-ocr page 1-
mm&
mm®
>i1y.<
MSjXX
1
m
iwVAiiy&\'ilA"!»;\'
NKftfflfófóffiiSi
ffiffi
«il
«S:
:»saa
i
\'^ïilWvMÏJw
m
M
iwtl\'iJiWiïWwiil\'rS!\'!!!!! &\'\'.<i\'i
v
-ocr page 2-
\\aocf)
y^\\V^
-ocr page 3-
-ocr page 4-
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
2871 563 3
-ocr page 5-
f
^Cw^^
\\\\\\\\\\\\\\.\\\\\\ \\~\\ \\ \\ \\"\\ \\ X \\~\\ \\ N V \\ X"X~X~]\'Sr°-
0>
Sedert de schepping van ons geslacht behaagde
het moeder natuur eenige weinige uitverkorene
kinderen aan de opgetogene aarde te toonen, welke
zij het hart eener dichter gegeven hadde.
Dr. J. Hamikrtsma.
#«■
AM
P>
EEN GEDENKSCHRIFT
«J-o-
OP ZIJN HONDERDJARIGEN GEBOORTEDAG,
tê-°-
«&*•
**■
■s-°-
\'S-"-
««-
•s-o-
<£-°-
^ e.
den 8 October 1897, feestelijk herdacht te Grouw en elders,
• >
r
-o-a
nooit
-o-i\'
-o-©
•o->
■0-^0
"O-©
"*-* J
-o->
-o*
•o*
-©-&
-o-if
-o-Sjt
~^>
•o#
■o-> .
.„.>!>. XX XXX
7n I FFFt»;
J. II E PK E MA.                       v°"
Oudgermaanse Taal- en LeHerkuni
aan 6e Rijksuniversiteit
«e Utrecht
I.
Prijs 50 ets., bestemd voor een gedenkteeken op „de Alde Terp".
«PÈ-O-
•V"
BIBLIOTHEEK »Et
RIJKSUNIVERSITEIT
Hoercoveoa — J. HirZMA — 1898.
\\V\\\\\\A SV\\\\ X XX \\A X X X X X X V X. X X X X
\'\'■.\'»■*!
lil
, <) j
\' * ? in
-ocr page 6-
-ocr page 7-
t
C6i^
Dr. Eeltje Halbertsma.
Do dead is master fen \'e wrald,
Do wrald forgiot on ny forsinke;
vd. Meuten liet zich in vloeiender taal aldus
hooren :
De dorpsklok byle \'t holle bonibttm oer
It Wetterlan, — en earnstich wie dy stimme;
Crjin droever klank mocht fen <lc Orouster toer
It cnr der cale Friezen ea forniuune.
Al wave nou do gêrsen oer dyn holle,
Dyn greatme blieut for wis, ta \'t léste slachte,
Hy Fryslan\'s bern yn seinjende gedachte.
Al treurt de Fries, hy tinkt moi blydskip nei,
Dat troch dyn dwaon iïs Fryske Lusthof tierde
Mei blommen dy do tiid fordoarje scille,
Ta tiidnoats nocht en neiteams stille wille.
Licht roze er stormen oor dyn loste went;
Licht soil de wrAId fen onwaer trilje en skodsje ;
De tsjustre takomst is iïs uot bekend.
Mar ho wy 0|) dyn rêstpleats skreppe en bodsje,
Dyn geast bostiet on soil net fen Os wykje,
Dyn Fryske geast — mocht dy ds geast forrykje! (\')
Hij \'t eerste Halbertumafeest in 1875 roept Vu-
der Waling, een zijner waardigste volgelingen,
uit:
Ja, moiumetael, dat wie in skat
Dy \'t Eeltsje as goud bowarre.
Dy tael, sa fol fen kreft en gloed,
Koe liiin it hort optillo,
Dor stirto hy syn fol gemoed
Yn At — by lood en wille!.......(\'-)
Op den steen, onzen dichter destijds gowjjd en
geplaatst in den gevel van zijn geboortehuis,
ziet men het medaillon van den dichter in een
krans van eikenbladen, met de jaartallen 1797
—1858 en daaronder: De Friezen oan Dr.
Eeltsje Halbertsma.
In de hoeken bovenaan
een Stcanneblom met het bloempje Tink oan
mij
en onderaan een lier met de staf van den
God der geneeskunde.
Als puntdicht „oj> it Kopstik" werd destijds
geboekt:
Ja, Doktor-om me, as ik jou byld benoaskje,
Dan giet it my troch mirg en bien;
Twa snaren trilje my yn \'t herte,
Ilwont \'k laoitsjo on \'k skriein mei-ien. (\'-)
/
/
/
/■
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
s
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/

/
/
/
/
/
/
/

/
/
^rfIjitrhi en lijaeht, h\'rieseh I olkxblud en
Bergwner Courant wijdon in hun jongste
nummers een waardig woord aan de nagedach-
tenis van Dr. Eeltje Halliertsma, wiens honderd-
jarige geboortedag j.1. Vrijdag in kleinen kring
feestelijk is gevierd te (ironie.
Op, Zangster! naar den Frieschen grond,
Waar in zijn snelle vliet
De Grouw al bruisend voorwaarts snelt
En tusschen weide en klavorveld,
In hrcede bogten schiet.
Diiiïr rijst de stompe torentop
Van \'t statig kerkgebouw ;
Daar heft zich aan de breede boord
Het dor]), dat ieders oog bekoort,
Het welgelegen Gromr. (!)
Dit zijn een paar versjes uit vele, van een
student, die in 1814 te Grouw logeerde. Dr.
Eeltje gaf ze in 1837 in \'t lieht met een bc-
sehrijving van zijn geboortedorp.
Een zanger uit onzen tijd zou niet in de
eerste plaats denken aan Vliet en Torentop,
maar aan den Frieschen Bard, die er verrees
omstreeks 1820 en zich in onze grijze moeder-
taal liet hooren, zoo voortreffelijk, dat liem in
onze letteren de eorcplaats is toegekend naast
Gyslm\'t Japix.
Wat Gysberl zaaide in de 17o eeuw, heeft
eerst in deze eeuw gewenschte vrucht gedragen.
Dit danken de Friezen voor een groot deel
aan de Broarren Halbertsma, bovenal aan do
geestige pen vol humor en diepen zin van
Dr. Eeltje, den geboren dichter en volksschrijver.
Wer is do man
8a frysk fen sicle en sin as Halbertsma !
Hwa seil syn geastigens forgoedsje ? hwa
Mei d\' almacht fen syn tael do Fryske geast
Beforderje by \'t folk; hwa, hwa iïs tael
Behoedsje for \'t fordjear, sa lyk as hy\'( . . . . (\'-)
zong Frieslands archivaris Colmjon bij zijn
versterven en de begaafde pen vnrt een T. (S.
(1)    Friesche Volksalmanak 1837.
(2)    Iduna 1860.
(!)
Fryske Hilsfrjeun 1858,
Swannebloinmen 1M76.
Inst
0«ug*rmaatise
aan cta
te
i\'.uül votr
Taal- en Uttcrkundd
R:|ksunivtrs.i8il
Utrecht
-ocr page 8-
_ 2 —
Dit als inleiding, om te vatten en te voelen
wien het hier geldt en waarom zoo diep
wordt opgehaald, wat verder volgt. De klein-
gto bizonderheden in \'t leven van mannen
van beteekenis hebben waarde. Eigenlijk zou
men er alles en nog wat van verlangen te weten.
V«lgens Domino Joost, den broeder van
Dokter-om, stammen de Holbcrtsma\'s uit
een oud geslacht. Als stamvader heeft hij
gevonden een Dowre Halbertsz van Dokknm,
die vocht bjj Heiligerlee onder Lodewijk van
Nassau
en in 1568 door Aha naar de galg
werd verwezen. In l(>74 was een kleinzoon
van dezen Domce, Jusfus of Joost geheeton, ge-
ncesheer te Dokkum, die zich Halhetsma schreef,
waar in 1700 de r is ingevoegd door den groot-
vader van Dr. E.
De vader van onzen dichter was bakker en
koopman te Grouir.
Tn „It Aldcrhus" leest men van „de treftige
boikes fen Hidde."
Die treftige boikes fen Hidde en Rjttrkt (de
namen der ouders) waren Jiost, Tsjalling, liin-
nert
en Eeltsje.
Eelt je, geboren den 8 Oct. 1797, bezocht eerst
de Fransehe en daarna de Latjjnsche school te
Leeuwarden en studeerde vervolgens te Leiden
en te Heidelberg.
Te Leiden tot Dr. bevorderd, vestigde hij
zich te Purmerend.
Doch it bloed yn Fryske ieron
Kruwpt nci Fries en FrysMn ta.
Hjj bleef er slechts een korte pooze en keerde
naar zijn geboorteplaats terug, waar hij bijna
40 jaren de praktijk heeft uitgeoefend en de
vriend en vraagbaak is geweest van alle standen.
Te Bohirard, waar zijn taalgeleerde broe-
der Joost, predikant bjj de Doopsgezinden,
krachtig ijverde voor de eere van Friesland»
taal en historie, vond Dr. Eeltje zijn echtge-
noote.
Nog geen volle drie weken na de onthulling
van (hjsherts borstbeeld in de SI. Martinikerk
aldaar, waar ook Dr. Eeltje liet woord voerde,
trad deze in \'t huwelijk met Kouekje Foekens,
een dochter van Bolswards burgemeester.
Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren:
Liuwe, limirdje, Hidde en Anna Petronellu.
Liuwe, een veelbelovend jongeling, die in
velerlei wetenschap en kunstvaardigheid beha-
gen vond en blijk gaf van buitengewonen aan-
leg, werd na voleindigde studie pred. te Em-
den.
Hjj stierf, pas dgrtig jaren oud, en zijn
nagelaten dochter is te Osnabriiek in 1871 op
19-jarigcn leeftijd overleden, één jaar na hare
moeder.
Buurdje (Rjurkt) is acht maanden na haar
huwelijk met den notaris Cornet is Boonaeker
te Schagen overleden in Januari 1851.
Hidde, even als zijn vader Dokter geworden,
vestigde zich even als deze eerst te Purmerend
en volgde zijn vader te Grouw op, toen
deze de praktijk aldaar neerlegde en zich
metterwoon vestigde te Leeuwarden. Hij was
gehuwd met Titia Douma, en stierf op 39-ja-
rigen leeftijd, twee jaar na zijn echtgenoote,
nalatende vier kinderen: Minke, Eeltje, Cor-
nelis
en Joost. (*)
A una Petronella, do jongste dochter van on-
zen Dichter, stierf een half jaar na Ruurdje,
in den bloeienden leeftijd van pas 19 jaren.
De 54-jarige zanger wijdde haar een lijkzang,
onder den eenvoudigen, maar toch zoo passen-
den titel:
OP ANNA\'S DEAO.
Myii Anna, dy sa rein as snie
En my sa nci oan \'t lierte wie,
De Ijeafliug fen niyn siele;
Myn Anna, och myn ingelin,
lt blomke fen myn hüsgesin ;
Hwa kin myn rouwe fiele V
\'k Mat krite as in bern ;
Dy liaw ik nou forlern.
\'t Moat treure, God, sa ynnichlyk :
Dat fanike wier myn himelryk,
Dat lij ir sa kuurt mar tierde ;
Dat as in f\'ügel tor my song,
Of dortel as in lamke sprong,
En heel myn bus forsierde;
Dy lust, dy glorie fen myn luis,
Formoddert yn bjiir klus.
Nou bloit nin blomke mear for my,
Nin ljurkje sjongt syn melodij,
Dat oars myn bert sa streelde;
De siinmer het nin freugd for my ;
Né, de ierde is my in woastenjj,
Mei al syn plantenwoelde,
Nou \'t \'k ulles huw forlern
Yn dut oanminnich bern.
De hjerstwyn bliest do bledden wei,
En wy, wy stouw\' bjar efternei,
Kn wirde in lmnfol ierde.
De stim, dy hjoed sn hearlik klonk,
l>c blom, dy iïs to nijitte blonk
En lióf en fjild forsierde,
As (iud almachtig winkt,
b\'ordoavet en forsinkt.
Reeds bij zijn eerste optreden als dichter had
de gevoelvolle en medelijdende mcdicijnmeester,
die aan zoo menig ziekbed kwam te staan,
waar geen raad of kruiden konden baten, zijn
hart in dien toonaard uitgestort. Men lezo:
lt tsjerkhof hij jountüd of it grif fen Lokke,
waaruit wc hier eenige regels iaten volgen :
(*) De eerste, gehuwd met Dr. VA. Ploeg te
Amsterdam,
beeft vier kinderen, de tweede is Dok-
ter te \'s-lltit/e en beeft één zoontje, de derde is
fotograaf te Leeuwarden en heeft ééne dochter,
terwijl de jongste nog studeerende is in de medi-
cijueu te Utrecht.
                               tëlj. en Kj.
/
/
/
/
/
/
/

/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
s
/
/
/
/
s
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
-ocr page 9-
Mar iwich scil myn siele eare
Dyn édle neigedachtenis,
Foar dy dit blomke bloeye litte,
As ik ek vn de ierde liz.
Dêr op dat heege tsjustre huaf.
Lei ik myn Lokke del
De toersklok byle liol en fól,
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/

/
/
/
/
/
/.
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/



/
4
/
S
s
/
/
/
s
/
/
/
/
/
/
s
/
Dit stuk is onderteekend : Emilen lS/iö en
zeker gewijd aan een zoon van zjjn Broeder
Joost, wat kan bevreemden, als men bedenkt,
dat zijn eigen zoon Liutre een jaar te voren
aldaar ten hove werd gebracht, voor wien hij
in zijn geschriften
geen bloempje heeft laten bh>rie>i.
Wel heeft hjj hem in de wieg bezongen, doch
daarover later.
* *
*
De dead is nutster fen \'e wrald,
De wrald forgiet en wy forsinke ;
Dit heeft de Dichter-Dokter diep gevoeld.
Hjj teekent in krachtige taal den afgeleef-
den grijsaard op het sterfbed, worstelend met
den dood. Hij plaatst ons aan de sponde van
den armen bodder, eens zoo sterk en krachtig;
wij zien hem den doodsnik geven.
Noch trjje siken, dan is \'t dien,
Hjj leit it óf. Xoeh twa, noch ien ....
En onmiddellijk daarop volgend, die tref-
fende tegenstelling :
Mast dou sa stil de wrald ontsluwpe t
Dy altyd fleach, it ein bekruwpe.
Hoe geheel anders klinkt zijn taal, als hij
het woord richt tot de treurende moeders, in zijn
Otui in berntsje. yn de mire irrahl.
Hier wekt hij op en vertroost. Hij schildert
list kleurige, jonge leven in den doode en laat
den wreeden dood en het kille graf zelf onbe-
gproken. Voor de liefhebbende moeder moet
de gestorvene blijven leven. Het dicht is kort
als de dagen der kleine weinige waren. Wij
geven het in zijn geheel, omdat het zoo innig
naïef en met zoo fijne verven geteekend is.
Byld fen myn hüs en myn herte!
Bern fen myn siel en myn sinnen !
Wózen fol ljeafde en fol nocht!
Neame, o ! doar ik dy nimmer,
Mar binnen lijïi- yn myn herte
Der stiet dyn nitnimo beskreaun.
Laekest my freunlikjes oan
Mei gluwpige freegjende engen,
Uods ingel lake my ta.
Sieste my jonas op \'e skirto (schoot)
Kn strcak\'ne dyn hantsjes myn wangen,
Oer wie de sonrg fen de dei.
Leiste joiins ier sa te sliepen
Mei onskilds waes oer dyn tliroanje.
Roazen hloaiden sa net.
Twiske de sliep en it weitsjen
Tyspele yet foar myn sinnen
Ynnerlik, berntsje, dyn byld.
En mannieli fnmko toacli er mei,
Nei \'t heege tsjerkhonf ta,
De bier mei Lokke efternei,
En kriet en snikke sa.
En mannieli feintsje teacli er mei,
Nei \'t heege tsjerklionf ta,
De bier mei Lokke efternei,
En kriet en snikke sa.
En hoppe mei har reinkleed om,
Kaem slierend et\'teroan,
Dat alde minske goed en trom,
Troeh rou en leed bestoam.
Sa toagge se har léste blom,
Nei \'t neare tsjerkhoaf ta,
En nioast noch yn har alderdoni,
Ek dizze rouwe ha.
Hwet is it libben op \'e wrald
In wif en faei bestean !
Ho selden sjocht men immen ald,
Ho faek in blom forgean !
Dy hjoed tol libben on fol fjoer,
Om grêf noeh stearren tinkt,
Hat moarn it wite deadkleed oan,
Forjit me — en forsinkt.
Niet minder schoon is \'t
Blomke op it grêf fen Petrus.
Passieflora, don ljeave blomme,
O, byld t\'en krues en lést,
Dy wol ik op de dohbe plantsje,
Dêr nou üs Petrus rest.
I\'s Petrus, de eare fen syn stamme,
Sa edel, from en trou,
Forliet syn iïounen lij ir op ierde,
Yn triennen en yn rou.
In Diemon naem hini yn syn kloeron
En traepe him to groun.
Bost justere syn klenre holle,
Benaem him frede en rest;
En skoarde him mei earneklouen
Yn syn forskriklik nest.
Hwa kin do toesen jammers neame
En \'t hcrtforwriiigjcnd leed r
<ijiu swirden fen de wrrtldstyrannen,
Ojin folter wie sa wreed.
O, \'k sjen him yet sa djip forgonken
Yn mymering sonder ein,
Forskromfele ta sine en honken,
Fortoarre en forslein.
En du de dead syn bannen loste,
Do tankte ik God lit herten-groiin.
De triennen fen ós freune-herten,
Binn\' nou forsyge en forroun.
-ocr page 10-
Twisken it ljoehten en tsjuster
"Wekken dyn flajjende luwdsjes
Ljeaflikjes my At \'e sliep.
Triennen forrinne en fordroegjo,
Mar wonnen yn memmeherten
Helet de iwichheit mar.
Tïden en minsken forgoane,
Mor libjend stiet foar inyn siele,
Iwich en iwich dyn byld.
Er ligt nog een te groot veld voor ons, waar-
op we onzen dichter wenschen te volgen, om
hier in vergelijkingen te kunnen treden met
andere dichters, als Poot, Borger, Bilderdijk
enz., die \'t zelfde onderwerp hebbon behandeld,
doch naast elkander gesteld kennen wij vrijmoe-
dig den eerepalm toe aan onzen Dr. Keltsje.
De libbensbeker is fól wille
Mar \'t swartgte leed leit ek eryn.
Niet het leed, de schaduwen en rampen
dezer wereld, zjjn door onzen meester-zanger
op den voorgrond gesteld, al deelde hij als
zoovelen begaafd met geest, ruimschoots in-de
tegenspoeden dezes levens, integendeel,
Vit bet rijke leven
Slet lach en traan doorweven
heeft hij den lach gekozen en de zonzijde
gezocht, zóó aan den huiselijken haard als in
de opwekkende natuur.
Noem bij deez\' aard een Hof van Eden,
Die altijd mocht op rozen gaan,
Ik wensen geen stap terug te treden
Up d\' afgelegdon Ievengbann, (van „vijf-en-dertig
zonnen")
luidt de verzuchting van Borg/er, doch Haf-
hertsmn
toonde zich manmoediger in den levens-
strijd.
iljj getuigt van den beker met zjjn lief en
leed:
Dy skeale mat elts niinsko drinke,
Dat is de wn\'ild ; dat is syn lot.
Sa binn\' de blêdden dy bjir lizze,
Besonge yn nocht, beskriemd yn need ;
De sinneHengen, dy bjir sizze:
„Nou hien\' se wille, nou wer leed."
II.
Frijdom, l\'rjjdom is lis noebt,
As 3e föegels yn de locht!
\'t Was een tijdperk van buitengewone wei-
vaart, toen het machtige Spuitje met zijn rijke
koloniën handel en bedrij!\' in deze gewesten
deed opbloeien en Fryskf TsjirUn te voorschijn
riep, als die, welke Dr. Keltje laat spreken:
Stoarm en wetter lm wy bawn
Oer üs ljeave Frysko b\'in,
\'t Folk, dat foar gjin weagen swiebt
Fait it oarlocbs-swird ek licht.
\'t Glcaune skerpe krigers-swrrd
Eoeke wy foar hüs en hird,
En wy binne eang of bang,
As foar fremde Kenings-twang.
\'t Geweld van Spanje werd bedwongen en
Filips, „de fremde Kening\'\', na een 80-jarigen
worstelstrijd, gedwongen, met zijn naam te be-
zegelen ook — onze vrij-verklaring.
Hebben wij            dat is Noord en Zuid —
Spanje veel te verwijten, wij hebben het ook
veel te danken, zoo welvaart als beschaving.
De geesten ontwaken in zulke tijden.
Talentvolle mannen waren er opgestaan,
mannen van durven en doen, mannen van
kennen en kunnen, van willen en weten. Daar-
onder Gysbert Japi.r, die voor onze taal en ons
gewest als een wonder van zijn tijd wordt ge-
roemd.
Ysbrerker ia syn namme
schreef Dr. Joost Halbertsma onder zijn borst-
beeld.
De Spaansche tjjd van Filips, waarin Gt/s-
bert
verrees, gelijkt den Franschen tijd van JVa-
poleon, waaruit de Halbertsma\'s zijn opgekomen.
Door strijd en druk, tot welvaart en leven.
Frijdom koft trocb eigen moed
Is üs mear as goed en bloed.
De i\'ilde Friezen wieme frij,
Foar de frijdom fjoehte wy......
Nog onder den indruk van het Fransehe
schrikbewind en don slag bij Waterloo, werd
de herboren vrijheid levendig gevoeld en alom
in den lande door dichters bezongen.
De strijders voor Friesche taal en zeden de-
den liet voor de Friezen, met hun rjjke histo-
rie en roemvol verleden.
Kent gij bet land, het land van stille belden,
Waar Groote J\'ier zijn bouwer heeft gezwaaid,
Of, als ons barsehe Britten knelden,
Tjerk- Hiddes vlagge heeft gewaaid f
Waar Gysberi-om zoo lieflijk zong
En Onno\'s lier der (ienzen-lof voldong ?
Kent gij dat land \'i
Daarheen, daarheen
Strekt mijn verlangen been.
Met dit refrein gaf Dr. Joost eenige ver-
zen. AVij stippen ze aan, niet om hare bizon-
dere dichterlijke verdienste, maar als uiting
van den ontwaakten vaderlandschen geest.
Het krachtigst liet Dr. Keltje zich hooren in
zijn voortreff\'elijken zang ,<7<\' ahle Friezen".
Frysk bloed, tsjooh op! Wol nou risbroeze en siede
En bonaje troeb myn ieren om,
l\'lean op! ik sjong it beste lan fen de ierde,
It Fryske lan lol ear en rom.
met dat krachtig refrein
Klink dun en dawerje fier yn it roun,
Dyn aldc care,
o, Fryske yroun.
\'
s
s
f
/
/
f
/
/
.\'
/
/
\'
/
f
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
s
/
/
y
/
/
/
s
/
/
/
s
/
/
s
-ocr page 11-
verblijf vragen. Jaren had hij ter zee geva-
ren. Binnengelaten en aan den diseh genoo-
digd, verhaalt hjj zijn droeve lotgevallen. Hij
is in handen gevallen van de wreede Turken,
heeft lang in slavernij gezucht en eindelijk
door de Franschen verlost, zijn been nog ver-
loren.....
Mar gjin Turk is do ontkomd.
En nou siekje ik sa myn iten
As in earme liereman,
Strompelje sa mei myn stompe
Oeral troch it Fryske lan,
Om sa mei goede wirden
Myn earme brea to bidden.
„AVost de sé nou vette ploegje f"
Spriek de heit syn Tsjerk do oan,
„Yslik is it om to hearren,
Is \'t net wier, myn beste soan \'i
Wy ha lannen, wy ha grounen,
Blieu dan by dit stille wirk,
Oerfloed heste hjir en wille,
Frjjheit heste lij ir en lirca".....
Te vergeefs. Inpltiats af te schrikken heeft
het verhaal van den oud-zeeman den knaap
aangevuurd. Hij zal het die onverlaten betaald
zetten, wat ze den armen liereman hebben mis-
daan ! Zoo zegt hij.
En hy halde wird, it boike,
\'t Fyt\'re hini oan, dit near forhael,
En in simpel hoeresoantsje
AVirdt in Fryske ndmirael,
Dy troch de admirael de Ruiter,
\'t Neist oan hini gelyk waerd steld;
\'t Wie Tsjerk Hiddes fen Seisbierum
\'t Wie de greate Fryske held.
Als dicht kan deze berijmde vertelling —
want meer is het niet — op verre na niet ha-
len bij het
Wif woe mei in dolle holle
Ta de wrald lit holln-holle
fen Gysbert Japix, onder den titel Tsjeakmois
se\'-aiif/stwe, een meesterstuk van taal en voor-
stelling, het meesterstuk van onzen Gysbert,
docli Halbertsma werd verstaan en Japixzoon
niet begrepen.
Op een andere plaats wordt van Tjerk Hid-
des
gezongen:
Silen, swabjen, wie dyn lihben,
Hiest net oor de weagen bromd
Kn <le Ingelskman betong\'re,
Hwa liie dan dyn nainine romdr
Ja, ile Vries, dyn Fryske namme
Is net o]) de weagen stoarn :
Nó, hy libbet oor de séen
Iwich, Fryske Wettersoan I
Waar Dr. Eeltsje liet leed en de smart schil-
dert, daar staat de geboren humorist wellicht
Fen buwgjen fremd, en fij fen ljeave wirden,
Wie riucht en sljucht har hert en sin,
Hja beane om neat, mar mei de bleate swirden
Stoen\' g\' alle twang en oerlêst tsjin.
Klink dan ensfh.
Sa faek troch stoarm yn djippe sé beditzen,
Oeralde lieave Fryske groun,
Waerd noait dy taeye ban forbritzen,
Dy Friezen oan har lan forboun.
Klink dan ensfh.
Trochloftich folk fen dizze iilde namme,
Wês jimmer op dy Alders great.
Blieu iwich fen dy grizo hege stamme
In grien, in kreftich doarjend leat.
Klink dan ensfh.
Het volk heeft zich dit lied toegeëigend en
voor het myn en ik in het eerste vers van den
zanger, ds en wy in de plaats gesteld.
Het is Volkslied geworden, bekend ook in
den vreemde en bij niet-Friezen als: il Fnjsk
folksliet.
Het is vervat in de stoute taal van
een stoere Standfries en behoeft zeker niet on-
der te doen voor het Wilhelmus van Marnix
v. St. A Idegonde
of voor het Wien Neerlandsch
bloed
van Tollen*.
Dit is een eero voor den dichter, maar ook
voor zijn stamgenooten, voor ons Friezen. "Wij
hebben dit dankbaar te erkennen en te waar-
deeren.
*
Tot zijn historische verzen kan men ook re-
kenen
It boike fen Seisbierum,
zoo aardig verhaald en ingekleed.
To Seisbierum wenne in boike,
Der in sémanskop op Btoe,
En dy de earen wyld opstykke,
As er Noarman hearre kop.
„Hark!" gei Tsjerk dan oon syn alders,
„Hark! ik hcar de sé al wer,
„LU my farre, lit my silo,
„Kar \'t ik op it lan fordear."
Kn dan siet syn mem to suehtsjen
Kn beloawe klean en jild.......
En Hidde, de vader, die den knaap raeevoer-
de naar Harlingen, opdat, b|j \'t zien dier wjjde
zee, zijn lust wel zou bekoelen, vond hem op
\'tuur van vertrek boven in den mast van een
der schepen geklommen.
Thüs do groudo er op it boike :
„Dou soist noait de se wer sjeii !"
Ploegje lieaver bjir üs terpen,
Men it rvpe noat yn hüs. (*)
(>e.h dyn mom kryt har oan wetter,
Aste weiflucbst Her fen luis."
Daar komt dien avond, als geroepen, een
liereman met houten voet aan de deur naeht-
/
/

