| |
-ocr page 66-
| |
| van de schoonheyt en de deftigheyt der Aangezichten, en
Perzoonen; in \'t kort, door de algemeene toestemming
der groote Meesters, van de uytvoering en de ronding der
Beelden, waar in hy alle zijn Voorzaaten overtrof, en aan
alle zijne Nakomelingen is gelijk geweest; en die dat
geheym verstaat is geen gemeen Schilder. Het is wel waar
dat het têkenen der Licghamen een groot Punt is, waar
by onderscheyde Konstenaaren veel Eer hebben behaalt;
doch de Beelden te konnen doen lossen, en ronden uyt
den grond waar in die zijn geplaatst, en een Beeld natuurlijk
te konnen vertoonen in alle izijn werkingen, en langs
alle kanten opgemaakt, is al iets zeldzaams, waar toe
maar weynige Schilders geraaken. Dat soort van roem
geeven hem Antigonus en Xenocrates, die beyden hebben
geschreeven over de Schilderkonst ten minsten verdiende
hy die getuygenis ten opzichte van zijn Eeuw, en dat
niet door een soort van toestemming afgeperst door de
blijk van de zaak, maar door openhartige en vrywillige
loftuytingen; en op dien Artykel en op andere zaaken
hier voorens aangeraakt, als de Evenmeetbaarheden den
zwier, Licghaamsstand, en de leevendigheyt der uytdrukkingen.
En wat was er niet te wachten van een Man,
die bestiert was geweest door den wijste der Grieken?
Den groote Sokrates die in zijn groote Jeugd een Beeldhouwer
was, gaf lessen over de Schilderkonst aan dien
groote Meester; en daar en boven bediende hy zich van die
Konst iom zijn Medeborgers teonderwijzen, en derzelver
zeeden te verbeeteren. Plinius zegtdat men noch ten zijnen
tijden in zijn tafelboekjes en op zijn perkementen een
groot getal tekeningen met roodkrijt en met de pen had,
waar uyt de jonge Schilders groot licht konden raapen.
Doch dewijl er niets volmaakt is op deeze weerelt noch
in eenig soort, beklaagen zich de verstandige Liefhebbers
|
|
-ocr page 67-
| |
| bers dat hy het middel der licghaamen te veel heeft verkleynt
na de overeenkomst van de rest, en dat hy zijn
Beelden vermaagerde om die zo veels te lichter te doen
schijnen. Maar veelligt heeft hy dat gedaan ten opzichte
van de Helden van zijn landstreek, die dagelijks worstelden
en liepen als jonge Britten, en gevolglijk zo veel
smeer niet overgaarden als een luy, lekker, en lêdig LandHeer,
die van den ochtend- tot aan den avondstond eet,
drinkt, en slaapt, by wijze van Oefening, en geen maatigheyt
kend dan die hy zich zelve toemeet uyt Gildefeests
schotelen, en uyt Confrerijs Bokaalen. Aangaande
de andere deelen der Schilderkonst, als by voorbeelt, die
tot de zeeden en de hartstochten behooren, kan hem niemant
een uytgestrekten geest en een vruchtbaare inbeelding
betwisten, als wel eer bleek in zijn Konsttafereelen
die veel geruchts hebben gemaakt. Zijn Schilderyen zijn
natuurlijke Afbeeldingen van het Atheens volk, want dewijl
hy niets die Natie betreffende wilde overslaan, heeft
hy die aan den eene kant koppig, toornig, onrechtvaardig,
en onstandvastig afgemaalt, en aan den andere kant
vriendelijk, goedertieren, medeleydzaam, en ter zelve
tijd, fier, trots, eerzuchtig, woest, en zomtijds laaggezielt,
bloo, en na de vlugt hellende, verbeelt. Het beste
van al is, dat hy alle die onderscheyde uytdrukkingen
verwonderlijk wist te bestieren en te verdeelen in verscheyde
groepen, en alle beslooten in een stuk. Den schrandere
Sokrates, die zo door en door het Volk van Athenen
kende, zou die onzen Parrhasius niet wel de behulpzaame
hand hebben toegestooken in de \'t zamenstelling
van die Schildery? Wy onderstellen, ja; doch dewijl het
geloof vry en een gaave des Hemels is, zullen wy niemant
die een tegenstrijdig gevoelen beleyd, daar over overlê-
veren aan de spaansche Inquisitie.
Ook
|
|
-ocr page 68-
| |
| Ook konterfyte Parrhasius in het byzonder Helden en
groote Mannen. Daar was wel eer een Theseus van zijn
hand, die geplaatst is geweest op het Kapitool. Hy
konterfyte ook noch eenen Navarchus in \'t harnas, zijnde
een zee Kapitein die zich toerust tot het gevegt, en
tot het enteren; en in een ander stuk dat te Rhodes hing,
had hy de drie Helden beneffens hun toepasselijkheden,
Meleager, Herkules, en Perseus afigebeelt. Het verwonderlijkste,
en dat de nieuwsgierigheyt der (a) Virtuosi vermeerderde,
was dat de plaats waar in dat tafereel beruste,
tot driemaal toe door den Donder getroffen wiert,
zonder dat die Schildery in \'t minste was beschadigt.
Noch schilderde of konterfyte hy een Aardspriester van
de Godes Cybele, een Guyt die zo gelieft wiert by den
eerlooze Tiberius, dat hy dat stuk in zijn Kabinet plaatste,
gens het verhaal van Eculeo een tijdgenoot van Tiberius,
die ons ter zelver tijd verzekert, dat die Schildery op
sestig duyzent (b) Sestertien wiert geschat. Daar plagt
noch wel een befaamt stuk van hem te zijn, verbeeldende
een Minnemoer uyt Kreten, welk Eylant toen kon
doorgaan voor een kweekstoof van diergelijke perzoonen,
met twee Zuygelingen aan beyde haar Tetten. Zedert is den
stapel der Voedsters of Minnemoers verplaatst in Vrankrijk,
en inzonderheyt in de Luchtstreek van Languedok,
een Provintie die ontrent jaarlijks zo veel Voedsters, als
Vrieslant Koeien uytlêvert, wielke vruchtbaarheyt de Natuurkundigen
aan het dagelijks gebruyk der Karstaanien,
en aan de onwillige maatigheyt van deszelfs Inboorelingen,
toeschryven. Noch schilderde hy Philoctetes in zijn
hol,
| | (a) Ik bedien my van het Italiaans Woord Virtuosi, by gebrek van een
beter.
| | (b) Dat is volgens zommige Cyfermeesters een Som van 1500 Drie guldens
stukken.
|
|
-ocr page 69-
| |
| hol, die het geheel Eylant van Lemnos vervulde en deed
wedergalmen door zijn luyde zuchten: een Bacchus verzelt
met de Deugd, waarschijnlijk om dien dronken God
op zijn tochten te verzellen, of om daar door te leeren,
dat men het gebruyk des Wijns behoort te maatigen: beneffens
twee wonderbaare Kinders, in dewelke men de
eenvoudigheyt en de gerustheyt, de twee merktêkens van
die bejaardheyt, zach doorstraalen: en een Priester voor
het Altaar, met een jong kerkelijk Bedienaar vergezelschapt,
die het Wierooks vat droeg, en bekranst was met
een Krans van Bloemen. Maar men telt voornaamelijk de
volgende twee Konsttafereelen, dewelke noch te zien
waaren by het leeven van Plinius. Hy had een koppel
Hoplititen of Olympiers gemaalt, die gewapent om prijs
liepen in het Olympisch strijdperk, volgens de speelen
van die Eeuw: den eerste liep met zo een gewelt dat hy
scheen te smelten in het zweet; en den ander die zijn
loop had geeyndigt, legt de Wapens af, zo ten eynde
adem, dat hy naauwlijks kan gaapen. Noch wiert er
veel werks gemaakt van zijnen geschilderden Eneas, die
uyt Troyen vlugt, met zijn Vader op de schouders, en
met den jongen.Askaan aan wien hy de andere hand geeft;
ook prees men byzonderlijk de twee Broeders Kastor en
Pollux in eene lyst, de Voorbeelden van de vriendschap
en van de broederlijke tederheyt; beneffens een Telephus,
die na dat hy tot er dood toe door de Lans van Achilles
was gekwetst, geen ander hulpmiddel voor zijn kwaal
kon uytvinden als het Yzer roest van die Lans in de wonde
te strooijen; een ongemeen hulpmiddel waar uyt waarschijnlijk
den Apol der Zeeuwsche spreekwoorden een bewijsstuk
zou durven opwinden, dat het haair van den
Hond die ons gebeeten heeft op de wonde te leggen, is, ten
minsten behoorde te ontstaan.
Die
|
|
-ocr page 70-
| |
| | Die Konstenaar was waarlijk een verdienstig Man, die
gezegent was met geest en met uytvoering, maar daar by
zo trots en verwaant als een Lucifer voor den val; een
oud Voorbeelt waar van ons geen hedendaagsche Voorbeelden
ontbreeken. Hy gaf vrywilliglijk aan zich zelve
de aldervleyendste Bynaamen die hy wist te verzinnnen, als
by voorbeelt, die van teder, krachtig, prachtig, zacht,
van den uytvoerder dier Konst die afkomstig is van Apol, en
gebooren om zelve de Goden te konterfyten; en hy voegde
er by tot een toemaat ten opzichte van zijnen geschilderden
Herkules, Dat hy dien Leeuwendwinger streek voor streek
had gekonterfyt, gelijk als hy zich dikmaals in zijn droom
aan hem had gelieven te vertoonen. In \'t kort de verwaandheyt
had zulke diepe wortels geschooten in die hovaardige
Ziel, dat de trotsheyt hem zelfs niet verliet in die gevallen
waar onder hy ootmoediglijk moest bukken. Ja
dat liep zo hoog dat toen hy in een Schilderstrijd by de
meerderheyt van stemmen door Timanthus overwonnen
was, in de stad Samos, hy de laatdunkendheyt had van
zich te troosten in het voorwerp zelve, dat de stoffe des
Strijds was geweest. Hy had Ajax gemaalt verbittert tegens
de Grieken, dewijl die de Wapens van Achil hadden
toegeweezen aan Ulis. Beschouw, (sprak hy) mynen
Held! ik ben meer door zijn als door mijn lot geraakt: hy
is overwonnen door de tweede maal, en dat door een onwaardig
Man. Sokrates was van gevoelen dat Ajax onrechtvaardiglijk
was veroordeelt geweest; zijnde de welspreekendheyt
by de grieksche Rechters al ommers zo
zielkneedende, op die tijd, als die naderhant wiert geviert
by der romeynsche Raadsheeren, in de laatere Eeuwen.
Elianus verhaalt dat zelve geval, doch met eenige
verandering in de Klaaglieders. Ik (sprak den Schilder)
bekreun me niet dat ik overwonnen ben, maar het spyt me
tot
|
|
-ocr page 71-
| |
| tot in myn Ziel dat den zoon van Telamon noch eens wort
verongelijkt in zijn Konterfytsel, gelijk als hy wel eer in
zijn Persoon wiert verongelijkt by zyn onrechtvaardige
Rechters. Maat dat is \'t noch niet al, want behalve dat
hy zo trots was als een ongegoed Koerlands Her Baron,
ordonneerde en schilderde hy met het penseel zulke geyle
en groove tafereelen, als eertijds den schelmsche Boitard,
en den verfoeielijke Romeyn de Hooghe met de pen
en met de Etsnaalde voor den dag brogten, welke verderflijke
Prenten een Blaasius Atlas Kaartverkooper noch laat
kopieeren, en loopt debiteeren. Van dat slag had hy
een Atalante en Meleager gepenseelt, een der alderoneerlijkste
Konststukken die ooit het Kabinet van een Heliogobaal
besloegen, welke Schildery aan den Keyzer Tiberius
wiert gemaakt, met dit besluytsel, dat zo hy zich mogt
komen te ergeren aan het Voorwerp, (daar was hy den
Man na!) het hem vry stont van daar voor te ontfangen
een Millioen Sestertien, dat is, by en ontrent, vyf en
twintig duyzent zilvere Dukatonnen; doch hoe gierig die
oude Dief ook was, echter gaf hy den voorrang aan dat
bordeelstukje boven het geld, en dat meer is, hy gaf het
de beste plaats in zijn begonstigt Aretijns Kabinet.
| | Wat Timanthus aangaat, daar van dienen wy ook iets
te zeggen, dewijl hy een Fenix van die tijden is geweest.
Onder veele andere Konststukken schilderde hy een Iphigenia,
dewelke alzo zeer wiert uytgetrompet door de
in die Eeuwen brotnmende Dichters en luydschreeuwende
Redenaaren, als by ons leven het stukje van
Loth en zijn Dochters, gemaakt by den Ridder van
der Werf, is uytgebazuynt geworden, by de konstlievende
Rotterdamsche Konstkenners en Konstinkoopers.
Ook moet men bekennen dat dat Tafereel een meesterstuk
was, volgens Plinius, onze zeghman. Hy had Iphihenia
ver-
|
|
-ocr page 72-
| |
| verbeelt staande recht overend voor het Altaar, als een
jonge onschuldige Princes betaamt, de welke staat om
tot \'s Lands Heyl te worden opgeoffert, omringt door
haar Bloedvrienden, deerlijk door dat Schouwspel verslaagen,
en voornaamelijk haar Oom. Men zogt na \'s Vaders
aangezicht, maar den Schilder, die geen trekken meer
overig had om die bystere droefheyt uyt te drukken, had
zijn oogen met een kleed bedekt, als om zijn traanen te
ontfangen, en voor den aanschouwer de vaderlijke ontsteltenis
te verbergen, zijnde geen Konstpenseelen machtig
die onuytspreekelijke droefheyt uyt te drukken. De
Dichters, de Orateuren, de Schilders, en de Historieschryvers
hebben dat voorbeelt naderhant nagevolgt. De
Predikanten der Roomschgezinden, en derzelver Geestelijken,
bedienen zich noch hedensdaags van die uytvinding
des Schilders; en den Sluijer van Timanthus heeft
in een zeker tafereel gedient om de droefheyt te verbergen
van Abraham in zijn Zoons Offerhande. De Aloudheyt
bezat noch eenige heerlijke Konststukken van dien Schilder,
in dewelke men de vruchtbaarheyt zijns geests en een
behulpzaame vinding zag doorstraalen; gelijk als by
voorbeelt dien slaapende Cykloop, afgemaalt op een kleyn
panneel, rondom welke Reus hy eenige kleyne Boschgoodjes
of Kaboutermannekes had gemaalt, die met hun
bladerstokjes de maat naamen van zijn duym, waar door
men uyt de kleynheyt dier knaapen, de kracht en de
groote des Cykloops maklijk kon opmaaken. Ten laatsten,
hy was een Schilder, of hy was genoegzaam den
eenigste Schilder,. die in alle zijn werken meer verstant
als arbeyd dee blijken, en min sprak dan hy gaf te denken;
en alhoewel er veel geest en vaerdigheyd in zijn penseel
doorblonk, echter vervatten zijn konststukken oneyndiglijk
meer verstant als bekwaamheyt, en een mindere
hand-
|
|
-ocr page 73-
| |
| handgreep als een geestrijke vinding. Noch was er ten
tijde van Plinius een held te zien van dien Schilder, een
volmaakt Konststuk in zijn soort, waar in hy zichtbaarlijk
zijn bekwaamheyt dee blijken in het natuurlijk uytdrukken
van groote Mannen, gelijk als andere Schilders
de kneep hadden, en noch hebben in het konterfijten van
schoone Vrouwen. De Konterfytsels der Mannen zijn
wel zo goed van P. P. Rubens als de Vrouwen, en A. van
Dijk in tegendeel munte uyt in het portretteeren van de
Vrouwen. De twee beruchte fransche Konterfyters, Messieurs
Rigaut en Largilliere, hebben insgelijks uytgemunt
den eerste in Mannen- en den tweede in Vrouwen-tronien,
en Largilliere had de konst boven al fix om de Dames
te coiffeeren, te kleeden, en op te traalien, trots een
fransche Kamenier die dartig Meymaanden heeft zien
uytloopen in de Kamerdienst van een Sodiak van Coquettes.
| | Op die tijd dat Timanthus en Parrhasius bloeiden,
waaren er ook noch andere Schilders in Griekenland,
dewelke wel een grooten naam hadden, doch echter meer
berucht geworden zijn door hun Discipelen, als door hun
eyge werken. Als by voorbeelt, daar was een Euxenidas
en een Eupompus, den eerste is den Meester van Aristides,
en den tweede van Pamphilus geweest, welke laatste
zijn konst mededeelde aan Apelles. Van den eerste
weet Plinius niet veel na te vertellen, maar daar was by
zijn tizd een stuk van Eupompus bekent, zijnde een overwinnent
Worstelaar, die tot een bewijs van zijn triomf
den Palmtak in de hand vioerde. Den Beeldhouwer Lysippus
vroeg eenmaal aan Eupompus, wie dat onder andere
den Konstenaar was, die hy zich tot een model had
voorgeschikt? waar op hy hem een groote meenigte van
alderhande zoort van Volk aanwees, zeggende; Men behoort
de Natuur te volgen, en niet den Konstenaar. Die
Schil-
|
|
-ocr page 74-
| |
| Schilder had zo veel gezag en geloof in Griekenlant, dat
hy de Schilderkonst verdeelde in drie soorten, of in drie
soorten van Schoolen, gelijk als men zegt, alhoewel er
te vooren maar twee schoolen waaren, te weeten de Grieksche
en de Asiatische; maar hem ten gevallen, en dewijl
hy een Sicyonier was, wiert de tweede schoole afgedankt
en de eerste in drien verdeelt, dewelke men naderhant
heeft behouden, namelijk de Jonische, de Sicyonische,
en de Atheensche Schoole.
| Pamphilus den Leermeester van den groote Apelles,
heeft verscheyde beruchte en welgewilde stukken nagelaaten.
Het Bondgenootschap der Grieken, en de Bataille
van Phlius, thans Phoica genaamt, waar van ons Xenophon
de omstandigheden beschrijft in zijn zevende boek;
de vermaarde (a) Overwinning der Atheniensers tegens de
Persen; en een Ulysses op een Sloep, die zijn afscheyt
neemt van de Godin Calipso. Die Pamphilus was een Macedonier,
een Volk dat meer met den degen als met het
penseel speelde, en echter is hy den eerste geweest die de
geleerdheyt \'t zamenpaarde met de Schilderkonst, wy
verstaan daar mee een onbepaalde en een algemeene geleerdheyt,
zo ver als die wort vereyscht om den geest
eens Schilders te voeden en op te heffen. Maar onder andere
beminde hy de Wiskunde, en byzonderlijk van de
.Rekenkunde en van de Landmeetkunde, met veel ernst beweerende,
dat het onmogelijk was om zonder dat behulp
de Schilderkonst tot de volmaaktheyt te brengen.
De Meesters en de Kenners die het fyne van die konst
verstaan, beleyden alle die waarheyt; want alles moet tegengewikt
worden door de Schilderkonst, zonder dat
men de Natuur komt te prangen. Een Schildery is ons
een Eenstemmigheyt in Muzijk, en die dat niet kend,
moet
| | (a) Waarschijnlijk die van Maratahon, een van de heerlijkste en vermaardste
Overwinnigen.
|
|
-ocr page 75-
| |
| moet het zien te leeren. Nu is het maklijk om te begrijpen
dat zo een Man de Konst vereerde, niet onteerde.
Hy nam geene Discipel minder aan voor een bestemde tijd
van jaaren, dan voor een som van tien Talenten, bedraagende
na onze rekening achtien à twintig duyzent
guldens; en voor die som en ook voor geen duyt minder
wierden Melanthus en Apelles aangenomen als Discipelen
of Leerjongens. Hier door beoogde hy twee zaaken;
voor eerst door het lang houden van zijn Discipelen,
kwamen geene als braave Meesters uyt zijn handen, gewapent
voor alle de deelen der Schilderkonst, die geen
kleyn getal uytmaaken; en elders door zich wel te doen
betaalen, verwijderde hy van die Konst Jan rap en zijn
maat, en hy behielt den luyster der Schilderkonst. Kortom
\'t gelukte dien groote Man zo wel, dat hy eerst te Sicyone
en naderhant door heel Griekenlant een soort van een
hooge School oprechte, waar in de welgeboore kinders,
dewelke eenige neyging gevoelden voor de Schilderkonst,
de beginselen der Tekenkonst moesten leeren, op boxboome
tafelboekjes, zijnde die tafelboekjes beyde gemaklijk
en profytelijk, in een Eeuw waar in het papier noch
te zoeken was. Doch, gelijk als wy reeds hebben gezegt,
men ontfong aldaar maar alleenlijk vry geboore Jongelingen,
om die reden hier voorens aangehaalt, zo dat
door zijn toedoen de Schilderkonst toenam in eer en
in luyster, en voortaan aan het hoofd der vrye konsten
wiert ontfangen, als zijnde derzelver Moeder en Bestierdster.
En waarlijk de Schilderkonst was reeds altijds
geeert geweest by de beschaafde Volken; in den beginne
hadden de vrije Perzoonen die geoefent; en vervolgens
de luyden van geboorte en van aanzien; doch bevreest
dat die konst al te gemeen mocht worden in tijd en wijle,
verkreeg hy van de Staaten van Griekenland een gestreng
ver
|
|
-ocr page 76-
| |
| verbod, dat ronduyt de oefening van de Schilderkonst
verbood aan de Slaaven en aan de Huysgenooten, Kamerdienaars
of Laqueyen. De tijden zijn \'t zedert die
Eeuw verslimmert, niet verbetert, ook zwirrelt en zwarrelt
het hedensdaags zo vreeslijk van laaggeboore, zo
wel als van laaggezielde Schilders, dat een fatsoenlijk
Man zijn adem niet kan scheppen op de Vrydags-Markt
van Antwerpen, op Conventgardens bloemmarkt buyten
Londen, en in de Faros bierhuyzen binnen Brussel, ten
zy hy een dozijn van die Sint Lukas Trosboeven onder
de voet komt te loopen.
| | Men plaatst noch in de hondert en zevende Olympiade
eenige vermaarde Schilders, als een zekere Echion en
een Timomachus. By het leeven van Plinius was er noch
van Echion een Bacchus te zien; een Treurtoneel, en een geschildert
Blyspel; een Semiramis, die van een Dienstmeysje
of Bijzit, gelijk als zy was, het middel vond om
een Koningin te worden, en den Troon van Ninus te beklimmen;
noch een oud wijf dat een lamp in de hand
had gevat; beneffens een jonge getrouwde Vrouw, een
Konterfytsel dat altoos doorsteekt door haar medgezellinnen,
door een zekere onvervalschte en oprechte schaamte,
dewelke doorstraalt door alle haar bekoorlijkheden.
| | Maar eyndelijk verscheen in de hondert en twaalfde
Olympiade, den onvergelijkelijken Apelles, geboortig
van het Eylant Co, als een helder gestarnt aan den Hemel
der Schilderkonst; een Konstenaar die alle de voorgaande
Schilders en zijn Tijdgenooten overtrof, en mogelijk
de Nakomelingen heeft overtroffen. Hy heeft de
eer gehad van alleen de Schilderkonst tot een hooger top
van volmaaktheyt te brengen, als alle zijn Voorzaaten te
zamen hebben gedaan. Want niet vergenoegt van zo bovenmenschelijk
het penseel gehandelt, en met zijn voorbeelt
|
|
-ocr page 77-
| |
| beelt te hebben geleert, nam hy noch de pen in de vuyst,
als een geleert en geestrijk Man gelijk als hy was, om
ons de hoofd-geheymen van zijn konst te ontdekken,
heeft hy drie boekdeelen opgestelt, waar van zich Plinius
konstiglijk heeft bedient in dat gedeelte van zijn Natuurkundige
historie. Het is geen gemeen jammer dat die
boeken zijn \'t zoek geraakt in de Schipbraak der Oudheyt,
gelijk als de meeste oude boeken, waar in figuuren
vervat waaren, en dat door de vadzigheyt der Monniken,
die liever die met de hand geschreevene boeken
kopieerden, in dewelke zy niet behoefden te têkenen.
| | Dat deel van de Schilderkonst dat de Kenners de Bevalligheyt
of een aardigen Zwier noemen, was eygen aan
zijn penfeel, hy had een zeker iets dat los, groots, en
echter zacht was, dat het Hart raakte en de Ziel verheugde;
een Artijkel waar op hem zijn tijdgenooten niet
konden naloopen, ik laat staan voorby rennen. Want als
wanneer hy hun Konststukken prees en in het byzonder
ontleede, vervolgens de onderscheyde deelen van de
Schilderkonst, besloot hy doorgaans zijn aanmerkingen
met deeze woorden, Dat er niet aan ontbraak als de eenige
bevalligheyt, gelijk als de Griekfche, of zyn eenige Venus,
gelijk als de Latijnen zich uytdrukken: en hy voegde
er by, Dat zyn Konstgenooten of Mededingers, hem
waarlyk overtroffen in alle andere deelen; maar dat ten
opzichte van de Bevalligheyt, dezelve hem eygen was, en
niemant hem ligtelyk dien Palmtak kon betwisten. Hy had
gelijk van zich op dat Talent, dat niet te verkrijgen is
door dag en nacht te studeeren, te verheffen boven de
Schilders zijn tijdgenooten. Protogenes was wel den eenigste
van zijn Mededingers, die eeniger maate met hem
kon in aanzien komen, op het kapittel van de Konst, en
daarom dee hy Apelles van de Konstkenners zijn Oppermacht
|
|
-ocr page 78-
| |
| macht blijken over dien Schilder van Rhodes. Hy zag
op een zekere tijd een tafereel van dien Meester, dat
heerlijk geschildert, en met een oneyndigen arbeyt en
oplettendheyt was uytgevoert, (mogelijk met al te veel
yver, gelijk als de stukken van Slingelant, van der
Werf, en meer andere stipte Schilders) waar over hy
zich aldus uytdrukte; Protogenes en ik (sprak hy) bezitten
ten naasten by op een zelfde hoogte, de onderscheyde
gedeeltens der Schilderkonst, en mogelyk dat hy vry dieper
in zommige zaaken ziet als ik, al het welke ik hem wil
toegeeven. Maar in eene zaak speel ik over hem den baas,
en die is, hy weet niet wanneer hy het penseel moet neerleggen.
Opmerkelijke woorden, waar uyt wy deeze stelling
van de alderhoogste nootzaakelijkheyt konnen afleyden,
Dat er niets schadelyker is voor onze werken, als
een al te strenge naauwkeurigheyt, en om ons uyt te drukken,
al te gepynt. Maar zo Apelles aan den eene kant een
ongemeene bekwaamheyt in de Schilderkonst, en zeer
veel openhartigheyt had om zijn eygen verdienst te erkennen,
aan den andere kant betuygde en betoonde
hy geen mindere oprechtigheyt en Oordeel, in zich over
eens anders verdiensten uyt te drukken, zelfs over eenige
punten waar in hy zijn minderheyt bekende. Want
hy bekende ter goeder trouwe, dat Amphion hem overtrof
in de Ordonnantie; en dat Asclepiodorus zijn Meester
was, zo ten opzichte der algemeene als byzondere
Evenmaatigheden; gelijk als hy reeds had bekent dat
Protogenes hem te boven ging in andere deelen.
| | Maar a propo van Protogenes, zullen wy niet eens vertellen
op wat wijze die twee groote Schilders malkanderen
kwamen te kennen, en een wederzijdsche vriendschap
op te rechten, zo veel te prijslijker dewijl een oprechte
vriendschap zo raar is tusschen persoonen van de
eerste
|
|
-ocr page 79-
| |
| eerste verdienste, en die om strijd in dezelve loopbaan rennen?
? Die historie is al te aardig om alhier geenplaats te hebben.
| | Protogenes woonde te Rhodes, aan en by Apelles bekent
alleenlijk door de achtbaarheyt van zijn naam, en
by den roem van zijn Schilderyen. Met een woord hy
hoorde zo voordeeliglijk van hem getuygen, dat hy lust
kreeg om den perzoon en het werk, waar van zo veel
goeds wiert gefproken eens te gaan bezoeken. Hy ging
dan na Rhodes scheep, belande aldaar, en liep aanstonds
na Protogenes. Maar hy vond er niet als een oud wijf,
een bedaagde huyshoudster om geen opspraak te verwekken,
of om geen onechte Kuykens uyt te broeden, welk
Spook zijn Schilderkamer bewaarde, waar op hy een
stuk op den ezel ziende staan, dat noch onbeschildert was,
vroeg hy; Waar is Protogenes? De rijpe Huyshoudster
die hem niet kende, andwoorde; Die is eens uytgegaan,
maar zyt zo goed van uw naam te laaten, op dat myn
Heer mag weeten wie na hem heeft getaalt.Daar heb je
myn naam herhaalde Apelles en een van de penfeelen opneemende,
met een weynig verf, têkende hy op dat zuyver
panneel den ee rsten omtrek van een Beeld met een
groote naauwkeurigheyt, en vertrok. Korts daar aan kwam
Protogenes in huys en de Gouvernante verhaalde hem dat
geval, en toonde hem het panneel, waar op hy, zo men
zegt, in een verrukking van zinnen v iel, op het zien van
die keurlijke Têkening. Maar hy behoefde na geen Waarzegster
te loopen om dien panneelschryver te raaden. Dat
heeft Apelles gedaan, (riep hy uyt) want daar leeft geen
mensch als hy die in staat is om zo een grootsche Têkening ter
neer te stellen! Fluks greep hy, door een adelijke spijt genoopt,
een penseel op met een andere koleur, en hy
streefde om noch een toon hooger te kraaien als zijn Mededin-
|
|
-ocr page 80-
| |
| dedinger, en têkende op dien Omtrek noch andere Omtrekken,
veel netter en naauwkeuriger dan die van Apelles;
en daar op beval hy aan zijn Huysbewaarster, dat
als dien Schilder wederkeerde, zy hem niet anders had te
vertoonen als die Omtrekken, en hem te zelver tijd te
zeggen; Zie daar is den Man die ghy komt bezoeken. De
zaak viel zo uyt, en het bejaart Gespens vertoonde aan
Apelles de Têkening van Protogenes, waar op hy zich
ziende overkraait in de eerste beginselen van de Schilderkonst,
het penseel weer opnam, met een weynig verf,
maar van een andere koleur, en hy schetste zulke verstandige
en verwonderlijke Omtrekken tussehen de twee voorgaande
Têkeningen, dat hy genoegzaam het uyterste
vermoogen van de Schilderkonst uytputte. Protogenes
wedergekeert zijnde, en dien laatsten Omtrek ziende, gilde
hy uyt, Ik ben overwonnen, en ik gaa mynen Overwinnaar
verwelkomen. Op dat ogenblik vloog hy na de haven,
alwaar hy zijn Medeminnaar gevonden, en een onverbreekelijke
vriendschap opgerecht hebbende, wiert er
tusschen hun beyden beslooten, dat zy dat panneel waar
op zy om den Palmtak hadden gestreeden, aan de Nakomelingen
zouden nalaaten, zo als het was, zonder er
meer aan te raaken; wel voorziende, gelijk als \'t ook
gebeurde, dat die Schildery vroeg of laat een \'s weerelds
wonder zou worden, en inzonderheyt een wonder voor
de kenners en voor meesters van de Schilderkonst.
Maar dat kostelijk overblyfsel van de twee grootste Schilders,
die er zijn opgestaan \'t zedert den val des eersten
Menschs, is tot niet gebragt in den eersten Brand van
het huys van Augustus, in het Paleys, alwaar het ten
toon stont voor de Nieuwgierigheyt der Toekykers, die
zich altoos op nieuws verwonderden over dat Konsttafereel,
in het midden van een meenigte van uytgevoerde
en
|
|
-ocr page 81-
| |
| en opgemaakte Schilderyen, of schoon zy niets anders
zaagen als drie keurlijke Omtrekken, die het gezicht
ontweeken door hun dunheyt, en die daar langs noch zo
veel te zeldzamer en te bekoorlijker scheenen aan de goede
oogen.
| | Voor de rest, toen wy zeyden, dat Apelles zijn Schilderyen
niet overdaadiglijk overschilderden, hebben wy
niet willen zeggen, dat hy zijn konst of zijn hand verwaarloosde;
dat zy verre; hy oefende gestadiglijk de eene
en de andere, want daar ging geen dag voorby of hy
tekende met het Kraijon, met de pen, of met het penseel,
zo om een luchtige en vrye hand te behouden, als
om tot een grooter volmaaktheyt te geraaken in de uyterstens
van een Konst zonder bepaaling. Zijn naarstigheyt
is verraart in een Spreekwoort, want van hem komt dat
befaamt Voorschrift,
(a) Die Konstenaar leed nooit gebrek,
Die zich van dag tot dag ontlêdigde in een trek.
| Hy had noch een wijze en zeedige gewoonte, om al
dieper en dieper in te dringen in de Schilderkonst. Zo
dra had hy geen stuk geeyndigt of hy stelde het ten toon
op de Gallery van zijn Balkon, voor het nieuwsgier oog
van alle de Voorbygangers, en hy verburg zich achter
het werk, van waar hy de berispingen der Toekykers
kon aanhooren; dewijl hy oordeelde dat het gemeen ten
zijnen opzichte zonder belang, en Jan Alleman niet vooringenomen
zijnde tot zijn voordeel, meer in staat was
als hy zelve om over de fouten te konnen oordeelen;
want wat de schoonheden aangaat, die moeten de Konstkenners
erkennen en gevoelen. Hier over wort voor de
waarheyt verhaalt, dat hy op een zekere dag by een
Schoen
| | (a) Nulla Dies sine Linea.
|
|
-ocr page 82-
| |
| Schoenmaaker berispt zijnde, dewijl hy een Gesp of een
leere Riem te min had gepenseelt aan de Sandaalen van
een Beeld, hy fluks openhartiglijk die feyl bekende, en
verbeterde. Het is waar, dat toen hy gewaar wiert, dat den
Berisper opgeblasen als een fransch Schoolmeester door het
goed gevolg van zijn berisping, daagsch daar aan een
sport hooger wilde klimmen, en op het Been iets dreygde
te bedillen, hy verontwaardigt over zijn vrypostigheyt,
zo wel als over zijn onkunde, eensklaps van achter
het scherm voor den dag sprong, en dien Flikleer
van zijn vilte muts tot aan zijn ossenleere zoolen straflijk
bezien hebbende, sprak of uytdonderde, Hou op Kaerel,
en blyf by je Leest; welke Spreekwoort tot op ons is
overgevloogen,
(a) Schoenflikker speel zo niet den beest,
En klim niet hooger als uw Leest.
| Daar uyt kan men zien dat die groote Man, behalven
zijn talent van wel te schilderen, noch daar en boven
zo veel Leevendheyt, als Scherpzinnigheyt des Geests
bezat; en dat maakte hem zo aangenaam aan den grooten
Alexander, dat dien jongen Held zich niet schaamde
van dien Schilder dikmaals te gaan bezoeken, zo om
zich te vermaaken met zijn bekoorlijken ommegang, als
om het plaisier te hebben van hem te zien schilderen, en
om zo te spreeken den eerste getuygen te zijn van die
Wonderen, die hy zag rollen uyt zijn penseelen. Op
die wijze schepte Demetrius zijn lust in Protogenes te
zien schilderen; de Pauzen Julius den tweede, en Leo den
tiende, waaren als opgetoogen, wanneer zy den grooten
Raphael en Michel Angelo zaagen penseelen; Lodewyk den
der-
| | (a) Ne Sutor ultra Crepidam.
|
|
-ocr page 83-
| |
| dertiende was by uytneemendheyt vermaakt met Vouet en
Lodewyk den veertiende nam meer dan eens het plaisier van
Monsieur le Brun te zien arbeyden. Ha! wat verscheelen
die koninglijke gevoelens, van de laage denkbeelden,
die de wijngierige Pauwkamersgezinden van Otje Arnoldis
Kollegie hadden opgevat, of liever geconspireert,
tegens de Schilders, zijnde die Heeren gewoon, gelijk
als w y in onze Inleyding hebben aangeraakt, van op het
gezicht eens Konstenaars uyt te loeien, met hun breede
Lippen; Een Schilder! is \'t anders niet. Maar wy zullen
die domme en door den wyn verstompte Sileenen daar
laaten, en het leevensbedrijf van Apelles vervolgen. Den
grooten Alexander was zo vooringenomen en zo overtuygt
wegens de zeldzaame bekwaamheden deezes Konstschilders,
dat hy door een algemeen bevel verbood aan alle
Schilders, dat geen een van hun allen zijn Konterfytsel
zou maalen, als Apelles.
| | Het lust ons om den Leezer een staal van des Schilders
adelijke vrypostigheyt te geeven. Het viel eens voor dat
die Vorst, hem ziende schilderen trek kreeg om te papegaaijen
over de Schilderkonst, en hy gedroeg zich
daarin, gelijk als zich de meeste Vorsten zich daar in
gedraagen, dat is, hy zinspeelde op nietwaardige vodderyen,
en hy sloeg het weezendlijkste van de Konst in
de wind, waar over Apelles hem zachtjes waarschouwde
om van discoers te veranderen, met deeze woorden;
Ziet ghy niet, (sprak hy) dat die onnoozele Jongens, die
de verwen wryven, onder malkanderen meesmuylen van Uw
zo misselyk te hooren praaten. Zo een groot vermoogen
bezat dien wijze Schilder op de ziel van een Vorst, die
zo lichtelijk vuur vatte als tondel, die uyt zich zelve
zo haastig was als een Pools Magnaat op een centauersche
Rijksdag, en die zo wel geboekt stont voor een
schrik,
|
|
-ocr page 84-
| |
| schrik, als voor een wonder des weerelds. Eenige Schryvers
zeggen, dat die Konstenaar dat befcheyd gaf aan
Megabyses den Hoogenpriester van Diana van Ephesen;
en Elianus schryft die vermaaning toe aan den Schilder
Zeuxis. Den Heer Bayle twyfelt, of zich die Schilder
zou hebben durven losgeeven aan den oploopenden Alexander,
in die termen; doch Bayle slaat er, gelijk als
den blinde, na het Ey, en als een franfchman oordeelt hy
alle harten na zijn eygen. Ook is de zaak de zaak,
maar het scheelt zeer veel of een plompe Maltheser Kok,
of dat een beschaaft Hoveling, zich uytdrukt; zijnde
het daar by vry waarschijnlijk dat zich Apelles bediende
van de Oorbiegt, en die berisping zachtjes zal hebben
overgelevert in zyde Termen.
| | Maar die Alexandrijnsche zachtmoedigheyt was het
eenigste waartêken niet, dat die Vorst van zijn liefde en
van zijn achting gaf aan dien waardigen Schilder. Wy
zullen er een ander staal van ophaalen, waar by beyden
den Vorst en den Schilder geen ongemeene Eer hebben
behaalt; een zeldzaam voorbeelt in een jong Koning,
waar over zich veel Vorsten hebben verwondert, zonder
dat tot nu toe een dat heeft nagevolgt. Die Vorst beval aan
Apelles om de geliefste van zijn Maitressen te schilderen,
in puris naturalibus, een gevaarlijke onderneeming voor
een Schilder van vleesch en bloed, gelijk als Apelles,
die al ommers zo verzot was op een schoon Vrouwenbeelt,
als een Soldaat belust is na de Boeren hoenders.
Die begonstigde Byzit was de schoonste Vrouw van haar
Eeuw, een waardig model voor het Konstpenseel van
dien Fenix, ja dewelke verdiende om by een onsterflijke
hand gekonterfjt te worden, dewijl haar bekoorlijkheden
boven het bereyk waaren der aardsche gommen en
koleuren. Den Schilder maakte een aanvang met dat konter-
|
|
-ocr page 85-
| |
terfytsel, na zich van het hoofd tot aan de voeten te
hebben gewapent met de alderstrafste Lessen der Zeedekunde,
niet eens gedachtig dat de Zeedekunde maar een
postpapiere Kuras is tegens de Schichten der Mingodes;
en daar van gaf hy aanstonds een proef op de som, als
die zo dra het kloosterdoeks hembje van de schoone (a)
Pancaste niet zag nederdaalen, of het was fluks met hem,
adieu la Philosophie. Den grooten Alexander bestudeerde
ondertusschen de zeldzaame beweegingen des Schilders,
die op zijn stoel zat te kriewelen, gelijk als een jonge
Juffer die na de maaltijt een Kapitteltje naziet in les Entretiens
des Dames van de beruchte Aloisea Sigea; en hy
meesmuylde inzonderheyt toen hy handtastelijk zag, dat
de blikken des Konstenaars, na een tijd lang gevagabondeert
te hebben over de Leliebeemden van haar sneeuwwit
licghaam, eyndelijk post greepen ontrent Diones Roozengaard,
en aldaar uyt Planeeten veranderden in vaste
Starren. Nu wiert Apelles zo bleek als een Noorthollands
meysje dat krijt knabbelt, en dan bloosde hy wederom
als een Dame, die door de Konstzon van Framboisewater,
de Roozen weet te doen bloeien op haar geverniste
wangen. In den beginne raaskalde hy als een
patient in een ylende koorts, en korts daar aan wiert hy
zo doodstom, als een dorpklok die een Visite heeft doorgestaan
van een maartsche Donderslag. De penseelen rammelden
in zijn linkerhand, gelijk als de pylen in de kooker
van een vluchtende Parth, en zijn rechterhand beefde
als de vuyst van een Yrsche getuygen die voor de eerstemaal
van zijn keeven een vakschen Eed verzwelgt. In
\'t kort
| | (a) Plinius schrijft Campaspe; doch Eliaan en Luciaan noemen haar
Pancaste.
|
|
-ocr page 86-
| |
| \'t kort hy doorkiep een geheelen Dierriem van hartstochten,
en hy zou geen jaar en ses weeken die gemoedstormen
hebben verduurt, zonder \'s Vorsten mededoogen,
die hem die schoone Pancaste vereerde, welkers bekoorlijkheden
zulke diepe wortelen geschooten hadden in des
Schilders Ziel, onderwijl dat hy haar bovenmenschelijk
licghaam poogde uyt te drukken door het penseel. Waarlijk
dien grooten Alexander was een groot Vorst, gelijk
als een ieder is bekent, door zijn moed en door zijn heerszucht;
maar hy betoonde zich noch grooter in dat geval,
door het vermoogen dat hy bezat over zijn hartstochten,
en door een offerhande van die natuur, als
door de heerlijkste van alle zijn overwinningen: want hy
triomfeerde in zijn andere overwinningen alleenlijk over
zijn vyanden, en over de geheele Weerelt, maar alhier
behaalde hy een vokmaakte overwinning op zich zelven,
en over zijn hartstochten, hy offerde zijn innerlijkste
vermaaken op aan een Vriend, en hy verduurde manmoediglijk,
zonder in het minst te wankelen, de traanen
van zijn Beminde, die niet al te happig scheen, om
van de koets eens Konings over te klimmen op het bed
eens Schilders. Daar wort gezegt, dat zijn Anadyomenesche
Venus, dat is, een Venus die uyt de Zee komt opborrelen,
een van zijn alderkonstigste stukken was, geschildert
na dat principaal. Uyt dat eenig stuk kon men in
die Eeuwen over de schoonheyt van Pancaste, en over
de grootmoedigheyt van Alexanders Ziel, oordeelen.
| | Wat er van zy, indien wy de zeeden van die tijd beschouwen,
Apelles verdiende die byzondere gonstbewyzingen.
Want behalve de schoonheyt des geests en des
penseels, was hy mer een ongemeene Goedaardigheyt en
Edelmoedigheyt begaaft, dewelke hy zelve uytstrekte tot
aan en op zyn alderbekwaamste Mededingers in de Schilder-
|
|
-ocr page 87-
| |
| derkonst. Protogenes waar van wy reeds hebben gewaagt,
of schoon ter loops, verstrekt ons tot een getuygen. Den
kaatste woonde tot Rhodes, gelyk als wy hier vooren
hebben gezegt, kleyn geacht by z yn Medeborgers, gelyk
als het dikmaals gebeurt dat men de zaaken, die men
bezit, weynig acht, ten zy er de Opheffers of de Trompetters
der Schilderkonst zich tusschen insteeken, die
men dan wel Safraan voor hun Wierook, en Lof voor Lof
dient te geeven, het welk de waare Protogenessen altoos
edelmoediglyk zullen wraaken. Nadat Apelles kennis
had gemaakt met Protogenes, op die wyze die wy reeds
hebben verhaalt, vroeg hy hem eens op een tyd na de
prys van zyn Schikderyen, waar op den ander hem zo
dra niet een kleyne som had genoemt, na maate van derzelver
schoonheyt, of dien braave Medekonstenaar sprak;
En ik zal uw voor ieder Schildery (a) vyftig Talenten geeven,
en ze allen ontfangen tot die prys: en hy voegde er
noch by, dat hy de minste zwaarigheyt niet maakte om
er zich van te ontdoen, dewyl hy ze alzo gemaklyk als
zyn eyge schilderyen zou konnen verkoopen. Noch vergenoegde
hy zich niet van er op die voet van gesprooken te
hebben tegens Protogenes, maar hy voerde de zelve taal
tegens alle de Rhodiers die na hem wilden luysteren.
Die Grootmoedigheyt opende de oogen der Rhodiers
over de verdiensten van hun Schilder, die van zyne kant
zich wonderlyk daar van bediende, en geen schilderyen
als tegens zeer zwaare sommen verruylde, ja noch grooter
pryzen er opstelde, dan Apelles die had geschat.
Zonder twyfel een zeldzaam voorbeelt, en waardig der
Nakomelingen verwondering!
| Behalve die groote Eygenschappen, daar wy hier boven
van
| | (a) Dartig Duyzent Drie guldens.
|
|
-ocr page 88-
| |
| van hebben gemelt, had hy de bevatting zo leevent en
zo net, en de hand zo juyst, dat hy een gelykenis wist te
brengen in zyn Konterfytselen, tot op die tyd toe onbekent,
en zo men \'t zeggen mag, op een ondeelbaare wyze.
Den Letterkonstenaar Apion verhaalt voor een bekende
waarheyt, dat een van die Waarzeggers, of Grieksche
Gekaatkundigen die zich behielpen met goeder geluk
te zeggen uyt der perzoonen gelaatstrekken, het sterfjaar
der Principaalen had geraaden, op het gezicht van
Apelles Konterfytselen, van perzoonen hem onbekent,
de zommigen dood, en de sommigen noch in het leeven.
Doch het verwonderlijkste is, dat die gelijkenis hem zo
min moeite koste, dat men die fluks zag doorstraalen in
zijn eerste Schetsen. Dat zag men onder andere in een
vermaart geval, waar over de Geleerden zo veel hebben
gefchreeven en gewreeven, en dat alhier op zijn behoorlijk
licht zal geplaatst worden. Den Leezer zal dan gelieven
te weeten, dat Alexander in zijn voornaamste tochten
altoos vergezelschapt was met Apelles, wiens openhartig
en eenvoudig humeur niet even aangenaam was aan alle
de Opperbevelvoerders van dien jonge Monarch. Na de
dood van Alexander verdeelden vier van zijn Generaalen
zijn Koningrijken en Staaten; Lysimachus kreeg Thracien;
Seleucus, Syrien en Babylonien; Antigonus, Asien;
en Ptolomeus Egypten. Den Koning Ptolomeus
was by het leeven van dien Macedonische Vorst niet al
te goedgonstig geweest aan onzen Schilder. Altoos hoe
of wat daar van zy, Apelles ging eenige tijd na die Verdeeling
scheep na een stad in Griekenlant, doch wiert
ongelukkiglijk door een storm geworpen op de kust van
Alexandryen, alwaar den nieuwe Koning hem ontfing
met de schouders. Behalve die Wederwaardigheyt, die
hy reeds had voorzien, ontmoete hy er noch een ander
zoort
|
|
-ocr page 89-
| |
| zoort van Benyders, een hoofsch Gespuys, dat dag en
nacht toeley, om hem te verstrikken. Om nu dat oogwit
te bereyken, kreeg dat Vee een Hofverspieder op
de hand, een Guyt genaamt Platanus; die zijn Vader en
Moeder zou hebben verraden, om een Deurwaarders
ampt, die den vroomen Apelles kwansuys uyt den naam
des Konings noode, om met hem te komen avondmaalen;
verzekert dat hy zich daar door \'s Vorsten verontwaardiging
en straf, als die niets van dat spel wist, op
den hals zou haalen. Den Schilder trok ter goeder trouwe
na het Hof, waar op den Koning verstoort over die
onbeschaafde vrypostigheyt, hem met een opslag van
oogen, de drie een manslag, vroeg; Wie van zyn Edeljonkers
hem had verzocht aan zyn tafel? en hem verscheyde
adelijke Noodigers met de vuyst aantoonende, voegde
hy er vraagsgewijze by, Of dien Kavalier ook onder
dat getal was? zo niet, dat hy hem by gebrek van hem
dien Man aan te wyzen, zou leeren wat het te zeggen
was, zich zo onbeschoftelyk te gaan plaatsen aan de tafel
eens Konings. Apelles bekreunde zich dat dreygement zo
min als of het hem niet eens raakte, en hy redde zich uyt die
schakels des bedrogs, als een wijs Man, en als een uytmuntent
Tekenaar. Hy greep uyt een komfoor een
doovekool, en hy tekende in vyf a ses streeken tegens de
witte muur, de gelijkenis van dien Bedrieger die hem
had genoodigt, tot \'s Konings alderhoogste verwondering,
die fluks de Tronie van Platanus kende, op den
eersten Omtrek. Door dat voorval bevreedigde hy zich
met dien Prins, die hem naderhant overstulpte met Schatten
en met Eerampten. Maar de Nijt en de valsche Beschuldiging
gaaven het spel zo gemakkelijk niet op. Antiphilus,
een ander befaamt Schilder, beschuldigde hem
eenige tijd daar na by dien Vorst, van dat vloekverwant-
|
|
-ocr page 90-
| |
wantschap, dat tegens hem uytgebarsten was in de stad
Tyrus, te hebben gesmeed met een zekere Theodotus, alhoewel
er onzen Apelles by noch omtrent was geweest;
en den Vorst had aanstonds de zwakheyt om het oor te
leenen aan die lastering, en in geweldige en buyten gewoone
dreygementen uyt te vaaren tegens den onschuldigen
Schilder. Doch eyndelijk drong de Zon der Waarheyt
door de zwarte wolken dier valsche Beschuldiging,
en dat door de vrywillige Bekentenis van een der handdaadigen,
waar op Ptolomeus zijn vriendschap op nieuws
gaf aan Apelles, en hy begenadigde hem daar en boven
met een geschenk van (a) hondert goude Talenten, om
daar langs dat ongelijk te verzachten. Aangaande Antiphilus
die wiert in een eeuwigduurende Slaverny veroordeelt,
en zo dra was onze Schilder niet te Ephefen belant,
of hy maakte een Schildery van de Lastering, een
Tafereel dat in alle Vorsten Paleyzen behoorden te hangen,
aldus geordonneert. Aan de rechter zy van dat stuk
zat een machtig Man met Esels ooren. De Lastering naderde
hem, met een groote haast, vergezelschapt met
de Onweetendheyt en met het Vermoeden, die met verwondering
na haar schijnen te luysteren. Alhoewel zy er
groots en heerlijk uytziet, echter bespeurde men in haar
gelaat en in haar gang, dat zy was aangemoedigt door
de Toorn en door de Raazerny. Zy had een toorts gevat
met de eene hand, om het vuur van de tweedragt en
van de twist re ontsteeken, en met de andere hand sleurde
zy eenen jongen Man met de haairen na dien vermoogenden
dwingelant, welke ongelukkige zijn handen na
den Hemek verhief, en om den bystant der Goden scheen
te
| | (a) Niet dat er in Griekenlant goude en zilvere Talenten zijn geweest,
maar om onze spreekwijze te gebruyken hondert goude Dukaten, &c.
|
|
-ocr page 91-
| |
| te smeeken. Voor haar trat de Nijt, bleek van Aangezicht,
maager en ontvleescht van licghaam, met brandende
oogen, die de Bende geleyde. Men zag in het gevolg
van de Lastering een groote troep konstige Vrouwen,
dewelke haar gaande maakten, in alle haare beweegingen,
en om strijd bêzig scheenen om haar bekoorlijkheden
op te helderen. Men zag op haare Aangezichten,
de kwaadaardigheyt, een schimpende lacgh, het bedrog,
en het verraat doorstraalen. Dien Treyn besloot het Naberouw,
in een diepe Rouw, dewelke in een bystere verwarring,
en met veele Traanen de Waarheyt, komende
van verre, en mogelijk te laat begon te erkennen. Aldus
was de geestrijke en aardige wraak van dien groote Schilderder.
| | Apelles had noch het konstje fix om de Mistallen te
verbloemen in zijn Konterfytselen, of door het middel
van de Stand, of door den byzondere Zwier des hoofds,
of door de kleedyen; en hy was den eerste der aloude
Schilders die zich bediende van die onschuldige konstgreep
in de Konterfytselen, zonder daar door de gelijkenis
of zonder het byzonder Karakter der perzoonen te
benadeelen. Op die wijze schilderde hy den Koning Antigonus,
die niet ryker van oogen was als den Reus Polifeem,
eer dat Ulisses dat brandent bezoek by hem afley,
door hem het hoofd te doen wenden op een zekere wijze,
waar door hy de Toekykers dee gelooven dat die
lyfgestalte dien Vorst eygen, en geenszins een weezendlijk
gebrek was. Ondertusschen zal Apelles het ons gelieven
te vergeeven, indien wy er dit van zeggen, Dat
den Schilder wel dee, indien Antigonus dat oog verlooren
had gevalliglyk, door een splinter, door de Fles, of
door een zinking, of anderzins; maar zo het oog was
zoek geraakt in het stryden voor zijn Vorst, of in het
ver-
|
|
-ocr page 92-
| |
| verdêdigen van zijn Vaderlant, dan was die mistal een
Têken van dapperheyt, dat niet behoorde noch mogt
verduystert te worden. Hedensdaags is dat een staale wet
van de Schilderkonst en van de Beeldhouwing; de Konterfytselen
van den braaven Webbenom, wel eer Gouverneur
van Breda, en het Praalbeelt van den dapperen
Admiraal Kortenaar tot Rotterdam, bewaarheyden die
onbetwistelijke stelling.
| | Aangaande zijn Uytdrukking der Hartstochten, daar in
behoefde hy niet te wyken voor den grooten Monsieur
le Brun, den Historieschilder van Lodewyk den Veertiende.
Ten tijde van Plinius waaren er op het sterven leggende
Persoonagien van hem te zien, in dewelke hy geen
minder kennis en oordeel had doen zien, als in zijn andere
Konststukken. In \'t kort, hy was zo gestreng en zo gestadig
in alle de voorwerpen die hy behandelde, dat het
niet maklijk zou zijn om te beslechten, waar in dat hy
het meeste heeft uytgemunt. Wy bezitten noch een
groote meenigte van zijn Schilderyen, (zegt Plinius)
doch het zou moeielijk zijn om te vonnissen, welke dat
men het meeste behoorde te pryzen.
| | Onder veele andere konststukken schilderde hy de Anadyomenesche
Venus, een tafereel dat alle de Grieksche en
Romeynsche Schryvers hebben verheft tot boven de wolken.
Den Keyzer Augustus maakte zo veel werk van die
Venus, dat hy ze opofferde in den Tempel van zijnen aangenomen
Vader Julius Cesar, zo veels te meer dewijl
dien Opperbevelhebber zijn afomst afleyde van die Godinne.
Dat Tafereel, dat onvergelijke Tafereel, wiert opgezongen
door een brommende drom van Grieksche en
Latynsche Dichters, en men mag met de waarheyt verzêkeren,
dat zo die Schildery is overtroffen geworden
door de Dichtkunde, zy er des niet tegenstaande is door
ver-
|
|
-ocr page 93-
| |
| verheerlijkt, maar zelve gekroont, en het is geen geringe
zaak, om zo te spreeken, gekroont te worden door
de eygen handen van een Medeminnaares. Laat ons nu niet
zeggen, dat die Vaersen ons zijn bygebleeven, en dat
het stuk is \'t zoek geraakt, want alle die Gedichten zijn
ter eere van dat tafereel opgestelt, en wy z ijn die Vaersen
aan dat Konststuk verschuldigt. De glorie dan van
de eene, is zelve bewaart en geheyligt geworden door de
hulp van de andere Medevryster. Het lust ons om den
Leezer de wij ze, hoe dat tafereel is verongelukt te verhaalen.
De vochtigheyt had er reeds ten tijde van Augustus
de onderste helft van bedorven. Men zocht door
\'s Keyzers bevel na een bekwaam Schilder, om die schade
te verhelpen; doch men vond niemant stout of roekeloos
genoeg om dat te durven onderneemen; een zaak
die grootelijks de glorie des Griekschen Schilders, en de
Achtbaarheyt des Tafereels vermeerderde. Eyndelijk
en ten kaatsten wiert die schoone Venus, dewelke niemant
uyt Eerbiedigheyt durfde aanraaken, vernietigt
door de wormen die in de bezitting van het Panneel inkroopen,
en het verslonden. Een rampzalig verlies, en
een ziekte die noch hedensdaags onze aardsche Godinnen
verslind, op die, ofte op een diergelyke wijze. Nero,
die op die tijd dwingelande, stelde een andere Venus op
die plaats, gemaakt by den Schilder Dorotheus, een
Konstenaar waar van de Oudheyt zo min gewaagt, als
on ze hedensdaagsche Schryvers gewaagen van de Brusselsche
en Antwerpfche Brood-en Waterpenseelisten. Apelles
had noch een tweede Venus geschildert, dewelke volgens
hem en volgens alle de Kenners, de eerste moest
overtreffen, maar de nydige Doot ley zijn poot op den
Schilder eer dat hy noch eens tot op de schoonste helft
was gevordert, zijnde hy pas gekomen tot aan de Geboorte
|
|
-ocr page 94-
| |
te van een Lelieblanken boezem. Den Schryver zal om
dit werk te vervrolijken, dat niet als van stokoude Schilders
handelt, een vaers, zijnde een raadsel waar uyt
men met zeer veel schijn van waarheyt een paar lieve Tetten
kan pikken, laaten tusschen invloeien, in deeze aloude
Leevensbeschryvingen.
RAADSEL.
Twee Nymfen woonden huys aan huys,
Doch zonder Buurschap, of elkand\'ren te genaaken,
En \'t geen vry raar is, schoon en kuys;
Een Iets vry raar, om waar te maaken.
In een en \'t zelve jaar ontvloogen zy het Nest;
Ontrent de driemaal vyf was \'t Nymfen paar geronnen:
En echter schuuwde het elkand\'ren als een pest;
De\' een\' gonde de ander niet die Minnaars die zy wonnen:
Ja schoon een Prins voorby haar trat,
Zy roerden nooit een vin, maar keeken trots en prat.
Dat duurde tot dat paar de vree trof, en vereende;
Een droeve vree vol Ramp en druk!
Een vree die \'t paar te laat beweende,
Want uyt die vreede sproot, Helaes! haar Ongeluk.
Ondertusschen, (zegt Plinius die het vry drok heeft
met zijnen Apelles) het geene dat hy reeds had geschildert
aan die tweede Venus, en het geene wy er noch
van hebben overgehouden, beloofde een volmaakt werk
te zulken uytlêveren; en daar is tot vermeerdering van
roem noch niemant opgestaan, noch in Griekenlant noch
in Italien, die er het penseel heeft durven aansteeken, of
schoon de Schets zeer duydelijk is en de omtrekken naauwkeu-
|
|
-ocr page 95-
| |
| keuriglijk zijn getêkent. Den beruchte Redenkonstenaar
Cicero gewaagt op onderscheyde plaatsen van die heerlijke
Venus. Hy leert ons tot hoe ver dat den Schilder
was gevordert met het Beelt van die naakte waarheyt,
daar hy schrijft (a) Dat Apelles het Hoofd en de Boezem
van de Venus volmaaktlyk had opgemaakt.
| | Een Konterfytsel van den grooten Alexander, die den
Blixem in de vuyst heeft gevat, dat hy voor den Tempel
van Diana van Ephesen schilderde, en waar voor
hy ses en dartig duyzent guldens ontfing, was een befaamt
tafereel. Het scheen dat de hand des Helds, beneffens
den Blixem, weezeendlijk uyt het stuk voortkwaamen,
zij nde noch het alderzeldzaamste dat hy alle
die mirakelen uytvoerde alleenlijk met de vier hoofdkoleuren.
Aaangaande de twintig Talenten dewelke de bovenstaande
som uytmaaken, die wierden hem niet eygentlijk
betaalt; maar het tafereel wiert beleyt met goude
stukken, die by of omtrent die som bedroegen, en
daarom wort er getuygt, (b) Dat de prijs van dat tafereel
niet wiert betaalt na het gewicht, maar na de maat.
| Noch schilderde hy de Pracht van Megabyses, den
Hoogenpriester van de Diana van Ephesen; een Clytus te
paerd die zich na den strijd haast; een ander Grieks Generaal,
die na zijn Helm wacht, die hem zijn Schildknecht
opzet, om op den Vyant los te stuyven. Wat
aangaat den Vader Philippus met zijn Zoon Alexander,
op een stuk, die heeft hy buyten tel gemaalt. Die van
Samos verheffen het Konterfytsel van Habron, dien befaamde
| | (a) Ut Apelles caput & summa pectoris politissima arteperfecit. Epist. 9.
Famil.1.
| | (b) In ste dat het stuk Schildery van Bularchus, waar van hier vooren
is gemelt, by het Gewicht en niet by de Maat wiert betaalt.
|
|
-ocr page 96-
| |
| faamde verwijfde, wiens darrelheyt hy zo natuurlijk
heeft uytgedrukt: die van Rhodes zijnen Menander Koning
van Karien, en zijnen Anceus door een wild Zwijn
gewont: die van Alexandryen zijnen Gorgosthenes, een uytmuntent
Treurspeelder. By het leeven van Plinius waaren
er noch veele heerlijke Schilderyen van Apelles in weezen
zijnde het eerste een tafereel van Kastor en Pollux,
beneffens de Overwinning en den grooten Alexander: het
tweede was een Afbeeldsel des Oorlogs, dat in triomf
wiert omgevoert, de handen van achteren vastgebonden
en Alexander op zijn Staatiekar. Augustus had die beyde
Schilderyen geheyligt aan de toegangen van de
Plaats die zijn naam voert, doch zonder eenige pracht
en met alle die Eenvoudigheyt, dewelke de Meesterstukken
vereyfchen, die zich zelven ondersteunen, en hun
eygen Taal konnen spreeken; toen den Keyzer Claudius,
zich inbeelde dat hy ze noch een toon hooger zou doen
kraaijen, indien hy er het hoofd van Alexander uytnam,
om er dat van Augustus in de plaats te zetten, waar over
hy zich niet weynig Schimpdichten op det hals haalde.
Noch was er een Herkules van zijn maaksel te zien in
in den Tempel van Antonia, de Dochter van den Drieman
Antonius. Dat Beeld draayde de Aanschouwers den
rug toe, doch een weynig over dwars, en dee die schilderachtige
kneep zien, om het Aangezicht der persoonen
te laaten blikken, zonder die in \'t geheel of op de helft
aan te toonen, zonder nadeel van de gelijkenis Ook past
het ons van te gelooven dat hy om zijn eygen Eers wille,
op die manier de schoone Hero verbeelde, toen zy haaren
Leander op het Zeestrand ontfing, en hem afdroogde
met haar eyge handen; dewijl hy nu de kleedyen uyt
dat Tafereel had uytgelaaten, volgens \'s Lands wijze,
dewelke was geen Beelden te bedekken, zal men zich
niet
|
|
-ocr page 97-
| |
| niet behoeven te verwonderen zo men er komt by te
voegen, dat wijze Mannen en deugdzaame Vrouwen, de
oogen behooren af te wenden van zulke Tafereelen.
| | Noch was er een Paerd by hemzeer natuurlijk gekonterfyt
in een penseelstrijd, over het welke hy de Dieren tot
Rechters stelde, zo dra als hy zag dat de persoonen, die
er over moesten oordeelen, de zwakheyt hadden van hun
stemmen te laaten bekuypen door zijn Mededingers. Hy
dee dan natuurlijke Paerden komen by dat Schouwspel,
die koel bleeven staan kyken voor de Schilderyen van
zijn Medeschilders, doch fluks den eene voor en den andere
na geweldiglijk begonnen te briesschen tegens zijn
geschildert Paerd, als of het huns gelijk was geweest.
Na die tijd heeft men zich altijds beroepen op die eenvoudige
Ervaarendheyt, men verliet de menschen als
dikmaals partijdig, om met de Dieren te raadpleegen,
die zo buyten belang zijn in het slaan van hun Vonnissen;
en dat gaat zo ver dat de scherpzinnige Abderieten,
onze Landsluyden, zich van geen andere Bediendens
in alle hunne borgerlijke Twisten en Rechtsgedingen
bedienen, als van Paerden en Esels.
| | Onder zijn beste Konststukken wiert wel eer getelt eenen
Neoptolemus, een Medegezel van Alexander, gewapent
tot aan de tanden, en vechtende te paerd tegens de
Persen. Het is die zelve die naderhant in een tweestryd
met Eumenes om een luchtje raakte. Hy schilderde noch
eenen Archelaus, Koningvan Macedonien, die noch voor
Alexander wort geplaatst, en al ommers zo een groot
Liefhebber van de Schilderkonst en van de Beeldhouwing
was, als die Vorst: eenen Antigonus, den Vader van Demetrius
Poliorcetes op twee verscheyde manieren, eerstelijk
gewapent in het Kuras, gelijk als imant die na den strijd
gaat; en vervolgens eenvoudiglijk te paerd zittende,
zon-
|
|
-ocr page 98-
| |
| zonder een Kuras, gelijk als hy in Vreedens tijd voor
den dag kwam; doch de Konstkenners en de Meesters in
die konst gaaven den voorrang aan het laatste stuk, ja zy
waardeerden het boven alle zijne andere Tafereelen.
Eyndeljk schilderde hy noch een Diane, in het midden
van haare offerende Nymfen; een Schildery waar in hy
Homeer te boven ging, die er hem de stoffe toe had gegeeven
in zijn Ulisses dwaaling. Om nu voor \'t laatst een
oprecht Denkbeelt van die grooten Schilders bekwaamheyt
te geeven aan den Leezer, zullen wy er byvoegen,
dat hy onzichtbaare zaaken dorst schilderen, zaaken die
geen Konstenaar voor zijn Eeuw had ondernomen af te
maalen, gelijk als den Blixem, het Weerlicht, en den
Donder; met een woord, alle die wonderen, dewelke de
Grieken naderhant door onderscheyde (a) Benaamingen
hebben gaan onderscheyden.
| Gemaklijk is het te bevatten, uyt alles het geene wy
hebben gezegt van Apelles, dat de Schilderkonst merkelijk
profiteerde by zijne uytvindingen, en dat die groote
openingen dewelke hy aan zijn Tijdgenooten gaf, door
de pen en door het penseel, oneyndiglijk veele schoone
zaaken in \'t licht hebben gebrogt, die men vervolgens
zag verschijnen. Hy had veele navolgers, grooten en
kleynen; maar geen Mensch wist ooit zijn geheym in eene
zaak te doorgronden, en dat geheym was het maaken
van een zekere Vernis, die hy op zijn Schilderyen ley,
om derzelver kracht en versheyt te bewaaren, dwars door
de Eeuwen. En in der daad, die Vernis was zo fyn en
zo doorschijnent, dat men die niet kon bekennen ten zy
men er de hand op ly van naby, en echter haalde hy
groote
| | (a) Bronten, Adstrapen, Ceraunoboliam gedoopt, dat zijn op het Nederduyts
den Blixem, Weerlicht, en Donder.
|
|
-ocr page 99-
| |
| groote voordeelen uyt die \'t zamenstelling. Voor eerst
kon er het stof noch eenige onzuyverheyt plaats op grypen,
tegens welke twee vyanden de Schilderyen, met
Gom of Lymverf, volgende de wijze dier Eeuwen gemaalt,
zo min konden bestaan, als een Troep onnoozele
Duyven kan bestaan tegens de op den Roof uytsnorrende
Arenden, en die Vernis was, om zo te speeken, den
kampioen die de Maagdelijke zuyverheyt dier zwakke
Konsttaferelen verdêdigde. Ten tweede, vermaakte en
onderschepte hy daar door het gezicht der Kykers, die,
langs de weeromstuyting des Vernis te maklijker de voorwerpen
konden onderscheyden. Ten derde, verzachte hy
merkelijk zijn Konststukken, en gaf aan zijn vleeschkoleuren
dien molligen toon, die zo aangenaam is in de
Schilderyen; ja zo veels te meer aangenaam is, dewijl
onze oogen schemerende en verblint door de krachtige,
schoone en onderscheyde koleuren, niet in staat zijn om
lang daar tegens te bestaan, noch er behoorlijk over te
konnen oordeelen. Nu is het een Iegelijk bekent, dat er
niets meer de zaaken verzacht en maatigt, als die door
een Glas te beschouwen, op een zekere tusschenwijdte,
en die mirakelen dee het Vernis van Apelles. Met een
woord, die Vernis onderschepte het Gezicht, verzachte
de heldere koleuren, en verhoogde en gaf een luyster aan
de vaadsche verwen. Maar wy oordeelen, dat we ons
reeds genoeg hebben uytgebreyt over dien verdienstigen
Konstenaar.
| | Een van zijn vermaardste Tijdgenooten was Aristides
van Theben. Om de waarheyt niet te misdoen, hy bezat
die Aardigheden of die Bevalligheden niet op dezelve
hoogte als Apelles die bezat; maar hy was den eerste,
die door veel geest en door geen minder arbeyt zich zekere
en vaste Regelen wist te verkrijgen, om de Ziel
en
|
|
-ocr page 100-
| |
| en om de innerlijkste gevoelens der Menschelijke natuur
af te schilderen. Dat noemden de Grieken de Zeeden,
en dat doopen wy de Hartstochten te schilderen. Nu
munte hy te zelver tijd uyt in de krachtige en geweldige,
zo wel als in de zachte Hartstochten; alhoewel dat
er iets hart en wreet was in zijn vleeschkoleuren. Hy
schilderde onder andere Tafereelen een verwonderlijk stuk
van de verwoesting eener stad, waar in hy een stervende
Moeder, tot er dood toe door een Ponjaart steek in haaren
Boezem gewont, had verbeelt, dewelke in het midden
van alle die verschrikkelijke voorwerpen die zy zag,
en der smarten die zy gevoelde, noch bezorgt scheen te
weezen voor een overgebleeve K ind, dat aan de Borst
kroop om te zuygen. Maar de stervende Moeder was
noch meer bezorgt voor dat nieuw gevaar, en scheen te
vreezen dat het Wicht bloed mogt komen te nutten in
stee van melk, een gevaarlijke Drank voor jonge Zuygelingen.
De Ouden waaren zo bekoort door dat Tafereel, dat
zy het hebben opgebazuynt door verscheyde Gedichten,
die ons noch zijn bygebleven uyt de algemeene verwoesting
der Aloudheyt. Een der Puntdichten, over dat voorwerp
opgestelt, zegt dat de Liefde van een Moeder herleeft
in het Graf. De hedensdaagsche Schilders hebben
dat Tafereel met zo veel oordeel als geest achtervolgt
in hunne Ordonnantien. P. P. Rubens heeft diergelijke
Hartstochten verwonderlijk waargenomen, en wel inzonderheyt
in zijn Kindermoord, welke Ordonnantie in
de uytdrukking der Hartstochten niet behoeft te wijken
voor eenige aloude Grieksche of Romeynsche Konstschilders.
Wy zullen de andere Schilders die in dat adelijke
gedeelte der Schilderkonst hebben uytgemunt op hun
Beurt oproepen, en ons als noch een wijl houden by de
aloude Grieken. Den grooten Alexander, die als betovert
|
|
-ocr page 101-
| |
| vert scheen op het zien van Iet fraais, kogt dat Tafereel,
en beval het te vervoeren na Pella, zijn geboorteplaats.
Den zelve schilderde noch de bataille van Marathon,
die Befaamde Overwinning der Grieken op de
Persen, en hy ordonneerde tot hondert Beelden toe op
een Tafereel, tegens hondert Dukatons ieder Beeld, volgens
een akkoort geslooten en ondertêkent tusschen hem en
den Tieran Mnason, die op die tijd heerschte te Elatea,
een stad op heden genaamt Turchocori. Ook schilderde
hy Wagens met vier Paerden in \'t front, in \'t snelste van
hunne loop; eenen Smeekeling op beyde knien, zo natuurlijk
uytgedrukt, dat de woorden van zijn tong scheenen
te rollen; Jagers die met hun vangst belaaden na huys
keeren, alzo vergenoegt als vermoeit; een Leontion, een
Schilder, mer het penseel in de hand voor zijn werk;
eene Biblis, zo wel bekent in de Fabelen van Naso,
stervende door het gewelt van een hêvige en strafwaardige
Liefde, die zy had opgevat voor haaren eygen Broeder;
eenen Bacchus en eene Ariadne, dewelke een geruyme
tijd het wonder van Romen zijn geweest, geplaatst
in den Tempel van Ceres; eenen Treurspeelder, met zijnen
Leerling, welk stuk ten tijde van Plinius noch te
zien was in den Tempel van Apollo. Doch dat stuk
wiert in de grond bedurven door de onkunde of liever
door beestachtige domheyt van een zeker Schilder, aan
den welken M. Junius toen Hoofdhout, bevoolen had
dat Tafereel schoon te maaken, of op te helderen, tegens
de Apollinarische Speelen, om het als dan te plegtiglijker
te vertoonen. Dus heugt het ons, dat een zeker
Lystemaaker, een konstkoopende Guyt, Meester Klaas genaamt
in de wandeling, een paar heerlijke stukken in de
pan hakte, in de Kerk van de Abdy van Sint Michiel
binnen Antwerpen. Het keurlijkste kan die twee Schilderyen
|
|
-ocr page 102-
| |
| deryen is een stuk van Rubens gepenseelt te Romen, en
naderhant geplaatst in die voornoemde Abdy, verbeeldende
de Maagd Maria, met het kind Jesus, omringt
met Engelen alle in onderscheyde gestaltens van aanbidding.
Ter zyden ziet men eenige Heyligen recht op staande,
en onder andere een Santinne, bygenaamt het Vrouwtje
met den langen Arm, verzelt met den Paus Sint Gregorius,
en met Sint Mauritius, als een Krygsman gewapent,
alle die Figuuren zijn geordonneert op een uytneemende
grootsche wijze, en geschildert op de manier
van Paulo Veronese. Het tweede Tafereel is een wakker
stuk, dat met zijn hoofd het verwulfsel raakt, geordonneert
en geschildert by Erasmus Quellinus, een braaf
Schilder die insgelijks den Refter, dat is de Eetsaal, van
die vermaarde Abdy heeft beschildert. Die twee schoone
Schilderyen heeft dien gryzen Dief zo schelmachtig
schoon gemaakt, dat men het panneel van het stuk van Rubens,
en den doek van het tafereel van Quellinus, op
onderscheyde plaatsen ziet doorblinken. Een zeker Konstenaar
vroeg eenmaal aan dien Bedrieger, Hoe het kwam
dat hy ondernam Schilderyen schoon te maaken, daar hy zo
wiskonstiglyk ondervond dat hy ze alle in de pan had gefricasseert,
die tot op die tyd toe vervallen waaren onder zyn
verwoestende klaauwen? waar op hy alleenlijk antwoorde;
Myn Heer, daar wort veel gedaan om den Broode. Een
andwoort dat zo wel de Galg als een huysbraak het Rad
verdient. Maar laat ons noch een poos den Rol van Aristides
vervolgen, wy zullen gelegendheyt genoeg hebben
om in het vervolg die Apokryfe konstbedervende Deugenieten
te ontkleeden, en te ontleeden. Noch penseelde
dien Aristides eenen Gryzaart in den Tempel der
getrouwheyt, op het Kapitool, welke Gryzaart een Lier
in de ha.nd had gevat, om op dat Instrument een Jongeling
|
|
-ocr page 103-
| |
| ling te onderwyzen. Eyndelijk en ten laatsten schilderde
hy noch eenen Zieken, den welken noch leefde ten tijde
van Plinius, welk Tafereel van de geheele Weerelt wiert
geëert en geroemt. Die groote Man was zeer bekwaam om
beyde de Ziels en de Licghaams kwyning uyt te drukken
door het penseel, zo dat den Koning Attalus, een groot
kenner dier zaaken, geen zwaarigheyt maakte om aan
dien Schilder hondert en vyftig duyzent guldens te geeven
voor eene Schildery, en dat alleenlijk om dat die
Schildery een uytdrukking van die natuur vervatte.
| | Protogenes was een Tijdgenoot van dien Aristides en
van Apelles; gelijk als wy reeds hebben gezegt, en gevolglijk
is alhier de tijd en plaats om er van te spreeken.
Hy was geboortig van Caune, in het Pereesch gebied,
op die tijd afhankelijk van het gemeene best der Rhodiers.
De bystere groote armoede in den beginne, en de
uyterste vlijt met dewelke hy schilderde, ontnamen hem
de gelegendheyt van zich te vervrolijken, of veele konststukken
voort te brengen, derhalve heeft hy maar een
kleyn getal Tafereelen nagelaaten. Niemant weet by wien
hy heeft geleert, ja daar wort getwijfelt of hy wel ooit
by Iemant is onderweezen. De zommigen verzekeren
dat hy tot op zijn vyftigste jaar een Scheepenschilder is
geweest met de groote kwast, welke scheepen op die
zo wel als op de tegenwoordige tijden met de koleuren
des Regenboogs wierden bemaalt; en daar van geeven zy
deeze Reden, dat hy by die van Athenen gebruykt wordende
om de Schilderyen van Minervas portaal te schilderen,
alwaar hy de twee vermaardste Scheepen, toegeheyligt
aan dat gemeene best, konterfyte, hy er by wyze van
Lysten of Cieraaden, kleyne Barken of gemeene Galiooten
byvoegde, met hun staande en loopent Want, om aan
de geheele Weerelt aan te toonen uyt welke geringe begin-
|
|
-ocr page 104-
| |
| ginselen hy was opgesteygert tot dat Toppunt der volmaaktheyt.
Want wie zou anders hebben konnen zeggen,
dat een gemeen Verwer of Kladschilder van Galeyen,
was opgeklommen tot het beschilderen van Minervas
portaal, en dat hy door de mirakelen van zijn
Konstpenseel de eeuwigduurende toejuycghingen van het
verstandigste Volk des Aardbodems had weeten te verkrygen?
?
| Zijn Schildery verbeeldende Jalysus dewelke by het
leeven van Plinius noch in den Tempel der Vreede te Romen
ophing, is een van zijn beste stukken. Hy had dien
Held verbeelt als een Jager, die \'t zedert een lange reeks
van jaaren op dat Eylant wiert geeert. Men zegt dat Protogenes,
zo lang als hy met dat Tafereel bêzig was, niet
anders nuttigde als in water gekookte Lupijnen, een soort
van platte bittere Erreten, om het Licghaam door schraale
Kost te verdêdigen tegens den Honger en den Dorst,
bevreest dat hy door een krachtiger voedsel de vlugheyt
zijns geests mocht komen te verstompen, welke vlugheyt
zo nootzaakelijk is tot het verkrijgen van de onsterflijkheyt.
Ook wort er by gevoegt, dat hy, om zijn (a)
Schilderyen voor eenige Eeuwen te bewaaren, en in een
geduurige schoonheyt te onderhouden, zijn schilderyen
viermaalen met vier onderscheyde gronden overschilderde,
op dat als de eene grond mocht komen te vervallen,
de tweede de eerste mocht opvolgen, en zo vervol-
| | (a) Dus luyden aldaar de woorden van Plinius, waar aan wy ons Zegel
niet zullen hangen. Het is wel te begrypen dat een Schildery die mals
in de Verf wort geschildert, langer zal duuren; maar het is onbegrypelijk,
dat als de eerste grond komt te vervallen, de tweede deszelfs plaats
inneemen, en zich met de eerste grond zou konnen inlyven. Daarenboven
vraagen wy aan Plinius, of het Schuym van den hond door het Geval
voortgebrogt, ook bestont uyt vier onderscheyde gronden? Plinius spreekt
er niet van, en wy zullen het ook zwygen.
|
|
-ocr page 105-
| |
| volgens tot aan de laatste grond inkluys. Doch dat is het
eenigste wonder niet, dat er wort verhaalt van dat Tafereel,
daar stont ook een hond op gekonterfyt, die zo
veels te verwonderlijker was, dewijl het geval meer deel
had aan deszelfs volmaaktheyt, als de Konst. Protogenes had
dien Hond met zeer veel aandacht en vlyt gefchildert;
ook mishaagde hem dat Dier niet, noch wegens de gestalte,
noch wegens de koleur, maar hy vond zich verlê-
gen in een punt, dat was hy zag geen kans om het
schuym, dat uyt den muyl van die Beesten loopt wanneer
zy vermoeit zijn, natuurlijk te schilderen; en volgens
zijn Begrip feylde er dat maar aan, om het stuk op
te maaken. Hy viel dan te schilderen en te denken, en
rondom dat schuym zo sterk te zweeten als het voorwerp,
doch of hy rad of dat hy langzaam penseelde,
het schuym beviel hem niet, en het was gestadiglijk het
Liedje van Jerusalem, al weer van vooren af aan. Eyndelijk
kreeg den Schilder zijn arme zinnen, het gedult
ontschoot hem, en hy vergrimde zich tegens het Tafereel,
en tegens zich zelven, hy poogde om de natuur te
doen gelijken, en de Konst te doen verzwinden; maar
daar was geen kans; het scheen hem toe dat hy zich al
te veel over het schilderen van die schuym had verpijnt;
en zich van de waarheyt had verwydert, door het meenigvuldig
overschilderen. Niet dat de schuym niet wel geschildert
was in het algemeen, maar hy kon het er niet in
zien, hy oordeelde die niet gelijk te zijn aan het natuurlijk
schuym van een heygende Hond; en die Schilder
was zo straf en zo moeijelijk, dat hy zich niet liet bevreedigen
door de waarfchijnlijkheyt in de Schilderkonst,
maar hy wilde met kracht en gewelt de waarheyt verbeelden.
Door die naauwkeurigheyt dan gepynigt, dewelke
het grondbeginsel der volmaaktheyt is, had hy
dik-
|
|
-ocr page 106-
| |
| dikmaals dat schuym met een Spons uygewischt; dikmaals
had hy op nieuws dat schuym aangelegt; en dikmaals
had hy zijn penseelen verandert, om te zien of het
met dat fchuym beter zou lukken. Eyndelijk na veel mislukte
onderneemingen, ziende dat hy den Hond niet kon doen
schuymen na zijn zin, vergrimde hy z ich zo boven maate
tegens dat deel des Honds, waar op z ijn konst schipbraak
had gelêden, dat hy half desperaat tegens die
schelmsche schuym zijn Spons gooide, welke Spons door
allerley verf doortrokken, zijn voornemen zo gelukkiglijk
uytvoerde, dat hy door het geval verkreeg het geen
de Konst hem weygerde, zijnde het schuym zo natuurlijk
geworden door die Gooi, dat hy zich vergenoegde
in alle deelen. Dat geval is meer dan eens gebeurt, zo
het ons vrystaat van aan Plinius te moogen gelooven.
Den Schilder Nealcus is al ommers zo gelukkig geweest
in zijn gramschap, als den Schilder Protogenes. Hy had
een paerd gefchildert verhit en buyten adem, beneffens
een kaerel die het vasthielt by den toom, en tegens de
borst streelde, en hy was over dat Tafereel, het schuym
uytgezondert, gants voldaan. Wat gebeurt er hy grijpt
insgelijks de Spons, en gooit toe by den ruys; en de
spijt en de spons voleyndigden die verbeelding, dewelke
het penseel en den geest te vergeefs hadden ondernomen.
| | Om weder te keeren tot Protogenes, daar wort verzê-
kert, dat den Koning Demetrius, dien Verôveraar der
steden, Rhodes. belegerde, doch ziende dat hy die stad
niet kon winnen dan langs dien kant, alwaar den Schilder
arbeyde, en zijn stuk van Jalysus beruste, hy liever
verkoos de stad te spaaren, dan dat heerlijk Konststuk
te vernielen. Zo dat men alhier mag zeggen, dat de
achting voor de Schilderkonst op die tijd de overhant
had
|
|
-ocr page 107-
| |
| had op de zucht na de overwinning. Die Schilder hielt zich
op, gelijk als wy reeds hebben aangeraakt in onze Inleyding,
in de Voorstad, waar in hy een Huysje bezat, en een kleyn
Tuyntje rijk was, (wat of de Schilders toen uytvoerden
met die groote sommen, want men stichte op die tijd
geen Kloosters noch Hospitaalen?) alwaar hy zo gerust
zat te schilderen in het midden van het gekletter der Wapenen,
gelijk als wy wel eer de Heremyten gerust en zorgeloos
hebben zien zitten, in de Brabandsche Bosschen,
onder de voorgaande Oorloogen tusschen Willem den derde,
en Lodewyk den veertiende. Den Koning Demetrius
gaf hem eenige van zijn Gardecorps tot zijn Sauvegardens;
en hy kwam van tijd tot tijd hem zien schilderen,
meer voldaan over het zien baaren van die penseel-schoonheden,
dan over den voortgang van zijn Belêgering.
| | Ook bedienden zich de Bezetting en de Borgers van
Rhodes, konstiglijk en staatkundiglijk van des Konings
liefde voor de Schilderkonst, om hun stad te spaaren,
en Protogenes Tafereel te behouden. Dat heerlijk Konsttafereel
was op die tijd toegeheyligt in de Voorstad in
een opentlijke plaats, zeer sterk uyt zich zelve, en verdêdigt
door een hoop Krygsvolk van de Bezetting, dewelke
men altoos kon aflossen, en welk Volk was gelast
van die plaats te verdêdigen tot den laatsten Man. Zo dat
dien Winnaar der steden die stad niet kon veroveren dan
door het vuur; dat hy wel wilde vermijden, door de
hevige zucht, die hy had opgevat om zich meester te
maaken van dat alom befaamt en verheerlijkt Konsttafereel.
Op die tijd dan, dat hy dien hoek begon te bestormen,
met alle zijn Krygsinstrumenren, kwamen er eenige
Gedeputeerden of -Afgezondenen uyt de stad afzakken
na het Leger, dewelke hem het ongelijk dat hy zich
zelven zou aandoen voorhielden, indien hy volharde in
die
|
|
-ocr page 108-
| |
| die onderneeming. Waar mee doch houd ghy Uw op, doorluchte
Vorst, (spraaken die Gezanten) in dit stads gedeelte,
beneffens het Konststuk van Protogenes te willen verwoesten?
? Wat zult ghy er by winnen wanneer alles is in de
assche gelegt? Ghy zult noch aan den anderen kant Muuren,
alzo ontzacghlyk als deeze Buytemuuren, ontmoeten.
Zou het niet glorierijker voor Uw zyn ons te bestormen van
een andere zy, om daar door dat Meesterstuk van onzen
Schilder te bewaaren voor Uw, of voor ons? Want zo ghy
het bemachtigt langs dien weg die wy Uw aanwijzen, dan
zullen wy ons aan Uw overgeeven op Genade of Ongenade,
en ghy zult over ons en over onzen Jalysus triomfeeren,
in het Gezicht des Weerelds; daar in tegendeel indien ghy
volhart in dat gedeelte te willen verbranden, alwaar die
Schildery berust, en dat ghy dan noch daar en boven het ongeluk
krygt van het hoofd te stooten tegens onze overige
sterktens, neem dan wel acht, dat men niet uytgille door
de gantsche Weerelt, dat ghy de Rhodiers niet hebbende
durven bestormen op een edelmoedige wyze, ghy Uw hebt op
den tuyl gehouden met het beoorloogen van eenen Schilder,
en van eenen (a) Dooden. Daar was niet meer noodig na
die Aanspraak om des overwinnaars grootfche Ziel te piqueeren
wegens het punt van Eer, en om hem te beweegen
zijn eygen roem te bezorgen door het beveyligen der
vrye Konsten.
| Wat er van zy, die ongemeene gesteltenis waar in Protogenes
zich bevond, heeft van hem doen zeggen, ten opzichte
van een schildery dewelke hy toen op den Schilderesel
voor zich had, dat die was geschildert onder den Degen,
dat is, onder het gerammel der Wapenen, en in het gezicht
vanwonden en van lyken. Dat stuk verbeelde een
Wouwd-
| | (a) Namelijk Jalysus.
|
|
-ocr page 109-
| |
| Woudgod of Satyr, door de bank bekent by den naam van
den Boschgod Anapauomenes, dat is, die rust, ook
was hy gezeten leunende tegens een Boom, en op dat
er niets aan zijn verzekerdheyt zou ontbreeken, waar
in hy zich bevond in het midden der vyanden, had hy
een fluyt in de hand als een Harder die zich vermeyt aan
den voet van een oude Eykenboom, onder het bezingen
van de Gonstbewijzen zijner Harderin, of de Zoetigheden
van het Boerenleeven. Den historiefchryver Strabo houd
zich byzonderlijk op met de beschry ving van dat Tafereel.
