-ocr page 1-
-ocr page 2-
\'éqZ Z
•yW nA
. \'
\'W
i •>
I v
\'. •
M »
V
-ocr page 3-
OUDERDOMS-VERZEN
VAN
BERNARD VAN MEÜRS S. J.
INGELEID DOOR
W. DE VEER S. J.
Aas aickem Buche In klelnem Spruche
Oft wenig Gewinn; Oft tiefer Slnn.
UITGAVE VAN DE KATHOLIEKE ILLUSTRATIE 1915
N. V. DRUKKERIJ DE SFAARNESTAD :: HAARLEM
-ocr page 4-
-ocr page 5-
.
d<f
[
<
i
.
OUDERDOMS-VERZEN
,
i-----------------------------------
-
-ocr page 6-
-ocr page 7-
-ocr page 8-
-ocr page 9-
\'
vak ~m
, ttf
OUDERDOMS-VERZEN
VAN
BERNARD VAN MEÜRS S. J. :
INGELEID DOOR
W. DE VEER S. J.
^^~—««i^,^
<^i^>
In kleinen» Spruche
Oft üefer Sinn.
! dickem Bucbe
; wenig Gewinn;
UITGAVE VAN DE KATHOLIEKE ILLUSTRATIE 1915
N. V. DRUKKERIJ DE SPAARNESTAD :: HAARLEM
-ocr page 10-
-ocr page 11-
INLEIDING.
Op zijn tachtigste geboortefeest, den laatsten April van
het vorig jaar, terwijl hem van alle oorden des lands
de gelukwenschen toestroomden, is onze meest geliefde
volksdichter, Pater Bernard van Meurs, gestorven. Een
pijnlijk gebeuren, dat vooral in katholieke kringen die-
pen indruk heeft gemaakt.
Een paar weken voor zijn dood toonde mij de dichter
zijn bundeltje »Ouderdoms-verzenv., welke onder den
titel van »Ouderdoms-rijmen« in 1910 (niet in den
handel) gedrukt, thans rijk vermeerderd al bijna een
jaar voor de pers gereed lagen. Om den oorlog was
deze volledige uitgave tegengehouden: »inter arma
silent Musae«. Schertsend vertelde de auteur hoe hij
zijn paparassen opgerold en in de »kazemat« geborgen
had, tot weer een lichtstraal van den weeuwigdurenden
Vrede» zou aanbreken. Nochtans vond hij het in één
opzicht jammer, dat het boekje niet al voor den oorlog
was verschenen, want éen der gedichtjes, in 1913 na
de inhuldiging van het Haagsche Vredespaleis ver-
vaardigd, had (eerst slechts ironisch bedoeld) nu een
sterk profetisch tintje gekregen. (Zie no. 38.)
5
-ocr page 12-
»Na den oorlog geeft gij de gedichten toch stellig
uit ?« vroeg ik. De oude man scheen eenig voorgevoel
van zijn dood te hebben; hij antwoordde : »Ja, ik of
een ander ....«
Weinige dagen later is de heer Schiphorst hem komen
bezoeken en de Pater heeft aan dezen toen het bundeltje
toegezegd als premie voor de lezers der Katholieke
Illustratie
bij haar nieuwen — den vijftigsten —
jaargang.
Het laatste werk van den dichter moest voor de
Katholieke Illustratie zijn! Aan dit tijdschrift had hij
eens zijn mooiste krachten geofferd. En wanneer dit
tijdschrift meer dan andere tot de letterkundige ont-
wikkeling onzer Roomsche menschen heeft bijgedragen,
dan is zulks in de eerste plaats toe te schrijven aan
het jarenlange geestelijk vaderschap van onzen Pater
van Meurs.
Op \'s dichters zeventigsten verjaardag getuigde de
eerste hoofdredacteur der Illustratie, de heer Banning:
»Het was voor mij een behoefte om bij gelegenheid
van dezen denkdag een woord van erkentelijkheid te
wijden aan den man, die zooveel heeft bijgedragen tot
den bloei van ons tijdschrift. Ik durf gerust zeggen, dat
de ongekende vlucht, die deze uitgave schier van meet
af genomen heeft, grootendeels aan zijn medewerking
en sympathie te danken is geweest. Pater van Meurs
heeft aan de wieg van de Katholieke Illustratie ge-
staan en met mij en anderen gewerkt en gewaakt voor
de opvoeding van het papieren kind, dat thans bijna
den veertigjarigen leeftijd heeft bereikt.»
6
-ocr page 13-
De heer Van der Lans, die zelf een kleine twintig
jaren aan het tijdschrift verbonden en al dien tijd met
Pater van Meurs in persoonlijke aanraking of brief-
wisseling is geweest, huldigde in het feestartikel ter
inleiding van den 25sten jaargang der Illustratie zijn
vriend en »hoogvereerden meestercc aldus: »Toen de
redactie reeds in den tweeden jaargang, bladzijde 159,
openlijk verklaarde »op de medewerking en sympathie
van dezen achtenswaardigen geleerde den hoogsten prijs
te stellen«, bedoelde zij dat de werkzaamheid van Pater
van Meurs in \'t helang der Illustratie zich bij het
leveren van bijdragen, hoe kostbaar ook, volstrekt niet
beperkte. Niet alleen de traditie van mijn eigen ervaring
weet daarvan te spreken. Geestverwant in zekeren zin
van Emile de Gerardin, wiens leuze het was: Chaque
jour une nouvelle idee,
bewees hij met zijn vindingrijken
geest het tijdschrift onwaardeerbare diensten. Menig
denkbeeld, welks uitvoering later anderen eer aanbracht,
was in zijn brein het eerst ontkiemd. Zijn uitgebreide
kennis, zijn scherp oordeel, zijn rijke belezenheid, zijn
fijne kunstsmaak stonden altijd de Illustratie ten
dienste; zijn aanmoediging en goedkeuring waren de
redactie een prikkel, zijn schrandere wenken en raad-
gevingen een veilig richtsnoer. En wat hij voor de
vorming van jonge talenten geweest is, dat zou menig
medewerker, vooral in de rubriek dichters, kunnen ge-
tuigen. Misschien heeft geen enkel onzer meesters meer
jongeren gekweekt dan de bescheiden zanger van het
Kriekende Kriekske.*
De tegenwoordige redactie der Illustratie beloofde den
7
-ocr page 14-
grijsaard op zijn tachtigsten verjaardag, dat zij hem zou
blijven gedenken en dat zijn geest zou blijven leven in
haar. (Zie 40,sten jaargang, i Mei 1915.) En als een
fijngevoeld bewijs hoe oprecht gemeend haar ontboeze-
ming toen is geweest, wenscht zij deze fraaie en toch
zeer goedkoope uitgave der t> Ouder doms-versena onder
haar abonnés te verspreiden.
Moge het pittige boekje van Pater van Meurs, zijn
laatste geesteskind maar nog zoo vol spartelend vernuft,
levenswijsheid en levensvreugde brengen aan tien-
duizenden.
Rotterdam, 30 Juli 1915.
W. DE VEER, s.j.
8
-ocr page 15-
I.
