-ocr page 1-
KJl^\'l /
7 ^7
Vak 92
DE H. FAMILIE.
REDEVOERING
GEHOUDEN OP HET
Congres van de Aartsbroederschap der H. Familie
TE ROERMOND,
18 OCTOBER 1910,
DOOR
Dr. J. E. H. Menten.
" r^& \'*\'
Uitgave van
J. N. GEYER, Botermarkt 26, LEIDEN.
-ocr page 2-
-ocr page 3-
DE H. FAMILIE.
REDEVOERING
GEHOUDEN OP HET
Congres van de Aartsbroederschap der H. Familie
TE ROERMOND,
18 OCTOBER 1910,
DOOR
Dr. J. E. H. Menten.
Uitgave van
J. N. GEYER, Botermarkt 26, LEIDEN.
-ocr page 4-
--
«
Druk van O. F. Théonville, Steenschuur 9, Leiden.
-ocr page 5-
AAN DEN HOOGEN BESCHERMHEER VAN DE
AARTSBROEDERSCHAP DER H. FAMILIE,
Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid
Monseigneur
J. H. Drehmanns,
Bisschop van Roermond,
EERBIEDIG OPGEDRAGEN
DOOR DEN
SCHRIJVER.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
De H. Familie.
Erat opus valde bonum, Deo acceptabile,
praebens salutem hominibus.
Het was een werk zeer goed, Gode aan-
genaam, heilbrengend den menschen.
Boek der Koningen.
Monseigneur, HoogEerw., ZeerEerw., Eerw. Heeren.
Het was Pinkstermaandag 1844, om halfacht \'s avonds.
In een eenvoudig vertrek, de kamer van een werkman,
knielden acht mannen ootmoedig neer voor een klein
huisaltaar, waar een Mariabeeld op prijkte te midden van
bloemen en lichten. Een onder hen onderscheidde zich
door een schitterende uniform. Het was een officier der
artillerie, aangesteld aan de koninklijke kanonnengieterij te
Luik, een prachtige gestalte.
Men bad den Rozenkrans.
Toen stond de officier op en keerde zich tot de mannen
voor hem geknield, den rozenkrans in de hand. „Mijne
vrienden", zoo sprak hij, „wij moeten een verbond sluiten,
vereenigd werken tot welzijn van onze broederen.
Gij ziet even goed als ik wat er omgaat, gij ziet in
welk een treurigen staat het grootste gedeelte der werk-
lieden verkeert. De meesten zijn zeker ongelukkig door
eigen schuld. Zij vluchten den godsdienst, die alleen in
staat is hen te ondersteunen en hun den troost te ver-
schaffen, dien zij noodig hebben. Zij werken op Zondag,
en verteeren \'s Maandags het geld noodig voor het gezin,
zij hebben volstrekt geen zorg voor de opvoeding van
hun kinderen. En hoeveel ellende is er dikwijls in hun
huisgezinnen? hoeveel gebrek? hoeveel wanorde? hoeveel
twisten en godslasteringen?
-ocr page 8-
6
Welnu, mijne vrienden, indien gij wilt, wij kunnen veel
goed doen aan onze ongelukkige broeders, wij zullen hun
goede voorbeelden geven, wij zullen hun lot verbeteren
door hen terug te brengen tot godsdienst en plicht. Laat
ons allen daartoe samenwerken. God zal met ons zijn!"
Een zoon van Limburg, een zoon van Venlo had ge-
sproken. Belletable is zijn naam.
De H. Familie was gevestigd.
Dit was de eerste vergadering.
En God was met hen.
Het kleine zaadje ontkiemde en werd een reuzenboom,
die zijn takken steeds verder uitsloeg, en de volkeren
der aarde zochten lafenis in zijn heilbrengende schaduw.
De roemruchtige Bisschop van Luik Mgr. VAN Bommel,
ook een zoon van Nederland, — aan de H. Familie is
alles Nederlandsen, — overzag met adelaarsblik al het
goede, dat de H. Familie kon stichten in zijn diocees,
richtte haar kerkelijk op en PlUS IX, die toen zetelde
in al zijn grootheid op den Stoel van PETRUS, verhief haar
tot Aartsbroederschap en verrijkte haar met een waren
schat van aflaten.
Nu kon niets de machtige ontwikkeling meer tegen-
houden. Het was een grootsche stroom geworden, die zijn
wateren, als de stroom des levens, naar de vier hemel-
streken voortstuwde en overal leven en vruchtbaarheid
verspreidde.
Weldra telde de H. Familie haar leden bij honderd-
duizenden over de geheele wereld.
