-ocr page 1-
****4ï
ir*%p
y^.
HET
NEDERLANDSCHE BURGERLIJK
PEOCESKECHT
t
;>oon
Mr. R. VAN BONEVAL FAURE.
OUD-HOOGLEERAAU TE LEIDEN.
5e Deel.
Tweede Druk.
BOEKHANDEL EN DRUKKERIJ
VOOBHKKH
E. J. BRIJLL.
LEIPEN — 1900.
m
m
ƒ • *                                 *
v *
.*-*y*
-ocr page 2-
»^m oicOSO
Af, \'
-ocr page 3-
HET
NEDERLANDSCHE BURGERLIJK PROCESRECHT
-ocr page 4-
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
A06000017554993B
f--- ••**—•                          1755 4993
{ 3t33TnT-.
I            T h ^ a Vt *
-ocr page 5-
HET
NEDERLANDSCHE BURGERLIJK
PROCESRECHT
DOOR
Mr. R. VAN BONEVAL FAURE.
OUD-HOOGLEERAAR TE LEIDEN.
59 Deel.
TWEEDE DRUK.
----------—*>»S!ê««*~----------
BOEKHANDEL EN DRUKKERIJ
VOORHEEN
E J. BRILL.
LEIDEN — 1900.
BIBLIOTHEEK
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Met dit vy\'fde deel van het Nederlandsche Burgerlijk Procesrecht
heb ik de taak, die ik mij had opgelegd, ten einde gebracht. De
titel van het werk ware zeker ruim genoeg om er ook het executierecht
in op te nemen, doch de bewerking van dit laatste, hoe belangryk
en uitlokkend die arbeid moge zyn, kan ik niet meer aanvaarden.
Bij de behandeling van de middelen van voorziening tegen de
vonnissen
heb ik niet, zooals de wetgever b, v. by het hooger beroep
doet, naar den eersten aanleg kunnen verwyzen omdat, sedert mijne
behandeling daarvan, het wetboek, by de bekende wet van 7 Juli
1896 Stbl. no. 103, belangrijke wyzigingen heeft ondergaan. Ik heb
dientengevolge meer dan anders het geval zou geweest zyn, ook het
geding in eersten aanleg moeten bespreken. Dat ik daarby trouw
gebruik heb gemaakt van het werk van Mr. A. F. K. Hartogh en
Mr. A. Cosman, de wet van 7 Juli 1896 Stbl. n°. 103 tot wijziging van
het wetboek van burgerlijke rechtsvordering toegelicht,
spreekt van zelf.
Als auteurs van het eerste ontwerp waren beide, en de eerstge-
noemde schryver nog bovendien, wegens zyne deelneming aan de be-
handeling van dat ontwerp in de beide Kamers der Staten-Generaal,
waarby hem uit den aard der zaak het leeuwenaandeel toeviel, tot
de uitgave van eene toelichting als geroepen. Op uitnemende wyze
hebben zy zich van hunne taak gekweten. Toch mag, waar zy de
nieuwe bepalingen interpreteeren of uit de gehouden beraadslagingen
-ocr page 8-
gevolgtrekkingen maken, die interpretatie allerminst als eene authen-
tieke worden aangemerkt. De schryvers vragen dan ook zulk een
gezag voor hun werk volstrekt niet; maar ook by onze juristen bestaat nog
genoeg gewoonte om anderen voor zich te laten denken, dat er geen
aanleiding zou bestaan dit te doen, waar men zou kunnen meenen
reden te hebben zich gerustelijk en met zekerheid op de meening te
verlaten van hen die men als met den Wetgever meent te kunnen
vereenzelvigen. Overbodig acht ik het daarom niet te herinneren dat
aan niemand op het gebied onzer wetenschap het xütoi; s<px mag
worden toegekend.
Dankbaar voor de belangstelling, welke mijn werk tot dusver
mocht ondervinden, hoop ik dat die ook aan dit laatste deel moge
ten deel vallen.
Men vergunne mij te besluiten met de woorden waarmede eens
Mkrula zyne Voorrede tot den Lezer besloot, en deze tot de mijne
te maken: „Alles is geschreven niet om iets onwederleglyks te geven,
maar om ieder een gewissen voet te tooneu vorder te treden. Eindelijk
met uwe gunste en goedwilligheid verwekt ook andere tot uwe vordere
diensten."
                                                                     „ Vaartwei."
V. B. F.
Leiden, 15 April 1899.
De belangstelling, waarop ik hoopte, bleef niet uit. Pas was een
jaar na de uitgave verloopen, toen de Uitgevers my mededeelden
dat een tweede druk noodzakelijk is. Ik geef dien dan, afgezien van
enkele aanvullingen en correctiën van ondergeschikt belang, zoo goed
als onveranderd.
Overigens houd ik my aan wat ik 15 April 1899 aan den
Lezer schreef.
V. B. F.
Leiden, 1 Juli 1900.
-ocr page 9-
INHOUD VAN HET VIJFDE DEEL.
HOOFDSTUK IX.
Middelen van voorziening tegen vonnissen.
Bladz.
§ 152. In het algemeen..............1
AFDEELING I.
Verzet.
Titel I.
Het Rechtsmiddel.
§ 153. Begrip.................9
§ 154. Bijzondere vereischten tot het verzet.......13
Titel II.
Rechtspleging.
§ 155. Aanleg en instructie van het geding.......23
§ 156. Het vonnis...............39
AFDEELING II.
Hooger beroep.
Het Middel.
§ 157. Karakter en nuttigheid............43
§ 158. Vonnissen voor hooger beroep vatbaar. Bevoegde rechter . 53
§ 159. Bevoegdheid om in hooger beroep op te treden ... 66
-ocr page 10-
VIII                                                                                 INHOUD.
Bladz.
§ 160. Byzondere vereischten tot het hooger beroep ....      76
§ 161. Nadere bepaling van het onderwerp van den stryd . .     101
Titel II.
§ 162. Instellen van den eisch. De dagvaarding.....     119
§ 163. Verweren en voldingen...........    138
Titel III.
Incidenten.
§ 164. Incidenteele vorderingen...........    154
I. Ten uitvoerlegging bij voorraad......    154
II. Provisioneele vorderingen.........    159
III.     Voeging en tusschenkomst........    162
IV.     Vrijwaring.............     172
V. Zekerheidstelling...........    179
VI. Exceptiën..............     185
§ 165. Incidenten die de beslissing uitsluiten......    190
I. Afstand van de instantie.........    190
II. Verval van de instantie.........    191
III. a. Minnelijke schikking, b. Verschijning van partyen.    191
§ 166. Incidenten in verband staande met den staat der partyen
en de procureurs.............    192
I. Schorsing en hervatting van het rechtsgeding . .    192
II. Ontkentenis van gerechtelyke verrichtingen. . .    195
§ 167. Incidenten betrekking hebbende op de rechters of het
gerecht................    196
§ 168. Incidenten ontstaande uit de bewysvoering.....    196
A.  In het algemeen............     196
B.  In het byzonder.
I. De gerechtelyke plaatsopneming en bezichtiging .    206
II. Bericht van deskundigen.........    208
III. Bewysvoering door geschriften.......    211
Titel IV.
Dr Beslissing.
§ 169. Het vonnis...............    221
§ 170. Bijzondere punten.............    226
-ocr page 11-
INHOUD.                                                                                   EC
AFDEELING III.
Revisie.
Bladz.
§ 171. Het middel...............230
§ 172. Rechtspleging..............233
AFDEELING IV.
Beroep in cassatie.
§ 173. Inleiding................238
Titel I.
Hkt rechtsmiddel.
§ 174. Vonnissen aan cassatie onderworpen.......240
§ 175. Van de partyen..............244
§ 176. Bijzondere vereischten tot het beroep in cassatie. . . 249
Titel II.
Rechtspleging.
§ 177. Het instellen van den eisch. De dagvaarding . . . .    251
§178. Verweren en voldingen...........     263
I. Voorbereidende handelingen........    263
II. Verdere behandeling..........    265
§ 179. Het arrest...............    284
Titbl III.
§ 180. Cassatie in het belang der wet.........296
AFDEELING V.
Requeste civiel.
§ 181. In het algemeen.............300
Titel I.
Het middel.
§ 182. Vonnissen voor dit middel vatbaar.......308
§ 183. Gronden waarop toegelaten..........315
-ocr page 12-
X                                                                         INHOUD
Bladz.
§ 184. De Partyen...............328
§ 185. De termijnen..............330
Titel II.
Rechtspleoing.
§ 186. Indienen van request civiel. De dagvaarding .... 337
§ 187. Verweren en voldingen...........343
§ 188. De beslissing..............343
AFDEELING VI.
Verzet door derden.
Titel I.
Het MiDDEii.
§ 189. Begrip en aard..............    351
§ 190. Personen aan wie en gronden waarop het middel is
toegekend...............    373
§ 191. Personen tegen wie het verzet werd ingesteld; strekking
van het middel . ,...........    424
§ 192. Termijn................    435
Titel II.
§ 193. Rechtspleging..............439
-ocr page 13-
AANWIJZING
DER BLADZIJDEN
\'i
WAAR DE ARTIKELEN DER VERSCHILLENDE WETTEN EN WETBOEKEN
IN HET VIJFDE DEEL AANGEHAALD WORDEN.
Reglementen ter voldoening aan
art. 19 R. O.
Reglement n°. 1.
Grondwet.
Art.
59.
48.
240, 297.
156
161
165
bl
\'t.
37
bl.
139,
263
•ft
42
ft
283.
ft
44
V
142,
150
•ft
59
ft
276.
V
64
V
22,
226
•ft
76
237.
n
V
77
78
Tl
233.
233.
Wet op de rechterlijke organisatie.
Art.
bl.  246.
.    246.
.    284.
>    285.
,      55.
4
5
2
26—28
38—42
43
53
54
55
60
65
66
89
90
91 n°. 2.
94
96
97
98
99
100
103
105
106
.     
95.
55:
55.
Reglement n°. III.
Art. 4 bl. 277.
6 „ 277.
Reglement n°. IV.
Art. 1 bl. 25.
55,
64.
55,
64,
95.
58.
95.
232.
244.
62,
65.
Burgerlijk wetboek.
237.
244.
323.
242, 296.
240, 281, 297.
285.
6, 241, 295.
309, 427.
285.
Art.
48 n°.
bl. 18, 19.
„ 20.
„ 409, 415.
, 160.
, 5.
„ 365, 409, 414, 429.
444.
„ 105.
„ 193.
    125
    243
   245
   246
    247
   252
   254
-ocr page 14-
XII
Burgerlijk
WETBOEK.
Art.
267
bl.
160.
»
268
n
160.
Ti
269
ft
160.
ft
270
•ft
160.
ft
301
•ft
66.
•ft
311—314
•ft
66.
V
461
•ft
325.
n
462
•ft
98, 325.
•n
463
n
325.
ft
556
n
103.
ft
630
»
103.
ft
749
n
392.
»
1072
•ft
28. 82.
ft
1073
•n
81.
•ft
1079
y)
82.
•ft
1094
n
28.
•ft
1095
•ft
28.
•ft
1113
v
171.
•ft
1219
•ft
20.
•ft
1239
yi
20.
ft
1240
•t)
20.
ft
1251
vi
390.
•ft
1314
•ft
393.
•ft
1315
•ft
393.
•ft
1316
ft
395.
ft
1317
y)
395.
•ft
1336
•ft
328.
•ft
1339
ri
397.
•ft
1364
•ft
316.
•ft
1367
yt
327.
•ft
1376
v
359.
I)
1377
ft
359, 365,412,416.
434, 437.
•ft
1483
ft
329.
•ft
1484
ft
325.
•ft
1490
•n
332.
n
1539
n
432.
•ft
1594
•ft
386.
yi
1758
•ft
397.
yt
1894
ri
394.
•ft
1896
•ft
317.
•ft
1923
•ft
212.
•ft
1925
•n
214, 282.
ft
1954
•ft
321, 373,382,401.
•ft
1955
V
320!
•ft
1957
ft
352.
•ft
1959
ft
318.
•ft
1967
V
221.
•ft
1973
•ft
317.
•ft
1975
V
394.
Art.  1985               bl.   110.
      1988                ,    110.
      2004                    435.
,     2014                    437.
Wetboek van Koophandel.
Art. 11                bl. 212.
12                , 217.
43                 , 383.
Wetboek van Burgerlijke Rechts-
vordering.
Art. 2
bl.
13.
, 4
n
13.
, 4 n». 6
67.
n 4 „
h 8 ,
124.
. 5
r>
28, 68, 121, 254
> 7
•ft
124, 139, 259.
. l2
r)
125.
. 19
n
191.
. 33
V
233.
> 36
n
281.
. 42
•n
58, 196, 233.
„ 45
y>
11.
. 46
y>
84.
. 47
•ft
290.
. 48
n
108.
. 49
yi
151, 191.
. 50
yi
197, 220.
• 52
yi
157, 227.
. 53
ft
128, 157, 261.
. 56
ft
171, 293.
. 57
ft
246, 293.
. 68
ft
176, 177, 188.
" 69
178!
. 72
•ft
411.
> 74
138.
75
ft
10,32,36,125,141,284.
. 76
ft
10, 125, 284.
l 77
75.
»7^
n
62, 77, 99, 243, 284.
> 80
10.
> 81
13, 17, 20, 2, 33.
. 82
yi
14, 18, 19, 1, 34.
l 83
•ft
23, 26, 29,21.
" 84
23, 25.
85
18, 74.
" 86
20, 22.
87
•ft
10, 25, 32, 33, 42.
„89
»
32, 39, 101.
-ocr page 15-
zm
Art.
261
bl.
194.
TJ
263
TJ
195, 370.
Tl
272
TJ
195, 282.
n
273—275
T)
196.
V
285
T)
70, 164.
n
285—288
TJ
166.
TJ
286
Tl
75, 163.
TJ
293
TJ
57.
n
295
TJ
53, 57, 65, 76.
TJ
323
TJ
247.
TJ
324 n°. 3.
TJ
59.
TJ
324 „ 10.
TJ
343.
TJ
330
T)
98.
V
332
n
44, 53, 56, 70, 165.
n
333
n
54, 57, 59.
n
334
TJ
94.
Tl
335
TJ
9, 43, 61, 100.
T)
336
Tl
58, 77, 84.
TJ
337
V
77, 84, 127, 129.
TJ
339
1
76, 79, 119.
TJ
340
TJ
81.
TJ
341
TJ
76, 81, 331.
n
342
Tl
44, 77, 93, 127, 213.
Tl
343
Tl
26, 120, 126, 143,
147, 162.
TJ
345
n
44, 54.
»
347
TJ
118, 126, 142, 145,
185, 189.
TJ
348
TJ
102, 104, 114, 122.
155, 159, 199.
Tl
349
Tl
147, 161.
Tl
350
1
34, 127.
TJ
351
TJ
129, 155.
TJ
352
TJ
129, 159, 227.
TJ
353
Tl
26, 31, 139,143,163,
180, 182.
TJ
354
Tl
225, 442.
Tl
355
7>
131, 225.
Tl
356
Tl
131.
TJ
357
TJ
131, 136, 225.
n
358
Tl
131, 136, 225.
Tl
359
TJ
44.
TJ
360
TJ
232.
TJ
361
TJ
234.
TJ
362
n
235, 236.
TJ
364
Tl
235.
TJ
365
Tl
235.
Tl
370
n
236.
TJ
376
T)
72, 351, 371, 373,
407, 411, 426.
TJ
377
TJ
163,424,426,439,442.
TJ
378
n
437, 439.
Wetboek tan Burgerlijke Rechts-
vorderinq.
Art.
89a
bl.
75.
71
90
TJ
278.
Tl
96
Tl
42.
V
100
Tl
58.
Tl
101
TJ
210.
T)
108a
Tl
202.
TJ
126, § 14
TJ
138.
TJ
133
TJ
26,
120, 124, 258.
TJ
134
TJ
36,
323.
56, 102, 106,154,
T)
135
Tl
24,
139, 194.
TJ
136
TJ
23,
30, 124, 139.
TJ
137
TJ
23,
31, 139.
V
138
TJ
139.
T)
139
T)
139.
TJ
140
W
148,
442.
V
141
TJ
82,
lil, 142, 186.
T)
142
T)
144,
190.
Tl
143
TJ
142.
»
144
Tl
149,
279.
Tl
145
TJ
140,
142.
TJ
147—149
TJ
214.
Ti
147
TJ
212.
T)
148
TJ
217.
T)
152
T)
27,
72, 180.
T)
153
TJ
180.
»
156
TJ
152.
»
157
TJ
55,
104, 174.
TJ
158
TJ
109,
187.
T)
159
TJ
187.
T)
160
TJ
109,
112.
Tl
161
Tl
109,
112.
TJ
179
Tl
218.
T)
181
n
220.
Tl
190
Tl
220.
Tl
192
Tl
219.
Tl
219
n
211.
Tl
223
TJ
209.
TJ
224
TJ
210.
TJ
225
TJ
209.
n
228
TJ
210,
219.
Tl
232
1>
219.
Tl
233
71
209,
211.
T)
247
n
157,
185, 212.
Tl
249
V
86.
Tl
250
TJ
116,
153.
Tl
254
TJ
67,
82.
Tl
255
TJ
67.
»
256
r>
67.
-ocr page 16-
XIV
Wetboek
VAN
Burgerlijke Rechts-
Art.
425
bl.
10, 26.
VORDERING.
»
427
77
294, 342.
TT
428
77
299.
Art.
379
bl.
420
428, 443.
TT
429
77
299.
380
TT
431,
434.
TT
502
77
15.
tt
382 n°.
1.
TT
307
315, 346.
TT
513
77
80.
TT
382 „
2.
TT
304,
322, 347.
TT
515
77
14, 17.
TT
382 „
3.
TT
304,
322, 347.
77
517
77
14. 17.
TT
382 „
4.
TT
306,
322, 347.
71
533
71
80.
TT
382 „
5.
TT
305,
316.
TI
542
71
80.
tt
382 „
6.
TT
306,
322, 347.
TT
558
77
10.
TT
382 „
7.
TT
307
316.
71
593
77
17.
TT
382 „
8.
TT
307,
315, 319.
TI
605
Tl
17.
TT
383
TT
314,
324, 332.
TI
630
71
146.
TT
384
TT
307.
II
633
71
65.
TT
385
TT
330,
334, 387.
7,
635
71
65.
TT
386
TT
331,
335.
71
639
71
65.
TT
387
TT
331,
333.
7?
646
71
53, 57,
TT
388
TT
331,
334.
V
647
71
65.
TT
389
TT
339
340.
17
648
77
309.
TT
390
TT
303,
337.
71
649
77
315, 318.
TT
392
TT
340.
71
652
71
315.
TT
394
TT
343,
345.
77
752
77
17.
TT
395
T)
345,
348.
77
777
77
146.
TT
396
TT
348.
77
803
77
80.
TT
397
TT
309,
312.
77
808
71
160.
398
TT
34,
226, 249, 260.
77
808a
77
14, 161.
TT
399
TT
249,
260.
77
811
17
18, 19.
TT
400
TT
10,
43.
77
813
77
365, 437.
401
TT
9,
251, 292.
77
825
71
160.
TT
402
TT
292
71
828
71
14, 18,
TT
403
TT
241
292.
77
833
77
213.
TT
404
TT
241
254.
77
837
77
213.
405
TT
242
245.
77
846
71
51, 196,
406
TT
26
255, 260.
77
855
77
228.
TT
407
TT
31
259.
77
865
71
293, 294.
TT
408
TT
244
266, 273.
77
872
71
228.
,,
409
TT
257
410
TT
243
249.
Faillissementwet.
411
TT
273
279.
412
TI
273
279.
bl. 179
, 228.
413
TT
257
280.
415
TT
181
184, 248, 279.
Art
8
bl.
80.
416
TT
279
77
9
77
80.
417
TT
267
77
10
77
431, 437.
418
TT
246
273, 276.
71
25
71
68, 193.
TT
419
TT
285
287.
77
27
71
192.
TT
419—424
TT
299
71
28
77
193.
421
TT
286
290.
77
30
77
194.
422
TT
286
77
31
77
413.
423
TT
286
77
42
77
413, 434.
77
424
77
286
77
44
77
413.
-ocr page 17-
XV
Art. 153
bl. 426
. 154
. 426
> 157
> 426
Wet van 4 Mei 1869 tot voorloopige
regeling der rechtsmacht van den
H. Raad in West-Indische Kolo-
niale Zaken, Staatsbl. n°. 36.
Tarief van Justitiekosten in burgerlijke
ZAKEN.
bl. 63.
, 64.
Art. 1. § 3
2
Art. 236.
bl. 140.
Koninklijk besluit van 11 Januari 1840,
Staatsblad n°. 1.
bl. 62.
Wetboek van Strafvordering, Tit.
XVIII. Wet van 14 Juli 1899.
Wet van 31 December 1897, houdende
goedkeuring! van de internationale
overeenkomst van 14 november
1896 Staatsbl. n°. 275.
bl. 179, 228.
Art. IV
Staatsbl. n°. 159.
Koninklijk besluit van 28 September
1850 houdende vaststelling van een
reglement betreffende het hooger
BEROEP AAN DEN H. RAAD VAN Ar-
resten van het Hoog Gerechts-
hof van Nederl. Indië
Staatsbl. n°. 63.
bl. 302.
Wet van 28 Augustus 1851, regelende
de onteigening ten algemeenen nutte.
Staatsblad h°. 125.
bl. 253.
„ 5.
Art. 53
„ 55
*T.
6
bl. 63
a
16
» 63
n
17
„ 63
-ocr page 18-
VERBETERINGEN.
BI. 47 r. 3 v. o. staat: van de lees: der
„ 100 r. 9 v. b. n verklaard? lees: verklaard? art. 335 § 2
„ 114 r. 9 v. b. B opmerkte, lees: opmerkte. Verg. bl. 110
„ 191 onder II nog bij te voegen: Opmerking verdient alleen de in
art. 284 voorkomende bepaling dat, door het verval-
len van de instantie in hooger beroep, het vonnis,
waarvan men in hooger beroep gekomen was, kracht
van gewijsde zaak verkrijgt. Het gevolg van het
verval der instantie is toch in de eerste plaats daarin
gelegen dat de aanleg van het hooger beroep vervalt,
en dat dit nu niet op nieuw ingesteld kan worden
volgt wederom daaruit, dat de termijn voorbij is. Er
zal dan ook van het aldus in gewijsde gegaan vonnis
geen beroep in cassatie kunnen plaats hebben.
„ 192 r. 6 v. o. staat: 27, 2° lees: 27.
„ 195 r. 4 v. b. B verwezen, lees: verwezen. Art. 160 werd dan
ook ingetrokken
B 279 r. 7 v. o. bij te voegen: artt. 412, 416.
v 281 r. 15 v. b. staat: vast, lees: vast, van welke altijd door eene
akte moet blijken (art. 1888 § 2 B. W.)
-ocr page 19-
HOOFDSTUK IX.
MIDDELEN VAN VOORZIENING TEGEN VONNISSEN.
§ 152. IN HET ALGEMEEN.
Wanneer eei vonnis brj verstek of op tegenspraak is gewezen, is Wat zij zijn
welk©
daarmede wel een aanleg van het geding ten einde gebracht en een
stilstand in den strijd ontstaan, doch deze is daarmede niet afgeloopen.
De wet geeft middelen van voorziening tegen vonnissen, waardoor
de nadeelen, welke eene in het ongelijk gestelde partij door een vonnis
zou kunnen lyden, kunnen worden afgeweerd.
Als zoodanig erkent zij er vtjf: verzet, hooger beroep, revi-
sie, beroep in cassatie, request civiel. Bovendien geeft de
wetgever nog een eigenaardig middel van voorziening in het verzet
door derden.
Het nadeel, dat door een vonnis kan worden geleden, behoeft
nauwlijks nader aangewezen te worden, wanneer men denkt aan de
gevolgen welke het vonnis voor den daarbij in het ongelijk gestelde
heeft, vooreerst door zijn verbindende kracht, welke den in het on-
gelijk gestelde tot gehoorzaamheid verplicht en voorts doordien dat-
gene wat het uitmaakt als recht, recht is tusschen partijen. Dit
nadeel behoort niet geleden te worden, dan nadat er gelegenheid
heeft bestaan voor een behoorlijk onderzoek van het geschil; een onder-
1
-ocr page 20-
2                  H00FD8T. IX. MIDDELEN VAK VOORZIENING TEGEN VONNISSEN.
zoek dat de noodige waarborgen oplevert voor de juistheid der uit-
spraak. Eischt de wet onderworpenheid aan het vonnis des rechters
en wil zij het als waarheid erkend hebben, dan moeten er waarbor-
gen bestaan dat het, zooveel dit menschelijker wijze te bereiken is,
waarheid is.
Daartoe heeft de wetgever noodig geacht middelen te scheppen,
om de zaken, waarin vonnis werd gewezen, in \'t algemeen voorzoover
de kostbaarheid der processen daaraan niet in den weg staat, aan
de proef van een herhaald onderzoek te onderwerpen, opdat zij, voor-
zoover zij bleken onjuist te zijn gewezen, verbeterd zouden kunnen
worden. Dit is in het algemeen de strekking welke de vijf eerst
aangewezen middelen met elkander gemeen hebben. Na herhaald onder-
zoek een nieuwe uitspraak, niet eenvoudig eene vernietiging zonder
beslissing van den tusschen partijen aanhangigen rechtsstrijd.
Aard.            Het herhaald onderzoek der zaken, wat in het algemeen de strekking
van deze middelen is, verschilt in omvang naar gelang van de reden
waarom zij worden toegekend; daarvan hangt het ook af, of dezelfde
dan wel een andere rechter met dat herhaald onderzoek belast wordt.
Het verzet wordt gegeven aan den bij het vonnis in het ongelijk
gestelden, afwezig gebleven gedaagde, tot handhaving van het be-
ginsel, dat geen veroordeeling definitief moet zijn, zonder dat beide
partijen zijn gehoord. Vandaar dat dit middel bij denzelfden
rechter wordt aangewend, die het eerste vonnis wees. Voordat nu
verder worde gegaan, moet hier onderzocht worden, of niet de
rechter anders zou hebben geoordeeld, indien hij ook de verdediging
van den gedaagde had vernomen. Stelde hij den eischer dien hij
hoorde, in het ongelijk, dan moge ook deze beklag hebben, maar
deze heeft aan den rechter, die hem in het ongelijk stelde niets meer
te zeggen. Heeft deze niet juist recht gesproken, dan kan hij niet
zelf daarover oordeelen, maar moet het oordeel van een ander, en
wel van een hoogeren rechter worden ingeroepen.
Zoo wordt het hooger beroep gegeven om een hernieuwd
onderzoek van de zaak in haren geheelen omvang bij een hoogeren
rechter te doen plaats hebben, die te oordeelen heeft of er goed
of verkeerd werd gevonnist.
Om dezelfde reden wordt het middel van revisie toegekend.
Maar aangezien de gevallen waarin dit gegeven wordt, vonnissen
-ocr page 21-
§ 152. IN HET ALGEMEEN.
3
betreft door het hoogste rechterlijk college uitgesproken en dus voor
het herhaald onderzoek der zaak een hoogere rechter ontbreekt, zoo
moet hier wel hetzelfde rechterlijk college tot rechtspraak
worden geroepen, al zal dit voor deze rechtspraak niet uit geheel
dezelfde rechters bestaan maar met een aantal nieuwe rechters
worden aangevuld.
Ofschoon in geval zoowel van verzet als van hooger beroep en
revisie de zaak in haren geheelen omvang aan een herhaald onder-
zoek wordt onderworpen, zoo is dat onderzoek in geval van verzet
slechts een aanvullend onderzoek. Heeft nu de wetgever in \'t alge-
meen een tweede onderzoek wenschelijk, maar ook tot waarborg van
de juistheid van het vonnis voldoende geacht, dan ligt het voor de
hand, dat een vonnis op een daartegen ingebracht verzet gewezen,
nog na het dientengevolge herhaalde onderzoek der zaak aan hooger
beroep onderhevig blijft. Eerst nadat de zaken die daarvoor vatbaar
zijn, in hooger beroep zijn onderzocht, wordt daarover in het
hoogste ressort rechtgesproken. Daarmede is evenwel het rech-
terlijk onderzoek nog niet uitgeput.
Het belang van partijen wordt eigenlijk wel bevredigd geacht,
maar het belang der wet, en bepaaldelijk het belang eener gelijkvor-
mige toepassing der wet, eischt nog een nader onderzoek, wat de
vraag betreft, of de wet behoorlijk werd toegepast en dus alleen voor
dat gedeelte van het vonnis, hetwelk de beslissing van de rechts-
vraag betreft en dat door den rechter in hooger beroep werd uitge-
sproken of ook van het vonnis dat de lagere rechter in hoogste
ressort uitsprak. Zoo is hier de omvang van het onderzoek b e-
perkt en de opdracht van het oordeel aan het Opperste Ge-
rechtshof is in overeenstemming met de strekking van het middel.
Niet het belang van partijen staat hierbij op den voorgrond; dit
bestaat wel, want de toepassing van het middel kan op hunne rech-
ten in geschil van afdoenden invloed zijn. In het belang der wet
werd in de eerste plaats het beroep in cassatie geschapen. Der
partijen belang is hier het middel om het doel, het belang der wet,
zoo ruim mogelijk te bereiken.
Kan men, nadat deze middelen aangewend zijn of ter beschikking
hebben gestaan van partijen die niet noodig geacht hebben daarvan
gebruik te maken, aannemen dat met recht aan \'s rechters uitspraak
de straks vermelde gevolgen kunnen worden toegekend, toch kunnen
er gevallen zijn, waarin de toepassing van het „res iudicata pro
-ocr page 22-
4                   HOOFDST. IX. MIDDELEN VAN VOORZIENING TEGEN VONNISSEN.
veritate habetur" tot onrecht zou leiden. Niet, omdat eene betere
beoordeel ing van de feiten of van de rechtsvraag, die in geschil
waren, mogelijk of zelfs hoogstwaarschijnlijk geacht wordt; want
zoodanige, altijd bestaan blijvende betwistbaarheid van de juistheid
van een vonnis, wordt immers door het formeel gezag aan het vonnis
toegekend, uitgesloten; maar wanneer, om het in algemeene termen
uit. te drukken, de rechter niet had mogen rechtspreken gelijk hij
deed, of zijn vonnis door bedrog werd verkregen. Dit is in \'t algemeen
de reden waarom het middel van request civiel wordt toege-
kend. Die reden brengt tevens mede dat hier dezelfde rechter,
welke het bestreden vonnis wees, om vernietiging van het eerst ge-
wezen en het wijzen van een nieuw vonnis zal worden verzocht.
Eindelijk kan nog het nadeel van een vonnis worden afgewend,
door het middel van verzet door derden. Hier is het evenwel
niet het nadeel, dat uit de bindende kracht van het vonnis voor
partijen en zijn gezag als gewijsde tusschen dezen kan voortkomen,
wat het middel bestemd is af te weren, want het vonnis heeft die
kracht tegenover derden, aan wien hier een middel toegekend wordt,
niet, maar het gaat tegen de nadeelige gevolgen welke de uitvoering
van het vonnis of de voldoening aan de veroordeeling voor een derde
zou kunnen hebben. Een singulier middel, dat alleen dit met de
andere middelen gemeen heeft, dat het onmiddellijk tegen een vonnis
wordt te werk gesteld. De omvang van het onderzoek wordt daardoor
vanzelf beperkt. Dat het bij den rechter die het benadeelend
vonnis wees moet worden aangebracht, ligt voor de hand. Maar
van de verbetering om een mogelijke dwaling des rechters of eene
onvolledigheid in zijn onderzoek is hier geen sprake, want op een
beweerd recht van een buiten het proces staanden derde had de
rechter niet te letten.
Uitsluitend Uit de regeling van de middelen die tegen vonnissen kunnen worden
.•j*2® aangewend, volgt dat zy ook alleen langs dien weg opgeheven of van
kracht beroofd kunnen worden.
Uitzonderingen welke den regel bevestigen, berusten op uitdruk-
kelijke bepalingen der wet. Zoo verliest een vonnis, waarbij scheiding
van goederen wordt uitgesproken, zijne kracht, of gelijk de wet het
uitdrukt, „vervalt van rechtswege", indien het niet, blijkens eene
daarvan op te maken authentieke, d. w. z. notariëele (Zie art. 1 wet
-ocr page 23-
§ 152. IN HET ALGEMEEN.
5
v. h. Not. ambt) akte, vrijwillig is tenuitvoergelegd, door de wer-
kelijke verdeel ing der goederen, of wanneer binnen den tijd van ééne
maand, nadat het vonnis kracht van gewijsde heeft bekomen, geen
gerechtelijke vervolgingen daartoe door de vrouw zijn begonnen en
regelmatig worden voortgezet". Art. 246 B. W. — De kracht van een
vonnis waarbij echtscheiding is uitgesproken vervalt, indien de in-
schrijving in de registers van den burgerlijken stand niet heeft plaats
gehad, uiterlijk binnen den tijd van zes maanden, te rekenen van
den dag, waarop dat vonnis voor geen wettelijk beroep meer vatbaar
is. Art. 276 B. W.
Vóór de herziening van 1886 bevatte art. 88, bij die gelegenheid
ingetrokken, de bepaling, dat een vonnis bij verstek gewezen zijne
kracht verloor, wanneer de tenuitvoerlegging niet begonnen was
binnen zes maanden na de uitspraak. Het werd dan als niet gewe-
zen beschouwd.
Eindelijk vervalt een vonnis van onteigening, wanneer niet binnen
zes maanden, nadat het in kracht van gewijsde is gegaan, de schade-
loosstelling betaald, of, in de gevallen, waarin dit volgens de wet op
de onteigening kan geschieden, geconsigneerd is. Art. 55 wet 28
Augustus 1851, regelende de onteigening t. a. n. Staatsbl. n°. 125.
Men kan deze middelen wel onderscheiden in de zoodanige, die btj Onderschei-
denzelfden rechter en die btj een anderen rechter worden aangewend, <"fgen.
en dan tot de eerste brengen verzet, request civiel, en verzet door
derden, terwijl dan de revisie als een mixtum, als een tot beide of tot
geen van beide categoriën behoorende, kan beschouwd worden. Maar die
onderscheiding, welke uitsluitend op dit uiterlijk kenteeken en niet op
eene nadere verwantschap tusschen de tot dezelfde categorie behoo-
rende middelen berust, is zonder eenig wetenschappelijk, noch practisch
belang.
Eene andere onderscheiding is die tusschen gewone en b u i t e n-
g e won e middelen van voorziening, die niet geheel zonder belang is.
Deze onderscheiding werd in den franschen Code gemaakt. Naast
de behandeling van het hooger beroep in het derde boek van het
eerste gedeelte stond de behandeling in den daarop volgenden IVden
titel van „les voies extraordinaires pour attaquer les jugements," en
daarin kwamen de bij ons behouden middelen van verzet door derden
-ocr page 24-
6               HO0FD8T. IX, MIDDELEN VAN VOORZIENING TEGEN VONNISSEN.
en request civiel voor. Deze werden dus kennelijk als buitenge-
won e tegenover het hooger beroep als gewoon middel gesteld en
bij dit laatste behoorde dan natuurlijk ook het op drie plaatsen in
het wetboek behandelde verzet. De cassatie, die niet in den Code
geregeld was, werd door de fransche schrijvers tot de buitengewone
middelen gebracht. De aan de buitengewone middelen ontbrekende,
doch aan de gewone toekomende eigenschap, bestond in de schorsende
kracht, en een vonnis ging in kracht van gewijsde, niettegenstaande
die buitengewone middelen nog openstonden. Verg. Dl. II, bl. 173.
Zoo zullen ook nog bij ons, al mocht de wetgever, door eene
andere inrichting van het wetboek, de tegenstelling niet met zooveel
woorden gemaakt hebben, het request civiel en het verzet door der-
den tot de buitengewone middelen gebracht moeten worden, doch het
beroep in cassatie, waaraan onze wetgever schorsende kracht toekent,
kan daartoe niet meer gerekend worden, al heeft het naar strekking
en inhoud een buitengewoon karakter en al vinden wij ook nog eene
reminiscentie aan dat buitengewoon karakter in art. 103 R. O., waar
de partijen in het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden ver-
klaard „zoolang de gewone wijze van procedeeren toereikende is
om hare bezwaren te doen herstellen, hetzij door denzelfden rechter
bij wien de zaak heeft gediend, hetzij door middel van hooger beroep".
Zoo worden hier toch verzet en beroep als gewone middelen
van procedeeren tegenover de cassatie als buitengewoon middel ge-
steld. Maar het gewone tegenover het buitengewone is hier betrek-
keiijk en er is geen kwestie van of het request civiel en het verzet
door derden blijven tegenover de cassatie buitengewone middelen, al
worden beiden bij denzelfden rechter aangebracht bij wien de zaak
gediend heeft. Want request civiel is geen verzet en verzet door
derden komt niet aan partijen toe.
Karakter van De middelen van voorziening tegen vonnissen hebben — met uitslui-
processuëele tjnvan nej derde verzet — het eigenaardig karakter van te z\\jn pro-
middelen.
cejssueele middelen. Men kan hun de benaming van rechts-
vo|rderingen geven, gelijk de wet daaraan den naam van eisch
geeft, maar deze benaming heeft hier een zuiver processuëele beteekenis.
Noemde ik in Dl. I, bl. 233, de rechtsvordering in formeelen zin
de vorderin\'g van het recht, om daarmede aan te duiden de
handeling op dat. doel gericht en bestaande in het instellen van den
-ocr page 25-
§ 152. IN HUT ALGEMEEN.
7
eisch, terwijl ik daaraan in materieelen zin de beteekenis gaf van de
in het recht liggende bevoegdheid, om zich dat recht door den rech-
ter te zien toekennen of het te doen erkennen m. a. w. het recht
om te vorderen, deze benamingen komen hier op deze wijze in
toepassing, dat de rechtsvordering, het recht om te vorderen, bijv.
verbetering door een vonnis door hooger beroep, even goed als de
handeling waardoor de daartoe bevoegde dit recht doet gelden, is
van zuiver processuëelen aard. Want de bevoegdheid is niet besloten
in een naar \'t burgerlijk recht toekomend recht, maar niets anders
dan een middel tot bevordering van eene behoorlijke rechtspraak
over het eens in geding gebrachte recht. De vordering van het recht
is hier de vordering tot vernietiging en verbetering van een vonnis.
De materieele beteekenis van deze voorzieningen, blijft gelegen in
het recht, dat het voorwerp van de oorspronkelijk ingestelde rechts-
vordering uitmaakt en het middel van voorziening tegen een vonnis
brengt den strijd daarover bij denzelfden of bij een anderen rechter
tot een herhaald onderzoek over. En zoo blijven dan ook uit het
oogpunt van het materieele recht de partijen in hare oorspronkelijke
rollen van eischer en gedaagde. Alleen formeel en tengevolge van den
processuëelen maatregel en te dien opzichte wordt hij die \'t middel
aanwendt eischer, en de ander, tegen wien het aangewend wordt, ge-
daagde. Processueel is het middel. Maar daarom niet louter vorm.
Behalve vorm heeft het zijn inhoud. De vereischten om het middel
te werk te stellen binnen de grenzen door de wet gesteld aan de
bevoegdheid van de partijen en de omstandigheden, waaronder zij
het toekent, geven den inhoud aan de vormen voor het te werk stellen
van het middel voorgeschreven. Zoo zal ik bij de behandeling van de
middelen in het bijzonder, het middel zelf en de rechtspleging daarbij
in acht te nemen in afzonderlijke titels behandelen. In de Duitsche
Civil-Prozessordnung heeten de middelen van voorziening tegen von-
nissen bij uitnemendheid Rechtsmittel.
Nog dient opgemerkt dat, ofschoon hier ook in de wet van een
eisch gesproken wordt, hier niet, als bij het instellen van eene rechts-
vordering iets van de tegenpartij gevorderd wordt, maar veeleer van
den rechter de verbetering van een vonnis geeischt, eigenlijk ver-
zocht wordt.
Met het verzet door derden is het eenigszins anders gesteld
dan met de andere middelen. Hier komt de derde voor het behoud
van een eigen recht op tegen een vonnis dat aan de uitoefening van
-ocr page 26-
8                  HOOFDST. IX. MIDDELEN VAN VOORZIENING TEGEN VONNISSEN.
dat recht in den weg staat. De bestrijding van een vonnis door een
derde tegenover de partijen, is hier eene bijzondere wijze, waarop
den rechthebbende derde toegelaten wordt om de in zijn recht lig-
gende bevoegdheid om dit in rechte te vorderen te doen gelden. De
door een vonnis geregelde verhouding tusschen partijen, moet wijken
voor of gewijzigd worden door een den derde toekomend recht.
In de volgende afdeelingen van dit hoofdstuk zal ik de onderschei-
\' dene middelen van voorziening tegen vonnissen, in deze orde behan-
delen :
Afdeeling I. Verzet.
Afdeeliug II. Hooger beroep.
Afdeeling III. Revisie.
Afdeeling IV. Cassatie.
Afdeeling V. Requeste civiel.
Afdeeling VI. Verzet door derden.
De afwijking van de orde door den wetgever in acht genomen,
bestaat hierin, dat ik geen reden vond om de cassatie in de laatste
plaats te behandelen. Daartoe gaf den wetgever eenvoudig aanlei-
ding het feit, dat zij in den C. de Pr. niet behandeld werd en ons
wetboek er mede werd aangevuld. Ook behoorde het verzet in dit
werk bij de andere voorzieningen te worden behandeld. En daar ik
zooveel mogelijk het proces behandeld heb naar den loop welken het
in de rechtspleging zelve volgt, zoo moest hier het eerst in aan-
merking komen het verzet, dewijl dit, waar het in toepassing komt,
aan het hooger beroep voorafgaat. Na verzet of na hooger beroep
of na beide, pleegt de cassatie te komen. Zoo is de meest gewone
afloop van den rechtstrijd. Revisie is een nagemaakt hooger beroep.
Het geldt als een hooger beroep voor arresten door den H. Raad in
eersten aanleg gewezen. Requeste civiel is ook daarom een buiten-
gewoon rechtsmiddel, omdat er zelden voor zijne toepassing gelegen-
heid is, en verzet door derden ligt als voorziening tegen een vonnis
geheel buiten de orde der dingen. Het is mijns inziens een onding
en moet alzoo bij de behandeling zoover mogelijk naar den buiten-
kant staan ; „in partibus infidelium," als ik zoo zeggen mag. Vrucht
van eene op een onzuiver begrip steunende traditie, werd het in \'t
leven gehouden door superstitie. Het ligt dan ook buiten het in den
aanhef aangeduide algemeene karakter der middelen van voorziening
tegen vonnissen.
-ocr page 27-
§ 153. BEGRIP.                                                       9
AFDEELING I.
VERZET.
Boek I, tit. 1, afd. 6, artt. 81—88; C. d. Pr. I. L. I, tit. 3. L. II,
tit. 8, tit. 25, artt. 434—438 ; Wetboek 1830 B. I, tit. 1, afd. 5.
Ontwerp 1865, B. III, iit. 1.
De nederlandsche wetgever zag zeer goed in, dat het een fout was
in de samenstelling van den C. d. Pr., om het middel van verzet op
drie plaatsen in het wetboek te behandelen, als middel tegen de von-
nissen der vrederechters, als middel tegen de vonnissen van de rechtban-
ken van eersten aanleg, en dan nog weer als middel tegen de vonnissen
van de rechtbanken van koophandel. Als een middel van algemeene
strekking meende hij het in den algemeenen titel van het eerste boek
te moeten opnemen, doch verbond hij het ten onrechte met de von-
nissen, terwijl het met andere middelen van voorziening tegen vonnis-
sen bij deze behoorde, zoodat het onmiddellijk voor het hooger beroep
had moeten worden geplaatst. De ontwerper van 1865, de indeeling van
de stoffen van het wetboek beter systematizeerende, bracht het van
zelf in een derde boek met de overige middelen tegen vonnissen aan
te wenden. Uit de plaatsing in den algemeenen titel volgt wel, dat om-
trent het verzet alleen bepalingen zijn opgenomen, die aan dit middel
bijzonder eigen zijn, en welke alzoo, als zij geene beperking inhouden,
bij alle gerechten en in alle instanties waarin het verzet kan voor-
komen toepasselijk zijn, maar dat overigens de wijze van procedeeren
moet worden gevolgd, zooals die in \'t algemeen voor andere zaken
bjj de onderscheidene gerechten in de daartoe betrekkelijke titels
geregeld is.
titel I.
HET RECHTSMIDDEL.
§ 153. BEGRIP.
Het verzet is het aan een niet verschenen en dientengevolge in
het ongehjk gestelden (bjj verstek veroordeelden) gedaagde toegekende
Wat het is.
-ocr page 28-
10                HOOFDST. IX. AFD. I. VBBZET. TIT. I, HET RECHTSMIDDEL.
middel om verbetering van het vonnis, dat hem dus in het ongelijk
stelde, te erlangen van den rechter, die dat vonnis wees. Art. 80, § 1.
Het verzet is dus bij uitsluiting toepasselijk op een vonnis bij
verstek, niet echter op alle vonnissen, die bij verstek werden gewezen.
Het komt niet te pas tegen een vonnis dat tegen den eischer
verstek verleende. Zoodanig vonnis bevat geene veroordeeling. De
gedaagde wordt dan van de instantie ontslagen en de eischer kan
de zaak opnieuw aanleggen, terwijl de tegen hem uitgesproken ver-
oordeeling in de kosten niet op te heffen is. Art. 75.
Evenmin met opzicht tot een vonnis bij verstek gewezen, waarbij
een eischer zijn eisch werd ontzegd. De eischer heeft dan, indien het
vonnis voor hooger beroep vatbaar is, het middel van hooger beroep.
Werd het in het hoogste ressort gewezen, dan kan het middel van
cassatie voor hem openstaan. De gedaagde kan dan zijne verdedi-
ging in het hooger beroep of in de cassatie doen gelden. Artt. 76,
335, 401.
Het verzet, is uitgesloten, wanneer van meer gedaagden een of
meer niet verschijnen. Dan wordt wel tegen de niet verschenen ver-
stek verleend, maar er wordt een nieuwe oproeping gedaan en daarop
tegen allen, ook tegen hen die niet verschenen, als op tegenspraak
recht gedaan. Er valt hier derhalve geen bij verstek gewezen vonnis
te bestrijden. Artt. 79, 335 § 2.
Ook is verzet uitgesloten, wanneer de bij verstek veroordeelde, die
van het middel van verzet gebruik maakt, niet verschijnt en alzoo
ten tweeden male bij verstek wordt veroordeeld. Art. 87. Hij is dan
van ieder middel verstoken, ook van dat van cassatie. Zie art. 400.
Eindelijk is, in den regel althans, het verzet uitgesloten tegen
een tegen den verweerder in cassatie bij verstek gewezen arrest. Art.
425 laat het toch alleen toe, wanneer er gronden waren tot nietigver-
klaring van de dagvaarding of het beroep was ingesteld na verloop
van den wettelijken termijn.
Ik had de bepaling van het middel wel korter kunnen maken door
eenvoudig van den veroordeelde bij verstek te spreken en nog korter
door de ook in de wet meermalen voorkomende en in de praktijk
gebruikelijke benaming van defaillant te bezigen. Nu kan men
er verschillend over denken, of het al of niet wenschelijk zij der-
gelijke exotische uitdrukkingen te bestendigen, maar in een begrips-
-ocr page 29-
§ 153. BEGRIP.
11
bepaling komt het mij beter voor, ze zooveel mogelijk te vermijden.
In den regel zal de niet-verschenen en dientengevolge in het ongelijk
gestelde gedaagde wel niet verschillen van een bij verstek veroor-
deelde. Maar niet alle vorderingen strekken tot veroordeeling en niet
altijd houdt het vonnis, afgezien van de bijkomende uitspraak over
de kosten, eene veroordeeling in, zelfs niet op het gebied van het
vermogensrecht (zie Dl. I, bl. 245, II, bl. 189). En juist omdat ver-
oordeeling de regel is en men alzoo gewoon is van den bij verstek
veroordeelde te spreken, wat ik mij bij gelegenheid ook wel veroor-
loofd heb en veroorloven zal, is \'t niet kwaad hier ook aan de ge-
vallen, waarin geen veroordeeling wordt uitgesproken, te denken en
daartoe algemeener of ruimer uitdrukkingen te kiezen.
Geen geschil kan door den rechter rechtvaardig worden beslist,
wanneer hij niet beide partijen heeft gehoord. Toch mag de zucht
naar rechtvaardigheid, die „constans ac perpetua voluntas ius suum
cuique tribuendi" niet tot onrechtvaardigheid leiden door rechtspraak
te weigeren, wanneer eene partij door weg te blijven zijn verhoor
onmogelijk maakte. Dan zou een eischer van zijn recht verstoken
kunnen worden en het „zalig zijn de bezitters" werd eene onhoud-
bare, in een geordenden staat duldlooze werkelijkheid. De praktijk
der eigenrichting ware niet te keeren. Onze wetgever drukt het aan-
gehaald beginsel dan ook zeer voorzichtig uit, door in art. 45 niet
eenvoudig te bepalen, dat partijen door den rechter over en weer
gehoord worden (Art. 13 C. de Pr.) maar daarbij te voegen: „indien
zij verschijnen." Men kan iemand niet dwingen om zich tegen een
tegen hem gerichte aanspraak te komen verdedigen; hij moet weten
of hij een recht te verdedigen heeft en of hij dit wil doen. Maar
wanneer hij behoorlijk gedaagd is en niet verschijnt, moet hij wel
geacht worden niets te zeggen te hebben en het nadeel, dat hij
daarvan ondervindt door in het ongelijk gesteld te worden, is in
het algemeen volkomen gerechtvaardigd. Toch blijft het waar dat
hij ongehoord werd veroordeeld en, wordt hij al geacht niets te zijner
verdediging te hebben kunnen noch te willen inbrengen, men kan
dit slechts over het algemeen aannemen ; in bijzondere gevallen kan
het falen.
Zoo kan hij een reden hebben om zich wel niet over den rechter
— die niet door hem werd ingelicht — maar over het vonnis te
beklagen en is het rechtvaardig te achten dat hij tot dit beklag
-ocr page 30-
12 H00PD8T. IX. APD. I. VERZET. TIT. I. HBT RECHTSMIDDEL.
worde toegelaten, maar ook rationeel dat hij de verbetering van het
hem veroordeelend vonnis vrage van den rechter, dien hij niet in-
lichtte, door dezen alsnog tot een ander oordeel in staat te stellen.
Het is wel opmerkelijk dat dit niet met zoovele woorden in de wet
wordt gezegd. Maar er wordt ook geen andere rechter tot kennis-
neming van het verzet aangewezen. Het verzet geeft dan den niet-
verschenen en dientengevolge in het ongelijk gestelden gedaagde het
middel om te voorkomen dat het vonnis tegen hem tenuitvoer-
gelegd worde en vooralsnog gehoorzaamheid aan de uitspraak des
rechters te weigeren en te zorgen dat dat vonnis niet vóór een her-
nieuwd onderzoek van de zaak voor hem, in zijne daarbij uitgemaakte
rechtsverhouding, waarheid worde.
Zoo wordt zeker door het hem toegekende middel van verzet den
gedaagde een uitmuntende waarborg verschaft tegen eene beschikking
over zijn recht, zonder dat hij gelegenheid had zich te verdedigen.
Maar wordt hem daardoor niet tegelijk een middel gegeven om .den
eischer in de handhaving van zijn recht op ongerechtvaardigde wijze
op te houden en feitelijk daarin te verkorten of te benadeelen ? Niet
altijd voorziet daarin op voldoende wijze de voorloopige tenuitvoe.r-
legging, niettegenstaande verzet. In het bijzonder komt de uitzetting
van onwillige huurders hierbij in aanmerking, waarover zoo eens bij
tijden klachten opgaan, die, al vinden ze luiden weerklank, ten slotte
worden doodgezwegen, niettegenstaande eene wettelijke voorziening
niet zoo heel veel moeilijkheden behoeft op te leveren. Ik verwees
daartoe in W. n°. 5481 naar een belgische wet, terwijl Prof. Fockema
Andbeab in W. n°. 5484 op een nog beter voorbeeld uit eene vroe-
gere plaatselijke wetgeving de aandacht vestigde.
Ook wordt tegen verrassing van den bij verstek veroordeelde ge-
waakt, door de bepaling dat het vonnis niet tenuitvoergelegd zal
kunnen worden, dan na verloop van acht dagen na de beteekening
aan de partij of in persoon of te harer woonplaats. Wanneer de wet-
gever daarbij voegt, dat die beteekening moet geschieden op de wijze
als bij art. 2 en 4 voor de dagvaarding is bepaald, dan houde men
in het oog dat, wanneer woonplaats is gekozen, volgens art. 81 B. W.,
de exploiten, dagvaardingen en vervolgingen bij de akte uitgedrukt
of bedoeld, kunnen geschieden aan de gekozen woonplaats, en
dat in de wijze waarop van deze bepaling wordt gebruik gemaakt of
gebruik gemaakt kan worden, de strekking van dit voorschrift voor
een goed deel illusoir kan worden. Aan den anderen kant kan de
-ocr page 31-
§ 154. BIJZONDERE VERE1SCHTEN TOT HET VERZET.                          13
belemmering, welke degene die het vonnis verkreeg, in bijzondere
gevallen daardoor zou kunnen ondervinden, worden voorkomen door
de tenuitvoerlegging in geval van dringende noodzakelijkheid vóór den
afloop van de acht dagen bij vonnis te bevelen. Het onderscheid
tusschen deze bevoegdheid en die van voorloopige tenuitvoerlegging
bestaat hierin, dat deze laatste niettegenstaande verzet plaats heeft,
terwijl het verzet de tenuitvoerlegging schorst, ook al heeft de ver-
volger de bevoegdheid om binnen de acht dagen na de beteekening
tot tenuitvoerlegging over te gaan.
Dat de tenuitvoerlegging van vonnissen op tegenspraak gewezen,
volgens art. 342 § 2, gedurende acht dagen na de uitspraak wordt
geschorst en hier de beteekening is behouden ligt in den aard
van het vonnis bij verstek, dat buiten tegenwoordigheid en, gelijk
verondersteld moet worden, buiten kennis der tegenpartij is gewezen.
Eerst de beteekening doet haar kennis krijgen van het vonnis, ja
soms van de geheele tegen haar gevoerde procedure.
§ 154. BIJZONDERE VEREISCHTBN TOT HET VERZET.
Het verzet moet worden gedaan binnen veertien dagen Termijn bin-
nadat het vonnis aan den veroordeelde is bekend gemaakt, door betee- nen welken-
kening aan hem in persoon, hetzij van dat vonnis, hetzij van
eenige uit kracht van het vonnis opgemaakte of ter uitvoering daarvan
strekkende akte, of nadat door hem een daad is verricht, waaruit blijkt
dat het vonnis of de daarvan aangevangen tenuitvoerlegging hem be-
kend is. Art. 81, § 1.
Heeft die bekendmaking geen plaats gehad of blijkt de bekend- Vonnis moet
heid niet op de aangewezen wijze, dan kan het verzet gedaan worden niet tenuit-
voergelegd
tot zoolang het vonnis niet is tenuitvoergelegd. Art. 81. § 2.                       zijn
De tenuitvoerlegging van het vonnis wordt gerekend te hebben nocü gere.
plaats gehad:                                                                                               kend tenuitv.
gelegd te zijn.
in geval van gerechtelijke tenuitvoerlegging op de roerende goe-
deren na den verkoop;
in geval van arrest onder derden op uit te keeren gelden, na de
uitbetaling van deze aan den arrestant;
in geval van gerechtelijke uitwinning van onroerende goederen, op
den veertienden dag na den aanslag of de aanplakking der in de artt.
515 en 517 vermelde biljetten;
-ocr page 32-
14 HOOKDST. IX. AFD. I. VERZET. TIT. I. HET RECHTSMIDDEL.
in geval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, nadat het vonnis
aan den gedaagde beteekend is en openbaar gemaakt door aanplakking
van een uittreksel van het vonnis in de gehoorzaal der rechtbank van
het airondissement, alwaar de gedaagde woonplaats heeft en het ge-
durende een jaar aldaar aangeplakt is geweest; door aanplakking van
een gelyk uittreksel in de gemeente waar de gedaagde woonplaats
heeft, op de plaatsen waar dit gewoonlijk geschiedt, en eindelijk door
de driemaal herhaalde plaatsing van zoodanig uittreksel in de dagbla-
den der provincie of by gebreke van dien, in een dagblad van eene
naburige provincie en zulks met tusschenpoozing van eene maand
t\'elken reize. En dan moeten er zoowel negentig dagen na de betee-
kening als dertig dagen na de laatste plaatsing in het dagblad ver-
loopen zijn. Art. 82 jis artt. 828 en 811.
Verval.          Het verzet vervalt, behalve na verloop van den termijn van veertien
dagen hierboven vermeld en door de tenuitvoerlegging van het vonnis
of doordien dit gerekend wordt tenuitvoergelegd te zijn, ook nog door
berusting in het vonnis. Art. 81.
Nu de gedaagde noch in persoon, noch door een vertegenwoordiger
aan het geding heeft deelgenomen en dus ook niet bij de uitspraak
van het vonnis tegenwoordig is geweest, kan de termijn, binnen
welken hij van het middel van verzet moet gebruik maken, onmoge-
lijk van de uitspraak beginnen te loopen. Het vonnis moet hem be-
kend zijn, of het moet blijken dat hij er mede bekend is. Daardoor
wordt de veroordeelde als het ware in gebreke gesteld om van het
middel van verzet gebruik te maken en wordt hem een termijn van
veertien dagen gegund om dit te doen. Vanwaar die korte termijn
voor hem die van niets wist, terwijl voor het hooger beroep en voor
cassatie aan de in het ongelijk gestelde partij, drie maanden wordt
toegestaan ? De wetgever kan zich klaarblijkelijk niet losmaken van
de gedachte dat, niettegenstaande alle maatregelen die hij voorschreef
om eene dagvaarding ter kennis van den gedaagde te doen komen,
deze daarvan onkundig zou zijn gebleven. Hein onherroepelijk onge-
hoord te veroordeelen ging niet aan, hem door zijn wegblijven de
gelegenheid te geven, den eischer in de handhaving van zijn recht
te belemmeren ging ook niet. Dus wel een middel om tegen het von-
nis op te komen, maar dit middel dan ook zoo spoedig mogelijk
-ocr page 33-
§ 154. BIJZONDERE VEREISCHTEN TOT HET VERZET.                        15
aangewend, nadat de veroordeelde geen voorwendsel meer hebben kan,
om onbekend te zijn met het tegen hem uitgesproken vonnis.
Uit de bepaling dat de termijn begint te loopen van beteekening
van het vonnis of akten uit kracht of tot uitvoering daarvan aan
den persoon, volgt niet dat beteekening aan de woonplaats
hier zou zijn uitgesloten. Uit den aard der zaak volgt, dat deze uitslui-
ting ongerijmd zou zijn, eene argumentatio a contrario sensu ware
hier geheel misplaatst en art. 80 leert ten allen overvloede het tegen-
deel. Zulk eene beteekening aan den persoon is slechts toevallig
mogelijk en wordt hier vermeld als een daad waaruit de bekendheid
met het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging blijkt. Het is
alzoo licht mogelijk dat een der aangewezen aanvangspunten van den
veertiendaagschen termijn ontbreekt. Dat er dan geen verzet wordt
toegelaten, wanneer de veroordeelde de tenuitvoerlegging van het
vonnis geheel heeft laten afloopen, zonder van het middel gebruik
te maken, is duidelijk. De door het vonnis geregelde verhouding
tusschen partijen heeft haar beslag gekregen en is door de toelating
van den veroordeelde zei ven geworden tot een voldongen feit. De
eischer die het vonnis verkreeg deed, waartoe hij gerechtigd was
en op de verkrijging van goederen bijv. door derden bij executorialen
verkoop is niet terug te komen. De houding van den veroordeelde staat
met eene berusting in het vonnis gelijk. Maar behoeft nu daarvoor
wel altijd de tenuitvoerlegging van het vonnis geheel ten einde
gebracht te zijn ?
Art. 82 leert het tegendeel, doch ik kom daarop terug na nog
een enkele opmerking te hebben gemaakt over art. 81, dat in ver-
band met art. 82, bij een wet van 1886, n°. 230, eene wijziging
heeft ondergaan, waardoor de gedachte des wetgevers is verduidelijkt
en de aanleiding tot eene min rationeele opvatting der bepalingen
is afgesneden, gelijk uit de straks door mij daarvan gegeven ver-
klaring blijkt. Wanneer in art. 81 gesproken wordt van eene uit
kracht van het vonnis opgemaakte akte, in tegenstelling van akten
die ter uitvoering van het vonnis strekken, dan zal daaronder bijv.
het bij artt. 439 en 502 bedoeld bevel behooren, hetwelk aan de in-
beslagneming waarmede de tenuitvoerlegging aanvangt, moet voor-
afgaan. De inbeslagneming en de daarop volgende akten zijn dan
akten van uitvoering. Het komt hier op de bekendheid van den ver-
oordeelde met het vonnis of met de aangevangen tenuitvoer-
legging aan, wat zeker de, nu verduidelijkte, bekentenis was van de
-ocr page 34-
16                HOOFDST. IX. AFD. I. VERZET. TIT. I. HET RECHTSMIDDEL.
eenigszins dubbelzinnige slotwoorden van het vroeger art. 82, het-
welk sprak van eene daad waaruit voortvloeit dat de uitvoering
van het vonnis bij den defaillant bekend was. Maar ofschoon, wanneer
een enkele daad van uitvoering bekend was, kon gezegd worden
dat de defaillant met de uitvoering bekend was, omdat en in zoover
als die uitvoering uit eene reeks van handelingen bestaande, eene voort-
gezette daad is, zoo ware het toch onjuist om van die daad te
zeggen dat het vonnis gerekend werd tenuitvoergelegd te zijn als
zij gepleegd was. Nog erger om dan daaraan als gevolg te verbin-
den, dat het verzet niet meer ontvankelijk zou zijn, terwijl juist,
gelijk thans uit art. 81 duidelijk volgt, het verzet binnen 14 dagen
na zulk een daad moet worden gedaan om ontvankelijk te zijn. Want,
al kan de veroordeelde, gelijk ik zeide, geacht worden in gebreke
te zijn, om tegen het vonnis op te komen, nadeelig gevolg kan
daaraan eerst met recht voor hem verbonden worden, als hij daarna
in gebreke blijft. En daartoe heeft de wetgever veertien dagen als
bedenktijd voldoende geacht. Dit zal bijv. het geval zijn, en de slot-
bepaling van art. 81 zal hare toepassing vinden, indien een bij
verstek veroordeelde zich bij een krachtens het vonnis gelegd beslag,
tot bewaarder der goederen heeft laten aanstellen en als zoodanig
het proces verbaal van inbeslagneming heeft geteekend. Artt. 450, 452.
En dit niettegenstaande de bepaling van het volgend artikel 82. Want
daarbij is geen sprake van bekendheid met een daad van tenuit-
voerlegging maar wordt de vraag beantwoord wanneer de tenuitvoer-
legging, ofschoon niet geheel volbracht, zooals naar art. 81, § 2,
toch gerekend mag worden te hebben plaats gehad. En daarmede
kom ik terug op de vraag: Behoeft de tenuitvoerlegging wel ge-
heel teneinde gebracht te zijn om het recht van verzet te loor te
doen gaan ? Neen, zegt de wet; de gerechtelijke tenuitvoerlegging
wordt gerekend afgeloopen te zijn in geval van gerechtelijke ten
uitvoerlegging op de roerende goederen, na den verkoop. En terecht.
Want dan zijn er rechten op de goederen door derden verkregen.
De veroordeelde had tyd genoeg om den voortgang der executie te
beletten, vooral ook met het oog op alle openlijke handelingen,
welke daaraan voorafgaan en de beslaglegger heeft recht op de uit-
betaling der penningen, wat, behalve regeling van eene verdeeling
van de opbrengst, nog als slot van de executie overblijft te verrichten.
Zoo is het ook bij arrest onder derden op uit te keeren gelden, nadat de
uitbetaling aan den arrestant heeft plaats gehad. Hier is zelfs met de
-ocr page 35-
§ 154. BIJZONDERE VEREISCHTEN TOT HET VERZET.                   17
uitbetaling alles afgeloopen. De wet spreekt bepaaldelijk van de af-
gifte van uit te keeren gelden, krachtens executoriaal arrest onder
derden. Maar wat is rechtens, met opzicht tot derde arrest op
goederen? Wel zegt art. 752 dat de derde gearresteerde tot
afgifte daarvan kan worden gedwongen, maar opdat zij dan bij
executie verkocht worden, en daarom ben ik van oordeel dat het
verzet tegen het vonnis hier eerst vervalt door den verkoop, en
dat dan eerst het vonnis bij deze toepassing van het arrest onder
derden kan gerekend worden tenuitvoergelegd te zijn. Het arrest
onder derden gaat dan inderdaad in eene executie op roerend goed
over, de derde is er nu buiten.
Vreemd is, in verband met deze bepalingen, het voorschrift dat
het vonnis wordt gerekend tenuitvoergelegd te zijn, in geval van
gerechtelijke uitwinning van onroerende goederen, op den veer-
tienden dag na den aanslag of de aanplakking der
in de artikelen 515 en 517 vermelde biljetten. Hier kan
men toch niet zeggen dat rechten door derden verkregen en de
executie in hoofdzaak of geheel haar beslag heeft gekregen. Waarom
moeten die veertien dagen na de aanplakking zijn verloopen ? Hier
wordt kennelijk de onderstelling van art. 81 in toepassing gebracht,
dat er zooveel openbaarheid aan de executie is gegeven dat deze den
veroordeelde niet onbekend gebleven kan of mag zijn. En daaruit
verklaart zich ook de termijn van veertien dagen, die nu nog na
die bekendheid moet verloopen om de aanspraak op verzet te doen
vervallen. De bepaling is in zichzelve juist, maar zij staat in een
verkeerd verband en had bij het zuiveringsproces, dat deze bepalingen
in 1886 ondergingen, naar art. 81 behooren overgebracht te worden.
Art. 82 oud bevatte nog de bepaling dat het vonnis gerekend
wordt tenuitvoergelegd te zijn, wanneer de veroordeelde in hech-
tenis gesteld of aanbevolen geworden is, met het oog op de ten-
uitvoerlegging bij lijfsdwang en de daartoe betrekkelijke bepalingen
van artt. 605 en 593. Indien het vonnis niet bij voorraad kan worden
tenuitvoergelegd, kan de schuldenaar door tegen het vonnis in
verzet te komen, de executie schorsen en daarmede zijne in-gevan-
genis-stelling voorkomen. Doet hij dit niet onmiddellijk, dan behoeft
de in-gevangenis-stelling niet met eene tenuitvoerlegging van het
vonnis gelijk gesteld te worden, daar deze daarmede niet is afge-
loopen. Maar zeker is die in-gevangenis-stelling eene akte hem in
persoon beteekend ter uitvoering van het vonnis. Hij heeft dus veer-
2
-ocr page 36-
18          HOOFDBT. IX. AFD. I, VERZET. TIT. I. HET RECHTSMIDDEL.
tien dagen na die beteekening om, naar aanleiding van art. 81 § 1
(nieuw), in verzet te komen en de toepassing van die bepaling is
zeker redelijker dan het onmiddellijk doen vervallen van de be-
voegdheid om in verzet te komen. Daarom kon en moest de bepaling
van art. 82 (oud) op dit punt vervallen, gelijk bij de wet van 1886
geschiedde.
Met deze bepalingen omtrent de tenuitvoerlegging van de von-
nissen, voorzag de wetgever alleen met opzicht tot vonnissen op
vermogensrechtelijke vorderingen gewezen en de wetgever van 1838
meende daarmede te kunnen volstaan. Zwarigheid ontstond er nu wel
bij vonnissen van echtscheiding, omdat er reden tot twijfel bestond of
een zoodanig vonnis, indien het bij verstek was gewezen, wel kon
worden ingeschreven en dan zijn beslag niet kon bekomen.
Doch men begreep dat de verklaring van den griffier strekkende tot
bewijs, dat tegen het vonnis door geen wettig middel kon worden
opgekomen, waarvan art. 48 nO. 3 B. W. spreekt, ook in verband
met art. 85 B. R., niet anders kon beteekenen dan de verklaring
van den griffier dat er geen verzet op zijne registers was aangetee-
kend (Anders Haarlem 16 Januari 1894 W. 6483, Hof Amsterdam,
22 Maart 1894, W. 6494) en dan was men vrij algemeen van oor-
deel dat door de inschrijving van het vonnis de tenuitvoerlegging
van dit vonnis had plaats gehad en daardoor het verzet was ver-
vallen. De Hooge Raad oordeelde evenwel in tegenovergestelden zin
bij arrest van 27 December 1886 W. 5369, bevestigende Hof Am-
sterdam 25 Juni 1886, waarbij bevestigd rechtbank Amsterdam 6
Mei te voren. Zie echter ook Hooge Raad 26 Januari 1894, W. 6459.
De zwarigheid vervalt door de in 1896, in art. 82, in het voor-
laatste lid opgenomen bepaling dat de bij verstek uitgesproken vun-
nissen van echtscheiding of scheiding van tafel en bed gerekend
worden ten uitvoer te zijn gelegd na de beteekening en herhaalde
openbaarmakingen hierboven in den tekst vermeld, welke in art. 811
voorkomen en waarnaar art. 828 dat hier toepasselijk verklaard wordt,
verwijst. De bepaling van art. 82 vereischt vooreerst beteekening
van het vonnis. Voorts moeten minstens negentig dagen na de be-
teekening verloopen zijn door de driemaal herhaalde plaatsing van
een uittreksel van het vonnis in een der in art. 811, n°. 3, aange-
wezen dagbladen. Hieruit volgt, dat dan de eerste plaatsing dertig
dagen na de beteekening moet plaats hebben, de tweede dertig dagen
tusschen de eerste en tweede plaatsing en de derde dertig dagen
-ocr page 37-
§154. BIJZONDERE VEREISCHTEN TOT HKT VERZRT.                 19
tusschen de tweede en de derde plaatsing moeten verloopen. Want
dat aan de bepaling der wet, dat de plaatsing driemaal herhaald
moet worden t\'elken reis met tusschenpoozen van eene maand, moet
worden voldaan, lijdt tengevolge van de verwijzing naar art. 811
geen twijfel. Maar ook is het duidelijk dat de drie maanden hier
door eene authentieke, van den wetgever zelven uitgegane verklaring,
tot 3 X 30 dagen zijn gemaakt en derhalve de toepassing van de
Gregoriaansche tijdrekening vervalt. Eindelijk komen er dan nog 30
dagen na de laatste aankondiging of plaatsing in de dagbladen bij.
De wetgever had zich van die becijfering der negentig en dertig
dagen wel kunnen onthouden, daar deze wel van zelf begrepen zul-
len begrepen zijn inde voorschriften van art. 811, n«. 1 en 2, welke
voor de openbaarmaking vorderen, dat het uittreksel gedurende een
jaar aangeplakt blijft.
Dit schijnt wel niet het gevoelen te zijn van Mrs. Hartogh: en
Cosman, die op art. 82, bl. 25, aanteekenen dat het vonnis ten
spoedigte „niet dan een paar dagen na verloop der negentig dagen
gerekend kan worden te zijn ten uitvoer gelegd". Dit zou waar zijn
als de wet gebleven ware, zooals Mr. Hartogh het aanvankelijk had
voorgesteld, maar nu er verwezen wordt naar de openbaa r mak ing
van art. 828 en dit artikel verwijst naar art. 811, zal toch de open-
baarmaking wel bestaan in het aangeplakt zijn gedurende
een jaar van art. 811 n°. 1, in verband met den aanhef van het
artikel. Anders v. Rossem op art. 82, blz. 137, die van meening is,
dat de nieuwe regeling van zelve aanduidt dat het onnoodig is dat
het volle jaar verstreken zij. „Van zelve", omdat het wellicht zoo
behoorde te zijn! Maar, als artikel 811 zegt dat de openbaarmaking
geschiedt door „het aangeplakt zijn gedurende een jaar", dan
gaat het toch niet aan te zeggen dat de aanplakking alleen vol.
doende is. Als dan nu de griffier, om aan art. 48 n°. 3 te voldoen,
heeft na te gaan, of de in art. 82 voorgeschreven openbaarmaking
heeft plaats gehad, dan zal h ij in de eerste plaats geroepen worden
om art. 82 in den een of anderen zin te interpreteeren.
Het is overigens wel wat zonderling, dat het vonnis wordt gere-
kend tenuitvoergelegd te zijn door maatregelen, welke de wet zelve
niet als maatregelen van tenuitvoerlegging beschouwt (zie art. 812)
en dat het verzet, vervalt in verband met maatregelen welke niet
ten aanzien van de veroordeelden bij verstek, maar ten behoeve van
derden zijn voorgeschreven. Men moet eindelijk niet uit het oog ver-
-ocr page 38-
20 HOOFD8T. IX. AFD. I. VERZET. TIT. I, HET RECHTSMIDDEL.
liezen dat de hier besproken bepaling van art. 82 geldt voor het
geval dat het eerste lid van art. 81 niet in toepassing kan komen.
Zie art. 81 § 2 in verband met 82.
De nieuwe bepaling van art. 82 heeft alzoo ten gevolge, dat een
bij verstek gewezen vonnis van echtscheiding of scheiding van tafel
en bed, onafhankelijk van de bepaling van art. 81, kracht van ge-
wijsde kan verkrijgen. Doch het is niet het eenige geval, waarin
daaromtrent moeilijkheden ontstaan kunnen. Eene soortgelijke zwarig-
heid kan zich voordoen, wanneer een vonnis bij verstek tegen een
derde moet worden tenuitvoergelegd, zooals het geval is met een vonnis,
waarbij de opheffing van de stuiting van een huwelijk bij verstek is
uitgesproken en vooral in een geval dat zich niet zoo zelden voor-
doet, wanneer een vonnis, waarbij tot doorhaling eener hypothecaire
inschrijving machtiging wordt gegeven, bij verstek is uitgesproken.
Want, volgens art. 125 B. W., zal de ambtenaar van den burgerlijken
stand het huwelijk niet mogen voltrekken „dan nadat hem is ter
hand gesteld een vonnis in kracht van gewijsde gegaan,
waarbij de stuiting is opgeheven". En volgens artt. 1219 en 1240
B. W. zal, om de bij vonnis bevolen doorhaling door den hypotheek-
bewaarder te doen bewerkstelligen en afschrift van het in kracht
van gewijsde gegane vonnis, moeten worden overgelegd.
Want, al kan volgens art. 86 geen vonnis bij verstek tegen een
derde worden tenuitvoergelegd „dan acht dagen na deszelfs betee-
kening aan den defaillant in persoon of te zijner woonplaats en met
overlegging van de verklaring van den griffier, dat er op zijne re-
gisters geen verzet tegen het vonnis is aangeteekend," daarmede is
niet gezegd dat het dan voldoet aan alle vereischten om tenuitvoer-
gelegd te worden. Immers eerst door de tenuitvoerlegging kan het
bij verstek gewezen vonnis kracht van gewijsde v e r k r ij g e n en in de
aangewezen gevallen is tot de tenuitvoerlegging noodig dat het von-
nis kracht van gewijsde heeft. En dat niet in alle gevallen, waarin
een vonnis tegen een derde tenuitvoergelegd wordt, dat vonnis in
kracht van gewijsde behoeft te zijn gegaan, leeren de bepalingen
over het executoriaal arrest onder derden, in verband met art. 82.
Bij de echtscheiding kon, ten minste onder de oude wet, nog krach-
tens de duiding, welke art. 48 n«. 3 B. W. door art. 86 B. R. moet
ondergaan, tot de inschrijving van het vonnis worden overgegaan, maar
bij de toepassing van artt. 125 en 1239 dreigt den ambtenaar van
den burgerlijken stand, die zonder overlegging van het gewijsde tot
-ocr page 39-
§ 154. BIJZONDERE VEREISCHTEN TOT HET VERZET.                  21
de huwelijksvoltrekking overging, of den hypotheekbewaarder, die
zonder dat gewijsde de doorhaling bewerkstelligde, een aanspraak tot
vergoeding van kosten, schaden en interessen. Verg. het Verslag der
Staatscommissie voor de herziening der wetgeving op de eigendoms-
overdracht van onr. goed enz. \'s Gravenhage, Belinfante, 1870, bl.
51, art. 46 en de toel. bl. 153 v. Doch Mr. HARrofiH achtte de voor-
ziening in andere gevallen dan in zake van echtscheiding niet ge-
wenscht, omdat het artikel nog pas in 1886 gewijzigd was. De
kracht van dit argument is moeilijk te vatten, maar het is overtui-
gend gebleken.
In art. 82 werd, vóór de herziening van 1886, nog gelezen, dat
het vonnis wordt gerekend tenuitvoergelegd te zijn, „wanneer de
kosten betaald zijn." Die woorden vervielen evenwel en terecht, en
in art. 81 § 3 werd de algemeene bepaling opgenomen dat „de ver-
oordeêlde die in het vonnis heeft berust, daartegen niet
meer in verzet kan komen." Iets wat men zou kunnen zeggen dat
van zelf spreekt, maar waarvan de bepaling hier niet mocht ont-
breken, nu het bij het hooger beroep in art. 334 en bij cassatie in
art. 399 werd bepaald.
Men heeft gevraagd of, terwijl vonnissen nog wel op andere wijzen
kunnen worden tenuitvoergelegd als hier vermeld worden, daardoor
het verzet niet zou kunnen vervallen? Mr. v. Rossem stelt deze vraag
naar aanleiding van de Mem. van toelichting, begeleidende het ontwerp
van 1886, waarin de vraag ontkennend werd beantwoord. Ik ant-
woard met hem bevestigend. Men vergete niet dat art. 82 spreekt
van gevallen waarin het vonnis gerekend wordt ten uitvoer te
zijn gelegd, en dat het aanwijst, dat daartoe althans in de drie eerst-
genoemde gevallen niet noodig is, dat de tenuitvoerlegging tot het
einde toe is afgeloopen, terwijl in het vierde geval daartoe het ver-
richten van eenige meer willekeurig gekozen handelingen noodig
is. Maar wanneer door eene enkele handeling aan het vonnis uit-
voering kan worden^ gegeven, als bijv. door de inschrijving van het
vonnis van echtscheiding, dan zou, dat ben ik met Mr. v. Rossem
volkomen eens, als men, als vroeger, over de letter van art. 48 n". 3
B. W. heenstapt, de H. Raad nu niet meer kunnen zeggen, dat die
inschrijving niet zou kunnen gelden, omdat zij buiten den veroor-
deelde omgaat, want er wordt thans niet meer gevorderd „dat er
eenige daad is gepleegd waaruit noodzakelijk voortvloeit dat de uit-
voering van het vonnis bij den defaillant bekend is." De uitvoering
-ocr page 40-
22          HOOFDST. IX. AFD I. VERZET. T1T. I, HET RECHTSMIDDEL.
van het vonnis is thans op zichzelf een reden waarom het verzet
vervalt, en een eigen daad van den defaillant, waaruit noodzakelijk
voortvloeit dat de aangevangen ten uitvoerlegging hem bekend
is, doet voor hem, volgens art. 81, de termijn van veertien dagen
loopen, binnen welken hij van zijn recht tot verzet gebruik moet
maken. De inschrijving van het vonnis van echtscheiding zal nu nog
het verstek moeten doen vervallen als men, als vroeger bij de toe-
passing van art. 48 n". 3 B. W., de letter duidt naar art. 86 B. R.
Altijd evenwel zal de uitvoering, die men aan het vonnis geeft, moe-
ten zijn afgeloopen. Is die handeling eene uit verschillende andere
saamgestelde, dan zal zij in al hare deelen ten einde toe moeten
verricht zijn. Dat zij zonder dat gerekend mag worden te
hebben plaats gehad, is beperkt tot de gevallen in art. 82 genoemd.
Zie over de berusting meer bij het hooger beroep § 160.
Aanteekening Het is wel geen vereischte tot het verzet, dat er aanteekening van
Van yeffiCt worde gedaan ter griffie, maar daarmede kan toch het verzet het
gevolg hebben, dat de tenuitvoerlegging van het vonnis tegen een derde,
niettegenstaande een gedaan verzet, worde voorkomen. Art. 86.
Volgens het aangehaalde art. 86 moet bij tenuitvoerlegging van
een vonnis bij verstek tegen een derde worden overgelegd eene ver-
klaring van den griffier, dat er op zijne registers geen verzet tegen
het vonnis is aangeteekend. Daartoe wordt nog opzettelijk in art. 85
aan de partij, welke verzet heeft gedaan, de bevoegdheid gegeven om
daarvan ter griffie op een daartoe bestemd register aanteekening te
doen houden. Dat daartoe de namen der partijen, de dagteekening
van het vonnis en die van het gedaan verzet moeten worden ver-
meld, ligt voor de hand. Dat deze bepalingen even goed, ja zelfs
nog eerder, tot de tenuitvoerlegging van het vonnis gebracht
kunnen worden, toont de wetgever duidelijk genoeg aan door ze met
opzicht tot het hooger beroep en cassatie van op tegenspraak gewe-
zen vonnissen in den eersten titel van het IIe Boek, bij de alge-
meene maatregelen omtrent de tenuitvoerlegging enz. op te nemen.
Zie artt. 432 en 433. Van het verzet wordt aanteekening gedaan ;
op de dagvaarding komt het daarbij niet aan. Over het behoorlijk
houden der registers als een plicht van den griffier art. 64 Regl. I.
Verg. art. 163 C. de pr.
-ocr page 41-
§ 155. AANLEG EN INSTRUCTIE VAN HET GEDING.                    23
TITEL II.
RECHTSPLEGING.
§ 155. AANLEG EN INSTRUCTIE VAN HET GEDING.
Het verzet wordt gedaan bij een deurwaardersexploit, met dagvaar Vorm van het
ding van den oorspronkelijk eischer ter terechtzitting van den rech-
ter die het vonnis wees. Art. 83 § 1.
Aan het aldus met dagvaarding gedaan verzet kan ook een eenvou-
dig verzet voorafgaan, bij buitengerechtelyke akte of ook ter gelegen-
heid van de beteekeniug van het vonnis of van elke, uit kracht daar-
van opgemaakte of ter uitvoering daarvan bestemde akte, behalve de
aanplakking der aanslagbiljetten, welke overeenkomstig de artt. 515 en
517 bij gerechtelijke uitwiuning van onroerende goederen plaats heeft.
Dit eenvoudig verzet moet, om geldig te zijn. binnen drie dagen door
een herhaald verzet met dagvaarding gevolgd worden. Art. 84.
Het verzet met dagvaarding moet eene korte uiteenzetting bevatten Inhoud,
van de verweermiddelen welke de party tegen den oorspronkelijken
eisch en ook tegen het vonnis wil doen gelden en waarmede de on-
juistheid van het gewezen vonnis wordt beweerd. Het wordt beteekend Beteekening.
aan den oorspronkelijken eischer of ook aan de door dezen gekozene
woonplaats. Art. 83, § 1.
Bij de dagvaarding moeten de gewone ternüjnen in acht genomen
worden, doch de verweerder, oorspronkelyk eischer, heeft als verweer -
der de bevoegdheid om den termijn, waarop hij gedagvaard is, te ver-
korten, door by eene aan den procureur des eischers beteekende akte,
tevens inhoudende procureurstelling, dezen tegen een vroegeren dan Procureur-
den in de dagvaarding opgegeven rechtdag op te roepen, onder de
nader in art. 136 daaromtrent gemaakte bepalingen. Art. 83 §2j°136.
Maakt de partij die het vonnis verkreeg van deze bevoegdheid geen
gebruik, dan stelt zij procureur op de terechtzitting, zooals art. 137
dit voorschrijft.
Gelijk de procureurstelling van den gedaagde in het verzet volgens
de bepalingen van artt. 136 en 137 plaats heeft, zoo zal ook de
-ocr page 42-
24               HOOFDST. IX. AFD. I, VERZET, TIT. II, RECHTSPLEGING.
andere het geding voorbereidende handeling, de inschrijving ter rolle,
overeeukomstig art. 135 moeten geschieden.
De wijze waarop in het geval van verzet geprocedeerd wordt,
wordt in de afdeeling van tit. I niet geregeld. Kennelijk gaat de wet-
gever van de onderstelling uit, dat daarbij de bepalingen omtrent de
procedure in eersten aanleg in hooger beroep en in cassatie, in het
algemeen voorgeschreven gelden en worden door hem alleen voor den
aanleg van het geding bijzondere bepalingen gemaakt, uitgezonderd in
art. 83 § 2 dat hier, in 1896, op eene verkeerde plaats werd gezet
en even goed als de andere bepalingen van instructie der zaak had
kunnen weggelaten worden. Eene verwijzing naar art. 136 was even-
min als naar andere bepalingen noodig.
Het verzet geschiedt bij een deurwaardersexploit. De C. de pr.
schreef den vorm van een verzoekschrift voor, een vorm die zich laat
verklaren, waar van den rechter gevraagd wordt om zijn eigen von-
nis te herzien. Het was evenwel ook alleen een vorm, want het
verzoekschrift werd niet aan den rechter ingediend, maar, terwijl het
eene procureurstelling moest bevatten, bij akte van procureur tot pro-
cureur beteekend, zoodat het eerst met de andere stukken van het
proces tot den rechter kwam ; doch de procureur van de in verzet
komende partij was ook verplicht het gedaan verzet ter griffie te
doen aanteekenen Artt. 162, 163 C. d. pr. Bij de rechtbanken van
koophandel en bij de vredegerechten werd echter die meer beleefde
vorm niet in acht genomen en terwijl onze wetgever algemeene bepa-
lingen voor alle gerechten maakte, kon hij vanzelf de procureurs-
akte niet gebruiken en volgde hij de bepalingen, welke de Code bij
de vredegerechten en de rechtbanken van koophandel voorschreef.
Dat aan den bij verstek veroordeelde ook de gelegenheid wordt
gegeven om van zijn wil om in verzet te komen te doen blijken bij
eene buitengerechtelijke akte en bij de akten van beteekening, enz.
is juist; de tenuitvoerlegging wordt daardoor geschorst, als het
vonnis niet bij voorraad uitvoerbaar is verklaard, want dit gevolg
is aan het verzet verbonden, maar omdat dit verzet, dat niet gepaard
gaat met een dagvaarding, niet aantoont dat de veroordeelde werke-
lijk tot de vernietiging van het vonnis procedeert, dus inderdaad
niet meer is dan eene verklaring van zijn wil om zich tegen het
vonnis te verzetten, moet het zoo spoedig mogelijk, de wet wil bin-
nen drie dagen, met dagvaarding herhaald worden. Dat dit behoort
-ocr page 43-
§ 155. AANLEG EN INSTRUCTIE VAN HET GEDING.                  25
te geschieden op straffe van verval, niet van het middel zelf maar
van dat voorloopig verzet, is duidelijk, omdat dit laatste alleen als
verzet geldt onder de voorwaarde van herhaling. Wordt aan deze
voorwaarde niet voldaan, dan zal de executant, na verloop van de
drie dagen, met de tenuitvoerlegging kunnen voortgaan en zal het
middel van verzet zelf vervallen, indien het niet gedaan wordt binnen
veertien dagen nadat het verzet bij de akte van beteekening, enz.
was gedaan omdat daaruit blijkt, dat het vonnis of de aangevangen
tenuitvoerlegging aan den defaillant bekend was. Verg. Chauveau
op Carré Q 682 (ed. Brux. II p. 112).
Onder eene buitengerechtelijke akte is te verstaan een exploit dat,
zooals art. 1, Regl. IV dat uitdrukt niet „met een aanhangig rechts-
geding in verband staat" evenmin als met een executie. Men kan
dergelijke buitengerechtelijke akte verkiezen boven den minderen om-
slag der verder genoemde middelen om niet van den deurwaarder
der tegenpartij afhankelijk te zijn. Verg. art. 84 § 2.
De weigever spreekt in art. 84 niet nauwkeurig, als hij door te
spreken van „elke andere akte dienende om het vonnis ten
uitvoer te leggen," de akte van beteekening en dan natuurlijk ook
het bevel tot de akten brengt, welke dienen om het vonnis tenuit-
voer te leggen, terwijl uit de bepalingen omtrent de tenuitvoer-
legging der vonnissen duidelijk blijkt, dat de beteekening en het
bevel tot de aan de tenuitvoerlegging voorafgaande akten behooren,
waarop de wetgever in 1886 wel gelet heeft, toen hij in art. 81
zooveel juistere uitdrukkingen opnam. Dit gaf mij, naar \'t mij voor-
kwam, afdoenden grond om, in verband met de bepalingen omtrent
de tenuitvoerlegging zelve, hier te doen wat de wetgever had be-
hooren te doen en de woorden van art. 81 (nieuw) ook in de omschrij-
ving van art. 84 over te nemen.
Het exploit van verzet eene dagvaarding moetende bevatten, is
aan de algemeene bepalingen omtrent de dagvaarding onderworpen
en zoo moet het, overeenkomstig art. 5 n°. 1, den eischer met diens
gekozene woonplaats en den gedaagde, overeenkomstig n°. 2 van dat
artikel, aanwijzen. Eischer is hier formeel, en daarom is n<>. 1 op
hem toepasselijk, de partij die in verzet komt, die in de
praktijk gemeenlijk opposant heet, eene benaming, die ofschoon
vreemd van oorsprong, gemakkelijk in \'t gebruik is. De wetgever
gebruikt die ook in art. 87, doch niet doorgaande; zoo noemt hij
de bij verstek in het ongelijk gestelde of veroordeelde partij ook wel
-ocr page 44-
26             HOOFDHT. IX. AFD. I, VERZET. TIT. II, RECHTSPLEGING.
defaillant. Artt. 86, 88. Hij heet eischer omdat hij opposant
is geworden. Op den oorspronkelijk eischer die nu gedagvaard wordt en
daarom formeel gedaagde is en ook wel geopposeerde genoemd
wordt, is n". 2 toe te passen. Ik zeg formeel. Want materieel
blijft de oorspronkelijk eischer in de rol van eischer, de oorspron-
kelijk gedaagde, ook in de procedure van verzet, gedaagde. Uit dit
materieele oogpunt is bijv. de bewijslast te beoordeelen en, voor
zoover deze op den eischer drukt, blijft hij op den oorspronkelijk
eischer rusten, maar formeel zal de opposant, als eischer, het eerst
conclusie hebben te nemen en de oorspronkelijk eischer als formeel
gedaagde daarop hebben te antwoorden. Ik meen hierbij te mogen
verwijzen naar eene aanteekening door mij geplaatst bij een vonnis,
opgenomen in Regtsgeleerd bijblad XVI (1866) bl. 70.
Overeenkomstig de bepaling van artt. 133, 343, 353 zal de dag-
vaarding eene procureurstelling moeten bevatten als het verzet tegen
een door een college in eersten aanleg of hooger beroep gewezen ver-
stekvonnis wordt ingesteld en wordt het tegen een arrest in cassatie
gewezen ingesteld, dan moet de dagvaarding een advokaat aaanwijzen ;
arg. art. 406 en de naar art. 425 toepasselijke bepalingen omtrent verzet.
Ofschoon het verzet gemotiveerd moet worden, behoeven evenwel
de middelen alleen in het exploit van verzet te worden opge-
nomen en niet te worden opgegeven wanneer het verzet op de bij
art. 84 vermelde wijze plaats vindt. De letter van art. 83 zou hier
voor mij niet voldoende zijn om tot dit besluit te komen. Maar als
men bedenkt dat het verzet van art. 84 § 1 slechts een voorloopige
maatregel is, dat de deurwaarder, volgens art. 84 § 2, alleen mei-
ding behoeft te maken van het verzet op zijn procesverbaal, dat het
niet eigenaardig zou zijn dat dat melding maken zou bestaan in het
opnemen van eene verklaring met motieven en toch het verzet uit-
sluitend bij het procesverbaal wordt geconstateerd, dat het voor den
oorspronkelijk eischer ook voldoende is, de gronden van het verzet
te vernemen als het werkelijk tot een verzet komt en derhalve uit
het exploit van verzet, en dat, bij de herhaling van het verzet
naar de bepaling van art. 83, het opgeven van middelen moet plaats
hebben, dan is er grond genoeg om zich aan de letterlijke be-
teekenis van art. 83 te houden. Het is dan ook niet uitsluitend de
letter die beslist.
De middelen van verzet zullen wel in de eerste en voornaamste
plaats bestaan in de middelen, waarmede de partij die zich verzet,
-ocr page 45-
§ 155. AANLEG EN INSTRUCTIE VAN HET GEDING.                  27
den eisch zou hebben kannen bestrijden, indien zij verschenen ware,
maar zeker ook de middelen die tegen den vorm van het vonnis
kunnen worden aangevoerd, wanneer dit eens niet in het openbaar
mocht zijn uitgesproken of niet gemotiveerd mocht zijn. Maar ook
tegen den inhoud van het vonnis kan een middel daaraan ontleend
worden, dat ten onrechte een middel ambtshalve werd toegepast.
In het algemeen komt het mij voor dat de middelen moeten wor-
den aangevoerd in de orde waarin zij bij verschijning op de oor-
spronkelijke dagvaarding voorgedragen hadden kunnen of moeten
worden. En zoo zal ook hier de regel gelden dat allen vereenigd
moeten worden met de gevolgen door de wet aan het verzuim van
dat voorschrift verbonden. Daarmede is evenwel niet alles gezegd.
Zal de opposant van den oorspronkelijk eischer, vreemdeling zijnde,
zekerheidstelling kunnen vorderen en daarbij zich voorshands mogen
bepalen, omdat hij naar art. 152 die zekerheid kan vorderen alvorens
eenige weren van rechte of tegenzeggen te doen? Wij hebben
hier niet met een middel van verdediging te doen en \'t zou zeker
een zonderlinge grond van verzet zijn, zoo\'n vordering tot zeker-
heidstelling. Dewijl nu de zekerheidstelling niet vooraf behoeft ge-
vraagd te worden, maar de middelen van verdediging vooraf kunnen
worden aangevoerd, zoo komt het mij voor, dat deze bij het exploit
van verzet ook in dit geval aangevoerd moeten worden. Daar de
wetgever evenwel gemeend heeft te moeten bepalen dat in hooger
beroep en in cassatie de zekerheidstelling vóór alle weren van
rechte moet gevraagd worden, zal men er wel toe moeten komen
om het „voor alle weren" weer te verstaan als vooraan in het
exploit. Het is dan het eenige middel om het recht op zekerheid-
stelling te behouden en aan art. 83 te voldoen. Zal de opposant
zich vóór, alle weren op litispendentie of connexiteit kunnen beroepen
en zijne andere middelen van verzet achterwege kunnen laten ? Als
men maar niet vasthoudt aan het door den heer Haetogh „pour Ie
besoin de la cause" uitgevonden argument, dat wij hier niet met
verweermiddelen te doen hebben, dan zal men ze vooraf en alleen
als middelen van verzet kunnen gebruiken. Zijn het eenvoudig voor-
loopige verzoeken en derhalve geene middelen van verdediging, dan
zal men de eigenlijke middelen van verzet daarmede onmiddellijk
moeten vereenigen, mits zorgende dat die exceptiën voorop komen
te staan.
Hoe is \'t gesteld met de exceptie van beraad? Indien een vonnis
-ocr page 46-
28 HOOFDST. IX. AFD. I. VERZET, TIT. II. RECHTSPLEGING.
ten laste van een overledene bij verstek is uitgesproken, zijn de erf-
genamen bevoegd zich tegen de executie te verzetten, op grond van
hun beraad en dan blijft, gedurende dien tijd van het beraad, de
executie opgeschort. Art. 1072 B. W. Daarmede zijn zij evenwel niet
geholpen. Want, terwijl uit dit verzet tegen de executie blijkt, dat
de aangevangen tenuitvoerlegging hun bekend was, zullen zij van
het recht van verzet verstoken worden, indien dit niet door hen
werd gedaan binnen veertien dagen na dat verzet tegen de executie.
Als dan daardoor het verzet tegen het vonnis vervalt, dan kan de
executie worden voortgezet en toch zijn de erfgenamen nog in beraad.
Kunnen zij dan tegen het vonnis in verzet komen, zonder de hoe-
danigheid van erfgenaam aan te nemen en de voordeelen van het
beraad enz. te verliezen ? Art. 1094 B. W. Zal dit verzet tegen het
vonnis bij verstek, onder het noodig voorbehoud verricht, niet eene
handeling zrjn alleen tot bewaring (art. 1095 B. W.) aangezien, werd
zij niet verricht, het vonnis tegen den overledene gewezen en dien-
tengevolge op de nalatenschap drukkende onherstelbaar nadeel voor
de nalatenschap ten gevolge zou kunnen hebben ?
De hier door mij verdedigde meening omtrent het voordragen der
middelen van verdediging sluit zich geheel aan het vroeger in Rechtsg.
Bijbl. 1865 bl. 236 in de noot door mij verdedigde gevoelen. Het
voorschrift van art. 83 § 1 moge zich aansluiten aan de bepaling
van art. 5 n°. 3, men moet niet uit het oog verliezen dat de eischer-
opposant slechts formeel eischer is en dat hij door het verzet weder
in materieelen zin als gedaagde optreedt en dat hij dientengevolge
van die middelen kan gebruik maken, welke de wet aan den gedaagde
ter bestrijding van den eisch toekent, terwijl, indien de al of niet
toewijzing daarvan afhankelijk is van middelen, welke vooralsnog
het onderzoek van den eisch uitsluiten, dit hier even goed toegelaten
moet zijn als wanneer onmiddellijk op tegenspraak geprocedeerd wordt.
Moet niet de rechter in staat gesteld worden om, beide partijen
gehoord, vonnis te geven, en moet hij dus ook hier niet de verde-
diging vernemen, zooals hij die bij dadelijke tegenspraak vernomen
zou hebben? Ik heb hier bepaaldelijk het oog op de bestrijding van
dit gevoelen door Mr. v. Eossem op art. 83 bl. 138 en wanneer ik
dan toegeef dat het doel van het voorschrift van art. 83 § 1 is om
den geopposeerde in de gelegenheid te stellen zich voor te bereiden
op de verdediging van het vonnis tegen de bezwaren door den oppo-
sant aangevoerd, is het dien geopposeerde dan niet genoeg als bezwaar
-ocr page 47-
§ 155. AANLEG EN INSTRUCTIE VAN HET GEDING.                    29
daartegen te vernemen, dat de eisch in het geheel niet wat zijn grond-
slag betreft, had behooren te worden onderzocht ? Ook wil het mij
voorkomen dat er niet veel kracht ligt in het argument dat het
artikel voor het voordragen der middelen slechts één stuk nl. het
exploit van verzet aanwijst. Want de wet onderstelt immers dat de
procedure verder volgens de algemeene regelen gevoerd wordt en
wanneer deze nu nog andere stukken kent, waarbij de gedaagde
gronden van verdediging kan aanvoeren, dan wordt daardoor vanzelf
beperking gebracht in de middelen die in het exploit behooren te
worden opgenomen. Dat de eischer in een gewoon geding aan de
middelen die hij volgens art. 5 n<>. 3 in de dagvaarding heeft opge-
nomen, gebonden is, omdat hij geen eisch moet instellen wanneer
hij niet gereed is, brengt niet mede dat dit in denzelfden zin op een
opposant moet worden toegepast die in zijn verzet aan spoed gebonden
is. De fransche wetgever schreef ook voor dat „la requête" moest
inhouden „les moyens d\'opposition" en bepaalde verder dat „dans aucun
cas les moyens d\'opposition fournis postérieurement a la requête
n\'entreront en taxe." Zou de weglating van deze bepaling ten gevolge
moeten hebben dat bij ons het later bijbrengen van nieuwe middelen
geheel uitgesloten was ? Mij dunkt, ik herhaal, niets rationeeler dan,
bij ontstentenis van bijzondere bepalingen, den algemeenen regel omtrent
het voordragen der verdedigingsmiddelen hier toe te passen. Deze uit-
legging der wet is, naar \'t mij voorkomt, even rationeel als de ge-
dachte welke daarmede bij den wetgever wordt ondersteld. Verg.
Ontwerp 1865 B. III, tit. I, toelichting op art. 5. De Rechtbank te
Rotterdam besliste bij vonnis van 4 Maart 1895 W. 6686 dat niet
alle middelen in het exploit van verzet behoeven te worden opge-
nomen. Zie ook 6 Januari 1896 W. 6805. Anders Rechtb. \'s-Gra-
venhage 24 Oct. 1893 W. 6454.
Omtrent de beteekening van het exploit gelden de algemeene
bepalingen van art. 1 en 2. Het komt mij voor dat, naar de be-
doeling van art. 83 § 1 de beteekening dit bijzonder heeft dat zij
aan de gekozene woonplaats van den oorspronkelijken eischer kan
plaats hebben. Het is de woonplaats, welke de eischer bij dagvaar-
ding, overeenkomstig art. 5, n°. 1 heeft moeten kiezen, en waarvan
het twijfelachtig kon zijn, of zij ook voor het geding over het ver-
zet kon gelden. Dit wordt hier in bevesügenden zin uitgemaakt. Maar
ik geloof niet dat de wetgever hier overigens iets bijzonders heeft
-ocr page 48-
30              HOOFDST. IX. AFD. I. VERZET, TIT. II, RECHTSPLEGING.
willen bepalen en dat, in tegenstelling van de gekozene woonplaats,
de beteekening aan den persoon des eischers doelt op den eischer in
persoon of aan zijne woonplaats, zoodat ook de werkelijke woonplaats,
in tegenstelling van de gekozene, niet is uitgesloten.
Moest naar het oorspronkelijk art. 83 de dagvaarding, met in acht-
neming van de termijnen ten aanzien van de dagvaarding voorgeschre-
ven, tegen de eerstkomende terechtzitting plaats hebben,
men meende dat de hierin ten behoeve van den oorspronkelijk
eischer gelegene beperking, terwijl de bepaling op zichzelve tot
moeilijkheden aanleiding kon geven, overbodig werd, nu aan den ge-
daagde het recht van anticipatie werd toegekend, gelijk in het tweede
lid geschied is. De bepalingen omtrent het verzet zijn algemeene
bepalingen voor alle gerechten, ook voor de Kantongerechten geschre-
ven. Is alzoo dat recht van anticipatie ook toepasselijk bij de Kan-
tongerechten ? Het moest zeker zoo zijn, maar, als de bepaling van
art. 136, waarnaar in art. 83 § 2 verwezen wordt, niet aange-
haald was maar uitgeschreven zooals bij de schriftelijke gedachten-
wisseling in de Tweede Kamer verlangd werd, dan ware het waar-
schijnlijk in het oog gevallen, dat men inderdaad niet deed wat men
wilde en had moeten doen. De wijze, waarop ik art. 83 § 2 met
eenvoudige inlassching van art. 136 in den tekst beschreef, sluit
zijne toepasselijkheid op de Kantongerechten uit. Dit punt heeft reeds
tot een levendigen strijd aanleiding gegeven die in het W. v. h. R.
6921, 6923, 6926, 6927, 6933, tusschen Mr. Polenaar en Mr. v.
Rossem gevoerd is. In mijne Adviezen over burgerlijke recht s-
vordering enz. bl. 58 gaf ik ook mijne meening over die vraag te
kennen. De gronden, welke ik voor de uitsluiting van de anticipatie
bij de Kantongerechten aldaar aanvoerde, komen mij nog altijd juist
voor ; ook na hetgeen door Mrs. Haetogh en Cosman, op art. 137,
bl. 47, en op art. 83, bl. 27, daarover wordt gezegd. Ik merk
alleen nog op dat, waar de HH. Hartogh en Cosman op de bedoeling
der wet wijzen, zij vergeten mede te deelen dat in het Antwoord op
het V. V. van de Eerste Kamer met zoovele woorden gezegd wordt :
„Opgemerkt mag echter ook worden, dat bij de Kantongerechten de
behoefte aan anticipatie zich niet heeft doen gevoelen, daar de ge-
vallen waarin zij praktisch belang heeft, daar niet voorkomen." Han-
delingen 1895/1896 I, bl. 30 sub D. De noodkreet door den Heer
Polenaar t. a. p. aangeheven, bewijst wel dat de onderteekenaars van
-ocr page 49-
§ 155. AANLEG EN INSTRUCTIE VAN HET GEDING.                     31
het Antwoord zich hierin vergisten. Maar kan men duidelijker aan-
toonen, dat een wetsontwerp in een geval niet voorziet, wanneer de
ontwerper het verdedigt met te zeggen, dat hij door er in te voorzien
iets onnoodigs in de wet zou hebben opgenomen ? Wanneer de heeren
Habtogh en Cosman zich dan in hunne aanteekening op art. 83
beroepen op hetgeen ik schreef (Adviezen bl. 59) dan zien zij over
het hoofd, dat ik daar niet alleen zeide dat art. 83 „eene algemeen»
op alle gerechten toepasselijke bepaling bevat" maar dat ik daar-
bijvoegde dat art. 83, ofschoon het eene algemeene, op alle. gerechten
toepasselijke bepaling bevat, „in het nieuwe lid, waar het van
de anticipatie spreekt, art. 136 wil hebben toegepast, een artikel,
dat bij de Kantongerechten voor toepassing niet vatbaar is". Het
beroep op mijne woorden is dus wel wat „kunstmatig", daar ik juist
het tegenovergestelde zeg van hetgeen de schrijvers er van mededee-
len. Wanneer ik het argument der schrijvers door Mr. v. Rossem
eenvoudig zie overnemen, in het W. v. h. R. t. a. p., dan meen ik te
mogen herinneren aan hetgeen ik over het werk van de HH. Habtogh
en Cosman in het voorbericht tot dit deel opmerkte. Tegen de alge-
meenheid van art. 136 § 2 pleit ook nog het behoud van art. 407
en de toepasselijk-verklaring in hooger beroep bij art. 353. Uit het
vorenstaande blijkt, dunkt mij, duidelijk dat de uitlegging van Mrs.
Habtogh en Cosman in strijd is met de bedoeling des Ontwerpers,
uitgedrukt in het Antwoord aan de Eerste Kamer. Mocht niettemin
zijne bedoeling eene andere geweest zijn, dan is deze in ieder geval
in de wet niet voldoende geopenbaard, om aan de duidelijke bepa-
ling der wet eene andere duiding te geven. Mr. A. A. de Pinto
deelt de door mij verdedigde meening. W. v. h. R. 6941 (Berichten).
Men stelle zich eens voor, dat een opposant op een langeren termijn
heeft gedagvaard, dat de geopposeerde dien termijn verkort en dat
de opposant op de daartoe aan hem beteekende oproeping niet ver-
schijnt. Wanneer de vraag, of anticipatie bij de Kantongerechten naar
de wet is toegelaten, zich onder deze omstandigheid voordoet, dan
geloof ik niet dat één Kantonrechter verstek tegen den opposant
verleenen, ten profijte daarvan zijn eerste vonnis bevestigen en daar-
mede het recht van verzet voor den opposant zal doen verloren gaan.
Dat op de dagvaarding bij de rechterlijke colleges procureur ge-
steld moet worden op de bij art, 137 en 136 bepaalde wijze is dui-
delijk. Ook in dit opzicht hebben we hier met een nieuw geding
(formeel) over dezelfde zaak (materieel) te doen, aoodat de procureur,
-ocr page 50-
32            HOOFDST. IX. AFD. I, VERZET TIT. II, RECHTSPLEGING.
dien de oorspronkelijk eischer bij dagvaarding stelde, niet van zelf
diens procureur is in het verzet. Het tegendeel nam de C. d. pr.
aan. Art. 162 § 2.
Niet versehij- Dit alles in de veronderstelling dat beide partijen verschynen. Is
ning van par- ,jjt nje^ net geval, dan zal de rechter, by niet-verschyning van den
gedaagde in verzet, tegen dezeu verstek verleenen en op den eisch
van den opposant het vroeger gewezen vonnis verbeteren of, zoo hy
daartoe geen gronden vindt, het verzet ongegrond verklaren en het
vonnis bevestigen. Verschijnt de opposant niet dan wordt tegen hem
weder verstek verleend en de rechter zal, indien hij niet bevindt dat
hy verkeerd vonniste, ztjn eerste vonnis bevestigen. Daarmede is dan
verder verzet uitgesloten. Art. 87.
Het is zeker niet licht te onderstellen dat de oorspronkelijk eischer
niet verschijnen zal op het verzet. Toch kan het voorkomen en zelfs
kan de eischer het in zijn belang achten om geen kosten te maken,
wanneer hij voorziet dat de opposant moet triomfeeren, bijv. op grond
van eene niet tegen te spreken nietigheid in het exploit, welke de
rechter bij \'t verleenen van verstek over het hoofd zag. De wetgever
onderstelt zelf de mogelijkheid van dit laatste in art. 89. Toch
geeft de wet over dit geval geene bijzondere bepaling. Maar het
staat vast dat op den oorspronkelijk eischer nu niet, om deze qua-
liteit, art. 75 kan worden toegepast, vermits hij op den rechtdag
toen hij als eischer optrad, wel degelijk verschenen is en nu als
gedaagde had moeten verschijnen. Die formeele hoedanigheid van
gedaagde beheerscht hier den toestand, omdat\'de regeling zelve is
van zuiver formeel processueelen aard. De rechter zal derhalve verstek
tegen den niet-verschenen eischer verleenen en bijv. in het straks
onderstelde geval, de oorspronkelijke dagvaarding en het daarop ge-
wezen vonnis vernietigen. Zou de oorspronkelijk eischer dan tegen
zoodanig vonnis in verzet kunnen komen? Men onderstelle daarbij
liever dat de opposant den rechter overtuigde dat de eisch, die hem
aanvankelijk noch onrechtmatig, noch ongegrond voorkwam, een of ander
inderdaad was. Ik zou meenen dat de wetgever den nu in het on-
gelijk gestelden eischer niet anders dan hooger beroep of cassatie
mocht toestaan, omdat hier de beide partijen door den eersten rech-
ter, zij het dan ook niet tegenover elkander, zijn gehoord. Maar wat
wil de wet? Zij kent in art. 81 het verzet toe aan den gedaagde
-ocr page 51-
§ 155. AANLEG EN INSTRUCTIE VAN HET GEDING.                  33
die bij verstek veroordeeld is, en dat is de oorspronkelijk eischer
nu hem ten slotte zijn eisch ontzegd wordt wel niet, maar wij hebben
reeds gezien dat daarin art. 81 van den in het ongelijk gestelden
gedaagde had moeten gesproken worden en dat het artikel ook in
dien zin moet worden verstaan. Dit neemt niet weg dat het verzet
aan een bij verstek veroordeelden gedaagde toegekend wordt, omdat
hij ongehoord gevonnist werd. Dit is met den oorspronkelijk eischer
niet het geval en al is hij nu op het verzet niet gehoord, indien hij
in het eerste geding, na op de eerste terechtzitting verschenen te
zijn, verder wegbleef, tegen hem zou als op tegenspraak zijn recht
gedaan. Zie Carbè Q 625 2°, bestreden door Chauveau en Boncenne.
Bij ons in mijnen zin de Pinto II, § 77, bl. 184. Daartegen Opmerk,
en Meded. VIII, 162—70. Tegen mijn gevoelen ook v. Rossem)
bl. 143. Het ontwerp 1865 beslist ten nadeele des eischers. Art. 9,
tit. I, B. III, j° 26 tit. I, B. II. Eene beslissing van den wetgever
ware hier wenschelijk.
Anders is het met den oorspronkelijk gedaagde, na eischer-oppo-
sant. Wanneer hij niet verschijnt, wordt hij nu niet als eischer, wat
hij formeel is, behandeld. Dan zou de gedaagde van den aanleg moe-
ten worden ontslagen en dan zou hij als eischer-opposant, naar art. 75,
den aanleg opnieuw kunnen beginnen, d. i. opnieuw in verzet kun-
nen komen. Maar behalve dat daarvoor de termijnen wel zouden ver-
streken zijn, wordt, overeenkomstig den regel van het vroegere
fransche proces : „opposition sur opposition ne vaut", in art. 87, op
\'t voorbeeld van art. 22 en 165 C. d. pr., bepaald dat hij, die zich
voor de tweede maal bij verstek laat vonnissen, niet meer ont.
vangen zal worden tot het doen van een nieuw verzet. De wetgever
onderstelt derhalve dat op dit verstek, tegen den eischer-opposant
verleend, een vonnis volgt en dat de rechter dat vonnis zal uit-
spreken, „indien het verzet hem noch onrechtmatig noch ongegrond
voorkomt," wat hij, na eens in de zaak vonnis te hebben gewezen,
wel niet licht zal aannemen, nu de opposant door weg te blijven
toont, zijn verzet niet vol te houden. Het is alzoo te verwachten,
dat hij het eerste vonnis zal bevestigen. Verg. v. Rossem op art.
87 bl. 142 tegen de Pintü. Doch hij behoeft het niet te doen en
als hij de motieven van het exploit van verzet gegrond mocht be-
vinden, zal hij ook in dit geval zijn eigen vonnis niet alleen kunnen
maar ook moeten verbeteren. Dan zal natuurlijk de niet verschenen
en toch triomfeerende opposant om geen verzet noch hooger beroep
3
-ocr page 52-
34             HOOFDST. IX. AFD. I, VF.BZKT. Tlï. II, RF.CHTSPLEHING.
verlegen zijn. Maar als hij opnieuw in \'t ongelijk werd gesteld, of
gevonnist, zooals de wet het hier uitdrukt, zou hij dan in hoo-
ger beroep kunnen komen ? Neen. „Van veroordeelingen bij verstek,"
zegt art. 335, „valt geen hooger beroep." Niet alleen dus omdat de
veroordeelde met het verzet eerst het oordeel moet inroepen van
den rechter voor wien hij gedaagd was en dien hij in de gelegenheid
moet stellen om vonnis te spreken, na beide partijen gehoord te
hebben, is h. beroep uitgesloten, maar ook waar het recht van verzet
verviel of, als in dit geval, wordt ontnomen.
Gevolgen: Het verzet binnen de daarvoor gestelde termijnen en met inacht-
Schorsingvan
                ,
t. u. legging, neming der voorgeschreven vormen gedaan zijnde, schorst de tenuit-
voerlegging van het vonnis. Art. 82 § 3.
Wanneer de wet dit gevolg aan het verzet toekent en zegt dat
dit op tweeërlei wijze kan gedaan worden, hetzij met dagvaarding,
hetzij zonder deze, onder verplichting van den opposant om die dag-
vaarding binnen drie dagen te doen volgen, dan wordt de schorsing
als gevolg van beiderlei verzet aangewezen, zoodat de deurwaarder,
wanneer hij, bij de beteekening van de in art. 83 bedoelde akten,
de verklaring ontvangt dat de veroordeelde zich verzet, van verdere
executie voorshands moet afzien. Hij kan dan evenwel voortgaan,
wanneer binnen drie dagen eene dagvaarding niet volgt. Anders moet
voor het al of niet voortzetten der executie het vonnis op het verzet
worden afgewacht.
Ik heb van schorsing gesproken, terwijl de wet van stuiting
spreekt. Ware hier werkelijk stuiting aan te nemen, de executie zou
vervallen en later niet dan op nieuw kunnen aanvangen. Ware dit
zoo, dan zou ook, wanneer het verzet niet binnen drie dagen door
een dagvaarding gevolgd werd, stuiting plaats hebben en de executant
van voren af aan moeten beginnen. Doch niet altijd wordt het onder-
scheid tusschen schorsen en stuiten, noch in \'t gewone spraakgebruik
noch in de wet, streng in acht genomen. En wanneer men dan be-
denkt dat de wetgever, wanneer hij van de voorloopige tenuitvoer-
legging der vonnissen niettegenstaande verzet of hooger beroep spreekt,
daarmede bedoelt de schorsende kracht van het hooger beroep uit
te sluiten, zooals art. 350 bepaalt; dat de wetgever in art. 398 be-
paalt, dat het beroep in cassatie een schorsende kracht heeft buiten
de gevallen, waarin de rechter de voorloopige tenuitvoerlegging
-ocr page 53-
§ 155. AANLEG RN IN8TRUCT1R VAN HUT GEDING.                          35
heeft bevolen en dat hij die voorloopige tenuitvoerlegging kan
bevelen, dus de schorsende kracht wegnemen, niettegen-
staande verzet of hooger beroep, dan raag men veilig aannemen,
dat hij ook bij het verzet een schorsende en niet eene stui-
tende kracht onderstelt. Voeg daarbij dat art. 159 C. de pr. sprak
van „suspend 1\'exécution" en dat in art. 61 W. 1830, de holl. tekst
had: stuit, de fransche : s u s p e n d.
Wanneer de opposant in het geheel geen middelen in het exploit
heeft opgenomen, moet nietigverklaring daarvan volgen, doch wan-
neer hij niet alle middelen van verzet in zijn exploit heeft opgeno-
men, kan daarop toch nimmer, al neemt men de verplichting daartoe
aan, het exploit nietig verklaard worden; maar zal hij op zijne aan-
gebrachte middelen in het ongelijk gesteld zijnde, in hooger beroep
verstoken zijn van het aanvoeren van die middelen of zal hij, met.
toepassing van art. 348 en in zoover dit artikel het toelaat, ze
kunnen aanvoeren? Ik laat deze vraag ter beantwoording aan hen,
die van de orde in de verdediging, zooals de wet die in \'t proces
op tegenspraak regelde, hier niet willen weten.
Het verzet heeft bovendien tengevolge dat het gewezen vonnis wel Vonnis blijft;
voortbestaan
kracht behoudt, maar dat toch de beslissing op losse schroeven wordt twijfelachtig.
gesteld en het geding, dat aanvankelijk door het bij verstek gewezen
vonnis gesloten was, op nieuw behandeld wordt en naar aanleiding
daarvan dooi den rechter een tweede vonnis zal moeten worden gewezen.
Het vonnis behoudt kracht, want de tenuitvoerlegging wordt slechts
geschorst; wat dus krachtens het vonnis geschied is, blijft stand houden
totdat het vonnis door den rechter vernietigd zal zijn en wanneer
de tenuitvoerlegging bij voorraad, niettegenstaande verzet, is bevo-
len, geschiedt deze niet anders dan krachtens het bij verstek gewezen
vonnis. De eischer en de gedaagde, ofschoon formeel van rollen ver-
wisselende, blijven materieel de een op het standpunt van den aan-
valler, de ander op dat van aangevallene staan, al wordt de ver-
dediging van een passieve, wat zij tot dusver geweest is, nu eene
actieve (zie hierboven bl. 25). Heeft de eischer wijziging of vermin-
dering in zijn eisch gebracht en is alzoo daarop het vonnis bij
verstek gewezen, hij zal daarop niet terug kunnen komen. Immers
hij heeft daardoor te kennen gegeven dat hij op hetgeen hij vorderde
slechts ten deele recht had of slechts zóó als hij het in de laatste
-ocr page 54-
36                 HOOFDST. IX. AFD. I. VERZET. T1T. I. HET RECHTSMIDDEL.
plaats vorderde. De gedaagde, na opposant, kan alleen tegen het
vonnis opkomen, dat op den verminderden of gewijzigden eisch werd
gewezen; ander vonnis en andere eisch zijn er niet.
Zal de eischer zijnerzijds de voorloopige tenuitvoerlegging van het
vonnis, en niettegenstaande hooger beroep, kunnen vorderen, indien
deze niet bij het bij verstek gewezen vonnis was bevolen ? Neen;
want, had hij deze aanvankelijk niet gevorderd, dan ging hij nu zijnen
oorspronkelijken eisch vermeerderen, wat art. 134 verbiedt. Had hij
ze gevorderd, maar werd zij door den rechter afgewezen, hij kan
daarop niet terugkomen, omdat het verzet niet aan den eischer is
gegeven als een middel om tegen het vonnis op te komen en de
strijd bepaald wordt door de middelen van verwering van den
opposant en deze slechts middellijk tegen den eisch, onmiddellijk
tegen het vonnis gericht zijn. Zoo zal ook, wanneer de eischer, bij
het bij verstek gewezen vonnis, gedeeltelijk in het ongelijk gesteld
werd, het tegen het vonnis ingestelde verzet hem niet de gelegen-
heid geven om ook in dit gedeelte van het vonnis, dat immers
door den opposant niet aangevallen wordt, verandering te verkrijgen.
De wet kent geen incidenteel verzet, maar heeft voor den gedeeltelijk
in het ongelijk gestelden eischer, evenals wanneer hier de eisch ge-
heel ontzegd werd, slechts het middel van hooger beroep of cassatie
en waar deze middelen niet voor hem openstaan, niet anders dan
den plicht om in het vonnis te berusten.
Zal de gedaagde, nu opposant, van het middel van verzet gebruik
kunnen maken om de voorloopige tenuitvoerlegging te bestrijden?
Dit lijdt m. i. geen twijfel.\' Al schorst zijn verzet die voorloopige
tenuitvoerlegging niet, zijn verzet geldt het vonnis en die bijko-
mende veroordeeling werd ook bij verstek tegen hem uitgesproken.
Gelijk in geval van hooger beroep de hoogere rechter van dii twist-
punt wordt gesaisisseerd, zoo is \'t hier de rechter die het vonnis wees,
van wien van \'t geheele vonnis, en dus ook van dit deel, verbetering
kan worden gevraagd en, zoo niet bij dagvaarding op korten termijn,
dan bij eene incidenteele conclusie ter terechtzitting.
Meer gedaa»- Wanneer meer gedaagden allen by verstek zijn veroordeeld en alzoo
den allen bij overeenkomstig art. 78 allen in een en hetzelfde vonnis bij verstek
v6i*st ck. ver*-
oordeeld. begrepen zijn geworden, zullen zij ieder op zichzelf in verzet kunnen
komen. Zij zullen dit gezamenlijk moeten doen of met dagvaarding
van de anderen, of ook alleen kunnen optreden naar de onderscheidingen
-ocr page 55-
§ 155. AANLEG EN INSTRUCTIE VAN HET GEDING.                  37
welke ook bij het instellen van hooger beroep van een tegen meer
gedaagden gewezen vonnis moeten gemaakt worden.
Zie hierover § 165 waar ik de cumulatie in hooger beroep bespreek.
Verg. vonnis Amsterdam 23 Maart 1894, W. 6518.
Wanneer nu beide partijen verschenen zijn, dan vervolgt het rechts- Verdere loop
geding zyn loop naar de bepalingen voor de wijze van procedeeren v\' 8edinë-
by de kantongerechten in tit. II, bij de rechterlijke colleges in eersten
aanleg in tit. III, en, komt het verzet in hooger beroep of cassatie voor,
naar de in tit. VIII en tit. IX, voor op tegenspraak gevoerde gedingen
opgenomen.
Terwijl voor de verdere procedure in de zesde afdeeling van tit. I
geene bepalingen voorkomen, acht ik het beter er hier niet over
te spreken, daar toch ook de bepalingen van het proces in eersten
aanleg, met het oog op de daarin gebrachte veranderingen bij de
behandeling van het hooger beroep, besproken moeten worden.
Anders kon ik eenvoudig naar het Ile deel verwijzen.
Zoo vermeld ik hier ook alleen de inschrijving ter rolle en de
procureurstelling om, voorzoover noodig, wat de daaromtrent veran-
derde wetgeving betreft, er bij het hooger beroep op terug te komen.
Alleen nog een enkele opmerking over sommige incidenten, bepaal-
delijk die betreffende het bewijs, en wel met opzicht tot de vraag,
in hoeverre eene in de verstekzaak plaats gehad hebbende bewijsvoering
in het geding op het verzet als afdoende kan worden beschouwd.
Hier komen natuurlijk alleen in aanmerking die bewijsvoeringen,
welke het den rechter vrijstaat ook ambtshalve te bevelen. Want, al
moge de eischer zich, bij niet-verschijning van den gedaagde, bereid
verklaren, om des noodig de door hem gestelde feiten door getuigen
te bewijzen, hij staat niet tegenover eene ontkentenis van den ge-
daagde, zoodat hij tegenover dezen te bewijzen zou hebben. Het is
dan alleen de vraag of de rechter te zijner voorlichting of ingevolge
bepalingen van de wet bewijs noodig acht, om te kunnen verklaren
dat de eisch niet ongegrond is. Zoo wordt ten slotte hier altijd ambts-
halve een bevel tot bewijsvoering gegeven. Heeft dan de rechter een
onderzoek van deskundigen bevolen of eene plaatsopneming en heeft
hij daarop, blijkens het vonnis, zijn oordeel gegrond of het daarnaar
gericht, dan zal het daarvan opgemaakt procesverbaal door den op-
posant, wat zijn invloed op de beslissing betreft, bestreden kunnen
-ocr page 56-
38                    HO0PDÖT. IX. AKÜ. I. VKRZKT. TIT. II, KKCHTSPLKGINU.
worden. Had de gedaagde redenen van wraking tegen een of ander
deskundige, hij zal die natuurlijk niet meer kunnen aanvoeren, maar
toch ook de juistheid van het uitgesproken oordeel daarmede kunnen
bestrijden. Zoo zal hij zelfs een nieuw onderzoek door deskundigen
of eene nieuwe plaatsopneming kunnen vragen, doch de rechter zal
de bestrijding ongegrond en het licht, dat hij uit de plaatsopneming
of uit het onderzoek der deskundigen verkregen heeft, afdoende achtende,
het verzoek afwijzen.
Geldt het een getuigenverhoor, dan is de zaak niet zoo gemakkelijk
te beslissen. Het lijdt, dunkt mij, geen twijfel, dat het tegenbewijs,
hetwelk bij een contradictoir getuigenverhoor van rechtswege vrijstaat,
zoodat de gedaagde (wij nemen nu hier aan dat de eischer \'t bewijs
voert) van zelf bevoegd is om ook zijnerzijds getuigen te doen hooren, die
het tegenovergestelde geacht worden te zullen verklaren van de feiten,
die door den eischer gesteld en door zijne getuigen bevestigd zullen
worden, ook in het geding van verzet aan den oorspronkelijk ge-
daagde, nu opposant, moet worden toegekend. Maar zal overigens het
ambtshalve bevolen en door den eischer geleverd getuigenbewijs
door den opposant, die daarbij niet tegenwoordig geweest is, moe-
ten worden aangenomen zooals het daar ligt ? of zal hij een nieuw
verhoor van de getuigen kunnen vorderen ? Wanneer van het getui-
genverhoor een procesverbaal is opgemaakt, moet de waarheid van
hetgeen daarin geconstateerd werd worden aangenomen en staat het
alzoo vast, dat de getuigen de daarin vermelde verklaringen hebben
afgelegd. Dan komt het mij voor dat de opposant het nadeel niet
kan ontgaan, dat hij de gelegenheid heeft gemist ook zijnerzijds tot
de juistheid van die verklaringen door tegenvragen enz. mede te
werken ; nu zal hij zich tot de bestrijding van de geloofwaardigheid
der getuigen en tot bestrijding der daaruit afgeleide gevolgtrekkingen
voor de zaak in geschil moeten bepalen en tot het vragen van een
nieuw getuigenverhoor omtrent feiten welke niet hij, maar de eischer
te bewijzen heeft, geen recht hebben ; wèl, gelijk ik opmerkte, omtrent
feiten, waaruit het tegendeel daarvan zou blijken.
Werd er geen procesverbaal van het getuigenverhoor opgemaakt,
dan moge het vonnis al geen bewijs opleveren van de afgelegde ver-
klaringen, de opposant zal niet anders kunnen vorderen dan om tot
tegenbewijs te worden toegelaten, maar, al kan hij tegen de geloof-
waardigheid van de gehoorde getuigen bezwaren inbrengen en daar-
door de bewijskracht van hunne verklaringen verzwakken, als de
-ocr page 57-
§ 155. AANLEG EN INSTRUCTIE VAN HET GEDING.                          39
rechter van oordeel blijft dat het afdoend bewijs door de door hem
vernomen verklaringen van getuigen geleverd is, dan zal de opposant
daaraan niets kunnen doen en zijn troost moeten zoeken in het hier
onvermijdelijk toe te passen fransche spreekwoord: „les absents ont
tort." Zie ook v. Rossem op art. 81, bl. 134. Terecht zegt deze
schrijver: „heeft er bij de verstekprocedure eene enquête plaats gehad,
zoo zal de rechter, op het verzet recht doende, wel degelijk op de
afgelegde verklaringen mogen letten." Immers wanneer de opposant
het gewezen vonnis bestrijdt, dan zal hij de onjuistheid van de af-
gelegde verklaringen door een tegenverhoor, wat ook Mr. v. Rossem
toegelaten acht, of de juistheid van de door den rechter uit de af-
gelegde verklaringen gemaakte gevolgtrekkingen moeten bestrijden,
om zoo te komen tot, de onjuistheid van de gronden waarop het
vonnis berust, maar dat kan hij niet doen zonder het voortdurend
bestaan van die verklaringen aan te nemen en in de onderstelling
dat ook de rechter daarop zal blijven letten, wat deze wel verplicht
is te doen.
§ 156. het vonnis.
De inhoud vau het vonnis is onderworpen aan de algemeen geldende Inhoud,
bepaling van art. 59. Wat de gronden der uitspraak betreft, deze kun-
nen, bij bevestiging van het bij verstek gewezen vonnis, licht gelijk
zijn aan die, welke bij dat vonnis werden aangenomen, en staat het
den rechter vrij, die gronden in zijn tweede vonnis, door verwijzing
naar het eerste, over te nemen.
Ook de kosten van het verstek, die van het vonnis daaronder Kosten,
begrepen, blijven ten laste van den defaillant, al wordt hij bij het op
het verzet gewezen vonnis in het gelijk gesteld, uitgezonderd waaneer
de oorspronkelijke dagvaarding wordt nietig verklaard. Art. 89.
Evenals de bepaling van art. 59, zijn natuurlijk ook de voor-
schriften omtrent het opmaken van het vonnis hier toepasselijk. Ik
kan daaromtrent alzoo tot het IIe Dl. verwijzen. §71, blz. 176 v.v.
Gelijk het in hooger beroep den rechter vrijstaat, om naar de
motieven van het vonnis des eersten rechters te verwijzen, a fortiori
ingeval van verzet, waar de rechter zijn eigen overwegingen over-
neemt. Voor wie van onoordeelkundige letterknechterij houdt en van
lange vonnissen, kan zeker de letter van art. 59 een reden opleve-
-ocr page 58-
40                  HOOFDST. IX. APD. I. VERZET. TIT. II, RECHTSPLEGING.
ren, om te verlangen dat in het vonnis op het verzet, ook wanneer
het vonnis op dezelfde gronden bevestigd wordt, die motieven worden
nageschreven. Maar als men de letter met den geest van \'t artikel
in verband brengt, dan heeft die altijd geld kostende omslag geen
zin. De verwijzing naar het eerste vonnis is des te meer geoorloofd,
omdat dit vonnis is blijven bestaan en in dat bestaan wel wankel
is geworden, doch door de bevestiging staande wordt gehouden,
Verg. Gaksonnkt V, § 1055,
Het dictum van het vonnis behoeft ook, behalve de uitspraak over
de kosten in geval van bevestiging, niet anders in te houden dan
de verklaring des rechters, dat hij het bij verstek gewezen vonnis
bevestigt, dewijl het eerste vonnis alsdan zijn kracht blijft behouden.
Dat de defaillant de kosten van de verstekprocedure en die van het
verstekvonnis voor zijne rekening blijft houden, is wel het gevolg daar-
van, dat hij, dewijl hij behoorlijk gedagvaard is geworden, ook had
behooren te verschijnen. Al geeft de wet hem niettemin het middel
van verzet, opdat hij zich nog kunne doen hooren, nergens geeft zij
hem de gelegenheid om zich wegens zijn wegblijven te verschoonen.
Ook had hij de kosten die het hier geldt, den eischer kunnen bespa-
ren, die, al wordt hij ten slotte in het ongelijk gesteld, ze niet, als
hij, onmiddellijk veroorzaakt heeft.
Buiten bepaling van de wet is echter eene andere beschouwing
niet zonder grond. Onze wetgever volgde Bkrhiat St. Prix, die bij
ontstentenis van een wettelijke bepaling tot het in ons artikel be-
paalde kwam, doch andere uitleggers van den C. de pr. als Carré,
Chauveau en Boncenne leidden uit het stilzwijgen van de wet in
vergelijking met de bepaling van de Ord. 1667 en uit de reden
waarom verzet wordt toegekend af, dat, als de defaillant het proces won,
alle kosten ten laste van den geopposeerde moeten komen. De Ord.
wilde nl. niet tot verzet toelaten, voordat de kosten van verstek
waren vergoed; die bepaling liet men vervallen en men bepaalde als
algemeenen regel, zonder hier iets anders te zeggen, dat de in het
ongelijk gestelde partij in de kosten behoorde veroordeeld te worden
en terwijl nu het eerste vonnis met de veroordeeling in de kosten
daarbij uitgesproken, vernietigd werd, verviel ook de daarbij uitge-
sproken veroordeeling in de kosten. Terwijl voorts de reden waarom
verzet wordt toegekend daarin gelegen moet zijn, dat de veroordeelde
geen kennis van dagvaarding en vonnis heeft verkregen en het
-ocr page 59-
§ 156. HET VONNIS.                                                41
verzet daarom tot de tenuitvoerlegging wordt toegelaten, zoo gaat
het niet aan om aan den opposant, als hij gelijk krijgt, te gemoet
te voeren : nu hadt gij ook vroeger moeten komen. Wanneer men
onder den indruk komt van de juistheid dezer redeneering, dan
wordt men licht geneigd de bepaling van onze wet in vrijgevigen
zin ten behoeve van den opposant op te vatten en, zooals de Pinto
doet (II, bl. 178), de kosten te beperken en daarvan uit te sluiten,
die welke ook zonder verstek zouden noodig geweest zijn, zooals de
dagvaarding en de stukken die ook later in het geding op het ver-
zet gebruikt worden, zoodat uitsluitend die kosten, welke gevolg
zijn van zijne niet-verschijning ten laste van den opposant zouden
komen. Doch de woorden onzer wet zijn daartegen niet bestand. Als
zij spreekt van „de kosten van het verstek, die van het vonnis
daaronder begrepen," dan wijzen die uitdrukkingen te duidelijk op
de kosten van de instantie, die met het verstekvonnis is geëindigd,
gelijk Oudeman terecht I, bl. 122, opmerkt. En zelfs beperkt de
wetgever de kosten niet tot die van het verstek, maar voegt er
bij : „mitsgaders die, welke als gevolg van de niet-verschijning kunnen
worden beschouwd," waarmede o. a. die van executie worden bedoeld.
Voeg daar nog bij, dat de ontwerper onzer wet van de onderstelling
uitging, dat in de veroordeeling in de kosten door het verzet geen
verandering kon worden gebracht, v. d. Hoxekt op § 89 ; Handelingen
S. G. 1836/37 II, bl. 220 op art. 51. De rechter kan wel tot het
inzicht komen, dat hij in de zaak verkeerd vonniste, maar de ver-
oordeeling in de kosten werd ook door de afwezigheid beloopen en
deze kon niet ongedaan gemaakt worden. Hoe \'t zij en welke mee-
ning men meene te moeten volgen buiten wettelijke bepaling, de wet
is duidelijk en wordt ook door onze eerst aangevoerde gronden wel
gerechtvaardigd. Al had de eischer ongelijk, er is geen grond om hem
te bezwaren met kosten, die niet hij, maar de gedaagde heeft ver-
oorzaakt. Het ontwerp 1865 volgt in art. 11 het gevoelen van
de Pinto, waarmede zich vereenigt Mr. v. Rossem op art. 88 a. h. e.
Wordt daarentegen de oorspronkelijke dagvaarding nietig verklaard,
dan volgt daaruit dat de oorspronkelijk gedaagde niet behoorlijk is
gedagvaard en de wetgever die in die behoorlijke dagvaarding
den waarborg heeft willen geven, dat het exploit ter kennis van den
gedaagde moest komen en deze dus daarop moest verschijnen, recht-
vaardigt nu het wegblijven des gedaagde en moet hem ook van de
kosten ontheffen. Deze blijven alzoo ten laste van den eischer. Wel
-ocr page 60-
42 H00FDST. IX. APD. I, VERZBT. TIT. II. RECHTSPLEGING.
was de rechter verplicht geweest om het verstek niet te verleenen,
daar de voorgeschreven termijnen of formaliteiten niet waren in acht
genomen, maar dit neemt de schuld des eischers niet weg, die de
kosten maakte. Niet op den rechter, maar op de procureurs of deur-
waarders die zich nietige of overbodige akten hebben veroorloofd,
zooals de wet het in art. 96 uitdrukt, zal de eischer verhaal hebben.
Niet-ontvan- Zonder op de hoofdzaak recht te doen, zonder nl. de al of niet ge-
kelijk-verkla-
iingin-nietig- grondheid vau het verzet te onderzoeken, zal de rechter zijn eerste
van het vonujs bevestigen, wanneer de opposant, door het vervallen van zyne
bevoegdheid om in verzet te komen, daarin niet ontvankelijk moet
worden verklaard, of door niet-iuachtneming van de voorgeschreven
termijnen en formaliteiten de nietigheid van het verzet zal hooren uit-
spreken.
Over de redenen van verval zie hierboven bl. 14.
Wat de termijnen en formaliteiten betreft, bepaalt de wet in art.
82, laatste lid, dat, indien zij in acht genomen zijn, het verzet de
tenuitvoerlegging van het vonnis schorst. Veilig mag men hier a
contrario redeneeren en aannemen dat, indien aan die voorwaarde
niet voldaan wordt, ook de tenuitvoerlegging van het vonnis niet
geschorst wordt en het vonnis alzoo zijn dwingende kracht behoudt.
De executant kan dus voortgaan. Maar terecht zegt Mr. v. Rosskm,
bl. 136, „dat de executant, die een verzet onregelmatig achtende,
met de executie doorgaat, dit suo periculo doet en de kans niet uit-
gesloten is, dat de rechter het verzet wel regelmatig acht, alle daden van
executie nietig verklaart [nl. die tot op het verzet] en den executant
tot schadevergoeding veroordeelt. Zie ook Boitakd op art. 161 C. de pr.
Niet-verschij- De bevestiging van het by verstek gewezen vonnis kan ook plaats
nitlfailïant &\' neDDen> doordien de opposant op de terechtzitting, tegen welke hy de
wederparty heeft gedagvaard, niet verschynt. Art. 87.
Dit vloeit voort uit de bepaling van art. 87, waarmede wij reeds
kennis gemaakt hebben. De bevestiging van het eerste vonnis zal
hier het profijt van het verstek zijn. De tekst is gesteld in de on-
derstelling dat het verstek en de bevestiging van het vonnis onmid-
dellijk op die terechtzitting wordt verleend en uitgesproken. Gebeurt
dit laatste niet, dan kan de opposant ook hier, van de bepaling van
-ocr page 61-
43
§ 157. KARAKTER EN NUTTIGHEID.
art. 89a gebruik makende, alsnog in rechte verschijnen. Het is alsof
zelfs art. 87 dit nieuwe artikel in het oog heeft gehad door te
spreken van zich bij verstek laat vonnissen.
Indien het bij verstek gewezen vonnis bevestigd wordt, ontstaat voor Hooger
den opposant de bevoegdheid om van \'s rechters uitspraak in hooger beroep na
bevestiging
beroep of in cassatie te komen, indien althans het vonnis in het ge- van het von-
heel daarvoor vatbaar is.                                                                                 ms \' v\'
Ik wijs hier alleen op dit b ij z o n d e r gevolg van een verstekvonnis.
De daarbij in toepassing gebracht wordende regel „contumax non
appellat" welke de wetgever in art. 335 en art. 400 huldigt, be-
spreek ik later, zooveel noodig, bij de behandeling van het hooger
beroep en de cassatie. Hier maak ik slechts melding van de vraag,
welker beantwoording schrijvers en jurisprudentie in Frankrijk ver-
deeld houdt, en die met aanhaling daarvan door Garsonnet wordt
besproken V, § 1055 a. h. e., of men van het eerste of van het tweede
of van beide vonnissen in hooger beroep moet komen en welke vraag
hij in \'t kort dus beantwoordt: „il importe peu qu\'on appelle de 1\'un
ou de 1\'autre: ces deux manières de procéder sont également régu-
lières". Maar hij eindigt toch ald. in de noot 12 met te zeggen:
„la prudence n\'en conseille pas moins de comprendre expressément
les deux jugements dans 1\'acte d\'appel".
AFDEELING II.
HOOGER BEROEP.
TITEL I.
HET MIDDEL.
§ 157. KARAKTER EN NUTTIGHEID.
Het geding kan met het vonnis in eersten aanleg gewezen voor goed w , ,
een einde nemen en door de uitvoering van dat vonnis zyn beslag beroep is.
krijgen. Het kan echter ook in hooger beroep worden voortgezet,
-ocr page 62-
44              HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP. T1T. I. HET MIDDEL.
waardoor de zaak aan een hernieuwd onderzoek wordt onderworpen.
Met dat hooger beroep, appèl, wordt aan eene partij, die bij vonnis
van een lageren rechter in het ougelrjk werd gesteld, het middel gege-
ven om verbetering van dat vonnis bij den hoogeren te verkrijgen.
Art. 332.
Men onderscheidt tweeërlei hooger beroep, principaal en incidenteel.
Behalve van eigenlijk gezegde vonnissen wordt hooger beroep ook van
beschikkingen eens lageren rechters op den hoogeren rechter gegeven.
Arg. art. 345.
Het is zoo duidelijk dat het middel in verband met zijne strekking
toekomt aan de partij die bij vonnis in het ongelijk werd gesteld
dat dit nauwelijks vermelding zou behoeven. Het kan dan ook den
wetgever niet euvel worden geduid dat hij dit naliet, maar wèl dat
hij, in de plaats daarvan, de bevoegdheid om in hooger beroep te
komen bij art. 332 aan de partijen toekent. Is hier eene tegen-
stelling met het verzet door derden bedoeld, dan ligt die toch reeds
voldoende in de bijzondere benaming van dat middel. Maar in ieder
geval had de wetgever dan van partijen moeten spreken, zie ook
art. 359; de partijen wekt, uit taalkundig oogpunt, de gedachte
op aan beide partijen te zamen, waaraan, al zou \'t een jurist niet
in de gedachte komen, toch de gedachte niet opgewekt moet worden.
In \'t voorbijgaan gezegd, ziet men hier weer duidelijk, hoe weinig
wij gerechtigd zijn om, zonder op het verband te letten of op de
gelegenheid bij welke de uitdrukking voorkomt, zelfs waar de wet-
gever van de partijen spreekt, aan beide partijen gezamenlijk te
denken. Doch dan moet het rechtsmiddel uitdrukkelijk en uitsluitend
worden toegekend aan hen die partij waren bij de vonnissen waar-
tegen wordt opgekomen. Zoodanige bepaling kan nuttig zijn, om, waar
in strijd daarmede werd gehandeld, het beroep op een geschonden wets-
artikel in cassatie mogelijk te maken.
De verweerder in eersten aanleg kan derhalve even goed als de
eischer in hooger beroep komen en de eerste zal dan als e i s c h e r
in hooger beroep, de andere als verweerder in hooger beroep
optreden. In plaats van deze nederlandsche benamingen spreekt de
praktijk van appellant en geïntimeerde; in de wet komt de
eerste benaming wèl (art. 342), de laatste niet voor; de wet spreekt
van gedaagde in hooger beroep. Voor appellant en ge-
in timeerde pleit alleen het standvastig gebruik, al wordt daar-
-ocr page 63-
§ 157. KARAKTER EN NUTTIGHEID.                                          45
door het gebruik van die vreemde woorden niet gerechtvaardigd,
terwijl het woord geïntimeerde door meer personen gebruikt
dan verstaan of begrepen wordt.
Ik veroorloof mij daarom over de beteekenis van de benaming
„geïntimeerde" eenige uitweiding.
Geïntimeerde van het in den C. de pr. gebruikelijke i n t i m é.
„lntimare" beteekent, volgens Ducanuk Gloss. in vo., inno tesc e re
notum face re, alzoo : aanzeggen, en in dien zin wordt het bij
Merula Lib. IV, tit 3, cap. 3, § 2 en 3 tegenover dagvaarden
gesteld, bepaaldelijk in appèl. De appellanten moeten nl. doen dag-
vaarden de partijen, ten profijte van dewelke \'t vonnisse of \'t ap-
poinctement gegeven is ende ook ten voorz. dage intimeeren de
Regteren, die gegeven zullen hebben \'t vonnisse of appoinctement,
daarvan geappelleerd is. Het onderscheid was dat de rechter niet
behoefde te verschijnen. De aan hem gedane oproeping heette daarom
eene citatio voluntaria volgens Imbertus t. a. p. bij Merula
geciteerd. En wanneer v. d. Linden Practijcq judicieel II, 24, § 24,
de gewone clausulen in de extensie van het Mandament van appèl
voorkomende opnoemt, vermeldt hij : a. de clausule van dagvaarding
van de wederpartije en b. de clausule tot het doen van inthimatie
aan den judex a quo, waarbij de deurwaarder wordt geauctoriseert,
die van den Gerechte van N. te inthimeeren ten voorz. dage mede
te komen, ofte Gemachtigde te zenden, indien \'t henluyden belieft
en de zaake eenigzints aangaat." Evenzoo II, 26, § 4 waar van
reductie van uitspraken van arbiteren gehandeld wordt.
Geïntimeerde kan alleen van den rechter a quo, niet van den
in beroep gedaagde gezegd worden, die dan ook in den regel
gedaagde in beroep, ook wel geappelleerde genoemd wordt. Maar
reeds Merula teekent t. a. p., met beroep op Rebuefus, bij dat
intimeeren van den rechter aan: ,,Hoc in Gallia non practicatur"
en dienovereenkomstig teekent Carpentarius in een Add. op Ducanoe
in vo. intimatus aan : vox fori Gall. intimé, provocatus, in
aresto parliam. Par. 17 Maii 1499.
Toch was het vroeger ook in Frankrijk anders en werd zelfs, in
de landen van het droit coutumier, de rechter gedagvaard en werd
daarvan aanzegging gedaan aan de partij, terwijl in de landen van
het droit écrit het omgekeerde plaats had. In het eerste geval was
derhalve de partij, in het laatste de rechter geïntimeerde. Zie G1 o s-
saire du droit francais par F. Raukau revu par Eusèbe
-ocr page 64-
46                HOOPDST. IX. AFD. I, HOOGER BEROEP. TIT. I. HET MIDDEL.
de Laubièke in vo. Emende en matière ou cas d\'appèl, die
aan het einde van dit artikel zegt: ,,Aujourd\'hui 1\'on n\'ajourne, et
1\'on n\'intime plus les juges Royaux et subalternes si ce n\'est en
certain cas spécifiez par les ordonnances ; . . . . mais on ajourne seule-
ment ceux qui ont obtenu gain de cause en première instance, et
ceux qu\'on ajourne ainsi, ont retenu Ie nom d\'Intimez."
Zie ook in vo. intimation en vv.
Daar ligt een voordeel in dat gebruik van onderscheiden benamingen
met één woord uitdrukkende twee onderscheiden, doch gelijksoortige
hoedanigheden, maar met het geding in cassatie moest men toch weder
tot „demandeur" en défendeur en cassation" komen. Ik zou voor ons
het eenvoudigst vinden, van eischer en gedaagde in beroep te spreken.
Dat booger is voor de tegenstelling met eischer en gedaagde in
cassatie overbodig. Maar, al geeft de wet hier een goed voorbeeld,
we zullen, zoolang we van appellant spreken, ook nog wel het woord
geïntimeerde behouden en dan is het een zoo verkeerd als het ander;
maar geappelleerde en appellant vermijde men in elk geval,
evenals appellatie voor appèl. Het is met dat woord geïntimeerde
zoowat hetzelfde als met de benaming van arrest voor in hooger
beroep door hoogere rechters gewezen vonnissen. Ook hebben de
vreemde woorden wellicht dit aanlokkelijks dat zij \'t begrip in één
woord teruggeven, waarop men bij ons, blijkens fabricaties als a m b t s-
eedig, bijzonder gesteld schijnt te zijn.
Men behoort niet uit het oog te verliezen dat, al treedt de ge-
daagde in eersten aanleg als eischer in hooger beroep, de eischer in
eersten aanleg als gedaagde in hooger beroep op, geen van beiden
toch ophouden in den rechtstrijd zelven eischer of gedaagde te zijn,
want ook in hooger beroep blijft de oorspronkelijk eischer veroor-
deeling van de tegenpartij verlangen, al is hij nu geïntimeerde of
gedaagde in beroep, en de oorspronkelijke gedaagde ook als eischer in
hooger beroep, op vrijspraak aanspraak maken.
Terwijl nu eischer zoowel als gedaagde gedeeltelijk in het gelijk,
gedeeltelijk in het ongelijk gesteld kunnen zijn, kan een gedeeltelijk
ingesteld hooger beroep de andere partij aanleiding geven om ook
van hare zijde in hooger beroep te komen. De laatste wordt dan
gezegd incidentoel in hooger beroep te komen (art. 339, § 2).
Zoo heeft men dan een incidenteel en principaal hooger be-
roep en spreekt men van een principalen en een incidentee-
-ocr page 65-
§ 157. KARAKTER EN NUTTIGHEID.                                           47
len appellant. Men komt hier moeilijk uit de vreemde termen.
Reeds is die vreemde uitdrukking niet nauwkeurig. Want van een
incident kan hier nauwelijks sprake zijn. Dat beroep van den ver-
weerder is eer accidenteel dan incidenteel. Zullen we dan
van een b ij k o m e n d beroep gaan spreken ? De zaak wordt er dui-
delijk door uitgedrukt, toch acht ik het verstandiger de vreemde
benaming te behouden. We weten nu eens wat zij beteekent. Prin-
cipaal en incidenteel beroep is ook de door den Ontwerper van 1865
gevolgde terminologie.
Altijd evenwel moet hij die in hooger beroep wil komen geheel
of gedeeltelijk in het ongelijk gesteld zijn. Die in het
gelijk werd gesteld heeft geen hooger beroep. Wat kan hij beter
verlangen dan dat hem recht geschiedt overeenkomstig zijn beweren ?
Het „point d\'intérêt point d\'action" is op hem volkomen toepasse-
1 ijk. Mocht hij verlangd hebben op andere gronden gelijk te krijgen
dan die welke de rechter aannam, het zijn niet de gronden maar
het is de beslissing bij vonnis gegeven, welke vaststelt wat recht is
tusschen partijen. Ook hier evenwel zal niet in aanmerking komen
wat in den vorm van beslissing in de uitspraak voorkomt, maar ook
wat in den vorm van motief inderdaad tot het dispositief behoort.
Zie deel II, §71.
Het is eene naar onze wet wezenlijke eigenschap van het hooger
beroep ook in de benaming uitgedrukt, dat het van een lageren op
een hoogeren rechter plaats heeft. Het herhaald onderzoek der zaak,
wat met het hooger beroep wordt beoogd, zou ook kunnen plaats
hebben door beroep toe te staan van den eenen rechter op een
ander in de rechterlijke hiërarchie met hem gelijk staande (mutueel
appèl). Dit stelsel werd in Frankrijk bij de wet op de rechterlijke
organisatie van 1790 aangenomen en op nieuw ingevoerd bij de
krachtens de Constitutie van fructidor an III uitgevaardigde wet
van 17 frimaire V.
De thans nog in Frankrijk bestaande inrichting van het hooger
beroep is uit de wet van 16 ventöse an VIII afkomstig. Wij heb-
ben dat stelsel gevolgd, zoodat hooger beroep plaats heeft van de
vonnissen der Kantonrechters op de Arrondissementsrechtbanken,
van die van de Rechtbanken op de Hoven, van die van de Hoven
op den Hoogen Raad. Zoo werd hooger beroep onmogelijk van de
arresten door den Hoogen Raad zelven gewezen, als zijnde volgens
-ocr page 66-
48              H00FD8T. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP. TIT. I. HET MIDDEL.
art. 161 der Grondwet het opperste Gerechtshof. Het middel dat
de wetgever uitvond om ook arresten van den Hoogen Raad aan een
herhaald onderzoek te onderwerpen heet dan ook niet hooger beroep
maar revisie, een middel van hoogst problematieke deugdelijkheid.
Nu is er zeker op de wijze, waarop in Frankrijk indertijd het
mutueel appèl in toepassing werd gebracht, veel af te dingen; dit
middel zelf werd er nog niet om veroordeeld, indien het alleen om
een herhaald onderzoek der zaak te doen was. Maar, zal dit her-
haald onderzoek beantwoorden aan zijn doel van eene deugdelijke
rechtspraak te bevorderen, dan moet het niet alleen met waarborgen
voorzien zijn, die kunnen doen verwachten dat de tweede rechter
beter, d. w. z. juister zal oordeelen dan de eerste, maar die waar-
borgen moeten ook het vertrouwen daarvan wekken. En die waar-
borgen kunnen de rechtzoekenden niet vinden, dat vertrouwen kan
bij hen niet gewekt worden, wanneer zij van het eene college naar
een ander daarmede in alle opzichten gelijkstaande worden verwezen.
Ook wordt door dat stelsel de rechtspraak te licht door gevoelig-
heid of animositeit beheerscht. Want men moge in een pleidooi van
de rechters verlangen, dat zij, ofschoon menschen, oordeelen alsof zij
goden waren, zij blijven menschen en al het menschelijke van zich
af te zetten kan wel eens wat te veel van een mensch gevergd zijn.
Ook zal een lagere rechter zich in zijne uitspraken eerder voegen
niar die van een hoogeren, dan naar die van een met hem gelijk-
staanden rechter. Wordt het beroep aan een hoogeren rechter opge-
dragen, dan kunnen de meerdere waarborgen in een grooter aantal
uitverkorenen (want men moet onderstellen dat het in het geheel
zooveel kleiner aantal hoogere rechters door goede keuzen tot een
keurkorps kan worden) dus door meer kennis en langduriger onder-
vinding uitmuntende, worden gevonden.
Voorts kan in het stelsel der collegiale rechtspraak een waarborg
daarin gevonden worden, dat ten slotte niet alleen in ieder geval
eene meerderheid, maar ook in \'t geheel eene grootere meerderheid
of eene meerderheid van hooger geplaatste rechters aan de winnende
partij gelijk zal hebben gegeven. Tot de vernietiging van het vonnis
eens Kantonrechters is altijd eene meerderheid van een collegie van
drie personen noodig. Bij bevestiging blijkt dat het gevoelen van één
door nog ten minste twee gedeeld wordt. Bij bevestiging van het
vonnis eener rechtbank, moeten ten minste drie raadsheeren zich
met het gevoelen van twee rechters vereenigen, terwijl de vernieti-
-ocr page 67-
§ 157. KARAKTRR EN NUTT1UHRID.                                           49
ging van een vonnis dat geen verdeeldheid in eene rechtbank deed
ontstaan, ten minste den steun van drie raadsheeren behoeft.
Al heeft het hooger beroep de strekking, om de verbetering van
het vonnis eens lageren rechters te verkrijgen ; al is zijn doel de
waarborgen voor eene deugdelijke rechtspraak te bevorderen, zoo be-
hoeft toch nauwelijks vermeld te worden, dat gevallen kunnen voor-
komen, waarin de hoogere rechter het door den lageren gewezen
vonnis slechter in plaats van beter maakt. Nog altijd blijft waar de
bekende uitspraak van Ulpianus in de 1. 1 D. de appellat, et rel.
(49. 1): Appellandi usus quam sit frequens quamque necessarius,
nemo est qui nesciat, quippe cum iniquitatem iudicantium vel impe-
ritiam recorrigat: licet nonnumquam bene latas sententias in peius
reformet, neque enim utique melius pronuntiat qui novissimus sententiam
laturus est.
Het eigenaardige van het hooger beroep als middel van voorziening
tegen een vonnis is in zijne strekking gelegen, doordien de geheele
zaak, nadat daarin door den rechter na \'t hooren van
beide part ij en is geoordeeld, in haar geheelenomvang,
voor zoover er is geappelleerd, op nieuw wordt onderzocht. Aan
een vonnis bij verstek gewezen ontbreekt het hooren van de tegen-
partij (ik laat de bijzondere bepaling van art. 335 nu buiten aan-
merking) wat door het verzet wordt aangevuld. Bij het beroep in
cassatie geldt het alleen het rechtspunt; de feiten staan voor den
rechter in cassatie vast. — Dat herhaald onderzoek kan ook de gelegen-
heid geven om verweermiddelen, die de partij aanvankelijk voor hare ver-
dediging overbodig achtte of waarop zij zich liever niet beriep, als
de verjaring, minderjarigheid of die zij onwillekeurig verzuimde, wat
in de verdediging gebillijkt kan worden, alsnog aan het oordeel des
rechters te onderwerpen. De eischer moet zeker zijn van zijn beweerd
recht, wanneer hij dit in rechte gaat handhaven, en gelijk hij aan de
dagvaarding gebonden, zijn eisch alleen wijzigen of verminderen, niet
veranderen noch vermeerderen mag (zie Dl. II, bl. 76vv.), zoo mag hij
ook in hooger beroep niet verder gaan. Deze punten zal ik bij \'t
verweren en voldingen in hooger beroep, naar aanleiding van art.
348, nader te bespreken hebben.