Er valt een ideetje mij in:
\'k Beschouw het; en is \'t naar mijn zin,
Dan beeld ik in woorden het uit;
Beluister zijn rythme en geluid,
En fluister met lachend gezicht:
„Ideetje, nu heet je gedicht!"
2.
Mijn eigenliefde en \'t spiegelglas
Verzwegen dat "k een oude was.
Plots zei me Nurks voor d\'eersten keer:
„Je houdt je kras nog, ouwe heer!" —
De lomperd trapte me op den teen,
En joeg mijn jongste illusie heen.
3-
Geluk, waar \'t hart naar hijgt,
. Valt tegen als men \'t krijgt:
Hoevelen klaagden, morden
En zagen \'t als een jammer aan
Zoodra ten volle werd voldaan
Hun wensch om oud te worden!
9
-ocr page 16-
Heer Ouderdom, wellevend man,
Staat buiten en klopt vriendlijk an:
Zij hadden vaak hem aangezocht,
Dat hij ook hen bezoeken mocht.
Nu roept niet één hem „Binnen!" toe;
Hij opent zelf, dat wachten moe,
De deur, treedt binnen, groet gepast...
Een ieder bromt: „Brutale gast!"
(Naar Goethe.)
5-
Zou als een schrikbeeld een ouder versagen ?...
Niet alzoo heeft de Kunst Hem gebeeld
In het marmer, op \'t doek gepenseeld
Dien de Schrift noemt den „Oude van Dagen."
(Dan. 7.)
Oud te worden strekt tot eer:
Door zijn schuld zeeg menig neer
In de loopbaan halverwege
En behaalde niet de zege.
Oud te worden is geen kunst,
Maar een blijk van \'s Heeren gunst;
Kunst is \'t, zonder prutlen, pruilen
Loopen \'t laatste loopje op muilen.
10
-ocr page 17-
7-
Verwijt toch niet den ouden dag
Als oorzaak van gemor, geklag;
\'t Moet aan \'t karakter toegeschreven
Van hen, die d\'ouden dag beleven:
Hun mopperend temperament
Was aan de baker reeds bekend.
8.
Luister eens hoe criticasteren
D\'inborst van een Grijs belasteren :
„Hij is triestig, kregel, knorrend,
Eigenbatig, gierig, morrend,
Ontevreden, achterdochtig,
Ontoegevend en hardvochtig." —
Maar de slimmerds die zoo spreken
Hebben allen die gebreken,
Al die kerven op hun stok,
Maken, om ze niet te ontwaren
En zich heilig te verklaren,
D\'Ouderdom tot zondenbok.
9-
Dat niet enkel hooge jaren,
Schaarschte of grijzigheid der haren,
Harding der veerkrachtige aren
\'s Menschen oud-zijn constateeren,
Kunnen (onder ons) verklaren
Oude-jonge-heeren!
11
-ocr page 18-
IO.
Heb eerbied voor de grijsheid,
Ze is draagster van de wijsheid.
Die reden gaat niet op:
„Al wordt een hoofd ook grijzer,
\'t Is daarom nog niet wijzer",
Getuigt het boek van Job. (Cap. 32.)
\'t Hoofd dat in vroeger jaren
Niets leerde of heeft ervaren,
Blijft grijs een leege dop.
11.
Potgieters Muze heeft een dicht
Aan Hollands „Knapenstoet" gericht,
Om hen tot eerbied aan te manen
Voor iets dat uit de mode raakt:
„Rijs op waar u een grijze naakt!"
Hoe kon ze een goeden uitslag wanen ?...
Misschien trof haar de erinnering
Aan den beschaafden jonglingskring
Der oude Grieken en Spartanen.
12.
Eerbied voor den ouderdom
Was voorheen een eedle deugd;
Kom daar heden nog reis om
Bij de nieuwerwetsche jeugd,
Die zelfs Oudren, lief en trouw,
Niet meer „Vader" „Moeder" noemt,
Maar (zoo\'n taal verdient gedoemd!)
„Ouwe man" en „ouwe vrouw".
-ocr page 19-
\'3-
„De oude ben \'k gebleven,
Ook na tienmaal zeven"
Klinkt wel vreemd, maar eert den man,
Die dit eerlijk zeggen kan.
14.
„In mijn hart heeft Hij vreugde gegeven," (Ps. 4)
En het is Hem erkentelijk; want
Immer heeft zij de menschen en \'t leven
Mij doen zien van den gunstigen kant;
Zij heeft krankheên uit \'t lichaam verdreven,
Tegen dwaasheên behoed mijn verstand;
En al klommen de jaren — om \'t even :
De oude bouw hield door vreugde nog stand !
>5-
\'k Lees thans vóór alles in de krant
Berichten, die in zwarten rand
Mij kond doen van een overlijden ;
En zie \'k daarin den dood vermeld
Van een die tachtig jaren telt,
Dan doet dit nieuws mijn hart verblijden,
En \'t zegt: „Zoo lang duurt ook mijn werk,
Want zuig- en perspomp zijn nog sterk!"
\'3
-ocr page 20-
i6.
Mijn oude, trouwe boezemvriend,
Gij hebt het waarlijk wel verdiend,
Dat ik u liefheb als mijn leven;
En over u in \'t openbaar
Voor menig u verplichte schaar
Een dankbren lof heb aangeheven. l)
Gij, sterkgespierde, drijft met kracht
En zonder rusten, dag en nacht,
Den stroom des levens door mijn aren,
Soms snel, soms traag, deelnemend steeds
Bij \'t wisselbaar veel liefs en leeds,
Gedurende schier tachtig jaren.
Uw voorbeeld heeft mij opgeleid
Tot regelmaat en werkzaamheid,
Vereischt voor alle levens-taken,
O Hart, mijn bloed-verwant, welaan!
Blijf nog een tijd geregeld slaan,
Voordat wij saam den arbeid staken! 2)
1)  De schrijver doelt op zijn bekende Lezing Het Hart. W. d. V.
2)   Deze treffende toespraak tot zijn hart had Pater van Meurs afge-
staan aan De T ij cl, die het gedicht plaatste op den dag zelven dat de
dichter en zijn „oude trouwe boezemvriend" saam den arbeid zouden
staken.
                                                                                    W. d. V.
14
-ocr page 21-
I7-
Ga ik mijn leeftijd na als een balans,
Dan hupt mijn ziel een blijden Davidsdans;
De kas komt uit, vervuld hebt gij uw plicht,
En nooit gemaakt een pessimistisch dicht.
Voorheen salueerde ik het meest
In menschen \'t talent van hun geest;
Nu licht ik veel liever den hoed
Voor menschen met edel gemoed,
\'k Beken evenwel tot mijn spijt,
Dat de hoed er niet erg van verslijt.
I9-
«Neem uw rust op d\'ouden dag!"
Dit wil zeggen: neem ontslag,
Pak je biezen, strijk je vlag;
Nog een kushandje en een lach,
En dan wèl te rusten! — Ach,
Om dat rusten niet te storen,
Laat men niets meer van zich hooren.
20.
Sterven vrinden — hun gemis
Is den grijze een droefenis;
Meer nog: \'t zich verlaten vinden
Van zijn niet gestorven vrinden.