In ons vaderland, het vaderland van BELLETABLE, niet
het minst.
M. H. zietdaar de geschiedenis der oprichting van de
H. Familie, haar doel omschreven, wat zij wilde, wat zij
steeds gewild heeft, maar ook wat zij nog wil.
Haar doel is en blijft steeds hetzelfde.
Hetzelfde, de grondslag van het kerkelijk maatschappelijk
leven, van het kerkelijk familieleven, van het kerkelijk
individueele leven.
-ocr page 9-
7
Godsdienstzin te kweeken onder het geloovige volk; zooveel
mogelijk de familie opbouwen op dit onmisbaar diamanten
fundament; het zekere onderpand, het onfeilbaar redmiddel
voor de maatschappij, godsdienstzin.
Wij zijn er diep van overtuigd, dat er geen inrichting
in de Kerk Gods bestaat, die zoo diepgaande en zoo
machtige wortels schiet in den bodem van het katholieke
leven, — die haar heilige vangarmen zoo breed uitslaat,
om het volk tot God en godsdienst te trekken, — geen
inrichting, die zoo doordringt in het binnenste merg dei-
maatschappij, in het binnenste merg der familie — geen,
die haar leven zoo vereenzelvigt met het innerlijke leven
der maatschappij — die zoo al de elementen omvat, waaruit
ze is saamgesteld, zoo door haar wezen den geest des volks
in haar levende macht heeft, die het zoo kan bezielen, het
hart zoo doen kloppen en zoo vurig kloppen voor God en
godsdienst, vergoddelijkt in haar hoogste idealen: Jezus
de Zone Gods, Maria zijn Onbevlekte Moeder, Jozef zijn
heilige Voedstervader, de heilige familie, in één woord, de
idealen, de toonbeelden van kind en moeder en vader.
De H. Familie zoekt de christelijke familie te redden,
zoekt het vuur van den waren godsdienstzin machtig te
doen opvlammen, zonnend te doen stralen, zijn macht
onverwinlijk te doen werken, steeds nieuw en rein bloed
te storten met ongekende kracht, in kerk- en familieleven.
Mijne Heeren! wat een strijd wordt tegenwoordig in de
wereld gestreden! Wat een slagveld moet de opperbevel-
hebber, in het blanke kleed der pausen, overschouwen van
de hoogste tinne des Vatikaanschen keizerburchts, wat
een strijdkreten stijgen er niet op tot hem — trillende
kreten van liefde, knarsetandende kreten van haat, — kreten
van zegening, kreten van verwensching, galmend uit open
visier of van achter het zwarte masker, — het gaat, wanneer
ooit, dan nu, om de heiligste goederen der menschheid.
Welnu, M. H. zouden wij de familie niet durven noemen
het palladium der maatschappij, die uit familiën bestaat?
De algemeene geest der familie, moet die niet nood-
-ocr page 10-
8
zakelijk de geest der maatschappij wezen ? Is de geest in
\'t huisgezin dus godsdienstig, heerscht er overal de ware
godsdienstzin, — de gemeenschap zal door dienzelfden
geest doortrokken worden, zij zal gered zijn voor God en
godsdienst, voor Kerk en maatschappij.
En wie zou dat beter kunnen bewerken, dan die in-
richting die de christelijke familie wil vormen, kan vormen
naar het voorbeeld der heilige Familie? Wie beter dan
zij die voor ons in de drie doorluchtige leden der H. Familie
het verhevenste toonbeeld doet oprijzen van Jezus, Maria
en Jozef, van het kind, de vrouw, den man.
M. H. wij spraken van den man.
Lid van de H. Familie zijn, is in zich een ware geloofs-
belijdenis. Het zal karakters, het zal mannen vormen,
Katholieke mannen, die een godsdienstige overtuiging
hebben, kennen en bekennen, en voor en volgens die
overtuiging leven in en buiten den familiekring.
Gij kent allen het groote woord der wedergeboorte van
het Katholieke Duitschland. REGENS MOUFANG sprak
het uit op een katholieke vergadering in Aken: „Es fehlt
uns an Mannern, die Farbe kennen, und Farbe bekennen"
en het Katholieke Duitschland werd wakker, en M. H. het
apostolisch zaad van dat woord ontkiemde in de voren
van den katholieken akker, en het voortreffelijke Centrum
was de bloem en de vrucht
De ijzeren Kanselier noemde het Centrum den onover-
winnelijken toren.
