-ocr page 1-
i£3&«ji
WÊÊ
e^jfóëgÈ^
m
SI
Wm
* .1
L
m
r&M
^ê^gÜ-
\'m
k
-ocr page 2-
-ocr page 3-
I
\'
-ocr page 4-
-ocr page 5-
HISTORISCHE STUDIËN.
-ocr page 6-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000004903393B
0490 3393
-ocr page 7-
HISTORISCHE STUDIËN
D\\ THEOD. JORISSEN
IN LEVEK HOOGLEERAAR TE AMSTERDAM.
TWEEDE, GOEDK00PE DRUK
PaTKIOTSCHE HlADEX. — FltKL\'LE VAN DOKTH. — UlT
FaMILIEPAI\'IKKEX. ---- DK COUKEKI\'OXDENTIE VAN KONING
Lodewijk.—Amstekdamsche Couranten in 1809. — Een
Steenwoui\' in Mp, |sio |)r Qw ........ "li" 1813.
OTHEEK
RIJKSUNIVERSITEIT]
RECHT
HAARLEM
H. D. TJEENK WILLINK.
189 3
-ocr page 8-
-ocr page 9-
I
PATRIOTSCHE BLADEN.
JOKissiN. Studiën IV
-ocr page 10-
-ocr page 11-
PATEIOTSCHE BLADEN.
J. Hiii-tu,^, be L\'alriolliM en Omnje van 1717—1787.
De woorden, die boven deze regelen staan, drukken
den hooi\'dindruk uit, dien de lectuur van het werk van
den predikant J. Hartog maakt. Ken geregelde geschiedenis
der gebeurtenissen in de veertig jaar, die 1717 van 1787
scheidden, bevat het niet. De schrijver wilde ze niet
geven. "Ik heb een poging gewaagd om de geschiedenis
der patriotisohe beweging toe te lichten, uit de pamfletten
dier dagen." Met deze verklaring vangt de voorrede aan ,
en dit doel heeft de heer Hartog blijkbaar nooit uit het
oog verloren. Van de eerste tot de laatste bladzijde lichten
de pamfletten, naar des schrijvers meening, de gebeurte-
nissen toe.
Over de meerdere of mindere wenschelijkheid en nood-
zakelijkheid van een dergelijkeu arbeid kan verschil van
gevoelen bestaan. Voor mij, die den tijd niet gekomen
acht om de geschiedenis dier dagen te schrijven, bestaat
geen bezwaar om bij deze opvatting van de taak des heeren
Hartog mij neer te leggen. Te miuder omdat ik volgaarne
erken, dat pamttetteuliteratuur tot veel belangrijke resul-
taten kan leiden. Doch wil ik mij nederleggen bij de op-
-ocr page 12-
1
ÏATltlOTsrH i: Itl.AUKN.
vatting der tiiiik. minder bevrediging schenkt de wijze van
uitvoering.
l)e waardeering der historische pamfletten is een vracht
der laatste dertig jaren. Vroeger hechtte men er niet aan.
Yeel is daardoor verloren gegaan, of, zoo al niet verloren,
zoo verborgen , dat men dikwerf tevergeefs zoekt naar
brochures, die om het onderwerp of den schrijver belang
hebhen. Wie met historische studiën vertrouwd is, weet dat.
Ofschoon er van vrijheid van drukpers in dien zin,
waarin wij het woord verstaan , tijdens de Republiek eigen-
lijk niet kan gesproken worden, is er te allen tijde veel
geschreven. Voor- en tegenstanders der strijdende partijen
deden een beroep op het publiek, zochten de openbare
meening voor zich te winnen en tegen hunne vijanden in
te nemen. De pamfletten-literatuur van den patriottentijd
is onmatig groot. Niet op honderden, maar op duizenden,
ja op twintigduizend zelfs wordt zij soms berekend. Dat
er veel kaf onder het koren is, spreekt vanzelf, maar even
ontwijfelbaar is het, dat er veel onder gevonden wordt.
wat voor de historie waarde heeft.
In weikeu zin ?
Kveuals in de dagen van Oldenbarneveld, hebben ook
in de tweede helft der 18d" eeuw de verschillende leiders,
en ook leden der partijen, zich van de pers bediend, om
de publieke opinie in een bepaalde richting, door hen de
juiste geoordeeld, te leiden.
Ken nauwkeurig onderzoek dier kleine geschriften is
dus uit den aard der zaak zeer geschikt om over de in-
zichten, zoowel van personen als van partijen, licht te
verspreiden.
Tot dusver is het onderzoek der pamfletten niet zeer
vruchtbaar geweest, wat het eerste punt betrof. De anony-
-ocr page 13-
PATBIOTSCHE BLADEN.
->
miteit, die veleu der schrijvers in acht namen, is er de
oorzaak van. Toch helooft het onderzoek in deze richting,
naar ik geloof, rijke vrachten. Wie de moeite wilde
nemen voor een bepaalde periode de pamfletten te bestu-
deeren met het oog op de personen, die. een rol in die
dagen speelden en op de bekende schrijvers dier dagen, zou,
geloof ik, menige ontdekking doen, die op de politieke
rol, door velen vervuld, een nieuw licht zou werpen.
Laat ik een enkel voorbeeld geven. In de laatste jaren
is de persoon van Botje Wolff liet voorwerp van velerlei
onderzoekingen geweest. Allerlei onbekende bijzonderheden
zijn omtrent haar aan "t licht gebracht. Ook zij heeft
zich bewogen in den politieleen maalstroom des tijds. Men
kent enkele politieke geschriften van hare hand, of liever,
men kent er de titels van. Onderzocht zijn zij niet.
Over hare relatiën tot verschillende personen, haar meenin-
gen en inzichten zou ook uit deze geschriften zeker wel wat
te vinden zijn. Zij is slechts eene der leden der patriot-
sche partij, maar behoort niet tot de hoofden. Hebben
Pieter Paulus, Rendorp, enz. niet anoniem geschreven?
Het is niet te betwijfelen. Zijn deze geschriften niet te
ontdekken P Ik meen, dat, uitgaande van het bekende ,
het niet volstrekt onmogelijk zou zijn, stap voor stap aan
het groote gebied van het onbekende iets van zijne raad-
selen te ontnemen.
Doch al werd deze verwachting niet vervuld, dan uog
zou het onderzoek der pamfletten dit voordeel hebben, dat
het de verschillende schakeeringen, die in de rijen der par-
tijen zich voordeden, scherper in het licht doet treden.
Behalve tal van andere oorzaken heeft ook deze oorzaak
tot de mislukking der beweging bijgedragen: de verdeeld-
heid onder de partijen zelve. Het onderzoek der pamfletten
-ocr page 14-
(i                                       PATBIOTSCHK BLAOKN.
zou, moclit men hopen, liieromtreut veel opheldering geven.
Wat is als middel van verlamming krachtiger geweest: het
verschil van politiek inzicht of de persoonlijke grieven!\'
Beide hebben krachtig zich doen gelden. Voor de beoor-
deeling der partij is het geen onverschillige zaak te weten,
wanneer een der twee elementen het meest overheerschendc
is geweest. Zeker kan het onderzoek der pamnettenlitera-
tuur de vraag niet volledig beantwoorden, maar zij kan
onschatbare bouwstoffen opleveren.
Wie in een der beide opzichten van dezen arbeid des
heeren Hartog opheldering wacht, zal moeilijk een gevoel
van teleurstelling kunnen onderdrukken. De schrijver gaat
uit van de onderstelling, dat de feiten bekend zijn en deelt
nu uit de pamfletten, die hem ten dienste staan, het een
en ander mede . dat het oordeel der partijen omtrent deze
of gene gebeurtenis doet kennen. Voor hen, die geheel
onbekend zijn niet deze literatuur, is hier zeker veel nieuws
te vinden. Zij. die wel eens een kijkje hebben genomen
in de pamfletten van dien tijd, zullen hier of ginds een
enkel stuk vermeld vinden, dat hun nog niet in handen
kwam, maar over \'t geheel genomen kan men niet zeggen,
dat deze bloemlezing uit de literatuur van den patriotten-
tijd tot dieper inzicht leidt.
De indruk, dien deze verzameling maakt, is uit den
aard der zaak hoogst ongunstig. In dagen van politieken
strijd, als alle driften zijn ontwaakt, munt de literatuur
van den dag, evenmin als het dagelijksch discours, door
fijnheid van vormen en zachtheid van uitdrukking uit.
Als over honderd jaar iemand zich vermeien zal, een bloein-
lezing uit de literatuur der Aprilbeweging te geven, zal hij
evenzeer zich ergeren en anderen zich doen ergeren aan
woorden en voorstellingen, die in 19S2 onbeschaafd en
-ocr page 15-
PATUIOTSCHE BLADKN.                                         7
wild in de ooien klinken. Wat zul het anders bewijzen,
dan dat een geslacht, door heftige driften in beweging ge-
bracht, uitdrukkingen kiest, in overeenstemming met de
opbruisende stemming van het «ogenblik !J Ue literatuur
van den patriottentijd vertoont dat heftig karakter in veel
sterker mate, omdat de strijd een veel algeineener karakter
droeg, dan ooit met de Aprilbeweging het geval was.
Doch voor de juiste waardeering zou vergelijking niet
schaden. Munten de pamfletten van KUS en l(il9, munt
Vondel\'s bestrijding zijner tegenstanders zoozeer door fijne
beschaving boven de patriotische literatuur uit?
Het zou een groote onbillijkheid zijn , indien men op de
heftigheid, waarmede de opgewekte driften zich uiten, een
oordeel zou willen bouwen over de oorzaken der verbittc-
ring. De heer Hartog heeft er zich niet aan schuldig ge-
maakt. Een honderd bladzijden zijn gewijd aan die uit-
eenzetting van de euvelen van het ancien régime. De re-
genten der Republiek moeten menige veer laten. De tee-
kening is zoo ongunstig, dat men soms de neiging voelt
opkomen, om een oogenblik als "advocaat van den duivel",
zooals Bakhuizen van den Brink het indertijd noemde, op
te treden. Doch het is hier de plaats daarvoor niet.
Slechts een paar opmerkingen wil ik niet achterhouden.
In de algemeene karakteristiek der "bedenkelijke toe-
standen" , zooals het l"e hoofdstuk heet, wordt tegen de
regentenaristocratie allerlei te zamen gebracht; ook velerlei
wat tot verschillende tijdperken behoort. Het geslacht der
IS4" eeuw wordt aansprakelijk gesteld voor toestanden, die
liet van de vaderen had geërfd
Het overwicht der Hervormde Kerk over de andere ge-
zindheden was geen uitvinding van de regenten na 1700,
maar het noodzakelijk, natuurlijk gevolg zoowel van de
-ocr page 16-
8                                        PATltlOTSCHK BLADEN.
opkomst als van de geschiedenis der Republiek. liet Oal-
vinistisch geloof was de bezielende kracht geweest van
den opstand tegen Spanje. Haar groot* betcekenis in de
17lte eeuw dankte de Republiek aan haar Protestantsch ka-
rakter, aan haar verzet tegen de dreigende macht van de
Katholieke Kerk, door de wapenen van Frankrijk gesteund.
Dat in het binnenland dat deel der Protestanten, \'twelk
tot de Hervormde Kerk behoorde, zijn heerschappij deed
gelden ook over de andere af\'deelingen van het Protestan-
tisme, kan moeilijk verwondering wekken. Het deed wat
elke meerderheid doet, die de waarheid meent te bezitten
en tevens de macht in handen heeft. Denkbeelden van
algemeens verdraagzaamheid werden binnen den kring van
het Protestantisme als indifferentisme beschouwd. Het Lu-
tberaiiisme haatte het Calvinisme en omgekeerd. Dit was
in Duitschland en in Engeland overal liet geval. Hoe
kan men nu de mannen der 18\'Ie eeuw, opgegroeid in
zulke denkbeelden, tot verwijt rekenen, dat zij naar die
overtuiging handelden?
De schrijver behoort tot bet Doopsgezinde kerkgenoot-
schap. Het is te begrijpen, dat de ongunstige toestand
der dissenters in vorige eeuwen hier te lande hem leed doet.
Die toestand is in strijd met de denkbeelden omtrent reli-
gieuse vrijheid, die wij billijken. Maar noch het eerste,
noch het laatste mag verleiden tot een onbillijk oordeel,
waarbij met de overtuigingen van een vroeger geslacht
geen rekening wordt gehouden, en hun tot verwijt wordt
gerekend, dat zij niet handelden volgeus inzichten der
19a" eeuw.
Hetzelfde geldt ten aanzien der Katholieken. /\'Zij werden
met wantrouwen aangezien en behandeld." Vrij natuurlijk,
want — de schrijver haalt zelf het woord aan — d\\Es-
-ocr page 17-
PATHIOTSCHE BLADEN.                                        9
trades\' verklaring in lOfi.j, dat alle Katholieken hier te
lande Spaanschgezind waren, was de heersehende overtui-
ging. Spaanschgezind: dat is vijanden van den staat,
vrienden van de vreemde macht, die men in een worsteling
van tachtig jaar had afgeworpen. Was het zoo onnatuur-
lijk , dat men dezen Spaanschgezinden de handen bond,
hun niet de vrijheid schonk om naar willekeur te handelen?
Het is in de. laatste jaren, mode geworden, om de Katho-
lieken te beklagen over het harde lot, dat zij in de Repu-
bliek te verduren hebben gehad. Indien men de moeite
nam, de verschillende placaten tegen de Katholieken, in
verband met de aanleidingen tot de uitvaardiging na te
gaan, dan zou men zien, dat de handelsrepubliek nooit
tot deze maatregelen is overgegaan, dan wanneer zij oor-
deelde voor haar eigen behoud den ouden vijand te moeten
bestrijden. Dat schrijvers, wier bedoeling niet is om de
waarheid te dienen, maar om de publieke opinie dooi
beklag te winnen, het geslacht der 17d" en der 18\'\'° eeuw
als een vervolgziek geslacht afschilderen, is te begrijpen.
Maar hoe zij, die den toestand der Protestanten in katho-
lieke landen gedurende die eeuwen kennen, die de her-
roeping van het Ediet van Nantes en den moord van
Galas enz., geen feiten achten, aan het opkomend geslacht
uit verdraagzaamheid te verzwijgen, het als een grief aan
de vaderen kunnen aanrekenen, dat zij den bestaanden staat
ook door hunne zooveel zachter maatregelen poogden te
handhaven, is moeilijk in te zien. Maar zeker kan men het
den mannen der 18de eeuw niet euvel duiden, dat zij be-
palingen toepasten, met onze denkbeelden in strijd, docli
gevorderd door hunne overtuiging en door de wetten, die
zij van de vaderen hadden ontvangen.
«Tweeërlei weegsteen is den Heer een gruwel", zegt, in
-ocr page 18-
lil
1\'ATlt lOTSf\'HE Bt.AOK N.
navolging van »een Israclietisch staatsman\'", de lieer Hartog.
Indien het waarheid is. wat ik gaarne aanneem, dan be-
hoorde billijkerwijze iink in de beoordceling der kerkelijke
politiek een andere maatstaf aangelegd te zijn. Want wel
verre, dat de oude Republiek hier in dit opzicht aan recht-
matige verwijten blootstaat, mag zij zich beroemen in eeu-
wen van heersebende onverdraagzaamheid en vervolgzuoht
aan Europa een voorbeeld van zeldzame verdraagzaamheid
te hebben gegeven. En daaraan beeft zij te dankeu gehad,
dat zij in beide eeuwen het toevluchtsoord is geweest voor
allen, die ter wille van hunnen godsdienst elders verdrukt
of verdreven werden. Zij vonden hier, wat in hun eigen
land bun werd geweigerd, al ontvingen zij niet, wat de
opvatting van vrijheid van godsdienst in de negentiende
eeuw omvat.
Het democratisch beginsel is geheel iets anders dan bet
revolutionaire. De revolutie offert aan het zoogenaamd
algemeen belang de rechten op van het individu, van den
nlgemcencn mensch, en vindt dus in het socialisme hare
voltooiing. Maar de democratische beweging, hier te lande
tegen bet midden der vorige eeuw ontstaan, eischte juist
recht voor allen, en zocht, hare eigene geschondene rechten
en vrijheden handhavende, die van anderen binnen de
wettige perken te brengen of te houden. De revolutie
breekt bet bestaande af, of liever tracht het af te breken:
oproer en geweld hooren bij haar thuis. Maar de demo-
eraten , die begonnen op te komen voor de rechten der
burgerij, waren hieraan ten eenemale vreemd; trouwens,
zij wilden niet afbreken, maar handhaven wat het volk
als zijn wettig eigendom mocht beschouwen, en zij wilden
het handhaven langs den wettigen wi\'g.
De opvatting van het woord revolutie, die in deze zin-
-ocr page 19-
1\'ATIilOTSCHi: BLAUKN                                      11
snede gepredikt wordt, is niet nieuw.. Het is de leer van
mr. Groen van Prinslerer, verkondigd in Ongeloof eu Revo-
Mie,
en herhaaldelijk bestreden. Wie de strijdschriften voor
ruim twintig jaren tusschen Groen, Kruin, Reeseina en
anderen gewisseld, zich herinnert, weet hoe de/e theorie,
uit de eenzijdige beschouwing van een enkel feit, de
Pransche revolutie, geboren, door de historie niet gestaafd
wordt. Alle partijen: democratische, monarchale, aristocra-
tische, hebben revolutiën in liet leven geroepen, d. i. den
bestaanden staat van zaken omvergeworpen of pogen omver
te werpen, indien zij het voor hun belang wenschelijk
achtten.
Niet alleen in en na 1789, maar in tallooze andere
tijdperken, zijn de rechten van het individu aan het zoo-
genaamd algemeen belang opgeofferd. Kigenlijk geschiedt
dit in elke staatsorde dagelijks. Ieder onzer geeft telken
dage van zijn individueele vrijheid iets prijs ter wille van
het algemeen belang, de rust, de orde van de maat-
schappij , enz.
De tegenstelling, door den heer llartog tusschen liet
democratisch en het revolutionair beginsel gemaakt, is een
loot, geënt op denzelfden stam. Met groote belangstelling
dus slaan wij den arbeid op, dit; op historisch gebied de
rechtvaardiging der theorie zal leveren. Hier, in de ge-
schiedeuis van »de patriotten en Oranje, van 1747 en 1787"
zullen wij nu het onderscheid der twee beginselen scherp
zien uitkomen. Zoo verwachten wij.
Het geschrift van den heer Hartog telt 2-15 bladzijden
en de aangehaalde woorden komen op de (!9*le voor. Er is
dus ruimte opengebleven voor de gehoopte uiteenzetting.
Er wordt van alles in deze bladen gevonden: wat men
verwacht en niet verwacht. Maar het historisch bewijs
-ocr page 20-
12                                    PATRIOTSCHE BLAUF.N\'.
voor de stelling, waarvan de. schrijver uitgaat, wordt niet
aangetroiïen.
Het komt mij voor, dat er goede redenen voor zijn.
Dat de democratische beweging, die in liet midden der
lSJe eeuw hier te lande ontstond, «recht voor allen" eischte,
slechts \'/haar eigen geschonden rechten en vrijheden zoekt
te handhaven en die van anderen binnen de wettige perken
te brengen of te houden," zijn woorden, die goed klinken,
maar geen anderen lof verdienen.
"Recht voor allen". Wie zijn die patriotten, die dit
vragen?
Kr zijn twee stroomen in de patriotschc beweging: de
aristocratische en de democratische. Zij gaan een tijdlang
te zaïnen, zoolang het den strijd tegen den stadhouder
geldt. Maar als de buit behaald schijnt en het op de
verdeeling aankomt, breekt de strijd tussehen hen uit.
Hun inzichten en bedoelingen Ioopeu van den aanvang af
verre uiteen. Aan «recht voor allen" deukt niemand.
Het modewoord van dezen tijd is zelden een politiek pro-
gram dan van hen, die de leus behoeven, om de ware
bedoeling te bedekken. Heeft de studie der pamfletten
den schrijver van «Nederland en Oranje" geleerd dat «recht
voor allen" werkelijk liet \'doel der regenten en der demo-
craten was? Hoe jammer, dat de excerpten uit de pam-
lletten, die hier worden medegedeeld, het resultaat van
het historisch onderzoek niet in het licht stellen.
«De democratische beweging zocht slechts haar eigeu
geschonden rechten en vrijheden te handhaven en die van
anderen binnen de wettige perken te brengen of te houden."
Zoo luidt de tweede stelling, niet minder verrassend dan
de eerste.
Wat verstaat de schrijver onder wettige perken ? Ge-
-ocr page 21-
18
PATUIOTHCHE BLADEN.
woonlijk denkt men daarbij aan wettig vastgestelde. Welnu,
de democratische, of liever patriotsche beweging heeft van
haar eerste optreden af zich tegen de wettig bestaande
orde van zaken verzet. Zij is revolutionair geweest, in
den antirevolutionairen zin des woords, dat zij den histo-
risch geworden toestand niet eerbiedigde; revolutionair, in
den natuurlijken zin des woords, dat zij geweld heeft ge-
bezigd oin dien wettig bestaanden staat van zaken omver
te werpen. Zij heeft «wettige rechten" aangevallen, ont-
kend, geschonden. De perken, waarin zij het gezag der
stadhouders wilde begrenzen, waren geen «wettige", maar
volkomen «revolutionaire."
Maar belangwekkender nog is het eerste lid der bewering.
«De democratische beweging zocht slechts haar eigen
geschonden rechten en vrijheden te handhaven."
Wanneer bier van «rechten en vrijheden" der democratie
sprake is, dan bedoelt de schrijver natuurlijk die der
burgers. Het ware een verdienstelijke arbeid geweest, in-
dien de heer Hartog had kunnen goedvinden, eens uiteen
te zetten, welke «rechten en vrijheden" de burgerijen in
1717, het jaar waarvan hij uitgaat, of, nog liever, in de
eerste helft der 18de eeuw bezaten. Vermoeiend zou de
opsomming niet geweest zijn, en veel plaats zouden zij ook
niet ingenomen hebben. Want zij waren luttel in getal.
De schending en de personen of lichamen, die er zich aan
schuldig maakten, hadden kunnen aangewezen worden; de
tegenstand door de burgerij geboden, geteekend, zoodat
het duidelijk bleek, hoe "de democratische beweging haar
eigen geschonden rechten en vrijheden zocht te handhaven."
Om goede redenen intusschen is die uiteenzetting aehter-
wege gebleven, want die hooggeroemde «rechten en vrij-
heden" bestonden niet. De Republiek was een aristocra-
-ocr page 22-
II
PATUIOTSCBE BLADKN.
tische republiek. In de worsteling met de Oranjepartij in
de 17\'lE eeuw had, door een samenloop van omstandig-
liedeu, de Statenpartij gezegevierd. De burgerij trouwens
was sedert het einde der vorige, der 1(5\'\'° eeuw, zonder
invloed geweest.
De heer Hartog zelf herinnert, hoe de aristocratie zich
al zeer vroegtijdig van allen iuvloed meester maakte en de
burgerij buitensloot. Waar zijn nu in 17 17 die «rechten
en vrijheden?"
/.ij zijn er niet. De herinnering bestond aan een toe-
stand, waarin de gilden enz. werden geraadpleegd, waarin
de burgerij invloed op de samenstelling der besturen uit-
oefende. Maar die tijd was lang voorbij en meer clan
1\'/, eeuw, zoolang als de Republiek bestond, had de be-
volking geleefd zonder anders dan door revolutiëu, als in
1872 en nu in 1747, zieh te doen gelden.
De Prinsen van Oranje hebben om goede redenen meer
prijs gesteld o]) de volksgunst en het volk heuseher, hoife-
1 ij kei\' bejegend dan de heeren Staten, maar van invloed
op de samenstelling der besturen of op den gang der zaken
is onder Frederik Hendrik en Willem til. al even weinig
sprake, als onder het bestuur van Johau de Witt of na
1702. Natuurlijk. De Statenpartij was een politieke partij,
die een politieke leer heeft, waarop zij zich beroept: "de
Staten zijn de wettige erfgenamen der grafelijke macht."
De Stadhouders vertegenwoordigen de traditie des volks,
waaraan de natie gehecht is; wat was /ij zonder de Oranjes
geweest, wat geworden? Zij vertegenwoordigen de behoefte
aan staatseeuheid, die zij, voor zooveel hun zonderlinge en
halve positie het vergunt, bevredigen. Zij zijn de trait
d\'union tussehen gewesten, die, wanneer zij ontbreken, als
zelfstandige, souvereine machten naast elkander staan en
-ocr page 23-
PATRIOTsCHE BLADEN.                                    15
slechts een enkele maal door liet overwicht van een Johan
de Witt gedwongen worden voor het overwicht van Hol-
land te bukken. Maar noch in de stadhouderlijke, noch
in de stadhouderlooze tijden is er van volksinvloed op de
regeering of op de besturen sprake.
Hoe kan er dan van «rechten en vrijheden" in 1747
sprake zijn? Hoe kan er dan gesproken worden van het
handhaven van iets dat niet bestaat ?
De herinnering aan dié vroegere dagen heeft de ander-
half eeuw overleefd. En het is die herinnering, die zich
doet gelden. De "democratische beweging\'", waarvan de
heer Hartog spreekt, handhaaft niet, maai eischt het ver-
lorene terug. Én ook daarom is zij eeu revolutionaire.
Zij wil de staatsorde, die met de Republiek is opgegroeid
en zich ontwikkeld heeft, vervangen door een andere ,
waarvan zij de traditie heeft bewaard, Zij eerbiedigt geen
rechten; noch die van de stadhouderlijke macht, zooals zij
vooral na en door 1072 is toegenomen; noch die der re-
gen ten-aristocratie, die zich baseert op de besluiten van 1651.
Heeft de heer Hartog de bewijzen voor het tegendeel bij
zijn onderzoek der pamfletten gevonden? Dan is het zeer
te betreuren, dat hij ze in dezen arbeid niet heeft neer-
gelegd .
En er is meer.
De patriotsehe beweging eerbiedigt niet de rechten van
anderen; handhaaft niet rechten en vrijheden, die door de
burgerij niet meer bezeten worden, maar gaat verder. Zij
is met den eisch, de herstelliug der oude «rechten en vrij-
heden" niet tevreden. Zij gaat verder. Zij eischt meer
invloed, dan hun volgens die oude stukken toekomt. Xa-
tuurlijk: het geslacht, dat 1750 schrijft, is een ander dan
de kinderen der 16d" eeuw. Eeu volk leeft geen twee
-ocr page 24-
Lfi
PATUIOTSCHE BLADEN.
eeuwen zonder den invloed des tijds te ondergaan. De
tijdgenooteu van Rousseau vragen meer. Zij hebben de
leer der natuurlijke rechten ingezogen en de grenzen van
deze zijn niet meer binnen de historische perken der oude
privileges te vinden. Revolutionair, waar het hun verzet
tegen de bestaande orde van zaken geldt, zijn zij revoluti-
onair ook wat hun doel aangaat Zij willen, voor zoover
zij weten wat zij willen, iets, wat nooit bestaan had en
in geen privilege ter wereld was beschreven.
Dit alles wordt hier niet herinnerd, om over de pa-
triotsche beweging een veroordeelend vonnis te doen vellen.
Integendeel, het wordt herinnerd, opdat het oordeel billijk,
rechtvaardig zij. Met onhistorische opvattingen, als de
aangehaalde van den heer Hartog, wordt aan het geslacht
van de tweede helft der 18de eeuw onrecht gedaan: aan
de regenten, die hier voortdurend als door de onzuiverste
motieven gedreven worden voorgesteld; aan de democraten,
wier streven men uit deze bladen niet begrijpen zal. De
binnenlandsche strijd, die onze Republiek ten val heeft ge-
bracht, is bet noodzakelijk, onvermijdbaar gevolg geweest
van de ontwikkeling der Republiek. Als in eiken burger-
strijd hebben persoonlijke gebreken en persoonlijke mo-
tieven een groote rol gespeeld: hier te grooter, naarmate
het tooneel van den strijd kleiner was en de persoonlijke
invloed dus beslissender kon werken. Waren de indivi-
due\'n, die den voorgrond van liet politiek tooneel innamen,
mannen van meer beteekenis geweest, het schouwspel ware
grootscher. Maar de geringe hoogte van het meerendeel
neemt de ernstige beteekenis van den kamp niet weg.
Even weinig als allen, die in onze dagen zich tegen uit-
breiding van het kiesrecht verklaren, uit vrees dat het
getal onkundigen en onbekwamen te zwaar gewicht in de
-ocr page 25-
PATItlüTSCHE BLADEN.                                     17
schaal zal leggen, waar \'s lauds belangen worden gewogen,
met de beschuldiging van schaamteloos egoïsme zijn te
weerleggen, van gebrek aan opoffering voor het algemeen
belang te beschuldigen, — even weinig gaat het aan, de
regenten der 18de eeuw over ééne kam te scheren en hun
elk aandeel, ook het geringste, aan burgerlijke deugd en
menschelijke ontwikkeling te ontzeggen. En even weinig als
alle profeten voor uitbreiding van kiesrecht in onze dagen
toonbeelden zijn van zelfverloochenende vaderlandsliefde, waren
het de patriotten. Het schuim drijft op de oppervlakte.
Uit heeft de schrijver vergeten, toen hij naar zijn waar-
neming van de oppervlakte zijn oordeel nedersehreef.
Omdat de worsteling tussehen regenten en patriotten het
eindresultaat heeft gehad, dat denkbeelden hebben gezege-
vierd, die ons geslacht goedkeurt, hebben de patriotten,
die sommige dier denkbeelden hebben aanbevolen, niet in
alles recht, en hunne tegenstanders niet in alles on-
recht gehad. Ue zegepraal der beginselen, die onze tijd
erkent, is waarlijk de verdienste der patriotten niet ge-
weest. Daarentegen is de ondergang van den staat hun
werk geweest. Zij hebben het land verraden. Zonder hun
bondgenootschap inet Frankrijk ware in 1795 de Republiek
niet op eerlooze wijze gevallen. Jaren lang, van 1747 af,
hebben zij met Frankrijk in betrekking gestaan en ook in
hun binneulaudsche politiek zich door buitenlandschen
invloed laten leiden.
Aan politiek fanatisme zij veel vergeven, vooral waar
het opgewekt en geprikkeld is door een wanbestuur als
dat der Republiek. Maar aan de voorstanders der geves-
tigde orde van zaken was het niet euvel te duiden, dat
zij in hunne tegenstanders niet bloot bestrijders hunner
persoonlijke belangen, maar vijanden der staatsorde zagen,
Johissen. Studiën IV                                                                          SJ
-ocr page 26-
18                                    PATUIOTSCHE BLADEV.
in hunne oogen het plechtanker van maatschappij en stuat.
En hadden zij zoozeer onrecht? Heeft de uitkomst niet
bewezen, dat de patriotsche beweging, die niets handhaafde,
maar alles neerwierp, die wel afbrak, maar de moeilijke
kunst van opbouwen niet verstond, de llepubliek heeft,
ten val gebracht?
In gewone, rustige tijden, als alle dagen gelijk ziju
en de stroom der gebeurtenissen kalmpjes voortglijdt,
is het dikwerf moeilijk een oordeel te vellen .aangaande
die groote macht, die men de openbare meening noemt.
Het is dikwerf twijfelachtig, wat haar beroert of onver-
schillig is en in hoever zij zich werkelijk voelt bewogen
door denkbeelden of daden, die het hoofd van mdivi-
duën doen gloeien, leder onzer meent, dat de voorwerpen
onzer belangstelling, de onderwerpen, die ons ter harte
gaan, de algemeene aandacht en belangstelling verdienen
en ook trekken. Het is een zelfbedrog, dat telken
dage wordt gelogenstraft, maar niettemin telken male zich
herhaalt.
Men kan de reeks van mededeelingen uit de pamfletten-
literatuur der 1 S\'i» eeuw niet lezen, zonder de vraag te
voelen opkomen : Wat zijn deze schrijvers ? Leiders of
volgelingen ?
Het eenvoudige antwoord ligt voor de haud: Natuur-
lijk, beiden tegelijk, als elk letterkundig of politiek
schrijver van eiken tijd. De literarische producten spiegelen
steeds de denkbeelden af, geven de ideeën weer, die heer-
schende zijn of om de heerschappij kampen. De individu-
aliteit van den schrijver geeft aan hen het eigenaardig
kleed, maar in de zelfstandige eigenaardigheid zijner per-
soonlijke opvatting ligt de kiem der verdere ontwikkeling.
Dit geldt van elk literarisch product en tijdperk, in hoe
-ocr page 27-
19
PA\'l\'llIOTSCHK BLADEV.
ongelijke mate dikwerf; maar \'t meest van die perioden,
waarin drift de harten en hoofden vervult.
De meeste pamfletten, die hier worden besproken, zijn
anoniem. Naar de auteurs van velen is gegist, maar oin-
trent het meerendeel bestaat zelfs geen vermoeden. Indien,
gelijk in het voorafgaande werd gezegd, het onderzoek er
langzamerhand in slaagt, te ontdekken het meerder of
minder deel, dat van deze literarische producten aan man-
nen of namen van beteekenis in den patriotsehen strijd
moet worden toegekend, zoodat personen of richtingen
beter worden gepeild — indien dit resultaat wordt ver-
kregen, kunnen wij tevreden zijn. Want inderdaad, het
overige loont de moeite niet. Wat zou ons de kennis
baten van al die onbekende en, in politieken zin, onbe-
teekenende personen? Laat ik een sprekend voorbeeld geven.
Tn 179S gaf \\i. Nieuwcnhuizen, klerk der Tweede
Kamer, in een adres op, dat hij de schrijver was van de
«ïtepublikeinsche Redevoeringen, toegeheiligd aan alle vader-
landsche Burger-Sociëteiten, verschenen in den Haag, 179Ó,
bij J. Plaat." Wij zijn dankbaar voor de b:;leefde inlich-
tiug, maar zoo wij het niet wisten, gelijk met liet inee-
rendeel onzer het geval is, wij verloren er niets bij. De
geschiedenis van het jaar 1795 blijft onveranderd dezelfde.
Dit voorbeeld bewijst, dat de waarde der pamfletten,
als van alle menschelij ke zaken, zeer relatief is. Om ze
goed te gebruiken, moet men zich helder rekenschap hebben
gegeven van hun beteekenis. Niet elk pamflet heeft waarde,
en niet elk pamflet spreekt waarheid. Het is een moeilijke
zaak en vereischt veel historische oefening om de wezenlijke
waarde vast te stellen.
Wanneer men het boek des heeren Hartog leest, dan
wordt men overrompeld door een hoop citaten, langere en
-ocr page 28-
20                                     PATMOTSCHE BLADEN.
kortere. Zij worden aangehaald ten bewijze lioe de pu-
blieke opinie ziek uitte. De heftige toon en de scherpe,
bitse woorden vinden afkeuring, maar de kritiek des schrij-
vers, die ons voorlicht over de meer of mindere juistheid
van het aangevoerde en dus ons oordeel moet bepalen,
ontbreekt. De schrijver volgt Groen bij de mededeeling
der feiten, die als dunne draden de extraeten uit de pam-
fletten aaneenhechten, maar waar het geldt, een oordeel
vast te stellen over de beschuldigingen van weerszijden,
daar verlaat ons Groen en dus ook de lieer llartog. Het
is raadselachtig, wat de schrijver van die beschuldigingen
gelooft, hoe hij ze beoordeelt. Vandaar de verwarde in-
druk van het geheele boek. Wie heeft gelijk, of liever:
waar heeft deze, waar gene gelijk ? Vast staat — daar-
omtrent zijn alle lezers het a priori met den heer llartog
eens — dat het onfatsoenlijk is, zulke leelijke woorden te
gebruiken, zoo ruw te schelden. Maar, dit toegegeven,
blijft het hoofdpunt over: wat is de waarheid bij al deze
verwijten P
Toevallig ligt bladzijde 158 voor mij open. Zij handelt
over den oorlog met Engeland. Ziehier wat de heer Hartog
schrijft: "Aan gioote verwachtingen ontbrak het niet,
evenmin als aan groote woorden, maar tot roemrijke daden
kwam het niet. En toen de vloot werkeloos bleef en van
den tocht naar Biest, waar onze schepen zich met een
Fransen eskader hadden moeten vereenigeu, niets kwam,
nam • het wantrouwen en het misnoegen bij den dag toe.
De hertog van Bruuswijk week naar Den Bosch, maar
men liet hem geen rust en het duurde niet lang, of hij
was genoodzaakt het land te verlaten."
Onbetwiste waarheid bevatten deze woorden, maar zij
geeft niet veel. De schrijver voert nu eenige sehimpdiehten
-ocr page 29-
PATEIOT8CHE BLADEV.                                      21
tegen den Prins en den Hertog aan, om daarna zijn be-
vreemding uit te spreken, dat men den Prins zijn liefde
tot bourgognewijn euvel duidde.
Is dat alles? In de patriottengeschiedenis is de tocht
naar Brest een hoogst gewichtig punt. Personen, die tot
heden niet openlijk waren opgetreden, wierpen thans het
masker af. De strijd werd heftiger nog dan te voren.
Men beschuldigde den Prins, opzettelijk, uit geheime svm-
pathie voor Engeland, de vereeniging der Nederlandsche
en Fransohe vloten te hebbeu belet. De beschuldiging van
verraad wordt openlijker dan tot dusver uitgesproken. Te-
recht of ten onrechte? De schrijver licht ons niet in eu
vandaar dat de stroom van verwijten, die deze pamfletten
bevatten, zoo weinig indruk maakt. Zij vervelen.
»Aan een verrader des vaderlands", is een der meest
bekende van liellamv\'s politieke gedichten. Bellamy\'s naam
komt hier niet voor: ten minste, ik herinner mij niet,
hem aangetroffen te hebbeu. Pieter Vreede, Aschenberg,
\'t Hoen, Van der Jagt, Van der Kemp, Suermoud, Lu-
cretia van Merken, enz., enz., zijn schrijvers van vlug-
schriften , die bekend zijn. Dank zij de nasporingen van
den heer Sautijn Kluit, is over de dagbladenliteratuur,
ook van dezen tijd, veel licht opgegaan. Zou de beweging,
in haar ontwikkeling, niet scherper gekend en beter ge-
teekeud zijn, indien de gebeurtenissen waren toegelicht
door de mededeeling van oordeelvellingen van bekende per-
sonen, dan thans, nu een reeks van anonymi worden op-
geroepen, om als getuigen te dienen? Welke waarde heb-
ben kothehuispraatjes in 1782 meer dan in 1882? Zij
verspreiden over de gebeurtenissen geen nieuw licht en niet
ieder anoniem pamflet mag aangenomen worden als represen-
teerende een meening, die invloed heeft gehad. Een vers
-ocr page 30-
22                                      PATRIOTSCHE BLADEN.
van Bellamy heeft als zoodanig meer gewiekt. Keu bloem-
lezing, met zorg gekozen uit den breeden stroom der vlug-
schriften , waarbij of de belangrijkheid van den inhoud of
de beteekenis van den naam des schrijvers tot grond der
voorkeur had kunnen dienen, zou leerrijker bijdragen heb-
ben opgeleverd, dan deze aaneenschakeling van aanhalingen
uit allerlei pamfletten, die door weinig meer dan door hef-
tigheid en gezwollenheid uitmunten.;
Deze methode, die mij voor het doel des heeren Hartog
doelmatiger voorkomt, dan de door hem gevolgde, zou
naar ik meen nog een ander voordeel hebben gehad. Zij
zou aangewezen hebben, hoe door den politieken strijd
niet bloot de staat, maar de maatschappij werd beroerd.
Het getal personen, dat voor publieke zaken belangstelling
gevoelde, was tot het midden der 18d" eeuw bij uitstek
gering. De patriotsebe beweging heeft de gcheele natie in
beweging gebracht en de oude maatschappij omvergeworpen.
Zijn de sporen van die werking in de vlugschriften niet te.
vinden ? Zijn het alleen politieke quaestien, die verbit-
teren? Of spreekt zich de antipathie tegen den vroegeren
maatschappelijke!! toestand ook in de pamfletten uit, zelfs
waar zij niet rechtstreeks gebeurtenissen van den dag be-
spreken ?
Het antwoord kan niet twijfelachtig zijn. De sociale
grieven heeft de schrijver van Nederland en Oranje zelf
aangewezen. Des te meer verwondert het, dat bij de be-
spreking der pamfletten dit punt nagenoeg geheel uit het
oog is verloren. Geen geschiedenis der patriotsche bewe-
ging zal juist zijn, die de sociale veranderingen uit het
oog verliest. Het is zelfs zeer de vraag, wat tot de bit-
terheid der partijen meer heeft bijgedragen: de politieke of
de sociale zijde der verschilpunten.
-ocr page 31-
PATIUOTSCIIK BLADEN.                                     23
Aan mr. J. van Lenuep dankt onze letterkunde een
werk, dat genoegzaam eenig is. De maatschappij der re-
genten-aristocratie is door hem in de biographieën van
vader en grootvader geteekend op een wijze, als bij ons
zonder weerga is. Zij is geteekend met liefde, ja met
voorliefde. Voor het juist begrip van het tooneel, waarop de
strijd is gevoerd, levert het een kostbaren en onniisbaren
achtergrond. Welnu, die maatschappij is door het patrio-
tisme vernield. De strijd is aangevangen door mannen, tot
den maatsehappelijken kring der regenten-aristocratie be-
hoorende, en voortgezet door jongeren, opgegroeid, zoo al
niet opgevoed, in de vertrouwdheid met geheel andere denk-
beelden en geheel andere eischen. Schimmelpenniuck wenschte
niet, wat Rendorp voorstond. De hoogleeraar Fruin heeft
voor eenige jaren over de onderhandelingen in 1786 mede-
deelingen gedaan, die den schrijver onbekend zijn gebleven,
gelijk trouwens meer, dat niet zonder nut zou geraadpleegd
zijn. Zij bewezen, hoezeer de democratische en de aristo-
eratisehe patriotten uiteengingen. Waren de denkbeelden der
eersten omhelsd en uitgevoerd, de aristocratische vorm des
bestuurs had geheel opgehouden en ware vervangen door
een democratischer!. De val der Republiek in 1795 zou
waarschijnlijk er niet door zijn voorkomen, maar hij had
een eervolle kunnen zijn.
-ocr page 32-
-ocr page 33-
ir
FKEULE VAN DORTH.
-ocr page 34-
-ocr page 35-
FREULE VAN DOETH.
Tn 1795 was de Bataafsche Republiek geboren. Peter
en meter waren het Franselio leger, dat in den winter
over de bevroren rivieren was binuengegleden en de partij
der Patriotten , die de vrienden en broeders met open
armen hadden ontvangen. De oude Republiek — de Re-
publiek der Yereenigde Nederlanden — was bij den eer-
sten stoot, zonder tegenstand te bieden, ineengezakt. Zij
was als een oude bedaagde bes uitgegleden op den gladden
grond van vrijheid, gelijkheid en broederschap, die ook
zoovele jongeren dan zij uog ten val zou brengen.
Het Huis van Oranje was \'gevlucht van Scheveningen
naar Engeland, van waar het pas negentien jaar later zou
terugkeeren. Voor \'t oogenblik scheen de scheiding een
eeuwige te zullen zijn. Wat werd dien goedaardigen,
maar onbeduidenden Willem V al niet een kwaad aange-
wreven! Een tiran, een monster, een bederver en wat
niet al heette de arme man, indien men de publieke
schetteraars en pamflettisten geliefde te gelooven. Alsof
het niet misdaad genoeg ware., politieken invloed alleen
ten dienste van eigen autoriteit, en niet ten nutte der
volksbescliaving en ontwikkeling te bezigen!
De gulden eeuw van vrijheid brak thans aan. De Re-
-ocr page 36-
28                                       FREULE VAN DOlt\'l\'H.
v.olutie opende die reeks van jaren der bataafsche vrijheid,
die vergoeding zou schenken voor de verdrukking, waar-
onder het volk zoo lang gebogen was geweest.
Of zij die vergoeding werkelijk heeft aangebracht? Mis-
schien beantwoorden wij die vraag wel eens bij een andere
gelegenheid; het doel van dit opstel is een geheel ander.
Doch dit enkele, woord vinde hier een plaats. Al kost
het moeite, van die hooggeroemde omwenteling, om de
onwaardige wijze waarop zij tot stand kwam, zonder ironie
te gewagen — gij weet, ironie is een uitnemende veilig-
heidsklep voor verontwaardiging — wij erkennen daarom
ten volle de heilrijke vruchten, die zij heeft gedragen.
De volkseenheid is geen loon, dat de inspanning en het
plichtbesef van ons Nederlandsch ancien régime heeft ge-
kroond, maar een prijs, dien de natie met veel vernedering
en oneer heeft betaald.
Het doel van dit opstel intussehen is niet, dit in het
licht te stellen. Wij weuschen, naar aanleiding van een
onlangs verschenen geschrift, te wijzen op een zijde onzer
revolutiegeschiedenis, die nog geheel in het duister ver-
scholen ligt. : Wellicht leidt de aanwijzing dezen of geneu,
die er toe in staat is, ons wat meer licht te schenken.
Toen de Prins van Oranje in 1795 ons land verliet,
ging hij niet alleen. Een aantal zijner aanhangers volgde
hein. Gelijk in Frankrijk, was ook hier de val van het
oude bestuur de aanleiding voor velen , die door over-
tuiging of belang er aan verbonden waren, om het on-
dankbare vaderland te verlaten. Zij emigreerden naar het
buitenland, om daar, gelijk politiek geslagenen zich steeds
\' Mr. J. W. Stnuts Evers. De Geldenwbe Achterhoek in 179». Winters-
wijk, V:m TM\'elen 1879.
-ocr page 37-
FREULE VAN DOUTH.                                       29
inbeelden dat onvermijdelijk het geval zal zijn, den val
van de nieuwe staatsorde af te wachten. Dan zouden zij
wederkeeren, om als meesters te heersenen en de schuldigen
te straffen. Zoo was het, mutatis mutandis, in 1787 ge-
gaan :
de Prins had Holland verlaten en was door de
wapenen van Pruisen teruggevoerd. Zwaar had de straf-
fende hand van den overwinnaar op de overwonnenen ge-
drukt; de duizenden patriotten, die in België en in Frank-
rijk een toevluchtsoord hadden gezocht en gevonden, waren
er de levende bewijzen van. Zoo zou het ook thans gaan.
Het revolutionaire Frankrijk had liet wettig bestuur al-
hier verdreven: welnu , de verbonden vorsten zouden Frank-
rijk onderwerpen, Lodewijk XVI wreken en Willem V
terugvoeren.
Van die illusiën is, zooals wij weten, geen enkele ver-
vuld. Medclijdenswaard zouden daarom die mannen zijn >
die in dit zoet vertrouwen hun vaderland ontweken, om
in den vreemde de vervulling hunner droomen af te wachten,
indien het verlaten van den post, waarop men in \'t leger
geplaatst is, ooit recht op medelijden gaf. In een eerlijken
strijd van een beginsel te vallen geeft aanspraak op aelttiug,
ook van den tegenstander; maar welke aanspraak kunnen
zij doen gelden, die in 1795 hun volk outrouw werden,
om in het buitenland zich te wapenen en met buitenland-
sche hulp de natie, waartoe zij behoorden, te onder-
drukken? Het lijden, dat in den vreemde hun deel was,
hebben zij verdiend.
Iedere politieke emigratie bestaat in den regel, wanneer
zij vrijwillig plaats heeft, vooral uit personen, die genoeg
gegoed zijn, om in den vreemde te leven. De arme leden
eener geslagen politieke partij blijven waar zij zijn en
worden juist door het vertrek van hun natuurlijke beseher-
-ocr page 38-
30                                      FREULE VAN DOUTH.
raers, de vermogende hoofden en leden hunner partij, tot
concessiën gedwongen, dip hun het zwaarst door de elders
in rust en veiligheid vertoevenden worden toegerekend.
Het is zoo gemakkelijk, wanneer men vreedzaam in Enge-
land of Duitsohland vertoeft, te schimpen op het verraad
van hen , die in het vaderland door zorgen voor het tijde-
lijk bestaan gedwongen worden, voor de overheerschende
partij het hoofd te buigen , ja, haar te dienen!
De aanhangers van het Oranjehuis, die na het vertrek van
Willem V en de komst der Franse hen, ons land verlieten,
hebben aan het revolutionair bestuur veel onrust verwekt.
De verzameling van de Orangistische uitgewekenen te
Osnabruck hield liet publiek in de jeugdige Bataafsohe
Republiek in groote spanning, nog langen tijd nadat de
mannen van het nieuw bestuur reeds de zekerheid bezaten,
dat deze emigranten op geen steun van Pruisen konden
rekenen. Toen de vrede van liazel een einde maakte aan
de meerdere of mindere deelneming van Pruisen aan den
eersten coalitiekrijg, had Frankrijk van Frcderik Willem II
de belofte verkregen, dat hij tegen de Nederlanden, door
de Fransehe troepen bezet, niets zou ondernemen.
Door de buitenlandsche mogendheden verlaten, bleef aan
de aanhangers van den verdreven Oranje vorst niets meer
over, dan zich zoo goed mogelijk in den nieuwen toestand
te schikken en betere dagen af te wachten. Zij mochten
hopen dat de Fransehe revolutie, die aan Europa, onder
de leus: «vrede aan de hutten, oorlog aan de paleizen",
den handschoen had toegeworpen, wel eindelijk het hoofd
voor de overmacht zou moeten bukken. De voortzetting
van den strijd, die niet uit kon blijven, zou wel eenmaal
tot een poging leiden, om deze landen aan de dienstbaar-
heid van Frankrijk te onttrekken.
-ocr page 39-
FREULE VAN DOKÏH.                                      31
Het duurde intusschen verscheiden jaren voordat zulk
een poging werd beproefd. Niet vóór 1799 betraden de
legers der verbonden mogendheden liet grondgebied der
Bataafsche Republiek. In Augustus 1799 landde een vloot,
een aanzienlijk leger van Kngelselien en Russen overvoerende,
op de Noordhollaiulselie kust.
De macht was groot genoeg, om, goed geleid, het
bestaan der Republiek in gevaar te brengen. De teleur-
stelling over de vruchten der revolutie, het schaamtegevoel
over de nationale vernedering, in de nationale afhankelijk-
heid van Frankrijk gelegen, waren bovendien bondgenooten,
die. de kracht des bestuurs verzwakten. Velen van hen,
die vóór vier jaren gejuicht hadden bij den val van het
Huis van Oranje, zouden bereid zijn het thans te steunen
indien het «enigen waarborg bood, dat het de vrijheid en
eer des lands zou weten te handhaven.
«Zij hebben niets vergeten, zij hebben niets geleerd,"
schreef Chateaubriand van de Bourbons, nadat zij in 1815
waren teruggekeerd. Datzelfde kon van de Oranjepartij
worden getuigd, toen zij in Augustus 1799 met hulp
van vreemde bajonetten de verloren heerschappij zocht te
herwinnen.
In de proclamatie, die de erfprins van Oranje uit Alk-
maar uitvaardigde, werd het karakter der restauratie, die
men beoogde, duidelijk uitgesproken. Men oordeele:
»Daar het noodig is, dat, tot voorkoming van alle
regeeringloosheid, terstond een Regeering worde daarge-
steld, zoo is \'t, dat wij bij dezen inroepen en uitnoodigen,
en daar, alwaar liet welzijn van den lande zulks vordert,
requireeren al degenen, welke vóór de Fransche invasie in
de zeven provinciën en het landschap Drenthe de collegiën
of coinmissiën van politie, tinautie en justitie hebben ge-
-ocr page 40-
32                                      ïltEULE VAN DOKÏH.
constateerd en uitgemaakt, zonder tijdverzuim de provisio-
neele administratie der politie, finantie en justitie op zich
te nemen, tottertijd toe, dat omtrent de finale regeering
van den lande nader zal zijn voorzien; en voorts te zorgen,
dat dadelijk ook de regeering in de steden en ten platten
lande, mede bij provisie, weder in activiteit worden ge-
bracht, met uitzondering uogtaus, zoo ten opzichte van de
voorgenoemde col/egiSn als van de regeeringen in de steden
en ten platten lande, van al de zoodanige//,, welke zich, gedu-
rende de revolutie, in eeuige betrekking hebben laten e/nploy-
eeren, of onder dezelve eenige verklaring hebben gedaan,
dienende tot bevestiging van de onwettige regeering of spre-
keude blijken van hunne aankleving van liet tegenwoordig
bestuur hebben gegeven."
Wie ontsnapte aan deze uitzondering? Niemand dan
de hardnekkige aanhangers van den staat van zaken voor
1795. Ambtenaar of niet, ieder, die maar een sprekend (!)
bewijs van aankleving aan het revolutionair bestuur had
gegeven, was bedreigd door de restauratie, die men be-
oogde. Geen enkele vrucht der revolutie werd gewaar-
borgd: integendeel, de terugkeer van alle gebreken ver-
zekerd. «De Staten-Generaal der Vereeuigde Nederlanden,"
het verroeste staatslichaam, dat al de gebreken der oude
staatsorde representeerde, zou uit den doode opstaan.
Was het wonder , dat ook de meest ontevreden en
teleurgestelde patriot nog het tegenwoordige zegende, in
vergelijking met dit vooruitzicht, dat de erfprins van
Oranje hem opende? Dit programma van uitsluiting kwam
het bataafsch bestuur uitnemend te hulp; het doofde alle
lusten naar verandering voor het oogenblik uit.
Al was de haat tegen de aanhangers van het vorig be-
wind uitgesleten en al was men niet ongeneigd hun een
-ocr page 41-
83
FREULE VAN\' DOBÏH.
plaats in de nieuwe staatsorde — 1802 zou liet bewijzen
—   af te staan, men was niet geneigd zich met handen
en voeten gebonden aan de wraaklievende tegenstanders
over te geven. Eu wat men van hen te verwachten had,
kon men niet alleen lezen in de proclamatie des Prinsen,
maar ook in de houding, die zij, overmoedig door de
stellige verwachting van hunne zegepraal, reeds nu wang-
den aan te nemen. "De huizen in de steden" — schrijft
een tijdgenoot — «welke, met de komst der Frauschen
in 1795, van derzelver bewoonereu waren verlaten — die
zich of buitenslands, of op hunne landgoederen ophielden
—   en sints ledig en onbewoond waren gebleven, werden
nu, op onderscheiden plaatsen wederom hersteld, geprovi-
andeerd en bewoonbaar gemaakt, om ieder oogenhlik hunne
oude bewoners, in vorige glans en heerlijkheid, te kunnen
ontvangen. De sociëteiten der contra-revolutionairen werden
meer dan gewoon en tot laat in den nacht bezocht, door
drukke eorrespondeutiën verlevendigd, — en terwijl de
triumfante toon der muitzwaugeren den halstarrigen patriot
wraakdreigend durfde bejegenen, beloofden zij hunne pro-
teetie denzulken, die reeds hij voorraad hunne maatregelen
niet zouden tegenwerken."
Het was inzonderheid in de oostelijke provinciën des
lands, dat de Orunjepartij de meeste zorg baarde. In Hol-
land werd de strijd tusschen de Republiek en de vijande-
lijke legers openlijk gestreden: daar wachtte zij blijkbaar
slechts op den gunstigen afloop, om op te treden. In de
oostelijke provinciën daarentegen, genoegzaam van krijgs-
macht ontbloot, had men voor een inval van de emigranten
uit het Munstersche te vreezen.
Allerlei geruchten liepen rond van het groot aantal, dat
gereed stond de grenzen te overschrijden, en van de aan-
JORlssfj\'. St«tliï>, IV                                                                          3
-ocr page 42-
84
FREULE VAN UUiU\'H.
zienlijke hulp, die hun door Pruisen zou gegeven worden.
Drie aanzienlijke leden der Oranjepartij worden genoemd
als meer bepaald met de organisatie van den opstand belast.
In liet graafschap Zutfen zou de baron van Heeckcren van
Suideras de contrarevolutie bewerken, terwijl J. C. E. van
Lijnden van Hoevelaken liet kwartier van de Veluwe en
baron Max. L. Yvoy de provincie Utrecht voor hunne
rekening hadden genomen. Van de twee laatste heeren is
niet veel gemerkt; ten minste hunne werkzaamheid is tot
dusver onbekend. De eerste alleen is als hoofd der contra-
revolutie in het Graafschap opgetreden en heeft een oogen-
blik den republikeinen vrees ingeboezend. Doch zijn rijk
heeft kort geduurd; slechts één dag, nog korter dan dat
van den Munsterschen profeet, zegt Mr. Staats Evers.
In den nacht van 2/3 September verschenen eenige emi-
granten te Dinxperloo, en hakten den vrijheidsbooin om.
Den volgenden morgen werd door een gewezen overste Van
Spengler met veertig als officier gekleede personen de pro-
elamatie, boven besproken, afgekondigd en de oranjevlag
uitgestoken. Hetzelfde heldenfeit had daarop plaats te
Westervoort. De troep emigranten, aangegroeid tot een
i il 30(1, scheen een aanslag op Arnhem in den zin te
hebben; zij namen de schipbrug weg en nestelden zich aan
de overzij van den IJsel. Arnhem was slecht bezet, zoodat
deze dreigende houding van den vijand, wiens aantal door
het gedienstig gerucht onmatig vergroot werd, grooten
schrik verwekte. Zeker zou het gevaar ernstig zijn ge-
worden , indien Arnhem in handen der emigranten was ge-
vallen. Doch de burgerwacht deed zijn plicht. De kolonel
Schooninan rukte met vijftig, zegge vijftig man, en een
stukje, geschut naar Westervoort, zijn kanon deed goede
diensten en de emigranten kozen het hazenpad.
-ocr page 43-
FKKIiT.K VAN DOBTH.                                       35
Voor de emigranten «as dit een ernstige nederlaag, die
vooral in de gevolgen gewichtig bleek te zijn. Op ver-
scliillende ])laatsen van het departement van den Rijn had
de Oranjepartij het hoofd opgestoken. In do Veluwe en in
het Zutfensche hadden allerlei ongeregeldheden plaats, die
op het oogenblik nog wel geen gevaarlijk karakter droegen,
maar toch bewezen, dat men slechts op behoorlijke leiding
wachtte, om openlijk den opstand aan te vangen. Naar het
aanvankelijk scheen, zou het. aan hoofden niet ontbreken. De
Grfprins, de graaf van Athlone en andere aanzienlijke man-
nen werden genoemd en gezegd nu hier dan elders te zijn.
Slechts een dezer hoofden heeft zich werkelijk vertoond:
Baron van Heeckeren van Snideras. Van de overigen is
niets te zien geweest. Zij hebben zich niet gewaagd op
het gevaarlijk terrein, maar van ondergeschikte personen
zich bediend om de menigte in beweging te brengen, en
toen de beweging door gebrek aan leiding en door de
maatregelen der regeering verliep, beide, de goê gemeente
en de personen, die zich in vertrouwen op de ontvangen
toezeggingen hadden gecompromitteerd, aan hun lot over-
gelaten. Het spelletje met de citroenen , die gebruikt
worden en daarna weggeworpen, is zoo aardig, dat de
leiders van volksbewegingen het steeds herhalen.
Baron van Heeckeren van Suideras is de eenige, die ten
minste acte de presentje heeft gegeven, al is zijn ver-
schijning noch langdurig noch schitterend geweest. Oen
-,cien September versoheen bij te Winterswijk, nadat hij
reeds vroeger aan den richter Pasohen aldaar de proclamatie
des Prinsen, met last van afkondiging, had toegezonden.
Ziehier het verhaal van de revolutie, die hij daar tot
stand bracht, zooals wij dat in de Geschiedenis eau den ge-
Kopenden inval der uitgeweeken Nederlanderen
(Arnhem 1801)
-ocr page 44-
86
HUKULK VAN UORTH.
vermeld vinden. Men heeft dan het model voor zich, dat
met meer of minder wijziging elders werd nagevolgd.
"Omstreeks negen uur kwam Suideras zelf te paard.
nevens eenige rijtuigen, mitsgaders voet- en paardevolk,
in de plaats. Voor het Uuis van den richter Paschen
komende, vraagde hij dezen, waarom hij den brief, dien
hij hem gezonden had, niet had willen ontvangen? waarop
hij het antwoord ontving, omdat het opschrift hield, aan
den zic/i qualifïceerende als officier des ambts Sredevoort:
dat hij. officier, zich zelven niet had opgeworpen, maar
door het volk was benoemd, en daarom zulk een brief
niet mocht aannemen. Hij vraagde verder, waarom aan
de requisitie niet was voldaan en de manifesten niet waren
afgelezen ? En wederom ten antwoord bekomende, dat
het publiceeren \'t werk van het Gemeentebestuur was,
wilde hij niettemin dat zulks door den richter zoude ge-
schieden : deze hem zeggende, dat de publicatie reeds door
het Gemeentebestuur gedaan was; dan dit voldeed hem
niet, en blijvende insteeren, dat de richter zelf het
manifest zoude aflezen, herhaalde deze, dat hij zulks nooit
zoude doen: dat bij, Suideras, als zelf officier van Borculoo
geweest zijnde, wel wist, dat een officier nooit gerequireerd
was, om zelf\' publicatiën af te lezen. Hij eischte hierop,
dat de richter met de ledeu van het Gemeentebestuur op
de markt zouden komen, zooals dan ook geschiedde, zijnde
aldaar mede geroepen de predikanten, met mantels en bel\',
op orde van Suideras, voorzien — alsook de Roonische
pastoor. Een kring geformeerd zijnde door zijn gewapend
gevolg, eischte Suideras andermaal van den burger Willink,
lid van het gemeentebestuur, dat hij aldaar liet manifest
zoude aflezen, en hoezeer deze verzekerde, dat zulks bereids
voor een uur gedaan was, bleef deze tegenstand vruchteloos.
-ocr page 45-
.\'57
PUKUT.K VAX DORTH.
«Na het lezen der proclamatie hief Suideras een driewerf
koezee aan, waarin hij door zijn gevolg gevolgd werd.
Hij sprak voorts lang met den predikant Ketjen , en
maakte een vleiend compliment aan den predikant Van
der Linden; zeide ook aan den Roomschen pastoor, dat,
schoon de Gereformeerde godsdienst de praedominante moest
zijn, echter niemand in de uitoefening van een anderen
mocht gestoord worden. Dat ook niemand om zijn bij-
zondere gevoelens vervolgd of mishandeld zoude worden.
Voorts vorderde hij van den richter en het lid des ge-
ineentebestuurs, dat zij zouden beloven, de tegenwoordige
regeering te zullen gehoorzamen, hetwelk zij deden. Hij
vervoegde zich hierop met een aantal oflicieren aau het
huis van den richter, gaf last om een oranjevlag uit te
steken, de klokken te\' luiden en den vrij heidsboom om
te hakken......"