\'5
-ocr page 22-
21.
Na menig ras vervlogen jaar
Vinden twee vrinden weer elkaar
Hoe hartelijk ze in de handen slaan,
Weemoedig zien ze elkander aan. ..
Verbleekt, vergrijsd van ouderdom.
Plots komt hun voor den geest weerom
Het beeld der blij doorleefde jeugd...
Hun hart voelt zich weer jong-verheugd,
En ieder brengt met schaterlach
Een jonglingsgrapje voor den dag.
22.
Wilt ge weten of ge al zijt
»Op de hoogte van uw tijd,«
Raadpleeg de ouderdomsgebreken
In uw schrijven en uw spreken.
Vroeger schreeft ge veel en graag
Nu wordt ge in dien arbeid traag,
Ongevoelig voor de klachten
Van wie op uw antwoord wachten.
Gij verschrijft u in een brief,
Stijl en spelling is foutief;
Pen of potlood doen uw ving\'ren
Als een bok aan \'t touwtje sling\'ren
Zonder regelmaat en zwier
Op gelinieerd papier.
16
-ocr page 23-
Hooge leeftijd geeft ook teeken
Van zijn aankomst in uw spreken:
\'t Stemgeluid wordt zacht en dof;
Wel ontbreekt het niet aan stof,
Maar aan macht om ze in te kleeden,
Tijdig \'t juiste woord te smeden.
Gij verspreekt u; een getal,
Naam of kunstwoord zet u pal.
Sprekers leerde vaak dit teeken,
Nooit een toost meer af te steken.
23
Meer dan tienmaal zeven schreven
Zag \'k geteekend met wit krijt
Op het schoolbord van mijn tijd;
Graag had \'k tien er uitgewreven,
Als maar door zoo\'n jongensstreek
Ook de Dood een tientje week;
Doch, hoe vlug de jaren snellen,
Deze kan zich niet vertellen.
24
\'k Ben voor den Dood steeds onbevreesd
En jegens hem humaan geweest:
\'k Liet toe dat tusschen hem en mij
Eén schrede was, nooit dichterbij;
Scherp loerde ik op zijn handgebaar;
Mijn order was: «Niet familjaar!»
17
-ocr page 24-
_____________________L
Greep plotsling hij een ander an,
Dan vond hij ook in mij zijn man:
Eens heb ik hem een kool gestoofd,
Als prooi een drenkeling ontroofd1)
Zijn prooi word \'k ook, dat \'s buiten kijf;
Tot nu toe blijft hij mij van \'t lijf!
25
Een Derwisch draaiend op zijn teen
Is nog geen Wijze van Atheen.
Door sport wordt \'t jong geslacht wel vlugger
In \'t slingeren van arm en been;
\'t Blijft wel gezond van lijf en leen:
Doch blijft daarbij de geest ook snugger?
De klacht der School: «Waar moet dat heenk
Getuigt in \'t algemeen van neen.
26
Ieder heeft een kruis te dragen,
Ook de grijsaard draagt er een:
\'t Is niet zwaarder dan voorheen
\'t Kruis hem was in jonger dagen.
Zij die \'t dragen naar Gods wil
Zien in zwaarte geen verschil.
!) Begin   Februari 1876 redde Pater van Meurs, toen eeraar aan
het R. K.   Seminarie te Kuilenburg, een veertienjarigen knaap, die op
\'t midden   der breede gracht achter het Seminarie door het ijs was
gezakt.
                                                                                        W. d. V.
18
-ocr page 25-
27
Het is een troost, een voorrecht van de grijzen
Dat, al verzwakt \'t herinneringsvermogen,
Zij toch nog vaak, na lange reeks van jaren,
Weer uit het graf huns harten zien verrijzen
En wederzien als levend voor hun oogen
Hen, die hun eens zoo lief en dierbaar waren.
28
Het liefste beeld, dat op den ouden dag
Al vaker zweeft voor mijn ontroerden geest,
Is \'t beeld van haar, voor wie mijn eerste lach
Bewijs van blijde erkenning is geweest.
29
In nachtelijken stonde
Staan plotsling aan de sponde
Weer levend voor mijn geest
Die eens voor mij een zegen
Op de afgelegde wegen
Als vrienden zijn geweest.
\'k Herken hen, bij \'t verschijnen,
Niet aan de schei pe lijnen
Van lichaamsvorm, gelaat,
Niet aan de kleur der haren,
Niet aan hun gang, gebaren,
Veel minder aan \'t gewaad.
19
-ocr page 26-
Maar aan hun stralende oogen,
Die ernstig, onbewogen
Mijn aangezicht bespiên. —
\'t Verschijnsel is vervlogen
Zoodra mijn geestvermogen
In deze zielespiegels
Iets meer dan schijn wil zien.
30
De wereld is een schouwtooneel,
Daaraan neemt ook een grijsaard deel
Doch maakt zich niet meer warm en moe;
Hij schouwt het drama kalmpjes toe.
Gij stelt in \'t stuk niet veel belang?....
»\'t Is meer vertoond, koekoek één zang.«
Gij wenscht misschien, nog als voorheen
Een rol daarin te spelen?.... »Neen!«
3\'
Rome had zijn Senatoren
En zijn Oudsten Israël
Tot beraden uitverkoren,
En het volk voer daarbij wèl.
Was het zóó in \'t lang-te-voren,
Jonger tijd eischt jong bestel:
Raad, die ouden laten hooren,
Is thans weinig meer in tel.
20
-ocr page 27-
32
Het is de oude goede raad
Die allen prijs te boven gaat;
Hoor dus den mijnen, jonge maat!
Geef ongevraagd aan niemand raad,
Want zoo die, omgezet in daad,
Te weinig baat of tegenslaat
Dan zal uw loon zijn hoon en smaad.
«Maar, oudje, ik vroeg u niet om raad —
»Dus, volgens u, is de uwe kwaad.«
33
Aan \'t levens-elixir nog kracht toe te schrijven
Om jong weer te worden, zijn Dames te wijs;
Toch telt vele Dametjes heden Parijs,
Die vlassen op \'t middel om jong steeds te blijven
34
De verjonging door Krekel-essentie
Zou ook nu door reclame-advertentie
Jonge zotten nog kunnen bedotten,
Maar toch vangen niet licht oude rotten.
35
Reclame was oudtijds rechtskundig een klacht,
Een bezwaar wegens schending van recht ingebracht;
Maar thans is ze een kunstgreep om kooplust te wekken
En koopwaar te veilen en beurzen te spekken.
21
-ocr page 28-
Een boekwerk, bij voorbeeld, verschijnt in het licht,
Als reclame versierd met des Schrijvers portret,
Om d\'inhoud van \'t boek had voorheen het Gericht
D\'auteur op de kaak, tot beschaming, gezet;
Bestond nu die straf nog — men zou zich niet schamen,
Maar lachen in \'t vuistje om de mooie reclame.