Zoo wilden wij den burcht der H. Familie doen oprijzen
als een onoverwinlijk bolwerk der Maatschappij, breed
gevestigd op onwrikbare grondvesten diep geworteld in de
aarde, de zware muren opgaande, bekroond met machtige
tinnen; het gouden kruis blinkend hoog in de lucht, en
de tallooze strijders zich verdringend ter verdediging achter
het blanke schild, waarop oogverblindend op straalt in
vlammende letters: Quis ut Deus} Wie is als God.
Dit zullen de leden der H. Familie zijn.
Het geloof geeft het karakter aan den katholieken man.
-ocr page 11-
9
Dat geloof te kennen, te belijden, na te leven in alle
omstandigheden des maatschappelijken levens, hij zal het
leeren in de H. Familie. Hij zal dat vaandel omhoog
houden, onder dat vaandel leven en sterven. Een man in
den vollen zin des woords, een karakter. Voor dat geloof
zal hij alle menschelijk opzicht vertrappen. Voor dat
geloof zal hij alle hindernissen ridderlijk overwinnen.
M. H., zal die man niet het voorbeeld zijn aan de
H. Tafel in de veelvuldige H. Communie?
Zal die man niet als van zelf opgaan tot de heilige
afzondering der gesloten retraiten?
Zal die man niet een edele strijder zijn in de blanke
gelederen van Eer en Deugd?
Zal die man zijn kinderen niet brengen met jubelend
hart in de handen der patronaten, die zoo gezegend werken?
Zal die man niet een voorbeeld van matigheid worden
en een steun der Katholieke Drankbestrijding?
Zullen bij die mannen niet de strijderen voor de Sociale
Actie, de leden van den Boerenbond, de leden, de trouwste,
van den Volksbond, de hoop der Hanze, de kern van
den mijnwerkersbond, de kracht der Kath. Spoorweg-
vereeniging, moeten gezocht worden ?
Zullen die mannen dus niet de steun, de hoop, de toe-
komst zijn voor alle priesterlijke werken en streven in
elke parochie, — de troost, de vreugde en de kroon der
priesters, der herders vooral ? —
M. H. er is gezegd, die het kind heeft, heeft de toe-
komst, de maatschappij in den knop, de ontluikende
liefelijke menschenbloesem, in bloem en vrucht.
Hoe wilt gij zekerder het kind hebben, dan wanneer
gij den vader en de moeder hebt in de H. Familie. Sterk
door zijn geloofsovertuiging is en moet de man zijn.
Maar de moeder, de schoonste afspiegeling der liefde Gods,
in haar nooit versagende liefde en toewijding en offer-
vaardigheid, zij de zoete hoop van vader en kind, de
zoete sterre opgegaan op den weg des levens van vader
en kind. Haar geheele leven is een gestadig offeren, zij
-ocr page 12-
IO
is zelve het voortdurend offer: zich zelve verloochenen,
eiken dag, elk uur, elk oogenblik is haar natuur, haar geluk.
De man mag rillen van angst en schrik, bleek terug-
deinzen voor dood en gevaar, niet de moeder.
En de moeder heeft de H. Familie als onder hare leiding,
in haar macht. En hoe groot is haar invloed door de
almacht der moederliefde?
Vermag zij niet alles de christelijke vrouw, de christelijke
echtgenoote, de christelijke moeder?
Zij is het, die den sterken man, geschokt tot in het
diepst van zijn kracht, in den strijd des levens staande
houdt met den arm der liefde, zooals het klimop in zijn
groene armen den wankelenden boom, den koning der
wouden, klemt en steunt.
Eene herinnering M. H.! Rijst niet bij ons allen voor het
oog der ziel, het zoete aanminnig beeld der zachte lieve
Vrouw, die wij zoo gelukkig waren Moeder te noemen ? Blikt
niet uw oog op dit oogenblik in dat onuitsprekelijk zoete
Moederoog? In bange uren van bitter leed en miskenning
en verraad en verlatenheid, zochten en vonden wij dan niet
bij haar, de woorden en den troost, die als hemeldauw
neerzegen in het gefolterde hart? Kon zij niet alles op
haar kind ?
O! de Heer, bloedend en stervend aan het Kruis, Hij wist
wel wat Hij deed, toen van Zijn bleeke lippen, bij het
afscheid van de zijnen, Hij ons Zijn moeder tot moeder gaf.
Nog eens, M. H., die edele vrouw, die bezorgde echt-
genoote, die alles vermogende moeder, is, kan, en moet
in de H. Familie het machtige, onverwinnelijke wapen
zijn om den godsdienst te verdedigen, den godsdienst te
kweeken in het huisgezin, het huisgezin te redden in onze
dagen, het christelijk en godsdienstig te behouden.
