen om zijne Heeren en
Meesters behoorlijk te dienen. Alle die beelden waaren
heerlijk met houtskool getekent, en de onderscheyde
hartstogten op de tronien en in de beweegingen dier beelden
zo natuurlijk uytgedrukt, dat wy dikmaals verrukt uytriepen;
Warlyk, Eykens, ghy zyt een groot Meester geweest!
Op
|
|
-ocr page 325-
| |
| Op het Hof der Prinssen van Oranje, tot Breda, hangt
een schoon Kabinetstuk van dien grooten Eykens, waar
op, zo wy ons niet vergissen een H. Familie staat verbeelt,
waar van de geschilderde persoonagien zich zo
schoon, en heerlijk getekent en geschildert, en zo vrolijk
gekoloreert vertoonen, dat men het met recht een konstjuweel
mag noemen.
| | Ook schilderde hy veele naakte Nymfen, Kindertjes
der beyde sexen, graauwe beelden en steene vaazen voor
de Bloem- en Fruytschilders, dewelke zy dan vercierden
met bloemfestoenen, met vruchten en met kruyden,
zijnde de voor- en achtergronden meestentijds gepenceelt
by den Landschapschilder Spierings, die een groot
talent had om een stuk, zonder het te benadeelen, te
stoffeeren op een vrolijke wijze. Doch om de waarheyt
te zeggen, Gaspar Pedro Verbruggen den Bloemschilder
verstont dat konstje zo fix niet, want dewijl die man
min om eere als om geld schilderde, flodderde hy\'er
zijn zwaarmoedige bloemen maar by den ruys over heen,
daar het onweer viel, deed het schade, want alle de
schreeuwende bloemkoleuren strooide hy om en tom;
op die schoone Floras met zo weynig oordeel, dat men
veelstijds werk had om Eykens schoon gekoloreerde Nymfen
en behoorlijke Kindertjes op te zoeken onder die
molshoopen van bloemen en kruyden.
| | Hy verdronk in de huuwelijks zee, eer dat hy de gevaaren
eens ter deege kende, en kreeg eer kinders als een
baard, zo dat het niet altoos Kermis was in zijn huyshouding.
Zijn Beminde was niet leelijk, maar ongegoed,
zijn Dochters waaren bekoorlijke Meysjes, doch
hy kon haar geen zwaarder gewigt van goud of zilver
meegeeven tot een bruydsschat, dan twee groene Kikvorsschen
op een berri konnen voortorssen, en hy kreeg
Jon-
|
|
-ocr page 326-
| |
| Jongens als valken, maar die hadden geen broektassen
om hun zakgeld in te steeken. Des niettegenstaande leefde
hy echter zo adelijk als de Spaansche Officieren van
Duc d\'Albas Kasteel, en men zag hem met de hand in
de zy en den hoed onder den arm ieder namiddag op de
Antwerptsche mair spansseeren. Ook riep zijn huysvrouw
doorgaans tegens een halfnaakte huysmeyd ontrent
het klokslag van elf uuren; Sa haast ou ieen lutke Jenno,
stookt ieen oortjes fagooken in brand, en hangt water over
om Sinjeurs condee en poinjetten te wassen, hai moet tegens
twee uuren op de Mair goon spansseeren. Daar by was
Eykens altoos gewoon van in de Bierherberg te vraagen
na die spyzen, die hy zich verzekeren kon dat\'er niet
waaren te vinden, als by voorbeelt als de klok \'s avonds
acht a negen uuren sloeg, liet hy den Waard of de Waardinne
roepen, en vroeg dan met een schatrijke stem,
wat hedde op de schotel stoon? en als wanneer die andwoorden,
kouden abberdaan, ieen gebakken botje, gebrooden of
gestoofde poling &c., dan schudde hy het hoofd, en vroeg
op nieuws, hedde gai ook per avontuur niet een kaud kieken,
of ieenen bout of vlerk van ieen Bredoesche of Brusselsche
Kapoen, of wa gefrikasseerde Leeuwerikskens, of diergelaike
faine spaisen? waar op die wiskonstiglijk neen
repliceerden, en dan schreeuwde hy eensklaps, Sa langme
dan ieen mastelleken met ieen halve stuyver kaas, ken kan
ik kik, bai God! hier niet zitten kaiken aa ieene drooge
Weever, want ik ben ik altoos gewent ieen klain soupken
te neemen as ik kik mai onder main pints Leuvens diverteer
met de vrienden.
| | Op dien armoedigen trant leefde dien grooten Meester
een geruyme tijd, en schoon zijn maag innerlijk zo vol
rimpels was als de Goudbeurs van een Spaans Officier,
echter speelde hy den gebraaden haan overal, als die een
vro-
|
|
-ocr page 327-
| |
| vrolijke ziel droeg in een vermaagert licghaam. Doch den
slimsten artijkel was, dat toen de zon van Peru zijne arme
Familie begon te verligten na die langdraadige Nova
Zemblas duysernis der armoede, toen den Konstschilder
geld en eere begon te winnen, en het verdroogt
huysgezin begon te ontluyken door die verzilverde zonnestraalen,
toen kwam de ontydige dood, en fleurde den
konstrijken Eykens in het hol van der yskoude slaap die
op het beste van zijne dagen verdorde, nalaatende een
bedrukte Weduwe, benevens drie zoonen en zo veele
dochters.
N. LACTORIUS.
| | Wy zouden nooit hebben geweeten, dat\'er een diergelijk
bloemschilder op de weerelt was geweest, ten zywe
een schildery van dien Konstenaar hadden gezien aan
het huys van den Portretschilder vander Wilt tot Delf,
die aldaar was gebragt om schoongemaakt te worden. De
bloemen stonden my zeer wel aan, als ook de groene bladen,
uytgezondert dat zo de eersten als de laatsten wat zwaarmoedig
waaren geschildert, en die fixe toetsen niet hadden,
die de bloemen nootzakelijk dienen te hebben. Die
T. v. Wilt zey ons, dat hy ten laatsten het konstpenceel
verwisselde tegens de meekeekuyp, en een Meebrouwer
wiert tot Zwammerdam of tot Alphen, in een van
die beyde Dorpen; zo dat hy niet in den reuk van Heyligheyt,
gelyk als zich de Roomschgezinden uytdrukken,
maar in den reuk van Zoetheyt is overleeden,
ERAS-
|
|
-ocr page 328-
| |
ERASMUS QUELLINUS.
| | Die blinkende konstzon zag Antwerpen boven haare
stads kimmen verreyzen, omstreeks die eeuw, een
waardig kind van een konstrijken vader, wiens leeven
wy reeds hebben verhandelt in de voorige boekdeelen.
Hy heeft geen ander leermeester gehad als die vader, en
die vader is voor of na met geen beter leerling gezegent
geweest, zijnde dien Erasmus de glorie van zijne eeuw,
en den roem der toekomende Antwerpsche naneeven.
| | Wy zullen ons in geen volmaakte beschryving van alle
de Historiestukken, door zijn overvloeient konstpenceel
voortgebragt, inlaaten. Die beschryving alleen,
zou verscheyde boekdeelen uytmaaken, ook is ons bestek
al te naauw bepaalt, waar door wy in het onvermoogen
zijn gestelt, om zo veele konststukken behoorlijk en
wydloopiglijk te konnen beschryven. Wy verzoeken
derhalve
|
|
-ocr page 329-
| |
| derhalve den Leezer van het ons ten besten te houden,
indien wy hem maar alleenlijk komen te geleyden in de
beruchte Abdy van St. Michiel binnen Antwerpen, daar
zijne alderbeste konststukken berusten.
| | Het heerlijkste en aldergrootste Konststuk van dien
Konstfenix hangt in de Kerk van die Abdy, en komt
tot aan het verwulfsel, waar op hy het Vyvermirakel
heeft geordonneert, daar de kranken eens \'s jaars na toe
tropten na dat het water was beroert door den Engel.
Op dat onvergelykelyk konststuk ziet men den Zaligmaaker,
schoon van weezen en deftig gekleed, die van
eenige trappen eens tempels schynt neder te daalen,
vergezelschapt met eenige discipelen, en met een groot getal
van allerhande soorten van toekijkers. Het tempelgevaart
is zo groots van ordonnantie, en de pilaaren zijn
zo natuurlijk uytgegroeft dat alles natuurlijk steen gelykt,
ook pronkt den trap met twee groote steene vaazen van
een ongemeene verkiezing, beyden zo rond geschildert
datze min geschildert, als uytgehouwen schynen te weezen.
Alle de beelden zyn heerlijk getkent en grooter
als \'t leeven, wonderlijk geschildert, en de hartstogten
zo heerlijk waargenomen, dat wy niemant kennen die
die ordonnantien zou konnen verbeteren. Inzonderheyt
toonde dien grooten Erasmus Quellinus, dat hy \'s menschen
Ontleedkunde, de Bouwkunde, en de Doorzichtkunde
verstont, want de naakten zijn onberispelijk
getkent, de Bouwkunde en de Doorzichtkunde zijn
zo verstandiglijk waargenomen, dat de alderervaarendste
Bouw- en Doorzichtkundigen daar op nooit iets hebben
konnen bedillen. Het eenig dat de Konstkenners op dat
wonkerbaarlijk reuzen-tafereel ooit wisten te berispen,
was, dat de beelden, die van boven de gallery des tempelgevaarts
neerwaards keeken, veels te groot waaren na
de
|
|
-ocr page 330-
| |
| de evenmaatigheyt der onderste beelden, en dat was waar;
doch die geringe misslag uytgezondert, zo zyn de overige
geschiderde voorwerpen buyten het bereyk van alle
berisping. Maar het is een doodelijk jammer dat den
domme Abt van die schatrijke Abdy, eenige weynige
jaaren geleden, dat Konststuk heeft laaten bederven, en
van het grootste gedeelte van deszelfs luyster berooven,
door een vervloekte guyt genaamt Niklaas, een lomp beest
woonachtig tot Brussel, die onder het voorwendsel van
dat stuk te vernissen, dat eenigszins uytgeslaagen was
door de vochtigheyt van de muur, het in de pan heeft
gehakt, en vernielt zonder de minste hoop van herstelling.
| | Den Refter (dat is den term die de Paapen geeven aan
hunne eetsaalen) is om en tom beschildert by die zelve
konstrijke hand, en beschildert op het beste van zijn tijd,
alle leevensgroote beelden: doch wy zullen ons wel wachten
van ons in die wydluftige beschryving in te laaten,
dewijl die beschryving alleen een kleyn boek zou opmaaken.
Wy zullen ons dan alleenlijk vergenoegen met te
zeggen, dat hy in die zelve Abdy Kerk noch eenige
groote stukken heeft geschildert in eenige vakken,
verbeeldende de marteldood van sommige Monnikken
dier wellustige Order, onder dewelke zich den groote
Konstbeminnaar Koks, Cantor van O. L. Vrouwe Kerk
tot Antwerpen, heeft laaten konterfijten met een strop
om den hals, staande aan de voet van de galgladder, en
zijn beurt afwachtende om opgeknoopt te worden. Doch
die stukken schilderde hy op het daalen van zijne jaaren,
en zijn op ver na zo goed niet als den Refter, of als dat
stuk dat wy hebben beschreeven, maar echter heerlijk
van ordonnantie. Die groote Man heeft verscheyde
prachtige Abdyen en Heeren huyzen daar omstreeks verrijkt
|
|
-ocr page 331-
| |
| rijkt met zijne weergaalooze Konsttafereelen, zonder dat
hy\'er, hoe rykelijk hy ook zijn konst dee betaalen, rijk
by is geworden, dank zy Madame Quellinus, die met
de eerse Kavaliers zo grof la bassette speelde, en meestendeels
zo ongelukkiglijk, dat den deugdzaamen
Erasmus in geen staat was om die herhaalde inondatien
der Finanties te konnen stoppen met zijne konstpenceelen.
Daar by wierden zijne kinders weeliglijk opgevoed, en
het was maar, Hartje wat begeerje, en Mondje wat lustje?
zo dat hy zich buyten staat zag om veele schatten op
te leggen.
| | Hy was een goedaardig Man tegens de gantsche weerelt,
en boven al tegens zyne Leerlingen, dewelke die
vryheyt misbruykten. Op een zekere tijd dat de Leerlingen
wisten dat hy niet als tegens ses uuren zou t\'huys komen,
maakten zy eenige kannen Leuvensbier uyt, en gingen,
in stee van naarstiglijk te zitten schilderen, gulziglijk
zitten drinken. Ondertusschen kwam den Konstschilder
een uur vroeger als zy hem verwachten, en trok de bel, waar
op een van de Leerlingen uyt de venster keek, en hun
Meester ziende staan, vloog hy op de Schilderkamer,
en brogt den alarm onder het dronken rot, schreeuwende
uyt al zijn macht; Sa sa! jongens pakje biezen, myn Heer
Quellyn is daar, potten en glaazen aan een kant, en dan
gaan riemen. Zy hadden in \'t kort al den Kroegeniers huysraad
gedemeubleert eer dat een Spanjaart een kop Chokolaat
drinkt, maar, helaas! zy hadden een van hun medemakkers,
die zich met\'er haast volgezoopen had, in een geruste
slaap laaten leggen achter den schilderesel van E.
Quellinus, die zich nedergezet hebbende iets tegens zyne
voeten voelde dat hem verveelde. Hy vroeg daar op
aan een van zijn oudste Leerlingen, waar van\'er altoos
een paar zaaten te schilderen op zyn schildervertrek; Wat
legt
|
|
-ocr page 332-
| |
| legt daar achter den esel? Die knaap die aanstonds merkte
wat dat de klok geslaagen had, gaf aan zijn konfrater
een wenk, en andwoorde met een vlugge vaardigheyt des
geests; Het is een Leeman, myn Heer, waar na ik en mjn
medgezel hebben getekent, wy zullen hem weerom op zijn
plaats brengen. Dat gezegt hebbende sleurden zy den
dronken penceelist na een andere schilderkamer, zonder
dat den vroome Konstschilder dat bedrog eens merkte.
| | Die Historie heeft ons zijn zoon den Kanonnik voor
de waarheyt vertelt, en dewyl wy\'er niets onmogelyks
in konnen zien, hebben wy het den Leezer met een gerust
gemoed durven mededeelen.
| | Ten laatsten wiert dien fieren Konstfenix zo oud, en zo
grys, en de vensters van zijn ziel, zyne oogen, wierden zo
duyser door de zwarte nacht der hooge jaaren, dat hy
het punt van zyn konstpenceel niet langer kon zien, waar
op hy zich vertrok uyt het gewoel des weerelds in een warme
Abdy, zynde zyne Huysvrouw dood, en zyne kinders
groot, en aldaar is hy niet veele jaaren geleden gestorven.
N. PAULI
| | Was al mee een Antwerps wicht, een Manneke pas
zo hoog als een half volwassche Leyds waalen weevertje,
zo leelyk als een Finlands kaboutermanneke, zo mismaakt
als een Therfites, zo arm als Irus, zo hongerig
als Tantalus, en zo dorstig als een verwaarloost Kanarievogeltje,
dat een drinkensglaasje vol versch water
krygt na vierentwintig uuren dorstens. Doch Sinjoor
Pauli was aan den andere kant een goed Hoveling en een
braaf Miniatuurschilder, die de wonderlyk uytvoerige
konststukjes van den alom beruchten Konstmaaler Warnar
zo konstiglyk kopieerde, dat het een lust was die te beschouwen.
Wy hebben verscheyde van die toverachtige
kopeyt-
|
|
-ocr page 333-
| |
| kopeytjes gezien, onder anderen het bekent spookstukje
van Warnar, waar op een behoorelyke Toveresse staat, die
eenig vocht uyt een hoorn giet op een paar in de zee dobberende
spooken, welke gespensen door het wringen van
hunne handen, door het uyttrekken van hun haair, en
door alle hunne gebaaren, een vreeslyk smart betuygen
te gevoelen. Dat stukje zaagen wy tot Breda, ten huyze
van een Prokureurs Weduwe, wiens broeder het had geruylt
tegens ultramaryn, florentynsche lak, en andere
dierbaare verwen: dewyl wy nu op die tyd noch geen
oorspronkelyke Miniatuurschildery van dien beroemden
Konstmaaler Warnar hadden gezien, gelyk als ons t\'zedert
is gebeurt in Londen te moogen beschouwen, wisten wy,
en meer andere Liefhebbers die het op die tyd nevens
ons bekeeken, niet beter of het was een oorspronkelyk stukje
van Warnar, zo fix was de tekening, zo delikaat was de
behandeling, en zo doorschynent en natuurlijk was
het koloriet. t\'Zedert die tyd hebben wy verscheyde
zo eyge ordonnantien, als na braave konststukken gekopieerde
miniatuurschilderyen gezien van dien Pauli, dewelke
fraai geschildert en konstiglyk waaren behandelt:
doch wy hebben het ongeluk gehad van\'er geen een,
onder dat groot getal te zien, dat ons zo wel behaagde,
of zo lieffelyk voorkwam als het na Warnar gekopieert
tovereytje.
| | Hy was, zo wel als den beroemde Brievenschryver Monsieur
Voiture, een kleyn aas, maar een groot Hoveling,
die zich door neygen, buygen, en de Heeren en Dames
honing om den mond te smeeren wist te intrigueeren in
de grootste families, waar door hy het geluk had van
somtyds een van zyne konststukjes aan den man te helpen,
en nu en dan deelagtig te worden aan een lekkere
maaltyd uyt de tweede handt. De Kamerdienaars, en
de
|
|
-ocr page 334-
| |
| de hoogste bediendens nam hy konstiglyk in tot zyn
voordeel; en aan de getaande Kamenieren gaf hy paerelwit
en karmyn, welke leelyke dieren hem daarentegens
nu en dan een afgekeurden onderrok, een paar ontfestoeneerde
muyltjes, of een antimodische koiffuur schonken
voor zyne huysvrouw en dochters. Ik nam dikmaals het
vermaak van hem een middag- of een avondmaal te geeven
aan myn logement, zegt den Autheur van dit boek,
als wanneer hy alle de spyzen en de dranken zo kourtisaanachtig
verheerlijkte, dat ik doorgaans luydkeels moest
lacghen, waar aan hy zich niet eens stoorde, en dat is
de proef op de som van een goed Hoveling. Een stuk
koud koeievleesch wiert by hem boeuf a la mode, een
tamme gebraade duyf, een houtsnep, en een tweemaals
opgewarmd frikassee, een superfyne ragout gedoopt. De
gemeene Antwerpsche kaas veranderde onder zyn handen
in parmezaan, de in de boter gefruyte kleyne raapjes
at hy dmoediglijk voor de knopjes van Champignons,
en hy vormden Poires du bon Chretien uyt gemeene
rietpeeren. Een glaasje bruyn tafelbier had al de smaak
op zyn tong van Bronswyker Mom, een kelk schraale
Kourtwyn dronk hy voor Tokaayerwyn, en hy transformeerde
een Theekopje vol inlandsche gestookte genever,
als\'er een klompe suyker ingesmolten was, voor delikaate
eau de Barbade. Op die voet verhefte hy onze tafel op
zyn laagste, en op die zelven toon verheerlijkte hy alle
de tafels onder dewelke hy zyn voeten kwam te steeken.
Voor de rest was hy een goed edelman, gekipt, (zo hy
voorgaf) uyt eene overoude Italiaansche Familie, die op
het punt van oudheyt des adeldoms (van de jaarlyksche
inkomsten repte hy nooit een woord) het sestiende part
van een haairbreedte niet behoefden te wyken voor de
Ursinis of voor de Colonnas.
Aldus
|
|
-ocr page 335-
| |
| | Aldus leefde, en aldus stierf dat overaardig Konstschildertje,
want op zijn doodbed by den Pastoor van zijn
wijk gevraagt zijnde, of hy aan een iegelijk die beledigingen
niet vergaf, die zy hem mogten hebben aangedaan
willens en weetens, andwoorde hy stervende; Ja,
myn Heer de Pastoor, maar daar moesten geene punten van
Eere onderloopen.
N. ALEMANS.
| | Op dit ogenblik gedenken wy aan een tweede Miniatuurschilder,
een geboren Brusselaar, afkomstig uyt zeer
geringe Ouders, die dagelijks zo kanallieus leefden, en
vogten en tierden, dat die jonge knaap de gang opnam
op zijn twaalfde a dertiende jaar, en belande in Italien.
Op wat wijze dat hy daar kwam wilde hy ons nooit
zeggen, doch het is makkelyk om te gissen, en hy geraakte
te Florence by een braaf Olieverfschilder, die hem
uyt medelijden in zijn huys nam, en hem vaderlijk onderwees
in de Teken en in de Schilderkonst. By dien
Konstschilder oefende hy zich tien a twaalf jaar, (aldus
heeft hy ons, die naast zijn deur waaren gelogeert in
de Kempe, op de Brusselsche Kuykenmarkt, de Historie
van zijn leeven verhaalt) en toen nam hy zijn afscheyd
van zijn weldoener om zijn fortuyn, door het voortzetten
van zijn konst, op te loopen zoeken.
| | Hy geraakte te Romen gevalliglijk in kennis met een
overtreffelijk Miniatuurschilder, die hem zo ver wist te
bepraaten dat hy de Schilderkonst in de Olieverf verzaakte,
om zich met lijf en ziel op te offeren aan dat
Meysjes tijdverdrijf, het miniatuurschilderen. Het is wel
de waarheyt dat hy daar in een groot Meester is geworden,
maar wat kon dat baaten, want als hy van den dageraat
tot aan den avondstont had zitten hoettelen met zijne
byna
|
|
-ocr page 336-
| |
| byna onzichtbaare penceelen, kon hy naauwelijks zien
wat dat hy dien dag had uytgevoert; ook doorschilderde
hy al te nauwkeuriglijk zijne voorwerpen. Kreeg hy
by geval een Heer of een Dame, of een Hoveling van
den Hartog van Beyeren, op die tijd Gouverneur der
Spaansche Nederlanden, en zijn Hof houdende tot Brussel,
om te portretteeren, die liet hy zo lang zitten, dat
\'er de persoonaagien verdriet in kreegen, waar door hy
dan bleef zitten zuchten met zijne halfopgeschilderde porretjes;
en het slimste van allen was, dat als\'er al eens een
het gedult had van het eynde van zijn konterfijtsel te
zien, die weygerde hem dan het derde van zijn eysch te
betaalen voor dat langdraadig en pynlijk konterfijtsel,
want de Heeren of Dames gaaven geen acht op de tijd.
die daar aan was besteed, maar zaagen het alleenlijk aan
als een kleyn portretje.
| | Op een zekere namiddag dat ik hem een visite had
gegeeven om hem te zien schilderen, wiert hy opontbooden
by Madame de Princessse van Vaudemont, die hem
een tamelijk groot miniatuurstukje beval te schilderen,
waar op zy haare spierwitte Kaketoe, een schoone groene
Papegaai, een bloedroode Loerie, een gevlekte kaalhaarige
hond, benevens noch twee Bouloneesche schoothondjes,
een grasgroen Peroquiet, en een Kamenier die
dat vee gouverneerde, met noch een Hoveling, wilde laaten
konterfijten. Den Konstschilder repliceerde, dat hy
volkomentlijk bereyd was om haare Hoogheyt te dienen,
doch dat een diergelijk konststukje veel tijd zou moeten
kosten, en gevolglijk hooger in prys uytkomen, als haare
Doorluchtheyt mogelijk staat maakte; en alzulke weezendlijke
redenen. De Princesse van Vaudemont keerde
haar om na eene van haare geliefde Staatjuffers, en zey
op eene adelijke verachtelijke toon; Mais voys un peu
ce
|
|
-ocr page 337-
| |
| Geux, ne suisje pas asss riche pour le pouvoir payer,
waar op den Schilder zich nederboog die de Fransche taal
niet verstont, en de Staatjuffer ordonneerde in de Brabandsche
spraak van het konststukje te beginnen, voegende\'er
by, haare Hoogheyt de Princesse hem niets op
zijnen eysch zou korten. Hy kwam daar op na zijn logement
vliegen met zo een vernoegt opslag van oogen,
als een Spaansche Vaandrig die een maaltijd heeft gekonquesteert
op eens anders kosten, en hy verhaalde ons,
die hem zaaten op te wachten in zeer beweeglijke termen;
Dat hy nu niet twijffelde van eenmaal gelukkig te
zullen zijn, dewijl haare Hoogheyt hem door den mond van
haar Staatjuffer had doen zeggen, dat men hem niets op
zijn eysch zou korten, maar vorstelijk betaalen. Daar op
andwoorde ik hem in navolging van Vondels Palamedes,
Ik twyfel met verlof,
Die meer de streeken ken van dat wellustig Hof.
Ook raade ik hem van niet te schielijk dat konststukje op
het weefgetouw te zetten, dewijl ik een prompte wanbetaaling,
ten minsten een aanmerkelijken afslag voorzag
in zijn gissing: en ik schreef hem eenige schoonschynende
voorwendsels voor, om die zaak noch eenige maanden
met fatsoen te konnen uytstellen; doch vruchteloos, hy
zou en hy wou zijn toekoment geluk niet verwaarloozen,
volgens de daar van opgevatte verbeelding.
| | Daags daar aan kwam\'er een koets aanrollen die halte hielt
voor zyn logement, en waar in drie dieren zaten, de Kamenier,
een laquey, en de Kaketoe, waar op den Miniatuurschilder
aanstonds de trappen neerwaards schoot om dat
driedierschap te ontfangen. Kortom hy doodverfde noch
op dien zelve dag de Kaketoe, die in een zeker air wiert gestelt
|
|
-ocr page 338-
| |
| stelt by de Kamenier, en vervolgens de overige vogels, dieren,
en persoonagien, over welk Konstkabinetstukje hy
ruym ses maanden schilderde, en voor \'t minst schilderde
hy vier dagen in de week aan het stukje, want dan scheelde\'er
dit en dan wederom dat aan, zijnde\'er geen natie
onder de zon die ongemakkelyker is om te vergenoegen,
als Princessen, en hooggeboore Dames. Hy viel dan
in de onkosten van een huurkoets, en draafde na het paleys
van de Princesse van Vaudemont, liet zich aanmelden,
en na een verdrietig wachten admitteerde die Vorstin
den Konstschilder in haar tegenwoordigheyt. Het
Familiestukje wiert gepreezen en opgeheeven tot aan den
derde hemel, het geen den Schilder wel aanstont, en
toen de Princes hem na de naaste prys vroeg, stelde hy
die op hondert pistoolen. Geen Veldnymf, voor over
leunende op haare roosverwige knien om wilde aardbeyen,
of om zwarte krakebeyen te plukken, gaf ooit een schielyker
schreeuw als de Vorstin gaf op den eysch van hondert
pistoolen; en na dat zy haare oploopendheyt had
ontlast door eenige schimpige en scheldende uytdrukkingen,
wierden hem tien pisoolen aangeboden en ook niet
een stuyver meer, zo dat hy radeloos moes vertrekken.
Hy liet my verzoeken van eens op het spoedigste te
willen by hem komen, gelyk als wy deeden, waar op hy
my zyn rampzalig wedervaaren verhaalde in veele wanhopende
termen. Wy stelden al ons vermoogen in \'t werk
om hem te stillen, doch te vergeefs, en na vyfentwintig
maal, het Hof, den Adel en de Stad van Brusssel te hebben
overgegeeven aan den duyvel, die zich wel wachte
van dat geschenk aan te neemen, zwoer hy van eerstdaags
weder te keeren naar Italien, en nooit in alle eeuwigheyt
na de Spaansche Nederlanden te taalen. Ook was
hy een slaaf van zijn woord, en hy vertrok eenige weekken
|
|
-ocr page 339-
| |
| ken na dat voorval na Romulus luchtstreek, daar hy of
noch schildert, of is overleeden.
| | Doch eer dat hy vertrok, verkogt hy dat voor de Princes
van Vaudemont gedestineert dier- en vogelstukje aan
een Priester genaamt Dirven, die een van de vier Kapellaans
van Eere was van den op die tijd gouverneerende
Hartog van Beyeren, en een van de grootste Konstliefhebbers,
indien niet Konstkenners, die ons ooit zyn voorgekomen.
Het Karakter van die Priester is zo singulier
dat ik\'er myn Leezer mede zal vervrolyken.
| | Die Priester des Heeren was een Heer van wie men
niet maklyk kon zeggen, of hy wys dan of hy mal was,
maar men kon echter gemakkelyk getuygen, na dat men
hem vyf a ses maal had hooren spreeken, dat hy een
groot Konstbeminnaar was en veel achting betuygde
voor de Schilders; doch hy was wederom zo toegraauwent
en knorrent tegens het gemeen, dat\'er byna
niemant was die met hem wilde aanleggen. Waarlyk
dien Heer Dirven maakte zich onverdraaglyk als hy
op het kapittel kwam van zijn geboorte en van zyne middelen,
alhoewel zyn geboorte boven het borgerlyk niet
kon reyken, en dat zyne middelen niet lang strekten,
want dewyl hy niet minder als een Bischdom in \'t oog
had, reeds Kapellaan van Eere zynde van zyn Hoogheyt
den Hartog van Beyeren, verspilde hy de nalatenschap
van zyne Ouders met beyde handen; en een fatsoenlyk
Heer, die hem gemeenzaamlyk in zyn gulde
eeuw kende, heeft ons vertelt, dat hy hem op eene reys
over de vier duyzent guldens heeft zien te kost hangen
aan fijn lynwaat, en aan ryke altaarkleeders. Daar by
was hy een dwingelant in de konversatie, en doorgaans
zo schor door al het schreenwen als een Engelsche Bootsman,
ook versleet hy somtyds in eene week de elleboogsmouwen
|
|
-ocr page 340-
| |
| mouwen van een kleed aan weerskanten, door ieder een
aan te stooten om gehoor te verkrygen.
| | Die Liefhebber kogt dat konstryk Miniatuurstukje van
den Konstschilder Alemans, welk stukje hy zo wel met
hem herom voerde als zyn Gouvernante. Daar by had
hy noch in zyne zeven vette jaaren des Overvloeds eenige
andere Miniatuurstukjes opgedaan tegens de maagere
jaaren der toekomende eeuw, onder dewelke een paar
Konterfijtseltjes waaren, waard het gezigt eens Konings. Die
portretjes verbeelden Hendrik den achtste, Koning van
Engelant, Schotlant, en Yrlant, en van Anna Bolena
zyn Koningin, dewelke hy van Staatjuffer had getilt
op den verheven troon dier drie machtige Koningryken.
Die welgelykende konterfijtseltjes waaren geschildert by
den beruchten Baselschen Konstschilder Hans Holbeen, en
hy verhaalde zo omstandiglijk op wat wyze en op wat tyd
dat doorluchtig paar voor die Konterfijtseltjes had gezten,
dat sommige Konstbeminnaars hem aanzaagen als
een groot Oudheydkenner, onderwyl dat anderen, die
wat verder konden zien als de lengte van een quakkelbeen,
hem beschouwden als een groot bouwheer van
Spaansche luchtkaseelen. Die vyf a ses konststukjes
droeg hy altoos tusschen zyn hemdrok en zijn hemd,
wel bewaart in een langwerpig nooteboome doosje, niet
vagestrikt maar vastgeknoopt aan een knoop van zyn
borstrok, welk koordje hy altoos los snee als hy die zou
laaten kyken, in welke gestalte hy natuurlyk trok op
een vergrimde Japanner, die werkelijk is geoccupeert om
zich zelven den buyk open te snyden.
| | Maar hy droomde nergens anders van, hy sprak nergens
liever van, en hy loog nergens beter van, als van een
ingebeelt konststuk van Coreggio, het welk bestont uyt
des Heylige Familie van Josef, Maria, en het kind Jesus,
zynde
|
|
-ocr page 341-
| |
| zynde het schoonste en zeldzaamste dat\'er volgens zyn
verhaal bekent was by de Kristen weerelt, en het welk
hy hooger schatte als den beruchten diamant van den
Groot Hartog van Toskanen. Wy baaden hem meenigmaal,
doch zonder hoop van verhoort te zullen worden,
om dat bovenmenschelyk kontafereel eens te moogen
beschouwen met onze onwaardige oogen, waar op hy altoos
stemmiglyk andwoorde; Dat zal noch wel eens gebeuren.
En wie zou nu ooit hebben gedacht dat een leugenaar
een Profeet vervatte, en echter is die waarheyt
gebleeken op de volgende onverwachte wyze.
| | In het jaar duyzent seshondert achtien stak ik over naar
Engelant, zegt den Schryver van deeze Leevensbeschryving
der Nederlandsche Konstschilders en Konstschilderessen,
toen ik genootzaakt was van my eenige dagen door
tegenwind op te houden tot Rotterdam, welke gelegendheyt
ik waarnam om het vermaart Konstkabinet van Jaques
Meyers, Koopman en Konstkooper in die Stad
woonachtig, te gaan kyken. Die Heer had de beleefdheyt
van my dat heerlyk Kabinet na genoegen te laaten
zien, en dewyl ik het geluk had van hem te behaagen door
myne openhartige konstkennis, alzo ik verscheyde konsttafereelen
voor onecht keurde, dewelke hem voor echte origineelen
waaren op de mouw gespelt, verzogt hy my vriendelyk
om met hem te spyzen. Over de maaltyd vroeg
hy my; Of ik ooit een schildery gepenceelt by den grooten
Coreggio had gezien? waar op ik repliceerde van Neen,
en hy vervolgde, wel dan zal ik\'er uw een laaten kyken.