/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
s
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
s
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/


/
/
\'
/
/
/

y
/
/
/
/
(*) Rijd het rjjpe koren in huis.
*
-ocr page 12-
als dichter het hoogst, wat zou kunnen be-
vreemden, als we niet wisten dat de uitersten
elkander raken. Grenzend nu aan den diepen
ernst, waarin hij kon opgaan, is het de natuur
in haar stille grootheid en weelde en vefgan-
kelijkhcid, die hem aantrekt, boeit en bezielt,
zoodat zijn dichtergaven hier evenzeer onze be-
wondering afdwingen.
Naast het borstbeeld in den gevel van zijn
geboortehuis pronkt de Swannehlom naast het
bloempje Tink oan Mg, beiden door den dich-
ter zoo treffend bezongen.
Oan de Swannebiommen
is een meesterstukje, dat men kan rangschik-
ken onder zijn vaderlandslievende zangen, hoe-
wel het onder zijn natuurkinderen mede eene
eerste plaats inneemt.
Wie in zich \'t Friesche hart voelt kloppen,
instemt met
FryslAn, Fryslan, de lansdouwe,
Wer i\'is mem my widze liet,
Wer ik boarte mei de famkes,
Fryslan dy 1\'orjit ik net!
en wat er verder volgt, die zal geroerd worden
bjj \'t lezen van verzen als deze :
Lang forgetten swannebiommen,
Priouwers op \'e stille mar;
\'k Freegje wirden fen de stemmen
Alde Pryske wapenblommen !
Tinkt er inimeii vette oan \'i
Mei har griene sterke gpjirrcn
Komme se (it it wetter op,
Iwieli bluistricli alle jirren,
Prykje en loitse lijn ten fjirren,
Tsjin it gleane deiljocht op.
Fyn besncine syd\'ne lapen
Dobberjc op it wetter om ;
\'t Binn\' har griene gledde kapen,
.
         Dy op \'t alde Fryske wapen
Sprieken, „sa drjouict Fri/sMn om .\'"
"Winters binne lijn forgetten
En lijn rêste yn de groun ;
Onder iis en snie besletten,
Yn de poelen, yn de petten,
Sliepe hja de winter roun.
Hwa scil har wer liblien meitsje ?
wekken uit den doodslaap ? Als der Friezen
land verzwolgen door de zee of verwonnen door
den vijand, schijnbaar verloren,
Wer forlost fen twnng en bannen
Kn ophelle i\'it de sé;
Komt de lian dy \'t nl bestjocret
met zijn lente en zonnegloed en daar verrijzen
ze weder, als te voren ;
Yn in weake groun forttze
Sitt\' se yn bar stainme l\'ést;
Kreunlik geil\' \'s bar troaiije wtze,
Frcunlik laetsjend wer oprize
Ut dat kalde wetternést.
Blier sjen se oer it wetter hinne,
Kn hja rypje ta in knop,
Stonw\' bar berntsjes oan de sinnc,
(ieane hjerstmis dan wer binne,
En fordriuwe as kaf en hop.
Sa ek, Fryske wetterfammen,
(Jongen de alde Friezen oer,
Binn\' forgetten de alde nammen,
liinn\' fordylge de alde stammen,
Kn iitwjoed mei ierd en oer.
Fryske blommen, wetterfammen
Pronkers op de stille mar,
Tjuwgen fen dy alde stammen,
Fryske blommen, wetterfammen,
Sis my, lykje wy oan bar \'ï
111.
Stege Stanfries, stjuwge bolle,
Dy tor ninter duwkt nocb wykt.
Gysbf.RT Japix.
Onze gerst is gevormd naar de plaats onzer
geboorte,
zong Voltaire Willem van Haren toe.
De mensch, en dus ook de schrijver en dichter,
is het product van omstandigheden, beweert een
ander. Zeker speelt het toeval om zoo te zeg-
gen, vaak een groote rol in ons leven. Bij
mannen van beteokenis geeft men daar meer
bizonder acht op. Zoo bjj onzen Dr. KeVje.
Waaraan danken wjj zijne verschijning?
Aan vele en velerlei omstandigheden.
De tijd waarin hij het licht zag, de plaats
met hare omgeving waar hjj opgroeide, de stand
waaruit hjj voortkwam, der oudren bedrijf en
\'t onderhuis, waar hij als jongste tevens proti-
teerde van den geest zijner oudere broeders
Joost en Tjalliiig, zijn tijdelijk verblijf in de
stad, zijn studie en beroepskeuze, \'t een zoo-
wel als \'t ander heeft medegewerkt, dat hjj niet
ongeëvenaard succes de pen heeft gevoerd als
diehter en schrijver in de Friesche Volkstaal.
Die Volkstaal lag bij zijne geboorte als schrijf-
taal in ruste en scheen ten doode opgeschreven.
Sedert (Igshert\'s verschijnen en verdwijnen
hadden Simonide.t, een schoolmeester van den
dorpe ZurTtTi\'Altliusius, predikant te Hinure,
Eelke Meinderts,
eerst schoolmeester en latei-
boer in de buurt van Kolhim, de Makkumer
predikant Feike vd. Ploeg en enkele anderen
nog wel in die taal geschreven en nog wat
lezers gevonden, de laatste in boerenalmanakjes
en, evenals zijn tijdgenoot Eelke Meinderts, met
welverdiend succes, doch toen de l\'ransclien
hier verschenen en er om den Yrijhcidsboom werd
gedanst, scheen \'t voor goed uit niet de aar-
digheid van l-\'riesch te lezen en te schrijven. (*)
(*) Siinonides leefde omstreeks 1 700 en schreef in
een boerenalmanakje een berijmde samenspraak tus-
seben een boer en een edelman bjj \'t inhalen van
Jan Willem Friso in 1710; Althutiius, vader en zoon
gaven in \'t midden der vorige eeuw berijmde stukken
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
f
/
/
.\'
/
/
/
s
/
/
/
/
-ocr page 13-
7 —
„Er moest een nieuwe hemel op aarde ko-
men; al liet oude moest weg, liet deugde niet,
juist, omdat het oud was. Nieuwe rokken,
nieuwe hoeden, nieuwe dansen en eomplimen-
ten, nieuwe wjjsgeerige stelsels, andere japons,
nieuwe regeeringsvormen, nieuwe godsdiensten,
nieuwe namen ; geene historische oorspronkolijk-
heid meer; alle provinciale onderscheidingen
en tongvallen ann een kant en alles opgelost
in de ééne, ondeelbare Baviaansche ... ik wilde
/eggen Bataafsche Republiek, met éénen alge-
meenen geldzak, één algemeen deficit (te kort)
en ééne algeineene taal" schreef Dr. Joost
Halbertsma.
Doch
Lyk as d\' Alde Frysko lAnnon
Kack forswolgc truch de se,
Mar troch krel\'t\'ge Kryske hannen
Wer t\'orlost fen twang on liuuncii
Kn ophello At de se,
zoo ging het onze grijze moedertaal.
Prof\'. Wassenbergh van Franeker, na en met
hem Dr. Epkema van Middelburg en meer an-
ilere mannen van naam en beteekenis voelden
zich harer aangetrokken en trachtten haar \\ve-
der in eere te brengen, krachtig gesteund door
Frieslands Gouverneur Jlir. lilzardt JFAnnga run
Humalda,
Dr. Posthumus van Hraa.retis, de be-
gaafde doch in bittere armoede gestorven school-
dienaars Salverda en Windsma van II \'ons en
Wolsum en . . . de Halbertsma\'\'s van Grouw,
Dr. Joost Halbertsma trad op den voorgrond
bij de „Hulde aan onzen Gyslfert", doch Dr.
Heitje werd do man, die de strijders ter over-
winning voerde. Hij won het volk en aan hem
danken we boven allen de herleving onzer
grijze moedertaal en een stuk Friesche letter-
kunde, waarop we trotsch kunnen zijn.
De eerste Lapekoer feu Gahe Skroar is ran
JS-J-2 ;
\'t is een klein 16" boekje van slechts 36
bladzijden, aanvankelijk niet in den handel,
maar onder vrienden verspreid.
Voor ons ligt een exemplaar, op een auctie
gekocht, eigenhandig geadresseerd door Domino
Joost aan Den Heer Wopke Koopman» te Am-
sterdam,
een der geletterde mannen van dien
tijd, die in de Friesche taalbeweging met hart
on ziel hebben deelgenomen.
Blijkbaar heeft Ds. Joost de uitgave op touw
gezet, laten drukken en verspreiden. Hij was
en bleef de man van het initiatief. Jlij inspi-
reerde zijn broeder, die produceerde.
Zoo is de lezing en zeker is het, dat de
dichter-dokter door zijn taalgeleerden broeder,
die hem „ontdekte", gestadig tot schrijven is aan-
gezet, doch anderzijds heeft de heer Johan
en de laatste tevens ettelijke Psalmen ; Eelke Mein-
tierts
is o. m. de verdienstelijke schrijver vnn Aagtsje.
IJsbrants
of „We Frgskv Bovrinnc" en erf. l\'locg
van Macikc Jakkles.
Winlder te Haarlem het met vrij veel waar-
schijnlijkheid waar en klaar gemaakt, dat de
eerste vonk in \'t dichterhart van onzen Dokter
Heitje een Duitsche is. (1)
"Wij moeten wel even naar hem luisteren,
zij het nok, dat we hem niet woordelijk kunnen
volgen en slechts enkele zinnen verkort weder-
geven uit zijn lezenswaardig stuk :
Hebei en Halbertsma ....
.Toen heitje Hiil/ier/siiiu als oen-on-twintig-
jarig jongeling te Heidelberg kwam om er zijne
studiën voort te zetten, was er een taalbewe-
ging ontstaan ten gunste der gouspraken of
dialecten, die tot lieden steeds in kracht en
beteekenis heeft gewonnen. Wij danken die
beweging aan Hebei, een bij velen bekende
naam. In 1803 gaf deze een bundel gedichten
in \'t licht onder den titel: Allemannisehe Ge-
dichte. Fiir Freuui/e landlicher Natur und
Sitten,
waarmede hij grooten roem heeft ver-
worven. Ktteljjkc malen zijn ze herdrukt, ja
zijne liederen worden in het Srhwarzwald door
het volk nog tot op dezen dag gezongen. Zij
wekten, vooral na de heilrijke dagen van Leip-
zig
en van Waterloo, een vurige genegenheid
voor den eigenen volksgeest en eigene volks-
zeden en volkstaal, wijd en zijd.
In dezen heugelijken tijd, ten jare 1818,
stud.....\'de onze Eeltje alhier en zal hij vrij zeker
Hebt I\'s Gedichten hebben loeren kennen. Waar-
schijnlijk heeft hij ze er wel mee gezongen en
zijn de eerste Friesche zangen reeds te Heiilel-
berg
in den dichterlijken geest van den jongen
Fries geboren of wel aan zijne penne ontvloeid."
De heer Johan Winhier staaft zijn beweren
met aanhalingen uit beider werken en zoo zien
we, dat Dr. Eeltje door Hebei is geïnspireerd,
als Ggsbert door Star/er.
Aan don geest van Hebei en den invloed van
zijn broeder Joost danken we de eerste Lajie-
koer,
waarin als eerste stukje :
To Boalset yn \'e inerke
Keag ik in 1\'amko genn.
Ik tochto, beril! hwet biste toek ;
Öa jong en procs; sa nuwer smoek ;
Ja, nuwer smuek (bis)
8a tsjep yn sneinse klcan.
De joun liegoun to kommen
Kn \'t folk je gong to bier;
De f\'amkes kniren hi\'in oan Inoi
Kn hwet er wier yn \'t Kryske lan,
Vu \'t Kryske lan (bis)
Mast nou \'ris oan \'e swier.
Kn WobheL liet har sinko
Kn putte as in wyld.
As piipkeniel oer risenbrij,
Ja, iiug wol uwieter smakke \'t rny,
Ja, smakke \'t iny, (bis)
Ken sok in aerdig byld.
(1) Zie Fr. Volksalm. 181)1.
-ocr page 14-
ke" als boven bezongen, een knappe boeren-
doebter bjj name genoemd, die zelfs als bard-
rijdster een prijs behaalde, doeb dat bij daar-
van moest afzien als „beneden zjjn stand en
ontwikkeling".
Hoe \'t zij, de uitkomst heeft bevestigd, dat
zijn Boiikje van Bolsward, die als bemiddeld
burgemeestersdochter een deftige stadsopvoo-
ding had genoten, hem als natuurkind met
weinig eischen, die als Dokter bad te zwerven
by waer en wyn en joun en ontyd, oer fjild
en wetter en troch weaze en wiette,
niet wel paste, zoodat hij het geluk van den
echtelijken staat ook nimmer heeft bezongen
en er geen eigenlijke minnedichten meer aan
zijn penne zijn ontvlooid, dan in „de Jonker-
boer\'\'\'\',
een proza-stuk, het laatste van zjjn hand.
„It Marko" uit zijn eerste periode, geschreven
minstens een jaar na zijn huweljjk, te oordee-
len naar de volgorde zijner stukken, herinnert
nog aan
Dy goudene griene tiid,
Dat liy mei in witfe sin
Roike syn swiet ingelin
Klink oan de onre niarswal.
Hwet songen, hwet boarten \\vy !
Hwet wie it fis rom en fry !
O, wille! o, noflike tiid
Hwet tins ik oan dy vet bliid.
In dat eenvoudig lieve liedeke // Marke
klinken de laatste wegstervende toonen van
des Dichters minn e en tegelijk de eerste
zijner zangrige n a t U U r d i C h t e n.
Opgewekt is do aanhef, schoon de sehilde-
ring en stoffeering van \'t meertje in den stillen
avond.
It wie op in simmerjoun ;
It sinke stoe op \'e groun
Wol Iienl yn \'e douwe wei,
Krekt as er yn \'t wetter lei.
Seafkens en stil wie de wrald,
It wetter lei Ronder falcl
En \'t goud\'ne sinnetioer
Spraette syn glcaunens er oer.
Men heardo gjin flinter of mioh
Sa flodderjen oan \'e ich, (zoom)
Of gonzeljen oer \'o poel,
En ek gjin hernogojoel.
Smoek mei de kop yn \'e plom
Drouwkelon do ontken rounora,
Yu \'t liezigh-bloddige gnod
Yet syljende yn \'c dod.
Zoo wordt de bekoorlijke watervlakte in dien
(ioddelijk schoenen avond verder geïllustreerd,
door den gelukkigen jongeling, met zjjn meisje
in \'t roeiend bootje,
Dat soms dreauke sa seafkes wei,
De riemen sleau efternei,
Dan fette ik bar Ijordigjes om
En neamde har hunighlom.
En der nei onder \'t dounsjen
En \'t patjen «onder ein,
Sei Wobbel, werom stunest sa t
Dou woest my ommors lang ui ha,
Ja, lang al ha, (bis)
Ei, hie it my mar «ein.
Der, sei ik, der myn "Wobbel !
Der best mvn rioeliter lu\'in.
Blieuw ultyd rjucht en sljucht as nou;
llald jimmer dy oan Kryske trou,
Oan Kryske trou (bis)
Er is gjin iëster ban !
Dit aardig liedeke vim „Hoi/se mei 8yn Woti-
bel\'\\
dat een verbazenden bijval vond en aller
Friezen harte won, vindt men op dezelfde wijs
gezongen bij Hebei. Zoo zijn er meer, doel]
het kleed, waarin Dr. Heitje zijn uitheeniselie
kindertjes st:tk, is zoo eeht-Frieseh en 1\'riseh
en zoo gansrh vreemd van alle slaafsehe na-
volging, dat we ze gaarne al» eigene landskin-
dertjes begroeten.
Behalve zijn algemeen bekende Jonker Piet
en Sibbe/,
een vermakelijke voordracht in zake
vrjjagie, gaf de dichter in het eerste bundeltje
nog een minnediehtje, getiteld :
It famke.
Mvn famke kipet gol en blier
l\'t bar twa blauwe eagen.
Hja is sa meetel, gled en tier :
In flodder dra egt se nei de swier,
In kyps mei syd\'ne beugen.
En omnie seafte bals in string
Ken inoayc reade kralen :
Der (bare yn in gouden <linj,%
It flikkert as in stearrekring
Mei stjinkes gleaiiu Ten stralen.
En fen dy ljeave kralcstring,
Der wynt in slinke binne;
Mar hwer dy slinke binne wynt,
En hwet der el\'ter \'t jakje tynt,
Dat witse mar allinne.
Har tuwtke — o, sa weak, sa hjit!
Dat wit ik mar allinne.....
In rtg\'le toeken, geef as krvt,
Beseamd mei lipkes, read en wyt,
Of \'t Jiels\'mer kersen binne.
En vet by al dy snipperheid
Ken kleun en ion en oarc,
8a bet se in fromtne, froede sin;
De kreagens feu in weiten liin.
De blierens fen Aurora.