36
Ik was een vijand, reeds als knaap,
Van ledigheid en langen slaap;
Nu sta \'k met hen (omdat het moet)
Reeds op «vriendschappelijken voet.cc
37
De ouderdom is ons een luchter:
Bij zijn licht bezien wij nuchter
Aller dingen onderscheid,
Werklijkheid en ijdelheid.
Nuchter, maar ook juist beoordeeld
Is het simpel feit, bijvoorbeeld,
Eener Universiteit,
Wen een eeremaal haar beidt:
Boven alle professoren,
Curatoren en doctoren
Staat in graad de keukenmeid,
Die hun spijzen toebereidt.
22
-ocr page 29-
De lieve vredestichtster Peis
Had in Europa reis op reis
Gedaan, om diplomaten
Den krijg uit \'t hoofd te praten,
D\'afgrijselijken krijg, die de aard
Ontvolkt, verwoest met vuur en zwaard,
En platgetrapte velden
Bestrooit met doode helden.
Toen werd zij met veel hoflijkheid
Gesteld op non-activiteit
Met kost en vrije woning
En speldegeld tot looning.
Daar leeft ze in vree, begijntje Peis,
En roemt haar hofjen een paleis;
Maar oude diplomaten
Haar houden in de gaten.
Vertrouw, o Peis, die mannen niet
Al zingen ze ook uw vredelied,
Men kan hen nooit doorschouwen
Wat kwaads ze in stilte brouwen.
Wie weet? Dra knalt het oorlogsschot
En maakt uw heerlijk werk ten spot;
Dan krijt, gij: »\'k Ben bedrogen
Door staatsmans list en logen!»1)
»9i3-
1) Zie het voorwoord. En ook de Katholieke Illustratie. 49e jaargang,
1 Mei 1915.
23
-ocr page 30-
39
Veel kwesties zijn betwistbaar
En baren soms veel twist,
Doch wat vanouds ook is gegist,
Zij blijven onbeslisbaar.
Dies, dunkt mij, reedlijk is \'t:
Men late ze voorgoed gekist
Bij d\'ouden Archivist!
40
»Lees hier, o wandelaar van mij
Oud-minnaar van de Poëzy,
Een vaers dat uwe ziel doet vreezen:
Wat ik nu ben, zult ge ook eens wezen.« —
Ik lees dit grafschrift als bericht
Dat hier een oude Dichter ligt
Die minstens eenmaal in zijn leven
Een stichtend versje heeft geschreven,
En thans mij wijsmaakt in \'t gezicht
Als had hij \'t hier in \'t graf gedicht.
4i
\'k Heb menig Nieuwjaartje
Bij voorbaat een kaartje
Sans retour voor mijn afreis genomen:
\'t Was klaar — hoorde fluiten —
Tuurde even naar buiten —
Doch mijn trein wou, Goddank, nog niet komen.
24
-ocr page 31-
\'k Zag beurtlings verzwinden
Veel reizigers, vrinden
Die met mij in de wachtkamer zaten:
Benijd heb \'k hun beurt niet,
Mijn wachten betreurd niet.
Moog ook dit jaar mijn trein zich verlaten!
42
»Een vos verliest zijn haar,
Maar niet zijn oude streken.«
Dit, zonder kwaad te spreken,
Herhaal ik elk Nieuwjaar.
\'t Staat dan in \'t vredeteeken,
Verdeeldheid is geweken;
\'t Vertoont zich o! zoo lief
In mondgesprek en brief.
\'t Doet aller harten breken
En aller tranen leken,
Daar \'t innig en goedsmoeds
Ons toewenscht niets dan goeds.
Doch als na een paar weken
\'t Liflaffen is verstreken,
Gelijken Oud, Nieuw jaar
Elkaar weer op een haar.
25
-ocr page 32-
43 •
Jaren komen, jaren gaan,
\'t Nieuwe jaar brengt nieuwe zorgen
Voor de duistre toekomst aan.
Wat voor mij daar ligt verborgen
In \'t verschiet
Spelt zelfs een Sibylle niet. —
«Ikke wel !
(Krijscht een Juffer) Ik voorspel
Heel je toekomst uit de kaart.
Is je dat geen kwartje waard ?«
44-
»Het jarental van \'t leven
Bedraagt slechts tienmaal zeven;
Door grooter levenskracht
Bereikt het tienmaal acht;
Het overtal dier jaren
Zal moeite en kwelling baren.« (Ps. 89.)
Toch blijft het voor den mensch
Niet de eindpaal van zijn wensch.
45-
Sint Maarten stervend, afgemat
Na tachtig jaren levens, bad :
»\'k Aanvaard de rust, die Gij mij biedt;
Doch, Heer, ik weiger d\'arbeid niet!«
Hij kreeg niet wat hij zijdlings vroeg;
Gewerkt had hij genoeg.
26
-ocr page 33-
46.
Is heilig \'t cijfer zeven,
O, zeventig geldt meer:
Zij, die \'t als jaar beleven,
Staan plotsling hoog in eer;
Zij zien zich rijk beschonken,
Bewierookt en gekoosd ;
Er wordt gejuicht, geklonken
Na menig mooie toost.
O, zeventig is prachtig !
En toch, aan \'t eind van \'t lied
Denkt ieder weer, waarachtig,
Aan tachtig in \'t verschiet.
47-
Wensch niet op mijn verjaringsdag
«Veel jaren nog!« Want met een lach
Denk ik: men legt mij in de luren.
Maar wensch mij toe: »Tot volgend jaar!«
Dit acht ik welgemeend en waar,
Want \'t kan nog best een jaartje duren.
48.
\'k Heb meer dan eens een luimig lied gedicht
Den nacht, waarin \'k geen oog had toegeloken,
Gepijnigd door den doorn, waarmee de jicht,
Toen \'k jarig was, mij feestlijk had bestoken.
Hoe luim met pijn wordt overeengebracht
Leert ons »een boer die kiespijn heeft en lacht.«
27
-ocr page 34-
49
Aan Mevrouw. . . .
Ach, de ouderdomsjaren ontglijden ons vlug,
Daar \'t levenspad sterk is aan \'t hellen!
Gij hebt er een zestal weer, achter den rug
Der zeventig, sneller zien snellen.
Vandaag treedt ge uw zeven en zeventig in,
Een jaar voorgesteld als twee krukken,
Maar \'t zinnebeeld heeft toch voor u nog geen zin,
Uw gang weet van wankien noch bukken.
Uw vastheid van stap en uw rapheid ter been
Verzeekren, genommen im ganzen,
Dat gij ook dit jaar, zonder krukken, alleen
Doorwandelen zult, zoo niet -dansen.
Aan Mevrouw ....
»\'t Geheugen slijt!« Zoo luidt de klacht
Van d\'ouden dag; ze is mij verdacht,
\'k Heb over \'t mijne niet te klagen:
Want (dit bewijs zal u behagen)
\'t Heeft weer zijn vriendschaps-plicht betracht
En thans, zooals het vroeger placht,
Uw schrikkel-jaardag niet vergeten;
\'t Blijft dus, hoe oud ook, onversleten.