Die belofte vervulde myn ziel met zulk eene onmaatige
blydschap, dat ik my niet kon weerhouden van vraagsgewyze
uyt te galmen in die eerste verukking; Een schildery
van Coreggio, myn Heer? Ja een schildery van Coreggio,
myn Heer, andwoorde hy meesmuylende, wiens
wedergaa
|
|
-ocr page 342-
| |
| wedergaa ghy mogelyk in geene andere Luchtstreeken zult
ontmoeten. Op die tweede zo ernstiglyk herhaalde belofte
verging my de lust tot eeten en drinken, en zo dra
als de maaltyd was geeyndigt, verzogt ik den beleefden
Jaques Meyers van my met het gezigt van dat konstmirakel
te willen begenadigen. Hy geleyde my een verdieping
hooger, alwaar ik die kopeyen zag hangen van de
weereldberuchte zeven Sakramenten, geschildert by Niklaas
Poussin, dewelke dien Franschen Raphael had geschildert
binnen Romen, en by Jaques Meyers aan den
Hertog Regent waaren verkogt voor hondert duyzent
Fransche guldens. In die kamer stont een zwart kasje
op een schildereseltje, het welk den Traktant opende
met een sleutel, en waar in ik een cierlyk gebeeldhouwde
lyst zag staan, zynde het stukje zelfs bedekt met het voorhangsel
van een groen zyde gordyntje, dat opgeschooven
zynde, het kontafereel ten besten gaf aan de nieuwsgierige
blikken der graage konstkykers. Ik zag fluks met een
opslag van een half oog wat\'er schuylde, den opschik
was schooner als het Konsthoertje, het spreekwoort had
\'er den optooyer konstiglyk in waargenomen, wel voorgedaan
is half verkogt, daar schuylde een worm in den
bast van die hazelnoot, het was, al leelyk dat\'er om of aan
was, in \'t kort een nest met jonge pootuylen Ik stont op,
en Jaques bezag my en ik hem een tyd lang zonder eenig
geluyt te slaan, doch ten laatsten brak hy het stilzwygen,
en hy vroeg; Wel, Campo, hoe bevalje dat konstjuweel?
weel? en ik andwoorde vrymoediglyk; Gants slegt, myn
Heer, en zoje\'er iets boven de waarde van de lyst, het
kastje, en het gordyntje hebt voor betaalt, benje\'er op een
schelmachtige wyze mee bedroogen. Hy zweeg stil, en
sprak; Laat ons in de Eetsaal gaan, en een fles wyn drinken.
Wy daalden neerwaards, en na dat de fles ontkurkt
en
|
|
-ocr page 343-
| |
-ocr page 344-
| |
| cessen hem onrechtvaardiglyk aangedaan by kwaadaardige
menschen. Doch, vervolgde hy op een blyde toon, ik
heb echter een juweel behouden uyt die bedroefde schipbraak,
een juweel wiens gelyken men niet zal vinden
by eenig Kristen Koning op deeze aarde, en dat juweel
bestaat in een weergaloos Konsttafereel van den Modenaasche
Raphael, den konstryken Coreggio. Dat Konsttafereel
nu wil ik thans noch niet verkoopen, dewyl ik binnen
een korte tyd eene aanmerkelyke erfenis te gemoet zie van een
schatryke Moei, en dan kan ik het zo wel houden als eenig
Konstliefhebber op der aarde. Maar zo den Heere Jaques
Meyers het geliefde te beleenen tegens eengeringe som, om een
behoeftig Priester des Heeren te helpen, zou hy een werk
van Liefdaadigheyt doen, dat den Heere, benevens alle
zyne Heyligen, nooit zouden vergeeten. Ik vorder geen duyzent
dukaten, ja geen duyzent pattakons, (ging hy voort) maar
alleenyk een middelmaatige som, om my nu te redden, en
daar voor zal ik tot een pand der minne dat konstjuweel
overlveren en toevertrouwen aan den Heere Jaques Meyers,
die zelfs tot in Brabant en in Vlaanderen is beroemt voor
een Vader aller behoeftigen, en wel inzonderheyt voor een
besschermbeylig aller nootlydende Roomschkatholyke Priesters.
Ik beken myn zwakheyt, (vervolgde den ligtgeloovigen Jaques)
ik liet my het net over het hoofd haalen, en ik leende hem
tegens drie per Cent een aanmerkelyke som op dat onecht
stukje, die ik nooit zal klappen. Met die penningen verdween hy
als een blixem, en ik heb t\'zedert eenige jaaren niet van hem
hooren spreeken. Zou ik, vroeg den Schryver van deeze
boekdeelen, den naam van dien fynen Priester moogen
weeten? en Jaques Meyers andwoorde met eenige hevigheyt,
met geen gedachten, die zou ik alommers zo min als de
verstrekte som willen noemen.
| | Na dat Meyers een eynde had gemaakt van die pandbelee-
|
|
-ocr page 345-
| |
beleening, begon ik hartiglyk te lacghen, en ik verhaalde
hem eenige byzonderheden van dien vroomen Priester
Dirven, die op de zelve manier \'s Konings roermaaker
Micharius had opgeligt voor een kapitaal van ses duyzent
gulden, en daar door dien deugdzaamen Geldersman
had berooft van de vruchten zyns arbeyds, en van geheel
zyn werkzaam leeven. Den Konstliefhebber Jaques
Meyers kruyste zich van boven tot onder over dien
doortrapten en eerloozen Kapellaan van Eere; en na eenige
andere diskoerssen nam ik myn afscheyt, en ik vertrok
my na myn Herberg om den oosten wind af te wachten.
N. TAILLER.
| | Die Man is waarlyk een verstandig en een konstig Heer
geweest, weleer een Hoogleeraar in de Wiskunde op
de
|
|
-ocr page 346-
| |
| illustre School tot Nymwegen, naderhant den eersten
Uytvinder van die bekende met koleuren gedrukte konstprenten,
en eyndelyk Ingenieur aan het Hof van den
laatst overlden Koning van Pruyssen. Wy konnen den
Leezer geen groot getal van zyne Konsttafereelen, noch
van zyne leevens omstandigheden ontvouwen, derhalve
zal hy zich gelieven te vergenoegen met een paar Byzonderheden
betreffende zyn persoon, dewelke hy met
zyne eyge leevende stem heeft verhaalt aan den Konterfijtselschilder
vander Wilt woonachtig tot Delf; en
alhoewel hy dezelve verhaalde voor waare aan hem gebeurde
voorvallen en dat wy ze groeten voor Romansche
vertellingjes, des niettegenstaande zullen wy dezelven
mededeelen aan den onpartydigen Leezer.
| | Hy verhaalde dan, dat hy een maal by nacht een Bandiet
ontmoete in een afgezonderden hoek van Romen,
die fluks aan Tailler het stilet op de borst zette, en hem
beval van de beurs over te geeven. Den Konstenaar gehoorzaamde
dien Bandiet op de eerste sommaatje, want
hy was een persoon van den tabbaart, en niet van den
degen, doch hy was evenwel (zo het waar is) stout genoeg
om hem te vraagen in het overlveren van de beurs,
waarom, en uyt wat hoofde hy een Bandiet was geworden?
Den straatroover andwoorde, dat hy een Romeyn had
overhoop gestooken, dat hy alle middelen te vergeefs in
\'t werk had gestelt om zyn pardon te verkrygen, en dat hy
zulks niet hebbende konnen obtineeren, een Bandiet was
geworden, gelyk als meer anderen. Tailler begon te lacghen
dat hy schudde, en zey; Wel, zot, benje een Bandiet
geworden om datje een eenig kaerel den hals hebt gebrooken,
ik heb\'er reeds drie na de andere weerelt weggescheept, en
gaa vry en vrank langs de straaten en markten van Romen.
Zo dra had Tailler dat niet gezegt, of den Bandiet gaf
hem
|
|
-ocr page 347-
| |
| hem de beurs weerom, met deeze woorden; O, vriend!
zynwe zo na vermaagschapt in het bloed onzes evennaastens,
dan zou het tegens de Ridderorder der Bandieten
hooglyk gezondigt zyn, byaldien den eenen broeder den anderen
kwam te berooven. Na die restitutie stak den beleefde
Bandiet de vuyst toe aan den Heer Tailler, wenschte
hem een goeden nacht, en liet hem kosteloos en schadeloos
zyns wegs wandelen.
| | Het tweede sprookje, dat noch wel zo onwaarschynlyk
is als het eerste, zullen wy\'er echter op laaten volgen.
| | Dien hoogleeraar bevont zich in een stad in Turkyen,
En hy ging eens vroeg morgens uyt, om eenige schilderachtige
voorwerpen in een nabuurige weyde uyt te tkenen.
Indien hy maar half zo ervaaren was geweest in de Historiekunde
als in de Wiskunde, zou hy hebben geweeten,
dat een diergelyke daad by de Ottomannen met een pynelyke
dood wort gestraft, dewyl zy zich verbeelden,
dat men hunne sterktens uyttekent onder dat voorwendsel:
en die waarheyt ondervont den ongelukkigen Konstenaar,
die aanstonds by de kop wiert gevat, en in een
duystere onderaardsche gevangenis geworpen. Hy taste
eens rondom in dat pikdonker getraaliet hol, en ley zyn
handen op niets anders, als op doodshoofden, scheenschenkels,
en op dorre doodsbeenders, waar door hy luydkeels
begon te huylen, te bidden en te schreeuwen. Een Turksche
soldaat, die op schildwacht stont by die doodkist der
leevenden, luysterde zoo scherp toe als een vink, en verbeelde
zich die wanhoopende stem meer gehoort te hebben.
Eyndelyk overreede hy zich dat het zyn gewezene meester
moest zyn, des riep hy hem toe op goed oud Gelders; Is
dat uw stem, myn Heer Tailler? Den konstschilder schrikte
alommers zo zeer in den beginne over het hooren van
die verstaanbaare vraag, als hy noch onlangs dee op het
voe-
|
|
-ocr page 348-
| |
| voelen der doodsbeenders, en hy andwoorde van Ja, waar
op dien Soldaat weerom riep; Zyt gerust, myn Heer, ik
zal zo dra als ik afgelost ben uw verlossing bewerken. Die
knaap was zo goed als zyn woord, en hy ging afgelost
zynde den Gouverneur spreeken, den welken hy onderrichte,
dat een Kristen geen kwaad pleegde door het oefenen
van de potlootspen, waar mee zy maar alleenlyk eenige
Oudheyds overblyfsels, of bloemen en kruyden natekenden,
maar nooit de fortifikatien dier landen die zy
doorreysden. Daarenboven voegde hy\'er noch by, dat den
gevangen een konstryk Bloemschilder was, die voor zyne
Excellentie uytmuntende bloemschilderyen kon maalen
om zyn paleys mee te verheerlyken, en dat hy zo doende
beter beraaden zou zyn als den onschuldigen in dat doodshol
te laaten sterven. Dewyl nu de Turken noch grooter
bloemnarren zyn als de \'s Hartogenbosche boschluyks
drinkers, en dat zy zeer zelden uytgaan zonder
dat zy een bloemtuyltje in de hand hebben, kreeg den Gouneur
smaak in die Soldatesque harangue, hy beval dat
men den gevangen uyt dien Kerker zou haalen, en in zyn
tegenwoordigheyt brengen, dien hy het leeven schonk,
mids aan zyn besneeden Excellentie een present doende
van ses bloemschilderyen. Tailler bewilligde in dat bevel,
kuste tot dankbaarheyt den onderste boord van des
Bacchas opperkleed, die hem na het voltooyen van dat
half dozyn tafereelen op vrye voete liet stellen, en na hem
met een braave beurs te hebben beschonken vry en bly
liet vertrekken.
| | En wie doch was nu dien vroomen Turksche krygsknegt?
? zal ons ongetwyfelt den Leezer vraagen, en die zullen
wy andwoorden, een Leerling van den Konstschilder
Tallier, die scheep gaande om op Livorno te vaaren,
onderwege van een Algeryns roofschip genomen en voor
een
|
|
-ocr page 349-
| |
| een slaaf wiert verkogt, benevens de andere gevangens. Die
knaap liet zich besnyden, en verruylde den reeds verlooren
hoed der Nederlandsche vryheyt tegens een Ottomannischen
tulbant, dewyl hy noch geld noch vrienden in
het Vaderlant had om ooit ofte immermeer gelost te konnen
worden, en die in de qualityt van Soldaat op schildwacht
staande, het geluk had van voor zyn Onderwyzer
die vryheyt te verkrygen, die hy zelfs wanhoopte ooit
te zullen bekomen.
| | Daar hebje die twee sprookjes, die den Hoogleeraar
Tallier voor twee onwederspreekelyke waarheden heeft
verhaalt tot Delf, en waarschynlyk in noch onderscheyde
Nederlandsche en Geldersche steden. Wy geeven
nochmaaals den Leezer de keus van die aan te neemen
of te verwerpen na zyn welgevallen, dewyl wy ons de macht
des Paus niet konnen of willen aanmaatigen, om over de
gewissens onzer medestervelingen te heersschen
N. QUELLINUS
| | Is geboortig van Antwerpen, een zoon van den beroemden
Beeldhouwer N. Quellyn, die de Abdyen en
de Kloosters in Brabant en in Vlaanderen heeft verrykt
met een overgroot getal heerlyke marmere Altaaren, en
andere gebytelde weergaalooze beelden. Den zoon reysde
by tyds na Parys, en wiert een braaf Konterfytselschilder,
die zeer natuurlyk, meesterlyk en konstiglyk zyne
persoonaagien wist te treffen, waar van wy ook, die
hem gemeenzaamelyk hebben gekent op zyn wederkomst
tot Antwerpen, konnen getuygen. Vorders was hy een
vrolyke kabouter, die liever een stoop wyn dronk als
een mutsje wywater, die meer gezet was op een aardig
Meysje, als op een arm vol oude Katten, en die in den
reuk
|
|
-ocr page 350-
| |
| reuk van een homme a tout faire in zyn geboortestad,
indien wy na waarheyt zyn onderrecht geworden, is overleden.
De twee gebroeders DU BOIS
| | Waaren Nederlanders, geboren ontrent en in die eeuw,
doch die beyden tot Londen, afgeslooft onder de vloeibaare
wapenrusting der adelyke Schilderkonst, zyn gestorven
en begraaven. Beyden waaren zy braave Konterfijtselschilders,
gelyk als de meenigvuldige portretten van
honderde Lords, Edelluyden, Ladys, Dames, en mindere
persoonen binnen en omstreeks Londen konnen getuygen.
Na het overlyden van den oudste broeder, die ik niet
heb gekent, zegt den Autheur van deeze Leevensbeschryving,
ging ik den jongsten broeder eenmaal bezoeken,
en ik was verwondert te zien dat een Man van die hooge
jaaren zo loffelyk schilderde, want daar stont een stuk
op den schilderesel waar aan hy bezig was, verbeeldende
een Engelsche Bisschop, gezeten in een schoone leuningstoel,
die een boek met een rood fluweele band in
de rechterhand had, onderwijl dat hy met de linkerhand
leunde op een met een cierlijke tapyte kleed overdekte
tafel. Dat Konterfijtsel had hy geschildert leevensgroote
tot de voeten toe uyt, en dat zo heerlijk, dat
het ons op die tijd niet heugde een heerlijker konterfijtsel
te hebben gezien in Londen. Hy was zo beleeft van
my noch onderscheyde andere konterfijtsels van hooge
standspersoonen aan te toonen, alle om het heerlijkste
geschildert, van de gelijkenis kon ik dewijl de persoonaagien
niet present waaren niet oordeelen, doch het is
waarschynlijk dat de gelijkenis met de konst zal zijn gepaart
geweest dewijl luyden van dat fatsoen anderszins
den Konstenaar du Bois gewraakt, en den penning zouden
hebben gegont aan de Heeren Kneller, Dahl, en
Klooster-
|
|
-ocr page 351-
| |
| Kloosterman, die den naam en ook de daad hadden van
wel te doen gelijken. Ter zelve tijd zag ik by dien
Konstschilder een schoon Kabinet rykelijk voorzien met
Italiaansche en met inlandsche schilderyen; maar dewijl
een diergelijke beschryving buyten mijn bestek is, zullen
wy daar over niet een enkelt woord reppen. Tot daar
toe aangaande de konst van dat paar broerders, en nu eenige
byzonderheden aangehaalt van hunne ongemeene
leevenswijze.
| | Die twee gebroeders woonden te zamen onder een huysdak,
zonder Huyshouser, Meyd of Knegt, gelijk als
een koppel Heremyten, ook leefden zy alommers zo armelijk
als dat soort van waldbroeders, hoewel echter de
Hoogzuynigheyt meer deel had in die bedroefde leevenswijze,
als de Godvruchtigheyt. Den oudste broeder was
den marktganger, die tweemaals weeks die zuynige
kommissie waarnam, gebakert in een oude kaale mantel,
waar onder hy een teene mandje droeg, dat hy dan meestendeels
bezwangerde met ossenpens en met gekookte
ossenpooten, kool, raapen, geele en witte wortelen, en
met alzulke lekkernyen. Ook gebeurde het wel eens bygeval,
maar zelden, dat hy een staartje zoutevisch, of
een half dozijn makreelen snoepte, welke laatste visschen
dag drie a vier dagen te lang de hitte der zonne hadden
verduurt, en zo zwak waaren, dat men ze te naauwer
noot kon verbedden uyt hunne groen uytgeslaage kopere
waterbakken. Ook zegt de Engelsche kronijk, dat
dien ouden Proviandeur doorgaans zo vergenoegt was
over zijn naauw bedongen Koopmanschap, dat hy vijfentwintig
en meermaal onder het na huys gaan den mantel
opensloeg, om die victuaille op het vriendelijkst toe
te lacghen. Dat een paar broeders, die zo veel geld winnen
en zo armelijk leeven, schatten konnen opleggen, is gemak-
|
|
-ocr page 352-
| |
| makkelijk te begrypen; en dat zy zo ang spaaren, tot
dat zy geene tanden meer hebben om in dien overvloed
te konnen byten, kan ons ook niemant wederspreeken.
Dat kluchtspel duurde tot dat den oudste broeder, geesteloos
door dag en nacht te schilderen, en uytgeput door die
schraale leevenswijze, hemelde; en na deszelfs overlijden
speelde den jongste broeder een klucht, die meestentijds
doodelijk is voor een oud zwak man, een klucht die
hem meesleepte na het stil paleys der schimmen.
| | Den beruchte Zeeschilder Willem vande Velde was onder
meer andere kinders gevloekt met zijn oudste dochter,
die gehumeurt was gelijk het drietal leelijkheden
van een zeker Courantier, koppig, spits van tong, dartel
ontrent de voorschoot, en zo duyvels kwaadaardig,
dat een man alleenlijk door haar humeur in te volgen
een Heylig kon worden, zonder dat hy eenige andere
goede werken behoefde te oefenen. Dat dier wiert korts
na het overlijden van den oudste du Bois weduwe van
haar eerste man; en die lieve weduw maakte aanstonds
een aanslag op den overgebleeven Konstschilder, welken
aanslag zy bekent maakte aan haar vader en moeder, dewelke
die loffelijke onderneeming hooglyk preezen, en
haar de behulpzaame hand in dien heerlijken toeleg beloofden
te zullen toereyken. Den Konstschilder Willem
vande Velde, en den Konterfijtselschilder du Bois,
waaren goede vrienden, zo dat den eerste geene omwegen
behoefde te gebruyken om den laatsten te gaan bezoeken.
Hy ging dan een visite geeven aan dien gryzen bloed, en
na een algemeen praatje verzogt hy hem van zijn oudste
dochter te willen konterfijten, voor welk konterfijtsel hy
hem met een van zijn kapitaalste Zeestukken zou beschenken.
Den vroome du Bois aanvaarde blymoediglijk dat bot,
en zey, dat de Juffrouw kon komen als het haar best zou
gelegen
|
|
-ocr page 353-
| |
| gelegen komen, dat alle de uuren van den dag tot haar
dienst waaren, en dat hy al het vermoogen van zijn konst
zou inspannen om haar te vergenoegen. Daar op nam
den oude W. vande Velde zijn afscheyt, verblijd het ys te
hebben gebrooken, en liep zijn dochter die blijde boodschap
brengen, dewelke \'s anderendaags \'s morgens vroeg
den ouden Heer liet verzoeken, of zy de eer mogt hebben
om dien zelve namiddag te komen zitten voor haar
konterfijtsel? welk verzoek hy aanstonds bewilligde. Om
kort te gaan, dat geyl en geldeloos Weeuwtje gebruykte zo
veele krijgslisten, en wist zich by dien ouden kouden bloed
zo aangenaam te maaken, zo door hem op een kopje lekkere
Thee en op een flesje delikaate wijn te trakteeren, als
zy kwam zitten voor haar konterfijtsel, dat hy zich conscientieshalve
verpligt oordeelde te zijn, om haar zijn
ontvleeschde kuysche hand als echte man aan te bieden, die
zy zo vuuriglijk accepteerde, gelijk als een hongerige kat
aan een Jongen een half dood muyse ontrukt door een
onvoorziene sprong. Den yskoude winter paarde met
de snikheete zomer; doch dien ouden stramme Tithon
ontmoete de dood in de schoot van zijn nooit verzaade
Aurora, die aanstonds na dien blijden dooden du Bois
een forsser Ruyter kogt, voor die met zo veel zweet en
zuynigheyt vergaarde konterfijtselpenningen.
N. VERBRUGGEN
| | Geboortig van Delf, is of was, wijl wy onbewust zijn
of hy noch leeft, dan of hy (die reeds een stokoud man
was, veertien a vijftien jaaren geleden) is nedergedaalt ter
zielen, een goed Historieschilder in kleyne ordonnantien;
als by voorbeelt, een vrouwtje met een jongetje in een
nisje, een visch- of groenwijfje, benevens den daar toe
hoorende toestel, en alzulke voorwerpen. Hy was een
goed
|
|
-ocr page 354-
| |
| goed Tekenaar, en een Konstenaar die de houding wonderlijk
wel verstont, doch zijn koloriet viel wat aan de
graauwe kant, ook was hy den vrolijkste niet in de keus
van zijne voorwerpen.
| | Thomas vander Wilt, een Konterfijtselschilder woonachtig
tot Delf, heeft ons verhaalt dat dien vroome
Verbruggen een maal een Heer konterfijte, die hy tot
twee-a sesentwintig onderscheyde maalen had laaten zitten
voor zijn konterfijtsel, zonder hem in die korte tijd te
konnen doen gelijken, en dat hy dien Heer overreed
hebbende, om voor de laatstemaal noch eens te zitten, die
zulks na veel tegenstant bewilligde, met een ongemeene
lust en yver aan het konterfijten viel, op hoop van eyndelijk
eens deszelfs tronie te treffen. Maar na twee a drie
uuren te vergeefs op dat portret gehoetelt te hebben, zag
hy dat het niet zou lukken, derhalve ley hy het palet
en de penceelen neer, en sprak; Ja wel, myn Heer, alhoewel
het konterfytsel uw niet al te wel gelykt, echter zal
het altoos een aardig stukje zyn en blyven.
N. LOOIMANS.
| | Was geen gemeen Historieschilder, een Antwerpenaar
by geboorte, die een aardige vrolijke losse knaap had
tot zijn zoon, onze byzondere vriend ruym vijfentwintig
jaaren geleden, die des Vaders stijl volgde, en nu en
dan eens ging reyzen na Vrankrijk of na Duytslant: doch
waar hy eyndelijk is vervaaren konnen wy den Leezer
niet zeggen.
N. HER-
|
|
-ocr page 355-
| |
N. HERREGOUTS.
| | Die braave Historieschilder was een Antwerps kind,
gebooren omstreeks die eeuw, die veele schoone
kapitaale Konststukken heeft geschildert. Te Brugge in
Vlaanderen hebben wy meer dan vijftig maalen onze oogen
laaten speelemeyen op een heerlijk konsttafereel
van eene ongemeene groote, verbeeldende het laatste
oordeel, dat in een Kerk hing, wiens naam ons is vergeeten,
doch het tafereel zullen wy nooit vergeeten.
Wsarlijk elk een moest bekennen op het zien van dat
latste oordeel, dat den Konstschilder Herregouts een man
van oordeel was geweest in het t\'zamenstellen van die
grootsche en welgeschilderde ordonnantie, zo in de koppeling
of groepen van zijne beelden, als in een verstandige
verdeeling, en in een konstiglyk waargenomen onderscheyt
tusschen het koloriet van zijne Mannen- en Vrouwen
beelden. Het eenigste dat wy aanstootelijk vonden
in die leevensgroote naakte beelden, waaren de licghaamsgestaltens
der vrouwen op den voorgrond van dat tafereel,
wel-
|
|
-ocr page 356-
| |
| welke vrouwen beelden bykans alle de bekoorlijkheden
dier sexe ten besten gaaven aan het nieuwsgierig oog der
aanschouwers, en gelyk als het spreekwoord zegt, Paasche
en Pinxteren lieten kyken; voorwerpen, zeggen wy,
die niet veel goeds konnen inblaazen in de gemoederen
der Godvruchtigen, wy reppen niet eens van de flaauwhartige
Kristenen.
| | In de Hoofdkerk van O. L. Vrouw, tot Antwerpen,
staat een Altaarstuk op het Kuypers Altaar, verbeeldende
het martellot van St. Mathys, den patroon der duygenbuygers,
dat treffelijk is geschildert. Dien Heylig
zit geknielt voor den beul, die met een opgeheven hakmes
gereet staat om hem te onthoofden, dewijl hy de
afgoden weygerde te offeren. Alle de beelden op dat
Altaarstuk zijn heerlijk getekent en meesterlijk geschildert,
en inzonderheyt is den rug van dien neergedooken
Sant zeer konstiglyk en natuurlijk volgens de Ontleedkunde
behandelt, en men kan zeggen dat het stuk in \'t geheel
voor geene der daar rondom staande Altaarstukken van
de Konstschilders zijne tijdgenooten behoeft te wijken.
| | Daarenboven zijn\'er veele braaf geordonneerde en treffelijk
geschilderde konsttafereelen van Herregouts konstrijke
hand te zien binnen Brussel, Mecghelen, Leuven, Lier
en Antwerpen: de Konstbeminnaars zullen die van zijn
beste, en van zijn laatere tijd, niet over eene kam gelieven
te scheeren, want den Konstenaar verviel jammerlijk
in \'t slegt op zijne oude dagen, en om die reden alleen
behoorden de Schilders naarstiglijk hun tijd te besteeden
tot aan de vijtig, en zo veel geld over te winnen,
dat zy niet behoefden te schilderen op hun sestig a
zeventig jaaren. Hy schilderde veele halfnaakte Nymfen
en gants naakte Kindertjes op zijn laatste tijden, dewelke
dan by Gaspar Pedro Verbrugge, Simon Hardim,
Bos-
|
|
-ocr page 357-
| |
| Bosschaart, Morel en meer andere wierden gestoffeert met
bloemen en vruchten; maar om de waarheyt te zeggen,
die tafereelen waaren maager langs alle kanten.
| | Hy is overleeden binnen de Stad van Antwerpen, een
vruchtbaar oord in het voortbrengen van braave Konstschilders,
en dewijl hy aldaar is ondergedompelt, zullen
wy hem niet opdelven.
N. BOSSCHAART
| | Is een groot Bloemschilder, een Leerling van Crepu,
die een delikaater penceel voerde als Dom Pedro Verbruggen,
en die indien hy een fatsoenlijk leevensgedrag had
gekent, het vry ver zou hebben konnen brengen, daar
hy integendeel thans een arme bloed is, en waarschynlijk
zo zal verblijven. Die Konstenaar heeft een onnoemelijk
getal groote en kleyne Bloemstukken geschildert,
waar van hy voor het grootste gedeelte slegt en magertjes
is beloont geworden. Dien ongelukkige Bloemschilder
heeft een schoone manier, hy tekent zijn bloemen fix,
en schildert dezelve dun en vrolijk, is niet onkundig in
een goede houding, en vry groots in zijne ordonnantien,
en met alle die schoone eygenschappen is hy zo rijk als
een Job op den mesthoop. De vervloekte Antwerpsche
keelbeulen houden hem den voet zo straf op den nek dat
hy geen adem kan scheppen. Hoe naarstiger dat hy schildert,
hoe armer dat hy wort, want als dat kanaille van
konstkoopers begint te ruyken dat hy een grooter getal
als na gewoonte heeft geschildert, dan laaten zy hem in
\'t lange pak loopen, dan moet hy opzitten als een Deensche
hond, en dan geeven die bloeddieven voor, dat zyne
bloemschilderyen niet langer aan de man willen, waar
door hy dan genootzaakt is om op de zelve konststukken
met
|
|
-ocr page 358-
| |
| met de traanen op de wangen, een derde part minder
als de voorgaande koers te laaten vallen.
| | Dewijl\'er nu zeer zelden een ongeluk den mensch overvalt
dat niet wort opgevolgt door een tweede Ramp,
moest den rampspoedigen Bosschaart zijn lijden noch zien
vergrooten door zijne zielbezorgers. De Monnikken, die
wel wisten dat de Antwerpsche konstverkoopende guyten
des bloemschilders vleesch hadden verslonden, schooten
ook toe om de beenders in stukken te slaan en het merg
te zuypen, waarlijk een volmaakte Roomschkatholijke
geestelijke onderneeming. Die Monnikken maakten den
Bloemschilder wijs dat hy was betoovert, en zy booden
hem hun mirakelen werkenden dienst aan om hem te onttooveren,
en tot zijn voorgaande gezondheyt te brengen.
Den vroome Bosschaart, die min verstant bezat als den
grooten Hugo de Groot, ontfing die gekranste bezweerders
met alle liefde en achting, en zijne gemalinne die
zo wijs was als hy, presenteerde aanstonds wijn en brood
aan die Baalspriesters, die daar op hem begonnen te overleezen,
te bekruyssen en met wijwater te besproeien, dat
het een lust was, en dat spel duurde zo lang tot dat hy
en de Paapen, die gelijk als stroopende Arabiers die konstweyde
hadden afgevoerageert, de klucht mo wierden,
en achterbleeven. Hy heeft ons zelfs verhaalt, dat hy
byna geen tijd had om te konnen schilderen geduurende
die geestelijke Operatie, want dan moest hy een kruygsgebedeke
spreeken van een uur lang, dat gedaan zijnde
moest hy een palmhoute kruysje kussen, en een paar uuren
na daar zo veele Ave Marias en Paternosters leezen,
waar door hy ruym half gek wiert, welke kwaal hem tot
nu toe is bygebleeven.
| | Die verdienstige Konstschilder, die echter niet zot is in
zijn konst, is als noch woonachtig binnen Antwerpen,
alwaar
|
|
-ocr page 359-
| |
alwaar onze vreeze is dat hy thans niet gelukkiger is, als
eenige jaaren geleden.
N. BOUDEWYNS
| | Is een Brusselaar na ons beste weeten, altoos hy heeft
zich aldaar meer als veertig jaaren onthouden. Die
konstenaar is een braaf Landschapschilder, die veele
kleyne aardige landschapstukjes heeft geschildert, dewelke
met graagte gewilt worden by de konstlievenden.
Zijn manier is zuyver, delikaat en vrolijk, zijn boomen
zijn welgetekent, de voorgronden vermaakelyk, de verschieten
dun, en de luchten flodderende behandelt, vier
goede eygenschappen in een konstig landschapstuk. Maar,
helaas! dien Boudewyns is altoos alzo ongelukkig geweest
als den voorgaande Bosschaart, het schraal gespens van
behoeftigheyt heeft onophoudelijk geheerscht in zijn
huysgezin, en dewijl hy thans zo grijs is als een Eekhoorntje
in de winter, schiet\'er maar weynig hoop voor
hem over om schatrijk te worden.
| | Het is ontrent acht jaaren geleden dat den Konstschilder
Pieters, van wien wy hebben gewaagt in het leeven
van den Ridder Godefried Kneller, overkwam uyt Londen
na Brussel, met een voorneemen, dat ook gelukte,
om
|
|
-ocr page 360-
| |
| om een heerlijke Italiaansche schildery zynde de bekeering
van den Apostel Paulus te koopen, gepenceelt by den vaardigen
Konstschilder Luca Jordano, gealiast, Luca va
Presto. Die Meester Pieter, gelijk als de Engelschen
hem noemen, vroeg ons, of wy niemant kenden die eenige
fraaye Tekeningen wilde verruylen tegens gereede
Guinees en goede woorden? waar op wy hem na het
spookpaleys van den Landschapschilder Boudeweyns geleyden.
Die Konstenaar recipieerde ons met het belair
van een morssige grijzaart, toegetakelt in een japonsche
rok, waar van de opperste stof wel eer had gedient tot een
paards dekkleed in de stallingen van zijn Hoogheyt den
Hartog van Beyeren, zijnde deszelfs voering konstiglijk
gefabriceert uyt een halve uytgediende Luyksche hopzak.
De muts, op die tijd de kroon zijns hoofds, scheen
ruym zo oud te zijn als de kantoormutsen van de eerste
uytvinders der Olieverwen, Huybert en Jan van Eyk,
doch meer begruyst, en zijne eertijds roode muylen geleeken
natuurlijk na de oude banden der Grieksche en Latijnsche
boeken, gedrukt by Laurens Koster, in den jaare
duyzent vierhondert en eenige maanden onbegreepen
over de veertig jaaren. In die vriendelijke equipagie
bragt hy ons pas sestig a zeventig trappen in de hoogte
op zijn schilderkamer, die\'er natuurlijk uytzag als het
toververtrek van den Weymerschen toovenaar Doktoor
Faustus. Het was\'er zo vol potten, glaazen, kroezen,
en distilleergereedschappen, dat men zich te naauwer noot
kon keeren of wenden, en het stonk\'er zo vreeslijk na verwen,
vernissen, olien, duyvelsdrek, zwavel en diergelijke
stoffen, dat die man wiens reuk zulks kon doorstaan
van een Herkuleesche gesteltenis moest weezen. Het
was in het hartje van de winter, doch daar was vuur noch
vlam in die kamer, die niet minder lang en breet was als
de
|
|
-ocr page 361-
| |
| de Kaatsbaan op het Hof te Brussel, ook presenteerde
hy ons geen stoelen, dewijl hy\'er maar een had daar hy
zelfs op ging zitten, en ons toen vroeg; waarom dat wy
aldaar waaren gekomen? Den Schilder Pieters andwoorde,
dat hy gehoort hebbende dat den Heer Boudewyns
verscheyde schoone Tekeningen bezat, gekomen was om
de eer te moogen hebben van die te beschouwen. Is het
om die Tekeningen eenvoudiglyk eens te kyken, en dan met
een ik bedankje vriendelyk te vertrekken, of benje gekomen
om die te koopen en rykelyk te betaalen? vroeg den beleefde
Landschapschilder voor de tweedemaal, en Meester Pieters
repliceerde, om te koopen, waar op hy herhaalde,
dan is \'t wel, want ik hou veel van koopers en weynig van
kykers, doch je zult verzekert zyn eer dat ik die afstaa,
van wakker in de bus te moeten blaazen. Daar op rees hy
op uyt zijn ontheupte leuningstoel en opende een vermolsemde
kas, die\'er innerlijk zo bekoorlijk uytzag als een
Roomsche katakombe, of begraafplaats der aloude gemartelde
Kristenen, en rukte daar uyt een portefeuille, die
hy zo manierlijk op de tafel neerley dat ons het stof om de
ooren sprong, opende dat boek, en beval ons van daar
in onze gading op te zoeken. Pieters keerde ontrent
vijfentwintig bladen om en niet als prullen ziende, vroeg
hy hem, of hy geene andere Tekeningen had, dat anders
onze zaaken waaren afgedaan en wy stonden om te vertrekken?