/
/
/

/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
s
/
s
s
/
/
/
/
s
/
/
/
\'
/
/
/
/
/
/
f
f
/

/
/
/
f
/
f
/
/
/
f
/
/
/
f
f
/
/
Mar hwet vet swieter is as swiet,
Dat kin gjin bloarre preauwc,
Ilwent is hja tsjop en smoek en moui,
En het bar kantene mjit\' noch roai,
Hja wol it sels net 1 eau we.
Hij was toen nog ongehuwd en wij hebben
ons wel eens laten verluiden, dat des jongen
Dokters eerste liefde gericht was op een „fam-
-ocr page 15-
Dan lake hja wyt en blier,
As it maiblomke op \'e wier
Tsjin \'t lieave rea-sinke oan
Yn d\' iere foarjiersmoarn.
En nu hot slot, de herinnering, vervuld van
weemoed en wensch:
O, joun ! o, lieaflike dei!
Hwet tins ik dy efternei.
Ei, werom fleachste sa swiid,
Dou, goudene griene tiid \'t
Dou, himelske simmerjoun,
Hwet wierste my red forroun !
O, kaemste! Ei, mylde, kom !
Ei, kom my faker werom.
In zoover is zijn bede vervuld geworden,
dat de herinnering aan de gelukkige dagen der
minnende jonkheid den Dichter nog eenmaal
heeft geïnspireerd en wel bij \'t opstellen van
zjjn laatste geschrift „de Jonkerboer", waarvan
hij in \'t „foarwird" getuigt:
Nim it foar lieaf: it is fen in gryg man,
dy de wrttld ligt ijn it koart forlitte moat.
Dit proza-stuk van groote verdienste, eerst na
zjjn dood in \'t licht verschenen, bevat een paar
ingelaschte Rymkes, gelijk de Dichter ze be-
scheiden noemt, die we hier een plaats wen-
schen te geven, omdat ze naar onze meening
behooren tot de schoonste door hem in dit
genre geschreven.
Skink my it glés \'ris, myn fanke!
Föl fen dy goudene wyn;
Dip er ris oan mei dyn moelke,
Smyt er in tuutsje by yn.
Dêr is my de ierde in hymel,
"Wer dat dyn weazen oer giet;
Wer dyn eagen oer weidsje
Is \'t of myn siele oergiet.
"Wille blinkt yn dy beker,
Hearlik foarkwiklike wyn !
Mar yn dyn blauwe eagen
Der is in paradies yn.
Stil is de nacht oer de fielden,
It hinnekleed leit er oer,
En gjin kroeden en blommen
Kweekt mear dy deade natoer.
Mar as de bruntsjes sa boartsje
Oer de freunlike mar,
En as de mieden sa bloeye,
O ja, der seynje wy har.
Jette, o stille Sint Steffen!
Dyn beker fen wille rint oer,
Mei \'n jong faem oan \'o side
By in foariüderlik floer.
Droamen fen hymelske willo
Walle üt dy beker nou op,
Syg mar ris del op myn skirte,
Dan is us wille yn \'o top.
Skink my it glês ris, myn fanke!
Kol fen dy goudene wyn ;
Dip er ris oan mei dyn moelke,
Smyt er in tuutsje by yn.
Zoo ook dat kinderlijk-eenvoudig liedeke,
vol zoeten weemoed over vervlogen jeugd en
vreugd, getiteld:
It Poelke.
Oan \'t stille poelke wenne
Myn famke, gol en froed;
Der boarten wy as berntsjes
En mienden it sa goed.
En do wy greater waerden,
Do swarde ik der in eed
Fen iw\'ge lieafde en trouwe,
Fen trouwe yn dead en need.
En fen har roselippen
Kiii\'iu mannich wird sa swiet;
Wy wisten fen gjin skieden
En songen mannich liet.
Dat alde stille poelke,
As ik dat jit\'ris sjen;
Dan tink ik oan de jierren
Da \'k boarte as in bern.
Dan tink ik oan de nachten
Mei \'t famke oan myn hert
En dy tonei fortyge (wegkwijnde)
As \'t byld fen leed en smert.
En lyk dyn weagen rólje,
Giet ek üs jonkheid foart.
Hoe lang is faek de smerte!
De wille ? — och sa koart!
IV.
Moai Etke fen Teroele,
Dou broehst my op \'e doele.
„Boartlicko Mingeldeuntsjes" als Gysbert
Japix,
heeft Dr. Eeltje niet geschreven.
\'t Is om dy, dat ik ly, santigtoesen deaden.
Myn libjen en myn stearren, stiet oan dyn bejearren,
Forlitste my, de kalde dead ik ly.
Ik kin net wêze fen dy swiete djier,
Of ik moat stearre lieaf, of ik mat stearre lieaf,
Dat \'s inkel wier . . .
Deze en dergelijke ontboezemingen, die bij
Gysbert voor \'t grijpen zijn, zoekt men te ver-
geefs bij Halbertsma, den practizjjn en prak-
ticus, die meer beschouwend en minder subjec-
tief optreedt, waar hjj de zoete minne offert
in zjjne zangen.
Op het weinige, dat de dichter ons gaf uit
zijn goudene griene tiid, dat is min of meer uit
eigen boezem of eigen ervaring, hebben we in
ons vorig stuk gewezen en daar bijeengevoegd
wat verspreid lag.
Liefde en vrijagie zijn meermalen het onder-
werp van des Dichters zangen, als in de Sé-
mansklaehte, Sierd-A nes-Machte, Èienk fen Molk-
war
en vele andere, maar alle deze zjjn meer
objectief, dan die welke door ons ter onderschei-
ding als „minnedichten" zjjn aangeduid, even
\\
\'>
/
/
/
\',
i.
I
i
/
/
\'
/
/
/
s
/
s
\'
/
/
/
/
/
s
/
/
/
/
/
■ ;
/
/
-ocr page 16-
10 —
als zjjn heerlijk-krachtig Skipperssankje, waarin
de natuurschildering overheerschend is.
In al deze bij name genoemde stukken is een
zeeman hoofdpersoon en wat was natuurlijker,
dan dat de dichter, die leefde te midden van,
met en op het water, dien we kennen uit zijn
Skipkesile, skipkesile,
Der nei stiet myn hert en sin,
daarvoor een varensman koos ?
De eerste, dien we hooren, is een teleurge-
stelde minnaar-matroos, die zich beklaagt over
de ontrouw van zijn meisje.
Moai Etke fen Teroele,
Hwer ik ek sit of rin,
Dou hroclist my op \'e doele,
Dou bist net üt myn sin,
weeklaagt hij. Eens waren we zoo gelukkig als
we samen daar in dat stille huiske aan \'t wa-
ter waren gezeten en \'t scheiden beiden zoo
zwaar viel ....
Dou suchste as ik gong.
Och, as menuten rounen
Dy oeren dan foarby.
O, lieave hill\'ge jounen !
Ho sillich wier\'n se my.
\'k Joeg hnr in ring op trouwe
En swarde in eed er by,
Ik woe \'r in toer op bouwe.
Ho red forgeat hia my !
Hij weet waarom.
In rike boerejonge
Giet foar in carm matroas.
En nu, nu moet hij zijn zinnen verzetten,
\'k Wol as in ruter jeye
Oer \'t bloedich oarlochsfjild,
Hwer hege sécn geane
Nei \'t fiere westen ta,
Oer wylde weagen fleane
Nei \'t frij Amerika.
Moai Etke fen Teroele
Sjoch ik forstow as tsjeaf (kaf),
Dou brochst my op \'e doele;
Ik siikje om myn gréf.
*
De tweede zeeman is gelukkiger, \'t Is
Rienk fen Molkwar.
Der wenno in feintsjo to Molkwar,
Sa stoef, sa stoer fen wezen,
En \'t wylde roego sémansaerd
Stoe yn syn each to lézen.
Hy swalkc alle séen roun,
Nei fiere fremde binnen.
Soms seag er d\' iisbear yn \'e bek
En dan de Etna bn\'innen.
Mar wer der kaem of\' wer der foer,
Ojin foem kue liim beléze.
Bij \'t winter in zijn geboorteplaats met een
priksleedje op \'t ijs zich vermakende, als zoo-
velen te Molkwar, komt zjjn sleedje in botsing
met een ander.
Dat slydsje siot in famke yn,
Dy roallo hiin op \'e skirre.
Hja sei: „Wel maet! Hwet pjukste hird !
Dat jowt in kooke, grutte."
Dit is goen doove gezegd. Rienk brengt
dien avond den verbeurden koek met de zoete
gevolgen van dien
En foor dernei yet wol op sé,
Mar alfiid lyfse reiskes.
Do sein de feinten fen Molkwar,
lticnk bat in divel sjoen op sé.
„Xé, né," sei Kienk, „gjin divel, né,
„Seag ik oait op \'e weagen,
„Mar \'n ingel seag ik op it lan
„Al lizze er toezen skippen klear,
ik lit se farre en driuwe."
Sierd-Anes-klachte.
In de minnegeschiedenis van den derden
zeeman is wel de macht der liefde geteekend,
zelfs sterker dan de dood, doch meer het zelf-
verwijt „rfe balling mei in forbritzen gemoed".
Sierd Anes teag mei wylde sinnen
Fen \'t lan nei \'t rouwe seagebruws;
Forliet syn torpen en syn finnen
En \'t lienve Alderlike hds.

/
/■
\'
/
/
/
/
ë
/
s
s
/
f
/
/
f
/
f
/
/
>
/
/
/
/
/
/
/
/
s
/
\'
/
/
/
/
/
/
/
/
/
s
/
/
/
f
/
/
/
\'
/•
/
/
/
Geen raad van vrienden mocht hier baten.
Yet «tegcr waerd syn Fryske kop.
Syn Eke kaem him ek formoanjen,
Dér hong syn hert oars jimmer oer,
Mar né, der wie net oan to toarnjen,
Syn wylde holle wie oerstjoer.
Bij \'t afscheid drukte zijn liefste hem aan
\'t minnend harte, met de eed van verzuchting
Ta dat de klokken fen my liedo
Forjit ik dizze oere net.
Hij rukt zich los uit hare armen en roept in
dollen moed:
Ik wol myn bjittc kop ófspiele
En oer de séen dweile, giere....."
Na jaren zwalkens over verre zoeën keert
hij eindelijk weder. Doch laten we dit onzen
dichter uitspreken:
Hy kaem to lannc wer nei jierren,
Betonde wie \'t forwyldre brein,
Hy seag it toerke al ten tierren
En sonk der hinne yn gowein.
Hy koe syn suchten net forkropje,
„Wés wolkom," rép er, „lilde toer !
„Ho? kiuste nou gjin triennen stopje ?
„Myn (iod! o né, ik jaen my oer."
-ocr page 17-
11
f
/
/
/
s
/
f
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
s
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
*
/
/
s
/
/
/
/
/
/
/
,/
/
/
/
/
Skipperssangkje.
Forjit my net as bolle wyntsjes waye
Kn ik oan \'t roer myn sankjo sjong;
As kroeze weagen \'t gledde skip omaye;
Forjit my net.
Forjit my net as millioenen stearren
Kn \'t freunlik moantsje my beskynt;
Kn dou swiet droam lieste yn \'e seafte fearren,
Forjit my net.
Forjit my net as wrede touwerfleagen
My slingerjo der Uod it wol.
As ik ompolskje mei de dead foar eagen ;
Forjit my net.
Forjit my net, as wreed de stoarmen bylje
Kn \'t libben hinget oan in tried;
As wy forslein oan \'t needtou ride en fylje,
Forjit my net.
Forjit my net as swarte tommelweagen
Oertrouwelje it wearleas skip,
Kn alle elementen tsjin As teagen,
Forjit my net.
Forjit my net as w\' einltng yet forsinke
Kn teare yn \'e djippe sé :
Wol dan mei triennen oan my tinke;
Forjit my net.
Uit den mond des dichters staat opgeteekend,
dat de meeste zijner „sangkjes" aan \'t roer en
al zingende zijn vervaardigd.
V.
11 v skoarre nei it doarpke hinne :
Mar wolkom wie er neame moar,
En elts roun fier fen hiin Jen dinne.
Dat die him yn it hert sa sear.
"Want Kke . . . (it is net At to sprekken)
Dy wie it yn \'e sinnen slein,
Kn wie fordronken yn \'e Brekken,
Kn dat waerd Sierd to léste lein.
„Och!" gpriek er do mei droav\'ge wirden,
„Is nearne rest f\'oar my yn \'t ein \'i
„Is \'t nearne dan foar my to hirden,
„Ik bin in skip troch stoarm forslein.
„Hwa kin it Albestjoer begrype\'r\'"
Hy seag it stille tsjerkhóf nei
Kn liet er bitt\'re trienneii rinne,
Kn roap : O God, wie ik mar wei!
„Wer scil ik my nog hinne keure \'i
„Myn lust is wei en ik wird Aid.
„Wiis dou myn piicd, o Henre, Heare!
„Ik bin in fremdltng yn de wrAld."
Onze dichter brengt den berouwhobbonden
zondaar der vertwijfeling nabij, doch laat hem
niet ondergaan. Den verloren zoon schenkt hij
het anker der hope. IIjj betoont zich een
troostend geneesheer ook voor de zwakken en
zieken van geest, voor afgedwaalden en ge-
vallenen en weet de treurenden steeds op
te beuren. Hij kent de fijnste roersels van
\'s menschen hart en geeft veeltijds lessen van
levenswijsheid, die, als men dat wel ziet van
Bijbelspreuken, in de huiskamer op hare plaats
zouden zijn.
O, siikje net oan fiere stramien
\'t Oelok, dat foar dyn (batten leit;
It skieden fen dyn lieafste pannen,
Betink it, jongling, hwet it seit!
In stil bedrieuw mei froede sinnen,
(O jeugd, ik sprek in treftich wird!)
It jowt in hymelryk fen binnen,
By eigen hAs en eigen hird.
Dyn libbensbeker is fól wille,
Mar \'t swarste leed leit ek der yn ;
Lit dochs forstan dyn lusten stille!
Oars drinkst dy dead oan har fenyn.
Zoo zouden we er eenige kunnen opsommen,
om er ditmaal mede te sluiten, doch we heb-
ben nog te luisteren naar een vierden varens-
gezel, in wiens zang de liefde van den minnaar
sterk, doch de macht van den dichter over de
taal niet minder krachtig blijkt te zjjn.
Het melodieuze in onze klankrjjke sprake
komt hier voorbeeldig uit. Wij luisteren en
volgen den zanger op de wijde zee. In \'t eer-
ste vers spreekt de liefde in bekorende klan-
ken, in het tweede treft de harmonische te-
genstelling en vervolgens is het de mogelijke
strijd in nood en dood tegen de elementen, dien
hij ons als voor oogen toovert in ongeraeene,
doch ongezochte taal, kort en krachtig. Wij
geven dit in zijn geheel.
Al hwet forgiet, dou blieuwst As bij,
Dou lytse lieave: tink oan mij!
De weemoedige toon van „it Marke" en „it
Poelke", waarin de zoete minne geschilderd
wordt in haar uchtend- en avondglanzen als....
vervlogen, kenmerkt de meeste zjjner zangen
aan de n,at\'"ir gewijd.
„De wereld gaat voorbij met al hare be-
koorlijkheden." Die gedachte werd door de
natuur, die hij zoo lief had, steeds in hem le-
vendig gehouden, \'t Telkens weer versterven
van zooveel schoons, trof zijne gevoelige ziele.
En waar hij met lustige opgewektheid de eerste
lentcboden begroet in dankbare taal, eindigt hij
toch in dien grondtoon : scheiden doet wee, doch
nimmer zonder een woord van bemoediging of
vertroosting.
Men leze zijn
Maerteblomke,
waaruit we hier eenige verzen laten volgen en
waaraan we niets hebben toe te voegen. Het
spreekt uit en voor zich zelve.
Kom myn lieave foarjiersberntsje
Mei dyn wite poanne op ;
Kroepstou ek wor At dyn herntsjo ?
Wolkom, wolkom, griene pop.
-ocr page 18-
12
Koeste troch de snie vet boarste\'
Lytse lieave poanneman ?
Koeste troch de hirde koarste
Poarje, lytse maerteman P
Wolkom, trij\'ris wolkom, soantsje
Fen \'e skrouske wintertiid,
"Wis, dou blieuste hjir in toarntsjo
En dou makkest üs ris bliid.
Mar myn lieave griene bode
Fen dy romme griene tiid,
Fy! it roege en kalde noarden
Goelt en bilet wüd en siid.
Spyt yet heil üt swarte loften
Reint en touwert wyld en kiild,
Of \'t er toesen tongers ploften
Op \'e keale kalde wriild;
Pipet yet troch mest en toarren,
Faget tek en beammen wei;
Skoddet yet mei hüs en skoarren,
Bliest de wylde weagen wei.
Nou, dou biste er nou, myn koeze,
Mei dyn wito poanne op,
Simmerloften scil hjir roeze,
Blieu hjir mar myn lieave pop.
Och, dou kinste hjir net blieuwe,
Dat leit net yn dyn natoer;
Mannich oeren scilste klieuwe,
En dan is dyn libben oer.
Hast litstou dyn holtsje sinke,
En dou giest wer nei de groun;
Nimmen scil om dy mear tinke,
As dy \'t libben dy het jown.
Dy scil dy yn \'t libben roppo,
Grien en proesich lyk as joed,
En dou koniste wei\' lij ir boppe,
Lieaf forgetten Maertekroed.
Dat is oorspronkelijke taal en wat zijn het
blanke Maartebloempje en de zwarte Maarte-
buien daarin treffend geteekend, naast en te-
genover elkander gesteld als onschuld en be-
lagers!
Niet minder schoon en nog gevoelvoller is zijn
Blomke tink oan my.
Der weachst in blomke yn de muiden,
Qjin minske tinkt er oan ;
It wird fortrape en fortrteden,
Dy lieave simmersoan.
It libbet ienlik, stil en frij,
It is it blomke tink oan mij.
It floddert net as \'t hege reid
Har leawen troch de wyn,
Mar yn de stille ienfaldigheid
Dör is har wille yn.
De lege groun der blieuwt it bij,
D6> sucht dat blomke: „tink oan mij!"
Lit stoarm en weagen har berinne,
Har grien komt jimmer wer......
en bij droefheid en dood gelde
Dou lytse treaster blieuwst üs bij,
Dou lieare froede „tink oan mij!"
As freunen lang forgetten binne
En ierde en iwigheid har dekt
En as de triennen net mear rinne
Of dea üs stearrende eagen brekt,
Al hwet forgiet, dou blieuwst as bij,
Dou lytse lieave „tink oan mij!"
Wij sluiten des dichters bloeme-zangen met
een paar coupletten uit zijn Bellis prafensis,
(het madeliefje of koueblomke).
Maitiids earste blomke,
Lieave fen de wei,
Ut Oods heilichdomme
Komstou, o lieave blomme.
Wês wolkom lieave!
De maitiid is er wer.
Dat minsken en tiden forgeane
Dou komste, dou biste hjir wer.
Hoe schoon hij de „Maitiid" zelve heeft be-
zongen, kunnen we hooren in:
De iere Maimoarne en de Minske.
Dit vers dagteekent van 1833 en vangt al-
dus aan:
Der ha we it lieave foarjier wer
Mei al syn noflikheit!
Kits focgelke is wer yn \'e wer
En sjongt, en goelt, en geit.
De lieave flinter komt er ttt
En dwarlt de fjilden om,
En siket mei syn fine sniit
It swiet üt kroed en blom.
Hark dêr dat seafte siichje \'ris
Troch blêd en twiigjes gean.
Snuwe op ! hwet is de moarnloft fris
Hjir yn dy beukenlean.
Hark dêr dy lieave nachtegael!
Scoo dy har leedsang jaen ?
Ho kweeljend, enrnstich klinkt dy tael,
Sa dompich üt dy loan !
„Wy binne allegearre bly,"
Dat roppe se üs ta;
Ja, stomme blomkes sizze my :
„Dou bist it ek wis; ja ?"
En biste it net, och minskebern!
Hwet dochste yn \'t lieave fjildf
Kroep yn dyn hüs, by de hirdshern
En sucht of tel dyn jild. ensfh.
In denzelfden toon heeft de dichter ruim
dertig jaren later ook den voorzomer (Juni-
maand) bezongen.
Zijn broeder schrijft omtrent dezen zang: Ik
hab okkerdeis oan Eeltxje sein : „de rymstikken
fen dyn Leed en Wille binne al forskate jier-
ren ald. De lju witte wol hwastou as rymer
wierste, mar net hwastou nou biste. Dou maste
my in splinterny rymke meitsje. Dan wit de
hiele wriild ho tier astou hinne biste." De
oare moarne brocht er my
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
s
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
\'

/
/
/
/
/<
/
/
/
/
/
/
\'
/
/
/
/
/
/
/
/
/
f\'
/
/
/
-ocr page 19-
— 13 -
De BIide Bernkes.
Wie dit stuk in zijn geheel aandachtig gaat
vergeljjken met de Iere Maimoarne, zal over-
tuigend gevoelen, dat de dichter in talent heeft
gewonnen en rijper vrucht geeft.
\'t Onderwerp iw oud, duizend- en meermalen
bezongen en de gedachten, die er in uitgesproken
worden zijn dus niet nieuw, doch de opwekkende,
levendige schildering van \'t gouden zomergetij
evenaart die van Camphuizen\'s hoog geroemde
Maische Morgenstond, al drie eeuwon oud, waar-
van het bekende slot:
Och waren alle menschen wijs
En wilden daar bij wel,
De aerde waer een paradijs,
Nu isse meest een hel,
eigenlijk een dwaasheid is, terwijl Halbertsma
met een gezonde levensles besluit. Wij voor
ons gelooven, dat de blide Bernkes van den
dichter behooren tot de beste zijner natuur-
dichten en geven het daarom in haar geheel.
Ploits de blommen, dy dêr bloye,
Bernkes! ploits de blomkes yet,
Sa! nou laitsje en sjonge en djoye,
Ear \'t de gouden tiid forgiet.
Hark it soezen troch de stünnen
Fen de seafte Westewyn
Oer de griene Fryske lannen :
Snuef de friske loften yn.
Hark it lieave ljurkje siongen ;
Hark, dy sjongt wer ta Gods ear.
Meur as toezen tïilske tongen
Klinkt dy lof foar de Opperheur.
Sjen it blinken fen it marke ;
Sjog! de weagjes dounsje wei.
Sjog de swan, ho dat er farket;
\'t Bolle wynke nimt him mei.
Yn do wite hagedoarne,
Dy sa frisk to bloyen stiet,
Sjongt wer yn de iere moame
\'t Flugge linkje in aerdich liet.
Hark ris, ho de ekster skattert
Yn \'e hege eskenbeam;
\'t Kinkc yn it wetter plattert
Mei syn lieave piketeam.
Sjen de hoge wolken driuwon
Yn forgankelike pracht.
Sjen de sinne henrlik kliuwen,
Greate bode fen Gods macht.
Hark it beuzich byke brommen,
Flinters dounsje yn pronkgewaed
Oer de millioenen blommen,
Dy Oods hun oer \'t ierdrik spraet.
Fiskjes binne nou oan \'t djoyen
Yn \'e brune djippe mar,
Sjog de hege loft trogployen
De tilde steatlike aerrebar.
Wille hawwe alle dieren,
Sels de mieren yn \'e groun ;
Mar syn geast omheag to fleren
Is mar oan de minsken jown.
Al dy lieafde, al dy wille,
Al dy goedheid is foar üs,
\'t Mat fis hert nei boppen tille,
Nei üs hillig twig thüs.
Mat üs hert fen droafheit brekke,
Rint üs \'t eag fen triennen oer,
Kin de ierde üs leed net tckke,
Dan sprekt ta üs Gods natoer:
Sprekt ta üs mei toezen stimmen.
Sjog! de kroedkes op \'e groun ;
Sjog! de sinne oan \'e kjimmen,
Ntge har holle nei de groun.
Is de dage wer oan \'t kommen,
Alles dertelt wer op nij.
De ierde is in hóf föl blommen,
\'t Is Gods libb\'ne skildenj.
Blydskip fólt wer alle wralden,
\'t Rint fen wille, wille oer.
Alle foegels yn \'e walden
Sjonge as bernkes fen natoer.
Sa mat ek üs hert optille,
As Gods freunehan üs slacht.
Folgje triennen op \'e wille,
Tink, de dei brekt troch \'e nacht.
Bernkes, as er blomkes bloye,
Ljurken sjonge yn \'e loft;
Wol dan op de blomkes lykje,
Hab dan as de foegels nocht.
Ploits de blomkes dy dêr bloye;
Bernkes! ploits de blomkes yet,
Ear \'t de tsjerkliófsbloiiiinen groye
En dy gouden tiid forgiet.
Ja, onze Dr. Eeltjr is een dankbaar bewon-
deraar geweest van de rijke natuur in hare
oneindige verscheidenheid. In alle kleuren en
klanken heeft hij haar geschilderd en bezongen.
Niets ontgaat zijn luisterend oor, zjjn opmerk-
zaatn oog, zijn dichterlijk hart. Men leze en
vergelijke met het vorige, het stukje Friesche
natuur uit en naar liet leven, waarmede hij
het leerdichtje „Geulen SHiepke" heeft geïllu-
streerd.
\'t Eenvoudige verhaaltje, dat herinnert aan
de paradijsgeschiedenis, is rijk aan les en lee-
ring, rijk aan eeht-Friesche woorden, door me-
nig Fries niet meer verstaan, sa hat, om met
den heer Vd. Meiden te spreken, de Hollanske
toA m folk forgrienmunke ui dr Fryske getut
forballe. Mitsten, uu de Uiden it net dienen, üs
Fryske skoalmasters net kreftiyrr meiwirke ha,
om de eure fen üs tori heeg to hulden, troch
hor hege mierde, de Fnjske bent hearre en fiele
to Utten?
Welnu, hecren onderwijzers; mocht Geales
sliepke
velen uwer doen ontwaken. Het is als
/
/
/
/
/
/
y