Maar die den vader en de moeder heeft, heeft het kind
en met het kind de toekomst, het toekomstig huisgezin,
de toekomstige maatschappij.
Want M. H. tusschen den vader en de moeder staat
het kind, de liefdeband tusschen beiden, de oorzaak van
-ocr page 13-
II
hun geluk, de reden van hun liefde. In hun kind, als in
één brandpunt, treffen al de liefdevlammen van beide
harten saam, versmelten als tot één vuur. De liefde van
hun kind is het eenige loon van vadertrouvve en moeder-
liefde. Zij willen niets anders, zij zoeken niets anders,
dan hun kind, zijn geluk en zijn liefde.
En het kind is de liefde. Zooals het bloed in het hart
en uit het hart stroomt, zoo gaat van het kind een stroom
van liefde uit, die vader en moeder onderling en beiden
in het kind, hun vleesch en bloed, verbindt. De H. Familie
dus, M. H., heeft de ouders door het kind en het kind
door de ouders.
Wie zullen dan de beste opvoeders zijn van het kind?
Wie zullen de vroomste leeraren zijn van het kind?
Wie zullen de trouwste verdedigers zijn van het kind:
het kind, ik herhaal het, onze hoop en onze toekomst,
de toekomst van de familie, van de Kerk, van den Staat ? —
De ouders en altijd de ouders. Zij zullen, als de engel van
het paradijs, bewaken het paradijs der familie met een
vlammend zwaard. Zij zullen de reinheid van den huiselijken
haard, geheiligd door de onschuld van hun kind, verdedigen
met het schild van hun hart. Zij zullen, zooals de groote
WlNDHORST schrijft, de beste schoolopzieners zijn bij hun
kinderen, en dat alles zal de H. Familie vermogen, dat
alles ligt in de macht der H. Familie, dat alles kan en
moet het heilige, groote werk zijn der H. Familie, want
zij is aangewezen en geroepen als door God zelven, die
grootsche taak op zich te nemen en te vervullen.
De maatschappij kan alleen gered worden door het
christendom en laten wij het zeggen M. H. tot onzen
troost en trots: door de Katholieke Kerk, en een machtig
middel, het machtigste kan en zal de H. Familie zijn.
Het machtigste zal de H. Familie zijn, zoo zegden wij.
Ja! het machtigste vooral, omdat onze tijd een zoo bij
uitstek sociale tijd is, en het sociale vraagstuk alles be-
heerscht en aan de Katholieke Kerk en hare dienaren
hooge en zware eischen stelt.
-ocr page 14-
12
Maar M. H. kunt gij u een beter tegenwicht tegen het
socialisme denken dan de H. Familie?
Kunt gij u een machtiger en heiliger en zekerder ge-
neesmiddel voorstellen tegen den revolutionairen geest, die
alom alles omwoelt en ondermijnt, dan de H. Familie?
Is de Christelijke familie niet het hechtste bolwerk tegen
alles wat anti-godsdienstig en dus ook anti-maatschappelijk
is? Is de H. Familie niet uit haar wezen geroepen den
man te sterken, standvastig te doen staan in den christe-
lijken strijd, trouw aan het christenvaandel, het kruis? De
vrouw onverwinbaar door haar liefde tot man en kinderen
te steunen en te leiden in hare heilige zending en zoo
met het kind, de familie te redden, en den katholieken
zin te bewaren, door den godsdienstzin die van haar
uitgaat ?
Zeker, M. H. de H. Familie rust op vele plaatsen in
de handen van de roemrijke Congregatie van den Aller-
heiligsten Verlosser. Het is haar heilig, duur betaald recht.
Zij stond bij de wieg. Zij plaatste de wieg bij het
H. Tabernakel, in de schaduw des Heiligdoms. Zij wijdde
alle zorgen, de teederste moederzorgen aan den bloei
der grootsche instelling. Zij bracht alle offers. Met haar
apostolisch zweet bevruchtte zij den jeugdigen boom, en
hij werd als de boom van het Evangelie, in welks schaduw
de volkeren der aarde een toevlucht zochten om er leven,
geluk en vrede te vinden.
Maar niet overal zijn de zonen van den H. ALFONSUS
voor het apostolisch werk beschikbaar en daar zullen wij
M. H. moeten optreden, en wij de priesters der H. Familie
zijn en zooveel mogelijk overal een H. Familie oprichten.
Dat weet ik, M. H., het meerdere werk, de drukkere
priesterlijke arbeid, zal ons niet afschrikken. Priesters zijn
geen huurlingen, priesters zijn \'s Heeren dienaren, in
\'s Heeren dienst, aan \'s Heeren werk, in \'s Heeren wijn-
gaard, \'s Heeren vrienden.