? Boudewyns begon eens op eene onaangenaame
manier te lacghen, en ziende dat het ons ernst was, andwoorde
hy; Ja gewisselyk heb ik beter Tekeningen, Heeren,
doch ik moest eerst uw kennis eens beproeven, want
ik strooi niet gaarn roozen voor de verkens, of paarlen voor
de zwynen. Deeze woorden uytgestamert hebbende rees
hy op voor de tweede maal, en kreeg een tweede portefeuille
die Meester Pieters zo dra niet geopent had of
hy
|
|
-ocr page 362-
| |
| hy keurde die voor echt, doorbladerde die met naauwkeurige
blikken, en sorteerde\'er een braaven hoop uyt
om dezelven, was \'t doenlijk, te koopen. Den Konstschilder
Boudewyns sprak in al die tijd niet een enkelt
woord, en zo dra als den Schilder Pieters ten eynde van
het boek gekomen was, vroeg hy hem, of hy noch iets
meer had te verzoeken? waar op die repliceerde, dat hy
wel een tweede portefeuille met wat fraays wenschte te
zien, dewijl hy niet twyfelde of zy zouden wel akkoort
geraaken over de prys: maar Boudewyns andwoorde
stemmiglijk; Daar hebje al het graan dat\'er thans is in de
korenschuur van Pruyssen; daar is meer te zien en te koopen
geweest, myn Heer, vervolgde hy op een weemoedigen
toon, maar een paar schelmsche jongens, dewelke ik
om de Moeder in rust en in vree te houden heb toegestelt,
zyn met alles haasop gespeelt, en hebben my niets als deeze
portefeuille gelaaten. Daar op verzogt Meester Pieters
hem, dat hy den prijs geliefde te noemen van die uytgeleyde
Tekeningen, waar op hy repliceerde; Laat ik eens
hooren of zien voor wat prys ghy die gelieft te bemachtigen,
en dan zal ik uw myn gevoelen eensklaps verklaaren. Den
Antwerpsche Dom Pedro trok al lacghende een guinee
uyt zijn goudbeurs en liet hem die kijken, waar op den
arme Boudewyns, wiens blikken in een paar vergrootglaazen
waaren hervormt, die guinee aanzag voor een
groote goude medaille, en\'er fluks zijn dorre poot
naar uytstak, geevende een hoop schoone Tekeningen
waard vijftig, voor een stuk goud van twaalf gulden,
zo dat hy ons achtervolgens zijn voorig dreygement
niet sterk in de bus dee blaazen. Daar op naamen
wy ons afscheyd van dien doodarmen, alhoewel konstrijken
Landschapschilder, zijnde wy voor het grootste
gedeelte vermoort zo door den reuk, als door de langduu-
|
|
-ocr page 363-
| |
| duurige koude die wy op die spookkamer hadden geleden.
| | Wy weeten niet te zeggen, of hy noch leeft dan of
hy is overleeden, in het eerste schatten wy hem ongelukkig,
en in laatste gelukkig, dewijl wy al geen slimmer
kwaal kennen als een laage finantie en hooge jaaren
N. BOUT.
| | Weynig en zeer weynig weeten wy te schryven van
dien Konstschilder aangaande zijn leevenswijze, maar
aangaande zijn konst konnen wy zeggen, dat hy voor
niemant van zijne eeuw behoefde te wijken ten opzicht
van zijn stijl, als die alzo geestrijk was als David
Teniers in het schilderen van kleyne boeren, volgelaade wagens
met kermisgasten, en bolspeelende en na het wit schietende
huysluyden. Hy heeft honderde landschapjes van
den voorgaanden Konstschilder Boudewyns gestoffeert met
die voornoemde aangenaame voorwerpen; en wie weet
of hy den Fluweelen Breugel niet na de schilderkroon
had gestooken, by aldien hy zo jong niet was komen te
sterven. Onze waarde vriend Egbert van Karnebeek,
thans ter zielen, had eens een paar stukjes geloot in het
Koffihuys van den geweezen Willem vander Hoeven
beyden geschildert by Boudewyn en Bout, welke
stukjes waarschynlijk noch by de erfgenaamen berusten, en ons
zeggen ten allentijde zullen goedmaaken.
N.JANS-
|
|
-ocr page 364-
| |
N. JANSSENS
| | Is een Antwerpenaar of een Brusselskind, gebooren ontrent
die eeuw, die zich noch niet lang geleden in
die schoone Hoofdstad van Brabant heeft onthouden.
Hy is een groot Historieschilder, die veele Altaarstukken
heeft geschildert voor de daar omstreeks leggende Abdyen,
van welke Altaarstukken wy\'er een hebben gezien
in de Abdy van Deligem, buyten Brussel, verbeeldende,
zo het ons wel voorstaat, de marteldood van Sint Blasius,
den Beschermheylig van die Abdy, waar in de Monnikken
by onze tijd dat wy tot Brussel woonden, voorbeeldelijk,
|
|
-ocr page 365-
| |
| lijk doch den dronken Abt, zeer onstichtelijk leefden.
| | Dien Abt, of dat Abtje, want hy was zo rond als
lang, dronk en leyde een zorgeloos leeven, was zeer na zo
barmhartig tegens de behoeftigen als den Bisschop Hatto
die de boeren liet verbranden in een korenschuur, en opgegeeten
wiert van de muyzen, en ons Kerkprelaatje zey
ten opzichte van de neeringlooze Brusselsche Borgers,
en van de doodarme Boeren; Een Borger moet met een
stuk platte kaas en een teug kleyn bier, en den Boer
met een kant zwart brood en een teug water opspringen.
Doch indien hy niet wiert verslonden door de muyzen,
echter hebben wy zijn huys, de Refuge van Diligem genaamt,
zien plonderen by de Borgers en by de Boeren,
die alles verbryzelden en roofden, tot de kopere pilaaren
van de huyskapel inkluys, en die niet vergaaten om zijn
wijnkoopers kelder gedestineert voor zijn winterprovisie
mede te neemen, uyt vreeze dat hy zich mogt komen
dood te zuypen voor zijn bekeering.
| | Dien verdienstige Janssens schilderde ook veele modellen
voor de Brusselsche Tapissiers, als voor Messieurs de
Vos en Leniers, na dewelke overkostelijke tapyten wierden
geweeven, die na Spanje en elders verzonden zijn
geworden.
| | Waar dat die Konstenaar, die al vry ryp bejaart is,
zich thans ophoud, konnen wy niet zeggen; zijn voorneemen
was, acht a negen jaaren geleden, van zijn huyshouding
tot Brussel op te breeken en zich met der woon
na Gent te begeeven, en dat is \'t al dat wy\'er van weeten
te schrijven.
N. LYSSENS
| | Was een braaf Historieschilder, een Antwerpenaar by
geboorte, die al vroeg na Romen snorde, om zich aldaar
|
|
-ocr page 366-
| |
| daar te oefenen na de konststukken der oude Italiaansche
en hedensdaagsche Konstschilders, en hy keerde te rug
na zijn geliefde geboortestad met veel voordeel in zijn
beroep, alhoewel met weynig penningen. Zo dra als
hy was beland zette hy zich naarstiglijk tot het oefenen
van zijn konst, en met zo veel te meer yver dewijl hy
eenen ouden armen Vader in \'t leeven had, die hy liever
op zijn beroep wilde onderhouden, dan hem te laaten
vervallen aan den armen. Ook zegende den Hemel die
godvruchte daad, want hy kreeg zo veel te schilderen
dat hy nauwelijks wist wat eerst aan te tasten; en voornaamelijk
wiert hy geemployeert by de Bloemschilders,
zijnde de mode van Floras en van Pomonas te schilderen
toen in den oppersten top gesteegen, dewelken dan
zijne naakte vrouwenbeelden stoffeerden met bloemen,
vruchten en kruyden. Zijn manier was lieflijk, en hy
koloreerde zijne vrouwen tronien zo bloozent als Noortwijksche
Persikken, meestentijds schilderde hy die met
hemelsblaauwe oogen, en met zulke appelronde blanke
tetten, dat sommige aanschouwers vry sterk wierden aangedaan
door die bekoorelijke voorwerpen.
| | Voor de rest was dien Lyssens een vroom Israliet, een
groote Paternosterteller die voor dag en voor daauw oprees
om een eerste vroegmis te knappen, en die ook geene
Aflaaten verzuymde, maar zo veele Indulgentien
won als hy kon by malkanderen hoopen, zijnde de Godvruchtigheyt,
de Kuysheyt en de Naarstigheyt, zijne
heerschende Hartstogten: wy konnen maar een handvol
Konstschilders oploopen, aan dewelke die drie deugden
worden toegeschreeven. Ook was hy geen groot Hoveling
want alle zijne komplimenten bestonden in deeze vier
woorden, Uw Dienaar ootmoedig, onderdaanig, en
nooit hebben wy hem eenige andere pligtpleegingen hooren
|
|
-ocr page 367-
| |
| ren uytspreeken. Hy was mee ingelijft in de Roomsche
schilderbend, en wegen zijn groote neus gedoopt den
Nootenkraaker.
| Maar is het niet verwonderenswaardig, waarde Leezer,
dat die godvruchtige Persoonaagie geen verwachting
altoos stelde in de Goddelijke voorzienigheyt, dewijl
hy zich dood knynsde om dat zijne zaaken verflaauwden,
dewijl de mode der Floras allengskens verminderde,
en hy vreesde gebrek te zullen lijden. Na
zijn dood zijn\'er verscheyde duyzenden gemaakt uyt zijn
inboel en nagelaate Schilderyen, behalve de gereede penningen
en Brabandsche juweelen die\'er in het sterfhuys
wierden gevonden. Die kleynmoedigheyt en dat wantrouwen
zijn min te pryzen als te laaken.
N. VAN HAL
| | Die Konstenaar is al mee uytgebroet in die Konstschilders
vruchtbaare kweekstoof de Stad van Antwerpen
|
|
-ocr page 368-
| |
| pen, en mag wel geboekt worden onder de verdienstige
Meesters. Hy is een Historieschilder wiens eerste stukken
wy met vermaak hebben gezien op de Frankfoordsche
Mis, en die ons zo wel bevielen, dat wy hebben
getracht, en het is ons ook gelukt, om met dien Konstenaar
bekent te worden.
| | De manier van dien van Hal is zeer vriendelijk, zijnde
hy een goed koloreerder en een fix tekenaar, welke
twee qualityten geen gemeene luyster byzetten aan zijne
konsttafereelen. Aan het huys van den Bloemschilder
Simon Hardim hebben wy veele jaaren gelden een paar
stukjes gezien geschildert by die konstrijke hand, om die
te stoffeeren met bloemen en met fruyten. Op het eene
stukje had hy Pigmalion geordonneert, die ernstiglijk bezig
was om zijn ivoore beeld te cieren met bloemkranssen;
en op het tweede zag men eenige vrolijke Nymfen,
dewelke danssende een schoon marmere beeld van de Godes
Flora garneerden met festoenen vol met bloemen en
fruyten. Die Konsttafereeltjes waren zo braaf getekent
en zo lieftalliglijk geschildert, dat het een vermaak was
voor een Konstkenner om die aandachtiglijk te beschouwen.
De tronien van de Nymfen waaren bekoorelijk
schoon, en het ivoore en het marmere beeld zeer natuurlijk
geschildert, zijnde het al een ongemeene konst om
het marmer te konnen doen onderscheyden van het ivoor,
waarschijnlijk zal hy zich in het een en het ander hebben
bedient van het leeven.
| | Maar die staat mag wel toezien dat hy niet achterover
tuymelt, wy hebben pas acht jaaren geleden vier stukjes
van dien zelven Konstschilder gezien die hy had geschildert
voor den Thresorier van den Graaf van Cadogan,
die ons op verre na zo wel niet bevielen, als die wy hadden
gezien toen zijn naam eerst begon op te flakkeren.
De
|
|
-ocr page 369-
| |
| De jaaren van verval zijn\'er echter niet, het scheelt hem
noch aan de oogen noch aan de handen, het scheelt hem
daar het sommige andere Schilders by ons bekent hapert,
hy is een Man van een grilziek humeur, zo waanwijs als
een jong Kapellaan van zijn eerste wambes, die zich verbeelt
het gras te hooren wassen op de Antwerpsche beurs,
en die al te wys is om iemands andere raad te gebruyken
als zyn eygen.
| | Rampzalig is die man, zegt den Schryver van deeze
boekdeelen, die behext is met een grilzieke liefde voor
zyn eyge ingebeelde bekwaamheden, dewyl hy niemant acht
dan die geen die zyne gevoelens beademt.
| t\'Zedert acht jaaren hebben wy geene schilderyen
gezien van dien Konstenaar, wy verhoopen dat hy
noch by tyds die waanwyze luymen mag verzaaken, dan
is\'er hoop van te verbeteren, en anderszins van te verergeren.
N. SCHEFFERS
| | Is een geboren Uytrechtsman, wiens Ouders volgens
zyn verhaal een uytspanning hadden opgezet in die Bisschoppelyke
Stad, en die aldaar de eerste lessen over de
Te-
|
|
-ocr page 370-
| |
| Tekenkonst ontfing van een Konstenaar die hy ons heeft
genoemt, doch wiens naam wy hebben verlooren. Zo
dra als hy effentjes kon flodderen vloog hy over naar
Groot Brittanje, in welke Hoofdstad hy in den beginne
by een Konstschilder, en naderhant by een Konstkooper,
dat is, van Kajephas na Pontius Pilatus geraakte, onder
wier tucht hy akker met de riemen van Pictura moest
speelen op die Saleesche hongergaleyen; want konstverkoopende
schilders, en konstkoopers by beroep, worden
uytzinnig als een jong Schilder een ogenblik stil zit voor
den schilderesel om te mediteeeren, en dol als zy zien dat
hy zich beweegt aan de hospitaals tafel om te eeten, want
dat vee gond zelfs het Konings bataillepaard niet dat
het zyn buyk vol haver mag happen; daar in gelyk aan
het dronke duyveltje, het Abtje van Dilligem, van wien
wy hier voorens hebben gemelt, in onze gedenkschriften
der Nederlandsche Konstschilders en Konstschilderessen.
Hy ontvlugte die Egyptische slaaverny, en huurde een
kamer in een straat van Londen, genaamt Long Acre,
alwaar om streeks veele jonge en oude Nederlandsche,
Fransche en Hoogduytsche Konstenaars nestelden, zo
dat hy min gelegendheyd had om te schilderen, als om
te ligtemissen. Naderhant geraakte hy by Sinjoor Verio,
een ltaliaan, maar een van de aldereerlykste Italianen
die wy ooit hebben zien rollen op een paar ossenleere
Luyksche schoenzoolen. Die groote Konstenaar, die
Hofschilder was geweest van Karel Stuart, van Jakob
den tweede, en van Willem den derde, alle drie vervolgens
Koningen van Groot-Brittanje, en die insgelijks op
die tyd Hofschilder was van Anna, Koninginne van die
zelve drie machtige Koningryken, nam Scheffers aan in
zijn dienst, onder wiens opzigt hy een braaf, en een
uytmuntent braaf Historieschilder is geworden. Hy
heeft
|
|
-ocr page 371-
| |
| heeft verscheyde Koninglijke Lustpaleyzen omstreeks
Londen helpen bemaalen, na de ordonantien van dien
konstryken en edelmoedigen Verio, die een Konings
ziel bezat, en een opentafel hielt als zyn beurs het eenigszins
kon toelaaten. Het lust ons van een aardig andwoort
den Leezer mede te deelen, welk prompt bescheyd
hem een denkbeelt zal geeven van de grootsche ziel des
verdienstigen Konstschilders.
| | Karel Stuart had geordonneert dat men aan Signor
Verio een som van duyzent pond sterlings zou geeven,
zo wegens zyn vervalle appointement, als wegens eenige
Historiestukken die hy had geschildert voor die Majesteyt.
Korts daar aan ging dien Konstschilder den
Koning opwachten tot Hamptoncourt, en dewijl hy in
een drang van Hovelingen was ingeslooten, en dien Vorst
niet kon naderen, riep hy luydkeels; Sire, ik verzoek om
de eer moogen te hebben van Uw Majesteyt iets voorte draagen.
Den goede Karel beval dat hy zou naderen, waar op de
Hovelingen een opening maakten en hem lieten doorgaan.
Wel, Signor Verio, wat is\'er van uw dienst? waar op hy
repliceerde, Geld, Sire, want ik ben zo slegt by kas dat
ik myne onderhoorige jonge Schilders niet langer kan betaalen,
en gelyk als uw Majesteyt en ik by de ondervinding
hebben geleert, Poppen en Schilders konnen niet lang borgen.
Den Vorst lacghte, en herhaalde; Ik denk ommers datje
die duyzent ponden sterlings hebt ontfangen. O ja, Sire die
zyn my prompt betaalt geworden, herhaalde den edelmoedigen
Signor Verio, met een vrolyke stem, maar die zyn
verteert, en ik heb geen guinee overgehouden. Damme!
sprak Karel, alsje op die wyze leeft, hebje meer geld noodig
als ik met myn Hofhoudinug. Dat is ook de waarheyt, geheyligde
Majesteyt, andwoorde den Hisorieschilder kavalierement,
ook houd uw Majesteyt, gelyk als ik, geen open tafel.
By
|
|
-ocr page 372-
| |
| | By dien vrygiftigen Konstschilder heeft den Historieschilder
Scheffers verscheyde jaaren geschildert, en van
zyn onderwys, van zyn beurs en van zyn tafel zich bedient,
en thans, zo wy hebben verstaan oefent hy met
veel lof en met geen minder profijt zyn konst binnen en
buyten Londen, zynde thans vry zo zacht gehumeurt,
als hy was ruym vyfentwintig jaar geleden, toen hy het
volgent geval met een Konstschilder had, die mee geen
kat was om aan te grypen zonder handschoenen.
| | Eenige Schilders, en daar onder Scheffers, Pieters,
Bakker, en meer anderen, kwamen vry laat uyt de Herberg
van het Egelverken, en zy waaren, zo de Schilderkronyk
ons wel heeft onderricht, ontrent zo nuchteren
als een troep Cellebroeders op den Feestdag van den
Beschermheylig van hun stichtelyke order, den wyvenbeul St.
Alexius. Den dappere Scheffers, zonder dat hy eens wist
waarom, begon onder het gaan Londen te vervloeken in
des zeer bittere termen, een Kabouter die nevens zyn zy
ging; pas vyf a ses treeden voor het ander gezelschap,
vroeg hem na de oorzaak van die Heydensche litanie, waar
op hy andwoorde met een yzervreetende stem; Sakre**nt!
om dat een braaf kaerel nu en dan niet eens den vogtel durft
losrukken, om den een of den ander een douw in zyn wammes
te geeven. Den ander vroeg hem voor de tweede
maal, of hy dan niet kon leeven zonder te vegten? en
hy had zo dra het woord Neen niet losgelaaten, of die
knaap rukte den degen uyt, sloeg\'er Scheffers mee over
de ooren dat het klonk, en zey; Sa, pootuyl, trek van
leer, ik ben van \'t eygen humeur, en zal uw een kleed aanpassen
van \'t zelve laken. Den ontstelde Historieschilder
die zulks niet had voorzien, had na het schynt de
sleutel van de kas van zyn degen t\'huys gelaaten, en
verzogt aan den ander, die hem noch de punt voor de
neus
|
|
-ocr page 373-
| |
| neus hield, vergiffenis, waar op de overige Konstschilders
toeschooten om dat bloedeloos gevegt te scheyden.
Daar op stak den braave Konstenaar zyn degen op, en
Scheffers met een paar vriendelyke blikken aanziende,
graauwde hy hem toe; Loop Moeltieran na je nest, ik
geloof datje meer zyt benoodigt om een goede maaltyd, als
om een bloedvergietent duel.
N. VAN DEN BOSCH
| | Was een Antwerpenaar by geboorte, en een Konstenaar
die de gelukkigste man van zyn eeuw kon zyn geweest,
byaldien hy zyn geluk had gekent, of weeten te gebruyken.
Hy schilderde Doktooren, Barbierswinkels, gezelschappen
van Heeren en Dames, ook Boerenwinkels,
als van \'s gelyken Kwakzalvers Maskeraden, en alzulke
aangenaame ordonnantien. Die voorwerpen schilderde
hy konstiglyk en fix, en wist de hartstogten van zyne
persoonaagien al vry natuurlyk uyt te drukken, en daar
by den medicinaalen huysraad der respektieve Apotheekers
en Dorpartsen zo vermaakelyk na te bootsen, dat het
een lust was die konsttafereeltjes, (want hy schilderde
kleyne beelden) te beschouwen. Die stukjes golden
stukken van menschen binnen Antwerpen, Brussel, Mecghelen,
Lier, en in noch eenige nabyleggende Steden;
zonder dat echter de Konstkenners daar van eenige weezendlyke
redenen konden geeven wegens die hooge waarde.
Het waaren geen stukken van Teniers, Brouwer,
of van Ostade, dat scheelde hemelsbreete, ook waaren
zy maar tamelyk getekent, want wy hebben\'er gezien,
waar op zulke geestropieerde handen, en verdraaide
licghaamen, armen en beenen kwamen, dat men schaamroot
wiert door spyt van te zien dat zulke rampzalige
prullen wierden opgewoogen tegens zulke aanmerkelyke
som
|
|
-ocr page 374-
| |
| sommen. Daar by was hy een plompe dief, die zo bot
stal dat het zich schaamde, gelyk als wy konnen bewyzen
uyt een koppel stukjes, die ontrent tien jaaren geleden
te zien waaren aan het huys van twee gebroeders afslaagers,
op de Vrydagsmarkt van Antwerpen. Op het
eene stukje had hy zonder de alderminste verandering eeen
Colombine geschildert na het prentje van la Coquette,
geordonneert en geschildert by Monsieur Santerre te Parys;
en alle de overige beeldjes waaren geraapt uyt het
Theatre Italien van Gerardi, en gepenceelt na de daar in
prenten uytgebeelde Italiaansche tonneelspeelders.
| | Doch men moet ook zeggen, dat die konststukjes de
helft, ja het derde part der pryzen niet konden ophaalen,
als zy verdoolden buyten een zekere omtrek, dat
is buyten den omtrek dier bovengemelde Brabandsche
steden; want aldaar verdween de toverey, de Konstkenners
zaagen uyt andere blikken, en zy lacghten met die
machtelooze afgoden, voor dewelke de Antwerpsche
Sinjoors zo Godsdienstiglyk hunne stramme schenkels nederboogen.
| | Maar het belacghelykste van die schilderklucht was,
dat den Schilder vanden Bosch zich zelven ook inbeelde,
dat zyne uylen valken, en dat zyne Amersfoortsche steenen,
golkondaasche diamanten waaren, daar zy boven
bergkristal niet konden ophaalen. Dien duyvel van glorie
hielden de Antwerpsche hannekes wakker in dien Schilder,
die zo glorieus wiert door den wierook der loftuytingen,
en door het offer van permissie patakons, dat hy
niet langer wist, wiens kind hy was, of op welke poot
hy moest hinken. Een staaltje daar van zal den Leezer
doen zien, dat wy niets bybrengen zonder bewyzen, en
dat staaltje bestaat in de navolgende Sinjoriaale ongefondeerde
Antwerpsche snorkery.
Die
|
|
-ocr page 375-
| |
| | Die Konstenaar zat op een zekere avondstond op de
Leuvensche bierbank met den Konstschilder Horremans, en
met eenige andere biervliegen, toen den verwaande vanden
Bosch zich uytliet in deeze roemzuchtige, en te zelver
tyd onnozele termen; Bai God! Konfrater Horremans, as
wai ieens de mooirt zullen gestooken zain, dan zal\'er van
mai worden gesprooken met alommers zo veul roem as van
Anthony van Daik, en van ou zalme kakelen as van Peter
Paulus Rubens, want wai gebaien zain de allereeirste
schilders van onzen taidt.
| | Wat zegje onpartydige Leezer, behoorde zo een verwaanden
zot zo lang niet gepitst te worden met taaye
willige garden tot dat hy die heylooze lastering kwam te
herroepen?
| | Vorders was die vanden Bosch een dronkaart die zich
veelstyds voor den noen vol zoop, en dan van zyn konst
zat te kakelen onder volkje van zyn soort, gelyk als een
Tandtrekkent operateur in een boerenkroeg zit te zwetsen
van alle zyne zo gelulkkiglyk uytgevoerde manuale
operatien. Anders was zyn dagelyksche gewoonte van
zich tegens het vallen van den avondstond na deeze of
geene Bierherberg te begeeven, en aldaar zyn maag
met ongekookte Leuvensche spoeling op te vullen
tot barstens toe, en dan scharrelde hy na het klokslag
van tienen verzelt met eenige diergelyke zwynegels
na een Peerhuys, dat is in het Antwerps dialekt, een
Brandewyns kroeg, waar in hy zich dan zo lang met
snuyven, puffen, rooken, en stinkende genever te kaauwen
ophielt, tot dat hy zo dronken als een beest naar
zyn huys wiert gesleurt by de minst bezoopene medebroeders
van die doorluchte societyt der menschelyke ondieren.
\'s Anderendaags verrees hy, om zo hem \'t hoofd
wel stont, te schilderen, en dan tegens den avond het
voor-
|
|
-ocr page 376-
| |
| voorgaande beestachtig gedrag te herhaalen, en zo hem
de muts kroes zat, zogt hy noch eenige makkers van dat
beslag op, om het leeven van den voorgaande nacht te
gaan vernieuwen op den Dam, te Bercghem, te Burgerhout,
en in diergelyke plaistierplaatsen buyten Antwerpen.
Die leevenswyze rekte hy zo lang uyt tot dat
het draadje in stukken brak, de dood onder de gedaante
van een monstreuze waterzucht overviel hem in het midden
van zyne overdaadigheden, en dien Konstschilder zag
zich allengskens overstulpen door het water, die zo ontydiglyk
zyn konstryke leevenstoorts had uytgedompt door
het verfoeielyk Leuvensnat, en door halsbreekende sterke
dranken.
| | Waarlyk de Maatigheyt is de kracht des ziels,
daar de walglyke dronkenschap een mensch in een beest,
een sterk man in een slapenden, en een wysgeer in een
zot hervormt; en meer zullen wy\'er niet overzeggen,
uyt vrees van sommige welmeenende dronkaards tegens
ons te vergrimmen.
N. HORREMANS
| | Is een geboren Antwerpenaar, en een zeer verdienstig
Konstschilder; doch onder wien opzigt hy dat is geworden,
konnen wy by gebrek van onderrichting niet zeggen.
Het is na onze gissing ontrent twaalf jaaren geleden,
dat een zekere Jolly een groot liefhebber van de
konst, en ook een Konstenaar zelf, die zich eenige jaaren
lang had opgehouden te Romen, ons aan het huys
bragt van dien Konstenaar, die ons twee koppel stukjes
vertoonde, dewelke waarlyk het bezien eens Konstkennars
waardig waaren. Die stukjes waaren vrolyke byeenkomsten
van jonge luyden, en daar onder was\'er een dat
een borgerlyk bal verbeelde, waar op men verscheyde
Mu-
|
|
-ocr page 377-
| |
| Muziekanten zag gemaalt, dewelke speelden op onderscheyde
muziekinstrumenten, onderwyl dat\'er een
paar een menuet dansten op die konsttoonen. De beeldjes
waaren fix getekent, meesterlyk geschildert, vriendelyk
gekoloreert, wel verstaan van houding, en de kamers
konstiglyk opgeschikt met diversche meubelen volgens
de Doorzichtkunde. Ook scheen hy het leeven te
hebben gevolgt in veele persoonaagien afgebeelt op die
konststukjes, want die Jolly kende\'er verscheyden, en
dat is een goede manier in een Historieschilder.
| Vorders weeten wy niet meer te schryven van dien
Horremans als dat hy reeds een braaf Konstschilder was
op die tyd, en wat hy t\'zedert is geworden konnen we niet
zeggen.
N. DE HAAN
| | Is een Haguenaar, zo wy het wel hebben, doch die
vroeg overstak na Londen, om eer in te leggen, en
om geld te winnen, twee groote beweegredenen, die meestentyds
t\'zamengepaart gaan in de belyders van St.
Lukas. Hy is een braaf Konterfijtselschilder, die verwonderlyk
doet gelyken, die een aangenaam koloriet en
een vriendelyke manier heeft, die stout tekent, zyne leevensgroote
beelden tot de voeten toe uyt wel en vast plant,
de
|
|
-ocr page 378-
| |
| de handen bevalliglijk tekent, het vierkant weet te geeven
aan de schouders der Dames, breed plooit, kortom
die alle de tot het konterfijten vereyschte eygenschappen
bezit, en meer behoeft men niet te zeggen.
| | Maar die zelve Konterfijtselschilder is een tweede Hollandsche
Franschman, die zich airs geeft die hem alleenlyk
niet passen, maar die hem daaren boven belacghelyk
voor de Britsche Dames, en verachtelyk maaken by de
Engelsche Heeren. Hier nevens gaat een kleyn gedeelte
van de nagebootste plegtigheden, dewelke hy gebruykt
als\'er iemant voor hem zit om gekonterfijt te worden.
| | Voor eerst bedient hy zich van geen schilderesel gelyk
als alle de Schilders, maar hy zet zyn opgespannen schilderdoek
op een stoel, werpt achtelooslyk een zittelkussen tegens
de planke vloer, haalt zyn orlogie voor den dag,
benevens een schoone snuyfdoos, valt dan met zyn eene
of met beyde knien op dat kussen, gelyk als een gequalificeert
Leenman die hulde en getrouwheyt zal zweeren
aan zyn wettigen Souvereyn, krayonneert met een krytpen
het weezen van de persoonaagie, kykt van tyd tot
tyd op zyn orlogie, en maakt zulke misselyke beweegingen,
gelyk als een Tovenaar die door een priesterlyke
Monnik wort besproeit met gewyd water. Daar by heeft
hy noch een bel air, hier in bestaande, dat hy van tyd tot
tyd een snuyfje neemt uyt die schoone tabatiere, niet om
de snuyf als snuyf, maar om daar door een ryke diamantring
te doen flikkeren in de oogen van de gekonterfyt
wordende persoonaagie, en in die der aanschouwers, die
meesmuylenden \'s Konstenaars zotheyt innerlyk belacghen.
| | Maar die zwakheyt uytgezondert, die men aan zyn
laage geboorte en aan zyn slegte opvoeding moet toeschryven,
is hy een vriendelyk, en voor zover als wy hem
hebben gekent, een volkomen eerlyk man, die een iegelyk
|
|
-ocr page 379-
| |
| lyk dienst zou willen doen, was het in zyn vermoogen,
en met dat laatste Karakter zullen wy van hem ons afscheyd
neemen, om eens te zien wat\'er valt te zeggen
van den Schilder
N. TYSSENS.
| | Die grilzieke Schilder is mee al een Antwerps kind,
een Sinjoor by geboorte en by leevenswyze, een man zo
vermaakelyk in een mondgesprek als het geluyt van een
gescheurde lier, die kon liegen als een spion, zwetsen
als een gaskon, en borgen als een Hoogduyts baron, en
als zulk een knaap niet door de weerelt rolt, wie doch
zal\'er dan doorkruypen? Hy trok in zyne lentejaaren na
Italien, en schilderde een geruyme tijd voor een zeker
Romeyns Konstkooper genaamt Dom Juan del Guasco,
in wiens huys hy goede dagen had, volgens zijn zeggen,
naamelijk een Spaans servies, vry vuur en licht, en wat
hy heymelijk kon kaapen buyten af, waar door hy aldaar zo
vet wiert als een gordijnroe, en die galey ontvlugte hy eer
dat hem noch de beenen begaaven. Hy verreysde van
Romen na Napels, en verder na Venetien, en van daar
zakte hy neerwaards na de Nederlanden, want de Italiaanen
kon hy niet winnen door zijn schilderkonst, dewelke
bestont in het schilderen van harrenassen, stormmutsen,
staale houwdegens, geschut, scheenplaaten, en alzulke
onaangenaame voorwerpen, niet gewilt by de Romeynen,
die uyt Mannen des bloeds zijn herstelt in kaerels
van zoetemelk, en die hem beschimpten met de benaaming
van den Yzerwinkel.
| | Hy trok na Dusseldorp juyst in die gelukkige eeuw,
dat den op die tijd regeerende Keurvorst van de Palts in
het vuurigste was om een Konstkabinet van schilderyen
op te rechten, en hy wist zich zoaangenaam te maaken
by
|
|
-ocr page 380-
| |
| by de Hofschilder Johan Franois Douven, dat die den
konstlievenden Vorst overreede om dien Tyssens in kommissie
konst te laaten koopen, die zulks niet alleenlijk
zich liet welgevallen, maar hem noch daarenboven begenadigde
met den tytel van Agent des Keurvorsts van de Palts.