Nu de zaak opnieuw onderzocht wordt, heeft er door het hooger
beroep eene voortzetting van het geding plaats. Het is de vraag, of
wat de eerste rechter besliste, in stand zal worden gehouden; wat
4
-ocr page 68-
50             H00KD8T. IX, APD. II. HOOQBR BBROBP. TIT. I, HBT MIDDEL.
daardoor vast scheen te staan wordt, om zoo te zeggen, weder op
losse schroeven gesteld. Vandaar dat ook in den regel door het
hooger beroep de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt geschorst,
in afwachting van hetgeen de hoogere rechter zal beslissen. Wanneer
door hem die in hooger beroep komt, wordt beweerd, niet dat de
eerste rechter verkeerd heeft gevonnist, maar, zooals dat gewoonlijk
wordt uitgedrukt, dat er verkeerd is gevonnist, dan ligt daarin juist niet
dat de lagere rechter in de waardeering van de zaak, zooals die hem
werd voorgelegd, heeft gedwaald, maar de geheele rechtstrijd wordt
opnieuw gevoerd, al kunnen dan ook bepaalde rechtsmiddelen in den
eersten aanleg verwerkt zijn, zoodat daarop in hooger beroep niet
kan worden teruggekomen.
Is nu dat hooger beroep voor een goede rechtspraak noodig of nut-
tig ? Is \'t noodig of nuttig eene eens naar de regelen eener goede
rechtspleging onderzochte en geoordeelde zaak aan een herhaald
onderzoek te onderwerpen? Reeds herhaaldelijk heeft deze vraag
schrijvers en wetgevers verdeeld. De meerderheid bleef aan de in-
stelling vasthouden en in de wetgeving bleef het bij \'t behoud. Tegen
\'t behoud van het appèl verklaarde zich in Frankrijk M. Fournier
in een in 1881 te Parijs verschenen Essai sur l\'histoire du droit
d\'appel, waar hij in het derde gedeelte, onder het opschrift Légis-
1 at ion, de slotsom van zijn historisch onderzoek in de bespreking
van „la réforme de 1\'appel" opmaakt, bl. 320—344.
Ik ben het geheel met Fournier eens, dat het meermalen voorop-
gezette argument, ontleend aan het algemeen en voortdurend bestaan
van de instelling bij alle volken niet afdoende is, omdat het historisch
onjuist is en dat, al ware \'t beweren juist, wat bij het eene volk
bestaat, daarom voor een ander nog niet past, en ook wat vroeger
bij een volk bestaan heeft daarom voor zijn tegenwoordigen toestand
nog niet noodig of nuttig is. De lessen welke men uit de geschie-
denis put, behooren niet eenvoudig tot navolging en instandhouding
van vroeger goed gewerkt hebbende instellingen te leiden ; dan toch
maakt men de historie tot traditie; maar om tot de bruikbaarheid
van vroegere instellingen voor den tegenwoordigen toestand, uit de
vergelijking van die vroegeren met den tegenwoordigen toestand te
doen besluiten. Het langdurig en vrij algemeen bestaan van eene
instelling maakt echter het betoog harer ondeugdelijkheid noodzakelijk.
Of dit aan Forunier gelukt is, betwijfel ik zeer.
-ocr page 69-
§ 157. KARAKTKR BN NUTTIGHRlD.
61
Evenmin als Fournier hecht ik aan het argument, dat zonder
Hoven van appèl de rechters te dicht bij de justiciabelen zouden ko-
men te zitten en dat daardoor allerlei verkeerde invloeden hunne uit-
spraken zouden beheerschen; evenmin aan dat andere dat zij, eene
vernietiging in appèl van hunne vonnissen niet hebbende te vreezen,
daaraan minder zorg zouden besteden.
Evenmin zou ik aan het oordeel hechten van de praktizijns om
aan te nemen dat de rechtzoekenden op het appèl gesteld zijn. De
praktizijns zijn niet zonder belang in dezen. En als de door Fournier
aangehaalde schrijver, die zoo op de raadpleging van de praktizijns
gesteld is, erkent dat er tegenwoordig over chicaneeren in de praktijk
niet te klagen valt en dat de rechtzoekenden veel minder proces-
lustig zijn dan vroeger, dan leidt Fournier daaruit met recht een
grond voor zijn gevoelen af, door te beweren dat de rechtzoekenden
dan ook niet op het verlengen van het proces door een hooger be-
roep gesteld kunnen zijn. Doch ik zou deze geheele redeneering liever
geheel buiten het debat laten. Ik zou evenwel, zoo \'t noodig ware,
liever de rechters en het Openbaar Ministerie dan de praktizijns
daarover hooren.
Ik kan niet met Fournier instemmen dat al wat voor het behoud
van het beroep is gezegd eigenlijk hierop neerkomt, dat men wil het
behoud van het bestaande, desnoods met verbetering in de bijzon-
derheden, en dat daarin zou worden teruggevonden „une application
tres accentuée de eet attachement pour la forme et les formes juri-
diques qui caractérise en général les idees comme les doctrines des
jurisconsultes." Ik erken het bestaan van die behoudzucht, maar ik
geloof dat meer dan deze voor het behoud van het hooger beroep
pleit.
Fournier beweert dat het hier meer geldt eene vraag van admi-
nistratie dan van justitie. Het blijkt volgens hem uit de geschiedenis
van het hooger beroep dat de instelling nuttig en noodzakelijk is
waar het streven naar centralisatie in een land op den voorgrond
staat, maar dat zij alleen hinder oplevert in landen waar men naar
het tegenovergestelde streeft of waar de centralisatie een gevestigde
toestand geworden is, en het hulpmiddel van het hooger beroep niet
meer noodig is om daartoe te geraken. Nu kan men verschillen over
de vraag, of Frankrijk reeds in dit laatste geval verkeert of nog
niet zoover gevorderd is, maar hij voor zich gelooft dat het toch
zoover is gekomen dat eene instelling als het hooger beroep eer
-ocr page 70-
52              HOOPDST. IX AFD. II. HOOQER BEROEP. TIT. I. HET MIDDEL.
nadeelig dan nuttig en noodig is te achten. En tot dit besluit wordt
hij dan gebracht door te wijzen op de uitkomsten der statistiek,
waaruit blijkt, dat geen zesde deel der vonnissen aan hooger beroep
wordt onderworpen en dat in hooger beroep 70 percent der vonnissen
werden bevestigd tegen 30 percent vernietigd, terwijl al dadelijk
*/7 van de 700.000 vonnissen reeds krachtens de wet van het h. b.
zijn uitgesloten. Die uitkomsten der statistiek zijn bij ons zoo
ongeveer gelijk. Nu durf ik niet beslissen of wij bij ons aan \'t cen-
traliseeren of decentraliseeren zijn. Al heeft dit zijn invloed op \'t al
of niet toepassen van appèl, ik hecht meer aan de nuttigheid, welke
het hooger beroep heeft voor een goede justitie, omdat eerst door
eene tweede behandeling alle gronden en middelen welke eene zaak
tot klaarheid kunnen brengen, aan het licht komen. „Le droit ac-
croit en plaidant" is terecht opgemerkt. Dit wordt door Fournikb
over het hoofd gezien, althans hij wijst op dezen, m. i. den voor-
naamsten, grond voor het hooger beroep, niet. Natuurlijk draagt dan
tot de juiste beoordeeling van de zaak de opdracht der kennisneming
aan een hoogeren rechter en aan meer personen het hare bij. Dit laatste
weegt ook bij Fournier zeer zwaar, maar hij meent dat men dit
voordeel met afschaffing van het appèl kan behouden, door tot rechters
in eersten aanleg te maken zulke rechters als men nu in appèl heeft.
Door op die wijze het noodig aantal rechters in het geheel te ver-
minderen, kon men van zelf een betere keuze doen. Hoe dat praktisch
uitvoerbaar zou zijn, is mij volstrekt niet duidelijk, maar er blijkt
wederom uit dat Fournier aan het herhaalde onderzoek niet hecht.
Maar geldt dan hier niet tot op zekere hoogte wat den in consult ge-
roepen geneesheer, behalve meer kennis en ervaring, op den eersten
geneesheer een voorsprong geeft, dat hij nl uit diens eerste be-
handeling eene aanwijzing heeft in welke richting hij de genezing
van den patiënt niet moet zoeken? Nu ontken ik allerminst het
nadeel dat het appèl oplevert. Niet de langere duur en meerdere
kostbaarheid van de gedingen op zich zelf, want die moet men
dragen ten bate van eene goede justitie, als de zaak die het geldt
ze overigens in \'t algemeen verdragen kan. Maar het misbruik dat
van het middel gemaakt kan worden. Eensdeels door praktizijns die
hunne cliënten en zich zelven meenen te mogen helpen door anderen
in de handhaving hunner rechten te bemoeilijken en op te houden;
andersdeels door, waar tot het komen in hooger beroep reeds van
den aanvang af is besloten, tot eene onvolledige behandeling in
-ocr page 71-
§ 148. VONNISSEN VOOR HOOGER BEROEP VATBAAR. BBVOEGDK RECHTER. 53
eersten aanleg aanleiding te geven. Maar het gebruik van een middel
af te schaffen om \'t misbruik dat er van gemaakt kan worden en
ook wordt, is slechts in bepaalde gevallen m. i. te verdedigen. Zie mijne
Adviezen over Burg. Rechtsv. Leiden 1896, blz. 79. Intusschen kan
ik het middel alleen nuttig, niet noodzakelijk achten. Want de kosten
die het medebrengt zijn niet gerechtvaardigd voor zaken welke die
niet kunnen dragen. Waarop het voor de goede justitie vóór alles
blijft aankomen is de nauwgezetheid in de keuze der rechters. Geen
dienstjaren alleen maar ook onderscheiding in verdienste zij de
grond voor de onderscheiding om in een hooger college geroepen te
worden.
In Duitschland heeft de vraag over het hooger beroep vele pennen
in beweging gebracht, toen in de eerste ontwerpen van de Civil-
prozesordnung voor de vonnissen der rechterl. colleges de afschaf-
fing van het hooger beroep en zijne vervanging door eene revisie in
iure was voorgesteld. Zie de literatuur daarover, aangeteekend bij
Strückman en Koch, op § 472, n\'. 2.
Van het hooger beroep van beschikkingen op verzoekschriften ge-
wezen wordt hier slechts in art. 345 melding gemaakt. Daar ik
evenwel de vrijwillige rechtspraak in dit werk niet behandel, laat
ik dit onderwerp ook hier verder buiten behandeling.
§ 158. Vonnissen voor hooger beroep vatbaar. Bevoegde rechteb.
Voor hooger beroep zyn vatbaar:
lö. de vonnissen welke volgens de wet in eersten aanleg zyu ge-
wezen door de Kantonrechters, de Arrondissements-rechtbanken en de
Gerechtshoven, Art. 332.
Het hooger beroep wordt gebracht by den rechter tot wiens rechts-
gebied de rechter behoort die het vonnis wees.
2°. de vonnissen door den President van de Arrondissementsrecht-
bank in kort geding in eersten aanleg gewezen. Art. 295.
Rechter van dit beroep is het Gerechtshof onder hetwelk de recht-
bank ressorteert.
3°. de vonnissen van scheidsmannen, mits het hooger beroep daar-
van by het compromis werd voorbehouden en het vonnis, indien het
door den gewonen rechter ware gewezen, voor hooger beroep naar
de wet zou zijn vatbaar geweest. Art. 646.
-ocr page 72-
54 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGBE BEROEP. TIT. I, HET MIDDEL.
De kennisneming van het hooger beroep is opgedragen aan den
rechter, die in hooger beroep zou hebben rechtgesproken, indien in
eersten aanleg door den gewonen rechter ware gevonnist.
4°. preparatoire, interlocutoire en andere incidenteele vonnissen, indien
het vonnis op de hoofdzaak gewezen of te wijzen voor hooger beroep
vatbaar is of zoude zijn.
Het hooger beroep behoort by den rechter, die in hooger beroep
over de hoofdzaak heeft te oordeelen.
5°. vonnissen houdende beslissingen over \'s rechters bevoegdheid zyn
voor hooger beroep vatbaar, en indien zy met andere beslissingen,
niet voor hooger beroep vatbaar, in hetzelfde vonnis voorkomen, is
alleen de beslissing over de bevoegdheid aan hooger beroep onder-
worpen. Art. 333.
Rechter in hooger beroep is de hoogere rechter tot wiens rechtsge-
bied de rechter behoort die het vonnis wees.
6". vonnissen bij verstek gewezen, zyn alleen vatbaar voor hooger
beroep, wanneer de eischer, niettegenstaande de gedaagde verstek liet
gaan, in het ongelyk werd gesteld. De gedaagde kan evenwel, als de
eischer voor een gedeelte van het vonnis in hooger beroep komt, zyner.
zyds incidenteel in hooger beroep komen.
7°. Onder de vonnissen voor hooger beroep vatbaar zyn nog te ver-
melden :
De arresten van het Hooggerechtshof van Nederlandsch Indië, en
die van het Gerechtshof in Suriname en het Hof van Justitie op Curacao
in eersten aanleg gewezen, voorzoover zy aan hooger beroep onder-
worpen zyn verklaard. Het hooger beroep wordt gebracht bij den Hoo-
gen Raad.
Het hooger beroep is een middel van voorziening tegen vonnissen.
Het zijn alzoo vonnissen, die daarvoor al of niet vatbaar zijn. Toch is
de uitdrukking van zaken aan hooger beroep onderworpen nog niet
verkeerd. Want vooreerst kan men vonnissen in de eigenlijke meer
beperkte beteekenis opvatten, terwijl ook beschikkingen aan hooger
beroep onderworpen zijn. Art. 345. Maar ten anderen worden aan
de behandeling in hooger beroep de zaken onderworpen, die gelyk
wij reeds de gelegenheid hadden op te merken, een geheel nieuw
onderzoek ondergaan. Terwijl eindelijk de vatbaarheid van een vonnis
-ocr page 73-
§ 158. VONNISSEN VOOE HOOGER BKROBP VATBAAR. BEVOEGDE RECHTER. 55
voor hooger beroep weder afhankelijk is van den aard of het bedrag
der vordering, over welke bij het vonnis uitspraak werd gedaan, zoo
kan men ook spreken van vorderingen al of niet vatbaar voor
hooger beroep.
Ik heb hier aan vonnissen voor hooger beroep vatbaar de voor-
keur gegeven, ofschoon de wet van daarvoor vatbare zaken spreekt.
Doch behalve in het opschrift van de eerste afdeeling van Titel VIII
houdt de wetgever er zich alleen aan in het eerste artikel. (332.)
Ad lam- De vorderingen waarover de Kantonrechters volgens de wet
in eersten aanleg vonnis wijzen, welke vonnissen alzoo aan hooger
beroep onderworpen zijn, worden vermeld in art. 38—42 R. O.,
terwijl de vonnissen door de Kantonrechters gewezen in zaken
waarvan hun de kennisneming door partijen werd opgedragen over-
eenkomstig art. 43 R. O. alleen dan aan hooger beroep onderworpen zijn,
indien partijen zich dit mochten hebben voorbehouden. Dat voorbe-
houd is evenwel niet toegelaten, indien de zaken op de gewone wijze
voor den bevoegden rechter gebracht, voor hooger beroep niet vat-
baar mochten zijn. Wat niet toegelaten is kan niet voorbehouden
worden. Over de beteekenis van de hier aangehaalde bepalingen han-
delde ik in Dl. I, § 42 en bl. 447.
De rechtsmacht der Arrondissements-rechtbanken in eersten aanleg
en alzoo onder hooger beroep wordt in art. 53 R. O. beschreven en
vindt hare beperking in art. 54 en 55, uit welke laatste bepaling
volgt, dat en in hoeverre de partijen bevoegd zijn de rechtsmacht
der rechtbanken tot den eersten aanleg te beperken. Zie Dl. I, § 43.
De rechtbanken kunnen door den wil van partijen tot rechter in het
eerste en hoogste ressort gemaakt worden, wanneer eene vordering
tot de bevoegdheid van den Kantonrechter behoorende bij haar is
aangebracht en de exceptie van onbevoegdheid door den gedaagde
niet wordt voorgesteld. Art. 157 B. R.; en ook wanneer partijen,
overeenkomstig art. 55 R. O., van het hooger beroep afzien, Dl. I,
bl. 449 en 451.
De rechtsmacht der Gerechtshoven in eersten aanleg onder hooger
beroep is zeer beperkt. Het zijn niet anders meer dan jurisdictiege-
schillen. Waarom deze anomalie (verg. art. 54 n°. 1 R. O.) in \'t
meermalen herziene art. 65 is blijven bestaan, kan niet anders dan
daaruit worden verklaard dat dit partieele herzieningen waren. Verg.
Dl. I, bl. 399.
-ocr page 74-
56              HOOKDST. IX AFD. II. HOOGER BKROBP. T1T. I. HUT MIDDEL.
Overigens spreken de Hoven recht in eersten aanleg, doch tevens
in het hoogste ressort, wanneer partijen, gebruik makende van de
hen in art. 66 R. O. toegekende bevoegdheid, aan hooger beroep on-
derworpen zaken, met voorbijgang van de Rechtbank, bij het Gerechts-
hof aanbrengen. Zie ook art. 331 § 2. Dat voor deze prorogatie van
rechtsmacht de vereischten gesteld worden, welke art. 66 vermeldt,
en bij die van art. 157 B. R. niet, moet daaruit worden verklaard,
dat in het eerste geval inbreuk op de orde in de jurisdictie gemaakt
wordt, in het tweede aan de Rechtbank opgedragen wordt, wat haar
als gewone rechter toekomt.
In \'t algemeen kan men alzoo zeggen, dat partijen wel de bevoegd-
heid hebben van hooger beroep af te zien en een rechter in eersten
aanleg te maken tot rechter in het hoogste ressort of den rechter
in hooger beroep te maken tot rechter in eersten aanleg en in het
hoogste ressort; maar hooger beroep te scheppen, waar de wet dit
uitsluit, staat partijen niet vrij. Cf. Garsonnet § 923.
Uit de aangehaalde bepalingen van de wet op de R. O. blijkt dat
het hooger beroep vooral afhankelijk is van het bedrag der vorde-
ring. Het wordt nl. uitgesloten als het bedrag der vordering eene
bepaalde som te boven gaat. Daaruit volgt dat, terwijl het bedrag,
waartoe veroordeeld wordt, wel minder kan zijn dan dat der
vordering, een vonnis bijv. van den Kantonrechter, houdende ver-
oordeeling tot betaling van / 40,— voor beroep vatbaar is, indien
f 60,— gevorderd was. Dl. I, bl. 169. Het bedrag der vordering
hangt in de eerste plaats af van de dagvaarding, niet evenwel
indien het later overeenkomstig art. 134 B. R. verminderd werd.
Over dit punt bestaat evenwel strijd zoowel in Frankrijk als bij ons.
Zie Dl. II, bl. 74.
Overigens houde men in het oog dat het hier geldt bepalingen
omtrent de attributie van rechtsmacht. Het zijn bepalingen van open-
bare orde, die ambtshalve door de rechters worden toegepast en
waarvan de afwijkingen op uitdrukkelijke bepaling der wet moeten
gegrond zijn.
Het hooger beroep is alleen toepasselijk op vonnissen volgens
de wet in eersten aanleg gewezen. Dit wordt niet bepaald door de
uitspraak van den rechter, die in zijn vonnis uitdrukkelijk verklaarde
recht te spreken in eersten aanleg of wel in het hoogste ressort.
Duidelijk zegt dit art. 4ö3 C. de pr. Maar ook naar ons art. 332 volgt
het daaruit dat de wetgever het hooger beroep daarvan afhankelijk
-ocr page 75-
§ 158. VONNISSEN VOOR HOOGER BKROEP VATBAAR. BEVOEGDE RECHTER. 57
stelt, dat de lagere rechters niet anders dan in het eerste ressort
kunnen oordeelen.
Is de eerste uitspraak in strijd met de wet in eersten aanleg ge-
wezen, de rechter in hooger beroep zal dit beroep, desnoods met
vernietiging van het vonnis des lageren rechters op dit punt, niet-
ontvankelijk verklaren. Verklaarde de rechter in eersten aanleg ten
onrechte in het hoogste ressort recht te spreken, ook op dit punt
zal de hoogere rechter die uitspraak verbeteren door het hooger
beroep niettemin ontvankelijk te verklaren. Verg. Garsonnet § 922.
Zie ook art. 333. Ook hier toch geldt het eene beslissing over be-
voegdheid.
Ad 2um- In de achttiende afdeeling van tit. III wordt niet uitdruk-
kelijk bepaald, in welke gevallen de president in eersten aanleg of
in het hoogste ressort oordeelt. In art. 293 wordt van de uitspraken
in kort geding ondersteld dat er zijn van welke hooger beroep niet
is toegelaten. Welke dit zijn, zal dan wel naar de in de wet op de
R.O. gestelde regelen voor de bevoegdheid van de rechtbanken
moeten worden beoordeeld, ook omdat het Gerechtshof als rechter in
hooger beroep wordt aangewezen in art. 295.
Ad. 3um- Bij de opdracht van een geschil aan scheidsmannen is de
onderstelling gerechtvaardigd, dat de partijen, zelve hunnen rechter
kiezende, van den gewonen rechter niet willen weten en daarmede
hooger beroep op den gewonen rechter uitsluiten. Zij kunnen evenwel
reden hebben om alleen den rechter in eersten aanleg uit te sluiten
en het hooger beroep bij den gewonen rechter te behouden. Van
deze onderstelling giat althans de wetgever uit, waar hij hun toe-
staat het hooger beroep voor te behouden. Natuurlijk kan evenwel een
voorbehoud niet te pas komen betreffende zaken voor hooger beroep
niet vatbaar verklaard, wat de wetgever eenigszins breedsprakig in
art. 646 § 2 bepaalt.
Ad 4um- Omtrent incidenteele vonnissen stelt de wet geen regel. Het
ligt in den aard der zaak dat, als het vonnis op de hoofdzaak voor
hooger beroep niet vatbaar is, dit evenmin met de incidenteele von-
nissen het geval kan zijn. En zoo zullen ze ook aan hooger beroep
onderworpen zijn, als de hoofdzaak dit is. De wet onderstelt het dan
ook, door ten aanzien van preparatoire vonnissen te bepalen dat het
-ocr page 76-
58              HOOFDHT. IX. AFD. II. HOOOF.K BBROKP. T1T. I. HRT UIDUKL.
beroep niet dan gelijktijdig met het beroep van het eindvonnis kan
geschieden, dus vervalt, als dit laatste voor hooger beroep niet vat-
baar is. Art. 336. En evenzoo door, ten aanzien van de interlocutoire
vonnissen en vonnissen op eene provisie te bepalen, dat daarvan
het hooger beroep kan worden ingesteld, vóórdat het eindvonnis ge-
slagen is. De juistheid mijner onderstelling wordt bevestigd door de
bijzondere bepaling, welke omtrent vonnissen over bevoegdheid in
art. 333 voorkomt. Als daar toch als eene bijzonderheid wordt be-
paald, dat geschillen over onbevoegdheid voor hooger beroep vatbaar
zijn, niettegenstaande de rechter over de hoofdzaak in het hoogste
ressort zou kunnen uitspraak doen, dan ligt daarin wel opgesloten,
dat in den regel het hooger beroep van incidenteele vonnissen af-
hankelijk is daarvan dat de hoofdzaak voor hooger beroep vatbaar
is. Voorts leidt de bepaling van art. 100 tot hetzelfde besluit.
Immers daar wordt de kennisneming van een geschil omtrent echtheid of
valschheid in geschrifte, indien het zich bij den Kantonrechter mocht
voordoen, aan dezen onttrokken en aan de Rechtbank opgedragen. Zoo
heeft de zg. ontkentenis van gerechtelijke verrichtingen, al is zij een
incident, een eigen rechter en deze is niet afhankelijk van de vraag
voor wien de hoofdzaak behandeld wordt, maar voor wien de ge-
wraakte handeling werd verricht. Hieruit en uit de omstandigheid
dat zij eene hoofdvordering is, met opzicht tot den procureur tegen
wien zij wordt ingesteld, moet volgen dat de vatbaarheid voor hoo-
ger beroep door haar eigen aard wordt bepaald. Zie het verschil van
gevoelen hieromtrent tusschen de fransche schrijvers bij de Paepe
Etudes sur la compétence civile I, Et. 5, n°. 36, met wiens besluit
ik het eens ben, al zie ik geen reden om aan die zg. ontkentenis
enz., het karakter van een incident te ontzeggen. Rechtsg. Magazijn
1894, bl. 261 vv. De beslissing over het incident dat uit eene wra-
king eens rechters ontstaat is voor hooger beroep niet vatbaar.
Art. 42. De rechtsweigering kan een incident doen ontstaan, doch
heeft, als tegen den buiten het geding tusschen partijen staanden
rechter gericht en aan \'t oordeel van een anderen rechter te on-
derwerpen, art. 846, tevens het karakter van eene hoofdvordering.
Doch het hooger beroep wordt ook hier in het aangeh. art. 846 uit-
gesloten. Van gelijken aard zrjn de jurisdictiegeschillen, doch van
deze is het hooger beroep, zij het tengevolge van eene anomalie,
alleen toegelaten in de gevallen, voorzien in art. 65 R. O.
-ocr page 77-
§ 158. VONNISSEN VOOR HOOGER BEROEP VATBAAR. BEVOEGDE RECHTER. 59
Ad 5um . Al moge aan de bepaling van art. 156 der Grondwet met
het oog op hare geschiedenis eene beperktere strekking kunnen worden
toegekend, zoo laat het zich toch heel goed verklaren dat hare his-
torische aanleiding den Grondwetgever eene algemeene bepaling deed
neerschrijven. In ieder geval is het voorschrift van art. 333 B. R.
een uitvloeisel van het beginsel dat vóór alles den rechtzoekenden
moet worden gewaarborgd de kennisneming, immers de beslissing van
tegen hen ingestelde vorderingen door den hun bij de wet t o e-
gekenden rechter. En dit geldt niet alleen van de volstrekte
bevoegdheid die uit haren aard van openbare orde is, het geldt ook
van de betrekkelijke bevoegdheid. Want zoodra de belanghebbende
partij zich op \'s rechters betrekkelijke onbevoegdheid beroept, wordt
ook daarbij de openbare orde betrokken geacht. Immers, zonder on-
derscheid te maken tusschen de volstrekte en de betrekkelijke be-
voegdheid, wil de wetgever dat het Openbaar Ministerie over de
exceptie wegens onbevoegdheid van den rechter worde gehoord.
Art. 324 n°. 3. Het kan dan ook geen verwondering wekken dat de wet-
gever, na het hooger beroep als regel te hebben aangenomen, de
geschillen over onbevoegdheid voor hooger beroep vatbaar heeft ver-
klaard, ofschoon de rechter wiens bevoegdheid betwist wordt, in het
hoogste ressort mocht kunnen kennis nemen van de ingestelde vor-
dering. Dat hij daarmede, met voorbijgang van de bij de wet op de
rechterl. org. gegeven voorschriften over bevoegdheid, het middel van
hooger beroep buiten de door deze gestelde grenzen zou hebben uit-
gebreid (Toelichting t. h. Ontwerp 1865, uitg. Belinfante, blz. 181)
acht ik niet juist; doch, al ware \'t zoo, daarin zou op zich zelf
nog geen bezwaar gelegen zijn. Iets anders is het, dat men in art.
333 eene te strenge toepassing van de leer omtrent de bevoegdheid
kan zien. Men kan meenen dat die in het belang eener goede recht-
spraak, welke rechtspraak van daartoe onbevoegde rechters niet toe-
laat, niet gevorderd wordt, omdat er op andere wijze voldoende in
kan worden voorzien.
Daar toch door uitsluiting van hooger beroep cassatie toegelaten
blijft, vervalt het bezwaar, kan mem zeggen, om het hooger beroep
bij geschillen over onbevoegdheid afhankelijk te stellen van de vat-
baarheid voor hooger beroep van de geschillen over de hoofdzaak.
Zelfs zou de consequentie dit vorderen in het stelsel dat de exceptie
van onbevoegdheid met de verwering op de hoofdzaak vereenigd wil
hebben. Wanneer toch bij zoodanige vereeniging van middelen, de
-ocr page 78-
60 HOOFDRT. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP, TIT. I. HET MIDDEL.
rechter de exceptie van onbevoegdheid ongegrond acht en alzoo zijne
bevoegdheid aannemende de hoofdzaak beslist en de hoogere rechter
hem onbevoegd verklaart, dan zal de hoofdzaak opnieuw doch nu
bij den bevoegden rechter gebracht worden. De door de wet niet
voor hooger beroep vatbare zaak zal dan voor de tweede maal door
een rechter van denzelfden rang (Kantonrechter) ook wel dooi een
hoogeren (Arrondissements-rechtbank) behandeld worden, eene behan-
deling van de niet voor hooger beroep vatbare zaak, die feitelijk
ontzaglijk veel op een hooger beroep zal gelijken. Zóó consequent
is evenwel de wetgever bij zijne partieele herziening van 1896 niet
geweest, dat hij dit gevolg heeft voorkomen. Bij het streven naar
eene beweerde vereenvoudiging door vereeniging van alle middelen,
schijnt aan de kostbaarheid van eene herhaalde behandeling, waarom
de wetgever het appèl uitsloot, niet gedacht. Art. 333 toch bleef
behouden.
Stellen wij ons de onderscheiden gevallen voor die zich hier kunnen
voordoen. De verweerder stelt de onbevoegdheid des rechters voor
en vereenigt daarmede zijne andere verweermiddelen. De rechter ver-
werpt de onbevoegdheid en beslist de hoofdzaak in het nadeel des
verweerders. De verweerder komt in hooger beroep, wat de beslissing
over de onbevoegdheid betreft. Hij zal tot vernietiging van deze
laatste beslissing moeten concludeeren en als gevolg daarvan ver-
nietiging van het vonnis op de hoofdzaak moeten vragen, zonder natuurlijk
in eene bestrijding van de merites van het vonnis op de hoofdzaak te
treden, want daarmede mag de hoogere rechter zich niet inlaten, dewijl de
hoofdzaak voor h. beroep niet vatbaar is. En de gedaagde in hooger beroep
zal de bevoegdheid des eersten rechters verdedigende, tot bevestiging
van de daaromtrent gegeven beslissing concludeeren en dientengevolge, in
tegenstelling met des eischers conclusie, de instandhouding van het vonnis
op de hoofdzaak vragen. Verwijzing van partijen daar waar \'t behoort
mag de hoogere rechter voor den- klank in zijn vonnis opnemen,
wanneer hij \'s eersten rechters onbevoegdheid uitspreekt, maar de
eischer in hooger beroep heeft geen reden dat te verlangen. Hij mag
het zeker wel lijden dat de eischer in eersten aanleg, nadat de eerste
rechter onbevoegd verklaard zal zijn en dientengevolge het vonnis
op de hoofdzaak is vernietigd, het daarby late verblijven; hij be-
hoeft geen aansporing voor zijne tegenpartij te vragen om het proces
opnieuw te beginnen
Heeft soms de verweerder in eersten aanleg als eenig verweermiddel
-ocr page 79-
§ 158. VONNISSEN VOOR HOOGER BEROEP VATBAAR. REVOKGDE RECHTER 61
de exceptie van onbevoegdheid voorgesteld en verklaarde de rechter
zich bevoegd, dan wordt hij geacht niets meer te zeggen gehad te
hebben en kan hij op de hoofdzaak al dadelijk in het ongelijk ge-
steld worden. Komt hij van de beslissing betreffende de bevoegdheid
in hooger beroep met goed gevolg, en wordt alzoo ook het vonnis
op de hoofdzaak vernietigd, dan zal hij, opnieuw en nu voor den
bevoegden rechter aangesproken wordende, van de andere verweer-
middelen, die hij mocht hebben, gebruik kunnen maken, daar alles
wat voor den onbevoegden rechter plaats had, als niet geschied is
te beschouwen.
Sprak de eerste rechter zijne onbevoegdheid uit dan zal, indien
de verweerder zich tot de exceptie van onbevoegdheid bepaalde, de
eischer natuurlijk wel de vordering zelve voor den eersten rechter
hebben toegelicht, doch een vonnis verkreeg hij niet en, kwam hij
van de beslissing in hooger beroep, de hoogere rechter zal, hem
gelijk gevende en den eersten rechter bevoegd verklarende, de hoofd-
zaak moeten verwijzen, doch ook indien hij de zaak verwees naar
een anderen rechter dan voor wien zij eerst werd aanhangig gemaakt,
zal hij het voortprocedeeren op de hoofdzaak gelasten, maar voor den
verweerder blijven alle verweermiddelen verwerkt.
Ad 6um\' In den regel zijn bij verstek gewezen vonnissen van de
zijde des veroordeelden niet vatbaar voor hooger beroep. Al werd de
bij verstek veroordeelde in het ongelijk gesteld, hij is dit niet defi-
nitief en het is de vraag of hij, indien hij verschenen ware en
zijne verwering aan het oordeel des rechters hadde onderworpen,
wel in het ongelijk gesteld zou zijn. Ook zou hij door op die wijze
zich aan den eersten aanleg te onttrekken, aan de tegenpartij den
waarborg van een herhaald contradictoir debat ontnemen. Onze wet-
gever herstelde door aan den bij verstek veroordeelden gedaagde het
beroep te ontzeggen (art. 335) den romeinschen regel: „eontumax
non appellat", overeenkomstig de vroegere fransche ordonnantie be-
paaldelijk die van Villers-Cotterkt 1539, art. 28. Anders was het
evenwel naar de ordonnantie van 1667, welke een bepaalden termijn
voor het verzet vaststelde en na verloop daarvan hooger beroep
toeliet. En de Code de pr. volgde haar voorbeeld in art. 455 j° 443.
Dus in de eerste plaats verzet, en hooger beroep eerst dan wanneer
de termijn van verzet voorbij was. In de oud-hollandsche praktijk
-ocr page 80-
62 HOOPDST. IX. AFD. II. HOOOER BEROEP. TIT. I, HET MIDDEL.
goldt het „contumax non appellat" als regel volgens van der Linden
Jud. Practycq, I blz. 333 (§ 7).
Intusschen ondergaat de regel welke het hooger beroep tegen
vonnissen bij verstek uitsluit, vooreerst eene beperking voor het
geval dat, overeenkomstig art. 79 § 2 de zaak als op tegenspraak
is beslist, niettegenstaande eene of andere der gezamenlijk in het
geding betrokken partijen niet verscheen. Deze heeft nu geen verzet
omdat de zaak niet als verstek werd behandeld en heeft daarom,
ofschoon hij in eersten,, aanleg niet verscheen, hooger beroep onder
de nadere in art. 79 gemaakte bepalingen.
Ten andere maakt de wet eene uitzondering voor het geval de
eischer, niettegenstaande een tegen den gedaagde verleend verstek,
geheel of gedeeltelijk in het ongelijk gesteld werd en hij van dat
vonnis in hooger beroep komt. De gedaagde had in het eerste geval
geen reden tot verzet, maar mag nu in hooger beroep van alle hem
ten dienste staande verweermiddelen gebruik maken, terwijl hij, werd
de eischer slechts gedeeltelijk in het ongelijk gesteld, zijnerzijds, en
daarin bestaat de uitzondering, incidenteel hooger beroep kan in-
stellen. Art. 335 § 2.
ad 7um- Zie het Kon. Besluit van 28 September 1850, Stbl. n°. 63,
houdende vaststelling van een reglement betreffende het hooger beroep
aan den Hoogen Raad der Nederlanden van de arresten in burgerlijke
zaken in eersten aanleg gewezen door het Hooggerechtshof van Neder-
landsch Indië, in verband met art. 91. n° 2 R. O. en de wet van 4
April 1869 Stbl. n°. 36, tot voorloopige regeling der regtsmagt
van den Hoogen Raad der Nederlanden in West-Indische koloniale zaken,
in verband met het daarin aangehaald Kon. Besluit van 11 Januari
1840, Stbl. n°. 1.
Ten aanzien van het hooger beroep van arresten door
het Hooggerechtshof in Ned. Indië gewezen dient op-
gemerkt :
1°. dat het beperkt is tot niet zakelijke en geene belasting of
pachten betreffende vorderingen (dus tot persoonlijke en gemengde (?)
vorderingen) waarvan het onderwerp niet blijkt een waarde te hebben
van f 10.000 of minder waarin (waarmede ?) de Gouverneur-Generaal
en waarmede de Regeering van Ned. Indië als vertegenwoordigende
den lande, wordt aangesproken. De Gouverneur-Generaal en de Re-
geering van N. I. genieten ten aanzien van vorderingen boven de ƒ 10.000
-ocr page 81-
§ 158. VONNISSEN VOOR HOOGER BEROEP VATBAAR. BEVOEGDE RECHTER. 63
en ook beneden dat bedrag een gelijksoortig forum privilegiatum als de
Koning en de leden van het Koninklijk Huis en de Staat krachtens de
Grondwet en de wet op de R. O. tot aan de wet van 1893 Stbl. n°. 93
gehad hebben. Het Hooggerechtshof is evenwel bevoegd zijne voor hooger
beroep vatbare arresten steeds voorloopig uitvoerbaar te verklaren
met of zonder cautie. Art. 159 en 160 Regl. op de R. O. en het
beleid der justitie in Ned. Indië.
2°. het Reglement van 1850 dat, op het voorbeeld van ons Wetb.
v. B. R., in eene eerste afdeeling handelt over de zaken aan hooger
beroep onderworpen, bevat in art. 6 eene bepaling geheel gelijkluidend
aan het bij de wet van 1896 ingetrokken art. 338 zoodat, al wordt,
in het in de derde afdeeling: van de rechtspleging in hooger beroep,
voorkomende 16e artikel, de wijze van procedeeren toepasselijk ver-
klaard, welke in hooger beroep bij het wetboek van burgerl. rechtsv.
is voorgeschreven, dat artikel 6 daarnaast blijft bestaan. In de hier
besproken Ned. Indische zaken zullen dus de middelen van niet-
ont vankei ijkheid in hooger beroep afgescheiden van de hoofdzaak
moeten worden voorgedragen.
3°. verdienen opmerking de bepalingen van art. 17, volgens welke
het Hooggerechtshof, aan hetwelk door den Hoogen Raad een ge-
tuigen verhoor wordt opgedragen, dit voor een daartoe benoemden
Raadsheer-Commissaris kan doen houden, wat met de veranderingen
in onze Rechtsvordering gemaakt niet in strijd is en hier geen be-
zwaar kan hebben, omdat de Hooge Raad toch naar een proces-verbaal
over de verklaringen der getuigen zal moeten oordeelen. Voorts worden
de gewraakte getuigen en deskundigen in Indië wel gehoord, maar
de wraking zelve door den Hoogen Raad beslist. Wordt dan de
wraking aangenomen, dan blijven de verklaringen der gewraakte ge-
tuigen of de berichten der gewraakte deskundigen buiten het geding.
Het Reglement wegens het hooger beroep aan den Hoogen Raad
van vonnissen in burgerl ij ke zaken gewezen door het
Gerechtshof van Suriname, hetwelk voorloopig werd ge-
handhaafd bij de wet van 4 April 1869, sluit zich in zijn opschrift aan
bij de terminologie van art. 91, n°. 2 der wet op de R. O., waarvan
het een uitvloeisel is, door van vonnissen te spreken, en zoo wordt
ook in art. 1 § 3 van de zaken, waarin het Hof in Suriname in het
hoogste ressort recht spreekt, gezegd dat het in die zaken „zal wijzen
bij arrest." De uitspraken van het Hooggerechtshof van N.-Indië
-ocr page 82-
64        HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP, TIT. I, HET MIDDEL.
heeten altijd arresten, evenals die van den H. Raad naar art. 90 R. O.
Volgens art. 1 § 2 van het Reglement 1840 wordt het beroep alleen
toegelaten in zaken welker onderwerp de waarde van duizend Neder-
landsche guldens {f 1000), interessen of proceskosten daaronder niet
gerekend, te boven gaat.
Er wordt geen onderscheid gemaakt tusschen persoonlijke, zakelijke
en gemengde rechtsvorderingen. Op alle rechtsvorderingen zal alzoo
het vermelde bedrag van f 1000 toepasselijk zijn. Indien de waarde
in inkomsten is aangewezen zal het bedrag daarvan wel met 20 tot
kapitaal moet worden gebracht èn naar aanleiding van art. 54 3°
R. O. èn om het bedrag der wettelijke interessen.
Deze bepalingen gelden, volgens art. 2 der wet van 1869, ook voor
het Hof van Justitie in de kolonie Cura9ao, terwijl ook daarop het
reglement van 1840, behoudens enkele wijzigingen, toepasselijk wordt
verklaard. De straks over dat Reglement gemaakte opmerkingen gelden
dus ook met opzicht tot het hooger beroep van de vonnissen door
het Hof van Cura^ao in eersten aanleg onder hooger beroep gewezen.
Bevoegde rechter. Ten aanzien van den bevoegden rechter
in hooger beroep geldt de regel, dat daartoe aangewezen wordt de
hoogere rechter tot wiens rechtsgebied de rechter, die in eersten
aanleg heeft gevonnist, behoort. Zoo nemen de Arrondissements-
rechtbanken in hooger beroep kennis van de vonnissen door de tot
hun rechtsgebied behoorende Kantonrechters gewezen, de Gerechts-
hoven van de vonnissen der Arrondissementsrechtbanken behoorende tot
hun rechtsgebied, de Hooge Raad van de arresten der Gerechtshoven.
Het ware niet overbodig geweest, indien de wetgever in art. 54, n°.
5 R. O. had gesproken van de kantonrechters van hun rechts-
gebied, toch kan de bedoeling geen andere zijn. Dat het zoo is,
vloeit ook voort uit de regeling van het rechtsgebied der rechtban-
ken, waartoe bepaalde kantongerechten gebracht worden, gelijk tot
dat der Hoven bepaalde arrondissementen (en daarmede arrondisse-
ments-rechtbanken) worden gebracht. Zie art. 60 R. O. naar de wet
van 10 November 1875, n°. 204 en de wetten van 9 April 1877,
n°. 74 — 78. Zoo wordt ook, bij de regeling van de rechtsmacht der
Gerechtshoven in hooger beroep, in art. 66 R. 0. met zoovele woor-
den van de Arrondissementsrechtbanken binnen hun rechtsge-
bied gesproken. Verg. ook art. 358 B. R. Het geldt dus bij de op-
dracht van de rechtsmacht in hooger beroep niet eene distributie
-ocr page 83-
§ 158. VONNISSEN VOOE HOOGER BEROEI\' VATBAAR. BEVOEGDE RECHTER. 65
maar eene attributie van rechtsmacht, uitsluitend betreffende de von-
nissen van bepaalde kantongerechten, en bepaald aangewezen recht-
banken. Deze regeling is alzoo van openbare orde, die niet daarin
haren grond vindt, dat de inrichting van de rechterlijke colleges van
gelijken rang die in hooger beroep rechtspreken eene verschillende
is, maar alleen in eene noodzakelijk geachte handhaving van het
bepaald aangewezen rechtsgebied en als maatregel van orde.
De rechtspraak van den Hoogen Raad in hooger beroep, ook die
betreffende vonnissen door de Hoven van Justitie in de koloniën of
overzeesche bezittingen gewezen, wordt bij art. 91 R. O. opgedragen.
De regel dat het hooger beroep wordt gebracht bij dien hoogeren
rechter, tot wiens rechtsgebied de rechter, die in eersten aanleg uit-
spraak deed, behoort, wordt ook op de rechtspraak van den president
in kort geding toegepast. Van hem kan toch geen ander dan het
Hof de hoogere rechter zijn. Wanneer art. 295 bepaalt dat het be-
roep wordt gebracht voor het Gerechtshof, dan wordt daarmede
duidelijk het gerechtshof aangewezen, tot welks rechtsgebied de recht-
•bank van den president behoort, en dat met deze opdracht ieder
ander Hof volstrekt wordt uitgesloten, behoeft geen betoog.
Wat aangaat de rechtspraak in hooger beroep van vonnissen door
scheidsmannen gewezen, zoo zal het hooger beroep, indien dit kon
worden en werd voorbehouden (art. 646), moeten worden gebracht bij
de Arrondissements-rechtbank, ter welker griffie de minuut der be-
slissing, volgens art. 639, is neergelegd, indien de zaak bij den Kan-
tonrechter had moeten dienen; bij het Gerechtshof tot welks rechts-
gebied die Arrondissements-rechtbank behoort, bij welke de zaak in
eersten aanleg had gebracht moeten worden. Er ontstaat hier eenige
moeilijkheid, doordien de wetgever in art. 647, in tegenstelling van
de scheidsmannen, spreekt van den gewonen rechter en onder
deze uitdrukking, ook in dezen titel, bijv. in art. 633, de Arron-
dissements-rechtbank moet worden verstaan en voorts doordien met
opzicht tot incidenten geene verwijzing naar den Kantonrechter, maar
altijd naar de Rechtbank plaats heeft, al zou de zaak zelve tot de
bevoegdheid van den Kantonrechter behooren. Art. 635. Toch is het
duidelijk dat in 647 de uitdrukking: gewone rechter, ruimer
genomen moet worden en dat daarmede eene tegenstelling gemaakt
wordt tusschen de rechtspraak van scheidsmannen (door de bijzondere
5
-ocr page 84-
66 H00FDST. IX. AFD. II, HOÜGF.R BEKOEP. TIT. I, HET MIDDEL.
personen benoemde rechters) en die van de van staatswege aangestelde
(eigenlijke, gewone) rechters. Zoo moet dan ook de Kantonrechter
onder den hier bedoelden gewonen rechter worden begrepen. Ware
uitsluitend de Arrondissements-rechtbank bedoeld, de wetgever hadde
niet gesproken, had althans niet moeten spreken van ter plaatse
waar enz. maar van de rechtbank ter welker griffie de minuut
is nedergelegd.
§ 159. DE BEVOEGDHEID OM IN HET HOOGEB BEBOEP OP TE TEEDEN.
Partijen          jjet hooger beroep kan alleen worden ingesteld door en tegen hen
voegd. die partij zijn geweest in het geding in eersten aanleg. Niet altijd zijn
deze personen feitelijk dezelfde die in eersten aanleg optraden. Veran-
dering in hun staat kan ten gevolge hebben dat anderen in hunne
plaats komen.
Wie in de jn <je piaats Van een overledene partij komen hare erfgenamen.
]) llll.lt S tl\'CUOll.
Meerderjarigheid en opheffing van curateele hebben de optreding
van de personen zelve in de plaats van hunne vertegenwoordigers ten
gevolge, gelijk ondercurateelestelling en faillissement het optreden van
den curator in de plaats van den persoon zelven ten gevolge hebben.
Ook bij de rechtspersonen blijft verandering in de personen der in
rechte opgetreden bestuurders niet altijd zonder invloed.
Nederlander- Het verlies van Nederlanderschap kan ten gevolge hebben, dat van
schap. een appeiiant zekerheidstelling wordt gevorderd.
Erfgenamen. De rechtsvordering tot echtscheiding, en ook die
tot scheiding van tafel en bed, vervallen indien een der (beide) echt-
genooten vóór de uitspraak is overleden. Art. 275 en 301 B. W.
Hieruit volgt, dat indien een der echtgenooten na de uitspraak sterft,
van hooger beroep geen sprake meer kan zijn. Vermits de rechts-
vordering niet op de erfgenamen overgaat, kunnen de erfgenamen
van den echtgenoot die de echtscheiding vroeg, tegen het hem in het
ongelijk stellend vonnis niet opkomen. Ook leidt de ratio van art. 275
tot hetzelfde besluit, daar ook nu de dood de echtscheiding
overbodig maakt. En zoo vervalt eveneens de bevoegdheid om in
hooger beroep te komen tegen de erfgenamen van den anderen echt-
genoot tegen welken de eisch werd afgewezen. Werd de eisch toege-
wezen, dan kan geen hooger beroep worden ingesteld tegen de erf-
-ocr page 85-
§ 159. DE BEVOEGDHEID OM IN HOOGER BEROEP OP TE TREDEN. 67
genamen van de in het gelijk gestelde partij, omdat de rechtsvorde-
ring niet op hen is overgegaan en de erfgenamen van de in het
ongelijk gestelde partij, tegen welke de eisch werd toegewezen, kun-
nen de herstelling van den huwelijksband met een overledene niet
vorderen. De echtscheiding heeft dus, ofschoon het vonnis ten aan-
zien van de partijen zelve voor beroep vatbaar was, door het in eer-
sten aanleg gewezen vonnis haar beslag gekregen. Tegen de inschrij-
ving van de echtscheiding ter voldoening van art. 276 jo. 48 B. W.
bestaat geen bezwaar. Van het vervallen van het vonnis door den
dood van een der partijen zegt de wet niets.
Van andere vorderingen wordt de overgang op de erfgenamen niet
uitgesloten en, al volgt de erfgenaam in het door den erflater n a-
gelaten vermogen op, dit belet niet dat ook de rechtsvorde-
ringen betreffende den staat op de erfgenamen overgaan en zelfs door
dezen kunnen worden ingesteld. Zie artt. 311—314 B. W. Daarmede
is hun ook het hooger beroep van vonnissen op de hierbedoelde
vorderingen gewezen toegekend.
Wanneer eene partij, hetzij na de uitspraak van het vonnis, hetzij
vóór die uitspraak, is overleden en dit overlijden geen schorsing van
het geding heeft ten gevolge gehad, hetzij omdat het geding in staat
van wijzen was, hetzij omdat het overlijden niet als oorzaak van
schorsing beteekend werd (art. 255 § 2 jo. 254 no. 1. art. 256 § 1),
dan kunnen wel niet anders dan de erfgenamen in hooger beroep
komen of zal het beroep tegen hen moeten worden ingesteld. In dit
laatste geval kan natuurlijk de bepaling van art. 4 no. 6 in toe-
passing worden gebracht. Maar de partij die in hooger beroep komt,
behoort zich van den toestand der tegenpartij te vergewissen en zou,
door eenvoudig de partij zelve met welke zij in eersten aanleg ge-
dingvoerde in hooger beroep te dagvaarden, van het gevolg van het
beroep verstoken kunnen raken. En dit geldt ook, indien het vonnis
ten name van den overledene werd uitgesproken, doordien er geen
schorsing van het geding had plaats gehad.
Wettelijke vertegenwoordiging. Wanneer een partij in
eersten aanleg door een wettelijken vertegenwoordiger, voogd of curator,
is opgetreden, en zij van die vertegenwoordiging door meerderjarig-
wording of opheffing van curateele is ontheven, dan zal zij in hooger
beroep zelf moeten optreden. Dit maakt geen zwarigheid wanneer
zij zelf in hooger beroep wil komen, maar de tegenpartij zal in
-ocr page 86-
68              HOOFDST. IX. APD. II, HOOGBR BEROEP. T1T. I, HET MIDDEL.
hooger beroep haar zelve in persoon moeten dagvaarden, al heeft de
meerderjarigwording of opheffing van curateele geen aanleiding tot
schorsing gegeven en het vonnis, in dit geval, evenals wanneer zij
na de uitspraak plaats vonden, tegen den vertegenwoordiger in die
hoedanigheid gewezen werd. Bij de dagvaarding in hooger beroep zal
alzoo de tegenpartij op de verandering in den staat hebben te letten.
Immers zou de voogd of curator ten onrechte geroepen op de exceptie
dat hij de hoedanigheid niet heeft, van de instantie ontslagen moe-
ten worden en dan kon de termijn om de partij in persoon nog te
kunnen dagvaarden, licht verstreken zijn. Omgekeerd zal hij die in
eersten aanleg in persoon optrad en sedert onder curateele werd ge-
steld, in hooger beroep moeten gedagvaard worden in den persoon
van zijn curator.
Ten aanzien van gefailleerden volgt uit de bepaling van art.
25 § 1 der faillissementswet, dat ook in hooger beroep de curator
optreedt in gedingen over rechten of verplichtingen tot den boedel
behoorende.
Wat rechtspersonen betreft, deze treden door hunne bestuur-
ders op en wanneer deze in eersten aanleg met name vermeld wor-
den, dan zullen, bij verandering in de personen der bestuurders, de
nieuwe met name vermeld moeten worden, zoowel wanneer zij als
gedaagden worden geroepen als wanneer zij als eischers in hooger
beroep optreden. Verg. Dl. II, bl. 12v.
De zwarigheden die hier kunnen ontstaan, zijn niet aan den bij-
zonderen aard der rechtspersonen, maar aan de onvoldoende regeling van
hun verschijnen in rechte in de wet te danken. Verg. Dl. II, bl. 12 v.
Voor den Burgemeester, die voor de gemeente, en den Commissaris
der Koningin, die namens Gedeputeerde Staten voor de provincie op-
treedt, geldt hetzelfde. Hunne namen en voornamen moeten wel om
art. 5. n°. 2 vermeld worden. Bij verandering in den persoon van
den titularis zal het hooger beroep door den nieuwen titularis met
name moeten worden ingesteld en hij evenzoo moeten worden gedagvaard.
Het eerste kan praktisch in het geheel geen bezwaar opleveren, het
laatste nauwelijks, omdat de verandering in den persoon dezer amb-
tenaren van publieke notorieteit mag geacht worden te zijn. Daarom
is, wat art. 5, n°. 2 hier medebrengt, nog niet goed te keuren. Verg.
Dl. II, t. a. p.
-ocr page 87-
§ 159. DE BEVOEGDHEID OM IN HOOGER BEROEP OP TE TREDEN. 69
De machtiging, welke de gemeente en de Gedeputeerde Staten be-
hoeven tot het voeren van het geding, behoeft niet afzonderlijk voor
het hooger beroep te worden verleend. Zij kan in eens verleend
worden voor het voeren van het geding in alle instanties. Verg.
Oppenheim, Gemeenterecht, bl. 392.
Van de zekerheidstelling maak ik hier melding, omdat de
verplichting daartoe eene belemmering in het procesvoeren voor den
vreemdeling doet ontstaan. Daar evenwel de oorspronkelijk gedaagde
daartoe niet gehouden is, wanneer hij eischer wordt in hooger be-
roep en van den gedaagde in hooger beroep evenmin zekerheidstel-
ling kan worden gevorderd, kan het ontstaan van de verplichting tot
zekerheidstelling in hooger beroep alleen voorkomen, wanneer de
eischer als Nederlander het geding in eersten aanleg aanvangende,
daarna vreemdeling wordt en dan van het in zijn nadeel gewezen
vonnis in hooger beroep komt. De wet ter uitvoering van het traktaat
in verband met de wet van 31 December 1897, Stbl. n°. 275, waarbij
het werd goedgekeurd, zal de toepassing der zekerheidsstelling, ook
in het op zichzelf reeds weinig voorkomende hier bedoelde gevali
zeer beperken. Zij zal wel niet anders kunnen bepalen dan wat uit
het traktaat zelf voortvloeit, dat de verplichting tot zekerheidstelling
voor vreemdelingen alleen bestaat „voorzoover niet bij verdrag met
een anderen staat gesloten, hieromtrent anders mocht zijn bedongen."
Zie art. IV dier wet. Zie verder § 164 sub V.
Zjj die door voeging of tusschenkomst als partij in een tusschen Tusschen-
anderen gevoerd geding zijn opgetreden, zijn, evenals de tot vrywaring komende
geroepenen, tot het instellen van hooger beroep bevoegd.
Ik blijf bij de onderscheiding tusschen voeging en tusschen-
komst, zooals ik die aangaf in Dl III 2e dr. blz. 34 v., en nader
ontwikkelde in Rechtsgeleerd Magazijn XVI (1897) blz. 44 vv. Ik
merk alleen op, dat terwijl ik daar, op gezag van Merula eenerzijds
en van der Linden anderzijds, als met toepassing van het „probatis
extremis probantur media", meende te mogen stellen dat onze oud-
hollandsche praktijk buiten den invloed was gebleven van de, in het
duitsche en fransche proces opgenomen, aan de Romeinen onbekende,
interventie (t. a. p. blz. 47), dit niet juist schijnt, in zoover als althans
bijv. Grotius in zijne Isagoge Lib. VI. cap. 2, na twee soorten
-ocr page 88-
70 HOOFDST. IX. AFD. II, HOOGER BF.ROF.r. TIT. I, HKT MIDDEL.
van voeging (de romeinsche interventie) te hebben vermeld (§ § 18
en 19) daarop in § 20 laat volgen : „Quod tarnen locum non habet
in ea adjunctione quae a tertio opponente fit : is enim tertius, in
causis primae instantiae, suuin tantum interesse prosequitur, et neutri
litigantium ad rem in iudicium deductam, sed sibi soli, ius competere
dicit." Hier wordt blijkbaar de in het duitsche en fransche proces
opgenomen, de aan de Romeinen in dien vorm onbekende, interventie
beschreven.
Hooger beroep van de bij wijze van eigenlijketus-
schenkomst in den eersten aanleg opgetreden partij.
Dat deze partij die, door voor een eigen recht tegen beide hoofd-
partijen te strijden, eene geheel zelfstandige positie innam, ook zelf-
standig in hooger beroep kan komen, lijdt geen twijfel. Zoo goed
als de hoofdpartijen werd zij door hare tusschenkomst partij (art
332) in het door haar tegen de beide anderen gevoerd geding, die
tegelijker tijd den door hen aangevangen strijd voortzetten. Zij stelt
natuurlijk haar beroep in tegen de beide oorspronkelijke of hoofdpartijen
in het geding. Werd dan de tusschenkomende partij in het ongelijk
gesteld, dan zal van de oorspronkelijke partijen de eene tegenover
de andere in het ongelijk gesteld zijn. Deze zal, als zij evenals
hare tegenpartij door de tusschengekomene in hooger beroep werd
gedagvaard, het hooger beroep dat zij zelve tegen het vonnis zou
willen instellen, bij incidenteel beroep kunnen doen gelden. Zij heeft
toch niemand meer te dagvaarden, daar ook de partij die oorspron-
kelijk hare tegenpartij was, reeds gedagvaard is. Werd de tusschen-
gekomen partij in het gelijk gesteld, en werd alzoo de gedaagde in
het oorspronkelijk geding jegens haar veroordeeld, terwijl de oor-
spronkelijke eischer werd veroordeeld om die veroordeeling van den
gedaagde (niet jegens hem maar jegens de tusschengekomene) te
gehengen en te gedoogen, dan zal zoowel de eene als de andere der
oorspronkelijke partijen zich over het vonnis te beklagen kunnen
hebben. Beide kunnen dan ieder zelfstandig voor zich in hooger
beroep komen. Komt de eischer in hooger beroep, hij zal zoowel den
oorspronkelijken gedaagde als de tusschengekomen partij hebben te
dagvaarden om den gedaagde alsnog jegens hem zelven veroordeeld
te krijgen en diens veroordeeling jegens de tusschengekomene te doen
vernietigen. Komt de gedaagde in hooger beroep, hij zal alleen de
tusschengekomen partijen hebben te dagvaarden, dewijl hij jegens deze
alleen veroordeeld, van de aanspraak des oorspronkelijken eischers
-ocr page 89-
§ 159. DE BEVOEGDHEID OM IN HOOGER BEROEP OP TE TREDEN. 71
werd ontslagen. Deze oorspr. eischer zal dan op zich zelf in hooger
beroep moeten komen. Hij zal beide partijen moeten dagvaarden en
de beide gedingen zullen in hooger beroep moeten worden gevoegd.
Om de hieruit ontstaande complicatie te voorkomen, zal de oorspron-
kelijke eischer ook op nog eenvoudiger wijze zijn recht kunnen hand-
haven door nu op zijne beurt in hooger beroep tusschen te komen.
Langs den weg van tusschenkomst komt hij dan van het vonnis dat
hem in het ongelijk stelde in hooger beroep. Het komt mij voor dat
zelfs zij die de tusschenkomst voor het eerst in hooger beroep niet
toelaten, er in dit geval geen bezwaar tegen kunnen hebben, daar
toch het hooger beroep aan den oorspronkelijken eischer niet kan
worden ontzegd en het bezwaar louter formeel, om niet te zeggen
gezocht, ja zelfs chicaneus zou zijn !
Hooger beroep van de in eersten aanleg gevoegde
partij. Een gevoegde partij zal, wanneer eene der hoofdpartijen van
het vonnis in hooger beroep komt, in hooger beroep moeten worden
gedagvaard. Al staat het haar vrij om van hare voeging in hooger
beroep af te zien en alzoo hare deelneming aan den strijd te laten
varen, zij werd in eersten aanleg tot die deelneming toegelaten en
zoowel degene aan wiens zijde zij zich plaatste, als de andere partij
moeten haar als deelgenoote in den strijd erkennen en in de gele-
genheid stellen, die deelneming voort te zetten. Zal zij evenwel, als
de partij bij welke zij zich gevoegd heeft, in het ongelijk gesteld
werd en niet in beroep komt, zelve in hooger beroep kunnen komen ?
Wel te onderscheiden van deze vraag is die andere of eene partij
die zich in eersten aanleg niet voegde van het middel van hooger
beroep gebruik kan maken om zich alsnog te voegen ? Deze laatste
vraag zal ik bij de behandeling van de voeging en tusschenkomst als
incident voor het eerst in hooger beroep beantwoorden (Zie § 164 sub III).
Op beide vragen wees ik, als in \'t voorbijgaan, in Dl. III, § 82,
bl. 67 en gaf door de wijze, waarop ik dit deed, licht tot misverstand
aanleiding. Ik verbeterde later de onduidelijkheid in mijne verhan-
deling over het werk van de Paepe, Etudes sur la compétence civile
in Rechtsgeleerd Magazijn Dl. X (1894) bl. 281 v. En zoo
meende ik dan de vraag, of een gevoegde partij zelfstandig in
hooger beroep kan komen, wanneer hare hoofdpartij dit niet doet,
bevestigend te moeten beantwoorden. Wanneer de wet in art 332
aan partijen de bevoegdheid toekent om in hooger beroep te komen
-ocr page 90-
72        HOOFDST. IX. AFD. II, HOOGER BEROEP. TIT. I. HET MIDDEL.
dan is daaronder ook de gevoegde p a r t ij begrepen. In art. 285 worden
de gevoegde of tusschenkomende belanghebbenden wel niet met name
als partijen aangeduid, maar die qualificatie volgt toch daaruit dui-
delijk genoeg; in art. 152 worden zij ook als partijen behandeld,
en in art. 376 wordt hun de hoedanigheid van partij gegeven. In
het algemeen kan hun derhalve de bevoegdheid om in hooger beroep
te komen toegekend zijn. Toch zoude het eigenaardig karakter van
gevoegde partij met de toekenning van die bevoegdheid in strijd
kunnen zijn en zoo meende ik, in Rechtsgeleerd Magazijn t. a. p. bl.
282, te moeten onderscheiden, en de bevoegdheid van de gevoegde
partij om zelfstandig in hooger beroep te komen alleen te moeten
toekennen aan die gevoegde partij, aan welke met het c a u s a e
adesse ook het causam agere toekomt. Hierin ligt een terug-
slag op de onderscheiding, welke ik meende op het voorbeeld van
de Civilprozessordnung § 66 in verband met § 64 ook voor ons
recht te kunnen aannemen en eene meerdere zelfstandigheid, met
name het causam agere, aan de gevoegde partij te moeten toe-
kennen en haar als mede-eischer of medegedaagde, „Streitgenosse",
te kunnen beschouwen: „insofern nach den Vorschriften des bürger-
lichen Rechts die Rechtskraft der in dem Hauptprozesse erlassenen
Entscheidung auf das Rechtsverhaltniss des Nebenintervenienten von
Wirksamheit ist." Hiertoe wordt dan, naar de toelichting, het geval
gebracht dat een legataris als gevoegde partij optreedt in een tus-
schen de erfgenamen gevoerd geding over de geldigheid van het
testament, in tegenstelling van het geval dat de gevoegde partij als
zoodanig optreedt, omdat de veroordeelde hoofdpartij op hem verhaal
zou kunnen nemen. Bij nader inzien komt mij de onderscheiding,
zooals die door den duitschen wetgever gemaakt wordt, onaanne-
melijk voor. Zij heeft in hare formuleering en in verband met de
toelichting daarvan gegeven te veel onzekerheid (Verg. o.a. Wach,
Handbuch des deutschen Civilprozessrechts I, § 58.). Ook is zij niet
van dien aard, dat zij geacht mag worden inhaerent te zijn aan de
instelling, zooals die bij ons in de wet, zonder nadere ontwikkeling,
is opgenomen en daardoor erkend, te minder omdat aan het causam
agere eene beteekenis wordt gegeven, die m. i. niet strookt met de
beteekenis die daaraan in de bronnen wordt toegekend.
De voeging heeft, in overeenstemming met de romeinsche interventio,
de strekking dat een derde belanghebbende in een tusschen anderen
gevoerd geding opkomt, ten einde eene der partijen in hare verde-
-ocr page 91-
§ 159. DE BEVOEGDHEID OM IN HOOGER BEEOEP OP TE TREDEN. 73
diging bij te staan en door haar recht te verdedigen tevens haar
eigen belang te bevorderen of ook eene anders mogelijke verwaar-
loozing of verkorting van haar belang tegen te gaan. Zoolang de
gevoegde partij niet anders doet dan met hare handelingen de over-
winning van de zaak harer hoofdpartij te bevorderen, ligt hierin,
naar de romeinsche opvatting, alleen een causae adesse geen
causum agere. Dit laatste wordt eerst het geval, wanneer de
gevoegde partij in het handelen of niet handelen eene collusie of
ook een verzuim ten haren nadeele ontdekkende tegen dat handelen
of niet handelen opkomt „. . . . et hodie hoc iure utimur ut possint
appellare: sed et agere causam apud ipsum iudicem qui de tes-
tamento cognoscit si suspicantur non ex fide heredem cau-
sam agere. 1. 14 § 1 D. de appellationibus 49, 1, 1. 5 § 1—4 eod.
1. 29 pr. de inofficioso testamento 5, 2. Wanneer nu 1. 5 pr. hetzelfde
zegt van de fideiussores, van borgen alzoo die recht van verhaal
hebben op een van de partijen in het geding: „item fideiussores pro
eo pro quo intervenerunt" waarop dan volgt: „igitur et venditoris fide-
jussor emtore victo appellabit" (i. q. causam aget), dan blijkt daaruit,
dunkt mij, dat daarbij geen onderscheid wordt gemaakt tusschen den
legataris en den tot verhaal gerechtigde, maar dat aan beide om
dezelfde reden het recht tot causam agere wordt toegekend en
leveren deze pandektenplaatsen allerminst grond op om tusschen beiden
onderscheid te maken, met het oog op den onderscheiden invloed,
welken het vonnis tusschen de hoofdpartijen op de rechtsbetrekking
van een en ander dier gevoegde partijen zou hebben. En inderdaad,
indien er al verschil mocht bestaan in den invloed, welken het
vonnis op de hoofdzaak op die tweeërlei rechtsbetrekking zou hebben,
staat die invloed toch in dit opzicht gelijk, dat het vonnis op de hoofd-
zaak in het een zoowel als in het andere geval een middellijken
invloed op de rechtsbetrekking der gevoegde partij uitoefent. Verg. Dl. III,
bl. 60. Immers, wanneer bij een vonnis tusschen den erfgenaam bij versterf
en die krachtens testament, de nietigheid van den uitersten wil werd
uitgesproken, dan staat die nietigheid vast, de testamentaire erfge-
naam verliest deze zijn hoedanigheid, is verplicht de nalatenschap
aan den erfgenaam bij versterf uit te keeren, en op grond van die
feiten is de legataris verstoken van de mogelijkheid om zijn beweerd
recht te handhaven. En zoo zal ook, waar een borg veroordeeld werd,
diens recht op den hoofdschuldenaar zijn uitgemaakt, voorzoover dit
van den betalingsplicht van dien borg afhankelijk is. De legataris
-ocr page 92-
74              HOOPDST. IX. APD. II, HOOGER BEROEP. TIT. I. HET MIDDEL.
zou, evenals de hoofdschuldenaar, door zich in de hoofdzaak te voe-
gen, alle handelingen hebben mogen en kunnen verrichten, welke
zouden kunnen strekken om aan den testamentairen erfgenaam tegen-
over den erfgenaam bij versterf, den borg tegenover den hoofd-
schuldenaar de overwinning te verschaffen. Beide zullen ook zelfstandig
mogen optreden, causam agere, wanneer er collusie of verzuim
door de hoofdpartij gepleegd mocht worden, maar voor geen van
beiden bestaat er reden, om den een eer dan den ander op grond
daarvan tot strijdgenoot der hoofdpartij te maken. Het causa e
a d e s s e geeft dus tot causam agere aanleiding. Maar, terwijl
dit laatste op grond van collusie of verzuim plaats heeft dus op
die w ij z e in een causam agere tegen beide partijen kan over-
gaan en er gevallen kunnen zijn, dat zelfs het causae adesse
met het oog op collusie of verzuim plaats heeft, een vereischte
tot voeging is collusie of verzuim niet. Bij ons komt eene aan de
voeging zeer nauw verbonden tusschenkomst, ofschoon toch de eerste
op den voorgrond staat, vooral uit bij het recht van tusschenkomst
aan de schuldeischers van den man in het geding tot scheiding van
goederen toegekend. Zie Dl. III, 2e dr., bl. 61 v. Dat in dit cau-
sam agere op deze wijze aan het causae adesse verbonden
de kiem ligt van wat zich later tot de eigenlijke tusschenkomst als
zelfstandige instelling heeft ontwikkeld, is hoogst waarschijnlijk.
Met het oog op deze bijkomende strekking van de voeging zou zij
ook moeten worden Toegelaten, ingeval de gedaagde verstek liet gaan.
Want in dat wegblijven van den gedaagde ligt in ieder geval een
verzuim harerzijds, waartegen de tot voeging gerechtigde belang-
hebbende ook in dit geval moet kunnen opkomen. Ondersteuning in
den strijd is zeker niet mogelijk, omdat er geen strijd wordt gevoerd;
maar ondersteuning is niet het eenige wat de partij doen mag. Ik
moet dan ook erkennen dat de bezwaren, die ik daartegen deed
gelden, Dl. III, bl. 68, meer van formeelen aard zijn, dan van ma-
terieelen en dat het Hof van Amsterdam, bij arrest van 30 April
1891, W. 6165, tegen het bezwaar ontleend aan art. 85, welks
woorden „een geding hangende tusschen andere p ar tij en" mijn
bezwaar schijnen te steunen, terecht kon opmerken, dat de partij,
die verstek liet gaan, ook partij heet. Ook door het Hof van Am-
sterdam, 30 Oct. 1894, W. 6638 wordt interventie in verstekzaken
toegelaten. Met het motief dat interventie een recht is, dat door de
houding van andere partijen volgens algemeene rechtsbeginselen niet
-ocr page 93-
§ 159. DE BEVOEODHEID OM IN HOOGER BEROEr OP TE TREDEN. 75
kan worden ontnomen, bepaald niet door den wil van eene der par-
tijen, vereenig ik mij niet. Zeker kan een derde mij mijn recht niet
ontnemen en geen twijfel of niet de algemeene rechtsbeginselen uit-
gedrukt in het „alterum non laedere" en suum cuique tribuere"
daaraan in den weg staan. Maar met zulke algemeene rechtsbegin-
selen bewijst men niets, zoolang niet vaststaat, dat er een recht
bestaat, wat hier juist de vraag is. Is dat eens bewezen, dan kan
men die algemeene rechtsbeginselen missen. Op de wijze als zij in \'t
aangehaald vonnis worden gebruikt, en dat is bij ons rechtsgeleerden
niet ongewoon, worden het gevaarlijke wapenen, die tot onrecht aan-
Ieiding kunnen geven. Toch wijst hun gebruik ook wel eens op een
rechtsg e v o e 1, dat zich nog niet door een rechts g r o n d te rechtvaar-
digen weet. Intusschen blijft het bezwaar, ontleend aan de wijze waarop
de voeging moet plaats hebben, en dit is er door de herziening van
1896 niet minder op geworden. Al wilde art. 286 (oud) afschrift
van het verzoekschrift beteekend hebben aan de gekozen woon-
plaats van partijen, men kon desnoods tot toelating van voeging
ook in verstekzaken, op materieel procesrechtelijken grond, gezind
zijn te zeggen, dat daaraan niet anders kon worden voldaan dan
voor zoover woonplaats gekozen was, dus niet aan die
van de niet verschenen gedaagde, en dan nog eene beteekening aan
de werkelijke woonplaats als een blijk aannemen dat alles gedaan was
wat gedaan kon worden; maar wat zal de tot voeging gezinde
partij nu aanvangen, als de eischer dadelijk conclusie neemt (art.
77)? dan is de laatste conclusie genomen en de bevoegdheid
om zich te voegen voor uitoefening niet meer vatbaar. Klaarblijkelijk
heeft men, bij de herziening van 1896, alleen er aan gedacht om de
artt. 286—288 formeel in overeenstemming te brengen met de afschaffing
van het onderscheid in summiere en gewone behandeling der zaken.
De gevolgen achtte men niet noodig na te gaan; als \'t niet goed liep,
dan zat de fout in de bestaande wet. Dit is bij deze herziening eene
leidende gedachte geweest. Misschien zal men eens met goeden uit-
slag kunnen beweren, dat het in verstekzaken niet zeker is, of
die conclusie des eischers wel de laatste zal zijn, daar immers altijd
nog de gedaagde, zoolang het vonnis ten profijte van het verstek nog
niet gewezen is, verschijnen kan en conclusie nemen. (art. 89a).
De gevoegde partij zal alzoo, zonder dat het onderscheid mag
gemaakt worden, dat ik in het Rechtsgeleerd Magazijn 1894, bl. 282
wilde in acht genomen zien, van het vonnis waarbij hare hoofdpartij,
-ocr page 94-
76 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP, TIT. I. HET MIDDEL.
in het ongelijk gesteld werd, zelfstandig in hooger beroep mogen
komen en daartoe die hoofdpartij, zoowel als de tegenpartij moeten
dagvaarden. En wil de hoofdpartij aan het geding in hooger beroep
geen deel nemen, zij mag stilzitten, maar kan de gevoegde partij niet
beletten om het verhandelde in eersten aanleg aan het oordeel des
hoogeren rechters te onderwerpen. Had de gevoegde partij de han-
deling der hoofdpartij reeds in eersten aanleg op grond van collusie
(of verzuim) bestreden en werd zij daarop in het ongelijk gesteld,
dan zal zij als eene tusschenkomende partij zelfstandig in hooger
beroep komen tegen beide partijen.
Eene in vrijwaring geroepene is of partij in het geding tot vrij-
waring of tevens gevoegde partij in het hoofdgeding. Ook kan zij
de zaak van den gedaagde hebben overgenomen. De eene of de
andere omstandigheid zal de wijze van optreden der in vrijwaring
geroepene partij in hooger beroep bepalen, doch altijd is zij als
partij tot hooger beroep bevoegd.
§ 160. BIJZONDERE VEREISCHTEN TOT HET HOOGER BEROEP.
Vereischten. Het hooger beroep is gebonden 1 ° aan een termen binnen welken het
moet, 2o. aan een termjjn binnen welken het niet mag ingesteld
worden; 3°. vervalt het voor hem die in het vonnis berust; 4° is het
in een byzonder geval afhankelijk van eene voorafgaande voldoening
aan het vonnis.
Termijn bin- I. De termijn binnen welken het hooger beroep moet worden ingesteld
nen we en. jg .Q ^eu regel: van drie maanden, te rekenen van den dag
waarop het vonnis is uitgesproken. Art. 339 § 1.
Bij overlijden van de in het ongelijk gestelde partij, gedurende den
loop van den termijn, kan het hooger beroep door hare erfge-
namen of rechtverkrijgenden nog worden ingesteld binnen drie maanden
na dat overlijden, of zoo de erfgenamen van het recht van beraad
gebruik maken, binnen ééne maand na afloop van den daarvoor gestelden
termijn. Art. 341.
De termijn is niet toepasselijk op het incidenteel beroep. Art. 339 § 2.
Ten aanzien van uitspraken in kort geding is de termijn veertien
dagen. Art. 295 § 2.
-ocr page 95-
§ 160. BIJZONDERE VEREISCHTEN TOT HET HOOGEB BEROEP.         77
Het beroep van een preparatoir vonnis is afhankelijk van en ge- Preparatoire
bonden aan het beroep van het eindvonnis. De termyn van het beroep vonnissen-
van een preparatoir vonnis is alzoo die van het eindvonnis, art. 336.
Interlocutoire en incidenteele vonnissen hebben hun eigen termen interlocutoire
van beroep in zoover als daarvan beroep kan worden ingesteld vóór en inciden-
dat het eindvonnis werd gewezen. Dit vervalt door de verklaring des nissen,
rechters dat het beroep van het interlocutoir of incidenteel vonnis niet dan
tegelijk met dat van het eindvonnis mag worden ingesteld, art. 337 § 2.
Wordt het beroep tegelyk met dat van het eindvonnis ingesteld, dan
is het aan den termyn van beroep van het eindvonnis gebonden.
Het hooger beroep van een vonnis op een provisioneele vordering provjsjen
gewezen, kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen, doch
ook tegelyk met het beroep van het eindvonnis, art. 337 § 1.
II.  Binnen de eerste acht dagen na de uitspraak mag geen hooger Termi:n bul.
beroep worden ingesteld. De nietinachtneming van dit voorschrift heeft nen welken
niet.
niet-ontvankelijkverklaring van den appellant ten gevolge. Hy kan even-
wel het beroep op nieuw instellen, indien de daarvoor bepaalde termyn
niet verstreken is.
Gedurende die acht dagen mag het vonnis dan ook niet tenuitvoerge-
legd worden. Is het vonnis evenwel by voorraad uitvoerbaar verklaard,
dan kan ook het beroep binnen de acht dagen ingesteld worden, art. 342.
III.   De partij die van een vonnis in hooger beroep wil komen moet Berusting
niet in dat vonnis hebben berust. Door berusting wordt het hoogerdoet verval_
beroep niet ontvankelyk. art. 334.
Niet echter voor elke party, want de party die in het vonnis heeft
berust, wordt niet verstoken van de bevoegdheid om incidenteel in
beroep te komen. art. 339 § 2.
IV.   Wanneer een vonnis overeenkomstig artikel 79 § 2 als een vonnis Hooger be-
op tegenspraak wordt beschouwd, nadat aanvankelyk tegen een of meer r?ep van,von"
mss6n Siis op
niet verschenen gedaagden verstek werd verleend, dan is de bij de tegenspraak
herhaalde behandeling niet verschenen party niet bevoegd om tegen gewezen.
dat als op tegenspraak gewezen vonnis in verzet te komen. Indien dit
-ocr page 96-
78              HOOFDST. IX. APD. II. HOOGER BEROBP. TIT. I. \'HET MIDDEL.
vonnis evenwel voor hooger beroep vatbaar is, kan die niet verschenen
partij in hooger beroep komen, mits zy vooraf aan het vonnis voldoe
tegen het stellen van zekerheid. Zrj is tot die voldoening aan het vonnis
verplicht, al ware dit niet by voorraad uitvoerbaar verklaard. Art. 335 § 2.
Ad I en II. T e r m ij n e n.
Het middel van hooger beroep is aan tweeërlei t e r m ij n ge-
bonden : 1 ° een termijn na verloop van welken het niet meer inge-
steld kan worden; 2° een termijn binnen welken het niet mag worden
ingesteld.
Op het voorbeeld van den C. d .pr. was in 1838 ook in ons Wet-
boek de aanvang van den termijn afhankelijk gesteld van de be-
teekening van het vonnis. Op zich zelf geen onredelijke bepaling.
Wanneer de eischer gelijk heeft gekregen, zal hij \'t in zijn belang
achten de tenuitvoerlegging van het hem voordeelig vonnis te bevorderen.
De beteekening daarvan is eene vermaning aan den veroordeelde
dat tot die tenuitvoerlegging zal worden overgegaan, en hij zal ter
voorkoming daarvan in hooger beroep moeten komen of voldoen. De
beteekening stelt hem door het afschrift van het vonnis, dat daarbij
afgegeven werd, in de gelegenheid om daarvan behoorlijk kennis te
nemen. De beteekening is bovendien een duidelijke herinnering aan
den aanvang van den termijn. Werd evenwel de gedaagde in \'t ge-
lijk gesteld, dan bestaat voor dezen minder aanleiding om door be-
teekening tot hooger beroep uittelokken doch, terwijl dan de termijn
niet loopt, loopt hij gevaar, langen tijd nadat het vonnis des eersten
rechters hem gelijk gaf, tot hervatting van het proces opgeroepen
te worden. Ook kan voor den eischer, die gelijk kreeg, de noodzake-
lijkheid der beteekening wel eens een bezwaar opleveren, als hij wegens
onvermogen des veroordeelde tot tenuitvoerlegging niet zou willen
overgaan. Hij die den inhoud van het vonnis nader wil overwegen,
kan tot de kennis daarvan wel langs anderen weg geraken en zich
zelven die kennis verschaffen. Zoo gaf het hooger beroep, door den
termijn van drie maanden met de beteekening te doen aanvangen,
tot eene bedenkelijke verlenging van den duur der gedingen aan-
leiding. De fransche wetgever zocht in 1862 verbetering in ver-
korting van den termijn van drie tot twee maanden. Met afschaffing
van de beteekening deed onze wetgever, bij de wet van 1896 no.
203, den termijn van drie maanden aanvangen met den dag der
uitspraak. De praktizijns zullen er nu aan moeten wennen om
-ocr page 97-
§ 160 BIJZONDERE VEREISCHTEN TOT HET HOOGER BEROEP.                79
dien dag der uitspraak te gedenken en dan is drie maanden niet
te lang, als men bedenkt dat binnen acht dagen na de uitspraak
niet geappelleerd mag worden en dat er altijd eenige tijd moet ver-
loopen voordat men een afschrift van het vonnis ter griffie heeft ver-
kregen, wat men voor het hooger beroep zeker ook in het. vervolg noodig
zal hebben. Verg. het Ontwerp van 1865 art. 11 van den aang. titel.
Ik zeide dat de wet den termijn van drie maanden thans doet
aanvangen met den dag der uitspraak. De wet zegt in art. 339 „te
rekenen van den dag der uitspraak." Het is duidelijk dat die ter-
mijn korter of langer zal zijn, naarmate de maanden welke in den
termijn vallen meer of minder dagen zullen hebben. Zal de dag van
de uitspraak meetellen en zal de dag, waarop in hooger beroep wordt
gekomen, meetellen? „Dies termini non computatur in termino."
Ja, dien regel past de wetgever toe in art. 8 en in verband daar-
mede spreekt hij ook wel van v r ij e dagen. Maar als bij een in den
regel korten termijn van dagen die uitbreiding voor de hand scheen te
liggen, we hebben hier in den regel met maanden te doen en
van v r ij e maanden wordt hier niet gesproken. Is evenwel de be-
paling van art. 8 inderdaad niet algemeener dan zij wel lijkt in
verband met de dagvaardingen, welke een dag tegen welken gedag-
vaard wordt onderstellen, en niet, althans in den regel niet binnen
een bepaalden termijn moeten gedaan worden, (zie ook § 2 van art. 8)
terwijl dit bij beteekeningen wel het geval is? Deze laatste moeten
of moesten veelal in het hier besproken geval, binnen een zekeren
termijn gedaan worden. Daarop kon dus ook art. 8 eerste lid niet
anders van toepassing zijn dan door den termijn te rekenen tusschen
den dag voor den aanvang bepaald en den dag der beteekening
en alzoo moet de appellant, al is er geen beteekening meer noodig
voor het doen loopen van den termijn, drie maanden voor het appèl
vrij hebben. Wanneer alzoo een vonnis op 31 Januari wordt uitge-
sproken, dan zouden de maanden Februari, Maart en April den
appellant vrij toekomende, het op 1 Mei ingestelde hooger beroep
nog ontvankelijk moeten zijn. Naar het gestelde voorbeeld zou
21 April de laatste dag zijn voor het hooger beroep van een op
20 Januari gewezen vonnis. Zal ook niet, waar uit het laten verloopen
van den termijn besloten wordt tot den wil om niet te appelleeren,
de vraag, of van dien wil op den bekwamen tijd bleek, niet in
geval van twijfel in den voor den appellant gunstigen zin moeten
worden beantwoord?
-ocr page 98-
80              H00FDST. IX, APD. II, HOOGER BEROBP. TIT. I. HET MIDDEL.
Bij de uitspraken van den president in kort geding is de termijn
tot 14 dagen beperkt. De onverwijlde voorziening welke hier wordt
vereischt is de reden van deze uitzondering. Daarom kan het hooger
beroep ook onmiddellijk na de uitspraak ingesteld worden, art. 295.
Neemt men in aanmerking dat het hier voorzieningen bij voorraad
geldt, die geen nadeel toebrengen aan de zaak ten principale (art.
292), d. w. z. ten opzichte van de hoofdzaak geen vooroordeel in-
houden, dan bestond er, dunkt mij, reden om het hooger beroep van
deze beslissingen uit te sluiten, evengoed als bijv. de rechtbanken
zonder hooger beroep over bezitrechtelijke vorderingen uitspraak
doen.
Behalve deze uitzondering komen er nog andere voor. Zoo in art.
487, hetwelk voor het hooger beroep van uitspraken over geschillen
betreffende de rangregeling bij executie op roerende goederen den
termijn bepaalt op 14 dagen na de uitspraak (vroeger tien dagen
na beteekening van het vonnis). In art. 513 wordt het hooger be-
roep van een vonnis betreffende een geschil over den rang tusschen
schuldeischers die beslag op onroerend goed vervolgen, uitgesloten
na verloop van acht dagen na de uitspraak. Zoo is ook de termijn
voor het beroep van eene uitspraak, betreffende het niet vermeld
zijn der formaliteiten bij een tenuitvoerlegging op onroerend goed
van acht dagen sedert de uitspraak, art. 533. Voorts is de termijn
voor het beroep van eene revindicatie van onroerend goed tegen een
inbeslagneming, 14 dagen na de uitspraak, art. 542; voor het beroep
van een vonnis, betreffende de rangregeling bij executie van onroe-
rend goed eveneens 14 dagen na de uitspraak, art. 558. Dezelfde
termijn geldt, volgens art. 803, voor het hooger beroep van vonnissen
betreffende opheffing van stuiting van een huwelijk. Bij een vonnis
van failietverklaring is de termijn van beroep evenals bij het vonnis
op het verzet tegen eene failietverklaring gewezen, drie dagen na den
dag der uitspraak. Eene afwijzing van eene faillietverklaring laat
hooger beroep toe gedurende acht dagen na den dag dier afwijzing,
art. 8 en 9 der faillissementswet. Eene beschikking over de homo-
logatie van accoord is eveneens gedurende acht dagen, na den dag
waarop zij gegeven werd, voor hooger beroep vatbaar. Van al deze
uitzonderingen ligt de reden voor de hand. Opmerking verdient
alleen, dat in sommige gevallen de termijn reeds in 1838 van den
dag der uitspraak gerekend werd.
-ocr page 99-
§ 160. BIJZONDERE VEKKIBCHTRN TOT HRT HOOGKR BEROEP.                 81
Dat voor erfgenamen der in het ongelijk gestelde partij de termijn
van hooger beroep niet loopt, van den dag der uitspraak, maar van
den dag van het overlijden, indien dit gedurende den loop van den
termijn plaats heeft en dat, zoo zij van het recht van beraad gebruik
maken, hun nog een termijn van eene maand gegund wordt na afloop
van den voor het beraad gestelden termijn, is terecht in art. 341
bepaald. De bepaling werd aldus gewijzigd nu van eene beteekening
aan de gezamenlijke erfgenamen ten sterf huize geen sprake meer kan
zijn, en dat de drie maanden, welke, volgens het oude artikel, na den
afloop van den termijn van beraad werden gegund tot ééne maand
werden ingekort, is zeker goed te keuren. Maar hoe zal het gaan,
als de in \'t ongelijk gestelde partij reeds in den loop van \'t geding
in eersten aanleg overleed en er geen schorsing van het geding om
dat overlijden heeft plaats gehad ? Wil men de erfgenamen dan niet
plaatsen tusschen het dilemma om van het hooger beroep af te zien
of door hooger beroep in te stellen het recht van beraad te verlie-
zen, dan moet men de slotbepaling van art. 341 wel bij analogie
toepassen, of de erfgenamen zullen tot het instellen van hooger
beroep, overeenkomstig art. 1073 BW., machtiging van den rechter moe-
ten vragen. Maar zal, wanneer de erfgenamen niet van het voorrecht
van beraad gebruik maken, voor hen de termijn van drie maanden
na de uitspraak wel niet te kort kunnen blijken ? Naar de oude wet
werden zij, als zij niet aan het geding hadden deelgenomen, altijd
gewaarschuwd door de beteekening.
Het hooger beroep wordt door den wetgever alleen binnen den
daarvoor gestelden termijn toegekend. De bevoegdheid daartoe staat
en valt alzoo met het verloop van den termijn. Van verjaring is
geen sprake, het verloopen van den termijn brengt verval van het
recht mede. „Ces délais emporteront déchéance" zegt de C. de pr.
met zoovele woorden in art. 444 en ons art. 340 zeide het niet
minder duidelijk, waar het bepaalde dat na verloop van den termijn
geen beroep meer kan plaats hebben. Het was dan ook te
verklaren, deels uit de herinnering aan de Ord. van 1667, welke het
dubbel van den termijn aan gemeenten, godshuizen, kerken, enz. toe-
kende, deels uit eene herinnering aan de verjaring, welke ten bate
van minderjarigen geschorst wordt, dat nog verder uitdrukkelijk in
art. 444 C. de pr. werd bepaald dat de termijn tegen alle partijen
loopt. Maar vooral verklaart zich dit voorschrift daaruit, dat het tot
inleiding strekte van de bepaling, dat de termijn niet loopt tegen
V
                                                                                                    6
-ocr page 100-
82              H00FD8T. IX. AFD. II, HOOGER BEROEP. TIT. I, HET MIDDEL.
den minderjarige die geen handlichting bekomen heeft, dan van den
dag waarop het vonnis aan den voogd zal zijn beteekend. Dit was
op zichzelf niets bijzonders, omdat de minderjarige door zijn voogd
in het geding staat. Maar de bepaling van art. 444 C. de pr., waaraan
onze wetgever de bepaling van art. 340 (oud) ontleende, had vooral
daarin hare beteekenis, dat de beteekening van het vonnis ook moest
geschieden aan den toezienden voogd, en daarom voegde de
fransche wetgever er bij „encore que ce dernier n\'ait pas été en
cause". Toen onze wetgever deze pointe van de bepaling wegliet,
sprak het wel van zelf, dat de termijn niet aanving, dan met de
beteekening van het vonnis aan den voogd, en zoo kon dit voor-
schrift wel vervallen toen de noodzakelijkheid van de beteekening in
het geheel werd opgeheven. Denkt men aan het geval dat het vonnis
tegen den vader eens minderjarigen werd gewezen en de voogdij eerst
daarna openviel, dan ware eene schorsing van den termijn ten be-
hoeve van den minderjarige zelven van belang, doch daarin voorziet
art. 341, door aan de erfgenamen van eene overleden, in het onge-
lijk gestelde partij toe te staan, binnen drie maanden na het over-
lijden of binnen eene maand na afloop van den termijn van beraad
alsnog in hooger beroep te komen. De na de uitspraak van het von-
nie optredende voogd heeft alzoo tijd genoeg om te overwegen, of
het al dan niet in het belang van den minderjarige zijn zal om in
hooger beroep te komen. De bepaling ten aanzien van het recht van
beraad is geheel in overeenstemming met art. 1072 B. W. en 159
§ 2 (oud) B. R. (Verg. art. 141 nieuw). De bepaling van art. 341
is evenwel niet toepasselijk op den termijn van 14 dagen voor het
hooger beroep van de uitspraken in kort geding. De verlenging van
den termijn wordt daar niet overgenomen noch toepasselijk verklaard
en de zoo korte termijn zelf en de reden daarvoor, sluiten de toe-
passelijkheid uit. Het gevolg is, dat het instellen van hooger beroep
in dit geval onder de handelingen in art. 1079 B. W. bedoeld moet
gebracht worden. Dit geldt van alle die kortere termijnen van verval,
waarop ik hierboven wees. Evenmin als in artt. 340 en 341 (oud)
is in het tegenwoordig art. 341 voorzien in het belang van uit den
echt of van tafel en bed of van goederen gescheiden vrouwen, noch in
andere gevallen, in welke volgens art. 254 schorsing van een geding
kan plaats hebben en die nu, èn naar den inhoud van art. 254 en naar
art. 341, tot schorsing of verlenging van den termijn van hooger beroep
geen grond kunnen geven. Dat daaraan iets hapert is duidelijk.
-ocr page 101-
§ 160. BIJZONDERE VEREISCHTEN TOT HET HOOQER BEROEP.               83
Kon nü art. 340 § 3 gevoegelijk worden geschrapt, en zou men ook
§ 2 van dat artikel niet missen als \'t er niet stond, iets anders moet
van art. 340 § 1 gezegd worden, waarin gelijk ik opmerkte, de ter-
mijn van beroep zoo duidelijk tot een termijn van verval (déchéance)
werd gestempeld. Immers nu ook die § werd ingetrokken, ontstaat
de vraag, of het verval van het hooger beroep al of niet ambtshalve
door den rechter moet worden uitgesproken. Het is zeker eene on-
houdbare, meer naar eene uitvlucht gelijkende redeneering, van Mrs.
Hartogii en Cosman, op art. 340 no. 2, bl. 133, dat uit de in-
trekking van art. 340 § 1 geen grond voor de beslissing der gestelde
vraag mag geput worden, omdat die intrekking om gansch andere
redenen plaats had. Het is toch niet te ontkennen dat met de in-
trekking der bepaling vervalt een zeer afdoende grond, welken zij
voor de ambtshalve toepassing van het verval opleverde.
Verder evenwel dan te erkennen dat er voor twijfel grond be-
staat, ga ik niet. Voor mij zelven twijfel ik niet. Al moge de wet-
gever in het algemeen het hooger beroep noodzakelijk achten en de
toelating daarvan als regel vooropstellen, het kon hem niet ontgaan
dat het zijne bezwaren heeft, doordien het de onzekerheid omtrent
de rechtsbetrekkingen waarover geschil, doet voortduren en de pro-
cessen kostbaarder maakt. Daarom werd de bevoegdheid om in hooger
beroep te komen aan een termijn gebonden en is zij alleen gegeven
mits er binnen den termijn gebruik van gemaakt
worde. Daarom heeft dan ook de beslissing der vraag met de
lijdelijkheid des rechters niets uit te staan en de vraag, of de
termijn de publieke orde raakt is uitgemaakt, als de wetgever zegt
dat na verloop van den termijn geen beroep meer kan plaats
hebben. Doch ditzelfde ligt, gelijk ik zeide, in de toekenning der
bevoegdheid met gebondenheid aan een termijn opgesloten. Dergelijke
bepalingen, het wordt bij de toepassing der voorschriften omtrent de
rechtsvordering maar al te dikwijls uit het oog verloren, spreken
niet alleen tot partijen, maar ook tot den rechter, met wiens mede-
werking de partijen de orde herstellen in hunne rechtsbetrekkingen
langs den in de wet aangewezen weg van rechte. Daarom ware ook
eene bepaling, waarbij veroorloofd werd van het beroep op den ver-
loopen termijn afstand te doen, hier noodzakelijk, veel meer dan bij
de verjaring. De verjaring, die om de onzekerheid ten aanzien van
het bestaan van een recht verder onderzoek afsnijdt, moet niet be-
letten dat een recht omtrent welks bestaan niettemin zekerheid be-
-ocr page 102-
84 HOOFDST. TX. AFD. TI. HOOGEE BEROEP, TIT. I, HET MIDDEL.
staat, erkend worde. De wet moet, waar zij kan, voorkomen dat het
summum ius summa iniuria worde. Maar kan zelfs de ruimst op-
gevatte loyauteit meebrengen, dat van het beroep op een verloopen
termijn van appèl worde afstand gedaan ? Misschien tusschen de
procureurs, maar tusschen de partijen zeker niet.
De vraag, of wij, bij het al of niet gedaan beroep op den ver-
loopen termijn, met een grond dan wel met een middel van verdediging
te doen hebben, is er m. i. geene, voor wie het onderscheid tusschen
grond en middel kent. Verg. Ha-rtogh en Cosman t. a. p.
Tegen het fatale karakter van den termijn kon, tegenover de vroe-
gere bepalingen van art. 339 en 340, die dit duidelijk deden uit-
komen, alleen worden geargumenteerd uit art. 338, hetwelk nu ver-
vallen is, doch dat evenmin een beletsel behoefde op te leveren om
het fatale karakter aan te nemen, als het niet belette dat de rechter
zijne onbevoegdheid om in appèl te oordeelen ambtshalve uitsprak.
Toch is bij ons het fatale karakter van den termijn, vooral op grond
van art. 338 bestreden. Zie Oüdeman II, bl. 23 en 24.
In Frankrijk is ook het fatale karakter van den termijn wel be-
streden, doch vrij algemeen door schrijvers en jurisprudentie aange-
nomen. Zie Garsonnet § 949 nt. 8 en 9. De Civilprozessordnung draagt
in § 477 (thans 516) uitdrukkelijk aan den rechter op de niet-ontvan-
kelijkheid van het beroep op grond van het verloopen van den termijn
uit te spreken. Anders denkt over de hier behandelde vraag Mr.
v. Rossem op art. 339 n. 6.
Dat het den gedaagde in hooger beroep vrijstaat, incidenteel in
beroep te komen, ook na afloop van den termijn, ligt wel daarin, dat
het incidenteel beroep afhankelijk is van het instellen van een prin-
cipaal beroep en dat het niet in de macht der andere partij moet
staan om, door zoo laat mogelijk in hooger beroep te komen, den
gedaagde de gelegenheid te benemen om incidenteel te appelleeren.
Beroep van preparatoire, interlocutoire en andere
incidenteele vonnissen en vanprovisioneelevonnissen.
De onderscheiding van de vonnissen in praeparatoire, interlocutoire
en definitieve, door den wetgever gemaakt in art. 46, waarvan ik
melding maakte in Dl. II, § 70, bl. 175, heeft onder anderen hare
gevolgen bij het hooger beroep in de artt. 336 en 337 aangegeven.
Het hooger beroep van een preparatoir vonnis ia afhankelijk van
-ocr page 103-
§ 160. BIJZONDEBE VEKEISCHTE.N TOT HET UOOUEii BEllOEP.         85
dat van het eindvonnis, het hooger beroep van interlocutoire, inci-
denteele en provisioneele vonnissen heeft een meer zelfstandig bestaan.
Terwijl een preparatoir vonnis geen invloed heeft op de beslissing
van de hoofdzaak en dus op zichzelf geen nadeel toebrengt aan eene
der partijen, zou het hooger beroep daarvan niet anders dan ver-
traging in de afdoening van de zaak te weeg brengen. Mocht het niet
juist zijn gewezen, dit kan gereedelijk bij de beoordeeling van de
beslissing der hoofdzaak worden uitgemaakt. Het lot van het prae-
paratoir vonnis is daarom zóó aan dat van het vonnis op de.
hoofdzaak gebonden, dat niet anders dan gelijktijdig met het eind-
vonnis daarvan mag. worden geappelleerd. Het kan daarom gezegd
worden, krachtens de wet alleen, bij voorraad uitvoerbaar te zijn.
Anders is het met de interlocutoire vonnissen. Aangezien
deze op de beslissing van de zaak zelve van invloed kunnen zijn,
daar de rechter als hij een bewijs beveelt, daarmede te kennen geeft
dat hij, indien het bewijs der te bewijzen gestelde feiten geleverd
wordt, in het voordeel van hem aan wien het bewijs wordt opgelegd,
uitspraak zal doen, zoo kan het voor de tegenpartij van belang zijn
om al dadelijk te trachten het in dit interlocutoir vonnis gelegen
vooroordeel uit den weg te ruimen. Het staat hem daarom vrij van
dat vonnis dadelijk, nog voor dat het eindvonnis wordt gewezen, in
hooger beroep te komen. Daaruit volgt niet, dat het interlocutoir
vonnis den rechter in dien zin bindt, dat hij bij het eindvonnis niet
meer zou kunnen overwegen, dat de eindbeslissing van het al of niet
bewezen zijn der feiten niet afhankelijk is. Maar altijd blijft de
waarschijnlijkheid, dat hij er zich wél aan zal houden, het grootst
en daarom ook het belang voor de tegenpartij om het interlocutoir
vernietigd te krijgen. Dat belang kan ook daarin bestaan, dat de
partij, het bevolen bewijsmiddel niet toegelaten achtende volgens de
wet, de haar onnoodig voorkomende verwikkeling der procedure
vermeden wil hebben. Maar vooral kan het van belang zijn voor
eene partij, aan wie bijv. geen ander middel van bewijs dan dat
door getuigen ten dienste staat en die tot aanwending van dit be-
wijsmiddel niet werd toegelaten. Want ofschoon art. 46 in de definitie
alleen spreekt van een vonnis, waarbij een bewijsmiddel wordt be-
volen en art. 337 § 1 bij de provisioneele vonnissen uitdrukkelijk
zegt, waarbij een provisie wordt toegestaan of geweigerd, ligt daarin
geen grond om in art. 337 § 2 onder de interlocutoire niet te be-
grijpen die vonnissen, waarbij het leveren van een bewijs werd ge-
-ocr page 104-
86 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGEE BEKOEP. TIT. I, HET MIDDEL.
weigerd. Het had evenwel gezegd mogen worden. Verg. Ontwerp B. II
tit. 4, art. 5 § 2.
Wat van de interlocutoire vonnissen geldt, is ook op provisiën
van toepassing gemaakt. Art. 337 § 1 (vroeger § 2). Bij de uitge-
breide beteekenis welke door de fransche schrijvers aan de provisiën
wordt toegekend, kan ook uit het provisioneele vonnis een vooroordeel
ontstaan en deze opvatting heeft wellicht invloed op de bepaling van
art. 337 (art. 451 C. de pr.) uitgeoefend. Anders had de wetgever
er evenmin als van de incidenteele vonnissen behoeven te spreken.
Bij de beperkte beteekenis, die ik meen, dat naar onze wet aan de
provisie moet worden toegekend (Dl. III § 78 bl. 7) is dit minder
het geval en had aan de provisioneele vonnissen de geheele onaf-
hankelijkheid van de hoofdzaak kunnen worden gelaten, zooals dit
met opzicht tot de andere incidenteele vorderingen moet worden
aangenomen.
Wat die andere incidenteele vorderingen betreft, voor zoover daarop
niet, overeenkomstig de bijzondere, daarvan in de wet voorkomende
regeling, een vonnis gewezen moet worden, en dientengevolge de
bepaling van art. 249 onmiddellijk of bij analogie daarop kan worden
toegepast, hebben de daarop gewezen vonnissen een van dien op de
hoofdzaak onafhankelijken termijn. De in het ongelijk gestelde partij
moet derhalve binnen drie maanden na de uitspraak van het inci-
denteel vonnis daarvan in hooger beroep komen. Of hij tegelijk met
het eindvonnis het beroep instellende daarin, wat den termijn betreft,
ontvankelijk is, zal daarvan afhangen, of er nog geen drie maanden
na de uitspraak van het incidenteel vonnis verloopen zijn.
Wat den termijn van appèl betreft neemt de wet alzoo drieërlei
verhouding aan tusschen dien van het incidenteele (dit woord hier
in zeer algemeenen zin genomen) vonnis en het eindvonnis in eene
zaak gewezen.
Is het incidenteel vonnis een preparatoir vonnis, dan is afzon-
derlrjk hooger beroep daarvan uitgesloten. De termijn van hooger
beroep voor dit vonnis is alzoo die voor het eindvonnis bepaald en
dientengevolge van drie maanden na de uitspraak van het laatste,
en het hooger beroep moet tegelijk met dat van het eindvonnis worden
ingesteld. Daar het preparatoir vonnis alzoo, gelijk ik opmerkte, uit
kracht van de wet alleen, voor dadelijke tenuitvoerlegging vatbaar
is, kan de in het ongelijk gestelde partij, ook zonder zich het hoo-
ger beroep voor te behouden, de uitvoering toelaten en daaraan
-ocr page 105-
§ 160. BIJZONDERE VEREIÖCHTEN TOT HET B.00GER BEROEP.                87
medewerken. Onmogelijk zou toch mijne berusting in het vonnis
kunnen worden afgeleid uit eene uitvoering, waartegen mij geen middel
openstond, die ik derhalve moest gedoogen, waartoe ik wel moest
medewerken. Art. 336 § 2 bepaalt het ten allen overvloede uitdrukkelijk.
Is het incidenteel vonnis een interlocutoir of een provi-
sioneel vonnis, dan is de in het ongelijk gestelde partij b e voegd
om voordat het eindvonnis wordt gewezen, daarvan in beroep te
komen, maar hij kan dat beroep ook tot dat van het eindvonnis
uitstellen. Kiest hij het eerste, dan is hij aan den termijn van drie
maanden gebonden, kiest hij het laatste, dan heeft hij voor het be-
roep van het interlocutoir den termijn van drie maanden voor dat
van het eindvonnis gesteld. De afwijking van art. 339 vloeit uit de
bepaling van art. 337 even noodzakelijk voort als uit die van art.
336. De belanghebbende partij kan dan ook gerustelijk aan de uit-
voering van het interlocutoir medewerken, zonder zich het hooger
beroep daarvan tegelijk met dat van het eindvonnis voor te behouden.
Want, ofschoon zij niet als de bij een praeparatoir vonnis in het
ongelijk gestelde kan zeggen, dat zij volgens de wet verplicht was
het interlocutoir vonnis te laten uitvoeren, zij kan zeggen dat zij
hiertoe bevoegd was, omdat haar de bevoegdheid daartoe bij de
wet is toegekend en dat het overbodig is eene bij de wet toege-
kende bevoegdheid uitdrukkelijk voor te behouden. Ik erken dat de
wetgever hier eerder aanleiding had om, tot opheffing van allen
twijfel, van de niet-noodzakelijkheid van het voorbehoud melding te
maken, dan bij de praeparatoire, waar het inderdaad geheel over-
bodig was. Ook erken ik, dat de twijfel vooral daaruit ontstaat, dat
de wetgever er bij de praeparatoire van spreekt; maar om nu uit die
overbodige bepaling af te leiden, dat het voorbehoud noodig zou zijn
in een geval waar voorbehoud zou kunnen voorgeschreven worden
maar van zelf evenmin zou worden vereischt, zulk redeneeren a con-
trario acht ik ongeoorloofd. Men houde hier vooral in het oog dat
de wetgever, na in art. 336 het beroep van het preparatoir vonnis
van dat op de hoofdzaak geheel afhankelijk te hebben gemaakt, de
vereeniging van het beroep van het interlocutoir met dat van het
eindvonnis overlaat aan het goedvinden der in het ongelijk gestelde
partij (art. 337 oud.) Deze kan het vooraf doen; zij kan het tegelijk
met het eindvonnis doen. De daaruit gemaakte gevolgtrekking vloeit,
dunkt mij, natuurlijk en noodzakelijk uit de tegenstelling der bepalingen
voort. Het verschil van gevoelen, dat men over het hier besproken
-ocr page 106-
88 HOOFDSÏ. IX. AED. II. HOOGEE BEKOE1\'. TIT. I, HET MIDDEL.
punt bij de schrijvers en in de jurisprudentie zoo in Frankrijk als
bij ons aantreft, wekt groote onzekerheid omtrent de toepassing der
wet. Dat wanneer het hooger beroep van het interlocutoir tegelijk
met het eindvonnis ingesteld wordt, dit ontvankelijk is, al zijn er
meer dan drie maanden na de uitspraak van het interlocutoir verloopen
en dat dus die termijn voor het interlocutoir alleen geldt, als het
beroep afzonderlijk wordt ingesteld, heeft de Hooge Raad herhaaldelijk
beslist. Zeker wordt de juistheid van dit gevoelen versterkt door het
nuttigheidsargument, dat anders de bevoegdheid om het hooger beroep
uit te stellen, dikwijls weinig zou beteekenen, maar ik stel dit niet
op den voorgrond. Wat de noodzakelijkheid van het voorbehoud betreft
bij medewerking aan de uitvoering, deze wordt vrij algemeen in onze
jurisprudentie aangenomen. Ik zou mij deze alleen kunnen voorstellen,
wanneer iemand meende daarmede de bevoegdheid om afzonderlijk
en vóór het eindvonnis het hooger beroep van het interlocutoir voor
te behouden, maar ik zou zoodanig voorbehoud dan als eene protestatio
actui contraria afwijzen. Om de bevoegdheid tot het hooger beroep
tegelijk met het eindvonnis voor te behouden, acht ik eene uitdruk-
kelijke verklaring om boven aangegeven reden niet noodig, maar,
met het oog op de jurisprudentie, uit voorzichtigheid alleszins aan
te raden. Men redeneert gewoonlijk aldus : de partij mocht in hooger
beroep komen, zij deed dit niet, maar voert daarentegen het vonnis
zonder voorbehoud uit; zou \'t nu niet eene zonderlinge tegenstrijdigheid
zijn, als zij later wilde opkomen tegen eene beslissing die zij vrij-
willig uitvoerde en waarin zij dus berustte? De praemisse is onvol-
ledig. Zeker, de partij mocht, maar zij behoefde niet; zij had
de keus reeds dadelijk in hooger beroep te komen of dit later te
doen. Als zij \'t nu niet dadelijk doet, is dit dan een bewijs dat zij
het later ook niet doen wil ? Mijns inziens veeleer daarvan dat zij
het tweede alternatief koos. Berusting mag niet worden afgeleid uit
eene handeling, welke niet noodzakelijk daarvan het uitvloeisel is.
De fransche jurisprudentie is ook gevestigd in dien zin dat de
uitvoering van een interlocutoir zonder voorbehoud berusting mede-
brengt. Zie Gabsunnet § 1216, No. 29 (V, p. 899). Men zie over
het geschilpunt Oudejian II, bl. 8 en de aangeh. en verg. in den
zin mijner uitlegging de daar ook aangehaalde verhandeling van
Mr. J. G. A. Fabeii in de Nederl. Jaarb. van den Tex en van
Hall XII (1849) bl. 659.
Is eindelijk het incidenteel vonnis noch praeparatoir noch
-ocr page 107-
§ 160. BIJZONDERE VEREISCHTEN TOT HET HOOGER BEROEP.         89
interlocutoir noch provisioneel, dan geldt, bij gebreke
van bijzondere bepaling, de termijn van drie maanden na de uit-
spraak van het incidenteel vonnis en derhalve zal het instellen van
het hooger beroep voor het behoud van dat recht meerendeels nood-
zakelijk zijn.
Die noodzakelijkheid is evenwel, evenals de bevoegdheid bij het
interlocutoir, aanmerkelijk beperkt door de bij de herziening van
1896 ingevoerde nieuwigheid thans in het tweede lid van art. 337
geformuleerd. Zonder zich om de onzekerheid, waarin de toepassing
van artt. 336 en 337 verkeert, te bekommeren, voor welker opheffing
de Ontwerper van 1865 een goed voorbeeld gaf, (Zie Ontw. art. 7,
tit. 4, B. III) heeft de wetgever bij de wet van 1896 aan den rechter
de bevoegdheid toegekend om in zijn incidenteel of interlocutoir von-
nis te verklaren, dat het hooger beroep daarvan niet dan tegelijk
met [dat van] het eindvonnis zal kunnen worden ingesteld. In tweeër-
lei opzicht blijf ik deze nieuwigheid eene singuliere bepaling noemen:
1° omdat de lagere rechter zelf zijne bevoegdheid uitbreidt en den
hoogeren rechter tot, oordeelen alsnog onbevoegd verklaart; 20 om-
dat den rechter het oordeel wordt toegekend, in hoever zijn eigen
vonnis al of niet geacht mag worden het beweerd recht der in het
ongelijk gestelde partij te benadeelen. En hierin ligt niet eene naar
het ongerijmde zweemende overdrijving, gelijk Mrs. Hartogh en Cos-
mon t. a. p. bl. 126 opmerken. Immers het vooroordeel met opzicht
tot het eindvonnis uit het interlocutoir ontstaande en dat appellant
door het appèl wil trachten te niet te doen, is, wanneer het reeds
op het eindvonnis zijn invloed heeft uitgeoefend, niet meer te keeren.
Daar komt nog bij dat, door deze nieuwe bepaling, eene uitzondering
wordt gemaakt op de overigens al te groote, lijdelijkheid des rechters
ten aanzien van de instructie van het proces, en dit in gevallen,
waarin hij er niet dan een hoogst bescheiden gebruik van zal mogen
maken, omdat hij zich zoo licht aan eene onjuiste waardeering van
de bijzondere omstandigheden van een bepaald geval blootstelt. Het
doel is obstructionisme tegen te gaan. Maar zal de rechter niet
gevaar loopen om in bijzondere gevallen, tegenover pleiters die ob-
structionisten van professie zijn, en die den vroeger bekenden naam
van incidenteurs verdienen, onrechtvaardig obstructie aantenemen
en daarentegen schromen obstructionisme aan te nemen bij een
pleiter, die daarvan zijn werk niet pleegt te maken, maar daarin
toch ook eens geen kwaad meent te moeten zien? De bevoegdheid
-ocr page 108-
90              HOOPDST. IX. AFD. II. HOOQER BEROEP. TIT. I. HET MIDDEL.
hier aan den rechter gegeven is niet op ééne lijn te stellen met de
in bepaald aangewezen gevallen hem toegekende bevoegdheid om
onder de noodige waarborgen zijn vonnis bij voorraad uitvoerbaar
te verklaren. Nog minder kan hier afdoen de voor den rechter uit
art. 249 afgeleide bevoegdheid om de hoofdzaak met het incident
tegelijk af te doen, omdat hij daartoe niet anders zal kunnen over-
gaan, dan wanneer ook de hoofdzaak voor hem voldongen is. Verg.
art. 2 Ontwerp 1865 tit. II, B. II.
De heeren Hartügh en Cosman wagen zich aan de profetie, dat
„de tijd zal komen, waarin in beginsel de ondeelbaarheid der instantie
zich zal paren aan de nu tot wet verheven ondeelbaarheid der ver-
wering." Het klinkt goed dat „zich paren van de ondeelbaarheid der
instantie aan de ondeelbaarheid der verwering" maar eene formule
moet meer zijn dan een klank, wil zij op het gebied der wetenschap
den toets harer juistheid doorstaan. Ik zie op zichzelf niet veel heil
in die uitbreiding van „den doolhof der ondeelbaarheden." Maar kan
men van de ondeelbaarheid der verwering spreken, als een verweerder
in eersten aanleg bij eene exceptie mag persisteeren en zich zijne
verdediging ten principale tot het hooger beroep kan voorbehouden?
En die ondeelbaarheid van de instantie, zal zij welig zich ontwikkelen
uit de hier in art. 337 § 2 gemaakte bepaling, als de rechter haar
volgens de auteurs zelven zoo weinig mogelijk in toepassing zal
brengen? Wanneer de schrijvers de formule nader verklaren door te
zeggen dat later de wet zelf als regel aan \'s rechters tusschen-
beslissingen het gevolg zal verbinden, hetwelk thans bij wijze van
bevoegdheid in zijne handen werd gelegd, dan acht ik dit niet on-
mogelijk. Het zal er toe komen öf omdat het zal gebleken zijn, dat
de rechter of niet of min gelukkig de hem gegeven bevoegdheid
gebruikte, of omdat ook in andere opzichten onze wetgever zich aan
de regeling van het duitsche proces zal hebben aangesloten, hetwelk
reeds in verordeningen ouder dan de Civilprozessordnung het beginsel
aannam. Doch indien het al juist mocht geacht worden dat de wet
het beroep van de incidenteele vonnissen met dat van de einduit-
spraak in beginsel vereenigd wil hebben, dan bewijst dit in geenen
deele de deugdelijkheid eener bepaling, welke het oordeel over die
vereeniging in ieder bijzonder geval aan den rechter opdraagt, ook
niet dat zulk eene bepaling geene nieuwigheid zou zijn en bij ons
aan den rechter niet eene singuliere bevoegdheid in handen zou geven.
Wie overigens de bevoegdheid des rechters met de geheele regeling
-ocr page 109-
§ 160. BIJZONDERE VEREISCHTEN TOT HET HOOGER BEROEP. 91
der procedure in verband beschouwt en daarnaar beoordeelt, zal zich
zeker niet als de HH. Hartogh en Cosman op de bevoegdheid van
den engelschen rechter beroepen om daarmede die aan den neder-
landschen rechter toegekend te verdedigen.
De bepalingen omtrent het hooger beroep van praeparatoire, inter-
locutoire, incidenteele en provisioneele vonnissen komen thans hierop
neder: Het beroep van een praeparatoir vonnis zal als van ouds niet
dan gelijktijdig met dat van het eindvonnis mogen worden ingesteld
(art. 336 § 1); van eene beslissing, waarbij eene provisie wordt toe-
staan of geweigerd, kan nu als van ouds in hooger beroep worden
gekomen, vóór het eindvonnis (art. 337 § 1); van eene incidenteele
of interlocutoire uitspraak zal vóór het eindvonnis in hooger beroep
kunnen worden gekomen, tenzij de rechter bij zijne uitspraak verklaard
hebbe, dat dit beroep niet dan tegelijk met dat van het eindvonnis
zal kunnen worden ingesteld (art. 337 § 2). Dus zeer juist Mrs. Hartogh
en Cosman, bl. 124. Ook zeggen zij terecht dat van het stelsel der
wet van 1838 slechts afgeweken is ten aanzien van incidenteele en
interlocutoire vonnissen, maar dat ook bij deze regel blijft, „dat daar-
tegen vóór het eindvonnis hoogere voorziening toegelaten is, en is
uitzondering dat de rechter van de hem gegeven bevoegdheid gebruik
makend dit verbiedt." Wanneer zij daar echter bijvoegen dat de ver-
klaring waarbij de rechter dit doet, zelve van praeparatoiren aard zijnde
aan de beslissing een praeparatoir karakter verleent
in zoover dat het hooger beroep niet dan gelijktijdig
met dat van de eindbeslissing zal kunnen worden in-
gesteld, dan dringt de vraag zich op: welke voorstelling maken
zich de schrijvers van een stelsel? Dat de verklaring van praepa-
ratoiren aard is kan gaan, maar die verklaring is op zichzelf niets
en dat zij een interlocutoir, d. w. z. een vonnis waarbij een bewijs
bevolen wordt, waarvan de beslissing der zaak afhankelijk kan zijn,
tot een praeparatoir vonnis zou maken, acht ik een juridieke onmo-
gelijkheid en als dit bezwaar ondervangen moet worden door te
zeggen dat de verklaring slechts praeparatoir is, voorzoover zij hooger
beroep uitsluit en dus weer niet praeparatoir is ten aanzien van de
beslissing waarop het hier aankomt, nl, die omtrent het bewijs, dan
doet men \'t best deze geheele redeneering als niet geschreven te
beschouwen. Zóó kan de nieuwe bepaling theoretisch niet pasklaar
voor het oude stelsel gemaakt worden. Zie ook Mr. Eijssell t. a. p.
Themis 1897 blz, 532.
-ocr page 110-
92         1IO0FDST. IX. AFD. II. HOOOEK BEKOE1\', TIT. I, HET MIDDEL,.
Ten slotte dient nog opgemerkt, dat, evenals het hooger beroep
van een praeparatoir vonnis zonder voorbehoud ontvankelijk blijft
tegelijk met dat van het eindvonnis, dit ook het geval is met de
interlocutoire en de incidenteele vonnissen, waarvan het hooger beroep
door de verklaring des rechters niet dan tegelijk met het eindvonnis
kan ingesteld worden.
Bij provisioneele vonnissen blijft het bij de keus en wordt daar-
door, gelijk ik vroeger opmerkte, de termijn niet verwerkt, als de
in het ongelijk gestelde tot het eindvonnis wacht, evenmin als voor-
behoud noodig is, ofschoon men voorzichtig handelt het te maken.
Dit geldt ook van de interlocutoire, maar bij de incidenteele vonnissen
voor welke de keus niet is gegeven, blijft de termijn drie maanden
na de uitspraak en helpt geen voorbehoud. De termijn wordt alleen
dan die van de einduitspraak, als de rechter de uitzondering van
art. 337 § 2 toepast.
Eindelijk dient in het oog gehouden dat, wanneer de in het on-
gelijk gestelde partij, in strijd met de bepaling van art. 336, van
een praeparatoir vonnis in hooger beroep mocht komen, de rechter
zich zelfs ambtshalve onbevoegd zal moeten verklaren om daarvan
kennis te nemen. Niet anders zal het zijn, wanneer, in strijd met
de verklaring des rechters in art. 337 § 2 bedoeld, afzonderlijk
hooger beroep werd ingesteld van een incidenteel of een interlocutoir
vonnis. Immers de hoogere rechter zal uit het hem overgelegd von-
nis, waarvan beroep, ontwaren, dat hij er althans vooralsnog niet
over oordeelen mag.
Term ij n binnen welken geen hooger beroep mag
ingesteld worden.
Op zichzelf is de termijn, binnen welken van eene door de wet
toegekende bevoegdheid geen gebruik gemaakt mag worden, even fataal
als die gedurende welken de bevoegdheid is gegeven. Van den termijn
afhankelijk gesteld, staat en valt de bevoegdheid met den termijn.
Toch zou men, over de wet redeneerende, hier eer kunnen onder-
stellen dat de wet eene toepassing ambtshalve daarvan niet verlangde,
omdat de bevoegdheid zelve om te appelleeren na den termijn vast-
staat. Het verbod om binnen een zekeren termijn van een vonnis in
hooger beroep te komen, strekt om te voorkomen, dat daarin niet
onberaden te werk worde gegaan. „Sit omnibus inspectionis copia,
quo induscussos hominum calores potest refraenare."
-ocr page 111-
§ 160. BIJZONDERE VEREISCHTEN TOT HET HOOGER BEROEP.          93
De „vingt-quatre heures pour maudire ses juges" worden tot acht
dagen uitgebreid. Is het dan geen openbaar belang dat het onbera-
den gebruik van een op zichzelf deugdzaam middel als het hooger
beroep worde tegengegaan? Een middel, dat in het algemeen eene
deugdelijke rechtspraak bevordert, mist, onberaden aangewend, zijn
doel, verwikkelt slechts de procedure en verlengt haar duur zonder
nut. Als men hierop let en den aard der door de wet gestelde termijnen
in het oog houdt, dan laten ook de bewoordingen waarin de wet-
gever de gevolgen van het niet-inachtnemen van den termijn regelt,
nauwelijks twijfel over, of de wetgever heeft ook hier een fatalen
termijn gesteld en niet anders dan de toepassing daarvan ook ambts-
halve verlangd Nadat art. 342 heeft bepaald dat het beroep niet
kan worden ingesteld vervolgt het: indien het hooger beroep
binnen dat tijdvak plaats vindt, wordt de appellant niet-ontvankelijk
verklaard. Zoo wordt rechtstreeks een bevel aan den rechter gegeven,
die daarbij dan ook niet het beroep van de tegenpartij op het ver-
loopen van den termijn behoeft af te wachten.
Het is de bepaling van den C. de pr. art. 449: „Aucun appel ....
ne pourra être interjeté .... les appels interjetés dans ce délai seront
déclarés non recevables". Zeker niet minder pertinent. En het fataal
karakter van den termijn komt nog te meer aan het licht, omdat de
bepaling van den Code reeds eene verzachting inhoudt van de wet
van 1790, die de bevoegdheid tot hooger beroep geheel deed verloren
gaan, indien het te vroeg was ingesteld. Met het oog op dit verval
in de wet van 1790, schreef art. 449 C de pr. voor, en onze wet-
gever schreef dit. na, ofschoon het ook zonder dat duidelijk genoeg
kon geacht worden, dat die niet-ontvankelijk-verklaring niet belet dat
de appellant het beroep kan herhalen, indien de termijn daartoe niet
verstreken is. De termijn wordt alzoo door het te vroeg ingestelde
beroep niet gestuit. De appellant wordt niet absoluut, maar voora1s-
nog niet-ontvankelijk, doch de bijvoeging „vooralsnog" is noch in de
conclusie des gedaagde, noch in de uitspraak des rechters op hare
plaats, daar de gedaagde niet. vooruit berekenen kan, of er nog tijd
over zal blijven en de rechter het voor den niet-ontvankelijk verklaar-
den appellant niet te berekenen heeft. Over het. fatale karakter van
den termijn zie Garsonïtet § 932 No. 31 (V, p. 141) waaruit even-
wel blijkt dat de fransche schrijvers niet eenstemmig zijn op dit
punt. Bij ons kon uit art. 338 (oud) een argument tegen mijn ge-
voelen worden ontleend, doch de schrapping van dit artikel bij de
-ocr page 112-
94              HOOFDST. IX, APD. II. HOOGER BEROEP. TIT. I. HET MIDDEL.
wet van 1896, no. 203, al was daarvoor eene andere aanleiding,
laat nu het pertinente voorschrift van art. 342 § 1 in zijn volle
kracht. Het Hof van Drente achtte, 22 Mei 1841 (Ned. Rechtspr.
VIII § 83), dat van Leeuwarden 27 Maart 1876 (N. R. Bijblad 1877 A.
bl. 34) de niet-ontvankelijkheid van art. 342 van openbare orde te zijn.
Anders denkt over deze vraag Mr. v. Rossem op art. 342 n°. 2.
Het hooger beroep schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis.
Verbod van hooger beroep binnen een bepaalden termijn moet dan
ook verbod van de tenuitvoerlegging van het vonnis binnen dien
termijn medebrengen. Beide bepalingen sluiten op elkander, art. 342.
Is evenwel het vonnis bij voorraad uitvoerbaar verklaard, dan schorst
het beroep de tenuitvoerlegging niet en blijft de in het ongelijk ge-
stelde partij, niettegenstaande die tenuitvoerlegging tot hooger beroep
bevoegd, indien zij niet in het vonnis berustte. Maar zij heeft dan
ook geen acht dagen na de uitspraak van het vonnis te wachten en
heeft zelfs belang er bij om tijdig in beroep te komen, opdat de
tegenpartij bij de voorgenomen voorloopige tenuitvoerlegging daarop
rekene.
Ad. III. Berusting sluit hooger beroep uit. „Elke partij
welke zal berust hebben in een vonnis, kan niet meer ontvankelijk zijn om
daarvan te komen in hooger beroep" zegt art. 334. Berusten is zich
aan eene rechterlijke uitspraak, waartegen men zou kunnen opkomen
onderwerpen, zich daarbij neerleggen. Het hooger beroep wordt ge-
geven aan hem die zich door een vonnis bezwaard acht; die daarin
berust toont er niet mede bezwaard te zijn, voor hem is derhalve
het middel niet gegeven. Hij kan niet meer ontvankelijk zijn om van
het vonnis te komen in hooger beroep, zooals art. 334 het uitdrukt,
of zooals het Ontwerp 1865, in art. 2 van tit. IV, B III, het
nog eenvoudiger zegt: hij kan tegen het vonnis niet meer in hooger
beroep komen. Berusten is dus m. a. w. afzien van hooger beroep.
Toch is niet elk afzien van hooger beroep berusting in het gewezen
vonnis. Partijen kunnen van hooger beroep afzien voor of bij den
aanvang van het geding. Men moge dit eene eventueele berusting
kunnen noemen, er ligt eene opdracht van bevoegdheid, eene proro-
gatie van de rechtmacht des rechters in, waardoor eene tweede in-
stantie wordt weggenomen en de zaak voor hooger beroep niet vat-
baar wordt gemaakt. Zij onderscheidt zich van de berusting hierin,
dat de opdracht van bevoegdheid niet anders dan in de door de wet
-ocr page 113-
§ 160. BIJZONDERE VEBEISCHTEN TOT HET HOOGBB BEEOEP. 95
toegelaten gevallen mag plaats hebben, juist omdat daardoor op de
algemeene wettelijke regeling inbreuk wordt gemaakt. Ik bedoel de ge-
vallen voorzien bij artt. 43, 55 en 66 R. O. art. 157 B.R. Zie ook art. 646.
Ook in het laten verloopen van den termijn ligt een afzien van
hooger beroep opgesloten. Ten onrechte zou men ook daarin eene
berusting zien. Immers het verloop van den termijn werkt buiten
den wil van de belanghebbende partij; laat zij den termijn verloopen,
het is niet de vraag of zij wilde berusten in het vonnis of niet. Het
beroep is vervallen; het kan niet meer ingesteld worden, omdat dit
aan een termijn gebonden was. Of de partij bevoegd was om van het
beroep af te zien of in het vonnis te berusten is de vraag niet;
onafhankelijk daarvan treedt het gevolg van het verval in.
Neiging tot systematiseeren deed wellicht deze wel te onderscheiden
gevallen onder het begrip van berusting samenvatten, mij komt het
voor dat daarvan verwarring van begrippen het gevolg kan zijn en
acht het van belang onder berusting niet anders te begrijpen,
dan wat de wet er onder verstaat.
Hierboven zeide ik reeds wat onder berusten te verstaan is en
al kan daaruit worden opgemaakt dat het in den aard der zaak ligt
dat hij die in een vonnis heeft berust, daarvan niet in hooger beroep
kan komen en het daarom niet te verwonderen is, dat de fransche
wetgever het niet bepaalde en het ook bij later voorgenomen her-
zieningen van den Code niet noodig geacht werd het te bepalen, zoo
komt mij toch een uitdrukkelijk voorschrift daaromtrent, vooral met
het oog op de zoo algemeene bewoordingen, waarmede art. 332 het
hooger beroep aan partijen toekent, niet overbodig voor. Gerechtvaar-
digd is de bepaling zeker, want al is \'t niet zeer elegant gezegd, de
Regeering zeide terecht: „Het tegendeel zou eene tegenstrijdigheid
medebrengen."
Op welke wijze kan berusting plaats hebben ? Wellicht vond de
ontwerper 1865 in de over art. 334 indertijd gevoerde gedachten-
wisseling in de Tweede Kamer (zie bij v. d. Honebt § 334) aan-
leiding om te bepalen dat hij die uit d rukkel ij k of stilzwijgend
in het vonnis heeft berust, niet meer in beroep daarvan kan komen.
Mij dunkt de onderscheiding behoeft in de wet niet te worden ge-
maakt. Berusting brengt uit zich zelve geen verklaring in woor-
den mede, zij kan uitteraard even goed volgen uit de houding door
de partij tegenover het haar in het ongelijk stellend vonnis aange-
nomen. Wellicht wordt de gedachte nog beter uitgedrukt door van
-ocr page 114-
96        HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGEK BEROEP. TIT. I. ÜET MIDDEL.
eene berusting in woord of daad te spreken. Hoe dit zij, ook naar
onze wetsbepaling is het duidelijk dat de berusting op tweeërlei wijze
kan geschieden. Hoe gemakkelijk het in den regel zijn zal uit eene
verklaring blijkende berusting het werkelijk bestaan daarvan af te
leiden, zij komt zeker minder voor dan de berusting met de daad
en ten aanzien van deze bestaat de meeste moeilijkheid om ze juist
te waardeeren. Reeds bij de vaststelling van art. 334 werd door een
lid in de Vierde Afdeeling der Tweede Kamer verlangd „dat de
gevallen werden opgegeven, waaruit de stilzwijgende berusting kan
worden opgemaakt" v. d. Hoxert t. a. p., en Lifmax gaf in zijne
inleiding op den VIP" titel dienzelfden wensch te kennen. „Onder
het beheer der fransche wetgeving gaf het gemis aan vaste regelen
te dien opzichte meermalen tot belangrijke exceptiën van niet-ont-
vankelijkheid aanleiding, en werden daartoe niet zelden omstandigheden
aangevoerd, aan welke de wetgever voorzeker nimmer de bedoeling
heeft gehad, zoodanige gevolgen te verbinden." Dat er omstandigheden
worden aangevoerd uit welke eene berusting niet kan worden
afgeleid, zal de wetgever in het geheel niet kunnen verhinderen,
daarvoor zullen hem de praktijken der praktijk te machtig blijven,
maar zelfs ligt het buiten de taak des wetgevers zich in eene casuistiek
te begeven. Dit neemt niet weg dat de wetgever bij de interlocutoire
en provisioneele vonnissen in art. 337 zijn wil omtrent dit punt
had kunnen en behooren te verklaren, even goed als en met meer
noodzakelijkheid dan hij dit ten aanzien van de praeparatoire vonnissen
deed in art. 336. Overigens zal de waardeering van de wilsverklaring
in woord of daad ook hier wel aan den rechter moeten verblijven.
Wanneer men nu in het oog houdt, dat het hier geldt het opgeven
van eene bevoegdheid om te trachten een nadeel af te weren; dat
de berusting in een vonnis tot op zekere hoogte in zich bevat de
erkenning van ongelijk, waar men tot dusver beweerde gelijk te hebben,
dan mag zeker eene berusting niet worden verondersteld, maar moet
daarvan duidelijk blijken. Gelijk dan bij eene berusting in woorden
deze in redelijken zin geen twijfel moeten overlaten omtrent den wil
om te berusten, zoodat geen andere beteekenis aan de woorden kan
worden gegeven, zoo is het ook met de daad. Niet ten onrechte
sprak de Regeering bij v. d. Honert t. a. p. van eene „sprekende
daad." De daad moet, op redelijke wijze beoordeeld, geen andere
strekking kunnen hebben en zoo uitsluitend met eene berusting in
overeenstemming zjjn.
-ocr page 115-
§ 160 BIJZONDERE VERRISCHTKN TOT HET HOOGER BEROEP.                  97
Daarom blijf ik van oordeel dat de uitvoering aan een interlocu-
toir vonnis gegeven, het appèl daarvan tegelijk met dat van het
eindvonnis niet uitsluit, want. in die daad van uitvoering kan wel
eene berusting liggen opgesloten, maar zij sluit niet uit dat de partij
bij het doen der haar gegeven keuze: vooraf of met het eindvonnis,
het tweede koos. En om de gelijkheid der bepaling zeg ik hetzelfde
ten aanzien van de provisioneele vonnissen, ofschoon ik voor deze
de bepaling liever niet had. De jurisprudentie maakt evenwel, ik
herhaal het, bij de uitvoering voorbehoud van hooger beroep noodig.
Bij andere incidenteele vonnissen die, behoudens art. 337 § 2 a. h. e.
hun eigen termijn hebben is uit de daad van uitvoering niet anders
dan berusting af te leiden. De uitvoering heeft uit zich zelve deze
beteekenis, die in bijzondere gevallen, alleen door bijzondere om-
standigheden zou kunnen worden verzwakt. Het tenuitvoerleggen van
een vonnis en het voldoen aan een vonnis zijn wel de sprekendste
daden van berusting. Maar, wanneer in het eerste geval degene die
het vonnis ten uitvoer legt niet in allen deele in het gelijk is ge-
steld en de in \'t ongelijk gestelde, naar aanleiding van de executie,
in hooger beroep komt, dan kan de eerste nog altijd incidenteel be-
roep instellen. „Zelfs n;\'i berusting" zegt art. 339 § 2 nu met zoovele
woorden. Wanneer de in \'t gelijk gestelde partij gaat executeeren,
dan toont zij zich met het vonnis tevreden, niettegenstaande zij op
enkele punten ongelijk kreeg. Maar aan die tevredenheid met de uit-
spraak ligt blijkbaar de onderstelling ten grondslag, dat de zaak is
afgedaan en de andere partij ook berust. Doet zij dit niet, dan
ontbreekt de onderstelling der berusting en daarmede deze zelve.
De uitvoering aan het vonnis gegeven is niet altijd berusting omdat
het niet altijd mogelijk is zich daaraan te onttrekken. Wanneer bijv.
een vonnis bij voorraad uitvoerbaar is verklaard en de in het
ongelijk gestelde partij met executie bedreigd de kosten betaalt, dan
heeft zij geen middel om de executie te voorkomen, het instellen van
h. b. kan haar toch niet helpen; en zoo kan de betaling der kosten
niet als een berusting in het vonnis worden aangemerkt. Was
evenwel het vonnis niet bij voorraad uitvoerbaar, dan behoefde de
veroordeelde partij zich niet door eene bedreiging met executie te
laten intimideeren. Want de bedreiging kon zij onmiddellijk verijdelen
door in hooger beroep te komen en zoo de tenuitvoerlegging te
schorsen. Betaalde zij de kosten niettemin, de voldoening aan het
vonnis brengt noodzakelijk berusting mede. De leer van schrijvers
v                                                                                                               7
-ocr page 116-
98            HOOFDST. IX. APD. II. HOOGER BEROEP. TIT I. HET MIDDEL.
en jurisprudentie is vrijwel eenstemmig op dit punt. De Hooge Raad
nam bij een arrest van 2 Januari 1863 W. 2447 het tegendeel
aan. Dit arrest werd bestreden in N. R. Bijblad XIV (1864) bl. 171
doch, ofschoon dit niet in de overwegingen vermeld wordt, bleek
het arrest tot een bij voorraad uitvoerbaar vonnis betrekking te
hebben. Zie N. R. Bijblad t. a. p. bl. 334. Het kan in vele gevallen
voorzichtig zijn bij eene daad, die als berusting kan worden ^ange-
merkt, zich het hooger beroep voor te behouden. Maar wanneer
men uitvoering geef! aan een vonnis, terwijl men dit veilig kon
nalaten, dan helpt geen voorbehoud als zijnde eene „protestatio actui
contraria", die uitteraard geen gevolg kan hebben.
De fransche jurisprudentie is rijk aan voorbeelden van strijd over
de zg. stilzwijgende berusting. Handelingen die niet als zoodanig
kunnen worden aangemerkt, vermeldt o. a. Gabsonnet t. a. p. p. 900
vv. Uit den aard der zaak geeft de uitdrukkelijke berusting tot
minder twijfel aanleiding. Toch zal de wil uit de verklaring duidelijk
moeten blijken en ook dat haar afkomst van de partij die berust
behoorlijk is geconstateerd. Zie onderscheiden wijzen waarop dit plaats
kan hebben bij Gabsonnet p. 896.
Zijn wettelijke vertegenwoordigers, als voogden en curators, vol-
komen vrij om in een vonnis in hei nadeel hunner vertegenwoordigden
gewezen te berusten ? Dat zij in het geval van prorogatie van rechts-
macht machtiging behoeven als bij dading (art. 330 B. R ) is geen
reden om hun de bevoegdheid om van hooger beroep af te zien te
ontzeggen. Al ligt ook in die prorogatie een afzien van beroep, wat
ook de berusting meebrengt, de aard van beide handelingen is niet
dezelfde en beide worden in de wet onderscheiden en aan verschil-
lende bepalingen onderworpen. Al werd nu de voogd door den kan-
tonrechter gemachtigd om voor den minderjarige een geding te
voeren, hij behoeft van deze machtiging geen gebruik te maken. Nog
minder wordt hij daardoor verplicht om, indien het geding ten na-
deele van den minderjarige werd beslist, in hooger beroep te komen,
ook niet wanneer hij daartoe gemachtigd werd. Alleen is hij, behou-
dens art. 462 § 2 B. W. voor het komen in appèl gedekt, als hij
zich machtigen liet, terwijl hij, zonder machtiging handelende of daarvan
geen gebruik makende, zich daaromtrent kan hebben te verantwoor-
den. Maar tegenover de tegenpartij is h ij de beheerder van het proces
en heeft hij te beoordeelen of in het den minderjarige nadeelig von-
-ocr page 117-
§ 160. BIJZONDERE VEREISCHTEN TOT HET HOOGKB BEROEP. 99
nis moet worden berust. Berusten in een vonnis is niet berusten in
eene vordering; tot dit laatste moet de voogd gemachtigd zijn en
daarom ook tot het berusten in een ingesteld appèl.
Wat het bestuur van gemeenten aangaat, op een besluit tot het
voeren van een rechtsgeding in hooger beroep behoeft het bestuur
der gemeente de goedkeuring van Gedeputeerde Staten evengoed als
op een besluit om in eersten aanleg te procedeeren. Die goedkeuring
kan evenwel voor eens worden verleend voor het voeren van het
geding en daarmede ook het hooger beroep en de cassatie omvatten.
Zie Oppknheim, Gemeenterecht bl. 392. Doch de Burgemeester, die,
krachtens de wet, als het orgaan der gemeente het proces voert en
door wiens persoon de gemeente handelt, zal in een nadeelig vonnis
berustende door die berusting de gemeente daaraan binden tegenover
de partij. Of hij daarin den Raad al of niet heeft gekend, al of niet
had behooren te kennen, gaat de partij niet aan.
De procureur is als zoodanig tot berusting niet bevoegd. Zijne
handeling, zonder machtiging der partij verricht, bindt haar niet.
Van eene wraking van zoodanige handeling langs den weg der ont-
kentenis van gerechtelijke verrichtingen kan geen sprake zijn. Want
met het vonnis is het geding, waarmede de procureur en voorzoover
hij daarmede belast was, afgeloopen. Ofschoon nu in het laten ver-
loopen van den termijn ook een afzien van het beroep gelegen is,
zoo is het duidelijk, dat, al mocht dit het gevolg zijn van des
procureurs nalatigheid om zijn cliënt met het tegen hem gewezen
vonnis in kennis te stellen, de bevoegdheid om in hooger beroep te
komen onherroepelijk verloren ging. Ik breng het alleen in het voorbij-
gaan onder de aandacht om den onderscheiden aard der gevallen,
waarin een afzien van hooger beroep gelegen is.
Ad IV. Vonnissen als op tegenspraak gewezen. In het
geval bedoeld bij art. 79 wordt niet ten tweeden male verstek verleend,
maar, dewijl er eene tweede oproeping om te verschijnen heeft plaats
gehad, wordt ook tegen de op die tweede oproeping niet verschijnende
partijen als op tegenspraak vonnis gewezen. De wetgever heeft be-
grepen dat hij, die ten tweeden male niet verscheen, geacht mocht
worden niet te willen verschijnen en dat een herhaald onderzoek
door denzelfden rechter, hetwelk het gevolg is van een verzet, nu
in het belang van de verschenen partijen moest worden uitgesloten,
terwijl de weggeblevene toch in de verdediging door de medegedaag-
-ocr page 118-
100           HO0KÜ8T. IX, AF1>. II. HO0GER BEROEP. T1T I. HKT MIDDEli.
den gevoerd, een waarborg voor de handhaving ook van zijn recht
geacht mocht worden te hebben. Wordt nu het vonnis als op tegen-
spraak gewezen beschouwd tusschen alle partijen, dan moet ook aan allen
het middel van hooger beroep worden toegekend. Waarom wordt dit
nu voor de „achterblijvende" partij d. i. de partij die op de tweede
oproeping niet verscheen, zooveel bezwarender gemaakt, dat zij
vooraf aan het vonnis moet gehoorzamen, zelfs in-
dien het vonnis niet bij voorraad uitvoerbaar werd
verklaard? De wetgever gaat blijkbaar van de onderstelling uit,
dat die achterblijvende partij de eenige is die zich bij het vunnis be-
zwaard gevoelt Dan kan zeker haar herhaald wegblijven en nu het
hooger beroep den toeleg verraden om zich zoolang mogelijk aan eene
veroordeeling die gevreesd wordt, te onttrekken. Zij moet nu beginnen
met aan het vonnis te voldoen; natuurlijk bij voorraad omdat het
vonnis op het hooger beroep vernietigd kan worden. Ten einde voor
dat geval niet in haar recht benadeeld te worden behoeft zij echter
aan het vonnis niet te voldoen, als niet de tegenpartij zekerheid
geeft voor herstelling zooveel mogelijk in den toestand waarin zij
zou geweest zijn, indien zij aan het vonnis niet voldaan had. Dit
alles ligt in het „tegen het stellen van zekerheid" van art. 335 § 2.
Ofschoon de wetgever onderstellen mag dat de achterblijvende partij
ten tweeden male wegblijft, is de bepaling toch evenzeer toepasselijk
op eene partij, die eerst verschenen zijnde, op de tweede oproeping
niet verscheen. Uit de woorden van art. 335 in verband met art.
79 kan geen andere gevolgtrekking gemaakt worden. Kan het voor-
schrift betreffende de achterblijvende partij, als deze de eenige is die
zich in hooger beroep voorziet, niet geheel onjuist geacht worden,
de wetgever onderscheidt te dien aanzien niet. Al mochten ook
andere partijen in hooger beroep komen, zij zal altijd aan het vonnis
hebben te voldoen tegen het stellen van zekerheid. Tegen het in de wet
opnemen van eene onderscheiding ware weder uit een ander oogpunt
bezwaar te maken en daarom mag het wel verkieslijk geacht worden,
dat de wetgever hier in het geheel niet van de veronderstelling
uitga, dat die achtergebleven partij reeds a priori zou moeten
geacht worden het appèl louter als een obstructiemiddel te ge-
bruiken. Lipman keurde die verplichte voldoening aan het vonnis, dat
niet bij voorraad uitvoerbaar was verklaard, reeds af en de Ont-
werper van 1865 liet haar weg. De zekerheidstelling die op hare beurt
wederom een troost voor de verdacht gemaakte achtergebleven partij
-ocr page 119-
§ 161. NADEEE BEPALING VAN HET ONDERWERP VAN DEN STRIJD. 101
moet opleveren, kan ook al weer tot verwikkeling aanleiding geven.
Zal in het hervatte geding, de achtergebleven partij van art. 89a
gebruik kunnen maken om ten dienenden dage als nog in rechte
te verschijnen ? Het ware wenschelijk en men zou kunnen meenen
dat haar deze bevoegdheid nog veeleer moest worden gegeven, omdat
er nu zelfs tegen haar een vonnis als op tegenspraak zal worden
gewezen, maar er is hier geen verstek verleend en er zal ook
geen vonnis ten pro f ij te daarvan gewezen worden. Men
zal alzoo wel moeten zeggen : art. 89a is een eerste stap, de tweede
zal later wel eens door den wetgever gedaan worden.
En wanneer de achtergebleven partij in hooger beroep komt, zal
zij nu al hare middelen ongerept hebben behouden? Kan tegenover
haar als vaststaande worden aangemerkt wat, door gebrek aan tegen-
spraak van de andere partij, als vaststaande is aangenomen ? Ik meen
dat in beginsel de eerste vraag bevestigend, de tweede ontkennend
moet worden beantwoord. Wordt al het vonnis als op tegenspraak
gewezen beschouwd, dit neemt niet weg, dat de achtergebleven partij
niet gehoord is en dat zij wel het middel van verzet niet heeft, maar
hooger beroep haar uitdrukkelijk wordt toegekend. Daarbij herneemt
zij alzoo die zelfstandigheid, welke haar toekomt.
§ 161. NADERE BEPALING VAN HET ONDERWERP VAN DEN STRIJD.
Al is het onderzoek des hoogeren rechters niet beperkt tot de vraag,
of de lagere rechter de zaak, zooals zij hem werd voorgelegd, juist
heeft beoordeeld; al wordt de geheele rechtsstrijd op nieuw voor den
hoogeren rechter gevoerd, toch blijft hij beperkt tot de vorderingen in Qeen njeuwe
eersten aanleg aan het oordeel des rechters onderworpen. Geene nieuwe vordering,
vorderingen mogen noch door den oorspronkelijken eischer, noch door
den oorspronkelijken verweerder in hooger beroep worden gedaan.
Daardoor wordt tevens eene verandering in de oorspronkelijk ingestelde
vordering uitgesloten. Vermeerdering van den oorspronkelijk gedanen
eisch is niet toegelaten, tenzij deze mocht bestaan in: 1° interessen, uitzondering,
renten, huren, en andere bijkomende zaken sedert het vonnis in eersten,
aanleg gewezen, verschenen of ontstaan ; 2° kosten, schaden en interessen
wegens sedert dat vonnis geleden nadeel: 3° een provisioneelen eisch.
Nieuwe, in eersten aanleg niet gebruikte middelen van verwering, N.
mits in eersten aanleg niet door uitdrukkelijken of stilzwijgenden afstand weermiddelen.
-ocr page 120-
102 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP. TIT. I. HET MIDDEL.
gedekt, kunnen voor het eerst in hooger beroep worden aangevoerd
Mochten zij gegrond worden bevonden en dientengevolge de partij, die
ze voordroeg in het gelijk worden gesteld, dan zal deze in de kosten
kunnen veroordeeld worden, die tot op het voordragen der nieuwe ver-
weermiddelen gemaakt zyn, indien zjj er in eersten aanleg gebruik
van had kunnen maken. Art. 348.
De zaak wordt alzoo, voor zooverre van het vonnis geappelleerd
wordt, in haar geheelen omvang aan het oordeel des hoogeren rech-
ters onderworpen. De feiten zoowel als het rechtspunt zijn daaronder
begrepen. In hoever het herhaald onderzoek tot herhaling van reeds
aangewende of tot het voor het eerst aanwenden van bewijsmiddelen
als een getuigenverhoor grond raag geven, zal bij de behandeling der
incidenten in hooger beroep, bepaaldelijk ook die welke tot het be-
wijs betrekking hebben, worden besproken.
Uit deze nadere bepaling van het onderwerp van den strijd blijkt
de regel dat nieuwe vorderingen zijn uitgesloten, nieuwe verweer-
middelen daarentegen toegelaten.
Het verbod van nieuwe vorderingen volgt noodzakelijk daaruit,
dat de eisch wordt bepaald door de aangevoerde feiten en den daarop
steunenden rechtsgrond, verandering daarin of in het middel dat als
gevolgtrekking daaruit is afgeleid, veranderen de ingestelde vordering
zelve, er ontstaat eene nieuwe vordering, eene andere dan die waarop
de verweerder het geding heeft aanvaard. Evenmin als den eischer dit
wordt toegestaan in eersten aanleg (art. 134) nog veel minder in
hooger beroep. De verweerder zou van een tweede instantie worden
beroofd. Ook in eene vermeerdering van het onderwerp van den eisch
ligt eene vordering van hetgeen in eersten aanleg niet was gevor-
derd en derhalve eene nieuwe vordering opgesloten en zij moet daarom
eveneens verboden zijn. Ofschoon onze wetgever het verbod van
vermeerdering van den eisch streng opvat, indien althans mijne ver-
klaring van art. 134 (Zie Dl. II, 80) juist is, kon hij met recht de
in art. 348 vermelde nieuwe vorderingen in hooger beroep toelaten.
Immers, indien er in eersten aanleg interessen, renten of huren ge-
vorderd waren tot op de veroordeeling, dan is de verschuldigdheid
van de interessen enz., ook die sedert het vonnis verschenen zijn,
niet dan een gevolg van die der eerstgenoemde, zoodat, wanneer de
veroordeeling gehandhaafd blijft, ook die tot betaling der sedert het
vonnis verschuldigde wel moet volgen. Waren evenwel in eersten
-ocr page 121-
§ 161. NADERE BEPAUNG VAN UET ONDERWERP VAN DEN STRIJD.          103
aanleg geen interessen, renten noch huren gevorderd, terwijl zij toch
ook toen reeds gevorderd hadden kunnen worden, dan zou de vor-
dering voor het eerst daarvan in hooger beroep eene nieuwe vorde-
ring zijn en ook op grond van art. 134, dat vermeerdering van den
eisch verbiedt, zijn verboden. Zoo zullen ook kosten, schaden en
interessen, wegens nadeelen sedert het vonnis in eersten aanleg ge-
leden, evenmin voor het eerst in appèl kunnen gevorderd worden,
wanneer zij reeds in eersten aanleg gevorderd hadden kunnen wor-
den. Het komt mij evenwel voor, dat in zeer vele gevallen de hier
bedoelde nieuwe vorderingen kunnen vermeden worden. Wanneer eene
vordering wordt ingesteld tot vergoeding van schade reeds geleden
en nog te lijden, dan bestaat er geen reden om die tot op de uit-
spraak van het vonnis te beperken, maar veeleer grond om die uit-
te strekken tot aan de voldoening aan het vonnis. Wanneer dan de
rechter in hooger beroep dat vonnis bevestigt, dan is daarmede met
een de veroordeeling bevestigd tot vergoeding der schade, die gedu-
rende het geding in hooger beroep is geleden. Zoo zie ik ook niet
in, waarom de veroordeeling van den bezitter tot uitkeering der
vruchten, sedert den aanvang der rechtsvordering genoten, zou be-
perkt zijn tot de vruchten vanaf de rechtsvordering tot op het von-
nis in eersten aanleg en niet tot zoolang als de teruggave of ont-
ruiming van de opgevorderde zaak heeft plaats gehad (Zie art. 630
B.   W.). Heeft de eischer niet dan interessen van eene geleende
geldsom gevorderd, dan heeft hij zich natuurlijk tot de op de dag-
vaarding verschenen interessen moeten bepalen of termijnen van een
vruchtgenot zooals in het geding, waartoe betrekking heeft arr. Hof
Amsterdam 5 Dec. 1870, W. 5968. Hij zal dan in hooger beroep
ook betaling van later verschenen termijnen mogen vorderen, juist
niet alleen die sedert het vonnis verschenen zijn, maar a fortiori
die, welke in eersten aanleg niet gevorderd konden worden.
Wanneer de wetgever hier spreekt van rechtsgevolgen (art. 434
C.   d. pr. „accessoires") dan geven bepalingen als art 556 B. W. aanlei-
ding om te denken aan datgene wat door natrekking tot de zaak behoort,
maar dan zouden we hier weder niet met verschenen huren of
interessen te doen moeten hebben. Men zal die uitdrukking hier wel
in dezen zin moeten opvatten, dat bedoeld wordt datgene wat als
een gevolg, een uitvloeisel van de hoofdvordering wordt geeischt. Ik
zou de uitdrukking nauwkeuriger vinden als van bijkomende
zaken gesproken was. Zoo zou ik er dan ook geen bezwaar in
-ocr page 122-
104            H00FDST. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP. T1T. I. HET MIDDEL.
zien om op grond van no. 1 toegelaten te achten de vordering
tot het afbreken van hetgeen in den loop van het geding op een
grond gebouwd werd, terwijl de oorspronkelijke vordering strekt tot
ontruiming van het gebouwde, nl. wat gebouwd was op den dag der
dagvaarding of ook alleen strekte tot ontruiming, omdat er toen nog
niet gebouwd was. Zie Carré Q, 1674,6°. Ofschoon de vordering tot
uitvoerbaarverklaring van het vonnis bij lijfsdwang eene bijkomende
vordering zij, kan zij niet voor \'t eerst in appèl gedaan worden. Er
bestond ook geen reden, als bij de andere in no. 1 genoemd, om, werd
zij verlangd, die uitvoeibaarverklaring niet dadelijk in eersten aanleg
te vragen. Zie Hof Noordholland 29 Maart 1867, Mag. v. Handelsr.
X, bl. 164.
Ten aanzien van de provisioneele vorderingen, (vorderingen bij
voorraad, art. 348 n«. 3) verwijs ik naar de behandeling der in-
cidenten in appèl.
Valt eene nieuwe vordering buiten de door de wet gestelde gren-
zen dan is de hoogere rechter volstrekt onbevoegd om daarvan
kennis te nemen. Het Hof zal zich dan ambtshalve onbevoegd moe-
ten verklaren, omdat het niet anders dan door prorogatie in eersten
aanleg mag oordeelen over vorderingen waarvan hem alleen de ken-
nisneming in hooger beroep is opgedragen. De rechtbank zal hier
evenwel hare onbevoegdheid niet ambtshalve uitspreken, maar, met
inachtneming van art. 157, hare onbevoegdheid alleen kunnen uit-
spreken, wanneer de tegenpartij zich daarop beroept. Dus terecht
Penninck op art. 348 tegen de Pinto. Verg. Chauveau op Carré
Q. 1676.
Wat voor den eischer geldt, geldt ook voor den oorspronkelrjken
gedaagde. Ook hem is het doen van nieuwe vorderingen in hooger
beroep ontzegd. Een eisch in reconventie, in eersten aanleg niet
gedaan, kan in hooger beroep niet meer gedaan worden, art. 250
§ uit. Daarvoor bestaat niet gelijke grond, als voor \'t verbod aan
den oorspronkelrjken eischer gesteld. Immers aanvaardt niet de ge-
daagde in reconventie dat geding in reconventie eenig en alleen op
den eisch zooals die werd ingesteld, maar hij moet zich eiken eisch,
dien de gedaagde in reconventie wil doen, laten welgevallen; ook
op dat verweermiddel moet hij bereid zijn, den strijd door hem aan-
gebonden voort te zetten. De C. de pr. liet dan ook den eisch in
reconventie voor het eerst in hooger beroep toe, waar hij den ver-
weerder in art. 464 toestaat, het inbrengen van „une demande nou-
-ocr page 123-
§ 161. NADERE BBPALINtt VAN HBT ONDERWERP VAN DEN BTBIJD. 105
veile", wanneer zij bestaat in eene verdediging tegen de ingestelde
vordering: „défense a 1\'action principale." Nu heeft daarop zeker
invloed geoefend de in Frankrijk meest algemeen aangenomen leer. dat
reconventie alleen mocht worden toegelaten met opzicht tot connexe
vorderingen, zoodat van de reconventie niet alleen formeel als verde-
digingsmiddel kon worden gebruik gemaakt; ook materieel moest zij
eene verdediging tegen den eisch bevatten. Bij ons moest de geheele
onafhankelijkheid van de vordering in reconventie van die in con-
ventie tot het tegendeel leiden. Men kan wel de bepaling van onze
wet verdedigen met te zeggen dat het den verweerder niet moet
vrijgelaten worden, om, door voor het eerst in appèl met de recon-
ventie voor den dag te komen, den reconventioneelen verweerder van
eene instantie te berooven, en dit argument heeft zeker kracht voor
\'t geval dat er niet het minste verband tusschen de conventie en de
reconventie bestaat Is het dan beter dat de verweerder niet in appèl
maar zelfstandig zijne vordering voor den rechter brengt, dan kan
dit toegegeven worden, maar het doet tevens de vraag ontstaan, of
dan ook niet de toelating van de onafhankelijkheid der beide vor-
deringen daarmede wordt veroordeeld. Dit staat toch vast dat, als
de reconventioneele vordering eens als verweermiddel is toegestaan,
de eischer zich ook daaraan door het instellen van den eisch bloot-
stelt en ook dat verweermiddel met de natuurlijke gevolgen, welke
het als zoodanig heeft, moet aanvaarden. In ieder geval komt het
mij voor dat, wanneer de reconventioneele eisch verband houdt met
de conventie en ook materieel eene verdediging daarop inhoudt, er
geen reden bestaat om het instellen daarvan in hooger beroep te
verbieden en andere nieuwe verweermiddelen wel toe te laten. Het nut
hetwelk de reconventie als verweermiddel heeft, met het oog op be-
korting en vereenvoudiging in de afdoening der geschillen, valt met
het verbod van art. 252 weg en de berooving van eene instantie
heeft niet minder plaats, wanneer andere nieuwe verweermiddelen
in hooger beroep worden toegelaten.