[ntusschen waren door \'t gevolg van Suideras een aantal
karren, wagens en paarden gerequireerd, waarmede hij om
half twaalf uren vertrok.
Kr zijn vele wegen, die naar Rome voeren; er zijn vele
wijzen van revolutiemaken. Maar welke vrucht kon men
zich van deze voorstellen P Wat baatte het, of men hier
en ginds vrijheidsboonien omhakte, oranjevlaggen uitstak,
gemeentebesturen afzette en aanstelde, kortom, overal de
gemoederen aan \'t gisten en de aanhangers een oogenblik
in het bestuur bracht, wanneer men die aanhangers niet
tot een macht vereenigde, die iets tot stand kon brengen?
Hoe dit zij — Heeckeren van Suideras ging van Winters-
wijk naar Bredevoort, van daar naar Aalten, en van daar
"naar zijn voonnaligen schuilhoek op het Munstersche
grondgebied." De ongelukkige alloop van de beweging
tegen Arnhem en de krachtige houding, die het departe-
-ocr page 46-
38
FllKULE VAN DORTH.
mentaal bestuur aannam, deed de geheele beweging te uiet
gaan nog voordat de slag bij Bergen (19 Sept.) de hoop
op ondersteuning van de zijde der gelande Eugelschen en
Russen in rook deed verdwijnen. Uit Grove was een
detachement ïransche infanteristen het Bataafsoh bestuur
te hulp gekomen, en de generaal Girod werd door den
opperbevelhebber des Frausehen legers naar den achter-
hoek gezonden, om de ongelukkigen, die zich \'t zij door
anderer \'t zij door eigen verwachtingen hadden laten op-
winden en misleiden, te straffen. Onder dezen behoorde:
de aanzienlijke vrouw, wier naam boven deze regelen staat.
Freule van Dorth.
Johauna Magdalena Catharina Judith van Dorth tot
Holthuizen woonde op den huize Harrevelt onder Liehten-
voorde. Zij was een vrouw van 51 jaar, maar, blijkens
de feiten, die, hoe onbeduidend ook, tot grond van hare
veroordeeling hebben gestrekt, van een opgewonden en
heftig karakter. Voor eeuige jaren is omtrent haar een
getuigenis publiek gemaakt, hetwelk door de onbekend-
beid van den schrijver een groot deel van het gewicht
mist, dat het anders zou bezitten. Dat de schrijver een
Oranjegezinde was, en dus een politieke geestverwant van
freule van Dorth, kan zeker niet tot bezwaar strekken.
Men behoeft niet te vreezen, dat hij haar uit vaderlauds-
lievenden ijver zwart heeft gemaakt. Ziehier zijn schrijven:
«29 Novembre 1799. Cette freule de Dorth, qui a etc
fusillée, nous est tres connue. Quoique Ie malheur,
qui lui est arrivé, est bien propre ii inspirer de la com-
passion, il est certain néamnoins qu\'on doit reeonnaitre
dans sa lin une direction juste de la Providence, qui
a puni ses crimes, son père ótant un scélérat profond
-ocr page 47-
KIIKIH.K VAN DOKi\'H.                                      -\'59
et barbare, i[iii étoit soupeonné nvec beauconp de raisnn
d\'avoir tin\' sur des enfants de paysans de ses vassaux,
<mi approchaient de sou chatean. Sim lils et sa rille out
été les instruinents dnnt Dieu s\'est servi pour Ie pnnir,
pnisqu\'ils l\'imt souvent non seulemeut maltraité , mais
mêine été quelquef\'ois sur Ie poillt de Ie tuer. Après
qu\'ïl est mort de chagrin, ees deux enfants out véeu au
ehateau de Herrevelt \', tnntót en munitie ouverte, et
souvent sur Ie poillt de s\'entrcégorger, tantót au contraire
duns une intimité, qu\'ou disait outre-passer les bornes de
la pudeur. Mais tont cela ne peut pas entrer en ligne
de compte dans Ie proces extraordinaire (|u\'on lui a fait."
Dat de Nederlandsche Republiek het Eden van alle
geluk, wijsheid en vrijheid is geweest, weten wij. Wie
het ooit gewaagd heeft, er aan te twijfelen, hij heeft in
de volksverontwaanliging zijn verdiend loon gevonden.
Doch de zegeningen van ons ancien régime zijn nog niet
ten volle bekend; en inzonderheid over de oostelijke provin-
ciën valt nog bij uitstek veel te leeren. De aandacht is
gewoonlijk bij voorkeur op Holland gevestigd: maar het
leven in die declen der Geünieerde provinciën, die Gelder-
land, Overijsel en Groningen heetten, is ons genoegzaam
geheel vreemd. Daarom betreur ik bet zeer, dat de heer
Staats Evers, die den inhoud dezer brochure tot een lezing
heeft gebezigd, te Dinxperloo en Aalten gehouden, en
haar op verzoek van nchtcrhockcrs zelven te Winterswijk
uitgaf, verzuimde dezen brief over Freule van Dorth en
hare bloedverwanten in zijn geheel mede te deelen. Met
had kunnen leiden tot onderzoekingen, die zeker hare
vruchten zouden afgeworpen hebben. Tedere bijdrage, die
1 Hoirevelt was de vaderlqke havemthe der Durihs, gemeente Idchtenvoorde.
-ocr page 48-
40                                      KIU\'.LLK VAM DOltTH.
ons de heerschappij van den adel te platten lande beter
doet kennen, ware welkom geweest. Wij zijn niet ver-
wend aan onderzoekingen uit en over ons Oosten.
Doch keereu wij tot den brief terug.
Zijn de bijzonderheden, die hij bevat, waar? Xieinand
kan voor \'t oogeublik toestemmend of ontkennend ant-
woorden. Maar de toon van het geheele schrijven is van
dien aard, dat het vertrouwen inboezemt, en de détails,
die vertrouwelijk opgegeven werden, zijn niet zoodanig,
dat zij het eerst zich voordoen, als een lasteraar bekladden
wil. Ik geloof, dat, daargelaten de vraag naar de waar-
heid, de goede trouw van den briefschrijver niet te ont-
keunen is. Hij schreef wat hij meende waar te zijn.
Deze Freule van Dorth behoorde tut de Oranjcpartij en
werd op jammerlijke wijze betrokken in de aanslagen der
emigranten. Haar eigen broeder was indertijd uitgeweken,
maar schijnt in deze dagen bij haar op den huize Harre-
velt te zijn teruggekeerd. Toen van Heeekereu van Suideras
den ö\'1™ September te Winterswijk was gekomen en daar,
gelijk ook te Aalten, het bestuur afzette en eeu nieuw
aanstelde, kwam de Oranjepartij ook te Lichtenvoorde in
beweging. De ontvanger der verpondingen, Huiuink ge-
heeten, gaf het sein. Hij liet in den morgen van dien
dag (5 Sept.) verschillende ingezetenen tot zich roepen en
gelastte hun, hem te vergezellen naar Grol, om den Erf-
prins van Oranje, die daar passeeren zou, te begroeten.
Geen enkel woord was er van waar: de lOrfprins van
Oranje was in Noord-Holland. Dat personen, die hun
leven waagden door het sein tot den opstand te geven,
op eeu dergelijke wijze door de uitgewekenen werden inis-
leid, bewijst de lichtvaardigheid en gewetenloosheid, waar-
mede deze geheele aanslag werd behandeld.
-ocr page 49-
PttEIILE VA.V DÜKTH.                                      41
Ue ougelukkigen. die geloof sloegen aan de toegezonden
berichten werden er de slachtoffers van. Huiniuk zelf
twijfelde er blijkbaar niet aan. Door vele bedreigingen
wist hij van het gemeentebestuur van Bredevoort te ver-
krijgen, dat de proclamatie van den Erfprins werd gepubli-
ceerd en de oranjevlag van den toren uitgestoken. Na
deze schitterende resultaten verkregen te hebben, vertrok
hij met een gevolg van wagens en paarden, deels gerequi-
reerd, deels vrijwillig volgende, naar Grol.
Tot het welslagen van Huinink\'s pogingen heeft zeker
niet weinig medegewerkt het openlijk optreden van Freule
van Dorth. Reeds op den vroegen morgen van dezen dag
zag men van den toren op den huize llarrevelt een oranje-
vlag wapperen : een bemoediging voor geestverwanten. een
bedreiging voor de patriotten. De agitatie, hierdoor ge-
wekt, werd vermeerderd door haar openlijke deelneming
aan de beweging. Met haar geé\'migreerden broeder kwam
zij tegen 8 uur het dorp binnenrijden, terwijl beiden,
zoowel als het rijtuig. volop met oranje versierd waren.
Zij stapte bij lluiuink af, bij wien zij zich een tijdlang
ophield; zeker niet zonder deel te nemen aan de maatregelen,
die hij voor de contra-revolutie te Liehtenvoorde noodig
rekende. Haar optreden alhier, evenzeer als haar aan-
nrezigheid zelve, ondersteunde uit den aard der zaak zijne
pogingen. Ook haar vertrek droeg geen ander karakter.
Zij verliet Liehtenvoorde, om zich naar Wissink, een ge-
hucht in de buurtschap Zwolle, te begeven. Daar wachtte
zij de aanrukkende emigranten, en vertrok toen met hen
naar Groeulo of Grol, waarheen Huiniuk en zijne l,ichteu-
voorders hen volgden.
Wie iu dit eenzaam plaatsje, indertijd door de belegering
van Frederik Hendrik beroemd, zich op dezen vijfden Sep-
-ocr page 50-
12                                       1\'ltKliLE VAN DOHTH.
tember bevond, om den zegevierenden terugtocht v;ui den
Prins van Oranje in het vaderland te aanschouwen, zag
zich bitter teleurgesteld. Te Grol wist men niets van den
Prins, doch verwachtte men zijn plaatsvervanger , van
Heeckeren van Suideras. Deze zou, vergezeld van ge-
wapende manschap, dien middag binnen de stad komen.
Doch ook deze eer moest Grol missen. In zijn plaats
verschenen een drietal personen, gekleed als Hollandsche
officieren , met oranje-écharpen , voorzien van sabels en
pistolen , en vergezeld van een menigte inwoners van
Winterswijk en Lichtenvoorde, met vliegende vendels en
slaande trom. Vermoedelijk behoorde de troep van Iluinink
ook daartoe, zoodat, in de plaats van den Erfprins te zien,
de Iiichtenvoordcrs naar Grol waren medegesleept, om daar
zelven de contra-revolutie te maken, die zij weinige uren
te voren in hun eigen woonplaats hadden ondergaan. »Op
de markt een kring geformeerd hebbende!\'" — zoo luidt
het verhaal van de heldendaden dezer zonderlinge revolu-
tionairen , die voor een aanzienlijk deel zelven dupes
waren — "lieten zij den president van het gemeentebestuur
roepen, en gelastten hem onder vele bedreigingen de toe-
gezonden proclamatie af te kondigen. Na alle de leden
van \'t gemeentebestuur gelast te hebben binnen den kring
te komen, werd den stadsbode geordonneerd, dit! proclamatie
te lezen: dan, deze zulks niet naar genoegen uitvoerende,
werd hij door een der gemelde officieren in het gezicht
geslagen. De president werd met een pistool op de hand
gestooten en gekwetst, een burger, medelid van het ge-
ïnecntcbestuur, de hoed uit de hand gerukt en op den
grond gesmeten, waarna den bode door de drie officieren
werd gelast, de proclamatie aan het Stadhuis aan te
plakken en den leden van het gemeentebestuur bevolen
-ocr page 51-
48
FltKUI.r, VAN DOK\'l\'ll.
aanstonds oranje te dragen en ook de ingezetenen bij
publicatie daartoe te vermanen en om verder niets te doen
buiten voorkennis van een lid van liet voormalige bestuur,
die zich mede in den kring bevond en zich deze aanbe-
veling liet welgevallen en daarvan gebruik maakte. De
Vrijbeidsbooin werd voorts omgehakt en orde gegeven om
den hoop Winterswijksche en Lichtenvoordsche burgers,
die dezen dag de plechtigheid der contra-revolutie hadden
helpen volvoeren, te billetteereu."
Doch deze plechtigheid der contra-revolutie, hoe grootsch
ook, schijnt den van elders toegestroomden geen vergoeding
geweest te zijn voor de toegezegde, maar gemiste ver-
scbijning van den Krfprius. liet schijnt, dat integendeel
dit tooneel te Grol hun geestdrift een weinig heeft afge-
koeld. Zij bedankten voor de aangeboden gastvrijheid en
keerden naar hunne huizen, «minder vroolijk dan bij
hunne uittocht", terug.
Terwijl Grol alzoo voor den Prins van Oranje was her-
overd, had er te (jiehteuvoorde iets plaats gehad, dat voor
freule van Dorth bittere gevolgen had. Een ingezetene
dier plaats, Frederik Reesink, bekend als patriot, was
plotseling dood gebleven. Men zeide, dat hij in een
herberg met een aantal messteken was verwond. Terwijl
Lichtenvoorde nog onder den indruk van liet gebeurde
was, kwam freule van Dorth van Grol terug. Met zeer
vrouwelijke drift en hartstochtelijkheid gaf zij haar blijd-
schap er over te kennen: «Zoo moet het gaan! er moeten
er meer kapot, dat is nog maar één"; en voegde er in
éénen adem tegeu haar broeder bij: «broer Toon moet
direct naar Grol om 4 u 300 huzaren te halen, dan
moeten zij allen kapot." De oude dame schijnt verbazend
opgewonden te zijn geweest. Toen een der toeschouwers
-ocr page 52-
II.
t\'UKULK VAN DOltTH.
riep: Vivat de Republiek! beantwoordde zij dien ergerlijken
kreet niet bedreigingen: «Wacht, manneke, wij zullen je
wel krijgen . . . ."
Deze schreeuwende en tierende dame is geene vriende-
lijke verschijning. Wanneer wij, vier jaar nadat de oude
Republiek is gevallen, een vrouwelijk lid van den ouden
adel, die in de provinciën beeft geheerscht, op zulk een
wijze zien uitvaren, als zij hoopt of denkt dat de beminde
oude tijd zal wederkeeren, dan vragen wij ons ouwille-
keurig af: wat heeft die adel niet gedaan, toen hij de
macht in handen had?
Nu zijn het slechts Woorden en bedreigingen —• zouden
zij bet daarbij gelaten hebben, toen zij nog de macht in
handen hadden? De bedreigingen, in de proclamatie van
den Erfprius tegen allen, die den staat na 1795 haddeu
gediend, bewijzen welk een geest de gedreigde restauratie
bezielde. Deze freule van Dorth was één uit velen.
Voor \'toogenblik intusschen konden zij aan hunne fraaie
plannen geen gevolg geven. De geheele beweging in het
departement van den Rijn mislukte volkomen, en was
reeds geëindigd voordat de Engelschen en Russen tot in-
schepen werden gedwongen.
Uit de Brabantsohe vestingen kwamen eenige oompag-
nieëu Fransche soldaten het departementaal bestuur te hulp.
Op deiizelfden vijfden September, waarop de beweging te
Lichtenvoorde plaats had, rukten zij Arnhem binnen.
Eenige chigen later volgde de generaal Girod met elf
honderd man. Tegen die macht waren de emigranten en
hunne aanhangers niet bestand. Zij spatten uiteen. De
hoofden vloden over de grenzen : de arme misleiden
zochten een schuilplaats, waar zij konden. Den 15\'1"" Sep-
tember verscheen de Pransche generaal te. Aalten en ver-
-ocr page 53-
I.-»
FREULE VAN DORTH.
klaarde het ambt Bredevoort (IJredevoort , Diuxperloo,
Winterswijk, Aalten, Lichten voorde) in staat van beleg.
Een streng onderzoek op de verschillende plaatsen ving
aan, dat velen, die zich hadden laten ïneêslcepen, met
schrik en angst vervulde. Een publicatie der regeering
van 23 Augustus 1799 verklaarde voor oproerige daden al
de volgende: zich te verzetten tegen een geconstitueerde
macht gewapenderhand of op eenigerlei manier, het aan-
hefi\'en van oproerkreten , dragen of\' uitsteken van teekenen
of seiuen, kleppen van klokken, aansteken van vuren,
het houden van verboden samenrottingen, alle verboden
wapenen, het overloopen tot den vijand, het staan in
verstandhouding inet hem, het opvatten van wapenen tot
ondersteuning van denzelven enz. enz. Zoowel de lengte
der lijst als de rekbaarheid der uitdrukkingen — wat is
verstandhouding? — gaven de meest mogelijke speelruimte
aan hen, die er zich van wilden bedienen. Toen Girod te
liichteuvoorde kwam en onderzoek deed, kreeg hij bericht
van den moord, die den 5 September, naar men zeidc.
op den patriot Reesink was gepleegd. \' De moordenaar,
zoo deelde men hem mede, werd verborgen gehouden door
freule van Dorth op Harre velt; wie zich haar uitdruk-
kingen naar aanleiding van dien moord herinnerde, vond
dat zeer natuurlijk. De generaal zond eeuige militairen
naar Harrevelt, om den misdadiger te vatten, die even
natuurlijk niet te vinden was. Om nu niet met leege
handen terug te keeren, namen zij "de oproerstookster"\',
dat is de 52-jarige freule, mede. Girod vond dit opperbest
en zond haar naar Arnhem.
Het spreekt vanzelf, dat de tijdgenoot, die ons dezen
1 Zie de Aanteekemngeii achter in lift bock.
-ocr page 54-
46                                      FREULE VAX DÜRTH.
gang van zaken vertelt, door zijn ijver om den bedrijver
van een moord, die waarschijnlijk nooit bedreven is, te
vinden, is medegesleept. Freule van Dorth is niet maar
zoo i\'u passaat, doch wel degelijk als een der meest ge-
compromitteerden gevangen genomen. Waarom zij niet ge-
vlueht is, is onbegrijpelijk. Haar broer schijnt het hazen-
pad gekozen te hebben.
In plaatsen, die in staat vau beleg waren verklaard, was
de bestraffing der gepleegde misdaden aan een militaire
rechtbank opgedragen, die moest samengesteld zijn uit
Bataafsche officieren en onderofficieren van dat garnizoen.
Dank zij deze bepaling, zagen zicli tot leden der militaire
rechtbank in liet ambt van Bredevoort benoemd:
G. Schaai\'s, kapt. van de Utrechtsche nationale gardes,
te Winterswijk.
J. van Eeijsen, 1"\'" luit. bij dezelfde.
Van den Berg, serg.-majoor bij dezelfde.
P. H. Pijpers, 2\',e luit. van de Amsterdainsche garde
te Bredevoort, en
P. van Hergen, sergeant der gardes, te Aalten.
Men zal vragen, hoe komen deze Amsterdamsehe en
Utrechtsehe nationale gardes hier te Winterswijk en Aalten?
In den aanvang der emigrantenbeweging had liet departe-
mentaal bestuur ook naar Utrecht om hulp gezonden. De
nationale gardes, die onmiddellijk waren gezonden, lagen
thans in deze streken in garnizoen.
De militaire rechtbank, op deze wijze samengesteld,
muntte zeker niet door rechtskennis uit. Deze officieren
en onderofficieren van de gewapende burgermacht oefenden
burgerlijke bedrijven uit, die, ofschoon zeer respectabel,
weinig met rechtszaken te maken hebben. Schaafs was
koperslager; Van Reijsen leerlooier; Van den Berg, ook
-ocr page 55-
17
FREULE VAX DOKTH.
Verburg geschreven, baardscheerdersknecht ; Pijpers was lid
van een firma geweest, die in hoeden deed. Aan dit vijf-
tal werd dan de commissaris van het uitvoerend bewind
als commissaris der regeering toegevoegd, de richter
W. Pascheu, herbergier. Eindelijk: als fiscaal werd bij
deze rechtbank aangesteld de burger Hom, advocaat te
Liehtenvoorde.
Deze samenstelling der commissie heeft tot vele aanmer-
kingen aanleiding gegeven, en niemand zal de keus ge-
lukkig noemen. De wijze, waarop die heeren recht spraken,
heeft te recht ergernis gegeven. De vraag is intusschen,
of zij in vele gevallen wel anders konden handelen. Zoo-
dra de regeering tot vervolging had besloten, kon de
samenspanning tegen de gevestigde orde van zaken voor
de meesteu niet anders dan noodlottige gevolgen hebben.
Het was een groote misslag, dat de vervolging der mee-
gosleepten geschiedde: de hoofden waren over de grenzen
ontweken en buiten bereik. Men strafte thans ineerendeels
personen, wier schuld geheel onbeduidend was in ver-
gelijking van hetgeen door van Heeckeren en de zijnen
was bedreven. Eu wat werd er door gewonnen ? Het
gewone gevolg: publieke demoralisatie. Be verbittering
tegen het republikeinsch bewind schoot dieper wortels,
maar tevens de onwil om voortaan voor zijn overtuiging
iets te wagen. De rustige houding dezer streken in 1813
is in lijnrechten strijd met de opgewondenheid in 1799.
De bevolking had geleerd, hoe dwaas het is zich te laten
gebruiken door hoofden, die la part du lion van den buit
voor zich vragen, maar dat van het gevaar voor anderen
laten.
Slechts één persoon, door stand en positie meer tot de
leiders dan tot de volgelingen behoorende, werd bij deze
-ocr page 56-
48                                      h\'ltKULK VAX DOKTH.
/                vervolging getroft\'en. Het was freule van Dorth. Hoe zou
men haar, die zoo openlijk partij had getrokken, ongestraft
hebben kunnen laten gaan? Zoo zij vrij kwam, niemand
ware strafbaar geweest. De militaire rechtbank veroordeelde
haar ter dood. Het vonnis was volstrekt onverdedigbaar.
in zoover het steunde op de haar verweten uitdrukkingen,
die ik boven mededeelde. Maar wie zal ontkennen, dat
zij aan een oproerige beweging tegen bet bestaand bewind
had deelgenomen y Verbanning kon geen straf zijn voor
hen, die met de emigranten in politieke, gevoelens overeen-
stemden. Baar veroordeeliug was een voldoening van de.
publieke opinie, die er nooit vrede mede beeft, dat de
ongelukkige werktuigen worden getroffen en de misdadige
handen, die leiden, vrij komen.
Den il"™ Xovember 1799 werd het vonnis ten uitvoer
gelegd. Op een gewone boerenkat werd zij naar het lsraé\'-
lietische kerkhof gebracht, om gefusilleerd te worden. De
zes geweren, die op haar gericht waren, brandden los. Zij
viel neder en werd in de doodkist neergelegd; naar
\'t schijnt, leefde zij nog: de eene hand richtte zich op,
«even als\'\' — schrijft A7an der Aa — «beklaagde zij zich
bij de godheid over de mishandeling, haar aangedaan.\'\'
Een soldaat bracht haar daarop nog een schot toe, dat
doodolijk was en een einde aan haar strijd maakte. Deze
laatste bijzonderheid heeft later nog aanleiding gegeven tot
geschrijf, en Pasohen, den herbergier en richter, genoopt
een verdedigingsgeschrift in \'t licht te geven.
De vervolging der Oranjegeziuden in het departement
van den Rijn steekt ongunstig af bij de zachtmoedigheid,
welke in de provincie Holland tegenover hen, die gecom-
promitteerd waren door de landing der Engelschen en
Kussen, is in acht genomen. Heeft dan ook misschien de
-ocr page 57-
l!l
FKKULK VAN\' DOBTH.
wrok , de liaat over vroeger geleden verdrukkingen van de
zijde des adels. de vijandschap en de wraakoefening ver-
scherpt? Zoo het boekske. van den heer Staats Kvers er
toe leidt, ons meer licht over de vroegere toestanden in den
achterhoek te bezorgen, zal het een reden te meer zijn om
de uitgave van dat geschrift toe te juichen.
4
Jokissïn. Studie» IV
-ocr page 58-
-ocr page 59-
III
uit\' familiepapieren.
-ocr page 60-
-ocr page 61-
UIT FAMILIEPAPIEREN.
Uit de gedenkschriften vim een vouruaum Nederlnudsch beambte,
over de tweede helft der 18de en het begin der 19de eeuw, duur
mr. H. v. A.
Vau tijd tot tijd bevatteu de dagbladen berichten. dat
deze of gene belangrijke familiepapieren aan een openbaar
archief of openbare bibliotheek zijn geschonken. Er wordt
dan gewoonlijk tweeërlei bijgevoegd: dat zeker nog tal van
belangrijke papieren, voor onze geschiedenis van gewicht,
in het bezit vau particulieren zijn, eu: dat de overgave
van zulke stukkeu aan archieven of bibliotheken zeer te
weuschen is.
De dankbare lezer van couranten leest het en gaat
daarna belangstellend over tot de buitenlaudsche berichten
of tot het fondseulijstje. Eeu enkele knoopt het in zijn
oor, om er bij gelegenheid eeus naar te informeeren, maar
het meerendeel vergeet het even ras als het vernomen is.
Trouwens, het is een uitzondering, als het publiek van
deze belangrijke papieren iets meer hoort.
Aan iemand euvel duiden kan men dit inderdaad niet.
Het historisch leven vau ons volk is nul. lu de laatste
vijf-eu-twintig jaar is het historisch bewustzijn vau ons
volk door allerlei omstandigheden, niet het minst politieke,
-ocr page 62-
54
uit famii.lepapieh.kn.
zoo zeer ondermijnd, dat liet zicli al zeer weinig om zijn
verleden bekommert. De kloof, die er tusschen ons en
de vroegere geslachten bgstaat, schijnt oppervlakkig zoo
groot, dat de band, die ons aan de voorgeslachten bindt,
slechts door zeer weinigen gevoeld wordt. De Republiek
der Vereenigde Nederlanden was een oligarchische republiek,
een republiek, waarin een regentenaristocratie heerschte.
Welnu — de republiek is er niet meer: wij leveu onder
een monarchie.
De regentenoligarchie heeft opgehouden; het kiesrecht,
niet het privilege van enkele familiën, wijst de mannen
aan, die. op politiek gebied optreden en hunne denkbeelden
doen gelden — of ook niet doen gelden. Wat gaat ons
dan eigenlijk het leven en streven dier voorbijgegane ge-
slachten aan?
lu andere landen zorgt de regeering, door de uitgave
van belangrijke historische documenten, dat aan de weten-
schappelijke beoefening haar noodzakelijk voedsel niet wordt
onthouden , opdat een juister kennis van het verleden zijn
rechtmatigen invloed hebbe op de vorming der overtuigingen
van den dag. Hier te lande niet alzoo. üe volkshistorie
is de paria onder de wetenschappen. Niets, geen eukele
duizend gulden wordt door de regeering des lands voor de
geschiedenis der natie uitgegeven. Op het Nederlandse!!
Rijksarchief ligt een schat van documenten, die verdiende
het daglicht te aanschouwen. Alles wordt hier te lande
aan particuliere krachten overgelaten, riet gevolg is, dat
bijkans alles achterwege blijft. Onze genootschappen geven
veel uit: maar meerendeels provinciaal arbeidende, wordt
door hen veel tijd en veel geld gebruikt, die beide veel
rijker vruchten konden dragen. Indien de Groningsche,
Overijselsche, Geldersche, Utrechtsche, Zeeuwsche, Noord-
-ocr page 63-
UIT PAMIMBPAPIKBKN.                               55
Brabantsche, enz. genootschappen liun krachten vereeuig-
den. waren zij tot groote dingen in staat, terwijl zij thans
tot kleine nauwelijks vermogend zijn. üe uitgave van
Van der Spiegel\'s papieren door het Zeeuwsch genootschap
is een rara avis! Onder het voorwendsel van kunstbe-
vordering wordt in de laatste jaren van regeeringswege
veel voor de restauratie van oude kerkgebouwen gedaan.
Be vervallen monumenten worden in \'t leven behouden: of
met de oude vormen ook de oude geest mocht herleven!
Johan de Witt noch het Huis van Oranje-Nassau deelt in
die gunst der heersehende meeniug. De papieren des
eersten rusten op het Rijksarchief, wachtende t>p de hand,
die den tijd en het vermogen tot zijn beschikking heeft,
om de uitgave voor te bereiden en te bekostigen. En in
het Koninklijk Huis-archief ligt het vervolg van Groen\'s
Archioes gereed. Een zaak van nationale eer — zou
men in Duitschland en elders wanen — een der-
gelijk monument van nationale eer en wetenschap te
voltooien. Tal van posten bevat de begrooting. Voor
de volksbistorie niets; voor de Sint-Janskerk in Den Bosch
duizenden.
Wat de regeering nalaat, poogt van tijd tot tijd een
enkel persoon naar de mate zijner krachten, binnen be-
scheiden kring, te vergoeden. Uit hunne familiearchieven
deelen de bezitters, dikwijls met aanzienlijke opofferingen,
het een en ander mede. Is het wonder, dat de mede-
deeling wel eens teleurstelt? Waar het historische leven
zoo gering is, kan men van de historische kennis niet
veel vragen. Niet elke der vriendelijke handen, die uit
het stof hunner huisarchieven ons het een en ander toe-
Teiken, is bij machte na te gaan, welke waarde de be-
scheiden hebben, in wier bezit zij zich verheugen. Zij
-ocr page 64-
."><!                                      UIT PA.M1MEPAPIF.UEN.
liaildeu \'t wel eens mis, omdat zij niet precies op de hoogte
zijn van onze ware behoeften.
Privaatarchieven werden gewoonlijk — ten minste, zoo
behoort het — gevormd door bescheiden, die betrekking,
rechtstreeks betrekking hebben op de personen der familie.
Het is wel eens (!) gebeurd, dat belangrijke stantsstukken
in het bezit werden gevonden van de nakomelingen van
personen, die een grootere of kleinere rol hebben gespeeld :
zoo zijn b. v. oflicieele correspondentiën van ambassadeurs
en dergelijken wel eens aangetroffen onder de papieren
hunner nakomelingen. Bij den geest van orde en eerlijk-
heid, die ons geslacht kenmerkt, zal dit zeker nooit meer
gebeuren. Wat tot de volkshistorie behoort, er een deel
van uitmaakt, mag niet in \'t bezit zijn of blijven van hen,
die slechts als raderen in de staatsniachine tot het ver-
krijgen der uitkomst hebben bijgedragen.
Dit eigenaardig karakter van privaat-archieven ver-
meerdert de inoeielijkheid voor hen, die de heuschheid
hebben hun eigendom ten algeineenen nutte te willen aan-
wendeu. De persoonlijke herinneringen van vader of groot-
vader mogen uit den aard der zaak aan hunne kinderen
belangstelling inboezemen, voor het groote publiek zijn zij
niet alle van algemeene waarde. Dit vraagt inzonderheid
naar die souvenirs, die tot toelichting der volkshistorie
kunnen strekken. Het individueele leven is slechts een
deel van een grooter geheel. Het ontleent het algemeen
belang aan de meerdere of mindere beteekenis, die het
voor dat groot geheel heeft. De biographie van Napoleon
is niet bloot belangrijk voor hem, maar voor Jj\'rankrijks
en Europa\'s historie. De geschiedenis van Napoleou\'s
kamerdienaar, al brengt hij zijn heele leven ouder het
dak en in de onmiddellijke nabijheid zijns meesters door,
-ocr page 65-
57
lilT PA.MIMKFAPIKItKN.
interesseert een weinig minder. Het individueele ontleent
zijn waarde aan liet algemeene, dat het vertegenwoordigt
of waarmee het verbonden is.
Het is voor bloedverwanten — de liefde is altijd. ge-
lukkig, eenigszins partijdig — zeer moeilijk zich reken-
schap te geven van het meer of min algemeen belang, dat
souvenirs van personen hebben, aan wie zij gehecht zijn.
Wat ons interesseert om hunnentwil, schijnt ons dikwerf
belangrijk ook voor anderen toe. Niet altijd is dit in-
tusschen het geval. En wij bemerken tot onze bevreem-
ding, dat wij beter hadden gedaan, zulke zoogenaamd
interessante herinneringen achter te houden. De kritiek
van vreemdeu haalt er de schouders voor op: en \'t ergste
is, na de eerste ergernis moeten wij bekennen, dat zij
geen ongelijk heeft.
                                              \'
Wil men een voorbeeld P
Üe schrijver van het bovenvermelde werk bezocht met
zijn vader in 17(!<> Parijs; hij was er, volgens zijn ver-
zekering, tijdens de terechtstelling van lüillv Tolleudal,
wiens vonnis twaalf jaar later, door de krachtige hulp
van den stervenden Yoltaire, zou vernietigd worden.
Op de terugreis trof hem, of liever, zijn vader een on-
geluk. Laat ons zijn verhaal hooren. »De lompe eu
bouwvallige kast, die ous vervoerde, brak reeds op den
tweeden dag der reis, toen wij de poorten van Atrecht
binnenreden, eu wierp zijn geheele lading op den grond.
Ik kwam bij die gelegenheid met den schrik vrij, maar
mijn vader werd vrij ernstig aan het hoofd gewond, hij
verloor een oogenblik zijn bewustzijn en werd in een
nabijgelegeu woning gebracht. Het was in de rue de la
Comédie.
Wij werden door de bewoners met de meeste
welwillendheid ontvangen en aan mijn vader de eerste hulp
-ocr page 66-
58                                     UIT FAMILIKPAPIKREN.
verleend. Mij kwam dan ook spoedig weer tot zichzelven
eu kon zelfs te voet zieli met mij naar een niet ver ver-
wijderde herberg begeven. Ik weet niet, of wij toen ook
met den naam van liet huisgezin, dat ons opgenomen had,
bekend werden, ik herinner mij ten minste dien naam niet
meer.
Zooveel te beter echter staan mij de personen zelve
voor den geest, de vader en moeder, en vooral een aan-
vallig knaapje van omstreeks acht jaren, dat zich vol
levendigheid en met zooveel blijken van deelneming om
den stoel van den gewonde bewoog. In het vervolg van
tijd hebben verschillende omstandigheden mij het oermoeden,
ingeboezemd
— ik zou bijna zeggen de zekerheid gegeven,
dat wij ons toenmaals in liet huis der familie Robespierre
bevonden — zij woonde in de bovengenoemde straat — en
dat het aanminnig jongske niemand anders was dan de
later zoo berucht geworden Maximiliaan.
"Meermalen heb ik (later), toen mij het toeval meer-
malen naar Parijs bracht, mij door een klein oponthoud
willen overtuigen of mijn gissing gegrond was, want ik
zou liet huis zeer wel herkend hebben. Maar dit voor-
nemen is als zooveel andere steeds onuitgevoerd gebleven."
T)e schrijver meent in 1700 iu het ouderlijk huis van
Robespierre geweest te zijn, en hem, toen «een aanvallig
knaapje van omstreeks acht jaren", gezien te hebben.
Karakteristiek ven-haal, dat ons a propos van Robespierre
over den schrijver voorlicht. Waarop rust de gissing ?
Eenvoudig op geen ander feit, dan dat de familie llo-
bcspierre iu de rue de la Comédie woonde. In de oogen-
blikken van het verblijf zelve heeft de schrijver den naam
des gezins niet vernomen: later krijgt hij het vermoede/t,
dat in den volgenden regel reeds tot zekerheid stijgt, dat
het achtjarig jongske de latere Maximiliaan Robespierre is.
-ocr page 67-
DIT PAMtLIEPAPlBBEN.                               59
Geen enki\'1 bewijs wordt aangevoerd. Waarom kan het
niet een burgerjongen geweest zijn? De geheele bijzonder-
beid is bovendien zonder eeuige waarde: voor den schrijver
en voor ieder ander. Ken kind gezien te hebben, dat
later een beroemd of een berueht man is geworden, is
zeker niet opmerkelijk. Voor wien heeft dit eenige be-
teekenis ?
\'t Allerminst voor de historie. Waarom ons dit wordt
medegedeeld is niet duidelijk. De bedoeling was zeker
niet, ons met een sterk sprekend voorbeeld te leeren, hoe
weinig vertrouwbaar de verhalen des schrijvers zijn, hoe
snel hij in \'t aannemen, hoe weinig nauwkeurig in \'t onder-
zoeken hij is.
Toch is de indruk geen andere. En het is niet onze
schuld, zoo wij met wantrouwen een verhaal volgen, welks
auteur zoo arm aan kritiek toont te zijn. En nog minder
is het onze schuld, dat die ongunstige indruk bij nadere
beschouwing van dezen arbeid niet wordt weggenomen,
inaar nieuw voedsel ontvangt.
//Ik kan de plechtige verzekering geven — verklaart
mr. H. v. A. in de voorrede van dit werk — dat de
bouwstoffen tot dit werk ontleend zijn bijna alleen uit de
aanteekeningeu der personen, in de inleiding aangeduid.
Dat daarentegen schikking en inkleeding van mij zijn,
behoeft wel geen betoog."
Wij weten het nu: de vorm is van inr. II. van A., de
inhoud van de personen, in de inleiding aangewezen. Wie
zijn het?
Twee anonymi. De eerste; is geboren in 17-18, tijdens
het oproer tegen de pachters in Den Haag. De tweede
7 Maart 1791. X°. 1 en 2 staan tot elkander in betrek -
king, als vader en zoon. De vader, geboren 1718. liet
-ocr page 68-
BO
UIT K.VMH.IRPAinKltKN\'.
bij zijn dood een gedenkschrift na, bevattende "uitvoerige
aanteekeniugen van al hetgeen gedurende zijn leven tot
weinige jaren vóór zijn dood, zoowel in zijn eigen familie
als in het openbaar merkwaardigs voorgevallen of door hem
waargenomen was." De zoon, geboren 1791, vond dit
stuk en zette het voort, door \'/aanteekeniugen uit zijn
eigen omgeving" er bij te voegen.
Een derde persoon, mr. 11. v. A., wiens relatie tot deze
twee heeren niet wordt opgegeven, heeft uit deze aanteeke-
ningen dit boek in zijn taal en stijl samengesteld. Hoe
hij het deed, verhaalde hij ons zoo even : de vorm is van
hem, de inhoud bijna alleen uit de aanteekeniugen.
O]) dit alles heeft niemand liet recht aanmerking te
maken, zoo het doel van den arbeid overeenstemt met de
wijze der bewerking. Waar de schrijver zegt, dat het
\'•verschaffen van een onderhoudende lectuur een zijner be-
doelingen was," hebben wij vrede met den weg dien hij
bewandelt, zoo hij tot het doel leidt. Vindt de lezer dit
boek onderhoudend — tant mieux. Onze letterkunde
geeft geen overdaad van onderhoudende boeken over onze
geschiedenis.
Maar de zaak krijgt een geheel andere kleur, waar de
schrijver zich een hooger doel stelt: liet mor de vergetel-
lieid bewaren van min bekende bijzonderheden.
Dit doel is
alleen bereikbaar, als hij werkelijk historische bijzonder-
hedeu ons mededeelt, wier waarheid hij ons deugdelijk waar-
borgt. Maar welken waarborg verschaft ons deze schrijver?
Met de grootste zorgvuldigheid wordt alles verborgen en
verzwegen wat omtrent den persoon des schrijvers of der
schrijvers op het spoor kon brengen. Welke maatschappe-
lijke betrekking hij bekleed heeft, in welke stad hij ge-
wooud heeft, alles wat strekken kan om aangaande den
-ocr page 69-
Cl
UIT FAMILIKl\'Al\'IKIlEN\'.
schrijver der aanteekciiiiigen licht te verspreiden, is met de
grootste angstvalligheid achterwege gelaten. Mr. H. v. A.,
die het niet goedvond ons omtrent zijn eigen betrekking
tot de twee auteurs der aanteekeningen voor te lichten,
maar dien wij de vrijheid nemen voor een kleinzoon van
den eerste en een zoon van n". 2 aan te zien, heeft bij de
uitgave en bewerking van het geschrift zijns grootvaders,
doodeenvoudig het leven weggesneden. Dit boek vangt
aan in 1748 en eindigt in 1813. Het omvat dus meer
dan zestig jaren. Welnu — deze zestig jaren belmoren
tot de belangrijkste der laatste twee eeuwen. Over allerlei
personen en zaken wordt hier gehandeld, van allerlei
menschen worden bijzonderheden medegedeeld. Welken
waarborg hebben wij nu, dat zij waar zijn? Een onbekende
eu ongenoemde, geboren in 1748 en gestorven na 1818,
heeft aanteekeningen nagelaten, waarin die détails voor-
komen. Was die onbekende en ongenoemde in staat te
weten, wat hij vertelde? Was hij in een maatschappelijke
positie, waardoor hij de waarheid van de anecdoten, die
wij hier bewaard vinden, kon nagaan?
Mr. H. v. A. heeft de beantwoording dezer vragen een-
voudig onmogelijk gemaakt, want hij onthoudt ons alle
kennis van den schrijver. Wij weten niet, of die eerste
aanteekenaar meer bevoegd was om aan liet nageslacht
mededeelingen te doen, bijvoorbeeld over Brunswijk, Wil-
lem V, enz., dan gij en ik op dit oogenblik over koning
Willem lil en koningin Emma. Met andere woorden:
er is geen enkele grond om te meenen, dat wij hier met
iets anders dan met de gewone societeitspraatjes van den
dag te doen hebben. Mr. H. v. A. heeft zorgvuldig
gewaakt, dat de schrijver onbekend eu daardoor zijn ge-
loofwaardigheid onzeker zou zijn.
-ocr page 70-
(i:l
UIT PA.UILIKPAP1KKKN.
De indruk is uiet gunstig. Oude Hagenaars vinden in
dit boek al de cancans terug, die zij van hunne moeders
en grootmoeders, als herinneringen harer jeugd, hebben
gehoord. Erger nog is het, dat neveus deze cancans niet
wordt aangetroffen, wat bijzondere kennis, de vrucht van
een bijzonder gunstige positie in de maatschappij, verraadt.
Er worden een aantal verzekeringen in gedaan aangaande
zaken, waaromtrent de schrijver blijkbaar geen meerder
bevoegdheid heeft dan wij. Men zie, wat hij over Bruns-
wijk mededeelt en diens Euuuchenthuin. Nergens blijkt,
dat de schrijver iets anders is geweest dan een toeschouwer
van het politiek tooneel. Een aandeel, een werkzaam aan-
deel aan de politiek heeft hij niet genomen; \'t ware anders
onmogelijk geweest hier zoo weinig te geven. Naar ik
durf gissen, is hij, de eerste aanteekenaar, een rechterlijk
ambtenaar in Den Haag\'geweest, die veel aangezien heeft,
maar in weinig gemengd is geweest. Een braaf man waar-
schijnlijk, maar, ook als patriotsgezinde, partijdig en vrij
lichtgeloovig, en daardoor allerlei verhalen voor waarheid
aannemende en opteekenende, waarvoor geen andere autori-
teit dan die der club of sociëteit kan gelden. Een autori-
teit, thans, in den jare 1882, niet bijzonder sterk.
Doch dezen minder gunstigen indruk van zijn werk
heeft de oorspronkelijke schrijver voornamelijk aan den uit-
gever te wijten. De volkomen onhebbelijke wijze, waarop
de uitgave plaats had, moet een hoofddeel der schuld
dragen. Reeds de geheele verandering van den stijl is af
te keuren. Mr. II. v. A. had beter gedaan, het voorbeeld
van mr J. van Lemiep te volgen en een zelfstandig werk
te leveren. Grootvader werd dan niet aansprakelijk ge-
steld, voor wat zijn werk niet is. "De bouwstoffen tot
dit werk — schrijft mr. H. v. A.. — zijn bijna alleen, uit
-ocr page 71-
68
UIT KAMILIEPAÏIEREN.
de aanteekeningen ontleend." Bijna allmi, dus ook v:m
elders. En tocli ontbreekt overal de, aanwijzing van het
van elders ontleende, en toch wordt doorloopend de sohrijver
der eerste aanteekeningen in den eersten persoon als ver-
lialer voorgesteld, ook van hetgeen ïur. H. v. A. goedvond
van elders te ontleenen en hem in den mond te leggen.
Keu dergelijk systeem berooft dit boek van alle weten-
sehnppelijke waarde. Wij kennen den schrijver niet;
kennen, waar het zijn politieke beschouwingen geldt, zijn
bevoegdheid niet, om zijn oordeelvellingen ons als juist
voor te dragen, eu zien tevergeefs, waar het feiten geldt,
naar bewijzen uit, dat hij iets anders geeft dan societeits-
prantjes, voor wier waarheid niemand kan instaan. Eu
nog erger: wij weteu zelfs niet, wat de eerste aanteekeuaar
verhaalt en wat mr. II. v. A. van elders ontleend en hein
in den mond gelegd heeft.
Wij leggen zonder eenige verschooning de hand op deze
gebreken, omdat wij ze ernstig betreuren. Er ware waar-
schijnlijk met de. aanteekeningen van een tijdgenoot, die
veel heeft beleefd, ook zonder zelf een rol te spelen, een
belangrijk boek te geven geweest.
Doch alleen door juist het tegenovergestelde te doen van
wat hier is geschied. Persoonlijke herinneringen , tot ons
komende met den naam des schrijvers, zoodat wij in staat
zijn na te gaan de meerdere of mindere waarde, die er
aan te hechten is, zouden voor deze, als voor elke periode,
belangrijk kunnen zijn. Maar slechts ouder bepaalde voor-
waarden. De hand, die ze bewerkte, moet niet vreemd
zijn op \'t gebied der historie, want niet elke aanteekeuing
van tijdgenooten verdient aan het nageslacht medegedeeld
te worden. Kt is veel, dat bekend is. Wat hier over
Van Kinsbergen, over Onno Zwier van Haren voorkomt,
-ocr page 72-
lil
UIT KAMILIKI\'APIKUKN.
bevat, een paar kleinigheden uitgezonderd, niets, dat ou-
bekend is. Het maakt zelfs den indruk, samengesteld te
zijn niet bloot uit de aauteekeningen van den schrijver.
maai ook uit hetgeen mr. H. v. A. van elders ontleende.
Daarentegen laat zich het vermoeden niet onderdrukken
dat de aauteekeningen van den oorspronkelijke», schrijver
veel meer bouwstof bevatten dan hier is aangewend. Mr.
H. v. A. heeft bewerkt wat hij vond en het verwerkt tot
mémoires, die hij aan iemand, geboren in 1748, in den
mond legt. Maar door het wegsnijden van alles, wat het
persoonlijk leven betrof, heeft hij er juist het leven van
weggesneden. Ik gis zelfs, dat in de oorspronkelijke aan-
teekeningen, mededeelingen en verhalen voorkomen, die
meer kenmerkend voor dien tijd zijn, maar thans zijn
achterwege gelaten, omdat de persoon van den eersten
schrijver er wellicht kenbaar door wierd. Is deze gissing
onjuist en bevatten die eerste aauteekeningen niets belaug-
rijkers dan hier wordt medegedeeld, dan was een be-
werking, als in deze bladen wordt aangeboden, te minder
geoorloofd. Zij wekt dan het denkbeeld van een rijkdom,
die eenvoudig niet bestaat.
Bij het kortelijk doorloopen van het boek zal de juist-
heid mijner aanmerkingen blijken.
\'/Deze uitgave wekt het denkbeeld vau een rijkdom, die
niet bestaat."
De schrijver, of liever de grootvader, wiens aanteeke-
ningen tot stof voor dit boek hebben gediend, was elf
jaar oud, toen Den Haag met de ehjonique scaudaleuse van
Van Haren was vervuld. Onno Zwier, de vriend van
Willein IV, werd vau oneerbare woorden, zoo geen daden,
tegen zijn eigen dochter beschuldigd. Dat een jongen van
11 jaar, die den persoon in quaestie kende, zulk een
-ocr page 73-
UIT FA.Un.lKP.tl\'TKIlKS.                                     fi.\'l
catastrophe niet heeft vergeten, is natuurlijk, al is het
waarschijnlijk te achten, dat hij op dien jeugdigen leeftijd
wel niet het naadje van de kous zal vernomen hebben.
Met des te meer verwondering leest men hier een breed-
voerige beschouwing der zaak, een kritiek en karakteristiek
van personen, als zelden een elfjarige in staat is te geven.
Wanneer een historicus personen en feiten uit verleden
tijden schetst, dan weet men, dat hij de resultaten van
zijn onderzoekingen mededeelt. Maar hier is het een tijd-
genoot, wiens aanteekeningen ons als vertrouwbare bronnen
worden aangeboden. Kn dan verbazen wij ons over de
naïveteit, waarmede ons dit getuigenis van een elfjarige
als historisch getuigenis in de hand wordt gestopt. Wie
met de Van Hareu-literatuur niet onbekend is. had deze
bladzijden kunnen schrijven: doch hij zou de pretensie
niet hebben, een historische bron te openen.
Gelijk ten aanzien van Van Haren, is het ten aanzien
van anderen. De hertog liodewijk van Brunswijk is eunuch
geweest. Soit! Bilderdijk heeft het verteld en die wist
veel waarvoor de lombard geen geld geeft. Maar deze
"voorname Nederlandsche beambte" weet nog veel meer
dan Bilderdijk. Hij weet er alles van: hij weet precies,
hoe het zich heeft toegedragen. Men leze liet stichtelijk
verhaal blz. IS. Hij heeft het — uitdrukkelijk verzekert
hij het ons — «uit een goede bron ontleend." \'t Dient
ook wel, want dergelijke zaken weet niet iedereen. Hoe
jammer, dat de anonymus deze "goede bron" niet heeft
bekend gemaakt. Op de verzekering van een onbekende
neemt men toch maar niet alles aau.
Te minder, waar bijkans elke bladzijde bewijst, dat
de schrijver al heel weinig geheims geweten heeft. Oin-
trent een aantal zaken weten wij tegenwoordig veel
JOKISSF.N. Slmlien IV                                                                                             5
-ocr page 74-
f\'ii\'i                                            UIT l\'AMII.II\'.l\'AI\'Il\'.ISKN.
uieer tlan hij. Van politieke /aken hooren wij genoeg-
zaam niets.
De schrijver heeft een aantal personen gekend . ten
minste van uiterlijk en heeft omtrent hen een reeks bij—
zonderheden vernomen, die hij heelt opgeteckend. Onder
deze bijzonderheden komen er verschillende voor, die de
aandacht trekken. Niet bloot, omdat zij een periode en
een hof gelden, waaromtrent elke wezenlijk verironwbarf.
bijdrage een aanwinst mag heeten, maar ook en niet het
minst, omdat hier van sommige personen teekeuingen
voorkomen, die in strijd zijn met hetgeen velen tot dusver
aannamen.
Het is voornamelijk de teekening van liet stadhouder-
lijk hof en de personen, daar voorkomende, die ik met
deze woorden op \'t oog heb. Indien mijn gissing goed is,
en de opsteller der aanteekeningen een rechterlijk ambtenaar
in i)en Haag was, dan heeft zijn schets wezenlijke waarde.
omdat zij beter dan iets anders weergeeft de publieke
opinie, de publieke beschouwing van het stadhouderlijk
hof en daardoor een merkwaardige bijdrage levert voor de
irroote impopulariteit van Willem en Wilheluiina in latei-
jaren. .Juist omdat in andere opzichten mijn oordeel over
.leze uitgave niet gunstig kan zijn, wil ik mij het ge-
noegen niet ontzeggen, een paar gelukkige bladzijden, die
mijns inziens waarde hebben, hier mede te deelen.
Sprekende over het huwelijk van Willem V met \\Vil-
helmina van Pruisen, vervolgt de schrijver: "Alleen wil
ik hier opmerken, dat bij de intrede van het vorstelijk
paar, na. zijn terugkomst uit lierlijn, de Prinses, die,
ofschoon eenige maanden ouder dan haar geniaal, toch nog
zeer jong was, door haar imposant uiterlijk aller oogen
tot zich trok, oneindig meer dan de Prins met zijn schier
-ocr page 75-
m
UIT KAJULIKPAVIKKBN.
kinderlijk voorkom™, en dat toen reeds l>ij menigeen,
die de beide vorstelijke personen met eenige oplettendheid
gadesloeg, liet denkbeeld levendig werd, dut hier wel eens
een vrouwelijke stadhouder in wezenlijkheid iian liet hoofd
der regeering zou kunnen staan. Prins Willem toch.
ofschoon evenals de meeste leden van zijn geslacht, zieh
reeds in zijne kindsheid door een buitengewoon geheugen
onderscheidende, en geheel niet van wetenschappelijke
kennis ontbloot . had een weinig indrukwekkend en schier
burgerlijk uiterlijk, was soms verlegen met zijn houding,
en in dien tijd nog niet zeer gevat in het beantwoorden
van aanspraken of verzoeken op zijne audientiëii, en boe-
wel over het geheel goedig en zelfs wat traag en slaperig
van natuur, zoo kon hij toch plotselinge aanvallen van
oploopendheid hebben en zonder oorzaak tegen zijn vrienden
en omgeving op hevige en ongepaste wijze uitvaren. Zijn
opvoeding was door den hertog schandelijk verwaarloosd en
men mag veilig veronderstellen dat zulks niet zonder bij-
oogmerken geschied was, ten einde daardoor bij voortduring
een soort van suprematie over hem te kunnen uitoefenen.
Bovendien is het, doch eerst in later tijd, openbaar ge-
worden , dat de Prins door zijn voogd en diens hand-
langers, die, gelijk schier alle vorsten en aanzienlijken van
dien tijd in Duitsehland, groote drinkers waren, reeds
vroeg aan een onmatig gebruik van wijn gewend was.
Voor bet overige ontbrak liet hem niet aan minzaamheid
in den omgang, vooral met menschen uit den geringen
stand. Hij onthield gemakkelijk de uaineu van alle soort-
gelijke personen waarmee hij in aanraking kwam, maakte
zieh gaarne bekend met hun huiselijke en maatschappelijke
omstandigheden en vond er genoegen in daarop te zinspelen
of er met belangstelling onderzoek naar te doen. Het lot
-ocr page 76-
fiS                                    1M \'1\' PAMILIKI\'APIKIU\'.N.
luid liem, gelijk zoo velen onder zijns gelijken, in een
valsclie positie geplaatst: als hoofd van een burgerlijk ge-
zin zou hij waarschijnlijk den naam van een verstandig en
achtenswaardig huisvader verworven hebbeu; als de eerste
magistmatspersoon in een nog vrij machtigen staat kon hij
niet dan een onbeduidende en bij de onrust der tijden
voor hem zelve noodlottige rol spelen."
Deze bijzonderheden omtrent Willem V leest men met
belangstelling, al stelt men hier en ginds een vraagteeken,
en al wekt dat zonderling zelfbedrog van den patriots-
gezinde, die, door niets geleerd, de afgesleten Republiek
een //</// vrij machtigen staal noemt, een glimlach o]). lnteres-
santer is de teekening van prinses Wilhelmina:
"Hoewel geen volmaakte schoonheid, zoo had zij toch,
althans in haar jeugd, bij het majestueuse iets onbesehrijfe-
lijk bevalligs, en in al haar verrichtingen straalde eene
levendigheid door, die zeer afstak bij het meer indolente
van haar gemaal. De naam van haar oom, den grooten
K mierik —, gevoegd bij de voorkeur, die men hier te
lande altijd gegeven had aan een alliantie van het Oranje-
huis met een Duitsche boven een Engelsche vorstin, zal
er ook wel toe bijgedragen hebben, om de Pruisische
prinses met te meer welgevallen door de natie te doen
begroeten. Het liet zich dus aanzien, dat de gemalin van
den stadhouder iu het nog altijd rijke Holland een vader-
land vinden en een geluk genieten (!) zou, zooals de
stoutste verbeelding haar slechts had kunnen voorstellen. —
Men weet niet bepaald of het haar eigen begeerte, dan wel
de wil van den koning, haai oom, was, dat zij zich naar
Holland deed vergezellen door haar gewezen gouvernante,
de baronnesse von Danckehnann. Wel heeft er zelden een
wezen bestaan, voor wie het iutrigeeren eu kabaleeren zulk
-ocr page 77-
69
uit kam i r.i i: l"a!•] i: ni: s.
een levensbehoefte was nis voor deze vrouw. en zelden ook
heeft min oenig hof een kwade ton;; meer onrust en be-
wegiiig vers])reid dan de hare. Zij oefende grooten invloed
op de Prinses, die, zoo het schijnt, haar karakter nooit
grondig had leeren kennen, en nog altijd met een over-
blijfscl van onderdanige hoogachting vervuld bleef voor de
vrouw, onder wier leiding zij opgegroeid was. Terwijl zij
op den Prins nederzag niet een soort van minachting, die
onwillekeurig en van lie\'verlede ook wel niet zonder indruk
kon blijven op het gemoed van diens gemalin, was zij
gewoon de uitstekende hoedanigheden dezer laatste (ook in
hare tegenwoordigheid) hooglijk te roemen, niet zonder
overdrijving, en daardoor in het hart der jeugdige vorstin
de kiemen te ontwikkelen van eer- en heerschzueht, die
zich later slechts al te zeer openbaarden, en waarvan bet
gevolg was, dat haar gemaal meer en ineer in de schaduw
geplaatst werd. Inzonderheid door haar toedoen werden
door de Prinses Duitsche manieren aan het hof ingevoerd,
vele Duitschers naar Holland gelokt — reeds vroeger door
den hertog, tot groote ergernis der ingezetenen, genoeg met
die vreemde gelukzoekers overladen — en al wat Duitsch
was blijkbaar begunstigd. De hertog (van Brunswijk)
zelf, die meer invloed had op den Prins dan op zijn ge-
malin, en bij de laatste zelfs in een zekere minachting
stond — misschien het natuurlijk gevoel eener jonge vrouw-
voor een man van zijn stempel — begreep, dat hij de
veelvermogende barones wat naar de oogen moest zien en
zelfs de banden met haar ineenslaan, en daar deze dame
zag, dat de Prins zich nog voortdurend door zijn vroegeren
voogd liet leiden en de goede gezindheid van dezen haar
wel te pas kon komen, zoo wees zij het haar aangeboden
bondgenootschap niet van de hand. Het achtbare paar
-ocr page 78-
70                                            DIT KAILII.IKI\'AI\'IHRKV.
vormde dus een soort van tweemanschap, de een den Prins,
de andere de Prinses beheerschende, maar niettegenstaande
de uiterlijke goede verstandhouding elkander hatende en
tegen elkander intrignes smedende, aan de zijde der dames
dikwijls zoo fijn, dat zij met het weefsel eeuer spin mochten
vergeleken worden. Dit alles bracht binnen eenige jaren
eene merkbare verandering teweeg in de gezindheid der
natie jegens de Prinses, natuurlijk in de eerste plaats ook
bij die hovelingen, die zieli door de begunstiging der vele
vreemden teruggezet en beleedigd gevoelden."
De lijnen, hier gebezigd, zijn scherper en dieper, dau
waarmede anderen deze personen teekenen. Spreekt de
schrijver als ooggetuige? of herhaalt hij de praatjes van
teleurgestelde!!, van politieke tegenstanders of van club-
geuooten ?
Zulke vragen moeten beantwoord worden, voordat aan
de voorstelling, hoe pikant ook, geloof kan worden ge-
hecht. Te meer, waar het verhaal in lijnrechten strijd is
met wat tot dusver vele deskundigen aannamen. Prol\'.
Vreedo bijv. heeft ontkend, dat prinses Wilhelmina als
\'t ware een eigen partij, zelfs na. 1787, heeft geformeerd.
Deze schrijver daarentegen gaat nog veel verder; hij tee-
kent Wilhelmina reeds van 1775 af als opzettelijk ver-
deeldheid ondei\' de Oranjepartij stokende. //De Prinses,
om te tooneu aiida.e quid femina possit, had zich langzamer-
hand een invloed en een gezag aangematigd, waaronder
het prestige van haar gemaal lijden moest. De gehoor-
zaal der vorstin vulde zich meer en meer met liet uitge-
lezeu deel der hovelingen, met vleiers en sollicitanten
terwijl die van den Prins ledig bleef. Dat zulks dezen
laatste en zijn vertrouwdste vrienden zeer hinderen moest,
behoeft geen betoog," enz.
-ocr page 79-
71
HIT t\'Amii.ii:r.\\i>ii:kkn.
Het is niet genoeg, als men zulke afwijkende voor-
stellingen voor historische waarheid wil zien aangenomen,
eenvoudig te zeggen: "Iemand, in 174S geboren eu
langer levende dan 1818, heeft aauteekeningen nagelaten
van wat hij zag en hoorde. Daaraan is ontleend, wat ik
u hier geef." Heb de goedheid ons te bewijzen, dat de
persoon, die deze aauteekeningen maakte, door zijn positie
in staat was iets meer te leveren, dan ieder bewoner van
Den Haag thans, in 1882, vermag neer te schrijven over
het hof vau koning Willem 1.11. Wie, als de schrijver
dezer regelen, het er steeds voor gehouden heeft, dat
Prinses Wilhelmina meer nog door de zwakheid vau den
Prins dan aanvankelijk uit politieke berekening tot liet
spelen van een politieke rol is gebracht. weuseht, evenzeer
als zij, die het inzicht van den hoogleeraar Vreede deelen,
iets meer dan stellige verzekeringen zonder bewijs.
Er is in de oude fabelleer een verhaal van een onge-
lukkige, die gedoemd was tot eeuwigen dorst. Het water
kwam hem aan de lippen, maar telkenmale als bij den
inond opende en drinken wilde, week het terug.
Dit is eenigszius de positie van den lezer, die in dit
boek iets zoekt, wat hij met recht verwacht te vinden.
Veel, dat zonder waarde is of vau elders bekend, of blijk-
buar den schrijver slechts van hooren zeggen vertrouwd,
treffen wij hier aan. Maar er worden ook zaken en per-
sonen in besproken, waaromtrent wij gaarne veel zouden
vernemen; personen, die de schrijver gekend heeft; zaken,
met welke hij persoonlijk bekend is geweest. Hij weet,
naar den toon der vermelding te oordeelen, veel er van....
Wij doen den mond open: het water, dat onzen dorst
lesschen zal, wijkt terug.
"Ik was, ook door verwijderde familiebetrekking van
-ocr page 80-
72
UIT FAMILIEPAPlEltKN.
luibij bekend met den hoogleeraar Biirman, en zoo dik-
werf de afstand mij zulks vergunde, een welkome gast
aan zijn huis. Ook werd ik nu en dan genoodigd op
zijn buitenverblijf, liet welbekende Santhorst."
Onze belangstelling is opgewekt. Keu bloedverwant van
ISurmau; een die aan zijn huis verkeerde. Wat al praat-
jes hebben er over lïurman en zijn huiselijk leven geloopeu!
Wij strekken de hand naar de belangrijke mededeeliu-
gen uit.
Tevergeefs. Wij hooren niets, dan hetgeen wij weten:
hoe »die geleerde, door vrijhcidszucht bezield, ingenomen
was met elk, die aan overweldiging of tirannie weerstand
bood." Bevatten de aantcekcningen niets van belang over
een inau als liurman, die toch zeker wel eenigeu indruk
op een jougmensch zal gemaakt hebbeu? Uat Faoli bij
hem gedineerd heeft en zich »met loffelijke bescheidenheid"
gedroeg, is geen vergoeding voor wat wij missen. Verder
herinnering aan liurman\'s Brederode en andere algemeen
bekende zaken. maar niets «at niet uit bekeude bronnen
kan medegedeeld worden, ook door iemand die geen tijdge-
noot was.