Hy kweet zich loffelijk in die gewichtige kommissie,
(het zijn zijne eyge woorden) en verzamelde zo veele
konststukken uyt allerhande hoeken en winkels, dat\'er
halte wiert gepronontieert van niet meer te koopen, en
daar op vernietigde het Hof zijn kommissie van Keurvorstelijk
Konstkooper. Ondertusschen had hy op den tytel
van Agent een goed huuwelijk gedaan, en een Antwerps
weeuwtje getrouwt dat warm was gezeten als zy
een stoofje onder haar gemarmert hangkamertje had staan,
dat is op goed Nederduyts gezegt, hy had zijn Agentschap
verruylt tegens Spaansche luchtkasteelen, want de
Antwerpenaars begrooten doorgaans een bruydschat op
vijfentwintig duyzent patakons, die zy altoos konnen
voldoen met twee duyzent vijfhondert gulden. Wat\'er
ook aan haperde is ons onbekent, maar wy weeten by ondervinding
dat hy na Breda kwam vourageeren, na van
Mevrouw zijne gemalinne een patakon tot een reyspenning
te hebben geobtineert om op zijn vierenveertigste
jaar zijn fortuyn te gaan zoeken, met welke teerpenning
hy geraakte in een zekere Abdy, waar in hy een broeder
had zitten dien hy zo aangenaam was, als een wilde kat
zou gewilt zijn in een Japansche porcelijnwinkel. Hy
belande dan te Breda met een roode mantel en met een
kapitaal van een koppel Hollandsche dubbeltjes, die hy
onderwege op de grensscheyding tusschen den Spaanschen
en den Nederlandschen bodem had opgewisselt, om geen
schade aan zijn permissiegeld te lijden.
| | In Breda geraakte hy onder het dak, en met beyde
zyne
|
|
-ocr page 381-
| |
| zijne Agentsbeenen onder de tafel van een Barbier genaamt
Kornelis de Bruyn, die in zijn examen germiskraamt
hebbende, zijn huysgezin loffelijk onderhielt op het
scheeren van den Baard, en op het logeeren en spijzen van
Officiers, en ook van mindere standspersoonen. Aldaar
begaf hy zich tot het konterfijten van allerhande oorlogsinstrumenten,
met gedachten van die doodelijke schilderyen
ten duurste te verkoopen aan de aldaar in garnizoen
leggende Engelsche bevelhebbers, doch dewijl hy
dezelve niet kon stoffeeren met eenige beelden, het zy
Mars, Bellona, ofte met eenige andere daar toe behoorende
cieraaden, lacghten die met die yskoude vertooningen,
en begeerden niet eens na die konststukken, alhoewel
zeer delikaat en natuurlijk geschildert, te taalen.
Daar op wende hy het roer van de Konstsloep over eenen
anderen boeg, en hy viel aan het schilderen van leevende
vogels en van bloemen; en om aan een iegelijk dien lof
te geeven die hem rechtvaardiglijk toekomt, moeten wy
bekennen Duyven, Haanen en Hennen, by zijn hand
geschildert, te hebben gezien, zo stout getekent en gepenceelt
zyn, datze voor Boelof voor Hondekoeter
niet behoefden te wijken; doch de bloemen hadden weynig te
beduyden. Die Konsttafereelen geraakten williglijk aan
koopers, en inzonderheyt toen hy de Bredaasche pastooren
der Roomsche kerken had weeten over te haalen in
zijne belangens, dewelke de straatkeyen te barsten liepen
om hem voort te zetten. Ook gewan hy de gonst van
de societeyt der St. Huyberts Heeren, of liefhebbers van
de jagt, dewelke hem een groot stuk bestelden, waar op
hy tot zijn groot licht een dood Hert verkoos, welk
Hert die Heeren voor hem lieten schieten in het nabuurig
Liesbosch buyten Breda. Vorders stoffeerde hy dat
Jagttafereel met eenige doode haazen, patryzen, reygers,
en
|
|
-ocr page 382-
| |
| en ander wilt, benevens den Jagerknegt van die St. Huyberts
societyt, en in het verschiet ordonneerde hy eeniges
jagers die een hert vervolgden, benevens St. Huybert die
voor dat hert zit geknielt, tusschen wiens takken of
hoorns men het beeld van Kristus vastgehegt aan het
kruys zag hangen. Op den voorgrond had hy een plant
weegbreebladers gemaalt, staande by een plas water in
dewelke eenige groene Kikvorsschen zwommen, en waar
uyt verscheyde jagthonden zo brakken als lange honden
stonden te slabben. Dat tafereel was wel geordonnneert,
maar rampzalig getekent en geschildert, ook had hy het
leevensgroote Hert met het hoofd en den hals op een
stuk verheven heygrond gelegt, en met het licghaam op een
andere hoogte, waar door het meer dan veertig voeten in
de lengte behoorde gehad te hebben om beyde die hoogtens
te beslaan en te bereyken.
| | Maar den slimsten artijkel kwam gelijk als den kreupele
boode achter aan, want dewijl\'er geen vaste prys voor
die schildery was bedongen, en den berooide Tyssens
viermaal zo veel eyschte als zy voornemens waaren om
hem te geeven, rookte gants Breda als een brandende
kalkoven door dien inlandschen oorlog tusschen den
Konstschilder, en de St. Huyberts Heeren. Den Antwerpschen
Agent rammelde van \'s morgens vroeg tot in
den laaten avondstond als een oud keukenspit, dat onvoorzigtiglijk
is opgewonden door de hand van een onbedreeven
Keukenmeyd, en de St. Huyberts Heeren,
waar van de meeste zo geldig waaren als het wild dat zy
schooten, huylden\'er tegens aan als een troep brakken
die een wild zwijn op \'t spoor hebben, zo dat\'er de
geestelijken haare authoriteyt moesten tusschen interponeeren,
en een holla uytblixemenen tegens dat belacghelijk
verschil. Eyndelijk na het storten van veel zweet in het
over
|
|
-ocr page 383-
| |
over en weer gaan om de partyen te bevreedigen, (nota
bene dien oorlog onstont in het heetste der Hondsdagen)
en om ten minsten een stilstant van wederzijds schelden,
indien niet een vollen aflaat van akkoort te obtineeren,
wert echter op het onvoorzienst de vree getroffen, en
den gramstoorigen Tyssens, in stee van veertig pistoolen
die hy vorderde, wiert gesust met vijf a ses pistoolen; en
daar op waaren alle de wonden gezalft, de gequetsten
wierden verbonden, en de dooden eerlijk begraaven.
Met die penningen trok hy na Rotterdam, en van daar
stak hy over naar Engelant, zonder dat wy den Leezer
konnen zeggen, waar hy t\'zedert is vervaaren.
N. VANDER STRAATEN
| | Was een geboren Hollander, een goed Landschapschilder,
die niemant meer benadeelde als zich zelve
door zijne kanailleuze leevenswijze. Hy was een
braaf en fix Tekenaar, die het zwart krijt en ook de
roode aarde zo konstiglijk behandelde, dat zijn beste t-
keningen niets aan die van den konstrijken vander Does
behoefden toe te geeven. Wy hebben hem gekent
te Londen, daar hy zich tamelijk wel gedroeg in
den beginne, en fraaye landschappen schilderde, welke
eerstelingen noch hedensdaags wel gewilt worden by de
Konst-
|
|
-ocr page 384-
| |
| Konstbeminnaars, daarze de laatsten niet eens willen bekijken.
Daar by was hy zo vaardig en zo geestrijk, eer
dat zijne gedachten verstompt waaren door zijn onmanierlijk
zuypen en laat opzitten, dat het een lust was
hem te zien speelen met St. Lukas konstpenceelen. Het
heugt ons een beschoote kamertje met acht a tien paneele
vakken, ieder door een lijst afgezondert te hebben gezien
in een Herberg te Londen, welk kamertje hy had beschildert
met Alpesche gezigten, watervallen, sparreboomen,
duystere bosschen, wonderlijke bruggen, fraaye
verschieten, en andere verkiezingen op een eenige zomersche
dag, het geen een ander Landschapschilder zo konstrijk,
noch zo verscheydentlijk niet zou hebben bemaalt binnen
de acht a tien dagen. Hoe het\'er thans mee is gestelt,
is ons onbewust, doch toen wy over een dozijn jaaren
uyt Londen op Rotterdam overstaaken, mankeerde hem
niet als een potscherf om een volmaakten Job te verbeelden.
N. TYSSENS
| | Is ook een geboren Antwerpenaar, den broeder van den
geweezen Agent, die wy hier voorens hebben aangehaalt,
doch niet een broeder in het humeur, maar door de geboorte.
Wy hebben hem eenmaal bezogt in onze groote
jeugd, als wanneer hy landschappen en driften van MuylEsels,
Esels, Koeien, Paarden en ander vee schilderde,
op de manier van van Berchem, gestoffeert met beelden
van boeren, boeremeysjes, jongens, kruyden, en alzulke
Landschapschilders &c. welke schilderyen ons op die
tijd wel bevielen; doch hoe dat ons die zelve stukken tegenwoordig
zouden bevallen, konnen wy den Leezer
niet zeggen
JAN
|
|
-ocr page 385-
| |
JAN BAPTIST BISET.
| | Die Schilder is een zoon van den beruchten Konstschilder
Karel Emanuel Biset, wiens Konst en een
gedeelte van zijn leevensgedrag wy reeds hebben beschreeven
in ons tweede boekdeel, die de Teken- en de Schilderkonst
heeft geleert by zijn vader, en die wy als een
braaf Konterfijtsel en Historieschilder hebben gekent binnen
Breda, \'s Hartogenbosch, en Antwerpen. Hy
kwam van Antwerpen na Breda zakken, daar hy verscheyde
welgelijkende Konterfijtsels heeft geschildert, onder
dewelke uytsteeken die van den Generaal Salis, op
die Gouverneur van de Stad en van de Baronny van Breda,
van deszelfs dochter, die getrouwt zijnde aan den
Graaf van Erbach stierf aan eene gevaarlijke operatie,
welke Dame hy konterfijte op haar lijkbed leevensgroote
tot aan de voeten toe uyt, om verzonden te worden
na Silesien. Desgelijks portretteerde hy om die zelve
streek den Brouwer Riethoven en zijne schoone huysvrouw,
|
|
-ocr page 386-
| |
| vrouw, een befaamde Juffer wegens haar geest en andere
qualiteyten. Die twee laatstgenoemde konterfijtsels zijn
de aalderbeste dewelke wy ooit van zijn hand hebben gezien,
wel getkent, wel gehandelt, en wel getroffen,
en meer kan\'er van de handen eens konterfijters niet gevordert
worden. Daarenboven portretteer de hy verscheyde
op die tijd tot Breda in garnizoen leggende Engelsche
Officieren en Britsche Dames, waar door zijn goudbeurs
in de waterzucht, en hy in de Spaansche ziekte de
luyheyt verviel, want men moet hem deeze lof nageeven,
dat hy een Schotgezinde is, die een goede stuyver
in de zak, en een goed kleed om de ribben hebbende, ruym
zo bang is voor den arbeyd, als een Indiaan bevrees is
voor den duyvel.
| | Na dat het alles tot Breda was afgevourageert kwam
hy over na \'s Hartogenbosch, op onze rekommandatie,
want wy preezen zijn konst zo hartiglijk tegens Pain &
Vin den Bloemist, dat die hem verzogt om over te komen,
by wien hy aanstonds wiert geemployeert tot verscheyde
werken. Hy schilderde Pain & Vin, benevens zijne
huysvrouw op een stuk in \'t kleyn tot de voeten toe uyt;
maar hy had genoeg te stellen met Madame, want dewijl
die vooringenomen was met haar schoonheyt, haperde\'er
altoos een ditje of een datje aan, dat Jan Baptist,
die niet min grilziek van humeur is als den oude
Karel Emanuel eertijds was, somtijds zo verveelde dat
hy zich vol een dol dronk om door die kwelling in geen
uytteerende ziekte te vervallen. Vorders portretteerde
hy den voorzoon van Pain & Vins gemalinne den Luytenant
van Vliet, benevens de oudste en de jongste dochter,
en den zoon Kornelis, alle welke konterfijtsels waaren
geschildert op eene Historiesche wijze, en wonderlijk wel
geleeken.
Maar
|
|
-ocr page 387-
| |
| | Maar toen dien Jan Baptist Biset de eerste Voorouders
Adam en Eva, benevens het paar eerste broeders zou
schilderen, vertoonde hy zijn Antwerpsche bekwaamheyt,
en kwam deerlijk te buytelen. Dewijl hy zo wel
beleezen was als een Litthauwer boer die jaarlijks de
tienden betaalt aan den Paap, en vorders van God of van
zijn gebod niets weet, gaf hy aan Adam, dien schoonen
Man geschapen na Gods beeld, den omtrek van een
Herkules, daar hy die had behooren te verbeelden als
een Apol, beyde schoon en krachtig. Eva, die hy in
het gras had neergezet als een jong Meysje dat madeliefjes
plukt in de maand van April, zag\'er uyt als een
snol, blood tot aan den navel, en de overige deelen bedekt
met een weerschynent armozyne kleedje, (dat stuk
behoorden de Haarlemsche weevers het kost wat het wil te
koopen, om daar uyt de oudheyt van hun beroep te bewyzen)
zonder dat eenig mensch kon gissen waar op dat zy
doelde, ziende zy zo stemmig als of zy het niet kon helpen;
onderwijl dat Kain en Abel op de tweede grond in het
zand leyden te spartelen gelijk als een paar jonge Heydens
die om strijd na kittelkeytjes grabbelen. Maar het
onbegrypelijkste en het zotste op het gantsche stuk was
een Deens hondje, een groot mignon van de huysvrouw
des Bloemists, dat hy na het leeven had gekonterfijt, en
op wiens kopere halsbant den doorluchte naam stont
van Lambert Pain & Vin, geschreeven in doorgebrooke
letters. Die heerlijke ordonnantie wiert gezien by alle
de Konstbeminnaars, die alle eenpaariglijk om de zotheyt
des Schilders opentlijk, en om de domheyt des substituyt
ontfangers innerlijk lacghten, die niet konden gissen, hoe
het mogelijk was dat een koppel Narren, den aanbesteeder
en den maaler, tot die buytenspoorigheyt waaren vervallen.
Dat heerlijk konststuk koste Lambert Pain & Vin
meer
|
|
-ocr page 388-
| |
| meer dan hondert dukatons, doch dewijl hy breede riemen
sneed uyt eens anders leer, en aan niemant rekenschap
van zijn ontfangst deed als aan zijn Conscientie,
kon hem zulks niet eens scheelen.
| | Na dat Jan Baptist Biset begon te zien dat het\'er
nacht wiert by den roekeloozen Bloemkraamer, en dat
den Deurwaarder Generaal zijnen Meceen begon lastig te
vallen met ontijdige visites, droop hy zachtjes af gelijk
als een verzaade vlieg van een omvallende honingpot, en
hy ging zich voor het dreygent onweer verschuylen in
\'s Gravenhague. Dewijl hy nu zijne ingebooren Antwerpsche
welleevendheyt overal met zich herom voerde, kon
hy in den Haagh niet te recht komen, derhalve vertrok
hy zich in Hollands Kaarssenlaa, de Stad Delf, en bedong
aldaar zijn tafel en logement by een Spekverkooper,
van wiens morssig beroep hy zodanig binnen de ses
maanden walgde, dat hy te vies was om zijn schuldrekening
na te zien, maar met een stille trom defileerde:
doch daarom wiert den Spekverkooper niet eens benadeelt,
want een openstaande rekening met een Brabandsche
Schilder is altoos goed, en blyft goed, of schoon
die openstaande komt te blyven. Hy stoof van Delf op
nieuws eens over na Breda, om te zien of\'er niet iets
was uytgebot t\'zedert zijn afzijn, doch hy vond wel gras
op \'s Heeren straaten, maar geen graan in \'s Heeren beurzen,
zo dat hy den gantschen dag door ging wandelen,
in stee van te schilderen, door welke Spaansche oefening
hy ook by de Bredaasche borgers den tytel overwon van
den luyen Schilder.
| | Hy verliet dan voor de derde maal die heerlijke Koopstad,
daar de negotie groeit en bloeit gelijk als de moeskruyden
op Meer en Hoef, of gelijk als men de perzikken
en abrikozen ziet groeien en bloeien op de Vuchtsche
|
|
-ocr page 389-
| |
| sche hey tusschen die voornoemde Koopstad en \'s Hartogenbosch,
en hy begaf zich met\'er woon na Nehallennias
zeeuwsche stranden. Thans is hy noch aldaar woonachtig,
doch of hy\'er schildert konnen wy niet zeggen, dewijl
hy de Schilderkonst behandelt gelijk als een ziekelyke
rijke Dame de dood trakteert, die zy zo lang van de
hand wijst als den leevensdraad eenigszins wil lijden.
Wy zullen den Leezer een staaltje van zijn Antwerpsche
bravoure verhaalen, en hem dan het vaarwel toewenschen.
| | Dien Jan Baptipst Biset ging ieder avond mee ter herberg
gelijk als een ander in de Stad van Breda, en dan
voerde hy meer snaps over een glas bier daar hy den gansschen
avond op bleef zitten lorrendraayen, als een ander
dee over een koppel flessen wijn, of over een half dozyn
pintjes ongekookt Bredaas bier. Een op die tyd losse
kabouter, die dat Antwerps gekakel reeds een geruyme
tijd had verveelt, ontgon op een vrolijke avond een hoogduyts
krakkeel met den stouten Biset, die in den beginne
steen en been sprak, tot zo lang dat den ander den
degen trok, en hem beval te trekken. Op dat woord van
trekken wiert Jan Baptist zo krytwit als een Yrs konspirateur
die by de kraag wort gevat by een Britsche
Messenger, hy sloeg de oogen neerwaards na het element
der aarde, zweeg zo stil als een wolf in een schaapstal,
en gehoorzaamde het bevel van trekken niet, maar liet
den vreedzaamen degen in de kleerkas berusten. Den
aanlegger van \'t geschil ziende dat den blooden guyl al
te veel yskoud bloed in de aders had om te vegten, sloeg
hem met den vogtel over de ooren dat het klonk, tot zo
lang dat de kling in drie stukken brak, waar op hy het
gevest waar in noch een handbreed lengte staal stak aan
Biset aanbood met deeze woorden; Daer, kaerel,
laat-
me
|
|
-ocr page 390-
| |
| me in dat gevest een nieuwe kling steeken, dewyl ik deeze
in uw dienst heb gebrooken. Den Schilder aanvaarde het
gevest, en zond het daags daar aan met een schoone vergulde
kling gemonteert aan het huys des kastyders; en
aldus bleef Jan Biset aan de eer, en den ander buyten
schade.
| | Lang leeve die man! die zich liever wil laaten slaan
als een Schotsche koolengraaver by zijn onbarmhartige
Laird, en een nieuwe kling schenken aan zijn vyand,
als een once van zijn koel vischbloed te waagen in een
eerlijke verdediging.
N. MIL
| | Was een Brabander een leerling van Karel Emanuel
Biset, doch in wat voor een stad in Brabant dat hy is
gekipt konnen wy den Leezer niet zeggen. Hy was een
goed Konterfijtselschilder, als blijkt aan onderscheyde
welgelijkende portretten van Heeren en Borgers dewelke
hy aldaar konterfijte, en\'er zekerlijk noch zullen hangen,
want konterfijtsels kan men niet makkelijk verkoopen.
Ook gaf hy voor een groot Historieschilder te zijn, maar
daar stont hy niet breet by, alhoewel hem echter door zyn
Brabands zwetsen, pocghen en snorken een groot zolderstuk
wiert aanbestelt by den Generaal Salis, welk zolderstuk
hy bemaalde met leevensgroote beelden. Om de
waarheyt te zeggen, de beelden waaren vry wel getkent
en geschildert, maar den Konstenaar verstont noch de verkorting,
noch de afwijking, noch de houding, waar door
dat stuk wel een groote waayer geleek, overal bezaait met
evenschoone koleuren. Doch dat zolderstuk wiert goedgekeurt
by het Hof van dien Gouverneur, dewijl den Generaal
en zijne Officieren het beschouwden langs de verrekijkers
van onkundige Silesische oogen; en het wiert
zo
|
|
-ocr page 391-
| |
| zo veels te meer goedgekeurt, om dat Ferdinand van
Kessel het had gestoffeert met allerhande schoon gekoleurde
vogels, als Wesindiesche Ravens, en Oostindiesche
Papegaayen, Loeries, Perroquietten, Spegten,
Exters, Bontekraayen, en alzulke vederdieren, zo dat
den Konstschilder noch met een handvol Achtentwintigen,
behalve het bedonge loon, wiert beschonken.
| | Die N. Mil was een schoon welgemaakt manspersoon,
wel getrokken by de Bredaasche Juffers, en wel inzonderheyt
gezien by een Apotheekers dochter, genaamt
Biekens, die hem vereerde met den tytel van haaren
mooien schilder. Doch de Eygenbaat had veel part in
die vleyende benaaming, dat Meysje ley toe om hem eerst
over te haalen in haar Apotheekers honingpotje, en\'er
dan het deksel van het Sakrament des huuwelijks op vast
te klinken, zijnde zy ongegoed, alhoewel zeer bevallig.
Doch den verreziende Mil wou wel vryen, maar niet
trouwen, en dewijl hy reeds vry diep zich had geengageert
met dat trouwziek Apotheekerts mortiertje, retireerde
hy zich na den Brabandschen bodem, en liet poes
op de netels zitten huyken. De wanhoop die doorgaans een
Monnik of Soldaat maakt, overreede haar om een klopje
te worden, ten deelen wegens het verlies des schoonen
Konstschilders, en ten deelen dewijl het haar aan de noodige
penningen ontbrak om gestadiglijk de mode van den
Jufferen opschik te konnen volgen. Dewijl zy nu gewoon
was aan wat schoons, verkoos zy den mooien paap
Pater Daniels, kapellaan van de Jesuieten Kerk te Breda,
tot haaren Biegtvader, welke kapellaan zo erkennent
was voor die keus, dat hy altoos, gelijk als dat een
getrouw Zielbezorger past, zich om en by die bekoorelijke
Juffrouw Biekens heeft opgehouden.
| | t\'Zedert hebben wy dien Konterfijtselschilder noch
eens
|
|
-ocr page 392-
| |
| eens ontmoet tot Bergenopzoom, maar zo ontleeken van
den voorgaanden Mil, dat wy hem niet zouden hebben
gekent, indien hy zich niet had bekent gemaakt, en ons
aangesprooken. Wy vroegen hem na de oorzaak van die
hervorming, en hy andwoorde kavalierement, onlangs
van een Beevaart te zyn gereverteert van O. L. Vrouwe
van Napels, op welke kruystogt hy veel had geleden, hebbende
zich moeten behelpen met een stukje beschuyt, met
een handje vol lange raizynien, en niets anders gedronken
als het aftreksel van Salsaparilla, en van Gnajak: doch
dat hy verhoopte dat goed voedsel en een gezonde lucht hem
binnen een dozyn weeken zouden herstellen tot zyn voorige
licghaams en aangezigts gestalte, en insgelyks tot zyne
voorgaande krachten. Wy mosten hartiglijk lacghen over die
openhartige belijdenis, en vroegen hem vorders, hoe dat
het met de Schilderkonstt ging tot Bergen, en of hy
reeds beezig was om eenige konterfijtsels te schilderen?
waar op den vrolijke Mil klugtiglyk andwoorde; dat hy
reeds een begin had gemaakt met den Graaf de Noelles, op
die tyd Gouverneur van Bergenopzoom, wiens konterfijtsel
hy kopieerde tot een uythangbord, en dat hy verhoopte dat
zulks een hem aanleyding zou geeven om de overige Officiers
van dat garnizoen te konterfijten. Dat uythangbord
schilderde hy voor een kaerel geboortig van \'s Hartogenbosch,
genaamt Alemans, die aldaar een Ordinaris en
de Tappers neering had opgezet, en het konterfijtsel
des Gouverneurs had verzogt om daar na een uythangbord
te laaten schilderen, verzekert van daar door by
dien Generaal zijn Hof te maaken, die ook aan zijne
Officieren, verzogt van te gaan spyzen in het Ordinaris van
dien Alemans, die dat verzoek gehoorzaamden, zijnde
diergelijke Gouverneurs verzoeken, Generaals beveelen.
| | t\'Zedert hebben wy verstaan dat dien Konstschilder is
ver
|
|
-ocr page 393-
| |
vertrokken naar Amiens in Pikardyen, daar hy vry wel
zou zyn gezien, en veele konterfijtsels schilderde, welk
geluk wy hem wel gonnen, zijnde hy naast den eerlijksten
Antwerpenaar, den Konstschilder Pieters, een van
de galantste en openhartigste Brabanders die ons ooit zyn
voorgekomen.
N. GILLEMANS
| | Die Fruytschilder is een Antwerpenaar, die omstreeks
die eeuw in de weerelt kwam, en een braaf Meester
was in het schilderen van kleyne fruyten. Zyne vruchten
zijn fix getekent, schoon en vriendelijk gekoloreert,
meester-
|
|
-ocr page 394-
| |
| meesterlijk geschildert, en de houding is\'er konstiglijk in
waargenomen, waar door zyne konsttafereelen, en inzonderheyt
die geschildert zijn in de bloem van zyn tyd,
met recht een plaats toekomen in de Konstkabinetten der
Konstlievenden. Wy hebben veele konststukjes van hem
gezien aan het huys van een zeker Heerke de Hond, een
Priester tot Antwerpen, welke Heerke de tijden der behoeftigheyt
zo naauwkeuriglyk wist waar te neemen, als een
Persiaans Starrenkijker de geluk- en ongeluks stonden weet
te observeeren, want als het Paapje zag dat Gillemans\'er
zo naar uytzag als een Antwerpsche Vleeschhouwer in
de Vasten, dan sleurde hy hem naar buyten in het Groenhuys,
een befaamt Wyn- en Bierhuys, en trakteerde den
Konstschilder zo lang tot dat hy beschonken wiert, en
dan nam hy de gelegendheyt waar om den behoeftigen
Gillemans, die den buyk vol wyn en de ziel vol droefheyt
had, het examen te doen ondergaan, zijnde het eerste
vraagpunt; Wat scheelt\'er aan, myn Heer Gillemans,
datje zo onophoudelyk zit te zuchten gelyk als een Quak r
die zich ontlast van de inblaazing des geests? is\'er in het
Egypte van uw huyshouding gebrek aan koren? of stellen de
Komenyswinkels en den Bakker en den Brouwer geen vertrouwen
meer op de geldwinnende mirakelen van St. Lukas
konstpenceelen? en alzulke na den bekende weg verstrikkende
vraagen. Dan kwam de Konstschilder uyt, opende
zyn boezem, en zey, dat hy niet langer wist van wat
hout pylen te maaken, dat hy en zyne huysvrouw zo
ten eenemaal waaren uytgeleyd dat de kinders van honger
zaaten te sjyrpen als jonge mossen, zijnde het krediet
en het goed vertrouwen der Winkeliers zo lang uytgerekt,
dat hy voor geen halve stuyvers salaa kon borgen
by de groenwyven. Na het eyndigen van dat rampzalig
vertoog begon Heerke de Hond dan te lacghen als een
vol
|
|
-ocr page 395-
| |
| volslaagen gekje, en andwoorde; Maar, myn waarde en
by my altoos hoohgeachte vriend, myn Heer den Konstschilder
Gillemans, is uw dan vergeeten dat ik uw oprechte
vriend ben, en vergeet ghy dien Priester des Heeren die
uw nimmermeer in de modder der verlegendheyt liet steeken,
maar integendeel uw altoos heeft gered uyt uwe domestieke
en byzondere behoeftigheden. Daar, myn vriend, zyn vier
patakons, gaa by tyds na huys, koop Vleesch, Visch, Boter
en Brood, en steek den duyvel de oogen uyt, laaf en verzaadig
uw lief vrouwke en bevallige kinders, en als dat kapitaal
op is, konje byme komen, ik zal uw nooit zo lang als
\'er een tand in myn mond zit verlgen laaten, en aan een
diergelyke proef op de som kent men de waare vrienden. By
het geheugen der schaapharders hapte nimmermeer een
uytgehongerde winterwolf met grooter furie na een van
de kudde afgedwaalden Bok, als Gillemans greep na die
vier Spaansche rijksdaalders, hy bedankte den schalken
Kanonnik van O. L. Vrouws kapittel in lispende termen,
en zwoer, dat hy eerder zou ophouden te snuyven, als
dien dienst te vergeeten, en zo voorts; en daar op betaalde
het Paapje \'t gelag, en den Konstenaar zeylde zylings
na zyn huys om zyne gemalinne op te beuren door
die verzilverde blyde bloodschap.
| | \'s Anderendaags stak Heerke de Hond een langwerpig
flesje met kaneelwater in de zak, vulde een groote doos
met Martinieke snuyftabak, en nam een peperhuysje met
gemaale Koffyboonen mee om den Heer Gillemans en
Mejuffrouw zyne huysvrouw te trakteeren, ook gebeurde
het wel, maar zelden, dat hy\'er wat zoetekoek byvoegde
om de kinders te vergasten; maar, gelijk als wy
zeggen, dat laatste werk van Karitaaten gebeurde zelden.
Den pas nuchtere Gillemans ontfing dien Priester dan met
zo veel liefde en achting, als een versch geloste Algerynsche
|
|
-ocr page 396-
| |
| rynsche slaaf een Pater Trinitaris ontfangt die zyne boeyen
heeft ontslooten, en het kaneelwater wiert voor den dag
gehaalt om Gillemans te laaven, onderwyl dat Mejuffrouw
Gillemans een oortjes takkebosje ontleede om het
Koffywater over te kooken. Verscheyde achtereen volgende
weeken verstrekte hy twee a drie patakons weekelijks
aan dat huysgezin, tot zo lang dat Gillemans drie a
vier konststukjes had vervaardigt, en dan was \'t, sa laat
ons eens afrkenen. Dan dwong hy hem die Kabinettafereeltjes
af in de uyterste behoeftigheyt, en gaf hem dan
de overige rijksdaalders, betaalende doorgaans zeven acht
a tien permissie patakons voor een konststukje daar den
Schilder van andere Liefhebbere voor wierden betaalt twintig
en dertig rijksdaalders: zulke brokken kan een Priesters
maag verzwelgen. Die schalke manier om zich van
des Schilders behoeftigheyt te bedienen, hebben ons
Gillemans met zeer veele laage omstandigheden, en zelfs
Heerke de Hond, doch met zo omstandiglijk, verhaalt,
zo dat den Leezer niet in het alderminste aan de waarheyt
van deeze historie behoeft te twyfelen.
| | Aangaande den perzoon en het gedrag van Gillemans
zullen wy\'er byvoegen, dat die Fruytschilder een kleyn
leelijk manneke was, en alommers zo gehoornt als den
Woudsater, die aan den Oudvader Augustyn een visite
gaf in de wildernis, want toen hy eens van Antwerpen
na Parys was overgevloogen, en na veertien maanden wederom
t\'huys kwam beschonk hem zijne kuysche huysvrouw
met een gezond kind oud tien maanden. Vorders
hebben wy\'er noch maar een gekent die met zo een verwonderlijke
kennis en memorie als dat manneke was begaaft,
om alles by zyn naam omstandiglijk te noemen,
en dat is geweest onzen overleeden vriend, den Maakelaar
Jakob Kosaard tot Amsterdam, die zo een prodigieuze
|
|
-ocr page 397-
| |
| gieuze algemeene kennis bezat van alle ondermaansche
zaaken, dat\'er weynige stervelingen zyn die hem daar
in konden evenaaren, dat is een toon hooger als overtreffen.
Doch aan den andere kant had dat Konstschildertje zo
veel snaps, en was zo lastig in alle gezelschappen, dat men
zich niet wist te bergen voor zyn gekakel, en daarom
was hy by ons gezelschap in den Handboogs hof tot Antwerpen
gedoopt, den klappermans ratel.
| | Hy vertrok vry bejaart van Antwerpen naar Amsterdam,
daar hy op een duysteren avond braaf beschonken
naar huys gaande in \'t water tuymelde, maakende aldus
door dat laatste ongeluk een eynde van alle zyne ongelukken.
N. VAN KESSEL.
| | Het lust ons om den eene Dwerg door een tweede, en
dien tweede door een derde Dwerg te laaten opvolgen,
om den Leezer te vervrolijken door de leevensbeschryving
van een driemanschap konstrijke Dwergen.
| | Die Konstschilder is ook al de duysternis van \'s moeders
Camera obscura ontsprongen binnen Antwerpen, en
was een neef van den beruchten Schilder des Konings van
Polen, Ferdinand van Kessel, en afkomstig van ouders tot
ouders uyt een lange reeks van konstrijke Schilders. Zyn
voornaamste konst bestont in het schilderen van Boerent\'zamenkomsten,
en hy zou waarschynlijk een tweede
Brouwer, Teniers of Ostade zyn geworden, by aldien hy
niet was vervallen tot het beestachtig misbruyk van het
drinken van Brandewijn en Genever. Hy tekende de
boeren zo grappig, verbeelde derzelver hartstogten, kenbaar
uyt derzelver tronien en gebaarden, zo natuurlijk,
schilderde en koloreerde dezelven zo meesterlijk, benevens
de daar toe behoorende by werken, en dat alles uyt den
geest
|
|
-ocr page 398-
| |
| geest en zuyvere eygen vinding en gedachten, dat men
verbaast stont te kyken over de vroegrype konstvrugten
van dat geestrijk aardmanneke; doch die deugden duurden
niet lang, want de verkens liepen al vroeg by hem
in \'t koren.
| | Hy vloog mee al vroeg over na Parys, daar hy in \'t
kort wiert bekent by de Fransche en by de Uytheemsche
Konstschilders die hem naliepen om zyne Tekeningen,
dewelke hy voor de vuyst ordonneerde en opmaakte
als een tweede la Fage, en\'er hem meestentyds
zo veel gelds voorgaaven als hy kwam te eysschen.