Hy schrijft dat den Boschgod leunde tegens een Zuyl,
op dewelke hy een zittende Patrijs zo natuurlijk had afgemaalt,
dat de meeste Toezienders den Boschgod over \'t
hooft keeken, of schoon noch zo volmaakt in zijn soort, om
zich over dien Vogel te verwonderen; ook kan men er
noch toedoen als een bekende waarheyt, dat de waare
Patryzen er rondom kwamen vliegen, speelende op haare
wijze. Dat spel mishaagde den Schilder zodanig, dat
hy aan die van Rhodes verlof verzogt, en ook verkreeg,
om die Patrijs te moogen uytveegen.
| | Noch heeft Protogenes verscheyde hooggeachte werken
gemaalt; als by voorbeelt, de schoone Cydippe, verschalkt
door den Appel van Akontius: eenen Tlepolemon,
den zoon van Herkules en Koning der Rhodiers, die
zich grootelijks beroemt maakte in het beleg van Troijen,
door de dood van Sarpedon: eenen Philiscus, berucht
Treurspeelder, die een nieuwe rol scheen te overpeynzen,
en er eenige vaerzen van op te snyden: eenen
Kampworstelaar, die vaardig stont om in het worstelperk
te treeden: eenen Antigonus, Koning van Asien,
en Vader van den zelfden Demetrius, die zo veel achting
betuygde voor zijn Konst en voor zijn Persoon: en ten
laatsten eene Pythias, de Moeder van Aristoteles zijn goeden
|
|
-ocr page 110-
| |
| den vriend. Want den Leezer zal gelieven te weeten dat
die beruchte Wijsgeer, die geduurende zijn leeven de
vrye Konsten en Wetenschappen had aangekweekt, grootelijks
de groote gaaven van Protogenes eerde. Hy had
dikmaals gewenscht, dat hy de Jagers, de Boschgoden,
en de Patryzen had willen achterlaaten, om zich te oefenen
in verhevener Persoonagien; en daarom stelde hy
hem de daaden van den grooten Alexander voor oogen
als een stoffe zijn penseel waardig, zo door de grootheyt
der Denkbeelden, door de heerlijkheyt der uytdrukkingen,
door de verscheydenheyt der uytkomsten, als
door de onsterflijkheyt der zaaken. Maar een byzondere
smaak, en een zekere natuurlijke neyging na zachte en na
aangenaame voorwerpen, dwongen hem ongevoeliglijk
die voornoemde stoffen te verkiezen. Het eenigste dan
dat dien Wysgeer kon verkrygen op den Schilder was
het Konterfytsel van Alexander, maar zonder een Bataille.
Om te bewijzen dat die zachte smaak hem niet verliet
met de jaaren, zo schilderde hy voor zijn laatste Konsttafereel
den Harders God Pan, die op een fluyt speelde in
het midden der Arcadische Harders. Want hy munte
uyt in harderlijke en in landleevende Denkbeelden, ja
zelve als hy Beelden goot, verwyderde hy zich niet van
die stoffen.
| | Asclepiodorus leefde in eene Eeuw met Protogenes. Men
kan met de waarheyt tot zijn lof verzekeren, zegt Plinius,
dat hy wonderbaar was in zijn Evenmeetbaarheden.
Apelles maakte geen zwaarigheyt om hem den Palm -
tak toe te wijzen, als zijn Meester; en grooter lof kan
men aan geen Schilder geeven. Die Schilder heeft, volgens
de getuygenis van Plinius, niet veel Tafereelen nagelaaten,
die doorgedrongen zijn tot de Romeynen. Het eenigste
daar dien natuurkundige Schryver van weet te spreeken
|
|
-ocr page 111-
| |
| ken, was een stuk van de twaalf Hoofdgoden, welk stuk
hy maalde voor den Koning Mnason, tegens drie hondert
Dukatons voor ieder God; en het geene wel het byzonderste
is in dat akkoort, was dat die Vorst duyzent
Dukatonnen had besteet voor het Konterfytsel van ieder
Held, aan den Schilder Theomnestes, die ze alle in eene
Ordonnantie had \'t zamengebrogt, volgens hun verdrag.
Een byzonder Voorbeelt, dat der Grieken Helden zwaarder
woogen, als der Grieken Goden
| | Neffens deeze Konstenaar zullen wy noch eenen Nicomachus
plaats geeven, een Zoon en Leerling van Aristodemus;
daar was wel eer een Schaaking van Proserpina
van zijn hand te zien op het Kapitool, in een kleyne
Kerk van Minerva, onder het Tempeltje van de Jeugd,
welk Tafereel in den brand van het Kapitool in de assche
raakte; gelijk als er nog een tweede zeer schoon stuk van
die Meester verbrande. Dat tweede stuk was een Overwinning,
dewelke de lucht doorsnee opeen Staatiekar met
vier paerden in \'t front, waar van dat den Generaal Plancus,
die een Redenkonstenaar, een Leerling van Cicero,
en een Krygsman was, de Opdragt pende. Behalve
die heeft hy noch andere stukken geschildert, dewelke
niet min geacht wierden; als dat van Ulisses, by voorbeelt,
gezêten voor de Hofpoort van zijn Paleys tot Ithaka,
toen hem den oude Hond kende, die een moment
daar na stierf door vreugde. Ulisses was toegetakelt als
een eenvoudige Boer, met een hoed op het hoofd, zo
gelijk als Minerva hem had vermomt; het welk geen
Schilder ooit durfde onderneemen, voor Nicomachus, zo
gewoon was het Volk van Ulisses te zien in het gewaat van
een Held het hoofd bedekt met een Helm, of anders
bloot. Noch schilderde hy eenen Apollo, en eene Diane;
eene Cybele de Moeder der Goden, zittende op een
Leeuw,
|
|
-ocr page 112-
| |
| Leeuw, en omringt met haar Priesters: een vrolijk Bacchusfeest,
waar op men de wellustige Satyrs zag dartelen rondom
eenige adelijke Dames, gekleet als Bacchanten, als
of zy die Vrouwen wilden aanspooren tot de lust, ter zelver
tijd als die geoccupeert waaren om te offeren; en ten
laatsten eene Scylla, een Zeemonster, zo wel afgeschildert
in de Vaerzen van Homerus, en noch beter gekonterfeyt
in die van Virgilius. Dat Tafereel hing noch ten
tijde van Plinius in den Tempel der Vreede. De kenners
hebben aangemerkt ten opzichte van Nicomachus,
dat geen Schilder luchtiger noch vaardiger met de penseelen
speelde, als hy; wanr als hy eens een verding had gemaakt
met den Tieran Aristratus, den dwingelant van
Sicyone, om de graftombe van den Dichter Telestes te vercieren
met eenige Schilderyen, en die opgemaakt te lê-.
veren op een bestemde tijd, wachte hy zo lang met ter
plaars te komen daar hy die moest schilderen, dat dien
Vorst, die zo langmoedig was als een Gaskons Bevelhebber,
reeds op een voldoende straf was bedacht om z ich
te wreeken over dien traagen Schilder, toen hy eyndlyk
belande, maar weynige dagen voor het eynde van het
bestek, en zich echter van zijn belofte kweet met een onnavolglijke
bekwaamheyt en vaardigheyt.
| | Hy had tot Leerlingen Aristides, zijn Broeder, en Aristobulus,
zijn eygen Zoon, en onder anderen dien Philoxenes
van Eretrien, waar van er wel eer te Romen een Tafereel
te zien was, gelijk met de beste Konstschilderyen.
Dat stuk verbeelde de Bataille van Alexander tegens Darius,
dewelke hy schilderde voor den Koning van Macedonien,
genaamt Kassander, een der navolgers of Erfgenaamen
van Alexander. Maar hy bepaalde zijn geest niet
zo zeer aan groote voorwerpen, of hy vervrolijkte zich
somtijds met het schilderen van Bacchusfeesten. Daar was
onder
|
|
-ocr page 113-
| |
| onder andere wel eer een Tafereel van hem bekent, de
drie Sileenen, die in alle ongebondenheyt en dartelheyt
slempten en zoopen. Ook was die Schildery bekent by
den naam van het stuk van de dartelheyt. Philoxenes was
een vaardig Schilder, gelijk als zijn Meester, die hy
overtrefte, want hy was den Uytvinder van eenige nieuwe
middelen om den arbeyt in de Schilderkonst te verkorten.
| | Nicophanes verscheen vervolgens op het Tonneel der
Schilderkonst en vervoegde zich by zijn Voorzaaten. Zijn
penseel was zuyver en aardig, zijn \'t zamenstelling niet
minder als gemeen, ook gaf hy een zekere bevalligheyt
aan zijn Beelden, waar toe maar weynige Konstenaaren
geraaken. Doch men zegt, dat hy geen kleyne
voorwerpen beminde; hy wilde dat de Schilderkonst
voordeelig zoude zijn aan de menschen; en dat men gevolglijk
die behoorde te oefenen op groote en adelijke
voorvallen, als by voorbeelt, op de Historien en op de
Treurspeelen. Zijn manier was groots en echter bevallig,
en men kan maar een kleyn getal Schilders by hem, ten
opzichte van die zeldzaame hoedanigheden, vergelijken.
| | Perseus had het voordeel van de Schilderkonst te bestudeeren
onder Apelles, en het was ter liefde van hem,
dat die befaamde Schilder er drie Boekdeelen van opstelde,
welke drie boeken noch in weezen waaren ten tijde
van Plinius, zijnde die opgedraagen aan dien Leerling.
Maar de bekwaamheyt des Leerlings beandwoorde \'s Meesters
konst niet. De Tafereelen van Perseus vervatten die
dartelheyt noch de bevalligheyt niet, dewelke men zo
oogschijnlijk zag doorstraalen in de uytdrukselen van Apelles
beelden; en aangaande de koleuren, die bezaaten
op ver na die zachtheyt of die waarheyt niet, dewelke
men zag heerschen op Zeuxis Tafereelen.
| | Aristides, den Thebaner, had ook zijne Leerlingen.
Ariston
|
|
-ocr page 114-
| |
| Ariston en Niceros, zijn twee zoonen, beneffens Autorides
en Euphranor waaren zijn vermaardste Difcipelen.
Niceros heeft niet veel geschildert, daar in gelijk aan Adam
Helsheymer; doch Ariston penseelde onophoudelijk,
hier in overeenkomstig met P. P. Rubens Daar plagt toen
Plinius noch schreef, een Satyr te Romen te zijn van den
laatste, bekranst met bloemen, met een wynroemer in de
hand, die na het scheen fioolen liet zorgen. Aangaande
Autorides en Euphranor, dewijl die een ander soort van
schilderen hebben geoefent zullen wy daar van spreeken
in tijd en in wijlen. Doch wy moeten den Leezer, of
schoon ter loops, zeggen, dat den voorens genoemde
Schilder Nicophanes, een Hoerenschilder wort gedoopt by
Atheneus, dat is, een Schilder gelijk als Arnold Verbuys,
Romeyn de Hooge, Boitard, la Fage, en alzulke Solferpriemen
des Satans. Maar het blijkt even wel uyt de geschriften
van Plinius, of liever uyt zijn attestatie ten
voordeele van Nicophanes, dat die Konstenaar zich niet bepaalde
in den omtrek van die onkuysche afbeeldingen;
en daar uyt mag en kan men besluyten, dat Atheneus al mee
een knaap is geweest als onze hedensdaagsche Schryvers,
die zeer zelden in de achterhoede zullen blyven op het
kwaadspreekendheyts kapittel.
| | Tot noch toe hebben wy alleenlijk gewaagt van die
Schilders die groote schilderyen maalden, dat is te zeggen,
wy hebben die Meesters aangehaalt die befaamt waaren
in het konterfyten der zaaken en persoonen leevensgroote;
maar nu lust het ons om alhier die heeren Schilders
op te roepen, die zich beroemt wisten te maaken in
het kleyn, en die alleenlijk stukjes van een zeer kleynen
omtrek, of in waterwerf penseelden. Onder de Grandes van
die Klasse komt Pyreicus in het voorste gelit te voorschijn,
Een man weynig minder in konst dan die voorgemelde
groote
|
|
-ocr page 115-
| |
| groote Meesters, en wiens byzondere smaak iets tegenstrydigs
bezat, ten opzichte van die ongemeene Eygenschappen
hem toegeschreven by de Ouden. Want alhoewel
hy zich maar alleenlijk bevlytigde op kleyne voorwerpen,
echter heeft hy het daar in zo ver weeten te brengen,
dat zijn glorie niet veel Aazen minder woog als
die der aldereerste Schilders: zo dat na maate dat hy zijn
penseel verminderde, aangaande het voorwerp, veradelde
hy het weder, ten opzichte van de konst, en daar
door heeft hy de overwinning behaalt op alle de Schilders
van zijn orde. En wie zou zich konnen verbeelden,
dat hy zich een grooten naam wist te verkrygen, in de
Schilderkonst, door het schilderen van Barbiers en van
Schoenmaakers winkelen, in het maalen van Muylezelen,
en van met alderley soorten van groentens en eetwaaren
gelaadene Karren, waar door hern de Grieken Rhyparographos
doopten, als of zy zeyden een Schilder van
doorns en van distelen, indien onze Landsluyden zulks
niet hadden beleeft in de Nederlandsche Konstschilders?
De Vlamingen en de Nederlanders hebben dien Pyrêicus
stapsvoets nagevolgt in het verbeelden van die geringe
voorwerpen. Hun penseel is verwonderlijk, doch het
voorwerp gering geweest. Den Ridder Van der Werf uytgezondert,
die doorgaans bevallige en grootsche voorwerpen
heeft uytgekipt tot zijn uytvoerige Tafereelen.
Die Pyrêicus nu vermaakte zich te meer in die Dwergtafereelen,
dewijl hy zeer wel zijn rekening er in vond; en
dewijl die stukjes beter aan den Man wilden als die groote
Schilderyen der beruchte Meesters, voor dewelke men
stukken van Menschen moest betaalen eer men die kon bemachtigen.
Daarom zey Varrov zeer aardiglijk in zijn vertoog
over de vrye Konsten, Dat onderwyl Pyrêicus zich
verrijkte door het schilderen van die stukjes, men maar een
enkelt
|
|
-ocr page 116-
| |
| enkelt Tafereel van Serapion zag hangen in de Menische Galleryen.
Om den zin van Varro nu recht te vatten, zullen
wy den Leezer zeggen, dat die Menische Galleryen of
Wandelaaryen algemeene plaatsen waaren binnen Romen,
alwaar de Koopluyden en Schilders hun tafereelen ophingen,
om door het Spreekwoort van Aanzien doet gedenken,
de Konstminnaaren een ofte meer Schilderyen aan
te fmeeren. Die Schilder was een Overvlieger in het maalen
van Tonneel-vercierselen, maar zijn Beelden schilderde
hy noch slimmer als het geel Maasmeyertje die schildert,
en dat is alles wat dat men daar over kan zeggen.
Ondertusschen is het opmerkelijk dat Denys van Kalophonen,
die geen Jooden Tonneel behoorlijk kon schilderen,
zeer vriendelijke Beelden en Konterfytselen kon
maaken, waar door de Grieken, die al ommers zo mildaadig
waaren met iemant een Aliasnaam op \'t lijf te werpen,
als de Gaauwdieven, hem noemden den Anthropographos.
Zo waar is het dat de Eygenschappen verdeelt
zijn in de Schilderkonst., als in veele andere zaaken.
| | Callicles was noch een Konstenaar, een Man zo uytmuntent
in Waterverf schilderyen, dat hy voor niemant
der groote Schilders een duymbreedte behoeft te wijken.
Zijn stukjes waaren zelden grooter als drie duymen in den
omtrek, en ondertusschen zag men er een zeker Verheven
in, dat zeer naby kwam, zegt Varro, aan Euphranors
Majesteyt.
| | Caladus volgde dien voorgaanden Konstenaar van naby
op de hielen, maar hy was min verheven in zijn Ordonnantien,
Hy gaf den voorrang aan het Blyspel boven het
Treurspel, dat is om verstaanbaar te schryven, zijn stukken
geleeken meer na de stukjes van Brouwer den Bootsenschilder,
als na de grootsche Ordonnantien van den Ridder
Karel de Moor, dien wakkeren Historieschilder,
Anti-
|
|
-ocr page 117-
| |
| Antiphilus verstont de kneep om die beyden Karakters
te vereenigen in een persoon. Die Antiphilus was dien
zelve Kabouter waar van wy reeds hebben gesprooken,
die te Alexandrien schilderde voor den Koning Ptolomeus,
en die zo rechtvaardiglijk wiert gestraft, dewijl
hy den edelmoedigen Apelles zo onrechtvaardiglijk beschuldigde.
Wat er van zy, hy had een delikaat penseel,
en als hy een verheven voorwerp wilde verbeelden, gelukte
\'t hem niet kwaalijk. Veel Schryvers stellen hem
waterpas met Apelles en met Protogenes; maar dewijl
hy maar kleyne stukken maalde, past het niet hem daar
by te vergelijken. By het leeven van Plinius was er noch
een zeer schoone Hesione, Priams Moeder, van hem te
zien, binnen Romen; eenen Philippus en eenen Alexander,
beneffens Minerva, die de Deugd en de Dapperheyt inblaast
in de Ziel van dien jongen Vorst. Die Tafereelen
waaren opgehangen op de Hooge school van het portaal
van Octavia. Die plaats of dat portaal noemen wy de
Hooge school, dewijl de Wijsgeeren en andere Geleerden
aldaar dagelijks te zamen kwamen. Noch schilderde hy
eenen Bacchus; eenen Alexander noch maar een kind
zijnde; en eenen Hippolitus, verschrikt voor den Stier,
den welken is losgelaaten om met hem te strijden. Die
drie Tafereelen waaren te zien in het portaal van Filippus.
Noch bezat Romen eenen Kadmus, en eene Europa,
waar over de gantsche Weerelt zich verwonderde in
het portaal van Pompeus. Wy hebben reeds gezegt dat
hy uytmunte in blyde en in droevige voorwerpen. Op
een zekere tijd schilderde hy een Kaerel gekleed op een
belacghelijke wijze; en die snaaksche Schildery vervrolijkte
hem zo zeer, dat hy dat stukje doopte zijne (a) Grillo,
welke
| | (a) Mogelijk in navolging van het grieks woord (((((((, betêkenende
een Verken.
|
|
-ocr page 118-
| |
| welke benaaming de navolgende Schilders \'t zedert hebben
nagevolgt, die noch aan diergelijke Zinnespooken
den naam geeven van Grillen. Ook zijn het alleen de Schilders
niet die dien tytel geeven aan hun Konsttafereelen,
maar ook de Rymers, by het gemeen misdoopt Poeeten,
hulden hun Vreede-Toorts prullen op met die benaamingen.
In den jaare duyzent zeven hondert en dertien heeft
een Pannenbakker een lomp Gedicht in de Weerelt gestooten,
bekent by den tytel van Grillo, een Gedicht dat
zo beschaaft is in taal, in styl en in vinding, dat ik
wel eens een Schoenlappers jongen, een Sleepers Substituyt,
of een Kruyers Noothulp, zou willen zien, die
het zou konnen verslimmeren. Voor de rest was die
Schilder een gebooren Egyptenaar, maar zijn Meester
was een Grieksch Konstenaar, genaamt Ctesidemus.
| Wel eer zag men noch onder de puynhoopen van den
Tempel van Ardea eenige op versche kalk geschilderde Tafereelen,
van een middelmaatige groote, wier maaker wy
moeten gedenken. Die Schilder wiert genaamt Marcus
Ludius, een Griek en geboortig van Etolien; doch in
Italien gekomen zijnde en voor die van Ardea den Tempel
van de Godinne Juno geschildert hebbende, wiert
hy met een Eenpaarigheyt van stemmen aangenomen als
een Medeborger; ja die Ardeërs vergenoegden zich niet
met zijnen Arbeyt te erkennen, door veele grootmoedige
Geschenken, maar zy deeden ook dit (a) Opschrift
stellen onder zijn Konsttafereelen. Aldus luyd dat opschrift.
Dit
| | (a) Digneis digna loca pictureis condecoravit
| | Reginæ Junoni supremi Conjugi templum,
| | Marcus Ludius Elotas Ætolia oriundus:
| | Quem nunc et post semper ob artem hanc Ardea laudat.
|
|
-ocr page 119-
| |
Dit \'s Markus Ludius, een Griek, en Konstenaar,
Die met zyn Konstpenseel Ardea heeft beschonken,
En \'s Hemels Koningin op \'t prachtigste dee pronken,
In \'t trotse Kerkgevaart op haar gewyd Altaar:
Ardea wil \'s Mans roem op hooge toonen zetten,
Ook zal den Naneef wyd en breet dien Heldtrompetten.
| | Doch dien Lidius doet ons gedenken aan een tweede
Ludius, een Konstenaar die insgelijks in Fresco schilderde,
en die men niet behoort te versteeken van dien
Lof die hy zo rechtvaardiglijk heeft verdient. Hy leefde
onder de regeering van den Keyzer Augustus, en heeft
zeer veel geschildert by zijn leeven. Zijn grootste konst
bestont in het bemaalen van met versche kalk bestreeken
Muuren, Kamers, Portaalen, en al zulke zaaken, dewelke
hy met Landschappen, op een aardige en veranderlijke
wijze behandelt, wist te vercieren. Ook was
hy den eerste die die manier invoerde onder de Romeynen;
want het blykt nergens dat men die wijze van schilderen
veel geoefent heeft in Griekenlant. Ondertusschen kon
men niets aardigers wenschen te zien als alle die onderscheyde
Bevalligheden dewelke Ludius al speelende voortbrogt;
als by voorbeelt, Buytenplaatsen, Zeehavens,
Portaalen, groene Haagen, Tuynhuyzen, Bergen, Heuvelen,
Wouden, Vyvers, Vlieten, Watervallen, en
Rivieren, wier groene zoomen hy met alle die zaaken, die
men hem vorderde, bemaalde en stoffeerde. Nu beschilderde
hy die met Laanen van Eyken of Abeelen, vervult
met allerhande Menschen, dewelke aldaar het vermaak
van de wandeling naamen; dan wederom bemaalde
hy die Vlieten of Rivieren met kleyne Roeischuyten en
Jachten, opgepropt met Menschen, waar van de sommige
tegens den stroom scheenen op te roeien met kracht,
onder-
|
|
-ocr page 120-
| |
| onderwijl dat andere zachtjes neerwaards dreeven met
gemak. Op een andere tijd vertoonde hy gantsche Dorpen
vervult met Boeren en Boerinnen van allerley soort
van jaaren, dewelke te voet of te paerd, op hun Esels
of Karren wederkeerden na een nabuurig gehucht; een
vrolijk gezicht voor de Aanschouwers. In \'t kort, daar
was ook niets in het landleeven, dat hy niet schilderde,
volgens de plaatsen, of volgens de luymen dier geenen
die hem gebruykten. Alhier, by voorbeelt, schilderde hy
een Vischplaats, alwaar Lieden die niets anders te doen
hadden, zich met een groot gedult behielpen met de
Hangelroe, onderwijl dat anderen met de Schakels of
met de Werpnetten en Zegens toeleyden op een goede
vangst. Aldaar zag met een deel kleyne Knaapen, die
Vogeltjes vongen met de Uyl en met de Lymstangen.
Op een andere plaats zag men een Jagt met alles wat er
by behoort; en op een vierde stee kon men een Wynoogst
zien met alle zijn vermaaken. Zomtijds ging hy noch
een toon hooger, want volgens Plinius, waaren er noch
eenige Tafereelen van zijn hand te zien, bemaalt met
ongemeene verwonderlijke Grillen, en met vreemde Zinnespooken.
Men zag er jonge Lichtmissen van de beste
geslachten, wittebroods Jonkertjes, dewelke eenige onnoozele
Boerenmeysjes op hun schouders hadden gelaaden,
om die over een Water of Moeras te brengen in haar
gehucht. Maar die jonge Heeren, die nergens anders op
toeleyden als op het Kattenspel, struykelden en vielen
al willens in het troebel water, doch altoos in zodaanige
gestalte dat er de Aanschouwers om moesten lacghen.
Op die wijze schilderde Ludius, en op die zelve wijze,
doch in een minder omtrek, is hy nagevolgt geworden, door
den fluuweele Breugel, Berghem, David Teniers, en andere
Konstschilders, die wy ieder op zijn beurt zullen aanhaalen,
Maar
|
|
-ocr page 121-
| |
| | Maar men moet evenwel bekennen, dat die Schilders
wel zo veel deel hadden in de Voorzichtigheyt, die het
schilderen wraakten op Deuren en op Vensters, op Gevels
en op met kalk bestreeken Muuren, en op dien Artykel
past het ons om de oude Konstschilders te pryzen, wegens
hun Wysheyt en Huyshouwkunde. Want de aloude
Schilders, waar van wy hebben gewaagt, bepaalden ofte
vergenoegden zich niet om de Muuren te vercieren, alleenlijk
voor de in die eeuwen zijnde Meesters, aan dewelke die
Muuren toebehoorden, of hun tijd en hun koleuren te
verspillen, in het optraalien van een onbeweeglijk Paleys,
dat men niet kon ontrukken aan het gewelt des
vuurs; maar zy wilden zich liever vasthouden aan draagbaare
Schilderyen, dewelke men gemaklijk kon wegsteeken,
en van plaats tot stee vervoeren, dwars door de toekomende
Eeuwen. Op die wijze vergenoegde zich Protogenes
met zijn kleyn Huysje, in een Tuyntje; en Apelles
schilderde zelfs niet een graauw Beeld tegens de wand
van zijn wooning, noch hy vercierde zijn Kamers met
Passtukken, met Zoldertafereelen, ofmet gemaalde Loofwerken.
Hier in verscheelent van een zekere Boerenschout,
die pas zo veel konnende schilderen, als een
Jongen Latijn verstaat om de Misse te konnen bedienen,
aanstonds zijn Voorhuysje met Borstbeelden, en zijn
Zoldervenster met de Schilderkonst bekladde, welke
Schilderkonst hy met een doek om de kin had bemaalt,
kwansuys verbeeldende de stomme Poezy, waar door het
meer dan eens is gebeurt, dat de Reyzigers, met de
.Tandpijn of met andere toevallen bezet, aanschelden by
dien Dorps-dwingelant, om hem te consulteeren als een
Kwakzalver, als een Barbier, of ten uytersten, als een
landloopent Geneesheer zonder Promotie. Neen, Leezer,
op die tijd was dit Jeuksel, of liever, die zotte
ydel-
|
|
-ocr page 122-
| |
| ydelheyt om de Waaden te bemaalen, noch niet ingesloopen
in de verwaande Zielen der Liefhebbers; of
men was niet gezint om die onherstelbaare Meesterstukken
der Konstschilders bloot te stellen, en op genade of
op ongenade over te geeven aan de bescheydenheyt der
vlammen. Alle de overblyfselen van die groote Mannen
hielden de wacht, om zo te spreeken, in de Paleyzen,
in de Tempelen, en in de Steden, zijnde een groot
Schilder op die tijd een gemeen goed, en een algemeene
schat, waar toe een ieder even na was. Dit zy ter loops
gezegt, en ten opzichte van de beschilderde Muuren van
den Fresco Schilder Lidius. Voor zijn tijd was er te
Romen een ander Schilder, die een grooten naam zou
hebben verkreegen wegens z ijn Konst, indien zijn onwaardige
leevenswijze waar door hy het Konstpenseel
ontheyligde, hem de verachting der deugzamen niet had
op den hals gehaalt. Zijn naam was Arbelius, en hy bloei -
de maar weynig tijds voor Augustus; die Schilder was altoos
ingewikkelt in een nieuwe Minnenhandel met allerley
soort van Vrouwen, de laatste Pels was hem altoos
de waardigste, waar van hy zich als van een nieuw model
bediende, in zijn Konstschilderyen, en ter goeder
uure, indien hy daar toe Aretijns Ordonnantien of Romeyn
de Hooges Zinnebeelden had uytgekipt; maar doorgaans
schilderde hy Goden en Godinnen van den eersten
rang, en een Juno, een Minerva, of de Moeder Cybele,
penseelde hy na die Byzit waar op hy dan het hêvigste
was verzot. Zo dat de Liefhebbers van de Schilderkonst,
in het doorloopen. van zijn Godinnen, altijds alle zijne
geliefde Maitressen, of liever zijne onkuysche Courtisanes,
konden kennen. Den bevalligen Albaan gedroeg
zich daar in op een eerlijker wijze, dewijl hy in zijn
Familie de daar toe vereyschte modellen vond, en in
zijn
|
|
-ocr page 123-
| |
| zijn schoone Huysvrouw, en onder zijn engelachtige kinders.
Alhier zouden wy noch den grooten Raphael d\'Urbino
konnen toevoegen, die al ommers zo verzot was op
die schoone Sexe, als een britsche Dog heet is op een
Vuurwerk, en die zich met Ziel en met Licghaam aan de
Vrouwen overgaf, op die tijd, toen hy die Godvruchtige Autaarstukken
schilderde, waar mee noch hedensdaags de
Roomsche Kerken pronken. Doch wy zullen er dit toedoen
tot zijn verdêdiging, dat die zucht genoegzaam
zijn eenigste gebrek was, en waar van hy ook de schielijke
straf droeg, als die door een Debauche van die natuur
uyt dit leeven wiert weggerukt, onderwijl dat hy
zich werkelijk bêzig hielt met het schilderen van een
geheyligde Ordonnantie.
| | Na dien Arbelius kwam er een ander aanstuyven op het
Schildertonneel, een Man die zo gestreng en zo deftig
was van zeeden als een Kato, en die echter vrolijke en
laage voorwerpen schilderde. Hy wiert Fabullus genaamt,
en die Konstenaar had zo een raar opslag van
oogen, dat het scheen dat hy ieder in het byzonder aanzag,
van wat zijden men hem ook bekeek. Hy schilderde
maar weynige uuren daags, en dat met zo een gestadige
deftigheyt, dat hy altoos bekleed was met een lange
Tabbaert, alhoewel hy het penseel in de hand had
gevat, of dat hy maalde op stellaadien. Hier in gelijk
aan de spaansche Vleeshouwers, die altoos gemantelt,
gedegent, en geponjaart zijn, al is \'t dat
ze een kalfsschenkel rabraaken, of een vierendeels
frikkadel kleyn kappen. Zijn gantsch werk, dat zeer
aanmerkelijk was, wiert opgeslooten in het goud Paleys
van den Keyzer Nero, welk gebouw onnoemelijke
sommen had gekost, en evenwel tot de grond toe
wiert verbrant: en daar komt het van daan, zegt Plinius,
|
|
-ocr page 124-
| |
| niusdat er geen Schilderyen, ja zelve geen Kopeyen van
dien Schilder by zijn tijd te zien waaren binnen Romen.
| | Na hem wiert te Romen veel werks gemaakt van twee
Schilders, naamlijk, Cornelius Pinus, en Accius Priscus,
na wier overlyden de Schilderkonst scheen op het gypen
te leggen. Die twee Schilders schilderden gezamentlijk
aan die Tafereelen, dewelke men noch by het leeven van
Plinius zag hangen in den Tempel der Tweelingen, of
om zo te spreeken, van de Eer en van de Deugd, welk
gebouw den Keyzer Vespasiaan dee herstellen en beschilderen
op een wijze zijns en de Tempelen waardig. Die
zelve Vefpasiaan stichte noch den Tempel der Vreede, en
vercierde die met de alderzeldzaamste Oudheden en Cieraaden;
doch het vuur verteerde alle die Tempelen geduurende
de Regeering van Kommodus.
| | En nu zullen wy overgaan tot een andere wijze van
schilderen, dewelke wel eer van een groot gebruyk is
geweest, doch thans achter de bank is geworpen, gelijk
als het Glasschilderen, of anders gedoopt, het Glasschryven.
Wy spreeken van de Schilderkonst in wasch, waar
in het penseel niet veel of by na geen deel had, en waar
in men zich vergenoegde om de koleuren op het Hout
of op het Ivoor te doen houden, door het middel van
vuur. Men kan niet wel zeggen, schrijft Plinius, wier er
den Uytvinder van is geweest. De sommigen geeven
voor dat men den roem van die Konst of Uytvinding is
verschuldigt aan een zekeren Aristides, niet dien Schilder
van Theben, maar een ander Konstenaar, die een
Leerling was van Polycletus. Zy voegen er by dat Praxiteles,
een groot Beeldhouwer, die Konst, uytgevonden
by Aristides, verbeterde, en tot een meerder soort
van volmaaktheyt brogt, doch wy konnen er geen beëedigde
getuygenis van geeven, te meer dewijl de wassche
Schil-
|
|
-ocr page 125-
| |
| Schildereyen zijn bekent geweest, voor de Eeuw van die
twee Schilders. Daar waaren van dat zoort van Tafereelen
gemaalt of gemaakt by Polygnotus, by Nicanor, en
by Arcesilas, welke drie Heeren Landslieden waaren, geboortig
van de stad Pario Lysippus, dien beruchte Konstenaar,
en dien eenigste Beeldhouwer, die ten tijde van
Alexander bronze Beelden mocht gieten, schilderde ook
in wasch op het eyland Egina; en dat is zo waar dat hy
op een zekere tijd een Grieks opschrift stelde onder een
diergelijke wassche Schildery, waar van den inhoud luyd
op Nederduyts; Dit Tafereel heeft Lysippus geschildert
in of door het vuur. Lysippus zou nooit dat opschrift zo
rond uyt hebben durven stellen onder dat Tafereel, indien
de brandende Schilderkonst in gebruyk was geweest voor
zijn Eeuw. Want den Leezer zal gelieven te weeten, dat
de Opschriften gemeenlijk vry zeediger waaren op die
aloude, als op de tegen woordige tijden, en dat de Konstenaaren
zich vergenoegden met ondet aan op hun Tafereelen
te schryven, Zo een schilderde het, zo een maakte
het door het vuur; ja dat ging zo ver, dat er ten tijde
van Plinius maar drie aloude Tafereelen bekent waaren,
waar onder zy hadden geschreeven; Zo een heeft het gemaakt;
zo een heeft het geschildert, zo een heeft het opgemaakt
door de hulp des vuurs; en die Schildery van Lysippus
besloeg een plaats onder die drie stukken; en daar
uyt besluyt Plinius, dat hy wel voldaan was over dat Tafereel,
dat het stuk heerlijk, en die brandende Schilderkonst
zo nieuw niet was, als men malkanderen poogde
te doen gelooven.
| | Daar wort ook noch verzekert dat Pamphilus, die de
eer had dat den grooten Apelles zijn Leerling was geweest,
niet alleenlijk schilderde op die wijze, maar desgelijks
dat hy er Lessen over gaf, gelijk over de Têkenkonst,
|
|
-ocr page 126-
| |
| konst en over de gewoonlijke Schilderkonst. Men voegt
er noch by, dat Pausias, onder anderen, het geluk
had van zich te bedienen van dat onderwijs, hy, die een
iegelijk weet dat plagt uyt te munten in dat soort van
schilderen. Die Pausias was geboortig van Sicyone, Zoon
van een Schilder genaamt Brietes, en in den beginne een
Leerling zijns Vaders, en naderhant een Discipel van
Pamphilus, wegens de brandende wassche Schilderkonst.
Zo dat hy zich ten eersten van die twee wijzen bediende,
doch niet met het zelve geluk. Want hy beschilderde
de muuren van den Tempel van Delphos, op de gemeene
wijze, dat is, met het penseel; doch als het werk
voltooit was, en vergeleeken wiert met dat van Polygnotus,
gaf de geheele Weerelt den prijs aan den laasten, met
deeze byvoeging om den anderen te vertroosten; Dat hy
dat gedeelte van de Schilderkonst, waar in hy uytmunte,
niet had uytgekipt, dat is te zeggen, dat soort van de
Schilderkonst dat hy beter bezat, dan het beschilderen
van met versche kalk bestreeken muuren. Waarschijnlijk
bediende hy zich van dien raad, want naderhant bepaalde
hy zijn konst in het schilderen met wasch en met
vuur. Aldus begon hy naderhant de Verwulfsels, en de met
wagenschot beschooten muuren, te vercieren, zonder dat
hy daarom naliet zijn draagbaare stukjes in die soort van
Schilderkonst te verwaarloozen. Om die Tafereeltjes te
beter te bewaaren, maakte hy die zeer kleyn, en om ze
zo veels te bevalliger te doen schynen, verkoos hy meestentijds
tot zijn voorwerpen, jonge Kindertjes, of Kupidootjes.
Daarom zeyden zijn Mededingers, Dat hy
daarom dat soort van. figuuren schilderde, dewyl die meer
tijd vereyschten, en hy daar door de gelegendheyt vond om
op zijn gemak die stukjes zuyverlijk te schilderen; als of
dat een wezendlijke beschuldiging was, voor een Konstschil-
|
|
-ocr page 127-
| |
| schilder, de verhevendheyt van zijn konst te kennen,
Doch om zijn Benyders den mond te sluyten, en zich
den naam van een bekwaam en vaerdig Konstenaar te verkrijgen,
wiert hy voorneemens om een Beeld te schilderen
op eene dag, en het gelukte hem na wensch; dat Tafereel
dat een kind verbeelde, wiert op zijn taal genaamt,
(a) Emeresios, als of men zey, het kind van eene
dag.
| Ook had die Konstenaar noch een buytenkans waar
van hy zich meesterlijk wist te bedienen, en dat was,
hy beminde in zijn groote jeugd een jonge Dochter in
zijn land, genaamt Glycera; en dewijl dat Meysje de
Uytvindster was van de eerste groene kranssen, of Bloemkroonen
in Griekenlant, met welke kranssen de Jongelingen
en de jonge Maagden wierden bekranst, kreeg hy
de gelegendheyt om die zo aardiglijk na te bootsen, op
zijn brandende Schilderwijze, dat hy in \'t vervolg den
prys daar van dorst betwisten aan alle andere Schilders,
en ook de overwinning daar in behaalde. Want dagelijks
voorzag zy hem van nieuwe modellen, dewijl zy
die Kranssen of Bloemtuyltjes met opzet veranderde,
om door de natuur zelve de konst uyt te tarten, en daar
door overtrof hy de konst, en hy brogt dien tak der
Schilderkonst zo hoog, dat niemant na hem dien trap
der volmaaktheyt heeft konnen bereyken, altoos niet ten
opzichte van wassche Bloemen. Eyndelijk, na op honderde
onderscheyde Wijzen de Kranssen en de Tuyltjes van
zijn Beminde Glycera nagebootst te hebben, schilderde
hy haar Konterfytsel leevens groote tot aan de voeten,
in die gestalte als hy haar meestentijds onrmoete; dat is
te zeggen, gezêten in het midden van haar Bloemen,
en
| | (a)(((((((((
|
|
-ocr page 128-
| |
en een Kransje in de hand, daar mee zy bêzig was om
dat te schakeeren. Niemant behoefde zich te verwonderen
over de schoonheyt van die Schildery, dewelke doorging
voor een Meesterstuk in het algemeen, en voor hem
in het byzonder, dewijl de Liefde en de Erkentenis,
eenmoediglijk en hand aan hand met den Geest om strijd
daar aan hadden gearbeydt. Dat Tafereel slachte de
Meysjes van plaisier en had meer als eene naam by de
Schilders; deezen noemden het Stephaneplocos, de goede
Vlechster van Kranssen; en geenen doopten het Stephanopolis,
de Verkoopster van Bloemkranssen; welke beyde
naamen in een oogpunt uytloopen; alhoewel den laatste
naam meer overeenkomst heeft met den eersten staat
van (a) Glycera, dewelke arm was in haar jeugd, en geen
ander onderhoud had, om zo te spreeken, als aan de (b)
punten van haare vingers. Plinius weet ons niet te zeggen,
of het Origineel noch in weezen was in Italien by
zijn tijd, maar hy zegt dat men den Leeuw kan kennen
uyt de klaauw, en van deszelfs schoonheyt vermag te
oordeelen uyt de heerlijke Kopey, dewelke Lucullus kogt
tot Athenen, geduurende de Feestdaagen van Bacchus,
en
| | (a) Alhier zal ik den Leezer ter eere van Pausias waarschouwen, dat hy
zijn Minnaares niet gelieve te verwarren met een andere Glycera, een
Juffertje Levi, en een goede bekende Vriendin van Praxiteles, volgens
Pausanias.
| | (b) Daar hebje een paar Artykelen, dewelke haarvry spreeken van Ligtvaardigheyt.
Zy was arm, en zy won den kost met haar eyge handen. Vergelijk
dat Konterfytsel eens met het meysje in Terentius. Heaut. A&.2. Sc. 2.
Wy vonden haar in haar Kamer, vastgebonden op haar Tapytwerk, en arbeydende
met zeer veel oplettendheyt. Zy was zeedigjes gekleed, zonder eenig goud of
zilver, en zodanig als dat die perzoon betaamt, die zich niet opschikt als
voor zich zelve. Men bespeurde geen blanketsel op haar Aangezicht, geen lootwit
op haare wangen, noch geen vermillioen op haare lippen. Haare hoofdhaairen
hingen achtelooslijk, en vielen onderscheydentlyk rondom haar hoofdt.
|
|
-ocr page 129-
| |
| en waar voor hy betaalde een somme van ses en dartig
hondert guldens.
| | Pausias oeffende zich ook in groote Schilderyen,
maar altoos in wasch, waar in hy uytmunte. By het leeven
van Plinius waaren er noch verscheyde Tafereelen
van dien Konstenaar in weezen binnen Romen; maar
het verwonderlijkste stuk was te zien in het portaal van
Pompeus, en verbeelde die vermaarde Opoffering, dewelke
oorspronkelijk was in alle deelen; dewelke veele
Schilders \'t zedert hebben nagebootst, maar dewelke tot
noch toe niemant heeft konnen evenaaren. De schoonheyt
van die Schildery bestont inzonderheyt in het konterfytsel
van een Os voorgeschikt tot de offerhande. Men kon
zien dat den Schilder de lengte en de dikte van dat dier
hadden willen doen bevatten; en ondertusschen had hy
den Os verbeelt vlak van vooren, in stêe van hem te
schilderen van ter zyde, gelijk als hy had konnen doen
met minder moeite. En niet tegenstaande die gestalte, en
dat het dier zich rechtstreeks vertoonde, zag men klaarlijk
zijn gantsche lengte. Dat was de eerste zaak die in
dat Tafereel verwonderlijk voorkwam, dat den Schilder
de verkorting had gezocht, in stee van die te vermyden.
Maar noch ley er iets anders verhoolen in dat stuk, een
meesterstuk dat niet minder was, en waar in hy meer dan
eene zwaarigheyt had weeten te boven te komen. Een
iegelijk Liefhebber weet dat alle die geenen die zich bemoeien
met schilderen, doorgaans die voorwerpen die
het meeste moeten voorkomen, witachtig, of met koleuren
die het wit naby komen afmaalen; en dat zy die deelen,
die min ofte meer moeten wijken of minder behooren
uyt te komen, bruyner houden. Hier in tegendeel
was het Dier zwart van het hoofd tot aan de voeten, zo
dat die zelve koleur waar mee hy die figuur had afgemaalt,
|
|
-ocr page 130-
| |
| maalt hem had gedient om de schaduuwen te diepen;
waar in hy zekerlijk niet alleenlijk zijn groote kennis in
de schikking der Lichten en Schaduwen had doen zien,
maar desgelijks een ongemeene naauwkeurigheyt in de
uytvoering betoonde; dewijl hy ongelijkelijk twee zaaken
van eene en dezelfde koleur had doen voorkomen,
door ongevoelige afdaalingen, en dat hy die Ledemaaten
weezendlijk wist te onderstutten, dewelke als gebrooken
waaren de eene in de andere, door de eenpaarigheyt
der bruyne koleuren. Pausanias gewaagt noch van eenige
andere werken van dien Schilder, waar over zich de
Liefhebbers hadden verwondert; en onder anderen spreekt
hy van een Kupido, die zijn boog en pylkooker weggeworpen
hebbende, een Lier in de hand had gevat, om
zich te vervrolijken. Daar by had hy de Dronkenschap
zo natuurlijk verbeelt, zegt hy, dat men dwars door een
grooten roemer die zy uytveegt, alle de gelaatstrekken
van haare hoogroode tronie kon bekennen. Mijn Heer
Perrault vertelt ons koeltjes, Dat de oude Schilders,
noch de doorzichtkunde, noch de schikking der lichten of
schaduwen kenden. Wy onderstellen dat het al ommers zo
veylig is om Pausanias te gelooven, die dat Tafereel heeft
gezien; dan ons blindelings over te geeven aan Monsieur
Perrault, die er van oordeelt, als den Blinde van de
koleuren. Het lust ons niet dien franschen Snoeshaan alhier
te ontleeden, den verhêven Boileau Despreaux heeft
die beyde Perraults zo kavalierement gekatekiseert in zijn
aanmerkingen over Longinus, en in onderscheyde vaerzen,
dat wy er thans niet af of toe zullen doen, maar
den Leezer, zo \'t hem lust, daar na toe renvooieeren. Het
zou een werk zonder eynde worden, om alle zijne andere
werken aan te haalen; wy zullen ons vergenoegen van
er noch by te doen, dat hy geboortig zijnde van Sicyone,
ge-
|
|
-ocr page 131-
| |
| gelijk als wy reeds hebben gezegt, hy aldaar het grootste
gedeelte zijns leevens doorbrogt, en zo veels te liever, dewijl
die stad de Voedstermoeder was geweest van de
Schilderkonst en van de Schilders. Het is waar dat men
met zijn Tafereelen leefde, gelijk als noch veele hedensdaagsche
Schilders er mee leeven, dat is te zeggen, dat
men ze verpande voor gereede penningen; een gewas
daar de Konstschilders niet minder op verzot zijn, als op
lekkere Wijn en op schoone Vrouwen. Ook wist een zekere
Scaurus zich zo wel van die behoeftigheyt der
Liefhebbers te bedienen, als wel eer een zeker Griffier op
een linksche wijze zich van de Geldeloosheyt eens Bredaasche
Bloemschilders bediende; doch met dit onderscheyt
dat Scaurus die Tafereelen rechtstreeks kogt, voor
aanmerkelijke sommen, daar den Griffier die langs laaggezielde
omwegen den Abderiet uyt de hand wrong, voor
een onaanmerkelijke Bagatelle. Scaurus dan kogt die
Schilderyen, met een voorneemen, om daar door zijnen
naam te vereeuwigen, in het Gebouwmeesterschap zijns
Vaderlands. Hy betaalde die Pandbeleeners, en hy verzamelde
noch zo veele schoone Tafereelen van andere
Meesters als hy kon bekomen, en hy vervoerde die na
Romen, alwaar hy die beneffens andere zeldzaamheden
dee plaatsen op dat berucht Schouwburg, dat hy drie
verdiepingen hoog had doen optrekken, alle welke verdiepingen
waaren onderschraagt door heerlijke zuylen,
verrijkt met marmere en met bronze Beelden, en met de
aloude Konsttafereelen der beruchtste Meesters.
| | Na Pausias verscheen Euphranor, die zich noch hooger
opbeurde, en die dat soort van Schildering tot op
den oppersten trap der volmaaktheyt ophemelde. Ook
moet men bekennen dat hy een der grootste Schilders is
geweest, die ooit het zonnelicht beschouwde, tot zo
verre
|
|
-ocr page 132-
| |
| verre, dat de vermaardste Schryvers hem boven alle de
anderen plaatsen, zonder de geringste uytzondering.
Dien grooten Man was een Isthmiaan, dat is te zeggen,
gebooren ontrent Korinthen; maar hy bloeide voornaamlijk
te Athenen, in de hondert en vierde Olympiade.
Quintiliaan verheft hem boven alle Schilders, en hy vergelijkt
hem by Cicero, in die schoone vergelyking die hy
maakt tusschen de Schilderkonst en de Welspreekendheyt.
Varro schijft hem al het hoogzweevent toe van de Schilderkonst;
en Pausanias zegt, dat hy volmaaktelijk de
kennis bezat van de schikking der lichten en schaduwen.
Hy werkte verwonderlijk in het koper, zo dat hy met
fatsoen kan geplaatst worden onder de alderbeste Beeldhouwers.
Zijn geest was groots en bestendig; alles waar
aan hy zijn handen sloeg gelukte hem, tot de overgroote
Beelden, en de marmere werken inkluys; en hy bytelde
alderhande Vaazen uyt de alderhardste stoffen. Een
leerzaam en arbeydzaam Konstenaar was hy, meer als iemant
op de gantsche aarde; hy munte uyt in alles waar
toe hy zich vervoegde, en hy was in alles wat hy ondernam,
altoos zich zelven gelijk. Hy was den eersten Schilder
van zijn eeuw, die natuurlijk de waarde der Helden
en andere groote persoonaasien wist uyt te drukken; en
aan den andere kant was hy verwonderlijk wegens zijn
naauwkeurigheyt in de Evenmeetbaarheden. Des niet tegenstaande
schooren de Konstkenners hem en Zeuxis over
een kam, dewijl hy de uyterstens der Beelden al te
zwaar maakte, als het hoofd, de handen en de voeten,
en dat ten koste van het overige, dat er dan uytzag als
ontvleescht. Doch zy bekenden daarom niet min eenpaariglijk
dat hy een groot Meester was, die tot den grond
toe en door en door het fyn kende van de konst, en die
gebooren scheen tot de glorie van de Schilderkonst. In
de
|
|
-ocr page 133-
| |
| de Eeuw van Plinius waaren er noch twee vertoogen van
liem in weezcn, het eene over de Evenmeetbaarheden, en
het ander over de koleuring, welke beyde Traktaaten
overvloediglijk zijn groote bekwamheyt en zijn diepzinnige
bespiegelingen over de Schilderkonst beweezen. Die
Beyde Traktaaten zijn al me \'t zoek geraakt in die algemeene
schipbreuk der boeken met Têkeningen; welk verlies
wy der monniken domheyt en luyheyt moeten danken.
| | Aangaande zijn schilderyen die waaren talrijk, volgens
Plinius, dewijl hy doorgaans Beelden had uytge
houwen en gegooten, behalven zijne uyt wasch geboetseerde
figuuren, waar door hy zijn tijd had moeten verdelen
tusschen die onderscheyde Konstwerken. By het
leeven van Plinius was er noch een uyt wasch gebrande
Schildery in weezen binnen Romen, verbeeldende dat
befaamt gevecht tusschen die van Athenen tegens die van
Theben, waar in niet als Kavallery was geweest van weerskanten,
en daarom was dat stuk bekent by den naam van
de Bataille der Ruyters. Noch waaren er van dien zelve
Schilder de Twaalf groote Godheden, te weeten ses Goden
en ses Godinnen, beneffens alle derzelver Eygenschappen.
Dat Tafereel, dat zo veel geruchts had gemaakt by
de Alouden, wiert op die tijd niet minder geacht by de
Romeynen. Noch wiert er onder zijn besten werken getelt
een Tafereel van Theseus, dat hy zelve zeer hoog
w aardeerde, dewvijl hy gewoon was van te zeggen, Dat
den Theseus van Parrhasius, waar van men zo veel werks
maakte met roozen scheen gevoed, daar den zyne uit waarachtig
Vleesch en Bloed was \'t zamengestelt. Ook waaren
eertijds tot Ephefen drie van zijn Konsttafereelen, alle
drie uytmuntende en zeer vermaart: een Ulysses, die zich
zinneloos veynst te zijn, om niet behoeven mee te gaan
na de Belêgering van Troijen, spand een Koe neffens
een
|
|
-ocr page 134-
| |
| een Paerd in voor dezelve Kar: noch twee overpeynzende
Wysgeeren: en een Krygsgeneraal die het zwaard in de
schee steekt.
| | Ontrent die tijd bloeide er noch een ander Schilder
van naam, genaamt Cydias, geboortig van Cithro, een
der Cycladische Eylanden. Van die Schilder bezaaten de
Romeynen niets anders, zegt mijn Zegsman Plinius, als
een Konststuk van de Reys der Argonauten; welk Tafereel
den Redenkonstenaar Hortensius zo wel beviel, als
die byzonderlijk de Oudheyt beminde, dat hy er voor
gaf ses en dartig duyzent guldens, en het opofferde of
toeheyligde in een Kapel, die hy daar toe wel nadrukkelijk
dee stichten, op zijn Hoeve by Tusculum. Na zijn
dood, viel die Schildery in de handen van Agrippa, die
dezelve toeheyligde aan het portaal van Neptunus.
| | Antidotus was een der Leerlingen van Euphranor, die
zeer beroemt is geweest, en zich een grooten naam heeft
gemaakt. Daar waaren eertijds noch drie heerlijke Schilderyen
van dien Konstenaar te zien; een Soldaat, die den
Vyant het hoofd bood, alleenlijk gewapent met zijn
schild; dat Tafereel was te Athenen: een Worstelaar,
die zich toeruste tot het gevecht, en gereed scheen om in het
Worstelperk te treeden, en noch een Fluytspeelder, zo
verwonderlijk en zo natuurlijk geschildert langs alle
kanten, dat hy wiert geschat voor een der heerlijkste overblyfselen
der Aloudheyt. Daar wort in het algemeen gezegt,
dat dien Konstenaar zeer naauwkeurig was in zijn
Evenmeetbaarheden, en daar by ontbrak hem geen bekwaamheyt
om een figuur op te maaken; maar hy was
niet vruchtbaar in Ordonnantien, en aan den andere kant
was hy wreed of hard in zijn Schildering.
| | Wat er van zy, hy heeft de glorie gehad van eenen
Leerling voort te brengen, die hem heeft overtroffen.
Die
|
|
-ocr page 135-
| |
| Die Leerling was den vermaarde Nicias, een Athener,
die zo heerlyk de Vrouwen schilderde. Want behalve
de lichten en de schaduwen, en de onderscheyde aardige
waarneemingen van die tegenstrydige schikkingen,
die hy zo wel had bestudeert en zo wel verbeelde, was
hy vooral grootelijks bezorgt om de Beelden wel te doen
ronden, en die dat leeven te geeven, dat ons verrukt en
betovert in de Schilderkonst. Zijn werken waaren meenigvuldig,
ten tijde van Plinius: eene Nemea, zittende
op een Leeuw, dewelke eenen palmtak vasthield,
welke schildery te Romen gevoert zynde by Junius Silanus,
door Augustus wiert toegeheyligt aan het Paleys:
een Bacchus, naderhant opgeoffert aan den Tempel des
Eendrachts: een Hyacinthus, den welke zo wel beviel
aan den Keyzer Augustus, dat hy dat Tafereel meenam
uyt Alexandrien, na dat hy die plaats had veroovert, en
naderhant wiert het geplaatst in zijn eygen Tempel,
als een stuk dat hy wel eer beminde, by zijn opvolger
Tiberius: en noch een schoone Danaê, omringt met
veele speelende Liefdegoodjes, onderwijl dat den gulde
regen komt nederdaalen in haar tedere schoot; een Zinnebeelt,
waar van wy honderde Voorbeelden hebben beleeft,
in onze hedensdaagsche goudgraage Danaês. Alle die
Tafereelen waaren eertijds in Italien. Elders kwam men
noch veele andere konstrijke Schilderyen te ontmoeten,
gepenseelt door dien zelven Nicias: als by voorbeelt, te
Ephesen was het Graf van Megabyses, den Opperpriester
van Diana van Ephesen; te Athenen de Nederdaaling ter
helle, op die wijze als den goddelijke Homeer die heeft
afgeschetst, in zijn dooling van Ulysses: een onvergelijkelijk
Konsttafereel, voor het welk den Koning van Egypten
dien Schilder aanbood ses en dartig duyzent Dukatonnen;
doch Nicias weygerde dat bod, en vereerde
die
|
|
-ocr page 136-
| |
| die Schildery aan zijn Vaderlant, als een Overblyfsel van
zijn bekwaamheyt, zo wel als van zijn Milddadigheyt;
dewijl hy reeds groote goederen bezat, en er noch dagelijks
won en verzamelde.
| | Alle die Konsttafereelen hier boven vermelt waaren van
een kleyne omtrek; doch hy had er ook andere van een grooter
soort geschildert, dewelke niet minder berucht zijn geweest:
als by voorbeelt, eene Kalypso, dewelke den stouten
Ulysses ophoud in haar Eylant, en hem zijn rampen
poogt te doen vergeeten door alderhande soorten van
wellustige omhelzingen en dartele troetelingen: eene Jo,
herstalt in een Koe, door Junos wrok, dewelke met geen
goedaardige Nederduytsche oogen de dagelijksche Liefdehandelingen
van haaren Man begeerde te aan schouwen:
eene Andromeda, dewelke blootgestelt zijnde op
een Zeerots, om door een Vischmonster verslonden te
worden, gelukkig verlost wiert door Perseus, die het
Monster doode, om korts daar aan de leelieblanke vrucht
te genieten van zijn overwinning: een Alexander, den
zoon van Philippus, van de alderuyterste schoonheyt;
en noch een andere Kalypso, verscheelende van de eerste,
dewyl deeze laatste Ulysses zag vertrekken, tegens haar
wil en dank, en in spijt van haar rooskoleure Knien,
toen zijn walgh, wel eer zijn geliefde kluysters. Hy had
die Kalypso gemaalt, gezêten op het strand, dewelke
dien ondankbaare Minnaar verzelde met haare betraande
oogen, na dat zy vruchteloos alle haare bekoorlijkheden
had verspilt, om hem te wederhouden door haare vergoode
Deyen. Die twee laatste Konsttafereelen waaren
noch by het leeven van Plinius te zien binnen Romen,
in het portaal van Pompeus.
| | Doch behalve de menschelijke beelden, dewelke hy
naauwkeuriglijk têkende, was hy noch een groot Overvlie-
|
|
-ocr page 137-
| |
| vlieger in de viervoetige Dieren; het welk een byzondere
eygenschap is in de Schilderkonst. Maar van alle de
viervoetige dieren, konterfyte hy er geene gelukkiger,
dan die soorten die men huyslijke noemt, en dewelke de
getrouwheyt in erfpacht bezitten. Aldus luyden de woorden
van Plinius, en dewyl hy die soorten niet noemt,
zullen wy er geen doodzonde mee begaan, indien wy
onderstellen, dat hy aldaar oogt op onze hedensdaagsche
domestieke dieren, de Honden en de Katten. Het
was dien zelve Nicias, van den welke Praxiteles de navolgende
getuygenis gaf, toen men hem vroeg welke marmere
Beelden hy het hoogste waardeerde? Die Beelden,
sprak hy, dewelke zyn gegaan door de handen van Nicias.
Zo dat waar is, dan moet die Praxiteles al een hoogen
top hebben beschooren, want hy begon te bloeien in de
hondert en vierde Olympiade. Wy gelooven het niet
kwaad te zijn, indien een Man niet al te naauwkeurig is
in het nagaan van oude Historien en van nieuwe Liefdehandelingen,
want de eerste zijn meestentijds zo onnaspeurlijk,
en de laatste doorgaans zo ondoorgrondelijk,
dat het vry heylzaamer is er de muts na te gooien, dan
die achter aan te hollen met de Verrejaagers der onprofytelijke
onderstellingen, of te willen ophelderen met de
Koekoekstoortsen van een al te roekelooze Nayvering.
Wy zullen er maar eene aanmerking toedoen, ten opzichte
van Nicias, en die zal bestaan in een eenvoudige Tydrekening.
Te weeten dat het duyster is, of het deeze of een andere
Nicias was, die bloeide in de hondert en twaalfde
Olympiade. Ondertussen is er eenige waarschijnlijkheyt
dat het den zelfde is geweest, die men alhier behoort te
plaatsen, als een Tijdgenoot van Alexander, den welken
hy schilderde, en van Ptolomeus, aan wien hy weygerde
die Nederdaaling ter helle te verkoopen, Zo dat zo is,
dan
|
|
-ocr page 138-
| |
| dan is het niet onmoogelijk dat Praxiteles lang genoeg
heeft geleeft om Nicias te kennen, en dat dien lof, die
wy hebben aangehaalt hem niet zoude toekomen.
| | Men vergelykt by dien laatsten Schilder, ja men verheft
boven hem, in zekere zaaken eenen Athenion van
Maronea, den Leerling van Glaucion den Korinthier, en
noch wel zo gestreng als zijn Meester in de Schildering,
maar veel geestiger en aangenaamer in zijn gestrengheyt
zelve; dewijl er een groote geleerdheyt beneffens veele
aardige gedachten doorstraalden in zijn werken, en dat
een wel behandelde en wel uytgevoerde wetenschap een
schoon Vernis verstrekt over de Schilderkonst. Dat is te
zeggen, dat een Schilder, door de Vinding, door de
Ordening, en door een naauwkeurige Têkening, voordeeliglijk
de strafheyt van zijn Schildering herstelt: en
gevolglijk dat een wel behandelde Kennis zijn verdienst
heeft in de Schilderkonst. Hy had in den Tempel van
een beruchte stad tusschen Megara en Athenen, den Historieschryver
Philarchus gekonterfyt, een vermaart Man,
den Uytlegger der fabelen van de Atheners, en den Tijdgenoot
van Ptolomeus Evergetes. Noch schilderde hy te
Athenen de \'t Zamenkomst der volken, anders genaamt, het
Bondgenootschap der Grieken; beneffens eenen herkenden
Achilles, door de loosheyt van Ulysses. Dewyl sommige
Schilders gebrekkelijke Historiekundigen zijn, zal ik dat
geval ter loops aanhaalen. Thêtis, de Moeder van Achilles,
dewelke voorzag dat hy dien dans voor de belêgering
van Troijen niet zou ontspringen, indien hy er na
toe trok, had dien jongen Held verborgen by Lycomedes,
alwaar zy hem liet opvoeden by den naam en onder
de kleedy van een Meysje, vermengt onder de Dochters
van dien Vorst, waar mee hy waarschijnlijk zal hebben
geleeft, gelijk als een jongen Conscientiebestierder omspringt
|
|
-ocr page 139-
| |
| springt mer een vlugt piepjonge Roosjes van Jericho.
Maar de Grieken schikten er den doortrapten Ulysses op
los, die de toestemming om uyt en in te gaan in dat koninglijk
Konvent verkreegen hebbende, door de hulp
van eenige geschenken, met oordeel in het apartement der
Princessen ten toon gestelt, dien jongen vermomden Held
wist uyt te kippen. Die geschenken bestonden in goude-en
in zilver lakensche Tabberden, keurlijke Coiffures,
Mouches, Spaansroode papieren, Waayers, Halskarkanren,
Zydekousjes, gefestoeneerde Muyltjes, en alzulke
vrouwelijke snuysteryen, vermengt met eenige blinkende
Wapenrustingen, en flikkerende Zwaerden. De jonge
Princessen daalden als Zomerduyven op die jufferen zegeningen,
doch Achilles greep aanstonds een geemalieerden
Helm in de vuyst, ontscheede een Zwaerd, en paste een
zevenhuydig Schild aan den linker arm; waar op Laertes
zoon fluks den Haan onderscheyde uyt de donzige
Kippen; en Peleus kroost ziende dat den bot vergalt en
z ijn vermomming ontdekt was, stoof met Ulisses uyt dat
Serail, en liet de ontgonne Kleuters op die vrouwelijke
Afgoden zitten huyken. Noch had dien Athenion een
heerlijk Konststuk geschildert, waar by hy zich eene eeuwigduurende
Glorie verwierf, naamelijk, eenen Stalknecht
leevens groote, die zijn paerd vleyd, een Tafereel dat
den loef afstak aan alle zijne andere Tafereelen. Die
Schilder, dat jammer was, stierf noch heel jong zynde;
zonder dat toeval zou hy waarschijnlijk alle de voorgaande
Schilders hebben overtroffen.
| | Heraclides, van Macedonien, heeft zich ook eengrooten
naam gemaakt onder de Waschschilders. In den beginne
schilderde hy niet als Schepen, gelijk als Protogenes;
maar vervolgens kreeg hy de gelegendheyt om zich op te
beuren, dewyl den Koning van zijn luchtstreek, den ongeluk
|
|
-ocr page 140-
| |
| gelukkigen Persês, overwonnen en gevangen zijnde by
de Romeynen, die Schilder zich vertrok na Athenen,
alwaar te dier tijd praalde den befaamde Metrodorus, te
gelijk een Schilder en een Wysgeer, den Leerling van
Carneades, en een van de beste Schryvers in die Eeuw.
Die Metrodorus verstont de Bouwkonst, en heeft er over
geschreeven; hy kende de goede Dichters, en heeft er
een vertoog over opgestelt; maar zijn grootste en tederste
lusten waaren de Wysgeerte en de Schilderkonst, dewelke
zulke groote Vyandinnen niet zijn, gelijk als de
Schilders malkanderen poogen te vertellen. Hy was zo
een groot Meester in het eene en in het andere, dat Lucius
Paulus, die de Persen had ondergebrogt, en geheel
Macedonien veroovert, aan de Athêners om een uytmun -
tent Filosoof, voor de opvoeding van zijn kinders, en
om een wakker Schilder, om de cieraaden van zijn triomf
te bestellen, gevraagt hebbende, die Overheyd aanstonts
het oog liet vallen op Metrodorus, voor de eene en voor
de andere dier bedieningen, en dien Opperbevelhebber
dee begrypen, dat die persoon, naamelijk dien Schilder,
volgens zijn orders, beyde die waardigheden behoorlijk
zou vervullen. Een Lof zeer zeldzaam en byzonder
in de Historien, en die door de ervaarendheyt en
door de goedkeuring des Triomfeerders wiert bevestigt.
Wy zullen er noch tot des Schilders lof byvoegen, dat
het onder dien grooten Konstenaar was, dat zich den
Jongen Cornelius Scipio, die pas sestiena zeventien jaaren
oud was op die Macedonische tocht, begon voor te doen;
die zelve Scipio, die een erfgenaam wiert van de verdienst
en van den naam zijns Vaders, en zijns Grootvaders
den Afrikaan; die zelve die de Numantynen overwon,
Karthagen verooverde, die alle de vrye Konsten en Wetenschappen
kende, en begonstigde; die Terentius opbeurde
|
|
-ocr page 141-
| |
| beurde, in het geestrijk en in het redelijk Boertig, die
gestadiglijk een welgevallen schiep in het Gezelschap van
den Historieschryver Polybius en van den Wysgeer Panetius,
dewelke hem altoos verzelden; die Pacuvius in
zijn huys huysveste, die Schilder en die Treurdichter,
waar van wy hebben gesprooken; en die eyndelijk nooit
iets heeft geezegt, gedaan, overdocht, of aangeraaden,
onwaardig eeen Romeyn. Zo een Man was dien Leerling
van den Schilder Metrodorus. Wy hebben ons zo veels
te liever uytgebreyt over dien Schilder, om aan de stompe,
wijngierige, en brutaale Paauwkaamers gezinden, een
denkbeelt te geeven, van de waarde eens Schilders; want
dieHeeren gelooven dat alle de verdiensten eens Konstenaars
bepaalt zijn, in den omtrek van zijn penseelen; en uyt dien
hoofde was doorgaans hun Geloei, gelijk als wy in onze lnleyding
hebben aangeraakt; Een Schilder! is \'t anders niet.
| | Noch was er wel eer een Timomachus van Bysance die
mee een braaf Schilder is geweest in de hondert en zevende
Olympiade. Die Konstenaar schilderde een koppel
groote Tafereelen, dewelke aan Julius Cesar hondert en
veertig duyzent guldens kwamen te staan, en welke Tafereelen,
na lange jaaren gepraalt te hebben te Cyzica,
als de wonderen van die Stad, eyndelijk wierden vervoert
na Romen, by den Opperbevelhebber gekocht, en
by hem toegeheyligt aan en in den Tempel van de teelende
of de Moeder Venus. Het eene stuk verbeelde de
wreede Medea, dewelke haare eyge kinders doodeen haar
traanen niet kon wederhouden, zelve op die tijd, dat zy
vervoert was tot die gruuweldaad, door de hevigste aller
hartstochten. De Grieksche en de Latyntsche Dichters
hebben, om strijd, dat Konsttafereel opgebazuynt,
zo wel als het tweede, dat eenen Ajax verbeelde, die dol
en raazend was geworden over het Vonnis der Grieken,
die
|
|
-ocr page 142-
| |
| die hem de Erfenis van Achilles Wapens hadden geweygert.
Den Leezer zal gelieven aan te merken dat die
twee Konsttafereelen de eenigste niet zijn geweest, die
het geheugen van Timomachus hebben vereeuwigt. Men
roemt noch zijnen Orestes, raazent geworden, dewyl hy
zijn Moeder had gedoot, of schoon noch zo schuldig:
zijne Iphigenia, vervoert in het Taurisch gewest, alwaar
zy haaren broeder Orestes herkent, en hem verlost uyt de
handen der Barbaaren: zijnen Lecythion, een vermaart
Dansmeester, die verwonderlijk sprong en huppelde, in
navolging der groene Sprinkhaanen: zijn Bondgenootschap
der Grooten, waar in men zag op een Tafereel afgemaalt,
den stam en de onderscheyde takken van de
vermaardste geslachten van Griekenlant: zijn twee Wysgeeren,
omhangen met Mantels op de Grieksche wijze,
die zich vaerdig maakten om te spreeken in het midden
hunner Leerlingen; staande den een reeds overend en den
ander noch gezeten, doch beyde gereed om zich te doen
hooren, en fraaie zaaken te vertellen. Ondertusschen
was zijn Gorgona, dat is, het Hoofd van Medusa, dat
Minerva liet afhouwen door de kling van Perseus, een
van zijn alderbeste Konsttafereelen, in welke Schildery
hy zich zelven had overtroffen.
| | Wy hebben reeds gesprooken van Pausias;nu past het ons
om iets te zeggen van Aristolaus, zijn Zoon en zijn Leerling,
die een van de deftigste Schilders is geweest. By
het leeven van Plinius waaren er noch verscheyde Tafe-.
reelen in weezen die hem vereeuwigden: een Epaminondas,
een Thebaans Generaal, in den welken alle de deugden
des Oorlogs en des Vreedes hebben uytgeblonken,
een Man gelijkelijk verwonderlijk in de armoede, in de
vriendschap, in den Strijd en in den Raad, in het leeven
en in de dood zelve: een Pericles, een groot Overheer
en
|
|
-ocr page 143-
| |
| en boven al een groot Redenkonstenaar; gemeenlijk bygenaamt
den Olympische, dewyl het geduuriglijk scheen
als hy het Volk harangueerde, dat men het zag blixemen
en hoorde donderen: eene Medea, die onmenschelijke
Moeder, die aangezet door de R azernyen en door
de Wraak tegens eenen ongetrouwen Bruydegom, zijn
Paleys verbrande en in het Paleys zijn nieuwe Bruyd, en
om zich te redden uyt zijn handen, haare handen doopte
in het bloed van haar kinders, waar van zy de lillende
ledemaaten verspreyde: eene Deugd, de Medegezellin
van de Dapperheyt, in dewelke men alle de schoonhêden
en de eygenschappen der Wysheyt zag doorstraalen: een
Theseus, een der eerste Helden van Griekenlant, al zo
vermaart door zijn daaden als door zijn ongelukken: een
Afbeeldsel van het Atheens gemeen, altoos hêvig gelijk
als de schoone Sexe, altoos onstandvastig en zelden vergenoegt
met zich zelf, gelijk als wy hier voorens hebben
gezien in de uytlegging van een Schildery van den Konstschilder
Parrhasius; en ten laatsten eene Offerhande, in
navolging van zijn Vader Pausias, in dewelk een zwarte Os
als uyt het panneel uytkwam, en den Toeziender scheen aan
te kyken: doch wy zullen er byvoegen, dat den Zoon zo
veel in konst verscheelde van den Vader, als den jongen
Cromwel, in Geest en in Dapperheyt te kort schoot van den
ouden Olivier.
| | De oude Kenners preezen noch de werken van een ander
Leerling van Pausias, genaamt Mekopanes, inzondert
wegens zijn naauwkeurigheyt en zijn gestrengheyt,
zijnde er niets in zijn Schilderyen zonder eenige beduydenis,
en het moest al een wakker Man en een groot
Konstenaar zijn om derzelver schoonhêden te onderscheyden.
Doch met al dat was hy dor en hart in Koloriet,
en bovenmaaten gestelt op den Oker.
Maar
|
|
-ocr page 144-
| |
| | Maar aangaande Sokrates, dien grooten Beeldhouwer
en grooten Schilder, die behaagde niet alleenlijk aan de
.Konstkenners, maar hy verrukte desgelijks de gantsche
Weerelt. Zijn voornaamste stukken waaren een Esculaap,
beneffens zijn vier Dochters in een Tafereel, Hygia,
Eglê, Panacea, en Jasona, welke Dochters den naam
hebben gegeeven aan eenige bewoordingen der Geneeskunde,
en waar van dat stuk waarschijnlijk eenige takken
verbeelde: een Luyaart, genaamt Ocnos, of den
Bloodaart, die aan den eene kant een Koorde vlocht van
Bremtakjes, onderwyl dat aan den andere kant een Esel
die opslokte zonder daty zich daar tegens scheen te stellen:
het figuurlijk Konterfytsel.vaneen kloekzinnig, bêzig,maar
lafhartig Man, die aan een kwistigh Wijf den sleutel toevertrouwt
van de Geldkist, welke Dame zich daar van bedient
als van een gevonden Schat, en van den hoogen boom
af teert, smeert en vereert, zonder zich eens te bekommeren
waar het van daan komt, ofhoe het zal uytkomen.
| | Ondertusschen zullen wy den Leezer waarschouwen,
dat er veel Konstenaars den naam van Sokrates
hebben gevoert; Voor eerst was er Sokrates den Wysgeer
en ook den wijste aller menschen, volgens het gevoelen
van het Orakel van Delphos, die in den beginne
een Beeldhouwer in steen is geweest, zo men Suidas
mag gelooven. Sokrates den tweede, bygenaamt den Thebaaner,
oefende dat zelve beroep, zo ons Pausanias verhaalt.
En Sokrates den derde, was die Schilder by ons
aangehaalt; alhoewel de sommigen voorgeeven dat hy
desgelijks een Beeldhouwer in marmer is geweest, en die
drie beruchte Atheensche Bevalligheden bytelde.
| | Tot hier toe hebben wy die Schilders doorloopen, dewelke
wy moogen doopen van den eerste rang, door den
grooten naam die zy hebben verkreegen, of door het penseel,
|
|
-ocr page 145-
| |
| seel, of door het Schilderen door vuur. Noch is er geen
gemeen getal van andere Konstschilders geweest, die om
de waarheyt te zeggen, dien oppersten trap der volmaaktheyt
niet hebben bereykt, doch echter hun verdiensten
hebben gehad, in de beyde soorten. Ook zou
men er eenige Schilders van een derde Klasse konnen byvoegen,
die in spijt van hun byzondere gaaven, op voeten
noch op vademen de aloude Konstschilders niet hebben
konnen evennaaren.
| | Om nu met de Schilders van den tweede rang te beginnen
en die op te roepen by de voorste letters hunner
naamen, ontmoeten wy in de voorhoede Aristoklides, die
zelve Man, die een gedeelte van Apollos Tempel tot
Delphos bemaalde.
| | Autiphilus, berucht door eenige Schilderyen van een
keurlijke smaak: als by voorbeelt, een Kind dat het vuur
scheen aan te blaazen, wiens schoonheyt verwonderlijk
doorstraalde door de weerschijn van die vlammen, gelijk
als ook de kamer, of noch zo prachtig uyt zich zelve.
Noch had hy eenige Vrouwen gemaalt dewelke Tapyten
naayden, waar in het scheen dat men de vingers zag beweegen
en het werk, om zo te zeggen, kon zien spoeden
onder de naalde: beneffens eenen Ptolomeus op de jagt
der Olifanten, op welk Tafereel men voornaamtlijk de
handigheyt der Jagers en de loosheyt dier krachtige Dieren
zag doorstraalen. Doch het aldervermaardste en in der
daad ook het alderschoonste van zijn Konststukken was
een Satyr, met een Pantersvel bedekt, die op iets scheen
te doelen, en die om zo veels te gemaklijker te konnen
loeren, zijn hand op het voorhooft had gebrocht, om
zich te beschutten tegens de straalen der Zonne: een zaak
zeer moeijelijk om wel uyt te voeren in de Schilderkonst.
Aristo-
|
|
-ocr page 146-
| |
| | Aristophon heeft ook wel eer twee verwonderlijke Tafereelen
gemaalt. Het een verbeelde Anceus tot er dood
toe gekwest door het Calydoons wild zwijn,beneffens zijne
H uys v rouw Astipalê, dewelke, door deel te neemen in
zijn smart, de Aanschouwers zo veels te meer het lot van
den een en van de andere dee gevoelen. Het tweede was
een groot stuk, dat in verscheyde groepen den gantschen
Oorlog van Troijen verbeelde. Men zag er aan den eene
kant, Helena, Priamus en zijn geheele familie, beneffens
de vleyende Lichtgeloovigheyt; en aan den andere kant
Ulysses, Deiophobus, en een ige andere Grieksche Bevelhebbers,
vergezelschapt met de Loosheyt, dewelke hun
onderrecht, en alle de hulpmiddelen aan de hand geeft om
de Belêgerden te verrasschen. Die Konstenaar had noch
meer geschildert, maar alle die andere schilderyen waaren
reeds verongelukt ten tijde van Plinius. Hy was een
zoon van Aglaophon, van wien hy reeds hebben gesprooken.
| | Androbius verkreeg zich een grooten naam in de Schilderkonst
door het Konterfytsel van Scyllis, een beroemt
Duyker in de Historie, en van den welke buyten gewoone
zaaken worden verhaalt. Want men zegt dat de Vloot
der Persen voor anker leggende, en opgehouden door tegenstrydige
winden, hy het middel vond om de kabeltouwen
te kappen, en die daar door in wanorde te brengen,
om zich daar van te bedienen. Zijn Dochted Cyane
had mee deel in die onderneeming; en het Tafereel geschildert
ter eere van Vader en Dochter, wiert toegeheyligt
aan den Tempel van Apollo, door de Amphyctriones,
dat is door de Gedeputeerdens van Griekenlant.
| | Artemon schilderde een Diana, zo schoon dat zich
niemant kon wederhouden van zich daar over te verwonderen,
gelijk als zich ook daar over die persoonen
ver-
|
|
-ocr page 147-
| |
| verwonderden die toeleyden op haar kuysheyt, als een
Jupyn die er op verlieft was; Venus die de ydele voorzorgen
belacghte, dewelke men in \'t werk stelt om de jonge
Meysjes te bewaaren, en de jonge Minnegoodjes die er
rondom dartelden. Ook schilderde hy de bekoorlijke
Stratonice, de Vrouw van den Koning Seleucus, (sommige
Schryvers zeggen de Byzit of de Maitres) welke
Vorst de zeldzaame toegeevendheyt had om die schoone
af te staan aan zijn zoon Antigonus, dewyl den Geneesheer
Erasistratus had opgemerkt dat zijn pols heviger beweegde,
zo dikmaals als de Koningin de Kamer intrat,
daar uyt hy waarschijnlijk giste dat hy door die schoonheyt
was getroffen, welk geheym hy zonder uytstel den
Koning toevertrouwde. Die Historie, overheerlijk en konstiglijk
geordonneert en geschildert by G. Lairesse, hebben
wy zien verkoopen aan het Sterfhuys van den Heere
Paats, tot Rotterdam, en over dat stuk een voorval gehad
met den Ridder A. van der Werf, dat wy ter plaatze
daar het voegt zullen verhaalen. Noch had hy Herkules
afgemaalt, die van zijn Vrouws wege, een Kleed
geverft in het bloed van Nessus ontfangen hebbende,
zich aanstonds, zo dra als hy het had aangeschooten, door
een onbekent en doodelijk vuur voelde verbranden; beneffens
een Dianira, dewelke het kwaad dat zy hem had
veroorzaakt door dat giftig geschenk bevat hebbende,
wan hoopende wort en voorneemt om haar leeven te verkorten.
Doch de twee alderbeste Schilderyen van Artemon
waaren in de Eeuw van Plinius noch in het Paleys
van Octavia, dat vermaart portaal, gesticht by den Keyzer
Augustus, en genaamt het portaal van Octavia, om
zijn Suster te vereeren; welk portaal niet kleyn zal geweest
zijn, dewijl het twee Tempels, het Paleys, de
Hooge School, en de Boekzaal kon bevatten. De eene
Schil-
|
|
-ocr page 148-
| |
| Schildery verbeelde de vergooding van Herkules, die, na
het sterflijk te hebben afgelegt in de vlammen, op den
berg Oeta, als een triomfeerder hemelwaards opklimt,
by de toestemming der Goden. Het tweede Tafereel ziet
op de Historie van dien zelven Held; men zag er de
Trouwloosheyt en de ondankbaarheyt van Laomedon tegens
Neptuyn, en de beruchte wraak, die er dien God
over nam door de behulpzaame hand van dien zelven Herkules,
konstiglijk op afgebeelt.
| | Alcimachus heeft zich beroemt gemaakt door eenen Dioxippus,
dien onverwinnelijken Kampvechter, uytgezondert
tegens de schichten der liefde, die zo dikmaals de Overwinning
behaalde in de Grieksche speelen. Zeer opmerkelijk is
\'t geen er van dien Kampvechter wiert gezegt, dat hy zo
sterk was en zo gezwint, dat hy overwon zonder zich
eenigzins te verpynen, of gelijk als de Grieken het noemen,
zonder eenig stof te maaken, in het zandig Worstelperk
der Olympische Oefeningen.
| | Cenus was een ander Schilder, die uytmunte in de Cieraaden,
maar die zich niet bond aan het Konterfyten of
aan het Historieschilderen.
| | Ctesilochus, een Leerling van Apelles, was een bekwaam
Konstenaar, maar hy ga.f zich al te.veel vryheyt.
Zijn beste Tafereel was een onheylig en boertig voorwerp.
Hy had eenen Jupyn geschildert, gekleet en gecoiffeert
als een Vrouw, leggende vlak uytgestrekt in
een leuningstoel die Bacchus baarde. Hy scheen luydsk.eels
op te gillen, en alle de Godinnen tot hulp aan te
roepen, welke Godinnen als zo veele Vroedwyven toeschooten
om hem te helpen. Uyt dat een staaltje kan men wel bezeffen,
dat die Schilder niet veel zwaarigheyt zou hebben
gestelt om een Bouteille wijn te verorberen met dien fakkel
aller heyllooze Atheisten, Romeyn de Hooghe.
Cleon
|
|
-ocr page 149-
| |
| | Cleon verwierf zich zeer veel achting door een Konsttafereel
van Kadmus dat zeer schoon was. Het is ook
waar dat de Grieken noch een ander Konstenaar van die
naam oproepen, die boetseerde, en beeldhouwde; veelligt
is onze Cleon een en dezelve persoon.
| | Ctesidemus heeft twee uytmuntende stukken gemaakt.
Het een was de Belêgering en de veroovering van de stad
Oechalia, door Herkules, gestoort tegens den Koning
Eurytus, dewyl die hem weygerde zijn Dochter ten
huuwelijk te geeven, volgens zijn belofte: en het tweede
verbeelde die schoone en tedere Laodamia, dewelke
verstaan hebbende dat haaren Man Protasilas gedoot was
door Hektor, in de belegering voor Troijen, voornam
om hem niet te overleeven. Doch voor dat zy stierf,
verlangde zy om noch maar voor eene reys de Schim van
haaren Beminde te moogen aanschouwen, het welk haar
vergont zijnde by de Goden, gaf zy den laatste snak in
het omhelzen van die schaduw: wy onderstellen dat er
noch hedensdaagsch duyzende Nederlandsche Laodamias
gevonden worden, doch wy konnen er tot ons leedweezen
geene eene enkelde aanwijzen.
| | Clesides heeft noch meer gerucht gemaakt als alle die
Schilders, door de bittere schimp waar mee hy wraak
nam over de zelve Koninginne Stratonice, van dewelke
wy zo effen hebben gesprooken. Die Koningin had dien
Schilder ontfangen op eene onwaardige wijze te Ephesen,
alwaar zy haar Hof hield, hebbende de geringste eer
noch aan zijn persoon, noch aan zijn penseel beweezen.
Wy zouden alhier wel tusschen in konnen laaten vloeien,
dat die Koningin Clesides ontfing, als wel eer de dronke
Paauwkamersgezinden den Schryver van dit Boek recipieerden,
doch wy onderstellen dat die Man eene al te
groote verachting gevoelt om die harssenlooze Uylskuykens,
|
|
-ocr page 150-
| |
| kens om die te willen vergelijken by Grieksche Koninginnen.
Die Schilder dan nam eene ongemeene wraak over
die belêdiging, een wraak die een Dame zou hebben doen
barsten, dat is te zeggen zo een Dame, die wat meer op
het qu\'en dira ton stont, als de leelijke Douariere van Linxenburg,
of als de overjaarde Mevrouw Maria Zonnebloems.
Hy schilderde dan die Vorstin leevensgroote, in
puris naturalibus, gelijk als de eerste Moeder voor de Appelgraagte,
ingewikkelt in een kleevende licghaamsgestalte
met een gemeen Kaerel, doch die ter liefde van zijn
breede schouders, pikzwarte blikken, en Herkuleesche
nachtbedryven, vry beter ten Hove gezien was, als er
wiert vereyscht voor den goede naam van de Koninginne.
Dat Aretyns Tafereel voltooit zijnde, nagelde hy
het vast by nacht tegens een stads poort, en hy ontweek
daar op die plaats door \'t gewelt van riemen en van zeylen.
\'s Anderen daags stooven alle de Inwoonders en Borgers
af op dat Schouwspel, en elk om \'t zeerst dreygde
te willen wedden, dat de belêdigde Stratonice, zo dra
als zulks haar ter ooren kwam, dat Konststuk zou doen
verduysteren, of ten minsten, een andere plaats geeven;
maar die staatkundige Gissers gisten zonder de Waerdin.
De schoone, en tegens de breedgeschouderde Mannen
goedaardige Princesse, vond die Schildery zo heerlijk, en
zo natuurlijk gepenseelt en geordonneert, en daar by de
twee geengageerde persoonaagien zo wel getroffen, dat
zy op leevens straf beval dat Tafereel weg te neemen, of
te verplaatsen; en daar uyt onderstellen wy dat zy de
Vrouwen en Maitressen geen kleyntje begonstigde, dewijl
de getrouwde Mannen en de Mainteneurs dagelijks
na dat konststuk met troppen \'t zamen liepen, in stee
van na de Maliebaan te reyden, in de Coffihuyzen te
zitten tydversnipperen, ofeen onfchuldig Yluchtje te gaan
raa-
|
|
-ocr page 151-
| |
| raapen. Indien den groote Fenix der Spreekwoorden, den
getoortslichten Tuynman, daar uyt het Spreekwoort van
aanzien doet gedenken had afgeleyt, zou hy, ons bedunkens,
zijn Schatboek der Spreekwoorden niet hebben bedurven.
| | Craterus bezat een byzonder talent in het maalen van
Boertige Schilderyen, en met dat soort van konsttafereelen
vercierde hy het Pompeon van Athenen. Aldus
wiert dat gemeen Gebouw genaamt, dat aan den ingang
van die stad was gesticht, en alwaar de Athêners alle de
voorbereydselee n der plegtigheden en feestelijke praalstaatsien
vervaardigden. Nu was die plaats wa kker opgeschikt
met allerley soort van Schilderyen en van Beeldhouweryen:
ook hadden en besloegen er de Wysgeeren en de Driedeks
Redenkonstenaaren, een plaats van eere, zo men Plinius
gelieve te vertrouwen.
| | Eutychides was zeer berucht wegens een Overwining
van zijn maaksel, dewelke, door een Kar met twee paerden
weggevoert, de toomen vasthield met de eene, en met
de andere hand een kroon des verwinnaars zwaaide. Wy
hebben dien Konstenaar eershalve aangehaelt, als die ook
onder veele andere konststukken den Vloed Eurotas had
gegooten, zo konstiglijk geordonneert en zo heerlijk uytgevoert,
dat het koper de vloeibaarheyt des waters overtrof,
volgens het tegenevangelisch voorgeeven der Ouden,
die zo min op een handvol Dubbelzinnigheden zaagen
als de hedensdaagsche Antwerpfche Opsnyders en
Konstvervalschers, waar van de minst schuldigen zo wel
het nootlot der Oliekoeken hebben verdient, als de strafwaardige
Muntmeesters der onechte Zonpistolen.
| | Eudorus bezat desgelijks dezelve talenten, als die een
verdienstig Schilder was, en een uytmuntent Beeldhouwer.
och wy moeten er echter van zeggen,dat hy eygentlijk
|
|
-ocr page 152-
| |
| lijk niets schilderde als Cieraaden, een byweg van de
Schilderkonst, dewelke de wakkere Historieschilders wraaken.
| | Hippias heeft ons eenen Neptuyn en een Overwinning
nagelaaten, zegt Plinius; doch dewijl hy er niet anders
van zegt, zullen wy hem op zijn woord van eer gelooven.
Zo het dien Hippias was, waar over de Geleerden
zo plachten te brommen, is hy een wakker Man geweest.
Plato roemt er wijd en breet van in zijn Hippias. Cicero
geeft er ook louter van op in zijn Redenkonstenaar.
Quintiliaan laat hem mee niet in het duyster verdwijnen,
gelijk als een Hobbesche ziel: en Apuleus wist wel eer
zij n voordeel te doen met deszels gedachten. Hippias,
zegt dien laatsten, streek voor niemant de vlag op het
punt van de Welspreekendheyt, en hy stak alle de Geleerden
de loef af door zijn uytgestrekte kennis in allerlerley
soort van Konsten. Hy was een Peleponêser, geboortig
van Elis. Hy bezat een grooten naam, en geringe
middelen; daar by had hy verhêven Verstant, een
heerlijke memorie, onderscheyde Wetenschappen, en
Mededingers en Benyders buyten tal. Want hy was een
Wysgeer, een Redenkonstenaar, een Beeldhouwer, een
Schilder, en wat wil je meer? Het zal ons genoeg zijn
te zeggen, dat hy zo vernuftig van geest en zo konstig
van handen was, dat hy alles dat hy noodig had zelfs
maakte, tot zo ver dat hy niets om noch aan zijn Licghaam
voerde, dat hy niet had gemeeten, gesneeden, genaait,
geweeven, of toegestelt met zijn eyge vingers.
Vive \'l industrie de la Pauvretê!
| | Harbon vergenoegde zich een Schilder te weezen. Veele
vergenoegen zich die het niet zijn. By het leeven
van Plinius hadden de Romeynen noch een paar konststukken
van dien Konstenaar, een Eendracht en een Vriendschap,
|
|
-ocr page 153-
| |
| schap, beneffens de voornaamste Heydensche Godhêden,
met alle derzelver merktêkens.
| | Leontiscus wist zich berucht te maaken door een Tafereel,
verbeeldende de overwinning van Aratus, dien
vermaarde Bevryder van Sicyone, en dien Uytroeier der
Grieksche Dwingelanden. Die overwinning beduyde het
ontzet van de stad van Argos uyt de handen van Aristippus,
die er in wiert verslaagen en op den welke men
alle de zeegentêkens van het gemeene best verooverde.