Tijdens den Engelschen oorlog leerde schrijver den
bekenden kaper Paul Joues kennen. De gelegenheid
waarbij, wekt onze nieuwsgierigheid. «Het was te Am-
sterdam , dat ik hem ontmoette, deelnemende aan een
gastmaal, door eenige weinige kooplieden hem in den Doe-
len aangeboden." Uitnemend: de patriotten onthalen den
kaper. ïk meen de bijzonderheid ook elders gelezen te
hebbeu, maar dit doet er niet toe: deze disehgenoot zal er
ons wel meer van vertellen. Welke patriotten zaten er
aan dien politiek zoo opmerkelijken disehp Amsterdam-
sehe regenten ? Gij verwacht antwoord — tevergeefs
-ocr page 81-
7:5
UIT VAMIL1EPAIMKKKN.
l\'Vnige bijzonderheden over Paul Jones, maar geen enkele
inlichting omtrent hen, die dit politieke diner gaven.
Breedvoerig wordt over Van Kinsbergen gesproken. Men
zou zegge.n, dat de schrijver hein persoonlijk goed heeft
gekend. Toch is er grond tot twijfel; wat de schrijver
verhaalt, was te weten van tweeden of derden, veel zelfs
uit boekeu. En zoo werkelijk de patriotsche auteur meer
dan het groot publiek met hem bekend is, dan wekt het
rechtmatige verwondering\', hier met geen enkel woord iets
van de patriotsche beschuldiging te hooren, dat hij van
hun partij afvallig was geworden. Of is dit misschien de
grond van dit ongunstig oordeel P
De periode der patriotsche woelingen is zeker een der
minst bekende. Wie ons goede, vertrouwbare berichten
omtrent de personen, hun persoonlijk karakter enz. geeft,
bewijst een waren dienst. Allerlei mannen worden ge-
noeuid, Hoofd, Pieter Paulus enz., maar alleen voor
zoover zij zichtbaar zijn op het politiek tooneel. Wij ver-
nemen niets omtrent hen. De St.-Xicolaasavond, de aan-
slag van Mourand en dergelijke publieke feiten, waarom-
trent een reeks brochures en verhalen bestaan, worden
breedvoerig geteekend, maar van Geraerts en De Gijzelaar,
die ons vrij wat meer interesseeren dan de kapper Mourand,
hooren wij niets. De schrijver, die het voorval bij de
Stadhouderspoort als veel ernstiger voorstelt dan gewoonlijk
het geval is — was hij misschien als rechterlijk ambtenaar
van nabij met de instructie bekend? — heeft toch zeker
de hoofden der patriotten gekend. Waarom zwijgt hij over
hen? Zwegen de aanteekeningen, of werd het nog onge-
raden geacht, détails te vermelden? Waarom? Omdat
het patriotten waren?
Deze grond kou in elk geval niet gelden waar be-
-ocr page 82-
71
UIT l\'AMIUKl\'.VI\'IKHKV.
paalde priusgezi tulen worden besproken Hij liet verhaal
van het gebeurde te Goejauverwellonaluis werd de naam
van Stamford genoemd. De schrijver zegt: \'/Stamford was
een der achtenswaardigste en onafhankelijkste menschen.
die ik ooit gekend heb. Zeer ervaren in onderscheidene
vakken van wetenschap, vooral in de theorie der krijgs-
kunde, en bij den prins en de prinses beiden evenzeer
geacht, was hij door de ouders belast met de opleiding
der twee jonge prinsen, en hij kweet zich van deze taak
op uitnemende wijze en met het beste gevolg." Wie met
Stamford eenigszins bekend is, weet dat hij geen <mbe-
teekenend man aan "t hof is geweest. Waarom zwijgt de
schrijver dan verder over hein?
Dit herhaalde zwijgen over personen en zaken, waar-
mede de schrijver, blijkens zijn eigen verklaringen, zeer
goed bekend is geweest, maakt, tegenover de brcede relazen
van algemeen bekende zaken|, die hier met meer of\' minder
afwijking der gewone voorstellingen, worden medegedeeld,
een zonderlingen indruk, .luist daar, waar de schrijver in
staat scheen ons iets te leeren, de historie met werkelijk
min bekende bijzonderheden te verrijken, stelt hij ons te
leur. Eu wat geeft hij ons in de plaats?
Het zou mij gemakkelijk vallen, het geheele boek
op deze wijze te doorloopen en aan te wijzen hoe juist
het kenmerkende, dat aan het verhaal van een tijdgenoot
waarde geeft, hier al te veel wordt gemist of, zooals reeds
werd opgemerkt, door het ontbreken van den naam des
schrijvers, die als getuige optreedt, ongewaarborgd tot ons
komt. Laat ik van beide nog een enkele proef geven.
Ik begin met het laatste.
Ziehier de karakteristiek van den oudsten zoon van
Willem V, den erfprins van Oranje.
-ocr page 83-
UIT FAMILIEPAPIEREN.                                     I->
"De erfprins had een meer gesloten karakter dau zijn
broeder. Dikwijls in zichzelven gekeerd en minder toe-
gankelijk , wist hij , wanneer hij dit nuttig oordeelde ,
zijn gedachten ook voor zijne vertrouwdste vrienden te
verbergen, ja, zelfs volgeus de meening van sommigen,
zich in woorden en daden wel eens geheel anders voor te
doen dau hij inderdaad was. En dit vooral met betrek-
king tot de politieke vraagstukken van dien tijd. De
hevigste voorstanders van het Oranjehuis verweten hem
soms in het geheim, dat hij, natuurlijk niet zonder bij-
oogmerken , min ot\' meer met de patriotten heulde, en
haalden zelfs de onbeduidendste kleinigheden in het leven
van den prins of in zijn dagelijksehe verrichtingen ten be-
wijze aan. Zoo was het door die scherp toeziende beoor-
deelaars niet onopgemerkt gebleven, dat hij op zijn gewone
wandelingen altijd vergezeld was van een fraaien keeshond,
dien hij dikwijls in het publiek op een in het oog vallende
wijze liefkoosde. W"mineer aan het hof het gesprek viel
op de handelingen der uitgeweken patriotten in Frankrijk
of, op de nog altijd aanhoudende woelingen dier partij
binnenslands, dan nam de jonge prins zelden veel deel aan
het onderhoud en scheen zich zijn grooten voorvader den
Zwijger als een voorbeeld ter navolging gekozen te hebbeu.
Diezelfde bijnaam werd hem dan ook wel eens, maar juist
niet met de vriendschappelijkste bedoelingen, toegevoegd."
De karakteristiek is niet gunstig, maar dit is onver-
schillig. Zijn deze feiten waar? Ken volk mag na honderd
jaar wel de waarheid weten. Is dit de waarheid of zijn
het societeitspraatjesP Alleen de naam des schrijvers kan
aan deze \'voorstelling gezag geven. Maar die naam wordt
angstvallig verzwegen. Ongewaarborgd door het persoonlijk
getuigenis van eeu, die, blijkens zijn maatschappelijke
-ocr page 84-
76
UIT FAMIL1KFAWKHKN.
positie, in staat was het vernielde zeker te weten, komt
het nu tot ons. Welke waaide hebben dergelijke verhalen!"
Onze presumptie matr gunstig zijn; dit is onvoldoende om
ze te doen aannemen.
Naar aanleiding van het jaar 1798 en eeuige algemeen-
lieden over Sehimnielpeniiinok, geeft Mr. II. v. A.. deze noot:
»Tk heb het door den schrijver te dezer plaatse medege-
deelde, voor zoover het betrekking heeft op de hooge
staatsvergaderingcn en de inwendige aangelegenheden der
Bataafsene republiek gedurende dit tijdperk, aanmerkelijk
bekort: deels dewijl dit een en ander in de geschiedenis
van dien tijd vermeld wordt. deels ook omdat over personen
en zaken wel eens eat oordeel geveld wordt, dat mij niet
altijd geijroud voorkomt,
of althans niet geschikt om reeds
nu openbaar gemaakt te worden."
üe woorden spreken voor zich zelve: het kenmerkende,
dat aan het verhaal van een tijdgenoot waarde geeft .
wordt hier gemist. Dit verhaal, in den mond gelegd van
iemand, geboren in 1748, gestorven na 1813, is de
mee/iit/!/, de opvatting
van mr. II. v. A. Deze toch heeft
weggelaten, wat hein niet gegrond voorkwam.
In de voorrede van dit boek spreekt mr. 11. v. A. over
Fransehe mémoires en wel met minachting. "Er zijn er
vele, die te hooi en te gras, gelijk men het noemt, te
zameu gesteld, soms geen woord bevatten van hen van wie
ze gezegd worden afkomstig te zijn en wier naam op den
titel prijkt." Ik begrijp niet, hoe deze. woorden in de
voorrede zijn neergeschreven.
Wat toch heeft mr. II. V. A. gedaan ?
Hij heeft het werk van zijn grootvader ad usuin Delphiui
verknipt en versneden. Hij heeft er idlge.late.li, nu eens
opdat de familie-omstandigheden den naam niet aanwijzen
-ocr page 85-
UIT KA.MIUKPAPIKUF.N.                                     77
zouden, dan eens. omdat de oordeel veilingen liem onjuist
voorkwamen, enz. enz. Hij heeft er bijgevoegd uit andere
bronnen: weinig slechts, geeft liij te verstaan. Het zij
mij vergund hieromtrent op te merken. dat het begrip
van weinig zeer relatief is: het komt mij voor, dat al die
breede verhalen over den St. Nikolaasavond, de aanhouding
der Prinses, Van Haren euz. zeer degelijke aanvulling
hebben ondergaan. Doch ook al bedrieg ik mij in die
meening, dan nog staat het vast, dat wij hier niet vóór
ons hebben, zooals ons wordt aangeboden, mémoires ge-
sehreven door den tijdgenoot, maar een boek , gecompileerd
uit ongedrukte en gedrukte bescheiden; een boek, ge-
schreveu in 1880 en in den mond gelegd van iemand uit
de vorige eeuw. die weigeren zou het voor zijn werk te
erkennen , omdat "t zijn meening en oordeelvellingen on-
volledig mededeelt. Ik weet niet met welk recht mr. H.
v. A. de schouders ophaalt over de Frausclie compilatoren
van mémoires. want hij heeft feitelijk hetzelfde als zij
gedaan.
«Doch hun werk bevat soms geen woord van hen, van
wie zij gezegd worden afkomstig te zijn" — zal mr. H.
v. A. mij tegenwerpen — "en mijn werk, de uitlatingen
en de inlasschingen daargelaten, is een aaneenrijging, in
mijn stijl, van wat ik geschikt achtte om medegedeeld te
worden. Wat doet het er toe, dat ik hier en daar iets
heb toegevoegd uit andere bronnen?"
Deze methode was zeer onschuldig, indien mr. II. v. A.
dit boek als zijn werk had uitgegeven. Maar hij biedt
het ons aan als het getuigenis van een tijdgenoot. En
door deze uitlatingen en invoegingen mag het als zoodanig
niet worden aangenomen.
Deze zoogenaamde Gedenkschriften mogen meer histori-
-ocr page 86-
78
UIT FAM1L1EPAPIKUKN.
sclie kern liebbeu, wetenschappelijke waarde hebben zij al
eren weinig als tal der Fransche mémoires. De ongeluk-
kige kni]>- en raaaimachine van den uitgever heeft de stof
eenvoudig bedorven. Wat zou men wel zeggen, indien de
Groen\'s, de Gachard\'s of wie ook. brieven of mémoires
uitgevende, de naïveteit hadden te verklaren "Ik heb dit
of dat weggelaten, omdat het mij niet gegrond voorkomt."
Men zou zeggen, dat zij geen Groen\'s, geen Gachard\'s
waren en dat hun arbeid alle degelijke waarde miste.
Misschien onderhoudend als een romannetje, maar dan toeh
zeker vrij wat minder dan vele romans.
Het was mijn plan niet, zoo breedvoerig dit boek te
beschouwen, maar onwillekeurig hen ik voortgegaan. Ik
ineen, dat het gezegde volkomen voldoende is om, ou-
danks het lofgeschetter elders, mijn ongunstig oordeel te
staven. Maai ik wil hieraan iets toevoegen.
Kr zijn tal van f\'aniiliën. die in \'t bezit zijn van mé-
moires of l\'amilie-aautee.keningen, die van waarde kunnen
zijn voor de historie, liet is zeer te weiischen, dat zij
het licht zien. Maar óVnc voorwaarde bovendien: gij,
zonen en kleinzonen van de geslachten der Republiek.
schaamt u uwe vaderen niet. Durft voor den dag komen
met hun naam. Hebt den trots der 1\'mgeiseht aristocratie,
die lier genoeg is om zich niet te schamen. dat ook de
misslagen en dwalingen van haar vaderen tol de historie
des volks belmoren !
-ocr page 87-
!V
1)E CORRESPONDENTIE VAN KONING
LODEWIJK.
-ocr page 88-
-ocr page 89-
DE CORRESPONDENTIE VAN KONING
LODEWIJK.
Napoléon 1 et ie i\'oi Louis, d\'aprèfl les iloeuments conserve\'e
aux Arehives Niitionales, par Felix Roefjimin.
Toen ik in 18fiS zeven brieven van Tiodewijk Napoleon.
de eerste die bekend werden, uitgaf, vestigde ik de aan-
dacht on de stiefmoederlijke wijze, waarop de oommissie,
die de correspondentie van den eersten keizer bezorgde, de
brieven aan zijn broeder behandelde, /ij werden eenvoudig
weggelaten. Ik sprak de hoop uit, dat liet toenmalig
keizerlijk gouvernement maatregelen zou nemen, om de
geheele briefwisseling van Lodewijk Napoleon aan de ver-
schillende uitgaven, die reeds over de leden van dit ge-
slacht . onder bescherming of op last der regeering, waren
verschenen, toe te voegen.
Weinig kon ik, toen ik in Juni 18fi8 dien wenseh
uitsprak. vermoeden, hoe ongunstig de loop der gcbeurte-
nissen voor zijn verwezenlijking zou zijn. Het tweede
keizerrijk viel; het belang, dat de zoon kon hebben, om
de eer zijns vaders te handhaven, zou de Fransche regeering
tot deze uitgave niet aanzetten. Gelukkig heeft thans een
.lomssEN. Stitdiën IV                                                                          6
-ocr page 90-
S2           DE COltUESPONDKNTIE V.VN\' KOXING LODKWIJK.
particulier op zich genomen, wat Napoleon lil heeft
nagelaten.
De heer ï\'elix Rocquaiu , «arehiviste aux archives natio-
nales, redacteur du Journal des Savauts," gelijk hij zich
noemt, was uit den aard zijner betrekking beter dan
iemand in de gelegenheid, om in de leemten door de
Corretpondauce de Napoléon l overgelaten, te voorzien. In
de «Archives Xationales" toch berust de geheele corres-
pondentie van koning Ijodewijk, met uitzondering van de
zeven brieven, door mij uitgegeven. Na den lM."len Pebr.
ISIS werden zij daarheen overgebracht. Zij maakt een
deel uit van de papieren, afkomstig uit het kabinet van
Napoleon 1, waartoe ook de minuten behoorden, die voor
de uitgave van diens brieven dienst deden. De brieven
van koning Lodewijk zijn autographen. De gebrekkige
hand des schrijvers maakt zijn schrift moeilijk leesbaar;
Rocquaiu klaagt er zeer te recht over.
Felix Rocquaiu bespreekt in de Pré/ace de reeds in
1S0S door mij aangewezen verzuimen van de commissie,
die de brieven van Napoleon uitgaf, om dientengevolge
zijn arbeid te karakteriseeren: «notie intentiou a étó de
combler une lacune historique." En hierin is hij uitne-
mend geslaagd: deze uitgave vult werkelijk een bestaande
leemte aan. Voor de volledigheid heeft hij dan ook dood-
bedaard uit Napoléon 1 et Ie roi de lloUaiide de zeven
brieven, die te Parijs ontbraken, overgenomen. Zijn
arbeid heeft er door gewonnen.
In een uitgebreide studie, die hij aan de uitgave van
den tekst doet voorafgaan, bespreekt hij breedvoerig eenige
hoofdpunten. «Bijna uitsluitend heb ik mij bepaald tot
het onderzoek naar de verhouding van Ijodewijk tot den
keizer, liet was mij minder te doen om den koning, dan
-ocr page 91-
DS CORRESPONDENTIE VAX KONING LODF.WIJK             83
om den menscli te teekenen," zegt hij. Zoowel het eerste
als het laatste verdient goedkeuring; maar noch het eerste
noch liet laatste was juist gemakkelijk te noemen. Tc
minder voor een Franschinan, die geen enkel woord
llollandsch verstaat.
Iu het begin des vorigen jaars (1870) richtte de lieer
Roeqnain tot mij een schrijven, waarin hij mij eenige
inlichtingen verzocht. In mijn antwoord bood ik hem aan,
hem eenige Hollandsche bronnen, Röell, Krayenhoff enz.
toe te zenden. Hij heeft van dat aanbod geen gebruik
gemaakt. Onze moedertaal is hem vreemd, en vandaar
het verschijnsel, dat hij zich voor zijn teekening van
koning Lodewijk uitsluitend bedient van de Document.*
Jlirtoriqiies
van Lodewijk Napoleon zelveu: van de Corre*-
pondance de Napoléon I:
van de artikelen, door den heer
Rc\'ville over dit tijdvak in de Revue des Deux Monde»
geplaatst en van het bovengenoemde Fransche boekje,
waarin het eerst brieven van Ijodewijk zijn uitgegeven. \'
liet behoeft wel geen betoog, dat die inleidende studie
hier en daar wel wat aanvulling eu verbetering zou be-
hoeveu, zoo men er zich bij zou willen neerleggen.
Doch \'t zou kinderachtig zijn, den schrijver daarvan een
verwijt te maken. Integendeel verdient hij hulde voor de
handige en talentvolle wijze, waarop hij zich in zijn ou-
derwerp heeft ingewerkt en bovenal voor de kostelijke
uitgave der brieven zelve.
Intusschen — ééne klacht moet mij van \'t hart, die
minder als een verwijt tegen Roeqnain, dan in \'t alge-
meen tegen de Pransche schrijvers over dat tijdperk geldt.
Ik kan me niet begrijpen, dat geen hunner moeite heeft
1 Rocquain, p. VIII en XC1V.
-ocr page 92-
S-t           DK COKRE8JPOXDEXT1K VAN KONING LODEWJJK.
gedaan om inlichtingen van Franschen, tlie het hof van
koning l.odewijk hebben gekend, te bekomen. Laroche-
fouc.\'Hikl. die zoo hevig met hem gekibbeld heeft, aan
wien reeds in die dagen door zeer velen de voornaamste
schuld van het ongelukkig einde der monarchie werd
geweten, zal wel aanteekeningen hebben nagelaten: zulk een
rol in zulk een oogenblik speelt men niet, zonder iets op
te teekenen. Ik ook heb in den Ondergang van /irl ho-
-ninl;r!jk Holland
hein vrij hard gevallen. Van T\'elix
Rocquain had ik mij gevleid, iets meer omtrent hem te
vernemen, daar mij later stukken in handen zijn geko-
men, die mij zeer aan de juistheid, ten minste aan de
volledigheid der vroegere voorstelling doen twijfelen. Doch
de heer Roeijuain neemt eenvoudig de ongunstige teeke-
ning over. zonder blijkbaar een nader onderzoek te hebben
ingesteld.
Over \'t algemeen heeft Rocquain de voorstelling van
Lodewijk zelven overgenomen, wel niet in alle punten.
maar toch in de hoofdzaak.
In sommige opzichten verdient zijn zelfstandigheid
volkomen erkenning. BéVille had in de artikelen in de
Bevne, die voor een Frauschman zoo veel nieuws en inte-
ressants bevatten, als zijn meening doen doorschemeren,
dat het keizer Napoleon nooit ernst is geweest met het
koninkrijk Holland: dat hij bij de. oprichting reeds het
plan tot afbraak had. Zeer te recht verwerpt Felix
Rocquain deze meening, want zij wordt door niets be-
wezen en is in lijnrechten strijd met de houding, die wij
Napoleon jegens zijn broeder zien aannemen.
Laat ons elkander goed begrijpen. Napoleon had in
Juli 180f! volstrekt niet het plan, de monarchie, zijus
broeders na eenige jaren op te heffen; maar evenmin om
-ocr page 93-
DE CORRESPONDENTIE VAN KOMING LODEWIJK.           85
ze :\\ tort et a travers ia stand te houden, onverschillig
welke waarde zij voor hem en Frankrijk had; welke die
waarde moest zijn, kon ieder weten die het begeerde. De
instelling van het koningschap had alleen ten doel, de
krachten van de Nederlanden onbepaald ter beschikking
des keizers te stellen. De koning moest feitelijk niet anders
zijn dan de stadhouder, de plaatsbekleeder des keizers; om
de gehechtheid der Hollaudsche natie aan den schijn van
zelfstandigheid, werd hij met den hoogkliukenden naam
van "koning" uitgedost. Niemand kou er Napoleon later
een verwijt van maken, dat hij den koning van Holland
als zijn zetbaas, hoe plat de uitdrukking ook schijne, be-
haudelde. Louis wist, al verkoos hij later er zich over
te beklagen, dat onbepaalde volgzaamheid de levensvoor-
waarde van zijn rijk was. «J\'irai regner en Hollande,
puisque V. M. 1\'ordoune.\'" had hij zelf gezegd. En de
heeren, die in het Groot Besogne hun toestemming tot
de verandering gaven, wisten maar al te goed, dat Helmers
het bij \'t rechte eind had. toen hij de inlijving als \'t be-
gin der slavernij teekende:
Het vouuia ia geveld, ja Grieken, gij wurdt slaveu!
Leer nn getrouw in \'t juk naar \'e memdlings wenken draven.
Het is jammer, dat de heer Rocquain, indien hij er
ten minste toe in staat was, zijne mededeelingen uit de
correspondentie van Lodewijk niet wat vroeger heeft aan-
gevaugen. Men zou dan zien — ik ben er van over-
tuigd — dat de toon van Xapoleon\'s brieven aan zijn
broeder door de verheffing geen verandering heeft onder-
gaan. He keizer heeft dezen jongeren broeder altijd als
zijn af hankelijken, bijna schreef ik: minderjarigen zoon
beschouwd en behandeld; hij heeft zich tegenover hem,
-ocr page 94-
8(!            DE COBIlESPONDKN\'l\'lK VAN KONING LODEWIJK.
nog veel minder dan tegenover de andere broeders, dwang
aangedaan. Ware Napoleon I niet zulk een groot egoïst
geweest, zijn genegenheid zou andereu minder ongelukkig
hebben gemaakt. Hij zou Lodewijk niet een vrouw hebben
opgedrongen, die niet werd begeerd, en hem, toen hij nu
eenmaal den koninklijken titel droeg, niet behandeld als
een schooljongen.
Want niets anders beteekenen die heftige verwijten en
uitroepingen, die reeds dadelijk bij het begin vau het
koningschap in de brieven des keizers worden opgemerkt.
Zij bewijzen voor \'s keizers ware gezindheid niets.
Aan dergelijke heftige uitlatingen had hij behoefte, om
gezond te blijven, maar wie neemt ieder woord vau driftige
menschen voor goede munt op ? De briefwisseling, die
thans vóór ons ligt, bevestigt wat ik reeds in 1871, voor-
dat ik ze kende, heb aangewezen: niet vóór het najaar
van 1807 heeft werkelijk wrok en wrevel tegen zijn broeder
bij den keizer post gevat. \' Tot dat tijdstip domineert
werkelijk bij hem het broederlijk gevoel: hij knort en
bromt wel onophoudelijk en werpt Lodewijk allerlei dou-
ceurs toe; hij houdt hem wel een beetje voor den gek:
hij speelt met hem wel wat hardhandig — maar toch, er
is welwillendheid, er is genegenheid, die telkens boven-
drijft en iederon keer de overhand houdt. Niemand zal
beweren, dat verwijten, als: vous êtes animo par de troji
petites vues; vous agissez toujours saus avoir dêlibéré;
vous allez comme un ctourdi, saus envisager les conséquen-
ces des choses, enz. aangenaam zijn om te ontvangen.
Maar dat Napoleon ze uitsprak en, zonder zijne termen
op een goudschaaltje te wegen, zijn broeder als een kleinen
1 De Ondergang van het koninkrijk Holland, bludz. lfi.
-ocr page 95-
DK COHBESÏOSDKSÏIK VAN KONISH LODEWIJK.           S7
jongen, die den weg niet wist, bestrafte, wekt evenmin
verwondering.
Als wij deze »Correspondance" openslaan, vinden wij
den eersten brief gedataerd fi Juin ISO\'Hfe. Het is een
antwoord van Napoleon aan Louis: een enkel woord over
Tessel, en daarop dadelijk: «il y aura un couronnement;
il faut Ie remettre a un an." Men ziet, de eerste vraag
van Lodewijk heeft de kroning gegolden.
De tweede brief is van Lodewijk. Hij vraagt de orde
van het legioen van eer voor verdienstelijke Nederlanders.
Députation batave.
M. Ie viee-amiral Yer-Huell désire avoir Ie grand cordon
ou la plaque de la Légion d\'Hounour.
M. Gogel, ministre des nuances.....
M. van Styrum, députóa 1\'assembléea Lij.
H.H. P.P................
M. Seex (Six), conseiller dYtat......
Deze uitnemende vaderlanders met stilzwijgen en eer-
bied voorbijgaande, vestig ik de aandacht op den jongen
koning, die zich inet niets belangrijkers dan met kroning
en ridderorden heeft bezig te houden. Trouwens, kroning
en ridderorden zullen hem altijd bijzonder boeien en het
zal een zijner ernstigste grieven zijn en blijven, dat de
keizer de eerste wil verschuiven tot na den vrede en de
laatste onnoodig rekent. Lodewijk Napoleon heeft ze in
zijn «Mémoires" nog vermeld, als bewijzen, dat zijn broeder
het nooit ernstig met hem gemeend heeft. Maar het is
hem niet gelukt mm te toonen, dat Napoleon volkomen
ongelijk had. De koning mocht van zijn standpunt er op
wijzen, dat een kroningsplecbtigheid het provisoire karakter
aan de jonge, monarchie ontnam en dat ridderorden bij
uitstek geschikt zijn om de republikeinsche gezindheid in
-ocr page 96-
88           DE OOlUtKSL\'ONDKNTIE VAX KONING LODEWIJK.
eeue monarchale te veranderen en aanhangers te winnen
voor de regeering, die het onderscheidingsteeken heeft uit
te reiken, — de keizer had van zijn kant niet geheel
ongelijk, als hij de schouders optrok voor dergelijke poli-
tieke eonsideratiën. Met fierheid wees Napoleon op het
lange tijdsverloop, dat er tusschen zijn optreden en zijne
kroning was verstreken: een fierheid, die even weinig als
zijn keizersinantel een voegzaaru gewaad voor den zwakken
Lodewijk was. «Andere zaken zijn de hoofdzaak,1\' riep
hij zijn broeder toe, »u\\v rijk inoet mij krachtig steunen
en helpen. Als de vrede er is, als het trotsehe Albion de
wapenen heeft moeten neerleggen, dan komen al die zaken
in orde. Zorg uu maar voor uw leger, uw marine en uw
financiën.*\' En — wanneer wij nu eens een oogenblik
ouze. antipathie tegen den keizer wegdenken, kunnen wij
dan in ernst beweren, dat hij ongelijk en Lodewijk gelijk
had ? Wat was voor het land meer waard: kroningspleeh-
tigheden, ridderorden en dergelijke zaken, of een behoor-
lijke regeling der financiën en desnoods uitbreiding van
leger en marine?
De keizer behandelt Lodewijk als zijn ambtenaar. Geen
schijn van zelfstandigheid laat hij hem. Van \'t begin der
monarchie af beschikt hij over Holland als ware het reeds
ingelijfd. "Je dcsire réunir — schrijft hij, toen de mo-
narchie nog geen twee maanden oud was — a 1\'lessingue
une grande quantité de inunitions navales. Vous avez
plus de rnagasiiis et d\' arseuaux que vous n\'en pouvez
occnper, a Amsterdam, Rotterdam et Helvoetsluvs. Don-
nez ordre qu\'ou reinette u mes ageuts les magasius dont
ils auront besoiu, saus (sic!) porter préj udiee a la mariue
hollaudaise." Bekend zijn de klachten des kouings, dat
de keizer later de grenzen van zijn rijk niet eerbiedigde.
-ocr page 97-
DK OOHKESPONDENTIE VAX KONING LODEWIJK.           89
Wat moet men van die klachten zeggen, als men ziet
dat, van \'t eerste oogenblik af\' dat Lodewijk iu Holland
was, hetzelfde geschiedde? Den 21 A.ug. 180fi schrijft
Napoleon aan zijn broeder: «J\'ai chargé Ie général Drouas
d\'inspecter les places qui bordent ces frontières depuis
Niinègue jusqu\' a Berg-op-Zoom, de constater rarmcinent
de ces places et leur approvisionnement en poudre et
muuitions de guerre, et de les maintenir en état d\'être
promptetnent armées. j\'ai chargé également trois officiers
de génie de s\'occuper du ïnême objet, de bien étudier Ie
systèrae d\'inondation et la défense de vos places.1"
Natuurlijk verwacht ieder, die Lodewijk\'s verhalen kent,
zoo al niet een protest, dan toch een enkele uitdrukking,
waaruit onwil blijkt over een dergelijk beschikken over de
steden en magazijnen van zijn land. Men vergist zich.
Lodewijk is de zoete, onderworpen dienaar, die naar
termen zoekt om zijn blinde gehoorzaamheid uit te. druk-
ken. Hij is langdradig en vervelend in de verzekeringen
van zijn volgzaamheid. Een wonderlijk mengelmoes van
kruipende nederigheid en ijdele zelfgenoegzaamheid ver-
toonen verklaringen als deze: "Dans la position oü je
suis, sire, je n\'ambitionne rien, je n\'oserais ïucine plus
espérer de laisser une réputation saus tache, si je perdais
votre bicnveillanee et vos bontés (!). Taut que je serai
convaineu que je les mérite, je me ligurerai, que je .les
possède ou que je les aurai un jour; inais si cette der-
nière espérauce m\'était enlevée, sire, je ne serais plus bon
a rien et j\'aimerais mieux de me jeter dans la mcr que
de supporter un jour qui me deviendrait odieux. L\'on ne
me reprochera jamais saus injustice (!) d\'avoir ehangé de
sentiment en passant la f\'routière. Mes voeux secrets out
toujours étc les meines en tout temps et dans toutes les
-ocr page 98-
911           DK COKBESPONDEKTIE VAN KONING LODBWIJK.
circonstanees. Nul n\'a 1\'esprit plus modéré que moi: il
n\'y a jioiut de trt"me ou puissance de gloire, si j\'étais
capable d\'en acquérir, que je ne sacritiasse avec joie a la
vie simple et obscure d\'un de vos snjets. Si V. M. pour-
rait en douter, je la prierais de me inettre a Fépreuve.\'"
Met welk recht verwondert zich de man, die zoo kruipt
voor iemands voeten, als hij van tijd tot tijd een trap krijgt \'t
Napoleon geeft zich de moeite niet hem op dergelijke
praatjes te antwoorden. Hij moge er zich door gestreeld
gevoelen, — de dankbaarheid van den jongen broeder,
die alles, geluk en ongeluk, aan hem te danken heeft, is
te natuurlijk, dan dat zij hem veel interesseert. Hij wil
den stroom niet afbreken, vindt het wel aardig om hem
van tijd tot tijd eens te laten vloeien — maar zaken gaan
voor. Vermakelijk, schoon niet voor Lodewijk, is de
wijze, waarop hij hem een geheim eijferschrift belooft:
\'/comme il nous faut un chiffre, je charge Ie général
Clarke, secrétaire de mon cabinct, de vous en envoyer un:
mats ite cltijjrcz que cc qui est important."
Aan ernstige redenen van ontevredenheid ontbrak het
trouwens van den beginne af niet. liodewijk verklaarde
aan de eischen des keizers niet te kunnen voldoen, zoo
Frankrijk niet hielp. Al betaalde de keizer maar de oude
schuld van vier millioen gulden af, die bij een tractaat,
goedgekeurd door den eersten consul, door Frankrijk was
erkend. Herhaaldelijk schreef Lodewijk er over; maar de
keizer hield hem eenvoudig voor den gek en schreef hem
met een ernstig gezicht terug: "les prétentions que votre
ministre fait sur mon trésor sont surannées." Een schuld
verouderd in j80(i, die in 1800 was erkeud! Zoo ging
het met alles. De keizer kwam zijn broeder in niets te
gemoet, maar vermeerderde zijn eigen eischen. Ter\\vijl hij
-ocr page 99-
DE CORRESPONDENTIE VAN KOXINÜ LODEWIJK.           91
niets deed om Holland te verlichten, vorderde hij voor-
durend hulp van Holland. Lodewijk deed wat hij kon,
maar zag geen kans om anders dan van den dag op den
dag te leven. Er zou wel eeus rust en vrede komen.
Met die hoop bemoedigde hij zichzelven en anderen. Maar
toch, dat goed vertrouwen hield hem niet lang staande.
Toen de oorlog met Pruisen was uitgebroken, voerde
hij een commandement, dat de bron werd van allerlei
onaangenaamheden en vernederingen. Een maarschalk van
Frankrijk scheen niet verplicht hein, den koning, als een
meerdere te eeren. Hij kwam in botsing met de keizer-
lijke bevelen, volbracht onaangename commissiën, zooals
te Oassel, waarvan later bleek, dat ze hem niet waren
opgedragen, en veroorloofde zich allerlei zaken, die Xapo-
leon recht gaven tot klagen.
Lodewijk kreeg zeer ontrustende berichten uit Holland
over een voorgenomen landing der Eugelscheu. Tn zijn
agitatie schreef hij brieven naar de ministers te Parijs,
wilde lichting van nationale garden en liet werven in de
Eransche departementen. De keizer werd ernstig boos over
dergelijke woeligheid en bestrafte zijn broeder over zijne
maatregelen. Zoo waren er ieder oogenblik moeielijkheden
van grooten en geringen aard. De arme Lodewijk kreeg
altijd vermaningen en bestraffingen: «Jusqu\' ici la Hollande
ne m\'a été d\'aueun seeours. Elle ne m\'a foumi que 100(t
chevaux et 5000 Hollandais, avec lfl pièees mal attelées;
en tout moins de 6000 hommes.....vous m\'êtes moins
utile que Ie grand-duc de Bade. Vous attachez trop de
prix a, la popularité en Hollande. Tl faut, avant d\'être
bon, être Ie mattre. Vous devriez me fournir autant de
troupes que Ie roi de Havière, qui a 30,000 hommes,
mais eela ne s\'atteiut pas avee des idees mesquines, des
-ocr page 100-
92           UK COIlltKSPOXDK.VrlK VAX KOXIXIi LODBWIJK.
sentiment* faibles et les petites ócouomies d\'un boatiqaier
d\'Amstcrdnm. Dans Ie traite géncral du partage des états
continentaux, je traiterai la Hollande coimue elle m\'aura
servi." Met dat al meende de keizer liet zoo erg niet,
maar van tijd tot tijd aehtte hij een dergelijke prikkeling
van de verlamde kracht zijns broeders uoodig. Nu en dan,
maar niet zoo regelmatig — zoetigheid bederft de maag —
komt er een goedkeurend, een aanmoedigend, een hoopvol
woord voor. Het is als \'t ware een zonnestraal, die de
regendroppels beschijnt: »Vous avez su bieu choisir votre
monde, la paix se traite iei; il est vrai que les uégoeia-
tions vont tres lentement; sovez persuadé que vos interets
ue seront [>as oubliés," enz. Hoe hard hij ook klaagt bij
liodewijk over Lodewijk, achter diens rug is er een goed-
moedigheid iu zijn toon, die bewijst, dat het zoo ernstig
niet gemeend is. Als Louis de dwaasheid heeft begaan,
op keizerlijk grondgebied te laten werven, krijgt hij een
ernstige vermaning, maar aan Champagny schrijft de keizer
doodkalm en gematigd: «J\'ai tómoigné au Hoi de Hol-
lande mou ïiiéeontenteinent de ce qu\'il douue des ordres en
Prauee. Jlais il parait quil ne connait pas encore bien la
scparatiou des pouvoirs. Il faut regarder comme non avenu
tout ce qui a été ordonné la dessus par 1\'autorité militaire.
Le Roi de Hollaude a aujourd\'hui assez de pays pour
pouvoir recruter sur la rive droite." üie uitbreiding van
grondgebied, waarvan hier sprake is, was Oostfriesland,
dat Napoleon aan \'t rijk zijns broeders toevoegde. Want
al kan noch wil hij diens wenschen en begeerten, die naar
Westphalen uitgaan, bevredigen, hij gunt hein wel een
genoegen.
Hoe weinig hij overigens met Lodewijk\'s zucht naar
vertooning ook op hebbe, uu mag hij zich een weinig te
-ocr page 101-
DK CORRKSVONDEXTIK VAX KONING LODEWIJK.           93
goed doen. Het is precies een ouder broeder, die zijn
jonger broertje permitteert om eens een klein beetje uit te
spatten, mits bet fatsoenlijk blijve, wanneer wij den keizer
op wezenlijk hartolijken toon aan Lodewijk, als bij Han-
nover bij zijn rijk beeft gekregen, zien schrijven: »Mon
intention est quen réunissant ee pays n votre rovaume,
Ie revenu fasse partie de votre liste civile. Vous n\'avez
pas surlisamment. Je pense que c\'est Ie moment d\'aller
<\\ Amsterdam, d\'y faire nne belle entree. Quant a votre
couronnement, attendez la paix générale."
Toen in November lS0(i Lodewijk Napoleon van het
leger terugkeerde, nam bij Dupont-Chaumout, Frankrijk*
minister bij bet vorige gouvernement, met. zich in bet
rijtuig. Hij had ruim de gelegenheid om te praten en
zijn reiscompagnon uit te hooien, zoo bij meende.. Dupont-
Chauniont praatte dan ook en liet zich, naar \'t scheen, in
vertrouwen het een en ander ontvallen, wat Lodewijk de
oogen deed opengaan. De monarchie in Holland was geen
besliste zaak; het was maar een voorloopigc schikking:
vandaar dat de keizer aan zijn broeder noch kroning.
noch ridderorden vergunde: vandaar de behandeling in het
leger, waarover Lodewijk klaagde: de koning van Holland
werd slechts als Fransch prins beschouwd, enz.
Het is opmerkelijk, dat wij dezen Dupout-Chaumont
telkenmale zien optreden, om de goede verstandhouding
tusschen de broeders te verstoren. Nu, in October 1806,
zaaide hij het zaad van wantrouwen in bet achterdochtige
gemoed van Lodewijk; later waren het zijne berichten over
Lodewijk, die keizer Napoleon .tot beslissende stappen
tegen Holland noopten. De rol van dien man is vreemd:
het is, alsof hij de booze demon is geweest, die de ver-
-ocr page 102-
94            DK COltHKSPOXDENTIE VAN\' KOMIN\'O LODEWIJK.
wijdering tusschen tle broeders stelselmatig heeft opgewekt
en bevorderd. .Tammer, dat Roequain slechts enkele zin-
sneden uit zijne depêches heeft medegedeeld. Het ware
der moeite waard geweest, ze geheel bij deze uitgave te
voegen. Zij zouden waarschijnlijk vrij wat licht verspreiden.
Dit intusscheu is boven allen twijfel verheven: zijne ver-
halen aan Ijüdewijk hebben diens gemoed met groot wan-
trouwen vervuld. «La vérité fut enfin dévoilée, — zegt
Lodewijk zelf, — mille réllexions, mille eircoustances ,
depuis sou avèneinent, revinrent dans sa méinoire eoulirmer
toutes ses eraintes, et il s\'étonna de n\'avoir pas deviné-
depuis longtemps ce qui ctait devenu incontestable. Il
apprit enfin qu\'il devait agir et se considérer uniquement
comme roi de Hollaude, et sou impatience fut extreme de
retourner il la Haye, de chauger de système et d\'empêoher
1\'effet de mille petitcs dispositions que jusque la il avait
prises, dans un esprit trop confiant. pour rapprocher les
deux pays, mais qui pouvaient, d\'après ce qu\'il veuait
d\'apprendre, devenir funestes a la Hollande et a lui-même."
Men ziet, Lodewijk, door Dupont-Chaumont van het
spel onderricht, dat men met hem speelt, zal zijn zelf-
standiglieid betoonen, door alleen op Hollands belangen te
letten. En wat zijn nu die maatregelen, die van zijn
zelfstandigheid, van zijn uitsluitende zorg voor zijn rijk
getuigenis zullen alleggen ?
Den 4ia™ December 180(1 bood hij aan het Wetgevend
/Lichaam een wet aan, waarbij eeu orde van de Unie en
een orde van Verdienste werd ingesteld, de laatste uit-
sluitend bestemd voor militaire verdienste. Den 7\'\'™ stelde
hij, in navolging van Frankrijk, grootoflicieren des Rijks,
maarschalken, kolonels, generaals enz. aan.
De keizer was over deze zonderlinge maatregelen boos
-ocr page 103-
DF. CORRESPOXDKXTIB VAN" KOXIN\'G LODEWUK.            95
en sprak zijtie afkeuring in duidelijke woordtin uit: "Je
pense que vous avez eu tort de créer des niarcehaux; cela
a 1\'inconvénient de dépenser beaucoup d\'argent et de donuer
bien des préteutiona a des hommes, qui out fait pen de
eliose. Croyez-voua qu\'un général de division francais vou-
drait être comiuandc par uu maréchal liollandais? Vous
songez l\'organisation de la Krance, lorsquo vous vous trou-
vez dans des circonstances très-différentes."
Dit schreef hij den 2\'1™ .Januari 1807, en vijf dagen
later: "Vous avez institué des mar&haux; si vous ne les
avez pas eneore nommés, n\'en nommez point: il n\'y a
personne en Hollande, qui soit eapahle de remplir un
poste si eminent..... Vous marehez trop légèroment et
trop vite. Vous eréez des ordres de ehevalerie, ce ([ui
est une chose ridicule. La Légion d\'honneur n\'a jamais été
considérée comme uu ordre de ehevalerie. Vous ne vous
eoutentez pas d\'en faire un, vous en faites deux. 11
fallait attendre loccasion de votre couronnement pour leur
douner une époque et une forme imposante. Si vous n\'y
avez pas noinmé, laissez dorinir cela. Je vous avais ecrit
de ue ])oint Ie faire; inais vous me consultez sans jamais
executer ee que je vous dis: cela vous exposé a faire des
ehoses ridieules."
Was de benaming te streng? Of was het niet ridicuul,
dat het kleiue Holland maarschalken aanstelde, terwijl
noch Italië\', noch Xapels, noch Zweden, noch Beieren
ze had?
Rocquaiu merkt ergens op, dat Napoleon, ondanks al
zijn scherpe woorden en barre brieven, dikwijls eindigt
met den zin van Lodewijk te doen. Hij dwong hein wel
om zijn twee ridderorden in één samen te smelten, maar
de nieuwbakken maarschalken bleven voorloopig gespaard.
-ocr page 104-
96           DE OOttliKSl\'ON\'DKS\'TIR VAN KOXIVG LODKWUK.
Nog in het begin van April 1807 verbood hij den koning,
om met zijn decoratie rond te loopen en ze iedereen aan
te bieden. »Mon mtention est que personne ne porte ces
décorations ehez moi, étant résolu de ne les pas portel\'
moi-même." En weinige maanden later ontving hij niet
alleen de Hollandsehe ridderorde voor «quelques uns de ses
meilleurs sujets," maar deelde ze ook zelf uit.
Van dergelijke toegeellijkheden kon echter uit den aard
der zaak alleen sprake zijn, waar het beuzelingen, quaes-
tiën van vertooning gold. Maar waar \'t het geheel politiek
stelsel, dat hij volgde, betrof, was de keizer , even natuur-
lijk, onverbiddelijk. Dupont-Chaumont schreef den 8,le"
Maart 1807 aan den Prausehen minister van buitenlandsche
zaken, dat koning Lodewijk een hoogst, gevaarlijk besluit
had genomen : »Je veux parier du rétabüssemeut de la
noblesse dans ses titres." Om de gevaarlijkheid goed te
doen uitkomen , had hij er bij gevoegd: "Ces privileges ,
sujet autrefois de tant de discordes, couverts par quinze
amices de róvolution, s\'ils n\'étaient ])as entièrement oubliés,
la privation en avait du moins grandement all\'aibli Ie
souvenir. Kctablis, ils vont demander oompte des persécu-
tions qu\'ils ont éprouvées et se faire justiee sur les fonc-
tiounaires et les distinctions nouvelles; et on ne próvoit
pas ce qui peut en résulter. Nécessairement, dès Ie premier
jour, la ligne de démnrcation se rétablit dans la sociétc;.
Des humiliations et Ie mépris, succédant a la persécution
qui ne peut plus exister, seront Ie partage nécessaire des
catholiques , du commeree, des geus éclairés, du parti
francais enfin dont Ie ministre de I\'ranee a été Ie proteeteur
et Ie chef depuis deux sièeles."
Ook al had deze hatelijke toelichting ontbroken, zou
liet bericht den keizer hebben doen opstuiven. Terwijl hij
-ocr page 105-
DK OOIUUISPOSM\'.NTU\'. VAN KON\'INH LODEWIJK.            97
liet ancien régime poogde te doen vergeten door de schittc-
ring van zijn rijk, zou een zijner broeders den ouden
adel weer in \'t leven roepen! Ongelooflijk, maar van den
andereu kant, op Lodewijk was niet te rekenen; hij deed
gewoonlijk liet tegendeel van wat liem werd aangeraden,
meende de keizer. Napoleon was buiten ziclizelven en
dieteerde een brief aan zijn broeder, die in heftigheid alle
vroegere en bijkans alle. latere overtrof. Ziehier de aanhef:
"Vous renoncez done au trnue de Pranee, ear uu parjure
(jui aurait dépouillc la nation de ee que quinze ans de
combats, de sueur et d\'elforls lui ont fait conquérir, serait
indigne de s\'y asseoir. J\'ai Ie droit de porter mes plaintes
partieulières: mais depuis longtemps vous faites tout a
rebours de mes conseils. Au reste, nion ambassadeur a
ordre de vous déclarer catégoriquement que, si vous ue
revenez pas de cette mesure, il a ordre de quitter la
Hollande, et je romps avec vous. Vous êtes un frère
ingrat, et les eonseillers qui vous subjuguent ainsi sont
bien oriminels ete." Doch deze brief werd niet verzonden;
in plaats daarvan een andere, zeer kort, in vergelijking
met dezen een ideaal van zachtheid. Napoleon vraagt
daarin inlichtingen, wat er van de zaak aan is; tot twee-
maal toe herhaalt hij: «je ine refuse d\'ajouter foi ii cette
nouvelle."
En wat was er nu van de zaak aan" Koning Lodewijk
had aan zijn kamerheer toegestaan, in zijn invitatien tot
de hofpartijen of audiëntiën de oude titels, die in het
dagelijkseh leven toch in de wandeling waren, te gebrui-
ken. Zeer duidelijk lichtte Lodewijk dien maatregel toe:
"11 u\'y a aueune chose priviligiée, mais il y a quelques
families que portent les titres de cointes et de barons, et
qui cependaut n\'ont ni comtés ni baronnies, et j\'ai cru
JORl-iSEN. Sttututl IV                                                                           7
-ocr page 106-
9S           DE CORltKSPONDKXTIE VAN KONING LODEWIJK.
ne devoir pas les einpêoher de preudre ces titres devant
moi, puisque., mêine dans Ie fort do la révolution et dans
tout Ie pnys, ils se les sont toujours donnés pal ccrit et
en parlant. (J\'est une eliose d\'ainour-propre, de gloriole,
i|ui attaché ces families a la monarohie."
De keizer had deze inlichtingen niet afgewacht, om zijn
booze l)ni luoht te geven. Al was de vorige heftige brief
niet verzonden en vervangen door een kort schrijven, hij
kon blijkbaar liet bericht niet verduwen. Nog voordat hij
kortelings antwoord had, schreef hij hem den \'li\'1™ April
een langen epistel, waarin de adelsquaestie slechts de
inleiding was tot breedvoerige en heftige klachten over
allerlei grieven: de gebrekkige uitrusting ter zee, den
jammerlijken toestand van het leger, de aanstelling van
maarschalken, de behandeling van Hortense, enz. Toen
bij Ixxlewijk\'s inlichtingen had ontvangen, verbood hij
hem nadrukkelijk de oude titels te erkennen.
Het is intussehen zeer de vraag, of al deze quaesties,
hoe boos de keizer ook ware, zulk een heftigen toon
zouden hebben uitgelokt, indien Lodewijk niet in een veel
belangrijker vraagstuk van \'s keizers politiek ware afgeweken.
Den 21,t,n Nov. ISOfl had Napoleon het decreet van
lierlijn uitgevaardigd en daarmede de reeks van maatrege-
len geopend, die onder den uaara van het Continentaal-
stelsel bekend zijn. Alle handel en correspondentie naar
de Britsche eilanden, die in staat van blokkade verklaard
werden, werd verboden. Alle Engelsche waren, magazij-
nen, eigendommen werden voor goede prijs verklaard.
Gelijk Engeland de zee sloot voor "Frankrijk en zijn af-
hangelingen, sloot Frankrijk het vasteland voor Engeland.
De reusachtige worsteling, die het keizerrijk ten val zou
brengen, ving aan.
-ocr page 107-
DE 001lltHSl\'OVDK.N"L\'IK VAN\' KOXINO LODEWIJK.           99
A.ls men de Document* Hiatoriques van den koning van
Holland leest, vindt men van het begin tot liet einde de
voorstelling, dat Lodewijk dadelijk en steeds de noodlot-
tiglieid van het systeem heeft ingezien; en dat hij steeds
een voorstander van liet beginsel van vrijen handel is ge-
weest, hetwelk Sehimmelpenninck indertijd aan Napoleon
had aangeraden. De latere raadpensionaris, toen ambassa-
deur te Parijs, zou den keizer hebben voorspeld, dat dan
de handel van de geheele wereld zieh tegen Engeland en
voor Frankrijk zou verklaren. //Non, mon cher," — zou
Napoleon geantwoord hebben — //vous croyez a des ehimè-
res: il u\'y a, pour faire la guerre , que les flottes et les
armées."
De uitgave van Lodewijk\'s brieven doet ernstigen twijfel
aan dien vroegtijdigen afkeer van de keizerlijke maat-
regelen ontstaan. In de Documeiits bespreekt hij o. a. het
tweede punt van het decreet op deze wijze: //1\'article
second interdit tout commerce, il Ja bonne heure, puisque
c\'était dans Ie but pretend u; mais pourqwoi inierdvre toute
correspondance,
cc qui était aussi cruel que nuisible et
annoncait raveuglement et la passion qui ont dictc cette
mesure exagóïce?"
Zou men gelooveu, dat deze scherpe beoordeelaar van
het decreet van 21 Nov. reeds in \'t begin van September,
dus toen alle communicatie nog niet was verboden, aan
zijn broeder had geschreven: //J\'empêche toute espèce
de communication avec 1\'Angleterre. Il nc vient qu\'uu
petit bateau avec les journaux du pays."
De waarheid zal wel zijn, dat Lodewijk Napoleon door
de voorlichting van zijn ministers en de beto\'ogen van den
handel de die]) ingrijpende gevolgen van Napoleons stelsel
voor het welzijn des volks heeft leeren inzien: te gewilli-
-ocr page 108-
100         DE GOBMSSFONDKXTIE VAN KOMXli LOUEW1JK.
ger zag hij ze in, nadat door Dupont-Cliaumont zijn wan-
trouwen was gewekt in de bedoelingen van zijn broeder
en hij in tegenwerken van diens maatregelen het krach-
tigste bewijs van zijn zelfstandigheid vond, dat hij geven
kon. Naarmate de kreten luider werden in Holland, die
over achteruitgang en ondergang klaagden, moest bij den
van nature goedaardigen en medelijdenden vorst de onwil
sterker en heviger worden tegen eene politiek, die hemzelf
slechts als werktuig scheen te willen bezigen. In de
onvolledige uitvoering der keizerlijke deereten vond hij een
soort van bevrediging van zijn eigen wrevel en het beste
middel, naar hij hopen mocht, om populariteit te gewin-
nen bij het volk, dat hem om zijn vele deugden aantrok,
en welks klachten hem, in het gevoel van zijn mach-
teloosheid, bijkans ondraaglijk waren. Ivodewijk is volko-
uien waar, als hij aan den keizer, in de beleefdste termen
die hij vinden kou, zijn afkeuring van een blokkade, die
sleehts op \'t papier bestond, uitsprak, en in zijn medelij-
den met de ellende, waartoe de fnuiking van den handel
een goed deel zijner onderdanen veroordeelde. Maar niet
minder waar is het, dat op zijn eigen, oordeel de persoon-
lijke gevoeligheid over de miskenning en de voortdurende
ruwe verwijten, waaraan hij bloot stond, grooter invloed
oefenden. Bocquain vraagt, en te recht, of Napoleon
zich een dergelijke hardheid, als hij tegen Holland in
toepassing bracht, tegen zijn eigen volk zou veroorloofd
hebben, indien de Fransche natie eens, als de Holland-
sche, een uitsluitend handeldrijvende ware geweest.
Evenzoo is het geoorloofd te vragen of Lodewijk, indien
hij de stellige overtuiging had bezeten, dat zijn broeder
het eerlijk met hein meende en de bevestiging van zijne
koninklijke waardigheid aan geen twijfel onderhevig was.
-ocr page 109-
DK OÜRUESPONDKNTIK VAN KONING LODEWIJK.         11)1
de taaie volharding van ontduiken zou hebben tentoonge-
spreid, die hij thans openbaarde.
Deze beschouwing van het karakter van Lodewijk zal
wellicht velen, die slechts de traditioneele voorstelling van
dit onschuldig slachtoffer der keizerlijke politiek kennen,
eenigszins bevreemden. Toch kan de vergelijking der
Document» Hutoriques met de Correnpondan.ee tot geen
ander resultaat voeren. Eigenlijk is het ook niets nieuws.
De jongste studiën over dit tijdperk hebben reeds vroeger
zijn karakter op deze wijze doen kennen.
Lodewijk Napoleon poogde aanvankelijk het deereet
van Berlijn te beperken tot Oost-friesland; hij verklaarde
het slechts geldig voor het koninkrijk Holland, voor
zoover de daar bestaande bepalingen niet voldoende
waren. Natuurlijk was de keizer met een dergelijke
interpretatie niet tevreden en dwong hij hem, ook zijn
eigen land er aan te onderwerpen. Aan de uitvoering
intussehen ontbrak veel: er werd voortdurend veel met
Engeland gesmokkeld. Lodewijk deed niets dan verzeke-
ringen in verschillenden vorm kneden, dat de keizerlijke
bevelen stipter in Holland dan in Frankrijk zelf werden
gehoorzaamd. Als men een oogenblik de moeilijke positie
van Lodewijk en zijn nobel streven, om den handel van
zijn land voor een geheelen ondergang te bewaren, uit
het oog verliest, kan men moeilijk een glimlach onder-
drukken , wanneer men ziet hoe hij op alle mogelijke
wijzen zijn broeder zoekt te overtuigen van wat hij zelf
weet dat onwaarheid is. Vermakelijk is bijna zijn vrucht-
baarheid aan mededeelingen nopens smokkelarijen uit i\'ran-
sehe havens. Hoe wist de koning van Holland die alle?
Onverholen beroemt hij er zich in zijn Document» op, dat
hij ziende blind was. Toen Napoleon hem in 1807 ge-
-ocr page 110-
102         DV. COKUE9PONDENTIE VAN KONING LO DE WIJK.
dwongen had alle gemeenschap inet Zweden af te breken,
was Lodewijk eens te Tessel. Terwijl hij aan de reede
stond, kwamen er een aantal vaartuigen, Amerikaansohe
en Zweedsche, binnen, alle met de vlag van bun land in
top. Ken zijner hovelingen — waarschijnlijk de Callaiu-
court — maakte er hein opmerkzaam op en vroeg, of hij
het wel gezien bad. «Je n\'apereois que des batimens de
commerce," antwoordde T,odewijk, en draaide den lastigen
vrager den rug toe.
Onbegrijpelijk is bet, boe Lodewijk beeft kunnen mee-
nen, dat dergelijke zaken te Parijs onbekend zouden
blijven. De keizerlijke politie, dit wist hij toeli zelf maar
al te goed, verschoonde niemand en niets. Dat hij wan-
trouwend werd tegen iederen Franschman, en aehtereeu-
volgens de meeste Franschen, die hij bad medegebracht,
verwijderde, was te begrijpen, al was bet geen geschikt
middel om de achterdocht des keizers weg te nemen.
Maar dat hij zich verwonderde over de voortdurende be-
schuldigingen van zijnen broeder en die met bartstocb-
telijke verzekeringen van trouw en gehoorzaamheid steeds
beantwoordde, is minder gemakkelijk in te zien en alleen
te verklaren uit zijn ziekelijkheid, die hem van alle
kalmte beroofde. Die eindelooze verzekeringen werkten
bovendien op Napoleon zeer verkeerd. Hij begon lang-
zamerhand tot de overtuiging te komen, dat bet kwade
trouw was en niet bloot onvermogen, of zwakheid, of
goedaardigheid. Hij meende opzettelijk misleid te worden.
Of hij nu zoo ver van de waarheid was, kunnen wij on-
beslist laten. Ook zonder Lodewijk\'s goede bedoelingen te
miskennen, mag erkend worden, dat de plicht, om steeds
de volle waarheid te spreken, niet altijd door hem is
beoefend. Maar ons Nederlanders, die ten minste eeuige
-ocr page 111-
DK (OUlU\'.sl\'ON\'DKN\'L\'li: VAN KONING LUMKWIJK.         1(13
verlichting van den zwaren druk eraan te danken liebben
geluid, voegt liet niet, de nagedachtenis van den «lammen
koning" daarvoor hard te vallen. De arme man was in
een impasse geraakt, waaruit hij zich niet redden kou.
Eu zijn gevoel van onvermogen, zijn ziekelijkheid, zijn
gehechtheid aan zijn kroon deden hem wel eens in ster-
kere verklaringen en verzekeringen vervallen, dan hij
eigenlijk zelf meende.
Doch in dit opzicht\'had zijn correspondent, zijn keizer-
lij ke broeder hem weinig te verwijten. Ook voor LVapo-
leou\'s karakter bevat deze "correspondance" merkwaardige
bijdragen. De keizer verstond de kunst van overvragen
beter dan menig koopman, op vvien hij zoo zeer neerzag.
Op een paar plaatsen heeft Rocquain, door het nevens
elkander stellen van brieven des keizers aan zijn broeder
en aan anderen, bet duidelijk doen uitkomen, hoe hij
menigmaal den armen fiodewijk hard viel, met verwijten
overlaadde, terwijl hij eigenlijk nog al heel wel met hein
tevreden was. Maar een der merkwaardigste proeven is
onopgemerkt gebleven.
Als men Napoleon\'s brieven na November 1806 tot het
najaar van 1807 leest, dan stoot men herhaaldelijk op de
beschuldiging, dat Lodewijk door slechte raadslieden oin-
ringd is, dat hij in handen van aanhangers van het Oranje-
huis is.
Welnu, in Augustus 18(17 had Üupont-Chaumont in
een zijner depêches diezelfde beschuldiging uitgesproken.
En nu schrijft Napoleon aan de Champagnv, den 7llen Scp-
teinber, het volgende, dat ik óók mededeel, omdat het
tevens doet zien, hoe de keizer de vroegere adelsquaestie
eigenlijk beoordeelde.
»lja dépêche de M. Dupont-Chaumont est obscure et
-ocr page 112-
10 1            l)K (•OlMtl\'.Sl\'ONDKNTIi; VAN KONING LUDKWIJK.
inutile. Eu général, vous lui répond re/, que vous venez
de vous faire remettre sous les veux toutes ses lettres
depuis que Ie roi de Hollande est monté sur Ie trone;
que vous n"v avez trouvé aucuii renseignement direct
teudaut a me faire coiinaitre que ee priuce ait été eutouré
des ainis de 1\'Augleterre; qu\'uue seule dépêche avait insinué
que Ie roi avait rétabli les titres de la féodalité; t(ue cette
dépéche avait paru fort extraordinaire, inais que depnis
elle n\'était pas trouvé exacte; que sa dépêche d\'aujourd\'hui
tendrait a faire croire que les Auglais gouvernent la
Hollande; qu\'il me faut la-dessus des détails. Les per-
sounes les plus iinportantes en Hollande sont les minis-
tres; sont-ils tous émigrés et amis des Anglais? Ceux
que nous conuaissons a Paris sont loin d\'être de ce senti-
nient. Reste a connaitre les membres de L.L.H.H.I\'.P.
rOpinion est que la plupart de ces membres sont du parti
counu pour anti-anglais. L\'empereur recevra avec plaisir
des renseignemens circonstanciés la-dessus......"
Kn de man, die dezen twijfel opperde, had herhaalde-
lijk hetzelfde verwijt gedaan.
Dupont-Chauinont schijnt ditmaal gelukkiger dan in het
voorjaar geweest te zijn. Zeker is het, dat na dit najaar
de houding des keizers tegen Holland en zijn broeder be-
paald vijandig wordt. De beschuldiging, die hij in dezen
brief had bestreden, heeft hij blijkbaar voor waarheid
aangenomen.
Merkwaardig voor de beide broeders is het feit, dat
Uupont Ghaumont door keizer Napoleon desniettemin werd
teruggeroepen, waarschijnlijk omdat de vormen van dieus
rapporten hem niet beviel en omdat de keizer begreep, dat
een ander man geschikter was dan deze, die zich genoeg
tegen Lodewijk gecompromitteerd had, om op dit terrein
-ocr page 113-
DE rOURUKPONDKNTn: VAN KOMING LODEWIJK.         105
onbruikbaar te zijn. Lodewijk had uitdrukkelijk op zijn
terugroeping aangedrongen en wel in deze termen: "que
V. M. daigne nomuier auprès de inoi quelqu\'un qui soit
digne de sa eonfianoe et ue soit pas imbu des priucipes
déinagogiques de 179")." Deze demagoog van 1795, Dupont-
Chaumont, werd, jaren later, door Lodewijk in zijn Doen-
ments
genoemd "Un bon diplomate, mais très-óelairé, très-
honnête et très-moderé."