Daarenboven schilderde hy in die Hoofdstad een groot
getal stukjes, zynde hy op die tyd naarstig en vaardig,
welke konsttafereeltjes zo dra verkogt waaren als opgeschildert,
zo dat hy aldaar een goed getal pistoolen won,
doch de konst niet kende om dezelve te bespaaren.
| | Na eenige jaaren te Parys zyn verblyf te hebben gehouden,
zakte hy af naar zijn geboortestad Antwerpen;
doch in stee van aldaar naarstiglyk te tekenen en te schilderen,
begaf hy zich vlytiglyk den gebraaden haan te
speelen en te vryen, vallende in de verliefde dichtkunde en
in het schryven van minnebrieven, in plaats van kaartspeelende
dorpkinkels en vegtende Soldaaten te maalen, door
welke adelyke oefening hy zyne overgewonne Fransche
Louisen, gelyk als wasch in de zonne zag versmelten.
Indien den Leezer nu bewust is om te weeren, hoe zwaar
dat de keus woeg van die schoonste uyt zevenlanden, die
zullen wy onderrechten met te zeggen, dat het een leelyk
ongegoed, pokdaalig en dartel Venusje was, dat
konstiglyk de overtreedingen van haar licghaam wist te
verschoonen door haar Antwerps quakkelbeentje, en zo
een onverdraagelyke jeukte had in haar tymbaaltje, dat
zy dikmaals tot verkoeling achterover tuymelde in spyt
van
|
|
-ocr page 399-
| |
| van de Roomsche wet en van de Paapsche Profeeten.
Zeer zelden ging zy te biegten, ook beging het lam
geene doodzonden in haare eygen oogen, doch als dat
gebeurde kroop zy altoos bedekt door de schildpad van
haar falie na den Kanonnik Montelargo, dat orakel van
haar geloove, om een karmer-vertroosting, niet betaamelijk
om uytgetrompet in Gath, of geopenbaart te worden
in Askalon. By dien fynen Priester worstelde zy zo lang
tusschen het vleesch en den geest, tot dat die beyden
onder het hikken en zuchten waaren vereenigt, en tot dat
het teder verschil was gebragt tot een stilzwygent besluyt.
Dat gedaan zynde keerde zy na haare Ouders huys met
den gewonnen Aflaat, en met een gezalft gewisse, en
haare lippen lekkende gelijk als Salomons hoertje, verhaalde
zy onder verbloemde spreekwyzen de hartsterkende
en doordringende vertroosting die zy had genooten.
In haare Lentejaaren had zy een bedekte minnehandeling
met den Konstschilder Tyssens, gedoopt den Yzerwinkel,
en naderhant met deeze en geene Antwerpsche leegloopers,
zo dat zy de Huuwlijks vermaaken van buyten kende,
zonder de Trouw eens gepasseert te hebben. Die jonge
ontgonne Juffer vryde en trouwde onzen Konstdwerg,
en dat verfoeielyk huuwelijk was het eerste begin van zyn
ongeluk, want zyn gemalinne was een slegte huyshoudster,
en hy won zo veele kleyne dwergjes over, dat hy
geen plaats in zijn huys overig had om zyn geld te bergen.
| | Ontrent die tyd kwam zyn Oom, den meermaals
eershalve gemelde Koninglyken Konstschilder Ferdinandus
van Kesssel te sterven, die rykelyk aan dien armen
Neef gedacht in zyn laatste wil, waar op die met
pak en zak, doch niet met bed en peuluw, want die
kon hy insgelyks in zyn paleys niet bergen, en met vrouw
en
|
|
-ocr page 400-
| |
| en kinders kwam afzakken na Breda, om die erfenis te
beuren. En noch was het tijd voor hem geweest om een
braaf man te worden, en zijne konststukken ten duurste
te konnen verkoopen, want hy ontfing een schoone som,
behalve een rijke verzameling van konstige schetsen en
tekeningen, geschildert by zyn Oom en by zyn Ooms
konstryken Vader, Jan van Kessel, benevens een braave
menigte Italiaansche, Fransche en Nederlandsche zo
losse als in boeken gebonde konstprenten, waar door hy
na niets tot voortzetting van zijn konst kon taalen, of
hy kon het aanstonds onder zijn modellen, tekeningen
en prenten vinden. Daar by wiert hy voortgekruyd door
de voornaamste Roomschkatholieken woonachtig binnen
Breda, die hem een braave wooning, en zo veele besprooke
schilderyen bezorgden, dat hy naauwlijks wist wat eerst
aan te tasten, en daarom, gelooven wy, dat hy alle die
doeken liet staan zonder die eens te beginnen.
| | En nu naderen zyne rampen die hy zich op den hals
haalde door zijn beestachtig gedrag, en door zyne onkristelijke
leevenswijze. Dien glorieuze dwerg verzaakte
het schilderen van kleyne boerteryen of boerengezelschappen,
waar in hy een konstig meeser was, om quansuys
ten trots van Jan Baptist Biset konterfijtsels te schilderen,
dewelke zeer slegt, ja belacghelijk uyt vielen; zijnde
vlugge geesten, die zich gewennen om alles zonder het
leeven of zonder eenige modellen te gebruyken, te schilderen,
onbekwaam om zich te verbinden in den naauwgezetten
en bepaalden omtrek van een konterfijtsel, van
welke wonderspreuk wy onderscheyde voorbeelden, indien
het ons luste, zouden konnen aanhaalen. Toen hy zag
dat die onderneeming mislukte, dronk hy een halve pint
genever meer daags, zonder echter het konstpenceel
te verlaaten, en hy begon leevensgroote vogels te konterfijten,
|
|
-ocr page 401-
| |
| terfijten, welke tweede pooging zo min gelukte als de
eerste, en toen wiert hy het schilderen zat, hy stak de penceelen
in \'t dak, en viel als een zwynegel in het onophoudelyk
dronkendrinken. Hy verliet dan eensklaps het gezelschap
van zijn weldoeners en van alle fatsoenlijke
menschen, en vermaagschapte zich in beestsschap met
noch zo een ondier van het eyge beroep en van het eyge
gedrag, een halfgehangen die reeds een jaar a twee om
zijn schulden, en om dat hy zijn onnoozel kind door
honger liet barsen, op den Bredaaschen gevangenis toren
had gezeten, in welke tijd hy zijn schulden had vermeerdert,
in stee van die af te lossen, zo dat de Overheden
dien guyt lieten loopen. Met die knaap en met vee
van diergelijk beslag zoop hy dag en nacht, tot zo lang
dat hy zo arm was als een Tovenaar, en naby den Stads
Scherprechter in een kanaillehuysje met\'er woon moest
inkruypen, daar hy niet door een gemeene, maar door de
ongediertsziekte van Filippus den tweede, Koning van
Spanje in de alderuyterste elende zonder linnen of wolle,
beneven zijne huysvrouw die den drop zo wel luste als
hy, en drie dagen naar hem hemelde of helde, is overleeden.
| | Een droevig voorbeelt, waardig om in \'t koper geetst,
en in de kamers van diergelyke gehumeurde Konstenaars
tot een verschrikkelijk exempel opgehangen te worden.
| | Maar daar schiet ons een kluchtig geval te binnen, dat
dien van Kessel heeft gehad met den Schotsche Lord
Wander, Luytenant Kolonel van een regiment schotsche
Dragonders: in garnizoen leggende tot Breda, welk geval
al te zeldzaam en byzonder is om alhier verzweegen
te worden.
| | Die Milord was een geboren Schot, zwaar geadelt en
ligt berent, die niemant betaalde, echter meer by gebrek
van
|
|
-ocr page 402-
| |
-ocr page 403-
| |
| mee aan Wander, en daar op trok hy af na deszelfs logement.
Hy melde zich aan, en den Luytenant Kolonel
liet hem opkomen in zyn slaapkamer, aan wien Sr. van
Kessel zyn brief van aanbeveeling overleeverde. Dit briefje
was opgestelt in de Fransche taal, en luyde in het
Nederduyts overgezet aldus.
MILORD,
Ik rekommandeer aan uw genade deezen Venetiaanschen
Edelman, toen Milord zo ver gekomen was, rees hy
op uyt zyn leuningstoel, en hy groete het schildertje,
dat die adelyke neyging beandwoorde met aaps salude,
die Hofschilder is geweest van de Prins van Soubise, van
den Generaal de Salignak, en ...... daar op rees Milord
op voor de tweed maal, en hy noode het mannetje dat
zyn armoede bedekte met een roode mantel, om Koffy
met hem te drinken, die pas gezeten was, of Milord
die Italien doorreyst, en veel beleefdheyt had genooten
van den Venetiaanschen Adel, vroeg hem in het Italiaans;
Hoe lang het ontrent geleden was, dat hy uyt zyn
Vaderlant was afgezakt na de Nederlanden? waar op hy,
onbewust van des briefs inhout, repliceerde, Ik en verstaa
ik, bai God! geen Italioons, Mailord, gen moestme
zo nie pieren. Milord die goed Nederduyts sprak, ontstelde
zich heviglyk op dat andwoort, en stoof op voor de
derdemaal, uyt welke schielyke beweeging het Schildertje
niet veel goeds voorspelde, dat ook oprees en de
trapdeur dacht te winnen, maar den Overste Wander
was hem te fluks, die greep het arme duyveltje by zyn
vacht, en hem aanziende met een paar brandende blikken
sprak hy met het geluyt eens donders; Mismaakt
kreng, benje een Venetiaans Edelman, en spreekje geen Ita-
liaans,
|
|
-ocr page 404-
| |
| liaans, daar zal God damne! daar zal de Satan om lacghen,
en onder die vriendelyke aan spraak, wierp hy hem neerwaards
van de trappen. Maar Milords kamerdienaar
kwam gevalliglyk na boven klimmen, die het verzoopen
aas in zyn vaart stuyte, doch het echter op Milords vloeken
overgaf aan een koppel Dragonders, die het zo onzacht
buyten de deur, en eenige huyzen ver geleyden,
dat van Kesseltje niet anders dacht of zyn laatste uur
was aanstaande, en dat tegens verwachting uyt die arendsklaauwen
verlost, half gerabraakt na zyn nestwooning
krabbelde, met een vast voorneemen van nooit geen
Schotsche Milords te konterfijten.
KORNELIS VANDEN VELDE
| | Is een zoon ven den beroemsten aller Zeeschilders
Willem vanden Velde, woonachtig, indien hy noch leeft,
binnen of buyten Londen. Dien Konstenaar hebben wy
gemeenzaamelyk gekent in Engelant, en zyn konst dikmaals
gezien, zynde hy thans den alderbeste Zeeschilder
die wy zouden konnen noemen. Hy heeft genoegzaanm
dezelve manier van zyn konstryken vader, als die
het zilte Nereus zap zo doorschynent schildert als bergkristal;
en zyne scheepen, luchten, stranden, en rotsen,
heerlyk en uytvoeriglyk maalt, en zonder tegenspraak,
wy herhaalen het noch eens, den beste Zeeschilder is
die ons in onze geheele leevensloop is te voren gekomen.
Hy is getrouwt met de dochter van een gemeen Nederlands
Schilder, genaamt vander Hagen, die een zoon heeft geteelt,
een braaf Landschapschilder, aan wiens konst wy
daar het pas geeft zullen gedenken. Noch hebben wy
in een van Londens voorsteden een Bloemschilder gekent,
waar aan wy ook dienen te gedenken, genaamt,
N.
|
|
-ocr page 405-
| |
| N. DE HEEM.
| | Die Konstenaar was een tak uyt den Konst-stamboom
van Jan David de Heem, een Hagenaar by geboorte, een
Bloem- en Vrugtschilder by zyn beroep, en vry losjes
in zyn leevenswyze. Hy was een goed Bloem- en Fruytschilder
ontrent van het eygen konstgewicht als Kornelis
de Heem, zyn Oom ofte Oudoom, doch vry tam in
zyn manier, en geen groot ordonneerder. Die Konstenaar
besloeg in de straat van long acre in een voorstad van
Londen een paar kamers by een braaf Landschapschilder,
die zyne bloem- en fruyttafereelen stoffeerde met vrolylke
landschappen, met konstige stammen van ekelendraagende
eykeboomen en bladers, en met schoone rollende
azuure luchten en welgekoleurde voorgronden, alle welke
cieraaden geen geringe luyster mededeelden aan de
konststukken van dien Bloemmaaler.
| Wy hebben hem in Londen gelaaten vry zwak en ziekelijk,
en daarenboven half beroert, waar uyt wy gissen
dat de maagere dood hem zal hebben opgesnapt voor een
Kerkhofsbloem, en medegenomen naar het duyster Gemene
Best, of Gemene Slimst, der ontvleeschte schimmen.
WILLEM VAN MIERIS
| | Is een braaf navolger van zyn weergaaloozen Vader
Frans van Mieris, zijnde zijn zoon Willem geboren
in
|
|
-ocr page 406-
| |
| in den jaare duyzent seshondert tweeensestig, en wiert
in de eerse beginselen van de adelijke Schilderkonst onderweezen
by dien konstrijken Vader, onder wiens opzigt
hy zo een opgang maakte, dat hy op zijn eyge
konstwieken kon flodderen, toen dien Vader hem op zijn
negentiende jaar kwam te ontvallen. Dat smartelijk verlies
herstelde hy door een ongemeene naarstigheyt en lust,
verzelt met een loflijke heerszucht om \'s Vaders konstschreeden
na te draaven, en was \'t doenlijk te achterhaalen,
en die heerszucht was de voornaamste leermeestres
die hem de behulpzaame hand toestak in het bestudeeren
der hedensdaagsche en der aloude teken- en schilderwyzen.
| | Ook ontbrak het dien Konstschilder aan geen Mecenaten
om hem op te tillen, dank zy zijn gedrag en goed
gestarnt, onder dewelken uytstaaken Mejuffrouw Oortmans
en den Heer en Meester Pieter de la Court vander
Voort, voor welke respektieve persoonaagien hy veele
Konsttafereelen heeft geschildert; doch met dit onderscheyt
dat die voor de Juffer meest in zijn lentetijd zijn
gemaalt toen zijn konstzon eerst was aan \'t doorbreeken,
daar die voor den Heer in ryper jaaren zijn gepenceelt
toen zijn naam reeds tot op een glorierijke hoogte was
gestegen. In het berucht Konstkabinet van den Heer Pieter
de la Court tot Leyden zijn noch verscheyde uytmuntende
stukken te zien by die konstrijke hand geschildert,
waar van het kapitaalste stuk den door Armidas bekoorlijkheden
betoverden Reynout verbeelt, die in den
schoot van zijn dartele minnares is in slaap gezongen
door een naakte Meermin, en langs wiens gesloote blikken
de wellust noch schynt door te straalen. Dat Kabinetstuk
is vol gewoel van Nymfen, Meerminnen, en
Liefdegoodjes, om en tom gestoffeert nmet bloemen, kruyden
|
|
-ocr page 407-
| |
| den en andere cieraaden, waar door de hedensdaagsche
toekijkers door\'er al te lang op te staroogen zo wel betovert
worden als den in slaap gesuyden kristen ridder.
Die ordonnantie heeft W. v. Mieris voor de tweede maal
geschildert voor den voornoemden Heer Pieter de la
Court, dewijl den Graaf van Wackerbaart, Generaal en
Gonsteling des Konings van Polen, niet afliet voor dat
hy het eerste Konsttafereel had gebrooken uyt de handen
van den Heer de la Court die daar op dezelve historie
op nieuws liet schilderen, en den Konstschilder behalve
den bedongen prys vereerde met een aanzienlyk geschenk.
| | Ook berust\'er in het berucht Konstkabinet van den
Heer Pieter de la Court noch een keurlijk Konsttafereel
van dien zelven Mieris, zijnde een Heylige Familie
t\'zamengestelt uyt den Zaligmaaker Kristus, de Maagd Maria,
Joseph en St. Jan, waar in onder andere qualiteyten
den Konstschilder op het tronietje van Maria zo een hemelsche
zeedigheyt heeft gepenceelt, dat het de aanschouwers
aandoet met een byzondere verwondering, en
met geen gemeene eerbiedigheyt voor die aldereerlijkste
aller maagden.
| | Noch bezit dien zelve Heer een aardig Kabinetstukje
van die eyge hand, verbeeldende een Tartuffe of een gladde
Paap die zijn hof der begeerte maakt by een aardig vrouwtje,
dat niet afkeerig schynt te zijn voor die kloosterlijke
zeedelessen die hy haar poogt in te planten. Dat stukje
is geciert met een mooi kleedje, gemarmert vloertje,
hondje, papegaaytje, en zo voorts, alle welke voorwerpen
konstiglijk en uytvoeriglijk zijn geschildert.
| | Maar dien Heer Pieter de la Court vander Voort is
door die konstrijke hand verrijkt met vier Koninglijke
vaazen, by dien Konstschilder geboetseert en op die
vorm gegooten, welke vaazen zo schoon van gestalte,
en
|
|
-ocr page 408-
| |
| en met zulke wonderlijke halfronde beelden van Nymfen,
Bosgoden, Najaden, Minnegoodjes, benevens de
daar toe behoorende voorwerpen zijn verheerlijkt, dat
veele doorluchte Vorsten en hooge Standspersoonen,
met de hoogste verwondering en verrukking die meesterstukken
zijn komen beschouwen, en meermaals hebben
getracht om dezelven voor zwaare sommen, doch te vergeefs,
te bemachtigen. Onder veele andere Konstbeminnaars
hebben den Hartog van Wolfenbuttel en den
konstlievende Graaf van Wackerbaart aanzienlijke sommen
daar voor geboden; doch dien konstkennende Bezitter
is al te wel overtuygt van derzelver ongemeene
waarde om zich te ontdoen van die konstmirakelen, dewelken
geen geringe luyster byzetten aan zijne overige
konststukken.
| | Dien braave Konstschilder heeft vorders de eer gehad
van gezogt en gebruykt te zijn geweest by veele doorluchte
persoonaagien, onder anderen by zijn Vorstelijke
Doorluchtigheyt den Keurvorst van Ments, den Hooggeboren
Graaf van Wassenaar, den Baron van Landsbergen,
den Graaf Wackerbaart en meer anderen. Den
laatstgenoemden Graaf heeft verscheyde Konsttafereelen
van onzen Schilder, waar onder een zeer kapitaal stuk is,
verbeeldende de byeenkomst van Bacchus en Ariadne, een
heerlijke ordonnantie vol gewoel van Satyrs, Nymfen,
en meer andere daar by behoorende beelden, benevens
goude vaazen, kelken, drinkschaalen, &c. zijnde alle
die aangenaame voorwerpen geplaatst in een vrolijke
boschaagie.
| | Voor den Graaf van Wassenaar heeft hy onderscheyde
stukjes gepenceelt meest moderne verkiezingen, als Keukens
gevult met allerley soort van wild, vleesch, vruchten,
moeskruyden en diergelijken, benevens eenige
Konstta-
|
|
-ocr page 409-
| |
| Konsttafereeltjes verbeeldende winkeltjes met allerhande
winkelwaaren, en zo voorts, by uytneemendheyt konstiglijk
en uytvoeriglijk geordonneert en geschildert.
| | Ook bezit den Heer van Meyndershagen een keurlijk
Familiestuk historiescher wijze geordonneert, zeer vrolijk
en gestoffeert met veele rykelijke bycieraaden, over welk
Konsttafereel die Excellentie zodaanig was voldaan, dat
hy den konstrijken maaler vereerde met driehondert goude
pistoolen. Noch schilderde hy voor dien zelven Heer
de ordonnantie van de schoone Susanna belaagt door de
twee grijze boeven, zijnde een welgeschikt, deugdelijk
en vrolijk Kabinetstukje.
| | Den Heer en Meester Kornelis Bakker, Oudschepen
der Stad Amsterdam, bezit insgelijks eenige konststukjes
van dien konstrijken W. v. Mieris, waar onder het kapitaalste
een Bacchusfeest verbeelt, vol gewoel van beelden
in een vrolijk landschap, welk tafereel by de Konstkenners
staat geboekt voor een van des Konstschilders alderbeste
tafereelen.
| | Ook hebben wy onlangs by dien Schilder een koppel
schoone konststukken gezien, zijnde het kapitaalste de
bekende historie uyt Bokatius van een dom kaerel, die
wijs en beschaaft wiert op het gezigt van eenige naakte
slaapende Nymfen, zijnde het zeldzaam dat dien botterik
wijs wiert op die vertooning, waar over meenig wys
man zot is geworden. Het ander konststukje verbeelt
een mooi en cierlijk opgeschikt groenwijfje in haar winkel,
benevens een jongen of laquey die haar geld bied voor
een zoodje bloemkoolen, welk bot zy weygert en schynnt
te zeggen; Neen, lansje, dat raaje niet, zou ik zulke
mooie koolen geeven voor zo weynig geld, dan zou ik haast
op den dyk geraaken. Vorders zijn alle de vrugten, de
roode koolen, de Sellery, de bieten, de uyen en alle de
overige
|
|
-ocr page 410-
| |
| overige voorwerpen zo natuurlijk, konstiglijk en uytvoeriglijk
geschildert, dat het een oogenlust is die op den
duur te beschouwen.
| | Vorders weeten wy niet verder te schryven aangaande
dien konstryken Willem van Mieris, als dat hy een braaf
eerlijk man en van een voorbeeldelijk gedrag is, die
wy in een volmaakte gezondheyt hebben gelaaten in het
laatst van April des jaars duyzent zevenhondert achtentwintig,
in welke staat wy verhoopen dat hy noch veele
achtereenvolgende jaaren mag volharden, tot welstant
van zijn huysgezin, en tot vermaak aller konstlievende
Konstbeminnaars en Konstbeminnaaressen.
FRANS VAN MIERIS
| | Zullen wy laaten volgen op den vader Willem van
Mieris, zynde\'er min gelegen aan een stipte waarneeming
der tydrekening in de Leevensbeschryvingen der
Schilders, als aan een naauwkeurig verhaal van derzelver
konst, leevenswyze, en byzondere avontuuren,
zo tot vervrolijking der nieuwsgierigen, als dikmaals tot
voorbeelden der praktizeerende Konstschilders.
| | Frans van Mieris dan is geboren tot Leyden, op het
jaar duyzent seshondert negenentachtig, en heeft zich
van zyn tedere jeugd af bevlytigt in de Schilderkonst
onder het opzigt zijns Vaders, die hem zulke oprechte
lessen gaf, en by wien hy dermaate is gevordert, dat verscheyde
Konstbeminnaars hebben getracht om zijn konst
machtig te worden, schynende de Schilderkonst des Vaders
en des Zoons, alhoewel met een merkelijk onderscheyt,
in eene en dezelve vorm gegooten. Zo binnen
den omtrek der vrygevogte Nederlanden, als in verscheyde
uytheemsche luchtstreeken zijn verscheyde Konsttafereelen
te zien van dien derde Mieris, als onder meer anderen
|
|
-ocr page 411-
| |
| deren een Kabinetstukje verbeeldende een biddende Monnik
aan het Hof en in het Konstkabinet van zyn Vorstelyke
doorluchtigheyt den Keurvorst van Ments: en van \'s gelyken
berusten\'er verscheyde konsttafereelen van die zelve
hand by den Baron van Landsbergen, Landdrost en Domproost
van Hildesheym, bestaande zo in kleyne historiaale
als in moderne stukjes
| | Maar den konstlievende Heer Valerius de Rover,
woonachtig tot Delf, een weergaloos Konstbeminnaar van
schilderyen, tekeningen en printen, heeft een koppel
stukjes van dien Konstschilder, geschat voor geen van de
minsten by de naauwkeurige Konstkenners. Het eene
stukje verbeelt een oud wyfje dat Kastanjes en andere
snoepery verkoopt aan een jongetje; en op het tweede,
zynde een wedergaa, staat een Bakker gekonterfijt die zyn
hoorn heeft gevat, om heet wittebroot en koekjes die ten
deelen toegedekt voor hem leggen uyt te trompetten,
staande\'er een meyd nevens hem met een kopere emmertje
in haar hand om iets te koopen: beyde die Kabinetstukjes
verbeelden poortjes of nissen van uytgehakte steen,
gestoffeert met die voornoemde beeldjes en met andere by
cieraaden, en zyn beyden konstiglyk en uytvoeriglyk
geschildert.
| | Thans heeft hy een aardig Kabinetstukje onder handen
voor den Heer Koenraat van Ryp, Sekretaris der Weeskamer
tot Leyden, verbeeldende insgelyks een steene
poortje en in \'t zelve een oud man die met een jonge
meyd in onderhandeling is over eenige duyven die reeds
zyn geschikt in haar mandje, welk mandje op een steene
borstweering staat geplaatst verciert met hal ronde steene
kindertjes, op die zelve borstweering staat ook een houte
bak met eenige poelsneppen, en daar nevens leggen eenige
endvogels, aan de rechterzy van het stukje hangt een
fesant
|
|
-ocr page 412-
| |
| fesant, en aan de linkerhant een haas; boven heeft den
Konstschilder een wyngaart, een teene vlugt met duyven,
een vogelkooitje enz. geordonneert, alle welke
voorwerpen natuurlyk en bevalliglyk zyn geschildert.
| | Buyten die dagelyksche konstoefening heeft hy een
zwaaren last uytgekipt tot zyn uytspanning, bestaande
in de geschigten der Nederlanden te bewyzen en op te
helderen door de Penningkunde; ten welken eynde hy
wyd en zyds de Historiesche gedenkpenningen verzamelt
in het algemeen, en wel in zonderheyt die medailles die
t\'zedert de regeering der doorluchte huyzen van Bourgonje
en van Oostenryk gestempelt zyn, tot aan de dood van
Karel den vyfde toe, welke penningen zyn gemunt tot gedenktekens
van de aanmerkelykste voorvallen der Nederlandsche
geschiedenissen. Alle die zeldzaame penningen
heeft dien onvermoeiden Konstschilder Frans van
Mieris zelfs naauwkeuriglyk getekent, en met oordeelkundige
aanmerkingen verrykt; zynde die arbeydzaame
onderneeming een achtereenvolgende Historie van den aanvang
van \'t munten der penningen in de Nederlanden, tot
het begin van het berucht werk des Heeren Gerardi van
Loon, zullende de geschiedenis door dien penningschakel
t\'zamengehegt zyn tot aan de Uytrechtsche vreede, getroffen
in het jaar duyzent zevenhondert en veertien, diergelyke
bewyzen tot noch toe by geene Natien zyn voortgebragt.
| | Tot een proef van zyn ongemeene bekwaamheyt heeft
dien Konstschilder en Geschigtschryver reeds een doorwrocht
traktaakt in het licht gegeeven, getytelt
BESCHRY-
|
|
-ocr page 413-
| |
| BESCHRYVING
DER
BISSCHOPLYKE
MUNTEN EN ZEGELEN
VAN
UTRECHT IN \'T BYZONDER,
MIDSGADERS
Van den oorsprong, de waarde en benaaming van \'t geld,
het verschil der Muntstoffen en weegingen, de waarde
der Metaalen, \'t Recht van Geldmunten, en
het eerste geldgebruyk in \'t algemeen:
Opgestelt en verzamelt
DOOR
FRANS VAN MIERIS
| | Wy hebben dat Traktaat met vermaak en niet zonder
nut doorbladert, en renvoyeeren tot het zelve den nieuwsgierigen
Leezer, die uyt die klaauw de kracht des
Leeuws zal leeren kennen, en zich zal moeten verwonderen
over den natuurlyken schryfstyl, de konstryke afgetkende
groote en kleyne zegels, benevens de cierlyke medailles
en andere Bisschoplyke munten.
PALAMEDES PALAMEDESZ. JUNIOR.
| | Wy gedenken gevalliglyk aan dien Palamedes, dewyl
ons gisteren een stuk wiert getoont van den ouden Palamedes
Palamedesz. wiens leeven zy hebben beschreeven
in
|
|
-ocr page 414-
| |
| in ons tweede deel der Nederlandsche Konstschilders en
Konstschilderessen. Deeze knaap was een goed Konstschilder,
die na \'t ons toeschynt den naam van Palamedes
al te doorluchtig oordeelde te zyn voor een
Konstschilder, ten welken eynde hy St. Lukas onbloedig
konstpenceel verwisselde tegens Bellonas bloedige standaart,
en zo ver geraakte in \'s Krygsdienst dat wy hem
in onze groote jeugd tot Breda in de qualiteyt van Kornet
hebben gekent, in welk garnizoen hy ook is gestorven.
Het was een jammer dat die Konstenaar het penceel
had in \'t dak gestooken, en den beschermer des geloofs
op zy gegort, dewyl hy waarschynlyk een van de
beste Konstschilders zyner eeuw stont te worden, als die
fix tekende, groots ordonneerde, en zyne beelden zo meesterlyk
behandelde, dat\'er weynigen van zyne tydgenooten
hem konnen evenaaren, ik laat staan boven \'t hooft
kyken. Te Breda plagten oulings noch eenige Konsttafereelen
van dien Palamedes, batailles verbeeldenden te
berusten by deze en geene Konstbeminnaars; doch het
raagshooft der behoeftigheyt heeft die stukken, benevens
meer andere konst, zo geheelyk weggezweept uyt
de huyzen der Borgerheeren, Borgers en Ingezetenen,
dat men\'er geene andere overblyfsels van bespeurt als de
overgebleeve lidtekens tegens de muuren daar die eertyds
hongen te pryken.
| | Dewyl wy maar eene leevensbyzonderheyt van dien
konstryken Kornet konnen opmonsteren, zullen wy daar
mede den Leezer onderhouden, alhoewel die byzonderheyt
min trekt op de leevensbyzonderheyt eens Konstschilders,
als op een staaltje uyt het Kabinet der Gaaudieven.
| | Die Palamedes logeerde tot Breda by een waard geheeten
Peer van Heusden, gedoopt of gealiast den Spanjaart,
dewijl
|
|
-ocr page 415-
| |
| dewijl hy meer gewelt maakte over de deugden van een
Toledaansche kling, die zijn Vader had opgeraapt in de
verroovering van Breda door den Marquies Spinola, als
een Kreeftekooper zwerft en baart in de maand van Mey
over de ongemeene virtuyten van zijn Engelsche zeemonsters.
Die Peer van Heusden had de beste wyn en de gevoeglykste
dochters in de lengte en in de breedte van die
Frontierplaats, twee zeylsteenen waar op de yzere Officiers
gewilliglyk afstuyven, zynde het druyvenat en de vrouwen
de huysgoden en de heyligdommen, voor dewelken zy hun
leeven en zaligheyt te grabbel gooien aan de voeten hunner
vyanden en vrienden. In dat wynhuys, gedoopt het Paradys
der Narren, kompareerden dagelyks de heeren Militaairen,
de borgerheeren, en de gequalificeerste borgers
van Breda, de sommigen om hunne zorgen vier vingeren
breed onder den wyn te zetten; anderen om hunne op
de pof verrooverde mooye kleeders ten toon te stellen,
deezen om te zwetsen over de verborge qualiteyten hunner
paarden en maitressen; en geenen om hun vyanden te
slachten in volle vree als zo veele muggen of vliegen,
en met noch minder moeite als de Bredaagsche slagers
die vleeschbedervende insekten verpletteren met hunne
leere Vliegelappen. De Borgerheeren en de Borgers waaren
vry zeediger van gedrag, die kakelden wat lekker
huysbrouwersbier zy herbergden in hunne kelders, wat
voor Godvruchtige werken zy deeden by de behoeftige
ingezetenen, en wat voor schoone vrouw en zaaten achter
hunne toonbanken, dikmaals zo veyl als hunne verleege
lakens en stoffen. De overige kalanten die tusschen
die twee klassen doorliepen gelyk als Zwaabsche landedelen
tusschen de Tirolsche baroneerders doorloopen,
zal onze krayonpen vermyden,
Dewyl
|
|
-ocr page 416-
| |
| Dewyl een Boereschout, wy zeggen \'t wel bedacht,
Geen stramme kinkels acht.
| | Doch wy zullen niet vergeeten te zeggen dat dien Palamedes
tot zyn slaapkamer had het beste vertrek in die
kasteleny, namentlyk de kapel waar in den dronken waard
den God der schatten, de inlandsche Dordrechtsche goude
en zilvere medailles bergde; of om ons duydelyker te
verklaaren, waar in de groote nooteboome kas stond die
den dagelykschen ontfangst verslond, in welke kas den
spaansgezinde kasteleyn en kasteleynsche alle die onderscheyde
munten tegens den nacht bergde, dewelken
zy by de zon en by de kaars beurde van alle die
sponsdrooge drinkebroeders. Palamedes zag dagelyks
die penningen opsluyten, welk gezigt hem altoos
deed watertanden, want hy was lekker, hoovaardig
en arm, en zat doorgaans zo lang als den laatste man,
welke zitdagen hy niet kon goedmaaken op zyn Kornets
traktement, zo dat hy met\'er haast een galg vol aantekeningen
overwon op de schuldley des kasteleyns: doch
hy ondervond de waarheyd des ouden spreekwoords, dat
de voorzienigheyt de bittere wateren des noods veeltyds
tot aan, maar zeer zelden tot boven de lippen laat komen.
| | Het gebeurde eenmaal dat den konstryken Kornet ley
een namiddags uyltje te knappen op zyn pavillioen, toen
de Hospita iets uyt de kas haalde, en onvoorzigtiglyk
de sleutel in \'t slot liet steeken, het geen
Palamedes,
die den slaap des luypaards sliep niet zo dra had gemerkt,
of hy stoof overend en stak dien sleutel in de zak en den
degen op de zy, waar na hy een wandeling ging doen in
het altoos groenent mastenbosch buyten Breda, om zich
aldaar met alleenspraaken te onderhouden, wegens dat
ten zynen voordeele gelukkig uytgevallen toeval. Tegens
|
|
-ocr page 417-
| |
| gens het vallen van den avond reverteerde hy in zyn logement,
waar in hy noch grooter verwarring zag als in
de konstprenten van Jan Bitter, want den waard vloekte
als een Haagsche ligtemis, de waardin huylde als een
romeynsche Courtisane in een boetpredikatie, de twee
dochters schreyden met het eene oog traanen met tuyten,
en belonkten met de overige blikken de Officieren als een
gespan Wynpaappinnen van vader Bacchus, den zoon
die met het feyt van het sequestreeren des sleutels wiert
beticht, liep overal met de kop tegens de muuren en wanden
als een kolderende schimmel, de drie dienstbaare bevalligheden
der drie dienstmeysjes zaagen\'er zo mal uyt
als moffinnetjes, die haare maagdomnmetjes hadden verdroomt
tusschen de graswadens der Slennerhenkens in de
veerschuyt van Kampen op Amsterdam, en de kalanten
bekeeken malkanderen zo stemmiglyk als zo veele klokluyders
in rechten die den bout op den kop hebben gekreegen:
kortom de kasteleny was herstalt in een zichtbaare
hel, waar in niets wiert gehoort als laster, vervloekingen,
krocghen, steenen, weeningen der oogen en
knarssingen der tanden. Den Kartouchiaansche Palamedes
stont quansuys verslaagen op het verhaal van dat
sleutelverlies, hy mediteerde in schyn een tyd lang met
een diepzinnig air, en besloot eyndelyk dat men den
zoon Antony, die waarlyk den besten broeder, maar in
dit geval onschuldig was, la peine forte & dure van beezemstokken,
handrottingen, en vuystvermaaningen behoorde
te doen ondergaan, om hem langs die drie trappen
van onderzoek tot de overgaave des sleutels te brengen.