28
-ocr page 35-
Ontvang mijn wensch u toegebracht:
Gods liefdemacht verleene u kracht
Om lustig en met moed te dragen
Wat lastig valt in najaarsdagen ;
Tot weer een schrikkeldag u wacht
Met de eerekroon van tienmaal acht
En weer mijn heilwensch u doet weten :
Zijn heugenis blijft onversleten.
5\'
Aan Mevrouw .
»De reis is lang, de lucht is koud,
De Zanger is verzwakt en oud:
Het grijze hoofd, het bleek gelaat
Tuigt nog van kracht in vroeger staat.\'
In deze schets van Walter Scott
Vindt ge ook een beeltnis van mijn lot.
Al heeft mijn geest in reizen lust,
Het streng commando luidt: «Plaats rust!»
Ware ik geweest gezond van leest
Ge hadt op uw geboortefeest
Bij harpgeklang gehoord mijn zang:
»Io, de Vrouwe leve lang!«
29
-ocr page 36-
Aan Doctor Berends
op zijn negentigsten jaardag 30 Juli 1908.
\'k Gedenk uw feest, o Nestor in de kunst
Die lichtcnis en heeling schenkt aan kranken;
\'k Herdenk ook haar, wie gij door \'s Heeren gunst
Het levenslicht en sterk gestel moogt danken,
Uw moeder en haar honderdst levensjaar.
Dit geeft een burger moed, doet mij voorspellen:
Gij zult, als zij, uw tiende tientje tellen.
Ge zijt toch niet «Rechterlijk Ambtenaar«
Die, vijf-en-zestig oud, al uitgeput is,
Maar negentiger Arts, in wien nog fut is
Om door te zetten \'t werk van lijf en geest.
Doe \'t nog tien jaar! Doe mij »Nimweegschen jongen«
\'t Io vivat, thans blijde u toegezongen,
Herhalen op uw honderdjarig feest! 1)
1) De wensch van den »Nimweegschen jongena is niet in vervulling
gegaan. Dr. Jan Petrus Stephanus Berends overleed te Nijmegen den
16 September 1013 op 95-jarigen leeftijd.
                                    W. d. V
-ocr page 37-
53
Den Heere ....
Mijn hulde op uw verjaardag Vriend,
Dien, schoon de grijsheidskroon u siert,
Gij wederom met fikschheid viert!]
Lang hebt ge uw sporen reeds verdiend
Als man van Handel, Industrie,
Die bovendien uw vrijen tijd]
Met vlijt aan \'t Goede en Schoone wijdt
En lust schept in de Poëzie. —
Verrukt u Dante\'s visioen
Een grootsche drielingsrijm-muziek,
Gij luistert graag ook naar \'t gekriek
Van \'t »Krieksken« in het grazig groen.
54
Den Heere ....
Weer viert gij heden opgetogen
Geboortefeest:
Al ziet ge uw ouderdom verhoogen,
Kloek blijft uw geest,
Die tuigen ons uw zielvolle oogen,
Uw scherts het meest;
Grijs is uw hoofd maar niet gebogen,
Kaarsrecht uw leest. — J
Zijn u de jaren die vervlogen
Tot heil geweest,
Dit jaar zij ook gezegend uit den Hoogen.
3\'
-ocr page 38-
55
De Goden, samen in congres,
Besloten Epimenides
Tot aller gunsteling te maken:
Dies zongen zij den blonden knaap
In vijftig-jaren-langen slaap,
En lieten hem als Grijze ontwaken.
Zoo leert dit gunstbetoon der Goön:
»De Grijsheid spant de kroon.«
56
Als \'t bijvoeglijk naamwoord oud
U afkeerig maakt en koud,
Voeg dan \'t woord bij substantieven
En gij zult het lovend lieven:
Oude lettren — oude boeken —
Oude beelden — oude doeken —
Oude liedren — oude linden —
Oude liefde en oude vrinden....
Smaakt (ik schenk dien op het lest)
Oude wijn niet opperbest ?
57
Geen goed zoo kostbaar als het leven!
»k Geef toe dat uw taxatie waar is,
Maar als legaat is \'t nooit beschreven
In testament,» (zei \'n oud-notaris.)
32
-ocr page 39-
I
»lk nam mijn eerste vlucht in \'t leven
En deed mijn laatsten loop :
Naar zoetheid werd ik aangedreven,
Verijdeld zag \'k mijn hoop;
Want poot en vleugel bleven kleven
(Verzuchtte een vlieg) in stroop.«
59
\'k Heb in slapeloozen nacht
Over \'t thema nagedacht:
»\'t Leven weven de oogenblikken.«
\'k Bracht mijn zakuurwerk aan \'t oor
Luistrend naar het tingling-tikken.
Dat getik ging, gaat zoo door,
Wevend toekomst aan \'t verleden.
Hoor \'k een tik, ik leef in \'t heden,
\'t Voorgaand tikken heb \'k doorleefd,
\'k Weet hoe lang \'t geweven heeft;
Maar \'k weet niet de reeks der tikken
Die mij in de toekomst wacht.
»\'t Leven weven de oogenblikken«....
Slaap bekruipt me — goeden nacht!
33
-ocr page 40-
6o
Twee grijsaards met beroemden naam
Doet mij \'t historieblad te saam
Voor \'t oog des geestes zweven:
De forsche kunstnaarshand van d\'een
Had d\'anderen uit marmersteen
Zijn lichaamsvorm hergeven;
En \'t standbeeld schouwend, dat hij schiep,
Schrok Michel Angelo — en riep:
«Spreek, Mozes, \'k zie u leven!«
61
Dat hij deugd heeft, doet me deugd,
Mits zijn deugd op proeve deugt:
Deugd, die nooit beproeving trof,
Niet proefhoudend bleek in \'t leven,
Is een deugd, aan wie \'k den lof
Van beproefde niet kan geven.
\'t Zekerst proeft een oud gemoed,
Of een deugd aan d\'eisch voldoet.
62
Leef niet voor gezondheid alleen,
Houd ze echter in eere meteen
En laat haar niet zorgeloos stelen
Door krankheid. Bedenk tevens dit,
Dat gezondheid geen meervoud bezit;
Maar krankheden telt men er velen.
Verbeeld u de zaak andersom,
Dan nog ware \'t roekloos en dom
Met één van die velen te spelen.
34
-ocr page 41-
63
Hij is maar even boven jan
En dus volstrekt geen oude man:
Van grijzen toont zijn haar geen spoor,
En \'t effen voorhoofd niet één voor;
Toch spellen houding en gebaar
Als valt der jaren last hem zwaar.
Bedaard en zachtkens ruischt zijn woord
Gepaard met kuchjes, zoo als \'t hoort, —
Dus speelt een rol van oude man
De dwaas, maar even boven jan.
64
Stel u niet aan als jonger dan gij zijt,
Wis raakt ge kwijt
Het aan uw ouderdom verleend respect
En wordt begekt.
65
Als een oudje niet laat varen
Wat slechts voegt aan jonge jaren,
Wordt hij onbewust een zotje,
Zal hij van \'t pommadepotje
Voor zijn grauw verbleekte haren
\'t Kleurend geurend vet niet sparen.
35
-ocr page 42-
66
«Mijn dank, dat gij uw hekeldicht
Alleen op oude heer en richt!«
Pardon, Mevrouw, ik ben geen hekelaar!