Vanwaar die lofspraak P Omdat Ija Rochefouoauld, die
hein verving, zich bij Lodewijk noch gehater had gemaakt.
Karel V dankt zijn roem van gematigdheid en verdraag-
zaamh\'eid jegens de hervorming in de Nederlanden aan de
brandstapels, door zijn opvolger Filips II opgericht.
Na September 1807 is de tijd van verschooning voorbij.
Het koningschap van zijn broeder voldoet niet aan de
eischen des keizers. Lodewijk wil de conscriptie niet in-
voeren, weigert het staatsbankroet, ondersteunt hem niet
naar eisch mot leger en marine, voert de maatregelen tegen
Engeland slecht uit, laat den handel met den gehaten
mededinger toe, schept maarschalken, deelt ridderorden uit
en jammert over geldgebrek, terwijl hij de geldschieters
van Europa tot onderdanen heeft — kortom, hij regeert,
om met den keizer te spreken, als een capucijner-inonnik.
De tijd van verschooning is voorbij. Lodewijk onder-
vindt bet: het grondgebied van zijn rijk wordt door
ïransche gendarmen geschonden, die rustige burgers ge-
vangen nemen. Do keizer ontveinst het ook volstrekt
niet, dat de proef met Holland mislukt is. Als er in het
voorjaar een vacature ontstaat op eeu der vorstelijke, tronen,
biedt Napoleon zijn broeder aan, om hem tot koning van
Spanje te promoveeren. «La Hollande" — schrijft hij
hem — «ne saurait sortir de ses ruines. Dans ee tour-
-ocr page 114-
106        DE COUHESPONDENTIE VAN\' KONING LOOKWIJK.
billon ilu monde, que la paix ;iit lieu nu non, il n\'y a
]>as de moven pour ((u\'elle se soutienne." Aan duidelijk-
lieid huit de verklaring niets te weuschen over. Lodewijk
weigert. "Je ne suis ]ias un gouverneur de province.
De (piel droit pourrais-je aller deinander un serment de
Bdélité a un autre peuplo, si je ne restais pas lidèle ü
celui que j\'ai prêtc a la Hollander"\'
O]) zulk een ideologie antwoordt men niet. De keizer
haalde de schouders op.
Van dit oogenblik wordt de correspondentie minder eu
de toon bitterder. In Xovember 1807 moest Lodewijk
Vlissingen afstaan; in Augustus 18(18 vroeg Napoleon de
ruiling van Brabant en Zeeland. Als zijn broeder weer
met beroep op zijn eed antwoordde, schreef hij hem kocl-
tjes terug: «11 était inutile de me faire un étalage de
principes. Puisque eet échauge ne vous platt pas, il n\'y
faut plus pcnser: c\'est une affaire fiuie."
Maar de keizer liet niet spoedig los wat hij eens had
aangevat. Eu zwaarder en drukkender werd steeds zijn
hand. In September 1808 verbood hij allen invoer van
koloniale waren uit Holland in Frankrijk, en voegde er
kort daarna de bedreiging bij , dat hij den Rijn en de
Schelde, ook voor Holland zou sluiten , zoo de handel
bleef duren. Werkelijk sloot hij den 27",en Xovember de
Hollaudsche havens voor alle schepen. Xiet vóór den
I\'1™ Juui 18110 weiden de eommercieele betrekkingen tus-
sehen de beide landen hersteld. Doch slechts voor korten
tijd: want toen Lodewijk den in- en uitvoer van een aan-
tal handelsartikelen vergunde, werden de haudelsbetrek-
kingon opnieuw afgebroken en de lijn van douane her-
steld. Wat dit zeggen wilde, was duidelijk. Napoleon
lichtte het ten overvloede toe:
-ocr page 115-
DE OOttllESPONDENTlE VAX KUNING LODEWUK.       107
«J\'ai etc obligé une seconde fois de fermer mes douanes
au eommerce hollandais; eertes, il ctait diflioile de faire
une déclaration de guerre j)lus autheutique. Dans eet
état de choses, nous pouvions nous regarder réellement
en guerre."
Vae victis f
\'In twee hoofdstukken bespreekt Kelix Rocquain de ge-
beurtenissen van Juli\' 1809 tot Juli 1810. Ofschoon in
de jongste jaren meer licht over dit laatste levensjaar van
het koninkrijk Holland is opgegaan door de bekendwording
van de papieren van den heer Elout van Soeterwoude en
onderzoekingen in andere archieven , \' er bleven nog altijd
genoeg duistere punten over. Dat intusschen deze corres-
pondentie ook nog niet alles oplost, zal men gaarne
gelooven. Doch het meerendee.1 betreft détails; liet hoofd-
resultaat, waartoe ook de lectuur dezer brieven leidt,
bevestigt de thans heerschende opvatting. Wel te ver-
staan in ons land; want de voorstelling van Felix Roc-
quain wijkt er aanzienlijk van af. Hij heeft niets dan
medelijden en lof voor Lodewijk. Het eerste is lofwaardig;
het laatste minder. Rocquain staat te partijdig, ook als
anti-bonapartist, aan de zijde van de tegenstanders van
den eersten keizer. Napoleon lil heeft de reputatie van
zijn oom in menig opzicht vrij wat kwaad gedaan.
De tegenstanders van den derden Napoleon wreekten
zich in de laatste jaren van het keizerrijk, door de bona-
partistische traditiën te ondermijnen. Voor zoover \'dit de
bedwelming van de ijdele zucht naar roem, die liet bona-
partisuie als een zijner hulpmiddelen bezigt, wegneemt,
1 Zie: De Ondergang van het koninkrijk Holland, bl. 192.
-ocr page 116-
KIS         |)K (\'ÜIMtKSI\'()\\l)K\\TIE VAM KONING LODEWIJK.
kan niemand er tegen hebben. M;iar de reconstructie der
historie mag even weinig in partijdig anti-bonnpartistischen
als in ultramnutnanschen geest plaats hebbeu. De eene
eenzijdigheid zou dan slechts de andere vervangen.
Ku in dit gevaar verkeeren wij hier. Rocquain heeft
geen enkel woord van afkeuring, niets dan lofspraak voor
Lodewijk over. Zeker heeft de «lamme koning" in de
laatste maanden van zijn koninklijk leven somtijds eeu
houding aangenomen, die koninklijk was te noemen. Er
is dikwerf meer waardigheid in. De. toon zijner brieven
verraadt niet altijd die kruipende onderwerping, die vooral
in het eerste jaar zoo hindert. Doch deze lofspraak moet
zich beperken binnen liet tijdperk van Juli—December
18H9. Toen Lodewijk naar Parijs was gegaan, was zijn
kracht gebroken.
Wij zullen van beide in de volgende regels een proeve
geven.
Op een brief vol verwijten, in \'t begin van September
ontvangen, antwoordt Lodewijk: "Sire, je vous en prie,
ne déshonorez pas ni n\'huiniliez votre frère. Puis-je n\'être
pas profondément blessé, si V. M. pense ce qu\'elle m\'écrit?
Les uoras de ealomniateur, d\'hypoorite, sont ils faits pour
moi? Celui qui défend par devoir et par inclination une
bonne et petite nation, eherche-t-il et peut-il chercher
u calomnier la gloire de V. M., c"est-a-dire ce qu\'il a de
plus cher et de plus réel? Que serions-nous sans elle?
De petits et pauvres gentils-homme.s ineonnus. .Xou, Sire,
vous ne pensez ]>as cela, mais vous vous faites to\'rt a.
vous-même, en me rainant en llollande, en me traitaut
comme si j\'étais un traitre, vous déshonorez votre familie,
les rois de votre dvnastie, votre iiom, et il en tombe sur
V. M. même plus qu\'elle ne pense."
-ocr page 117-
DK COEUESPONDENXIK VAN KONING LODKWUK.         109
Felix Rocquain lieeft ook voor deze hoofdstukken :ils
voor de vroegere zich niet van Hollaudsche bronneu kuu-
nen bedienen. Xoch Röell, noch Krayeuhoff hebben hein
voorgelicht. Zijn onbekendheid met de taal verbiedt ons,
hein er een verwijt van te maken. Maar wel hebben wij
recht hein euvel te duiden, dat hij de bronnen, die in
zijn eigen taal vloeien, niet kent. liet boekske van een
vreemdeling, Napoléon* L et Ie R<n de Holland*., heeft hij
kalmpjes geëxploiteerd en het ook eerlijk erkend; maar
behoorde hij dan ook niet te kennen De Caraman, Quel-
ques mots sur les affaires de Hollands en
1810, en Notes
Historiques (V Ale.e. baron de HngeujxM cFAerdt?
Onze
moedertaal moge hem onbekend zijn, een ambtenaar bij
het archiefwezen verstaat toch wel lOngelseh. Waarom
heeft hij geen oog geslagen in de Corresjmudeiice of
Castlereaijli ?
Wij zouden deze vragen kunnen vermeerderen, maar liet
is geheel onnoodig. Wat wij aanstipten is voldoende, om
de overtuiging te schenken, dat niemand zich bij dezen
arbeid mag nedeileggen. Er is meer tusschen hemel ei>
aarde, ook in dit sombere jaar geweest, dan Felix Roc-
quain heeft opgemerkt.
Een enkel punt. Waar hij den aanslag der Etigelschen
op Walcheren bespreekt, stelt hij in het licht hoe weinig
recht Napoleon had, oin zijn broeder den gebrekkigen toe-
stand van het leger te verwijten. Hij had toch zelf niet
beter voor zijn eigen leger in deze streken gezorgd. Maar
Rocqunin heeft niet ingezien van hoeveel gewicht voor
de beslissing van den strijd de maatregelen der llollandsehe
regeering zijn geweest. Engelands doel was, Antwerpen
te nemen en de daar in aanbouw zijnde vloot te vernielen.
Tn dien geest luidden de bevelen, door lord Oastlereagh
-ocr page 118-
110         DE CORRESPONDENTIE VAN KOMtPJG LODKWTJK.
aan lord Ohatham gegeven ; maar deze, de late lord
Chatham, gelijk hij om zijn laat opstaan spottenderwijs
genoemd werd, was geen man van kracht en energie. Hij
liet zich voor Vlissingen geheel noodeloos ophouden. Het
Hollandscho gouvernement verkreeg daardoor den tijd om
de Brabautsche vestingen te bezetten, zoodat de Engelschen
vreesden aan de Hollandsehe kusten een hardnekkige»
strijd te gemoet te gaan. Dit vooruitzicht kon een leger
niet aanlachen, dat door de Zeeuwsclie. koortsen zeer aan-
zienlijk verminderd was. Vandaar het besluit , om van
deze, gelijk van iedere andere, onderneming af\' te zien.
Desniettemin werd deze aanslag op Walcheren de droppel,
die den beker deed overloopen. Voor Napoleon werd zij
het voorwendsel om zijn broeder allerlei krenkingen aan
te doen en de zelfstandigheid van het koninkrijk Holland
onhoudbaar te verklaren.
De Fransohe minister van oorlog had gemeend aan koning
Lodewijk, als eonnétable des rijks, het opperbevel over de
vereenigde Fransch-Hollandsche macht te moeten aanbieden.
Zoodra de keizer, die te Weenen was, het vernam, keurde
hij den maatregel ten sterkste af. wLe roi de Hollande"
— schreef hij aan zijn minister — //pensera ii couvrir
Amsterdam, et vous laissera pendre dans votre lit a Paris." \'
Als een gewoon generaal werd Ijodewijk ontslagen: hij
moest het commando aan Bernadotte overgeven. Daarbij
bleef het niet. Op uitdrukkelijkeu last des keizers moest
Gambacérès, de aartskanselier van het Rijk, de ministers
te zamen roepen en hun verklaren, dat de minister van
1 Waarom heeft Rocqtiain dit briefje van 12 Aug. 1809, door Thiers
het eerat uitgegeven, niet opgenomenP Het behoorde hier te meer in een
der noten, omdat de uitgevers van de (\'orresjio/tdaiice de Napoléon l iiet
eenvoudig zijn voorbijgegaan.
-ocr page 119-
DE COBEESPONDENTIE VAX KONING LODEWIJK          111
oorlog uit onbekendheid met de staatsinstellingen had ge-
meend, dat de waardigheid van connétable liet recht ver-
leende om \'s keizers legers aan te voeren. Dit, moest hij
zeggen, was een dwaling van 600 jaar geleden: "Prinsen
en groot-dignitarissen ut; zont rien; de connétable is niet
als vroeger een oud soldaat, hoofd des legers: zijn betrek-
king is een bloot civiele. De connétable heeft evenmin
het recht om \'s keizers leger aan te voeren, als de groot-
admiraal de vloten. Zelfs de wacht aan de poort van zijn
paleis staat niet onder zijn bevelen."
Kon het kwetsender?
Keizer Napoleon had van het eerste oogenblik, dat hij
het bericht der Engelsehe expeditie kreeg, den schijn aan-
genomen, alsof hij vast overtuigd ware, dat zij op niets
zou uitloopen. Hij overdreef daartoe opzettelijk de krachten,
die hij tot verdediging beschikbaar had. Dit \'schonk
hem tevens het recht, zich te beklagen over Lodewijk
en zijne vorderingen op schijnbaar goede gronden te doen
steunen. Het gevaar, dat de hoofdstad van Brabant en
zijne marine geloopen had, had hem de oogen geopend
voor de beteekenis van Antwerpen. "Le secret de 1\'Escaut,"
zeide hij, hadden de Engelsehen hem geleerd. Aan den
minister van oorlog schreef hij: "Anvers vient d\'acquérir
a mes yeux une importance qu\'il n\'avait pas."
Tot dusver waren geen bepaalde eischen, die Napoleon
diensvolgens aan zijn broeder deed, bekend. Van hetgeen
er in de Augustus- en Septembermaanden tusschen de
broeders is verhandeld, wisten wij niets. Men giste dat de
keizerlijke regeering zich bepaald had tot verwijten en
nieuwe eischen. \' De nu verschenen correspondentie be-
1 „ De Ondergang van het Koninki\'ijk Holland." 1)1. 45.
-ocr page 120-
HZ         DE CÜ11BE8PONDENTIK VAX KONING LODEWUK.
vestigt deze gissing. Zonderling genoeg zijn juist de
brieven des keizers uit deze maanden, op een enkelen na,
weg, maar de antwoorden van Lodevvijk doen de heftigheid
vermoeden. Doch één nieuw document heeft Felix Roc-
quain ons hier medegedeeld, dat van het grootste gewicht
is. Het is een brief van Napoleon aan de Chauapaguy,
niet bevelen voor La Rochefoucauld. Kr blijkt uit, dat
koning Lodewijk in November 1809, stellig en zeker, als
uit \'s keizers eigen mond, de officieelc verklaring had
ontvangen, dat liet met zijn rijk en zijue heerlijkheid een
einde had. Een paar zinsneden, om den toon en den
geest der mededeelingen, die La Rochefoucauld had over te
brengen, te doen kennen: »Vous chargerez Ie sieur la
Rochefoucauld de voir Ie roi et de lui faire eoraprendre
que . . . . , lorsqu\'il fut question de mettre Ie roi sur Ie
tróne, j\'avais espcré que la ]iaix se ferait prompteinent, et
que la Hollande recouvrerait ses colonies et son existence,
que son état de guerre, de marine, Fétat de ses tinances,
iiu lieu d\'être anéautis, seraient augmentés et triples,
mais que ces espérauces ont été déjouées: que d\'ailleura
j\'étais engagé vis a vis de la Prusse, alors 1\'une des
premières puissances de FEurope, a couserver 1\'indépendance
de la Hollande, et que, si je n\'avais donné uu roi a eet
état, il fallait faire la guerre avec la Prusse; qu\'aujourd\'hui
la Prusse n\'existe plus et que je suis dégagé de tous ces
liens; que Ie bieu de la France comme celui de la Hol-
lande fait une nécessité de la réunion de cette dernière a
la France; que la Hollande est Ie complément de 1" Empire,
qu\'elle est Ie débouché de mes rivières; que sa marine, ses
ports, son coinmerce, ses finances ne peuvent prospérer
que mêlee avec la France; .....que, si Ie roi abdique,
mmi intention, dans aucun cas, n\'est de Ie replacer par Ie
-ocr page 121-
DK COItltKSL\'ONUKNl\'li: VAX KOM Mi LUDEWUK.          1 18
prince roval; qu\'après la tournure qu\'ont prise les affaires
du continent, il est de toute impossibilité que l;i Hollandc
conserve sou indópendance de la maniere (|ue Ie roi Ie
désire. Vous prescrirez au sieur la Rochefoucauld de tenir
ces indications secrètes: il les fera coimaïtre au roi senl,
et il ajoutera que Ie roi ne peut espérer aucun bunheur
dans sa position; qu\'il doit atteudre haine de la France
dont il contrarie les projets, et liaine de sou peuple qui,
])lacé entre lü Franoe et 1\'Anglctere, sera Ie plus mal-
heureux peuple de la terre; que la dernière expédition ii
prouvé rimpossibilité que la Hollandc conserve sou indé-
pendance: — — que Ie roi personnellement peut trouver
dans les douceurs de la vie privée assez acooraraod<;e a ses
gofits, on dans une souveraineté sous un elimat plus
favorable a sa santé, une indemnitc suffisante; et que Ie
pays, éclairé, se trouvera beureux de ce nouvel état de
elloses.,\',
Is bet wonder, dat Lodewijk den brenger van bet dood-
vonnis haatte? Ook al wave La Hocbel\'oucauld niet sedert
lang met bom op vijandigeii voet, zou dit tocb bet geval
zijn geweest. Schaamte en ergernis over zulk een bood-
schap moest hem gehaat maken, die haar overbracht.
Heeft Fclix Rooquaiu de depêches van den Franseben
gezant niet gevonden: is er geen verslag, hoe hij zijn last
had volbrachtP Of heeft Rocquaiu er niet aan gedacht?
Men ziet — er blijft nog iets te doen over. Hoe dit
zij, het is te begrijpen dat Lodewijk, na het ontvangen
van een dergelijke boodschap, weinig lust gevoelde om
naar Parijs te gaan, gelijk Roel] en anderen misschien
aanrieden en Verhuel schreef dat dringend noodig was.
Hij had veel liever openlijk met Engelscbe hulp de vaan
des opstands opgestoken. Maar slechts Krayenhod\' en I«m-
JOSPNOC. SltiMia IV                                                                           8
-ocr page 122-
111         DK COBK.KMPONDENTIE VAN KONING LODEWIJK.
mers waren er voor, alle anderen tegen. De ongelukkige
man moest zich aan zijn noodlot onderwerpen en, toen de
Hollandsche ambassadeur uit Parijs naar Holland kwam,
zonder ontboden te zijn, maar gezonden door den keizer,
om Lodewijk voor zijn rechter te dagen, gehoorzamen.
Den l"1"" December 1S09 stapte hij te Parijs, t\'aubourg
Saint-Gerinaill, af.
Wanneer men vraagt, wat er in deze jongste uitgave
over koning Lodewijk, ten aanzien van het verblijf te
Parijs, nieuws of interessants voorkomt, dan bepaalt zicli
dat tot weinige punten. Eigenlijk is er maar één punt,
dat onbekend was: het aanbod van koning Lodewijk om
Java af te staan. Dit schijnt hij geheel buiten weten van
Riiell gedaan te hebben; ten minste deze spreekt er in zijn
verslag geen enkel woord over.
Het is duidelijk dat Lodewijk op dit denkbeeld kwam,
oin te vermijden dat zijn grondgebied in Europa werd
ingekort. Hoe hij intusscheu meenen kon, dat de keizer
zich met Java zou laten paaien, om Zeeland en Noord-
ISrabant vrij te lateu, is niet gemakkelijk te begrijpen.
De Fransche minister vau marine adviseerde er nadrukke-
lijk tegen, en Napoleon verwierp het voorstel.
Bijzonderheden omtrent het door ltóell en van elders
bekende aangaande de onderhandelingen, die tot het trac-
taat van 10 Maart 1810 leidden, komen hier niet voor.
Ken zeer pijnlijken indruk maken de brieven des konings.
Lodewijk was ziek, afgemat door de dagelijksche kwelling,
verontrust door het dreigend gevaar. Zou hij naar zijn
land mogen terugkeeren ; zou hij nog koning kunnen
blijven, zij het ook met verminderde macht en beperkt
grondgebied, of zou hij, de gevangene van zijn broeder,
-ocr page 123-
I)K OOIUlUsroVDKXTIE VAS KONING LODEWIJK.         115
ziju land zien bezetten door de keizerlijke troepen en in-
lijven in het groote keizerrijk, zonder op eenige wijze ver-
zet te kunnen bieden ? Krampachtig zien wij hem zich
vastklemmen aan zijn troon: hij vraagt nederig en ootmoe-
dig vergeving aan den overmaehtigen meester; put zicli
uit in beloften van beterschap, kruipt in \'t stof, alles
blijkbaar met geen andere bedoeling dan om aan de ijzeren
hand, die hem geklemd houdt, te ontsnappen en in de
vrije Hollandscbe lucht zijn eigen beslissing te kunnen
nemen. "Sire," — schrijft hij den 17den December — "je
supplie V. M. de daigner oublier toutes les fautes qu\'on
a commises en Hollande et de recevoir la promesse que,
si elle veut faire un autre essai, elle n\'aura pas a s\'eu
repentir." Probeer liet nog eens, smeekt de ongelukkige
met gebonden handen. "Veuillez considérer" — beet het
elders — "que j\'etais saus expérience dans un pays dillicile,
vivant au jour Ie jour. Permettez-inoi, puisque je suis
au moment de perdre tout a fait votre amitié et votre
soutien, de conjurer V. M. de tout oublier. Je vous
promets de suivre tidèleinent tous les engagements que
vous m\'imposerez; je vous donne ma parole d\'honneur de
les suivre tidèlement et loyalement, dès que je m\'y serai
engagc." (4 Febr.)
Het zou gemakkelijk vallen deze citaten te. vermenig-
vuldigen. Niets is hem te veel: voor niets schrikt hij
terug. Zelfs aan Touche betuigt hij zijn "dankbaarheid,"
Het is een pijnlijk tooneel. Te pijnlijker, wanneer men
bedenkt, dat Lodewijk geen oogenblik er aan dacht, om
zich werkelijk blindelings te onderwerpen. Dit kon hij
ook onmogelijk, al had hij gewild. Een Hollandsch minis-
terie kon onmogelijk de maatregelen des keizers uitvoeren,
zooals deze het eischte. Fransche ambtenaren en Fransche
-ocr page 124-
11 f)         DE CORRESPONDENTIE VAN KONING LODEWIJK.
douanen alleen, die niets met het volk geineen hadden,
dat liuu vreemd was, waren er toe in staat.
Lodewijk wilde naar zijn land wederkeeren, om of verzet
niet Engelsehe hulp te bieden öf buiten het bereik des keizers
te vluchten.JHij wilde niet afgezet worden, maarabdiceeren.
Dit doel heeft hij bereikt. Toen hij in April in zijn
land terugkeerde, maakte niemand zich illusie. Het was
het begin van het einde. De Fransche troepen overstroom-
den zijn rijk en bedreigden zijn hoofdstad. Toen elke
poging, om gewelddadig verzet te bieden, op den onwil
van zijn raadslieden afstuitte, bleef Lodewijk niets over
dan het land te verlaten. In den donkeren nacht van twee
o]> drie Juli verliet hij het Paviljoen te Haarlem, waar hij
den afstand had geteekend.
Van al de plannen des konings, om zich met hulp van
de vijanden van Frankijk tegen het geweld, dat hem werd
aangedaan, te verzetten, weet Rocquain niets. Het is
duidelijk , welk een scheef licht dientengevolge op Lodewijk
valt. De schrijver heeft slechts medelijden niet den ge-
plaagden en ongelukkigen vorst. De geheele onbekendheid
met Lodewijks geheime bedoelingen belet hem, een juist
oordeel te vellen.
De üorretpoudanee van den koning van Holland met
keizer Napoleon is een hoog te waardeeren bijdrage tot een
der somberste eu weinig gekende perioden onzer historie.
Niemand mag zich nederleggen bij dezen arbeid, maar ook
niemand hem voorbijgaan, bij de behandeling van dit tijdvak.
Het is een gift van den vreemdeling, waarvoor wij dank
verschuldigd zijn.
-ocr page 125-
V
AMSTERDAMSCHE COURANTEN
IN mi
-ocr page 126-
-ocr page 127-
AMSTERDAHS.CHE COÜEANTEN IN 1809.
Eenige aan teeken ingen doorloopende, vroeger op de Am-
sterdamsohe secretarie over 1809 gemaakt, kwamen mij de
volgende, wegens feiten en personen, niet onbelangrijk ter
mededeeling voor. Zij hebben betrekking op de Amster-
damsche pers in de dagen van de Engelsohe expeditie tegen
Walcheren. Zij doen een weinig achter de coulissen zien,
hoe koning Lodewijk de pers beschouwde, en behandelde.
Ook leveren zij een niet onaardige bijdrage tot kenschetsing
van de ware gevoelens van koning Lodewijk in deze dagen.
Doch ter zake.
Bij aanschrijving van den 12aen Juli 1809 bracht de
landdrost van Amstelland, Van Stirum, ter kennisse van
burgemeesters en gemeentebesturen den inhoud tiener missive
van den minister van Justitie en Politie, houdende «dat
hij minister, zich door Zijne Majesteit geauthoriseerd vindt
om Hoogstd. generale bevelen te hernieuwen, dat in geenerly
dagbladen eenige artikelen opzigtelijk dit rijk worden ge-
plaatst, welke niet alvorens in de Koninklijke Courant zijn
geplaatst geworden;(jul ware het ook, dat dusdanige artikelen
slegts op eene indirecte wijze het rijk betroffen^ met verder
aanschrijving aan gem. burgemeesteren en gemeentebesturen,
-ocr page 128-
120                 AMSTKRDAMSOHK COUUANTBN [V 1S09.
om te zorgen, dut door de courantiers of andere publieke
nieuwsschrijvers, welke zich in hunlieder stad mogten be-
viuden, aan \'L. M. boveng. bevelen stiptelijk worde voldaan."
Uiensvolgens zijn den volgenden dag, na de ontvangst
der aanschrijving, den IS\'1\'\'" Juli. «voor den Burgemeester
gerequireerd en verschenen de; uitgevers van de eourauten
en dagbladen binnen deze stad, met name [j. van Limburg,
tweede schrijver van de Amsterdamsche Courant; H. A.
Banse, uitgever van de Hollandse Courant; M van Kolm,
uitgever van de Maandagsche Nieuwspost en de Vriend van
Allen : 3.
de Vogel, uitgever van De blazende Nieuiespost:
Louw en Krelis
en de Noordhollandsche Boereucourant, en
Jacobus Wendel, uitgever van de Woensdagsche JVienwspo.it.
En heeft de burgemeester aan dezelven ter kennis gebracht
de aanschrijving van den landdrost, en hen geïnterdiceerd
wat daarin verboden wordt."
Aan soortgelijke verbodsbepalingen was de pers gewend.
De politiek sloot den courantiers vrij dikwijls den mond.
Zoo was hun in Mei uitdrukkelijk verboden, eenige melding
hoegenaamd te maken van zaken, "de liaringvissoherij of
de kerf- en doggevaart specteerende, en wel bijzonder om
eenige melding te maken van bet vertrek of de aankomst
dier schepen, met inachtneming van geheimhouding van
dit verbod." Door de toevallige omstandigheid echter, dat
deze aanschrijving van den minister van Justitie slechts
weinige weken voorafging aan de landing der Engelschen
oj) Walcheren, verkreeg zij veel meer beteekenis dan anders.
Den ai"1"" Augustus achtte dt. minister van Justitie het
dan ook noodig, de bepalingen van 12 Juli den journalisten
nog eens ernstig te doen voorhouden. Dezelfde personen,
met uitzondering van Van Limburg, voor wien ditmaal
Pierre Agron, eerste schrijver van de stadscourant verscheen,
-ocr page 129-
AMSTKRDAJISCHE fXHl KANTKN [N 1S(I9.                 121
kwamen den 23"en van Oogstmaand op liet stadhuis. Hun
werd de aanschrijving herhaald en voorts aangezegd, dat
«descontrarie handelende, zij de facto en zonder de minste
convenientie zouden worden gesuspendeerd, alles onverminderd
zoodanige maatregelen van gestrengheid, als de Minister
naar vereisch van zaken nemen zal."
Niettemin bleef het gouvernement ongerust en zocht naar
een onfeilbaar middel tegen mogelijke ontduiking en onge-
hooi\'zaainheid. Den :J2alen Augustus scheen het gevonden.
Be burgemeester ontving eene nieuwe missive van den
minister, waarbij hem bericht werd dat deze, om het effect
zijner aanschrijving van den 21"""1 te beter te verzekeren,
hem, burgemeester, persoonlijk verantwoordelijk stelde,
"niet alleen, dat in de Dagbladen, alhier uitgegeven,
nietwes, dit rijk in het algemeen en de krijgsbewegingen
binnen en in de nabijheid vim deszelfs grenzen in het bij-
zonder, hetzij direct hetzij indirect betreffende, gevonden
worde, voor en aleer zulks in de Koninklijke Courant zij
bekend gemaakt, maar ook, dat de stukken, alzoo van de
Koninklijke Courant overgenomen, in derzelver geheel,
met de aanmerkingen daarop geplaatst, letterlijk worden
nageschreven: en voorts aan de prudentie van den Burge-
meester overlatende om de Nieuwspapieren, in deze Ge-
meente uitkomende, aan eene eensure te onderwerpen."
De burgemeester van Amsterdam , persoonlijk verant-
woordelijk gesteld, droeg de censuur aan een zijner kom-
miezeu op. »üe geëmploieerde ter Secretarie dezer stad,
Arend Fokke Simonsz., is door den burgemeester geeommit-
teerd, om al de couranten enz. binnen deze stad of der-
zelver jurisdictie uitgegeven, vóór derzelver uitgave te
examineereu."
Doch ook het gouvernement hield een oog in liet zeil
-ocr page 130-
H\'Z                 AMsnClMUMSCllE OÜUKANTKN IN 1H09.
en lichtte met zijn beter inzicht de wankelende journalisten
voor, om hen voor dolen te behoeden. De minister van
Justitie zond, den 7*"" Sept., aan den burgemeester cópie
van zekere annonce;, getiteld: Nouvelle offirielle, gedrukt
te Antwerpen en houdende aankondiging van het ontruimen
van Fort Bath door de Hugelscheu, uiet verzoek om de
courantiers of uitgevers aan te zeggen, dat zij deze annonce,
als ten hoogste suspect, in hunne papieren niet zullen
vermogen te plaatsen bij poene van suspensie. Deze missive
werd ter opvolging in handen gesteld van A. Fokke Simonsz.
Zoo was, naar \'t scheen, de zaak geregeld, en kon de
regeering gerust zijn, dat niets den volke uit de hoofdstad
zou worden medegedeeld, dan wat zij in de Koninklijke
Courant had toegelaten. Ook voor de kleur der berichten
was gezorgd. De. burgemeester, persoonlijk verantwoordelijk
gesteld, had aan Fokke Simonsz. de taak overgedragen.
Docli weinige weken later ontving de burgemeester eene
nieuwe aanschrijving, die het bepaalde ophief en alles op
losse schroeven stelde. Die zonderlinge aauschrijviug deel
ik in haar geheel mede.
Amsterdam, den 22,lfn van Herfstmaand, 1809.
De. chef ifor Tweede Divisie bij hul
Mitnalerie w/t •Fitstitie. e.it. Politie,
aan
den Burgemeester der Stad Amsterdam.
HoogEdel Gestrenge Heer!
Hoezeer de door Zijne Excellentie den Minister van Jus-
titie en Politie bij herhaling gegevene verordeningen op de
-ocr page 131-
MISTKUDAMSCHE COUUANTKN IN 1S09.               1:28
politie der nieuwspapieren binnen dit Rijk de juiste be-
paliugen omtrent liet plaatsen van nieuwstijdingen, welke
op liet Gouvernement en de bewegingen der armee be-
trekkiug hebben, duidelijk hebben daargesteld, schijnen
egter eenige uitgevers van couranten dienaangaande ver-
sehillende denkbeelden te hebben opgevat, waardoor weldra
zonder eene dadelijke opheldering geheel van de bedoelingen
en de ware strekking van bovengezegde beveelen zoude
worden afgeweken.
Het is derhalve op last van Zijne Excellentie den Minis-
ster voornoemd dat ik de eer hebbe, U bij deze te ver-
zoeken om nogmaals de Courautiers binnen Uwe stad voor
u te doen ontbieden en deselve te informeeren:
dat de bestaande en bij Zijne Excellentie ten sterkste
geïuhaereerde prohibitien niet toepasselijk zijn op berigten.
de tegenwoordige expeditie rakende, uit de Engelsche tij-
dingen overgenomen, mits deselve voor den Koning en
het Gouvernement niets aanstotelijks behelzen.
Ik heb de eer met hoogachting te zijn,
HoogEdele Gestrenge lieer!
Uwer Kxc. oud. dien.
J)e chfj\' roofn.
J. A. BOKEBT.
Wat beteekende deze zonderlinge vergunning ? Waartoe
deze oogluiking voor Engelsehe tijdingen?
De burgemeester van Amsterdam, persoonlijk verant-
woordelijk gesteld, zag het gevaar van gehoorzamen in.
Aan de authenticiteit was niet te twijfelen: Borret was
een ambtenaar, die zeer het vertrouwen van Hugenpoth
van Aerdt genoot. Weinige weken vroeger was hem door
-ocr page 132-
lil                 AMSTKUDAMSCHE COUKAXTKN IN\' 1S09.
den minister de zeer delicate zending opgedragen, om
lirucc in hechtenis te nemen. Geen twijfel, of Hugen-
poth had werkelijk den last gegeven, (loer Dorret overge-
braelit. Maar geen twijfel evenzeer voor Wolters van de
Poll, dat hij door deze aanschrijving niet tegen alle even-
tualiteiten gedekt was. De burgemeester wendde zich tot
den minister, met verzoek om inlichting aangaande zijn
intentie. Na mededeoling van de ontvangst, vervolgde hij:
«dan, hoezeer ik geen de minste reden liebbe om aan het
geposeerde, dat de voormelde missive op last van Uwe Exe.
aan mij is geè\'xpedieerd, eenigszins te twijfelen, vinde ik
mij echter onbevoegd, om daaraan te voldoen, alzoo het
Zijner Majesteits stellige intentie is, dat ik geeue orders
ontfange, dan die aan mij door de Heeren Ministers of
door den lieer Landdrost directelijk worden gegeven, het-
welk in liet onderhavige geval zooveel te noodzakelijker
is, daar ik bij U HoogEdGestr. missives van den -Zl\'l\'n en
oj«t™ v.m Oogstmaand 1.1. op mijne persoonlijke verant-
woordelijkheid ben gelast te zorgen, dat in de alhier
uitgegeven wordende Nieuwspapieren nietwes de Engelsche
landingsexpeditie in Zeeland betreffende, onder welk voor-
wendsel ook, worde gemeld, dan hetgeen de Kon. Courant
deswege zal hebben medegedeeld en het volgens den inhoud
van de voormelde, als nu aan de Oourantiers te doene
aanzegging, aan hun schijnt vrij en onverlet te worden
gelaten om berigten, de tegenwoordige expeditie rakende,
uit de Bngelsche tijdingen over te nemen, ofschoon dezelve
niet in de Kon. Courant zullen zijn geplaatst geweest."
Dat de gevraagde inlichting omtrent de intentie des
ministers is gegeven, zou ik niet durven verzekeren. Ik
heb ffv.n antwoord oji dit schrijven gevonden, liet komt
mij niet onwaarschijnlijk voor, dat men bij bet bespeuren
-ocr page 133-
AMSTKRDAM90KK OOUIiANTEN IN\' 1809.               125
van den onwil van Wolters van de Poll, om op eigen
risico zulk een gewichtige vergunning te geven, de zaak
verder heeft laten rusten. Dat hij in de gunst des konings
er niet door gestegen zal zijn, mag men wel aannemen.
Borret daarentegen heeft voortdurend de gunst van koning
Lodewijk genoten. Den eersten Maart 1S10 teekende
Lodewijk te Parijs een besluit, waarbij "het burgerrecht
van onze goede hoofdstad" werd geschonken aan AppeUu»,
minister van Financiën, Borrel, chef van divisie bij liet
Depart. van Justitie en Politie, Georgea, Luit. Kolonel
der Garde-Grenadiers, lloi/uck pau \'Pitpeudreckt, Schild-
knaap onzer lijfwacht te paard, pan der lloute, Staatsraad,
pau Sussp run Ys*elt, lid van het Wetgevend Ligchaam,
en Verhegen, eersten secretaris van het kabinet des
konings. Op deze onderscheiding, ofschoon in de oogen
van Lodewijk zeker meer waard dan in die der be-
gunstigden, konden natuurlijk slechts groote diensten aau-
spraak geven.
Ten slotte. Men zal vragen of de Aiusterdamschc
courantiers aan de strenge bevelen gehoorzaam zijn geble-
ven, dau of in die dagen van spanning en onzekerheid
deze of gene genieend had straffeloos te mogen zondigen.
Een tweetal schuldigen is mij bekend.
Hij ƒ. P. Wijsmulier in de Huidenstraat alhier ver-
scheen een weekblaadje, de Pot, Pourri geheeten. Dit
werd op hooger last in Oet. 1809 door den burgemeester
gesupprimeerd.
De lotgenoot van de Pot Pourri. was de Amnlerdamse/ie
Courant.
De misdaad is mij onbekend. Den 9\'len December
werd zij verboden. Doch de schuldige deed boete, erkende
haar overtreding en beloofde beterschap. Tengevolge van
des uitgevers belofte, dat voortaan de bestaande bepalingen
-ocr page 134-
126                 AMSTEUDAMSCHE OOUBAÏïTEN IN 1809.
sti])t zouden nageleefd worden, hief de minister van Justitie
reeds den llllc" December liet verbod van uitgave op. Daar
zij toen sleehts eenige malen per week verscheen, had de
korte duur van het verbod zeker niet meer dan een enkel
nonimer belet op den gewonen tijd te verschijnen. Het
volgende was een dubbel uommer.
-ocr page 135-
VI
EEN STEENWORP IN MEI 1811).
-ocr page 136-
-ocr page 137-
EEN STEENWORP IN MEI 1810.
In Februari 1810 had de drost van het kwartier Rotter-
daru den burgemeester der stad op de waarschijnlijkheid
opmerkzaam gemaakt, dat ook Rotterdam door Fransehe
troepen zoude worden bezet. Den lö°" Maart hernieuwde
de heer Caau zijne aanschrijving, op last van hooger hand
er bij voegende, dat burgemeesteren van het kwartier
Rotterdam wel zouden doen, om, «met vermijding van
alles wat éclat of ontijdige vrees zou wekken, maatregelen
te beramen ten einde bij eene eventueele inmarseh der
Fransehe troepen in hun onderhoud op eene geregelde wijze
en zonder de ingezetenen te veel te drukken wierd voor-
zien." Wat de aandrang, in dit schrijven gebezigd,
niet deed vermoeden, had niettemin plaats. Het duurde
meer dan een maand, tot den 20\'1™ April, voordat de
burgemeester van Rotterdam van de naderende bezetting
der stad bericht ontving. Den 25sle", zoo werd hein door
den landdrost van Maasland gemeld, zouden twee esquadrons
huzaren en een gedeelte van een bataillon infanterie te
1 Naar k-scheiden, den schryver dour den heer J. H. Schener, archivaris
van Rotterdam, welwillend verstrekt.
.Imosiin. Stl.lliin IV                                                                           0
-ocr page 138-
KEN 3TEENWOUP IN MEI 1SKI.
l.-JII
Rotterdam aiiiikuimni, om aldaar te blijveu. Ondanks al
de/c voorafgaande kennisgevingen, vond de majoor D\'Ilauw,
die een dag te voren te Rotterdam ter inspectie verscheen,
niets voor hunne ontvangst gereed. Hij beklaagde zich
ernstig bij den burgemeester over de groote nalatigheid.
»Ik kau met regt zeggen, dat er niets in gereedheid is
voor de troepen, ofschoon l. KD.Iieb. reeds wegens hun
komst siuts bijkans ccue maand verwittigd was."
Getuigde deze houding des bcstuurs niet van groote iu-
geuomenheid met de Fransche bezetting, de houding der
bevolking bewees, dat haar oordeel niet gunstiger was.
Reeds den 12\',c" Mei kon de baron Domon, kolonel van
liet 8*1" regiment huzaren, bij de toezending van een ge-
arresteerde, die in het wachthuis was gedrongen, schrijven:
"Ce n\'est pas la première fois que des malintentionés a
Rotterdam ont manqué" ii mes bousards soit de service ou
autremeut; on se plait généralement a les invectiver comme
Francais. Jusqu\'n cc jour j\'ai patiënte, mais la chose
cominence a devenir plus que scrieuse."
De man, wiens arrestatie tot deze ernstige woorden aan-
leiding gaf, had zich aan geen hartverscheurend misdrijf
schuldig gemaakt. Hij was ingedrongen in "la eommodité
des bousards, quoiqu\'il y ait s\\ la porte de cette eommodité
une affiche qui Ie défeude aux bourgeois," verklaarde! baron
Domon. Wanneer een dergelijke overtreding tot zulke
ernstige woorden aanleiding gaf, moet er zeker het een en
ander reeds voorafgegaan zijn, dat, hoewel niet dadelijk
strafbaar, ergerlijk en kwetsend werd geacht. Maar hoe
ernstig moest het dan wel niet worden opgevat, wanneer
er werkelijk iets gebeurde, dat beteekenis had!
Den 23\'tcl1 Mei, des avonds om 10 uur, ontving de
burgemeester Tsaak van Tevlingen op zijn buitengoed bij
-ocr page 139-
EKN STEENWORP [N MEI 1S10.                     181
de stad het volgende briefje van den hoofdofficier A. W.
Beelaerts:
"Daar is eenige gisting onder de burgerij, begonnen bij
Het blazen der trompetten der Fransclien op de Groote
Markt — er is aangedrongen, weder ruimte gemaakt, al
weder aangedrongen — en voorts de sabel getrokken, de
meenigte daartegen met steenen gegooit en een man, zo
als men zegt, met da sabel gekwetst, — ik heb ook be-
weeging gezien bij de barakken aan de hofpoort. Enfin,
\'t is niet in orde, de justitie kan er niets aan doen — dat
is in staat van oproerige gisting onmogelijk.
Ik proponeere UEd.G. eene waarschouwing met voorkennis
van de Kwartier Drost en Commandant.
Ik blijve met alle achting.
UwEdG. onderd. dienaar,
23 Mei 1810.                                           Beelaerts.
Dit blijkbaar haastig gesteld en niettemin zeer lakoniek
rapport was niet geschikt om eene duidelijke voorstelling
van het gebeurde te geven. De hoofdofficier beschouwde
blijkbaar de zaak als een gewonen volksoploop, zonder
gewicht. De burgemeester echter achtte ze van meer be-
teekenis. Hij zond onmiddellijk liet briefje van Beelaerts
aan den wethouder Hoog, opdat deze met de overige wet-
houders, den kwartierdrost en den commandant de noodige
maatregelen zou beramen. In den nacht kwamen dus de
heeren H. J. Caau, Hoog en Blankenheym bijeen. Daar
de stad in de diepste rust lag verzonken, oordeelden zij
niets te moeten doen. Den volgenden morgen zouden
burgemeester en wethouderen met den drost Caau vergaderen
om te bespreken, wat geschieden moest.
Toen zij den volgenden morgen bijeen waren, bleek het
al zeer spoedig, dat het gebeurde op den vorigen avond
-ocr page 140-
132                  i:i:n stkenwouï in mki 1S10.
mar gewicht had. dan de hoofdofficier Iiad gemeend. Het
ongeluk wilde, dat de man, die gekwetst was, gelijk
Beelaerts had geschreven, niet een eerzaam Rotterdamsch
burger, maar een Fransch oflieier was. Het hoofd van het
plaatselijk bestuur ontving namelijk de volgende missive:
Kotterdam Ie 24 Mai 1810.
A Monsieur Ie Bourguemestre de la
ville de Rotterdam.
Monsieur,
Toujours empressé a rendre coinpte des fautes légères
eominises par les houssards du 8"" regiment, la police de
votre ville ne semble créée que pour surveiller nos fautes,
et mettre un voile sur celles de la populace,
Vous aveu eu lieu de remarquer Textrème discipline qui
règne parmi les soldats de Sa Majesté 1\'Empereur des
Francais, et les avances qu\'ils ont fait pour maintenir
Taccord et 1\'uiiion entre eux et les sujets du Koi votre
maitre: vous navez point adressé aucune plainte, par
conséquent il n\'existe de notre part aueun sujet qui ait
du donner lieu it celles que je vais vous soumettre.
Depuis plusieurs jours 1\'uniforme francais est continuel-
lement insulté, les propos les plus injurieux se tiennent
sur les opérations ordonnées par Sa Majesté l\'Empereur,
notre maitre, les douaniers ont été menacés par Ie peuple,
les trompettes du regiment ont été assaillis par la popu-
lace et reconduits :\\ coups de pierre, au milieu des huées
les plus insultautes jusquïi leurs quartiers, un officier
rentrant chez lui a été blessé d\'un couj) de pierre.
Des citoyens paisibles m\'ont rendu compte des propos
qu\'ils avaient entendus parmi Ie peuple. 1 /esprit gros-
sier du peuple nest ordinairement que celui qu\'on lui
-ocr page 141-
]83
EKN STEENWORP IN MEI 1810.
donne ou du moins qu\'on lui laisse prendre. Je crois,
Mr. Ie Bourgueraestre, que vous ignorez toutes ces scènes
seandaleuses: puisque vous ne les réprimez point, je vous
les dénouce et j\'ai l\'lionueur de vous préVenir que je
vieus d\'eu rendre compte i\\ Mr. Ie Géw\'ral de divison
Oomte Dessaix et que dans Ie eas oü aujourd\'hui 1\'on
voulut coramettre de nouveaux assassinats sul\' les sujets de
Sa Mnjesté FEmpereur et Roi, je suis déeidé a repousser
la force par la force.
Je suis avec respect., Monsieur, votre tres humble et
tres obéissaut serviteur,
Le Lieutenant-Colonel du 8° Begiment
des houssards Impériaux Francais
C. du Coëtlosquet.
Deed de heftigheid van dit schrijven voorzien, dat de
zaak onaangename, gevolgen zou hebben, de meerdere
kalmte en welwillendheid, waarmede de plaatscommaudant
haar behandelde, deed hopen, dat men bij hem eenigen
steun tegen de overdrijving des 1\'ransehmans zou vinden.
Du Coëtlosquet had hem in korter, maar weinig zachter
bewoordingen het gebeurde medegedeeld. De plaatscom-
mandant, majoor D\'Hauw, zond copie van deze missive
aan. het plaatselijk bestuur en stelde eene samenkomst voor.
De op het raadhuis vergaderde heeren besloten ten spoe-
digste eene waarschuwing te doeu tegen alle samenseho-
lingen, inzonderheid op de Groote Markt en bij de kazer-
nen, en tevens te verbieden om op eenigerlei wijze de
Fransche militairen en douaniers te beleedigen. Ten be-
wijze van hun geneigdheid om de Fransohe militairen te
handhaven, loofden zij een premie van ƒ 1000 uit, voor
wie den schuldige aan den ongelukkigen steenworp zou
-ocr page 142-
EUN STEENWORP IN MKI 1810.
134
opgeven, en f 800 voor hein "die den aggresseur der op-
roerige bewegingen of die daarin eenig werkelijk deel hebben
genomen, zal weten aan te wijnen." Nadat én D\'Hauw én
Du Coëtlosquet deze publicatie hadden goedgekeurd, werd
zij gepubliceerd.
Met deze en eeuige andere maatregelen van voorzorg
liep de dag ten einde. Wel kwam er \'s avonds een groote
menigte op de been, maar alles liep zonder geschreeuw oi\'
dadelijkheden af. Voor niemand was de ernstige loop.
dien de zaak nam, onaangenamer dan voor den heer Bee-
laerts, die ze zoo kalm had opgenomen. Men zeide dat
hij de zaak te gering had geacht, en beschuldigde hem
van gebrek aan waakzaamheid cm krachtsontwikkeling.
Met bijzondere warmte en nadruk beval de burgemeester
bij het toezenden der publicatie hem de zorg voor de hand-
haviug aan: "je recommande la recherche de toute cette
affaire a votre plus sévère attention et m\'en remets aussi
entièrenient a votre activité particuliere pour eet objet
comme aussi pour l\'exécution de la justice relativement
aux notifications précédentes, et pour que par la suite
vous vous opposiez avec la plus grande vigueur a tous
les mouvemens populaire» dans leur principe." Dat de
hoofdofficier de strekking dezer woorden heeft gevoeld
blijkt uit zijn antwoord: "Vous pouvez être assuré que je
ferai tous mes eiforts pour arrcter les coupables et que par
une justice active je ferai dissiper les plus petits rassemble-
ments comme aussi que d\'après 1\'exigence des eas je procé-
derai criminellement contre ceux qui se conduisent d\'mie
maniere contraire a 1\'intention ou il la lettre de la dite
publieation ainsi qu\'il est statué par les loix du Royaume."
Zoo scheen de zaak geschikt. Het volk onthield zich
van alle betooning zijner geringe sympathieën, en de
-ocr page 143-
KEN STEENWORP IN HEI 1810
135
hoofdofficier, door liet gebeurde wakker geschud, zou in
het vervolg wel voor zoodanige botsingen weten te waken.
Doch in den raad der goden was het anders besloten.
De steen, die den naar huis terugkeerenden officier had
getroffen, dreigde Rotterdam een tal van onaaugeuaam-
heden te bezorgen.
In de eerste opwelling van zijn drift had de luitenant-
kolonel Ooëtlosquet aan den generaal Dessaix geschreven.
Ook al wilde hij,\' wat wij niet weten, later kon hij de
uitwerking van dit schrijven niet beletten. Een eerste
vrucht daarvan werd openbaar, toen de generaal den majoor
D\'IIauw, plaatscommandant, verantwoordelijk stelde voor
elke bcleediging aan troepen of onderdanen des keizers
aan te doen. D\'tlauw, die blijkbaar met deze opdracht
niet bijzonder ingenomen was, gaf\' den burgemeester Van
Teylingen er keunis van en wist, om alle botsing ook
door woorden te vermijden, geen beter middel dan het
volgende. «Je vous invite" — schreef hij aan den burge-
meester — - "a contiuuer les mesures ([ui ont été prises
hier, et que jusqu\'a disposition ultcrieure il se trouve
tous les soirs quelques sergeants de police au laptou, et
que quelques uns d\'eux suivent les trompettes et les
tambours jusque a leurs quartiers, pour voir s\'il se passé
rien d\'irrcgulier, a Tellet de pouvoir immédiatement saisir
les coupables comme aussi de dissiper les petits et grands
attroupemens, et d\'écarter la suite de droles, qui poursui-
vent les dctaehemens, patrouilles ou gardes, car au moin-
dre cri d\'outrage il pourrait aisémeut se faire qu\'il arrivait
des malheurs, ce qu\'a tous egards nous devons tacher de
prévenir." Of deze bescherming, door de politie aan de
militaire macht verleend, bijzonder vleiend was te noemen,
kunnen wij daarlaten. Als maatregel om botsing te voor-
-ocr page 144-
I 36
EEN STEENWORP IN MEI 1810.
komen, door de schuldigen onmiddellijk te treffen en
de onschuldigen voor de ongelukkige gevolgen van het
vergrij]) van anderen te vrijwaren, kon zij doeltrelf\'end werken.
Van de genomen maatregelen werd onmiddellijk aan den
minister van ISinnenlandsche Zaken, den Hollandschen
generaal Van Helden en den Franscheu generaal Pire ken-
nis gegeven. Men hoopte op die wijze den indruk te
verzwakken, dien liet schrijven van Coëtlosquet op de
Uooge militaire machten mocht hebben gemaakt. Maar
reeds spoedig bleek het, dat men zich met het doodbloede u
der zaak niet kon vleien. De plaatscommandant D\'Hauw
vroeg den 26*to" inededeeliug van alle bescheiden en infor-
matiën, die men had ingewonnen, daar van hooger hand
hem verslag van het gebeurde was gevraagd. De bur-
gemeester, op grond dat politie en justitie in Rotterdam
als in het geheele rijk waren gescheiden, verwees hem
naar den hoofdofficier, onder wiens departement de zaak
thuis behoorde.
Uit het Proeèê- Verbal de ca qui s\'ast passé dans la villa
de Rotterdam la 23 da mois de Mai at das masnras prisas
par la poliee ce jour at les jours sitimuls
, opgemaakt den
2.3"1™ Juni, blijkt dat er toen, een maand na het ge-
beurde, nog geen schuldigen waren ontdekt. Veel belang-
rijks zal dus den 26",en Mei de hoofdofficier niet aan
D\'Hauw hebben gemeld. Dit was waarschijnlijk de reden,
dat de generaal Van Helden zelf\' twee dagen later naar
Eotterdam kwam. Hij hield met de autoriteiten eene
conferentie ten huize van den heer Beelaerts, die ongesteld
schijnt geweest te zijn, waar het volgens het Afzonderlijk
Varhaal van den Burgamaastar zeer amicaal toeging. Men
gaf hem mondeling de weinige informatiën, die te geven
waren.
-ocr page 145-
EE.V SÏKENWOBP IN\' MKI 1810.
187
Maar hiermede was de zaak niet afgeloopen. In den
middag van denzelfden dag (28 Mei) zond de kolonel van
het S8"\' regiment huzaren, baron Domon, den burge-
meester eopie toe van een brief van den brigade-generaal
De L\'iré. "Je vous préviens que par ordre de Son Excel-
lenee Mons. Ie Maréchal, T)ue de Reggio, inon quartier-
général doit être établi ii Rotterdam et que vous devez y
faire préparer des quartiers pour Ie retour de votre Esqua-
drou détaché u. la Elaye, ainsi que pour quelques Com-
pagnies d\'Infanterie. Cette mesure a été dictee par Ie
inécontenteuieut que S. E. a éprouvé de la conduite de la
ville de Rotterdam envers votre Regiment."
Waarlijk , de steenworp van den een of anderen straat-
jongen dreigde Rotterdam duur te staan te komen. Het
gemeentebestuur was in pijn en banden, maar verzuimde
geen oogenblik om al liet mogelijke te doen, ten einde
aan de gehate bezetting te ontsnappen. Onmiddellijk na
de ontvangst van liet onwelkom bericht schreef de burge-
meester aan den kolonel Domon, dat «met de beste inten-
tie de localiteit van de stad op dit oogenblik niet permit-
teert de levering van cazernen, stallen noch fouruituren
voor de troepen, die Z. Exc. de maarschalk van Reggio
voornemens is naar deze stad te zenden, en dat er, zoo
Z. Exc. bij zijne intentie bleef persisteeren, niets zoude
overig en de burgemeester verpligt zijn om de troepen bij
de burgers te billetteeren." Doch Domon was slechts de
tusscheiipersoon, niet de beslissende. Het gemeentebestuur
haastte zich daarom de tusschenkomst van den minister
van Oorlog en van dien van Binnenlandsche Zaken in te
roepen, ten einde van het ontvangen van meer garnizoen
in Rotterdam verschoond te worden. De expresse, die de
missive naar Amsterdam bracht, kwam den volgenden
-ocr page 146-
13S                         KEN STEENWOIIP IN MEI 1810.
avond met eeu briefje van Cambiei aan den burgemeester
terug, waarin hij beloofde, allen mogclijkcn invloed bij
Oadinot te zullen aanwenden.
Douli voordat die pogingen eeu goede uitwerking kouden
liebben, of deze ten minste bekend zijn, ontving Kotter-
dam reeds liet gevreesde garnizoen. Den 31"\'\'" rukten
drie compagnieën infanterie en een escadron huzaren de
stad in. üe brigade-generaal Piré kwam des namiddags
te 2 uren te Rotterdam aan en nam voorloopig zijn intrek
in de jtfaréc/ial de Ttirenne. In welk eene stemming hij
kwam, bleek al aanstonds uit zijn eersten brief\' aan liet
bestuur.
Rotterdam Ie 81 Mai 1810.
A Monsieur Ie liourguemestre de la ville de Rotterdam.
Je vous préviens, Monsieur Ie liourguemestre. que Son
Enc. monseigneur Ie Duo de Reggio, Commandant en chef
en I lollande, vient de me noinmer Commandant Supérieur
militaire de Rotterdam et arrondissement. Sou Excellence
in"a ordonné 1° de lui transmettre les renseiguemens les
plus détaillés et les plus positifs sur les événemens du 23
de ce mois, sur ce ([ui Xa procédé et sur les suites don-
nées ii la proclaination (|ue vous aveu faite Ie 34 du menie
mois. i" de lui répondre personnellement de la tranqnil-
lité future de la ville de Rotterdam et de ce iju\' aucune
insulte ultérieure ne puisse être faite a 1\'uniforme francais.
3° d\'augmenter Ie garnison de Rotterdam, et a titre ie
puuitiuu,
de trois compagnies d\'iufanterie et d\'un escadron
de hussards. Vous aurez soin <|ue l\'établissement des
hommes et des chevaux soit conforme aux instructions
([ii(! j\'ai donné au commandant de la place et en ce qui
-ocr page 147-
EEN STEENWORP IN MEI 1810.                     139
Ie coucenie ii Mr. Ie baron Domoii, Colonel du 8\'"" Régi-
meuts Hussards. Je cointe ([uil ne me parvieudra aueuue
réclamation si ce sujet.
J\'appreuds avec la plus grande surprise qu\'aujourdliui
81 Mai, 8 jours après les fnnestes évènemens du 23,
aucun coupable n\'a été arrêté et que la police de cette
ville puraft dans une parfaite ignorunce de ce qui s\'est
passé et des moyens de connoïtre les individus eomposant
les rassemblements nombreux i[ui out insulté grièveiueut
les troupes de Sa Mujesté l\'Knipereur. Je vous déclare
que je ne puis considcrer ce défaut de satisfaetion due a
1\'outrage fait aux troupes fraucaises que comme mauvaise
volonté de la part de Fadininistration de la ville de Rot-
terdam ou comme nullité de sa part.
J\'ai 1\'houneur de vous prévenir en conséqucnce que je
rends coinpte ii Mr. Ie Maivclial Uuc de Keggio des faits
contenus dans cette lettre et que ne pouvaut obtenir des
administratious inunicipales et judiciaires de la ville de
Rotterdam justice poui Ie passé je ne puis lui réprondre
de 1\'avenir.
J\'ai riionneur de vous saluer,
Baron de Piré,
Général <fo Brigade.
Men ziet — van gebrek aan ijver teu miuste was de
brigade-generaal de Piré niet te beschuldigen. Jammer
slechts voor hem, dat er andere invloeden dan de zijne, en
daaronder machtige, op Oudinot werkten, zoodat de Fran-
sche maarschalk, behoorlijk voorgelicht over de beuzelaeh-
tigheid der zaak, geen werktuig werd in de handen van
officieren als Coëtlosquet en de Piré. Op denzelfden dag,
dat Piré zijn epistel aan den burgemeester toezond,
-ocr page 148-
EEN STEENWORP IN MEI 1810.
IIII
schreef de minister Cambier aan dezen een korter en aan-
genamer briefje: »De ondergeteekende Minister van Oorlog
hoeft de eer, den lieer Burgemeester van Rotterdam te
informeeren, dat hij alle instantiën gedaan heeft bij den
heer Maarschalk hertog van lleggio om den aaninarsch
van troepen na Rotterdam te preveuieeren, dat hij hoopt
hierin, immers gedeeltelijk, te zullen geslaagd zijn, doch
dat, zoo hij zig hierin mogt teleurgesteld zien, hij niet
zal ophouden hij Z. E. den Maarschalk op het terugtrek-
keu der Troepen aan te dringen, en zooveel van hein
afhangt te zorgen, dat de stad niet bovenmate bezwaart
worde. Hij hoopt aan den anderen kant, dat de heer
Burgemeester zal zorgen, dat niets gebeure \'t geen aan-
leiding of voorwendsel tot nieuwe klachten zou kunnen
geven."
Dat de laatste verzekering spoedig en gewillig gegeven
werd, behoeft wel geen betoog. Was de bezetting op zich
zelf een ergernis, zij werd het te meer, nu ze een man als
de Piré aan haar hoofd had. De roerige Franschman
rustte geen oogenblik. Zijne klachten en geschrijf brach-
tcn bijkans alle autoriteiten in beweging; de kwartier-drost
kreeg brieven en copie van brieven van hein, vol klach-
ten over het Botterdamsch bestuur eu de beleediging aan
de Fransehe uniform aangedaan. Hoezeer zijn geschrijf de.
hoofden begon te agiteeren, blijkt uit niets duidelijker
dan uit het schrijven, dat de landdrost van Maasland
zich verplicht achtte (1 Juni) tot deu burgemeester van
Rotterdam te richten. «Hoezeer ik niet anders mag ver-
onderstellen , dan dat zoowel door u als door deu Hoofd-
officier alles zal zijn en worden aangewend, om de daders
en medeplichtigen van het oproer te ontdekken en ter
condigue straffe te laten brengen, zoo kan ik echter, iu
-ocr page 149-
BEN STEENWORP IX MEI 1810.                     141
aanmerking nemende de groote gevolgen, welke soms dit
geval zoude kunnen na zig slepen, niet voorbij, u, mijn
lieer de Burgemeester, daarop nader opmerkzaam te maken,
en u dringend te adhorteeren en dea noods op uwe ver-
antwoordelijkheid te gelasten, om niets onbeproefd te
laten, om de schuldigen te ontdekken, en bij voortduring
ook van uwe zijde met allen ijver voor de bewaring der
rust te zorgen." Men ziet, Piré had zoo hard geblazen,
dat allen bang werden.
Van Molitor echter had Piré geen steun te verwachten.
Zijn naïeve verklaring, dat hij voor de toekomst niet kon
instaan, zoude, doch in een anderen zin dan hij had bedoeld ,
de volle waarheid blijken. De minister van Oorlog, die
niet opgehouden had voor Rotterdam in de bres te sprin-
gen, had het genoegen den S\'w" Juni den burgemeester te
berichten, dat zijne pogingen geslaagd waren. "De ller-
tog van Reggio, dié zich te Utrecht bevindt, heeft, na
mij geobserveerd te hebben, dat hij tot hiertoe gemeend
had te mogen twijfelen, of uw gezag genoegzaam wezen
zou om de ingezetenen tot hun pligt te houden. naardien
men bij de jongste beweging het attroupement van bijna
600(1 mensehen had moeten aanzien, niet observatie dat
mitsdien het belang der vreedzame burgers de tegenwoor-
digheid van een sterk garnizoen scheen te vorderen, niet-
temin wel willen cedeeren aan mijne instantiën: hebbende
Z. Exc., zich volkomen verlatende op mijne verzekering,
dat de rust niet zou gestoord worden, dan ook bevelen
tot den terugmarsch der onlangs naar uwe stad getrokken
troepen gegeven."