Nu de wet in art. 348 alle nieuwe vorderingen, behalve de daar
in het bijzonder opgenoemde in hooger beroep uitsluit, en, als men
aan art. 464 van den Code denkt, ook niet wil weten van zoodanige
vorderingen welke eene verdediging inhouden, wordt reeds daardoor
de reconventie in appèl uitgesloten, maar ook duidelijk genoeg de
verandering van eene in eersten aanleg ingestelde reconventioneele
vordering verboden en de vermeerdering van den reconventioneelen
-ocr page 124-
106            HOOPDST. IX. AF1). II. HOOÜEK BEROEP. T1T. I. HET MIDDEL.
eisch behalve in gevallen als art. 348 vermeldt. Het ware eene
moeilijk te verdedigen letterknechterij, die, het verband met art. 348
uit het oog verliezende, ging beweren dat alleen dan in hooger be-
roep een eisch in reconventie wordt gedaan, als een dergelijke
eisch in het geheel niet in eersten aanleg gedaan werd, maar
dat verandering of vermeerdering van een in eersten aanleg inge-
stelden reconventioneelen eisch in hooger beroep niet zou zijn uit-
gesloten. Ik stel niet eens de vraag, of art. 134 voor dit geval
geacht zou moeten worden al of niet geschreven te zijn, maar ik
ben wel van oordeel dat in den eerst ingestelden reconventioneelen
eisch evenmin als in den conventioneelen eisch verandering of ver-
meerdering mag plaats hebben.
Daar er voor den in het gelijk gestelden eischer natuurlijk geen
reden bestaat om, ten behoeve van die nieuwe vorderingen, van het
vonnis in hooger beroep te komen en hij daarvan dus alleen als
geintimeerde gebruik zal maken, kan men vragen, wat het middel
van hooger beroep hem, als hij in \'t ongelijk gesteld werd, geven kan,
Dit heeft daarom toch ook voor hem zijn gewicht. Opent het den
eischer al niet de gelegenheid tot het aanvoeren van nieuwe mid-
delen, hij zal de gronden, welke, hij èn voor de waarachtigheid der
feiten en hunne juiste waardeering èn voor hun verband met den
aangevoerden rechtsregel en de juiste beteekenis daarvan èn voor de
juistheid van de daaruit door hem gemaakte gevolgtrekking, waarin
mede de deugdelijkheid der door hem ingestelde vordering is gelegen,
aanvoerde, opnieuw en des noodig aangevuld aan het oordeel des hoo-
geren rechters onderwerpen, tegelijk met de gronden waarop hij de
gronden en middelen der verwering bestreed en deze, waar \'t pas
geeft, met nieuwe kunnen verrijken. Want, evenals de eerste rechter
van ambtswege de rechtsgronden moet aanvullen, welke niet door
partijen werden aangevoerd, zoo heeft ook de hoogere rechter dit te
doen en kan de eischer dezen op door hem zelven in eersten aanleg
voorbijgeziene gronden wijzen, al heeft hij eer zich zelven dan dien
eersten rechter aan te klagen van ze voorbijgezien te hebben. Den
eersten rechter eigenlijk in \'t geheel niet, want wie zal zeggen
of de eerste rechter ze voorbijzag of wel te licht bevond ? Toch kun-
nen ze en moeten ze den hoogeren rechter die ze juist acht, tot
verbetering van het vonnis brengen. Daartoe moet, gelijk wij zagen,
vooral het hooger beroep dienen, om tot een grondiger onderzoek
aanleiding te geven, een onderzoek zoo \'t kan van alle gronden, die
-ocr page 125-
§ 161. NADERK BEPALING VAN HET ONDERWERP VAN DEN STRIJD. 107
voor en tegen de gevoerde bewering kunnen worde te berde gebracht.
Kan de oorspronkelijke eischer niet dan nieuwe gronden voor
de door hem ingestelde vordering en tegen de door den verweerder
daartegen ingebrachte verdediging bijbrengen, aan den oorspronkelij-
ken verweerder is de bevoegdheid toegekend om ook nieuwe m i d-
delen van verwering aan te voeren. Verkeert hij daardoor in voor-
deeliger toestand dan de eischer, en kan men daarin eene toepassing
vinden van het „partes rei favorabiliores", daarin ligt niet eene hem
boven den eischer verleende bescherming; het is niet anders dan
het natuurlijk gevolg van den toestand des verweerders in het ge-
ding. De eischer kan niet pretendeeren dat de gedaagde, zich in het
geding inlatende, dit zou aanvaard hebben ook tegen eene andere
vordering dan die waarvoor de eischer hem in rechte deed roepen.
Maar wel beweert de eischer dat het recht, hetwelk hij vervolgt en
zooals hij dat vervolgt, tegen alle verweermiddelen, welke daartegen
kunnen worden aangewend, bestand is. En zal dan het hooger be-
roep beantwoorden aan zijn doel van een zoo volledig mogelijk on-
derzoek te doen plaats hebben, dan moet het ook voor het aanvoe-
ren van in eersten aanleg niet aangevoerde verdedigingsmiddelen de
gelegenheid geven. Carré Q. 1673 gaat wat ver, als hij, met wat wij
gaarne een fransch argument noemen, beweert: ,,la défense dérivant du
droit naturel, il doit être permis k une partie de 1\'exercer en tout temps
et de la maniere qu\'elle Ie juge convenable." Of zou het hand-
haven van zijn recht door eene rechtsvordering niet evengoed op dat
zg. droit naturel berusten ? Neen, de eischer moet weten wat hij te
vorderen heeft, voordat hij begint, maar den verweerder die gerust
zich mag rekenen in zijn gevestigden toestand, moet zoo ruim en
zoo lang mogelijk de gelegenheid worden gegeven om zijne verdedi.
gingsmiddelen te zoeken en te overwegen. Dit neemt niet weg, dat
de wetgever aan de toekenning van sommige, door hem in \'t bijzon-
der toegekende, middelen de voorwaarde kan verbinden dat zij op
zekeren tijd en wijze moeten worden voorgesteld, op straffe van
verval, en dit ook, ten behoeve van eenen redelijken procesgang, in
dien zin kan bepalen dat (men denke aan de declinatoire en de
dilatoire exceptien van het wetb. 1838: art. 93, 155, 159) het-
gebruik daarvan in hooger beroep wordt uitgesloten. Doch wanneer
als regel geldt, dat nieuwe verweermiddelen in hooger beroep
worden toegelaten, kunnen des te eer nieuwe gronden voor in eersten
aanleg reeds aangevoerde verweermiddelen worden bijgebracht. Voor
-ocr page 126-
108            HOOPDST. IX. AFD. II. HOOQHR BEROEP. T1T. I. HET MIDDEL.
den rechter blijft echter alleen de bevoegdheid om rechtsgronden
aan te vullen, welke de verweerder tot staving zijner verweermid-
delen niet mocht hebben aangevoerd (art. 48). Terwijl echter in \'t
algemeen nieuwe verweermiddelen in appèl kunnen opkomen, zal de
rechter, bij \'t gebruik maken van zijne ambtelijke bevoegdheid, des
te zorgvuldiger het niet altijd zoo dadelijk in \'t oog vallende onder-
scheid tusschen middelen en gronden van verdediging hebben
te maken. De onderscheidingen, welke de processualisten plegen te
maken tusschen de verdedigingsmiddelen, naarmate zij in eene vol-
strekte of betrekkelijke ontkenning der vordering bestaan, de onder-
scheiding in verdedigingsmiddelen ten principale en exceptieve en
ook het schema waarnaar zij tusschen de peremtoire exceptien
plegen onderscheid te maken, zullen hier dienst kunnen doen. Maar
bovendien zal de rechter dikwijls de tot eene zelfde categorie behoorende
verdedigingsmiddelen of exceptien moeten individualiseeren, in dien
zin, dat waar de verweerder zich op b.v. te niet gaan der schuld beriep
door betaling, het middel daartoe beperkt is en de rechter niet
ambtshalve te niet gaan door kwijtschelding zou mogen aannemen, als
ware daarin slechts een andere grond voor het te niet gaan der schuld
gelegen. Zoo zou ik dan ook van oordeel zijn, dat het Hof van
\'sGravenhage zijne bevoegdheid te buiten ging, toen het, bij arrest
van 1 Februari 1897, waartoe betrekking heeft een arrest van den
H. Raad van 11 Juni 1897, W. 6983, de niet-ontvankelijkheid van
eene vordering tot ontruiming eener woning wegens geeindigden
huurtijd uitsprak, op grond, dat den verhuurder na geeindigden huur-
tijd geene actie uit het huurcontract zou toekomen, terwijl de eerste
rechter, overeenkomstig de verwering des gedaagden, de niet-ontvan-
kelijkheid uitsprak, op grond, dat de verweerder als met een der
erfgenamen in gemeenschap van goederen gehuwd, als hoofd der echtver-
eeniging evenveel recht had op de detentie der onroerende goederen in
geschil als de eischers zelven. Al nam het Hof met de Rechtbank de
niet-ontvankelijkheid der vordering aan, zoo is toch de beteekenis van
dat middel niet te beoordeelen, zonder op zijn onmiddellijken grond
te letten. Zoo werd door gedaagden aangevoerd en door de Rechtbank
aangenomen, om in den ouden stijl te spreken, de peremtoire exceptie :
„non tibi competit actio" of „non competit actio contra me," terwijl
het Hof ambtshalve toepast de peremtoire exceptie „non competit
haec actio", waaruit m. i. duidelijk blijkt, dat niet slechts eendoor
den gedaagde niet gebruikte rechtsgrond, maar een door hem
-ocr page 127-
§ 161. NADERE BEPALING VAN HET ONDERWERP VAN DEN STRIJD. 109
niet aangevoerd rechtsmiddel werd toegepast. Verg. Dl. II, bl. 186.
Maar welke zijn de nieuwe verweermiddelen, welke de verweerder
voor het eerst in hooger beroep kan aanvoeren ? Wij hebben daartoe
in de eerste plaats te letten op den inhoud van art. 348, zooals
het luidde in het Wetb. van 1838, waarin „nieuwe weren van rechte"
worden toegelaten, mits zij eene verdediging ten principale opleve-
ren en niet in het geding ter eerster instantie zijn gedekt." De
redactie van het artikel geeft grond voor de meening dat het voor-
stellen van exceptien, anders dan die in eersten aanleg waren voor-
gesteld, uitgesloten wordt. Dat „mits" is onverbiddelijk, indien de
wetgever hier althans op de tegenstelling tusschen verdediging ten
principale en exceptief het oog heeft. De tegenstelling nu wordt
duidelijk gemaakt in art. 159 „de exceptien waarvan in het volgende
artikel wordt gehandeld" en „alle antwoorden ten principale." Voorts
in art. 160, waar van de overige exceptien de rede is die „met het
antwoord tegelijk" moeten of „voor het antwoord ten principale"
mogen worden voorgesteld. Evenzoo in art. 161. Nu is het ook uit
andere bepalingen duidelijk dat de wetgever aan de exceptien eene
uitgebreide beteekenis geeft. Zouden dan in art. 348 van de nieuwe
verweermiddelen alle peremtoire exceptien zijn uitgesloten ? Dit ware
een gansche ommekeer in hetgeen naar den C. de pr. rechtens was,
en, ofschoon onze wetgever in art. 348 in meer dan een opzicht
eene andere redactie volgde dan die van art. 464 C. de pr., men zou
niet mogen aannemen dat hij die ommekeer had gewild, dan wan-
neer de bewoordingen van art. 348 geene andere uitlegging toelieten,
Ofschoon het nu niet te ontkennen is, dat verweermiddelen gedekt
kunnen heeten, wanneer daarvan afstand is gedaan en op die wijze
ook verweermiddelen ten principale in de strenge beteekenis van dit
woord kunnen gedekt worden, is die uitdrukking toch \'t meest
eigenaardig van toepassing op exceptien, die men verwerkt door ze
niet tijdig of niet behoorlijk voor te stellen. Zie art. 93 (oud). Het
zijn ook alleen exceptien die naar de wet op die wijze worden
verwerkt, gelijk dit moet volgen uit art. 93 en 155 en 159 (oud.) De
gedachte aan de exceptien is derhalve den wetgever in art. 348
niet geheel uit het hoofd geweest. Maar wanneer men bedenkt, dat
de peremtoire exceptien in haar gevolg met de verdediging ten prin-
cipale kunnen gezegd worden gelijk te staan, en in art. 160 en 161 (oud)
wel wordt voorgeschreven dat die peremtoire exceptien met het ant-
woord tegelijk moeten worden voorgesteld, behalve enkele die ook
-ocr page 128-
110            HOOPD8T IX. APD. II. HOOGRR BRRORP. T1T. I. HRT MlDDKli.
vooraf voorgesteld kunnen worden, doch nergens het verval van die
exceptien wordt uitgesproken noch ondersteld, wanneer zij niet met
het antwoord voorgesteld werden, dan bestaat er dunkt mij, alle
grond om aan te nemen dat de wetgever die verdediging ten prin-
cipale hier in art. 348 in zoo ruimen zin heeft genomen, dat ook
de z. g. peremtoire exceptien daaronder zijn begrepen.
Ook kan men nog dit zeggen.
Als de verweerder de peremtoire excepties tegelijk moest voorstellen
met het antwoord ten principale en hij dit niet deed en dan in hooger be-
roep nieuwe verweermiddelen ten principale mag aanvoeren, dan ligt het
voor de hand dat ook aangevoerd kunnen worden de peremtoire excepties
die daarmede in eerste instantie reeds vereenigd moesten worden.
Niemand zal dan ook een argumentum a contrario willen ont-
leenen aan de bijzondere bepaling in art. 1988 B. W., omdat zij
uitdrukkelijk veroorlooft om zich in eiken stand van het geding en
zelfs in hooger beroep op de verjaring te beroepen. Het ware
wel gemakkelijk om met het: „qui dicit de uno, negat de altero" te
beweren dat, wat de wet hier van de verjaring bepaalt, dus ten
aanzien van ééne peremtoire exceptie veroorlooft, dientengevolge
door haar ten aanzien van de overige peremtoire excepties wordt
uitgesloten. Maar die redeneering ware even oppervlakkig als gemak-
kelijk en hare ondeugdelijkheid valt in het oog, als men bedenkt,
dat de wetgever hier voor de verjaring eene uitdrukkelijke bepaling
geeft om te voorkomen dat niet, uit het verband met andere hier
gemaakte bepalingen, eene derogatie aan art. 348, wat de verjaring be-
treft, zou worden afgeleid. Staat toch de bepaling van art. 1988 B.W.
niet in onmiddellijk verband met den in art. 1985 B. W. toegelaten
stilzwijgenden afstand ? Evenals nu de mogelijkheid van den stilzwij-
genden afstand aanleiding gaf tot het uitdrukkelijk verbod aan den
rechter om het middel ambtshalve toe te passen, ofschoon hem ook
reeds elders in het algemeen verboden is om rechtsm i d d e 1 e n aan
te vullen, zoo wordt in art. 1988 uitdrukkelijk bepaald dat die
stilzwijgende afstand niet mag worden afgeleid uit het niet inroepen
van het middel in eersten aanleg, dewijl ook bij de verjaring de
regel geldt, dat van peremtoire exceptien ook voor het eerst in hoo-
ger beroep kan worden gebruik gemaakt.
Hoe het zij, de jurisprudentie heeft zich bij ons, op \'t voorbeeld
der fransche, gevestigd in dien zin dat ook peremtoire exceptien als
nieuwe weren van rechte in hooger beroep kunnen worden aange-
-ocr page 129-
§161. KADERE BEPALING VAN HET ONDERWERP VAN DEN STRIJD. lil
voerd. Verg. H. Raad 30 Juni 1876 W. 4055. Dat er afwijkingen
in de jurisprudentie voorkomen is echter niet te, verwonderen. Zoo
bestaan er uitspraken, waarbij de disqualificatoire exceptie in hooger
beroep werd uitgesloten. Daarop kan ook het verschil van gevoelen,
omtrent den dilatoiren of peremtoiren aard van deze exceptie van
invloed geweest zijn.
Wat zal men moeten aannemen na de wijziging, welke het wetboek
van 1838 bij de wet van 1896 onderging?
Nieuwe weren zijn in art. 348 ook thans toegelaten, „die eene
verdediging ten principale opleveren, tenzij dezelve in het geding
ter eerster instantie zijn gedekt" en wordt daarbij gevoegd „waar-
onder niet begrepen is het geval dat het recht om ten principale te
antwoorden ingevolge art. 141 vervallen is." Niettegenstaande alzoo,
volgens art. 141, in eersten aanleg het recht om ten principale te
antwoorden vervalt, wanneer een of meer exceptien afzonderlijk wor-
den voorgedragen, kan men daarop in hooger beroep terugkomen en
daar voor het eerst zijne verdediging ten principale voordragen. Had
de verweerder behalve zijne exceptieve verdediging, zich door een of
ander middel ten principale verdedigd, dan heeft hij vanzelf de be-
voegdheid nieuwe weren ten principale bovendien aan te voeren.
Maar zal men, als onder de oude wet, ook de volgens de oude
wet niet gedekte peremtoire exceptien van art. 159 en 160 als nieuwe
verweermiddelen in hooger beroep kunnen toelaten? De HH. Hartogh
en Cosman leeren ons (op art. 141, bl. 57): „ten aanzien van excep-
tieve verweringen is de conclusie van antwoord beslissend. Komen
zij in haar niet voor, dan zijn zij voor goed van de baan en is in
haar slechts ééne voorgedragen, dan is met alle andere voor goed
afgerekend — ook in hooger beroep." De grond, dien de artt. 155,
159—161 (oud) ons gaven om in art. 348 onder verwering ten prin-
cipale ook eene categorie van exceptien te begrijpen, ontvalt ons,
omdat hij daarin lag, dat de wet onderscheid maakt tusschen excep-
tien die vóór het antwoord moeten worden voorgesteld en de zoo-
danige die met het antwoord mogen of moeten worden vereenigd.
Alleen de eerste worden gedekt, als zij niet voorgesteld waren, de
anderen niet. Deze konden juist om de voorgeschreven vereeniging
met het antwoord, wat aangaat het in art. 348 bedoelde gevolg,
met verweermiddelen ten principale worden gelijkgesteld; nu moeten
alle exceptien met het antwoord ten principale worden vereenigd,
op straffe van verval. Alle niet in eersten aanleg voorgedragen
-ocr page 130-
112             HOOPDST. IX, APD. II. HOOGKR BEROEP. TIT. I. HET MIDDEL.
exceptien zijn alzoo vervallen; zij zijn in eersten aanleg gedekt en
al brengt men ze tot verweermiddelen ten principale, dan sluit art.
348 ze toch uit, omdat ze gedekt zijn.
Het wordt er niet beter op, wanneer juist is het beweren der
beide straks genoemde rechtsgeleerden (bl. 58) „dat ook naar de oude
lezing van art. 348 de wetgever meer gevoelde voor de principale
dan voor de exceptieve verdediging en dat die meerdere genegenheid
terecht in de nieuwe wet overging." Want, ofschoon, gelijk wij zagen,
de oude wet het voorbrengen van in eersten aanleg niet gedekte
exceptien, met name de peremtoire, in hooger beroep veroorloofde,
in de wijziging zou die meerdere genegenheid met geen andere be-
doeling zijn uitgesproken dan om de bedoelde exceptien in hooger
beroep uit te sluiten.
Wel vertrouwen de schrijvers dat „in het vervolg evenals voorheen
aan de wetenschap en rechtspraak zijn overgelaten het onderscheid
tusschen de beide hoofdsoorten van verweermiddelen, exceptie en ver-
dediging ten principale vast te stellen, waarbij het dan te verwach-
ten is, dat de oude artt. 159 Ie lid en 160 der wet niet uit het
oog zullen worden verloren." (bl. 58). Maar men vergete niet, dat
het onderscheid daar wordt gemaakt met het oog op het afzonderlijk
of te gelijk met het antwoord voorstellen der exceptien en dat juist
op dit punt „de wet van 1896 alle excepties over ééne kam scheert,"
bl. 60. En dan zegt de nieuwe wet, m. a. w., dat niet alleen die
exceptien welke de wetgever in art. 155 en 159 op \'t oog heeft, op
straffe van verval, met het antwoord moeten worden voorgesteld en
dien tengevolge in hooger beroep niet meer voorgesteld kunnen wor-
den, maar dat ook die van art. 160 vervallen, als zij niet in eer-
sten aanleg worden voorgesteld en dus in hooger beroep niet meer
voorgesteld kunnen worden.
Kon men nu, gelijk wij zagen, langs den weg eener bij uitnemend-
heid rationeele uitlegging aan de verwering ten principale in art.
348 (oud) eene ruime beteekenis toekennen en er de in art. 160 be-
doelde exceptien onder begrijpen, met het nieuw artikel 348 gaat
dit niet zoo geleidelijk, omdat er nu geen exceptien meer zijn die niet,
door ze niet met het antwoord tegelijk voor te stellen, gedekt zijn.
Het is uit een en ander duidelijk, dat het nu van veel grooter
belang wordt om het onderscheid tusschen principale en exceptieve
verwering te preciseeren, dan dit tot nu toe het geval was. Want
was eene exceptie niet die van art. 155 noch eene dilatoire van art.
-ocr page 131-
§ 161. NADERE BEPALING VAN HET ONDERWERP VAN DEN STRIJD. 113
159, maar behoorde zij met de drie in art. 160 genoemde tot de
„overige" dan- kwam het er voor het hooger beroep praktisch minder
op aan, of men de exceptien als exceptie of als middel ten principale
qualificeerde.
Wil men nu in dezen tot een bevredigende uitkomst geraken, dan
moet men blijven vasthouden aan het denkbeeld dat tot de exceptien
altijd eene categorie van verdedigingsmiddelen is gebracht, welke in
hun gevolg met de verdedigingsmiddelen ten principale op ééne lijn
kwamen, met name de peremtoire. Zoo kon de wetgever van 1830
in art. 292 zelfs spreken van „nieuwe exceptien, mits dezelve een
verdediging ten principale opleveren," wat niet anders kan beteekenen
dan dat zij peremtoir zijn. Ten opzichte van die peremtoire excep-
tien zal men dan moeten blijven aannemen dat zij in art. 348 onder
de middelen ten principale zijn begrepen en dus ook nog in hooger
beroep kunnen worden ingeroepen voor het eerst.
Omtrent die peremtoire exceptien welke gezegd worden den aard
der actie te betreffen (O. 1820, art. 3289) lijdt dit m. i. geen
twijfel omdat er in onze wet geene bepaling is te vinden, welke deze
tot een exceptief verdedigingsmiddel stempelt. Wat de peremtoire
betreft de zaak in geschil betreffende (O. 1820 art. 3287) be-
staat, dunkt mij, ook geen bezwaar, omdat zij naar O. 1820, art. 3274,
gezegd worden ook ten principale tot ontzegging van den eisch te
kunnen worden ingeroepen. Zij ontleenden toch het karakter van perem-
toire exceptien aan de omstandigheid dat de bewijslast op den ver-
weerder drukt, terwijl zij naar hun inhoud als gequalificeerde ont-
kentenis even goed verdedigingsmiddelen ten principale zijn als de
volstrekte ontkentenis dit is. Met het oog op de bevoegdheid om ze
als nieuwe weren in hooger beroep aan te wenden, kan er geen reden
zijn, om ze anders dan als verdedigingsmiddel ten principale te
behandelen. Wat de disqualificatoire exceptie betreft, deze ontleent
het karakter van exceptie alleen aan de omstandigheid dat zij even
als de processueele exceptien vóór het antwoord kon worden voor-
gesteld. Nu deze bevoegdheid is weggevallen, is zij niet anders dan
een verweermiddel ten principale. De exceptien van dading en van
gewijsde zaak verkeeren in hetzelfde geval, al is de reden, waarom zij
afzonderlijk en vóór het antwoord konden worden voorgesteld daarin
gelegen dat zij tot de exceptien zg. van litis finitie behoorden. De ver-
jaring heeft onbetwistbaar het karakter van een exceptie en bepaal-
delijk wanneer men aanneemt dat zij uitsluitend de actie doet
v.                                                                                               8
-ocr page 132-
114 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOOEB BEROEP. TIT. I. HET MIDDEL.
vervallen. Maar ook wanneer men met mij de sterkere werking
aanneemt, dan is \'t daarbij toch ook in de eerste plaarts om \'t verval der
actie te doen. Wij vinden daarin zelfs het zuiver begrip van de
romeinsche exceptio, als gegrond op een zelfstandig door de wet
toegekend recht, terug. Doch de bepaling van art. 1988 maakt hier
verdere discussie overbodig en moet haar in appèl als niet gedekt
middel ten principale doen toelaten. Omtrent de voortdurende geldig-
heid van art. 1988 ben ik het dus met de H.H, Habtouh en Cosman
bl. 62, geheel eens. Ging de wetgever bij de vaststelling van art.
1988 kennelijk uit van de veronderstelling, dat alle peremtoire
exceptien nu in hooger beroep kunnen worden voorgesteld, die onder-
stelling zou kunnen vervallen, indien art. 348 te dien aanzien eene
andere beteekenis had gekregen. Niettemin bleef toch art. 1988, maar
dan als singuliere bepaling, zijne kracht behouden. Niet omdat de
bijzondere bepaling in het B. W. staat, maar omdat het eene bijzon-
dere bepaling is, die, onafhankelijk van verandering in den regel,
hare kracht behoudt. Overigens deel ik ten aanzien van hetgeen de
HH. Haetogh en Cosman daar nog meer over zeggen, hun gevoelen
niet, gelijk blijkt uit hetgeen ik straks opmerkte.
Zoo meen ik dan te mogen aannemen, dat voor de toepassing van
art. 348 alles bij het oude is gebleven en dat wij de peremtoire
exceptien voortdurend onder de daar genoemde weren van rechte, die
eene verdediging ten principale opleveren, mogen rangschikken en ze
dus voor het eerst in hooger beroep kunnen worden voorgedragen.
Maar dan ligt daarin ook vanzelf opgesloten, dat met al deze ver-
weermiddelen, welke als verdediging ten principale moeten worden
aangemerkt, de andere verdedigingsmiddelen ten principale in de
conclusie van antwoord opgenomen, bij conclusie van dupliek kunnen
worden aangevuld.
Zoo zal dan ook met evenveel recht na als vóór de wet van 1896
worden beslist, dat, vermits eene exceptie van niet-ontvankelijkheid
gegrond op gebrek aan inmorastelling, eene verdediging ten principale
is, (Hof Groningen, 25 September 1865, N. R. Bijblad XVIII (1867)
bl. 47, Hof Drenthe 30 December 1865 W. 2822) dit verdedigings-
middel voor het eerst in hooger beroep kan worden aangevoerd. Evengoed
na als vóór de wet van 1896 zal de rechter, overwegende dat eene
peremtoire exceptie met eene verdediging ten principale gelijkstaat,
het voor het eerst voorstellen van dergelijke peremtoire exceptien in
appèl, na art. 348, toegelaten achten. Hooge Raad 20 Juni 1856
-ocr page 133-
§161. NADEKK BEPALING VAN HET ONDERWERP VAN DEN STRIJD. 115
W. 1761, en zal dit zoo blijven met name ten aanzien van de ex-
ceptie „haec actio tibi non competit contra me", Hof Noordholland
5 Januari 1846, Regtsg. Bijbl. Vlil (1846) bl. 32. Hooge Raad
11 December 1846, W. 770 en de disqualificatoire, Hof Overijssel
22 April 1844. Regtsg. Bijbl. VI, (1844) bl. 606, Hof N.-Holland
27 Juni 1861, W. 2313, Hooge Raad 12 Maart 1863, W. 2466,
al werden er op enkele punten ook afwijkende uitspraken gegeven.
Ook kan het de bedoeling van den wetgever niet geweest zijn
hierin verandering te brengen. Integendeel blijkt uit de bewoordingen
welke in art. 448 zijn ingelascht „waaronder niet begrepen is het
geval, dat het recht om ten principale te antwoorden ingevolge art.
141 vervallen is" deze bevoegdheid in den ruimsten zin heeft willen
doen behouden. Ware het anders, het recht van verdediging zou zonder
eenigen afdoenden grond verkort en het hooger beroep voor een goed
deel zijne nuttige strekking hebben verloren.
Het mag niet overbodig geacht worden nog een oogenblik stil te
staan bij eene vergelijking van ons art. 348 met art. 464 C. de pr.
De verandering in de redactie en vooral de weglating der in het
eerste lid van laatstgenoemd artikel voorkomende woorden: „a moins
qu\'il ne s\'agisse de compensation ou que la demande nouvelle ne
soit la défense a 1\'action principale" verdienen daarbij de aandacht. Ik
laat daar de door de schrijvers algemeen erkende en dan ook niet te ont-
warren verwarring, welke er in het antwoord der Regeering, vermeld bij
v. d. Honert, omtrent het niet vermelden der compensatie in ons artikel,
heerscht. Ik vraag alleen, of niet de fransche wetgever, met het uitdruk-
kelijk vermelden van de compensatie, alle andere middelen van bevrijding
van verbintenis en daarmede het inbrengen van daarop gegronde middelen
van verdediging (zg. peremtoire exceptien) in appèl heeft willen uit-
sluiten. Dit is evenwel volstrekt het geval niet. Art. 464 sluit in
het geheel verdedigingsmiddelen niet uit, maar het wilde deze in den
ruimsten zin (mits zij niet door verzuim van ze in eersten aanleg
voor te stellen gedekt waren) in appèl toelaten. Daarom maakt het
uitdrukkelijk melding van de compensatie, niet alleen omdat in deze
eene vordering ligt opgesloten, maar omdat, wanneer de in verge-
lijking gebrachte schuld de gevorderde overtreft, ook het overschot
bij reconventie in appèl zou kunnen gevorderd worden. Met „demande
nouvelle", die niet anders is dan eene verdediging tegen de oor-
spronkelijke vordering, doelde het artikel op al die verweermiddelen,
welke ook het voorwerp van eene vordering konden uitmaken als die
-ocr page 134-
116 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGEB BEKOEP. TIT. I. HET MIDDEL.
tot nietig verklaring van eene acte of van eene overeenkomst. Ook plegen
de schrijvers de reconventioneele vordering daaronder te begrijpen.
Zoo verschilt ons art. 348 van het fransche art. 464 alleen hierin,
dat het, door uitdrukkelijk van verweermiddelen te spreken en daarbij
geen onderscheid te maken, ook die welke het voorwerp van eene
vordering kunnen uitmaken of, als de compensatie, eene vordering in
zich bevatten, alle verweermiddelen zonder onderscheid in hooger
beroep toelaat; de reconventie evenwel, als inderdaad eene nieuwe
vordering zijnde, al wordt zij formeel als verdedigingsmiddel gebruikt, met
de andere nieuwe vorderingen, in verband met art. 250 § uit. uitsluit,
ook waar zij strekt tot betaling van hetgeen eene in vergelijking
gebrachte schuld meer bedraagt, zoodat in dat geval dat meerdere in
hooger beroep bij ons niet voor het eerst gevorderd kan worden. Of op
die wijze niet de uitsluiting der reconventie in hooger beroep blijkt
het doel voorbij te streven, en, als zij \'t gevolg is van de toelating
der reconventie ook zonder dat er eenig verband met de conventie
bestaat, de onjuistheid van die leer er niet in uitkomt, schijnt mij
weinig twijfelachtig. Van de straks bedoelde fransche schrijvers verg.
men Caeeé-Chauveau op art. 464 vooral Q. 1674; Boitaed op art.
464 en Gabsonnet V. § 972 b.
Hoogst billijk is evenwel de bepaling dat, indien de oorspronke-
lijke verweerder, tengevolge van de gegrondheid van het nieuwe
voor het eerst in hooger beroep aangevoerde middel, in het gelijk
wordt gesteld, hij veroordeeld zal kunnen worden in de kosten van
het geding, welke tot op het voorbrengen van het nieuwe middel
werden gemaakt, indien hij het middel in eersten aanleg had kunnen
doen gelden. Immers tot zoolang hij het nieuwe middel niet had
aangevoerd, bleef hij ongelijk hebben en werd hij terecht in het
ongelijk gesteld door eigen schuld. Daar is hierbij evenwel aan den
rechter ruimte in zijn oordeel verbleven, daar hij in de kosten zal
kunnen veroordeelen. Immers zullen de omstandigheden van het
bijzonder geval moeten uitwijzen in hoever de verweerder zijn nieuw
middel had kunnen doen gelden. Valt hieraan niet te twijfelen,
wanneer het nieuwe verdedigingsmiddel in eersten aanleg nog niet
bestond (Verg. arr. Hooge Raad 4 December 1857, W. 1915), iets
anders zal het worden, indien de verweerder eerst later in het bezit
is gekomen van bewijsstukken die hij in eersten aanleg niet had.
Dan kan het de vraag zijn, in hoeverre ook aan hem zelven de on-
mogelijkheid om de bewijsstukken voor te brengen te wijten ware.
-ocr page 135-
§ 161. NADERE BEPALING VAN HET ONDERWERP VAN DEN STRIJD. 117
Vasthoudende aan het zeer juiste beginsel dat hetzelfde geding in
de hoogere instantie wordt voortgezet en, na met name te hebben
aangewezen, met welke bijkomende vorderingen de eisch in eersten
aanleg kon worden uitgebreid, kon de Ontwerper van 1865 het
voorbrengen van nieuwe vorderingen in hooger beroep op eenvoudige
wijze regelen en beperken tot de uitbreiding, die ook in eersten
aanleg geoorloofd was verklaard, terwijl omtrent de verweermiddelen
niets anders behoefde voorgeschreven te worden dan dat toegelaten
werden in hooger beroep de middelen die in eersten aanleg niet
waren verwerkt. Levert de te strenge bepaling van art. 134 tegen
de toepassing van het beginsel bezwaar op, wat de verweermiddelen
betreft heeft de nieuwe regeling van het voordragen dier middelen
in eersten aanleg, bij de wet van 1896, ten gevolge, dat de verdedi-
ging ten principale in eersten aanleg kan zijn verwerkt, terwijl men
om deze te doen gelden, het middel van hooger beroep zal moeten
te baat nemen. Zie het Ontwerp 1865, art. 20 van Titel IV B. III
en de toelichting.
De omvang van den strijd in hooger beroep ondergaat, behalve door Niet-ontvan-
incidenten, welke daarbij kunnen voorkomen, eene uitbreiding door kelijkneid.
het aanvoeren van middelen van niet-ontvankeiykheid, waartoe het
zelf aanleiding kan geven. Zoo kan beweerd worden dat het vonnis
niet vatbaar is voor hooger beroep, omdat de lagere rechter naar de
bepaling der wet in het hoogste ressort vonnis wees. Voorts dat de
ternrijn, binnen welken het hooger beroep moet worden ingesteld was
verstreken, of dat nog niet verstreken was de termyn, binnen welken
het hooger beroep niet mag ingesteld worden. Ook kan het beweren
dat van het hooger beroep, uitdrukkelijk of stilzwijgend, met woord of
daad, werd afgezien (berusting in het vonnis) een middel van niet-
ontvankelükheid opleveren.
Naar aanleiding van de omstandigheid dat, onder het wetboek van
1838, meer dan ééne categorie van exceptien vóór andere weren
moesten of mochten worden voorgesteld en dus het onderwerp van
eene afzonderlijke behandeling in het geding konden uitmaken, bracht
ik bij de behandeling van het geding in eersten aanleg de exceptien
tot de incidenten. Dl. III § 85. Zoo zoude ook art. 338 (oud) mij
aanleiding hebben gegeven om de daar in verband met de toelichting
-ocr page 136-
118 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP. TIT. I. HET MIDDEli.
bij v. d. Honert op § 338, Handelingen der Staten Generaal 1836/37,
Bijl. bl. 256, Ontw. 7, art. 4, bedoelde exceptien, waarvan ik den inhoud
hierboven in den tekst aanwees, bij de incidenten te bespreken. Het voor-
schrift evenwel bij de wet van 1896 in het nieuw artikel 141 gegeven om
alle exceptien met het antwoord ten principale te gelijk voor te dragen,
moest natuurlijk ook in hooger beroep zijne toepassing vinden, hetgeen
geschiedde door de afschaffing van art. 338, dat het afzonderlijk
voorstellen der niet-ontvankelijkheden in hooger beroep hierboven
bedoeld voorschreef, ofschoon ook vereeniging toelatende. Mocht nu,
in strijd met het gebod om ze te vereenigen, eene of meer dezer
exceptien afzonderlijk worden voorgesteld, dan zullen zij het uit-
sluitend onderwerp van den rechtsstrijd in hooger beroep uitmaken
vermits art. 141, krachtens art. 347, in zijn geheel in hooger
beroep toepasselijk zal zijn en alzoo niet alleen de niet voorge-
dragene exceptien maar ook het recht om ten principale te ant-
woorden vervallen zullen wezen. Indien ik evenwel terecht, hierboven
bl. 81 v., het gevoelen verdedigde, dat op de hier genoemde redenen
van niet-ontvankelijkheid: de onvatbaarheid van hooger beroep, het
verloopen van den termijn en het nog niet verloopen van den termijn,
door den rechter ook ambtshalve moet worden gelet, dan zal het
verzuim om ze onmiddellijk bij het antwoord voor te stellen de partij
meer formeel dan materieel van het recht berooven om daarvan
gebruik te maken. Zeker zal hij daarover geen debat kunnen uit-
lokken in den vorm van conclusien en daardoor de tegenpartij tot
tegenspraak en den rechter tot. beslissing dwingen. Maar niets belet
dat, bij pleidooi, \'s rechters aandacht op deze niet-ontvankelijkheden
in het hooger beroep gevestigd en op die wijze eene beslissing van
den rechter ambtshalve worde uitgelokt.
Dat de exceptie, gegrond op berusting in het vonnis door den
verweerder moet worden voorgesteld, als ontleend aan feiten welke
de rechter van haar vernemen moet, is duidelijk.
titel II.
RECHTSPLEGING.
Evenals bij het rechtsgeding in eersten aanleg, komen hier de
volgende bijzondere punten ter bespreking in aanmerking:
-ocr page 137-
§ 162. INSTELLEN VAN DEN EISCH. DE DAGVAARDING.              119
10. het instellen van het hooger beroep en het gevolg daarvan,
2». de verwering en de daaruit ontstaande strijd,
3°. de beslissing; alles bij den eenvoudigen door geen incidenten
verwikkelden loop van het geding.
. De incidenten zullen daarna het onderwerp van eene afzonderlijke
§ uitmaken.
§ 162. Instellen van den eisch. De dagvaarding.
Zal de rechter in hooger beroep over eene uitspraak des lageren
rechters oordeelen, dan moet het geding opnieuw en nu bij hem
worden aangelegd. Gelijk dan iedere aanleg, naar den zin van art. 1,
aanvangt met eene dagvaarding, zoo is ook hier eene dagvaarding
noodig, waarbij dan het hooger beroep wordt ingesteld.
De dagvaarding is de eerste akte van dezen aanleg of rechtsgang.
Daaraan behoeft geenerlei andere akte vooraf te gaan. Er wordt hier
geene rechtsvordering in de eigenlijke en materieele beteekenis van
het woord ingesteld, maar de behandeling van den bij den lageren
rechter ingestelden eisch wordt voortgezet. Van eene sommatie, als
bij het instellen van een eisch, om bijv. de niet-voldoening aan eene
verbintenis te constateeren, te pas kan komen, kan geen sprake zijn.
En waar bij sommige vorderingen een verlof des rechters vereischt
wordt, valt dit ook in appèl weg, tenzij het te doen ware om een
korteren termijn van dagvaarding te bekomen naar art. 7.
Het hooger beroep vangt aan met eene dagvaarding, behalve het Dagvaarding.
a vftT\'flmf rit f*n
incidenteel beroep, waarvoor eene dagvaarding niet te pas komt. Art.
339 § 2.
De dagvaarding geschiedt in denzelfden vorm en met dezelfde ver-
eischten als voor de dagvaarding in eersten aanleg zyn voorgeschreven.
Zy behoeft evenwel niet in te houden de gronden waarop het hooger
beroep steunt.
De dagvaarding wordt beteekend op dezelfde wyze als dit voor deu b. beteekening
eersten aanleg is bepaald. Afschriften van stukken behoeven daarbij
echter niet overgelegd te worden.
Indien evenwel in hooger beroep een nieuwe eisch wordt gedaan, Wanneer
moet de dagvaarding de gronden en de strekking daarvan bevatten en gron en\'
-ocr page 138-
120 HOOPDST. IX, AFD. II, HOOGER BKROEP. TIT. II, RECHTSPLEGING.
behoort daarby tevens afschrift van de daartoe betrekkelijke stukken
te worden overgelegd. Art. 343 jis 1 vv., 133.
Na hetgeen over de dagvaarding in eersten aanleg in Afd. I van
Hoofdstuk VI (Dl. II §§ 50—60) is opgemerkt, behoef ik hier slechts
op enkele punten terug te komen. In het algemeen toch maakt art.
343 de bepalingen die voor de dagvaarding in eersten aanleg gelden
in hooger beroep toepasselijk, daarbij natuurlijk doelende op die be-
palingen, welke de wet zelve als algemeene bepalingen van alle ge-
rechten in de eerste en ook in de zevende afdeeling van Titel I
geschreven had. Toch begreep de wetgever, die zevende afdeeling nog
eens in het bijzonder toepasselijk te moeten verklaren in a. 343 § 2.
Eigenlijk had alleen art. 133 toepasselijk verklaard behoeven te
worden.
Het incidenteel beroep kan, in formeelen zin, met een reconventio-
neelen eisch worden vergeleken. Gelijk voor dezen laatsten eene dag-
vaarding niet noodig is, omdat de partij, tegen welke de reeonven-
tioneele eischer ageeren wil, reeds als eischer in conventie tegenover
haar staat, in het geding waarin zij zelve den reconventioneelen
eischer als verweerder daagt, zoo is het ook met het incidenteel
beroep, hetwelk de gedaagde in beroep tegenover den eischer in beroep
doet gelden. En gelijk de eischer in conventie door een procureur
vertegenwoordigd in het geding staat en daarom op de reconventie
van zelf vertegenwoordigd is, zoo is het ook met den appellant tegen
wien het incidenteel beroep gericht wordt.
A. Inhoud van de dagvaarding.
Eischer en gedaagde moeten worden aangewezen overeen-
komstig art. 5 no. 1 en 2, terwijl volgens art. 133 bij de dagvaar-
ding procureur moet gesteld worden met keuze van woonplaats, indien
die niet bij den gestelden procureur gekozen wordt.
Eischer in hooger beroep wordt de in het ongelijk gestelde in
eersten aanleg, die het oordeel des hoogeren rechters over de be-
slissing des lageren inroept; gedaagde of verweerder in hooger
beroep is de in eersten aanleg in het gelijk gestelde. Zoo kunnen
bij den strijd over de juistheid van het gewezen vonnis de rollen
verwisseld worden doch, met opzicht tot het recht of de rechtsbe-
-ocr page 139-
§ 162. INSTELLEN VAN DEN EISOH. DE DAGVAABDING.           121
trekking in geschil, blijft eischer hij die het geding bij den eersten
rechter aanlegde, gedaagde hij tegen wien dit geschiedde.
De eisch. Hierbij ontmoeten we een belangrijk verschil. Terwijl
art. 5 no. 3 vordert de vermelding van de middelen en het onder-
werp van den eisch (m. a. w. de strekking van den eisch en de
rechtsfeiten waarop hij steunt), behoeft de dagvaarding in hooger
beroep „de middelen op welke het hooger beroep gegrond is," zooals
de wet zegt, d. i. de gronden waarop de eischer de juistheid van
des eersten rechters beslissing betwist, „niet uit te drukken." Alleen het
onderwerp d. w. z. de strekking van den eisch van hooger beroep
behoeft te worden vermeld. Deze is gemakkelijk aan te geven. De
appellant, die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk werd gesteld bij
het vonnis van den eersten rechter, verlangt herstel van het hem
daardoor aangedaan onrecht. Dit zal alleen kunnen geschieden door
vernietiging van het eerste vonnis in zijn geheel of, voor zoover dit
hem nadeelig is, bij een nieuw vonnis dat hem gelijk geeft. Hij
vraagt derhalve van den hoogeren rechter dat deze versta, dat er
wèl is geappelleerd en kwalijk gevonnist en dat de hoogere rechter
mitsdien, het in eersten aanleg gewezen vonnis vernietigende, den
appellant alsnog den door hem in eersten aanleg gedanen eisch zal
toewijzen en den geintimeerde veroordeelen tot voldoening aan dien
eisch, waarvan dan de inhoud volgt. Of, werd de gedaagde in
eersten aanleg in \'t ongelijk gesteld en jegens den eischer veroor-
deeld, dan vraagt hij dat de hoogere rechter den eischer in zijn in
eersten aanleg ingestelden eisch niet-ontvankelijk verklare, immers
hem dien ontzegge. In beide gevallen wordt daarbij gevorderd ver-
oordeeling van den geintimeerde in de kosten van beide instantien.
Dat de appellant bij de dagvaarding, die uitsluitend tot den gein-
timeerde gericht is, geene gronden voor zijn beroep behoeft aan te
geven, verklaart zich gereedelijk. In de eerste plaats zijn de middelen
van eisch en verwering uit het in eersten aanleg gevoerde geding
bekend. Zij worden in appèl niet op nieuw voorgesteld, maar de
strijd over hunne al of niet gegrondheid wordt tusschen partijen
voortgezet. Maar ten andere, al ware dit het geval niet, hij die eens
een vonnis in zijn voordeel heeft verkregen, zal in het algemeen
zich wel niet hebben te bedenken, of hij het hooger beroep zal tegen-
spreken of niet. Want zelfs wanneer eens de rechter, zonder over het
door eene partij aangevoerde verweermiddel uitspraak te doen, ambts-
halve eene niet-ontvankelijkheid toepaste, welker onjuistheid de ver-
-ocr page 140-
122 HOOPDST. IX. AFD. II. HOOOEK BEROEP. TIT. II. RECHTSPLEGING.
weerder niet heeft kannen tegenspreken, hij zou zich op het hooger
beroep toch partij stellen, omdat hij de door hem gevoerde bewering
aan het oordeel des hoogeren rechters zou willen onderwerpen.
In verband met deze overwegingen maakte onze wetgever zeker de
bepaling dat, wanneer de dagvaarding eene nieuwe vordering behelst,
wat art. 348 met opzicht tot de daar vermelde toelaat, „de middelen
en het onderwerp daarvan" behooren vermeld te worden. Mis-
schien ligt er ook een strenge toepassing in van het verbod in art.
134 voorkomende, om het onderwerp van den eisch na de dagvaar-
ding te vermeerderen. Geen van deze redenen gaan evenwel met
opzicht tot de onder n<>. 1 en 2 van art. 348 vermelde nieuwe
vorderingen op. Over de provisien spreek ik bij de incidenten. De
wetgever had, dunkt mij, het formuleeren van beide vorderingen wel
aan de conclusie van eisch in appèl kunnen overlaten. Indien het
voorschrift evenwel goedkeuring verdient, dan had het wel mogen
worden uitgestrekt tot de nieuwe verweermiddelen welke in appèl
kunnen worden aangevoerd en waarmede de geintimeerde nu eerst
bekend wordt nadat hij het geding in hooger beroep aanvaardde. Hij
moge al tegen eene veroordeeling in de kosten gevrijwaard zijn,
indien de verweerder ze reeds in eersten aanleg had kunnen doen
gelden, waar dit niet het geval is, staat hij aan eene veroordeeling
in de kosten bloot en in elk geval had hij het geding spoediger
een einde kunnen doen nemen door er niet op in te gaan.
Dat er, waar geen middelen in de dagvaarding voorkomen ook
geen stukken tot staving daarvan behoeven beteekend te worden,
ligt voor de hand. Ik heb evenwel niet geaarzeld om ook de uitzon-
dering omtrent de beteekening van afschrift der stukken, ten
opzichte van de nieuwe vorderingen te doen vervallen. De woorden
van het artikel zijn ook met deze zijne kennelijke bedoeling niet
in strijd. In beginsel behoort zeker die beteekening plaats te hebben,
doch de bijvoeging: „zoo ze er zijn" ware daarbij wellicht niet mis*
plaatst.
Cumulatie. Verg. § 56 Dl. II, bl. 17 vv. Wanneer in eersten
aanleg meer eischers zijn opgetreden, omdat het recht in geschil
alleen aan allen te zamen toekomt of meer verweerders omdat het
recht alleen tegen hen gezamenlijk kan worden geldend gemaakt,
behooren ook alle gezamenlijk in hooger beroep op te treden. Ieder
hunner is dan op zichzelf tot hooger beroep niet bevoegd, evenmin
als hij in eersten aanleg bevoegd was om alleen tot vervolging of
-ocr page 141-
§ 162 INSTELLEN VAN DEN EISCH. DE DAGVAARDING.             123
verdediging op te treden. En hetzelfde geldt indien van de aldus
gezamenlijk in eersten aanleg opgetreden eischers of verweerders, een
als geintimeerde in hooger beroep werd geroepen. Zijn daarentegen
meer eischers of meer verweerders gezamenlijk in eersten aanleg
opgetreden tengevolge van de verknochtheid hunner overigens zelf-
standige vorderingen, als die van meer erfgenamen als schuldeischers
of als schuldenaren, dan staat het hooger beroep aan ieder hunner
vrij; zij zijn in het instellen daarvan of in het verschijnen daarop
van elkander niet afhankelijk; als een der veroordeelde erfgenamen
(mede-schuldenaar) in beroep komt, behoeven de anderen dit niet alleen
niet te doen, maar zij hebben deze ook niet in het geding te roe-
pen. De schuldeischer die tegen hen gezamenlijk als erfgenamen, ieder
voor hun deel optrad, vereenigde in zijn eisch hem tegen ieder der
erfgenamen afzonderlijk toekomende vorderingen (*).
Objectieve cumulatie, die hier zou moeten bestaan in het samenvoe-
gen van twee, in eersten aanleg afzonderlijk behandelde, niet gevoegde
zaken, bij ééne dagvaarding in hooger beroep, is niet toe te laten. Men
bedenke slechts dat in hooger beroep het geding, dat in eersten
aanleg gevoerd werd, wordt voortgezet. De twee gedingen die tot
dusver hun eigen gang gingen, blijven hun eigen gang tot het einde
toe gaan. Terecht oordeelde in dien zin de Rechtbank van \'s-Gra-
venhage. 9 Febr, 1897, W. 6959.
De aanwijzing van den rechter. Ook in de dagvaarding
van hooger beroep moet natuurlijk het rechterlijk college, hetzij
Rechtbank, Hof of Hooge Raad met name worden aangewezen. Welke
deze is, zagen wij hierboven bl. 53. Die bevoegdheid hangt alzoo
niet als in eersten aanleg, volgens art. 126, van de daar aange-
wezen omstandigheden en den aard der in te stellen vordering af,
maar van de vraag, welke de hoogere rechter is in de rechterlijke
hiërarchie boven den rechter die het vonnis wees. Aan dezen wordt de
rechtsmacht in hooger beroep met uitsluiting van andere o p gedragen.
Van verdeeling van rechtsmacht tusschen meer op zichzelf even be-
voegde colleges is hier geen sprake.
Wat betreft den in het exploit te vermelden tijd waarop de
(*) Ik maak van de gelegenheid gebruik hier een fout te verbeteren, die ik Dl. II, bl. 18 beging.
De woorden daar voorkomende r. 18 v. b. „de vordering—ingesteld" moeten geschrapt worden.
Gelijk voldoende blijkt uit de verdere behandeling op bl. 21 en 22, is die vordering op bl. 18
verkeerd aangehaald, als een voorbeeld van verknochtheid.
-ocr page 142-
124 HOOFDST. IX. APD. II. HOOGEB BEROEP. TIT. II, RECHTSPLEGING.
geintimeerde verschijnen moet, de vermelding van den
deurwaarder en den persoon aan wien afschrift van
het exploit gelaten wordt, kan ik volstaan met naar Dl. II
§ 56 te verwijzen. Omtrent den dag, waarop het exploit gedaan
wordt, heb ik, in verband met hetgeen ik te dien aanzien in Dl. II
bl. 30 onder VII zeide, alleen te herinneren dat in den tijd van
den dag waarop een exploit niet, of niet dan met verlof van den
Voorzitter van het college mag beteekend worden, bij de wet van
1896 deze verandering is gebracht, dat die tijd thans is bepaald op
vóór zeven uren des morgens en na acht uren des
avonds, en dit gelijkelijk in alle maanden van het jaar. Zie art
15 (nieuw).
B.   Wrjze van exploiteeren; uitwendige vereisen ten
van het exploit.
Zie § 57, Dl. II, bl. 31 vv. De aanvulling welke in art. 4 in n°.
7 en 8, bij de wet van 1896 werden aangebracht, behoef ik hier
niet te bespreken. Opmerking verdient alleen dat wanneer de eischer
van een bij verstek gewezen vonnis in hooger beroep komt, hij het
exploit aan den bij verstek veroordeelden gedaagde op dezelfde wijze
doet beteekenen als ware er niet bij verstek veroordeeld. In cassatie
moet in zoodanig geval van het exploit in de dagbladen aankondi-
ging worden gedaan, art. 401; waarom niet hier?
C.  T e r m ij n e n.
Ten aanzien van dit onderwerp, in § 58 door mij behandeld, slechts
twee opmerkingen:
1°. Naar de wijziging in art. 7, bij de wet van 1896, gebracht,
kan de president van het college ook op een mondeling verzoek
des eischers den termijn van dagvaarding verkorten. Men meende
evenwel ook het schriftelijk verzoek te moeten behouden.
2°. Over de anticipatie, waarmede de wetgever van 1838 zich
alleen bij het hooger beroep, in art. 344, bezighield, handelde ik in
§ 58 ook met het oog op het rechtsgeding in eersten aanleg, omdat
ik, in overeenstemming met het algemeen aangenomen gevoelen, van
oordeel was, dat art. 344 bij analogie in eersten aanleg moet wor-
den toegepast. De wet van 1896 regelde dit onderwerp bij de wijze
van procedeeren voor de colleges in eersten aanleg in art. 136, en
-ocr page 143-
§ 162. INSTELLING VAN DEN EISCH. DE DAGVAARDING.           125
maakte dit voorschrift bij art. 353 op de procedure in hooger be-
roep toepasselijk. Het regelde de anticipatie meteen in meer bijzon-
derheden. Deze behoort dan te geschieden bij eene actie die tevens
procureurstelling inhoudt. Deze bepaling was noodig omdat,
naar art. 137 (nieuw), de procureurstelling in den regel door eene
verklaring ter terechtzitting geschiedt en den verweerder niet kon
worden toegelaten eene proceshandeling te verrichten anders dan
door tusschenkomst van haren procureur. Uitdrukkelijk wordt er ook
bijgevoegd, dat de beteekening aan den procureur des eischers moet
geschieden, ofschoon dit reeds volgt uit art. 133 § 3. Voorts bepaalt
de nieuwe wet den termijn, welken de verweerder bij de verkorting
heeft in acht te nemen. Hij moet de eischer ten minste vijf dagen
gunnen om te verschijnen en als er medegedaagden zijn, die aan de
anticipatie niet meedoen, dan moet aan ieder hunner de termijn ge-
laten worden, waarop zij volgens de wet aanspraak hebben. De
termijn zal dan, naar art. 12, die zijn, welke voor den verst ver-
wijderd wonende bepaald is. Mochten daarentegen meer dan een
gedaagde op hun eigen houtje te werk gaan, dan geldt de oproeping
tegen den vroegsten rechtdag, doch altijd zóó dat de vijf dagen vrij
blijven en dat ieder medegedaagde, die niet meedeed, zijn termijn
houde. Heel eenvoudig is die regeling niet. Eenvoudiger ware zeker
de bepaling dat medegedaagden zich over de anticipatie en den termijn
op welken de oproeping zal geschieden hebben te verstaan, doch
ingeval de eischer met een der gedaagden samenspande, zou hij op
zeer langen termijn kunnen dagvaarden en de met hem verstand
houdende gedaagde kon de bevoegdheid tot anticipatie illusoir maken.
Dergelijke praktijken zouden niet ver te zoeken zijn.
De aangegeven termijnen moeten, op straffe van nietigheid, worden
in achtgenomen. De rechter zal die nietigheid uitspreken, wanneer de
eischer op den bij anticipatie aangewezen rechtdag niet mocht ver-
schijnen. Voor dat geval toch, heeft hij de inachtneming van den
termijn ambtshalve te onderzoeken. Want ofschoon de wetgever in
art. 75 bij het verleenen van verstek tegen den eischer aan den
rechter wel niet voorschrijft, gelijk in art. 76, om te onderzoeken
of de termijnen in acht genomen zijn, zal hij dit van zelf moeten
doen om te constateeren dat de eischer ten beteekenden dage,
d. i. hier de bij anticipatie aangewezen dag, niet verscheen. Bleek
toch de beteekening van dien dag nietig te zijn, de dag kon niet
als de beteekende dag worden aangemerkt, en de bij dagvaarding
-ocr page 144-
126 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP. TIX. II.. RECHTSPLEGING.
aangewezen dag, is dan de dag gebleven waarop eischer, zoowel als
gedaagde, verschijnen moet. Verschijnt de eischer, dan wordt op de
nietigheid niet gelet, indien hij zich daarop niet beroept.
D. Nietigheid van de dagvaarding.
Nietigheid. De bepalingen welke omtrent de nietigheid van de dagvaarding in
de zevende afdeeliag van den eersten titel van het Ie boek voorkomen,
zijn ook op de dagvaarding in hooger beroep van toepassing. Art. 343 § 2.
Dat art. 454 C. de pr. uitdrukkelijk de nietigheid uitsprak van de
dagvaarding in hooger beroep wegens verzuim der daar aangewezen
formaliteiten, was even natuurlijk als vreemd mag heeten de bepa-
ling van art. 343 § 2, waarbij de zevende afdeeling van Titel 1 op
het hooger beroep van toepassing wordt verklaard. Het is alsof onze
wetgever reeds bij den Vllen titel vergat, dat hij, in afwijking van
den Code, in een eersten titel algemeene bepalingen omtrent
de wijze van procedeeren voor alle gerechten had opgenomen
en dat de bepalingen van de zevende afdeeling van ni et ighei d
daartoe behooren. De bepaling zal wel een terugslag zijn op het oor-
spronkelijk art. 285 W. 1830, hetwelk voor meer dan eene in de
dagvaarding niet in acht genomen formaliteit van die, welke de dag-
vaarding in eersten aanleg vorderde, nietigheid uitsloot.
Terwijl ik hier naar de behandeling van de nietigheid der dag-
vaarding in eersten aanleg in Dl. II, § 59 kan verwijzen, merk ik
alleen op dat, aangezien geene middelen in het exploit behoeven te
worden opgenomen, van een „obscurus libellus" in hooger beroep
nauwelijks sprake kan zijn. Door het vervallen van art. 93 bij de
herziening van 1896, zal de geintimeerde op eene dagvaarding, waarvan
hij de nietigheid beweert, moeten voortprocedeeren en met de daarop ge-
gronde exceptie zijne andere verdedigingsmiddelen moeten vereenigen,
wil hij zich niet van elke verdere verdediging verstoken zien, als zijne
exceptie niet gegrond mocht worden bevonden. Art. 347 jo. 141.
Zal de appellant, wanneer hij beweert dat de termijn voor de
anticipatie voorgeschreven, niet werd in acht genomen zich daarop
kunnen beroepen, zonder op de hoofdzaak te concludeeren ? Het ware
ongerijmd, indien hij daartoe verplicht ware. Zal men dan zeggen,
dat de appellant geene verweermiddelen heeft voor te dragen? Maar,
als hij in eersten aanleg verweerder was?
-ocr page 145-
§ 162. INSTELLING VAN DEN EISCH. DE DAGVAARDING.           127
E. Gevolgen van de dagvaarding.
Evenals bij de behandeling in eersten aanleg de gevolgen van het
instellen van den eisch met de dagvaarding in verband werden
gebracht, omdat de eisch in den regel bij eene dagvaarding ingesteld
wordt, zoo verbind ik hier de gevolgen van het hooger beroep aan
de dagvaarding, omdat ook het hooger beroep in den regel met eene
dagvaarding aanvangt.
Het appèl heeft eene devolutieve kracht en daarvan is 1 °. Schorsing
Schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van tenuit-
. .
          ,                                                                                                       voerleasins.
het gevolg.                                                                                                             66 6
Het hooger beroep schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis,
indien daarbij niet is bepaald dat het by voorraad kan worden ten
uitvoer gelegd. Voor de schorsing van de tenuitvoerlegging kan het
beroep van incidenteele en interlocutoire vonnissen niet dienen, wanneer
de rechter daarby verklaard heeft dat het hooger beroep daarvan niet
dan tegelijk met dat van het eindvonnis kan worden ingesteld, artt.
350, 337 § 2. Schorsing heeft dan van zelf. geen plaats.
Partijen zijn door het vonnis van den eersten rechter gebonden
en de in het ongelijk gestelde partij is daaraan gehoorzaamheid
verschuldigd, al deed de rechter in eersten aanleg uitspraak onder
hooger beroep. De triumfeerende partij is derhalve volkomen bevoegd
om het vonnis, na verloop van de in art. 342 § 2 bedoelde acht
dagen, ten uitvoer te doen leggen. Wil de andere partij die tenuit-
voerlegging niet, dan moet zij van het vonnis in hooger beroep
komen, daardoor te kennen gevende, dat zij het geding wil voort-
zetten in de tweede instantie, welke de wet als waarborg voor een
juiste beslissing heeft verordend. Maar, terwijl dan daardoor de zaak
weder op losse schroeven wordt gesteld, daar verandering van de
beslissing mogelijk is, ligt de bepaling voor de hand, dat de tenuit*
voerlegging door het hooger beroep wordt geschorst. Dit is zoowel
toepasselijk op het geval dat de tenuitvoerlegging een aanvang had
genomen, als op het geval dat met die tenuitvoerlegging nog geen
aanvang was gemaakt. Toch kunnen er gevallen zijn, dat nauwlijks
eene verandering van het vonnis kan worden verwacht of dat uitstel
schadelijker moet geacht worden, dan de onmiddellijke tenuitvoer*
-ocr page 146-
128 HOOPDST. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP. TIT. II. .RECHTSPLEGING.
legging, al moet daarop later, door de vernietiging van het vonnis,
worden teruggekomen. De wetgever is bij de oorspronkelijke vast-
stelling van art. 53 aan dit beginsel getrouw gebleven. Minder toen
hij in 1896 aan n°. 7 met jaargelden of uitkeeringen tot levens-
onderhoud verbond: in het algemeen voldoening eener
bepaalde geldsom. Eene correcte nomologie vordert dat onder
één no. in hetzelfde artikel gelijksoortige gevallen worden saamge-
voegd, die uitvloeisel zijn van hetzelfde beginsel. Dit ontbreekt hier.
Want men heeft niet gewild dat veroordeelingen tot een bepaalde
geldsom eerst dan bij voorraad uitvoerbaar zouden worden verklaard,
wanneer, zooals bij jaargelden of uitkeeringen tot
levensonderhoud, dadelijke behoefte aan de voldoening bestaat.
Of een rechter daarom niet rationeel zou handelen door het artikel
dus op te vatten, is eene andere vraag. Terwijl het verder zeer
juist is te stellen dat jaargelden of uitkeeringen tot levensonderhoud
onder voldoening eener bepaalde geldsom niet begrepen zijn, is in
strijd daarmede gesproken van in het algemeen, want van dat
algemeen moet nu de voorafgaande speciale vordering wel eene soort
zijn. De HH. Hartogh en Cosman, bl. 18, trachten de minstens
weinig correcte redactie te verdedigen met de opmerking: „De kop-
peling van de voorgestelde bijvoeging aan hetgeen in no. 7 reeds
bepaald was, geschiedde slechts om vernummering van het bestaand
artikel te voorkomen." Maar zijn er niet meer dan één artikel bis
of met een letter aangeduid in de wet gebracht? „Het toegevoegde"
dus vervolgen zij, „is dus niet gesubordonneerd aan het bestaande;
evenmin het bestaande aan de toevoeging." Strenger veroordeeling
van de redactie is wel niet denkbaar. Het is of wij op het punt van
het redigeeren der wetten sedert 1838 niets hebben geleerd ! Is de
redactie te veroordeelen, omdat ongelijksoortige zaken worden saam-
gekoppeld, ook de uitbreiding van de voorloopige uitvoerbaarverkla-
ring tot alle veroordeelingen tot voldoening van een bepaalde geldsom,
blijf ik verkeerd achten en, zooals ik zeide, niet in overeen-
stemming met het beginsel dat aan het geheele artikel 53 tot grond-
slag ligt. En wordt dan hier op de veiligheidsklep gewezen, welke
in het woordje kan van den aanhef ligt, zoodat de toepassing in
ieder bijzonder geval van het oordeel des rechters afhangt, ik ant-
woord dat alle andere in het artikel bedoelde veroordeelingen uit
haren aard en in het algemeen de noodzakelijkheid eener uitvoer*
baarverklaring bij voorraad medebrengen, zoodat in een bijzonder
-ocr page 147-
§ 162. INSTELLING VAN DEN\' E1S0H. DK DAGVAARDING.            129
geval de niet-noodzakelijkheid moet blijken, zal de rechter haar af-
wijzen. Bij veroordeeling tot voldoening eener geldsom zal daaren-
tegen de noodzakelijkheid voor ieder bijzonder geval moeten worden
aangetoond. Verg. mijne Adviezen in de Eerste Kamer, bl. 41.
De niet gemakkelijk te beantwoorden vraag, of en in hoeverre aan
een onregelmatig ingesteld appèl schorsende kracht moet worden
toegekend, wordt in een uitnemend opgezet betoog behandeld door
Mr. J. Ph. Süyling in Rechtsg. Magaz. XV (1896) bl. 207 vv. Het
wil mij evenwel voorkomen dat, om den geest der wet met opzicht
tot dit vraagstuk te bepalen, aan het laatste lid van art. 82 meer
invloed moet worden toegekend.
Met opzicht tot incidenteele en interlocutoire vonnissen heeft de
(nieuwe) bepaling van art. 337 § 2 in hoofdzaak het gevolg van
eene uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Doch evenals eene zeker-
heidstelling hier is uitgesloten, kan hier ook van hooger beroep
geen sprake zijn voordat het eindvonnis gewezen is en dan niet
anders dan tegelijk met het hooger beroep van dit eindvonnis.
Wanneer, niettegenstaande \'s rechters verklaring dat het hooger
beroep niet kan worden ingesteld, de in het ongelijk gestelde partij
in hooger beroep mocht komen, kan dit hooger beroep de tenuit-
voerlegging van het vonnis niet schorsen. De partij welke desniet-
temin met dit beweren mocht komen bij den rechter, die het vonnis
voorshands onberoepbaar verklaarde, zal bij dezen geen gehoor vin-
den. Die rechter zal natuurlijk de uitvoering van zijn vonnis, niet-
tegenstaande het door hem verboden appèl doen voortzetten en de
hoogere rechter kan niet anders dan het ingestelde beroep van een
vonnis dat de lagere rechter overeenkomstig de wet niet beroepbaar
verklaarde, niet-ontvankelijk verklaren. Art. 350 kan daaraan niet in
den weg staan. Verg. Hartogh en Cosman op art. 337 bl. 128.
Zie boven bl. 89 vv.
Het devolutief karakter van het appèl brengt voorts mede, dat de eerste Devolutief
rechter van de zaak af is en al wat aan zijn vonnis te verbeteren aia
valt wordt beoordeeld en desnoods verbeterd door den rechter in hooger
beroep. Dit is bepaaldehjk van toepassing op het geval dat eene ten-
uitvoerlegging by voorraad buiten de wet niet toegelaten of bevolen is.
Artt. 54, 351, 352.
9
v
-ocr page 148-
130 H00PDST. IX. APD. II. HOOGER BEROEP. TIT. II. RECHTSPLEGING.
Art. 54 maakt eene toepassing van het devolutief karakter van
het hooger beroep ten aanzien van de uitvoerbaarverklaring van het
vonnis bij voorraad, door te bepalen dat, indien de rechter de voor-
loopige tenuitvoerlegging niet bevolen heeft, hij dit niet bij nader
vonnis kan doen, en ditzelfde geldt voor het geval dat hij het beval
buiten de gevallen bij de wet toegelaten. Voor dit laatste geval was
\'t evenwel niet noodig het in art. 54 te bepalen. Het is te duidelijk
dat eene verkeerde beslissing niet anders dan door het daartoe aan-
gewezen middel, als hooger beroep, kan verbeterd worden. Niet zóó
duidelijk is dit van eene aanvulling van wat niet of verzuimd werd
te bepalen. Het verbod ten opzichte van dit laatste punt aan den
lageren rechter gegeven, stelt de strenge toepassing van het devolu-
tief karakter van het hooger beroep ten duidelijkste in het licht.
En zoo voegt de wetgever er dan ook in art. 54 onmiddellijk aan
toe: „onverminderd nogtans het recht van partijen om in hooger
beroep dit te vorderen" nl. te vorderen, dat het vonnis alsnog bij
voorraad uitvoerbaar verklaard worde."
De wijze waarop dit behoort te geschieden bepalen de artt. 351
en 352, waarover nader.
Uit dit devolutief karakter van het hooger beroep volgt ook dat
alleen aan den hoogeren rechter het oordeel toekomt, of het hooger
beroep al of niet de tenuitvoerlegging schorst, daar aan hem het
oordeel is verbleven of het vonnis al of niet terecht voorloopig uit-
voerbaar verklaard werd. Hierin heeft evenwel de nieuwe bepaling
van art. 337 § 2 wijziging gebracht. Want daaruit volgt, gelijk wij
straks zagen, dat de vraag, of al of niet dadelijk hooger beroep van
een incidenteel of van een interlocutoir vonnis kan worden ingesteld,
aan het oordeel des lageren rechters is opgedragen. Iets anders zou
het natuurlijk zijn, indien de lagere rechter van de hem in art. 337
§ 2 toegekende bevoegdheid gebruik ging maken ten aanzien van
eene provisie. De in het ongelijk gestelde partij zou dan, op grond
van art. 337 § 1, dadelijk van dit vonnis in hooger beroep kunnen
komen, en de hoogere rechter zou hebben uit te maken, of het
vonnis al of niet op eene provisie was gewezen en derhalve de
rechter in eersten aanleg al of niet bevoegd was het hooger beroep
daarvan tot aan het eindvonnis uit te sluiten. Zoo zal ook de hoo-
gere rechter hebben te beoordeelen of oen vonnis waarvan in hooger
beroep werd gekomen een preparatoir vonnis is, waarvan de wet het
afzonderlijk hooger beroep verbiedt.
-ocr page 149-
§ 162. INSTEMMING VAN DEN EISCH. DE DAGVAARDING.            131
Het devolutief karakter van het hooger beroep doet zich ook daarin iDevolutief
kennen dat de hoogere rechter de zaak beoordeelt en beslist in haren karakter,
geheelen omvang, zooals zü aan het oordeel des lageren rechters is
onderworpen geweest. Doch het hooger beroep kan dan door de partij
die het instelt tot enkele gedeelten van de beslissing worden beperkt,
gelijk ook, waar meer personen als eischers of als gedaagden in eer-
sten aanleg zijn opgetreden, elk voor zich van het vonnis in hooger
beroep kan komen, voor zoover het recht of de rechtsbetrekking in
geschil dit toelaat. Daarbij geldt het adagium: tantum devolutum
quantum appellatum.
Zie over het optreden van enkelen waar meer te zamen in eersten
aanleg optraden, op bl. 122 de aldaar besproken cumulatie.
De devolutieve kracht van het hooger beroep wordt in een zeer Devolutie
ruimen zin toegepast, waar de wetgever den rechter in hooger beroep van de
de bevoegdheid toekent om, bij bekrachtiging of vernietiging van een incident,
interlocutoir of van een op een incident gewezen vonnis, bij een en
hetzelfde eindvonnis ook de hoofdzaak te beslissen. Art. 355 § 2, 356.
Evenzeer in die gevallen waarin de wetgever aan partijen de bevoegd-
heid toekent, om aan den rechter in hooger beroep, in verband met
eene van hem gevraagde beslissing omtrent een interlocutoir of op een
tusscheugeschil gewezen vonnis, of in geschillen over bevoegdheid,
ook de beslissing van de hoofdzaak op te dragen. Art. 355 § 2, 356 § 2,
357, 358 1°.
In alle deze gevallen wordt de rechtsmacht van den rechter in
hooger beroep uitgebreid, hetzij doordien de wet afwijkt van den
regel, dat de rechter in hooger beroep geroepen is om te oordeelen
over vonnissen door den lageren rechter in eersten aanleg gewezen
en hem bevoegd maakt om de hoofdzaak in eersten aanleg als rechter
in hooger beroep te beslissen, hetzij doordien aan de partijen de
bevoegdheid wordt toegekend om den rechter in hooger beroep be-
voegdheid op te dragen (prorogatie) om eene zaak waarin de rechter
in eersten aanleg nog geen vonnis heeft gewezen in het hoogste
ressort te beslissen. De devolutieve kracht van het. hooger beroep,
werkt hier alzoo in dien zin, dat, naar aanleiding van het hooger
beroep van een interlocutoir van een incident of van een uitspraak
-ocr page 150-
132 HOOFDST. IX. AED. II. HOOGER BEROEP. TIT. II. RECHTSPLEGING.
over bevoegdheid, de rechter in hooger beroep bevoegd wordt om
ook van de hoofdzaak kennis te nemen, niettegenstaande daarover
in eersten aanleg geen uitspraak werd gedaan.
De gevallen waarin de wet zelve de devolutieve kracht van
het appèl laat werken komen hierop neder :
De hoogere rechter kan de hoofdzaak tot zich trekken en daarop
in het hoogste ressort rechtdoen:
1° wanneer hij in hooger beroep een in eersten aanleg gewezen
interlocutoir of een vonnis op een incident gewezen bekrachtigt en
het geding zich in dien staat bevindt dat daarover bij een en het-
zelfde eindvonnis kan worden beslist;
2° bij vernietiging van een interlocutoir;
3° bij vernietiging van een vonnis op een incident gewezen, wan-
neer het geding zich bevindt in dien staat dat daarover bij een en
hetzelfde eindvonnis kan worden beslist.
Dit zg. recht van evocatie, hetwelk onze wetgever aan art. 473
C. de pr. ontleende en waaraan hij, bij de herziening van 1837, eenige
uitbreiding gaf, is in den Code uit de ordonnantie van 1667 tit. VI
art. 2, die het, op het voorbeeld van de ord. van 1579 art. 149,
aan het canonieke recht ontleende, overgegaan. Zie Gaksonnet § 983
V. p. 311. Zeker wordt daarmede de devolutieve kracht van het
appèl uitgebreid en eene uitzondering gemaakt op den regel: „tan-
tum devolutum quantum appellatum," welke den omvang van den
strijd in hooger beroep niet van den wil des rechters, maar van
dien der partijen afhankelijk maakt. Want hier zijn het niet de
partijen die rechtsmacht opdragen (zooals in de straks te bespreken
gevallen) en daarmede bepalen wat zij verlangen door het beroep
aan het oordeel van den hoogeren rechter te onderwerpen, maar het
is de rechter, die buiten den wil van partijen, de hoofdzaak tot zich
trekt, waardoor partijen van de tweede instantie voor de hoofdzaak
beroofd worden. Hier moet dan wel de overweging gegolden hebben,
dat een herhaald hooger beroep, na terugwijzing der zaak aan den
eersten rechter, het geding zóó verwikkelt dat de daaruit ontstane
langere duur en vermeerdering van kosten van het proces niet tegen
het voordeel van het hooger beroep opwegen.
Toch is het niet te ontkennen dat het nut van het hooger beroep,
waar het, vóór het eindvonnis, van interlocutoire of op incidenten
gewezen vonnissen wordt ingesteld, door den wetgever zelf twijfel-
achtig wordt gemaakt. Nu is daar in het geval dat een interlocutoir
-ocr page 151-
§ 162. INSTELLING VAN DEN KISCH. DE DAGVAARDING.             133
vernietigd wordt wel dit vóór te zeggen dat aan den lageren
rechter dan het oordeel onttrokken wordt van eene zaak, waarin hij,
naar het oordeel van den hoogeren rechter, bij het wijzen van een
interlocutoir of van het incidenteel vonnis, onjuist had geoordeeld
en het alzoo voor beide partijen nuttig kan worden geacht, den
eersten rechter van de kennisneming der zaak verder uit te sluiten.
Daartoe beperkte dan ook de fransche wetgever het recht van evo-
catie in art. 473. Zoo merkt Garsonnet terecht op, dat het wel
vreemd zou mogen heeten dat de hoogere rechter de kennisneming
van de zaak aan den lageren rechter ging onttrekken, op hetzelfde
oogenblik dat hij een door hem gewezen interlocutoir bevestigt en
daarmede goedkeurt de richting welke de lagere rechter aan de be-
oordeeling van de zaak gaf. Zoo heeft ook onze wetgever de ver-
wijzing naar den rechter van eersten aanleg bij bevestiging van het
interlocutoir of van het incidenteel vonnis op den voorgrond gesteld
art. 355 § 1. Toch geeft hy het recht van evocatie ook in dit ge-
val, indien het geding in dien staat is dat daarover bij een en het-
zelfde eindvonnis kan worden beslist. Men zal dan daarbij wel
moeten denken aan het geval dat bij interlocutoir vonnis het ver-
zoek om een bewijsmiddel in toepassing te brengen werd afgewezen
en dat uit de instructie der zaak in eersten aanleg blijkt dat par-
tijen daarover niets meer te zeggen hebben. Het kan dan in het
belang van beide partijen zijn, dat de hoogere rechter, tot oordeelen
in staat, dit oordeel in het hoogste ressort onmiddellijk uitspreke,
in stede van nog eerst het oordeel des lageren rechters te vernemen
en dit in hooger beroep te bevestigen of te vernietigen, na eene
herhaalde behandeling die, daar het oordeel des hoogeren rechters
reeds vaststaat, overbodig mag heeten. Of dit alles bij bevestiging
van een op een incident gewezen vonnis evenzeer geldt, valt te
betwijfelen. Bij tenietdoening van een interlocutoir of van een vonnis
op een incident gewezen, staat op den voorgrond dat de rechter in
hooger beroep de hoofdzaak tot zich trekke; doch, terwijl het bij
vernietiging van interlocutoir niet noodig is dat de hoofdzaak
in staat van wijzen zij, wordt dit laatste alleen vereischt bij ver-
nietiging van een vonnis, gewezen op een incident. Art. 356 §2
a. h. e. Wie zal de reden van dit onderscheid kunnen aangeven ?
Vreemd is in deze bepalingen de vermelding vaneen tusschen-
ge schil, art. 355 § 1, zonder dat, noch hier noch elders, door de
wet nader omschreven wordt wat dat is. In het wetboek van 1830
-ocr page 152-
134 H00FD8T. IX. AFD. II. HOOQEK BEROEP. TIT. II. RECHTSPLEGING.
werd in den franschen tekst van art. 296 van incident en in den
hollandschen tekst eveneens van incident gesproken, in art. 297
daarentegen van een tusschen opkomend geschil. Men zou
daaronder wel in de eerste plaats de incidenteele vorderingen in den
zin van de 10e afd. van tit. 3 moeten verstaan, maar dan in de
meer algemeene beteekenis van uitspraken op incidenten. Toch kun-
nen er niet onder begrepen worden interlocutoire vonnissen, noch
vonnissen betreffende bevoegdheid des rechters omdat wij daarvoor
hier bijzondere bepalingen aantreffen ; evenmin preparatoire vonnissen,
omdat daarvan niet dan tegelijk met het vonnis op de hoofdzaak in
hooger beroep mag worden gekomen. Onze wetgever breidde derhalve
de bepaling van art. 473 C. de pr. in dien zin uit, dat hij ook bij
bevestiging van een interlocutoir aan den hoogeren rechter het
recht van evocatie toekent (art. 355) en dat hij, bij vernietiging van een
interlocutoir, dit recht geeft, al ware de hoofdzaak niet in staat van
wijzen art. 356 § 1, coll. § 2, terwijl hij bij vonnissen op incidenten
aan laatstgemelden eisch vasthoudt. Hij heeft overigens de bepaling
omtrent de vonnissen op incident gewezen verduidelijkt. Want wan-
neer de Code in art. 473 het recht van evocatie toekent „dans les
cas oü les cours .... infirmeraient soit .pour vice de forme soit pour
toute autre cause des jugements définitifs", dan moet men
door interpretatie er toe komen om onder die „jugements" niet
de eigenlijke eindvonnissen, maar eindvonnissen op incidenten of,
zooals de Franschen zeggen, „jugements d\'avant faire droit qui
ne sont pas interlocutoires" te verstaan. Zoo Garsonnet, maar een-
stemmig zijn de fransche schrijvers niet en ook de beraadslagingen
over den Code wijzen op een andere beteekenis.
De bepaling van art. 358 n°. 2 bevestigt wat de fransche juris-
prudentie buiten de wet heeft aangenomen. De reden zal wel daarin
liggen, dat de rechter, die zich ten onrechte onbevoegd verklaarde,
zou kunnen geacht worden de zaak zelve met vooringenomenheid te
behandelen, doch afdoende kan ik die reden niet vinden, vooral niet
om op dien grond eene afwijking van de gewone regelen van com-
petentie aan den rechter, al zij het de hoogere rechter, te veroor-
loven.
De reden waarom aan de part ij en de bevoegdheid wordt toe-
gekend om de devolutieve kracht van het appèl uit te breiden tot
de hoofdzaak, ofschoon daarover in eersten aanleg geen recht werd
gesproken (art. 355 § 2, 357 a. h. e. en 358 n°. 1), zal wel gelegen
-ocr page 153-
§ 162. INSTELLING VAN DEN EISCH. DE DAGVAARDING.            135
zijn in een daardoor mogelijk wordende bekorting van het proces en
zal daarbij gelet zijn op de omstandigheid, dat anders toch later
opnieuw het geschil over de hoofdzaak bij den hoogeren rechter in
appèl zal worden gebracht, voor wien partijen nu eens, door het
appèl van het incidenteel vonnis, in rechte staan.
Dat zal ook wel de reden zijn, waarom hier de overeenstemmende
wil van partijen tot de uitbreiding van de rechtsmacht des rechters
voldoende wordt geacht en dat hier niet, als bij de prorogatie van
rechtspraak aan het gerechtshof, welke in den VIen titel van B. I.
geregeld wordt, de eisch van overeenkomst bij akte, van vatbaarheid
van het geschil voor compromis of dading, evenmin als de bijzon-
dere bepaling voor voogden, curators of bewindvoerders toepasselijk
zijn. Waar de arrondissementsrechtbank de hoogere rechter is, zoude
de toekenning van het recht aan de partijen minder vreemd zijn,
maar de bepalingen van art. 355 en 357 en 358 n°. 1 zouden het
hebben moeten zeggen, indien de wetgever tusschen de rechtbanken
en de Hoven onderscheid wilde gemaakt hebben. Zie overigens over
de hier besproken bepalingen Dl. I, bl. 450 onder b en bl. 452
onder b (3e druk).
Terwijl naar den C. de pr. de rechter aan de opdracht van par-
tijen niet gebonden was, zijn de bepalingen van de artt. 355 § 2,
356 § 2, 357 en 358 n°. 1 op dit punt zóó gesteld, dat de rechter
de hem door partijen gedane opdracht niet mag afwijzen.
Art. 357 stelt zeker terecht op den voorgrond dat, bij bekrach-
tiging van eene uitspraak, waarbij de lagere rechter zich bevoegd
heeft verklaard, de zaak naar hem wordt verwezen. Het ware eene
tegenstrijdigheid, wanneer de hoogere rechter, geroepen om over
\'s lageren rechters bevoegdheid uitspraak te doen en deze erkennende,
desniettemin de zaak aan zich hield.
Van de hier in toepassing komende bepalingen heeft art. 357
eene wijziging ondergaan, bij welke ik een oogenblik moet stilstaan.
Het oorspronkelijk artikel bepaalde, dat in het geval dat een vonnis
bekrachtigd wordt, waarbij de rechter van eersten aanleg zich
bevoegd heeft verklaard om van de zaak kennis te nemen, de rechter
in hooger beroep de berechting van de zaak aan hem zal verwijzen,
tenzij partijen begeerd mochten hebben dat de hoogere rechter de
hoofdzaak zal afdoen. Nu echter, naar de wet van 1896, als regel
geldt dat de exceptie van onbevoegdheid, evenals andere exceptien
tegelijk met de verdediging op de hoofdzaak moet worden voorge-
-ocr page 154-
136 HOOCDST. IX. AF1>. II. HOOGER BEROEP. TIT. II. RECHTSPLEGING.
steld, kon die bepaling geen toepassing meer vinden. Want, indien
de verweerder zich tot het voorstellen der exceptie van onbevoegdheid
heeft bepaald, heeft hij zich daardoor van andere verweermiddelen
verstoken en zal de rechter in eersten aanleg zijne bevoegdheid uit-
sprekende, tevens ten principale hebben recht gedaan. Wanneer dan
de in het ongelijk gestelde excipient van het vonnis in hooger
beroep komt, dan is met een de geheele zaak aan het oordeel des
hoogeren rechters onderworpen en kan er noch van verwijzing, noch
van eene opdracht van de kennisneming der zaak door partijen aan
den hoogeren rechter sprake zijn. Nu heeft evenwel de wetgever van
1896, bij uitzondering, aan den gedaagde vergund, om met een ver-
zoek tot oproeping in vrijwaring de exceptie van onbevoegdheid des
rechters te vereenigen; de gedaagde moet dit zelfs doen indien hij
de exceptie van onbevoegdheid niet verwerken wil. Art. 68. Met het
oog daarop werd dan ook in 1896 in art. 357 bepaald dat wan-
neer in het geval van art. 68 een vonnis bekrach-
tigd wordt, waarbij de rechter van eersten aanleg
zich bevoegd heeft verklaard om van de zaak kennis te
nemen, de hoogere rechter de zaak aan hem zal verwijzen, om ten
principale te worden beslist, tenzij partijen begeerd mochten hebben,
dat de hoogere rechter de hoofdzaak zal afdoen. Want, dus rede-
neerde men tot goedmaking van deze wijziging in art. 357, het ge-
val van art. 68 is het eenige geval waarin de exceptie van onbe-
voegdheid van de overige verweringen wordt gescheiden en tot dit
geval moest nu art. 357 worden beperkt. Haktogh en Cosmax op
art. 357. Had men zich evenwel nu in art. 357 niet moeten bepa-
len tot het voorschrift dat de hoogere rechter de zaak aan den
lageren zal verwijzen en de in art. 357, oud, aan het slot aan par-
tijen toegekende bevoegdheid niet moeten schrappen ? Want men ver-
gete niet dat de lagere rechter, zich bevoegd verklarende, tevens
omtrent het verzoek tot oproeping in vrijwaring zal hebben uitspraak
gedaan. Werd dit nu toegewezen en alleen de uitspraak over de
bevoegdheid in hooger beroep gebracht, dan zoude nimmer eene
vordering aan den hoogeren rechter om de hoofdzaak aan zich te
houden kunnen gedaan worden, omdat de partij die in vrijwaring zal
kunnen worden geroepen, als nog niet geroepen zijnde en derhalve
nog niet in het proces opgekomen, daartoe niet zou kunnen mede-
werken en dat het niet aangaat de beide hoofdpartijen implicite de
bevoegdheid te geven om ook het geding in vrijwaring nauwlijks aan
-ocr page 155-
§ 162. INSTELLING VAN DBN EISCH. DE DAGVAARDING.            137
den hoogeren rechter te onderwerpen. Had daarentegen de eerste
rechter, zich bevoegd verklarende, het verzoek om in vrijwaring te
roepen afgewezen en was de verweerder ook hiervan in hooger
beroep gekomen, dan is er ook aan geen verzoek van partijen aan
den hoogeren rechter om de hoofdzaak aan zich te trekken te den-
ken, want de hoogere rechter zou, het verzoek gegrond achtende, toch
niet kunnen beslissen dat die oproeping voor hem zou plaats hebben,
indien men al een verzoek van beide partijen hier kon onderstellen
en dan aannemen dat zij op die wijze den waarborg onmiddellijk
voor den hoogeren rechter zouden kunnen doen terechtstaan. En toch
nu juist voor dit eenige geval de bevoegdheid van partijen is be-
houden en partijen geene andere zijn dan die in de hoofdzaak tegen-
over elkander staan, moet de wetgever gewild hebben die partijen
ook over de prorogatie van de vrijwaring de beschikking te geven.
Is dit te rechtvaardigen ? Ik zie er geen kans toe. De wijziging had
dus niet bij die van den aanhef van het artikel moeten blijven, maar
men had ook de slotwoorden van het artikel vanaf: „tenzij partijen"
moeten schrappen. En had men nu art. 358 ongewijzigd mogen
laten? Wanneer de lagere rechter zich onbevoegd verklaart om
van het geschil kennis te nemen, hetzij ambtshalve, hetzij op
de daartoe door den verweerder voorgestelde exceptie, terwijl deze
tevens verzoek deed om een derde in vrijwaring op te roepen, zouden
dan de beide partijen (art. 358 n°. 1 spreekt uitdrukkelijk van
beide part ij en) de bevoegdheid mogen hebben om den hoogeren
rechter de berechting van de hoofdzaak op te dragen en daardoor
met een dien hoogeren rechter van het verzoek tot oproeping in
vrijwaring, en bijgevolg van het geding in vrijwaring zelf met de
hoofdzaak, kennis te doen nemen ? Wanneer in het vorig artikel de
mogelijkheid wordt verondersteld dat in het geval van het tweede
lid van art. 68 die bepaling in toepassing komt en dit dan natuur-
lijk ook voor art. 358 geldt, dan moet het aangewezen gevolg daaruit
getrokken worden. Even onrechtvaardig als in het straks besproken
geval. Men had in n°. 1 van art. 358 het geval van art. 68 moeten
uitsluiten.
Naar de oude wet werd de mogelijkheid van eene oproeping in
vrijwaring, nadat de hoogere rechter op eene beslissing over onbe-
voegdheid had uitspraak gedaan, uitgesloten, wanneer overeenkomstig
357 en 358 partijen begeerd mochten hebben, dat de hoogere rechter
de hoofdzaak zal afdoen. Immers ligt eene oproeping in vrijwaring
-ocr page 156-
138 H00FD8T. IX. AFD. II. HOOGEB BEROEP. T1T. II. RECHTSPLEGING.
buiten de hoofdzaak en, al ware dit niet zoo, de partijen in de hoofd-
zaak zouden door onderlinge toestemming den gedaagde in vrijwaring
niet mogen berooven van den rechter, die hem volgens art. 74 en
126 § 14 wordt toegekend. Naar de wijziging, welke art. 357 bij de
herziening onderging, wordt dat onderling goedvinden van partijen
als het eenig geval erkend waarin partijen die bevoegdheid wèl zou-
den hebben. De wijziging schijnt niet wel doordacht. Zij berust op
den schijn, dien de woorden der betrekkelijke artikelen deden ontstaan,
maar miskent het wezen der zaak, dat men leert kennen als men
den zin der bepalingen doorgrondende, zich de gevallen voorstelt,
waarin hare toepassing moet plaats hebben.
A a n m. Indien het iu eersten aanleg gewezen vonnis tegen een
derde moet worden ten uitvoer gelegd, kan het van belang zijn, van
het ingesteld hooger beroep aanteekeniug te doen houden ter griffie
van het gerecht, hetwelk het beklaagde vonnis heeft uitgesproken.
Wanneer toch het vonnis niet voorloopig uitvoerbaar is verklaard, kan
het tegen den derde niet ten uitvoer gelegd worden en kan door den
derde daaraan niet worden voldaan, dan acht dageu na de beteekening
aan de in het ongelijk gestelde party en met overlegging van de ver-
klaring des griffiers, dat er op zijne registers geen hooger beroep tegen
het vonnis is aangeteekend. Art. 432.
§ 163, VEKWEBEN EN VOLDING-EN. (*)
I. Voorbereidende handelingen.
a. De procureur van den appellant doet de zaak op de rol inschrij-
ven niet later dan daags voor den in de dagvaarding uitgedrukten
rechtdag of, indien de geïntimeerde den bij de dagvaarding in acht
genomen termijn heeft verkort, niet later dan daags vóór den dien-
tengevolge vervroegden rechtdag.
Werd de dagvaarding op korten termijn gedaan, zoodat dit voor-
(*) Uil hoofde van de wijzigingen, welke in de bepalingen omtrent het verweren en voldingen
in eersten aanleg zijn gebracht bij de wet van 1806 no. 203, kan ik niet, op het voorbeeld van
art. 347, naar mijne buhandeling van de daartoe betrekkelijke bepalingen in Dl. II § 61 v. ver-
wijzen. Ik neem alzuo de bepalingen welke thans voor den eersten aanleg gelden hier op en
wijzig daardoor met een wat in UI. II t. a. p. ook voor den eersten aanleg wijziging behoeft.
-ocr page 157-
§ 163. VERWEREN EN VOLDINGEN.                                        139
schrift niet kan worden nagekomen, dan doet de procureur van den
appellant de zaak zoo spoedig mogelijk inschreven. Art. 353 in verband
met art. 135.
b.   De geïntimeerde doet een procureur verschynen, die bg de oproe-
ping der zaak ter rolle verklaart voor hem als procureur op te treden.
Van deze verklaring wordt aanteekeuing gehouden op het audientie-
blad. Art. 353 i. v. m. 137.
c.    Wanneer de geïntimeerde gebruik maakt van de bevoegdheid om
den rechtdag te vervroegen, moet hy den appellant ten minste vyf
dagen voor den door hem dus aangewezen rechtdag doen oproepen,
op straffe van nietigheid. Deze oproeping geschiedt by eene aan den
procureur des appellauts van wege den procureur des geïntimeerde
beteekende akte. In diezelfde akte moet alsdan de procureurstelling
plaats hebben. Art. 353 i. v. m. 136.
d.    Tegen den geïntimeerde voor wien zich geen procureur stelt of
wiens procureur niet verschijnt op de in de akte van procureurstelling
aangewezen terechtzitting, wordt verstek verleend. Art. 353 i. v. m. 138.
e.    Indien de hierboven bedoelde inschrijving ter rolle niet heeft
plaats gehad, is de procureur vau den geïntimeerde bevoegd de zaak
op de terechtzitting te doen inschrijven, onder overlegging van de dag-
vaarding en van de oproeping tot een vroegeren rechtdag, zoo deze
mocht hebben plaats gehad, ten einde verstek tegen den niet verschenen
appellant te verkrygen. Art. 353 i. v. m. 139.
er. De verplichting om de zaak op de rol te doen inschrijven was
voorgeschreven bij art. 37 Regl. I, doch terecht bij de wet van 1896,
op het voorbeeld van het Ontwerp 1865, in de wet opgenomen. Het
daartoe betrekkelijk nieuw artikel 135 wordt nog in \'t bijzonder
ten aanzien van dit punt op het hooger beroep toepasselijk verklaard
in art. 353. Wat de wijze betreft, waarop die inschrijving plaats
heeft, verwijs ik naar Dl. II bl. 98 v. en merk daarbij slechts op
dat bij geen onzer Gerechtshoven meer dan ééne Kamer van burger-
lijke zaken bestaat. Zie art. 89 Regl. I.
Dat de dagvaarding op korten termijn ook bij de Hoven en
derhalve ook in appèl kan plaats hebben volgt uit art. 7, hetwelk
-ocr page 158-
140 H00FDST. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP. T1T. II. RECHTSPLEGING.
in zijn derde lid zeer algemeen spreekt van den president van het
rechterlijk college en bovendien tot de algemeene bepalingen omtrent
de dagvaarding enz. behoort. De inschrijving geschiedt dan zoo
spoedig mogelijk. Ook deze bepaling van art, 135 is uit art. 37
van het Regl. I overgenomen en spreekt even weinig correct als
laatstgenoemde bepaling van dagvaarding op korte term ij nek.
Had men in art. 135 § 2 uit het in art. 145 overgebracht oud art.
137 de verwijzing naar art. 7 overgenomen, die daar nu al heel
weinig op haar plaats is, de onnauwkeurigheid ware voorkomen Bij
de verplaatsing had in het eerste lid van art. 15 tweede in derde
lid kunnen veranderd worden, maar het fatum was hier volgens de
HH. Hakïouh en Cosmax, bl. 77, in het spel!
b. Volgens art. 137 geschiedt de procureurstelling niet meer bij
eene beteekende acte. Wat volgens art. 137 (oud) alleen bij de
zaken op korten termijn was toegelaten is nu regel geworden. De
HH. HartO(;h en Cosman vergissen zich, wanneer zij meenen dat
volgens art. 142 (oud) de procureurstelling in gewone zaken ook op
de terechtzitting plaats had. Het verband van art. 142 (oud) met
135 en 137 (oud) doet duidelijk zien dat bij gewone zaken aan-
kondiging geschiedde dat de procureur des gedaagde zich voor dezen
procureur gesteld heeft en dus niet anders dan, overeenkomstig
art. 135, bij de acte van procureur tot procureur. Daarop kan dus
de juistheid der verandering in de wet niet worden gegrond. De
bepaling werd aan het Ontwerp 1865 ontleend, het door mij ge-
wraakte argument tot toelichting treft evenwel de toelichting van dat
Ontwerp niet. De uitvoerige debatten over deze verandering in de
Tweede Kamer gevoerd, laten twijfel geoorloofd of deze verandering
eene verbetering is. — Is het audientieblad uit zijn aard bestemd
om alles op te nemen wat in betrekking tot de behandelde zaken
op de audiëntie voorvalt, de uitdrukkelijke bepaling in de wet ver-
zekert den Griffier het hem bij art. 236 van het Tarief toegekende
salaris.
C. Over de toepassing van de anticipatie zie hierboven bl. 124.
In het geval dat er medegedaagden zijn of door meer dan een ge-
daagde van de anticipatie wordt gebruik gemaakt, voorziet art. 136
§ 3 en 4.
d. De lang uitgemaakte kwestie over de beteekenis van het „ten
dage dienende" in art. 135 § 3 (oud) deed den wetgever, wellicht
niet ten onrechte voor het oprakelen dezer kwestie beducht, die
-ocr page 159-
§ 163. VERWEREN EN VOLDINGEN.
141
woorden schrappen, maar hij vergat dat, ofschoon het verstek, naar
de nieuwe bepaling omtrent de procureurstelling, in den regel alleen
te pas kan komen, als zich geen procureur stelt, toch in geval van
anticipatie het verstek nog beloopen kan worden als de gestelde
procureur op de bij de acte aangewezen terechtzitting niet verschijnt.
Ik heb den casus omissus in den tekst aangevuld. De procureur des
eischers zal in zoodanig geval kunnen constateeren dat er wel procu-
reur werd gesteld doch zich op de algemeene bepaling van art. 76
kunnen beroepen om verstek te vragen tegen den gedaagde die niet
verschijnt.
e. Omtrent dit punt ontbrak tot dusver eene wettelijke bepaling.
Dat het in de praktijk toegelaten werd, was wel noodzakelijk. Het
was het eenige middel om art. 75 bij de colleges in toepassing te
brengen, het wegblijven des eischers, die had moeten verschijnen, te
constateeren, een verstek met het profijt daarvan tegen hem te ver-
krijgen. Vraagt de procureur des gedaagde de inschrijving niet,
dan komt de zaak niet op de rol; zij wordt niet afgeroepen, zoodat
er niets in gedaan kan worden en de dagvaarding blijft zonder
gevolg.
II. Het verweren en voldingen zelf.
a. Ten dienenden dage of op een naderen daartoe bepaalden dag Conclusie van
wordt door den procureur des appellants eene conclusie voorgedragen,
         \' \' \'
waarby, op grond van de tegen het vonnis bestaande bezwaren, de ver-
nietiging en de verbetering van dat vonnis door den hoogeren rechter
geeischt wordt.
b. De procureur van den geintimeerde draagt op denzelfden dag of Conclusie van
op een naderen daartoe te bepalen dag eene met redenen omkleede an woor \'
conclusie van antwoord voor.
c. De appellant neemt in zyne conclusie van eisch in hooger beroep Inhoud der
de nieuwe vorderingen op, die hy mocht gedaan hebben by dagvaar-
ding en overeenkomstig die dagvaarding. Was hij gedaagde in eersten
aanleg, dan vinden ook de nieuwe weren in die conclusie eene plaats.
De geintimeerde stelt, op straffe van verval, by zijne conclusie van
antwoord het incidenteel beroep in, dat hy mocht verlangen in te
-ocr page 160-
142 HOOFDST. IX. APD. II. HOOGER. BRROEP. T1T. II. RECHTSPLEGING.
stellen. Ook behooren in die conclusie te worden opgenomen de nieuwe
weren, evenals alle exceptien die de geintimeerde mocht willen voor-
dragen.
Aantal
conclusien.
d. Er kunnen nooit meer dan ééne conclusie van eisch en ééne van
antwoord worden genomen. Natuurlyk wordt evenwel aan den appellant,
indien hij dit verlangt, de gelegenheid gegeven om, indien de geinti-
meerde incidenteel mocht hebben geappelleerd of eene exceptie tegen
het principaal beroep mocht hebben voorgedragen, daarop by\' conclusie
te antwoorden. Art. 347 in tegenstelling met art. 142.
Korte termijn. e. Indien het beroep op korten termyn is ingesteld, wordt door den
procureur des appellants zijne conclusie ten dienenden dage voorge-
dragen. De geintimeerde kan daarop terstond antwoorden en de appellant
op een incidenteel hooger beroep of op eene exceptie dadelijk van
antwoord dienen. De rechter kan evenwel tot het nemen der conclusien
op verzoek van een der partijen in haar belang of ook ambtshalve
eenig uitstel verleenen. Art. 347 in verband met art. 145.
De termynen, welke voor het nemen der conclusien noodig zijn,
bepaalt de rechter in overeenstemming met hetgeen de partijen ver-
langen. In geval van verschil beslist de rechter, daarbij ook lettende
op den ty\'d, welken de belanghebbende partij mocht aantoonen te be-
hoeven, ten einde zich de noodige bewijsstukken te verschaffen. Art.
347 j° 143.
Afschriften ƒ"• Van de conclusien wordt ter terechtzitting afschrift overgegeven
der conclusien aau den procureur der tegenpartij. Art. 347 in verband met art. 141
en 145. Ook wordt een afschrift der conclusien aan den griffer ter
hand gesteld, ten einde aan het audientieblad te worden gehecht. Art.
44, Reglement I.
Pleidooien. 9- Na het wisselen der conclusien worden partyen toegelaten tot de
pleidooien of wordt daarvoor een nadere dag bepaald, tenzjj partyen
op de stukken recht verlangen.
De rechter is bevoegd bij de pleidooien aan de partijen of hare
praktizijns ophelderingen te vragen omtrent den inhoud van hare schrifte-
lyke of mondelinge voordrachten. Art. 347 in verband met art. 141 en 145,
-ocr page 161-
§ 163. VERWEREN EN VOLDINGEN.                                143
h. In de gevallen, waarin het Openbaar Ministerie in zrjne eonclu-
Openbaar
Ministerie.
sien moet worden gehoord of, indien het mededeeling vordert van de
behandelde zaak of wel de rechter die mededeeling ambtshalve be-
veelt, worden de stukken na afloop der pleidooien aan den ambtenaar van
het O. M. op last des rechters medegedeeld. Het O. M. neemt onmiddellijk
zrjne conclusien of vraagt daartoe de bepaling van een naderen dag.
i. Nadat de conclusien door het O. M. zrjn genomen of anders na Sluiting van
afloop der pleidooien of de verklaring van partijen dat zij op de stuk- voering
ken recht verlangen, neemt de rechter de stukken over en bepaalt hrj
de terechtzitting, waarop het vonnis of arrest in hooger beroep zal
worden uitgesproken.
Was het uit den inhoud van de artt. 346 en 347 (oud) en de
daarin voorkomende tegenstelling tusschen summiere en gewone
zaken duidelijk, dat daar van procedeeren in de meer beperkte
beteekenis van verweren en voldingen werd gesproken, zoo
was het niet correct dat bepalingen betreffende de procureurstelling,
en dat kan niet anders beteekenen dan de procureurstelling vanwege
den verweerder, met die betreffende de onderwerpen van de meeste
andere afdeelingen van tit. III, in art 353 in hooger beroep toe-
passelijk werden verklaard. Bij de herziening, welke art. 346 en
347 door de afschaffing van de onderscheiding in summiere en ge-
wone behandeling moeten ondergaan, ware in art. 347 (nieuw) beter
van verweren en voldingen gesproken dan van wijze van
procedeeren. Dan ware van zelf de aanvulling van art. 353 met
de bepalingen van den derden titel betrekkelijk de inschrijving
ter r o 11 e, de procureurstelling, de anticipatie en de vermel-
ding daarvan, nadat reeds het procedeeren geregeld werd, terwijl
dit niet anders dan het verweren en voldingen voorbereidende han-
delingen zijn, overbodig gebleken. Ook ware de schijn vermeden alsof
de regeling van de in art. 353 genoemde incidenten niet tot de
wijze van procedeeren behoorden.
De afschaffing van de gewone behandeling in eersten aanleg deed
bij de herziening, van de summiere behandeling de eigenschap over-
nemen, dat de schriftelijke instructie van de zaak uitsluitend plaats
heeft bij ter terechtzitting genomen conclusien. De zaak blijft alzoo
op de rol en wat daarin te verrichten valt wordt van terechtzitting
-ocr page 162-
144 HOOFDST. IX. APD. II. HOOGBR BBROEP. TIT. II. RECHTSPLEGING.
tot terechtzitting bepaald. De bepalingen van de wet waren duidelijk
genoeg in het toelaten van die conclusien waarvan zij niet anders
dan ééne van eisch en ééne van antwoord kende, op stipt in acht
te nemen termijnen voor te dragen, (art. 151 oud.)
Dit belette evenwel niet de zeer rationeele uitlegging, dat een
zelfstandig beweren des verweerders door den eischer met eene con-
clusie beantwoord mocht worden, aangezien daardoor alleen het punt
in geschil tusschen partijen kon worden vastgesteld en de rechter
ze dan ook volgens art. 45 over en weder in hunne belangen
moest hooren. De zoo overbekende regel „reus excipiendo fit actor"
was overigens bij de, niet altijd prijzenswaardige gehechtheid aan adagia,
voldoende om twijfel uit te sluiten. In de praktijk werd evenwel bij vele
rechterlijke colleges op de strikte beteekenis der wetsbepalingen niet
gelet en, afgezien van den aard van de verwering, werd het wisselen
van de conclusien aan het inzicht van de praktizijns overgelaten. In
verband met deze praktijk werden bij de herziening in art. 142 (nieuw)
aan den eischer het nemen van conclusie van repliek en aan den
verweerder het nemen van eene conclusie van dupliek toegelaten.
Bovendien kan de rechter, op eenparig verzoek van partijen, het
nemen van nog meer conclusien toestaan. Nu moge het met het oog
op de wordingsgeschiedenis dezer bepaling aan de HH. Hartogh en
Cosmax, bl. 66, onbegrijpelijk voorkomen, hoe in de Eerste Kamer
kon worden beweerd, dat de wet het aan partijen overlaat om con-
clusien te nemen a discrétion, de ondervinding onder de wet van 1838
heeft geleerd, hoe gering in dergelijke materie het gezag der wor-
dingsgeschiedenis van de wet voor de praktijk is. Maar die wordings-
geschiedenis kan niet doen vergeten, dat de bepaling der wet wel
van het eenparig verlangen van de partijen spreekt, maar dat wij
hier niet met de partijen zelve, maar met de praktizijns te doen
hebben, en dat, gelijk ik in de Opmerkingen achter de tabel bij
mijne adviezen gevoegd, herinnerde, de heeren rechters Melvil van
Ltnden en Sassbx het wenschelijk achten „dat de rechters aan het
verlangen van de praktizijns gehoor geven." Is het concludeeren a
discrétion dan al niet in den letterlijken zin aan de praktizijns over-
gelaten, het is dit toch zoo goed als. Hoe dit echter zij, voor het
hooger beroep is het facultatief karakter van de bepaling betreffende
de conclusien restrictief geworden. Het kon, dunkt mij, niet duide-
lijker gezegd worden, dan het. in art. 347 gezegd wordt. De tegen-
stelling met de procedure in eersten aanleg en de uitdrukkelijke
-ocr page 163-
§ 163. VERWEREN EN VOLDINGEN.                                        145
toelating van het nemen eener tweede conclusie door den appellant
om het incidenteele beroep of eene door den geintimeerde voorge-
stelde exceptie te beantwoorden, maken eene andere duiding der
bepaling m. i. ontoelaatbaar. Toch meenen de HH. Haktogh en
Cósman, op art. 347, bl. 137, dat, „als eens bij uitzondering com-
muni consensu van partijen meerdere conclusien gewenscht zijn, dan
met \'s rechters toestemming ook na het antwoord nog geconcludeerd
zal mogen worden." En, voegen zij er uitdrukkelijk bij: „een vol-
strekt verbod van meer dan twee conclusien bevat de nieuwe wet
zoo min als die wier plaats zij innam." Ik vraag echter hoe dan de
wetgever in art. 347 zich wel had moeten uitdrukken, als hij een
volstrekt gebod gewild had, wanneer dit niet ligt in de duidelijke
bewoordingen van het artikel, zooals het gesteld is? Het beweren
omtrent de oude wet is ook met hare duidelijke bewoordingen in
vierkanten strijd. In de toelichting daarvan bij de herziening in
1837 werd toch geheel in overeenstemming met den inhoud van
het artikel gezegd: „men heeft begrepen in hooger beroep geene
schriftelijke conclusien van re- en dupliek te moeten toelaten, omdat
partijen ten eersten aanleg ruime gelegenheid hebben gehad hare
beweringen te ontwikkelen en de wederzijdsche gronden daarvan te
leeren kennen." Verslag der Handelingen van de Staten Generaal,
1836/1837 II, bl. 228 ad art. d en e en v. d. honert op § 347. Ook
is het zeker een stout beweren dat, wanneer de wet uitdrukkelijk
voor één geval eene uitzondering maakt, de uitlegger der wet, die
tot hare toepassing geroepen is, er nog meer bij mag maken. En
waarom is dan niet eene bepaling als van art. 142 § 2 hier opge-
nomen? Kon art. 347 de toepasselijkheid van dit voorschrift duide-
lijker uitsluiten dan door het niet te herhalen en zich tot de uit-
zondering in het tweede lid voorkomende te bepalen ? Zie ook Mr.
Eyssell in Themis t. a. p. bl. 533. Ook ten aanzien van de twee
conclusien in zaken op korten termijn toegelaten, waarvan ik, naar
aanleiding van art. 145, melding maakte, verklaren de HH. Hautoc.h
en Cosman dat daaruit geen verbod volgt om meer conclusien te
nemen. Zij beroepen zich op de gemakkelijke wijze, waarop in de
schriftelijke gedachtenwisseling het tegenovergesteld beweren werd
ontzenuwd. Moeilijk valt evenwel de tegenstelling tusschen art. 145 en
142 uit de wet weg te redeneeren : het eerste uitdrukkelijk onder nadere
bepaling meer conclusien toelatende, het andere ze in een bepaald
geval niet toelatende. Ligt dan niet noodzakelijk in de niet-toelating
v
                                                                                             10
-ocr page 164-
146 HOOPDST. IX. AFD. II. HOOGER BKROEP. T1T. II. RECHTSPLEGING.
oen verbod? Men vergete niet, wanneer men zich hier op de oude wet
beroept, dat in deze de straks vermelde tegenstelling niet voorkomt.
Consequent had men ook in art. 145 eene gelijke uitzondering moeten
maken als in art. 347 voor het hooger beroep. Want eene zelfstandige
bewering kan in zaken op korten termijn even goed voorkomen. Dan
vloeit evenwel de noodzakelijkheid om den eischer eene conclusie van
antwoord op die zelfstandige bewering te gunnen uit art. 45 voort.
De wijze waarop m. i. èn art. 347 èn de artt. 142 en 145 moeten
worden verstaan, gaf ik terug in de omschrijving daarvan in den tekst.
Het verweren en voldingen heeft alzoo, naar de wet van 1896, in
hooger beroep plaats op de wijze als de oude wet dit voor sum-
miere zaken voorschreef. In zaken van gewone behandeling kende
de oude wet even als in eersten aanleg eene aan de conclusien vooraf-
gaande wisseling van beteekende schrifturen. Zij bestonden evenwel
in hooger beroep niet in schrifturen van antwoord, repliek en dupliek,
want de geïntimeerde had op de ongemotiveerde dagvaarding in appèl
niets te antwoorden. De appellant deed eerst beteekenen eene m e-
morie van bezwaren en de geïntimeerde gaf daarop eene m e m o-
rie van antwoord. Niet het preciseeren van het punt in geschil
door nadere en meer pertinente verklaringen uit te lokken was hier
het doel, maar het doen kennen van bezwaren tegen het gewezen von-
nis en het weerleggen daarvan. Daartoe waren twee schrifturen
zeker voldoende. Werden nu, na die memories, conclusien ter audi-
entie genomen, wat in de bedoeling des wetgevers lag, dan konden
die conclusien niet anders bevatten dan eene korte samenvatting
van den inhoud der memories en dan bleef er licht voor de plei-
dooien niet anders over dan eene herhaling, op anderen toon en
wijze, van den inhoud dier memories. Het onderscheid, dat de wet-
gever zich tusschen memories en conclusien voorstelt, moet wel hierin
gelegen zijn dat de eerste een beredeneerd betoog bevatten, dat daar-
door van zelf meer uitgebreidheid erlangt, terwijl de conclusie eene
syllogistische samenvatting van de in de memorie vervatte redenee-
ring inhoudt. Daar evenwel nergens een bepaalde vorm voor memorie
of conclusie is voorgeschreven, wordt ook in de praktijk het hier
onderstelde onderscheid niet in acht genomen en ook de vorm eener
conclusie gebruikt waar de wet hier of daar van memories spreekt.
Zie bijv. art. 777 en 630. Kan de beknoptheid van eene conclusie
soms tot onduidelijkheid leiden, de logica loopt in een uitgebreid
-ocr page 165-
§ 164. VERWEREN EN VOLDINGEN.                               147
beredeneerd betoog eerder gevaar. Welken vorm men overigens kieze
èn memorie èn conclusie moeten als gevolgtrekking uit de voorop-
gestelde of ontwikkelde beweringen eene conclusie bevatten houdende
datgene wat van den rechter wordt verlangd.
Naar de bepaling van art. 349 (nieuw) worden zoowel in het
principaal als in het incidenteel beroep de nieuwe vorderingen en
verweringen, waarvan in artikel 348 is gesproken, gediian bij met
redenen omkleede conclusien. Zeker kon art. 349, zooals het vroe-
ger luidde, niet behouden blijven. Het sprak van „conclusien met
middelen aan den procureur der wederpartij beteekend." Dit was
een duidelijke terugslag op de gewone behandeling welke afgeschaft
werd. Intusschen had het geheele artikel wel kunnen wegvallen,
daar het zoo goed als niets beteekent. Blijkens de toelichting bij
v. d. Honert op § 349, Handelingen der St. Gen. 1836/37 bl. 228, (art.
g) was de strekking der bepaling dat de conclusien middelen moesten
bevatten. „Dit artikel," zeide men, „stelt eene uitzondering voor
van het bepaalde bij art. 8a (343) omtrent het niet vereischen van
middelen, omdat hier juist het tegenovergestelde bestaat van hetgeen
tot het aldaar bepaalde de rede oplevert." Zou men niet meenen
dat in hooger beroep de regel was dat ongemotiveerde conclusien
werden voorgedragen? En nu was het volgens art. 343 alleen de
dagvaarding die geene middelen behoefde te bevatten. Maar ook
deze moest juist voor de nieuwe vorderingen, wèl van middelen voor-
zien zijn. En terwijl met opzicht tot de conclusien, naar de bepa-
lingen omtrent summiere zaken werd verwezen, kon er, noch ten
aanzien van de nieuwe vorderingen noch ten aanzien van de nieuwe
weren, welke allen in conclusien moesten worden vervat, met opzicht
tot de noodzakelijkheid van het motiveeren twijfel bestaan. Nu zou
art. 349 bij eene eerste lezing wel kunnen doen denken, dat die
nieuwe vorderingen en nieuwe weren bij afzonderlijke, bijzonder
daarvoor bestemde conclusien werden gedaan, doch het valt niet te
betwijfelen, of zij moeten èn in het principaal èn in het incidenteel
beroep bij conclusie van eisch of bij dio van antwoord worden in
het midden gebracht, terwijl dit naar de oude wet bij de beteekende
memories behoorde te geschieden, wanneer deze althans gewisseld
werden. Voor beteekening van conclusien was onder de oude
wet geen plaats, evenmin als voor het nemen van conclusien buiten
de in art. 147 vermelde.
-ocr page 166-
148 HOOFDST. IX. AKD. II. HOOdKR BEROKP. TIT. II. RECHTSPLEGING.
In de bepalingen betreffende het verweren en voldingen in eersten
aanleg wordt steeds gezegd dat die conclusien ter terechtzitting
worden voorgedragen. Een voordracht laat zich moeilijk den-
ken, zonder dat die conclusien voorgelezen worden, gelijk dit dan
ook, door art. 45 Regl. I, uitdrukkelijk wordt voorgeschreven. Verg.
Dl. I bl. 112 v. Dat neemt echter tijd en de rechter heeft er weinig
aan om ze aan te hooren, wanneer er eerst na maanden over gepleit
wordt. Er pleegt dan ook bij rechtbanken, waar het druk is, niet veel
anders gezegd te worden dan dat men concludeert van eisch of van
antwoord. In hoever of het dan voor den procureur des eischers
mogelijk is op goede gronden te verlangen van repliek te mogen dienen
(art. 142) is niet duidelijk.
Volgens de bepalingen van 1838 moest de procureur zijne con-
clusie voordragen met overgifte van afschrift aan den procureur der
tegenpartij. Als nu de voordracht moet geschieden met overgifte, dan
is \'t duidelijk dat zij niet zonder overgifte mag plaats hebben en dat
die overgifte dus dadelijk moet geschieden. Toch liet men het na en
om dit „misbruik" tegen te gaan bepaalt art. 140 nieuw en andere
nu dat de afgifte gelijktijdig ter terechtzitting moet plaats hebben.
En als nu dat toch eens niet gebeurt ?
Wat den inhoud der conclusien betreft, zoo is de conclusie
van eisch in hooger beroep oneindig belangrijker dan die in eersten
aanleg, dewijl deze laatste niet veel anders dan eene herhaling van
de dagvaarding kan bevatten, gene eerst de bezwaren tegen het
gewezen vonnis aan de tegenpartij kenbaar maakt. Nieuwe vorde-
ringen, zoo die er zijn, verneemt de gedaagde echter ook in hooger
beroep uit de dagvaarding. Maar behalve de bezwaren tegen het
vonnis, welke de gedaagde in hooger beroep voor een goed deel uit
het in eersten aanleg gevoerd geding kan opmaken, kan hij uit de
conclusie van eisch geheel nieuwe in eersten aanleg niet voorge-
brachte verweermiddelen vernemen. Deze toch kan de appellant voor
het eerst in hooger beroep aanvoeren, voor zoover zij niet in eersten
aanleg zijn gedekt en dat zijn niet alleen die middelen welke de
wet in eiken stand van geding toelaat, maar alle verdedigings-
middelen ten principale, waaronder de als peremtoire exceptien be-
konde middelen te brengen zijn, gelijk ik hierboven bl. lllhebtrach-
-ocr page 167-
§ 163. VERWEREN EN VOLDINGEN.                               149
ten te betoogen. Zoo blijkt ook dat de eischer in hooger beroep
zijne hoedanigheid van verweerder behoudt als wij op het materieele
onderwerp van den strijd letten. Blijft dan ook de verweerder in
h. b. in datzelfde opzicht eischer, die verweerder, hetzij hij verweer-
der of eischer in eersten aanleg was, kan tevens in h. b. als eischer
optreden door incidenteel beroep in te stellen, indien hij voor een
gedeelte door den eersten rechter in het ongelijk werd gesteld. Dat
incidenteel beroep moet bij de conclusie van antwoord worden inge-
steld op straffe van verval, dus op geen andere wijze noch in eenig
ander stadium van het geding. Ook hieruit blijkt dat, al behoefde
ook dit niet gezegd te worden, het zwaartepunt van art. 349 ligt
in het met redenen omkleeden der conclusien.
Bij het tweede lid van art. 144 werd eene nieuwe bepaling in de
wet opgenomen, waarbij aan den rechter de bevoegdheid wordt toe-
gekend om bij de pleidooien aan de partijen of haar praktizijns op-
helderingen te vragen omtrent den inhoud van hunne schriftelijke of
mondelinge voordrachten. Al gaf ik in Dl. II bl. 124 v. mijne in-
stemming te kennen met eene opneming in onze rechtspleging van
bepalingen, als in het Ontwerp 1865 B. II, tit. 1 art. 10 j°. 8
waren voorgesteld, die de invoering van het bij de üuitschers dus-
genoemde „Fragerecht" ten doel hadden, zoo komt het mij toch
voor dat dit terecht bij de herziening van 1896 niet in de wet is
opgenomen. In eene procedure, welke, gelijk de onze, het beginsel
huldigt dat de bestanddeelen van den strijd, de middelen van eisch
en verwering in schrifturen worden ontwikkeld en vastgelegd door
de partijen, zoodat deze daarmede den omvang van den strijd vast-
stellen, terwijl den rechter daarbij een lijdelijke of liever eene af-
wachtende rol is toegewezen, past niet wel eene medewerking des
rechters om de feitelijke toedracht der zaak vast te stellen, zoo
zelfs dat daarin op aanstichting des rechters wijziging kan worden
gebracht. Maar, indien al het een op het ander pasklaar kon wor-
den gemaakt, ik acht het beter dat daartoe nu slechts de weg ge-
opend worde door een bescheiden stap in die richting, gelijk thans
is geschied. Ik erken dat in art. 144 § 2 slechts de schijn, niet
het wezen van een „FrageRECHT" wordt gegeven. Het lijdt toch bij
mij geen twijfel, of de bevoegdheid, welke den rechter daarbij toege-
kend wordt, kwam hem ook onder de oude wet toe. Wanneer de
rechter bevoegd is ambtshalve een getuigenverhoor of een onderzoek
-ocr page 168-
150 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOUER BEROEP. TIT. II. RECHTSPLEGING.
van deskundigen te bevelen, opdat hij een oordeel kunne uitspreken
over het bestaan, of de beteekenis van feiten welke aan zijn oordeel
onderworpen zijn, dan moet het hem nog te eer vrijstaan om van
partijen opheldering te vragen van hetgeen hem in hunne voor-
drachten, mondelinge of schriftelijke, onduidelijk of soms onbegrijpe-
lijk voorkomt. Dat er twijfel bestond, of de rechter deze bevoegd-
heid al of niet had, laat zich verklaren uit de omstandigheid dat,
als men eene vreemde rechtspleging invoert, gelijk wij deden, men
maar al te zeer geneigd is om niets zonder wettelijk voorschrift te
doen. Waar lijdelijkheid een beginsel der rechtspleging is, wordt
licht aan de lijdelijke stemming, waarin het gemoed daardoor gebracht
wordt, toegegeven; ook vreest men wel aan de deftigheid te kort te
doen door zich op de terechtzitting in gesprek te begeven met de
partijen die daar door een balie van den rechter worden gescheiden;
voorts is de geneigdheid om vragen tot de praktizijns te richten eene
zaak van temperament en als dat temperament, wat vrij algemeen
bij ons \'t geval is, medebrengt om het „antequam agas consulto
opus est" in toepassing te brengen, dan gaat licht het geschikte
oogenblik voor het doen der vragen voorbij. Een voorschrift, het-
welk de bevoegdheid erkent, neemt elke reden van schroom om daar-
van gebruik te maken weg en zoo zal het er toe kunnen bijdragen
om, wat onder gelijke bepalingen van procedure, zonder uitdrukkelijk
voorschrift in Frankrijk en België gebruikelijk is, ook bij ons ge-
bruikelijk te doen worden. Zeer terecht wordt dan ook de bevoegd-
heid gegeven „bij de pleidooien" zoodat de rechter den pleiter
kan in de rede vallen en onmiddellijk opheldering kan vragen. De
rechter zal die opheldering kunnen vragen, dus lichtte de heer
Drucker in de Tweede Kamer zijn voorstel, dat in 144 § 2 wet
werd, toe: „wanneer in het pleidooi een of ander voorkomt, dat
„hem niet voldoende duidelijk is geworden, of nadere inlichting te
„verzoeken, wanneer er tusschen schriftelijke en mondelinge uitlatin-
„gen eenig verschil is, waarvan de rechter op dat oogenblik den
„omvang of de reden niet inziet." Uit dit laatste gezegde vloeit
de onderstelling voort, dat de rechters gebruik maken van de gele-
genheid, welke de aanhechting der conclusie aan het audientieblad,
art. 44 Regl. n°. 1, hun geeft, om van die conclusien vóór den aanvang
der pleidooien kennis te nemen. De toepassing van de bevoegdheid
den rechter toegekend zal den pleiters eerder doen afzien van het
soms met eenigen ophef gebruik maken van verlegenheidsargumenten;
-ocr page 169-
§ 163. VKRWKKKN EN VOLDINGEN.
151
maar wat vooral van belang is, zij zullen in de gelegenheid gesteld
worden om te verduidelijken wat zij soms meenden duidelijk genoeg
gezegd te hebben, of om in oene nadere ontwikkeling te treden van
een of ander argument, dat bleek \'s rechters aandacht meer bijzonder
te trekken.
Ik zou het verkieslijk gevonden hebben, indien hier, evenals in
andere artikelen dezer afdeeling, eenvoudig van partijen gespro-
ken ware. De praktizijns waren daaronder van zelf begrepen
geweest, omdat de schriftelijke en mondelinge voordrachten van hen
plegen uit te gaan en dan was toch ook in het geval dat partijen
zelven pleiten voorzien. Ook volgens die eenvoudiger en meer met
de overige artikelen overeenstemmende redactie zou de rechter vragen
hebben kunnen richten tot allen, die iets hebben voorgedragen, hetzij
schriftelijk of mondeling.
De vermelding van partijen naast de praktizijns doet, om
\'t zoo ongewone geval dat zij zelve pleiten, niet zoo geheel onna-
tuurlijk denken, dat ook de partijen zelve zouden kunnen worden
ondervraagd omtrent hetgeen wel door anderen, maar toch altijd
voor hen werd voorgedragen, te eer omdat er voorbeelden in de
praktijk bekend zijn dat de voorzitter van een college van der par-
tijen tegenwoordigheid bij de zitting gebruik maakte om ze zelve te
hooren. Ik zou dit evenwel volgens art. 144 § 2 niet geoorloofd
achten omdat de rechter als hij partijen voor zich wil doen verschij-
nen art. 49 in acht heeft te nemen.
Terecht werd de oorspronkelijk door Mr. Dbuckkr voorgestelde
bijvoeging, volgens welke de rechter van de verkregen inlichtingen
bij zijne uitspraak gebruik zou kunnen maken, weggelaten. Als men
bedenkt, dat hier ophelderingen gevraagd worden, dan spreekt het
van zelf dat de rechter daarvan gebruik maakt ; de desniettemin
uitdrukkelijk toegekende bevoegdheid zou doen onderstellen, dat met
die ophelderingen soms feiten aan de niet uit de dingtalen bekende
zouden kunnen worden toegevoegd of dat zij tot verandering in de
middelen zouden mogen aanleiding geven. Men lette op de voor-
zorgen, welke bij de uitoefening van een werkelijk „Fragerecht" in
het Ontwerp waren genomen oin het resultaat daarvan te constatee-
ren. Vrg. ook Hartogh en Cosman op het artikel. Onmogelijk om
aan eene weigering om de gevraagde opheldering te geven of aan
eene ontwijking der gedane vraag eenig ander gevolg toe te kennen,
dan dat de ondervraagde aan hetgeen hij sprak geen bijzonder ge-
-ocr page 170-
152 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGER BEEOEP. TIT. II. RECHTSPLEGING.
wicht hechtte. Daaraan een gevolg toe te kennen als in art. 244
bedoeld ware geheel ongepast, daar het vragen van de opheldering
toch niet kan strekken om een bekentenis uit te lokken.
Gevolgen van het antwoord. Zie Dl. II § 65. Ik ver-
meldde t. a. p. onder I, de verplichting des eischers om het geding
voort te zetten in dien zin, dat hij na het. antwoord geen afstand
van de instantie mag doen, dan met toestemming van den verweer-
der. De bepaling van art. 277, waaruit dit gevolg voortvloeit, be-
hoort tot de bepalingen omtrent den afstand van de instantie, bij art.
353 op het hooger beroep toepasselijk verklaard. Ik verwijs daarom
naar hetgeen ik t. a. p. schreef.
II. Als een tweede gevolg van het antwoord vermeld ik t. a. p.
dat de verweerder geen declinatoire, noch dilatoire exceptien meer kan
voorstellen, behalve die van volstrekte onbevoegdheid des rechters.
Verwerkte de gedaagde deze exceptien, indien hij ze niet vóór alle
andere weren had ingesteld, behalve de laatstgenoemde, thans ver-
werkt hij ze, wanneer hij die niet tegelijk met zijn antwoord heeft
voorgesteld en hij verwerkt niet alleen deze, maar ook elk verdedi-
gingsmiddel dat hij niet bij zijn antwoord voorstelde. Want kon hij
in eersten aanleg, indien hij althans ten principale had geantwoord,
nog bij conclusie van dupliek, indien hij daartoe ten gevolge van
eene door den eischer genomen conclusie van repliek de gelegenheid
kreeg, andere middelen ten principale aanvoeren, in hooger beroep
kan de eischer alleen van antwoord dienen op een incidenteel beroep
des verweerders of op eene door den verweerder in hooger beroep
voorgedragene exceptie Tot het voordragen van verweermiddelen,
welke de verweerder in hooger beroep bij zijn antwoord niet deed
gelden, bestaat later voor hem geen gelegenheid meer. Dit volgt uit
art. 141, dat volgens art. 347 in hooger beroep toepasselijk is, en
uit dat art. 347, voor zoover het eene bijzondere bepaling voor het
hooger beroep inhoudt. Uitgezonderd zijn natuurlijk de verweermid-
delen welke, als de verjaring, in eiken stand van het geding kun-
nen worden ingeroepen. Dit is niet meer het geval met het beroep
op de volstrekte onbevoegdheid des rechters, welke dan bestaat als
de eerste rechter volgens de wet in het hoogste ressort tot beslissen
bevoegd was. Want uit het ook in hooger beroep volgens art. 353
toepasselijk art. 156 (nieuw) volgt dat ook deze niet bij het ant-
-ocr page 171-
§ 163. VERWEKEN EN VOLDINGEN.                                 153
woord voorgestelde exceptie van onbevoegdheid door den verweerder
niet meer voorgesteld kan worden, maar dat alleen de rechter
ambtshalve zich onbevoegd mag en moet verklaren. Hetzelfde moet
gelden van die middelen van niet-ontvankelijkheid in hooger beroep,
welke ambtshalve moeten worden toegepast. Zie daarover § 160.
III. Het derde gevolg van het antwoord t. a. p. in § 65, bl. 133
aangewezen, vervalt in hooger beroep, omdat de wet het instellen
van een eisch in reconventie, die in eersten aanleg niet gedaan werd,
in hooger beroep verbiedt. Art. 250 § uit.
titel III.
INCIDENTEN.
Terwijl in art. 353 de bepalingen van den derden titel van het
eerste boek omtrent vele daarbij behandelde incidenten in hooger
beroep toepasselijk worden verklaard, waaronder alzoo die incidenten
worden bedoeld, welke ook in eersten aanleg kunnen voorkomen, zoo
zijn er ook welke uitsluitend aan het hooger beroep eigen zijn.
Bij de behandeling der incidenten zal ik de volgorde in acht
nemen, waarin ik ze in eersten aanleg heb behandeld. Wat daarom*
trent ten aanzien van het hooger beroep bijzonders valt op te mer-
ken kan op die wijze geleidelijk zijn plaats vinden. De aan het
hooger beroep eigene middelen van niet-ontvankelijkheid, zouden bij
de exceptien ter sprake moeten komen, indien deze nog tot inci-
denten aanleiding konden geven. Dit is door het voorschrift om alle
middelen te vereenigen vervallen. Slechts twee blijven ter bespreking
over. In het bijzonder valt nog te letten op het incident, waartoe
de niet of verkeerdelijk bevolen voorloopige tenuitvoerlegging van
het vonnis aanleiding geven kan.
Het incidenteel hooger beroep behoort zeker tot de incidenten,
doch, dewijl het geen nieuw element in het geding brengt, maar
integendeel beoogt de zaak, die door het principaal beroep slechts
gedeeltelijk aan het oordeel des hoogeren rechters ware onderworpen,
nu in haar geheelen omvang tot onderwerp van het geding te maken,
is het mij voorgekomen, dat de voorstelling van den loop van het
geding aan duidelijkheid zou winnen, wanneer ik, gelijk ik deed, het
incidenteel beroep tegelijk met het principaal beroep besprak.
Wat de nieuwe vorderingen aangaat, deze maken niet het voor-
-ocr page 172-
154 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOOER BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
werp van een incident uit, daar zij met den eisch in hooger beroep
vereenigd worden; nieuwe weren zijn in zoover incidenten als zij
tot eene conclusie van antwoord aanleiding kunnen geven. Daar zij
evenwel niet afzonderlijk behandeld worden en alleen eenige uitbrei-
ding geven aan het geding, doch dit niet ophouden, kwam de be-
handeling daarvan als van zelf bij het geding in zijn eenvoudigen
loop ter sprake.
§ 164 INCIDENTEELE VORDERINGEN.
I. Tenuitvoerlegging bij voorraad.
Tweeërlei
incident.
De tenuitvoerlegging van het vonnis des eersten rechters kan tot
tweeërlei incident in het geding bij den hoogeren rechter aanleiding
geven: le indien die tenuitvoerlegging niet is gelast in de gevallen
waarin dit bij de wet is bevolen of toegelaten; 2e indien de tenuit-
voerlegging van het vonnis by voorraad is bevolen, buiten de gevallen
brj de wet voorzien.
o Niet          In het eerste geval kan de gedaagde in beroep de tenuitvoerlegging
bij voorraad alsnog vorderen bij den hoogeren rechter. Art. 351.
De vordering tot tenuitvoerlegging van het vonnis bij voorraad,
is eene bijkomende vordering, di8 in eersten aanleg, wanneer \'t niet
bij de dagvaarding is gedaan, niet bij wijze van incidenteele vorde-
ring gedaan kan worden, omdat bij art. 134 elke vermeerdering van
den eisch is verboden. Doch ook indien dergelijke bijkomende, doch
niet uit de hoofdvordering als van zelf voortvloeiende vordering het
voorwerp van eene incidenteele vordering kon uitmaken, dan nog
zou zij niet het eerst in hooger beroep kunnen worden gedaan,
indien de wetgever dit niet bepaalde. Bij den strijd die over de
vraag, of de wetgever het werkelijk ook in dit geval toelaat, onder
de fransche schrijvers gevoerd werd, wordt nog laatstelijk door
Crepon II, nü. 2498 beweerd, dat deze vordering geen nieuwe vor-
dering mag heeten, omdat geen nieuwe vordering is de zoodanige
die virtueel in de ingestelde vordering ligt opgesloten. En wanneer
hij dan vraagt: „Or qu\'y a-til de plus virtuellement contenue dans
une demande que la possibilité d\'exécuter le jugement qui la recon-
naitra fondée et y fera droit ?" dan zou ik antwoorden: zeker niet
-ocr page 173-
§ 164. INCIDENTEELE VORDERINGEN.                             155
eene vordering waarop gelijk op deze, al zij het eene bijkomende,
de rechter geen recht mag doen, indien zij niet met zoovele woorden
door den eischer werd gedaan en welker gegrondheid bovendien in
de meeste gevallen van het oordeel des rechters, met het oog op
de bijzondere omstandigheden van het bepaald geval, afhankelijk is.
En wanneer Chauveau op Carré Q. 1656 er nog bepaaldelijk op
wijst, dat deze vordering in eiken stand van het geding gedaan kan
worden, dan volgt dit allerminst uit de reden die hij daarvoor aan-
voert „parce que les circonstances qui la nécessitent peuvent naitre
dans Ie cours du proces et des divers incidents qui s\'y rencontrent."
Want aangezien de tenuitvoerlegging bij voorraad door de wet is
gebonden aan vonnissen over bepaald aangewezen vorderingen gewe-
zen, zoo heeft de eischer ook geen reden om niet de vordering tot
voorloopige uitvoerbaarverklaring dadelijk te doen, daar hij toch,
als zij hem wordt toegewezen, daarvan naar eigen inzicht al of niet
gebruik kan maken. Ook is onze wetgever het zeker niet met
Chauveau eens, nu hij verlangt dat de vordering in hooger be-
roep op de eerste terechtzitting moet, dus niet in eiken stand kan
worden gedaan. Nieuwe vorderingen, zooals de wet die toelaat,
moeten ontstaan zijn na het vonnis (art. 348 no. 1 en 2) en dat
is zeker het geval met de door ons besprokene niet. Als zoodanig
is zij dus ook niet toegelaten. Evenmin ben ik het met Oudeman
en de Pinto eens, dat de vordering tot tenuitvoerlegging bij voor-
raad als een eisch bij voorraad zou zijn toegelaten Zij moge daar-
toe gebracht kunnen worden, als vaststaat dat zij toegelaten is.
Maar dit is juist de vraag. Art. 351 j°. 54 moet die vraag beslis-
sen. En dan blijf ik bij de meening, die ik voorstond in eene aan-
teekening bij een arrest Hof van Zeeland in het R. Bijblad XIV
(1864) bl. 119, waarnaar ik verwijs in Dl. I, 3e uitg. bl. 233, en
acht ik de vordering tot uitvoering bij voorraad toegelaten, ook in-
dien zij niet in eersten aanleg gedaan werd. Al bestaat er reden
om aan art. 54 dezelfde beteekenis te geven als aan art. 136 C. de Pr.
en al geven de woorden van dit laatste vooral aanleiding om te
onderstellen dat de tenuitvoerlegging bij voorraad in eersten aanleg
moet gevraagd geworden zijn, en dat art. 351 (art. 458 C. de pr.), als
op art. 54 (art. 136 C. de pr.) terugslaande, daarom alleen dat geval zou
mogen geacht worden in het oog te hebben, deze historisch gegrond
schijnende interpretatie verliest dien historischen grond wanneer men
bedenkt dat, als art. 136 C. de pr. den eersten rechter verbiedt om
-ocr page 174-
156 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGEH BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
het vonnis alsnog met een verzuimde uitspraak betrekkelijk de ten-
uitvoerlegging bij voorraad aan te vullen, wat de ordonnantie van
1673 toeliet, Joussk in zijne aant. op art. 17 van tit. XVII der
Ord. juist er op wijst dat dit te pas zou kunnen komen „S i 1 a
partie a oublié de demander que la sentence s\'exécutat par
provision." Duidelijker kon niet erkend worden dat de verbetering
van het vonnis door het met de tenuitvoerlegging bij voorraad aan
te vullen reeds toen gevraagd kon worden in appèl ook als deze
niet gevorderd was in eersten aanleg. Daarom mag men gerust, ook
voor ons art. 351, evenals voor art. 458 C. de pr., het argument
doen gelden dat de wetgever niet onderscheidt en ook niet heeft
willen onderscheiden tusschen het geval dat de eischer in eersten
aanleg de tenuitvoerlegging bij voorraad had gevorderd of niet, al
is de redactie van art. 136 C. de pr. streng genomen wat beperkt.
Bij de herziening van 1896 is het artikel 351 in den aangegeven
zin verduidelijkt. Want, al teekenen de HH. Haktogh en Cosman
daarop aan, bl. 130, dat de wijziging welke het artikel onderging
het gevolg is van de afschaffing der gewone behandeling, dit kan
alleen slaan op de verandering van de woorden: „summierlijk en
bij een eenvoudige acte" in „bij eene conclusie." Wij lezen even-
wel thans in het artikel „alsnog bij éene conclusie." Dit kan nu
wel het geval betreffen, dat in eersten aanleg de vordering werd
gedaan, maar niet werd toegewezen of wel voorbijgegaan, maar zeker
slaat het in de eerste plaats op het geval dat de vordering alsnog
gedaan wordt, terwijl zij aanvankelijk niet gedaan werd.
In het Ontwerp van 1865 is de bepaling van art. 351 gesplitst,
zoodat afzonderlijk wordt gesproken van de gevallen, waarin de
tenuitvoerlegging bij voorraad moet en die waarin zij kan worden
uitgesproken. Volgens de toelichting is de reden van deze veran-
dering daarin gelegen dat art. 351 niet genoegzaam tusschen beide
gevallen onderscheidt, terwijl in het eerste geval de hoogere rechter
het verzuim des lageren moet herstellen, in het tweede hij dit kan
doen. De onderscheiding zoo uitdrukkelijk gemaakt, bevordert de
duidelijkheid. Toch geloof ik dat de zin van art. 351 in dat op-
zicht niet twijfelachtig is en dat de onderscheiding ook nu ligt in
de woorden: „bij de wet bevolen of toegelaten." In beide
gevallen kan de gedaagde in beroep aanvoeren, „dat zij niet werd
gelast" en bij den hoogeren rechter vorderen dat hij die tenuitvoer-
-ocr page 175-
§ 164. INCIDENTEEIiE VORDERINGEN.
157
legging alsnog gelaste, maar deze kan dit niet anders doen dan
op grond van de artt. 52 en 53. Hij zal dus, zooals de lagere
rechter had behooren te doen, de tenuitvoerlegging bevelen in de
gevallen waarin dit volgens de wet moet geschieden, en naar de
omstandigheden handelen waarin de wet het eenvoudig toelaat.
De vordering moet worden gedaan by eene conclusie te nemen op Hoe te
de eerste terechtzitting waarop de zaak dient. art. 351.
                           pioce
Wanneer art. 351 (oud) spreekt van eene eenvoudige akte ten
dage tot de eerste terechtzitting bepaald, dan heeft het daarbij het
oog op de gewone behandeling en bedoelt het eene beteekende akte
die dan tot het verzoek op de eerste terechtzitting aanleiding kan
geven. Daaruit verklaart zich ook de uitdrukking: „ten dage tot
de eerste terechtzitting bepaald." Die eenvoudige akte moest nu bij
de herziening eene conclusie worden. Daarbij komt natuurlijk eene
aanwijzing van den dag, waarop zij zal genomen worden niet te pas.
Zij wordt eenvoudig genomen op de eerste terechtzitting. Ook naar
de oude wet kon dit in summiere zaken niet anders plaats hebben.
Het is de terechtzitting van den dag, tegen welken gedagvaard
of bij anticipatie opgeroepen is. Het maakt niet uit, of op dien dag
de eischer zich bepaalt tot het aanbrengen der zaak dan of hij ook
reeds zijne conclusie van eisch in hooger beroep voordraagt. Hij zal
afgescheiden daarvan, de conclusie van den gedaagde tot voorloopige
tenuitvoerlegging hebben te beantwoorden en op dit incident zullen
naar de bepaling bij de incidenfeele vorderingen in art. 247 opge-
nomen, conclusien worden gewisseld. Indien over de tenuitvoerlegging
bij voorraad in eersten aanleg strijd is gevoerd, wat wel bij de toe-
passing van art. 351 meerendeels het geval zal zijn, dan zal althans
eene conclusie van antwoord niet uitblijven. En dat de conclusie van
art. 351, even goed als die van art. 349, gemotiveerd moet zijn,
dat zal men des noods uit art. 247 kunnen betoogen. Als de zaak
zóó moet loopen, is haar gang zwaarmoedig genoeg en steekt zij
zonderling af bij de bepaling van C. de Pr. die in art. 458 niet de
bevoegdheid gaf om b ij conclusie op de terechtzitting te vorderen,
maar „la faire ordonner, a 1\'audience" wat Boitard op art. 457
terug geeft met: „pour faire provisoirement, sommairement, sur Ie
premier aspect de la cause, ordonner que non obstant 1\'appel, les
poursuites d\'exécution pourront marcher." Dat gaat bij ons niet.
-ocr page 176-
158 HOOFDST. IX. AFD. II. H00OER BEROEP. TIT. III, INCIDENTEN.
Ik zie echter niet in, waarom dit incident de instructie van de
hoofdzaak zou behoeven op te houden en niet te gelijkertijd termijn
voor conclusie van eisch zou worden bepaald. Het geschil over de
voorloopige tenuitvoerlegging heeft dan zijn eigen verloop. Dat tot
het vragen van de voorloopige tenuitvoerlegging, welke in eersten
aanleg werd geweigerd incidenteel appèl niet noodig is, had het
Hof van \'s Gravenhage, 16 Nov. 1896 W. 6902, te beslissen.
/(. Ten          In het tweede geval kan de appellant op de terechtzitting verzoek
bevolen hoe aoen dat de executie worde gestaakt; hij kan daartoe ook do tegen-
eniet gedaan, partij, na bekomen verlof, op korten termijn dagvaarden. Art. 352.
De tenuitvoerlegging bij voorraad kan bevolen zijn buiten de ge-
vallen bij de wet bepaald, doordien de rechter aan de betrekkelijke
bepalingen der wet eene ruimere uitlegging heeft gegeven dan daaraan,
naar de meening van den appellant, mag gegeven worden, of ook,
wat minder licht het geval zal zijn, kan de rechter in gevallen,
waarvan de wet niet spreekt, die tenuitvoerlegging bevolen hebben.
Bovendien zal in de bepaling van dit artikel 352 vallen het geval
dat de rechter ambtshalve het bevel gaf. Zie Dl. II, bl. 232. De
appellant zou nu het voorrecht missen, dat de uitvoering van het
vonnis wordt geschorst. Wil hij het nadeel, dat daaruit altijd voor
hem ontstaan kan, ook al wordt hem later de daaruit ontstane
schade vergoed, voorkomen, hij kan dit niet anders dan door de
tenuitvoerlegging bij voorraad door den hoogeren rechter te doen
verbieden. Moest hij daartoe Eet vonnis op het hooger beroep af-
wachten, hij kwam licht te laat. Daarom is hij bevoegd daartoe af-
zonderlijk eene vordering te doen, die daarom evenals de voorafgaande,
eene incidenteele vordering mag heeten. Dat hij kan vorderen dat de
executie worde gestaakt, toont duidelijk aan dat de executie
moet zijn aangevangen, gelijk het Ontwerp 1865 uitdrukkelijk zegt,
dat „de staking van de aangevangen uitvoering worde
bevolen." Art. 19 van B. II, tit. 4. Anders is de omslag onnoodig;
niet wat de tegenpartij mag doen, maar alleen wat zij doet,
behoeft te worden tegengegaan. Maar dan is \'t ook voldoende, dat
den appellant bevel werd gedaan om aan het vonnis te voldoen. Nu
ligt het voor de hand, dat hij zijne vordering ter terechtzitting
moet brengen; maar op welke en hoe ? Er is geen de minste reden
om met Oudeman II, § 12 bl. 31 aan te nemen, dat bij voorkeur
-ocr page 177-
§ 164. INCIDENTEELE VORDERINGEN.                            159
de eerste terechtzitting zou bedoeld zijn. Maar welke dan? Het is
of de wetgever meent dat er zoo maar altijd eene terechtzitting voor
de zaak, waarin dit incident voorkomt, gehouden wordt als de tegen-
partij begint te executeeren. En toch is \'t niet dan toeval, indien de
zaak zelve juist ook op dat oogenblik dienen moet en dit even goed,
of de vroegere gewone behandeling gevolgd werd of de summiere of
de thans voorgeschrevene. Daarom zal de appellant wel altijd ge-
bruik moeten maken van eene dagvaarding om de tegenpartij tus-
schentijds ter terechtzitting te doen verschijnen, terwijl hij dan op
korten termijn naar art. 7 dagvaarden kan. Ik geloof, dat onze
wetgever, indien hij met opzet van het fransche artikel 459 afweek,
dat hier alleen de dagvaarding op korten termijn kende, dit wel had
kunnen laten. Maar ook hier zegt onze wetgever weer dat de
appellant op de terechtzitting verzoek tot staking doen kan of
tot dat einde de tegenpartij bij dagvaarding kan oproepen. De
fransche wetgever zeide „1\'appelant pourra obtenir des défenses a
1\'audience, sur assignation a bref délai." Hij kon dus krijgen
wat hij naar onze wet alleen kan verzoeken. De vertaling schijnt
den inhoud van het oorspronkelijk artikel terug te zullen geven.
Meende de wetgever dit te doen, dan begreep hij de pointe van \'t
fransche artikel niet en stelde onbewust den zwaarmoedigen voor
den vluggen gang in de plaats. De vergelijking van den franschen
met den holl. tekst van art. 291, W. 1830 bevestigt deze meening.
De uitvoerbaarverklaring by voorraad is evenzeer toepasselijk op het Uitvoerbaar-
vonnis in hooger beroep als op dat in eersten aanleg gewezen. De verk.ai\'.- ^w>
tenuitvoerlegging geschiedt dan bij voorraad niettegenstaande cassatie.
Zij kan natuurlijk alleen gevraagd worden, wanneer de eischer in
eersten aanleg in hooger beroep komt, hetzy principaal, hetzy inciden-
teel. Zy geeft dan evenwel geen aanleiding tot een incident, maar moet
bij de dagvaarding of by conclusie worden gevraagd.
II. Provisioneele vorderingen.
Provisioneele vorderingen kunnen in eiken stand van het geding en In hooger b.
daarom ook voor het eerst in hooger beroep worden ingesteld, al hadden toegolaten-
zy in eersten aanleg ingesteld kunnen worden. Art. 348 n°. 3.
Het ligt voor de hand dat maatregelen, welke de verhouding dei-
partijen gedurende den loop van het proces betreffen, noodig kunnen
-ocr page 178-
160 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOOER BKROEP TIT. III. INCIDENTEN.
zijn, zoowel door omstandigheden in den loop van het geding ont-
staan als door de zoodanige, die reeds bij den aanvang van het
geding bestonden. Wanneer zij nu al bij den aanvang van het proces
bestaan en alzoo een daartoe gedane provisioneele vordering zouden
kunnen rechtvaardigen, dan hangt het altijd af van de partij welke
die maatregelen in haar belang kan vorderen, of zij van oordeel is
dat daaraan reeds nu behoefte bestaat; zij alleen kan dit beoor-
deelen en moet ze dan ook kunnen uitlokken op het oogenblik dat
zij ze voor zich noodig acht. Mag men aannemen dat dit uit den
aard der provisioneele vorderingen voortvloeit, dan ligt ook daarin
de verklaring dat de wetgever, noch in het algemeen, noch voor de
bijzondere provisioneele vorderingen welke hij regelt, voorschriften
geeft omtrent het tijdstip waarop zij behooren ingesteld te worden.
En dan verklaart zich daaruit tevens dat hij in art. 348 n°. 3 het
instellen van een eisch bij voorraad in hooger beroep toelaat zonder
onderscheid te maken, of die in eersten aanleg al of niet had kun-
nen worden gedaan. De eisch bij voorraad wordt, al is het een
nieuwe eisch en al had hij in eersten aanleg kunnen gedaan worden,
ook in hooger beroep toegelaten. Dat de rechtsvordering eerst zou
moeten zijn ontstaan na het vonnis in eersten aanleg gewezen, zooals
dat ten aanzien van de onder n°. 1 en 2 van art. 348 genoemde door de
wet gevorderd wordt, daarvan is hier geen sprake. Letten wij bijv.
op de in de wet geregelde provisioneele vorderingen in zake van
een eisch tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed, dan
ligt het voor de hand dat de in art. 267, 268 en 269 B. W. ver-
melde maatregelen uit hunnen aard wel bij den aanvang van het
geding zullen worden gevorderd, zoodat ze zelfs volgens art. 820 B. R.
reeds van den president kunnen worden verkregen, maar in de ar-
tikelen van het Burgerlijk wetboek, evenmin als in die van het Wetb. v.
B. R. komt zelfs niet eene aanwijzing voor dat zij niet in den loop van het
geding zouden mogen gevraagd worden. Art. 824 bepaalt zelfs dat zij bij
met redenen omkleede conclusien ter audiëntie zullen worden gedaan,
waarbij dus wordt ondersteld dat het geding zelf reeds hangende is. En
waarom zouden zij dan niet voor het eerst in hooger beroep kunnen wor-
den gevraagd ? Zou wat aanvankelijk min noodig scheen, niet door de
verlenging, welke het geding door het hooger beroep ondergaat, noodig
geacht kunnen worden ? En is de noodzakelijkheid om de maatregelen te
vragen niet van het subjectief oordeel der vrouw afhankelijk? Met opzicht
tot de bij art. 808 en 825 B. R. in verband inet art. 245 en 270 B. W.
-ocr page 179-
§ 164. INCIDENTEELS VORDERINGEN.                               161
geregelde maatregelen kan zich de vraag die wij hier bespreken niet voor-
doen, omdat zij uitsluitend van den President der rechtbank kunnen
worden verkregen. Zie art. 808a in vergelijking met 808 (oud) vol-
gens hetwelk hunne toepassing van den rechter, d. i. de arrondisse-
mentsrechtbank, moest worden gevraagd.
Opmerking verdient dat, ofschoon de C. de pr. omtrent de provi-
sioneele vorderingen niets bepaalde, de jurisprudentie ze toeliet, ook
al werden ze voor het eerst in hooger beroep ingesteld. Zie Carré
en Chauveau Q. 1675. Wanneer daarbij evenwel onderscheid wordt
gemaakt op grond van art. 454 (ons art. 348 n°. 1 en 2) en aangenomen
dat de provisioneele vordering moet berusten op behoeften niet ontstaan
vóór het vonnis, dan acht ik dit onderscheid bij ons uitgesloten, omdat
het door onzen wetgever niet gemaakt is. Ook zou ik zeggen dat, juist uit
de omstandigheid, dat de provisie in eersten aanleg niet gevorderd werd,
blijkt, dat er toen geen behoefte aan bestond. Het spreekt overigens
wel van zelf dat in hooger beroep niet kunnen worden gevraagd bijv.
onderhoudskosten die men gedurende het geding in eersten aanleg
niet genoten heeft, omdat zij toen niet gevraagd waren. Voor eene
provisie gedurende het geding in eersten aanleg is de tijd voorbij.
De provisioneele vorderingen kunnen worden gedaan by conclusie Wijze van
procedeerer
met middelen, ter terechtzitting genomen, art. 349, doch ook bij dag-
vaarding op korten termijn, indien zij tegelijk met den eisch in hooger
beroep zelven worden ingesteld.
Voor de nieuwe vorderingen in n°. 1 en 2 van art. 348 aange-
wezen en de nieuwe weren in hetzelfde artikel toegelaten, als welke
niet tot incidenten aanleiding geven, maar van zelf met den eisch
of de verwering zelve worden verbonden, heeft art. 349 geenerlei
beteekenis. Maar ook voor den onder n°. 3 genoemden eisch bij
voorraad bepaalt het niets nieuws, omdat deze als hij niet te gelijk
met den eisch in hooger beroep zelven wordt ingesteld, als inci-
• denteele vordering aan de bepaling van art. 247 j°. art. 353
onderworpen is en dan van zelf gedaan wordt bij met redenen om-
kleede conclusie, maar ook, wat art. 349 niet eens bepaalt, op een
dienenden dag ter terechtzitting moet gedaan worden. Hij kan dan
niet meer bij eene dagvaarding op korten termijn worden ingesteld,
gelijk de wet dit in art. 352 voor het verkrijgen van een bevel tot
opheffing eener executie bij voorraad toestaat,
v
                                                                                                   11
-ocr page 180-
162 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
Er bestaat evenwel geen reden, waarom niet in hooger beroep,
evenals in eersten aanleg, eene provisioneele vordering tegelijk met
den eisch in hooger beroep wordt ingesteld en dan voor de provisie
hetzij mede op den gewonen, hetzij op korten termijn. Art. 343 wil
zelfs den eisch bij voorraad, als nieuwe vordering bij art. 348 toe-
gelaten, in de dagvaarding hebben opgenomen.
Zie verder Dl. III, 2e dr. bl. 10. Wat ik daar op bl. 11 vv. zeg
over de behandeling der provisioneele vordering, ingesteld nadat
de principale vordering reeds ter terechtzitting werd gebracht, is
thans, na de afschaffing van het onderscheid van summiere en gewone
behandeling, niet meer toepasselijk. Ook in eersten aanleg worden
nu, naar art. 247, alle incidenteele vorderingen met conclusien ter
terechtzitting geinstrueerd. Overigens is hetgeen ik, op bl. 13, over
de verdere instructie schreef ook in appèl van toepassing.
III. Voeging en tusschenkomst.
Wanneer Gelijk in eersten aanleg, zoo kan ook hij, die een belang heeft in
een rechtsgeding tusschen andere partijen in hooger beroep gevoerd
wordende, in dit hooger beroep zijn belang doen gelden door zich
daarin bij eene der partijen te voegen of daarin tusschen te komen.
Bij art. 284 van het Wetb. 1830 was „de tusschenkomst van
anderen in zaken van hooger beroep" uitgesloten. Zij zal niet-ont-
vankelijk zijn, zeide de wet. Men ging daarbij verder dan de C. de pr.,
die in art. 466 de tusschenkomst alleen toeliet van hen die recht
zouden hebben in derde verzet te komen. Bij de herziening van 1837
viel \'t verbod weg en werden, bij art. 353, de bepalingen omtrent
„voeging en tusschenkomst" in hooger beroep toepasselijk verklaard.