»Nu ja, \'k bedoel uw schertserij....
(Zij lacht) hoe oud wel schat ge mij ?«
Pardon, Mevrouw, ik ben geen antiquaar.
67
De stof waar men wijsheid van weeft
Verschaffen geen feiten der jaren ;
Veel hebben er velen beleefd,
Doch weinig in \'t leven ervaren:
Zij sloegen de feiten wel ga,
Maar dachten er niet over na.
68
O, niet omdat zijn haar vergrijst,
\'t Rood van zijn wang verdwijnt,
Ziet de oude een beeld, waarvoor hij ijst:
Maar wijl zijn harte kwijnt
En (evenals de gloed van \'t oog,
De klank der stem verdooft)
\'t Gemoed, dat jong zich fel bewoog,
Van geestdrift wordt beroofd. —
Nauw wetend wat hem ondermijnt,
En moede maakt en loom,
Gevoelend dat zijn harte kwijnt,
Schijnt \'t leven hem een droom.
(Naar G e i b e 1.)
36
-ocr page 43-
6g
Gij voelt dat \'t laatst seizoen uws levens
Met ieder jaartje triester wordt,
Alleen daarover klaagt ge en mort;
Toch weet ge dat elk jaartje tevens
Den duur van dat seizoen verkort:
Och, zeg eens eerlijk wat u schort!
70
Ik voelde in Mei mij triest bewogen
En ondervroeg mijn hart: waarom?
»Uw lente en zomer zijn vervlogen,
De laatste glans van herfst verglom;
Ras nadert voor uw scheemrende oogen
De winter van uw ouderdom.«
O beste paai, met baai omtogen,
Het wicht der jaren boog u krom;
Welaan dan, ook voor u gebogen
En u begroet met »Wellekom!«
Dat lang wij saam nog keuv\'len mogen
En kui\'ren naar.... het hoekjen om!
7i
Ik voel voor feestgewoel niets meer —
Maar keert de Lente feestlijk weer
Dan trekt haar tooverkracht mij aan....
En \'k wil en moet naar \'t Mei-groen gaan
Beluisteren den dartlen stoet
Der zangers die ik daar ontmoet.
37
-ocr page 44-
Van allen, wier gezang ik hoor,
Stelt er geen enkele aan mijn oor
Zich fluistrend voor: jMijn naam is N.«
Onnoodig ook, wijl \'k ieder ken !
Eén zonder "k uit, die luid en kloek
Zijn naam bezingt: «Koekoek, Koekoek!»
72
Ik raad u, al is het ook stromplend, te treden j
In \'t voetspoor van mij.
Wen tijden verandren, verandren ook zeden,
Waarom niet ook gij ?
Dus blijft geen trompettermajoor van \'t Verleden,
Blaas mee met je tijd:
Je vindt in het schoone en het goede van \'t Heden
Niet minder profijt.
»Beslist« moet getwist over \'t nieuwe vermeden,
\'t Is trouwens maar kwik ;
Laat jongren met vrede, dan ben je tevreden
En recht in je schik.
73
Besluit: nooit een fout te bekijven,
Te loven wat leeghoofden schrijven,
Vooral leege beurzen te stijven, —
Dan moogt ge, oude heer, nog wat blijven.
38
-ocr page 45-
74
»De oude vlag zal geen haarbreedte wijken!« —
De oude heer had zich dapper geweerd,
Was door jongeren geapplaudiseerd ;
Maar hij zag hoe zijn vlag toch moest strijken,
En hij gaf, in onaardige bui,
Nu kortaf van partijzucht den brui.
75
Om verdienste in zijn vroegeren tijd
Werd een oude als verdienstlijk geprezen,
Maar een jonge egoïst zei uit nijd:
»Ik heb nooit toch gehoord of gelezen
Dat hij diensten aan ons heeft bewezen.»
76
Daar komt alweer een kist met oude boeken
Den ouden heer in de eenzaamheid bezoeken.
Hij geeft ze een plaats bij de Ouden, opgetast
Al jaren lang in de eikenhouten kast.
Zal hij ze weer doorsnuf len en doorboren
Om voedsel voor zijn leerzucht op te sporen?
Pardon! hij zit er met zijn neus nooit in;
Geen boekworm dus in litterairen zin.
Zoo één behoort niet tot dat soort van motten,
Maar tot het slag van oude-boekenzotten ;
Een zotheid kleiner dan veel andren zijn :
Ik denk aan \'t kelderen van flesschcn wijn.
39
-ocr page 46-
77
Veroudert de leest, dan voelt de geest
Zich best te huis en meest verheugd
In de oude boekzaal zijner jeugd:
Niet veel meer leest hij — hij herleest:
De Camera van Hildebrand
Is dan een kolfje naar zijn hand.
\'t Geheugen slijt en wordt een leege doos:
Ik moest daarin een rist van Pharao\'s
(Op hoog bevel van schoolgeleerde lieden)
Zorgvuldig stampen, met hun piramiden,
Geslachten, namen en regeeringstijd —
En \'k speelde \'t klaar met noeste jongensvlijt.
Door uit het hoofd die mummies op te sommen,
Kon ik het taaist geheugen doen verstommen,
En nu — sinds \'t grijze hoofd aan slijting lijdt,
Is \'t de oude schat van Oud-Egypte kwijt.
»Men leert niet voor de school maar voor het leven«;
Wat nut heeft me ooit die rommelzoo gegeven ?
40
-ocr page 47-
79
Hoe meer gij weet,
Te meer gij weet niet veel te weten;
Van wat gij weet
Doet de oude dag u veel vergeten;
En eer gij \'t weet
Wordt gij voor uitgeleerd versleten,
Die zelfs zijn weetje niet meer weet.
80
Een oude leeraar in historie
Klaagt, hoe zijn vroeger trouw memorie
Hem ontrouw wordt: »Van vrede en strijd
Vermis ik \'t juiste tal der jaren;
Van mannen, die hun volk en tijd
Weleer tot eer of schade waren,
Ben \'k nu totaal de namen kwijt!«
Zijn klagen vond ik overdreven,
En vroeg: Hoe is de naam van hem
Die van ons menschen \'t langst mocht leven ?
—»Dien ouden ken \'k: Methusalemk
En blijde hoop trilde in zijn stem.
41
-ocr page 48-
8i
Een grijze Wijze leerde mij
De spreuk: »A1 leerend leeren wij«. —
Van Ouders hebt gij veel geleerd
Gij, kinderen; en omgekeerd
Uw Ouders ook van u.
Van Meesters hebt gij veel geleerd
Gij, leerlingen; en omgekeerd
Uw Meesters ook van u.
Al is het vers wat onwelluidend,
\'t Is toch niet onbeduidend.
82
Word \'k slapende soms door de nachtmeer vervaard,
\'t Is dikwerf een droombeeld, gelijkend in aard
Op een der schrikbarendste plagen
Doorleefd in de jongelingsdagen:
Wen \'t gemoed is beangst en het voorhoofd bezweet
En de geest heden weet wat hij morgen vergeet.