Zoo eindigde de vreeselijke historie van den inoordaan-
slag op een Fransch officier. De wakkere de Piré verliet
met zijne huzaren en infanterie Rotterdam. De stad kwam
-ocr page 150-
142                          EEN MTKKNWOK1\' IN\' ME] 1S10.
voor ditmaal met den schrik vrij. Maai zonder offer werd
de beleedigcle volkstrots niet verzoend. Mr. A. W. 15ee-
laerts, dien men verantwoordelijk stelde wegens liet niet
.ontdekken van den schuldige, nam zijn ontslag. Den
12\'1™ Juni werd hij bij besluit van koning Lodewijk uit
zijne beide betrekkingen van hoofdofficier der stad Kotter-
dam en substituut-fiscaal der middelen te lande eervol
ontslagen en vervangen door Mr. Franeois van Hoogstra-
ten. liet ontslag van den heer Van Teylingen als burge-
meester, twee dagen later, zal wel dezelfde reden gehad
hebben.
Meu ziet, dat deze geheele zaak in den aanvang weinig
om het lijf had. Zij heeft beteekenis als bijdrage tot den
geest van afkeer en onwil, die onder de Fransche troepen
hier te lande jegens de bevolking heersebte, en, omge-
keerd, de bevolking jegeus hen bezielde. Maar zij heeft
bovendien waarde als een proeve van de lofwaardige ge-
matigdheid, waarmede de hertog van Reggio zijn lastig
opperbevel in deze moeilijke dagen heeft vervuld.
-ocr page 151-
VII
DE OMWENTELING YAN 1815.
-ocr page 152-
-ocr page 153-
DE OMWENTELING VAN 1813.
I
ONDER FKANSCH BESTUUK.
Het jaar 1795 zag de uitvaart van een doode, wiens
leven overleven was geworden. De Republiek der Ver-
eenigde Nederlanden bezweek. De inval der Franschen,
de vlucht van Oranje en de val van liet gelieele oude
bestuur verdreven den laatsten schijn der eertijds zoo
machtige Republiek, die reeds lang door krachteloosheid
en gebrek aan energie hare waardigheid en haar aanzien
had overleefd.
Te midden van verraad en van moord was zij geboren.
Toen de noodlottige kogel van Balthazar Gerards Wil-
lem van Oranje ter neder wierp, had hij in hem den
aanstaanden graaf van Holland en Zeeland getroffen.
Oranje\'s dood was liet geboorteuur der Republiek geweest.
Terwijl Ëlisabeth\'s dubbelzinnige staatkunde faalde en
Leicester\'s eigenbatige plannen mislukten, was de kracht
der Staten gewassen en de Republiek ontstaan.
Twee eeuwen had ze geleefd. Krachtig, zoolang het
gemeenschappelijk gevaar de kleine belangen voor de groote
deed achterstellen, werden de Vereenigde Provinciën tot
JOKlssE.v. Stuilitn IV                                                                         10
-ocr page 154-
DK OMWKNÏKLIXH VAN 1S13.
1k;
«en machtigen staat, die Spanje vernederde, Bugeland deed
beven en Frankrijk in toom liield. In het dok van Am-
sterdam lagen de sleutels van de Sond, maar ook van de
Theems.
Doch het gevaar week, de strijd werd met de over-
winning, de krachtsinspanning met eer, aanzien en weelde
gekroond, de vrede strooide zijne palmen. Toen open-
baarden zich de geheime kwalen, die het lichaam sloopen
zouden. De oude, mannelijke veerkracht werd ontzenuwd
door de weelde,. Na zooveel gekampt, na zoo laug gestie-
den te hebhen, wilde men de vruchten genieten. Rust,
die ecu ongestoord genot vergunde, werd het hoogst ge-
acht: krachtsinspanning, die nieuwe zorgen baren en
nieuwe gevaren met zich zou brengen, als het grootste
gevaar gevreesd. De vaderen werden geprezen, maar niet
nagestreefd; de roem der vaderen werd uitgebazuind,
maar niet gehandhaafd. De natie, die zooveel had gestre-
den en gezwoegd , wilde nu van al hare moeiten uitrusten,
de vruchten vau haren arbeid genieten; en het geslacht,
dat zich tot kalm genieten en tot niets dan genieten zette,
vergat dat het slechts de vruchten verbruikte van het zweet
zijner vaderen, zonder aan zijne kinderen eene gelijke
reden tot dankbaarheid na te laten. Wel waren er, die
eene waarschuwende stem dedeu hooren en op de ramp-
zalige gevolgen, die zulk eene doinmelzucht moest na zich
sleepen, opmerkzaam maakten, doch zij werden niet ge-
hoord. Ue vele gebreken, die aan het staatsbestuur der
Republiek knaagden, werden niet verholpen; wel gekend,
doch ontveinsd. Niet langer was het algemeen belang,
het belang van den staat, de drangreden, die het handelen
ieidde: maar het eigenbelang, liet voordeel van enkele
familiën, die op het kussen waren gezeten, het voordeel
-ocr page 155-
DK OMWENTELING VAN 1818.                      147
van liet kind, dat reeds in de wieg tot de bevelhebbers
van het leger of tot de regenten des lands behoorde,
leidde de staatkunde der Republiek. De losse band, die
de provinciën na 1050 verbond, was uiteengerafeld en er
bleef weinig meer over, dat den kiachtvollen ouden tijd
herinnerde, dan de schatten, door de vaderen bijeenver-
gaderd en de bleeke weerschijn hunner roemrijke daden.
De Nederlanders der lS\'le eeuw leefden bij den dag voor
den dag: onbekommerd wat de nieuwe morgen brengen,
welk eene verantwoording de toekomst van hen vragen zou.
Après nous Ie déluge!
De nieuwe morgen kwam en de dij keu werden doorge-
broken \'• de vloed brak los over de velden; alles werd in
zijne vaart ter neder geworpen. De Republiek viel eu
sleepte in haren val schuldigen en onschuldigen mede.
De goedhartige en zwakke Willem V boette voor de
fouten van zijn volk, meer nog dan voor zijne eigene.
Beladen met eeu wicht van verwijten, die het scheldende
geslacht met meer recht aan zijne eigeu vaderen had kuu-
nen doen, week hij het land uit en ruimde het veld voor
den broedcrlievendeu Fransc.hman. Doch maar al te duur
werd de hulp van den gewilligeft nabuur betaald. De
opofferingen, die de Bataafsohe Republiek zich ter wille
van Frankrijk getroosten moest, werden talrijker eu zwaar-
der, naarmate het Frausehe bewind met meerdere volhar-
ding eene bepaalde gedragslijn begon te volgen. De bond-
genoot werd langzamerhand als een afhankelijke beschouwd
en behandeld, eu de Frausehe Republiek greep, als ze
\'t noodig oordeelde, met geweld in den gang van zaken
in. En weldra moest de laatste schijn van zelfstandigheid
wijken voor eene volkomene afhankelijkheid, toen de
gelukkige krijgsman, wiens overwinningen Europa\'s ver-
-ocr page 156-
DE OMWENTELING VAX 1813.
148
bazing reeds hadden opgewekt, zich eerst als Consul,
later als Keizer, aan het hoofd van den staat had ge-
plaatst. De Bataafsche Republiek, flauwe nabootsing der
Fransche, moest op Napoleon\'s eiseh zich enne wijziging
in den staatsvorm laten welgevallen en een Raadpensionaris
aan haar hoofd plaatsen. Doch het was slechts voor kor-
ten tijd. Toen de raadpensionaris Schiiuinelpenniiick bijkans
geheel liet gezicht begon te missen, had Napoleon een
zeer geschikte aanleiding, om hem ongeschikt voor zijne
hooge betrekking te verklaren. Het was beter een koning-
schap te vestigen, dat eng met frankrijk verbonden was:
liodewijk Napoleon, de broeder des keizers, was de per-
soon, aan wien Holland behoefte had.
Hoe aanlokkend het voorstel ook was, het verzet duurde
lang, en eindelijk werd alleen «uit uooddwang ter vermij-
ding van ontwijfelbaar meerdere rampen", \' toegegeven.
Zonder eenigen uitslag ging eene commissie - naar Parijs,
waar ze zelfs niet tot den keizer toegelaten werd. Alleen
Verhuell, de Hollandsche gezant te Parijs, werd tot hem
geroepen. Te vergeefs betoogde deze hem de weinige vol-
doening , "die de Prins zou inoogsten in een land, dat
gesteld was op zijn ouden regeeringsvoriu en zulk een
afkeer betoonde van het monarchale regoeriugstelsel, dat
men, in weerwil van al den eerbied voor den Keizer, den
Prins met weerzin, zelfs met afkeer zou zien komen."
Op dit vrijmoedig woord antwoordde Napoleon op een zoo
gestrengen toon, als Verhuell nooit had opgemerkt r
//welnu, dewijl de Hollanders niet willen toegeven aan de
goede voornemens, die ik voor beu koester, zal ik hun
1 Woordni van het Groot Hesojrne bij : R. J. Schimtneliienninck en eeni.se
gebeurtenissen van zijn tijd II, 180.
J Groen vim Prinstcrer, Geschiedenis des Vaderlands, hl. 11\'Jli.
-ocr page 157-
149
DE OMWENTELING VAX 181.3.
eeii mijner generaals zenden, den maarschalk Davoust of
Soult, om lien te regeeren: zij zijn een Pranschen Prins
onwaardig." \' Ueze bedreiging van eene dadelijke inlijving
deed allen tegenstand ophouden en de aangewezen Lodewrjk
Napoleon werd ootmoedig tot koning van Holland begeerd.
Men gaf toe, om grooter gevaren te voorkomen; doch velen
waren er ook, die de verandering niet zeer sterk betreurden
en in de verheffing van een lid van liet keizerlijk huis op
den troon van Holland een waarborg meenden te zien voor
toekomend geluk. De omwenteling van 1795 en de volgende
staatsveranderingen hadden nieinands wenschen, zelfs niet
van de meest bescheidenen, bevredigd. Napoleon had in de
laatste jaren o]) den gang van zaken toch zoo grooten invloed
gehad. Het scheen daarom beter een gouvernement, dat,
ondanks Schimmelpenninck\'s bekwaamheid, zwak naar buiten
en machteloos in binnenlandsche aangelegenheden was, met
een bestuur te verwisselen, dat aanspraak mocht maken op
de belangstelling en zorg van den keizer. Een vorst, door
banden van bloedverwantschap aan den machtigen behecrscher
van Frankrijk verbonden, zou het land beter kunnen be-
schermen, dan een veel- of eenhoofdig inlandsch bestuur.
De nieuwe koning kwam, aanbevolen door clen gunstigen
dunk van allen, die hem hadden leerenkennen. De menigte
juichte eu alle standen , de oude aristocratie en de hoogere
standen niet het laatst, spoedden zich tot den nieuwen vorst.
De gemakkelijke eu welwillende ontvangst van Lodewrjk eu
zijne gemalin nam ieder voor hem in. Nooit te voren was
de weg van \'s-Gravenhage naar het huis in \'t Bosch zoo
druk bereden als in die dagen. \'2
\' Verhuell, Hut Leven vun Grauf Verhuell, bl. 19.
• Verhuell, bl. 50, 52.
-ocr page 158-
150                      DU OMWKNTKLTN\'tt VAX 1813.
Weinige maanden na zijne troonsbestijging stelde Lodewijk
de ridderorde der Unie in, met de zinspreuk: doe wel en zie
niet om!
\' Als waren de Hollandsehe woorden voldoende
om een Hollandsen hart te verlokken, werd het ridderlint
met gretigheid begeerd en met dankbaarheid aangenomen;
zelfs de ernstigste mannen maakten hierop geene uitzondering:
men vroeg zich, naar het scherpe woord van Verhuell, niet
af: heb ik die onderscheiding verdiend? Genoeg, dat de
koning iemand die waardig had gekeurd.
Deze groote gemakkelijkheid, om zich in den nieuwen toe-
stand te voegen, was gedeeltelijk liet gevolg van het gevoel
van afmatting, dat zich in de laatste jaren van alle standen
had meester gemaakt. Thans scheen de onzekere toestand
geëindigd en een nieuw leven, wel vol bezwaren maar aan
minder wisselvalligheden blootgesteld, begonnen. Ook de
persoon van den nieuwen vorst boezemde vertrouwen in.
Zijne ronde verklaring, dat hij noch staatsbankroet, noch
conscriptie wilde, dat hij Hollander was geworden, sinds
hij den voet op dezen grond had gezet, won hem de harten
ook van hen, die weinig met zijne komst ingenomen waren.
Hij bezat, als hij wilde, den slag oin menschen voor zich
in te nemen. Toen hij Van der Goes tot minister van
Buitenlandsche Zaken wilde benoemen, riep hij hem tot
zich in zijn kabinet en sprak hem aan: //Men heeft ge-
tracht mij tegen u in te nemen, maar zelfs uwe vijanden
getuigen van uwe rechtschapenheid. Wilt gij uw Vaderland
onder mij dienen?" 2 Welk staatsman kon bij zulk eene
toespraak zijne diensten weigeren?
En het waren niet alleen de hoogere standen, die hij tot
1 Zie de Aanteekenittgen achter in het boek.
* Doeuments historiqneBt 155, 171.
-ocr page 159-
DU OMWKNTfXlNd VAN 1813.
L51
zich wist te trekken . ook de natie in "t algemeen wist hij
aan zich te hechten. Hij deelde met het volk, dat hij
regeerde, de deugden van goedhartigheid en weldadigheid.
Toen in 1807 het springen van een kruitschip de stad
Leiden in diepen rouw dompelde, ijlde hij zelf naar de
plaats des ongevals en klom , bij het akelig licht der nog
brandende woningen, over het puin der ingestorte huizen.
om de verminkten en gewonden te redden. Uit zijne eigene
middelen voegde hij rijke ondersteuning aan de groote
giften toe, die de natie voor de ongelukkiger! te zamen
bracht. Evenzoo zag men hein in 18(19, toen eene hevige
overstrooming een deel van Gelderland en 7/uid-Holland
teisterde, op den waggelenden dijk nabij Gorincliem zich
aan levensgevaar blootstellen. \'
l)och meer nog dan zijne hartelijke deelneming in de
rampen des volks, deed zijn eerbied en ondersteuning van
de hoofdelementen der volksbeschaving hem de algemeeue
achting en liefde winnen. Kort vóór zijne komst was voor
de eerste maal in dit land het lager onderwijs door eene
wet geregeld, waarbij van staatswege scholen werden ge-
opend, zouder dat eene gelijke vrijheid aan bijzondere
personen werd ontzegd, zoo ze slechts aan bepaalde ver-
eischten voldeden. Deze wet, die de grondslagen van het
volksonderwijs vaststelde, bleef onaangetast. De koning
kende de Hollandsche taal niet, maar wilde ze leeren.
Wekelijks kwam Bilderdijk zijn koninklijken leerling onder-
wijzen, schoon met weinig vrucht, naar men zegt. 2
Lodewijk wilde Hollander zijn, maar bleef niettemin in
denkbeelden en richting ïranschinan. Zoo richtte hij,
1 Leven vmi ü. J. van Leuuep, I, 282.
" Zie Hist. Bladen, 1\' dr. I, 891; 2" dr. I, 40B; 3" dr. II, 234.
-ocr page 160-
15:2                          Dl\'. OMWENTELING VAN 181-3.
ineenende dat de ontwikkeling van kunsten en weten-
schappen zich met geweld laat dwingen, een Instituut voor
letteren en fraaie kunsten op, tot welks lidmaatschap hij
de uitstekendste vaderlnndsche geleerden, Bilderdijk, Van
der Palm, Siegenbeek, enz. riep. Ook buiten het Instituut
toonde hij hen te waardeereu; hij ontving hen aan zijn hof,
schonk een enkelen (Bilderdijk) een jaargeld, en erkende
hunne verdiensten met het ridderliut der Unie. Landbouw
en nijverheid zocht hij te bevorderen door de ondersteuning
aan de commissie van landbouw gegeven, door de aan-
gevangen droogmaking van den Zevenhuizer plas en door
den aanleg van straatwegen, zoodat het niet te verwonderen
is, dat de volksoverlevering ook nog in onze dagen een
gunstig oordeel over dezen koning van vreemden oor-
sprong velt.
Doch al deze eigenschappen en deugden, die een sieraad
uitmaken van een bijzonder persoon, vormen den regent
niet In andere tijden, in dagen van rust en vrede, had
een man als koning Lodewijk een goed vorst kunnen zijn;
de toestand van zijn volk en van den tijd eisckte grootere
talenten. Ter wille van zijne waarachtige zucht, om zijn
koningschap bemind en den onderdaan gelukkig te maken,
zag de Hollandsche natie veel over het hoofd, wat ze aan
elk ander regent nooit zou vergeven hebben. Met haren
spaarzamen aard kwam het weinig overeen, dat de koning
onophoudelijk zijne residentie verlegde en van Den Haag
naar Utrecht, van Utrecht naar Amsterdam verhuisde.
Zijne vrome voornemens, \' om de volksdeugden van zuinig-
heid en eenvoud zich eigen te maken, liet hij spoedig
varen, en meer en meer wonnen pracht en weelde aan zijn
1 Verhuull, bU. 40, enz.
-ocr page 161-
DE OMWENTELING VAN 1813.                          158
hof veld. De rijk met goud geborduurde rok verving de
deftige zwarte kleederdracht; prachtige feesten en ver-
tooningen volgden elkander op. Men zegt, dat in die
dagen een Franschman, door een der hovelingen gevraagd,
wat hij van hen en van dit alles daeht, antwoordde: zoo
De lluyter en de De Witten konden opstaan, zij zouden
u met kinderroeden uit dit oude Stadhuis jagen. \' Deze
dolle geldverkwisting, het gevolg van zijne liefde tot
koninklijk vertoon, die hem o. a. ook maarschalken van
Holland deed scheppen, wier maarschalksstaf straks door
den keizer werd verbroken, is het hoofdverwijt tegen zijne
regeering. Hij kende den schuldenlast, waaronder het land
gebogen ging, hij liet leeningen sluiten om in de dringendste
behoeften te voorzien, en toch verkwistte hij \'s lands
penningen. Toen hij op den troon kwam, bedroeg de rente
der schuld ruim dertig millioen gulden; bij zijn vertrek,
slechts vijf jaar later, was ze tot bij de veertig millioen
geklommen. 2 Hen spaarzaam bestuur zou hem een duur-
zamer recht op den dank van zijn volk hebben gegeven,
dan zijne goedhartigheid, die dikwerf zwakheid werd, en
zijn machteloos trotseeren van den oppermachtigen broeder.
Prins ljodewijk Napoleon toch was door Napoleon vol-
strekt niet op den troon geplaatst, om een zelfstandig leven
te leiden en een Hollandsen vorst te zijn. Toen Napoleon
hem op verzoek van de afgevaardigden van het Bataafsche
volk als hun koning afstond, had hij hem o. a. deze
woorden toegesproken.\' //Houd nimmer op, Fransehman te
zijn. De waardigheid van Connétable des Eijks zal door
u en uwe nakomelingen worden behouden; zij zal u de
1 Schimmelpemunck, II, 206,
1 Sohimmelpeiminek, II, 207.
-ocr page 162-
154                      DE OMWENTKHNO VAN 1813.
plichten jegens mij te binnen brengen en het gewicht, Jat
ik hecht aan de vestingen, die het noorden vim mijn rijk
beveiligen en wier verdediging ik n opdraag." \'
Menige brief en menige daad van den keizer riepen den
koning den inhoud van deze vermaning in \'t geheugen
terug. Lodewijk kon den titel van koning dragen, doch
in werkelijkheid mocht hij niets dan de stadhouder van
den keizer zijn. Hij was aan het hoofd der zakeu hier te
lande geplaatst, gelijk Murat te Napels, Jcrome te Kassei.
I\'higenius te Milaan en Jozef te Madrid, om al de krachten
van het door hem bestuurde volk aan de bevestiging en
uitbreiding van het Fransche keizerrijk dienstbaar te maken.
Uit was het groote einddoel, waaraan alles ondergeschikt
moest worden. Geen wonder, dat Napoleon verre van
ingenomen was met den door Lodewijk betoonden eerbied
voor de Hollandsche nationaliteit, met zijne begunstiging
van taal en letterkunde, met zijne dolle geldverkwisting,
die het land verarmde, en zeer ontevreden was over diens
voortdurende weigering, om de rente der schuld te tierceeren
en de Fransche conscriptie in te voeren. Dit alles, gevoegd
bij zijne nalatigheid om de marine op dien voet te brengen
als Napoleon wenschte, was zeker reeds ruim voldoende
om den toorn van dezen op te wekken. Doch er kwam
ras eene grieve bij. die meer dan al bet andere eene ver-
zoening\' tusschen de beide hoven voor goed onmogelijk maakte.
Nadat in het laatst van 1805 Oostenrijk tot den vrede
van Presburg was gedwongen (i(> Dec.); in Napels, bijna
gelijktijdig (15 Dec), de dynastie der Bourbons was ver-
dreven, om vervangen te worden door Jozef Bonaparte
(Febr. 180B), later door Murat; eindelijk ook Pruisen
1 Oor. hirt., I, 130. Hist. Bladen, 1" ir. I, 3113: 2\' dr. I, 408;
3\' dr. II, 23(1.
-ocr page 163-
DK OMWENTELING VAN 1813.                          155
(Jan. 180(i) was bezweken en het Rijnverbond (12 Juli 1800)
de kleinere Duitsche vorsten tot satellieten van den grooten
overweldiger had gemaakt, was er slechts ééiie macht in
Europa, die voortdurend het Keizerrijk van liet Westen
weigerde te erkennen. Het was Engeland dat, sterk door
zijne macht en ligging, nog tegenstand bood. Het moest
bedwongen worden en mede zijne schatting bieden aan den
opvolger van Karel den Groote. Dankte het aan den
handel zijne grootheid en kracht, het moest door den
handel vallen.
Aan dit grootsch ontwerp, dat alleen in het hoofd van
een veelomvattend genie als dat van Napoleon kon op-
komen en alleen door eeu man als hij met zulk eene
volharding en betrekkelijke volledigheid kon worden uit-
gevoerd, danken we de reeks van besluiten, die het cou-
tineutaal stelsel vormen. De hoofdinhoud der verschillende
decreten, \' wier opsomming ik mijnen lezers besparen zal,
is deze: alle havens van Engeland worden in staat van
blokkade verklaard, alle handel met dat rijk wordt ver-
boden. Alle schepen, die in Frankrijk binnenloopen, na
Engeland aangedaan te hebben; alle waren, uit Engelsche
koloniën of\' met Engelsche schepen aangevoerd, benevens
alle Engelsche magazijnen en eigendommen, worden ver-
beurd verklaard. Dit stoute handelsinterdiet beantwoordde
de Engelsche regeering met het bevel, om alle schepen
aan te houden, die niet iu eene Engelsche haven de
gevorderde rechten betaald hadden. Natuurlijk werd daarop
van de Eransehe zijde elk schip, dat zich aan die voor-
waarde onderwierp , voor goede prijs verklaard.
De gevolgen van dezen handelsstrijd zijn onberekenbaar
1 firwn vim Prinsterer. Geschiedenis iles Vaderlands, lil. 1206.
-ocr page 164-
156                       DK OMWENTELING VAN 1813.
geweest. De Ihigelsehe waren bleveu in de magazijnen
opgepiept en konden niet dan met levensgevaar door
smokkelaars, duur betaald, of met oogluikiiig der douanen,
door schatten gouds omgekocht, op liet vasteland worden
ingevoerd. Het is niet na te gaan, welk eene zedeloosheid
deze toestand, waarin de eerlijke man een bedelaar werd,
terwijl rijkdom voor een valscheu eed of omkooperij te
verkrijgen was, iu alle landen heeft verspreid. Naar de
dadelijke uitwerking te oordeelen , misten Napoleon\'s
besluiten het doel niet. Engelands handel scheen geknakt,
terwijl in liet Fransehe gebied en overal op liet vasteland
de fabrieksnijverheid, niet langer bevreesd voor de machtige
mededingster, het hoofd verhief. Doch de misslagen der
regeeringen worden, vroeg of laat, door de volken geboet.
Terwijl in Engeland het beginsel van vrijheid van handel
voortdurend de ontwikkeling heeft gesteund, zoodat de
handel deze tijdelijke stremming geheel is te boven ge-
komen, is de nijverheid van het vasteland ook na 1815
aan bescherming en tarieven, aan de uitsluiting van mede-
dingers gewoon gebleven: eene dwaling, die slechts laug-
zamerhand algemeen is ingezien en wordt opgegeven.
Dit continentaal stelsel werd door Napoleon, gelijk aan
alle van hem afhankelijke staten, ook aan het koninkrijk
Holland opgedrongen. Lodewijk, die zeer goed begreep, dat
liet de doodsteek was voor ouze kustvaart en den handel
inet onzijdigen (bijv. Amerikanen) — het eenige wat ons nog
restte, daar onze groothandel reeds lang was ontslapen, —
aarzelde het in zijue volle gestrengheid uit te voeren. Zijn
besluit van 1 Dec. 1806 verklaart het eerste decreet van
den keizer der Fransehen ook in zijn rijk geldig, «coor
zouver
de reeds genomen maatregelen ontoereikend mochten
zijn." Doch deze bijvoeging, aangebracht om de vrijheid
-ocr page 165-
DE OMWENTELING VAN 1813.                          157
tot latere wijzigingen te behouden, mishaagde den keizer zoo
zeer, dat reeds veertien dagen daarna de Hollandsche koning
de havens van zijn rijk voor alle schepen moest sluiten.
Doch het baatte niet om het misnoegen van Napoleon te
verminderen, dat in den voortdurenden smokkelhandel voedsel
vond. Te vergeefs beriep Lodewijk zich op den aard en
de uitgestrektheid onzer kusten, die de volkomene afsluiting
tot eene onmogelijkheid maakten: keizer Napoleon meende,
dat men de huid wel kon verbieden uit te wasemen. \'
Het was eene oorzaak van voortd urenden twist tussehen
beide hoven. Lodewijk ging voort, gehoorzaamheid te be-
tuigen en den smokkelhandel oogluikend toe te laten.
Toen hij in 1807 vele Hollandsche steden bezocht, zag
hij, staande op de reê van Texel, vele Amerikaausche en
Zweedsche schepen binncnloopen. Ken der hoofdofficieren
van zijn huis verwonderde zich over de komst der laatste en
vroeg Z. M. met een eenigszins spottend air, of Z. il. die
schepen van Zweden wel gezien had, met welk land Frankrijk
in oorlog en alle communicatie verboden was? De koning
antwoordde, hem den rug toedraaiende: ik zie niets dan
handelsschepen. \' Docli na weinige dagen kwam er bevel uit
Parijs, om onverwijld aan Zweden den oorlog te verklaren.
Het was geen wonder, dat Napoleon"s klachten over de
slechte handhaving van het verbodstelsel niet verminderden
en dat hij zich in menig oogenblik van drift bedreigingen
liet ontvallen, die Hollands wantrouwen ten aanzien zijner
bedoelingen rechtvaardigden. Maar nog meer werd dit opge-
wekt door inbreuken, die hij zich veroorloofde te maken op
de zelfstandigheid van zijns broeders rijk. Toen Lodewijk
1 Doe. hist., I, 273.
> Doe. hist., II, lil.
-ocr page 166-
158                      DK OMWENTELING VAN\' 1813.
in September 1SU7 uit de Pyreneën, waarheen hij zieli voor
zijne gezondheid na den dood van zijn zoontje begeven
had, over Parijs terugkeerde, bezocht hij den keizer. Zon-
der zich om de koninklijke waardigheid zijns broeders te
bekreunen, had hij gedurende de afwezigheid van Lodewijk,
zijne gendarmes en douaniers op Hollandsen grondgebied
gezonden. Lachend verzocht hij Lodewijk zich hierover
niet te verwonderen. De koning ijlde naar zijn laud,
doch kwam te laat. Te Antwerpen vernam hij, dat ver-
kleede gendarmes in ieder der drie steden, Bergen op
Zoom, Breda en VHertogenbosch, een particulier onder
voorwendsel van smokkelarij hadden opgelicht. Woedend
over de beleediging, liet hij den generaal Paraviciui di
Capelli, gouverneur van Mergen op Zoom, vervolgen en een
ander hooggeplaatst ambtenaar te Breda afzetten. Doch
de gevangenen waren hiermede niet gebaat en alle pogingen
om hunne vrijheid te herkrijgen vruchteloos.
Dit proefje had den koning voorzichtigheid kunnen leeren
en het nuttelooze van zijn tegenstand doen inzien. Doch
het is nog de vraag, of hij wel bij machte zou geweest
zijn, om allen smokkelhandel te weren. De onafgebroken
linie van visschersvaartuigen, die van Petten tot Katwijk
liep, kou zeker wel opgeruimd worden, maar de kust-
bewoners zouden toch altijd de verboden waar hebbeu
ingevoerd. Hoe \'t zij, er was groud genoeg voor de steeds
toenemende ontevredenheid van den keizer. Dreigende nota\'s
brachten Lodewijk buiten zich zelveu van toom en ver-
vulden hem met wantrouwen jegens Frankrijke bedoelingen.
Te vergeefs smeekten mannen als Verhuell, door hein te
recht of ten onrechte beschouwd als meer de belangen
van Frankrijk dan van Holland toegedaan, den koning, om
toe te geven. Toen alles vruchteloos was, verbood Napoleon
-ocr page 167-
DE OMWKNTKLING VAN 1 SI:}.                          159
allen handel met Holland, en eene dubbele lijn van douaniers
sloot onze grenzen. Thans beloofde de regeering volkomen
gehoorzaamheid en het decreet werd tijdelijk geschorst, doch
aanstonds weer van volle waarde verklaard, toen het bleek,
dat de smokkelhandel nog niet volkomen werd onderdrukt.
De algemeene meening zag in dezen twist Napoleon bezig
om een voorwendsel te zoeken, ten einde ons land te
kunnen inlijven. Ook fiodewijk geloofde het. In den
wrok van zijn gemoed zond hij alle Fransehen weg en
klemde zicli krampachtig aan zijn volk en aan zijn be-
dreigden schepter vast.
Doch beide zouden hem niet redden, noch hij hen. Een
stoot van buiten wierp den papieren troon omver.
In Juli 1809 vertoefde koning Uxlewijk aan de baden
te Aken, toen op eenmaal hem het bericht verschrikte, dat
de grootste laudingsvloot, die Engeland ooit had uitgerust,
op Walcheren was geland. Blijkbaar was de tocht op Ant-
werpen gemunt, dat om zijne scheepsthnmcrwerven, maga-
zijnen, ligging, enz. door Napoleon "een pistool op de
borst van Groot-Brittanje en een koninkrijk waard" werd
geacht. Oogenblikkelijk snelde Bodewijk naar Amsterdam
en nam zulke goede maatregelen, dat hij, ondanks de
mislukking van enkele, spoedig aan het hoofd van 61)00
man stond. Inmiddels hadden de Kngelschen tijd verloren,
en toen ze eindelijk wilden doortasten, bleek de verdediging
van Antwerpen te. sterk. Bernadotte, die ter hulpe was
toegesneld, verkreeg het opperbevel; koning Lodewijk moest
zijne troepen onder het bevel van den 1\'ranscheu maarschalk
stellen en kou zelf naar huis gaan.
Deze inval der Engelschen, ofschoon ten volle mislukt,
bespoedigde de beslissing. Napoleon wierp al de schuld van
de voordeelen, door de Engelschen in den aanvang behaald,
-ocr page 168-
160                      DE OMWENTELING VAN\' 1813.
op zijn broeder en zocht hierdoor een schijn van recht aan
de bezetting van Zeeland te geven. Onmiddellijk nadat het
door de Kngelschen verlaten was, werd het door b\'ransche
troepen bezet en op Walcheren werd aanstonds allen ainbte-
uaren de eed van getrouwheid afgenomen.
Het bericht van deze daad bracht de grootste ontsteltenis
te weeg en dadelijk ontving onze. gezant te Parijs, Verhuell,
last om de eilanden terug te vragen. Toen diens vertoogen
alle uitwerking misten, meende Lodewijk zeil\'meer te zullen
vermogen bij den broeder, wien hij zijne opvoeding dankte;
en te kwader ure liet hij zich door eene verklaring van het
Fransohe hof verlokken, om zelf te l\'arijs eene verandering
te gaan vragen.
Het drietal maanden (üec. 1809-—Maart 1810), dat de
koning te l\'arijs doorbracht, was vol van onaangenaamheden
van allerlei aard. Ofschoon als broeder door Xapoleon niet
onwelwillend ontvangen, moest hij als koning van Holland
de bitterste verwijten aauhooren en, somtijds in het openbaar,
de hevigste uitbarstingen van \'s keizers ontevredenheid ver-
dragen. Bij zijn vertrek had hij aan verzet in vereenigiug
met Engeland gedacht, en in dien geest bevelen achter-
gelaten ; doch thans moest hij die bevelen intrekken, en
den generaal Kraijenhof, die eeltige aanstalten tot tegenstand
had gemaakt, ontslaan. Alles werd aangewend om hem te
bewegen, vrijwillig van den troon afstand te doen en eene
schadeloosstelling in Duitsche goederen aan te nemen; en
zoo niet, hij zou de inlijving van zijn land toch uiet
kunnen weren. Door deze en dergelijke bedreigingen, die
hij nu eens van den keizer zelven, dan van zijne ministers
moest aauhooren, leefde de arme Lodewijk gedurende al
den tijd van zijn verblijf in gestadigen schrik eu angst.
Tot neerleggen van zijne kroon was hij uiet te bewegen,
-ocr page 169-
DF. OMWENTELING VAN 1813.
Kil
wel tot liet doen van concessiën, die, ofschoon ze zijn
aanzien verminderden, ten minste het onafhankelijk bestaan
van zijn land zouden redden. Na eindelooze beraadslagingen,
talloos over- en wederspreken, herhaalde veranderingen,
wijzigingen, toevoegsels, afkortingen, enz., die hem nu
eens met hoop, dan weder met sehrik vervulden, lieden
hem ongesteld maakten uit vrees dat alles verloren was,
hem morgen herstelden uit blijdschap over het gewonnene.
kwam men eindelijk tot een besluit. \'
Den lfi\'\'«" Maart 1810 werd het traktaat met frankrijk
gesloten, waarbij hij Brabant, Zeeland en het land tus-
schen Maas en Waal aan den keizer afstaan, Fransche
troepen in zijne steden en Fransche douaniers in zijn rijk
moest dulden. Die]) gebogen kwam de vernederde vorst
in zijne hoofdstad weder, waar hij met groote blijdschap
door zijne onderdanen, die aan zijne terugkomst niet meer
geloofd hadden, ontvangen werd. Doch die vreugde zou
spoedig verkeeren, want de dagen van het koningschap
waren geteld.
Toen alles, wat hij te Parijs had moeten toegeven, in
werking trad; toen Fransche douaniers, met onze taal on-
bekend, alle kusten en havens bewaakten; toen de Fransche
troepen Amstei\'dam naderden, besloot bij voor de overmacht
te wijken. Den l,te" Juli deed de koning afstand ten be-
hoeve van zijn zoon , onder regentschap der koningin,
omdat hij het ongeluk had zijn broeder te mishagen,
zoodat zijne tegenwoordigheid bet eindigen van den onge-
lukkigen staat van zaken tegenhield. Keu dag later was hij
1 Róell, Verslag van hetgeen ter gelegenheid van het verblijf deeKoninge
te Parijs is voorgevallen. Amst. 18:17. Thiera, Hist. dn Cunsulat et de
l\'Empire (éd. Brux.), III, 816 sniv.
JORISSEN. SllllHïit. IV                                                                                      11
-ocr page 170-
1H2
DE OMWKNTKLING VAX 1813.
op reis uaar Tiiplitz, om nimmer liet land weer te zien,
dat hem voor zoo korten tijd eeue kroon had geschonken.
Eene algemeene verslagenheid heersohte, toen de afstand
en het vertrek van koning Lodewijk bekend werden. De
natie had hem leeren achten en ondanks zijne onbesteudig-
heid en spilzucht lief gekregen. Lodewijk Napoleon was
geen groot, maar hij was een goed man. Hij verlangde
oprechtelijk zijn volk gelukkig te maken, doch miste de
kracht, om zich zelven te bedwingen en zijne liefde tot
koninklijk vertoon te onderdrukken ter wille van de drin-
gende uooden zijns volks. Voorzeker was deze schuld je-
gens zijn volk groot; doch de beschermengel der volken,
die. mede is gezeten in de rechtbank der historie, heeft
hem die vergeven, omdat hij de natie ten koste van zijn
eigen voordeel voor zooveel ergers heeft bewaard. Indien
hij blindelings de Fransche politiek had willen volgen, dan
had hij een vorst van een groot rijk kunnen zijn. Maar
hij heeft zijn eigen belang verloochend uit liefde tot zijn
Hollandseh volk; hij heeft geweigerd de levenskrachten
der natie voor de grootheid van Frankrijk uit te putten.
Dit moge een misslag zijner staatkunde zijn geweest: het
is de beste aanspraak, die hij kan doen gelden op de ver-
gitfenis van het nageslacht.
Toen de tijding van Lodewijk\'s besluit te Parijs aan-
kwam, bleek de overeenstemming, welke er ditmaal tus-
sehen de broeders bestond. Den (i\'1™ Juli ontving Napo-
leon het bericht, nadat hij juist des morgens een rapport
had ontvangen, volgens zijn bevel opgesteld om de redenen
te ontwikkelen, waarom de inlijving van Holland bij het
keizerrijk moest geschieden. \' Derhalve, ware Lodewijk
1 Thiers, Hist. du Consulat et de 1\'Empire, III, 341.
-ocr page 171-
DE OMWENTELING VAN 1813.                      163
zijn broeder niet voorgekomen, hij zou als een gewoon
prefekt smadelijk zijn afgezet
Napoleon, gelijk ieder en ook Lodewijk wel verwacht
zal hebben, weigerde de beschikkingen van zijn broeder
goed te keuren. Reeds twee dagen na den afstand trok
Oudinot Amsterdam binnen en was de Franschman meester
van het land. Weinige dagen later (9 Juli 1810) volgde
het besluit van inlijving: Nederland, als «een aanslibsel
van het Franselie rijk," was uit de rij der zelfstandige
volken gewischt en gehoorzaamde een meester, wien de wil
noch de macht ontbraken om zich te doen gelden.
Keizer Napoleon heerschte alzoo ook over Holland. Had
hij vroeger der bevriende natie hare afhankelijkheid zwaar
doen gevoelen, thans was zijn wil haar wet geworden.
Doch, ofschoon hij als de vorst, die niet slechts regeerde,
maar ook bestuurde, in de volksmeening op den voorgrond
trad, toch was hij voor de menigte meer het geheimzin-
nige monster uit de verte en werd zijn beeld dikwijls
teruggedrongen door zijne, dienaars, die op het lot van dui-
zenden zulk een grooten invloed oefenden. Alle ambtenaren
van den eersten rang waren vreemdelingen, Frauschen, \' en
slechts op posten van minder aanbelang werdeu Hollanders
toegelaten, die ook uit den aard der zaak met de Fransche
administratie te weinig bekend waren, dan dat een enkel
deel van het algemeen bestuur hun kon worden toevertrouwd.
Aan het hoofd der regeering stond Le Brun, hertog van
Plaisance, de vroegere ambtgenoot (consul) van den keizer.
Eenstemmig is omtrent hem de getuigenis van den tijd-
genoot : \'/een grijsaard, niet onbekend met hoofsche vormen
en manieren, zachtzinnig van inborst, ordelijk in huis- en
1 Zie de Aanteekeningen achter in het boek.
-ocr page 172-
lfi\'l                     DK OMWEXTR11NU VAN 1S13.
hofhouding, die elk ontving, te spraak stond, aan zijnen
niet overdadigen diseh noodigde, ieder hooien en niemand
dienen kon." \' In overeenstemming met de geheele in-
richting van het Fransche keizerrijk, werd ook de nieuw
aangewonnen provincie in departementen3 verdeeld; werden
de oude landdrosten door prefekten, en de burgemeesters
door maires vervangen. Onder deze prefekten waren mannen,
die meer invloed bezaten dan de goedhartige Gouverneur-
Generaal. Op de lippen van de ouderen onder ons zweven
twee namen. die de overlevering gebrandmerkt tot de
jongeren heeft gebracht. Het zijn die van de prefekten
De Celles en De Stassart. Doch het vonnis van den tijd-
genoot was niet billijk, toen het deze beide, mannen gelijk-
stelde. Heiden, De Celles en De Stassart, waren, vóór ze
in ons land kwamen, reeds in verschillende stnatsbetrekkingen
werkzaam geweest, en beiden met eere. Xiet alleen hadden
zij zich onderscheiden door trouwe plichtsbetrachting, maar
ook door het bevorderen van wetenschappelijke inrichtingen.
De Stassart was zelfs auteur. In liet laatst van 181(1
werd De Celles tot prefekt van het departement van de
Zuiderzee (Noord-Holland of Amstelland en Utrecht) be-
noemd, en de wijze, waarop hij zich van zijn plicht kweet,
deed hem den ongunstigen naam, dien hij draagt, verkrijgen.
Vrienden en vijanden stemmen overeen, dat zijn bestuur
hard, zeer hard is geweest; dat hij noodeloos en nutteloos
de strenge besluiten der regeering in de toepassing harder
maakte, in plaats van ze te. verzachten. Nog leeft bij onze
bejaarden de herinnering van menige wreedheid voort, op
zijn bevel bedreven; nog is de wrok over \'s vreemdeling»
1 V. tl. Pulni, Gedenkschrift vim Neder], herstelling.
1 Zie de Aanteekeningen achter in het boek.
-ocr page 173-
L65
Dl; OMWENTELING VAN 1813.
hoogen toon en diens beleedigende vormen niet uitgesleten.
Hij stelde geen belang en schepte geen behagen in de
achting van zijne geadministreerden, en bezat die dan ook
niet. Men verachtte hein. Doch niet alzoo was het met
De Stassart gesteld. Door eerzucht, door de hoop op be-
vordering werd hij tot stipte gehoorzaamheid aan de bevelen
van hooger hand gedreven. Doeli hij heeft de wreedheid
iler Fransche verordeningen niet verscherpt; integendeel zijn
ile bewijzen aanwezig, dat hij ze dikwerf heeft verzacht.
•Jongelieden, voor wie de kosten van het remplacement bij
de. conscriptie te zwaar waren, werden door hein bij de
meest geprefereerde korpsen geplaatst. Zelfs heeft hij een-
maal aan twee Nederlanders, die bij het overgaan tot de
vijanden des keizers gearresteerd waren, de vrijheid terug-
bezorgd. Spoedig in drift ontstoken, was hij dikwijls on-
billijk , docli als hij tot kalmte was gekomen en het onrecht
inzag, trachtte hij steeds het zooveel mogelijk te herstellen.
Wie hem misleidde, gelijk vele Hollanders in hunne opgaven
betrekkelijk gewestelijke zaken maar al te dikwerf deden,
had zijn geduchten toorn te vreezen. De Stassart zocht
werkelijk op zijne wijze, d. i. door stipte volvoering van de
keizerlijke bevelen, zonder ze te verzwaren, de ingezetenen
gelukkig te maken: het was het geoorloofd middel, dat hij
bezigde, om voor zijne eerzucht voldoening te verkrijgen. \'
Deze waren de twee mannen, die als de invloedrijkste
van ons bestuur bekend zijn. Hun uiteenloopend karakter
bewijst, wat trouwens wel vanzelf spreekt, dat liet ook
onder de Fransche ambtenaren niet aan mannen van zeer
verschillenden aard ontbroken heeft. Er waren onder hen,
1 Ten Zeliltun Gauswijk, Bijdragen tot de Geschiedenis van het Staat*
bestuur in ons vaderland, II, 1, bl. 253, 288.
-ocr page 174-
!()(>                          DK OMWSNTKLIXG VAN 1S13.
die menschelijk genoeg waren om met matiging en zachtheid
de nieuwe regelen bij een volk toe te passen , dat in zijne
heiligste belangen, in zijne zeden en gewoonten gekwetst
werd. Doch er waren evenzeer, en het zijn niet alleen
Fransehen maar ook Hollanders geweest, die gretig van de
gelegenheid gebruik maakten om, door zelve een weinig
den despoot te spelen, anderen het drukkende der af-
hankelijklieid in hare volle zwaarte te doen gevoelen.
Hunne zuebt tot heersenen openbaarde zich maar al te
veel in kleingeestige verdrukkingen en heeft niet het minst
bijgedragen om het vreemde juk ondraaglijk te maken.
Het was aan zulke mannen, dat de zware taak was toe-
vertrouwd, om de nieuwe regeling van den staat, deels het
reehtstreekseb gevolg der inlijving, deels door de staat-
kunde van bet keizerlijk bewind voorgeschreven, in werking
te brengen. We slaan in de eerste plaats bet oog op de
drie maatregelen, die koning Lodewijk had geweigerd te
nemen en die de oorzaken waren geweest van de worsteling
tussehen de beide hoven. De sterkere had gezegevierd en
maakte thans van zijne macht gebruik, om zijn wil door
te zetten. De drie maatregelen heeten: tierceering van de
schuld, invoering van de conscriptie, toepassing van het
continentaal stelsel. \'
De herziening der schuld was een maatregel, door den
Fransehen keizer reeds aan Schiminelpenninck aangeraden,
maar door dezen, gelijk door Lodewijk Napoleon, afgeslagen.
hoewel beiden ten volle erkenden, dat onze tinancieele nood
dringend eene verbetering eischte. Sedert de schulden der
provinciën, van de generaliteits- en admiraliteitskas, van
de Oost- en West-Tndische Compagnie door de staatsregeling
1 üic Hint. Bladen, 1« ilr. I, 40B vg.; 8» dr. 1,421 vg.; »• dr. n, 251 v*.
-ocr page 175-
DK OMWENTELING VAN 1S13.                           lf>7
van 1798 tot ééne staatsschuld waren vereenigd, was de
geldelijke toestand des lands steeds ongunstiger geworden.
Toen Lodewijk den troon besteeg, vond liij eene ledige
schatkist, een achterstand vnn 44 niillioen, een schulden-
last van 31 inillioen renten, een budget, dat nauwelijks
voor de helft door de inkomsten kou worden gedekt, en
eene uitgeputte natie. Hoe weinig zijne regeering ver-
betering aanbracht,. zagen we reeds vroeger. Het eenige
goede, wat hij deed en als koning van Holland moest
doen, was liet tegenhouden van het staatsbank roet, door
Napoleon hein voorgesteld: zijne aftreding echter hief ook
dezen laatsteu slagboom op. Mij hetzelfde decreet. waarbij
Holland met het keizerrijk vereenigd werd, werd ook be-
uaald : dn interest van. de publieke schuld zat niet dun voor
een derde over het jaar 1810 itt uitgaaf gebracht worden.
Het eigenlijke kapitaal der schuld bleef onaangetast, de
staatsschuld verminderde niet, maar vooreerst, als maat-
regel van overgang, werd slechts een derde der rente
betaald.
Het is natuurlijk, dat dit besluit door beu, die het
trof, streng werd veroordeeld. Maar er was veel ter ver-
dediging te zeggen. De toestand van \'s lands geldmiddelen
was van dien aard, dat een doortastende maatregel onmis-
baar was. Houden we daarbij in het oog, dat in 1809
en 1810 reeds volstrekt geene rente betaald was, dan
moeten we oordeelen, dat Napoleon niets anders deed dan
uit te spreken, wat feitelijk bestond. l)e tierceering was,
bij den waren naam genoemd, een staatsbankroet, doch
dat niet door Napoleon\'s besluit in het leven werd ge-
roepen, maar werkelijk bestond.
Doch al erkennen we de betrekkelijke noodzakelijkheid,
we verheugen ons toch, dat het geen Nederlaudscli vorst
-ocr page 176-
ui: omwenteling van 1813.
188
is, wiens nagedachtenis door een besluit, zoo rechtmatig
impopulair als droevig verdedigbaar door de tijdsomstandig-
hedeu, wordt bezwaard. Ronduit gezegd, had Napoleon
tot de tiereeering niet mogen besluiten. Hij lijfde de
Hollaudsche provinciën bij zijn rijk iu; Frankrijk zou de
lusten der vereeniging genieten, het had ook de lasten
moeten dragen. Bovenal is er geen enkele grond van
verontschuldiging aan te voeren voor het besluit van
18 October 1810, waarbij de tiereeering der schuld ook
voor de toekomst verbindend weid verklaard, en dus de
belangen van een klein deel des keizerrijks schandelijk
werden geschonden, alleen ten voordeele van Frankrijk. \'
Ik geloof, dat het onbestemd gevoel van deze onbillijkheid
niet minder over den maatregel heeft doen klagen, dan
zijne gevolgen zelve. Er sluimert in den boezem van elk
volk een gevoel voor recht en billijkheid, dat, ook waar
het eigenbelang het oordeel niet scherpt, de daden der
regeering vonnist of billijkt.
De jongste lofredenaar van Napoleon * zegt, sprekende
van de werking der rentevermindering: "Da houders der
schuldbrieven waren, het is waar, verslagen over liet ver-
lies van 2/3 van hun inkomen: doch men stelt iu het alge-
ineen weinig belang in die kleine kapitalisten, die niet
rijk genoeg zijn , oin de opmerkzaamheid tot zich te
trekken en te ver van het eigenlijke volk afstaan, om de
deelneming der groote menigte op te wekken." Zulk een
ruw woord, uitgesproken door een man, bij herhaling ge-
roepen om de belangen van een geheel volk te behartigen,
1 G. H. Betz, Finantieele beschouwingen, I. In de Bijdragen tot de
kennis vjiu het Staut3-, Provinciaal\' en Gemeentebestuur van Nederi. IV,
all. 3, 4, Juli 1860.
\' Thiers.
-ocr page 177-
DE OMWENTELING VAN 1S13.
169
klinkt als een wieede beschimping, zelfs indien liet geene
onwaarheid ware. Ook ten aanzien der volkswelvaart geldt
het woord: waar één deel lijdt, lijden alle overige deelen
mede. De erkenning van de droevige noodzakelijkheid van
een doortastenden maatregel mag het oog niet doen sluiten
voor de gevolgen. Eene menigte kantoren werd door de
daling van de prijzen der eh"ecteu tot staking der betalingen
verplicht en sleepte_ in haren val tal van gezinnen mede.
Door de verminderde inkomsten werd elk gezin tot ver-
meerderde zuinigheid gedwongen, alle artikelen van weelde
werden afgeschaft, en groot- en kleinhandelaars in deze
artikelen tot den bedelstaf gebracht. De inkomsten van
liefdadige gestichten, godshuizen en diakoniefondsen waren
onvoldoende, om aan den wil der erflaters te voldoen en
de behoeften te bestrijden. Mannen, die in vroeger tijd
hun leven voor het vaderland hadden veil gehad en deels
van een klein pensioen, deels van zuinig vergaarde pen-
uingen leven konden, zag men thans als winkelknechts
een armoedig bestaan rekken. Wel opende Napoleon het
uitzicht op eene herleving van den handel, door een vrijen
handelsweg van Amsterdam tot Roiue te beloven, doch de
tollinie van Brabaud bleef bestaan en belette zelfs het ver-
voer binnen de grenzen van het keizerrijk. Onze schepen
en onze koloniën, Java het laatst in 1811, waren door de
Kngelsehen genomen. Dadelijk bij de inlijving werd be-
paald, dat voor de Engelsche goederen, die door de En-
gelsche handelaars bij de landing in 1SD9 in groote me-
nigte en voor geringe sommen waren afgezet, een invoer-
recht van niet minder dan 50 pCt. moest worden betaald.
En nog scheen de keizerlijke regeeriug te vreezen, dat onze
handelaars te veel zouden verdienen. ITet dekreet van
19 Oct. 1810 gelastte, alle Engelsche waren uit de maga-
-ocr page 178-
17(1
DE OJIWF.VTKLING VVV L813.
zijnen te halen en te verbranden. Het continentaal stelsel
werd inet alle gestrengheid gehandhaafd. Alle havens en
kusten waren met douaniers overdekt: op elke visschers-
]>ink werd een soldaat geplaatst, voor wiens behouden
terugkomst liet geheele dorp aansprakelijk was. Op de
Noord- en Zuiderzee beletten wachtschepen allen buiten-
landschen handel, en ook de biunenlandselie tusschen
Friesland en Holland stond geheel stil. liet was niet ver-
gund, zonder geleibrief\' goederen n;inr een ander gewest te
zenden. Hadden de tabaksfabrieken aan sommigen in de
laatste jaren nog een bestaan verschaft, ook dit hield op,
toen het staatsmonopolie van de tabak ook hier werd in-
gevoerd (1 Januari 1811) en de verkoopers slijters voorden
staat werden. De jammerlijke gevolgen van al deze maat-
regelen bleven niet uit. De groote steden werden verlaten
en vele prachtige woningen, in dagen van voorspoed ge-
bouwd. gesloopt. In Haarlem 500; in Den Haag niet
minder dan 644. zoo groote als kleine. Amsterdam alleen
verloor \'\'7 der bevolking. \' Was \'t wonder, dat onze
vaderen den Franschen beheerscher als »de roede Gods"
beschouwden ?
Hij maatschappelijke,]! druk is ons volk — en \'t is zijn
roem! — gewoon. in den schoot des gezins troost te
zoeken. Maar ook deze werd hem niet vergund. Want
als de huisvader, gedrukt door het lijden zijns volks, zijne
eigene woning binnentrad, vond hij daar geen minderen
rouw. 2 Napoleon had de conscriptie ingevoerd. De
legers van alle natiën bestonden in vroeger eeuwen uit
huurlingen en uit hen, die zich vrijwillig tot den dienst
\' Groen v Prinitercr, Geschied. d. Vaderl. 1822. Ypeij, 477, Seheta
der gevolgden , enz., bl 59.
" Zie llist. Bladen, 1\' dr. I, Hl; 2\' ir. I, 27; S« dr. II, 257.
-ocr page 179-
DE OMWKNTKLIMi VAN 1813.
171
hadden verbonden. De nationale vergadering van 1793
had alle Fransellen dienstplichtig verklaard. Door de wet
van 19 Fructidor van het jaar VI (5 Sept. 1798) was be-
paald, dat allen, die hun 20,le jaar hadden bereikt, loten
moesten, wie hunner gedurende vijf jaren het vaderland
/ouden dienen. Gelijktijdig niet de nieuwe inrichting van
den staat werd ook de conscriptie in ons land ingevoerd.
Het was geen wonder, dat zulk een maatregel, geheel in
strijd met de zeden der natie, de bitterste klachten ver-
wekte. Aroor ons, die de loting als eene natuurlijke en
noodige zaak beschouwen , heeft ze hare bitterheid verloren
en zelfs zij, die onder Napoleon\'s juk het hevigst over
de conscriptie hebben geklaagd , hebben zich zonder morren
onderworpen , toen zij na, het herstel van ons volksbestaan
is behouden. Ken krachtig bewijs, wat een volk zieli ge-
troost voor eene regeering, die het vertrouwt en liefheeft,
en hoe het gezond verstand der natie, zelfs door hare
tranen heen, de noodzakelijkheid van instellingen leert in-
zien, welke haar die tranen hebben gekost. Want er is
wel geen besluit geweest, dat het jonger geslacht den haat
jegens den overweldiger zoozeer met de moedermelk heeft
doen inzuigen als dit. De vermeerdering van het leger in
drie jaren tijds met 82,000 man werd duur betaald met
de verbittering des volks. \' En er was reden voor die
verbittering. De Fransche regeering toch bepaalde zicli
niet tot het doen gelden der wet voor het vervolg, maar
ze gaf haar zelfs eene terugwerkende kracht. Niet slechts
zij, die in 1811 den twintigjarigen leeftijd hadden bereikt,
maar allen, die in en na 1788 geboren waren, werden
aan de wet onderworpen. En ware ze slechts uitgevoerd
1 V. Kampen, Fransche heerschappij in Europa, IV, 197.
-ocr page 180-
17~                          UK OMWENTELING VAN 1813.
met die matiging en versehooning, die de afhankelijke
altijd recht heeft van den meerdere te verwachten! Doch
er waren ambtenaren — en hier komt den naain van De
Celles in de eerste plaats ons voor den geest — die zich
tot nuttelooze kwellingen verlaagden. \' Wie om liohaams-
ougesteldheid aan liet gevaar meende te ontsnappen, zag
zich aan lichamelijke marteling blootgesteld, terwijl het
remplacement der dienstplichtigen doelloos bemoeilijkt werd.
Men zegt, dat Dubois, de secretaris van den baron De
Celles, eenmaal betuigd heeft, nooit aangenamer schouw-
spel te hebben gezien, dan wanneer een Hollander om
zijne kinderen weende. Het valt moeielijk zulk een be-
riclvt te gelooven; doch zoo het waarheid is, dan heeft
hij zeker nimmer ouderliefde genoten, noch den kus eener
moeder gevoeld.
Kr zijn - bijkans vijftig jaren verloopen sinds de drie
hoofdmaatregelen van Napoleon het welzijn en het geluk
van ons volk ondermijnden. Den duren plicht van ou-
partijdig oordeelen kan zelfs de stem des bloeds niet op-
heffen ; maar evenzeer mag ook de erkeuuing van het
betrekkelijk noodige en gedeeltelijk nuttige dier besluiten
onze deelneming niet verstikken voor de smarten van den
tijdgenoot. De tierceering, het continentaal stelsel en de
conscriptie verstoorden met te ruwe hand de heilige kalmte
van het huiselijk leven, dan dat onze vaderen een open
oog konden hebben voor het goede, dat de overheersehing
hun bracht. De invoering der Pransche wetten was eene
weldaad voor een volk, dat in partijschappen verdeeld,
steeds, doch tevergeefs, naar een stelsel van wetgeving
\' ld. VI, 197. Lastdrager, Gedenkstuk bl. 72.
1 T w. in 1862, toen dit geschreven werd
-ocr page 181-
DK OMWENTELING VAN IS 1:3.                          17-3
had uitgezien. Ons volk hecht boven andere aan het
oude; het is tegen nieuwigheden, reeds als zoodanig, in-
genomen. Deze karaktertrek was uit den aard der zake in
het begin dezer eeuw, waarin elke volgende dag het werk
van den vorigen vernietigde en niets blijvends gal\', nog
vaster geworteld dan thans. Elke nieuwigheid schaft oude
vormen al\', waarin men zich thuis gevoelde en bracht
nieuwe formaliteiten mede, waarmede de natie niet dan na
verloop van veel tijd vertrouwd en verzoend kon worden.
Het kon wel niet anders of liet volk, afkeerig van de
regeering en aan allerlei groote en kleine kwellingen ge-
woon, zag in elke nieuwe instelling een nieuw middel ter
verdrukking. En het volksgevoel had hier, gelijk zoo
dikwerf, gelijk. Want al is de verschijning van Napoleon
door hare gevolgen voor Europa en ook voor ons land
eene gezegende te noemen, zijne maatregelen hadden alleen
tot doel, de krachten der natiën aan de bereiking zijner
oogmerken dienstbaar te maken. Daartoe strekte het stelsel
van centralisatie, dat aan de regeering eenheid en kracht
schonk. Het is zoo, Napoleon heeft eene, reeks van dwaze
vooroordeelen en instellingen den doodsteek toegebracht;
hij heeft de gepruikte beraadslagingen der 18d" eeuw ver-
vangen door een krachtdadig handelen: hij heeft eene natie
als de onze, die behoefte had aan een geweldigen prikkel,
om over allerlei bezwaren van stand en gewoonte kortaf
heen te stappen, dien prikkel in de zijde gedreven; doch
hij heeft het. niet gedaan ter wille van het volk, maar
om zijns zelfs wil. De roem van Frankrijk, vertegen-
woordigd in zijn eigen persoon, was het einddoel van zijn
streven. Hij heelt de vermogens des lauda niet, ontwikkeld
om welvaart en welzijn te bevorderen, maar alleen in
zooverre als ze zijne plannen konden steunen. In verband
-ocr page 182-
DE OM»\'KNTELINH VAN 1813.
17 1
niet den beraamden aanslag op Engeland werd aan L)eu
Helder eene groote uitbreiding gegeven en onze marine
verbeterd; tevens werden ecbter de Amsterdainsche kweek-
school voor de zeevaart en liet weduweufonds, tot seliade
van velen, opgeheven (1S11). Voor den waterstaat werd
niets gedaan: het dijk- en ])olde,rwezen bleef geheel ver-
waarloosd. Indien Napoleon de krachten van het land
gebruikt en tevens voor de verstandelijke en zedelijke ont-
wikkeling had zorg gedragen, men zou zijn bestuur nog
wel niet liefgehad, maar toch zonder dien wrokkendeu
haat hebben verdragen.
Niets van dat alles heeft hij gedaan maar integendeel
alles aangewend, om de geestelijke ontwikkeliug des volks
te belemmeren. Hij heeft noch de iudividueele vrijheid,
noch de eerste voorwaarden van een zelfstandig volksleven
geëerbiedigd.
Ter instandhouding van de overheersching heeft elke
vreemde macht een gestreng en goed geordend politiewezen
noodig. üok de nieuwe regeering zocht er haren steun in.
De Fransche politie bemoeide zieli met alles en greep op
alles in. Niemand mocht zonder binuenlandschen pas van
de eene naar de andere stad reizen. Ken ernstig onderzoek
werd ingesteld naar de strekking en middelen vau het
(leitootsc/iap tot verdediging vau den Cktistelijken Godsdienst,
in \'t laatst der vorige eeuw te \'s-Gravenhage opgericht.
Dooi het geheele land waren geheime agenten der politie
verspreid, die ieders gedachten moesten uitvorscheu. Een
algemeen wantrouwen heerschte. "In den burgerlijken
omgang was niemand volkomen veilig. Fransche spionnen
waarden rond , ouder allerlei gedaanten. Gemeenzame
gesprekken werden afgeluisterd. Het gebruik van een
dubbelzinnig woord werd ten kwade uitgelegd, als bedoelde
-ocr page 183-
DK ÜMWKNTKLING VIN 1S1 ;i.