Noch schilderde hy een schoone Zangster, in welk konterfytsel
hy aantoonde dat hy zo wel de bevallige, als de
verhêvene voorwerpen, kon behandelen.
| | Leon was maar alleen aanmerkelijk door een eenig
konsttaffereel van zijn maaksel: dat was die geestrijke en
verliefde Sappho, dewelke zo veel gerucht op de Grieksche
Weerelt heeft gemaakt, beyde door de têderheyt
van haare gezangen, als door de ongerymdheyt van haare
hartstochten. Die verdienstige Juffer wiert bygenaamt de
tiende Zanggodin, zijnde zy gebooren te Lesbos, en zy
bloeide in de vyf en veertigste Olympiade, dat is, ses
hondert jaar voor de geboorte Jesu Kristi. Zy komponeerde
verscheyde dichtkundige werken, over dewelke
zich de Oudheyt verwonderde, en waar van wy niets hebben
gehouden als eene Lofzang aan Venus, en een Gezang
van sestien regelen opgedraagen aan een jonge Dochter die
zy beminde. Aan den Redenkonstenaar Longin zijn wy die
twee Gezangen verschuldigt, dewelke wy uyt het Grieks
vertaalt alhier tusschen invoegen, om de schilderachtige
denkbeelden vervat in het eerste geestelijk Lied; en om
de hevige hartstochten dewelke men zo natuurlijk ziet
doorstraalen in het tweede Gezang.
EEN
|
|
-ocr page 154-
| |
| EEN
GEESTELIJK LIED
AAN
VENUS
| | Groote en onsterflijke Venus, die Tempelen hebt op
en in alle de gedeeltens en plaatsen des weerelds. Dochter
van Jupiter, die zo veel vermaak schept in de Minnaars
te bedriegen; ik bid en smeek uw van mijn ziel
met geen smarten noch droefheden te overlaaden. Doc
zo ghy my ooit hebt begonstigt, kom my dan heden te
hulp, en verwaardig uw te luysteren na mijn gebêden gelijk
als wel eer, toen ghy wel wilde uw \'s Vaders wooning
verlaaten, om uw alhier te komen ophouden. Ghy
waart geklommen op een Kar die de vlugge duyven voorttrokken
met een groote gezwindheyt door de hemelsblaauwe
lucht. De duyven keerden weerom zo dra als zy
uw alhier ter stee hadden gevoert, en toen, bekoorlijke
Godes, behaagde het uw van my te vraagen met een
lacghende tronie, waar in dat het voorwerp van mijn
klachten bestont, en waarom ik uw had aangeroepen?
Noch vraegde ghy my daar en boven, waar na mijn ziel
het hêvigste verlangde, en wie dien jongeling was dien
ik poogde in te wikkelen en te verstrikken in mijn netten?
? Wie is die knaap, vraagde ghy, wie is hy doch die
uw veracht, Sappho? Ha, alhoewel hy uw thans ontvlucht,
echter zal hy binnen een korte tijd niet konnen
leeven zonder uw, en schoon hy nu uwe geschenken versmaat,
|
|
-ocr page 155-
| |
| smaat, de tijd nadert waar in hy uw op zijn beurt die
zal aanbieden. Heden dan, groote Godin, verzoek ik noch
maals uw hulp, en ik bid en smeek uw van my te ontrukken
uyt die wreede ongerustheden dewelke my verslinden.
Maak dat alle de begeertens van mijn ziel vervult
worden, en zijt zo goedertieren van my uw bescherming
te verleenen.
AAN HAARE
VRIENDIN
| | Die geen die altoos by uw is, en die het geluk heeft
van uw te hooren spreeken, en op zo een aangenaame
wyze te zien lacghen, is waarlijk zo gelukkig als de
Goden. Die lacgh en die wijze van spreeken ontrusten
mijn ziel, want zodra als ik uw zie, ontschiet my de spraak,
ik wort onbeweeglijk, en een dun vuur doorkruypt mijn
aderen; mijn oogen worden overdekt met zwaare wolken,
ik hoor niet als een verwart geluyt, een klam zweet
druypt van mijn gantsch licghaam, ik beeve, ik verbleek,
ik ben zonder pols en zonder eenige beweeging,
in \'t kort en met een woord, het schynt dat my maar een
ogenblik leevens meer overschiet.
| | Voor de rest gelooven wy, dat Sappho al te veel door de
taaie Spitsgarden der Kwaadspreekendheyt wort gekastijt,
alhoewel ik te zelver tyd vaststel, dar zy zo kuysch
niet is geweest als een wicht van den eerste nacht. Zy
w as zo min vry van de algemeene hartstochten der
Juffers als onze hedensdaagsche Dames, want de geheele
geleerde Weerelt is bewust dat zy Phaon beminde, of
liever liefde op een geweldige wijze; want nadat die jongman
|
|
-ocr page 156-
| |
| man vetrokken was na Sicilien om haar niet meer te zien,
kon zy zich niet wederhouden van hem te volgen. De
Geleerden gelooven eenpaariglijk dat zy op die kruysvaart
dien Lofzang aan Venus opstelde; met een woord zy stelde
alles in \'t werk om dien Minnaar te herwinnen, doch
alle haare poogingen vielen vruchteloos uyt, en haar tegenwoordigheyt
en haare schoone vaerzen vermeerderden
de koelhêden van dien onstandvastigen Galant. Eyndelijk
ontschoot haar het gedult, en zy zette zo een spijt
over die verachtelijke wijze van behandeling, dat zy snorde
na Akarnien op de kaap van Leukade, van welkers
hoogte zy eengevaarlijke sprong in zee dee, om zich te
ontlasten van haar dolle hartstocht; doch dat hulpmiddel
werkte boven verwachting, dewijl zy wel genas,
maar desgelijks verdronk. De Grieken waaren in die Eeuw
vooringenomen met de waan dat alle de Minnaars en de
Minnaaressen, dewelke het uurtje van den Harder of van
de Harderin niet konden treffen, maar zich van die plaats
eens in de zee behoefden te plompen, om van die raazerny
geneezen te worden. En in der daad, zy genaazen
alle wiskonstiglijk, dewyl zy na die sprong niet veel
sprongen meer maakten; of gebeurde het nu en dan al
eens dat er een het hoofd opbeurde uyt dat pekelbad,
die was zo lam voor de rest van zijn dagen, als een gekonfyt
Podagrist, die vyf a ses weeken lang de peine forte
& dure heeft verduurt van het ontmenscht Flerecyn.
Op het hoogste van die rots stont een Tempel gesticht
ter eere van Apol, waar in die verliefde Pelgroms en Pelgromessen,
dewelke die doodelijke kabriool ondernaamen,
eerst hun Gebeden gingen storten, en dan was \'t
spri ngje niet dan geneesje niet. De Akarniers, die jaarlijks
de Feestdaagen vierden van dien God, namen gemeenlijk
eenen ter dood veroordeelden Misdaadigen, den welken
|
|
-ocr page 157-
| |
| ken zy van boven neder van die rots in zee wierpen, na
dat zy hem alvoorens met allerley soort van pluymen
hadde.n bestooken, gelijk als een Wilde van Kanada, om
was het mogelijk daar door de kracht van dien val te
breeken, en hem in \'t leeven te houden. Aan den voet
van die rots waaren veele persoonen in sloepen, om hem
zo spoedig als \'t doenlijk was uyt de zee te fleuren en te
bergen. Gebeurde het dat hy op geen uytsteekende punten
viel, dan wiert hem het leeven gesschonken; doch
men verbande hem uyt die lucht streek, om elders, zo
het hem mogt lusten, te gaan paerlduyken.
| | Zommige Schryvers zeggen zo rond uyt als of zy het
wisten, dat Sappho dat vreemd en halsbreekent hulpmiddel
het aldereerst verzon en in het werk stelde. Andere
Penkampioenen beweeren, dat zy alleenlijk het voorbeelt
van veele wanhoopende Minnaars en Minnaaresssen,
dewelke haar hadden voorgegaan, navolgde. Maar de meeste
van die Sprinkhaanen waaren Mannen, dewyl er maar
weynig Vrouwen dien sprong hadden durven waagen,
o tot die gevaarlijke uyterstens komen; en uyt dien hoofde
doopen haar de Dichters, de mannelijke of de moedige Sappho.
| | Zy trouwde in haar lente jeugd, en alhoewel zy noch
piep jong zijnde Weduwe wiert, echter begeerde zy
nooit weerom te hertrouwen, schoon zy de keur uyt
honderde Mannen kon hebben. Daar is noch een stuk of
een brok van een brief bekent, dewelke zy aan een Man
schreef die haar ten huuwelijk verzocht, waar in zy hem
aldus vermaant; Zo je mijn Vriend zijt, (zegt zy) behoort
ghy nooit te denken om my tot een Vrouw te verzoeken;
maar het past uw een Vrouw die jonger is als ik ben
te neemen, want dewyl ik veel ouder ben als ghy, zou ik
n ooit konnen besluyten uw tot een man te aanvaarden.
| | De Ouden hebben ons haar konterfy tsel niet nagelaaten,
|
|
-ocr page 158-
| |
| ten, zy verhaalen alleenlijk dat zy noch groot noch kleyn
was, zijnde zy daar by vry bruyn van koleur, en geoogt
als een valk. Doch zy vergoede den mistal van haar gestalte
en van haar tronie voordeeliglijk, ja met woeker,
door de schoonhêden van haar geest, zijnde zy voorzien
met een aangenaam, natuurlijk, en galant verstant, dat zy
noch daar en boven had weeten te verrijken met een diepe
geleerdheyt. Alle die schoone eygenschappen gewonnen
haar den tytel van de tiende Zanggodin. Ook verdiende
zy dien naam rechtvaardiglijk, volgens de bekentenis
van de aldergrootste aloude Wysgeeren en Schryvers.
Men kan die stellingen bewijzen door de loftuytingen
waar mee Sokrates, Aristoteles, Strabo, Dionysius
Halikarnasseus, Longinus, en den Keyzer Julianus deeze
verwonderlijke Persoonaagie hebben vereert. Daar was
niets zo têder noch zo volmaakt als haare Gedichten,
ook zegt men dat Ovidius zijn bekoorlijkste schichten
heeft gehaalt uyt Saphos pylkooker.
| | Zy had negen boeken met Gezangen gedicht, beneffens
veele Puntdichten, Treurdichten, Minnedichten en
andere Gedichten. Ook voegen er de Ouden by dat zy
de Uytvindster is geweest van een Muziekinstrument, en
van een soort van overeenstemming waar van wy niet veel
weeten na te vertellen. By na alle haare Vaerzen bestonden
in Lofgedichten op haare Vriendinnen; doch ons verwondert
eene zaak, dat genoegzaam alle die Vriendinnen
vreemde Juffers waaren, en zy zich niet wist te doen lieven
by de Dames van haar luchtstreek. Zy maakte eenige
Vaerzen en Gedichten, in dewelke zy zich daar over
beklaagde, en dat zijn gewislijk die klachten dewelke
Horatius in de Hel hoorde, volgens zijn zeggen. Want
zy zegt tegens eene van de aanmerkelijkste en rijkste Dames
van Lesbos; Als wanneer ghy zult overleeden zijn,
zal
|
|
-ocr page 159-
| |
| zal er volstrektlyk niet meer gesprooken worden van uw (a)
want ghy hebt nooit geene Roozentuiltjes ontfangen van de
Pierische gebergtens. Maar ghy zult zonder eenige glorie
in Plutos naare woonplaats nederdaalen; en als ghy er eens
zult zyn zal men niet meer aan uw gedenken, ondertusschen
dat ik eeuwiglyk zal leeven. Ook was dat goed gevoelen,
dat zy voor haar persoon en voor haare verdiensten had
opgevat, niet kwalijk gefondeert, dewijl twee van haare
Gezangen, na zo veele Eeuwen overgebleeven, het vermoogen
hebben gehad om haaren naam op te beuren, en
haar geheugen te doen overgaan aan de Nakomelingen.
Vaar wel Sapho, den Schilder Nearchus roept ons,
een Man die zo wel de têdere hartstochten wist te maalen,
als ghy die kond opzingen.
| | Nearchus schilderde een Venus, in het midden der Bevalligheden
en Minnegoodjes, dewelke rondom haar speelden,
en hunne Moeder scheenen aan te zetten; doch
zy dee niet anders als lacghen over dat spel. Noch was
wr wel eer van hem eenen (b) Herkules te zien, tot zich
zelve gekomen, en doodelijk bedroeft, dewijl hy had
doen sterven, in een toeval van zotheyt, waar van Junos
wraak de eenigste oorzaak was, en zijne Huysvrouw
Megara, en de kinders by haar geteelt.
| Nealcus was een Sycionier bemint en beschermt by dien
Aratus van wien wy zo effen komen te melden. Hy schilderde
wel eer een Venus hooglijk geacht na zo veele andere
Venusen, op welk soort van Godinnen, zo het ons
voorkomt, zo de oude als de hedensdaagsche Schilders al
hun vermoogen willen uytputten. Die Konstenaar was
zo
| | (a) Dat is te zeggen; Ghy hebt nooit eenige gemeenschap gehouden met de
Zanggodinnen.
| | (b) Zie Hyginus na, Fabel. 32.
|
|
-ocr page 160-
| |
| zo naauwkeurig en zo verstandig in de \'t zamenstelling
van een Tafereel, dat zijn stukken maar het opslag
van een verstandig oog behoefden, om de goedkeuring
des Aanschouwers te verwerven. Dat bleek inzonderheyt
in zijn Zeegevecht tusschen de Egyptenaaren en de Persen.
Want verplicht om den Nyl te verbeelden, die zeer
breed is ontrent het eynde van zijn loop, en wiens wateren
gelijk zijn aan de zee, verzon hy een hulpmiddel,
waar door een Kenner aanstonds met een wenk die
rivier moest kennen. Hy schilderde dan op \'t strand een
Esel die zijn dorst versloeg, en een weynig verder een
Krokodil tot over de helft verschoolen onder de lissen,
die op dien langoor loerde, en zijn tijd afmat om op
hem toe te schieten. Wat zegje Leezer, van die verstandige
Ordonnantie, wist dien Konstschilder zich niet beter
uyt te drukken met zijn Verstant, dan een ander kon
doen met alle de koleuren des weerelds? Want den Esel
zou niet hebben gedronken, was het water niet zoet geweest;
en de Krokodil zou zich aldaar niet hebben bevonden,
indien deeze Nyl de Strydplaats niet had verbeelt,
waar op die twee machtige vlooten malkanderen
den palmtak bedisputeerden.
| | Den braaven Antoine Coypel, wiens verlies Vrankrijk
noch een geruymen tijd zal betreuren, heeft zich van
een diergelijk, ja genoegzaam van het eygen hulpmiddel
bedient in Moses Vinding, door de Dochter des Konings
van Egypten. Hy brocht zeer veele zaaken te pas
in zijn Ordonnantie die ons deeden errinneren aan Egyptenlant,
en onder andere vergat hy de Krokodillen niet, om
ons een denkbeelt te geeven van den Nyl. Gantsch anders
gedroeg zich een zeker Schilder die het voorval van Jonas
had geordonneert, beneffens een antyksche Vloot,
wier Wimpels praalden met de Wapens der vereenigde
Pro-
|
|
-ocr page 161-
| |
| Provintien. Dat doet ons gedenken aan een zeker Schilder
geboortig van Breda, en genaamt Micharius, die
Moses Vinding ordonneerde op zo een ongewoone wijze,
dat het ons niet zal verveelen om iets ter loops te zeggen
over die byzondere Ordonnantie. De Dochter des Konings
had hy behandelt gelyk als een verstandige Kok een
gestoofden Haas behandelt, half azyn en half suyker,
dat is, die Dame was tot aan haar middel toe gekleet of
toegetakelt op het antyks, doch neerwaards had hy haar
vereert met een wit satyne moderne Vrouwenrok, die hy
kopieerden na een Konterfytsel van Gaspar Netscher, op die
tijd behoorende aan den Heer Zwerius, Wagenmeester
Generaal, welke Rok hy noch vergezelschapte met een
paar gefestoeneerde Muyltjes. De Hofdames en de Kamenieren
zweemden in alle deelen op de Vrouwen, en
op de Nichten van de Participanten in de Ostendesche
Kompagnie, gebakert in hangende katoene zakken, en gekoifeert
met fluuweele Bonetten; en een koppel Lyfstafieren
had hy zo goed als het hem doenlijk was gekonterfyt
na de Brusselsche Helbaardiers, zijnde den eene een
steegjes Kastelijn, en den tweede een Substituyt Vleeschhouwer,
die, op dat zijn mes zou snyden aan weerskanten,
het Ampt eens Verklikkers waarnam by de respektieve
Heeren Pachters van de Wynen. Wy zouden alhier
verscheyde Tafereelbeschryvingen van die natuur konnen
byvoegen, doch wy zullen ons thans niet begeeven in
dien uytgestrekten Oceaan, voorneemens om die vermaakelijke
Byzonderheden in de Leevensbeschryvingen dier
Heeren Schilders tusschen in te lassen, die zich wel eer
van het gemeen distingueerden door diergelijke Ordonnantien.
| | Den Konstschilder Oenias schilderde maar een stuk,
en dat was het Bondgenootschap der Grieken anders genaamt
|
|
-ocr page 162-
| |
| naamt de Atheensche Meenigte. Veele Schilders hadden
dat Tafereel voor zijn tijd afgemaalt, doch altoos op een
byzondere wijze.
| | Philiscus is den naarstigste Schilder niet geweest, volgens
de eenpaarige getuygenissen van byzondere Schryvers,
daar wort verhaalt dat hy maar eene Schildery heeft
geschildert, doch die de Schilderkonst grootelijks heeft
vereert. Die verbeelde de Schilderkamer eens Konstenaars,
zittende in het midden van zijn Antijksche beelden, onderwijl
dat zijn Leerling voor Boutefeu speelde, zijnde
het wel zo gevoeglijk dat het Kind als dat de Moeder
schreyd, en dat den Leerling het vuur aanblaast als den
Meester. Dat soort van Schilderyen is beyde leerzaam en
vermaakelijk, eene Eygenschap dewelke maar weynige
Konstschilders bezitten. Noch was er wel eer een
andere Philiscus, zo het den zelve niet is, een ongemeen
konstig Beeldhouwer. De Romeynen te Romen beroemden
zich over eenige Beelden van dien Meester, en inzonderheyt
over die van Apollo, Latona, Diana, en de
negen Zanggodinnen, alle uyt marmer gekapt. Altoos het
is een zêkere waarheyt dat hy het eerste Beeld had gemaakt,
dat ongemeen schoon was. Alle die Beelden waaren
te zien in den Tempel van Apollo.
| | Phalerion was den maaker van eene Scylla, een Zeemonster,
gesprooken op een dichtkundige wijze, en genoegzaam
kenbaar door de verschrikkelijke beschryving
die er Homerus van geeft, die dat Monster afmaalt met
ses hoofden, twaaf pooten, en een driedubbelde rey tanden:
doch Virgilius heeft die Schets merkelijk verzacht,
en des Monsters leelijkheyt grootelijks vermindert.
| | Simonides liet een koppel schoone konststukken na, eenen
Agatarchus, den eersten aller Schilders, die geschreeven
heeft over de Vercieringen van het Treurspel, daar
in
|
|
-ocr page 163-
| |
| in bestiert door den Dichter Æscyles, die meer geruchts
maakte op het Grieks Schouwburg, als den geweezen Jakob
van Ryndorp ooit maakte in de Kermistent van
Delfshaven. Noch liet hy aan de konstbeminnaars na eene
schoone Mnemosyne, die vermaarde Zanggodin van het
Pierisch Gebergte, dewelke ons de negen Zanggodinnen
vereerde \'t eener dragt, in welk geschenk den Aardsliefhebber
Jupijn geen kleyn deel had, zo men den vroomen
Hesiodus durft gelooven.
| Scinus schilderde uytmuntende Tafereelen; een jong
Kaerel die zijn rust nam in den winkel van een volder:
een ander die zich vaardig maakte om de algemeene Feesten
der Atheeners te vieren, die maar van vyf tot vyf jaaren
kwamen, doch altijds geviert wierden met de uyterste
heerlijkheyt; en daar kwam het van daan dat de Romeynen,
de navolgers der Grieken, die noemde Quinquatrias,
dat is, het vyfde jaar na de vier verloopene jaaren.
Ten laatsten was er noch eene Nemesis van hem te
zien, in dewelke men alle de Eygenschappen van die Godinne,
aangaande de Rechtvaerdigheyt en de Wraak, kon
bekennen; gelijk als het Richtsnoer dat zy in de hand had
gevat om onze woorden en daaden te bestieren; een Toom
om onze lusten te maatigen; een paar Vleugels om de
schuldigen te vervolgen; en een Kroon om de rechtvaardigen
te beloonen. Dat Beeld zelve dat overheerlijk was,
verwekte achting en vreeze. Dat Beeld verbeelde die zelve
Godin waar van gesprooken wort in de (a) Handelingen
der Apostelen, toen de Malthêsers, ziende de Adder
die de hand van den Kruysheld Paulus had gevat, tegens
malkanderen zeyden; Deeze Mensch is gewislyk een Doodslager,
welke de wrake niet laat leeven, daar hy uyt de
zee ontkoomen is.
Theo-
| | (a) Kap. 28. v. 4.
|
|
-ocr page 164-
| |
| Theodorus liet ook geen kleyn getal Schilderyen na, in
een Eeuw waar in de Schilders zo veele Tafereelen niet
penseelden als Luca va presto, of den vaardige Signor Pelegrino.
Hy maalde eenen Aliptes, dat is een Zalver by de
Grieken, die het licghaam zijns Meesters zalfde: eenen
Orestes, die zijn Moeder Clytemnestra dood, beneffens
haaren Boel den Overspeelder Egystus; het onderwerp
was gehaalt uyt de Electra van Sophocles. Noch schilde
hy den Oorlog van Troijen, en verscheyde andere stukken,
dewelke te zien waaren in de portaalen van Philippus,
in of op welk Tafereel men de voornaamste uytkomsten
zag van die vermaarde bêlegering, achtervolgens als
die eertijds wierden gezongen door den goddelijken Homerus,
en naderhant opgebazuynt by den groote Virgilius:
ook maakte hy Cassandra, die rampzalige Vorstin,
die het talent had van de toekomende zaaken te konnen
voorzeggen, doch die er het ongeluk by had, als zijnde
eene Vrouw, dat niemant van de haaren haar wilde gelooven.
Zy was afgebeelt in die schildery met hangende
haairen, op die wijze gelijk als zy was, toen zy wiert
voortgesleurt uyt den Tempel van Minerva, te vergeefs
haare oogen verheffende na den Hemel; wy zeggen haare
oogen en niet haare handen, dewyl de onbarmhartige
Grieken, die haar voortsleurden, die reeds hadden gebonden.
Dat heerlijk stuk hing in den Tempel der Eendrachtigheyt,
alwaar den verheven Maro het waarschijnlijk
zal hebben geconsulteert, toen hv aldus begon te
zingen;
| | Maar zie Kassandre wert by \'t haair, in droeven schyn,
By \'t hangent haair gesleurt, uyt Pallas koor en Tempel;
De Dochter van Priaam; terwyl ze van den drempel
| | Haare oogen, doch vergeefs, om troost ten Hemel sloeg,
Haar
|
|
-ocr page 165-
| |
| | Haar blaakende oogen; want de handen teer genoeg
Geknevelt waaren, en met koorden vast gekneepen.
| | Noch had die Theodorus eene Leontium geschildert,
eene toegeevende Discipelin, of, om ons natuurlijker
uyt te drukken, de geestrijke Minnaares van Epikuur.
Wat er van zy die Wysgeer vermaakte zich ten alderhoogste
in haar gezelschap, en hy schaamde het zich niet
van haar deelachtig te maaken aan zijn Kennis en aan
zijn schoone Zeedekunde, zo wel als aan zijne Liefde.
Wy zullen alhier een korte schets geeven van die verdienstige
Leontium; en dat alleenlijk, om aan de Schilders,
die zo lang niet konnen wachten na de Vertaaling
van Moreris Woordenboek, als er andere Intêkenaars na
moeten wachten, een denkbeelt te geeven van die geestrijke
Courtisane.
| | Leontium; een Atheensche Pop, Vloerduyf, of Juffertje
Levi, zo men ze wil doopen, heeft zich vooreerst
berucht gemaakt door haar schaamteloosheden, en ten
tweede door haar zucht voor de studie der Wysgeerte.
Het tweede beroep zou de schande van de eerste broodwinning
hebben herstelt, indien die schoone den bof had
gegeeven aan de Liefde, zo dra als zy haar vervoegde
tot de Wysgeerte; maar men geeft voor dat zy niet een
reefje inbond in de Kluyf-fok van haar Hembdslip, en
dat zy alle goederen gemeen speelde met alle de Discipelen
van Epikuur, zo wel als met den Meester, zo dra
als zy was ingelijft in de natuurlijke Wysbegeerte; een bewijs,
dat er zo een groote weerzin niet is tusschen de
Liefde, en tusschen de Filosoofen. Eenige Tijdgenooten
beweeren, dat die Wysgeer zodanig in zijn schik was
met die schoone Pels, dat hy zich, waar hy kwam, beroemde
over die algemeene bonne fortune. Doch andere
Ge-
|
|
-ocr page 166-
| |
| Geleerden, ten minsten die zich den tytel van Geleerden
aanmaatigen, en die voorgeeven dat Epikuur al om mers
zo onbesprooken van Zeeden is geweest als den Overste
van la Trappe, betuygen, dat er zo min ernst in het spel
kwam tusschen Leontium en hem, als tusschen den opperste
Besneedene van het Turks Serail, en de begonstigde
Sultane; maar zy ontkennen niet dat er een Brievewisseling
was tusschen die beiden, niet min teder als die
van Abelard met Eloïse, die van een Engelsch Edelman
met zijn Vrouws Suster, en die van den Chevalierde Ch**t
met een Portugeesche Kloosternon: en dat alles kan bestaan,
want men kan wel schryven, en te zelver tijd eerlijk
blyven. Zy was de Vrouw of de Byzit van Metrodorus,
by den welken zy een zoonen overgaarde, dien Epikuur
aanbeval aan de Uytvoerders van zijn uyterste wille,
in zeer krachtige termen. Die plaats is een groote
proef tegens dien brief in dewelke wort onderstelt, dat zy
haar beklaagde over het fantastiek en nors humeur van dien
ouden Galant. De zommigen gelooven, dat die geestrijke
Leontium dezelve is, die wel eer de Maitres was van den
Dichter Hermesianax: een proef dat de Grieksche Poeeten
zo min zaagen op een handvol doodzonde, als onze
hedensdaagsche Rymers. Het is wel zo zeker dat zy zich
voor goed en al overgaf aan de Wysbegeerte; ja zelve
dat zy zich opwierp tot een Schryveres, want zy schreef
tegens Theophrastus, die wel de sterkste steun van de Sekte
van Aristoteles, en het grootste cieraat was van zijn
Eeuw. Cicero betuygt, dat zy dat werk in een beschaafde
styl opstelde. Metrodorus, van den welke wy hebben
gemelt, was een van Epikuurs voornaamste Discipelen.
Die schoone had noch eene Dochter overgewonnen, die
het spreekwoort, Zo de Ouden zongen, zo piepen de Jongen,
waarmaakte, die mee Volte speelde zo lang als Diones
|
|
-ocr page 167-
| |
| nes galey kon roeien, en die eyndelijk een geweldige dood
onderging, het nootlot van veele Dames van dat Beroep.
De Bewijzen van het geene wy alhier hebben bygebragt
zijn te vinden in het Woordenboek van den Heer Bayle.
Zo er iemant ons mocht vraagen, Hoe het doch mogelijk
was, dat die geestrijke Zondaares in het strydperk
durfde treeden met een Wysgeer gelijk als Theoprastes? die
zullen wy repliceeren; dat een Vrouw zo min werk maakt
van een Wysgeer, als over het inslurpen van den dooier
eens hoender eys, dewijl de ondervinding haar heeft doen
zi.en, dat een Filosoof zo wel als een Leek gevoelig is
voor een paar schoone oogen, zijnde dan de algemeene
zinspreuk, Adieu la Philosophie.
| | Theon geboortig van Samos was een ongemeen Man, in
de vinding. Daar was wel eer eenen Orestes van hem te zien,
die zijne Moeder gedoot hebbende, in de hette van zijn
wraak, eyndelijk vervalt tot raazerny: en eenen Thamyres,
dien jongen verwaanden, die troys op de schoonheyt
en op de zachtheyt van zijn stem, de Zanggodinnen
ging uyttarten om tegens hem te zingen; op die voorwaarde,
dat indien hy met den palmtak ging stryken, zy
haar aan zijne bescheydenheyt moesten overgeeven, en indien
hy overwonnen wiert, zy hem zodânigen straf konden
opleggen, als zy zouden komen goed te vinden. De Zanggodinnen
topten die voorwaarden, en wonnen den strijd met
het aldereerste Airtje, waar op zy hem beroofden van zijn
goude lier, en hem daar en boven de oogen uytstaaken.
| | Tauriscus schilderde eenen Schyfwerper, in den welken
men de poogingen en de gewoone verdraaijingen dier geener
zien kon die de schijf werpen: eene Clytemnestra,
dewelke niet vergenoegt van de Huu welijks trouw verbrooken
te hebben, in \'s Mans afzijn, noch boven dat het
middel uytvond om hem, om een luchtje te zenden op
zijn
|
|
-ocr page 168-
| |
| zijn wederkomst in zijn eygen huys: eenen Paniscus,
of kleynen Pan, den geftadigen Medgezel van den grooten
Pan, den God der Arkadiers en den Beschermer der
Harders: eenen Polynices, den zoon van Oedippus en van
Jocaste, en broeder van Eteocles, aan wien hy het Koningrijk
van Theben hereyschte, om dat op zijn beurt te
beheerschen, volgens den laatsten wil des Vaders; maar
Eteocles, die liever beval dan onderdaanig wilde zijn,
neygde geen ooren na dat voorstel, waar uyt dien bitteren
inlandschen oorlog ontstont, die zijn uyteijnde nam
in een tweegevecht, waar in die beyde Koninglijke
Broeders sneuvelden: en ten laatsten schilderde hy den
godloozen Kapaneus, die de party kiezende van Polynices,
zich trotslijk beroemde, dat hy de stad van Theben
zou verooveren, inspijt des Dondergods; doch den Vader
der Goden en der Menschen trof hem met den donder,
op die tijd dat hy de muuren beklom, en dee hem veel
laager nederdaalen, dan hy voorneemens was hoog te
klimmen. Dat voorbeelt van Kapaneus is achtervolgt geworden
van meer dan een Kristen Generaal, zijnde die
Kapaneesche belofte hun begonstigt woord, als of men
den Hemel moest braveeren, wanneer men den Koning wel
wilde dienen. Daar hebje nu ontrent alle de aloude Schilders
van den tweeden rang der Schilderkonsts Grieksche
Grandes.
| | Men zou er noch Erigonus konnen byvoegen, en het
zal ook niet onnoodig zijn hem alhier te melden, al was
het maar om de jonge Leerlingen aan te moedigen, die
dikmaals een weerzin opvatten, wanneer zy niet eensklaps
de Infante der Schilderkonst komen te schaaken. Die Erigonus
was geen Leerling, maar een onnoozele Verfwryver
van den Schilder Nealcus, en onderwijl dat hy
dien Konstenaar zag schilderen, keek hy kwansuys na wat
an-
|
|
-ocr page 169-
| |
| anders, doch hy doorgronde zo door en door het Geheym en
her superfyne van die konst, dat hy zich in staat zag om
er lessen over te geeven en goede Leerlingen te maaken.
Den bekwaamste van zijn Discipelen was een zekere Pasias,
wiens Broeder geen gemeen Gieter is geweest.
| | Maar daar is noch eene zaak, die wy niet moogen overslaan,
ten opzichte van die aloude Meesters, als gedenkwaardig
het geheugen der Tijdgenooten en der Nazaaten,
en die is, dat hun laatste Konsttafereelen die onvolmaakt
of liever die onopgeschildert waaren verbleeven,
dewyl de dood het gedult niet had van die te zien
voleyndigen, noch grooter verwondering verwekten als
de opgemaakte schilderyen. Onder die Tafereelen telt
men de Iris van den Schilder Aristides, de twee Gebroeders
Kastor en Pollux van Nicomachus, de Medea van
Timomachus, en de Anadyomenesche Venus van den grooten
Apelles, die waardige Boezemvriend van den grooten
Alexander. De reden daar van is, dat de Omtrekken zo
vast gestelt waaren, alhoewel niet opgevult, dat men in
die spiegels de volmaakte gedachten dier gelukzalige
Geesten kon beschouwen. De Geest schiep zijn vermaak
om denkbeeldelijk het licghaam en de koleur mede te
deelen van die Omtrekken; de Geest oordeelde van het
geene er aan ontbrak door het geene er was van overgebleeven;
en die zelve Geest bejammerde die konstrijke
hand, die voor het seyssen des doods moest bukken, op
een tijd dat zy onlêdig was in het scheppen van die schoone
zaaken; met een woord, de droefheyt zelve over hun
verlies, gaf nieuwe bekoorlijkheden van de laatste ogenblikken
van hun konstpenseelen.
| | Noch zijn er Schilders van de derde Klasse, Konstgrandes
die zich niet durven dekken voor dat de Schilderkonst
zegt, Cubridos, zetje hoeden op Mannen, en
die
|
|
-ocr page 170-
| |
| die Heeren behoort geen Schryver te ontzetten van dien
lof die hun in eygendom behoort. Dat zich niemant dan
verstoore indien wy die verdienstige Mannen alhier de
aloude Grandes laaten opvolgen, zy hebben dat recht
op het geheugen des tijds en der Eeuwen, niet alleenlijk
dewijl zy poogden om wel te doen, dat reeds iets is;
maar desgelijks dewijl zy wel hebben gedaan; alhoewel
hun werken geen plaats moogen beslaan in de eerste of in
de tweede Orden. Wy zullen ons vergenoegen, om de
Oudheyt te verkorten, die genoegzaam de gantsche Weerelt
verveelt, in het afleezen hunner naamen, en ze aldus
te verzekeren voor de Vergeetenheyt, ten minsten
voor een dozijn maanden.
| | Aristonidas een Schilder en een Beeldengieter, had het
konstje zo fix in de vermenging van zijn metaalen, dat hy
zekere Hartstochten uytdrukte in zijn gegootene beelden
die de Tekenkonst alleen niet kon uytdrukken
| | Anaxander, Schilder.
| | Aristobulus, den Syrier, Schilder.
| | Arcesilaus, uyt het eylant van Paros, Waschschilder,
en zoon van Tisicrates van Sicyone, een van de grootste
en van de vruchtbaarste Beeldhouwers zijner Eeuw.
| | Coribas, Schilder en discipel van Nicomachus.
| | Carmanides, een Vuurschilder, discipel van Euphranor.
| | Dionysidorus, van Kolophonen, Schilder.
| | Diogenes, Schilder, zodanig gelieft by Demetrius Poliorcetes,
dat hy hem met zich nam op alle zijne tochten.
Dat voorbeelt behoorden de Koningen, de Vorsten, en
de
|
|
-ocr page 171-
| |
| de Opperbevelhebbers na te volgen; het zou de Historien
bevoordeelen, en wy zouden met vermaak daaden
leezen, die men ons, om zo te spreeken, zou konnen voorhouden
en aantoonen, door de na de waarheyt getêkende
konstplaaten. Wy hebben meer dan eens moeten
lacghen om zêkere Batailleschilders, die zonder ooit eenige
andere dooden te hebben gezien, als de by de Vleeschhouwers
net ontleede Ossen, Kalvers, en Schaapen, zich
hebben opgeworpen om de alderdoorluchtigste Veld- en
Zeeslagen na te bootsen, als zo veel Harlequynen die
Vorsten naaapen. Vier jaaren, of iets langer gelêden brogt
ons een Vriend in den Doelen, om een geschilderde Bataille
van Hoogstet te zien, geordonneert en geschildert
door een zekere Kwidam, en gerepareert door deszelfs
zoon, Willem bon Homme, een Schilder in spijt van Sint
Lukas, doch een Dronkaart tot roem van den Uytvinder
der Moutwynen. Die Bataille was geinventeert binnen de
stad van * * *, een Vryplaats; ook meenen de oordeelkundige
Konstkenners, dat de vlucht der Bankrotiers aan den
Schilder een denkbeelt had gegeeven van de vlucht der
Franschen en der Beyerschen, want het vluchte by na
alles wat op de ruuwe Doeken stont, tot de Britsche paerden
inkluys, die hy had gekonterfyt na de windhonden
of hazewinden van een Boerenschout. Dewijl den Drost
van die stad zo een doodvyant van bloed en van wonden
was, dat hy zelfs de Boosdoenders liet loopen, om niet
gehouden te zijn die te straffen na rechten miste den
Schilder de gelegendheyt om de verslaagenen te konterfyten
in alle derzelver verschrikkelijke omstandighêden,
derhalve bande hy alle de doode licghaamen uyt die bataille,
en hy vergenoegde zich met de gekwetsten te
schilderen na eenige roekelooze Kermisgasten, die verscheyde
keepen in den bek en gaten in het hoofd, beneffens
|
|
-ocr page 172-
| |
| neffens gekneusde armen en beenen hadden veroovert,
tusschen de Bierbank en de Dorpjuffers. Een koppel Pages
die den Maarschalk de Tallart vergezelschapten, en
op wier meekrabs liveryen men de armoede des Schilders,
en in wier blikken men zo veele hartstochten zag
blinken, als op een paar afgekeurde teerlingen, waaren
hoofd voor hoofd geschildert na den Ruytenboer, en na
den Schupoenzot uyt drie groots speelkaerten; wijl hy
aan den andere kant een ontmoeting had gepenseelt tusschen
twee gebulte vyandlijke Bevelhebbers, die malkanderen
naderden van achteren, en daar door het spreekwoort
leugenachtig maakten, dat twee Bergen elkanderen
nooit ontmoeten. De verdere Omstandigheden van die belacghelijk
Ordonnantie zullen wy alhier niet aanhaalen,
maar die, beneffens eenige opmerkelijke byzonderheden
van het leevensbedrijf des Zoons, laaten invloeien in ons
vertoog over de Apokryfe Schilders, zijnde thans ons bestek
al te bepaalt met den Naamrol der overige aloude
Konstschilders.
| | Euthymedes, Schilder.
| | Heraclides, van Macedonien Schilder.
| | Mydon, van de stad van Soles, in Cilicien, een Leerling
van Pyromachus, een groot Meester in de Beeldengietery,
en Schilder.
| | Mnesitheus, van Sicyone, Schilder.
| | Polemon van Alexandryen, een Schilder die men niet
moet verwarren noch met Polemon den Beminnaar der
vrye konsten, die verscheyde boeken pende over de Schilders
en over de beste Schilderyen van Griekenlant; noch
met
|
|
-ocr page 173-
| |
| met Polemon den Landbeschryver, die zelfs in de boeken
van zijn Aardklootkunde niet vergeet, om by gelegendheyt
het onderwerp der beruchste schilderyen aan te
haalen.
| | Theodorus van Samos, een braaf Schilder, en noch
grooter Beeldhouwer, was een zoon van Rhecus, die,
zo men voorgeeft, den uytvinder is geweest van het pleyster-
en van het Beeldgieten: maar den Zoon overtrof den
Vader, en wiert Schilder, Beeldhouwer en Bouwmeester.
Die Thodoor was den vinder van den Winkelhaak, van
het Pasloot, en van andere bouwkonstige werktuygen; ook
was hy die man, die den Doolhof van Samos maakte, en
die de eerste fondamenten ley van den Tempel van Ephesen.
Eyndelijk na een oneyndig tal Beelden te hebben gegooten,
goot hy ook zijn eygen konterfytsel dat hem
wonderlijk geleek. Hy had in de rechter hand een vyl,
en in de linker een wagen met vier paerden in \'t front,
zo kleyn en zo konstiglijk bearbeyd, dat een vlieg, die
er boven op zat te pryken, dat gantsche wagentje beneffens
den koetsier bedekte met zijn vleugelen. Daar en
boven graveerde hy de alderhardste steenen. Die vermaarde
ring, by voorbeelt, die den Tieran Policrates in
de zee dee gooien, om ten minsten eens ongelukkig te
zijn, geduurende zijn leevensloop, doch die een visscher
hem kort daar aan weerom brocht, was een Esmeraud,
andere zeggen een Sardonix, waar van Theodoor het zegel
had gestooken.
| | Stadieus, Schilder, was gelijk als Theodoor een Discipel
van Nicosthenes; hy beklom de Kanarische piek der
Schilderkonst, en verhief zich als een Adelaar ver boven
het bereyk van veele Mededingers.
Xenon,
|
|
-ocr page 174-
| |
| | Xenon, van Sicyone, Schilder en Discipel van Neocles.
| | De Vrouwen der Ouden hebben mee getoont dat zy
zo wel konden schilderen als die der hedensdaagschen,
wanneer zy het Toilet den bof wilden geeven, en den
Schilderkwast van Sint Lukas in de blanke hand vatten;
en tot een bewijs daar van zullen wy alhier eenige voorbeelden
bybrengen.
| | Wy hebben reeds gesprooken van Timarete, de Dochter
van Micon, dewelke de eersteis geweest die het Konstpenseel
verheerlijkte, gelijk als zy aan den andere kant is
verheerlijkt geworden door het Konstpenseel; want men
plaatste de Diana van haar maaksel in den Tempel van Ephesen,
onder de alderoudste Konststukken dewelke aldaar
bewaart wierden.
| | Irene, de Dochter van Cratinus, van den welke wy
hebben gewaagt onder de Schilders van den tweede rang,
heeft ook uytgemunt in de Schilderkonst. Want na dat
zy zeer ver in de konst was gevordert door \'s Vaders lessen,
schilderde zy zelve Konterfytsels en vervolgende
Tafereelen. Daar wiert wel eer te Eleusis, eene Jonge
Dochter van haar maaksel zorgvuldiglijk bewaart, een
schoone schildery.
| | Calypso was vermaart door twee stukken van een uytgezochte
smaak; het eerste verbeelde eenen eerwaardigen
Gryzaart, en het tweede eenen Theodorus, een vermaart
Bekkenspeelder, die, gelijk als men zegt, de oogen der
Aanschouwers wist te betoveren door zijn konstige handgreepen.
| | Alcisthene had eenen Dansser geschildert, en die eygenschap
gelukkiglijk uytgedrukt.
Ari-
|
|
-ocr page 175-
| |
| | Aristarete, de Dochter van den Schilder Nearchus en
zijne Discipelin in de Schilderkonst, liet een stuk na verbeeldende
Esculaap, uyt welk Tafereel men kon oordeelen
van haare zeldzaame talenten.
| | Lala, eene Griekin geboortig van Cyzica, heeft het
grootste gedeelte van haare dagen doorgebrogt in ltalien.
Varro verhaalt ons in zijn Traktaat der vrye konsten,
dat zy haaren Maagdom bewaarde of uytrekte zo lang
als zy leefde, zonder twyfel ter liefde van de Schilderkonst;
dewijl zy oordeelde dat de onvermijdelijke plicht
der Huyshouding, een hinderpaal was aan de kracht des
Geests, en aan de vlugheyt des penseels, welke beyden
de glorie van die konst opmaaken. Hy voegt er by dat
die Lala, toen hy noch jong was, te Romen schilderde, of op
hout, of op ivoor, zo als men begeerde, of met het penseel,
of met gekoleurde wasch: zy was inzonderheyt gestelt
op het konterfyten, doch het gelukte haar nooit beter dan
wanneer zy Vrouwen konterfyte:dat zy ook te Napels schilderde,
en onder andere konsttafereelen twee gedentêkens
van haar maaksel naliet, die er noch te zien waaren by zijn
leeven: het eene stuk was een goed oud Wijf, (dat is al
wat ongemeens) leevensgroote, beneffens alle de uytdrukkingen
overeenkomende met die jaaren; en het ander
was haar eygen Konterfytsel, in de gestalte van eene
jonge Juffer voor haar toilet, die vermaak schept in haar
spiegelglas. Hy merkt aan dat zy twee talenten bezat, die
zeer zelden t\' zamengaan, en die haar verhieven boven alle
die geenen, dewelke de Schilderkonst hebben gelieft;
dat was, dat aan den eenen kant, geen mensch een luchtiger
noch vaardiger hand had als zy, en dat, wat het
konterfytsel betreft, te weeten het gelijken, het Air en
het Koloriet; zy zo ver was gekomen.in alle die deelen,
dat
|
|
-ocr page 176-
| |
| dat haare konterfytsels gemeenlijk tot een hooger prijs
wierden geschat, als die van de grootste Schilders van
haare Eeuw, en wier werken noch by het leeven van
Plinius de Konstkabinetten der Liefhebbers vercierden,
als by voorbeelt de konterfytsels van Denys en van Sopolis,
die Grieken waaren by geboorte, (veele Schilders
zijn Grieken by gedrag) maar die te Romen de beyde
Sexen schilderden.
| | Ten laatsten spreekt de Historie noch van eene Olympias,
die tamelijk schilderde; maar haare Tafereelen
hebben min gerucht gemaakt als die van de verdienstige
Juffrouw Rachel Ruys, een Schilderes die in het strijdperk
kan treeden met de befaamste Bloem en Fruytschilders
der voorige en der tegenwoordige Eeuwen. Het eenigste
dat er kan gezegt worden tot lof van Olympias bestaat
hier in, dat zy tot een Leerling heeft gehad Autobulus,
die eenigzins vermaart is geweest onder de Schilders.
| | Maar gelijk als wy hier voorens hebben gesprooken
van de Brandende Schilderyen, zullen wy alhier den
Leezer in weynige woorden zeggen, waar in dat die wassche
Schilderkonst bestont, die door het vuur moest geloutert
worden, gelijk als de Zieltjes in het Vagevuur
worden geloutert, eer dat zy tot den top der volmaaktheyt
konnen geraaken. Weet dan dat er wel eer twee wijzen
van vuurschilderen in gebruyk waaren by de aloude
Schilders. Voor eerst, naamen zy het wasch toebereyt in
verscheyde koleuren, dat op een houte plank of plankje
wiert gelegt, achtervolgens de daar van gemaakte schets
of zy holden dat uyt met een heet yzer. Ten tweede,
graveerden zy in het ivoor met een scherp en heet yzer
de omtrekken en het algemeen denkbeelt van het voorwerp;
waar na zy de koleuren gebruykten tot de schaduwen,
laatende het ivoor voor het licht, en alles voleyndi-
|
|
-ocr page 177-
| |
| digende of opmaakende door het vuur, gelijk als zy ook
deeden op het hout. Die twee wijzen waaren de eenigste
die in \'t gebruyk verbleeven voor een geruyme tijd, tot
dat men ook eyndelijk Sloepen en Scheepen begon te
beschilderen op een korter wijze. Dat was om het wasch
benffens de koleuren te \'t zamen te smelten in onderscheyde
aarde testen of potjes, en die vervolgens op het
hout te leggen met het penseel, gelijk als men gewoonlijk
schildert: en die wijze was zeer goed voor de Scheepen,
dewijl de schildering duurzaam bleef, en tegens de hitte
der zonne, de baaren der zee, en de winden kon uytharden.
Noch verhaalt Plinius van een zekere manier
om stoffen te beschilderen, welke manier ons zo kluchtig
voorkomt dat wy ons verplicht bevinden in Conscientie,
om die den Leezer over te brieven. Na dat men die
Egyptische stoffen zuyver en wit had gebleykt en gewassen,
zegt hy, têkende zy daar op het voorwerp of de ordonnantie,
niet met koleuren, maar met droogeryen,
dewelke die tekeningen wel haast te voorschijn zullen
brengen door de hulp des vuurs. Die stof op die wijze
getêkent zijnde kon men niets bekennen, maar dan staaken
zy die in een kookende Ketel, waar in de koleurende
of koleurgeevende stoffe was, en zy haalden die
korts daar aan uyt, geheelijk geschildert gelijk als die
behoorde te weezen. Noch een tweede wonder! roept
Plinius, dat is, dat die koleuren niet konden uytgewassen
worden, en gelijk als Yrsche getuygen niets wisten
van te verbleeken of te bloozen; daar wanneer men die
stof beschilderde, gelijk als men een Tafereel doet, dan
vermengde het vuur alle die koleuren onder malkanderen,
gelijk als in een Chaos; daar men in tegendeel door
eene koleur alle die droogeryen die er waaren opgelegt
kon doen rypen, en koleuren voortbrengen door de hitte
des
|
|
-ocr page 178-
| |
| des vuurs. Voegt er noch by, zegt onze Zegsman, dat
die stoffen veel sterker verbleeven na als voor het kooken.
Het schijnt ons toe, dat de kinderlievende Minnens en
en Keukenmeyden het kooken en beschilderen der veelkleurige
Paaseyers hebben ontleent van die Egyptische
Stofkookers, en met die enkelde aanmerking zullen wy
ons vergenoegen.
| | Nu lust het ons om de konst van leeme of kleye Beelden
te maaken te verhandelen, bekent by de benaaming
van Boetseeren; een uytvinding die de Moeder van de
Schilderkonst van de Beelhouwing, en van alle de konsten
dewelke de navolging beoogen, mag genoemt worden.
| | Dibutades van Sicyone, een slecht Pottebakker, was den
eerste die verzon om de menschelijke gestalte uyt te drukken
in potaarde. Men zegt dat die zaak voorviel te Korinthen,
en dat zijne Dochter de geboorte gaf aan die uytvinding.
Dat Meysje was verlieft op een jong Kaerel, en dewyl
die knaap in \'t kort een lange reys stont te doen,
nam zy voor om deszelfs uyterlijke trekken te bewaaren,
dewelke zy getrouwlijk met een stuk houtskool afschetste
tegens de muur door de hulp van een lamp, die deszelfs
schaduw aantoonde. Daar hebje den oorsprong van dien
beruchten Omtrek, die altoos is gegroet geweest als den
Vader van de Boetseerkonst, van de Schilderkonst, en
van de Beeldhouwing, en in \'t gemeen van alle de Konsten
van de gelijkenis afhankelijk. Dibutades t\' huys komende,
vond die tekening zo nieuw en ongemeen, dat
hy voornam om er iets van te maaken. Hy nam dan potaarde,
spreyde die naauwkeuriglijk op den omtrek van
het Voorwerp, en maakte er dus een soort van een model
van, dat hy liet bakken beneffens zijn leeme potten
en pannen. Plinius zegt, dat er wiert gezegt, dat die
aldereerste proef van de Boetseerkonst bewaart wiert te
Ko-
|
|
-ocr page 179-
| |
| Korinthen in den Tempel der Nymfen, tot dat L.
Mummius Korinthen verwoeste, en onder een oneyndig
getal van andere zaaken, dat kostelijk overblyfsel ruineerde.
| | Andere Schryvers beweeren dat die Konst van leeme
Beelden te maaken uytgevonden is te Samos, by Rhecus,
en by Theodorus zijn zoon, waar van wy reeds hebben.
gesprooken, welke beyden Vader en Zoon in den beginne
in potaarde gemodelt hebbende, ten minsten den
laatste, groote Beeldhouwers zijn geworden; en dat lang
voor de uytdryving der Bacchiaden uyt Korinthen, gemeenlijk
geplaatst in de twee en dertigste Olympiade,
Zy voegen er by om de zaak een schijn van waarheyt te geeven,
dat Demaratus, eenige jaaren daar na, die stad zijn
Vaderlant verlaaten hebbende, zich na Toskanen begaf,
met zak en pak, vergezelschapt met twee Beeldhouwers in
potaarde Euchir en Eugrammus, en dat die nieuwe konst
met hun overstak in Italien. Nu weet een iegelijk dat die
Demaratus, een koopman van deux aas en een vlugteling,
den Vader was van Tarquinius Priscus, een derlaatste Italiaansche
Koningen. Alles nu dat die laatste Schryvers
toeschryven aan Dibutades, is de uytvinding om de modellen
van potaarde te koloreeren met roodaarde, of
liever om die te modellen met roode aarde, als zo veels
te naader komende aan het natuurlijk. Noch akkordeeren
die zelve Schryvers, dat Dibutades den eerste geweest
is, die dat soort van beelden plaatste op de uyterste hoeken
der daaken en op de gevels der huyzen; dat hy zelfs
die beelden in den beginne noemde, eerste Modellen; dat
hy in het vervolg, Vormen maakte op die eerste oorspronkelijke
beelden, om er zo veele kopeyen van te
konnen maaken als hem luste of om benoodigt was; en
dat kortom die werken zo aangemoedigt en goedgekeurt
wier-
|
|
-ocr page 180-
| |
| wierden by de gantsche Werelt, dat men.ze over al
plaatste ja ook op de Tempelen, op dewelke men niets
stelde in den beginne. Zie daar waarde Leezer, op wat
wijze die konst wiert gebooren, en allengskens tot een
meerder volmaaktheyt geraakte, aan dewelke men den
naam gaf van de Boetseerkonst, en aan de Meesters den
tytel van Boetseerders, dat is, zo veel te zeggen, als
Vormers.
| | In den beginne en noch lang daar na, vergenoegde zich
de Meesters met verwardelijk de menschelijke gestaltens
te modellen; doch in het vervolg leyden zy toe om te
doen gelijken, en zy bereykten dat oogwit. Lysistratus
van Sicyone, den broeder van Lysippus den Beeldhouwer,
was den eerste die zulks ondernam, en ook gelukte.
Want na eerst te hebben gemodelt met potaarde,
modelde hy vervolgens met pleyster, en vervoegde zich
aanstonds om weergalooze schoone borstbeelden uyt wasch
te maaken. Om dat nu te doen gelukken, begon hy met
het toestellen van een pleystervorm, dewelke hy opvulde
met wel toebereyde witte wasch, waar na hy zijn
voorgenomen werk zo veel te beter opmaakte, dewijl
men het wasch maklijk kan verhelpen. Aldus gekomen
zijnde tot het maaken van zeer schoone beelden, waar
op die Eeuw voornaamelijk was gezet, vond hy niet veel
moeite om die natuurlijk.te doen gelijken: hy behoefde
maar alleenlijk zijn voorwerp te modellen, en vervolgens
zijn konterfytsel te retoucheeren met zijn gereedschappen,
in het byzijn van het oorspronkelijk, tot dat alles
was opgemaakt. En daar langs heeft hy zijn oogwit bereykt,
en zijn navolgers hebben het zelve gedaan. Hy
heeft alleenlijk de glorie gehad van het ys te hebben gebrooken.
Want voor zijn tijd vercierden de Beeldhouwers
reeds de Tempelen, de Huyzen en de Hoven, met schoone
|
|
-ocr page 181-
| |
| ne figuuren; doch zy wisten noch van geen persoonen te
konterfyten. De Schilderkonst en de Beeldhouwing gaaven
mogelijk daar van het voorbeelt aan haare Moeder,
de Boetseerkonst, en op die wijze begonnen zy \'t zamen
te loopen, schoon verschilliglyk, in dezelve loopbaan.
De uytvinding der Vormen om pleysterbeelden te gieten
was de Oudheyt ook verschuldigt aan Lysistratus, met
welke Vormen hy hergaf of herbrocht, om zo te spreeken,
de alderschoonste beelden. Kortom dat alles bevont men
zo maklijk en zo aangenaam te zijn, dat er geen werk
van Beeldhouwing op het getouw wiert gezet, voor dat
het eerst gemodelt was in potaarde. Waar uyt het blykt
dat de Boetseerkonst ouder is als de Beeldgietery.
| | De beruchtste Boetseerders waaren Damophilus en Gorgasius,
beyde Schilders en Tijdgenooten. Die beyde Mannen
hebben in Kompagnie gearbeyt aan de Schilderyen, en
aan de uyt potaarde geboetseerde Beelden, in den Tempel
van Cerês, vlak voor de groote Renbaan, alwaar men
het werk van den eenen kon onderscheyden van den ander,
door een Opschrift van Grieksche vaerzen, in den
ingang des Tempels, zijnde de rechter zy geschildert en
gemodelt door Damophilus, en de linker zy by Gorgasius.
Voor dat dien Tempel wiert gesticht besloegen niet
als gegootene beelden die heylige plaatsen, een Toskaans
werk, droog en hart. Waarlijk die plaats van Plinius is
een heerlijke getuygenis voor die van Toskanen, die ten
allen tijden de vrye Konsten hebben bemint en aangekweekt,
en als noch blyven volharden in die adelijke gevoelens.
Varro die ons die byzonderheyt verhaalt, voegt
er by dat toen men dien Tempel herbouwde, de Konstbeminnaars
om strijd stukken en brokken verzaamelden
van die twee Schilders, om die in lysten te zetten, en
die te bewaaren als zo veele kostelijke Overblyfselen van
die
|
|
-ocr page 182-
| |
| die wakkere Meesters, en aangaande de leeme beelden,
die op den top van dat gebouw stonden, die wierden
desgelijks onder de byzondere Liefhebbers verspreyt, gelyk
als de schilderyen.
| | Ook spreekt men van een zekere Calcosthenes, een Athêner,
een berucht Boetseerder, en een goed Beeldhouwer,
die zeer lang heeft gearbeyt in een gedeelte van
zyn stad, genaamt Ceramicos, na dat hy een begin had
gemaakt om te modellen in wasch. Want in den beginne
modelde hy alleenlijk in aarde, en in ruuwe aarde, dat
is te zeggen, dat hy zich vergenoegde met zijn werken te
laaten harden in de opene lucht, zonder die te stellen voor
het vuur, of die te laaten bakken in den oven.
| | Varro voegt er noch by in zijn Traktaat over de vrye
Konsten, dat hy te Romen was bekent geweest met eenen
Posis, een Griek van geboorte, die een byzonder talent
bezat in het maaken van Schaalen met vruchten, en die
onder andere de appelen en de druyven zo natuurlijk wist
te vormen en te koloreeren, dat menze niet kon onderscheyden
uyt de waare vruchten, als door den tast en de
smaak, en dat alles zonder twyfel boetseerde of goot hy
uyt wasch en uyt koleuren.
| | Maar die Varro verheft by uytneemendheyt eenen zekeren
Arcesilaus, een groot vriend van Lucullus, en zo
bekwaam in zijn beroep, dat zijn modellen vry duurder
wierden verkocht, als de opgemaakte werken van andere
Meesters, alhoewel het meesten tijds pleystergieters waaren
die ze kochten. De Moeder Venus, die wel eer op de
markt van Julius Cesar stont, was van zijn maaksel; en
indien dit beeld niet opgemaakt was in alle deelen, zulks
kwam door dien den Diktateur, die zich haaste om de
Op-
|
|
-ocr page 183-
| |
| Opdragt te pennen, den Konstenaar geen tijd gaf om er
de laatste streek aan te geeven. Arcesilaus was noch geakkordeert
met Lucullus, om hem een beeld te maaken verbeeldende
de Gelukzâligheyt, voor een somme van vyftien
duyzent Ryksdaalders; waarlijk een ongemeene
zwaare prijs voor een leeme beeld; doch de dood
stak een speek in het leevenswiel van den Konstenaar en
van den Kooper, op eene tijd, waar door Italien wiert
ontzet van dat potaarde Wonder. Den Schryver voegt
er by dat hy op een tijd eens vyftien hondert drie guldens
stukken ontfing voor het. model in pleyster van een groote
Kroes, die Octavius, een Romeyns Ridder, had aanbestelt
by eenen Goudsmit.Uyt dat eene staaltje kan men
oordeelen van de keurigheyt, van het fatsoen en van de
cieraaden.
| Ten laatsten voegt er die Varro noch by tot een toemaat,
dat het pleystergieten en het Boetseeren \'t zedert
een geruyme tyd wiert geoefent in Italien, en byzonderlijk
in het gebied van Toskanen, alwaar Demaratus zijn optrek
had genomen, en dat onder andere die van (a) Fregelles
zich deeden onderscheyden van andere Pleystergieters;
dat den ouden Tarquyn, Turrianus opontbood uyt
die plaats, een bekwaam Pleystergieter of boetseerder,
om te Romen het beeld van Jupiter te maaken, gedestineert
voor het Kapitool; dat die figuur in der daad voor
eerst maar wiert gevormt uyt potaarde; en om die zelve reden
blinkende gemaakt in de gemeene Feesten;dat zijn Wagen
met vier paerden, op het dak des Tempels, bestont uyt
die zelve stoffe; dat dien zelve Konstenaar Turrianus, ook
eenen Herkules had gemaakt, die den naam behielt van die
stoffe waar uyt hy was gevormt, dewyl hy gemeenlijk wiert
ge
| | (a) Een oude plaats in het Latyns gebied; thans genaamt Ceperano.
|
|
-ocr page 184-
| |
| gedoopt Herkules Fictilis, dat is, Herkules uyt gebakke
aarde, om hem van alle de andere te onderscheyden. Alle
die byzonderhêden, dewelke ons dien geleerden Man
verhaalt, zegt Plinius, geeven ons een groot denkbeelt
van de oude Romeynen. Want die leeme Goden waaren
waarlijk de blinkentste Beelden van de Goden onzer
Voorvaderen, roept hy uyt, en wy behooren niet schaamroot
te worden tot Voorouders gehad te hebben, zulke wijze
en scherpzinniige persoonen, die de Goden hebben geviert
met eene beminnelijke eenvoudigheyt! En aangaande het
Goud en het Zilver, zy verkwisten dat zelfs niet op de
Godhêden van den eersten rang: voorziende dat een diergelijke
pracht niet als kwaade gevolgen kon hebben.
| | En men moet zich niet verbeelden dat die soorten van
beelden min duurden, om dat ze waaren gemaakt uyt
aarde. Daar zijn er van dat geslacht geweest, die alle de
buyen des tijds en der saisoenen hebben verduurt, zonder
merkelijk beschadigt te worden; daar was er een goed
getal op de Tempelen, en op de Paleyzen te Romen en
elders; daar waaren er op het Land en in de vrye steden;
en by na alle cierlijk, heerlijk, en naauwkeuriglijk geteykent;
zo vast door de konst dier geener die ze hadden
bearbeyt, als door de bondigheyt die zy hadden ontleent
van de tijd, ja veel gaaver als de hedensdaagsche oude
goude Goden, ten minsten oneyndiglijk min schuldig.
Want behalve dat die aarde Goden geen begeerte verwekken
in de zielen der menschen, door de stoffe, kan
men die ook niet beschouwen als de vrucht van onze afknêvelingen
en rooveryen, maar veel eer als de vrucht
van de spaarzaamheyt en van de naarstigheyt der Voorvaderen.
| | Ook moet dat zo weezen (zegt Plinius, die zeer gestelt
|
|
-ocr page 185-
| |
| stelt was op potaarde Goden) dewijl noch in onze Eeuw,
die overvloeit van schatten en van rykdommen, wy geene
goude of zilvere vaten gebruyken, in onze heylige plegtighêden,
wy drinken uyt geen Kristal, of uyt blinkende
Partische schaalen, maar alleenlijk uyt aarde kelken
of bekers, volgens de lieflijke eenvoudigheyt onzer Voorouderen.
En daar in konnen wy ons niet genoeg verwonderen,
over de goedaardigheyt en over de Milddaadigheyt
onzer algemeene Moeder, indien wy alle haare geschenken
naauwkeuriglijk willen overweegen en waardeeren. Want
zonder alhier te spreeken van haar peulvruchten, haare
wortelen en haare graanen, dewelke zo een overgroot getal
uytmaaken, of van de onderscheyde soorten van
vruchten, vochten, kruyden, planten, geneesmiddelen,
metaalen en bergstoffen, dewelke zy zo milddaadiglijk
aan ons wegschenkt, zien wy haare goedaardigheyt, in
alle die vaten en gereedschappen, dewelke zy ons leend in
onze behoeftigheden; gelijk als die kruyken en die potten
van allerley groote, om onze wynen en olien te bewaaren;
die glaase Buyzen zo onderscheyden in haare
gestaltens, als verscheelende in het gebruyk; de sommige
lang de andere breet, om het water te leyden in onze
Badstooven, of in onze Waterbakken, eenige rond en
doorboort aan het end, op de wijze van Prammen, om
de hitte of om de versche lucht uyt te waassemen; die
Tegelsteenen van onderscheyde gedaantens, groote en
kleyne, lange en vierkantte, om onze muuren op te trekken,
om onze grondvesten te ondersteunen, of om onze
hoeken te vercieren; zonder te spreeken van alle die potten
en pannen, die met de hand, met het rad, of met de
vorm gemaakt worden: alle wonderbaarlijke gerijflijkheden,
en geput, om zo te spreeken, uyt haaren boezem;
dewelke den wyzen en vroomen Numa aanmoedigden om
een
|
|
-ocr page 186-
| |
| een zevende Kollegie, of Ambachtsgilde op te rechten
onder ons, ik oog op de Werkluyden in aarde vaten, anders
gedoopt de Pottenbakkers. En dat Gild was zonder
twyfel het minste niet in getal van de Ambachtsluyden.
Want indien men zich van die gebakke aarde bediende
in alle de leevens noodzaakelijkheden, de groote mannen
gebruykten die noch na hun overlyden, gelijk als den geleerden
Varro zelve, en veele andere, dewelke in die aarde
bakken begeerden begraaven te worden, met myrtusloof,
met olyf en met zwarte populierblaaden, op de wijze
van Pythagoras en van zijn Leerlingen.
| | Voegt er noch by, dat de meeste menschen, die hedensdaags
de oppervlakte des Aardrijks bewoonen, zich
van die zelve gereedschappen tot allerley gebruyk bedienen.
De Pottenbakkery van Samos wort zeer geacht voor
de gerechten. De bewoonders van Arezzo in ons Italien,
zijn niet weynig hovaardig over hun aarde vaaten. De Sorentyners,
de Asthiers en de Pollentyners gebruyken die
gestadiglijk, is het niet voor de spijs, ten minsten voor
den drank. Sagunte in Spanje, en Pergamum in Asien,
gebruyken die desgelijks. Die van Thralles en van Modena
stellen geen zwaarigheyt in er uyt te eeten en te
drinken: want op die voet veradelen en verrijken zich
waarlijk die Volken. Niet vergenoegt van er zelve het
eerste gebruyk van te hebben, gaan zy er mee koopmanschappen,
en hoe bros die koopmanschap ook is, echter
vervoeren zy die over zee en land, in verscheyde gewesten,
met- het merk des Werkmans en der plaatze,
daar dat is gemaakt; waar door de Winkels en de Ovens
van die Konstenaaren vermaart worden over de geheele
Aarde.
| | Noch vertoont men hedensdaags te Erythree, twee
groote Kruyken dewelke aldaar zijn geheyligt, om haare
zeld
|
|
-ocr page 187-
| |
| zeldzaamheyt, dewijl zy met alle haare groote uyt der
maate dun zijn; den Baas met zijn Leerling, beyde Pottenbakkers,
hadden daar aan gearbeyt om strijd, wie dat
het dunste vat zou maaken, volgens de voorgeschreeve
groote. Men weet niet wie won of wie verloor, maar de
twee Kruyken zijn noch in weezen, en alhoewel die maar
uyt aarde waaren toegestelt, echter vonden de Erythreers
die zo schoon, dat zy ze waardig oordeelden te zijn om
geheyligt te worden in hunnen heerlijksten Tempel. Ik vergeet
noch te zeggen, dat het Aardenwerk van het Eylant
van Co (thans genaamt Lango) het hoogste wort
geschat, of schoon dat van Adria, in ons Italien, dat
overtreft in duurzaamheyt en in sterkte.
| | Dewijl ons de Boetseerkonst ongevoeliglijk heeft gebrogt
tot deeze stoffe, (gaat Plinius voort) zal ik noch
aanmerken, dat er eenige voorbeelden van gestrengheyt
by ons zijn geweest by deeze gelegendheyt. Ik vind in
onze Gedenkschriften, dat eenen zekeren Q Coponius
wiert veroordeelt in een geldboete, als overtuygt van
kuypery, dewijl hy de stem eens Medeborgers had gekocht,
door het geschenk van een aarde Kruyk: zo teder
waare onze Voorouders op dat punt. lk zal vervolgens
noch aanmerken dat de overdaad zelve is ingesloopen
in die aarde vaaten, door eenen ongemeene weg waar
voor men zich niet kon hoeden. Eertijds noemden de
Ouden een Avondmaal van drie schotelen Tripatinum,
en dat Avondmaal wiert onder de heerlijkste geschat. In
een van die schotelen ley een Lamprey, in de tweede een
Snoek, en in de derde een Barbeel; en echter waaren die
soorten van Avondmaal veroordeelt by de wetten, als al
te prachtig, toen zelve onze zeeden begonnen te vervallen,
noch spaarzamer, als die der Grieksche Wysgeeren,
wier maatigheyt en gestrengheyt zo buytenspooriglijk
|
|
-ocr page 188-
| |
| riglijk zijn opgebazuynt geworden. By voorbeelt ik vind
op de verkooping van de goederen van Aristoteles, aangestelt
by zijn Erfgenaamen, eenen artykel van zeventig
schotelen; en dat komt my voor als al iets byzonders,
voor een Filosoof, en vry verwydert van de eenvoudigheyt
onzer Vaderen. Ook geloof ik dat mijn Leezers
niet zonder verbolgendheyt zullen konnen leezen, wanneer
ik zeg, dat een eenige schotel van Esopus, niet den
Grieksche Fabeldichter, maar een Romeynsch Tonneelspeelder,
die zo heerlijk onder ons heeft gebralt in de
Treurrollen, verkocht is geworden voor twee duyzent vyf
hondert Ryksdaalders? En wat zullen die zelve Leezers
zeggen van Vitellius, die zo een monstreuse schotel liet
maaken, dat men deszelfs onkosten schatte op vyf en zeventig
duyzent guldens? De grootste zwaarigheyt was een
plaats uyt te vinden om die schotel te bakken; want daar
was in gants Romen geen oven van dien omtrek; daar moest
er dan een gebouwt worden buyten de stad, en om dat
te doen, moest men veele huyzen en erven van byzondere
persoonen onder de voet gooyen, en bederven het gevolg
van de Dartelheyt, dewelke door het beschadigen
van het gemeen, doorgaans de gemeenste en eenvoudigste
zaaken in prijs doet steygeren. Want wat is er gemeender
als de Aarde? en die Aarde is ech ter by ons
leeven tot een hooger prijs opgesteegen als het Partisch
.Aardewerk. Het was ten opzichte van die vreeslyke schotel
dat den Consul Mucianus, toen hy voor de tweede
maal dat Overheyds ampt bekleede, niet vergat van te
verwijten aan het geheugen van Vitellius in een algemeen
beklag, de uytgestrekte Moerassen, dat is te zeggen de
groote landstreeken, die hy had opgeoffert aan zijn keel.
Volgens mijn oordeel, een noch schandelijker verwijt
als dat van den Redenkonstenaar Cassius Severus aan
Aspre-
|
|
-ocr page 189-
| |
| Asprenatus, toen hy hem verweet in zijn aangezicht, dat
hy hondert en dartig van zijn Gasten had vermoort, door
vergif.
| | Kortom wy hebben noch twee Steden in Italien, Regium
en Cuma, die vry vermaart zijn door het maaken
van Aardewerk: wat de stad van Samos aangaat, die bezit
een zeer grooten naam. Want men verzekert dat de
Priesters van de Godes Cybele niet zodanig worden toegestelt,
als door het middel van die gebakke aarde, die
zy zo scherp slypen als een Scheermes, en waar mee zy
hun mannelijkheyt wegpoetsen rasibus; en ongelukkig
die geenen, zo men zegt, die zich bedienen van een ander
werktuyg in die pijnlijke Operatie; want dan is alles
verbrust, en het leeven des Lyders loopt gevaar. Voor
de rest is M. Celius mijn Zegsman, d ie ons deeze byzonderheyt
byzet voor een bekende waarheyt: en wat my belangt,
ik ben van zins om hem daar in te gelooven, zonder
daar van de proef te neemen op mijn zelve, of op
eenige anderen.
| | Aldaar eyndigt den vroome Plinius zijn Vertoog over
het Aardewerk, een Vertoog waar mee een Orateur de
ziel der Pottenbakkers zou steelen, die tot noch toe niet
eens hebben gedroomt, dat zy lijnrecht afdaalen van de
Romeynen, en dat zy des noots zijnde geen duymbreedte
behoeven te wijken voor de Beeldhouwers, voor de
Goud- noch voor de Zilversmeeden. Wat ons aangaat wy
zullen ons tot geen party stellen tegens de respektieve
Pottenbakkers, gelijk als wy wel eer deeden in onze natuurkundige
Ontleeding van Grillos leeme Kooten en
Uylen- en Spreeuwennesten; wy zullen ons veel liever gedraagen
als de Kastelijn en als de Kastelijnin van het
vergult Zwijnshooft, die wanneer er een Heer en een
Dame in dat Algiers komen logeeren, altoos onderstellen
dat
|
|
-ocr page 190-
| |
| dat het paar getrouwt is, dewijl zy door dat vertrouwen
een paar schoone Bedlakens komen te bespaaren.
| Maar het wort tijd om eens te veranderen van voorwerp,
het wort hoog tijd om van de aloude Grieksche
Schilders neerwaards te daalen op onze Nederlandsche
Konstenaars., die zich niet konnen beroemen op den voorrang
der jaaren, gelijk als de oude Edelluyden, doch die de
Konst te baat hebben, gelijk als de hedensdaagsche Koopluyden
de schatten; ook dingt de zekere Weelde en het
gereet Geld wel zo na, als het onzeker Bloed en de gewisse
Armoede. W.y zullen ons dan van de Belofte gaan
spoeden tot de Volbrenging, daar in gelyk aan onze Geleerden,
die doorgaans de Tegenwerping, eer dat die hun
wort voorgestelt, oplossen. Den Franfoortsche Schilder.,
ongenoemt ongelaakt, ontmoete by ons geheugen nooit
een Schuldeyscher op \'s Heeren straaten, of hy maande
fluks zich.zelven met deeze woorden; Ja wel, Vriend,
ik beken mijn ongelijk, maar ik zal geen eerlyk man zyn, zo
ik uw niet betaal binnen de eerste drie dagen.
Vaar wel OUDEN, en welkom NEDERLANDERS.
DE
|
|
-ocr page 191-
| |
DE
AFBEELDSELS
EN DE
LEEVENSBEDRYVEN
DER
NEDERLANDSCHE
KONSTSCHILDERS
EN
KONSTSCHILDERESSEN.
Men ondervint dagelijks dat de Schilderyen en de
Vaerzen een gevoelig vermaak toebrengen aan den
Mensch, maar het is vry moeijelijk om uyt te leggen waar
in
|
|
-ocr page 192-
| |
| in een vermaak bestaat dat veeltijds gelijkt na verdriet,
en wiens toevallen somwylen overeenkomen met de gevoeligste
droefheyt. Nooit wort de Schilderkonst of de
Dichtkunde meerder toegejuyght dan wanneer het die gelukt
ons te bedroeven.
| | De zielroerende Vertooning van de offerhande van
Jephta\'s Dochter gevat in een vergulde lyst, is het schoonste
cieraat van een Konstkabinet, dat men poogt de verrijken
door huyscieraaden of door behangselen. Men ziet de
vermaakelijkste voorwerpen en de belacghelijkste Tafereelen
over \'t hooft, om die treurige Schildery te beschouwen;
en dat stuk doet een gevoeliger uytwerking op onze
ziel, als alle de vergezochte uytgekipte koppelwoorden
des Treurspelsdichters. Een Gedicht, wiens voornaamste
onderwerp is de geweldige dood van een jonge
Princes, (de oude Princessen verschuylt men in eenen duystere
hoek of kant by de oude afgekeurde Santinnen)
vind plaats op een vrolijk Feest; en dat Treurspel veroorzaakt
het weezendlijkste vermaak aan een gezelschap dat
vergadert is om vreugde te bedryven. Doorgaans schept
den Mensch noch grooter vermaak in op het Schouwburg
te schreijen als te lacghen. Een geheyme bekooring verbint
ons aan die navolgingen der Schilders en Dichters,
op die zelve tijd dat de Natuur door een innerlijke siddering
een weerzin betuygt tegens onze opgevatte vermaaken.
| | Doch laat de Heeren Dichters zich niet inbeelden, dat
het vermoogen der Dichtkunde grooter is dan de onweerstaanbaare
macht der Schilderkonst; wy zullen onze gevoelens
ten opzichte van de laatste ondersteunen door een
tweevoudige reden. De eerste reden is, dat de Schilderkonst
op ons werkt door het Gezicht. Ten tweede, bedient
zich
|
|
-ocr page 193-
| |
| zich de Schilderkonst van geen behendige têkens gelijk
als de Dichtkunde, maar altoos van natuurlijke têkens.
Door die natuurlijke tekens voltooit de Schilderkonst
haare navolgingen.
| | De Schilderkonst bedient zich van het oog om ons te
beweegen; en dat wist Horatius ook wel toen hy zong,
Dat de Hartstochten traager bewoogen worden door het Gehoor,
als door het Gezicht.
| | Het Gezicht voert een grooter Heeerschappy over de
ziel als de andere Zinnen. Het is op het Gezicht dat de
ziel zijn grootste vertrouwen stelt, door eene natuurlijke
drift versterkt of bekrachtigt by de Ervarendheyt. De
ziel beroept zich op het Gezicht ten opzichte der andere
zinnen, wanneer zy vermoet dat er iets schuylt aan het
verhaal. Op die wijze verrukt ons het geraas of het natuurlijk
geluyt niet na maate der zichtbaare voorwerpen.
By voorbeelt, het geschreeuw van een gekwest persoon
die wy niet zien, geeft ons die aandoening niet die wy
zouden gevoelen op het Gezicht van deszelfs bloed en
wonden, alhoewel ons de oorzaak is bekent die hem doet
gillen en roepen. Men mag dan zeggen op een dichtkundige
wijze, of schoon er zich zommige Sint Juynen aan
komen te ergeren, Dat het Oog veel nader huysvest by de
ziel als het Oor.
| | Ten tweede, de têkens dewelke de Schilderkonst gebruykt
om ons te spreeken, zijn geene goeddunkelijke
têkens gelijk als de woorden en de omschryvingen waar
mee zich de Dichtkunde behelpt. De Schilderkonst bedient
zich van natuurlijke tekens, wier kracht niet afhangt,
van de opvoeding. Die têkens haalen hun sterkte
uyt het verhaal dat de Natuur zelve invoert in de uytwendige
voorwerpen en in onze werktuygen,. en om daar
langs
|
|
-ocr page 194-
| |
| langs onze behoudenis te verzorgen. Mogelijk dat wy
ons vergissen en ons kwaalijk uytdrukken als wy zeggen,
dat de Natuur zich van têkens bedient. Het is de Natuur
zelve die de Schilderkonst ons voorstelt en aantoont.
Indien er onze geest niet door wort bedroogen, ten
minsten worden er onze zinnen door misleyt. De gedaante
der voorwerpen, hun koleur, de weerom stuyting der
lichten en schaduwen, kortom alles dat het oog kan genaaken,
wort zo wel gevonden in een Schildery als in
de Natuur. De Natuur vertoont zich in of op een Schildery
onder dezelve gedaante, gelijk als wy die inderdaad
beschouwen. Ja het schijnt zelf dat het oog, verblint door
het werk van een groot Meester, zich verbeelt de geschilderde
beelden te zien beweegen.
| | De alderzielroerendste Vaerzen konnen ons niet als
trapsgewijze beweegen, en dat door onderscheyde veeren
van ons konstwerktuyg aan \'t gaan te helpen, de eene na de
andere. De woorden moeten aanstonds de denkbeelden opwekken,
wier goeddunkelijke têkens zy zijn. Vervolgens
moeten die tekens zich in reijen en in gelêders stellen in
onze inbeelding, en zy moeten die Schilderyen formeeren
die ons beweegen, en die Konsttafereelen opmaaken
waar aan wy ons laaten gelêgen leggen. Het is waar, dat
alle die werkingen in minder tijd geschieden, dan men den
Keulschen Dom zou konnen afbreeken en weerom opbouwen;
maar het is een onbetwistbaar grondbeginsel in de
Wiskonst, dat de meenigvuldigheyt der veeren altoos de
beweeging verzwakt, (de Vrouwen zijn byster groote Wiskonstenaaressen
op dat Kapittel) dewijl een veer nooit
aan een tweede veer die geheele beweeging mededeelt die
zy heeft ontfangen. Elders is een Vaers een werking,
waar in het woord het denkbeelt verwekt, wiens têken hy
is,
|
|
-ocr page 195-
| |
| is, dat niet geschiet door de kracht of uyt hoofde van
Natuurs werken.
| | Gevolglijk zijn de voorwerpen dewelke een Schildery
ons aantoont in de kwaliteyt van natuurlijke têkens, van
een vaardiger uytwerking. Den indruk die zy doen op
ons gemoed is krachtiger en schielijker als dien indruk,
die de Vaerzen maaken op onze bevatting. Als wy in
Horatius die beschryving der Liefde leezen, waar in Kupido
zijn brandende schichten slijpt op een met bloed besproeide
wetsteen, dan verwekt den Dichter, door die
woorden van dewelke hy zich bedient, in ons wel die
denkbeelden, en die denkbeelden formeeren dan vervolgens
in ons begrip die Schildery, waar in wy dien God
zien slypen en draaien; doch daar ontbreekt vry veel aan
de volmaaktheyt van dat Tafereel. Wy gevoelen ons
bewoogen door die verbeelding in Vaerzen; maar wanneer
ons die zelve verbeelding voorgestelt wort op eenSchildery,
dan wort ons het vuur wat nader gelegt, en wy gevoelen een
verdubbelde beweeging. Dan zien we aanstonds dat die
Vaerzen ons maar een onvolmaakt denkbeelt, en niet boven
een gebrekk ige schets geeven van die heerlijke Schildery.
Die Dichtkundige Schildery is een nieuw Tafereel
voor die geenen, die daar van de gesc hilderde Ordonnantie
beschouwen te Chantilly. Den Dichter bewoog de
Leezers, maar den Schilder raakte de ziel der Aanschouwers.
Den Schilder bediende zich van dat denkbeelt om
daar van het voornaamste deel van zijn stuk te maaken,
zijnde deszelfs hoofdfiguur het konterfytsel van eene Princes
uyt Fransch bloed gesprooten. Men ziet in die Schildery
verscheyde Minnegoodjes die een wetsteen omdraaijen,
beneffens een van die kleyne knaapen die zich aan zijn
arm heeft bezeert door de punt van een liefde schicht, onderwijl
dat Kupido die zo scherp slijpt als lancetten.
Daar
|
|
-ocr page 196-
| |
| | Daar is geen Mensch zo dom op deeze aarde, die niet
meer dan eens de gelegendheyt heeft gehad van aan te
merken, dat het wel zo maklijk is iemant een zaak te doen
bevatten langs de oogen, als langs de ooren. Dat Argument
bewijs ik door den verdienstigen Geneesheer Joh.
Conrad. Amman, die langs de oogen de Dooven en de
Stommen bescheydendlijk leerde spreeken, leezen, en schryven,
waar van hy meenigvuldige blyken heeft gegeeven,
en inzonderheyt in de eenige Dochter van den Heer Pieter
Koolart, voornaam Koopman in Haarlem; welk voorbeelt
ik aanhaal onder veele andere voorbeelden, redenshalve.
De Schets die een Paleys verbeelt, geeft ons fluks
een denkbeelt van de gantsche groote. De grondvest doet
ons aanstonds de meenigte der vertrekken begrypen. Een
ordentlijk diskoers van een uur lang, hoe groot onze aandacht
ook mocht zijn, zou ons niet half zo wel daar
van een begrip geeven, dan het geen wy om zo te spreeken
met een opslag van het oog begrypen. De aldernaauwkeurigste
omschryvingen zijn gebrekkig ten opzichte
van eene têkening, en het zou al iet vreemds zijn
dat het denkbeelt van een gebouw, by onze inbeelding gevormt,
ja zelf by het relaas der Bouwkonstenaars bevat,
in alle deelen zou overeenkomen met het gebouw. Zo is
\'t ook gelêgen met de daar ontrent gelêgen grondstreek
van een Krygsvesting, van het kam pement eens Legers,
van een Slagvelt, van een nieuwe Plant, van een ongemeen
Dier, van een Konstwerktuyg, in \'t kort van alle
de voorwerpen waar in zich de nieuwsgierigheyt zou willen
oefenen. Men is benoodigt om figuuren om zich ordentlijk
te doen verstaan, en om ordentlijkste boeken dewelke daar
van handelen. De alderwijste inbeelding smeed dikmaals
harssenspooken, wanneer zy de beschryvingen wil brengen
tot beelden, voornaamelijk als den Mensch, die voorgeeft te
ver-
|
|
-ocr page 197-
| |
| verzinnen, nooit diergelijke zaaken, overeenkomende met
dat geene hy leest, heeft gezien met zijn natuurlijke oogen.
Wy begrypen zeer wel dat een Krygsman zich het denkbeelt
van een storm of van eene belêgering kan verbeelden,
op eene nette beschryving; maar een Borger of een Boer,
die nooit geen Belêgeringen of Stormen bywoonde, kan
zich geen juyst denkbeelt formeeren op het hooren zeggen.
Wy konnen maar alleenlijk op de beschryving stiptelijk
van die zaaken die wy hebben gezien oordeelen.
| | Vitruvius pende zijn boek van de Bouwkonst zo ordentlijk
of zo verstandiglijk niet, zonder het de vereyschte
verstaanbaarheyt by te zetten. Ondertusschen zijn de
figuuren, met dewelke Vitruvius zijne uytleggingen verzelde,
\'t zoek geraakt door de luyheyt der Monnikken,
gelijk als wy hier voorens hebben aangetoont, waar door
z ijne uytleggingen hedensdaags ons duyster voorkomen.
De Geleerden dan twisten over een groot gedeelte texten
van Vitruvius; maar zy stemmen eenpaariglijk, dat
die texten zo klaar zouden zijn als de zon op den middag,
indien er de figuuren by waaren. Vier getêkende regels
op het papier zouden duyzende Overzetters en Uytleggers
vereenigen. De alderervarenste Ontleeders bekennen
volmondiglijk, dat zy met moeite een nieuwe ontdekking
zouden begrypen, by aldien die niet vergezelschapt
was met een daar mee overeenkomende tekening.
Een bekent Italiaans spreekwoort zegt, een kleyne schets
geeft een groot begrip.
| | De Ouden beweeren, dat hun Godhêden beter gedient
zouden geweest zijn by de Schilders als by de Dichters.
Het waaren de Konterfytsels en de Beelden, waar door
de vreemde Natien eene gewyde achting kwamen op te
vatten
|
|
-ocr page 198-
| |
| vatten voor hun Goden en Godinnen, en niet op het hooren
der wonderen die er de Poeeten van opzongen. Men
geloofde des te maklijker dat Jupyn den Dondergod was
op het zien van het beeld van den Olympische Jupiter;
en indien den grooten Apelles de uyt de zee opborrelende
Venus niet had geschildert, zou die lelieblanke Godes noch
misschien met haar naakte billen op den grond van de zee
zitten paerlduyken, een Element zo zilt als haare bekoorlijkheden.
| | Om nu volstrekter proeven by te brengen, toen men
het licghaam van Julius Cesar verbrande binnen Romen,
was er niemant die onkundig was in de omstandighêden
van dat schelmstuk. Het is niet gelooflijk dat een Inwoonder
van die Weereldstad onbewust was wegens het
getal der wonden waar mee de Konspirateurs hem hadden
doorboort. Ondertusschen vergenoegde zich het volk
met hem te beschreijen. Maar die onedele gemeente scheen
dol en raazende te worden op de vertooning van den bebloeden
tabbert waar in Cesar was vermoort. Het scheen,
zegt Quintiliaan, spreekende wegens het vermoogen van
het oog op de ziel, dat men Cesar op nieuws versloeg
voor hun oogen.
| | Ten tijde der echte Romeynen droegen de Schipbreukelingen
een Schilderytje op hun borst, waar op hun
rampen waaren afgeschetst, als een voorwerp dat vry bekwaamer
was om het medelijden en de liefddaadigheyt
op te wekken van den doode, als alle de beweeglijke verhaalen
van hun ongeluk. De Kwakzalvers en de Liedjeszangers
kennen mee de kracht wel van het spreekwoort,
Aanzien doet Gedenken; ja de Heeren Minnaars en de Dames
Minnaaressen, zouden over en weer malkanderen geen
Kon-
|
|
-ocr page 199-
| |
| Konterfytseltjes opofferen, indien de Ervaarendheyt hun
niet had onderweezen, dat er grooter virtuyren steeken
in een na het leeven geschetste Gelykenis, als in duyzende
wel opgestelde Minnebrieven, en beeedigde Protestatien.
De Geloftestukjes, by voorbeelt te Halle, Laken,
Scherpenheuvel, en by meer andere mirakelen werkende
L. Vrouwen, bekrachtigen onze stelling, dat het oog een
meerder vermoogen heeft over de ziel, als de overige Zinnen;
gevolglijk zullen de respektieve Zangers van Apol
ons gelieven te excuseereeen, indien wy de Schilderkonst
den voorrang geeven boven de Dichtkunde; en tot dus
verre heeft het ons gelust de Dichtkunde, die een Vinding,
is, te contramineeren, en de Schilderkonst die de Waarheyt
verbeelt te defendeeren.
| | Wy onderstellen dat het een Monnikken arbeyd zoude
zijn den graagen Leeezer op te houden met het Airtje
van onze byzondere deugden, en te vertellen wat wy reeds
hebben gedaan, wat wy noch zullen doen, en al zulke
Suykers Beloften, die gelijk als een jong Huuwelijk maar
groenen voor een korte poos. Wy zullen alle Schryvers
komplimenten dan verkorten met Alexanders zwaard, om
met de eerste Uytvinders der Olieverwen, Jan en Huybert
van Eyk, te voorschjn te komen op het Schouwtonneel
van de Schilderkonst; derhalve sta ruym Mannen de
Gordyn wort opgetrokken en het spel zal beginnen.
HET
|
|
-ocr page 200-
| |
HET
LEEVEN
VAN
JAN EN HUYBERT
VAN EYK
Jan en Huybert van Eyk zijn gebooren te Maaseyk,
een steedje gesticht op den oever van de rivier de
Maas; welk plaatsje geen stroo breedte behoeft toe te geeven
aan de Arne, aan de Po, of aan den Tyber,. dewijl aldaar
die Zon is opgestaan, aan wiens straalen, zo de uytheem-
|
|
-ocr page 201-
| |
| heemsche als de inlandsche Konstschilders hun toortsen
hebben ontstooken, om den gantschen aardbodem voor te
lichten. Men onderstelt dat zy de beginselen van de Schilderkonst
hebben geleert by hun Vader, zijnde de geheele familie
als ondergedompelt in de liefde tot die adelijke konst,
tot een Suster inkluys, genaamt Margariet, een braave
Schilderes in die Eeuw, die het penseel van Pictura hooger
schatte als het snoeimes van den Bogaardgod, en haar
maagdelijke zuyverheyt uytrekte tot aan het Kerkhofslot.