/
/
y
y
y

/
y
y
y
y
/
y
\'/■
y
y
y
y
y
y
/
y

/
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
-ocr page 20-
14 -
geknipt ter behandeling voor de Friesche school-
jeugd ten platten lande, het kan een tractatie voor
haar worden bjj zooveel uit den vreemde, waar-
naar de kleine dorpelingen gedwongen zijn dag
aan dag te luisteren, jarenlang.
Bedenk : \'t Friesch is nog de moedertaal van
\'t kind, waarin liet denkt en spreekt, in huis,
op straat, bij \'t spel......zijn heele leven
wellieht.
Ontfermt u zijner en open voor hem de bron
van genot, troost en levenswijsheid, welke er
schuilt voor den Fries op rijper jaren in zijn
eigen letterkunde, die spreekt uit het volk, tot
het volk.
Diliir staan geschilderd en bezongen zijn erf
en vaderen, zijn bedrijf en omgeving, zijn vel-
den en wateren, zijn vee en gevogelt, zijn
huis en haard, zijn lief en leed, in zijn taal,
kortom, hij vindt er het Vriesche landschap,
Friezen, vrienden, kennissen, zich zelven en
waar kan men beter zijn:\'
Hier hebt ge het bedoelde stukje, dat, even-
als v(lc Lytze Tonnlieisi\'her1\'1 en m. a., in woord
en beeld en strekking der landjeugd tot nutto
leering kan zijn.
Geales Sliepke.
Yn  poopeslom bedobbe (diepo slaap)
Lei  Geale yn \'t leawich reid; (hoog riet)
Hy  hio de kersen gnohbe (weggekaapt)
Yn  \'t hóf fen oarreheit. (grootvader)
De pet oer \'t holke hinne
En oer de eagen del;
Want waerm wie de sinno,
De brinisen stiken fel.
Kn oan in wyljen stobbe,
Dór hong syn baitsje oan,
En oan it baitsje sobbe
In tsjorre kjelke oan. (een kalf aan een touw)
De roege bolders soezen
Troch blomkes en troeh kroed
Kn troch \'e gtannen roezen
De simmertwirkes loed.
De wettergulpen fleagen
Kn gooiden yn \'e Hueht,
Kn nei de terpen teugen (trokken)
De hoantzen yn \'t gefjucht.
De skouwe teapets songon (schuwe kraaien of
| gebate deugnieten)
De ülde lange team, (bun vervelend geluid)
Kn d\' ekster wipt\' mei sprongen
Kn gloep fen boam ta beam.
Kn Toon de seine barre (de zeis scherpte)
Kier yn it lege meed ;
Kn Doeke mopke narre (plaagde)
Ken \'t swiljen wirch en sied.
Kn koazzo yn \'e doeren, (\'t varken)
Dy haf\'le yn \'e brij, (sljjk)
Kei hymjend loai to poeren
Kn joeg de sinno frij.
Kn op \'e daem, der blaide
En eike sied en sloeg, (\'t schaapje)
Kn oer de Iannen waide
Sint Jans tried wyt en roeeh.
Swict yn \'o sliep fortiizo
Wist boi fen nimmen kwea,
As seafkes him hwet kiize
Oer holle, boarst en lea.
Hy gappe en rekte en sette
Syn doawe skonkjes üt,
As by de noas him fette
In kalde kjellesnüt.
„Hoei!" — skrilde er — „Oarre, Oarre!" (opa
Kn sprong hast üt it fel,
                   [of pake)
En seag nou as in bloarre (schuldbewuste
Op \'t earme kjelke del.
                   [bloodaard)
Och, Geales wroegwjirm kneage,
\'t Wie oeral: „Oarreheit!"
Hy waerd er vet troch pleage,
Bodobbe yn \'t leawich reid.
Kroep yn in syd\'ne wrine, (deken)
\'t Kwea lit dy nearue rest;
Dou kinste it net ontwine :
It fret dy sliep en rest.
Wij hebben ten slotte nog te wijzen op een
„droavich lietsje\'\', door (\'larc den Jonker voor-
gelezen, in des Dichters laatste geschrift.
Er staat boven:
De wite flokken,
dat zijn de winterbloemen, \'t Is een beurtzang
tusschen vader en dochter, \'t Herinnert aan
zijn in den bloei harer jaren gestorven Anna,
die hij zoo lief had. Dit verhoogt de waarde
van \'t lied.
Moai Sytske kuiere yn \'e finne
En dounse yn dertle noebt,
Hia plokke blomkes om har hinnc
En siniet dy yn \'e locht.
Zij wenschte wel dat het witte vlokken wa-
ren, om ten dans te gaan.
„Och," sei har heit, „dou biste derten,
Dou smytste blommen wei \'t!
Het dan de winter ck gjin sniertcn \'i
O, t\'reegje it de earmen nei."
Zij blijft steeds vuriger wenschen naar de
hoogtijden der volwassen jeugd :
Sint Steflen of Nyjier!
En de wijze vader antwoordt:
As yn de lye siinmernachten
It fjild sa hein-lik roekt,
En \'t iilde hynzcr greate frachten
Fen hea nei hils ta loekt;
\'t Keidhintsje floitet yn \'e lizen,
De kwartel yn \'e stannen slacht,
Siz is de wrald den minder lieaver
As yn Sint Stellens nacht ? —
Doch het meisje roept
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
/
y.
y
y
y
y
/
y
y
y


/
/
V
/
/
/
/
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
-ocr page 21-
- 15 -
Och, lit dat gors on blommen flonne
Kn barn dy harken op !
Né, as de wite dokken fleane,
Dan gean wy koamer op!" —
O Sytskelienf betwing dyn moele,
Dou biste ek yette in blom;
Dy wachtet ek in swarto koele;
O, tink der jimmer om.
Ho faek wirdt net in blom ófnieane
En stronken bliuwe stean,
En ear \'t de wite flokken fleane,
Kinst licht nei \'t hüf ta gean.
„Och," roap it fanke, „ikke, ikke ?
Ik bin sa jong, sa soun.
O heit, jou mat my net forskrikke,
8a jong al yn de groun.....
„Né, as de wite flokken fleane
(O, Sytske! it wie in griis,)
Dan litte wy de blommen fleane
En siikje wille op \'t iis!"
Kort hierna vinden wc het meisje in den
boomgaard aan \'t vruclitenplukkon ; in den top
Tan een der boomen geklommen en nog schert-
send en lachend van uit do hoogte, stort ze
naar benedon.
Ien sueht, ion skokje troch <le liddon,
Wie alles hwet men fen har seag,
Hjir holp gjin triennen, snikken, bidden,
It wie de dea, dy har oerteag.
Sa waerd dy moaye jonge blomme
Mei triennen nei it hóf ta brocht.
Ho im:iii 11 ïi-li mat ta steanen komrae
As hy er \'t alderminst om tocht.
En do de wite flokken Hengen
Dêr sy sa faek nei winske hie,
Dy seagen net har moaye eagen,
Mar leine oer har in kleed fen snie.
In heerlijke beeldspraak is hier de overmoe-
dige dartele jeugd geteekend en gesteld tegen-
over de wijsheid van rijper ervaring en het
ouderhart; tevens in roerende taal de onzeker-
heid en broosheid des levens uitgesproken, zoo
diep gevoeld door onzen dichter in \'t eigen
bloed.
VI.
Itoalje, roalje wetterweagen,
Roaljo en broes om \'t alde örou.
Als ««ft/wdieliter hebben we Dr. Eeltje ge-
hoord in \'t veld, waar hij lente en bloemen
bezingt en om do verscheidenheid van teeke-
ning, daar bijgevoegd een paar zijner leerdjghi-
jes, geïllustreerd als ze zijn met liet bedrijvige
landschap; thans wensehen wc nog eens naar
hem te luisteren, waar hij de snaren spant
op \'t water, zijn element.
Wien \'t Friesche bloed door d\' ad\'ren vloeit,
Verliet\' den zang als hij
in
De Fryske hirdsiler.
Skipkesile, skipkesile,
Dêr nei stiet myn Fryske sin.
Skipkesile, skipkesile,
Sa lang as ik toagje kin.
Wetter, wetter is myn libben,
Hinget siel en libben oer.
\'t Libbet, popert my troch de ieren
As ik oer de weagen stjoer.
As de wylde fuwgels djoeye,
\'t Reidmosk thjottert ljeaf fen tean,
De eintsjes troch de weagen roeye
Mei de piken efteroan ;
As it djier yn griene weiden,
Yn de gêrzen wille bet,
Of beseuwle yn de reiden
Fiskerman syn fuwken set;
Den oer Fryske markes drjouwe
Yn de romme simmertiid,
Yn de lye simmerjounen,
Makket hert en sinnen bliid.
Yn de kalde hjerstmesmoarnen,
Wolkom, stoere noardewyn!
Moantsje mei dyn sulv\'ren hoarnen,
Wolkom mei dyn gleaune skyn !
Soesje my troch miest en lihen,
Ljocht my op de tsjust\'re poel!
Noorman liirdet ier en sinen,
\'t Monnljoeht wiist my paed en doel.
Yn de kalde lijerstinesmoarnen,
As \'t noard westen giert en bromt,
As do heil it wetter giselt,
Dobb\'rje ik iensom op de romt\',
Diggelfjoer sit oan de toppen,
Swarte loften bingje er oer,
Thouwers fluitsje troch de stroppen,
Eangstich skoarje ik oan it roer.
As de wite koppen stouwe,
\'t Skipke kreaket, hellet, soecht ;
Ilingje, slepe, dweile, sjouwe,
Dat is \'t libben dat my noecht.
Noflik is \'t den thrts to kommen,
Om de ljochte gleaune kloes,
Fen it diggelfjoer forhelje,
Fen it wylde weaebgebroes.
As de bernkes freegje en harkje
Hwet hjar heit het onderfoun;
Moast \'k sa \'n dei mei nood troclifarkje,
Try\'ris noflik is de joun.
Friezen binne wetterlieuwen ;
Het it wetter wille en noed,
\'k Wol in wctterpolsker blieuwe;
\'k ltin fen \'t alde Fryske bloed.
Zoo to zingen is alleen den Fries gegeven,
geboren en getogen, te midden van de wateren
en meren, waaraan Friesland voor een groot
deel zijn eigenaardig schoon, zjjn karakter en
voor vreemdelingen zijn bizondere aantrekke-
\\
;
s
/
/
/
\'/
\'
/
/
/
y
/
\\
s
\',
s
/
/
/
/
\'
i
/
/
/
s
s
/
/

-ocr page 22-
16 —
lijkheid heeft te danken. Sonder Frysk gjin
Friezen mear
zingt de dichter, maar ^Zonder
meren geen Friesland meer\'\'\'\'
wagen wij er aan
toe te voegen.
Dr. Felfje\'s waterzangen zijn daarom éénig,
bovenal zjjn Grovwster Weugen, tweeling van
zijn Alde terp.
Myn siel ütjit ik,
zingt Gysbert en dat mag gezegd worden ook
van Dr. Feitje, waar hij de Fryske Weagen,
dy roalje en broeze om
V alde Grouw, een zang
des levens wijdt, dien we hier in zijn geheel
laten volgen.
Grouwster Weagen.
Roalje, roalje, wetterweagen !
Koalje on broes om \'t alde Orou.
Myriaden foar üs eagen
Fleagen, stauwen om üs Orou.
Roalje, roalje üs foarby !
Hirde Friezen bijouwe wy.
Roalje, roalje, Fryske weagen!
Roalje, roalje, alde Orou!
Broes en wigelje, alde weagen !
Kroanje de Alde roune trou.
Roalje, roalje, alde Orou,
Byld fen echte Fryske trou.
Heit en mem liinn\' hjir heditsen,
lierntsjes, twiiehjes fen myn hert.
Sucliten binne hjir forbritsen,
Dy myn Ood allinno hjert.
Grouwster weagen, bijou my by !
Roalje, roalje üs foarby !
Roalje, roalje, Grouwster weagen !
Bruws en spiel vet om myn grêf;
Libjend koe \'k dy net besjonge,
Spiel my deade wei as tsju;f.
Lit myn berntsjes lieaf en fry
Roeye en djoeye den yn dy.
Roalje, roalje, wetterweagen !
Roalje en broes om \'t tilde Grou.
Myriaden foar üs eagen
Fleagen, stauwen om üs Grou.
Roalje, roalje üs foarby !
Hirde Friezen bijouwe wy.
In dit levende water, leeft de taal der Frie-
zen, leeft de stanfries, de dichter, de Grouw-
ster, die roerend laat hooren:
Broes en spiel yet om myn grêf
en moet het zijn : Spiel my deade wei as tsjeaf (kaf).
Neem mjjn stof, o wetterweagen, die mij zoo
dierbaar zijt en
Lit de berntsjes lieaf en frjj
Roeye en djoeye dan yn dij.
Mijn geest, mijn streven, moge blijven leven
bovenal in u, o jeugd ; wat de tijd, welke daar
henen snelt als de „wetterweagen", dan ook moge
meevoeren : Hirde Friezen blieuwe wy f
Bolsward kan op zijn Gysbert roemen, hoe-
wel Gysbert zjjn Bolsward nimmer heeft ge-
roemd of ook maar genoemd in zijne zangen,
evenmin als Borger, Camphuizen en zoovele
andere dichters in wijden kring hun geboorte-
plaats, doch Dr. Feitje maakt een uitzondering
op den regel en verheerlijkt zijn Grouw, dat
door hem geworden is een „dierbaar plekje
grond" voor alle rechtgeaarde Friezen.
Op hardzeilpartjjen heeft onze Dichter met
zijn jacht, Gysbert Japix genoemd, meermalen
prijzen behaald; zoo bij den zeilwedstrijd te
Sneek in den jare 1844 een zilveren tabaks-
doos, waarin hij de volgende inscriptie liet
snijden:
Gysbert Japix greate namme
Haw ik oan myn skipko jown,
En de prys, dêr elts op flamme,
Fiks mei glans en glorie woun.
Earn tieach (fyshert mei syn pinno
Op de wjukken fen \'t forsttin,
Nóu oer Frie.ilan\'s marren hinne
Broest er, sylt er as de bran!
VII.
Ik scil in sangkje sjonge,
Myn boike jaen dy del.
Dokter Feitje is een kindervriend met een
moederhart. Nog sluimerend in de wieg plaatst
hij zich met zijn speeltuig aan de sponde der
kleinen en zingt:
Myn lieave moet\'le jonge,
Ei, kibje net sn fel.
Ik scil in sangkje sjonge,
Myn boike jaen dy del.
Knyp dou dyn lieave eagjes,
Dyn moezige eagjes ticht,
En wiggelje as do weagjes
Mei \'t reid oan \'e wetters-ich.
Dou hest gjin soarge of kommer,
Dou witst yet nearne fen,
Dyn widze is dy nou rommer
As \'e wrald dy wirde kin.
En van de lippen der moeder hooren we:
Och wierste ryk as in prinske
En hieste dyn widze fol goud,
Yet hieste net dyn winske,
Myn boarst fol tate, bout.
* *
*
Elders klinkt het in een wiegelied, navol-
ging van een Duitschen minnezang:
Dou, dou biste myn Anke,
Dou, dou biste myn bern,
Dou, dou biste myn fanke,
"Witst net ho goe ik it mien,
Ja, ja witst net ho goe ik it mien.
Sliep, sliep, seafkes myn bernke,
Sliep, sliep, stil as in blom,
Doek, doek, kroep yn dyn hernke,
Tink dou mar nearne net om. Ja, ja ... .
-ocr page 23-
17 —
It wie sa\'n froalik, derten bern;
Sa boartlik en sa goed.
O, as ik om dat boike tink,
Bin ik sa near to moed.
Ik wie syn makker op en ut,
Ik waerd om him in bern,
Syn aerd, syn namme wie my lieaf,
Eilaes! dat is forlern.
Wie ik soms treurig yn \'t gemoed,
Hie skild myn siel bedrukt,
Syn freugd, syn onskild, wie myn treast,
Dy treast is my ontrukt.
It hüs der \'k al dy wille hie,
Is my sa stil, sa near.
Ik sjen syn ljenfste boartersgoed,
Syn boartfeint sjen \'k net mear.
De winter hat mei stringe hiin
It fjild mei snip befracht\';
Yn \'t hóf, der \'k mei him kui\'re hab,
Is \'t winter en is \'t nacht.
Faek rikte hy my \'t hanke ta,
Of naem myn rokseam faet,
Kn hy formakke my yn \'t hóf
Mei syn healmoelich praet.
De keale stroeken stean nou dêr;
Do roazen, o sa skoan,
Dêr \'t boike faek syn lust oan hie,
Dy binne as hy forstoarn !
VIII.
It mantsje mei san koam riden
Mei moeskes foar de wein.
Niet alleen over of van, maar ook vóór
het kind heeft Üokter-om gezongen. We vin-
den van hem \'n paar „Telkes", aardig te pas
gebracht in zijn proza-stukken. Daar zitten
ze in de lijst en zoo geven we er hier een te-
rug, waardoor het beter tot zijn recht komt.
„By de hird sietcn al twa fen de jonkjes to
knikkeboljen; it krysblok (de warmte) krige
har yn \'e macht. „Ja," sei de Jonker, „it
mantsje mei san" hat er west. —■ „It mantsje
mei san!" sei in jonkje fen saun jier „hwet ia
dat?" „Ik scil it dy forhelje" wie it antwird,
en do waerd de jongste fen fiif jier ek wek-
ker en do begoun do Jonker dit forteltsje.
„It is in rymstikje; jimme matte goed tahearre"
en de jonges loekten de eagen op en harkene
nei de Jonker mei de moeien iepen."
It Mantsje mei san.
Dêr wie alear in ttld Keuning,
Dat wie in stoefen faer,
En dy bespriek de geesten,
It wie in towenaer.
En yn syn sulwcren widze,
Yn side en plomkcs, dêr lei
Syn lieaf reawangig soantsje,
Dat kriet mar jimmerwei.
Dy, dy, scoe ik wol trjouwe,
Ticht, ticht, djip oan myn hert;
Gjin, gjin pennen beskrjouwe
Ojin memme-lieafdefioer net. Ja, ja .
Troch, troch fioer en troch wettcr,
Oean, gean, flean ik f>ar dy;
Gjin, gjin libben is botter,
i
As it stearren foar dv.
Ja, ja
Dou, dou biste myn kuwze,
Dou, dou toagest my wei,
Na . . . na . . . nane suwzo .
Bijou er sa swiet yn wei.
Ja, ja ,
Sliep, sliep, slot bar de eagen,
Sliep, sliep, kroep tro.\'h har lea,
Tiis, tiis liar yn dyn roagen,
Meitsje har libjende dea.
Ja, ja, witst net ho goed ik it mien.
* *
*
Voor Ljoinvi\' (zijn eerstgeborene) do \'t er troch
it dom fearyier kaem,
heft de gelukkige va-
der aan:
Wolkom, tryeris wolkom, Ljouwc !
Ut it dom fearnsjier.
Ik mat dy ris tige trjouwe,
Dy myn libbens-ier!
Lit ik dy myn hert ütjitte,
\'t Folio blide hert!
Sloegje seaft op memme-skirte,
Soeg dy roun en fet.
Yette foar in mannieb wiken
Leiste as Bouke yn \'t koarn,
Kn gjin gy/.jen, roppen, striken
Helle in glimke oan.
Nuwer skaeiste, lytse solle,
Mei dyn losse lea,
Knikkebolste mei de holle
As hanswoarst oin \'t brea.
Maar nu (hoe fijn en juist is alles geteekend
en gezegd)
Laitsje kinste en sjongen hearre,
Nei de lnmpe sjen.....
En dan dat guitig slot:
Ny het forstan, myn lytse koozc,
Hy het forstan, jawol!
By manniüh »it it yn \'e boeze;
Hy het it yn \'e bol!
Zoo aan de wieg als aan het graf, hooren
we den ziener en zanger van \'t kleine en be-
wonderen we zijn talent, zijn opmerkingsgave,
woordenkeuze en zeggingskracht. Wij geven
hier nog enkele versjes uit zijn
Oantinken oan Justus,
onmiddellijk volgend op Atma\'s dead.
Nou is üh lieave Justus wei
De fleur fen \'t hüsgesiu.
De rouwe dy myn hert oorstjelpt,
Beskriuwt gjin swakke pin.
-ocr page 24-
— 18 —
Dy batske Keuning forflokte
Dat harterke fen in soan,
Beswarde de kwoadc geesten
Kn gpriek it sAn-mantsje oan.
„O, san-manke kom \'ris harren" (hier)
„Strui siin him yn \'t gesicht."
„Toe", roap dy ftldo Keuning,
„Slot him syn eagen tieht."
It mantnje mei sim koam riden
Mei mix -kis foar de wein,
Yn \'t weintsje fpn goud en side
Dêr siet hy sa edel, Ba kein.
En oan gyn moai rea rokje
Dor liongen twa poodsjes oan :
It iene wie swarter as ierde,
It oare sa wyt en sa skoan.
Hy naem üt it wite poedsje
Mar trye kerreltjes stin
En struide it yn syn eagjes;
Du gong er wer nei syn lan.
En \'t berntsje wreau syn eagen,
Syn earmkes waerden slop;
De sliep befong syn lidden,
En \'t kin foei yn it krop.
En yn sa\'n seaften doeze
Lei hy de hele nacht.
Der lei dy lytse koeze:
Gods ingcls halden de wacht.
Sa roap hy nou alle jonnen:
„O, san-manke, san-manke, kom!"
En as de bcrneklok lette,
Dan rekke dat bern yn \'e slom.
Mar \'t boike waerd balstjurrich
En goelde en tierre him sa;
Do gong dy wrede Keuning
Sels nei de sanman ta.
„Och, siïn-manke," sei de Keuning,
„Wyst dou ek rie mei \'t bern ?"
„Och, smyt him san yn de eagen,"
„Al »cll hy noait wer sjen."
Do naem hy trye kerkjes
Ut \'t swarte poedsje wei,
En smiet it him yn de eagjes,
Dy dêr to grinen lei.
En \'t boike shite syn eagjes,
De eagslidden foelen yn.
Hy die se noait wer iepen :
It Keuningsbern wie blyn.
„De lytse jongens kroepten omtrint yn el-
„koarren do hja dit stikje hearden, en gongen
„dalik nei bêd, hwcr de sliep har gau oer-
„masterc."
Dit eenvoudig, schilderachtig „Telke", moet
ook ouderen behagen, al ware het enkel door
de taal. Het toekent ons weer den dichter, die
\'t kleine mint en leeft in de jeugd. Om de
kleinen te sparen
         \'t is bedtijd -- spreekt
hij niet van „dood", maar inplaats van „blind".
Van dezelfde strekking is
\\
It Wiif mei de blauwe Mouwen
in nagenoeg dezelfde belijsting, voorkomende
in „De Sint-Pitersboask."
Hark ! hwet teistert om de glêzen ?
Hark! hwet wimelt om de doar?
\'t Is in selsom tsjuster wezen,
Bijou hjir wei, dou swarte moar I
Berntsjes, is \'t wol to betrouwen,
\'t Skym\'rig wiif mei blauwe mouwen ?
\'t Skymrig wiif komt üt de marren
Ut de swarte wetters op;
Oelen fleane mei elkoarren
Trog de loft op har gerop.
Berntsjes is \'t wol to betrouwen,
\'t Skymrig wiif mei blauwe mouwen ?
As de sinne yn \'t wetter doeket
Stiigt hja ut de marren wei.
As de stoarm it wetter boeket
Is \'t foar har in simmerdei,
En hja bromt trog mest en touwen.
\'t Skymrig wiif mei blauwe mouwen.
Stikels rint hja dwerg oer hinne
En oer de duorren fen de poel;
En jaget wei de lieave sinne;
En tsjuster wirdt de loft en koel.
Berntsjes, is \'t wol to betrouwen,
It wiif mei de blauwe mouwen?
En kin hja lytse berntsjes fine,
Dy net nei bêd ta wolle gean,
Dy altid skrieme, en tsjiere en grine,
Dy trjouwt hja yn har blauwe klean.
O, berntsjes, \'t is om to besauwen;
Dat wiif mei de blauwe mouwen?
De komende nacht wordt in dit „Telke" voor-
gesteld als „\'t skymrig wiif mei blauwe mou-
wen". Het adjectief „blauw" herinnert aan som-
mige oude Friesche spreekwoorden, waarin
„blauwe Fedde" als de dood wordt aangewezen.
Bekend is dat elders „berndieven" dienst doen,
om kinderen van de straat in huis en naar bed
te krijgen. Ook komt „de hardlooper" in on-
zen tijd van stoom daarvoor in aanmerking; doch
mooier is en blijft: \'t skymrig wiif mei
blauwe mouwen. Daarin schuilt poëzie.
* *
*
Voor oudere kinderen hebben we ook nog
een en ander, heoren Onderwijzers aanbevolen,
even als Geales Sliepke, vroeger vermeld.
De Friesche schooljeugd, dient voor de Frie-
sche lectuur gewonnen. Daarom laten we
hier in zijn geheel volgen
De lytse Toarnbeisiker.
In earme jonge yn de walden,
Dy toarnbeisi\'ke oan de wei,
En song derby in aerdig gangkje;
Hy neurnte sa de hele dei.
Ja, soms begoun er lood to sjongen;
Dat klonk sa yn dy stille loan!
O, \'t earme Wke hie sa\'n wille,
Wol mear as mannig Kenings-Boan.
\\
s
/
/
>
-ocr page 25-
19 -
„Dat is \'n bytke! sei mynhear.
„Dat is gjin billik lean."
Mar Oeds-om sei: „H a j o u dan m e a r \'f"
Dêr koe mynhear mei gean.
IX.
Gouden is de bernewille,
Al it oare reek en tsjeaf.
Kinderen en bloemen, jeugd en lente, zijn
door onzen Dichter beide heerljjk en rijkelijk:
bedacht in zijne zangen.
Geen bloemen om haar kleuren of geuren,
die groeien en bloeien in tuin en hof, afge-
perkt en opgesloten als de zangvogels in de
kooi, konden zijn open oog en vrijen zin be-
koren, maar in de ruime natuur werd zijn
dichterziel getroffen bovenal door dat kleine op
velden, wateren en wegen. Zoo ook onder de
menschen; geen hoofsche kringen trokken hem
aan, maar de vrije veldbewoner, de ongekun-
stelde dorpeling en bovenal de ongedwongen
jeugd.
De ierde is in hóf fol blommen,
\'t Is Gods libb\'ne skilderij,
roept hij uit bij de begroeting der lente, en tot de
kinderen, wanneer hij reeds op jaren is gekomen :
Ploits de blommen, dy dêr bloeye
Berntsjes! ploits de blomkes yet,
Ear \'t de tsjerkhófsblommen groeye
En dy gouden tiid forgiet.
Beets zingt als hij :
Hoe zalig als de jongenskiel
Nog om de schouders glijdt.
En Halbertsma als van e. Haren:
O, dierbaar perk van drie tot zeven jaren,
Als ieder voorwerp \'t oog bekoort, het harte streelt:
Och, of ze zonder einde waren,
Als alles lacht, als alles speelt!
waarvan Hofdijk getuigt: Is het wezen der
kindsheid en heur invloed op de haar omrin-
gendc wereld ooit schooner en juister uitge-
drukt in een enkelen regel ?
Wij stellen er naast de verzuchting van Dr.
Eeltje:
As ik oan myn bernejierren,
Oan dat golle bourtsjen tink,
Wrald, hwet binne dan dyn skatten?
Hwet is \'t goud mei syn geblink \'<
Nog eene vergelijking tusschen beide dich-
ters-Friezen, wijl zij hier als voor de hand ligt:
Helaas! helaas! hoe vlieden onze dagen ;
Hoe spoedt zich ieder uur met onzen luister heen;
Hoe flaauwe vreugd, hoe bitt\'ro plagen;
Hoe min vermaak, hoe veel geween !
Aldus Willem v. Huren in zijn „Menschelijk
leven1\'\'
en Eeltje Halbertstna in zijn Poelke :
En lyk dyn weagen roalje,
Giet ek us jonkheit foart:
Mar mis! der stoeke wirk en sjongen.
"Werom myn boi ? Hwet is er oan P
Ily seag in syden ponkje lizzen,
Dat lei dêr sa mar oan de loan.
De earme stakker wie besauwe, (verslagen)
Do hy der goud yn \'t ponkje foun.
"Want trye goudene dukaten,
Dy foelen der sa oer de groun.
Hy keart se om wol hondert kearen,
Hy telt en sjogt se oer en nei.
Hy lit it toarnbeisiikjen wêze
En gong sa bliid mei \'t ponkje wei.
En onderweis oan \'t prakkesearjen
Hwet hy foar \'t jild al keapje scoe,
Oan moaye klean en \'t swiete iten,
Krekt of it jierren doarje koe.
Mar och, hy moast gau onderfine
Hwet oan sa\'n stikje goud ek wie,
En koart begoun hy al to kleven,
Dat hy mar trjje duiten hie.
Ho gau wie ek dat jild forsjidde!
Yn koarte dagen hie er neat
En earm, ja earmer as foarhinne
Stoe dêr it boike kald en bleat.
Nou gong er wer oan \'t toarnbeisiikjen,
Mar hy wie stiller as alear.
Hy koe gjin jolich sankje sjonge
En werom song er nou net mear ?
Daarop mag de lezer het antwoord geven.
Nagenoeg van dezelfde strekking is het be-
rijmde verhaaltje onder den titel
Nimmen libbet fen oerfloed.
Ook een leerdichtje. Daarin wordt aange-
toond dat arbeid adelt en werken leven is.
In grietman libbe op syn stins
As d\' earste fen it lan;
Hy hie der alles nei syn winsk.
En alles nei syn h&n.
Maar in z|jn overvloed gevoelde hij zich toch
niet gelukkig, leefde onmatig en ging soms
vreeseljjk te keer tegen zijn dienstbaren.
Dan Hokte er op \'e fammen,
As tsjinnen s\' him as lammen.
Sa\'n malle boi wie wer \'ris oer,
Mynhear woe üt to jeyen,
Hy Bocht Diana en syn roer (hond en geweer)
Om wyld en tiid to deyen. (dooden).
\'t Hie reind, it bosk wie him to wiet;
Nou teag er nei de heide,
Dêr Oeds-om by syn skiepkes siet
En fredig pypke en breidde.
Hy rink\'le mei de han yn \'t jild
En Oeds sei: goeden dei!
„So, Oeds-om! sa allinne yn \'t fjild ?
Hwet jowt dat wol sa\'n dei?" —
„O, Jonker, neat as kost en klean
Fortsjinje ik dei op dei:
Dat is jier üt, jier yn, myn lean4
Ik liz\' gjin (f) botsen wei."
/
I