I?.".
uien het 1\'ransche bestuur, üp openbare plaatsen meende
men aan het oog der aanwezenden te kunnen zien, of ze
Pransohgezind waren of niet. De gelaatstrekken der lezers
van nieuwstijdingen of\' staatsbladen werden waargenomen,
als waren die onbedriegelijke tolken der inwendige ge-
dachten." \' De bekende satirieus Fokke Simonsz. hield te
Amsterdam wekelijksche sainenkoinsten met andere letter-
kundigen. Dit onschuldig feit, gevoegd bij den berooiden
staat van \'s mans \'geldmiddelen, gaf aan de politie zulk
eene achterdocht, dat ze hem in hechtenis nam en
gedurende twee weken hield, zouder dat er eene beschuldi-
ging tegen hem werd ingebracht. De ïransche politie in
Duitsehland vorderde van hare ambtenaren onder meer eeue
opgave van alle jonge dochters, oud 14 jaren en daarboven
wier huwelijksgoed ineer dan 40,000 francs zou bedragen.
De politie in ons land was niet bescheidener. Bene
circulaire van den Commissaris-Generaal der Politie te
Rotterdam, De Marivault, die ons als «een eigenbelang-
zoeker, wangunstige en inenschenhater, wiens spreuk was:
list tegen list," wordt geteekend - vermeldt het volgende:
»In de statistiek, aan welke de politie behoefte heeft, zijn
begrepen:
1°. De openbare ambtenaren van allen rang, burgerlijke,
militaire en rechterlijke.
2°. De bedienaren der verschillende eeredieusten.
3". De edelen der steden en voornaamste dorpen, grond-
bezitters, pachters, kooplieden, enz.
4°. De personen of geslachten, die door hun vermogen of\'
hunne denkwijze den ineesten invloed uitoefenen.
1 V])eij en Dermout, Geschiedenis der Nederl. Hervormde Kerk, IV,
477. Hist. Maden, 1= dr. I, 411 vg.; 2" dr. I, 437 vg.; 3" dr. II, 287 vg.
1 Ten Zeldam Gunawijk, Bedragen, enz., I, 64.
-ocr page 184-
170
DE OMWENTELING VAN 1813.
\'/Het is noodig, dat de politie bekend zij met den vorigen en
tegenwoordigen toestand van ieder dier personen, zijn open-
baar leven, zijne staatkundige en godsdienstige, meeningen.
zijn geldelijk vermogen, zijne zedelijkheid en den aard der
talenten of begaafdheden, welke hem onderscheiden, of
waardoor hij zich bijzonder kenmerkt; voorts dat men haar
opgeve, of hij weduwnaar dan wel gehuwd is, het aantal,
de kunne en den ouderdom zijner kinderen, waar deze zich
bevinden en wat zij verrichten,\'hoedanig zijne tegenwoordige
gedragingen zijn. beide in het maatschappelijk en huiselijk
leven, den graad van achting welken hij geniet, de be-
trekkingen welke hij buiten het rijk heeft aangeknoopt en
nog kan hebben aangehouden, de landen waar die bestonden
of nog bestaan, zijne dagelijksche gewoonten en die in de
samenleving, de gevoelens, welke door hein en de zijnen,
ten aanzien vau Z. M. en Hoogstderzelver Doorluchtig
Stamhuis worden geuit; eindelijk al wat geschikt kan zijn
om de politie voor te lichten aangaande hetgeen ieder man
van eenige beteekenis geweest is en nog is, zoowel als
omtrent zijne denkwijze en al wat men vau hem hopen en
vreezen kan.
«Uwe aandacht moet zich vooral bepalen bij het aan-
komend geslacht, van beider kunne; gij behoort u de
noodige ophelderingen betrekkelijk nog ongehuwde erf-
dochters te verschaffen: haar rijkdom, hare verwachtingen,
de richting van hare opvoeding, haar smaak, talenten,
ouderdom, bevalligheden en zelfs hare misvormigheden; niets,
dat in dit opzicht van eenig gewicht kan zijn, moet u
ontsnappen.
«Wat de jongelieden van goeden huize aanbelangt, zal
het u licht vallen te begrijpen, welke partij het Gouvernement
van hen trekken kan, en, in verband daarmede, hen mij
-ocr page 185-
DK OMWENTELING VAN 181:3.
177
aan te duiden, volgens hun leeftijd, hunne wijze van op-
voeding, gewoonten , eigen denkbeeldige voorstellingen, namen
en verbindtenissen, zonder de omschrijving van hunne ge-
stalte, lichaamsbouw, geestvermogens en karakter te vergeten.
«Ten einde u het werk gemakkelijk te maken, geef ik
u in bedenking, om u eerst met de ambtenaren en be-
dienaren der godsdienst bezig te houden.\' Die twee klassen
van ingezetenen zullen u genoeg bekend zijn om te mogen
onderstellen, dat de\' van hen te leveren schets u niet veel
tijd zal kosten. Zij zijn het trouwens, waaromtrent Z. Exc.
de Minister van Politie het spoedigst wenscht ingelicht te
worden." \'
.Behoeft dit offieieele stuk eenige toelichting?
De gevorderde opgave moest met de dienaren van den
godsdienst een aanvang maken, omdat dezen tot de hi-
vloedrijksten in den lande behoorden en dus de kennis van
hunne gezindheid van het grootste belang was. De stand
der godsdienstleeraren was van oude tijden af in de Neder-
landen een zeer geachte. De regeering, die door liet
voorschrift aan de commissarissen van politie deze voorliefde
der natie toonde te kennen, had echter onvoorzichtigheid.
die nationale sympathieën op \'t hevigst te kwetsen. Napoleon
wilde de kerkgenootschappen der Lutherschen en Calvinisten
geheel op den Fransohen voet inrichten, en alle Protestant-
sche gezindten met geweld vereenigen. Evenzoo vorderde hij
de samensmelting van de Jansenisten met liet kerkgenoot-
schap der ltooinsch-Katholieken. Door den invloed van be-
kwanie mannen, die de onmogelijkheid der uitvoering inzagen,
en door den drang der tijdsomstandigheden ziju al deze
1 Ten Zeldam Ganswijk, Bijdragen, enz., I, 55. Bosscha, Geschiedenis
der Staatsomwenteling, I, Bijl. 40, gedeeltelijk bij Vrede, Souvenirs
Napoleoniens, p. 86.
JORISSFN. S/talie» IV                                                                        1:2
-ocr page 186-
1 7-S                          DU UMWENTKLING VAN\' 1813.
plannen ouafgedaan gebleven. De onzekere toestand, waarin
inmiddels de kerkelijke zaken verkeerden, droeg voor de
Hervormde kerk wrange vruehten. Hare leeraars moesten
een vol jaar elk landstraktement missen en kwamen ten
laste van de gemeenten , welke maar al te dikwerf niet in
staat waren om te helpen. Doek, ofschoon niet aanstonds
doorgezet, de hervormingsplannen des keizers bleven als
liet zwaard van Damocles alle gezindten bedreigen, om haar
te treden, als de gelegenheid des tijds hem de noodige
rust zou verschaffen, om ook deze daad van willekeur door
te drijven. Want Napoleon, de zoon der revolutie, had
van zijne wilde moeder geleerd, geen eerbied te hebben
voor historische rechten en niet angstvallig te zijn in de
keuze der middelen, om zijn doel te bereiken.
Welke spanning deze ontwerpen ook wekten, in tijden
van algemeenen druk kan het onrecht, enkelen standen
aangedaan, weinig meer dan welwillend beklag vinden. Er
werden grootere belangen bedreigd, die met het leven zelf der
natie in uauw verband stonden. Hoe zwaar het verlies van
ons zelfstandig volksbestaan, vooral bij de herinnering van
zoo menige glorierijke bladzijde uit ons verleden, ook vallen
mocht. de natie zocht in de droeve noodzakelijkheid te
berusten. Doch Napoleon was niet met berusting tevreden.
Hij wilde niet over Hollanders heerschen, die zich schikten
in zijue overheersching, hij wilde slechts Krauschen tot
onderdanen hebben , die in zijue grootheid hunne grootheid,
in zijne eer hunne eer zagen. De Hollanders moesten al
hun heil van hem verwachten eu één worden met het
keizerrijk, waaraan zij als de jongste loot waren toegevoegd.
Al de uitingen, waarin een karakter zich openbaart, de taal
des menschen en de scheppingen zijner werkzaamheid,
moesten ophouden een kenmerk te dragen. De volken
-ocr page 187-
DR OMWENTELING VAN 1813.                   179
spreken het eigenaardige van hun volkskarakter in hunne
taal en letterkunde uit. Evenmin als ge een bijzonder
persoon eene andere woordenkeus, eeue andere spreekwijze
kunt opdringen, kunt ge een volk dwingen om zich thuis
te gevoelen in andere taalvormen, dan zijne geschiedenis
en zijn karakter hem van zelve aan de hand geven. De
taal is gansch het volk: de meest zuivere en ware open-
bariug van zijn wezen. Niettemin schrikte Napoleon niet
terug, om aan dit heiligdom eener natie de hand te slaan.
De Nederduitsohe taal werd in den politieken ban gedaan.
I\'jlk officieel stuk moest, zoo liet zou gelden, van eene
Fransche vertaling voorzien zijn. De nieuwspapieren,
waarvan er slechts één mocht zijn in ieder departement,
en ook de advertentiebladen, moesten in het Fransch zoowel
.ds in de volkstaal verschijnen. Zóó verre ging zelf dit
streven om de taal der natie door de taal des overheerschers
te verdringen, dat de maatregel in sommige plaatsen op
de wekelijksehe lijsten der predikbeurten in de Hervormde
kerk werd toegepast. \' De hoogere ambtenaren wisten
doorgaans van onze taal weinig of niets, en curieus zijn
de bewaarde proeven hunner onkunde. - Mr is wel geen
sterker bewijs aan te voeren voor de volharding en den
aanvankelijk gunstigen uitslag waarmede de Nederduitsche
taal werd vervolgd, dau het volgende voorstel van Bilder-
dijk. 3 Overtuigd, dat het Fransch eerlang onze eigene
landtaal worden en onze schooue moedertaal met geheel onze
nationale letterkunde te niet zou gaan, meende Willem
Bilderdijk, dat men de hulp der regeering zelve in
moest roepen. Men moest pogen haar te overtuigen, van
1 Ypeij, IV, 477 Vuu Kampen, Gesoh, der Nederl., II, 461.
• Ten Zeldam Gunswijk, II, 1. 273.
3 Bilderdijk, Geschiedenis des Vaderlands, XII, 352.
-ocr page 188-
180
DK ÜMWKNTELING VAN 1S13.
welk een groot belang de kennis onzer moedertaal, de
oudste der Duitsche taaltakken, voor de Fransen* etyinolo-
gisten was! Wanneer zulk een man aan de toekomst
onzer taal twijfelde, wie kon in die dagen meenen haar
een nieuwen bloei te mogen voorspellen?
Er was in waarheid maar al te veel grond voor die
wanhopige beschouwing, want ook op de lagere scholen
werd liet onderricht in de Pransche taal als verplichtend
voorgeschreven. Het lager onderwijs moest ook op deze
wijze de oogmerken der regeering dienen. Wel werd, op
het gunstig verslag van Cuvier en Noël, de wet van
Schiuimelpenninck behouden, doch het bleek eerlang, dat
ook dit hoofdelement der volksontwikkeling niet onaan-
getast zou blijven. De schoolcommissiën, belast met de
inspectie der scholen, werden wel niet verhinderd in hun
werk, doch zagen hunne reis- en verblijfkosten niet ver-
goed. De prefekten of de plaatselijke besturen stelden
onderwijzers aan, zonder \'op de wet, op den vereisehten
rang en bekwaamheid te letten. De traktementen der
onderwijzers werden slecht betaald en hunne rechten niet
gehandhaafd. In sommige departementen (o. a. Holland)
was het beter dan in andere gesteld: in Groningen en
Drenthe bijv., waar de pastorie-, kosterij-, kerk- en
schoolgelden verloren gingen, was de toestand van zeer
kominervolleu aard. Doch dezelfde oorzaken drukten
overal het onderwijs terneder. Het onderwijs werd ver-
waarloosd: en verwaarloozing van de zijde eener regeering
is ook een middel tot onderdrukking, en misschien wel
het meest afdoende. De conscriptie roofde tal van leer-
lingen van de scholen weg; en eene drukkende belasting,
op de lagere scholen gelegd, om daaruit de kosten van
het hooger onderwijs te vinden, deed vele kinderen van
-ocr page 189-
DK OMWENTELING VAN 1813.                          181
weinig gegoeden het eerste onderricht missen. Ook de
Ijatijnsche scholen, die mede in de kosten voor het hooger
onderwijs moesten bijdragen, werden door de belasting ten
val gebracht. \' Men zag bloeiende scholen geheel te niet
gaan: zelfs de Latijnsche school te Amsterdam behield
slechts de helft harer leerlingen. Het getal van bijzondere
onderwijzers nam steeds toe en in evenredigheid de degelijk-
heid van het onderwijs af.
Had het keizerlijk bewind door de onderdrukking der
taal en de veronachtzaming van het lager en middelbaar
onderwijs de zelfstandige ontwikkeling der natie in den
wortel gewond, het was niet te verwachten, dat het jegens
het hooger onderwijs zachter gezind zou zijn. Het be-
vorderen of zelfs het toelaten eeuer zuivere nationale
wetenschap lag niet in zijne bedoeling. Uij besluit van
den 22 van Wijnmaand, 1811, werden de hoogescholeu
van ïraneker en Harderwijk vernietigd en de. akadeiuie te
Utrecht tot eene ondergeschikte school (école secondaire)
vernederd. Latere geslachten mogen de vermindering van
het voor ons land onmatig getal van inrichtingen voor
hooger onderwijs geen ramp achten, zij, die haar be-
leefden, letten meer op het beginsel der daad, dan op
hare mogelijke deugdelijkheid. Zij vonden er te recht
het streven in terug, om ons volk te enger aan Frankrijk
te. verbinden. Want de Leidsohe hoogesehool hield op
eene Nederlandsche te zijn; zij zou, onder den titel van
akademie, een deel van de universiteit van 1\'arijs uit-
maken. Hare hoogleeraren moesten den achtbaren tabberd
ter zijde leggen, en het boute plechtgewaad aannemen,
voor de leden der verschillende faculteiteu der keizerlijke
1 Berkhout, Gesch. van het Lager Onderwijs, bl. -18—liO. Bosscha ,
Geschiedenis der Staatsomwenteling ia Nederland, I, 63 en Bijlage 39.
-ocr page 190-
DK OKWKNTKUNG VAN 1813.
182
universiteit vastgesteld. Zoo \'t waarheid is, dat het alleen
;uui den invloed vau den hoogleeraar Bruginans te danken
was, dat de verschillende wetenschappen vooreerst te
Utrecht mochten onderwezen worden en dat de leerstoel
van de Nederlaudsche letterkunde te Leiden behouden
bleef\', dan mogen we als zeker stellen, dat ook deze
vergunningen bij een langer duur van \'t Erausche bewind
voor het systeem van denationaliseeren — liet woord is
uit dien tijd — zouden vervallen zijn. \'
Doch zulke maatregelen, hoe krachtig ook, kunnen geen
doel treilen, zoo lang eene onderdrukte natie hare gevoelens
vau afkeuring vrij mag uiten. Niets bewijst ineer de zwak-
lieid van een despotisch bestuur, dan de vrees voor de open-
bare meening. Elke poging om deze te verstikken is eene
schuldbelijdenis; eene bekentenis, dat zij in de ware be-
hoeften der onderdanen niet voorziet. En zoo eene, dan
had de keizerlijke regeering reden om eene vrije beoordeeling
barer daden te duchten. Het was een noodzakelijke stap
op den weg, dien ze ingeslagen had, en slechts eene aan-
vulling van hare vroegere besluiten, toen ook de censuur
werd ingesteld. Te Parijs was een raad van boekbeoordeeling
gevestigd, die elk werk, voordat het ter perse ging, moest
onderzoeken. Ondergeschikt aan dezen, waren er in elk
departement censoren, die met meer of minder strengheid
te werk gingen. Aan de onbeduidendste zaken werd ergernis
genomen en overal vond de valsche scherpzinnigheid toe-
spelingen op den politieken toestand en klachten over
dwingelandij en overlieei\'sehing. In godsdienstige geschriften
werden op dien grond aanhalingen uit den Bijbel en
invoegingen van kerkelijke gezangen doorgeschrapt. Zoo
1 Sk\'geiiWk, GiM-h. der Li-iilschr Hougt\'schuo], II, 392.
-ocr page 191-
DK OMWKNTELINÖ VAN 1818.
183
werd bijv. in hot woord eau fruu.it en bracht, iii 1811,
door den predikant Y. van Teutem uitgegeven, de inlassching
van l Kor. [V : 17. waar van eene lichte verdrukking
sprake is, die zeer ras voorbijgaat, niet toegestaan. Benige
meerdere vrijheid werd aan de hoogesehool vergund. De
grootmeester der Pransehe universiteit bepaalde, dat de
hoogleeraren en studenten hunne dikwerf\' spoed vorderende
geschriften , dissertatién , thesen . enz. , ook zonder vooral-
gaand onderzoek mochten laten drukken. Echter moest
elke [<atijnsehe titel door een Fransche vertaling worden
voorafgegaan. \'
Maar \'t was geene liefde voor onze wetenschap, die de
vergunning schonk. Toen do hoogleeraar Tijdeman in 1811
het prospectus van Bilderdijk\'s Geschiedeui» dus Vaderland»
liet drukken en verspreiden, werd het stuk door den in-
specteur Magnet gesiipprimeord. Beteekenisvol is het woord,
hetwelk hij bij deze gelegenheid in drift zich liet ontvallen,
dat er aan een werk over du voormalige Kepublirk thans
geene behoefte was eu men zich slechts op deu nieuwen
staat van zaken had in te richten. \'-
Doch de natie had geen lust, om zich op den nieuwen
staat van zaken in te richten. Zij gevoelde al liet drukkende-
der ovorheersching en was niet geneigd, de slagen, aan de
volksvrijheid en de volkswelvaart toegebracht, ter wille van
de eenheid en den spoed van het administratief bestuur te
vergeten eu te vergeven. Wel waren er maar al te veel,
die, ongevoelig voor den nood des volks, alleen op eigen
voordeel bedacht schenen. Het is ergerlijk te lezeu, met
welk eene laagheid tal van civiele en militaire autoriteiten
\' Ypi\'ij en Dermout, uitgehaald werk, IV, 568.
\' BiMerdnk, I Ml. 8.
-ocr page 192-
DK OMWENTELING VAN 1813.
184
I)ij de inlijving openlijk hunne tevredenheid betoonden; eu
hoe er ook onder liet Fransche bewind Hollanders genoeg
gevonden werden, die de staatsbetrekkingeu aanvaardden,
niet om hunnen volksgenooteu deu druk te verlichten,
•\' maar om de willige dienaren van den vreemdeling te zijn.
Zoo deze mannen waarlijk de vertegenwoordigers der natie
waren geweest, ons volk had niet meer verdiend te bestaan.
Slechts hij, die met waardigheid valt en de achting voor
zich zelven onder den druk der omstandigheden weet te
bewaren, heeft recht om op te staan.
En deze lol\' komt aan ons volk toe. liet boog voor de
overmacht, maar lijdelijk, niet gewillig. Het gehoorzaamde
aan de bevelen, maar vloekte den overweldiger, wien elke
I gewelddadigheid, elke kwelling werd verweten, zonder dat
men zelfs zich afvroeg, of aan den euvelmoed van onder-
geschikteu niet dikwerf de meeste schuld moest worden
toegekend. In alle kerken werd des zondags voor de
keizerlijke dynastie gebeden, maar met de woorden van
een voorgeschreven formulier. I5ij het ontzinken van het
tijdelijke werd troost van het eeuwige gevraagd; en menig
krachtig woord, van den leerstoel gesproken, strekte om de.
verslagenen te troosten en deu zwakken een hart ouder
den riem te steken. Het hart des volks was gezond, met
liefde tot het vaderland vervuld, hoe hopeloos de toekomst
ook scheen. Het gemeenschappelijk lijden bracht de hoogere
en lagere standen tot elkander eu deed de partijen van
vroeger dagen vergeten. Het gaf aan het lijdelijk verzet
eenheid en dus kracht. "Holland is met Frankrijk niet
vereenigd" — zijn de woorden van een ministerieel rapport
in Maart 1811 — «noch in zeden, noch in gewoonten,
noch iu ïneeningen, noch in gevoelens." Wie zich vroeger,
onder het koningschap, had laten verleiden oin de moeder-
-ocr page 193-
DF. OMWKNTKLINU VAX 1S13.                          185
taal in liet huiselijk leven af te schaffen, keerde er van
terug, begrijpende, dat eene volkstaal een der eerste ver-
eischten voor onafhankelijkheid is. Het denkbeeld van een
opstand kwam in niemand op, dan om het te verwerpen;
men bepaalde zich tot weigeren en nalaten wat men kon,
zonder strafbaar te zijn. Wel hadden op enkele plaatsen,
o. a. te Amsterdam en te Scheveningen, naar aanleiding
der conscriptie. ongeregeldheden plaats, doch zij vonden
geene ondersteuning en werden spoedig en bloedig onder-
drukt. \' Zoolang Napoleon zou leven, scheen er geen
uitzicht op redding; doch stilzwijgend had ieder den
eed gedaan, om zich aan geen zoon of opvolger van
hein te onderwerpen. Zijn dood zou het sein tot de
worsteling zijn.
Het is de taak dier gelukkigen, die God met de gave
der poëzie heeft gezegend, in zulke dagen als \'t ware in
aller naam het geprangd gemoed lucht te geven, uit te
spreken wat allen gevoelen, en de sprank van hoop en
geloof aan eene betere toekomst aan te vureu. Naarmate
zij zelven meer of minder door den tijd worden aangedaan,
zullen zij het eerste of het laatste vermogen. Daarom kou
Adam Simons, verpletterd door den afstand van grondge-
bied, dien Lodewijk in 1810 moest onderteekenen, niet
anders dan het grootseh verleden en het jammervol heden
van ons volk tegen elkander over plaatseu. Daarom kon
hij zijn beroemdeu zang Aan mijne laudgeuooteu met geen
andereu toon eindigen, dan met die vreeselijk weemoedige
profetie: eens
\' Bilderdijk, a. w. XII, bl. 852.
-ocr page 194-
18H                          DE OMWENTKLIVG VAN 1818.
nis de najaursstortneii loeijen
En de Oceaan houdt hoog gerigt,
Zijn Bteilo golven straudwaurts vloeden.
Uw wal voor zijne woede lwicht;
Als hij den grond keert in moerassen,
Uwe tikkers dekt met wijde plassen
En drenkelingen spoelt aan \'t strand!
Dan al de zeeman, op die baren,
Boor uw gezonken steden varen
En vragen: waar was Nederland? \'
Kn Het was niet alleen Simons, ook Vaii Hall durfde
»dett gevallen rik" ireen opstand beloven:
o Holland! dïerbre naam, der volkenrol onitogeu!
Ach, uwer helden graf versiert uw puinen niet!
Het noodlot van uw kroost staat bloedig voor mijne oogen;
De wanhoop smoort mijn lied! *
Hendrik Tollens deed een forscher snaar van zijn speel-
tuig trillen. Met het erfrecht van den dieliter om zich
luid te doen hooren ,
Schoon alles zucht en KWggt en siddreud om zich stuurt,
riep hij de mderlandêche dichters -1 op, om eeu vonk van
den ouden heldenaard bij \'t schaamrood kroost te wekken:
Neen, onzer is \'t niet meer, het speeltuig, dat wij snareni
\'t Behoort aan huiselijk heil noch dierst gesehatten bami;
Neen! onzer is *t niet meer om lol\' en lauwerbl&ren:
\'t Behoort alleen umi \'t vaderland.
Voor haar, alleen voor huur uw tooueu!
Zij eischt uw ziel, uw zang, de lauwren die u kroonen
1 Simons, Verzamelde poëzie, 1834, bl 47.
» Vun Hall, Gedichten, 1838, bl 80.
" H. Tollens &., Gedichten, 1822, X, 211.
-ocr page 195-
DK OMWENTELING VAN 1818.                          1*7
En \'t vuur, dut u ontvlamt en dorsten doet naar eer:
Zij eischt het, zich ten dienst, om d "ouden moed te ontvunkcn,
Eu waagt, in weemoed weggezonken,
Haar helden van haar dichtren weer.
tën die vaderlandsche dichters, Kinker, enz., gaven aan
de oproeping gehoor. Zoo schonk Helmers, in zijne Hol-
laiidst\'ke Natie
aan zijn verdrukt vaderland een zang, o ver-
rijk aan gebreken, maar gloeiende van vaderlandsliefde:
„Ik juicht geen hooger heil heeft ooit mijn ziel gestreeld,
Dan dat ik, Nederland! ben op uw grond geteeld.
Dat vim den heldren {flans, die van u af inogt stralen,
Een nietig sprankjen op mijn schedel af mag dalen
Dat ik ook deel in de eer, den roem, dien \'t voorgeslacht,
\'t Verbaasd Euroop\' ten trots, aan ons ten erfgoed bragt.
"k Zweer hij dat erfdeel, bij de trouw en deugd der vaderen,
Dat steeds de dankbaarheid /al gloeijeu in mijn aderen.
Ja! \'k blijf, o Vaderland! tot aan het uur des doods,
Als Nederlander op dien schocmen eernaam grootseh."
Zelfs Bilderdijk, eindelijk van de bedwelming der hof-
gunst bekomen, eindelijk genezen van zijne vereering der
Bonapartes, \' ontwaakte en sloeg de adelaarsvleugelen uit.
Als in heilige verrukking rijst voor hem het licht van
blijder dagen en hij jubelt:
Holland leeft weel\',
Holland streeft weer
Met zijn afgelegde vlug,
Door de boorden
Van het Koorden
Naar den ongeboren dag.
Holland groeit weer!
Holland bloeit weer!
Hollands nautn is weer hersteld]
1 Mr. G. Mees, Az., a w.
-ocr page 196-
1)K OMW\'KNTKl.l.Vli VAN 1813.
188
llullaiul uit zijn 3tof verrezen,
Zul op nieuw mis Holland wezen;
Stervend heb ik \'t u gemeld I
Maar de dichter mocht in geestvervoering den "onge-
boren dag" der vrijheid zien, wanneer deze komen zou,
wist hij niet. Xog altijd was de hemel bewolkt en weer-
kaatste slechts het gekletter der wapenen. De keizer der
Eranschen sprak en Europa luisterde: de machtige beloofde
vrede — binnen korten tijd. Eerst nog zou hij Rusland
onderwerpen en Engelands koloniën vermeesteren, om ook
dat tot gehoorzaamheid te dwingen. Dan zou het vrede
zijn op aarde.
Doch te midden vau het angstig zwijgen, waarmede
Europa en Holland dat woord vernam; te midden van de
toebereidselen tot den grooten krijg, zat er een ambteloos
man in zijn studeervertrek en schreef. Mij schreef een out-
werp van grondwet voor het eerlang herstelde Nederland.
Die man was Gijsbert Karel van Hogendorp.
Hij had boveu den vloed der wereldgebeurtenissen de
hand vau Mem gezien, tot wien het geschrei der volken
rees, en het geheimvol letterschrift gelezen: gewogen, maar
te licht bevonden.!
II.
UK OPSTAND. \'
/\'Er is voor de ineusehelijkheid geen schooner schouw-
spel dan de val eens dwingelands." Die woorden, in 1815
geschreven, mogen volkomen verklaarbaar zijn uit de ver-
1 Zie de Auuteekeuingell aehter in het hoek.
-ocr page 197-
DE OMWKNÏT.I.l X(i VAN 1813.                          189
voering des tijds, zij behelzen niettemin eene grove onwaar-
heid. Qrooter en schooner dan de val van een dwingeland
is de herleving van een volk. Eene natie, die de ketenen
verbreekt, welke hare maatschappelijke en zedelijke ontwik-
keling belemmeren ; die de grootste inspanning en de
laatste krachten veil heeft voor het hoogste, wat de mensch
hebben kan, vrijheid en zelfstandigheid; een onderdrukt
volk , dat in het moedig opstaan toont door de onderdruk-
king wel gebogen,\'maar niet verlaagd te zijn en aan de
eindelijke zege\' van het recht niet te wanhopen — levert
een schooner en verhevener schouwspel. Want zulk een
ontwaken uit den schijndood der verdrukking bewijst de
meerderheid der zedelijke krachten boven de physieke.
Het was de zwaarste straf voor den Franschen keizer, "j
die geineend had allen tegenstand door streng geweld voor
zijnen ijzeren wil te kunnen buigen, dat het laatste jaar
zijner regeering deze waarheid moest verkondigen, Xapo-
leou had Europa verwonnen, omdat hij slechts te strijden
had met regeeringen, door de volksliefde niet gesteund;
maar toen hij de hand sloeg aan de volken zelve en hun
kenmerkend karakter met den hamer van zijn centralisatie-
systeem, dat elke volksvrijheid ophief en elke openbaring
des volkslevens belette, zocht te vergruizen, keerde de
geest der volkeu zich tegen den overmoedigen verdrukker,
wierp het ijzeren dwangjuk af\' en den keizerstroou omver.
Aan het hoofd van een leger, zoo groot en krachtig als
sinds Xerxes\' val Europa niet had aanschouwd, was Napo-
leon tegen Rusland ten strijde getogen. Maar slechts
weinige maanden later snelde hij, van enkelen vergezeld,
naar zijn rijk terug. De wintervorst had de wraak dei-
volken op zich genomen en zijne legioenen vernield. Achter
den vluchtenden keizer steeg de vlam vau Moskou\'s
-ocr page 198-
190
UK OMWKXTELING VAX 1 SI 3.
brand omhoog, als liet morgenrood van den nieuwen dag,
die voor Europa rees, als de voorbode van een geweldigen
brand, die zich over dit werelddeel ging verspreiden oin
de hulpmiddelen der dwingelandij te verteren en om te
reinigen wat ze goeds had gewrocht. De rampzalige slacht-
otl\'ers van één enkelen heerschzuohtige waggelden in kleinen
getale van het kerkhof hunner strijdgenooten terug, en
hun aanblik deed liet eerst het vreeselijk gebeurde begrijpen.
Het is onmogelijk, de algemeene ontroering te teekeneu,
toen het vooruitgesnelde gerucht bleek waarheid te zijn.
Ontzetting vermeesterde allen , verslagenheid en schrik
\'s keizers aanhangers, stomme vreugde zijne vijanden. 1\'jeue
huivering greep de volken aan: zulk een godsgericht was
nimmer vernomen. Allen, vrienden of vijanden van liet
Fransche Rijk, allen gevoelden dat er eene beslissing was
gevallen. Frankrijk zou over TCuropa niet heersenen. De
haat der onderdrukte volken joeg den Fransehen troepen
schrik aan, en deed hen zich samentrekken. Maar naar-
mate de vijand grooter uitgestrektheid verliet, verhief de
volksgeest stouter het hoofd. De krijgslieden wierpen de
vanen weg;, waaronder zij gedwongen waren geweest te
strijden, en vingen den heiligen krijg voor de vrijheid des
Vaderlands aan. Het zaad, door mannen als Stein, Arudt
en anderen in de dagen des lijdenis gestrooid, begon vrucht
te dragen. De volken ontwaakten en hieven den krijgs-
kreet aan. De opstand rolde voort en sleepte met onweêr-
staanbare kracht kleininoedigen en onwilligen mede. De
wankelende vorsten traden toe en hoorden ditmaal in de
stemme des volks de stemme Gods. Ben nieuwe krijg
ontbrandde: mannen en knapen grepen de wapens op, en
de zwakke vrouw stond den echtgenoot en broeder in den
strijd voor huis en haard, voor vrouw en moeder bij. De
-ocr page 199-
UK OMWKNTKMNO VAN 1818.                       191
b\'ransche keizer had de vorsten overwonnen; voor de
volken zou hij vallen.
Zoo was het in Duitschland in den aanvang van 1813.
Hoe was het in Nederland gesteld?
De tijding van den mislukten tocht naar Rusland ver-
wekte bij onze vadereu geene mindere vreugde dan elders.
Oe eerste berieliten waren uit Engeland gekomen, doch door
het ïransche bestuur hardnekkig tegengesproken. Toen de
waarheid niet langer te ontkennen was, werd het verlies
zooveel mogelijk door de organen der regeering verbloemd
en verminderd. De algemeene meeuing achtte daarom den
vreeselijken slag nog vreeselijker dan hij in werkelijkheid
was. Zoolang de reuzeumaeht van den keizer ongeschokt
was gebleven , had men het denkbeeld van verzet als eene
dwaasheid verworpen, en de haat en de woede in den boezem
gesmoord. Doch thans was de onoverwinnelijke verwonnen:
God zelf, riep men elkander toe, heeft zich tegen hem
nangegord en zal hem nederwerpen. Het was of de zware
hand, die zoolang de vrije ademhaling had belet, op een-
maal van de keel werd afgenomen. De borst haalde
ruimer adem, en de gebogen hoofden hieven zich op.
Stoutmoediger dan vroeger liet men zich uit en meer
onverholen werd de hoop op een aanstaanden omkeer van
zaken uitgesproken. Het luidst van alle deden de lagere
standen zich hooren, die nooit gewoon zijn anders dan
door dwang hunne meeningen te verzwijgen. Zij begrepen
niet, dat het werk van jarenlaugen arbeid niet bij den
eersten stoot kan uiteenvallen, en verwachtten de gehate
overheersching binnen korten tijd te zien eindigen. De
houding der Fransche ambtenaren, die alle overleg ver-
loren, scheen hunne verwachting ook te rechtvaardigen
Bij het vernemen der voor hen zoo noodlottige tijding,
-ocr page 200-
192
DK OMWENTELING VAN 1813.
die het vertrouwen op den machtigen keizer, in wiens
naam zij handelden, op wiens macht zij steunden, hun
ontnam , voelden zij den grond onder hunne voeten
wankelen. Tu den eersten schrik zonden ze hunne huis-
gezinneu naar het vaderland terug, en zeli\'s in het paleis
van den gouverneur-generaal zag men toebereidselen tot de
afreize maken. Geen wonder, dat de menigte eene spoedige
beslissing verwachtte, en door haat verblind, zich onberaden
en onvoorzichtig aan de wraak van den gekwetsten vijand
blootstelde. Doch de Franscbe keizer had volstrekt geen
plan, om bij den eersten tegenspoed liet veld te ruimen.
De ambtenaren trokken op zijn last hunne maatregelen tot
een spoedig vertrek in, en zochten hunne voorbarige vrees
en ongepaste twijfeling aan Napoleon\'s geluk door verdub-
belde waakzaamheid te vergoeden. Waar slechts een schijn
van verzet werd bespeurd, gingen zij met groote gestreng-
1 lei cl te werk. In Februari 1813 werd te Amsterdam ecu
zevental personen, beschuldigd een komplot tegen de
regeering te hebben gesmeed, gevangen genomen. De
meesten hunner waren onbeduidende meuschen, wier eenige
schuld in onvoorzichtig spreken schijnt bestaan te hebben.
Desniettemin werden twee hunner ter dood verwezen en
vier der overigen tot gevangenisstraf en geldboete veroor-
deeld. Een enkele herkreeg de vrijheid. Door zulk een
krachtsbetoon geloofde men de aangevangen beweging te
zullen stuiten. Doch gelijk altijd, ging liet ook thans.
Terechtstellingen en veroordeelingen baten niet om een
volk zijne wenschen en rechten te doen opgeven; zij
versterken integendeel zijn afkeer en bevestigen zijn voor-
nemen , om te gelegener tijd te nemen wat niet goedwillig
wordt gegeven. Ondanks de vonnissen sloegen weinigen
geloof aan het verhaal eener zamenzwering: de meesten
-ocr page 201-
DK ÜMWENTELIXG VAN 1818.
193
beschouwden de naak als oen verzinsel der politie. Zij.
die enkele bijzonderheden hadden vernomen en wisten, hoe
de besehuldiging van sommige voorname ingezetenen den
gevangenen als \'t ware in den mond was gegeven, twijfelden
niet aan het doel der geheele vervolging. Allen vervulde
dit nieuwe blijk van Fisusche willekeur en gestrengheid
met verdubbelden haat: allen deed het met vermeerderd
ongeduld naar verlossing uitzien. Die verlossing zou
komen > maar niet dan na vele angsten en weeën.
Napoleon, naar Parijs teruggekeerd, zoekt met de grootste
krachtsinspanning zijne verloren legers te herstellen. Nieuwe
lichtingen werden bevolen en, ten bewijze van trouw en
verkleel\'dheid, moesten de steden den keizer manschappen
en gelden aanbieden, om iu het verlies der geheel vernietigde
cavalerie te voorzien. De trage voortgang der opgestane i
volken schonk hein tijd oin een nieuw leger uit te rusten,
waartoe ook de Hollandsehe provinciën hun aandeel moesten
leveren. Tijdens Napoleon\'s verblijf in Rusland had het
bestuur eene nieuwe krijgsmacht onder den naam van Na-
tionale Garde opgericht, en de. eerste der drie afdeelingen of
bannen, \' waarin zij verdeeld was, gedeeltelijk onder de
wapenen geroepen Thans, nu de ongelukkige aHoop
van den veldtocht nieuwe legers onmisbaar deed zijn.
werden niet alleen de gewone lichtingen vervroegd. maar
ook opnieuw een deel der Nationale Garde opgeroepen.
De tweede ban, samengesteld uit hen, die gehuwd waren,
plaatsvervangers hadden gesteld of andere redenen tot vrij-
stelling konden doen gelden, moest opkomen om iu de
plaats der wegtrekkende i\'ransche troepen onze kusten te
bezetten. Iu den bestaanden staat van spanning verwekten
1 Zie de Aanteekeningen achter iu hut boek.
Jorirsen. Stmliin IV                                                                        13
-ocr page 202-
191
L)K OMM KSTKUMi VAX 1S13.
(leze maatregelen de grootste verbittering. De armste ge-
zinnen werden van hunne broodwinners beroofd, en, al
bleven de nas opgeroepenen vooreerst in bet land, inen
wist, dat een enkele wenk uit Parijs genoeg was, om ben
aan al de gevaren van een vernielenden krijg bloot te
stellen. Op velschillende plaatsen ontstonden onlusten,
die op enkele van vrij ernstigen aard waren. Gelijk te
verwachten was, namen ditmaal de vrouwen, die bet lot
van verlatenheid voor oogen badden, er een warm aandeel
in. Meer naar de stem des gevoels dan uaar die der rede
luisterende, waren zij rijk in woorden, doch roofden door
bare hartstochtelijkheid, die zich aan orde nog regel liet
binden, zelfs de geringste kans van een goeden uitslag.
Boor een valsch gerucht van de nadering der Russen en
van eene Engelsohe vloot misleid, trok eeue ongeregelde
schaar uit Alpben en omstreken naar Leiden, waar ze wild
en onbesuisd te werk ging. Op bet stadhuis werden alle
stukken, ook die geeue de minste betrekking badden tot
de nieuwe lichting, verscheurd; de wapenen, nog uit de
Spaausche tijden afkomstig, weggenomen; de niaire bedreigd
en den ingezetenen in naam van Oranje geld afgeperst.
De dolle woestheid der schare, die zonder eeuige orde te werk
ging , deed de burgers en studenten, voor eeue algemeene
plundering bevreesd, de banden ineenslaan en met geweld
de poorten der stad voor eene Pransche bende openen, die
spoedig een einde aan de wanordelijkheden maakte. Met
veel meer kracht en overleg werd de beweging te Zaandam,
die in dezelfde Aprilmaand ontstond, geleid. Gehoorzamende
aan de bevelen vau Jakob Rek, commissaris vau het Rotter-
damsch schuitenveer, die de menigte met kalmte en waardig-
heid wist te besturen, stelde zij zich te Zaandam en op de
omliggende dorpen in bezit vau de lijsten der opgeschrevenen.
-ocr page 203-
UK OMWBNTELIN\'G VAN\' 1813.
1 95
liet schijnt zeker, dat de aanvoerders der beweging op
ondersteuning van elders hebben gerekend: op welken grond
weet men niet. Hoe het zij. de opstand te Zaandam vond
geen bijval, en na weinige dagen werd de lust tot verder
verzet door de aankomst van Molitor en van liet Amster-
damsohe strafbataljon met kracht onderdrukt. Jakob Kek
en eenige anderen boetten hunne stoutmoedigheid met den
dood. \'
Droeg het verzet op deze plaatsen slechts eene doodelijke
vrucht voor de aanleggen, te "s-Gravenhage was men geluk-
kiger. De samenloop des volks, bij trommelslag van het
volkslied: «Wilhelmus van Nassauwen"\' tot tegenstand aan-
gespoord, deed de aanzienlijke burgers der stad zich ver-
binden . om remplacanteu voor de Nationale Garde te
leveren, met welke schikking, hoe volkomen strijdig ook
met de wet, De Stassart genoegen nam.
Aan al deze onlusten hadden bijkans uitsluitend de lagere
standen deelgenomen. De dwingelandij had eerst hunnen
welstand vernietigd, daarna hunne zonen weggesleept en
eischte thans de mannen en vaders op; zij hielden minder
over dan de andere standen der maatschappij, en konden
daarom niet zoo gemakkelijk zwijgen en lijden. De na-
denkenden echter betreurden eene onberadenheid, die nutte-
loos kracht verspilde; zij begrepen, dat ons lot te eng met
dat van geheel Europa verbonden was, om zonder het
laatste beslist te worden. De kracht van Napoleon moest
sterker gebroken zijn, zoo een opstand iu ons land kon
gelukken; niet voordat zijn reuzengeuie onmachtig zou
blijken, oin den aanwassendeu vloed der volkeu te weêr-
staan, kon op dit kleine wereldhoekje een strijd met hoop
\' Houig, Geschil-deins der Zaïmlaiulen, II, 297 v.v.
-ocr page 204-
10(i
DE OMWKNTKI.INIi VAN 1S13.
op geluk worden aangevangen. Wachten was liet \\vacht-
woord van hen, die wilden zegevieren , en daarom de eerste
pogingen tot verzet niet konden steunen. Doch, al waren
zij zelfs oj) sommige plaatsen, o. a. te Leiden, verplicht,
om ter voorkoming van groote rampen zich aan de dienaren
der overheersching aan te sluiten , verder gingen zij niet.
l)e gezindheid, die de onlusten deed ontstaan, keurden zij
niet af, maar poogden zij integendeel te versterken. De
afkeer van de overheersching, de gehechtheid aan het va-
derland en het verlangen naar verlossing, werden door
woord en daad aangevuurd. Loots, die, evenals Helmers,
reeds vóór de komst van koning fiodewijk was gewaar-
schuwd, dat er van de Fransehe regeering aanvrage was
gedaan om hem in hechtenis te nemen, joeg telkenmale
als hij het spreekgestoelte betrad, zijn hoorders een doode-
lijken schrik op "t lijf door de onverholen bespreking van
staatkundige zaken. Doch er is geen onder de mannen van
dezen tijd, die door zijne Rijmelarij \' zulk een invloed
heeft uitgeoefend, als Mr. Cornelius van Marie. Zijn
meesterlijk rapport van Xerxes Deuteros in den raad zijner
ministers nopens zijn ongel nkkigen Icrijgêtocht tegen de Sar-
inateïi
, Tartaren t Seyteu en wat dies meer is, is algemeen
bekend. Zoo de geestige persirtage ons nog tot lachen be-
weegt, welk een indruk moet ze dau niet op den tijdge-
noot hebben gemaakt! Hoort den aanhef:
Mijnheereu! *t is niet als voorheen,
Pat ik mij kum aan u vertoonen.
Een kous moet thans de plaats bekleên
Van mijn verwelkte luuwerkrooneu :
Maar dat vermaledijd saizoen ....
liet was waarachtig niet te doen!
1 Rijmelarij van Mr. Cornelius van Marie, 1814, LI. 9.
-ocr page 205-
L97
DE OMWENTELING VAN 1S13.
Je weet, ik ben bedaard en stil
En zou me, uit goedheid, laten villen;
Muar \'t hindert mij, als een ander wil,
Hetgeen ik goedvind niet te willen.
\'k Werd hoo*, omdat het Russisch vee
Wou suiker drinken hij de thee, enz.
Er zijn zeker ook in die dagen stukken van oneindig
grooter dichterlijke waarde geschreven maar niet écu, dat
zoo zeer aan eeue behoefte des oogeubliks voldeed. Nog
altijd was Napoleon in de oogen des volks, dat steeds, al
weet liet zich geen rekenschap er van te geven, een oube-
paald ontzag voor verstandelijke meerderheid heeft, met
den geheimzinniger! glans van grootheid en genie omgeven.
Van Maria\'s vers verscheurde het eerst dien geheiiuzinnigen
nimbus. De machtige behcerscher werd een gewoon mensch,
van gelijke bewegingen als zij; neen, dieper zonk hij nog.
hij werd bespottelijk. De inan, dien het volkslied deed
klagen:
De kousen, die mijn wijfje mij
Gebreid heeft, met gevulde kuiten,
Die heeft een Rui nu aan zijn pens :
\'t Is wat te zeggen voor een mensen !
zulk een man kon geen gevaarlijk vijand zijn! Bespotting
is het geduchtste wapen tegen eeue regeering, omdat het
haar gezag ondermijnt. Van Marie heeft in zijn rapport
misschien eenige zonden begaan tegen de historie: zijne
voorstelling van Napoleon maakt diens levensgeschiedenis
tot een onverklaarbaar raadsel; maar dit zijn kleine be-
laugeu, waar de grootere des vaderlands op het spel staan.
Hem komt de verdienste toe eeu schok gegeven te hebben
aan de publieke opinie, die beslissend was. Hij heeft de
angstvalligheid van ontelbaren verdreven, en hen van gan-
-ocr page 206-
DE OMWENTELING VAN 1818.
198
seher harte doen lachen. Eu, wie in die dagen durfde
lachen, durfde ook vechten.
Met geen minderen ernst, doch op geheel andereu toon
streefde de Leidsche hoogleeraar Joan Melehior Kemper het
groote doel na. Van den eersten oogenblik der inlijving
had hij getracht den afkeer van het Fransche bewind bij
zijne leerlingen aan te wakkeren. Volgens de wet Fransch-
mari geworden, verklaarde hij openlijk: "ik zal er altijd
roem op dragen Nederlander te zijn." Toen Napoleon in
Rusland was, maakte hij van de spreekbeurt in de Hol-
laudscht Maatschappij
gebruik, om tegeu den Frauschen
geest en tegen de pogingen ter uitdooving van de zucht
voor de vaderlandsehe letterkunde aangewend, te waar-
schuwen en aan te dringen op waakzaamheid, vereeniging
en standvastige volharding. Maar stout bovenal was het.
toen hij in het voorjaar van 1813 het openbaar examen
van de school des Leidschen Departement» der Maatschappij:
Tot Nut van \'t Algemeen, openende, deze woorden tot een
publiek, van welks stilzwijgen hij niet zeker kon zijn.
waagde te richten: "in de handelingen der volken, in de
staatkundige jaarboeken, ging de naam van Nederland
verloren; in de gesehiedboeken der menschheid bestaat
Nederland zoolang er nog Nederlanders gevonden worden:
en Nederlanders zullen er bestaan, zoolang nog eene goede
opvoeding, zoolang nog dit verbeterd onderwijs ons het
behoud onzer Nederlnndsehe deugden waarborgt. Wat
immers is het, dat, niet in de staatkundige handelingen
der vorsten, maar voor den regterstoel van het gezond
verstand, een volk uitmaakt? Zijn het de willekeurige
grenzen, binnen welke toeval of willekeur zeker aantal
menschen onder een algemeenen naam begrijpt ? Neen,
het zijn de zeden van hei volkskarakter, waardoor zich
-ocr page 207-
DK OMWKNTKLING VVS 1818.
199
eene maatschappij van hare naburen onderscheidt; en geen
volk gaat verloren, zoolang liet den band gevoelt en waar-
deert, welken die volksdeugden en dat volkskarakter om
allen slingert, die den/elfden grond bewonen en genoegens
zoowel als rampen met elkander gemeen hebben." \'
Het was geen wonder , dat een inan, die zulk eene taal
durfde voeren, bij vrienden en vijanden welbekend was.
De algemeene achting vrijwaarde hein voor vervolging en
deed zijn naam bij de voorstanders der vrijheid het sym-
bool der vrijheid zijn. Toen de straks vermelde beroering
te Leiden plaats greep, keerde juist de hoogleeraar van
het academiegebouw naar huis en ontmoette den onstuimigen
troep. Door een uit hun midden herkend, werd hij
staande gehouden als de «brave professor, de vijand der
Franschen" en tegen wil en dank gedwongen Oranje boven!
te roepen.
Het zaad, door zulke mannen gestrooid, begon vrucht
te dragen. Gelijk van alle voorname steden des keizer-
rijks, werd o. a. ook van Amsterdam, de derde stad des |
rijks, van Rotterdam en \'s-Hage gevorderd, dat eene
commissie uit het stedelijk bestuur, de verzekering van
trouw en onderwerping aan de keizerin zou overbrengen. \'
Doch men begon reeds minder snel te gehoorzamen. De
raad van Amsterdam talmde bijzonder lang, en toen de,
commissie, eindelijk vertrok , bevatte hun adres geen enkel
aanbod van ondersteuning, maar sprak integendeel zeer
duidelijk de groote behoefte aan vrede uit. De nieuws-
papieren waren wel een tijdlang vervuld met aanbiedingen
vaii paarden of geld , door de ambtenaren aan de regeering
gedaan, doch de meeste geschiedden gedwongen en door
1 De Boaob Kemper, Staatkundige Gesehriften ren Jura Bfelchior Kern-
per, III, bl. 46.
-ocr page 208-
200
DK OMWENTELIKO VAN\' ÏSI.\'J.
de Franschen zelve. Er waren er, die alleen uit de cou-
rauten vernamen, hoe verknocht zij wel waren aan Z. M.
en hoeveel zij wel voor het behoud des keizerrijk» over-
hadden. De regenten konden noch wilden door een nieuw-
aanbod van geld en troepen den druk des volks verzwaren
en den haat der bevolking o]> zich laden. De tijden waren
voorbij, waarin de grooten des volks de lijdeuden en ver-
slagenen met onverschillig gemoed van verre voorbijgingen.
* Voor het despotisme zijn allen gelijk: het eischt de uit-
I putting van aller krachten en oogst daarvoor den haat
van alleu in. Wie zich ooit had gevleid, dat stand of
verinogen hem voor den druk zou vrijwaren, had reeds lang
de zoete begoocheling verloren, maar nog waren er genoeg,
die het denkbeeld van een dadelijken tegenstand, ook zelfs
in eene nog verre toekomst, stellig afkeurden. Het kost
den vermogende, die bij den grootsten druk nog eeltige
welvaart blijft genieten, het kost hun allen, die aan een
vreemd bestuur opkomst en vermogen danken, altijd groote
moeite en een langdurigen strijd, de eigen belangen gering
te schatten voor de nationale zaak. Doch Napoleon kwam
hun in dien strijd te hulp en deed de harten dier vaders
en moeders, die tot dusverre door liet remplacement hunne
geliefde kinderen hadden behouden, van naamloozen weedom
krimpen. Bij besluit van 5 April 1813, werd het aan
jongelieden van goeden huize, zonder gevestigde» staat,
toegestaan , onder den schoonklinkenden titel van eere-
wachten (gardes d\'hoimeur), de wapenen voor den keizer
\' o]> te vatten. Doch de vergunning bleek spoedig een be-
vel te zijn, en 10,000 jongelingen uit den deftigen stand
waren bestemd, om, als gijzelaars van de trouw des volks,
• voor het keizerlijk leven te waken. Hoe groot de eer
ook schijnen mocht, de ouders der aangewezenen waren
-ocr page 209-
DE OMWUNTKLINC VAX 1813.
301
nog gevoeliger voor de smart der scheiding. Tevergeefs
was hun verzet en ijdel de pogingen, de geliefde zonen
door anderen te doen vervangen. 1 let baatte niet, dat
men aan de gewone conscriptie had voldaan of een plaats-
vervauger had gesteld. Toen alles vruchteloos en onder-
werping het eenig mogelijke was, besloten de tegenstanders
der regeering van den missta]) gebruik te maken. Kemper
moedigde de jongelingen aan, om niet vrijwillig te volgen,
maar zich met geweld uit de ouderlijke woning te doen
halen. Zooveel mogelijk moesten ze zorgen, op lichten
dag te vertrekken en het afscheid openlijk te nemen. Hij
wilde de verbittering des volks door openbaar geweld steeds
hooger doen stijgen, opdat het tot ecu dadelijk verzet,
dat eerlang volgen zou, bereidwillig mocht zijn.
En gelijk al zijne pogingen, zag hij ook deze ten volle
slagen. Maar evenzeer als hij, zag het \'t Fransen bestuur.
Het merkte met toenemende onrust het gevaar op , dat in
den opgewekten volksgeest en in den [ijdelijken tegenstand
gelegen was. De ruwe kracht van opstandelingen kan door
overmacht worden verbroken, maar het veld winnen van
ideeën en gezindheden, van onwil en haat is door geen
geweld te stuiten. Het bestuur voelde, dat de grond
onder zijne voeten wegbrokkelde, zonder dat het iets ter
redding kon doen. Vervolging zou niet baten , maar
schallen. Van Marie werd vier en twintig uren in heehte-
nis genomeu, maar toen met een woord van bestraffing
vrijgelaten. De hoogste Fransehe ambtenaren begrepen te
recht, dat eene beslissende overwinning van Arapolcon meer
zou afdoen, dan allerlei kleine vervolgingen van bijzondere
personen. Zij waren ook zelve te weinig meer overtuigd
van de onwankelbaarheid van den keizerlijken troon, en
konden, — het oordeel vau De Stassart over Kemper na
-ocr page 210-
HU                          DE OMWENTELING VAN 1813.
diens dood bewijst het \' — hunnen stoutmoedigen tegen-
standers geene achting weigeren. Na liet gebeurde met de
eerewachten, kwam er bevel uit Parijs om Kemper, wiens
aandeel in de zaak niet onbekend was gebleven, op te lichten.
In plaats van te. gehoorzamen, liet de hertog van Plaisance
den hoogleeraar in \'t geheim waarschuwen, die op zijne
hoede was en \'t gevaar ontkwam. Zulk eene handeling van
het hoofd der regeering is een bewijs van het ontzag, dat
Kemper zijnen tegenstanders had weten in te boezemen en
van den grooten weerklank, dien zijne woorden vonden.
Een gerucht, dat niet eens de verdienste van nieuwheid
had, opende de ooren ook van hen, die vroeger dooi\' voor
zijne stem waren geweest. Men zeide, dat de regeeriug
de dochters van de incest gegoede ingezetenen zou opeischen.
om haar aan verdienstelijke krijgslieden uit te huwelijken.
Dit vertelsel, dat van het begin der inlijving had geloopen
en, vooral bij de komst van Napoleon in 1811, een aan-
tal overhaaste en — naar de booze wereld zegt — onge-
Inkkige huwelijken had veroorzaakt, begon opnieuw de
gemoederen te verontrusten. Met onbegrijpelijke zekerheid
meende ieder het te kunnen bevestigen, en meer dan ooit
vond het geloof. De laatste maatregelen toch des keizers
hadden bewezen, dat hij voor niets zou terugschrikken,
indien hij het noodig rekende. De uitkomst heeft met
geen enkel voorbeeld hier te lande het gerucht bevestigd,
schoon de vroeger medegedeelde circulaire het vermoeden
wettigt, dat de algemeene meeiiing niet allen grond heeft
gemist. Doch hoe het zij, het gerucht, waar of onwaar,
strekte om de rijen van de tegenstandera der regeering te
versterken en die van hare aanhangers te verzwakken.
1 Zit\' ilc Auutrrlicningen lehtcr in het hork.
-ocr page 211-
DE OMWENTELING VAN 1818.
208
tën in plaats van verzwakking, had ze alleszins behoefte
aan versterking; want de ontevredenheid der bevolking,
die ze uit enkele proeven kende, zou niet meer in on-
zamenhsngende opstanden zich openbaren. Er waren mannen, 1
die aan eene omwenteling durfden denken en moeds ge-
noeg bezaten om zich met de gevaarlijke taak der leiding
te belasten. Had de lieer Van Hogendorp zich reeds
tijdens den Russisohen oorlog met het ontwerp eeuer
staatsregeling bezig\'gehouden, na den alloop van den krijg
ging hij een stap verder. Met de hoeren Van der Duyn
van Maasdam, Van Limburg Stiruiii, Repelaer van Driel,
De Jonge en Changuion, begon hij in geheime samen-
komsten maatregelen te beramen, oin het herstel van
\'s lands onafhankelijkheid en den terugkeer van \'t Huis van
Oranje te bevorderen. In nachtelijke, bijeenkomsten, meestal
ten huize van Van Hogendorp en Repelaer gehouden .
werd eene grondwet opgesteld, die bij eene mogelijke
omkeering van zaken tot grondslag voor den nieuwen staat
kon dienen en werkelijk gediend heeft. Men stelde zich
in betrekking met vele invloedrijke en vrijheidlievende
mannen in verschillende provinciën, om, als \'t oogenblik
der beslissing zou slaan, in cénen geest werkzaam te zijn
en iutusschen den volksgeest voor te bereiden. Met deze
voorbereidende maatregelen stelde men zich toentertijd
tevreden en wachtte den loop der gebeurtenissen af. die
voor het oogenblik nog geen krachtdadig optreden ver-
gunden. Napoleon was met zijne nieuwe legers zijnen
vijanden te gemoet getrokken en bad bij Lutzen en
Bantzen de overwinning behaald. Te Praag waren vredes-
onderhandelingen geopend, wier uitslag zeer onzeker scheen.
Het behoud der rust was dus een gebiedende plicht. zoo
men niet de zwakke krachten des volks in een geheel
-ocr page 212-
204
DE OMWENTELINO VAN 1813.
nnttelooüen strijd wilde opofferen. De handelingen des be-
stunrs werden met opmerkzaamheid gadegeslagen, om van
elke weifeling en van eiken misstap zooveel mogelijk voor-
deel te trekken.
Het was natuurlijk, dat de speurhonden der Fransche
politie spoedig iets van die bijeenkomsten hadden gemerkt.
Doeh gelukkig voor de verbondenen hadden zij zieb met
geen der opstanden van het voorjaar van 1S12 ingelaten
en was dus een rechtstreekseh bewijs van het vijandige
hunner samenkomsten niet te vinden. De eoinmissaris der
politie te VHage, de heer Ainpt, kreeg van den direeteur-
I generaal Dévilliers-Duterrage, last om de. zaak te onder-
zoeken. Doeh, jammer genoeg voor het Fransche bestuur,
de heer Ampt was het geheel met de verbondenen eens en
maakte reeds lang van zijn post gebruik, om de onrust
des bestuurs door zijne scherpe teekening van de vijandige
stemming des volks te verhoogen. Het verkregen bevel
beantwoordde hij met de eenvoudige kennisgeving, dat de
heeren Van Hogendorp, enz. volkomen ongeschikt waren,
| om de leiders van een opstand te zijn. Door deze weinig
vleiende karakteristiek, die ze ditmaal wel voor lief zullen
genomen hebben, redde hij hen van het dreigend gevaar.
Reeds vroeger was de baron Beutiuck tot Bnckhorst te
Zwolle aan een niet minder groot gevaar ontsnapt. Men
had ontdekt, dat hij geheime briefwisseling met den Prins
van Oranje hield en hem in hechtenis genomen. Ternauwer-
nood door tusschenkomst van den heer Dedel ontslagen,
werd hij naar Parijs opoutboden en alleen aan de krachtige
hulp van den heer Sehimmelpenninek, den vroegeren raad-
pensionaris, thans lid van den Franschen Senaat, had hij
het te danken, dat hij in vrijheid en in het vaderland
mocht blijven. Deze vervolgingen deden intussehen zien,
-ocr page 213-
Dl\'. OMWENTELING VAN 1S13.                      205
wat <le verbondenen zouden te vreezen liebben, indien de
gebeurtenissen eene andere wending namen, dan zij hoop-
ten en meenden te mogen verwachten.
Uoch de dag begon te sclieinereu. De onderhandelingen
te Praag waren zonder vrede geëindigd en Oostenrijk door
de bondgenooten tot deelneming gedrongen. Met nieuwe
en versterkte krachten werd in Augustus de strijd hervat,
die ditmaal kort eli beslissend zou zijn. In de dagen van
den 16\'le" tot den 18\'len Oetober bad bij Leipzig de be- \'
roemde volkenslag plaats, die aan Duitschland de eer en
vrijheid hergaf. Wederom waren Napoleon\'s legers ver-
nield en vlood hij naar zijne hoofdstad, om nieuwe te
lichten. Maar de bondgenooten , door de overwinning sterk
en moedig, drongen voort.
Onmiddellijk na den slag bij Leipzig breidden de Ilaagsche
verbondenen hunne maatregelen uit. leder hunner koos I
een viertal vrienden, die hij vertrouwen kou; ieder van
dezen weder een viertal en zoo voorts. Geen van hen
kende een ander, dan die hem gekozen had ; en allen ver-
bonden zich om oj) bet eerste teeken met zoodanige wapenen,
als hij kon krijgen, gereed te zijn. Om alle ontdekking
te voorkomen, werd alles mondeling besproken en niets op
schrift gesteld. Zoodra er eenigo volksbeweging ontstond
moesten zij allen zieb in bet gedrang mengen en aldaar
nadere bevelen afwachten. Op deze wijze hadden de Haag-
sche heereu eerlang 4000 man, op wie ze rekenen konden.
Doch van nog grooter gewicht was de versterking, die de
heer Van Limburg Stirum hun toevoerde. Door de ver-
bondenen met de militaire toebereidselen belast, gelukte
het hem, de geheele Nationale Garde met haar opperhoofd,
den kolonel S. van Oldeiibarucvoldt, genaamd Witte Tulliugh,
te winnen. Eene dergelijke poging, om het korps vreemde-
-ocr page 214-
2llf)                          UK OMWK.NTKI.ING VAX 1813.
tingen, dat in dun Haag in bezetting lag en nieerendeels
uit Pruisen bestond, tot afval te bewegen , mislukte. Daaren-
tegen verbond zich een Scheveninger reeder, 1\'ronek, om
zoodra het noodig mogt zijn, met vijftig man, gewapend
en tot alles bereid, de verbondenen te ondersteunen. Hoven-
dien stelde; bij zijne pinken te hunner beschikking.