De weglating van de in den C. de pr. voorkomende beperking, in
het W. van 1830, was het noodzakelijk gevolg van het niet opne-
men van het middel van derde verzet. Verg. ook het door Ai..lard
bewerkte ontwerp tot herziening van den C. de pr. in België, waarin
ook met afschaffing van het derde verzet de tusschenkomst was
verboden en daarover de Paepe, Etudes sur la compétence I, p. 484,
n° 24. Dit middel vand v. nam onze wetgever in 1837 weder in de wet op
en de wijze waarop men het met de tusschenkomst in verband bracht,
gaf eene natuurlijke aanleiding tot de toepasselijkverklaring van
de bepalingen omtrent de tusschenkomst of de voeging en tusschen-
-ocr page 181-
§ 164. INCIDENTEELK VORDERINGEN.                              163
komst, zooals het opschrift van de 14de afdeeling van tit. III in-
middels gewijzigd was, in art. 353. Zeker brengt de opneming van
het middel van derde verzet de toelating van de tusschenkomst in
hooger beroep als van zelf mede. Immers wordt daardoor de gele-
genheid geopend om het middel van derde verzet, dat anders door
de niet tusschengekomen partij tegen de uitspraak in hooger beroep
zou kunnen worden ingesteld, uit te sluiten. Is het middel van derde
verzet niet in de wet opgenomen, dan kan er reden bestaan om in
hooger beroep geen tusschenkomst toetelaten, dewijl de tusschen-
komende partij hare tegenpartij van eene instantie zou berooven,
reden waarom ook nu de reconventie in hooger beroep niet toegela-
ten werd. Op de eigenlijke voeging zou dit evenwel niet toepasselijk
zijn. Er is alzoo een goede reden voor de toelating van de tusschen-
komst in hooger beroep en ten onrechte wordt deze meening, die
ook is die van de Pinto Dl. II, § 196, door Penninck aant. op art.
288, op grond van dat artikel bestreden. Bij de herziening werd,
blijkens v. d. Honert op § 353 (Handelingen der S. G. 1836/1837,
II, bl. 228 op art. 1), ook de voeging en tusschenkomst in hooger
beroep bij art. 353 toepasselijk verklaard, en „dus het in art. 20
der wet van 29 Maart 1828 (Wetb. 1830, art. 294) aangenomen
stelsel veranderd," Daarentegen werd de reconventie daaruit gelicht,
„daar bij den derden titel het doen van reconventie in hooger beroep
is uitgesloten, omdat men op die wijze anderszins in hooger beroep
een eisch zou inbrengen welke ten eersten aanleg niet is gedaan en
derhalve degeen die verweerder in dat cas moet zijn van een graad
van jurisdictie zou worden verstoken." Dat desniettemin de voeging
en tusschenkomst werd opgenomen doet zien dat daartegen dit laatste
bezwaar niet afdoend was bevonden en Penninck doet daarop dan
ook ten onrechte beroep. Overwegend voor de toepasselijkheid moet
geweest zjjn het derde verzet te voorkomen, dat bij de herziening
van 1837 weder in eere werd hersteld. En met de toelating van het
derde verzet wordt de mogelijkheid van die ontneming eener tweede
instantie ook geopend. Want had de tusschenkomst in hooger beroep
geen plaats, dan kan het verzet door de niet tusschengekomen partij
alleen tegen de uitspraak in hooger beroep, dus niet dan bij den
hoogeren rechter, worden ingesteld, (art. 377). Uit de bepaling dat de
voeging of tusschenkomst niet meer kan plaats hebben nadat de conclu-
sien door partijen zijn genomen (of, zooals het vroeger art. 288 thans in
art. 286 is opgenomen, dat zij wordt aangebracht bij conclusie ter terecht"
-ocr page 182-
164 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
zitting ten dienenden dage vóór of op dien waarop de laatste con-
clusie in het aanhangig rechtsgeding wordt genomen) maakt Pknninck
ten onrechte op dat zij in hooger beroep is uitgesloten. Dit beteekent
toch niet anders dan dat de geregelde afloop van het geding als
eens de conclusien genomen zijn, door een derde niet mag worden
verstoord. Verg. Dl. III, bl. 52 en vv. In hooger beroep wordt het
geding aan eene nieuwe behandeling onderworpen en wordt daardoor
de gelegenheid tot tusschenkomst ook weder geopend.
In mijne verhandeling over het aangehaalde werk van de Paepe,
Rechtsg. Magazijn 1894, bl. 282 — 288 kom ik met eenig verschil
in de argumentatie tot de beantwoording van de hier behandelde
vraag tot hetzelfde resultaat.
De bevoegdheid om zich in hooger beroep te voegen, waar eene
partij dit in eersten aanleg niet deed, heeft niet het bezwaar dat
daardoor eene instantie zou worden ontnomen aan de tegenpartij,
omdat de gevoegde partij, met de partij bij welke zij zich voegt op-
tredende, ook waar zij zich voegt bij den eischer, geen nieuwe vor-
dering in het geding brengt. Aangezien nu de wet beide middelen
aan denzelfden regel onderwerpt, ligt hierin ook een reden om niet
op een grond die alleen de tusschenkomst zou uitsluiten, ook de
bevoegdheid tot voeging te doen vervallen, veeleer zou men dan
beide toegelaten moeten achten. Het verdient evenwel opmerking dat
nu voor de toelating der voeging een reden te meer hierin bestaat
dat, indien de verweerder zich in eersten aanleg tot een bloot
exceptieve verdediging bepaalde en daardoor zijne andere verdedigings-
middelen had verwerkt, de belanghebbende partij, door zich in hooger
beroep te voegen, zal kunnen zorgen, dat zij ook niet in den ver-
deren loop van het geding in strijd met zijn belang verzuimd worden.
Verg. Dl. III, bl. 64. De fransche en belgische jurisprudentie schij-
nen intusschen alleen de eigenlijke voeging in hooger beroep toete-
laten. Verg. de Paepe, 1. c. n°. 25.
Wanneer evenwel eene partij zich in eersten aanleg niet gevoegd
heeft zal zij, bij stilzitten der partij bij welke zij zich had kunnen
voegen, niet zelfstandig in hooger beroep kunnen komen. Dat wordt
door art. 286 § 1 (vroeger art. 288) uitgesloten. „Waar iemand zich
zal voegen moet er eene partij in geding zijn, bij welke zij zich
voegt; met de uitspraak van het vonnis is het geding voorshands
afgeloopen, er zijn geen geding voerende partijen en er is geen rechts-
geding hangende, wat art. 285 tot voorwaarde stelt voor voeging
-ocr page 183-
§ 164. INCIDENTEELS VORDERINGEN.
165
zoowel als voor tusschenkomst. Het geding zal niet weer hangende
zijn voordat eene der partijen door in hooger beroep te komen het
weer aanhangig heeft gemaakt en zeker is art. 332 niet toepasselijk
op iemand die geene partij geweest is, maar het nog zou moeten worden
en die het niet anders zou kunnen worden dan door zich te voegen.
Niet alleen zijn in het in eersten aanleg besliste geding de laatste
conclusien genomen (art. 286 § 1) maar er valt niets meer door
partijen te verrichten." Dus schreef ik in mijne straks aangehaalde
verhandeling in Rechtsg. Mag. bl. 282 en daar heb ik niets anders
bij te voegen, dan alleen dit, dat een incident zich moeilijk laat denken
zonder een geding.
Dat het rom. recht aan de partij die zich had kunnen voegen
toestond om van het tusschen andere partijen gewezen vonnis te
appelleeren, wat ook in onze oud-hollandsche praktijk toegelaten
werd, Grotius Isagoge Lib. II, cap. 6 § 21, kan natuurlijk geen
grond zijn, om hetzelfde onder onze wetgeving aan te nemen, al
leiden de processualisten, als Gail, Obss. I, 70 n° 5, dit af uit de
bevoegdheid om zich in appèl te voegen.
Mag alzoo als vaststaande worden aangenomen dat voeging en
tusschenkomst als in eersten aanleg, zoo ook in hooger beroep kan
worden in toepassing gebracht, zoo kan ik wat het karakter van
deze middelen betreft, verwijzen naar hetgeen ik daaromtrent in
Dl. III, §§80, 81 en 82 schreef. Dat ik mij daarbij in hoofdzaak
meen te mogen houden aan het onderscheid tusschen voeging en tus-
schenkomst zooals ik dit in § 80 ontwikkelde, en dat ik met het oog
op een arrest van den H. Raad 6 April 1894, W. 6485 en de daarbij
behoorende conclusie van den advocaat-generaal Gregory nader aan-
wees in Rechtsg. Magazijn 1897, bl. 44, teekende ik hierboven
bl. 69 aan. Zie ook een vonnis der Rechtbank te Utrecht 20 Jan.
1897, W. 6920.
Met het oog op de wijziging, welke de hier te pas komende be-
palingen bij de wet van 1896 ondergingen, zal ik ook hier de wijze
van procedeeren tot tusschenkomst en voeging nader uiteenzetten.
Zij is in hooger beroep niet anders dan in eersten aanleg en zoo zal
ik de gelegenheid hebben om meteen die wijzigingen aan te geven,
welke de door mij voor den eersten aanleg beschreven procedure
behoort te ondergaan.
-ocr page 184-
166 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGEE BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
Hoe te         De eisch, welken eene partij langs den weg van tusschenkomst
PIbr t s-re" w*\' instellen, wordt opgenomen in eene schriftelyke conclusie en op
schenkomst? grond van het daaruit blijkend belang des eischers wordt verder in
hetzelfde stuk geconcludeerd, dat hij als tusschenkomende partij worde
toegelaten met dien eisch, opdat deze hem langs dien weg worde toe-
gewezen.
Zij moet op straffe van nietigheid, behalve de gronden waarop de
vordering berust, aanwijzen naam en voornaam en woonplaats van de
tusschenkomende party en voorts opgave van den gestelden procureur
met keuze van woonplaats, indien die niet by den procureur gekozen
werd.
De conclusie wordt genomen ter terechtzitting waarop de hoofdzaak
dient vóór of op dien, waarop de laatste conclusie in het aanhangig
rechtsgeding genomen wordt.
De hoofdpartijen zyn bevoegd de toelating te betwisten. Daartoe
worden conclusien genomen, waarop de rechter, desnoods na gehouden
pleidooien, zal beslissen. Gelast hij by die gelegenheid partyen voort
te procedeeren, dan bepaalt hij by hetzelfde vonnis den dag waarop
zy gehouden zullen zyn tot dat einde ter terechtzitting te verschynen.
Wordt de toelating niet betwist, of wordt het verzet tegen de toelating
afgewezen, dan moet door de hoofdpartyen op den by tusschenkomst
ingestelden eisch worden geantwoord by ter terechtzitting te nemen
conclusien. Art. 285—288.
Het onderscheid dat ik t. a. p. §81 tusschen de gewone en sum-
miere behandeling moest maken is weggevallen en uit de gewijzigde
bepalingen der wet volgt, dat in hoofdzaak geprocedeerd wordt op
de wijze als ik dit voor de tusschenkomst in zaken van summiere
behandeling aanwees.
De wijzigingen, welke bij de aangehaalde artikelen, in verband
met de afschaffing der vroegere onderscheidene behandeling, gemaakt
zijn, geven mij geen reden om terug te komen van mijne op grond
van vroegere bepalingen ontwikkelde meening, dat de vordering tot
tusschenkomst, wanneer zij niet betwist wordt, geene beantwoording
bij afzonderlijke conclusie en dan ook geen afzonderlijke beslissing
des rechters noodig maakt. Wordt eene conclusie om tusschen te
komen genomen, dan ligt het voor de hand dat de partijen een ter-
-ocr page 185-
§ 164. INCIDENTEELE VOBDEKINCJEN.                               167
mijn vragen om daarop te antwoorden. Doen zij dit, kan dan dit
antwoord zich bepalen tot de verklaring dat zij zich niet tegen de
toelating verzetten en desnoods kan dan een nadere termijn worden
verleend om op den bij tusschenkomst ingestelden eisch, die hun uit de
voorgedragen conclusie bekend is, te antwoorden. Ook kunnen zij
al dadelijk ter terechtzitting, waarop de conclusie genomen werd,
die verklaring, dat zij zich niet verzetten, afleggen en tot antwoord
termijn verzoeken. Van die verklaring kan des noods in het een en
ander geval ter terechtzitting akte worden verleend. Maar daarmede
is dan ook de prealable vraag, betreffende het incident afgedaan en
gaat het geding met den daarin incidenteel optredenden eischer voort.
Eene afzonderlijke behandeling der toelating zal, ook waar zij niet
betwist wordt, alleen in zaken van schriftelijke behandeling noodig
zijn, omdat de toelating dan ook ter terechtzitting moet worden
behandeld volgens art. 286 § 2 (nieuw) uit art. 287 (oud) behouden.
Daarbij acht ik het niet noodig stil te staan.
De conclusie. Hij die verlangt tusschen te komen in een
tusschen andere partijen hangend geding moet daarbij belang hebben.
Wanneer hij nu de gronden waarop de tusschenkomst berust,
overeenkomstig art. 287, moet opgeven, dan zal hij zich natuurlijk
niet mogen bepalen tot het beweren van belang daarbij te
hebben, maar dat belang zal moeten blijken en daartoe is het
noodig dat hij den eisch meedeelt, welken hij bij tusschenkomst wil
doen gelden. Terwijl deze wederom in zijn verband tot de aanhangig
gemaakte zaak niet kan beoordeeld worden, zonder dat hij behoorlijk
geformuleerd, d. i., zooals art. 5 het uitdrukt, met onderwerp en
middelen is aangewezen, zoo moet de conclusie wel dien aldus ge-
formuleerden eisch als grond voor de tusschenkomst inhouden.
Wat de procureurstelling betreft, deze zal uit het hoofd der
conclusie, zooals die gewoonlijk gesteld wordt, wel blijken en ook
voldoende blijken, als de tusschenkomende partij daarin vermeld wordt
als „compareerende bij N.N. procureur." Naam, voornaam en
woonplaats van de partij zelve, komen daar ook van zelf bij omdat
zij zich wel moet doen kennen. Toch verdiende een en ander in
bijzonderheden vereischt en zelfs op straffe van nietigheid voorge-
schreven te worden, omdat deze conclusie de dagvaarding vervangt.
Hakxogh en Cosman op art. 287 bl. 118. Dit geldt ook van de
-ocr page 186-
168           HOOPDST. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
keuze van woonplaats, wanneer die niet is gekozen bij den procureur;
doch dan had er ook nog wel bijgevoegd mogen worden dat dan die
keuze moet geschieden binnen de gemeente waar de rechter zitting
houdt.
Opmerking verdient dat de verandering van redactie welke art.
288 (oud) bij zijne overbrenging naar art. 286 (nieuw) onderging
de beperking, waaraan het de bevoegdheid om in het geding tusschen
te komen onderwierp, en die ik Dl. III, bl. 53 vv. (*) afkeurde, mer-
kelijk heeft verminderd door de tusschenkomst nog toe te laten ten
dage waarop de laatste conclusie in het aanhangig rechtsgeding wordt
genomen. In hooger beroep geeft dit echter niet veel.
Procedure De wyze waarop in zake van voeging geprocedeerd wordt is
bij voeging, delfde ais die Dy tusschenkomst. Daar hier evenwel geene vordering
door den derde wordt ingesteld kan deze ook niet in de ter terecht-
zitting te nemen conclusie om als gevoegde party te worden toegelaten,
worden opgenomen.
Die introductieve conclusie zal derhalve alleen het belang kunnen
motiveeren, dat de zich voegende partij er bij heeft, dat de partij bij
welke zij zich voegt, in het gelijk gesteld worde. Alleen de betwisting
daarvan zal tot eene afzonderlijke behandeling der toelating tot voeging
aanleiding geven.
Valt er geen betwisting, dan wordt de voeging geacht te zijn toe-
gelaten, ook zonder afzonderlijke uitspraak des rechters en zijn de hoofd-
partijen verplicht alle beteekeningen of mededeelingen welke zy aan
elkander doen, ook aan de gevoegde partij te doen.
Daar de voeging in het geding bestaat in het bijstaan van, het
zich voegen bij eene der partijen, zoo zal uit de conclusie tot toe-
lating moeten blijken, bij welke der partijen de zich voegende partij
verlangt aan te sluiten. Sluit zij zich aan bij den eischer, dan moet
zij aantoonen belang te hebben bij de toewijzing van den eisch en
kan hare conclusie geen andere zijn dan die des eischers, omdat
zij evenmin als de eischer zelf nieuwe feiten of rechtsmiddelen in
het proces kan brengen. Sluit zij zich aan bij den gedaagde, dan
moet zij aantoonen belang te hebben bij de afwijzing der vordering.
(\') 0|i bladz. 54 aldaar behoort in den tweeden en derden regel v. o. in plaats van art. 141
gelezen te worden: art. 288, waarmede dan natuurlijk op art. 288 (oud) gedoeld wordt.
-ocr page 187-
§ 164. INCIDENTEELS VORDERINGEN.
169
Indien evenwel de gedaagde zich bepaalt bij eene exceptie ve verde-
diging en zich bijv. alleen op \'s rechters onbevoegdheid heeft beroe-
pen, zoodat tot de voeging niet dan tengevolge van een door den
eischer genomen conclusie van repliek gelegenheid zal bestaan, dan
zal de gevoegde partij haar belang bij het geding moeilijk kunnen
aantoonen, daar zij geene verdediging zal kunnen voeren, welke de
gedaagde heeft verwerkt. Maar wanneer zij haar verzoek doet op de
terechtzitting waarop de conclusie van eisch wordt voorgedragen of
vóórdat nog de gedaagde conclusie nam, dan zal zij, toegelaten
zijnde, tot de aanvulling van de door den gedaagde gevoerde ver-
dediging bevoegd zijn en de verweermiddelen, welke deze ongebruikt
liet, in het geding kunnen brengen. Want het antwoord op den eisch
ligt dan niet uitsluitend in de conclusien van de gedaagde hoofdpartij,
maar ook in die der gevoegde. In hooger beroep zal de gevoegde
partij, indien zij zich aan den appellant aansluit, moeten doen blij-
ken van belang bij de vernietiging van het vonnis in eersten aanleg
gewezen; zoo bij den geintimeerde, van belang bij de bevestiging
daarvan. Ook hier zal de gevoegde partij, als zij niet te laat komt,
het. verwerken van verweermiddelen door den geintimeerde zelven
kunnen voorkomen.
Wanneer ik met deze mijne opvatting vergelijk een arrest van het
hof van Amsterdam van 16 Januari 1891, W. 5990, dan komt het
mij voor dat, indien in de daar behandelde zaak, blijkens het op-
schrift van een werkelijke tusschenkomst de rede ware geweest,
de tegenpartij terecht tegen de tusschenkomst opkwam op grond, dat
de verzoeker heeft nagelaten kenbaar te maken, waartoe, werd hij
als tusschenkomende partij toegelaten, zijne conclusie zou strekken."
Immers hij zou dan met een zelfstandigen eisch in het proces komen
en het belang dat hij mocht hebben om dien eisch in dit geding te
doen gelden, zou niet anders dan door de mededeeling van dien eisch
kunnen beoordeeld worden. Indien hier evenwel, en dit meen ik uit
den inhoud van het vonnis te moeten opmaken, een voeging, zij
het dan onder de benaming van tusschenkomst, werd gevraagd, dan
zou ik met het Hof van oordeel zijn, dat de voegende partij, om
haar belang te bewijzen, hare te nemen conclusien niet behoeft mede
te deelen, niet evenwel omdat de wet dit niet bepaalt, maar omdat
het karakter van de voeging dit uitsluit, aangezien de gevoegde
partij bij hare conclusie tot toelating alleen het belang dat zij bjj
den triumf van eischer of gedaagde heeft, behoeft aan te wijzen en
-ocr page 188-
170 HOOFDST. IX. AFD II. HOOGEK BERUEP. TIT. III. INCIDENTEN.
de conclusie, die zij als gevoegde partij te nemen heeft, niet anders
kan zijn, dan eene aansluiting aan de conclusien door de hoofdpartij
bij welke zij zich voegt, genomen, of eene aanvulling van de gron-
den, waarop deze berusten. Verder ben ik het met het Hof eens, dat
in het behandelde geding het belang der gevoegde partij met de
hoedanigheid van erfgenaam bij versterf, waarin zij optrad genoeg-
zaam werd aangetoond. Dat voorts in het hier besproken geding de
gevoegde partij eerst kennis wilde nemen van de memorie van grie-
ven, om dan zelf aan het Hof voor te dragen de gronden, welke in
die memorie eens niet mochten worden aangevoerd, komt mij voor
geheel overeenkomstig te zijn met de stelling welke de gevoegde
partij in het geding inneemt. Naar de nieuwe wet zou de partij die
zich bij den appellant wilde voegen kunnen zeggen dat hij eerst van
de conclusien van eisch in hooger beroep zou willen kennis nemen.
Want het laat zich zeer goed denken dat eene partij toelating tot
voeging vordert op den eersten dienenden dag, vermits zijn belang
bij het geding in hooger beroep dan behoorlijk beoordeeld kan
worden.
Ik meen dat ook uit het voorgaande blijkt, dat het van groot belang
is in de toepassing der wet tusschen tusschenkomst en voeging wèl
te onderscheiden. De wetgever, door beide middelen naast elkander
te noemen, maakt daardoor onderscheid tusschen beide, maar hij
heeft de nadere ontwikkeling van dat onderscheid „aan de weten-
schap en hare uitleggeren" overgelaten. Dit behoort ook niet tot de
wijze van rechtspleging, al heeft het noodzakelijk invloed op enkele
bijzonderheden, maar het heeft zijn grond in het onderscheid van
de rechtsbetrekkingen die tot de eene of andere aanleiding geven.
Ten slotte nog een paar opmerkingen.
Moeilijk zou ik mij kunnen vereenigen met het gevoelen van den
heer de Paepe, waar hij, Etudes sur la compétence civile I, bl. 455,
Bruxelles 1889, met beroep op een vonnis" van de rechtbank te
Brussel van 15 Febr. 1889 van oordeel is, dat de voeging in de
dagvaarding zou kunnen plaats hebben, waarbij dan de gevoegde
partij met den eischer zou optreden. Indien al hij, die met den
eischer een geding aanhangig maakt, dus optredende gezegd zou
kunnen worden in een tusschen dien eischer en een ander
aanhangig gemaakt geding op te treden, wat ik betwijfel,
-ocr page 189-
§ 164. INCIDENTEELE VORDERINGEN\'.
171
zonderling mag het heeten, om zóó met den eischer op te treden tot
behartiging van een eigen belang dat die eischer zou kunnen ver-
waarloozen.
Zonderling niet minder lijkt mij een eischer, die zijn eigen dwars-
kijker meebrengt. Maar bovendien moet de voeging bij conclusie in
het aanhangig geding aangebracht worden, wat deelneming aan de
dagvaarding uitsluit.
Daar de tusschenkomende partij eene zelfstandige vordering tegen
beide hoofdpartijen instelt, zoo zal zij, in het ongelijk gesteld wor-
dende, jegens beide deze partijen in de kosten veroordeeld worden
en omgekeerd. Ik had daarover bij de behandeling der tusschenkomst
in Dl. III niets bijzonders op te merken. Ten aanzien van de voe-
ging meende ik den regel van art. 56 op deze wijze te moeten toe-
passen, dat de gevoegde partij in de kosten der voeging veroordeeld
wordt, indien hare hoofdpartij, in het ongelijk wordt gesteld, gelijk
de andere hoofdpartij, indien deze het proces verliest, jegens de ge-
voegde partij in de kosten der voeging wordt veroordeeld. T. a. p.
bl. 71. Ik zou hier niet op terugkomen, indien niet door den
heer de Paepk a. w. I, bl. 452 als gevolg van het onderscheid tus-
schen voeging en tusschenkomst ook dit werd aangenomen, dat de
gevoegde partij altijd de kosten der voeging voor hare rekening zou
houden, al werd de partij bij welke zij zich voegde in het gelijk
gesteld. Hij beroept zich daartoe op de bijzondere bepaling van art.
882 C. C, waarin hij een toepassing vindt van den regel, welke
iedere voeging beheerscht, waarmede te vergelijken de jurisprudentie
door hem in een soortgelijk geval op blz. 462 n° 1 aangehaald. Het
aan art. 882 C. C. ontleende art. 1113 B. W. levert bij ons geen
grond voor dit gevoelen op. Het wil mij voorkomen dat ook in het
bijzonder karakter der voeging geen reden ligt, om van den alge-
meenen regel van art. 56 B. R. af te wijken. Is toch de gevoegde
partij eens als zoodanig toegelaten, dan heeft zij daardoor in veree-
niging met de partij bij welke zij zich voegt, tegen de andere den
strijd aangebonden en deze laatste heeft haar als tegenpartij aan te
nemen. Ook tegenover haar wordt zij, als zij \'t proces verliest, in
het ongelijk gesteld.
Het zal nauwelijks behooren opgemerkt te worden dat, aangezien
de voeging en tusschenkomst wordt aangebracht ter terechtzitting
ten dienende dage, d. i. dus op eene terechtzitting, waarop de
-ocr page 190-
172         HOOPDST. IX. APD. II. HOOGER BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
hoofdzaak dient, en deze dientengevolge ter rolle wordt afge-
roepen, de procureur der gevoegde of tusschenkomende partij van
dit dienen der zaak gebruik maakt om den voorzitter het woord te
verzoeken, ten einde zijne conelusie in het geding tot toelating voor
te dragen. Van eene inschrijving ter rolle is hier dan geen sprake.
IV. Vrywaring.
Wanneer ?        Wanneer in den eersten aanleg een derde in vrijwaring is geroepen,
dan zal tot eene oproeping in vry waring in het geding in hooger
beroep alleen dan aanleiding bestaan, indien in geval van oneigenlijke,
zg. eenvoudige, vrywaring de tot vrywaring opgeroepen party zich niet
in het geding heeft gevoegd.
Indien in eersten aanleg geen oproeping in vrywaring heeft plaats
gehad, kan deze in hooger beroep niet meer gedaan worden, behalve
ingeval het hooger beroep by de arrondissementsrechtbank dient en
de in vrywaring geroepene de onbevoegdheid der rechtbank niet tegen-
werpt.
Wanneer in het geval van eigenlijke vrijwaring de verweerder
buiten het proces is gesteld, dan wordt het geding tusschen den
waarborg en den oorspronkelijken eischer voortgezet en dit gaat in
hooger beroep zoo voort, zoodat er van eene oproeping in vrijwaring
in hooger beroep geen sprake kan zijn. Heeft de waarborg wel de
zaak overgenomen, maar is de verweerder in het geding gebleven en
alzoo gevoegde partij geworden, dan kan, zelfs indien zij als ge-
voegde partij, bij het stilzitten van den in het ongelijk gestelden
waarborg, in hooger beroep zou kunnen komen, bij dat aldus aan-
gelegde hooger beroep, waarin vanzelf de waarborg en de oorspron-
kelijke eischer, die in eersten aanleg als hoofdpartijen hebben gefungeerd,
worden betrokken, evenmin eene oproeping in vrijwaring te
pas komen. Evenmin zal zij te pas komen, indien de gewaarborgde
in het geding is gebleven en tegenover den oorspronkelijken eischer
in het ongelijk gesteld werd. Werd hem dan bovendien zijn eisch
tot vrijwaring ontzegd, dan zou hij in hooger beroep tegen den
oorspronkelijken eischer en den waarborg optreden. Werd hem zijn
eisch tot vrijwaring toegewezen, in welk geval het nadeelige vonnis
tegen hem door den oorspronkelijken eischer verkregen in de eerste
plaats voor den waarborg nadeelig zou zijn, dan zou deze in beroep
-ocr page 191-
§ 164. INCIDENTEELE VORDERINGEN.                               173
komen en de beide andere partijen daartoe oproepen. Ook dan was
er tot eene oproeping in vrijwaring onmogelijk aanleiding. Maar ook
wanneer de verweerder in het geding was gebleven en tegen den
oorspronkelijken eischer in het gelijk was gesteld, wordt het niet
anders. Zeker is daarmede ook het doel van den eisch tot vrijwaring
vervallen en moet de waarborg daarvan ontslagen zijn. De eenige
partij die dus reden heeft tot hooger beroep, is de oorspronkelijke
eischer, die echter niet alleen den oorspronkelijken verweerder in
hooger beroep heeft te dagvaarden, maar ook den waarborg omdat
deze, al nam hij de zaak niet over, tengevolge van zijne oproeping
in vrijwaring rechtens als gevoegde partij in het geding optrad.
Immers uit zijne verplichting tot vrijwaring vloeit niet alleen voort
om den gewaarborgde schadeloos te stellen, indien de tegen hem
ingestelde eisch mocht worden toegewezen, maar ook om hem tegen
dien ingestelden eisch te beveiligen en eene veroordeeling van hem
af te weren. Alleen in het geval dat de oorspronkelijke vordering
werd toegewezen en de eisch in vrijwaring ontzegd, zou de aldus in
het ongelijk gestelde verweerder van het vonnis in beroep komende
met de vernietiging van het vonnis de ontzegging van den oorspron-
kelijken eisch kunnen vorderen met toewijzing, in geval van veroor-
deeling, van zijn in eersten aanleg ingestelden eisch tot vrijwaring.
Maar daartoe wordt dan de waarborg in hooger beroep niet tot
vrijwaring opgeroepen, maar wordt de in eersten aanleg tegen hem
ingestelde eisch tot vrijwaring voortgezet.
Bij de eenvoudige vrijwaring kan het anders zijn. De aldus tot
vrijwaring in het geding geroepene kan zich daarin voegen, maar
hij kan er ook geheel buiten blijven. Dan zal het eenig gevolg van
de oproeping in vrijwaring zijn, dat de beide gedingen gezamenlijk
worden behandeld. Zie Dl. III, bl. 96. Werd in zoodanig geval de
oorspronkelijke eischer in het ongelijk gesteld, dan is de vrijwaring
gebleken zonder doel te zijn, en met de ontzegging van den eisch
tegen den oorspronkelijken verweerder, zal het ontslag van den waar-
borg gepaard gaan. Wanneer dan evenwel de oorspronkelijke eischer
in hooger beroep komt, dan zal hij alleen tegen het vonnis opkomen,
voorzoover het tegen hem en den oorspronkelijken verweerder werd
gewezen. De uitspraak betreffende de vrijwaring gaat hem niet aan;
hij is daar geheel buiten gebleven daar de in vrijwaring geroepene
zich niet bij den oorspronkelijken verweerder heeft gevoegd. Hij dag-
vaardt dus in hooger beroep uitsluitend den oorspronkelijken ver-
-ocr page 192-
174 HOOFDST. IX. AFD. II, HOOGER BEROEP. TlT. III, INCIDKNTEN.
weerder en deze zal nu den waarborg opnieuw in vrijwaring moeten
roepen om hem, in geval van eigen veroordeeling, met vernietiging
van des eersten rechters uitspraak, die hem van de verplichting tot
vrijwaring onthief, tot schadeloosstelling veroordeeld te zien.
Niet In hooger beroep, zoo niet heeft plaats ge-
had in eersten aanleg. Eene bepaling als ten aanzien van de
reconventie in art. 250 a. h. e. voorkomt, bevat de wet ten aanzien
van de vrijwaring niet. Maar volgt dan niet de toepasselijkheid van
de bepalingen omtrent vrijwaring in hooger beroep daaruit, dat die
voorschriften in den eersten titel zijn opgenomen, die juist bestemd
is voor de algemeene bepalingen betreffende de wijze van
procedeeren voor alle gerechten? Oppervlakkig zou men \'t kunnen
meenen, maar bij eenig nadenken ziet men in, dat, al mogen die
bepalingen voor alle gerechten geschreven zijn, daarmede niet is
uitgemaakt, dat zij zoowel in eersten aanleg als in hooger beroep
en in cassatie in toepassing kunnen komen. Zoo lijdt het dan geen
twijfel, of in het straks besproken geval eene oproeping in vrijwaring
in hooger beroep kan plaats hebben, indien zij in eersten aanleg
ook had plaats gehad. Het is alleen een gevolg van de bijzondere
verhouding der partijen dat de waarborg in hooger beroep opnieuw
moet worden opgeroepen. Maar, wanneer die oproeping in eersten
aanleg in het geheel geen plaats had gehad, dan wordt het de vraag,
of de hoogere rechter bevoegd is om in eersten aanleg en in het
hoogste ressort over de vordering tot vrijwaring te oordeelen.
Men zal dan moeten onderscheiden tusschen het geval dat de zaak
in hooger beroep bij de arrondissementsrechtbank of bij het Hof dient.
In het eerste geval zal, indien de vordering tot vrijwaring tot de
bevoegdheid van den kantonrechter behoort, de arrondissements-
rechtbank daarover, krachtens art. 157, in het hoogste ressort kun-
nen rechtspreken. Dient de zaak bij het Hof, dan zal de rechter
zich zelfs ambtshalve onbevoegd moeten verklaren. De verweerder in
vrijwaring zou, ware het anders, van eene instantie worden beroofd,
wat alleen, indien de zaak in hooger beroep bij de arrondissements-
rechtbank behoort, met zijn goedvinden kan plaats hebben. Wel
hebben wij gezien dat het bij tusschenkomst en voeging anders ge-
steld is, dat de wetgever dit middel ook voor het eerst in hooger
beroep toelaat, omdat de niet tusschengekomene partij toch tegen
het in hooger beroep gewezen vonnis in derde verzet zou kunnen
-ocr page 193-
175
§ 164. INCIDENTEELE VORDERINGEN.
komen. Ofschoon nu dit argument ook voor de toelating der vrij-
waring voor het eerst in hooger beroep zou kunnen gelden, in zoover
ook de niet in vrijwaring geroepene reden tot derde verzet zou
kunnen hebben, zoo heeft het toch niet tot eene uitdrukkelijke toe-
lating ook van de vrijwaring voor het eerst in hooger beroep geleid.
En deze ware hier evenals voor de voeging of tusschenkomst noodig
geweest. Het voorschrift van art. 68 dat de conclusie tot oproeping
in vrijwaring moet geschieden vóór alle weren, leidt ook tot hetzelfde
besluit. — De uitsluiting van de vrijwaring in hooger beroep in
Ontw. 1865, art. 22 schijnt in verband met art. 28 § 2 van II tit.
I, te absoluut.
De oproeping tot vrijwaring en de dientengevolge ingestelde eisch wijze van
tot vrijwaring worden behandeld op de wijze als in de vyfde afdeeling Procedeeren
van den eersten titel van het eerste Boek van het Wetboek is bepaald.
Met verwijzing naar de uiteenzetting van de beteekenis der hier
toepasselijke voorschriften in Dl. III § 83, bl. 84 vv., zal ik mij
bepalen tot enkele opmerkingen in verband met de wijzigingen, welke
in die voorschriften bij de wet van 1896 zijn gebracht, zonder daarbij
in het bijzonder stil te staan bij de nu in art. 68 uitdrukkelijk ook
aan den eischer toegekende bevoegdheid om tot vrijwaring opteroepen.
1°. Naar de wet van 1838 werden door de oproeping in vrijwaring
alle verdedigingsmiddelen welke vóór andere weren moesten worden
voorgedragen, gedekt. Al werd de oproeping tot vrijwaring niet meer
tot de exceptien gerekend, in algemeenen zin moet zij tot de ver-
dedigingsmiddelen worden gebracht, daar er eene voorbereiding tot
de verdediging en wel de onmiddellijke voorbereiding van de verde-
diging op de hoofdzaak in ligt, (Dl. III, bl. 98). Niet duidelijker
kon de verweerder te kennen geven, dat hij daarmede tot de ver-
dediging op de hoofdzaak overging, aangezien hij alleen daartoe de
oproeping tot vrijwaring noodig had. Wilde de verweerder van de
middelen, welke vóór andere weren moesten worden voorgesteld
gebruik maken, dan kon hij daarover het geschil met den eischer
eerst uitmaken en zijne conclusie om tot vrijwaring te mogen op-
roepen nemen op den dag, waarop hij ten principale moest ant-
woorden. Dan kwam de op te roepen waarborg in het geding, nadat
de geschillen waarmede hij niet te maken had, afgeloopen waren,
en het was zeker dat hij niet voor een rechter geroepen werd wiens
-ocr page 194-
176 H00EDST. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
bevoegdheid de eischer in vrijwaring zelf bestreed en dat hij zich
niet had in te laten in de vrijwaring tegen een eisch die wegens
eene nietigheid in de dagvaarding kon worden niet-ontvankelijk ver-
klaard, van welken het alzoo niet zeker was, of de oorspronkelijke
eischer dien wel zou kunnen doen gelden, zooals hij dien had in-
gesteld.
Nu men bij de herziening van 1896 de vereeniging van alle
exceptien met het antwoord ten principale (art. 141) voorschreef,
moet daarvan wel het gevolg zijn dat het verzoek tot oproeping tot
vrijwaring vóór de eigenlijke verwering plaats heeft en de waarborg
alzoo ook de. procedure over de exceptien, welke hem overigens niet
aangaan, medeniaakt, totdat hierop met de hoofdzaak wordt beslist
om dan te vernemen, ingeval een exceptie wordt toegewezen, dat
zijne verschijning in vrijwaring, evenals de geheele verdediging op
de hoofdzaak overbodig bleek te zijn en hij den gewaarborgde had
verdedigd of in diens verdediging had bijgestaan tegen een eisch
waartegen de gewaarborgde geen verdediging behoefde. Evenals men
zich ter vereenvoudiging van het geding eene later onnoodig blijkende
verdediging op de hoofdzaak heeft te getroosten, evenzoo de soms
later onnoodig blijkende verwikkeling van het proces met eene pro-
cedure in vrijwaring. Dus schreef de wetgever in art. 68 (nieuw) voor
dat de verweerder zijne conclusie, strekkende tot de oproeping van
een derde tot vrijwaring moet nemen vóór alle weren op den dag
voor het voordragen der verwering bepaald.
Ik laat voor het oogenblik daar, hoe het gaan moet met eene
exceptie van verknochtheid of aanhangig geding, welke volgens art.
158 en 159 óók moeten worden voorgedragen bij met reden om-
kleede conclusie vóór alle weren, op den dag voor het voordragen
der verwering bepaald. De conclusien tot verwijzing wegens verknocht-
heid of aanhangig geding zullen het met die conclusien tot oproe-
ping in vrijwaring moeten vinden. Zullen zij tot haar recht komen,
dan moeten zij bij afzonderlijke conclusie voorafgaan. Verg. v. Ros-
sum, bl. 118. Onder de wet van 1838 kon zich m. i. deze vraag
niet voordoen, aangezien, door de oproeping in vrijwaring of door
het verzoek daartoe, de afzonderlijk voor te stellen exceptien waren
gedekt. Anders denken hierover de HH. Hartogh en Cosman die de
hier bestaande moeielijkheden uit de oude wet overgeërfd achten.
Maar op de vereeniging van alle weren laat de wetgever bij de
vrijwaring ééne uitzondering toe, deze nl. dat de exceptie van onbe-
-ocr page 195-
§ 164. XNC1DKNTKKLK VOEDBEINGKN.                            177
voegdheid zal mogen worden opgenomen in de conclusie tot oproe-
ping in vrijwaring. De exceptie zal zelfs gedekt zijn, indien dit niet
geschiedt ten ware de onbevoegdheid eene volstrekte mocht wezen. Nu
moge het niet zeer logisch schijnen om in eene zelfde conclusie te
verlangen, dat de rechter zich onbevoegd verklare en tevens dat hij
bevele dat een ander in het voor hem aanhangig gemaakte geding
zal worden geroepen, doch evenals in andere gevallen de verweerder
\'s rechters onbevoegdheid beweert en toch zijne verdediging op de
hoofdzaak aan zijn oordeel moet onderwerpen, zoo kan hij ook hier
de onbevoegdheid beweren en tevens, voor \'t geval de rechter daar
anders over mocht denken, hein verzoeken eene oproeping in vrij-
waring toe te staan. Deze laatste geeft evenwel tot grootere ver-
wikkeling van het proces aanleiding, dan eene met de exceptieve
verdediging vereenigde verdediging op de hoofdzaak, zoodat het van
belang is haar te voorkomen door eerst de bevoegdheid des rechters
te doen onderzoeken. Bij het maken van de wet werd evenwel de
uitzondering voor de exceptie van onbevoegdheid daarop gegrond,
dat het niet aanging eene oproeping tot vrijwaring te vragen van en te
doen toewijzen door den rechter, wiens onbevoegdheid om van de
hoofdzaak kennis te nemen men daarna zou gaan beweren.
Komt nu eene oproeping in vrijwaring in hooger beroep voor, dan
zal ook de exceptie van onbevoegdheid in de conclusie tot oproeping
mogen worden opgenomen. Hier zal het evenwel niet anders dan
eene volstrekte onbevoegdheid kunnen zijn, nl. daarop berustende,
dat de oorspronkelijke vordering niet vatbaar is voor hooger beroep.
Evenwel zal de niet "Ontvankelijkheid van het hooger beroep op grond
van verloopen of nog niet verloopen van den termijn en van berus-
ting in het vonnis niet anders dan met de verdediging op de hoofd-
zaak kunnen worden voorgedragen, dus ook nadat de oproeping tot
vrijwaring is toegestaan. Uoch al deze middelen moeten, al werd er
geen beroep op gedaan, door den rechter ambtshalve worden toegepast.
2°. Ik blijf van oordeel dat de gedaagde, wil hij van de hem
bij art. 68 § 1 toegekende bevoegdheid gebruik maken om den
waarborg rauwelijks te dagvaarden, dit moet. doen tegen den
dienenden dag, Dl. III, bl. 85. Naar aanleiding van de bedenkingen
tegen dit gevoelen ingebracht door Mr. v. Russkm, blz. 115, n\'. 2,
stel ik de vraag: waarom moet de verweerder verlof hebben tot
oproeping, indien hij niet vóór den dienenden dag den waarborg
heeft opgeroepen ? Omdat, zal de oproeping in vrijwaring doel treffen,
V
                                                                                                           12
-ocr page 196-
178 HOOFD9T. IX. AKD. II. HOOGEE BEROEP TIT. III. INCIDENTEN.
de vordering tot vrijwaring pari passu moet gaan met de hoofdzaak;
de waarborg moet naast den verweerder optreden bij zijne verdediging;
daar er echter tijd noodig is om den waarborg daartoe op te roepen,
mag de eischer op de hoofdzaak er geen vertraging door ondervinden,
zonder over de noodzakelijkheid tot de oproeping te zijn gehoord.
Indien evenwel de waarborg reeds opgeroepen is, dan wordt de
eischer niet gehoord, omdat hij geen vertraging ondervindt en de
vrijwaring van zelf pari passu met de hoofdzaak gaat. Maar dan
moet de waarborg ook op den dienenden dag in het geding zijn,
dus tegen dien dag zijn gedagvaard. Met het uitstel, totdat de waar-
borg zal kunnen verschijnen, is \'t er blijkbaar om te doen dat de
waarborg van het oogenblik af dat de verweerder zich te verdedigen
heeft, naast hem sta. Ware de verweerder bevoegd om rauwelijks te
dagvaarden, tegen een lateren dan den voor de verdediging dienenden
dag, dan zou hij ook tot dien dag uitstel voor zijne verdediging
moeten kunnen vragen, dit is hem evenwel niet gegund en behoefde
alleen daarom geen voorziening, omdat hij op eigen gezag tegen een
lateren dag niet dagvaarden mag. Ook laat art. 69 bezwaarlijk de
onderstelling toe, dat er een geval zou zijn, waarin het aan des
verweerders willekeur wordt overgelaten om den waarborg in het
geding te brengen op een dag geheel naar zijn goedvinden te bepalen.
Verg. ook art. 179 C. de pr. Van de voeging als waarvan Mr. v. Russem
op bl. 120 spreekt, weet de wet hier niets, en zal dat gaan buiten
den eischer op de hoofdzaak om?
3°. Wanneer de oproeping tot vrijwaring niet werd gedaan tegen
den bij de dagvaarding aangewezen dienenden dag, maar later op de
terechtzitting, verzoek daartoe wordt gedaan, dan moet volgens art. 68
(oud) „dit incident summierlijk beslist worden." Men kon in verband
met de verdere bepaling der wet hier niet anders uit opmaken dan
eene verwijzing naar de summiere behandeling, al was dit
waarschijnlijk niet de bedoeling van den franschen wetgever, toen hij
in art. 180 C. de p. schreef: „1\'incident sera jugé sommairement."
Hoe dit zij, bij de herziening van 1896 kon de uitdrukking niet
behouden blijven. De wetgever spreekt nu niet eens meer van een
incident. Toch komt het mij voor dat, wanneer de oorspronkelijke
eischer de toelating der oproeping bestrijdt, daarover als over eene
incidenteele vordering zal moeten worden geprocedeerd, maar dat onze
wet nu ook toelaat om, wanneer de oorspronkelijke eischer geen tegen-
spraak doet met de mondelinge verklaring des eischers het incident
-ocr page 197-
§ 164. [NCIDENTEELK VORDKHINUEX.                               179
te laten afloopen. Doch de conclusie tot oproeping kan niet anders
dan een schriftelijke zijn. Verg. Dl. III, bl. 86.
V. Zekerheidstelling.
Met betrekking tot de zekerheidstelling, waartoe de verplichting
aan vreemdelingen die als eischers optreden wordt opgelegd, wees
ik in Dl. III, bl. 103 op de wenschelijkheid dat deze instelling uit
onze wetgeving verdween. „De weg tot de afschaffing" schreef ik
daar, „moet m. i. gebaand worden door tractaten tusschen bijzondere
Staten." Konden wij in een tractaat met Italië voor italiaansche
onderdanen de zekerheidstelling opheffen, dewijl de italiaansche. wet-
gever de instelling zelve uit zijne wetgeving had verbannen, thans
zijn wij langs den weg der tractaten een heel eind verder gekomen.
Bij een op den 14 November 1896 te \'s Gravenhage gesloten verdrag,
goedgekeurd bij de wet van 1897 n° 275 werd o. a. tusschen de,
contracteerende Staten overeengekomen om de zekerheidstelling van
vreemdelingen af te schaffen. De zekerheid voor de voldoening der
proceskosten wordt voortaan gewaarborgd door aan de vonnissen
houdende veroordeeling in de proceskosten, tegen den van zekerheid
bevrijden vreemdeling in zijn land executoriale kracht te doen toe-
kennen door het bevoegd gezag in het vreemde land, terwijl dit
bevoegd gezag daartoe alleen heeft te onderzoeken of de expeditie
der veroordeeling de vereischten bevat, noodig tot haar authenticiteit
en of de veroordeeling in kracht van gewijsde is gegaan. Art. 11,
12 en 13 van het verdrag. De contracteerende Staten zijn België,
Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal en Zwitserland,
terwijl later daartoe zijn toegetreden Zweden en Noorwegen, Duitsch-
land, Oostenrijk-Hongarije, Rumenië en Rusland. Zal daardoor de toepas-
sing van onze wettelijke bepalingen aanmerkelijk verminderen, er blijven
toch nog vreemdelingen genoeg over, op wien zij zullen kunnen
worden toegepast. De verplichting tot zekerheidstelling zal, ook volgens
de wet houdende wijzigingen in het Wetb. van burg. rechtsv. in verband
met genoemd traktaat vastgesteld alleen dan bestaan, „voorzoover niet bij
verdrag met een anderen staat gesloten hieromtrent anders mocht zijn
bedongen." Zie art. IV dier wet.
De vordering tot zekerheidstelling kan in het hooger beroep alleen In welke
worden ingesteld tegen den vreemdeling die, eischer of tusschenkomende geva
-ocr page 198-
180           HOOPDST. IX. AFD. II.. HOOGER. BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
partij in eersten aanleg, van het vonnis in eersten aanleg gewezen in
hooger beroep komt. Voorts tegen den vreemdeling die eerst in hooger
beroep tusschenkomt of zich voegt by den appellant eischer in eersten
aanleg. Eindelijk van hem, die als eischer in eersten aanleg opgetre-
den toen hy nog Nederlander was, vreemdeling geworden zyude als
eischer in hooger beroep optreedt.
Incidenteel appèl brengt geene verplichting tot zekerheidstelling mede.
Art. 353 in verband met 152 en 153.
Bij art. 353 (oud) waren de bepalingen omtrent de zekerheidstel-
ling voor de kosten van het geding in hooger beroep eenvoudig toe-
passelijk verklaard door de toepasselijkverklaring der bepalingen van
den derden titel betrekkelijk de voorloopige verzoeken en exeeptien.
Naar deze bepalingen stond het vast, dat alleen van den vreemdeling
eischer, niet van den vreemdeling gedaagde, zekerheid kon worden
gevorderd. Bleef de vraag, of, indien de gedaagde vreemdeling, in
het ongelijk gesteld, in hooger beroep kwam en alzoo eischer werd
in hooger beroep, de zekerheidstelling van hem gevorderd kon worden.
Was het niet te ontkennen dat de vreemdeling nu formeel als eischer
optrad, te ontkennen viel het evenmin dat hij, in verband met het
recht of de rechtsbetrekking in geschil zijne verwering in hooger
beroep voortzettende, verweerder bleef. En in dit opzicht kon ook
een incidenteel appèl hem wel formeel tot eischer maken, maar
bleef hij niettemin verweerder. Uit welk oogpunt moest nu de vreem-
deling ten aanzien van de verplichting tot zekerheidstelling behan-
deld worden, als eischer uit het formeele of als gedaagde uit het
materiëele oogpunt ? En zal hij dan, als hij in dit geval van zekerheid
vrij is, omdat hij werkelijk verweerder is gebleven, aan den anderen
kant tot zekerheidstelling in hooger beroep verplicht worden, omdat
hij in hooger beroep gedagvaard, nadat hij eischer in eersten aanleg
geweest was, niettemin uit het materieel oogpunt ook in hooger
beroep eischer is gebleven ? Geen wonder dat men in deze gevolg-
trekking bezwaar had. Ook omdat men zich dan niet hield aan de
woorden der wet, welke als geen onderscheid makende en alleen van
eischer sprekende, op iederen eischer toepasselijk moeten zijn
en, terwijl het voorschrift zonder nadere bepaling in hooger beroep
toepasselijk word verklaard, toegepast moest worden op hem dien de
wet eischer noemde in hooger beroep. Wanneer men met Poïhier
aanneemt, dat de gedaagde niet tot zekerheid verplicht moet worden.
-ocr page 199-
§ 164. INCIDENTEELE VORDERINGEN.                                 181
omdat hij gedwongen is in rechte te verschijnen, dan is dit op
zichzelf niet afdoende om dien gedaagde ook de verplichting niet op
te leggen, wanneer hij in eersten aanleg in het ongelijk gesteld in
hooger beroep komt, want daartoe wordt hij allerminst gedwongen.
Maar wel ligt daarin de gedachte dat de eischer tot zekerheidstelling
verplicht wordt, omdat hij, de hulp des rechters inroepende en te
zijnen nutte aanwendende, daarom allerminst mag profiteeren van de
voor hem al licht bestaande gelegenheid om, waar hij de zaak mocht
verliezen, zich, juist omdat hij vreemdeling is, aan de vergoeding
van de kosten te onttrekken. Dit doet de gedaagde niet, hij nam
niet het initiatief om van de vreemde rechtspraak gebruik te maken,
hij wordt door den eischer voor den hem vreemden rechter betrokken;
daarom ook geen zekerheidstelling, maar dan ook niet wanneer hij,
eens door een ander in rechte geroepen, gebruik maakt van alle
middelen, welke de wet waaraan hij onderworpen wordt, verschaft
om het geding ten einde toe te vervolgen. Daarom moet hij dan
ook niet tot zekerheid verplicht worden, ofschoon hij, gedaagde in
eersten aanleg, in hooger beroep als eischer optreedt. Maar mag de
uitlegger dit aannemen, wanneer de wet aan den vreemdeling eischer
do verplichting oplegt en deze bepaling in hooger beroep toepasselijk
verklaart, zonder te onderscheiden of die vreemdeling eischer in hooger
beroep is, nadat hij als eischer in eersten aanleg optrad dan wel
of hij eischer is in hooger beroep, nadat hij gedaagde was in eersten
aanleg? Dit moest wel zeer twijfelachtig zijn, omdat niet bleek van
welk beginsel de wetgever bij de oplegging der verplichting tot
zekerheidstelling aan den vreemdeling eischer was uitgegaan. Het was
de taak des wetgevers zich daaromtrent te verklaren, door de wet
te verduidelijken. Hij deed dit bij de wet van 1876, n°. 124 betreffende
de herziening van de wijze van procedeeren in cassatie, art. 415, en
twintig jaar later, bij de wet van 1896, n° 203, werd gelijke bepa-
ling voor het hooger beroep aan art. 353 toegevoegd.
Uit het straks ontwikkelde beginsel vloeit voort dat, gelijk art.
353 bepaalt, de oorspronkelijke verweerder, niettegenstaande hij eischer
wordt in hooger beroep, evenmin als de gedaagde in hooger beroep,
niettegenstaande hij eischer was in eersten aanleg, tot zekerheid-
stelling verplicht is, en dat evenmin het optreden van den gedaagde
in hooger beroep als incidenteel appellant (eischer) de verplichting
medebrengt. Dientengevolge blijft de verplichting alleen bestaan voor
de partijen in hooger beroep, welke ik in den tekst aanwees. Even-
-ocr page 200-
182 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOC.KR BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
als de eischer ten principale is ook de tusschenkomende partij eischer
en beide blijven dit als zij in hooger beroep komen. Met opzicht tot
hen die zich voor het eerst voegen in het hooger beroep maak ik
dezelfde onderscheiding als ik, 1)1. III, blz. 105, in eersten aanleg
meende te moeten maken, dat nl. alleen hij, die zich bij den appellant,
eischer in eersten aanleg, voegt tot zekerheidstelling is gehouden.
Met opzicht tot den Nederlandschen eischer die in hooger beroep
komt en intusschen vreemdeling is geworden, zie hierboven bl. 69.
Zekerheid" Bij de begrooting van de kosten voor welke zekerheid moet worden
stelling in ^estei^ moet het bedrag, waarvoor in eersten aanleg zekerheid werd
eersten aanleg °
         \'                             e\'                                             e
verbonden gesteld in aanmerking worden genomen, daar deze zekerheidstelling
blijft strekken voor de kosten in hooger beroep. Ook blijft de door
den eischer in eersten aanleg gestelde zekerheid verbonden voor de
kosten van het hooger beroep, waarin hij als gedaagde in hooger be-
roep mocht worden veroordeeld, ofschoon hy als zoodanig tot het stel-
len van zekerheid niet verplicht is. Art. 353 § 5.
De zekerheid wordt gesteld, volgens art. 152, voor de betaling der
kosten en der schaden en interessen, waarin de eischer zou
kunnen verwezen worden. Van die „schaden en interessen" werd in
het O. 1865 geen melding meer gemaakt (art. 7 van B. II. tit. II),
omdat, gelijk in de Mem. v. Toel, werd opgemerkt, „het niet blijkt
hoe een eischer of intervenient ooit kan worden veroordeeld tot
schadevergoeding aan de wederpartij anders dan tengevolge van een
reconventioneele actie." Zoo werd dan ook in het nieuw artikel 415
(1876) alleen van de kosten van cassatie en wordt in art. 353
§5 (nieuw) alleen van de kosten van hooger beroep gesproken.
Wanneer dan in deze zelfde artikelen van de in art. 152 en 153
bedoelde zekerheidstelling wordt gesproken, dan moeten we maar
aannemen dat de wetgever, al sprak hij in art. 152 van zekerheid
voor de betaling der kosten en der schaden en interessen,
alleen de kosten bedoelde. Dat er overigens aan die woorden
„schaden en interessen" wel eene beteekenis kan worden gegeven,
meen ik Dl. III, bl. 111, te hebben aangetoond. De vordering tot
vergoeding van schade en interessen kan, dunkt mij, juist voorkomen
bij de middelen tot bewaring van recht welke, voor \'t geval zij on-
gegrond worden bevonden, niet alleen tot eene veroordeeling in de
kosten, maar ook tot schadevergoeding kunnen leiden. De gedaagde
-ocr page 201-
§ 164. INCIDENTEELS VOBDEEINOEN.
183
beweert niet alleen dat de vordering ongegrond is maar tevens dat
de aanwending van het middel eene onrechtmatige daad is. Doch,
gelijk ik zeide, men kan de artt. 415 en 353 aanmerken als op dit
punt eene authentieke interpretatie van 152 te bevatten, al ware
het correcter geweest om, althans in 1896, in art. 152 degeincrimineerde
woorden: „en der schaden en interessen" te schrappen.
Het is duidelijk dat de zekerheid alleen wordt gesteld voor de
kosten der instantie, waarin zij gevraagd wordt. Immers ook in hoo-
ger beroep en in cassatie wordt het recht om zekerheidstelling te
vorderen toegekend. De vrijstelling van het stellen van zekerheid
aan den gedaagde in hooger beroep toegekend, ook al was hij eischer
in eersten aanleg, zou hem weinig geven, indien bij het stellen van
zekerheid in eersten aanleg ook de kosten van het eventueel hooger
beroep moesten worden in aanmerking genomen. Maar daaruit zoude
dan ook moeten volgen, dat de in eersten aanleg gestelde zekerheid
alleen dan verbonden blijft voor de kosten van hooger beroep, wan-
neer er in hooger beroep verplichting tot zekerheidstelling bestaat,
alzoo alleen wanneer de eischer of de tusschenkomende partij, die
in eersten aanleg zekerheid stelde, in hooger beroep komt. Moeilijk
ware het aan te nemen dat de gestelde zekerheid verbonden blijft
voor de betaling van kosten waarvoor de verplichting tot zekerheid-
stelling uitdrukkelijk gezegd wordt niet te bestaan. Of zou de wet-
gever dus geredeneerd hebben: als de eischer in hooger beroep nu
ook voor het hooger beroep zekerheid moet stellen, dan kan, als de
zekerheid het bedrag der kosten in eersten aanleg overschrijdt, dat
meerdere bij de vaststelling van het bedrag voor het hooger beroep
in aanmerking komen ? Maar ook wanneer de gedaagde in hooger
beroep, als eischer in eersten aanleg zekerheid had gesteld, dan is
hij wel niet verplicht om voor de kosten in hooger beroep zekerheid
te stellen, maar, dewijl de zekerheidstelling voor de kosten in
eersten aanleg toch moet blijven bestaan, omdat de gedaagde in
hooger beroep ten slotte in het ongelijk gesteld kan worden en dan
nog in de kosten van eersten aanleg kan worden verwezen, zoo
kunnen dan de kosten in hooger beroep ook zooveel mogelijk op de
zekerheid, gesteld voor de kosten in eersten aanleg, verhaald worden.
Al is dat niet heel logisch, het is toch praktisch en de van het
stellen van zekerheid vrijgestelde gedaagde wordt er ten slotte niet
door benadeeld.
-ocr page 202-
184 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGER BF.KOKP. TIT. III. INCIDENTEN.
Wat deze laatste meening komt versterken is de omstandigheid,
dat in het O. 1865, waaraan art. 415 nieuw en 353 2e gedeelte
zijn ontleend, het tegenwoordig 5e lid van art. 353 nauwer aan het
vorige lid was verbonden en daardoor alleen op het daar behandelde
geval terugsloeg. „De in eersten aanleg gestelde zekerheid blijft
intusschen," zoo lezen we daar, „ook verbonden voor de kosten
van het hooger beroep." In dat „intusschen" ligt, dunkt mij, duide-
lijk de gedachte uitgedrukt, dat, niettegenstaande de opheffing der
verplichting tot zekerheidstelling, de reeds ge st el de zekerheid
in stand blijft en nu ook voor de kosten van appèl zou strekken. Ue
weglating van het verbindingswoord kan licht \'t gevolg daarvan
zijn, dat men begreep dat ook buiten dat geval op het behoud
van de gestelde zekerheid gelet moest worden, nl. bij het vaststellen
der nieuwe zekerheid. Die weglating moet niet ten gevolge hebben,
dat het geval waarop de wetgever blijkbaar in de eerste plaats het
oog had, nu geheel zou zijn buitengesloten.
Wanneer^ pe vordering tot zekerheidstelling moet vóór alle weren worden in-
gesteld. Art. 353 § uit.
In overeenstemming met art. 415 bevat dit voorschrift eene af-
wijking van de hoofdbepaling omtrent de zekerheidstelling in art. 152
opgenomen. Dit art. bepaalt dat de vreemdeling zekerheid heeft te
stellen op verzoek van de wederpartij „voordat deze eenige weren
van rechten of tegenzeggen behoeft te doen" en laat den ver-
weerder dus vrij er ook in den loop van het proces mee aan te komen, of-
schoon zijn belang schijnt meê te brengen, dat hij zoodra mogelijk van
de hem gegeven bevoegdheid gebruik maakt. Maar dat is zijne zaak. Zie
Dl. III, bl. 111 en v. Mrs. Hahtooh en Cosman noemen op bl. 70 den eisch
tot het stellen van zekerheid onder de middelen die (in eersten aanleg)
vóór het antwoord moeten worden voorgedragen. Ten onrechte. Vergelijkt
men de bepaling omtrent verknochtheid en aanhangig geding, welke de
schrijvers in dit opzicht met de zekerheidstelling op ééne lijn stellen, dan
blijkt duidelijk dat zij zich hier vergissen.
Mocht de eisch tot zekerheid in hooger beroep niet vóór alle
weren worden ingesteld, dan is hij niet-ontvankelijk.
„Vóór alle weren" zal, nu daarin eene uitzondering ligt op den
regel van vereeniging van alle middelen, wel niet meer mogen worden op-
gevat als kunnende beteekenen „met andere in dezelfde conclusiën,
-ocr page 203-
§ 164. INCIDENTEELE VORDERINGEN.                           185
mits daarin vooraangaande." Voor het geval van verzet, zie bl. 27. Procedure.
De vordering tot zekerheidstelling is eene incidenteele vordering en
zoo moet daarbij de wrjze van procedeereu worden gevolgd, die in de
tiende afdeeling van tit. III is geregeld, voor zoover de aldaar voor-
komende bepalingen kunnen worden toegepast.
Incidenteele vordering, Zie Dl. III, bl. 108.
Art. 353 verklaart de bepalingen omtrent incidenteele vorderingen
in hooger beroep toepasselijk, Van de artt. 247—249, welke de 10e
afdeeling van tit. III uitmaken, zal het vooral op art. 247 aan-
komen; art. 249 § 1 zal van zelf in toepassing worden gebracht.
Het tweede lid van dat art. kunnen we veilig onbesproken laten.
Wat het onderwerp der contestatie betreft, den inhoud van het
vonnis en de ontheffing van de zekerheidstelling, kan ik naar het
op bl. 113 vv. van Dl. III verwijzen. Zie over het niet voldoen aan
de verplichting tot zekerheidstelling, aldaar bl. 117, en over de kosten
van het incident aldaar, bl. 118.
VI. Exceptiën.
Evenals in eersten aanleg moeten in hooger beroep alle exceptiën Yereeniging
met het antwoord ten principale tegelijk worden voorgedragen. Art. met andere
middelen.
347, j° 141.
Uitgezonderd is de exceptie van beraad, daar de verweerder ook uitzondering.
in hooger beroep zich voorshands van zich in het geding in te laten
kan verschoonen, door te verklaren van te zijn in termen van beraad.
Exceptiën, die de verweerder met zijne verdediging ten principale
vereenigt, kunnen tot verwikkeling van het proces alleen in zooverre
aanleiding geven, als den appellant een termijn kan verleend worden
om daarop te antwoorden, doch overigens worden zy tegelijk met de
hoofdzaak behandeld. Art. 347 § 2.
Ik heb reeds de gelegenheid gehad om op te merken dat het
hooger beroep tot meer dan ééne exceptie aanleiding kan geven.
Art. 338 (oud) doelt daarop, wanneer het spreekt van niet-ontvan-
kelijkheid, daaruit voortvloeiende dat eene zaak uit welken hoofde
ook, niet vatbaar is voor hooger beroep en daaronder kon
dan worden begrepen niet alleen het geval dat het hooger beroep
-ocr page 204-
186 H00FDST. IX. AFD. II. HOOGKE BKROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
door de wet is uitgesloten of niet was gebracht bij den rechter
aangewezen om van het hooger beroep kennis te nemen, als dat de
termijn voor het hooger beroep toegestaan verstreken of de termijn
binnen welken het hooger beroep niet ingesteld mag worden, nog niet
verstreken is. De bevoegdheid om deze exceptiën vooraf voor te dra-
gen, zonder zich in het geding dat het onderwerp van het beroep
uitmaakt in te laten, is in 1896 vervallen. Mij dunkt bij de excep-
tie gegrond op het verstrijken van den termijn en vooral bij die
gegrond op het te vroeg instellen van het hooger beroep, zal de ver-
eeniging met de bestrijding van het beroep zelf een zonderlingen
indruk maken. Men ware, hier vooral, met eene afdoening dezer
exceptiën althans vooraf en de plano, beter geholpen. Hoe natuurlijk
de afzonderlijke behandeling van exceptiën, welke de vermijding van
den rechtsstrijd beoogen is, hoe onnatuurlijk de vereeniging, kan
blijken uit de wijze waarop een groot voorstander der vereeniging
zich over zoodanige exceptie uitlaat. Ik lees bij Prof. Molenhraaff,
„de faillissementswet verklaard" op bl. 154: „Degene, tegen wien
door den gefailleerde eene vordering tot deze categorie behoorende,
mocht worden ingesteld, zal zich bij wijze van exceptie op art.
25 eerste lid kunnen beroepen tot afwijzing van den rechtsstrijd.
Immers hij behoeft zich niet in te laten in een geding met iemand,
die de bevoegdheid heeft verloren over de rechten, die het onderwerp
van den strijd uitmaken, te beschikken of beheer uit te oefenen."
Neen hij behoeft niet, dat is rationeel en zoo spreekt men
vanzelf, als men onbevooroordeeld niet denkt aan de zoo irrationeel
den gedaagde opgelegde verplichting om toch den rechtsstrijd te
aanvaarden, wil hij zijne bevoegdheid tot tegenspraak niet verwer-
ken. Ook deze exceptiën moeten met de verdediging op de hoofd-
zaak worden vereenigd, gelijk volgt uit de bij art. 347 toepasselijk
verklaarde wijze van procedeeren in eersten aanleg, waartoe met name
art. 141 behoort.
De uitzondering voor de exceptie van beraad vloeit uit de bepa-
ling van art. 141 § 3 voort, welke thans tot de bepalingen betref-
fende de wijze van procedeeren in eersten aanleg behoort, in art.
347 in hooger beroep toepasselijk verklaard. De vrouw en de erf-
genamen, in art. 141 § 3 bedoeld, hebben tot handhaving van het
hun toegekende recht van beraad gelijke bescherming noodig in hooger
beroep als in eersten aanleg. Want door zich in het hooger beroep
zelf in te laten, zouden zij evenzeer de hoedanigheid van erfgenaam
-ocr page 205-
§ 164. INCIDENTEELS VORDERINGEN.
187
of gerechtigde tot de huwelijksgemeenschap aannemen. Zie daaromtrent
het gezegde Dl. III, bl. 129 v. Ik zou daar nog willen bijvoegen
dat, ofschoon het recht om zich tot een beroep op het beraad te
bepalen als eene bevoegdheid wordt toegekend (kunnen bepalen),
de vrouw en de erfgenamen de exceptie niet alleen verwerken, wan-
neer zij er zich niet op beroepen, maar ook wanneer zij zich er
niet toe bepalen. Immers nemen zij ook dan inderdaad de hoedanig-
heid van erfgenaam aan, verliezen daardoor het recht van beraad
en doen alzoo zelve den grond voor hunne exceptie wegvallen.
De excepties van aanhangig geding en van verknochtheid kunnen
niet meer in hooger beroep worden voorgesteld, indien zij niet in
eersten aanleg vóór alle weren voorgesteld geworden zijn, al is de
straf van verval daar niet uitdrukkelijk uitgesproken. Immers aan
de bepaling dat zij vóór alle weren moeten worden voorgesteld, kan
niet meer worden voldaan, zoodra die weren naar art. 141 voorge-
dragen zijn. Indien de rechter bevoegd ware eene verwijzing op grond
van aanhangig geding of verknochtheid ambtshalve uit te spreken,
dan zouden die middelen, evenals de door partijen en den eersten
rechter voorbijgeziene onbevoegdheid wat het onderwerp van het
geschil betreft, nog in hooger beroep tot hun recht kunnen komen.
Zelfs zouden partijen zich daarop dan ook in hooger beroep moeten
kunnen beroepen. Dit laatste wordt evenwel door de bepaling van
art. 158 en 159 uitgesloten. Niettemin zijn onderscheidene fransche
schrijvers van oordeel en de jurisprudentie levert ook uitspraken in
dezen zin op, dat althans de litispendentie voor het eerst in hooger
beroep kan worden voorgesteld en de rechter eene verwijzing op grond
daarvan ambtshalve kan uitspreken. Zie schrijvers en jurisprudentie
bij Créi-on n<> 3448 en 3449, die zich n° 3450 met dit gevoelen
vereenigt. Ook in België is de jurisprudentie in dezen zin, naar \'t
schijnt, gevestigd. Zie bijv. arrest Hof Brussel 29 April 1897, Bel-
gique judiciaire 1898, n° 17, p. 266. Het argument voor dit gevoelen
wordt daarin gevonden, dat het belang der openbare orde meebrengt,
dat niet twee rechters tegelijk over dezelfde zaak oordeelen waardoor
tegenstrijdige uitspraken zouden kunnen worden gewezen. Het belang
der openbare orde is niet te miskennen, maar kan de wetgever niet
van oordeel zijn dat voor dat belang in deze genoeg is gezorgd door
aan de bijzondere personen een rechtsmiddel toe te kennen, dat ook
tot handhaving van die orde kan strekken? Zeker, wanneer de wet-
-ocr page 206-
188 HOOFDST. IX. AKI). II. HOOGER BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
gever aan den rechter opdraagt om ook ambtshalve op te treden,
dan is daarvan wel de reden dat hij de zaak van openbare orde
beschouwt, maar als hij dit niet doet, als hij alleen van eene han-
deling der partijen spreekt, niettegenstaande hij, gelijk hier, in eene
onmiddellijk voorafgaande bepaling betreffende een na verwant onder-
werp, eene uitspraak ambtshalve aan den rechter opdraagt ? Ik geloof
niet, dat de wet het optreden ambtshalve van den rechter recht-
vaardigt.
Wat de exceptie van onbevoegdheid betreft, deze zal
even goed in hooger beroep als in eersten aanleg, naar de bepaling
van art. 68 § 2, mogen worden opgenomen in de conclusie waarbij
eene oproeping in vrijwaring wordt gevraagd. Dan zal de rechter
die exceptie gegrond bevindende en zich onbevoegd verklarende om
van de zaak kennis te nemen, daarmede vanzelf zijne onbevoegdheid
uitspreken om op het verzoek tot oproeping in vrijwaring uitspraak
te doen. Werd de exceptie van onbevoegdheid niet aldus voorgesteld
dan zal zij voor gedekt worden gehouden, tenzij de rechter onbe-
voegd mocht zijn uit hoofde van het onderwerp des geschils, art. 68
§ 2 cit., omdat de rechter, ook al werd deze onbevoegdheid niet
voorgesteld, ambtshalve gehouden is, zich onbevoegd te verklaren,
volgens art. 156. Het staat daarom den verweerder niet vrij zich
later nog op die onbevoegdheid te beroepen en deze tot een afzon-
derlijk onderwerp van onderzoek te maken; hij zal dit alleen kunnen
doen in vereeniging met zijne andere verweermiddelen. Doch het
spreekt wel van zelf dat hij, zelfs nog bij de pleidooien, \'s rechters
aandacht er op kan vestigen maar daarmede den rechter niet ver-
plichten er een punt van beslissing in zijne uitspraak van te
maken. De rechter in hooger beroep kan alzoo omtrent zijne vol-
strekte onbevoegdheid, hetzij ambtshalve, hetzij op conclusie van den
verweerder, uitspraak doen bij het vonnis dat hij op een verzoek tot
oproeping in vrijwaring heeft uit te spreken. Hij kan het voorts,
gelijk in andere gevallen waar van eene oproeping in vrijwaring geen
sprake is, ook hier doen op conclusie van den verweerder, mits deze
in de conclusie betreffende de andere verweermiddelen is opgenomen,
of ook ambtshalve. De exceptie van onbevoegdheid in hooger beroep
is altijd op eene volstrekte onbevoegdheid gegrond, dewijl de wet
op de rechterlijke organisatie niet alleen de vorderingen aanwijst
ten aanzien van welke het hooger beroep is uitgesloten en waarom-
-ocr page 207-
§ 164. INCIDENTEELS VOEDEBINGEN.                            189
trent dus de rechter in hooger beroep onbevoegd is, maar ook de
kennisneming in hooger beroep opdraagt aan den hoogeren rechter
tot wiens rechtsgebied de rechter die in eersten aanleg vonnis wees
behoort, de arrondissementsrechtbanken aanwijst als den rechter in
hooger beroep van de vonnissen der kantonrechters tot hun rechts-
gebied behoorende, de Hoven van de vonnissen door de rechtbanken
tot hun rechtsgebied behoorende uitgesproken. De regelen betreffende
de betrekkelijke bevoegdheid in art. 126 opgenomen, zijn dan ook
niet bij art. 353 in hooger beroep toepasselijk verklaard. Over de
gevallen waarin vrijwaring in hooger beroep kan tepas komen. Zie
hierboven bl. 172.
De exceptie, waarmede de verweerder den eisch in hooger beroep
begroet, bevat een aanval van zijne zijde, waarop de eischer in
hooger beroep de gelegenheid moet hebben om zich te verdedigen.
Toen de exceptien tot een afzonderlijk geding aanleiding gaven, is
daar nooit aan getwijfeld en al worden ze ook met de verdediging
op de hoofdzaak vereenigd, zij maken toch het onderwerp uit van
eene van den gedaagde uitgaande, zelfstandige bewering. Vandaar de
erkenning van de bevoegdheid des eischers om er bij conclusie op
te antwoorden.
Exceptien, welke in eersten aanleg hadden kunnen worden voor-
gesteld en niet voorgesteld werden, doordien de verweerder zich daar
tot ééne exceptie bepaalde, zijn onherroepelijk voor hem verloren
gegaan. Hij kan evenwel in hooger beroep nog van middelen van
verdediging ten principale gebruik maken. Wordt hij nu in eersten
aanleg op eene afzonderlijk voorgestelde exceptie in het gelijk gesteld
en komt de tegenpartij van dat vonnis in hooger beroep, dan zal
deze natuurlijk tot vernietiging van het vonnis concludeerende, niet
alleen tot verwerping van de exceptie, maar tevens tot toewijzing
van den ingestelden eisch concludeeren. Wanneer dan de verweerder
in hooger beroep den eisch nu ook met middelen ten principale
bestrijdt, dan moet, ook volgens de HH. Hartogh en Cosjiax, aant.
op art. 347, bl. 137, aan den appellant op zijn verlangen een ter-
mijn verleend worden, om op die verdediging ten principale te ant-
woorden. Zij gronden dit gevoelen op de analogie. Dezelfde ratio
moet leiden tot hetzelfde gevolg, zeggen zij. Ik geloof niet dat de
redeneering opgaat. Met de exceptie en het incidenteel beroep gaat
van den verweerder een zelfstandig beweren uit, dat hij in het
geding brengt; een nieuw onderwerp van een strijd, waarin die ver-
-ocr page 208-
190 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGBR BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
weerder op zijne beurt kan gezegd worden eischer te zijn. Dat ligt
in het antwoord op de hoofdzaak niet. Wel kan men dit zeggen",
de verweerder heeft, door in eersten aanleg zijne verdediging op de
hoofdzaak achterwege te laten, den eischer beroofd van de bevoegd-
heid om volgens art. 142 op de conclusie des verweerders te repli-
ceeren. Deze bevoegdheid moet hem in hooger beroep toekomen,
wanneer den verweerder wordt toegestaan alsnog in hooger beroep
ten principale te antwoorden, waartoe hij in eersten aanleg het recht
had verloren. De wetgever had dit gevolg aan de veiligheidsklep, die
hij in art. 348 voor den verweerder schiep, ten behoeve van den
eischer moeten verbinden. Inderdaad bevat de meening der aange-
haalde schrijvers eene verbetering van de wet. Indien al analogie bij
dergelijke bepalingen toegelaten ware, de wijze waarop zij hier wordt
toegepast is m. i. niet juist. Er bestaat evenwel geen reden tot
bekommernis. „Het is wel niet waarschijnlijk," zeggen de schr. terecht,
„dat van de veiligheidsklep veelvuldig gebruik zal behoeven te wor-
den gemaakt" en, voeg ik er bij, mocht dit het geval zijn, men zal
\'t wel weten te schikken en het met eene redeneering uit art. 142
j° 347 een heel eind brengen.
§ 165. INCIDENTEN DIE DE BESLISSING UITSLUITEN.
I. Afstand van de instantie.
Over den afstand zelven valt met opzicht tot het hooger beroep
niets bijzonders op te merken, zoodat ik naar Dl. III § 86 te dien
aanzien kan verwijzen.
Wat betreft de wijze waarop de afstand plaats heeft, gelden
dezelfde bepalingen, (zie art. 353), en in die voorschriften is bij de
wet van 1896 niets veranderd. De afstand kan dus ook voortaan,
hetzij op de terechtzitting, hetzij bij eenvoudige akte van procureur
tot procureur beteekend, gedaan en aangenomen worden. Het Ont-
werp van 1865 behield alleen den afstand op de terechtzitting. De
Ontwerper was van oordeel dat de tweeledige vorm scheen te moeten
worden verklaard uit de onderscheiding tusschen gewone en summiere
zaken, zoodat zij met die onderscheiding kon vervallen. Zie toel. op
art. 43 van B. II, tit. I. Vooral wanneer met het vervallen van die
onderscheiding het rolsysteem zoo streng mogelijk in toepassing
gebracht wordt, schijnt het rationeel den afstand alleen op de
-ocr page 209-
§ 165. INCIDENTEN DIE DE BESLISSING UITSLUITEN.            191
terechtzitting toe te laten. In het Ontwerp van Lynden bleef even-
wel de onderscheiden vorm behouden en aan dat voorbeeld schijnt
de heer Hartogh zich te hebben gehouden.
De afstand kan zoowel het principaal als het incidenteel beroep
betreffen. Het principaal beroep is geheel onafhankelijk van het in-
cidenteel beroep ingesteld, het incidenteel zou niet ingesteld hebben
kunnen worden, indien niet het principaal beroep ingesteld ware.
Die afhankelijkheid van het incidenteel beroep is echter van louter
formeelen aard. Eens ingesteld is de gegrondheid van het principaal
beroep van die van het incidenteele onafhankelijk en omgekeerd.
Daarom bepaalt de wetgever terecht in art. 339 § 3 dat de afstand
van het principaal beroep het ingesteld incidenteel beroep niet doet
vervallen. Het incidenteel beroep heeft wel zijn aanleiding in het
principaal beroep gevonden, maar dit laatste is niet de oorzaak
van het eerste.
IL Verval van de instantie.
Zie Dl. III, § 87, waarbij ik voor het hooger beroep niets te
voegen heb. Art. 353 verklaart de bepalingen van den IIIon titel
over het vervallen der instantie in hooger beroep toepasselijk.
III. a. Minnelijke schikking, b. Verschijning van par-
tijen.
Beide instellingen behandelde ik in Dl. III, § 88. Dat de daartoe
betrekkelijke bepalingen op alle rechters en op alle instantien toe-
passelijk zijn, volgt uit de opneming daarvan in Tit. I van B. I, art.
19 en art. 49, en de bijzondere aard van de instantie in hooger
beroep verhindert de toepassing zelve ook niet. Ik kan volstaan
met naar de behandeling daarvan in § 88 te verwijzen, want art. 19
heeft bij de wet van 1896 alleen eene aanvulling gekregen om het
voor het rol-systeem pasklaar te maken, eene aanvulling die geen
toelichting behoeft. De afschaffing van de onderscheiding der be-
handeling in gewone en summiere zaken zal wellicht aanleiding
geven om het gepaster te vinden dat het verzoek ter terechtzitting
worde gedaan, doch art. 19 blijft ook een verzoekschrift toelaten.
In art. 49 werd in 1896 niets veranderd. Aanvulling scheen,
althans bij die gelegenheid, niet noodig, al werd bij meer dan eene
-ocr page 210-
192            HOOKDST. IX. APD. II. HOOQER BEROEP. T1T. III. INCIDENTEN.
gelegenheid op eene ruimere toepassing aangedrongen, wel zeker
door eene aanvulling van de wat heel laconische bepaling zou kun-
nen bevorderd worden.
§ 166. Incidenten in verband staande met den staat der partijen-
en DER PROCUREURS.
I. Schorsing en hervatting van het rechtsgeding.
in eersten ^e gev!lllen waarin de bepalingen omtrent schorsing en hervatting
aanleg. van het rechtsgeding hare toepassing vinden, kunnen even goed in
hooger beroep als in eersten aanleg voorkomen. Die bepalingen moeten
dan ook in het hooger beroep worden toegepast. Art. 353.
De bepalingen van de twaalfde afdeeling van den IIIen titel „van
het schorsen en hervatten van het rechtsgeding" zijn bij art. 353
in hooger beroep toepasselijk verklaard. Zij ondergingen bij de wet.
van 1896 geene verandering, behalve dat art. 260, hetwelk bepaalde
dat de geschillen over de hervatting van het geding en de vervan-
ging van procureur summierlijk worden behandeld en afgedaan, werd
ingetrokken.
Omtrent die geschillen hier slechts enkele opmerkingen:
1°. Bij de faillissementswet van 1893 is de invloed van de fail-
lietverklaring op aanhangige gedingen van den gefailleerde in bijzon-
derheden geregeld. Hier komen daarvan alleen in aanmerking de
gedingen betreffende rechten of verplichtingen van den faillieten
boedel, welke niet het verkrijgen van voldoening uit den boedel
beoogen en dus niet onderworpen zijn aan het verificatieproces.
In afwijking van de bepalingen van het wetb. van B. R. omtrent
schorsing en hervatting is hier voorgeschreven, dat de schorsing
wordt gevraagd door de tegenpartij van den nu gefailleerde en dit
ten einde den curator in het geding te roepen, terwijl deze ook
zonder oproeping bevoegd is het proces over te nemen, indien dit
door den gefailleerde werd aanhangig gemaakt. Art. 27, 2°. Eindelijk
is de schorsing of overneming van het proces niet afhankelijk van
de omstandigheid of het geding in staat van wijzen is, maar wordt
zij alleen uitgesloten, wanneer vóór de faillietverklaring de stukken
tot het geven van eene beslissing aan den rechter zijn overgelegd,
art. 30. Toen ik in Dl. 111, bl. 189, 190 naar het Ontwerp der
-ocr page 211-
§ 166. INCIDENTEN I. V. S. M. D. STAAT D. PARTIJEN EN D. PROCUREURS. 193
faillissementswet verwees, twijfelde ik of bij deze bepal ingen wel vol-
doende op de vertegenwoordiging door procureurs gelet was, voor de
gevallen nl. dat voortzetting van het geding met den gefailleerde
plaats heeft. Men zal dan moeten aannemen, dat het faillissement de
lastgeving op den procureur niet deed vervallen en de gefailleerde
bevoegd blijft tot procedeeren, ook waar het vonnis verbindend voor
den boedel kan zijn. Art. 28, § 4, coll. 27, § 2. Een nader onderzoek
hief alzoo dien twijfel bij mij op en de nieuwe voorziening komt mij
in allen opzichte doelmatig voor. Het gevolg is dat in art. 254 2°,
sedert de invoering der faillissementswet, de verandering in den staat
niet meer op zoodanige verandering door een faillietverklaring van
toepassing is, daar deze in de aangehaalde bepaling der faillissementswet
geregeld wordt. De bepalingen zijn natuurlijk ook op een in hooger be-
roep aanhangig gemaakt geding van toepassing en daarom had ik er
hier over te spreken, Zie over artt. 25 vv. der faillissementswet en
meer bepaaldelijk over artt. 27 en 28 Molengraaff bl. 158—163.
Opmerking verdient, dat wanneer het faillissement wordt opgehe-
ven, terwijl rechtsgedingen, welke rechten of verplichtingen tot den
faillieten boedel behoorende betreffen, nog aanhangig zijn en deze
door den curator gevoerd worden, de bepalingen van het Wetb. van
Burgerl. Rechtsv., omtrent schorsing en hervatting van het rechts-
geding toepasselijk zijn en de beteekening van de oorzaak der schor-
sing van wege den belanghebbende d. i. den weder tot geding-
voeren bevoegden persoon, wiens faillissement werd opgeheven, moet
worden beteekend aan de tegenpartij. Op den ontslagen curator rust
die verplichting niet, daar hij door zijn ontslag uit het proces is
getreden en allerminst belanghebbende kan heeten. Ik kan mij
moeilijk verklaren, hoe de in een als hier bedoeld geding betrokken
curatoren schorsing vroegen op grond van art. 254, nog minder dat
de rechtbank die schorsing uitsprak. Waren zij de belangheb-
benden in art. 256 bedoeld ? Hoe zouden dan de erfgenamen bij
eene schorsing door den dood van eene partij belanghebbenden kun-
nen wezen? En als deze, dus degene, die casu quo in plaats van den
overleden of onbekwaam geworden persoon, niet als belanghebbenden
moeten optreden, wie dan ? Evenmin als de overledene toch de onbe-
kwaam gewordene? Zie rechtb. Amsterdam, 25 Juni 1897, W. 7058.
2». Indien de beteekening van de oorzaak der schorsing niet
inhoudt de verklaring dat het geding wordt hervat op de laatste
gedingstukken, benevens eene nieuwe procureurstelling, of indien, in
v
                                                                                              13
-ocr page 212-
194        HOOFDST. IX. APD. II. HOOGER BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
het laatste geval in art. 254 vermeld, de procureur niet door een
ander is vervangen, kan de wederpartij, naar luid art. 258, dagvaar-
den tot hervatting, welke hervatting met eene nieuwe procureur-
stelling moet gepaard gaan, een en ander, hervatting en procureur-
stelling, bij eene eenvoudige acte te beteekenen, art. 259. Wanneer
dan op die dagvaarding, voor welke de voor dagvaardingen in het
algemeen voorgeschreven termijnen zijn in acht te nemen, en op de
beteekening der hervatting de verschijning ter terechtzitting plaats
heeft, zal daar geconcludeerd worden of kunnen er termijnen worden
gevraagd tot het nemen van conclusiën of het verrichten van die
handelingen, welke, naar aanleiding van de laatste gedingstukken, te
nemen of te verrichten zijn. De bijzondere bepaling omtrent de be-
teekening van de procureurstelling, waaraan tevens de hervatting van
het rechtsgeding verbonden is, derogeert hier aan de algemeene
bepaling van art. 135 (nieuw), volgens welke de procureurstelling
op de terechtzitting plaats heeft. Zij zal nu van zelf vóór de terecht-
zitting moeten plaats hebben. — Wanneer evenwel verstek is verleend,
waaraan hier gelijke rechtsgevolgen worden toegekend als in de
algemeene bepalingen van de zesde afdeeling van tit. I art. 76, zal
ook hier de daaraan derogeerende bepaling van art. 89a (nieuw)
toepasselijk zijn. Het gevolg daarvan is, dat, indien de partij niet
toegelaten wordt tot de procureurstelling op de terechtzitting tegen
welke zij tot hervatting werd gedagvaard, zij nog altijd door een bij
eene beteekende akte gestelden procureur kan verschijnen en het ver-
stek kan doen vervallen, zoolang het profijt niet werd uitgesproken.
Voor het overige verwijs ik naar het gezegde op blz. 201 v. van
Dl. III. Ik heb er alleen nog dit aan toe te voegen dat, indien
naar art. 261 § 1 verstek is verleend, die uitspraak voorshands
alleen doet verliezen de bevoegdheid om zich tegen de hervatting
van het geding te verzetten. Verlangt de partij dit niet te doen,
dan kan zij aan de hervatting van het geding, krachtens de daarop
bij verstek gewezen uitspraak deelnemen, mits zij op de dagvaarding
tot hervatting procureur had gesteld. Deed zij dit niet, dan zal zij
in het proces niet anders weder kunnen optreden, dan door tegen
de uitspraak in verzet te komen, waartoe van zelf eene procureur-
stelling noodig is, of door met berusting in het vonnis bij verstek
alsnog in verband daarmede procureur te stellen. Anders natuurlijk
wanneer ten profijte van het verstek naar art. 261 § 2 ten princi-
pale werd recht gedaan. Was dit een haar nadeelig vonnis, zij kan
-ocr page 213-
§ 166. INCIDENTEN I. V. S. M. D. STAAT D. PARTIJEN EN D. PROCUREURS. 195
de gevolgen daarvan niet ontgaan dan door het middel van verzet
er tegen aan te wenden.
Voor de behandeling der geschillen over het hervatten kon natuurlijk
niet meer naar de summiere behandeling worden verwezen. Ontsten-
tenis van eenige bepaling omtrent de wijze van behandeling zal wel
de voorschriften omtrent de behandeling der incidenteele vorderingen
moeten toepasselijk doen achten. Al hebben we hier niet met eene
incidenteele vordering in de beteekenis van de 10 afd. van tit.
III te doen, het geldt hier toch een incident.
II. Ontkentenis van gerechtelijke verrichtingen.
Ten aanzien van dit rechtsmiddel kan ik verwijzen naar de be-
handeling daarvan in Dl. III, § 90. Daaromtrent valt alleen op te
merken dat de wetgever in art. 272 (nieuw) het middel uitdrukke-
lijk toepasselijk heeft verklaard op het geval dat eene partij ontkent,
dat de voor haar opgetreden procureur van haar daartoe opdracht
verkregen heeft, m. a. w., dat het kan worden gebruikt wanneer eene
partij niet slechts eene door den procureur verrichte handeling, maar
zijne optreding zelve in het proces wraakt. Dit punt was onder het
wetb. van 1838 betwist; ik behandelde het t. a. p. bl. 209 v. en
wees daarbij den grond aan, waarop de wetgever het tot het nu
voorziene geval kon uitbreiden
De bepaling van 272 (nieuw) vervangt het voorschrift waarbij de
behandeling als van „summiere zaken en zelfs bij korte termijnen"
toepasselijk werd verklaard. Ook hier wórdt van de onderstelling
uitgegaan dat de bepalingen omtrent incidenteele vorderingen van
toepassing zijn en er bestaat hier grond om het middel tot de in-
cidenteele vorderingen te brengen (Zie Dl. III, bl. 213). Voor
zoover het middel den vorm van eene principale vordering aanneemt,
is vanzelf de in \'t algemeen voorgeschreven wijze van procedeeren
toepasselijk. Waarom hier niet in art. 263, om de wijzigingen in de
wijze van procedeeren, het verzoek in eene vordering werd
veranderd, nu dit eens in gelijksoortige bepalingen, als art. 285, werd
noodig geacht, en waarom de beteekende akte behouden bleef, is mij
niet gebleken.
De wijze van procedeeren is in appèl, wanneer het middel daar
wordt ingeroepen, gelijk aan die in eersten aanleg. Ik herinner alleen,
wat ik Dl. III, bl. 215 besprak, dat, wanneer in appèl eene hande-
-ocr page 214-
196 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP.. TIT. III. INCIDENTEN.
ling gewraakt wordt, welke in het geding in eersten aanleg verricht
werd, naar art. 269 over die wraking door den rechter in appèl
wordt geoordeeld.
§ 167. INCIDENTEN BETREKKING HEBBENDE OP DE RECHTERS OP HET GERECHT.
Onder dit opschrift heb ik in Dl. III, §§91, 92 en 93 de wra-
king van rechters, de rechtsweigering en de jurisdictie-
geschillen behandeld. De beide eerstgenoemde incidenten kunnen
natuurlijk even goed in het geding in hooger beroep als in den eer-
sten aanleg voorkomen. Voor de wraking gelden de in B. I, tit. I
voorkomende bepalingen vanzelf voor alle instantiën en bij alle ge-
rechten. De bepalingen omtrent rechtsweigering, onder de b ij z o n-
dere rechtsplegingen opgenomen in tit. VI van het 111° boek
hebben daardoor evenzeer eene algemeene strekking en moeten dan
ook zoowel in hooger beroep als in eersten aanleg gelden. Bij de
wraking kan de toepassing van de artt. 273—275 noodzakelijk
worden, al zijn deze bepalingen, blijkens het opschrift van tit. III,
alleen voor den eersten aanleg geschreven en al worden zij in art.
353 niet in hooger beroep toepasselijk verklaard.
Volgens de bepalingen van artt. 42 en 846 zijn de vorderingen
tot wraking van een rechter en die wegens rechtsweigering niet
vatbaar voor hooger beroep. Van de jurisdictie-geschillen valt geen
hooger beroep als daarover door de rechtbanken wordt geoordeeld,
art. 54 R. O., wel als zij door de Hoven zijn berecht, art. 65 j° 66 R. O.
§ 168. INCIDENTEN ONTSTAANDE UIT DE BEWIJSVOERING.
A. In \'t algemeen.
In hoeverre Zoowel in hooger beroep als in eersten aanleg kan bewijs geleverd
toegelaten. worflen van de feiten in geschil, hetzij die voor het eerst in hooger
beroep in het geding zjjn gebracht, hetztj zrj reeds in eersten aanleg
een voorwerp van bewijsvoering hebben uitgemaakt, tenzij zij daar
bewezen zijn door een middel dat verder bewys uitsluit.
Indien het hooger beroep de strekking heeft om het geschil in
zijn ruimste beteekenis aan het oordeel van den hoogeren rechter
te onderwerpen zóó dat daarbij niet alleen gevraagd wordt of de
-ocr page 215-
§ 168. INCIDENTEN ONTSTAANDE UIT DE BEWIJSVOERING.            197
eerste rechter juist of niet juist heeft geoordeeld, naar de kennis
die hij van de zaak kon hebben, in verband met de voordrachten
der partijen; indien, naar aanleiding van art. 348, nieuwe feiten in
het geding kunnen worden gebracht waarop de nieuwe, daar toege-
laten middelen steunen en zelfs de ingestelde eisch zelf door nieuwe
feiten kan worden gesteund, mits daarvan niet het gevolg is, dat er
een andere en derhalve een nieuwe eisch wordt ingesteld, dan spreekt
het van zelf dat ook in hooger beroep bewijsvoering kan te pas
komen. Vandaar dat de bepalingen omtrent de bewijsvoering, als
daar zijn die betreffende de plaatsopneming, het bericht van deskun-
digen, het onderzoek naar de echtheid of valschheid van geschriften,
het getuigenverhoor, het verhoor van partijen, in art. 353 toepasse-
lijk worden verklaard op het geding in hooger beroep, daar zij in
tit. III alleen voor het rechtsgeding in eersten aanleg werden ge-
schreven. Van den eed wordt daar eenvoudig niet gesproken, omdat
omtrent de bewijsvoering door den eed slechts eene enkele bepaling in
het wetb. van burg. rechtsv. voorkomt die in den algemeenen eersten
titel is opgenomen, (art. 50).
Maar zal ook opnieuw eene bewijsvoering kunnen plaats hebben van
dezelfde feiten, die reeds in eersten aanleg een voorwerp van be-
wijsvoering hebben uitgemaakt ? hetzij om het bewijs, dat den eer-
sten rechter niet afdoende of niet geleverd bleek, aan te vullen, hetzij
om den hoogeren rechter in staat te stellen om de waarde van het
voor den lageren rechter geleverde bewijs te beoordeelen en daaromtrent
een zelfstandige beslissing te nemen? Wanneer het hooger beroep
aan zijne straks vermelde strekking zal beantwoordon, dan volgt
daaruit dat de vraag, welke in het algemeen aan het oordeel des
hoogeren rechters wordt onderworpen deze is, of de in eersten aan-
leg ingestelde eisch al of niet gegrond en rechtmatig is. En dan
zou men zeggen, is daarmede ook de bevestigende beantwoording der
vraag omtrent eene herhaalde bewijsvoering in thesi gegeven.
Het behoeft geen betoog dat van een herhaalde bewijsvoering,
wanneer eens een beslissende eed werd afgelegd of geweigerd, ten
aanzien van het daardoor uitgemaakte feit geen sprake kan zijn.
Waar evenwel op vermoedens werd geoordeeld, zal niemand ontken-
nen dat de daaruit gemaakte gevolgtrekking door den hoogeren
rechter zelfstandig zal worden beoordeeld, maar dat deze ook even
goed door nieuwe feiten kunnen worden yersterkt of door andere
-ocr page 216-
198 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGBE BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
kunnen worden verzwakt. Dat in hooger beroep omtrent dezelfde fei-
ten stukken geproduceerd kunnen worden, die in eersten aanleg niet
waren voorgebracht, wordt algemeen aangenomen. Ook is \'t nauwe-
lijks betwist, of er niet eene herhaalde plaatsopneming of bezichtiging
in hooger beroep zal kunnen plaats hebben; evenmin of een nieuw
bericht van deskundigen omtrent de zaak, reeds in eersten aanleg
door deskundigen onderzocht, zou kunnen worden bevolen.
Met opzicht tot het getuigenverhoor is evenwel de juris-
prudentie ook bij ons in tegengestelden zin gevestigd, zie bij Oude-
man II, bl. 27, en bij de schrijvers heerscht verschil van gevoelen.
Vóór de toelating Penninck op art. 216; Opmerkingen en Mede-
deelingen 1852, bl. 152 —160. Tegen, Mr. M. des Amohie van der
Hoeven in N. Rechtsg. Bijblad 1852 (II) bl. 474—477. Oudeman
II, bl. 27 v. Herhaaldelijk werd door onze rechterlijke colleges be-
slist dat over dezelfde feiten, welke in eersten aanleg het onderwerp
van een getuigenverhoor hadden uitgemaakt, een herhaald verhoor
in hooger beroep niet kon worden toegelaten.
Ik zou ter beslissing van dezen strijd de daarin gebrachte rechts-
regels liever daarbuiten laten, omdat deze, zooals \'t gewoonlijk gaat,
dubbelzinnig zijn, zoolang men niet heeft uitgemaakt, hoe zij zijn
ontstaan en naar aanleiding of ten behoeve van welke gevallen zij
werden opgesteld.
Zoo zou men licht denken, dat voor de bevestigende beantwoor-
ding van de vraag triumfantelijk beroep zou kunnen worden gedaan
op den regel: „in appellationibus non probata probari non deducta
deduci possunt." Wie ziet evenwel niet in dat het laatste gedeelte
al dadelijk met het oog op art. 348 te ruim is gesteld en wie zal
ontkennen dat zelfs het „non probata probari possunt" niet beperkt
zou kunnen zijn tot de feiten waaromtrent geen bewijsvoering in
eersten aanleg heeft plaats gehad; dat althans volstrekt niet. behoeft
aangenomen te worden, dat met dat „non probata" ook bedoeld
worden feiten waarvan de bewijsvoering wel beproefd is, maar niet
met goeden uitslag heeft plaats gehad ? En dan, gelijk het zoo dik-
wijls met rechtsregels gaat, staat er ook hier tegenover den straks
vermelden regel een andere die hem beperkt. De fransche schrijvers
formuleeren dien aldus : „Les appellations se jugent dans 1\'état" d. i.
men kan door in hooger beroep te komen geen rechten of bevoegd-
heden terugkrijgen die men in eersten aanleg verwerkt heeft. Wordt
nu het beginsel waarop deze regel steunt niet in art. 348 in toe-
-ocr page 217-
§ 168. INCIDENTEN ONTSTAANDE UIT DE BEWIJSVOERING.         199
passing gebracht ten aanzien van verweermiddelen, welke in het
geding ter eerste instantie zijn gedekt en geldt hij dus ook niet
hier, zij het bij analogie? Want heeft niet hij die in eersten aanleg
tot een getuigenverhoor werd toegelaten, het aan zich zelven te
wijten, indien hij daarvan een onvoldoend gebruik heeft gemaakt ?
Verg. v. d. Hoeven t. a. p. 475. Hoe ver men met een beroep op
dergelijke regels komt of eigenlijk niet komt, kan blijken uit Chau-
veau, die in eene aanteekening op Carré Q. 1678 diens beroep op
het „non probata probari" etc. zoo ruim mogelijk schijnt op te
vatten, wanneer hij o. a. zegt: „. . . .c\'est d\'ordinaire pour suppleer
aux omissions, soit des juges, soit des parties que 1\'appèl est utile.
On pourra donc pour justifier de plus une demande qu\'on avait
d\'abord mal ou imparfaitement soutenu proposer des moyens jusqu\'-
alors négligés; moyens de droit, moyens de fait etc. etc." Daaren-
tegen beantwoordt hij in zijne aanteekening op Q. 1136 de vraag die
ons nu bezig houdt, zoo pertinent mogelijk ontkennend : „nous refu-
sons a la cour Ie droit de permettre une enquête nouvelle sur les
faits déja soumis a 1\'enquête de première instance."
Mij dunkt het staat vast dat art. 348 op zich zelf het toelaten
van een getuigenverhoor over dezelfde feiten niet uitsluit. Als men
in hooger beroep nieuwe feiten en nieuwe verweermiddelen mag
aanvoeren, als den eischer alleen verboden wordt met een nieuwen
eisch aan te komen, dan zal men toch des te eer de in eersten
aanleg gevoerde argumentatie, vermeerderd en verbeterd wellicht, maar
toch ook in hoofdzaak dezelfde, aan den hoogeren rechter mogen
voordragen, en waarom zal men hem dan niet dezelfde feiten mogen
toelichten en hem de gelegenheid niet mogen geven om de waarheid
daarvan zelf te beoordeelen, door hem zelven de getuigen te doen
hooren, wier verklaringen men van oordeel is dat ten onrechte door
den eersten rechter niet geloofd of niet juist gewaardeerd zijn?
Wanneer in geschillen over wegen of grenzen van langdurig gebruik
of van vroegere toestanden de rede is en verklaringen van getuigen
tegenover elkander staan, kan dan het eene college geene gronden
hebben om de eene groep van getuigen meer vertrouwen van juiste
wetenschap te schenken, dan een ander college aan een andere
groep ? En is dan niet het hooger beroep ook bestemd om het oor-
deel des eersten rechters aan de beoordeeling des hoogeren te
onderwerpen ? Het wil mij voorkomen dat het getuigenverhoor in
hooger beroep omtrent dezelfde feiten, niet om art. 348 maar alleen
-ocr page 218-
200 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGER BKROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
dan kan zijn uitgesloten, wanneer de bepalingen waardoor het in
eersten aanleg is geregeld van dien aard zijn, dat zij eene herhaling
daarvan in hooger beroep uitsluiten, in dien zin dat als eenmaal
het verhoor gesloten is, daarop in \'t geheel niet kan worden terug-
gekomen. Dan zou men echter nog niet eens kunnen zeggen: de
belanghebbende partij heeft zijn recht daarop verwerkt, zooals art.
348 spreekt van verwerkte of gedekte verweermiddelen, want hij zou
het recht niet hebben gehad en ook niet hebben kunnen opgeven,
zoodat elke analogie met het verbod om verweermiddelen in
hooger beroep te gebruiken die in eersten aanleg gedekt zijn, zou
moeten worden ontkend. Immers het is geheel iets anders dat iemand
een rechtsmiddel geacht wordt niet te hebben als hij \'t niet op zijn
tijd gebruikt, dan dat hij bij den hoogeren rechter eene overtuiging
niet mag wekken, welke hij bij den lageren rechter niet heeft kun-
nen doen ontstaan. Wordt bij \'t niet tijdig of niet op behoorlijke wijze
gebruik maken van een recht de regel: „la forme emporte Ie fond\'\'
terecht toegepast, dan moet, wanneer in het algemeen gelegenheid
wordt gegeven om zelfs door het herstellen van begane fouten een
verbeterde uitspraak te verkrijgen, naar ik meen, al duidelijk blijken,
dat de wetgever met een enkel onderzoek en waardeering van ge-
stelde feiten, juist waar het een getuigenverhoor geldt, het debat
onherroepelijk wil gesloten hebben, om dit aan te mogen nemen. Het
kon daarom wel zijn dat de wetgever dit juist bij het getuigenverhoor
had gewild. Al valt er nauwlijks aan te twijfelen, dat in hooger
beroep nieuwe stukken ook tot bewijs van dezelfde feiten, als in
eersten aanleg in het debat waren, kunnen worden overgelegd, men
zou kunnen beweren, dat hierin niet zoodanige verwikkeling van het
proces gelegen is, als waartoe een getuigenverhoor aanleiding geeft
en dat hierbij ook niet aan verkeerden invloed, als op de getuigen
kan worden uitgeoefend, te denken is. Als men een verhoor van des-
kundigen in hooger beroep opnieuw toegelaten acht, dan zal men
kunnen beweren, dat ook de eerste rechter zelf een nieuw verhoor
kan bevelen, als hij door het eerste bericht niet voldoende is inge-
licht en dat dit dus wel zooveel te meer door den rechter in hooger
beroep moet kunnen geschieden. En dan zal het wel niet twijfelachtig
zijn of, indien de eerste rechter zich door het bericht liet leiden,
de partij die daardoor in het ongelijk werd gesteld een nieuw be-
richt door deskundigen zal mogen verzoeken. Hier zal men evenwel
kunnen zeggen dat die toelating van een hernieuwd onderzoek in
-ocr page 219-
§ 168. INCIDENTEN ONTSTAANDE UIT DE BEWIJSVOERING.            201
hooger beroep steun vindt in de aan den eersten rechter uitdruk-
kelijk in art. 235 toegekende bevoegdheid. En wat de plaatsopneming
betreft, kan men daar niet zeggen, dat dit middel zoo geheel op
eigen aanschouwen van den rechter is gericht, dat die bijzondere
aard medebrengt dat even goed als de rechter in eersten aanleg dit
eigen aanschouwen noodig had, ook de hoogere rechter daaraan be-
hoefte kan hebben, al werd de opgenomen toestand in een proces-
verbaal beschreven ?
Dat alles zal men kunnen beweren, maar zal daardoor ook bewe-
zen zijn, dat het onderscheid tusschen het karakter van een plaats-
opneming of van een bericht van deskundigen en een getuigenver-
hoor zóó groot is, dat daarmede het onderscheid in de bewijskracht,
als hier wordt ondersteld, wordt gerechtvaardigd ? Of moet voor alle
drie niet ten slotte hetzelfde beginsel leiden tot hetzelfde gevolg,
dat nl. de rechter in hooger beroep in staat moet worden gesteld
om zelfstandig en naar eigen oordeel de bewijskracht van een in
toepassing gebracht bewijsmiddel te beoordeelen en dat hij zelfdaar-
toe over dezelfde feiten getuigen moet kunnen vernemen ? desnoods
dezelfde getuigen als de eerste rechter hoorde en, ook anderen wijl
het hooger beroep eene nieuwe behandeling beoogt, die ook aanvul-
ling van het in eersten aanleg verzuimde toelaat ? Mij komt althans
voor dat om dit niet aan te nemen, duidelijk zou moeten blijken
van des wetgevers wil om het te verbieden.
Nu staat het vast dat de wetgever daaromtrent niets uitdrukkelijk
bepaalt. Maar het is de vraag, of niet de wijze waarop hij het ge-
tuigenverhoor in eersten aanleg regelt, de herhaling daarvan over
dezelfde feiten in hooger beroep uitsluit. Dit is het gevoelen van
Mr. M. des Amoeie van dek Hoeven t. a. p. „Wie eens tot eene
enquête door den lageren rechter is toegelaten," dus schreef hij,
„heeft de gelegenheid gehad om de feiten, tot staving waarvan dat
getuigenverhoor moest strekken, te bewijzen door de verklaringen
van alle getuigen, wier oproeping tot dat einde van dienst kon zijn.
Aan zichzelven alleen heeft hij het te wijten, indien hij, hetzij in de
keuze der getuigen, hetzij in het formuleeren der vragen, welke hij
aan hen heeft doen voorleggen, slordig en nalatig is te werk gegaan.
Is eenmaal de enquête gesloten, dan zijn die fouten — althans in
dezelfde instantie — niet meer te verbeteren. Het non bis in
idem verzet zich daartegen. Komt men nu in hooger beroep, dan
geloof ik niet dat men daardoor de bevoegdheid kan verkrijgen om
-ocr page 220-
202            HOOFDST. IX. APD. II. HOOGER BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
op de eens afgeloopene en afgeslotene enquête terug te komen.
Naast den regel : in appellationibus non probata probari possunt,\'
staat een andere regel die bij de fransche auieurs gewoonlijk in deze
woorden wordt uitgedrukt: „Les appellations se jugent dans 1\'état."
Wat de eerste instantie betreft heb ik niets te zeggen tegen het
beweren dat daarin aan het eenmaal gesloten getuigenverhoor niet
meer te verbeteren valt. Ik ga zelfs verder en zonder mij op het
hier niet zeer gelukkig tepas gebracht „non bis in idem" te beroe-
pen, is het, dunkt mij, duidelijk uit de bij de wet voorgeschreven
regeling, dat de partijen in het voorbrengen der getuigen streng
gebonden zijn aan de daartoe voorgeschreven vormen en termijnen
en dat, gelijk uit het tegenwoordig art. 108a (vroeger 217) blijkt,
alleen in zeer bijzondere gevallen een nadere termijn tot het hooren
van getuigen kan worden toegestaan. En dit kon niet anders, wilde
men althans de debatten met orde gevoerd en binnen zoodanige
perken gevoerd zien, dat er een einde kome aan den strijd. Als de
daarvoor gemaakte regeling redelijk en rechtvaardig is, dan kan en
moet het „la forme emporte Ie fond" worden toegepast. Maar volgt
daaruit dat ook in hooger beroep het in eersten aanleg gesloten
getuigenverhoor niet kan heropend worden ? Waren ook niet de
debatten over de geheele zaak gesloten, opdat de rechter zijne uit-
spraak zou kunnen geven? Waren zij niet zoo onherroepelijk gesloten
dat partijen, wat zij door slordigheid of nalatigheid waren tekort
gekomen in hunne voordrachten, niet meer mochten aanvullen noch
verbeteren? En wordt hun nu daartoe niet zoo ruim mogelijk de
gelegenheid gegeven in het hooger beroep ? Is dit niet juist bestemd
tot eene geheel nieuwe behandeling der zaak ? Gebeurt het zelfs wel
niet dat voor hooger beroep vatbare zaken, als partijen of de prak-
tizijns weten dat, hoe de beslissing des eersten rechters uitvalle, de
in het ongelijk gestelde partij in hooger beroep zal komen, in eersten
aanleg met minder zorg behandeld worden en de beste krachten tot
het hooger beroep worden bespaard ? Brengt een tweede behandeling
ook door andere praktizijns niet dikwijls nieuwe gezichtspunten aan
het licht, wat tot eene betere beoordeeling van de zaak in hooger
beroep kan leiden? En zouden de partijen dan wèl het recht hebben
om zich zelfs op nieuwe feiten te beroepen, maar niet om beter
bewijs voor de reeds in geding gebrachte feiten te leveren en den
hoogeren rechter in de gelegenheid te stellen de daarvoor geleverde
bewijzen zelf te beoordeelen ? Indien nu nog kon aangenomen
-ocr page 221-
§ 168. INCIDENTEN ONTSTAANDE UIT DE BEWIJSVOERING.        203
worden dat de partij die een nieuw verhoor over de feiten verlangt,
het voor haar ongunstig resultaat harer bewijsvoering aan zich zelve,
aan hare slordigheid of nalatigheid had te wijten (Zie Mr. v. d.
Hoeven t. a. p.), men zou haar het „habeat quod sibi imputet" kun-
nen tegenwerpen, en meenen dat aan de gerechtigheid voldaan was.
Maar het is er verre af dat dit altijd het geval zou zijn. Of zou
bijv. eene partij, zich sterk gevoelende in haar recht en niet anders
dan pertinente verklaringen van de getuigen in haar voordeel ver-
wachtende, zich daarom niet tot een gering aantal getuigen hebben
kunnen beperken en trots hare beste verwachtingen, óf in het
herinneringsvermogen óf in de fermeteit van de opgeroepen getuigen,
kunnen teleurgesteld worden ? Zou zij altijd hebben kunnen rekenen
op verklaringen als door getuigen tot tegenbewijs worden afgelegd
en zou niet de tegenpartij, op gelijke wijze, in de getuigen die zij
bijbracht teleurgesteld kunnen worden of ook van hare zijde zich van
hare beweringen zoo zeker hebben kunnen wanen, dat zij \'t van
minder belang achtte aan het tegenbewijs veel kosten en omslag te
verspillen ? Zou het wel waar zijn dat eene partij het in hare macht
had, om, zelfs wanneer zij \'t wilde, alle getuigen op te roepen die tot be-
vestiging van hare beweringen van dienst konden zijn ? Zou bovendien
het wikken en wegen van de tegenovergestelde verklaringen der ge-
tuigen en de beoordeeling der waarde hunner getuigenissen niet
reeds reden genoeg kunnen zijn om ook voor den hoogeren rechter
door een hernieuwd verhoor de juiste beoordeeling mogelijk te maken?
De ongunstige beoordeeling die aan de afgelegde getuigenissen van de
zijde des rechters te beurt valt, kan toch ook onjuist zijn! Mij dunkt
dat dit alles wel opweegt tegen het eenig argument, dat de wetgever
het getuigenverhoor in eersten aanleg aan strenge regelen bindende
om dit ordelijk te doen plaats hebben, daarmede zou bedoeld hebben
dat een verhoor over dezelfde feiten ook niet in hooger beroep her-
haald zou mogen worden. Mag daartegen de vrees gelden, op grond
waarvan het Kanonieke recht het getuigenverhoor betreffende dezelfde
feiten in hooger beroep uitdrukkelijk uitsloot: „cum non minus in appel-
lationibus quam in principali causa subornatio sit timenda"? Terwijl
Mr. van dek Hoeven zich op die plaats, Clementinae 2 de testibus
(II, 8) beroept om aan te toonen, dat de door hem voorgestane
rechtsleer van oudsher in het algemeen Europeesche recht aangeno-
men geworden is en de bevestiging daarvan vindt in hetgeen naar
het toen nog geldend algemeen Duitsch procesrecht volgens Hekfteb
-ocr page 222-
204 HOOFDST. TX. AFD. II. HOOGER BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
gold, wijst hij toch ook op het wetboek van Genève dat in art. 323
het tegenovergestelde bepaalt, en den rechter in hooger beroep de
vrijheid laat dezelfde of andere getuigen in appèl te hooren, als het
getuigenverhoor in eersten aanleg onvoldoende voorkomt. Opmerkelijk
is wat Bellot in het Exposé des Motifs p. 304 daarover zegt:
„Nous ne lions point la Cour au résultat consigne dans les procès-
verbaux d\'enquête. Nous serions retombés dans tous les inconvè-
nients de 1\'enquête écrite. Les juges d\'appèl pourront toujours y
substituer la vive clarté du debat oral, en entendant eux-mêmes
publiquement les témoins produits en première instance, dont la
déposition paraitrait exiger d\'être éclaircie, ou mériter, a raison de
son importance ou de quelque contradiction, la garantie d\'une audi-
tion et d\'une confrontation nouvelle." Zou het zeer gewaagd zijn
te onderstellen, dat de ontkennende beantwoording der vraag, die
ons bezighield, door de fransche schrijvers nog onder den invloed
staat van het oude proces, te meer, omdat de hoogere rechter evenals
de lagere in den regel bij een nieuw verhoor niet veel baat kon
vinden, wanneer hij naar den C. de pr. in zaken van gewone behan-
deling, welke wettelijk den regel uitmaakten, het verhoor aan een
rechtercommissaris moest overlaten, dus altijd naar een procesverbaal
moest oordeelen ? En dat wat de praktijk onder den Code meebracht,
al maakte ons wetboek de opdracht aan een rechter-commissaria
facultatief, bij ons gezag bleef behouden, kan wel niet zoo heel vreemd
gevonden worden. Maar, terwijl nu bij de herziening van 1896, onze
wetgever zich onvoorwaardelijk voor het houden van het getuigen-
verhoor op de terechtzitting heeft verklaard, nu dientengevolge met
goed gevolg in hooger beroep over de waarde van het getuigenver-
hoor kan worden gedebatteerd, indien dit een hernieuwd getuigen-
verhoor kan tengevolge hebben, omdat dan de hoogere rechter de
getuigen zelf zal hooren, nu verzwakt daardoor zeer zeker het ge-
wicht dat men, wellicht nog meer door de traditie dan door den
waren zin der wettelijke bepalingen geleid, heeft meenen te moeten
toekennen aan de regeling van den vorm en de termijnen voor het
getuigenverhoor, om een hernieuwing van dat verhoor over dezelfde
feiten niet toegelaten te achten. Of nu in Frankrijk aan Chauveau\'s
gevoelen nog wel zoo sterk zou worden vastgehouden, zou ik betwij-
felen, als ik bij Garsonnet § 339 a. h. e. (II, p. m. 544) lees, dat
zelfs in eersten aanleg de rechter een tweede getuigenverhoor zou
kunnen bevelen o. a. „quand la première (enquête) ne suffit pas
-ocr page 223-
§ 168. INCIDENTEN ONTSTAANDE UIT DE BEWIJSVOERING.           205
pour éclairer sa religion." Hij beweert dit op dezen grond, dat aan
den rechter zonder eenige beperking het recht is gegeven om ambts-
halve een getuigenverhoor te bevelen.
Ik meen hiermede het in den tekst geformuleerde gevoelen vol-
doende te hebben gestaafd en te mogen stellen dat een getuigen-
verhoor over dezelfde feiten in hooger beroep kan worden gehouden
en dat het geheel in overeenstemming is met de daarvoor pleitende
redenen, dat de hoogere rechter een getuigenverhoor ter terechtzitting
beveelt, wanneer dit in eersten aanleg door een gedelegeerden rechter
of krachtens eene rogatoire commissie werd gehouden en de redenen
die tot deze exceptioneele maatregelen deden besluiten, voor het
geding in hooger beroep niet of niet meer bestaan,
Zal de rechter in hooger beroep evenwel altijd verplicht zijn het
getuigenverhoor over dezelfde feiten te bevelen, indien overigens de
voor een getuigenverhoor in de wet gestelde vereischten aanwezig
zijn ? Mij dunkt ja. Uitzondering zou er alleen te maken zijn, indien
de -rechter uit het proces-verbaal en de daarover voor hem gevoerde
debatten de overtuiging kreeg dat aan het geleverde bewijs niets
ontbrak, of dat het bewijs niet te leveren zou zijn. Doch, hoe kan
men zich dit haast denken, wanneer beide partijen hunne getuigen
hebben voorgebracht en de in het ongelijk gestelde beweert door
nieuwe getuigen het bewijs waarin hij tekort schoot te kunnen aan-
vullen en het tegenbewijs te kunnen ontzenuwen ? Ik zou het daarom
niet noodig achten dat de wetgever, indien hij de bestaande vraag
ging beslissen in den hier voorgestelden zin op het voorbeeld van
het Ontwerp 1865 het nieuwe getuigenverhoor toeliet, „wanneer
de rechter dit ter beslissing der zaak noodig acht."
Zie Ontwerp B III, tit. IV, art. 23, en art. 24 en 25 waar bepalin-
gen omtrent andere bewijsmiddelen worden opgenomen, en de Toe-
lichting, (uitg. Belinfante), bl. 185 en 186. Wel kan ik mij vereenigen
met den wensch waarmede in 1852 Mr. van der Hoeven zijn aan-
gehaald opstel besloot, dat de quaestie door den wetgever uitdruk-
kelijk worde uitgemaakt. Toch komt het mij voor dat, tengevolge
van de in 1896 algemeen voorgeschreven verplichting om het getui-
genverhoor op de terechtzitting te houden, eene wijziging der be-
staande jurisprudentie een afdoenden grond kan vinden. Daarmede
toch is alleen de herhaalde toelating van een getuigenverhoor over
dezelfde feiten in overeenstemming.
-ocr page 224-
206 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGBR BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
B. In het bijzonder. I. De gerechtelijke plaatsopneming
en bezichtiging.
Art. 353 verklaart de bepalingen van den IIIen titel omtrent de
gerechtelijke plaatsopneming en bezichtiging toepasselijk in hooger
beroep. Die bepalingen hebben bij de herziening van 1896 eenige
verandering ondergaan. Het middel is uitgebreid en de wijze van
procedeeren is vereenvoudigd. Ik behandelde het onderwerp in Dl. IV
1, § 95 vv. naar de vroegere bepalingen. Hier zal ik dan ook alleen
de veranderingen bespreken.
a. Het middel.
Naar aanleiding van eene opmerking van de commissie van voor-
bereiding voor het Ontwerp Hartogh in de Tweede Kamer werd, op
het voorbeeld van het Ontwerp 1865, aan de gerechtelijke plaats-
opneming eene ruimere strekking gegeven en het onderzoek des
rechters door eigen aanschouwen ook op roerende zaken onder de
benaming van bezichtiging toepasselijk gemaakt. Die uitbreiding
verdient zeker goedkeuring. Of de benaming van plaatsopneming
nu evenwel niet in die van bezichtiging had kunnen opgaan
en of de qualificatie van gerechtelijk niet had kunnen worden
weggelaten, laat ik daar. Zie over een en ander Dl. IV, I, bl. 39 en 37.
De bezichtiging wordt alleen toegepast op zaken die niet of be-
zwaarlijk ter terechtzitting kunnen worden overgebracht. Is daardoor
uitgesloten de bezichtiging ter terechtzitting van zaken die daar worden
overgebracht? Zou de partij, die tot verduidelijking van hare monde-
linge voordracht en tot toelichting der feiten van het geding het aan»
schouwen van de roerende zaken noodzakelijk of nuttig achtte, die daar
niet mogen overbrengen om ze aan den rechter te vertoonen? Reeds
onder de vroegere bepaling, die het middel tot onroerende zaken be-
perkt, meende ik in de ontkennende beantwoording dier vraag een te ver
gedreven formalisme te mogen zien. Maar een bevel van den rechter
hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van partijen, tot overbrenging
van eene zaak ter terechtzitting is uitgesloten. Het complement van
de navolgende bepaling van het Ontwerp 1865, hetwelk daar voor-
kwam in art. 81, en de bezichtiging ter terechtzitting opzettelijk
regelde, werd niet overgenomen. Toch had dit voorschrift, nu er zoo
uitdrukkelijk gesproken wordt van zaken die niet ter terechtzitting
kunnen worden overgebracht, niet achterwege mogen blijven. En,
-ocr page 225-
§ 168. INCIDENTEN ONTSTAANDE UIT DE BEWIJSV0EBING.        207
terwijl een bevel tot overbrenging ter terechtzitting, zonder mede-
werking van de partij die de zaken onder zich heeft, geen uitvoering
kan erlangen, zou dan ook de sanctie in gezegd art. 81 voorko-
mende, dat het niet voldoen aan het rechterlijk bevel kan worden
aangemerkt als een vermoeden in het nadeel van hem, die daarmede
werd belast, niet worden gemist.
b. Wijze van procedeeren.
De inhoud van het vonnis is niet gewijzigd ten aanzien van
hetgeen daarin moet vermeld worden met opzicht tot de wijze waarop
de rechters, aan wie de opneming of bezichtiging wordt opgedragen,
hunne taak te vervullen hebben. Dit ware m. i. beter in afzonderlijke
bepalingen, als gevolg van de in het vonnis gedane opdracht, opge-
nomen, zie Dl. IV, 1, bl. 45. Er moeten thans evenwel voorzieningen
in voorkomen, welke in verband staan met algemeene in het proces
gebrachte wijzigingen.
Zoo bepaalt het vonnis zelf tijd en plaats voor de opneming of
bezichtiging en is dit niet aan de met het onderzoek belaste rechter-
commissarissen opgedragen. Beteekening van het vonnis vervalt, een
bevelschrift behoeft aan commissarissen niet gevraagd te worden en
de tegenpartij behoeft niet te worden opgeroepen. Partijen hebben
het vonnis gehoord, tot nadere kennisneming kunnen zij zich af-
schriften daarvan verschaffen en hebben uit het vonnis zelf ook tijd
en plaats van de opneming of bezichtiging kunnen vernemen. In het
vonnis wordt ook de terechtzitting bepaald, waarop de zaak weder
zal worden opgeroepen. De dag van die terechtzitting wordt natuur-
lijk in overleg met de gecommitteerde rechters bepaald, daar deze
over de zaak moeten gezeten hebben. En mocht de voor het onder-
zoek noodige tijd tegenvallen, dan kan, bij de verschijning van par-
tijen op de terechtzitting een nadere dag voor de voortzetting van
de zaak aangewezen worden. Hiermede wordt het zg. rolsysteem,
hetwelk bij de herziening in 1896 aangenomen werd, en dat ten
gevolge heeft dat de zaak altijd op de rol blijft, in toepassing ge-
bracht. Eene oproeping om ter terechtzitting te verschijnen wordt
daardoor overbodig en de beteekening van het procesverbaal vervalt
hier ook als in andere gevallen. Partijen kunnen zich daarvan afschrift
verschaffen ter griffie ; de eene behoeft het niet aan de andere mede te
deelen. Zoo vervalt wat op bl. 49 in Dl. IV, 1 over de uitvoering
-ocr page 226-
208 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
van het vonnis werd opgeteekend en wat, op bl. 52, van de beteeke-
ning van het procesverbaal werd gezegd.
De bepalingen omtrent de verplichting tot het voorschieten der
reiskosten is dezelfde gebleven, behalve dat daarbij natuurlijk ook
van de bezichtiging wordt gesproken. Er kan nu evenwel geen
sprake meer van zijn om die verplichting op te leggen aan de partij
welke de uitvoering van het vonnis aanvraagt, wat in het geval van
art. 221 § 1 (oud) naar de bewoordingen van die bepaling wèl kon
worden aangenomen, aangezien de uitvoering niet meer geschiedt op
aanvrage van eene der partijen. De in art. 221 § 1 bedoelde partij
kan nu geen andere zijn dan die het verzoek aan den rechter deed
om een plaatsopneming of bezichtiging te bevelen. Werd het bevel
ambtshalve door den rechter gegeven, dan zal thans evenals vroeger
de verplichting tot het voorschieten der kosten door den rechter aan
eene der partijen worden opgelegd. Over de bezwaren aan deze be-
paling verbonden, zie Dl. IV, 1, bl. 55. Komt de partij die tot het
voorschot verplicht is deze verplichting niet na, dan zal, alleen in
geval die verplichting bij vonnis werd opgelegd, van een dwang door
executie sprake kunnen zijn Wat het Ontwerp 1865 in art. 80
uitdrukkelijk bepaalt, dat de rechter tot het onderzoek niet overgaat,
als de kosten niet geconsigneerd zijn, komt mij, ook zonder uitdruk-
kelijke bepaling, voor rechtens te zijn.
II. Bericht van deskundigen.
Terwijl in art. 353 ook omtrent dit onderwerp naar tit. III wordt
verwezen, kan ik mij ook hier tot de wijzigingen in de wet van 1896
opgenomen bepalen en voor het overige naar Dl. IV. le stuk verwijzen.
De wijzigingen betreffen de behandeling van het incident en zijn van
denzelfden aard als die in de behandeling van de plaatsopneming gebracht.
Gelijk het verzoek tot benoeming van deskundigen, d. i. tot het bevelen
van een onderzoek door deskundigen, vroeger (arg. artt. 247 en 141) be-
hoorde te geschieden bij eene beteekende akte of bij conclusie ter audiëntie
(Dl. IV, 1, bl. 77); zoo kan dat thans, naar aanleiding van het gewijzigd
art. 247 en tengevolge van het vervallen van de onderscheiding in sum-
miere en gewone behandeling, alleen bij conclusie ter audiëntie plaats
hebben.
De afschaffing van de beteekening der vonnissen, bij art. 66 (oud)
voorgeschreven, moest ten gevolge hebben dat ook het vonnis hou-
dende benoeming der deskundigen niet beteekend wordt. Zoo zullen
-ocr page 227-
§ 168. INCIDENTEN ONTSTAANDE UIT DE BEWIJSVOERING.        209
dan de partijen zich niet binnen drie dagen na de beteekening van
het vonnis hebben te verstaan over de deskundigen, door welke zij
het onderzoek willen doen verrichten in plaats van door de bij het
vonnis benoemde (t. a. p. bl. 79), maar zal dit binnen ach t dagen
na de uitspraak moeten geschieden. Art. 223 § 2.
De bepalingen omtrent wraking werden niet verduidelijkt door daarin
een behoorlijk verband te brengen (t. a. p. bl. 81). De bepaling van art.
225 (oud) aan het slot, volgens welke de wraking summierlijk moest
worden beslist, kon natuurlijk niet behouden worden. De noodzakelijke
herziening bood gereedelijk de gelegenheid aan om de bepaling te
verbeteren naar den zin dien zij in art. 311 C. de pr. had, waarvan
de woorden: „sera jugé sommairement a 1\'audience" onkritisch in
het W. 1838 waren vertaald. Er is evenwel in het herziene art. 225
alleen bepaald dat de deskundige, zoo hij verschijnt, gehoord wordt.
Maar overigens behoeft de mondelinge toelichting van partijen niet
voldoende geacht te worden. Conclusiën zijn niet uitgesloten als in
het geval van art. 233 § 2, (nieuw).
Wanneer de reden van wraking door getuigen kan worden bewezen,
en door de partij die de wraking te bewijzen heeft, aanbod is gedaan
om die met getuigen te staven, geschiedt dit op de wijze welke thans
voor het getuigenverhoor geldt en die ik in Dl. IV, 2, § 124 vv.
overeenkomstig de bepalingen van 1896 heb beschreven. Van eene
summiere behandeling, waarnaar art. 226 (oud) verwees (t. a. p. bl.
84), kan geen sprake meer zijn.
De deskundigen, die voordat zij hunne werkzaamheden aan-
vaarden een eed hebben af te leggen, moeten daartoe
worden opgeroepen. Dit wordt aan de meest gereede partij
overgelaten, welke deze oproeping zal moeten doen ten minste drie
dagen voor den dag tot het afleggen van den eed bepaald. Die dag
wordt voor de bij het vonnis benoemde deskundigen in het vonnis
bepaald en kon, naar de wet van 1838, niet bepaald worden in het
vonnis voor die deskundigen, omtrent welke partijen waren overeen-
gekomen, dewijl deze aanwijzing van partijen moest plaats hebben
binnen drie dagen na de beteekening van het vonnis, en de dag
waarop die beteekening zou plaats hebben den rechter niet bekend
kon zijn, daar hij geheel van de partijen afhing.
Nu evenwel de aanwijzing van de deskundigen door partijen moet
geschieden binnen acht dagen na de uitspraak, kan de
rechter den dag der eedsaflegging in verband met dien termijn bij
V
                                                                                                              14
-ocr page 228-
210 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGKR BEBOEP, TIT. III. INCIDENTEN.
zijn vonnis bepalen en zal die dag door de meest gereede partij, ook
ten aanzien van de na het vonnis door partijen aangewezen deskun-
digen kunnen worden in acht genomen, al is de bepaling van art. 224
§ 1 alleen voor de benoemden, dat zijn de bij het vonnis be-
noemden, geschreven. Dat woord benoemde had bij de herziening
kunnen worden weggelaten. Verg. t. a. p. bl. 87.
De deskundigen hebben zeker niet noodig den geheelen inhoud van
het vonnis te kennen om zich te beraden, of zij hunne taak al of
niet zullen aanvaarden en daartoe ter eedsaflegging zullen verschijnen.
Daarom kon de wetgever het in art. 101 voldoende achten, dat hun
alleen het dispositief van het vonnis beteekend werd. Toch beval art.
225 (oud) de beteekening van het vonnis en niet ten onrechte
werd in 1896 bepaald dat het exploit tot oproeping van de des-
kundigen om den eed af te leggen de rechterlijke opdracht
moet inhouden. Is dit iets anders dan het dispositief in art. 101
vermeld? De HH. Hartogh en Cosmax teekenen bij art. 224 aan:
„zooals die (opdracht) in het vonnis is omschreven, moet zij woor-
delijk in het exploot worden opgenomen." Ook nu blijft echter waar,
wat ik t. a. p. bl. 87 opmerkte, dat de deskundigen uit die rechter-
lijke opdracht evenmin als vroeger uit het vonnis, niet altijd zullen
vernemen dat zij, wel dat anderen benoemd zijn, wanneer hunne be-
noeming nl. overeenkomstig § 3 van art. 223 heeft plaats gehad.
De in deze bepaling vermelde verklaring ter griffie zal dan ook wel
in het exploit mogen opgenomen worden.
De aanwijzing van tijd en plaats van het onder-
zoek wordt, volgens art. 228 (nieuw), wel in het procesverbaal van
eedsaflegging opgenomen, doch de wet bepaalt nu uitdrukkelijk, dat
de rechter daaromtrent eene beslissing neemt na verhoor der
deskundigen en der part ij en voorzoover deze tegenwoordig
zijn. Tijd en plaats behoeven evenwel aan een afwezig gebleven partij
niet bekend gemaakt te worden bij een exploit van oproeping. Ook
aan deze laatste wordt de beslissing geacht bekend te zijn. En terecht.
De procureur die afwezig bleef kan de moeite nemen er naar te in-
formeeren. En indien soms door de partij geen procureur was gesteld,
vervalt nu meteen de complicatie waarop ik wees t. a. p. bl. 90.
Hiertoe is evenwel de wijziging in het artikel niet beperkt. Tevens
wordt door den rechter bepaald de termijn, binnen welken de des-
kundigen hun schriftelijk bericht ter griffie zullen inleveren, wat
-ocr page 229-
§ 168. INCIDENTEN ONTSTAANDE UIT DE BEWIJSVOERING.          211
niets nieuws is (art. 232 oud) en, met toepassing van het rolsysteem,
ook de terechtzitting bestemd tot voortzetting van de zaak. Iets
dergelijks vonden wij in art. 219 (nieuw) bij de plaatsopneming
voorgeschreven. Doch wat daar aan den natuurlijken loop der dingen
werd overgelaten, wordt hier uitdrukkelijk bepaald, dat nl., wanneer
op den bepaalden dag het bericht van de deskundigen niet mocht
zijn ingekomen, de rechter op verzoek van partijen of eene van haar
een naderen dag tot de voortzetting der zaak kan bepalen, art.
228 §2.
Omtrent de berechting van eene tegen de deskundi-
gen ingestelde vordering tot nakoming hunner v e r-
plichting om het bericht op den aangegeven tijd uit
te brengen, bepaalde art. 233 (oud): „de rechtspleging hierover
geschiedt summierlijk en zonder verdere instructie." Het was wel
een woordelijke vertaling van art. 320 C. de pr.: „il y sera statué
sommairement et sans instruction," doch de gedachte wordt beter
teruggegeven in de nieuwe bepaling: „De rechter doet uitspraak, de
verschenen deskundigen gehoord, zonder voorafgaande conclusiën."
Verg. t. a. p. bl. 95 a. h. e.
De verschenen deskundigen moeten gehoord worden; verschijnen
zij niet, dan moet uit die bepaling voortvloeien, dat er dan uitspraak
kan worden gedaan, zonder dat zij gehoord worden, maar dat het
zoo goed is als waren zij gehoord. Dit is althans de conclusie door
Mrs. Hartooh en Cosman op art. 233 aangeteekend, wanneer zij
zeggen: „Wel is het verzet uitgesloten maar niet het hooger beroep."
Het komt mij nog altijd voor dat, bij eene radicale herziening, de
lijfsdwang vermeden en aan de partijen een middel gegeven had
kunnen worden dat beter in hunne belangen voorzag. Verg. mijne
opmerkingen in het summier proces bl. 33—35. Daarmede be-
weer ik echter niet dat dergelijke herziening binnen de grenzen van
die van 1896 lag.
III. De bewijsvoering door geschriften.
Ik heb hier alleen van de incidenten te spreken, waartoe de
bewijsvoering door geschriften aanleiding kan geven, al bepaalde ik
mij daartoe niet in de IVe afd. van Hoofdstuk VIII (Dl. IV, 1, bl.
157 vv.), waar ik de gedingen betrekkelijk de bewijsvoering in eene
-ocr page 230-
212 HOOFDST. IX. AFD. II, HOOGER BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
ruimere beteekenis opvattende, ook die gevallen besprak, waarin eene
eventueele bewijsvoering tot afzonderlijke gedingen aanleiding kan
geven, bepaaldelijk waar het om het behoud, de bewaring en
bek om ing van schriftelijke bewijsstukken te doen is. Alleen in
die tot bekom ing van schriftelijke bewijsstukken kan er aanlei-
ding tot incidenteele vorderingen ontstaan en deze kunnen ook in
het hooger beroep voorkomen.
a. Bekoming van schriftelijke bewijsstukken.
Zoo kan dan eene vordering tot mededeeling van een stuk,
dat aan beide part ij en gemeen is en onder de tegenpartij
berust, het onderwerp van een incident uitmaken en evenals in \'t
geding in eersten aanleg ook in dat in hooger beroep zich voordoen.
Dl. IV, § 113, sub III, bl. 193. Als eene incidenteele vordering
aangebracht, zal daarbij en bij de verdere behandeling alsnu art.
247 (nieuw) moeten worden in acht genomen, waarbij het onder-
scheid tusschen gewone en summiere behandeling, waarop ik t. a. p.
bl. 195 wees, niet meer in aanmerking komt. De bepaling van art.
147, heeft met de hier besproken mededeeling niets uit te staan. Deze
kan volgens art. 1923 B. W., in eiken stand van het geding worden
gevraagd. Alleen zal bij de wijze waarop de mededeeling, nadat de
rechter de tegenpartij daartoe zal hebben veroordeeld, geschiedt en
waaromtrent niets bijzonders bepaald is, naar aanleiding van art.
147, de nederlegging ter griffie of tegen recepis kunnen worden
toegepast. Zie ook Dl. IV, 1, bl. 239 vv.
Wanneer de vordering tot mededeeling van koopman s-
b o eken naar art. 11 K., in een geding wordt gedaan, zal hij met
de in art. 1923 behandelde mededeeling op ééne lijn moeten worden
gesteld als zijnde zij eene species van het daar behandelde genus.
Zie t. a. p. bl. 197 en 240 v.
De vordering tegen een makelaar op grond van art. 68 K.
heeft in beginsel wel overeenkomst met die van art. 11 K. (zie
t. a. p. bl. 202) maar in een geding zal zij het gevolg zijn van eene
vordering der tegenpartij tot overlegging van het oorspronkelijk stuk.
Wil de partij die het uittreksel uit het boek van den makelaar
overlegde daaraan voldoen, dan zal zij daarop moeten concludeeren
-ocr page 231-
§ 168. INCIDENTEN ONTSTAANDE UIT DE BEWIJSVOERING.        213
dat haar een termijn verleend worde om den makelaar op te roepen.
De bepaling van art. 147 moet hier wel buiten toepassing blijven.
De d wangui tgif t e van akten (t. a. p. § 113, bl. 214) kan
alleen het voorwerp zijn van eene incidenteele procedure. Art. 833
bepaalt het uitdrukkelijk met de woorden: „in den loop der proce-
dure." Ik meen dit bl. 215 voldoende toegelicht te hebben. De voor-
geschreven wijze van procedeeren, die „procureursakte" van art. 833
gaat van dezelfde onderstelling uit. Waarom is echter dit laatste
voorschrift niet met de veranderde bepalingen omtrent de incidenteele
vorderingen in overeenstemming gebracht ? Terwijl die procureursakte
met de behandeling van de incidenteele vorderingen in gewone
zaken in verband stond (art. 247 oud) en daarvan in summiere
zaken alleen om art. 141 (oud) kon worden afgeweken, had, dunkt
mij, de afschaffing der onderscheiding van gewone en summiere zaken
ook hier den regel van art. 247 (nieuw) in toepassing moeten
doen brengen. Men heeft zich bepaald tot het schrappen van de
verwijzing naar de summiere behandeling in art. 834 (oud), liet de
bepaling van de terechtzitting waarop de vordering wordt aangebracht
aan de procureursakte over, en omtrent de verdere behandeling werd
niets bepaald. Het ontwerp van 1865 gaf een goed voorbeeld: „doet
den eisch tot afgifte bij incidenteele vordering." Daarmede was alles
gevonden en met de nieuwe behandeling der incidenteele vorderingen
in overeenstemming gebracht.
Ofschoon in de verdere bepalingen der wet omtrent de dwanguitgifte
van akten geen verandering werd gebracht, zal toch de wijziging van
art. 66 ten gevolge hebben, dat art. 432 niet meer voor toepassing
vatbaar is zoodat, al werd het vonnis niet bij voorraad uitvoerbaar
verklaard, het opmaken van het afschrift of uittreksel op vertooning
van het vonnis moet geschieden, ook zonder dat dit aan de partij
beteek end werd, en, indien de rechter den dag voor het opmaken
van het afschrift in het vonnis bepaalt, wat nu zeker als noodzake-
lijk verondersteld mag worden, ook zonder nadere oproeping. In
verband met art. 342 zal met die uitvoering van het vonnis even-
wel acht dagen moeten worden gewacht. — De bepaling van art. 837,
volgens welke de dag, waarop ontstane geschillen ter rolle zullen
worden gebracht, bij het procesverbaal wordt aangewezen, is behou-
den gebleven. Ook zal de dag waarop de hoofdzaak zal worden
voortgezet van de meest gereede partij afhankelijk blijven, indien de
-ocr page 232-
214 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
rechter dien dag niet in het vonnis, waarop de dwanguitgifte werd
toegestaan, aanwees. Ofschoon hem de verplichting daartoe hier
niet wordt opgelegd, zal hij zich daartoe, m. i., wel bevoegd
kunnen achten. Zie ook daarover Ontwerp 1865 art. 12 van B.
IV, tit. 9.
b. Mededeeling van stukken. Dl. IV, § 114. bl. 226.
In de tot dit onderwerp betrekkelijke bepalingen van het wetb.
v. 1838, art. 148 —150, zijn bij de herziening van 1896, in de
artt. 147 —149 (nieuw), meer bepaaldelijk in art. 147, belangrijke
veranderingen gebracht. Hoofdzaak daarbij is, dat deze mededee-
ling van stukken het karakter van eene incidenteele vordering heeft
verloren.
Verlangt eene partij inzage van het stuk zelf waarop de andere
partij zich beroept en waarvan zij een afschrift overlegde, dan geeft
zij van dit verlangen kennis bij akte van procureur tot procureur.
De wederpartij is dan verplicht het oorspronkelijke stuk, hetzij ter
griffie neer te leggen, hetzij tegen recepis aan den procureur der
andere partij over te leggen. Van de nederlegging ter griffie moet
aan de wederpartij worden kennis gegeven. Indien aan de verplich-
ting tot mededeeling op de een of andere wijze niet wordt voldaan
dan zal de wederpartij zich, alleen bij de pleidooien over de hoofd-
zaak, daarop kunnen beroepen. Zoo wordt eene incidenteele proce-
dure afgesneden. De tusschenkomst des rechters is voor de mede-
deeling niet noodig, zij gaat geheel buiten hem om, en geschiedt zij
niet, dan wordt zijn oordeel daarover ingeroepen bij gelegenheid dat
partijen de hoofdzaak bepleiten. Maar welk zal het rechtsgevolg zijn
van het niet voldoen aan de verplichting? „De rechter," zegt art.
147 § 3 a. h. e. „zal zoodanig stuk ter zijde kunnen leggen
en daarmede bij zijne beslissing geen rekening be h oev e n te houden."
Daarmede wordt, dit blijft mijn gevoelen, het in art. 1925 B. W. onvoor-
waardelijk toegekende recht om de vertooning van het oorspronkelijk
stuk steeds te vorderen, miskend. Het ontwerp van 1865 zeide dan ook in
tit. II van B. II art. 6: „Wanneer de mededeeling of overlegging niet
plaats heeft binnen den bij het vonnis bepaalden termijn, b 1 ij v e n
de stukken buiten het geding." Dit is de eenige, maar
ook onverbiddelijke gevolgtrekking, welke uit art. 1925 moet ge-
maakt worden. Want, als de bewijskracht niet in het afschrift, maar
-ocr page 233-
§ 168. INCIDENTEN ONTSTAANDE UIT DE BEWIJSVOERING.            215
in het oorspronkelijk stuk ligt, welks vertooning daarom d. i. tot
aanneming van de bewijskracht van het stuk, steeds
gevorderd kan worden, dan is er geen schriftelijk bewijs, wanneer
de tegenpartij het afschrift niet als met dat oorspronkelijk overeen-
stemmend wil aannemen, zonder dat het oorspronkelijk stuk haar
vertoond worde. Nu kon zeker het Ontwerp 1865 zoo onvoorwaar-
delijk de verwerping van het stuk uitspreken, omdat de verplichting
tot overlegging bij vonnis werd opgelegd en derhalve de bezwaren
welke daartegen zouden kunnen bestaan, door den rechter waren
geoordeeld en te licht werden bevonden. Naar de nieuwe bepaling
zal nu wellicht daarover bij de pleidooien over de hoofdzaak gede-
batteerd worden, maar altijd blijft het aan het oordeel des rechters
overgelaten, om de stukken al of niet toe te laten, terwijl hij dit
laatste onvoorwaardelijk zou moeten doen, indien óf geen bezwaren
worden aangevoerd óf deze ongegrond worden bevonden. Gelijke dis-
cretionnaire macht wordt den rechter toegekend, indien aan de ver-
plichting om de stukken over te leggen „zoo laat werd voldaan,
dat de wederpartij dien ten gevolge buiten staat is daarop voldoende
te antwoorden." Deze woorden van art. 147 § 3 zijn voor het geval
dat ons thans bezig houdt zeker niet geschreven, want de partij die
de overlegging verlangt, heeft bij niet-voldoening van de wederpartij
aan de haar opgelegde verplichting, daarop niet te antwoorden. Die
woorden zijn natuurlijk geschreven voor het geval dat bij het tweede
lid van art. 147 wordt voorzien, dat nl. eene partij nog nadat de
dag voor het houden der pleidooien bepaald is, eenig stuk in het
geding brengt. Wanneer intusschen aan de verplichting om het oor-
spronkelijk stuk over te leggen zóó laat wordt voldaan, dat de partij
die het verlangt, geen voldoenden tijd heeft tot vergelijkend onder-
zoek en tot beraad of zij het stuk als echt kan aanmerken, dat
alzoo om de wijze waarop de verplichting wordt nagekomen, de over-
legging als niet aan het doel beantwoordende moet worden beschouwd,
dan moest ook den rechter niet de bevoegdheid gegeven zijn, om het stuk
te kunnen ter zijde leggen, maar hij zou dit moeten doen. De wet-
gever van 1896 heeft de vordering tot mededeeling van stukken
dermate als hoofdzakeijk tot obstructie dienende beschouwd, dat hij
niet eens een termijn heeft bepaald, binnen welken aan de verplich-
ting moet voldaan worden. Wanneer nu de wederpartij die stukken
noodig heeft voor eene te nemen conclusie of ze alsnog verlangt te
zien voor het pleidooi, dan zal die wederpartij voor de door haar
-ocr page 234-
210             HOOPDST. IX. APD. II. HOOGEE BEROEP. T1T. III. INCIDENTEN.
te nemen conclusie waarschijnlijk wel een uitstel bekomen (arg. art.
140) maar als de wederpartij ze noodig had voor het pleidooi, dan
kan van uitstel geen sprake zijn, al liet de tot overlegging verplichte
partij nauwelijks den tijd om de overgelegde stukken te onderzoeken,
daar eerst bij de pleidooien op de hoofdzaak over het niet of niet
tijdig voldoen aan de verplichting mag worden geklaagd. Nu eens
was gezegd dat van de vordering tot mededeeling van de oorspron-
kelijke stukken geen incident meer kon worden gemaakt en zij
dus daartoe niet meer zou kunnen worden misbruikt, had de wet-
gever tevens moeten bedenken, dat die mededeeling voortaan niet
licht zonder goede redenen zou worden gevraagd en had hij de
nakoming der verplichting beter moeten verzekeren en deugdelijker
sanctie moeten vaststellen tegen hare niet- of niet-tijdige nakoming.
Want de bepalingen der rechtspleging moeten toch de strekking
hebben dat de handhaving der in het B. W. toegekende of erkende
rechten worde verzekerd, niet dat zij, door de wijze waarop hunne
handhaving geregeld is, worden verlamd. Ik zou met het oog op het
in art. 1925 B. W. toegekende recht, met het nieuwe middel van
art. 147 vrede kunnen hebben, indien het de nakoming der daar-
tegenoverstaande verplichting door eene afdoende sanctie verzekerde.
Wanneer gebruik wordt gemaakt van de bij art. 147 § 2 toegekende
bevoegdheid om ook nadat de dag voor het houden der pleidooien
reeds bepaald is, eenig stuk in het geding te brengen, dan wordt
eene incidenteele procedure over de mededeeling van het oorspronke-
lijke van zoodanig stuk voorkomen, doordien tegelijk met de mede-
deeling van het afschrift aan den procureur der tegenpartij, het
oorspronkelijk stuk ter griffie nedergelegd of tegen recepis moet over-
gegeven worden. Zou er nu ook niet in dit geval voldoende reden
bestaan om den rechter te verplichten het stuk buiten het
geding te houden, indien het afschrift wel medegedeeld werd, maar
geen nederlegging ter griffie, noch overgifte tegen recepis van het
oorspronkelijke stuk heeft plaats gehad of wel indien een en ander
zoo laat. geschiedde dat de tegenpartij daarop niet voldoende kon
antwoorden ? Verg. mijne Adviezen over burgerl. rechts v.
bl. 42 a. h. e. en v.v.
De verplichting tot afgifte van een afschrift van stukken
waarop eene partij zich beroept is behouden in art. 133, zoo dit
beroep bij de dagvaarding plaats heeft. Voorts legt art. 147 in \'t
-ocr page 235-
§ 168. INCIDENTEN ONTSTAANDE UIT DE BEWIJSVOERING.        217
algemeen aan de partij die zich bij conclusie op eenig stuk beroept
de verplichting op daarvan tegelijk met het afschrift harer conclusie,
afschrift te geven, tenzij zulks reeds bij de dagvaarding geschied is,
of de procureur der wederpartij verklaart geen afschrift te verlangen.
Nu zal zeker dit verlangen niet altijd in woorden behoeven te ken-
nen gegeven te worden en zal het voldoende daaruit kunnen blijken,
dat de procureur der wederpartij zich over het stuk uitlaat op eene
wijze, waaruit blijkt dat het hem bekend is, of dat hij het althans
behandelt als ware het in \'t geding gebracht. Wanneer evenwel noch
het een, noch het ander heeft plaats gehad, gaat het dan aan, den
rechter bevoegdheid toe te kennen om zoodanig stuk niet ter zijde
te leggen en er bij zijne beslissing wel rekening mede te houden ?
Art. 147 § 3 laat het toe M. i. ten onrechte. Verg. Adviezen t.
a. p. bl. 47 v.
In Dl. IV, I bl. 241 — 243 (verg. ook bl. 239) heb ik met de
mededeeling van stukken, in art. 148—150 (oud) geregeld, in ver-
band gebracht de vordering tot openlegging van koopmansboeken van
art. 12 K., wanneer die openlegging door de tegenpartij verlangd
wordt en het beroep op het boek zelf geschiedt, nadat daarvan een
uittreksel in het geding was gebracht. Dan moest, meende ik, art.
148 B. R. daarop worden toegepast (verg. bl. 212). De overlegging
zelve moest dan evenwel op de in art. 12 aangegeven wijze aan den
rechter geschieden. Hieruit volgt dat het nieuw artikel 147 met zijn
procureursakte, welke de mededeeling geheel buiten den rechter om
doet gaan, niet van toepassing kan zijn. De vordering tot openleg-
ging van koopmansboeken van art. 12 zal incidenteel moeten worden
gedaan en dan zal daarop art. 247 van toepassing zijn. In ieder
geval moet de overlegging zelve tot een incident aanleiding geven,
daar de rechter haar moet bevelen en zij zelfs met zijne medewerking
behoort te geschieden.
C. Onderzoek van de echtheid of valschheid van ge-
schriften.
Bij de behandeling van de tot dit onderzoek betrekking hebbende
voorbereidende procedure in Dl. IV, 1 § 116 (*) moest natuurlijk
(*) Ik maak van de gelegenheid gebruik om een paar fouten te verbeteren, welke op bl. 267
en 268 zijn ingeslopen.
-ocr page 236-
218 HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGEB BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
onderscheid worden gemaakt, of de hoofdzaak gewoon, dan wel
summier werd behandeld. Zoo bleek het dat art. 179, met het
oog alleen op de gewone behandeling geschreven, in summiere zaken
buiten toepassing moest blijven en ook bij de gewone behandeling
alleen toegepast kon worden, wanneer er eene wisseling van schrif-
turen buiten de terechtzitting plaats had. Deze uitlegging van art.
179 had dit bezwaar, dat zij aannam dat de wetgever de zaak op
onvolledige wijze had geregeld. Ook zou een op de letterlijke inacht-
neming van de bepalingen omtrent den vorm gestelde procureur
toch kunnen meenen dat, hoe dan ook, altijd en in ieder geval, de
meest gereede partij het gerezen geschil bij akte van procureur tot
procureur aan \'s rechters onderzoek en uitspraak moest onderwerpen.
„Het behoeft geen betoog," dus schreef ik op bl. 269, „dat de op-
heffing van het onderscheid tusschen de summiere en gewone behan-
deling en de uitsluitende toelating van de eerste, ook hier vereen-
voudiging teweeg kan brengen en alle onduidelijkheid doen verdwij-
nen. Verg. het Ontwerp (1865) in de toelichting van de 10e afd.
van tit. I, B. II, bl. 158."
Toen nu de herziening van 1896 o. a. ook de strekking had het
bedoelde onderscheid op te heffen en dit door wijziging van de
daartoe betrekking hebbende in het wetboek verspreide artikelen in
toepassing te brengen, had een artikel, dat alleen aan de gewone
behandeling zijne beteekenis ontleende, eenvoudig geschrapt moeten
worden. Ten onrechte werd dit verzuimd (zie mijne Adviezen bl.
29). En dit verzuim zal nu dit gevolg hebben, óf dat men art. 179
als eene antiquiteit zal beschouwen en daarom als niet geschreven
zal behandelen, (hoedanige behandeling de wetgever allerminst moet
uitlokken, omdat hij, dit doende tot allerlei vrijpostigheden en wille-
keurige bejegeningen kan aanleiding geven) óf dat men uit zekeren
eerbied voor de wet, die echter niet anders dan een geveinsde kan
wezen, op een of andere wijze met de in het artikel voorgeschreven
procureursakte zal gaan knutselen om haar in te voegen in een ge-
ding, dat, met conclusien ter audiëntie geinstrueerd wordende, steeds
op de rol blijft en alzoo van beteekeningen vanwege de meest ge-
Op bl. 267 regel 1!) v. b. behoort in de plaats van te persisteeren bij zijne ontken-
te n i s, gelezen worden: de echtheid van het stuk te willen staande houden.
Regel 23 v. b. staat: d i t, lees : het verzoek.
Op bl. 268 r. 7. v. b. behoort in de plaats van : daarop niet dat zij het stuk terug-
neemt, dan zal de andere, gelezen te worden :datzij datbetwistestukwil
b 1 ij v e n gebruiken, dan zal z ij.
-ocr page 237-
§ 168. INCIDENTEN ONTSTAANDE UIT DE BEWIJSVOERING.         219
reede partij niet weet. Men zal natuurlijk het door mij, bij de be-
schrijving der procedure, op bl. 261 en 262, gemaakte onderscheid
tusschen gewone en summiere zaken nu niet meer in acht kunnen
nemen, maar houdt zich in verband met de voorafgaande opmerkingen
thans het best aan hetgeen ik als den loop der procedure voor de
summiere behandeling aanwees. Deze kan alleen bij de thans
voorgeschreven behandeling van de hoofdzaak doelmatig zijn.
In het geding na het onderzoek, waarover t. a. p. in §119
gehandeld wordt, is ook nog die meest gereede partij aan het
werk gebleven. Evenzeer ten onrechte. Hier zal men haar evenwel
aan het werk kunnen houden, al ligt in haar optreden eene incon-
sequentie en eene schending van het rolsysteeni, die gemakkelijk ver-
meden had kunnen worden. Zien wij wat daarvan is.
Volgens art. 192 zal, wanneer het onderzoek is afgeloopen, de
meest gereede partij de zaak op de rol brengen. Naar de oude lezing
moest zij dit doen met beteekening van het procesverbaal. Die be-
teekening werd, bij de herziening van 1896, naar den regel daarbij
omtrent beteekeningen aangenomen, geschrapt. Maar in verband
daarmede werd nu uitdrukkelijk bepaald dat de deskundigen hun
bericht ter griffie zullen moeten neerleggen en daartoe werd art. 232
opzettelijk toepasselijk verklaard en in de verwijzing van art. 190
opgenomen. Op zichzelf niet kwaad, al is \'t niet te ontkennen dat
daarmede versterkt werd het gevoelen van hen die uit de uitdruk-
kelijke aanhaling van sommige artikelen uit de afdeeling van het
bericht van deskundigen, argumenteeren zoo gezegd a contrario. Zie
daarover Dl. IV, 1, bl. 299 v. Dat dit er niet mee bedoeld is zal
bij hen die hier a contrario redeneeren willen, zeker niet veel afdoen.