Huybert is gebooren in het jaar duyzent drie hondert ses
en sestig, en Jan in het jaar duyzent drie hondert en zeventig,
zijnde den laatste een Leerling geweest van den
eerste, die een konstig Schilder en een hulps man was.
Die twee broeders hebben veele stukken in Kompagnie
gemaakt in lijm en in eyverf, dewijl er toen noch geen
andere manier bekent was in de Nederlanden: doch de
Italiaanen bezaaten reeds de konst van in Fresco, dat is,
op de natte kalk te schilderen tegens de gevels en de muuren.
| | Dewyl nu de stad van Brugge in Vlaenderen op die tijd
was \'t geen Antwerpen naderhant wiert, en dat Amsterdam
thans is, te weeten, de grootste Koopstad des weerelds,
overvloeide die plaats van weelde en van schatten, de
twee zeylsteenen die de Konschilders lokken, des begaf
zich Jan met der woon na die stad, en aldus verkreeg
hy den bynaam van Jan van Brugge. Aldaar maalde hy
veele lijm en Eyverf Tafereelen op panneelen, en dewijl
hy dagelijks meer en meerder toenam in de konst, verkreeg
hy het geene hem toekwam, dat is te zeggen, veele
Eer en niet minder Middelen. Hy was zo wel een geleert
Man als een uymuntent Konstenaar, en een naarstig
waterbrander of distillateur, die de eygenschappen der
verwen onderzocht, en verscheyde nutte zaaken voor
zijn
|
|
-ocr page 202-
| |
| zijn gebruyk en tot verbetering van zijn beroep uytvont.
Ten laatste ontdekte hy een soort van een Vernis \'t zamengestelt
uyt eenige olien, waar mee hy zijn Tafereelen
verniste, een uytvinding die de Kenners en Liefhebbers
wonderlijk wel beviel, dewijl die Vernis het werk een
.glans byzette, voor deezen nooit gezien. De Italiaanen
hadden reeds jaaren en dagen gezocht na dat geheym;
doch nooit de rechte wijze, om die Vernis te konnen
maaken ofte gebruyken gevonden, alhoewel die thans zo
gemeen is dat er by na niet een Venetiaans snuyfdoosje
te koop komt op markten en op kermissen, op wiens
schilderytjes men die niet ziet blinken.
| | Het gebeurde eenmaal dat Jan een panneel had bemaalt,
waar aan hy veel tijd, vlyt en arbeyt had besteet,
als die gewoon was zijn Schilderyen keuriglijk en zuyverlijk
uyt te voeren. Hy verniste dat stuk met zijn gewoone
Vernis, en stelde het te droogen in de zonne;
doch het zy dat het panneel niet wel gevoegt of gelymt
was, of dat er te veel hitte bykwam, het panneel barste,
en zijn konst versmolt door het vuur van die straalen, gelijk
als wel eer de uyt wasch en uyt pluymen \'t zamengestelde
wiekenvan Ikarus smolten. Dat den Schilder vry
verstoort was over dat toeval is maklijk om te gelooven,
ook nam hy van dat ogenblik af een voorneemen, om
z.ulks te voorkomen, en hy viel als een Chimist aanhet
stooken en aan het smooken, vol hoop dat hy iets zou
ontdekken om zyn Schilderyen binnens huys te droogen.
Hy onderzocht dan den aard van veelerhande olien, en
hy bevont den Lynzaadolie en den Nootolie de droogenste
te zijn, des kookte hy die met eenige andere ingredienten,
en hy komponeerde daar uyt een Vernis onvergelijklijk
beter als de voorgaande. Dewijl nu Jan een wakker
man
|
|
-ocr page 203-
| |
| Man was die zich niet ophielt met een kleyne ontdekking,
maar die als hy den draad had, ook het kluuwen
opzocht, ging hy verder, en hy bevont, na veel onderzoek,
dat die olien zich gemaklijker lieten vermengen
met de verwen, als de lym ofals het eywater, dat ook de
verwen schielijker droogden, en dat die olien de koleuren
een natuurlijke glans gaaven, zonder dat hy die behoefde
te vernissen. Maar het geen hem boven al behaagde,
was dat hy handtastelijk bevont dat de verf zich beter
liet behandelen als met het eywater, welke handeling
altoos min ofte meer strak en getrokken stont, daar de koleuren
vermengt met die olien, van zelve,om zo te spreeken,
verdweenen en versmolten. Jan was zo bly over die vond
dat het niet was om zeggen, ook had hy reden genoeg
om verblijd te zijn, dewijl hy door die vond de Natuur
zo nakwam, als het doenlijk is voor \'s menschen handen en
voor aardsche koleuren. Waaren de oude Grieksche Schilders
Apelles, Zeuxis en Parrhasius, eens op \'t slag gekomen,
en hadden zy die nieuwe wijze van schildering
moogen zien, zy zouden zich niet minder daar over hebben
verwondert, als den verreezen Achilles, Hektor of
Alexander zouden staan kyken op de vond van dat Duyvels
Niespoeder van Barthold Schwarts, een poeder noch
wel zo doodelijk voor het Menschdom, als de halsbreekende
poeders van den geweezen Doktor Sweytzer, en
met wiens adem een Bloodaart den dappersten Man kan
overhoop blaazen, zonder zich bloot te stellen voor bloed
of voor wonden. De Boekhouders der uytvindingen boeken
die heerlijke vond in het jaar duyzent vier hondert
en tien; daar Vasari die stelt in het jaarduyzent vyf hondert;
doch een Eeuw is maar een pennetrek voor een
Schryver. Altoos dit is waar dat die twee broeders, Jan
en Huybert van Eyk, veele schoone Schilderyen hebben
ge-
|
|
-ocr page 204-
| |
| gemaakt, en die vond zo geheym gehouden als een moord,
gelijk als het spreekwoort zegt, of schoon er veele
Konstschilders op uytstooven, om deelgenooten te worden
van die over heerlijke uytvinding der Olieschilderyen.
| | Die Broeders hebben hun voornaamste Tafereelen geschildert
te Gent in Vlaenderen, onder welke Tafereelen
voornaamelijk uytblinkt een Schildery in de Sint Jans
kerk aldaar, die hun wiert aanbestelt by Filip van Charlois,
Graaf van Vlaenderen, wiens konterfytsel op een
van de deuren komt, zittende te paerde. Sommigen gelooven
dat Huybert dat Altaarstuk het aldereerste begon,
en dat Jan het opschilderde; doch Joachim de Sandrart
en Karel van Mander onderstellen, dat die beyde broeders
het begonnen, en dat Huybert komende te sterven in het
jaar duyzent vier hondert ses en twintig, den jongste het
voltooyde. Het binnenste van dat Altaar stuk vervat een
text uyt de Openbaaring van Johannes, alwaar het Lam
aangebeden wort by de Ouderlingen, vol werk en zuyverlijk
behandelt. Boven dat Tafereel ziet men het beeld
van de Maagd Maria, beneffens den Vader en den Zoon
die het bekroonen, Kristus voert een kruys zo doorschijnent
als kristal, verciert met onderscheyde edele gesteentens
en met gulde doppen, zo keuriglijk geschildert, dat
eenige Schilders op een vaste grond hebben geoordeelt,
dat het schilderen van dat kruys ten minsten een Maand
tijds heeft gekost aan die vernuftige broeders. Onder het
Maria beeld ziet men veele Engelen voorzien met Muziek
instrumenten, zo konstiglijk uytgedrukt, men
maklijk zien kan wie van die lieve Zangmeesters dat den
Bovenzang en den Bas zingt, en wie de laagste stem
voert in dat heylig Concert. Boven op de rechter deur
staan Adam en Eva geschildert, en het schijnt dat dien
eerste
|
|
-ocr page 205-
| |
| eerste Mensch twyffelt, of hy het verbod des Alderhoogsten
zal in de wind slaan, dan of hy het onbehoorlijk
verzoek van zijn Beminde zal ontzeggen. Ook toonde
Jan dat hy verstant en geleerdheyt bezat, ten minsten dat
hy den Oudvader Augustinus had geleezen, die beneffens
andere Geleerden beweert, dat die vrucht by Moses verzweegen
een versche Vyg is geweest, dewyl die aldereerste
overtreeders na de begaane zonde, hun naakte schamele
deelen bedekten met groene Vygebladers, en daarom
had hy aan Adam een Vyg in de hand gegeeven, in stee
van een Appel. Op de andere deur ziet men eene Sinte Cecilia,
en andere beelden, en onderscheyde Kavaliers te
paerde, beneffens de konterfytsels van de twee broeders,
Huybert en Jan van Eyk. Huybert beslaat de rechterhand
des broeders ten opzichte van zijn jaaren, ook is hy veel
ouder van tronie als Jan, en hy is met een kostelijke bonte
muts gekaptvoor opgeslaagen, van een wonderlijk maaksel.
Den jongste broeder is gekoifeert met een ongemeene
muts schier van fatsoen als een Turksche tulbant, gekleet
in een zwarte tabbaert, met een roode Paternoster
in de hand en onder aan een medaille. Dat Altaarstuk is
heerlijk getêkent, vol van schoone gestaltens der beelden,
wonderlijk van Ordonnantie, en overvloeiende van
geest, aardigheyt, en zuyverheyt. De Draperyen zijn
geplooit op de zelve wijze als die van Albert Durer,
en de purpere, de roode, en de blaauwe koleuren vertoonen
zich zo schoon en zo versch, als of zy eerst uyt het
penseel rolden. Dat stuk vervat in het geheel drie hondert
en dartig Tronien, van dewelke er geen twee worden
gevonden die elkanderen gelyken, als of den Schilder
Plinius tot een leugenaar had willen maaken, die
schrijft dat geen Schilder hondert Tronien zal konnen
schilderen, of daar zullen er eenige onder zijn die elkanderen
|
|
-ocr page 206-
| |
| deren zullen gelyken. Ook ziet men in die Tronien verscheyde
hartstochten, als yver, ernst, een goddelijke liefde,
godvruchtigheyt, en diergelijken. Het Landschap
is verciert met aardige boomen, en met veele zo uytheemsche
als inlandsche kruyden, zo konstiglijk behandelt en
zo fix getêkent dat het geen werk is die te kennen. De
hoofdhaairen en de baarden in de beelden, en het paardshaair
in de maanen en in de staerten van die dieren, zijn
zo natuurlijk nagevolgt, dat de kykers staan te staroogen
op die wonderen. Een onnoemlijk tal van Koningen en
Vorsten heeft zich gewaardigt dat konstrafereel te komen
zien en te pryzen; ook heeft Filippus, den Koning van
Spaanje, dat heerlijk Kon stjuweel doen kopieeren door
Michiel Coxcie, een Schilder van Mecghelen, welke kopey
gelukkiglijk is uytgevoert, uytgezondert dat dien
Kopeyist zich wat te veel vryheyt gaf in zommige deelen,
en onder andere Cecilia schilderde achter uyt ziende,
gants niet bevalliglijk. Dewijl er nu een zeker soort
van schoon blaauw niet te bekomen was in de Spaansche
Nederlanden noch in Vlaenderen, wiert dat op des Konings
order overgezonden by den Venetiaansche Titiaan,
en dat weynig blaauw, dat in den tabbaert van de Maagd
Maria wiert gebruykt, koste die vorst twee en dartig Dukaaten.
Dat Altaarstuk stont wel eer op een voet, welke
voet beschildert was met lijm-of met eyverf, verbeeldende
een Helle, waar in de verdoemden en de in het voorburg
der Oudvaders veroordeelden, hun wederspannige
knien boogen voor het Lam, dat de zonden des weerelds
op zijn schouders had genomen, ter liefde des Menschdoms.
Doch die Helle is zo zuyver uytgewassen door het
Zuyverwater van eenige Konstschoonmaakers, dat er noch
vuur noch vlam, noch eenige gekloofde voetstappen van
Duyvels meer te zien zijn op die afgeboende panneelen.
Die
|
|
-ocr page 207-
| |
| Die twee gebroeders leefden gemeenzaamlijk met den
Graaf Filip, die insgelijk Hartog was van Borgonje, en men
gelooft dat Jan van Eyk \'s Vorsten geheymen Raad is
geweest; altoos het is altijds zeker en waar, dat Filip
den Schilder Jan behandelde, gelijk als Alexander leefde
met den grooten Apelles. Die voornoemde Altaarschildery
is niet te zien of wort nooit geopent als voor groote
Persoonaagien, of voor mindere Heeren, die de altijds
geopende handen des Kosters behoorlijk weeten te zalven.
Somtijds worden de deuren ook wel geopent op groote
Feestdagen, alwaar dan noch grooter gedrang is als op den
Dam in het heetste van een Executie, want men ziet er
de Vlaamsche Schilders om en tom zwarmen, gelijk als een
zwarm wespen zwarmen om en op een schotel gevult
met rype Fransche Muskadellen. In die zelve Kapel, genaamt
de Kapel van Adam en Eva hing wel eer een Lofgedicht,
gemaakt by Lukas de Heere, een Schilder van
Gent, welk Gezang wy alhier om deszelfs antyksche
Dichtkunde tusschen in zullen voegen.
Een lof en prys des Werks, dat in S. Jans Kapel,,es,
Van schilderien, gemaakt by die Meester Jan hiet,
Geboren van Maseyk, te recht een Vlaemsch Apell,,es,
Leest neerstig, wel verstaet, en op het werk dan ziet.
LIERZANG.
Ghy Constbeminders comt van alderley geslachten,
Beziet dit Dedaels werk, een schat, een edel pandt,
Daar Croesus rykdom groot, niet by is weerdt om achten:
Want \'t is een Hemel-gaef, om chieren Vlaenderlandt.
Comt, seg ik: maer aenmerkt aen.dachtig met verstandt,
Op
|
|
-ocr page 208-
| |
| Op yder eygenschap des wercks, ghy vindt midts desen
Een Zee die overvloeyt van Const, aan elcken kandt,
E n daert al om te schoonst voort doet, om zijn gepresen.
Den Vader Godlijk siet, aanmerkt Joannis wesen;
En hoe Maria toont een lieflijk soet gelaet,
\'t Schijnt dat men haaren mondt met innicheyt siet lesen,
En hoe wel is gemaekt de Croon, en al \'t cieraet!
Siet hoe verschrikelijk, en levend\' Adam staet.
Wie sag geschildert oyt so vleeschig een licghaame?
Het schijnt dat hy ontseght, en weyghert Evas raedt,
Daar sy hem lieflijk biedt, een Vyg, haer aanghename.
Door Hemel-Nymphen soet, door d\' Enghelen bequame.
Maet-singende in \'t aensien, met vreughd elk wort
gespyst,
Elkx onderscheyden stem men kent nae den betame:
Want yder oog en mont natuerlijk dat bewijst.
Doch niet dan al vergheefs men yet bysonders pryst;
Daar \'t al zijn om te schoonste en edele juweelen;
Want \'t schijnt dat hier al leeft, en uyt de Tafel rijst.
\'t Zijn spiegels, spiegels zijn \'t, neen \'t zijn geen Tafereelen.
Hoe eerbaar deeghlijk siet zijn d\'ouders, ja den heelen
Geestlijken reynen staet, die hier neemt zijnen lijdt?
Hier ghy o Schilders siet, nog onder ander deelen,
Voorbeelt van laken goet, of emmers na dien tijdt.
Den Maegdhekens ook set, hen wesen elck verblijdt,
Der welcker zedigheyt, wel d\'onse mochten leeren.
Aanmerckt hoe statig prat, daer in den deuren rijdt,
Elck Coning, Vorst, en Graef, verselt met groote Heeren.
By dese men te recht den Schilder siet verkeeren,
Die jongst was, hoe wel best, en \'t werck al heeft volendt,
Een Paternoster roodt draagt hy op swarte cleeren,
Hubert rijdt boven hem als oudste Broer bekent.
Hy hadde \'t werk begonst alsoo hys was gewent;
Maar
|
|
-ocr page 209-
| |
| Maar d\'al-vernielsche Doot zijn voorneem heeft verondert.
Hy rust begraven hier, de Suster hem ontrent,
Die met haer Schilderie ook meenigh heeft verwondert.
Ay siet nog op dit werk: hoe gantschlijk afgezondert
Is aansicht van aansicht in wesen over al!
Wat trony men hier siet, van meer als drymael hondert,
Gheen d\'ander en gelijckt, in sulck een groot getal.
Ten anderen, wat lof men hem toeschryven sal?
Dat al zijn verwen schoon door oudtheyt niet beswyken
In schier twee hondert jaer: maar houden duerig stal,
Dat siet men nu ter tijdt aan weynich werken blyken.
Vry desen Constenaer den roem heeft moghen stryken,
Te zijn een Schilder recht, en oprecht Meester goedt:
Vier deelen had hy doch, die Schilders wel gelijken,
Gedult, onthoudt, verstandt, en gheest in overvloet.
De scherpheydt openbaert zijn lijdzaam sacht gemoedt,
Onthoudt, en groot verstandt in alles \'t onderscheyden.,
Met welstandt, maet en Const, dat elck zijn werk wel
doet,
En gheest deed\' hem geschickt d\' History wel belyden.
Te meer nog zijn zijn gerucht is loflijk uyt te breyden
Dat hy in sulcken tijdt, en plaets te bloeijen plag,
Doe hy geen schilderie, om d\'ooghen in vermeyden,
Of beter voorbeeldt ook, als wel zijn eyghen sagh,
\'t Schryft een Italiaen, dat men gelooven mach
Dat desen Jan van Eyck heeft d\'Oly-verwe vonden;
Van dry schoon stucken wercx van hem doet hy gewach,
Die in Florencen schoon; \'t Urbyn, en Napels stonden.
Waar hoort men erghens meer soo wonder ding vermonden,
.Dat sulck een schoon nieuw Const, soo heel volmaect
begint?
Van
|
|
-ocr page 210-
| |
| Van dees Maseyckers twee, en weet men niet t\'oorconden
Wie dat hun Meester was, \'t bescheyt men niet en vindt.
Ten rechten was dan Jan zijn leven lang bemint,
Van d\'Edel Graef Philips, zijn jonstig Heer vol trouwen,
Die hem in eeren hiel, en hadde heel gesint,
Als blinkende cieraet, van \'t Nederlandt gehouwen.
Zijn werk dat was gesocht uyt alderley Landouwen,
Daarom men weynig meer vindt als dees Tafel yet,
Dan dat men slechts nogh eene in Brugghe magh aanschouwen,
En eene \'t Iper noch, die doch voldaen is niet.
Van deser weerelt vroegh dees edel Bloeme schiedt,
Die uyt soo slechten stadt, uyt Maesyk is becleven;
Te Brugghe \'t licghaam rust, daar hy zijn leeven liedt:
Maar zijn naem en gerucht, onsterflijk sullen leven.
Ons Graef Coningh Philips dit werck soo heeft verheven,
(Gelijk als hy heeft sin in alle Const eerbaar)
Dat hy dit nae liet doen, en heefter voor gegheven
Vier duyzent guldens ook, oft op een weynigh naer.
Michiel Coxcie vermaerdt, den tijdt van een twee Jaer
Was doende om dit te doen, ter plaets in dees Capelle,
Zijn eer heeft hy betreft, en welgenomen waer,
Van \'t eerste tot het leste, als constig werck-geselle.
In Spaenje dees Copie is (op dat ick \'t vertelle)
Te Vendedoly nu, tot een gedachte bloot,
Van onses Conings liefde, als die ik boven stelle,
Van Eyck, en ook Coxcie, tot lof en eere groot..
Schade leer u. Lucas de Heere.
Wat dunkt uw Leezer, zou dien geweezen Lucas de
Heere niet wel in een gelit moogen gaan met den Berymer
van Atys en Sangarida, met den ronden Zeedendichter
Klaas
|
|
-ocr page 211-
| |
| Klaas den Boterboer, en met den Boekverkooper met het
Paerdshooft, die volgens zijn eygen getuygenis, Een
Koekkoek met zijn Wil is.
Na dat Jan dat Altaarstuk had opgemaakt verliet hy
Gent, en hy vertrok weer met der woon na Brugge, alwaar
hy ook een Schildery van zijn maaksel naliet tot een
eeuwig geheugen. Hy schilderde noch veele Konststukken
voor byzondere Heeren en Konstkoopers, dewelke
wijd en zijd vervoert wierden, en geen gemeene jaloesy
verwekten in de uytheemsche Schilders, die met een diepe
verwondering die Mirakelen beschouwden, die zy niet
konden evenaaren. Den Hartog van Urbino, Frederik
den tweede, kreeg een Tafereel zijnde een Bad, heerlijk
en konstiglijk uytgevoert; en Laurens de Medices had
ook eenen Sint Hieronymus van zijn hand, en noch eenige
andere schoone konststukken. Ook kochten eenige Florentynsche
Koopluy den een uytneement schoon stuk van
Jan in Vlaanderen, dat zy overschikten aan Alphonsus,
Koning van Napels, waar mee die Vorst wel in zijn schik
was. De Italiaanen bekeeken die nieuwe Schildering met
de uyterste verwondering, doch hoe zy die ook van naby
bekeeken, onderzochten en bestudeerden, zy konden dien
schat niet opwinden, zy vongen slip, het was ziet er van
af, en het geheym was en bleef verborgen. Ten laatsten
kwam er een ltaliaan op het Tonneel een zekere Antonello,
geboortig van Messina, die voornam te beproeven
of hy ook den Konstridder was voor wien die avontuurlijke
Ontdekking was bewaart, des nam hy de reys aan
na Brugge, alwaar hy Jan van Eyk ging bezoeken, die hem
ontfing met die aloude Vlaamsche openhartigheyt, thans aldaar
ondergegaan, om op te daagen in de vrygevochte Nederlanden.
Die loose knaap schonk verscheyde schoone Italiaansche
Têkeningen aan Jan, en wist zich door duyzende
|
|
-ocr page 212-
| |
| zende gemaakte beleefdhêden, en nagebootste behaagelijkheden
zo diep in deszelfs vertrouwen in te vlijen, datJan
zich bloot gaf, dat Jan in z ijn byzijn zijn verwen temperde,
aanley, schilderde, kortom dat Jan het geheym
van de Mis zuyverlijk opbiechte aan Antonello; en uyt
die openhartige Belydenis zou men met een groote schijn
van waarheyt wel moogen onderstellen, dat het spreekwoort,
O het is een goede Jan! lynrecht nederdaalt van
den Schilder Jan van Eyk, den Uytvinder der Olieverwen.
| | Noch was er tot Iperen in de Kerk van Sint Maarten
een Altaarstuk van Jan, waar op den Abt Priano stont
gekonterfyt. De deuren waaren onvolmaakt gebleeven,
zijnde verdeelt in twee parken, geordonneert met verscheyde
betêkenissen op de Maagd Maria, als een brandende
Eglantierboom, het Vlies van Gedeon, en diergelijke
toepasselijkheden. Dat Tafereel scheen meer Hemelsch
te z ijn als menschelijk. Ook schilderde hy veele Konterfytsels
na \' t leeven, gestosfeert met nette en schoone landschappen.
Karel van Mander getuygt het konterfytsel
van eene gedoodverfde Vrouw te hebben gezien, dat alzo
zuyver en fix was aangelegt, dat er de opgeschilderde
stukken van andere Schilders voor moesten wijken. Dat
stuk beruste ten huyze van zijnen Meester, Lucas de Heere,
tot Gent. Noch had hy onder andere konststukken een jong
paar gekonterfyt, die vereenigt worden in den Echt
door de Trouw, afgebeelt in vrouwen kleeders Dat Schilderytje
wiert tot Brugge ontdekt in het huys van een Barbier,
en gezien by Maria., de Weduwe van den Koning van
Hongaryen, welke Vorstin zo een behaagen kreeg in die
konst, dat zy den Barbier er een Ampt voorgaf, opbrengende
jaarlijks een som van hondert guldens. Den voornoemde
Karel van Mander getuygt verscheyde Têkeningen
|
|
-ocr page 213-
| |
gen gezien te hebben van Jan van Eyk, zuyverlijk en
naauwkeuriglijk behandelt. Eyndelijk onderging hy het
lot aller stervelingen tot Brugge, in een goeden Ouderdom,
en wiert aldaar begraaven in de Kerk van Sint
Donaes, met dit onderstaande Latijnsch Grafschrift.
Hic jacet eximia clarus virtute Joannes,
In quo picturæ gratia mira fuit.
Spirantes formas, & humum florentibus herbis
Pinxit, & ad vivum quodlibet egit opus.
Quippe illi Phidias & cedere debet Apelles:
Arte illi inferior ac Policretus erat.
Crudeles igitur, crudeles dicite Parcas,
Quæ talem nobis eripuere virum.
Aclum sit lachrymis incommutabile fatum,
Vivat ut in clis jam deprecare Deum.
| Den oudste Broeder legt begraaven tot Gent, met dit
oud Vlaams Grafschrift, op een kopere plaat, geciert
met een uyt witte steen gebytelt Doodshooft. Aldus luyden
die Vlaamsche vaerzen waar in wy ons stiptelijk houden
by de oorspronkelijke Spelling.
Spiegelt u an my, die op my treden,
Ik was als ghy, nu ben beneden,
Begraven doodt, al is an schijne,
Myne halp raedt, Const, noch Medicyne
Const, eer, wysheyt, macht, rykheyt groot.
Is onghespaert, als comt de Doot.
Hubrecht van Eyck was ik genant,
Nu spyse der wormen, voormaels bekant
In Schilderye seer hooghe ghe-eert:
Corst nae was yet, in niete verkeert.
In
|
|
-ocr page 214-
| |
In \'t Jaer des Heeren, des zijt gewes,
Duyzent, vier hondert, twintich en ses,
In de maendt September, achthien daghen viel,
Dat ik met pynen God gaf mijn Ziel.
Bidt God voor my, die Const beminnen,
Dat ik zijn aensicht moet gewinnen,
En vliedt zonde, keert u ten besten;
Want ghy my volgen moet ten lesten.
Dominicus Lampsonius heeft die in prent uytgaande Konterfytsels
dier twee konstige Broeders vereert met de onderstaande
Latynsche vaerzen. Aldus zingt hy aan Huybert
van Eyk.
Quas modo communes cum fratre, Huberte, merenti
Attribuit laudes nostra Thalia tibi:
Si non sufficient, addatur & illa, tua quod
Discipulus frater te superavit ope.
Hoc vestrum docet illud opus Gandense, Philippum,
Quod Regem tanto cepit amore sui,
Ejus ut ad patrios mittendum exemplar Iberos
Coxenni fieri jusserit ille manu.
Aldus door ons vertaalt in het Nederduyts.
Dien welverdiende Lof, waar mee mijn Zanggodin
Wel eer uw beyder konst beneurde in waare klanken,
Voldoet die niet, wel neem dan in een goeden zin
Dat ook uw Broeder als uw Leerling uw moet danken,
Schoon hy uw overtrof, en wegdroeg de Eere prys,
Zelfs door uw Onderwijs.
Uw Tafereel tot Gent bewijst het geen ik zing,
Dat konstig Tafereel dat Filip zo dier beving,
Dat
|
|
-ocr page 215-
| |
Dat hy Cocxie beval \'t Oorspronk\'lijk na te maalen,
Onmachtig om uw Konst na waarde te betaalen.
Jan van Eyk doet hy spreeken op deeze wijze.
Ille ego, qui ltos oleo de semine lini
Expresso docui princeps misiere colores:
Huberto cum fratre novum stupuere repertum
.Atque ipsi ignotum quondam fortassis Apelli,
Florentes opibus Brugæ: sed nostra per omnem
Diffundi lat probitas non abnuit orbem.
Op den volgenden trant heeft den goede Karel van
Mander die vaerzen op zijn manier opgezongen, getrouwlijk
by ons uytgeschreeven..
Ik die de wys\' eerst wees, dat blyde verwe wert
In Lyn-oly ghemengt, met mijnen Broer Hubert,
Heeft Brugge spoedig rijk verwondert dees nieuw vonde,
Die voormaal niet misschien Apelles vinden conde:
Doe weygerde haar niet eer lang ons deuchtsaemheyt,
De Weerelt wijt, en breedt, te worden overspreyt.
DESIDERIUS
ERASMUS
| | Wy hadden nooit gedacht dat dien beruchte Rotterdammer
de Schilders zou hebben vergezelschapt in de
kwalityt als een Medeschilder, indien Dirk van Bleywyk
ons daar toe geen aanleyding had gegeeven in zijn Beschryving
van Delf.
| | Dien alom vermaarde Desiderius Erasmus is gebooren
binnen de stad van Rotterdam, op den acht en twintigsten
October, des jaers duyzent vier hondert vyfen sestig,
of
|
|
-ocr page 216-
| |
| In het oorspronkelijke boekwerk ligt tussen
pagina 194 en 195een extra, ongenummerde
pagina met afbeeldingen van diverse schilders.
Deze tussenpagina is in het plaat-formaat te bekijken.
|
|
-ocr page 217-
| |
| of zo andere Schryvers willen ses en sestig. Zijn Vader
genaamt Geraart, een gebooren Goudenaar, nam de vlucht,
dewijl zijn Bloedverwanten hem met kracht wilden nootzaaken
om geestelijk te worden, laatende zijn beminde
Margriet, de Dochter van een Geneesheer zitten met een
kleyn Hansje in de kelder, zo men Moreri mag gelooven.
De Schryvers die malkanderen zo min gelyken als
een broedsel Kemphaanen, gebruyken geene eenluydende
texten op dat Kapittel, want andere schryven, dat
hy in Gouda is gebooren en opgevoed tot Rotterdam,
en dat zijn Vader en Moeder afkomstig waaren uyt Zevenbergen,
van een eerlijke familie; maar dewijl ons dat
verschil niet aangaat zullen wy er ons niet insteeken. Hy
veranderde van naam, een familie ziekte der Geleerden
en liet zich noemen, Desiderius Erasmus, zijnde zo veel
te zeggen als Gerrit Gerritszoon, zijnde het woord Desiderius,
Gerrit in \'t Latyn, en dat van Erasmus, Gerrit in het
Grieks. Hy was een Koorjongen tot op zijn negende jaar
in de Domkerk van Uytrecht; en naderhant ging hy zijn
studien vervolgen tot Deventer onder het opzicht van
Alexander Hegius, van waar zij n Vrienden hem bestelden
in het Fratershuys tot \'s Hartogenbosch, met een voorneemen
om hem in de kap te steeken. Doch dewyl de
pest aldaar begon te woeden, nam hy zijn toevlucht tot
zijn Voogden, die niet meer beoogden dan om hem het
Klooster leeven smaakelijk voor te stellen, dat hun gelukte,
want hy omarmde de Orde van Sint Augustyn,
en vertrok zich in het berucht Klooster Sion buyten Delf,
in het jaar duyzent vier hondert ses en tachtentig, oud
twintig jaaren.
| | Hy had zo een gelukkige Memorie dat hy binnen een
korte tijd alle de Blyspeelen van Terentius, en den geheelen
Horatius van buyten leerde; daar in beter beraaden
|
|
-ocr page 218-
| |
| den als veele van onze Studenten, die Titus en Aran,
of de berymde \'t zamenspraaken van Klaas Bruyn van
buyten leeren, en daar het minst te pas komt opsnyden,
en uytbalken. Zodra als zijn proefjaaren waaren afgeloopen,
vroeg hem den Overste, wat hy nu van zins was,
den Schepper, of het Schepsel aan te kleeven? waar op hy
tot andwoort gaf: Dat hy noch het Kloosterleeven, noch de
Weerelt, noch zich zelven kende, gevolglijk dat hy noch tot
geen besluyt kon komen, maar voorneemens was om zich
vorder te oefenen in de vrye Konsten en in de geleerde Wetenschappen.
Doch die vlieger zou niet maklijk hebben opgegaan,
indien den Bisschop van Uytrecht zich niet had
bemoeit met dat spel, die hem in krachtige termen aanprees
aan den Bisschop van Kamerijk, die gezint was
een reys na Italien te doen door Vrankrijk en over Duytslant,
en na iemant om zag die wat meer taalen bezat als
een Nederduyts Poeet; en dat geleek onze Desideer beter
als in den omtrek van de Kloostermuur te zitten loeren,
gelijk als een Pootuyl in een holle Waterwillig. Na
eenige tijd te Parys zijn studien vervolgt te hebben, kreeg
hy kennis aan twee Engelsche Edelluyden die hem troonden
na Engelant, alwaar hy kennis kreeg aan den hooggeleerden
Thomas Morus, en aan den fenix der Schilders
Hans Holbeen; ook zegt men dat hy aldaar een boek tot
lof des Konin gs en des Koningrijks opstelde.
| | Wy zullen alhier alle de eerbewyzingen die hy van zo
veele gekroonde Hoofden, Pauzen, en andere Grooten
ontfing niet herhaalen, maar ons vergenoegen met te zeggen,
dat hy zich op nieuws in het Klooster van Emaus,
anders ten Steen, na by den Yssel of Gouda, begaf, een
Klooster op die tijd vermaart wegens zijn keurlijke Boeksaal,
een schat waar toe men zo maklijk niet kon geraaken
in die Eeuwen. Aldaar leerde hy de Schilderkonst,
tot
|
|
-ocr page 219-
| |
| tot een uytspanning, waar in hy zo wel vorderde als in
zijn studien, volgens de getuygenis der Gedenkschriften.
Onder andere bezat den Prior van dat Klooster, Kornelis
Musius, een Tafereel van zijn maaksel, verbeeldende
de Kruysiging van Kristus, welk stuk hooglijk wiert geacht
by alle Konstkenners, en als iet byzonders is bewaart
geworden in het Konstkabinet van dien voornoemde
Prioor.
| | Wy konnen den Leezer geene andere Schilderyen van
dien hoogverlichten Man aanwijzen; en dat is geen wonder,
wanneer men gelieft te overweegen dat dat Paleys der
Monnikken het lot van Troijen heeft ondergaan, zijnde
er thans de fondamenten zelve naauwlijks van aan te wijzen.
Alleenlijk is deszelfs naam ons ter hand gekomen
door de Overlêvering van de loffelijke Drukkonst, een
heerlijke Uytvinding voor de Boekverkoopers en voor de
Schryvers, voornaamelijk daar men ziet dat de Heeren
Boekverkoopers de Leezers moogen verschalken Cum Privilegio,
en ongestraft met gesuykerde Gedenkschriften, die
waarlijk maar oversuykert zijn als bittere Aloes pillen,
de leesgierige Intekenaars durven vergeeven, zonder dat
er een haan na komt te kraaijen.
| | Hy stierf te Basel op den elfde van de Hooimaand, des
jaars duyzent vyf hondert ses en dartig, oud zeventig jaar,
en eenige maanden. Eenige geleerde Mannen droegen
hem na de Hoofdkerk op hun schouders, alwaar hy
wiert begraven, ook vereerden de aldergrootste Persoonaagien
die begraefenis met hun tegenwoordigheyt. Bonifacius
Amberbach, zijn Erfgenaam, dee recht tegens
over zijn Grafstee een Grafschrift stellen gegraveert op een
marmersteen. Men ziet het devies van Erasmus, zijnde
den God Terminus, met deeze woorden, Nemini cedo,
dat is, Ik wijk voor niemant. De aldergeleerdste Mannen
|
|
-ocr page 220-
| |
nen vereerden zijn geheugen met heerlijke Grafschriften;
wy zullen de uytheemsche taalen overslaan, en den Leezer
er alleenlijk een paar in het Nederduyts voorleezen.
Aldus uyt zich den Prins der Nederlandsche Dichters, ten
opzichte dat de Rotterdammers hem een metaalen Beeld
in stee van een steenen gingen oprechten, in het jaar duyzent
vyf hondert twee en zeventig..
KLINKDICHT.
Wat Wysheyt Latium en Grieken hielt beslooten,
Begreep gantsch Kristenrijk zo haast Erasmus kwam.
En gaf met zijnen naam aan Hollands Rotterdam,
Een naam, vermids hy was uyt haaren schoot gesprooten.
Zy, als de dood het licht voor hem had afgeschooten,
Noch \'t rottende gebeent, noch stuyvende assche nam:
Maar rechte een steenen Beeldt. De Nijd spoog vuur
en vlam,
En zocht geweldig hem van \'t Outer af te stooten.
Dan, laes! Geleerdheyds pronk zich keert aan nyd noch
spijt.
Geen graf zijn Faam bestulpt. Hy heldert met den tijt.
Zijn krans groent onverwelkt, en bloeid in afgunst
veylig:
Die onlangs was van Steen, nu glinstert van Metaal,
En zo de Nijd zich stoort aan deeze pracht of praal,
Zo giet men \'t licht van Goud den Rotterdamschen HEYLIG.
Op
|
|
-ocr page 221-
| |
| In het oorspronkelijke boekwerk ligt tussen
pagina 198 en 199een extra, ongenummerde
pagina met afbeeldingen van diverse schilders.
Deze tussenpagina is in het plaat-formaat te bekijken.
|
|
-ocr page 222-
| |
| Op den voet des Beelds staan deeze Regels van J. Oudaan.
Hier rees die groote Zon, en ging in Bazel onder.
De Rykstad eer\' en vier\' dien Heylig in zijn Graf;
Dit tweede leeven geeft, die \'t eerste leeven gaf;
Maar \'t licht der taalen, \'t zout der zeeden, \'t heerlijk
Wonder,
Waar mee de Liefde, en Vreede, en Godgeleerdheyt
praalt,
Wort met geen Graf geeert, noch met geen Beeld betaalt:
Dies moet hier \'t luchtgewelf Erasmus overdekken,
Nadien geen mindre plaats zijn Tempel kan verstrekken.
| De Beeltenis van Desiderius Erasmus is te zien op de
plaat A, onder aan in een lyst met een Cieraadje, gekleet
in een met bont gevoerde tabbert, en gekapt met een Paapenmuts.
DAVID
JORISZ .
| | David Jorisz was een Delvenaar, doch in wat jaar dat
die knaap het eerste licht zag, is ons onbekent. Moreri
zegt, dat hy een Gentenaar is geweest, den zoon van een
Guyghelaar of Pekelharing,.een in taalen onbedreeven
Schepsel, vry eygen wijs, byzonder loos, schoon van gelaat,
wel gemaakt van lêden, wel bespraakt, en by broodwinning
een Glasschilder of Glasschryver. Uyt de predikacie
der ses en twintig Apostelen, die van den Koning
der Herdoopers wierden afgevaardigt, besluyten de Schryvers
dat hy een Delvenaar is geweest, dewyl die kluchtige
Afgezanten onder meer andere beuzelaaryen het Volk
voorhielden, Dat er vier Profeeten waaren opgestaan \'t
zedert Kristus, twee valsche den Paus van Romen, en
Maar-
|
|
-ocr page 223-
| |
| Maarten Luther, en twee waare Profeeten, Jan van Leyden,
en David Joris van Delf. In het jaar duyzent vyf
hondert vyf en twintig begon hy zijn droomen uyt te
venten, voorgeevende den waaren Messiam, en den derden
David, den Neef Gods te zijn, niet in het vleesch,
maar in den geest. Zo hy voorgaf was den Hemel lêdig,
waar over hy was afgevaardigt om die met kinders te bevolken,
waardig het eeuwig Koningrijk, en om lsrael te
vertimmeren, niet door de dood, gelijk als Jesus Kristus,
maar door de Genade. Hy verzaakte met de Saduceen
het eeuwig leeven, de opstanding der dooden, en het
laatste oordeel. Hy bestrafte met de Adamieten het Huuwelijk,
en hy vergonde de gemeenschap der Vrouwen;
ook verbeelde hy zich dat niet de ziel, maar alleenlijk
het licghaam, kan worden besmet door de zonde. Noch
leerde hy, dat de zielen der Ongeloovigen zalig, en die
der Apostelen zouden verdoemt worden. Ten laatsten
verzekerde hy noch dat het een groote zotheyt was van
te gelooven, dat het zonde zou zijn Jesum Kristum te
verzaaken, en hy belacghte de Martelaaren, die liever
hadden willen sterven, dan den Heere te verzaaken.
| | In den jaare duyzent vyf hondert acht en dartig, op
den tweede van de Loumaand, kwam het eerste Plakaat
tegens hem uyt; waar uyt men een groote gissing kan
maaken van zijn leevenstijd; en het tweede Plakaat wiert
uytgegeeven op den tweede van de Sprokkelmaand daar
aan volgende, binnen welke tijd zijn Moeder, dewijl zy
herdoopt was, binnen \'t Klooster van de Cellebroeders,
tot Delf wiert onthooft, en aldaar ondergedompelt. Zy
wort in het doodvonnis genaamt, Marietje, Jan de
Gorters Dochter, Weduwe van Joris de Coman, en
Moeder van David Joris.
| | Toen het hem te heet wiert, en hy zich niet langer
durf-
|
|
-ocr page 224-
| |
| durfde vertrouwen in de Nederlanden, vertrok hy eerst
na Vrieslant met zijn huysgezin en van daar vloog hy na
Bazel, alwaar hy zijn heyllooze ziel uytbloes, na een elf
jaarig verblijf, op den ses en twintigste van de Oogstmaand,
in het jaar duyzent vyf hondert ses en vyftig; en zijn
licghaam wiert begraaven onder den verzonnen naam van
Jan van Broek, in de Hoofdkerk van die plaats, een
naam die hy aangenomen had om niet achterhaalt te worden.
| Daar zijn hier en daar noch eenige Tekeningen van
hem te zien by de Liefhebbers der papiere konst. Onder
andere heeft er den konstlievende Jakob Moelaart vier
stuks, by David Joris gerekent, niet onaardig getêkent
naa die Eeuw. De eene Têkening verbeelt de Vinding van
.Moses; de tweede, het Land van.Belofte; de derde,
daar Petrus de sleutels ontfangt; en de vierde, den Hopman
over hondert. Zijn behandeling zweemt vry veel na
die van Lukas van Leyden.
Zijn konterfytsel is te zien op de plaat A, beneffens
dat van Erasmus, vergezelschapt met een Masker en een
Slang.
KORNELIS ANTONISZE.
| | Die Konstenaar was by geboorte een Amsterdammer.
Op de Thesaurie van Amsterdam ziet men van zijn konst
de afbeelding van die Weereldstad; gelijk als zich die
vertoonde in haar eerste bemuuring, in het jaar duyzent
vier hondert twee en tachtig..Dat stuk is geschildert
na het leeven by deezen Kornelis Antonisze, in het jaar
duyzent vyf hondert ses en dartig, zijnde hy op die tijd
Schutter van de Voetboogs Doelen, en geworden Raad
dier
|
|
-ocr page 225-
| |
dier Stad, in het jaar duyzent vyf hondert zeven en veertig.
Den verglaasde Dichter Jan Vos vereerde dat Tafereel
met de onderstaande Vaerzen.
Hier beurt zich Amsterdam, vol hoop, uyt brakke
veen.
Zo wort een Visschers buurt de haven aller zeen.
Op zulk een grondvest weet het Land zijn Staat te
zetten.
Men bloeit door Koopmanschap, men leeft door wijze
Wetten.
| Die zelve Schilder heeft ook naderhant het Oud Amsterdam,
met deszelfs Kloosters, Kerken, Godshuyzen,
en andere Gestichten, in twaalf plaaten Houtsnee uytgegeeven,
en opgedraagen aan Karel den vyfde, Keyzer,
en Graaf van Hollant, die dezelve bestempelde met
een Octrooy, tegens de toverziektens der Baatzuchtigen.
Men zegt dat er noch eenige afdrukken van die
plaaten berusten onder de Oudheydkundigen.
JAN de HOEY.
| | Jan de Hoey was geboortig van Leyden, alwaar hy
het eerste daglicht zag op het jaar duyzent vyf hondert
vyf en veertig. Wy zullen niet klappen aan wien hy de
Konst heeft afgezien, als die daar niet veel van weeten
na te vertellen. Florent le Comte, Schilder en Beeldhouwer,
schryft in het tweede deel van zijn Kabinet der
vrye konsten; Dat den Schilder Jan de Hoey, zich na
Vrankryk begaf, en in dienst van Hendrik de vierde. Die
Majesteyt vereerde hem met het Ampt eensgewoone Kamerdie-
|
|
-ocr page 226-
| |
dienaars, en maakte hem Opziender over zyn Schilderyen:
In die kwaliteyt ley hy een gerust leeven, en stierf op zyn
zeventigste jaar, desjaars dyzent ses hondert en vyftien.
Wy onderstellen dat die Jan de Hoey, al ommers zo een
goed Hoveling als een goed Schilder is geweest, dewyl
hy zich tot het laatste toe heeft weeten te verzêkeren in
zijn Ampten en Waardigheden, en inzonderheyt in het
Ampt eens Kamerdienaars, dat al ommers zo kittelachtig
is als een Meysje van sestien jaar, dewijl die Messieurs
meesten tijds de Handlangers zijn van de zondige
vermaaken hunner Meesters. Nu kan men wel begrypen,
dat een Man, die het bewind heeft over \'s Vorsten Finantie,
wel zo verzêkert is als een Kamerdienaar die den
Bevorderaar is van \'s Vorsten vermaaken; want na maate
dat een Prins veroudert, verkoelt de lust na een handvol
Doodzonde, daar den Ouderdom in tegendeel de begeerte
opwekt na Eere en na Schatten.
BERNART van ORLEY.
| | Die Schilder was gebooren te Brussel, een stad in Brabant,
en daar van daan kreeg hy den naam van Barent van
Brussel; doch in wat jaar dat hy gebooren is weeten wy
niet te zeggen. Die Man begaf zich noch jong zijnde na
Italien, alwaar hy het geluk had van met de penseelen te
speelen onder het bestier van den grooten Raphaelvan Urbyn,
die hem liet schilderen aan uytmuntende stukken,
waar door hy grootelijks toenam in de Konst. Op zijn
wederkomst in Brabant begaf hy zich tot het schilderen
van Jagttafereelen, en groote stukken, welke konst Karel
den vyfde rijkelijk beloonde, voor welke Vorst hy
onder andere het Sonienbosch schilderde, beneffens alle
des-
|
|
-ocr page 227-
| |
| deszelfs rondom geleegene aangenaame gezichten. Op die
Schildery had hy dien Vorst gekonterfyt, beneffens
de voornaamste Hovelingen; en na dat Model wierden er
Tapyten geweeven voor de Vorsten van het huys van
Oostenrijk, beneffens noch eenige andere na de Kartons
van Bernart voor den Keyzer en voor de Hartoginne van
Parma. Tot Antwerpen schilderde hy in de Kapel der
Aalmoeseniers het laatste Oordeel, welk panneel hy gantsch
liet overgulden eer hy het eens ordonneerde, of doodverfde,
op dat alles heerlijker zou voorkomen, dat hem
wonderlijk gelukte om de doorschijnendheyt des Hemels
te verbeelden. Hy maalde ook voor het Schilders gilde
tot Mecghelen, eenen St. Lukas die de heylige Maagd
konterfyte; een heerlijk stuk in Olieverf, waar aan Michiel
Cocxie naderhant de deuren schilderde, om dat Konsttafereel
tegens het stof en de zon te dekken.
| | Die groote Man schilderde ook sestien Modellen of
Tapytpatroonen voor zijn Hoogheyt Maurits van Nassau,
Prin.s van Oranje, welke Kartons zo schoon getêkent en
zo wonderlijk fix waaren behandelt, dat die voornoemde
Prins beval aan Hans Jordaens, een Antwerpenaar,
woonachtig tot Delf, van die Modellen in Olieverf te kopieeren.
Ieder stuk verbeelde twee Persoonaagien leevensgroote,
een Kavalier en eene Dame, te paerde zittende,
alle afkomstig uyt het doorluchtig Huys van Nassouw.
Wy hebben meer dan eens de daar na geweeven Tapyten
zien hangen in het Kasteel van Breda, zijnde hier en
daar met Goud-en Zilverdraad doorweeven. Wy zeggen
dat wy die hebben gezien, doch wy konnen niet
getuygen dat zy er noch berusten, dewijl de diefachtige
Dochter van de Concierge veele Behangselen en andere
Cieraaden stal, die onder den duym aan Dievenheelders
tegens gereet geld verruylde, en ren laatsten by de stads
Orga-
|
|
-ocr page 228-
| |
Organist een kind overgegaart hebbende, na Londen overstak,
om aldaar langs de straaten te loopen schooyen.
DIRK en WOUTER
CRABET.
| | Karel van Mander melt niet een enkelt woord van dit
paar verdienstige broeders in zijn Schilderboek; doch des
te meer moet hun Geheugenis vernieuwt worden, zegt
den Historieschryver van de stad van ter Gouw. Eenige
stellen dat zy gesprooten waaren uyt Duytschen bloede;
andere beweeren dat zy by geboorte Franschen zijn geweest;
maar hun Nazaaten boeken hun voor Nederlanders.
| | Den voorgemelde Leevensbeschryver der Schilders
schryft van eenen Adriaan Pietersz. Crabeth, wiens Vader
door de wandeling wiert gedoopt Kreupelen Pieter.
Die Schilder was een Leerling van Zwarte Jan, of Jan
Zwart, die zo spoediglijk toenam in de konst dat hy zijn
Meester voorby snorde; doch die ook spoediglijk verging,
gelijk al meest alle vroegrijpe vruchten, en te Autun,
een stad in Vrankrijk, hemelde. Den Schryver Almeloveen
gelooft, dat Claudius Crabet niet alleenlijk den
Vader is geweest van Adriaan Pietersz. Crabeth, maar
desgelijks van de twee broeders Dirk en Wouter Crabeth.
Hy ondersteunt dat gevoelen, dewijl de twee laatsten zo
wel den naam voerden van Pieters zoonen als den eerste,
en dat is al iets te zeggen; ook komt de tydrêkening
uyt, en dat is meer als een halve proef voor de Geschichtschryvers.
| | Wouter Crabet bezocht Vrankrijk en Italien, en hy was
gewoon van in alle Steden daar hy doortrok een beschildert
Glas, (of het een ruyt of een raam is geweest weeten
wy
|
|
-ocr page 229-
| |
| wy niet) na te laaten tot een staal van zijn konst. De
Konstkenners getuygen met eenen adem, dat hy uytstak
boven zijn broeder, gelijk de zoone Kis uytstak boven de
Israeliten, en dat hy beter têkende en helderder koloreerde.
Maar aan den andere kant was de konst van Dirk
wel zo krachtig, waar uyt een spreekwoort ontstont;
Dirk is den baas in de diepzels, en Wouter in de hoogzels.
Beyde waaren z y braave Meesters, zo in het groot als in
het kleyn, en daar by zo vaardig, dat het niet gelooflijk
zou zijn ten zy de jaarmerken zulks getuygden. Na
dat Wouter zijn eerste Glas, verbeeldende de Koninginne
van Saba, had gelêvert aan de Hoofdkerk van ter Gouw,
in het jaar duyzent vyf hondert een en sestig, gaf hy \'s
jaars daar aan het groot Glas, aanbestelt en aan die Kerk
vereert by Hartoginne Margariet. In het jaar duyzent
vyf hondert vier en sestig schilderde hy voor die zelve kerk
de Geboorte des Zaligmaakers Jesu Kristi, en in ses en
sestig die heerlijke Ordonnantie van den Tempelroof van
Heliodorus, vier byster groote stukken binnen den tijd van
ses jaaren; en noch was Dirk den haan in het vaardig schilderen,
want die voleyndigde ses Glazen, die ten minsten
zo groot waaren, binnen de drie jaaren. In het jaar duyzent
vyf hondert vyf en vyftig schilderde hy den Doop
Kristi; \'s jaars daar aan de twee volgende Glazen; en in
\'tjaar zeven en vyftig volmaakte hy drie Glazen, dat van
den Koning van Spaanje, dat van den Boetprediker Johannes,
en dat van den Doop van den Moorman, alles ses van
de grootste maat.
| | In het jaar duy zent vyf hondert zeven en sestig, schilderde
Dirk het Glas daar Kristus de Koopers en Verkoopers
voortzweept uyt den Tempel; en in het jaar van een en zeventig,
het Treurspel van Holofernes, zijnde dat Glas zijn
laatste werk dat hy penseelde voor Goudas Kerk.
Zy
|
|
-ocr page 230-
| |
| | Zy waaren, alhoewel zy twee broeders waaren, zulke
straffe Mededingers, en hielden hun konst zo verborgen
voor elkander, dat als den eenen broeder den anderen
iets vroeg of voorstelde dat de Schilderkonst raakte, was
flukx het andwoort, Hoor, Broeder, ik heb het door vlyt
gezogt en gevonden, volg mijn voorbeelt, en doe het zelfde.
Dat ging zo ver dat als zy eens gevalligliJk op elkanders
winkel kwamen, dat om de waarheyt te zeggen niet veel
gebeurde, dan bedekte den broeder die bezocht wiert aanstonds
zijn onder handen hebbent werk voor den Bezoeker,
over zulks als zy elkanderen iets te zeggen hadden
lieten zy dat over en weer schriftelijk weeten. Doch eene
zaak verdriet ons, dat zy zo schraal.beloont zijn geworden,
als of zy voor den Adel schilderden, waar door
zy verpligt waaren om de hand aan het Glazenmaaken
te houden, zo wel als den Dichter Jan Vos naderhant
dee, zo lang als zy leefden.
| | Dirk schijnt geen Liefhebber geweest te zijn van de
naakte Waarheyt, die stak de kat in poes en verbleef vry
gezel; hy woonde op de Westzy van de Gouwe, over
de Turfbrug, daar nu het Amsterdamsche Veer is, en
leefde noch in het jaar duyzent ses hondert, zijnde hy
zo het ons voorkomt op die tijd mee goed Ouders geweest.
| | Wouter woonde achter de Vischmarkt, op de Noortzy,
en trouwde een Vrouw uyt de stam van de van
Proijen, hy liet een zoon na Pieter genaamt, die naderhant
Borgermeester wiert. Den Plaatsnyder Reynier Parsyn,
die Wouters Dochter trouwde, liet hun Konterfytsels
uytgaan in prent, door Arn. Houbraken nagevolgt, en
te zien op de plaat B. De Agrippynsche Zwaan, den vermaarde
Dichter Joost van den Vondel, bestak de oorspronkelij-
|
|
-ocr page 231-
| |
kelijke Afbeeldsels van die twee Gebroeders met de onderstaande
Vaerzen.
Offert Wouter met Elias,
Doove verf schijnt Hemels vier.
Eet hy \'t Paaslam met Messias,
Zijn penseel vol aart en zwier,
Draaft te moediger en stouter.
Stel het Beeld op \'t Schilders outer.
Diedriks uurglas is verloopen,
Noch volhart hy met Sint Jan,
\'t Volk te leeren en te doopen,
Daar het griemelt om dien Man,
Zo vol yver als boetvaardig.
Is dien Held geen konstkroon waardig?
| | Deeze twee groote Schilders zyn gestorven, zegt W.
Tomberg, en al zey hy dat niet, echter zouden wy dat
wel konnen gelooven, dewijl het niet waarschijnlijk is
dat Mannen die op het jaar duyzent vyf hondert en in
de vyftig schilderden, thans zouden leeven op het jaar
duyzent zeven hondert acht en twintig, of daar zou
iets meer als gemeen onder moeten schuylen. Doch hy
voegt er by, Dat de Konst van Glazenschilderen ook met
hun in \'t graf is gezakt, dat wy ontkennen, dewyl wy
al zo schoone koleuren op het Glas hebben gezien by hedensdaagsche
Glasschilders in Duytslant en in Engelant,
als er te zien zijn op de Kerkglazen van Gouda. Maar,
Sinjeur W. Tomberg, de mode van Glazen re beschilderen
is uytgestorven, en om dat de Glazen aan ruym zo
veele toevallen onderhêvig zijn als de schoone jonge
Juffers; en om dat die zelve Glazen de Kerken en Huyzen
|
|
-ocr page 232-
| |
| zen zodanig verduysterden, dat de Priesters naauwlijks
hun Kerkgezangen, en de Leeken pas hun Gebêden konden
zien te leezen; en dat is de waare Beweegreden,
Sinjeur W. Tomberg, van het Verval der beschilderde
Glazen. Vorders komt die Willem Tomberg op \'t Tonneel
met een Beduydenis, al ommers zo duyster als de Uytlegging
van Willem Zwaanenburg op het Bruyloftsgedicht
van zijn eygen beslag, maar hy belijd eyndelijk
zijn Onkunde, Hoe en op wat wijze de Glasschilders die
stoffe bêzigden. Deeze W. Tomberg was den zoon van
Daniel Tomberg, een zoons zoon van den Predikant Herboldus
Tombergius, die eerst zeven jaaren lang, gelijk
als een Engelsche Leerknecht, die konst had geoefent by
Westerhout van Uytrecht, toen woonachtig tot ter Gouw,
en die naderhant wiert gekwalificeert om die voorgemelde
Kerkglazen te onderhouden, gelijk als hy er ook verscheyde
heeft herstelt en vernieuwt, wanneer het verschrikkelijk
Onweer van het jaar duyzent ses hondert
vier en zeventig die had ingeslaagen. Doch de koleuren
van Tomberg verscheelen zo veel van de Crabetten, in
kracht en in helderheyt, als de Bloemstukken van de
Brabandsche Verfboetseerders in schoonheyt en in dunheyt
verscheelen van de weergaalooze Bloemtafereelen
van den Fenix aller Bloemschilders, .. van Huyssem
Noch wort er gezegt, en wat doch wort er niet gezegt?
dat men naderhant die zwarte stoffe nergens heeft weeten
te vinden, waar mee den tabbert of het kleed van
de Abdisse van Rynsborg is geschildert op het Glas van
den Koning Salomon. Die Tomberg wiert door de Dood
gelijk als een glaze ruyt gekraakt, in het jaar duyzent
ses hondert acht en zeventig, oud vyf en zeventig jaaren.
| | Op en na de tijd van die twee verglaasde Broeders,
Dirk
|
|
-ocr page 233-
| |
Dirk en Wouter Crabet, bloeiden er noch twee voornaame
Glasschilders, Willem Tybout, en Kornelis Ysbrantsche
Kuffeus. Beyde de Goudsche Kronijk en Samuel Ampsing
ge waagen van die Konstschilders, ook pryst den laatste
in zijn Befchryving van Haarlem, dus hun Konstwerk
met deeze vaerzen.
Hoe dapper meesterlijk kon Tybout glaazen schryven!
En wat heeft Kuffeus hand in deeze konst gedaan?
| | Willem Tybout stierf op den vier en twintigste van de
Wiedemaand, des jaars duyzent vyfhondert negen en negentig,
oud drie en zeventig jaaren; en Kornelis Ysbrantse
Kuffeus hemelde op den vier en twintigste van de Bloeimaand,
in het jaar duyzent ses hondert en achtien.
| | D. van Bleyswyk gedenkt den voorgemelden Willem
Tybout in zijn Beschryving van Delf, op het jaar duyzent
vyf hondert drie en sestig, daar hy zegt, dat hy in
het Noorder kruyswerk van de nieuwe Kerk van Sinte
Ursula tot Delf, een uytmuntent Glas schilderde, waar
in het konterfytsel stont van Filippus den tweede, Koning
van Spanje beneffens dat van zijn Huysvrouw Elisabeth
de Valois, de oudste Dochter van Hendrik den tweede, Koning
van Vrankrijk; beyde knielende voor een Tafel
waar op twee boeken waaren gemaalt. Zy waaren afgebeelt
in zijne en in haare Koninglijke plechtigheyds tabberden,
yder voorzien met een Beschermheylig, en met
de geslachtwapens der beyde Stammen. Op de bovenste
helft van de Glasraam zag men de drie Oostersche Koningen
Gaspar, Melchior en Balthazar, groetende Jesum
Kristum eerbiediglijk, die gezêten was op den schoot
van Maria onder de gedaante van een eerst gebooren
Kind
|
|
-ocr page 234-
| |
| Kind, beneffens een rondom zweevent gewoel van beelden
braaf getêkent en geschildert, zo dat de Konstkenners
een byzondere achting daar voor betuygden. Ook waaren
zy niet minder voldaan over het konstig Glas in de
Kapel van de Heemraaden van Delfland, alle gekonterfyt
leevens groote tot de voeten uyt in het harnas, door
den konstigen Glasschryver Laurens van Kool.
| | Van die voorgemelde Willem Tyhout zijn noch hedensdaags
te zien, tot een staal van zijn konst, alle de Graven
van Holland, tot de voeten toe geschildert,op de groote saal
van den eersten Doelen binnen Leyden. Die konterfytsels
heeft hy gevolgt, zo ons Michiel Vosmeer vertelt in
zijn boek getytelt, Principes Hollandiæ, na de aftekeningen
der Afbeeldsels geschildert op de muuren van het
Klooster der Karmelieten, gesticht binnen Haarlem, in
het jaar duyzent twee hondert negen en veertig. Doch Kornelis
van Alkemade, spreekt dien Schryver tegen, in zijn
Voorbericht op de Hollandsche Kronijk van Melis Stoke,
en hy wil dat men die maar alleenlijk voor de echte Namaaksels
zal houden, dewelke de Kloosterlingen op panneelen
lieten schilderen, na de met waterverf bemaalde
oude muuren van dat Konvent, welke panneelen de Overigheyt
van Haarlem uyt de roofgierige klaauwen der
Beeldstormers gered, en geplaatst heeft op de Voorzaal
van hun Stadshuys, alwaar die noch hedensdaags konnen
gezien worden. Ook heeft den gemelde Kornelis Alkemade
die Konrerfytsels uytgekipt, om er den laatsten druk van
Melis Stokes Rymkronijk mee te vercieren.
| | Deeze zo overheerlijke oude pronkstukken (vertelt ons
Alkemade al vorder) met veel arbeyt geschildert, en met
zorg bewaart, zijn in zo een groote achting by de Liefhebbers
der Oudheden, dat de Liefhebbers nooit die stad
doortrekken, ten zyze deeze eerwaarde Oudheyt begroet,
|
|
-ocr page 235-
| |
groet, en met veel genoegen hebben beschouwt, en zo
voorts Den goede Arnolt van Houbraken is in geen eene
schuyt met dien Autheur Kornelis, die is meer verlieft
op de Schilderyen van den Haarlemiet Kornelis Korneliszen,
te zien op het Prinsen Hof binnen Haarlem, welke
Tafereelen zo hooglijk in waarde worden gehouden,
dat er wel ses hondert guldens gebooden wierden voor
eene Voet, om die uyt te snyde.n, over welke Voet den
Glaspoeet Jan Vos zich aldus laat hooren.
Dit is de Voet daar Luit tot hondert pond voorbiet:
Maar Uytrecht heeft een Voet, dien gaf het graag
voor niet.
Zijn hondert pond daar niet, wat heeft het Sticht voor
reden?
Haar Voet wil uyt de Kerk tot in het Raadhuys trêden.
| | De stad van Gouda is zo vruchtbaar in Schilders geweest,
dat die Konstenaars alleen in staat waaren om alle
de kerkglazen van gants Holland te beschilderen, zo
wel als de Antwerpsche Vrydagsmarkts Schilders in staat
zijn om de geheele weerelt te vervalschen, met hun niet
waardige Kladtafereelen. Alleen uyt de School der Crabetten
zijn voortgekomen de Glasschryvers Jacob Caan,
Jan Dirksz Lonk, Govert Hendriksz, Jan Damesz, Aart
Verhaast, Gysbert vander Kuyl, Dirk de Vrye, Adriaan
van der Spelt, en meer anderen.
| | Aart Verhaast, en Gysbert van der Kuyl, waaren getrouwe
Reysbroeders en yverige Konstgezellen, die te
zamen na Romen trokken langs Vrankrijk. Aart Verhaast
wiert gedreygt dat hy versteeken zou worden van zijn erfgoederen,
indien hy niet wederkeerde na het Vaderlant, des
schoot hy zijn reysschoenen aan na de Nederlanden, na
een
|
|
-ocr page 236-
| |
een verblijf van elf jaaren in Italien; doch Gysbert van
der Kuyl rekte het verblyflyntje negen jaaren langer,waar na
hy repatrieerde na Gouda, en aldaar stierf, op hetjaar duyzent
ses hondert drie en zeventig, zijnde zijn Reysbroeder
reeds gestorven in het jaar duyzent ses hondert ses
en sestig, zo dat zy na hun laatst vaarwel van Romen
elkanderen niet kwamen te ontmoeten op deeze ondermaandsche
Pelgrimasie.
Dirk de Vrye reysde verscheyde jaaren door Vrankrijk
op zijn konst, geen kwaade Wissel voor een Man die de
konst verstaat, doch op zijn wederkomst in het Vaderlant
verruylde hy Glas en Penseelen voor de Vroedschaps
en Borgermeesters waardigheyt tot Gouda, op het jaar
duyzent, vyf hondert een en tachentig.
ADRIAAN van der SPELT.
| | Die Schilder was gebooren tot Leyden, by een zeker
toeval, doch zijn afkomst verschuldigt aan Gouda. Hy
was een braaf Bloemschilder, die zich een geruymen tijd
ophielt aan het Hof van zijn Keurvorstelijke Doorluchtigheyt
van Brandenburg. Ten laatste keerde hy weder
na de Yssel en zette zich neer tot ter Gouw, alwaar hy
voor de derde maal zich verbont met een kwaadaardige
Groeningsche Feeks, dewelke niet wist of niet wilde weeten,
Dat het merktêken van een braave Vrouw is, haaren
Man te beminnen, en veele Kinders voort te brengen, dewijl
zy hem niet alleen den lust tot de Schilderkonst,
maar zelfs zijn Leevenslamp uytbloes, eer hy noch den
middeltrap des algemeenen Ouderdoms had bereykt, des
jaars duyzent ses hondert drie en zeventig. Waarlijk te
vergeefs verwacht men vyf zaaken van de vyf onderscheyde
|
|
-ocr page 237-
| |
de Persoonaagien. Een rijk Geschenk van een arm Poeet,
een spoedigen dienst van een luye Kwant, bystant in den
noot van een Vyant, goeden raad van een nydig Mensch,
en een oprechte liefde van een kwaadaardig Wyf. Ha! dat
een Huysvrouw maar eens wilde overweegen, dat de
goedaardigheyt in de Sexe een Boom is, wiens vrucht is
Vergenoegen, en wiens Bladers zijn eene eeuwigduurende
Vreede, dan zou zy den Man meerder rust, en haar Huysgezin
een grooter gelukzaligheyt toebrengen.
JOHAN DACH.
| | Die Schilder was een Keulenaar by geboorte, een Leerling
van den beruchten Bartholomeus Spanger, by wien
hy leerde op het jaar duyzent vyf hondert ses en vyftig,
welke konst hy naderhant oefende en voortzette in Italien.
Uyt Italien vertrok hy na Duytslant, alwaar hy bekent
wiert by den Keyzer Rudolf den tweede, die een
welgevallen kreeg in zijn konst en in zijn persoon, en hem
te rug schikte na Italien, om aldaar de geachtste antyksche
Beelden voor hem af te têkenen. Wy hebben veele
van zijn Tekêningen gezien onder de heerlijke konst verzâmeling
van den Heere Simonis, wiens papiere konst negen
a tien jaaren gelêden verkocht is tot Londen, en wy
bekennen dat zijn Beelden vast van omtrek, en wel behandelt
waaren, twee eygenschappen die geen geringe
luyster byzetten aan de Têkeningen en aan den Têkenaar.
Hy schilderde veele roemwaardige Schilderyen aan en
voor het Hof van Weenen, alwaar hy eere en schatten
verzamelt hebbende, dit leeven tegens een beter verwisselde,
vry ryp en zat van dagen.
OCTA-
|
|
-ocr page 238-
| |
| OCTAVIO van VEEN.
| | Ik ben waarlijk belemmert om loftuytingen, de verdiensten
van zo een braaf man waardig, op te zoeken en
ik weet niet hoe ik my zal uytdrukken over dien Voedster
der vrye konsten en wetenschappen, zegt de Heer
Bullart, Ridder van de Orden van S. Michiel, in zijn
Inleyding op de leevensbeschryving van onzen Octavio
van Veen. Wy beweeren dat dien Ridder gegrond is in
die Inleyding, want indien wy hem beschouwen als een
Godgeleerden en als een Historieschryver, dan is er geen
rang onder de Geleerden, dien hy zich niet rechtvaardiglijk
zou moogen aanmaatigen, als die, by voorbeelt, den
Schryver is van de navolgende Boeken.
| | Den Oorlog der Batavieren tegens de Romeynen tusschen
Klaudius Civilis, en Cerialis, verciert met heerlijke
plaaten, gehaalt uyt het vierde en uyt het vyfde boek
der jaarschriften van Kornelius Tacitus.
| | De wonderlijke Historie van de zeven Broeders van
Lara, voorzien met zeer schoone Konstprenten, ten getalle
van veertig.
| | Natuurkundige en Godgeleerde Besluyten, opgeheldert
met aanmerkingen en met figuuren.
| | Zinnebeelden gehaalt uyt Horatius Flaccus, voorzien
met Latynsche, Italiaansche, Fransche, en Vlaamsche
Opmerkingen.
| | Het leeven van den Heyligen Tomas van Aquynen,
gestoffeert met twee en dartig konstprenten.
| | Veele Zinnebeelden zinspeelende op de weereldlijke
Liefde, beneffens andere Traktaaten over de Goddelijke
L.iefde, opgeheldert met wonderlijk fraaije Ordonnantien;
beneffens meer andere werken.
En
|
|
-ocr page 239-
| |
| | En zo men hem beziet langs zijn heerlijk Konstpenseel,
dan wijkt hy voor niemant der Voorzaaten, maar
wel voor zijn Tijdgenoot en Leerling, den alom vermaarden
Petrus Paulus Rubens. De waarheyt dan getuygt dat
hy een der wijste Schryvers en met eene een der verdienstigste
Schilders van zijn Eeuw is geweest, en wy die de
Waarheyt lieven zullen die heerlijke Getuygenis met zijn
Leevensbeschryving verzellen en bewaarheden.
| | Octavio van Veen, anders Otto Venius, wiert gebooren
tot Leyden, in het jaar duyzent vyf hondert ses en vyftig,
uyt een deftig Geslacht, zijnde zijn Vader Borgermeester,
en zijn Moeder Cornelia gesprooten uyt een der
beste Familles van Amsterdam. Hy wiert op de Latynsche
School bestelt in zijn eerste jeugd, en ter zelver tijd leerde
hy têkenen by een zeker konstenaar genaamt Isak Niklaas;
doch de Nederlansche Onlusten verhinderden hem
in zijn voorgenome studien, derhalve zonden hem zijn
Ouders op zijn vyftiende jaar na de stad van Luyk, onder
het opzicht van den Kardinaal van Graesbek, (andere
schryven, Groosbeek) een Prins en Bisschop van
die stadt. Het geluk overtrof zijn hoop zo verwonderlijk
tot Luyk, dat dien Kardinaal hem brieven van voorschryvens
gaf aan den Kardinaal Madruccio tot Romen, die
hem in zijn Paleys ontfing met die achting die men verschuldigt
was aan zijn byzondere verdiensten. Aldaar bediende
hs ich van de lessen van den konstigen Schilder Thaddeo
Zuccharo, en langs die oprechte lessen beklom hy den top
van de adelijke Schilderkonst. Dien Octavio van Veen
wiert binnen korte jaaren gegroet voor den verstandigsten
Wysgeer en voor een van de beste Schilders van Italien;
voor een Man doorzult in de Wysbegeerte, in de Zeedekunde,
in de Dichtkunde, in de Wiskunde, kortom, in
de
|
|
-ocr page 240-
| |
| de meest vereyschste konsten en wetenschappen; alle welke
Bekwaamheden hy noch daar en boven verzelde door
de wonderen van zijn penseel.
| | Van Romen begaf hy zich na Duytschlant, na een
verblijf van zeven jaaren, en hy trat te Weenen in \'s
Keyzers dienst; uyt dat Hof vertrok hy zich na den
Hartog van Beyeren; van die na den Keurvorst van Keulen;
doch geen geschenken, geen beloften, of geene eerbewijzingen
konden hem aldaar houden, zo sterk was de
liefde voor zijn Vaderlant, derhalve vloog hy na de spaansche
Nederlanden, en hy bood zijn dienst aan aan den Hartog
van Parma, die hem minnelijk ontfing, beloonde en
eerde. Die Prins bemerkte in \'t kort Octavios verdiensten,
des vereerde hy hem met het ampt van Opperingenieur
der Lêgers, en met de waardigheyt van Hofschilder des
Konings van Spaanje, in welke beyde beroepen hy geen
geringer blyken van zijn deugden dee zien, als van zijn
bekwaamhêden. Ja dat ging zo ver dat er niet een Hoveling
was die zich niet gelukkig achte eenig gedeelte te
bezitten in zijn achting of in zijn liefde.
| | Na de dood des Hartogs vertrok hy na Antwerpen,
alwaar hy den lossen teugel vierde aan zijn uytgestrekt
verstant, als die toen die heerlijke konsttafereelen schilderde,
waar mee als noch de voornaamste Kerken en Gebouwen
pronken. Op de komst des Aartshartogs Albert
gaf men hem bewint over de oprechting der Eereboogen,
dewelke de Antwerpsche Overheyd dee vervaardigen voor
deszelfs Inhaaling, in welk beroep hy zich zo heerlijk
kweet, dat men de prachtigheyt van dien doorluchten
Raad, beneffens de algemeene vreugde der Provintien
zag doorstraalen door die staatelijke Praalboogen.
| | Korts daar aan ontbood hem dien Vorst na Brussel, en
hy stelde hem tot Opzichter over de Munt, als die wel
wist
|
|
-ocr page 241-
| |
| wist dat hy dat wichtig ampt in geen getrouwer handen
als in de zijne kon overgeeven. Alhoewel hem dat ampt
belemmerde, te zelver tijd dat het hem vereerde, echter liet
hy niet na naarstiglijk te schilderen, en hy konterfyte onder
andere dien voornoemden Aartshartog Albert, beneffens
Clara Eugenia lsabella, ln fante van Spaanje, en
Dochter van Filip den tweede, z ijnde zy een Konings
Dochter, en hy een Keyzers zoon; welke twee leevensgroote
Afbeeldsels overgeschikt wierden na den Koning
van Engelant, Jakob den eerste. Ontrent die tijd gaf hy
zijn geleerde Zinnebeelden uyt over Horatius Flaccus,
noch het leeven van Thomas van Aquynen, en onderscheyde
weereldsche Zinnebeelden, die goedgekeurt wierden
by den geleerden Lipsius, en noch daar en boven de
Hartoginne, aan dewelke hy die opdroeg, byzonderlijk
vergenoegden. Maar de godvruchtige Isabella, dewelke
van een gewyde smaak was, verpligte dien geleerden
Konstenaar, om het zelfde te onderneemen.op de Goddelijke
Liefde; zo dat hy om die deugdzaame Vorstin te
gehoorzaamen, voor den Hemel ondernam het geen hy
wel eer dee voor de Aarde, en zulke geleerde aanmerkingen,
gehaalt uyt de Heylige Schrifr, aan dat tweede werk
toevoegde waar in men handtastelijk een diepe Godgeleerdheyt,
en een onbepaalde kennis, gelijk aan Alciaat,
zag doorstraalen.
| | Den Koning van Vrankrijk verzocht hem meer dan
eens om over te komen, doch te vergeefs, als die voorgenomen
had zijn wettige Vorsten, en geen vreemde Prinssen,
te dienen: Ja hy weygerde zelfs eenige têkeningen
van tapyten te maaken voor de Louvre, alhoewel men
hem daar toe zocht over te haalen door ongemeene beloften,
de wisse voorbooden van de ongewisse belooningen
der Grooten. Hy bepaalde zich in den dienst van zijn
Souve-
|
|
-ocr page 242-
| |
Souverijn, en stierf tot Brussel oud acht en zeventig jaaren,
op het jaar duyzent ses hondert ses en dartig.
Behalven dat hy de glorie had van den Nederlandschen
Apelles, den heerlijken Konstschilder P. P. Rubens te
onderwijzen, en vry ver te brengen in de konst, liet hy
stervende noch twee Dochters na, geen geringe Schilderessen,
genaamt Geertruyde en Cornelia. De laatste trouwde
aan een rijk antwerpsch Koopman; en de eerste bleef
volharden in het lieven van de Schilderkonst; ook schilderde
of konterfyte zy, onder veele andere Tafereelen,
het Afbeeldsel van haaren Vader, welk Afbeeldsel in koper
gesnêden den geleerde Ericius Puteanus heeft verrijkt
met de onderstaande Vaerzen.
Artis suæ miraculo felix Pater
E Filia jam plenus ævo nascitur,
Victurus omni, clarus atavis Battavis
Pictor, Poëta, Philosophus, Castrensium
Callens Mathematum, orbita Dii ingeni
Per alta vectus rerum, & ima, & intima
Scientiarum docta vena Vænius
JAN
SNELLINKS .
| | Karel van Mander noemt hem Hans Snellink, in het
voorgaande leeven van Octavio van Veen, en laat zich aldus
over dien Schilder hooren. Daar is tot Antwerpen
ook een byzonder goed Schilder en uytmuntent Meester,
genaamt Hans Snellink, zo ik het wel heb, geboortig
van Mecghelen, een wonderlijk fraai Historie-en ook Batailleschilder,
die zich dikmaals tot diergelijke Ordonnantien
heeft laaten gebruiken van Vorsten en van groote
|
|
-ocr page 243-
| |
| te Heeren, en verscheyde Nederlandsche Veldslagen
schilderde, in dewelke hy zeer natuurlijk den rook van
het Geschut, en het daar in bewolkt of bedommelt krygsvolk
verbeelde. Hy mag nu een Man zijn van vyf en vyftig
jaaren, op het jaar duyzent ses hondert en vier, gevolglijk
gebooren in het jaar duyzent vyf hondert negen
en veertig. Dewijl den grooten Antony van Dyk hem
waardig heeft geacht te konterfyten, en een plaats van eer
te geeven onder de Konstschilders van de eerste klasse,
heeft Houbraken hem ook in koper gebrogt, boven aan
op de plaat A; een gade die Jan Snellinks wel met hem
zal weeten goed te maaken hier namaals, zo zy ooit malkanderen
komen te ontmoeten. Den vroome Arnold Houbraken
valt ontrent deeze plaats in een ernstige bespiegeling
over de Achteloosheyt der Schryvers, en hy schijnt
het wakker gelaaden te hebben op zijnen Voorzaat Kornelis
de Bie, die zo veel korter is gevolgt op Karel van
Mander als hy, en die er uyt dien hoofde wijdlustiger
en breeder had konnen over papegaaijen, als een Dortenaar,
die gelijk als den kreupele Boode in de achterhoede
nakomt, beladen met een mandje vol beuzelaaryen,
waar on der uytsteekt Tuynmans spreekwoort, Vygen na
Paasche. Maar wat raad? (vervolgt hy op den toon van
een Almanaks Filosoof) wy moeten ons getroosten, dat
wy van sommige Konstschilders onze Tijdgenooten niet
veel weeten te zeggen; (altoos wy zullen uw, O geduchten
Arnold! niet overslaan) ja naauwlijkx achter het geboortens
punt van eenige Konstschilders hebben weeten te geraaken.
En dat komt daar van daan, dewijl dat hun geslacht
is uytgestorven, of dat die geenen niet meer onder de leevenden
getelt wierden die hun naaste bekenden waaren
geweest, of, (zegt Houbraken) dat sommige Berichtgeevers
zich niet veel lieten gelêgen leggen aan my, (daar
in
|
|
-ocr page 244-
| |
| in hadden zy niet veel ongelijk, Meester Arnold) het
geen my dikmaals verdrietig maakte, ziende dat er op
mijnen yver zo een slegte belooning volgde.
| Wy zullen de rest van zijn bedroeft Onrijm overslaen,
gelijk als wy ook maar eenvoudiglijk zijn meening, en niet
zijn Styl hebben achtervolgt, om ons tot het beknopt
leevensbedrijf van den Schilder Isaaks Nikolai te spoeden.
ISAAK NIKOLAI.
| | Ontrent deeze tijd of iets vroeger is gebooren tot Leyden,
den Heer Mr. Isaak Nikolai. Het is een wonderlijke
zaak dat men het net bestek van zijn geboorte niet
kan naspeuren, te meer daar hy een Man van aanzien en
meer dan eens Borgermeester der stad Leyden is geweest,
en zijn naam een plaats beslaat op de rol der Burgervaders,
op het jaar duyzent vyf hondert ses en negentig.
Ook waaren er reeds op die tijd onderscheyde van zijn
konsttafereelen te zien binnen Leyden, en onder andere in
de Vierschaar, op de Looijershal, en in onderscheyde
groote huyzen, alle prijslijk geordonneert, getêkent en
gehandelt, na die tijden. De zucht van dien braaven
Man voor de Schilderkonst blijkt in zijn drie zoonen,
die hy alle drie heeft opgekweekt in die adelijke konst.
Den oudste zoon Jakob Isaaksz Nikolai heeft lange jaaren
het penseel gevoert te Napels, alwaar hy ook een Vrouw
trouwde, en met dat noodig huyscieraat overstak na zijn
Vaderlant in het jaar duyzent ses hondert zeventien, en
zo lang te Leyden zijn konst oefende tot dat de Dood
hem met een yskoude poot doodverfde, en op die hoogte
liet dryven. Hy stierf tot Uytrecht, in het jaar duyzent
|
|
-ocr page 245-
| |
| zent ses hondert negen en dartig, alwaar hy ook legt begraaven.
| | Den tweede zoon Klaas Isaaksz Nikolai onthielt zich
in \'s Gravenhage, alwaar zijn konst wel is gewilt geweest.
| |
Den laatste Willem Isaaksz Nikolai was by zijn leeven
een Hopman over Hondert of meer van de Schuttery tot Delf, een
geacht Plaatsnyder, die in zijn Lentejaaren door de Dood wiert
verschalkt op het jaar duyzent ses hondert en twaalf. .
| | ADAM van
OORT Karel van Mander haalt den naam aan van Adam van
Oort, en daar by laat hy het steeken; daar in gelijk aan
een oud Salettist die de Juffers een sprookje belooft, en de
zaak pas begonnen laat dryven. Kornelis de Bie pryst dien
Schilder in een vaarsje, een Dichtkundige Nootmunt,
die weynig geeft of neemt. Aldus laat hy zich hooren in
Brabandsche klanken.
Dees konst, die heeft van Oort zo wel en fraai gedaan,
Dat veele geesten zelfs daar af verwondert staan.
Die niet en is by \'t goud van Cresus te gelijken.
Die rijke schat moet voor dees Hemelgaaven wijken.
| | Onder zijn konterfytsel gesneeden door Hendrik Snyders
staat, dat hy een Leerling is geweest van zijn Vader
Lambert van Oort dat hy is gebooren tot Antwerpen,
in het jaar duyzent vyf hondert zeven en vyftig, en dat
hy in de dunne lucht verdween in de Eeuw van duyzent
ses
|
|
-ocr page 246-
| |
| ses hondert een en veertig. Zijn Beeltenis staat neffens
Adam Elshaimer op de plaat C. Wy zouden er konnen
byvoegen dat hy zo brutaal was als een koetspaard, maar
het is beter de dooden te laaten rusten.
JAN de WAAL.
| | Die Jan de Waal is een Leerling geweest van den Schilder
Frans Franken, een braaf Meester wel eer in het Schilders
gilde tot Antwerpen, en redelijk jong gestorven,
Wat hy schilderde konnen wy wel na gissen, doch niet
met waarheyt getuygen, als alleenlijk dat hy een Antwerpenaar
was; een geringe lof! en dat hy stierf op zijn
vyf en zeventigste jaar; geen geringe zêgen!
JAN NIEULANT.
| | Was ook een Antwerps Sinjoor, die de Schilderkonst
leerde, ten minsten de beginselen der Schilderkonst, by
eenen Pieter Fransz, geboortig van Helvezor in de Sond,
op het jaar duyzent vyf hondert negen en sestig, van Haarlemsche
Ouders, naderhant woonachtig tot Amsterdam.
Die Jan Nieulant wiert naderhant een Leerling by Francois
Badens, ook een Antwerpenaar, doch die \'t zedert
zijn vyfde Jaar met zijn Ouders de moordaadige klaauwen
der Spanjaarden ontweek na Amsterdam, in het jaar
duyzent vyf hondert ses en zeventig. Hy was een goed
Schilder in kleyne Bybelsche Historien,en in Landschapjes,
en stierf op den vyfde van de Bloeimaand, een groot bewijs
dat hy de Wiedemaand niet kon bereyken.
ABRA-
|
|
-ocr page 247-
| |
| ABRAHAM BLOEMAART .
| | Is een Nederlands Konstschilder geweest, geboortig
van Gorichem by verkorting Gorcom, op of ontrent den
Kersdag, in het jaar duyzent vyf hondert vier en sestig,
zegt Arnold Houbraken: doch Sandrart, en Karel van
Mander schryven op het jaar duyzent vyf hondert zeven
en sestig, en dat jaartal beademt ook Monisieur Florent le
Comte. Onze Abraham Bloemaart begaf zich al by tijds
tor het têkenen na eenige Têkeningen van Frans Floris,
en hy schiep zeer veel vermaak in dien grooten Schilder
zo veel als \'t hem doenlijk was na te volgen, waar in hy
zich meer bediende van zijn eygen Oordeel, dan van eenig
Onderwijs. Om nu eenige kennis der verwen te bekomen,
schikte hem zijn Vader na een Kladschilder, die
hem eenige kluchtige beeldjes dee schilderen voor een
Schermmeester, die hem zo wel bevielen, dat hy fluks
by dien Kladschilder voor een groot Meester wiert geboekt.
Doch dewijl dien Apelles van de groote kwast zich
dagelijkx vol en dol soop, (een Familie ziekte der geldwinnende
Kladschilders) gaf Bloemaart zijn Heer en
Meester den bof, en hy liet des Schermmeesters stukjes
ten halve steeken. Toen geraakte hy by een Schilder genaamt
Joos de Beer, een Leerling van Frans Floris, ook
woonachtig binnen Uytrecht, die alhoewel hy den beste
Schilder op ver na niet was, nochtans veel fraaie konst in
zijn huys had van Bloklant, en van andere braave Meesters.
Dewijl nu den Vader van Bloemaart niet al te wel
over weg kon met dien Joos de Beer, die waarschijnlijk
wat beers van gedrag zal geweest zijn, nam hy den Jongen
van hem af, en aan zijn huys, voorneemens om hem
eenige Tafereelen van wakkere Schilders te laaten kopieeren
|
|
-ocr page 248-
| |
| In het oorspronkelijke boekwerk ligt tussen
pagina 224 en 225een extra, ongenummerde
pagina met afbeeldingen van diverse schilders.
Deze tussenpagina is in het plaat-formaat te bekijken.
|
|
-ocr page 249-
| |
| ren. Aldaar schilderde hy onder andere stukken een aardig
keukenstuk na den langen Pier, waar in een Ossenkop
kwam, beneffens onderscheyde Keukenmeubelen.
| | Maar die vreugde duurde niet zeer lang, dewijl den
Vader hem korts daar aan bestelde by den Drossaart van
Heel, die een Schilder was by genade, en niet uyt verdienste;
doch die echter zijn woord van eer gaf als Drossaart,
om den Jongen tot een man te maaken, en daar
toe sloeg hy den naasten weg in, volgens de getuygenis
van verscheyde Autheuren. Hy gebruykte hem tot een
Laquey, in stee van als een Leerling, en daar in was den
Dorptieran gegrond, dewijl het Laqueyschap den Meloenbak
is waar uyt de lekkere Ampren van Komiesen,
Poortiers, Sluyswachters, Onderschouten, Waagmeesters,
en alzulke omgekeerde dignityten voortkomen. Van
daar geraakte onzen Abraham by den voorgemelden Schilder
Hendrik Uythoek, die hem graag zou hebben aangekweekt;
maar die goede Man was behext met een k waadaardig
wijf, die bevreest z ijnde dat dien Leerling den
Man de konst mocht afkyken, hem op een vriendelijke
wyze haar huys ontzey, verzelt met de bedryging eens
Beesemstoks by zo ver hy van dat vonnis mocht komen
te appelleeren. Bloemaart nam die vermaaning zodanig
ter harte, dat hy kwaad bloed zette tegens zijn Landsluyden,
en de gang opnam na Parijs, oud vyftien a sestien
jaar, en geraakte by den Schilder Jean Bassot, by wien
hy post hielt ontrent ses weeken. Toen verbêterde hy op
den duur by Maitre Herry, by wien hy huysveste ontrent
de derdehalf jaar, schilderende alles uyt den
geest, en têkenende alles uyt den geest, een byweg
die noch hedendaags zo gemeen is by de hoetelende
Brabandsche Doek-en Verfverkwisters, als het drinken
|
|
-ocr page 250-
| |
| ken van Leuvensbier, en het snuyven van Martiniquetabak.
| | Eenige tijd daar na keerde hy te rug van Parijs na de
Nederlanden, en trok toen met z ijn Vader over Uytrecht
na Amsterdam; alwaar den laatste wiert aangenomen tot
stads Bouwmeester. Doch zo dra was den Vader niet
overleden of Bloemaart vertrok weer na Uytrecht, daar hy
hem \'t zedert heeft opgehouden, en een tweede Vrouw
getrouwt. Hy oefende zich naarstiglijk in de konst, zeggende
dikmaals tegens z ijn Leerlingen; Ik heb meer dan
eens gewenscht te moogen zien, hoe en op wat wijze een
braaf Meester zijn verwen behandelde, en schilderde; om dat
ziende hun wijze af te leeren.
| | In de voornoemde stad van Amsterdam schilderde hy
onder andere een Tafereel van Niobê vol naakten zo
Vrouwen als Mannen, en alle leevensgroote, vervattende
het treurspel daar haare kinders doorschooten worden
met pylen, by Apollo en by zijn Suster Diana. Dezelve
Historie heeft hy voor de tweedemaal gemaalt voor den
Keyzer Rudolf, die als verrukt scheen op het zien van
die Ordonnantie, die hy begeerde en ook erlangde. Ook
penseelde hy een Godenfeest voor de Graaf van der Lip,
vervult met een meenigte lieffelijke tronien, een stuk
waar in alles den kyker aanlacght, waar in alles behaagt,
waar in de beelden schijnen te spreeken, en de Beschouwers
schijnen te noodigen om te doen gelijk als zy doen,
dat is, kussen, lacghen, danssen, eeten, en drinken.