Door al deze toezeggingen van eenige macht zeker eu
niet twijfelende; aan de ondersteuning des volks, wachtten
de verbondenen met spanning de komende gebeurtenissen
af. En zij waren aanvankelijk niet ongunstig voor de goede
zaak. In liet begin van November verspreidde zich eens-
klaps, zonder dat men wist van waar of\' door trien, in den
Haag het gerucht, dat Uavoust, prins van Kckiunhl,
Hamburg had moeten ontruimen, en dat dientengevolge
omtrent de overgave van ons land aan de bondgenooteu
werd onderhandeld. Aanstonds kwam de menigte op de
been en joelde door de straten onder bet aanhoudend
gejuich van Oranje bomu ! Den volgenden dag (12 Xov.)
werd het nog erger, waartoe een nieuw gerucht aanleiding
gaf. Napoleon was, zeide men, gevangen genomen en
gedood, en ons land inderdaad reeds aan de geallieerden
overgegeven. Men gaf zelfs uit een ouechten Moniteur de
woorden op, door een lid van den Senaat bij die feestelijke
gelegenheid gesproken! Thans was aan geen kalmte meer
te denkeu ; alles was gewonnen; de menigte stroomde naar
het stadhuis, om daar, gelijk het gedienstig gerucht er
bij had gevoegd, van den oud-burgemeester Slicher, die
bijzonder de volksgunst genoot, de officieele bekendmaking
van deze belangrijke zaken te hooren. liet spreekt vanzelf,
dat de menigte overal bedrogen uitkwam, en met groote
moeite werd ze door den heer Slicher tot kalmte gebracht.
Van deze volksoploopen, waarschijnlijk wel met voordacht
-ocr page 215-
207
DE OMWKSTKLINU VAN 1S13.
uitgelokt, werd gebruik gemaakt. De vrederechter Van
der Goes wist van den prefekt de vergunning te verkrijgen,
om een vierhonderdtal personen tot behoud van rust en
orde bijeen te roepen en te wapenen. De Stassart zag
liever de gezeten burgerij dau het gemeen in de wapenen
en meende door zijne toestemming een bewijs van ver-
trouwen te geven. Met hetzelfde doel en zeker ook 0111
zooveel mogelijk elke botsing tusschen de Frausche troepen
en de opgewonden bevolking te vermijden, gelastte hij de
Nationale Garde, onder den kolonel Tulliugh, zich bij de
geringste volksbeweging in het Voorhout te verzamelen.
Aanstonds bleek het, wat hij van deze te verwaehten had.
Twee onderofficieren lieten hunnen ouderhoorigen aanzeggen,
om bij de samenkomst zich van eeue oranjekokarde te voor-
zien. Dit kleine bijvoegsel tot de oproeping was weinig
in den geest van den prefekt en een afdoend bewijs van
de heerschende stemming. De twee onderofficieren werden
in hechtenis genomen, doch spoedig weder ontslagen.
\'s-Gravenhage vertoonde in deze dagen een zonderling
schouwspel. Het Frausche bestuur met vijf il zes honderd
man tot zijn dienst stond tegenover eene bevolking, waar-
onder het bijkans geene aanhangers telde, en waarvan een
deel met zijne eigene toestemming in de wapenen was. Een
voorstel door den prefekt aan de aanzienlijke ingezetenen
gedaan, om zich met de Franscheu tot een comité van
orde te vereenigeu, werd geweigerd. Het was blijkbaar,
dat het Frausche bewind op uiemands ondersteuning dan
die van enkele belanghebbenden kon rekenen. Zulk een
toestand was onhoudbaar en kon uit den aard der zaak
niet lang duren. Ontstond er strijd tusschen de bevolking
en de bezetting, dan had de laatste de overmacht der
wapenen, maar de eerste de getalsmeerderheid tot steun
-ocr page 216-
208
DK OMWKNTKLINfi VAN 1813.
Een vreeselijk bloedbad zou liet gevolg zijn geweest. Ge-
hikkig voor de stad waren de Franschen niet bloedgierig
genoeg, om eene botsing uit te lokken en misschien ook
voor eene wanhopige bevolking bevreesd. (Jok Van Hogeu-
dorp en de zijnen wilden de verantwoording van den strijd
niet op zich nemen. Het plan van Van Stirum tot een
nachtelijken aanval werd aanstonds opgegeven, toen het
bleek dat de Franschen op hunne hoede waren. Beide
partijen bielden elkander in het oog en wachtten, tot een
stoot van elders de zaak besliste.
Het was Amsterdam, dat dien stoot gaf.
Een gelijk verschijnsel, als te \'s-Gravenhage, had te
Amsterdam zich voorgedaan: de stemming des volks had
ook hier tot de wapening der burgerij gedwongen. De
Nationale Garde, in April (1818) ontbonden, werd den
7\'h" Octobcr hersteld, en den heer Van Brieuen, die
vroeger als kolonel het opperbevel had gevoerd, werd
dezelfde post weder aangeboden. Na eenige aarzeling nam
bij dien aan, vast besloten de verkregen macht voor de
zaak der vrijheid aan te wenden. Met zorg koos hij zijne
officieren en bepaalde zich tot de zoodanigeu, van wie hij
beleid en ondersteuning mocht verwachten. Tot deze olti-
eiereu behoorde de kapitein A. R. Falck, die, als de
manschappen onwillig waren, gewoon was hen aan te
sporen met het veelbeteekenend woord: «leert het maar,
wie weet hoe het u nog eens te pas kan komen?" \' Toen
de Garde in het begin van November ook tot den
gewonen garnizoensdienst werd opgeroepen, maakte Van
Brieuen van die gelegenheid gebruik, om zijne manschappen
in den wapenhandel te doen oefenen en scherpe patronen
\' Brieven vun A. R. Fnkk, M. 15.
-ocr page 217-
DE OMWENTELING VAN lSl\'j.
209
voor hen aan te vragen. Doch de gebeurtenissen rolden
voort, voordat aan zijn verzoek was voldaan. De nadering
der Pruisische en Russische troepen deed de Fransche
ambtenaren in de noordelijke provinciën hun heil in de
vlucht zoeken. Het meerendeel hunner vlood over Ain-
sterdam. Hunne vreeselijke verhalen aangaande den vijand
strekten niet, om de onrust der Fransehen te bedareu , die
evenmin voor de toenemende geruchten van den voortgang
der vijandelijke legers week. Meer en meer werden ze op
eigen redding bedacht; de goederen werden opgepakt en
verzonden, en hen zelve zag men met smachtend verlangen
naar stellige tijdingen en bevelen uit Parijs uitzien. De
zekerheid dat hunne troepen, ten hoogste 10,000 man
hier te lande bedragende, tegen een aanval der bondge-
uooten, wier juist getal niet bekend was en in den aan-
vang overdreven hoog werd opgegeven, niet bestand zouden
zijn; de vrees voor de woede van het zoo lang onderdrukte
volk. en bovenal de vaste overtuiging, dat het geluk zich
voorgoed van hunnen keizer had afgewend, deed hen een
langer verblijf in deze streken minder wenschelijk rekenen.
Op den IS41 November openbaarde de generaal Molitor
zijn last, om zijn hoofdkwartier naar Utrecht te verleggen.
Reeds in den avond van den volgenden dag vertrok het
zoogenoemde strafbataljon, uit 800 man bestaande; in den-
zelfden nacht werd het door de gewapende douanen en den
generaal zelveu gevolgd. Nog bleven de hoogste ambte-
naren, zooals de gouverneur-generaal, de prefekt, enz.,
doch zonder buitengewone scherpzinnigheid liet het zich
berekenen, dat deze heeren hunne voorgangers wel spoedig
zouden volgen.
Tot dusverTe was alles rustig gebleven: zelfs de gehate
douaniers had men in vrede, schoon niet zouder morren,
Jn«l«»l!N. i-tmliin IV                                                                        14
-ocr page 218-
UE OMWENTELING VAN\' lSl.\'i.
:>lll
laten vertrekken. Doch op den avond van den volgenden
.1 \'>\'1"\' November brak de storm los. Hoopen volks, met
oranje versierd, vingen aan, de straten met hun gejuich
te vervullen, in den aanvang eene onschuldige en nutuur-
lijke uitbarsting der blijdschap, Dam de beweging spoedig
een ander karakter aan. Men wierp zich op de huisjes der
douaniers, die aan de vlammen werden opgeofferd. De
uithangborden, die met den keizerlijken adelaar prijkten
en niet waren ingenomen, gingen denzelfden weg. Door
dien gunstigen uitslag bemoedigd, kwam men met stouter
voorstellen voor den dag. Alles, wat met de dwingelandij
ook maar in liet geringste verband had gestaan, moest
worden opgeruimd. De kazernen en pakhuizen der doua-
niers aan den Buitenkant, de tabaksgebouwen op Katten-
burg, Wittenburg en Oostenburg, werden ernstig bedreigd.
Ternauwernood gelukte het aan de Garde, inmiddels te
zaïnen gekomen , en aan de ernstige toespraken van geachte
particulieren, de dolle vaart der menigte voor lieden te
stuiten. Den Franschen, die nog in de stad vertoefden,
had deze oploop zulk een angst aangejaagd, dat zij meest
allen den volgenden morgen Amsterdam verlieten. De
menigte liet hen ongedeerd vertrekken, maar werd door
dit bewijs harer zege niet bedaarder, en ving met nieuwen
moed haar vernielingswerk aan. Niet meer tevreden met
het verbranden der wachthuisjes, begon ze de woningen der
Fransche ambtenaren te plunderen en den roof te ver-
branden. Tevergeefs was elke poging om de dolle woede
tot bedaren te brengen, de losbandigheid kreeg een steeds
dreigender aanzien. Eindelijk begreep men te moeten door-
tasten en de Nationale Garde begon te vuren. Doch ook
dit baatte slechts een oogenblik en op eene enkele plaats.
Met de grootste razernij gaat gewoonlijk bij het volk eene
-ocr page 219-
UE OMWENTELING VA\\ 1813.
211
soort van goedhartigheid gepaard, die zich in mededoogeu
met de slachtoffers der justitie openbaart. Het schijnt in
veroordeelden niets anders dan de slachtoffers van willekeur
en onrecht te zien. De gevangenen in het Werkhuis, uit
het Spinhuis, en van de Jan-Bodenpoort werden met ge-
weld bevrijd en in gejuich rondgevoerd. De cipierswoning
bij de laatste werd geplunderd en de menigte vond er groot
behagen in, door het onophoudelijk luiden der daar aau-
wezige klok alom • schrik en vrees te verspreiden. Met
groote moeite gelukte het aan de vastberadenheid van
enkele welgeziuden het uitbreken van een geweldigen brand
te voorkomen.
Het was duidelijk, dat iu zulk een staat van zaken een
maatregel moest genomen worden, die de stad voor regee-
ringloDsheid bewaarde. Liet men de menigte ongehinderd
aan hare luimen toegeven , eeue algemeene plundering dei-
stad zou het gevolg zijn. Want geene enkele macht was
aanwezig, in staat om haar tegenstand te bieden. liet
Fransche* bestuur was gevlucht, de maire te Parijs, de
politie niet te vinden en alleen de Garde, weinig gewa-
peud, zocht, gesteund door het aanzien van bijzondere per-
soneu, nog de orde te bewaren. Zulk een toestand eisehte
voorziening. De officieren der Nationale Garde besloten
door te tasten; te zamen gekomen in de Keizerskroon, in
de Kal verstraat, kozen zij enkelen hunner, onder welke de
kolouel Van Brieuen en de kapitein A. R. Falck, om een
nieuw stadsbestuur in het leven te roepen. Deze heeren noo-
digdeu vier en twintig der meest geachte ingezetenen tot eeue
samenkomst uit. * Twintig verschenen, en ontvingen van
1 Vgl. de redevoering, die Vim der Palm aan Fulck bij deze gelegenheid
in den mond legt, a. w., bl. 43.
-ocr page 220-
DE OMWENTELING VAN 1813.
212
kapitein Falck in naam dor Nationale Garde liet dringend
verzoek , om , ter wille van de omstandigheden des tijds ,
zich met liet stadsbestuur te belasten. Zeventien der aan-
wezigen — onder welke de adjunctmarre Charlé, die, zich
zelven niet kunnende ontslaan, zich door eene verklaring
van de officieren der Garde liet ontslaan — verklaarden
zich bereid het tussohenbestuur der stad op zich te nemen.
Aanstonds werd den volke van het gebeurde kennis ge-
geven ; de namen der nieuwe regenten hadden een goeden
klank en toen ze des avonds met fakkellicht eene oilicieele
wandeling door de straten der hoofdstad deden, werden ze
door liet volk met groot gejuich ontvangen en geleid.
Deze stap redde Amsterdam van regeeringloosheid en plun-
dering. Het vertrouwen keerde weder en het gemeen on-
derwierp zich, na nog enkele pogingen tot verzet te hebben
gewaagd. Het nieuwe bestuur deed aanstonds de noodige
afkondigingen, om den gewonen gang van zaken onge-
stoord te doen voortgaan. De politie werd hersteld; de
inning der stedelijke belastingen geregeld; en het behoud
der orde van de vereenigde pogingen van de politie, de
Garde en van eene nieuwe ruiterbende van meer dan 300
man verwacht.
De eerste vraag, door de nieuwe stedelijke regenten, na
liet herstel der orde te beslissen, was: welke houding de
stad Amsterdam jegens de Fransehe autoriteiten zou aan-
nemenP Moest zij dadelijk de vaan des oproers planten of
wachten tot elders de zaak was beslist? De gezindheid der
burgerij was niet twijfelachtig, maar de voorzichtigheid ge-
bood eene andere keus. De raad besloot, zich te bepalen
tot de bewaring van orde en rust, om niet door overmoed
de geduchte macht, die van alle kanten de stad omringde,
tot wraak te tarten. En met recht. Want het zou dwaas-
-ocr page 221-
DE OMWENTELING VAN 1818.                       213
heul geweest zijn, terwijl de Franscheu Utreeht, Haarlem,
Naarden, Muiden en het l)lokliuis tusschen Haarlem en de
stad sterk bezet hielden; terwijl in het gezieht der stad
kanouneerbooten lagen, zwaar bemand en met veel gesehut
voorzien, de oranjevaan op te heffen, die men met geen
enkel stuk gesehut verdedigen kon. Het tusschenbestuur
te Amsterdam bleef\' dus in voortdurende gemeenschap met
den Franschen bevelhebber en ontving Molitor\'s bevelen,
als de bevelen der bevoegde overheid.
Gelukkig echter voor de zaak der vrijheid bestonden
dezelfde redenen niet te \'s-Gravenhage, waar het bericht
van het gebeurde te Amsterdam de grootste vreugde ver-
wekte. De hoofden der verbondenen begrepen, dat thans
het beslissend oogenblik was gekomen. Men moest, voordat
de volksbeweging begon, de teugels in handen hebben, zoo
men gelijke wanordelijkheden als in Amsterdam wilde voor-
komen. In den morgen van den 17\'\'"" November begaf
de graaf Van Stirum zich naar Van Hogendorp en stelde
hein voor te beginnen. Van Hogendorp gaf zijne toestem-
miug. Van Stirum zotte de oranjekokarde op den lioed,
stapte naar den oud-burgemeester Slicher|, en noodigde hein
uit, onverwijld liet bestuur der stad op zich te nemen.
«Welk een indruk de verschijning van Van Stirum, in
het openbaar, met de oranjekokarde op den hoed, en
straks ook der zonen van Van Hogendorp, op gelijke
wijze versierd; welk een indruk deze vertooning maakte,
is nauwelijks te beschrijven. 1\'llk ander, die het gewaagd
had de geliefde leus dus openlijk te dragen, zou opzien
gebaard en navolgers gevonden hebben; want men be-
speurde reeds gisting en samenscholing. Maar van zulk een
kant opgestoken, door zulke achtbare mannen gewettigd,
twijfelde niemand, of de dageraad der vrijheid was waar-
-ocr page 222-
214
DE OMWENTELING VAX 1813.
lijk aangebroken. Binnen weinige oogenblikken prijkte de
oranjekleur «)]) aller hoofd of borst; welhaast praalde zij
ook voor de vensters en wapperde voor alle winkeldeuren.
Huizen en werkplaatsen liepen ledig: de ganscbe bevolking
kwam o]> de straten; de lucht weergalmde van gejuich en
gelukwenschen en uit veler oogen. vloeiden vreugdetranen!
En schoon liet aan geene verwenscliing van de Fransehen
ontbrak, schoon welhaast hunne adelaars en wapenschilden
ook hier niet langer geduld werden; nergens echter werd
geweld gepleegd en nergens ontdekte men sporen der voor-
malige tweedracht." \'
Deze uitbarsting van den volksgeest droeg dadelijk de
gewenschte vrucht, daar de Stassart besloot te wijken. Hij
droeg aan enkele ingezetenen het handhaven der orde op
en vertrok denzelfden dag. De drie oud-burgemeesters,
Slicber, Bachiiian en \'t Hoen, namen het stedelijk be-
stuur in handen, en Tan Stiruni trad in den middag als
gouverneur van de stad voor den Prins van Oranje op,
en liet de oranjevlag van het stadhuis steken. Aan den
generaal Bouvier des Eclats verklaarde hij kortaf, dat hij
geen anderen gouverneur van den Haag buiten zich zelven
erkende. Zulk eene stoute houding schijnt den Fransehen
ontzag te hebben ingeboezemd. Tegen den avond trokken
de troepen zich te zamen op het Binnenhof en na een nacht
van weêrzijdschc waakzaamheid verlieten zij den volgenden
dag, tot groote geruststelling der ingezetenen, de stad.
Het was volstrekt niet het doel der llaagsche verbon-
denen zich tot hoofden des bestuurs op te werpen. Aan-
stonds, in de eerste proclamatie, die in naam van den
Prins van Oranje werd afgekondigd, beloofde Van Stiruin
i V. il. Palm, u. w.
-ocr page 223-
DE OMWKNTKMNG VAN 1818.                      :21 ó
het optreden van eene provisioneele regeering. Om de
belofte te houden, werd tegen den volgenden (donderdag)
middag eene vergadering uitgeschreven van allen, die in
de jaren 9-1 en 95 leden des bestuurs waren geweest. Van
hen schijnt Van Ilogendorp de meeste gehechtheid aan
\'t geslacht van Oranje, en op dien grond de meeste stout-
moediglieid te hebben gewacht. Zij /ouden dadelijk een
provisioneel bewind benoemen, en verder gemeenschappelijk
beramen , wat de drang des oogenbliks vorderde. Deze
maatregel van Van Ilogendorp, met hoe goede bedoelingen
ook genomen, was een misslag. Ue regenten uit de jaren
na 95 gevoelden zich door de uitsluiting beleedigd ; en de
opgeroepenen waren volkomen ongeschikt voor de taak,
die Van Ilogendorp van ben wachtte. Gewend aan den
slender der gewoonte, schrikten ze voor buitengewone
daden terug. Zij hadden zooveel buitengewoons gezien in
hun leven; en wat was \'t gevolg geweest? Men moest
niets wagen, voordat men van den goeden uitslag verzekerd
was. Zij vroegen naar de krachten, waarover de opstand
kon beschikken, en haalden de schouders op, toen de
Russen niet te Utrecht kwamen en geen Kngelsche vloot
voor den wal lag. Zij hadden den moed der zelfopoffering
niet, die alles doet wagen om alles te winnen; zij misten
het vast geloof aan de eindelijke zegepraal der goede zaak,
omdat zij, warm noch koud, voor geeue enkele zaak met
geestdrift bezield waren. Uit vrees van zich later aan on-
aangenaamheden bloot te stellen, deden zij volstrektelijk
niets, als ware dit de weg, oiu den goeden uitslag te
verzekeren en alle gevaar te weren. liet eenige, wat de
vergadering besloot, was om na twee dagen weder samen
te komen en tot deze nieuwe vergadering ook de vroeger
uitgestotenen te noodigen.
-ocr page 224-
21«
UK OMWENTELING VAN\' L818.
Doch de loop der gebeurtenissen wachtte niet op de
wijze redeneeringen der beschreven vadera. Het korps
vreemdelingen, dat in vorige dagen aan de aanzoeken van
den kolonel Tullingh had weerstand geboden en met den
Fransellen generaal den vorigen dag was vertrokken, werd
onderweg door vrijheidlicvende denkbeelden verrast. Het
keerde, na eeltige schermutseling met de gewapende doua-
niers, geleid door al zijne officieren, naar den Elaag terug
en bood zijne diensten aan den heer Van Stiruin aan.
Deze onverwachte versterking met \'iflO man was voor de
stad van groot gewicht: zij verplichtte hen, die de deser-
teurs in dienst namen, 0111 voor goed met het Fransche
bewind te breken. Van Hogendorp en de zijnen gevoelden
het en besloten, wat de alloop van de volgende vergadering
ook zijn mocht, een einde te maken aan het schadelijk
toeven en praten. De angstvalligheid toch der oude regenten
deed eene ongunstige werking; de bevolking begon, uu
zij zulke mannen zag aarzelen en weifelen, zelve te aarzelen
en te weifelen. Ken brief van De Stassart, waarin hij
vergeving beloofde., zoo men zich onverwijld onderwierp,
joeg velen schrik aan. Een schrijven van Bentiuck, uit
Zwolle, die de macht der geallieerden in de noordelijke
provinciën op niet meer dan 700 man begrootte, vermin-
derde dien niet. Dit alles deed de publieke opinie wankelen
en de gevolgen van den overhaasten stap, gelijk men sprak,
met angst te genioet zien. Doch mannen als Van Hogendorp
en Stirum wankelden niet, maar tastten moedig door. Op
denzelfden Vrijdag, waarop het korps étrtmger» aankwam,
vertrokken de heeren Fagel en De Perponcher naar Enge-
land, om den Prins van Oranje te ontmoeten en op zijne
overkomst aan te dringen. Verschillende andere heeren
werden naar de geallieerden gezonden, om hen tot voort-
-ocr page 225-
DK OMWENTELING VAX 1S13.                         217
nikken te bewegen. En te Scheveniugen deed de reeder
Pronck zijne schepen in zee steken, om de Kngelsche vloot
te zoeken.
Des Zaterdags kwam de tweede vergadering bijeen, rijker
aan leden maar niet aan moed. Het eenige wat van hunne
bijeenkomst valt te zeggen is dit: zij praatten veel en
deden niets. Zij weigerden een algemeen bestuur te kiezen;
zij weigerden zieh voor Oranje te verklaren. Zij oordeelden
de begonnen onderneming hoogst onberaden en onvoor-
ziehtig; met zoo weinig kracht zulk een werk te willen
volbrengen! Zij hoopten van harte, dat het gelukken
mocht en zouden dan bereid zijn, om mede de vruchten
te genieten. Om in de gevaren te deelen, daartoe ge-
voelden zij geen lust. Waarlijk! zoo de omwenteling heeft
gezegevierd, het was de schuld dier lafhartigen niet!
Ken kort beraad en eene snelle daad is in zulke oogen-
blikken, waarin alles op het spel staat, de hoogste wijs-
heid. Wie dan den moed mist om de gelegenheid aan te
grijpen, ziet ze gewoonlijk voor langen tijd, zoo niet voor
altijd, zieh ontsnapt. Die moed is niet de vrucht van
eene oogeublikkelijke opgewondenheid, maar van een kalm
gevoel van plicht. Van Hogendorp, Tan der Duijn, Van
Stirum, Kemper en allen, die hen steunden, waren op-
standelingen geweest met het hoofd en het hart, voordat
de opstand begon. Zij waren nooit jaan het vreemde be-
stuur onderworpen geweest; zij hadden altijd de mogelijke
kansen op verlossing berekend; zij hadden die kansen opzette-
lijk vermeerderd door het zedelijk, het rechtsgevoel der natie
op te wekken en in botsing te brengen met de overheer-
sehing. Het oogenblik, dat thans was gekomen, hadden
zij sinds langen tijd vooruitgezien en verwacht: het ver-
rastte hen niet, zij waren zeker van zich zelve en van den
-ocr page 226-
21S                      UK OMWENTELING VAN 1S13.
weg, dien zo betreden hadden. Al werden ze door minderen
gesteund, dan ze hadden gehoopt en verwacht, zij gingen
met vasten tred voort, /ij geloofden aan de toekomst en
daarom waren zij sterk en moedig, /ij konden niet ge-
looven, dat al de levensvoorwaarden van een volk voort-
durend ongestraft konden geschonden worden; zij geloofden
aan de wet van eeuwige ontwikkeling, voor de volken
zoowel als voor de individuen geldende; zij betwijfelden
niet dat alles, wat in de laatste jaren aan die ontwikke-
ling in den weg was gesteld, eens vallen moest. Dat dit
oogenblik thans gekomen was, en dat aan de volken nu
weder de gelegenheid tot vrije, zelfstandige ontwikkeling
werd aangeboden en toegestaan, dit ineenden ze aan de
teekenen des tijds te zien. Van Hogendorp was geen
profeet, gelijk liet volksgeloof dien teek ent; maar hij en
de mannen, die hem omringden, hadden dat deel des
prol\'etisehen geestes om in den gang der geschiedenis de
openbaring van zedelijke wetten te lezen. Geheel anders
was het met de druk pratende oude regenten gesteld; die
mannen, die angstig alle kansen wikten en wogen, ver-
bleekten als ze eene enkele beuzeling hadden vergeten.
Zij hadden onder de verdrukking wel zwaar gezucht, maai
het hierbij gelaten. Zij hadden zich onderworpen, niet aan
den dwang, maar aan den geest des bestuurs. Zij hadden
niet gebogen met de belofte in \'t hart, om met kracht zich
te verheffen, als de gelegenheid zich aanbood, maar zonder
tegenstand te bieden, uit zwakheid, zonder innerlijke kracht.
Zulke mannen zijn tot niets nut dan om de volgzame
dienaren van krachtiger geesten te zijn. In dagen van
nood en beslissing worden ze door de omstandigheden zelve
als onbruikbaar ter zijde gezet, om plaats te maken voor
hen, die de plaats verdienen.
-ocr page 227-
DK OMWENTELING VAN 1813.                      219
Zoo ging het ook thans. Van Hogendorp en de zijnen
namen de raadgevingen der vergadering voor kennisgeving
aan. Aangespoord door Van Stirum en de officieren van
zijne kleine krijgsmacht, verklaarde Van Hogendorp zich
bereid, met Van der Duijn van Maasdam de provisioneele
regeering in naam des Prinsen van Oranje te aanvaarden.
Op het blad wit papier, dat, alleen van zijne naamteekeniug
voorzien, door Van der Duijn aan Van Hogendorp, bij
zijn vertrek naar Amsterdam, was achtergelaten, werd liet
genomen besluit in de volgende aankondiging den volke
bekend gemaakt:
Alzoo de regeering loosheid veel is voorgekomen, in de
meeste steden
, door wijze voorzieningen van de noiabeUte
ingezetenen , maar het
algemeen Bestuur geheel verivaar-
loosd en in niemands handen is; terwijl het geroep van
alle zijden om zvlk een
Bestuur, lot redding van het
Vaderland, onze harten diep getroffen heeft; zoo is het,
dat wij besloten hebben hetzelve op te vatten tot de komst
van Zijne Hoogheid toe;
Bezwerende al de brave
Neder/anders, om zich te vereenigen tot ondersteuning
van dit ons cordaal besluit. God helpt diegenen, die
zich zelve helpen !
\'s-jjage, den SO\'trH November 1813.
¥. VAX DV.R DUIJN VAN MAASDAM.
G. K. VAN HOGENDORP.
Deze weinige woorden zijn welsprekend door hunnen een-
voud. Het volkomen gemis van woordenpraal, het kalm
beroep op alle brave Nederlanders, de ernstige waardigheid
van den toon, het bewijst alles, dat deze mannen wisten
-ocr page 228-
2211
DE OMWENTELING VAX 1S1.3.
wat ze (leden en niet onbedacht aan eene eerste opwelling
gehoor gaven. Hoe gering de krachten ook waren, die
hun ten dienste stonden, zij rekenden op de energie der
natie, die door de stoutheid zelve van hunne daad zou
aangevuurd worden, en op de hulp van boven: God hc.ljit
diegenen, die zich zt\'.loe. fie/pe/i.
De proclamatie werd voor het huis van Van Hogendorp
aan de Garde, de troepen en de menigte medegedeeld en
met groote tevredenheid ontvangen. Zij vervulde aller
wensehen. Voor den opstand zclven was het besluit der
beide heeren de redding: het gaf aan de volksbewegingen
in de verschillende steden eenheid. Zij hielden op, de
openbaringen van den onwil van enkele gemeenten te zijn;
vriend en vijand erkenden, dat de natie in opstand was.
De natie verklaarde bij monde van Van Hogendorp en Van
der IJuijn het Prausche juk af te schudden, en het Huis
van Oranje terug te roepen. Zij vorderde hare zell\'standig-
heid terug en maakte van den eersten oogenblik harer vrij-
heid gebruik om over haar eigen lot te beslissen. Op dezen
grond mocht ze ondersteuning vragen en wachten van de
mogendheden, die voor de vrijheid der volken het zwaard
hadden aangegord.
lOene der eerste handelingen van het nieuwe bewind gold
natuurlijk die steden, die, wel een eigen stadsbestuur op-
gericht , maar nog niet aan den opstand zich aangesloten
hadden. Reeds vóór de afkondiging der beslissende procla-
matie waren Van der Duijn en Pannius Scholten naar
Amsterdam vertrokken, om het stedelijk tusschenbestuur
tot aansluiting aan den opstand te bewegen. Doch al
hunne moeite was vruchteloos, het bestuur wilde de stad
niet aan Molitor\'s wraak blootstellen. Het wilde -uog
wachten en liet alleen toe, dat Kemper en Scholten als
-ocr page 229-
de o>nvKNTi:i.i\\o vax 1818.                    221
commissarissen-generaal van het Algemeen Bestuur in de
stad bleven. Doch door deze toestemming hadden ze liet
paard van Troje ingehaald, daar Kemper noeli Scliolten
een oogenblik rustten, om hunnen wensch vervuld te zien.
Zij begrepen al te goed bet moreel gewicht, dat de overgang
van Amsterdam aan den opstand zou geven, om niet alle
pogingen aan te wenden. Eu zij zagen ze gelukken. De
kolonel Van Bramen, de sehout-bij-nacht Verduren en de
generaal Kraijenhoff werden gewonnen en waren tot een
krachtdadig optreden bereid. Gelukkig voor bet behoud
der eendracht, werd bet laatste onnoodig. De beer Van
der Hoeven bad bet geluk een troep van tweehonderd
Kozakken op de Veluwe op te vangen, dien bij aanstonds,
niet zonder gevaar, naar Amsterdam geleidde. Hunne aan-
komst besliste de zaak. Op voorstel vnu Kemper en Scliolten,
ondersteund door den aanvoerder der Kozakken, den majoor
Marklay , verkoos de raad eene commissie, om van de puie
van \'t stadhuis de aankondiging van het Algemeen Bewind
den volke bekend te maken. De 1 lollandsche vlag werd
geheseben (24 Nov.) en voortaan zou Amsterdam lief en
leed met den opstand deeleu. \'
Spoediger dan te Amsterdam was de zaak te Leiden be-
slist. Ook hier, gelijk in de meeste steden, was aanstonds
na het wegtrekken der Fransehen een tusschenbestuur op-
getreden. Aanvankelijk zich bepalende tot de handhaving
van rust en orde, toonde echter het bestuur, zeker van
de ondersteuning der schutterij en der bevolking, zich
aanstonds tot de afkondiging der proclamatie en dus tot
aansluiting aan den opstand bereid.
Langer duurde de aarzeling te Rotterdam. De geraoe-
1 Kemper, 111, 57. a. w.
-ocr page 230-
DE OMWENTELING VAX 1818.
zzz
deren op te winden en vour te bereiden was sinds lang
het werk van den heer Van Hogendorp geweest, die na
de eerste bewegingen in den Haag eeue wakkere hulp in
den heer Ampt vond. Ook vóór het vertrek der Prausohe
politie waren oranjelinten en kokardes te koop aangeboden
en verkocht, \'t geen echter onmiddellijk was verhinderd.
De acteur ltosenberg, die inet een oranjelint op het tooneel
verscheen, werd zelfs opgelicht en weggevoerd. Na het
verdwijnen der Kransehen deed de twijfelachtige houding
van den admiraal Kikkert de leden van het nieuwe be-
stuur aarzelen, totdat de generaal Sweerts de Landas, uit
den Haag gezonden , met een klein legertje aankwam.
Toen verklaarde zich de stad voor Oranje; de admiraal
Kikkert, eerst in hechtenis genomen, werd op zijn eere-
woord in vrijheid gesteld. De luitenant Ampt nam bezit
van de werf, bemande twee kanuonueerbooten, en ver-
meesterde een schip met 80,000 pond buskruit en 10,000
patronen. Hein komt de eer toe, de eerste kleine zee-
macht der verbondenen in \'t leven te hebben geroepen.
Na weinige dagen omhelsde ook de admiraal Kikkert de
vaderlaudsche zaak, en werd door het Algemeen Bewind
met de verdediging van de Maas belast.
De overgang van Rotterdam was van groot gewicht om
Dordrecht te redden, dat voortdurend door de Frausohe
troepen werd bedreigd. De Stassart, die te Gorkum den
loop van zaken afwachtte, had van de Dordsche ingezetenen
eene schatting van 200,000 fr. gevorderd. Ofschoon de
burgerij, te zwak om tegenstand te bieden, de opbrengst
der groote som had beloofd, rukten op eenmaal vierhonderd
zwaar gewapende douaniers de reeds vroeger door de Frau-
schen verlaten stad weder binnen. De grootste ontsteltenis
beving de bevolking, toen men de gehate Pranschen, van
-ocr page 231-
223
DB OMWENTELING VAN 1813.
wie men zich reeds voor goed ontslagen had gerekend,
zag wederkeeren. In dit heslissend oogenblik drong het
gerucht van De Laudas\' legertje door: de Fransellen, on-
bekend met de sterkte van den vijand, verlieten na één
dag de stad, die denzelfdeu avond door eenige honderden
vrijwilligers werd bezet. Doch reeds den volgenden morgen
keerden de Franschen weder, en een scherp gevecht van
eenige uren deed de stad voor de grootste rampen vreezen,
toen] het laatste schot der Hollaudsche kanonneerboot,
zeven vijanden op eenmaal doodende, zulk een schrik ver-
wekte, dat de vijand het hazenpad koos. Dordrecht was
voor de Franschen verloren.
De aanwinst van deze steden, gevolgd van vele andere,
Haarlem, Gouda, enz. was van groot belang, om de be-
volking der hoofdsteden te bemoedigen, die door allerlei
geruchteu en voorvallen zeer geslingerd werd. Hot bleek
meer en meer, dat de troepen der bondgenooten, die Gro-
ningen, Friesland, Drenthe en Overijssel hadden schoon-
gevtegd, geen plan hadden over den Ussel te trekken,
wat volstrekt noodzakelijk was, zoo de beweging in Hol-
land niet in de geboorte door de Fransche overmacht zou
gesmoord worden. Eiken dag verwachtte men gunstiger
tijdingen van hun voortrukkeu te hooren, doch elke dag
stelde te leur. Dagelijks deden nieuwe geruchten voor een
aanval der Franschen vreezen, die te waarschijnlijk scheen
om niet groote vrees te wekken. In vele plaatsen werden
samenkomsten van Franschen en Fransehgezinden ontdekt,
die de regeering tot strenge maatregelen dwongen en de
menigte om wraak over al het geleden lijden deden roepen.
Dit alles was genoeg, om de algemeene stemming te
drukken.
Het Algemeen Bestuur spande alle krachten in, om de
-ocr page 232-
224                      DE 0MWF.NTELIX6 VAN 1813.
geestdrift der bevolking levendig te kouden en aan te
vuren. Aan proclamatiüu, valscke en eekte, was geen ge-
brek. Door toespraken en straatliedjes werd op de stem-
ining des volks gewerkt. Want de volksgeest was de
laatste steun der regeering; zoo liet volk begon te wan-
kelen en de maatregelen tot verzet en tot herstel der on-
afhankelijkheid niet door zijne onverdeelde goedkeuring
steunde, de onwil der angstvalligen ware niet te berekenen
geweest, en de lafl\'e vrees der kleinmoedigen zou den ge-
lieelen opstand hebben doen mislukken. Doch de omstan-
digheden waren machtiger dan zij, en hoogst ongunstig.
Het vertoef der Engelsehe hulptroepen, de trage voort-
gang der geallieerden, en bovenal de ongelukkige afloop
van eene der eerste ondernemingen wekten eene algemeene
ontmoediging.
Dadelijk na de optreding van het Algemeen Bewind was
de bevolking te wapen geroepen, en de oprichting van
twee legers, gelijk men sprak, bevolen. Het eene moest
onder den generaal De Jonge Utrecht bedreigen en Moli-
tor\'s bewegingen gadeslaan; het andere onder Sweerts de
Lmdas zou de sterke bezetting van Gorkum in het oog
houden. Van de verrichtingen van den laatste zagen
we iets, toen we Dordrecht bespraken. De generaal De
Jonge, wiens legertje hoofdzakelijk uit de Haagsche Oranje-
garde — de vroegere nationale garde — bestond, trok naar
Leiden, om van daar Woerden aan te tasten. Het gun-
stige bericht, te Leiden ontvangen, dat de Russen den
j>4,si™ te Amersfoort zouden zijn en dat de Fransche amb-
teuaren reeds uit Woerden waren gevlucht, deed met moed
den tocht aanvangen. Onderweg vernam men, dat de be-
zetting slechts een 25 man bedroeg, die men gemakkelijk
krijgsgevangen kon maken. Ongelukkig meende de gene-
-ocr page 233-
UK OMWENTELING VAN 1813.                          22Ó
raal een vreedzamer weg te moeten inslaan. Hij liet de
stad opeisohen, die eenige uren daarna door de Franschen
verlaten werd. Verheugd over deze gemakkelijke zege,
rukte men Woerden in en ontving de gulle bewijzen van
den dank der bewoners. Uocli de vreugde was van korten
duur. Nauwelijks was de nieuwe dag (24 Nov.) aange-
broken of de wacht, op liet Oranjefort geplaatst, werd
door eene sterke \'overmacht van 1(500 man, die in de
grootste stilte des nachts genaderd waren, overvallen. Na
eene hardnekkige verdediging, waarin de vrijwilligers be-
wezen, dat hun wel kennis, maar geen moed ontbrak —
er waren er, die niet laden konden! — moesten ze wijken.
De strijd, bij en in de stad overgebracht, was spoedig be-
slist. Persoonlijke moed kon eene stad niet redden, die
geheel open en bloot lag, wier poorten niet gesloten. wier
bruggen niet opgehaald konden worden. Aran voren en van
achteren tegelijkertijd bestookt, moest de garde vluchten
en de ongelukkige stad aan de woede van den vijand over-
laten. l)e Jonge trok op Bodegraven terug, terwijl in
het verlaten Woerden de overwinnaars op eene onmensche-
lijke wijze woedden. Nauwelijks de stad binnengetrokken,
stortten zij zich in de burgerhuizen, om te rooven en te
moorden. "Binnen de huizen gekomen, werd verwoed en
zinneloos in het rond geschoten. De sloten der kabinetten,
secretaires of andere bergplaatsen, naarmate een ieder die
naar zijn staat of vermogen bezat, werden verbroken —
met de kolven verbrijzeld, of door het geweld der afge-
schotene kogels geopend: al het gereede geld, juweelen,
goud, zilver en hetgeen slechts ecuige waarde had, bijeen-
pakt en met het linnen en andere lijnwaden weggevoerd,
het ontilbare zonder onderscheid veruield." De paarden
en wagens werden van de stallen gestolen, de buit gedeel-
Johirskn. Studiën IV                                                                       15
-ocr page 234-
226
DK OMWENTELING VAN- 1813.
telijk daarop geladen en naar Utrecht weggevoerd. En
nog mochten de beroofden dankbaar zijn, zoo ze \'t leven
redden. De zoon , die voor zijn mishandelden vader in de
hres sprong, werd vermoord. Een twee-en-taohtiger, on-
machtig om tegenstand te bieden, bijkans versuft, wordt
zonder aanleiding laaghartig gedood. Al de gruwelen, die
de gewelddadige inneming van eene vijandelijke stad verge-
zellen, werden hier gepleegd. Binnen korten tijd werden
vijf en twintig personen, die geen tegenstand boden, uit
blootfin moordlust gedood, vijftig gewond, de bevolking
op \'t ruwst mishandeld en alle woningen geplunderd. Het
is bijna ongelool\'clijk, wanneer een officieel onderzoek de
schade, door roof, plundering en vernieling aan Woerden
in weinige uren toegebracht, het bedrag der zoogenaamde
buitenschade (veldvruehten enz.) niet medegerekend, op
f 270,099 stelt. \'
Het was natuurlijk, dat dit gruwelijk lot van Woerden
een verpletterende!! indruk maakte. Het waren niet alleen
de ouders, die jammerden over hunne gevallen zonen, maar
het was het gehecle volk, dat in rouw werd gedompeld.
Onze natie, welke rol het ook vroeger op het krijgstooneel
speelde, had sinds meer dan eene eeuw den vloek van den
krijg op eigen bodem niet gekend. Nu de eerste offers,
vrijwilligers uit eiken stand der maatschappij, vielen, ging
er een kreet van ontzetting op. Men was gewoon geworden,
de edelste krachten des volks voor de vreemde overheerschiug
in verre landen te zien bezwijken, maar niet meer of liever
nog niet gewoon, bloed te storten voor eigen zaak. De
kleingeestige angst maakte van het gebeurde misbruik, oin
de mannen, die de natie aan zich zelve hadden weêr-
1 MruliiKin, Woerden in ShgtmMnd 1813, bl. 425.
-ocr page 235-
DE OMWENTELING VAN 1813.
227
gegeven, van voorbarigheid en overijling te beschuldigen.
Doch liet volk, hoe ontmoedigd, onttrok zijn vertrouwen
aan zijne hoofden niet; geen enkele volksoploop had er
plaats. Verslagenheid heerschte, maar de nadenkenden
lieten niet na, op de dapperheid der verslagenen, als op
een bemoedigend teeken, de aandacht te vestigen en het
zelfvertrouwen te versterken. En dit was het juist, wat
het algemeen behoefde. Het is eene der jammerlijkste
vruchten van het despotisme, dat het \'t zelfvertrouwen ook
bij de voorstanders der meest rechtvaardige zaak ondermijnt.
N"ooit geroepen tot zelfstandig handelen, altijd gedwongen
om den wil van andereu te doen, begint ook de krachtigste
geest zijne veerkracht te verliezen. Bij de groote menigte,
die altijd gewoon is de regenten naar de oogen te zien
en bijkans nimmer zelfstandig handelt, is dit nog meer
het geval. Welke eene achting en vertrouwen moet niet de
rechtschapenheid en de geestkracht van Van Hogendorp
en zijne bondgenooten het volk hebben ingeboezemd, dat
het, ondanks een tegenspoed als die van Woerden, toch
zijn vertrouwen hun niet onttrok !
Gelukkig voor de zaak, die ze voorstonden, had eerlang
eene op zich zelve hoogst onbeduidende gebeurtenis eene
wonderbare uitwerking. Twee dagen na den moord van
Woerden stapte te Scheveningen een Engelsen koopman,
(Jharles Grant, aan land. De menigte begreep, dat een
Engelsehman niet anders dan een gezant van de Engelsche
regeering kon zijn en gevoelde zich door de enkele ver-
schijning meer getroost en bemoedigd, dan door het bijna
gelijktijdig bericht van Rotterdams overgang. In waarheid
kwam de heer Grant alleen voor handelszaken, schoon hij
tevens de tijding bracht van de groote toejuiching, waarmede
onze opstand in Engeland was begroet, en van de toe-
-ocr page 236-
ur. OMWKNTKLINK VAN 1813.
•z-zx
bereidselen te onzer hulpe daar te lande gemaakt. Doch
het Bestuur maakte voortreffelijk gebruik van de opvatting
des volks. De koopman kleedde zich op hun verzoek als
officier dei\' Engelsche vrijwilligers en vertoonde zich te
\'s-IIage eu te Rotterdam in dit veelbelovend gewaad.
Merkwaardig was de indruk van dit eenvoudig middel. De
moed herleefde en overal liep het gerucht: de Gngelschen
zijn te Scheveningen. En niet slechts de goedgeloovige
menigte liet zich misleiden, inaar ook de Fransehen schenen
er door in verwarring gebracht, üe latere secretaris van
de Britsche ambassade te \'s-Gravenhage, de heer Chad,
brengt in zijn Varhaal onzer omwenteling hulde aan het
talent van ons volk, om door valsche geruchten den vijand
te misleiden. Het proefje, dat hij bijbrengt, is te weinig
bekend om onvermeld te blijven. Een tuinier te Ouds-
hoorn, die als een aanhanger van Oranje bekend stond en
aan de onlusten in April een warm aandeel had genomen,
liet brieven schrijven en aan verschillende personen in
Woerden adresseeren. In deze brieven deelde hij mede,
dat 8000 Russen met 10 stukken geschut naderden en dat
een sterk korps Engelsche troepen te, Scheveningen geland
was. Na de hememing van Woerden door de Eranschen
wist hij die brieven hun in handen te spelen. De Eranschen,
door die tijdingen verontrust, vroegen aan de boeren om
inlichtingen, die allen het verhaal bevestigden. Ja zelfs —
ik laat de verantwoording geheel aan den heer Chad —
zouden de Eranschen bij de inneming van Woerden een
brief vau den generaal De Jonge, die natuurlijk beter
wist, van denzelfden inhoud gevonden hebben.
Het laatste geval daargelaten, is in liet eerste niets on-
waarschijnlijks. De oude raad: wie zwak it, mud slim zijn,
kan zeer goed in deze dagen van groote zwakheid zijn
-ocr page 237-
DK ONWENTELING VAN 1S13.
229
opgevolgd. Zeker is het in elk geval, dat Molitor door
andere redenen, dan door vrees voor de opstandelingen,
van elke poging om Amsterdam of Leiden te hernemen
moet zijn afgeschrikt.
Xa het bloedig verlies van Woerden heerselite in deze
beide steden de grootste vrees voor een aanval uit Utrecht.
In Amsterdam werden verschillende maatregelen van voor-
zorg genomen, de. poorten gesloten, alle Frauschen tot
wering van verraad tijdelijk in hechtenis genomen en den
geheclcn Zaterdug de trom der wervers geroerd. De mannen
des Bestuurs echter toonden geen de minste vrees; en te
midden der algemeene neerslachtigheid maakten de eoininis-
sarissen-generaal bekend, dat zij de formule in naam des
Kozen
voortaan door de woorden in naam eau d"n Sonoerein
zouden vervangen.
Doch meer nog dan Amsterdam scheen Leiden door een
aanval bedreigd. Reeds waren de troepen onderweg, naar
men zeide. De verslagenheid in de oude akademiestad werd
steeds grooter, en de aanvraag om hulp dringender. Tn
deze. oogenblikken gaf de hoogleeraar Kemper een bewijs
van vaderlandsliefde, waartoe weinigen in staat zouden zijn.
Hij had, zelf werkzaam zijnde te Amsterdam, te Leiden
vrouw en kinderen achtergelaten, en in deze angstvolle
oogenblikken was zijn gezin voor de burgerij de maatstaf
des govaars. Zoolang dit bleef, was er hoop; zoo het
vertrok, alles verloren. Kemper, ofschoon ten volle bekend
met het gevaar, dat de plaats zijner woning bedreigde, had
den moed, na korte aarzeling, zijn bijzonder geluk en het
leven der zijnen voor de algemeene zaak in de waagschaal
te stellen. Hij liet zijn gezin te Leiden blijven en sterkte
door deze daad het vertrouwen der burgerij. Gelukkig
kon hij aan de vreeselijke pijniging eerlang een einde
-ocr page 238-
DK OMWENTELING VAN 1813.
230
maken. Het gelukte hem den majoor Marklay te over-
reden, hem 50 Russeu toe te vertrouwen. Na eene vruchte-
looze poging om deze mannen over Haarlem, langs het
fort te Halfweg, welks bezetting eerst in de volgende
week vertrok, der benauwde stad toe te voeren, deed hij
ze over Alphen trekken. Zij kwamen te Leiden aan, doch
werden niet tot verdediging dier stad geroepen. De ver-
slagenheid , in Amsterdam en Leiden door den gevreesden
aanval gewekt, week geheel voor een tweeledig goed be-
richt. Een brief van den Prins van Oranje beloofde zijne
spoedige overkomst en de hulp van Engeland. Gelijktijdig
kwam het bericht, dat Utrecht door de Franschen ver-
laten was.
Na zijn vertrek uit Amsterdam had Molitor zijn hoofd-
kwartier te Utrecht gevestigd en van daar voortdurend de
hoofdstad bedreigd. Zorgvuldig had hij gewaakt, dat de
tijdingen van den goeden voortgang der verbondenen niet
in Utrecht bekend werden; alles in de stad was op mili-
tairen voet ingericht en het gansche belleer aan de bevelen
van den generaal onderworpen. Elke poging oin den geest
der bevolking op te wekken, werd streng gestraft en ver-
schillende personen werden gevangen gezet, die zich onvoor-
zichtig hadden blootgegeven. Het bijeenzijn van meer dan
vijf personen op de straat werd als eene samenscholing be-
schouwd. Dag en nacht trokken patrouilles de stad door,
om elke beweging voor te komen. Hoe groot zijne eigen
onrust ook was, Molitor nam eene onbevreesde en moedige
houding aan: herhaalde malen werden de troepen op het
Vreeburg gemonsterd, als gereed om naar Amsterdam op
te rukken. De meest pijnigende geruchten werden ver-
spreid; nu eens heette het: Molitor zou Utrecht, een zoo
gewichtig punt, niet dan gedwongen verlaten; dan: den
-ocr page 239-
DK OMWKNTKLING VAN 1S13.                         H-il
soldaten was de plundering der stad beloofd. Doch de
aankomst der Kozakken te Amsterdam redde ook Utrecht.
Nadat hij den vorigen dag vier aanzienlijke ingezetenen
had doen oplichten, \' om tot gijzelaars voor de rust der
bevolking te dienen, ontbood Molitor in den nacht van
den 27\'"\'" op den 28\'"-\'" den kolonel der Nationale Garde,
Van Heeokeron tot Brandsenburg, en gaf hein bericht
van zijn spoedig vertrek. En werkelijk verliet hij in den
vroegen morgen \' de stad, die door dit onverwacht vertrek
uit den grootsten angst tot de dolste vreugde oversloeg.
Denzelfden dag verscheen een troep Kozakken voor de
poort, den 29"\'\'" door prins Naritzkin gevolgd. De kolonel
Van den liosch nam, met goedkeuring van den Russischen
bevelhebber, de stad voor den Prins van Oranje in bezit.
De aanwinst van Utrecht gaf aan Amsterdam en aan de
meeste Hollandsche steden verademing en rust. Wie nog
altijd getwijfeld had, begon thans aan den goedeu afloop
der stoute onderneming te gelooven. En met recht, want
de tegenspoed was voorbij. Op denzelfden 29"len November
kwam de eerste Engelsche hulp te Scheveningen aan en
versterkten 1300 Kozakken de bezetting van Amsterdam.
Doch de volgende dag bracht eene aanwinst van oneindig
grooter zedelijk gewicht. De Prins van Oranje had dade-
lijk na het vernemen van den opstand maatregelen tot
overkomst genomen en stapte, hoewel door tegenwind op-
gehouden , reeds den 30*|M1 November te Scheveningen aan
wal. Het is onmogelijk, de aandoeningen te beschrijven,
waarmede, hij ontvangen werd. Hoor het getuigenis van
een tijdgenoot: Nooit werd vreugde, tot dronkenschap
opgevoerd, op zoo verschillende wijzen naar ieders aard
1 De heeren Ram, Singelldonok, Vun Goltstein en I)e Perpcmeher.
-ocr page 240-
i\'Si                      DE OMWENTELING VAX 1818.
vertoond. Hier deed ze de oogen schitteren, daar bene-
velde zij ze met den zoeten dauw der natuur; giuds stond
men wezenloos. geworteld iu den grond , als geloofde men
niet, wat men zag. Dezen gloeide liet gelaat, gene ver-
bleekte; de een barstte los in gejuich , des anderen stem
smoorde in het snikken der overkropte borst. Den ouden
was het, als hadden zij een kind uit den dood wederge-
kregen, de mannen een broeder, de jongelingen een vader."
Wat moeten iu die oogenblikken de mannen der om-
wenteling hebben gevoeld! Dit alles was hun werk. De
vrucht van eene jarenlange inspanning, de kroon op een
volhardend en vertrouwend gelooven en werken ! Zij
wisten, wat de tijdgenoot niet wist en ook het nageslacht
nog niet ten volle kan beoordeelen, met welk een klein-
geestigheid en laffe vrees zij te strijden, welke ongunstige
omstandigheden zij te overwinnen hadden gehad. Voor
dat volk, dat zijne vrijheid liefhad, en alleen krachtig
door dien volksgeest, hadden zij liet gewaagd de verant-
woording van een opstand op zich te nemen en dezen Prins
van Oranje te roepen, om uit de handen van dat volk de
heerschappij te aanvaarden. Maar welke bijzondere aandoe-
uingen ook heu hebben vervuld , één gevoel van dank-
baarheid bezielde allen, en toen in den plechtigen dank-
stond der verlossing vorst en volk zicli te zamen neder-
bogen, beleed Verwey het iu aller naam: de Heere heeft
groote dingen aan ons gedaan
, dies zijn wij verblijd.
De onafhankelijkheid des volks en het herstel van Oranje
waren het doel en de leuze van den opstand geweest.
Reeds den 1"\'"" December riepen Kemper en Fannius Seholten
te Amsterdam Willem Frederik, Prins van Oranje-Xassau,
tot Souvereineu Vorst uit. Eene staatsregeling toezeggende
nam de Prins van Oranje de nieuwe waardigheid aan.
-ocr page 241-
DE OMWENTELING VAN 1813.                       233
Zoo was de omwenteling volbracht. De verdere pogingen
toch om den vijand uit de nog bezette vestingen en steden
te verdrijven, waren niet de daden van opstandelingen,
maar van een zelfstandig volk. Voor den jongen staat echter
werd dit werk door de Verbondene Mogendheden op z,ich
genomen. Engeland bevrijdde Zeeland, voor zoover het
zieh zelf niet verlost had. De Pruisen en Russen deden
hetzelfde in Gelderland en Brabant. De Mogendheden waren
intusschen voortgesneld en Frankrijk binnengerukt. Den
31*ltn Maart 1814 rukten die mannen, die zich zelveu
hadden beloofd de hoofdstad des vijauds te zien, * die
hoofdstad binnen.
Maar gedenkwaardiger nog dan de dag van den intocht
der Boudgeuooteu in Parijs was de ol!le Maart 181-1 voor
Nederland. Het was de eerste dag van het nieuwe leven,
dat de natie aanving. In de Nieuwe Kerk te Amsterdam
deed de souvereiue vorst Willem I den eed van trouw op
de Grondwet der Nederlanden. Wat daaraan voorafging ,
blijft nog ter ontvouwing over. *
III
DE RESTAURATIE.
De restauratie van een verdreven vorstengeslacht behoort
tot die voorvallen in het leven van een volk, die door de
tijdgenooten op de meest uiteenloopende wijze worden be-
1 Zie de Aantekeningen ucliter in het boek.
-ocr page 242-
234
DE OMWENTELING VAN 1813.
oordeeld. Omdat ze gewoonlijk de zegepraal van eeue partij,
of van vreemde wapenen is, vindt ze nimmer onbepaalde
toejuiching. Hoe groot liet vertrouwen ook zij, door de
voor liet oogenblik machtige aanhangers in de nieuwe re-
geering gesteld, een niet minder groot wantrouwen heeft
zij te ontzien en te overwinnen. Hare moeielijke taak wint
door dat wantrouwen aan gewicht, maar ook aan bijkans
onoverkomelijke bezwaren.
Van al deze bezwaren was de restauratie van het Oranje-
geslacht in 1813 vrij. Hoe ook in gevoelen over den vorm
verschillende, de mannen van alle richtingen waren liet
eens, dat Oranje aan het hoofd der zaken moest hersteld
worden. De oude partijen hadden onder den gelijken druk
den lust tot strijden verloren. \' Het zelfverwijt, dat men
niet onderdrukken kon na in meerdere of mindere mate
tot de diepe vernedering medegewerkt te hebben, had de
vijandige harten verzoend. \' l)e overmoed der verdrukkers,
voor wie niets heilig was geweest; die evenzeer niet de
eigenaardigheden van het volkskarakter, den zin tot huiselijk-
heid, spaarzaamheid, enz., als met de uitingen van het
volksleven in taal, letterkunde en geschiedenis den spot had
gedreven; die alle banden van het huiselijk en maatschappelijk
leven, ten koste van welvaart en geluk had vaneengereten: —
deze overmoed der verdrukkers had de liefde tot den geboorte-
grond , tot het volk, waartoe men behoorde, wakker ge-
schud. De. oude herinneringen der volksgrootheid, waarin
men troost had gezocht bij het gemis van gelukkige uit-
zichten , hadden de herstelling van het volksbestaan als de
eerste voorwaarde van eene gelukkige toekomst leeren be-
schouwen. En Av tweede was de terugkeer der Oranjes.
1 Zie <le Aantekeningen achter in het boek*
-ocr page 243-
S>:3.->
DK OMWENTELING VAN 1818.
Bigen dwaling en vreemde druk hadden liet oordeel zachter
gestemd over de misslagen en gebreken der laatste stad-
houders uit dien stam. Wie geene verwachtingen meer
koestert, verwijlt liet liefst bij die herinneringen, die het
aangenaamst zijn: bij die tooneelen, die men zoo gaarne
nog eens zou beleven. Op elk der grootsche tooneelen onzer
geschiedenis stond liet beeld van een der Oranjevorsten (>])
den voorgrond. Was t wonder, dat men ook in de toe-
komst zich geen geluk, geen nieuwen voorspoed kon voor-
stellen zonder Oranje?
Ouder de. uitbundigste toejuiching en de eenparigstegoed-
keuring was daarom de zoon van A\\ illem V , Prins van
Oranje, dadelijk na zijne komst aan liet hoofd der zaken
gesteld. De titel van «Souvereine vorst", dien men hem
had geschonken, was te onbepaald, om begrepen te worden.
Uit ééne gevoelde men en juichte men toe: een lid van
het oude geslacht, welks roem en schande zoo eng met
den roem en schande der natie waren verbonden, zou voort-
aan regeeren. üe vreemdeling was weg; en een Vorst,
hier geboren en onze taal sprekende, nam zijne plaats in,
om het volk weder gelukkig te maken. De algemeene
geestdrift schonk den nieuwen Vorst een onbegrensd ver-
trouwen ter wille van de herinneringen, die zijn naam op-
wekte. Hij was een Oranjetelg, en dat was genoeg. \'
Hij mocht het volk nog geene weldaden hebben geschonken,
die de groote ingenomenheid, liet onbeperkt vertrouwen
konden rechtvaardigen, de naam, dien hij droeg, was een
waarborg, dat hij in al de behoeften der natie zou voorzien
en al hare wenschen bevredigen.
En die wenschen en behoeften waren vele. Van de
1 Zie de AanteekeningeD achter in liet l>uek.
-ocr page 244-
23b\'                       DE OMWRNTKLING VAN 1S13.
nieuwe regeering werd wegruiming verwacht van al de
hinderpalen, die het volksgeluk in de laatste jaren in den
weg waren gesteld. Leniging van de bloedende wonden,
door de overheersohing geslagen; opheffing van alle banden,
die de vrije beweging in \'t huiselijk en maatschappelijk
leven beknelden; herstelling of wijziging, zoo noodig van
de goede, oude gewoonten, waardoor men vroeger gelukkig
was geweest; in een woord, alles wat de natuurlijke ont-
wikkeling des volks kon herstellen en bevorderen, werd
van liet nieuwe bestuur gewacht. Doch, hoe groot en
veelomvattend de eisenen en verwachtingen ook waren , zij
werden nosr altijd door het algemeen vertrouwen overtrotfeu.
In de eerste dagen der Decembermaand van 1818 legde
het Voorloopig Bewind zijne waardigheid neder en nam de
Prins van Oranje zelf de teugels van liet bewind in handen.
In de kracht des levens, met een mannelijk voorkomen be-
deeld en met eenvoud en vriendelijkheid ieder bejegenende,
was hij wel geschikt, om de menigte voor zich in te nemen.
Maar nog meer scheen zijne groote werkzaamheid de alge-
ineene verwachting te billijken. Onmiddellijk tocli na de
aanvaarding des bestuurs begon hij die verbazende arbeid-
zaamheid te betoonen, die gedurende den\'langen duur zijner
regeering onder de meest afwisselende gezindheden des volks
door vriend en tegenstander zou worden erkend. Aan een
stalen geheugen rijke en veelsoortige kennis parende, be-
inoeide hij zich met de geringste zaken, wier regeling noodig
scheen, en greep hij zelf op alles in. Deze groote zucht
om alles zelf te onderzoeken en te beslissen moge hem in
later jaren aan het verwijt hebben blootgesteld, dat hij meer
administrateur dan staatsman was, in de eerste dagen van
zijn bestuur was ze eene aanspraak te meer op de gunst
des volks, die door de lange reeks van besluiten, iu de
-ocr page 245-
287
DK OMWENTELING VAN 1813.
volgende, maanden genomen, steeds Iiooger klom. Eene
opsomming van al die maatregelen, op bijkans elk gebied
van bet staatsbestuur genomen , mag onnoodig beeten. De
opgave van enkele zij voldoende om te doen zien, hoe
nauwlettend de nieuwe regeering de wenschen des volks in
het oog hield.
Eeeds op den 0d™ December, den eersten dag des
nieuwen bestuurs,, werd het staatsmonopolie van de tabak,
als strijdig met de ware belangen van den handel, afgeschaft
en onmiddellijk daarop bet gehate stelsel der douanen ver-
nietigd. — De belemmerende bepalingen aangaande de druk-
pers, waardoor de vrije uiting der gedachte was verhinderd,
werden opgeheven. — De 1\'ransehe wetten werden wel niet
dadelijk van kracht beroofd, doch eene geheele wijziging
en herziening beloofd. Verschillende straffen, zooals de
verbeurdverklaring van de bezittingen der veroordeelden,
waarvan het Fransche bestuur zulk een schandelijk misbruik
had gemaakt, werden echter aanstonds vernietigd. — De
Zeen wsche en Noord-Bra bantsche streken, reeds vóór de
inlijving door koning Lodewijk afgestaan, werden verklaard
deel uit te maken van den nieuwen staat en de oude
grenzen alzoo hersteld. — De Amsterdamsche kweekschool
voor de zeevaart, welker opheffing door Napoleon zulk eene
groote ontsteltenis had veroorzaakt, werd weder opgericht
en aan het bestuur der vroegere verzorgers toevertrouwd.
Deels door bijzondere giften, deels door onderstand der
regeering, trachtte men in haren eersten nood te voorzien. -—
Voor het lager onderwijs, reeds door het Provisioneel Be- p
stuur in eere hersteld, was de tijd van verwaarloozing
voorbij. De wet van 1800 werd opnieuw van kracht ver-
klaard en e*r werden maatregelen genomen om de vervulling
van openstaande plaatsen en de uitreiking van de vastgestelde
-ocr page 246-
238
DK OMWEMTELING VAX 1S13.
inkomsten geregeld te doen plaats hebben. De belasting,
ten voordeele van het hooger, op het lager en middelbaar
onderwijs gelegd , werd niet meer gelieven. Voor liet laatste
kon echter weinig gedaan worden, daar de instellingen
zelve van \'t middelbaar onderwijs niet aangetast waren.