Dat art. 232 bepaalt dat de deskundigen hun bericht ter griffie
zullen moeten brengen „binnen den volgens art. 228 bepaalden ter-
mijn." Dientengevolge zal de rechter alzoo ook voor het deskundig
schriftonderzoek dien termijn bij het procesverbaal van eedsaflegging
hebben te bepalen. Bij datzelfde artikel 228 moet de rechter even-
wel ook de terechtzitting aanwijzen, bestemd tot de voortzetting na
het onderzoek. Deze bepaling had, wilde men by het onderzoek van
deskundigen betreffende geschriften even consequent het rolsysteem
handhaven als bij het bericht van deskundigen in het algemeen, ook
toepasselijk verklaard moeten worden en dit had men zeer ge-
makkelijk kunnen doen door art. 192, waarin men toch wat te ver-
-ocr page 238-
220            HO0EDST. IX. APD. II. HOOQER BEROEP. TIT. III. INCIDENTEN.
beteren had, te vervangen door de bepaling, dat de rechter bij het
procesverbaal van eedsaflegging de terechtzitting bepaalt bestemd tot
voortzetting van het geding. Want eene eenvoudige toepasselijk
verklaring van art. 228, door ook daarnaar in art. 190 te verwijzen»
ging niet aan, omdat art. 180 bepaalt dat de deskundigen dadelijk
na de eedsaflegging het onderzoek aanvangen en er hier alzoo geen
sprake van kan zijn, om, gelijk bij het bericht door deskundigen in
het algemeen (zie art. 228), tijd en plaats voor het onderzoek in
het procesverbaal van eedsaflegging aan te wijzen.
Dat hier alzoo eene inconsequentie in de wet is gebracht, is,
dunkt mij, duidelijk en wil men dat geen ir sland noemen, men
noeme het eene inelegantie! Maar men kan haar niet goedmaken
met de bewering dat de wetgever in 1896 zich daarmede niet verder
kon inlaten, omdat er eene geheel bijzondere behandeling voor het
onderzoek van de echtheid van geschriften is voorgeschreven! Immers
het geldt hier alleen het hier in een bijzonder geval toegepast be-
richt door deskundigen. Ook is het Ontwerp 1876/77 reeds daarom
eene wraakbare autoriteit voor het wetgevend werk van 1896, dewijl
dit niet alleen in de bepalingen omtrent het schriftonderzoek maar
evenmin in die betreffende het bericht van deskundi-
gen veranderingen wilde maken. Dit laatste deed men in 1896 wèl,
de inconsequentie is daarom grooter. Verg. Hartogh en Cossian, bl.
90. De slotsom met betrekking tot de wet, gelijk zij nu luidt, is
deze dat in de beschrijving, welke ik in §119 op bl. 301 gaf van
het geding na het onderzoek alleen de woorden voorkomende in den
gden regei van boven: „met beteekening van het bericht" moeten
worden geschrapt.
Aanm. De incidenten waartoe de bewijsvoering bij het bewijs
door getuigen, de bekentenis en den eed aanleiding kun-
nen geven, heb ik in den tweeden druk van Dl. IV, 2, met in
achtneming van de wijzigingen, welke de daartoe betrekkelijke bepa-
lingen bij de herziening van 1896 hebben ondergaan, behandeld. Dit
betreft voornamelijk de regeling van het getuigenverhoor en
die van het verhoor op vraagpunten, welke beide bij art. 353
in hooger beroep toepasselijk worden verklaard. De procedure betref-
fende de eedsopdracht is niet door de wet geregeld. Er komt daar-
omtrent in het Wetb. van burg. rechtsv. slechts ééne bepaling voor,
die van art. 50, welke het vonnis betreft waarbij een eed wordt
-ocr page 239-
§ 169. HET VONNIS.
221
opgelegd. De wijze waarop hier moet worden geprocedeerd, heb ik,
in verband met bepalingen van het Burg. Wetb. en die omtrent
andere incidenten in het Wetb. v. burg. rechtsv. voorkomende, in
§§ 146—148 en 151 uiteengezet. Ik heb er hier niets anders van
te zeggen dan dat op gelijke wijze ook in het rechtsgeding in hooger
beroep geprocedeerd zal moeten worden. Dat de beslissende eed voor het
eerst in hooger beroep kan worden opgedragen lijdt geen twijfel. Art.
1967 § 2 is duidelijk op dit punt en dat de appellant den eed in
hooger beroep kan opdragen, al heeft hij geen enkele grief tegen het
vonnis aangevoerd, besliste de Hooge Raad terecht op 17 Mei 1894
W. 6505. Door het hooger beroep duurt het geschil met het geding
voort en is het alleen de vraag, of in het geschil hetwelk het onder-
werp van beslissing in eersten aanleg heeft uitgemaakt, de beslissende
eed kan toegelaten worden.
titel IV.
DE BESLISSING.
§ 169. HET VONNIS.
De vounissen door de Gerechtshoven in hooger beroep gewezen, Benaming,
heeten bij uitnemendheid arresten, die van de rechtbanken von-
n isse n.
Reeds wees ik daarop in Dl. II, § 70 3e ed. bl. 171. Dat die
benaming in de eerste plaats naar de beteekenis van het woord:
arrest, toekomt aan de vonnissen door de Gerechtshoven in hooger
beroep gewezen is duidelijk. „Aresta", lees ik bij Ducange in v°,
„apud Gallos sunt decreta seu Iudicia forensia a superiori iudice, a
quo nulla intercedit appellatio lata, cuiusmodi sunt Parlamentorum,
quae sic appellata videntur quod post varias ab inferioribus et pe-
daneis iudicibus de re quapiam latas sententias, litem et contro-
versiam supremo examine et iudicio definiant ac decident; A r r e s-
ter enim nostris est decernere, statuere." En in het Glossarium van
Ragueau en djs Laubièke op het woord: Arrest de la cour
wordt gezegd: „Senatuseonsultum, Scitum et Decretum Senatus.—
„C\'est Ie dernier et souverain jugement, auquel il faut se tenir et
arrêter, et contre lequel il n\'y a voye d\'appel: et convient Ie faire
-ocr page 240-
222 HOOPDST. IX. AFD. II. HOOGEK BEROEP. TIT. IV. BESLISSING.
retracter par Requeste civile ou proposition d\'erreur." Het maakt
dus niet uit, of nog een buitengewoon rechtsmiddel tegen de uit-
spraak kan aangewend worden, en zoo kon er ook geen bezwaar zijn
om de uitspraken der Hoven in hooger beroep arresten te blijven
noemen, niettegenstaande daartegen een beroep in cassatie openstond.
Bij ons is daarin verandering gebracht, doordien aan het beroep in
cassatie eene schorsende kracht is toegekend. Bij de behandeling van
dit punt in de Tweede Kamer, gevoelde dan ook de Tweede Afdeeling
bezwaar om te spreken van voorloopige tenuitvoerlegging waar het
een arrest gold en las liever „tenuitvoerlegging niettegenstaande
cassatie". Zie bij v. d. Honkrt op § 398 en Handelingen 1836—37,
I, bl. 243. Zie Dl. II, § 70, 3e ed., bl. 172 vv. sub d.
Vandaar wellicht dat door den wetgever zelven enkele malen van
vonnissen der hoven gesproken wordt, t. z. p. bl. 171 sub b. Maar
wanneer men in het oog houdt, dat de Hoven in de eerste en
voornaamste plaats worden geroepen om in hooger beroep bij
arrest uitspraak te doen, zoodat zij de gewone rechter in
hooger beroep kunnen genoemd worden, evenals de arrondissements-
rechtbanken de gewone rechters zijn in eersten aanleg, zoo staat
ook met dat rechtspreken bij arrest hun aanzien in de rechterlijke
hiërarchie in verband en krijgen daarom tevens hunne uitspraken,
maar dan ook die in eersten aanleg onder hooger beroep gewezen,
denzelfden naam van arresten; niet omdat de Hoven ze in hooger
beroep, maar omdat die hoogere rechter ze gewezen heeft.
Zoo blijven de uitspraken, welke arrondissementsrechtbanken, hetzij in
hooger beroep of in eersten aanleg zonder hooger beroep wijzen, even-
als die van de kantonrechters, waarvan geen hooger beroep is, von-
                  nissen heeten, al zijn ze even goed arresten als die van de Hoven
in het hoogste ressort gewezen. En zoo konden ook de uitspraken
van den H. Raad, welke dan ook, niet anders dan arresten ge-
noemd worden.
Toepasselijke De bepalingen der wet over de vonnissen zijn, als opgenomen in
bepalingen. ^en A.lgemeeneu titel, op alle vonnissen alzoo ook op die in hooger
beroep van toepassing.
Ik heb de hiertoe betrekkelijke bepalingen besproken in Afd. III
van Hoofdstuk VI, §§ 70—75, Dl. II, 3 ed. bl. 168 vv. Wat om-
trent het vonnis bij verstek (§ 72) nog te zeggen viel, heb ik bij de
-ocr page 241-
§ 169. HET VONNIS.                                        223
behandeling van het middel van verzet aangeteekend. Met opzicht
tot de in § 73 behandelde, voorloopige tenuitvoerlegging, heb ik de
gelegenheid gehad tot eene nadere bespreking in § 164 sub 1, hierboven.
Ik heb hier niet anders dan eenige opmerkingen te maken betrek-
keiijk het vonnis zelf en de in §§ 74 en 75 behandelde onderwerpen:
de kosten en het armenrecht.
Wat den inhoud van het vonnis betreft, ook in hooger beroep
behoort die te voldoen aan wat art. 59 daaromtrent in het alge-
meen voorschrijft. Bij de uiteenzetting der gronden, zoo wat de
daadzaken als het rechtspunt betreft, bestaat in hooger beroep
niet minder dan in eersten aanleg tot breedsprakigheid aanleiding,
doch zij behoort hier evenzeer verineden te worden. Wat de feiten
aangaat, houden de rechters in hooger beroep zich terecht, zelfs
door verwijzing, aan de overwegingen daaromtrent in het door den
eersten rechter gewezen vonnis opgenomen. Doch al te dikwijls
worden ook in hooger beroep onder de feiten begrepen, wat men
„de gevoerde procedures" noemt en daarmede, zonder eenig nut of
noodzaak, de inhoud van het vonnis uitgerekt.
Moet ieder vonnis eene beslissing inhouden, de inhoud daar-
van zal in \'t algemeen geheel afhangen van de vraag of een eisch
wordt ontzegd of toegewezen, eene niet-ontvankelijkverklaring toe-
of afgewezen wordt. Daarvoor zijn wel gebruikelijke termen, doch
voorgeschreven is daaromtrent niets. In hooger beroep zal, bij be-
vestiging van het vonnis, hetwelk de toewijzing van een eisch be-
vat, de inhoud van den eisch zelven niet vermeld worden noch
van de toewijzing van den eisch sprake zijn en eenvoudig op de
siotoverweging dat er goed is gevonnist en kwalijk geappelleerd, de
bevestiging van het vonnis worden uitgesproken, met of zonder uit-
drukking van het daarin begrepen bevel dat het „volkomen effect
zal sorteeren." En dit is ook geheel voldoende, aangezien, volgens
art. 354, indien het vonnis is bekrachtigd, dat vonnis wordt ten
uitvoergelegd en wel bij den rechter die het heeft gewezen.
In onze rechtspraak, gedurende de heerschappij der fransche
wetgeving en ook na 1838, waren de rechters gewoon om, hetzij
bij bevestiging, hetzij bij tenietdoening van een vonnis, ook het
appèl te vernietigen. In eene verhandeling opgenomen in het Tijd-
schrift voor Ned. Recht van Mrs. Oudeman en Diephuis Dl. II
(1869) bl. 74—96 werd evenwel door Mr. F. B. Coninck Liefstinö
aangetoond dat, hoezeer die formule historisch wel was te verkla-
-ocr page 242-
224 HOOFDSÏ. IX. APD. II. HOOGER BEROEP. TIT. IV. BESLISSING.
ren, die historische beteekenis juist „hare overbodigheid, onbedui-
dendheid en zinloosheid" voor de tegenwoordige rechtspraak aan-
wijst. Ik ben het volkomen met den geleerden schrijver eens dat
zelfs, al is dergelijke formule onschadelijk in hare beteekenis voor
de gevoerde gedingen, zij behoort vermeden te worden, omdat haar
behoud niettegenstaande hare ondeugdelijkheid den sleur kan voeden
en traditie en superstitie bevorderen in de gerechtspraktijk, waar
deze toch reeds een al te grooten en ook een schadelijken invloed uit-
oefenen. Toch wil het mij voorkomen dat er ook thans nog wel eenige
beteekenis aan de gewraakte formule te geven is. Wanneer nl. het
vonnis bevestigd wordt, dan reeds is het op zichzelf niet zoo vreemd
dat het appèl dat ongegrond blijkt, te niet gedaan wordt. Maar als
men in het oog houdt dat het appèl de tenuitvoerlegging van het
vonnis schorst en de rechter in hooger beroep het vonnis bevestigt,
dan is het zelfs niet irrationeel, dat de rechter begint met het appèl,
en daarmede zijn gevolg: de schorsing der ten uitvoerlegging, te
vernietigen en dat hij alzoo niet het door het appèl verzwakte vonnis
bevestigt, maar dat vonnis eerst in zijn primitieve kracht her-
stelt door het appèl, de oorzaak der verzwakking, te vernietigen en
dan het vonnis te bevestigen. Wordt evenwel het vonnis vernietigd en
daardoor verklaard dat er terecht werd geappelleerd, dan heeft het
geen zin dat appèl te vernietigen, omdat het de tenuitvoerlegging van
het vonnis schorste, want die schorsing wordt door de vernietiging
van het vonnis zelf opgeheven.
Wanneer voorts het vonnis in eersten aanleg voorloopig uitvoer-
baar werd verklaard, dan valt er bij de bevestiging van het vonnis
geen schorsende kracht van het appèl ten aanzien van het vonnis
op te heffen. Doch men behoeft niet alleen op die schorsende kracht
van het appèl te letten. Ook zonder dat maakt het appèl, dat alles
wat daarbij beslist was, weer op losse schroeven wordt gesteld, want,
hetzij de ingestelde eisch werd ontzegd of toegewezen, het vonnis
is nu geen waarheid meer tusschen partijen. „Quia sententia per
appellationem suspensa causa adhuu durare dicitur," zooals Gail,
zegt, Obss. Lib. I obs. 70 n°. 4, waarbij hij zich o. a. beroept op
„Baldus dicens quod appellatio principalis solvat sententiam et in
omnibus aperiat viam quibus sententia gravamen intulit." Als der-
halve het appèl niet alleen de bindende kracht van het vonnis los-
maakt, maar de waarheid daarvan doet vervallen, dan zou de rechter
een dus wankelend vonnis in dien wankelenden toestand bevestigen
-ocr page 243-
§ 169. HET VONNIS.                                             225
en wil hij het vernietigen, niet behoeven te vernietigen, wat reeds
door het appèl niet meer bindend is. Hij moet dus eerst het gevolg
van het appèl opheffen om dan het vonnis in zijn oorspronkelijken
toestand te kunnen bevestigen of vernietigen. Ofschoon ik nu de
noodzakelijkheid van de gewraakte formule niet verdedig en,
als zij achterwege gelaten wordt, de zaak zelve reeds met het oog
op art. 354 § 1 geen gevaar loopt, zoo zou toch het gebruik van de
formule niet incorrect mogen heeten. Dat overigens eene zelfde for-
mule onder veranderde omstandigheden met eene geheel andere be.
teekenis voortleeft, is volstrekt geen ongewoon verschijnsel.
Ten slotte vereenig ik mij geheel met de meening door Mr.
Coninck Liefstinü aan het slot van zijne verhandeling geuit dat
de meest gepaste en minst aanmatigende vorm van vernietiging in
appèl eenvoudig deze is: de rechtbank of het Hof recht doende op
het appèl, vernietigt het vonnis en opnieuw rechtdoende, enz.:\' ter-
wijl de vorm van bekrachtiging in het dictum niet anders vereisen
dan : „recht doende op het appèl bekrachtigt het vonnis." Wanneer
daar dan gewoonlijk wordt bijgevoegd „en verstaat dat het vol-
komen effect zal sorteeren" (liever: volkomen gevolg zal hebben),
dan wordt daarmede meteen de verzwakking, welke het vonnis in
zijne uitvoerbaarheid onderging, weggenomen.
Wanneer slechts gedeeltelijk van een vonnis werd geappelleerd, is
het oordeel des hoogeren rechters beperkt tot dat gedeelte van het
vonnis, waarvan hooger beroep werd ingesteld, maar ook daar waar
het hooger beroep onbeperkt werd ingesteld, kan de hoogere rechter
het vonnis op enkele punten bevestigen, op andere verbeteren. Bij
een gedeeltelijk appèl staat de daaruit volgende berusting in het
overige gedeelte aan het oordeel van den hoogeren rechter hierover
in den weg.
Het vonnis in hooger beroep kan in het bijzonder eene uitspraak
bevatten, waarbij de rechter, hetzij ambtshalve, hetzij op de vorde-
ring van de partij, de berechting van de hoofdzaak tot zich trekt,
indien een interlocutoir vonnis of een vonnis op een incident bekrach-
tigd of ook vernietigd wordt naar de bepalingen van artt. 355,
357 en 358, of ook, waarbij de hoogere rechter de zaak naar den
lageren rechter verwijst. Zie hierboven § 162 onder E bl. 131.
15
v
-ocr page 244-
226 HOOI\'DST. IX. AFD. II. HOOOEK BKROKI\'. TIT. IV. BESLISSING.
§ 170. BIJZONDERE PUNTEN.
Twee bijzondere punten van den inhoud van het vonnis, nl. de
uitvoerbaarverklaring van het vonnis bij voorraad en de uitspraak
over de kosten, behandelde ik in Dl. II § 73 en 74, aan het laatste
onderwerp, in § 75, het armenrecht vastknoopende.
Over een en ander een enkel woord in deze §.
Uit.voerbaar- I. De bepalingen omtrent de gevallen waarin de uitvoer baarver-
yerklaring bij , . .
                  ,             ....                     ,                .                   .
voonaad. klaring van de vonnissen by voorraad moet of mag worden
uitgesproken, zijn ook op de vonnissen in hooger beroep gewezen van
toepassing, aangezien ook het beroep in cassatie de uitvoering van het
in hooger beroep gewezen vonnis schorst. Art 398 § 3.
Artt. 52 en 53, ofschoon in den algemeenen titel, in de afdeeling,
„van de vonnissen in het algemeen opgenomen", zijn, blijkens den
aanhef van die bepalingen, alleen op de vonnissen in eersten aanleg
van toepassing, daar zij alleen het bevel van voorloopige tenuitvoer-
legging kennen, niettegenstaande verzet of hooger beroep. Men was
het bij de vaststelling dier bepalingen nog niet eens, of ook aan het
beroep in cassatie een schorsende macht zou worden toegekend. Dit
punt werd bij de behandeling van de procedure in cassatie beslist en
zoo bevat dan het eerste artikel van den daartoe betrekkelijken titel een
voorschrift voor den rechter in eersten aanleg in het hoogste ressort
rechtsprekende en voor den rechter in hooger beroep om, overeenkomstig
de artt. 52 en 53, hunne vonnissen of arresten voorloopig uitvoer-
baar te verklaren, terwijl, zonder dat bevel, het beroep in cassatie
dat er tegen wordt ingesteld eene schorsende kracht heeft. De Hooge
Raad kan niet, als de rechter in hooger beroep, het ten onrechte niet
bij voorraad uitvoerbaar verklaarde vonnis alsnog bij voorraad uit-
voerbaar verklaren, omdat art. 398 § 4 uitdrukkelijk de schorsende
kracht beperkt tot de gevallen waarin de rechter, d. i. de rechter
die in het hoogste ressort rechtsprak, de voorloopige tenuitvoerleg-
ging heeft bevolen, en dan ook art. 351 niet toepasselijk verklaard
is. Daarin ligt dan zeker de middenweg waarop de Heer de Jonue
doelde bij de beraadslagingen. Verslag der Handelingen 1836/1837 I,
bl. 111. Mocht evenwel de tenuitvoerlegging bij voorraad bevolen zijn,
buiten de gevallen bij de wet bepaald, dan kan dit een grond tot
cassatie opleveren en dan zal, opdat dit middel gevolg kunne hebben,
-ocr page 245-
§ 170. BIJZONDERE PUSTKN.
227
art. 352, ofschoon het in cassatie evenmin als art. 351 toepasselijk
werd verklaard, bij analogie toegepast kunnen worden. De discussie
over de vraag of eene voorloopige tenuitvoerlegging niettegenstaande
cassatie moet toegelaten worden, m. a w. of het beroep in cassatie
eene schorsende kracht zou hebben, zie bij v. d. Honebt op § 398
en in Verslag der Handelingen der S.G. 1836—1837 I, bl. 101,
110, 111, 230, 237, 243, 247, 249, 257.
Wat de gevallen betreft waarin een vonnis bij voorraad uitvoer-
baar kan worden verklaard en de in de daartoe betrekkelijke bepalingen
gebrachte wijzigingen, bevat die van art. 52 in n°. 2 opgenomen,
zeker eene verduidelijking van de oude wet. Zij stemt overeen met
den zin, welken ik meende aan de oude bepaling te moeten geven,
maar welks betwistbaarheid niet kan worden ontkend. Dl. II, bl. 225
3e ed. Min correct beriep ik mij daar op het „wie zwijgt waar
spreken plicht was." Beter is het in dergelijke gevallen te zeggen,
dat de rechter het stuk als erkend behandelt omdat de gedaagde
het geschrift niet ontkende en dat alleen in die ontkentenis voor den
eischer aanleiding zou bestaan om het bewijs der echtheid te leveren.
Wat de wijziging in art. 53 onder n°. 7 aangaat, verwijs ik naar
§ 164 sub 1. Overigens kan ik, wat het onderwerp der tenuitvoer-
legging bij voorraad betreft, mij bepalen tot hetgeen ik daarover in
Dl. II, § 73 heb gezegd.
II. De bepalingen omtrent de uitspraak over de kosten zijn in alle Uitspraak
over d.6
instantiën toepasselijk, daarom terecht in den algemeeneu titel opgenomen. kosten.
Voor de toepassing dier bepalingen (art. 56 en 57), welke bij de
herziening van 1896 geene verandering hebben ondergaan, verwijs
ik naar Dl. II § 74.
Ook zijn de bepalingen omtrent het armenrecht, in de 10de afd. van
tit. VI van het IIIe Boek van het wetboek voorkomende, op de recht-
spraak bij alle gerechten toepasselijk.
Hierbij heb ik slechts te wijzen op de bepalingen, welke sedert
de laatste uitgave van het IIe Dl. van dit werk verandering hebben
ondergaan, daar overigens de inhoud van § 75 ook voor het hooger beroep
kan worden geraadpleegd. Het is toch uit den geheelen inhoud van de
aangehaalde 10e afd. van tit. VI duidelijk, dat de rechter het armen-
-ocr page 246-
228           HOOFDST. IX. AFD. II. HOOGER BEROEP. TIT. IV. BESLISSING.
recht slechts toestaat of weigert voor de instantie van het geding,
waarin hij de zaak te beoordeelen heeft. Al zoude men de woorden
van art. 855, waar het spreekt van de rechter, „bij wien het rechts-
geding (of geschil?) moet worden aangevangen of hangende is," in
dien zin kunnen duiden dat de rechter van den eersten aanleg voor
het geheele geding armenrecht verleent of weigert, omdat in het
hooger beroep en zelfs in de cassatie niet anders dan de voortzet-
ting van het in eersten aanleg aangevangen geding plaats heeft,
zoo moet toch de inhoud der geheele afdeeling, in verband met de
beperkte macht van ieder gerecht en de gronden waarop het armen-
recht wordt toegestaan of geweigerd, tot de onjuistheid dier letter-
lijke opvatting doen besluiten Het ware toch nauwlijks aan te nemen,
dat de wetgever zoo opzettelijk van Hof of rechtbank zou spreken,
indien de aanvraag om armenrecht alleen voor de exceptioneele ge-
vallen, dat de zaak in eersten aanleg bij Hof of Hoogen Raad diende,
bij een Hof (de Hooge Raad daaronder begrepen) zou kunnen voor-
komen, of dat de toelating tot kostelooze procedure niet zou kunnen
worden gevraagd, indien zij niet in eersten aanleg gevraagd ware.
Nog minder ware het aan te nemen, dat de lagere rechter zou be-
slissen over de bevoegdheid van partijen ook voor de verdere instan-
tiën van het geding, en dat de toelating of weigering van armenrecht
in eersten aanleg zou moeten doen aannemen, dat zij ook in later
instantiën toegelaten of geweigerd zou moeten worden, als stond ook
voor dien tijd het onvermogen of niet bestaan van onvermogen, de
ongegrondheid van vordering of verdediging vast! De letter van art.
872 vordert dan ook de gewraakte uitlegging geenszins. Want, al
wordt er van het rechtsgeding gesproken, het is hier vooral
om de aanwijzing van den rechter te doen en met deze kan, in het
verband waarin hier van hem gesproken wordt, geen andere bedoeld
zijn dan de rechter die, en voorzoover als hij het geding te behan-
delen heeft. Daarmede staat, dunkt mij, de uitsluiting van het hoo-
ger beroep van uitspraken over de toelating in art. 875 in verband.
Met opzicht tot de personen aan wie armenrecht ver-
leen d kan worden, neemt art. 14 van de internationale overeen-
komst van 14 November 1896, goedgekeurd bij de wet van 31 Dec.
1897 Stbl. n°. 2 75, het beginsel van gelijkstelling van vreemdelingen
met Nederlanders aan, natuurlijk voor die Staten alleen, welke tot
de overeenkomst zijn toegetreden. Ook vreemdelingen die hier geen
verblijf houden kunnen dus armenrecht bekomen. Maar in verband
-ocr page 247-
§ 170. BIJZONDEKE PUNTEN.
229
met gezegd artikel wordt nu bij een daartoe, onder dagteekening van
14 April ingediend voorstel van wet, aan art. 858 in verband met
art. 855 § 2 eene bepaling toegevoegd houdende de wijze waarop
van het onvermogen van den hier te lande geen woonplaats hebbenden
vreemdeling zal moeten blijken. Daartoe wordt dan verlangd een door
een Nederlandsch diplomatiek of consulair ambtenaar gelegaliseerd
bewijs, afgegeven door, of eene eveneens gelegaliseerde verklaring
afgelegd voor, de bevoegde autoriteiten van het land, waar de vreem-
deling zijne gewone verblijfplaats heeft of bij gebreke van dien wer-
kelijk verblijft." En als hij hier te lande verblijft zonder hier woon-
plaats te hebben ?
De omvang van het armenrecht werd bij de wet van 1896 uitge-
breid, in zoover als bij art. 872 in een tweede lid is bepaald dat
aan behoeftigen ook vergunning kan worden verleend tot het koste-
loos tenuitvoerleggen van rechterlijke beschikkingen en executee-
ren van gr ossen. Met deze laatste bepaling (over de rechterlijke
beschikkingen handel ik in Dl. II niet) wordt in verband met art. 431
en 436 bedoeld het tenuitvoerleggen van grossen van
vonnissen en authentieke akten. Bij deze aanvulling schijnt
uitsluitend op het belang van den onvermogende gelet en achtte
men zelfs het hooren van de wederpartij ongepast, omdat dit alweder
voor den onvermogende schadelijk zou kunnen werken. Dat er onder
de oude wet van eene vergunning tot kostelooze executie geen sprake
mocht zijn, is mij steeds onbetwistbaar voorgekomen. Ook meende ik
dat uit de vergunning om kosteloos te procedeeren niet voort-
vloeit het vonnis kosteloos ten uitvoer te leggen. Zie Dl. II, bl. 259,
3e ed. Wil men voortaan eene authentieke akte kosteloos tenuit-
voerleggen, dit zal niet anders dan met eene vergunning als in art.
872 § 2 bedoeld kunnen plaats hebben. Ook voor de kostelooze ten-
uitvoerlegging van een vonnis kan zeker volgens art. 872 § 2 ver-
gunning gevraagd worden. Maar is \'t noodig, als het vonnis op eene
toelating tot kosteloos procedeeren verkregen wordt ? Dit wordt door
het nieuwe artikel niet uitgemaakt.
-ocr page 248-
230
HOOFDST. IX. AKD. III. KEVI3IE.
AFDEELING III.
REVISIE.
Wetb. v. B. R. B. I, tit. VIII, artt. 359—375. W. 1830, artt. 299—
320. Verg. wetboek van 1799, tit. VIII, art. 315 vv. en de Instructie
voor de departementale Gerechtshoven art. 220 vv., Wetboek van
1809 artt. 917 vv.
§ 171. HET MIDDEL.
Revisie is het middel, waarmede, tot handhaving van het beginsel van
twee instantiën ten aanzien van arresten door den Hoogen Raad, het
Opperste Gerechtshof, in eersten aanleg gewezen, een, zoo goed als
kwaad nagemaakt, hooger beroep tegen die arresten gegeven wordt.
Tot het wezen van hooger beroep, zooals dit door onzen wetgever
werd opgevat en in toepassing gebracht, behoort, gelijk ons dit in
de vorige afdeeling is gebleken, een hernieuwd onderzoek van de
zaak bij eene beoordeeling daarvan door den hoogeren rechter. Daar-
door is het hooger beroep uitteraard niet toe te passen op arresten
van het Opperste Gerechtshof. Toch werd ook ten aanzien van
die arresten een herhaald onderzoek, als waartoe het hooger beroep
de gelegenheid geeft, wenschelijk geacht. Men kon, om bovenvermelde
reden, aan het daartoe strekkende middel den naam van hooger
beroep niet geven en koos dien van revisie. Aan dien naam
knoopte zich de herinnering vast aan een vroeger hier te lande
bekend rechtsmiddel, dat in zijn wezen echter geheel van het hooger
beroep onderscheiden was. Het vooroordeel uit dat woord revisie
geboren, gaf nu aanleiding tot de dwaling, dat ook nu de revisie in
zijn wezen van het hooger beroep moest verschillen en, om dit te
kunnen zeggen, stelde men zich niet tevreden daarmede dat de re-
visie niet bij een hoogeren rechter maar niet anders dan bij hetzelfde
rechterlijk college moest worden behandeld, maar dat het ook op
de oude revisie moest gelijken en daarom aan dezelfde rechters, die
in eersten aanleg hadden geoordeeld, na hun enkele andere te hebben
toegevoegd, moest worden opgedragen. Het wekt verbazing, hoe men
zich over dat wezen der revisie, als door dezelfde rechters te
beoordeelen, bij de beraadslagingen in de Tweede Kamer warm heeft
gemaakt en hoe men zelfs, om dit te verdedigen, het middel van
-ocr page 249-
§ 171. HET MIDDEL.                                              231
revisie, als ook naar zijn inhoud in wezen van het hooger beroep
onderscheiden, heeft voorgesteld. Dat daaruit eene hybridische in-
stelling moest voortkomen was te verwachten. Zeer juist merkte de
Regeering in de Memorie van Toelichting van haar voorstel tot her-
ziening van den achtsten titel (wet van 10 Mei 1837 n°. 32) op,
dat de wet op de R. O. niet bedoeld heeft de oude revisie in derzelver
geheele beteekenis .... maar eene revisie de plaats vervangende van
het hooger beroep in de gevallen waarin de toegang tot een hongeren
rechter niet mogelijk is." Maar zij moest in verband met de stem-
ming in de Kamer toch toegeven dal beoordeeling der zaak door
dezelfde rechters, met enkele adjunct-reviseurs, zooals die vroeger
heetten, tot het wezen der instelling behoorde, zóó zelfs dat zij
daarin herhaaldelijk het zwaartepunt legde. „De revisie is derhalve
ook nu in haar wezen onderscheiden van appèl; alle andere vragen
zijn van ondergeschikten aard."
Dat er toch aan dat wezenlijk onderscheid en dien ondergeschikten
aard van de andere vragen wat haperde, kon niet duidelijker blijken
dan uit hetgeen daar verder in de Memorie van Toelichting volgde:
„Men heeft begrepen dat, het voornaam kenmerk van onderscheid
tusschen appèl en revisie, het reviseeren namelijk der zaak door
dezelfde rechters, behoudende, de behandeling der in revisie ge-
brachte zaak voor het overige moest gelijk staan met die in het
gewone hooger beroep. Hieruit volgt dan van zelf, dat in de onder-
werpelijke revisie alle middelen kunnen worden gebezigd, waarvan
in het gewone hooger beroep mag worden gebruik gemaakt, en dat
met name nieuwe gronden en bewijzen zoowel feitelijk als rechterlijk
kunnen worden aangevoerd." De Regeering zag over het hoofd dat,
als het middel in zichzelf van het hooger beroep niet verschilde,
het ook voor zijne efficaciteit zooveel mogelijk aan het hooger beroep
had moeten worden gelijk gemaakt; dat zeker de opdracht aan een
hoogeren rechter hier niet mogelijk was; dat onze wet wel de
opdracht aan een hoogeren rechter tot het wezen van hooger beroep
had gemaakt, maar dat daaruit alleen volgt dat waar een hoogere
rechter ontbreekt, het middel niet meer den naam van hooger
beroep dragen kan. Zal het nu in zijn efficaciteit ook op het hooger
beroep gelijken, dan moeten zooveel mogelijk, andere rechters,
zij het uit hetzelfde college, met de revisie belast worden. Daaren-
tegen zeide de Regeering in hare Mem. v. Antw. bij v. d. Honert,
bl. 412 dat revisie een geheel ander middel is dan een appèl;
-ocr page 250-
HOOFDST. IX. APD. III. REVISIE.
232
dat het een herziening is eener uitspraak door dezelfde rechters.
Zij vergat dat zij de revisie dat karakter: als ware het daaraan
onafscheidelijk verbonden, gegeven had en deed alsof zij niet bemerkte
zich hier aan een schromelijke petitio principii schuldig te maken.
Maar deze beschouwing stemt overeen met de redenen die men aan-
voerde voor het forum privilegiatum van art. 87 (oud) R. O. waarbij
meer onoordeelkundige nabootsing van een oude instelling dan be-
ginsel valt op te merken. Verg. Dl. I, bl. 411.
Na de wet van 22 Juni 1893 n°. 93, waarbij art. 87 vau de wet
op de rechterlijke organisatie werd ingetrokken, is de rechtspraak van
den Hoogen Raad in den eersten aanleg beperkt geworden tot de geschillen
betreffende prijzen en buit die te water worden achterhaald en opge-
bracht, alsmede de geschillen welke deswege tusschen de nemers
onderling ontstaan. Art. 89 R. O.
Het belangrijkste deel van de rechtspraak des Hoogen Raads in
eersten aanleg betrof de in art. 87 der wet op de R. O. vermelde
rechtsvorderingen tegen den Koning en de leden van het Koninklijk
huis en tegen den Staat. Daarbij kon de revisie in toepassing komen
in zoover art. 360 B. R. deze toeliet. Want de opdracht van deze
gedingen bij de wet op de R. O. in eersten aanleg was daartoe
niet voldoende. De zaken werden voor revisie eerst vatbaar, wanneer
zij gelijk stonden met die, welke, voor de provinciale gerechtshoven
in eersten aanleg aangelegd zijnde, door dezelve niet in het hoogste
ressort zouden zijn beslist. Met de opheffing van de rechtspraak in
eersten aanleg door de Hoven, in zaken de provincie betreffende,
werd, bij de wet van 1876 n°. 86, bepaald dat revisie niet toegelaten
zou zijn, in die zaken, waarin, zoo zij voor den gewonen rechter
gebracht hadden kunnen worden, door dezen in het hoogste ressort
zou zijn beslist. Zoo was en bleef de toelating van revisie voor de
in art. 87 vermelde zaken afhankelijk van de bepalingen omtrent
het hooger beroep van de aan de rechtbanken ter kennisneming
opgedragen zaken overeenkomstig art. 53—55 R. 0.
• Ten aanzien van jurisdictiegeschillen, die ook bij den H.
Raad in eersten aanleg kunnen komen, is de al of niet-uitsluiting
der revisie aan twijfel onderhevig geworden door de bepaling van
art. 360, zooals die na de herziening van 1876 luidt. Mij komt
voor dat zij uitgesloten is. Zie Dl. I, bl. 413.
-ocr page 251-
§ 172. RECHTSPLEGING.                                           233
De vraag of revisie tegen eene uitspraak van den Hoogen Raad
betreffende rechtsweigering ware toegelaten, ook naar art. 846
weinig twijfelachtig, werd in ontkennenden zin uitgemaakt in het
straks aangehaalde art. 360 bij de herziening van 1876. En zoo
sluit ook art. 42 de revisie uit van eene uitspraak in zake van
wraking eens rechters, welke, naar aanleiding van art. 33, ook bij
den Hoogen Raad in eersten aanleg kan voorkomen.
Bij geschillen over prijzen en buit is de revisie op grond
van art. 360 afhankelijk van het bedrag der vordering. Of dit juist
gezien is, valt te betwijfelen. De wetgever van 1861 begreep het
anders. In de wet op de nieuwe rechterlijke inrichting van dat jaar
werd, bij art. 73, de revisie in alle gevallen toegelaten. Zij zou ook
in alle gevallen hier uitgesloten kunnen worden. Want de reden
waarom revisie werd noodig geacht, omdat anders de geprivilegieerde
vorderingen door dit privilegie eene instantie zouden missen, geldt
hier niet. Was bij die geprivilegieerde vorderingen de rechtspraak
van den Hoogen Raad eene exceptioneel e, hier hebben we met
eene b ij zondere rechtsmacht te doen. Die vorderingen in zake van
prijzen en buit behooren toch niet uit haren aard bij den gewonen
rechter. Zie Dl. I, bl. 412. Hoe dit zij, ik geloof in Dl. 1, bl. 414
met recht gezegd te hebben: „de intrekking van art. 87 zal ten
gevolge hebben dat het in zichzelf weinig deugdelijk middel van
revisie nagenoeg geheel buiten toepassing geraakt."
Het loont dan ook inderdaad de moeite niet om het rechtsmiddel
van revisie, dat zoo goed als niet in toepassing komt, aan een
behandeling in zijne bijzonderheden te onderwerpen. Gelezen zou
zeer zeker dit gedeelte van mijn werk niet worden. Ik bepaal mij tot
eene verklarende omschrijving der bepalingen van de wet.
§ 172. RECHTSPLEGING.
Van den eisch tot revisie wordt kennis genomen door den Hoogen r,         . „.
° Samenstelling
Raad. Hy is daarvoor samengesteld uit elf leden, de President of de van het
raadsheer die hem vervangt, hetzy Vice-president of oudste lid, daar- °° ege\'
onder begrepen. (Wanneer art. 78 Regl. I, a. h. e. bepaalt dat de Pre-
sident steeds in revisie het voorzitterschap bekleedt, dan slaat dit terug
op art. 77, hetwelk voorschrift dat de President in de eene, de Vice-
president in de andere kamer het voorzitterschap waarneemt en der-
-ocr page 252-
234
HOOFDST. IX. AFD. III. RKVISIE.
halve beide niet in dezelfde kamer zitten. In dien zin moet in revisie
altyd de President het voorzitterschap bekleeden, maar het is niet de
bedoeling, al ware deze geoorloofd, om aan art. 7 R. O. te derogeeren.
(Zie ook nog art. 368.) Die elf leden zijn de zeven leden welke van
de zaak in eersten aanleg hebben kennis genomen en de vier oudste
leden welke geen geldige reden van verhindering mochten hebben.
Mochten van de zeven een of meer door overlijden, wraking uit
eene oorzaak na het in eersten aanleg gewezen arrest ontstaan, of
eenige andere geldige reden verhinderd worden zitting te nemen, dan
worden de ontbrekenden door de oudste raadsheeren vervangen.
De partij welke in revisie wil komen moet, alvorens hare weder-
partij te doen dagvaarden, haar voornemen daartoe te kennen geven
in een aan den Hoogen Raad gericht verzoekschrift, waarbij zij bepaling
vraagt van eenen dag tegen welken zij, met inachtneming der termij-
nen voor de dagvaardingen voorgeschreven, de wederpartij kan doen
dagvaarden. Want voor de revisie zijn de gewone zittingen van den
Hoogen Raad niet bestemd en moet er gezorgd worden voor de samen-
stelling van het college op de straks vermelde wijze. Daarom kan er
ook in den door den Hoogen Raad aangewezen dag door den verweer-
der geen verandering worden gebracht en is het zg. recht van anti-
cipatie hier uitgesloten. Art. 362.
Verzoek-
schrift tot
dagvaarden.
Anticipatie
uitgesloten.
De dagvaarding in revisie behoeft evenmin als de dagvaarding in
hooger beroep de middelen te bevatten, behalve ten aanzien van eeue
nieuwe vordering welke zij mocht inhouden. Ook omtrent de afschriften
van stukken geldt wat daaromtrent voor de dagvaarding in hooger
beroep bepaald is. Art. 361 j°. 343.
Incidenteele revisie is evenals incidenteel beroep toegelaten. Art. 361
j°. 339.
Zonder
middelen.
v          ,          Bij de op het verzoekschrift zelf gestelde beschikking (eenvoudig
dingtalen,    appointement) benoemt de Hooge Raad twee raden-commissarissen ter
Raden-com-   wier overstaan de dingtalen, die anders ter terechtzitting van het col-
missanssen.   jege zoucieri worden genomen, govoerd moeten worden.
-ocr page 253-
§ 172. RECHTSPLEGING.                                          235
Voordat de dingtalen worden gevoerd, wordt door den verweerder Procureur-
procureur gesteld ter terechtzitting van raden-commissarissen overeen- s e ing"
komstig art. 137 jis. 365 en 364.
Die dingtalen bestaan in conclusiën als waarvan bij het rechtsgeding
in eersten aanleg in de artt. 140—143 gehandeld wordt. Ofschoon
met reden had kunnen verwacht worden dat de wetgever voor de
wisseling dezer dingtalen de bepaling van art 347 wilde in acht ge-
nomen hebben, dewyl hier ook in dit opzicht volkomen analogie met
het hooger beroep bestaat, zoo is deze bepaling evenwel door art. 364
buiten toepassing verklaard en moet volgens art. 365 het geding,
behoudens de gemaakte uitzonderingen, als in eersten aanleg behandeld
worden.
Waarin
bestaan de
dingtalen ?
Ook in revisie geldt de regel, dat de exceptiën met het antwoord
ten principale worden vereenigd en zal, alleen wanneer op de terecht-
zitting voor raden-commissarissen eeuig voorloopig verzoek wordt ge-
daan of eene exceptie wordt voorgesteld of eenig incident opkomt,
hetwelk eene rechterlijke beslissing vordert, zoodanig geschil voor
raden-commissarissen worden voldongen, terwijl partyen daarna tot het
houden der pleidooien naar de terechtzitting van het college worden
verwezen. Art. 366.
Voorloopige
verzoeken,
exceptiën,
incidenten.
Op dezelfde wy\'ze heeft het voldingen van de zaak ten principale, Hoofdzaak,
d.w.z. het wisselen der dingtalen of conclusiën op de hoofdzaak voor
raden-commissarissen, plaats. Art. 367.
Daar de dag, waarop partyen voor raden-commissarissen moeten ver- Geen jnscj,rj:_
schijnen, door den Hoogen Raad is bepaald en partyen verder door ving ter rolle.
raden-commissarissen naar de terechtzitting worden verwezen, heeft de
eischer aan het college geen kennis te geven, dat hy de zaak heeft
aangebracht en vervalt alzoo elke inschrijving ter rolle, al werd deze,
evenals de hier vervallende anticipatie, in art. 364 door de aanhaling
van art. 353 toepasselyk verklaard. Voor de zaken in revisie wordt
overigens een afzonderlijke rol gehouden. Art. 76 n°. 4 Regl. I.
-ocr page 254-
236
HOOFST. IX. AFD. III. REVISIE.
Conclusies Op de terechtzitting van het college, wordt vóór den aanvang der
"zitt/ne " Pleid°°ien> de slotsom der by raden-commissarissen genomen conclusiën
voorgedragen.
Raadsheer- Een der raden-commissarissen, te wier overstaan het geding gevoerd
rappoi en . jg^ geefl. daarvan een kort verslag. (Wanneer dit verslag datgene bevat
wat het behoort te bevatten, is de voorlezing van de slotsom der con-
clusiën die op zich zelve toch niets geeft, eene ijdele formaliteit welker
vervulling geschikt ware om stoornis in den gang der zaak te brengen
indien zij daartoe niet te kort duurde.) Art. 370.
Verstek.         Conclusiën tot verleenen van verstek worden voor raden-commissa-
rissen genomen, waarop de zaak door dezen naar de terechtzitting van
het college wordt verwezen, ten einde, nadat de verschenen partij
aldaar hare conclusie zal hebben voorgedragen en deze desnoods bij
pleidooi is toegelicht, door het college daarop uitspraak worde gedaan,
tenzij de wederpartij vóór die uitspraak alsnog verschijne, daarbij ge-
bruik makende van de bevoegdheid haar bij art. 89a toegekend.
De Hooge Raad doet geen uitspraak dat nadat het Openbaar Minis-
terie in zijne conclusie is gehoord. Art. 324 n°. 9.
Onbevoegd- Een geschil over onbevoegdheid van den eersten rechter is ook voor
heid. revisie vatbaar al was de zaak zelve dit niet. Art. 361 j°. 333.
Bij verstek Oordeelde de Hooge Raad in eersten aanleg by verstek, dan vervalt
Vin°revkie * ^et ""^del vau revisie voor den veroordeelden verweerder, doch de
oorspronkelijke eischer kan van het middel gebruik maken en dien-
tengevolge kan ook dan de bij verstek veroordeelde verweerder zyne
verdediging in revisie voordragen. Aan de van meer partijen achter-
geblevene party komt het middel van revisie toe onder de voorwaarde
by art. 335 § 2 gesteld. Art. 361 jo. 335.
Incidenteele ^en aanzien van preparatoire, interlocutoire en andere iucidenteele
vonnissen, vonnissen in eersten aanleg gewezen, gelden evenals voor de vonnissen,
waarbij eene provisie wordt toegestaan of geweigerd, de bepalingen
omtrent het hooger beroep van artt. 336 en 337. Art. 361.
-ocr page 255-
§ 172. RECHTSPLEGING.                                         237
De berusting in het vonnis brengt verval van revisie mede. Art. 361 Berusting,
jo. 334.
Ook de bepalingen omtrent de termijnen van hooger beroep moeten Termijnen.
by de revisie worden opgevolgd. Art. 361 jis 339 — 342.
Het instellen van een nieuwen eisch is in de revisie niet anders toe- Nieuwe
gelaten dan in hooger beroep; ook omtreut het inbrengen van nieuwe middelen,
weren gelden dezelfde bepalingen (art. 364 jis 348 en 349) en, terwijl
ook de revisie de tenuitvoerlegging schorst, indien niet het arrest in
eersten aanleg gewezen voorloopig uitvoerbaar werd verklaard (Art.
364 j" 350), zoo zijn ook de bepalingen omtrent eene ten onrechte
niet of wel uitgesproken tenuitvoerlegging bij voorraad iu revisie toe-
passelyk. Art. 364 j° 351, 353.
Behalve de inschrijving ter rolle vanwege den eischer, die om Incidenten,
bovenvermelde redenen in revisie niet te pas komt en de anticipatie
welke in art. 365 wordt uitgesloten, zijn de voorschriften omtrent de
in art. 353 vermelde procureurstelliug en de daar verder vermelde
incidenten in revisie van toepassing als in hooger beroep. Art. 364
art. 353.
De ruime toepassing van de devolutieve kracht van het hooger Devolntie.
beroep, welke in de artt. 355—358 wordt toegepast (zie daarover
hierboven bl. 127) geldt ook bij de revisie. De artt. 355 en 357 zijn
ook daarbij toepasselijk, terwijl de toepassing der devolutieve kracht
nog ruimer wordt gemaakt, doordien de Hooge Raad in revisie een
interlocutoir of eene onbevoegdverklaring te niet doende, de zaak altijd
moet tot zich trekken en op de hoofdzaak rechtspreken.
Ten aanzien van den inhoud van het vonnis verwijs ik naar § 169
en 170. Van tenuitvoerlegging by voorraad kan natuurlijk geen sprake
zijn met opzicht tot een in revisie gewezen arrest. Want daartegen
staat geen middel open. Zie art. 94 R. O.
-ocr page 256-
238                    HOOFDST. IX. AFD. IV, BEROEP IN CASSATIE.
AF-DEELING IV.
BEROEP IN CASSATIE.
Wet Rechterlijke Organisatie artt. 95-107; Wetb. v. Burg. Rechtsv.
B. I, tit. XI, artt. 398—419; wet van 26 Juni 1876, no. 124; art. 76,
wet 7 Juli 1896 a°. 103. Verg. Ontwerp 1865, B. III, tit. II, art.
1—29.
§ 173. INLEIDING.
De wetgever regelt het beroep in cassatie in het Wetboek v. B. R.
bij de rechtsmiddelen, welke tegen vonnissen gegeven worden, in de
laatste plaats. Waarschijnlijk omdat het wetboek, in vergelijking met
den C. de pr. met de regeling van het middel werd aangevuld, komt
het achteraan. De revisie, ofschoon ook niet in den Code voorko-
mende, was te nauw aan het hooger beroep verwant om hare rege-
ling niet onmiddellijk met de regeling daarvan in verband-te bren-
gen, maar de cassatie, nu zij in meer dan één opzicht het karakter
van een derde instantie heeft gekregen, sluit zich te nauw aan het
hooger beroep aan om haar daarvan af te scheiden, door de zoo
geheel eigenaardige middelen van het derde verzet en request-civiel.
De wetgever spreekt ook in het opschrift van den elfden titel niet
van het rechtsgeding in cassatie, maar van de wijze van procedeeren
in cassatie. Dat sluit zich nu onmiddellijk aan bij het opschrift van
het Ie boek en bij die van den eersten en tweeden titel; toch komt
mij rechtsgeding beter voor, omdat het ruimer is, en niet uit-
sluitend op handelingen en formaliteiten wijst, maar ook voorschrif-
ten van materieel procesrecht in zich sluit. Nu is het duidelijk dat,
ofschoon de voornaamste bepalingen betreffende het rechtsmiddel van
cassatie, in tegenstelling van de wijze van rechtspleging in engeren
zin, in de wet op de R. O. worden aangetroffen, toch ook in dezen
titel, evenals in die betreffende het hooger beroep, bepalingen voor-
komen betrekkelijk tot de zaken aan cassatie onderworpen
en betreffende den termijn, welke in den VIIen titel in afzonder-
lijke afdeelingen worden geregeld, terwijl daar aan de wijze van
rechtspleging eene eigene afdeeling wordt gewijd.
Veel wat tot het karakter van het rechtsmiddel behoort heb ik
in Dl. I, bij de bespreking van de verhouding tusschen de gerechten
-ocr page 257-
239
§ 173. INLEIDING.
en van de taak aan den Hoogen Raad als opperste Gerechtshof op-
gedragen, in § 16, bl. 129 —133, aangegeven. Ook behoort daartoe
de behandeling van de gronden van cassatie volgens de wet op de
R. 0., waarin die gronden, als nader des H. Raads bevoegdheid in
dezen bepalende, tevens zijn opgenomen. Zoo besprak ik die bij de uit-
eenzetting van de volstrekte bevoegdheid van den H. Raad in Dl. I,
§ 46, bl. 401. Ook de gevolgen van de cassatie werden daar be-
handeld, bl. 408, daar ook deze, als den werkkring van den H.
Raad nader omschrijvende, in de Wet op de R. O. zijn opgenomen.
Dit neemt niet weg, dat, ook bij de behandeling van het r e c h t s-
g e ding, nog op meer dan een punt het rechtsmiddel, zij het
dan tot aanvulling van het reeds in Dl. I daarvan gezegde, hier
naar aanleiding van bepalingen van het wetb. v. B. R., zal moeten
voorafgaan aan de ontwikkeling van de meer bepaaldelijk tot de
rechtspleging behoorende voorschriften.
Terwijl onze wetgever het rechtsmiddel aan de fransche wetgeving
ontleende, nam hij aanvankelijk ook ten aanzien van de rechtspleging
een voorbeeld aan de fransche wetgeving, welke verordeningen het
Reglement concernant la procédure au conseil du Roi
van 28 Juni 1738 (ook in de bekende uitgaven van de Codes op-
genomen) tot grondslag hebben, al week hij in menig opzicht van
den franschen wetgever af. Nog verder ging onze wetgever in dit
opzicht zijn eigen gang bij de wet van 26 Juni 1876 n°. 124,
welke belangrijke wijzigingen in de cassatie-procedure bracht, die
haar meer in overeenstemming brachten met de procedure in hoo-
ger beroep en die in eersten aanleg.
In 1876. Toen scheen de jaren lang gevoerde strijd over de
deugdelijkheid van het rechtsmiddel van cassatie in burgerlijke zaken,
welke mede de oorzaak was geweest, dat zoo menig ontwerp tot
invoering van een nieuwe rechterlijke inrichting mislukte, volstreden.
Het votum van de juristenvereeniging in hare eerste vergadering
tegen het cassatie-middel uitgebracht, deed zich nog wel gevoelen
in den tegenstand, welke de invoering van de wet op een nieuwe
rechterlijke inrichting van 1861 en 1870 ontmoette; ook had de
Minister Jolles in het door hem in 1871 aanhangig gemaakt ont-
werp, dat door zijn aftreden verviel, de cassatie wel laten varen en
had de Minister de Vbies niet dan een schaduw daarvan in zijn
ontwerp behouden. Doch het door laatstgenoemden Minister met groot
talent verdedigd Ontwerp werd niettemin verworpen. En de cassatie ?
-ocr page 258-
240 HOOÏDST. IX. AFD. IV. BEROEP IN CASSATIE. TIT. I. RECHTSMIDDEL.
Hoe fel zij was bestreden, hoe breed hare ondeugdelijkheid en onhoud-
baarheid waren uitgemeten, met hoeveel recht scheen te worden
beweerd dat de communis ICtorum opinio haar had veroordeeld,
„eppur si muove" en dat, tot op den huidigen dag ! Zeker maakt het een
zonderlingen indruk, wanneer men thans den aanhef leest van het Voor-
loopig Verslag der Tweede Kamer over het wetsontwerp tot wijziging van
de rechtspleging in cassatie (B ij b 1 a d, in de Bijlagen 1875—1876
nn. 29 bl. 1), waar te kennen wordt gegeven, dat het bij sommige
leden bevreemding had verwekt dat, terwijl de cassatie in beginsel door
de Tweede Kamer was veroordeeld, men de rechtspleging in cassatie
ging herzien, dat men toch verbetering kon goedkeuren, „om-
dat het middel althans in den eersten tijd behouden blijft." In
den eersten tijd! Men ziet, dat, waar het op herziening van de wet-
boeken aankomt, een kwart eeuw als een korte spanne tijds moet
beschouwd worden. En zouden er nog wel niet eenige jaren aan
dien eersten tijd worden toegevoegd ? Ook is het wel volkomen juist
dat de Tweede Kamer de cassatie in beginsel had veroordeeld, maar wie
kan zeggen of de stemming der Tweede Kamer sedert al of niet is
veranderd ? Het lichaam blijft, maar de personen die het samenstellen
wisselen en het zijn toch deze laatsten die de stemming van het
lichaam bepalen.
titel I.
HET RECHTSMIDDEL.
§ 174. VONNISSEN AAN CASSATIE ONDERWORPEN.
Welke?           Het zijn uitsluitend vonnissen in het hoogste ressort gewezen, waar-
tegen een beroep in cassatie kan worden ingesteld, doch ook deze zijn
niet altijd aan cassatie onderworpen. Uitgesloten is het beroep in cas-
satie vau de vonnissen der kantonrechters in de slotbepaling van art.
99 R. O., in verband met art. 333 B. R., vermeld en van vonnissen
over enkele in de wet vermelde zaken gewezen. Art. 95, 99 R. O.
art. 165 G. W. (1887).
Het rechtsmiddel van cassatie kan door partyen niet worden aange-
wend, zoolang er een ander middel voor haar openstaat, om hare be-
zwaren tegen een vonuis te doen herstellen, hetzij door denzelfden
-ocr page 259-
§ 174. VONNISSEN AAN CASSATIE ONDERWORPEN.                    241
rechter bij wien de zaak heeft gediend, hetzij in hooger beroep. Art.
103 E. O.
In verband hiermede gelden voor vonnissen bij verstek gewezen
bijzondere bepalingen. Zij die bij verstek zün veroordeeld kunnen tegen
het hen veroordeelend vonnis niet in cassatie komen. Hij die als eischer
een vonnis bij verstek verkreeg en daartegen bezwaar heeft, kan, wan-
neer dat vonnis in het hoogste ressort is gewezen, den eisch tot cas-
satie daarvan instellen tegen den oorspronkelijken verweerder alsof het
vonnis op tegenspraak gewezen ware. De verweerder kan dan eveneens
zijnerzijds een beroep in cassatie instellen en indien hij nog bevoegd
is tegen het bij verstek gewezen vonnis in verzet te komen, behoudt
hij dit recht, zoolang hij zich niet op den eisch in cassatie heeft inge-
laten. Maakt hij van het middel van verzet gebruik, dan vervalt het
rechtsgeding in cassatie, doch dit kan opnieuw worden aangelegd tegen
het vonnis dat op het verzet gewezen zal zijn. Artt. 403, 404, 405.
Wat betreft de vraag, welke vonnissen die, hoezeer in het hoogste
ressort gewezen, niet aan cassatie zijn onderworpen verwijs ik naar
Dl. I, bl. 405 en 406.
Het hoogste ressort slaat terug op de rechtspraak in eersten aanleg
waar het hooger beroep is uitgesloten en op die in hooger beroep
waar dit laatste middel is toegelaten. In het eerste geval wordt de
eerste aanleg meteen het hoogste ressort. Wij hebben hier dus te
doen met vonnissen die in eersten aanleg gewezen zijn en waartegen
de wet het hooger beroep niet toelaat, omdat den eersten rechter
daarover rechtsmacht in het hoogste ressort is opgedragen, en met
vonnissen welke in hooger beroep gewezen zijn. Want zoolang nog
een onderzoek * in hooger beroep is toegelaten, staan de feiten nog
niet vast, waarop de rechter het recht zal toepassen, en kan er dus
geen sprake van zijn om een oordeel van den rechter in cassatie uit
te lokken, op grond dat de wet zou zijn geschonden of verkeerd
toegepast, terwijl evenmin het gevolg, dat een verzuim der vormen
of eene overschrijding van rechtsmacht kan hebben, onherstelbaar is,
zoolang het middel van hooger beroep openstaat.
De wetgever bepaalt dienovereenkomstig in art. 103 R. O,, dat
partijen niet-ontvankelijk zijn om in cassatie te worden toegelaten,
zoolang de gewone wijze van procedeeren toereikende is om hare
bezwaren te doen herstellen, d. w. z., zoolang haar nog een ander
v                                                                                            16
-ocr page 260-
242 HO0FSST. IX. AFD. IV. BEROEP IN OASSATIE. TIT. I. RECHTSMIDDEL.
middel orn herstel te bekomen ten dienste staat, hetzij bij denzelfden
rechter bij wien de zaak heeft gediend, hetzij door middel van hoo-
ger beroep. Dat wil evenwel niet zeggen, dat zij in cassatie wel
ontvankelijk zijn, wanneer zij door eigen wil of schuld, bijv. door
berusting in een vonnis of door het laten verloopen van den termijn,
van verzet of hooger beroep verstoken zijn. Want in zoodanige ge-
gevallen sluit de wet evenzeer cassatie uit. Art. 398 en 399 j" 334,
en voor die gevallen is slechts de cassatie in het belang der wet
toegelaten. Art. 98 R. O.
De wetgever heeft zeker met de andere middelen die partijen ten
dienste staan, met wat hij de gewone wijze van procedeeren
noemt, bij denzelfden rechter, het oog op het middel van verzet tegen
vonnissen bij verstek gewezen. Derde verzet kan hier in \'t ge-
heel niet bedoeld zijn, omdat dit juist toegekend wordt aan hen die
geen partij geweest zijn bij het vonnis waartegen het wordt aange-
wend. Wat het middel van request civiel aangaat, van de daar-
voor toegelaten redenen, zouden, al zijn \'t slechts enkele, een grond
van cassatie tevens kunnen opleveren. Nu wordt door de bepaling
van art. 103 R. O. meteen uitgemaakt dat geen dezer redenen als
middelen van cassatie kunnen worden gebruikt. Ik ben het derhalve
wel eens met Oudeman II, bl. 68, dat cassatie niet is toegelaten
op een grond waarop request civiel kan worden ingesteld maar
niet om de daarvoor door hem aangevoerde reden, dat cassatie uit-
gesloten is, zoolang de gewone wijze van procedeeren toerei-
kende is om de bezwaren tegen het vonnis te doen herstellen, want,
request civiel valt buiten die gewone wijze van procedeeren. Maar
omdat request civiel een middel is van buitengewonen aard, dat op
bijzondere daaraan eigene gronden is toegekend en dat door die bij-
zondere gronden wordt gederogeerd aan de algemeene gronden waarop
cassatie is toegelaten. En dan zou ik er nog dezen grond willen
bijvoegen, aan het beginsel van art. 103 en het ook daarin gehuldigd
karakter van de cassatie ontleend, dat tot cassatie de toevlucht niet
moet worden genomen, op zoodanigen grond als waarop de rechter
die het vonnis wees, daarin nog verandering zou kunnen brengen.
Al kan nu een vonnis bij verstek niet in cassatie worden bestreden,
zoolang het middel van verzet daartegen nog openstaat, zoo eischte
toch de toepassing van de cassatie op verstekvonnissen eene nadere
regeling.
De bijzonderheid die zich bij verstekvonnissen voordoet zit hem
-ocr page 261-
§ 174. VONNISSKN AAN 0AS8ATIK OMDKEWOKPEN. 243
in den ook op de cassatie toepasselijk gemaakten regel: „contumax
non appellat." Evenmin als de bij verstek veroordeelde niet in
hooger beroep mag komen, zoolang hij niet door het middel van ver-
zet de zaak aan een herhaald onderzoek van den eersten rechter heeft
onderworpen, evenmin mag hij in cassatie komen, wanneer het vonnis
in eersten aanleg in het hoogste ressort werd gewezen. Voor hein,
veroordeelde, wordt dit vonnis aan een vonnis in het hoogste ressort
eerst gelijk, wanneer op het verzet is recht gedaan. Voor den eischer
daarentegen, die een vonnis bij verstek verkreeg doch daarbij geheel
of gedeeltelijk in het ongelijk werd gesteld, is het vonnis in het
hoogste ressort gewezen. Hij kan geen ander middel daartegen aan-
wenden dan het beroep in cassatie. Maar evenals in hooger beroep
zal dan de oorspronkelijke verweerder, indien de eischer slechts ge-
deeltelijk in het ongelijk werd gesteld, zijnerzijds tegen het hem
bezwarend vonnis incidenteel beroep in cassatie kunnen instellen.
Doch de verweerder verliest door het tegen het vonnis door den
eischer ingestelde beroep in cassatie het recht van verzet tegen dat
vonnis niet, indien het voor hem nog openstond. Dit is anders bij
het hooger beroep. Immers, wanneer degene die het vonnis bij verstek
verkreeg, daarvan in hooger beroep komt, kan de partij tegen wien
het verstek werd verleend, in hooger beroep alle zijne verdedigingen
doen gelden. Art. 335. Dit gaat in cassatie niet, omdat bij dit mid-
del het onderzoek des rechters tot het rechtspunt is bepaald. De
defaillant kan dus öf in verzet komen tegen het vonnis waarvan
nu cassatie wordt gevorderd, öf van het verzet afziende, den eisch
tot cassatie bestrijden en zelfs incidenteel beroep in cassatie instel-
len, indien hij het bij verstek gewezen vonnis, voorzoover het in zijn
nadeel gewezen werd, alleen op gronden die tot cassatie kunnen
leiden, en alzoo de door den eersten rechter aangenomen feiten
insgelijks aannemende, bestrijden wil.
Wij vinden alzoo hier een geval waarin incidenteel beroep kan te
pas komen; dit is evenwel in het algemeen aan eiken verweerder,
die zich ook door het vonnis bezwaard acht, toegekend evenals in
hooger beroep. Zie art 410 in verband met art. 339 § 2.
Wanneer een vonnis of arrest ingevolge art. 79 § 2 als op tegen- Als op tegen-
spraak gewezen wordt beschouwd en alzoo tegen dat vonnis door de sPraak gewe_
°                                         zen vonnissen.
achtergebleven partij geen verzet kan worden gedaan en het vonnis
in het hoogste ressort is gewezen, tengevolge waarvan het ook voor
-ocr page 262-
244        HOOFDST. IX. AKD. IV. BEROEP IN CASSATIE. TIT. I, RECHTSMIDDEL.
hooger beroep niet vatbaar is, staat het beroep ia cassatie open, zonder
dat vooraf aan het vonnis werd voldaan.
De bepaling van art. 335 § 2 is bij den elfden titel niet toepas-
selijk verklaard op het beroep in cassatie. Dat. dit laatste in het in
den tekst aangewezen geval niet is uitgesloten is duidelijk. Het
middel van verzet is uitgesloten (art. 79 § 2) en het gewezen vonnis
wordt beschouwd als op tegenspraak gewezen. Daaruit, volgt dat
hooger beroep is toegelaten en art. 335 § 2 had dit niet te bepalen.
Wel zou de singuliere bepaling van het slot van dat artikel eene
soort van straf op \'t verzuim stellende, niet gelden, als zij niet in
de wet ware opgenomen. Maar daarom is zij dan ook niet bij ana-
logie in cassatie toepasselijk, al is de wetgever door haar hier niet
op te nemen van inconsequentie niet vrij te pleiten. Verg. hierboven
bl. 100.
§ 175. VAN DE PARTIJEN.
Procureur- Behoudens de bevoegdheid aan den Procureur-generaal by den Hoogen
Raad toegekend om zich „in het belang der wet" in cassatie te voor-
zien, komt dit rechtsmiddel, evenals het hooger beroep en de revisie
Partijen bij uitsluitend toe aan hem die partij was bij het vonnis waartegen het
het vonnis
waarvan wordt aangevoerd. Het zal uit den aard der zaak de bij dat vonnis m
cassatie. net onge]jjk gestelde partij zijn, welke het beroep instelt. Art. 96 R. O.
Partijen worden in cassatie vertegenwoordigd door een advokaat by
den H. Raad Art. 406 § 3, 408.
Een beroep in cassatie kan tot een incidenteel beroep aanleiding
geven, evenals dit by het hooger beroep en de revisie kan voorkomen.
Art. 410.
Terwijl de wet op de R. O. in art. 90 omtrent de revisie niets
anders bepaalt dan dat de arresten van den H. Raad in eerste in-
stantie gewezen aan revisie onderhevig zullen zijn, overeenkomstig
de bepalingen van het wetboek van burgerlijke rechtpleging, moest
wel in de eerste plaats in dat wetboek aangewezen worden door wie
dat middel kan worden te werk gesteld en worden in art. 359
partijen (niet als bij het hooger beroep in art. 332 de partijen,
verg. hierboven bl. 44) als zoodanig aangewezen en daaruit vloeit
dan ook voort dat uitsluitend partijen de bevoegdheid hebben,
-ocr page 263-
§ 175. VAN DE PARTIJEN.                                       245
wat trouwens zoo in den aard der zaak ligt, dat het te verwonderen
is dat daarover zelfs nog werd gepleit.
Met opzicht tot de cassatie was de wetgever in art. 96 R. O. ex-
plicieter. Dewijl hij daar de bevoegdheid, welke hij aan den Procureur-
generaal bij den Hoogen Raad wilde toekennen moest regelen, moest
hij wel tegelijkertijd van de bevoegdheid van partijen melding maken.
Art. 96 R. O. bevat alzoo op dit punt eene opzettelijke bepaling,
volgens welke de eisch tot cassatie kan worden ingesteld, hetzij door
de partijen, hetzij ambtshalve door den Procureur-generaal. Vandaar
dat in het wetb. v. B. R. alleen behoefde bepaald te worden, hoe
partijen van het middel gebruik hebben te maken en van hare be-
voegdheid kon worden gezwegen.
De partij welke zich in cassatie beroept heet eischer in cas-
satie, degene tegen welke het beroep wordt ingesteld, pleegt ver-
weerder in cassatie genoemd te worden. Zie tit. XI passim. Een
enkele maal heet de eischer (zie art. 405) de beroeper. Ik vind
die benaming niet aanbevelenswaard.
De verweerder kan echter ook van zijne zijde in cassatie komen
waaruit een incidenteel beroep ontstaat en hij tevens incidenteel
eischer, de eischer tevens incidenteel verweerder in cas-
s a t i e wordt.
Partijen worden vertegenwoordigd door een advokaat bij den H.
Raad. Aanvankelijk bestond ook bij den H. Raad de zg. dubbele
rechtsbijstand en was de vertegenwoordiging aan procureurs, de bij-
stand voor de pleidooien aan advokaten opgedragen. Bevoegdheid
om te pleiten was voor de procureurs geheel uitgesloten. Bij de wet
van 1876, n°. 124, zijn de procureurs bij den H. Raad afgeschaft
en is de vertegenwoordiging in het geding voor de dingtalen aan de
advokaten opgedragen, die tevens de pleidooien houden. Zeker was
er voor de te verrichten processueele handelingen geen tweede prakti-
zijn noodig; eigenaardig procureurswerk valt er nagenoeg niet te
verrichten. Ook in Frankrijk en België heeft de wetgever dit vol-
doende geacht. Maar werd de vertegenwoordiging in het pro-
ces terecht aan alle bij den H. Raad ingeschreven advocaten, alleen
op grond van die inschrijving, toevertrouwd ? Verg. de rede van den
heer Ckemeks over het Ontw. 1876 in Handelingen Eerste Kamer
1875/1876 bl. 302. In Frankrijk en België begrijpt men dit anders.
Zeker is het gebleken dat de uitbreiding, welke aan deze toepassing
-ocr page 264-
246 HOOFDST. IX, AFD. IV. BBBOEP IN CASSATIE. ÏIT. I. RECHTSMIDDEL.
van de vertegenwoordiging later werd gegeven, door ze op die wijze
hij alle colleges dus te regelen en eiken waarborg ook voor materie.ele
betrouwbaarheid overbodig te achten, slecht heeft gewerkt. Dit neemt
niet weg dat naast den advocaat die de partij in cassatie vertegen-
woordigt, een ander als pleiter kan optreden. Doch de partij, die
zich aldus van twee advocaten bedient, behoudt de kosten van den
pleiter voor eigen rekening, art. 57 §3, 418 §2. Waar al zoo een
tweede advocaat naast den vertegenwoordiger optreedt wordt de
eerste wel als vertegenwoordiger, de tweede als advocaat
aangeduid. (Men zie bijv. deze aanduiding in het Weekblad van het
Recht.) Vertegenwoordiger is evenwel geene wettelijke bena-
ming. In de dingtalen kan die vertegenwoordiger niet anders dan
als advocaat worden aangewezen evenals dit geschiedt met de
procureurs bij de rechterlijke colleges en bij den H. Raad in
hooger beroep of in eersten aanleg rechtsprekende.
Met de afschaffing van de procureurs in het rechtsgeding in cas-
satie, zooals dit in den elfden titel geregeld is, vervalt ook van
zelf hunne tusschenkomst waar die in bijzondere gevallen in de wet
wordt voorgeschreven, zooals in art. 865. Zeker worden bijzondere
bepalingen, waarin voor bijzondere gevallen van een regel wordt
afgeweken, door afschaffing van de bepaling welke den regel bevat,
niet van zelf afgeschaft. Anders is het evenwel, wanneer de bijzon-
dere bepalingen, niet anders dan de toepassing van den regel
bevatten. De bezwaren door de Commissie van Rapporteurs omtrent
dit punt geopperd, bij de behandeling van het Ontwerp der wet van
1876, waren alzoo niet gegrond.
Formeel is dus geene der partijen bij het vonnis bevoegd om in
cassatie, hetzij als eischer, hetzij als verweerder op te treden zonder
door een advocaat vertegenwoordigd te zijn. Maar hoe is het met
den Procureur-generaal bij den H. Raad, als hij in het belang der
wet een beroep in cassatie instelt ? Ieder gevoelt dadelijk de dwaas-
heid van de onderstelling dat de wet hem door een advocaat ver-
tegenwoordigd zou willen zien. Immers is de taak aan den Procureur-
generaal in het bijzonder opgedragen, niet anders dan een uitvloeisel
van de bepaling van art. 4 R. O., waarbij het Openbaar Ministerie
bijzonderlijk belast wordt met de handhaving der wetten, en de
ambtenaren van het O. M. treden daarbij, behoudens de bepaling
van art. 5 R. 0., even zelfstandig op als de Procureur-generaal bij
-ocr page 265-
247
§ 175. VAN DE PARTIJEN.
den II. Raad. Even dwaas als eene vertegenwoordiging door een
advocaat voor den Procureur-generaal, even dwaas is m. i. de ver-
tegenwoordiging door een procureur bij de lagere rechterlijke colleges,
wanneer de ambtenaar van het O. M., krachtens zijn ambt als hoofd-
partij optreedt. Geen enkele van de redenen, waarop de verplichte
vertegenwoordiging van partijen in het geding berust, kan gelden voor
dergelijke vertegenwoordiging van den Ambtenaar van het O. M. De
letterknechtige uitlegging van art. 323 B. R., die ieder jurist en vooral
ieder lid van de staande magistratuur, als een ondragelijke dissonant
in de ooren moet klinken, kan het daaruit afgeleide gevoelen niet
goedmaken. Springt nu de ongerijmdheid op de meest ondragelijke
wijze in het oog, als men de uitlegging van art. 323 op den Pro-
cureur-generaal bij den H. Raad in het belang der wet optredende
toepast, — zal dan de door mij bestreden letterknechterij zich hier
redden met te beweren dat art. 323 onderstelt dat het Openbaar
Ministerie als hoofdp a r t ij werkzaam is en dat de Procureur-generaal
in het belang der wet optredende, geen partij is ? omdat het geding
in het belang der wet is een geding zonder partijen ? Wie ziet niet
de sophistiek van dergelijke redeneering? Maar deze uitvlucht kan
ten minste den wetgever vrij houden van den toeleg, dien men anders
bij hem zou moeten onderstellen, dat hij het hoogste rechterlijk college
en niet het minst den hoogstgeplaatsten ambtenaar in de staande
magistratuur een dwaas figuur zou hebben willen laten maken. Men
zie over de vertegenwoordiging van het O. M. in het geding eene
verhandeling van Mr. A. Tak in Themis 1897, hl. 323.
Is de formeele bevoegdheid om als partij in het geding op te treden,
behoudens de daarop gemaakte uitzonderingen, aan de vertegenwoor-
diging door een advocaat gebonden — de uitzonderingen welke daarop
in sommige gevallen bestaan (Zie Dl. I, bl. 186) gelden in cassatie
niet, — de materieele bevoegdheid tot het voeren van een geding
valt over \'t geheel met de handelingsbevoegdheid samen en zoo geldt
daaromtrent voor het voeren van een geding in cassatie hetzelfde,
wat ik bij het hooger beroep daarover schreef. Schorsing en hervat-
ting van het rechtsgeding in verband met die materieele bevoegdheid
is hier evenwel niet toepasselijk.
Het incidenteel beroep in cassatie komt evenals in hooger beroep
aan den verweerder toe die, dit spreekt wel van zelf, partij moet
-ocr page 266-
248         HOOFDST. IX. AFD. IV. BEROEP IN CASSATIE. TIT. I. RECHTSMIDDEL.
geweest zijn bij het vonnis of arrest, aangezien de eisch tot cassatie
tegen hem wordt ingesteld. Opmerking verdient dat deze bevoegd*
heid den verweerder eerst is toegekend bij de wet van 1876 n°. 124.
Niet dat den verweerder de bevoegdheid was ontzegd om ook zijner-
zijds een eisch tot cassatie in te stellen, doch hij moest dit doen bij
een zelfstandigen eisch, omdat hem de bevoegdheid tot een inciden-
teel beroep niet was toegekend. Maar daardoor verviel ook de alles-
zins billijke bepaling dat hij in beroep kan komen, ook indien de
termijn daarvoor verstreken was, dewijl hij het alleen deed, naar
aanleiding van het principaal beroep; voorts kon hem berusting in
het vonnis worden tegengeworpen, terwijl daarvan geen sprake zou
kunnen zijn, indien hij geweten had, wat hij niet kon weten, dat de tegen-
partij in cassatie zou komen. In ieder geval was er geen aannemelijke
reden te vinden om, wat de wetgever in dezen in het hooger beroep
had billijk geacht, in cassatie uit te sluiten, door het niet toe te laten.
Ook het Ontwerp van 1865 bevatte natuurlijk eene aanvulling van
het Wetb. van 1838 op dit punt. B. I. tit. VI, art. 11. Zie ook het
Ontw. 1855. Art. 410 bevat eene bepaling, die met art. 339 § 2
overeenstemt en, evenals dit laatste artikel, in § 3 bepaalt dat de
afstand van het principaal beroep het incidenteele niet doet vervallen.
Het verlies vau het Nederlanderschap kan ten gevolge hebben dat
Verlies van
Nedeil;inder- van een eischer in cassatie zekerheidstelling wordt gevorderd,
schap. Zeker-
hei ing.            Al is de oorspronkelijke verweerder, eischer wordende in cassatie,
tot zekerheidstelling niet gehouden en de verweerder in cassatie
daartoe evenmin gehouden, zelfs niet bij het instellen van een in-
cidenteel beroep, zoo zal toch hij, die in den loop der procedure het
Nederlanderschap verloor, terwijl hij als eischer het geding aanlegde,
nu vreemdeling geworden en als eischer in cassatie optredende, tot
zekerheidstelling kunnen worden aangesproken en alzoo de verplich-
ting daartoe ook voor het eerst nog in cassatie kunnen ontstaan.
Zie hierboven bl. 69. — Eerst bij de wet van 1876 n°. 124 werd in
het tegenwoordig art. 415 de voorziening omtrent de zekerheid-
stelling in cassatie gemaakt op \'t voorbeeld van het Ontwerp 1865,
artt. 17 en 18.
Voeging          ZÜ ^ie ^oor voegmg °f tusschenkomst als partij in een tusschen
of tusschen- anderen gevoerd geding zijn opgetreden, z^jn, evenals de tot vrijwaring
komst.
                                                    ,                           .                             .            ,
geroepenen tot het instellen van een eisch tot cassatie bevoegd.
-ocr page 267-
§ 176. BIJZONDEBE VEBEISCHTEN TOT HET BEROEP IN CASSATIE. 249
Zie hieromtrent wat ik schreef over de bevoegdheid der hier ver-
melde partijen om in hooger beroep te komen, bl. 69 vv.
§ 176. BIJZONDERE VEREISCHTEN TOT HET BEROEP IN CASSATIE.
Evenals het hooger beroep is het beroep in cassatie gebonden aan
een termijn, binnen welken het moet worden ingesteld en vervalt het
voor hem die in het vonnis berust.
De termijn, binnen welken het beroep in cassatie moet worden in- Termijn,
gesteld, is in den regel van drie maanden te rekenen van den dag
waarop het arrest of vonnis is uitgesproken.
De termijn komt alzoo met dien voor het hooger beroep toegestaan
overeen. Zoo wordt ook de termijn van cassatie verkort in de gevallen
waarin een korter termijn dan van drie maanden voor het hooger be-
roep is toegestaan, doch dan gesteld op het dubbele van dien termijn-
Zoo zal het beroep in cassatie van een arrest door een Hof op het
beroep tegen een uitspraak in kort geding gedurende tweemaal veer-
tien dagen openstaan. Art. 398.
Bij overlijden van eene in het hoogste ressort in het ongelijk ge-
stelde partij gedurende den loop van den termijn, kan het beroep in
cassatie door hare erfgenamen of rechtverkrijgenden nog worden inge-
steld binnen drie maanden, of binnen den korteren termijn voor het be-
roep toegestaan, na dat overlij den. Maken de erfgenamen van het recht
van beraad gebruik, dan hebben zij het beroep binnen ééne maand na
afloop van den daarvoor gestelden termijn in te stellen. Art. 399 j". 341.
De termijn is niet toepasselijk op het beroep dat incidenteel wordt
ingesteld. Art. 410 § 3.
Het beroep van een praeparatoir vonnis is afhankelijk van en ge-
bonden aan het beroep van het eindvonnis. De termijn van cassatie
wordt derhalve voor het praeparatoir vonnis die, welke voor het eind-
vonnis geldt. Art. 399 j°. 336.
Interlocutoire en incidenteele vonnissen hebben hun eigen termijn in
zoover als van deze in cassatie kan worden gekomen vóór dat het
eindvonnis werd gewezen. Dit vervalt door de verklaring des rechters,
dat het interlocutoir of incidenteel vonnis niet dan tegelijk met het
eindvonnis aan cassatie mag worden onderworpen. Wordt het beroep
met dat van het eindvonnis ingesteld, dan is het van den voor het
-ocr page 268-
250         HOOFDST. IX. AFD. IV. BEROKP IN CASSATIK, ÏIT. I. RECHTSMIDDEL.
eindvonnis geldenden termijn afhankelijk. Art. 399 j°. 337 § 2.
Het beroep in cassatie van een vonnis op eene provisioneele vorde-
ring gewezen, kan worden ingesteld, voor dat het eindvonnis is ge-
wezen, doch ook tegelijk met het beroep van dat eindvonnis. Art. 399
j°. 337 § 1.
Het beroep in cassatie is niet afhankelijk van een termijn die, als
bij het hooger beroep, moet verloopen zijn na de uitspraak van het
vonnis of arrest waartegen wordt opgekomen.
benut ing. Berusting in het vonnis of arrest in het hoogste ressort gewezen
maakt het beroep in cassatie niet-ontvankelijk, behalve voor de partij
die incidenteel cassatie eischt. Art. 410 § 3.
Wat den termijn betreft binnen welken het beroep in cassatie moet
worden ingesteld en de berekening van dien termijn, kan ik naar
het daaromtrent bij het hooger beroep gezegde verwijzen. Zie hier-
boven blz. 78 vv. Ook wees ik daar op de kortere termijnen in
bepaalde gevallen door de wet voorgeschreven, bl. 80. Dat die kor-
tere termijnen voor het beroep in cassatie worden verdubbeld, zal
wel daarin liggen, dat over het instellen van dit beroep veeltijds
correspondentie met een advocaat bij den H. Raad noodzakelijk is.
In verband daarmede is dan ook wellicht niet noodig geacht om
een termijn te bepalen, binnen welken de eisch in cassatie niet
mag worden ingesteld, daar deze toch, gelijk wij zagen, voor het
hooger beroep slechts is van acht dagen. Art. 342 is in den elfden
titel noch overgenomen, noch toepasselijk verklaard.
De bepalingen omtrent het beroep in cassatie van preparatoire,
interlocutoire, incidenteele vonnissen en vonnissen op provisiën zijn
dezelfde als in art. 336 en 337 voor het hooger beroep gemaakt Bij
art. 399 worden deze in cassatie toepasselijk verklaard. Zie bl. 84.
Ook wat de berusting betreft en de daarop gemaakte uitzondering
voor het incidenteel beroep in cassatie heb ik na het op blz. 94
gezegde, niets bijzonders op te merken.
Het verval van de cassatie door verloop van den termijn is als van
openbare orde ambtshalve door den rechter toe te passen. Arr. H. Raad
27 Nov. 1885 W. 5240 en de jurisprudentie van den H. Raad in
de conclusie van den toenm. adv. gen. Polis. Evenzoo 2 April 1886
W. 5289. Zie ook jurisprudentie van het Hof van Cassatie in Frankrijk
bij Dalloz v°. ordre public N°. 7.
-ocr page 269-
§ 177. HET INSTELLEN VAN DEN EISCH. DE DAGVAABDING.         251
TITEL II.
RECHTSPLEGING.
§ 177. HET INSTELLEN VAN DEN EISCH. DE DAGVAARDING.
Het beroep in cassatie wordt ingesteld bij eene dagvaarding, op
welker inhoud de algemeene bepaling van art. 5 van toepassing is,
behalve dat daarin, in plaats van „de middelen en het onderwerp van
den eisch met eene duidelijke en bepaalde conclusie", moet worden
opgenomen eene omschrijving der middelen van cassatie, met aanwij-
zing hetzy van de op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen,
welker inachtneming is verzuimd of van de wettelyke voorschriften
welke zyn geschonden of verkeerdelijk toegepast, hetzij van de over-
schryding van rechtsmacht met aanwijzing van de daartoe betrekkelyke
wetsbepalingen.
Voorts moet, op straffe van nietigheid, in het exploit van dagvaar-
ding een advocaat by den H. Raad worden aangewezen, die den eischer
in het geding zal vertegenwoordigen.
De eischer wordt geacht woonplaats te hebben gekozen bij dien
advocaat, tenzij in het exploit eene andere binnen de gemeente
\'s-Gravenhage gekozen woonplaats wordt aangewezen.
Het exploit van dagvaarding van een defaillant moet aan dezen
worden gedaan even als wanneer hij geen defaillant was geweest.
Maar bovendien moet daarvan aankondiging worden gedaan in een der
openbare dagbladen van de plaats waar de H. Raad zitting houdt en
van de plaats waar de rechter zitting houdt, die het vonnis, waarvan
in cassatie wordt gekomen, tegen den defaillant heeft gewezen. By
gebreke van zoodanig dagblad geschiedt de aankondiging in dat van
eene naby gelegen plaats. Art. 401.
Ofschoon de wetgever van 1838 bij de regeling van het oorspron-
kelijke fransche rechtsmiddel, de fransche instelling van de „chambre
des requêtes\' niet overnam, bleef hij toch zooveel mogelijk aan het
Reglement van 1738 getrouw en deed hij het beroep in cassatie
aanvangen met eene memorie waarin de middelen werden ontwik -
keld en die in "den vorm van een verzoekschrift bij den H. Raad
-ocr page 270-
252 HOOFDST. IX. kvii. IV. BEROEP IN CASSATIE. TIT. II. RECHTSPLEGING.
werd ingediend. De ondervinding der praktijk deed zien, dat hier
zonder afdoende reden was afgeweken van den in art. 1 gehuldigden
regel, volgens welken elke rechtsingang aanvangt met een dagvaar-
ding, en reeds in 1855 droeg de Minister van Justitie Donker
Curtius, vroeger advocaat van grooten naam bij den H. Raad,
e.ene vereenvoudiging van de cassatieprocedure voor, als, met den
bekwamen spoed welken bij onze wetgevende macht pleegt te worden
betracht, in 18 7 6 door den Minister van Lynden werd tot stand
gebracht, nadat zij intusschen eveneens in het Ontwerp van 1865
was opgenomen. De grondslag voor het geding werd dan gelegd door
die Memorie en het daarop insgelijks bij eene Memorie gegeven Ant-
woord. Deze Memories, welke, volgens de Memorie van Toelichting
van het in 1875 ingediende Ontwerp, dikwijls een zeer uitvoerige
ontwikkeling bevatten van de feiten en procedures en niet minder
uitgebreide betoogen van de rechtsvragen inhielden, waren voor toe-
lichting bij mondelinge voordracht weinig geëigend. Deze laatste kon
in niet veel anders bestaan dan dat daarbij in anderen vorm, dien
welken de mondelinge voordracht eischt, herhaald werd wat reeds
uitvoerig genoeg in schrift was uiteengezet. Terwijl nu ook in cas-
satie de vertegenwoordiging door procureurs uit de gewone proce-
dure was overgenomen, kwam men er gereedelijk toe door dezen
schriftelijke conclusiën ter rolle te doen nemen. Zoo hadden de pro-
cureurs op de rol ook nog iets anders te doen dan den advocaat bij
te staan en het pleidooi van dezen werd eigenaardiger aan eene
conclusie vastgeknoopt, terwijl dan de Memories „in den zak" konden
blijven. Nu waren die conclusiën wel eene loutere schepping der
praktijk, geheel buiten de wet en dus tegen de wet (*), maar de
„lijdelijkheid des rechters" deed hem ook hier lijdzaam toezien, en
de praktizijns hun gang laten gaan ten koste van de beurs der
justiciabelen. Opmerkelijk dat, om dit in het voorbijgaan op te
merken, de praktizijns bij sommige Hoven in appèl juist het omge-
keerde deden en dat zij na de wisseling van memories, als bij de
gewone behandeling was toegelaten, de conclusiën ter terechtzit-
ting, ofschoon uitdrukkelijk bij de wet voorgeschreven, achterwege
lieten. Deze werden wel vóór den aanvang der pleidooien gelezen,
(•) Dil bleek bij <le discussiüu over de wet van 1870 het algemeen gevoelen te zijn. Door den
heer van Rai\'PARD werd alleen nog gewezen op een zeker niet krachtig argument aan art. 40ti
(oud) ontleend, hetwelk voorschreef, dat de memorie vau cassatie moest inhouden „3o de voor
het hof te nemen conclusiën." Men zou zeggen dat zij dan ook aan die memories moesten ont-
leend worden.
-ocr page 271-
§ 177. HET INSTELLEN VAN DEN EISCH. DE DAGVAARDING.         253
maar, daar men niet anders dan de slotsom daarvan placht voor
te dragen, kon deze evengoed uit de Memorie gelezen worden. Het
is niet te ontkennen dat de praktijk in beide gevallen rationeeler
was dan de wet, maar de handelwijze was zuiver willekeurig en
als nu aan den rechter verboden wordt om de innerlijke waarde
of de billijkheid van de wet te beoordeelen, maar integendeel hem
wordt opgelegd, om de wet op te volgen, dan mogen nog minder
de praktizijns zich stellen boven de wet. Of zou hieruit niet vol-
gen, dat het in de rechtspleging gehuldigde beginsel van \'s rechters
lijdelijkheid binnen zekere grenzen is beperkt, van welke zijne
lijdzaamheid de overschrijding niet mag toelaten ? Doch dit in het
voorbijgaan. In cassatie hebben alzoo de indringsters, want zoo
mochten de conclusiën onder het wetb. van 1838 genoemd worden,
de Memories verdrongen, doch niet zonder er ééne, nl. die van eisch,
in den steek te laten. Toch wil het mij voorkomen en ik meen dat
er bij advocaten bij den H. Baad ook wel zoo over gedacht wordt,
dat de Memories uitnemend geëigend waren voor eene behoorlijk bere-
deneerde behandeling van eene rechtsvraag als waarop het in cassatie
alleen aankomt. Eene conclusie is daartoe al heel weinig geschikt,
tenzij zij in eene Memorie ontaarde. En nu moge een Memorie voor
mondelinge toelichting weinig geëigend zijn, het pleidooi behoefde
geen toelichting daarvan te zijn, maar eene mondelinge uiteenzetting
voor den rechter van hetgeen partijen onder elkander bij geschrifte
en ieder voor zich tot klaarheid hadden gebracht of trachten te
brengen. Doch de deugden van een stelsel schijnen dikwijls het
meest in het licht te komen, nadat het verlaten is.
Zoo vangt dan nu, sedert de invoering van de wet van 1876 ook
de rechtsgang in cassatie met eene dagvaarding aan. In onteigenings-
zaken, waarin gelijk wij weten eene verkorte procedure geldt, kon
men zeggen dat dit reeds bij art. 53 der wet van 1851 n°. 125
was ingevoerd.
Aangezien voor deze dagvaarding dezelfde vorm en dezelfde ver-
eischten als in eersten aanleg worden voorgeschreven, heb ik ten
aanzien van die onderscheidene punten, welke ik bij de behandeling
van het geding in eersten aanleg besprak, hier slechts enkele op-
merkingen te maken. Vooraf nog deze, dat het exploit in de bij
art. 401 aangewezen dagbladen moet worden aangekondigd, wanneer
de gedaagde bij het vonnis, waartegen de eisch tot cassatie werd
-ocr page 272-
254 HOOFDST. IX. AFD. IV. BEROEP IN CASSATIE. T1T. II. RECHTSPLEGING.
ingesteld, bij verstek werd veroordeeld. De eischer kan toch bij de
cassatie belang hebben, indien hij gedeeltelijk in het ongelijk gesteld
werd. Het is mogelijk dat het vonnis niet ter kennis van den defail-
lant is gekomen en zoo strekt die aankondiging om die kennis te
bevorderen en den gedaagde in de gelegenheid te stellen om alsnog
tegen het vonnis in verzet te komen of den eisch tot cassatie te
bestrijden. Art. 404.
A. Inhoud van de dagvaarding.
Het onderscheid in den materieelen inhoud, en de niet-toepasselijk-
heid van art. 5 no 3 vloeit uit den aard der zaak voort. Het geldt
hier niet als in eersten aanleg, de erkenning te vorderen van een
recht, welks bestaan uit bepaalde feiten, tengevolge van den daarop
toepasselijken rechtsregel, voortvloeit, waaruit volgt dat èn op die
feiten èn op den rechtsregel moet worden gewezen en eindelijk moet
worden aangetoond dat de toepassing van dien regel op de feiten
het bestaan van het beweerde recht rechtvaardigt, terwijl dan duide-
lijk en bepaald moet worden aangewezen, wat de gedaagde dienten-
gevolge aan den eischer te praesteeren heeft. Het beweren is hier,
dat de op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd,
of dat de rechter de feiten, welke hij als vaststaande aannam, niet
heeft onderworpen aan en beoordeeld naar die wettelijke voorschriften,
welke hij daarop had moeten toepassen of wel aan de wettelijke
voorschriften, welke hij daarop toepast, een verkeerden zin heeft toe-
gekend, of ook dat hij zich aan overschrijding van rechtsmacht
schuldig maakte. De eischer vordert alzoo vernietiging van het von-
nis, waarin aldus op de eene of andere wijze mocht zijn gehandeld
in strijd met de wet. Hij heeft die wetsbepaling in zijne dag-
vaarding aan te halen en het behoeft hem niet voorgeschreven te
worden, aan die gronden voor zijn eisch het onderwerp in eene dui-
delijke en bepaalde conclusie toe te voegen, omdat het vragen van
vernietiging van het door den lageren rechter gewezen vonnis of
arrest van zelf spreekt en daardoor niet ontbreken kan, terwijl ook
datgene wat de rechter in cassatie als gevolg van de vernietiging
heeft uit te spreken, hem door de wet in bijzonderheden is voor-
geschreven. Nu kan de eischer wel in zijn eisch die bepalingen
overschrijven en daarmede den rechter aanwijzen wat hij naar des
eischers inzien uit te spreken heeft, maar hij kan \'t ook laten en
aan zijne vordering tot vernietiging eenvoudig de algemeene clausule
-ocr page 273-
§ 177. HET INSTELLEN VAN DEN EISCH. DE DAGVAARDING.        255
verbinden, „met de gevolgen daarvan als naar de wet" of ook deze
weglaten. Want als er van eenige bepaling kan gezegd worden „haec
lex ad iudicem loquitur", dan geldt dit zeker van die voorschriften,
waarin de wetgever de gevolgen van de vernietiging van een rech-
terlijke uitspraak in cassatie aangeeft.
De wet spreekt in art. 406, van de middelen van cassatie. Ik
heb van de gronden gesproken èn hier èn bij de behandeling van
de daartoe betrekkelijke artikelen van de wet R. O. Ik gaf daaraan
de voorkeur omdat de eisch in cassatie zelf een rechts middel is
en ik dan van de middelen van het middel zou moeten spreken.
Maar ook omdat ik gronden juister acht, terwijl dan de redeneering
waarmede die gronden worden goedgemaakt en waarmede antwoord
wordt gegeven op de vraag, waarom het aangehaalde wettelijk
voorschrift is geschonden of verkeerd toegepast, de redenen voor
de juistheid van den aangevoerden grond aangeven. Maar gelijk van
middelen in art. 5 als van de rechtsfeiten, of wel den feitelijken
en rechtelijken grond van den eisch, wordt gesproken, zoo spreekt
ook art. 406 van de middelen voor de gronden van cassatie
De wetgever vertaalde het fransche moyens. Veel doet het overigens
niet af en of men hier gronden en middelen als synoniemen mag
beschouwen acht ik mij niet bevoegd uit te maken. In art. 409
(oud) werd gesproken van het bewijs der gronden van cassatie waar-
voor thans de feitelijke grondslag der middelen gele-
zen wordt.
De feitelijke grondslag der middelen beteekent hier de
feiten, waarop de wetsbepaling, waarvan schending beweerd wordt,
niet is toegepast of waarop wetsbepalingen verkeerd zijn toegepast.
Dit zijn de feiten, welke in het beklaagde arrest als vaststaande
zijn aangenomen en die alzoo ook alleen uit dit arrest of vonnis
kunnen blijken. Het bewijs hetwelk hier heet geleverd te worden, is
niet het bewijs dier feiten, maar het bewijs dat de lagere rechter
ze als vaststaande aannam. Dat kan wel niet anders dan door zijn
vonnis bewezen worden, waarin hij volgens art. 56 n°. 3 de gronden
zijner uitspraak wat de daadzaken betreft, afzonderlijk moet
opnemen. De feitelijke grondslag van het middel, dat bestaat in
schending of verkeerde toepassing der wet, is derhalve de feitelijke
grondslag van het bestreden vonnis. Van dezen behoefde men niet
te zeggen dat hjj alleen door het vonnis bewezen kan worden. Er
-ocr page 274-
256 HOOFDST. IX. AFD. IV. BEROEP IN CASSATIE. TIT. II. RECHTSPLEGING.
behoeft inderdaad van dezen feitelijken grondslag van het cassatie-
middel geen bewijs te worden geleverd. De beteekenis van de bepa-
ling kan geen andere zijn dan deze, dat alleen de feiten welke den
grondslag van het aangevallen arrest of vonnis uitmaken en daarin
zijn opgenomen (niet alzoo andere die in de stukken van het geding
mochten vermeld zijn) den feitelijken grondslag van het cassatie-
middel kunnen uitmaken. In tegenstelling hiermede kan van beweerde
verzuimen ook uit andere stukken blijken. En als de cassatie gegrond
is op onbevoegdheid of overschrijding van rechtsmacht dan ligt ook
weder het feit, dat de rechter, wiens onbevoegdheid men beweert of
die zijn macht zou hebben overschreden, \'t aangevallen vonnis of
arrest wees, van zelf in dat vonnis of arrest.
Terwijl ik voor de beteekenis van die gronden zelven verwijs naar
hetgeen ik daarover schreef in Dl. I, bl. 401 en vv., merk ik alleen
op 1°. dat over de eenigszins camaleontische beteekenis van o ver-
schrijding van rechtsmacht een van het mijne afwijkend
gevoelen wordt verdedigd door Mr. J. Th. F. van Delden, Acad.
proefschrift: Beschouwingen over het cassatiemiddel van overschrijding
van rechtsmacht Leiden, 1889 ; Garsonnet bespreekt dit onderwerp V,
§ 1111; 2° dat de H. Raad de cassatie niet toepasselijk acht op de Ned.
Indische wetgeving. Zie o.a. arr. 16 Oct. 1868, W. 3050, 29 Maart
1889, W. 5072. Mr. A. de Pinto besprak dit punt in W. 1640. Men
zie ook diens werk over de wet op de R. O., 2e druk, bl. 212 en 221.
Mr. Levy bracht het onderwerp ter sprake in de Tweede Kamer, de
jurisprudentie van den H. Raad bestrijdende, die m. i. evenwel terecht
werd in bescherming genomen door den Minister van Justitie, Mr.
S.midt, Handelingen Tweede Kamer 1892/93, bl. 492, 504. Mr.
Abendaxon refereert het twistpunt in zijn werk Publiek- en privaat-
rechtelijke verhoudingen tusschen Nederland en de Nederl. Koloniën.
Batavia, 1890, bl. 238 vv.
Opmerking verdient dat de wetgever in art. 406 voorschrijft dat
met name in de dagvaarding moeten worden aangewezen de wette-
lijke voorschriften, waarbij de verzuimde vormen zijn voorgeschreven,
of welke geschonden of verkeerd zijn toegepast en die tot de beweerde
overschrijding van rechtsmacht betrekkelijk zijn. Immers op andere dan
de vermelde kan door den H. Raad niet worden gelet. Zoo wordt ook
hier het „non ultra petita" toegepast. En terecht. Waar partijen klagen
te lijden onder schending der wet door den lageren rechter, moeten
zij weten aan te wijzen door de schending van welke wetsbepaling
-ocr page 275-
§ 177. HET INSTELLEN VAN DEN KISCH. DE DAGVAARDING.            257
zij lijden. Het ligt niet op den weg des rechters, nu eens de afwe-
ring van wetschending ook tot een belang van partijen is gemaakt,
haar op te dringen een lijden dat zij niet voelen en waarvan zij dan
ook geen redres verzochten. Het is ook duidelijk, waarom bij een
beweerd recht eene aanhaling van het bepaalde wetsartikel niet noo-
dig is en daarbij kan gelden het „curia ius novit", terwijl de wet-
schending die in cassatie wordt beweerd een feit is dat den rechter
door partijen moet worden aangewezen. Die artikelen moeten bij de
dagvaarding aangehaald worden en aangezien natuurlijk slechts ééne
dagvaarding wordt uitgebracht en deze zelfs niet door eene conclusie
wordt gevolgd, kan daarin ook geen verandering of aanvulling plaats
hebben. Meent de eischer zich vergist te hebben, hij kan daaraan niet
te genioet komen dan, door intrekking van de dagvaarding, afstand te
doen van den eisch zooals die werd ingesteld, en dit ook alleen zoo-
lang de stand van het geding dit toelaat. De bevoegdheid om afstand
van de instantie te doen kan moeilijk worden ontkend. Maar voor
het wanneer en hoe moet dan ook wel de 15e\' afd. van tit. III bij
analogie worden toegepast.
Volgens art. 407 (oud) moesten bij de memorie door den eischer
in te dienen, worden gevoegd: ln. de justificatoire bescheiden onder
inventaris, 3°. het beteekende afschrift of de authentieke expeditie
van het arrest of vonnis waartegen wordt opgekomen. Deze bepaling
is in 1876 vervallen en het schijnt wel dat daarvoor het „eenvoudig
en algemeen voorschrift van art. 413 (nieuw)" in de plaats is geko-
men, volgens hetwelk partijen gehouden zijn de stukken, waarop zij
zich beroepen, elkander over en weder mede te deelen in afschrift
of door nederlegging van de oorspronkelijke ter griffie. Zoo behoeft
dan geen afschrift van het vonnis bij de dagvaarding beteekend te worden
evenmin als een afschrift van de stukken, waarvan art. 409 spreekt.
Want de toelichting zegt, dat „art. 133 laatste lid en 143, die
ingevolge art. 343 ook in appèl niet gelden, in cassatie niet wel
toepasselijk kunnen worden verklaard." Deze reden is niet gegrond,
zelfs materieel onjuist. Want vooreerst is \'t niet te raden, waarom
art. 133 niet, wat betreft althans de eerste zinsnede van het laatste
lid, volgens welke de aanlegger bij het exploit moet overleggen af-
schrift van de stukken waarop de eisch gegrond is, zou kunnen
worden toegepast, en de eischer niet bij de dagvaarding zou kun-
nen overleggen een afschrift van het vonnis of van de stukken,
die in art. 409 met zoovele woorden als de stukken worden ge-
V
                                                                                                             17
-ocr page 276-
258        HOOPDST. IX. AFD. IV. BEROKP IN CASSATIE. TIT. II. RECHTSMIDDEL.
noemd, waardoor de grondslag van de middelen wordt bewezen.
Dat art. 343 dat art. 133 niet toepasselijk verklaart in appèl is
waar, maar zeer natuurlijk, daar de dagvaarding in appèl geen
middelen bevat en voor nieuwe middelen art. 133 wel degelijk geldt.
Art. 143 kon in art. 343 niet toepasselijk verklaard worden omdat
dit niet den eischer maar den verweerder geldt, maar de toe-
passelijkheid volgt uit art. 347. Hoe dit evenwel zij, het blijkt dat
het vonnis en de stukken bedoeld in art. 409 niet op de meest ra-
tioneele en eenvoudigste wijze tot stukken van het proces in cassatie
behoeven gemaakt te worden. Men kan ze ook bij eene afzonderlijke
akte doen beteekenen.
De vermelding van eischer en gedaagde of verweerder, zoo-
als de wet hem in den titel van cassatie noemt, heeft hier niets
bijzonders. Men lette op hetgeen ik met opzicht tot de partijen hier-
boven aanteekende en vergete niet dat, evenals in het hooger beroep
de partijen wel formeel hier de benaming van eischer en gedaagde
hebben, maar dat materieel eischer blijft die dit was in eersten
aanleg. De eischer is bovendien gehouden een advocaat bij den H.
Raad aan te wijzen, die hem in het geding zal vertegenwoordigen,
op straffe van nietigheid, zegt art. 410. De vertegenwoordiging der
partijen was historisch en door de daaromtrent gemaakte bepalingen,
zoo belichaamd in den procureur bij de lagere colleges, dat de
wetgever dit nergens met zoovele woorden zegt. Zoo kon hij in art.
133 aan den eischer opleggen om procureur te stellen want, dewijl
die procureur als de vertegenwoordiger van de partijen bekend stond,
beteekende dit niet anders dan een procureur ter vertegenwoordiging
aanwijzen. Dewijl die vertegenwoordiging evenwel in \'t gewoon geding
aan de advocaten niet is opgedragen, moesten zij, nl. de advocaten
bij den H. Raad, eerst tot vertegenwoordigers gestempeld worden.
Men zou het niet begrepen hebben, als de wetgever hier eenvoudig
gezegd had dat de eischer verplicht is advocaat te stellen. Nu
hij evenwel de advocaten tot vertegenwoordigers heeft gemaakt kan
men in cassatie zonder bezwaar van advocaat stellen en
advocaatstelling spreken.
De advocaten bij den H. Raad zijn die, welke ingeschreven zijn
bij den H. Raad en dientengevolge ook bij het Gerechtshof en bij
de Arrondissements-reehtbank te \'s Gravenhage de praktijk uitoefenen.
Zij behoeven daarom hun bestendig verblijf niet te hebben te s Gra-
venhage, mits zij binnen het arrondissement van dien naam woonplaats
-ocr page 277-
§ 177. HET INSTELLEN VAN DEN EISCH. DE DAGVAARDING.        259
hebben en, als zij geen vast verblijf in de gemeente \'s Gravenhage
hebben, aldaar woonplaats kiezen. Aan de woonplaats, of anders
aan de gekozene woonplaats, van den advocaat, wordt dan de eischer
in cassatie geacht voor het geding in cassatie zijne woonplaats te
hebben, als hij geen andere bij het exploit heeft aangegeven.
De aanwijzing van den bevoegden rechter baart hier geener-
lei moeilijkheid, daar de H. Raad met uitsluiting van alle anderen
van den eisch tot cassatie kennis neemt.
B. Termijnen.
Wat den tijd van verschijning betreft, zal op de dagen van de
terechtzittingen moeten worden gelet door den H. Raad bij bijzonder
reglement, krachts art. 88. Regl. I, vastgesteld. De termijn tusschen
den dag van dagvaarding en dien van verschijning in acht te nemen
zal allicht de verlengde termijn zijn bij art. 8 2* lid bedoeld, dewijl
de gedaagde niet gedagvaard wordt voor den rechter zijner woon-
plaats, maar voor den H. Raad en hij even goed ja zelfs nog eer
binnen het rechtsgebied van een ander gerechtshof dan juist dat
van het gerechtshof van \'s Gravenhage zal wonen. Toch kan ook hier
door den eischer verlof worden gevraagd om den gewonen termijn te
verkorten. Art. 7 § 2.
De bij de dagvaarding door den eischer gestelde termijn kan door
den verweerder verkort worden. Hij heeft daartoe den eischer, bij een
aan de door hem gekozen woonplaats beteekend exploit, tegen een
vroegeren dan in het exploit opgegeven rechtdag op te roepen. Art.
407. In de wet van 1896 n°. 203 werd deze bepaling behouden.
Kennelijk zag men in art. 136 niet eene algemeene bepaling en
achtte men het behoud van het voorschrift noodig, omdat men ver-
onderstelde dat door art. 133 het recht van anticipatie in cassatie
niet. zeker was. Zoo meende ook de wetgever van 1876 de toela-
ting daarvan in cassatie niet uit het toenmalig art. 344 te mogen
afleiden.
Waarom nu art. 407 bij de herziening van 1896 niet gewijzigd
noch aangevuld is in overeenstemming met het nieuw artikel 136,
blijkt niet. Dat het exploit van anticipatie eene advocaatstelling
moet bevatten is zeker rationeel, en dat den eischer ten minste vijf
dagen moeten gelaten worden is het niet minder. Tegen eene ana-
logische toepassing van lid 3 en 4 van art. 136 kan, behalve wat de
bedreigde nietigheden betreft, dunkt mij, geen bezwaar bestaan.
-ocr page 278-
260 HOOFDST. IX. APD. IV. BEROEP IN CASSATIE. TIT. II. RECHTSPLEGING.
C.  Nietigheid van de dagvaarding.
Al komt er in den elfden titel geene bepaling voor die, gelijk
art. 343 § 2 voor het hooger beroep doet, de bepalingen van de
zevende afdeeling van den eersten titel van het eerste Boek op het
beroep in cassatie toepasselijk verklaart, zoo gelden die bepalingen
hier van zelf, omdat de eerste titel van Boek I, voor de wijze van
procedeeren voor de kantongerechten, arrondissements-rechtbanken,
Hoven en den H. Raad algemeen geldende bepalingen bevat. Verg.
hierboven bl. 126. De nietigheid welke in art. 133 wordt gedreigd
is hier in art. 406 § 4 opgenomen.
D.  De beteekening geschiedt overeenkomstig de bepalingen van
Tit. I afd. 1, daar deze tot den vorm der dagvaarding behoort.
E. Gevolgen van de dagvaarding.
I.    Als een eerste gevolg van de dagvaarding mag hier herinnerd
worden dat, evenals door de dagvaarding in eersten aanleg de grond-
slag en de strekking van den eisch bepaald worden, hier de artikelen
worden aangewezen over welker schending of verkeerde toepassing de
strijd loopen zal.
Zie hierboven bl. 256.
II.    Het beroep in cassatie heeft, buiten de gevallen waarin de
rechter de voorloopige tenuitvoerlegging heeft bevolen, eene schorsende
kracht. Art. 398.
Ook heeft eene voorloopige tenuitvoerlegging plaats van incidenteele
en interlocutoire vonnissen, in zoover als zij het gevolg is van de ver-
klaring des rechters bij het vonnis gegeven, dat het beroep in cassatie
niet dan tegelijk met dat van het eindvonnis mag worden ingesteld.
Art. 399 j°. 337.
In het algemeen gelden alzoo op deze punten dezelfde bepalingen
als in hooger beroep. Ten aanzien van de voorloopige tenuitvoer-
legging valt nog op te merken dat, wanneer deze werd toege-
staan, de termijn van acht dagen gedurende welken het vonnis niet
mag worden tenuitvoergelegd, vervalt en evenzoo het verbod om
binnen dien termijn in hooger beroep te komen. Van dat verbod
-ocr page 279-
§ 177. HET INSTELLEN VAN DEN EISCH. DE DAGVAARDING.          261
(zie art. 342) is ten opzichte van het beroep in cassatie geen sprake
en er is dan ook geen termijn voor de tenuitvoerlegging van een
in het hoogste ressort gewezen vonnis gesteld wanneer er geen
voorloopige tenuitvoerlegging is toegelaten.
Dat de rechter in het hoogste ressort, waar hij verzuimde de
voorloopige tenuitvoerlegging te bevelen of deze niet verleend werd,
in gevallen waarin de wet ze toelaat, geene wijziging te dien op-
zichte in zijne uitspraak mag brengen, nadat die eens gewezen werd,
zal wel vaststaan. Maar dat de gedaagde in cassatie, evenals die in
hooger beroep, van den H. Raad zou mogen vorderen om alsnog die
tenuitvoerlegging bij voorraad te verleenen, kan niet worden toege-
laten, omdat art. 351 in cassatie niet toepasselijk is verklaard en
dat volgens art. 398 § 4 het beroep in cassatie alleen dan schor-
sende kracht heeft wanneer de rechter, d. i. hij die het vonnis in
het hoogste ressort wees, de vuorloopige tenuitvoerlegging niettegen-
staande cassatie, niet heeft bevolen. Heeft de rechter dit nagelaten,
niettegenstaande de voorloopige tenuitvoerlegging op grond van art.
52 was gevraagd, dan kan schending van dat artikel grond tot cas-
satie opleveren, die hier dan incidenteel zou moeten gevorderd wor-
den. In de gevallen van art. 53 vervalt een beroep in cassatie omdat
de toepassing van de voorloopige tenuitvoerlegging van het oordeel
des rechters in ieder bijzonder geval afhankelijk is gemaakt.
Met betrekking tot de voorloopige tenuitvoerlegging van inciden-
teele en interlocutoire vonnissen, in zoover deze het gevolg is van
de verklaring door den rechter bij zijn vonnis gegeven, dat daartegen
niet dan tegelijk met het beroep tegen het eindvonnis in cassatie
kon worden gekomen, kan ik, naar hetgeen ik daaromtrent bij de
behandeling van het hooger beroep opmerkte (zie hierboven bl. 127)
verwijzen. Want de bevoegdheid van den rechter in hooger beroep
volgt uit de bij art. 399 in cassatie toepasselijk verklaarde bepaling
van art. 337. De bevoegdheid aan den rechter in hooger beroep
gegeven ten aanzien van incidenteele en interlocutoire vonnissen
stelt het in zijne macht om te reageeren tegenover de bepaling der
wet, welke in het algemeen, en dus ook met opzicht tot de hier
besproken vonnissen, aan het beroep in cassatie eene schorsende
kracht toekent. Dit gevolg had het beroep in cassatie naar de fransche
wet niet en in het wetb. van 1830 was zij slechts voor sommige
zaken aangenomen; krachtig was de bestrijding toen zij bij de her-
ziening van 1837 werd voorgesteld. Zie dien strijd aangeteekend bij
-ocr page 280-
262 HÜOFDST. IX. AFD. IV. BEEUBP IN CASSATIE. TIÏ. II. RECHTSPLEGING.
v. d. Honert op § 398 en in de Handelingen der Stat. Gen. 1836
—37, I. bl. 101 — 110, Bijl. bl. 230, 237, 243, 247, 249, 250,
257, 264. Het voorname argument dat voor de schorsende kracht
werd aangevoerd, achtte men gelegen in het onderscheid tusschen
de cassatie naar de fransche wetgeving en naar de onze. Nu de
rechter in cassatie ook kan geroepen worden om de hoofdzaak te
beslissen en op die wijze de cassatie op eene derde instantie was
gaan gelijken, meende men dat zij ook in dit opzicht met het hooger
beroep gelijk gesteld moest worden. Ten onrechte m. i. Want of de
rechter in cassatie ook op de hoofdzaak recht doet, dan of hij
renvoyeert, in beide gevallen kan men zeggen dat een hoogere
rechter nog delibereert over den einduitslag van het geding en dan
zou ook aan het fransche middel van cassatie schorsende kracht
hebben moeten worden toegekend. Ook meende men de schorsende
kracht aan de cassatie te moeten toekennen, omdat „zonder dezelve
niet gemakkelijk de gewenschte eenheid in de jurisprudentie geboren
worden zal." Nu stelden de bestrijders van dit laatste argument
zich zeker te veel voor van de cassatie in het belang der wet, maar
zeker is het een ten onrechte door den wetgever ingenomen stand-
punt, wanneer hij om die eenheid in de wetgeving te bevorderen,
het verlengen der procedure bevordert en de kosten daarvan vermeer-
dert ten koste van de justiciabelen. M. i. plaatsten zich de bestrijders
op het juiste standpunt door te vragen, of die schorsende kracht hier
even goed als ten aanzien van hooger beroep was gerechtvaardigd.
De beperktheid en de aard der gronden waarop cassatie gevraagd
wordt, hebben ten gevolge, en de rechtspraak bevestigt dit, dat een
vonnis of arrest veel minder gevaar loopt in cassatie vernietigd te
worden dan in appèl. Daaruit volgt dat de schorsende kracht veel
minder noodzakelijk is en dientengevolge ook buiten de gevallen
waarin eene voorloopige tenuitvoerlegging kan of moet bevolen
worden, de uitvoering van het in \'t hoogste ressort gewezen vonnis,
niettegenstaande cassatie, in alle gevallen wel aan de kansberekening
van hem die het veroordeelend vonnis verkreeg, kon worden over-
gelaten. Dat alleen voor vonnissen betreffende den staat der perso-
nen de schorsende kracht werd voorgeschreven, zooals het Wetb. v.
1830 dit wilde, laat zich op goede gronden verdedigen. Al is daarbij
de kans van vernietiging even gering, de uitvoering aan het vonnis
gegeven, niettegenstaande cassatie en dus niettegenstaande de ver-
nietiging als mogelijk in uitzicht is gesteld, kon tot moeilijk her-
-ocr page 281-
§ 178. VËKWEREN EN VOLDINGEN.                               263
stelbaar nadeel aanleiding geven. Maar, terwijl dan nu het middel
schorsende kracht heeft, mag men dientengevolge niet verwachten,
dat door hem die den hem nadeeligen loop des rechts zooveel mo-
gelijk tracht op te houden, daarvan te gereeder gebruik zal worden
gemaakt, nu niet eens, als bij het appèl, een termijn is gesteld bin-
nen welken hij niet in cassatie komen mag, noch den verkrijger van
het hem voordeelig vonnis in hooger beroep is verboden binnen een
zekeren termijn niet tot tenuitvoerlegging over te gaan ? Staat toch
een en ander niet ook met de schorsende kracht van het appèl in
verband? Toch werd art. 342 niet in cassatie toepasselijk verklaard.
Bij de discussiën over de herziening in 1896 werd wel, bij de
schildering van het obstructionisme, de cassatie in rekening gebracht,
doch tot eene vermindering van deze obstructie geen voorstel gedaan.
Aanm. Van devolutie is bij het beroep in cassatie geen sprake.
Dit blijkt uit hetgeen ik straks opmerkte, dat het voorwerp van den
strijd wordt beperkt tot de wetsartikelen door den eischer, of door
den verweerder incidenteel, aangevoerd. Zelfs kan eene verbetering
van het vonnis of arrest ten aanzien van eene niet of ten onrechte
uitgesproken tenuitvoerlegging bij voorraad niet als in hooger be-
roep gevorderd worden.
§ 178. VEBWEEEN EN VOLDINGEN.
I. Voorbereidende handelingen.
De advocaat van den eischer, en bij anticipatie die van den verweerder inschrijving
draagt zorg dat de inschrijving op de rol plaats hebbe, niet later dan op e ro \'
den dag voordat de zaak moet dienen, en in zaken op korten termijn
zoo spoedig mogelijk. Art. 37, Regl. I.
Ofschoon de inschrijving der zaak op de rol een noodzakelijk
bestanddeel zij van het proces en zij daarom in 1896 in eersten aan-
leg bij art. 135 geregeld en bij art. 353 toepasselijk werd verklaard
in hooger beroep, is zij in den titel van cassatie ongeregeld gelaten.
Hier blijft alzoo art. 37 Regl. I van toepassing, al mag het eene
„inelegantia legis" genoemd worden, dat de wetgever zich de regeling
van hetzelfde onderwerp in sommige gevallen aantrekt en het daar-
door tot een onderwerp van wetgeving stempelt, en het in andere
gevallen aan regeling bij Koninklijk besluit overlaat. Dat wat het
-ocr page 282-
264 HOOFDST. IX. AFD. IV. BEROEP IN CASSATIE. TIT. II. RECHTSPLEGING.
reglement aan den procureur opdraagt, na de vervanging van den
procureur door een advocaat een plicht van dezen is geworden,
spreekt van zelf. Het is toch aan den vertegenwoordiger van
de partij dat de verplichting is opgelegd, en al verandert diens be-
naming, in werkelijkheid blijft, hij wat hij was. Hoe het bij anticipatie
moet gaan is twijfelachtig. Want het reglement voorziet daarin niet.
En indien er zich tusschen de werking van de wet van 1876 (art.
407) en de invoering van die van 1896, een geval van anticipatie
bij den H. Raad had voorgedaan, dan zou ik meenen dat het, naar
analogie van art. 37, voor de hand lag, dat de inschrijving dan
geschieden moest door de zorg van den advocaat des verweerders,
dewijl deze de vroegere behandeling en dus de oproeping van de zaak
op een vroegeren roldag verlangde. Liet hij dit na, de anticipatie
verviel en de oorspronkelijk in de dagvaarding aangewezen rechtdag
bleef behouden. Zal men nu deze analogische toepassing van het
Reglement nog volgen, of zal men de regeling bij de artt. 135, 136,
139 in 1896 in de wet gebracht, bij analogie in toepassing brengen ?
Want dat art. 37 Regl. hetwelk voor alle colleges is geschreven,
door de nieuwe regeling welke beperkt werd tot de Hoven en de
Rechtbanken, niet is afgeschaft ten aanzien van den H. Raad staat,
dunkt mij, vast. Er bestaat m. i. geen reden om aan de analogie van
de wet daarom de voorkeur te geven, omdat een wet hooger staat dan
een reglement. Want de wetgever heeft gewild, zoowel dat de Koning
het reglement zou uitvaardigen (art. 19 R. O.) als dat hij zelf alleen
het onderwerp regelde voor de Rechtbanken en de Hoven, en het
bij die gelegenheid voor den H. Raad niet wilde doen, althans dit
naliet. En wanneer hij het dan bij den H. Raad bij het oude heeft
willen laten blijven, dan schiet er niet anders dan het reglement en
zijne analogie over. Maar is het dan niet rationeel te noemen dat,
waar de wetgever zelf zijn eigen wil in geheel analoge gevallen
uitsprak, deze ook bij analogie in een bij een reglement geheel on-
volledig geregeld geval toetepassen ? Daartegenover staat weer: is
het rationeel dat de wetgever toen hij zelf aan \'t regelen ging ter
halverwege bleef staan, indien hij alle gevallen aan den nieuwen
regel onderworpen wilde hebben? Wij doen beter dan naar den wil
des wetgevers in dit bijzonder geval te zoeken, na te gaan of de bij
analogie toe te passen bepalingen, deze analogische toepassing ver-
dragen. Daaromtrent laat de bepaling van art. 37 geen twijfel over.
Anders is het met art. J36. De toepassing van het eerste lid wordt
-ocr page 283-
§ 178. VERWEREN EN VOLDINGEN.                               265
ten aanzien van hetgeen zij bijzonders bevat omtrent de procureur-
stelling door art. 408 in cassatie uitgesloten. Het tweede lid dat
eene nietigheid bedreigt is daarom voor analogische toepassing niet
vatbaar. De bevoegdheid aan den verweerder voor \'t geval van anti-
cipatie toegekend vervalt, omdat het juist de vraag is, of de eischer
wel verplicht is naar analogie van art. 135, en of niet de ver-
weerder naar analogie van art. 47 Regl. heeft te handelen. Het kan
door de niet-toepasselijkheid van art. 136 § 2 licht gebeuren dat de
eischer er zelfs den tijd niet voor heeft, en die bepaling wordt nog
bovendien door art. 407 uitgesloten.
De kwestie, welke zich hier over de analogische toepassing van
art. 37 of 135 vv. voordoet, moge tot de zoogenaamde aardige
kwesties behooren, de aardigheid is er af, wanneer men bedenkt, hoe
zij eenvoudig haar ontstaan daaraan te danken heeft dat de wetgever
zelf in plaats van orde te scheppen, verwarring deed ontstaan. De
gevolgen zullen zich echter wel niet in groote mate doen gevoelen,
daar \'t mij althans niet gebleken is, dat van de anticipatie een overdruk
gebruik in cassatie gemaakt wordt en in ieder geval de praktizijns
zich over de zaak wel zullen verstaan.
II De verweerder verschijnt ter terechtzitting door een advocaat, die Advocaat-
bij de oproeping der zaak verklaart zich voor hem advocaat te stellen. *e \'°|,Tar
Dit heeft ook dan plaats, wanneer de verweerder mocht hebben
gebruik gemaakt van zijne bevoegdheid om den termijn waarop hij
gedagvaard werd te verkorten, en dan op die vervroegde terechtzitting.
Van de door den advocaat afgelegde verklaring wordt aanteekening
gehouden op het audientieblad.
De verweerder wordt geacht woonplaats te hebben gekozen bij zijn
advocaat. Hij kan echter ook eene andere woonplaats, mits binnen de
gemeente \'s-öravenhage, in het audientieblad doen aanteekenen.
Het beginsel van verplichte vertegenwoordiging brengt mede dat
partijen bij den aanvang van het geding den vertegenwoordiger aan-
wijzen, die de tot het geding noodige handelingen zal verrichten.
Daarom moet de eischer zijn vertegenwoordiger aanwijzen bij de dag-
vaarding en de verweerder bij zijn eerste optreden. Naar de vroegere
procedure (1838) in eersten aanleg, in den regel bij procureursacte
vóór de zitting. Reeds in 1876 werd voor het cassatieproces, ofschoon
-ocr page 284-
266 HOOFDST. IX. AFD. IV. BESOEF IN CASSATIE. TIT. II. RECHTSPLEGING.
daarbij in hoofdzaak de eerste aanleg werd gevolgd, het stellen van
den advocaat door eene verklaring van dezen ter eerste terecht-
zitting voorgeschreven. En hoewel bij diezelfde gelegenheid de be-
voegdheid tot anticipatie werd gegeven, maakte men voor dit geval
geen uitzondering. Zoo liet de wet de vervroeging van den termijn
aan de partij zelve over voordat zij nog een advocaat gesteld had.
Kennelijk in strijd met het beginsel der vertegenwoordiging. Toen
dan ook in 1896 de procureurstelling ter eerste terechtzitting in
eersten aanleg (art. 135) en in hooger beroep (art. 353) werd voor-
geschreven, maakte men eene uitzondering voor het geval van ver-
korting van den termijn. In dit geval werd de procureurstelling bij
beteekende akte (de akte waarbij de verkorting van den termijn be-
teekend wordt) behouden. „Bij de eerste daad welke van den ver-
weerder uitgaat, moet, indien de procedure vóór (lees : voor) een
rechtscollege gevoerd wordt, zijn procureur namens hem optreden."
Dus terecht Hartogh en Cosman op art. 135. In den elfden titel
bleef evenwel de fout onverbeterd en nu meteen door den wetgever
zelven erkend dat hij in 1876 een fout beging. Eene acte van
advocaat tot advocaat laat ook zelfs de woorden van art. 407 niet
toe. Dat artikel spreekt ook van des eischers gekozene woonplaats,
waarschijnlijk omdat deze, naar luid van art. 406 § 5 wel eene
andere kan zijn, dan die van den advocaat. Doch, ofschoon dit ook
in eersten aanleg is toegelaten (art. 133 § 2), wil toch art. 136 de
acte van anticipatie aan den procureur des eischers beteekend
hebben. Eindelijk geeft art. 408 § 3 aan den verweerder in
cassatie ook de bevoegdheid om eene andere woonplaats te kiezen,
dan die zijns advocaats. Wellicht omdat de eischer gelijke bevoegd-
heid heeft. Maar in eersten aanleg is de verweerder aan de woon-
plaats van zijn procureur gebonden. Art. 137 § 3. „Varietas
delectat" zal men zeggen, maar de regeling van het proces en zijne
vormen beoogt geen vermakelijkheid en moet er ook geen aanleiding
toe geven.
Door de aanteekening op het audientieblad wordt de advocaat-
stelling des verweerders geconstateerd.
Moet ik nog aanteekenen dat de wetgever in 1876 in een aanval
van purisme van het zittingblad ging spreken, terwijl art. 137
van het audientieblad spreekt? Deze lezing van 1896 is de
orthodoxe. Volgens art. 64 Regl. I houdt de griffier het audien-
tieblad.
-ocr page 285-
267
§ 178. VERWEREN EN VOLDINGEN.
Het beginsel der verplichte vertegenwoordiging brengt mede dat de Verandering
eens gestelde advocaat de partij biyft vertegenwoordigen, zoolang deze advocaat,
geen ander advocaat bij den H. Raad als haar vertegenwoordiger heeft
aangewezen of de gestelde advocaat aan de wederpartij ter terecht-
zitting of by exploit heeft aangezegd, dat hij zich aan de verdere
behandeling der zaak onttrekt. Art. 417 § 2.
In deze bepaling wordt het voorschrift van art. 136 (thans 146)
voor de procedure in cassatie naar \'t schijnt, pasklaar gemaakt. Het
eerste gedeelte komt vrijwel met art. 146 overeen en het is duidelijk
dat wat daar uitdrukkelijk gezegd wordt, dat, zoolang geen ander
gesteld is en deze zich niet bij acte van procureur tot procureur
aan de wederpartij heeft doen kennen, het rechtsgeding op naam van
den eerstgestelden blijft voortgaan, ook hier moet gelden. In het
blijven vertegenwoordigen van art. 417 ligt wel opgesloten
dat de wederpartij zich aan den eerst opgetredene moet houden Maar
hoe moet nu de a a n w ij z i n g van den vervanger geschieden ? In
eersten aanleg was vroeger eene procureursacte daarvoor als vanzelf
aangewezen, maar nu de advocaatstelling op de terechtzitting moet
plaats hebben, kan de aanwijzing natuurlijk niet door de partij in
persoon geschieden, want deze heeft op de terechtzitting niets te
zeggen en zoo moet het dan wel geschieden gelijk art. 417 § 2 dat
aanwijst bij aan de wederpartij beteekend exploit. Bit exploit van
aanzegging zal dan vanwege de partij die haren advocaat herriep,
aan de wederpartij te harer gekozen woonplaats moeten worden be-
teekend.
Wanneer een advocaat zich aan de verdere behandeling van de
zaak onttrekt, dan zal hij dit aan de wederpartij kunnen aanzeggen
ter terechtzitting of haar dit bij beteekend exploit doen weten. In
verband met die aanzegging ter terechtzitting, welke natuurlijk aan
den advocaat der tegenpartij geschiedt, zal het exploit wel aan den
advocaat der wederpartij moeten worden beteekend. In eersten aanleg
is dit geval niet voorzien. Nu ligt het wel voor de hand dat een
advocaat die zijn dienst opzegt, dit zal moeten doen aan de partij
die hij vertegenwoordigt, ten einde deze in de gelegenheid te stellen
hare zaak aan een ander op te dragen en dit aan de wederpartij
te doen weten. Doch de advocaat die zich aan de zaak onttrekt,
kan niet gehouden zijn, desniettemin voor de partij te occupeeren,
-ocr page 286-
268 HOOFDST. IX. AFD. IV. BEROEP IN CASSATIE. TIT. II. RECHTSPLEGING.
of althans als de advocaat van de partij door die wederpartij worden
beschouwd, wanneer zijne partij verzuimt, de noodige kennis aan de
wederpartij te geven. Vandaar de bevoegdheid van den advocaat om
bij beteekend exploit of bij aanzegging ter terechtzitting zijne ont-
trekking ter kennis van de wederpartij te brengen. Deed hij dit
zonder daarvan zijne partij in kennis te hebben gesteld, dit zal hij
tegenover deze hebben te verantwoorden.
Overlegging Kunnen de partijen niet anders dan door hen vertegenwoordigende
van volmacht
door ailvo- advocaten verschijnen, hun wordt de gelegenheid gegeven om zich te
vergewissen dat de optredende advocaat werkelijk van zijn cliënt last
bekomen heeft. Daartoe kan overlegging ter griffie of mededeeling in
afschrift worden gevorderd van de volmacht aan den bij de dagvaar-
ding door den eischer aangewezen of den op de eerste terechtzitting
voor den verweerder opgetreden advocaat. Art. 417 § 1.
Wordt de volmacht niet overgelegd dan blijft de advocaat niettemin
de partij vertegenwoordigen, zoolang deze geen ander heeft aangewezen
brj een aan de wederpartij beteekend exploit of hy zelf verklaard
heeft zich aan de zaak te onttrekken. Art. 417 § 2.
Het kan niet anders dan bevreemding wekken, dat hier, bepaaldelijk
in het cassatieproces, de bevoegdheid aan partijen wordt toegekend,
om overlegging van de op den als vertegenwoordiger optredenden
advocaat verstrekte volmacht te verlangen. Het schijnt vreemd dat
dit juist voor het cassatieproces werd voorgeschreven, toen men dit,
met opzicht tot de wijze van behandeling, aan de procedure voor de
andere gerechten en ook voor den H. Raad in eersten aanleg meer
gelijkvormig wilde maken, terwijl daar van het vragen naar eene
vojmacht geen sprake is. Ook het gevolg van het niet voldoen aan
het kenbaar gemaakt verlangen schijnt, vreemd. En zoo dringt de
vraag zich op: hoe kwam men daaraan en wat wil de wetgever er
mee?
Het denkbeeld moge zijne aanleiding vinden in het Ontwerp 1865 ;
daar werd de overlegging van volmacht den vertegenwoordigers van
partijen als eene verplichting opgelegd en was zij eene voorwaarde tot
hunne toelating als zoodanig. Dat is hier volstrekt het geval niet.
„Een terugkeer tot het oude stelsel der procuratio ad litem", zeide
de Memorie van Toelichting op art. 1 nieuw art. 406 al. 6, „wordt
-ocr page 287-
§ 178. VEKWEREN EN VOLDINGEN*.
269
niet beoogd; maar tot wering van mogelijke, hoezeer dan ook zeld-
zame misbruiken, is het noodig aan de wederpartij het recht te
geven om mededeeling van de volmacht te vragen." Veel verder
kwam men bij de schriftelijke gedachtenwisseling niet, en toen de
heer Godefroi, bij de beraadslaging over art. 417 (waar, in het
gewijzigd Ontwerp, de bepalingen omtrent dit punt, eerst in twee
artikelen voorkomende, waren opgenomen) er nader op aandrong dat
nadere voorschriften daaromtrent noodig waren, indien men de zaak
zelve wilde, antwoordde de Minister van Lyndkn : „het is eenvoudig
eene regeling van orde, die ik meende dat in dit wetsontwerp niet
ontbreken mocht, omdat, door het vervallen van het procuraat, de
officier ministeriel, in wiens ambt een waarborg is gelegen,
in het vervolg ontbreken zal." De Minister van Lynden bleef aan
deze meening getrouw, toen hij gelijke bepaling voorstelde bij art. 7
(nieuw art. 136) van het in Februari 1877 aanhangig gemaakt
Ontwerp houdende wijziging in het Wetb. v. Burg. Rechtsv. in ver-
band met het ook daarbij gedane voorstel om de procureurs in de
advocaten te doen opgaan. Doch in de z.g. procureurswet van 1879
verviel wel de procureur als „officier ministeriel ", maar in het ver-
vallen van den waarborg in het ambt gelegen, werd in het
geheel niet voorzien. Bij de herziening van 1896 daarentegen is het
désaveu op de optreding van een procureur zonder last toepasselijk
verklaard. Voor het cassatieproces bleef het evenwel bij de bevoegd-
heid om mededeeling van volmacht te vragen. Er schijnt niet eens
aan gedacht om ook hier de z. g. ontkentenis van gerechtelijke ver-
richtingen toe te passen. Toch zou dit middel in cassatie niets geven.
Het zou natuurlijk alleen hebben kunnen worden toegepast voor het
geval dat geen volmacht tot vertegenwoordiging werd gegeven, daar
zij in de andere gevallen, waarvoor zij eigenlijk geschreven is, uit
den aard der zaak in cassatie voor toepassing niet vatbaar is. Wat
zou de eischer in cassatie er aan hebben des advocaats optreden te
wraken, wanneer de cassatie werd verworpen ? Ten aanzien van de
zaak kwam hij niets verder. Want al werd die verwerping met de
geheele cassatie-procedure ongedaan gemaakt, dan bleef toch het
vonnis of arrest waarvan de cassatie gevraagd was in volle kracht,
en voor een nieuwen eisch in cassatie moet de termijn wel verstreken
zijn. Werd de cassatie uitgesproken, hetzij met, hetzij zonder ver-
wijzing, wat kan de eischer voor belang hebben bij de bevoegdheid
om zijn advocaat te wraken ? Er kan, bepaaldelijk bij verwerping,
-ocr page 288-
270 HOOFDST. IX. AFD. IV. BEROEP IK CASSATIK. TIT. II. REOHTSl\'LEGINO.
alleen een geschil over al of niet gemeriteerd honorarium en al of
niet ten onrechte gemaakte kosten zijn, en over de kosten waarin
de eischer jegens de tegenpartij werd veroordeeld. Maar te dien op-
zichte zou een middel dat de gerechtelijke handeling van den advocaat
met al de gevolgen daarvan vernietigde, het doel voorbijstreven. —
De verweerder in cassatie zou, wanneer hij den voor hem opgetreden
advocaat als vertegenwoordiger wraakte, niet vertegenwoordigd ge-
weest zijn en had dan bij verstek gelijk of ongelijk gekregen. Kreeg
hij gelijk, waar is zijn belang bij eene wraking ? kreeg hij ongelijk,
hij zou geen verzet gehad hebben dan op gronden, die zeker de
advocaat niet verzuimd zou hebben aan te voeren en zoo bleef de
zaak dan ook voor hem dezelfde. Had hij niet willen procedeeren
omdat hij de door hem zelven te maken kosten er niet voor over
had, hij heeft dit met den advocaat uit te maken aan wien hij be-
weert geen opdracht gegeven te hebben.
Terwijl alzoo dat middel van ontkentenis van gerechtelijke ver-
richtingen hier niet gepast was, waartoe bleef dan die bevoegdheid
om overlegging van volmacht te vragen, welke de wetgever in 1879
voor de procureurs bij de gerechten overbodig achtte, en die zeker,
zoo zij doelmatig mocht worden geacht, bij de gerechten niet minder
noodig moet worden geacht, dan juist in cassatie bij den H. Raad,
als eene singulariteit in de procedure bestaan ?
Wij hebben gezien, hoe men er in 1876 aan kwam, ook wat de
bedoeling was nl. „een regeling van orde" wat niet veel zegt en
„misbruiken te keeren." Uit het rechtskundig karakter der instelling
en de rechtsgevolgen daaraan verbonden moet blijken of dit doel
met het middel te bereiken is en in hoeverre. Nu kan het zeker
als preventief middel dienen en een advocaat zal zich wachten om
zonder volmacht op te treden, omdat, zij hem kan gevraagd worden
en hij dan gevaar zou loopen om, als hij die niet had . . . discipli-
nair gestraft te worden ? Ik veroorloof mij hieromtrent op te merken
„valeat quantum possit!" Maar dat men dit vooral op het oog had
blijkt uit de Mem. v. Antw. op art. 1 al. 6 en 7, waar werd opge-
merkt: „de volmacht zal niet gevraagd worden, maar men moet
alleen de bevoegdheid hebben tegen altijd mogelijke misbruiken ", en
in denzelfden geest sprak ook de Minister t. a. p. hierboven. Maar
als het. dan gevraagd wordt, welk gevolg, wanneer de volmacht niet
wordt medegedeeld ? Men zou zeggen als het den verweerder geldt,
dan is deze niet vertegenwoordigd en dan oordeelt de H. Raad bij
-ocr page 289-
§ 178. VERWEREN EN VOLDINGEN.                                 271
verstek, dat wel niet veel uitmaakt, omdat het verzet slechts op
enkele gronden is toegelaten (art. 425), maar de verweerder kan nu,
zou men zeggen, niet anders dan als niet verschenen behandeld
worden. En als het den eischer betreft, dan zou, naar de algemeene
bepaling in art. 75 (Tit. I) voorkomende, de verweerder van de in-
stantie moeten worden ontslagen en de eischer opnieuw, behoorlijk
vertegenwoordigd, kunnen beginnen, want het zou blijken dat hij
inderdaad geen advocaat had gesteld, niettegenstaande het tegendeel
stond in de dagvaarding. Maar hoe zal de advocaat verantwoorden
de verklaring die hij den deurwaarder deed afleggen ? Hoe dit alles
evenwel zij, als de volmacht niet overgelegd wordt, kan de advocaat
niet geacht worden de partij te vertegenwoordigen. Dat werd ook in
de Mem. v. Antw. op art. 1 al. 6 en 7 gezegd. En toch is dit
volgens de wet anders. Want, hoe zonderling het klinke, de wet
zegt, in aansluiting juist aan de vordering tot overlegging van de
volmacht, dat hij, die eens voor eene partij opgetreden is, die partij
blijft vertegenwoordigen zoolang door haar geen ander is aangewezen
of hij zelf zich onttrekt aan de verdere behandeling der zaak. Het
kon, dunkt mij, niet duidelijker gezegd worden dan in art. 417.
Maar nog duidelijker blijkt het uit de eerste redactie, toen in art.
406 aan het slot en nadat van de bevoegdheid om overlegging van
volmacht te vragen van den advocaat des eischers gezegd werd:
„Die advocaat, dus van wien de mededeeling zijner volmacht
gevraagd werd, „blijft den eischer vertegenwoordigen." En evenzoo
luidde toen art. 408 (nieuw) met opzicht tot den advocaat des ver-
weerders. Bij het gewijzigd Ontwerp werden nu de beide laatste
leden van de beide artikels tot één vereenigd in art. 417 overge-
bracht. Daardoor komt, als men wil, nog te sterker uit, dat juist
ook dan de eens opgetreden advocaat blijft vertegenwoordigen als
van hem de overlegging gevraagd wordt en hij de volmacht niet
overlegt. In dit laatste geval kon er toch alleen van blijven of op-
houden sprake zijn. Maar dan blijkt ook dat het al of niet over-
leggen op zichzelf geenerlei gevolg op den stand der partijen heeft
en hoogstens een zaak wordt tusschen de partij voor wien de ver-
tegenwoordigde zonder volmacht optreedt en diens vertegenwoordiger.
Daarmede is ook alleen te rijmen het antwoord door de Regeering
in de Mem. v. Antw. t a. p. gegeven, dat de overlegging gevraagd
kan worden, zoolang de zaak niet in staat van wijzen is. En als dit
proces als het maar eens aanhangig is gemaakt, ook zonder verte-
-ocr page 290-
272 HOOFDST. IX. AFD. IV. BEROEP IN CASSATIE. TIT. I. RECHTSPLEGING.
genwoordiger kan voortgaan, vloeit nog daaruit voort dat ook de
bepalingen omtrent schorsen en hervatten van het rechtsgeding
hier niet gelden. Uit dit alles blijkt, gelijk ook de Minister op-
ïnerkte, dat de wetgever dit punt als van weinig beteekenis heeft
beschouwd; maar mocht de Minister hier van eene regeling van orde
spreken ?
Het mag evenwel niet onopgemerkt blijven, dat bij die vraag van
de vertegenwoordiging en de voorname reden waarop zij steunt, de
hoofdzaak uit het oog werd verloren. Het was zeker niet moeilijk te
betoogen „dat er geen vrees kan bestaan dat eene goede en ordelijke
behandeling der zaken er onder lijden zal, wanneer de advocaat, ook
al draagt hij geenerlei ambtelijk karakter, in het vervolg mede be-
last wordt met de zorg voor het doen exploiteeren der dagvaarding
en voor het nemen der conclusie ter rolle." Dat was hier de vraag
niet. Voor het procureurswerk heeft de wetgever de procureurs en een
ambtelijk karakter niet noodig geacht. En de Minister ging de
hoofdzaak ook voorbij, toen hij beweerde dat met dat vragen van
volmacht een waarborg zou worden gegeven, die met het ambtelijk
karakter verviel. Immers de partijen hebben in de praktizijns een
waarborg noodig voor hunne betrouwbaarheid met opzicht allereerst
wat ook in cassatie geldt voor de hun toevertrouwde stukken.
Daarom heeft men in Frankrijk en in België het getal der in cas-
satie optredenden door eene noodzakelijke benoeming beperkt, dat
had men ook bij ons gevonden in het ambtelijk karakter der pro-
cureurs. En nu moge men over den waarborg, welken dat ambtelijk
karakter geeft, denken zooals men wil, de graad van doctor in de
rechten geeft dien waarborg allerminst. Ook niet de bekwaamheid
om een proces te leiden, die heel wat anders is dan eene rechtsvraag
in een pleidooi uiteen te zetten. Maar die bekwaamheid heeft de
procureurswet aan de doctoren in de rechtswetenschap ook al met
den titel van procureur bezorgd. „Wanneer de wet dit" (nl. dat een
doctor in de rechten als zoodanig bekwaam is een proces te leiden
en materieel betrouwbaar voor de pleitende partijen, zonder dat eenige
andere garantie van hem gevorderd wordt) „aan de ingezetenen
voorhoude" zeide de heer Cremers terecht in de zitting van de
Eerste Kamer van 24 Juni 1876, „is zij in mijn oog bedriegelijk."
-ocr page 291-
273
§ 178. VERWEREN EN VOLDINGEN.
De advocaatstelling voor den verweerder heeft op de terechtzitting   Verdere be-
plaats nadat de zaak daar van de rol werd geroepen en de eischer,    tjjjecjjtf jt_er
met beroep op de van hem uitgegane dagvaarding, de zaak heeft ting.
aangebracht. Art. 408.
Meer heeft de eischer op die terechtzitting niet te doen. De ver- Conclusie van
weerder kan den hem bij dagvaarding beteekenden eisch onmiddellijk antwoord,
beantwoorden door reeds op denzelfden eersten rechtsdag conclusie van
antwoord te nemen. Doet hy dit niet, dan wordt hem op zijn verlan-
gen een termijn van hoogstens vier weken verleend. Art. 411.
Nadat de conclusie van antwoord is genomen wordt een dag voor pleidooien.
de pleidooien bepaald, tenzij partijen onder overlegging der stukken,
daarop recht vragen. Ten dage dienende wordt dan de zaak bepleit
en vervolgens het Openbaar Ministerie gehoord. Artt. 412§2, 418 § 1. Openbaar
Ministerie.
De pleidooien behoeven niet gehouden te worden door de advocaten Advocaten
die zich met de vertegenwoordiging van partijen hebben belast. Ook voor de
pleidooien,
andere kunnen daartoe optreden. Doch de daaruit ontstane kosten
worden niet in de uitspraak over de kosten begrepen. Art. 418 § 2.
De wetgever van 1876, die van oordeel was dat de memories in
cassatie overbodig waren en dat eisch en verweer op voldoende wijze
in conclusiën van eisch en antwoord konden worden vervat, meende
echter ook dat de conclusie van eisch kon gemist worden, daar deze
niet anders bevatten kon dan de dagvaarding. En zeker, als die
conclusie van eisch, gelijk het Ontwerp van 1865 dit wilde, in eer-
sten aanleg verviel, kon zij het ook in cassatie. Nadat de wijziging
van de wet op dit punt in cassatie was aangenomen, stelde dan ook
de Minister van Lijnden (Ontwerp 1877) de afschaffing van de
conclusie van eisch in eersten aanleg voor. Ik schreef daarover in
mijne verhandeling het summier proces op bl. 21: „. . . . dewijl
de inhoud van die conclusie, wat de zaak betreft, niet anders mag
bevatten dan de dagvaarding en daarin dus wellicht alleen op eenigszins
andere wijze, hetzelfde gezegd wordt, kan die akte veilig gemist
worden, en \'t gaat heel goed aan dat de eischer aan den rechter
mondeling zegge : ik verlang of ik verzoek van u, wat ik in de
dagvaarding aan den verweerder heb doen weten dat ik u heden
Y
                                                                                                 18
-ocr page 292-
274 HOOFDST. IX. APD. IV. BEROEP IN CASSATIE. T1T. II. RECHTSPLEGING.
zou vragen, m. a. w. dat wat in de dagvaarding geschreven staat."
Wanneer de wetgever evenwel en terecht beveelt dat de verweerder
een afschrift van zijne conclusie niet alleen aan de tegenpartij mee-
deelt, maar ook aan den rechter, door een afschrift aan den griffier
uit te reiken, dan heeft de rechter aan die conclusie van antwoord
niets, wanneer hij ook niet de conclusie van eisch kent en dan be-
hoorde een afschrift van de dagvaarding ter griffie te worden neder-
gelegd. (Dan kon wellicht de griffier meteen de zaak, naar aanlei-
ding van de dagvaarding, op de rol brengen en het placet kon met
de boodschap van den advocaat ter griffie tevens vervallen). In
het Ontwerp-HARTOGH werd evenwel de conclusie van eisch in be-
scherining genomen ; niet omdat de ondervinding het verkeerde van
hare afschaffing in cassatie zou hebben geleerd, daarvan werd niet
gerept. Veeleer kan men zeggen dat haar behoud verdedigd werd,
niettegenstaande op den voorgrond stond (zie toel. op art. 18) om,
„nu de omvangrijke verandering, die de wijze van procedeeren in
cassatie door de wet van 1876 heeft ondergaan, algemeen in de
praktijk als eene groote verbetering wordt aangemerkt, ook bij de
lagere rechtscolleges, de burgerlijke rechtspleging daarmede zooveel
doenlijk in overeenstemming te brengen." Het voorname argument
van den Ontwerper was blijkens de toel. op art. 18 (nieuw art. 140)
„dat het rechtscollege niet voor de pleidooien alle schrifturen van
het geding zou kunnen nagaan." Bij den schriftelijken gedachten-
wissel werd het behoud verdedigd, omdat het ordelijker is en dat
de conclusie van eisch toch voor een vermindering van den eisch
noodzakelijk kan zijn. Men zou kunnen vragen, of die vermindering
niet eer ua de conclusie van antwoord zal plaats hebben, wanneer
zij nu toch eene conclusie zal eischen. Daarom zou ik meenen dat,
ofschoon van zoodanige vermindering van eisch in cassatie in het
geheel geen sprake kan zijn, (of het moest in het afzien van een
aangevoerd middel kunnen bestaan) daarom toch geen verschil tus-
schen eersten aanleg en cassatie behoeft te worden gemaakt. En als
\'t ordelijker is, dan mag zeker in cassatie de conclusie van eisch
evenmin ontbreken. Ordelijker voor \'t uitwendige is \'t zeker, maar
zulk eene orde in \'t proces leidt licht tot formalisme. Had men ge-
zegd dat het ordentelijker was, om ook aan den rechter direct
zijn verlangen mede te deelen, dan hem te zeggen : „dat heb ik al
aan de wederpartij in de dagvaarding te kennen te geven en daarin
kunt gij \'t lezen, als ik die dagvaarding met de andere stukken na
-ocr page 293-
§ 178. VERWEKEN EN VOLDINGEN.                               275
afloop van de pleidooien zal overleggen", dan is er wel wat voor.
Maar dit behoeft ook zóó niet gezegd te worden en als de dag-
vaarding ter griffie is medegedeeld, is de ordentelijkheid eveneens
gered. De zaak is niet van overgroot belang. Maar men had in
1896, die conclusie van eisch in eersten aanleg behoudende, ze in
cassatie moeten herstellen. Een partieele herziening moet zoo min
mogelijk de eenheid in den gedachtengang der wet verstoren.
Strekking van de conclusie van antwoord, waarbij de gegrondheid
van de aangevoerde gronden van cassatie bestreden wordt, is v e r-
werping van het beroep of niet-ontvankelijk verklaring.
De termijn van hoogstens vier weken is hier zeker een peremtoire
termijn. Meer dan vier\'weken mag niet verleend, dus door den rech-
ter niet toegestaan worden, al wilde ook de tegenpartij een langeren
termijn gunnen. Het verleenen is niet hare zaak, maar des rech-
ters taak. Dan moet ook de dag voor de pleidooien bepaald worden
en daardoor wordt wisseling van verdere conclusiën (behoudens inci-
denteel beroep en voordracht van exceptiën, waarover straks) afge-
sloten. De woorden van de wet, waarmede de handelingen van par-
tijen in verband met die des rechters worden geregeld, zijn duidelijk.
De aangegeven strekking dezer voorschriften is ook geheel in over-
eenstemming met den grond waarop zij bij de gedachtenwisseling in
de Tweede Kamer werden aanbevolen, de bekorting nl. van het proces,
wanneer zooals hier het geval is, alle handelingen der partijen, dat
zijn hier de praktizijns, onder het oog des rechters plaats hebben.
En men bedoelde daarmede niet \'s rechters lijdelijk toezien, dat in
1896, althans in eersten aanleg, werd ingevoerd, toen men van het be-
driegelijk standpunt uitging dat hier de praktizijns de regeling in handen
behooren te hebben, omdat de belangen van de partijen, welke deze
hun immers hebben toevertrouwd (daartoe evenwel, dit vergete men
niet, door de wet gedwongen) met de hunne één zijn. Als het bedrie-
gelijke van dit standpunt nog niet duidelijk is gebleken, dan zal het
wel duidelijker worden, hoe meer het beroep van advocaat als een
beroep als ieder ander uitgeoefend wordt. Men moge dat verloren
gaan van het eigenaardig karakter van het beroep van advocaat,
dat het nobile officium pleegt genoemd te worden, betreuren, en
wenschen dat het in het belang van eene goede rechtsbedeeling daa r-
toe niet kome, er zijn aanwijzingen te over voor de gegrondheid der
vrees. Al wijs ik hierop bij de behandeling van de cassatie, daarin
-ocr page 294-
276 HOOFDST. IX. AKP. IV. BEROEP IN CASSATIE. TlT. II. RECHTSPLEGING.
ligt volstrekt niet mijne bedoeling om het karakter der rechtspraktijk
in cassatie aan te duiden.
In overeenstemming met de bepaling van art. 324 n°. 8 wordt
in art. 418 voorgeschreven dat het Openbaar Ministerie na afloop
der pleidooien gehoord wordt. Uit de zoo algemeen gestelde bepaling
van laatstgenoemd artikel blijkt dat niet juist op het beroep in
cassatie, maar ook op voorgestelde exceptien of incidenten het Open-
baar Ministerie gehoord moet worden. Ook in cassatie bepaalt het
O. M. den dag waarop het conclusie zal nemen en kan het dit tot
eene volgende terechtzitting uitstellen, wanneer het op de eerst aan-
gewezen terechtzitting niet geschiedt. Ook kan het O. M. dadelijk
na afloop van de pleidooien conclusie nemen. Art. 327, B. R.,
art. 59, Regl. I.
De afschaffing van de procureurs, welke bezuiniging in de proces-
kosten beoogde, behoefde er niet toe te leiden dat, al zouden par-
tijen uitsluitend door een advocaat bij den Hoogen Raad worden
vertegenwoordigd, die van zelf tot pleiten bevoegd, de behandeling van
de zaak alleen zou kunnen verrichten, eene partij niet bevoegd zou
zijn het bepleiten der zaak aan een anderen advocaat op te dragen.
Waarom zou de partij niet de voorkeur mogen geven aan den advo-
caat die in vroegere instantie de zaak bepleitte, haar persoonlijk
bekend kan zijn en haar bijzonder vertrouwen heeft ? Mij dunkt deze
overweging rechtvaardigt die toelating van een ander advocaat beter
dan de voor de advocaten in den Haag noodzakelijke concurrentie
waarvan men ook in de beraadslagingen leest.
Maar eens aangenomen dat de bijstand van één advocaat voor de
behandeling der zaak voldoende moet geacht worden, was de wetgever
terecht van oordeel dat de vermeerdering van kosten uit het doen
optreden van een tweeden advocaat ontstaande, uitsluitend moest
komen ten laste van de partij welke zich de weelde daarvan mocht
hebben veroorloofd. Hetzelfde beginsel werd bij de wet van 1879
n°. 75, toen de dubbele rechtsbijstand in beginsel bij alle gerechten
werd afgeschaft, algemeen in toepassing gebracht. In geen geval,
zegt nog het Reglement III in art. 4 § 4, mogen de kosten van
verplaatsing en vacatie eens advocaats buiten zijne woonplaats door
te pleiten bij een ander college dan bij hetwelk hij als advocaat is
ingeschreven, ten laste van de wederpartij worden gebracht.
-ocr page 295-
§ 178. VEBWEKEN EN VOLDINGEN.
277
Komt een advocaat, niet ingeschreven bij den Hoogen Raad, eene
zaak in cassatie bepleiten, dan heeft hij daartoe geen bijzondere
toelating noodig. Doch kan van hem worden gevorderd de vertooning
van de akte van zijne beëediging, naar de voorschriften van art. 6
van het Reglement III behoorlijk geviseerd. Zie art. 4 § 3 Regl.
III. Waarom in de aangehaalde § 3 van vóór alle toelating
gesproken wordt, nadat hem de bevoegdheid om op te treden in § 2
wordt toegekend, is alleen te verklaren uit de vroegere bepaling
van het Reglement (1844, art. 3 § 3) volgens welke een advocaat,
om bij een ander college op te treden dan waarbij hij krachtens
inschrijving daartoe bevoegd was, verplicht was vergunning van dat
andere college te vragen.
Bij de pleidooien worden de middelen van cassatie in de dag-
vaarding opgenomen mondeling ontwikkeld en de gegrondheid daar-
van bestreden naar aanleiding van de conclusie van antwoord.
Wordt dan schending of verkeerde toepassing van de wet be-
weerd, dan zal, al moet de rechter in de lagere instantie in zijn
vonnis de gronden der uitspraak, zoo wat de feiten als wat het
rechtspunt, ieder afzonderlijk, opnemen, toch de vraag zich kun-
nen voordoen wat al of niet feitelijk is beslist, ook, of de vraag
die de rechter besliste, eene feitelijke dan wel eene rechtsvraag is.