En de nood prangt, zich gauw te bekwamen
Voor het allesbeslissend examen.
83
Eens mijmerde een leerling der H. B. S.
Gezeten als Damocles onder het mes:
«Verbeeld je, er bestonden geen boeken,
Dan kon met lantaren Diogenes
Vergeefs naar een leeraar gaan zoeken;
Dan was naar de maan repetitie der les,
De examen-commissie voorgoed op de flesch.«
^^—.^—
42
-ocr page 49-
84
Wijsgeerig eerlijk was het woord
Dat eens uit Theophrastus\' mond
Door zijn discipels werd gehoord:
»\'k Heb tachtig jaar begeerd, verkond
De wijsheid, en geen sikkepit
Had ik er van in mijn bezit.a
«5
«Waar gaan bij dag liefst uw gedachten heen ?«
De vrager was een wijsgeer naar \'t mij scheen,
Belust zich in gedachten af te sloven,
En te ernstig om den oude een kool te stoven.
\'k Gaf kort bescheid, als voegt aan philosofen:
«Bestijg \'k een trap, dan gaan ze liefst naar boven;
»En daal \'k er af, dan gaan ze naar beneên.«
Met dien gedachtengang was hij tevreên.
86
Gelijk de duive, eerst uitgevlogen,
In de Ark terugkwam, wijl haar voet
Geen rust vond: zoo in \'t oud gemoed
De hope, die zich zag bedrogen
Zoo dikwerf zij was uitgetogen
Ter vinding van een menschlijk goed.
43
-ocr page 50-
87
Hij had mijn hart gewond:
\'t Is sedert wel gezond
Gebleven,
En lang heb \'k hem vergeven;
Maar toch bij triestig weer
Doet \'t oude hart mij zeer,
\'t Lidteeken
Kan dan nog pijnlijk steken.
88
De goede Sint en Vrind der kinderjaren
Had stil voor haar een winkeltje opgezet,
Zeer ruim voorzien van eet- en ellewaren,
En in dat zaakje had zij meisjespret.
Want \'t meerendeel van trommeltjes en laadjes
Zat vol met al wat lekker smaakt en zoet:
Met klontjes, pepermuntjes, chocolaadjes,
Met muisjes en veel ander suikergoed.
Hoe blij was zij en niemendal verlegen
Toen \'k, grijze man, haar winkelzaak bezocht;
Hoe vriendlijk-vlug, na zoeken, meten, wegen,
Bood zij mij aan hetgeen ik had gekocht;
44
-ocr page 51-
Maar ook betaald? Och Heer, dit werd vergeten,
En jaren reeds stond ik bij haar in \'t krijt,
Toen zond ik haar, tot rust van mijn geweten,
Dit versje in ruil. — Schold zij de schuld mij kwijt?
\'k Ontving een Nota der gekochte waren
En zag daarop \'t verblijdend antwoord staan:
»De ruil neem \'k aan, zeer dankbaar en volgaren;
»Uw schuld van vroeger jaren is voldaan!»
89
Geen sterren-tinteling
In zomernacht,
Ceen zonne-glinstering
Bij bloemenpracht
Heeft zóo mijn hart bewogen
Als toen ik diamanten-gloed,
Afspiegeling van \'t blij gemoed,
Zag flikkren in haar oogen,
Wijl \'t juichend zieltje d\'eersten keer
Zich noemde «Bruidje van den Heer.«
90
Wie op zich zelven steunt,
Valt, tot zijn straf;
Wie op een ander leunt,
Glijdt dikwerf af:
Gelukkig de oude dag
Wiens gang naar \'t graf
Zich vast verlaten mag
Op \'s Heeren staf.
45
-ocr page 52-
9i
»Ik heb u op mijn arm gedragen
Van kindsbeen af, en doe \'t ook nu;
Al wordt gij grijs en oud van dagen,
Ik blijf dezelfde Heer voor u.a
(Is. 46:4).
92
\'k Ben jong geweest, ook ben ik oud geworden,
En heb gezien, hoe boozen God trotseerden
En grimmend Zijn rechtvaardigen kleineerden,
Tot ras zij afgemaaid als gras verdorden.
»God mint het recht, neemt onder Zijne hoede
Degenen die getrouw zijn en rechtvaardig;
Hen acht Hij ook een eeuwig wonen waardig:
Dies houd u af van \'t kwade en doe het goede.«
Zoo zong weleer bij \'t trillen van de snaren
Gods oude Harpenaar een zijner Psalmen,
Die heden nog na driemaal duizend jaren,
Vertroostend in der ouden hart weergalmen.
(Ps. 36).
46
-ocr page 53-
93
«Verstandloos woord: Daar is geen God!
Vanwaar die lasterende spot?«
Het deed een David reeds verbazen,
Hij vond de bron in \'t hart der dwazen. (Ps. 13.)
Een dwaas, bij Satan schoolgegaan,!
Wou boven d\'ouden meester staan;
Wat deze nooit had durven tyyen,
Dorst nu de leerling: God neg^fren!
Zijn dolheid vierde \'t zeil in ton,
En ook de duivel kreeg den schop.
Toen sprak hij in zijn hart, die zot;
«Geen meester en geen God!«
94
Na \'t morgenrood, na \'t middaglicht
Genaakt des levens avondstond,
En straalt de ster reeds in \'t gezicht
Die ons de sabbatsrust verkondt,
De stille rust in \'t donkre dal
Waarop een Pascha volgen zal.
95
Wij zitten in de levensboot
Een spanne van den Dood
Wie zich aan zijn nabijheid stoot,
Stelt zich aan schipbreuk bloot.
Hij is een gids als reisgenoot,
Een vriend in stervensnood
Ons wijzend op den tijd, die vlood,
En \'t eeuwig ochtendrood.
47
-ocr page 54-
96
Somtijds bevangt mij het gevoel
Der vliegers in de lucht:
Gezeten in den leuningstoel
Neem ik op eens mijn vlucht
Hoog boven groot- en nietigheden
Van \'t woelig hierbeneden.
Dan hoor \'k nog stijgen van beneên
Geluiden dof, verward;
Mij treft een schroef-geluid alleen :
De motor van mijn hart;
De kans op weerzien is verkeken,
Blijft plots zijn werking steken.
97
Een oude houdt zijn hart in band
En laat met zijn gezond verstand
Zich niet door overdrijving kwellen:
Hij ziet in twist om bagatellen
Geen ommekeer voor stad of land:
In gil en kreet geen moord en brand,
Geen watersnood in waterbellen,
In een komeet geen ramp voorspellen.
98
Genie niet, maar gezond verstand
Brengt welvaart aan voor stad en land;
Dies werd dan ook voor dezen
\'t Gezonde brein geprezen.
4S
-ocr page 55-
Men prijst het nu als fijn en groot,
Maar zwijgt het, als \'t gezond is, dood.
De vraag is opgerezen:
»Wat mag de reden wezen ?«
De zwijgers wanen, naar ik meen:
«Gezond verstand heeft iedereen.«
Dit rijmt niet best, zou \'k vreezen,
Met wat er staat te lezen:
«Een talloos deel op \'t wereldrond
»Is in de hersens niet gezond«. (E cel e. 1,15.)