De conscriptie en de universitaire heffingen hadden het aantal
leerlingen verminderd, en op sommige plaatsen de scholen
doen sluiten, doch deze nadeelige gevolgen konden alleen
door het ophouden der oorzaken wijken. Men trachtte in-
middels door het verleenen van subsidiën de. bitterheid van
liet langzaam herstel te lenigen, dat alleen het gevolg
kon zijn van nieuwe welvaart en vrede. — Nog meer be-
zwaren had de regeling van het hooger onderwijs. Napoleon\'s
besluiten hadden de oude inrichting geheel ontbonden, en
schoon de nieuwe regeling volstrekt geen wortel had ge-
schoten en bij de afscheiding van Frankrijk vanzelf verviel,
een bloote terugkeer tot de, oude vormen was eene on-
mogelijkheid geworden. Men droeg de overweging van de
wenschelijke regeling aan eene commissie op, en stelde de
eindregeling uit. — Het Instituut van Wetenschappen en
Schoonc Kunsten bleef bestaan, om voortaan ter aau-
kweeking en bevordering van Nederlandsehe kunstenaars
en geleerden te strekken. — De leeraren der Hervormde
kerk, die in de laatste jaren bijkans alle bezoldiging hadden
gemist, zagen zich door het besluit van den 19ll™ December
van de betaling der wedden en kindergelden verzekerd; en
ook den leeraren der andere gezindten werden toelagen uit-
gereikt. — Eindelijk toonde de nieuwe regeering, dat zij
den godsdienstigen zin des volks kende en eerbiedigde,
toen zij, als in vroeger tijden, een algemeenen dank-, vast-
en bededag uitschreef en de leeraars der godsdienstige
gezindten uituoodigde, om de goddelijke hulp dankbaar te
-ocr page 247-
289
DK lllin KNTKLINQ VAN 1818.
erkennen en de goddelijke ondersteuning voor de nieuwe
regeering af\' te sineeken.
liet wekt geene bevreemding, dat al deze maatregelen,
in de laatste dagen van 1818 en de eerste maanden van
het volgende jaar genomen, de algemeeue ingenomenheid
en het onbepaalde vertrouwen, waarmede men de regeering
te geuioet was gekomen, nog versterkten. Zij staken te
gunstig af eu stonden te scherp tegenover de. bepalingen
en besluiten, door de Fransche regeering ten aanzien der-
zelfde zaken genomen, dan dat de tevredenheid der natie
niet stijgen moest. Op zich zelf beschouwd. waren ze de
natuurlijke gevolgen der omwenteling en volstrekt niet
keumerkend voor den gang des bestuurs; maar hij, die
het gewelddadig uiteenrijten van het staatsge.bouvv bad be-
leefd, kon niet dan met groote ingenomenheid de pogingen
zien, die tot herstel van het verlorene en tot behoud van
het nog redbare werden aangewend. Onder allen, welke
die dagen hebben beleefd eu, \'t zij mondeling, \'t zij
schriftelijk, hunne getuigenissen omtrent de gezindheid en
stemming des volks bij ons afleggen, heerseht eene vol-
komene eenstemmigheid: de wijsheid en de zorg van den
Prins vau Oranje werden boven alles erkend en geroemd.
Geestdrift is eene. van die aandoeningen, die te meer schit-
teren, naarmate ze zeldzamer en korter van duur zijn
Welke beschuldigingen men ooit aan onze natie doe, het
zou laster zijn te beweren, dat geestvervoering bare door-
gaande stemming is. Door den bodem, dien ze bewoont
en de lotgevallen, die ze heeft ondergaan, is eene zeker
eenzelvige kalmte van gemoed de kenmerkende trek van
haar karakter geworden. De geestdrift, in de laatste dagen
van November door de aankomst van Oranje en door de
jonge hoop op verlossing opgewekt, was ras geweken en
-ocr page 248-
240
DK OMWENTKLINQ VAN 1813.
vervangen door warmt ingenomenheid, die spoedig voor kalm
vertrouwen
moest plaats maken. De nieuwe regeering on-
dervond liet, toen ze nauwelijks de eerste schreden op
hare nieuwe loopbaan zette.
Toen de Prins van Oranje den (i\'1\'" December de regee-
ring aanvaardde, vond hij tallooze behoeften, waarin voor-
zien moest worden, maar bijkans geene hulpmiddelen, dan
den goeden wil der hem omringenden. Geroepen om het
hoofd van een onafhankelijk volk te zijn, moest het zijne
eerste zorg wezen die onafhankelijkheid te grondvesten.
Nog altijd was de vijand meester van \'s lands vloot en
bevonden zich de meeste vestingen in zijn handen. Het
leger, waarover de Prins kon beschikken, bestond uit 1350
man voetvolk , 200 ruiters, met vijf stukken geschut.
Krijgsmaterialen, wapenen en alles, wat tot de uitrusting
onmisbaar is, had men niet. Geld evenmin, behalve een
armoedige f 300,000. Daarentegen overvloed van schulden
en tekorten, wenschen en verwachtingen. "Wij hadden" —
verklaarde later de secretaris van staat Roëll — "noch
geldmiddelen, noch legers, noch wapenen: alles, wat ons
herkregen bestaan kon vestigen, was vervoerd en een
eigendom der overheeischers geworden. In één woord,
liet staatsgebouw was vaneengereten, verbrijzeld en bijna
tot den grond toe gesloopt."
In zulk een staat van zaken mocht men van de natie,
die vrij en onafhankelijk wilde zijn, de grootste krachts-
inspanning vragen. De regeering had recht om te ver-
wachten, dat "de volksvreugde niet" — gelijk een dei-
hoogste ambtenaren vrij scherp zeide, — "in enkele klanken
zou uitloopen, maar door daden van vaderlandsliefde ach-
tervolgd worden." Onmiddellijk bij den aanvang zijns be-
stuurs riep de Souvereine Vorst de natie te wapen. Hij
-ocr page 249-
UI\'. OMWENTELING VAN 1813.
241
stelde haar voor, hoe de boudgenooten het oog op haar
luidden gevestigd en de grootste inspanningen van haar
wachtten. Hij wees haar op de noodzakelijkheid om de
Franschen uit het land te verjagen, zoo men tegen de
herhaling van Woerdens gruwelen verzekerd wilde zijn.
De weerbare mannen en zonen moesten ten krijg trekken,
niet om in buitenlaudsehe gewesten voor vreemde overheer-
sehing op de slachtbank te worden gevoerd, maar om
de hunnen tegen moord en plundering te beschermen. De
oude vlag, die weder het middelpunt der vereeniging zou
zijn, zou den ouden moed doen herleven. Nederland, in
vereeniging met Frankrijk, in Krankrijks schande gewik-
keld, moest, met de boudgenooten vereenigd, met dezen
in den roem van Europa\'s redding deelen.
De proclamatie, met hoeveel warmte ook gesteld, miste
geheel het doel. Wel ontbrak het op verschillende plaatsen
niet aan eenigen, die geheel vrijwillig zich voor den krijgs-
dienst aanboden, maar hun aantal was gering. Vermogende
particulieren trachtten de regeering te helpen, door de
kosten der uitrusting op zich te nemen. De baron W. H.
van Heerdt, in Overijsel, bood aan, een geheel korps Vrij-
willige Jagers op te richten, die zouder bezoldiging, doch
deelende in al de rechten van den stand, in dezen oorlog
zouden dienen. Kvenzoo rustten de heeren Van Bylandt,
De Smeth de Deurne met anderen een vrijwillige lijfwacht
te paard uit, om in het hoofdkwartier van Zijne Konink-
lijke Hoogheid of in dat van den Krfprins dienst te doen.
Ook stedelijke besturen en genootschappen bleven in aan-
biedingen niet achter. Bovenal onderscheidden zich Har-
lingeu, Franeker en Bols war d. Amsterdam voerde zelfs
eenige duizenden aan. Doch de hoofdstad zelve zag eene
latere poging, om tegen ruime handgelden het beuoodigde
JOBISftK*. Studiën IV                                                                         lti
-ocr page 250-
:>!:!
UK «l.MHKNTK.I.INC, VAN iSl-i.
getal manschappen door vrijwillige dienstuemiug te be-
komeu, geheel mislukken.
Deze ongunstige uitslug van het eerste verzoek, door de
regeering aan de natie gedaan, was niet onverklaarbaar.
Kr zijn oude wouden, die zelfs eene nieuwe liefde niet
heelen kan. Vroegere rampen en smarten blijven lauger in
de herinnering leven en zijn machtiger dan nieuwe voor-
spoed , omdat ze gewoonlijk beslissender invloed op het
levenslot uitoefenen. l)e Fransche conscriptie had zulke diepe
en versche sporen in het lot der meeste gedachten nagelaten,
dat slechts zeer weinigen zonder angst aan den krijgsdienst
konden denken. Nog drong de dankbaarheid voor genoten
weldaden niemand de wapenen ter verdediging der nieuwe
regeering in de hand. Doch hoe verklaarbaar ook, de
afkeer en onwil der natie waren volstrekt onverdedigbaar.
"De wapenen der bondgenooten zullen de bevrijding des
lands wel voltooien," zeide het volk. «Wat het kleine
Nederland bij hunne groote legers zou kunnen voegen,
was niet meer dan een droppel in de zee. Traktaten en
grondwetten onder de bescherming der groote Mogendheden
zouden voortaan het westen van Europa beveiligen tegen
rustverstoring en dwingelandij." Door dergelijke rede-
neeringen zocht men den onwil te ontveinzen, doch het
was vruchteloos, de laagte te willen verbergen, waartoe
het volk gezonken bleek. [n oogenblikkeu, waarin hare
volksonafhankelijkheid, hare waardigheid tegenover het bui-
tenland en hare veiligheid tegenover den binnenlandschen
vijand op het spel stonden, bleef de natie werkeloos en
weigerde hare gevoeligheid over vroegere wonden te be-
dwingen. De onderdrukking, die geen wil der onderdanen
erkende en hun de lijn van handelen altijd had afgeba-
kend, had hen aan eigen werkzaamheid en inspanning
-ocr page 251-
DE O.UWKSTKLIXG VAX 1813.                           2-13
ontwend. De natie was gewoon geworden, de regeeriug
voor zich te zien zorgen: hare pogingen tot zelfbestuur,
voor eenige jaren genomen, waren te ongelukkig afge-
loopen, dan dat zij ze hernieuwen wilde. De nieuwe re-
geering, eene Nederlandsche, die eerbiediging van al de.
volkssympathieën en opbeuring en herstel der gezonken
welvaart beloofde, moest voor haar zorgen. Het baatte
niet, dat zij door alle mogelijke middelen den onwil zocht
te breken, of dat mannen als Mr. Arntzenius door zijn
spotdicht: een Hollander zooals er wel meer zijn, de alge-
meene stemming geeselde. De natie schonk haar een on-
bepaald vertrouwen, d. i., zij wilde alles door de regeeriug
zien doen, maar zelve niet medewerken. Het was geen
wonder, dat vele nadenkenden, lettende op den geringen
lust tot zelfbedwang en opoffering, die het algemeen be-
zielde, de toekomst met zorg te gemoet zagen. Om de
vele beangsten te bemoedigen , schreef Mr. Jacobus Schel-
tema een boekskeu, dat in die dagen tot de beste der tal-
looze brochures werd gerekend en een diepen indruk maakte.
Den opstand tegen Spanje, in 1572, met dien tegen Xa-
poleou vergelijkende, betoogde hij dat de laatste met ge-
lijk , zoo niet met meer recht werd aangevangen, beter
werd geleid , op sterker kracht mocht bogen en gunstiger
uitzichten had. \' Het verdient opmerking, dat een man
als Scheltema, die tot de meest geliefde schrijvers van zijn
tijd behoort, wel de vorstelijke oproeping vermeldt, maar
met geen enkel woord op de eer der natie wees, die de
scherpste prikkel tot eene algemeene wapening moest zijn.
Gedurende veertien dagen bleef de regeering geduldig
\' Vergelijking der nfschuddiiig vim het Spuun-sclie juk iu 1572 met die
vim het Fransche in 1813, 18 Uec. 1813.
-ocr page 252-
241.                       DK OMWENTELING VAM 1S13.
wachten, doch toen ook was langer weifeling niet vergund.
De ongunstige uitslag werd ontveinsd, maar niettemin tot
doortasten besloten. 0]> het voorbeeld en — naar men
zegt — niet zonder aansporing van Pruisen, werd den
20"1\'" December de oprichting van den landstorm bevolen.
Alle weerbare mannen van 17 tot 50 jaren moesten in de
gemeente, waar zij woonden, in den wapenhandel worden
geoefend. Zij waren bestemd om de naastbijgelegen ves-
tingen en posten, ingeval van nood, te bezetten en zich
ter verdediging der bedreigde streek te vereenigen. Nie-
mand werd door deze wapening aan zijn gezin of inaat-
schappelijke betrekking ontrukt, maar allen tot weerstand
hl staat gesteld, wanneer onverhoopt de vijand hunne
streken mocht bedreigen. Zonder grooten tegenstand werd
in de verschillende provinciën de landstorm geregeld. De
boeren namen met opgewektheid aan den wapenhandel deel
en bekreunden zich weinig om de hoogst gebrekkige wa-
penen. Met pieken, in plaats van sabels, voorzien, exer-
ceerden ze des Zondags tusschen de kerkuren : en zoo zeer
vielen deze oefeningen in hunnen smaak, dat zij op vele
plaatsen tot do maand Juli, tot de veldarbeid aller handen
eischte, werden voortgezet.
Doch deze algeineene wapening verschafte der regeering
geen leger, om de bondgenooten te steunen, en kon
evenmin een blijvende maatregel zijn Daarom werd in het
tweede gedeelte van het besluit de oprichting der land-
militie voorgeschreven. Uit de mannen van den landstorm,
die boven de 17 en beneden de 15 jaren oud waren, moest
door loting een leger van 10,000 man infanterie en 4,000
man artillerie worden gevormd. De loting moest alleen
worden beschouwd als het middel om het ontoereikend
getal van vrijwilligers aan te vullen, zoodat in ieder dis-
-ocr page 253-
2 15
DE OMWENTELING VAX 1813.
trict het bedrag der laatsten van het gevorderde aantal
soldaten werd afgetrokken.
De wijze, waarop dit besluit door liet volk werd ont-
vaugen, deed aanstonds zien, hoe weinig de vroegere
ongezindheid oin dienst te nemen in afkeer van de regee-
ring was gegrond. Elke ondeugd heeft eene deugd tot
halve zuster: de afkeer om zelf te handelen gaat altijd,
waar ze uit gemis aan zelfvertrouwen voortspruit, met
lijdzame onderwerping aan de bevelen van liooger hand
gepaard. Be gedwongen krijgsdienst kon der natie niet
aangenamer of welkomer zijn, dan de vrijwillige, en toeli
verleidde hij haar niet tot verzet. Wel trachtten som-
migen wegens vertrek naar elders en dergelijke middelen
zich aan de loting te onttrekken, maar dadelijke tegen-
stand , waarvoor de regeering schijnt gevreesd te hebben,
werd nergens geboden. Trouwens, de regeeriug deed alles
om de teergevoeligheid niet te kwetsen en de berusting in
den noodzakelij ken maatregel gemakkelijker te maken. Het
gehate woord conscriptie werd niet gebruikt, maar alleen
van militie gesproken. Plaatsvervanging en nommerver-
wisseling werden ruimschoots toegelaten: de gehuwde per-
sonen, de oudste der ongehuwde zoons door het besluit
zelf vrijgesteld. Alles werd vermeden, wat aan de gehate
instelling van Napoleon kon herinneren of tot het vinden
van overeenkomsten leiden. In goede orde liep op de
meeste plaatsen de loting af, en zonder dat geweld uoodig
was geweest, kwam in vier maanden tijds een legertje van
24,000 man bijeen. Eene maand later — in de helft van
Mei — kon men rekenen, dat omstreeks 45,000 man
infanterie en 5,000 man cavalerie voor den dienst gereed
waren.
Met oneindig gunstiger uitslag was intusschen, gelijk-
-ocr page 254-
246
DE OHWKNTKLIXG VA.V 1813.
tijdig met tic oproeping tot den vrijwilligeii krijgsdienst,
een ander verzoek tot de natie gericht. Om in de groote
behoefte van den krijg te voorzien, had de souvereinc
vorst vrijwillige giften gevraagd. Uitsluitend bestemd ter
uitrusting der soldaten en tot aankoop der geheel ont-
brekende krijgsmaterialen , zouden de gelden , afgezonderd
van de gewone inkomsten, worden geïnd en beheerd. Als
\'t ware om hunnen onwil tot den krijgsdienst door be-
reidwilligheid in een ander opzicht goed te maken, stroom-
den allen naar de in kerken en raadhuizen geplaatste kis-
ten, om hunne offers op het altaar des vaderlands te
brengen. Weldadigheid is van oude tijden eene deugd der
Nederlanders geweest. Jammer maar, dat zij ook dikwerf,
als thans, het gemis van andere, niet minder lofwaardige
deugden moest bedekken. Nauwelijks elf dagen na de
uitvaardiging der proclamatie was te Amsterdam eene tonne
gouds gestort. En liet voorbeeld der hoofdstad vond ruime
navolging. Uit alle plaatsen, groote en kleine, bood men
der regeering groote en kleine giften aan. De vrouwen
brachten hare zilveren en gouden sieraden ten offer, ofli-
cieren, onderofficieren en soldaten een deel van hun maan-
delijksch tractement. Sociëteiten en vrijnietselaarsloges
bleven niet achter. Zelfs de steden, die bet meest door
den krijg hadden geleden, onttrokken zich niet: Arnhem
schonk eene som van 70,(1(10 gulden. Reeds den •3,lm\' Jan. 1814
waren dertien tonnen gouds te samengebracht en nog altijd
gingen de aanbiedingen voort.
Zulk eene aanmerkelijke som, in weinige dagen verkre-
gen, was een verblijdend bewijs van den rijkdom der natie
ondanks de uitputtingen der laatste jaren. Uer regeering
kon ze tot bemoediging strekken en haar oj) de verdere
ondersteuning des volks doen rekenen: schoon zij volkomen
-ocr page 255-
DK OMWENTELING VAN 1813.                      1±7
gerechtigd was oin te vragen, hoe zij het land met 13
tonnen gouda zonder soldaten moest verdedigen.
Het werven van vreemde troepen toch was in deze
dagen niet zeer gemakkelijk, en zeker niet te verkiezen
boven de vrijwillige wapening van het volk zelf, aan
welks trouw men nooit behoefde te twijfelen. Niettemin
heeft de regeering vreemde troepen moeten in dienst nemen,
ten einde in het groot gebrek te voorzien. \' Vijf maan-
den toch verliepen. voordat ons eigen leger op voet van
oorlog was gebracht. Hadden de troepen der boudgeuoo-
teu niet in Overijsel, Gelderland, Brabant en Zeeland de
nog aanwezige r\'ranschen verjaagd, onze landstorm, die in
verschillende provinciën zich werkelijk verdienstelijk heeft
gemaakt in het blokkeeren van de vestingen , zou tegen
den vijand niet bestand zijn geweest. Docli gelukkig voor
den nieuwen staat, was de strijd voor zijne vrijheid en
onafhankelijkheid een strijd door geheel Europa gevoerd.
Anders ware de vrijheid , in de Novemberdagen door vurige
geestdrift, moedig vertrouwen en bereidwillige opoffering
verkregen, door eene vernedering vervangen, grooter dan
ooit te voren.
Toen het leger in April 1814 eindelijk gereed was om
de bewegingen der bondgenooten te steunen, was de hulp
ounoodig geworden. Het leger der verbondenen was zege-
vierend Frankrijk en Parijs binnengetrokkeu, en de vrede
van Parijs zou eerlang den vrede aan Europa hergeven.
De volken legden ziel) weder ter ruste en de vorsten ver-
eenigden zich ter feestviering te Weenen. Het lijden was
voorbij: nieuwe tijden van geluk en voorspoed braken aan.
Reeds voordat de algeineeue vrede het eindigen der
\' Zie de Aanteekcningen achter in liet bouk.
-ocr page 256-
348
DF. OMWENTELING VAN 1S13.
krijgstoerustingen vergunde, was een werk van blijvend
belang tot stand gebracht en waren de grondslagen voor
den nieuwen staat gelegd.
Toen, na den veldtocht in Rusland, de mogelijkheid
van Napoleou\'s val begon besproken, en de herstelling van
onze zelfstandigheid als natie gehoopt te worden, waren
de verschillende partijen het slechts hierin eens, dat het
geslacht van Oranje moest teruggeroepen en aan het hoofd
der zaken gesteld worden. Over den vorin bestond groot
verschil van gevoelen. De latere minister Van Hall nam
in 1813, kort vóór de veldslagen van Ijutzen en Hautzen,
die voor een oogenblik de fortuin van Napoleon herstelden,
aan eene beraadslaging deel, om met geweld zich aan der
Kranschen tirannie te onttrekken. Sprekeude over de vlag,
die men zou uitsteken, meende Van Hall, dat die vlag
geene andere dan de Oraujevlag kon zijn, doch hoorde tot
zijne verbazing door een veelbeteekenend man, dien de be-
scheidenheid hein verbood te noemen, zich tegenwerpen,
dat alleen de Statenvlng de Hollanders algemeen zou ver-
eenigen. \' De snelle loop echter der gebeurtenissen en de
algemeene geestdrift sleepten ook bet gering getal der zoo-
danigen mede, die de provinciale souvcreiniteit ongeschonden
wilden hersteld zien. Alleen in de provincie Utrecht werd,
dadelijk na bet verlaten der stad door de Franschen, door
de oude geslachten eene poging gedaan, om het gezag van
vóór 20 jaren te hernemen. Doch de krachtige houding
van Kemper, die aanstonds naar Utrecht snelde en Willem 1
als souverein vorst uitriep, maakte aan deze verouderde
vertooning een einde. De bevolking in het Sticht zoowel
als elders verlangde de oude tweedracht niet hernieuwd
1 F. A. vuu Huil, Lofrede o]i G. K. van Hogendorp.
-ocr page 257-
DK OMWENTELING VAN 1818.
:>I9
te zien. Zelfs de vurigste, republikein, die den ongeluk-
kigen afloop onzer omwenteling niet aan liet onbruikbare
der theorieën, maar aan de verkeerdbeid der mensellen weet,
liet zieli door de algemeene volksstem gezeggen. Het moet
een merkwaardig schouwspel geweest zijn, toen b. v. de
dichter Wiselius zich had laten bewegen, om den nieuwen
vorst in persoon zijne hulde te bewijzen. Wat zal die
gang den tieren republikein, die naar zijne eigene ver-
klaring een slecht hoveling was, en tot op hoogen leeftijd
met het denkbeeld eener republiek bleef dwepen, bitter
zwaar zijn gevallen! Doch gelijk hij deden ook de weinige
mannen van zijne richting. Zij otterden hunne bijzondere
wenschen voor het algemeen belang op en gaven toe aan
de meerderheid. Of daarom allen, die in die dagen met
bun verleden hebbeu gebroken, zonder baatzuchtige be-
doelingen zich naar de opgaande zon hebben gericht, zal
wellicht in latere dagen uit betere bronnen, dan ons ten
dienste staan, kunnen blijken. Doch hoe dit zij: de nood
der tijden en de haat tegen Frankrijk deden alle partijen
den terugkeer van Oranje goedkeuren en toejuichen. Maar
deze overeenstemming in de hoofdzaak hief het groot ver-
schil van gevoelen over den vorm des nieuwen bestuurs
niet op.
• Aan Gijsbert Karel van llogendorp \' was een voorrecht
te beurt gevallen, voor een toekoinstigen staatsman van
groote waarde. In verschillende betrekkingen had hij een
groot gedeelte van Europa doorreisd en zelfs Noord-Amerika
bezocht. Door deze reizen met de verschillende staatstoe-
standen en de democratische staatsregeling van de Noord-
Aiuerikaansche republiek bekend geworden, had hij reeds
1 Zie de Aanteekeuiujïen achter in het boek.
-ocr page 258-
DK OMWENTELING VAN 1813.
•25(1
einder Napoleon\'s juk een ontwerp van staatsregeling, als
de vrucht van zijn nadenken en onderzoek, opgesteld.
Toen de Prins van Oranje aankwam, bood hij hem dit
ontwerp in het begin van December aan Gelijk hij zelf\'
verklaarde, was in deze schets zooveel mogelijk al het
goede van den ouden en nieuwen tijd behouden, en het
kwade van beide vermeden. Van Hogendorp verlangde de
opdracht der eenhoofdige macht aan den Prins van Oranje,
doch tevens de geheele of gedeeltelijke herstelling vau vele
instellingen van vroegeren tijd: provinciale staten, provin-
ciale hoofden, ridderschappen, enz. Door de gezeten bur-
gers moesten de leden der stedelijke raden; door deze en
de ridderschap, als vertegenwoordigers van het platteland,
de Staten der provinciën gekozen worden. Door de laatste
zouden de afgevaardigden der Staten-Generaal worden be-
noemd.
Het was duidelijk, dat dit ontwerp van Van Hogendorp,
ofschoon het de uitvoerende macht, benevens het recht om
over plaatselijke aangelegenheden, wanneer het noodig mocht
zijn, te beslissen. aan den souvereinen vorst schonk, op
de souvereiniteit der provinciën gebouwd was. Terwijl het
aan den middelstand der natie geen deel in de staatszaken
verleende, bevestigde het al de voorrechten der hoogere
standen en opende hun het uitzicht op het herstel der
oude privilegiën. Geen wonder, dat het talrijke en innige
voorstanders vond in de patricische geslachten en in allen,
die de gewestelijke onafhankelijkheid boven het centralisatie-
systeem der Fransche regeering verkozen.
Doch hoe groot ook het getal der voorstanders ware,
nog grooter was het getal der bestrijders, die echter in
twee kampeu waren verdeeld. De eersten waren de voor-
standers van een krachtig monarchaal bewind. Welke na-
-ocr page 259-
251
DE OMWENTELING VAN\' 1S13.
deelen de Fransche centralisatiegeest ook met zich had ge-
bracht, hij had veerkracht in \'t besluiten en speed in \'t
uitvoeren gegeven. Ter wille van deze voordeden wilden
velen de groote nadeelen lijden. Zij oordeelden, dat alleen
een monarchaal bestuur, machtig om zijne bevelen door te
zetten en, in spijt van plaatselijke en provinciale belangen,
te doen gehoorzamen, in staat zou zijn ons land gelukkig
te maken. Alles jnoest vermeden worden, wat ons tot den
ouden toestand van provinciale willekeur kon terugvoeren.
Schonk men toch aan de provinciën de vrijheden en rechten
terug, die ze vóór 1795 hadden bezeten, men zou steeds
opnieuw het algemeen belang door den onwil van eene
enkele provincie of plaats belaagd zien. Ue Prins van
Oranje moest «een monarchaal vorst, in den volsten zin
des woords, zijn. Het geheelo binnenlandsche beheer be-
hoorde in zijne handen; in elke opeubare administratie,
hoe ook genaamd, wenschte men, dat de werking van
hem uitging. De geheele Staat moest door den konink-
lijken wil in beweging worden gehouden; de Grondwet
zou, in hunne oogen, niet anders zijn dan eene regeling,
hoedanig de vorst zijne rechten zou uitoefenen, geene
regeling van den Staat; de Staten-Generaal en de Provin-
ciale Staten raadgevers van den vorst, geene collegiën, die
deel aan de souvereiuiteit hadden."
Deze gevoelens werden vooral door hen voorgestaan, die
in of na de omwenteling van 1795 aan het bestuur ge-
komen en langzamerhand opgeklommen, thans tot de
hoogste ambtenaren behoorden. Terwijl Van Itogendorp
alle macht aan de patriciërs gaf, vereenigden de laatsten
alle gezag in handen van den vorst. Het spreekt vanzelf,
dat dit niet gevreesd werd door de ambtenaren, want de
geschiedenis kent weinig vorsten, die geheel zelfstandig,
-ocr page 260-
252
DK OMWENTELING VAN 1813.
onafhankelijk van hunne ondergeschikten hebben geheerscht.
In naam eene monarchie, zoodat al de ontevredenheid zich
keeren moest tegen den monarch, zou de nieuwe staat
inderdaad door de hatelijkste van alle dwingelandijen, door
de bureaucratie worden geregeerd. De oppermacht van den
vorst zou vanzelf hun in handen vallen, wier voorlichting
en raad hem onmisbaar moesten zijn.
Ken middelweg tusschen deze uitersteu sloeg Keinper in,
de Leidsche hoogleeraar, die nooit heeft gezwegen, waar
liet de vrijheid gold. Ook hij wilde de opdracht der souve-
reiuiteit aan Oranje, maar niet liet herstel der oude instel-
lingen, niet de verdeeling der souvereiniteit tusschen den
Vorst, de Statcn-Qeneraal en de Provinciale Staten. "Vol-
geus zijn gevoelen behoorde de souvereine vorst aan liet hoofd
der Generale Regeering met genoegzame macht bekleed te
zijn, oin de algeuieene belangen der natie te bevorderen,
en om de geschillen tusschen de provinciën en gemeenten
te vereffenen en te beslissen. Deze macht verlangde hij,
dat bij eene Grondwet bepaald werd en beperkt zou wor-
den door eene algemeene volksvergadering, door kiezers te
benoemen, die weder door stemgerechtigden zouden worden
aangesteld, over de geheele uitgestrektheid van liet Rijk
te benoemen." \'
Reeds in December 1812, had Keinper in dezen geest
gewerkt, en in November 1813, van zijne betrekking als
Commissaris-Generaal van het Voorloopig Bewind te Am-
sterdam gebruik gemaakt, om door het bezigen der woor-
den \'/in naam van den souverein" de uitroeping van den
Prins van Oranje tot souvereinen vorst voor te bereiden.
Den l"le" December zag hij zijn wensch vervuld en reeds
\' J. ile Hosch Keinper, Staatkundige partjjeu in Noord-Nederland, bl. 866.
-ocr page 261-
UK OMWENTELING VAN 1818.                      258
vijl\' dagen later aanvaardde de Prins het bewind van zaken,
met toezegging, evenals vroeger, eener staatsregeling.
Toen de eerste maatregelen door den souvereinen vorst
waren genomen en in den oogenblikkelijken nood was
voorzien, droeg hij den 218l°" December aan eene cominis-
sie van veertien leden liet vervaardigen eener Grondwet op.
De commissie, waarin o. a. Van Hogendorp, Van der
Duijn van Maasdam en Van Maanen waren gezeten,
benoemde Van Hogendorp, wiens ontwerp tot leiddraad
der beraadslagingen zou strekken, tot baren voorzitter.
Van de beraadslagingen, in haar midden gevoerd, is weinig
bekend. Van Hogendorp getuigde vele jaren later: «In
1814 heb ik in de (eerste) commissie mannen ontmoet,
uitstekende niet alleen door verstand en bekwaamheid,
maar ook door een deugdzaam gedrag, en die in den loop
der revolutionaire tijden in \'s landa zaken waren gekomen.
Door deze ben ik bewogen geworden om nieuwe instellin-
gen aan te nemen, die de oude overtroffen." Kemper oor-
deelde na de aanneming der Grondwet geheel anders, en
verklaarde, dat er te veel van het oude in gebleven was.
Hij had het trouwens vooruit gezien. Zonder lid te zijn,
was hij met den gang der zaken in de commissie bekend ,
die zoo weinig naar zijn zin was, dat hij den Ï2\'1™ Februari
1811 zich verplicht had gerekend, den souvereinen vorst
eene memorie aan te bieden, die als een bewijs van zijn
onafhankelijken zin en helder oordeel zijn naam tot eer
verstrekt. Onverholen sprak hij zijne afkeuring van de
beginselen uit. die bij de samenstelling der nieuwe Grond-
wet schenen te zegevieren en naar zijne overtuiging een
der heilzaamste gevolgen der zoo gelukkige staatsomwente-
ling zouden ondermijnen. Het scheen hem toe, dat men
de groote zaken onaangeroerd zoa laten en met behoud van
-ocr page 262-
254
UK OMWENTELING VAN 1^1:3.
oude vormen en woorden ook oude beginselen zou doen
zegevieren. "In de politiek zijn woorden niet zoo onver-
sehillig als in liet gemeene leven; en waartoe de oude
woorden, zoo men het eens is, dat zij niet meer de oude
zaken beteekenen zullen ?" Hij vreesde, dat sommigen
zich deze gelegenheid zouden ten uutte maken, om hunne
gevoelens als waarborgen der burgerlijke vrijheid te doen
voorkomen en hierdoor tussohen den vorst en liet volk een
middellichaam van provinciale en stedelijke souvereiniteit
te plaatsen , hetwelk op den duur even gevaarlijk voor den
vorst als nutteloos voor het volk zou zijn. Hij keurde
een Staten-Generaal af, die uit afgezondenen van de Pro-
viuciale Staten zou bestaan, omdat zulk ccne vergadering
den strijd over provinciale belangen zou doen herleven en
haar lidmaatschap noodwendig langzamerhand het uitslui-
tend voorrecht van zekere faiuilié\'n zou worden.
Doch Kemper\'s stem was die van den roepende i» de
woestijn. Van Hogendorp\'s denkbeelden zegevierden met
enkele wijzigingen. De souvereiue vorst ontving het recht
van oorlog en vrede, het opperbestuur over de geldmid-
delen, de beschikking over vloten en legers. De Kamer
der Staten-Generaal, uit 55 leden bestaande, werd voor
drie jaren door de Staten der provinciën benoemd. Hare
goedkeuring werd gevorderd op de jaarlijksche begrooting
en op de wetsvoorstellen, door den vorst haar toegezonden.
Tot de Provinciale Staten hadden de edelen en de rid-
derschap der provinciën, die als de natuurlijke hoofden
van het platteland werden beschouwd, toegang. »In het
algemeen was het oogmerk geweest de gebreken der oude
Constitutie te verbeteren , zonder onnoodige veranderingen
en met meest mogelijk behoud van oude gewoonten,
rechten, ambten en zelfs namen." De vrijheid van gods-
-ocr page 263-
DK OMWENTELING VAN 1S13.                          i\')->
dienst, de gelijkheid van allen voor de wet en de onaf-
hankelijkheid der rechterlijke macht waren echter erkend
en in de Grondwet opgenomen. Doch de natie zelve was
van allen dadelijken invoed op de samenstelling der hoogste
staatsliellamen uitgesloten, en kon dus nimmer op den
gang des bestuara invloed oefenen.
Na weinige maanden had de oommissie hare taak afge-
werkt, \' zoodat ze reeds den 2\'lc" Maart de Grondwet aan
Zijne Hoogheid kon aanbieden. Volkomen in overcenstem-
ming met den inhoud, had de invoering der Constitutie
plaats. De Prins van Oranje liet door de leden der wets-
commissie en door de Commissarissen-Generaal in de ver-
schillende gewesten lijsten van de aanzienlijkste ingezetenen
opmaken. Deze lijsten werden vervolgens ter beoordeeling
overgegeven aan cene nieuwe commissie, die bij eede moest
beloven, getrouw en zonder aanneming des persoons in
haar onderzoek te werk te zullen gaan. Haar werd de
last opgedragen, "nauwkeurig en onpartijdig na te gaan,
of de personen, welke op die lijsten gebracht waren, wel
en terecht konden beschouwd worden als de notabelen der
natie; als mannen, aanzienlijk , hetzij door deugd en uit-
stekende bekwaamheden, of door geboorte, of door ver-
mogen , \'t zij door tegenwoordige ambtsbetrekkingen: en
om de zoodanige, in welke al die vereischten geheel
mochten ontbreken, of die uit eenigen anderen hoofde on-
bevoegd mochten geacht worden om het Nederlandsche
volk te vertegenwoordigen en de ontworpen staatsregeling
te beoordeelen, van de lijst, waarop zij geplaatst mochten
zijn, te schrappen, waarna zij niet meer in aanmerking
1 Zie de Aanteekeuiugeu achter in het boek.
-ocr page 264-
!>ö<;
DE OMWENTELING VAN 1813
/.ouden kunnen komen: om voorts ieder van de goedge-
keurde notabelen te brengen op eene afzonderlijke lijst van
liet Departement of gewest, waartoe hij behoorde, en dan
uit die gewestelijke lijsten dat getal uit te kippen, \'t welk
ieder gewest naarmate van zijne bevolking, reeht had om
in een aantal van 60(1 notabelen, \'t welk voor het geheele
land was bepaald, te leveren."
Over deze 600 notabelen, door de regeering aangewezen,
werd daarna het oordeel der natie gevraagd. Teder hoofd
eens gezins had het reeht op een register, dat gedurende
acht dagen bij den vrederechter zou openliggen, met on-
derteekening van zijn naam, doch zonder verdere bijvoeging,
zoodanigen persoon of personen af te keuren, die hij onbe-
voegd zou rekenen. Op slechts enkelen werden aanmer-
kingen gemaakt, die echter, schoon de gebezigde maatstaf
des oordeels onbekend is, niet van die beteekenis werden
geacht, dat zij onwaardig of onbevoegd werden gerekend,
om het Nederlandsche volk te vertegenwoordigen. Diens-
volgens werden de 0(1(1 notabelen als de vertegenwoordigers
der natie opgeroepen, om den 29"™ Maart over de nieuwe
Grondwet te stemmen en haar aan te nemen of te verwerpen.
Van de 60(1 opgeroepenen bleef\' meer dan een zesde deel
afwezig. Sommige verklaarden te ziek of te oud te zijn:
anderen keurden den geheelen loop der zaken af en wei-
gerden ronduit hunne medewerking. In de Nieuwe Kerk
te Amsterdam had de plechtigheid plaats, die door eene
aanspraak van den souvereinen vorst en eene vau den
heer Van Maanen, eersten voorzitter van het Hooge
Gerechtshof der Vereenigde Nederlanden, vroeger eersten
president van het keizerlijk gerechtshof in Den Haag,
werd geopend. Na het vertrek van den vorst ging de
vergadering, in afdeelingen verdeeld, onmiddellijk tot
-ocr page 265-
DG OMWENTELING VAN 1813.
257
hare taak over. Gemakshalve werd over de Grondwet
in haar geheel, niet over ieder artikel, gestemd. Niet-
teinin behield ieder het recht zijne bijzondere beden-
kingen en bezwaren tegen dit of dat gedeelte schril\'te-
lijk aan den voorzitter ter hand te stellen, ten einde zij
ter kennisse van den souvereinen vorst werden gebracht.
Op deze wijze — merkt een tijdgenoot scherpzinnig aan —
was voor de noodige kortheid der beraadslagingen gezorgd
en de weg tot meestal nuttelooze woordenwisseling en lang-
durige redetwisten afgesneden.
De vergadering, die des morgens tusschen 10 en 11 uur
was aangevangen, had zich na het hooren van lange rede-
voeringen , van welke die van den heer Van Maanen ruim
30 bladzijden druks beslaat, met lust en moed aan het
werk gezet. Aan haar was de beslissing opgedragen over
het geluk der volgende geslachten: zij moest de voor-
waarden vaststellen, onder welke alleen de toekomst des
volks zonder vrees tegemoet kon worden gezien. Niette-
min heeft ze deze grootsche, deze zware taak binnen
weinige uren volbracht. De Prins, die de feestviering
der Amsterdamsche Departementen van de Maatschappij
Tot Nul eau \'t Algemem bijwoonde, werd naar buiten
geroepen en door eene commissie met de blijde tijding
verrast, dat de nieuwe Grondwet met 422 tegeu 20 stem-
men was aangenomen. Het is eeu aandoenlijk, een tref-
fend schouwspel, wanneer zonen van denzeli\'den grond, als
broeders samenwonen. Doch geene gevoelige teêrhartigheid,
geen slaperig goed vertrouwen, maar alleen ijskoude ou-
versehilligheid voor de belangen van een volk kan het
woord van heilige verontwaardiging over zulk eene handel-
wijze van de lippen terugdringen. In weinige uren tijds
hadden deze mannen de grondslagen van liet volgend geluk
.Johissen. Slwtiöt IV                                                                         17
-ocr page 266-
258
DV. OM»\'KXTKI.INO VAN 1S13.
of ongeluk der natie gelegd. Tijd tot onderzoek was er
niet geweest: ternauwernood tot stemming voor de 450
leden. Met eene overhaasting zonder wederga werd over
al de levensvragen der toekomst beslist.
De tijdgenoot zag dit echter niet in, noch bekommerde
er zich over. In geen enkel der geselliedboeken dier dagen
wordt over de haast en overhaasting, waarmede de Groiid-
wet was aangenomen, geklaagd. Doch wellicht vond men
in den gang van zaken niets te betreuren? Gij vergist u.
De schare van aanzienlijkeu en welgestelden, die in de
Groote Wale kerk was samengedrongen, om het feest van
de Maatschappij Tuf. Nut va» H Algemeen te vieren, be-
droefde zich over den spoedigeu atloop van de vergadering
der notabelen, omdat de Prins van Oranje daardoor ge-
dwongen werd zich eenige oogenblikken uit haar midden
te verwijderen. Hoort liet karakteristiek relaas van Jan
Konijnenburg, die een dik boek schreef van meer dan
700 bladzijden druks, als Gedenkboek der hernieuwde Neder-
landtche Unie,
welke nooit hernieuwd is. «Het is," zegt
hij, "de beroemde dichter C. Loots, wien de Maatschappij
tot spreker in haren naam heeft uitgenoodigd. Zijn ge-
heele zegezang, in den geest des tijds gedicht, ademt volle
kracht des gemoeds, in warmte ontgloeid, waar der Vade-
ren heldeuschim zich door den naneef van Batavier en
Oranje gewroken ziet wegens de gruwzame heiligschennis,
door Korsikaansclien overmoed aan naam en roem gepleegd,
en de wetenschappelijke beschaving, zelfs der geringere
standen, haren toekoinstigen milden oogst dankbaar hul-
digt. Nauwelijks is de redenaar ter helfte van zijne
voordracht gevorderd, of de plechtigheid wordt door een
tusschenkomend ongelukkig beletsel afgebroken, \'t welk
de Vorst echter naderhand, nadat hetzelve is opgeheven,
-ocr page 267-
239
UK OMWKNTKLING VAX lSl.\'i.
door eeue herlinalde verschijning wederom aanvalt, ten
einde aan dit eerwaardig kinderfeest zijn heiligen invloed
in volle mate te verleenen." !!
lint is sedert ruim twintig jaren eeue vaste gewoonte
den vorst, die in 1814 door de natie met zooveel toe-
juiching en geestdrift werd ontvangen, al de rampen te
verwijten, die in\' de volgende jaren ons land hebben ge-
troffen. Deze beschuldigingen zijn niet ten volle billijk.
Willem 1 heeft gehandeld naar zijne overtuiging, en veel
gedaan, — de natie, daarentegen 1J
Willem I kwam in Nederland, met al de herinneringen
der 18\'1" eeuw. Hij meende de rij der stadhouders te zullen
vervolgen eu werd geroepen tot een troon. Vol ijver en
werkzaamheid, ging hij met lust en moed aau den arbeid,
die, gelijk spoedig bleek, hem alleen op de schouders was
geworpen. De natie scheen toch geen beter middel te
weten om heul haar vertrouwen en liefde te betnonen, dan
door zich zorgvuldig en angstvallig van alle, ondersteuning
en medewerking te onthouden. Slechts nog eenmaal
— het was na de wederkomst van Napoleon — scheen
ze te ontwaken. Weder deed de Xederlandsche leeuw zijn
oud wraakgebrul hooren en op de velden van Waterloo
werd het vorstelijk bloed geplengd, dat den nieuwen bond
tusschen volk en vorst moest bezegelen. Doch toen het
gevaar geweken was, vlijde men zich ter ruste neder en
liet den koning voor alles zorgen. Is \'t wonder, dat
deze, die de natie zicli zelve onmondig zag verklaren, haar
voor onmondig hield, en met al de groote talenten, die
hij bezat — want ook hij heeft zijne plaats in de achtbare
rij der Oranjevorsten verdiend — de taak der volksleiding
op zich nam? De natie scheen voor niets oogen te hebben
-ocr page 268-
\'ZCtO                           DE OMWENTELING VAN 1813.
dan voor dadelijke voordeden en genoegens; de aanvanke-
lijke herleving van den koophandel, de herkrijging der
meeste koloniën, de regeling der staatsschuld en de aan-
wiust van grondgebied waren even zoovele gronden, waarop
het volk zijn rustig vertrouwen bouwde. De gewonnen
lauweren, meende men, zouden nimmer verouderen of\' ver-
dorren , en de roeiu der vaderen scheen tot niets nut, dan
om in maat en rijm de slaapdrank van den tijdgenoot
te zijn.
Ei is in de volgende \'Z~> jaren geen enkel groot werk
op liet gebied van handel en nijverheid tot stand gekomen,
waaraan Willem I niet óf den eersten stoot gegeven óf de
mogelijkheid der uitvoering verzekerd heeft. I)e oprichting
der Handelmaatschappij was grootendeels zijn werk\'; het
Noord-Hollandsch kanaal, \' het droogmaken van den Zuid-
plas, liet kanaal van Voorne, enz werden door zijne rijke
ondersteuning mogelijk gemaakt. Dit alles heeft Willem I
gedaan — en de natie?
Zij vertrouwde en bewierookte. Vader des Vaderland»,
geliefde, geëerbiedigde, Europas Salomo,
waren eerenamen,
door de welsprckendsten en geleerdsten met volle instem-
ming des volks hem geschonken; in plaats van door een
kiachtigen publieken geest gesteund te worden, werd de
nieuwe regeering door blind vertrouwen misleid. De
natie gaf hare eer prijs, toen zij weigerde als één man
tegen den vijand op te staan en meende, dat voor haar
vluchtig goud waardigheid en eer te koop waren. Zij
vertrapte de kiemen der toekomst, toen haar volstrekt
gemis aan deelneming en aan belangstelling de regeling
van den nieuwen staat overliet; toeu ze mannen als Kem-
1 Zie de Aanteekeningen achter iu bet boek.
-ocr page 269-
201
DE OMWENTELING VAN 1813.
|>er en Van Hogendorp in volgende jaren alleen liet staan,
alleen liet strijden. O! \'t ontbrak in die dagen niet aan
brochures vol lof en liefde, aan loftuitingen op de regeering,
iinn uitboezeiningeu van het algemeen vertrouwen, aan
schilderingen in proza en in rijm van de gelukkige ver-
wachtingen des volks; maar het ontbrak aan alles, wat die
luchtkasteelen had kunnen verwezenlijken. De natie ge-
voelde zich niet tehuis in de vormen van het nieuwe
staatsieven, en deed er geene moeite toe. In plaats van
een krachtig politiek leven, heerschte berusting, neen
onverschilligheid voor alles, wat den engen kring van het
gemeene leven te buiten ging. Er is niets schoons, er is
niets edels in een vertrouwen op anderen, dat tot dek-
mantel van eigen traagheid en werkeloosheid dient. Willem 1
ware nimmer geworden wat hij in later jaren werd, zoo de
natie van den aanvang af eene andere, eene waardiger
houding had aangenomen.
Het herstel onzer onafhankelijkheid in 1813 was van de
krachtige opwekking des volks in de Novemberdagen de
rijpe en verdiende vrucht. De vereeniging met België, dat
aan Nederland werd toegevoegd, om te zamen het Ko-
uiukrijk der Nederlanden uit te inaken, was het gevolg
van de berekeningen der vorsten, die in een krachtig rijk,
aan de grenzen van het krijgszuchtige Frankrijk gelegen,
den besten waarborg voor het behoud des vredes zagen.
Zij was bovendien een bewijs van achting en welwillendheid
jegens het geslacht van Oranje, dat in de Russische l en
Engelsche vorsten machtige begunstigers vond. De tijd-
genoot heeft die vereeniging luide toegejuicht en met blijd-
schap begroet. Maar geene enkele der grootsche verwach-
tingen van die dagen is vervuld. Hoe zou het ook mo-
1 Zie de Aimteekeningen uehter in. het boek.
-ocr page 270-
[>K OMWENTELING VAX 1S13.
:1C,:1
gelijk zijn geweest? Nederland en België waren gescheiden
door alles, wat volken solleiden kan: godsdienst, beschaving,
belangen, taal, geschiedenis. Van den eersten oogenblik
is deze vereeniging eene bron van onzaligen twist en jam-
mervolle tweedracht geweest. Xa vijftien jaren verbrak de
Europeesche diplomatie den droevigen band, waarvan Ne-
derlaud geene andere dan smartvolle herinneringen heeft.
Zulk een afloop kon men in 1815 niet berekenen,
maar wel kon men weten, dat ons volk geen vermeerderd
zielental, geene vergrooting van grondgebied behoeft, om
eene waardige plaats in de geschiedenis in te nemen. 0u-
danks al de onbeholpenheid der Unie, die met de jaren
steeds meer was verstijfd, hadden de zeven provinciën eene
Toemvolle rol gespeeld. Sinds was veel veranderd, de Xe-
derlanden waren van hunne hoogte gedaald, de vreemde
rijken in macht en ontwikkeling gestegen. Een gelijke
storm had overal de doode takken afgeschud en ook ons
land niet gespaard. De revolutie en de overheersching
hadden een einde gemaakt aan de fainilieregeering der vo-
rige eeuw: zij hadden vrijheid van godsdienst gepredikt en
gehandhaafd. De macht der staten had een doodelijken
knak gekregen. Gelijkheid van allen voor de wet was de
leus der revolutie, door de dwingelandij niet verloochend.
Het streng bewind van Napoleon had de ambtenaren tot
trouw en activiteit gedwongen. Onkundige of oneerlijke
waren verjaagd, wanneer ten minste de keizer zelf hun
geen vrijdom tot stelen en rooven had verleend. Het toe-
zicht , dat over ieders gedrag werd gehouden, had iedereen,
ondergeschikt aan de bevelen van hooger hand, lceren ge-
hoorzamen. Kunde was onder de vreemde overheersching
het vereisehte voor bevordering geworden. \'
J IX\' Bosch Kcmnei\', Staatkundige partijen iu Noord-Xederland, blz. 364.
-ocr page 271-
DK OMWENTELING VAN 1813.                       2(!3
Het is zoo, inet vele smarten had de natie deze erva-
ringen betaald; maar hoe duur ook verkregen, zij zouden
liare vruchten afwerpen. Bekomen van de kosmopolitische
onverschilligheid der 18d° eeuw, door een vorstenhuis be-
stuurd, dat ze liefhad en vertrouwde, met frisch en
krachtig bloed in de aderen, mocht ze op opbeuring uit
de oude vernedering en op nieuwe grootheid hopen.
Om dien sehoonen droom te verwezenlijken liggen nog
de hulpmiddelen \'voor de hand. Bevordering van den na-
tionalen zin door aankweeking en beoefening van taal, let-
terkuude en geschiedenis is het eerste vereischte. Laat
vooral onze aanzienlijke geslachten het voorbeeld geven,
want het woord van Oekerse is waar: de gezindheden en
neigingen der hoogere standen zijn de maatstaf van die des
volks. Hun voorbeeld doet navolgen.
Opwekking van den volksgeest door de bevordering van
kennis en beschaving onder alle, vooral onder de lagere
standen. Vrijheid bestaat slechts daar, waar zelfbewustheid
heerseht.
Belangstelling en deelneming in alles, wat het leven van
ons volk betreft, en het algemeen geluk, de algemeene
welvaart kan verhoogen. Deelneming, blijkbaar in het
verstrekken der kapitalen aan ondernemingen, die den
handel, de nijverheid of de wetenschap moeten uitbreiden
en bevorderen.
Eindelijk: het krachtig plichtgevoel, dat Van Hogendorp
bezielde, en hem niet van anderen deed wachten, wat hij
zelf kon verrichten. God helpt degenen, die zich zrlee helpen.
Nationale herinneringen misbruike men niet, om met
angstvallige berekening overal gelijke toestanden op te
sporen: ze moeten strekken, om den geest te versterken
en om in tijdperken van rust en vrede, die zoo licht tot
-ocr page 272-
SJ(M\'                         DE OMWENTELING VAN" 1818.
traagheid verleiden, de volken eeu bad der wedergeboorte
in den stroom der herinnering te doen nemen. Het was
dan ook mijn voornemen niet, als ik de afwerping van
Napoleon\'» jnk u heb voorgesteld, u wegens gelijkheid
van namen schrikbeelden voor den geest te brengen. Maar
evenmin als het wekken van ijdele bekommering, is het
bevorderen van slaperige rust mijne bedoeling. Wij weten
niet, wat ons wacht in deze dagen, voor kleine volken
zoo dreigend. Zullen we als in vroegere tijden weder tot
verdediging onzer onafhankelijkheid worden geroepen ?
Indien het zoo zijn zal, dan hebben wij dezen troost:
de volken gaan niet onder, die niet bezwijken willen.
Ook het kleine Nederland zal staande blijven op zijn
dijken, zoolang ieder onzer den eed getrouw blijft, door
den eersten Willem voor tijdgenoot en nageslacht afgelegd:
Je maintiendrai.
-ocr page 273-
AANTEEKENINGEN.\'
Blz. 150. Toen Napoleon 11T — als balling — in later jaren te Rotter-
dum kwam, waren er onder zijn klein gevolg bedienden, die deze spreuk
op de knoopen roerden. Zie Mr. G. Mees, Az., Verhandeling over Bilder-
dijks denk* en handelwijze
, enz., blz. 93, in de Werken van de Maai\'
schappij van Ned, Letterkunde te Leiden,
6de Deel, 13")0.
Blz. 163. De Hollandsere ambtenaren, die den eed wilden doen, werden
echter niet ontslagen. De meesten traden vrijwillig terug. Van afzetten
was eigenlijk geen sprake, Nnpoleon\'s bestuur was geen reactie, maar vol-
maakte toepassing der revolutie. Zijne geliefkoosde nieeiiing was en gold
ook in dezen „ijne, ponr sauver la révolution, il faut d\'abord sativer Bes
propres auteurs en les nurintenant » la tete des affaires." Zie Thiers, Hist.
du C\'onsiiliit et de L\'Etnpire 1, 465 (lis.).
Blz. 16-1. In overeenstemming met de gehcele inrichting
van het Frunsche keizerrijk werd ook de nieuw aangewon-
nen provincie in departementen verdeeld. — „Loiu de tendre
uu rétablissement des anciennes provinces, les nouvelles eirconscriptions
Out pour bat de les ubolir, et ue sont que des divisions parement admi-
nistratïves, créées pour la Cucilité des services publiés, sans droits partieu-
liers, saus existence distincte." Vivier II, 5 (Hs.).
Die departementen waren: Monden van den IJssel, van de Mans, Ooster-
Eems, Wester-Keius , Zuiderzee, Boven-TJssel en Friesland.
Blz. 188. Zie Mr. Herm. Bosscha, Geschiedenis der Staatsomwenteling in
Nederland. — J. Konijnenburg, Nationaal Gedenkboek der hernieuwde
Nederlandsche Unie. — G. W. Cliad, Verhaal der jongstleden oinwente-
liug. — A. J. Lastdrager, Gedenkstuk der verlossing en herstelling van
Nederland in 1813.
\' Do aanteekeningen zi.i» van den Schrijver \'/elven. IIb. botoekenti Handschrift,
tl. i. schriftelijke, nog onuitgegeven Aan lee kening vun Joróuu,
-ocr page 274-
:>i;i;
A A X T i: K K K N\' I N (1 E N".
Blz. 193. De eerste bevatte alle mannen, die de wapenen konden dra-
gen, vim 20—26 jaar; de tweede van 20—40, de derde van 40—60.
Blz. 202. In de TkémU on Bibliothèque dn jnrlseonsnlte, pnbliée par
M. M. Bnmdeau, l\'emunte, T. VIT, 1825, pag. 344, et suiv., waar hij
eene korte levensschets van K. gaf. Zonder eenige bitterheid vermeldt hij
zeer kort wat K. na den slag hij L.-ipzig had gedaan, en vermeldt zijne
latere verheffing tot den adelstand, als eene onderscheiding ten deel ge-
vallen „a ce courageux citoyen, en récompense des services qn\'il aurait
rendns ïi sa patrio."
Blz. 233. Op den middag van den BOsten Maart namen de troepen van
Schwarzenberg de dorpen Punt in en RotnainvUle, in den namiddag ver-
joegen de kroonprins van Wurtemberg en Generaal Ginlay de Franse-hen
uil het bosch van Vineennes, iets later veroverde het Silezische leger de
geheel Parijs overziende hoogten van den Montinurtre. De keizerlijke familie
en de ministers waren den dag te voren gevlucht, de onderwerping was
niet langer te verhinderen. Met welke voldoening deed Bliioher nog des
avonds zijn gesehut op den Montmartre brengen, ter vernietiging, indien
het noodig ware, van de wereldbeheerseherea, die thans reusachtig in den
glans der avondzon voor zijne voeten uitgestrekt lag. Toen de generaals
hoven stonden, zwijgend verzonken in de geweldige berinneringen, wier
reeks hier roemrijk besloten werd — komt daar opeens, zonder geroepen te
zijn, de overste Bftlow met zijn regiment Litliauer dragonden de helling
op en rijdt op zijn gemak in een langen optocht dezen kant der hoogte
langs. Als York hem gramstorig toeroept, Wat dit beduidt, zegt hij:
„Excellentiul ik heb aan mijne manschappen reeds in Tilsit moeten beloven,
dat zij Parijs zien zouden/* H. von Sybel, Be verheffing van Europa tegen
Napoleon I,
vertaald door Dr. D. Burger Jz., 1)1. 86.
Blz. 233. Wat daaraan voorafging, blijft nog ter outvou*
wing over. — In plaats van met dezen laatsten volzin eindigde Hoofd-
stuk II in de oorspronkelijke uitgave aldus: „Nog geen vijf maanden waren
verloopen, sinds de omwenteling begon.. Krachtig door haar afkeer van de
overheersohing, [zich] ten volle haar doel bewust, was de natie uit den
schijndood der verdrukking opgestaan. Op den laatsten dag der Lentemaand
vun het jaar 1814 ving eene nieuwe geschiedenis voor haar aan."
Blz. 234. De oude partijen hadden — den lust tot st rijden
verloren. — Er werden enkele stemmen van getrouwe Oranjeniannen
gehoord, die om wraak riepen. Zij vergaten dat de prins moest ophouden
hoofd eenci* partij te zijn, zoodra hij monarch werd (Hs.).
Blz. 234. Verzoend. — De mislukte pogingen der revolutie oui iets
-ocr page 275-
•>Ü7
A A S T K K K K X I X Q E X
blijvends tot stand te brengen, hadden ook den onwilligste overtuigd, dat
men veel aan personen had geweten, wat slechts het gevolg der gebrekkige
staatsvormen was; en dut goede wil, hoe hoog ook geplaatst, niet vol-
doende is om het goede nit te werken (lis.).
BI/.. 235. Hij was een Oranjetelg eu dat was genoeg. — „La
distallee grand it lont prestige (Lamartine)" (Hs.).
Blz. 247. Vreemde troepen. — Zie de Staatsbegrooting van 1862.
De 16P afdeeling bevat onder art. 47 een post, die tot nog toe daarop
niet voorkwam. Het is een lijfrente aan den Prnisiselien generaal graai\'
Biilow von Dennewitz «n diens mannelijke afstammelingen in de rechte
linie, ten bedrage van 10(10 dukaten oi\' f 5250,
Deze post werd door de regeering volgenderwjjze toegelicht:
„Aan den jirnisiseheii generaal graal\' Biilow von Dennewitz ïs ter zake
van de uitstekende diensten, welke hij met zijn onderhebbend legerkorps
in 1813 aan den lande heeft bewezen, door den souverehien vorst, bij
besluit van 0 februarij 1S14 n". 3, als blijk van persoonlijke hoogachting
en van diep gevoelde erkentelijkheid door de geheele nederlaadsehe natie,
eene jaarlijksche lijfrente van duizend dukaten (f 5250) toegekend, met
bepaling dat deze rente op dezelfde termijnen en op denzelfden voet als
de gewone pensioenen zal worden betaald, mitsgaders dat te dien effeete
«Ie rente in "t grootboek der pensioenen znl worden ingeschreven. Deze
rente komt dan ook voor op de lijst der gepensioneerden, onder het depar-
tement van oorlog ressorterende, welke in der tijd, zoo men vermeent in
1842, aan de Tweede Kamer der Staten Generaal is overgelegd. Tot beloo-
ning van de diensten, door genoemden generaal opnieuw aan het rijk
bewezen door zijn beslissend aandeel aan de glorierijke overwinning bij
Belle Alüance, is opgemelde beschikking, bij koninklijk besluit van 8 Julij
1815 nu. 4, in dier voege gewijzigd, dat de bedoelde rente niet alleen aan
den generaal zelven gedurende zijn leven, maar ook aan zijne mannelijke
afstammelingen in de regte linie, tot op het geheel uitsterven derzelve,
regelmatig en zonder afbreken zal worden voldaan. Daar de ulgemeene
rekenkamer echter zwarigheid heeft gemaakt om die lijfrente als een pen-
sioen te verevenen, is zij nu onder een afzonderlijk artikel op de begrooting
uitgetrokken" (Hs.).
Blz. 249. Viin Hogen dorp. — Son röle, c\'était sa nature. Tot
heerschen geboren, tot gehoorzamen ongesehikt (Hs.).
Blz. 255. Van Swinden heeft eenige opmerkingen gemaakt, welke Thor-
becke in zijne Aanteekeniugen op de Grondwet mededeelt, die op Art. 28
(tegen den Souvereiueu Vorst) en Art. 57 (recht van oorlog) (Hs.).
-ocr page 276-
:ZISS
A A STB E K K NI N\'(i E V.
Bis. 2(50. Het Noo rd holla n ds oh kanaal. — Woorden van Thor-
becke liij *le discussie over de doorgruviug van Holland op zijn smalst.
Zaterdag 13 Dec 1H62: „Het is niet tien jaren, maar liet is veel langer
geleden dat Koning Willem de eerste plannen voor het Noordhollandsche
kanaal liet teckenen en toen met potlood de richting aanwees, die dezelfde
was, welke nu wordt voorgedragen. Alleen de tegenstand van Amsterdam
tegen dat plan deed Koning Willem I van die richting afzien" (Hf.).
ÜIz. 261. Hierbij terkende Jorisseii later aan: „Onwaar. Zie over
Alexander\'s onwil tegen liet Huis van Oranje: Diplomatische Geschiedenis
der jaren
1813—15 Dl. II, 184" (Hs.).