Noch schilderde hy leevensgroote alderhande Zeeschulpen
en Zeemonsters, waar op men Tritons en Zeenymfen
zag zitten, en in het verschiet eene Andromeda. Zijn
Landschappen zijn bekoorlijk eenvoudig, en alle de landver-
|
|
-ocr page 251-
| |
| vermaaken en de bezighêden natuurlijk nagevolgt. Kortom
hy schilderde alles, en dat veel is, alles evenwel, uytgezondert
konterfytsels, waar mee hy zich niet wilde
bemoejen, zijnde al te uytgestrekt van geest, om zich te
bepaalen binnen den omtrek van een na het leeven geschildert
konterfytsel. Eyndelijk rukte hem de Dood het
penseel uyt de oude vuyst, ontrent de Eeuw duyzent ses
hondert zeven en veertig, oud ruym tachentig jaaren.
| | Abraham Bloemaart vermoeide zich zodanig niet met
het schilderen, of hy vermaakte zich ook by tusschenpoosen
met de oefening van wascht en vermeenigvuldigt,
als blijkt uyt zijn nalaatenschap van drie Zoonen, de twee
Schilders en den jongste een Graveerder.
| | Hendrik den oudste had de Schilderkonst by zijn Vader
geleert, doch weynig van des Ouden geest en aardt
geërft; ook was hy alzo bekwaam om met de weerelt om
te gaan, als een Westfaalsche Dorpjonker weet hoe hy
zich moet gedraagen op een adelijke byeenkomst van Heeren
en Dames, waarom Sandrart van hem aardiglijk getuygt,
Dat hy het rad zijns geluks niet voorzichtiglijk genoeg
wist te doen voortrollen, en aldus het afzetsel van die
choone bloem liet verslenssen.
| | De tweede zoon, Adriaan gedoopt, was een ander slag
van een kabouter, die wat dieper had getast in de Loterybus
van geest en yver. Die tweede broeder was een aardig
Schilder, die ook een reys dee na Italien, alwaar hy
dapper toenam in de konst. Van daar vertrok hy na Saltsburg,
alwaar hy veele schoone Schilderyen penseelde voor
de Vaders Benediktijnen. Doch zo veels te los en vlug
zijnde als zijn broeder loom en ongevoelig was, krakkeelde
hy somtijds te veel met de Studenten, en de kruyk
ging zo lang te water tot ze eemaal brak voor goed en al.
Hy
|
|
-ocr page 252-
| |
| Hy wikkelde zich op een zekere tijd in een Duel met
een Student, die den Schilder doorstak, en weg was den
ligtgeraakten Adriaan Bloemaart.
| | Kornelis, den jongste der drie gebroeders, was ook een
Schilder in den beginne, maar naderhant verruylde hy
het penseel tegens het graveeryzer, waar in hy meer smaak
had, na het scheen, als in te zitten voor den Esel. Krispijn
van de Pas onderwees hem in de behandeling van
het graveeryzer, waar in hy zo ver vorderde, dat hy onderscheyde
têkeningen van zijn Vader, en van andere
Schilders, op het koper brogt, wier afdrukken noch in
waarde worden gehouden by de Konstliefhebbers der Printen.
Om nu de gelegendheyt op te doen tot het maaken van
groote werken, begaf hy zich eerst na Parijs, en van daar na
Romen, alwaar hy veele heerlijke Printen maakte na de
geachtste Schilderyen der Italiaansche Konstenaaren. De
Liefhebbers der papiere konst konnen de naamrol der Printen
der beyden Bloemaarts nazien, in het Konstkabinet van
Florent le Gomte, het tweede deel, beginnende met
bladzy drie hondert vyf en vyftig, en eyndigende met
vyf en zeventig. Den ouden Bloemaart, zijn Vader, verlangde
onophoudelijk om hem noch eens te zien voor zijn
dood, en ontbood hem meer dan eens om over te komen;
doch Meester Kornelis rekte den gouddraat van verlengen
zo lang, tot dat Papa het wachten wars de marsch
opnam na het Rijk der schimmen, waar op den zoon ook
zijn overkomst staakte, te Romen bleef zitten roesten, en
den Vader in een hoogen ouderdom achtervolgde, volgens
het vastgestelt besluyt der Schikgodinnen.
| | Met het Grafschrift, onder het Konterfytsel van den
Konschilder Abraham Bloemaart gegraveert, zullen wy
het viervoudig leevensverhaal der Bloemaarts besluyten.
Pictor
|
|
-ocr page 253-
| |
| Pictor natura est, usus vix ullo Magistro,
Arte hic egregius nec tamen inferior.
Pinxit aves, naves, homines, herbasque, ferasque,
Et lætos flores, Floridus, innumeros.
| | Dat er noch grooter verschil is tusschen de Schilders in
de verkiezing hunner voorwerpen, als er onderscheyt is in
een Konstkabinet van Vlindertjes, zal men ten deelen konnen
nagaan in de Leevensschets van Tobias Verhaagt.
TOBIAS VERHAAGT.
| | Die Konstenaar was zo gezet op het schilderen van
Boomen, Bergen, Ruynen, Gebouwen, & cetera, als
de jonge Juffers gestelt zijn op Linten, Kanten, Mouches,
schoone Pluymen, en andere & Ceteras, masculini
generis. Kornelis de Bie, die zo liberaal is met een
vaerje, als den Minnedichter Naso, laat zich aldus over
dien Tobias hooren.
Hoe fraai dat ieder stuk verzacht is in \'t verschiet;
De Boomen schoon getrost en leevendig geschildert,
De gronden los en mals, de takken dicht verwildert,
en zo voorts.
| | Den Groot Hartog van Florencen beminde hem ten
opzichte van zijn konst, en Romen beschouwde hem \'t
zedert met geen gemeene achting, zo wy ons zegel durven
hangen aan Kornelis de Bies dichtkundige attestatie.
Daar hy ook heeft gemaakt den Babylonschen toren,
Die daar meer wert geacht als eenig werk te voren:
Gelijk
|
|
-ocr page 254-
| |
| Gelijk hy namaals noch gemaakt heeft drie of vier
Waar van me\' er eenen vint geschildert binnen Lier;
Die Frank heeft gestoffeert met aardige Figuuren,
Waar door dat zijnen roem zal eeuwig blyven duuren.
| | Karel van Mander noemt hem een goed Landschapmaaker,
in het leeven van Octavio van Veen. Hy was een
gebooren Antwerpenaar, die aldaar het eerste licht zag,
op het jaar duyzent vyf hondert ses en sestig, en er het
leeven liet, des jaars duyzent ses hondert een en dertig;
een leevensspan lang genoeh voor een Landschapschilder.
MICHIEL MIEREVELT.
| | Die Schilder is een der voornaamste geweest die heeft
uytgemunt in het konterfyten. Hy is gebooren tot Delf,
in het jaar duyzent vyf hondert acht en sestig, van zeer fatsoenlijke
Borgers, zijnde zijn Vader een konstig Goud- of
Zilversmit, die hem al by tijds ter school bestelde, alwaar
hy zich zo naarstig en vlytig betoonde, dat er geen
Schoolmeester op te loopen was, hoe verwaant die Natie
ook is, die de pen dorst ophangen tegens den jongen
Mierevelt. Den Vader verrukt door dat heerlijk begin,
bestelde hem by Jeroen Wierinx, een braaf Plaatsnyder,
by wien hy zo merkelijk vorderde, dat hy op zijn elfde
a twaalfde jaar eenige Ordonnantien van z ijn eygen uytvinding
graveerde. Toen veranderde hy van Meester, en hy
geraakte by Bloklant, die hem het penseel in de vuyst gaf,
en dat ter goeder uure, gelijk als korts daar aan bleek in
zijn aardige handeling, waar in hy naauwkeuriglijk de
beelden en de schilderwijze zijns Meesters navolgde.
Waar-
|
|
-ocr page 255-
| |
| | Waarlijk het is een jammer dat veele scherpzinnige
Geesten het konterfyren, dien byweg der Schilderkonst,
inslaan, die anderszins mirakelen zouden voor den dag
brengen in de Historien. St. Krispyn, zegt, Dat het loon
den arbeyt verzoet; wy voegen er by, Dat het loon dikmaals
den arbeyt verbittert. Die stelling is maklijk te beweeren
en goed te maaken, in honderde jonge Schilders,
die al vroeg met Picturas schrobnet alle ondiepe wêteringen
en grondige slooten loopen afvisschen, veeltijds
uyt noot, doch meestentijds uyt interest, en die zo doende
Esels zijn en Esels blyven. Heel anders gedroeg zich
daar in den beruchten Ridder Kneller, die op zijn overkomst
in Engelant alle onwaardige voorstellingen edelmoediglijk
weygerde, en voor geen Londensche Konstkoopers,
Keelbeulen en Schilderstierannen gedoopt, begeerde
te maalen;maar veel liever zich met een halve stuyvers
wittebrood en met een pint blanks bier wilde behelpen,
tot dat hy zijn konst had geloutert en gekwalificeert
tot het konterfyten van Keyzers, Koningen, Prinssen,
Milords en Edelluyden. Ondertusschen kan zich den
Leezer verzêkeren, dat die Godefried Kneller echter in de
grond het onderscheyt kende tusschen de belooning en
een grooten naam. Hy wist wel, of hy had het wel hooren
zeggen, dat die Konstschilders, die zich zo onmenschelijk
verpijnen, en duyzende gevaarlijke schermslagen van
de armoede verduuren, om hun geheugen uyt te rekken
na het afsterven, een party grilzieke narren zijn en verblyven.
Hy wist wel dat die Glorie, die zy niet weeren te
bepaalen in den omtrek van hun inbeelding, kwam te
stuyten, dewijl zy zich die toekomende loftuytingen als
tegenwoordige voorstellen by hun leeven, die zy nooit
zulien genieten na hun overlyden; en daarom verzamelde
hy met de linker hand Eer en met rechterhand Schatten
|
|
-ocr page 256-
| |
| ten. Maar wy zullen den Lubekker ontleeden op een andere
plaats, om ons alhier noch voor eenige ogenblikken op
te houden met den konterfytenden Delvenaar, den vroomen
en deugdzaamen Portretschilder Michiel Mierrevelt.
| | Uyt een staaltje a twee zullen wy de achting doen zien
die de Goden der aarde, de Koningen en Souverynen,
voor hem en voor zijn konst hadden opgevat. Den
Aartshartog Albertus gaf hem vryheyt van Conscientie,
dat is te zeggen, hy vergonde hem om het gevoelen van
Menno Simons, dat toen niet al te wel gezien was, onverhindert
te moogen belijden en beleeven.
| | Ook getuygen de oude Gedenkschriften der stad Delf,
dat Karel den eerste, Koning van Engelant, die in het
jaar duyzent ses hondert vyf en twintig trouwde met
Henriette de Bourbon, de Dochter van den Koning van
Vrankrijk, onzen Portret schilder lietverzoeken om over
te komen in Engelant, en die Majesteyten te konterfyten;
welke reys hy ook niet zou hebben ontzegt, zonder
de woedende Pest, die zodanig de overhant nam binnen
Londen, en in de voorsteden, dat het Hof zich vertrok
na \'s Konings buytenplaatsen, het geen dat voorneemen
verydelde. Hy bleef dan in zijn Vaderlant, en
voornaamelijk binnen de stadsmuuren van Delf, van
waar hy dikmaals na \'s Gravenhage trok om de doorluchtige
Vorsten van Nassouw, en andere Grooten te konterfyten.
| | Het heugt ons dat we eenige jaaren gelêden eens gingen
met een Gezelschap na Overschie, om de Schilderyen
te kyken van een zeker Konstkooper aldaar woonachtig,
genaamt Maas, wiens Karakter den Leezer in ons
Schilderboek zal gelieven op te zoeken, onder den tytel
der Apokryfe Konstliefhebbers. Die Konstkooper had
onder andere prullen vier juweeltjes wier waarde hy niet
ken-
|
|
-ocr page 257-
| |
| kende, te weeten vier op koper geschilderde Portretten
van de Prinssen van Oranje, als dat van Willem den
eerste, Maurits, Filip, en Frederik Hendrik, geschildert
by Michiel Mierevelt, welke stukjes een Kaertkooper
van Rotterdam, Isaak Ouwens gedoopt, kocht voor
zeer weynig geld, en ook met weynig kennis. Die konterfytsels
waaren vlak en schoon geschildert, en het haair
en de baarden wonderlijk op de wijze van Hans Holbeen
behandelt. Den Kaartkooper die een halve gek, en al zo
verzot was op gereet geld als op gegeeven wijn, verruylde
die fluks wederom tegens kontanten aan een derde, die
er de waarde van kende, en ook wist voor te krygen.
| | Eyndelijk wiert Mierevelt opontbooden by den verschrikkelijksten
aller Souverynen, by den Koning der
verschrikkinge, die zich met geen praatjes laat paaijen;
alkoewel sommige Geneesheeren voorgeeven, met grooter
Onbeschaamdheyt als Waarheyt, dat zy dien verslindenden
Dwingelant meenig krank schepsel uyt den bek rukken;
en dat gebod volgde hy gehoorzaamlijk op, en hy
bloes dit leeven uyt binnen Delf, op den zeven en twintigste
van de Hooimaand, des jaars duyzent ses hondert
een en veertig. Den braave Dichter Joachim Oudaan verzon
ter eere des Schilders dit tijdtellent Grafschrift.
Dat aan den grooten Mierevelt
sterfLIk Was,
aLs \'t tot asCh
en stof heen VIeL, Is hIer gesteLt,
het ander Laat gedaChtenIs
aan deeze kreIts;
of ree WeIts;
naar \'t rIIk daar geene naCht en Is.
M. I C C. X L I.
Noch
|
|
-ocr page 258-
| |
| | Noch staan er onder een Afbeelding, by hem zelf
geschildert, deeze vaersjes.
Dit \'s dê uyterlijke schijn van Michiel Mierevelt,
Die door zijn groote geest hem zelfs onstyerflijk stelt.
| | Hy heeft wakkere Schilders voortgebrocht, onder dewelke
uytmunten Paulus Moreelsze, Pieter Gerritsze
Monfoort, Klaes Kornelisze, Pieter Dirksze Kluyt, en
meer andere braave Meesters. Mierevelt was een welbespraakt
en vriendelijk Man, die zijn gezelschap waard
en in alle gezelschappen wel gezien was: Men gelooft
dat hy ruym vyf duyzent Konterfytsels heeft geschildert,
behalven eenige geschilderde Keukens van zijn maaksel;
ook heeft hy voor sommige Konterfytsels hondert daalders
en meer gehad, zo ons Joachim de Sandrart verhaalt, in
zijn Latynsche Hooge School der adelijke Schilderkonst, aangehaalt,
doch niet verstaan, by den taalkundigen Arnold
Houbraken.
| | Vorders kan men uyt een groot getal printen, gesnê-
den by zijn zwaager Willem Delf na de Konterfytsels van
den voornoemden Mierevelt, maklijk bekennen, wat een
Portretschilder hy is geweest. Hy liet twee zoonen na,
waar van den oudste Pieter Mierevelt een uytmuntent
Konterfyter is geweest, als blijkt uyt dat heerlijk stuk op
de Chirurgijns kamer tot Delf; in alles gelijk met des
Vaders schilderwijze. Wy zullen op dien voornaamen
Meester den voornaamsten Leerling laaten volgen.
PAULUS MOREELSZE.
| | Die groote Konstenaar is gebooren tot Uytrecht, op
het jaar duyzent vyf hondert een en zeventig. Karel van
Man-
|
|
-ocr page 259-
| |
| Mander gedenkt dien Schilder in zijn Schilderboek, alwaar
hy zegt; Ook is er een Schilder tot Uytrecht genaamt
Paulus Moreelsze, een byzonder Portretschilder
en een goed Meester. Daar zijn veel Konterfytels van
hem te zien, die meesterlijk zijn behandelt; onder andere
den Graaf en de Gravinne van Kuylenburg, ten voeten
uyt en zo groot als \'t leeven: de Huysvrouw van Sr.
Knotter; een aardige en welbehandelde tronie, en meer
andere Portretten. Hy is een Leerling van den Konstschilder
Mierevelt, en noch jong van Jaaren. Noch een
jong Man en reeds een groot Meester te zijn is geen gemeene
Atykel, zegt den Schryver van deeze Leevensbedryven;
maar het is een Artykel die ons zo zelden voorkomt, als
de drievoudige Kwaliteyt van Schoon, Rijk, en Kuysch,
in eene en dezelve jonge Dame.
| | Hy poogde zich te Romen in Historiestukken te oefenen,
doch hy vond daar toe geen tijd, dewijl de Konterfytsels
hem toevloeiden van alle kanten, en aldus de Ordonnantien
der Geschichten onderschepten. Het heugt
ons een Zinnebeelt by hem geschildert gezien te hebben
op een Buytenplaats, genaamt Rotsoort, by een Pannenbakker,
buyten Uytrecht, welk Tafereel meerder verdiensten
bezit als deszelfs bezitter, of als deszelfs berotste
Spreeuwennesten, min vermaart door derzelver wanschapen
Bouwkunde,als door derzelver natuurlijke Afbeelding,
geschetst met de pen in den Amsterdamsche
Hermes.
| | Ook was die Schilder niet alleenlijk een Schilder, en een
konstig Schilder, maar van \'s gelijken een heerlijk Bouwmeester,
die de Katharyne poort tot Uytrecht heeft geordonneert,
een gebouw dat zeer antijks en bevallig is van ordonnantie.
Hy stierf Raad en Borgermeester der stad
Uytrecht, op het jaar duyzent ses hondert acht en dartig,
|
|
-ocr page 260-
| |
| tig, en wiert aldaar staatlijk in zij n moederaarde begraaven.
JAN van KUYK WOUTERSZOON.
| | Alhier komt een Schilder op het Treurtonneel; niet
der Guyten, maar der Martelaaren; en dat is al iets raars
in een Konstenaar. Die Jan van Kuyk was een konstig
Panneel-of Glasschilder, die aangeklaagt zijnde over zijn
Geloofsgevoelen, verschillig met de gevoelens der Monnikken,
na Dordrecht op de Vuylpoort, op die tijd de
Gevangenpoort, wiert getransporteert, en in de yzers
vastgeklonken. Hy zat aldaar een geruyme tijd gekluyster,
dewijl den Hoofdschout, Jan van Drenkwaert Boudewijnsze,
hem gaarn voor ongemerkt wilde doen doorgaan,
en uyt dien hoofde het airtje van Verlengen floot,
en het vonnis des doods van tijd tot tijd uytstelde. Den
gedetineerde Konstenaar schilderde uyt erkentenis onder
dat kruys een Tafereel voor den Heer Hoofdofficier,
verbeeldende het eerste Recht des Konings Salomons, in
welke Ordonnantie hy zich van het aangezicht des Opperschouts,
die zo glad van tronie als een wassche Pop,
en min gebaart was als een Chinees Mandarijn, bediende.
Doch of men het verstant Salomons zag doorstraalen in
dat jong ontzaglijk weezen des Bloedrechters, is ons onbekent,
dewijl wy op onderscheyde plaatsen, zo in de
geestelijke als in de weereldlijke bladen, wel wijze Hebreeuwsche
Koningen hebben gevonden, doch zeer zelden,
of liever nimmermeer, wijze Roomsche Schoutens. Dat
Konststuk van Salomons eerste vonnis verhaaste zijn laatste
vonnis, want de Monniken kreegen niet alleenlijk achterdocht
over de opschorssing van des Schilders laatste lot,
maar
|
|
-ocr page 261-
| |
| maar zy balkten onophoudelijk in hunne openbaare Sermoenen;
Dat den Hoofdschout hem gestadiglijk door de
vingers zag, en de welverdiende straffe uytstelde, om
zich te verrijken by deszelfs penseel, en zo voorts. Als
of er by \'s menschen geheugenisse ooit een Opperrechter
was geweest, op deeze oppervlakte des Aardbodems, die
zich had willen en weeten te bedienen van de ramspoeden
en van de overtreedingen zijner ongelukkige lngezê-
tenen. Wat er van zy of niet en zy, den Schout vond
zich gedwongen om den vroomen Jan van Kuyk over te
leveren aan dier gekapte Monniken woede, Jan wiert gebrocht
ofte uytgevoert op het nieuwe werk tot Dordrecht,
en aldaar leevendig verbrant, om de getuygenis des Zaligmakers
Jesu Kristi, op den acht en twintigste van de Lentemaand,
des jaars duyzent vyf hondert twee en zeventig.
Hy liet een bedroefde Vrouw, een Dochtertje van
zeven jaaren, en een goede naam na, zegt Arnold Houbraken;
en dat laatste zeggen overtreft zijn voorgaande
zeggen, ontleent, zo het ons voorkomt, van den eenen
of van den anderen Latynsche Schoolmeester, als die
den * Haat des Duyvels aldaar vergelijkt en op eene
hoogte stelt met den Haat der Godgeleerden. Het is thans
ons welbehaagen niet om Houbrakens halfblanks Schoolmeesters
vertoog alhier te herhaalen, het zal ons voldoen
van te zeggen; Dat het al zo gevaarlijk is ommegang te
hebben met een Latynsche Schoolmeester, in het hartje
van zijn Jongensregeering, als het perykeleus is gemeenzaamlijk
te verkeeren met een stads Pestmeester, in het
heetste van de besmettelijke ziekte: die persoon die er
het Verstant afbrengt by den eerste, is een witte Rave,
en
* Zie Arn. Houbrakens eerste Deel van zijn groot Schouwburg der Nederlandsche
Konstschilders en Schilderessen, bladzy vyftig, Regel vyftien.
|
|
-ocr page 262-
| |
| en die er het leeven doorhaalt by den laatste, is een sneeuwblanken
Eenhoorn; en meer hebben wy voor het tegenwoordige
niet te zeggen.
SEBASTIAAN FRANKS.
| | Die Schilder wort aangehaalt by Karel van Mander,
op bladzy twee hondert acht, alwaar hy aldus schryft;
Desgelijks was er Sebastiaan Vranks, geleert hebbende by
Adam van Oordt, en is nu oud ontrent eenen dartig jaaren;
is zeer aardig in \'t maalen van Landschappen, Paerdekens,
en Beeldekens.
| | Ook vermelt Mr. Kornelis de Bie van eenen zekeren Gabriel
Frank, na het ons voorkomt een Tijdgenoot van
Bastiaan, die .... maar laat ons het * Schaapshooft van
Lier hooren blaeten in zijne natuurlijke Moedertaal.
Wel hoe can mijne pen zo lanck den beck bedwingen
Om oock den lof van Frank hier in het licht te bringen
Eerst hoe Sebastiaan met rype aardicheyt
Te schild\'ren wist \'t ghewoel van Oorlog ende strijt;
In landtschap en figuer heeft hy oock uytgesteken
En heeft in sijnen tijdt niemandt daar ingheweken,
En daar by Gabriel was soo in Const volmaekt
Dat hy Picturas gront in alles heeft geraeckt.
Den Jongen Frank in \'t cleyn soo geestig en manierich
So los en abondant, soo crachtig, eel en swierich,
\'t Ghen sijnen lichten dach naer Const soo wel ontfanght
En met een goed fatsoen in een soo geestig hanght
Dat
* De Lierenaars worden Schaaphoofden genaamt by de overige Brabanders.
|
|
-ocr page 263-
| |
| Dat sijn vermaerde Const aan niemand en sal wyken
Soo naer compt sy Natuer, jae \'t leven schynt te g\'lyken
Ist in Historien van \'t Nieuwe Testament
Ost oudt Romeynsche volk, \'t gewoel is sonder ent.
Het ghen zijn eel pinceel daer in wist af te malen
En met een lossen aert seer crachtigh uyt te halen,
Waer af de weereldt noch al lanck gedencken sal
Want daer geen schimpers tongh op spouwen can
haer gal.
| | Dat die Franken of Vranken braave Schilders zijn geweest,
blykt uyt verscheyde heerlijke Konststukken, als
noch in weezen, en wel inzonderheyt in Brabant en in
Vlaanderen. Onder veele andere hebben wy er een van
de alderbeste gezien tot Rotterdam, op de Blaak, ten
huyze van d\' Heer Jan Besoijen, welk stuk een Konstkamer
verbeelde, aardiglijk geordonneert, fix getêkent,
naauwkeuriglijk geschildert, en zindelijk uytgevoert.
Den Schilder had Rubens en van Dyk er in gekonterfyt,
(na het leeven, of na een print of na een têkening is ons
onbewust) die aan \'t Verkeerbort zaaten te speelen met
een ongemeene opmerking, die zo wonderbaarlijk geschildert
en zo uytvoeriglijk waaren behandelt, dat zich die twee
Origineele Konstfenixen niet zouden behoeven te schaamen
in hun graf, indien de hedensdaagsche Konstkenners
die twee Persoonagien kwaamen te groeten voor het werk
hunner handen.
| | Arn. Houbraken zegt, dat zijn Schoonvader Jakob Sasbout
Souburg wel eer een paar stukjes schildery had van
dien Bastiaan Frank, verbeeldende Landschapjes op koper
geschildert, en met figuurtjes gestoffeert, die Houbraken,
en het is ons aangenaam, wel bevielen. Op het
eene stukje zag men het treureyndent Blyspel der kinderen
|
|
-ocr page 264-
| |
|
ren van Bethel, die van de Beeren wierden verslonden dewyl zy den
Profeet Kaalkop nariepen. Het tweede Tafereeltje verbeelde een
Historietje uyt het NieuweTestament, wiens beeldjes, zo hy zegt,
losjes waaren gekleed, en vast getêkent.
ADAM ELZHEIMER
.
| | Die Flonkerster aan den Hemel der Schilderkonst wiert
voor de eerste maal gezien te Frankfoort, na by een
plaats genaamt de roode Badstoof, in het jaar duyzent
vyf hondert vier en zeventig. Zijn Vader was een Ingenieur
die de Fortificatien des Menschdoms betrok, of om
klaarder te spreeken, een Kleermaaker of een Snyder, die
wel haast door het oog van de schaer de zucht bespeurde
die zijn zoon had opgevat voor de Infante Pictura, waar op
hy hem besteede in zijn geboorte stad by Filip Offenbach,
een goed Têkenaar en Schilder, welken Filip hy naderhant
zo ver overtrof in de Schilderkonst, als Filip van
Macedonien in de Krygskunde wiert overtroffen by zijn
zoon Alexander den Grooten. Toen Adam gevoelde dat hy
kon dryven op zijne eyge wieken, trok hy de reysschoenen
aan, en na Duytslant afgevourageert te hebben, vloog
hy over na Romen, alwaar hy aanstonds kennis maakte
met Peter Lastman, Jan Pinias van Amsterdam, Jakob
Ernst, Tomas van Landouw, en met diergelijke Overvliegers
in de Schilderkonst, vol hoop van langs de trappen
dier gemeenzaamheyt het toppunt des Konstbergs te
zullen bereyken. Gelijk als nu Adam den aldereerste Vormgieter
was van het Menschdom; zo is deezen Adam den
aldereersten Autheur geweest der kleyne uytvoerige Schilderyen,
een Uytvinding die geen Navolgers heeft ontbrooken.
Onder
|
|
-ocr page 265-
| |
| | Onder de beste Schilderyen telt men een stukje van den
jongen Tobias, vergezelschapt met den Engel, en met
een naloopent Hondje, dat van den eenen op den anderen
steen schynt te springen, straalende de Zon op derzelver
tronien, en die op een wonderbaare wyze verheerlykende.
Noch maalde hy eene Latona beneffens haare
Tweelingen, en eenige lompe Reekels van boeren, die
uyt afgonst het water scheenen om te roeren, op dat die
vruchtbaare Moeder haaren dorst niet zou verkoelen, dewelke
daarom wierden hervormt in groene Kikvorschen.
Ook is er, of was er, een gewonde Procris van hem te
zien, dewelke Cephalus poogt te herstellen door heylzaame
kruyden; in het verschiet ziet men eenige Woudnymfen,
Boksvoeten en Bosgoden, die een vuurtje stooken
aan den ingang van het Woudt. Desgelyks munte boven
andere konstukken uyt een Sint Laurentius, staande naakt
voor den Rechter, om op den rooster gelegt te worden,
ten zy hy de Afgoden kwam te offeren, ziende den Heylig
middelerwyl opwaarts na den Hemel, in welke Ordonnantie
de onderscheyde hartstochten heerlyk waaren waargenoomen.
Dat Konststuk berust onder veele andere kostelyke
zeldzaamheden in de Konstkamer van het slot Idsteyn,
behoorende aan zyn Vorstelyke Doorluchtigheyt Johan,
Grave van Nassauw Saarbrugge. Noch schilderde hy voor
een Neef van den Heere Joachim de Sandrart, eenen tweeden
Laurentius, bekleet met het Priesterlyk gewaad, voerende
in de eene hand eenen Rooster en in de andere eenen
Palmtak, gestoffeert met een bekoorlyk Landschap,
verlicht door de daalende Zon, en vervrolykt met behaaglyke
watervallen. Dat stukje was minder in omtrek
als den voorgemelde Sint Laurentius, doch niet minder
in deugd; alhoewel men moet zeggen, dat het jammer
was, dat hy de leevensgroote figuuren, die hy in den beginne
|
|
-ocr page 266-
| |
| ginne schilderde, en heerlijk schilderde, verwaarloosde,
om op die kleyne Tafereeltjes, die meer tijd verslinden
als de groote konststukken, te gaan zitten wroeten.
| | Meer andere stukken van die natuur en groote schilderde
hy te Romen, onder welk getal er een is dat ik
den Leezeer zal beschryven, om daar in aan te toonen, tot
wat een trap van volmaaktheyt dien Adam Elzheimer was
opgeklommen, in de Dichtkundige en in de Zeedekundige
Verzinningen. Dat stuk beruste noch in het jaar duyzent
ses hondert ses en sestig tot Frankfoort, ten huyze
van den Heere du Fay, die dat konstjuweel gemaalt op
een kopere plaat, en de Begeerte met deszelfs Vervulling
verbeeldende, aan den voornoemde Joachim de Sandrart
liet kyken.
| | De Begeerte zelve met de Voldoeninge waaren te zien in
de lucht onder de gedaante van twee aardige beelden.
Onder op der aarde zag men alderhande staaten en beroepen
van Mannen en Vrouwen, die hunne en haare begeertens
scheenen te kennen te geeven door zekere bedryven:
de zommige wenden zich tot de Goden en vergezelschapten
met Offerhandens hunne wenschen, onderwyl
dat een oud Priester in een duystere hoek of kant,
omhangen met den sneeuwitten Priesterlijken tabbaert,
het Brandoffer aanstak, bedient by gelauwerierde Nonnen,
van de Godinne Vesta, en by jongens voorzien, volgens
de Heydensche plechtigheden, met wierooksvaten en
met andere Priesterlijke gereedschappen, wier tronien
gloeiden door de weeromstuyt der aangestooke brandende
stoffe. Voor aan stonden de voorgeschikte Offerhandens;
boven in de wolken verscheen den Donderaar Jupyn gewapent
met den ontknoopten blixem, voorover hellende
om de Begeertens der offerende stervelingen te vervullen.
Buyten den Tempel waaren er veele andere Sollicitanten
|
|
-ocr page 267-
| |
| tanten te zien, wier begeertens men kon leezen en bekennen
uyt hunne blikken; de zommige rekhalsden na Eerampten
en na vermoogende waardigheden; deeze raalden
na de wellusten des vleeschs, na het genot van schoone
Maagden, Weduwen en getrouwde Vrouwen; en geene
Liefhebbers, gelijk als de Wysgeeren en diergelijke geletterden,
smeekten om de wysheyt, de geleerdheyt,
de konsten en de wetenschappen te moogen erlangen.
Andere wederom kwynden na de zoete inkomsten van
de winst, door de Koopmanschap, of door de wapenhandel;
deeze hielden wedloopen; geene poogden
den Palmtak te bereyken door het hartdraaven van paerden;
onderwyl dat andere zich poogden te verrijken door
de speelkaarten en de teerlingen. Alle die voornoemde
Begeertens waaren zo gelukkiglijk uytgedrukt, dat dat stukje,
ten opzichte van deszelfs ongemeene konst, als een
byzonder cieraat van die heerlijke Koopstad wiert aangezien.
| | Op een grooter formaat schilderde hy noch de vlucht
van Josef na Egypten met het kindje Jesu, zittende op
den schoot van de Heylige Moeder, de Maagd Maria.
Josef geleyd den Esel door een rivier begroeit met alderhande
kruyden, voerende in de linkerhand, in stee van een
toorts, een fakkel van pynboomen hout. In \'t verschiet
ziet men verscheyde by het vuur zittende Harders, die
na by een moeras hun vee bewaaken; voor dezelve ziet
men een dicht woud, en in de lucht vertoont zich den
melkweg, en ontrent dem Horizont de volle Maan, schijnende
zo eerst op te komen, en haar licht mede te deelen
aan alle de voorwerpen, welk licht men ook ziet
weerom stuyten van alle de voorwerpen. Dat stukje wort
by alle de Konstkenners voor Adams meesterstuk geschat,
en is op \'t koper gebrocht by den Heere Gaud, een Uytrechts
|
|
-ocr page 268-
| |
| rechts Edeling, die echter deszelfs ongemeene volmaaktheyt
niet behoorlijk kon uytdrukken door het Graveeryzer
of door de Etsnaalde. Alhoewel nu die plaat voor de
beste wort geacht, die den voornoemde Gaud heeft gesneden
na de konststukjes van Adam Elsheimer, echter
vergelêken by het oorspronkelijk, worden die kopere figuuren
zodanig verduystert, gelijk als de Middagzon de
andere lichten komt te benevelen.
| | Ook was dat Hemels verstant gepaart met een staale
memorie; waar door het gebeurde dat als hy maar eens,
ja ter loops, eenige schoone boomen zag, hy zich die
zo diep in zijn bevatting indrukte, dat hy \'t huys gekomen
zijnde, die natuurlijk kon afbeelden. Daar van gaf
hy een proef in het maalen van de Vigne Madame te
Romen, die hy by onthoud zo heerlijk verbeelde, dat
men de stammen der boomen, de bladers, en de lichten
en schaduwen van dien beruchten tuyn kon bekennen.
| | Doch het geene hem moest verrijken, maakte hem elendig,
dewijl die doorschilderde stukjes meer tijd vereyschten
als groote Tafereelen, en de prys dien arbeyt, dien
langduurigen arbeyt, niet kon ophaalen Hy had een romeynsche
Vrouw getrouwt, die al te vruchtbaar was na zijn
winsten, zo dat men een grooter tal kinders langs de gedemeubeleerde
apartementen zag zwerven, als goude
muntstukken; een zêgen die men noch ziet beklyven op
veele hedensdaagsche Schilders. Den goeden Adam dan
bezweek onder den drievoudigen last van een graage Bedvriendin,
van een gestadigen arbeyt, en van den aanwas
van Schuldeyschers; hy wiert zo hypochondre als een Aktionist
die uyt den Hemel der ingebeelde winst is nedergebonst,
als den gestraften Lucifer, in de weezendlijke helle
der Armoede; men zag hem dikwylder zweeven ontrent
|
|
-ocr page 269-
| |
| trent de vervalle puynhoopen der oude Heyden sche Tempels,
als op de gulde saletten der roomschkatolieke romeynsche
Prinsen en Prinsessen; en tot een toemaat van
rampen kreegen zijn Krediteurs hem by het linker been,
en wierpen hem in de gevangenis, alwaar hy zijn ongelukkig
leeven opgaf tusschen de tralien, na onophoudelijk
te hebben geschildert, en gestadiglijk te hebben gelêden.
Ha Zotheyt en Armoede, ghy heerscht geen kleyntje
over de Geboortestond der rampzalige Konstschilders!
| | O het jaar duyzent ses hondert twee en dartig leefde
zijne Weduwe noch, beneffens verscheyde zoonen, wier
lof wy thans niet zullen ophaalen. Ook zullen wy er niet
byvoegen, dat de Antwerpsche Hannekens, en de Brusselsche
Kuykeneeters, een Natie die noch vloeibaarder
klapt en kakelt als gestoorde Exters, of als leggende Hennen,
ons veeltijds hebben vertelt met zeer veel omstandigheden,
dat den grooten Rubens dien Elzheimer meer
dan eens heeft gelost uyt de gevangenis, en zijne geldzonden
afgedaan, doch dat er geen zalf aan te stryken
was, en zo voorts. Wy zullen ons liever gedraagen aan
de eerlijker getuygenissen van de Heeren Joachim de Sandrart,
Florent le Comte, Mr. Felibien, Mr. Kornelis de Bie,
en al zulke geloofwaardige Mannen, die geen valschen
Eed zullen presenteeren te doen voor een kop Chokolaat,
gelijk als wy er des verzocht zijnde zouden konnen aantoonen.
| | In het Kabinet des Konings van Vrankrijk zijn eenige
stukjes van Adam Elzheimer, en ook by den Hartog
de Lesdiguieres, zegt Mr. Florent le Comte. Zijn Konterfytsel
staat onder aan op de plaat C, nevens Adam van
Oort, alwaar wy het zullen laaten berusten, en ons afscheyt
neemen van dien grooten Man met deeze regelen.
* Zo
|
|
-ocr page 270-
| |
| * Zo lang als \'t water in zijne engtens ruyscht;
En Nereus vocht op zijne banken bruyscht;
Zo lang als mê op \'t gebergt de schaduwen ziet zweeven,
Zo lang zal Adams naam en echte glorie leeven.
| | Den voornoemde Hendrik Gaud, een doorluchtig Edelman,
hier voorens by ons aangehaalt, was te zelver tijd
tot Romen, toen Adam Elzheimer aldaar tegens de schaersheyt
en tegens zijn Schuldeyschers worstelde. Dien Edelman
maakte kennis met den Schilder, en betuygde weezendlijk
de achting die hy had opgevat voor zijn konst, door
edelmoediglijk alles te koopen dat hy schilderde, en het
geen noch een toon hooger is, door die ongemeene konst
milddaadiglijk te betaalen. Ook verstrekte dien Heer hem
penningen in de gevangenis, om door een van die zeven
goede werken het leeven des Konstenaars, was het doenlijk,
uyt te rekken; doch het Nootlot had reeds zijn dagen
getelt, het waaren vygen na Paasche, en het was, geeftme
goud uyt een hoorn te drinken als ik dood ben. Die Gaud
schilderde ook op de wijze van Elzheimer, en daarom
kocht hy ten deelen alles wat hy kon bekomen van dien
Schilder, waar van hy zich dan bediende als van Modellen.
Maar boven al was dien Edelman een fenix in het
Plaatsnijden, gelijk als hy dee zien op zijn overkomst
tot Uytrecht, alwaar hy alle de by hem gekochte konst
van Adam in \'t koper brogt, bestaande zo het ons wel
voorstaat in zeven stukken, zijn eerste en ook zijn laatste
werk. Een Dame, die voorgaf verlieft te zijn op dien
welgebooren Plaatsnyder, gaf hem een Liefdedrankje in,
dat een verkeerde werking dee, want hy wiert zot in stee
van
* Infreta dum fluvii current; dum montibus umbræ,
Laudes, Elzheimere, tuæ, nomenque manebunt.
|
|
-ocr page 271-
| |
| van verlieft te worden, in het jaar duyzent ses hondert
vier en twintig; doch op het hoeveelste jaar zijns ouderdoms
is ons onbekent. Daar wort getuygt dat hy nergens
weet ofte eenige aandoening van had als van de Schilderkonst,
waar over hy tot aan zijn laatste snak toe taamelijk
gezont wist te oordeelen.
LUKAS FRANCOIS .
| | Die Konstenaar is een Tydgenoot geweest van Adam
Elzheimer, gebooren in het zelve jaar duyzent vyf hondert
vier en zeventig; doch zo overeenkomstig met des
Frankfoorders stille inborst gelijk als water en vuur. Die
Francois wiert gebooren tot Mecghelen, en omarmde de
Schilderkonst, doch onder wiens bescherming konnen wy
niet zeggen. Hy vloog na het Hof, gedachtig dat men
daar al ommers zo wel beloont als straft; en hy wist zich
zo hoog op te beuren op zijn Schilders wieken, dat hy
een meer als Mecghels verstant of Brabands gedrag moet
hebben gehad, om staande te blyven op die slibberige
sullebaan. Ses jaaren speelde hy voor Hofschilder aan de
Hoven van Vrankrijk en van Spanjen, en was zo wel een
Overvlieger, zo men zegt, in de Historien als in de Portretten,
gelijk als de Kerken, de Gildekamers en de byzondere
Kabinetten der Mecghelsche Maanblusschers noch
hedensdaags getuygen. Hy hemelde aldaar, te weeten
binnen Mecghelen op den sestiende van de Herstmaand
des jaars duyzent ses hondert drie en veertig, nalaatende
eere, goed, en kinders, en onder het laatste soort een
paar zoonen, Pieter en Lukas Francois, twee wakkere
Schilders, die wy niet op de stomme naamrolder Vergetelheyt
zullen plaatsen, maar behoorlijk op het jaar hunner
geboorte oproepen.
ROE-
|
|
-ocr page 272-
| |
| ROELANT SAVERY .
| | Zijn Vader Jakob Savery, een Schilder van de middelste
klasse, gaf hem de eerste aanleyding tot het schilderen
van viervoetige dieren, vogels, en visschen; doch
dien engen omtrek was al te bekrompen voor den uytgestrekten
geest van Roelant, die er de landschappen byvoegde,
waar in hy zich meesterlijk kweet, en voornaamelijk
in de Noordsche gezichten, de klippen, rotsen, pynboomen,
en watervallen. Den Keyzer Rudolf zag gevalliglijk
een stuk van Savery, dat hem zo wel beviel, dat
hy hem in zijn dienst nam, en de gelegendheyt gaf om
met een Heer van het Hof na Tirol te trekken, en aldaar
alle die ongemeene gezichten af te têkenen. Ook
besteede hy de kostelijke oogenblikken des leevens aldaar
zo wel, dat hy binnen de twee jaaren een groot boek tê-
keningen had verzamelt, ten deelen met de pen geschetst
en gewassen, en ten deelen met houtskool gekrayoneert,
welk boek hem geen windeyers ley in het vervolg van
zijn penseeloefeningen. Hy beschilderde de Gallery van
Praag in Bohemen met zeer aardige Landschappen, voor
het grootste gedeelte in \'t koper gebrot by Egidius Sadelaar,
waar van de afdrukken wel gewilt zijn by de papierkonst
Liefhebbers.
| | Onder veele andere Tafereelen van Roelant Savery bralt
dat stuk, verbeeldende een groote streek land waar in
den Oudvader Hieronymus boete doet, gelijk als een Diamant
onder de witte Safiersteenen, welk stuk is gesneeden
by den Leerling van Egidius Sadelaar, genaamt Isaak
Majoor een Plaatsnyder niet onvermaart by de Konstkenners.
Na de dood van den Keyzer Rudolf doorluchtiger
me-
|
|
-ocr page 273-
| |
| memorie, welke dood voorviel in het jaar duyzent
ses hondert en twaalf, begaf hy zich na Uytrecht, alwaar
hy veele groote en kleyne Schilderyen maalde na ieders
genoegen. Hy verdeelde zijn dagen tusschen den arbeyt
en de uytspanning, schilderende den geheelen voormiddag
naarstiglijk in het gezelschap van zijn vollen
Neef Jan Savery, ook een Landschapschilder, en gaande
tegens den avond om zijn Fles in vrolijke byeenkomsten;
een ongehuuwde en geen onvermaakelijke leevenswijze.
Dat gerust leeven rekte hy uyt tot een hoogen ouderdom,
welke gelegendheyt de Dood waarnam, die ziende
dat Roelant zo stram geworden was, als een oude Hartlooper,
hem in een Tirolsche rots herstalde, en uyt het
getal der leevenden gewelddaadiglijk uytrukte, op het
jaar duyzent ses hondert negen en dartig. Zijn Konterfytsel
is te zien op de plaat D, door Houbraken getekent
na de afbeelding van Geertruyd Rogman, onder welke
print Hend. Lamb. Rogman had geschreeven met zijn
eygen hand, op het jaar duyzent ses hondert en veertig,
Roelof Savery, Schilder van Rudolfen van Mathias, Roomsche
Keyzers, &c. beneffens eenige vaerzen die ontrent
hier op uytkomen.
Het schijnt dat Savery Natuur de loef afstak
Wanneer hy Bosch en Rors, en graazige Valeyen,
Waar in \'t viervoetig vee gaat vrolijk speelemeyen,
Door konst verbeelde. Zy verstoort, beval dat strak
De Dood een koude Seys tot zijn verderf zou wetten.
De Konstgodes, helaas! beweent het laatste lot
Van haaren Lieveling, schoon oud te jong geknot:
Doch Charon kon bykans de ziel niet overzetten,
Wijl d\'Elizeers, die zijn boot langs allen kant
Omringden, hem om strijd ontfongen op dat strant:
Wy
|
|
-ocr page 274-
| |
| | Wy hebben een oneyndig tal Schilderyen van hem gezien,
zijnde die vry zuyver geschildert, doch wat dor
behandelt. Doch niets heeft ons meer gesurpreneert als
een zeker stuk verbeeldende eenige wilde paerden in een
woest Landschap, onder welke ongetemde Dieren er een
was dat aan alle de vier hoeven was beslaagen. Den luye
Jan Baptist Biset, een Schilder van de derde klasse der
penseelisten, gedroeg zich noch dommer in de Ordonnantie
van een stuk, dat hy schilderde tot \'s Hartogenbosch
voor den Florist Lambert Pain & Vin, een Handelaar
in Bloemen en in Schilderyen. Dat stuk verbeelde Adam
en Eva na den val, waar in hy onder veele andere tegenstrydige
figuuren een Hondje had ingevoert, dat een
met rood fluweel gevoerde kopere halsbant om had, met den
doorgewerkten naam van Lambert Pain & Vin. Ondertusschen
zullen wy er byvoegen, dat de Schilderyen van
Savery tot noch toe wel gewilt geweest zijn, en inzonderheyt
by de Liefhebbers die zich met een eenvoudige
en natuurlijke afbeelding vergenoegen, zonder dat zy dat
geene dat de Konst aan de Natuur leend weeten te onderscheyden.
| | Wyders verhaalt Houbraken, die wy nu en dan eens
moeten aanhaalen, dat hy een wonderlijk konstig stuk, by
Savery geschildert, heeft gezien, waar in hy Orpheus,
den Thracische Harpenist had gekonterfyt, die, gelijk
als Ovidius ons voorzingt,
\'t Gevedert vee, dat in \'t uytspansel tiereliert,
De visch, geboomte en \'t wild gediert,
Door zijne harp kon lokken.
| | Den beruchte Vertaaler van Horatius, den Heere A.Pels,
laat zich aldus over dien Harpslager hooren.
Want
|
|
-ocr page 275-
| |
| Want Orpheus, zo in zijnen tijd geacht,
Die Tolk der Goden, heeft het menschelijk geslacht
Door vaerzen afgeschrikt, van moord, en beestig leeven;
Waarom dien braave naam den held is nagebleeven,
Dat hy de Leeuwen en de Tygers temmen kon.
Ja Vorst Amphion, die oud Theben zelfs begon
Te bouwen, kreeg dien naam, dat hy de harde steenen
Kon leyden door zijn luyt, en vleyent dicht, waar
heeenen
Hy wilde.
ADAM WILLARTS.
| | Is gebooren tot Antwerpen, in het jaar duyzent vyf
hondert zeven en zeventig. Hy was een goed Schilder en
geen gemeen Dichter; een koppel Eygenschappen die
maklijk in een gelit konnen \'t zamengaan. Zijn konst bestont
voornaamelijk in het schilderen van rivieren met
schuytjes en barken, haringvisscherytjes, zeestranden,
galeijen vol gewoel van kleyne beeldjes, en alzulke &
Ceteras, die hy natuurlijk en konstiglijk behandelde en
uytvoerde. Hy is tot Uytrecht, daar hy woonachtig was,
overlêden.
AAT JANSZE DRUYVESTEYN.
| | Karel van Mander gedenkt dien Schilder op het laatste
van zijn Schilderboek, bladzy twee hondert dartien,
met deeze, of diergelyke woorden. Noch is er tot Haarlem
een jong Man, Aart Jansze Druyvesteyn, wel ervaaren
in landschap en in beeldjes, doch die de konst maar na
zijn welgevallen oefent. Dat is op goed Nederduyts, die
uyt lust en niet om den broode schildert; een heerlijk
voor-
|
|
-ocr page 276-
| |
| voorrecht, want wy kennen geen ongelukkiger Schilders
dan die geenen, die ontzet zijn van de Beurs, of van een
Patroon. Die Konstenaar wort getelt onder de Heeren
Borgermeesters van Haarlem, en was aldaar ook by zijn
leeven Ouderling in de Gereformeerde Kerk.
JAKOB WILLEMSZ. DELF.
| | Die Jakob was een braaf Portretschilder, gelijk men
wel eer kon zien op de stads Doelen tot Delf, alwaar hy
een Schutters rot schilderde, in het jaar duyzent vyfhondert
twee en negentig, welk Tafereel, door het springen
van \'s lands Kruydmagazijn, beneffens meer andere
konststukken in flarden raakte, doch door zijn zoons zoon
den Heer Jakob Delf, behoorlijk is gerepareert geworden.
De zucht die dien Jakob had opgevat voor de Schilderkonst
bleek, toen hy zijn drie zoonen opkweekte tot
Schilders. Den oudste zoon Kornelis Delf, leerde de beginselen
der Schilderkonst by zijn Vader, en het overige
by Kornelis Kornelisz. van Haarlem, wiert een braaf
Schilder in het stil leeven. Rochus Delf, was een goed
Portretschilder; en Willem Delf, den jongste een verdienstig
Plaatsnyder. Die Willem trouwde de Dochter
van den vermaarden Konterfyter Michiel Jansz. Mierevelt,
wiens voornaamste Portretten hy in het koper brogt,
en waar van de afdrukken noch onder de Liefhebbers der
papiere konst berusten.
| | En nu zal het eens tijd worden om den Leezer een
nauwkeurige, leerzaame, en vrolyke Leevensbeschryving te
geeven van dien Adelaar in de Schilderkonst, die zo manmoediglijk
de brandende zonne van Pictura dorst onder de
oogen zien, en die noch grooter paerl is geweest aan de
Agrip-
|
|
-ocr page 277-
| |
| In het oorspronkelijke boekwerk ligt tussen
pagina 252 en 253een extra, ongenummerde
pagina met afbeeldingen van diverse schilders.
Deze tussenpagina is in het plaat-formaat te bekijken.
|
|
-ocr page 278-
| |
Agrippijnsche Stedekroon, dan den Nederduytschen Maro,
Joost van den Vondele, ik zie op den onsterflijken Konstschilder
Petrus Paulus Rubens.
PETRUS PAULUS
RUBENS
.
| | Dien Vorst der Konstschilders is gebooren tot Keulen,
op den acht en twintigste van de Wiedemaand,
des jaars duyzent vyfhondert zeven en zeventig, uyt geen
gemeene Ouders. Zijn Vader, genaamt Jan Rubens was
een Antwerpenaar, een Rechtsgeleerde en met een Schepen
dier stad, welke waardigheden hy verliet om zich te
dekken voor de naderende stormen en donderbuyen die zijn
Vaderlant het onderste opwaards dreygden te rammeyen;
en hy week in de stad Keulen, alwaar zijne Huysvrouw
Maria Pypelings onzen Petrus Paulus Rubens ter weerelt
brogt,
|
|
-ocr page 279-
| |
| brogt, op den Feestdag der Apostelen Petrus en Paulus,
waar door hy den naam erfde van die voortreffelijke
Afgezanten.
| | Zo dra als hy bekwaam was ter schoole te gaan, spaarde
z ijn Vader geen moeite noch kosten om hem te doen
onderwijzen in de goede letteren, in dewelke hy een
grooten opgang maakte, ten deelen door een ongemeenen
Yver, en ten deelen door een vluggen Geest, twee zeldzaame
eygenschappen, die hedensdaags zo weynig te vinden
zijn onder de Antwerpsche Signorie, als een oprechte
Ziel en kontante Penningen. Onder andere taalen leerde
hy de Latynsche taal zo natuurlijk, dat hy die niet
alleenlijk schreef, maar zelfs sprak in de uyterste volmaaktheyt,
als een gebooren Latyner. Eenige jaaren daar na
geraakte de stad van Antwerpen op nieuws onder de gehoorzaamheyt
van den Koning van Spanje, door het beleyt
van den Hartog van Parma, waar op den Vader van
Rubens de huur opzey aan de stad Keulen, en na Antwerpen,
zijn geboorte plaats, verreysde met zijn gantsche
Familie. Pieter Paul Rubens was van een kloeke licghaams
gestalte na zijn jaaren, des gaf zijn Vader hem over tot
een Pagie aan de Gravinne de Lalain; doch de ongebonde
leevenswijze der Hovelingen stiet hem tegens de borst,
derhalven bad en smeekte hy zijne Ouders om verlost te
moogen worden uyt die Egyptische dienstbaarheyt; maar hy
schelde aan een doovemans deur, zijnde de Rechtsgeleerdheyt
en de Vrouwen al te afhankelijk van de Heerschzucht
der Hoven, om na dat billijk verzoek te luysteren. Waarlijk
het Hof is het Keyzerrijk van de onbepaalde Heerschzucht;
alle de andere Hartstochten, tot de Wetten en
de Liefde inkluys, z ijn aan de hoofsche Heerschzucht onderdaanig;
daar is geen Eendracht in dien klarergouden
Omtrek die zy niet maakt, noch geen Overeenstemming
die
|
|
-ocr page 280-
| |
| die zy niet verbreekt. Daarom vergissen zich de Heerschzuchtigen,
die een eynde zoeken in de Heerschzucht; die
Eyndens veraarden in heerschzuchtige poogingen; want
zo dra heeft een heerschzuchtig Hengelaar den Braassem
van het goed vertrouwen niet verstrikt, of hy slaat een
versch voorentje aan den hoek, om den Snoek der gulle
gedachten te verschalken.
| | In een Klindicht zullen wy den Leezer het natuurlijk
konterfytsel des Hofs aantoonen; ongelukkig die zulks
noch moet ondervinden, en gelukkig die zich in dien spiegel,
die niet vleyd, kan en wil spiegelen.
KLINKDICHT.
\'t Hof is een Vrystad daar de Feylen triomfeeren;
Alwaar de Zeedendwang zijn winkel openstelt;
Voor schelmsche poogingen een altoos open velt;
Daar de\'Ondeugd wil en kan de waare Deugd trotseeren.
Een School, waar in de Ziel de\' Arglistigheyt gaat
leeren;
Een Zee, waar in \'t Gemoed leyd schipbraak door
gewelt;
\'t Bedrieglijk momgezicht waar in een Guyt zich
stelt;
En \'t prachtig Schouwtonneel daar \'t Ontrecht zal
braveeren.
Een Tuyn, waar in het Zaad der Deugden wort
verstikt;
Een plaats, waar in nooit woord der Waarheyt is
gekikt;
In
|
|
-ocr page 281-
| |
| In \'t kort waar in het Schelms en \'t Oolijk \'t zamen
leeven:
Den wijzen Salomon vond daar het laatste lot;
En Peter zal ons noch een nader voorbeelt geeven,
Die rook maar eens die lucht, en hy verzaakte Godt.
| | Korts na dat vruchteloos verzoek kwam den Vader
van Rubens te sterven, en die Dood verloste hem van de
vergulde Hofgaley; waar op hy zich met ziel en licghaam
overgaf aan de edele Schilderkonst, voor dewelke
hy een ingeboore eerbied had gevoelt, al van zijn kindsche
jaaren. Zijn Moeder bestelde hem dan by eenen Tobias
Verhaast, een berucht Landschapschilder; en van
die geraakte hy by Adam van Oort, een tamelijk goed
Konstenaar, doch zo plomp en ongebonden als een Cellebroeder,
wiens ondeugden noch wel zo wichtig waaren
als zij n Deugden; in \'t kort, een onbeschaaft Kaerel, wiens
\'s gelijken men noch met troepen, ten huydigen dage, langs
de Antwerpsche Maair, en langs de geldelooze stads vesten,
kan zien patrouilleeren. Men ontlaste hem dan van dien
Bul, om hem over te geeven aan het Onderwijs van Octavio
van Veen, een Leydenaar van geboorte, en op die
tijd Hofschilder van den Aartshartog Albert, en van de
godvruchtige Isabelle, t wee in die Eeuwen beruchte Pernoonagien.
Dien voorgemelde Octavio van Veen was een
Man begaaft met veele byzondere begaafdhêden, zijnde
hy een kloek Wysgeer, een verdienstig Poeet, een ervaaren
Wiskonstenaar, en den kon stigste Schilder van zijn
tijd, die ook wiert geëert, geviert en geloont als den Rafael
der Spaansche Nederlanden. Uyt een eenig Andwoort
zal aan den Leezer het verstant van dien grooten Octavio
blyken.
Hy
|
|
-ocr page 282-
| |
| | Hy gaf op een tijd eenige Zinnebeelden uyt over de
Weereldsche liefde, welke Zinnebeelden hy met Vaerzen
van zijn maaksel had verrijkt in vier onderscheyde taalen;
een zeldzaam voorbeelt in een Schilder, gelijk als den geleerde
Lipsius dat wel aanmerkte in zijn Goedkeuring van die
schriften. Dewijl nu de Infante Isabelle een grooter lust
betuygde voor de Hemelsche als voor de Weereldsche
zaaken, verplichte zy dien arbeydzaamen Konstenaar,
om eenige Zinnebeelden der Goddelijke Liefde op te stellen,
welk godvruchtig bevel hy fluks gehoorzaamde, tot
het algemeen genoegen van die Vorstin, en van alle de
deugzaame persoonen der beyde Sexen. Korts daar aan
wiert hy verzocht by een zeker Heer, om voor hem een
stuk te schilderen, verbeeldende de dartele en kostbaare
Maaltijt tusschen den romeynschen Antonius en de egyptische
Kleopatra, welk verzoek hy beleefdlijk weygerde
met deeze woorden; Het past geen Konstenaar, (gaf
hy tot andwoort) die een Tafereel heeft gemaakt voor den
Hemel, van dat heylig werk te ontheyligen door het opstellen
van een konststuk voor de Aarde.
| | By dien Schilder verbleef Rubens tot op zijn drie en
twintigste jaar, in welke tijd hy zich meesterlijk wist te
bedienen van de goede Eygenschappen zijns Meesters,
niet alleenlijk ontrent de behandeling van het konstpenseel,
maar insgelijkx tot een richtsnoer van zijn leevensgedrag
en goede zeeden. Toen vertrok hy na Italien, en
dewijl hy wel wist hoe zich een fatsoenlijk Man behoort
te gedraagen by voornaame Staatspersoonen, (een Geheym
dat maar een kleyn getal Schilders weet) had hy den
vryen toegang tot alle de Heeren en Vorsten, wiens Domeynen
hy doorreysde. Sommige Historieschryvers zeggen,
en onder die sommige zegt, Joachim de Sandrart,
Dat Albert, Aartshartog van Oostenrijk, den jongen Rubens
|
|
-ocr page 283-
| |
| bens overschikte aan Vincent de Gonzague, Hartog van
Mantua en van het Montferat, op dat hy aldaar zou studeeren
na de onvergelijkelijke Schilderyen en Beelden, in
dat Hof, en zijn wijze van schilderen schoeien, of liever
verbeteren, na de Venetiaansche wijze. Wat daar van zy
is ons onbewust, altoos het is zeker dat Rubens in dienst
trat by dien Vorst, die korts daar aan zo veel achting
en lielfde voor hem betuygde, dat hy hem meenigmaal
belaste met eerlijke kommissien, en overstroomde met
kostelijke geschenken.
| | Die Vorst bediende z ich van Petrus Paulus Rubens zeven
jaaren, een dienstbaarheyt die hem min pijnlijk viel
als die van den Patriarch Jakob, in welke tijd hy veele
heerlijke Konststukken kopieerde. Dat waaren andere
Konststukken, vry anders geordonneert, getêkent, en
gekoloreert, als die misdoopte Kasjesstukjes van vyf a
ses duyzent guldens, bemaalt met ivoore Vrouwtjes,
wassche Kupidootjes, en porcelyne Mannetjes, welke
prullen echter in de voorige Eeuwen de Biesjes-en Puynsteenschilders
hebben verrijkt en veradelt. Geduurende
die tijd ontfing hy alle bedenkelijke beleefdheden aan dat
Hof, zo van den Hartog, als van alle de Hovelingen,
een bewijs van zijn ongemeen gedrag; want een Hofschilder
die de Hovelingen en de Hofdames weet te menageeren,
en een Schout die de Dorpspastooren en de
Boeren kan regeeren, zijn twee verdienstige Stuurluyden.
| | Het gebeurde eenmaal dat Rubens onder het schilderen
van den Tweestrijd van Turnus en Eneas, zijn gedachten
liet speelen op de navolgende vaerzen van den
grooten Maro, en die luydskeels pronontieerde in de oorspronkelijke
Latynsche taal, \'t zedert aldus vertaalt door
Joost van den Vondel.
* Prins
|
|
-ocr page 284-
| |
| * Prins Ocnus voert een troep van \'s Vaders luchtige
oorden;
Prins Ocnus, zoon des vliets, die met zijn groene
boorden.
Toskanen paalt, den zoon van een Waarzeggerin
Die Mantus heet, en uw, O Mantua, uyt min
Zijn Moeders naam gaf, en steevesten, zwaar te
rammen,
De Hoofdstad Mantua, zo rijk befaamt van stammen.
| | Tot daar toe was hy gekomen toen den Hartog, die
hem beluysterde, intrat, en hem al lacghende aansprak in
de Latynsche taal, denkende dat de Schilders en het Latyn
Tegenvoeters waaren; Doch Rubens beandwoorde die
Vorstelijke vraag in zulk cierlijk Latyn, dat den Prins
zich ontstelde, en hem aanstonds vroeg na zijn Geboorte
en Opvoeding, welkers uytlegging de reeds voor zijn
Konst en voor zijn Persoon opgevatte achting vermeerderde.
Eenige tijd daar na gaf dien Hartog van zijn achting
blyken, dewijl hy hem vereerde met het karakter
van Afgezant, en hem in die kwaliteyt overschikte aan
Filippus den derde, Koning van Spanje, met het geschenk
van een heerlijke Koets, benevens zeven weergaalooze
Paerden, geciert met overkostelijke tuygen en andere dierbaare
zeldzaamheden. Dat geschenk was geschikt voor
den Hartog van Lerma des Konings gonsteling; ook gedroeg
hy zich zo geschikt in die Ambassade, hy lêverde de
geschenken over in een welspreekent vertoog, en hy wist
zich
* Ille etiam patriis agmen ciet Ocnus ab oris,
Fatidicæ Mantus & Fusci filius amnis;
Qui muros matrisque dedit tibi, Mantua, nomen;
Maniua dives avis.
Virg. Æneid. lib. 10.
|
|
-ocr page 285-
| |
| zich zo aangenaam te maaken by den Koning en by dien
Hartog, dat die beyden een goed gevoelen betuygden
voor de Brabandsche Natie.
| | Aan dat Hof schilderde hy veele Konterfytsels, beneffens
eenige Altaarstukken en weereldlijke Historietafereelen,
door dewelke hy het groot oogmerk der Heeren
Konstschilders, Eere en Schatten, k wam te bereyken.
Ook dee hy in die tusschentijd een speelreys na Venetien,
alwaar hy voorspoediglijk studeerde na de konsttafereelen
van Titiaan d\' Vecelli en Paulo Veronese.
| | Hy dee wel haast zien op zijn wederkomst hoe ver hy
was gevordert in de loopbaan der Schilderkonst, door
de Altaarstukken die hy schilderde voor de Kerken van
het Heylig Kruys, en voor de Priesters van het Oratorie.
Doch eer het ons geheugen ontschiet zullen wy een geestig
voorval verhaalen tusschen Jan, Hartog van Bragance,
en Petrus Paulus Rubens.
| | Jan Hartog van Bragance, naderhant Koning van Portugal,
een groot Liefhebber van alle konsten en wetenschappen,
en by uyt neemendheyt van de Schilderkonst,
schreef aan een Heer tot Madrid; ten eynde hy aan Rubens
wilde verzoeken, den Hartog te komen zien tot
Villa Vitiosa, een heerlijk Paleys in het Alentejo, negen
mylen van Evora. Den Schilder, die de Krusaden in \'t oog
had, begaf zich op weg, met een groote treyn; doch
zijn verwachting wiert in geenen deelen voldaan. Die
groote treyn stak den Hartog tegens de borst, als die niet
gewoon was van dagelijks Schilders met zulke staerten te
z ien opdaagen, des vaardigde hy een Edelman na hem
af, zo als hy Vitiosa genadert was op een klevne dagreys,
met een verontschuldiging, van die Visite te willen
uytstellen tot op een bekwamer gelegendheyt, zynde den Hartog
elders vertrokken om zaaken van gewicht; zo dat hy
hem
|
|
-ocr page 286-
| |
| hem Rubens thans niet kon afwachten, en al zulke hoofsche
doekjes voor het bloeden; welk Kompliment den
Hartog verzelde met een geschenk van vyftig Pistolen,
om daar door des Konstenaars verlet en reyskosten re vergoeden.
Den groote Peter Paul Rubens beandwoorde dat
kompliment met een adelijke fierheyt, en zey; Dat hy
geen Persoon was om zo een gering present te accepteeren, dat
hy ook niet kwam om te schilderen, dewyl hy maar gezint
was een dag a tien zich op te houden te Villa Vitiosa, en
duyzent pistolen had medegenomen om die aldaar te verteeren.
| | Den Hartog van Mantua schikte Rubens na Romen, om
aldaar de aldergeachtste stukken der groote Meesters te kopieeren,ook
kweet hy z.ich zo wel in die kommissie, en volgde
die oorspronkelijke stukken zo volmaaktelijk na, dat
de Konstkenners met al ommers zo veel vermaak de Kopeyen
beschouwden, als de Origineelen. Doch hy bepaalde
zijn Heerschucht niet in dien engen omtrek der romeynsche
loftuytingen, als die zo bekwaam was om een
heerlijke Ordonnantie te maaken, als om die na te volgen.
Hy schilderde dan een groot Altaarstuk voor de Kerk
van O. L. V. de Jonge, verbeeldende den Paus Gregorius,
in de heerlijkste gestalte die er kon bedacht worden,
beneffens eenige andere Heyligen; maar dewyl dat
Tafereel al te kleyn wiert gekeurt om de daar toe geschikte
plaats te vervullen, (andere Schryvers mompepelen,
om dat hy eene daar op verbeelde Sainte Katharine
had gekonterfyt na eene overschoone doch al te bekende
roomsche Kortesane) schilderde hy een tweede stuk,
en het eerste wiert overgezonden na de beruchte Abdy
.van St. Michiel, alwaar het noch kan gezien worden,
doch vry veraart van zijn voorgaande luyster. Dat heerlijk
Altaarstuk is in de grond bedorven door de lichtgeloovigheyt
van den thans regeerende Abt, die het liet schoonmaaken
|
|
-ocr page 287-
| |
| maaken door een guyt, genaamt Meester Klaes, die wy
vaststellen, dat onder de schoonschynende benaaming eens
Lystenmaakers en Schilderyoppoetsers, een pensioen trekt
van den Satan, om alle de Godvruchtige Altaarstukken in
de pan te hakken, en aldus de devotie der vroomen te
verminderen.
| | Van Romen vertrok Petrus Paulus Rubens na Genua,
een gemeene best dat alommens zo befaamt is door zyn
Woekeraars als door zyn Staatkunde. Aldaar schilderde hy
veele Konterfytfels en andere konststukken, zo voor de
Paters Jesuieten, als voor byzondere Heeren en andere
Liefhebbers. Ook benaarstigde hy zich in de Bouwkonst,
en hy tekende de grondvesten en de voorgevels
der voornaamste Paleyzen, dewelke hy naderhant dee
graveeren, en uytgaf in twee byzondere drukken.
| | Onderwyl dat hy zich aldaar ophield, kreeg hy schryvens
dat zyn lieve Moeder doodelyk krank was, waar op
hy als een gehoorzaam kind de reys aannam na de Nederlanden;
doch hy had het geluk niet van haar leevende
te zien, zynde zy reeds voor zyn overkomst gestorven.
Zyn droefheit was zo hevig over dat onherstelbaar verlies,
dat hy zich vertrok in de Abdy van St. Michiel,
buyten het gezelschap en den ommegang aller weereldsche
menschen; een bewys dat een bystergroote droefheyt
alzo veel vermogen heeft om een Monnik of om
een Soldaat te maaken, als de Wanhoop.
| | Hy verzette zyn droefheyt zo veel als \'t hem doenlyk
was met schilderen, in dat Hotel; een Kasteleny in de
welke den gewyde Kastelyn dien schilder heerlyk trakteerde,
en niet rekende; een gewoonte die zedert die eeuw is
vervallen, dewyl den Abt door de gaave der voorzegging
voorspeld, dat die Abdy in het toekomende al te
beneeringt zou worden, indien de hongerige Antwerpsche,
|
|
-ocr page 288-
| |
| sche Schilders daar toe den vrye toegang kwamen te krygen.
Die gelegendheyt naamen zyn bloedvrienden waar,
en zy wierpen zich op tot zyn goed vrienden, door zich
in zyn Erfenis geweldadiglyk in te dringen by vervroeging,
zo dat Rubens genootzaakt wiert zijn droefheyt te
verkorten, en die gierige Heydenen uyt het Heyligdom
zijner vaste goederen te bezweeren door de Litanien van
Ste. Themidis, de godes der zo genaamde Gerechtigheyt.
| | Na dat hy dien storm was te boven gekomen verviel hy
op nieuws in de verzoeking van de reyslust, en hy stont
op het punt om weer over te vliegen na Matua, toen den
Aartshartog Albert een stok in het wiel van die Pelgrimasie
stak, door zijn authoriteyt, en hem dee zeggen, dat
hy nooit zou dulden, dat Mantua het Kostelykste Juweel
zou bezitten van de Spaansche Nederlanden; een heerlijk
Kompliment, dat maar op een kleyn tal Schilders kan
worden toegepast, en ook maar weynige verdienen: maar
den edelmoedige Rubens zou waarschynlijk, die Aartshertoglijke
authoriteyt niet hebben gehoorzaamt, had de
liefde er haar authoriteyt niet tusschen geinterponeert,
die hem arresteerde door de schooie oogen van Mejuffrouw
Elisabeth Brants, de Dochter van den Griffier der
Stad Antwerpen, met dewelke hy zich vereenigde door
den band des huuwelijks, op het jaar duijzent seshondert
en negen. Die bekoorlijke * Remora stuyte en weerhielt
de Passagiesloep des Schilders in zijn vaart, en niet
den last des Aartshartogs, tot een klaar bewys, dat de
Orders van de Mingodes vry krachtiger zijn als het verbot
* Remora is een kleyne Visch, die zich met zyn rug vasthegt tegens de
kiel van een schip, dat dan wort gestuyt in zyn vaart, en stok stil blyft
leggen.
|
|
-ocr page 289-
| |
| bot der Souvereynen, of als alle de krachtelooze argumenten
der Godgeleerden, Wijsgeeren, en Staatkundigen.
Na het volbrengen van dat groot werk stichte hy een Huys,
of liever een Paleys, tot wiens cieraat hy alderhande zeldzaamheden
liet ontbieden, en voornaamlijk alle die cieraaden,
die zo wel voegen by Romeynsche gebouwen.
Hy liet een groot getal antijksche beelden uyt Italien
komen, dewelke door hun schoonheyt en kostbaarheyt
geen geringe luyster gaaven aan dat gebouw, waar in hy
een Koepel had geordonneert, die het licht ontfing van
boven, gelijk als in de Kerk van la Rotonde te Romen.
Die Kapel was vervult en behangen met zijne opgegaarde
Italiaansche, Fransche en Nederlandsche Konsttafereelen,
onder dewelke \'er ook verscheyde by hem geschildert
ophingen, zijnde dat Konstkabinet zo berucht door
de Kristen-weerelt, als wel eer het Paleys van Persepolis
befaamt was in de Persiaansche rijken, waar door den
Hertog van Bukingham, een groot Liefhebber, er den
Konstkenner Michiel le Blond na toe schikte, die \'er sestig
duyzent Guldens op eene reys besteede aan Schilderyen.
Ook bezat die groote Konstenaar een Koninglijk
Kabinet van antijksche Medailles, Romeynsche Agaaten,
en Onyx en Sardonyxsteenen, met aloude holle en ronduytgeboogene
figuuren; kortom, een Kabinet dat het
Konstkabinet eens Souvereyns evenaarde en overtrefte.
| | En nu was hy en zyn beminde Huysvrouw beschut
voor de belediging der vier Saisoenen, des viel
hy aan het penseelen met een leeuwenmoed, als die
verzekert was van de goedkeuring der Konstkenners,
en van een onbepaalde belooning; twee groote beweegredenen
om den yver te doen wakkeren. Hy was
van een krachtige ziels en licghaams gesteltenis, zo
dat hy dag voor dag kon tekenen en schilderen zonder
|
|
-ocr page 290-
| |
| der zich merkelyk af te slooven; en daar by verwaarloosde
hy de studie der goede letteren niet, in de tusschenpoosingen
by hem gedoopt zijn rustuuren. Ook schilderde
hy nooit, of hy dee zich eenige historische, godgeleerde,
filosofische en dichtkundige boeken voorleezen,
waar door hy zijn begrip voede met schoone wetenschappen,
en een algemeene kennis aller zaaken verkreeg, die
een groot Schilder, en inzonderheyt een groot Historieschilder,
behoort te hebben. En wie had beter gelegendheyt
als hy om alle konsten en wetenshappen te doorgronden,
dewijl hy zeven Taalen bezat, waar door hy als een
wonder wiert aangezien by het gemeen, en ook de gelegendheyt
trof om zijn Vaderlant dienst te doen in onderscheyde
gewichtige zaaken.
| | Op die tijd schilderde hy een groot stuk voor de Dominikaanen
tot Antwerpen, waar op hy de vier Leeraaren
van de heylige Kerk had afgebeelt, aan welk tafereel
hy zo een bij zonder ltaliaans air gaf, dat de alderervarendste
Konstkenners het keurden voor een Latijnsche
Schildery. Dat gedaan zijnde maalde hy een overheerlijk
Altaarstuk voor de Burgtkerk binnen Antwerpen, een
Tafereel verbeeldende de Oprechting van het kruys onzes
Zaligmaakers, een Altaarstuk zo werkelijk geordonneert,
en zo krachtiglijk uytgevoert, dat het schijnt als of die
geschilderde arbeyders bezielt zijn en leeven en beweegen;
maar inzonderheyt is \'er een Kaerel op te zien met
een kaalekop, die zo een gewelt schijnt te doen met
zijn breede schouders, dat \'er de aanschouwers over
schrikken en beeven.
| | Het Kolveniers Gild besteede hem een Altaarstuk aan
in de Kerk van O. L. V. binnen Antwerpen, in welk
stuk men zeggen moet, dat Rubens den grooten Rubens
heeft overtroffen. Hy vroeg aan de Dekens van dat
Gild,
|
|
-ocr page 291-
| |
| Gild, Wat voor een soort van Ordonnantie of geestelijke
Historie de Heeren Dekens begeerden geschildert te hebben?
waar op den Oudste zo dra niet repliceerde, dat zy de
Afdoening des kruys, dat het Lam des weerelds droeg, begeerden,
of dien verheven Konstenaar gevoelde zich als
verrukt door een heyligen yver, en sprak; Wel, mon
Dêken, dan zal ik alles byeen brengen op dat stuk en op de
Deuren, dat behoort tot het draagen des Zaligmaakers.
Ook was hy zo goed als z ijn woord, want hy schilderde
op dat Altaarstuk eene Afdoening des kruys, een van
zijne alderkonstigste en uytvoerigste Tafereelen. Inzonderheyt
ziet men daar op de tedere en zielroerende hartstochten
der beyde Marien doorstraalen, op wier verbleekte
wangen men de oprechte traanen van eene ongeveynsde
droefheyt ziet afbiggelen, en in wier treurige oogen men
de doodelijke smart haarer zielen kan zien uytblinken.
Op de eene binnendeur staat Elisabeth, de Dochter des Priesters
Zacharias, welke Elisabeth wort bezocht by Maria
de Moeder des Heeren Jesu Kristi, op die tijd bevrucht
by den Heyligen Geest. Op de andere binnendeur vertoont
z ich den rechtvaardigen Simeon, in de gestalte van
een schoonen Gryzaart, draagende het kind Jesus op zijn
armen, en bloozende door de weerschijn van deszelfs
Godheyt. Op de eene buytendeur staat den Heylig Kristoffel
gekonterfyt, die den Heere des Hemels en der Aarde op
zijn schouders torst, onder de gedaante van een jong
kind, onder welken last hy niet alleenlijk zweet en zwoegt,
rnaar zelfs schijnt te bezwyken. Op de tweede buytendeur
ziet men een Kluyzenaar staan, die een lantaarn
draagt, en dien Heylig schijnt voor te lichten: Vorders
ziet men er zeeschulpen, strandgewassen, Hagedissen,
en meer andere cieraaden by gemaalt, om het werk te
vervrolijken.
Na
|
|
-ocr page 292-
| |
| Na het voleyndigen van dat Meesterstuk begaf hy zich
tot het beschilderen van dien alom vermaarden marmeren
Tempel der Eerwaarde Paters Jesuieten tot Antwerpen,
een Gebouw dat eenige jaaren gelêden het eygen
lot onderging van den elpenbeenen Tempel van Ephesen;
waarschijnlijk om dat Lojolas Levieten min het heylig
vuur bewaakten, als hunne byzondere belangens. Hy
schilderde voor het groot Altaar twee stukken, op het
eene stont Ignatius de Lojola die eenen Bezêtenen bezwoer
of belas; en men zag op het tweede Tafereel den
Missionaris St. Xaverius, die het waare Geloof verkondigde
aan de Indiaanen; twee uytmuntende Schilderyen
vol heerlijk getêkende, welgeschikte en schoon gekoloreerde
Beelden. Alle de Plafonds in die voornoemde Kerk
waaren ook geschildert by Rubens en by zijn voornaamste
Leerlingen, zijnde de Verkortingen daar in zo wel
waargenomen, dat er de beste Historieschilders en palet
en penseelen voor moesten nederleggen.
| | Noch penseelde hy voor de Paters Minnebroeders van
Antwerpen dien verwonderlijken Kristum, gekruyst tusschen
twee Moordenaaren, welk stuk het groot Altaar
verciert, beneffens eenen stervende St. Franciscus van Assisen
voor die zelve Relgieuzen. Voor de eerwaarde Paters
Augustynen schilderde hy de Hoogtijd van alle de Heyligen;
en hy maalde het Huuwelijk van St. Josef met de
heylige Maagd Maria, voor de ongeschoeide Karmelieten.
| | Doch de Antwerpenaars waaren de eenigste niet die
hy door zijn Konstpenseel ophemelde en begonstigde;
de voornaamste Nederlandsche steden wierden mee deelachtig
aan die gekoloreerde Schatten; ja daar was genoegzaam
geen eene stad in de Spaansche noch in de
vrygevochte Nederlanden, die zich niet vleyde een a meer
Konst-
|
|
-ocr page 293-
| |
| Konststukken van dien Brabandschen Fenix te bezitten.
Ondertusschen is het ook waar, dat er duyzende Schilderyen
gekocht en verkocht worden op den naam van Petrus
Paulus Rubens, waar aan hy zo veel deel heeft of
heeft gehad, als meenig eerlijk Man deel heeft aan die
Jongens of Meysjes, met dewelke zijn gebuuren en gerneenzaame
vrienden hem zo gulhartiglijk besteeken. Hy
had veele verdienstige Leerlingen die zijne konststukken
kopieerden, en ook zijn manier meesterlijk wisten na te
volgen, welke Kopeyen hy hier en daar retoucheerde,
op welk Paspoort zy dan ongemerkt voor echte konstkinders
passeerden en repasseerden. Ook zijn er duyzende
Schilderyen na zijne printen geschildert, en daar worden
er noch dagelijks geschildert, by de Antwerpsche
Vrydags-markt Schilders, een Geslacht dat het konstje
fix heeft om de Schilderyen te vermeenigvuldigen, gelijk
als een gebroed van jonge Biggen, welke onechte
Bastaart-tafereelen dan aan de Heeren Polen en Germaanen
worden aangesmeert, als zo veele oorspronkelyke
stukken van Petrus Paulus Rubens. Thans zouden wy
er alhier konnen by voegen, dat die schelmstukken noch
dagelijks worden gepleegt by een oneyndige meenigte
Konstkoopers, of liever zo veele Herdoopers, die slechts
het kind een naam geeven, en een luy, lekker en eerloos
leeven voeren op de verdichte naamen dier braave Meesters.
Doch wy zullen alhier dien puynhoop der met voorbedachten
raade gepleegde schelmeryen en bedriegeryen
niet omvroeten, maar die liever omstandiglijk aanhaalen
in on ze apokryfe naamrol der Konstvervalschers, en thans
voortgaan in het schilderachtig relaes van Rubens Konsttafereelen.
| | Onder veele andere Konststukken schilderde hy de Bataille
der Amasonen, voor den Konstbeminnaar Sinjoor
van
|
|
-ocr page 294-
| |
| van der Geest, een schildery waar in niet alleenlijk de
wyze van stryden, de wapens, benevens de hartstochten
der Alouden, konstiglijk waaren geobserveert; maar
waar op hy zulke schoone poeselige naakte Vrouwenbeelden,
onder malkanderen in het water flodderende en
swemmende, tusschen in voegde, dat de verrukte Kykers
alle hunne gedachten bêzig hielden met die volmaakte
licghaamen, en met de lelieblanke tetten dier dobberende
Amasonen. Die Bataille gaat uyt in print, en behoorde,
ons oordeels, zo wel geinterdiceert te worden aan
de aankomende Joden jongelingen, als de leezing van
Salomons Lied der Liederen.
| | Na dat die groote Man geheel Brabant en Vlaanderen
had verrijkt door den Oogst van zijn konstpenseel, kwamen
de uytheemsche Natien ook afzakken, om deelgenooten
te worden van dien gekoleurden Oogst. Die van
Genua, van Bologne en van Milanen, oordeelden dat
zy ook behoorden te deelen in die schatten, die hy zo
milddaadiglijk tegens gereede penningen en tegens goede
woorden verruylde aan vrienden en aan vreemden.
Ook kreeg ieder stad hoofd voor hoofd een paar groote
Tafereelen, dewelke zy de plaats van eer gaaven onder
hunne rykste zeldzaamheden.
| | Maar nooit verrees zijn gloriezon hooger dan op het
eynde van het jaar duyzent ses hondert en twintig, toen
de Koninginne Maria de Medices op haar wederkomst
tot Parijs, na een vergelijk te hebben getroffen met den
Koning Lodewijk den dertiende, haar heerlijk nieuw Paleys
van Luxemburg beval te beschilderen. Petrus Paulus
Rubens wiert tot dat groot werk uytgekipt, en de
voorgemelde Koningin ontbood hem om uyt Brabant over
te komen na Parijs, alwaar hy belant, en over de voorwerpen
over een gekomen zynde, begon hy met de Schetsen
|
|
-ocr page 295-
| |
| sen te maaken, dewelke Monsieur Felibien zegt te hebben
gezien by den Abt van St. Ambrosius; en vervolgens viel
hy aan het maalen der groote stukken.
| | Die stukken verbeelden het leeven van Maria de Medices,
van haare geboorte, tot aan haar vergelijk gemaakt
tot Angoulesme, tu sschen haar en haar zoon Lodewijk
den dertiende, Koning van Vrankrijk, op het jaar duyzent
ses hondert en twintig. Die stukken of schilderyen
zijn hoog tien en breet negen voeten, en zijn geplaatst
aan weerskanten van een Gallery, aan ieder kant tien en
een aan het eynde.
| | Op het eerste stuk ziet men de drie Lotgodinnen, die
het leeven van die Koningin spinnen in het byzyn van
Jupijn en van Juno, die de lucht beslaan. Twee van
die Leevensspinsters zitten in de wolken; en de derde die
gezeten is op de aarde trekt den leevensdraat van die
Princes, die de twee andere spinnen.
| | Het tweede stuk verbeelt de geboorte der Koninginne.
Men ziet er de Godes Lucina die een toorts voert, dewelke
na die verlossing te hebben bevoordeelt, het kind
in handen geeft van een gezêten Vrouw, die haar met
eene groote verwondering beschouwt. Die Vrouw verbeelt
de stad van Florence. Noch z ijner op dat stuk verscheyde
figuurlijke beelden, door dewelke dien Konstenaar
zijn voorwerp heeft willen verrijken.
| | Vervolgens, de opvoeding van die Princes willende
verbeelden, konterfyte hy die zeer jong by Minerva die
haar leerd leezen. Op den eene kant ziet men een jong
Man, die op eenen Bas strykt, om daar door te kennen
te geeven hoe dat men al by tijds de jeugd behoort te
onderwijzen om de hartstochten te vereenigen, en zelfs
in de kindsche jaaren een begin moet maaken om alle de
leevensbedryven te bepaalen, en niets te doet als met
maat
|
|
-ocr page 296-
| |
| maat en orde. Aan den andere kant zijn de drie Bevalligheden,
waar van de eene een lauwerkrans heeft gevat.
Boven aan ziet men Merkuur den God der Welspreekendheyt,
die uyt den Hemel neerwaards daalt.
Den voorgrond van dat stuk is voorzien met veele instrumenten
eygen aan de vrye konsten; en in \'t verschiet
is een holle rots uyt wiens opening water stroomt, en
waar langs het licht straalt dat de Bevalligheden verlicht,
en een schoonen dag geeft op haare Karnatien. Het is
waar dat die drie beelden niet hedensdaags zijn gelijk
als wel eer van te vooren; want \'t zedert eenige jaaren
zijn die bedekt geworden met luchtige klêdyen; en de
kristelijke zeedigheyt heeft goedgevonden om aan de wellustige
vermaaken die deelen te ontrekken, dewelke de
Konst al te naakt en te volmaakt had verbeelt op de licghaamen
dier drie Bevalligheden, dewelke waarlijk de
schoonste Vrouwen beelden waaren die dien grooten Man
ooit had gemaalt. Men mag zelfs dat stuk voor een van
de beste schilderyen, of liever voor het voornaamste stuk
van die Gallery, en waar op den Schilder z ijn konst heeft
uytgeput, begroeten.
| | Op het volgent Tafereel ziet men de Liefde beneffens
den God Hymen, verbeelt door een jong Man bekranst
met bloemen, die een fakkel voert. Beyden vertoonen
zy zich in de lucht, en draagen het konterfytsel van de
Koningin, dat zy vertoonen aan Hendrik de Vierde,
die gedost is in zeer rijke en blinkende wapens. Hy beschouwt
dat konterfytsel met vermaak, waar van de Liefde
hem alle de schoonhêden en bekoorlijkhêden aanwyst
en doet zien. Een Vrouw, verbeeldende Vrankrijk,
staat overend naast den Koning. Zy heeft een helm op
\'t hoofd, en haar kleed is een blauwachtige tabbaert, bezaait
met goude lelien. Zy beschouwt insgelyks met aandacht
|
|
-ocr page 297-
| |
| dacht dat konterfytsel, en schynt den Koning te verzoeken
om het wel aan te merken. Jupijn en Juno zijn gezêten
op een wolk in de lucht; en aan \'s Konings voeten
ziet men twee Minnegoodjes, waar van het eene een
helm, en het ander een schild heeft gevat.
| | Het vyfde stuk verbeelt het huuwelijk van haare Majesteyten,
geviert te Florence in de Wynmaand, op het
jaar duyzent ses hondert. Dewyl die plegtigheyt geschiede
in de kerk, ziet men den Kardinaal Aldobrandini,
den Legaat en Neef des Paus Klemens den achtste, aan
het Altaar. Hy is gekleet in zijn Bisschoplijke kleeders.
De Koninginne staat voor hem bedekt met een witte tabbaert,
verrijkt met goude bloemen, het hoofd besluyert,
benevens haar Oom den Groot Hartog, die haar trouwt
in \'s Konings naam, en haar een ring aan de vinger steekt.
Den God Hymen bekranst met bloemen, en een toorts in
de hand voerende, draagt den sleep van de Koninginne.
Onder de fransche Heeren zijn kennelijk Monsieur de Bellegarde
en Monsieur de Sillery.
| | Op het sesde Tafereel ziet men de Koningin die te
Marseille arriveert. Vrankrijk, onder het afbeeldsel van
eene schoone Vrouw, bekleet met een blauwe mantel bezaait
met lelien, ontfangt haar met vreugde. Den Bisschop
van die stad komt haar te gemoet, met het koninglijk
scherm dat haar wort aangeboden. De Faam
verschynt in de lucht, en steekt haar trompet, om de
aankomst van haare Majesteyt te boodschappen; en op
den oever van de zee ziet men Neptuyn vergezelschapt
met de Sirenen en met de Tritons die haar hebben gevolgt.
| | Op het zevende stuk heeft den Schilder het huwelijk
verbeelt op een dichtkundige wyze. Den Koning en de Koningin
zijn geschildert in de lucht, gezêten op de wolken,
|
|
-ocr page 298-
| |
| ken, onder de gedaantens van Jupijn en van Juno. Achter
hun ziet men den God Hymen, en andere Minnegoodjes,
die ontstooke toortsen draagen. Onder aan is eene
Vrouw in het purper gekleet, en vergezelschapt met twee
Minnegoden die opwaards kyken, en zich over den
Bruydegom en over de Bruyd verwonderen. Door dat
beeld, dat gezeten is op een staciekar, heeft den grooten
Rubens de stad van Lyons willen verbeelden.
| | De geboorte des Konings Lodewijk den dertiende,
voorgevallen te Fontainebleau, op den zeven en twintigste
van de Herstmaand, des jaars duyzent ses hondert en een,
is het voorwerp van de achtste schildery. Dat stuk is een
van de aanmerkelijkste Tafereelen in de Gallery, ten opzichte
van de uytdrukking der vreugde en droefheyt op
het aangezicht der Koninginne, die den nieuwgebooren
Dauphyn beschouwt. Eene Vrouw die de Gerechtigheyt
verbeelt heeft hem tusschen haare armen gevat, en schijnt
hem als een toevertrouwt pand over te reyken aan zynen
goeden Geest, afgebeelt onder de gedaante van een jong
Man, wiens arm omvlochten is met een slang. Achter
het kraambed der Koningin, is een ander beelt van een
jong Man te zien, dat vleugels op de schouders voert,
en schijnt te lacghen. Dat beeld onderschraagt een groote
drapery die vastgemaakt is aan den wortel van een boom;
en tusschen die drapery en den goeden Geest, ziet men
een Vrouw afgemaalt als de Lukgodin, die een roer vasthoudt.