Daaromtrent valt a priori niet veel te zeggen omdat het meeren-
deels zal zijn „ius in causa positum"; toch is tot zekere hoogte
eene principieele vraag, of de uitlegging door den rechter aan eene
overeenkomst gegeven eene rechtsvraag of wel eene feitelijke vraag
is, en daarbij zou ik ineenen dat men onderscheiden moet. Wanneer
de bedoeling welke de partijen met hare bedingen in eene overeen-
komst gehad hebben een onderwerp van strijd uitmaakte, dan is de
daaromtrent gegeven beslissing zeker eene feitelijke; wanneer even-
wel uit de aldus vaststaande bedoeling de aard der overeenkomst
door den rechter is afgeleid, dan zal zich daarbij de vraag kunnen
voordoen of die overeenkomst tot de benoemde en in de wet onder
eigen benaming geregelde behoort, of wel daarbuiten ligt, ook of
zij tot deze of gene der benoemde contracten is te brengen. Bij
de tot het uitmaken van deze vraag noodzakelijke toetsing aan
de bepalingen der wet kunnen wetsbepalingen zijn geschonden of
verkeerd toegepast en zal daarin eene rechtsvraag gelegen zijn. Maar
ook de uitlegging der overeenkomst kan tot eene rechtsvraag aan-
-ocr page 296-
278 H00KDST. IX. AFD. IV. BEROKP IN CASSATIE. TIT. II. RECHTSPLEGING.
leiding geven nl. de vraag in hoeverre daarbij de bepalingen van de
artt. 1378—1387 buiten toepassing werden gelaten, of soms ver-
keerdelijk werden in toepassing gebracht. Verg. Dikphuis Systeem
X bl. 461. Altijd moet daarbij evenwel worden vastgehouden aan
de feiten, welke de rechter aan de toepassing van eene of andere
hier in aanmerking komende bepaling ten grondslag legde. Daar-
uit zal meerendeels volgen dat hier ten slotte de feitelijke beslissing
verder onderzoek uitsluit. Zoo merkt Gabsonnet V § 1108 p. 584
te recht op, bepaaldelijk ten aanzien van de uitsluitende bevoegdheid
des lageren rechters met opzicht tot de uitlegging van wilsverkla-
ringen: „leurs jugements tombent sous la censure de la Cour de
Cassation dès qu\'il s\'agit d\'apprécier Ie caractère légal de ces faits
et d\'en tirer les conséquences de droit qu\'ils contiennent." Zie ook
ald. bl. 585 onder 3°.
Wat betreft het verzuim der vormen op straffe van nietigheid
voorgeschreven, zoo kan de vraag zich voordoen, of de nietigheid al
of niet is voorgeschreven, omdat zij ook het verzuim kan betreffen
van een formaliteit die zoozeer tot het wezen der handeling behoort,
dat deze niet kan geacht worden rechtens haar beslag te hebben
gekregen als de voorgeschreven vorm verzuimd is. Zoo heeft de
wetgever het soms noodzakelijk geacht om aan te geven wat tot het
wezen der akte behoorde op die wijze dat hij, de vereischten daartoe
vaststellende, tevens bepaalde, welk verzuim de nietigheid der handeling
zou medebrengen, zooals bij de dagvaarding. En gelijk hij dan in
art. 90 bepaalt, dat geenerlei exploit of akte van rechtspleging nie-
tig verklaard kan worden, indien de wet de nietigheid van dezelve
niet uitdrukkelijk bepaald heeft, dan blijkt daaruit dat, ten opzichte
van die exploiten of akten van procureurs en deurwaarders, geen
nietigheid buiten uitdrukkelijk voorschrift mag worden aangenomen.
Maar niemand betwijfelt het, of waar b. v. de wetgever den rechter
voorschrijft het Openbaar Ministerie te hooren voordat hij zijn vonnis
uitspreekt, het verzuim van het hooren van het O. M. een grond is
waarop de vernietiging van het vonnis zou kunnen gevorderd wor-
den, dewijl dat hooren van het O. M. eene formaliteit is welke aan
het vonnis moet voorafgaan, zonder welke het vonnis niet mocht
worden uitgesproken en die, alzoo tot het wezen van die handeling
behoorende, haar vitieert wanneer zij is verzuimd.
Partijen kunnen ook van de pleidooien afzien door na het nemen
-ocr page 297-
§ 178. VERWEKEN EN VOLDINGEN.                                279
van de conclusie van antwoord, onder overlegging van de stukken,
daarop recht te vragen. Daartoe kan aanleiding bestaan, indien
dagvaarding en conclusie van antwoord eene breedere ontwikkeling
en bestrijdng van de middelen inhouden of ook indien de verweerder
geen tegenspraak doet, dewijl hij van de juistheid van het cassatiemiddel
overtuigd is. Dit kan vooral dan plaats hebben, wanneer de rechter
in het hoogste ressort ambtshalve een middel toepaste hetzij hij
daartoe zijne bevoegdheid aan de wet ontleende of meenende de
rechtsgronden aan te vullen, inderdaad op een door partij niet aan-
gevoerd en door haar niet juist geacht middel zijne beslissing deed
rusten. Overigens wordt hier in het cassatieproces toegepast wat
voor het geding in eersten aanleg en in hooger beroep in art. 144
(oud art. 147) en 347 is bepaald. In het wetboek van 1838 kwam
de bepaling niet voor.
Verwikkeling
Niet altijd loopt het verweren en voldingen zoo eenvoudig af.
                van de
procedure.
Zoo kan de verweerder vóórdat hij conclusie van antwoord neemt, Zekerheid-
zekerheidstelling vorderen. Hij moet dit zelfs doen voor alle weren s e ing\'
van rechte. Art. 415.
Dan kan de verweerder bij de conclusie van antwoord exceptien
voordragen, die hij, op straffe van verval, alle met het antwoord in
die conclusie moet vereenigen, behalve de exceptie van beraad, welke
hij op straffe van verval, vóór alle weren, behalve de vordering tot
zekerheidstelling, moet voordragen. Art. 411 § 2, 3.
De vordering tot zekerheidstelling en de exceptie van beraad geven Exceptie
derhalve tot eene afzonderlijke behandeling aanleiding. De eischer zal
daarop eene conclusie van antwoord hebben te nemen, waarna die
incidenten bepleit worden en het Openbaar Ministerie daarover wordt
gehoord.
Doch ook wanneer de exceptien, van anderen aard dan die van Andere
beraad, met het antwoord in dezelfde conclusie vereenigd zyn, zal den excePt,ën-
eischer op zyn verlangen een termijn van hoogstens vier weken wor-
den verleend om op de exceptie bij conclusie te antwoorden. Dit is
eveneens toepasselijk wanneer de verweerder zijnerzijds incidenteel
beroep heeft ingesteld. Art. 412.
-ocr page 298-
280 HOOFDST. IX. AFD. IV. BEROEP IN CASSATIE. TIT. II. RECHTSPLEGING.
Andere inci- Van incidenten betreffende het bewijs kan in cassatie geen spiake
en en. ^^ vermits de feiten, welke den grondslag van het geding uitmaken,
buiten beoordeeling liggen van den rechter in cassatie.
Bewijs.          Toch zijn er feiten van processueelen aard die het proces in cas-
catie beheerschen en bewezen moeten worden. In de eerste plaats
komt hier wel in aanmerking het bestaan en de inhoud van de rech-
terlijke uitspraak waarvan cassatie gevraagd wordt. Wordt eene ex-
ceptie van berusting voorgesteld, dan zal van dit feit moeten blijken;
evenzoo brj eene exceptie van dading. Hier zal evenwel het bewijs
door schriftelijke stukken worden geleverd. Zoodanige stukken, waarop
partijen zich dan zullen beroepen, zijn zij gehouden elkander over en
weder mede te deelen in afschrift of door nederlegging van de oor-
spronkelijke ter griffie gedurende minstens drie dagen. Art. 413.
De zekerheidstelling, welke in art. 152 in verband met het op-
schrift van de 3d0 afd. van tit. III als een voorloopig verzoek wordt
gequalificeerd, kan zeker elke verwering voorafgaan. De gedaagde
behoeft zich niet te verweren om die zekerheidstelling te vorderen
van den eischer. En ofschoon de gedaagde dit nu wel in den regel
vooraf doen zal, hij kan ook later nog dien eisch instellen. In
eersten aanleg wordt dit, geloof ik, niet betwijfeld. In hooger be-
roep werd in art. 353, bij de herziening van 1896, bepaald dat de
zekerheidstelling vóór alle weren van rechte moet worden gevorderd.
De ontwerper onderstelde dat het in eersten aanleg ook zoo was,
en volgde hetgeen in 1876 ten aanzien van de cassatie bepaald was.
Zie art. 415 laatste lid. Ook de andere bepalingen welke in het
hooger beroep ten aanzien van de zekerheidstelling zijn gemaakt,
komen met die welke in cassatie gelden overeen. Ik kan dus naar
hetgeen ik daaromtrent bij het hooger beroep (hierboven bl. 179)
opmerkte verwijzen. Uit de bepalingen van art. 415 volgt dat alleen
de eischer in eersten aanleg, wanneer hij den eisch tot cassatie in-
stelt, daartoe gehouden is. Hij zal dit a fortiori zijn, wanneer de
eischer zijn Nederlanderschap verloor en daarna een eisch tot. cassatie
instelt. (Zie hierb. bl. 69). Immers de bepaling van art. 415 § 2
die den oorspronkelijken verweerder vrijstelt, doet dit in de onder-
stelling dat hij, toen hij als verweerder in het geding werd geroe-
pen, vreemdeling was. Daar evenwel het instellen van incidenteel
-ocr page 299-
§ 178. VERWEKEN EN VOLDINGEN.                               281
beroep den verweerder met opzicht tot de zekerheidstelling niet als
eischer doet beschouwen, wordt ook hij die later vreemdeling werd
evenmin als eischer in dit geval aangemerkt.
Behalve de exceptie van beraad, die vóór alle weren moet worden
voorgesteld, worden ook in cassatie, volgens de wet van 1876, alle
exceptiën met het antwoord ten principale vereenigd. Ik verwijs
hierbij naar hetgeen ik daarover schreef met opzicht tot het hooger
beroep. Doch maak daarbij deze opmerking, dat zich uit den aard
der zaak in cassatie niet zoovele exceptiën kunnen voordoen als in
eersten aanleg en in hooger beroep. Toch blijft het bezwaar bij mij
bestaan, wanneer de niet-ontvankelijkheid beweerd wordt op grond van
het laatste lid van art. 99 R. O. en waar het geldt een beroep op
dading of berusting, gevallen die men zich ook kan voorstellen dat
in cassatie voorkomen. De vraag van berusting behoeft geen lang-
durig onderzoek en staat dading vast, dan is het geheele onderzoek
naar de gegrondheid der cassatie overbodig.
Het voorstellen van eene exceptie zal toch wel eenige vertraging
in de behandeling der zaak veroorzaken. Want den eischer moet
de gelegenheid gegeven worden om op die exceptie bij conclusie te
antwoorden. Hem wordt daartoe volgens art. 412 een termijn van
hoogstens vier weken toegestaan, waaromtrent hetzelfde geldt wat
ik hierboven omtrent den termijn van de conclusie van antwoord
opmerkte. Wat van de exceptiën geldt, geldt ook van een door den
verweerder ingesteld incidenteel beroep.
Het incidenteel beroep wordt, op straffe van verval, bij conclusie
van antwoord ingesteld en berust, evenals het incidenteel hooger
beroep, natuurlijk op eene schending of verkeerde toepassing der wet,
waardoor de verweerder zich bij het vonnis benadeeld achtte, waar
hij niet in allen deele in het gelijk gesteld werd bij het in het
hoogste ressort gewezen vonnis.
Uit het gezegde blijkt dat het cassatieproces uit zijn aard aan
incidenten niet rijk kan zijn, als het gepast is in dit opzicht van
rijkdom te spreken. Toch kunnen er nog meer voorkomen dan de
in den tekst vermelde. Immers ook hier kan er bijv. sprake zijn
van de wraking eens rechters. Dit onderwerp wordt dan ook
in den eersten algemeenen titel van Boek I behandeld en is
zeer zeker van algemeene toepassing, al wordt er in art. 36 alleen
van „hof" en „rechtbank" gesproken. Er komen toch in het wetboek
-ocr page 300-
282 HOOFDST. IX. AKD. IV. BEROEP IN CASSATIE. TIT. II. RECHTSPLEGING.
meer bepalingen voor waarin aan „hof" eene uitgebreide beteekenis
moet worden toegekend. En is ook niet naar art. 162 der Grondwet
de Hooge Raad het opperste Gerechtshof?
Zoo verklaart het zich gereedelijk dat de bepalingen van den
derden titel betreffende de incidenten niet als in hooger beroep, zoo
ook in cassatie toepasselijk zijn verklaard. Zal men ze evenwel
volkomen kunnen missen? Voor de mededeeling van stukken
kon zeker eene nadere bepaling overbodig geacht worden. Art. 413
voorziet in hetgeen de vroegere artikelen 407 n°. 1, 408, 410 en
412 bepaalden omtrent de overlegging van stukken bij de neder-
legging van de memorie ter griffie. Uit art. 413 blijkt duidelijk
genoeg dat niet aldus medegedeelde stukken buiten het geding blij-
ven. Maar wanneer de mededeeling in afschrift plaats heeft, zal
dan de wederpartij de bevoegdheid missen om op grond van art.
1925 B. W. a. h. e. de vertooning van het oorspronkelijk stuk te
vragen ? En zoude zij verstoken zijn van de bevoegdheid om de
valschheid van het stuk, bijv. van een overgelegd schriftelijk
bewijs van berusting, of van eene acte van dading of van het vonnis
zelf te beweren en te bewijzen ? Het geval zal zich niet licht voor-
doen, maar behoort toch tot de mogelijkheden. En als het zich
voordoet, zal er dan geen recht gesproken moeten worden ? Of zou
de Hooge Raad als recht mogen uitspreken dat er niets aan te doen
is, omdat, ofschoon men wel bij analogie weten kan, hoe de wet-
gever zou willen dat de zaak onderzocht en tot klaarheid gebracht
werd, dit hier niet kan, omdat de wetgever de vijfde afdeeling van
tit. III bij de rechtspleging in cassatie niet toepasselijk heeft ver-
klaard? Het stond vrij wel met eene rechtsweigering van de zijde
des wetgevers gelijk. Ook kan het geding in cassatie grond ople-
veren tot de ontkentenis van gerechtelijke verrichtin-
gen, vooral nu de wetgever haar bij de wet van 1896 heeft uitgebreid
tot het geval dat eene partij ontkent dat de voor haar opgetreden
procureur van haar daartoe opdracht gekregen heeft. Art. 272. Of
zal men zeggen dat de toepasselijkheid dezer bepalingen vervalt
omdat partijen bij den Hoogen Raad door advocaten worden verte-
genwoordigd ? Garsonnet verwijst voor het désaveu naar het Regl.
van 28 Juni 1738 waar de te volgen procedure bij het Hof van
Cassatie (toen Ie. Conseil du Roi) voor het désaveu opzettelijk is
geregeld. Hetzelfde reglement en de tegenwoordige fransche juris-
prudentie laten volgens Garsonnet 1. c. § 1152 onder zeker voor-
-ocr page 301-
283
§ 178. VERWEREN EN VOliDINGEN.
behoud ook voeging en tusschenkomst in cassatie toe niet alleen
van die partijen welke in het geding voor de lagere rechters bij voe-
ging of tusschenkomst zijn opgetreden en die niet in het geding in
cassatie geroepen zijn geworden, maar zelfs van hen die in het geding
van den lageren rechter geen gevoegde of tusschenkomende partij ge-
weest zijn. In dit laatste geval is bij ons de voeging of tusschen-
komst in cassatie stellig uitgesloten als zijnde het beroep alleen aan
partijen toegekend; in het eerste geval zouden de bepalingen voor
den eersten aanleg en hooger beroep geldende in toepassing kunnen
worden gebracht. Maar is een derde verzet tegen een arrest in
cassatie denkbaar en is er alzoo te denken aan een middel dat strek-
ken moet om dit te voorkomen? Zie hierover § 191.
Niet-ver-
Iudien de advocaten van geen van beide partyen ten dienenden dage schijning van
verschijnen, wordt de zaak op de rol doorgehaald. Art. 42 Regl. I.          Geen^van
beide.
Indien de advocaat des eischers op den bij de dagvaarding of den Advocaat des
door den verweerder, brj verkorting vau den termijn, aangewezen recht- eisc eis\'
dag niet verschijnt, wordt tegen den eischer verstek verleend en de
verweerder ontslagen van de instantie.
Indien de advocaat des verweerders niet verschijnt, wordt tegen den Advocaat van
verweerder verstek verleend en de conclusiën van den eischer worden gedaagde,
toegewezen, ten ware zij den Hoogen Raad ongegrond voorkomen.
Het verstek wordt niet verleend, indien de voorgeschreven termijnen
en formaliteiten door den eischer niet werden in acht genomen.
Dit alles geldt alleen bij niet-verschijning op de eerste terechtzit-
ting. Mocht op eene nadere terechtzitting een der advocaten wegblij-
ven, dan wordt met de behandeling der zaak voortgegaan en alleen de
aanwezige gehoord.
Wanneer de partijen wegblijven, mist de rechter de hem bewegende
kracht. Zijne lijdelijkheid verbiedt hem verder te gaan ook al ware
hij tot oordeelen in staat. Is hem niet anders gebleken dan het
voornemen van partijen om voor hem te verschijnen, doordien niet
anders dan eene inschrijving van de zaak op de rol heeft plaats
gehad, dan kan hij niet oordeelen. Daarom behoefde het Reglement
ook alleen het geval te voorzien dat de praktizijns van beide par-
-ocr page 302-
284 Hoofdst. IX. Aïd. IV. beroep in cassatie. ïit. II. rechtspleging.
tijen afwezig zijn op den dag tot voortzetting van de zaak bepaald.
Zou het dan aan de meest gereede partij vrijstaan de zaak weder
op de rol te doen inschrijven ? Zeker niet. Zij zoude de wederpartij
natuurlijk moeten oproepen en daartoe is de eenige legale weg de
dagvaarding die alleen van den eischer kan uitgaan, zoodat niet an-
ders dan op nieuw het geding kan worden begonnen, maar dan ook
een nieuw geding aanvangt.
De bepalingen omtrent het verstek zijn algemeene bepalingen en
dientengevolge ook in cassatie toepasselijk. Art. 425 beperkt alleen
het verzet tegen een bij verstek gewezen arrest in cassatie en wijst
een bijzonderen termijn daarvoor aan, anders dan in art. 81 en 82 is
bepaald. Alzoo blijft het bij art. 75 bepaalde gevolg voor het
wegblijven van den eischer, waarbij geen sprake is van verzet en
hij zal den aanleg op nieuw kunnen beginnen, indien niet intusschen
de termijn van cassatie verloopen is.
Zoo is ook de bepaling van art. 76 van toepassing. Tot het
verleenen van verstek en de uitspraak van het profijt daarvan zal
de eischer dan wel eene conclusie dienen te nemen. Het geval bij
art. 79 voorzien kan zich ook in cassatie voordoen en zal dan ook
op de daar voorgeschreven wijze behandeld moeten worden. Vermits
verzet niet geheel is uitgesloten, is het ook hier van belang dat
tegen alle partijen ten slotte als op tegenspraak recht wordt gedaan,
wat de strekking van art. 79 is.
Eindelijk zal ook hier met de nieuwe bepaling van art. 89a
rekening gehouden moeten worden. Zoo zal de partij die niet ver-
scheen, ten dage voor de conclusie van het Openbaar Ministerie
bestemd ter terechtzitting verschijnende, de uitspraak van het vonnis
ten profijte van het verstek kunnen voorkomen en zelfs na het nemen
dier conclusie, van hare verschijning doen blijken. Want aangezien zij
daartoe tijd heeft, „zoolang het vonnis nog niet gewezen is", moet
wel art. 89a de bepaling van art. 328 § 1 primeeren.
§ 179. het Arrest.
Uitspraak na De Hooge Raad (Kamer voor burgerlijke zaken samengesteld uit
raadp eging. zeven raaugneeren) neemt de aldus voor hem op de openbare terecht-
zitting en bjj de schriftelijke stukken geïnstrueerde zaak, nadat het O. M.
conclusie heeft genomen, in overweging en doet uitspraak hetzij dade-
hjk, hetzij op een dag daartoe door hem te bepalen.
-ocr page 303-
§ 179. HET ARREST.                                             285
In den regel zal tot de overweging van de zaak en de vaststelling
van het arrest eene beraadslaging in raadkamer noodig zyn. Die be-
raadslaging geschiedt met inachtneming van de daaromtrent voor alle
colleges gegeven voorschriften. Art. 100, 26—28, R. O. art. 419 § 1.
Hij zal daarby geene andere middelen van cassatie in aanmerking Uitsluitend
op de
mogen nemen dan die welke door den eischer in de dagvaarding of aangevoerde
door den verweerder incidenteel by conclusie van antwoord zyn voor- middelen,
gesteld. Art. 419 § 3.
Indien de Hooge Raad de aangevoerde middelen ongegrond acht, Verwerping,
verwerpt hij den eisch tot cassatie, ten gevolge waarvan het vonnis
of arrest tegen hetwelk de eisch tot cassatie was gericht zyne oor-
spronkelijke kracht blijft behouden.
Indien de Hooge Raad de aangevoerde middelen gegrond acht, ver- Vernietiging;
nietigt hy het aangevallen vonnis of arrest en beslist hij de hoofdzaak, eh0\'ofd"aakan
zooals de rechter die het vernietigd vonnis of arrest heeft gewezen,
dit had behooren te doen of hij verwyst de zaak naar een ander Verwijzing,
ten einde haar, met inachtneming van de uitspraak van den Hoogen
Raad verder te behandelen en te beslissen. Uitspraak op de hoofd-
zaak of verwyzing, en naar welken rechter de verwyzing plaats heeft,
hangt af van de volgende omstandigheden.
Indien het arrest of vonnis vernietigd wordt ter zake van verzuim
in de vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven, gelast de Hooge
Raad eene nieuwe instructie der zaak, te beginnen met de oudste akte,
waarin de nietigheid begaan is en wyst hy de zaak
1°. aan de Arrondissementsrechtbank wanneer de vernietigde uit-
spraak gewezen werd door een tot haar gebied behoorend kan-
tongerecht;
2°. aan het Gerechtshof tot wiens gebied de Arrondissementsrecht-
bank behoort door welke het vernietigde vonnis werd gewezen;
3°. aan een ander Gerechtshof wanneer het vernietigd arrest door
een Gerechtshof gewezen werd. Art. 106 R. O.
Verwyzing heeft ook plaats indien het vonnis of arrest wordt ver-
-ocr page 304-
286 HOOFDST. IX. AFD. IV. BEROEP IN CASSATIE. TIT. II. RECHTSPLEGING.
nietigd ter zake van onbevoegdheid, in welk geval partijen naar den
bevoegden rechter worden verwezen. Art. 421.
Voorts indien een interlocutoir vonnis wordt vernietigd, in welk geval
de Hooge Raad het geding, naar den aard der zaak verwijst naar den
rechter in eersten aanleg of wel naar dien, welke in hooger beroep
uitspraak deed, ten einde de hoofdzaak verder te behandelen met
inachtneming van de uitspraak van den Hoogen Raad. Art. 422.
Rechtspraak op de hoofdzaak staat op den voorgrond bij vernieti-
ging van een vonnis of arrest ter zake van overschrijding van rechts-
macht of ter zake van verkeerde toepassing of schending der wet.
Doch kan ook hier verwijzing noodzakelijk zijn, indien de eindehjke
beslissing der hoofdzaak afhankelijk is van daadzaken, omtrent welker
vaststaan de rechter in het hoogste ressort geen beslissing heeft ge-
nomen of ook van rechtsvragen welke die rechter onopgelost heeft
gelaten.
De verwyzing heeft dan plaats als bij vernietiging van een inter-
locutoir. Art. 423 en 424.
Wat de behandeling van de zaak in raadkamer betreft verwijs ik
naar hetgeen ik daarover schreef bij de behandeling van het reehts-
geding in eersten aanleg. Dl. II § 71 bl. 176 vv.
Waar het college uit zeven raadsheeren bestaat, zal uit den aard
der zaak eene raadpleging, als art. 419 voorschrijft, wel in raad-
kamer moeten plaats hebben. Zelfs wanneer de uitspraak dadelijk
geschiedt, behoeft die raadpleging in raadkamer niet te vervallen,
aangezien daartoe de openbare terechtzitting kan worden geschorst.
Toch kan in spoedeischende en hoogst eenvoudige zaken een vooraf
plaats gehad hebbend overleg de raadpleging in raadkamer over-
bodig maken.
Al had de jurisprudentie van den Hoogen Raad sedert 1838 de
noodzakelijkheid niet doen kennen om in de wet eene bepaling op
te nemen als waarmede art. 419 in 1876 werd aangevuld, theore-
tisch kon deze niet overbodig geacht worden. De H. Raad mag
dan volgens het derde lid van het aangehaald artikel geene andere
middelen van cassatie bij zijne uitspraak in aanmerking nemen dan
die, welke in de dagvaarding overeenkomstig art. 406 en bij inci-
denteel beroep in de conclusie van antwoord zijn voorgesteld. Wan-
neer men bedenkt dat het rechtsmiddel van cassatie om het belang
-ocr page 305-
§ 179. HET ARHEST.
287
der wet, of liever om het belang van den Staat bij eene eenvor-
mige wetstoepassing, is ingevoerd, dan zou het niet zoo vreemd zijn,
indien de rechter in cassatie, eens van de zaak gesaisisseerd, het be-
klaagde vonnis, naar aanleiding van daartegen door de partijen inge-
brachte bezwaren, ook zelfstandig toetste aan de wet. Aan den
anderen kant mag het goedkeuring verdienen dat, waar de wetgever
de behartiging van het belang der wet door de partijen tracht te
bereiken, door het eigenbelang van deze er in te betrekken, hij ook
overeenkomstig den aard van het burgerlijk proces, aan partijen
overlaat, om de grenzen te stellen aan den omvang van het geding.
En zoo was het niet overbodig hier door eene wetsbepaling te her-
inneren, dat ook in cassatie het „non ultra petita" toepasselijk is,
te meer omdat dit hoofdbeginsel van het burgerlijk proces (zie Dl. I
§ 14 bl. 116) niet in een regel is gehuldigd, maar uit den inhoud
van andere bepalingen moet worden afgeleid. Nu evenwel eens deze
bepaling werd opgenomen, had de wetgever er volledigheidshalve
kunnen bijvoegen dat op alle voorgestelde middelen moet worden
beslist, tenzij reeds op grond van een der aangevoerde de vernieti-
ging van het beklaagde vonnis moet worden uitgesproken. Dan
was de terugslag op het bepaalde in n°. 2, 3 en 4 van art. 382
en op de rechtspraak van den Hoogen Raad volkomen geweest.
Doch de wetgever heeft bij de vaststelling van de besproken bepaling
een ander punt van uitgang gehad. Althans in de Memorie van toe-
lichting op art. 11 (aanvulling van art. 419) werd gezegd, dat de
bepaling van art. 406 n0. 1 (oud) hierheen werd overgebracht „om-
dat het hier niet geldt een vereischte der introductieve acte van
het cassatieproces maar een regel, door den Hoogen Raad bij zijne
uitspraak inacht te nemen." Ik zou zeggen: het eene sluit het
andere niet uit en overbodig vind ik althans niet eene bepaling als
die van art. 406 n°. 1, welke in de memorie van cassatie wilde
opgenomen hebben „al de middelen van cassatie" en daarbij voegde:
„geene andere dan deze kunnen, hetzij op de terechtzitting, hetzij
bij schrifturen door partijen worden aangevoerd." Dit moest natuur-
lijk dan ook op het incidenteel beroep toepasselijk zijn gemaakt. Nu
mist men dat voorschrift, daar art. 406 eenvoudig bepaalt dat de
dagvaarding bevat eene omschrijving der middelen van cassatie en
moet men de analogie van art. 134 te hulp roepen om het aanvoe-
ren van andere middelen na de dagvaarding uit te sluiten.
Uit de bepaling van art. 419 § 3 volgt o. a. ook nog dit, dat,
-ocr page 306-
288 HOOFDST. IX AFD. IV. BEROEP IN CASSATIE. TIT. II. RECHTSPLEGING.
ofschoon de rechter verplicht is zich ambtshalve onbevoegd te ver-
klaren, wanneer hij dit is zoo gezegd ten aanzien van het onderwerp
des geschils, wel door eene partij daarvan een grond van cassatie
kan worden gemaakt door schending te beweren van de wetsbepa-
ling, welke de rechter verplicht was geweest ambtshalve toe te pas-
sen, maar dat de Hooge Raad niet ambtshalve het bestreden vonnis
mag vernietigen op grond dat de eerste rechter zich ambtshalve
onbevoegd had moeten verklaren.
Het gevolg eener verwerping van den eisch tot cassatie waarover
de wet niet spreekt en ook niet behoefde te spreken, omdat er dan
door den rechter in cassatie niets te regelen valt, gaf ik in den
tekst aan. Geheel overbodig is het niet, wanneer de Hooge Raad
den eisch tot cassatie verwerpende, daarbij voegt dat het bestreden
arrest volkomen gevolg zal hebben (of effect zal sorteeren), omdat
de ingestelde eisch de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis
heeft geschorst en de wetgever daar niet bijvoegt hoelang die schor-
sing duurt.
Vernietigen en de hoofdzaak beslissen of verwijzen
hangt af van de gevallen waarin en de omstandighe-
den waaronder vernietigd wordt.
Dat bij vernietiging wegens verzuim der vormen (verg. Dl.
I § 46 bl. 402) eene terugwijzing naar den rechter, die ook over de
feiten van het geding oordeelt, plaats heeft is geheel in overeen-
stemming met den aard van de rechtspraak in cassatie. Het geding
blijkt voor den lageren rechter niet regelmatig gevoerd te zijn en
moet derhalve op nieuw gevoerd worden van af de eerste akte
waarin de nietigheid begaan is, d.w.z. de eerste handeling in strijd
met de wet verricht. Deze nietige handeling bederft alles wat daarop
volgde. Maar dat geding kan niet bij den rechter in cassatie
worden opgenomen. Dat het nu bij een hoogeren rechter wordt ge-
bracht dan dien welke de nietige handeling toeliet of verrichtte is
zeker bevorderlijk aan eene onvertogen rechtspraak. Men zal daarbij
wel moeten aannemen dat nu, wanneer het vonnis van eene arron-
dissements-rechtbank wordt vernietigd, de zaak naar het Gerechtshof
wordt verwezen, al was zij naar de wet voor hooger beroep niet
vatbaar en dat, indien de zaak wel voor hooger beroep vatbaar is,
het Gerechtshof als bij prorogatie in het hoogste ressort zal recht-
-ocr page 307-
§ 179. HET AEEKSÏ.                                              289
spreken. Maar hoe zal het gaan wanneer de vernietigde uitspraak
uitging van het Kantongerecht ? Wegens verzuim der vormen kunnen
de vonnissen van Kantonrechters in het hoogste ressort gewezen niet
anders worden vernietigd dan „ter zake dat dezelve de gronden niet
inhouden, waarop zij zijn gewezen, of niet met open deuren zijn uit-
gesproken." Waarin zal nu de nieuwe instructie van de zaak be-
staan, als die met de oudste akte moet beginnen waarin de nietigheid
begaan is, terwijl die akte het vonnis zelf is? Moet de rechtbank
het vonnis opnieuw wijzen? maar waaraan zal zij dan de daarin
ontbrekende overwegingen ontleenen? Aan voordrachten van de par-
tijen ? Maar dan begint de geheele instructie op nieuw ! En als de
vernietiging plaats heeft op grond van niet-uitspraak in het open-
baar, dan is eigenlijk de uitspraak, niet het vonnis zelf, de oudste
nietige handeling. Moet dan de uitspraak vernietigd en het vonnis
des Kantonrechters op eene openbare terechtzitting van de Recht-
bank door den president worden uitgesproken ? Hetzelfde kan zich voor-
doen wanneer een Rechtbank een verzuim als de hier vermelde mocht
hebben begaan. Ik spreek maar van de Kantongerechten, omdat de
wetgever daarbij uitdrukkelijk de verzuimen in het vonnis vermeldt
en dus daaraan zal moeten gedacht hebben, toen hij de behandeling
der zaak in art. 106 R. O. voorschreef.
In geval van onbevoegdheid. De lagere rechter heeft zich
ten onrechte bevoegd of onbevoegd verklaard. De Hooge Raad de
gegrondheid van het daarop gegrond middel van cassatie erkennende,
kan hier niet op de hoofdzaak recht doen, al is ook de hoofdzaak
bij het bestreden vonnis beslist of voor hem behandeld, welk een en
ander, nu ook de exceptie van onbevoegdheid met de overige weren
moet worden vereenigd, het geval zal zijn. Immers, indien de lagere
rechter zich bevoegd verklarende de hoofdzaak besliste, zal, indien
de Hooge Raad hem onbevoegd acht, de hoofdzaak door een onbe-
voegden rechter beslist zijn en is eene beslissing van den bevoegden
rechter noodig, omdat het de vraag kan zijn of de wet op de hoofdzaak
wel juist werd toegepast. Verklaarde de rechter zich onbevoegd, terwijl
de Hooge Raad hem bevoegd oordeelt, dan heeft die rechter zich over
de hoofdzaak niet uitgelaten en al werd de zaak door partijen ge-
instrueerd en bepleit, van schending der wet of verkeerde toepassing
kan geen sprake zijn. In het eerste geval zal dan de H. Raad den
lageren rechter die hem bleek onbevoegd te hebben geoordeeld onbe-
v
                                                                                                   19
-ocr page 308-
290 HOOPD8T. IX. AFD. IV. BEROEP IN CASSATIE. TIT. II. RECHTSPLEGING.
voegd verklaren en dientengevolge het bestreden vonnis vernietigende,
de zaak naar den bevoegden rechter, met name in zijn arrest aan-
geduid, verwijzen om door dezen te worden onderzocht en beslist.
Men krijgt dan eene hernieuwde instructie met pleidooien en de
kosten daarvoor voor den eersten, nu onbevoegden, rechter gemaakt
zullen wel frustratoir blijken te zijn, maar moeten toch door partijen
worden betaald en zullen dan ten laste komen van de partij die bij
den onbevoegden rechter het proces won en wellicht door den op
nieuw oordeelenden rechter ook in het gelijk wordt gesteld.
In het tweede geval, wanneer de H. Raad den rechter die zich
onbevoegd verklaarde, bevoegd acht, zal hij met vernietiging van
diens vonnis of arrest, de zaak naar den eersten rechter terugwijzen
om de hoofdzaak met inachtneming van \'s Raads arrest, dat zijne
bevoegdheid uitmaakte, te beslissen. Dan begint ook daar de instructie
op nieuw want de conclusiën voor de eerste maal bij den lageren
rechter genomen moeten in ieder geval, daar zij ook over de be-
voegdheid liepen, overgewerkt worden. En de pleidooien? Men zie
art. 47 § 1 en beslisse, naar de onderstelling waarvan het uitgaat,
of het geraden kan geacht worden in zoodanig geval, waar de indruk
der pleidooien op de hoofdzaak zooveel geringer moet geweest zijn,
nu de rechter zijne onbevoegdheid dacht uit te spreken, op de stuk-
ken recht te vragen en van pleidooien af te zien.
In de hier onderstelde gevallen, — en van het laatste deed zich
nog in 1896 een voorbeeld voor waarin de Hooge Raad den lageren
rechter bevoegd verklaarde nadat èn de rechter in eersten aanleg
èn die in hooger beroep de onbevoegdheid hadden aangenomen (zie
arr. H. Raad van 12 Maart 1896, Weekbl. 6782), — wordt zeker
de beslissing op de hoofdzaak wel vertraagd door eene afzonderlijke
behandeling van eene exceptie van onbevoegdheid in eersten aanleg
en in cassatie, maar zou de nu voorgeschreven vereeniging van alle
middelen hier verkorting in tijd en besparing van kosten aan-
brengen ?
Art. 421 zegt eenvoudig dat de Hooge Raad in geval van ver-
nietiging ter zake van onbevoegdheid partijen verwijst „daar en waar
het behoort." Dat een lagere rechter in een geval van onbevoegd-
verklaring deze woorden van de wet zelve gebruikt en zich onthoudt
van een anderen rechter met name aan te wijzen, komt mij volko-
men correct voor. Aan hem is het niet over eens anders bevoegd»
heid te beslissen en de rechter aan wiens oordeel, na onbevoegdver-
-ocr page 309-
§ 179. HET ABKBST.                                            291
klaring van een ander, de zaak onderworpen wordt, blijft het recht
behouden om zijne eigene bevoegdheid of onbevoegdheid te beoor-
deelen en zich, niettegenstaande eene bepaalde verwijzing, onbevoegd
kunnen verklaren. Maar de bevoegdheid van den Hoogen Raad is
eene andere dan die der lagere rechtbanken en al bevat art. 421
niet uitdrukkelijk deze bepaling, hij kan de inachtneming zijner uit-
spraken aan den lageren rechter opleggen. Ook zoude hij niet aan
zijne roeping beantwoorden om toezicht te houden op den geregel-
den loop en de afdoening der rechtsgedingen, indien hij een bepaalden
rechter onbevoegd verklarende, niet tevens den bevoegden rechter
met name aanwees.
Vernietiging van een interlocutoir. Het ligt voor de
hand dat de Hooge Raad de hoofdzaak niet kan beslissen, zoolang
er bij den lageren rechter nog gestreden wordt over het bewijs der
feiten. De vernietiging van een interlocutoir zal ten gevolge heb-
ben dat een bij het bestreden vonnis bevolen bewijs door het daarbij
aangeduid bewijsmiddel niet plaats heeft en dan moet bij den lage-
ren rechter worden uitgemaakt, wat er verder geschieden moet om
de hoofdzaak in staat van wijzen te brengen. Indien evenwel bij
het bestreden vonnis de aanwending van een bewijsmiddel ten on-
rechte was ontzegd, dan zal dit bij den lageren rechter moeten wor-
den in toepassing gebracht. In beide gevallen heeft de Hooge Raad
vooreerst afgedaan en hij kan niet anders dan de behandeling van
de zaak terugwijzen naar den rechter, welke in eersten aanleg
of in hooger beroep heeft recht gedaan, naarmate de behandeling in
eersten aanleg of in hooger beroep zal moeten worden voortgezet.
Dit behoort dan natuurlijk met inachtneming van \'s Hoogen Raads
uitspraak te geschieden, die door zijn arrest de richting aangaf in
welke de behandeling van het geding behoort plaats te hebben vol-
gens de wet.
Wanneer de eisch tot cassatie werd verworpen, dan is het aan
de voortzetting van het geding in den weg geworpen struikelblok
opgeheven.
Overschrijding van rechtsmacht. Wanneer de Hooge
Raad, bij vernietiging van een arrest wegens overschrijding van
rechtsmacht, zelf de hoofdzaak moet beslissen in den zin waarin de
rechter, welke het vernietigd arrest heeft gewezen, had behooren te
-ocr page 310-
292 HOOFDST. IX. AFD. IV. BEROEP IN CASSATIE. TIÏ. II. RECHTSPLEGING.
doen, of de zaak aan hem moet terugwijzen omdat er nog daadzaken
bewezen of rechtsvragen beslist moeten worden om over de hoofd-
zaak uitspraak te kunnen doen, dan is het duidelijk dat hier over-
schrijding van rechtsmacht niet kan worden opgevat in de beteekenis
van rechtspraak op het gebied van eene andere dan de rechterlijke
macht. Had toch de lagere rechter ten onrechte zich begeven op
het gebied eener andere macht, dan zou noch van eene beslissing
van den Hoogen Raad, noch van eene terugwijzing sprake kunnen zijn.
Had daarentegen de lagere rechter zich ten onrechte aan de zaak
onttrokken en alzoo de zaak zelve onbeslist gelaten, dan zou er
voor den Hoogen Raad geen arrest op de hoofdzaak te vernietigen zijn
en derhalve ook niet een ander daarvoor in de plaats gesteld kun-
nen worden. De bepaling van art. 421 zou dan moeten zijn toege-
past behalve dat de Hooge Raad, al gaf hij in zijne overwegingen te
kennen welke macht de hier bevoegde zou zijn, niet aan die macht
de beslissing zou kunnen opdragen.
Ik meen alzoo dat uit deze bepaling duidelijk blijkt dat over-
schrijding van rechtsmacht moet worden opgevat in de beteekenis
die ik daaraan gaf Dl I bl. 404. Overschrijding van rechtsmacht in
den zin van treden op het gebied van eene andere macht valt hier
onder bevoegdheid van art. 421.
Verkeerde toepassing of schending der wet. Bij ver-
nietiging op dezen grond zal de Hooge Raad buiten het oorspronke-
lijk karakter van den cassatierechter treden en op de hoofdzaak
recht doen, waardoor de cassatie, in verband met de aan den eisch
tot cassatie toegekende schorsende kracht van het vonnis, het karakter
aanneemt van eene derde instantie.
Cassatie van °P dezelfde wijze en met hetzelfde gevolg als hierboven werd aan-
verstekvonnis. gewezen wordt de cassatie uitgesproken van een bij verstek gewezen
vonnis, om het even of de gedaagde in cassatie verstek liet gaan of
tegenspraak heeft gedaan. Wordt de cassatie verworpen dan kan de
eischer het bij verstek verkregen vonnis tenuitvoerleggeu behoudens
het verzet van den by verstek veroordeelde binnen deD bij de wet
bepaalden tijd. Artt. 401, 402, 403.
In eersten aanleg en in hooger beroep wordt den eischer bij ver-
stek gelijk gegeven, wanneer de eisch den rechter niet onrechtmatig
-ocr page 311-
§ 179. HET ABBEST.
293
noch ongegrond voorkomt. Vooral in eersten aanleg zal de rechter
die alleen den eischer hoort en van den gedaagde mag onderstellen
dat hij niets tegen den eisch heeft in te brengen, er licht toe
komen om den eischer gelijk te geven. Minder licht in hooger
beroep, omdat daar tegenover den eisch een vonnis staat dat den
eischer gelijk gaf. In cassatie waar de feiten vaststaan en de rechter
het onderwerp van den strijd uit het bestreden vonnis verneemt en
het alleen op het recht verstand der wet aankomt, blijft de te be-
slissen vraag dezelfde of beide partijen dan slechts een hunner ge-
hoord wordt.
Wordt in het hier onderstelde geval, dat de eischer tegen een bij
verstek door hem verkregen vonnis in cassatie komt, de cassatie
verworpen, dan kon zij onmogelijk ten gevolge hebben dat de aan-
wending van dit middel alleen den verweerder zijn recht van verzet
tegen het in cassatie door den eischer eenzijdig bestreden vonnis
zou doen verliezen. Maar verliest hij er dit niet mee, hij wint er
evenmin mee, en zijn recht van verzet blijft afhankelijk van die
omstandigheden, waarin het door den wetgever in de daartoe betrek-
kelijke bepalingen in \'t algemeen afhankelijk gesteld werd.
Het arrest van den Hoogen Raad behoort evenals alle andere von- Kosten,
nissen eene uitspraak over de kosten te bevatten, indieu daartoe eisch
werd gedaan. De Raad zal daarbij de artt. 56 en 57 in verband met
art. 418 hebben te volgen en moet tot de bepaling daarvan overeenkomstig
art. 56 § 4 door de advocaten in de gelegenheid worden gesteld.
Ook in cassatie kan toelating tot kosteloos procedeeren worden ver-
leend. Daaromtrent gelden de bepalingen van de 10e afd. van tit. VI
van het IHe Boek.
Ik kan hier alzoo naar § § 74 en 7.5, in Dl. II, verwijzen waar
ik de kosten van het proces en de kostelooze toelating in eersten
aanleg heb besproken.
De vraag of de kostelooze procedure ook in cassatie kan worden
toegelaten, wordt in art. 865 in terminis beslist. Wanneer daar
bepaald wordt, dat de toelating in eersten aanleg ook geldt voor
het hooger beroep en voor de cassatie, indien de verkrijger der toe-
lating in het gelijk werd gesteld, terwijl hij in eersten aanleg in
het ongelijk gesteld zijnde, voor het hooger beroep en voor de cas-
-ocr page 312-
294 HOOFDST. IX. AFD. IV. BEROEP IN CASSATIE. TIT. II. RECHTSPLEGING.
satie eene nieuwe toelating behoeft, dan geloof ik dat men deze bepaling
in dien zin behoort te verstaan dat, wanneer de verkrijger in eersten
aanleg in het ongelijk doch in hooger beroep in het gelijk gesteld
werd, de toelating in hooger beroep ook die in cassatie van zelf
medebrengt, terwijl wanneer hij in eersten aanleg in het gelijk, doch
in hooger beroep in het ongelijk gesteld werd, voor de cassatie eene
nieuwe toelating noodig is.
Wanneer in art. 865 gezegd wordt dat in hooger beroep of in
cassatie de toelating geschiedt op dezelfde wijze als voor den eersten
aanleg is voorgeschreven, dan kan daar moeilijk uit worden afgeleid
dat in de voorgaande artikelen alleen van den eersten aanleg sprake
was, daar toch steeds van Hof of Rechtbank wordt gesproken en het
niet aangaat te onderstellen dat de wetgever bij de vermelding van
het Hof het oog zou hebben gehad op de bijzondere gevallen waarin
de Hoven in eersten aanleg recht spraken of, terwijl onder Hof ook
de Hooge Raad begrepen is, op die gevallen waarin de H. Raad
rechtspraak in eersten aanleg had. Ik meen alzoo te mogen aan-
nemen, dat ook voor het eerst in hooger beroep of in cassatie de
toelating kan worden gevraagd, in overeenstemming met Mr. G.
Brouwer, Armenrecht, Acad. proefschr. Leiden 1885, bl. 81.
Al spreekt art. 865 § 2 van de toevoeging van een advocaat en
procureur, het Hof zal thans slechts één praktizijn die beide functies
waarneemt, de Hooge Raad een advocaat toevoegen. Voor de cas-
satie heeft toch de H. Raad geen procureur te zijner beschikking
meer.
Aanm.           Behalve de in de wet op de rechterlijke organisatie vermelde gron-
den van cassatie, wordt dit middel ook toegelaten indien door verschil-
lende gerechtshoven of rechtbanken in het hoogste ressort tegenstrijdige
vonnissen zrjn gewezen tusschen dezelfde partyen en welke daarbij
dezelfde gronden hebben aangevoerd.
De Hooge Raad vernietigt dan alleen het laatst gewezen vonnis of
arrest; daarmede wordt de stryd opgeheven en het eerstgewezen von-
nis of arrest in stand gehouden. Dit laatste verklaart de Hooge Raad
door in zijn vernietigend arrest tevens te gelasten dat het eerste vonnis
of arrest naar zijnen vorm en inhoud zal worden ten uitvoer gelegd.
Art. 427.
-ocr page 313-
§ 179. HET ARREST.                                              295
Verg. Dl. I § 46 bl. 406 v. Terecht merkt Garsoxxet (§ 1114)
op, dat de redactie van art. 504 C. de pr. waarvan art. 427 op dit
punt de getrouwe vertaling is, onnauwkeurig is, wanneer het spreekt
van in het hoogs-te ressort gewezen vonnissen, daar het eerste
der beide vonnissen zeer wel niet in het hoogste ressort kan zijn
gewezen, maar dit door berusting kracht van gewijsde kan hebben
verkregen omdat degene die het verkreeg, daarmede tevreden is ge-
weest en eerst het tweede vonnis die tevredenheid verstoorde. Het is
dan ook eene niet al te gedwongene uitlegging, wanneer men de
uitdrukking het hoogste ressort hier met opzicht tot het eerste
vonnis in de beteekenis opvat van niet meer door een middel
van voorziening te bestrijden te zijn. Overigens maakt ons art.
427 deze uitlegging te gemakkelijker omdat er uitdrukkelijk in be-
paald wordt, dat het middel van cassatie tegen het laatstgewezen
vonnis of arrest worde gericht. Het is dus bepaaldelijk het laatste
dat in overeenstemming met art. 103 R. O. in het hoogste ressort
gewezen moet zijn. Het komt in den franschen Code duidelijker uit
dan in onze wet, hoe deze bepaling hare aanleiding heeft gevonden
in art. 480, 6°. C. de p. (art. 382 5°. B. R.) en als een terugslag
is op het geval dat door denzelfden rechter tegenstrijdige vonnissen
gewezen worden. Kon daarop request civiel worden toegepast, wat
in het hier voorkomend geval niet aanging, zoo vroeg men, wat dan?
en in den titel betreffende „la requête civile" gaf nu de fransche wet-
gever daarop het antwoord door te verwijzen naar het middel van
cassatie, waarover hij in den C. d. pr. niet handelde. Bij ons kreeg
de bepaling hare plaats in den titel van de wijze van procedeeren
in cassatie, omdat daarbij als in cassatie geprocedeerd wordt en niet
in de R. O. omdat, gelijk in de Memorie van toelichting op art. 79
n°. 3 Ontw. Godefroi terecht werd opgemerkt, het hier eer geldt
een speciaal attribuut van den rechter in cassatie, dan een cassatie-
middel in de eigenlijke beteekenis daarvan naar de Grondwet.
Men moet hier natuurlijk aan gevallen denken dat erfgenamen,
onbekend met een vroegere uitspraak, het geding over dezelfde zaak
op nieuw gaan voeren, in het ongelijk gesteld worden en dan een
vroeger in \'t voordeel van den erflater gegeven uitspraak ontdekken.
Verg. Garsonnet t. a. p. Maar bestaat ook in zoodanig geval een
voldoend verschoonbare onwetendheid om een zoo buitengewoon mid-
del als hier gegeven wordt, te rechtvaardigen ?
-ocr page 314-
296 HOOFDST. IX. AFD. IV. BEROEP IN CASSATIE, TIT. III. BELANG DER WET.
titel iii.
§ 180. Cassatie „in het belang der wet".
Aan wien De Procureur-geueraal by den Hoogen Raad zal zich „in het belang
toegekend ?
Welk gevolg der wet" in cassatie kunnen voorzien, na verloop der termijnen aan
voor
partijen r ^ pai-tijen toegestaan, zonder dat het te wijzen arrest eenig nadeel
kan toebrengen aan de rechten door partyen verkregen. Art. 98 R. O.
Partijen hebben de vrije beschikking over hare rechten. Het staat
aan haar of zij bij beweerde krenking die willen handhaven of ver-
dedigen. Al zijn zij van een haar aangedaan onrecht nog zoo zeer
overtuigd, aan haar zelve alleen het oordeel, of zij van de haar
daartegen ter beschikking staande rechtsmiddelen gebruik willen
maken. Dit geldt ook van het rechtsmiddel van cassatie. Maar dewijl
dit tevens strekt tot handhaving van eene eenvormige toepassing der
wet, zonder welke de eenparigheid van wetgeving over het geheele
Rijk hare beteekenis zou kunnen verliezen, eischt het belang van
de wet dat ook voor die eenvormige toepassing worde gewaakt,
zonder dat dit afhankelijk is van de willekeur der bijzondere per-
sonen. Vandaar de opdracht aan den Procureur-generaal bij den
Hoogen Raad om voor dat belang der wet op te komen en eene
uitspraak van den Hoogen Raad over de juiste beteekenis der wet
uit te lokken, ook als partijen van het rechtsmiddel van cassatie
geen gebruik maken. De wet zegt „na verloop van de termijnen
aan partijen toegestaan". Dit is niet volkomen nauwkeurig. Want,
wanneer een vonnis in eersten aanleg gewezen is en daarvan niet
in hooger beroep is gekomen, dan krijgt het vonnis daardoor wel de
kracht van een vonnis in het hoogste ressort, maar het werd niet
in het hoogste ressort gewezen. Partijen hebben derhalve de be-
voegdheid niet om van zoodanig vonnis in cassatie te komen en zoo
kunnen, ook wijl hun daartoe geen termijnen zijn toegestaan, de ter-
mijnen aan partijen toegestaan niet verloopen. Toch lijdt het geen
twijfel, of de procureur-generaal zal zich tegen zoodanig vonnis in
cassatie kunnen voorzien, daar het de kennelijke bedoeling is hem
die bevoegdheid toe te kennen wanneer partijen die niet hebben.
Maar dewijl partijen zelve te oordeelen hebben of zij, gebruik ma-
kende van het middel van cassatie, wijziging willen trachten te ver-
-ocr page 315-
§ 180. CASSATIE „IN HET BELANG DEK WET".                   297
krijgen in hare rechtsverhouding zooals die door het vonnis bepaald
werd, zoo moet dit niet tegen haren wil geschieden en al zoo de
cassatie in het belang der wet uitgesproken geen invloed hebben
op hare rechtsverhouding zooals die bij het vonnis werd bepaald.
De Procureur-generaal kan zich ook in het belang der wet in cassatie
voorzien tegen de vonnissen door de kantonrechters in het hoogste
ressort gewezen in de gevallen waarin het middel van cassatie aan de
partyen is ontzegd. Art. 99 laatste lid, R. O.
Ofschoon partijen zich tegen de door de kantonrechters in het
hoogste ressort gewezen vonnissen alleen in cassatie kunnen voorzien
op grond van onbevoegdheid of overschrijding van rechtsmacht of
indien zij de gronden niet inhouden of niet met open deuren zijn
uitgesproken, staat de cassatie in het belang der wet ook op de
andere in art. 99 vermelde gronden open. Al wordt in het laatste
lid van art. 99 eigenlijk geen zoodanige uitzondering op de toelating
van het middel van cassatie gemaakt, als waarop het tegenwoordig
art. 165 der Grondwet doelt, het wordt daar toch in toepassing
aanmerkelijk beperkt en het is niet te ontkennen, dat de invloed
van de cassatie in het belang der wet op de hier bedoelde vonnissen
der kantonrechters aanmerkelijk is verzwakt, nu de kantonrechters
voor hun leven worden aangesteld. Doch ook hierin ligt geen bezwaar,
indien men alhans met den franschen wetgever instemt, die, toen hij
bij art. 15 de la loi du 25 Mai 1838 de cassatie van de vonnissen der
vrederechters tot overschrijding van rechtsmacht beperkte, gewild
heeft „que Ie juge de paix libre des entraves qui enchainent les
autres juges n\'eüt d\'autre législateur que sa sagesse" volgens Gae-
sonnet § 1089 of indien men hecht aan de reden welke die schrijver laat
volgen: „et surtout que les parties ne pussent pas, pour un intérêt modi-
que, mettre en mouvement a grands frais la plus haute autorité judiciaire ",
met aanhaling van Henkion de Pansey de la compétence des juges de
paix p. 508 et suiv. Men vindt hier overigens de toepassing van het
ook in art. 98 R. 0. gehuldigde beginsel dat cassatie in het belang
der wet wordt toegelaten, waar zij voor de partijen vervalt.
De redactie van het laatste lid van art. 99 is niet nauwkeurig.
Als de vonnissen niet anders kunnen worden vernietigd
dan wegens onbevoegdheid enz., wat helpt dan den Procureur-gene-
-ocr page 316-
298 HOOFDST. IX. AFD. IV. BEROEP IN CASSATIE. TIT. III. BELANG DER WET.
raad de hem toegekende bevoegdheid om de vernietiging te vragen?
Men komt, door alleen op de letter te letten, ook hier niet uit.
Procedure. De Procureur-generaal doet de zaak inschrijven op de rol voor de
terechtzitting op welke hij zich voorstelt den eisch tot cassatie in het
belang der wet in te stellen. Op die terechtzitting wordt de zaak van de rol
afgeroepen en de Procureur-generaal neemt zijn requisitoir, hetwelk hij
met de stukken aan den Hoogen Raad overlegt, die den dag der uit-
spraak bepaalt.
Op welke wijze zal de Procureur-generaal bij den Hoogen Raad
dien eisch tot cassatie doen en hoe zal deze door den Hoogen Raad
behandeld worden ? Wanneer het Openbaar Ministerie als hoofdpartij
werkzaam is, zal het de gewone wijze van rechtsvordering volgen,
zegt art. 323. En zeker is de Procureur-generaal hier, in tegenstel-
ling van de gevallen waarin hij in zijne conclusiën gehoord wordt,
hoofdpartij. Doch ik heb reeds de gelegenheid gehad op te merken
(hierboven bl. 246) dat de Procureur-generaal hier zelf en niet door
een advocaat bij den Hoogen Raad vertegenwoordigd optreedt. Ook kan
hij de zaak niet bij eene dagvaarding aanhangig maken; van eene
conclusie der tegenpartij is natuurlijk evemin sprake en waar zijn
de partijen die pleidooien houden, waar het O. M. dat op een eisch
van den Procureur-generaal kan worden gehoord ?
De zaak kan alzoo wel niet anders behandeld worden dan op de
wijze waarop het O. M. in andere gevallen optreedt, waar het zonder
eene tegenpartij te hebben, van den rechter de toepassing der wet
verlangt, zooals dit in den tekst wordt aangewezen.
Het spreekt van zelf dat, terwijl de wetgever niet voorschrijft dat
de zaak in raadkamer wordt behandeld, daarvoor geen reden bestaat
en dat de openbaarheid der rechtspleging ook hier gehandhaafd moet
worden. Door het brengen van de zaak op de rol wordt de President
in kennis gesteld met de te verwachten behandeling van deze zaak
als met die van andere te behandelen zaken en krijgt de Procureur-
generaal van zelf de gelegenheid om de zaak ter terechtzitting aan
te brengen en voor te dragen.
In het Ontwerp 1865 worden bijzondere bepalingen voor de be-
handeling van de cassatie in het belang der wet voorgesteld, die
evenwel bij de herziening van de rechtspleging in cassatie in 1876
-ocr page 317-
§ 180. CASSATIE „IN HET BELANG DER WET".                 299
niet in aanmerking zijn gekomen. Daar wordt, in art. 29 van tit.
VI van B. III bepaald, dat de Procureur-generaal het beroep instelt
door middel van eene verklaring ter griffie waarvan de griffier eene
akte opmaakt die hij met den Procureur-generaal onderteekent, ter-
wijl dan de President den dag bepaalt waarop de zaak ter terecht-
zitting zal dienen en de griffier zorg draagt voor de inschrijving op
de rol Ten dage voor de behandeling bepaald (waarvan dan ook
weder aan den Procureur-generaal moet worden kennis gegeven)
neemt dan de Procureur-generaal zijn requisitoir, zooals ik hierboven
in den tekst aanwees.
De Hooge Raad zal bij zijne uitspraak de regelen volgen welke bij Onderzoek en
artt. 105, 106 R. O. en artt. 419 — 424 B. R. zijn voorgeschreven,
zonder dat daarby van eene verwijzing naar een lageren rechter sprake
kan zyn. De Hooge Raad kan geen andere gronden van cassatie in
aanmerking nemen dan die door den Procureur-generaal aangevoerd.
Dat in het algemeen de Hooge Raad bij zijne uitspraak de voor-
schriften heeft in acht te nemen welke voor de cassatie in het alge-
meen zijn voorgeschreven, kan, nu hier niets naders bepaald is, wel
niet twijfelachtig zijn. Dat evenwel wat geen doel kan treffen, zoo-
als de verwijzing van de behandeling der zaak naar een anderen
rechter, vervalt, spreekt eveneens van zelf.
Terecht werd in het Ontwerp 1865 de bepaling opgenomen dat
de cassatie in het belang der wet ook kan worden uitgesproken op
grond van door den Procureur-generaal niet aangevoerde middelen.
Al neemt de rechter nimmer het initiatief, zoodra hij eens van eene
zaak kennis neemt, treedt hij ambtshalve voor de openbare orde op.
En wat is meer van openbare orde dan de eenvormige toepassing
der wet waar die in het belang der wet gevraagd wordt? In-
tusschen wordt daartoe naast art. 419 § 3 eene uitdrukkelijke bepa-
ling vereischt, die de wetgever tot dusver niet gemaakt heeft.
Aanm. De cassatie van beschikkingen op rekest (artt. 428 en 429)
wordt door mij om dezelfde reden als het hooger beroep van zoodanige
beschikkingen buiten behandeling gelaten.
-ocr page 318-
300
HOOFDST. IX. AFD. V. BEQUESTE CIVIEL.
AFDEELING V.
REQUESTE CIVIEL (*).
§ 181. IN HET ALGEMEEN.
„ , .. .           Onder de benaming van requeste civiel wordt aan partyen een
middel gegeven om, op bepaald tnj de wet aangegeven gronden, de
herroeping te vragen van een tusschen haar in het hoogste ressort gewezen
vonnis of van een vonnis bij verstek gewezen dat voor verzet niet
meer vatbaar is, bij den rechter die dat vonnis wees. In het algemeen
kan men van den aard der gronden, waarop het middel rust, dit zeg-
gen, dat het vooreerst geldt bijzondere gevallen waarin de rechter Diet
heeft mogen rechtspreken gelijk hij deed, en voorts dat het vonnis berust op
een dwaling in de feiten, door bedrog of valschheid of ook door onwe-
tendheid der partijen, bij den rechter ontstaan.
In een bijzonder geval is het middel gedeeltelijk als een privilegie aan
minderjarigen toegekend. — De herroeping kan tot verbetering van het
vonnis leiden.
Door dit middel wordt, dit blijkt uit bovenstaande omschrijving,
in zekeren zin inbreuk gemaakt op de kracht aan het gewijsde toe-
gekend en tevens aan het bij de wet aangenomen beginsel, o. a. in
toepassing gebracht bij een ten onrechte niet toegelaten of niet bevolen
bevel van tenuitvoerlegging bij voorraad, volgens hetwelk de rechter
in het eens door hem uitgesproken vonnis geen verandering mag brengen.
Hier toch wordt aan den rechter, die het vonnis wees in het hoogste
ressort, de bevoegdheid toegekend om dit vonnis op aanvraag van
eene der partijen te herroepen. Het mag daarom voorzeker een
buitengewoon middel genoemd worden, al heeft onze wetgever
het niet noodig geacht, zooals de fransche wetgever dit deed, het
met het derde verzet en de prise a partie, welk laatste middel bij
ons verviel, in een afzonderlijk boek van het Ie ged. van zijn Code,
onder de voies extraordinaires pour attaquer les juge-
(\') Een met talent geschreven proefschrift leverde J. H. D. Schenkenberg van Mcerop
onder den titel: Requeste civiel te Leideu in 1890 verdedigd.
-ocr page 319-
301
§ 181. IN HET ALGEMEEN.
m e n t s, op te nemen. De bevoegdheid aan partijen toegekend om
van den rechter die eene beslissing gaf, vernietiging daarvan te vra-
gen is overbodig, waar andere middelen gegeven zijn om door een
hoogeren rechter die beslissing te doen herzien; het zou niet dan
tot verwarring leiden; de bevoegdheid om van den rechter die het
vonnis wees verbetering te vragen waar dit vonnis kracht van ge-
wijsde had bekomen, zou met het karakter van een gewijsde en de
reden waarom daaraan formeele waarheid werd toegekend, in strijd
zijn. Uit een en ander volgt dat er voor de toepassing van een
middel, waaraan die strekking toch is toegekend, bepaalde redenen
moeten bestaan, dat het alleen in bepaalde door de wet aangewezen
gevallen in toepassing kan komen. Men vergete niet, dat aan het
gewijsde ten behoeve van de rechtszekerheid, die een einde van den
strijd tusschen partijen eischt, wel de kracht van waarheid, maar
toch ook niet dan formeele waarheid werd toegekend. „Res iudi-
cata pro veritate habetüb." Maar de rechtsorde, die rechts-
zekerheid verlangt, mag deze niet verlangen noch bevorderen, wan-
neer daardoor onrecht tot recht zou worden verheven. Het aan-
nemen van de waarheid van het gewijsde, hoe noodzakelijk ook en
hoezeer uit zich zelve op juisten grondslag berustende, mag geen
superstitie worden. Waar het blijkt dat zij tot handhaving van
onrecht zou leiden, moet dit zooveel mogelijk worden voorkomen.
Kan de wet dit niet altijd, waar het kan moet ook de wet verhin-
deren dat het onrecht dat zij schiep in recht worde herschapen, „ne
summum jus fiat summa injuria." En dit kan de wet zeker ook
zonder de aan het gewijsde toegekende kracht te verzwakken, wan-
neer kan worden aangetoond dat de rechter tengevolge van een door
bedrog of valschheid gewekte dwaling, waarvoor ook de in het onge-
lijk gestelde partij hem niet heeft kunnen behoeden, op onware feiten
zijn vonnis wees. En de wet moet dan wel tot een buitengewoon
middel komen, wanneer geen der gewone middelen tot verbetering
van het vonnis meer aangevoerd kunnen worden. Dit belet niet dat
zoodanig middel niet alleen tot bepaald aangewezen gevallen wordt
beperkt, maar ook dat aan de gelegenheid om van de onjuistheid
van het vonnis te doen blijken tijdelijke grenzen worden gesteld.
Zoowel uit hoofde van de onzekerheid der deugdelijkheid van de be-
wijzen na zeker tijdsverloop, alsook omdat de rechtsbetrekkingen zich
zelfs naar een misschien onrechtmatig gewezen vonnis hebben ge-
schikt als wanneer het soms niet minder nadeelig zou kunnen zijn
-ocr page 320-
302
HOOFDST. IX. AFD. V. REQ,UESTE CIVIEL.
daarin verandering te brengen dan ze met. rust in den eens door het
vonnis bepaalden toestand te laten voortbestaan.
Het middel van request civiel was in onze oud-hollandsche
procedure bekend als een middel om in een geding herstel (relief)
te bekomen van verzuimen in het proces gepleegd (judicieele relieven)
of tegen handelingen de zaak zelve betreffende als contracten, tee-
kenen van acten enz. (substantieele relieven). Zie van dek Linden
Jud. practycq II bl. 172; verg. Merula bl. 684, 688 en 833
in de aantt.; verg. De Groot Isagoge II c. 6 § 9 sqq coll. I c. 5
§ 29. Als middel om tegen vonnissen op te komen is het door
onzen wetgever aan den C. de proc ontleend, waarin het, zooals het
zich in de ordonnantiën ontwikkeld had, uit de ordonnantie van
1667 tit. XXXV, als naaste bron werd overgenomen. Van den vorm
van verzoek is de benaming van Requête afkomstig. „Les arrêts
et jugements en dernier ressort ne pourront être retractés que par
lettres en forme de requeste civile " ; art. 1 van tit. XXXV der ordon-
nantie. Door sommige der vroegere fransche processualisten wordt
de bijvoeging civile verklaard in tegenstelling van crimineele
zaken, waarin het middel niet zou zijn toegelaten. Dit is evenwel
onjuist. Zie Jousse in de aant. op het opschrift van tit. XXXV.
Anderen geven daaraan de beteekenis van een verzoek in beleefde
termen vervat in dien zin, dat er geen aanklacht tegen den rechter
werd gedaan, maar veeleer diens dwaling werd verondersteld. Zoo
spreekt bij ons de Groot Inleiding III 48 § 5 van verlof om in
rechte heusch verzoek van herstellinge te mogen doen, waar-
mede hij den rechtsterm van request ei vie 1 teruggeeft. Zie Carré
ad rubr. van den titel, Boitard II nn. 729 e. a.
Het in onze wetgeving aan het request civiel in burgerlijke zaken
analoge rechtsinstituut in strafzaken is de in den XVIIP" titel Wetb.
v. Strafvordering bij de wet van 14 Juli 1899 n0. 159 geregelde en
voor „de opschorting en vernietiging van arresten en vonnissen uit
hoofde van bepaalde omstandigheden" in de plaats gestelde h e r z i e-
ning van arresten en vonnissen, waaraan, buiten de wet,
algemeen de benaming van revisie gegeven wordt. Zoo zou de
benaming van request civiel ook wel de gebruikelijke blijven in de
rechtzaal en daarbuiten, al ging de wet de nederlandsche benaming
van herroeping van vonnissen gebruiken, of, in overeenstem-
ming met de terminologie in het Wetb. van B. R. aangenomen, een-
voudig van herroeping spreken.
-ocr page 321-
303
§ 181. IN HET ALGEMEEN.
Dat er bij de regeling van dit middel steeds in de wet wordt
gesproken van verzoek is niet dan een gevolg van zijne technische
benaming en van zijn historischen oorsprong. Het is niet omdat de
aard der rechtsmiddelen tegen vonnissen, gelijk ik bl. 7 opmerkte,
eer medebrengt ze als verzoeken te qualificeeren dan als e i s c h e n.
Had de wetgever aan het rechtsmiddel den naam van herroeping
gegeven, hij zou evenals van den eisch in hooger beroep, hier van
den eisch tot herroeping gesproken hebben. Van een verzoek
om tot het middel te worden toegelaten is dan ook geen sprake.
Ook dit geding vangt aan met een dagvaarding (art. 390) die dan
wel de strekking zal moeten hebben om voor den rechter te ver-
schijnen ten einde verzoek te hooren doen tot herroeping, enz. Op
zeer merkwaardige wijze worden een en ander vorm vermengd in de
in art. 390 gebezigde uitdrukking: „Het request civiel zal worden
ingediend door eene dagvaarding in den gewonen vorm", d. w. z. men
dient een verzoek aan den rechter in in den vorm van eene dag-
vaarding der tegenpartij voor den rechter. Het is niet eens een aan
den rechter gericht verzoekschrift dat aan de tegenpartij met dag-
vaarding voor den rechter beteekend wordt. Ik vind den hier voor-
geschreven vorm nu juist niet verkeerd, maar ik wijs er maar op
om onder de aandacht te brengen, hoe hier het oude in en door het
nieuwe werd vervormd.
De Code de procédure gaf, door de gevallen waarin zij request
civiel toeliet, aanleiding tot het aannemen van een zeker verband
tusschen dit middel en het middel van cassatie. „Ces deux procédu-
res n\'ont pas toujours été aussi nettement distinctes qu\'aujourd\'hui,
et Tanden droit francais a mis plusieurs siècles a reconnaitre et a
délimiter leur domaine respectif" zegt Garsonnet V § 1076 a. h. e.
Geen wonder dus dat er nog wel iets te ontwarren overbleef. Want,
ofschoon in het algemeen kon worden gezegd dat cassatie een dwa-
ling omtrent het recht, request civiel een dwaling omtrent de feiten
veronderstelt, zoo kon men toch tegelijk beweren dat request civiel
soms ook wegens een rechtsdwaling gegeven werd en dat men dan
wel gevallen moest aannemen, waarin beide middelen openstonden;
zoo wisten schrijvers en jurisprudentie weer onderscheidingen te
maken, volgens welke van het een of van het andere middel gebruik
moest worden gemaakt, zoodat evenmin tot een keus tusschen beide
middelen als, en nog veel minder, tot het achtereenvolgens gebruik
maken van beide middelen bevoegdheid zou bestaan. Ofschoon, waar-
-ocr page 322-
304                         HOOFDST. IX. AÏD. V. RE^UESTE CIVIEL.
schijnlijk ook al tengevolge van het zeldzaam gebruik dat er van
het request civiel wordt gemaakt, dat de gevallen waarin het toe-
gelaten wordt uit den aard der zaak slechts zelden voorkomen, bij
de vaststelling van den Xen titel van B. I. van ons Wetboek, van
de desbetreffende afwijkingen, welke onze wetgever zich van den Code
veroorloofde, geen rekenschap werd gegeven, zoo moet toch wel onze
wetgever met de weglating van de bepaling van het onder n°. 2 in
art. 480 C. de pr. vermelde geval begrepen hebben dat hierin de
cassatie voldoende voorzag. Wat daar geschreven stond : „si les
formes prescrites a peine de nullité ont été violées soit avant, soit
lors des jugements pourvu que la nullité n\'ait pas été couverte par
les parties", dat was immers duidelijk als een grond van cassatie
in art. 99 n°. 1 R. O. opgenomen ? En zoo was het ook niet twijfeN
achtig, dat op grond van het niet hooren van het O. M. cassatie
openstond, zonder dat het noodig was request civiel toe te kennen
bepaaldelijk aan hem die in het ongelijk gesteld werd, terwijl het
hooren van het O. M. in zijn belang was voorgeschreven, art. 480
n°. 8 C. de pr. De weglating van deze beide gevalfen bevestigt
de juistheid dat, waar request civiel wordt toegelaten, cassatie
bij ons uitgesloten is. Zoo behoeft men bij ons ook niet meer
de toevlucht te nemen tot de onderscheiding, welke bij de fransche
schrijvers gemaakt wordt tusschen het geval dat de rechter een
verzuim in den vorm heeft begaan zonder dat hij daartegen werd
gewaarschuwd, zoodat met name het verzuim bij de redactie of de
uitspraak van het vonnis moet begaan zijn, in welk geval dan
request civiel, en eene schending van vormen op andere wijze
begaan waartegen dan cassatie zou moeten worden aangewend.
Zoo zou ook request civiel alleen te pas komen wanneer het hooren
van het O. M. eenvoudig vergeten werd, maar niet wanneer het niet
had plaats gehad niettegenstaande het door de partijen gevorderd
was geworden. — Voorts zouden beide middelen gegeven zijn voor
het geval dat uitspraak gedaan is omtrent zaken welke niet waren
geeischt en indien meer is toegewezen dan geeischt was (art. 480
n°. 3 en 4 C. de pr., art. 382 n°. 2 en 3 B. R.), doch van cassatie
alleen gebruik gemaakt kunnen worden, als in het meer toegewezene
tevens eene toewijzing mocht liggen van iets waarin de wet verbiedt
te veroordeelen en wanneer de rechter uitdrukkelijk heeft overwogen
dat hij met hetgeen hij toewees niet meende te gaan boven hetgeen
was gevorderd. Het komt mij voor dat, indien al cassatie bij ons
-ocr page 323-
§ 181. m HET ALGEMEEN.                                   305
zou kunnen gevorderd worden op grond van eene veroordeeling in iets
waarin de wet veroordeeling verbiedt, wat ik niet ontken, alleen
deze grond, maar niet de toewijzing van zaken die niet waren ge-
vorderd op zich zelf, evenmin als indien meer werd toegewezen,
dit op zich zelf tot cassatie grond zou geven. Immers het verbod
dat uit art. 382 n°. 2 en 3 voortvloeit, is alleen een gevolg daar-
van, dat in die beide gevallen request civiel gegeven wordt; het kan
dus alleen tot dit middel grond opleveren. Voor cassatie zou er in
die gevallen eerst grond bestaan, indien onafhankelijk van de ver-
binding met request civiel, het verbod in een op zich zelf staand
imperatief aan den rechter gegeven voorschrift ware vervat. Zoo
kon de auteur van het Ontwerp van 1865 deze gronden voor request
civiel doen vervallen, omdat hij ze in imperatieve door den rechter
bij zijn vonnis in acht te nemen, voorschriften had omgezet en
daardoor tot gevallen had gemaakt die tot schending van de wet
aanleiding en dus tot cassatie grond konden geven. — Wanneer
eindelijk door de fransche schrijvers beweerd wordt dat ook de in
art. 480 n°. 6 C. de pr. (art. 382 n°. 5) vermelde tegenstrijdigheid
van vonnissen van denzelfden rechter afkomstig zoowel tot cassatie
als tot request civiel grond kan geven en zij dan van oordeel zijn dat
het middel van cassatie moet worden aangewend wanneer de rechter,
niettegenstaande een beroep op het vroegere vonnis werd gedaan,
daarin het karakter van een gewijsde niet heeft gevonden, dan zou
ik dit niet willen betwisten, maar ik zou meenen, dat dan niet de
tegenstrijdigheid der vonnissen, al moge die tengevolge daarvan
bestaan of beweerd kunnen worden te bestaan, de grond voor de
cassatie is, maar wel de schending van de bepalingen der wet om-
trent de exceptie van gewijsde zaak en dat dit geval reeds daarom
buiten de in art. 480, 6° en 382, 5° op den voorgrond gestelde
tegenstrijdigheid van vonnissen gelegen is. Zie over de hier bespro-
ken gevallen, waarin de fr. schrijvers èn request civiel èn cassatie
toegelaten achten, Garsoxnkt V§1115vv. Maar er zullen toch geval-
len kunnen zijn, waarin er tegen een vonnis zoowel een grond tot
cassatie als een grond tot request civiel bestaat. De vraag is dan
welk middel het eerst moet aangewend worden en of men beide
tegelijk kan aanwenden. Ook bij ons zijn daaromtrent verschillende
gevoelens voorgestaan. Ik zou de voorkeur geven aan dat door
Schenkenbekg van Mierop ontwikkeld t. a. p. bl. 68 vv. dat
„niets belet eerst cassatie in te stellen en als die verworpen wordt
V
                                                                                                             20
-ocr page 324-
HOOFDST. IX. AFD. V. REQUESTE CIVIEL.
306
request civiel, niets belet ook beide middelen gelijk in te stellen."
Ik heb getracht het karakter van het middel in de bovenstaande
beschrijving terug te geven, doch heb dit niet kunnen doen door
een kenmerk aan te geven dat aan alle voor het middel toegelaten
gronden gemeen zou zijn. Kan men in de gronden voor de cassatie
het algemeen en gemeenschappelijk karakter van dwaling in het recht
terugvinden, men komt er niet veel verder meê, wanneer men zegt
dat de gronden van request civiel het karakter zouden hebben van
dwaling in de feiten. Dit kan vooreerst niet van alle middelen
gezegd worden en, ten aanzien van die waarvan men het zou kunnen
zeggen, is het kenmerk te onbepaald.
Het kan niet gezegd worden van de gronden onder n°. 2, 3, 4,
6 genoemd. Hier is in strijd met de regelen van eene behoorlijke
rechtspraak gehandeld. Deze brengt mede dat de rechter gebonden
is aan hetgeen partijen van hem vragen, hij moet zich aan hare con-
clusiën houden, mag daar niet dan in bijzondere gevallen buiten
gaan. maar hij moet ook uitspraak doen op wat zij aan zijn oordeel
onderwerpen. Ware den rechter deze verplichting bij de wet uit-
drukkelijk opgelegd, de niet-nakoming van die verplichting zou grond
tot cassatie opleveren en behoorde dit te doen, zoodat indien het
gebied van beide middelen behoorlijk ware onderscheiden, van de
toepassing van request civiel hier geen sprake meer had moeten zijn.
Dit geldt althans van de onder n°. 2, 3 en 4 vermelde gronden.
Wat de onder n°. 6 vermelde tegenstrijdige beschikkingen in het-
zelfde vonnis betreft, het ware zeker wat heel zonderling indien de
wetgever uitdrukkelijk bepaalde, dat een rechter zich van dus vonnis
te wijzen moet onthouden. Mocht het geval zich voordoen, dan moet
er een middel zijn om zoodanig vonnis vernietigd te krijgen en dan
is wel het request civiel daartoe aangewezen. Met de gevallen onder
n°. 2, 3 en 4 vermeld heeft het zeker dit gemeen dat de rechter
zijn taak niet naar behooren vervulde, of zooals ik het in den tekst
uitdrukte, dat de rechter niet heeft mogen rechtspreken gelijk hij
deed. Ik ontken evenwel niet. dat de termen zeer algemeen zijn en ik
ze dan ook niet anders heb weten te beperken dan door van b ij z o n-
dere gevallen te spreken, waarin dit plaats heeft. Dit staat
dunkt mij vast, dat geen van deze gevallen kan worden gebracht
onder dwaling in de feiten. Maar ook voor de overige gronden van
request civiel is de uitdrukking te algemeen. Men zou daarmede
-ocr page 325-
§ 181. IN HET ALGEMEEN.
307
terugkomen tot het in de rechtspraak van vóór de ordonnantie van
1667 in Frankrijk bekende rechtsmiddel van „proposition d\'erreur"
\'t welk bij het laatste, art. 42, der ordonnantie werd afgeschaft en
waarop Jousse aanteekende: „La proposition d\'erreur, qui était
autrefois en usage avant cette ordonnance, était un moyen pour
faire retracter un Arrêt ou Jugement en dernier ressort, quand ce
Jugement avait été rendu sur une erreur de fait", waarin Jousse
tevens eene bevestiging vindt van het in art. 32 voorkomende ver-
bod om vonnissen of arresten in te trekken „sous prétexte de mal
jugé au fond."
Nu hebben de gronden van n°. 1, 7 en 8 dit gemeen, dat de
rechter verkeerd heeft recht gesproken doordien door bedrog feiten
ten onrechte als waar zijn aangenomen n°. 1, waaraan nauw ver-
want is het geval van n°. 8 als door de eene partij aan de andere
stukken zijn onthouden en daardoor de rechter op een dwaalspoor
is gebracht of dat dit (n°. 7) door valsche stukken is geschied.
Eindelijk betreft n°. 5 een geval dat partijen, onbekend met een in
hunne zaak door denzelfden rechter gegeven gewijsde, ook hem in
onwetendheid daaromtrent hebben gelaten. De dwaling in de feiten
betreft hier echter niet de feiten die den grondslag van het in \'t
geding gebrachte recht uitmaken, maar de rechtsverhouding die er
tusschen de partijen met opzicht tot in het geding gebrachte recht
bestaat.
Het geval waarin het middel aan minderjarigen wordt gegeven is
van geheel bijzonderen aard en kan het request civiel tot eene pri-
vilegie maken voor deze zg. personae miserabiles.
Evenals het hooger beroep tot een gedeelte van het onderwerp van
UT 6Ü 6 61X6 Vïll.1
het vonnis kan worden beperkt, zoo kan ook bij request civiel de her- een vonnis
roeping van een gedeelte van het vonnis gevraagd worden. De ver-1S ge re lg\'
zoeker zal dit zelfs moeten doen, indien de grond van herroeping alleen
op een gedeelte van toepassing is. Staan de andere deelen van het
vonnis evenwel in zoo nauw verband met het bestreden gedeelte, dat
zij daarmede staan of vallen, dan wordt het middel tegen het geheele
vonnis aangewend. Art. 384.
In hooger beroep is het de vraag, of de appellant zich bezwaard
acht met het vonnis waarbij hij in het ongelijk werd gesteld. Het
staat aan hem te beoordeel en in hoeverre het ongelijk hem bezwaart
-ocr page 326-
308 HOOFDST. IX. AFD. V. KKQUESTE CIVIEL. T1T. I. HET RECHTSMIDDEL.
en zeker kan hij moeilijk tegen dat gedeelte van het vonnis opko-
men waarbij hij in het gelijk gesteld werd. Bij request civiel ligt
de beperking van het middel in den grond waarop het wordt aan-
gewend, die, wanneer hij slechts een gedeelte van het vonnis be-
treft, ook omdat het een buitengewoon middel geldt, tot dat gedeelte
moet beperkt blijven. Alleen de samenhang der deelen kan maken
dat het zich over het geheele vonnis uitstrekt. In twijfelachtige
gevallen zal de verzoeker het verstandigst handelen zijn verzoek
tegen het geheele vonnis te doen gelden. Hij loopt dan hoogstens
gevaar voor een gedeelte in zijn verzoek niet ontvankelijk verklaard
te worden terwijl, indien hij \'t voor een gedeelte verzoekt en de
rechter van oordeel is dat het niet dan voor het geheele vonnis kan
worden toegepast, de verzoeker in zijn verzoek, zooals het werd ge-
daan, niet-ontvankelijk verklaard moet worden. De rechter kan het dan
voor een deel niet toewijzen, omdat de samenhang van de deelen van
het vonnis zou verbroken worden, en niet voor het geheel omdat
hij zou gaan ultra petita. Dat hier van een incidenteel verzoek
van de tegenpartij als bij hooger beroep en bij cassatie \'t geval kan
zijn, geen sprake kan wezen, is niet twijfelachtig. Men zou zich
misschien een geval waarin het te pas kon komen, vooral bij een
gedeeltelijk request civiel wel kunnen voorstellen, maar de wet kent
het niet.
Titel I.
HET RECHTSMIDDEL.
§ 182. VONNISSEN VOOR DIT MIDDEL VATBAAR. BEVOEGDE RECHTER.
Bij de toepassing van het middel van request civiel onderscheidt de
wet in de eerste plaats tusschen vonnissen op tegenspraak en vonnis-
sen bij verstek gewezen, en in de tweede plaats tusschen zoodanige
vonnissen van kantongerechten en die van rechterlijke colleges.
Vonnissen op *" ^e vonmssen op tegenspraak gewezen moeten zijn gewezen in
tegenspraak het hoogste ressort; die btj verstek moeten eveneens gewezen zyn in
en verstek. ...
                                     ,         .,,,,,
net hoogste ressort, maar het middel kan daartegen ook worden aan-
gewend wanneer zij niet meer vatbaar zijn voor verzet.
-ocr page 327-
§ 182. VONNISSEN VOOR DIT MIDDEL, VATBAAR. BEVOECtDE RECHTER.        309
II. De vonnissen van kantongerechten zü\'n alleen aan request civiel    Vonnissen
onderworpen op grond van bedrog in de procedures gepleegd omschreven      kaLton-
in n". 1 en indien gevonnist is op valsche stukken als aangewezen     rechters.
in n°. 7 van art. 382. Zie de aanhef van art. 382 en art. 397.
Tegen vonnissen door scheidsmannen gewezen is request civiel niet Uitspraken
toegelaten. Art. 64.8.
                                                                                     ^ntf\'
Van request civiel wordt kennis genomen door den rechter, die het Bevoegde
vonnis wees waartegen het middel wordt aangewend. Arg. art. 382 rechter,
aanhef.
I. Wat de vonnissen op tegenspraak betreft, zij zijn in het hoog-
ste ressort gewezen wanneer de rechter in eersten aanleg vonnis
wees in zaken die voor hooger beroep niet vatbaar zijn, en voorts
wanneer de vonnissen in hooger beroep zijn uitgesproken. Want, al
moge de cassatie bij ons het karakter hebben gekregen van eene
derde instantie, het middel wordt toch alleen toegekend tegen arres-
ten en vonnissen in het hoogste ressort gewezen. Art 95 R. O. Zoo
kan het middel van request civiel worden aangewend tegen, ik spreek
hier alleen van de colleges, a. de vonnissen van de arrondissements-
rechtbanken in het eerste en hoogste ressort gewezen, doordien het
hooger beroep is uitgesloten; b. de vonnissen dier rechtbanken in
hooger beroep van de vonnissen der kantongerechten; c. de arresten
van de Gerechtshoven in hooger beroep van die der rechtbanken
gewezen; d. de arresten van die Hoven krachtens opdracht van par-
tijen gewezen in het eerste en hoogste ressort; e. de arresten van
den Hoogen Raad in eersten aanleg en die, door uitsluiting van de
revisie, in \'t hoogste ressort gewezen; f. de arresten van den H. Raad
in revisie.
Hoe staat het met de arresten van den H. Raad waarbij, met
vernietiging van het bestreden arrest of vonnis, wegens overschrij-
ding van rechtsmacht, of van verkeerde toepassing of schending der
wet, de Hooge Raad de hoofdzaak beslist even en in dier voege als
de rechter die het vernietigde arrest heeft gewezen, had behooren te
doen ? Art. 105 R. O. bepaalt met zoovele woorden dat \'s Hofs (d. i.
des Hoogen Raads) uitspraak in geen geval voor eenige na-
de re rechterlijke voorziening vatbaar zal zijn. Dus is tegen dit
arrest van den H. Raad, dat voor het in het hoogste ressort gewezen
-ocr page 328-
310 HOüFDST. IX. AFD. V. REQÜB8TE CIVIEL. TIT. I. HET RECHTSMIDDEL.
vonnis of arrest in de plaats komt, niet onderworpen aan request
civiel. En al is het na wel aan te nemen, dat de H. Raad, al is
er geen middel van cassatie van gemaakt, dat er in strijd gehandeld
is met art. 382 n». 2, 3 of 4, toch bij zijne uitspraak ten principale
niet de bij die bepalingen bedoelde fouten, welke in het vernietigd
arrest begaan mochten zijn, zal bevestigen, het kan heel goed wezen
dat aan de, bij de overigens vernietigende uitspraak niet op nieuw
onderzochte, feiten, een bedrog, een valschheid of eene onwetendheid
kleeft, als bij art. 382 n". 1, 7, 8 worden verondersteld. Mocht dit
het geval zijn, dan wordt het gebrek onherstelbaar doordien de H. Raad
de hoofdzaak besliste, terwijl in geval van verwijzing een nieuwe
uitspraak in het hoogste ressort door den lageren rechter zal worden
gewezen, welke aan eene herroeping door request civiel onderworpen
is. Consequentie bestaat hier niet. Intusschen heeft de H. Raad, bij
arr. van 31 Mei 1895 \\V. 6690, een tegen zijn arrest van 13 Dec.
1894 W. 6602 ingesteld request civiel, op grond van art. 382 n°. 4,
toegelaten en bij later arrest van 27 Juli 1895 alsnog den eisch tot
uitvoerbaarverklaring van zijn arrest bij lijfsdwang, waarop hij aanvan-
kelijk verzuimd had uitspraak te doen, toegewezen. Het arrest op het
request civiel en dat op de hoofdzaak werden bij verstek gewezen.
De vonnissen moeten in het hoogste ressort gewezen zijn. Maar
wanneer de partij den termijn heeft laten verloopen of in de uit-
spraak heeft berust, zoodat daardoor het vonnis in kracht van ge-
gewijsde is gegaan ? Dan staat request civiel niet open, ofschoon het
zeer wel mogelijk is dat het bedrog of de valschheid eerst na de
berusting of het verloopen van den termijn ontdekt zijn. Zeer ratio-
neel is dit niet, ofschoon het in den C. d. pr. evenzoo bepaald was, en,
toen bij de herziening in 1837 eene ruimere bepaling verlangd werd,
was het antwoord der Regeering zeker niet overtuigend, toen zij zeide
van oordeel te zijn „dat het request civiel tot zoodanige vonnissen
niet kan worden uitgestrekt." „Wanneer eene partij," zoo vervolgde
zij, „die in het ongelijk gesteld is, het gewone middel van appèl
heeft verwaarloosd, kan hij tot het buitengewone middel van request
civiel zijne toevlucht niet nemen, want zoodoende zoude hem de keus
gegeven worden tusschen appèl en request civiel." Is het niet juist
de aard van een buitengewoon middel om dan aangewend te worden
als de gewone, middelen ontbreken en van wien zou het wel te ver-
wachten zijn dat hij berustte, of den termijn liet verloopen om van
het middel van request civiel gebruik te maken dat hem niet meer
-ocr page 329-
§ 183. VONNISSEN VOOB DIT MIDDEL, VAT HAAK. BEVOEQDE BECHTEB. 311
geeft dan het hooger beroep, terwijl het hem tegen de tenuitvoerleg-
ging van het vonnis niet behoedt? Maar bovendien is het niet de
strekking van het request civiel om een onrecht dat iemand krachtens de
wet is aangedaan te herstellen, omdat hij de onrechtvaardige wer-
king der wet niet heeft kunnen voorkomen ? In het Ontw. 1865
werd dan ook eene uitbreiding aan het middel gegeven, door het in
art. 1 van den betrekkelijken titel toe te kennen tegen vonnissen
in het hoogste ressort, waartegen niet meer door hooger beroep of
revisie kan worden opgekomen, die alzoo in kracht van gewijsde zijn
gegaan, omdat men geen gebruik heeft gemaakt van de gewone rechts-
middelen, die daartegen open stonden.
De uitsluiting van het request civiel tegen vonnissen, waartegen
geen hooger beroep meer kon worden ingesteld, wegens berusting
of \'t verstrijken van den termijn, is nog minder te verdedigen, om-
dat de wetgever bij de vonnissen op verstek gewezen aan het middel
eene ruimere werking toekent. Uan wordt het toch ook toegekend wan-
neer van het middel van verzet geen gebruik is gemaakt en dientenge-
volge het vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen. Werd dus het
vonnis bij verstek in eersten aanleg gewezen, zoodat wanneer van het
middel van verzet gebruik gemaakt was, het hooger beroep nog zou
openstaan, dan kan request civiel worden ingeroepen even goed als
wanneer het vonnis bij verstek in het hoogste ressort gewezen was en
het middel van verzet daartegen werd verzuimd. Ofschoon met opzicht
tot het hooger beroep de regel geldt „contumax non appellat", wordt
request civiel tegen de bij verstek gewezen vonnissen met voorbij-
gang van verzet wel toegelaten. Zou men hier dan ook niet kunnen
zeggen dat de keus gegeven wordt tusschen verzet en request civiel ?
Zoo zegt Boitakd op art. 480 dan ook: „la loi ne fait pas pour
1\'opposition Ie même raisonnement qu\'elle a fait pour 1 appèl", maar
dat de reden die hij daarvoor opgeeft „apparemrnent parceque les
délais d\'opposition étant beaucoup plus courts, on n\'a pas entendu
attacher la même peine a la négligence de la partie dans Ie dernier
cas que dans Ie premier" heel afdoende is, kan moeilijk volgehouden
worden. Met opzicht tot de vonnissen op tegenspraak wordt dus als
een strafbaar verzuim aangemerkt wat in onwetendheid werd begaan
en inderdaad geen verzuim kan heeten. Meer zou er te zeggen zijn
voor de redeneering: indien gij van het middel van hooger beroep
gebruik hadt gemaakt, dan hadt gij daardoor de gelegenheid open-
gehouden om het bedrog of de valschheid nog bij tijds te ontdek-
-ocr page 330-
312 HOOFDST. IX. AFD. V. RECiUESTE CIVIEL. TIT. I. HET RECHTSMIDDEL.
ken, maar diezelfde redeneering zou dan ook al weer op het verzet
toepasselijk zijn. En als iemand den termijn van hooger beroep of
den tijd om in verzet te komen liet voorbijgaan omdat hij vreesde
door een van beide middelen toch geen gelijk te zullen krijgen,
moet hij dan daarom het slachtoffer worden van een gepleegd bedrog
of valschheid ? Wordt niet in de hier bestreden beperking van het
middel onbewust het rechterlijk gewijsde met eenige superstitie ge-
eerd ? Ging men nu evenwel de inconsequentie wegnemen en voor
de vonnissen op tegenspraak hetzelfde bepalen als voor die bij ver-
stek, dat nl. berusting of laten verloopen van den termijn aan het
request civiel niet in den weg staat, dan werd voor die gevallen,
waarin request civiel wordt gegeven omdat de rechter niet naar
behooren rechtsprak (zie art. 382 n°. 2, 3, 4 en 6), ten onrechte
een onderscheid gemaakt tusschen request civiel aan den eenen kant
en hooger beroep en cassatie aan den anderen kant. Want er is
geen reden denkbaar waarom in deze gevallen, welker bestaan uit
het vonnis blijkt, de berusting of het laten verloopen van den ter-
mijn aan het hooger beroep en de cassatie wèl, aan het request
civiel niet in den weg zou staan; evenals het nu onredelijk is om,
waar het vonnis voor geen verzet meer vatbaar is, in de genoemde
gevallen wel request civiel maar geen beroep te geven. Een bewijs
te meer dat de aangehaalde gevallen in het geheel geen reden voor
request civiel moesten opleveren. Zoo kon het Ontwerp 1865, dat de
gevallen beperkte, ook tegen de vonnissen voor hooger beroep of voor
cassatie niet meer vatbaar, request civiel geven.
Het behoeft nauwlijks vermelding dat de beantwoording van de
vraag, of het vonnis in het hoogste ressort is gewezen niet afhangt
van de daaraan door den rechter gegeven qualificatie, maar van de
wet. Zie bl. 56 v.
II. De Code de pr. sloot het middel bij de kantongerechten stil-
zwijgend uit door in art. 480 alleen van vonnissen van „tribunaux
de première instance et d\'appèl" te spreken. De aanhef van ons art.
382 is in algemeene termen geschreven en sluit daardoor de von-
nissen van kantongerechten niet uit, maar de beperking komt ach-
teraan en zoo wordt in het laatste artikel van den titel gezegd,
dat men geen gebruik kan maken van het middel van request civiel
tegen de vonnissen der kantonrechters, dan alleen in het geval van
n°. 1 en 7 van art. 382. De Regeering had aanvankelijk voorge-
-ocr page 331-
§ 182. VONNISSEN VOOR DIT MIDDEL, VATBAAR. BEVOEGDE HECHTER.         313
steld het middel tegen vonnissen van de Kantonrechters geheel uit
te sluiten „tot vermijding en afsnijding van procedures in zaken
van minder geldelijk belang." Toch had zij het, op de aanmerking
van eene afdeeling, bij de nieuwe redactie in eenige gevallen toege-
staan. En toen eene afdeeling der Tweede Kamer, bij de herziening
van 1837, verklaarde de reden van deze beperking niet in te zien,
toen beriep de Regeering zich er op dat zij al zooveel meer deed
dan de fransche wetgever en dat de beperking van request civiel
even raadzaam was als die van cassatie. Er was toch ook hooger
beroep gegeven in alle zaken van eenig belang, welke bij den kan-
tonrechter kunnen dienen. Zie v. d. Honert op § 397. Ligt er in
deze geheele redeneering iets anders dan een „marchandeeren " zonder
dat men in aanmerking neemt, waarover het eigenlijk gaat? Er ligt
wel eenige verschooning in deze wijze van handelen, als men bedenkt
dat op vele gronden verkeerdelijk het middel van request civiel werd
gegeven en dat \'t geheele instituut weinig in toepassing komt. Maar
ligt in deze laatste omstandigheid niet even goed een reden om het
meer algemeen toe te kennen ? Voor de uitsluiting van cassatie bestaat
in ieder geval een remedie in de cassatie in het belang der wet; dat
er hooger beroep van de meer belangrijke zaken gegeven wordt is
waar, maar dat helpt niet, wanneer van het hooger beroep geen ge-
bruik gemaakt werd en er toch evenzeer eene ongerechtigheid in het
vonnis kan liggen. Valt het niet in het oog dat ook in het geval
van n°. 8 eene ongerechtigheid kan worden gewettigd, nu daar geen
middel tegen gegeven is ? en al kan er in de overige gevallen wei-
licht beter worden voorzien op andere wijze, zoolang die gevallen
even goed bij de kantongerechten zich kunnen voordoen als bij de
colleges, is de uitsluiting niet te rechtvaardigen. Een middel dat
buitengewoon is omdat het voor buitengewone gevallen gegeven
wordt, moet uit zijn aard toepasselijk zijn overal waar die buiten-
gewone gevallen zich voordoen. Ofschoon onze wetgever er niet aan
schijnt te hebben getwijfeld dat request civiel naar den Code niet
was toegelaten tegen vonnissen van de vrederechters, zoo bestaat
toch veel verschil van gevoelen over dit punt onder de fransche
schrijvers. Terwijl bijv. Merlin de toelating ontkende, ontkende ook
Carré die eerst om later daarop terug te komen en Chauveau blijft
in zijne aanteekening op Q. 1736 aan de uitsluiting van het middel
vasthouden Hij vereenigt zich met Boitard die even pertinent het
middel bij de vredegerechten ontkent als weder Garsonnet V § 1089,
-ocr page 332-
314 HOOEDST. IX. AFD. V. KECiUESTE CIVIEL. ÏIT. I. HET RECHTSMIDDEL,.
7o. het toegelaten acht. En terwijl Boitard ook een argument put
uit de uitsluiting van de cassatie, zegt daarentegen Garsonnet dat
„la requête civile y est d\'autant plus nécessaire que Ie pourvoi en
cassation n\'y est admis que pour exces de pouvoir." Men kan daarin
ook eenige verschooning vinden voor de straks vermelde beschou-
wingen over dit punt in onze tweede Kamer voorgedragen (*). Ter-
wijl de fransche wet nog twijfel overliet omtrent de toelating van
request civiel tegen vonnissen van de vrederechters, is bij ons met
de opheffing van dezen twijfel de toelating zoo duidelijk mogelijk
beperkt tot de gevallen van n°. 1 en 7, dat volstrekt geen andere
reden kan worden toegelaten. En al worden nu de minderjarigen
in art. 383 op eene bijzondere wijze behandeld, zij zijn toch zeker
onder de men van art. 397 begrepen.
Ten opzichte van uitspraken van scheidsmannen liet de C. de pr.
het request civiel in het algemeen toe, doch wilde dit gebracht heb-
ben voor den gewonen rechter en dan wel voor den rechter die bevoegd
zou geweest zijn om van het hooger beroep der arbitrale uitspraak
kennis te nemen. Artt. 1026, 1027, C. d. pr. Onze wetgever sloot
het middel uit en voegde er nog bij dat partijen zelfs van de toe-
lating geen geldig beding zouden kunnen maken. Dit laatste spreekt
wel van zelf; waaraan zouden partijen de bevoegdheid kunnen ont-
leenen om een door de wet uitgesloten middel in toepassing te bren-
gen ? De reden waarom de wetgever het middel hier uitsloot, vond
hij daarin gelegen, dat zoodra de scheidsmannen hebben uitspraak
gedaan, hunne zending heeft opgehouden, v. d. Honbbt op § 648,
verg. § 649. Dit is een theoretisch bezwaar, dat ook alleen in
thesi, niet in hypothesi, bestaat. Want waar de rechter geroepen wordt
zijn eigen vonnis te verbeteren, omdat hij niet behoorlijk rechtsprak
of door bijzondere omstandigheden, hem onbekend, eene onrechtvaar-
dige uitspraak gaf, dan is, indien hem de bevoegdheid wordt toege-
kend om zijn uitspraak te verbeteren, zijne zending, zooals men het
noemt, niet geëindigd en is de wetgever althans bevoegd om een
C) Men zegt al zoo wat als het eene aanbeveling, ook wel als het op eene bestrijding van
een wetsontwerp aankomt. Ik lees daar bij Gahsonnet als aanbeveling voorde beperkingvan
de cassatie van de vonnissen van de vrederechters aangehaald, dat do wetgever zou gewild heb-
ben dat de vrederechter zou zijn »libre des entraves qui enchainent les autrea juges, n\'eüt
d\'autro lêgislateur que sa sagesse*\' ! Hoe men toch zich zelven en anderen een rad voor de
oogen kan draaien eii dat zelfs bij de behartiging van de zorg voor de handhaving der justitie!
-ocr page 333-
§ 183. GRONDEN WAAROP TOEGELATEN.                           315
middel te scheppen, en kan hij de zending van de scheidsmannen
even goed als die van den gewonen rechter voor bijzondere gevallen
uitbreiden. Bestaan er nu praktische bezwaren om die uitbreiding
op scheidsmannen toe te passen en acht men het geraden om hunne
uitspraak in gevallen, als anders tot request civiel aanleiding geven,
door den gewonen rechter te doen herzien, dan is het beter het
middel niet als request civiel te qualificeeren. In zoover mag onze
wetgever gelijk gehad hebben dat hij de gronden voor het request
civiel maakte tot gronden van nietigheid en met andere gevallen
vereenigde, waarin ook de fransche wetgever den eisch tot nietig-
verklaring van arbitrale uitspraken toeliet door in verzet te komen
tegen het bevel van uitvoering. Zie ons art. 649 verg. met artt. 1026,
1027 en 1028 C. de pr. De eisch tot vernietiging of het verzet
tegen het bevel van uitvoering wordt dan gebracht voor de rechtbank
welker voorzitter het bevel tot uitvoering gaf. Art. 652.
De bevoegde rechter om over request civiel uitspraak te doen is
de rechter die het vonnis wees. Herroepen kan toch een vonnis
alleen worden door hem van wien het afkomstig is. Uit de gronden
waarop het middel kan worden aangewend, blijkt dan ook althans in
het algemeen dat de rechter de hem opgedragen taak in het gegeven
geval niet heeft vervuld.
Uit het straks gezegde volgt dat elk der vier gerechten, kanton-
rechters zoowel als rechtbanken, Hoven en Hooge Raad tot kennis-
neming van request civiel kunnen worden geroepen.
§ 183. GRONDEN WAAROP TOEGELATEN.
De eerste en voornaamste categorie van de gronden waarop, of de
gevallen waarin request civiel in toepassing kan komen, zyn dat het
vonnis berust op eene dwaling in de feiten door bedrog of valschheid,
of ook door onwetendheid der partyen bij den rechter gewekt. Dit
heeft plaats:
1°. wanneer het vonnis berust op na de uitspraak daarvan ontdekt
bedrog door de wederpartij in de procedures gepleegd art. 382 n°. 1 ;
voorts wanneer eene partij, na de uitspraak, stukken van eenen be-
slissenden aard nader in handen heeft gekregen, welke door toedoen
van de wederparty waren achtergehouden, en die aan eerstgenoemde
partij alzoo in het geding onbekend bleven. Art. 382 n°. 8;
Dwaling in
de feiten:
Bedrog.
Onbekend-
heid met
stukken.
-ocr page 334-
316 HOOFDST. IX. AFD. V. REQUESTE CIVIEL. TIT. I. HET RECHTSMIDDEL.
Valsche           2°. wanneer gevonnist is op stukken die na het vonnis voor valsch
stukken
erkend of valsch verklaard zijn Art. 382 n°. 7;
Onbekend- 8°. wanneer tusschen dezelfde partijen op dezelfde gronden over
heidmetvroe- hetzelfde onderwerp tegenstrijdige vonnissen in het hoogste ressort zijn
gewezen. Art. 382 n°. 5.
Ad Ium. De C. de pr. zeide eenvoudig in art. 480 1°. „s\'il y a
eu dol personnel" in overeenstemming met art. 34 van tit. XXXV
van de ordonnantie, en, gelijk de fransche wetgever had kunnen spre-
ken van d o 1 zonder meer, zoo had de onze zich tot bedrog kun-
nen bepalen zonder daar „of arglist" bij te voegen. Want het is
duidelijk genoeg dat het vonnis moet zijn verkregen door bedrog, en
dat derhalve dit bedrog moet zijn gepleegd in handelingen behoo-
rende tot het proces, hetwelk tot het vonnis heeft geleid en waardoor
alzoo eene der partijen zich een haar voordeelig vonnis bezorgd
heeft. Of dan de bijvoeging dat het bedrog na de uitspraak van het
vonnis moet ontdekt zijn, eene gelukkige bijvoeging kan heeten, is
zeer betwistbaar en, of de uitdrukkelijke vermelding van het valsche-
lijk afleggen van een suppletoiren eed met de even uitdrukkelijke
uitsluiting van den decisoiren, in 1896 eene verbetering heeft aange-
bracht, kan alleszins betwijfeld worden.
Tot nadere bepaling van wat door bedrog is te verstaan wijst ons
de wetgever den weg in art. 1364 B. W. Ook hier zullen moeten
zijn gepleegd kunstgrepen van dien aard, dat het klaarblijkelijk is
dat zij den rechter tot eene verkeerde voorstelling der feiten hebben
geleid, dat hij dientengevolge in het voordeel van de partij die zich
de kunstgrepen veroorloofd heeft uitspraak heeft gedaan. En zoo
kunnen de kunstgrepen hier in de eenvoudige bewering van een tot
bevrijding vereischte handeling (consignatie in plaats van betaling) be-
staan welke de partij door terugneming der gelden tot eene onwaarheid
maakte, terwijl zij zich op het feit, als voortbestaande, bleef beroe-
pen. Verg. Hof Arnhem 13 Juni 1897, W. 6951. Het is zeker niet
gemakkelijk, neen zelfs ondoenlijk om alle gevallen op te noemen
waarin dit bedrog tot request civiel grond kan geven. Niet minder
moeilijk zal het zijn in ieder bijzonder geval de eenvoudige chicane,
hoe leelijk zij wezen moge, van de kunstgrepen die hier moeten zijn
aangewend te onderscheiden. Zoo twijfel ik bijvoorbeeld niet, of
samenspanning met de praktizijns van de tegenpartij en het onder-
scheppen van instructiën door de partij aan hare raadslieden gezon-
-ocr page 335-
§ 183. GRONDEN WAAROP TOEGELATEN.                          317
den tot de hier veroordeelde kunstgrepen behooren; maar als Gar-
SONNET daarbij (V § 1096 p. 554 n°. 1) ook vermeldt het kiezen
voor de dagvaarding van een oogenblik waarop de tegenpartij zich
daarop niet kan verdedigen omdat hij een door hem begaan misdrijf
zou moeten openbaren en zich aan strafrechterlijke vervolging zou
blootstellen, komt dit mij voor geen kunstgreep te zijn die een be-
driegelijk karakter heeft, maar een hoe leelijk ook, deloyaal gebruik
maken van des tegenstanders positie, al heeft deze ook zich zelven
daarin gebracht.
Dit zal echter wel vaststaan dat, ofschoon kunstgrepen van buiten
het geding staande derden niet in aanmerking mogen komen, het
bedrog tot request civiel aanleiding geeft, ook dan wanneer het niet
door de partij zelve maar door hare praktizijns werd gepleegd.
Dat het valschelijk afleggen van een suppletoiren eed tot het hier
bedoelde bedrog behoort lijdt bij mij geen twijfel, al had de wet-
gever het niet, in 1896, uitdrukkelijk bepaald. Toch heeft de uitdruk-
kelijke bepaling, welke ook de ontwerper van 1865 noodzakelijk
achtte, de goede zijde, niet alleen dat daarbij de eisch wordt gesteld
dat de valschheid bij strafrechterlijk vonnis moet zijn uitgemaakt,
maar ook dat zij den strijd opheft, welke, ook onder de fransche
schrijvers, over dit punt heerscht, zoo zelfs, dat Glasson in zijne
uitgave van Boitakd dezen op dit punt tegenspreekt. Maar zij
heeft het nadeel dat de redactie aan art. 382 n°. 1 gegeven, nu op-
zettelijk den beslissenden eed uitsluit. Ik weet wel dat het gewone
argument voor de uitsluiting voor een beroep op een valschelijk afge-
legden beslissenden eed daarin bestaat, dat die eed op eene trans-
actie berust, maar dit argument acht ik weinig afdoende: 1°. omdat
ook de transactie niet bestand is tegen een gepleegd bedrog (art.
1896 § 2 B. W.) en ten andere omdat de natuur van transactie
aan den beslissenden eed moet worden ontzegd. Het is waar dat
de bepaling van art. 1973 B. W., volgens welke de tegenpartij niet
ontvankelijk is om de valschheid van een door haar opgedragen en
door de andere afgelegden eed te beweren, in het aan den eed toe-
gekende karakter van transactie en ook in dat van overeenkomst
hare verklaring kan vinden. Maar iets anders is een beweren der
partij, wat eigen initiatief onderstelt, iets anders het beroep op een
door den strafrechter op de vervolging van den openbaren aanklager
bij vonnis als valsch verklaarden eed. In ieder geval staat art. 1973
den wetgever niet in den weg om, zelfs met behoud daarvan, van
-ocr page 336-
318 HOOFDST. IX. AFD. V. REQUESTE CIVIEL. TIT. I. HET RECHTSMIDDEL.
den beslissenden eed te bepalen wat nu van den suppletoiren eed is
bepaald. En dat hij dit had moeten bepalen, lijdt bij mij geen twijfel.
Of is het niet een ergernis voor elk slechts eenigermate ontwikkeld
rechtsgevoel, dat iemand zich ten koste van een ander verrijkt met
een meineed, waarvoor hij door den strafrechter werd veroordeeld ?
Zie Dl. IV. bl. 337.
Het bedrog zal moeten worden bewezen door hem die zich tot
staving van zijn request civiel daarop beroept. Dit zou waar zijn, al
volgde \'t niet uit de uitdrukkelijke bepaling van art. 1364 § 2 B. W.
(Zie Dl. IV. bl. 166). En dat dit bewijs door vermoedens kan worden
geleverd volgt uit art. 1859 B. W.
Het bedrog moet echter na de uitspraak ontdekt zijn. Dit
eischt art. 382 n°. 1. De Code vordert het niet en onze wetgever
meende met dien eisch de fransche wet te verbeteren op het eenvou-
dig argument „dat men tegen bedrog of arglist vroeger ontdekt,
gelegenheid heeft zijne belangen in het rechtsgeding zelf te doen
gelden " v. d. Honert op § 382 bl. 424. lntusschen komt het mij
voor dat de aangevoerde reden van kortzichtigheid niet is vrij te
pleiten en dat de onjuistheid van de bijvoeging niet beter kon wor-
den betoogd dan door de afdeeling van de Tweede Kamer, die bij
de behandeling van art. 649 n°. 10 de ook daar in het Ontwerp
voorgestelde woorden: na de uitspraak bestreed en de Regeering
van de juistheid harer bedenking overtuigde. Nu is \'t maar jammer
dat er inconsequentie in de wet is ontstaan, omdat men vergat ook
op de bijvoeging in art. 383 n". 1 terug te komen. Zie Schenken-
berg van Mierop bl. 15.
In het Ontwerp 1865 zijn de woorden in art. 1 n°. 1 van titel
III behouden doch in art. 2 wordt het gevolg, eenigszins doch niet ge-
heel, verholpen door bij ontdekking van \'t bedrog na het bepalen
van den dag der uitspraak maar toch vóór de uitspraak zelve uitstel
van de uitspraak te vragen.
Het middel wordt nu slechts toegekend indien het bedrog ontdekt
wordt na de uitspraak. Ook hiervan zal het bewijs door den
eischer in request civiel geleverd moeten worden. Hij zal noodza-
kelijk moeten aanwijzen wanneer hij het bedrog ontdekte. Daarvan
is toch de toelating van het request civiel in geval van bedrog
afhankelijk gesteld, even goed als van het gepleegd bedrog zelf.
Het tweede door mij onder 1°. vermelde geval komt in de wet
-ocr page 337-
319
§ 183. GRONDEN WAAROP TOEGELATEN.
onder n°. 8 voor en wordt door sommige schrijvers, als Chauveau op
Carré Q. 1763, als eene toepassing beschouwd van bedrog hetwelk
hier slechts nader zou zijn gespecificeerd. Ook Pothier brengt dit
geval, in strijd met den tekst der Ordonnantie, in onmiddellijk ver-
band met n°. 1 en zegt er van: „Ce cas-ci, est renferme dans Ie
precedent, car c\'est un dol personnel de la partie d\'avoir retenu des
pièces." Proc. civile III, sect. 3, art. 1 § 384. Daaraan is waar-
schijnlijk de eenigszins schroomvallig door eene Afdeeling van de
Tweede Kamer, bij de herziening van 1837, voorgebrachte bedenking
te danken, waarbij zij de aandacht vestigt op de bepaling vermeld
onder n°. 8, „vermits die veel gelijkheid had met n°. 1". De Regee-
ring antwoordde nu zeer positief: „De gemaakte aanmerking schijnt
niet gegrond. In het eerste geval (n°. 1) moet er stellig dolus
aanwezig zijn, terwijl in het laatste geval enkele culpa voldoende
wezen kan." Ofschoon de weinig stelselmatige wijze waarop de ge-
vallen waarin request civiel wordt toegelaten het wel zou kunnen
verklaren, dat er een voorkwam dat ook onder een ander in meer
algemeene termen uitgedrukt zou kunnen begrepen worden, acht
ik toch dat altijd een vermoeden voor het tegendeel moet
worden aangenomen en dan vind ik in de woorden van nö. 8
„door het toedoen van de wederpartij achtergehouden" reden genoeg
om \'t bedriegelijk opzet hier niet noodig te achten en met Garson-
net § 1098 te zeggen: „Cette retention ne se confond pas néces-
sairement avec Ie dol, car s\'il y a dol a retenir la pièce qu\'on sait
être décisive, il\' n\'y en a pas a retenir celle qui 1\'est réellement
mais qu\'on ne croit pas si importante." „Door toedoen van de
wederpartij zijn de beslissende stukken achtergehouden" is toepasse-
lijk op alle gevallen dat de wederpartij de stukken in hare macht
had en ze niet mededeelde. Het is niet noodig dat zij dit naliet
wetens en willens, wetende alzoo dat het beslissende stukken waren
en ze daarom niet mededeelende. Het bewijs van dat willen en
weten, m. a. w. van het bedrog, behoeft de andere partij hier niet
te leveren en de wederpartij kan het request civiel ook niet met
een beroep op hare goede trouw afweren. De partij die het middel
van request civiel aanwendt, doet dit nu op grond van die niet
medegedeelde stukken, welke zij nu in handen heeft gekregen. Maar
zij moet niet het recht hebben gehad de mededeeling van die stuk-
ken in het geding te vragen, want dan heeft zij niet alleen hare
onbekendheid met de stukken aan zich zelve te wijten, maar dan
-ocr page 338-
320 HOOFDST. IX AFD. V. RElJUESTE CIVIEL. TIT. I. HET RECHTSMIDDEL.
zijn die stukken ook niet door de tegenpartij achtergehouden.
Schknkenberg van Mierop, bl. 37 en 38. Alleen dan wanneer hier
geen bedriegelijk opzet gevorderd wordt, is ook een rechtvaardiging
te vinden voor de niet-opneming van dit n". onder de redenen waarom
request civiel van vonnissen der kantonrechters is toegelaten.
Ad Hum. Ook in dit geval is de rechter door valsche voorstel-
lingen op een dwaalspoor gebracht. Hij heeft als echt beschouwd
stukken die na het vonnis voor valsch erkend of valsch verklaard
zijn. Het is ook hier niet noodig dat de partij, die van de stukken
gebruik maakte, dat willens en wetens deed en alzoo daarop recht
verkreeg. Indien dit het geval ware zou reeds op grond van n°. 1
request civiel in toepassing komen.
Erkenning van valschheid slaat op eene erkenning door de weder-
partij. Verklaring op een daaromtrent gedane uitspraak des rechters
\'t zij burgerlijke, \'t zij strafrechter. Maar hij die van request civiel
gebruik maakt, moet gewapend met de erkenning of verklaring in
het geding komen. Hij is niet ontvankelijk om het bewijs van de
valschheid nog eerst te leveren. Ging het Ontwerp van 1865 niet
te ver door een vonnis van den strafrechter te vorderen waarbij de
valschheid wordt uitgesproken ? „Het buitengewone middel moet hier
alleen worden toegelaten, wanneer in facto door een afdoend
bewijsmiddel geen geschil mogelijk is over den aangevoerden grond
van de herroeping". In dienzeltden geest is ook de thans geldende
bepaling gesteld. Zij laat niet toe dat de valschheid nog bewezen
moet worden. Is dit niet voldoende ? Een vonnis van den straf-
rechter laat toch ook nog tegenbewijs toe. art. 1955 B. W.
Wordt het middel op die wijze in het Ontwerp beperkt, aan den
anderen kant wordt het, in art. 1 n°. 2 aldaar, niet ten onrechte
uitgebreid tot het geval dat op door den strafrechter valsch ver-
klaarde getuigenissen gevonnist werd. Dit zou naar de tegenwoordige
bepalingen alleen kunnen geschieden, indien er omkooping van ge-
tuigen door de wederpartij had plaats gehad. Want dit zou zeker
vallen onder het in n°. 1 van art. 382 bedoelde bedrog door de
wederpartij in de procedures gepleegd.
Ad lllum. Zagen we dat de Regeering niet heel vast in haar
schoenen stond, toen zij in n°. 1 de woorden na de uitspraak
inlaschte en deze in het analoge art. 649 n°. 10 op de aanmerking
-ocr page 339-
§ 183. «RONDEN WAAROP TOEGELATEN.                          321
van de Tweede Kamer liet vallen, terwijl de Kamer aan die woorden
uitsluitend bij de behandeling van art. 649 aandacht schonk, even
weinig zeker bleek de Regeering van hare zaak, toen zij in n°. 5
nog het vereischte van hetzelfde onderwerp inlaschte en dit
dadelijk weer losliet, toen eene afdeeling de opmerking gemaakt had
van niet wel te begrijpen, hoe het geval in n°. 5 bedoeld bestaan
kon, zoodanig als het in den hollandschen tekst was uitgedrukt,
waarin de woorden „over hetzelfde onderwerp" niet te vinden
waren; het waren deze woorden die aan het mogelijk bestaan van
het geval deden twijfelen." Ja, zeker zal het dus aangeduide geval
niet licht voorkomen, daar moet al heel wat bijzonders samenloopen
om het mogelijk te maken. Maar als het onderwerp niet hetzelfde
is, dan is er geen strijd als hier wordt voorondersteld tusschen twee
vonnissen waaruit hunne onvereenigbaarheid voortvloeit, zoo dat het
tweede onzeker maakt datgene wat door het eerste vonnis werd be-
slist. Dan kan men de bepaling wel voor niet geschreven houden als
voor toepassing niet vatbaar. En daarom kan men juist dezelfde
gronden wèl missen, maar heeft men, wil men zich aan de
terminologie van art. 1954 § 2 B. W. houden, twee vonnissen noo-
dig over dezelfde zaak, terwijl de eisch op dezelfde oor-
zaak berust en dan tusschen dezelfde partijen. Of wil
men liever hetzelfde denkbeeld door den wetgever in andere ook al
niet juiste bewoordingen zien uitgedrukt, dan denke men aan zaken
door denzelfden rechter tusschen dezelfde personen en over
hetzelfde onderwerp (art. 159) en nu niet in te gelijkertijd aan-
hangige zaken, maar in twee vonnissen in tegenstrijdigen zin beslist.
Zie Garsonnet § 1118 e n\'. 5 en Chauveau e. a. aldaar aangehaald.
Het verdient ook opmerking dat Pothier t. a. p. hier aan niets
anders denkt dan aan de vereischten van gewijsde zaak: „car, ce
qui a été jugé en dernier ressort d e van t être immuable entre
les parties, un jugement qui juge Ie contraire entre les meines
parties ne peut avoir aucun effect." Oüdeman (II bl. 54) komt even-
als de Pinïo daar aangehaald, tot hetzelfde resultaat. Zie ook
Schenkenbbrg van Mierop bl. 23 vv. en de daar aangehaalde
rechterlijke uitspraken
Bij Garsonnet kan men aangewezen vinden, wat er alzoo moet
samenloopen om dit geval mogelijk te maken. Ik neem dit over
om er dan ook maar niet langer bij stil te staan. „II faut supposer
pour rendre cette situation vraisemblable — et encore! — que deux
v                                                                                                            21
-ocr page 340-
322        HOOFDST. IX. AED. V. REQUESTE CIVIEL. TIÏ. I. HET RECHTSMIDDEL.
persounes ont plaidé ensemble, que toutes deux sont décedées, que
leurs héritiers ignorent Ie jugement rendu entre elles, que les avoués
qui auraient pu les en instruire sont sortis de charge, que ces
héritiers réengagent Ie proces dans les mêmes conditions, que Ie
tribunal qui en est saisi ne compte plus dans son sein un seul des
juges qui ont participé au premier jugement, qu\'aucun de ceux qui
en font actuellement partie n\'a connaissance de ce jugement et que
Ie second jugement en est la négation." Het is dus eene bepaling
die öf niet in toepassing kan komen, öf geschreven is voor een
casus zoo goed als non dabilis. Zou men haar missen als ze
niet in de wet stond ?
II. Een tweede categorie van gevallen bevat de zoodanige waarin
de rechter bij het wijzen van het vonnis zyne taak niet naar behooreu
vervulde door
1°. iets anders of meer toe te wijzen dan geeischt was, art. 382
n°. 2 en 3;
2". te verzuimen op een der gedeelten van den eisch uitspraak te
doen, art. 382 n°. 4;
3Ö. in zyn vonnis tegenstrijdige beschikkingen op te nemen, art.
382 n°. 6.
Ad I\'im. Wanneer men in aanmerking neemt dat niemand gedwon-
gen wordt de hulp des rechters, die voor hem tot handhaving van
zijn recht beschikbaar is gesteld, in te roepen omdat de bijzondere
personen in \'t algemeen de vrije beschikking over hunne rechten
hebben, dat derhiilve de rechter geen rechtspreekt, wanneer zijne
tusschenkomst niet wordt ingeroepen, dan vloeit daar ook uit voort
dat hij alleen rechtspreekt over datgene waarover zijne rechtspraak
door de rechtzoekenden gevraagd wordt en hij niets anders en ook
niet meer raag toewijzen dan de rechtzoekende zich toegewezen
wilde zien. Er ligt dus inderdaad eene overschrijding van rechts-
macht in dat iets anders of meer toewijzen. Dit werd ook opgemerkt
door den heer Daam Fockkma in de Tweede Kamer bij de beraad-
slaginger; medegedeeld in Geschiedenis der beraadslagingen over B. R.
van Noordziek 1827/28 I. bl. 159. Nu zou het middel van cas-
satie op grond van overschrijding van rechtsmacht toepasselijk zijn,
indien niet de wetgever voor deze gevallen het request civiel had
\\
-ocr page 341-
§ 183. GRONDEN WAAROP TOEGELATEN.                        323
ingesteld en eene bijzondere wet (art. 382 2°. en 3°.) niet aan de
algemeene (art. 97 R. O.) derogeerde. En indien de wetgever in
eene uitdrukkelijke wetsbepaling de taak des rechters had omschre-
ven, zou ook wegens schending der wet cassatie kunnen worden aan-
gewend, doch dergelijke bepaling ontbreekt. Zoo zijn we dan op het
middel van request civiel aangewezen in gevallen in aard geheel ver-
schillende van de straks sub I behandelde.
De vraag of er meer of iets anders is toegewezen dan gevraagd
was, moet door vergelijking van het dispositief van het vonnis met
het, p e t i t u m der dagvaarding worden uitgemaakt of ook door ver-
gelijking met de conclusie waarbij de oorspronkelijke eisch werd
verminderd en waaraan de rechter zich heeft te houden (art. 134).
Meer wordt niet alleen toegewezen, wanneer in een hoogere som
wordt veroordeeld dan door den eischer werd gevraagd, maar ook
wanneer bijkomende veroordeelingen worden uitgesproken, welke de
rechter niet ambtshalve mag toewijzen, zooals veroordeeling bij lijfs-
dwang, veroordeeling in de kosten, uitvoerbaarverklaring van het
vonnis bij voorraad. Toch zal men in deze twee laatste gevallen
van request civiel geen gebruik kunnen maken, omdat hier een geschil
bestaat over de vraag, of de wet de uitspraak ambtshalve al of niet
toelaat en daarvoor het middel in cassatie is gegeven. De rechter
zal daar waar hij meer toewees dan geeischt was dikwijls gezegd
kunnen worden iets anders dan het geeischte te hebben toegewezen,
bijv. waar hij aan een vruchtgebruiker den eigendom toewees, maar
iets anders is niet altijd meer dan \'t gevraagde, zooals de veroor-
deeling van iemand in eene andere hoedanigheid dan waarin tegen
hem geageerd werd, bijv. wanneer hij een erfgenaam onder voor-
recht van boedelbeschrijving als zuiver erfgenaam veroordeelt. Het
onderscheid tusschen iets anders en meer is in bijzondere ge-
vallen dikwijls niet uit te maken. Zie echter ook Schenkenberg van
Mieroi\' bl. 29.
2°. De rechter is verplicht recht te spreken. Voldoet hij aan die
verplichting niet, dan kan daarin rechtsweigering gelegen zijn. Zeker
vloeit uit zijne verplichting om recht te spreken ook de verplichting
voort om op alles wat aan zijn oordeel wordt onderworpen recht te
doen, m. a. w. op alle gedeelten van een eisch uitspraak te geven.
Maar een verzuim te dien aanzien maakt nog geen rechtsweigering
en toch is herstel daarvan noodig. De wetgever geeft daartoe request
-ocr page 342-
324        HOOFDST. IX. AFD. V. REQUESTE CIVIEL. TIT. I. HET RECHTSMIDDEL.
civiel, al mocht hij het liever tot een geval gemaakt hebben waarin
door schending van de wet cassatie werd toegepast. Daarover hier-
boven bl. 303 vv.
3°. „Il ne peut y avoir un plus grand défaut que la contradiction"
zegt Püthier t. a. p. en geeft daarin de reden voor de toelating van
request civiel. Afdoende schijnt die reden zoo dadelijk wel niet.
Maar de reden waarom in het Ontwerp 1865 dit geval wordt weg-
gelaten is ook niet zeer overtuigend. „Daar is geen reden denkbaar"
lees ik op bl. 178 in de toelichting, „waarom in deze feitelijke
dwalingen of vergissingen van den rechter die in het hoogste ressort
oordeelt, meer dan in zoovele andere, die wel zoo verschoonbaar en
ook wel zoo mogelijk zijn, eene aanleiding moet zijn gelegen om een
door den wetgever slechts zelden toe te laten inbreuk op de kracht
der gewijsde zaak te rechtvaardigen." Is die schroom wel gerecht-
vaardigd ten aanzien van een gewijsde, dat zich zelf vernietigt daar
het mij in de verlegenheid laat, aan welke der daarin voorkomende
tegenstrijdige uitspraken mij te houden ? Mag zulk een gewijsde mij
worden tegengeworpen wanneer ik om een beter te verkrijgen den eisch
op nieuw instel ? Moet er dan niet een middel zijn om dit in het
hoogste ressort gewezen vonnis verbeterd te krijgen ? Als ik dit bedenk,
dan wordt mij ook de reden door Pothier gegeven duidelijker. Er is
geen ander middel, dus geeft de wet het buitengewoon middel van
request civiel tegen een vonnis, dat door dat groote gebrek van tegenstrij-
dige beschikkingen te bevatten mij niets geeft en mij in de handhaving
van mijn recht belemmert in stede van deze te bevorderen. En dan
kan zeker de verbetering van het gebrek niet beter dan van den-
zelfden rechter gevraagd worden. Men bedenke evenwel dat zoodanige
tegenstrijdigheid moet bestaan, dat daardoor tenuitvoerlegging onmo-
gelijk is. Zoo zal het geval zich zeker al niet licht voordoen. Maar
het middel daarom niet op te nemen ? Baten zal \'t w e 11 i c h t niet,
maar schaden zeker niet.
III. Het bijzondere geval, waarin afgescheiden van de acht in art
382 opgenoemde gronden, het middel van request civiel wordt toege-
kend aan minderjarigen en ondercurateelegesteldeu is dat zy niet ver-
dedigd zijn geweest. Art. 383.
„Minderjarigen zullen daarenboven," zegt het aangehaald artikel,
-ocr page 343-
§ 183. GRONDEN WAAKOP TOEGELATEN.                       325
„tot het verzoeken van zoodanige herroeping nog ontvankelijk zijn
indien zij niet verdedigd zijn geweest." Zij zullen alzoo alleen om-
dat zij minderjarig zijn en al zijn zij vertegenwoordigd geweest door
vader of voogd, nog ontvankelijk zijn het door een vonnis in het
hoogste ressort afgesloten geding door het middel van request civiel
te heropenen, ten einde desnoods alsnog een nieuwe behandeling
van de zaak bij den rechter die \'t vonnis wees te doen plaats heb-
ben. De meerderjarige, die de wederpartij was in het geding zal
alzoo, indien de voogd den minderjarige onverdedigd liet, de door
een gewijsde tusschen hem en den minderjarige gevestigde rechtsver-
houding op losse schroeven zien gesteld. En dat niettegenstaande
art. 1484 B. W. den regel stelt dat, wanneer de vader of voogd
handelingen heeft verricht, die zijne bevoegdheid niet te buiten gaan,
wat ook hier verondersteld wordt evenals dat de voorgestelde formali-
teiten zijn in acht genomen, de minderjarige beschermd wordt alsof
hij de handeling na zijne meerderjarigwording had verricht, onver-
minderd zijn verhaal op den voogd.
Waarom geldt ditzelfde niet voor het proces, terwijl de wetgever
het optreden van den voogd in een proces voor den minderjarige in
de artt. 461, 462 en 463 opzettelijk regelt? Uit die bepalingen
volgt, in welke gevallen de voogd machtiging of verlof van den
kantonrechter behoeft, en uit het gevolg, hetwelk art. 461 aan het
geding voeren zonder verlof verbindt, volgt duidelijk genoeg dat ook
de niet-opvolging van de volgende bepalingen op verantwoordelijkheid
van den voogd jegens den minderjarige geschiedt. Art. 462 hetwelk
meer bepaaldelijk het geval behandelt, waarin art. 383 het middel
van request civiel toekent, kan niet anders beoogen dan die ver-
antwoordelijkheid van den voogd. Terwijl nu alleen in geval van
collusie van den voogd met de wederpartij, maar buiten dat geval
allerminst aan de wederpartij in het proces te wijten is dat zij, ten-
gevolge van de berusting van den voogd en het dientengevolge on-
verdedigd blijven van den minderjarige, gelijk kreeg, daar hij even-
min als de wetgever noch de rechter den voogd tot handelend op-
treden zou kunnen noodzaken, kan het geval zich zelfs voordoen dat
er geen enkele reden bestaat om de wederpartij, voor \'t verzuim van
den voogd, met geheele rechtsonzekerheid omtrent zijn recht te doen
boeten, wat inderdaad tegenover dien meerderjarige op eene wette-
lijke rechtsweigering neerkomt. Waar het middel van request civiel
tot zulk een resultaat leidt, wordt het zeker een onmogelijk middel.
-ocr page 344-
326 HOOFD8T. IX. AFD V. BKQUBSTK CIVIEL. TIT. I. HET RECHTSMIDDEL
Onmogelijk gelukkig ook in dien zin, dat er niet licht gebruik van
gemaakt kan worden, zooals het dan ook bij ons nimmer in toepas-
sing is gebracht.
Onze wetgever schreef den franschen wetgever na en deze de be-
paling van art. 35 van den 35sten titel der Ordonnantie. De Code
de pr. ging evenwel verder en liet op \'t voorbeeld der Ordonnantie
het middel toe „s\'ils n\'ont été défendus ou s\'ils ne 1\'ont été
valablement." De wet bedoelde dan met het niet verdedigd
geweest zijn, het geval dat de minderjarige in den persoon van den
voogd bij verstek was veroordeeld en met het niet voldoende
verdedigd, dat bij een op tegenspraak gevoerd geding de ver-
dediging ontbroken had, welke tengevolge had kunnen hebben dat
het vonnis in het voordeel van den minderjarige gewezen ware. Zie
bij Jousse op het artikel en het daar aangehaalde „procesverbal".
Men had bij ons in de Tweede Kamer in 1837 een duister gevoel
ten aanzien van de onjuistheid van dit artikel, toen werd opgemerkt
dat de bepaling toch wel niet voor alle gevallen zou gelden, maar
alleen voor die in het vorige artikel bedoeld. Dat zou zeker nog
zonderlinger bepaling geweest zijn, maar juister oordeelden zij die
de opmerking maakten, dat anders nimmer een vonnis tegen een
minderjarige, indien de voogd geen verdediging had gedaan, in
kracht van gewijsde zou gaan." Maar de Regeering deed dezen
twijfel verstommen met de opmerking dat aan de minderjarigen niets
verder was gegeven dan de bekende restitutio in integrum
ob causam aetatis, welke zoo bij de vroegere wetgeving als bij
de thans bestaande, als een faveur aan de minderjarigen was gegeven
ten einde de collusie te verijdelen, welke tusschen den voogd en
de wederpartij des minderjarigen kon plaats grijpen.\' v. d. Honert
op § 383. Oideman II, bl. 56 gelooft met de Regeering aan de toe-
passing van de restitutio in integrum. Men vergat dat die restitutio
in integrum, eene antiquiteit was, wel Romeinsch maar in het
hedendaagsch recht, met zijne geheel andere voorzieningen in het
belang der minderjarigen, geheel misplaatst. De Regeering meende
al veel gedaan te hebben door de niet behoorlijke verdediging
weg te laten. Doch nu is toch ook de berusting zelfs met machti-
ging van den rechter in de bepaling begrepen. Immers was de
„restitutio" die men hier meende te doen herleven zelfs door de
medewerking van de overheid tot de handeling niet uitgesloten. Zie
Ooudsmit, Pandektensysteem § lil n°. 7 en over het ongepaste
-ocr page 345-
§ 183. GRONDEN WAAROP TOEGELATEN.                       327
van die restitutio ook in onze tegenwoordige wetgeving aldaar, bl.
303 n\'. 1.
Intusschen zou toch het middel rechtmatige toepassing kun-
nen vinden, indien een minderjarige in een geding persoonlijk op-
tredende, bij vonnis veroordeeld of hem zijn eisch ontzegd werd, hoe
weinig het geval zich in den tegenwoordigen toestand der maat-
schappij zal voordoen. Doch evenals het kan voorkomen, dat een
minderjarige zich persoonlijk verbindt en dat hij voor zoodanige
verbintenis in rechte wordt geroepen, evenzeer kan hij een ander in
rechte roepen. Verschijnt hij in het eerste geval zelf en niet zijn
vader of voogd, dan kan hij zich wel op zijne minderjarigheid be-
roepen, maar doet hij dit niet en wordt hij veroordeeld, dan is hij
inderdaad niet verdedigd geweest, en moet hem tegen het hem veroor-
deelend vonnis even goed in het request civiel een middel zijn gescha-
pen als hem de actie tot nietigverklaring eener verbintenis is gegeven.
Treedt hij als eischer in rechte op, de tegenpartij die met hem de
overeenkomst, waaruit geageerd wordt, aanging, zou zich op zijn
minderjarigheid niet kunnen beroepen om art. 1367 § 2 B. W. Werd
dan de minderjarige in het ongelijk gesteld, hij zou als niet verde-
digd een middel moeten hebben om tegen het ook in het hoogste
ressort gewezen vonnis op te komen. En hierop zou ik ook art-
383 toepasselijk achten. Want evenals de minderjarige door vader
of voogd niet verdedigd wordt, wanneer eene voor hem ingestelde
actie niet gehandhaafd wordt, zoo wordt ook hier de minderjarige
die zelfstandig optreedt, niet verdedigd, omdat zijn wettige vertegen-
woordiger niet voor hem optreedt. Trad de minderjarige in een
geding op tot handhaving van een zakelijk recht of van eene op
hem door erfrecht overgegane verbintenis, de tegenpartij zou hem
zeer zeker zijne minderjarigheid kunnen tegenwerpen als niet ver-
plicht om zich met een onbekwame in te laten die, even onbekwaam
als hij is om zich te verbinden, een ander niet kan verplichten om
met hem geding te voeren. Laat hij zich met den minderjarige in,
hij zal zich naar analogie van art. 1367 § 2 B. W. op de minder-
jarigheid niet kunnen beroepen en het vonnis zal hij zich moeten laten
welgevallen, als hadde hij met een meerderjarige \'t proces gevoerd.
De minderjarige daarentegen zou ik hier geholpen willen zien even-
als in het geval dat hij uit eene door hem zelven aangegane over-
eenkomst ageerde. Verg. Schenkenberg van Mieeot bl. 41 vv.
waar ook \'t verschil van gevoelen tusschen de fransche schrijvers
-ocr page 346-
328               HOOFDST. IX. AED. V. TIT. I. HET RECHTSMIDDEL.
wordt behandeld of den minderjarige die zelfstandig geding voerde,
wel in \'t geheel request civiel zou toekomen, waarbij hij zich terecht
aan de zijde der voorstanders schaart. Een voorbeeld van een min-
derjarige die handel dreef en voor de daarbij aangegane verbintenis
in rechte werd geroepen, levert de jurisprudentie op in eene zaak
voor de Rechtbank te Utrecht behandeld en medegedeeld in N. Rechtsg.
Bijblad (1871) 1)1. XXI, bl. 91. In dat proces werd evenwel door den
vader als vertegenwoordiger van den minderjarige procureur gesteld
en het proces verder gevoerd.
Ik zou alzoo voor gevallen als hier vermeld, waarin de minderjarige
zelf in het geding is opgetreden, het middel willen behouden. In het
Ontwerp 1865 wordt de geheele afschaffing voorgesteld.
Van onder curateele gestelden spreekt de wet in art. 383
niet, maar art. 506 § 1 B. W. maakt deze bepaling ook op onder
curateele gestelden van toepassing.
Onze wetgever deed wijs door het middel van request civiel althans
niet toe te kennen aan den Staat, de gemeenten en de openbare
instellingen (art. 481 C. d. pr.) al heeten deze ook personae misera-
biles. De belgische Staat vond in die bepaling eens aanleiding om
te beweren dat hij onverdedigd of althans niet behoorlijk verdedigd
was geweest, doordien de Minister voor de spoorwegen in de plaats
van dien van publieke werken voor hem was opgetreden! Zie arr.
Hof v. Cass. 23 Juni 1898 Belg. jud. 1898 n<>. 89.
§ 184. De Partijen.
Van request civiel kunnen evenals van hoogei beroep en van cas-
satie alleen partijen gebruik maken. Ook hier zullen het niet altijd
feitelijk dezelfde personen zijn, daar verandering in hun staat ten ge-
volge kan hebben dat anderen in hunne plaats komen. Ook bij rechts-
personen blijft verandering in de personen der in rechte opgetreden
bestuurders niet altijd zonder invloed.
Wat de partijen betreft en hare bevoegdheid om van het middel
gebruik te maken is het hier dus in hoofdzaak niet anders dan bij hooger
beroep en cassatie en kan ik in \'t algemeen naar § 159 verwijzen.
Slechts enkele opmerkingen. Wat de in art. 382 vermelde gronden
voor request civiel, welke even goed voor minderjarigen als voor
meerderjarigen gelden, betreft, zal verandering in hun staat na het
Dezelfde
partijen niet
feitelijk
dezelfde
personen.
-ocr page 347-
329
§ 184. DE TABTIJEN.
voeren van het geding dat met het aan request civiel te onderwerpen
vonnis besloten werd, geen ander gevolg hebben dan ik t. a. p. aan-
wees. Evenzoo is het met onder curateele gestelden.
Ten opzichte van het hun om hunne minderjarigheid of curateele
toegekend voorrecht om van request civiel gebruik zal maken dient
alleen opgemerkt dat, wanneer de voogd of curator hen onverdedigd
liet, natuurlijk niet licht diezelfde voogd of diezelfde curator tot het
middel van request civiel zijn toevlucht zal nemen. Het behoeft
daarom nauwelijks de vraag te zijn, of deze bevoegd waren tegen hun
eigen verzuim op te komen. Wil men de vraag stellen, dan geloof
ik die bevestigend te moeten beantwoorden, omdat het hier niet
geldt het belang van den voogd of curator in persoon, maar dat
van den minderjarige of onder curateele gestelde. Het is wel waar,
dat de voogd of curator, wanneer hij op die wijze aan den minder-
jarige herstelling bezorgde, daardoor zich tegen eene actie tot schade-
vergoeding jegens den minderjarige zou kunnen behoeden. Maar hij
zou zich dan weder te verantwoorden hebben jegens de partij die
hij door zijn verzuim het proces liet winnen. Dan moet er evenwel
geen collusie tusschen den voogd en die partij hebben plaats gehad,
waarvan de wetgever bij het toekennen van het privilegie aan den
minderjarige de mogelijkheid onderstelde. Is dit het geval geweest,
dan zal de voogd zich wel stil houden en zich wachten slapende
honden wakker maken". Een verzoek tot request civiel zal dus
in het hier bedoelde geval van den voogd wel niet anders uitgaan
dan van een voogd die opvolgt in de voogdij.
Maar indien de minderjarige zelf in het geding optrad, dan is de
voogd zeker tot request civiel bevoegd. Want bij analogie zal toch
wel de bepaling van art. 1483 gelden, dat de handelingen van min-
derjarigen of onder curateele gestelde personen niet alleen op een
door hen, maar ook van hunnentwege ingestelde vordering nie-
tig verklaard worden. Bij onder curateele gestelden zal hier de
bepaling van art. 501 te pas kunnen komen. Overigens stelt de
minderjarige na meerderjarigwording en de onder curateele gestelde
na opheffing der curateele het request civiel zelf in. Dit vooronder-
stelt de wetgever ook duidelijk genoeg in art. 385 § 2; eene bepa-
ling welke niet anders dan een noodzakelijk gevolg is van de toe-
kenning van het privilegie aan den minderjarige.
Wat de rechtspersonen betreft merk ik alleen op, dat in
zooverre de bestuurders die voor hen optreden machtiging tot het
-ocr page 348-
330        HOOFD8T. IX. AFD. V. HKO.UKSTK C1V1EJ,. TIT. I. HET RECHTSMIDDEL,.
voeren van gedingen behoeven, zij dit zeker in het bijzonder noodig
hebben voor het geval dat te hunnen behoeve van request civiel
moet worden gebruik gemaakt of dat zij in een request civiel wor-
den betrokken. Al geldt het hier dezelfde zaak, waarover geproee-
deerd was, het is een geheel nieuw geding. Ook daarin komt het
uit dat wij hier met een buitengewoon middel te doen hebben.
Overigens verwijs ik naar het hierboven gezegde op bl. 68.
Behalve van hen die partijen geweest zijn spreekt de wetgever
hier in het bijzonder van hen die geroepen z ij n. Men kan
hier een terugslag vinden op hen die bij verstek veroordeeld, niet
meer tegen het vonnis in verzet kunnen komen. Dit was ook dui-
delijk de opvatting van onzen wetgever bij de vaststelling van art.
321 van het wetboek van 1830. Het „düment appelés" van art. 480
(J. de pr. was daar in den hollandschen tekst overgebracht door
„tot het wijzen van dezelve (vonnissen) behoorlijk geroepen zijn".
En het artikel bleef zoo zonder dat acht werd gegeven op de vraag
in eene afdeeling gedaan, hoe \'t moest als in eersten aanleg uit-
spraak was gedaan op een verzoekschrift door de eene partij inge-
diend zonder de andere daarop te hooren. Ook zal de verandering
van redactie, welke het artikel bij de herziening van 1837 onder-
ging, wel niet anders dan eene bekorting der breedsprakigheid be-
oogd hebben. Want bij eene veroordeeling bij ;rstek ligt het „dü-
ment appelé" in de veroosdeeling opgesloten, die door den rechter
anders niet had mogen worden uitsproken (art. 76) en waarop in
het hier onderstelde geval dat het verzet niet meer kan worden ge-
bruikt, toch niet meer kon worden teruggekomen. Zie ook Oudeman
II bl. 52 § 26 a. h. e. en de Pinto ald. aangehaald.
§ 185. DE TERMIJNEN.
Drie maanden a- Het request civiel moet worden gedaan binnen drie maanden na
na liet ^e uitspraak van het vonnis of zoo dit bij verstek gewezen is binnen
vonnis.
drie maanden na den dag waarop het niet meer vatbaar is voor verzet.
Alt. 385 § 1.
Na <le ont- l>. De toekenning van het middel zou evenwel weinig baten, wanneer
i ]"f, ,Van net gegrond is op zoodanige feiten of omstandigheden, welke uit hun-
neu aard even goed na als vóór het verloopeu van dien termijn ter
kennis van de door het vonnis benadeelde party kunnen komen. Zoo
zal dan, indien men zich beroept op bedrog, valschheid of\' het ont-
-ocr page 349-
§ 184. DE TERMIJNEN.
331
dekken van achtergehouden stukken, de termijn eerst beginnen te
loopen van den dag, waarop het bedrog of de valschheid bekend is
geworden of de stukken ontdekt zijn. Art. 387.
c.  Indien tegenstrijdigheid van vonnissen beweerd wordt loopt de ter- Bij tegenstrij-
dige von-
mijn van de uitspraak van liet laatste vonnis en, zoo dit bij verstek nissen.
gewezeu is, van den dag waarop het niet meer vatbaar is voor verzet.
Art. 388.
d.    Voor minderjarigen die niet verdedigd zijn, begint de termijn te Minderjarige,
loopen op den dag der meerderjarigheid. Art. 385 § 2.
e.    Mocht de partij die van het middel had kunnen gebruik maken Voor erfge*
overlijdeu binnen den daartoe gestelden termijn, dan kunnen de erfge-
namen request civiel nog verzoeken binnen drie maanden na dat over-
lijdeu, of zoo zij van het recht van beraad gebruik maken, binnen
eene maand na afloop van den daarvoor gestelden termijn. Art. 386,
j°. 341.
a. In verband met de volgende bepalingen is art. 385 § 1 alleen
toepasselijk op de gevallen waarin de rechter niet naar behooren
heeft rechtgesproken en welke in art. 382, 2°, 3°, 4° en 6° ver-
meld worden. De bepaling is in 1896 gewijzigd om ook deze bepa-
ling in overeenstemming te brengen met het toen aangenomen be-
ginsel dat de termijn niet meer loopt van den dag der beteekening
maar van dien der uitspraak. Habtogh en Cosman op artt. 385 en
388 bl. 145. Ten opzichte van het verstek is dit evenwel zoo dui-
delijk niet. Immers ook bij de herziening van de nieuwe wet is
de beteekening van het vonnis behouden en dus had, zoo goed na
de herziening als onder de oude wet, de aanvang van den termijn
vanaf de beteekening kunnen behouden blijven. Zoo goed of zoo
kwaad als ? Want was het wel redelijk den termijn van request civiel,
welk middel gegeven werd tegen vonnissen bij verstek die niet
meer vatbaar\'voor verzet zijn te doen aanvangen met de
beteekening van het vonnis en alzoo te laten loopen gedurende den
tijd dat het vonnis nog vatbaar voor verzet was ? Alzoo den met
request civiel gebenificeerde als een verzuim met opzicht tot dit
middel aan te rekenen ook den tijd waarin hij er nog geen gebruik
van mocht maken? Met onze uitleggers aan te nemen dat de
termijn ook naar de oude wet eerst zou loopen nadat het vonnis
-ocr page 350-
332 HÜOFDST. IX. AED V. REQUESTE CIVIEL. TIT. I. HET RECHTSMIDDEL.
voor verzet niet meer vatbaar was, Oudeman bl. 57, komt mij zeer
bedenkelijk voor. Zie ook Schenkenbeeg van Mierop bl. 52. Doch
ook uit dit oogpunt is er dus eene verbetering bij de herziening in
1896 in deze bepaling gebracht door den termijn te doen loopen
van den dag, waarop het vonnis niet vatbaar meer is voor verzet
en alzoo de termijn voor verzet verloopen is. Zoo is er althans over-
eenstemming gebracht tusschen art. 385 § 1 en art. 382 § 1.
Intusschen, wanneer wij nu weer nagaan dat art. 385 § 1 ofschoon
algemeen luidende alleen op de gevallen, waarin de rechter niet naar
behooren rechtsprak, nl. op die vermeld in art. 382 n°. 2, 3, 4 en
6 van toepassing is, dan vragen wij weder, voor zoover die gevallen
ook voor den gedaagde geschreven zijn, waarom moet aan hem aan
wien verzet geweigerd wordt, omdat hij dit middel niet gebruikte
binnen den hein gegeven tijd nadat hem het vonnis bekend was,
request civiel worden gegevan, ofschoon hij ook daarvoor den grond
uit het vonnis kon leeren kennen? Het ware is dat het hier in het
geheel niet had toegekend moeten worden. Verg. hierboven bl. 311.
b. Dat de aanvang van den termijn hier op volkomen rationeele
wijze is bepaald, behoeft geen betoog. Men vindt de analogie in de
bepaling van art. 1490, B. W. Maar waarom wordt daar in geval
van dwaling of bedrog een termijn van v ij f jaren na de ontdek-
king daarvan toegekend en hier maar drie maanden? Heb ik nu
zooveel langer bedenktijd noodig om op grond van dwaling eene
actie tot nietigverklaring eener verbintenis in te stellen dan een
middel aan te wenden dat op vernietiging van een tengevolge van
bedrog of dwaling gewezen vonnis aangelegd is ? Verdient de weder-
• partij zooveel langer aan de gevolgen van zijn bedrog of van de
dwaling van hem die zich verbond bloot te staan waar het eene
gesloten overeenkomst dan wanneer het een vonnis geldt ? Ik weet
het niet of de wetgever zich dit heeft voorgesteld, maar welke reden
hij er voor kan gehad hebben, weet ik nog minder. Bij de verbin-
tenissen komt mij de termijn exorbitant lang voor, al heeft onze
wetgever gemeend al veel te doen door de tien jaren van art. 1304
C. C. tot vijf terug te brengen, en de tijd van drie maanden in ver-
gelijking daarmede exorbitant kort. De korte termijn voor het middel
van request, civiel, die op zich zelf lang genoeg zou kunnen geacht
worden, omdat als eens de dwaling of het bedrog ontdekt zijn, er geen
lange tijd noodig is om omtrent de aanwending van het middel tot
-ocr page 351-
§ 184. DE TERMIJNEN.                                           333
een besluit te komen en omdat de rechtszekerheid een langer uitstel
niet duldt, laat zich verdedigen. Maar dit geldt ten aanzien van
verbintenissen eveneens. Ik kan mij voorstellen dat de wetgever met
het oog op de rechtszekerheid ten aanzien van verbintenissen den
termijn had laten loopen van het aangaan der verbintenis en dat
hij begrepen had na een zeker tijdsverloop geen onderzoek naar bedrog
of dwaling meer te moeten toelaten. En dan had hetzelfde voor een
door bedrog of dwaling verkregen vonnis kunnen bepaald worden.
De korte termijn verklaart zich daarbij alleen uit de omstandigheid
dat wij hier met een vonnis te doen hebben, en bij vonnissen drie
maanden zoo wat een gewone tijd voor voorzieningen daartegen is;
dan, dat we hier met een buitengewoon middel te doen hebben dat
naar zijn oorsprong eenigszins bij gunst wordt verleend en eindelijk
uit de magische kracht van de res judicata. Met deze laatste zal
ook wel in verband staan de beperking in het bewijs dat nl. de dag
der ontdekking bij geschrifte moet bewezen worden. Al staat nu
het bewijs door vermoedens open ten aanzien van het bedrog zelf,
zal dit niet merkelijk worden beperkt niet alleen doordien de dag
van de ontdekking moet bewezen worden, maar ook door den eisch
dat de dag der ontdekking door geschrift kunne bewezen worden,
zoodat de eischer in zake van request civiel met zoo\'n stuk ge-
wapend in rechte zal moeten verschijnen en daarop zijn eisch gron-
den ? Niet altijd zal het bewijs zoo gemakkelijk te leveren zijn als
wanneer het request civiel gegrond wordt bijv. op een valschelijk
afgelegden suppletoiren eed, vermits er een vonnis van den straf-
rechter daartoe noodig is, en dan zal de eischer ook door datzelfde
vonnis bewijs leveren van den dag waarop het bedrog bekend werd.
Maar dan is de termijn van drie maanden na dat bekend worden
door een in het openbaar uitgesproken vonnis dat den belangheb-
bende desniettemin volkomen onbekend kan zijn gebleven, weer wat
heel kort. Nog erger wordt het wanneer men mocht meenen dat
het bedrog of de valschheid reeds bekend werd door de gerechte-
lijke vervolging. Onze wetgever spreekt niet van reconnus zoo-
als de Code, maar van bekend. Zou men hier aan een min juiste
vertaling mogen denken en bekend verstaan alsof er stond er-
ken d ? Ik geloof het niet omdat er eerder een vermoeden voor het
tegendeel is, aangezien het woord reconnus in den fr. tekst, van
art. 326 W. 1830 geheel was welgevallen. — Art. 387 klopt niet
volkomen met art. 382 n°. 1 en 7. Immers dan moest er staan „de
-ocr page 352-
334 HOOFD8T. IX. AFD. V. REyUESTE CIVIEL. TlT. I. HET RECHTSMIDDEL.
valschheid erkend, het bedrog of de stukken ontdekt zullen zijn."
Ik vrees dat door deze bepaling hier met de eene hand genomen
wordt wat met de andere gegeven werd. Zou zoo \'t gering gebruik,
dat er van het middel wordt gemaakt, ook daaruit verklaard kunnen
worden, dat het zoo weinig bruikbaar is?
c.   Ook voor dit geval werd de bepaling van art. 388, door den
termijn niet meer te laten loopen van de beteekening van het laatste
vonnis, maar van de uitspraak en voor vonnissen van verstek
van den dag waarop het niet meer vatbaar is voor verzet, nu de
beteekening niet meer vereischt wordt om de vonnissen op tegen-
spraak kracht van gewijsde te doen verkrijgen, daarmede in overeen-
stemming gebracht. Hartog en Cosnan t. a. p. Ik verwijs daarom-
trent naar het gezegde onder letter a.
d.   Minderjarigheid. De oude wet deed in dit geval den
termijn loopen van den dag op welken beteekening van het vonnis
aan den persoon of de woonplaats van den minderjarige, na zijne
meerderjarigheid, plaats had gehad. Naar art. 385 § 2 zal die nu
ingaan op den dag der meerderjarigheid.
„In het Voorloopig Verslag der Eerste Kamer," dus leest men bij
Hartuc; en Cosman t. a. p. bl. 145, „vond de wijziging van het
tweede lid van art. 385 geene algemeene goedkeuring; men be-
twijfelde althans, of de dag der meerderjarigheid wel het geschikte
tijdstip geacht mag worden om den termijn binnen welken request
civiel kan worden gevraagd, te doen loopen. In het afgetrokkene
is voor dien twijfel grond, maar aan de andere zijde is in het oog
te houden, dat art. 383 een bedenkelijke bevoegdheid schept, die
eer, zooals het Ontwerp-1865 deed, zou behooren geschrapt, dan uit-
gebreid."
Ik zou meenen dat in het aangehaald V. V. volstrekt niet in het
afgetrokkene geredeneerd werd, maar het oog werd gevestigd op eene
bij de wet toegekende bevoegdheid, die om hare bedenkelijke zijde
moge verdienen geschrapt te worden, maar die zoolang de wetgever
haar blijft toekennen, bruikbaar moet blijven. Van uitbreiding kon
natuurlijk, bij \'t behoud van de bestaande bepaling, geen sprake zijn,
wel van bruikbaarheid, en deze meende de wetgever van 1838, op
\'t voorbeeld van den U. d. pr., te bevorderen door te zorgen dat de
minderjarige de hem in zijn belang verleende bevoegdheid niet ver-
loor, voordat hij wist dat hij ze had. Wanneer men zich voorstelt
-ocr page 353-
§ 184. DE TERMIJNEN.                                      335
dat het ten nadeele van den minderjarige gewezen vonnis door col-
lusie van zijn voogd met de wederpartij verkregen was, en aan het
vonnis uitvoering gegeven, dan zou wel niemand reden vinden voor
de beteekening van het vonnis, maar dan liep de termijn voor den
minderjarige in het geheel niet en kon hij, bij ontdekking, altijd nog
tegen het vonnis opkomen. Moest het vonnis nog uitgevoerd wor-
den, dan werd de beteekening een middel om het vonnis bij den
minderjarige, die niet persoonlijk het geding had gevoerd, bekend te
doen worden. Dat van het middel nimmer gebruik werd gemaakt
kan als een vermoeden gelden dat dergelijke collusiën van voogden
met wederpartijen zelden voorkomen, maar als men daaruit afleidt,
dat het „uit een praktisch oogpunt" geen zorg behoeft te baren,
indien al de toegekende bevoegdheid weinig bruikbaar werd ge-
maakt, gelijk de HH. Hartoo en Cosman ten slotte opmerken, dan
geeft dit praktisch oogpunt blijk van kortzichtigheid, daar een ver-
standig wetgever weet dat menige bepaling en geheele instellingen zelfs
hoofdzakelijk prophylactisch werken mits zij, natuurlijk, bruikbaar zijn.