Het ergst is, dat ook dezen
Geen dokter kan genezen.
99
Daar is zij weer, Halley\'s komeet....
Gij naamt sinds mijn geboortejaar,
Astronomie, haar niet meer waar!
Zie, dreigend stuift zij aan op de aard ....
O gij, die hare loopbaan meet
En raamt de snelheid van haar vaart,
Zeg mij, of ge onbetwist nu weet
Den waren aard van k e rn en staart?....
49
-ocr page 56-
IOO
«Afgestorven spreekt hij nog.«
De oude spreuk aamt geen bedrog
Dooden kunnen zachtjes spreken,
Niet bij stille graven, neen!
Hen beluistren één voor één
Kunt ge in stille bibliotheken,
Waar de veteranen staan,
Wier omhulsel is vergaan,
Maar wier geest is blijven leven
In de boeken die zij schreven.
Neem een Bard uit al die doón,
Lees .... als in een telephoon
Hoort ge hem zijn verzen fluistren.
(Lezen is met de oogen luistren.)
Onder \'t wulfsel eener kerk
Kunnen dooden luide spreken,
Wen een predikant hun preeken
Voordraagt als zijn eigen werk.
IOI
Geen kunst kan ons oudje meer schelen;
Doch, waar hij zoo happig op was,
Muziek schijnt hem niet te vervelen:
Wij hooren hem (\'t geeft wel geen pas)
In huis con amore bespelen
De brommende contrabas.
-ocr page 57-
102
Geleerdheid zegt het, er bestaan
Miljarden kiemen van bacillen,
Die, raken ze op de ontwikk\'lingsbaan,
\'t Organisch leven dooden willen. —
Ik zie ze niet, geloof er aan;
Geleerdheid, ziende door haar brillen,
Stelt \'t vast en laat zich niet bedillen
Door praat van ouderwetsche liên:
»\'k Geloof het niet, of \'k moet het zien.«
103
Photographie legt vast voor ons gezicht
Het vluchtig spiegelbeeld van \'t licht,
Maakt blijvend en beschouwbaar voor het oog
Heel den gesternden hemelhoog.
De telescoop bracht van het sterrenheir
\'t Getal op half miljoen, niet meer;
De photo brengt als sterrenkampioen
\'t Op ruim vierhonderd millioen!
104
Van een plaat der grammophoon
Ruischte een orgelspel met koor
Langs een draad der telephoon
In zijn ver verwijderd oor;
Bij die wondren van \'t vernuft
Stond een tachtiger verbluft,
Sprak geen woord meer (tot zijn spijt)
Van den gouden ouden tijd.
5i
-ocr page 58-
ios
Nooit had ik aan tafel de gasten benijd
Met twee rijen malende tanden;
Mijn kakebeen raakte de kauwertjes kwijt,
Toen voelde ik den nijd in mij branden.
106
»De wereld scheen voorheen mij beter.«
Het is de aloude jammerschreeuw,
Gerepeteerd van eeuw tot eeuw
Door een onttanden broodkruim-eter:
Hem scheen de wereld vol bonbon,
Toen hij nog korstjes bijten kon.
107
«Verschiet op mij uw pijltjes maar,
Geen enkle doet mij wee;
\'k Bewaar ze in kokers allegaar,
En stook er mijn tanden mee.« —
Hij bleef zijn woord gestand
Tot aan zijn laatsten tand.
108
\'t Meer dan goed hier te hebben,
Alles beter te weten,
Is de streving van \'t jonge geslacht;
Maar het goede te hebben
En het beetre te weten,
Wordt vooral door het oude betracht.
Wie van beide ten leste
Zal bereiken het beste?
\'t Is een vraag waar geen antwoord op wacht.
52
-ocr page 59-
109
«Hier zijn we allen vreemdelingen
Trekkend naar een beter oord.«
Jongren mogen \'t vooiske zingen,
Maar in \'t zinnebeeldig woord
Kan een grijsaard dieper dringen:
Waarlijk vreemdeling in kringen
Van een vreemd-nieuw menschensoort
Met nieuw-vreemde idees en dingen,
Spoedt hij voort om vlug aan boord
Van de Charonsboot te springen.
110
Om niet van de been te raken,
Zal een oudje stapjes maken
Steunend op zijn wandelstok
\'k Wil de mode niet beknibbelen,
Maar ik vraag: dat tripplen, dribbelen
Van een dame in strompelrok.. ..
Doet zij dat om niet te vallen,
Of alleen maar om te mallen
Als een jonge jokkenbrok ?
ui
«Vervolg uw weg en zie niet oma.
Een les probaat voor d\'Ouderdom;
Want zag hij om naar \'t gros der jongen,
Naar veler nieuwerwetsche sprongen
Zoo hol en krom, zoo dol en stom
Hij viel gewis van \'t lachen om.
53
-ocr page 60-
112
Tref ik op straat een grijsaard aan,
Dan groet ik hem als Veteraan
Die zware marschen heeft doorstaan,
Maar die hem toen zoo zwaar niet vielen
Als nu hem zitten op de hielen
De fietsen en de automobielen.
113
«Oude strijder, alles wél? —
Och, het lijf als citadel
Lang beschoten door den tijd
Brokkelt zichtbaar af en slijt;
Maar de geest als garnizoen
Houdt zich taai en toont zich koen.
Toch springt eens de laatste bom,
En \'k verhuis met stille trom.
114
Mogen Grijzen \'t mij vergeven,
Dat ik niet een enkle maal
\'t Hoofd versiersel heb omschreven
In een dichterlijke taal:
Hoe nu blanke lelieblaren
Sieren in de hooge jaren
D\'achtbren schedel met een krans
Schitterend van zilverglans.
Hoe in stee van zwarte lokken
Heden witte wintervlokken
\'t Hoofd doen pronken met den dos
Van een sneeuwen vederbos.
S4
-ocr page 61-
Och, ik vreesde een stem der ouden:
«Wil je ons voor het lapje houden?
Want die sneeuw, waarmee je ons tooit,
Is op \'t hoofd al lang ontdooid!«
"5
Ten feestdisch te zitten als gast,
Is d\'Ouderdom eindlijk een last:
Zijn mond kan \'t menu niet vereeren,
Want veel moet hij laten passeeren.
«Blijf af!« maant de wagglende tand,
«Voorzichtig!« de bevende hand;
De maag klaagt gestaag: «Ai, niet wagen!
«Die spijs kan ik, heusch, niet verdragen.« —
Half leeg blijft het glas voor hem staan,
Een tweede kan \'t hoofd niet meer aan.
Zoo zit hij maar brood te verkruimelen.
De beenen, te voren al stram,
Zijn nu van \'t lang tafelen lam,
Hij vreest dus bij \'t opstaan te tuimelen,
En hoort al de schertsende vraag:
»U hebt toch geen stuk in uw kraag ?«
116
«Ontsla bijtijds het oude paard,
«Dan blijft het dier voor spot bewaard.«
Dit lesje van Horatius                   (I Ep. I, 8.)
Geldt ook het biesje Pegasus.
55