/
/
doch ons dunkt dat het
(f) Er staat „myn"
„gjin" moet zijn.
-ocr page 26-
20
fi
s
s
s
s
s
s
%
ï
/
/
/
/
/
v
l
\'.
/
/
/
/
>
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/.
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
f
/
/
/
/
/
/
/
Hoe lang is faek de smerte!
De wille V — och, sa koart.
Zoo is er moor in beider werken, \'t welk
doet denken aan verwante zielen; trouwens
ook in beider leven valt veel overeenkomstigs
op te merken.
Doch wij moeten terug naar
„de Terp",
de speelplaats zijner jeugd, waarin de Dichter
zijn gelukkige „bernejierren" herdenkt. Hij
telde toen vijftig jaren en stort er zijn hart over
uit, als over de Grouwster Weagen. \'t Is zijn
jeugd, die hij teekent.
Als knaap had bij dapper meegedaan. Hij
was een echte meisjesplaag toen hij nog school-
ging, werd ons meermalen verhaald.
Zelf zingt hij :
As de famkes toutsjedounsen
En de jonges pleagen har,
"Waerden wy Ba faek ofsnoarre:
„Dondersk jonges, sa\'n genar !"
Mar wy houden üs mar dom
En wy joegen nearne om ;
En hwet tochten hja der Dy ?
Alde terp ; o siz it my.
Zoo laat de dichter in elk vers een schilde-
ring van wat de jeugd behaagde, als vlinders,
bloemen, lente en spel voorafgaan aan dien
slotregel, de Alde terp gewijd, waaruit de wee-
mocd spreekt in roerende taal. Hij besluit dit
schoonc gedicht met de verzuchting :
Och, myn bernejierren fleagen
Lichter ns it swerk foarby,
Mar dyn griene, ljeave blomkeg
Binnc alle maitiids ny,
En in oare nye jeu*d
Het op <ly wer willo on freugd;
En liz ik it libben óf,
Alde terp wird den myn hóf.
Lit de berntsjes op my boartsje,
Blomkes ploitsje op myn grief.
Goudon ia de bernewille,
Al it oare reak en tsjiuf.
Ig de wiuter rou en wyld,
Grienje maitiids bly en myld ;
Uloi as byld fen t\'ryske kracht,
Alde ter]), yn iiw\'ge pracht!
En liz ik it libben óf, A ttle terp wird dan mijn hóf.
Deze zielebede van den dichter is niet ver-
vuld. Wel is na zijn dood aan „de Terp" du
bestemming gegeven, die hij wenschte dat er
aan gegeven zou worden en wordt er loffelijk
betracht het „eert uwe dooden!" doch
zelf sluimert hij er niet.
Men kent en vindt zijn ligplaats nauwlijks meerm
Qeen kenlijk tceken wijst ons de plaats aan,
waar zijn stoffelijk overschot in den schoot der
aarde is neergedaald; geen zerk of monument
dekt of siert zjjn graf, geen bloempje tiert er
wellicht en mogelijk heeft de dichter, die bij
zijn dood het holle bombam oer de lege wélden
liet dreunen, nog te veel gezegd, waar wij hoo-
ren : A l watje nou de gêrsen oer dyn holle . . .
Hoe \'t zij, bloeiend staat in den Frieschen
Lusthof zijner zangen: It Blomke Ttink oan mg /"
Al hwet forgiet, dou bliuwst üs by,
Dou lytse lieave „tink oan mg I"
En of wy rize, sinke, driuwe,
Lieaf blieu üs Frygke tael en liet;
zooals gij daarin hebt geschreven en gezongen,
zooals gij die ons hebt leeren verstaan, gevoc-
len en genieten, o, <k>nige Friesche zanger, naar
wien we zoo gaarne luisteren in Leed en Wille.
Geen zerk, gij, die „op it grêf fen Lokke"
hebt laten hooren:
As nei in lange wile en tiid
Gjin trien mear om dy rint,
En de iilde freunskip wiid en siid
Wer nye freunen fynt,
Dan tink ik yet oan dy, myn bern,
To ier forwile blom,
8a faek as ik it tsjerkhóf sjen
En op dyn grêfstien kom.
„Twi\'gen" uit zijn stamme, wij denken aan
U en aan den slotregel van des dichters Sémans-
sangkje:
Forjit my net.
Het graf van Anna Maria van Schuurman
te Wieuwerd is vergeten, zal de nazaat ook
vruchteloos hebben te zoeken naar dat van Dr.
Kelt je Hüldes Halhertsma te Grouw ?
X.
Der komt er as in tongerwolk
En broest üt d\' easter-kimen.
\'t Is een uitgebreid veld, waar de penne-
vruchten van den Grouwster Dichter verspreid
liggen tusschen die van zijn broeders Joost en
Tsjalling.
GysberCa arbeid laat zich gemakkelijker over-
zien, wijl die op zich zelve staat en beter is
ingedeeld. Bij Dr. Eeltje ontbreken de scheids-
hjnen ten eenenmale. Zelfs de tijdsorde is niet
gevolgd in de Hinten en Teltsjes fen de Broar-
ren Halhertsma.
\'t Geheel is een echte „La-
pekoer", waarop van toepassing moge zijn het
„Verscheidenheid behaagt", doch Dr. Eeltje ziet
men er niet in het volle licht. En ditiscisch
en recht voor mannen van beteekenis, dat zij als
de monumentale hoofdgebouwen van een stad
vrij en onbelemmerd op zich zelven komen te
staan, om van alle zijden gezien te kunnen
worden. Wij hebben getracht, daaraan te ge-
moet te komen, door de Kjjmen van zijne hand
eenigszins te groepeeren en soort bij soort te
stellen naar inhoud en toonaard.
De grens dier soorten was vaak moeielijk te
trekken en blijft min of meer willekeurig. In
3
-ocr page 27-
21
het motto hebben we het karakter der verschil-
lende rubrieken eenigermare aangewezen.
Tweeledig is ons doel: lo. Dr. Kelt je in zijn
arbeid to leeren kennen en waardeeren en 2o.
nieuwe geestdrift te wekken, inzonder bij de
jongeren, voor Friesland\'s taal en schriften.
Wat tot dusver onvermeld is gebleven uit
des Dichters ernstige zangen, laten we thans
Tolgen, te beginnen met
De Winter Ten m\\ ui il Wetterlftn,
waarin begrepen zijn It Stcealtsje Forjit en de
Liekeblommen.
Zij vormen te zanien het hoofdstuk van den
Dichter, dat bizondcre aandacht verdient.
\'t Wie droavich near yn \'t Wetterlftn,
It jongfolk hie gjin tier.
Yn fiouer jier gjin winter hawn,
Dat foei de minsken swier.
„It rfden", roapen se, „is \'t gjin griis ?
„Dat scil us glêd forjitte.
„O poale, frear it hynste-iis,
„Ho fluch scoe \'k dy forlitte I"
Dat folkjo wie forsiker bang
Dat roegbird üs forliet,
Omdat er fiouer jierren lang
Yn l\'remde lannen siet.
Wylst onfordildich roap it folk :
„Men sit jins ears oan strimen,"
Dêr komt er as in tongerwolk
En broest üt d\' easter-kfmen.
Gjin feint dy nou gjin redens Bocht,
De slypstien stoe net stil.
Om rie fen d\' alden waerd net tocht;
Do sinnen wieme op til.
De lammen roapen: „Och! \'t is neat,
„De fronst scil üs belitte:
„Wan* gean de roeken oer de sleat,
„Dan lit er \'t mcast wer sitte."
Mar Noarman blies foeleindig troch,
De loft stoe spits en mimi.
\'t "Wie winter, en nou mei in sjoch
"Wie \'t jongfolk oan do goai.
Jouns sprieken se de reizen óf,
En pochten fen har rfden.
Men tocht om ky, noch hüs, noch hof;
\'t Wie wille oan alle siden.
De fynstc pakjes masten oan;
Gjin kjeld waerd nou mcar fjild.
Hja glommen as do iere moarn,
En rink\'len fen ktild jild.
De loaikets dy oars oan de hird
Hwet liispelje foar hoppe, (spinnen voor groot-
\'t Is óf dat folk betoavrc wirdt ;         [moeder)
\'t Bin de earste dy har reppe.
De Friesehe winter is hier voortreffelijk ge-
teekend, evenals het jongvolk in zijn aard en
beweging. En nu verplaatst de dichter ons in
de stille afgelegen woning van een paar oudjes
op de ruimte.
Der wenne fier yn \'t Wetterliin
Aid Jokke en Jeltgje-moai,
Twa liuwe sindlik as de bran
En derby fier fen loai.
Ze hadden drie kinderen, twee dochters en
één zoon, zoodat de boerderij geheel met eigen
volk werd gedreven.
Dat libbe fredig mei\'enoar
Der op dy poale hinne,
Seaft as de weagen oer de mar
Yn simmerjounen rinne.
Mar do de winter kaem yn \'t lftn,
Do wie dat hüs oerstjoer.
Dag aan dag trokken de jongelui er op uit,
heel de provincie door en lieten het werk aan
d\' oudjes over of bestelden het uit.
Jouns dagen se nei mcltsjen op,
Forskrouwe en üt de rukken,
En roasteren de lea hwet op
lij prikkefioer en takken.
Sa sloafde har dat jongfolk üt:
Hja krigen hast gjin lins, (rust)
Mar eindling mast men ta beslot
Ek nei do stêd fen Grins.
Aldus geschiedde. Met hun drieën van paren
werd de tocht aanvaard. In Groningerland op
een dorp gekomen, waar een hardrijderjj zou
worden gehouden, liet een der vrijers, Worp
geheeten, zich als deelnemer inschrijven en ...
won den prijs.
Dat stoe do Grinzers matig oan,
Mar \'t mocht har dochs net bate.
De Friezen spanne op \'t üs de kroan,
Der kinn\' se net tsjin prate.
Worp gaf een flink gelag en daagde dra
ieder uit. „Geyend" riep hij :
\'k Wol tsjin de beste üt it doarp,
Dan ik op kowe-ribben!
Later dan men gedacht en plan had, gelijk
te denken is, werd de terugreis aanvaard.
\'t Was al zeven uur, doch gelukkig lichte maan
en voor den wind.
Hja setten nou ris tigo skonk,
Dêr waerd gjin üs hast roerd.
Met dat en al waren de meisjes bezorgd over
de onrust thuis.
„Us beit en mem", sa spriek in faem,
„Hwet mei dy sloawen tinke."
Doch de vrijers antwoordden:
„Wy moat yet op \'o Leke oan,
„Wy binno nou sa ryk.
„De moannc skynt de hele moarn
„Ea \'t üs is as in dyk."
En de held van den dag vervolgt:
„Kom, lak!" sei Worp, „is mem yn noed,
„Dut scil wol wer besourje.
„In Lekeblom moat op \'e hoed!
„Lit de alde liu hwet gnoarje."
Mar Jokke en Jilt.yc gnoarren net,
Hja suchtten om de bern.
Ho cang waerd it har om it hert!
v
ï
:
<
s
s
/
\'
/
i
-ocr page 28-
— 22  —
Har rie wie skjin forlern. g           It Swealtsje dat op gjin swinge git,
By in lyts fioerke gieten gy $           Mar iwich om us «weeft troch de wrald,
Yn \'t gkynsel fen de moanne, £           Dat heste forgetten; mar tink er oan,
En hearden de fortsjiermery ^           De wrald is yette ga net bedoarn.
Fen de oelen yn \'e loanne. ^           "Wylst \'t jongfolk op \'t iig ga swalket en gwit,
Angstige voorteekenen, die licht gehoord wor- \'è           Sjongt foar Jeltsje it swealtsje Forjit, Forjit.
den door een bezorgd gemoed in \'t middernach- *           Forjow dochg wat oan \'t broesjend bloed;
telijk uur en in een schaarsch verlicht vertrek \'.           Us bern bin\' yn Gods han, yn öodg hoed\';
op de eenzame ruimte. \'           De stipen binne it foar de alde dei,
Ald-Jeltsje verbreekt de akelige stilte.               §           Mar \'* moaye &lêdde iis brin6\'t har 8innw> »«.
„ . . , .... . „                         %           Bn as de winter As wer forlit,
8a Iplièk t ZeV^ \'                     \\         D" *"* " "Wett,tBJe ^ *<*
„It jongfolk sjocht net mear gefaer,                    *           Is dy dan forgetten dyn fammetiid?
„Dat is forwyld\'re nou.                                       %           Ik tink er net oan, of it hert wirdt my bliid.
_. ,. •!_-..                                  *           Vy hoalden en rieden let yn \'e joun;
„It l&n mat sinke as in gtien,                              g           w wfteiden er oer en „^ ^fa ^QUn
„Hwer mat dat yette hinne,                                 g           Ho suohtte do üs ald memke yit!
\'X wUtf:nitdmaard:ninW„edt "* ^                  g           ««* °* »°U\' lie" ""»* ** F^
„De wrald i., giz ik toescn kear,                         |     . *a ** vermanend „zie u zelve" en het troos-
,U net as fen to foaro.                                        I    nd »*orjit\' voert de dichter ons terug naar
„De oerdwcalskeng wint al mear en mear,           ^    de jongelui, die in aantocht zijn.
„De minski\'n binn\' foroare.                                  \'/.                                         * *
Och, bin\' jinwirdigd\' alden tel?"                      g           It wie twa oere yn \'e moarn,
8a jeuzle Jeltsje toart,                                        S           Dat it alde
der giet:
„It hbbengpaed dat is sa smel,                            S           Der kaem it folk op de opsleat oan
„De wei nei t gref sa koart.                              |           En ^ it heeggte ,iet
„Mar dat betinkt it jongfolk net,                        %           De houn dy skrabbe oan de doar,
„Hja litte de alders suchte.                                   \'J>            De Alde boer die iepen;
„O, God, dy hiel de wrald befet,                         %           Hja joegen har as skoayerg oan
„Hald har yn hoed\' en tuchte!"                          %           En fregen der to sliepen.
„As suchtsjen holp, ik euchtte mei,"                    $        Hoe juist is die schildering van „dézen hond"
Sa spriek tild-Jokke-om doe,                                f;    en van „dit jongfolk"!
-Mar \'t brooht noa himels treast to wei,              ft                    r , , , . . , ,
„Dy smert forlichtsje koe.                                   \':           Mar Jokke-mn koe har oan it loed
*           En roap : „Kom yn mar, bern!
„Mar \'k haw alear in teltsje heard,                      \'■}..            „Jimni\' mem sit freaslik yn \'e noed
„Dat scil ik dy fortelle.                                       %           rEn joeg de moed forlern."
„Ho! dy troch eigen tadwaen gtjeart,                   \'/■           Hja stoepen yn it binhüg op;
„Scoe dat ald-Jokke-om kwellc?"                        *j\'           Har klean wiern\' roeg berime.
"Wat geeft zuchten, wat baat onrust; treft    f           Aid Jeltsje sloeg har eagen op
onze kinderen het ongeluk, wij hebben ons     |           En * ftlde Bloaf De8Wln»e-
zelvcn niets te verwijten, zegt ald-Jokke-om,     *           Besauwd wie \'t heele selskip do, (verslagen)
gedachtig aan                                                                        Har dochters krieten sa.
■• m . . w ..«                            .:           „Wat of üs memke skele scoe;
It Swealtsje Forjit,                        g          ;Wol mem ek watte hft-,»
een „teltsje", dat, hg eens gehoord heeft van    9        ^ oude gloof komt yan lieTerlede weer by
«jn.pnden grootvader en nu op haalt voor Jeltye.    ,■    ^^ ^ de kinderen ^^ zich ^
Znn hoofddoel is aan te toonen, dat de ouder-    /         ,,.., °
dom licht de eigen jeugd vergeet en er een    \'/             
troostend vogeltje uit den hoogen ons omzweeft    *           Ho, wie üs mem sa fen \'e set ?
in dagen van zorg, zingend Forjit, Forjit, wan-    \'    Tragen ze belangstellend, doch zich niet vrij
neer we het goede gewild hebben. Voor den    f\\    gevoelend van schuld, voeren ze er als in éénen
boosdoener in zijn stervensure zwijgt het.             y    adem de Terschoonende reden aan toe:
Foar dy sjongt it himelske fuegoltsjo nit,             ,           >t lg wier) wy binne ai to iet)
It treagtende swealtsje Forjit, Forjit.                   ,           Mar >t wie ek hynste-iis. (paarde-ijs)
Zoo wijst de Dichter op verschillende geval-     *        Het oude moedertje antwoordt:
jen, waarin het „Swealtsje" zich in zeer ongelij-     f             Q b, .^ wie ,t net bêste ber
ken an laat liooren, doch niet alle even dui-    £           ^M\'ar 8Jkrik *hio >t hert beklomme,
delijk en door ieder te vatten, om ten slotte    y           ^Dtit >k jimm0 anstons dt-r moast sjen
met zijn gewone klaarheid het woord te richten     /           nSa mei dy Leke-blommen.
tot zijn mistroostig en verwijtend oudje.                            ,Och! tsjerkhofsboden binn\' \'t foar my,
-ocr page 29-
— 23 —
As de kjeld it wetter strjemme,
Tocht men net om kjeld en wyn.
O, ho kriigden se op \'e poallen,
\'t Jongfolk yn de moanneskyn.
As de wite flokken fleagen,
Wie Mary ek op \'e fljocht;
Alle dagen ride en djoeye
Wie dan ek har greatste nocht.
Mei har tryen jonge pearen
Teagen se nei Grinslón ta;
En it üs dat wie fol wjekken
En do winter moalke sa. (draaide op en af.)
Al it rieden fen fis alden
Wie mar praten yn do wyn.
Ids dy wiste alle wjekken
En werom wie \'t foar de wyn.
Mem stoe op \'e wal to krieten,
Mar fis heit dy snoarre har óf:
„\'k Scil er net in trien om litte,
„Al bring ik dy Sneun to hóf."
„Deadsblommen, dea en tor. (*)
„Ik 8eag se earst oan üs Mary;
„En dêr beswymde ik tour."
Doch \'t is nu te laat, kinderen; gij hebt rust
noodig; ga naar bed ; morgen zal ik vorder ver-
tellen, wat mij op het hart ligt.
* *
*
\'s Anderen morgens, toen hetzelfde gezelschap
weer vroolijk bijeen was en gereed stond voor
een nieuwen tocht, sprak de moeder:
„Earst yet myn forteltsje.
„Toaf in bytgje, bijou! ei, bijou !
„Hark nei alde Jeltsje.
Wij geven het in zijn geheel.
Vooraf zij opgemerkt, dat het nu de moeder
is die vertelt (in It Swealtsje Forjit spreekt
het koel verstand van den vader) en dat ze
wel-is-waar het woord richt tot hare kinderen,
maar tevens, hoewel niet rechtstreeks, een ant-
woord geeft aan Md-Jokke-om, die sprak:
Ho, dy troch eigen tadwaen stjeart,
Scoc dat dld-Jokke-om kwelle?
De Liekeblommen.
Op it lytsc doarp Terkaple
Stoe alear üs alders hoes;
Frede wenne dêr en wille
Yn dy alderwetske kloes.
\'k Wie de jongste fen san berntsjes,
Heit wie watte stoef en stiif;
Har üs mem wist him to troayen,
\'t Wie sa\'n seaft, meilyich wiif.
Yn myn earste famkes-jierren
Hie \'k in sister, fis Mary ;
\'t Wie de aldste fen de keppel,
Flugger wie er net as sy.
Meltsje, swylje, boetermeitsje,
Alles fleag har troch de han.
Derby moai fen liif en lidden
Kn sa Bindlik as de bran.
Hjerstmis oer de poel to stroezen,
Nei de ky oan d\' oare kant,
As de wite koppen roallen,
Dat wie \'t libben nei har trant.
En hja wie sa goed, sa sedich,
Die sa gracch har alders sin;
As se winters fit-fen-hoeze
Wie er ien yn \'t hoes to min.
Simmers krige hja wol fryers,
Mar dy liet se meast wer gean.
Inkeld koe se Pinkstcr-tiisdeis
Wol nei Snits to keamer gean.
Mar net fier fen fis fen dinne
Yn it alde Goingaryp,
Wenne Ids, en dy allinne
Wie har sin en har bogryp.
* *
*
Do oare jouns begoun to kommen
En it waerd sa stil yn hoes;
Teyich wie \'t en watte mistig;
Soms dan reinde it by de roes.
Aeklig roesde it om \'e skoarre,
\'t Kreake op \'e skoarstien near (angstig)
En as mem yn \'t mistig waer seag,
O, hja sloeg har hunnen gear.
Soms begoun dat sloaf to kritcn,
M.-tr fis heit bleau steeg en stom ;
Wy as berntsjes boarten boete (veestal)
En wy tochten nearne om.
Einling komme dêr twa mannen
En dy tikje oan \'e doar :
\'t Wierne Ijouwe fen Terherne
En fis heit kaem selwer foar.
„Boer!" sa spriik ien fen dy Ijouwe,
„Wat is \'t aeklig mei Mary.
„\'t Griist my om it fit to sprekken . . .
„Mar hja \'s wei ... dat siz ik jy !"
En do sleepten se de slide
Midden oer de boethoes-flier,
En der laei Marye dead op,
Sonder moetse oer it hier;
Mei in Lieke-blom by \'t jak yn,
\'t Aeklig pronksel fen de dead,
En har moaye reade lippen
Wierne nou sa blau as lead.
„\'t Is Gods wille!" roap üs heit do,
„En dêr is net oan to dwaen.
„Dy myn libben en myn lust wie
„Mat ik oan de Heare jaen."
Hja wie yn de Mar fordronken,
En har Ids dy wie ontkomd;
Mar dy is tonei fortyge, (weggekwijnd)
Want syn fleur wie him ontnomd.
8y waerd to Guiny\'ry/i begrawcn,
Tichte by de ülde toer,
En de swiere klokken bromden
Heel de leege Walden oer.
■ •
\',
<
<
(*) Witte kunstbloemen, die het gebruikelijk was
dat eertijds meegebracht werden door de jongelui,
die per schaats de Leek bezochten, waar ze te koop
werden aangeboden.
/
-ocr page 30-
- 24
En i\'is heit, om wird to halden,
Liet by \'t grêf gjin inkie trien,
Mnr it knaegd\' him oan do siele;
Hy is as it stof forgien.
Jongfolk tink nou om Mari/e,
As it iis ga hearlik blinkt:
Tink dan, dat in kweade ingel
Jimme nei it gr<A,f tawinkt.
\'t Is een wonderschoon Teltsje. De dichter
geeft het plaats in den jare 1(124, doch na het
jaar tweeduizend zullen de Frieseh-sprekende
bewoners van onzen bodem het nog ophalen
en oververtellen, daarbij dankbaar gedenkend
de buitengewone talenten van onzen meester-
zanger, die vooral uitkomen daar, waar hij de
natuur schildert en het volksleven toekent.
XI.
Der dangolt oer do Lnnge-sletten
In spooksel om, dêr olts ten grouwt.
\'t Mystieke hoeft ten allen tijde onder de
kinderen der nienschen een bizondere aantrek-
kelijkhcid bezeten. Al beweert men ook, dat
tegenwoordig alles wordt verworpen, wat men
niet kan voelen en tasten en er zelfs door de
jeugd wordt gelachen om kabouters en feeën,
feitelijk blijft het sprookje welkom en wordt er
ook door ouderen nog wel gaarne eens geluisterd,
zelfs naar spokerij-verhalen. Men noemt die
ook wel sages. Friesland bezit er vele van
die oude geheimzinnige overleveringen uit het
grijs verleden, in het tjjdsehrift Iduna en el-
ders te boek gesteld. Ook Dokter Eeltje heeft er
een enkele sage of spokerij uit zijne naaste om-
geving op rijm gezet, met de hem eigene vaar-
digheid. Deels is het overlevering, deels
historie, wat hij geeft. De visscher, die in
\'t verhaal voorkomt, is volgens F. II. en H.
(1890) Anke Douwes Feenstra en „It Famke",
waarvan hij spreekt, een dochter van dezen
geweest: een zeventienjarig meisje.
De „Lange Sletten", waar het stukje speelt,
is een vaarwater in de buurt van Wartena en
de spokende verschijning een smid van Ker-
newoitde,
wiens „optreden" ook door Koldijk
en Vd. Bunj is berijmd geworden.
Hwa is dy swalker dêr allinnc
Yn nacht en dau,
Hwa mei der rinne
It hert fol rou ?
Foardel de holle,
De liiinnen gear;
vangt Koldijk aan en I \'d. Burg besluit:
It spooksel oer As potten,
De man dor Lange Sletten,
d\' Omdoarmer yn fis wrald,
Sril ninter atoiiii fordwine,
d\' Oflieane rest earst line
Mei d\' ein fen Kurnowald.
Na deze toelichting geven we Dr. Eeltjehet
woord :
De Langeslettemer man.
Oer Earnetcdlde\'s roege petten,
Dêr oei en roerdomp nesten bouwt,
Der dangelt oer de Lunflc-sletten
In spoeksel om, dêr elts fen grouwt.
In swarte tabbert om syn lidden
Stapt hy der nachts sa earnstig roun,
En li\'ket fol berou to bidden,
En digert jimuier nei de groun.
Dêr hat foar lange alde ti\'den
In sinid to Earnewdlde west,
Dy wezen ütsoegd hio \'n ütriden ;
Kou het er yn it grêf gjin rest.
De baes siet fol fen kweade lagen,
In abbekaet dat wie syn hoal. (daar heulde hij
[mee)
Ek waerd der fen de kweade dage : (gedaagd)
Dy teistert him nou as syn boal. (beul)
Hy het der earne in skat begrawen,
Mei list en skelmerye woun,
En as de oelen en de rawen
Dwaelt hy der mannich nachten roun.
En dy him sjogt dy is forplett\'re,
Hy is de skrik fen lyts en great.
Kn dy \'t net leauwt, dy wirdt forkett\'re;
\'n Oerkom\'ling is \'t, dy leauwt oan neat.
Net ion giet dêr oan wfd to loeken ;
Want elk is bang foar d\' alde kwant;
En sjogt er hantsje-riis of stroeke (lioostergewas)
Hy skowt 1\'orbaesd nei d\' oare kant.
De fammen scille him oars net hate;
"Want komt de frijor snein-to-joun,
Dy scil noait fen gjin skieden pratc,
Sa lang do sinno is ond\'re groun.
De stniners seill\' har ek net pleagje :
Gjin minsko reisget dêr by nacht,
Dy scoe er ongenedig reagje,
Want Iwich lialdt dy man ilêr wacht.
En fen geslachte ta geslachte
Sjen hja dy kweade smid dêr gean,
En op de inkelde gedachte
Dan barne har de kalde klean.
Mar jammer is it om to hearren,
Ho dat in famke, earme sloaf,
Trog dat forskynsol koam to stjerren,
En \'t ofter waerd fen \'t bygeloaf.
It famke.
Net fier fen de Garyper rekken
Der lei in aek yn \'t rcid,
In fiskermnn siet by syn dochter
Dêr yn dy ienlikheit.
\'t "Wie op in moaie sneun-to-jonne
En yn do ongetiid ; (hooitijd)
De sinno niigdo nei do khuen,
Kn alles swvle om striid.
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
■/.
\'■<
/
/
/