Den verwoede kasteleyn bewilligde fluks in dat
vonnis, op den onschuldigen Jongen wiert een zwaare
hand gelegt, en men sleurde hem naar den tuyn,
onderderwyl dat den schalke Kornet hem geleyde
met
|
|
-ocr page 418-
| |
| met deeze berymde rouwklacht van Joost van Vondel,
O Jongen! dat ik uw dus teer en gants beneepen
Met yzere boeyens moet na de achterplaats zien sleepen
Des dronken kasteleyns doet my in \'t haarte wee.
Aldaar wiert hy van den schedel des hoofds tot aan de
planten der voeten geexamineert in een kring van toekykers,
en toen\'er geen sleutel by hem was te vinden
schoot den vader toe, en appliceerde die drie voorgemelde
graden der tortuur zo onbarmhartiglyk op zyn rug en
schouders, dat den verongelykten Anthony geen ander
dood als op die plaats dacht te vinden. Die pynbank
wiert tot driemaal toe herhaalt, en toen ontsloeg hem
den Krygsraad met eenpaarigheyt van stemmen, alhoewel
het vermoeden dat hy den sleuteldief was stand greep,
niet tegensttaande zyn ontkenning onder pyn en banden.
| | En nu was de gulde eeuw des Kornets gekomen, die
dien sleutel korts daar aan beproefde en goedkeurde, en
in drie haalen binnen de drie eerste weeken zo veel goud
en zilver geld uyt die Hesperische kas opbaggerde, dat
hy zyn schulden kon betaalen, een pak nieuwe kleeders
kon laaten maaken, en noch een beursje kon overhouden
als een appeltje voor den dorst, om zich daar van te bedienen
in zyn bedevaarden na de Zwaan in het dorp van
\'s Prinsenhague, na het vliegent Hert tot Ginneken, na
het Speelhuys buyten de \'s Hartogenbosche poort, en
naar alzulke wynkapellen, in dewelken hy nu het hoogste
woord voerde, dewyl hy aldaar dikmaals boete deed
en offerde voor de overtreedingen zyner medeofficieren.
Die leevenswyze duurde en bleef duuren, waar uyt de
Officieren en de Borgerheeren beslooten dat hy den steen
der
|
|
-ocr page 419-
| |
| der Filosoofen, of de konst van yzere hoefyzers in goude
dukaten te konnen hervormen, had uytgevonden,
zynde het aan een iegelyk bekent dat zyn kapitaal niet
zwaarder woog als de schaal van een duyveney, zo dat
Jan Alleman hem eerde en vierde als een tweede Paracelsus
van Hohenheym, op hoop van vroeg of laat een
klomp gesmolten goud ter groote van een paardshooft
van hem te zullen erlangen. Ook styfde hy de verstaalde
menschenslachters, en de Bredaasche dommekrachten
in die waan, door dagelyks zo lekkerlyk te smullen als
een Tempelier, door zich zo proper te kleeden als den
Abt van St. Michiel op den Feestdag van St. Norbert,
en door zo goede paerden op stal te hebben als den geweezen
Wagenmeester Generaal op stal hield voor dat alles
was opgesmarotst, en voor dat den Bredaaschen adel hem
had toegeschreeuwt, wel moet het uw Excellentie bekomen.
| | Doch dewyl\'er niets bestendig is op deeze ondermaansche
weerelt, of het moesten de vrouwen zyn, verviel
de gelukkigheyt des Kornets zo schielyk als die was ontlooken,
hy zag zich geschopt en voor altoos verbannen
uyt het Paradys der zorgeloosheyt, toen hy zich verbeelde
dat\'er niets machtig was om hem te ontroonen,
en hy wiert van meet af aan ondergedompelt in zyn voorige
staat der behoeftigheyt, gelyk als den hovaardige
Lucifer zich van den gestarnden Olymp zag en voelde
nederbonzen in Acherons diepste duysternissen. De kasteleynsche
gaf aan Palamedes een ander slaapvertrek, gevalliglyk
en buyten eenig links vermoeden, doch dat
belette hem echter van eenige operatien in \'t vervolg te
konnen doen met den meester sleutel, waar door hy zyn
dagelyksche verquisting niet alleenlyk moest besnoeyen,
maar zelfs begon hy zwaare schulden te maaken, waar
door de waan van zyn Goudmaakery allengskens begon
te
|
|
-ocr page 420-
| |
| te verdwynen. Hy storte uyt enkel hartzeer in een zwaare
ziekte die hem binnen korte dagen tot op den oever
des doods bragt, waar op hy den waard, de waardin,
de dochters en den zoon in zyn kamer liet komen, naar
alle waarschynlykheyt met een voorneemen om het
schelmstuk zuyver op te biegten, het welk hy echter op
zyn gemoed niet kon verkrygen, alleenlyk verzogt hy
vergiffenis van \'t geene waar in hy hun mogt hebben verongelykt
in generaale termen, en onder die betuygingen
bloes hy zyn leevenslamp uyt, en Palamedes voer ter
zielen. Zo dra was hy niet op het stroo gelegt om te
verzygen gelyk als een oliekoek, of zyn nalaatenschap
wiert geinventarizeert, en den sleutel in zyn broekzak
gevonden, op wiens kruysvinding de Helena des kasteleyns
in katzwyn viel, en den kasteleyn zulk een verwoede
wapenkreet opstak als of de Keyzerlyke hongaaren
te vuur en te zwaard in zyn Karavansera waaren gevallen.
Maar den Frigiaan wiert deeze reys
Te laat te wys.
Het was te laat den put te vullen na dat het kalf\'er was
in gesmoort, den Kornet was met hun welvaren gaan
opdrossen na de andere weerelt, en hy liet die by hen
geruineerde huyshouding voor de ballen zitten.
N. SPIES.
| | Is een \'s Hartogenbos kind geweest, geen gemeen
Schilder, die een goed konterfijtsel en van \'s gelyken
geen onaardig Historiestuk maalde; doch die aan den
andere kant zo grilziek was in zyn gedrag, als of hy de
Teken- en de Schilderkonst had geleert onder het opzigt
van
|
|
-ocr page 421-
| |
| van David Joris, en bed- en tafelgenoot was geweest by
den Abt Ruccela, den eersten ontdekker en belyder van
het Hypochondre. Die reyzende Konstenaar bepaalde
zijn heerszucht in den omtrek van de \'s Hartogenbosche
Meyery, hy trok om de week, om de veertien dagen,
of om de maand van het eene na het ander Dorp, altoos
vergezelschapt met een reyszak gelijk als een Noorthollander,
altoos alleen als een Ketelboeter, en altoos te voet
als een Dorpsbode. Als hy dan hier of daar zijn anker
had laaten vallen in die zandige heyzee, dan ging hy om
van huys tot huys gelijk een Haairkooper, en hy vroeg,
of\'er iemant was, man, vrouw of kind, die zich wilde
doen konterfijten, of die benoodigt was om een a meer
fraaye Historiestukjes? enz. Gebeurde het dan eens dat dees
of geen van de gequalificeerste dorpelingen resolveerde tot
het een of tot het ander, dan ley hy fluks den reyszak
af, eyschte een kelkje korenbrandewyn, herhaalde een
kort pypje, benevens een tabaksdoos, tondeldoosje, en
de overige krygsbehoeftens des tabaks uyt zyn tas, en
ging in alle vertrouwendheyt zitten rooken. \'s Middags
greep hy post aan tafel, en tegens den avond, avondmaalde
hy ongevraagt, dronk zich dan door de vrees, eyschte
daar op een bed en ging gerust leggen slaapen, om des
anderendaags het bedongen konterfijtsel of iets anders te
beginnen.
| | Op die wyze wandelde die Schilder op dien staf des
broods door de woestenyen van de \'s Hartogenbosche
Meyery, altoos vrolyk en vergenoegt, of schoon hy zo
berooit als een Kerkmuziekant, en altoos zo openhartig
was als een Diogeen om een ieder het zijn te zeggen,
zonder de waarheyt te besluyeren met een blaauwe schorteldoek;
een deugd die hedensdaags God betert maar in
een verkleynt tal stervelingen is te vinden.
Eenmaal
|
|
-ocr page 422-
| |
| | Eenmaal konterfijte hy den Pastoor van Vecghel, een
Dorp vier uuren boven \'s Hartogenbosch, en de wyl die
Paap onder het konterfijten zulke misselijke historien ophaalde
uyt de Legenden der Heyligen dat het kant noch
wal raakte, wiert den Schilder gemelyk, en schoot dit
bits verwyt toe aan den gewyden spookjes-verteller; Nu
bevind ik in uw persoon, Heer Pastoor, dat de wyste mannen
de grootste leugenaars zyn, en dat het spreekwoord geondeert
is wanneer het ons leert, dat de zotten en de kinders
de waarheyt\'er uytlappen, en geen duyvels op hun
hart laaten smooren.
| | Den Sekretaris van dat Dorp was alommers zo gehoornt
als den Bok waar op de toveressen zitten als zy
na den Sabbath reyden, en echter was hy doorgaans fijtje
de voorste om de Koekoeken te beschimpen. Den Konstschilder
Spies ging dagelijks ten zijnen huyzen drinken,
(nota bene dat veele Drossaarden en Sekretarissen in de
Meyery herberg houden) en by die gelegendheyt hoorde
hy, dat de vrouw den man verzogt om een lootje te waagen
in de Generaliteyts lootery, welk verzoek den Sekretaris
afsloeg met deeze woorden; Neen, liefste, daar in
zal niet worden getreeden, want geen een in \'t hondert als
een zot of als een hoornbeest gaat met een prys stryken.
Dan raad ik uw, (sprak den Schilder) dewyl je een dubbelde
kans hebt van een paar looten in stee van een te wagen.
Op een zekere tijd zat den heromzwervende Konterfijter
in een Herberg tot Oosterwijk, in welke Herberg
een gespan Jesuieten intrat om aldaar te soupeeren en te
logeeren, welke Lojolisten zulke onbarmhartige leugens
verhaalden tegens eenige Magistraatspersoonen van die
heerlijkheyt, die aldaar dagelijks kompareerden om de
zorgen des gemeene Boeren Bests af te spoelen in oud
bier
|
|
-ocr page 423-
| |
| bier en in versche Korenbrandewyn, dat den Schilder
het niet langer kon verduuren. Eerwaarde Heeren (viel
hy\'er op in ongevraagt) dewyl ik hoor en zie dat Uwe
Eerwaardigheden zo boven natuurlyk zyn gestelt op ongemeene
mirakelen en op zeldzaame overblyfzelen der Heyligen,
zal ik uw zeggen, dat\'er na by de Middelrooysche
brug in deeze \'s Hartogenbosche Meyery een steene bak wort
gezien, waar in den heremyt St. Teunis zyn regenwater
voor zyn thee plagt te bewaaren, welke steene bak tot op
heden toe die eygenschap bezit, dat alle de zwynen die\'er
uyt drinken fluks een geweldige dood sterven binnen de vierentwintig
uuren. De Jesuieten die noch jong, onbedreeven,
en den duyvel niet veel zieltjes hadden ontrukt,
stonden \'s anderendaags op by tijds om dat heylig overblijfsel
te gaan beschouwen; doch zy vonden wel zwynen
maar geen steene trog van St. Teunis, alhoewel zy
zich vervoegden by den Pastoor, en by de overige daar
omstreeks Kerkelijke en weereldlijke Officianten, zo dat
zy moede en afgeslooft vry laat wederkeerden na de Oostenrijksche
kasteleny, alwaar zy den Konstschilder, benevens
de meeste kalanten van den voorgaande nacht,
vonden zitten zwadderen onder hunne oudbiers pintjes
en kannen. Den oudste Ignatiaan beschuldigde aanstonds
den Konstenaar, zeggende, dat zy zich bykans te barsten
hadden geloopen, zonder dat zy het minste bescheyd
hadden bekomen van den mirakeleuzen steenen trog van
dien patroon der aloude Heremyten, enz. Den vroome
Spies sloeg die klachten in de wind, en andwoorde hun
stemmiglijk aldus; Eerwaarde Paters, ik had meerder
beleefdheyt van de geestelyken uwer order verwacht, die bekent
staan voor noch grooter Hovelingen als den Turinschen.
adel, doch ik ben in myn oordeel bedroogen. Ommers heb
ik uw beyden gisteren avond honderde onvergeeflyke en taste-
lyke
|
|
-ocr page 424-
| |
| lyke leugens hooren opsnyden, zonder dat ik Uwe Eerwaardigheden
eens heb willen tegenspreeken, en nu ik\'er uw maar
een op de mouw vastspel, loopje als een paar zotten vyf a
ses uuren ver om het vermaak te hebben van my te leugenstraffen;
dat is ommers gezondigt tegens de welleevendheyt
en tegens alle goede manieren.
Den Konstenaar ANONYMUS.
| | Eenmaal wandelde ik (zegt den Schryver van deeze
boekdeelen) met den Bloemschilder Morel langs de Brusselsche
markt, en wy diskoereerden ernstiglijk over den
rampspoedigen staat veeler Konstschilders, die ontzet
van Mecenaaten of van eyge middelen, genootzaakt waaren
om op het stroo der behoeftigheyt te rijpen gelijk als
de Herfstmispelen, toen een knaap die\'er zo sober uytzag
als een Fransch deserteur ons in het voorbygaan
groete met een air van welleevendheyt. Ik vroeg den
Bloemschilder Morel, of hy dien naakten bloed kende?
en hy repliceerden met een zucht van medegevoeligheyt,
dewijl hy behebt was met die zelve laazery; Helaas!
myn Heer, zou ik dien Konstenaar niet kennen, die is een
van de voornaamste Ordonneerders en Tekenaars binnen de
stad van Brussel; doch hy staat zo slegt met zyn finantie dat
hy zelden een stuk van ses stuyvers heeft om te gaan middagmaalen
tegen het klokslag van twaalven, en veelstyds in de
winter gedost is in de livery van een windmolen, (een linnen
keel) daar hy in tegendeel in de zomer zyn naaktheyt bedekt
met een Engelsch laken, waar uyt de Kapucynen hunne
staattietabbaarden t\'zamenstellen, half Kemelshaair en half
schapenwol; zynde hy vorders gemeubeleert als een gereduceert
Spaanisch Officier, wiens inboel doorgaans wort geschat
op de waarde van een stuk van achten, vyf groot, en eenige
penningen. Ik moest hartiglijk lacghen over die natuurlijke
|
|
-ocr page 425-
| |
| lijke omschryving, en dat over zijnde verzogt ik hem
om my na het logement van dien Konstenaar te geleyden
nieuwsgierigheyds halve, het welk hy uyt zekere inzigten
my onbekent weygerde, des ik my daags daar aan
vervoegde by een Beeldhouwer, een boezemvriend des
Tekenaars en ook alzo rijk, die my by hem brogt op
zijn kamer, alwaar hy ons minnelijk ontfing, en ons op
mijn verzoek eenige tekeningen by hem geordonneert liet
kijken. Ik beken dat ik die tekeningen met verbaastheyt,
dat is meer als met verwondering, beschouwde, zijnde
hy geen minder Konstenaar als la Fage, Boitard, en
diergelijke beruchte Meesters, en niet minder ongelukkig,
doch of zulks sproot uyt zijn gedrag of uyt iets anders
konnen wy niet zeggen. Na dat wy zijn konst hadden
bezigtigt en gepreezen volgens deszelfs innerlijke
waarde, verzogt hy ons op een pyp tabak en een glaasje
Pharos bier, welke gelegendheyt ik waarnam om zijn inboel
te inventarizeeren.
| | Voor eerst waaren de muuren van zijn vertrek zo wit als
de wanden van een Hoogduytsche Ruyterwachts kortegaart,
en dat vertrek was voorzien met een bouvallige leere
legerstoel, en met een omgestulpte mand tot een tweede zitplaats,
zo dat den derde visitant recht overend moest blijven
staan als een steene Roelant, tot dat hem de twee anderen
lieten verpoozen by beurten. De Schoorsteenmaantel
was gemeubeleert met eenige geestropieerde glaazen, vuyle
tabakspypen, berookte aflaatsbullen, en met eenige verminkte
geboetzeerde beeldjes, zalfpotjes & cetera, alle
welke meubelen dat vertrek een gevangenis lucht mededeelden,
die door geen tabak, eau d\'hongrie, of andere
doordringende reuken was te overwinnen. Doch men
kan met waarheyt zeggen dat\'er linnen in overvloed te
zien was op die gemuskeerde kamer, mids dat men de
spin-
|
|
-ocr page 426-
| |
| spinnewebben laat sorteeren onder de klassen der kloosterdoeksche
lynwaaten; ook was zijn toilet gereduceert tot
den opschik van een Spaansche laquey, een uyt een halve
oude servet gefabriceerde slaapmuts, uyt een misbruykte
paruykkam met drie tanden, en uyt een op \'t oog uyt
de huyd van een Straat Davids Walvisch t\'zamengenaayt
nachtmanteltje, welke drie zeldzaamheden ontrent zo
veel permissie rijkdaalders waardig waaren als een paard
met zijn beslaage hoef kan toenijpen. Met een woord en
om\'er kort af te scheyden, die kamer, dat vertrek, of
die zaal gelijk als men ze gelieft te noemen, geleek natuurlijk
na de ziekenkamer eens pesthuys, en gelukkig
was die vreemdeling die na een logies van ses dagen in
dat doodelijk vertrek, vry geraakte met een ziekte van
ses maanden.
| | Het is ons leed dat wy den naam van dien doodarmen,
doch konstryken Tkenaar en Ordonneerder hebben
vergeeten die wy derhalve doopen Anonymus. Zo\'er
een Konschilder begeerig is om de beduydenis van die benaaming
te weeten, die zal\'er de Grieksche taalkundigen
over gelieven te consulteeren, welke Heeren altoos die
woorden die zy zelven niet verstaan bereyd zyn om te
vertaalen.
N. DENNER.
| | Die Konstschilder is ons onbekent, en wy zouden
nooit hebben geweeten dat hy het halfrond des aardbodems
bewandelde, indien wy niet gevalliglijk een konterfijtsel
in miniatuur by die konstrijke hand gepenceelt
hadden ontmoet. Dat konterfijtsel was het portret van
eene zekere Adriana de Visscher, ten deelen getrouwt
aan den geweezen Manufakturier Isaak Simons, en ten
deelen in boelschap vermaagschapt aan anderen; welk
por-
|
|
-ocr page 427-
| |
| portretje zo heerlijk en konstigkijk was geschildert, dat
wy openhartiglijk moeten bekennen nooit beter te hebben
gezien waar dat wy ook hebben gereyst, en wat Konstkabinetten
wy hebben doorkeeken.
| | Thans is hy aan het Britsche Hof in groot aanzien,
welk Hof zijn zeldzaam konsttalent erkent en beloont:
gaf den Hemel dat de oogen der vermoogenden op die
zelve wyze wierden geopent voor de verdiensten der overige
konstrijke Konstschilders, waar van\'er veelen op
hunne hoeven draaven zonder poleveyen, die volgens
hun ongemeene konst behoorden te rollen in vergulde karossen.
| | Het lust ons om het hek te sluyten met een bies, en
ons afscheyd te neemen van den Leezer in dit derde deel
met de kluchtige leevenswyze van Willem de Fochier,
op hoop dat wy de welmeenenden met die ongemeene
leevens byzonderheden zullen vervrolijken, indien het
buyten ons vermoogen is, om die daar langs te stichten.
WILLEM DE FOCHIER
| | Is geboren tot Ysselsteyn, een vryplaats alommers zo
berucht door het eerloos Stamhuys der vederlooze Hoenders,
als de vesting Klissa vermaart is door de roofgierige
Ufcoquen, als Valence beroemt is door haar Strotsnyders,
en als Egypte befaamt is door zijn doortrapte
Dieven. Hy leerde de Teken en de Schilderkonst onder
het opzigt zijns Vaders, die een braaf Tapytschilder
was, welke stijl den zoon verkoos, en een tamelijk goed
Schilder is geworden, alhoewel hy die konst vry hooger
zou hebben opgevyzelt, by aldien hy wat naarstiger in
zyn waterverfs potten, en wat minder in de kannen en
in de pinten had gekeeken.
| | Hy kwam over tot Breda geleden na gissing ontrent
twee-
|
|
-ocr page 428-
| |
| tweemaal tien jaaren, alwaar hy benevens een jongerbroeder,
zijn subtituyt Tapijtschilder, zijn optrek nam in
het leggent hart, by den waard van Beek, die uyt de
kroes eens zilversmids gekroopen was in het wijnvat eens
Kroegeniers, en die zo toegeevent was op het kapittel
van zijn malsche bedvriendin en van een gespan mooie
vrouws susters, waarschijnlijk om klanten te werven,
dat de aldaar in garnizoen leggende Officieren alzo wel
beyde Juffers en wyn konden kommandeeren na lust en
na wensch, als by Madame Therese in Amsterdam, als
by Kornelia Blom in Haarlem, en als by Mama Picart
in \'s Gravenhague. Aldaar schilderde dat paar broeders
een paar getapisseerde kamers, de beste voor den Heer Hartman
die zich dood knyzde uyt heerszucht, en de minste
voor den Schout Baix in het Haagje, die voor eerloos
wiert gedeporteert om zijn begaane schelmstukken. En
nu moet ik den Leezer in \'t voorbygaan zeggen, dat den
Schilder Willem noch geen dronkaart was op die tijd,
maar hy en zijn broeder versnoepten al hun geld als een
koppel hoeren, waar door zy genootzaakt waaren om
met een stille trom te verhuyzen, en met achterlating
van alle hun verfpotjes en zwijnspenceelen te vervliegen
na het ruym \'s Hartogenbosch, zijnde de breede A. hun
reeds te naauw geworden wegens de lastige bezoeken der
Bredaasche schuldeysschers.
| | In die Stad kreeg meester Willem de Fochier kijkers
overvloediglijk, doch koopers schaarslijk, waar door
zijn buyk inviel gelijk als de gedeputeerden der sprinkhaanen,
die in het felste des winters de mieren een last
tarwe poogde te ontleenen, zo dat hy genootzaakt was om
voor de tweedemaal haas op te speelen zonder zijn huyswaard
het vaarwel toe te schreeuwen, zingende dit broederpaar
dit Brabands airtje blymoediglijk over de Hintemer heyde;
En
|
|
-ocr page 429-
| |
| En daar mee jerren wy aan, Bis
Wy danken den waard al van dit huys hy heeft ons
wel gedaan:
Hy heeft ons te eeten te drinken gegeeven,
En daar voor heeft hy genoeg geschreeven,
En echter jerren wy aan;
Wy danken den waard al van dit huys hy heeft ons
wel gedaan.
Die twee broeders doorkruysten de Meyery gelijk als eertijds
den Fransche vyant deed onder het inzamelen van
zijn kontributien, en zy verdeelden doorgaans de Dorps
straaten, vraagende den oudste en den jongste Konstschilder
van deur tot deur; Hebje geen tapyten behangsels van
noode? geen tapytenschilderyen tot schoorsteenstukken, tot
passtukken boven deuren of vensters? en zo voort, waar
op dan de boeren, de boerejongens, de spinnende wyven
en de jankende honden uytschooten, de drie eersten om
de schilders met een Godhelpje of gaat voorby, af
te zetten, en de rekels om die arme duyvels op het geluyt van
hun bassende waldhoorns tot buyten de grenspaalen des
Dorps te konvooyeeren, die al vlugtenden den schaapharder
vervloekten die de eerste aanleyding gaf tot de
tekenkonst, en gewislijk Boschroovers zouden zijn geworden
hadden zy moeds genoeg gehad tot dat gevaarlijk beroep,
liever dan langs alle de Meyerys heydorpen en gehuchten
te loopen vagabondeeren als een koppel schelmsche
Ketelboeters. Maar ten laatsten hadden zy het geluk
dat de Landedelen hun taaluyting begonnen te verstaan,
die dat paar Schilders dan hier een schoorsteenstuk,
en daar een passtuk lieten maalen, waar op zy de
minst schurfde honden en ook de minst roestige snaphaaen,
benevens de daar toe behoorende jagerstassen, jagthoorns
|
|
-ocr page 430-
| |
| hoorns, quakkelbeentjes en alzulke snorrepypen moesten
konterfijten, welke schilderyen dan wierden uytgebast als
zo veele konststukken van de Ridders Anthony van Dyk,
en van Petrus Paulus Rubens. Doch misschien zal ons
iemant vraagen, waar in bestont en hoe hoog liep de belooning?
ning? die zullen wy andwoorden, in een met geele en
groene muuren behangen kamer op het Kasteel, in vry
vuur en licht, in een bed opgevult met zemelen om niet
onderhvig te zijn aan de aamborstigheyt, in de adelijke
tafel des stamhuysheers, voorzien met de inkomsten
Nimrods die een groot jager was voor des Heeren oogen;
met Nebuchodonosors moeskruyden, de vruchten des
velds, bestaande in Vuchtsche raapen, Dintersche boonen,
en Heeswijksche graauwe erten; in de moutdranken
van Ceres, zuur bier verbetert door een versche limoenschil,
en in doodelijke genever gestookt uyt bedurve
appelen in plaats van graanen; in donkerbruyn brood,
in goudgeele boter, en in strookoleure kaas, verzelt met
wilde hazelnooten, waterzoete druyven, doorrype sleepruymen,
met een woord in de dagelijksche tafel eens
Landedelings in de Meyery van \'s Hartogenbosch. In
de vasten rooken zy te hooi en te gras eens bejaarden
aberdaan, die dikmaals zo ziek was dat hy van de vrachtkar
tot in het oud adelijk slot moest verbed worden door
drie a vier persoonen; ook smulden zy wel eens by geval
een braad- of een ziedharing, niet minder smaakelijk als
een bokking die tweemaal de middellijn is gepasseert,
waar uyt dan de kuyt en de hom wiert geligt, de eerste
om met peper en olie gequalificeert, opgedisscht te worden
in plaats van Kavejaar, en de hom om in schulpen te
braaden in stee van oesters; ook kon geen mensch die
nooit kavejaar of oesters had gesmaakt eenig onderscheyt
proeven tusschen die gerechten, zo konstig en zo afgericht
|
|
-ocr page 431-
| |
| richt zijn de keukenmeyden dier Landedelen. Zeer zelden
wiert\'er gewag gemaakt van eenig geld te geeven tot
een belooning, als ontrent zo veel dat die Konstenaars
de pligt van het Diakens Kerkzakje konden voldoen,
en op den zondag een kan oud Boschluyks bier gaan zitten
verteeren ten huyzen van den Drost of Sekretaris.
Dat vive les gueux leeven verdroot den jongste broeder
die zijn afscheyd nam om voor zijn eyge rekening te gaan
vagabondeeren, en die gelukkiglijk belande aan de Maas,
daar hy een tapytenbehangsel schilderde voor den lootwitmaaker
Quiryn de Visscher, doch die zijn doodslot
vond aan het Y, daar hy voorbeeldelijk hemelde onder
het gebruyk van guajak, zoete kwik, en salsa parilla.
| | Maar onzen Tapytschilder Willem de Fochier was een
beter lot beschooren, die ging een aardig diertje vryen
tot Boxel buyten \'s Hartogenbosch, en dat in een huys
waar in verschot was van pelsen, vier a vijf juffertjes zo
mals als rijpe meloenen, en recht ter snee om op een welgedekt
bed opgedischt, en by een bekwaam voorsnyder
ontgonnen te worden. Die vroegrijpe suykerpeeren
woonden onder een huysdak onder het opzigt van een
paar Oomen, twee karige vrekken, die zich zelven uyt de
behoeftigheyt hadden gelikt door hun medeinboorelingen
het net des bedrogs over \'t hooft te haalen, en die men
zo wel als de wisselaars en lombardiers had behooren te
geesselen uyt \'s Heeren tempel. Die twee Reuzen bewaakten
die betoverde princessen, welke dames anderszins
voorbaarig genoeg zouden geweest zijn om jonge
werkluyden te gerieven met haare gereedschappen, en
inlandsche winkelwaaren, op een duystere avondstond,
of tusschen deur en dorpel; ook zullen wy ons wel wachten
van diergelijke welmeenende poesjes te laaken in die
klemmende voornemens.
Wat
|
|
-ocr page 432-
| |
| | Wat den vryer Willem aanging, die was mans genoeg
om het wichtig ampt eens dienaars der Heylige Justitie
te bedienen in de vrye heerlijkheyt van Boxel, want hy
was zo breed geschoudert als een Waterlandsche boerin,
zo geneust als het opperste van een roode biet, en niet
minder geoogt als den uyl die Minervas schild bewaakt.
Daar by stak hy de beenen zo wijd van malkander als
een Surinaams Zeekapiteyn, die zo breed schrijd als of
hy uyt vrees van verdoolt te loopen tusschen het Y en de
Beurs het scheepskompas tusschen zijn deyen droeg, om
daar langs zijn koers te richten by land, gelijk als hy
noch onlangs dee by water; ook bloes hy al waggelende
als een wanschapen Leviathan juyst opgereezen op de oppervlakte
der wateren. Zo een Adonis gewan die blonde
Venus, en na dat het paar door alle voorbereydselen der
trouw was gerolt en gesolt, wiert den Schilder door het
kleevent vogellym des huuwelijks vastgehegt aan die
Heynymf, het vreugdemaal schonk den Oom, de Bruyd
wiert gebed, de susjes watertanden gelijk als Dam oesters
in de zonneschijn, de speelnootjes gaapten uyt een innerlijke
aandoening gelijk als de konterfijtsels der Goudsche
gaapers op de vensters der drogisten, de boerenjonkers
beeten uyt nyt de vuursteenen van hun schietgeweer
in stukken, dewijl de schoonste uyt zeven Heeren landen
nu in een Koningrijk was herstalt uyt een Gemeene Best,
en de boeremadeliefjes waaren zo vergenoegt als pinxterbloemen,
om dat haare inkomsten nu stonden uyt te
deyen, en zy thans zo veels te naader aan de beurt laagen.
| | Korts daar aan verreysde den Tapytschilder met zijn
wijfje naar Ysselsteyn, zijn geboorteplaats, en om de
minste onkosten kroop hy in onder het huysdak van een
kaerel genaant Nieuwkoop, een man die altoos de
waarde
|
|
-ocr page 433-
| |
| waarde van een duyt gaf voor een stuyver, en wiens wijf,
het hooft uytgezondert, zo natuurlijk geleek naar een
verkenstrog, dat zy menschelijker wijze van de Westfaalsche
zwynen zou overhoop worden geloopen, indien
zy ooit roekeloos genoeg was om haar persoon in die
luchstreek der ekelen te waagen. In dat vervloekt kot
wiert den grondslag van zijn verderf gelegt, eerst by den
hospes en de hospita die een pintsroemer genever uytzoogen
langs de wynverlaaters pompen hunner blikken, en
die den Schilder zo lang predikten tot dat hy eyndelijk
zin kreeg in die Schiedammer devotie, in welke religie
hy zulken opgang maakte, dat hy binnen een korte
maand dat paar serpenten voor by zoop als of zy stil
stonden. Naderhant geraakte hy bekent met een koppel
kroeghouders, een gespan gebroeders zo berucht by den
naam van \'t Hoen, als het paar Britsche en Fransche
gaauwdieven befaamt is by de benaaming van Schephard
en Kartouche, en die knaapen flooten hem na den mond
zo lang als hy een vijfgroot in de tas, en een hembd had
in de kas, en dat overgehaalt zijnde was het woord;
Laat den Eseldistels vreeten, de moutwyn wort niet gestookt
voor de zwynen.
| | Maar in het midden van des Schilders elende gaf zyn
goed gestarnte een uytkomst door de dood van Madame
Fochiers oudste broeder, die zo voorbeeldelijk stierf als
hy had geleeft, en die een somme van duyzent achthondert
guldens naliet, die hy had veroovert door zijn arme
ziel te belasten met duyzent achthondert vervloekingen.