Met betrekking tot onder curateele gestelden kan de termijn al
heel lang worden, indien de curateele niet opgeheven en dus wel na
den dood van den onder carateele gestelde request civiel door den
erfgenaam kan worden ingesteld.
Hierboven heb ik reeds te kennen gegeven dat ook mij het middel
van request civiel voorkomt ten onrechte aan minderjarigen tot be-
strijding van verzuim of collusiën hunner voogden te zijn gegeven,
maar dat het, naar analogie van art. 1482, voor minderjarigen die
persoonlijk in rechte zijn opgetreden, behouden moet blijven. Voor
dat geval evenwel kan de termijn met de meerderjarigheid aanvan-
gen. De minderjarige weet even goed dat hij geprocedeerd heeft en
ongelijk heeft gekregen als dat hij eene verbintenis aanging.
Opmerking verdient nog dat de bijzondere termijn voor minder-
jarigen tot de voor hen in \'t bijzonder bestaande reden beperkt is.
Art. 385 § 2 bepaalt dit opzettenlijk. Zie v. d. Honket op § 385.
e. Erfgenamen. Dat het middel op de erfgenamen overgaat is
natuurlijk, maar \'t moet, even natuurlijk, voor hun auteur nog open-
gestaan hebben. Dat dan voor de erfgenamen de termijn eerst na het
overlijden loopt is rationeel. Zij behoefden er niet eer aan te
denken. Dat de toepasselijkheid van deze bepaling omtrent de erf-
genamen op de erfgenamen van den minderjarige, toepasselijk is,
-ocr page 354-
336 Hoofdst. IX. Afd. V. Rkqukste civiel, tit. I. hkt rechtsmiddel.
volgt uit de duidelijke bewoordingen van art. 386. hetwelk van de
bovengenoemde termijn e n, dus die van art. 385 § 1 en 2, spreekt.
Maar bij bedrog en valschheid en later ontdekte stukken is het niet
anders, en evenzoo bij tegenstrijdigheid van vonnissen, art. 387 en
388. Wel zou men kunnen beweren dat de bepaling van art. 385
even goed als artt. 387 en 388 voor de bijzondere daar geregelde
gevallen geschreven is en dat zij dus ook als bijzondere regelingen onaf-
hankelijk van elkander zijn. Doch de wijze waarop zij in de wet met
elkander in verband gebracht zijn, geeft eerder aanleiding tot de op-
vatting dat de wetgever art. 385 § 1 en zoo ook art. 386 als
algeineene bepalingen heeft beschouwd, vermits hij daarin van geen
enkel bijzonder geval melding maakt en dat hij de artt. 387 en 388
als bijzondere van den regel afwijkende bepalingen aanmerkt, in
welke dan ook de afwijking van den regel beperkt moet worden
opgevat en alleen geldt voor de aanvangsbepaling van den termijn.
Zie over art. 341 hier toepasselijk verklaard hierboven bl. 81 v.
Aanm. Het middel vervalt alzoo door \'t verloopen van den ter-
mijn. Maar wat zal \'t gevolg zijn als de door het vonnis benadeelde
daarin berust, in geval van bedrog en valschheid of achtergehouden
stukken na de ontdekking en in geval van minderjarigheid na de
meerderjarigheid ? in ieder geval nadat hem de grond waarop request
civiel gevraagd kon worden bekend is of bekend moest zijn?
Het lijdt bij mij geen twijfel of het middel vervalt door berusting
even goed als hooger beroep en cassatie en ofschoon de wetgever
beter had gedaan het, evenals bij hooger beroep, te bepalen, art.
334, men vergete niet, dat dit voorschrift aan den Code ontbrak
en dat men onder den Code toch nimmer getwijfeld heeft, of berus-
ting het vonnis niet in kracht van gewijsde deed gaan. Het Ontwerp
1865 bevat in art. 4 eene opzettelijke bepaling. „De partij die,
uitdrukkelijk of stilzwijgend in een vonnis heeft berust, na kennis
te hebben bekomen van het bestaan der in art. 1 genoemde redenen,
kan de herroeping niet meer vorderen." Verg. hierboven bl. 95.
Wat betreft het karakter van den termijn de H. Raad heeft dien
evenals bij hooger beroep en cassatie als een fatalen termijn behandeld,
arr. H. Raad 4 November 1864 W. 2638 en de concl. van het O. M.
uitvoerig besproken bij Schenkenbero van Mieroi» bl. 46 vv. Over
de berusting t. z. p. bl. 49 vv. Zie over het fataal karakter van den
termijn hierboven bl. 81.
-ocr page 355-
§ 186. INDIENEN VAN RKQUKST CIVIEL. DAGVAARDING.           337
Titel II.
RECHTSPLEGING.
Over de voorbereidende handelingen valt. hier niets bijzonders op
te merken; de bepalingen van den lilden filel zijn hier èn ten aan-
zien van deze handelingen èn ten aanzien van de verdere instructie
van het geding toepasselijk. Evenzoo de bepalingen van den Uden
titel, wanneer het middel tegen een vonnis van een kantonrechter
wordt aangewend. Wij hebben ons derhalve alleen met de bijzon-
dere bepalingen daaromtrent in dezen titel voorkomende bezig te
houden. Zoo komt hier dan de dagvaarding en hare gevolgen en het
vonnis met zijne gevolgen te bespreken.
§ 186. IND1RNEN VAN REQURBT CIVIEL. DE DAGVAARDING.
Het request civiel wordt aangebracht door eene dagvaarding in den Dagvaarding,
in het algemeen daarvoor voorgeschreven vorm; zij wordt beteekend
aan de partij of aan hare woonplaats.
De dagvaarding moet de gronden aangeven waarop het request civiel Inhoud,
berust; geene andere gronden dan deze kunnen door den rechter in
aanmerking worden geuomen, al werden zij in den loop van het geding
aangevoerd. Art. 390.
De rechtsgang vangt dus ook hier, overeenkomstig art. 1, aan met
eene dagvaarding. De benaming van het middel wijst op een
verzoekschrift en in verband daarmede en met de geschiedenis van
het instituut, spreekt de wetgever in art. 390 van indiening,
waar hij beter van aanbrengen of aanleggen had gesproken. Zelfs
had men, nu het request civiel geen verzoekschrift meer onderstelt,
van instellen kunnen spreken. Hecht men aan de gedachte van
verzoekschrift en wil men dan eene nabootsing van de oude instel-
ling hier terugvinden, dan zou men kunnen meenen dat we hier te
doen hadden met een verzoekschrift, dat beteekend wordt, met dag-
vaarding. Daaraan doet ook weer denken de aanhef van het tweede
lid, volgens hetwelk hetzelve, d. i. het request civiel, de midde-
len moet behelzen, en art. 385 zegt ook „met dagvaarding,"
maar dit geldt de bepaling van den termijn. En zoo komt het mij
voor, dat de vermenging van denkbeelden en het daardoor hinken
op twee gedachten zóó moet worden opgelost, dat de eenvoudigste
v
                                                                                                      22
-ocr page 356-
338         HOUFDST. IX. AFD. V. REyUESTE CIVIEL. T1T. II. RECHTSPLEGING.
vorm de bedoelde is. En wanneer dan de wetgever zegt, dat het
request civiel door een dagvaarding wordt ingediend, dan volgt
daaruit dat de dagvaarding van de partij op den voorgrond staat
en dat daartoe althans geen verlof van den rechter noodig is. Zoo
hebben we dientengevolge den vorm van een verzoekschrift dat
met dagvaarding beteekend wordt, niet noodig. Het is dan ook weer
de dagvaarding die beteekend wordt. Die dagvaarding zal dan de
gronden van het request civiel inhouden en eindigen met eene op-
roeping van de partij om verzoek te hooren doen tot, en den rechter
te hooren uitspreken de herroeping van het aangevallen vonnis. Voor
een verzoekschrift aan den rechter gericht en beteekening daarvan
met de van den rechter verkregen beschikking, waarbij dan het aan-
leggen van request civiel zou worden toegelaten bij dagvaarding,
gelijk in Frankrijk (Verg. Chauveau et Glandaz n°. 429 p. 425
in de aantt., Gaksonnet § 1122 p. 628), naar aanleiding van art.
483 C. de pr. wordt gepraktizeerd, geeft de wet geen grond. Die
omslag is onnoodig en de wet eischt dien m. i. niet. Oudeman II,
bl. 59 wil het verzoekschrift beteekend hebben met dagvaarding.
Dit is een middenweg die, ook daarom wellicht, anderen ook behagen
kan. Men zal dan toch niet moeten zeggen dat dit geding met
een verzoekschrift aanvangt ? Ik deel \'t gevoelen van Penninck op
het art. nader ontwikkeld door Schenkenberg van Mierop bl. 57.
Dat de dagvaarding de gronden moet behelzen, waarop request
civiel gevraagd wordt, is, in verband met art. 5, niets bijzonders.
Dat de wet hier van middelen, in art. 382 van redenen
spreekt, is een zeer gewone afwisseling van bewoordingen. Eigenlijk
had zij van gronden moeten spreken, omdat request civiel zelf
een middel is, maar dat paste niet bij: „waarop het verzoek ge-
grond is."
Redenen zijn dan de argumenten welke tot staving van den
aangevoerden grond worden aangevoerd. Doch art. 5 spreekt ook van
middelen. Die uitdrukkelijke vermelding van de middelen
zit \'ook weer in de bepaling van art. 390 § 2, welke de middelen
uitsluitend bij de dagvaarding wil aangevoerd hebben. Waarom het
noodig was dit te bepalen? De eisch mag immers in het algemeen
na de dagvaarding niet veranderd noch vermeerderd worden? art.
134. Of vreesde men de bewering dat, als het maar een request
civiel bleef, eene verandering niet zou afdoen ? Noch het een noch
het ander. De wetgever vond kennelijk aanleiding tot zijne bepaling
-ocr page 357-
§ 186. INDIENEN VAN ftEQUEST CIVIEL. DAC.VAAEDING.           339
in art. 469 C. de pr., dat ook het nader aanvoeren van andere
middelen uitsloot, terwijl art. 29 van de Ordonnantie tot het nader
aanvoeren van andere redenen eene z.g. „requête d\'ainpliation" toe-
liet. Het staat dus nu vast dat men alleen een of anderen grond
of reden van de in art. 382 en 383 aangegevene en geene andere
mag aanvoeren, wat uit die beide bepalingen volgt, en voorts dat
men zich aan den bij de dagvaarding aangegeven grond moet hou-
den. — Waarom er van het onderwerp niet gesproken wordt?
Waarschijnlijk omdat de wetgever de noodzakelijkheid daarvan in
art. 5 duidelijk genoeg vond aangewezen en hij de strekking zelve
(het onderwerp van den eisch) aanwees in art. 394, die niet alleen
de herroeping van het vonnis beoogt, maar ook het onmiddellijk
gevolg daarvan, het terugbrengen van partijen in den staat waarin
zij vóór het vonnis waren. Wil men dan ook de teruggave van het-
geen tengevolge van de veroordeeling bij het vonnis uitgesproken,
genoten of ontvangen is, dan zal dit er in eene duidelijke en be-
paalde conclusie, overeenkomstig art. 5, moeten worden bijgevoegd.
Bij tegenstrijdigheid van vonnissen zal moeten gevraagd worden
dat de rechter met herroeping van het laatste vonnis bevele, dat het
eerst gewezen vonnis alleen van kracht zal zijn. Ook hier kan de
teruggave van het krachtens dat tweede vonnis genoten of ontvan-
gene te pas komen.
In het voorbijgaan zij opgemerkt dat, wanneer de wetgever ver-
biedt noch op de terechtzitting, noch bij schrifture, andere
gronden aan te voeren, daarin nog eene reminiscentie van de thans
afgeschafte gewone behandeling is blijven hangen.
Wat de overige vereischten tot den inhoud van de dagvaarding
betreft, bepaal ik mij tot eene enkele opmerking over de aanwijzing
van den bevoegden rechter, die hier zeker al heel gemakkelijk te
vinden is, omdat hij dezelfde is als die welke het beklaagde vonnis
heeft gewezen, art. 389. Er wordt hier derhalve op geene der be-
palingen van art. 126 gelet, maar de zaak aan denzelfden rechter
geattribueerd, al zou naar die bepaling een ander in aanmerking
kunnen komen.
Ten aanzien van de gevolgen van de dagvaarding valt tweeërlei op Gevolgen,
te merken:
-ocr page 358-
340 HOOPDST. IX. AFD. V. HE(JUESTE CIVIEL. TIT. II. KECHTSr-LEOING.
Geen schor- 1°. De teuuitvoeiiegging van het aangevallen vonnis wordt door het
tei"uitvoer- re(Iuest civiel niet geschorst. Die schorsing mag ook niet door den
legging. rechter worden bevolen. Art. 392.
Schorsing 2°. Indien het aangevallen vonnis wordt overgelegd in een geding
van ander hetwelk voor een anderen rechter hangende is, kan dit tot schorsing
geding.
van de behandeling dier zaak aanleiding geven. Art. 389 § 2.
Ad [urn. Zoo natuurlijk en in het algemeen noodzakelijk zelfs de
schorsing van de tenuitvoerlegging is, wanneer van het vonnis hoo-
ger beroep wordt ingesteld „quia sententia per appellationem sus-
pensa causa adhuc durare dicitur" (verg. bl. 224), zoo ongepast ware
die schorsing als gevolg van het request civiel aangenomen. Wij
hebben hier immers te doen met een gewijsde en dit blijft zijn volle
kracht behouden, totdat deze daaraan door een later vonnis op het
request civiel gewezen, wordt ontnomen. Dat dit eerst door den
rechter na onderzoek kan geschieden, is geheel in overeenstemming
met den aard van het gewijsde en met den grond waarop zijne kracht
steunt. Een rechterlijk bevel mag daarin ook geen verandering
brengen. Men zou zich anders kunnen voorstellen dat op een inge-
steld request civiel bijv. de tusschenkorast van den president in kort
geding werd ingeroepen om den bestaanden toestand te handhaven,
dewijl de voortduring van de kracht van het vonnis door de aan-
wending van het middel onzeker werd gemaakt. Die onzekerheid
mag niet in aanmerking worden genomen. „Res iudicata pro veri-
tate habetur," totdat die waarheid in het bijzonder geval tot een
onwaarheid is gemaakt. Allerminst behoort het middel van request
civiel tot vertraging in de tenuitvoerlegging van het vonnis gebruikt
te worden. Aan de partij die het vonnis verkreeg moet het oordeel
verblijven, of zij van haar recht wil gebruik maken op het gevaar
af van de zaken in den vorigen toestand hersteld te zien en de
vruchten van hare overwinning weder uit te keeren.
Gelijk de schorsing, als gevolg van het hooger beroep, een onmid-
dellijk gevolg van de dagvaarding is, zoo heb ik hier de uitsluiting
daarvan met de dagvaarding in verband gebracht.
De C. d. pr. dreef den eerbied voor het gewijsde zóó ver, dat zij
in art. 497 request civiel niet-ontvankelijk verklaarde tegen een
vonnis waarbij de ontruiming van een onroerend goed werd uitge-
sproken, indien niet werd overgelegd het bewijs dat aan het vonnis
-ocr page 359-
§ 186. INDIENEN VAN REQUEST CIVIKL. DAGVAARDING.             341
op dit punt uitvoering was gegeven. In dit opzicht deed de wetgever
alzoo het „eerst gehoorzamen en dan klagen " gelden. Ten onrechte.
Noch de eerbied voor het gewijsde, noch de aard van het rechts-
middel geven voor die bepaling een afdoenden grond. De bepaling
van den Code was uit art. 19 van de Ordonnantie overgenomen (*).
In het Wetb. van 1830 kwam zij bij ons nog voor, doch verviel in
1837.
Bij de behandeling van art. 392 werd door eene afdeeling van de
Tweede Kamer gevraagd, hoe het gaan moest, wanneer request civiel
werd verzocht op grond van tegenstrijdige beschikkingen in hetzelfde
vonnis, welke van die beide dan ten uitvoer zou kunnen worden
gelegd? De Regeering beantwoordde deze vraag niet, maar wees er
op dat, in geval van tegenstrijdige vonnissen, zij over en weder kun-
nen worden ten uitvoer gelegd tot op het oogenblik dat de rechter
op het request heeft uitspraak gedaan, v. d. Honebt op § 392, en
dat dan als het laatste vernietigd wordt, teruggegeven moet worden
wat tengevolge daarvan was betaald of ontvangen.
Gabsonnet is van oordeel § 1125 dat hier de schorsing van de
tenuitvoerlegging van beide uitspraken noodzakelijk is omdat eerst
na de beslissing op het request civiel uitgemaakt zal worden, of het
eerste vonnis alleen voor tenuitvoerlegging vatbaar is, of wel dat de
tenuitvoerlegging van beide kan samengaan. Bij de zoo uitdrukkelijke
bepaling van de wet zou ik het gevoelen van de Regeering bij v. d.
Honkkt deelen; al ware eene bepaling in den zin van Gabsonnet
rationeeler te achten. Doch wat de strijdige beschikkingen in het-
zelfde vonnis betreft, als dat zich eens mocht voordoen, zal de
schorsing der tenuitvoerlegging die Gabsonnet ook voor dit geval,
in overeenstemming met andere fransche schrijvers, aanneemt, wel
door de omstandigheden geboden worden. Als de beschikkingen wer-
kelijk tegenstrijdig zijn, dan houdt van zelf de eene de executie van
de andere tegen.
De uitsluiting van de schorsing der tenuitvoerlegging geldt even
(\') Ofschoon hij de fransche schrijvers als BOITAHO op art. 497 en GARSONNET § 112G p. 638
geen onderscheid gemaakt wordt en het «délaisser un héritage" in eene algemeene beteekenis
wordt opgevat, zou ik meenen dat liet in verband met «quitter la possession et jouissance d\'un
benefice" verstaan behoort te worden van eene op een bezit: actie bevolen ontruiming in ver-
band met het tspoliatus ante omnia restiiuendus", zoodat evenmin door een request civiel als
door eene petitoire actie aan het vonnis kan worden ontkomen. «Surtout si Ie délaissement est
ordoijué par maniere de r.Hutegrande" zegt dan ook RODIER. op art. 19.
-ocr page 360-
342 HOOFD8T. IX. AFD V. BEQUESTE CIVIEL. TIT. II. RECHTSPLEGING.
goed voor een interlocutoir vonnis, wanneer daartegen request civiel
mocht zijn ingesteld.
Ad Hum. Iets anders dan de schorsing der tenuitvoerlegging,
welke in strijd zou zijn met de kracht van het gewijsde, is de invloed
welke het request civiel in eene hangende zaak kan uitoefenen, wan-
neer daarin het aangevallen vonnis werd overgelegd. Wel wordt de
kracht van gewijsde aan dat vonnis door de aanwending van het
middel alleen niet ontnomen, doch de rechter zou, het vonnis als
gewijsde toelatende en daarop de exceptie van gewijsde zaak aanne-
mende, gevaar loopen een vonnis te wijzen, waaraan door toewijzing
van het request civiel de grondslag werd ontnomen. Dan zouden er
tegenstrijdige vonnissen ontstaan en sprak de rechter, die op het
gewijsde recht deed, recht in het hoogste ressort, hij zou een vonnis
wijzen dat aan vernietiging op grond van art. 427 zou bloot staan.
Want al werd het vonnis op het request civiel later gewezen dan
het vonnis op hetwelk als op een gewijsde werd recht gedaan, de
feitelijk laatst gegeven uitspraak zou wel als de eerste beschouwd
moeten worden, omdat zij aan de laatste haren feitelijken grondslag
ontnam. Men zal tegen het op het gewijsde gewezen vonnis toch
niet in cassatie kunnen komen, op grond dat de rechter als gewijsde
heeft beschouwd een vonnis dat na zijne uitspraak bleek die kracht
niet te hebben ? Het komt mij voor dat als men op deze moeilijk
te ontwarren verwikkelingen let, de rechter van de zaak, waarin het
door met request civiel bestreden vonnis wordt overgelegd, steeds
geneigd zal zijn om de omstandigheden van dien aard te vinden
dat hij de behandeling van de zaak schorst. Toch is dit terecht
aan zijn oordeel overgelaten Immers indien er grond bestaat om
de exceptie van gewijsde te verwerpen, dan komt hij met de moge-
lijke beslissing op het request civiel niet in conflict. Zoo was het
eene hier zeer eigenaardige bepaling van art. 35 der Ordonnantie,
hetwelk met zoovele woorden zeide „qu\'il soit sursis au juge-
ment," terwijl de Code eenvoudig van „passer outre ou sur-
seoir" spreekt en onze wet dit door „in de behandeling dier
zaak voortgaan of dezelve schorsen" overbrengt.
Naar de Ordonnantie (art. 36) kon het request civiel met toe-
stemming van de partijen naar den rechter bij wien het vonnis werd
overgelegd, overgebracht worden, of wel de beslissing op het geding
uitgesteld. Eens echter als beginsel aangenomen zijnde dat de rechter
-ocr page 361-
§ 187. VEBWEREN EN VOLDINGEN.
343
die het aangevallen vonnis wees, over request civiel oordeelt, be-
stond er geen afdoende reden om daarvan in dit geval af te wijken.
Men ziet evenwel, hoe de wetgever aan de opzettelijke bepaling
omtrent de schorsing kwam.
§ 187. VERWEREN EN VOLDINGEN.
Op het verweren en voldingen zijn, terwijl er hier geene bijzondere
bepalingen ztjn gemaakt, de algemeene regelen in tit. III opgenomen
van toepassing, aangezien het hier geldt een rechtsgeding in eersten
aanleg bij de onderscheidene gerechten, en voorts de bijzondere bepalingen
in titel II voor de kantongerechten gegeven. Ook zijn de voorbereidende
handelingen dezelfde.
Naar het wetboek van 1838 zou hier de gewone behandeling toe-
gepast hebben moeten worden; de summiere behandeling kon alleen
met goedvinden van beide partijen en, bij verschil, op bevel des
rechters in toepassing komen (art. 140 n°. 5 oud). Ik merkte reeds
op hoe die gewone behandeling nog een spoor in art. 390 § 2
achterliet.
Voorts zij hier alleen herinnerd aan de bepaling van art. 324 nö. 10
hetwelk voorschrijft dat het Openbaar Ministerie op het request civiel
moet gehoord worden.
De voorbereidende handelingen: inschrijving ter rolle en procureur-
stelling door den gedaagde zijn dezelfde. De bepaling van den Code
volgens welke, indien de dagvaarding werd uitgebracht binnen zes
maanden nadat het vonnis werd gewezen, beteekend moest worden
aan den procureur, die in de hoofdzaak voor de partij was opgetreden,
waardoor eene nieuwe procureurstelling verviel, is bij ons niet over-
genomen.
§ 188. DE BESLISSING.
Overeenkomstig de strekking van het request civiel wordt, indien
het door den rechter gegrond wordt bevonden, het bestreden vonuis
herroepen, en als gevolg daarvan partyen teruggebracht in den toestand
waarin zij waren vóór het vonnis en de party, die tengevolge van de
veroordeeling Wj het vonnis uitgesproken iets had ontvangen, in zyn
bezit gekregen of genoten, tot teruggave daarvan veroordeeld. Art. 394,
Algemeene
bepalingen
toepasselijk.
-ocr page 362-
344         HOOFDST. IX. AFD. V. RKQUESTE CIVIEL. TIT. II. RECHTSPLEGING.
Van het vonnis valt alleen de inhoud en het nader gevolg der
beslissing, indien de herroeping uitgesproken wordt, te behandelen.
Ook van den inhoud alleen wat het vonnis op het request civiel
eigenaardigs heeft.
Hoe positief de herroeping moge zijn op zich zelf, haar gevolg is
zuiver negatief. Het bestreden vonnis vervalt doordien het wegge-
nomen wordt. En het is niet overbodig dat het positief gevolg
daarvan door den rechter worde uitgesproken. Dit bestaat in de eerste
en voornaamste plaats daarin dat de strijd tusschen partijen weder
onbeslist is en dat herboren wordt het geschil, dat vóór het tusschen
hen gevoerd geding bestond en tot het geding aanleiding gaf. Par-
tijen worden alzoo, zegt de wet, teruggebracht in den toestand waarin
zij waren vóór het vonnis. De formule is juist, indien men haar
slechts niet bloot letterlijk opvat. Immers de toestand voor het vonnis
was die van den voldongen strijd. Neem nu het vonnis weg, dan
heeft dat voldingen van den strijd geen beteekenis meer, er kan toch
geen vonnis op verkregen worden. Hij heeft, voor zoover hij in ge-
ding werd gebracht, zijn doel gemist en moet, wil men weder een
vonnis verkrijgen, op nieuw gevoerd worden. Zoo wordt de strijd die
tot een geding had geleid weder tot een geschil teruggebracht, en
dat is derhalve de toestand, waarin partijen door het wegvallen van
het vonnis verkeeren. Maar het vonnis kan tot uitvoering gekomen zijn.
Wij hebben zelfs gezien dat de tenuitvoerlegging niet wordt geschorst.
Al wat tengevolge van het vonnis ontvangen, genoten of ontruimd
werd, is ten onrechte ontvangen, genoten of ontruimd. Ik spreek in
den tekst van in bezit gekregen naast ontvangen, omdat dit laatste
woord voor onroerend goed minder juist is en dit, even goed als
vruchten of geld die genoten waren moeten worden teruggegeven, moet
worden ontruimd door hem die het bezit daarvan krachtens het
vonnis, gelijk nu blijkt ten onrechte, had verkregen.
Reeds heb ik er op gewezen dat een en ander als de strekking
van den eisch in de dagvaarding behoorde te worden opgenomen.
Al zou daarin het terugbrengen van partijen in den toestand waarin
zij waren vóór het vonnis kunnen worden gemist, omdat daarin niet
dan eene nadere verklaring van de herroeping ligt, de teruggave
van het ontvangene en genotene zou, meen ik, met name in de
dagvaarding moeten worden aangewezen, indien het op dat oogen-
blik reeds ontvangen of genoten was en verder geconcludeerd moe-
-ocr page 363-
§ 188. DE BESLISSINft.
345
ten worden tot teruggave van al hetgeen tengevolge van de tenuit-
voerlegging van het vonnis tot op de uitspraak op het request civiel
ontvangen of genoten mocht blijken. Immers, al moge de wet het
re-cht op een en ander toekennen, opdat de rechter het krachtens de
wet toekenne, moet dit van hem worden gevraagd. Hij kent niet
toe wat men bevoegd zou zijn te vragen, maar wat men vraagt.
Wordt het request civiel ingesteld op grond van tegenstrijdigheid Bij tegenstrij-
van vonnissen, dan wordt het laatst gewezen vonnis herroepen en ver- lg ei "
staan dat het eerste alleen van kracht zal zyn. Art. 394, § 2.
Hiermede wordt een uitzondering gemaakt op den straks bespro-
ken regel, eene uitzondering die evenwel met noodzakelijkheid voort-
vloeit uit den grond waarop het request civiel in dat geval steunt.
De rechter heeft zelf in strijd gehandeld met de aan een gewijsde
toegekende kracht. En ofschoon hij,- bij gebreke van een voorgestelde
exceptie van gewijsde zaak, deze niet kon toepassen, zoo is er nu
toch door hem een vonnis gewezen dat de uitvoering van het gewijsde
belet. Natuurlijk moet het laatste vonnis, dat niet gewezen had
moeten worden, herroepen worden. Maar met deze herroeping komen
de partijen niet in een toestand van strijd terug, maar in dien
van een door een gewijsde beëindigden strijd. En wanneer nu de
rechter verklaart dat het eerst gewezen vonnis ten onrechte door
zijn tweede vonnis als van kracht werd beroofd, heeft hij niet anders
te doen dan die kracht hersteld te verklaren. Daarmede is alles uit.
Behalve in het geval van tegenstrijdigheid van vonnissen, als wan- Geyoig van <je
neer de verhouding tusschen partyen teruggebracht wordt tot die welke herroeping,
door het eerste vonnis was gevestigd eu alzoo de tusschen haar bestaan
hebbende strijd beslist blijft en opgehouden heeft te bestaan, zal door
de herroeping van het vonnis, het geschil dat door dat vonnis beëin-
digd was, herleven.
Om het nu op nieuw beslist te krijgen zal de party die zich in Nieuw Ke(w
haar recht verkort acht, het geding voortzetten by den rechter die op
het request civiel uitspraak deed. Art. 395.
De rechter bepaalt zich bij zijne uitspraak op het request civiel
tot de herroeping van het vonnis en de regeling van de onmiddellijke
-ocr page 364-
346        H00FDST. IX. AFD. V. REQUESTE CIVIEL. TIT. II. RECHTSPLEGING.
gevolgen daarvan. Den strijd, die nu op nieuw ontstaan kan, beslist
hjj niet. De hoofdzaak, die het onderwerp van het bestreden en nu
herroepen vonnis uitmaakte, maakt geen onderwerp van zijn vonnis
op het request civiel uit. Hij zal zich ook in een onderzoek van die
hoofdzaak niet anders begeven, dan voor zoover hij er zich ter be-
oordeeling van het request civiel niet buiten kan houden. Zoo zal
hij bijv. in de gevallen van n°. 1, 7, 8 van art. 382 wel hebben
na te gaan in hoeverre het gepleegd bedrog, de valsche of achter-
gehouden stukken op zijne beslissing hebben invloed gehad en zal,
indien de eischer langs anderen weg, niettegenstaande dat bedrog,
die valsche of achtergehouden stukken geen gelijk kan krijgen, tevens
althans implicite de hoofdzaak hebben beslist of althans daaromtrent
een préjugé hebben uitgesproken.
Wil de belanghebbende partij nu evenwel een uitspraak hebben
op de hoofdzaak, hij zal daartoe het geding moeten voortzetten, als
\'t ware het tweede bedrijf daarvan aanvangen. Want dit moet bij den-
zelfden rechter geschieden die over het request civiel geoordeeld heeft,
voor wien de partijen het eerste bedrijf hebben afgespeeld en die hun
de gelegenheid heeft geopend om tot de verbetering van het eerstge-
wezen vonnis, wat het einddoel van het request civiel is, te geraken.
Dezelfde rechter die het eerst in de hoofdzaak heeft gevonnist, zal
alzoo op nieuw over de zaak oordeelen en het eerste vonnis verbete-
ren of bekrachtigen. Was het, dit vraag ik eerst, wel noodig dit
laatste te bepalen ? Het is immers dezelfde vordering; was de rechter
bevoegd daarover te oordeelen de eerste maal, dan zal hij het ook
nu even goed zijn. Even goed of evenmin! Kan niet in het eerste
geding de exceptie van onbevoegdheid niet zijn voorgesteld, of zelfs
de rechter zijne volstrekte onbevoegdheid hebben over het hoofd gezien?
Bestaan er geen gevallen waarin de eischer de keus had tusschen
meer gelijkelijk bevoegde rechters ? Kan ook niet de woonplaats van
gedaagde nu eene andere zijn dan toen hij vroeger werd gedagvaard?
De aanwijzing van den zelf d en rechter in art. 395 (ik zeg rech-
ter, want het is niet altijd een „rechtbank ") is hier derhalve eene
attributie van rechtsmacht, opdat de zaak bij denzelfden rechter
kome ook dan wanneer zij bij een anderen rechter had kunnen of
moeten worden aangebracht. Zoo wordt de rechter die het request
civiel had berecht, volslrekt bevoegd.
Waarom is de wetgever zoo gesteld op dienzelfden rechter?
Is het al niet veel van dezen gevergd, dat hij zijn eigert\' vonnis zal
-ocr page 365-
§ 188. DK BKSMSSING.
347
moeten herroepen en ten slotte zijn vroegere uitspraak hebben te
verbeteren? Ik geloof niet dat dit in het algemeen tot bezwaar
kan geacht worden aanleiding te geven. Immers in de meeste, ge-
vallen, zie n°. 1, 5, 7, 8 is de fout in het vonnis niet aan den
rechter te wijten; hij is er geheel buiten en is het voor hem eene ge-
wenschte taak om zelf tot verbetering geroepen te worden. Het ware
eene onjuiste onderstelling een ander rechter die taak op te dragen,
als ware er in het werk van den eersten rechter iets te verbeteren
dat hij anders had moeten doen.
In de gevallen van art. 382 n°. 2, 3 en 4 is ook de taak voor
den rechter niet zwaar. Heeft hij evenwel in deze gevallen gemeend,
na overweging der zaak, aldus te moeten beslissen en is het betwist-
baar of er iets anders of meer werd toegewezen, of er verzuim plaats
had, dan zal licht het middel niet aan het doel beantwoorden en zal
het blijken dat in deze gevallen ten onrechte request civiel werd
gegeven en niet liever de weg tot cassatie geopend.
In het nauwlijks denkbare geval van n°. 6 is toch altijd de rechter
die het vonnis wees, het best in staat het gebrek te herstellen. In
dit geval had de wetgever echter ook wel mogen bepalen dat de
hoofdzaak mede op het request civiel beslist werd, indien niet het
request civiel voor een gedeelte van het vonnis was toegestaan. Door
dan in de uitspraak op het request civiel het strijdig gedeelte van
het vonnis te herroepen, moet wel van zelf de strijd op de hoofd-
zaak zijn vervallen.
Overigens is de rechter die het eerste vonnis wees, de meest ge-
schikte om ook de hoofdzaak op nieuw te beslissen. Hij is door de
eerste behandeling met het onderwerp van den strijd het best be-
kend. En het is zeker van belang de gelegenheid niet open te stellen dat
door inmenging van andere rechters de zaak verwikkeld worde.
De regel is derhalve dat het request civiel tot een geding in twee
bedrijven aanleiding geeft. Bij de fransche schrijvers zal men op
het voorbeeld van de oudere processualisten gesproken vinden van
Ie rescindant, d. i. de eisch in het request civiel opgesloten, en
het proces daarvoor dat leidt tot herroeping, en Ie rescissoire,
de eisch die op nieuw ingesteld wordt en het daarover gevoerde
geding. Art. 38 der ordonnantie sprak van „Ie proces sur Ie res-
cindant et Ie proces sur Ie rescissoire." Zie de aant. van Joussk op
dat artfftel. De C. de pr. spreekt dan ook in art. 503 van 1 e
rescissoire, en evenzoo is bij ons het eene proces van het
-ocr page 366-
318         HOOFDST. IX. AFD. V. RECJUESTE CIVIEL. TIT. II. RECHTSPLEGING.
andere afgescheiden gebleven. Afgescheiden, maar toch worden ze
als deelen van een geheel beschouwd. Van eene nieuwe dagvaarding
is geen sprake en de vordering tot verbetering van het vonnis op
den toegelaten grond van request civiel wordt bij procureursacte be-
teekend. Dus althans naar de bij de Franschen gevolgde wijze van
rechtspleging. Uit het „sera porté" van art. 500 C. d. pr. en het „zal
gevoerd worden" van art. 395 volgt toch niet dat eene dagvaarding
noodig is. Eer doet de tegenstelling van „het geding ten principale"
aan een geding in een geding denken. Wordt het geding bij het
Kantongerecht gevoerd, dan kan niet anders dan door eene dagvaar-
ding het „recissoire" worden aangebracht. Evenzoo wanneer de gedaagde
in request civiel verstek liet gaan. Verg. de aanteekening op het arr.
H. Raad 31 Mei 1895, W. 6690.
Wanneer Gabsonnet § 1129 p. 644 beweert dat die afscheiding
van de beide bedrijven niei is van openbare orde, maar alleen in het
belang van partijen zoodat het van het goedvinden van deze zou
afhangen om de beide instantiën te vereenigen en op de hoofdzaak
te concludeeren tegelijk met de conclusiën over de herroeping, dan
meen ik van hem in gevoelen te moeten verschillen. Al kunne
men beweren dat in meer dan een geval, ja wellicht in de meeste,
beide instantiën zich zeer goed laten vereenigen en daardoor een oin-
slag die onnoodig schijnt, zou kunnen worden vermeden, de wet
heeft hier kennelijk met het oog op den eerbied van het gewijsde
het afzonderlijk en herhaald onderzoek gewild. Ook geeft art. 394
duidelijk genoeg aan dat, alleen in geval van tegenstrijdige vonnissen,
het geding met de beslissing op het request civiel afloopt. Maar
bovendien is de regeling van het geding niet. alleen voor partijen
maar ook voor den rechter geschreven en waar deze laatste aan de
wet gebonden is, kunnen partijen hem daarvan niet ontslaan. Zie
ook arr. H. Raad 22 Nov. 1867, W. 2956. Verg. Hof Arnhem, 18
Januari 1897, W. 6951.
Geen tweede Wordt het request civiel verworpen, dan zal de verzoeker geen tweede
request civiel. reqUest civiel kunnen instellen, noch tegen het daarmede bestreden
vonnis noch tegen het vonnis op het request civiel gewezen.
Evenmin mag degene wiens request civiel werd aangenomen tegen
het vonnis, dat de hoofdzaak heeft beslist, request civiel instellen.
Ook is aan den gedaagde op de hoofdzaak, indien hij in het ongelijk
-ocr page 367-
§ 188. DE BESLISSING.
349
gesteld wordt, het middel van request civiel tegen dit vonnis ontzegd.
Art. 396.
„Requête civile sur requête civile ne vaut" was de oude regel en
te recht voor een buitengewoon middel als het hier geldt. De bepa-
ling van art. 396 zal ook wel onderstellen dat niet alleen bij het
instellen van het request civiel alle redenen, welke men tot herroe-
ping van het vonnis mocht meenen te hebben, te gelijk moeten wor-
den aangevoerd, zoodat er van eene „requête d\'ampliation " na de dag-
vaarding geen sprake kan zijn, maar dat ook geen tweede geding
evenmin over eene nieuwe als over dezelfde reden kan worden
gevoerd.
En zoo mag zelfs ook tegen het na een aangenomen request civiel
op de hoofdzaak gewezen vonnis geen request civiel worden inge-
steld. Ue wetgever heeft zeker gemeend te moeten voorkomen dat
de toelating hiervan de ontduiking van den eersten regel kon ten
gevolge hebben.
Ik heb de onderstelling, waartoe art. 396 aanleiding geeft, als
zoude de eischer in request civiel, wiens request civiel werd aange-
nomen tegen dit vonnis, waarbij aan zijn verlangen tot herroeping
werd voldaan, request civiel kunnen en willen instellen, door splitsing
van de bepaling gemeend te moeten doen vervallen. Die onderstelling
is toch onaannemelijk.
Ik ben met Oudeman II bl. 62 van meening dat ook voor de
wederpartij het request civiel tegen het vonnis is ontzegd. Kon reeds de
opvatting van den Code (art. 503) wanneer het spreekt van „aucune
partie" waarmede op mineurs zoowel als majeurs gedoeld zou worden
en derhalve de andere partij niet uitgesloten zou zijn, eene gedwongene
genoemd worden, ons art. 394 bevat vooreerst die uitdrukking niet
en is in te absolute termen gesteld om hetzij die onderscheiding toe
te laten, of tusschen de beide partijen te onderscheiden. Anders
ScHENKENBKBG VAN MlEBOP bl. 81.
A ii n in. De verwerping van het request civiel heeft sedert de wet
van 1869 niet meer tengevolge de verbeurte van eene bij het doen van
het verzoek te consigneeren boete en eene som voor schaden en inte-
ressen behoudens verhooging van dit bedrag bij verwerping. Ook is
de mogelijke veroordeeling tot schaden en interessen, welke in de artt.
391 en 393 oud in uitzicht werd gesteld, vervallen.
-ocr page 368-
350         HOOFDST. IX. AFD. V. REyUES\'fE CIVIEL. TIT. II. RECHTSPLEGING.
Het vonnis op het request civiel gewezen is evenmin als dat op de
hoofdzaak voor hooger beroep vatbaar. Aan het middel van verzet en
cassatie staat het met alle andere vonnissen bloot.
Ik zou de uitsluiting van hooger beroep liever afleiden uit de
uitsluitende opdracht van de zaak aan denzelfden rechter wat
betreft de uitspraak op het request civiel zelf, dan dat het vonnis
hetwelk de zaken in den vorigen toestand herstelt van dezelfde
natuur moet zijn als het oorspronkelijke vonnis, zooals Gabsonnet
§ 1130 onderstelt. Voor het vonnis op de hoofdzaak geldt zeker
deze reden wel, want het eerste vonnis moet altijd in het hoogste
ressort gewezen zijn, en al wordt het door een ander vervangen, dit
komt dan toch voor in een vonnis in het hoogste ressort in de
plaats. Ook hier is dezelfde rechter bij uitsluiting geroepen. Zie
ook Oudeman bl. 60 en Opmerk, en Meded. VIII, bl. 48. Cassatie
zal alleen zijn uitgesloten als het eerste vonnis door een kanton-
rechter in het hoogste ressort werd gewezen en onder dezelfde nadere
bepaling. Tegen verzet kan geen bezwaar bestaan, daar dit tegen alle
vonnissen die bij verstek gewezen zijn gegeven wordt en de zaak bij
denzelfden rechter blijft.
AFDEELING VI.
HET VERZET DOOR DERDEN (*).
Wetb. van Burg. Rechtsv. I, tit. 9; Burg. Wetb. art, 247 j°. art.
813 B. R., Code de proc. IV, tit. I. Code Civil art. 1447 j°. art.
873 C. de proc; Ordonnance civile du mois d\'avril 1667 tit, XXVII,
art., 10 en 11, tit. XXXV, art. 2.
O N. M. Leiiiiet, iets over verzet door derden. Acad. proefschr. Leiden 1880. M ij n e verban»
deling over de macht der traditie in onze rechtpleging en rechtspraak in Verslagen en Mede-
deelingen der Kon. Akademie van Wetenschappen, Afd. Letterkunde 3e Heeks Dl. VI en in
Rechtsgeleerd Magazijn Dl. VII (1888) bl. 509 meer bepaaldelijk bl. 572—601. A.TlssiER. Theorie
et pratique de la tiercé opposition, ouvrage couronné par la facultt\' de droit de Paris Paris
1890.
-ocr page 369-
351
§ 189. BEGHIP EN AARD.
Titel I.
HET MIDDEL.
§ 189. BEGRIP RN AARD.
Het verzet door derden is het middel waarmede zij die in een ge- Begrip
ding geen partij zijn geweest, het daarin gewezen vonnis kunnen
bestrijden om het nadeel af te weren, hetwelk zij door de uitvoering
van dat vonnis in de uitoefening van hunne rechten zouden kunnen
lijden of ten einde de door een tusschen andere partijen gewezen
vonnis teweeg gebrachte benadeeling van hunne rechten te herstellen.
De toekenning van dit middel doet aan de betrekkelijke kracht van Verhouding
tot (ip krfirlit
het gewijsde niet te kort.                                                                            van gewijsde.
De derden z;jn tot de aanwending van dit middel bevoegd, niet Facultatief of
,. , ,.          .....            ...          i          .                  ,,                                obligatoh\'.
verplicht. Verplicht is het gebruik maken daarvan alleen, wanneer
op geene andere wijze het uit een tusschen anderen gewezen vonnis
voortspruitende nadeel kan worden gekeerd. Dit is meer bepaaldelijk
het geval, wanneer een vonnis tot benadeeling van een derde werd
uitgelokt en verkregen, zoo wanneer dit geschiedde ter opzettelyke
verkorting van de rechten van schuldeischers als door een opzettelijke
verwaarloozing van, of grof verzuim in de verdediging.
De opueming van dit middel tot bestrijding van vonnissen in de Verband met
wet staat in nauw verband met de aan derden toegekende bevoegdheid tusschen-
om in een tusschen anderen hangend geding tusschen te komen. Zij
vindt althans voor een deel daarin hare verklaring.
Het middel gaat uit van de onderstelling dat derden in hunne
rechten worden benadeeld door een vonnis tusschen andere personen
gewezen. Immers voor zoodanig geval wordt hun, in art. 376, de
bevoegdheid gegeven om tegen dat vonnis op te komen, zich daar-
tegen te verzetten. Hoe is het mogelijk dat dergelijke benadeeling
plaats hebbe? Indien de regel: „res iudicata pro veritate habetur"
medebracht dat het rechterlijk gewijsde, zij het eene formeele dan toch
eene absolute waarheid uitsprak, en derhalve voor elk en een iegelijk
-ocr page 370-
352 HUUFDST. IX. AFD. VI. HET VERZET DUUR DERDEN. TIT. I. HET MIDDEL.
eene onwedersprekelijke waarheid bevatte, dan zou \'t niet vreemd
wezen, dat derden een middel werd gegeven om tegen een tusschen
anderen gewezen vonnis op te komen, omdat zij door den rechter
niet werden gehoord en er derhalve op hunne rechten en belangen
niet werd gelet.
Maar nu heeft het gewijsde alleen kracht tusschen partijen, zijne
formeele waarheid is slechts eene betrekkelijke. En dit niet, omdat
derden niet zijn gehoord en het, zooals Tissier p. 4 opmerkt, eene
toepassing van de allereerste beginselen van rechtvaardigheid zou
wezen om iemand niet ongehoord te veroordeelen; ook niet omdat
het vonnis op een contract of quasi contract van de partijen zou
berusten, wat Tissier t. z. p. terecht ontkent (zie ook Procesrecht
Dl. II bl. 129), maar omdat, en daarbij mag eene vergelijking met
eene overeenkomst in hare gevolgen tot opheldering dienen, partijen,
die een geschil aan het oordeel des rechters onderwerpen, daarbij
alleen beschikken en niet anders kunnen beschikken dan over hunne
eigene rechten en verplichtingen, over hun eigen vermogen, en dien-
tengevolge het vonnis dat daarover gewezen wordt ook daartoe moet
beperkt zijn. Recht wordt gesproken tusschen hen die recht vragen,
over hun recht en niet over dat van een ander. Maar dan rijst
alweder de vraag, hoe kan er dan sprake zijn van een benadeeling
van de rechten van derden? Waartoe hun een middel toegekend om
eene benadeeling, die niet wel mogelijk schijnt, te keeren?
Zeker kunnen derden in een tusschen anderen gewezen vonnis
betrokken zijn, er kan van derden eene handeling gevorderd worden,
tot uitvoering van een tusschen anderen gewezen vonnis. Zoo kan
bijv. de hypotheekbewaarder bij een tusschen de belanghebbende
partijen gewezen vonnis gemachtigd worden om de doorhaling van
eene inschrijving in zijne registers te bewerkstelligen, de directie
van de Grootboeken kan worden gemachtigd om eene overschrijving
van eene inschrijving waarover tusschen partijen geschil is te doen
plaats hebben, maar dan strekt het vonnis alleen om dien be-
waarder of die directie eene handeling te gelasten en die derden
daartoe alzoo gerechtigd te verklaren, waardoor aan de rechten van
anderen voldoening wordt gegeven; die rechten zelve zijn hun per-
soonlijk onverschillig. Hoogstens kan er in sommige omstandigheden
aanleiding bestaan dat die derden verlangen gewaarborgd te worden
tegen eene aanspraak van anderen, die zich, door hunne overeenkom-
stig het vonnis verrichte handeling, benadeeld zouden kunnen ach-
-ocr page 371-
§ 189. BRdRIP EN AARD.                                         353
ten. Maar het vonnis zelf, waaraan zij uitvoering geven ten behoeve
van anderen, betreft hunne rechten niet en benadeelt die nog minder.
Van een middel hun toe te kennen tegen dat vonnis als zoodanig
kan geen sprake zijn. Dat is met het derde verzet ook nimmer
bedoeld.
Toch zijn er gevallen, waarin de kracht van een vonnis niet tot
de partijen is beperkt. De wetgever bepaalt, dit zelf bijv. in art.
1957 B. W. met opzicht tot de vonnissen betrekkelijk den staat
der personen. En ofschoon de daarbij gehuldigde leer van „legiti-
mus contradictor" verwerpelijk is, vloeit toch dergelijke uitgebreider
kracht bij vele den staat betreffende of tot den staat in betrekking
staande vonnissen daaruit voort, dat zij niet anders dan op vorde-
ring van bepaalde personen kunnen worden gewezen en dientenge-
volge tegen elk en een iegelijk kracht moeten hebben. Zoo met de
ontkenning van het vaderschap, de nietigverklaring van huwelijken,
de onder curateelestelling. Zie Dl. II § 76 bl. 296. En dat tegen
zoodanige vonnissen het recht van derde verzet niet wordt gegeven
is duidelijk. Derden kunnen niet met grond beweren dat hunne
rechten worden benadeeld door een vonnis dat, overeenkomstig de
bepalingen der wet, ook op hunne rechten of rechtsbetrekkingen
invloed uitoefent omdat ook deze daardoor geregeld of bepaald
worden.
Ook op het gebied van het vermogensrecht kan soortgelijke invloed
van een vonnis op de rechten of rechtsbetrekkingen van derden zich
doen gelden. Wanneer de nietigheid van een testament op de vor-
dering van den erfgenaam bij versterf tegen den erfgenaam krach-
tens testament is uitgemaakt, dan kan geen legataris meer aan dat
testament rechten ontleenen. De testamentaire erfgenaam kan tot uit-
keering van het legaat niet meer worden aangesproken, omdat hij
de hoedanigheid, die hem tot uitkeering van het legaat verplichtte,
niet meer heeft; de erfgenaam bij versterf niet, omdat hij met de
uitkeering van het legaat niet is belast. (Het derde verzet werd
aan den legataris toegekend bij arr. H. Raad 14 Nov. 1851, vernie-
tigende een arr. Hof Groningen 25 Juni 1850 W. 1281). En zoo
zijn er meer gevallen, waarin iemands recht of verplichting afhan-
kelijk is, of onder den invloed staat van het recht of de verplich-
ting van eene der partijen in het geding en het derhalve staat of
valt met de erkenning of niet-erkenning van het recht of de ver-
plichting dier partij, bij vonnis tusschen haar en hare tegenpartij
v
                                                                                                  23
-ocr page 372-
354 HOOFD8T. IX. AFD. VI HET VERZET DOOK DERDEN. TIT. I. HET MIDDKL.
gewezen. Ik heb hier het oog op de gevallen waarin voeging in het
geding kan te pas komen en die ik bespreek in Dl. III § 82 bl. 56 vv.
Men zou voor al deze gevallen, waarin vonnissen, uit den aard
van het recht of de rechtsbetrekking waarover zij uitspraak doen,
ook voor derden bindend zijn, het verzet door derden zeker niet
hebben uitgevonden. Ook nog geloof ik niet dat het in die gevallen
toepasselijk is Maar ten gevolge van de verwarring van begrippen
en beginselen, welke zich bij de regeling van deze rechtsinstelling
heeft geopenbaard, wordt, het ook wel thans in sommige van die
gevallen toegelaten. Alleen eene samenspanning van de gedingvoe-
rende partijen of ook opzet of grof verzuim door eene partij in de
verdediging zou tot bestrijding van het aldus verkregen vonnis kun-
nen leiden. Het derde verzet nu eens als bijzonder middel tot be-
strijding van vonnissen erkend zijnde, werd het ook voor die ge-
vallen van samenspanning, opzet of grof verzuim toepasselijk gemaakt.
Het eerste ontwerp van den Code de procédure bevatte in art. 464
daarover eene uitdrukkelijke bepaling.
Nog minder kon het te pas komen om het derde verzet toe te
kennen aan iemand, die een recht hebbende gelijk aan dat hetwelk
het onderwerp van een tusschen anderen gevoerd geding had uitge-
niaakt en waarin dit door den rechter ongegrond werd geoordeeld,
en die dientengevolge kon vreezen dat dezelfde rechter ook zijn recht,
ongegrond zou oordeelen. Als wij eene tegen ons gevoerde bewering
kunnen bestrijden met een vonnis door denzelfden rechter gewezen,
zoodat deze, aan zijn oordeel in het vonnis uitgesproken getrouw
blijvende, onze tegenpartij in het ongelijk moet stellen, dan hebben
wij daarin zeker een krachtig wapen om ons te verdedigen en de
tegenpartij zou er alleszins belang bij hebben dat het tegen hem
pleitend vonnis niet bestond. Maar kan dit belang voldoende zijn
om hem een middel te geven tot vernietiging van dat vonnis ?
„Non, sans doute," antwoordde reeds in 1777 een advocaat, wiens
pleidooi uit Guyot geciteerd wordt bij Tissikr p. 33 n°. 2, „et si
1\'on écoutait de pareilles demandes, il n\'y a pas d\'arrêt, dans Ie
journal des audiences et deins tous nos recueils, qui n\'eüt été déja
mille fois attaque, car il n\'en est aucun dont on n\'argumente tous
les jours." Wanneer men maar bedenkt dat de partij tegen wie
zoodanig vonnis wordt aangevoerd, volkomen bevoegd is om te be-
toogen dat de daarin door den rechter gevolgde meening niet juist
is, en dat de rechter zelf volkomen bevoegd is om in dit nieuwe
-ocr page 373-
§ 189. BEGRIP EN AARD.
355
geding eene andere meening te omhelzen, daar ook hem het vroegere
vonnis niet bindt, dan komt het ten duidelijkste uit dat het onzinnig
zou zijn aan een derde een middel te geven om dat vonnis te doen
vernietigen op grond dat het hem op eenige wijze in zijn recht be-
nadeelen zou. De derde zoude ook, om dit nog ten allen overvloede
op te merken, aan eene vernietiging van het vonnis niets hebben,
indien ook hij niet zijn recht tegen dezelfde partij die het hem on-
gunstig vonnis verkreeg moest doen gelden, en gelukte het hem in
dit geval het vonnis vernietigd te krijgen, dan zou dit inderdaad
blijken overbodig te zijn. Want kon hij voor zich den rechter
een ander gevoelen doen omhelzen, hij zou dit even goed hebben
gedaan gekregen, wanneer hij zelfstandig met zijn eisch ware opge-
treden en dat nu ook het eerste vonnis veranderd wordt, zou voor
de tegenpartij een groot onrecht zijn, daar die verandering ten slotte
hierop zou neerkomen, dat de rechter langs een omweg een eens
door hem gewezen vonnis zelf ging verbeteren.
Wanneer wij dan zien, dat het blijft bij den regel, dat een vonnis
alleen bindende kracht, heeft tusschen partijen, niettegenstaande een
tusschen anderen gewezen vonnis wel eens noodzakelijk invloed moet
oefenen op rechten van derden, die afhankelijk zijn of onder den
invloed staan van rechten van eene der partijen, zoodat de derde
zich over eene benadeeling in zijne rechten niet kan beklagen, wijl
de mogelijkheid van die zg. benadeeling uit den bijzonderen aard
van zijn recht voortvloeit; dat ook uit een rechterlijke uitspraak
tusschen anderen gewezen wel een préjugé met opzicht tot de gel-
digheid van eens anders recht kan ontstaan, maar daarom dat recht
door dat vonnis niet wordt verkort; dat alzoo de bindende kracht
van een vonnis, niettegenstaande deze bijzondere omstandigheden, tot
de partijen van het geding beperkt blijft, dan blijft de vraag, die
wij om het karakter van het derde verzet te leeren kennen hebben
te beantwoorden, deze : waartoe toch dit middel in de wet kan zijn
opgenomen? Want indien een vonnis tusschen anderen gewezen voor
een derde geen bindende kracht heeft, indien hij, wanneer het hem
mocht worden tegengeworpen, kan antwoorden dat het hem niet aan-
gaat en zijn recht daardoor onverkort blijft, dewijl partijen alleen
over hun eigen recht, niet over zijn recht konden beschikken, dan
heeft die derde immers geen bijzonder middel noodig om zich tegen
dat, vonnis te verzetten. Hij blijft in zijn recht, dat onverkort bleef,
het middel vinden om het te handhaven. En zoo heeft men zich dan
-ocr page 374-
356 HOOFDST. IX. AFD. VI. HKT VEKZET DUllK DKRDKN. TIT. I. HET MIDDEL.
ook, èn bij de vaststelling van den Code de procédure èn bij die van
ons wetboek, op die betrekkelijke kracht van de vonnissen beroepen
om de opneming van het middel in de wet te bestrijden. In 1827
bij ons zelfs met gunstig gevolg. De Regeering weigerde het middel
in de wet op te nemen en zij werd door de Tweede Kamer, niette-
genstaande het krachtig verzet van enkele harer leden, gesteund in
hare trouw aan „het groote beginsel dat de bindende kracht van
de vonnissen beheerscht en uitgedrukt, wordt in den regel „res inter
alios iudicata aliis neque prodest neque nocet."" In 1837 kwam
de Regeering evenwel van haar stout bestaan van 1827 terug en zij
achtte toen het groote beginsel, waarop zij zich vroeger beroepen
had wel volkomen juist, maar gaf toe dat eene strenge toepassing
van dat beginsel ten gevolge zou kunnen hebben dat een derde
zonder dat middel van verzet door derden geen middel zou hebben
om zijne rechten en belangen dadelijk tegen een tusschen andere
partijen gewezen vonnis te beschermen.
Hoe kon men ten slotte tot die miskenning van de aan het vonnis
toekomende betrekkelijke kracht komen? Vooreerst, en bepaaldelijk
in deze bij onze wetgevende macht gevoerde discussie, door den
invloed van de macht der rechtsregels, dciar men, wat maar te
dikwijls gebeurt, den zin van deze niet beperkte naar de gevallen
waarvoor zij geschreven werden, maar zonder daarop te letten
zich door hunne te algemeen gestelde bewoordingen tot uitbrei-
ding buiten hunne grenzen liet verleiden. Houdt men zich aan
den grond waarop de betrekkelijke kracht der vonnissen steunt en
verstaat men, in den daarmede overeenstemmenden zin, den regel :
„res inter alios iudicata aliis nee nocere nee prodesse potest", dan
weet men dat een derde uit een tusschen anderen gewezen vonnis
geen rechten kan ontleenen noch hem verplichtingen
kunnen worden opgelegd evenmin als dat hem daarbij
rechten kunnen worden ontnomen, en dat den derde alzoo
zijn recht en het hem tot bescherming daarvan gegeven rechtsmiddel
onverkort blijven. Maar dan blijft er geen plaats zelfs voor de
vraag, of den derde nog een bijzonder middel moet worden gegeven
om zich tegen een tusschen anderen gewezen vonnis te verzetten. Geeft
men evenwel aan den regel eene algemeene beteekenis en vat men
hem in dezen zin op dat uit een tusschen andere partijen gewezen
vonnis voor een derde geen nadeel noch voordeel mag ont-
staan, dan komt men er licht toe om aan een middel te denken,
-ocr page 375-
§ 189. BKC.RIP EN AABD.                                        357
dat. het nadeel, hetwelk voor een derde uit een vonnis tusschen
anderen gewezen ontstaan kan, af te weren. Want dat zoodanig
nadeel op onderscheiden wijzen mogelijk is, is niet te ontkennen.
En als dat nadeel dan uit een vonnis voortspruit, dat aan de macht
die het wees een bijzonder gezag ontleent, dan ligt de gedachte aan
de noodzakelijkheid van een bijzonder middel om de kracht van dat
gezag te breken, voor de hand. Men verzuimt dan licht te vragen,
of het nadeel werkelijk in eene verkorting van des derden recht
bestaat dan of hij alleen in de uitoefening van zijn recht
eene belemmering zal kunnen ondervinden, zooals er ook uit andere
handelingen dan uit een tusschen andere partijen gewezen vonnis
kunnen ontstaan. Kan men dan verder uit andere rechtsinstellingen
gronden voor de noodzakelijkheid van zulke bijzondere recht.smidde-
len putten, dan schijnt zoo\'n bijzonder middel licht heel natuurlijk
en in de orde der dingen te liggen. Zoo deed zich hier gereedelijk
het middel van de tusschenkomst voor. Gelijk dit middel gegeven
wordt \'aan een derde om het nadeel af te weren dat een vonnis
tusschen andere partijen gewezen hem zoude berokkenen, door dit
vonnis te voorkomen, zoo moet dien derde eveneens een middel
gegeven worden om het nadeel te keeren, dat het buiten zijne tus-
schenkomst gewezen vonnis hem veroorzaken kan. In 1827 wilde
onze Regeering daarvan niet weten. Wanneer iemand in een geding
tusschenkomt, zoo meende zij, geeft hij daardoor te kennen, dat dat
geding te zijnen opzichte volstrekt niet is eene zaak tusschen derden
welke hem niet aangaat en, voegde zij er bij, het nut der interventie
is daarin gelegen dat daardoor in plaats van meerdere procedures
één geding kan volstaan; dit is op het verzet door derden niet
toepasselijk en daarom is het den derden belanghebbende onverschil-
lig, of hij zijn recht door een buitengewoon middel of wel langs
den ordinairen weg vervolgt. In 1837 redeneerde de Regeering
evenwel geheel in den geest van de vroeger door haar zoo scherp
bestreden nota van den heer Donkkb Cuktius ter verdediging van
het verzet door derden, en was zij nu van oordeel dat een derde juist
tegen een vonnis een middel moest hebben, dewijl het rechtsgeding
hem gemakkelijk had kunnen ontgaan en zoo de gelegenheid tot
tusschenkomst ontbreken; „de bekendheid van een vonnis", zeide
zij, „is meerder en de tenuitvoerlegging van hetzelve maakt den
derde wakker." Hoe weinig steekhoudend deze redeneering zij om
te betoogen dat de wakker geschudde derde niet voldoende bescher-
-ocr page 376-
358 HOOFDST. IX AKD. VI. HET VERZET DOOB DERDEN. TFT.I. HET MTDDEI,.
ming zou vinden voor zijn recht in het daaraan uit zijn aard ver-
bonden rechtsmiddel en daarom een bijzonder middel zou behoeven,
er ligt duidelijk dit in: nu een middel is gegeven om in een aan-
hangig geding op te komen ten einde een nadeelig vonnis worde
voorkomen, moet, waar van dit middel geen gebruik werd gemaakt,
een middel gegeven worden om tegen het benadeelende vonnis op te
komen. Zie de aangehaalde nota in den aanhef en voorts van den
Honert bl. 418 ie kol. en 419 2e kol.
Te ontkennen is het evenwel niet dat er gevallen zijn waarin
een tusschen andere partijen gewezen vonnis de rechten van derden
kan benadeelen, in dier voege dat deze niet eenvoudig eene belem-
mering in de uitoefening ondervinden, welke zij met het aan haar
recht in het bijzonder eigen beschermmiddel kunnen opheffen, maar
dat hun recht zelf inderdaad wordt verkort. Met name heeft dit
plaats wanneer eene rechtsvervolging wordt ingesteld en een vonnis
wordt verkregen ter opzettelijke benadeeling der schuldeischers.
Wanneer men dan alleen op den vorm let, waarin hier het resultaat
van het opzet, de benadeeling, verkregen wordt, nl. alleen daarop
dat dit door een vonnis bewerkt wordt, en dan dit geval met andere
zooeven vermelde gevallen, waarin door een vonnis eene belemmering
in de uitoefening plaats heeft, over ééne karn gaat scheren, dan wordt
op die wijze de overtuiging versterkt dat er behoefte bestaat om
bij algemeenen maatregel een middel tot. vernietiging van derden
benadeelende vonnissen te scheppen. Daarbij wordt evenwel uit het
oog verloren dat het geheel iets anders is, of de benadeeling het
gevolg is van handelingen door anderen binnen de grenzen van hunne
eigene rechten verricht, dan of die benadeel ing het geyolg is van
eene beschikking, die formeel wel binnen eigen rechtskring verricht
wordt, maar die in werkelijkheid eene beschikking over eens anders
vermogen (dat des schuldeischers) inhoudt en welker gevolg dan ook
niet anders dan door een bijzonder daartoe strekkend rechtsmiddel
kan worden gekeerd. Dit middel bestaat evenwel in geen ander dan
in de zg. Pauliana, welke, voor het hier bedoelde geval tot een
verzet door derden tegen een vonnis gemaakt, met eene andere hete-
rogene categorie van gevallen is vereenigd, met welke het alleen in
den vorm, niet uit zijn aard verband houdt.
•Opmerking verdient dal de wetgever in art. 1376 B. W. het ge-
volg der overeenkomsten beschrijft op dezelfde wijzo als waarop de
betrekkelijke kracht aan de vonnissen bij art. 1954 B. W. toegekend
-ocr page 377-
§ 119. BKGRir EN AARD.
359
in den regel: „res inter alios iudicata aliis neque nocere neque
prodesse potest," pleegt geformuleerd te worden. Overeenkomsten zijn
(evenals vonnissen) alleen van kracht tusschen de partijen Deze
kunnen daarbij aan derden geene verplichtingen opleggen noch hun
rechten ontnemen, evenmin als derden aan tusschen anderen gesloten
overeenkomsten rechten kunnen ontkenen. Dit wordt ook hier terug-
gegeven met te zeggen, zij kunnen aan derden niet ten nadeele
verstrekken noch aan derden voordeel aanbrengen, omdat partijen
bij hare overeenkomsten alleen over hun eigen vermogen kunnen
beschikken. Daarvan is art. 1377 het onmiddellijk gevolg, maar door-
dien art. 1376 in veel te algemeene bewoordingen is gesteld, heeft
dat art. 1377 den vorm van eene uitzondering gekregen. Het betee-
kont evenwel niet anders dan dat, aangezien partijen alleen over
hun eigen vermogen, niet over dat van anderen bij hunne overeen-
komsten mogen beschikken, zijn aan hunne schuldeischers niet opzet-
telijk mogen onttrekken dat deel van hun vermogen, hetwelk aan
dezen tot onderpand van hunne schuldvorderingen verzekerd behoort
te blijven en waarover de schuldenaar dus inderdaad reeds te hunnen
behoeve had beschikt (*), al blijft hij in het algemeen en niettegen-
staande de door hem aangegane schulden, de vrije beschikking over
de bijzondere bestanddeelen van zijn vermogen behouden.
Daar het nu vaststaat dat door een vonnis tusschen partijen ge-
wezen aan derden hun recht niet kan worden ontnomen — al kan
dit, waar het van een aan een der partijen toekomend recht afhan-
kelijk is, door een tusschen andere partijen gewezen vonnis verval-
len — en dat derhalve, niettegenstaande zoodanig vonnis, het rechts-
middel tot bescherming van des derden recht gegeven blijft bestaan,
zoodat die derde geen bijzonder rechtsmiddel daartoe behoeft; terwijl
het duidelijk is, dat ook de in het tusschen anderen gevoerd geding
toegelaten tusschenkomst een bijzonder middel tot bestrijding van
het gewezen vonnis niet rechtvaardigt (zie mijne verhandeling in
O Men kan hol «niettemin" en lin hun eigen naam" van art. 1377 ook aan eene slordige
vertaling van den wetgever toeschrijven, als behield hij daarin den terugslag op het in den
Code voorafgaand art. 116o, niettegenstaande hij dit liet vervallen. Doch het "niettemin" slaat
ook terug op het nu aan art. 1377 voorafgaand art. 1376: »Dezelve kunnen aan derden niet ten
nadeele verstrekken", daar, niettegenstaande dat. de schuldeischers door de overeenkomsten
hunner schuldenaren ten onrechte nadeel kunnen ondervinden. Al kon dan het »in hun eigen
naam" wel gemist worden, dit kan te duidelijker doen uitkomen dat de schuldeischers nu ook
niet uit de door anderen gesloten overeenkomst eene actie ontleenen, maar dat hun, tengevolge
van het door zoodanige overeenkomst toegebracht nadeel en op grond daarvan, eene zelf-
staudige actie wordt toegekend.
-ocr page 378-
360 HOOFDST. IX AFD. VI. HET VEBZET DOOR DEBDKN. TIT. I. HET MIDDEL.
Rechtsg. Mag. t. a. p. bl. 583 vv.); terwijl voorts het aan de
schuldeischers toe te kennen rechtsmiddel om tegen handelingen van
den schuldenaar, zoo gezegd ter bedriegelijke verkorting hunner
rechten gepleegd, in eene behoorlijke uitwerking van de zg. Pauliana
van zelf zijne voorziening kan vinden (zie mijne verhandeling in
Rechtsg. Mag. t. a. p. bl. 583) ; zoo blijkt dat het middel van ver-
zet door derden tegen de vonnissen een geheel overbodig rechtsmiddel
is, welks opneming in de wet en welks voortbestaan wel te verklaren
maar niet te rechtvaardigen is.
Niet te rechtvaardigen, omdat het uit de geschiedenis van
de wording van dit rechtsmiddel duidelijk is, dat er bij zijne opne-
ming in den Code groote verwarring van begrippen heerschte en de
wetgever, om het maar in enkele woorden uit te drukken, daarbij
niet wist wat hij deed; wèl te verklaren, omdat ten slotte de
traditie, die groote macht vooral in de rechtspleging, den door-
slag gaf.
Het is vooral uit de discussiën in den franschen Staatsraad ge-
voerd (Locbe, Législation XXII p. 48 vv. cf. p. 126, 158) dui-
delijk, hoe men aan den eenen kant meende met die „tiercé opposi-
tion " niets nieuws in te voeren en hoe slecht men elkander verstond,
waar het er op aan kwam het karakter van de „tiercé opposition"
naar de vroegere ordonnantie, in verband met de daaromtrent, ook
al niet in alles tot klaarheid gekomen praktijk en leer der com-
mentatoren, te bepalen. Bevreemden kan dit al weer niet, daar de
Ordonnantie van 1667 slechts enkele bepalingen omtrent de tiercé
opposition bevat en deze daar voorkomen deels in verband met de
in tit. XXVII behandelde „exécution des jugemens ", art. 10 en 11,
deels met de „requêtes civiles", waarover in tit. XXXV gehandeld
wordt, en welks 2de art. met de tiercé opposition in verband is
gebracht. Art. 10 der Ord. van 1667 vindt zijn oorsprong in art.
108 der Ord. van 1539, art. 11 in art. 51 der Ord. van 1566.
Houdt men nu in het oog dat. in art. 10 van tit. XXVII der
Ordonnantie de bepaling wordt aangetroffen dat de tiers-opposants
wier verzet, ongegrond verklaard wordt in boeten worden verwezen,
en dat Rodieb daarbij aanteekent, dat met die derden bedoeld wor-
den „ceux qui non seulement n\'ont pas été parties, ni appelés dans
Ie proces sur lequel 1\'arrêt ou sentence ont été rendus mais qui
n\'y sont pas nommés, et ne paraissent y avoir aucun intérêt"; maar
dat daaronder niet begrepen zijn „ceux contre qui la condamnation
-ocr page 379-
§ 189. BEGRIP EN AARD.
361
porte directement c. a. d. qui sont compris dans 1\'arrêt ou sentence
quoiqu\'ils n\'y aient pas été appelés" en dat deze laatste degene zijn
van wie in art. 2 van tit. XXXV sprake is, wier ongegrond bevon-
den verzet niet met boete wordt gestraft, omdat daar van boete
niet wordt gesproken, dan kan men geneigd zijn, om, aangenomen
de noodzakelijkheid van het middel van derde verzet, met Treil-
hard in te stemmen en zijne goedkeuring schenken aan art. 474,
zooals het oorspronkelijk luidde in art. 463 van het Ontwerp. Het
middel zou dan worden toegekend tegen een vonnis dat de rechten
van derden benadeelt „et lors duquel ni elle ni ceux qu\'elle répré-
sente n\'ont point été appelés encore qu\'ils eussent du
1\'être". Wel werd nog bovendien in art. 464 de tiercé opposition
gegeven ten aanzien van vonnissen „lors desquels la partie n\'a
pas du être appel ó e", doch tegen deze zou zij alleen openstaan
op grond van „collusion, fraude ou dol", welke gevallen evenwel
volgens Treilhard met de tiercé opposition niet te maken hadden.
Deze behoorde volgens hem beperkt te worden tot het geval dat
iemand was veroordeeld zonder in de zaak geroepen of niet behoor-
lijk geroepen te zijn, terwijl hij geroepen had moeten worden. Hij
moet dan daarbij het oog op art. 2 van tit. XXXV van de Ordonnan-
tie gehad hebben. Hij achtte het niet noodig voor het geval dat
een vonnis tusschen andere partijen gewezen was, omdat dit den
derde niet aangaat; „il ne fait pas de titre contre Ie tiers". Hij
wilde het bepaaldelijk niet geregeld hebben voor hen, die volgens
Rodier in art. 10 van tit. XXVII bedoeld werden, van welke deze
zelf zegt „qui ne paraissent y avoir aucun intérêt" en die, zooals
Rodier er bijvoegt, daarom in boete moeten veroordeeld worden als
zijnde „oppositions chicaneuses hasardées par de tierces personnes,
qui d\'ordinaire ne font que prêter leur nom a celui qui est con-
damné, pour traverser 1\'exécution de cette condamnation".
Bedenkt men evenwel dat, ofschoon Treilhard het middel binnen
enge grenzen wilde beperken en daarmede op den goeden weg was,
hij op grond van zijn: „il ne fait pas de titre contre Ie tiers" ook
hen, die veroordeeld heeten geworden te zijn zonder geroepen te zijn
geweest, had moeten uitsluiten, en er dan van het geheele middel
weinig zou zijn overgebleven; dat hij aan hen „qui ne paraissent y
avoir aucun intérêt" wel het recht op het middel kon ontzeggen,
doch daarmede niet kon beletten dat zij, als eens het middel in het
algemeen was toegelaten, het te werk stelden, dan verklaart zich licht
-ocr page 380-
362 HOOFDST. IX. AFD. VI HET VERZET DOOR DERDEN. TIT. I. HET MIDDEL.
dat zijn gevoelen geen ingang kon vinden, nu men eens besloten
scheen aan het middel zelf vast te houden.
Daar kwam bij dat juist degenen, die, zonder eigenlijk belang te
hebben, van het derde verzet gebruik maken, bij uitnemendheid
„tiers-opposans" genoemd worden (behalve bij Rodier ook bij Jousse
op art. 10 der Ord.) en dat, niettegenstaande art. 11 wil dat een
derde verzet de tenuitvoerlegging van een vonnis tot ontruiming
van een erf niet in den weg kan staan, Rodier, met beroep op
Boutaric, deze bepaling alleen toepasselijk acht voor het geval dat
de derde noch eigendom, noch bezit van het erf beweert te hebben,
terwijl ook de tenuitvoerlegging van een vonnis tot oplevering van
een roerend goed of tot betaling van een geldsom door „une oppo-
sition de tierces personnes" wordt geschorst. Uit een en ander volgt
dat het derde verzet zich, volgens de commentatoren van de Ordon-
nantie, veel verder uitstrekt dan Treilhard het wilde toelaten. En
als dan o. a. Bornier tot rechtvaardiging van de toelating der
tiercé opposition en van de bij art. 10 op een mislukt derde verzet
gestelde boete als reden aanvoert „que 1\'opposition n\'est point dé-
fendue, puisqu\'elle est de droit naturel suivant la loi ut vim ff. de
just. et jure et la loi 1 D. unde vi, mais seulement celle qui est
faite témérairement et par un esprit de chicanerie", dan moet men
wel inzien dat de tegenstanders van Treilhard konden meenen de leer
en de praktijk van de Ord. en de schrijvers beter terug te geven,
toen zij wilden dat het derde verzet ook voor hen zou worden open-
gesteld, die in het geding niet hadden behoeven geroepen te wor-
den en dat uit dat oogpunt het gevoelen van den Minister van
Justitie moest triomfeeren, die beweerd had: „que Ie droit de former
tiercé opposition appartient indistinctement a tous ceux qui ayant
intérêt et qualité n\'ont pas pas été appelés." In dien zin werd dan
ook ten slotte art. 474 opgesteld en, nadat art. 464, hetwelk in
geval van collusie bestrijding van het vonnis aan daardoor bena-
deelde derden toeliet, uit het ontwerp verwijderd was, vervielens tevens
uit art. 463 (later 474) de slotwoorden „encore qu\'ils eussent du
1\'être" Want art. 464 verviel niet, omdat men met Treilhard
van gevoelen was dat de bestrijding uit hoofde van collusie eigenlijk
niet tot het derde verzet behoorde, maar het moest wel vervallen
omdat, bij de uitbreiding die de Minister van Justitie, door de rui-
mere redactie, aan het middel wilde gegeven hebben, het tevens de
bestrijding wegens collusie omvatte. En terwijl voor deze bestrijding
-ocr page 381-
§ 189. BEGRIP EN AARD.
363
onmogelijk kon worden gevorderd dat de benadeelde derden in het
geding geroepen hadden moeten worden, moest dit vereischte wel
voor het geheele middel worden prijsgegeven. Zoo alleen is het te
verklaren dat de Staatsraad Boi;laï van oordeel was dat, na het
wegvallen van art. 464, ook art. 463 eene wijziging noodig had,
waarna een door Retnaud voorgesteld amendement oin in art. 463 de
woorden: encore qu\'ils eussent du 1\'être te schrappen, werd
aangenomen. De Minister van Justitie had daarvoor echter nog
dezen grond: „1\'arrêt qui adjuge la propriété au demandeur Ie con-
stitue propriétaire non seulement vis a vis du défendeur mais abso-
lument et vis a vis de tous". Alsof het vonnis den eischer tot
eigenaar maakte en iets te kort deed aan of zelfs eenige verande-
ring bracht in het eigendomsrecht dat anderen dan de in \'t ongelijk
gestelde gedaagde op de zaak mochten beweren te hebben! Alleen
de aanspraak die deze laatste op de zaak meende te hebben is voor
goed ongegrond verklaard. Indien de Minister van Justitie uit het
vonnis iets meer afleidt; wanneer hij beweert, dat het systeem, vol-
gens hetwelk de in \'t gelijk gestelde eischer alleen eigenaar is tegen-
over de partij, is „contraire aux principes admis par tous les juris-
consultes" en daaruit besluit dat anderen dan de veroordeelde ge-
daagde in het derde verzet een bijzonder middel noodig hebben om
hun eigendomsrecht tegenover dat vonnis te handhaven, dan maakt
hij zich eene geheel onjuiste voorstelling van den stand van zaken
door het vonnis geschapen, en miskent hij blijkbaar juist die begin-
selen welke door alle rechtsgeleerden aangenomen zijn.
De oppervlakkigheid van het onderzoek en de verwarring en het
misverstand daaruit geboren is in deze discussies, dunkt mij, duide-
lijk, of eigenlijk het eenige wat er duidelijk in is. In plaats van het
middel van derde verzet naar zijn reden van bestaan te vragen en
daarvan zijne opneming in het nieuwe wetboek afhankelijk te maken,
achtte men \'t voor zijne opneming voldoende dat het bestond. Nu
moest, bij de verwarring die er reeds bij de commentatoren en in
de jurisprudentie onder de Ordonnantie heerschte, daar het middel,
op eenige weinig samenhangende bepalingen berustende, zich daaruit
niet tot een harmonisch geheel had ontwikkeld, er wat van gemaakt
worden en, waar een leidend beginsel ontbrak, had de subjectieve
opvatting van onsamenhangende verschijnselen vrij spel. Zoo komt
het mij voor dat Treilhard zich uitsluitend vasthield aan art. 2
van tit. XXXV der Ordonnantie. Het daar onder de requêtes civiles
-ocr page 382-
364 HOOPDST. IX. AFD. VI. HET VERZET DOOR DERDEN. TIT. I. HET MIDDEL,.
behandelde geval, waarin op „simple requête" de herziening van
een vonnis kon verkregen worden, door hem, die als partij was be-
handeld zonder dat hij dit werkelijk geweest was, kon het middel
terecht als een verzet tegen een vonnis doen qualificeeren en
ook als een verzet door derden, omdat de verzoeker, inderdaad
derde, slechts in naam partij in het geding was geweest. De com-
mentatoren hadden evenwel dit middel reeds beschouwd als te zijn
van gelijken aard als de in art. 10 van tit. XXVII behandelde
tiercé opposition, waarbij inderdaad van verzet tegen de ten-
uitvoerlegging van een tusschen anderen gewezen vonnis de rede
was. Zoo kreeg dit laatste middel het karakter van een verzet
tegen een vonnis en werd het als een buitengewoon middel
om vonnissen te bestrijden met de benaming van „tiercé opposi-
tion", meest overeenkomstig de beschouwing van den Minister van
Justitie, in den Code opgenomen. En men kon de bestrijding op
grond van „collusion, fraude ou dol" daar te eerder onder begrijpen
omdat, zij het tengevolge van eene oppervlakkige beschouwing, de
bestrijding van deze handelingen als eene bestrijding kon aangemerkt
worden van het vonnis dat tot de voltooiing daarvan had mede-
gewerkt.
Wanneer de toelating van de tiercé opposition daarmede wordt
verdedigd dat zij is „de droit naturel" en daarom algemeen
heet toegelaten te moeten worden, dan wordt dit rechtsmiddel daar-
door als van nature geacht gelijk te staan met de actie in de be-
perkte beteekenis van het woord. Is de actie in dien zin „de
droit naturel", dat ieder die beweert een recht te hebben moet
toegelaten worden om eene actie tot handhaving van dat recht in
te stellen, dan moge daardoor wel de deur ook voor eene chicaneuze
rechtsvervolging zijn opengesteld, maar wie zich daaraan waagt vindt
zijn straf in de te zijnen laste komende proceskosten. Zoo is het
dan ook met de tiercé opposition en het misbruik, waarvoor hare
algemeene toelating de deur openzet, wordt dan, behalve door proces-
kosten, nog bovendien door gerechtelijke boeten gekeerd. Het moge
wel eenigszins vreemd zijn, dat het. gebruik van een middel, hetwelk
aan ieder de droit naturel heet toe te komen, met boete wordt ge-
straft, wat van het gebruik maken van eene gewone actie dan ook
het gevolg niet is, men rechtvaardigt dit echter hiermede, dat de
tiercé opposition den tegenstander niet als eene gewone actie, alleen
in zijn feitelijken toestand verontrust, maar dat daarmede tevens
-ocr page 383-
§ 185. BE0R11\' EN AARD.                                        365
tegen het gezag van eene rechterlijke uitspraak wordt opgekomen,
een feitelijke toestand alzoo wordt verontrust die, met het gezag
des rechters tot stand gekomen of gehandhaafd, een r echts toe-
stand mag heeten, en dat bovendien tot misbruik van de tiercé
opposition te eer aanleiding kan bestaan, omdat, gelijk Bobnieb
opmerkt, de tiers-opposants gemeenlijk „prête-noms" zijn, die met de
in \'t ongelijk gestelde partij samenspannen en „par complaisance" zich
er toe leenen om de tenuitvoerlegging van het vonnis te dwarsboomen.
Het is, of het maar genoeg is dat men enkele teksten uit het Cor-
pus iuris weet aan te halen om een instelling tot „de droit naturel"
te stempelen, als men Bobnieb zich daartoe ziet beroepen op „la
loy ut vim ff. de just. et jure (1. 3 D. I, 2) et la loy 1 C. unde
vi (VIII. 4). Niet licht, zal thans iemand er in lezen wat Bohnier
er uit afleidt. Het heeft immers met het „vim vi repellere" noch
met de „tutelae inculpatae moderatio" niets te maken! En het middel
kan te minder de droit naturel zijn omdat, zoo een middel door de
wet en alleen door de wet gemaakt is, dan is het die tierce-oppo-
sition. Onze rechten zijn voldoende beschermd tegen een tusschen
anderen gewezen vonnis, omdat dat vonnis alleen partijen bindt en
ons niet. aangaat voor zoover ons recht een zelfstandig recht is,
terwijl het, voor zoover het onder den invloed staat of afhankelijk
is van een ander recht, dien invloed niet kan ontgaan en, wat
vonnissen betreft door opzettelijke benadeeling vorkregen, eene uitwer-
king van de Pauliana in de daaruit, ontstane benadeeling kan voor-
zien. Werd dit behoorlijk geregeld, dan zouden de woorden van art.
1377 B. W. (oud) „mits zij zich overigens gedragen naar de voorschriften
der wet, overeenkomstig den aard der handelingen waartegen zij
willen opkomen", in vervulling hebben kunnen worden gebracht en
dan zelve kunnen vervallen. Dergelijke voorschriften komen nu alleen
voor bij de tusschenkomst van schuldeischers in den eisch tot schei-
ding van goederen en bij hun verzet tegen het vonnis daarover
tusschen de echtgenooten gewezen. Art. 247 B. W. 813 B. R. De
bevoegdheid om op te komen tegen een vonnis dat ten nadeele van
een derde door samenspanning, opzet of grof verzuim in de ver-
dediging tot stand kwam, behoefde niet veel meer dan eene uit-
drukkelijke erkenning in de wet met toepassing van de gevolgen aan
eene onrechtmatige daad verbonden.
En zoo kom ik dan weder tot het besluit dat het middel, hetwelk
als verzet door derden in onze wet is opgenomen, een deugdel ijken
-ocr page 384-
366 HOOFDST. IX. AKD. VI. HKT VERZET DOOK DERDEN. TIT. I HET MIDDEL.
grondslag mist en zijn grond alleen kan vinden in eene traditie
afkomstig van de praktijk, die van enkele, niet tot behoorlijke ont-
wikkeling gekomen en kwalijk begrepen, bepalingen der fransche
Ordonnantiën een zelfstandig rechtsmiddel heeft gefabriceerd, waaraan
de fransche wetgever van 1807 eene eigene plaats in het stelsel der
middelen tot bestrijding der vonnissen heeft verschaft, zonder zich
een helder denkbeeld van zijn karaktar te hebben gevormd. Dat de
nederlandsche wetgever, na het middel eerst te hebben verworpen
omdat het geen deugdelijken titel voor zijn bestaan kon aanvoeren,
het ten slotte weder opnam, kon alleen met een beroep op de tra-
ditie goedgemaakt worden. Het was in het fransche wetboek toege-
laten en mitsdien nog in gebruik ! Op dien grond is er veel bij de
herziening van 1837 in ons wetboek van burgerlijke rechtsvordering
ingesmokkeld, dat men in 1827 had durven verwerpen.
Ik heb van een en ander met opzicht tot het verzet door derden
reeds eenige jaren geleden (zie Verhandelingen der Kon. Akad. van
Wetenschappen Afd. Letterkunde 3e Reeks Dl. VI (1888) en Rechts-
geleerd Magazijn Dl. VII (1888) bl. 572) het betoog geleverd en
voerde het middel als een sprekend voorbeeld aan van de macht der
traditie op het gebied der rechtspleging. Mijne overtuiging is te
dien aanzien versterkt door het betoog van den heer Tissier in
zijne hierboven vermelde bekroonde verhandeling die eenzelfden ge-
dachtengang volgend tot eenzelfde uitkomst geraakt, terwijl mijne
verhandeling hem wel onbekend zal zijn gebleven. Ook in het oor-
deel, dat de heer Tjssier over de traditie in de procedure en de
aanleiding tot hare macht uitspreekt, vind ik veel overeenstemming
met hetgeen ik in de vermelde verhandeling en ook elders opmerkte.
Ik mag niet nalaten het hier op te nemen. „. . . on doit re-
marquer," zegt de Schr. op bl 13, „que c\'est dans les institu-
tions qui se rattachent a la procédure que la tradition joue Ie
róle Ie plus considérable; une fois certaines forines établies, sou-
vent d\'une fa<;on arbitraire et sans fondement bien sérieux, Ie
besoin d\'ordre et de fixité dans la marche des proces fait qu\'on
les conserve longtemps, sans les soumettre, comme les principes de
droit, a une critique et «a un examen continuels. Elles attirent
moins 1\'attention des théoriciens et des savants, et on sait que les
praticiens, loin d\'êtie des novateurs hardis, ont été de tout temps
les plus ardents conservateurs des forraes de procédure que leur
profession leur a fait appliquer. Ces considérations peuvent expliquer
-ocr page 385-
§ 189. BKGKir EN AARD.                                        367
comment la tiercé opposition, introduite par la pratique judiciaire,
a été conservée par les praticiens qui ont eu Ie röle prépondérant
dans la rédaction du Code de procédure, sans qu\'ils 1\'aient étudiée
d\'une maniere bien approfondie, sans qu\'ils 1\'aient soumise a une
analyse bien sérieuse et a une critique bien savante." Tot dit
resultaat kwam ook het belgische ontwerp van 1869. Het laat de
tierce-opposition vervallen en geeft alleen aan schuldeischers het
recht om een vonnis te bestrijden door het middel van re vis ion
in geval het. vonnis werd verkregen door „collusion frauduleuse" of
indien hunne rechten er door worden benadeeld. Voor de gevallen,
die het derde verzet oorspronkelijk bedoelde, werd het inderdaad
onnoodig geacht. Zie de toel. op B- III van het Ontwerp in Extrait
des documents parlementaires 1869—1870 p. 72. Dat de benadee-
ling van schuldeischers er oorspronkelijk niet toe behoorde is ook
hieruit duidelijk, dat onze wetgever, toen hij in 1827 het derde
verzet deed vervallen, de bepaling omtrent het recht der schuld-
eischers tegen een vonnis tot. scheiding van goederen behield. Het
bleef bestaan niettegenstaande derde verzet werd afgeschaft, terwijl
het nu als een opzettelijk in de wet aangegeven gevolg van het
in algemeene termen toegelaten verzet door derden is te beschouwen.
Verg. Mr. F. W. van der Plas, de schuldeischers bij het geding tot
scheiding van goederen. Acad. Proefschr. Leiden 1888 bl. 22 w.
Tissikr heeft evenwel voor zijne veroordeeling van de tiercé opposi-
tion zijn leermeester Garsonnet niet kunnen winnen. „Je pense au
contraire" zegt deze uitnemende processualist, in zijn traite théo-
rique et pratique de procédure T. V. § 1173 a. h. e. p.
781, „avec M. Larnaude (Rapport sur les prix décernés par la
faculté de droit de Paris en 1889 p. 23) que mieux vaut conserver
la tiercé opposition dans sa forme actuelle, car les tiers peuvent
avoir intérêt k attaquer immédiatement les jugements rendus contre
eux, et la preuve qu\'elle leur est utile est dans 1\'usage frequent
qu\'ils en font." Indien de aangevoerde reden al als juist kon wor-
den aangenomen, wat ik blijf ontkennen, dan nog ware daardoor een
zelfstandig rechtsmiddel niet gerechtvaardigd. Onze Regeering zeide
in 1837 bijna met dezelfde woorden dat „de rechten en belangen
van een derde aanmerkelijk zouden lijden, indien hij geen middel
had zijne rechten en belangen dadelijk tegen zoodanig vonnis te
beschermen." Maar wat belet den door de Regeering bedoelden
mede-eigenaar om tegen het vonnis waarbij zijn mede-eigenaar, alleen
-ocr page 386-
368 HOUFDST. IX. AFD. VI. HET VE11ZET DOOE DERDEN. TIT. I. HET MIDDEL.
tot ontruiming aangesproken, tot ontruiming werd veroordeeld, zijn
eigendom dadelijk met de revindicatie te handhaven ? Wat den ver-
huurder, wiens huurder zich, zonder hem te roepen, jegens eens revin-
dicant tot ontruiming liet veroordeelen, het goed dadelijk na die
ontruiming met de eigendomsvordering op te eischen en wat deert
hem de ontruiming op zich zelf, tegen welke hij met het derde
verzet toch ook zijn eigendomsrecht zal te handhaven hebben ? Kan
ook niet hij wiens roerend goed aan een en ander, tengevolge van een
tusschen andere partijen gewezen vonnis, staat uitgeleverd te worden,
die uitlevering met een revindicatoir arrest voorkomen? En wat het
beroep op de aangehaalde reden betreft, het komt mij al zeer weinig
afdoende voor. Immers het veelvuldig gebruik van het middel be-
wijst niet de noodzakelijkheid noch de rechtmatigheid van dit ge-
bruik. Het omvat toch nu ook die „chicaneries" waartoe het reeds
onder de Ord. aanleiding gaf. Ook kan het niet goedmaken de
nadeelen, die het in de procedure en voor het materieele recht op-
levert. Of heeft het bestaan van het middel niet doen zoeken naar
gevallen, waarin het toepasselijk geacht moest worden, omdat het
anders zonder doel in de wet zou staan ? Is het dientengevolge wel
niet gebruikt als een middel tot instandhouding van rechten die door
wettig gewezen vonnissen hun bestaan hadden verloren ? Heeft men
het gebruik niet toegelaten om wettig gewezen vonnissen van kracht
te berooven tegenover rechten, welke door die vonnissen in \'t minst
niet waren verkort ? Heeft men tot rechtvaardiging van het middel
niet een even ondeugdelijk en in de wet onbekend rechtsmiddel, de
zg. intervention passive ou forcée, in de praktijk weten te behou-
den ? Is men ten slotte niet over de toepassing van het middel
voortdurend in strijd geweest, omdat de. aard van het middel den
wetgever zelven niet duidelijk voor oogen heeft gestaan en het dien-
tengevolge in de praktijk tot menigte van vraagpunten aanleiding
bleef geven, waarover wellicht interessant kon gepleit worden, altijd
evenwel ten koste van de rechtzoekenden ? — Op een gelijk stand-
punt als dat van Garsonnet heeft zich bij ons de ontwerper van
een herzien wetb. van burg. rechtsv. in 1865 geplaatst, die het
middel handhaaft en die handhaving in de Memorie van Toelichting
eenvoudig rechtvaardigt met een beroep op de praktijk, voor zoover
die uit Leun\'s Rechtspraak op art. 376 B. R. te kennen is.
Al heb ik tot dusver om het karakter van het verzet door derden
-ocr page 387-
§ 189. BEGRIP EN AARD.
369
te doen uitkomen mij uitsluitend met zijne kritiek bezig gehouden,
men zal niet ontkennen dat het karakter eener instelling ook uit
zijne ondeugdelijkheid en overbodigheid kan worden gekend. Doch
het zoude onjuist zijn om daaruit met Chauveau op Carrk ed#
Brux. Q. 1709 T. III p. 536, (zie daartegen Tissikr p. 67) te be-
sluiten dut het middel voor toepassing niet vatbaar zou zijn. Al
had de wetgever geen juist begrip van hetgeen hij wilde en al heeft
hij het middel gegeven, terwijl het volkomen onnoodig was, hij heeft
het toch duidelijk genoeg gewild voor gevallen die zich kunnen
voordoen, al konden in die gevallen andere rechtsmiddelen voldoen.
Het is waar, en de wetgever leert het ons zelf in art. 1954, dat
een vonnis alleen van kracht is tusschen de partijen, maar men doet
verkeerd met te zeggen dat het vonnis daarom aan derden geen
nadeel kan toebrengen en daartegen kan het derde verzet worden
gebruikt. Het kan dit nadeel teweegbrengen door de tenuitvoer-
legging die daaraan gegeven wordt. Zoo werd het middel aanvan-
kelijk gegeven als een middel tegen de tenuitvoerlegging. Daartegen
konden derden zich verzetten volgens de Ord. van 1667. Ter
betere verzekering van dit recht wordt nu aan derden de bevoegdheid
gegeven om tegen het vonnis zelf op te komen ten einde de ten-
uitvoerlegging daarvan geheel te voorkomen; de derde behoeft dus
de te werk gestelde tenuitvoerlegging niet af te wachten.
Het middel is een middel tegen de vonnissen geworden, al
wordt het ook gegeven met het oog op het nadeel dat eene ten-
uitvoerlegging van het vonnis aan een derde kan veroorzaken. Zoo
verstaan heeft het, gelijk ik reeds hierboven opmerkte, met de rela-
tieve kracht aan het vonnis toegekend niet te maken. „En droit",
zegt Boitard terecht: „Ie jugement rendu entre des tiers ne décide
rien contre moi; mais en fait, 1\'exécution d\'un pareil jugement peut
me causer un préjudice tres réel, tres sérieux."
En al wordt het derde verzet als middel tot voorkoming van
nadeel uit bedriegelijke handelingen van den schuldenaar voortsprui-
tende, weder in een anderen zin tegen het vonnis, dat als middel
tot die benadeeling werd uitgelokt, gericht, ook dit is er thans
onder begrepen en Chauvkau meent ten onrechte dat dit geval onder
het middel van request civiel zou vallen.
Volgens Chauvkau zou dan het middel van derde verzet eenig en
alleen openstaan voor hem die, zonder in het geding werkelijk opge-
treden te zjjn, daarin als partij genoemd is, en tegen wien op die
v
                                                                                                          24
-ocr page 388-
370 HOOFDST IX. AED. VI. HET VERZET DOOR DERDEN. TIT. I. HET MIDDEL.
wijze eene veroordeel ing zou zijn verkregen. Het is zeker een zeld-
zaam voorkomend geval maar het kan voorkomen, bijv. als een procureur
voor eene partij is opgetreden die hem tot procedeeren geen last
gaf. Het komt mij evenwel hoogst twijfelachtig voor of het derde
verzet daarvoor mag geacht worden gegeven te zijn. Immers de partij
die hier. als derde zich verzet, is feitelijk als partij opgetreden.
En, naar de wet van 1896 n°. 103, zal zij, overeenkomstig het
daarbij aangevuld art. 263 B. R. van het middel van désaveu kunnen
gebruik maken. Ware een gemachtigde zonder last voor iemand op-
getreden, het vonnis zou den vermeenden lastgever niet aangaan (art.
1844 B. W.) en hij zou het beroep, dat tegen hem op het vonnis
mocht gedaan worden, op dien grond kunnen keeren. Verg. Dl. III
bl. 203. Het geval, dat iemand met name bij een vonnis zou zijn
veroordeeld zonder gedagvaard te zijn en dus zonder dat die ver-
oordeeling bij verstek zou zijn uitgesproken, komt mij zoo gezocht
voor, dat ik meen het buiten bespreking te kunnen laten.
Wil men de gevolgen van een bij verstek gewezen vonnis ontgaan,
men zal daartegen het middel van verzet moeten aanwenden; een
in eersten aanleg gewezen vonnis zal een gewijsde worden, wan-
neer daarvan niet b ij t ij ds in hooger beroep wordt ge-
komen, een in het hoogste ressort gewezen vonnis kan zijn
kracht alleen tengevolge van een beroep in cassatie
verliezen. Deze omstandigheid geeft aanleiding tot de vraag, of
het middel van verzet ook moet aangewend worden om het nadeel
hetwelk men beweert dat een tusschen anderen gewezen vonnis ons
zou kunnen berokkenen, te keeren, dan of men steeds de b e v o e g d-
heid behoudt om zich te beroepen op de betrekkelijke kracht van
het vonnis tusschen anderen gewezen. M. a. w. is men verplicht
of slechts bevoegd om van het verzet door derden gebruik te
maken? Deze vraag heeft de fransche juristen verdeeld gehouden en
terwijl er velerlei schakeeringen in de tegenover elkander staande
gevoelens worden aangetroffen, is de verplichte natuur van het
middel het scherpst en met het meeste talent verdedigd door Naiju et
in de Revue Critique van 1872/73 p. 350 en 421. Ik maakte daar
melding van in mijne verhandeling in Rechtsg. Mag. t. a. p. bl. 592
nt. en 600. Men vindt al de over dit vraagpunt verkondigde gevoe-
lens uitstekend uiteengezet en beoordeeld door Tissier, a. w. Chap.
II. p. 72—97. Uit een arrest van het Hof v. Cassatie in België
-ocr page 389-
§ 189. BEI1RIP EN AARD.                                         371
van 25 Maart 1898, \'Belgique jud. 1898 n°. 43, schijnt te moeten
worden afgeleid dat, volgens dit Hof, de toekenning van het middel van
verzet door derden de actie ten principale zou uitsluiten. Met Tissier
blijf ik van gevoelen dat het middel van facultatieve n aard is,
behalve in de gevallen dat het betreft vonnissen die door samenspanning,
opzet of grof verzuim zijn verkregen. Bij deze komt de schuldeischer, die
beweert benadeeld te zijn met de bewering dat het vonnis hem niet
aangaat en dat zijn recht met het daaraan verbonden middel tot
handhaving onverkort is gebleven, niet verder. Het vonnis is een
bestanddeel, als \'t ware het complement van de handeling die hem
benadeeling veroorzaakte; het middel van derde verzet is, nu \'t op-
zettelijk in de wet is geregeld, het eenige middel waardoor de
schuldeischer van de benadeeling zijner rechten kan doen blijken en
deze kan doen opheffen. Want het is een bijzondere vorm, waarin
de zg. Pauliana die tegen bedriegelijke handelingen der schuldenaren
is toegekend, op het bijzonder geval dat de benadeeling door middel
van een geding en een vonnis plaats heeft, wordt toegepast. Bovendien
is, in geval van opzet of verzuim, het derde verzet tegen het vonnis,
hetwelk langs dien weg werd verkregen, de vorm waarin de rechts-
vordering wegens schade door een onrechtmatige daad veroorzaakt
wordt, ingesteld. Uit een systematisch oogpunt is er wel een be-
zwaar te maken tegen de meening die aan hetzelfde middel dan een
facultatief dan weer een obligatoir karakter toekent, naarmate van het doel
waartoe het gebezigd wordt. Maar dat gebrek aan systeem vindt
voldoende verklaring in \'t. gebrek aan logica, waaraan de fransche
wetgever bij de regeling van het middel geleden heeft, gelijk wij
boven gezien hebben. Ik acht het nauwelijks noodig er op te wijzen
dat het tot de beslissing van de hier behandelde vraag niet afdoet,
dat de wetgever in art. 376 zegt dat derden bevoegd zijn om
zich te verzetten, ofschoon zelfs Merli.n aan het „peut" van art.
474 C. de pr. een argument voor het facultatief karakter ontleent.
Ook bij het appèl en de revisie wordt in art. 332 en in art. 359
gezegd dat partijen van die middelen kunnen gebruik maken. Het
gebruik maken van een rechtsmiddel blijft altijd eene bevoegdheid
voor hem aan vvien het middel is toegekend. Ook hier geldt het
„invitus agere nemo cogitur". Bij het derde verzet zou het dan, gelijk
wij zagen de vraag zijn of, even als bij het hooger beroep, revisie en
cassatie het vonnis den in het ongelijk gestelde bindt, het den derde zal
binden als hij het middel niet aanwendt, en dit in dien zin verplicht is.
-ocr page 390-
372 HOOFDST. IX. AFD. VI. HKT VERZET DOOR DKRDEN. Tlï. I. HET MIDDEL.
En deze vraag wordt ontkennend beantwoord door hem die aan het
middel alleen een facultatief karakter toekent. Het facultatief karakter
wordt erkend bij vonnis Haarlem 30 Juli 1895 W. 6916, bij arr.
H. Raad 19 Nov. 1847, geciteerd bij Oudeman II bl. 46. Deze
schrijver laat zich over de tweeerlei categoriën van gevallen niet
uit. Evenmin doet dit de Pinto II, 1. bl. 599, die den facultatie-
ven aard van het middel overigens niet twijfelachtig vindt.
Wanneer wij nu ten slotte in \'t kort samenvatten wat, ons het
eigenaardig karakter van het middel van verzet door derden bleek
te zijn, dan komt dit hierop neder.
De betrekkelijke kracht aan de vonnissen bij de wet toegekend
maakt het middel overbodig. Het doet dan ook aan die betrekke-
lijke kracht geen afbreuk. Die betrekkelijke kracht van de vonnissen
belet evenwel niet dat voor een derde een feitelijk nadeel uit de
tenuitvoerlegging van een tusschen anderen gewezen vonnis zou
kunnen ontstaan, evenmin dat een vonnis de bevestiging of het
complement kan zijn van eene handeling ter benadeeling van credi-
teuren of van derde belanghebbenden bepaaldelijk in het geval van opzet
of grof verzuim in de verdediging. In het middel van derde verzet geeft
dan de wetgever een middel om dat tweeërlei nadeel t e k e e-
r e n. Terwijl nu in het eerstgenoemde geval het recht van den derde zijn
natuurlijke middelen van bescherming behoudt, zoodat die derde het
beroep op het tusschen anderen gewezen vonnis, als zijn recht intact
latende, kan afwijzen, en het derde verzet hem nog bovendien
gegeven wordt, in het tweede geval het derde verzet een bijzondere
vorm is van eene in het algemeen tegen de benadeeling van crediteuren
in het nadeel van belanghebbenden toegekend middel, zonder hetwelk
het beweerd nadeel niet is te keeren, zoo heeft het in het eerste geval
een facultatief, in het tweede een obligatoir karakter.
Wij zullen het middel nu nader leeren kennen door te onderzoe-
ken, aan wien en op welken grond, en tegen wien het gegeven is,
welke vonnissen aan dit middel onderworpen zijn en eindelijk, welk
gevolg de toepassing van het middel heeft op de vonnissen, waar-
tegen het wordt aangevoerd.
Het verband van dit middel met de tusschenkomst in het geding
waarop reeds met een enkel woord werd gewezen, zal bij de bespre-
-ocr page 391-
§ 190. PKRSONKN AAN WIE; GROND.
373
king van de vraag, aan wien en op welken grond het verzet door
derden is toegekend, van zelf nader blijken. De behandeling van een
en ander dezer bijzondere punten zal nader kunnen strekken tot
een toetsteen van de juistheid onzer kritiek van het middel zelf,
§ 190. PERSONEN AAN WIE EN GRONDEN WAAROP HET MIDDEL IS TOEGEKEND.
Het verzet door derden komt toe aan hem, die in een geding geen partij Derde,
is geweest noch kan geacht worden als in de rechten van eeue der
partyen opgevolgd die party te vertegenwoordigen. Het wordt dien
alzoo buiten het geding gestaan hebbende derde toegekend, indien hij
aantoont en alzoo op grond dat hy door het in dat geding gewezen
vonnis in zyn recht is benadeeld. Art. 376.
Die benadeeling kan plaats hebben in twee verschillende categorieën Benadeeling:
van gevallen.
lo. Het vonnis kan strekken tot bevestiging van eene handeling ter van schuld-
GlSCflGIS j
bedriegelyke verkorting van de rechten der schuldeischers aangegaan.
Ook kan in het geding zelf dergelyke handeling opgesloten liggen.
Voorts kan het vonnis verkregen zijn door verstandhouding tusschen van derde
belang-
de partyen, opzet of grof verzuim van den gedaagde in zyne verwering hebbende;
waardoor een derde, die zich in het geding zou hebben kunnen voegen,
in zyn recht benadeeld wordt.
\'2°. De derde wordt door het vonnis in de uitoefening van zyn
recht belemmerd. Al blijft zyn recht onverkort bestaan, niettegen-
staande een vonnis tusschen andere partijen gewezen eene beschikking in de
uitoefening
over eene hem toebehoorende zaak inhoudt, kan byv. de daardoor schyn-van een recht.
baar onvrye toestand van zijn eigendom hem in de beschikking daar-
over bemoeilijken ; de oplevering van de aan den derde toebehoorende zaak,
waartoe de houder jegens een ander werd veroordeeH, kan de opvor-
dering daarvan voor den derde bezwarender maken, niet alleen by
roerende maar ook by* onroerende zaken.
De personen aan wie en de gronden waarop het
rechtsmiddel is toegekend, worden in art. 376 aangewezen.
Het artikel is niet gelukkig gesteld. Wanneer men door omschrijving,
ontleding en constructie den zin daarvan bepalende, het alleen uit
-ocr page 392-
374 HUOPDST. IX. AFD. VI. HKT VKBZET DOOE DEBDEN. TIÏ. I. HKT MIDDEL
zich zelf zou willen verklaren, komt men niet tot een bevredigend
resultaat. De zin van het artikel komt dan toch hierop neder: „Zij
die geen partij in een geding zijn geweest, zijn bevoegd zich tegen
het in dat geding gewezen vonnis te verzetten, indien het hunne
rechten benadeelt. Zij moeten dan evenwel noch in eigen persoon,
noch in den persoon van hun wettigen vertegenwoordiger in het
geding zijn geroepen; evenmin moet degene van wien zij de
wettige vertegenwoordiger zijn in het geding geroepen zijn
geweest. Dan toch waren zij partij in het geding, al lieten zij ver-
stek gaan. Niet alleen moeten zij die zich willen verzetten niet
geroepen geweest zijn in het geding, maar zij moeten ook niet uit
zich zelf door voeging of tusschenkomst aan het geding
hebben deelgenomen, want ook dan zijn zij, al waren zij geen hoofd-
partij, toch partij in het geding". Ik geloof niet te veel gezegd te
hebben, dat de bepaling dus verstaan heel weinig bevredigend is.
Kennelijk heeft de wetgever nader willen aanwijzen wie hier derden
zijn. Dat hij nu begint met het middel „van verzet door derden"
aan derden toe te kennen, laat ik daar. Zeker is het dat ieder
onder dat woord in dit verband moet verstaan: „zij die geen partij
in het geding zijn geweest." Dat evenwel voor dit geval eene nadere
bepaling van derde in die natuurlijke beteekenis van „geen
partij" moest gegeven worden, laat zich hooren. Maar dat die
nadere bepaling hierop neerkomt, dat derden zich kunnen verzetten,
indien zij geene partij zijn geweest, m. a. w. indien zij derden zijn,
dat is toch inderdaad wel wat naïef voor een wetgever. Zal dan
iemand kunnen twijfelen, of niet hij die zich in een geding voegde
of daarin tusschenkwam, die dus als gevoegde of als tusschenkomende
partij in het geding optrad, als partij met opzicht tot het in dat
geding gewezen vonnis zij te beschouwen ? Zal iemand kunnen twij-
felen of hij die in een geding geroepen verstek liet gaan met op-
zicht tot het daarin gewezen vonnis als derde beschouwd zou kunnen
worden, terwijl hein het middel van verzet om tegen dat vonnis op
te komen wordt gegeven, juist omdat hij daarin als partij betrokken
werd en dus het derde verzet voor hem van zelf niet geschreven
kan zijn ? Maar gesteld, de wetgever wilde een voorwendsel zelfs tot.
twijfel wegnemen en sprak daarom van niet geroepen met het
oog op een verleend verstek, zou er wel iemand zijn die er aan
twijfelde, of niet even goed geroepen was hij die in den persoon
van een wettigen vertegenwoordiger als hij die in eigen persoon
-ocr page 393-
§ 190. PEKSONEN AAN WIE J UBOND.                          375
werd geroepen? Zou iemand kunnen twijfelen of hij die zelf geroepen
werd en later een vertegenwoordiger kreeg, derde kon worden,
omdat n u een vertegenwoordiger voor hem optreden zal en deze
vertegenwoordiger niet in het geding was getreden ? Is er eenige
twijfel mogelijk, of de zoodanige partij is geweest in het geding en
daardoor van het derde verzet uitgesloten ? En zoo komt dan de zin
van het artikel, alleen uit zich zelf verklaard en ontdaan van al
zijn breedsprakigheid, hierop neer: „Derden zijn bevoegd zich te ver-
zetten tegen een vonnis dat hunne rechten benadeelt, indien zij in
het rechtsgeding geen partij zijn geweest, m a.w. indien zij derden
zijn." Maar, zal men geneigd zijn te vragen: heeft dan de wetgever
bij al die woorden die hij gebruikte niet gedacht? Wel zeker; maar
hij heeft niet bedacht dat hij met al die woorden zoo goed als niets
van beteekenis zeide. Een wetgever moet natuurlijk eerst spreken
nadat hij gedacht heeft, maar het kan hem wel gebeuren, dat hij,
als een ander ook wel eens doet, spreekt zonder vooraf gedacht of
althans behoorlijk nagedacht te hebben. Wanneer ik nu hier eene
verklaring zoek, dan acht ik het niet onwaarschijnlijk dat de ge-
dachtengang van den steller van het artikel deze is geweest. Het is
duidelijk dat hij, met het fransche artikel voor zich, dit zooveel
mogelijk heeft willen behouden, maar het ook op zijne manier heeft
willen aanvullen en verbeteren. Ik heb meer bepaaldelijk het oog
op het tweede gedeelte van art. 474 C. d. pr. : „et lors duquel, ni
elle ni ceux qu\'elle représente n\'ont été appelés." Dat „appelés"
behoudende konden de gevoegde en tusschenkomende partijen niet
anders dan afzonderlijk vermeld worden, want ofschoon niet appe-
1 é s, omdat zij uit zich zelve verschijnen, zijn zij toch partijen, en
dat toch ook zij moesten uitgesloten zijn, sprak van zelf.
Maar hoe kwam de redacteur nu aan die aanvulling van het straks
vermelde gedeelte van het fransche artikel door in plaats daarvan
te schrijven: „ indien zij noch in persoon, noch wettiglijk
vertegenwoordigd of indien zij, welke zij vertegenwoordigen,
in het rechtsgeding niet zijn geroepen" ? Hij moet het fransche artikel
wel zóó hebben opgevat, dat met „ceux qu\'elle représente" gedoeld
werd op de wettige vertegenwoordiging en dat m. a. w.
gezegd werd dat een wettige vertegenwoordiger van dengene die in
het geding geroepen, d. i. partij was geweest, geen derde verzet had.
Hij moet dan voorondersteld hebben dat de fransche wetgever het
oog had op het geval dat iemand die in persoon in het geding was
-ocr page 394-
376 H00FD8T. IX. AFD. VI. HKT VERZET DOOR DERDEN. TIT I. HET MIDDEL.
geroepen geweest, later een vertegenwoordiger had gekregen ; nu kon
van dien vertegenwoordiger wel worden gezegd dat hij feitelijk in
het geding niet was geroepen, maar toch moet hij geen derde verzet
hebben. Want de partij, voor welke hij opkwam, die nu door hem
vertegenwoordigd wordt, was in het geding geweest. Eene ongehuwde
vrouw is in het geding geroepen, later trouwt zij in gemeenschap;
nu mag de man, voor de vrouw optredende, niet beweren ten op-
zichte van het vonnis derde te zijn; evenmin de curator, indien de
thans onder curateele gestelde vóór zijne curateele zelf in het geding
was opgetreden. Men zou wel zeggen, dat dit niet behoefde bepaald
te worden, maar eens in den gedachtengang geraakt dat de fransche
wetgever op dit bijzonder geval van wettige vertegenwoordiging het
oog had, ligt het voor de hand dat men tot de meening kon komen,
dat nog veeleer in het meest gewone geval van wettige vertegen-
woordiging moest worden voorzien en dat eene partij, om derde te
zijn niet alleen niet in eigen persoon maar ook niet door een ander
wettiglijk vertegenwoordigd geroepen moest geweest zijn. En zoo kon
men zich verbeelden het fransche artikel door eene aanvulling te
verbeteren; wat van zelf sprak on, zooals men \'t opvatte, niet had
behoeven gezegd te worden, werd aangevuld met wat evenmin be-
hoefde gezegd te worden, maar toch nog eer moest gezegd worden
dan het reeds gezegde. En zoo kregen we dan in plaats van „ni
ceux qu\'elle représente" te lezen: „noch in persoon noch
wettiglijk vertegenwoordigd noch zij welke zij vertegenwoordigen."
Zoo moet wel door den steller zijn gedacht; maar heeft hij
daarbij behoorlijk nagedacht ? Neen, want zonder te vragen, hoe de
fransche wetgever nu juist aan dat minder voorkomend geval van
een later opgekomen wettelijke vertegenwoordiging zou hebben ge-
dacht en van het andere dat, als \'t meest voorkomende, voorop moest
gaan, had kunnen zwijgen; zonder daarin dan aanleiding te vinden
om te vragen, of de fransche wetgever hier met dat représenter
ook iets anders kon hebben bedoeld; zonder dus verder na te den-
ken, maar losweg ingaande op datgene waaraan de woorden hem in
de eerste plaats hadden doen denken, ging de steller van art. 376
op zijn manier aan \'t aanvullen en verbeteren. Diepe studie van de
tiercé opposition der Franschen moet hij niet gemaakt hebben. Want
dan had hij spoedig ontdekt, dat hij \'t fransche artikel verkeerd
verstond en dat représenter hier niet beteekent „als wettige
vertegenwoordiger optreden voor iemand wiens rechten men te diens
-ocr page 395-
§ 190. PERSONEN AAX WIE; GBOSD.                             377
behoeve uitoefent," maar „als iemands vertegenwoordiger optreden
omdat diens rechten op hem zijn overgegaan, omdat hij in diens
rechten is getreden". Dit is eene zeer gangbare beteekenis van hot
représenter bij de Franschen in wetten en rechtspraak. Het is
het treden in de plaats van een ander die zijne rechten verloor of
opgaf, als daar zijn een erflater of verkooper, door hem op wien
die rechten overgingen of die ze verkreeg, als erfgenaam of kooper.
Dus opgevat, — en deze beteekenis van de woorden van het fransche
artikel „ceux qu\'elle représente," is niet twijfelachtig, — ligt
daarin eene nadere, gansch niet overbodige, bepaling van wie hier
onder derden al of niet begrepen zijn. Onder derden zijn dan niet
begrepen zij die, ofschoon in het geding niet geroepen zijnde, toch
tegen het vonnis niet in verzet kunnen komen omdat hun rechts-
voorganger, dien zij als zijne rechtsopvolgers vertegenwoordigen,
daarin is geroepen geweest en daarin als partij is opgetreden. Niet
alleen moeten zij die als derden tegen een vonnis in verzet willen
komen, zelve niet in het geding geroepen zijn geweest, maar ook hun
rechtsvoorganger, welken zij heeten te vertegenwoordigen, om-
dat diens recht op hen overging, moet in het geding niet geroepen,
daarin geen partij geweest zijn.
Hoe moet men nu die woorden uit het fransche artikel, in art.
376 letterlijk vertaald, verstaan? Als men het artikel alleen uit zich
zelf verklaart, dan laat men van zelf de beteekenis van vertegen-
weordigers door het onmiddellijk voorafgaande en daarmede in
dadelijk verband staande „Wettiglijk vertegenwoordigd" beheer-
schen; men geeft van zelf aan vertegenwoordigen, in den-
zelfden zin tweemaal voorkomende, gelijke beteekenis. Maar dit is
niet noodzakelijk. En wanneer dan, door hier uitsluitend aan
wettelijke vertegenwoordiging te denken, de geheele nadere bepa-
ling zoo goed als niets beteekent en als van zelf sprekend best kon
worden gemist; wanneer het artikel alleen eene redelijke beteekenis
heeft door de woorden waarop het aankomt: „indien zij. welke zij
vertegenwoordigen," de beteekenis te laten behouden, die zij hadden
in de fransche wet waaruit zij woordelijk zijn vertaald, dan aarzel
ik geen oogenblik om aan te nemen dat ook de nederlandsche wet
in art. 3 76 met zoovele woorden bepaalt dat het middel niet toe-
komt aan hen die, ofschoon zij zelve in het geding geen partij waren,
in de rechten van eene der partijen zijn getreden en dientengevolge
en in dien zin als vertegenwoordigende hun rechtsvoorganger in
-ocr page 396-
378 UOOFDST. IX. AFD. VI. 11ET VEUZET DOOK DEBDEN. TIT. I. HKT MIDDEL.
wiens plaats zij zijn getreden, door hem partij in het geding zijn
geweest.
Wellicht ware voor het betoog van de juistheid dezer opvatting
eene kortere uiteenzetting van de gronden die daarvoor pleiten vol-
doende geweest. Maar ik meende de gelegenheid niet te moeten
laten voorbijgaan om tevens in een duidelijk voorbeeld aan te too-
nen, hoe onvoldoende de door sommigen zoo hoog geprezen uitleg-
ging van de wet. alleen uit haar zelve en hare letter, althans voor
onze wetboeken is. Die wijze van uitleggen moge eenvoudig en
redelijk s c h ij n e n, hare uitkomsten kunnen doen zien dat zij onre-
delijk en onjuist tevens kan zijn.
De bepaling der wet geeft aanleiding om nu in de eerste plaats
na te gaan, wie niet als derden zijn te beschouwen. Het zijn dan
vooreerst zij die in persoon of wettiglijk vertegen wo o r-
digd in het geding zijn geroepen geweest. Wettiglijk vertegenwoor-
digd, d. i. vertegenwoordigd overeenkomstig de wet, kan niet
anders terugslaan dan op hen die krachtens overeenkomst
door een lasthebber of krachtens de wet, door een wettelijken
vertegenwoordiger, als een voogd of curator, in het geding hebben
gestaan; ook de rechtspersonen die door hunne organen optreden,
welke organen gemeenlijk de door hen bestuurde lichamen heeten te
vertegenwoordigen. Met opzicht tot die wettelijke vertegenwoordigers
verwijs ik naar § 21 van dit werk (Dl. I, 3e dr. bl. 177). Dat nu
ieder die in persoon of aldus vertegenwoordigd optreedt partij is in
het geding, is niet twijfelachtig Want rechtens zijn die vertegen-
woordigden een en dezelfde persoon met den vertegenwoordiger en
omgekeerd. Dat zij aldus niet het recht van derde verzet kunnen
hebben, is het niet minder. Dat nu ook een later door iemand krachtens
de wet verkregen vertegenwoordiger niet als derde zich kan verzetten
tegen een vonnis waarin de door hem vertegenwoordigde in persoon
optrad, is even duidelijk. Men werpt hem immers eenvoudig tegen:
gij zijt in persoon in het geding geroepen geweest, want met hem
die er in optrad, zijt gij in uwe betrekking een en dezelfde persoon.
Maar gelijk ik opmerkte worden niet alleen van het derde verzet
uitgesloten die in persoon of door een conventioneelen of legalen
vertegenwoordiger partij in het geding zijn geweest, maar ook zij
wier rechtsvoorgangers in het geding zijn opgetreden, omdat zij in
de plaats van hunne voorgangers getreden, die voorgangers vertegen*
-ocr page 397-
379
§ 190. PERSONEN AAN WIK; GROND.
woordigen. De fransche wetgever wilde bepaaldelijk de erfgenamen
en rechtverkrijgenden van het middel van verzet door derden uitslui-
ten omdat ook zij, al waren zij zelve geen partij geweest, moesten
geacht worden in het geding door hunne voorgangers die zij verte-
genwoordigden, in \'t geding te hebben gestaan. En dit mocht althans
wat de rechtverkrijgenden betreft wel uitdrukkelijk gezegd worden.
Want, waar de wetgever de kracht van het vonnis bepaalt, brengen
de bewoordingen waarin hij dit doet (art. 1351 C. C. en 1954 B. W.)
en terecht, niet mede om er ook onder te begrijpen der partijen e r f-
genamen en rechtverkrijgenden, m. a. w. hen die gezegd
kunnen worden in der partijen schoenen te zijn getreden.
Dat echter wat van de partijen zelve geldt ook van hunne erf-
ge n a m e n moet gelden volgt uit de bepalingen van artt. 880 en
1002 B. W., waarin de erfgenamen gezegd worden van rechtswege
te treden in het. bezit der goederen, rechten en rechtsvorderingen
van den overledene, hun erflater. Daaruit volgt duidelijk genoeg dat
het vonnis tegen den erflater als partij gewezen ook de erfgenamen
bindt, al waren zij geen partij in het geding. Zij kunnen dus niet,
al zijn zij derden, tegen zoodanig vonnis opkomen, tenzij er sprake
mocht zijn van een recht dat zij, ofschoon het hun als erfgenamen toe-
komt, niet aan den erflater ontleenen, met name de vordering tot inkor-
tingen van schenkingen wegens benadeeling van het wettelijk erfdeel.
Wat de rechtverkrijgenden betreft is dit evenwel zoo dui-
delijk niet. Daar wordt toch niet van hen, zooals van de erfgenamen,
bepaald dat zij in.de rechten van hun voorganger opvolgen. Maar
dat zij niet meer recht, en dus alleen dat recht wat hun voorganger
had, van hem kunnen verkrijgen en zij dus ook gehouden zijn aan
de beschikking welke hun voorganger over het hun overgedragen
recht door daarover een geding te voeren maakte, is even duidelijk.
En dat zij, niettegenstaande zij geen partij in het geding waren,
dus tegenover dat geding als derden te beschouwen waren, maar dat
hun toch niet als aan andere derden het recht kan worden toege-
kend om tegen dat vonnis zich te verzetten omdat hun recht, als
door iedere andere beschikking van hun voorganger, zoo ook door
een door hem uitgelokt vonnis, bepaald wordt, is het niet minder.
Die rechtverkrijgenden konden alzoo, in gelijken zin als de erfge-
namen met opzicht tot het geheele hun nagelaten vermogen, ver-
tegenwoordiger van den erflater heeten, gezegd worden dengene te
vertegenwoordigen aan wien zij hun recht ontleenden.
-ocr page 398-
380 HOOFDST. TX. AKD. VI, HET VERZET DOOR DEBDEN. TIT, I. HET MIDDEL.
De vertegenwoordiging is echter op het rechtsgebied een zeer
rekkelijk begrip. Laat het zich hooren dat, bij opvolging in de
rechten van een ander door erfopvolging, van eene vertegenwoordi-
ging gesproken wordt, tot welk denkbeeld het „defuncti personam
sustinere", dat de Romeinen op de erfgenamen toepasten, gereede
aanleiding gaf, en welke voorstelling ook met eene opvolging in een
nagelaten vermogen, het opvolgen in de vermogensrechtelijke persoon-
lijkheid zooals dat wel genoemd wordt, wel scheen overeen te stem-
men; bij opvolging in een bijzonder recht of eene bijzondere rechts-
betrekking verliest de voorstelling veel van hare juistheid, omdat
dan de vertegenwoordiging van een persoon tot een aan dezen toe-
behoorend hebbende zaak of recht beperkt moet worden. Intusschen
heeft de gewone samenkoppeling van erfgenamen met rechtverkrij-
genden (héritiers et ayants cause), tot de toepassing der vertegen-
woordiging ook op de bijzondere rechtverkrijgenden geleid, en het
lijdt geen twijfel of, wanneer de fransche wetgever in art. 474 spreekt
van „ceux qu\'elle représente", hij zoowel de rechtsvoorgangers onder
algemeenen titel als die onder bijzonderen titel heeft willen aandui-
den. Kan men nu zoowel van de opvolgers van de eerste als van
die der tweede categorie zeggen, dat zij hunne voorgangers verte-
genwoordigen, men moet niet omgekeerd zeggen dat, dewijl bijv. de
erfgenamen verbonden zijn door de door hun erflater aangegane ver-
bintenissen, dit het gevolg daarvan is dat de erflater hen vertegenwoor-
digde. Ik ontken niet dat de wet (de C.C. in art. 1122, ons wetboek
in art. 1354) tot die voorstelling aanleiding geeft, als daar gezegd wordt
dat. men verondersteld wordt bedongen te hebben voor zich zelven
en voor zijne erfgenamen en rechtverkrijgenden. Toch wordt dan
vertegenwoordiging in een valsche beteokenis gebruikt. Het is toch
eene natuurlijke onmogelijkheid dat een erflater in de plaats treedt
van zijne erfgenaam en nog minder dat een verkooper in de plaats
zou treden van den kooper, hoedanig in de plaats treden de verte-
genwoordiging met zich brengt. Dat het beding, hetwelk iemand maakt
ook aan zijne erfgenamen ten goede komt, is niet het gevolg van
eene vertegenwoordiging van die erfgenamen door den erflater, maar
eenvoudig het gevolg daarvan dat de erfgenamen zullen opvolgen
in hetgeen de erflater voor zich bedongen had; voorts dat aan den
rechtverkrijgende te goede komt wat een eigenaar eens ten behoeve
van zijne zaak voor zich bedong, is niet anders dan het gevolg
daarvan, dat die eigenaar door zijn rechten op de zaak over te
-ocr page 399-
§ 190. PERSONEN AAN WIK; GHOND.
381
dragen, die zaak overdraagt in den toestand waarin zij zich bevindt.
Het derde verzet wordt nu aan de erfgenamen der partij niet ont-
zegd omdat zij in het proces door hun erflater vertegenwoor-
digd werden, maar omdat de erflater dien zij ver tegen woo r-
digen, partij in het proces was. En zoo zal ook aan een kooper
het recht van derde verzet niet ontzegd worden omdat hij door den
bij het vonnis veroordeelden verkooper vertegenwoordigd werd, maar
omdat hij in de plaats is getreden van den veroordeelden verkooper
en dezen in dien zin gezegd kan worden te vertegenwoordigen.
Partij in \'t geding moet geweest zijn hij, dien de derde, die als
zoodanig tegen het vonnis in verzet wilde komen, vertegenwoordigt;
daarom wordt hem dan de bevoegdheid tot het verzet door derden
ontzegd. „Ceux qu\'elle (d. i. de partij die in verzet zou willen
komen) représente, art. 474 C. de pr. En wij zullen wèl doen met
ook bij de woorden van onze wet: „zij, welke, zij vertegenwoordigen"
wel aan de vertegenwoordiging van rechtsvoorgangers door rechts-
opvolgers te denken, maar bij het „wettiglijk vertegenwoordigd" de
gedachte aan eene vertegenwoordiging van rechtsopvolgers door hunne
voorgangers, wat een onding is, buiten te sluiten. Het blijft met
dat al van belang om niet alleen zich aan de juiste beteekenis van
vertegenwoordiging door rechtsopvolging te houden, maar ook onder-
scheid te maken tusschen de vertegenwoordiging krachtens de wet
of overeenkomst en de vertegenwoording van een rechtsopvolger.
Bij de eerste is de vertegenwoordigde rechtens partij en geldt de
kracht van het vonnis daarom even goed tegen hem nu hij door een
vertegenwoordiger optrad, als wanneer hij zelf in persoon ware op-
getreden; bij eene vertegenwoordiging door rechtsopvolging is dit
inderdaad anders, al komt het in effecte veelal op hetzelfde neer.
Want wanneer men een vonnis verbindend verklaart voor de erfge-
namen omdat hun erflater partij in het geding was en zij dezen
vertegenwoordigen, dan is dit niet omdat zij door hun erflater
partij waren in het geding. Ieder gevoelt de enormiteit van de
fictie. Maar het is omdat zij op niets anders aanspraak kunnen
maken dan op het recht of de rechtsbetrekking, zooals die door hun
erflater werd nagelaten of ontruimd en dus op het recht of de rechts-
betrekking in den toestand waarin die door het vonnis met hun
erflater gewezen, werd gebracht. De werking van het vonnis tegen
de erfgenamen berust niet daarop dat de erfgenamen partij waren
in het geding omdat hun erflater daarin partij is geweest, wat niet
-ocr page 400-
382 HOOFDST. IX. AKD. VI. HKT VERZET DOOR DERDEN. TIT. I. BET MIDDEL.
waar is, maar hierop dat het vonnis, mede door den erflater uitge-
lokt, het gevolg is van eene beschikking over zijn vermogen en als
iedere andere beschikking voor de erfgenamen gevolg heeft. En zoo
is het ook met de rechtsopvolgers onder bijzonderen titel. Zoo kon
de wetgever in art. 1954 B. W. de kracht van het gewijsde met
volkomen recht afhankelijk daarvan maken, dat de partijen dezelfde
zijn en had hij daar van erfgenamen of rechtverkrijgenden niet te
spreken. Voor den rechts voorganger die in het geding stond, werkt
het vonnis omdat hij dit van den rechter heeft gevraagd; voor den
rechtsopvolger, omdat hij het recht en de rechtsbetrekking overneemt
zooals die door het vonnis voor zijn voorganger was bepaald. Het
gebrek aan die onderscheiding waarop ik wees treft men ook bij de
fransche schrijvers en in de fransche jurisprudentie veelvuldig aan
en daaruit is veel verwarring en nuttelooze strijd ontstaan. Wanneer
zij in het kort willen samenvatten wie als derden zijn uitgesloten
van het derde vej\'zet, dan drukken zij dit zoo uit : „qu\'on n\'a été
ni partie ni représenté." En dan wordt van het tweede punt „il
faut n\'avoir pas été représenté" met name bij TissiER n°. 95 het
volgende gezegd: „On peut avoir été représenté a, un jugement et
être lié par lui, soit parce qu\'on tient ses droits d\'une personne, qui
y a tiguré, soit qu\'on a donné a cette personne un mandat conven-
tionnel ou qu\'elle était investie d\'un mandat judiciaire ou légal\'"
Tweeerlei fout. Men brengt 1°. onder het être représenté: a. de
werkelijke vertegenwoordiging, waardoor de vertegenwoordigde voor
wien gehandeld wordt niet anders is dan partij in het geding, zij
het. dan eene vertegenwoordigde partij; en b. de vertegenwoordiging
door in de plaats treding, in welk geval de vertegenwoordigde wel
partij is geweest maar de vertegenwoordiger derde is en dan uitge-
sloten wordt „parce qu\'il tient ses droits d\'une personne qui y a
tiguré." 2°. Om beide die verkeerdelijk saamgebrachte vertegenwoor-
digingen onder één hoofd te brengen maakt men den rechtsvoorgan-
ger die in \'t geding stond tot den vertegenwoordiger van zijn o p-
volger, terwijl de wet in dit geval den derde uitsluit, omdat hij als
rechtsopvolger vertegenwoordigt den rechtsvoorganger die
het geding voerde, dewijl hij in diens plaats is getreden. En zoo
wordt ook weder in tweeërlei opzicht onjuist wat Tissier n°. 120
zegt: „En dehors de la représentation, par suite de 1\'idée de suc-
cession a titre universel ou particulier ou par suite de 1\'idée de
mandat, la règle de 1 effet de la chose jugée reprend toute son appü-
-ocr page 401-
§ 190. PEE80KKN AAN WIK; GROND.
383
cation". Want vooreerst ligt noch in de werking van het vonnis
tegen rechtsopvolgers, noch in \'t geval van lastgeving eene afwijking
van den regel betreffende de betrekkelijke kracht der vonnissen, ten
tweede stelt hij ook hier ten onrechte de rechtsopvolging en de last-
geving op ééne lijn. De door een lastgever vertegenwoordigde partij
is zelve partij en daarbij behoudt de regel betreffende het gevolg
van het rechterlijk gewijsde zijn volle kracht; de rechtsopvolger is
go en partij in het geding geweest, hij is en blijft tegenover dat
geding derde. Maar dewijl het vonnis het recht van den voorgan-
ger bepaalt en de opvolger het recht verkrijgt zooals zijn voorganger
dit had, werkt het middellijk tegen hem. Wij hebben hier met een
nader gevolg van de werking van het vonnis tegen de partij zelve
te doen, niet met eene afwijking van den regel, al werkt het mid-
dellijk tegen een derde. Tegen partijen werkt het vonnis als bin-
dende uitspraak van den rechter, tegen rechtsopvolgers als zijnde het
gevolg van eene beschikking des rechtsvoorgangers over het op den
opvolger overgegane recht. De verwaarloozing van het „qui bene dis-
tinguit. bene docet" mist ook hier haar gevolg niet. Houdt men zich
aan de woorden van de wet die met haar „ni ceux qu\'elle représente"
eenig en alleen als derde uitsluit hem die de rechtsopvolger is
van eene der partijen die zijn rechtsvoorganger was en omdat zij
dat was, dan voorkomt men de uitbreiding welke aan de uit zich
zelve zoo rekkelijke beteekenis van vertegenwoordiging kan worden
gegeven. In vele gevallen kan men dan een derde als in \'t proces ver-
tegenwoordigd gaan beschouwen. Tissif.k deed dit niet. Hij be-
perkte het „il faut n\'avoir pas été représenté" tot de rechtsopvol-
ging, behalve de daartoe verkeerdelijk gebrachte vertegenwoordiging,
maar hij sloot de rechtsopvolgers uit op grond niet dat zij verte-
genwoordigers waren van een der partijen, maar door deze vertegen-
woordigd zouden zijn en nu ontbrak het hem aan een deugdelijk
argument tegen schrijvers en jurisprudentie, die in allerlei gevallen
eene vertegenwoordiging van den derde door een der partijen konden
vinden.
Wanneer ik het algemeen ook door de wet gehuldigd spraakgebruik
volgende, de opvolgers onder bijzonderen titel rechtverkr ij genden
noem, dan sluit deze benaming niet uit dat die opvolging niet min-
der de opvolging in een verplichting dan die in een recht beteekent.
Men zie bijv. art. 43\' K. waar rechthebbende niet anders dan
opvolger in verplichting kan bedoelen en uit Voorouin\'s aant. op dat
-ocr page 402-
384 HOOFDST. IX. AKD. VI. HET VERZET DOOR DERDEN. TIT. I. HET MIDDEL.
artikel kan men zien dat de wetgever des bewust toch van recht-
verkrijger sprak. Niettegenstaande dat art. 474 C. de pr. grond
genoeg gaf om, naar aanleiding van het „ceux qu\'elle représente"
alleen te vragen, of hij die als derde zich verzetten wilde een der
partijen vertegenwoordigt als in hare rechten opgevolgd, hebben de
uitleggers steeds de vraag gesteld, of eene der partijen geacht kon
worden den derde te hebben vertegenwoordigd, wat niet anders dan
tot misverstand aanleiding kan geven, omdat daarbij van de veron-
derstelling wordt uitgegaan, dat een rechtsvoorganger zijne opvolgers
zou kunnen vertegenwoordigen, wat, dewijl de vertegenwoordiging
hierbij in den zin van opvolging, in de plaats treding, moet worden
verstaan, onzin is. Zoo leert bijv. Gtarsonnet p. 761, 4°. zeer terecht,
dat de erfgenamen niet in derde verzet kunnen komen tegen een
vonnis waarin hun erflater partij was, maar de reden die hij daar-
voor opgeeft is niet juist. „Les héritiers et autres successeurs uni-
versels ont éte représentés par leur auteur au jugement
des proces intentés par ou contre lui." De erflater vertegenwoor-
digt zijn erfgenamen niet, maar dat is hier ook de vraag niet. Het
is de vraag, of hij dien de erfgenamen vertegenwoordigen, partij in
het proces was en dat doen de erfgenamen zeker hun erflater als
opvolgers in diens rechten en rechtsbetrekkingen en daarom zijn zij
van het derde verzet uitgesloten. En wat de rechtverkrijgenden
onder bijzonderen titel betreft, zoo zegt dezelfde schrijver zeer terecht
p. 762 n". 5: „si leur titre est postérieur a ce jugement ils n\'ont
pu acquérir que les droits qu\'il (leur auteur) avait encore a ce mo-
ment." Want, wanneer bijv. de eigenaar met de opvordering van
de zaak tegenover een bezitter in het ongelijk werd gesteld, kan hij
zijn beweerd eigendomsrecht tegenover dien bezitter niet meer hand-
haven en wanneer hij in die omstandigheden den eigendom der zaak
overdraagt, kan hij dit aan zijn opvolger niet anders doen dan met de
uit het gewijsde ontstaande beperking zijner handhaving tegen dien
bezitter. De verkrijger, die den rechtsvoorganger vertegenwoor-
digt als in diens rechten getreden en daardoor middellijk gebonden
door het tegen dezen gewezen vonnis, verg. Dl. II, bl. 291, moet met
een derde verzet worden afgewezen, omdat degene dien hijverte-
genwoordigt partij was in het geding. Garsonnet laat evenwel
als reden van zijne uitsluiting op de straks aangehaalde woorden
volgen: „il (1\'auteur des successeurs par ticul iers) les a
représentés au proces et leur tiercé opposition n\'est pas recevable."
-ocr page 403-
§ 190. PERSONEN AAN\' WIK; GROND.                             385
Had daarentegen de verkrijging plaats vóór dat het vonnis werd
gewezen, dan kan de verkrijger niet gezegd worden opgevolgd te
zijn in het recht, zooals het door het vonnis werd beperkt; zijn
voorganger beschikte door de procesvoering over eene zaak die hem
niet meer toebehoorde en in welker toestand hij tegenover den ver-
krijger geen verandering mocht brengen. Dan vertegenwoordigt de
verkrijger zijn voorganger die het proces voerde niet, omdat hij nu
zijn opvolger niet is met betrekking tot de zaak in den toestand
door het vonnis bepaald. Op zijne verhouding van derde tot het
vonnis in het gevoerd geding wordt nu door de beschikking van den
procesvoerende geen invloed uitgeoefend. Verg. Garsonnet p. 762,
5, die hier eene juiste beslissing geeft. Evenzoo Tissier n°. 101 —
105, maar deze laatste stelt hier ook weer verkeerdelijk de vraag
aldus : „L\'acquéreur est il représenté au jugement rendu contre son
auteur, qui a seul continue 1\'instance?" in de plaats van te vragen,
of de verkrijger hier een vertegenwoordiger van den vorigen eigenaar
kan heeten omdat art. 476 C. de pr. hem verkrijger eerst in dat
geval van het derde verzet uitsluit. De vraag of de rechtsverkrijger
vertegenwoordigd is geweest door zijn voorganger is in rechtskundi-
gen zin geen vraag, en ware zij het, zij deed hier niet af, omdat de
wetgever van hare beantwoording de toepassing der wet niet afhan-
kelijk maakt.
Maakt het al in deze gevallen geen verschil, hoe de vraag gesteld
wordt omdat men toch dezelfde uitkomst verkrijgt, het lijdt geen twij-
fel, of desniettemin de vraag juist gesteld moet worden, zoolang het
waar blijft „qu\'une question bien posée est a moitié résolue." Dui-
delijk komt dit uit, wanneer Garsonnet bl. 763, 6°. in onmiddellijke
aansluiting aan de straks gestelde vraag, deze andere vastknoopt, of
ook het omgekeerde waar is en dan laat volgen: „Le successeur particu-
lier qui plaide et succombe sur la propriété de 1\'objet par lui acquis
représente-t-il 1\'auteur duquel il le tient, ou bien celui-ci a-t-il le
droit de faire tiercé opposition au jugement rendu contre son suc-
cesseur particulier?\'\' De vraag komt neer op deze andere; of de
niet in vrijwaring opgeroepen verkooper tegen het vonnis dat den
kooper tot ontruiming veroordeelde, in derde verzet zou kunnen komen.
Stelt men de vraag zooals het behoort, of nl. den verkooper zou
kunnen worden tegengeworpen, dat degene dien hij vertegenwoordigt
in het proces is opgetreden, dan is de ontkennende beantwoording
buiten twijfel omdat een voorganger zijn opvolger niet vertegenwoor-
v.
                                                                                                            25
-ocr page 404-
386 HOOFDST. IX. AFD. VI. HKÏ VERZET DOOK DERDEN. T1T. I. HET MIDDEL.
digen kan. Nu geeft de slecht gestelde vraag, tot welker ontken-
nende beantwoording men komen wil, tot nog meer ketterijen aan-
leiding. Immers niet anders dan eene ketterij kan ik althans zien
in hetgeen Garsonnet schrijft: „D\'une part on représente la per-
sonne a qui 1\'on n\'a pu conférer plus de droits qu\'on n\'en a soi-
même, (waar gelijk ik hierboven aanwees de vertegenwoordiging eene
juridieke onmogelijkheid is), mais non pas celle dont on tient ses
droits et qui peut en avoir plus qu\'elle n\'a pas transmis." Vooreerst
kan de vertegenwoordiging krachtens rechtsoverdracht en rechtsver-
krijging alleen in een in de plaats treding bestaan en vertegenwoor*
digt men dus juist dengene aan wien men zijne rechten ontleent;
ten anderen doet het niet af, of de auteur nog meer rechten kan
hebben die hij niet overdroeg, want er kan nooit anders van opvol-
ging sprake zijn dan in de rechten die werkelijk werden overgedra-
gen. De niet in vrijwaring geroepen verkooper is als zoodanig dus
stellig als derde in het derde verzet ontvankelijk, want hij was
geen partij in het geding en is ook niet de vertegenwoordiger van
eene der partijen met name niet van den gedaagden kooper in wiens
rechten hij zeker niet is getreden. Het blijft alleen de vraag, of hij
kan beweren door het vonnis dat den kooper tot ontruiming of
oplevering veroordeelde, in zijn rechten te zijn benadeeld. Hierover
later.
Wordt alleen hij die in de rechten getreden is van eene der par-
tijen, al was hij geen partij in het geding waarin zijn voorganger
betrokken was, van het derde verzet tegen het gewezen vonnis uit-
gesloten, dan wordt het derde verzet zeker niet aan den verhuurder
ontzegd, die niet geroepen werd in een geding over de zaak zelve
tegen zijn huurder gevoerd. Art. 1594 B.W. wijst duidelijk genoeg
aan dat de huurder den verhuurder niet vertegenwoordigt, wat. trou-
wens ook de vraag niet is, maar ook de verhuurder die in derde
verzet kwam, kan niet gezegd worden een vertegenwoordiger van den
huurder te zijn. Toch zou men die hoedanigheid nog wel uit de ver-
houding van huurder tot verhuurder kunnen afleiden, indien men zich
bij die vertegenwoordiging niet strikt hield aan de beteekenis die
daaraan hier alleen maar mag worden toegekend, nl. die van opvol-
ging in het recht van een ander.
Ook bij de vraag, of de persoonlijke schuldeischers van den schul-
denaar zich als derden zouden kunnen verzetten tegen een tegen
hun schuldenaar gewezen vonnis, grondt Gaksonnet p. 764 8°. de
-ocr page 405-
§ 190. PERSONEN AAN WIE. «ROND.                              38?
overigens volkomen juiste ontkennende beantwoording op het vol-
komen onjuiste argument dat Ie debiteur ne oesse de les représenter".
Hoe wil de schuldenaar die immers, niettegenstaande zijne schulden,
de vrije beschikking over zijn vermogen behoudt, bij die handelingen
zijne schuldeischers vertegenwoordigen ? Omdat die schuldeischers met
die handelingen — immers als zij niet zijn aangegaan ter opzette-
lijke verkorting van hunne rechten, waarover hier geen kwestie is —
vrede moeten hebben ? Maar hoe ver strekt zich dan het begrip van
vertegenwoordiging niet uit? Intusschen, al kon men aannemen dat
de schuldenaar de schuldeischers vertegenwoordigde, dat is hier de
vraag niet. Buiten de gevallen van wettelijke of conventioneele
vertegenwoordiging waarmede we hier niet te doen hebben, sluit de
wet niet uit hen die door een der partijen vertegenwoordigd zijn
geweest in het geding, maar hen die een der partijen vertegenwoor-
digen door in hunne rechten te zijn opgevolgd. De vraag is dus:
zijn de schuldeischers rechtsopvolgers van den schuldenaar? Zeker
kunnen ze dat zijn als ze onder het fransche recht van de hun in
art. 1166 C. C. toegekende bevoegdheid gebruik maken en ook bij
ons, indien zij tot verhaal van hunne schuldvorderingen het hun op
des schuldenaars goederen toegekende recht van verhaal uitoefenen.
Maar dat doen zij toch niet, wanneer zij zich verzetten tegen een
vonnis gewezen tegen hun schuldenaar in een geding door dezen
krachtens hem toekomende volkomen vrije beschikking over zijne
goederen gevoerd. En als Tissier n°. 97 hen van het derde verzet
tegen zoodanig vonnis uitsluit op grond dat hun toestand zou
zijn „quelque peu analogue, au point de vue de la chose jugée, a
celle des ayants cause a titre universel", dan blijkt daaruit ook
weer een duidelijk streven om hen op grond van eene vertegenwoor-
diging van het derde verzet uit te sluiten. De analogie met erfge-
namen is evenwel ver te zoeken; zelfs dat „quelque peu" kan ik niet
aannemen; want de erfgenamen worden uitgesloten omdat zij den
erflater vertegenwoordigen als zijne rechtsopvolgers zijnde; de
schuldeischers zijn dat in het voorondersteld geval zoo weinig als
eene rechtsopvolging onbestaanbaar is in goederen waaromtrent voor
de schuldeischers eene rechtsopvolging slechts kan ontstaan zoolang
de schuldenaar er niet over beschikte. En dat er hier eene zoo-
danige volkomen gerechtigde beschikking heeft plaats gehad, kan nie-
mand ontkennen. De schuldeischers vertegenwoordigen dus den schul-
denaar niet en werden niet door hem vertegenwoordigd in het
-ocr page 406-
388 HOOFDST. IX. APD. VI. HKT VERZET DOOR DBRDKN. TIT. I. HET MIDDEL.
geding. Zij zijn dus derden en als zoodanig van het verzet niet
uitgesloten. Maar toch zal hun het derde verzet ontzegd moeten
worden, omdat zij geen grond hebben om te beweren dat het vonnis
hunne rechten benadeelt. En dan is het ook niet juist om met.
Tissikr t. a. p. te zeggen: „Les jugements contre ce debiteur leur
sont opposables" (aux créanciers), want al is het op zich zelf waar,
het is een gevolg van de onjuiste gedachte dat die schuldeischers
op een of andere wijze in het geding betrokken zouden zijn geweest.
Het ware is, dat de vonnissen tegen den schuldenaar gewezen hun
niet aangaan, want zij zijn derden en die vonnissen benadeelen hen
niet. In geenerlei opzicht ging de schuldenaar buiten zijn rechtskring
en trad hij ook niet in dien der schuldeischers.
Uit welk oogpunt men nu deze vraag beschouwe, men komt altijd
tot hetzelfde resultaat. Algemeen wordt dan ook het verzet door
derden aan de schuldeischers ontzegd. Men maakt evenwel uitzonde-
ringen. Men geeft niet toe dat de schuldeischers geen derde verzet
zouden hebben tegen een vonnis, waarbij aan een hunner een voor-
rang voor zijne schuldvordering wordt toegekend. De voorrang, dus
redeneert men, is een zaak tusschen de schuldeischers en bij de
toekenning daarvan kan de schuldenaar hen dus niet vertegenwoor-
digen. Dus Garsonnet t. a. p. met beroep op de jurisprudentie en
het gevoelen van Demolombb XXXI, n°. 358 en dat van Chauveau
op Carré Q. 1714. Tissikr denkt er anders over. Bewerende dat
ook in dit geval de schuldeischers door den schuldenaar vertegen-
woordigd werden, geeft hij daarvoor dit merkwaardig argument. „Le
debiteur qui peut compromettre les droits de ses créanciers chiro-
graphaires par une obligation quelconque a laquelle il peut attacher
telles garanties qu\'il lui plait, peut les diminuer aussi par 1\'effet
d\'un jugement aboutissant au même résultat." Met andere woorden
dus: de schuldeischers hebben geen derde verzet omdat zij niet
zijn benadeeld. Waar blijft het bewijs dat de schuldenaar de
schuldeischers vertegenwoordigde ?
En zoo volgt ook van zelf de beantwoording van de vraag, of de
schuldeischers het recht zullen hebben om in verzet te komen tegen
een vonnis dat tegen den schuldenaar werd gewezen, nadat er beslag
was gelegd op zijn goed of nadat hij in staat van faillissement
mocht zijn verklaard, uit de beantwoording van deze andere, of de
schuldenaar, door het beslag of de faillietverklaring de bevoegdheid
om het goed te vervreemden of zelfstandig handelend op te treden,
-ocr page 407-
§ 190. PERSONEN AAN WIE. GROND.                            389
had verloren. En terwijl dit geval is, zullen de schuldeischers èn
als derden ten aanzien van het door den schuldenaar gevoerd geding
èn omdat het vonnis hunne rechten kan benadeelen, in derde verzet
kunnen komen. Maar het is hier geene uitzondering op den regel
dat de schuldenaar zijne schuldeischers vertegenwoordigt en geheel
ten onrechte brengt Garsonnet t. a. p. de kwestie hierop terug:
„Il s\'agit seulement de savoir a quel moment Ie saisi ces se de
représenter ses créanciers." Weinig in overeenstemming daarmede
is de reden, die de schrijver voor het ophouden der vertegenwoordi-
ging aangeeft, als hij zegt: „car Ie f ai 11 i perd Ie droit d\'agir en
justice et Ie saisi celui de procéder sur la propriété de 1\'objet saisi."
Al is dit juist, het heeft met de vertegenwoordiging niets te maken.
Verg. Tissier n°. 98.
Met dit alles ontken ik niet dat er gevallen kunnen zijn waarin
een schuldeischer, zelfs een hypothekaire schuldeischer, als vertegen-
woordiger van zijn schuldenaar optreedt. Zoo zal de schuldeischer,
als hij beslag legt op het goed van zijn schuldenaar, als diens
rechtsopvolger gebonden zijn door een vonnis vóór dat beslag
ten aanzien van het goed tegen den schuldenaar gewezen. Zoo de
hypothekaire schuldeischer door vonnissen vóór het vestigen van zijn
hypotheek ten aanzien van het goed gewezen.
Ook oefenen de crediteuren in een faillissement de rechten des
schuldenaars uit of treden zij, waar zij de goederen des boedels te
gelde maken, als de opvolgers, in de rechten des schuldenaars ten
aanzien van die goederen op. Treden zij daarbij door tusschen-
komst van den curator op, dan is deze hun aller wettelijke verte-
genwoordiger en zijn zij door hem partij in gedingen door den
curator gevoerd. Die vertegenwoordiging van den curator is dan
evenwel eene wettelijke vertegenwoordiging; door den curator aan
wien de uitoefening der rechten van de schuldeischers is opgedra-
gen zijn deze allen partij in het door den curator gevoerde geding.
Hof Groningen 2 Oct. 1840, geciteerd bij Oudbman I, bl. 46 n°. 2.
Hof \'sGravenhage 17 Febr. 1897, W. 6920.
Wordt het zoo niet duidelijk dat de beslissing der vraag, of de
schuldeischers derde verzet hebben, inderdaad afhankelijk wordt ge-
acht van de beantwoording der vraag of zij benadeeld zijn en dat
de vertegenwoordiging maar gebruikt wordt om tot het besluit te
komen dat men als rechtvaardig vooropstelt? dat men die vertegen-
woordiging veel verder uitbreidt dan de wet die in art. 474 (ons
-ocr page 408-
390 HOOKDBT. IX. AFD. VI. HKT VERZET DOUK DEKDEN. ïl\'i\'. I. HET MIDDEL.
art. 376) aanneemt, om op die wijze de schuldeischers als al of
niet in \'t geding betrokken te beschouwen alsof alleen daarvan het
derde verzet afhankelijk ware gemaakt? Het is inderdaad alsof men
uit de omstandigheid dat soms de schuldeischers den schuldenaar
als diens rechtsopvolgers (ayants cause) kunnen vertegenwoordigen, af-
leidt dat zij in den regel door den schuldenaar vertegenwoordigd
worden. Het is duidelijk dat de logica in meer dan één opzicht bij
deze redeneering op reis is.
Had men de vraag niet verkeerd gesteld en was men daardoor
niet uitgegaan van de voorstelling dat de schuldenaar de schuld-
eischers vertegenwoordigt — men zou er niet zoo licht toe gekomen
zijn om den schuldenaar ook als den vertegenwoordiger van de hypo-
thekaire schuldeischers voor te stellen en aan dezen op dien grond
eveneens het recht van derde verzet te ontzeggen tegen een vonnis
gewezen over den eigendom van het gehypothekeerde goed in een
door den schuldenaar gevoerd geding, welk gevoelen in Frankrijk
als vaststaande jurisprudentie kan beschouwd worden , terwijl van de
schrijvers Labombikre de eenige is die nog een ander gevoelen ver-
dedigt, Gaesonnet p. 765 8°. er in berust en Tissiek n°. 110 het
wel bestrijdt, maar van zijne bestrijding weinig verwacht, ook niet-
tegenstaande hij enkele arresten en daarbij een uitmuntend arrest
van het hof van Nancy, waarvan hij, bl. 184, de motieven mede-
deelt, vóór zijne meening kan aanvoeren. Het is inderdaad heel een-
voudig als men eens aanneemt dat de schuldenaar zijne persoonlijke
schuldeischers vertegenwoordigt, dit ook maar ten aanzien van de
hypothekaire aan te nemen. Zij ontleenen immers hun recht van
hypotheek aan den schuldenaar en zijn alzoo inderdaad zijne „ayants
cause" ! Men kan hen dan zelfs als rechtsopvolgers beschouwen en
alzoo er zelfs toe komen om hen van het derde verzet uit te sluiten
omdat hun rechtsvoorganger, dien zij vertegenwoordigen, in het ge-
ding partij was. Maar dan zou men ook hebben ingezien dat, al
is de hypothekaire schuldeischer, wat betreft het recht van hypotheek,
dat hij aan den schuldenaar ontleent, diens rechtverkrijgende, het
goed door de hypotheek in zoover aan de beschikking van den
schuldenaar is onttrokken, dat deze niets mag doen waardoor de
waarde van het goed wordt verminderd. Arg. art. 1251 B. W. (art.
2175 C. C.) De hypothekaire schuldeischer heeft alzoo een tegenover
den eigendom der zaak zelfstandig recht waarop de schuldenaar geen
inbreuk maken mag. En zoo kan deze ook, bij handelingen in strijd
-ocr page 409-
§ 190. PERSONEN AAN WIE. «ROND.                              391
met des hypothekairen schuldeischers recht verricht, niet geacht worden
den schuldeischer te vertegenwoordigen, indien dit hier al iets kon af-
doen. Maar ook van den hyp. schuldeischer, voor zoover hij rechtsopvolger
van den schuldenaar is, kan niet gezegd worden dat zijn rechtsvoorganger
in het geding partij was omdat deze, voor zoover hij daardoor in strijd
met het door hem verleende recht van hypotheek handelde, niet als
rechtsvoorganger van den schuldeischer het geding voerde. De hypo-
thekaire schuldeischer is derhalve derde en dewijl hij in zijn recht
benadeeld kan zijn, indien de eigenaar zijn rechtskring overschrijdende
inbreuk op het ook door den eigenaar te eerbiedigen recht van hypo-
theek maakte, moet hem het recht van derde verzet worden toegekend.
Nog altijd bestaat bij de fransche schrijvers en in de fransche
jurisprudentie verschil van gevoelen over de vraag, of eene verte-
genwoordiging in rechte moet worden aangenomen tengevolge van
eene gemeenschap van belangen bij hoofdelijke s c h u 1 d-
eischers, hoofdelijke schuldenaren, bij schuldenaar en
borg, bij medeëigenaren en medeërfgenamen.