*/
/
/
/
/
/
/
/
/.
/
/
/
/
/
/
/
\'■/
/
■/
/
/
/
s
/
/
/
/
-ocr page 31-
-  25  -
Do sei de fisker tsjin syn dochter,                        >,\\     van het bijgeloof, dij gleaune glselroede van zijn
„\'k Wol moarn nei tsjerke ta                              y    dagen, ook heden nog niet in algeheele ver-
„En tsjen ik joun nei Earneirdlde,                      ,    getelheid.
„Mastou de wacht hjir ha.                                   y,    °
„En komt er faek in ongetfder, (hooier)               \'*■,,                     t___________„^J________________„™
„Lit dy dan ek mar oer.                                      %,                               0 Btslinga, o edele State,
„Dou moaste al-to-met ütkypje;                           $                               0; Lusthof fen de Fryske groun.
„Licht krigest yet m stoer.                                  <                     _______—~_____„~.~™~~„__.„„_____
In kalde mist teag oer de mieden (lage hooi-     >         Dr- EeltJe \'9 cm man geweest, die meeleefde
Mei \'t fallen fen de joun,                    [landen)     ,     mpt zÜn *!)»i. Hij volgde de gebeurtenissen
En oer de toppen fen de duorren (doeren, hoog    ,     van den dag en heeft scherpe eritieken gelc-
Dêr dwaelde in minske roun. [soort liezen)     y     verd over personen en zaken, enkele in niouws-
Nou skow hja gau nei d\' oare sfde,                     >\'    bladen, andere als vlugschrift verschenen. Deze
Mar \'t skynsel dat forskeat,                                  >     uitingen van den dag zijn als verstorven, doch
En stoop hcdaerd mei lange tredden                    \'     die in zang en rijm bij \'t lief en leed uit des
Der oer dy wide feart.                                         f     Dichters naaste omgeving bewaard en gewaar-
Forekrikt, forheard, alhiel forbjustre                    \'     <1(,<\'rd grieven. In den regel is aan gedich-
Wie do dat jonge Rloaf.                                        ,     ten, die betrekking hebben op bepaalde perso-
De siken stoeken, \'t herte tikke,                          /     ncn, tijdstippen of toestanden, geen lang leven
Har lea dy waorden doaf.                                     ,     beschoren, doch die van Dr. Ecllje maken al
Mei moed skow hja nei Eamewdlde,                   \'.\'     weder cpn gunstige uitzondering. Wanneer hij
Dy lange, lange wei,                                             >    de pen opneemt om zijn gastheer te bedanken
En hwer hja trog de dauwe dig\'re (starend zien)     /    of een gelukwenseh zendt aan vriend of ver-
It skynsel folge nei.                                              \'    want, zegenwetischen geeft bij den aanvang
Men stelle zich den toestand voor van dit     \'    van \'k ,,i(\'"w,, Jaar of d,> Koninklijke fami-
arme meisje en men kan begrijpen, dat „it     ,    lle oen welkom toeroept ini/ rietland, treur-
sloafke healdea" bij haar vader verscheen, dien     V    to°non laat booren bij treffende sterfgevallen
ze haar nood klaagde, doch de vader, als meer     \'    of \';(;n toast .uitspreekt bij t afscheid van den
Frieache karakters door onzen dichter getee-     f    gezelligen vriendenkring, steeds weet onze dich-
kend (men denke aan Jokke-om en Sierd-Ams),     \'■    tor d<\' snarpn zo° te tn,nV»> dat Z(\' Mgven khn-
toont geen deernis of medelijden, maar gaat er     <     kon v°or latere geslachten.
met zijn „stege sin" dwars tegen in, wat de     \' In ,lpt »Wueele, in dat wat hg ziet en hoort
dichter aldus verhaalt:                                             ,     on h(\'m troft> W(>ot hg immer een bizondere
kracht te leggen : hij bezielt door zijn ernst of
Mar do de faer har reden heardo,                        \'     trpkt door zjjn ]lumor.
Do wier der gj.n torskoan.                                 <        A1 ig ^ iwdg mm. dan „, halvc ccuw
„Hwet scoe dv fllde spoek dy leare ?"                  ,    geleden, dat des dichters
!aA.8PkTmt 2 oyrddyfayenr\'it boatsje,                        %                          „plegenheidsrijmcn"
„Wol, der is gjin gefaer.                                      ,     het licht zagen, die toen van zich doden spre-
„Kinstou dy ek sa lizze litte                                >    kpn\' (*&" *™ nldergeljjke producten van
"Mei al dy foeken, sei?"                                      \'     \'\'et oogenblik, veeltijds niet vri) van overdry-
     ving of vergoding) zij spreken ook nog tot ons,
„Goed\'gesteld boven „bloed , vele menschen    ,     dip van Dr AW/;V met haar gezonde taal;
eigen. Het meisje moest terug.                             ,    (lit danken Z(> aad(> ku)lst? di(> (,r ;„ seiluiit)
Har broer, in beuker fen in jonge,                      \'     aan „et talent, dat ze heeft opgesteld.
Gong do foar selskip mei.                                     / Do waro kunst klimt met de jaren in waardij,
Hja kamen yn de aek to lilnne,                           A     doch de vnlsche verdwjjnt, hoe ook bewierookt
Mar \'t wie fen lytse dioer.                                   ,     door den tijdgenoot, \'t Is de dichter, dien
Twa dagen het it hartke libbe,                             .     we Gooren in
Mar och, do wie it oer.                                         .                               . ,. ..
\'                                                               \'                               Beshnga-State,
De skrik, de skok hie har oermast\'rc                   /     , , ,■ »          j               , ,,..,                , ■.,
v ,. . \' vT. ...                                      .     de lusthof van dcnoud-adclliikon stam der Van
En t ïonge hert stoe stil.                                     f     „ .         ,            ...                 J ,
*                                                                  ,     Sytzama.s te rrtens, waaraan de zanger een
Noii is \'t gêloaf der yette greater\'                        /■     leedzang heeft gewijd bij \'t versterven van den
Oan \'t spoeksel fen do nacht,
                               /    jeugdigen Grietman van Idaarderadeel. De in-
En iwich hiildt yet by dy sleat om
                      <     druk er van wordt nog gevoeld, ofschoon state
Dy Alde smid de wacht.
                                       \'     en geslacht aldaar sinds jaren zijn verdwenen.
Verder wordt de dood van het meisje natuurlijk
     f-     Voor Eiso, dien het hier geldt, was een heerljjke
niet op rekening gesteld van den vader, die man-
     /     huizinge in aanbouw aan den breeden opweg
moedig spotte met het oude spook, maar op die
           van den rijksstraatweg naar Rauwere en Sneek.
4
-ocr page 32-
— 26 —
Nog onvoltooid, stierf de jonge man, die pas
gehuwd en feestelijk gehuldigd was als Griet-
man. (*)
Ter plaatse van lirxlinga met zijn hoven, waar
destijds Friesland18 Gouverneur in hoogheid was
gezeten (f), graast nu het vee in vlakke weiden
en Friens is niet meer het Friens van een
halve eeuw geleden. In de kerk en op den
doodenakker vindt men nog de schitterende
sporen van dien vervlogen luister.
O, Beslinga, o, ed\'le State!
O, Lusthof fen de Fryske groun,
Oer al de ridderlike staten,
Ho is dyn bluister nou forroun !
Dyn steatige abelie beammen,
Dyn fleur\'ge loanen tigt en grien,
De wylgen oan de wetterseamen
Binn\' keal en fen har lof ontdien.
\'t Nonrr] westen hat mei woaste fleagen
Dyn erf mei \'t giele lof oerspraet,
En as de woaste wetterweagen
Neat sparre yn syn wylde faert.
\'t Scil alles wer de groun ütstige.
Mar ien stam scil net wer forn\'ze,
En freget men dêr reden óf :
Ik mat him nei it tsjerkhóf wize,
Dêr leit er op dat liego hof.
Us Eiso is dy ed\'le stamme,
De pin bestjert my yn \'e han
By \'t skriuwen fen dy goede namme;
Want goed wie hy as ien fen \'t lan.
Al mei geboarte in foarrjucht hjitte,
As deugd en minsomheit har siert;
Dy hie er yn in greater mjitte
As mannich dy gjin wapen fiert.
Syn oankomst scil my nea forjitte,
Mei flaggen, skippen sonder ein,
Eits woe syn froalik hert ritjitte,
De soarg wie do to side lein.
My tinkt ik haw it yet foar eagen,
Ho do üs jonker hild\'ge waerd,
En ho de heit mei \'n trien yn de eagen
Him onn iïs opdroeg as ös head. (hoofd)
IIwet hoef ik hjir nou rit to lizzen,
Ho de ed\'le man do wie ontdien:
De wirden stoeken him yn \'t sizzen,
En mv ontfoel ek al in trien.
En E\'tKO wie sa gol fen wezen,
Syn roune, nomm\'le, Fryske sin
Stie him yn \'t freunlik eag to lézen,
It woldwaen wie foar him gewin.
Hy trouwde in frouwe fol fen deugden,
Forsjoen fen witenskip en kinst,
Dêr we allegear iis yn forheugden.
Hja woun trog freunlikheid ris ginst.
En hus en hoawen waerden stichte,
Dêr \'t jonge pear yn wenje moast ;
Mar och, de dea koam mei syn sichte
Dy skriklike fornielingsfoarst.
Dy meando him wei yn prille jierren,
En \'t slot dêr jinder oan de wei
Ropt alle minsken ta fen tierren :
„De dea, de dea brekt alles wei."
En hwa scil nou it leed ritsprekke
Fen d\' ed\'le alders en de rou \'<
Dat kin de ierde mar bedekke,
Dat wisket tiid noch wirden ou.\'
Wol lusthof, sa bebeamd, beblomme,
Forsierd trocb kinst en troch natoer,
Wer faek it trurig hert opromme,
En bring it britsen hert yn stjoer.
Wês lang do taflecht yn de smerte,
O, stil, mar lieaflik Bexlinga I
De treaster fen \'t forpletterd herte
Fen d\' ed\'le stam fen Sytzama.
Zulk een zang uit het volle diehtergemoed
is niet aan den tijd gebonden. Hij staat en
valt niet met de state, wie ze gewijd is.
Minsken en tiden forgeane,
Mar libjend sprekt foar üs siele
Iwich en iwich dyn geest
o, innerlijke zanger van Beslinga, al ware het
enkel in dat onvergetelijk
En bus en honwen waerden stichte ....
„De dea, de dea brekt alles wei!"
*
Als jongeling van zes-en-twintig, had hij bjj
de inwjjding van het Gedenkstuk ter eere van
Gyxbert Japix zich reeds gunstig onderscheiden
als „Gelegenheids-dichter," van de vele mede-
rijmers op dit feest. Hoewel niet vrij van
„humor," de jeugd eigen, is de grondtoon van
zijn
„Us Gysbert-omme"
toch ernst en geven we dit rijm hier liever
een plaats, dan onder deze rubriek van zjjn
„Wille," waar de lach op den voorgrond treedt.
Yn \'t alde Boalsert stil en from
Tigt oan \'o kowe-merke,
Dêr wenne alear ris Gysbert-om.
Hy tsjinno skoalle en txjerke.
Hy roun ek mei de hanplak om
By Igtse greate hearen.
It folkje wie do yet to dom
Um sonder stryps to leuren.
(*) Bij afbraak verkocht vindt men deze voor
een deel terug in de hoogste huizinge van Akkrum\'s
gebuurte, met opvallend groote ramen.
(f) Hij was een Fries en geestverwant van Dr.
/?., die opkwam voor de belangen van zijn Gewest
en o. n. protesteerde teg<>n de aanstelling van zoo-
vele vreemde ambtenaren, speciaal tegen de vreemde
tolgaarders op de rijkswegen alhier, sprekende in
dezen zin : m dun der Friezen run muis geroemde
eerlijkheid en trouw in Holland gansch vergeten \'f
In hem leefde nog de geest van Karel Roorda van
Qroutr, die in Willem Ludctrijlc» tjjd sprak: De
fTóïïundirs hu Ittuifrr-iiourli de greate klok led.
-ocr page 33-
- 27 -
Min draeide do de berntjes vit
Gjin redden foar \'e eagen :
It goede koam er yn mei swit,
It tsjoede er ut mei pleagen.
Dat red is noflik foar \'e bern,
Hja wytte lyts al folie,
Mar mannig wirt er doez\'lig fen
En wol den holle-bolle.
Ligt die de man \'t ek mar ut need
It wie ien mei in holle !
Sa\'n holle fen in great pejeet
Dy kin soms nuver krolle.
It wie oars heel syn wirkje net,
Der mei dy bern to tjouen :
Mar freunen ! dy net dogt, net het,
Hy hie oars neat to knouen.
Want sjog, ho dom it folk ek wie
Kn simpel fen manearen,
Hja gongen mei de pong to rie
Kn libben dochs yn earen.
Och! fen dy skrokke rymlary
Scoe him de pong net dije;
De greatste baes yn pejesy
Moat soms wol hongerljje.
De man, as hy er him nei joeg,
Scoe leau ik neat ontkomme.
Hy droeg in hert dat wakker sloeg
Foar \'t goede en it fromme.
Ho \'t mei de stedliu berntsjos gong,
Dat is üs net forhelle;
Kk ho er yn \'e tsjerke song,
Soks kin ik net fortelle.
Faek hie de man ek wol syn nogt
Fen al dat hakketouwen ;
Den sprong it hoagje ut \'e bogt,
Om rynikea op to skriuwen.
O, mannig rymke hat er jown
Sa as er gjin mear kommo.
Dy alde ear foar Fryslans groun
Mei Boalsert heeg op romme.
Al watte er sei, al watte er skreauw,
Roon noait net ut \'e kinken.
Hy wie gjin freun fen loed gekreauw
Of fen oerdwealske flinken.
By segtsjin hondert trytig om,
Do wie de man yn wezen;
Mar rint er toezen jier yet om,
Dan wirt syn wirk wol lézen.
Sa\'n man hat master Gysbert west;
In Fries fen de Alde leare.
To Boalsert, wer de man ek rest,
Dêr stiet syn bield yn earen.
Dêr stiet dy greate, eed\'le kop
Fen d\' alde Fryske master;
Dat rjuchten Fryske liu der op
Fen klinkklear wyt albaster.
In Fries, dy edel, from en fry,
Sa\'n man net kin forjitte,
En libbet sljucht en rjucbt as hy,
Dy scil in Stanfries hjitte.