Apol verschijnt in de lucht, gezeten op zijn zonnekar
voortgetrokken door vier paerden.
| | Den Koning Hendrik den vierde had groote zaaken
ontworpen voor zijn dood; doch eer dat hy iets wilde
onderneemen, was hy gezint de voogdyschap van het
Koningrijk te vertrouwen aan de Koningin, en haar tot
haare twee voonaamste Raedsheeren, de twee voornaamste
|
|
-ocr page 299-
| |
| ste Officiers van de Kroon, by te zetten, den Konstabel
en den Kancelier. Op dat negende stuk was den Koning
afgebeelt, die zijn voorneemen te kennen geeft aan de Koningin,
en haar zijne Rijken overzet om die te bestieren.
Den Schilder had den grooten Hendrik gekonterfyt, die
aan de Koningin Maria een hemelsblaauwe Gloob overreykt,
bezaait met goude lelien. Den jongen Dauphijn is
tusschen hun beyden, en het geheele Hof in hun gevolg.
| | Om nu de regeering van de Koninginne te meer te bekrachtigen,
dee hy haar kroonen te St. Denys, op den
dertiende van de Bloeimaand, des jaars duyzent ses hondert
en tien. De plegtigheyt was groot en heerlijk. De
Koningin Maria de Medices verscheen er gekleed met
een groote mantel van blaauw fluweel, overal bedekt met
goude lelien. De tabbaerden van Madame, oudste Dochter
van Vrankrijk, en van de Koningin Marguerite, hadden
vier reyen lelien op de boorden. De andere Princessen
van den bloede verzochten drie reyen lelien, maar zy
konden die niet verkrygen. De Koninginne wiert na het
Altaar geleyt door de Kardinalen van Gondi en van de
Sourdis, om gewijd en om gekroont te worden. Messieurs
de Souvrê en de Bethune droegen de slippen van haaren
mantel, voor Monsieur le Dauphin en voor Monsieur
den Hartog van Anjou, die de plaats besloeg van Monsieur
den Hartog van Orleans, op die tijd krank. Den
Prins van Conti droeg de Kroon, den Hartog van Ventadour
den Scepter, en den Ridder van Vendôme, de
hand der Gerechtigheyt.
| | De Princes van Conti en de Hartogin van Montpensier
droegen den sleep van de mantel der Koninginne.
Den Kardinaal van Joyeuse deed den dienst; en na dat
hy de Koningin had gezalft en gewyd zette hy haar de
kroon
|
|
-ocr page 300-
| |
| kroon op het hoofdt. Dat ogenblik heeft Pieter Paulus
Rubens verbeelt op het tiende stuk, waar op men de Koningin
knielende ziet gekonterfyt, die de kroon ontfangt.
Den Dauphyn in het wit gekleet en de Princes zijne Suster
zijn aan weerskanten geschildert. De Koninginne Marguerite
is achter hun beneffens het gantsche Hof. Den
Koning verschijnt aan het venster van een Rechterstoel,
en veele Prinsen en groote Heeren verzellen die plegtigheyt.
| | Die tien stukken vervullen de zy van de Gallery die
haar uytzicht heeft op den tuyn. Op het eynde van die
zelve Gallery en in de uytgestrektheyt van haar breete, is
een schildery geplaatst, die twee bedryven vervat, dewelke
zich echter zo wel vereenigen dat zy maar een
voorwerp uytmaaken. Dat is des Konings dood, voorgevallen
op vrydag, den veertiende van de Bloeimaand,
en de Ryksbestiering van de Koninginne. Een ieder weet,
dat door een Arrest van het Parlement Maria de Medices
tot Ryksvoogdesse wiert verklaart, op den zelve dag dat
den Koning zo ongelukkiglijk wiert vermoort; en dat zy
daagsch daaraan den vyftiende van die voornoemde Maand
haar zitting ging neemen au Palais, gevolgt van alle de
grooten des Ryks, alwaar haar zoon, Lodewijk den dertiende,
alles dat by het Arrest van den voorgaande dag beslooren
was, bekrachtigde.
| | Het eerste bedrijf is op den eene kant van die schildery
aldus uytgebeelt. Men ziet er den Tijd die den Koning
hemelwaards opvoert, alwaar hy wort verwelkomt
by Jupijn, die verzelt is met Herkules en met eenige andere
Godheden. De Overwinning is gezêten op de armen van
dien Monarch, hebbende aan zijn voeten een doorschooten
serpent. De Koningin heeft haare handen \'t zamengevouwen
en beschouwt den Koning. Op den andere
kant
|
|
-ocr page 301-
| |
| kant vertoont zich het tweede bedrijf, alwaar men de
Koningin ziet in het rouwgewaad gekleet en gezêten
op den Troon. Zy is verzelt door de Voorzichtigheyt,
afgebeelt by de Godes Minerva; en in de lucht is een
Vrouw die een scheepsroer heeft gevat, dewelke het
Ryksvoogdyschap betêkent. Vrankrijk onder de gedaante
van een bedroefde Vrouw, en den gantschen Adel geknielt
op eene knie, betuygen haare onderdaanige eerbiedigheyt
aan de Koningin, en geeven haar bewijzen
van haare onderdaanigheyt. Op het midden van het tafereel
staan twee Vrouwen, waar van de eene \'s Konings
lans voert, waar aan zijn helm is vastgemaakt; en de
tweede onder de gedaante van Bellona zich wanhoopende
aanstelt, en de haairen uytrukt.
| | Op het twaalfde stuk dat daar op volgt, heeft den
Schilder het gedrag van de Koningin, en de zorg die zy
voor het Rijk draagt in haar Voogdyschap, willen uytdrukken:
Hoe dat zy alle de beweegingen der oproerig
heyt, en de wanordens van den Staat, uytgedrukt door
onderscheyde wanschepselen, heeft weeten te boven te
komen. Men ziet er de verdichte Godheden, onderscheydentlijk
bêzig om de Koninginne te helpen en by te springgen.
Apollo en Pallas zijn op der aarde, die tegens die
Monsters stryden. Den eerste ranst die aan met zijn pijlen,
en de andere doorstoot die met haar piek, zy vertreeden
met voeten de Tweedragt, de Raazerny, het Bedrog,
en de andere Ondeugden die zich verschuylen in
de duysternislen, en die alleenlijk verlicht zijn door die
fakkels die zy in hunne handen houden, en door een
glans die Apol omringt, en hun doet schemeroogen.
| | De andere Godhêden die dat paar helpen, verschijnen
in de lucht en op de wolken. Aan de eene zy is Saturnus
en erkuur; en aan de andere kant ziet men Mars en
Venus.
|
|
-ocr page 302-
| |
| Venus. Jupijn en Juno zijn dicht by den anderen. Juno
wijst met haar vinger op de Liefde die den Weereldkloot
mend, voortgetrokken door de duyven van de Godinne
Venus, en dewijl dat bedrijf in het duysterste van den nacht
is verbeelt, ziet men er Diana op haare kar, die de lucht
verlicht, en een zwakke glans verspreyt.
| | Het dertiende Tafereel verbeelt de Koningin op een
wakker wit paerd, zy heeft een helm op het hoofd,
haar kleed is wit, bedekt met een goudlakensche mantel.
Zy heeft beyde een adelijk en een fier weezen, een
staatelijk en verzekert gelaat, en schij nt als overwinnende
en triomfeerende, na het stillen van alle de wanordens
des Koningrijks. In de lucht die stil en zeer zuyver is
ziet men de Overwinning verzelt met de Kracht, en met
de Faam, dewelke de Koninginne opvolgen.
| | Op het veertiende stuk staat de Beurs geschildert, opgerecht
op den negende van de Slachtmaand, des jaars
duyzent ses hondert en vyftien, by de twee Koninginnen
van Vrankrijk en van Spanje, Anna van Oostenrijk,
Huysvrouw van Koning Lodewijk den dertiende, en Isabella
van Vrankrijk, Vrouw van Filip den vierde, Koning
van Spanje.
| | Die twee Princessen verschijnen op een rijkelijk vercierde
brug, opgerecht op de rivier van Bidasso of van
Andaye. Twee Vrouwen gekleet in onderscheyde koleuren,
dewelke Vrankrijk en Spanje verbeelden, geeven
en ontfangen van wederzyde die twee nieuwe Koninginnen.
Zy worden gevolgt door den Adel dier beyde
Rijken. De lucht van dat Tafereel is vol jonge Liefdegoden,
die toortsen draagen, en die schynen te danssen.
In derzelver midden is de Gelukzaligheyt, onder de gedaante
van eene Vrouw die de Rijkdommen uytstort over
die twee Koninginnen. Den Rieviergod is geschildert op
den
|
|
-ocr page 303-
| |
| den voorgrond, verzelt met een Triton die op een zeehoorn
blaast, en met een Nymf die aan de twee Koninginnen
koraaltakken aanbied en paerlen.
| | Het is bekent dat den Koning, na zijn meerderjaarigheyt
en na zijn huuwelijk, niet naliet de bestiering des
Rijks en het bewind der zaaken toe te vertrouwen aan de
Koningin zijne Moeder, en dat het na de dood van den
Maarschalk van Ancre was; ,, Dat hy de Koninginne
,, Moeder verzocht, van te willen goedvinden, dat hy
,, voortaan zelfs het roer van den Staat mogt in de hand
,, neemen, om te beproeven of het doenlijk kon zijn om
,, het Koningrijk uyt die uyterstens op te beuren, in de wel,,
ke het plotseling was neergestort, door de kwaade
,, Raadsluyden van dewelke zy zich had bedient, en zo
,, voorts. Als blykt uyt den brief die hy schreef aan de
van het Hof verwyderde Prinsen, en aan de Gouverneurs
der Provintien, op den vier en twintigste der Lentemaand,
in het jaar duyzent ses hondert en zeventien,
waar in hy de dood des Maarschalks bekent maakte.
| | Het schijnt dat de twee volgende schilderyen zijn gemaakt
op dat onderwerp. Want op het vyftiende stuk
ziet men de Konninginne Moeder gezêten op den Troon,
bekleet met den Koninglijken mantel, en de balance houdende.
Minerva staat naast haar zy, verzelt met de Liefde
die op de knien der Koninginne leunt. Dicht by zijn
er twee Vrouwen, van dewelke de eene de Zegels, en de
andere een Overvloeds hoorn draagt.
| | Aan de eene zy is een jong kind dat lacght, en dat de
Onweetendheyt, de Kwaadspreekendheyt en de Nyt, die
den Schilder verbeelde, houd vastgebonden; de eerste
draagt ezels ooren, de tweede is verbeelt in de gedaante
van een Satyr die de tong uytsteekt, en de laatste verbeelt
een zeer maager wijf achter over geworpen op der aarde.
Onder
|
|
-ocr page 304-
| |
| | Onder die beelden ziet men jonge kinders, waar van
het een de Onweetendheyt by de ooren trekt, en de Nyt
met voeten trapt. Aan den andere kant verschijnt den
Tijd, die Vrankrijk in gelukkiger Eeuwen schijnt te geleyden.
| | Op het sestiende stuk ziet men den Koning op een
vaartuyg, waar van hy het roer heeft gevat, dat de Koninginne
Moeder hem in de hand heeft gegeeven. De
Deugden bestieren de riemen en schijnen uyt al haar macht
te roeijen; en boven in de zeylen zit Pallas in het midden
van twee starren, dewelke Castor en Pollux verbeelden.
| | Ook begeerde de Koningin dat Rubens onder alle haare
voorspoeden, een denkbeelt van haare rampen, en van
haare onderscheyde leevensgevallen, zou schetsen. Dus
ziet men op het zeventiende stuk haare vlucht uyt Blois
na Loches, en van daar na Angoulesme, alwaar zy wiert
geleyt door den Hartog van Espernon. Om de wijze
aan te toonen hoe dat de Koningin uyt het kasteel van Blois
kwam, ziet men een Dame van haar gevolg die uyt een
venster in de gracht nederdaalt, gelijk als de Koningin
had gedaan. De nacht is verbeelt onder de gedaante van
eene Vrouw, die de Koningin bedekt met een groote
zwarte mantel. Pallas is naast die Princes benevens veele
grooten, en een gevolg van Gardes die haar omringen.
Den Schilder heeft er den Hartog van Espernon verbeelt
die haar ontfangt op den zoom van de gracht, schoon
hy er niet by was toen zy zich vertrok uyt het kasteel
van Blois; want hy verwachte haar op die tijd na by
Montrichard, om haar na Loches te geleyden.
| | Op het volgent Tafereel schilderde Rubens het vergelijk
tusschen de Koninginne Moeder en den Koning. Die
Princes is gezêten op den Troon. Aan haar eene zy is
een
|
|
-ocr page 305-
| |
| den Kardinaal van Guise, en aan de andere zy eene Vrouw
met een rood kleed, en omhangen met een blaauwe mantel,
zy voert op haar hoofd een oog, en haaren arm is
omwoelt met een slang. Dat beelt verbeelt waarschijnlijk
de Waakzaamheyt; want het geopent oog zo wel als de
slang, is het zinnebeelt van de waakzaamheyt der Koningen.
In Homerus vermaant Nestor, die wijs genoeg
was om te raaden en om te drinken, Agamemnon, van
altoos te waaken, en zich niet te verslaapen.
| | Den Kardinaal van la Rochefoucault, die op dat zelve
stuk is gekonterfyt, betoont door de beweeging die
hy doet, hoe Merkuur uyt den Hemel nederdaalt, en
een olyftak in de hand heeft tot een teken der onderhande
zijnde Vreede.
| | Vervolgens ziet men Merkuur die de Koninginne in
den Tempel der Vreede geleyd, om zich te vereenigen
met den Koning haaren zoon. Daar na verschijnt de
Vree zelve, die den fakkel des Oorlogs uytblust, op een
hoop of verzameling van allerley soort van wapens, onderwyl
dat Merkuur zijn slangenroede aanbied aan de Koningin.
Aan den eene kant ziet men de wanhoopende
Raazernyen, en het Bedrog met veele andere ondeugden
ter nedergeslagen en gepynigt door de woede en door
de smart.
| | ln het kasteel van Cousiêres, na by Tours, behoorende
aan den Hartog van Montbason, geschiede die byeenkomst
en die vereeniging tusschen den Koning en de
Koninginne zijne Moeder, op een Woensdag den vyfde
van de Herstmaand, in het jaar duyzent ses hondert en
negentien, en dat met alle uyterlijke betuygingen van
tederheyt en van liefde. Die byeenkomst heeft den grooten
Rubens wonderlijk uytgebeelt. Den Koning schijnt uyt
den Hemel neder te daalen na de Koninginne zijne Moeder,
|
|
-ocr page 306-
| |
| der, die gezêten is op de wolken, alwaar veele kleyne
Westewindjes een zachte en verliefde lucht op en over
alles schijnen uyt te ademen. Naby de Koningin zelve is
de Natuur verbeelt met kleyne naakte kindjes; en
in een groot licht ziet men de Hoop doorstraalen in de
gedaante van eene schoone Vrouw gekleet in het groen,
en gezeten op den Weereldkloot van Vrankrijk. Wat
verder is de Dapperheyt verbeelt door een jong Man, gekleet
in een roodachtige koleur, die den Hydra der wederspannigheyt
en veele andere serpenten verslaat, dewelke
zich dood en in malkanderen geklist verroonen.
| | Eyndelijk verschijnt op het laatste Tafereel den Tijd
die de waarheyt ontdekt, den Koning en de Koninginne
Moeder zyn gezeten in de lucht, en de Vorst bied zijne
Moeder een lauwerkrans aan, die omringt is met twee
\'t zamengevouwen handen, en een hart er boven. Waarschijnlijk
heeft den Schilder daar door willen te kennen
geeven de volmaakte en oprechte vereeniging van haare
Majesteyten.
| | Aan het eynde van de Gallery, boven de schoonsteen,
is de Koningin verbeelt, recht op staande onder de gedaante
van Pallas; en boven de poorten aan weerskanten zijn
de konterfytsels geplaatst van den Prins en van de Princes,
haare Vader en Moeder. Het was ontrent het jaar
duyzent ses hondert drie en twintig dat Pieter Paulus
Rubens die stukken voltooide en in de Gallery liet stellen.
| | Ondertusschen zullen wy alhier het harnas niet aanschieten
om de Ordonnantien, maar wel om de Konst
van Rubens te verdêdigen; want de Denkbeelden der
Schilders zijn zo doortrokken met de Fabelen en met de
Heydensche Historien, die zy hebben geleezen in de statuen
en in de halfronde beelden der Alouden, dat zy byna
niets konnen doen zonder er iets van die onechte karakters
|
|
-ocr page 307-
| |
| ters tusschen in te laaten vloeien. Ey lieve, let eens Leezer,
hoe komen de Liefde, Hymen, Merkuur, Jupijn,
Juno, de Bevalligheden, de Tritons, de Nereides, en
al zulke Godheden, te pas in de Historie van Maria de
Medices, en van Hendrik den vierde? En wat overeenkomst
hebben de Godheden der fabelen, met de plegtigheden
en met de gewoontens der Kristenen, om die
onder malkanderen te vermengen, en uyt die tegenstrydigheden
eenen pictoresque Mithridaat op te stellen? Het
eenigste dat ik kan vinden om dien grooten Man te verdêdigen,
is, de Mode dier Eeuwen, of wel dat hy daar in
het voorschrift van den eenen of van den anderen Gonsteling
heeft moeten navolgen; zijnde wy me nu en dan
geen kleyntje behext geweest met die Hoftieranny, gelijk
als wy in onze leevensbeschryving zullen aantoonen.
| | Dewijl de Nijd nu geen vat kon krygen op zijn beelden,
wende die het blaadjen om en viel op een minder
soort van konst, naamelijk op de Landschappen. Eenige
onweetende Bedillers, Bloedbeulingen van de laagste gemeente,
verweeten dien Penseel-fenix, dat hy geen Landschappen
kon schilderen, en dat hy zich daarom bediende
van het penseel van Jan Wildens, een braaf en vaardig
Landschapschilder, wiens konst, volgens hun breekebeens
sprookjes, geen geringe luyster byzette aan Rubens
Tafereelen. Om nu die Antwerpsche kakelaars
den mond te stoppen, schilderde hy zijn schoone Buytenplaats
na by Mecghelen, beneffens noch eenige Landschappen,
en inzonderheyt een paar Onweeren, welke
alle op \'t koper zijn gebrocht en uytgaan in print; zo
dat die voorbaarige Hannekens voor Normandyers moesten
speelen en hunne woorden herroepen, ja bekennen;
Dat hy alle de deelen van de Schilderkonst bezat in de
alderhoogste volmaaktheyt.
Ook
|
|
-ocr page 308-
| |
| | Ook schilderde hy noch daar en boven zo veele konterfytsels
van Koningen, Vorsten, en Grooten, dat het
ons onbegrypelijk voorkomt, waar hy den tijd heeft weeten
uyt te vinden, om alle die wonderen voort te brengen.
Ja, de ervaarendste Konstkenners beweeren eenpaariglijk,
dat die portretten zijne historiestukken overtreffen,
zo door de gelijkenis die de Natuur evenaart, als
door de tederheyt der welgetemperde en welbehandelde
karnatien, en door de geschiktheyt der kleedyen ein andere
konstcieraaden. Doch boven al is die stelling te bewijzen
in de konterfytsels der Vrouwen, in welke konterfytsels
beyde de Liefde en de Konst zijne penseelen bestierden,
twee wegwyzers die een Konstenaar veel velds
konnen doen afloopen. Hy was onvermoeit van hand en
van Geest, een paar eygenschappen die zijn luye Naneeven
de Brabandsche Schilders niet achtervolgen; want
zo lang als een Schots Edelman een ses stuyvers stuk in
de tas, en een Antwerps Schilder een permissie schelling in
de beurs heeft, zal noch de een noch den ander de
handen uyt de mouwen steeken om te arbeyden.
| | Doch alhoewel de Schilderkonst hem tot in den derden
Hemel van Achtbaarheyt en van Middelen optilde,
echter was het die konst alleen niet die hem de achting
der Koningen en Souvereynen dee verkrygen. De natuurlijke
geneygdheyt die hy altoos had gevoelt om kennis te
neemen van de wichtigste zaaken die er voorvielen op de
Kristen weerelt, en inzonderheyt die den staat en die de
Bestiering der Vereenigde Provintien raakten, was ten
deelen de beweegreden dat de Infante Isabella hem verkoos,
om in het jaar duyzent ses hondert acht en twintig de reys
aan te neemen na Spanje, om den Koning wegens eenige punten
raakende de bestiering der Nederlanden te onderrechten,
en om dien Vorst in het byzonder te doen zien,
wat
|
|
-ocr page 309-
| |
| wat er op die tijd wiert vereyscht tot dienst van zijn Majesteyt.
Hy gaf zodaanige overtuygende blyken van zijn
yver en van zijn bekwaamhêden in die onderhandelingen
met den Hartog van Olivarez en met den Marquies Spinola,
dat den Koning zich ten uyterste voldaan bekende
te weezen, wegens zijn welmeenende Adviezen. Die
Vorst liet hem het Escuriaal doorkyken, alwaar hy verscheyde
stukken van den grooten Titiaan vond en uytteykende.
Op zijn te rug reys na de Nederlanden belaste
hem den Koning met onderscheyde geheyme kommissien,
en hy beschonk hem met een Diamantring van een zeer
groote waarde, met ses weergaalooze Spaansche paerden,
en met een koninglijk Geschenk van wichtige vier dulbelde
Pistoletten, een drietal Bevalligheden, tegens dewelke een
Afgezant niet veel protesten zal doen aantêkenen. Noch
vereerde den Koning hem met het ampt van Sekretaris
van zijnen Geheymen Raad, waar van hy hem de brieven
liet vervaardigen voor hem en voor zijnen zoon.
| | Op zijn \'t huyskomst wiert hy gebruykt in het traktaat
van dien stilstant van wapenen, voorgeslagen tusschen
den Koning van Spanje en de Staaten der Vereenigde
Provintien, geduurende de belêgering van Breda, waar
door hy eenige reyzen dee na Hollant, niet te min onder
het voorwendsel van andere zaaken betreffende zyne byzondere
belangens. Hy gedroeg zich zo voorzichtiglijk,
en die negotiatie was reeds zo ver gevordert, door zijn
wijs beleyd, dat hy op het punt stont om er een eynde
van te maaken, toen de dood des Prins Maurits van Nassau
een stok stak in het wiel der staatkunde, en de Ministers
nootzaakte op iets anders te denken.
| | De vriendschap die Rubens had opgerecht met den Hartog
van Buckingham, onderwyl dat zy beydente Parijs
waaren, bewoog den Koning van Spanje, en den Hartog
van
|
|
-ocr page 310-
| |
| van Olivarez vond het ook niet vreemt, van dien Schilder
na Engelant af te vaardigen, om onder een ander
voorwendsel dien Koning eens te polssen, hoe hy geneygt
was voor Spanje, en of \'t mogelyk kon zijn een traktaat
van Vreede op te stellen tusschen die twee Kroonen. Men
gaf hem een onderricht en Geloofsbrieven, om zich daar
van te bedienen als hy zou goedvinden. Rubens gedroeg
zich met zo veel bekwaamheyt en voorzichtigheyt, in
die teere zaak, na dat hy den Koning veelmaals gezien, en
met onverschillige zaaken te hebben onderhouden, hy ten
laatsten de gelegendheyt kreeg om met hem te spreeken in \'t
byzonder, als wanneer hy behendiglijk te verstaan gaf,
dat den Koning van Spanje, zijn Meester, wel zou willen
bewilligen tot de Vreede, voor het onderlinge goed
hunner onderdaanen.
| | Den Koning van Engelant hoorde hem gonstiglijk; en
hem gevraagt hebbende of hy gelast was daar over met
hem te spreeken, andwoorde Rubens van Ja, en indien
die voorstelling de eer had van te behaagen aan zijn Majesteyt,
hy zich daar over verder zou uyten. Den Koning
verzêkerde hem dat hy hem gaarn daar over zou
hooren, waar op den staatkundige Schilder hem het oogwit
van den Koning zijn Meester voorley; en de Geloofsbrieven
voor den dag haalde.
| | Die Vorst, tot een bewijs dat hem dat voorstel behaagde,
gaf hem aanstonds een schoone Diamantring en
benoetmde eenige uyt den Raad om met hem over de vreedens
artykelen te beraadslaagen. Die geheyme Negotiatie
was een Meesterstuk der Staatkunde, dewijl die Konstenaar,
binnen een korte tijd, zonder de minste omslag,
en genoegzaam met geene onkosten, de zaaken zo ver
brogt, dat de Vree getroffen en beslooten wiert tusschen
die twee Kroonen, volgens het daar van in Spanje opgerecht
|
|
-ocr page 311-
| |
| recht Plan, in de Maanden van November en van December;
des jaars duyzent ses hondert en dartig.
| | Den Koning van Engelant zond Milord Francis Cottington,
om de Vreede te bezweeren in Spanje tusschen de
handen des Konings, die van zijn kant, om het zelfde
te doen, Don Carlos Colonna na Engelant afvaardigde.
| | Tot een bewijs nu hoe aangenaam zich Peter Paul
Rubens wist te maaken by die beyde Koningen, door die
onderhandeling, zullen wy er byvoegen, dat den Koning
van Engelant hem Ridder sloeg, hem den Degen vereerde
waar mee die plechtigheyt was verricht, en hem beschonk
met een zilver Servies ter waarde van twaalf duyzent
gulden. Aan den andere kant bevestigde den Koning
van Spanje den tytel van Ridder, door opene brieven, en
verzelde die met andere nieuwe gonsten, behalven die geenen
die hy reeds had genooten van hem en van de lnfante.
| | Het gebeurde eenige tijd daar na dat de Koninginne
Maria de Medices, en Monsieur den eenigste Broeder des
Konings Lodewyk den dertiende, Vrankrijk verlieten, en
na Brussel weeken. Dewijl nu Rubens de eer had van
byzonderlijk bekent te zijn by die doorluchte Persoonagien,
bediende zich de Infante gemeenlijk van hem,
om aan die Koninginne en aan \'s Konings broeder, haare
en \'s Konings van Spanjes meening te doen weeten, in
alle voorvallende gelegendheden. En alzo het Hof van
Brussel op die tijd in oorlog was ingewikkelt met de Staaten
der Vereenigde Provintien, dewelke Maastrigt hadden
veroovert, vond den Marquies d\'Aytona geen nader
middel om die op den tuyl te houden, als op
nieuws eenige vreedens punten te doen voorstellen aan
die voornoemde Staaten. Die onderhandeling wiert
heymelijk toevertrouwt aan Rubens, die zich daar in
zo wel gedroeg, dat Hollant toestont om in eene onderhan-
|
|
-ocr page 312-
| |
| handeling te treeden met de Gedeputeerdens der Generaale
Staaten dier Provintien, onder de gehoorzaamheyt
des Konings van Spanje. Door diergelijke diensten,
en door die honorabele ampten, zag Rubens van dag tot
dag zijn achting en zijn rijkdommen aanwassen. Derhalve
behoort men dien grooten Konstenaar te beschouwen,
niet alleenlijk als een groot Schilder, maar als een persoon
van byzondere en zeldzaame verdiensten.
| | En nu zullen wy eenige byzonderhêden die dien grooten
Man betreffen, benevens eenige van zijne geestrijke andwoorden
aanhaalen.
| | Op een Antwerpsche kermis, kwam er onder andere
Marktreyzigers een kaerel met een tamme Leeuw aanstryken,
met welk dier hy speelde, worstelde en andere Kermiskonsten
wist aan te vangen. Rubens wiert begeerig om
dien Woudtieran te zien, die hy zo schoon bevont te
zijn in zijn soort, dat hy den Gardiaan aan zijn huys dee
komen, om dien Leeuw op onderscheyde wijzen te konterfyten.
Onderwijl dat den Schilder dat dier modelde
begon het te geeuwen, en onder dat geeuwen speelde het
op zo een schilderachtige manier met de tong, dat Rubens
fluks die gestalte met een stuk krijt schetste, voorneemens
om hem dus te schilderen. Dewijl hy nu dat geeuwen
maar ter loops als men zegt, had geschetst, vroeg hy
den Meester, Of hy den Leeuw noch niet eens kon doen
geeuwen? die om zulks te beproeven, dat dier onder de
kin kittelde, en hem op die wijze verscheyde maalen dee
gapen. Den Meester speelde dat spel zo dikwijls op de hoop
van een goed belooning, dat zulks den Leeuw begon te
verveelen, en zijn Heer en Meester zo lieflijk aankeek, dat
die in ernst er voor schrikte, en tegens den Schilder
zey; Dat hy zwaarigheyt vond om den Leeuw langer te
kittelen, dewyl dat dier al ommers zo trots was als een kastiliaans
|
|
-ocr page 313-
| |
| liaans Edelman, en zich zo min liet beschimpen als een Inquisiteur
van Goas geestelyk Hof; kortom, dat er meer gevaar
in stak dan men zich kon verbeelden. Die waarschouwing
maakte Rubens klepschuuw, des vloog hy op van
voor den schildersesel, bergde het stuk met de afgeschetste
Leeuwen in het naaste vertrek, en liet dien Kermisgast
benevens zijn dier en een goede belooning vertrekken.
| | Korts daar aan vertrok die knaap met het dier na Brugge,
in Vlaanderen, en hy vertoonde aldaar in een opgeslaagen
houte tent die voorgemelde gemeenzaamheden
met dien Koning des wouds, die \'t zedert dat kittelen onder
de kin kwaad bloed had gezet tegens zijn Meester,
en met een groote weerzin, of gelijk als men zegt, met
lange tanden tegens zijn Heer worstelde, die op zulks
geen acht gaf, maar na ouder gewoonte met den Leeuw
badineerde. Op een noot schikkelijke namiddag was er
een groote hoop toezienders \'t zamengerot in die tent,
en den Meester, verblijd over dien onverwachten ontfangst,
speelde met minder omzichtigheyt als na ouder
gewoonte met den Leeuw, die onder dat gedwonge spel
zyn arme zinnen kreeg, zijnen Meester onder de voet
wierp, er boven op sprong, en hem met een opgeheven
klaauw en met een grimmig gezigt leelijk begrijnde. Die
kaerel zag fluks dat de hekken tusschen den Leeuw en
hem waaren verhangen, derhalven poogde hy om zachtjes
op te staan, en dien doodendans te ontspringen; maar
het verstoort dier drukte hem zo styf op de borst dat hy
inaauwlijks kon ademhaalen, en bleef indien staat staan
te dreygen. Dit ziende begon hem het klam zweet uyt
re breeken, des riep hy tegens de Omstaanders met een
flaauw geluyt; dat doch iemant schielijk na de hal zou gelieven
te loopen, en aldaar een Kalfsborst of een ander stuk
raauw vleesch haalen, en dat den Leeuw toegooien, om
in
|
|
-ocr page 314-
| |
| in die tusschentijd, dat hy dat verslont, te mogen opstaan,
en te gaan rekken. Den Looper van den Heer la Faille
sprong als een Hert uyt die tent, en kwam binnen weynige
minuyten aanstuyven met een schoone Kalfsborst,
die hy den belêdigden Leeuw toewierp, die zich niet eens
gewaardigde daar na om te kyken. Een zeker Brugsch
Virtuoso ordonneerde, dat men dat dier eenen leevenden
Haen zou voorwerpen, zeggende, Dat een Leeuw al
ommers zo bang is voor het Haanengeschrey, als meenig getrouwt
Man benaauwt is voor het Wyvengeschrey; dat
hulpmiddel wiert aanstonds beproeft, doch ook vruchteloos
bevonden. Eyndelijk verzocht den benauwde
Leeuwsvoogd, dat iemand zo goed wilde zijn van den
Leeuw door den kop te schieten, en dat zo spoediglijk
als \'t mogelijk was, dewijl hy anders gevaar liep van te
zullen stikken, indien niet verscheurt te worden. Daar
op vloogen twee Brugsche schutters na hun huyzen, en
reverteerden ieder met een getrokke bus, en met een overgehaalde
brandende lont. Zo dra leyden zy niet aan of
den onderleggende Meester sprak, in manus tuas Domine,
en beyde de Musketten gingen los op den Leeuw, die
op dat moment dat hy zich voelde treffen, zijn Heer den
linker Schouder beneffens den arm van het licghaam rukte,
en dat verricht hebbende, met een verschrikkelyken
brul hartsteeken dood viel op het lijk van zijnen verscheurden
Meester.
| | Dat ongeluk sproot uyt het kittelen van den Leeuw;
een leerzaam voorbeelt voor alle Hovelingen, van met de
Vorsten zo gemeenzaamlijk niet om te gaan, dat men
ze by den baerd komt te sleuren; want, gelijk als een
zeker Schryver wel zegt; de Prinssen, de Vrouwen en
de Katten hebben veeltijds misselijke luymen.
| | Een zeker Antwerpsch Schilder, die alommers zo verwaant
|
|
-ocr page 315-
| |
| waant als den roozenroot Konstschilder Pelegrino, doch
echter een minder Konstenaar was, kwam den beruchten
Rubens eenmaal verzoeken, van zo goed te willen zijn
om met hem te gaan na zijn huys, en een stuk van
zijn maaksel te zien, voor wiens schoonheyt hy een ongemeene
achting had opgevat. Rubens liet zich gezeggen,
en vroeg hem al gaande by wijze van tydkorting,
hoe veel jaaren dat hy reeds had verorbert in den dienst
van Madame Pictura? die zo dra niet had geandwoort,
drie jaaren, of hy schoot hem toe; Een drie jaarig Schilder
die zich verbeelt een Fenix te zijn, bezit reeds een
merkelijk kapitaal in de erfenis der Zotheyt. Maar, mijn
Heer, (vervolgde hy op een ernstige toon) hebje ook wat
a trek in uw konst? en hy repliceerde, Neen, mijn Heer,
en daar aan bespeur ik dat de Fortuyn blind is. Dat is zo,
Konfrater, (herhaalde Rubens al lacghende) ook schijnt
de Fortuyn nooit blinder te zijn als aan de Schilders, die
het alderminst haar gonst verdienen. Onder die \'t zamenkouting
belanden zy aan het huys en op de Schilderkamer
van dien Kwidam, die aldaar een stuk voor den dag
haalde dat al het air had van een Galgenveld, zijnde de
tronien der beelden verdraait, de nekken scheef, de ledemaaten
verwrongen, en alle de armen en beenen gekneust
en gerabraakt door de mokers van z ijn verfpenseelen;
vorders was er zo veel houding in die geheele Ordonnantie,
als er houding is in een kamer behangen met vergult
leer, of in een doos met Surinaamsche vlindertjes.
Ondertusschen vreef den Schilder zijn pooten uyt vergenoeging,
zo bly als een Spanjaart die zich eens per maand
verzaad ten kosten van een Traktant, terwijl dat Rubens
zich over de onweetendheyt van dien St. Lukas Martelaar
kruyste en zêgende. En hoe lang is mijn Heer bêzig geweest
over die schildery? vroeg eyndelijk Rubens, en den
onech-
|
|
-ocr page 316-
| |
| Onechte Konstenaar andwoorde; Dat stuk heb ik geordonneert,
gedoodverft en opgeschildert, in min als drie weeken;
waar op die hem koeltjes toebeet; Dat is onbegrijpelijk,
Kollega, ik had staat gemaakt dat er pas drie dagen
op waaren weggeworpen.
| | De twee grootste Antagonisten van Petrus Paulus Rubens,
waaren Abraham Janszen, en Theodoor Rombouts,
een paar verdienstige Schilders, die wy niet zullen overslaan,
maar behoorlijk in tijd en wyle gedenken.
| | Hy trouwde voor de tweede maal met Mejuffrouw Helena
Forman. Florent le Comte noemt die, Helena Fourment,
en Monsieur Felibien zegt, Helena Fourmont; doch
wy zullen over den naam van die Juffer niet harrewarren,
dewelke een Brabandsche Helena in schoonheyt is
geweest, ook heeft hy die honderde en meer maalen gekonterfyt
op zijn Historiestukken, en by uytneemendheyt
heerlijk geportretteert op het stuk boven zijn Grafstee in
de Kapel achter het groot Altaar van de St. Jakobs kerk,
tot Antwerpen.
| | Uyt eene brief, geschreeven aan F. Junius, ten opzichte
van zijn drie geleerde boeken over de Schilderkonst
der Ouden, zal den Leezer, mids dat hy Latyn verstaat,
konnen zien tot hoe ver die grooten Konstenaar
was gekomen in de Taalkunde.
PETRI PAULI RUBENII
AD
F. JUNIUM.
EPISTOLA.
Mijn Heere,
| | U.E. zal eer verwondert wezen in zo langen tijd
geen tyding van den ontfank uwes Boeks door my
ont-
|
|
-ocr page 317-
| |
| ontfangen te hebben, den welke als blijkt uyt U E aangenaamen
van den vier en twintigste Mey, voor datum aan
my was gedestineert. Toch ik bidde U E believe te gelooven,
dat den voorzeiden Boek my nu eerst over veertien
dagen behandigt is, door eenen van deeze stad genoemt
Leon van Hemselroy, met veele excusen van zo
spaaden bestellinge. Dit is de oorzaake dat ik U E brief
ook niet beandtwoort en hebbe; want ik eerst wenschte
den Boek te zien ende te leezen, gelijk ik nu met attentie
gedaan hebbe. Ende om de waarheyt te zeggen, ik
bevinde dat U E onze konste zeer vereert heeft, immenso
hoc totius antiquitatis thesauro tanta diligentia refosso,
& ordine pulcherrimo publice distributo. Nam liber iste
V D. ut uno verbo dicam, vere promus condus & uberrimus
omnium exemplorum, sententiarum & dogmatum quæ
a veteribus uspiam sparsim ad dignitatem & lucem Artis
Pictoriæ pertinentia, litteris consecrata maximo nostro emolumento
hactenus perennarunt, itaque titulo & argumento
libri de Pictura Veterum a D. V. ad unguem satisfactum
censeo, monita etiam & leges, judicia, & exempla maximam
nobis lucem afferentia passim inserta, & ordine recto
totum hoc opus perfectissime digestum, atque insigni cura
& lima ad calcem usque perpo itum. Sed quoniam exempla
illa veterum Pictorum Phantasia tantum & pro cujusque
captu magis aut minus assequi possumus, vellem equidem eadem
diligentia similem quandoque tractatum excudi posse de
Picturis Italorum, quorum exemplaria sive prototypa adhuc
hodie prostant, & digito possunt monstrari, & dicier
hæc sunt. Nam illa quæ sub sensum cadunt, acrius imprimuntur
& hærent, & exactius examen requirunt, atque
materiam uberiorem proficiendi studiosis præbent, quam illa
quæ sola imaginatione tanquam somnia sese nobis offerunt,
& verbis tantum adumbrata ter frustra comprensa (ut Orpheum
|
|
-ocr page 318-
| |
| pheum Euridices imago) eludunt sæpe, & sua quemque spe frustrantnr.
Quod experti dicimus, nam quotiusquisque nostrum
si præclarum aliquod Apellis aut Timanthis opus a Plinio
aut aliis auctorubus graphice descriptum, pro rei dignitate
oculis subjicere tentaturus, aliquid non insulsum ant a veterum
majestate non alienum præstabit, sed genio suo quisque
indulgend, musteum aliquid pro Opimiano illo dulce-amaro
promit, & injuriam magnis illis manibus affert; quos
ego veneratione summa prosequor, & vestigia euntium potius
adoro, quam vel sola cogitatione assequi me posse ingenue
profiteor.
| | Ik bid mijn Heere gelieve my wel af te neemen, \'t geene
ik met vriendelijke liberteit ben zeggende, met hoop
dat U E. ons naar zo goeden promulsidem niet en zal weigeren
ipsum caput cnæ, daar wy allegaeder zeer naer verlangen:
want tot noch toe heeft ons niemant onzen Appeteyt
voldaan van alle die geene die alzulken materie getrakteert
hebben, nam oportet venire adindividua, ut dixi.
Waar mede ik gebiede my uit gantscher herten in U E
goede gunste, ende grootelijks voor de eere die my geschiet
is met de presentatie van U E Boek en de vriendschap
bedankende, blyve in der Eeuwigheit,
MYN HEERE
U E. ootmoedigen ende geaffectioneerden
DIENAAR,
PIETRO PAUOLO RUBENO.
Antwerpiæ raptim & stans
pede in uno, den eersten
Augusti, 1637.
Na
|
|
-ocr page 319-
| |
| | Na dat hy eenige tijd was getrouwt geweest met die
laatste Dame, begon hy te ondervinden, dat het Hof,
eene schoone jonge Vrouw, en het leelijk Flerecijn, drie
zegeningen zijn die een oud Man wel kan derven; en die
anders zegt, al was het den Fenix der Spreekwoorden
opzoekers, Tuynman, spaart er de waarheyt aan en belêdigt
zijn Conscientie. Pieter Paulus Rubens zey dan
het Hof vaar wel, en hy vetrok zich in zijn heerlijke
wooning, binnen Antwerpen, alwaar hy noch eenige
werken ordonneerde, die vereeuwigt zijn door de etsnaald
en door het graveeryzeer.
| | Zijn laatste Ordonnantien waaren die staatelijke Triomfboogen,
die de Overigheyt van Antwerpen dee oprechten
voor den Infant Kardinaal, Ferdinand van Spanje, op
zijne staatelijke intreede in die stad, welk werk als een
Wonder wiert aangezien by zijnTijdgenooten, en geen
m inder Wonder verstrekt aan de Naneeven. Die Triomfboogen
z ijn geetst by Theodoor van Tulden, en gaan uyt in
een groot Latynsch Foliant, verrijkt met de geleerde aanmerkingen
van den Heere Gevaarts, Historieschryver des
Konings van Spanje. Het speet Rubens vreeslijk dat hy
op die tijd der Intreede het hand en het voeteuvel kreeg,
dewyl hy anderszins beneffens dien Kardinaal zou hebben
te paerde gereeden, om aan die Koninglijke Hoogheyt
den zin dier heerlijke triomfboogen uyt te leggen.
| | Na dat laatste werk begaf hy zich tot rusten, welke
momenten de Dood waarnam om hem in de eeuwige rust
onder te dompelen, op het jaar duyzent ses hondert en
veertig. Hy wiert met een byzondere pracht begraaven
tot Antwerpen, in zijn eygen Kapel, waar toe hy een schoon
Tafereel had geschildert, dat aldaar noch is te zien
in St. Jakobs kerk achter het groot Altaar, gelijk als wy
hier voorens hebben gezegt. Op dat stuk ziet men een
schoon
|
|
-ocr page 320-
| |
| schoon Maria beelt geschildert met het kind Jesu op haare
schoot, en de konterfytsels van zijne Vrouwen benevens
zijn eygen Portret, gewapent tot de voeten uytgezondert
het hoofd met een banier in de vuyst, onder de
gedaante van St. Joris.
| | Den Heere Isaak Bullaart, Ridder van de Orde van St.
Michiel, geeft ons een Latynsch Grafschrift van den grooten
Peter Paul Rubens, dat wy aldus hebben vertaalt in
het Nederduyts.
GRAFSCHRIFT
Op den RIDDER
PETRUS PAULUS RUBENS.
* De bloozende Iris, en den schoone Dageraat,
Vereerden uw\' haar helle kleuren,
De nacht zijn schaduwe\', en het licht dat nooit vergaat.
De Titans, die helaes! thans in het duyster treuren.
Doch ghy, O Rubens! gaaft het licghaam en de ziel
Aan \'t heerlijk Konsttafereel, de schaduwen en lichten.
Des of de koude Dood sloopt uwe leevenskiel,
Ghy leeft, en uwe konst zal eeuwig \'t leeven stichten.
| | Dien fenix heeft zeer veele wakkere Leerlingen, en
uyt die Leerlingen groote Konstschilders voortgeteelt, als
by voorbeelt, Pieter Soutman, Jan van Hoek, Erasmus
Quel-
* Ipsasuos Iris, dedit ipsa Aurora colores,
Nox Umbras, Titan lumina clara tibi
Das tu RUBENIUS vitam, mentemque figuris,
Et per te vivit lumen, et umbra color.
Quid te, RUBENI, nigro mors funere volvit?
Vivit, vita tuo picto colore rubet.
|
|
-ocr page 321-
| |
Quellyn, Abraham Diepenbeek, Peter Sneyders, Theodoor
van Tulden, Kornelis Schut, Samuel Hofman, en onder
meer andere roemwaardige Schilderhelden, den alderberuchtsten
Anthony van Dyk, die zynen Meester overtrof
in de eelheyt der vleeschkoleuren, en in Kabinetstukken;
waar door wy hem zullen laaten volgen op den befaamden
Petrus Paulus Rubens.
ANTHONY van
DYK.
| | ANTHONY van DYK is gebooren tot Antwerpen,
op den twee en twintigste van de Lentemaand, des
jaars duyzent vyf hondert negen en negentig, doch andere
Schryvers zeggen, duyzent vyf hondert acht en negentig;
altoos hy is gebooren, en dat voldoet. Hy wiert gebooren van
fatsoenlijke Ouders, zegt Monsieur Felibien, die hem lieten
leeren leezen en schryven, en hem toen bestelden by
Hendrik van Balen, een zeer goed Schilder, die te Romen
had gepenseelt onder de alderberuchtste Italiaansche
Konstschilders. Den jonge Anthony van Dyk, die een onver-
|
|
-ocr page 322-
| |
| In het oorspronkelijke boekwerk ligt tussen
pagina 296 en 297een extra, ongenummerde
pagina met afbeeldingen van diverse schilders.
Deze tussenpagina is in het plaat-formaat te bekijken.
|
|
-ocr page 323-
| |
| vermoeide zucht had om te leeren, verloor geene ogenblikken
om toe te neemen in de kennis en in de praktijk
van de Schilderkonst; zo dat hy binnen korten tijd alle zijne
Medeleerlingen kwam te overtreffen. Dewijl er nu dagelijks
niets anders wiert gepraat onder de Konstenaaren
als van den grooten Rubens, en dat van Dyk verscheyde
konststukken van zijn hand had gezien, kon hy rusten
noch duuren, voor dat hy zich by dien befaamden Schilder
tot een Leerling had aangebooden, die hem eyndelijk
ontfing onder het getal zyner Discipelen. Rubens bemerkte
wel haast de schoone gesteltenis van van Dyk, om
een goed Schilder te worden, des vatte hy een byzondere
genegendheyt voor hem op, en hy nam veel moeite
om hem behoorlijk te onderwijzen.
Den voortgang van Anthony van Dyk in de Schilderkonst
was geen schade aan zijn Meester, die overstulpt
was met aanbestelde Schilderyen, en zich bediende van zijn
Leerlings penseel, om veele stukken aan teleggen, te doodverwen,
en op te schilderen, dewelke dan hier en daar
by Rubens aangeraakt en losjes overschildert zijnde,
doorgingen voor schilderyen van \'s Meesters eygen penseel.
| | Dewijl van Dyk eene sterke zucht had opgevat voor
het konterfyten, schilderde hy meer portretten als historiestukken,
dewelke alle hem wel gelukten. Hy schilderde
veele konterfytsels ten huyze van Rubens; en toen
hy die kweekschool verliet om de reys na Italien op te
neemen, betuygde hy zijn dankbaarheyt aan zijn Meester
voor zo veele genootene weldaaden, door het geschenk
van drie schilderyen van zijne hand, zijnde de eene schildery
het konterfytsel van Mevrouw Rubens, de tweede
een Ecce Homo, en de derde het gevangen neemen van
den Zaligmaker in den Olyventuyn. Alle de beelden op
dat
|
|
-ocr page 324-
| |
| dat laatste stuk waaren heerlijk getêkent, konstiglijk geschildert,
en natuurlijk verlicht door de vlam der toortsen.
Rubens die zeer veel achting betuygde voor dat Konsttafereel
plaatste het voor de schoorsteen van de alderbeste
saal in zijn huys, en vereerde aan van Dyk, tot een
bewijs van zijn erkentenis, een van zijn schoonste paerden,
om zich van te bedienen op zijn uytheemsche reys
na Italien.
| | Daar wort gezegt dat Anthony van Dyk, zo dra als hy
van Antwerpen verreyst was na Brussel, aldaar verliefde
op een aardig Boerinnetje, en dat hy den Hemel in den
arm nam om tot het genot van het aardsche goed te geraaken,
dat is op goed Nederduyts gezegt, dat hy een paar
Altaarstukken schilderde voor de Parochie kerk van zijne
Beminde, om zich daar langs in te vleyen in haar tederheden.
Hy schilderde op het een stuk St. Maarten den
Patroon van die Parochie, en dien Heylig was zijn eygen
konterfytsel, gezeten op het paerd dat hem Rubens
had geschonken; en op het tweede Tafereel schilderde
hy de Familie van de Maagd Maria, welke heylige Maagd
hy na zijn Liefje het Boerinnetje konterfyte, en de overige
twee persoonagien portretteerde hy na den ouden
Boer haar Vader en na de gryze Boerin haar Moeder. Wy
hebben die twee Altaarstukken gezien, en wy zijn genootzaakt
om openhartiglijk te bekennen met Monsieur Felibien,
dat indien het Boerenymfje zo schoon was als den
Schilder het op dat panneel heeft gekonterfyt, deszelfs
bekoorlijkheden den arbeyd en de liefde van Anthony van
Dyk dubbelt verdienden. Rubens rook aanstonds de vlam
van dat verbooden vuur, waar op die alles byzette en Hemel
en Aarde bewoog om hem van die verbindtenis te
degageeren, dat hem ook wel gelukte, dewijl den Leerling
op nieuws lust kreeg na Italien, en als met gewelt
zijn
|
|
-ocr page 325-
| |
| zijn liefdeboeijen verbrak om de Schilderkonst na te
jaagen. Hy vertrok dan na die vermaakelijke luchtstreek,
in het gezelschap van den Ridder Nani, en hy hielt zich
een geruyme tijd op te Venetien, alwaar hy naarstiglijk
studeerde na de Schilderyen van Titiaan en van Paulo
Veronese, tekenende en kopieerende de alderbeste Tafereelen
van die groote Meesters: maar hy bevlytigde zich
boven al in het schilderen der hoofden, naauwkeuriglijk
de wij ze waarneemende, dewelke die uytmuntende Schilders
hadden gebruykt in hun portretten.
| | Na dat te Venetien al het geld dat hy er had ingebrogt
was vervloogen, alzo hy maar alleenlijk voor zijn
byzonder vermaak schilderde, vertrok hy na Genua, alwaar
hy zich van zijn schoone manier van konterfyten
bediende, waar in hy merkelijk was gevordert in dien byweg
der Schilderkonst, en er een schoone stuyver by overgaarde;
en alhoewel hy van tijd tot tijd alle die steden
van ltalien ging bezoeken, alwaar hy zich verbeelde eenige
schoone Schilderyen te vinden, echter keerde hy
gestadiglijk weer na Genua, als na zijne Geboorteplaats,
hebbende zich aldaar veele machtige Vrienden gemaakt,
en Vrienden die hem met vermaak ontfingen.
| | Ten laatsten gaf hy evenwel de zak aan dat Gemeene
Best; en hy vertrok na Romen. Hy wiert aldaar vriendelijk
ontfangen by den Kardinaal Bentivoglio, die Nuntius
des Paus was geweest in Brabant en in Vlaanderen,
en zeer veel genegendheyt voor die Landaart betuygde.
Hy schilderde verscheyde stukken voor dien Kardinaal,
en onder andere zijn konterfytsel, dat thans in het Paleys
van den Groot Hartog te Florence berust. Ook
schilderde hy noch verscheyde konterfytsels van byzondere
Persoonen.
| | Te Romen ontmoete hy veele Brabandsche Schilders,
knaa-
|
|
-ocr page 326-
| |
| knaapen die men in de Kerken mocht opzoeken, doch in
de Herbergen kon oploopen, die noch wel zo aandachtig
waaren na het wanluydent Muziek van vol geschonken
Roemers en Bokaalen, als na de zielroerende Sermoenen
der romeynsche Boetpredikers. Doch het gedrag
van Anthony van Dyk was tegenstrydig tegens die Britsche
Conduites, en als hy al eens zylings uytglipte, was
de Tas en niet het Glas zijn begonstigde keus, zijnde
hy meer geneygt na het Zoet van den Venusberg, als na
het Vocht van de Montefiascone. Na eenige tijd te Romen
gewoont te hebben, alwaar hy alles dat beziens waardig
was ging bekyken, keerde hy te rug na Genua, ten deelen
dewijl zijn dronke Landsluyden zijn Konst beschimpten
en verkleynden, en dewijl hy aldaar zijne oude Vrienden
vond, die zich lieten konterfyten, en hem andere
Schilderyen ordonneerden. Vervolgens trok hy met een
Edelman van kennis na Sicilien. Aldaar konterfyte hy
den Prins Philibert van Savoyen, op die tijd Gouverneur,
en hy hield zich eenige tijd op tot Palermo, alwaar
hy aanmerkelijke werken had begonnen. Maar de
pest aldaar beginnende te woeden, verliet hy die plaats,
en hy scheepte zich op een Galey die hem te Genua brogt,
van waar hy zich op nieuws embarqueerde na de Spaansche
Nederlanden.
| | Hy dee, wedergekeert zijnde, welzien, dat de Italiaansche
lucht hem geen windeyers had gelegt, alzo de Antwerpenaars
eenpaariglijk bekenden, dat er een verhêvener
smaak en grooter konst schuylde in zijn Schilderyen
als voordeezen.
| | Het eerste stuk dat hy op zijne wederkomst tot Antwerpen
schilderde was een Altaarstuk voor de Eerwaarde
Paters Augustynen, welke Monnikken zo een brandenden
yver niet betuygden te hebben voor de Schilderkonst,
als
|
|
-ocr page 327-
| |
| als den grooten * Augustyn, den Instelder van hun Orde,
betuygde te gevoelen voor de waare Kerk en voor de Bekeering
der Britten; een Natie daar wat meer te haalen
was, als by de doodarme Lappen en Finnen. Dat Altaarstuk
is noch te zien in hun Kerk binnen Antwerpen, en verbeelt
eenen stervenden Augustyn, die wort ondersteunt
door eenen Engel, die hem opwaards wijst na den geopenden
Hemel, vervult met de heylige Drieeenigheyt en
met veele kleyne Engeltjes; beneffens St. Monica, de
Moeder van dien Oudvader, en noch een Heylig van die
zelve Orde. Dat Altaarstuk had hy geordonneert volgens
de voorschriften van de Schilderkonst, dat is, het grootste
of voornaamste licht scheen op het voornaamste voorwerp
van dat stuk, en daarom had hy Augustyn geschildert
in zijn wit Onderkleed, het gewaad van die Monnikken,
dat een heerlijke houding en een gevoeglijken
welstant gaf aan die Ordonnantie. Maar dat mocht niet
doorgaan, dat wit Kleed scheen al te sterk in de onkundige
blikken van den Pater Prior, die balkte, Dat men
hun Orde, ingestelt door dien Oudvader, niet kon kennen in
die witte vacht; gevolglijk moest dat Kleed zwart zyn als
de Opperkleeders der Monnikken; en zo hy dat niet wilde
veranderen, dat is, verslimmeren, kon hy gaan opdrossen
met zijn.Altaarstuk, en alzulke Kloosterlijke tierelantyntjes.
Wat zo van Dyk hier in doen, de tijden waaren
boos te dier tijd; het Geld was de leus, want het Schilders
krediet woog niet zwaar in een stad waar in de voornaamste
Koopluyden, Kinders, Kindskinders of Aterlingen
der bittere Spanjaarden, of woekerende Genueesen
waaren. Hy overschilderde dan dien sneeuwitten Augustyn
met
* Den Oudvader Augustinus wort meestentijds geschildert met een
brandent Hart in zijn handt.
|
|
-ocr page 328-
| |
| met des Satans ultramaryn, ivoorzwart en lampzwart,
zo dat er thans geen haairbreedte onderscheyt te zien is
tusschen dien Afrikaanschen heylig, en tusschen een Antwerpschen
Schoorsteenvêger; een bewijs, dat er meenig
goed werk wort bedurven om den broode.
| | Doch zelden komt er een ongeluk dat niet verzelt is
door een tweede ramp, en dat bleek in den lydenden Anthony
van Dyk, die beneffens die Konstdwang noch het
schimpen en schampen van eenige Discipelen van Rubens
moest verdraagen. * Jan van Hoek en Kornelis Schut
kwamen hem bezoeken terwijl hy dat Altaarstuk schilderde,
en juyst bêzig was om den boezem van den Engel,
die dien Heylig ondersteunt, te overschilderen. Zy
preezen uyterlijk die Ordonnantie en die wijze van behandeling,
doch innerlijk vervloekten zy de Konst en
den Konstenaar (daar in bestaat ten deelen de Antwerpsche
welleevendheyt) en aan het huys van Rubens gereverteert
zijnde, vroegen de andere Leerlingen; Wel,
wat doet ons Toontke, beg**t! vordert hai wat met zain
.Altaarstuk? waar op Kornelis Schut, die een tong droeg als
een Antwerpsche Vischmarkts Fielt, antwoorde; Wat,
sakrem**t! zau dien Hoeteleer doen, die zit te peuteren in
de burst van den Engel met een klain pinseelke.
| | Doch den slimsten Artykel kwam eerst voor \'t licht
toen het stuk was op en top geschildert, want toen was
er geen spetie in de Kloosterkas, na het voorgeeven der
Monnikken; toen moest den Schilder gedult hebben tot
op een nadere occasie; en toen was Anthony van Dyk
genootzaakt om een zeker iets te doen, dat hy in der
eeuwigheyt niet heeft willen vergeeven aan de Augustynen.
* Die Byzonderheyt is ons verhaalt door eenen Willemsze, een heerlijk
Beeldhouer, die zey, Rubens en van Dyk noch te hebben gekent.
|
|
-ocr page 329-
| |
| nen. Hy schilderde dan ten overvloed een Kruycifix,
om daar langs het bedongen loon voor Augystijns verggooding
te erlangen, een konststuk zo schoon en zo heerlijk
getekent en geschildert, dat de Eerwaarde Paters, die
dat hebben verkocht in de voorgaande Eeuw, een grooter
somme gelds hebben gekreegen voor dat afgeparst
Geschenk, dan den Schilder had genooten voor het groot
Tafereel.
| | Korts daar aan wiert van Dyk opontbooden na \'s Gravenhage,
om aldaar den Prins van Oranje, Frederik
Hendrik, benevens de Princes zijne Gemaalinne, en zijne
Vorstelijke Kinders te konterfyten. Hy voldee dien
Vorst en alle de Hovelingen en Konstkenners zodanig,
dat zy openhartiglijk getuygden, dat geen Schilder een
adelijker, verhêvener of natuurlijker Air kon geeven aan
de konterfytsels, als Anthony van Dyk. Zo dra was het
Hof niet voldaan of de voornaamste Hovelingen, Amptenaaren,
groote Heeren en vermoogende Koopluyden,
drongen malkanderen te pletteren om voor hem te zitten;
waar door hy eens in een vrolijke luym zijn Schildersaal
by Danae\'s Slaapkamer vergeleek, in dewelke de
Nederlandsche aardsche Goden hunne schatten kwamen
uytstorten. Ook kwamen de Engelschen en de Franschen
afstuyven op zijn penseel, gelijk als tegens den Herfst
de Leysters en de Meerls komen aan snorren op de Qualsterbessen:
maar om de waarheyt niet te misdoen, hy betuygde
een grooter achting voor de Britten als voor de
Gaulen, dewijl de laatsten vry spaarzaamer waaren op
hun lichte Pistoolen, als de eersten met hun wichtige
Guinees. Doch eyndelijk overviel hem de meenigte zodanig,
dat hy het moest opgeeven, zijnde het drukken
der konterfytsels eerst ontdekt in een laatere tijd, by
Monsieur le Blond, een Leerling van Carlo Maratti, zo
dat
|
|
-ocr page 330-
| |
| dat Anthony van Dyk maar alleenlijk die Heeren en Dames
konterfyte, die zich wisten in te vlyen in zijn vriendschap,
en die noch daar en boven die ongemeene gonst
wisten te erkennen door eene ongemeene belooning.
| | Maar gelijk er niets bestendig is op deeze ondermaansche
weerelt wiert hy dat spel mee wars, want het verdroot
hem zo veele Luyden van fatsoen te desobligeeren,
en er zo een kleyn getal te vergenoegen, derhalve stak
hy over na Londen, om in die Hoofdstad aller Eylanden
zijn konst aan te bieden aan Karel Stuart den eerste,
een Vorst al ommers zo milddaadig als konstgenêgen.
Doch hy verliet het Ganzeney om het Duyveney te gaan
opzoeken, alzo die Prins des Schilders verdiensten niet
erkende op die eerste overkomst; het zy dat hy al te veel
belemmert was met de bestiering van zijn drie Koningrijken;
het zy dat sommige Konstbenyders, die om en
tom de Hoven zwarmen, gelijk als de Wespen zwarmen
om en tom de rype Druyf, dien Vorst een nadeelig denkbeelt
hadden ingeboezemt tegens de Konst en tegens den
Konstenaar.
| | Echter liet Anthony den moed niet zakken, gelijk als
het gros van zijn lafhartige Landsluyden, dat doorgaans
te post wederkeert na het uytgehongert Antwerpsch nest,
zo dra als er maar een rak in de wind komt, en aldus het
Italiaans spreekwoort bewaarheyt, Het is een elendig Vogeltje
dat gekipt is in een arm Dal, dewijl de zucht voor
het Vaderlant den Mensch, en onder den Mensch voornaamelijk
de Sinjoors van Antwerpen, aankleeft en byblijft
tot aan hun eynde. Hy in tegendeel vloog over na
Vrankrijk, doch met al zo min geluk, dewijl dat Rijk
op die tijd zo ontroert zijnde als een ontstelde zee, der
Grooten liefde voor de Schilderkonst zo volkomentlijk
had uytgeblust, dat zy er niet eens van begeerden te
hoo-
|
|
-ocr page 331-
| |
| hooren reppen, waar door hy bon grê mal grê, tegens
wil en dank, moest wederkeeren na Antwerpen.
| | Wy hebben vergeeten den Leezer hier vooren te zeggen,
dat hy voor zijn Hollandsche tocht een Konststuk
schilderde, dat voor een Meesterstuk staat geboekt by
alle de Konstkenners. Dat stuk verbeelde St. Anthonius
van Padua, een Heylig die noch minder gebaart is als
een Chinees Mandarijn, die het kind Jesus aanbid,
zijnde heerlijk, konstiglijk en uytvoeriglijk geschildert.
Hy maalde dat Tafereel voor de lnfante van Spanje,
Clara Eugenia Aartshartoginne van Oostenrijk, voor het
Altaar in haare Hofkapel tot Brussel; welk stuk na haar
overlyden wiert verkocht aan een byzonder Persoon
woonachtig tot Antwerpen, by wien den beruchte Konstkooper
Jabach het bemachtigde, die het naderhant wederom
verkocht aan den Koning van Vrankrijk.
| | Het eerste stuk dat hy op zijne te rugkomst tot Antwerpen
schilderde, was een Kruycifix voor de Kapucynen
tot Dendermonde, een Altaarstuk berucht door de
gantsche Kristen weerelt, en waar op geen prijs kan worden
gestelt. Voor de Hoofdkerk penseelde by een Kersnacht;
en vervolgens schilderde hy voor de Minnebroeders tot
Antwerpen eenen dooden Kristum, leggende op den schoot
van de Moeder Maria, en hy konterfyte op dat Altaarstuk
den Abt Scaglia, die dat stuk aan dat Klooster vereerde.
| | Wy zullen den Leezer een staaltje van de fierheyt des
grooten Anthony van Dyks mededeelen, tot een voorbeelt
aan andere groote Meesters,die zich dikmaals laaten behandelen
als Laqueyen by vergulde Esels, of by vermoogende
Grooten.
| | Op zijne eerste overkomst uyt Engelant wiert hy ontbooden
by den Bisschop van Gent, Anthonius Triest,
om
|
|
-ocr page 332-
| |
| om hem te konterfyten. Dien Bisschop was een grof sterk
Mansper soon, die des noots zijnde St Kristoffel zou hebben
konnen verbeelden in den Antwerpschen Ommegang;
en Anthony van Dyk was grooter in konst als in licghaams
gestalte. Hy ging na het Bisschoppelijk Paleys, na alvoorens
den Schilderdoek, Verwen, Esel, en andere
schildersgereedschappen te hebben doen brengen by dien
Prelaat; welke bagaazie hy in een voorsaal zag staan, gelijk
als hy die had doen transporteeren. Den Bisschop
liet den Schilder binnen komen, zijnde hy gezêten op eenen
met groen fluweel bekleeden Leuningstoel, en beandwoorde
van Dyks groetenis met een knik des hoofds; die
dat Rams kompliment ontveynsde, en stil zweeg om
eens te zien hoe dat die geestelijke klucht zou afloopen.
Den Bisschop keek den Konstenaar een geruyme tijd aan,
met die ecclesiastieke vrymoedigheyt, d ie als ingebooren
schijnt te zijn aan de gewyde Bestierders der Leeken
conscientien; doch bemerkende dat van Dyk hem in dat
vriendelijk opslag niet schuldig bleef, vroeg hy hem eyndelijk
met een bars accent; Of hy kwam om her te konterfyten?
terfyten? Den Schilder andwoorde, Dat hy zyne orders
verwachte om zulks te beginnen, en dat gezegt hebbende,
ging hy zitten op een stoel die hy presenteerde aan zich
zelven. Na dat den Bisschop weerom een wijl had gewacht,
vroeg hy voor de tweedemaal met een toon die vry veel op
het geluyt, van den kerkelijken Ban zweemde; En
waarom haalje dan uw schildertuyg niet, ofwachtje dat ik
het zal gaan haalen? waar op Anthony van Dyk, die mee
w arm wiert, repliceerde; Als je het aan niemant van
uwe bediendens gelieft te ordonneeren, is er uw Eminentie
den naaste toe. Dat andwoord vergrimde dien hovaardigen
Prelaat zodaanig, dat hy als een ontstooken vuurpyl
opstoof uyt zijnen Leuningstoel, en hem toegraauwde;
Toon-
|
|
-ocr page 333-
| |
| Toontje, Toontje, je zyt een kleyn Wipperwapperke, maar
je hebt een groote gal; ondertusschen schoot den Schilder
na de deur, bevreest dat dat wandelent kerkelijk Gevaart
hem op het lijf mocht storten, en verpletteren,
en die bereykt hebbende, belacghte hy des Bisschops ongegronde
glorie, en liet zich aldus onder het u ytgaan
hooren; Toon, Toon, ghy zyt een stuyrsche Knaap die den
Kanneelboom slacht, de Schors is het beste.
| | Korts daar aan scheen het als of Engelant berouw had
wegens haare behandeling tegens van Dyk; en den Koning,
die zich nader had doen onderrechten wegens de
byzondere verdiensten van dien onvergelijkelijken Konstenaar,
ley toe op middelen om hem in zijn Hof te doen
komen. Hy gebruykte daar toe den Ridder Digby, die
met hem gemeenzaamlijk had omgegaan in de Nederlanden,
en die hem zo na den mond wist te praaten, dat
hy zich liet gezeggen, en voor de tweede maal overstak
na Londen. Die beruchte Digby presenteerde hem aan
den Koning, die hem ontfing en verwelkomde met byzondere
lieftalligheden. Hy sloeg hem Ridder, niet van
de Kousseband, want de Schilders zijn niet benoodigt
om die gestrikte en gekwikte Ridderorde, die zy als \'t hun
lust en behaagt omhangen, maar van den Hoed; en hy
beschonk hem daar en boven met een wichtige gouden
keten, beneffens zijn konterfytsel omzet met kostelijke
brillanten. Behalven een groot Pensioen dat den Koning
hem jaarlijks gaf, kreeg hy voor ieder konterfytsel tot
de voeten toe uyt hondert pond Sterling, voor een portret
tot de knien vyftig pond, en zo van de anderen na
gerade. Daar by beval die Vorst om twee woonplaatsen
te vervaardigen voor dien geeerden Konstenaar, een Winterpaleys
te Black-Friards, wel eer een Klooster der Benediktynen;
en een Zomerpaleys tot Eltham, een Koning-
|
|
-ocr page 334-
| |
| ninglijk huys gesticht in een Woud, maar \'t zedert de
opkomst van Greenwich voor het meerder gedeelte vervallen.
| | Toen begon den R idder van Dyk eerst naarstiglijk te
schilderen, en hy maakte zo veele konterfytsels en andere
Schilderyen, dat er binnen korte jaaren alle des Konings
Paleyzen, en andere Gebouwen, heerlijk mee waaren
verciert en verheerlijkt. Gelijk als h y zich nu benaarstigde
om den Koning te behaagen, nam die Vorst zijn
vermaak aan den andere kant om hem te overstulpen met
gonsten en met schatten; zo dat hy schielijk verrijkte,
en groote rijkdommen zou hebben opgelegt, by aldien hy
zo prachtiglijk niet had geleeft, en een reefje in zijn uytgespanne
staatszeylen had ingebonden. Hy hielt een Koninglijke
en genoegzaam eene open tafel, een groote equipagie
van karossen, paerden, en knechten in uytmuntende
liveryen. Hy was altoos verzelt met Zangmeesters en
met de beste Muziekanten; en dewijl het doch schijnt
dat er altoos een handvol Katoen moet komen in de leevenswijze
eens Schilders, de Dames verorberden wel de
grootste helft van zijn jaarlijks Pensioen, en van zijne dagelijksche
winsten. De Konstkenners, die gelijk als Jakob
Böhm, zich verbeelden de natuur der zaaken te konnen
doorbooren, beweeren, Dat men kan zien en tasten,
dat de Konterfytsels die hy in Engelant schilderde in het
hartje van zijn glorie, die der in de Spaansche en in de
vrygevochte.Nederlanden overtreffen. Het lust ons niet de
Heeren Konstkenners tegen te spreeken; doch wy zullen
echter met die vrymoedigheyt, die geen vrygebooren
Nederlander mistaat, zeggen, en goedmaaken ten alle
tijde; Dat wy al ommers zulke heerlyke Schilderyen en
Konterfytsels van dien weergaaloozen Anthony van Dyk
hebben gezien, in de Nederlanden, als in Engelant, en een
stuk
|
|
-ocr page 335-
| |
| stuk uyt veele andere konststukken zal dat Argument bepleyten
en goedmaaken.
| | Dat overheerlijk en alom befaamt Konststuk in het
Stadhuys van Brussel, dat zo ongelukkiglijk is verbrant in
de bombardeering van die stad, was een van de konstigste
Tafereelen van dien Fenix der Konterfyters. Dat stuk
verbeelde de Overigheyt van die Hoofdstad, en vervatte
drie en twintig leevensgroote Beelden, zo volmaaktelijk
getêkent, zo verstandiglijk geplaatst, zo natuurlijk
geschildert, zo heerlijk gekoloreert, en zoo wonderbaarlijk
uytgevoert, dat het scheen als of men die doorluchte
Raadsheeren zag leeven en beweegen, \'t zamenspreeken
en raadpleegen over de zaaken van het Gemeene
Best. Geen Mensch zag ooit dat Konstjuweel of hy
wiert bewoogen en eerbiediglijk ontroert, zo door de
grootsche schikking der Persoonagien als door de achtbaarheyt
die men zag doorstraalen in de ernstige blikken
dier wijze en deftige Patriotten. Doch, gelijk als wy
reeds hebben gezegt, dat onwaardeerlijk Konsttafereel
wiert verbrant in die Fransche Bombardeering, zonder
dat er de minste schijn is van uyt die assche eenen jongen
Fenix der Konterfytkonst te zullen zien herleeven, zijnde
die konst reeds een spierwitten Eenhoorn by de tegenwoordige
Antwerpsche en Brusselsche Portretschilders.
| | Wy zullen den Leezer noch een ongemeene Leevens
byzonderheyt van den Ridder van Dyk mededeelen, die
ons is verhaalt by den Schilder Ferdinandus van Kessel,
wel eer Hofschilder van Johannes Sobietaki, Koning
van Polen, welke Ferdinand dat geval had by overlêvering
van zijnen Vader Johan van Kessel, die zulks was
vertelt by een der Leeelingen, een Ooggetuygen van
die zaak.
De
|
|
-ocr page 336-
| |
| | De Leerlingen van Pieter Paul Rubens waaren gewoon
van tegens het vallen van den avond te troppen na hun
Meesters Schilderkamer, zo dra als den oude Huysknecht
Daniel Valvêken, die jaarlijks hooft voor hooft daar eenen
patakon voor trok, hun kwam waarschouwen dat Rubens
was uytgegaan, welke dierbaare ogenblikken zy dan
waarnamen, om zijne wijze van schilderen, zo het aanleggen,
doodverwen, als het opschilderen te bestudeeren.
Nu had Rubens, op den dag dat het volgende gebeurde,
eene van de Marias onder aan de voet van die vermaarde
Afdoening des Kruys in de Hoofdkerk geschildert, en
dewijl de Leerlingen malkanderen drongen en stieten om
dat beeld van na by te bekyken, viel Abraham van Diepenbeek
by ongeluk tegens den opgeheven arm van die
Maria, die hy gants en gaar uytveegde, en daar en boven
de eene wang en de kin van de andere Maria merkelijk
beschadigde. Alle de Discipelen wierden zo bleek
als Geesten op dat ongeluk, want zy ontzaagen Rubens
zo zeer als zy hem beminden, en daar was er geen een die
iets wist te verzinnen om dat Ongeluk te verbloemen. Zy
stonden malkanderen aan te kyken als zo veele versteende
beelden, zy vervloekten binnens monds hun roekeloosheyt,
en zy resolveerden eyndelijk om de vlucht te
neemen eenpaariglijk, toen Jan van Hoek het woord opnam
met deeze woorden. Hier valt niet anders te doen,
lieve Konstgenooten, (sprak hy met een forsse stem) als
een kans te waagen, en dat hoe eer hoe liever, want wy
hebben ontrent noch drie uuren licht. Laat den bekwaamste
van ons het palet en de penseelen van onzen Meester opvatten,
en eens beproeven, of het doenlijk is, die schade toegebragt
aan den arm en aan de Tronie der beyde Marien, te repareeren.
Wat my belangt ik geef mijn stem aan Anthony van
Dyk, want niemant onder ons is zo ver als hy gevordert in
de
|
|
-ocr page 337-
| |
| de Schilderkonst. Alle de andere Leerlingen beaamden die
keus, die hy een tijd lang zeediglijk tegenstont, doch
ten laatsten greep hy het penseel in de vuyst om zijn geluk
te beproeven.
| | Hoe het nu zy of niet zy, of er iets bovennatuurlijks verhoolen
was in het palet, in de verwen en in de penseelen
van den grooten Rubens, dan of den Beschermengel
van Anthony van Dyk zijn konstige hand en zijn inbeelding
bestierde, het is altoos zêker en wis dat hy
nooit beter schilderde voor ofte na; en eer den avondstont
noch viel was den arm en het aangezicht der Marien
op en top geschildert. Daags daar aan kwam Rubens
boven om te gaan schilderen, die dien arm en die tronie
met een ongemeene aandacht beschouwde, volgens het
raport van een der Medeleerlingen, en na die beelden met
den wisse passer van zijn oog vergeleeken te hebben by
de andere figuuren, riep hy Blymoediglijk uyt; Waarlyk
dat is geenszins van het minste dat ik gisteren namiddag
heb geschildert!
| | Wy zullen noch een staaltje a twee van zijn geestrijke
andwoorden aanhaalen, en hem dan zachtjes in de rust der
geroelooze Eeuwen laaten glyden.
| | Op een zekere tijd konterfyte hy na het scheen met veel
genoegen de schoone Henrietta van Vrankrijk, een Dochter
van Hendrik den Vierde, en Suster van Lodewijk
den dertiende. Die Princes had zeer schoone handen, en
dewijl het schilderen van eene schoone Vrouwehand zijn
byzonder talent was, dee hy alles wat de konst vermogt
om die door het penseel te evenaaren. Hy schilderde dan
een koppel handen waar in den God der Liefde zou hebben
gebêeten, indien hy die om een hoek of kant had komen
aan te treffen, waar op die Princes gevalliglijk achtslaande,
hem vroeg; Waarom, Sir Anthony, worden myne handen
|
|
-ocr page 338-
| |
| den meerder gevleyt als mijn tronie? waar op hy andwoorde,
Dewyl ik, Madame, een extraordinaire belooning te
gemoet zie uyt die engelachtige handen.
| | Koning Karel den eerste beklaagde zich eens tegens
den Hartog van Nortfolk, over de Eb van de Hofkas,
onderwijl dat den Ridder van Dyk hem konterfyte, en
gevalliglijk ziende dat den Konstenaar zat te luysteren
na dat discoers, vroeg hem die Majesteyt met een gemaakte
lacgh; En ghy, Ridder, weetje ook wat het te
zeggen is, somtyds verlêgen te zyn om een duyzent Guinees
a ses? waar op die vaardiglijk andwoorde; Ja, Sire,
want een Konstenaar die een open Tafel voor zyn Vrienden,
en een open beurs houd voor zyn Maitressen, gelyk als ik
doe, is nu en dan niet onbekent met den bodem van zyn
Geldkist.
Dewijl hy nu alles wat hy kon grypen en vangen in de
Tafel, in een Koninglijke equipage, en in Diones smeltkroes
dissolveerde, poogde hy geld te krygen op eene andere
wijze, en hy begaf zich te zoeken na den Steen der
Wyzen, om daar langs, was het doenlijk, zijn nederdaalende
finantie te herstellen. Ha! wat een rampzalige
Onderneeming voor den eersten Konstschilder des weerelds,
voor een Konstenaar die onophoudelijk de hesperische
appelen, de goude Guinees, kon doen rypen op
de punt van zijn onnavolglijk penseel, die zo veel gelds
kon winnen als wenschen, en die dat kon winnen in het
Koninglijk gezelschap der Souvereynen, en in het adelijk
byzijn der eerste Edelen, van zich te gaan verarmen,
verwaarloozen en wegwerpen in het navorschen
van dien ingebeelden Steen der Wyzen! En in wat voor
een gezelschap moet men na dien schat der Armoede taalen?
? in het verfoeilijk gezelschap van een party Hoogduytsche
landloopers, vagabondeerende Poolsche Chymisten,
|
|
-ocr page 339-
| |
| misten en uytgeteerde Italiaansche Galgvogels, die niet
te verliezen hebben als een veroordeelde ziel en een besmet
licghaam; een al te onwaardig gezelschap voor zo
een koninglijk Konstschilder als den Grooten Anthony van
Dyk. In die navorsching verspilde hy die weezendlijke
rijkdommen, die hy zo loffelijk verzamelde door zijnen
arbeyd, en hy waagde er zo roekelooslijk zijn gezondheyt
en krachten aan, dat hy naauwlijks de macht behielt
om een borstel van Dassenhaair op te tillen.
| | Niet tegenstaande de zwakhêden van zijn licghaam en
van zijn beurs, trouwde hy met eene van de schoonste Dames
van het Hof van Engelant, en gesprooten uyt een
van de doorluchtigste geslachten van Schotlant. Zy was
de Dochter van Milord Ruthuin, die, zo het zeggen
waar is, een eedgespan had geformeert tegens Jakob den
eerste, den Navolger van de Koninginne Elisabeth, onder
het voorwendsel dat er een schat begraaven ley in
zijn Kasteel, waar door zijn goederen wierden gekonfiskeert,
en zijn zoon, misschien om iets anders, een tijd
lang in den Tour van Londen bleef zitten roesten. Hy
geraakte er uyt door het krediet van den Hartog van
Buckingham, die naderhant het huuwelijk van zijne schoone
Dochter Maria met den Ridder Anthony van Dyk bevorderde.
Het is wel waar dat zy een Geldersche bruydschat
had en niet meer, dat is, Schoonheyt en Geboorte;
doch als men op den Ridder zag was zy noch aan
de slegtste koop, want die was zwak van Geest en van
Leest, en zag de herstelling van zijn geluk te gemoet uyt
het wispeltuurige Kwikzilver, een stoffe al ommers zo
ongestadig als de Vrouwen. A. van Dyk brogt zijn schoone
Maria over tot Antwerpen, om aldaar zijn Bloedvrienden
en Vrienden te bezoeken, die hem op zijn Antwerps
ontfingen, Spaansche komplimenten, en Westmunstersche
|
|
-ocr page 340-
| |
| sche Traktementen. Vervolgens trokken zy na Parijs,
juyst op die tijd dat Poussin aldaar aanlande van Romen.
Den Chevalier van Dyk, die op het Schilderen van de
groote Galery van de Louvre doelde, bleef ontrent twee
maanden te Parijs; maar ziende dat er niets voor hem op
was van die kant daar hy op wachte, keerde hy weerom
na Engelant. Hy verwekte eene Dochter by zijn Huysvrouw,
dewelke jong stierf, en die hy niet lang overleefde,
als die ten deelen uytgeput door het flerecyn, en
door de zonden zijner jeugd, in een teering of in een soort
van een uytdrooging verviel, en dit leeven neerley te
Londen, op het jaar duyzent ses hondert en veertig, oud
drie en veertig jaaren. Zijn licghaam wiert begraaven in de
St. Pauls kerk binnen Londen; doch zij nen Naam zal in
eeuwigheyt gebazuynt worden, eershalve, wegens zijne
ongemeene Historiestukken en Konterfytsels, die verspreyt
zijn in alle de gedeeltens des Weerelds. Hy liet
noch een kapitael van hondert duyzent Ryksdaalders na
aan zijne bedroefde Weduwe, die hertrouwde met den
Ridder Price; doch die haaren eersten Man niet lang
overleefde.
| | Den alom befaamden Dichter Abraham Cowly vereerde de
Lykbus van den Ridder A. van Dyk met een zinrijk Grafschrift,
aldus by ons vertaalt in Nederduytsche klanken.
Op het OVERLYDEN
van den RIDDER
ANTHONY van DYK.
Helaes! van Dyk is dood; wat forsse Zanggodin
Durst dat verlies in klanken neuren?
De Dichtkunde is te zwak dien Schilder te betreuren;
Zy slacht zijn schoone konst die eijnd\' heeft noch begin:
Laat
|
|
-ocr page 341-
| |
| Laat ons in stilheyt dan die dierbaare asch besteenen,
Gelijk een Konsttafereel, dat hy door konst dee weenen.
Zijn konst bevocht altoos het leevent voorwerp; ja,
Men kende \'t leeven nooit uyt \'sleevens wedergaa:
En schoon het de Natuur verveelde,
Die milde Moeder wist niet eens
Wie \'t echte kroost was, wie het speelwicht buytens
beens,
Wie dat haar toekwam, hy, of dat van Dyk penseelde.
Ook toonde zy een mind\'re macht
Ontrent het lijken van twee kinders \'t eener dracht.
Geen spiegel kon zo wis het voorwerp evenaaren,
Als zijn penseel de Konst met de Natuur kon paaren:
Die Konst, die hem alleen
Gegeeven was, en anders geen.
Ook zag men in zijn ziel geen valsche weereldskleuren;
Want als men hem in de ballans
Woog met het algemeen des Menschdoms, klom zijn
glans
Tot boven het verwulf van Jovis donderdeuren.
Dus leefde hy, tot dat den Hemel \'t aardsch verbrak,
En hem verhief op haare glanssen,
Alwaar St. Lukas hem de vreedevuyst toestak,
En sprak; Zijt welkom, Vriend, op deeze azuure transsen.
Hy kijkt verbaast in \'t rond\' op die vergoode schaar,
Hy ziet dat schoon, en wenscht by naar
Om zijn penseel en verf, had hy in \'t Opperweezen
Den eersten Schilder niet geleezen.
Doch opwaards lieft hy noch \'t geheugen van Mary;
(Den Hemel zet altoos aan \'t Hemelsch krachten by)
Des als hy \'t Eng\'lenkoor ziet blinken in die straalen,
Dan roept hy; Ha! die Weduwvrouw,
Dat blinkent voorbeelt van de trouw,
Kan
|
|
-ocr page 342-
| |
| Kan nevens \'t Eng\'lenkoor, dat \'s haar gelijk, ook praalen.
Ey minder, Schoone, dan uw droefheyt, niet uw min;
Wijl hy zich thans verheugt, bind mede uw smarten in;
Uw beyder vreugde en ramp was een alhier op aarde,
En \'t zou een jammer zijn dat die niet eeuwig paarde,
Wijl zelfs het jongste lot hem bysprong in zijn druk,
Want uw schoon Weezen was zijn laatste Meesterstuk.
| | Wy zullen alhier eenige braave Leerlingen van die twee
voorgaande Overvliegers, Petrus Paulus Rubens, en
Anthony van Dyk hun Meester laaten opvolgen.
PIETER SOUTMAN.
| | Wy zullen niet veel waters onklaar maaken over de
Geboorte of ver de Leevensbedryven van deezen Konsteaar,
dewijl wy er niets byzonders van hebben konnen
achterhaalen, als dat den Historieschryver Ampzing,
in de beschryving van de stad Haarlem, hem gedenkt met
dit nevensgaande vaersje.
Hoe zou hier ook den naam van Soutman zijn verweegen,
Die door zijn kloek penseel zich heeft dien staat
verkreegen;
Zich heeft door zijne konst dien roem en eer bereyt,
Dat hy den Schilder is der Pruysche Majesteyt.
| | Hy is wel gezien geweest aan het Hof van Polen, en
was een stout en verdienstig Konterfytsel-en Historieschilder.
KOR
|
|
-ocr page 343-
| |
| KORNELIS SCHUT
| | Was ook een Student uyt de Hooge School van Rubens,
en gebooren tot Antwerpen. Hy was er ook Poeet by,
waar van hy veele proeven gaf in zijn poetische Ordonnantien.
Hy was een braaf Historieschilder, vol geest en
gewoel, doch wat los en wild, en daar by wat graauw
van koloriet. De Koepel van O. L. V. kerk tot Antwerpen
is by hem geschildert, ook heeft hy noch in die zelve
Hoofdkerk een schoon Altaarstuk geschildert, dat wel
getêkent, vry wel gekoloreert, en krachtiglijk is geschildert.
Daniel Zegers, den Bloem schilder der Jesuiten,
heeft zich veeltijds bedient van het penseel van Kornelis
Schut, om zijne Bloemkranssen te stoffeeren met aardige
Graauwtjes, en ook wel met gekoleurde beeldjes en andere
cieraaden. Hy gebruykte ook de Etsnaald zo wel
als het penseel, gelijk als blijkt uyt een groot getal geetste
Printen van zijn hand, die juyst zo vast van omtrek
niet zijn als die van Rubens of van A. van Dyk, maar
echter vol geest en weelig zijn geordonneert. Kornelis
de Bie zinspeelt in zijn Schilderboek op zijn Etskonst,
daar hy zijn lofdicht besluyt, met deeze twee regels.
Het werk betoont de daad, wat dient er meer gezeit?
De Drukpers wijst ook aan zijn konst vol aardigheit.
Den Grooten A. van Dyk heeft hem ook gekonterfyt, en
hy is by Houbraken op de plaat E gestelt, beneffens F. Snyders
en Johan Breugel.
SA-
|
|
-ocr page 344-
| |
| SAMUEL HOFMAN.
| | Die Schilder is gebooren te Zurich, en was een Pharheers
zoon. Hy kwam na de Nederlanden afzakken, om
zich met ziel en licghaam over te geeven aan den alomberoemden
Rubens, die hem aannam in genade, en zo
doortrok met zijne leerzaame lessen en met zijn voorbeeldelijk
gedrag, dat hy een braaf Schilder wiert, en zich
tot Amsterdam nederzette, en aldaar een Vrouw trouwde.
Van Amsterdam vertrok hy met zijn geheele huysgezin
na Frankfoort, alwaar hy veele Konterfytsels en deftige
Historiestukken maalde, en onder andere een groot
stuk op het Raadhuys aldaar. Eyndelijk kwam hem het
Flerecyn zo na dat hy het spel moest opgeeven, op het jaar
duyzent ses hondert en veertig. De Weduwe verreysde
na zijn overleyden weerom na Amsterdam, met haare
kinders, onder dewelke twee Dochters waaren, zeer aardige
Schilderessen.
JAN van HOEK.
| | Die Jan van Hoek was een Antwerpenaar, die vry gelukkig
was in zijn konst, en die ook dat geluk verdiende.
Toen hy de School van P. P. Rubens verliet, trok hy
na Romen, en van daar keerde hy te rug na Weenen,
alwaar den Aartshartog Leopold smaak kreeg in zijne
konst, en hem als zijn Edelman en Hofschilder mee nam
na de Spaansche Nederlanden, alwaar hy korts daar aan
stierf, in de kracht zijns ouderdoms, op het jaar duyzent
ses honder en vyftig.
MAAR-
|
|
-ocr page 345-
| |
| MAARTEN PEPYN.
| | Is een Tijdgenoot geweest van P. P. Rubens, en in
veele deelen geen minder Schilder, volgens de geloofwaardige
getuygenis van Rubens zelve. Daar wort gezegt,
dat den laast genoemden vry ontzet was toen hy hoorde
dat Maarten de zak docht te geeven aan Romen om over
te komen na Brabant, en aldaar zich neer te zetten. Doch
wanneer er korts daar na een tegenstrydig gerucht kwam,
dat Pepyn van voorneemen was verandert, en een romeynsche
Pels had gekocht in den Bontwerkers winkel van
Hymen, liet zich Rubens ontvallen; Dat hy nu geen vrees
had dat hem iemant zou overkraaien in de Nederlanden.
| | Wy hebben verscheyde Konststukken gezien van dien
Maarten Pepyn, en onder andere een Afdoening van het
Kruys, heerlijk getêkent, heerlijk geschildert, en heerlijk
van houding, gevolglijk driemaal heerlijk. Wy weeten
het jaar van zijn overlyden of zijn leevenswijze niet,
derhalven past het ons om er niets over te zeggen.