Verre van mij, M. H, zoo gering van u te denken,
alsof gij niet gereed zoudt zijn, met vlammende harten,
-ocr page 15-
13
als om strijd, te dingen naar de hooge eer, in de eerste
gelederen te staan, in den heiligen strijd.
Verre van mij zulks te durven uitspreken, hier in de
schaduw van dit heiligdom, dat getuige was of zijn zal van
uw jaren van voorbereiding op het Priesterschap, waarin
wij allen met zoo blijde stemmen hebben geroepen: adsum.
Hier M. H. lagen wij allen ter aarde neer onder de over
ons uitgestrekte zegenende handen van den Bisschop, hier
wijdden wij ons onherroepelijk aan God toe, hier kozen
wij den Heer als ons deel, Dommus pars! hier stonden
wij eens op met jubelend hart, vreugdedronken, priesters
des Heeren, priesters in eeuwigheid.
Welnu, Priesters des Heeren, en het is me een waar
geluk tot u te kunnen spreken, Leviten des Heiligdoms,
weldra onze broederen in het priesterschap — onze mede-
strijderen in den H. strijd — de tijd is gekomen, de ure
heeft geslagen. „Op ten strijd!" heette het voor ons, zal het
weldra klinken voor u, op ten strijde in dezen modernen
kruistocht. Omgordt u met het gouden zwaard, dat op
zijn schitterend lemmet de H.H. namen draagt van Jezus,
Maria, Jozef ! In die namen zult gij zegevieren! Een
ander wapen dan het zwaard van den held der sage, dan
het zwaard van den H. LODEWIJK, dat zoo vreeselijke
doodglanzen splinterde in de rijen der Saracenen.
In den wonderlijken tijd waarin wij leven, tijd van
schampere tegenstellingen,— een demokratisch, nivelleerende
tijd, — waar de geest der revolutie op elk gebied dreigend
het hoofd opsteekt, en toch de rijken en voornamen
de woningen der armen als verpestend vluchten, en de
standentrots nooit zoo sterk was als achter het tegen-
woordig masker van gelijkheid — zult gij met en in en
door de H. Familie groote dingen kunnen doen. Patroons
en voornamen en rijken kunt ge niet dan bij uitzondering
tellen in haar midden — maar dat kunt gij door de
H. Familie — treden aan den voet des Kruises, in uw gezalfde
priesterhand, de handen vereenigen van patroon en werkman
tot één verbond, op de doorboorde voeten van den gekrui-
-ocr page 16-
14
sigden God, die zijn bloedende armen uitstrekt als ten zegen.
Monseigneur! Het was in \'t jaar 1902. De H. Familie van
Maastricht vierde haar gouden jubilé. U. D. H. had zelve
willen verschijnen, om de plechtigheden door Uwe hooge
tegenwoordigheid tot een gebeurtenis te verheffen. Vele
H. Familiên waren toegestroomd op het uitnoodigende
woord, tot vereeniging en beraadslaging.
Toen kwam er een groot en ernstig woord van Uwe lippen.
„Wat baten al onze instellingen, hoe talrijk zij ook mogen
wezen, en hoe uitstekend ze ook werken, indien godsdienst
en godsdienstzin verloren gaan ? Godsdienst en godsdienstzin
kweeken, bestendigen en bewaren zal de kostbaarste schat,
het kostbaarste erve der H. Familie zijn."
Daarom verheugde het Uw priester, Monseigneur, in
Uwe tegenwoordigheid het woord te mogen voeren in
Uw geest, naar Uw heerlijke woorden, van den Hoogen
beschermheer der H. Familie.
M. H. mag ik sluiten met de woorden waarmede ik begon.
BELLETABLE spreekt tot U de woorden, welke hij eens
richtte tot zijn edele makkers bij de oprichting der H. Familie:
„Mijne Vrienden, gij ziet het: wij kunnen veel goed doen
aan onze ongelukkige broeders, gij kunt hun goede voor-
beelden geven. Wij zullen hun lot verbeteren door ze tot
godsdienst en plicht terug te brengen. Laat ons allen
daartoe samenwerken. God zal met ons zijn! Wilt gij,
M. H., welaan aan het werk!"
En M. H., God zal met ons zijn, en de zegen van
onzen hoogvereerden Bisschop, onzen Leeraar en Vader en
voorbeeld en aanvoerder in den heiligen strijd, zal ons
een zeker onderpand van Gods zegen zijn.
Zoo zij het. Amen !