Met die erfenis speelde hy, pannetje vet, Leyden
is ontzet, hy huurde een huys, kogt een reytuyg benevens
een paar rossen, nam een lijfknegt in zijn dienst,
holde de eene stadspoort uyt en de andere in, teerde en
smeerde als Frans Quistpenning voor den val, reysde en
rotste
|
|
-ocr page 434-
| |
| rotste als een hofkourier, zette allerwege drinkgelaagen
op kosten van ongelijk, en was binnen de vier maanden
zo berooit als van te vooren. En nu besloot den Drost
\'er de laatste hand aan te steeken, en eens te beproeven
of het spreekwoord waar was, dat een Eerampt den inborst
hervormt, des appliceerde hy den stempel des Schepenschaps
op dat onwaardig menschdier dat te naauwer
noot zijn naam kon krabben met een stukje boerekryt, en
dat al te dom was om voor jongste Schepen te speelen in een
Westfaalsche rechtbank: doch hy scheen hun goed genoeg
om amen te brommen, en om een guyt die driedubbelt
de galg had verdient vry te spreeken van het pynlijk halsgerecht.
Maar het was kwaalijk gegist en ongaalijk gemist,
want in stee dat hy zich nu zou gedraagen als een
stokbeelt van achtbaarheyt, en zijn hof maaken by een
Borgermeester die \'s meester kas had gekraakt, of dat hy
zich op eene hoogte zou stellen met een tweede Borgergervader
die zijn wijfs meyd met kind had gemaakt, en
dat hy een Schout in den arm zou neemen die zo braaf
was dat het kant noch wal raakt,
Ging Willem nachten lang en ook geheele dagen,
Zijn bast opvullen in des Hoens vergulde wagen,
Daar Goris Kromneus, en zijn tandelooze bes,
Weerzijds met het geschaarde mes
Van dubbelt krijt, dien guyl zo deerlijk leerden vedlen,
Tot hy al t arm was om langs het land te bedelen.
Helaas! toen beschouwde ik innerlijk, (zegt den Schryver
deeze boekdeelen,) dat Willem de Fochier zijn houte
Heyjuffer niet had geschaakt uyt liefde, maar dat hy in
tegendeel als een vooruyt ziende man die Infante had vervoert
|
|
-ocr page 435-
| |
| voert om hem in de grootste helft van zijn armoede te
verpoozen; doch dat den een voorzienigheyt noemt, doopt
een tweede bedrog, des weeten wy niet wat naam wy zullen
geeven aan dat kind der verwarring. Wat\'er van zy of niet
en zy altoos het is zeker, dat meenig getrouwt man zijn
huysvrouw behandelt als een lastdraagende kameel, die
hy in stee van te belaaden met kostbaare Koopmanschappen,
bevracht met de grootste en de zwaarste pakken van
zijne behoeftens en weereldlijke zwaarigheden, en aan
welk onnoozel dier hy noch tot een toegift van kwaadaardigheyt
zich misgrypt door alle die bittere mishandelingen
die voortkomen uyt een berooit hooft tusschen
dwaas en mal, en des niettegenstaande springt hy schrylings
op dat overlaaden dier,
En dan is \'t weg\'er mee
Na Paphos blanke ree.
Doch het slimste van allen was dat dien Schilder zijn
huuwelijks ros noch deszelfs veulen niet bezorgde van
haver, hooi, of versch stroo, daar hy in tegendeel
zich te barsten vrat en zoop aan de openstaande krebbens
der ligtgeloovige steden en boeren waarden. Ook was
hy altoos den eerste by de kreb, en den laatste op \'t stal,
als die nooit vertrok voor dat Bacchus en Morpheus de
oogleden zijner mededrinkelingen op het nachtslot begonnen
te zetten, als wanneer zy in slaap vielen als een
troep mormeldieren, op de jagt kroopen om hun verstrooide
zinnen te verzamelen, of dat zy ronkten en
snorkten als een kudde verzaade zwynen, dat is op goed
nederduyts, als zijn gezelschap baljaarde en teerde gelijk
als de St. Huybertsheeren tot Breda, welke laatsten zo een
onkristelijke keel opzetten op de opening van een maagere
vene-
|
|
-ocr page 436-
| |
| venezoenpastey, als of zy na dat dollemans feest nooit
meer stonden te eeten of te drinken. Dan zeggen wy,
scharrelde hy eerst naar zijn huys, en dan schudde hy zyn
natuurs vermommig zo schielijk uyt als een happig bruydegom
zijn statiegewaaden uytschud, en hy viel in slaap
zonder te leezen of te bidden voor zich zelven of voor
zijn schuldeysschers, of zonder zich eens te bekommeren
met \'s weerelds zorgen; zo dat men met de waarheyt
mag getuygen van dien onbedachten Schilder, dat hy in
alles gelijk was aan een houte kegel, die ter plaats daar
hy wort gegooit blyft leggen. \'s Anderendaags verwekte
de natuur hem op nieuws uyt den doode om er het oud
spel mee te speelen, dan schoot hy in zijn wijde broek
gelijk als een Ysselsnoek schiet in een fuyk, en hy kleede
zich van de kop tot aan de pooten in min tijd als een Saletjonker
verspilt in het adjusteeren van zijn paruyk, en
dan waggelde hy na Goris Kromneus om dat leeven van
meet af aan te hervatten. Aldaar viel hy in de zwijnskudde
der verouderde, pasrijpe, en noch groenende ligtemissen,
alle rotsgezellen van den voorgaande nacht,
rompslomp geharnast in japansche rokken gefabriceert
uyt esels dekkleeders, in vriesche wammessen, en in driemaal
door des snijders konstnaald overgehaalde broeken,
die zo schielijk op en neer vloogen als de wijzer van een
kerkklok, of als een patient achterwaards de guytenladder
opklimt om zijn laatste afscheyds audientie te neemen
van deeze booze aarde, gedast in een uyt hennep
gesmeede ringkraag. De sommigen taxeerden het tegenwoordig
ministerie hunner Overheden, deezen anatomizeerden
den Godsdienst, en geenen bazuynden de loftuytingen
uyt van den Schoolmeester, van den Organist, of
van dat paar leelijke rosse spooken, op wier bekoorelijkheden
den Kapellaan zo bovennatuurlijk was verslingert,
dat
|
|
-ocr page 437-
| |
| dat veele natuurkundigen onderstelden dat hy door het
nootlot was overgegeeven aan die raazernyen, om by vervroeging
de pynen des vagevuurs te smaaken op deeze
weerelt. Dat soort van diskoersen behandelden die Heeren
met een ongemeene warmte, dewijl ieder hooft voor
hooft zijn gevoelen zo hartnekkiglijk verdedigde, dat
het elk ogenblik geschapen stont als of die zwakke moutwynslurpers
een gevegt van geraamtens wilden ontginnen,
en hunne beenders te zamen te doen ratelen, ten
eynde om die hoofdpunten te beslissen met de handen en
vuysten, die zy niet konden vonnissen met hun tongen.
| | Het heeft ons eenmaal gelust die hottentotsche byeenkomst
by te woonen voor een korte tijd, zegt den Schryver
van deeze Leevensbeschryvingen der Konstschilders
en Konstschilderessen, toen ik zulke figuuren zag die
mijn gedachten vervoerden boven den Evenaar, en die
my dwongen te gelooven dat ik op reys was geraakt in
deeze of geene vreemde luchtstreek, alwaar een onbeschaafde
natie de ruuwheyt van haar inborst vertoont
door de ongeschoftheyt van haar kleedyen. Onder
anderen zag ik een Ysselstyns edeling die zijn harssenloos
bekkeneel had overstulpt met een soort van een
tulbant, en daar by was zijn japonsche vacht doorweeven
met zulke kluchtige koleuren, dat het scheen
als of hy uyt zijn bed gestooven was op het geroep
van brand, en door haast zich had gewentelt in een
stuk Rouaans tapyt om zijn naaktheyt te bedekken. Een
ander heerschap die beyde een Borgervader was en een
Latyns Schoolmeester, kwam my voor als het konterfijtsel
van * Anius, aldus vertaalt door Joost van Vondel,
* Zie het derde boek van Virgilius Mare.
Den
|
|
-ocr page 438-
| |
| Den Koning Anius, gekoren tot regeeren
Het rijk en Priesterdom, ontmoet met Gods laurier
En offerband om \'t hooft ons heusch, naar \'s lands
manier.
Want hy had zijn kalfshooft gestooken in een soort van
een muts gevormt als een kaerssnuyter, hangende half
wege zijn rug als de kap van een een Franciskaaner Monnik,
waar door hy niet kwaalijk geleek na een stalknegt
van den Afgezant van den Koning van Marokko, of
na den mondkok des Sabandaars van het onbekent
Zuydlant. Een tweede Borgervader die t\'zedert bankrot
is gespeelt, en zich thans uyt een laage ootmoedigheyt
in een Kelder ophoud in \'s Gravenhague, was in een japon
gebakert zo eng, zo strak, en zo bekrompen, dat
hy met noch grooter voorzorg zijn beenen voortzette,
dan een student in de Wiskonst zijn passer opent, om
zich niet buyten zijn bestek uyt te breyden. Den
Schoolmeester die zo rijk was, dat hy geen grond genoeg
bezat om een bos geele wortelen in op te kweeken, droeg
een zwaare bonte muts in de hondsdagen, welk Muskovies
hoofdcieraat zijn harssens zo deerlijk had verbrant
tot houtskoolen, dat hy te gek was om alleen by \'t vuur
te worden vertrouwt, veel min om kinders te onderwijzen.
Den respektieve zwaarddraager van de godin der
gerechtigheyt, scheen een jongen op \'t oog, alhoewel hy
een kind was op de proef, en dewijl hy zijn intree dee
in die kroeg in een japon doorweeven met allerhande kakelbonte
koleuren, dacht ik in den beginne dat het\'er
kermis was, en dat die knaap een koordedansser was,
die zich na die halsbreekende oeffening kwam verquikken
met een glaasje inlandsche moutwyn.
| | Maar niets verwonderde my meer als dat ik een oude
Pastoor
|
|
-ocr page 439-
| |
| Pastoor in die kasteleny zag instappen, gekoiffeert met
een hoed ter groote van den helm eens Weezopper geneverstookers,
die zich al grommende aan een geestropieert
theetafeltje neerzette, en een glaasje nommer een eyschte.
Den waard bragt een welgekurkte fles die zo maagdelijk
was gestopt, dat\'er geen kans scheen om die met vinger
en duym te openen, derhalve vroeg hy aan dat oneerwaardig
gezelschap, of\'er ook iemant van de Heeren
hem kon gerieven met dat instrument? welke Heeren eenpaariglijk
riepen van Neen, zijnde een iegelijk hooft voor
hooft meer benoodigt om een broodmes als om een kurkentrekker,
zo dat het sus of zo geschapen stont of de
fles zou ongeopent hebben moeten wederkeeren, toen
den Pastoor met de traanen in de oogen van verlangen
zey; Halte, Heer Waard, ik zal beproeven of er een is te
vinden, om die zwaarigheyt te ontsluyten. Dit gezegt
hebbende begon hy te hoetelen in zijn tassen en in zijn
broekzakken, waar uyt hy voor eerst een getijdeboek
haalde, benevens een stuyvers nootemuskaat rasp, een
hapschaars Almanak, en een vaal brilhuysje, na welke
weereldlijke nootzaakelijkheden hy een kurketrekker
voortbragt groot en stevig genoeg om een houte bom uyt
een half oxhooft mee uyt te rukken, welk instrument
geen kleyn gelacgh verwekte onder die arme gemeente,
waar van\'er een het woord op nam, en den Pastoor aldus
begroete; My dunkt, Heer Pastoor, dat een getydeboek
en een Kurketrekker oneyge medgezellen zyn, en onbekwaam
om in een tas te huysvesten. Waarom geefje die niet een
apart logement in uw tassen of broekzakken? Daar op den
dorstigen Harder andwoorde; Dewyl de Godsdienstigheyt de
ziel verkwikt, en dat een maatiglyk gebruykt dropje kracht
byzet aan het licghaam, waarom vermag dan een boek dat
ons versterkt in het een, en een instrument dat ons gele-
gendheyt
|
|
-ocr page 440-
| |
| gendheyt geeft tot het ander, zo wel niet geoorloft zijn als
het licghaam en de ziel om elkander te vergezelsschappen,
tot wier behouden is zy zijn uytgevonden? Maar my dunkt,
Heer Pastoor, (schoot\'er den Borgermeester Kindermaaker
op in, die van zijn overspeelige overtreeding met
zijn Meyd was geabsolveert t\'zedert dat hy zijn vrouw
had verzoent door een voetval) dat een Kurketrekker
in de tas een Pastoors, is gelijk als de Gebeden van Havermans
in de hand van Juffrouw Mario; het een betaamt
zo min aan zijn beroep, als het ander voegt aan haar opspraakelijk
gedrag. Waar op den Kerkheer repliceerde;
Een goed boek in de handen eens zondaares, en een goeddoende
instrument in de hand eens Kerkendienaars, zyn beyden
pryslijke werktuygen: ook verwondert het my dat een
Overspeeler, die noch zo kort gelden de Heylige Inquisitie
is ontsnapt, zich durft airs geeven om een eerwaardig persoon
gelijk als ik my onwaardig noem, te beschimpen in een
vol gezelschap van pas ontnuchterde nachtravens. Dit gebromt
hebbende leegde hy mutje wacgholder in eene
teug, geen gering bewijs van een innerlijk misnoegen,
dewijl hy\'er doorgaans een paar teugen uyt formeerde,
en hy ging strijken.
| | Op dat moment trok den Tapytschilder Willem de
Fochier den waard Kromneus aan een kant, en hy verzogt
hem op het aldervriendelijkst om een halve rijksdaalder
ter leen, met belofte van hem die som, benevens
den behoorlijken intrest, te zullen rembourseeren binnen
het bestek van een groote veertien dagen. Den gevorkte
Kromneus bekeek hem zo vriendelijk op dat verzoek,
gelijk als den Kerkduyvel Titevellus den Priester bekeek
die hem tot aan de kin toe had gekerkert in een bak met
wywater, en na die begrynzing beet hy hem toe, dat hy
t\'zedert drie dagen zich zelven en zyn geheel huysgezin
had
|
|
-ocr page 441-
| |
| had vervloekt, byaldien hy ooit een mensch, alwas het ook den
Paus in persoon benevens de geheele Konsistorie van Kardinaalen,
een stuk van vijf groot kwam te leenen; doch dat
hy by zijn vrouw kon gaan, en haar zulks afsmeeken.
Daar op vervoegde zich die naakte konstzwaluw by dat
tandeloos wijf, aan welk ondier hy het eygen request
overleverde, welke Dame hem alommers zo vriendelijk
ontfing als den waard, en hem op deeze wijze kapittelde;
Hoor, Willem den Schilder, men waagt zyn geld niet
ter leen aan kaerels die hier eens te hooi of te gras komen
drinken. De tyd heugtme datje myn wyn, bier, en sterke
drank voor de beste natte waaren keurde in de geheele Parochie;
maar nu onderstel ik datje den drank in St. Joris
beter zal gevallen. Waarlyk dat is niet vriendelyk by uw
gedaan, want ik gaf uw nooit eenige oorzaak om myn huys
te verlaaten, by zo ver als ik weet. Ik ben verzekert
datje altoos goede waar hebt gehad voor uw geld, ook weygerde
ik uw nooit borg als de tyden boos waaren, gelyk als
ik met myn schuldley kan bewyzen; en daar by is myn maat
zo ruym als die van iemant van de buuren.
| | Die ondankbaarheyt, gepleegt tegens een man die
zijn geheele welvaart in dat nest had verdronken, verdroot
my zo vreeslijk, dat ik in een hoekje van de kamer kroop
om aldaar het navolgent karakter van een waard op te
stellen.
Het karakter van een
WAARD.
| | Ten tijde der aloude maatigheyt, toen de Herbergen
zo schaars waaren als de Kerken, niet boven een kroeg
in een Wijk, als wanneer een winkelier was geruineert
door
|
|
-ocr page 442-
| |
| door zijn ligtgehielt wijf, door de ongehoorzaamheyt
van zoonen of dochters, door watersnoot, brand, processen,
en alzulke aan den mensch eygen kruyssen en verliezen;
dan vervoegde zich dien ongelukkige aan de Overheden
van zijn stad, en hy verzogt demoediglyk om
een herberg te moogen opzetten in den omtrek van zyn
wyk, om daar door zyn huysgezin te beschutten tegens
den hongersnoot, en niet ten laste van de parochie te
moeten komen. Dewyl hy nu in een grimmig humeur
was vervallen door gestadiglijk aanmerkingen te maaken
over zijn ongelukkige omstandigheyt, en over de snoodheyt
van zijn tegenwoordig beroep, wiert hy doorgaans
by de drinkelingen begroet met de smaadelijke toenaamen
van, vroedschap Knor, Hopman Roest, Heer Jan Tonbuyk,
Schildknaap Bierlaars, Doktor Preutelaar, en
diergelijken; zijnde hy by een iegelijk aangezien voor een
gescheurde fiool, voor ieder snapper bevoegt om op te
speelen. Ook kon de goede vrouw die voor keldermeyd
scheep kwam, en haar schouders verwarmde met
een stuk oud laken in stee van een nachtmanteltje, niet
vermeyden van by een dronken Peet op nieuws gedoopt
te worden met de tytels van, moeder Grom, moeder des
Satans, de Toveres van Endor, mevrouw Baldaadig,
grootje des Verderfs, juffrouw Snap, Grietje Praatjeby,
en diergelijken. Doch hedendaags is de weerelt, gelijk
als een groene mof verheven uyt de armoede in de voorspoed,
zo wonderlijk verandert, dat zo dra als een arbeydsman
een stuyvertje heeft overgegaart, of dat een
luywammes een sommetje van een oude peetemuy heeft
geerft, valt hy in de beschouwing hoe maklijk dat een
zot van zijn geld scheyd, hoe heerlijk de Kroegeniers
leeven, de luyheyt hunner leevenswijze, de vruchtbaarheyt
hunner beurzen, de lekkerheyt hunner tafels, den
kost-
|
|
-ocr page 443-
| |
| kostbaaren opschik hunner huyzen, en de welvaart hunner
kinders, en hy resolveert zyn kapitaaltje te waagen
in dat spel, op hoop van mee in \'t kort ryk en weelig te
zullen worden. Achtervolgens dat besluyt huurt hy een
huys welgelegen voor de tappers neering, alwaar hy zich
in de eerste jaaren demoediglijk aanstelt, en de grootste
helft van de kennissen zyns voorigen ambachts ruineert
die hem dagelijks komen bezoeken, waar door hy tot de
eene of de andere kleyne bediening in zyn wyk wort verhoogt,
en dan begint hy te zwellen en\'er zo bars
uyt te zien, als een laquey die door een langdraadige
dienstbaarheyt een Komiesampt heeft geobtineert. Dan
acht hy zyn persoon geen haairbreedte minder als den Kaimakan
van Konstantinopolen, en hy zet meer uyt in den
omtrek van ses maanden, als hy eertyds dee in ses jaaren.
En nu begint hy zijn koussen vroegmorgens op te haalen
gelyk als een fatsoenlyk man, en hy laat de littekens
van den voorschootsband glad stryken uyt zyn kleeders,
zo dat bykans geen mensch een gissing kan maaken over
zyn beroep als hy langs \'s Heeren straaten wandelt, als
by het hobbelen van zyn gang,en by de meenigte van zyn
goude ringen. Nu kan hem zyn eygen huys niet langer
omvatten; daarenboven vat hy zo een weerzin op tegens
den drank die hy verkoopt, en hy haat zyn gestomde
wyn en gevislymt bier alommers zo zeer als een kruydenier
walgt van pruymsop, of als een Apotheeker een afkeer
heeft van zyn medikamenten. De besten wynen in
den Doelen of in \'s Heeren Logementen kan hy alleenlyk
verzwelgen, welke wynen hy koopt voor de penningen
dier zotten, die snoode wyn en zwynenbier ingulpen
aan zyn huys, om hem te onderhouden in het
beste wynhuys. Nu verwacht hy een Oostersche eerbiedigheyt
van die klanten, voor wier voetzoolen hy
zich
|
|
-ocr page 444-
| |
| zich in den beginne plagt te buygen en te wringen als
een Franssche Kamerdienaar, en hy zal een half quartier
uurs staan hangen tegens de deur van zyn gemeenen
haard, en zyn orlogie vyf a ses maal open en toe doen, eer
dat hy ziclh verwaardigt de vraag te beandwoorden van
een gemeen borger of ambachtsman. Die aloude instrumenten,
die eerste werktuygen die hem neering aanbragten
in den beginne, zyn thans zo geheelyk uytgeblust in
zyn geheugen, gelyk als den eersten man van een graage
weduwe in \'t vergeetboek wort geplaatst, wanneer men
haar met een tweede ruyter onderdompelt tusschen een
paar hollandsche lakens. Het is wel waar dat\'er hier of
daar een wort gezien die een goede opvoeding heeft gehad,
die een iegelyk weet te behandelen met dat onderscheyt
dat hy verschuldigt is aan zyn geboorte, fatsoen,
of uyterlyke voordoening; die van een ander beslag, genereus,
verpligtende, en in \'t geheel tegenstrydig is tegens
die brutaale hangebasten, die zo baatzuchtig zyn,
dat zy voorgeeven, geen onderscheyt te maaken tusschen
het geld van een boer en van een fatsoenlyk man, en uyt
dat spreekwoort alleen kent men hun opvoeding die
sterker ruykt na de laage kelderschoolen van waagdraagers
en kruyers, als na de Hooge Schoolen van Leyden
of Uytrecht.
| | Ook heb ik aangemerkt dat gelyk als\'er een driekoppige
helhond is, er ook een drietal onderscheydentlyk
gehumeurde Waarden wort gevonden, achtervolgens de
onderscheyde stadsgedeeltens waar in dat drietal zich
heeft nedergezet. Op de Zeedyk en daar omstreeks
speelt den stuursche kroeghouder den baas over zyn gasten,
gelyk als een bootsman over het scheepsvolk, en
hy begrynst dat bepikt vee met zulk een lebbig gezigt,
als een fransch konfiturier een pasteybakkers jongen, of
als
|
|
-ocr page 445-
| |
| als de weduw van Egmont een rot liedjeszangers belonkt.
In het hartje van Amsterdam is een waard een gemeenzaam
medgezel voor een winkelier, doch hy neemt het
een toon laager met een braaf koopman, of met een welgegoed
heerschap, want dan betoont hy zich zo gemaniert
als zyn verkrachte beleefdheyt wil toelaaten. Maar
halver wege Haarlem, eertyds aan de Baan, en noch
genoegzaam in alle de wynhuyzen buyten die machtige
Koopstad, is den Hospes zeer onderdaanig en beleeft,
en hy maakt zo veel komplimenten over het drinken van
een fles, als een fransch Dansmeester aan de Mademoiselle
van een jonge juffers kostschool geeft, wanneer zy
hem een driegulden in de hand duuwt voor de oefening
van een namiddags onderwys der hielen.
| | Maar voor \'t laatst zal ik den Leezer een goeden raad
byzetten om de baldaadigheyt en de ondankbaarheyt van
dat halfslag van kristenen te ontgaan, bestaande in deeze
zeedeles;
Wanneer den hond uw groet door \'t quisp\'len van zyn
staart,
Zoek dan een nieuwen wynhuys haart.
Want dan is \'t tien tegens een indienje daar zo lang uw
geld hebt vermalt, of den waard is trots, de waardin
spytig, en de knegts en meysjes zyn ten uwen opzigte
schaamteloos, baldaadig en onbeleeft geworden.
| | Maar het wort tyd om den Tapytschilder te ontheffen
van la peine forte & dure van onze schryfveder, derhalve
zullen wy den Leezer de laatste mislukte erfenis avontuur
van Willem de Fochier opzingen, en hem dan by
zyn Vryplaats mededieren laaten berusten.
Fochier
|
|
-ocr page 446-
| |
| Fochier, een dronken Fielt die al de weerelt schelt,
Vervolgt door Krediteurs, niets hebbende om te panden,
Trekt met een dolle kop, en met een woest gewelt,
Naar Boksel, daar zyn hoop op \'t heyzand komt te stranden.
Men wyst dien dommen Guyt na \'t geldelooze pad
Dat naar het Tuchthuys loopt, weg stuyft zyn blyschaps
woolke;
Des keert hy weer te rug na zyne berooide stad,
En bid en smeekt ter leen op nieuws den schraalen volke,
Gebergt, verhaalt hy fluks aan Kromneus zyne reys,
En maakt dat Hoornbeest weer blaauwe bloempjes wys.
Ik zal myn historisch verhaal niet afleyden van de Destruktie
van Troyen, gelyk als de oude Kronykschryvers;
(zegt den Echo des Weerelds) ook zal ik deeze
treurreys niet ontginnen op den alouden toon der hedensdaagsche
Poeeten, die de Zanggodinnen aanroepen om
geinspireert te worden, daar zy liever een Kasteleyn na
de oogen behoorden te zien om gratis getrakteert te
worden. Maar ik zal in een onbedwongen Onrym den Leezer
de ingebeelde Erfenis opzingen van den Tapytschilder
W. de Fochier, die zich op een groot kreupel paerd
liet tillen, en een reys ontgon, op dewelke hy de omcirkelde
Aarde en het mistig Firmament met een domme
verwondering beschouwde. Op welke reys hy de Kaboutermannekes
hand aan hand zag danssen, en de Kolreydsers
op abeele beezemstokken uyt de Boereschoorsteenen
vliegen. Op welke reys hy Huygh Klomp zag
zitten hurken met de handen uytgestrekt over een vlammende
koestruyf, onderwyl dat zyn geholleblokte Suster
voor des Schouts zoon ruggelings op een hooitas nederknielde,
om tegens de aanstaande Hooghtyd die
zwakheyt te biegten aan den Kapellaan, die zy met zo
veel
|
|
-ocr page 447-
| |
| veel omzichtigheyt verbergde voor de Leeken. Kortom,
op die reys zal ik iet vreemds opzingen, die aldus
begint eer dat zy, wie weet hoe, komt te eynden.
| | Den Schilder ley op zyn vederloos bed te droomen
van de konsttermen der Rechtsgeleerdheyt, Sommeeren,
en Renoveeren, Arresten en Prises de Corps, gelogeert in
een Vryplaatsje, waar in het verstant al zo raar is als het
geld, en hy was over niets meer beducht als wie dat zyn
toekomende Borg zou weezen, toen hy een vreemd kaerel
in zyn vertrek zag stappen.
Goe morgen, Vriend, (sprak die) ik kom uw overbrieven,
Dat het den Hemel heeft gelieven
Uw Huysvrouws Suster uyt dit droevig traanendal
Te haalen in die plaats daar ze\'eeuwig blyven zal
Myn Suster dood? Ja dood, daar hebje de verklaaring,
Ze\' is dood, doorluchte Vorst, gelyk een Pekelhaaring.
Wel zo dat waar is, herhaalde den Schilder, vergeeftme
dan dat ik niet schrey, en om dat wy allen eens moeten sterven,
en om dat de traanen geene afgestorvenen uyt den grave
konnen herroepen. Dat uytgestamert hebbende kriewelde
hy uyt de Pasteykorst van zyn bedstede, schoot
zyn broek aan die klonk als een zittekussen vol paerdshaair,
en kleede zich in minder ogenblikken, als een
fatsoenlyk Man noodig heeft om een glas alssemwyn te
drinken. Het is ondertusschen waar, dat hy eenige traanen
storte steelsgewyze, maar dat was uyt vrees dat die
Suster mogt komen te verreyzen, en door die Opstanding
dat heerlyk nieuws te dooden.
| | Zo dra als den Schilder toegetakelt was, zeylde hy
na de Kroeg van de Gulde Wagen, en aldaar bezoop
hy den Bode van die goede tydding by wyze van drinkgeld
|
|
-ocr page 448-
| |
| geld; doch op het uytgaan vroeg den Kroeghouder Haviksdomp
met een barsse stem, Wie betaalt het gelag van
beyden? Dat zal ik doen, Broer lieve, antwoorde den
ontnuchterde Konstenaar, zyt zo goed van het maar eens
aan te tkenen in het Kladboek van uw memorie. En weest
maar zo goed van het aanstonds af te doen, vervatte den
Waard Haviksdomp, met een nydig accent, dan behoef
ik\'er myn geheugen niet mede te belasten. Daar op beplyte
St. Lukas Sterveling zijn onvermoogen, toonde het Certifikaat
van zyn toekomende Erfenis, en na zyn arme ziel
tot houtskool te hebben verzwooren, dat die laatste schuld
niet vernietigt zou worden door de by hem eens vastgestelde
Wet, van geene schulden te betaalen, liet hem den
Kroeghouder op zijn Parool van oneer vertrekken.
| | Daar op marcheerde den Tapissier Guillaume na een
Paardebeul die ontheupte Schimmels en Algerynsche Cheesen
verhuurde, dien hy desgelijks eerst zyn Erfenis Pas moest
vertoonen eer dat die hem een Ros wilde toebetrouwen, en
dat groot punt gedediceert zynde, kroop den stalknegt
om het paerd te harnassen, en den Schilder stoof na zijn
kasteel om zich te gaan wapenen. Hy besloeg voor eerst
en voor al zijn waterzuchtige pooten met een paar gryze
laerzen, die wel eer ooggetuygen waaren geweest, van
dat Tournooy, waar op den oude Graaf van Clairmont
den stouten Floris liet doorsteeken,
Bevreest dat Floris met zyn speer,
Zyn tedere Amasoon mogt vellen,
Zond hy dien Kavalier ter hellen.
Den ouden Adelstaat vry strak op \'t punt van Eer.
Een paar met zilver ingeleyde spooren, de afbeeldsels
van een onbetwistbaare Oudheyt, verzelden een yzere
kling
|
|
-ocr page 449-
| |
| kling, die meer dan eens in den Oorlog van Barentje van
Galen by een Munsters soldaat was gebruykt geweest, om
\'er een Overrysselsspeenverkentje aan te roosten, welke
kling inzonderheyt by hem was gelieft, dewijl die uyt
zyn eygen beweeging op het defensief stont, nooit op het
attaqueeren. Na die kling op zy gehangen te hebben
in een buffelsleere draagbant, breed genoeg om beyde
zyn rug en buyk te bewaaren, ley hy zijn vreedzaame
handen op een koppel ongelaade Pistoolen, welk schietgeweer
nooit kruyd of loot had willen herbergen, t\'zedert
dat Pallas onder de gedaante van Roest de slooten
had verlamt voor alle eeuwigheyt. Dus toegetakelt drukte
hy een hoed op \'t hoofd, breed en diep genoeg om de
aldergrootste hoorns eens Koekoeks te verschuylen, nam
met een kus zyn afscheyt van zyn Beminde, en stoof uyt
avontuuren. Myn ongeblankette pen zal dien Avonturier
navolgen,
Doch \'t past ons eerst voor alle dingen,
De Deugden van zijn Ros te zingen.
Zyn Paard overtrof in lengte een Boerepols uyt het
Veen, en in dikte een Kermispaling van Kees den Aalenslachter;
ook had hy alle zyn ribben dewyl men die allen
kon tellen tot een bewys der waarheyt. Hy galoppeerde
op drie beenen als een Bataillehengs, doch met de vierde
Poot speelde hy voor Pasganger, en altoos als hy
een tel ging, maakte het vierde been een draf, zo dat
wat pas hy ook mogt maaken, de vierde hoef altoos een
Engelsch Dissenter verbeelde. Zo dmoedig was dien
Bucefaal, dat hy op ieder stap zijn knien boog gelijk
als een Persiaan die de reyzende zon aanbid; zijnde daar
by zo zacht van mond dat men hem kon bestieren met
een
|
|
-ocr page 450-
| |
| een zijden draad, als die in \'t hollen een vreemdeling
was, en daar by nooit een nat haair kreeg, maar altydt
den Ruyter dee zweeten.
| | Op dat Dier was den avontuurlijken Schilder Willem de
Fochier gebilletteert, die van den duystere avondstont
wiert overvallen in een Boeredorp aan geen zy Heusden,
alwaar zijn Paard, zonder hem eens verlof te vraagen,
in een openstaande schuur krabbelde, zo moede en afgemat
dat hy het hoofd niet kon optillen tot aan de hooiruyf;
en daar glee zyn Meester zo gezwint neerwaards
uyt de zaal, gelijk als een geborste Kerkklok nederdaalt,
die met een ongemeene voorzorg wort nedergelaaten uyt
den Dom van Keulen. Wellekom, wellekom, myn Heer,
schreeuwde den Dorpskasteleyn, die tot over de grootste
helft door de Wacgholder was bestooven, kom in huys,
ik heb heerlyk oud Bier, en keurlyken verschen Genever,
en die zich daar mee niet mee kan belyen, zal nu nog nimmermeer
bedyen. Den fiere Schildknaap trat daar op in
het huys, en waarom niet? dewijl den dronken Waard
hem inhulde ten zijnen kosten, gelijk als wy zullen verhaalen,
alwaar hy een kompagnie Drinkelingen vond zitten,
waardig het byzyn van den alderbesten Savoyaardschen
Schoorsteenveger. Die Societyt die pas driemaal in \'t
aar de Antwerpsche Courant hoorde leezen, met een
aandacht om er niet van na te vertellen, vroeg aan den
ongeletterden Schilder na wat nieuws, die zonder eenig
voorbedenken andwoorde; Dat den Maarschalk van Biron
was onthalst door order van den Koning van Vrankryk,
dat daar op alle de Ganzen waar en hervormt in Zwaanen,
en dat een katholieke Moogenheyt zyn maag zo onmanierlyk
had overlaaden met gekonfijte Gember en met ingeleyde Oostendesche
Nootemuskaaten,
Dat
|
|
-ocr page 451-
| |
| Dat hy nu dood, dan krank, en dan eens weder wel was,
Waar door die tyding buyten tel was.