FRANS WOUTERS
| | Is een Liers kind geweest, gebooren op het jaar duyzent
ses hondert en veertien, en was ook een Leerling
van den geleerden P. P. Rubens, een groot Landschapschilder,
en een goed Figuurschilder in kleyne beelden,
inzonderheyt in naakte Vrouwkens, geen onaangenaam
gezicht al was het ook in het hartje van de winter. Den
Keyzer Ferdinand den tweede nam hem aan tot zijn
Hofschilder, doch na Londen oversteekende met \'s Keyzers
Afgezant, kreeg hy aldaar de tyding van deszelfs
over-
|
|
-ocr page 346-
| |
|
overlyden, zo dat hy moest omzien na een ander Meester. Hy wist
zich aldaar zo door zijn konst als door z ijn aangenaam gedrag in te
vlijen in de gonst van den Prins van Wallis, die hem in zijn dienst
nam als Hofschilder en als Kamerdienaar, beyde honorabele, of schoon
zeer verscheelende, Ampten. Na aldaar eenige jaaren te hebben
huysgehouden, keerde hy na Antwerpen, alwaar hy zich tot aan zijn
leevens eynde heeft opgehouden.
ERASMUS QUELLINUS.
| | Was mee al een Antwerpsche Sinjoor, gebooren in het
jaar duyzent ses hondert en zeven. In den beginne was
hy een Minnaar van de Wysbegeerte, die hy liet varen
om zich over te geeven aan Picturas bekoorlijkheden,
waar toe hy de beginselen dier konst ging leeren in de
beruchte School van P. P. Rubens. Hy is een groot
Schilder geweest, als blijkt uyt onderscheyde heerlijke
Historiestukken, dewelke als noch te zien zijn in de Brabandsche
Nederlanden, en in der Vorsten Paleyzen. Dat
hy is gestorven, is zo waar als waarschijnlijk; doch wanneer,
en waar, is ons onbekent.
ABRAHAM van DIEPENBEEK.
| | Dien Abraham is gebooren in de Hoofdstad van de Meyery,
tot \'s Hartogenbosch, en was in den beginne een van
de alderbeste Glasschilders, of Glasschryvers, gelijk als
men die plagt te doopen. Hy leerde de Schilderkonst by
P. P. Rubens, en wiert ten laatsten het Glasschilderen
wars, en om dat de stoffe waar aan die konst wort beteet,
zo bros is als de eer van een jong Meysje, en om
dat
|
|
-ocr page 347-
| |
| dat de beschilderde Glaazen in den oven moeten woren
gestooken, gelijk als een schild met Delfsche Krentekoekjes,
welk avontuur hem dikmaals mislukte in Italien,
zo dat hy het Glasschryven verwenschte, en zich
overgaf aan de Olieverwen; een konst die het groot Oogmerk
der Schilders beter voldoet, Eere en Schatten. Die
Diepenbeek was een onvermoeit Têkenaar, zijnde er duyzende
zo uytvoerige als losse Têkeningen in handen der
Nederlandsche en Brabandsche Liefhebbers, zo groote
Ordonnantien van Historien, Tekeningen voor Latynsche
Theses, voor Grafsteden, Altaarstukken, Tytels van
Boeken, Zinnebeelden, en wat zulks meer is. De plaaten
van het boek getytelt den Tempel der Zanggodinnen
zyn gemaakt na zijn Têkeningen, een werk wel gezien en
wel bekent by Konstbeminnaars. Wanneer en op wat jaar
dat hy gebooren en gestorven is, is ons onbekent, zo
veels te slimmer; maar wy zullen ons afscheyt neemen
van zijne assche met een vaersje dat J. van den Vondel
heeft gedicht op zijn Konterfytsel door hem zelfs geschildert,
en dat is weerom, zo veels te beter.
ONDER HET KONTERFYTSEL
VAN
ABRAHAM van DIEPENBEEK.
Dus têkende Abraham zich zelven naar het leeven.
Wy kennen hand en geest aan ommetrek en streek.
Zy vloeien evenrijk gelijk een DIEPE BEEK.
\'t Welschikken van natuur, aan weynigen gegeeven,
Is \'t veld waar in hy weyd met zijn begaaft penseel.
De
|
|
-ocr page 348-
| |
| De vond van \'s Mans vernuft ontziet geen zonnestraalen,
Noch zelfs Apelles oog; in Kerken en in Saalen,
Laat tuygen print en doek, en koorglas en panneel.
THEODOOR van TULDEN.
| | Was al mee een Student uyt die roemwaardige school,
die door zijn naarstigheyt in het schilderen en in het etsen
wel dee zien, dat hy een oog in \'t zeyl had op Geld en
op Roem, een paar vermoogende zeylsteenen voor de
Konstschilders. Hy schilderde veele Altaarstukken; maar
zijn neyging en zijn penseel helden voornaamelijk na
Boerekermissen, Bruyloften, Bootseryen, en alzulke
vrolijke voorwerpen. Ook heeft hy de Eere boogen geetst
na de Tekeningen van Rubens, welke Eereboogen by de
Overigheyt van Antwerpen wierden opgerecht, voor de
Intreede van den Kardinaal Infant, en in een groot Boek
uytgaan, verrijkt met zeer geleerde Latynsche Uytleggingen,
Medailles, en andere Cieraaden. Hy woonde tot
\'s Hartogenbosch; doch wy konnen niets van zijn geboorte
of van zijn laatste lot navertellen; maar wy zullen
ons wat wydloopiger verklaaren over den Tydgenoot
van P. P. Rubens, den beruchten Konstsschilder Abraham
Janszen.
ABRAHAM JANSZEN.
| | Waarlijk dien Abraham Janszen is een groot Man in
de Schilderkonst geweest, die in veele deelen voor den
grooten P. P. Rubens niet behoefde te wijken. Hy was
een Antwerpenaar by geboorte, doch wy vinden nergens
tot
|
|
-ocr page 349-
| |
| tot ons leedweezen, by wien hy heeft geleert, noch eenige
andere leevens byzonderheden. Hy schilderde Historien
met leevensgroote beelden, en inzonderheyt Altaarstukken,
waar van wy er verscheyde hebben gezien, en
een paar, dewelke noch heden konnen gezien worden tot
Antwerpen, zullen aanhaalen en ter loops beschryven.
| | Die twee Konsttafereelen zyn aldaar te zien in de kerk
van de Eerw. Paters L. V. Broeders, zo naauwkeuriglijk
getêkent, zo vriendelijk gekoloreert, zo heerlijk
geordonneert, en zo konstiglijk behandelt, dat de Konstkenners
op het eerste gezicht verstelt staan te staroogen,
onzeker aan wien dier beyde groote Mannen den gulden
appel toe te wijzen, aan P. P. Rubens, of aan Abraham
Janszen. Het eene stuk hangt boven het Portaal van de
groote deur, aan de rechter hand in het inkomen uyt de
Huyvetterstraat, en verbeelt, zo het ons wel voorstaat
de Maagd Maria met het kind Jesus, eene Ste. Cecilia
speelende op een Clavecimbel verzelt met veele heylige
Maagden, en eenige Engelen, krâkende van welgeplooyde
zyde stoffen en overvloeiende van ongemeene
hoofdhulsels; ja zo vriendelijk geschikt en geschildert,
als of St. Lukas en de Bevalligheyt beyden om strijd zijn
penseel hadden bestiert in de Ordonnantie en in de Uytvoering
van dat Konsttafereel.
| | Het tweede Tafereel is een Altaarstuk verbeeldende
eenen dooden Kristum, met de Marien, St.Jan en eenige
andere Discipelen, heerlijk getêkent en geschildert;
docn min luchtig als de bovengemelde Schildery, uytgezondert
een Drapery van goud laken waar mee Josef van
Arimathea is omhangen, zo schoon als natuurIijk goud
laken, en wonderlijk geplooit.
| | Dien Abraham zou een gelukkige leevensrol hebben
gespeelt op het Antwerps Schouwburg, indien hy niet
was
|
|
-ocr page 350-
| |
| was behebt geweest met de zonde des gevallen Engels,
met eene onbepaalde Heerszucht om zijnen Meester voorby
te rennen. Den naam en het geluk van Rubens verstrekte
aan hem tot een koppel Beulen om hem onophoudelijk
te pijnigen; en Rubens glorie was zijn val. Hy beriep
dien grooten Rubens eenmaal om tegens hem te schilderen
in duel; maar die belacghte als een wijs Man die
roekelooze uytdaaging, al ommers zo gefondeert als die
van den jonge Lausus aan den vroomen Eneas, en hy dee
hem zeggen; Dat als hy alle de Voorvechters van Rubens
zou hebben afgevochten, hy zich als dan zou verwaardigen
om teggens hem in het vechtperk te stappen. Die Voorvechters
waaren zijne Altaarstukken, die opentlijk in alle de
Brabandsche Kerken en in Hoofdgebouwen der Nederlandsche,
Fransche, Engelsche en Italiaansche steden zijnen
Naam uytdonderden, en zijne Eer verdêdigden tegens
alle aankomende Kampioenen.
Abraham Janszen ziende dat er niets voordeeligs voor
hem te hoopen was langs die kant, wende fluks het roer
over eenen anderen boeg, en offerde zijn persoon en zijn
konst op aan den God des Huuwelijks. Hy trouwde een
alderliefste jong Antwerps Sinjoorinnetje, dat waarschijnlijk
wel zo happig was na een Tweegevegt, als Rubens,
dat hem onophoudelijk op de slippen zat, zo dat den
vroomen Abraham naauwlijks een koppel uuren in de vier
en twintig wist uyt te vinden om zijne konst te oefenen.
Hy gooide dan eyndelijk het spel ook in de war, viel uyt
de naarstigheyt in de luyheyt, en ging dagelijks uyt speelemeyen
met zijn luchthartig Bazinneke, dan eens na
den * Dam, en dan weer na Burgerhout, na de schoone
Boerin,
* laatsen buyten Antwerpen, daar die Hannekes gaan smarotsen en
sneeren, gelyk zy het noemen.
|
|
-ocr page 351-
| |
| Boerin, na St. Bernards, na Hoboken, na de Markgraaven
ley, en na alzulke slamppampplaatsen, en geldverkwistende
Antwerpsche karavanseras. Die gelegendheden
namen de Uylen en de Muyzen waar, de eerste dronken
den lynolie bak leeg, en de laatste vernielden zijn penseelen,
zo dat den Schilder by gebrek van materiaalen
met een goed gewisse zich dagelijks kon gaan diverteeren.
In \'t kort den Schilder wiert zo arm als een Muziekant,
en echter teerde en smeerde hy zo lang als er een
stuk aan de wand hing; dat zo lang duurde tot dat de Dood
er zijn zeys tusschen instak, en den Konstenaar eyndelijk
zo schatrijk uyt de Antwerpsche weerelt tuymelde, als
hy er was ingekroopen.
THEODOOR ROMBOUTS.
| | Al wederom een Antwerps Akteur op het tonneel der
Schilderkonst; een Man die zich in navolging van zijnen
Meester Abraham Janszen, kreupel en krom heeft gereeden
op het paerd van Glorie; voor de rest een Konstenaar
die heerlijk koloreerde en schilderde, en die een ontzaglijk
Meester is geweest in grootsche Historiestukken.
Hy trok op het jaar duyzent ses hondert en zeventien na
Romen, om in die kweekschool der vrye Konsten proeven
te geeven van zijn vroege bekwaamheden. Hy ontmoete
aldaar gelukkiglijk een Edelman, die hem een
dozyn Schilderyen uyt het Boek der Schepping liet ordonneeren
en schilderen, waar door hy geen gemeenen
opgang maakte; zo dat het hem naderhant niet veel arbeyd
koste om zich in te vleyen in het Hof en in de Achting
van den Groot Hartog van Toskanen. Die Vorst
gebruykte hem in veele groote werken, en begenadigde
hem
|
|
-ocr page 352-
| |
| hem met zo veele weldaden, dat Theodoor Rombouts kwam
afzakken na zijn Geboorte plaats Antwerpen, belaaden
met eere en met rykdommen. Zo dra had hy zijn gelaersde
voeten niet gezet op den Antwerpschen bodem, of hy
zette kwaad bloed tegens den vermaarden P. P. Rubens,
en tegens zijne konst, hy kon niet dulden dat iemant dien
Konstschilder prees, zijnde doorgaans dan het eerste
woord; Bai God! hai en heet niemendal, of hai moet het
met main partaseeren. Het is ook waar dat hy nooit beter
schilderde dan in de hitte van dien yver, gelijk als
men kan goedmaaken uyt die wonderlijke Schilderyen van
dien St. Francis, daar hy de vyf wonden des Heeren ontfangt,
de Offerhande van Abraham, en het Konterfytsel
van de Godes der Gerechtigheyt, welk Tafereel te zien is
in de Saal van de Overigheyt der stad van Gent. Het
is een bekende waarheyt, dat indien hy den grooten Rubens
niet evennaarde, hy hem ook geen morgen lands breete
behoefde te wyken: maar het is ook waar dat hy veeltijds
zijne uuren verleuterde met het schilderen van Herbergs
lichtmisseryen, en met Dekoratien van Marktdoktooren,
by de Stads Doktooren gedoopt Kwakzalvers en
Vagabonden; alhoewel er geen grooter onderscheyt is
tusschen een stads Geneesheer en een Kwakzalver, dan
dat den eerste de Borgers en den tweede de Boeren depecheert;
dat den Medecijn zijn rol speelt in een voor
den regen en wind overdekte Kamer, daar den Lapzalver
de zijne laat afloopen onder den blooten Hemel; en
dat den Doktoor in een Kietsje met een paerd zijne
agoniseerende Lyders reyd bezoeken, en den Kermispraktizijn
op zijne voeten zijne hulpmiddelen loopt uytdeelen
aan de Patienten. Doch die voorgaande stukjes behandelde
Rombouts zo aardiglijk, dat dezelve ruym zo
hoog in prijs zijn gesteygert als zijn Altaartafereelen, en
noch
|
|
-ocr page 353-
| |
| noch wel zo wel by de Konstkenners gewilt worden als
zyne andere schilderyen.,
| | Dewijl onzen heerszuchtigen Theodoor nu zo wel als
Rubens groote sommen opgroef met de spa van zijn konstpenseel,
begeerde hy dien Konstenaar gelijk te worden
in het bouwen Van een schoon Huys, dewijl hy geen kans
zag om hem te overkraaien in het schilderen van een konstrijk
Tafereel. Hy begon dan ook een heerlijk Huys aan
te leggen binnen Antwerpen; maar hy begon die Onderneeming
zo onbedachtlijk, en hy nam zijn maatregels zo
kwaalijk, dat toen er niet veel te doen viel in het schilderen
door den opborrelenden oorlog, hy zich genootzaakt
zag in spijt van zijne glorie, om het bouwen van
zijn Spaans kasteel te staaken. Hy erkende zijn dwaaling
vry laat, en ziende dat zijn achting ingewikkelt was
in die mislukte onderneeming, dee hy kwansuys uytstrooijen,
dat hy opontboden wiert by den Groot Hartog
van Toskanen, om eenige aanmerkelijke werken te
Schilderen voor die Hoogheyt, en hy gaf voor van die
reys eerstdaags te zullen vervorderen, toen de Dood die
verdichte reys met zijn knipschaer separeerde. Hy stierf
uytgeput door \'t chagrijn, op het jaar duyzent ses hondert
en veertig, grooter Konstschatten als tijdelijke rykdommen
nalaatende; en hy wiert begraaven in de kerk
der Karmelieten, binnen Antwerpen,
GASPAR de CRAIJER.
| | Die grooten Konstmaaler wiert gebooren tot Antwerpen,
op het jaar duyzent vyf hondert vyf en tachtig.
Hy was een Discipel van Raphael Coxie, woonachtig te
Brussel; doch hy is dien Meester zo ver vooruyt geschooten,
|
|
-ocr page 354-
| |
| ten, als een blanke Leksnoek een Ysselstynsche Meeraal
vooruyt schiet, gelijk als zijne Altaarstukken tot Brussel
en in de voornaamste Brabandsche en Vlaamsche steden
dat bewijzen. Hy had zich een byzondere schoone en
lieffelijke manier aangewend, die hem zeer voordeelig is
geweest in het verzamelen van een grooten naam en van
geene geringe middelen. Veele Abdyen heeft hy door
zijn Konstpenseel verrijkt; en onder andere ziet men in
de Abdy van Vicoigne vier Tafereelen van vyftien voeten
hoog, gezet in marmere lysten; en voor de Abdy
van St. Denys buyten Bergen in Henegouwen, schilderde
hy de Marteldood van St. Denys, welke Heylig na
zijne Onthoofding zyn hoofd met de handen heeft gevat,
waar van de oogen schynen te beweegen, zo eene
ongemeene leevendheyt wist hy te geeven aan alle de ledemaaten.
In de Hoofdkerk van Sinte Gudula zijn verscheyde
Altaatstukken van hem te zien: en inzonderheyt
is er een heerlijk Tafereel van hem in de Kerk van St. Katharina
te Brussel, genaamt het stuk van de vier gekroonden,
dat alles overtreft dat hy ooit schilderde. De Kuykenseeters
van Brussel vertellen by Overlêvering, dat den
grooten P. P. Rubens dat Altaarstuk ziende, uytgalmde
in die eerste verrukking; Crayer Crayer! geen konstpenseel
zal ooit dat heerlyk stuk overkraaijen.
| | In de vermaarde Vrouwen Abdy van Nazareth, buyten
Lier, zijn ook verscheyde groote stukken van dien
Gaspar de Crayer, alle de beelden leevensgroote. Ook
ziet men tot Gent veele roemwaardige Tafereelen; en
voor al staat er een schoon Altaarstuk van dien Konstenaar
in de voornaamste Kerk binnen Ostende, waar op
hy de Visschery van St. Peter heeft afgebeelt.
| | Zijn voornaamste verblyf was te Brussel, en daarom
zijn er meer Schilderyen van hem in die Hoofdstad alleen,
als
|
|
-ocr page 355-
| |
| als in alle steden thans der Oostenryksche Nederlanden.
Maar het alderschoonste stuk dat hy schilderde, is het
Konterfytsel van den Kardinaal Dom Ferdinand, leevens
groote en tot de voeten toe uytgeschildert, dat overgezonden
wiert aan zijn Broeder, den Koning van Spanje.
voor dat Konterfytsel, behalven de Hoofsche komplimenten
die wy niet eens tellen onder de Belooningen,
kreeg hy een wigtige goude keten verzelt met een Medaille
van het eygen metaal, beneffens een braaf vastgestelt pensioen
voor zijne overige dagen.
| | Geen van onze Autheuren spreekt een Spaans woord
van zijn Overlyden, zo dat wy dat ook niet willen
klappen.
DIRK RAFELSZ. KAMPHUYZEN.
| | Wy bekennen openhartiglijk nergens te hebben geleezen
van dien Schilder, zo dat wy hem ter goeder trouwe
zullen kopieeren uyt Arnolds Houbrakens Groot Schouwburg
der Nederlandsche Schilders, die schryft dat hy is
gebooren, op het jaar duyzent vyf hondert ses en tachtig.
Ondertusschen zullen wy den leezer adverteeren,
dat wy zullen blyven by onze schryfwijze, beter ofte
slimmer zullen wy ons niet bekreunen.
Zijn Vader, Rafel Kamphuyzen, was een Heelmeester
afkomstig uyt een adelijk geslacht, en by een iegelijk
wel gezien, zo wegwns zijn hups gedrag, als oordeel in
de Geneeskunde; en zijne Moeder, (wiens Vader Hans
van Mazeyk genaamt, een Gorkums Koopman is geweest,
en om de waare Godsdienst wiert onthalst) was onder de
Doopsgezinden vermaart wegens haare zonderlinge godvruchtige
leevenswijze. Die Moeder stierf, toen Dirk
Rafelsz. Kamphuyzen pas het achtste jaar had bereykt,
wor-
|
|
-ocr page 356-
| |
| wordende korts daar aan opgevolgt by zyn Vader. Zyn
oudsten Broeder die getrouwt was, en des Vaders winkel
waarnam als Chirurgyn na zijn Overlyden, zag dat er
een groote geest stak in zijnen jongsten Broeder, en dat hy
geneygt scheen om de Schilderkonst te leeren, derhalven
bestelde hy hem by den Schilder Diderik Goversze, by
wiens Onderwijs hy zo veel vorderde, dat hy hem niet
alleenlijk naby kwam, (zegt Meester Arnold) maar ook in
de konst te boven ging; en dat zullen wy niet betwisten.
Den voornoemden Arnold zegt, eenige stukjes van dien
Schilder gezien te hebben, bestaande in Boerestallingen,
en in Landschappen met beelden, koeien, paerden,
&c. beneffens eenige Maaneschijnen. Ook berusten
er noch sommige van zijne Tekeningen, waar in hy zonderling
uytstak, onder zijne Vrienden. Tot aan zijn achtiende
jaar oefende hy de konst, waar na hy zich begaf
tot het leeren van Taalen, waar in hy zo boovenmaate
vorderde, dat als den Heere van Langerak en Nieuwpoort
tot Leyden zich kwam informeeren by de Heeren
Professooren, Of zy niet een bekwaam persoon kenden,
aan wien hy het opz.icht mocht betrouwen over zijne Kinders,
den Hooghleeraar Arminius daar toe onzen Kamphuyzen
inzonderheyt aanbeval, gelijk als hy ook in dien
dienst trat, en zich daar in zo wel gedroeg, dat dien
voornoemden Heere hem aanstelde tot zijn Sekretaris.
| | Ondertusschen oefende en bevlytigde hy zich naarstiglijk
in de studie der Godgeleerdheyt, en wel bespraakt en
van een deugdelijk leeven zijnde, overreeden hem zijn
Vrienden, om zich van dat Ampt en van dien dienst te
ontdoen en zich alleenlijk aan te leggen tot het Prediken,
welken raad hy opvolgde en hem ook gelukte.
Want na dat hy eenige reyzen de Beurtpreeken van den
Predikant den Heere Taurinus had waargenomen in de
Dom-
|
|
-ocr page 357-
| |
| Domkerk tot Uytrecht, verkreeg, hy een vasten Dienst
tot Vleuten, in het Sticht, by de voorspraak van de
Heeren van Ledenberg en Langerak.
| | Hier nu laat Arnold Houbraken den zot uyt de mouw
springen, en hy valt de Heeren Predikanten op het onvoorzienst
op \'t lijf, met de volgende zeedekundige Zinspreuk.
Altoos te vaaren voor wind en stroom is maar zelden
het lot der Vroomen, zegt hy, en dan komt hy uyt
den hoek kruypen met dit kinderachtig Sprookje.
| | Het gebeurde op een ochtenstond dat als Kamphuyzen
in zijn Boekvertrek zat, er een verschikkelijken Uyl met
een groot gedruys kwam aanscheeren, die in den beginne
zich voor zijn glasraam posteerde. Voor de tweedemaal
hervatte dat dier den storm, en drong met gewelt
door de ruyten in de Studeerkamer, alwaar het zich nederzette
op den Lessenaar, en den ontstelden Prediker
fellijk aankeek met opgespalkte blikken. Hy, ofschoon
daar over vry wat ontzet, greep echter moed, en greep
in dat moed grypen den Uyl by den kraag, en wierp
hem zo zacht tegens de wand dat hy de moord stak.
Na het verrichten van die heldendaad bezag hy den Verslaagen
voor een poos, vatte hem toen op, en droeg hem
toen na beneden, om dat Monster aan zijne Huysvrouw
te Vertoonen, die maar passelijk geplaisiert was met die
avontuur, en vreesde dat zulks niet veel goeds beduyde.
Ook was dat Voorval een voortêken, (schryft hy, kwansuys
onder den naam van een naamloos Schryver) dat de
Kerkuylen hem, teweeten Kamphuyzen, zouden plaagen,
gelijk als ook gebeurde binnen korte dagen. Want daar
wiert een Verbod afgekondigt, waar in aan Kamphuyzen,
en aan alle die Liefhebbers die zijne gevoelens beleeden,
den dienst van het Prediken, benevens het onderwijzen
of leeren in Huyzen, Schuuren, of in het open Veld,
wiert
|
|
-ocr page 358-
| |
| wiert geinterdiceert, op de verbeurte van lijf en goederen,
en zo voorts; waar op hy \'t zedert als Balling
hier te lande elders heeft moeten omzwerven, en in
groote bekommerdheyt zich by deeze en geene Vrienden
loopen verschuylen. Waarom ook Lambert Jakobsz,
beyde een Konstschilder en Predikant te Leeuwaarden,
hem raade, voor een tijd het prediken te staaken, en zich
tot eenig ander borgerlijk beroep of winkelneering te begeeven.
Doch zijn Yver was al te groot om naar dien
raad te luysteren, als die zich niet ontzag om het gevaar,
dat hem nascharrelde op loode schoenen, te vertrotsen.
En hoe gevaarlyk dat het op die tyd gestelt was met
de Arminiaanen blykt uyt een staaltje; dat zyne Vrouws
Moeder die tot Dordrecht woonde zwaarigheyt maakte,
om hem maar voor eenen nacht te herbergen, bevreest voor
een oproer onder de Gemeente, zynde het alzo gevaarlyk
een Remonstrant als een Gedrocht te herbergen. Tantum
potest præjudicata opinio, dat is, Zo veel vermag het
Vooroordeel, zegt Cicero, en schryft Houbraken. Dat den
eerste het heeft gezegt wort gelooft; doch dat den laatste
ooit dien Autheur in zyn eygen taal heeft verstaan of
geleezen anders als door de oogen van een dooden Schoolmeester,
zal niemant gelooven.
| | Die Dirk Rafelsz. Kamphuyzen heeft eenen zoon nagelaaten,
die ook een Schilder is geweest, maar van den
laagsten rang, zegt Arnold Houbraken. Ook verwondert
hy zich, dat dien Vader geen afkeer tot die konst
kon te weeg brengen in den zoon, die alle menschen van
die konst poogde af te rukken, te meer daar hy aldus
rymt over die adelyke oefening.
Beeldryke Schilderhand, naaapster van Gods hand,
U w wil ik door gedicht afmaalen voor \'t verstand;
Ver-
|
|
-ocr page 359-
| |
|
Verleydster van \'t gezicht, dat zich verstaat op \'t sterflijk, Uw
toversche vergif is mee al ziel verderflijk.
KORNELIS POELENBURG
.
| | Die Konstenaar is gebooren tot Uytrecht, op het jaar
duyzent vyf hondert ses en tachtig, en hy trok al by
tijds na Romen om al vorder en vorder te komen tot dien
trap der volmaaktheyt, die deszelfs Bezitter vergult en
Vereert. Hy was vry wel in zijn schik met de manier van
Elsheimer, zo dat hy toeley om die te volgen; doch korts
daar aan veranderde hy van smaak, en nam voor de zachte
en vriendlijke wijze van Raphael d\'Urbin te achterhaalen,
en byzonderlijk in zijne naakte beelden. Maar die
vlieger ging mee al niet lang op, zo dat hy zich eene byzondere
schilderwijze aanwende, en voorts zich naarstiglijk
oefende na het leeven, waar door hy zo ver opklom,
dat hy niemant zijner Tydgenooten behoefde te wyken in
eene malsche en tedere behandeling van naakte figuuren
der beyde Sexen, in vrolyke verkiezingen, geestryke byvoegsels
van oude ruynen, aardige Landschappen, en
dunne en heldere luchten; alle welke eygenschappen niemant
kan of durft ontkennen.
| | Wy hebben honderde schoone, doch meest kleyne
Konststukken van dien Poelenburg gezien, maar nergens
by een particulier Liefhebber een grooter getal. gevonden,
als by Jaques Meyers, een Koopman tot Rotterdam, die
er een kleyn Kabinet mee had behangen. Ook staat het
ons voor eenen Kersnacht van dien Meester Kornelis te
hebben gevonden tot Middelburg in Zeelant, in het Konstkabinet
van den Heere Grenier, zijnde dat Tafereel een
meester-
|
|
-ocr page 360-
| |
| meesterstuk van dien Schilder. Hy is een voorbeelt van
naarstigheyt geweest, en dat is al iets zeldzaams onder
de Stichtsche Schilders, want men komt zeer zelden een
Konstkabinet van Schilderyen te zien, waar in men niet
een a meer stukken van zijn hand zal vinden. Wedergekeert
zijnde in zijn Vaderlant, wiert hy ontboden by Karel
den eerste, Koning van Engelant, voor welken Vorst hy
verscheyde Kabinetstukjes penseelde, waar voor men
hem rykelijk beloonde. Uyt Londen stak hy weerom over
na Uytrecht, alwaar hy zyne overige dagen doorbrocht,
in rust en in vreede, en stierf op het jaar duyzent ses hondert
en sestig, oud vier en zeventig jaar; maar weynig jaaren
na het overlyden van zyn eersten Leermeester, Abraham
Bloemaart. Zyn Konterfytsel staat boven aan op de
Plaat G, na by een nis met naakte Vrouwtjes, uyt welke
voorwerpen hy eere en middelen wist op te winden,
daar in tegendeel veele andere schande en armoede uyt
komen op te delven.
| | Johan vander Lis, een Bredanaar, telt men onder zyne
beste Leerlingen. Die Schilder volgde zo naauwkeuriglyk
de manier van Poelenburg, dat er de Konstbeursesnyders
de ligtgeloovige Liefhebbers noch dagelyk mee
bedriegen.
| | Daniel Vertangen schilderde mee op die zachte wyze
van Kornelis Poelenburg, en maalde bevallige Valkenjagten,
baadende Vrouwtjes, en danssende Bacchanten,
gestosfeert met vrolyke en welbehandelde Landschappen.
| | Francois Verwilt, een Rotterdammer, gebruykte die
eyge manier in zyne naakte Beeldjes, als onzen voornoemden
Meester Kornelis; doch hy overtrof zynen Leermeester,
Kornelis de Boio, in de ruynen, en in de Landschappen.
Dien
|
|
-ocr page 361-
| |
| | Dien trant Volgde mee Warnard van Rysen, gebooren
te Bommel, eer dat hy de romeynsche lucht had gerooken.
Doch die Schilder gaf korts daar aan de Schilderkonst
den bof, en vertrok naar Spanje, daar hy een Juwelier
is geworden, en tusschen de bouten van Ormus en
van Goas kleynodien is gestorven.
| | Noch heeft die Poelenburg tot een Leerling gehad een
Neef, Willem van Steenree, die de konst by hem leerde:
doch het is.ons niet bekent of hy er diep in vorderde.
ALEXANDER KIERINGS
| | Was een Tyd-en Konstgenoot van Kornelis Poelenburg.
Hy was een braaf Landschapschilder, maar op zyne handeling
en têkening van menschen of dieren viel niet veel
te stuyten; en daarom gebruykte hy meestentyds Poelenburg
om zyn Landschappen met figuuren te stoffeeren.
JORIS van SCHOTEN.
| | Dat de Natuur een goede Leermeestresse is, is geen geheym
aan de Schilders en aan de Vrouwen. Die Joris wiert
gebooren tot Leyden, op het jaar duyzent vyf hondert
zeven en tachtig, en gaf al vroeg overtuygende blyken
van zyne liefde tot de konst, als die in de school zyn
schryfpapier met katten en honden bekrabbelde, in stee
van het te beschryven met schrift, waar door hy dikmaals
een goede handvol vermaaning kreeg van den Schoolmeester.
Eyndelyk bestelden zyne Ouders hem by eenen
Koenraat van der Maas, een goed Konterfytselschilder,
by wien hy zo veel vorderde, binnen den tyd van drie
jaa-
|
|
-ocr page 362-
| |
| jaaren, dat hy pas tot de twee kruysjes van den trap der
Jeugd opgeklommen zynde, kon flodderen op zyne eyge
wieken. Toen bekroop hem de reyslust om eens over
te vliegen na Duytslant en na Italien; maar zyne Ouders
staaken een stok in het wiel van die Postcheese, en hielpen
hem aan \'t wyf, waar door hem de reyslust ontschoot,
en hy zich in ernst neerzette in Leyden. Hy schilderde beyde
Historiestukken en Konterfytsels, waar van er noch eenige
op den Doelen tot Delf konnen gezien worden.
JAKOB ERNST THOMAN.
| | Die Konstenaar wiert gebooren tot Hagelstein, op het
jaar duyzent vyf hondert acht en tachtig, en omarmde
van de luyeren af de Schilderkonst, dewelke hem minnelyk
ontfing en tederlyk begonstigde. Hy vertrok na
Italien in de volgende Eeuw duyzent ses hondert en vyf,
slwaar hy het Italiaans spreekwoort, Die zich ergens wel
bevint moet er blyven, werkstellig maakte, want hy hielt
vyftien achtereenvolgende jaaren post tot Romen, Genua,
Napels &c. Hy verkoos inzonderheyt tot zyn gezelschap
de beruchte Schilders, Adam Elsheimer, Pieter
Lastman, en Jan Pinas, die dagelyks voor dag en douw
oprees om de vermaakelyke landgezichten te gaan natêkenen.
| | Na het Overlyden van A. Elsheimer vertrok hy na zyn
Vaderlant, om aldaar het verlies van zo een goeden
Vriend te eerder te verzetten. Hy schilderde zo naauwkeuriglyk
op den trant van dien gemelden Konstschilder,
dat veele van zyne Tafereelen zyn aangezien geworden
voor die van Elsheimer. Hy stierf in \'s Keyzers dienst als
Opzichter over de Leeftogt tot Landau, op den tweede
van
|
|
-ocr page 363-
| |
| van de Wynmaand, des jaars duyzent ses hondert drie
en vyftig.
PIETER FEDDES.
| | Die Man was een gebooren Harlinger; doch A. Houbraken
weet niet te zeggen of hy een Glas-of een Tafereelschilder
is geweest; ook is hem niets bekent aangaande
zijne konst of leevenswyze, zo dat wy daar niet veel
over zullen Papegaayen. Alleenlijk ziet men een Palet
en Penseelen op den boord van zyn Konterfytsel, waar
onder staat Petrus Feddes Pictor, en het jaar duyzent
ses hondert en vyftien; en op die kopere getuygenis
plaatst Meester Arnold hem onder de Schilders; en wy
zullen hem die plaats niet ontneemen, maar hem optellen
onder de Konstenaars van de vyftiende Eeuw. Ook
gaan er verscheyde geëtste Printen van hem uyt, getê-
kent, P. Harlingensis.
HENDRIK TERBRUGGEN.
| | Die groote Konstschilder was een Overysselaar, en
wiert gebooren op het jaar duyzent vyf hondert acht en
tachtig. De reden dat sommige Historieschryvers hem
Uytrechtsman noemen, is, dewyl zyn Vader ten tyde der
oproeren en vervolgingen uyt Overyssel de vlugt nam naar
Uytrecht, en zich aldaar neerzette, en \'t zedert aldaar
met zyne Familie bleef woonen, gelyk als ook zyne kinders
deeden, uytgezondert een zoon zoons Meester Hendrik
Terbruggen woonachtig in \'s Gravenhage.
| | Na dat Hendrik Terbruggen de vaste gronden der Teken
en Schilderkonst had geleert by Abraham Bloemaart,
trok
|
|
-ocr page 364-
| |
| trok hy de reysschoenen aan, de naasten weg om te vorderen
in de Schilderkonst, in de Welleevendheyt, en in
de Kennis der Taalen. Hy doorreysde veele landen, tot
dat hy eyndelyk aan den Tyber belande, welke luchtstreek
hem zo wel beviel, dat hy er zich tien jaaren lang
heeft opgehouden. In die Hoofd stad van Italien gaf hy
onderscheyde blyken van zijne bekwaamheyt in de Schilderkonst,
en voornaamelijk schilderde hy te dier plaatse
veele heerlijke Historieschilderyen. Te Napels vertoont
men noch heden een heerlijk Altaarstuk van dien grooten
Hendrik, in de Parochiekerk; alhoewel dat Tafereel
kan voor ongemerkt doorgaan, dewyl hy daar op zijnen
Naam niet heeft gestelt, gelijk als hy dat ook op veele
andere Tafereelen heeft nagelaaten, alzo hy oordeelde
dat zijn vloeient penseel zelfs moest spreeken, en den
Konstenaar aanwijzen.
| | Daar is een uytmuntent stuk van hem te zien tot Middelburg,
ten huyze van den Heere van der Streng, in
zij n leeven Ontfanger Generaal &c. verbeeldende een
vrolijke maaltijd, vol leevensgroote beelden. Noch hebben
wy een heerlijk Konsttafereel van dien grooten Meester
zien hangen tot Delf, by den Juwelier Verbruggen,
dat ook wel onder de beste soort mag geplaatst worden.
Den groote Rubens beademde ook het Nederlands Spreekwoort,
De Stem des volks is de Stem des Heeren, want
die prees zijne konst na waarde, toen hy een speelreys dee
na de Nederlanden, om de op die tijd verdienstige Schilders
te bezoeken.
| | Eyndelijk volgde hy de voorige Overvliegers, van St.
Lukas, en hy stierf op zijn twee en veertigste jaar, in
de Eeuw duyzent ses hondert negen en twintig, als wanneer
zijn lysbus met dit navolgent Grafschrift wiert bestooken.
Hier
|
|
-ocr page 365-
| |
| Hier leit TER BRUGGEN, door de Doot
Verrast en overrompelt:
Van \'t dierbaar levenslicht ontbloot,
In \'t duyster graf gedompelt,
Daar \'t vleesch vergaat tot stof.
Doch echter blijft zijn lof
Van \'t geen hy heeft bedreven,
Ten spijt der Afgunst leven.
| | Dat Grafschrift komt uyt op die uytdrukking, waar
van zich den Schilder A. vander Werf bedient, tot geruststelling
van den Heere Richart ter Bruggen, in een
brief gedateert uyt Rotterdam, op den achtiende van de
Grasmaand, des jaars duyzent ses hondert en zeven, alwaar
dien Ridder zich aldus laat hooren. Braave Schilders
hebben dit tot hun voordeel, dat hunne werken de geheele
Weerelt doorwandelen, en derhalven altyt voor hun
spreeken, &c. Het lust ons thans niet om die ridderlijke
Zinspreuk te toetsen aan de proef der Ervaarendheyt,
alhoewel wy in staat zijn om te konnen aantoonen, dat
veel Schilderyen deerlijk het hoofd stooten wanneer zy
zich begeeven buyten een zekeren Omtrek; doch wy willen
ons voor als tegenwoordig niet begeeven op dien uytgestrekten
historieschen Oceaan, maar veel liever de leevensloop
van een ander befaamt Konstenaar ontginnen.
PIETER BRONKHORST.
| | Is gebooren tot Delf, op den sestiende van de Grasmaand,
des jaars duyzent vyf hondert acht en tachtig.
Hy verkoos niet het gemakkelijkste, maar het zwaarste,
niet het vrolijkste, maar het droefgeestigste, niet het maalen
|
|
-ocr page 366-
| |
| len van vrolijke Landschappen, gestoffeert met baadende
Nymfen en met dartelende Bosgoden, maar hy schilderde
Tempels en Bedeplaatsen, gestoffeert met beelden der
beyden Sexen. Onder anderen is hy berucht wegens twee
Schilderyen, waar van het eene is geplaatst in de Vierschaar
op het Raadhuys der stad Delf, een groot en wel
geordonneert stuk, dat het Paleys verbeelt, waar in den
Koning Salomon zo loffelijk zijn aldereerste Vonnis uytspreekt.
Het tweede stuk is te zien by zijn zoons Weduwe,
zijnde den Tempel waar uyt den Zaligmaaker de
Koopers en de Verkoopers uytbonst. Hy hemelde op den
een en twintigste van de Wiedemaand, des jaas duyzent
ses hondert een en sestig, om plaats te maaken voor den
kluchtigen
ADRIAAN van der VENNE.
| | Die knaap is mee een Porcelijnkind, gebooren tot Delf,
op het jaar duyzent vyf hondert negen en tachtig, uyt
zeer vermoogende Brabandsche Ouders, zo wy ons durven
gedraagen aan de getuygenis van den dichtkundigen
Historieschryver der Schilders, den Lierschen Kornelis de
Bie. Hy leerde de Latynsche taal in zijne eerste jeugd,
en die taal gaf hem eene aanleyding tot het leezen van
Poeeten, die hem zulke geestrijke Denkbeelden inbloezen,
dat hy er verscheyde van ordonneerde, tekende, en
schilderde. Zijn eerste Meester was een Goudsmid en
Schilder, woonachtig tot Delf, genaamt Simon de Valk;
en van daar deed hy een sprong by een tweeden Schilder,
Hieronymus van Diest, een braaf Konstenaar in het
schilderen van graauwe beelden, die hem zo ver brogt dat
hy kon flodderen op zijne eygen wieken.
Hy
|
|
-ocr page 367-
| |
| Hy heeft veel geschildert, als blijkt uyt honderde eenkleurige
stukjes, wel gekent en ook wel gewilt by de
Konstkenners, al te veel in getal om dezelve in het byzonder
aan te haalen. Onder andere konterfyte hy het
Stamhuys van de Prinssen van Oranje; en hy schilderde
onderscheyde Tafereelen voor den op die tijd regeerende
Koning van Denemarken, en voor veel andere machtige
Heeren en vermoogende Koopluyden. Onder veele
andere stukken schilderde hy een Schildery lang twaalf
ellen, voor een Poolschen Graaf, op welk stuk hy den
beruchten Veldslag van Vlaanderen had gemaalt, een
schoon en welgeordonneert Tafereel.
| |
Daar en boven was Adriaan van der Venne een zinrijk
Dichter, welke eygenschap men al ommers zo klaar ziet
doorstraalen in zijne Ordonnantien, als in zijne Schriften.
Zijne Dichtkundige gedachten kan men in printkonst
zien in de zo dikmaals herdrukte Rijmen van den
Ridder Kats; ook zijn de navolgende Boeken by hem
opgestelt en berijmt, Zinnevonk op den Hollandschen Turf
&c. Zinnedroom op het nieuw Wys Mal van den ouden Italiaanschen
Smid, &c. en het Tafereel der belacghende Weerelt. De uur en tijd van zijn Overlyden is ons
onbekent, derhalven past het ons er van te zwijgen, en plaats te
maaken voor een ander Schilder.
JOHANNES TORRENTIUS
.
| | Die Konstschilder is gebooren op het jaar duyzent vyf
hondert negen en tachtig, en hy was geen onvermaart
Schilder in uytvoerige naakte beeldjes, konstiglijk geordonneert,
en verstandiglijk behandelt. Maar zijne konst
was verzelt met eene Maar, dat is, zijne Ordonnantien
waa-
|
|
-ocr page 368-
| |
| waaren meestentijds geschoeit op den leest van Pietro Aretino,
met wiens Denkbeelden Romeyn de Hooghe, Arnoldus
Verbuys, le Sieur Boitard, en alzulke Zwavelpriemen
des Satans zich meesterlijk en beestelijk hebben
beholpen. Ten laatsten maakte hy het zo grof dat er de
Overigheyt mee wiert bemoeit, die er de zwaare hand
opley, en hem in hegtenis dee neemen: doch alhoewel
de tegens hem ingebrogte bewijzen zonneklaar waaren,
echter weygerde hy schuld te bekennen, waar door hy
wiert veroordeelt tot de pijnbank, op de navolgende Beschuldigingen.
| | Dat hy de gantsche Weerelt poogde te ontstichten en
te verleyden, door zijne onbeschaamde, ontuchtige,
en verdoemelijke Schilderytjes.
| | Dat hy heymelijke Sluypvergaderingen had opgerecht,
om de Vrygeestery voort te planten.
| | Dat hy leerde dat den Zaligmaker Jesus Kristus besmet
was met de Erfzonde, en zo voorts.
| | En dat hy geene achting betuygde voor de Goddelijke
of voor de Menschelijke wetten; maar de Gemeenschap
der Vrouwen vaststelde, en de beyde Sexen liet
onder malkanderen loopen als de Dieren.
| | De Overigheyt van de stad Haarlem beval dien eerloozen
Konstschilder op de pijnbank te leggen, waar op hy
zo strengelijk wiert getortureert, dat hy te rug gebrogt
zijnde in zijn kot de moord stak; waar op alle de goddelooze
stukken die er van zijne hand te vinden waaren,
wierden opgezogt, en door Beuls handen verbrant, op
het jaar duyzent ses hondert en veertig. Zijn Konterfijtsel
staat op de plaat G, achter den beruchten Bloemschilder
Daniel Zegers, die wy thans zullen oproepen.
DA-
|
|
-ocr page 369-
| |
| DANIEL ZEGERS .
| | Die Konstschilder is een Antwerps kind, gebooren op
het jaar duyzent vyf hondert en negentig, Hy leerde de
konst by den vermaarden Jan Breugel, bygenaamt den
Fluuweelen Breugel, wiens leeven wy zullen laaten volgen
op deeze tegenwoordige beschryving; want daar is
min gelêgen aan de tijdkunde der Schilders, als er gelegen
is aan eene schilderachtige beschryving hunner Konsttafereelen,
en aan eenige leerzaame, of vermaakelijke
leevens byzonderheden dier Mannen. Hy trat in de geestelijke
Orde der Jesuieten, doch niet als een Pater, maar
als een Leek, alhoewel hy doorgaans wiert, en noch Pater
Zegers, wort gedoopt, doch dat geschiet ten opz ichte
van zijne konst, en uyt gonst. Zo dra was hy niet gekropen
door het Novitiaat, of hy greep het Palet en de
penseelen weer op, waar mee hy de Kloosters der Ignatiaanen
te Brussel en tot Antwerpen, meer heeft weeten
te bevoordeelen, als veele van die Eerwaarde Societeyt
hebben gedaan, met het ontrusten van Rijken en van Staaten.
Zijne Overstens,die van alle hout pylen weeten te maaken,
schikten hem na Brussel, alwaar hy in de Kerk van
zijne Orde die Landschappen maalde, die men noch kan
zien boven de Biechtstoelen dier Religieuzen, verbeeldende
eenige Geschiedenissen dewelke die Societeyt betreffen,
byzonderlijk voorgevallen in Japan. Enige tijd
daar na nam hy de gang op na Italien, en voornaamelijk
bezigtigde hy de voornaamste aanmerkelijkheden binnen
en buyten Romen, die hy naauwkeuriglijk bestudeerde en
têkende. Ook kon men maklijk zien op zijn \'t huyskomst
dat hy niet verarmt was in konst, waar door zijne
Schilderyen zo merkelijk steygerden in prijs, dat er het gemeen
niet kon aankomen, zo dat het niet als Vorsten en
als
|
|
-ocr page 370-
| |
| In het oorspronkelijke boekwerk ligt tussen
pagina 332 en 333een extra, ongenummerde
pagina met afbeeldingen van diverse schilders.
Deze tussenpagina is in het plaat-formaat te bekijken.
|
|
-ocr page 371-
| |
| als Jesuieten waaren die zijne Bloemtafereelen konden
bemachtigen.
| | Dat overheerlijk Gebouw,de Kerk van de Eerwaarde Paters
Jesuieten tot Antwerpen, vloeide wel eer over van
zijne Konststukken, dewelke \'t zedert zo deerlijk zijn gesneuvelt
in de algemeene Konstverwoesting, toen dien
marmeren Tempel als een Schoorsteen uytbrande. Wy
hebben hondert en hondert maal die schoone Bloemtafereelen
gaan bekyken, zo onder in de Kerk en in de twee
Kapellen, als boven op de Galery, en inzonderheyt een
zeer groot stuk, waar in Petrus Paulus Rubens het Konterfytsel
van Ignatius de Lojola, den Instelder van die
Orde, had geschildert, welk Konterfytsel met Bloemen
was bekroont en omhangen by den Broeder Daniel Zegers.
Hy stak inzonderheyt uyt in het schilderen van witte
Lelien, en roode Roozen, ook is z ijn Groen en onder
andere zijn de Hulstbladers en de Oranjetakken wonderlijk
schoon en dun gekoloreert, en de Vlindertjes beneffens
de Vliegen, Torren, en Ruspen fix en natuurlijk
geschildert. Den grooten Dichter, J. v. Vondel,
vereerde zijn Konst met deeze regeltjes.
De Geest van Zegers is een By,
Waar op de Nederlanders roemen.
Zy zuigt haare honiglekkerny
En geur uit allerhande bloemen.
Een By kwam op zijn Schildery,
En geur, en kleuren aangevlogen,
En riep, Natuur, vergeef het my,
Dat bloempanneel heeft my bedrogen.
| | Den Prins van Oranje was zo begeering om een Bloemstuk
van Zegers ryk te zijn, dat hy zijnen Hofschilder
Tho-
|
|
-ocr page 372-
| |
| Thomas Willeborts opzettelijk na Antwerpen afvaardigde,
om een Van die Juweelen te verkrygen. Den konstrijke Daniel
schilderde voor dien Vorst, met de toestemming van
zijn Overste, een eyronde Vaas gevult met Bloemen, welke
Bloemen hy stoffeerde met alderhande Vlindertjes, Vliegjes
en met mindere diertjes, zo konstiglijk geschikt, gehandelt,
en uytgevoert, dat er alle de Konstkenners verstelt over stonden
te kyken. Ook was die Prins zo voldaan, dat hy, ziende
dat die Paters het Gulde Vlies der Belooning afweezen uyt
Staatkunde, hun een goud Tientje, zynde een soort van Paternosters
vereerde, bestaande uyt groote geemalieerde Oranjeappelen;
en noch daar en boven een Palet en eenige penseelstokken
van het eygen Metaal; welk Geschenk hy ten overvloet
met een kompliment van Erkentenis voor die gonst
vergezelschapte.
| | De Princes van Oranje kreeg naderhant mee een geschenk
van dien braaven Bloemschilder, bestaande in een
Bloemvaas opgevult met die Lenteschatten, en gestrengelt
met takjes vol Oranjebloeisel en groene Appelen, een
stuk uyt de echte doos, en gepenseelt in zijn beste Eeuw.
Die Vorstinne, die alzo edelmoedig als genegen was voor
de Vrye Konsten, vereerde tot dankbaarheyt aan die Paters
een goud geemalieert Kruys, weegende een pond,
beneffens een Paspoort om vry en vrank de belangens van
hun Orde waar te nemen in de vrygevochte Nederlanden.
Waarlijk die twee Schilderyen verdienen die ongemeene
geschenken door hunne Volmaaktheden, en zijn de verwondering
aller Konstkenners waardig, dewijl zy ons
zo natuurlijk het puyks puyk van Floras en van Pomonas
jaarlijksche geschenken aanbieden.
| | Het zou een werk zonder eynde zijn alle, ja zelfs maar
een kleyn gedeelte van die overschoone Bloemtafereelen
te willen aanhaalen, die begeerig zijn om een van de
beste
|
|
-ocr page 373-
| |
| beste soort te zien, kan zich vervoegen tot den Heere Johannes
Staats, Maakelaar tot Amsterdam; en die in de
Meyery van \'s Hartogenbosch moogen dat doen ten huyze
van den Baron van Bree; welke twee Tafereelen onder
zyn beste Konststukken wel een paar plaatsen van
Eer verdienen.
| |
Hy stierf op het
jaar duyzent ses hondert en sestig; en die vroome Broeder verstrekt
thans tot een Kerkhofbloempje aan de Dood, wiens Konstpenseel zo
veele duyzende Bloemen dee uytbotten, dewelke nooit zullen
verslenssen. Dewyl den Ridder Izaak Bullart hem rnet het navolgent
Bloempje heeft bestooken, zullen wy het hem niet afneemen. Ces
Fleurs ainsi de tous cotês Nous etallent tans de beautês Et de l\'
Art, & de la Nature, Que l oeil etonnê de plaisir Ne scauroit en
cette Peinture Ny que laisser, ny que choisir.
JAN, anders den FLUWEELEN
BREUGEL.
| | Die Jan Breugel was een zoon van Pieter Breugel, een
aardige Snaak, die volgens de getuygenis van Karel van
Mander, noch wel zo vrolijk van geest is geweest als Arnold
Houbraken. In den beginne schilderde hy Bloemen
en Fruyten; doch korts daaraan veranderde hy van keus,
en hy begaf zich tot het maalen van konstige Land-en
Watergezigtjes, gestoffeert met aardige kleyne beeldtjes,
paerdtjes, wagentjes, en zo voorts; Konstukken thans hooger
in waarde als ooit by onze Voorzaaten, en die waarschynlyk
nooit in prys zullen daalen, maar altoos reyzen.
Maar des niet tegenstaande verliet hy het Bloem-en Fruytschil-
|
|
-ocr page 374-
| |
| schilderen niet, als die veele stukken van Rubens, Rottenhamer,
van Balen, en andere Beeldenschilders, van tijd
tot tijd stoffeerde met bloemen, vruchten, vogels, dieren,
vlindertjes, en met allerhande aardige gewassen en
kruyden.
| | Arnold Houbraken verhaalt, dat hy een Schildery van
den Fluweelen Breugel heeft gezien, op het jaar duyzent
zeven hondert en dertien, op dewelke alle de Schilders,
Konstkenners, en Konstkoopers en Verkoopers, even eens
stonden te staroogen, gelijk als de bouwkundige Vreemdelingen
staan te staroogen op het Stadhuys van Amsterdam,
dat achtste Weereldswonder. Op dat Tafereel
(zegt of vertelt hy) had den Schilder zo meenigerhande
soorten van Struyken, Boomen, Bloemen en Kruyden
gemaalt, dat het oog liep doolen in die ontelbaare
verscheydenheden, dewelke op verre na niet by de natuurlijke
groote kwamen; doch echter ieder in zijn soort
ten uyterste uytvoeriglijk, konstiglijk en natuurlijk waaren
gekonterfyt. Onder andere had den Fluweelen Breugel
eenen Vygenboom staande in een tuynpot op den voorgrond
geschildert, waar van de stam zo natuurlijk gekoleurt,
de bladen zo dun gehandelt, de groene uytspruytsels,
de half rype, en de door de zon geplooyde Vygen,
zo heerlijk waaren geschildert, dat zich dien Vygenboom
niet behoefde te schaamen voor het leeven. Dat Konststuk
was van het Lo gevoert tot Amsterdam, en wiert aldaar
opgeveylt en verkocht in het Heeren Logement, voor een
somme van twee duyzent acht hondert en vyf en twintig
Guldens, op den ses en twintigste van de Hooimaand,
des jaars duyzent zeven hondert en dertien. De
twee Figuuren op dat Tafereel verbeelt, waaren geschildert
by den vermaarden Petrus Paulus Rubens, en representeerden,
Vertumnus en Pomona.
Doch
|
|
-ocr page 375-
| |
| | Doch onder alle de ontelbaare stukken van den Fluweelen
Breugel, dewelke wy zo hier te land, als elders in
vreemde landen hebben gezien, is er geen dat kan of
mag vergeleeken worden by het Konstjuweel dat tot Leyden
berust, en geen geringe luy ster byzet aan die beruchte
Hooge School der Vrye Nederlanden. Dat overheerlijk
Konststuk verbeelt het Paradijs voor den Val des
eersten Menschs, en is in koinpagnie geordonneert en geschildert
by Rubens en by Breugel, welke beyde Meesters
als om strijd hebben gepoogt om malkanderen daar op te
verpligten. Den Adam en de Eva zijn zo heerlijk getê-
kent, zo wonderlijk gekoloreert, en zo bevalliglyk van
gedaante, dat men daar in, als in een spiegelglas, de
heerlijke gestalte des Scheppers van Hemel en van Aarde, na
wiens Evenbeelt dat paar was gevormt, kan bespeuren
en zien doorstraalen. Ook is alles wat dat den Fluweelen
Breugel daar by heeft geordonneert zo schoon, zo
groots, en te zelver tijd zo vriendelyk, dat men niet behoeft
te vraagen na den op het panneel tegenwoordigen
staat dier aldereerste Stervelingen. De dieren zijn wonderbaarlijk
lieftallig van gebaarden, de volwasse Tygers
speelen zo vriendelyk als jonge onnoozele welpen, en
zijn zo doorschijnende geschildert, dat het schijnt als of
men derzelver ingewanden zag beweegen dwars door hunne
witte buyken. Vorders zijn de Paauwen, de Westindiesche
Ravens, de Papegaayen, de uytheemsche en
inlandsche Vogels, en de viervoetige Dieren, alle om het
schoonste en om het vriendelijkste geschildert, beneffens
de Boomen, Kruyden, en alle de toebehoortens van
dien Lusthof, aangelegt, beplant en onderhouden door
dien Goddelijken en aldereersten Tuynman.
| | Dat onwaardeerlijk Konststuk beslaat een plaats in het
Konstkabinet van den Heere Pieter de la Court van der
Voort
|
|
-ocr page 376-
| |
| Voort tot Leyden; een Konstkabinet dat wy van tijd tot
tyd zullen aanraaken, dewijl daar in veele Meesterstukken
van groote nederlandsche Schilders berusten, dewelke
wy ieder op zijn beurt zullen oproepen.
|
|
Breugels Konterfytsel staat op de plaat E onder aan,
en dat van F. Snyders beslaat de plaats van eer boven;
doch zo ons iemant mogt komen te vraagen, Waar toe
dient die misselijke plaatsing? die zullen wy tot bescheyd
geeven, aldus was het welgevallen van Arnold Houbraken.
HENDRIK van BALEN
.
| | Die Schilder is een Leerling geweest van Adam van
Oort, volgens de getuygenis van Karel van Mander. Hy
was een braaf Schilder, die zich in Italien naarstiglijk bevlytigde
in het natêkenen der Antyken, en in het kopieeren
van schoone Konsttafereelen, zo dat hy wel zo konstrijk
als geldrijk wedrrrkeerde in zijn geboorte plaats Antwerpen.
Aangaande zijne Konst, die verdient een plaats
in de beste Konstkabinetten, ten opzichte van de Ordonnantie,
Tekening en vrolijke Schilderwijze. Inzonderheyt
munt hy uyt in naakten, dewelke hy zo natuurlijk
en bevalliglijk têkende, en koloreerde, dat er maar
weynig penseelisten by in vergelijking komen; alhoewel
sommige by ons bekende schildertjes hem ontleeden ten
kwaade, die zo hy noch leefde onwaardig zouden zijn zyn
palet en penseelen te kuysschen.
| | Die H. van Balen is een onvermoeit Schilder geweest,
en zijne Tafereelen vindmen in veele Konstkabinetten.
Het heugt ons onder anderen een te hebben gezien by
den Heer .... Gril; dat wonder schoon en bevallig was,
zijnde, zo het ons wel voorstaat, een Godenfeest, vol gewoel
van schoone naakten, en gestoffeert door den Fluwee-
|
|
-ocr page 377-
| |
| weelen Breugel. Arlnod Houbraken schryft, dat hy een
Oordeel van Paris van dien Hendrik van Balen heeft gezien,
geschildert op een koperplaatje, zo krachtiglijk
en uytvoeriglijk geschildert, dat de beelden, en vooral
de Godinne Venus, die hy van achteren had geordonneert,
buyten het stuk scheenen te ronden. Ook was den grond
by den Fluweeleen Breugel gestoffeert met aardige kruydjes
en andere cieraaden.
| |
Wanneer, of op wat wijze, dat hy de loopbaan des leevens
heeft uytgerent, is ons nooit te vooren gekomen.
Zijn Konterfytsel staat op de plaat D, beneffens Savry.
FRANCOIS SNYERS
.
| | Die Schilder is gebooren tot Antwerpen, op het jaar
duyzent vyf hondert negen en zeventig, ofdaar ontrent.
Hy leerde de beginselen van de schilderkonst by den
konstenaar Hendrik van Balen by ons hier vooren geroemt;
maar hy verviel gelijk als den eersten Mensch op het
fruyt, alhoewel met minder Zonde, en van het ooft klom
hy weerop op allerhande viervoetige Dieren en Vogels,
dewelke hy zo natuurlijk wist te konterfyten, dat niemant
van zijne tijdgenooten hem daar in kon evennaaren,
vry verre van hem te overtreffen. Voornaamelijk maakte
hy zijnen naam befaamt door het schilderen van Jagt-tafereelen,
ook Leeuwen en Beerengevegten, wilde Zwijnen
en Honden krakeelen, en alzulke grootsche Ordonnantien,
die vry beter passen tegens de wanden der Vorstelijke
Paleyzen, dan tegens de Kloostermuuren der
langgebaarde Kapucynen. Hy schilderde veele diergelijke
Ordonnantien voor den op die tijd regeerende Koning
van Spanje, en insgelijkx voor den Aartshartog van Oostenrijk
Leopold Wilhelm.
Maar
|
|
-ocr page 378-
| |
| In het oorspronkelijke boekwerk ligt tussen
pagina 350 en 351een extra, ongenummerde
pagina met afbeeldingen van diverse schilders.
Deze tussenpagina is in het plaat-formaat te bekijken.
|
|
-ocr page 379-
| |
| | Maar die Francois Snyers en Petrus Paulus Rubens
waaren elkanderen in het byzonder behulpzaam, en sloegen
dagelijkx, om zo te spreeken, de penseelen in een,
zijnde het meestentijds de geachtste stukken dier beyden
Konstschilders, op dewelke men die verschillige penseelstreeken
ziet brallen. Want was Rubens afgericht op het
verbeelden van zielroerende Hartstochten in de beyde
Sexen der redelijke Schepselen, Snyders was volmaakt
om de raazerny der Dieren in hun grootste driften af te
maalen; zijnde het onbegrijpelijk voor de Nakomelingen,
hoe dat den laatsten in alle die meenigvuldige verdraaijingen
der Herten, Leeuwen, Tygers, Beeren,
Zwynen, en Honden, de Ontleedkunde in de vaste licghaams
deelen, en de verwringing der spieren, en der zenuwen
heeft weeten waar te neemen. Alles schijnt te leeven
en te beweegen op zijne Tafereelen, de bloedgierige
Beschutters, Winden, Brakken en Buldoggen snorren
het oog voorby, het vuur straalt uyt hunne ronde blikken,
en men ziet de geinsters afschampen van het blinkent
gebit der verhitte Honden; onderwijl dat de gekwetsten
en de verminkten de smart en de pijn hunner wonden
uytdrukken, door een verwrongen rug, opgesparde
muyl, deerlijk gehuyl, en alzulke naare betuygingen en
spreekende gebaaren.
| | Onder veele andere stukken bezit den Heer Valerius
Rover een heerlijk Tafereel, waar op Pieter Paulus Rubens
de Beelden, en Francois Snyers het Wild, de Vruchten
en de lange Honden heeft geschildert; welk Konststuk
voor een Konstjuweel staat geboekt by alle Konstkenners.
| | Maar wy durven ons niet begeeven in de wydlustige
opstelling van Snyers Schilderyen; de Konst spreekt op
zijne Tafereelen, des zullen wy zwygen. Zijn Beeltenis
staat boven aan, op de plaat E.
ADRIAAN
|
|
-ocr page 380-
| |
| ADRIAAN STALBEMT.
| Die Konstenaar is gebooren tot Antwerpen, op den
twaalfden van de Wiedemaand desjaars duyzent vyfhondert
en tachtig. Hy Schilderde meestentijds Landschapjes,
gestoffeert met aardige beeldjes, dewelke hy zo uytvoeriglijk
en Konstiglijk behandelde, dat hy wiert opontbooden
aan het Hof van Groot Brittanje, alwaar hy veele
konstrijke schilderyen heeft geschildert. Hy woonde
tot Antwerpen, en schilderde noch op zijn tachtigste
jaar, dat het een lust was om zien.
FRANS HALS
| | Die groote Konstschilder was een gebooren Maanblusscher,
anders een Mechelaar, alwaar hy het eerste
daglicht zag op het jaar duyzent vyf hondert vier en tachtig.
Wy weeten niet by wien hy heeft leeren têkenen en
schil-
|
|
-ocr page 381-
| |
| In het oorspronkelijke boekwerk ligt tussen
pagina 352 en 353een extra, ongenummerde
pagina met afbeeldingen van diverse schilders.
Deze tussenpagina is in het plaat-formaat te bekijken.
|
|
-ocr page 382-
| |
| schilderen; doch dat hy een van de verdienstigste Konterfyters
is geweest, weet de gantsche weerelt Het ongemeen
voorval dat hy heeft gehad met den grooten A. van
Dyk is zo gemeen niet eens, of het is de moeite waard
om het alhier te herhaalen.
| | Op die tijd dat A. van Dyk gezint was om over te steeken
na Engelant, op het verzoek van Karel den eerste,
begaf hy zich eerst naar Haarlem om Frans Hals en om
zijne Konst te bezoeken; maar Frans vond hy niet t\' huys,
want die was te vinden in zijne wooning, gelijk als een
Snoek op te loopen is op den zolder, een Familieziekte
onder veele Beleyders van St. Lukas. Eyndelijk wiert hy
natuurlijker wijze ontdekt in een Herberg, een bekende
schuylpaats voor veele Schilders tegen de onbehoorlijke
Eyschen der Schuldeyschers, en Frans slenderde
schoorvoetende na zijn logement, na al voorens zijn pintje
te hebben geleegt, om niet te vervallen in het nootlot
van Slatius. A. van Dyk stont hem inmiddels te wachten
met een Officiers gedult, tot dat hy Frans Hals ten
laatsten zag komen oplaveeren, voor wien zy zich bedekt
hielt, voorgeevende, een Vreemdeling te zijn,
die zich gaarn wilde doen konterfyten, en maar een paar
uuren tijd kon uytspaaren om te zitten; waar in Frans aanstonds
bewilligde. Hy nam dan den eersten doek die hem
voor den boeg kwam, en na dat hy ontrent zo veel tijd
had besteet in het toestellen van zijn Palet als een Gaskon
Verspilt om zijn onbetaalde Snuyfdoos te openen, viel hy
aan \'t werk, onderwijl dat A. van Dyk zich zo stil hielt
als een Muys om niet bekent te worden. Het Konterfytsel
groeide al ommers zo schielijk onder de hand, als een
Proces uytdeyt onder de pen van een Advokaat, en na
een korte tijd verzocht Frans Hals, of A. van Dyk wilde
opstaan en eens kyken. A. van Dyk betuygde voldaan te
zijn
|
|
-ocr page 383-
| |
| zijn wegens het Konterfytsel, en ontgon toen een vriendelijk
praatje met Frans, doch zonder zich te bedienen
van eenige Konsttermen, zo dat die niet wist wie hy
voorhad, of had gekonterfyt. Doch de wyl den Aap altoos
uyt de mouw moet springen by de Schilders, zey
Van Dyk onder andere al lacghende; Wel gaat het schilderen
zo toe, dan moet ik eens beproeven of ik er ook iets
van zou konnen maaken. Dat gezegt hebbende, greep
hy een Doek aan, zette die op een Esel, en verzocht aan
Frans om op zyn beurt te gaan zitten, die wel haast
aan het aangrypen van het Palet kon zien hoe laat het was
op Picturas zonnewijzer, zonder dat hy echter eenig bedenken
nam op A. van Dyk. Die Fenix speelde mee voor
geen dagdief, zo min als Frans Hals had gedaan, maar
hy beval hem eens op te reyzen en te zien hoe hy dat had
behandelt, die zo dra dat meesterlijk Konterfytsel niet
had beschouwt, of hy gilde uyt; Ghy zyt van Dyk,
myn Heer, want geen sterflyk Mensch kan zulks nadoen, ik laat
staan, verbêteren. Dat gezegt, of liever uytgeschreeuwt
hebbende, greep hy van Dyk by \'t hoofd, en kuste hem
met een dronkaards gemeenzaamheyt dat het klapte.
| | A. van Dyk liet het Konterfytsel na zijn Logement
brengen, en vergulde de handen van F. Hals kinders met
een ige Guinees, die Frans wederom van die knaapen opwisselde
tegens eenige zoete koek en Haarlemmer halletjes,
en fluks na de Herberg snorde, om aldaar op de
goede reys van dien Weldoener te gaan zitten drinken.
| | Daar is gezegt geworden, dat van Dyk veele beweegredenen
gebruykte om hem over te troonen na Engelant,
maar dat Frans daar niet na wilde luysteren, zijnde die
reeds zodanig op die slechte leevenswijze verslingert,
dat hem de weelde tot een last zou hebben verstrekt,
zo
|
|
-ocr page 384-
| |
| zo wel als die naderhant tot een last verstrekte aan zyn
leerling Adriaan Brouwer. Ook zegt men, dat A. van
Dyk dikmaals zou hebben gezegt; Dat Hals een van de
aldereerste Konterfyters zou zyn geweest, by aldien zyn koloriet
wat teerder was geweest, dewyl hy niemant kende
die het penseel zo meester was als hy. En dat was waar,
want als hy een tronie had aangelegt, kon hy daar op de
vaste gelykenis toetsen, de hoogsels en de diepsels geeven
met het penseel, zonder zig te bedienen van vischpenseleen
of van dassenhaaire borstels. Gemeenlyk ley hy
Konterfytsels zacht en mals aan, en naderhant brogt hy
daar op de meesterlyke toetsen, zeggende; Nu moet er
iets gedaan worden om den Meester te doen spreeken.
| | Hoe krachtig, hoe natuurlyk, en hoe stout het penseel
van dien braaven Konstschilder is geweest, kan de Stad
Haarlem bewyzen met honderde weergaalooze Konterfytsels.
Ook ziet men een stuk van F. Hals in de Kolveniers
Doelen tot Delf, waar op eenige bevelhebbers staan
gekonterfyt, leevensgroote, alle zo krachtiglyk en zo
natuurlyk geschildert, dat zy schynen de kykers te willen
aanspreeken.
| | F. Hals had ook een broeder, genaamt Dirk Hals, een
fraai Schilder in kleyne gezelschapjes van menschen en
dieren. Samuel Ampzing gedenkt die beyde broeders, in
de beschryving van Haarlem, met dit veersje:
Hoe wakker Schildert Frans de luyden naar het
leeven?
.Wat zuyv\'re beeldekens weet Dirk ons niet te
geeven?
| | F. Hals was een losse knaap, die liever een volgeschonken
fluyt in de rechterhant, als een leeg half-vat op de
lin-
|
|
-ocr page 385-
| |
| linker schouder voerde; doch in de achting die zyne
Leerlingen voor hem betuygden, was hy gelyk met den
dronken gryzaart Frans Floris. De oudste Leerlingen
naamen F. Hals by beurten waar, haalden hem uyt de
herberg, geleyden hem na huys, trokken zyne koussen
en schoenen uyt, dekten hem behoorlyk te bed, en vertrokken
dan ieder zyns weeg met een groote eerbiedigheit.
| | Als Frans nu te bed leggende docht dat hy alleen op
de kamer was, dreef de dronke godvruchtigheit boven,
want hoe beschonken hy ook mogt weezen, echter besloot
hy meestentyds zyn stamerent gebed met deeze
wensch; Lieven Heer, haal my doch vroeg in den hoogen
Hemel. Sommige Leerlingen, die hem dien laatsten
wensch dag voor dag, of liever nacht voor nacht, hoorden
herhaalen, beslooten om eens te beproeven, of het hun
Meester ook ernst was, en Adriaan Brouwer, dien Aap
des Menschdoms, ondernam om die klucht uyt tevoeren.
A. Brouwer, verzelt met een tweede Leerling genaamt
Dirk van Delen, boorden vier gaaten in den zolder, vlak
boven de bedstee van Frans, waar door zy sterke koorden
lieten daalen, die zy aan de vier hoeken van de
slaapstee vastknoopten, en gingen toen op de t\'huyskomst
van hun Meester met verlangen zitten loeren. F. Hals
reverteerde tegens de nacht vol en zoet, en de Leerlingen
hielpen hem te bed na ouder gewoonte, naamen het
licht weg, en sloopen toen stil na boven, om hun rol te
gaan ontginnen, zo dra als Frans zou gekomen zyn tot
den gemelden wensch van, O Heer! haal my doch vroeg
in uwen hoogen Hemel. Zo dra had hy die woorden niet
geuyt, of zy haalden hem gelykerhand na boven, waar
op Hals, half in de maaling en tot over de grootste helft
beschonken, zig verbeelde dat zyn gebed was verhoort,
des
|
|
-ocr page 386-
| |
| des veranderde hy van toon, en ontgon een luyder gebed
als het voorgaande, roepende; Noch zo schielyk niet,
Heer! noch zo schielyk niet, en zo voorts, waar op zy hem
zachtjes lieten daalen, zonder dat hy eens merkte, dat
het maar ee.n klucht en geen ernst was, en ging gerust
leggen ronken. Daar op ontknoopten de Leerlingen de
touwen behendiglyk, en Frans ontdekte die pots niet dan
veele jaaren daar na, alhoewel hy \'t zedert dat spel zyn
wyze van bidden veranderde. Zo weynig moeite kost het,
om een Schilder den Hemel te doen vergeeten.
| | Die groote Frans stierf op zyn tachtigste jaar, en wiert
begraaven in het koor van de groote kerk tot Haarlem,
op den negen en twintigste van de Oogstmaand, des jaars
duyzent ses hondert ses en sestig, na dat alvoorens zyn
broeder Dirk hem den weg had geweezen, in het jaar
duyzent ses hondert ses en vyftig. Op de lyst van Sint
Lucas gildeboek tot Haarlem staan verscheyde Zoonen geboekt
van Frans Hals, die alle de Schilderkonst hebben
geoefent, en meest alle vrolyke baazen zyn geweest, volgens
de authentyke getuygenis van J. Wieland, een oud
Konstbeminnaar, die meest al.le de Zoonen van Frans gemeenzaamlyk
heeft gekent en behandelt.
DEODAAT DEL MONT.
| | Was een gebooren Edelman van St. Truyen, alwaar
hy ter weerelt kwam op het jaar duyzent vyf hondert een
en tachtig. Hy was een Leerling en ook den besten vriend
van Rubens, met wien hy heeft gereist door Italien, en
die hem ook verzag met een loffelyke getuygenis, opgestelt
in de Latynsche Taal, waar van men de kopey kan
nazien in het Schilderboek van Kornelis de Bie.
Die
|
|
-ocr page 387-
| |
| | Die Deodaat del Mont was een braaf Schilder, als
blykt aan dat schoon Altaarstuk dat hy schilderde voor de
Facons Nonnen, tot Antwerpen, zynde de Offerhande
der drie Koningen. Noch schilderde hy de Transfiguratie,
of Kristi verheerlyking, voor de Kerk van O. L.
Vrouw; beneffens een Kruisdraaging voor de eerwaarde
Paters Jesuiten.
| | Hy is gestorven op den vijf en twintigste van de
Slachtmaand, des jaars duyzent ses hondert vier en dertig,
binnen Antwerpen, na dat hy alvoorens zyn dood
had voorzegt, door zyne grondige kennis in de Sterrenloopkunde.
Dus getuygt K. de Bie, die een Brabander,
en gevolglijk niet bygeloovig is geweest; doch wy zullen
ons geloof opschorten tot nader confirmatie.
PIETER LASTMAN.
| | Die Pieter is een Leerling geweest van den beruchten
Kornelis Kornelisz. van Haarlem, en is gebooren op het
jaar duyzenr vijf hondert twee en sestig. Het staat ons
niet voor ooit iets te hebben gezien van de konst van
Lastman, gevolglijk zullen wy hem nog belasten nog
vry spreeken op ons eigen houtje; maar wy zullen den
Leezer een vaersje van Vader Vondel geeven, waar mee
hy het konterfytsel van dien Konstenaar, geschildert by
Thomas de Keyzer, heeft opgehemelt.
Den Geest van Peter voer in \'t ordineeren speelen,
En volgde Vrouw Natuur op doeken en panneelen,
Zyn konst getuygen. Toon, wie \'t oordeel stryken
kan,
Of Lastman Fenix was, of Rubens zyn genan.
De
|
|
-ocr page 388-
| |
| De Keyzer heeft hem dus zyn ommetrek gegeeven:
Maar anders tekent hy zig in zyn konst naar \'t leeven.
| | Den gemelde J. van Vondel, die door den dagelijkschen
ommegang met de braafste Schilders vry diep begon
te zien in de stomme Poëzy, zegt; Dat de ordonnantien
van den Schilder Lastman aardiglyk woelden, en gevoeglyk
koppelden; dat zyn naakte Beelden wel getekent, en de
draperyen breed en vlak waaren geplooit, en de koleuren
zuyverlijk vloeyden. Meer valt er niet te zeggen van dien
Meester Pieter, als dat den voornoemde Nederduytsche
Maro het onderwerp of den inhoud van een zyner voornaamste
konsttafereelen heeft berymt, zynde den tytel
van dat gedicht,
LASTMANS
OPPERSTAATSIE te LISTEREN
aan den HEERE
JOHAN SIX.
Wat dunkt uw, Konstgeleerde Six?
Wie had de schikkonst ooit zo fix
Als Lastman, waard de têkenkroon
\'t Ontfangen van Sint Paulus troon,
Toen hy zyn wonderwerk van List\'ren
Zo versch vertoonde, als beurde \'t gist\'ren?
Dit tuygt uw hemelsch Tafereel,
Daar onze Apelles zyn Toonneel
En grond met volle kennis bouwt,
En zo deeze Offerstaatsie houdt,
Dat
|
|
-ocr page 389-
| |
| Dat zelfs den geest van Rome en Grieken
Nooit hooger zweefde op zyne wieken.
Met welk een zwaai en staatigheit,
En Priesterlyke Majesteit,
Verschynt al \'t Heydensch Priesterdom
Voor de oude Stad, vol yvers, om
Te wierooken voor Kristus Boden,
Hier aangezien voor Grieksche Goden!
Men acht dat hier, in menschen schijn,
Merkuur, en Dondergod Jupijn
Verschynen, om den jongeling,
Die flus op ktukken ging, en hing
Te heelen, zonder konst van kruyden;
Dat stuk verbaast veel duyzent luyden.
Een rykdom, en verscheydentheit
Van toestel nadert, en geleit
Bekranste en witte Sieren vast
Naar de Offerplaats, op \'s Priesters last,
Op Veel, Tamboer, en Lier en Fluyten,
Langs \'t ryk bestrooide pad naar buyten.
Hier blaaken fakkels, licht en klaar,
Hier riekt den Wierookkandelaar.
Hier glinst\'ren, Wierookvat, lampet,
En goude schotel, op dien tret.
De byl, en bloedpan, op het slachten
Van vee en Offerhande wachten.
Een kenner ziet hier, heel vernoegt,
Hoe de eene persoonagie voegt
By de ander; en hoe elks gelaat
En ampt, gelijk een zangers maat,
Zyn pligt bewaart: hoe kleyne en grooten
Hier treen, als op een galm van nooten.
Hoe
|
|
-ocr page 390-
| |
| Hoe schoon verschiet die lange ry,
Van verre flaauw, en digter by
Al sterker, voor \'s aanschouwers oog?
Hoe deynst de poort, en kerk, zo hoog
En rond gebouwt, Jupyn ter eere,
Op datze ons noch de bouwkonst leere.
Zo stuyt ten laatste d\'ommegang,
Daar \'t outer wacht; en al te lang
Verlangde naar den Offerwyn.
Nu wil d\'Aartspriester van Jupyn,
In \'t wit bekranst met eyke blaaren,
De Apostels eeren op de Altaaren.
Maar zie om hoog, hoe \'t heylig paar
Met woorden, handen en gebaar,
Van \'t Heydensch gruweloffer yst,
En Offermans, en schaaren wyst
Naar God, wiens eere Altaaren passen.
Zy roepen; wy zyn stoffe en asschen.
Gy zultze straks van boven neer
Zien springen, Gods en Jesus eer
Beschutten, en van harten leed
En rouw, verscheuren elk zyn kleed,
Op dat men \'t bloed noch wynkelk storte,
En daatelijk de Offerstaatsie schorte.
Hoe stemt de straal van ons gezicht
Met elks hoegrootheid, en met licht
En schaduw van een ieder zaak?
Hielt Vrouw Natuur, tot haar vermaak,
Voorheen de hand aan eenig Schilder,
Zo doet zy \'t hier, en nergens milder.
DAVID
|
|
-ocr page 391-
| |
| DAVID TENIERS den OUDEN.
| | Die verkoos gelukkiglyk tot zynen Loots in de konst
Peter Paul Rubens, die hem zo ver brogt dat hy op zyn
eigen kompas het steven dorst wenden na Romen, alwaar
hy zig naarstiglijk oefende en voortspoorde. Tien jaaren
lang woonde hy onder een huysdak met dein befaamden
Adam van Frankfoort, by genaamt Elsheymer, wiens handeling
hy aardiglijk in een kleyner omtrek navolgde, doch
te zelver tyd ook groote stukken schilderde.
HENDRIK van der BORGT.
| | Is gebooren te Brussel, op het jaar duyzent vyf hondert
drie en tachtig; doch pas drie jaaren oud zynde,
sukkelde hy met zyne Ouders na Duytslant, staande de
Spaansche Nederlanden op die tyden als een ontroerde
Zee. Zo dra als hy de jaaren van begrip had bereykt,
bestelde zyn Vader hem by den Konstsschilder Gillis van
Valkenborg, die hem zo ver brogt dat hy op zyne eige
riemen kon roeyen tot aan Romen. Na eenige jaaren
aldaar naarstiglijk getekent en geschildert te hebben, keerden
hy te rug na Duytsland, en zette zig neer te Frankendaal,
een plaats al ommers zo vermaart wegens haare
Wynen, als Konstschilders. Hy greep daar post tot op
het jaar duyzent ses hondert zeven en twintig, wanneer
hy met \'er woon is gekomen tot Frankfoort aan de Main.
| | Die Hendrik van der Borgt, was een groot kenner van
allerhande Zeldzaamheden, en ook van Antyksche Medailles,
waar door hy zich wist bekent en bemint te maaken
by den beruchten Graaf van Arondel, een van de
grootste Liefhebbers der Oudheden, die Groot Brittanje
heeft
|
|
-ocr page 392-
| |
|
heeft verreykt met de aloude Konstschatten der Grieken en
Romeynen. Hy stierf in een hoogen ouderdom; maar waar of op wat tyd
hebben wy nergens konnen oploopen.
VENCESLAUS KOEBERGER
.
| | Is een Antwerpenaar van geboorte, maar alle de Schryvers
die de leevensbedryven der Schilders hebben verhandelt,
zwygen en zyn eenpaariglijk stom op het Kapittel
van die geboorte. Maarten de Vos had de eer van hem te
onderwyzen in de beginselen der Schilderkonst, en ziende
de leerzaamheit en de zeedigheit van dien Venceslaus,
spande hy al zyn vermoogen in om hem behoorlijk te onderwyzen.
Koeberger oefende zig eenige jaaren in die school,
en verliefde ter zelve tyd op eene van de Dochters zyns
Meesters, dewelke hy ten huuwelijk verzocht, doch
onder geen gelukkig gestarnte. Hy beweegde hemel en
aarde om zich te vlyen in de gonst van Vader en Dochter;
maar het gestreng en onhandelbaar humeur van zyn
Meester, en de koelheit van de jonge Juffer, waaren twee
hinderpaalen die hy niet wist te verzetten, derhalve nam
hy het spreekwoord in den arm, Uyt het oog, uyt de ziel,
en hy snorde na Romen. Aldaar verbande hy de liefde
door de Wykwast van het penseel, en hy studeerde zo
naarstiglijk dag en nacht, dat hy geen tijd had om op het
Meisje te peynzen, zo dat het Sinjoorinnetje in \'t kort
in het vergeetboek raakte.
| | Na het aanmerkelijkste beschouwt te hebben binnen
en buyten Romen, vertrok hy na Napels, alwaar hy
huysvesting nam by een Vlaamsch Schilder Franco genaamt,
een van de beruchtste Konstschilders van die
Eeuw; maar gelijk als het tweede spreekwoort zegt;
Hy
|
|
-ocr page 393-
| |
| Hy buytelde uyt den regen in de sloot. Die Franco had een
schoone Dochter, waarop onze Venceslaus, die zo ligtelijk
vuur vatte als Tondel, zo deerlijk verliefde, dat er
niets was dat hem kon geneezen als den St. Huyberts
sleutel des Huuwelijks, waar door zich den Vader liet
beweegen, om hem te verjaaren met zijn bekoorelijke
Dochter. Dat Huuwelijk arresteerde Koeberger een geruyme
tijd in Italien; doch hoe ver dat hy z ich ook bevont
van zijn Vaderlant, echter liet de Faam niet na
van zijn konst te doen klinken in de Spaansche Nederlanden.
Die van Antwerpen schreeven hem onophoudelijk
om over te komen, en om hem daar toe te beweegen,
booden zy hem aan om een Altaarstuk te schilderen
voor het Gilde van den Handboog, in de Hoofdkerk
van O. L. V. aldaar, welk verzoek hy aannam ten deelen,
en ontzey ten deelen. Hy schilderde dat verzochte
Altaarstuk te Romen, en schikte het over, alwaar het
ontfangen wiert by de Konstkenners met eene algemeene
goedkeuring en verwondering. Dat Altaarstuk is noch
in weezen in de Hoofdkerk van O. L. V. tot Antwerpen,
en verbeelt eenen naakten Sebastiaan, die vastgebonden
wort aan eenen boom, om doorschooten te worden
met pylen. Waarlijk wy hebben jaaren en dagen dat
Tafereel bestudeert, en er dagelij ks nieuwe schoonhêden
op ontdekt, zijnde het beeld van dien Heylig zo schoon
van omtrek, zo bevalliglijk van gestalte, zo vloeiend
en lieslijk gekoloreert, en zo beweeglijk van Weezen,
daar hy opziet na een Engelenkoor in de lucht, dat wy
onzeker zijn by wien het te vergelijken. Dat Konststuk
plaatsten de Sinjoors op het Altaar van den Handboog,
alwaar de Schilders, de Konstkenners en de gantsche
Antwerpsche Sinjoorie het tropsgewijze liepen bekijken,
zonder zich te konnen verzaadigen aan deszelfs ongemeene
|
|
-ocr page 394-
| |
| meene schoonheden. Maar alzo deszelfs schoonheyt geen
minder nijd als verwondering aan de Toekykers inboezemde,
sneed een Schilder of een Liefhebber twee Vrouwen
tronien, die op den voorgrond waaren geschildert,
uyt dat Altaarstuk, zonder dat men ooit den Daader
heeft konnen ontdekken. Dat schelmstuk mishaagde geen
kleyntje aan het Handboogs Gild, dat het bessneeden Tafereel
te rug schikte na Napels; en dewijl de groote
Meesters altoos de Kopeyen of de Schetsen bewaaren van
hunne aanzienelijkste werken, was het Koeberger geen
werk om er een paar andere Tronien, niet min in schoonheyt
als de voorige, in de Plaats te stellen.
| | Die groote Meester vertrok korts daar aan na Antwerpen,
van waar hy zich begafs na Brussel, alwaar hy Hofschilder
wiert van den Aartshartog Albert van Oostenryk.
Die Vorst vatte aanstonds een hooge achting op voor
Venceslaus Koeberger, ziende dat hy een Overvlieger
in de Schilderkonst, en door en doortrokken was in de
penningkunde der Oudheyt. Door die handleyding, en
op het dagelijks zien van Koebergers konst, wiert die
Prins een Konstbeminnaar en ook een Konstkenner, zo
dat hy altoos \'t zedert de Belyders van die konst liefde
en eerde. Nicolas Claude Fabri de Peiresc, dien befaamden
Onderzoeker der Aloudheyt, kon Brussel niet verlaaten
zonder onzen Venceslaus te gaan zien, en zich met
hem te beraaden over de vrye Konsten, en over de Medailles
der Ouden; waar in hy den Heere Peiresc volkomentlijk
wist te vergenoegen. Koeberger vertoonde
hem alle de Zeldzaamhêden van zijn Kabinet, en onder
andere een groot getal Penningen, gemunt zedert de
Eeuw van Julius Cesar, tot op die van den Keyzer Gallienus.