/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/

/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/\'
/
¥
/
/
/
/
f
¥
¥
/
/
/
/
\'
Hoewel dit Rijm slechts een zeer bescheiden
plaats inneemt onder des Dichters geestes-
kinderen, hebben we het in zijn geheel vermeld,
omdat het niet in de It. en T. is opgenomen en
minder, of liever bij weinigen, bekend is.
Oan Petrus, do er Dokter waerd,
zond Dr. Eeltje een gelukwensch in rijm, waar-
van zijn broeder Joost zegt: Pieter(zijnoudste
zoon) wie er wakker mei yn \'e bladeren en liet it
rymke fen syn onike drukke efter de latynske
forhunlinge (dissertatie), dêr hy oppromowearre
wie. Petrus
(dr. in de letteren) trok naar lier-
lijn,
waar een geleerde vriend van hem (F.
Hanthal),
getroffen door het schoone rijm van
Dr. Eeltje, dit in het Hoogduitsch vertolkte.
De inhoud er van is kortelijk als volgt:
Gelijk de schipper op de baren, na veel strijd
en gevaren, met een luid hoezee het land begroet,
Sa gean ek P all as bern
Sei al har peinsjend bodsjen,
Nei al dat lettersjen,
Dat dfgerjen en dodsjen,
Ut Leiden\'s wyld gesoes
Nei \'t noflik alderhoes,
Dêr blydskip op de troanjes blinkt
En \'t wolkom har tomjitte klinkt.
Gelokkig nomm\'le mich, (neef)
Ik mei dy wolkom hjitte:
Dou bist dy sea oerdreaun ;
Dyn skipke koe net stjitte.
Dou jngest\' stille skatten nei,
Dy feye tiid noch oermacht wei
En eare dy net kin forgean.
Dat, Petrus, is dyn heegste loan.
Oelok, gelok, myn freun,
Op al dyn libbenswegen ;
Dou heste it swiet fen \'t libben proaun,
IYjou ek yn \'t ein har segen.
Dye oan yn learing en forstan,
"Wird d\' eare fen dyn hoes en lAn
En fen Bolsïuna\'s alde stéd (Bolsward, zijn
Dêr mannig wi\'ze kop litbret.              [geb.pl.)
Farwol! Forjit dochs net
Ho w\' altiid freunen wieme.
Farwol! Forjit dochs net
Hwet wille wy wol hiene,
En hwer it lot dy hinne stjoer,
ïink faek, ho wy togearre oan \'t roer
Sa mannig lieave simmerjoun
Oer Frysldn\'s poclkes hinne dreauw\'n.
Drjou ek dyn skipke sa,
Swiet, seaft, trog \'t libben hinne!
En fait ea it gelok dy ta,
Of moatt\' er hjitte triennen rinne,
Bewarje den dyn edel aerd,
En w6s forsichtig en bedaerd.
Hwer dy den \'t lot ek hinne laet,
Den het it unk op dy gjin faet. (unk — ongeluk)
Grou, Oct. 1841.
Veertien jaren na dezen zoo welgeslaagden
-ocr page 34-
28


/
/
s
*
s
*
s
/
/
f
s
s
/
/
/
/
/
/
/

/
/
f
f
/
/
/
f
/
/
/
/

/
/
s
/•
/
/•
s
/
s
f
/
f
gelukwensoh aan zjjn geliefden neef bij de
behaalde zege in dienst der wetenschap, vloeide
uit des Richters penne „7 Blomke, op it yrif
fen Petrus",
vroeger deels vermeld. Daar heb-
ben we de eerste coupletten gegeven, hier vol-
gen de laatste.
Ho steatlik sprekt mei hirde wirden
[ Syn éd\'lo neigedaehtenis,
Dat bliere jeugd en wraldske hope
Mar inkel stof on spinreacli is!
Wie hini troch toezen martelingen
In tsjuster Oolgotha diz\' wrald,
Wol God syn carme siele treaste
En tiitnim■ hint yn syn behAld !
Passieflora, dou lieave blomme,
Sa hearlik om to «jon,
Dou ropst lis ta yn earnst\'go tale,
„Bist ek sa\'n minske-bern I"
Passieflora, dou lieave blomme,
O, byld fen krues en lést;
Blieuw yn gedachtnis fen syn lyen ;
Us goode Petrus rost.
Einden, Dec. 1855.
Deze overschoone treurzang is drie jaren
voor des dichters dood opgesteld ; dus als man
op leeftijd. 11 ij naderde de zestig, doch blijkt
nog gezond van hoofd en hart.
* *
*
Den 2 Juli 1841 vereerden Koning Willem
II en de Koningin met een zoon en eene
dochter onze Provincie met een bezoek. De
vorsteljjke familie word overal recht feestelijk
ontvangen. Ook Dr. Eeltje liet zich hooren.
Hij gaf een klein geschriftje in \'t licht, „it
wirk fen in liddig healdei" (ledige halve dag)
zooals hij zegt, onder den titel : De Foarname
ütfenhüzers yn Frijsldn.
\'t Is deels proza en
aardig ingekleed. Mas/er .lelie laat hij daarin aan
de Vorstelijke Familie een „Rymke" voorlezen.
De eerste en laatste coupletten volgen hier:
Wolkom yn Fryslan.
Ho ! Wolkom, tryris wolkom, Keuning !
Hjir op de alde Fryske groun,
By \'t folk troch alle ieuwen hinne,
As from forneanid de wrald yn \'t roun.
Aid Fryslan is fen allo tidon
\'t Forskoel fen frjjo holden wóst,
Hwer so efter poallen en struwcllen
Ofsloegon alle treinde lost.
It lan waerd trog de só rogearre
En \'t folkjo fluchtte op terp en wier ;
It koaikjen en de fiskerye
Wie \'t earme folk har greatst fortior.
Mar dochs ho faek do wylde weagen
Har buwken mei in iiz\'ron lian,
Koo nood noch doa har ooit fortokje
Fen de achting foar dat alde lan.
Sjon nou dat lan, hwer jy op gcune,
Dat ophelle is lit gulle sé;
Hwer binne broezender lansdouwen,
Oerspriede mei sok hearlik féP
It noat dat róllet oer de binnen.
De beammen boege fen har fracht.
De hynzers drawe oer de wegen,
It blinkt jou tsjin yn folie pracht.
Dat hawwe de alde Friezen makke,
Trog taei gedild en iiz\'ren flyt;
In paradys fen sompen makke, (sompen - water-
\'t Gebons fen de oceiien ta spyt.        | plassen)
Jit rint dit alde bloed trog de ieren,
Fen \'t Fryske folk, dat jou sa eart —
nu volgen de gebruikelijke heilwenschen met
dit slot :
Dórom, o Keuning en Princessen !
Tink nou mar : wy binne dt-fen-hoes; (logeeren)
Formoitsje jimme hjir ris tige
As bern yn d\' alderlike kloes.
Wy balde net fen folie noadsjen ;
Mar, hawwe jimme it hjir nei \'t sin,
Kom dan ris op in oare tiid wer,
Mei \'t heele Keunings-hoesgesin.
Er schijnen destijds nog zoo geen lintjes te
zijn uitgedeeld, anders zou men zeggen, ware
de talentvolste Fries van die dagen, die toen
zijn sporen als Dichter en Schrijver en Medicus
reeds verdiend had, zeker ook gedecoreerd ge-
worden.
Zelfs geen dankbetuiging schijnt door hem
ontvangen te zjjn voor zijn verdienstelijken ze-
genwensch van blijvende waan\'e.
Daar had hij trouwens ook niet op gerekend,
„7 is net om V </«««<" zegt hij in een scherp
gesteld voorwoordje over „it poehaei dat er
makke wirdt mei it oankommen fen in Keu-
ning of in Prins trog roppers en razers, dy \'t
ligt in oare Hagge waye litte, sa gau as it har
Keuning tsjinrint. Mar it Fryske aerd is sta-
diger," gaat hij voort, „en fen dat aerd jow
ik in prieuwke". „Munter Jelle" laat hij
ten overvloede nog eens zeggen: „ik dwaen it
net om watte to freegjen."
* *
*
Halbertsma was wel een geestig en gezellig
prater, die het „snedig" wist te zeggen, maar
toch geen man van liet woord in dien zin,
dat hij uitblonk in uiterlijke welsprekendheid.
Wij hebben dit van personen, die hem wel
zijn eigen verzen hebben hooren voordragen,
o. a. te Bozum, bij gelegenheid van het
bruiloftsfeest van zijn zoon den Dokter, maar
toch maakte hij indruk, wanneer hij sprak.
Blijkbaar van een aktueel karakter is zijn Of-
akied,
uitgesproken onder vrienden bij „\'t schei-
den doet wee" en getuigend van en voor zijn
inborst. We zouden het een „toast" willen
noemen, waarmede we ditmaal sluiten.
-ocr page 35-
29
y
y
/
y
/
/
/
y
/
y
/
y
y
\'
\'■
v
\\
>
/
/
y
y
y
/
y
y
y
y
y
y
» ■

/
y
y
y
\'y
/
y
y
/
\'/
/
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
is. Dikwijls heeft hjj zich bij deze gelegenheid
laten hooren. Wij wijzen op zjjn voortreffelijke
Nyjierswinsk foar 1841.
Aardig gevonden is de vorm en inkleeding,
kort en veelzeggend de inhoud, leerend en te-
gelijk vermakend, met lach en traan doorweven.
\'t Is een gesprek tusschen den „Wachtman"
(wachtloopen was vroeger overal „voorgeschre-
ven") en „\'t Nyjier", voorgesteld als jong meisje.
De Wachtmax.
Toalf hat de klok yn de Alde toer,
It winter-waer is kAId en soer.
Ik wol mnr ut it wachthüs gean:
Mar sjen \'k der jinsen immen stean ?
Der komt in skynsel op ray tu;
Hwet wol dy faem mei blommen ha ?
De klean dy binne wyt en rea,
Dy flodderje har om de lea.
Ei, lieaf ke ! siz, ho lakest sa ?
En rikst my moaye blomkes ta ?
Dat is sa nuwer hjir op stritte,
Dat mei wol tsjoenderye hjitte.
It Nye-JIEK.
Ik bin \'t Nyjier, sa is myn namme;
Ik bin yet fen in iildo stamme :
Myn mem wie Hertha, de Godinne,
Fen alle minsken mem en minne;
Dy al hwet lihbeu het op ierde
De segen en \'t gelok ta tierde.
Kom, wachtman, lit my hjir hwet bijouwe;
It lykjo hjir wol tsjeppe ljouwe,
En lit my einling hinne rinne,
Der al myn sisters gongen binne.
De Wachtmax.
Men acht hjir sokke fnmmen net,
Dy nachts op strjitte omrinne as slet.
It Nye-jiek.
Ik kom fen God hjir yn it lün,
Om goed to dwaen mei \'n myldo hAn;
Derom lit my mar feilig binnen,
Om \'t goede dalik to beginnen.
De Wachtmax.
Wol, bistou sa\'n forname frou ?
Kom, wolkom dan yn \'t Alde Grou ;
En strui dan ut nei east en west,
Hwetstou fen God onttinzen hest.
Jow sinneskyn genoch en rein
Foar \'t sie dat yn \'e groun wirdt lein;
Jow d\' earme ljouwe wirk en brca
En berntsjes mei gesoune lea.
Jow rike ljouwe in edel hert
Ta heeljen earme ljouwe smert;
Beskerm de Keuning en syn hoes,
Jow frede yn pnleis en kloes.
Stjoer üs in nye Grietman oer,
Dy d\' Alde liket yn \'t bestjoer;
En meits ek de Alde, as Gouverneur
Der Friezen earo en freugde en fleur.
Skink ek de borger goed gewin
En frede yn it hüsgesin;
De keapman, skipper en de boer
Lit dy it goed gean op den doer;
En lju dy tsjiere om in strie,
Ofskied.
Goede, echte Fryske liuwe!
d\' Smert\'like oere is er wer,
Dat ik hjir net mear mei bliuwe,
De ("ifskiedsklok wer brommen hear.
Goede, echte Fryske liuwe !
Ik mei hjir net langer bliuwe ;
\'k Hear de ófskiedsklok wer byljen.
Och, iis oere is forroun.
Trye greate, heage winsken
Winskje ik jimme, ed\'le minsken !
Scoe ik dübelfaldig wêze?
Dat is \'t Fryske wezen net.
De earste is, dat w\' as Fryske liuwe
\'t Swiet fen echte freunskip priuwe,
\'t Alde sizzen goed onthulde,
„Riucht trog sé, dat giet er mei!"
Lit üs \'t oardo wol onthulde;
Mei As sels de frede hulde.
Lit de wrüld üs dan forlitte,
\'t Stringe ik fordomt us net.
Einling, beste, gollo liuwe!
Wol yn iiw\'ge freunskip bliuwe
Mei dat onbegryplik heage,
Dut üs d\' iwigheit ontslüt.
In don laatstcn regel van het vierde en het
daarop volgende versje, stelt liij zich tegenover
de booze wereld, nader goteekend op \'t eind
van zijn dagen in het vJ{ietmuschje,\\ waarin
deze veelzeggende coupletten :
Somber bij dit hemelsch weder
Hangt mjjn suffend hoofd ter neder
En ik drijf uw riet voorbij,
Stom voor uwe melodij.
Philomele van het riet,
Vraag mij, vraug mij d\' oorzunk niet.
\'k Heb ook eens met forsche longen,
\'k Heb de wereld vol gezongen.
Was de wereld wereld niet,
\'k Zong als gij mijn zang in \'t riet.
O, de morgen is zoo schoon,
Zing maar, lieve waterzoon.
maar ik kan het niet meer, na de bittere er-
varing : dat ondank \'s werelds loon is.
Hij was zoo goed, zoo oprecht en zoo rond
geweest, hij had zich zelf gegeven, zich opge-
offerd, en erkennend eigen zwakheid en tekort-
koming, moest hjj als Willem van Haren ge-
voelen : De slagen van \'t stuursche lot in later
tijd.\'
Daarom verliet hij Gronu; dat hem zoo
lief en dierbaar was, om er stervende terug
te keeren.
XIII.
Wês bliid op dizze dei,
Mnr mei forstün en reden.
Deze woorden van den Dichter »laan op den
Nieuwjaarsdag, die ook nu weder aanstaande
-ocr page 36-
30 -
Beseaftsje dj- mei goede rie.
Dy noait genoacli ha skink dy neat,
Dy binno dochs oan do earmesteat,
Mar bring forleeg\'ne ljouwe troast
En de ennne gieken aldermeast.
En mannich faem dy kreunt en stint,
Of \'t wetter oer de wangen rint,
Jaen dy yn \'t ein bar liertewinsk,
Jaen dy in keardel as in stins.
It Nye-jier.
Dat alles kin ik jimme bringe,
Mar ien ding wirdt er by betinge :
1\'as jimme op ! De Qrouster ljouwe
Matte altyd ftlde Friezen bijouwe.
En as lijn \'t jier forkenrd beginne,
Den koe ik yet wol enrsling rinne :
Wês wirksom, kloek, mar ek plesiorig,
Dan bljouwt i\'ild Orouwergea woltierig:
Foar loayens bring ik mei in roede,
Derom wês elk mar op syn hoede.
\'t Volgende jaar (1842) gaf hjj deze
Rottelwachts-nyjierswinsk.
Ho fliuc.ht de tiid doehs foart!
Sa blaest de stoarm de weagen
Yn skom en boerlen wei. —
In skynsel foar lis eagen.
Dêr \'s wer in jier to\'n ein ;
Ho fol fen soarg en lésten !
En mannich goede freun
Koam yn it grêf to resten.
Wy libje yet Oodtank !
Kin min \'t wol libjen neamo ?
Want mannig fljucht er trog
As \'t foaltsje sondor teame. (veulen zonder toom)
Hij toekent verder rijkdom en armoede, met
voor en tegen en vervolgt:
Sa het elts hüs syn krüs,
Syn swierrigheit en lésten.
Is \'t op in sekfol goud
Wol altyd swiet to resten ?
De nyjiersdei is dêr!
In dei fen lanterluyen.
De winsken heart me oeral
Sekfollen foar lis struyen.
De ljuwe fen de stoak
En fen de alde rottel,
Dy komme er ek wer oan
Mei har nyjiers-gekwattel.
Elts rymt sa goed er kin ;
Wy rime nent as winsken
Foar boer en edelman,
Foar goede en kweade minsken.
I\'s jonge (irietman earet
Wirdt winske heil en segen,
Uesondheid en gelok
En elts him tagenegen.
Do ljouwe fen \'t Iiestjoer,
Do Tsjinners fen do leare,
De kcapman en de boer
En dy de bern meneare;
Mar do earme minsken ek,
Dy sa nei wirk forlange,
Befelle wy elts oan
As kjeld en earmocd strange.
Dy winsk\' we in tankbor hert
F\'oar alle goede dingen,
Dy üs de Himel jowt
Yn toozen segeningen.
Us Grouwster famkes lieaf,
Dy sa nei fryers wachtsje!
De hoap dy libbet yit:
Wol der foaral op achtsje.
Nou binno lis winsken üt,
Wés nou den ek tofreden.
Wês bliid op dizze dei,
Mar mei forstan en reden.
Elk jaar maakte Dokter-om voor die lui van
zjjn dorp een rijm, dat hen goede winste af-
wierp. Wjj kunnen ons voorstellen, hoe ver-
langend er -werd uitgezien door zijn dorpsge-
nooten naar deze en dergelijke (ook de Weag-
masters klopten bij hem aan) verrassende „kwat-
tels" van zijne hand, nu eens in rijm en dan
weer in proza, maar altijd actueel en verschei-
den van inhoud, vorm of berijming.
Voor hem was dit het werk van een oo^en-
blik, knn men voelen; hij schreef ze oven ge-
makkelijk als een recept voor zijn patiënten.
Er zjjn er eanige van hem en zjjn broeder Tjal-
Ung
bekend, doch niet alle gemaakt met het
doel, om bewaard te blijven. Ze zijn meer be-
schouwd als kinderen van éénen dag.
Evenzoo do ^Paskwillen" die af en toe het
licht hebben gezien en de Vasten-avond-wcn-
schon van II armen Koekoek, „Poestertrapper,
Turfdrager en Postloper te Eernsum", waarvan
de maker zegt:
Nu rijm ik regt, dan dwerg; nu kort, dan lang;
Nu dus, dan zoo; op allerhande wijze,
\\u geef ik deez\', dan weer oen ander zang,
\'t Is andere saus, maar al dezelfde spijze.
Doch daarover later.
XIV.
Dêr stiet op ieder doarpke yet
In hillioh hüs oerein.
Onder de ernstige zangen van Dr. Eeltje
noemen we nog
de Rottelwacht,
Hebei wel wat al te trouw gevolgd en naar ons
dunkt minder vloeiend gerijmd, dan die van zijn
eigen schopping. Windsma, eerst schoenmaker
te Bolsward, later schoolmeester te Wol.siim,
een tijdgenoot van onzen Dichter, heeft liet-
zelfde onderwerp berijmd, doch vrijer.
Ter vergeljjking geven we hier van ieder
hunner eenzelfde couplet.
/
s
/

/
/
/
/
/
*
*

/
/
/
,
-.
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/•
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
y
s
s
/
/
/
/
/
/
/
/
/