Den Kasteleyn en het doorluchtig Gezelschap waaren
als opgenomen door dat onvergeeflijk nieuws, en inzonderheyt
den eerste, die\'er uytzag als een gevangenis Patrys
die zo even zijn boeyen had afgeklopt, welke dwarshouts
gelaatkunde hy zo min kon verzetten, als een
Moor zyn ebbenhoute koleur kan veranderen. Ook zag
\'er het overig gezelschap maar weynig beter uyt als den
Waard, dewyl dat Vee niet anders beoogde als Geld op
dit vergankelyk aardsche dal, en uyt dien hoofde veelstyds
zo beleeft was tegens den reyzenden Man, dat het
die eerst om hals hielp, dan onderdompelde, en zich naderhant
bediende van deszelfs lading. Dat\'er veele
Meyerys inboorelingen zich met alzulke Windvallen behelpen,
getuygt de meenigte van \'s Hertogenboschs galgen,
raders en mikken. Een gebankroetiert Apotheeker
die aldaar voor Geneesheer speelde, een Barbiers jongen
die zyn leerjaaren was ontsnapt en voor Wondarts liep,
een afgedankt Notarisje dat zich had opgeworpen tot een
Advokaat, een Borgermeester wel eer een Beezemkramer,
een Koster die des noods zynde zeer weynig leezen en
noch minder kon schryven, een Substituyt Sekretaris die
zig tamelijk eerlyk voordee op \'t oog, doch een groote
Fielt was by den tast, en alzulke Heeren besloegen den
gemeenen haerd van die Kasteleny;
Des mogt men zeggen, op den Intree van dien Ram,
Dat soort by \'t echte soort, en \'t Kalf by \'t Maagschap kwam.
Het eenigste voorwerp dat schoon was en aanlokkelyk,
was de Dochter in die Caravansera, die waarschynlyk ter
loops
|
|
-ocr page 452-
| |
| loops was toegestelt by den Ambachtsheer, by de Dorpjonkers,
of by den Kapellaan, zynde zy al te bevallig
en al te gemaniert om haar opvoeding verschuldigt te
weezen aan dien ongeschikten Boeren kroegenier. Ik
weet het van naby, en niet van hooren zeggen, (zegt
den Schryver van dit werk) dewyl ik pas een jaar geleden
aldaar logeerde, en alle de moeite des weerelds had
om een zeker Iets op den toom te houden, dat zich zo
onmanierlyk, ja ik mag wel zeggen zo tieranniek aanstelde,
als of het over de onzichtbaare bekoorlijkheden
van die vriendelijke Dorps Venus had willen heerschen
als een Lord Protektor.
| | Tusschen het klokslag van acht en negen uuren, noode
den Waard het gantsche Rot om met hem te avondmaalen,
waarschynlyk met het oogwit om die Gastvryheit te
oculeeren op het gelag van den doodarmen Konstenaar,
en op die eerste noodiging besloegen die gasten de tafel.
Den Kasteleyn sprak een onverstaanbaar gebed, slaande
zyn oogen zo ermbarmlyk opwaards als of het zyn laatste
zou zyn; maar hy veranderde schielyk van toon en
schreeuwde op \'t onvoorzienst, Val aan, tast toe, vreet
datje barst, het isje geschonken!
Daar op schoot ieder toe, zo \'t opperend als \'t onder,
En vrat en zoop als een Dragonder:
Doch onze Schilder, die zo scherp was als een Mes,
Smarotste voor een man a ses,
En loog zo vreeslyk by het drinken en het klinken,
Dat elk bezorgt wert dat hy door de vloer zou zinken.
Na dat\'er wel en hartiglijk was geavondmaalt, riep ieder
hoofd voor hoofd om een kan oud Bier, verzelt met
een half pindje inlandsche Genever, en toen was de
bood
|
|
-ocr page 453-
| |
| boodschap, gek praaten, en onzinnig drinken. Het eerste
diskoers bestont uyt een onderling verhaal van de schelmstukken
der Zwartmaakers, en dewyl den leelyke Kasteleyn
een groot Orateur was op dat kapittel, verzogt hy
daar over gehoort te mogen worden, als wanneer hy een
wonderlyk geval in zyn eygen huys gebeurt zou aanhaalen.
* Elk zweeg, en zag hem aan, met aandacht en verlangen.
Den dronken Boerenwaard heeft hier op aangevangen,
Van zynen Driestal,
En sprak; Je moet weeten, goede Vrienden, dat ik
woon in het beste van dit Dorp, myn huys is beroemt
door het uythangbort van den dorstigen Ruyter, wel eer
geschildert by den kleyne Malebrant, en naderhant opgeheldert
by Jan Baptist Biset, waar door het ook zo de
kenners zeggen in de grond is geruineert geworden.
Maar waar toe dient die langdraadige voorloop? vroeg
den Borgermeester, en den Kasteleyn andwoorde, dat
zulje zien en hooren. Het gebeurde eens op een regenachtigen
avondstond, (vervolgde hy) juyst op het moment
als onze Brigitte de lamp zou aansteeken, want
ik hou meer van de lamp als van de kaers om dat ik aamborstig
ben, en dat willen de Meesters wel zeggen dat
van den Tabak komt, en daarom denk ik wat minder te
rooken, en een glaasje te meer te drinken, want gelyk
als de Pastoor wel zegt, Van den Toebak sterven de
verkens. Waar Duyv**l wil dat heen, Joris bles? sprak
den zelve Borgermeester, of denkje dat wy niet weeten,
wy die Overighden en Vaders van onze Ingeztenen
* Zie het tweede Boek van Eneas, berymt door J. v. Vondel.
zyn
|
|
-ocr page 454-
| |
| zijn, hoe dat een relaes begint en hoe dat het eyndigt?
Dat is alles wel, Borgermeester, (hervatte den Waard)
maar als ik het ook weet, dan zynwe getween die het
weeten. Weet dan, (ging hy voort) dat\'er vyf kaerels
kwamen invallen in myn huys die een vrye kamer begeerden,
juyst als ik opgestaan was van dat zelve tafeltje dat
ginds noch saat, en dat ik\'er maar hondermaal op een
dag om aanzie, want ik had pas een weynig gestoofde
raapen met een stukje schaapenvleesch genuttigt, ik voelde
byna geen trek tot eeten dewyl ik een zwaaren hoest
had overgegaart door het laat opzitten, twee achtereenvolgende
nachten te vooren eer dit gebeurde,.... Eer wat
gebeurde? moordenaar van het gedult, van de aandacht
en van de kostelyke tyd uwer Magistraatspersoonen!
schreeuwde den ongeduldigen Boerevoogd, en den langdraadige
Kastelyn repliceerde; Zal ik het dan maar
kort afbyten? en zo dra had den groene Consul het t-
ken des Rams niet gegeeven door een knik des hoofds,
of den Waard zey; Wel dan zo waar als ik verhoop dat
St. Eloy myn paerden en koeien zal behoeden voor het
longevuur, ik hebme altyd t\'zedert verbeelt dat die vyf
Zwartmaakers waaren. Den Schilder W. de Fochier begon
zo vreeslyk te lacghen over die om standige Nietwaardigheyt,
dat hy zo min op dat ogenblik gedacht aan
zyn schuldeysschers en aan zyn armoede, als een zeker ongenoemt
Heer op zyn Vrouw en Kinders denkt, wanneer
hy op de Schermschool van Madame Kommissaris
zit te badineeren, omcirkelt met een Drietal gequikzilverde
Bevallighden.
| | De Religie ley het naast aan de beurt, en den gebankrotierde
Apotheeker die wel beleezen was in het *Bruy
* Bekende onnoozele Boekjes.
degoms
|
|
-ocr page 455-
| |
| degoms Mantelke, in het leeven van Sinte Anna, en
in het Masker van de Weerelt, riep, dat hy aannam te
bewijzen, Dat Balaam en zyn Ezel\'er twee waaren, waar op
den Barbier zyn kans waarnam en hem toeschoot; Ik beloof
het uw, Monsieur Spaansche vlieg, datje \'er maklyk
den derde van kond uytmaaken.
Daar op verrees den Kruydberyder,
En zwoer; Dat hy den Beurzesnyder,
En niet den Wondarts was van die beruchte plaats
En dat hy.... maar \'t was schand\' te vegten,
Dat zegswoord anders zou beslegten,
En daar op was,\'t Avoes, en \'t paar verbleef goe maats
Ondertusschen wiert dat doorluchtig Gezelschap zo luydruchtig
als de Waterval van de Missisippi, ieder bloes
zyn long op om boven te kraayen, de luydste galm was
het alderbeste argument, en die tong die het leelijkste
baarde won het proces beneffens de onkosten.
| | Den sponsieuse Schilder scheen zeker iets te hebben opgevat
voor den Substituyt Sekretaris, van welk zeker iets
een Filosoof zo min een uytlegging kan geeven als een
Dronkaart, en hy noode dat vergalt Guytje ten zynen
huyze, zeggende; Dat hy tafel en bed tot zyn dienst
had, en dat het geen\'er aan de tafel mogt komen te ontbreeken,
vergoed zou worden door een heerlyke Saus.
Daar aan slaa ik zo min twyfel, als ik twyfel slaa aan de
vruchtbaarheyt van de Gouvernante des Ambachtsheers,
(andwoorde het substituyt Geheymschryvertje) want dewyl
ik weet dat\'er aan uw tafel niet veel te eeten valt,
zal gewis den Honger die beste Saus uytmaaken. Den Schilder
die zo braaf was als een jonge Heyhaas zweeg een
poos stokstil, beet toen op den nagel van zijn linker
duym
|
|
-ocr page 456-
| |
| duym, en vervoegde zich daar op in de qualiteyt van
een afgekeurt Traktant by den op die tyd trakteerenden
Kasteleyn.
| | Op dat moment was den Apotheeker Spaansche vlieg
in een byster groot verschil ingewikkelt met den Barbier
Sparadrab, over het Breyn, een voorwerp dat geen van
beyden bezat, hoewel den Apotheeker tierde als den
stamper van een yzere Mortier, en vloekte en kratste;
Dat\'er niets meer kontribueerde tot den aanwas der Herssens
als het weekelyks gebruyk van een gezooden Kalfskop, en
dat hy dat kon in zyn eygen persoon goedmaaken. Den ongeneeslijken
Wondarts andwoorde stemmiglijk; Dat hy
al van over een wyl had gemerkt, dat zyn herssenschaal
was gevictualieert met Kalfsherssens, en dat hy dat voor de
eerste maal gewaar wiert aan zyn dierlyk blaaten. Dat gezegt
hebbende begon den Barbier zich uyt te laaten in zulke
harde termen van Solutien, Dislokatien, Kontinuityren,
Fraktuuren, en Amputatien, dat de waggelende
Toehoorders hun gehoor dachten te verliezen, hoewel
zy zich eenpaariglijk verwonderden, dat een kaerel die
geen goed Nederduyts sprak, zulke heerlijke onduytsche
woorden, zonder dat hyze versont, kon uytspreeken.
Den Wondarts vroeg aan den Kruydbereyder, of hy ook
eenige geneezingen in zyn voordeel kon bybrengen? Die
zich daar op verddigde door het woord Ja, en door de
navolgende voorbeelden.
| | Daar was den Oud schpen Barent Bluts van der Lummen,
(sprak hy) die noch woont naast aan de Rykenbedelaar,
die Man was bezeten met een getiermaakende
Duyvelin van een Wyf, wiens altoos duurende ratel hem
zodanig had verdooft, dat hy zo min weezen had van
een Donderslag in den Herfst, als van een uytgeblaazen
Tabakspyp in de Herberg. Hy was ongevoelig voor het
luyd-
|
|
-ocr page 457-
| |
| luydruchtig vloeken en bannen der gravejassende Boeren;
ja ik heb hem zo stil zien zitten in het donderent Oorlogspel
van den Grooten Gustaaf Adolp, als of hy een
Namiddags uyltje knapte in ons respectief Schepensgestoelte.
Na dat die Man van alle de Meesters verlaaten
en opgegeeven was, heb ik hem zo heerlijk door eenige
van mijne Otacousticaale droppelen gekuureert, dat hy
thans niet alleenlijk een Dakdruyping, maar zelfs Redenen
die nimmer waaren gesprooken, en vuylbekken dat
nooit was geschiet, kan hooren en aanbrengen.
| | Daar was den Schoolmeester Vygeblad, den Superintendant
van een Grammatics klosbaan, die zo vreeslijk beloopen
was met het Pedanten Scheurbuyk, dat hy zyn
Melkboerin verstomde met de wonderlijke historien der
Gerundiums en Supinums; die al zo ver gekomen was
dat hy Domus deklineerde in een Brandewynskelder voor een
hoop Schuytevoerders; ja die de Prosodia Smetii betwiste
tegens Grootje Okkernoot, de hem jaarlijks zyn groene
Snyboontjes lverde en borgde. Alhoewel die Quaal,
wanneer die vry diep is ingewortelt, al zo moeyelijk is
om te geneezen als een verouderde spaansche Roozenkrans,
echter heb ik hem volstrektelijk geholpen, zo
dat hy thans het Gemeen niet meer lastig valt met zyn
Poolslatynsche redenvoeringen, maar in tegendeel zo stil
zit als een Drukker, die leevend begraaven legt onder een
papiere Zark van Hoppest**s Mengeldichten,
| | * Den Geneesheer Welteltrap, een echt Lid van de
Broederschap der Zeeschelpen en veelkleurige Vlindertjes,
wiert dikmaals geplaagt en overvallen door onverandwoordelijke
vlaagen. Geduurende de verheffing dier
Overvallen verzon hy nieuwe weerelden, gelijk als de
Jongens kasteelen stichten uyt kaertebladen, beschuldigde
* Dat Karakter is streek voor streek na het leeven gekonterfijt.
Moses
|
|
-ocr page 458-
| |
| Moses van Onkunde in de Architektuur van zijn Weereldbouw,
en liet den alderbesten Patient tusschen het
leeven en de dood leggen worstelen, om een doosje met
Surinamsche Vlindertjes te gaan kijken. Ik nam zijn
herssens uyt zijn hooft, wiesch die in mijn Aqua Intellectualis,
en schoon dien Geneesheer zedert is ingestort,
wie Duy**l moet hy dat dank weeten als dien gevloekten
Ostendesche Korrespondent, die zyn begrip op nieuws
heeft ontroert, door hem het stoffeersel toe te zenden
van een Chineesche Barbiers winkel.
| | Dat woord Barbiers winkel stiet den Wondarts voor
de borst, die tedens den Apotheeker zey in verstaanbaare
termen; Dat hy zo veele onvergeeflijke feylen niet kon
aantoonen in de Barbiers als in de Apotheekers winkels,
zijnde de potten, flessen en doozen der laatsen wel vergult
met de tytels van Preservatieven, Kordiaalen, en
Pharmacons uyterlijk, doch innerlijk gevictualieert met
walcghelijke toebereydsels en met doodelijke vergiften.
Den Apotheeker vatte aanstonds vuur op dat verwyt,
en schreeuwde\'er tegens aan als een Vischwijf tegens een
karig Bieder; Het past uw wel, Tandtrekker en Exteroogsnyder,
van ons beroep te kleyneeren, ghy die zo min
zwaarigheyt stelt om den Lijder een gezonden Arm of
een welgestelt Been af te zaagen, als een vervloekte Tunetaan
werk maakt van een kristen Slaaf over boord te
gooien. Het heugtme noch dat\'er wel eer niet wijd van
Breda zo een Barbier gelijk als ghy zijt woonde, die zo
dra als\'er maar iemant begon te geeuwen, fluks deszelfs
molensteenen wilde bezichtigen, om den mond te ontvolken,
en om den mensch oud en leelijk te maaken
voor zijn tijd; ja die meer geld vorderde voor het uytrukken
van eenen bedurven gebit, al\'er wiert vereyscht
tot het koopen van een gantsche rey nieuwe tanden.
En
|
|
-ocr page 459-
| |
| | En hoe gedroegje uw, Distillateur van Water en
Azyn, (repliceerde den Barbier) eer datje uyt het Haankonings
ey van een schelmachtig bankrot kwaamt overvliegen
naar dit afgevourageert Heydorp? vorderje toen
niet drie Rijksdaalders voor een pint Regenwater, die je
met een greyn a ses Engels zout liet zygen door een glad
graauw papier, en zwoerje niet dat\'er geen quaalen waaren
onder het half rond des Hemels, of zy moesten het
spel gewonnen geeven aan dat Water? Het is waar datje
in den haak vloekte, dewijl dat zelve Water uw van de
Armoede genas, die de slimste is aller Quaalen.
| | Maar het luste je daar zo even (vervolgde den vergrimden
Arts) van eenige uwer Geneezingen aan te haalen;
thans lust het my om op dien toon, of misschien noch
wel een airtje hooger te kraayen.
| | Ezechiel Slaavoort, een Karreman, geboortig van
Vucht buyten \'s Hartogenbosch, had zijn Hartevlies in
een schrikkelijke wanorde gebragt, door het herhaalt ingulpen
van Weezopper nektar en Breemerbier, en daar
by kreeg hy\'er noch een tweede ongeluk by, hy wiert
overreeden. De gantsche Buurt besloot dat hy om een
luchtje was, en de Koster van zijn Parochie liep reeds
na de Kerk om den doodsmortier te luyen, toen ik gevalliglijk
op het slag kwam om hem op te wekken. Ik
bebalsemde hem maar ter loops met een zeker Unguentum
my en niemant anders bekent, en fluks vloog hy fris en
gezont overend; ja hy is noch op deeze uur Koetsier
by Mevrouw Duyvezoet, die hem by dag over de Paerden,
en by nacht over haare behoorlijkhden laat heerschen.
| | Een wel bekent Vermaaner der Mennonisten,
woonachtig aan de Maas, tegens over den Bonsing en de Sprinkhaan,
kreeg de Heupjicht, by gebrek van niet wel gewree-
|
|
-ocr page 460-
| |
| wreeven en afgedroogt te zijn by de gedienstige Susters
na zijn zweetverwekkende oefening, waar door hy buyten
staat geraakte van zich langer te konnen verldigen
in het stichten van zijn gemangelde Kudde. Na
het herhaalt gebruyk van mijn pynstillende pleyster
wiert hy zo krachtiglijk herstelt, dat hy t\'zedert zijn
voorig beroep heeft afgeschooven, en thans de jeugd
onderwijst in den Tashaak en in de Floret, hebbende
zijn Sluypvergadering hervormt in een Schermschool.
| | Guilliam Bamboes, een Weever van geschilderde
Prinssenvlaggen, was zo blind tot aan en boven zijn ses
en veertigste jaar, dat hy de aldergeringste Rekeningen
van zijn Schuldeysschers niet kon leezen, daar hy thans
door het gebruyk van mijne Ophthalmieke droppelen de
Schuldbriefjes fraaitjes begint te spellen. Van die mirakeleuze
geneezing heb ik een Certifikatie, getkent by
den Pastoor van zijn Parochie, en laager stont, Alexander
Baurenschinder, Scholtus van die Halsheerlijkheyt.
Wat zegje nu, Kruydbereyder van het Doode Meer, is
de zinspreuk van Geertje Olifants niet onwederspreekelijk
daar zy zegt? Een Konings kroon geneest geen Geraaktheyt,
of een fluweele Pantoffel geen Pausselyke jicht, maar
den Wondarts kureert die beyden.
| | Aldaar zweeg den Wondarts wiens lippen met geen
spinrag waaren bezet, waar op den Borgermeester dier
Heyknappers betuygde, zo vergenoegt te zijn over dat
wederzijds pleydooi, dat hy dreygde van den Apotheeker
te zullen begenadigen met een Schepens ampt, en
den Barbier te zullen verrijken met een jaarlijks pensioen
van Vuchtsche Raapen voor zijn Kinders, en van groene
Eykels voor zijn Verkens.
Maar
|
|
-ocr page 461-
| |
| Maar thans vereyscht \'t verhaal de Krygstrompet te
steeken,
Fochier, het is uw beurt, die trots en onbezweeken,
Door \'t hong\'rig nootloot eerst van dien gevryden
strant
Gevlugt, manmoedig hier uw krygstrofeen plant;
En die door \'s Kosters wrok tot tegenweer gedrongen,
Den stichter van \'t krakkeel tot stilstant hebt gedwongen?
Gants onverwacht viel den Koster aan \'t tieren als of
een winterwolf hem by den ekklestiastieken kraag had gevat,
en den Schilder viel aan het brommen als een Lyflandsche
beer die uytgetoogen op den honingbuyt, ongelukkiglijk
is vervallen onder een troep vergrimde hommelbien;
* En dat gewelt op \'t voorzienst
Sproot uyt den Godendienst
Den Schilder had in vertrouwendheyt tegens dien Spreeuwenkoster
gezegt, dat den tegenwoordigen Paus van
Romen een goed slag van een Man was, die waarschynlijk
t\'avond ofte morgen gekannoniseert stont te worden,
een Loftuyging die den Koster beandwoorde door het
looghenent argument van een keulsche Pint, met dewelke
hy den dronken Schilder zo een wanschapen benediktie
gaf, dat die onder de bierbank stoof, met een goed
voornemen om aldaar na een Contra-argument te zoeken,
toen den vergrimden Ecclesi Custos hem te dier
* Tantum religio potuit suadere malorum. Lucret. lib.primo.
plaatse
|
|
-ocr page 462-
| |
| plaatse ook op \'t lijf viel, om de wraak noch verder te
extendeeren. Nu schryft den natuurkundige Plinius,
dat een Gans die in stervensnoot legt de pooten t\'zamentrekt,
en den Schilder bewaarheyde dat schryven, want
hy sloeg gevalliglijk zijn handen om des Kosters gorgel,
waarom de vreeze die fluks zo onlosmaakelijk dee besterven,
dat den verwinnaar om hulp moest piepen by gebrek
van ademhaaling. Daar op wierden de Duellisten
gescheyden, en hun wederwydsche moed verhven tot
boven de spits des kerktorens, en toen dronken zy eene
eeuwigduurende vriendschap in gescheurde kleeders en
met bebloede neusen, met belofte van in het toekomende
malkanders belangens te zullen onderschraagen, nooit te
ondermynen.
| | Doch wie zou op dat ogenblik inkomen als de Kleopatra
des kerkelijken Cesars, die haaren Heere en Man
begon te harangeere in deeze termen:
Wel dronke Nachtraaf! loome Zot!
Zitje\' hier te kleeven in dit kot,
Wyl t\'huys uw naakte Kinders muyten
Door broodsgebrek, en ik geen duyten
kan vinden om een bosje zwavelstokken, of om een speldebriefje
te bezorgen voor de Huyshouding? Denk maar eens,
Kerkguyt! of de ziel van uw Vrouw niet door spyt wort
gereeten als een overrype Heggenoot, wanneer zy moet zien
voor haare oogen, dat het Wyf van onzen gebuur den Verkensstouwer
twee roode rokken over malkaar aanschiet, en
ik\'er geen eene heb om nevens andere braave Vrouwen mee
te konnen pronken. Neen zieme zo leelyk niet eens aan, ik
lacgh eens met je Gryns, Koster van de Tovenaars! benje
een
|
|
-ocr page 463-
| |
| een kerkelyk persoon, en legje hier in de nachtschuyt te
vegten tegens dien Vryplaats uytzuyper, die een fatsoenlyk
Koster niet zou willen aanraaken als met den haak van
de Kerks brandleer. Schaamje, Nachtfielt! zo\'er ooit
schaamte heeft gehuysvest onder eenige dronke Dorpskosters.
| | Aldaar hielt die Helleveeg halte, waar op den verplukten
Koster met eenige door het oud bier verkorte syllaben
zijn afscheyt nam; en de overige Dronkaards, die
insgelijks beheerscht wierden door de rokken met gimpen,
volgden dat voorbeelt, bevreest van te vallen onder
de verbolgendheyt hunner Wyven, die nu en dan
wel eens gewoon waaren van diergelijke byeenkomsten
te komen opblaazen, derhalven haspelden zy na huys
met vlammende kaaken en met sprietoogende blikken.
Op het nootlottig ogenblik dat dien Kasteleyn der Eykelisten
zijne overlaade zwynskudde uytliet, kwam zijn
Knegt instommelen uyt dat Dorp, waar na den Schilder
te paerde docht te gaan vagebondeeren, om de ingebeelde
Erfenis te gaan ligten, die zo dra als hy den smoordronken
Penseelist zag, hem kende voor dien Heer en
Meester, die hy vijfvierendeel jaaren had gedient, zonder
Loon en zonder Kleeders, waar door hy hem vrypostiglijk
vroeg, Wat hy daar kwam maaken? waar
op hem W. de Fochier zo dra niet had gerepliceert
in een lispent accent, Dat hy gekomen was om de Erfenis
van zyne overleede Vrouws suster te gaan raapen tot
Boxel, of den Knegt herhaalde luydskeels lacghende;
Dan valt\'er niets anders te doen als uw reys te staaken,
en op nieuws Aardakers te gaan spitten, want die overleede
Suster leeft, en daar by is\'er niets te besten als uytgedopte
Eykels, twee slegte artykels voor een benoodigt Pen-
seelist
|
|
-ocr page 464-
| |
seelist. Den te leur gestelde Tapytschilder ondewierp
zich aan het Nootlot als een Wysgeer, trok manmoediglijk
zijn Opperkleed uyt, gaf dat over in handen van
den Kasteleyn tot een pand der Minne, en keerde te rug
gedachtig aan het geduchte Spreekwoort van den hoogverlichten
Tuynman.
Dat de Hoop van een Zot,
Vroeg rypt en vroeg rot.
Eynde van \'t Derde Deel.
|
|
-ocr page 465-
| |
| Naamlyst der Nederlandsche Konstschilders
en Konstschilderessen, begreepen
in het derde Deel.
| A. | Bladz. |
| Alemans (N.) | 317 |
| Anonymus (den Konstenaer) | 406 |
| Appelman (Barent) | 3 |
| B. | |
| Bailluw (N) | 230 |
| Bakker (Adriaan) | 26 |
| Bakker (N.) | 89 |
| Bent (Jan vander) | 133 |
| Bergen (N. van) | 258 |
| Berkheyden (Job) | 28 |
| Berkheyden (Gerard) | 28 |
| Beurs (Willem) | 188 |
| Bisschop (Jan de) | 47 |
| Bizet (Ian Baptist) | 367 |
| Blok (Johanna Koerten) | 142 |
| Bois (de twee Gebroeders du) | 332 |
| Bosch (N. van den) | 355 |
| Bosschaert (N.) | 339 |
| Boudewyns (N.) | 341 |
| Bout (N.) | 345 |
| Brakenburg (Reynier) | 229 |
| Broek (Elias van den) | 211 |
| Bronkhorst (Ian) | 94 |
| Bunnik (Ian van) | 179 |
| C. | |
| Carre (Hendrik) | 228 |
| Champagne (Ian Baptist) | 45 |
| Colyns (David) | 160 |
| Covyn (Reynier) | 54 |
| Covyn (Israel) | |
| Bladz. |
| Crepu (N.) | 239 |
| D. | |
| Dalen (N. van) | 285 |
| Dalens (Dirk) | 229 |
| Danks (Francois) | 159 |
| Deelen (Dirk van) | 138 |
| Denner (N.) | 408 |
| Denys (Iacob) | 62 |
| Diepraam (Abraham) | 96 |
| Does (Simon vander) | 166 |
| Does (Iacob vander) Jacobsz. | 168 |
| Douven (Ian Francois) | 182 |
| Droogsloot (N.) | 133 |
| E. | |
| Edema (N.) | 256 |
| Eykens (N.) | 304 |
| F. | |
| Fabritius (Karel) | 178 |
| Fochier (Willem de) | 409 |
| Frank (N.) | 273 |
| Freres (Theodoor) | 24 |
| G. | |
| Gaal (Barent) | 161 |
| Gelder (Arent de) | 41 |
| Germyn (Simon) | 187 |
| Gillemans (N.) | 375 |
| Glauber (Ian) | 55 |
| Glauber (Ian Gotlieb) | 57 |
| Griffier (Ian) | 191 |
H.
|
|
-ocr page 466-
| |
| H. | Bladz. |
| Haansbergen (Ian van) | 6 |
| Haan (N. de) | 359 |
| Hagen (Ian van) | 39 |
| Hal (N. van) | 349 |
| Hardime (Simon) | 245 |
| Heem (N. de) | 387 |
| Hens (Abraham de) | 139 |
| Herregouts (N.) | 337 |
| Heus (Guilliam de) | 197 |
| Heus (Iacob de) | 198 |
| Hillegaart (Paulus van) | 213 |
| Hoet (Gerard) | 90 |
| Holsteyn (Cornelis) | 165 |
| Hondius (Abraham) | 157 |
| Hooge (Romein de) | 114 |
| Hoogsaat (Ian) | 175 |
| Horremans (N.) | 358 |
| Hughtenburgh (Ian van) | 104 |
| Hulst (Pieter van der) | 162 |
| Huysman (N.) | 195 |
| Huysum (Justus van) | 233 |
| I. | |
| Ianssens (N.) | 346 |
| Ingen (Willem van) | 153 |
| K. | |
| Kalraat (Abraham van) | 20 |
| Kalraat (Barent van) | 137 |
| Kampen (Jacob van) | 217 |
| Kessel (Ferdinand van) | 291 |
| Kessel (N. van) | 379 |
| Kloosterman (N.) | 189 |
| Kneller (Godfried) | 67 |
| Koene (Isaack) | 162 |
| Koerten (Johanna) Blok | 142 |
| Koningh (Iacob) | 132 |
| L. | Bladz. |
| Lactrophius (N.) | 309 |
| Leeuw (Gabriel vander) | 17 |
| Leeuw (Pieter vander) | 20 |
| Leeuw (Pieter vander) Bastiaansz. | 139 |
| Leur (N. vande) | 287 |
| Lisse (Jan vander) | 49 |
| Looimans (N.) | 336 |
| Lubienetzki (Theodoor) | 169 |
| Lubienetzki (Christoffel) | 169 |
| Luyken (Ian) | 109 |
| Lyssens (N.) | 347 |
| M. | |
| Maas (Dirck) | 197 |
| Maas (N) | 280 |
| Maddersteeg (Michiel) | 231 |
| Marienhof (N.) | 135 |
| Meer (Ian vander) | 136 |
| Merian (Maria Sybilla) | 58 |
| Meyeringh (Albert) | 45 |
| Mieris (Willem van) | 387 |
| Mieris (Frans van) | 392 |
| Mile (Francisco) | 4 |
| Mile (N.) | 37 |
| Moelaart (Iacob) | 108 |
| Molyn (Pieter) | 23 |
| Morel (N.) | 237 |
| Musscher (Michiel van) | 46 |
| N. | |
| Neer (Eglon vander) | 8 |
| Neveu (Matthys) | 62 |
| Nikkelen (Ian van) | 118 |
| | O. | |
|
-ocr page 467-
| |
| O. | Bladz. |
| Olen (Ian van) | 159 |
| Opstal (N. van) | 231 |
| P. | |
| Palamedesz. (Palamedes) Junior | 395 |
| Paling (Isaak) | 6 |
| Pauli (N.) | 314 |
| Paulyn (Horatius) | 26 |
| Peuteman (N.) | 163 |
| Pieters (N) | 85 |
| Plaas (David vander) | 63 |
| Q. | |
| Quellinus (Erasmus) | 310 |
| Quellinus (N.) | 331 |
| R. | |
| Ravestyn (Huybert van) | 54 |
| Rietschoof (Ian Klaasz.) | 165 |
| Rietschoof (Hendrik) | 165 |
| Roer (Iacob vander) | 88 |
| Ruelles (Pieter de) | 213 |
| Ruyven (Pieter van) | 134 |
| Rysbrechts (N.) | 214 |
| S. | |
| Salomon (N) | 283 |
| Schalken (Godefried) | 11 |
| Scheffers (N.) | 351 |
| Schendel (Bernardt) | 228 |
| Schoor (N. van) | 255 |
| Bladz. |
| Slingelandt (Pieter van) | 1 |
| Smits (N.) | 259 |
| Soukens (Ian) | 36 |
| Spies (N.) | 402 |
| Starrenbergh (Ian) | 140 |
| Steenwinkel (N.) | 20 |
| Steenwyk (N) | 21 |
| Stork (Abraham) | 160 |
| Straaten (N. Vander) | 365 |
| Stuven (Ernst) | 204 |
| Suquet (Pater) | 278 |
| Syder (Daniel) | 65 |
| T. | |
| Tailler (N) | 327 |
| Terwesten (Augustyn) | 120 |
| Tideman (Philip) | 201 |
| Toorenvliet (Jacob) | 4 |
| Tyssens (N.) | 361 |
| Tyssens (N.) | 366 |
| V. | |
| Veen (Rochus van) | 138 |
| Velde (Kornelis vanden) | 386 |
| Verbius (Arnold) | 49 |
| Verbrugge (Gaspar Pedro) | 220 |
| Verbrugge (N) | 335 |
| Verbuys (Arnold) | 265 |
| Verelst (Simon) | 248 |
| Verelst (N.) | 253 |
| Verelst (Kornelis) | 272 |
| Verendaal (N.) | 234 |
| Verhoek Pieter | 27 |
| Verkolje (Iohan) | 125 |
| Verkolje (Niclaas) | <128 |
| Verveer (Ary Huybertsz.) | 48 |
Vinne
|
|
-ocr page 468-
| |
| Bladz. |
| Vinne (Laurens vander) Vincentsz. | 212 |
| Vois (Ary de) | 3 |
| Volleeven (Ian) | 177 |
| Voorhout (Iohan) | 61 |
| Vostermans (Iohannes) | 32 |
| Vree (Niclaas de) | 156 |
| Vromans (N.) | 260 |
| W. | Bladz. |
| WIssing (Willem) | 196 |
| Wolff (Iacob de) | 140 |
| Wulfraat (Matthys) | 102 |
| Wytman (Matthys) | 134 |
| Z. | |
| Zon (N. van) | 282 |
|
|
-ocr page 469-
-ocr page 470-
-ocr page 471-
-ocr page 472-
|
|
|
|
|
|
|
|