Hy dee hem zien wiskonstiglijk, dat die Penningen
geene gangbaare Munten waaren geweest, dewijl de
Stem-
|
|
-ocr page 395-
| |
| Stempels, volgens zijn gevoelen, en volgens zijne ervaarendheyt
in de Konst, ten minsten een paar maanden
arbeyds hadden gekost, welke Arbeyd merkelijk derzelver
waarde zou hebben overtroffen, te meer dewijl men
naauwlijks twee hondert Penningen kon slaan, zonder
die te verstompen wegens de hardheyt en de tegenstant
des metaals. Waar op Peiresc andwoorde; Dat men zich
op die Eeuwen van den arbeyd en van het vernuft der
Slaaven bediende, die men zo veel gaf als men wilde
missen. Maar Koeberger repliceerde hem geleerdelijk;
dat het leeren van de Tekenkonst, en van de Schilderkonst,
wel nadrukkelijk verbooden was aan de Slaaven,
en dat er Tekenkonst wiert vereyscht in het maaken van
Muntstempels; daar by voegende, dat de Munt al te
adelijk was om geoefent te worden by Slaaven. Doch
dat men daar uyt moest besluyten, dat indien die Medailles
niet waaren gemunt, tot gereede en gangbaare
Penningen, die echter wierden verdeelt onder de Voornaamsten
van dat Gemeene Best; of dat men die omdeelde
in de Schouspeelen, of in de Triomfen der Keyzers,
of als den Roomschen Raad hun eenige nieuwe
eeebewyzingen toeley, om de macht en om de glorie dier
Keyzers te doen doorstraalen door de Omdeeling dier
Penningen, waar op het Konterfytsel des Keyzers de
eene zy, en de andere zy eenig Opschrift besloeg, of
eenig zinnebeeldelijk beelt vervatte, die het Onderwerp
van die Munten aantoonden.
| | Voor de rest dewijl onze Koeberger niet min de Bouwkunde
verstont, als de Schilderkonst en de Penningkunde,
en dat hy daar by zeer vruchtbaar was in Uytvindingen,
gebruykte hem den Aarshartog Albert tot het
ordonneeren van de Fonteynen, en van de andere Cieraaden
van het Slot van Tervure buyten Brussel, zijnde
dat
|
|
-ocr page 396-
| |
| dat Slot een van de vermaakelijkste Buyten of Jagtplaatsen
der Oostenrijksche Nederlanden. Die groote Man
ordonneerde desgelijks de Kerk van O. L. Vrouw van
Scherpenheuvel, volgens de têkening van St. Pieters
Kerk te Romen, die van de Paters Augustynen te Brussel,
en veele andere Kerken en Kapellen, in dewelke
men de konst van zijn penseel, en de schoone evenmeetbaarheyt
der Italiaanen ziet heerschen. Ook is die Venceslaus
den Stichter van den Berg van Barmhartigheyt
binnen Brussel, en binnen Antwerpen, om de Lombaardysche
Woekeraars uyt te roeijen. Die godvruchtige Instelling
bloeide voorspoediglijk in den beginne, want
daar wiert niets anders beoogt als de verlichting der Armen,
en het besnoeijen van de Woeker. Die lnstelling
was eenvoudig in haare beginselen, rechtvaardig in haare
middelen, en liefdaadig in haar oogmerk. Die Instelling
wiert onderschraagt door het vermoogen des Souvereyns,
bevestigt door de authoriteyt der Wetten, gerechtvaardigt
door de besluyten der deftigste Rechtsgeleerden,
en toegejuycght door de Stemme des Volks. Dewijl
er echter niets zo weezendlijk is dat met er tijd niet
komt te verslimmeren en te vervallen, door de achteloosheyt
der Adamieten, en door de wisselvalligheden der tyden,
had die Inzetting het verwachte gevolg niet, en
dien Berg van Barmertigheyt is thans verandert in eene
Leukadische rots, waar van er veele neerwaarts springen,
doch de meeste den hals breeken.
| | Venceslaus Koeberger vermeerde noch zijnen naam door
eene nieuwe Onderneeming, waar van niemant tot op die
tijd toe eens had gedroomt. Dat was om die groote Meeren
in Vlaanderen, na de kant van Duynkerken, de Maeren
genaamt, droog te maaken, en die onderneeming gelukte
door het graaven van waterleydingen om die Meeren
te
|
|
-ocr page 397-
| |
| te loozen in de Zee. Waarlijk een werk van ongemeene
onkosten, doch ter zelver tijd van een ongemeen nut
voor het Gemeene Best; dewijl men daar langs die uytgestrekte
Moerassen zag opdaagen in vruchtbaare Weyen
Zaaylanden.
| | Eyndelijk kreeg hem de Dood by de kladden, op zijn
zeventigste jaar, hy betaalde den tol aan de Natuur, en
liet eenige Zoonen en Dochters na, dewelke alle den
staat van Zuyverheyt verkoozen; zo dat den naam van
de Koebergers zou uytgebluscht geweest zijn op deeze
ondermaandsche weerelt, by aldien hy die niet had vereeuwigt
door zijne Bedryven. Een Dichter heeft zijn assche
bekranst met dit onderstaande Latyns Grafschrift.
VENCESLAUS COBERGERUS, ARCHITECTUS
REGIUS, & MONTIUM PIETATIS
ATLAS, LACUS FLANDRICOS
IN OCEAN UM DUCENS.
Quæ valido unius molimine Cobergeri
Fiunt, non hominis crede, sed esse Dei.
Imposuit Montem Monti, ceu Pelion Ossæ,
Atque Giganteam sternit ad astra viam.
Erro: piam sternit; valeat Titania pubes:
Quæritur hic Pietas, sed Pietate Deus.
Nunc minus est, migrare Lacus, & cedere Terræ:
Montes qui movit, nonne movebit aquas?
JAKOB
|
|
-ocr page 398-
| |
| JAKOB WOUTERSZ. VOSMEER.
| | Die Konstenaar was een Telg van het oud geslagt der
Vosmeeren. Hy was in den beginne een Landschapschilder,
maar verviel naderhant op het schilderen van Bloemen
en Kruyden, waar in hy zeer gelukkig is geweest.
In zijne lentejaaren bezocht hy Italien, en keerde na het
Vaderlant te rug, op het jaar duyzent ses hondert en acht,
zijnde hy toen oud twintig jaar, en zette zich ter neer in
zijne geboortestad Delf, alwaar hy de Schilderkonst zo
lang oefende, tot dat de Dood, onder de gedaante van
een Tuynier, den leevensbol des Bloemschilders opat,
en hem te rusten ley by de voorige Menschdoms bloembollen.
Hy stierf op het jaar duyzent ses hondert een en
veertig in de tweevoudige kwaliteyt van stads Majoor
van de Borgerwacht, en van Bloemschilder.
DAVID BAILLY.
| | Den beruchte navolgende Navolger van St. Lukas is gebooren
tot Leyden, genaamt David, den Zoon van Pieter
Bailly, in zijn tijd een konstig Schilder. Den Vader ziende
de zucht des Jongens tot de Konst liet hem wat tê-
kenen na Prenten en na têkeningen, tot dat hy eens gevalliglijk
kwam aan het huys van Jaques de Geyn, alwaar
hy zin kreeg in het graveeryzer, waar in hy zich een
wijl oefende; doch in het vervolg dreef de Schilderkonst
weer boven. Toen besteede den Vader hem op nieuws
by den Schilder Adriaan Verburgt, van wien hy zich
begaf tot den Konterfytschilder Kornelis vander Voort,
woonachtig tot Amsterdam, een geenszins onvermaart
Konste-
|
|
-ocr page 399-
| |
| Konstenaar, by wien hy het ses jaaren uytharde. Ondertusschen
kopieerde hy eenige Schilderyen van andere
Meesters, en onder dezelve eenen Tempel van Steenwyk,
die hy zo konstiglijk had weeten na te volgen, dat men
bezwaarlijk het oorspronkelijk uyt het nagekopieert Tafereel
kon onderscheyden.
| | Het schijnt dat dien David al ommers zo standvastig is
geweest als de naald van een kom pas, of als den weerhaan
van een kerktoren, als die weer overvloog van Amsterdam
na Leyden; maar hy stichte aldaar ook geene kerkgebouwen.
De reyslust bekroop hem op het jaar duyzent
ses hondert acht, des begaf hy zich op de bouten, en
hy vloog over na Hamborg; van Hamborg stoof hy na
Duytslant, na Frankfoort, Neurenberg, Augsburg, en
na meer andere Duytsche steden, tot dat hy door Tirol
en over die moeielijke gebergtens eerst te Venetien belande,
en van daar tot Romen, voorneemens om zich
aldaar eenige tijd op te houden, en de Schilderkonst te
oefenen. Doch een zeker voorval dat geen naam heeft
herstalde dat voornemen, en Bailly keerde te rug na Venetien,
en van daar genoegzaam langs de reeds genoemde
steden na zijn Vaderlant, alwaar hy gelukkiglijk aankwam;
op het jaar duyzent ses hondert en tien, dat is,
binnen de twee jaar na het uytzetten van z ijn Pelgrimasie.
Hy dee verscheyde Hoven aan op zijne te rugkomst
door Duytslant, en voornaamelijk wiert hy vriendelijk
ontfangen aan het Hof van Bronswijk, alwaar den regeerende
Hartog hem een jaarlijks pensioen aanbood te geeven,
indien hy zich voor eenige tijd wilde verbinden als
Hofschilder .. maar dien Hartog kon dat Kwikzilver niet
fixeeren, en David belande eyndelijk in zijne geboortestad
Leyden, om, het reyzen wars, aldaar zijne konst te
oefenen, in een stille rust en in een zoete vreede.
Doch
|
|
-ocr page 400-
| |
| |
Doch dat voorneemen duurde mee zo
lang niet als een hertsleere Draagbant, want op het jaar duyzent ses
hondert drie en twintig, verwisselde hy het penseel tegens de pen,
en têkende de Konterfytsels uytvoeriglijk met Inkt, in stee van die
vaardiglijk te schilderen met koleuren: maar of die keus moet worden
gelaakt of gepreezen, zullen wy thans niet beslissen.
PIETER de VALK
.
| | Die Konstenaar was den zoon van een Zilversmid, en
wiert gebooren te Leeuwaarden in Frieslant, op het jaar
duyzent vyf hondert vier en tachtig. Hy heeft genoegzaam
de Schilderkonst uyt zich zelven geleert, en inzonderheyt
gestudeert na de Penseelkonst van A. Bloemaart,
als blijkt uyt een stuk Schildery by hem geschildert, en
noch te zien by zijne Dochters Dochters Dochter, Antje
Jeppes, tot Sneek.
| | Pieter de Valk vloog ook eens over na Italien, alwaar hy
de Les van den Wysgeer opvolgde, Qia bene non se
mova, dat is op goed Nederduyts, Die wel is die wel
blyft, want hy bleef er veele achtereenvolgende jaaren
zitten roesten. In het Vaderlant wedergekeert zijnde,
kroop hy in den Vingerhoed des Huuwelijks, en om te
toonen dat hy zijne beste pylen niet verschooten had in
Romen, te Venetien, of te Napels, flanste hy een paar
braave Jongens te zamen, waar van den eerste een Schilder,
en den jongste een Handwerksman wiert, en in
Kompagnie ook na Italien overstaaken; maar met minder
geluk als den Vader wel eer had gedaan. Die twee
jonge Reysbroeders wierden door een Genuees bedroogen
op een vervloekte wijze, en voor Slaaven na Barbaryen
|
|
-ocr page 401-
| |
| baryen verkogt, uyt welke luchtstreek zy nooit zyn komen
opdaagen. Onderwijlen schilderde den Vader veele
Historiestukken, Konterfytsels, Landschappen, en
zo voorts, op het Prinssen Hof tot Leeuwaarden, welke
konst aldaar noch ten deelen gezien en in waarde wort
gehouden.
| | Zijn eygen Konterfytsel, door hem konstiglijk en uytvoeriglijk
geschildert, op zijn een en twintigste jaar, is
noch op deezen dag te zien by Antje Jeppes, tot Sneek;
uyt welk beginsel van den klaauw des Leeuws kan geoordeelt
worden. Zijn Beeltenis, gesneeden na dat Konterfytsel,
staat onder aan op de plaat G.
WILLEM vander VLIET.
| | Hy is gesprooten uyt het adelijk geslagt van de Heeren
vander Woert en gebooren tot Delf, op het jaar duyzent
vyf hondert vier en tachtig. Die Konstenaar voerde
een vaardig penseel, en schilderde in den beginne
Historiestukken; maar naderhant viel hy op het konterfyten,
een byweg op de Heirbaan der Schilderkonst, vry
profytelijk, en ook vry moeilijk; want gelijk als het vry
zuyver moet zijn dat in den Hemel zal komen, zo moet
het vry natuurlijk zijn dat de Menschen zal behaagen.
Hy overleed in de Wintermaand, des jaars duyzent, ses
hondert twee en veertig, oud acht en vyftig jaaren. Die
Willem vander Vliet liet een Broeders zoon na, genaamt
Hendrik vander Vliet, die ook een Schilder was van zijn
Religie, en zich lange jaaren onder het opzicht van zijnen
Oom Willem oefende in het schilderen van Historien,
Nachtlichten, Stukken van de Doorzichtkunde, en alzulke
konststukken; doch die naderhant het voorbeelt
van
|
|
-ocr page 402-
| |
| van zijn Oom navolgde, en zich begaf tot het konterfyten,
onder de bescherming van den beruchten Konterfyter
Mierevelt. De Konterfytsels van dien Hendrik vallen
vry goed; maar zijne geschilderde Kerkjes, op den
trant van Emanuel de Wit, bevallen ons beter.
GUILLIAM NIEULANT.
| | Al weer een Sinjoor, gebooren tot Antwerpen, op het
jaar duyzent, vyf hondert vier en tachtig. Die Nieulant,
was een Leerling van Roelant Savry, by wien hy zich
aangaf tot Amsterdam, om onder zijn bestier de Schilderkonst
te leeren. Na dat hy ontrent ryp was om op zijne
eyge wieken te gaan flodderen, nam hy de reys aan
na Italien, en hy woonden drie jaaren lang te Romen by
den alom beruchten Konstschilder Paulus Bril. Die Guilliam
as een braaf Schilder in vervalle gebouwen, in
bemoste Triomfboogen, Badstooven, Graftombes, en
alzulke schuylplaatsen van uylen, wouwen en vledermuyzen,
gezichten overeenkomstig in alle deelen met het
verfoeielijk Gesticht van Rotsenburg, dat zo oud is in
zijn geboorte als een vroeggeplukte Maagd, en misschien
zo jeugdig zal worden in zijn verval als een hervormt
kruypent Gedierte Daar by was hy een goed Dichter na
die Eeuw, en een braaf Graveerder, die veele van zyne
eyge Ordonnantien met de naald heeft geetst. Hy ley
dit leeven af tot Amsterdam, op het jaar duyzent ses
hondert vyf en dartig.
KRI-
|
|
-ocr page 403-
| |
| KRISTIAAN JANSZ. van BIEZELINGEN.
| | Is een Tijdgenoot geweest van G. Nieulant gebooren tot
Delf, en was reeds voor een goed Schilder vermaart, op
het jaar duyzent vyf hondert vier en tachtig. Daar wort
van dien Konstenaar getuygt, dat hy middel vond om
den doorschooten Prins van Oranje, Willem den eerste,
uyt te têkenen in de kist, alhoewel zulks strengelijk verbooden
was by de Overigheyt van de stad Delf, op dat
den bittere Vyant zich niet zou vervrolijken met het kontersytsel
van dien doorluchtigen doch ongelukkigen Vorst,
welke têkening zo gelijk was met \'s Prinssen weezen,
dat zich den Schilder Hendrik Gerritsz. Pot daar van
bediende, toen hy dat geoote stuk voor \'s Schepens Kamer
maalde, in het Raadhuys tot Delf, op het jaar duyzent
ses hondert en twintig. Ook bewaarde den Heere
David Flud van Giffen Predikant tot Dordrecht, het
konterfytsel van Balthazar Geerards, den Moordenaar
van dien Vorst, onder zijne Rariteyten, welk konterfytsel
den voornoemden van Biezelingen na dien Borgonjonschen
Helhond had geschetst in de gevangenis.
| | Ook wort er verhaalt van dien vroomen Kristiaan
Jansz., dat hy eenige bekende Vrienden, die reysvaardig
stonden na Spanje, ging bezoeken aan boord van het Schip,
om het laatste Vaarwel met hun te drinken, en te klinken.
In het hartje van die warme vreugd vermorwden die
Vrienden hem zodanig, door duyzende betuygingen van
liefde en achting, dat hy niet alleenlijk resolveerde om
staands voets die reys aan te neemen, maar dat meer is,
en ook zijne Huysvrouw, beneffens twee kinders die
mee van het gezelschap waaren, overhaalde, en vlak
voor
|
|
-ocr page 404-
| |
| voor de wind afstak na het Koningrijk der Vygen. In
Spanje gearriveert zijnde raakte hy aan het Hof, en verbleef
aldaar in de kwaliteyt als Schilder tot dat zijne Beminde
hemelde; waar op hy weerom overscheepte na
HolIand, om een nieuwe Pels te bedingen. Hy trouwde
dan voor de tweede maal, en ging voor goed en al
woonen tot Middelborg in Zeelant, alwaar hy op zijn
beurt stierf., oud twee en veertig jaaren, en eenige dagen.
ADRIAAN van LINSCHOTEN.
| | Noch een Delvenaar op het Tooneel, gebooren op het
jaar duyzent vyf hondert en negentig. Niemant weet met
de waarheyt te zeggen by wien hy de Konst heeft geleert;
maar de meeste Liefhebbers onderstellen, dat hy een
Leerling van Spanjolet is geweest. Hy was al ommers zo
een woesten Kwant als Adriaan Brouwer, een knaap die
zo een slordig en onbesuyst leeven ley, dat er de kanailleuse
Antwerpsche Vrydagsmarkts Schilders heyligen by
zijn, waar door hy zo naakt wiert als St. Job op den
mesthoop, toen twee Zusters gingen sterven, om hem te
kleeden en te reeden. Die Zusters legateerden hem den
interest van haare kapitaalen, waar door Meester Adriaan
wel zorgeloos kon leeven, maar ook niet verder als de
lengte van zijn Interests springstok springen.
| | Op het jaar duyzent ses hondert vier en dartig trok hy na
Brabant, en trouwde aldaar met een jong en gering haveloos
Meysje, een Speldewerkster by broodwinning,
taamelijk schoon, maar schraal en kaal gelijk als alle die
Boutenspeeldsters. Na verloop van eenige jaaren wiert
hy Brabant wars, en hy kwam afzakken met er woon na
\'s Gravenhage, verzelt met zijn Brabands Harteke, en met
twee
|
|
-ocr page 405-
| |
| twee Dochtertjes. Daar wort verhaalt, dat dien Adriaan
van Linschoten de Ontmoeting van den Apostel Petrus
met de Dienstmaagd des Opperpriesters zo natuurlijk had
gemaalt, dat men de innerlijke hartstochten zichtbaarlijk
zag doorstraalen op die tronien, waar door een zeker
Predikant hem verzocht, om er het Berouw van dien Apostel,
tot een weergaa, by te schilderen. Meester Adriaan
bewilligggde dat billijk verzoek, die zette een tweeden
doek op den Esel, en de verbeelding van het Berouw
des Apostels gelukte hem alzo wel als het Tafereel van
de Verloocghening. Den Predikant betuygde ten uyterste
voldaan te zijn over dat stuk, waar op den onbeschofte
Schilder hem vroeg; Wel, Heer Predikant, wat zegje,
is dien Huylebalg niet welgetroffen? Den Dominê stont
verstelt over die Westmunstersche vraag, en andwoorde
eenigzins geergert; Wel hoe, Linschoten, wat is dat
voor een wuze van spreeken? waar op het den Schilder
noch slimmer maakte, met te zeggen; Wel ja, mijn
Heer, was hy niet een groote zot van te gaan huylen om
die beuzeling? ik heb zo dikmaals geloogen en tegens mijn
beter weeten gezwooren; doch nooit heb ik er traanen om
verspilt. Dan verzaak ik uw en uw konst, (schoot hem
den Predikant toe in het weggaan) en begeer geen schildery
van zo een schepsel als ghy zyt tegens de wand te zien
hangen.
LUKAS de WAAL JANSZ.
| | Die Man is gebooren tot Antwerpen, op het jaar duyzent
vyf hondert een en negentig. Die Lukas heeft het
spreekwoort waar gemaakt, dat het alles muyst wat van
Katten komt, want uyt een Schilder gesprooten zijnde,
moest
|
|
-ocr page 406-
| |
|
moest en begeerde hy mee een Schilder te worden, waar
toe hy een aanvang maakte by zijn Vader, en naderhant
zich meer en meer volmaakte by den Konstschilder Jan
Breugel, wiens handeling hy wonderlijk wel wist na te volgen.
Hy begaf zich al vroeg ter been om Vrankrijk en Italien te gaan
bezoeken, in welke beyde Gewesten hy veele schoone en grootsche
werken heeft gemaakt, zo in de olieverf, als tegens de muuren in
Fresco. Hy was een groot Schilder in vreemde rotsen, watervallen,
zonneschijnen, onweeren, blixem en donder, alle welke zaaken hy
natuurlijk wist te verbeelden. De uur van zijn overlyden is ons
minder bekent als de plaats, want hy stierf binnen Antwerpen, en dat
is al dat wy er van weeten na te vertellen.
WYBRAND de GEEST
.
| | Die Wybrand was een braaf Historieschilder, bekent en
berucht by zijne Tijdgenooten. Hy heeft verscheyde jaaren
gepasseert in Italien, en inzonderheyt te Romen, alwaar
hy ook een Bendvogel was, gedoopt den Frieschen
Adelaar.
| | Onder de Lierdichten van J. vanden Vondel vinden
wy de navolgenden berymde waarschouwing aan dien
geestrijken Wybrand de Geest.
O Geest, die in het Vriesche Hof,
Het leeven geeft aan asch, en stof,
En zweeft met geestige penseelen
En verf op doeken en panneelen;
\'k Geloof ghy terregt Vrouw Natuur,
En durft de zon haar heylig vuur
Ont-
|
|
-ocr page 407-
| |
| Ontsteeken, en de vingers zengen,
Om leeven in uw beelt te brengen.
Zie toe, Prometheus, wien ghy raakt,
Als ghy den Mensch onsterlijk maakt,
En om op \'t Aardrijk \'t licht te maalen,
Den Hemel plondert van zijn straalen.
Men ketende eertijds zulk een gast
In \'t Noorden aan een steenrots vast,
En korte hem die stoute vlogels,
Daar hy verstrekte een aas des Vogels.
\'t Zijn geesten die de wolken treen,
\'t Is waar, doch zonder vleesch en been.
Een yder kenn\' zijn staat en waarde.
De zichtbre geesten gaan op de\' Aarde.
Dus blijkt \'t ons hier beneden by
Daar Noyen, zittende aan uw zy,
Uw weet aan zijne tong te lijmen,
Met puyk van heerelijke rymen..
Hy is gewoon zijn Poezy
Te huuwen aan uw Schildery,
Ghy zuigt zijn dichten met uw ooren,
Zijn oogen kussen uw Pandooren.
JAKOB POTMA
| | Gebooren tot Workum in Frieslant is een Leerling van
Wybr. de Geest, en daar by een braaf Konterfyter en
Historieschilder geweest. Ook was hy een Man die de
weerelt verstont, en die eygenschap is vry dun gezaait by
de Konstschilders en by de Geleerden, gelijk als wy in
tijd en wyle zullen aantoonen.
GE-
|
|
-ocr page 408-
| |
| GERARD HONTHORST.
| | Die braaven Konstschilder is een Uytrechts kind, gebooren
op het jaar duyzent vyf hondert twee en negentig.
Hy leerde de gronden van de Schilderkonst by Abraham
Bloemaart, en trok toen na Romen, alwaar hy zich
zo naarstiglijk oefende en vorderde, dat hy op zijn
overkomst een Vlagman was onder alle de Nederlandsche
Konterfyters en Historieschilders. Hy heeft in Italien
veele stukken geschildert voor Kardinaalen en voor andere
kerkelijke Overigheden; en van \'s gelijken is hy in Engelant
geemployeert geworden by den Koning van Groot
Brittanje.
| | Hy was een welleevent Man die zich bemint maakte
by grooten en by kleynen, die de eer had om de Koninglijke
kinders van de Koninginne van Bohemen, de
Suster van Karel den tweede te konterfyten, te weeten den
Prins Robert en den Paltsgraaf, welke Kontersytsels
wierden overgezonden na Londen. Ook leerde hy de
vier jonge Princessen, de Dochters van de voorgemelde
Koninginne, têkenen, onder dewelke de Princessen Sophia
en de Abdisse van Maubuisson uytstaaken. Veele andere
Konterfytsels heeft hy geschildert, als onder andere
de befaamde Maria de Medicis, Koninginne van Vrankryk
&c. over welk Konterfytsel Jan Vos zich aldus laat
hooren.
Dus toont zich Medicis een Moeder der drie Rijken,,
De doren van de nijd verstikt haar leeliebloem:
Al wat Fortuyn aan veelder Grooten ooit deed blijken,
Heeft zy alleen gevoelt. Onzeeker is den roem.
Haar
|
|
-ocr page 409-
| |
| Haar klimmen wort verpoost door zwaare ballingschappen.
De troonen zijn van goud; maar glibberig van trappen.
| | Eyndelijk begaf zich die konst-dwaalstar vast met der
woon in \'s Gravenhage, en wiert Schilder van den Prins
van Oranje, voor welke Vorst hy verscheyde stukken schilderde
in deszelfs Buytenplaat sen, en onder andere in het
vermaarde Huys ten Bosch, buyten \'s Gravenhage.
PIETER SNAYERS.
| | Was een Antwerpenaar, en wiert gebooren op het
jaar duyzent vyf hondert drie en negentig. Hy is een
braaf Batailleschilder en ook Hofschilder geweest van den
Aartshartog Albert en van de Infante lsabella, en naderhant
by den lnfant Kardinaal en by andere Vorsten en grooten.
Het laatste lot van dien Konstenaar is een geheym
voor ons, gevolglijk zal het zwygen beter zijn als het
verzinnen.
ADRIAAN de BIE.
| | Dien Adriaan de Bie is gebooren tot Lier, op het jaar
duyzent vyf hondert vier en negentig, en leerde de Schilderkonst
by eenen Wouter Abts, die een Schilder was
van de laagste Gemeente, zo dom als een Kalf, en zo
mal als een Uyenboer. Op zijn achtiende jaar vertrok hy na
Parys, alwaar hy twee jaaren woonde by den Heere Rudolf
Schoof, Schilder van Lodewyk den dertiende, een
vermaart Konstenaar op die tijden. Hy verspilde aldaar
zijne uuren niet met de Duyf en met de Druyf, gelijk als
veele
|
|
-ocr page 410-
| |
| veele wyngierige Brabrabandsche Nathalsen doen, maar
verorberde zijne dagen in een gestadige vlyt en naarstigheyt,
en trok toen na Romen, alwaar hy acht achtereenvolgende
jaaren woonde, en zich na vooriger gewoonte oefende
in het bestudeeren en in het kopieeren der befaamste
Konststukken. Naderhant bezocht hy de voornaamste
Italiaansche steden, in welk bezoek hy noch een dozyn
Maanden besteede, en toen repatrieerde hy na het Vaderlant.
Hy schilderde te Romen en elders voor veele Kardinaalen,
en andere kerkelijke Prelaaten, onderscheyde
aardige Historien op goude en op zilvere plaaten, ook
op porfiersteenen, Jaspis, Agaat, en op andere kostbaare
gesteentens,waar in zy veel genoegen naamen, ten deelen om
de Konst, en ten deelen Zuyverheydshalve. Op het jaar
duyzent ses hondert drie en twintig keerde hy te rug na
Lier, alwaar hy veele fraaye Konterfytsels, en kloeke
Ordonnantien vol beelden schilderde, als onder andere
het Altaarstuk van St. Eloy, den Patroon der Smeden,
in de Kerk van den heyligen Gommer binnen Lier. Dien
Adriaan de Bie is den Vader geweest van Kornelis de Bie,
den Schryver van het Gulde Kabinet der Edele Schilderkonst.
KORNELIS de WAAL.
| | Die Konstschilder was een broeder van Lukas de Waal,
een Zoon van Jan de Waal, en een Antwerps kind by geboorte.
Dat hy geen gemeen Schilder is geweest bleek,
toen den Hartog van Aarschot hem opontbood, en tot
zijn Hofschilder aannam, gelijk als hy ook veele treffelijke
Konststukken in Spanje heeft gemaakt, voor dien
Hartog en voor Filip den derde. Ook heeft hy eenige
jaa-
|
|
-ocr page 411-
| |
| jaaren gewoont in de Nederlanden, doch waar of by
wien is ons nooit te vooren gekomen; maar wy hebben
wel gehoort en geleezen dat hy een braaf Batailleschilder
was, die Bellonas yzeren Winkel beneffens deszelfs
verminkten nasleep, aardiglijk wist te verbeelden,
| |
Arnold Houbraken zegt een voornaame Schildery van
dien Kornelis de Waal te hebben gezien, op een Boelhuys
tot Amsterdam, in het jaar duyzent zeven hondert
en vyftien, op welk stuk een bestormde Vesting was verbeelt,
konstiglijk geschildert en vol gewoel van beelden.
Hier zag men het krygsvolk vol moed en vuur de stormladders
beklimmen, ginds anderen verminkt of dood neerwaards
buytelen, en op een ander plaats het Vaendel
des Verwinnaars geplant op die zeer na verooverden Burgt,
onderwijl dat de Bevelhebbers der beleggers, gezeten te
paerde op den voorgrond, de Stormers aanvoerden en
aanmoedigden, en zo voorts. Doch wy zullen dat daar
laaten, om eens te hooren of te zien, wat dat den beruchten
Jakob Jordaens, den Tegenvoeter van P. P. Rubens ons heeft
te zeggen.
JAKOB JORDAENS
.
| | Die grooten Konstenaar wiert gebooren binnen Antwerpen,
op den negentienden van de Bloeimaand, des jaars
duyzent vyf hondert vier en negentig. Zijn Leermeester
in de konst is geweest Adam van Oort, met wiens Dochter hy ook trouwde. Het was een groot
verlies voor de Schilderkonst dat dien Jakob zo vroeg zijn intreede
dee in het natuurlijk Kabinet van den God des Huuwelijks,
zonder alvoorens Italien te hebben bezocht, een jammer
dat hy zelfs wel heeft willen belyden; want zo dra
als
|
|
-ocr page 412-
| |
| In het oorspronkelijke boekwerk ligt tussen
pagina 382 en 383een extra, ongenummerde
pagina met afbeeldingen van diverse schilders.
Deze tussenpagina is in het plaat-formaat te bekijken.
|
|
-ocr page 413-
| |
| als hy eenige Konsttafereelen van Titiaan, Paulo Veroneese,
Caravagio, Bassan, en alzulke Konstschilders kwam
te ontmoeten, poogde hy die zo zeer als het hem doenlijk
was na te volgen, waar door hy wakker vorderde.
Hy was zo vaardig met de penseelen, dat hy de beyde
Nederlanden, beneffens veele andere Rijken met zijne
schilderyen vervulde, aan welke meenigvuldigheyt wy
het verval van derzelver waarde, eenige jaaren geleeden,
moeten toeschryven, want de Zeldzaamheyt verhoogt
den prys aller zaaken, en de meenigvuldigheyt doet de
markt daalen. Zijne Konsttafereelen zijn groots en te zelver
tijd natuurlijk geordonneert, de naakte beelden vast
getêkent, de draperyen breed geplooit, en inzonderheyt
is alles heerlijk behandelt en gloeient gekoloreert. Hy
heeft zo veele groote werken zo in de Spaansche als in
de Vrygevochte Nederlanden gepenseelt, dat het eeen groot
Boek zou opmaaken die alle te beschryven. Het Lyden
des Zaligmaakers Jesu Kristi, bestaande in twaalf groote
stukken, schilderde hy voor den grooten Karel Gustaaf,
Koning van Zweden. De Daaden van den beroemden
Fredrik Hendrik Prins van Oranje,staan desgelijks geboekt
voor zijne alderbeste Konststukken: Emilia van Solms,
Princesse Douariere van Oranje, liet die glorierijke Bedryven
schilderen in een groote Saal, de Saal van Oranje
genaamt, zijnde de meeste en de voornaamste stukken
met zijn eygen hand, zonder eenig behulp van zijne Leerlingen,
aangelegt en opgeschildert, als daar zich dien
vergooden Vorst vertoont op zijnen Zêgenwagen, en zo
voorts.
| | Den * Stockausche Historieschryver van de Leevenwijzen
* Joachim de Sandrart, Academiæ Picturæ Nobilis, partis secundæ liber 3.
pag. mibi 333, & sequent.
|
|
-ocr page 414-
| |
| wijzen der Konstschilders verhaalt; dat hy den grooten
Rubens in de weg liep, dewijl Jordaens hem alleenlijk
niet week in een gloeient koloriet, maar zelfs overtrof in
de natuurlijke verbeelding der Hartstochten, en in het
achterhaalen der Waarschijnlijkhêden: want als wanneer
men derzelver Konststukken vergeleek met malkanderen,
speelden den Geest en de Uytvinding den baas in
die van P. P. Rubens, doch de Waarheyt en de Uytdrukking
triomfeerden in die van J. Jordaens. Daarom
en uyt dien hoofde, zegt Joachim de Sandrart, ley Rubens
toe om dien Mededinger zijn natuurlijk Koloriet te
ontrukken, waar toe z ich korts daar aan een schoone gelegendheyt
opdee, die Rubens waarnam als de eerste de
beste. Hy stelde Jordaens te werk om veele patroonen
van Tapyten te schilderen met waterverf, voor den Koning
van Spanje, van welke patroonen Rubens eerst eenige
kleyne schetsen in olieverf had gemaakt, welke schetsen
Jordaans meesterlijk, doch ongelukkiglijk, navolgde,
dewijl hy zich zodanig ontzette van zijne eerste handeling,
door het gebruyk van die gom-en lymverwen,
dat hy \'t zedert zo gloeient, krachtig en mals niet meer
schilderde, door dien hem die koele, kleurige en harde
schilderwijze bleef aankleeven. Wat daar van zy is ons
onbekent; doch wy gelooven het kontrarie waar te zijn,
voor zo ver onze Ervaarendheyt reykt, en voor zo ver
wy konnen zien, dat de alderlaatste Konststukken van
J. Jordaens al ommers zo gloeient gekoleurt en zo mals
zijn behandelt, als zijne aldereerste Tafereelen.
| | Ook was hy byzonderlijk vaardig, een talent waar
door zich den Napelsche Luca Jordano, en den te post
loopende Historieschilder Pellegrino al ommers zo vermaart
hebben gemaakt, als door hunne Konsttafereelen.
Daar wort verhaalt by den voornoemde J. de Sandrart,
dat
|
|
-ocr page 415-
| |
| dat J. Jordaans de fabel van den Boksvoet Pan en van
de snelgehielde Nymf Siringa, benevens het aankleeven
van dien, opschilderde binnen de ses dagen, zijnde de
beelden leevensgroote, en konstiglijk en uytvoeriglijk
behandelt.
| | Hy was niet alleenlijk een Overvlieger in grootsche
werken en in godvruchtige Altaarstukken, als blijkt uyt
die schoone Tafereelen in de Kerk der Eerwaarde Paters
Augustynen binnen Antwerpen, en elders; maar hy munte
van \'s gelijken uyt in vrolijke stoffen, waar van hy
proeven gaf in die bekende, aardige, en door de Antwerpsche
Vrydagsmarkts Schilders tot walgens toe gekopieerde
Ordonnantie, Gelijk als de Ouden zongen, piepen
de Jongen; in dat kluchtig stuk van den Drie Koningen
avond, waar op hy eenen Gryzaart penseelde,
door het lot tot Koning aangestelt, bekranst met een gepunte
papiere kroon, die zeer smaakelijk schijnt te pooijen,
onderwijl dat deszelfs vrolijke Onderdaanen schreeuwen
en tieren, Den Koning drinkt! als ook in den Sater uyt
de Fabellegende van Esopus, die met verwondering den
voor Hoveling speelenden Boer, die hitte en koelte met
den zelve adem blaast, schijnt te beschouwen; en diergelyke
Ordonnantien. Ook blijkt zijn krachtige schilderwijze
op dat befaamt Nachttasereel, vervattende het geval
daar Petrus het oor afhouwt van den Dienstknecht Malchus
in den eersten yver. Maar dewijl zijne konst \'s Meesters
beruchten naam zo volmondiglijk uytbazuynt, past
het ons te zwygen, als zijnde maar onvolmaakte Uytroepers
van die overheerlijke Konsttafereelen. Het Konterfytsel
van J. Jordaans staat boven aan op de prent H,
geetst door een van de Houbrakens.
| | Die Jordaans was een Konstenaar die zeer beleeft en
borgerlijk was van ommegang, die tegens den avondstond
zich
|
|
-ocr page 416-
| |
| zich vervrolijkte, niet met een glaasje Leuvens, Verkensleuvens,
Liersche Kaves, Hoegaarts, en alzulke
Dollemans Dranken, maar die zijn flesje Wijn dronk,
en dat past een fatsoenlijk Schilder, en die daagsch daar
aan den Schilderesel bezocht, in stee van de dierbaare uuren
te loopen vermorssen in een labbekaks Coffihuys, of in
een Vischmarkts Brandewijns Ordinaris.
| |
Hy ley dit sterflijk leeven af, oud
acht en zeventig jaaren, belaaden met eere en met schatten, op welke
loopbaan wy hem hoopen op te volgen, om plaats te maaken voor de
Naneeven.
LUKAS van UDEN
.
| |
Die Konstenaar is al mee voortgeteelt in den Meloenbak
van Antwerpen, op den achttiendeen October, des
jaars duyzent vyf hondert vyf en negentig. Hy had eene
aangenaame dommelachtige schildermanier, en eene aardige
handeling in zijne boomen, luchten, verschieten, en in
diergelijke Landschapschilderseygenschappen. Zijn Konterfytsel
staat op de plaat F, boven het borstbeelt van
Frans Hals, die alzo wel een Hoed voert als de Dordrechtsche Maagt,
tot een bewijs van zijne losse, en vrye leevenswijze.
DIRK van HOOGSTRAATEN
.
| | Die Dirk wiert mee gebooren tot Antwerpen, op den
avond van St. Mathys, des jaars duyzent vyf hondert ses
en negeintig, en kwam met zyn Vader Hans afzakken na
de Nederlanden, om de vervolging te ontwyken. Hans
liet zyn Zoon leeren têkenen, en bestelde hem toen
by
|
|
-ocr page 417-
| |
| by een Goudsmid, by wien hy ook de behandeling van
het graveeryzer wys wiert, gelyk als noch kan worden nagegaan
op een zeker Printje van een Ecce Homo, door
hem zelfs getêkent. Dirk kreeg korts daar aan de reyslust
in \'t hoofd, dewyl hy hoorde dat de Duytschen in
het vergulden van \'t Zilver de Nederlanders overtroffen,
en zyne Ouders, ziende dat zy hem dat voorneemen niet
konden uyt het hoofd praaten, lieten hem in \'s Heeren
naam vertrekken.
| | Aldaar belant zijnde kreeg hy kennis aan eenige Nederlandsche
Schilders, en langs die kennis vatte hy een
zucht op voor de Schilderkonst, te meer, dewyl hy handtastelyk
zag, dat de Schilders meer en wel zo maklyk
geld wonnen, als de Goud-of als de Zilversmêden.
Dewyl Samuel van Hoogstraaten, den Zoon van den voornoemden
Dirk, een zeker voorval heeft vertelt aan
Arnold Houbraken, zullen wy dat den Leezer zonder de
minste verandering mededeelen, om ons Gemoed met geene
Overslaaning te belasten.
Dirk van Hoogstraaten viel in een doodelijke ziekte,
in een ongenoemde stad in Duytsland, en dewyl er niets
te wachten scheen als de dood, liep zyn Waardin, dewelke
hem met veel zorg en toezigt diende, en hem om
zyn gedrag liefde, na een Priester, die hem op haar bericht
de Communie toereykte. Den kranken Schilder had
echter noch zo veel bezef dat hy zulks merkte, derhalve
liet hy zich die stoffe ontvallen, die naderhant door
het opmaaken van het bed achter het Ledikant viel, en
door de gedienstige Hospita op den grond wiert gevonden,
op een tyd dat hy, beter geworden zynde, was uytgegaan
om een luchtje te raapen. Zy zweeg stil om
hem niet te ontstellen, doch zo dra naderde het Feest
van Paaschen niet, de bestemde tyd van Biechten onder
de
|
|
-ocr page 418-
| |
| de Roomschgezinden, of het hooge woord moest er uytkomen,
derhalve nam zy hem tusschen vier oogen, als
wanneer zy hem aldus vermaande; Ik waarschouw uw,
tot myn leedweezen, van op het spoedigste te vertrekken, dewyl
ghy door het verachten van het heylig Sakrement des
Altaars uw hebt schuldig gemaakt aan de straffe des doods,
die uw onvermydelyk op den hals zal vallen, zoghy die niet
komt te ontspringen door een tydige vlugt. Ik heb de Hostie
ten deelen gevonden achter het Ledikant, de Biecht is aanstaande,
en het is myn pligt zulks te ontdekken. Den goeden
Dirk liet zich die vermaaning zo wel gevallen, dat
hy fluks zyne spillen pakte, haasop speelde, Duytslant
verliet, en zyne Ouders eerder \'t huys kwam als zy dochten.
Den Vader Hans vroeg aan den Zoon Dirk; wat
hy nu gezint was te doen, een Winkel op te zetten, of
door een stuk werks een vrywillige proef te geeven aan de
Zilversmeden, van zyn voordering in dat Ambacht?
doch den gryzen Hans stont geweldig te kyken, toen
Dirk hem andwoorde; dat hy den hamer eens Zilversmids
had verruylt tegens het penseel eens Schilders, en
dat hy zulks eerstdaags zou doen blyken. Ook hielt Dirk
zyn woord, en bevlytigde zich zo onvermoeijelyk in
zyn nieuw beroep, dat hy den eernaam van een goed
Schilder verooverde. A. Houbraken zegt, dat hy stukken
van Dirk van Hoogstraaten heeft gezien, dewelke wel getêkent
en natuurlyk waaren geschildert; en by die getuygenis
moeten wy het, by gebrek van een verdere Voor-of
Tegenspraak, laaten berusten.
| | Hy stierf te Dordrecht op den twintigsten van de Wintermaand,
des jaars duyzent ses hondert en veertig. Zyn
Konterfytsel staat op de plaat I onder Leonard Bramer.
JAKOB
|
|
-ocr page 419-
| |
JAKOB FRANQUART.
| | Niets is zo Verderflijk voor den Mensch als de Lê-
digheyt; de Ledigheyt bevracht den geest met een
zwaarmoedige loomheyt, zy doet hem kriewelen in een
schandelijke laaggezieldheyt, en zy belet hem van zich
te konnen verheffen tot verhevene zaaken. De Lêdigheyt
is gelijk aan een onvruchtbaar land, dat niets voorbrengt
als distelen en als doornen, dewijl het blijft braakleggen;
en zy berooft den Mensch van den Overvloed, en van
de Glorie, het loon van de Deugd en van de Manhaftigheyt.
|
|
-ocr page 420-
| |
| heyt. Jakob Franquart, een van de arbeydzaamste mannen
zijns tijds, verooverde het eene en het andere door
een onvermoeiden arbeyt en kloekzinnigheyt. In stêe van
te kwynen in een langzaame en koele Luyheyt, gelijk
als veele menschen doen, trat hy edelmoediglijk in het
strijdperk der Konsten, en verhit door een zucht tot eere,
beyverde hy zich op eenen tijd in de Schilderkonst, in
de Bouwkunde, in de Meetkunde en in de Dichtkunde,
en hy omarmde die met zo veel liefde, dat hy niet vergenoegt
van die te hebben bestudeert in zijn Vaderlant,
noch daar en boven na Romen stoof om nieuwe geheymen
na te speuren onder de Italiaanen.
| | Op zijne wederkomst verkoos den Aartshartog Albert
hem tot zijn Bouwmeester, en hy besloeg geen kleyne
plaats in zijne achting. De Infante Isabella, niet minder
bekoort door de zuyverheyt zijner Zeeden, als door de
schoonheyt zijner werken, vereerde hem ook byzonderlijk
met haare goedwilligheyt; ja zy vergunde hem van in
haare kamer te komen om haar te zien en te onderhouden,
wanneer derzelver toegang geslooten was voor de
grootste Heeren van het Hof. Ook betoonde zich Franquart
niet ongevoelig te zijn voor die ongemeene gonst,
dewijl hy, overlaaden met schatten en met waardigheden,
door de milddaadigheyt dier doorluchtige Persoonaagien,
zich onvermijdelijk tot aan de dood toe verbond in den
dienst van den Aartshartog Albertus. Na het verlies van
dien goeden Meester, welk verlies zo gevoelig is geweest
aan de Spaansche Nederlanden, putte hy alle de geheymen
der Konst uyt om voor den zelven een staatelijke
begraefenis te ordonneeren, en hy stichte een * brandende
Kapel voor dien Vorst in Sinte Gudulas Kerk binnen
Brussel, alwaar men de ongeveynsde droefheyt der Provintien
* Castrum doloris.
|
|
-ocr page 421-
| |
| vintien by de vlam van duyzent toortsen, dewelke dat
prachtig Graf illumineerden, zichtbaarlijk zag doorstraalen.
Een werk zo staatelijk dat er een boek vol plaaten
van is uytgegeeven, behelzende de geheele pracht van die
Begraefenis staatsie.
| | Ook is dien grooten Man grootelijks bemint geweest
by den Prins van Barbanson, voor den welken hy eeninige
cieraaden ordonneerde in zijn kasteel van Barbanson;
inzonderheyt ordonneerde hy de Kapel van dat kasteel,
dewelke een byzonder aardig gebouw uytmaakt in zijnen
kleynen omtrek. Doch veel aanmerkelijker is dat geene
dat hy heeft gemaakt voor het Gemeen, het zy met het
kompas of met het penseel, als die in het dubbelt beroep
vain Bouwkonstenaar en van Vestingbouwer veele heerlijke
Overblyfselen van zijne bekwaamhêden heeft nagelaaten
aan de Brusselaars; voornaamelijk dien prachtigen tempel
van de Eerwaarde Paters Jesuieten opgeregt na zyn ordonnantie,
en berucht voor een van de schoonste Kerken
der Nederlanden. Hy was den eersten uytvinder van een
kleyn uyt staal \'t zamengestelt Konstwerktuyg, het welk
door de beweeging, en door het geraas van eenige veeren,
hem by nacht op die uur opwekte als hy begeerde te
arbeyden, en te zelver tijd zijn kaers ontstak door het middel
van een gezwavelde lont, die op de beweeging van
dat konstwerktuyg vuur vatte. Die Franquart is den Leermeester
geweest van Anna Francisca de Bruyns, de Moeder
van Isaak Bullart, Ridder van de Orde van St. M ichiel,
en Schryver van een Boek getytelt, de Hooge School der
Konsten en Wetenschappen, gedrukt te Parys, op het jaar
duyzent ses hondert twee en tachtig. Die Anna vorderde
zodanig in de Schilderkonst onder zijn opzicht,
dat hy haar aanbood aan de Infante Isabella, dewelke tot
een blyk van haare achting de vyftien Geheymenissen van
den
|
|
-ocr page 422-
| |
|
den Roozenkrans door haar eygen hand geschildert wilde
hebben, welke stukken zy overschikte aan den Paus
Paulus den vyfde, als een geschenk dien grooten Opperpriester
waardig. Dien beruchten Jakob verviel op zyn winter saisoen in zo
eene onbepaalde liefde voor de Godes der Lente, dat hy zich nergens
anders mee bemoeide als met het aankweeken van allerhande Bloemen,
en die zucht duurde tot dat de Dood, gedooken onder een
Kerkhofsbloem, hem het gras onder de voeten wegmaayde, en verzamelde
by de voorige Konstschilders en Bouwkundige Overvliegers.
LEONARD BRAMER
.
| | Die Schilder is gebooren tot Delf, op het jaar duyzent
vyf hondert ses en negentig. Die Leonard begaf zich
al vroeg op de bouten, en stoof op zijn achttiende jaar
na Atrecht in het land van Artois, van daar na Amiens
in Picardyen, van Amiens op Parys, Marseille, Genua,
en eyndelyk na Romen, alwaar hy zich onderscheyde jaaren
heeft opgehouden, naarstiglyk têkenende en schilderende,
waar door hy een braaf Schilder wiert, gelyk als
honderde van zyne Konsttafereelen konnen getuygen. Hy
is aan verscheyde Hoven wel gewilt geweest, en voornaamelyk
by den Prins Maria Farnese Hartog van Parma en
van Plaisance, voor den welken hy veele zo groote als
kleyne werken heeft geschildert. Vorders was hy geduurende
die buytenlandsche reys wel gezien te Venetien,
Florence, Mantua, Napels, Padua, &c.
| | Hy was een groot Ordonneerder, en een verdienstig
en naarstig Têkenaar, als blykt uyt duyzende Têkeningen,
die noch berusten onder de Liefhebbers, zynde het
jam-
|
|
-ocr page 423-
| |
| In het oorspronkelijke boekwerk ligt tussen
pagina 392 en 393een extra, ongenummerde
pagina met afbeeldingen van diverse schilders.
Deze tussenpagina is in het plaat-formaat te bekijken.
|
|
-ocr page 424-
| |
| jammer dat hy zo zuynig is geweest op het papier, dewyl
er veele onderloopen getêkent aan weerskanten. Onder
veele andere stukken had hy de Verwekking van Lazarus
geschildert, een Tafereel berucht by de Konstkenners,
woelig geordonneert, wel getekent, en geestig
van lichten en schaduwen. Noch is er een Verloocghening
van den Apostel Petrus, waar in de hartstochten
wonderlijk wel waargenomen, en de lichten en schaduwen
verstandiglijk zijn verdeelt. Ook munte hy zonderling
uyt in het schilderen van goude en zilvere Vaazen,
Drinkbekers, en alzulke rijke Cieraaden.
| | Na dat hy zijn bekomst had van Italien, keerde hy
neerwaards na de Nederlanden, en arriveerde in zijn Geboorte
plaats de stad Delf, alwaar hy handtastelijke blijken
gaf, dat hy zijne uuren op zijn Italiaansche kruystogt
niet had versnippert met Wyntje en Tryntje, gelyk als
wy er veele hebben gekent, die na vyf a ses jaaren verblyf
onder Romulus Naneeven, wel wederkeerden met
Romeynsche komplimenten, maar niet met Italiaansche
konstverbêteringen. Hy heeft verscheyde stukken gemaakt
op het Huys te Ryswyk, voor Frederik Hendrik Prins
van Oranje, voor den Grave Maurits van Nassouw, en
voor andere voornaame Persoonagien der vereenigde Nederlanden.
| |
Zyn Konterfytsel, gekopieert na Ant. vander Does, is te zien boven aan op
de plaat I.
JAN JOSEFZ. van GOYEN
.
| | Die Schilder is gebooren tot Leyden op St. Pontiaans
avond, den dertienden van de Louwmaand, des jaars duyzent
vyf hondert ses en negentig. Zyn Vader Josef Jansz.
van Goyen was een Liefhebber van de Têken-en Schilderkonst,
en gevolglyk des te gereeder om zyn Kind daar
in
|
|
-ocr page 425-
| |
| in op te voeren, gelyk hy hem dan ook bestelde by eenen
Koenraad Schilperoort een Landschapschilder, by wien
Jan de begin selen der konst zou leeren. Het schynt dat
onze Jan het aldaar niet kon uythouden, des brogt hem
den Vader by Mr. Jan Nicolai, een geestryk Schilder en
ook Borgemeester: doch Jan die in zyn groote jeugd vry
kwikzilversgezint schynt geweest te zyn, gaf den Bor-.
gemeester den zak, en nam zyn toevlucht tot den derden
Schilder, genaamt Jan Adriaansz. de Man. Maar die de
Man was ook niet zeer lang den Man van den wispeltuurigen
Jan, waar door zyn Vader, die dat spel wars wiert,
hem op het Glasschryven bestelde by den Glasschilder
Hendrik Klok. Dit was ook maar passelyk na zyn zin, dewyl
hy voorgaf geen genegendheyt te hebben voor het
Glasschildeeeren, maar wel voor de Olieverf schilderyen,
derhalve moest Vader Josef den vyfden Schilder oploopen,
die na lang zoekens wiert ontdekt in het Noorder
kwartier tot Hoorn, genaamt Willem Gerritsz. en dien
Noordhollandschen Konstenaar vond de konst uyt om die
Dwaalstar te fixeeren, want Jan Josefz. van Goyen verbleef
by hem een koppel jaaren, en nam in die tyd zyn
tyd zo naarstiglyk waar, dat hy op zyn negentiende jaar
kon dryven op zyne eyge riemen,
| | Hy keerde dan wederom na Leyden, voorneemens om
aan het Schilderen te tyen, toen de reyslust by hem kwam
opborrelen, waar door hy de stevels smeerde, in stee van
de penseelen, en de gang opnam na Vrankryk, alwaar
hy de voornaamste steden doorliep, zonder de Hoofdstad
over te slaan, en dat verricht hebbende zakte hy op
nieuws neerwaards na de laage Nederlanden. Den goeden
Vader Josef verbeelde zich dat Jan vry diep gevordert
.wasop die karavane, en gezint om er een groot Meester
van te maaken, trok hy met hem na Haarlem, en besteede
|
|
-ocr page 426-
| |
| de hem aldaar by den befaamden Landschapschilder Esaias
van den Velde, by den welken hy niet alleenlyk een geheel.
jaar lang verbleef, maar insgelyks zo toenam in de
Schilderkonst, dat er zich elk een over kruyste en zegende.
Korts na zyn wederkomst tot Leyden nam hy vrywilliglyk
een zevenden Meester, of zo je wilt eene Meesteres, als die
een Huuwelijk beging, en een Vrouw nam, die hem uyt
een dwaalende Planeet hervormde in een vaste Star. Hy
bleef in zijne Geboorte stad woonen tot op het jaar duyzent
ses hondert een en dertig, toen hy om een zekere
reden vertrok na \'s Gravenhage, alwaar hy zich in ernst
nederzette, en ook stierf, op het laatste van de Grasmaand,
des jaars duyzent ses hondert ses en vyftig.
| | Zijne voornaamste stukken zijn stille Watergezichten,
binnelandsche Marktschepen, en Visschers schuytjes, met
een Kerkje of een Dorpje in het verschiet. Alles wat hy
schilderde had hy voor het meerder gedeelte getêkent na
het leeven, welke Têkeningetjes konstiglijk behandelt,
en met zwart krijt aangetoest, noch hedensdaags bewaart
en geacht worden by de Liefhebbers. Het is wel waar dat
zijn stukjes wat eenkleurig of graauw vallen, hoewel
zulks zijn schuld niet is, dewijl ze zo niet waaren in den
beginne; maar op die tijd was er een Verf in de mode,
Haarlerns blaauw gedoopt, welke Verf niet bestendig
zijnde, die verandering ten kwaade heeft veroorzaakt.
| | Hy had een zwakheyt die wy den Leezer moeten mede
deelen, als bestaande in eene ongemeene verkiezing. Zo
dra had Jan van Goyen niet een stuyvertje overgewonnen,
of hy hing den mantel om en spanseerde na de Voddemarkt
in \'s Gavenhage, alwaar hy dan die oude kozynen,
deuren of vensters die hem te vooren kwamen,
bedong en na zijn huys liet vervoeren. Dat gedaan zijnde
kocht hy een Erfje, en daar op een Huysje gezet, dat
bin-
|
|
-ocr page 427-
| |
| binnen de veertien dagen opgetimmert, en in minder als
vier weeken wiert bewoont; doch bewoont by zulke Kapitalisten,
dat den vroomen Jan meer dan eens die zelve
Deuren en Vensters moest opkoopen op die plaatsen,
daar hy dezelve voor de eerste maal tot zijn schade had
gevonden. Zijn Konterfytszel staat op de plaat H, onder
het borstbeelt van Jakob Jordaans.
PIETER PIETERZ. DENEYN.
| | Die Konstschilder is gebooren tot Leyden, op den
sestienden van de Wintermaand, des jaars duyzent vyf
hondert zeven en negentig. Zijne Ouders, geringe luyden,
bestelden hem by een Steenhouwer, by wien hy eenige
jaaren verbleef; doch genoopt door een grootscher
geest, begaf hy zich tot de studien der Wiskunde, en
vervolgens tot de Bouw-en Doorzichtkunde. Hy maakte
zo een opgang in die Wetenschappen, niet tegenstaande
het onvermogen der Ouders, en zijn bepaalden tijd om
met zijne handen den kost te winnen, dat hy zich in staat
bevont van die drie Wetenschappen aan anderen mede te
deelen, voor Geld en voor goede Woorden.
| | Dewijl hy nu aan verscheyde Konstenaars kennis kreeg,
door het aan kweeken dier studien, en onder meeer andere
Schilders aan den vernoemden Landschapschilder Esaias
van den Velde, verzocht hy die om eenige Têkeningen,
dewelke hy zo wonderlijk natêkende, dat dien Schilder
hem de mengeling der Verwen mededeelde of leerde, en
hem toen eenige stukken liet kopieeren, Door dat gerief
vorderde Pieter Pietersz. Deneyn zo ver, en dat binnen
een korte tijd, dat hy in staat was om zijn Huysgezin
fatsoenlijk te konnen kleeden en voeden op St. Lukas
konstpenseelen. Hy wiert daar by Stads Steenhouwer,
op het jaar duyzent ses hondert negen en dertig, welke
bedie-
|
|
-ocr page 428-
| |
| bediening hy waarnam beneffens het schilderen, en dat
duurde tot dat hy de Steenhouwers krankte kreeg, een
benauwde borst, waar aan hy stierf, en aldus ontslaagen
wiert van het Schilderen en van het Steenhouwen.
ROELANT ROGMAN
| | Was een Amsterdammer die het eerste daglicht zag, op
het jaar duyzent vyf hondert zeven en negentig. Hy was
een braaf Landschapschilder, die niet onbekent was met
een goede Houding aan \'t werk te geeven, doch die vry
ruuw schilderde, en het geen noch wel het slimste was,
al te gebraaden of getaant. Veelligt is het den Man zijn
schuld niet geweest, als die maar een oog had, en dat
is niet te veel voor een Landschapschilder.
| | Die Roelant bevlytigde zich zonderling in het têkenen
naar het leeven, en men ziet noch hedensdaags veele vervalle
Kloosters en Burgten,die geêtst zijn of gesneeden na zijne
Têkeningen. Arnold Houbraken zegt, een geheel boek vol
Têkeningen van dien Schilder te hebben gezien, waar
op de voornaamste Hollandsche Stamhuyzen, en de bemuurde
en omwaterde Kasteelen stonden afgeschetst of
bewurpen. De zucht voor de Schilderkonst bleef hem by
tot aan zijne gryze jaaren, waar in hy veelstijds dit spreekwoort
gebruykte; Als men de zaaken komt te weeten, is men
versleeeten. Hy was noch tamelijk welvaarent in \'t OudeManhuys,
op het jaar duyzent ses hondert ses en tachtig,
om en by de tachtig Meymaanden oud; en hy hemelde
zonder ooit den Zodiak des Huuwelijks te hebben gepasseert,
een Zodiak daar het dikmaals zo heet van den rooster
gaat, als voor de belegering van Gibraltar. Geerbrant
van den Eekhout en Rembrant van Ryn waaren zijn goede
vrienden.
SA-
|
|
-ocr page 429-
| |
| SALOMON de BRAY .
| | Is een Haarlemiet geweest, aldaar gebooren op het
jaar duyzent vyf hondert zeven en negentig. Die Konstenaar
verdient een dubbelde lauwerkrans, voor eerst dewijl
hy zelfs een braaf Schilder is geweest;en ten tweede,dewijl
hy de Schilderkonst heeft overgestort in een paar braave
Zoonen, dewelke hy een lange reeks van jaaren in
die konst heeft onderschraagt door zijn schrander oordeel,
gelijk hy ook den jongsten Zoon eenige weeken
overleefde. Die Zoon genaam Jakob de Bray, was geen
van de minste konstpaerlen aan Haarlems Stedekroon,
zijnde hy in de Têkenen in de Schilderkonst een byster
groot Overvlieger.
| | Den Konstbeminnaar Arn. van Halen tot Amsterdam
heeft een stuk leevensgroote beelden, geschildert by dien
voornoemden Jakob de Bray; welk stuk den Koning David
verbeelt, daar hy plegtiglijk gepalleert staat te speelen
op zijn harp voor de Bondkist, verzelt met den Priesterlijken
treyn van veele zingende en op konstwerktuygen
speelende Levieten. Dat Tafereel is konstiglijk getêkent,
en daar by zuyverlijk en krachtiglijk geschildert,
en ziet er zo versch uyt van koleuren, als of het
zo eerst uyt het penseel kwam rollen. Dat voornoemde
stuk bewijst door zijn jaarmerk dat hy eenen ouden top
heeft bereykt, dat geen gemeene zegen is voor die Konstschilders
die het wel gaat na den vleesche. Aangaande
zijne têkenwyze op papier en ook op perkement, die is
konstig en daar by zeer uytvoerig, aardiglijk met rood
en met zwart kryt door malkander geslâgen, behandelt.
Den Konstbeminnaar Isaak del Court bezit wel de meeste
en ook de beste Têkeningen van dien voornoemden de
Bray,
|
|
-ocr page 430-
| |
| Bray, volgens de beeedigde Verklarin g van dcn Dordrechtschen
Arnold Houbraken.
| | P. van Rixtel gedenkt dien Jakob de Bray in zyne Mengelrymen,
op het Konterfytsel van den Haarlemschen
Poeet Fr. Snellinx, by den Voorgemelden Jakob gepenseelt.
De Bray vertoont zyn konst aan Snellinx op \'t panneel;
Maar Snellinx toont zyn Geest, doorluchtig in zyn
blaren;
Zyn inkt verstrekt hem verf, de veder zyn penseel.
Licht Vondel aan het Y, hy licht noch meer aan \'t
Sparen.
| | Of de Heeren Dichters en de Dichtkundige Heeren
Liefhebbers eenpaariglyk voor Amenbroeders zouden speelen,
op die roekelooze Wonderspreuk, is ons onbekent,
en die zelve Onkunde verbiet ons van ons in dat dichtkundig
verschil in te laaten. Veel liever zullen wy schryven,
dat hy stierf tot Haarlem, op het jaar duyzent ses
hondert vier en sestig; en den Vader Salomon volgde hem
na op het zelve koele spoor, op den elfde van de warme
Bloeimaand in het zelve jaarbestek van vier en sestig. Den
voorgemelden Jakob liet een Zoon na die in den beginne
een goed Bloemschilder, en naderhant een vroom Monnik
wiert; waarschijnlyk dat het Bloemgewas, zo min
van duur als de bekoorlijkheden der Juffers, hem die
Keus heeft aangepredikt. Het Konterfytsel van Salomon
de Bray staat op de plaat I, onder de Konstschilder Leonard
Bramer.
ADRIAAN
|
|
-ocr page 431-
| |
| ADRIAAN van UYTRECHT.
| | Is een braaf Schilder geweest van Vruchten, BloemenVogels,
en van Viervoetige Dieren, en wel voornaame,
lyk van Uytheemsche Indiaansche Vogels, welke voorwerpen
hy zo konstiglyk behandelde, en zo natuurlyk
konterfyte, dat zyne Konst wyd en zyd wiert getrokken,
Een diergelyke keus is wel zo aangenaam als het Schilderen
van Doodshoofden Brievetassen, Kamlappen,
Snaphaanen, Mosselschelpen, en zulke bedroefde &
ceteras, welke schilderyen wy echter hebben zien koopen
en verkoopen tot buytenspoorige pryzen. De
Keus is veeltyds de grootste verdienste in een Ordonnantie,
en daarom zey een Engelsche Lord zeer wel,
toen een zeker Konstkooper hem eenen geslachten Os
veylde, geschildert by Francois Sneyders, dien beruchtsten
aller Dierenschilders; Dat stuk is heerlijk getêkent,
keurlijk geschildert, en konstiglijk behandelt, maar het past
beter in het Voorhuys van een Vleeschhouwer, als in de
Voorzaal van een Milord. Den Koning van Spanje kocht
veele van zyne Tafereelen, waar toe zyn vleyende schilderwyze
en schoone koleuren waarschynlyk niet weynig
hebben geholpen. Zyn eerste Beroep was het opzetten
van allerley Pluymgediert, waar mee men in die
Eeuw de Kabinetten plagt te vercieren in stee van Japans
porcelyn, welke walcghelyke mode thans uyt de
weerelt is geraakt, om plaats te maaken voor een rykelyker
gebruyk.
| | Dien Adriaan van Uytrecht wiert gebooren tot Antwerpen,
op het jaar duyzent vyf hondert negen en negentig;
en hy hemelde in de navolgende Eeuw van duyzent
ses hondert een en vyftig. Met de voorige Konstschilders
moet hy rusten.
HU-
|
|
-ocr page 432-
| |
| HUBERTUS GRIMANI.
| | Die Konstenaar was een gebooren Delvenaar, Hubrecht
Jakobsz. genaamt, die al by tijds overvloog na Italien,
en ruym tien jaaren zich ophielt aan het Hof van den
Doge van Venetien, van welken Hartog hy den bynaam
aannam van Grimani, een bynaam die zyne Nakomelingen
hebben aangehouden. Hubrecht is een goed Konterfyter
geweest in den beginne; doch naderhand verslimmerde
hy zyne handeling, door dien hy veele Engelschen
portretteerde, die niet zeer geduldig waaren om zo lang
te blyven stokstil zitten, waar door het met den Schilder
was, Repje scheerje, die met er tyd het oud Spreekwoort
waarmaakte, Haast gedaan, haast gezien. Hy vertrok
eyndelyk uyt dit leeven langs de gemeene heirbaan
van let Graf, op het jaar duyzent ses hondert acht a negen
en twintig.
WOUTER CRABETH,
| | Een kleynzoon van den beruchten Glasschilder, Wouter
Pietersz. Crabeth, leefde en schilderde ook in die
Eeuw, zijnde hy een van de voornaamste Leerlingen van
den Zeedekundigen Konstschilder Kornelis Ketel. Die
Konstenaar speelde ook voor Trekvogel,en bezocht Vrankrijk,
Italien, en de Hooge School van de Godes der
Schilderkonst, het aloude Romen; van waar hy wederkeerde
in zyne Geboorte stad Gouda, na een dertien jaarig
verblijf in Italien, en in Vrankrijk, en ook tot een
Vrouw nam Adriana Vriesen, op het jaar duyzent ses
hondert acht en twintig. Die Wouter Crabeth heeft veele
fraaye Historiestukken en Konterfytsels geschildert, gelijk
als men noch een staaltje daar van kan zien in de St.
Joris
|
|
-ocr page 433-
| |
| Joris Doelen tot Gouda, op het stuk van de toenmaals
leevende Krygsraaden.
JAN LYS
| | Is ook een Konstgenoot geweest van of by die Eeuw,
d ie van Oldenborg zijne Geboorte plaats kwam afzakken
na de Vereenigde Nederlanden, en de konst leerde by
Hendrik Goltius, wiens schilderwijze hy beter keurde dan
die der andere Konstschilders. Hy maakte zich die handeling
zo eygen, dat er noch onderscheyde Tafereelen
van zijn hand, zo tot Amsterdam als tot Haarlem, berusten,
zo overeenkomstig met de manier van Goltius,
dat de Konstkenners die naauwlijks weeten te onderscheyden.
Korts daar aan vertrok hy na Parijs, van daar na Venetien,
en ten laatsten na Romen, alwaar hy een geheele
andere schilderwijze aanvaarde, die hem ook gelukte. Hy
begaf zich toen wederom van Romen na Venetien, alwaar
hy achtervolgens zijn lust veele kleyne stukjes ter
groote van twee a drie palmen schilderde, waar op hy
de wijze der Antijken en Hedensdaagsche Schilders zo
konstiglijk en verstandiglijk wist te vermengen, dat de
Konstliefhebbers met eene algemeene goedkeuring die
Konsttafereeltjes opbazuynden.
| | Ook liet hy het niet berusten by die kleyne Konststukken,
maar hy schilderde den Oudvader Hieronymum
naakt in de woestijne leevensgroote, die na de bazuyne
des Aardsengels scheen te luysteren, en een pen in de
hand had gevat om te schrijven; een stuk heerlijk gekoloreert
en niet min konstiglijk behandelt. Dat Tafereel
hangt noch ten huydigen dage in de Kerk van St. Niklaas
van Tolentijn, een Heylig der Eerwaarde Paters Augustynen.
Doch om de Waarheyt in geenen deelen te belêdigen,
hoe schoon dat Tafereel ook is, echter overtreffen
zijne
|
|
-ocr page 434-
| |
| zijne twee a drie Spans stukjes oogschijnelijk zijne leevensgroote
beelden. Onder die kleyne stukjes tellen de
Konstkenners inzonderheyt eenen Adam en Eva, dewelke
de dood van Abel, verflaagen by zij nen Broeder Kain,
met heete traanen beweenen. Desgelijks roemen zy den Val
van Phaeton, die uyt de Zonnekar op de aarde wort
nedergebonst door den blixemflits van Jupyn, welk stukje
verscheyde naakte, en tot er doot toe verschrikte Nymfen
vervat, beneffens een welgeordonneert landschap, vrolijk
gekoloreert en verstandiglijk verkoozen. Op dien trant
schilderde dien Jan Lys ook eenige vriendelijke byeenkomsten
van Minnaars en van Minnaaressen, gekleed op
de wijze van die Eeuw, beneffens eenige Venetiaansche
jonge Juffers, dewelke haar vervrolykten met instrumenten
van de Muziek, met kaarten speelden, wandelden,
zongen en sprongen, en alzulke onschuldige oefeningen
behartigden.
| | Daar by schilderde hy veeltijds Boerenbruyloften, alwaar
de Boeren en de Boerinnen na de maaltyd dansten en
huppelden, en den Parochiepaap, verzelt met den blyden
Bruydegom, den dans scheen op te voeren, onderwyl dat
de overige jonge knaapen op fluyten en op andere konstpypen
muzieceerden, zonder zich veel te bekreunen met
de muziekaale voorschriften van Corelli, Marino, Albicastro,
en alzulke hoogdraavende Amphionisten. In het
hartje van die vreugd vergat den Schilder de dronke Boeren
en de Boerinnen niet, die eyndelyk het spel in de war
gooyden, en de Dorpbruyloft herstalden in een Hondenfeest,
alwaar men dan de natuurlyke hartstochten dier
Kinkels zag bovendryven, krygende den eenen een snee
door den bek, onderwyl dat een tweeden wiert getrepaneert
met een houte drievoet, en een derden zich het zweet des
dronkenschaps voelde afdroogen met een eyken servet
waar
|
|
-ocr page 435-
| |
| waar op den Nachtegaal eenige jaaren had zitten kwinkeleeren.
De scheydende Boerinnetjes kreegen ook haar
beurt van die algemeene omkentering, want hier zag men
een Veldnymf, die haaren Galant poogde vast te houden,
met de beenen in de lucht stuyven, daar kreeg een tweede
een klap dat de muts tegens de wand vloog, gins draayde
een derde in de rondte gelijk als een Toverzeef, onderwijl
dat een oud bezoopen wijf van de bierbank achter
over tuymelde, en door dien val iets, dat niet beziens
waardig was, ten besten gaf aan de bedommelde blikken
der grimmige Moeitemaakers.
| | Op een andermaal schilderde hy de Verzoeking van
den Woudbroeder St. Antonius, waar in hy dien kaalhoofdigen
Heremijt had afgebeelt, die zich tegens den
Erfvyand der Vroomen beschutte met het têken des kruys,
en zo onbeweeglijk scheen te zijn voor alle de onkuysche
aanlokkingen dier moedernaakte gespensen, als
meenig getrouwt Man ongevoelig is voor de zeldzaame
bekoorlijkheden van zijne overschoone Bedvriendin, van
wiens schoone naakt den verzaaden Heer en Meester walgt,
onderwijl dat er honderde graage Vreemdelingen na watertanden.
| | Hy betuygde eene ongemeene achting te gevoelen voor
de wijze der Alouden, doch hy begreep te zelver tijd,
dat hy van meet af aan behoorde te gaan leeren têkenen,
by aldien hy die manier wilde bestudeeren en navolgen.
Hy verkoos dan eerder om den grooten Titiaan, Paulo
Veronees, Tintoret, Fatti, en diergelijke Venetiaansche
Schilders na te volgen, en zijn koers te zetten na die
Flonkerstarren.
| | Joachim de Sandrart zegt, dat hy zich had aangewent
om lang te denken eer hy iets begon te ordonneeren,
doch als hy er mee begon, ging hy er spoedig mee voort,
gedach-
|
|
-ocr page 436-
| |
| gedachtig aan het oud Spreekwoort, Wel begonnen is half
gedaan. Indien sommige Schryvers, en onder die sommigen
de Fransche Schryers, zich van het hulpmiddel
Denken geliefden te bedienen, dan zouden zy malkanderen
niet behoeven te kopieeren als zo veele Antwerpsche
Vrydagsmarkt Schilders, en zy zouden de nieuwsgierige
Leezers niet vergasten op zulke afgeknaagde schonken
en bonken, waar aan zelfs geen Slagers Doggen een
bek willen steeken, of slegts eens ruyken. Maar wy denken
ons thans niet in een Vertoog over het Denken te
waagen, zijnde het Denken zo wel buyten de Mode geraakt
als de Beschaafde Schrijfwijze, her welk wy des
genootzaakt zijnde maklijk zouden konnen bewijzen, zo
in onze Rijm-als in onze Omrijmschryvers, doch gelijk
als een zeker Autheur wel zegt; Wie kan uyt een half
vat Bierazyn een half aam Spaansche Wijn tappen?
| | Om nu wederom te komen tot den Oldenburgschen
Schilder Jan Lys, die was mee geen vyand van de Nachtschuyt,
of om ons beter uyt te drukken, van een nacht a
drie met de Vrienden op te zitten in een Wynhuys, als
wanneer hy zelden na zijn logement taalde voor dat hy
den laatsten stuyver had verorbert. Zo dra als hy den bodem
van de beurs zag, begaf hy zich tegens den nacht
na huys, klom na zyn kamer, maakte zyn palet klaar,
en viel aan het schilderen tot aan den dageraat, als wanneer
hy een uyltje ving, en dat gedaan zynde vervolgde
hy naarstiglyk te penseelen twee a drie dagen en nachten
lang zonder te slaapen, ja zonder zich naauwlyks eenigen
tyd van eeten of drinken te vergunnen, voor dat hy
zyn voorneemen voldaan, en het stukje had voltooit, en
dan weer van meet af aan na de Kroeg gestêvent met
volle zeylen. En alhoewel den Heer de Sandrart en andere
Welmeenenden hem waarschouwden, dat die leevenswyze
|
|
-ocr page 437-
| |
wyze buytenspoorig en nadeelig was aan zyne gezondheyt,
het laken had zyn plooi gevat, en geene heylzaame vermaaningen
mogten hem helpen. Die zonde der gewoonte
verdroot in zonderheyt Joachim de Sandrart, die toeley
om hem uyt Venetien, en van zyne dronke Spitsbroeders,
af te troonen, waar in hy zo verre vorderde, dat
Jan Lys hem by handtasting beloofde, die stad te verlaaten
en hem te zullen volgen na Romen, zo dra als hy
zyn onderhande hebbende stukjes zou hebben opgeschildert;
zijnde die Beloften geschiet in het jaar duyzent
ses hondert twintig, doch nim mer nagekomen, dewijl
onzen Oldenborgschen Jan het zo lang sleurende hielt
met het opmaaken van die begonne schilderytjes, dat het
zelfs de Pest verdroot, die hem uyt dit vergankelijk leeven
rukte in de bloei zijns leevens. Hy liet geen Weduwe
noch Weezen na, als die in alle deelen het Italiaans
spreekwoort had opgevolgt; Zo lang als men voor een
duyt zoete melk kan koopen, behoeft men geen Koe op \'t stal
te houden.
JAN
|
|
-ocr page 438-
| |
JAN DAVID de
HEEM
.
| | Dat Wonder van de Schilderkonst is geboortig van
Uytrecht uyt fatsoenlijke Ouders, ontrent het jaar
duyzent ses hondert. Hy is een van de heerlijkste Bloem-en
Fruytschilders geweest, die ooit de milde Natuur hebben
achtervolgt en ook achterhaalt door aardsche koleuren.
Men weet niet hoe te beginnen, en om zijne verdiensten
op te bazuynen, en om zijne konststukken op
te tellen, het eerste overtreft de leevende stem en de doode
letters, en het laatste is buyten het bereyk van de reeken-
|
|
-ocr page 439-
| |
| kenkunde. Doch hy bepaalde zich niet binnen den veelkleurigen
omtrek van Floras en van Pomonas Lente en
Herstschatten; maar hy schilderde desgelijks alle goude
en zilvere Vaazen, Drinkschaalen en Schotelen zo konstiglijk,
dat veele Konstkenners geen onderscheyt durfden
stellen tusschen het leeven en de konst. Dit onderstaande
vaersje drukt die stelling niet onaardiglijk uyt.
Wanneer de Heem, vol vuurs, op \'t onbezielt panneel,
\'t Nieuwsgierig oog verschalkt door streeken van \'t penseel,
Ontzet zich de Natuur, die voor den gloed der verwen
Haar Ooft, hoe glansrijk, ziet verbleeken en besterven.
Vergeefs is \'t dat men van den vrekken Midas rept,
Hier heeft de konst de verf in klinkklaar Goud herschept.
| | Eer wy eenige andere Konsttafereelen van dien beruchten
Jan David de Heem aanhaalen, zullen wy een Byzonderheyt
aanhaalen, die Arnold Houbraken ons vertelt
in zijn Schouwburg der Schilders en Schilderessen; waar
of onwaar scheelt maar een paar letters, en dat laat men
daar.
| | Den voornoemden de Heem had een overschoon Konststuk
geschildert voor den Konstliefhebber en met een ook
Konstschilder Jan vander Meer, die hem daar voor betaalde
een som van twee duyzent Guldens. Die Jan van
der Meer was een welgestelt Man, die een treffelijke
woonplaats beneffens een neeringrijke Lootwitmaakery
had binnen Uytrecht; doch die het een en het ander verloor
in het ramspoedigjaar van duyzent ses hondert twee
en zeventig, waar door hy in een slechten staat geraakte.
Hy had noch een geluk in het midden van alle zijne rampen
getroffen, en dat geluk bestont in de behoudenis van
dat voornoemt Tafereel van J. D. de Heem, dat hy als
uyt
|
|
-ocr page 440-
| |
| uyt den brand gerukt, en voor de Fransche woede verzekert,
tot een laatste plegtanker docht te gebruyken.
Hy beraade zich met den Heer van Zuylesteyn, een groot
Gonsteling van Willem den derde, Prins van Oranje, en
naderhant Koning van Groot Brittanje, of hy dat stuk
zou moogen schenken aan die Hoogheyt, op hoop van
daar door eenig Ampt overeenkomstig met zijn voorig
fatsoen te erlangen, die zulks goed keurde. Hy liet dan
het Konterfytsel van dien Vorst schilderen in het midden
van dat Tafereel, zijnde een Bloemkrans, om daar
door de waarde van het geschenk te verheffen, alhoewel
wy oordeelen, zonder den Geever te willen verongelijken,
dat een Lauwerkrans noch ommers zo wel zou hebben
gepast om dat doorluchtig Hoofd, als een Krans
van Bloemen; doch hier in dient men den goeden wil te
beschouwen, en niet de zaak zelve. Den Prins ontfing
gonstiglijk dat geschenk, maar den Geever raakte ongelukkiglijk
in het Vergeetboek, waar toe niet weynig hielp
de dood van den Heer van Zuylesteyn, die in de Kruypin
voor Woerden sneuvelde, zo dat hy vry lang moest watertanden
na de Belooning, die eyndelijk uytkwam op
een honorabele Vroedschaps plaats tot Uytrecht. Die
Waardigheyt verhief hem naderhant tot.het Tollenaars
ampt of Controleurschap aan de Vaart, anders Vreeswyk
schuyns over Vianen, zo dat hy zich over het wegschenken
van dat Bloemstuk niet behoefde te beklaagen, alhoewel
Arnold Houbraken, een gebooren Dortenaar, dat
geval eenen verkeerden, doch te zelver tijd eenen lompen
Garentwijders draai, poogt te geeven.
| | Eenige jaaren gelêden hebben wy een heerlijk Bloem-en
Vruchttafereel gezien, geschildert by dien zelven J. D.
de Heem, dat genoegzaam het mirakel heeft verricht tot
Rotterdam,het welk het stuk van J. van der Meer verrichte
tot
|
|
-ocr page 441-
| |
| tot Uytrecht. Die Schildery was waarlijk een Meesterstuk
van dien befaamden Schilder, doch niet ten vollen opgeschildert
by dat konstig penseel, gelijk als een keurig oog
maklijk kon zien, in eenig Oranjebloeisel, en op een
versche Limoen, die vry onmanierlijk was gepekelt door
een onkundig en konsteloos Konstenaar. Dat uytgezondert
was het een overschoon stuk, zeer uytvoeriglijk geschildert,
en verwonderlijk geordonneert, voornaamlijk
was er een grooten Rynschen wijnroemer op afgemaalt,
die voor geen natuurlijk Glas behoefde te wijken. Dat
Bloemstuk kwam uyt het Konstkabinet van den Heer de
Vries, woonachtig tot Dordrecht, en wiert gekocht op
de publieke Verkooping van deszelfs Schilderyen by een
Kaerel genaarmt Willem van Grondesteyn, wel eer een
Turfdraager, en op die tijd Portier aan een van de Stads
poorten, tot Rotterdam. Die Knaap was zo verrukt in
de beginne met dat Tafereel, als een Galant in het brandendste
van zijn Lenteliefde bezot is op zijn Maitres,
en hy stelde zo een buytenspoorigen prijs op die Schildery,
gelijk als een Algeryn een onbeschofte som vordert
van een Slaaf die hy waandt rijkelijk gegoed te zijn. Ondertusschen
ging het met de winzucht van dien Turfdraager,
gelijk als het veeltijds gaat met de hoop van een schooen
Juffer, de laatste heeft veel Vryers maar geen Trouwaanbieders,
en den eerste kreeg veele kykers, doch weynig
Koopers, waar door hy ten laatsten het stuk zo wars
wiert, als hy het van te vooren bezinde. Een zeker Rotterdamsch
Heerschap kreeg die vonken in de neus, en hy
eist dien dommen Konstkooper zo aardiglijk den honing
om den mond te smeeren, dat hy hem eyndelijk bepraate
om te ruylebuyten, gelijk als ook door de bemiddeling
eens Schilders op die tijd te Rotterdam woonachtig
geschiede, geevende dat Heerschap voor dien Bloemkrans
een
|
|
-ocr page 442-
| |
| een stukje van Wouwerman, drie stukjes van Potter, eenige
zo zilvere als tinne Gedenkpenningen, beneffens een
koppel Fransche Louis d\'ors in partibus Infidelium, gelijk
als de Bischdommen van Thermopolen, Sebaste, Cesareen,
en alzulke in het Koningrijk van de Maan gelegene
Waardigheden. Zo dra had dien Konstliefhebber
dien Bloemkrans niet uyt de giersklaauwen des Portiers
gewrongen, of hy vereerde die Schildery aan een zeker
Heer, die hem daar voor een Komiesplaats schonk tot een
Equivalent; zo dat het ons toeschijnt als of de Konst
van J. D. de Heem een verborge Eygenschap bezit tot het
bemachtigen van diergelijke Eerampten.
| | Die J. D. de Heem ontweek den Moetwil en de balddaadige
Dwingelandy der Franschen, die op het jaar duyzent
ses hondert een en zeventig het Sticht van Uytrecht
overstroomden, en hy vertrok zich naar Antwerpen, verzelt
met zijn gants Huysgezin, \'t zamengestelt uyt vier
Dochters en uyt twee Zoonen: maar hy maakte het aldaar
niet lang, als die stierf in het jaar duyzent ses hondert
vier en zeventig, zijnde de zeventig jaaren ruymelijk
gepasseert. Zijne twee Zoonen oefenden ook de konst
des Vaders, doch op een zekere tusschenwijdte, want
Papa was den Paus, en de twee jongens waaren de Kardinaalen,
zijnde ook den naam van Kornelis de Heem maar
alleenlijk bekent by de Konstkenners.
| | * Joachim de Sandrart schrijft, dat hy op een zekere
tijd een stuk zag van dien Kornelis de Heem, ten huyze
van Tomas Kretzer een Amsterdammer, voor welk Tafereel
hy Sandrart hem bood vier hondert en vyftig guldens,
gereede penningen, doch of schoon Kretzer zijn
vriend
* Arnold Houbraken vertelt die zaak gants verkeert, dat zal den Latynsche
Sandrart uytwyzen pagina 313.
|
|
-ocr page 443-
| |
vriend was, hy hem echter het stuk voor die som weygerde
te geeven.
Den voorgemelden J. D. de Heem heeft eenige goede
Leerlingen nagelaaten, als onder anderen Abraham Minjon,
Hendrik Schook, Kornelis de Heem zijn Zoon en alzulke
Schilderlichten.
Eynde van het eerste Deel.
|
|
-ocr page 444-
| |
| Naamlyst der Schilders enz. waar van
gemeld wort in het Eerste Deel van de Leevensbeschryving
der Konstschilders en
Konstschilderessen, byzonder in de Uytbreyding
over de Schilderkonst der Ouden.
Dio-
|
|
-ocr page 445-
-ocr page 446-
| |
|
Naamlyst der Nederlandsche Konstschilders en
Konst Schilderessen begreepen in het eerste
deel.
| A. | Bladz. |
| Antonisze (Kornelis) | 201 |
| B. | |
| Baelen (Hendrik van) | 349 |
| Bailly (David) | 369 |
| Bie (Adriaan de) | 380 |
| Bieselingen (Kristiaen Jansz van) | 374 |
| Bieset (Jan Baptist) | 250 |
| Bloemaart (Abraham) | 224 |
| Bloemaart (Hendrik) | 227 |
| Bloemaart (Adriaan) | 227 |
| Bloemaart (Kornelis) | 228 |
| Borgt (Hendrik vander) | 362 |
| Bramer (Leonard) | 392 |
| Bray (Salomon de) | 398 |
| Breugel (Jan) anders den Fluweelen | 346 |
| Bronkhorst (Pieter) | 339 |
| Brouwer (Adriaen) | 375 |
| Bruyns (Anna Francisca de) | 391 |
| C. | |
| Caan (Iacob) | 212 |
| Crabet (Dirk) | 205 |
| Crabet (Wouter) | |
| Crabet (Adriaan Pietersz) | |
| Crabet (Wouter) | 401 |
| Crayer (Gaspar de) | 327 |
| D. | |
| Dach (Iohan) | 214 |
| Damesz (Ian) | 212 |
| Delf (Iacob Willemsz) | 252 |
| Deneyn (Pieter Pieterse) | 396 |
| Diepenbeek (Abraham van) | 320 |
Druy-
|
|
-ocr page 447-
| |
| Bladz. |
| Druyvestyn (Aart Ianse) | 251 |
| Dyk (Anthony van) | 296 |
| E. | |
| Elsheimer (Adam) | 240 |
| Erasmus (Desiderius) | 194 |
| Eyk (Ian van) | 179 |
| Eyk (Huybert van) | |
| Eyk (Margriet van) | 180 |
| F. | |
| Feddes (Pieter) | 337 |
| Francois (Lucas) | 247 |
| Franks (Sebastiaen) | 238 |
| Franquart (Iacob) | 389 |
| G. | |
| Gaud (Hendrik) | 246 |
| Geest (Wybrand de) | 377 |
| Goyen (Ian Josepsz. van) | 393 |
| Grimani (Hubertus) | 401 |
| H. | |
| Hals (Frans) | 352 |
| Hals (Dirk) | 355 |
| Heem (Ian David de) | 407 |
| Hendiriksz (Govert) | 212 |
| Hoek (Ian van) | 318 |
| Hoey (Ian de) | 202 |
| Hofman (Samuel) | 318 |
| Honthorst (Gerard) | 379 |
| Hoogstraten (Dirk van) | 386 |
| I. | |
| Ianssen (Abraham) | 322 |
| Iordaens (Hans) | 204 |
| Iordaens (Jacob) | 382 |
| Iorisz (David) | 199 |
| K. | |
| Kamphuysen (Dirk Rafelsz) | 329 |
| Kierings (Alexander) | 335 |
| Kluyt (Pieter Dirkse) | 234 |
| Bladz. |
| Koeberger (Venceslaus) | 363 |
| Kool (Laurens van) | 211 |
| Kornelisse (Kornelis) van Haerlem | 212 |
| Kornelis (Klaas) | 234 |
| Kusseus (Kornelis Ysbrantsche) | 210 |
| Kuyk (Ian van) Woutersz | 236 |
| Kuyl (Gysbert vander) | 212 |
| L. | |
| Lastman (Pieter) | 358 |
| Linschooten (Adriaan van) | 375 |
| Lis (Iohan van der) | 334 |
| Lonk (Ian Dirkz) | 212 |
| Lys (Ian) | 402 |
| M. | |
| Mirevelt (Michiel) | 230 |
| Mirevelt (Pieter) | 234 |
| Mont (Deodaat del) | 357 |
| Montfoort (Pieter Gerritsze) | 234 |
| Moreelze (Paulus) | |
| N. | |
| Nicolai (Isaak) | 221 |
| Nicolai (Iacob Isaakz) | 221 |
| Nicolai (Klaas Isaakz) | 222 |
| Nicolai (Willem Isaakz) | |
| Nieulandt (Ian) | 223 |
| Nieulandt (Guilliam) | 373 |
| O. | |
| Oort (Adam van) | 222 |
| Orley (Bernart van) | 203 |
| P. | |
| Pepyn (Maerten) | 319 |
| Poelenburg (Kornelis) | 333 |
| Potma (Iacob) | 378 |
| Q. | \\ |
| Quellinus (Erasmus) | 310 |
R.
|
|
-ocr page 448-
| |
| R. | Bladz. |
| Rogman (Roelandt) | 397 |
| Rombouts (Theodoor) | 325 |
| Rubens (Petrus Paulus) | 253 |
| Rysen (Warnard van) | 335 |
| S. | |
| Saverye (Roelandt) | 248 |
| Schooten (Ioris van) | 335 |
| Schut (Kornelis) | 317 |
| Seegers (Daniel) | 343 |
| Snayers (Pieter) | 380 |
| Snellinks (Ian) | 219 |
| Snyders (Peter) | 295 |
| Snyers (Francois) | 350 |
| Soutman (Pieter) | 316 |
| Spelt (Adriaan vander) | 213 |
| Stalbemt (Adriaan) | 352 |
| Steenree (Willem van) | 335 |
| T. | |
| Teniers (David) den Ouden | 362 |
| Terbrugge (Hendrik) | 337 |
| Thoman (Iacob Ernst) | 336 |
| Tibout (Willem) | 210 |
| Torrentius (Iohannes) | 341 |
| Bladz. |
| Tulden (Theodoor van) | 322 |
| Uden (Lucas van) | 386 |
| Uytreght (Adriaan van) | 400 |
| V. | |
| Valk (Pieter de) | 371 |
| Veen (Octavio van) anders Otto Voenius | 215 |
| Veen (Geertruyde van) | 219 |
| Veen (Cornelia van) | 219 |
| Venne (Adriaan van der) | 340 |
| Verhaagt (Tobias) | 229 |
| Verhaaft (Aart) | 212 |
| Vertangen (Daniel) | 334 |
| Verwilt (Francois) | |
| Vliet (Willem vander) | 372 |
| Vosmeer (Iacob Woutersz.) | 369 |
| Vrye (Dirk de) | 212 |
| W. | |
| Waal (Ian de) | 223 |
| Waal (Lucas de) Iansz. | 376 |
| Waal (Cornelis de) | 381 |
| Wildens (Ian) | 282 |
| Willarts (Adam) | 251 |
| Wouters (Frans) | 319 |
|
|
-ocr page 449-
-ocr page 450-
-ocr page 451-
-ocr page 452-
-ocr page 453-
|
|