Tissikr wil alleen, gelijk wij zagen, van een vertegenwoordiging
weten krachtens rechtsopvolging of waar men aan lastgeving kan
denken. Eene vertegenwoordiging krachtens gemeenschappelijk belang
erkent hij niet. En dan acht hij de betrekkelijke kracht van het gewijsde
te berusten op een zoo dringend beginsel van rechtvaardigheid, dat
daarvan alleen op grond van uitdrukkelijke bepalingen mag worden
afgeweken, terwijl deze z. i. niet bestaan dan in de aangewezen
gevallen van rechtsopvolging en mandaat (n° 120). Tegen dit laatste
heb ik tweeërlei bedenking. 1°. Verliest Tissier uit het oog dat bij de
betrekkelijke kracht van het gewijsde het zwaartepunt daarin ligt dat
het gewijsde recht is en dat de beperking tot partijen het gevolg
daarvan is dat de uitspraak des rechters alleen door de partijen en
te hunnen behoeve is gevraagd. Dit neemt evenwel niet weg dat
de rechtstoestand of de rechtsbetrekking die het vonnis erkent, ook
op de verhouding van eene der partijen tot een derde invloed kan
hebben, wanneer bijv. over den rechtstoestand of rechtsbetrekking
alleen tusschen die partijen kan worden uitspraak gedaan, of
wanneer, gelijk wij reeds zagen, in het vonnis eene beschikking ligt
over een recht dat dientengevolge alleen in den door het vonnis
erkenden toestand kan worden overgedragen. 2°. ben ik van oordeel
dat, behalve het geval van vertegenwoordiging krachtens de wet of
-ocr page 410-
392 HOOFDST. IX. AFD. VI. HET VERZET DOOR DERDEN. T1T. I. HET MIDDEL.
overeenkomst, het alleen de vraag kan zijn, of men hem die zich
als derde wil verzetten, kan tegenwerpen dat degenen die hij
vertegenwoordigt in het geding partij zijn geweest. Nu zal
van een medeëigenaar, een medeërfgenaam, een hoofdelijken schulde-
naar of schuldeischer, wel nooit kunnen gezegd worden, dat hij ver-
tegenwoordiger is van zijne rnedeëigenaren, medeërfgenamen, mede-
schuldeischers of medeschuldenaren die in het geding zijn opgetreden.
Het denkbeeld van vertegenwoordiging heeft alleen kunnen opkomen
met opzicht tot een medeëigenaar, enz. die in het geding stond en
daar geacht moet worden voor \'t gemeenschappelijk belang zijner mede-
eigenaren, enz. die niet in \'t geding waren, op te komen en op
deze wijze dezen te vertegenwoordigen. Zoo kan men wel z e g-
gen dat een medeëigenaar, die voor het gemeenschappelijk erf tot
vestiging van een erfdienstbaarheid procedeert tegen den eigenaar
van het naburig erf, die zich verbond om bijv. een recht van over-
gang op nader aan te wijzen plaats op zijn erf toe te staan, zijne
rnedeëigenaren daarbij vertegenwoordigt, naar aanleiding van
art. 749 B. W., maar rechtskundig is het even onjuist daarbij van
vertegenwoordiging te spreken, als dat men de bevoegdheid van een
medeëigenaar ontkent om alleen over eene op \'t gemeenschappelijk erf
te vestigen erfdienstbaarheid te procedeeren, omdat hij daarbij zijne
rnedeëigenaren niet vertegenwoordigt. Maar van eene uitsluiting van
het derde verzet, hetwelk in dit laatste geval zou kunnen te pas
komen op grond van zoodanige vertegenwoordiging weet het art. 474
C. de pr. evenmin als art. 376 van ons wetboek. Van eene verte-
genwoordiging op grond van gemeenschappelijk belang kan geen
sprake zijn en of de aangeduide rnedeëigenaren, enz. van het derde
verzet zijn uitgesloten, kan alleen afhankelijk zijn van den invloed
dien uit den aard van hun recht of rechtsbetrekking de procesvoe-
ring van den een op den rechtstoestand van de anderen mag hebben.
Staat hun recht of hunne verplichting onder den invloed van het
vonnis in het door hun medegerechtigde of medeverbondene gevoerd
geding gewezen, dan blijven zij ten aanzien van het gevoerde geding
en het daarin gewezen vonnis derden. Als derden kan hun het
recht van derde verzet niet worden ontzegd, omdat zij niet vertegen-
woordigen hunnen medegerechtigde of medeverbondene die in het
geding optrad. Maar kunnen zij beweren benadeeld te zijn in hun
recht ? Van de beantwoording van die vraag zal het ten slotte af-
hangen of zij in het derde verzet zullen triomfeeren.
-ocr page 411-
§ 190. PERSONEN AAN WIE. GROND.
393
Wanneer dan een van de h o o fdelijké se hul deis ch ers, gebruik
makende van het hem toekomend recht om de geheele schuld te eischen
(art. 1314 B. W.) in deze zijne vordering in het ongelijk wordt ge-
steld op grond dat de schuld niet is ontstaan of wel dat zij is teniet
gegaan, anders dan door kwijtschelding (art. 1315 B. W.), dan bestaat
de schuld ook tegenover de andere schuldeischers niet meer. Uit de
bevoegdheid aan ieder schuldeischer toegekend om de voldoening van
de geheele schuld te eischen in dier voege [lees: met dien verstande]
dat de betaling aan een hunner gedaan, den schuldenaar bevrijdt,
vloeit voort dat ieder schuldeischer over het bestaan of voortbestaan
der schuld tegenover den schuldenaar beschikt. Wanneer nu bij een
vonnis tusschen den schuldenaar en een der schuldeischers gewezen
is uitgemaakt dat de schuld is betaald, zou dan de schuldenaar,
door een ander van de schuldeischers aangesproken, zich niet op
dat vonnis kunnen beroepen? Dat lijdt bij mij geen twijfel. Want
als die andere schuldeischer tegenwierp dat het gewijsde tegen hem
niet zou gelden, omdat hij geen partij in het geding was, dan ant-
woordt de schuldenaar terecht: daarin hebt gij gelijk, maar door
het vonnis is uitgemaakt dat de schuld tegenover uwen medeschuld-
eischer niet bestaat; daaruit volgt voor mij bevrijding tegenover
hem, en volgens art. 1314 B. W. ook tegenover u. Het zou toch
ook al heel zonderling wezen dat de tweede schuldeischer zijn recht
tegen den schuldenaar zou moeten opgeven, wanneer deze hem een
door een ander schuldeischer afgegeven bewijs van betaling vertoonde,
en niet wanneer de opheffing der schuld bij vonnis was uitgemaakt.
Wanneer men de hier besproken vraag van het al of niet bestaan
van eene vertegenwoordiging wil afhankelijk maken, dan zal men
moeilijk kunnen beweren dat de tweede schuldeischer zou moeten
worden afgewezen omdat degene dien hij vertegenwoordigt
in het geding zou hebben gestaan, want \'t zou moeilijk
zijn aan te nemen, dat die tweede schuldeischer als opvolger van
den onvoldanen medeschuldeischer, en hem in dien zin vertegenwoor-
digende, optrad. Als daarbij evenwel, gelijk de Franschen plegen te
doen, gevraagd wordt, of de in het geding opgetreden schuldeischer
zijne medeschuldeischers vertegenwoordigde en dus de tweede nu
optredende in het geding is vertegenwoordigd geweest, dan kan men
daarbij zich beroepen op de voorstelling, welke bij de vaststelling
van art. 1198 C. C. gegeven werd van de verhouding tusschen de
hoofdelijke schuldeischers, als zou de een als lasthebber van den
-ocr page 412-
394 HOOFDST. IX. AFD. VI. HET VEBZET BOOR DERDEN. TjT. I. HET MIDDEL.
ander moeten worden beschouwd. Op grond daarvan werd dan aan
een hunner de bevoegdheid ontzegd om voor meer dan zijn aandeel
van de schuld kwijt te schelden, art. 1315, waarvan weder toepas-
sing wordt gemaakt bij de dading, art. 1894 en bij den eed art.
1975 § 1. Daaruit moge nu volgen, dat den hoofdelijken schuldeischer
evenmin als een lasthebber de hem hier ontzegde bevoegdheid toe-
komt, dat de eene schuldeischer werkelijk lasthebber van den ande-
ren zou zijn, volgt daaruit allerminst. Het. gaat in het geheel niet
aan eene lastgeving aan te nemen, waar de wetgever in art. 1314
aan ieder schuldeischer zelfstandig de bevoegdheid toekent om de
schuld te vorderen en daardoor voor zich het dwangmiddel tot be-
taling tegen den schuldenaar te verkrijgen. Dit zijn de redenen
waarom ik hier geen zoodanige vertegenwoordiging aanneem, als
naar de bepaling van art. 376 het derde verzet uitsluit Neen, de
medeschuldeischer is derde. Dan vervalt de twist over de vraag,
of de schuldeischer die in het geding optrad zijne medeschuldeischers
vertegenwoordigde, welke Tissikr n°. 122 ontkennend, anderen beves-
tigend beantwoorden. De vraag blijft alleen: mag de medeschuld-
eischer, die aan het geding geen deel nam, beweren door het vonnis
benadeeld te zijn ? En deze vraag moet ontkennend beantwoord
worden, en op dien grond kan het derde verzet worden geweigerd.
Want de schuldeischer die geen partij was in het geding, kan zich
niet beklagen in zijn recht benadeeld te zijn. Aan dat nadeel was
zijn recht naar zijn aard onderworpen; het vloeit uit den aard van
dat recht, niet uit het vonnis voort. Formeel blijve dit voor hem
een „res inter alios acta", den materiëelen invloed dien het op zijn
recht heeft kan de schuldeischer niet ontgaan. Ware evenwel het
vonnis door overleg tusschen schuldeischer en schuldenaar verkregen,
hadde hier collusie of conniventie of zelfs een grof verzuim in de
handhaving van zijn recht door den schuldeischer plaats gehad, ware.
alzoo het vonnis het middel tot benadeeling der overige schuld-
eischers, zij zouden op dien grond van het derde verzet kunnen
gebruik maken.
Gelijke redenen leiden mij tot het besluit, dat ook ten aanzien van
het tusschen den schuldeischer en een zijner ho o f d e 1 ij k e schul de-
nar en gewezen vonnis, waarbij deze tot betaling wordt veroordeeld,
de andere schuldenaren derden zijn, zoodat hun als zoodanig
het middel van derde verzet tegen dat vonnis zou kunnen toekomen,
als waren zij in het geding geen partij. Nog minder zouden zij
-ocr page 413-
395
§ 190. PEBSONKH AAN WIE. GKOND.
kunnen worden afgewezen op grond dat daarin partij was degene
dien zij vertegenwoordigen. De schuldeischer ontleent aan de hoof-
delijkheid der verbintenis het recht om diengenen der schuldenaren
tot betaling aan te spreken welken hij verkiest, en derhalve met
dengene welken hij verkiest het bestaan of niet bestaan der schuld
te doen uitmaken. En terwijl de verbintenis, indien zij voor één
bestaat, voor allen bestaat, en voor één te niet gegaan voor allen is
te niet gegaan (arg. art. 1316), zoo moet ook het vonnis dat waar-
heid is voor den een, dit ook zijn voor den ander. Uitzondering is
alleen aan te nemen, als de eene schuldenaar op eene andere wijze
zich verbonden heeft als de andere (art. 1317) en de een dienten-
gevolge of om andere redenen hem persoonlijk eigen verdedigings-
middelen tegen de vordering had in te brengen. Zou nu, buiten
deze laatste gevallen, een medeschuldenaar tot betaling van zijn
deel aangesproken, op een door dezen tot bewijs van de voldoening
der schuld overgelegde kwijting van den schuldeischer, moeten beta-
len, en de voldoening krachtens een vonnis kunnen tegenspreken, op
grond dat dat vonnis als tusschen andere partijen gewezen hem niet
aanging ?
De fransche jurisprudentie neemt meest algemeen de vertegen-
woordiging aan. Maar ook hier is het wederom naar de wet de
vraag niet, of de in het geding opgetreden schuldenaar de anderen
vertegenwoordigt of niet, daar van lastgeving of zaakwaarneming
buiten last geen sprake kan zijn, maar of de derde medeschuldenaar,
die buiten het geding bleef, gezegd kan worden de rechtsopvolger
van den schuldenaar te zijn die in het geding werd betrokken. Uit
dit oogpunt is hij m. i. ook alweer derde en zou als zoodanig ont-
vankelijk kunnen zijn in het derde verzet, wat Tissikr zonder
restrictie toelaat, doch wat m. i. afhankelijk is van die andere vraag,
of hij beweren kan door het vonnis in zijne rechten te zijn bena-
deeld. Zie de uitspraken bij Tissiee t. a. p.
Wat den borg betreft, te zijnen aanzien pleegt aangenomen te
worden dat hij in het tegen den hoofdschnldenaar gevoerd geding
vertegenwoordigd werd door dezen, omdat zijne verbintenis eene bij-
komende verbintenis is en haar lot van de hoofdverbintenis afhan-
kelijk is. Ook hier acht ik de vertegenwoordiging „pour Ie besoin
de la cause" aangenomen en erken ik haar evenmin als in de andere
gevallen. Maar ik vraag, indien de hoofdverbintenis als iedere
andere eene betrekking is tusschen schuldeischer en schuldenaar,
-ocr page 414-
396 HOOFDST. IX. AID. VI. HET VERZET DOUR DERDEN. TIT. I. HET MIDDEL.
tegen wie anders dan tusschen deze beide kan het al of niet bestaan
van deze betrekking uitgemaakt worden? Als de betrekking vanden
schuldenaar tot den schuldeischer wordt opgeheven, dan bestaat des
schuldeischers recht niet meer. En dat maakt nu het vonnis tus-
schen die partijen uit. Waar blijft dan de verbintenis ? Zij is er niet
meer en dien tengevolge kan eene verbintenis die met haar staat
of valt, er ook niet meer zijn. En zoo erkent ook het vonnis, bij
veroordeeling van den schuldenaar, het recht des schuldeischers tegen-
over dezen, gelijk het ook alleen tegenover hem te erkennen is.
Maar als dit vaststaat, dan staat ook de gehoudenheid van den borg
om te betalen, indien de schuldenaar niet betaalt, vast tenzij hij
alweder eigene verdedigingsmiddelen tegen den borgtocht zelven
mocht hebben. Tissier n«. 124 merkt hiertegen op: „il est facile
de répondre qu\'il s\'agit précisément de savoir quelle est 1\'obligation
principale, si elle existe, si elle est valable et que Ie jugement sur
ce point est pour la caution res interalios acta." Daarop
meen ik echter te kunnen repliceeren dat het vast moet staan dat
de verbintenis, waarover tusschen schuldeischer en schuldenaar wordt
gestreden, door den borgtocht was verzekerd en, wanneer dan het
vonnis het bestaan en de geldigheid van de verbintenis tusschen
schuldeischer en schuldenaar heeft uitgemaakt, dan is dat ook waar-
heid voor den borg, omdat zijne verplichting van het bestaan en de
geldigheid van de verbintenis afhankelijk is, welk een en ander niet
anders dan tusschen dengenen, tusschen wien die betrekking uitslui-
tend beweerd wordt te bestaan, kan worden uitgemaakt.
Als nu de borg in derde verzet mocht komen tegen dat vonnis,
dan zal men niet kunnen beweren dat hij partij was in het geding,
evenmin dat hij den schuldenaar vertegenwoordigt en dus ook niet
dat degene dien hij vertegenwoordigt partij is geweest. Volgens art.
376 is hij dus wel een derde, maar \'t wordt de vraag of hij bewe-
ren mag in zijne rechten door het vonnis benadeeld te zijn. Mocht
het proces en het vonnis als een middel zijn gebezigd om op den
borg een niet bestaande schuld te verhalen, hij zal tegen die han-
deling kunnen opkomen, maar de uitspraak des rechters op zich
zelve kan niet gezegd worden zijn recht te benadeel en en op dezen
grond alleen zou de borg, niet eenvoudig omdat hij derde is, ten
aanzien van het vonnis, het middel van derde verzet gebruiken.
Dat dus in al deze gevallen een vonnis ook voor derden gevolgen
heeft, zonder dat daardoor het gezag van het rechterlijk gewijsde
-ocr page 415-
§ 190. PERSONEN AAN WIK. OROND.                              397
buiten de in art. 1954 aangewezen grenzen uitgebreid wordt, werd
door mij ook in Dl. III bl. 60 (2de dr.) reeds kortelijk aangewezen.
Wanneer art. 1339 B. W. aan ieder erfgenaam van den schuld-
eischer eener ondeelbare verbintenis de bevoegdheid geeft om
de uitvoering daarvan voor het geheel te vorderen, dan ligt daarin
opgesloten dat de schuldenaar door dien eenen erfgenaam te voldoen
bevrijd wordt, en dat hij dan ook gerustelijk met dien eenen erfge-
ïiiiiim over zijn gehoudenheid een geding kan voeren. Wordt hij
jegens dien erfgenaam tot voldoening veroordeeld, dan zal hij niet
ook jegens een tweeden tot voldoening veroordeeld kunnen worden.
Want hij is aan het reeds tegen hem gewezen vonnis gehoorzaam-
heid schuldig. Hij zal zich tegen den erfgenaam die hem aanspreekt
niet daarop kunnen beroepen, dat hij erfgenaam niet alleen het recht
van vorderen heeft. Dit ware met art. 1339 in strijd. Wordt hij
vrijgesproken op een grond die de schuld zelve, niet den erfgenaam
persoonlijk, betreft, dan zijn ook de andere erfgenamen aan die uit-
spraak gehouden. Zegt men dat hij die \'t geding voerde, ook over
hun recht beschikte door over het zijne te procedeeren, het ant-
woord is dat hij daartoe volgens de wet, buiten hen om bevoegd
was. En nu kan men daarin wel weder eene vertegenwoordiging
meenen te vinden. In geen geval kan men zeggen dat de niet in \'t
geding opgekomen erfgenaam van het derde verzet zou zijn uitge-
sloten, omdat degene dien hij vertegenwoordigt daarin partij geweest
is. Hij is toch waarlijk diens rechtsopvolger niet! Als derde zou
hij dus in het derde verzet ontvankelijk zijn. Als Tissiek n°. 125
zegt, dat het vonnis „ne doit pas nuire aux autres," als zijnde
voor hen eene res inter alios acta, dan heeft hij formeel gelijk,
maar daarom kan het recht van die anderen wel materieel onder den
invloed van het tegen hunnen medeërfgenaam gewezen vonnis staan.
En dan valt daardoor voor hem de klacht over benadeeling weg.
Daartoe zou alleen de wijze waarop de procedeerende erfgenaam zijn
recht behartigde, grond kunnen geven.
Anders is het, wanneer in bijzondere gevallen de wet de in art.
1339 in het algemeen toegekende bevoegdheid uitsluit. Volgens art.
1758 B. W. moeten, indien de in bewaring gestelde zaak ondeelbaar
is, de erfgenamen zich onderling omtrent de overneming verstaan.
Daaruit volgt dat een der erfgenamen alleen de vordering tot terug-
gave der zaak tegen den bewaarnemer instellende, daarin niet ont-
-ocr page 416-
398 Hoodkst. IX. Afd. VI. het verzet door derden, tit. I. het middel.
vankelijk is, indien hij niet bewijst daartoe door de overige erfge-
namen aangewezen of gemachtigd te zijn. Liet de bewaarnemer zich
tegen hem veroordeelen zonder zich op de niet-ontvankelijkheid te
beroepen, het gewijsde zou aan de andere erfgenamen niet kunnen
worden tegengeworpen. Maar het derde verzet zou door hen kunnen
worden aangewend om de afgifte der zaak aan den alleen opgetreden
erfgenaam te voorkomen.
In de gevallen voorzien bij artt. 1336 n°. 2 en 5 heeft de schuld-
eischer ontegenzeggelijk de bevoegdheid om op grond van het laatste
en voorlaatste lid van het artikel een der erfgenamen voor het ge-
heel aan te spreken en als deze aan de veroordeeling heeft voldaan,
zal hij verhaal hebben op zijne medeërfgenamen. Ofschoon nu die
medeërfgenamen in het geding geen partij zijn geweest, zal het
vonnis tegen hen gelden als titel, dewijl hun rechtstoestand afhan-
kelijk is van dien des veroordeelden erfgenaams. Het derde verzet
komt den medeërfgenamen niet toe. Naar den Code Civil kan men
anders daarover denken, omdat art. 1225 den alleen gedaagden erf-
genaam de bevoegdheid gaf om, tenzij de schuld van dien aard ware
om alleen door hem gekweten te kunnen worden, een termijn te
vragen ten einde zijne medeërfgenamen in het geding te roepen.
Niet geroepen zijnde, zouden zij wellicht op dien grond en dewijl de
wetgever zelf hun belang bij het geding onderstelt, tegen het vonnis
in derde verzet kunnen komen. Onze wetgever kent den erfgenaam
evenwel de bevoegdheid tot oproeping der medeërfgenamen niet
toe, en ik geloof niet dat zij hem buiten de wet mag toegekend
worden (*).
Naar hetzelfde beginsel is ook de vraag te beslissen, of aan lega-
tarissen het recht van derde verzet toekomt tegen een vonnis, waarbij
de erfgenamen krachtens testament, op grond van de nietigheid van
het testament, jegens de erfgenamen bij versterf tot uitkeering der
nalatenschap zijn veroordeeld. Aan die legatarissen kan het recht
van derde verzet niet toekomen. Het is toch duidelijk, dat zij den
C) Er bestaat zeker een volkomen redelijke grond voor de toekenning van die bevoegdheid
om een termijn te vragen, ten einde de mede-schuldenaren in het geding te roepen (zie
Pothier No. 330 vv.) en ik zou mij zeer goed kunnen voorstellen dat de rechter oordeelde dat
deze bevoegdheid kan geacht worden uit den aard der ondeelbare, in tegenstelling met de hoof-
delijke, verbintenis voort te vloeien. Maar hoe de gedaagde het zou stellen om dit verweermiddel
afzonderlijk en vooraf voor te stellen zonder zijn verwering op de hoofdzaak te verliezen,
terwijl het vragen van een termijn om de anderen op te roepen juist de strekking heeft om
zich behoorlijk op de hoofdzaak te verweren, weet ik niet.
-ocr page 417-
§ 190. PKBSÜNEN AAN WIK. UKUND.
399
erfgenaam krachtens testament, die de beschikking over de nalaten-
schap, welke hij volgens het vonnis moest uitkeeren, verloor, niet
tot eene uitkeering uit die nalatenschap kunnen aanspreken, terwijl
zij van den erfgenaam bij versterf het legaat niet kunnen vorderen,
omdat op dezen niet kan rusten de verplichting om het legaat uit
te keeren op grond van een testament dat op zijne vordering werd
nietig verklaard. Zal men nu, om dit resultaat te verkrijgen, gaan
beweren dat de legataris in het geding door den testamentairen
erfgenaam werd vertegenwoordigd? Dat het belang van den
legataris in het geding betrokken was, en dat de testamentaire erf-
genaam voor zijn eigen recht opkomende, middellijk ook dat van den
legataris behartigde, is zeker niet tegen te spreken, maar ligt daarin
een vertegenwoordiging? Ik merkte reeds vroeger op, dat
dat begrip van vertegenwoordiging een zeer rekkelijk begrip is, maar
hier zou er toch hoogstens de schijn van aanwezig zijn. Een w e t-
t i g e vertegenwoordiging is er zeker niet en van eene vertegen-
woordiging, voortspruitende uit de verhouding van rechtsvoorganger
en rechtsopvolger, kan ook geen sprake zijn. Die vertegenwoordiging
kan niet anders zijn dan een rechtsgrond uitgevonden ad hoc om
de juridieke overtuiging dat de legataris van het derde verzet uit-
gesloten moest zijn, een schijn van rechtvaardiging te geven. Intus-
schen zou men met deze vertegenwoordiging aan te nemen nog niet
gekomen zijn daar waar men wezen moet. Want het is voor de
beoordeeling van het recht van den legataris alweer niet de vraag,
of hij door den erfgenaam krachtens testament in het door dezen
gevoerd geding vertegenwoordigd werd, maar of men hem kan tegen-
werpen dat degene dien hij vertegenwoordigt in het geding
optrad. En hoe zou men nu kunnen beweren dat de legataris een
vertegenwoordiger van den testamentairen erfgenaam is ? Op grond
van vertegenwoordiging kan men alzoo den legataris van het derde
verzet niet uitsluiten. Hij is derde ten aanzien van het gevoerde
geding. Maar zijne uitsluiting is het gevolg niet daarvan dat het
vonnis tusschen de erfgenamen gewezen hem bindt, zooals het de
partijen doet; hij was daarin noch partij noch door eene wettige
vertegenwoordiging, noch door een rechtsvoorganger betrokken. Maar
zijn recht was afhankelijk van het bestaan van een recht, dat een
der partijen zou toekomen. Het al of niet bestaan van dat recht
wordt op absolute wijze tusschen de erfgenamen bij versterf en die
bij testament door het vonnis uitgemaakt en kan alleen op absolute
-ocr page 418-
400 HOOFDST. IX. AFD. VI HET VERZET DOOR DUBDEN. TIT. I. HET MIDDEL.
wijze tusschen dezen uitgemaakt, worden. Door het vonnis, hetwelk
uitmaakt dat het recht der testamentaire erfgenamen niet bestaat,
omdat het voor dat van de erfgenamen bij versterf plaats moet
maken, verliest ook het recht van den legataris den grondslag van
zijn bestaan. Deze afhankelijkheid van het recht van den legataris
van eens anders recht maakt, dat zij over benadeeling in hun recht
niet kunnen klagen, wanneer de beweerde benadeel ing een onmiddellijk
gevolg is van den aard van hun recht. Van een uitbreiding van
de kracht van het gewijsde, buiten de daaraan bij art. 1954 B. W.
gestelde grenzen, is geen sprake. Het vonnis bindt den legataris niet
die in het geding geen partij was, ook maakt het voor hem niet
uit wat recht is, want over zijn legaat werd het geding niet ge-
voerd. Het bindt alleen den veroordeelden testamentairen erfge-
naam; het maakt ook alleen tusschen dezen en den erfgenaam bij
versterf voor waarheid uit dat het testament nietig is en dat de
testamentaire erfgenaam geen recht op de nalatenschap heeft, maar
dat deze aan den erfgenaam bij versterf toekomt. Daarmede vervalt
evenwel noodzakelijk de voorwaarde, waarvan het recht van de lega-
tarissen afhankelijk is.
Eene geheel andere vraag is het wederom, of den legataris het
recht van derde verzet zou toekomen, wanneer het vonnis tusschen
den testamentairen erfgenaam en dien bij versterf gewezen door col-
lusie of conniventie mocht zijn verkregen, of indien in \'t algemeen
de testamentaire erfgenaam door zich in het ongelijk te laten stellen
en een grof verzuim in de verdediging te begaan, zich zelven in de
onmogelijkheid had gebracht om aan zijne verbintenis te voldoen.
Dan zou het geding zijn gebruikt om een ander in zijne rechten te
benadeelen en het vonnis langs dien weg verkregen zou als gevolg
van eene onrechtmatige daad aan bestrijding door het middel van
derde verzet blootstaan.
Stel daarentegen dat de nietigheid van het testament tegenover
een der legatarissen in een geding door hem met den testamentairen
erfgenaam gevoerd zij uitgemaakt, dan zal aan de andere legatarissen
evenmin het recht van derde verzet tegen het vonnis openstaan. Wel
zijn zij derden ten aanzien van het gewezen vonnis; zij waren
noch partij in het geding, noch daarin vertegenwoordigd; ook ver-
tegenwoordigen zij niet eene der daarin opgetreden partijen. Doch
ook zij zijn door het vonnis niet in hunne rechten benadeeld. Niet
als zoude hun recht afhankelijk zijn van het recht waarover het
-ocr page 419-
§ 190. PKRSONKN AAN WIE; GROND.                            401
vonnis besliste, maar omdat tegenover dat recht hun recht een zelf-
standig bestaan heeft. Alleen tegenover den gedingvoerenden legataris
werd de nietigheid van het testament uitgemaakt. Daarom benadeelt
het de rechten der andere legatarissen niet. Wel zal het gewezen
vonnis een vooroordeel bevatten met opzicht tot de uitspraak, die
ook zij van den rechter hebben te verwachten, wanneer zij op hunne
beurt hun recht bij hem mochten doen gelden, maar de rechter is
volkomen vrij om, beter ingelicht, hem gelijk te geven, terwijl hij
den eersten legataris ongelijk gaf. Al zijn van den rechter dezelfde
gronden te verwachten, waarop hij een gelijk oordeel zal uitspreken,
gebonden door zijn eerste vonnis is de rechter tegenover andere
partijen niet; hij mag niet overwegen dat de legataris, die in het
vorige geding niet betrokken was, ongelijk heeft, omdat een ander
legataris bij een vroeger door hem gewezen vonnis in het ongelijk
gesteld werd.
Uit hetgeen wij tot dusver hebben gezegd ten aanzien van de
personen aan welke het derde verzet toekomt, is gebleken, 1°. dat
als derden zijn te beschouwen zij die geen partijen in het geding
zijn geweest, terwijl het daarbij van zelf spreekt, wat de wetgever
uitdrukkelijk bepaalt, dat het even goed is of men in persoon dan
wel door een ander krachtens overeenkomst of de wet vertegen woor-
digd als partij optreedt. De materieele beteekenis van partijen
staat hier op den voorgrond. Evenmin is als derde aan te merken
de vertegenwoordiger van hem die in persoon in het geding optrad.
Voor hen die op deze wijze als partijen in het geding zijn opgetreden,
moet het recht van derde verzet afstuiten op de kracht aan het
gewijsde bij art. 1954 B. W. toegekend; 2°. dat men om als derde
aangemerkt te kunnen worden geen rechtsopvolger, \'t zij onder alge-
meenen, \'t zij onder bijzonderen titel, van een der partijen moet
zijn. Rechtsopvolgers, ofschoon zij geen partij waren in het geding,
worden gezegd hunne voorgangers die daarin partij waren te verte-
genwoordigen in dien zin, dat zij in de rechten hunner voorgangers
tredende, in die rechten alleen kunnen treden, voorzoover hunne voor-
gangers daarover door het voeren van het geding niet beschikten;
3°. dat er van geen benadeeling in een recht sprake mag zijn, wan-
neer dit recht in zijn bestaan afhankelijk is van een recht, \'t welk
bij een vonnis tusschen andere partijen gewezen werd uitgemaakt
niet te bestaan. Dientengevolge worden zij wier recht vervalt met
v.
                                                                                                 26
-ocr page 420-
402 HOOFDST. IX. AFD. VI. HET VERZET DOÜB DEKDEN. Tlï. I. HET MIDDEL.
het recht welks verval bij een vonnis werd uitgesproken, ofschoon
zij zelve geen partij in het geding waren en daarin ook niet door
een der partijen werden vertegenwoordigd, van het derde verzet tegen
dat vonnis uitgesloten. Wanneer een recht vervalt, doordien het niet-
bestaan van een ander recht, waarvan het afhankelijk is, wordt uit-
gesproken, dan vloeit dat verval uit den aard van het nu vervallen
recht voort. Hij die op dat nu vervallen recht aanspraak kon maken,
kan, om dat vervallen van zijn recht alleen, over eene benadeeling in
zijn recht evenmin zich beklagen als hij wiens recht door een daar-
aan klevend gebrek te niet ging. Dit derde punt behoort zeker tot
den grond waarop het derde verzet, steunt, maar het moest hier, in
verband met de personen aan wie het toekomt, in zooverre door ons
besproken worden, omdat èn jurisprudentie èn schrijvers zich meeren-
deels op eene vertegenwoordiging door of van eene der partijen beroepen
om daarvan in de hier bedoelde gevallen de al- of niet-ontvankelijkheid
van het verzet afhankelijk te maken. Men stelde de vraag van de al-
of niet-ontvankelijkheid in het derde verzet afhankelijk van deze andere :
was de partij in het geding door een der partijen vertegenwoordigd,
zonder bij de beantwoording van deze vraag die vertegenwoordiging
te beperken tot die welke de wet hier alleen laat gelden, nl. de
vertegenwoordiging krachtens de wet of die uit overeenkomst voort-
vloeiende en die van den rechtsvoorganger door den rechtsopvolger.
Eens op het ruimer veld van vertegenwoordiging gekomen, wist men
overal waar men het derde verzet wilde uitsluiten eene vertegenwoordi-
ging te vinden, terwijl zij die het wildentoelaten, die vertegenwoordiging
ontkenden. Men scheen zich niet te kunnen voorstellen dat een derde
de gevolgen van een tusschen anderen gewezen vonnis zou kunnen
ondervinden, al was hij in het geding niet vertegenwoordigd geweest,
en nam, waar het niet te ontkennen viel dat het vonnis zoodanig gevolg
had, vertegenwoordiging aan om het derde verzet uit te sluiten.
Voordat wij tot de verdere bespreking van den grond waarop het
derde verzet kan worden aangewend, overgaan, hebben wij nog te
letten op de uitsluiting van hen die door voeging of tusschen-
komst partij in het geding zijn geweest, daar zij in art. 376
a. h. e. uitdrukkelijk uitgesloten worden. Het behoeft geen betoog
dat „partij" hier in dezelfde beteekenis moet worden verstaan als in
het eerste gedeelte van het artikel. Derde is dan evenmin hij die in
persoon als hij die door een vertegenwoordiger krachtens wet of
-ocr page 421-
§ 190. PERSONEN AAS WIE; GROND.
403
overeenkomst als gevoegde of overeenkomende partij op-
trad. Evenzeer is uitgesloten de vertegenwoordiger van hem die in
persoon als gevoegde of tusschenkomende partij in het geding is
geweest. En daarom wordt dan ook uitgesloten de erfgenaam of
rechtverkrijgende van zoodanige gevoegde of tusschenkomende partij,
want dan was de rechtsvoorganger, welken die erfgenaam of recht-
verkrijgende vertegenwoordigen, als in diens rechten getreden, partij
in het geding. Maar sprak dat nu niet van zelf dat die gevoegde
of tusschenkomende partijen geen derden zijn? Zeker, en de Fran-
schen hebben ze altijd als partijen beschouwd. Toch sloot de letter
van het fransche artikel hen niet van het derde verzet uit, omdat
het alleen uitsloot hen die in het geding niet geroepen zijn geweest.
En nu worden juist die tusschenkomende partijen niet geroepen; zij
melden zich zelve aan. Bleef men echter aan de letter hangen, dan
zou, zonderling genoeg, alleen hij die gedwongen werd om tusschen
te komen (indien de wet althans moet geacht worden dezen te ken-
nen), als zijnde hij geroepen geweest, wèl, zij daarentegen die uit
eigen beweging tusschenkwam en niet uitgesloten geweest zijn van
het derde verzet en dat niettegenstaande zij, even goed als de ge-
dwongen tusschenkomende, partij waren in het geding. En hierop
kwam het toch aan. In dat p a r t ij z ij n, niet in dat al of niet
geroepen zijn ligt de kracht van art. 474 C. de pr. Dat de
fransche wetgever niet sprak van part ij en in het geding om
aan te wijzen, wie hij van de „tiercé oppossition " wilde uitsluiten,
maar van hen die in het geding geroepen zijn geweest, verklaart
zich vooreerst daaruit, dat hij dengene die van het middel van
derde verzet gebruik maakt, zelven part ie noemt: „Une partie peut
former tiercé opposition," waarmede hij wil te kennen geven dat als
partij in derde verzet kan optreden hij die, enz. Maar bovendien
verklaart de redactie van het fransche artikel zich daaruit, dat het
vereischte van niet geroepen te zijn geweest oorspronkelijk nader
bepaald werd door de bijvoeging dat de niet geroepene geroepen
had moeten worden, „et lors duquel ni elle, ni ceux qu\'elle repré-
sente n\'ont été appelés encore qu\'ils eussent du 1\'être.
Tot de zoo uitdrukkelijke uitsluiting van hen die door voe-
ging of tusschenkomst part ij zijn geweest is onze wetge-
ver waarschijnlijk ook geleid door de verhouding welke er, volgens
de voorstanders van het verzet door derden, tusschen dit rechts-
rniddel en het middel van voeging en tusschenkomst bestaat. Want
-ocr page 422-
404 HOOFOST. IX. AED. VI. HET VERZET DOOK DERDEN. TIT. I. HET MIDDEL.
het verdient opmerking dat juist de opneming in de wet van het
middel van tusschenkomst van grooten invloed geweest is op het
eindelijk herstel van het middel van derde verzet in 1837, nadat
het in 1827 uit de wet verwijderd was. In 1827 althans werd door
de voorstanders van het toen niet in de wet opgenomen middel van
derde verzet er op aangedrongen dat dit middel niets anders was
dan een gevolg van het reeds door den wetgever erkende middel
van tusschenkomst. Wanneer men, dus redeneerden de voorstanders,
aan een derde de bevoegdheid toekent om in een tusschen anderen
gevoerd geding tusschen te komen, omdat zijn belang bij dat geding
betrokken is, dan vloeit daaruit voort dat het vonnis hem zal kun-
nen benadeelen en dan moet hij ook de bevoegdheid hebben om,
wanneer het vonnis in strijd met zijn belang werd gewezen, zonder
dat hij in het geding tusschenkwam, zich tegen het vonnis te ver-
zetten. Dat geding kan hem immers buiten zijn schuld geheel
onbekend gebleven zijn. Eens aangenomen dat voor hem die had
kunnen tusschenkomen, de behoefte bestaat aan een buitengewoon
middel als het derde verzet, en dat de gewone middelen die hij,
niettegenstaande het gewezen vonnis, hebben mag, de handhaving van
zijn recht niet voldoende verzekeren, ligt in de aangevoerde redenee-
ring zeker een rechtvaardigingsgrond van het verzet door derden.
Deze heeft zeker, bij de opneming van het middel in de wet bij de
herziening van 1837, gegolden en niet onwaarschijnlijk mag het
heeten dat niet het minst daaraan is te danken de uitdrukkelijke
bepaling dat het derde verzet niet toekomt aan hem die door voe-
ging of tusschenkomst partij in het geding is geweest. Men wachte
zich evenwel hier het altijd zoo gevaarlijke argumentum a contrario
toe te passen en te besluiten dat nu ook hij, die zich had kunnen
voegen of had kunnen tusschenkomen, daardoor tot het verzet door
derden gerechtigd zou zijn. Want gelijk ik reeds opmerkte, en in
mijne verhandeling in Rechtsg. Magazijn bl. 586 uitvoeriger betoogde,
aan hem die zich eenvoudig had kunnen voegen mag het middel
van derde verzet niet worden toegekend. Wel is hij derde met op-
zicht tot het gewezen vonnis; partij was hij niet, en dat hij ver-
tegen woordiger, d. i. rechtsopvolger van de partij zou zijn bij welke
hij zich had kunnen voegen, kan evenmin beweerd worden. De ge-
voegde partij heeft een eigen belang te behartigen; maar van eene
benadeeling in zijn recht kan geen sprake wezen, waar de invloed,
dien het vonnis tusschen anderen gewezen op zijne rechtsverhouding
-ocr page 423-
§ 190. PERSONEN AAN WIK; GROND.                            405
uitoefent, het gevolg is van de afhankelijkheid waarin zijne rechts-
betrekking uit haren aard tot de door het vonnis geregelde rechts-
betrekking staat. Van benadeeling in zijn recht zal, bij de partij die
zich had kunnen voegen, alleen sprake kunnen zijn, indien zij kan be-
wijzen dat er samenspanning, opzet of grof verzuim ten haren nadeele
tusschen de gedingvoerende partijen heeft plaats gehad. Het onderscheid
dat wij, in overeenstemming met de onderscheiden benaming door den
wetgever aan het middel van tusschenkomst gegeven, tusschen v o e-
ging en tusschenkomst, met het oog op den onderscheiden
inhoud en strekking van beide middelen moeten maken, kan ons
behoeden voor de volstrekte correlatie, welke door fransche rechts-
geleerden, in overeenstemming met de voorstelling die daarvan ook
in 1829 in onze Tweede Kamer werd gegeven, tusschen tusschen-
komst, in de uitgebreide beteekenis met inbegrip van voeging, en
derde verzet zou bestaan. Laferkiere aangehaald bij Tissier p.
204 n°. 1 drukt dit aldus uit: „La correlation du droit d\'inter-
vention et de tiercé opposition dans les matières contentieuses
ordinaires est d\'ailleurs facile a justifier, car celui qui avait Ie droit
d\'intervenir pour empêcher qu\'un jugement fut rendu doit avoir
aussi Ie droit de critiquer ce jugement quand il a été rendu a son
insu et a son prójudice." Tissier aarzelt niet daarvan te zeggen:
„c\'est a cette solution ou plutöt a cette confusion qu\'aboutit la
theorie aujourd\'hui prédominante". Met die „theorie prédominante"
bedoelt hij de verwerping van den eisch, dat men om tot het derde
verzet toegelaten te worden, niet alleen niet geroepen zij geweest,
maar geroepen had moeten worden.
Ik heb aan het stellen van dien eisch geen behoefte. Ook komt
het mij voor dat die eisch, dat men nl. om tot derde verzet gerechtigd
te zijn niet alleen niet geroepen is geweest, maar ook geroepen
had moeten worden, ten onrechte door oudere fransche schrij-
vers, en laatstelijk weder door Tissier n°. 129—131, gesteld wordt. De
woorden welke aan het slot van het oorspronkelijk artikel voorkwamen:
„encore qu\'ils eussent du 1\'être" mogen zijn geschrapt geworden, Tissier
en zijne medestanders vinden in de discussiën van den franschen
Staatsraad (verg. hierboven bl. 360 vv.) aanleiding om aan te nemen,
dat die schrapping op een misverstand berustte en op grond daar-
van leggen zij het tegenwoordig art. 474 uit, alsof de weggelaten
woorden er nog in stonden. Daarmede gaan zij m. i. de grenzen aan
den uitlegger van de wet gesteld te buiten. Ware van de weglating
-ocr page 424-
406 H00FD8T. IX. AFD. VI. HET VEEZKT DOOK DERDEN. TIT. I. HET MIDDEL.
der bedoelde woorden het gevolg, dat de bepaling geen zin had, ik
zou des uitleggers recht om haar langs den aangegeven weg den
meest met \'s wetgevers bedoeling overeenstemmenden zin te geven,
niet ontkennen ; maar nu dit niet het geval is, alleen op grond van
de kennelijke verwarring, welke er in de beraadslaging van den Staats-
raad heeft geheerscht, en omdat er niet nader over gesproken werd,
de uitlating der woorden aan misverstand toe te schrijven en die
als eigenlijk niet gewild te beschouwen, acht ik een niet toe te laten
willekeur des uitleggers. Te minder hier te dulden, omdat de weg-
lating dier woorden hare gereede verklaring vindt in de gelijktijdige
weglating van een tweede artikel onmiddellijk op het overgeblevene
volgende: „A 1\'égard des jugements, lors desquels la partie n\'a
pas du être appelée, elle ne pourra les attaquer qu\'en prou-
vant la collusion, la fraude ou Ie dol." Dat wilde m. a. w. ook dit
zeggen, dat in deze gevallen van verzet het geen vereischte was
dat de benadeelde had geroepen moeten worden. Maar zóó kon dit
niet gezegd worden, want het sprak wel van zelf, dat men iemand
er niet bijroept, ook niet in een geding, wanneer men bedoelt hem
te benadeelen. Wilde men nu in deze gevallen van bedrog het derde
verzet behouden, gelijk het geval was en er geen afzonderlijke bepa-
ling over maken, dan moest, met het vervallen van die afzonder-
lijke bepaling, ook de eisch „en co re qu\'ils eussent du 1\'être"
vervallen.
Dit verliest bijv. Chauveac uit het oog wanneer hij op eene door
Tissiek p. 207 en 208 met instemming aangehaalde plaats zegt:
„En relisant la discussion, on ne voit pas pourquoi M. Boulay a
tiré du rejet du second principe (art. 464) 1\'amendement du premier
(art. 463) car Ie second n\'avait aucune correlation avec Ie premier.
Dans 1\'un, j\'ai été condamné sans avoir été entendu; dans 1\'autre
j\'ai été représenté par un individu qui a fait servir la fraude et la
collusion a me dépouiller. Ces deux positions sont distinctes et
cependant on semblait les confondre." Zeker zijn de beide positiën
geheel verschillend. Nu was er blijkbaar verschil van gevoelen, of
het middel van derde verzet ook het middel zou zijn om de vernie-
tiging te bewerken van een vonnis dat door bedrog of samenspan-
ning was verkregen. Wilde men dit niet, wat de meening was van
Treilhard, dan moest om die reden art. 464, hetwelk het derde
verzet op bedrog toepasselijk maakte, vervallen. Wilde men het wèl,
wat de meening was van den Minister van Justitie, en het dus niet-
-ocr page 425-
§ 190. PERSONEN AAN WIK. GROND.
407
tegenstaande het vervallen van art. 464 behouden, dan moest het
daaronder kunnen begrepen worden, maar dan konden daarin de
woorden „encore qu\'ils eussent dü 1\'être" niet behouden blijven.
Men kan toch met geen mogelijkheid beweren dat hij die het slacht-
offer is van het te zijner benadeeling opgezet of gevoerd geding,
daarin zou hebben moeten geroepen geworden !
Nu kan men wel, lettende op het onderscheid ten aanzien van den
grond van het verzet, of nl. de benadeeling waarover de derde klaagt
eenig en alleen een feitelijk, niet door partijen gewild, gevolg van het
vonnis is, dan wel of het geding op die benadeeling was aangelegd, en
dan het eerste geval als oorspronkelijk tot het middel aanleiding gegeven
hebbende het eigenlijk, het tweede waartoe het verkeerdelijk werd
uitgebreid, het oneigenlijk derde verzet noemen, gelijk Tissier
dit doet t. a. p., maar wanneer men dan voor het eigenlijk derde
verzet als eisch stelt dat de derde niet geroepen is geweest, t e r-
wijl hij in het geding geroepen had moeten worden, en
voor het oneigenlijk derde verzet dien eisch laat vallen, dan gaat
men verder dan, met toepassing van het „qui bene distinguit bene
docet", de wet op te helderen en uit hare beginselen te verklaren.
Want men leidt uit eene op zich zelve misschien niet onjuiste on-
derscheiding gevolgtrekkingen af, die de wetgever niet heeft gewild
en die althans, noch in de bepaling, zooals hij haar vaststelde, noch
in het verband met andere, het karakter van het rechtsmiddel bepa-
lende voorschriften, hare rechtvaardiging vinden. M. a. w. : men leidt
niet alleen uit de wet een theorie of dogma af, maar maakt de wet
aan eene theorie ondergeschikt en maakt daaruit de beteekenis der wet
op. In geen geval mogen wij aannemen, dat ons art. 376, in hetwelk de
wetgever, art. 474 C. de pr., door aanvullingen heeft gemeend te verdui-
delijken, ook eeneaanvulling, als sommige fransche auteurs zich van het
fransche artikel veroorloven, toelaat. Zie nader over de onderscheiding in
eigenlijk en oneigenlijk verzet, hieronder bl. 416.
Mij dunkt dat deze argumenten voldoende zijn om het gevoelen
te verwerpen van Tissier, die het vereischte waarover wij spraken,
het „dü être appelé", voor het derde verzet, behalve in de gevallen
waarin het op grond van bedrog of collusie wordt aangewend, weder
op den voorgrond plaatst, p. 201 vv., met erkenning dat het aan-
vankelijk door gezaghebbende auteurs als Merlin, Carré, Proudhon
en Rauter verdedigd en door de vroegere jurisprudentie gesteund, door
de latere schrijvers en door de jurisprudentie van lateren tijd is
-ocr page 426-
408 HOOKDST. IX. AFD. VI. HKT VERZET DOOK DERDEN. TIT. I. HET MIDDEL.
verlaten geworden, zoodat Dalloz er van meent te mogen zeggen
dat het in vergetelheid is geraakt. Tegen hetgeen hierboven daar-
over gezegd werd kan niet afdoen dat het oude systeem r e d e 1 ij k e r
zou zijn. Tissier is nl. van oordeel dat met] het vereischte boven
bedoeld het middel binnen redelijke grenzen wordt beperkt, omdat
het anders zou zijn toegelaten aan allen die zouden hebben kunnen
tusschenkomen in het geding. Dan zou geen recht maar elk ernstig
belang de grond er van kunnen zijn. Dit argument kan evenwel
reeds daarom op mij geen indruk maken, omdat ik niet inzie dat
het systeem der wet daardoor reeds onredelijk zou verdienen te
heeten. Ten andere boezemt het mij geen vertrouwen in, omdat
daartoe al weder noodig wordt om met Tissier een onderscheiding
te maken tusschen „tiers admis a attaquer un jugement par voie
de tiercé opposition" en „penitus extranei qui doivent rester
en dehors de cette voie de recours". Ik wil zelfs bekennen dat die
vreemde qualificatie van „penitus extranei" mij toeschijnt als een
vreemde vlag, waaronder men verboden waar tracht in te smokkelen.
Maar bovendien komt het mij voor dat de zoo gevreesde en onrede-
lijk geachte uitbreiding van het middel van derde verzet van zelf
wordt gekeerd, wanneer niet uit het oog wordt verloren dat de derde
moet doen blijken van benadeeling in zijne rechten en dat
deze den grond van zijn verzet, moet uitmaken. Daaruit vloeit dan
m. i. voort, dat al zijn de tot tusschenkomst gerechtigden, zoolang
zij van dit middel geen gebruik hebben gemaakt, als derden te be-
schouwen en al blijven zij derden ten aanzien van het vonnis, wan-
neer zij van het middel geen gebruik maken, toch van het middel
van derde verzet zijn uitgesloten zij die niet anders hadden kunnen
doen dan zich in het proces voegen. Als zoodanig worden zij door
het vonnis in hunne rechten niet benadeeld. Het vonnis kan dit alleen
doen, wanneer het door samenspanning, opzet of door grof verzuim
in de verdediging werd verkregen (*).
Ik ben het geheel met Tissier eens wanneer hij beweert dat de
„intervention" van uitgebreider toepassing is dan de „tiercé oppo-
sition". Niet ten onrechte wijst hij ook op art. 466 van den C. de
(*) Ik heb mij hier gehouden aan de onderscheiding tusschen voeging en tusschenkomst zooals
ik die ontwikkelde Dl. III. bl. 34 vv. Het komt mij voor dat die onderscheiding op een min
juiste wijze werd toegepast in een geding in eersten aanleg gevoerd bij den Hoogen Raad en
beslist bij arrest van 6 Apiil 1894 VV. 6485. Men zie daarover mijn opstel iu Rechtsgeleerd
Magazijn XVI (1897), bl. 44.
-ocr page 427-
§ 190. PEESONEN AAN WIE; GKOND.                             409
pr., hetwelk de interventie in appèl alleen toeliet aan hen die recht
zouden kunnen hebben op tiercé opposition. Daarin ligt kennelijk de
gedachte des wetgevers om de interventie in appèl te beperken. Het
artikel heeft er niettemin schuld aan dat de fr. jurisprudentie om
de interventie te begunstigen en om ze in appèl te kunnen toelaten,
aan het derde verzet uitbreiding gaf. In dit alles geef ik Tissier
gelijk, maar hij zocht de beperking van het derde verzet, in tegen-
stelling van de interventie, daarin, dat hij aan het derde verzet den
m. i- niet te rechtvaardigen eisch ging stellen van het du. être
appel é, terwijl hij de beperking daarin had moeten vinden, dat
van het derde verzet uitgesloten zijn zij die hadden kunnen
tusschenkomen door zich te voegen. Hij was daartoe op den
goeden weg, toen hij (n°. 140) deze onderscheiding maakte, doch
hij liep dien goeden weg niet af door te blijven staan bij en de
onderscheiding alleen toe te passen op schuldeischers die in
processen, waarin hun schuldenaar betrokken is zich wel kunnen
voegen om bedrog te voorkomen, maar alleen in derde verzet
kunnen komen, wanneer het geding tot opzettelijke benadeeling hun-
ner rechten is gevoerd en deze benadeeling dan met en door het
vonnis kan worden ten uitvoer gebracht. Niet anders bepaalt dit
ook onze wetgever op het voorbeeld van den franschen bij de schei-
ding van goederen, waar den schuldeischers van den man het recht
van tusschenkomst onbeperkt wordt toegekend, het derde verzet alleen
als zij door middel van het vonnis in hunne rechten opzettelijk wor-
den benadeeld. Art. 247, 243 B. W.
In aansluiting aan de slotsom, welke ik met opzicht tot de per-
sonen welke tot het derde verzet al of niet gerechtigd zijn uit het
eerste gedeelte van art. 376 opmaakte (zie bl. 401) kan nu nog
worden vastgesteld : 1°. dat men om als derde te kunnen worden aange-
merkt niet door voeging of tusschenkomst \'t zij in persoon, \'t zij
wettelijk of krachtens overeenkomst vertegenwoordigd in het geding
moet zijn opgetreden; dat ook geen derde is hij die als rechtsop-
volger van eene gevoegde of tusschenkomende partij deze vertegen-
woordigde; 2°. dat daaruit niet volgt dat hij die zich had kunnen
voegen of tusschenkomen en dit niet deed, al is hij derde, tot derde
verzet bevoegd zou zijn, maar dat integendeel de verhouding van
hem die zich had kunnen voegen en dit niet gedaan heeft tot de
partij bij welke hij zich had kunnen voegen, van dien aard is dat
hij niet kan beweren door de uitspraak des rechters benadeeld te
-ocr page 428-
410 HOOFDST. IX. AED. VI. HET VEEZKT DOOR DERDEN. T1T. I. HET MIDDEIj.
zijn in zijn recht, al kan het vonnis en de voldoening, welke daar-
aan door de partij, bij welke hij zich had kunnen voegen, is gegeven,
den grond tot eene vordering tegen hem opleveren of eene vordering
welke hij anders had kunnen instellen doen te niet gaan. Bij Ocdkmas
I, 47 en dk Pinto II, 1, bl. 509, dit meen ik in \'t voorbijgaan te
moeten opmerken, wordt tusschen voeging en tusschenkomst geen
onderscheid gemaakt, maar in \'t algemeen het recht van derde verzet
toegekend aan hen die tot voeging of tusschenkomst zouden zijn ge-
rechtigd geweest; 3°. dat het overigens om derde te zijn voldoende
is dat iemand niet geroepen werd in het geding, maar dat ten on-
rechte wordt gevorderd dat hij geroepen had moeten worden. Dit
is ook het gevoelen van de Pinto II, 1. bl. 509.
En nu nog twee opmerkingen ten slotte:
Wanneer men een gedwongen tusschenkomst toegelaten acht,
dan spreekt het wel van zelf dat ook hij, die dientengevolge in het
proces opkwam, als tusschenkomende partij is opgetreden en dus
ook in een derde verzet niet ontvankelijk moet zijn. Dat uit de
redactie van art. 376 niet mag worden afgeleid, dat onze wetgever
die gedwongen tusschenkomst erkent, heb ik bij eene andere gelegenheid
trachten aan te wijzen. Rechtsg. Magazijn 1888 bl. 319, coll. 305
vv. Dit doet voor het derde verzet ook niet af. Alleen wensch ik
hier er nog bij te voegen, dat ik nog altijd van oordeel ben dat
die gedwongen tusschenkomst bij ons niet behoort toegelaten te
worden. Tissier heeft, in zijne meermalen in deze bladzijden door
mij aangehaalde monografie, over het derde verzet aan mijn verhan-
deling over de gedwongen tusschenkomst, die ook werd opgenomen
in Revue Critique de législation et de jurisprudence T. LV. (1888)
p. 463 vv., eene opzettelijke behandeling gewijd, waar hij in een
„appendice" op het hoofdstuk: „de ceux qui peuvent faire tiercé
opposition", handelt: de 1\'assignation en déclaration de jugement
commun" p. 229—239. Hij is het met mij eens dat de gronden,
die door de fransche schrijvers tot rechtvaardiging der instelling
plegen aangevoerd te worden, geen steek houden, Toch neemt hij
de instelling in bescherming, mits men haar beperke binnen engere
grenzen dan wel geschiedt. Gelijk hij de „tiercé opposition" wil
beperken tot hen die niet geroepen geweest zijn, doch geroepen
hadden moeten worden, zoo wil hij de „intervention forcée" alleen
hebben toegepast tegen hen die evenals de gedaagde het recht des
eischers in den weg staan. Dan krijgt echter die gedwongen tus-
-ocr page 429-
§ 190. PKRSONKN AAN WIE; GROND.                              411
schenkomst een geheel ander aanzien. Men maakt den derde dien
men dus in het proces roept, tot medegedaagde. Hij wordt niet tot
handhaving van een recht, maar tot een verdediging van den toestand
waarin hij zich, in strijd met een door een ander beweerd recht,
bevindt, opgeroepen Eene schending van het „nemo invitus agere"
ligt daarin niet. Verg. mijne verhandeling in Rechtsg. Magazijn 1888
bl. 589 en de noot.
Eene tweede opmerking betreft den opgeroepene in vrijwaring.
Ook hij, die als zoodanig optrad zonder zich in het geding te voegen
naar aanleiding van art. 72 B. R., kan tegen het op de hoofdzaak
gewezen vonnis niet in derde verzet komen. Wel was hij strikt
genomen geen partij in dat geding, maar hij had zich kunnen voe-
gen en de verhouding welke daarbij tusschen hem en de partij bij
welke hij zich had kunnen voegen wordt verondersteld, maakt hem,
volgens hetgeen ik hierboven betoogde, tot derde verzet onbevoegd.
Zij die dit gevoelen niet deelen, zullen hem toch wel evenmin tot
het derde verzet toelaten, omdat hij door zich niet te voegen, niet-
tegenstaande hij aan de oproeping in vrijwaring voldeed, duidelijk
genoeg te kennen gaf dat het tusschen de hoofdpartijen gevoerd
geding hem niet aanging, zoodat hij dan ook niet kan beweren door
dat vonnis in zijne rechten te zijn benadeeld.
Art. 376 geeft aan derden de bevoegdheid om zich te verzetten
tegen een vonnis tusschen andere partijen gewezen, indien dit
hunne rechten benadeelt. Blijft men vasthouden aan de be-
trekkelijke kracht van het gewijsde, gelijk behoort, dan staat het
meteen vast, dat de benadeeling van het recht van een derde, die
geen partij is geweest in het geding en die daarin ook niet door
een rechtsvoorganger vertegenwoordigd is geweest, niet daarin kan
bestaan, dat hij door het vonnis van zijn recht, indien dit althans
een van een ander recht geheel onafhankelijk bestaan heeft, verstoken
zou worden, daar toch over zijn recht geen uitspraak is gedaan; dat
recht zelf heeft niet het voorwerp van eene tusschen anderen gegeven
beslissing kunnen uitmaken. Evenmin kan de benadeeling daarvan het
gevolg wezen dat het vonnis hem eene verplichting zou opleggen,
tenzij deze van de erkenning van eene andere verbintenis afhankelijk
mocht zijn. Want de gedingvoerende partijen hebben over het ver-
mogen van een derde geen beschikking en kunnen dan ook niet doen
beslissen of een derde al of niet verbonden zal zijn.
-ocr page 430-
412 HOOFDST. IX. AÏD. VI. HET VERZET DOOK DERDEN. TIÏ. I. HET MIDDEL.
Toch moet het vonnis de rechten van den derde benadeelen. Dit
kan, zonder eenigszins aan de betrekkelijke kracht van het gewijsde
te kort te doen, dan plaats hebben, wanneer het vonnis tot middel
dient om op eene onrechtmatige wijze over het recht van een
derde te beschikken. A] zijn partijen onbevoegd om derden door
hunne overeenkomsten te benadeelen, zij hebben daartoe de gelegen-
heid, wat art. 1377 B. W. onderstelt, en de door hen of een van
hen onrechtmatig benadeelde schuldeischers zullen die benadeeling
lijden, indien zij niet met goed gevolg het middel aanwenden dat
de wetgever hen bij hetzelfde artikel geeft om de handeling van
partijen te bestrijden. Behalve door een overeenkomst kunnen partijen
of een hunner een dergelijke benadeeling van de rechten hunner
schuldeischers tot stand brengen door een vonnis van den rechter
uit te lokken om eene handeling, als meer bepaaldelijk in art. 1377
bedoeld, te doen erkennen of ook door zich tot uitkeeringen uit hun
vermogen jegens opgemaakte rechthebbenden te laten veroordeelen.
Al verwerpt men terecht het denkbeeld om in wat men de litis
constestatie noemt eene stilzwijgende of gefingeerde overeenkomst te
zien (zie Dl. II, bl. 129), hier is in de handeling der partijen het
karakter van eene overeenkomst niet te miskennen. Wordt nu het
derde verzet hier een vorm voor de zg. Pauliana, ik meen dat dan ook
hier het daarbij te leveren bewijs van de in art. 1377 voorkomende
onderscheiding afhankelijk is. Ik kan mij ten aanzien van dit punt
niet vereenigen met Tissier n<>. 144 noch met Garsonnet § 1172,
die, zonder te onderscheiden, aannemen dat de derde alleen
het opzet des schuldenaars, niet ook dat van de andere partij heeft
te bewijzen. Garsonnet heeft een peremtoir bezwaar tegen de
regeling van het bewijs zooals die bij de Pauliana plaats heeft, ofschoon
hij erkent dat wij hier met eene toepassing van de Pauliana te doen
hebben. Dat bezwaar bestaat hierin, dat de gedingvoerende partij, al
weet zij dat de schuldenaar tegenpartij, ter opzettelijke verkorting
der rechten van de schuldeischers in den eisch berust of van perem-
toire verweermiddelen afstand doet, zij daar niets tegen doen kan
en dat de rechter hem wel veroordeelen moet. En hij besluit dat
men het derde verzet onmogelijk zou maken door van den derde het
bewijs te vorderen van eene verstandhouding die niet zou kunnen
bestaan. Ik zie de peremtoire kracht van dit argument niet in. Ik
zou althans willen onderscheiden. Wanneer bij het vonnis uitspraak
wordt gedaan over eene overeenkomst ter opzettelijke verkorting van
-ocr page 431-
§ 190. PERSONEN AAN WIE; GROND.                           413
de rechten der schuldeischers aangegaan en het vonnis deze hande-
Hng komt bevestigen door hare verbindende kracht te erkennen, dan
ligt de grond van het derde verzet in die bevestiging van de opzet-
telijke benadeeling, en dan zal, dunkt mij, evenals bij de Pauliana,
het opzet, de wetenschap ten aanzien van beide of van eene dei-
partijen, moeten worden bewezen volgens de bij de Pauliana aange-
nomen onderscheiding (art. 1377 B. W. art. 42, 44 faill. wet) en
kan daartegen niet het minste bezwaar bestaan. Moet evenwel het
proces het middel zijn niet om een gepleegde handeling te bevestigen,
maar juist om door te berusten in eene vordering of afstand te
doen van een verweermiddel de benadeeling te plegen, dan zeg ik
niet met (Iarsonnkt, dat we daarbij te doen hebben met een han-
deling onder bezwarenden titel, waartoe al deze vonnissen zonder
onderscheid volgens hem zouden te brengen zijn, „car Ie tribunal
qui reconnait les droits d\'une personne ne lui fait pas une donation,
Ie contrat judiciaire en exécution duquel Ie jugement est rendu est.
a titre onéreux". Veeleer ben ik van oordeel, dat wij te doen hebben
met eene handeling die om niet heeft plaats gehad of is althans de
partij die van der andere handeling profiteerde in geheel analogen
toestand aan dien van een verkrijger om niet; en ook geldt hier
dezelfde reden als bij de regeling van de Pauliana in art. 1377, dat
het bewijs van opzet of medeweten tegen hem niet behoeft geleverd
te worden, omdat \'t bij hem niet, als bij den verkrijger onder bezwa-
renden titel, om \'t ontgaan van een nadeel te doen is. Te dien
opzichte ben ik het eens met Tissier n°. 144, maar ik verschil
van dezen in gevoelen dat dit altijd het geval zou zijn, zoodat
men geen onderscheid zou moeten maken voor het eerste door mij
genoemde geval, dat nl. het geding strekte om eene ter opzettelijke
benadeeling vereischte handeling onder bezwarenden titel te doen
erkennen. Bij art. 31 der faill. wet wordt echter, bij eene benadeeling van de
schuldeischers door processueele handelingen, als daar is \'t niet gebruik
maken van verweermiddelen, de wetenschap bij beide partijen vereischt.
Verder behooren tot deze categorie van gevallen, waarin het
derde verzet kan worden aangewend, de zoodanige waarin eene partij
door samenspanning, opzet of grof verzuim in de verdediging hare
eigene veroordeeling veroorzaakte en met het prijsgeven van het
eigen recht een derde aansprakelijk maakte, daar de verplichting
van dezen derde van die der partij afhankelijk was. Deze laakbare
handeling is zeker als eene onrechtmatige daad te beschouwen, door
-ocr page 432-
414 HOOFDST. IX. AFD. VI. HET VERZKT DOOK DEKDEN. TIT. I. HET MIDDEL.
welke schade is toegebracht te verhalen op hem die door zijne schuld
de schade veroorzaakte. De nu benadeelde partij had zich kunnen
voegen. Deed zij dit niet en heeft de partij in het geding zich be-
hoorlijk verdedigd, althans niets gedaan of verzuimd, waaruit tot, een
grof verzuim in de verdediging kan worden besloten, dan kan zij op
het middel van derde verzet geen aanspraak maken, want de ge-
volgen van het vonnis zijn \'t natuurlijk gevolg van de rechts-
betrekking waarin zij geplaatst was. Maar wordt het vonnis een
gevolg van de onrechtmatige handeling der partij, dan moet
hier het middel van derde verzet, even goed als aan de benadeelde
schuldeischers, toekomen.
Reeds vroeger merkte ik op dat het middel van derde verzet voor
al deze gevallen niet is uitgevonden. Dat het er op is toegepast
is minder te verwonderen, omdat de benadeelende handeling ten
slotte met behulp van een vonnis haar beslag kreeg en het nadeel
aan de rechten van derden berokkend dientengevolge als het gevolg
van een vonnis kon worden aangemerkt. Het kon nu een uitnemend
middel schijnen om aan de partijen die tot de benadeelende hande-
ling hadden mede- of samengewerkt het wapen uit de hand te slaan,
dat zij zouden kunnen vinden in een vonnis, waaraan zij verplicht
waren te gehoorzamen, van welke gehoorzaamheid een derde hen
niet zou kunnen ontslaan. Want mocht het al naar rechte duidelijk
zijn dat een vonnis niet zou mogen dekken eene onrechtmatige
handeling waardoor derden worden benadeeld, alle gezag, hetwelk zulk
een vonnis kon schijnen te hebben, wordt verbroken, wanneer een middel
wordt toegekend om het te vernietigen en daartoe leende zich het
middel van derde verzet.
Wij hebben gelegenheid gehad te zien, hoe aanvankelijk de fran-
sehe wetgever opzettelijk benadeelende handelingen met zoovele woor-
den als grond voor de tiercé opposition vermeldde en die bepaling
alleen deed vervallen, toen hij voor het middel niet meer den eisch
stelde dat de derde zou hebben moeten geroepen worden in het
geding. Bovendien wordt juist in de weinige gevallen, waar de wet
uitdrukkelijk een verzet door derden toestaat, van een aan schuld-
eischers toekomend derde verzet gewag gemaakt. Op het voorbeeld
van den C. C, art. 1447, wordt immers in art. 247 B. W. aan de
schuldeischers van den man, die niet in het geding tot scheiding
van goederen zijn tusschenbeide gekomen, de bevoegdheid gegeven
om zich tegen de scheiding te verzetten, al ware zij reeds ten uit-
-ocr page 433-
415
190. PERSONEN AAN WIE; GROND.
voer gelegd, indien hunne rechten daardoor opzettelijk mochten ver-
kort zijn. Deze bepaling geeft in verband met het vroeger gezegde
nog aanleiding tot enkele opmerkingen. Dat de schuldeischers niet
in het geding moeten zijn tusschenbeide gekomen is geheel in over-
eenstemming met hetgeen art 376 bepaalt. Dan toch waren zij par-
tijen geweest in het geding en kunnen ten aanzien van het vonnis
geen derden genoemd worden. Maar het wordt den schuldeischers
ook alleen gegeven indien hunne rechten opzettelijk verkort
mochten zijn. Wanneer do schuldeischers zich nu alleen hadden
kunnen voegen, welken bijzonderen vorm van de tusschenkomst art.
243 in verband met art. 1447 C. C. den schuldeischers zeker ook
toekent, dan kan van derde verzet tegen het vonnis geen sprake
zijn. Ik vind daarin eene bevestiging van mijn gevoelen dat, terwijl
het gebruik maken van voeging zoo goed als van tusschenkomst
derde verzet uitsluit, het niet gebruik maken van de tusschenkomst,
in den beperkten zin van het woord, het middel van derde verzet
vrijlaat, het niet gebruik maken van voeging daarentegen geen voor-
behoud van derde verzet medebrengt, maar dit integendeel doet ver-
liezen. Waar men het eigen recht in een tusschen anderen gevoerd
wordend geding alleen kan besehermen door een ander in de verde-
diging van zijn recht te helpen, d. i. zich te voegen, daar blijkt dat
recht onder den invloed van eens anders recht te staan, zijn bestaan
daarvan afhankelijk te wezen. Dan valt het ook met dat recht van
den ander, en het nadeel dat het vonnis voor den derde ten gevolge
heeft is niet aan het vonnis maar aan den eigen toestand van dat
recht te danken. Kan aan het vonnis het nadeel niet worden gewe-
ten, dan ook geen verzet tegen dat vonnis aan een derde, die alleen
ondervindt het noodzakelijk en natuurlijk gevolg van zijn recht.
Eene laatste opmerking is nog deze. Moge het rechtsmiddel van derde
verzet in deze gevallen formeel tegen het vonnis worden gericht, in
werkelijkheid betreft het de handeling welke door het vonnis gedekt
wordt. Duidelijker nog dan in art. 247 B. W. komt dit uit in art.
1447 C. C. „Les créanciers du mari peuvent se pourvoir contre la
séparation de biens prononcée et mêmes exécutée en fraude de leurs
droits". Het vonnis werd door eene bedriegelijke handeling uitge-
lokt, maar daarom dekt dan ook het gezag des rechters de bedrie-
gelijke handeling niet. Intusschen kan ook, al werd het vonnis
niet met bedriegelijk opzet verkregen, toch de scheiding tot bena-
deeling der schuldeischers hebben plaats gehad. In dit geval valt de
-ocr page 434-
416 HOOFDST. IX. AKD. VI. HET VERZET DOOR DERDEN. TIT. I. HET MIDDEL.
scheiding geheel onder de bepaling van art. 1377 B. W. Men ver-
gelijke hier voorts, wat ik hierboven, bij de bespreking van de vragen
of hoofdelijke medeschuldeischers, hoofdelijke medeschuldenaren, borgen
en gerechtigden tot ondeelbare verbintenissen, als derden, tot derde
verzet gerechtigd zouden zijn, heb opgemerkt, bl. 391 v. Omtrent
het bewijs van het nadeel valt hier niets bijzonders te zeggen; waar
de onrechtmatigheid of de bedriegelijkheid der handeling, zooals de
wetgever het uitdrukt, te bewijzen is, komt voor het bewijs door
vermoedens de bijzondere bepaling van art. 1959 B. W. te stade.
Ofschoon het in de nu besproken gevallen het duidelijkst uitkomt,
hoe het vonnis de rechten van een derde benadeelen kan zonder dat
eenigszins aan de betrekkelijke kracht van het gewijsde te kort ge-
daan wordt, bestaat er toch wel eenige aanleiding om het in die
gevallen toegekende middel van derde verzet het oneigenlijk
derde verzet te noemen. Ik bedoel dit namelijk in dezen zin dat,
gelijk ik straks opmerkte, bij de bedoelde gevallen het derde verzet
in den grond der zaak niet tegen het vonnis, maar tegen de daar-
door gedekte onrechtmatige handelingen is gericht. Een gevolg daar-
van is dat, om het nadeel van die handelingen als ze door een
vonnis gedekt zijn op te hefifen, van het middel van derde verzet tegen
zoodanig vonnis gebruik gemaakt moet worden, terwijl in de nog te
bespreken gevallen van wat men dan het e i g e n 1 ij k derde verzet
zou moeten noemen, ook langs anderen weg, het van het vonnis ge-
vreesde nadeel kan worden opgeheven. Ik ben het in dit opzicht
eens met Tissier en geloof met hem, in strijd met een door hem
n°. 54 besproken arrest van het Hof van Cassatie, dat de schuld-
eischer, die de onrechtmatige handelingen bestrijden wil, tegen het
vonnis dat ze bevestigde en niet tegen de handelingen op zich zelve
moet opkomen. Niet omdat de schuldenaar zijne schuldeischers in
het geding zou hebben vertegenwoordigd en daarom de tegen hem
gewezen vonnissen aan zijne schuldeischers kunnen worden tegen-
geworpen, maar omdat de schuldenaar, niettegenstaande zijne schul-
den, de beschikking over zijn vermogen behield, en nu over die
handelingen procedeerende gehoorzaamheid aan de daarover gewezen
vonnissen verschuldigd is. De schuldeischers kunnen derhalve de
voldoening aan die vonnissen en de tenuitvoerlegging daarvan niet
voorkomen zonder die vonnissen te hebben uit den weg geruimd.
Toch vind ik daarin voor de onderscheiding tusschen eigenlijk
-ocr page 435-
§ 190. PERSONEN AAN WIE; GROND.                             417
en oneigenlijk derde verzet geen voldoenden grond en zou ik
niet verder willen gaan dan eenvoudig twee categoriën van gevallen,
waarin het derde verzet te pas kan komen, te onderscheiden. Dit
komt mij voor alleen in overeenstemming te zijn met de wet en met
de aangegeven punten van verschil bij de geheele onderscheiding
aangewezen. Ik kan mij volstrekt niet vereenigen met Tissikr wan-
neer hij ook het onderscheid in toepassing brengt bij de p e r s o n e n
aan welke het middel toekomt. Ik laat nu daar het onderscheid door
hem gemaakt tusschen eigenlijk en en oneigenlijk verzet door derden,
daarin bestaande, dat tot het eerste alleen toegelaten kunnen worden
zij die in het geding geroepen hadden moeten zijn, wat natuurlijk
in de gevallen dat het derde verzet tegen onrechtmatige handelingen
gericht is, in \'t geheel niet kan aangenomen worden. Ik heb daarom-
trent reeds hierboven het mijne gezegd en vind zelfs een argument
tegen het stellen van dit vereischte bij het zg. eigenlijk derde verzet
daarin dat het bij \'t oneigenlijk niet kan opgaan.
Maar bovendien, — en daarmede komt Tissikr tot het besluit, dat,
wat aangaat de personen die bevoegd zijn tot derde verzet het bij
de oneigenlijke juist andersom is als bij de eigenlijke — beweert hij
dat, bij het oneigenlijke, de derde moet bewijzen dat hij is a y a n t-
c a u s e van een der partijen en dus door haar vertegenwoordigd
in het geding. Zoo beschouwt hij de schuldeischers die tegen be-
driegelijke verkorting hunner rechten opkomen als in \'t geding over
die handelingen door den schuldenaar vertegenwoordigd en toch
bevoegd om als derde op te treden. „Le dol ou la fraude sont les
circonstances qui empêchent de leur faire subir les actes de leur
représentant, et, si 1\'existence en est démontrée par 1\'exercice de la
tiercé opposition, les placent pour un instant dans la situation des
tiers, celui dont elles sont ayants-cause n\'ayant eu mission de les
représenter qu\'a la condition d\'agir de bonne foi." Ik geloof niets
van die vertegenwoordiging. Noch de schuldenaar kan gezegd wor-
den den schuldeischer te hebben vertegenwoordigd en evenmin kan
men beweren, waarop het dan toch vóór alles zou aankomen, dat van de
schuldeischers, die als derden hier opkomen, zou kunnen gezegd
worden dat degene dien zij vertegenwoordigen in het
geding partij zou zijn geweest. Dat „voor een oogenblik optreden"
als derde is ook zonderling, en zou ongeloofelijk schijnen als \'t niet
uitgevonden moest worden om de vertegenwoordiging van de schuld-
eischers door den schuldenaar in \'t algemeen vol te kunnen houden,
v.
                                                                                                    27
-ocr page 436-
418 HOOFDST. IX. APD. VI. HF.T VERZET DOOK DERDEN. TIT. I. HET MIDDELi.
Ik heb bij de bespreking van de personen aan wie het derde
verzet toekomt meerdere aangewezen die, ofschoon zij niet gezegd
kunnen worden vertegenwoordigers te zijn van een der in het geding
opgetreden partijen en op dien grond van het derde verzet niet
zouden zijn uitgesloten, toch daarin alleen zouden kunnen triomfee-
ren, wanneer zij bewijzen, dat er bij eene der partijen ter bevoordee-
ling van de andere partij en tot hunne benadeeling, van rechts-
middelen is afgezien of in de vordering zonder behoorlijke verdediging
is berust, maar dat het hun niet kan volgen eenvoudig op grond
daarvan dat zij de gevolgen van het vonnis ondervinden, wanneer
die gevolgen namelijk niet dan een uitvloeisel zijn van de rechts-
betrekking waarin zij staan aan deze uitteraard eigen, inhaerent, is.
Zoo zullen, wanneer een der hoofdelijke schuldeischers tegen den
schuldenaar heeft geprocedeerd, de andere het nadeelig gevolg van
het vonnis alleen dan niet behoeven te lijden, wanneer zij door de
wijze waarop door hun medeschuldeischer geprocedeerd werd zijn
benadeeld geworden. Tissier schijnt te meenen, dat het dan even
goed is alsof men hun zonder beperking het middel van derde verzet
toekende, omdat zij toch wel altijd zullen beweren dat de mede-
schuldeischer door zijn verzuim in het voeren van \'t geding den
nadeeligen uitslag van het vonnis heeft veroorzaakt. Maar het is
geheel iets anders, of zij zullen hebben te beweren en te bewijzen,
dat de medeschuldeischer een laakbaar verzuim pleegde of dat \'t
voldoende is aan te toonen, dat er nog een of andere grond had
kunnen worden aangevoerd om een anderen uitslag aan de zaak te
doen geven. Met andere woorden, de benadeeling welke de niet
aan \'t proces deelgenomen hebbende schuldeischer beweert te lijden,
moet het gevolg zijn van eene onrechtmatige daad van den schuld-
eischer die het geding voerde. Is deze niet te bewijzen, dan moet hij
de gevolgen van het vonnis aannemen zooals dit tegen de ge-
dingvoerende partij is gewezen. Als derde is hij niet te weren,
maar de benadeeling moet een bijzonderen grond hebben. Zie hier-
boven bl. 391. Hetzelfde geldt voor een vonnis tegen een der hoof-
delijke schuldenaren en voor een vonnis tusschen schuldeischer en
hoofdschuldenaar gewezen ten aanzien van den borg. Als die hoof-
delijke schuldenaar en die borg geen bijzonderen grond voor hunne
benadeeling kunnen aanvoeren, zal het verzet dat zij als derden
hebben hun niet baten. Zie hierboven bl. 394 en 395. Niet andeis is
het met de ondeelbare verbintenissen. Zie bl. 397. Ook de legataris
-ocr page 437-
§ 190. PERSONEN AAN WIK; GROND.                               419
is derde in het geding tusschen de erfgenamen over de geldigheid
van het testament gewezen, maar wanneer hij dientengevolge zich
van zijn legaat verstoken ziet, dan wordt dit nadeel hem niet door
het vonnis als zoodanig berokkend, maar het vloeit eenvoudig daar-
uit voort dat zijn recht afhankelijk is van dat des testamentairen
erfgenaams en dientengevolge met diens recht staat en valt. En nu
moet het ook vallen als des erfgenaams recht door een vonnis op-
houdt te bestaan. Alweder dus een derde die niet kan worden toe-
gelaten met het beweren van door het vonnis nadeel te hebben
geleden. Zie bl. 398.
Wij hebben hier nu nog alleen, buiten de gevallen van bedrog,
enz. op gevallen gewezen waarin geen e benadeeling kan in aanmer-
king komen, maar wanneer zal dit dan wèl het geval kunnen zijn ?
Alle gevallen a priori te behandelen of alleen maar aan te wijzen,
ware ondoenlijk. Doch de bespreking van enkele, die reeds bij de
aanwijzing van de personen aan wien het middel toekomt ons bezig
hielden, moge tot toelichting voldoende zijn.
Het is nauwelijks te betwijfelen of derde is de rechtsopvolger
onder bijzonderen titel wiens rechtsvoorganger een geding bleef voe-
ren, en daardoor beschikte over een goed dat hem niet meer toe-
behoorde. Werd nu het vonnis in zijn nadeel uitgewezen, het zou
dien rechtsopvolger juist omdat hij derde is en het derhalve tus-
schen andere partijen gevoerd werd, niet aangaan. Hoe kan hij dan
beweren door dat vonnis in zijne rechten benadeeld te zijn ? Is de
rechtsopvolger werkelijk eigenaar van het goed geworden, dan zal
hij immers zijn recht ook tegenover de bij \'t vonnis in het gelijk
gestelde partij kunnen handhaven! Toch is het vonnis in strijd met
het door hem beweerde recht en wordt althans de onmiddellijke
uitoefening daarvan hem door het vonnis onthouden. Nu moge in
abstracto voor hem het verzet tegen het vonnis een middel zijn dat
hij kon missen, wanneer hij begrijpt dat het hem op meer geschikte
wijze tot zijn recht zal helpen, kan hij het aanwenden. Hem mag
niet worden tegengeworpen: het vonnis gaat u niet aan; hij ant-
woordt: bij het vonnis wordt eene beslissing gegeven betreffende
eene zaak waarop mij een uitsluitend recht toekomt en, als ik dit
bewijs, kan het ten behoeve van de in het gelijk gestelde partij geen
stand houden te mijnen nadeele. Dat beoogt juist het derde verzet.
Vooral nu ook in een geval als wij hier bespreken de schorsing van
-ocr page 438-
420 HOOFDST. IX. AFD. VI. HKT VERZET DOOR DERDEN. TIT. I HET MIDDEL.
het aangevallen vonnis kan worden bevolen (art. 379 anders 478 C.
de pr.), kan de derde meer baat vinden in het derde verzet dan in
eene eenvoudige revindicatie, waarbij hij, om het gebruik van het
goed door den bij \'t vonnis in \'t gelijk gestelden eischer te voor-
komen, nog tot sequestratie zijn toevlucht zou moeten nemen. Maar
zelfs, al wordt de uitvoering van het vonnis niet geschorst door den
rechter, kan nog het derde verzet hem aannemelijker voorkomen,
omdat dan toch, bij verbetering van het vonnis, de derde in dien
toestand zal moeten worden geplaatst waarin hij zou geweest zijn
indien onmiddellijk op den door hem ingestelden eisch werd recht
gedaan en de uitvoering aan het vonnis desniettemin gegeven mag
hem dus geen nadeel toebrengen. Het gezegde is toepasselijk in
het algemeen op het geval, waarin een derde beweert eigenaar te
zijn van een onroerend goed dat, bij een vonnis gewezen in een tus-
schen andere partijen buiten hem om gevoerd geding, aan een dier
partijen is toegewezen. Min juist zegt echter Garsonnet, III § 466
n\' 1 p. 243, in verband met V § 1166 p. 759 sub 2"., van
de vonnissen die over den eigendom van eene zaak beslissen: „lis
n\'ont pas 1\'autorité de la chose jugée a 1\'égard des tiers et qui-
conque n\'y a pas été partie est admis a prouver qu\'ils ont déclaré
propriétaire une personne qui ne 1\'est pas, mais ils font foi de leur
existence même erga omneset ceux qui les obtiennent peuvent
s\'en prévaloir même a 1\'égard de ceux qui n\'y ont pas été parties,
a moins que ceux-ci n\'en prouvent la fausseté en s\'inscrivant en
faux, n\'en démontrent Ie mal jugé en les contestant au fond ou en
invoquant a 1\'encontre une possession suffisante pour conduire a la
préscription." Wanneer hij althans t. a. p. § 1166 dit toepast op
een derde die beweert eigenaar te zijn, zoodat deze bij een verzet
door derden het een of het ander dier beweringen zou kunnen voe-
ren om daarin te slagen, dan kan ik dat niet toestemmen. Het
moge al waar zijn dat de vonnissen, evenals de authentieke akten,
tegenover derden volkomen bewijs opleveren van het feit dat de
daarin vervatte uitspraak is gegeven, ook zal hij die bij het vonnis
erkend werd eigenaar te zijn, al is hij dit slechts verklaard tegen-
over de partij in het geding, in het vonnis een afdoenden grond
vinden om zich ook tegenover derden als eigenaar te gedragen en
zal hij moeten wijken voor hem die eenvoudig die hoedanigheid be-
twist, wanneer deze de ongeldigheid van den titel bewijst dien het
vonnis hem verschaft. Maar wanneer de derde tegen het vonnis
-ocr page 439-
§ 190. PEBSONEN AAN WIK; GROND.                             421
opkomt omdat hij zelf beweert eigenaar te zijn, dan komt het voor
hem die bij dat vonnis als eigenaar tegenover een ander werd erkend
niet te pas om zich op dat vonnis te beroepen en de derde zal tot
het bewijs van de ongeldigheid van dat vonnis of het mal jugé
niet worden toegelaten. Want hij heeft het bewijs te leveren dat
hem de zaak toekomt. Wat Garsonnet V, p. 749 sub 3°. van den
verhuurder zegt dat het vonnis, waarbij een derde zich in een geding
tegen den huurder, buiten den verhuurder om, tot eigenaar der ver-
huurde zaak werd verklaard, dat dit vonnis aan den verhuurder niet
kan tegengeworpen worden als gewijsde over den eigendom is volko-
men juist, maar waarom dit anders zou zijn in het straks besproken
geval is mij niet duidelijk.
De verhuurder, wiens onroerend goed in een tegen den huurder,
buiten hem om, gevoerd geding aan een derde in eigendom is toe-
gewezen, verliest daardoor den eigendom niet. De uitwinner is door
dat vonnis alleen tegenover den huurder als eigenaar erkend en de
verhuurder-eigenaar behoudt alzoo de hem toekomende revindicatie.
Ten aanzien van het vonnis is hij derde en als zoodanig tot derde
verzet tegen het vonnis gerechtigd. Welk nadeel berokkent hem
dat vonnis, dat hij door het derde verzet hersteld zou kunnen krij-
gen ? De huurder wordt door het vonnis verplicht de zaak aan den
uitwinner uit te keeren. Hij houdt alzoo de zaak vanaf het vonnis
voor dien uitwinner. Maar dan is daardoor ook de verhuurder ge-
stoord in het bezit dat hij tot dusver door den huurder uitoefende.
De verhuurder kan alzoo zoowel, wegens uitgebreide stoornis in zijn
bezit, met eene bezitsactie als met eene revindicatie zijn recht hand-
haven. Doet hij dit nadat het vonnis is uitgevoerd en de huurder
de zaak voor den uitwinner heeft ontruimd, dan heeft hij met het
tusschen anderen gewezen vonnis niet te maken; doet hij het even-
wel vóór dien tijd, dan kan hij met het derde verzet en dit gron-
dende op zijn recht van bezit of op zijn recht van eigendom, het
vonnis doen vernietigen om den huurder te doen ontheffen van de
hem daarbij opgelegde verplichting om de zaak aan een ander uit
te keeren. Langs dezen weg zal de verhuurder ook feitelijk de
tusschen hem en den huurder bestaande betrekking kunnen hand-
haven. Dit schijnt ook de meening te zijn van Garsonnet V, p.
749 i. f. als hij zegt: „Primus a loué a Secundus une maison dont
Tertius se dit et se fait déclarer propriétaire : s\'il s\'en fait mettre
en possession, Primus, a qui ce jugement n\'est pas opposable en
-ocr page 440-
422 HOUEDST. IX. AFD. VI. HKT VERZET DOOR DERDEN. T1T. I. HET MIDDEL.
tant que chose jugée sur la propriété, devra revendiquer contre
Tertius et assumer ainsi la charge de la preuve au lieu qu\'en for-
mant tiercé opposition il pourra faire ordonner que Secundus restera
provisoirement dans les Heux et continuera a posséder pour son
compte." Het is wel de vraag, of de fransche Code, die in art. 478
de schorsing van het vonnis in een geval als dit schijnt te verbie-
den, daarmede overeen te brengen is. Maar om op grond ook van
die omstandigheid het derde verzet te beschouwen als een middel
in de hand des verhuurders om het uitgevoerde vonnis te doen ver-
nietigen en langs dien weg de zaak te doen terugbrengen in handen
van den verhuurder, zooals Boitakd en CoLMET-ÜAaGE beweren, dit
blijf ik onjuist achten, gelijk ik in mijne verhandeling in Rechtsg.
Magazijn 1888, bl. 591, meen aangetoond te hebben. Ook Glasson
heeft in zijne uitgave van BuiTARD-CuLMET-DAauE op deze hunne
meening recht gedaan. Zie Tissier p. 90.
De niet in vr ij waring geroepen verkooper heeft de ge-
legenheid gemist om den kooper in het geding tegen den de ver-
kochte zaak uitwinnenden eischer te steunen. Hij had dan zijne
voeging zelfs zóóver mogen uitstrekken dat hij de zaak van den
kooper overnam. Hem kan natuurlijk niet worden tegengeworpen:
gij hadt de bevoegdheid u te voegen, nu gij dit niet deedt kunt gij
niet in derde verzet komen, want uwe verplichting om den kooper
te vrijwaren krijgt haar beslag door diens veroordeeling om de zaak
uit te keeren. Immers moest de kooper aan den verkooper de gelegen-
heid verschaffen om zich te voegen door hem in vrijwaring op te
roepen. En welken invloed heeft nu het vonnis op des verkoopers
verplichting tot vrijwaring? De verplichting ter zake van uitwinning
houdt op, indien de verkooper bewijst dat er genoegzame gronden
aanwezig waren om den eisch te doen ontzeggen (art. 1539 B. W.).
Is dan de verkooper juist door het vonnis niet in voordeeliger toe-
stand gekomen, bezorgt het hem niet ontslag van zijne verplichting
tot vrijwaring ? Meer in naam dan inderdaad! Want hij moet daar-
toe bewijzen te hebben kunnen doen, wat hij, in het geding tot uit-
winning geroepen, had moeten doen. Hij is dus zoo ongeveer in
dezelfde positie gebleven. Zou hij evenwel niet kunnen beweren ten
aanzien van zijne verplichting tot vrijwaring in eenigszins slechter
conditie te zijn gekomen ? En als dit het geval is, zal \'t natuurlijk
niet afdoen dat de wet in art. 376 spreekt van benadeeling in
zijne rechten, terwijl hier eene verzwaring van een verplichting
-ocr page 441-
§ 190. PEESONEN AAN WIE J GROND.
423
zou zijn. Daartoe is die uitdrukking: „benadeeling in zijne rechten"
waarlijk algemeen genoeg. Zal hij dan niet in slechter toestand kunnen
komen, nu hij het bewijs dat hij beweert te hebben niet in \'t geding heeft
kunnen aanvoeren, en het den kooper zal vrijstaan, door zijn \'eisch
tot vrijwaring zoolang mogelijk uit te stellen, hem het bewijs moei-
lijker te maken? Dit zou inderdaad een afdoende reden zijn om
hem tot derde verzet tegen het vonnis toe te laten. Maar er is eene
andere reden, waarom hij zijn doel met het derde verzet niet zou
kunnen bereiken. Dit zou toch, om hem te helpen, ten gevolge moe-
ten hebben dat het vonnis omtrent de uitwinning gewezen vernietigd
werd en dit zou weder daarom niet kunnen, omdat dan het door den
triomfeerenden uitwinner verkregen vonnis, dat tegen den kooper in
kracht van gewijsde is gegaan, desniettemin zou worden vernietigd
en dit inderdaad zou geschieden op grond dat de kooper in zijn
bewijs was te kort geschoten en hij dit nu nog, nadat hij onherroe-
pelijk werd veroordeeld, met behulp des verkoopers zou aanvullen.
Het vonnis dat tusschen den uitwinner en den kooper tot waarheid
was geworden mag niet, om een door dezen begaan verzuim, zijne
kracht verliezen ten bate van hem kooper, tot nadeel van dengene
die langs wettelijken weg zijn proces had gewonnen, om den ver-
kooper te beter te verzekeren een recht dat hij langs anderen weg
kan handhaven. Het middel in het derde verzet hem gegeven zou
eens anders wettig verkregen recht vernietigen en zijn doel verre
voorbijstreven. Men zegge toch niet, dat het recht des koopers, dat
nu werkelijk bleek te bestaan, boven het formeel recht des uitwin-
ners de voorkeur verdient. Ik antwoord, dat hier, evenals in andere
gevallen, de rechtszekerheid eischt dat het formeele recht door het
vonnis gevestigd gehandhaafd blijve en allerminst verdient in twijfel
te worden getrokken ten bate eens koopers die \'t nadeel dat hij
ondervindt aan eigen schuld heeft te wijten. Wil de verkooper zijne
bewijzen doen gelden, zoo krachtig als zij nu zijn, dan kan hij dit
alleen doen door den kooper, wegens diens verzuim van hem op te
roepen, aan te spreken zich van zijne verplichting tot vrijwaring
jegens hem te doen ontheffen door te bewijzen dat er genoegzame
gronden aanwezig waren om den eisch te doen ontzeggen, al kunnen
die nu, en dat heeft de kooper zich zelven te wijten, niet meer
worden aangevoerd.
Wat nog andere gevallen aangaat, waarin een derde kan beweren
in zijne rechten benadeeld te zijn en op grond daarvan tegen het
-ocr page 442-
424 Hoofdst. IX. Akd. VI. het verzet dook dkedkx. tit. I. het middkl.
hem benadeelend vonnis het middel van derde verzet kan gebruiken
verwijs ik naar Gaksonnet V § 1166 p. 747 — 750. Tot nadere
verklaring van den tekst vestig ik nog alleen de aandacht op de
gevallen, dat hij die mij eene onroerende zaak verkocht, zich in een
door een derde tegen hem ingestelde vordering, tot bezwaardverkla-
ring van mijn erf met eene dienstbaarheid, liet veroordeelen; van
eene hypothekaire inschrijving is doorhaling bij vonnis bevolen
buiten den rechthebbende om, deze kan door zich als derde tegen
het vonnis te verzetten, den hein toekomenden rang terug bekomen;
een in pand gegeven goed wordt door een derde opgevorderd en
dezen bij vonnis toegewezen, do pandgever kan door de uitlevering
van de zaak krachtens dit vonnis nadeel ondervinden.
§ 191. PEB80NRN TBGEN WIK HET VERZET WORDT INGESTELD; VONNISSEN
DAARAAN ONDERHEVIG ; STREKKING VAN HET MIDDEL.
Tegen wie? Het verzet wordt ingesteld tegen heu die in het geding, waarin het
bestreden vonnis werd gewezen, partijen zyn geweest.
Wanneer een derde zich verzet tegen een tusschen andere partijen
gewezen vonnis om daaraan zijn bindende kracht te ontnemen, hetzij
dan geheel of gedeeltelijk, dan ligt het zoozeer voor de hand dat
de vordering moet worden ingesteld tegen hen, die door het vonnis
gebonden zijn, dus tegen hen die partij waren in het geding waarin
het vonnis werd gewezen, dat de fransche wetgever het niet eens
noodig achtte aan te wijzen, tegen wien het verzet moest worden
gericht. De vernietiging van het vonnis zal toch het voordeel, het-
welk daarbij aan eene der partijen wordt toegekend, doen vervallen
en de andere partij van de erkenning van en de voldoening aan het recht
van den tegenstander jegens dezen althans ontheffen. Wanneer de
wetgever in art. 377 spreekt „van alle de partijen tusschen welke
het vonnis is gevallen", dan schijnt hem dit ingegeven te zijn door
de melding, welke in art. 376 gemaakt wordt van tusschenkomende
en gevoegde partijen. Een derde zal niet alleen de hoofdpartijen,
maar ook hen die als tusschenkomende of gevoegde partijen in het
geding zijn opgetreden, hebben te dagvaarden. Het stilzwijgen van
den Code gaf den uitleggers evenwel aanleiding om te onderschei-
den. Zoo wil Mourlon, Répét. écrites n°. 663, wel tegen beide par-
tijen geageerd hebben, wanneer het derde verzet op eene beweerde
-ocr page 443-
§ 190. PERSONEN TEGEN WIE; STREKKING.                   425
collusie tusschen partijen gegrond is, maar overigens alleen dan tegen
beide, indien het vonnis niet is uitgevoerd. Was het vonnis uitgevoerd,
dan acht hij dat het alleen gericht moet worden tegen hem die het vonnis
heeft verkregen. Carré Q. 1726 acht dit niet twijfelachtig en Chauveau
noemt het eene „solution évidente", ook voor het geval dat het derde
verzet de strekking niet heeft om de uitvoering van het vonnis te
beletten. Zie ook Tissier n°. 172. Niet anders denkt daarover
Garsonnet n°. 1160. Deze schrijver acht het zelfs „en principe
inutile et par conséquent frustratoire de mettre en cause la partie
contre laquelle Ie jugement a été rendu", want, voegt hij er bij,
„elle ne contestera certainement pas une demande qu\'elle a tout
intérêt a voir réussir." En dan maakt hij het geval dat het von-
nis nog niet werd uitgevoerd en dat van collusie tot uitzonderingen
op den regel dat de tegenpartij niet behoeft te worden opgeroepen.
De nauwgezetheid van onzen wetgever, die hem van de partij tegen
wie het derde verzet moet worden ingesteld deed spreken, maakte
dat hij te algemeenen regel stelde. Mocht hij evenwel met de uit-
drukkelijke vermelding van alle partijen zich tegen het gevoelen
der fransche schrijvers hebben willen verklaren en hunne onderschei-
ding hebben willen uitsluiten, dan valt het te betwijfelen of hij zich
hier terecht zelfstandig betoonde. Zeker is het, dat de wet ons ver-
biedt eenige onderscheiding omtrent dit punt te maken. Indien men
evenwel mag aannemen dat het verzet uit zijn aard niet is toegela-
ten, wanneer aan het vonnis uitvoering werd gegeven, gelijk ik straks
zal betoogen, dan zou de eerste uitzondering door Garsonnet ge-
maakt van zelf vervallen. Niet met het derde verzet zal dan tegen
de eene partij worden geageerd maar met de zelfstandige actie welke
de derde aan zijn recht ontleent.
Geen vonnis hetwelk de rechten van derden benadeelt is aan het ^elke von-
derde verzet onttrokken.                                                                                          nissen aan
d. v.
onderworpen.
Van benadeeling kan evenwel geen sprake zijn met opzicht tot
vonnissen welke door hun aard of door de bepaling der wet voor
derden verbindend zijn, tenzij door dergelijke vonnissen eene opzette-
lijke benadeeling plaats had.
Het doet niet af, of het vonnis al of niet in gewysde is gegaan, of
het bij verstek of op tegenspraak of ook in cassatie werd gewezen, in
-ocr page 444-
426 HOOFDST. IX. AED. VI. HET VEBZET DOOK DEBDEN. TIT. I. HET MIDDEL.
hooger beroep of in eersten aauleg, of het een definitief of een inter-
locutoir vonnis zy.
Wanneer de beweerde benadeeling alleen kan worden verholpen
door de uitvoering van het vonnis te beletten, dan wordt het verzet
uitgesloten nadat het vonnis is uitgevoerd.
Beschikkingen op verzoekschrift buiten eigenlh\'k geding gewezen
(vrijwillige rechtspraak) kunnen door het middel van derde verzet niet
worden bestreden.
Dat als regel moet gelden, dat geen vonnis hetwelk de rechten
van derden benadeelt aan het derde verzet is onttrokken, volgt dui-
delijk genoeg uit de bepaling van art. 376, welke in zeer algemeene
bewoordingen is vervat. Doch eene beperking van dien regel vloeit
noodzakelijk daaruit voort, dat de derde met grond moet kunnen
beweren dat hij door het vonnis in zijne rechten is benadeeld. Al
is nu het vonnis tusschen andere partijen hem nadeelig, hij kan
zich daar niet tegen verzetten, wanneer uit den aard van zijne
rechtsbetrekking voortvloeit dat het tusschen anderen gewezen vonnis
daarop invloed moet hebben, wat op onderscheiden wijzen kan plaats
hebben, gelijk ik dit op bl. 402 en vv. aanwees. Dan brengt de aard
van het vonnis, het recht of de rechtsbetrekking waarover het uit-
spraak deed mede, dat ook anderen daarvan de gevolgen ondervin-
den, en wanneer de wetgever, zooals in art. 1957 B. W. een vonnis
van kracht verklaart tegen elk en een iegelijk, dan worden die „elk
en een iegelijk", wat de gevolgen van het vonnis betreft, met par-
tijen gelijk gesteld en kunnen zij niet beweren als derden door dat
vonnis benadeeld te zijn. Zoo kunnen ook de schuldeischers van een
gefailleerde niet opkomen tegen het vonnis waarbij een akkoord werd
gehomologeerd, al zijn zij in het faillisement niet opgekomen of
buiten behandeling van het akkoord gebleven. Art. 157 faillissements-
wet. In dit geval wordt zelfs, en terecht, die verbindende kracht
aangenomen, al mochten die schuldeischers kunnen bewijzen dat het
akkoord met behulp van oneerlijke middelen is tot stand gekomen.
Hun was de gelegenheid geopend om vroeger tegen de homologatie
van het akkoord op dien grond op te komen. Zie art. 153 en 154
faillissementswet. Verg. Lebbet bl. 28 en de daar aangehaalde dis-
sertatie van G. F. Dijkebs, waartegen Mr. A. de Pinto in Themis
-ocr page 445-
§ 191. PERSONEN TEGEN WIE J STREKKING.                     427
VIII, p. 142. In de andere bovenbedoelde gevallen zal grof ver-
zuim in de verdediging aan derden, die anders door het vonnis ge-
bonden zouden zijn, het recht moeten doen toekennen om met het
middel van derde verzet op grond van die bedriegelijke handeling het
vonnis te bestrijden, waarop ik eveneens wees op bl. 413.
Eenstemmigheid bestaat er bij de schrijvers omtrent de toelating
van het derde verzet zonder onderscheid van den aard van het
vonnis. Zie Tissier n°. 68, Garsonnet § 1156. Levendig wordt
er alleen in Frankrijk gestreden over de vraag, of ook de arresten
van het Hof van Cassatie aan derde verzet onderhevig zijn. Het Hof
van Cassatie verwierp de toelating van het middel tegen zijne arresten
bij een arrest van 17 Januari 1870, dat uitvoerig bestreden wordt
door Tissier n°. 67, met wiens gevoelen Garsonnet § 1156 zich
vereenigt. Wanneer de Hooge Raad in cassatie nimmer ten princi-
pale recht sprak, dan zouden de gevallen waarin van een derde
verzet sprake kon zijn, zeker hoogst zeldzaam wezen, doch daarmede
ware de toelaatbaarheid van het derde verzet voor die hoogst zeld-
zame gevallen niet uitgesloten. Nu evenwel de Hooge Raad krachtens
art. 105 R. O. ook de hoofdzaak kan beslissen, kan even goed zijn
arrest als dat van een lageren rechter derden benadeelen in den zin
van art. 376, en eene uitzondering voor de arresten in cassatie gewezen
zou alzoo bij ons niet gerechtvaardigd zijn. Het moet ook daar bij den
regel van art. 376 blijven. De nadere voorziening, welke art. 105 R. O.
uitsluit, kan, dunkt mij, alleen op eene voorziening van partijen slaan.
Het derde verzet was oorspronkelijk een verzet tegen de executie
van een vonnis. Of het tengevolge van zijne samensmelting met het
verzet tegen vonnissen ter benadeeling van schuldeischers (Pauliana)
verkregen, tot een middel tegen dat vonnis zelf gericht is geworden,
laat ik daar. Zeker is het, dat het verzet in deze laatste rubriek
van gevallen ook tegen het uitgevoerde vonnis moet gegeven worden,
dewijl daardoor de benadeeling eerst recht in vervulling komt. In
andere gevallen moet het verzet door de vernietiging van het vonnis,
waartegen het naar de wet zeker gericht is, de uitvoering daarvan
voorkomen. Biuut Préaméneu kon daarom naar het wezen der
zaak het derde verzet terecht noemen „une intervention pour arrêter
ou prévenir 1\'exécution d\'un jugement", al had hij zich nauw-
keurig willende uitdrukken moeten zeggen, gelijk Tissier p. 43 op-
merkt „c\'est une voie de recours donnée contre les jugements dont
-ocr page 446-
428 HOOEDST. IX. AFD. VI. HET VKBZEÏ DOOK DERDEN. TIT. I. HET MIDDEL.
1\'exécution pourra nuire aux tiers opposants." Zie aldaar ook aant. 2.
Daarmede staat ook in verband de in art. 379 aan den rechter
toegekende bevoegdheid om de uitvoering van het aangevallen vonnis
te schorsen. Verzet tegen de tenuitvoerlegging, wat het derde verzet
aanvankelijk was, ware te beperkt omdat daarbij eene gedwongen ten-
uitvoerlegging ondersteld wordt. Wanneer een derde beweert eigenaar
te zijn van eene zaak die op de vordering van A. tegen B. aan A.
is toegewezen, dan kan ik in de uitoefening van mijn eigendoms-
recht alleszins benadeeld worden, als B. de zaak aan A. uitlevert,
dewijl er voor mij meer zekerheid kan bestaan dat ik de zaak van
B. dan van A. kan terugkrijgen (verg. de Pinto II, 1. bl. 507).
Het vonnis zal alzoo door de uitvoering die er aan gegeven wordt
mij in mijn eigendomsrecht benadeelen. Maar wanneer het eens is
uitgevoerd, dan is dit nadeel door een verzet tegen het vonnis niet
meer te herstellen, terwijl het verzet, vóór de uitvoering van het
vonnis ingesteld, het nadeel kan opheffen door te bewerken dat de
zaak in het bezit van B. blijft. Het middel van verzet kan alzoo, na de
uitvoering, het nadeel dat het vonnis mij berokkende niet verhelpen en
terwijl het door de wet gegeven wordt om dit te doen, verliest het dan
noodzakelijk zijne toepassing. Te vergeefs wordt inderdaad een rechts-
middel aangewend, waarmede het doel tot hetwelk de wetgever het
gaf, niet bereikt kan worden. Ook bedenke men dat de veroor-
deelde partij welke aan het vonnis voldeed, niet meer ontheven kan
worden van de verplichting haar door het vonnis opgelegd, dewijl
die reeds door de uitvoering welke zij er aan gaf, werd opgeheven.
In dezen zin oordeelde het Hof van Utrecht bij arr. van 25 Maart
1859 vermeld in v. Ofpen\'s Paricrisie, Verzet door derden n°. 6.
Het Hof beriep zich evenwel ten onrechte op het gevoelen van de
fransche rechtsdoctoren, als zou door dezen worden geleerd dat een
verzet door derden tegen een ten uitvoergelegd vonnis niet denkbaar
zou zijn. Pigkau moge dit gevoelen verdedigd hebben, maar hij
heeft daarin geen volgers gehad. Tissier verklaart met zoovele
woorden, dat het door Pigkau verdedigd gevoelen verlaten is gewor-
den n°. 47, p. 85 (zie ook n°. 162). Het komt mij evenwel voor
dat hij, evenals G-arsoknkt § 1157, te veel zich laat leiden door
de overweging, dat het ingeval van opzettelijke benadeeling stellig
moet toegestaan zijn. Dit laatste is ook mijn gevoelen, maar \'t
verschil tusschen den werkelijken grond van het verzet in dit geval
en in de andere is te groot om tot de algemeenheid van den regel
-ocr page 447-
§ 190. PERSONEN TEGEN WIE; STREKKING.                    429
te doen besluiten. Verg. over de vraag, of een ten uitvoergelegd
vonnis naar de wet voor verzet door derden vatbaar is, overigens door
onze juristen niet besproken, Lebret bl. 29 vv.
Wanneer evenwel een derde in verzet komt tegen een vonnis op
grond dat hij daardoor, of wel door de daaraan tot grondslag lig-
gende handeling der partijen, in zijn rechten is verkort, dan kan
niet de vernietiging van het vonnis de handeling zelve vernietigd
worden en deze zal de krachtens vonnis uitgevoerde handeling even-
eens treffen. Art. 247 B. W. kent met zoovele woorden aan de schuld-
eischers van den man het middel van derde verzet toe tegen het
vonnis waarbij scheiding van goederen tusschen den man en zijne
vrouw werd uitgesproken, zelfs al ware het reeds ten uit-
voer gelegd, indien hunne rechten daardoor opzettelijk mochten
verkort zijn. En dit volgt in deze gevallen in \'t algemeen daaruit,
dat, gelijk ik vroeger opmerkte, hier eigenlijk niet het vonnis maar
de onrechtmatige procesvoering of de bedriegelijke handeling het
wezenlijk voorwerp van de bestrijding is. Daarmede heb ik nader
verklaard wat ik in den tekst schreef: „Wanneer de beweerde bena-
deeling alleen kan worden verholpen door de uitvoering van het
vonnis te beletten, wordt het verzet niet-ontvankelijk, nadat het
vonnis is uitgevoerd."
Ofschoon de vrijwillige rechtspraak buiten dat gedeelte
van de rechtspleging valt, \'t welk ik dit werk behandel, wil ik
toch met een enkel woord mijn gevoelen mededeelen omtrent de ook
bij ons in verschillenden zin beantwoorde vraag, of het derde
verzet op dergelijke beschikkingen toepasselijk is. Nu komt het mij
niet twijfelachtig voor dat artt. 376 en 377 het alleen toelaten ten
aanzien van vonnissen in rechtsgedingen bewezen. Niet omdat eene
beschikking op een verzoekschrift niet onder de benaming van von-
nis zou kunnen worden begrepen, maar de eigenlijke beteekenis
van vonnis sluit eene beschikking buiten rechtsgeding uit. Zie Dl.
II, bl. 169. Desnoods zou men hier toch vonnis in een algemeene
beteekenis kunnen verstaan. Ook niet omdat van derden gesproken
wordt en daarbij twee andere, dus twee partijen worden ondersteld.
Ook waar door één persoon eene handeling verricht wordt die ande-
ren niet aangaat, pleegt men van derden te spreken. Is het niet
een zeer gewone uitdrukking om te zeggen dat eene zakelijke rechts-
vordering tegen iederen derde kan worden ingesteld ? Maar het ver-
-ocr page 448-
430 HOOFD8T. IX. AFD. VI. HKT VERZET DOOR DERDEN. TIT. I. HET MIDDBL.
band, waarin hier van derden en van vonnis wordt gesproken, laat
nauwlijks twijfel toe of beschikkingen op verzoekschrift buiten rechts-
geding zijn uitgesloten. Uit art. 376 blijkt toch duidelijk dat het
vonnis in een rechtsgeding moet zijn gewezen en dat derden zijn
zij die in dat rechtsgeding geen partij zijn geweest, terwijl art. 377
dit bevestigt door te spreken van den rechter die het vonnis wees
en dat vonnis moet gevallen zijn tusschen partijen. Dat alles
kan alleen van contentieus e, niet van vrijwillige rechtspraak
gezegd worden.
Het middel zou dus alleen bij analogie toegepast kunnen worden.
Maar is analogie aannemelijk voor de toepassing van rechtsmiddelen
die haar bestaan uitsluitend aan de wet ontleenen en dan nog wel
bij een rechtsmiddel dat, al wordt het door den wetgever niet meer
als zoodanig gequalificeerd, nog altijd het karakter van een buiten-
gewoon rechtsmiddel heeft ? Wanneer eens vaststaat dat een rechts-
middel bij de wet is toegelaten, zonder dat de wetgever nader heeft
geregeld de wijze waarop het in toepassing wordt gebracht, dat men
dan zich gerechtigd acht om voor die toepassing eene analogie te
zoeken in de bepaling omtrent de toepassing van een verwant rechts-
iniddel gemaakt, laat zich hooren; maar een rechtsmiddel bij analogie
uit te breiden buiten de grenzen door de wet daaraan gesteld acht ik on-
geoorloofd. Ook met opzicht tot de artt. 474 en 475 C. de pr. civ.
acht ik onjuist de overweging van den Hoogen Raad in een arrest
van 2 Februari 1849 W. 993 voorkomende, dat de bevoegdheid tot
derde verzet algemeen is toegekend en dat er, om haar niet ten
aanzien van beschikkingen op verzoekschrift te erkennen, eene uit-
zondering door den wetgever zou gemaakt moeten zijn; want stellig
zeker zijn de artikelen van ons Wetboek in beperkten zin gesteld.
Bij ons wordt alleen door Pen\'xinck op art. 376 een tegenovergesteld
gevoelen verdedigd tegen de Pinto en Oudeman. Verg daartegen
ook weder Mr. A. Oudeman in Opmerk, en Meded. betr. het Ned.
recht IX (1853) bl. 240. Eene van het hier verdedigde gevoelen
afwijkende rechterlijke uitspraak is mij in onze rechtspraak niet
voorgekomen. Wel werd in overeenstemming daarmede geoordeeld door
het Hof van Zuidholland 5 April 1843 W. 389. Bij de Franschen
zijn schrijvers en jurisprudentie verdeeld. Zie daarover Tissier n°. 83
vg. De ontwerper van 1865 meende het. derde verzel in h^et hier
besproken geval te moeten toelaten en nam daarover eene bepaling
in de wet op. Zie tit. II, art. 4 en de toelichting op bl. 176.
-ocr page 449-
§ 191. PERSONEN TEGEN WIE J STREKKING.                    431
Volgens art. 10 der faillissementswet (verg. art. 791 voorl. lid K.
en 887 § 2 B. R.) wordt aan elk schuldeischer met uitzondering van
hem die de faillietverklaring heeft verzocht (niet echter aan alle
belanghebbenden) recht van verzet toegekend tegen de faillietver-
klaring. Dit middel van verzet gelijkt wel op het verzet door derden,
in zoover daarvan uitgesloten wordt de schuldeischer die de failliet-
verklaring heeft verzocht en alzoo als partij beschouwd wordt. Zoo
komt het alleen aan derden, doch ook uitsluitend aan die schuldeischers
toe, buiten welke de faillietverklaring omging doch voor wie die
faillietverklaring, als een nieuwen rechtstoestand scheppende, verbindend
is. Ook zal de schuldeischer voor zijn verzet wel daarin aanleiding
vinden dat die faillietverklaring zijne rechten zal kunnen benadeelen,
maar hij zal dezen grond voor zijn verzet niet hebben aan te voe-
ren, veel minder te bewijzen. Hij zal eenvoudig hebben aan te toonen
dat er geen grond voor de faillietverklaring aanwezig is. Let men
nu nog verder op den korten termijn (acht dagen na den dag der
uitspraak) binnen welken den schuldeischer het recht van verzet
wordt gegund, dan moet men wel tot het besluit komen dat hier
geene toepassing van het derde verzet van art. 376 plaats heeft,
maar dat het hier hoogstens geldt een middel dat, op \'t voorbeeld
daarvan, op het hier voorkomend bijzonder geval pasklaar is gemaakt.
Zoo kon wellicht de Rechtbank van Amsterdam bij vonnis van 14
Juni 1889 n°. 5778 met recht beweren dat het derde verzet tegen
eene faillietverklaring als derde verzet volgens art. 377 B. R. bij
dagvaarding moest worden aangebracht De uitdrukkelijke bepaling
in art. 10 § 2 der faillissementwet opgenomen, sluit thans ook deze
analogie uit. Tot toelichting en om het bijzonder karakter van beide
middelen te doen uitkomen kan men wel het verzet van art. 10 met
dat van 376 vergelijken, gelijkstelling gaat echter in \'t geheel niet op.
Allerminst mocht dan ook Penninck bl. 109 uit de bepaling van art.
791 K. de gevolgtrekking maken dat het verzet door derden in het
algemeen op beschikkingen op verzoekschrift toepasselijk zou zijn.
Het verzet heeft de strekking om in het vonnis, waartegen het ge- Strekking,
richt is, wijziging te brengen, voorzoover het de rechten van den derde
benadeelt of het geheel te doen vernietigen, indien de onsplitsbaarheid
der gevallene uitspraak dit noodzakelijk maakt. Art. 380.
Dit is de inhoud van art. 380 dat de strekking van het rechts-
-ocr page 450-
432 HOOFDST. IX. AFD. VI. HKT VERZET DOOR DEBDKN. TIT. I. HET MIDDEL.
middel aangeeft door te bepalen wat de rechter te bevelen of te
doen heeft als hij het verzet gegrond acht. De redactie ware juister
geweest wanneer de wetgever had gezegd: Indien het verzet door
den rechter gegrond wordt bevonden, wordt het vonnis enz in plaats
van de min gewone en ook min juiste uitdrukking van wettiging
van het verzet te gebruiken. Zie ook Ontwerp tit. II, art. 6.
Wanneer men bedenkt dat het derde verzet zijn grond vindt in
het nadeel, hetwelk een tusschen anderen gewezen vonnis, aan het
recht van een derde toebrengt, dan kan men daaruit afleiden dat het
ook alleen voor dezen derde gevolg moet hebben, en als het gegrond
bevonden wordt het gevolg moet hebben dat het daaruit voor hem
ontstaande nadeel worde opgeheven. Daar het middel geen inbreuk
wil maken op de verbindende kracht die het vonnis heeft tusschen
partijen, moet het ook deze ongeschonden bewaren, tenzij het nadeel
voor den derde niet dan door in de verhouding tusschen de partijen
wijziging te brengen, kan worden opgeheven. Daartoe kan eene wijzi-
ging in het vonnis voldoende zijn, maar indien dit door de ondeel-
baarheid van den door het vonnis bevestigden toestand niet mogelijk
is, dan zal het vonnis vernietigd moeten worden. Ik spreek hier
liever van wijzigen dan van verbeteren omdat het vonnis, zoo-
als het tusschen partijen is gewezen geene verbetering behoeft en
de rechter het alleen met het oog op partijen te wijzen had en op
mogelijke rechten van derden niet had te letten.
Eene verandering in het vonnis, dat alleen bestemd was om te ver-
klaren wat tusschen partijen recht is, wordt daarom minder correct
eene verbetering genoemd, dewijl zij voor die partijen geene ver-
betering beoogt. De Code had de bepaling van art. 380 niet, doch
algemeen werd de strekking van het derde verzet in denzelfden zin
opgevat, al bestaat er verschil in of over de toepassing. Gaesonnet
geeft in § 1165 onder letter B (bl. 743) de gedachte zeer juist
terug. „Le jugeraent qui admet la tiercé opposition annule celui
contre lequel cette action a été intentée en tant qu\'il porte préju-
dice au demandeur et dans la mesure de 1\'intérêt de ce dernier, car
sa tiercé opposition n\'a remis la chose jugée en question que dans
les chefs qui lui sont et dans la mesure oü. ils lui sont préjudicia-
bles", en voorts op bl. 744 : „Il faudrait pour qu\'il en fut autre-
ment que les divers chefs dn jugement ou la situation par lui
créée füssent tellement indivisibles que Ie jugement attaque ne put
tomber ou subsister qu\'en totalité". Onze Regeering bedoelde dit
-ocr page 451-
§ 191. PEKSONEN TEC1EN WIE ; STREKKING.                      433
zeker ook toen zij tot toelichting van art. 380 schreef: „Bij dit art.
heeft men zooveel mogelijk, voor het behoud van den regel res
inter alios acta, enz. gezorgd, en de geheele vernietiging van
een vonnis mitsdien beperkt tot het geval der onsplitsbaarheid van
de gevallen uitspraak", v. d. Honeet op § 380, blz. 422.
Wanneer dan een huurder zich op eene tegen hem door iemand
die eigenaar van het goed beweert te zijn ingestelde vordering tot
uitkeering van het door hem bezeten onroerend goed, mocht hebben
laten veroordeelen, zonder zijn verhuurder in het geding te roepen,
dan zal de verhuurder zich tegen dat vonnis kunnen verzetten op
grond van zijn eigendomsrecht in welks uitoefening hij benadeeld
wordt als de huurder zijn goed aan den ander gaat uitleveren. Wordt
dan des verhuurders verzet gegrond bevonden, dan moet wel de
rechtsband, die het vonnis deed ontstaan tusschen den huurder en
hem, die zich als eigenaar van het goed aanstelde, verbroken worden,
en het vonnis, dat de uitlevering van de zaak beval, vernietigd wor-
den, opdat de verhouding die er tusschen den huurder en zijn ver-
huurder, eigenaar, vóór het vonnis bestond, hersteld worde. Het
middel van derde verzet is hier abnormaler dan het gevolg dat het
heeft ten aanzien van het gewezen vonnis. Want had de verhuurder-
eigenaar zijn recht onmiddellijk tegen den bij het vonnis tegenover
den huurder tot eigenaar verklaarden persoon doen gelden, het vonnis
ware, zonder uitdrukkelijk vernietigd te worden, eveneens van zijn
kracht beroofd. CoLMET-DaAGE beweert dat de buiten het proces ge-
laten verhuurder alleen op grond daarvan van het derde verzet kan
gebruik maken, en bewerende dat het vonnis hem benadeelt, doordien
het hem de positie van bezitter ontneemt, het kan doen vernietigen
om, tegenover den ten aanzien van den huurder in \'t gelijk gestelden
eigenaar, weder de positie van gedaagde te kunnen innemen. Dan
zou voorzeker de kracht van het gewezen vonnis tusschen partijen
vernietigd worden, maar niet op grond van de benadeeling in een
bewezen recht, maar op grond van het niet nakomen door den huur-
der van eene hem opgelegde verplichting, waarmede hij, die als
eischer in het geding optrad, niets te maken had. De verhuurder-
eigenaar kon in dit geval wellicht even goed met eene actie wegens
uitgebreide stoornis in zijn bezit als met de revindicatie tegen den
derde, die tegen zijn huurder de zaak uitwon, opkomen ; dat wil ik daar-
laten. Maar om te bewerken dat het goed niet aan den in \'t gelijk
gestelden eigenaar worde uitgeleverd, zal hij óf zijn eigendom öf zijn
v.
                                                                                        28
-ocr page 452-
434 HOOFDST. IX. APD. VI. HET VERZET DOOR DERDEN. TIT. I. HET MIDDEL.
bezit hebben te bewijzen om, op grond van hem door het vonnis
berokkend nadeel, dat vonnis door een derde verzet vernietigd te
krijgen. En het zal niet anders zijn in het geval dat A. zich als
derde gaat verzetten tegen een vonnis waarbij B. jegens C. werd
veroordeeld om een roerende zaak, waarvan A. beweert eigenaar
te zijn, uit te keeren. Ook hier is geheele vernietiging van het
vonnis noodig. Want aan C. moet het hem bij vonnis toegekende
recht nu ontzegd worden en B., ontheven van de hem bij vonnis
opgelegde verplichting om de zaak aan C. uit te keeren, tot uitkeering
aan A. worden veroordeeld.
Wordt daarentegen het verzet door schuldeischers van den man
tegen een hunne rechten benadeelend vonnis van scheiding van goe-
deren ingesteld gegrond bevonden, dan wordt die scheiding alleen
vernietigd met het oog op de daaruit voor de vrouw voortspruitende
rechten, welke de schuldeischers benadeelen. De vrouw zal zich de
haar tegenover den man toegekende rechten ten behoeve van diens
schuldeischers ontnomen zien, maar, als de man later een voordeel
mocht ten deel vallen dat in de gemeenschap zou zijn gekomen, de
vrouw zal daarin niet deelen; want ten opzichte van den man blijft
zij van goederen gescheiden. Verg. Garsonnet t. a. p.
Wanneer het vonnis heeft gestrekt om eene handeling als in art.
1377 B. W. en artt. 42 vv. faillissementswet bedoeld te doen erken-
nen en daaraan uitvoering te geven, dan komt het mij voor dat art.
380 niet in toepassing kan komen, omdat het derde verzet wel on-
middellijk tegen het vonnis, maar inderdaad tegen de bedriegelijke
handeling is gericht, en daarom het gevolg, dat aan de Pauliana
door den wetgever wordt toegekend, den voorrang behoort te hebben
boven het gevolg dat de wetgever in bijzondere gevallen aan het op
het verzet gewezen vonnis, in art. 380, toekent. Er kan hier toch
ook geen reden bestaan om zoo min mogelijk aan de kracht van
het gewijsde te kort te doen, wat de wetgever met art. 380 beoogde.
Werd evenwel het vonnis uitgelokt om, door het afzien van ver-
dedigingsmiddelen, zijne schuldeischers te benadeelen, dan zouden
wij uitsluitend met het gevolg van een op het derde verzet gewezen
vonnis te doen hebben en zou, met toepassing van art. 380, de ver-
nietiging zich moeten bepalen tot eene vermindering van het bedrag
der veroordeeling tot zoover deze de schuldeischers benadeelde. En
zoo zou art. 380 ook zooveel doenlijk in toepassing moeten komen
in die gevallen, waarin de benadeeling van derden, die zich zouden
-ocr page 453-
435
§ 192. TEEMIJN.
hebben kunnen voegen, uit een door samenspanning, opzet of grof
verzuim in de verdediging uitgelokt vonnis voortvloeit.
§ 192. TERMIJN.
De ttjd gedurende welken het derde verzet kan worden ingesteld is Afhankelijk
afhankelijk van den tijd, gedurende welken de derde het recht, waarin recht
hij door het vonnis benadeeld beweert te zijn, kan doen gelden. Is des derden,
dat recht of de rechtsvordering door welke het gehandhaafd wordt
verjaard, het derde verzet kan met die verjaring worden bestreden.
Onze schrijvers, met name de Pinto, II, § 273, bl. 512 en Oudk-
man, II, bl. 49, zijn van oordeel dat, vermits de wet geen termijn
bepaalt, binnen welken het derde verzet moet worden ingesteld, de
algemeene bepaling omtrent de verjaring der rechtsvorderingen hier
moet worden toegepast en dat derhalve daarvoor geldt een tijdsver-
loop van dertig jaren, aanvangende met den dag waarop het vonnis
aan den derde bekend is geworden. Deze leer is in overeenstemming
met de leer der oudere fransche schrijvers als Pigkau, Bebeiat-
St. Prix en Caeeé. De nieuwere oordeelen niet. anders, met dit
onderscheid alleen dat zij de dertig jaren doen aanvangen met de
uitspraak van het vonnis, al is dit den derde eerst later bekend
geworden. Dus Tissiee, n°. 163, die daarvoor een enkel nuttigheids-
argument aanvoert en Gaesonnet § 1158, p. 720, die dit in over-
eenstemming acht met het gemeene recht.
Ik kan mij met dat gevoelen niet vereenigen, om de eenvoudige
reden dat het rechtsmiddel van verzet door derden met geen moge-
lijkheid is te begrijpen onder den regel van art. 2004 B. W., het-
welk, evenals art. 2262 CC, alle rechtsvorderingen, zoowel
zakelijke als persoonlijke, aan de verjaring van 30 jaren
onderwerpt. Men moge dit middel eene rechtsvordering noemen, en
als men aan rechtsvordering eene zeer algemeene beteekenis wil geven,
kan men dit doen, evenals men het hooger beroep en het middel van
cassatie daartoe kan brengen, omdat men ook van eischer in hooger
beroep en eischer van cassatie spreekt, en onder eischer verstaat
iemand die eene rechtsvordering instelt. Die algemeene beteekenis is
evenwel een oneigenlijke, want ik vraag: welk is het recht dat men
met dat derde verzet doet gelden ? Tot welke vorderingen meent
men dat recht om op te komen tegen een vonnis dat onze rechten
-ocr page 454-
436 HOOFDST. IX. AFD. VI. HET VERZET DOOR DERDEN. TIT. I. HET MIDDEL.
benadeelt te brengen, tot de zakelijke of tot de persoonlijke? Is het
niet veeleer een bijzondere vorm, waarin iemand een hem toekomend
recht door eene rechtsvordering kan handhaven, gelijk men dat in
den regel doet, door dengene die ons in ons recht hinder aanbrengt
voor den rechter te roepen ? Hier wordt die hinder door een vonnis
aangebracht, en, om dat vonnis uit den weg te ruimen, spreken wij
hen aan tusschen wie dat vonnis is gewezen en die daardoor over
en weer gebonden zijn. Maar het recht dat wij doen gelden is het
recht waarin wij benadeeld zijn en de rechtsvordering die wij in-
stellen vloeit uit dat recht voort, strekt tot bescherming daarvan ; doch
dewijl die benadeeling up eene bijzondere wijze door een vonnis heeft
plaats gehad is voor de vordering een bijzondere vorm voorge-
schreven en is aan het daarmede door de wet geschapen rechtsmiddel
de bijzondere naam van derde verzet gegeven. De termijn van
verjaring behoefde derhalve voor het derde verzet niet te worden
voorgeschreven. Want die is geene andere en kan geene andere zijn
dan die welke is voorgeschreven voor de rechtsvordering welke men
in dezen vorm doet gelden. In dien zin kan uien zeggen dat hier
van zelf de dertigjarige verjaring van toepassing is. En dat de ter-
mijn, buiten de Pauliana, begint te loopen van den dag van het
vonnis, behoeft men niet met utiliteits-gronden goed te maken,
maar dat is eenvoudig het gevolg daarvan dat met dat vonnis het
nadeel ontstaat en alzoo de actie tot afwering van het nadeel gebo-
ren wordt. Mocht men willen beweren, dat de inbreuk op het bena-
deelde recht, reeds gemaakt is door het aanleggen van het geding,
omdat van dat oogenblik af hij, die zich door het vonnis benadeeld
ziet, zijn recht had kunnen doen gelden door in het. geding tusschen
te komen, dan zou ik dit minder juist achten. Zeker is bekendheid
met den inbreuk die op ons recht gemaakt wordt niet noodig om de
verjaring te doen loopen. De tegenovergestelde meening is met de
algemeene bepaling der wet niet goed te maken en nog minder met
den regel „contra non valentem agere non currit praescriptio", welke
dan verkeerd wordt begrepen, in geen geval althans in den zin
welken men dan daaraan toekent, in de wet werd opgenomen. Zie Dl.
I, § 33. Zoo is het dan ook geen uitzondering op de verjaring van
het derde verzet, wanneer het, tot handhaving van den eigendom van
een onroerend goed gebruikt, moet wijken voor een beroep op ver-
krijging van den eigendom door de verjaring van 20 jaren, daar dit
middel niet tegen het derde verzet als zoodanig, maar tegen de
-ocr page 455-
§ 192. TERMIJN.
437
daardoor geldend gemaakte opvordering van den eigendom wordt
tegengeworpen, en hier als in andere gevallen dezelfde kracht heeft.
Evenmin is het eene uitzondering als aan het derde verzet, gegrond
op een benadeeling in het recht van eigendom van roerend goed, de
regel van art. 2014 B. W., het. bezit als volkomen titel, wordt tegen-
geworpen. Het mag verwondering wekken dat Gaksonnkt, door de
vermelding van deze beide gevallen als uitzondering op den door hem
gestelden regel, niet op het denkbeeld is gekomen dat wij hier in-
derdaad niet met eene verjaring van het derde verzet, maar met de
verjaring of uitsluiting van de eigendomsactie hebben te maken.
Voorts zal, wanneer het derde verzet zijn grond vindt in een han-
deling ter benadeeling van de rechten der schuldeischers, de vordering
van art. 1377, welke onze wet aan een termijn van vijfjaren bindt,
te rekenen van den dag der ontdekking dat de voor de nietigheid
vereischte wetenschap bestond, die termijn ook ingaan met dien
dag der ontdekking van de wetenschap, wat niet afhankelijk is van
den dag waarop het vonnis, dat de bedriegelijke handeling bevestigde,
werd gewezen. Daarentegen zal wederom bij benadeeling door samen-
spanning, opzet of grof verzuim in gevallen waarin het vonnis op eene
rechtsbetrekking met derden of rechten van derden invloed heeft,
de vordering ontstaan met het vonnis en de termijn van verjaring
voor die vordering en dus voor het derde verzet met de uitspraak
van het vonnis aanvangen.
De schuldeischers aan wie de wet de bevoegdheid toekent om in
verzet te komen tegen een vonnis, waarbij de scheiding van goede-
ren wordt uitgesproken, hebben daarbij den bij art. 813 B. R. be-
doelden termijn in acht te nemen.
Voorts is het verzet tegen eene faillietverklaring door den wetgever,
bij de toekenning van het recht daartoe aan de schuldeischers, aan
een termijn van acht dagen na den dag der uitspraak van het vonnis
gebonden. Art. 10 Faillissementswet.
De schrijvers plegen nog onderscheid te maken tusschen het p r i n-
cipaal en het incidenteel derde verzet. Zie art. 378. Daar zijn
er die, wanneer het derde verzet gebruikt wordt als middel van ver-
dediging tegen een vonnis, waarop de tegenpartij in een geding zich
beroept, den regel willen toepassen: „Quae temporalia sunt ad agen-
dum perpetua sunt ad excipiendum." Alleen zou dit niet opgaan, als
de tegenpartij zich op verkrijging door verjaring kan beroepen. An-
-ocr page 456-
438 HOOFDST. IX. AFD. VI. HKT VERZET DDUE DERDEN. TIT. I. HET MIDDEL.
deren verwerpen den regel geheel, als niet geldend, en verder op dezen
grond, dat het derde verzet nooit een middel van verdediging is,
maar dan altijd eene incidenteele vordering. Eene derde ineening,
die ook door Gabboknkt wordt gedeeld (Zie § 1158 p. 725), wil
onderscheid gemaakt hebben tussehen het geval dat het incidenteel derde
verzet wordt ingesteld door den verweerder of door den eischer in het
geding. Als de verweerder in derde verzet komt tegen een vonnis dat
meer dan dertig jaren geleden is gewezen in een geding waarin hij geen
partij was en nu tegen hem wordt uitgevoerd, dan is hij ontvankelijk
in het derde verzet om den regel „quae temporalia". Wordt echter
aan den eischer door verweerder een vonnis tegengeworpen, waarin
hij eischer, geen partij is geweest en dat hij nu incidenteel zou wil-
len bestrijden door het middel van derde verzet, dan moet dit vonnis
minder dan 30 jaren geleden gewezen zijn, want indien hij het derde
verzet als principaal middel had gebezigd, zou hij slechts gedurende
30 jaren ontvankelijk geweest zijn, en nu moet het wel even zoo zijn,
wanneer hij revindiceert en dit doet in den vorm van derde verzet.
Geen dezer meeningen acht ik juist. In allen heerscht verwarring
tussehen de rechtsvordering en het middel waardoor deze wordt ge-
handhaafd. Al wordt van het derde verzet gebruik gemaakt ter ver-
dediging tegen het beroep op een vonnis, omdat iemand beweert dat
dit zijn recht benadeelt, dit middel op dien grond gebruikende, meer
dan dertig jaren nadat het vonnis is gewezen, dan heeft het van een
verdedigingsmiddel slechts den vorm. Hij die het aanwendt, beroept
zich altijd op eene benadeeling in zijn recht ondervonden en doet in
het derde verzet alzoo gelden de handhaving van zijn recht tegen
den inbreuk, welke daarop door het vonnis gemaakt is. Wanneer er nu
zelfs na dat vonnis meer dan 30 jaren verloopen zijn, dan is daar-
door zijne rechtsvordering verjaard en kan hij die derhalve in gee-
nerlei vorm, ook niet in dien van het middel van derde verzet, meer
doen gelden. Garsunnet was inderdaad (p. 726, 2°) op den goeden
weg om deze solutie te vinden. Wanneer zegt hij Primus, tegen wiens
revindicatie Secundus een vonnis tegenwerpt, waarbij Primus geen
partij was en nu daartegen incidenteel in derde verzet komt, dan is
hij daarin alleen dan ontvankelijk als dat vonnis geen 30 jaren oud
is, want zijne revindicatie is afhankelijk van den goeden uitslag van
het derde verzet, hetwelk inderdaad het hoofd voorwerp van de vor-
dering is. Als hij nu, dus gaat Garsonnet voort, principaal derde
verzet had ingesteld in plaats van te revindiceeren, dan zou hij
-ocr page 457-
§ 192. TERMIJN.
439
slechts gedurende 30 jaren ontvankelijk geweest zijn; hetzelfde
moet wel waar zijn, indien hij revindiceert en tot steun van zijn
revindicatie een derde verzet instelt dat, al schijnt het inciden-
teel, niettemin een principaal derde verzet is. Ik zie in dit
alles niet anders dan eene verwarring van materieel en formeel
recht, en eene verdraaiing van het een om met opzicht tot het
ander tot klaarheid te komen. Neen, het derde verzet hier in den
loop van het geding ingesteld, is niet in schijn incidenteel, het
is dit in werkelijkheid. Maar het derde verzet dat altijd eene rechts-
vordering tot grondslag heeft (hier de revindicatie), wordt hier i n
den vorm van een verdedigingsmiddel te werk gesteld. Indien dan
het vonnis, wat den revindicant in den weg staat, meer dan 30
jaren geleden is gewezen, dan komt hem het middel van derde ver-
zet niet toe; niet omdat het derde verzet verjaard, is, maar omdat
uit den inbreuk, dien het vonnis 30 jaar geleden op zijn recht maakte,
of waardoor bestaande inbreuk op zijn recht werd voortgezet, blijkt
dat hij zijne revindicatie meer dan 30 jaren geleden had moeten
instellen. De verweerder bewijst met het vonnis, dat de revindicatie
verjaard is en daarmede vervalt een verzet dat geene andere strek-
king zou hebben dan eene verjaarde actie te handhaven. Wat ik
overigens denk van den regel „Quae temporalia", heb ik vroeger
Dl. I, § 38, bl. 281 vv. kort aangegeven.
Titel II.
§ 193. RECHTSPLEGING.
Het verzet moet worden onderworpen aan het oordeel van den rech- Bevoegde
ter door wien het den derde benadeelend vonnis is gewezen. Vindt het
zyn aanleiding in de omstandigheid, dat in een geding door de eene
partij aan de andere een vonnis wordt tegengeworpen, waardoor deze
kan beweren in zyn recht benadeeld te zijn, dan zal het door hem
tyj den rechter die dat vonnis wees, moeten worden aanhangig ge-
maakt. Het verzet kan in dit geval grond opleveren tot schorsing van
het geding waarin het vonnis, tegen hetwelk het wordt ingesteld, werd
tegengeworpen. Artt. 377, 378.
Evenals bq het verzet tegen een vonnis bij verstek gewezen en
-ocr page 458-
440 HOOFD8T. IX. AFD. VI. HKT VERZET DUOR DERDEN. TIT. II.
bij het request civiel, bestaat er ook hier eene gegronde reden om
de kennisneming van het middel op te dragen aan den rechter door
wien het vonnis was gewezen. Geen hoogere rechter zou hier geacht
kunnen worden beter te oordeelen, en de kennis van het, geding,
waarin het. benadeelende vonnis gewezen wordt, is voor de beoordee-
ling van die benadeeling voordeelig. De fransche wetgever maakt
onderscheid tusschen een in een ander geding opkomend derde verzet
en een principaal derde verzet. Hij onderstelt daarbij dat in den
loop van een geding eene der partijen zich te harer verdediging op
een vonnis beroept, en laat dan het derde verzet daartegen toe bij
den rechter voor wien de hoofdzaak aanhangig is. Hij moest daarbij
evenwel weer eene uitzondering maken voor het geval dat de rechter
op de hoofdzaak een lagere mocht zijn dan die welke het vonnis
wees waartegen het derde verzet zou worden aangewend. Dan moest
dit verzet weder gebracht worden bij den rechter welke het vonnis
had gewezen. Eenvoudiger en rationeeler is de bepaling van onze
wet, welke het derde verzet altijd voor dezen rechter gebracht wil
hebben. De niet eens in alle gevallen vol te houden afwijking van
den regel wordt door Bigot Préaméneu (Locré XXII p. 126 n°. 2 7)
als nuttigheidsmaatregel verdedigd, omdat de partijen toch reeds in
geding tegenover elkander staan. Daar evenwel het vonnis tusschen
andere partijen werd gewezen, zal ook een derde in het incident
moeten worden opgeroepen, en werd het belang van dezen uit het
oog verloren door niet den meest geschikten rechter, nl. dien welke
het vonnis wees, ook hier de kennisneming op te dragen.
De rechter van de hoofdzaak zal dan de verdere behandeling der
zaak kunnen schorsen totdat op het derde verzet zal zijn recht
gedaan. Art. 378. Terecht wordt daarbij gevoegd dat die schorsing
plaats kan hebben indien daartoe gronden zijn. De rechter
zal nu met de behandeling der hoofdzaak kunnen voortgaan, indien
hem al dadelijk blijkt dat het derde verzet eenvoudig als obstructie-
middel gebruikt wordt.
Aangezien het derde verzet, gelijk wij reeds de gelegenheid had-
den op te merken, altijd moet worden gebracht voor den rechrer,
die het met dat middel bestreden vonnis heeft gewezen, zoo kan
men eigenlijk niet meer, als naar de fransche wet, een principaal
en een incidenteel derde verzet onderscheiden. Immers het derde
verzet zelf gaat buiten den rechter om, voor wien het geding aan-
hangig is, waarin het door het derde verzet te bestrijden vonnis
-ocr page 459-
441
§ 193. BECHTSPL.EGING.
werd tegengeworpen. Het geeft aanleiding tot een nieuw geding,
dat dan ook bij dagvaarding moet worden aangebracht en niet alleen
tusschen de partijen in het aanhangige geding gevoerd wordt, ma;ir
tusschen deze en nog een derde, die medepartij was bij het bestreden
vonnis. A. verweerder komt in verzet tegen een vonnis dat B.
eischer hem tegenwerpt, waarin A. geen partij was. A. komt tegen
dat vonnis als derde in verzet en heeft daartoe B. en C, die in dat
vonnis partij zijn geweest, te dagvaarden. Nu kan de rechter, die
het bestreden vonnis wees, wel dezelfde zijn, als die voor welken het
geding aanhangig is. Doch ook dan moet het derde verzet bij dag-
vaarding bij dienzelfden rechter worden aangebracht en afzonderlijk
behandeld.
Het aldus ingestelde derde verzet kan wel tot een incident in het
aanhangig geding aanleiding geven. Het onderwerp van dit incident
zal evenwel niet zijn het derde verzet, maar eene schorsing van het,
aanhangig geding, totdat op het derde verzet uitspraak zal zijn ge-
daan. Toch zal de rechter niet verplicht zijn die schorsing toe te
staan. Hij zal dit alleen doen, „indien daartoe gronden bestaan".
En daar de afwijzing der schorsing wel daarop gegrond zal worden,
dat reeds aanvankelijk van de ongegrondheid van het derde verzet
blijkt, zal zoodanige afwijzing eerder verwacht kunnen worden van
den rechter die \'t bestreden vonnis wees, als daardoor met de om-
standigheden der zaak van nabij bekend.
Zal de rechter, wanneer hij de schorsing beveelt, een dag kunnen
bepalen, waarop de zaak weder zal worden ter rolle opgeroepen ? Dat
ligt geheel in den geest van de verandering door de wet van 1896
n°. 103 in de procedure in \'t algemeen gebracht. Ik zie niet in
waarom de rechter het niet zou kunnen doen, al is hij er niet toe
verplicht. Maar is de schorsing eens toegestaan omdat zij ter juiste
beoordeeling van de hoofdzaak noodzakelijk werd geacht, dan zal de
rechter den afloop van dat derde verzet waarom hij schorste, toch
wel moeten afwachten.
Ik zeide dat de wetgever terecht de kennisneming van het derde
verzet aan den rechter, die \'t vonnis wees, opdroeg. Er kan hier
toch inderdaad niet dan van eene opdracht (attributie) van rechts-
macht sprake zijn. Verdeeling (distributie) van rechtsmacht heeft
alleen plaats tusschen gerechten die tot denzelfden tak der rechter-
lijke macht behooren, aan welken tak in \'t algemeen de opdracht
-ocr page 460-
442 HOOFDST. IX. AFD. VI. HET VERZET DOOR DERDEN. TIT. II.
plaats had. Daarvan is hier de rede niet. De rechter die \'t vonnis wees
is hier dus volstrekt bevoegd. Een ander zou zich ambtshalve
onbevoegd moeten verklaren.
Wanneer het verzet is gericht tegen een vonnis in hooger beroep
gewezen, waarbij het vonnis des eersten rechters werd bekrachtigd,
dan moet het bij den rechter, die in hooger beroep uitspraak deed,
worden aangebracht. Reden tot twijfel zou kunnen geven de bepaling
van art. 354 eerste lid, volgens hetwelk het vonnis, hetwelk in hoo-
ger beroep wordt bevestigd, wordt tenuitvoergelegd bij den rechter
in eersten aanleg. Men vergete evenwel niet dat, al heeft het eigen-
lijk derde verzet vooral ten doel de uitvoering van het vonnis te
voorkomen, het toch het vonnis is dat de rechten van den derde
benadeelt, en tegen dat vonnis is het middel gegeven. De lagere
rechter zou anders ook geroepen worden om over de uitspraak van
den hoogeren te oordeelen. Ik kan dan ook niet instemmen met
het gevoelen van Carré dat het bevestigende vonnis in hooger be-
roep van het geheele geding niets overlaat dan het in eersten aanleg
gewezen vonnis tegen welks tenuitvoerlegging nu elke hinderpaal is
opgeheven. Is dit al eene beschouwing, die de bepaling van art.
354 (472 C. de pr.) rechtvaardigt, hier behoort zij geen invloed
te oefenen. Zie Carré Q. 1727 wiens gevoelen o. a. ook dat is van
Meklin, doch hetwelk door de latere jurisprudentie is verworpen.
Tissier n». 155.
Op welke Het wordt aanhangig gemaakt btj eene dagvaarding en de algemeene
wijze? voorschriften, omtrent de wijze van procedeeren zijn hier toepasselyk.
Art. 377.
De dagvaarding zou ook zonder uitdrukkelijke bepaling de vorm
zijn waarin deze rechtsgang bij den rechter werd aangevangen over-
eenkomstig art. 1. Ook zijn de bepalingen omtrent de dagvaarding,
en in \'t bijzonder die omtrent haren inhoud (art. 5), hier gemakkelijk
toe te passen. De verandering, welke de algemeene voorschriften van
procedeeren bij de wet van 1896 n°. 3 hebben ondergaan, zal hier
van zelf gevolg hebben, zoodat in het derde verzet niet meer op de
gewone of summiere wijze zal worden geprocedeerd, maar alleen eene
wisseling van conclusiën ter terechtzitting zal plaats hebben, zooals
dit in art. 140 vgg. is bepaald.
-ocr page 461-
§ 193. RECHTSPLEGING.
443
Behalve de wijziging of verbetering van het vonnis waartegen het Provisioneele
verzet is gericht, zal eene provisioneele vordering tot schorsing van de V°chars!ng.°
tenuitvoerlegging van het vonnis kunnen worden gedaan, die, evenals
dit met audere provisioneele vorderingen het geval is, in de dagvaar-
ding kan worden opgenomen. Art. 379.
De schorsing der uitvoering van het aangevallen vonnis wordt
zeker niet uitgesproken, wanneer die niet door den derde wordt ge-
vraagd. De rechter kan de uitvoering schorsen, zegt art. 379, doch
evenmin hier als elders treedt de rechter uit zijn lijdelijke rol. Hij
zal, partijen gehoord, moeten beoordeelen of tot die schorsing termen
bestaan. In algemeenen zin kan men hier van eene vordering spreken,
ofschoon hier niet een bij de burgerlijke wet toegekend of erkend
recht gehandhaafd, maar veeleer van den rechter een maatregel van
rechtspleging gevraagd wordt. Toch zal hetgeen van de eigenlijke
provisioneele vorderingen, welke ik in Dl. III § 78 besprak, geldt,
ook hier toepasselijk zijn, behoudens de wijzigingen welke sedert in
de wet gemaakte veranderingen in het daar opgemerkte medebrengen,
Zoo zal voor die schorsing op korten termijn kunnen worden ge-
dagvaard of, waar dit niet geschiedde, zal ten dienenden dage, ten
aanzien van de schorsing, eene incidenteele conclusie kunnen worden
genomen, opdat over dit punt eene afzonderlijke uitspraak worde
verkregen.
De schorsing heeft ook dit met eene provisie gemeen, dat zij ge-
durende den loop van het proces plaats grijpt, want zij geldt, wan-
neer zij wordt uitgesproken, totdat het verzet zal zijn uitgewezen,
daarop recht zal gedaan. Art. 379.
De rechter beveelt schorsing, indien daarvoor reden bestaat. Art. 379 Wanneer
bevolen ?
De schorsing heeft niet van rechtswege plaats, noch zonder rech-
terlijke uitspraak, nóch door rechterlijke uitspraak op bevel des
wetgevers. De rechter heeft hier voor ieder bijzonder geval te beoor-
deelen of er reden voor die schorsing is. Dit is de beteekenis van
de meermalen in de wet voorkomende uitdrukking „indien daartoe
termen" of zooals hier „indien daartoe gronden bestaan". Ik zou in
al die gevallen aan de uitdrukking: „indien daarvoor reden bestaat"
de voorkeur willen geven.
De schorsing moet derhalve door den eischer worden gevraagd en
-ocr page 462-
444 HOOFDST. IX. AFD. VI. HET VERZET DOOR DERDEN. TIÏ. II.
de reden daarvoor opgegeven, terwijl de rechter te beoordeelen heeft
of die reden afdoende is. Buiten de gevallen van bedrog zal het
altijd wel voor den derde van belang zijn dat de uitvoering van het
vonnis geschorst worde, omdat het hem er juist om te doen is het
nadeel te keeren dat de uitvoering van het vonnis hem in de uit-
oefening van zijn recht zal doen ondervinden. Ik zeg buiten de
gevallen van bedrog. Want daar zal vergoeding van geleden schade
door vernietiging\' van het vonnis met zijne gevolgen altijd nog wel
te verkrijgen zijn. De wetgever onderstelt dit zelf in het eenige geval
van dezen aard dat hij opzettelijk behandelt. Volgens art. 247 B.W.
kunnen de schuldeischers van den man zich tegen het vonnis waarbij
de scheiding van goederen werd uitgesproken verzetten, al ware het
reeds tenuitvoergelegd, indien hunne rechten daardoor opzettelijk
mochten verkort zijn. En dit ligt in den aard der zaak. Want het
verzet tegen het vonnis is hier inderdaad een verzet tegen de han-
deling der partijen, het door hen gevoerd geding waarmede zij de
opzettelijke verkorting der rechten van de schuldeischers pleegden
en waarvan het vonnis het gevolg is. In deze categorie van gevallen
kan de schorsing op zich zelve van minder belang voor den eischer
zijn, en kan dit bij den rechter in de schaal worden gelegd tegenover
de belemmering welke de provisie aan de partijen die het vonnis
verkregen, in de uitoefening van hun recht veroorzaakt. Dit neemt
echter niet weg dat het belang des eischers ook hier kan mede-
brengen dat de feitelijke toestand blijve totdat over het verzet uit-
spraak zal zijn gedaan en de bevoegdheid des rechters, om de schor-
sing uit te spreken, is in art. 379 voor alle gevallen toegekend.
Zeker is het voor den eischer van het hoogste belang dat, be-
paaldelijk in de gevallen waarin het derde verzet, tegen de uitvoering
van het vonnis gericht is de schorsing worde uitgesproken. Zijne
benadeeling toch zal juist door de uitvoering van het vonnis in
werkelijkheid plaats hebben; na die uitvoering wordt zijn verzet
doelloos. Had dan de wetgever in deze gevallen de schorsing niet
als een noodzakelijk gevolg aan \'t derde verzet moeten verbinden?
Zeker, indien dan niet wederom het verzet gegeven om eene bena-
deeling van een derde te voorkomen, als een middel kon worden
gebezigd om de veroordeelde partij een uitstel van executie te
bezorgen. De fransche wetgever vreesde dit zoozeer, dat hij de schor-
sing zelfs verbood ten aanzien van vonnissen in kracht van gewijsde
gegaan, houdende veroordeeling tot ontruiming van een erf. Art. 478
-ocr page 463-
§ 193. Rechtspleging.                                  445
C. de pr. De bepaling werd overgenomen uit art. 11, tit. XXVII
van de Ord. 1667. De commentatoren van de Ord., als Rodikh, legden
deze bepaling uit in verband met het doel dat de wetgever er mede
zou gehad hebben, nl. het verzet van een „tiers de complaisance"
van zijn kracht te berooven. Daarom beperkten zij het verbod van
schorsing tot het geval dat een bezitter tot ontruiming veroor-
deeld was. Was de veroordeelde houder, dan lieten zij het toe.
Waar de schorsing was uitgesloten, begreep de Ord. dat de derde
aan zijn verzet niets had en verwees hem in dat geval naar den
gewonen weg van rechte. Dit doet de Code evenwel niet, maar zegt
daarentegen, dat door het verbod van schorsing het derde verzet
niet geprejudiceerd wordt. Ik geloof dat de fransche wetgever door
dit „ménager la chèvre et Ie chou" den aard van het derde verzet
heeft miskend en de uitleggers van den Code, die de onderscheiding
van Rodier niet overnemen, hebben daartoe tot m.i. geheel onge-
rechtvaardigde toepassingen van het derde verzet de deur geopend.
Onze wetgever wist dan ook kennelijk met art. 478 C. d. pr. geen
weg. „Men heeft," lezen wij bij v. d. Honert, „het vermogen van
den rechter om het vonnis te schorsen algemeen gemaakt, zonder
daarvan uit te sluiten het geval van veroordeeling om het bezit
van een erf te laten varen, voor welke uitsluiting men geen goede
reden heeft kunnen vinden." Onze wetgever heeft hier te recht de
traditie naar haar reden van bestaan gevraagd en deze niet vin-
dende haar niet gevolgd. Het komt hier, dunkt mij, goed uit. Want
zonder zich nu precies aan de onderscheiding van Rodier te hou-
den, kan onze rechter op de mogelijkheid acht geven dat het derde
verzet als „acte de complaisance" wordt uitgeoefend en dan de
schorsing weigeren. Onze wetgever handelde ook verstandig door
niet, als in art. 478 § 1 van den Code, uitdrukkelijk te zeggen, dat
het verbod van schorsing of dan ook de ontzegging van de schor-
sing aan het derde verzet niet prejudiceert. Immers die bijvoeging
geeft grond tot de onderstelling dat de derde, niettegenstaande de
uitvoering van het vonnis niet geschorst wordt, er nog wat aan moet
kunnen hebben. Beteekent het toch .eenvoudig, dat hij niettemin met
verzet kan voortgaan, dan behoefde dit niet gezegd te worden ? Dit
kon de wetgever aan den derde zelven ter beoordeeling overlaten.
Zal hij er dan nog iets of inderdaad niets meer aadfa*ebben? Da
zal daarvan afhangen, of het nadeel dat hij door de uitvoering van
het vonnis lijdt, al of niet voor herstel vatbaar is. Was de veroor-
-ocr page 464-
446 HOOFDST. IX. APD. VI. HET VERZET DOOR DERDEN. TIT. II
deelde bezitter, dan zal het derde verzet op een werkelijk bestaand
recht gegrond moeten zijn, en dit bewezen moeten worden, om de
zaak die de veroordeelde bezitter aan zijn eischer krachtens het von-
nis opleverde, van dezen terug te bekomen. Was het een middel om
den in \'t gelijk gestelden eischer op te houden, de schorsing zal dit
verijdelen en den eischer in geval van verzet, van verder procedeeren
kunnen doen afzien. Was daarentegen de veroordeelde houder van de
zaak, bijv. een huurder die zijn verhuurder niet in het geding riep,
dan kan het voor den derde van meer belang zijn om de schorsing te
verkrijgen. De derde is dan zoo licht niet een „tiers de complaisance"
omdat de veroordeelde, door hem niet te roepen, zijn recht miskende
en het is voor den derde van groot belang, dat het goed in het
bezit van den huurder blijve. Wordt de schorsing niet toegelaten,
dan zal, werd het verzet desniettemin gegrond bevonden, de door
den huurder uitgeleverde zaak weder op dezen moeten teruggaan om
den toestand te herstellen, zooals die voor het vonnis was. Het is
derhalve van het grootste belang dat de schorsing niet door de wet
aan het derde verzet gebonden worde, hetzij vanzelf, hetzij door
\'s rechters uitspraak, maar evenmin dat zij, zelfs bij geschil over
onroerend goed, verboden worde. De bevoegdheid des rechters om de
schorsing naar omstandigheden te verleenen, verdient hier derhalve
de voorkeur.
Loopt het verschil over een roerend goed, dan kan de schorsing
van de uitvoering van het vonnis voor den derde van het grootste belang
zijn, wanneer ik beweer dat de zaak welke B. veroordeeld werd aan
A. uit te keeren, aan mij toebehoort en A. een onvermogend man is
of ik om andere redenen te vreezen heb, dat ik de mij toebehoorende
zaak bij A. niet zou vinden. Zie de Pinto op § 272, II, bl. 507.
Intusschen word ik door de schorsing van het vonnis nog niet
altijd geholpen, indien ik geen revindicatoir beslag op het goed leg
en zelfstandig de zaak opvorder. Want al had A. de veroordeeling
verkregen krachtens een tegen B. van waarde verklaard revindicatoir
beslag, hij wordt daardoor niet verplicht om de zaak voor mij onder
zich te houden en mijn verzet belet hem wel om de zaak aan A. uit
te leveren, maar niet om haar op andere wijze weerloos te maken. Ik
zal dan tot het derde verzet eerst de toevlucht nemen als ik geen
bevelschrift van den president kan krijgen voor het revindicatoir be-
slag. Wordt mij dit evenwel geweigerd, dan zal tegen de schorsing
ook allicht bezwaar bestaan en dan helpt mij het middel van derde
-ocr page 465-
§ 193. BECHT9PLKGING.                                            447
verzet niet. Dat derde verzet kan dus wel gebruikt worden in het
hier bedoelde geval, maar het geeft niet veel, gelijk het dan ook in
\'t geheel wel gemist kan worden. Zelfs bij onroerend goed zou men
er niet verlegen om zijn, indien daarbij revindicatoir beslag was toe-
gelaten. Na 20 jaar wachtens kregen we in 1896 het conservatoir
beslag op onroerend goed; men dacht er niet aan om ook het
revindicatoir toepasselijk te maken, ofschoon daarvoor gelijke reden
bestaat.