/
/
/
/
-ocr page 37-
31
Toalve oere het de klok, do klok het toalf! — De
nacht
Haldt mei syn wjukkon nou natoere alhool beditzon,
Mar foare Heare is \'t Ijeaeht-dei; liy lu\'ildt do wacht,
Syn al-trog-kytzend-eag is noa noch noa talitzon.
Ximm\'\' dit yn tinzon, jimme dy
Nou striette-skeynjon, tjeavery (dioverjj)
Ef oar kwea-minske-wirk yn jimme hollo briede :
Ontsloept jimra\' liolsk bodriuw do Kottohvaeht syn eag,
II wet is der doch mei wonn ? (Jod skogot fen omheeg,
Gjin nacht, gjin tsjust\'re nnoht kin \'t (iodlik eag
misliedo.
       WIXD8MA.
Dr. Eeltje zogt liet korter.
\'t Is ien oore, dat dor slacht!
Kald on tsjuster is do naclit.
Harkjo hwot ik dy wol sizze,
Dy yot helske lagen lizze;
As hjir of dor mei satans ried
In tsjeaf op tsjust\'ro fronton giet,
Sa goan noi hüs on tink to rjocht,
Dat Uod der hoppe dy wol sjoeht.
Halbertsma.
In trien
is in dcnzolfden toonaard en ook overgezet, wat
vrij wel duidelijk is uit den vorm of de maat
der berijming.
Onderwerp en inhoud zijn niet nieuw, doch
met weinig woorden wordt er veel gezegd, recht
op den man af, in eeht-Friesolie taal.
Een paar coupletten:
It skieden fait sa swior
Foar trouwe frounehorten ;
De tiid wirdt lyts, do wei is tier
En de onróst fliueht trog hort on ier;
Do loste klokslag bromt sa swior.
Mar as klok en spraek forstomme binnc,
Don sprekt yn \'t eag in trien allinno.
De hoap dy is er wóst,
De dea stiet foar lts loger;
It flauwe libben wirdt in lost;
De minsko Bucht om d\' iiw\'ge rost;
Kn \'t ierdsko lonn op \'t nlderlêst,
As wy opriuchto minskon binno,
Dat is in freunetrien allinno.
It liet fen in earm man
is vrij zeker ook vertaald. De arme ziel die
bedelend zjjn brood moet zoeken, te midden
der rjjke natuur vol overvloed, beklaagt zich
over zijn ongelukkig lot, doch ten slotte zich
bezinnend, vervolgt bij :
O, goede God ! Dou liotst my dochs
Alheel net sonder treast,
len hoap skink Jou oan hooi de wrald,
Mar oan do earmcn moast.
Dór stiet op iodor doarpke vet
In hillig hus oorein ;
Dor klinkt foar olts in froni gesong,
In treastwird wirdt er sein.
De hcerschende meening in sommige kringen,
alsof Dr. Eeltje niet dan grappen heeft weten
te vertellen, waarom gelachen kan worden;
dat hij een spotter zou zijn, die de kcrkelijken
hebben te ontwijken, is een valsche meening.
Wij hebben dit niet nader aan te toonen. Uit
al de stukken van den dichter, die we hebben
aangehaald, is het tegendeel afdoende gebleken.
Twa berolsjes yn \'t Wald
is mede van vreemden bodem, \'t Is een uit-
voerig rijm naar het Engelsch. Er wordt een
vreeselijke geschiedenis in verhaald, geschoeid
op do leest van den populairen liedjesman. Ook
in dezen trant wenschen we onzen zanger te
hooren, wiens vaardige penne het immer zoo
aanschouwelijk weet uit te beelden in d\' eigen
taal der Friezen, dat we hem gaarne volgen,
al voert hij ons ver van huis. Hij kent het
volk. Om rijmwoorden behoeft hij niet te zoe-
ken en verrassend is hij dikwijls in zijn over-
gangen. Zijn groote verdienste bljjft immer,
dat hij in weinig woorden zooveel weet te
zeggen en tevens zoo klaar. I5ij rijmelaars
is dit juist contrarie. Deze voeren ons ook niet
mee als Dr. Eeltje, die, als hjj het woord neemt,
inderdaad behoefte gevoelt, zjjn hart uit to
spreken.
In „de Twa Bemtsjes" neemt hij het op voor
de weezen en vonnist hij de lage gelddorst.
O, alders! o ! betink it wol
Do wirdon hjir beskreaun.
In droavich stik fortel ik hjir,
Oan SkotMn\'s kust bedreaun.
In edelman fon heeg fatsoen
Alear yn Norfolk libbo,
Ilie Ian en grounen tier yn \'t roun,
Wie noait fen \'t lot jinstribbe.
Mar siik waerd hy, do doad neiby;
Moast fen syn rykdom skiode,
Syn wiif waerd doadlik siik as hy
Kn boido wachtte ion iorde.
Doch lioafde\'s treast wie net forlorn
Al wie do honp ok wei,
Mar och, twa lytso lieave hem,
Dy bloauwon bolploas nei.
Een oom belooft de ouders op hun sterfbed,
dat hij voor de kleinen wil zorgen, hij zal zich
betoonen, een moeder en vader tegelijk en
zweert dit bij God, die hem moge straffen, wan-
neer hjj te eeniger tijd zijn duren eed mocht
verbreken.
Hy haidt him oor dy lieave bern
In jier hiol goed en saebt.
Do naem do divel fen it jild
Dat onminske yn syn macht.
Om in \'t bezit te geraken van de schat der
arme weesjes, huurt de hardvochtige voogd
twee schavuiten af, om de onnoozele stumpers
uit den wei\' te ruimen.
-ocr page 38-
— 32 —
In zijn omgeving vertelt hij, dat de weesjes
naar Londen gaan en bjj een goed vriend in
huis komen.
Wei gongen do dy sloafkes, wei.
Hja wierne bly to moed;
En seine yn har onnoazelheid:
„Wy keadsje-ride joed." (paardje-rjjden)
Hja praette en snappe freunlikjes,
Och, sonder erg of kwea,
Mei dy forwoaste moardeners,
Dy \'t oanleine op har dea.
En wat zien we gebeuren ? In \'t boseh ge-
komen, waar \'t gruwelfeit volvoerd zal worden
door de rijk betaalde huurlingen, bljjkt een
hunner verteederd door de verleidelijke onschuld
der weerlooze kleinen, terwijl de ander zijn
woord gestand wil doen ; hieruit ontspint zich
een twist tussehen hen, die overslaat tot een
verwoede vechtpartjj, welke eindigt met den
dood van den laatste.
De berntsjes yn dat iensom bosk,
Dy trillen as in blêd.
Doch de overwinnaar sprak ze troost in:
Hy sci: Kom mei en skriem mar net,
\'t Is alles nou wer goed.
Twee mjjlen verder het bosch ingedwaald,
laat hij ze evenwel aan hun lot over, voor-
gevende dat hij eten voor hen zal halen, want
zij hebben honger.
De lieave berntsjes hfln oan han,
Dy kuir\'en d<*r do om,
En seagen nei har redder üt,
Mar dy kaem noait werom.
Min skriemden do de nacht oankaem
En snikten oan de wei.
In minskehert mat brekke nou,
As hy dit stik oertinkt.
Ho dat dy lieave onnoas\'le bern
Har flauwe moed ontsinkt.
Forlitten yn dat iensom wAld
Beliet har ek de gong.
Och, koen\' hja nou mar biddo yet!
Mar hja wier\'n yet sa jong.
Dos swalkene dy bloedsjes der.
Forkommere en forlamd
Forloste einlik har de dead
Yn elkoar earmkes klamd.
Ojin minski\' makke in grêf foar har;
Gjin dcaklok waerd er laet;
De hearstwyn het de lykjes do
Mei \'t giele lof oerspraet.
Do foei de hege wraek fen God
Swier op har omke del.
De fyan kaem forwoastend op,
Syn binnenst waerd in hel.
Syn skoarren barnd; syn goed fornield;
Syn grounen plat taflein;
Syn fé waerd slachte op it fjild;
Ojin hut bleau him oerein.
Twa soannen, beide yn Portugal,
Forgongen op ten tocht,
En ta beslot waerd hy yet sels
Ta de üterst\' earmoed brocht.
En ear it sande jier om wie,
"Wie al syn lan forkocht
En koam yn \'t ein syn grouwelstik
Yet ek alheel oan \'t ljocht.
De woast\'ling dy dy lieave bern
Oerjown hie oan har lot,
Siet op \'e dead om roawery;
Dat wie de wil fen God.
Als gewoonlijk besluit de Dichter met een
ernstige vermaning.
Mar jimme dy it opsicht ha
Oer lytse wezobern,
Dy yn de earste onnoazelheid
Har alders haw forlern.
Nim in exempel oan dit ding
En jaon oan elk syn riocht,
Ear Gods hun mei sa\'n aeklik lot
Jim\' ek besiikje mocht.
Geldzucht was den Dichter zelven vreemd.
In zijn verzen kan men het telkens weer lezen
hoe hij dacht over „rijkdom en goud".
As ik oan myn bernejierren,
Oan dat golle boartsjen tink,
Wriild hwet binne dan dyn skatten,
Hwet is \'t goud mei syn geblink ?
.....Och minskebern,
Hwet dochste yn \'t lieave fjild ?
Kroep yn dyn hüs by de hirdshern
En Bucht, of tel dyn jild.
Sa het elts hüs syn krAs,
Syn swierrigheid en lesten.
Is \'t op in sekfol goud
Wol altyd swiet to resten ?
As \'t onrjocht, as \'t skraepjen him bejowt,
As de dea, as de modder him iislik oangrouwt,
Foar dy sjongt it himelske foegeltsje nit,
It treastende swealtsje Forjit, Forjit.
Trouwens ook uit zijn praktijk als genees-
heer is het overbekend, dat hij de goedheid in
persoon was. In het zoogenaamde koortsjaar
na den watervloed van 1825, had hij het bi-
zonder druk en moest hij zwalken wijd en zijd
tot in en om Akkrum, doch al wat dienstbaar
was en niet wel bij machte om te betalen, zoo
is ons meermalen uit goede bron verzekerd,
werd gratis behandeld. Kwamen deze patien-
ten bij hem aan huis, dan was het: Hwa biste ?
Hwer wenneste ? Hwet fortsjinneste P en met
een: dan scillc wy it sa mar litte,
konden de finantiëele lijders huns weegs gaan.
Tevens zjjn ons speciale gevallen medege-
deeld, dat hij bij boer en landheer in de bres
sprong voor de belangen van deze zwakke
dienstbaren en zoo voor de armen en hulpbe-
hoevenden in \'t algemeen. Zelf zegt hij aan
/
/
>
/
s
s
/
/
/
>
/
/
/
/
/
*
/
s
/
/
/
/
\'/
/
/
s

/
/
/
/
>
/
/
./
,/
./
:/
/
/
/

/
/
/
/
/
S
/
/
/
/
s
-ocr page 39-
- 33 -
\'t slot van zijn gelukwensen aan een jong con-
frater, na hem al de bezwaren en teleurstellin-
gen te hebben voorgelegd van het Doktersambt:
Jild krigest einlik ek,
Mar \'t kin dy net formeitsje,
er wordt u geen tijd gelaten om er van te ge-
nieten en dan zult ge wel vragen:
Is dat nou den de kroan
Fen al dat swiere bodsjen,
Nachts ta de iere moarn,
Dêr \'n oar yet leit to dodsjen ?
Derom dyn jonge tiid
Yn \'t keamerstof forsitten ?
De lieave griene tiid
En \'t romme f jild forjitten P
Daarop antwoordt hjj met deze schildering,
die geheel in overeenstemming is met de ge-
tuigenis van levenden uit het leven, zooeven
aangehaald:
De dead, de grime dea
Begniist mei dealake togken
Do winner fen it brea,
Trogflimet him mei pleagen,
Dy moat der op it strie
Mei dead en suchto kimpc.
It wiifke kriit om rie,
De gamm\'le berntsjes krimpe.
Dêr, dêr is nou dyn fjild;
Der is it lean to heljen.
\'t Is mei gjin goud of jild
Of eare to beteljen.
Help dêr! W ö s treast en steun!
En kenste dy gen ie ze,
O, yn dyn hert, myn freun!
Dêr scil de himel wteze.
E. H.,
Med. et Art. Obst. Doctor.
Een kleine rectificatie van de noot op pag. 23:
Geen witte, maar znor bonte, blauwe en roode,
zelfs met klatergoud beplakte kunstbloemen,
zijn liet, die als zegeteckenen door de vroolijke
schaatsrijders van de Leek werden en nog wor-
den medegebracht. Oorspronkelijk deden frisch
groene hulsttakjes als zoodanig dienst. En zulk
een takje met roode beikes was inderdaad veel
seliooner, veel zinrijker winterbuit, dan de stijve
veelal sraakeloozc kunstbloemen, die er voor
in de plaats gekomen zijn.
(Johan Winkler, Haarlem.)
ae
5
-ocr page 40-
WILLiE.
Josker.
Bonjour, mijn allerliefste kind !
Zeg, waarom vliegt gij zoo gezwind ?
Of kent gij dan den Jonker niet,
Die voor een jaar het dorp verliet ?
Ik lioh gereisd in \'t Fransche land,
I\'artout, part out, en homme galant :
Ma in tclle teinte, tets yeux jolis,
N\'ont jias les belles de Paris.
„Zoo\'n frissche kleur, zulke vroolijke oogen
hebben do schoonen van Parijs niet," is zijn
opgetogen uitroep in \'t Fransen, waarop ge-
antwoord wordt door
SlItUKL.
Ooen joun, niynhear! Binn\' jy der wer?
\'k Bin wrammels bly, dat ik it hear.
Ik roun wat gysten (haastig) trog de lean,
En woe sa nei do jister gean. (te melken)
Mar, jonker! né — ik koe jy net.
Ik tocht jy wierne tier on fet;
Mar nou bin\' jou de klean sa rom ;
Ek sprieken jy sa nüwer krom.
De Jonker vat hare hand en maakt zooveel
gekheid, dat juk en emmers over den groud
vallen, spreekt in \'t Fransch van zijn „galan-
terie" en vervolgt:
Kom, fop mij niet, mijn lieve zus,
Gij weigert toch geen welkomkus ?
Amnsons nous in deze laan,
En laat dat boerentuig maar staan.
Amnsons nous, amnsons nous!
I\'nint
</\' aninsements plus doii.r.
Laten we ons vermaken, geen vermaak zoo zoet.
SiDOKL (geraakt).
Ei fy, myn jonker! fy myn freun !
Wat bin jy rimpen, mAl en gleun,
Jy bin ui\' dochs in grietmansbern !
Fy, lit my lioaver mar betsjen. (ongemoeid gaan)
Doch de Jonker houdt aan en Sibbel weert
hem af:
Och, né! — Kom, foart! It wirdt to bot.
Kin nei jins fummen op it slot.
Ik nim myn amers en myn jok:
Wy huw\' it nou mar ti\'ge drok.
De Jonker glimket en strykt syn groat Fransk
bosk hier yn \'e hichte.
Ma foi, roas et es plus difficile
Que les tuitiires de la rille.
/
/
/
t
f
\'f
/
/
/
s
/
s
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/

/
/
/
/
/
/
/

/
/
/
/
/
/
/
/
/
Bonjour, mijn allerliefste kind !
Zeg, waarom vliegt gij zoo gezwind ?
VA oewel niet volledig aan \'t eind van den
ernst, den vroolijken, verheffen den, in-
drukwekkoiulen en diep-weemoedigen ernst,
waarmede de Grouwster zanger de Friesche lite-
ratuur heeft verrijkt en ons Friezen aan zich ver-
plicht, is er zeer weinig onvermeld of onbesproken
gebleven. Wij wenschen nu het uitgestrekte
veld, waarop hij gezaaid heeft, eens over te
trekken, om op gelijke wijze bijeen te zamelen
en te ordenen, wat meer speciaal als Wtllekaa
aangemerkt worden, om een eigen titelwoord
van den dichter te gebruiken. De stukken on-
der deze rubriek zijn meer verhalend, minder
dichterlijk. Meerendeels staan ze als „luimige
rijmen" tegenover „ernstige zangen".
Wij zullen ze in drieën scheiden, niet drie
woorden aangeduid, als: vrijagie, gelegenheid
en diversen.
De meeste zijn geborduurd op het stramyn
der vrijagie.
Jonker Piet en Sibbel
opent de rij.
Als toelichting gaat er een woordje vooraf,
waarin verteld wordt, dat de Jonker voor zijn
educatie een rond jaar in Frankrijk is ge-
weost, waar hij op rijken voet in weelde heeft
geleefd. Mar net feller, nel riker en nel hei-
Ier kaem er op il stol wcrom.
Vloeken kon
hij als de beste en zoo alles advenant, wat een
stad als Parijs biedt. Direct na zijn thuis-
komst (\'t was op een warmen zomeravond) zat
hij op een bank aan de buitenlaan van \'t slot
in een oud jachtpak en vho.ren a la cosaque".
Daar kwam Sibbel, de slotboers-dochter, met
een lenigen tred de laan neer, juk en emmers
over de schouders. Zij herkende den Jonker
niet en gin;,\' liet heerschap met een vriendeljjk
goeden avond voorbij, maar de Jonker had
haar zoo gauw niet in het oog of hij vloog as
in hokkliny
(dat is dol) ojt har la en jajlske
har mei in ryske tsjin \'e rokken oan.
Daarop
volgt deze beurtzang.
-ocr page 41-
35 -
Op mijn woord, je bent veel lastiger dan de
melkmeisjes in de stad.
Ei! laat mij maar eens met u gaan,
En kijk mjj dan eens vriend\'ljjk aan.
Of meent gij dat ik u niet min ?
O, ja! Ojj zijt mjjn hart en zin.
Je lui ferai pourtant la cour.
Elle est troj> belle
voor een boer.
Ik zal je toch het hof maken, je bent veel
te mooi voor een boer.
Sibbel, noartich (kort en boos).
Ik held net fen de Franske swier.
Och ! praet mar as forline jier.
Sprek net to folie fen jins hert;
Want siker, Sibbel leaut it net:
Ik haw myn sin op Bommert set.
Dy wrot dêr yn it roggefjild :
Dy haw ik lieaver as jins jild.
Jon kei:. Hy gysgobbet (gekaanstekend
lachen.)
Ah peste! Ah, quel trait mauvaist
Non viee donc Ie gout Francais.
Wel meisjelief wordt toch niet zot.
Die vent- Ik lach mij haast kapot,
Gij zijt te vlug, gij zijt te schoon
Voor een zoo lompen boerenzoon.
Ji\' Kiii.i uu cavalier galant,
Ik bied u aan mijn linkerhand.
Wat ben je toch een dwaas, dutje den Fran-
schen smaak niet liooger en mjj, een galant
vrijer, achter stelt bij dien lompen boerenzoon ;
ik bied je aan mijn linkerhand (laatste mode),
doch Sibbel antwoordt vinnig en bits :
Ojin lofterhïin, gjin rjuchterhAn
Fen sok in banjer fen it liln ;
Mar earme Rommert, from en froed,
Dy wangen hat as malke en bloed.
Dêrom, o jonker Piet, myn freun !
\'k Wie lieaver by de Franskes bleaun.
De famkes yn it Fryske hln
Dy halde fen de rj uch tcrlian.
II.
Och, Jan-om, hald je dochs mar stil,
De alde dei forjit.
Mede uit den eersten tijd van des dichters
optreden is het aardige stukje van eigen bo-
dem, getiteld:
Aid Jan-om.
Jan-om is een oude trouwe knecht van den
boer, die aan jaren en goede hoedanigheden de
benaming van „oom" heeft te danken. Hij
behoort als \'t ware tot de familie of tot het
gezin, doch voelt er zich niet meer in thuis,
nu de dochter Fijke, die hij wel heeft gewiegd
en zien opgroeien, tot de jaren is gekomen,
dat ze als vrijster van alle zijden aanzoek krijgt
en zich jegens Jan-om niet meer zoo aanhan-
kelijk betoont. Verdrietig zegt hij tot Fijke\'s
vader:
Wel boer, \'t is as \'t hjir fryers reint,
Is dat hjir ek in spil\'t
Ik bijou net langer jins Aldfeint,
As dat sa langer scil.
Toen \'t nog een kind was — gaat hij voort
— wist men er raad mee; was zij toen al eens
wat lastig
Dan ramm\'le ik mei de brulledoas,
Mei trye duiten d\'r yn,
en \'t was weer in orde. Met welgevallen her-
denkt hij nog eens het verleden.
Hwet haw ik wol in wille hawn !
\'t Wie altyd Jan-Om\'s pop.
Hja sjach\'le mei my troch it liln,
En socht de blomkes op.
Hja troeh\'le my de duiten óf (bedelde)
Foar swiete snobbery ;
Ik tomm\'le mei har yn it hóf,
En waerd in bern as sy.
Maar nu zijn de bordjes verhangen en is
alles omgekeerd. Vrijers van allen kant vlie-
gen af en aan, \'t is waarlijk — zegt hjj min
of meer spottend — alsof we hier in slim-
me sieke ha!
En dat is nog daaraan toe, maar wanneer
de vrijers door regen en wind hier druipend
nat aanlanden, is \'t Fyke die gebiedt:
.... Skik mar yn ;
d\'Ald feint kin der wol wei.
Der sit er den en dampt en smookt,
Krekt as in Orietmans soan,
Wylst Fyke tige prikken Rtoakt,
En ik sit efteroan.
Den »tekt se him de foest ris ta;
Den knypt se him yn \'t ear;
Den smyt se him myn proek ris ta.
F» ! hwet in moal gebear.
en de vrijer zelf?
„Kom Jan-om, jaen de guds (paard) hwet foer,"
Sa skikt er my dan wei.
Ik bin er as de wever oer
Alear op \'e lansdei (*)
Soms komme er trye op icn joun,
Dan strouwkje best sa not! (1\'annekoek-bakken)
Twa yte har de boek den roun,
De tredde kryt de pret.
Twee moeten er natuurlijk ongetroost weer
heengaan, maar wat doen die andere „stninders
en snüvers om hüs en hear, trog skoarre en
hóf rouiiom ?"
Jan-om slaat er een boekje van open.
Den dekke se de ttkoarstien ta,
Den komme se er ta yn ;
Al hwet wy boeten doarren ha:
\'t Is jerslings hwet ik fyn. (averechts)
(*) De arme wevers, die men voortijds op onze
dorpen vond, kwamen meest uit Duitschland en
pasten dus niet op den Landstlag. Menig dorp, b.v.
Langweer, heeft nog zijn Weverstreek: eene onaan-
zienljjke huurt.
-ocr page 42-
— 36
Boppedat flijt my it wird „Dokter-om" net of
brükt men \'t ek yn \'e sin ten folksfrjeon. Ik
seach de man mar ienkear op \'t lloskhüs by
lisers, do er mei twa ef trije bearen by him fen
Dokkum werom kaem. Sa \'k him do seach, sjoch
ik him myn libben lang, mar — dy man kin ik
gjin „dokter-om" neame, om \'t effen net. Dr.
Halbertsma stie foar my as in echte minhear, in
„gentleman". Net troch klean of gouden ef sil-
veren pronkenjen — o fij — fier der fen dinne,
né, üt d\' eagen striele in geest fen kreft en wier-
heit, hwerfoar min jin lytz fielde. Dy him alder
kind het en minder, as in man mei stikelich wtt
bird ef sa, dy mei ef mocht sizze : „nou Dokter-
om wirdt minder", dêrom hie en het de Fries
yn \'t algemien gjin rjucht soks ek to sizzen.
Wy hawwe gjin Spinoza-om, gjin Vondel-om, gjin
Oysbert-om, wy ha yn dr. E. Halbertsma in
great man to biwonderjen en to bisjongen.
Met alle respekt voor den kritischen geest
en de begaafde pen van den Hergumer Fries,
„dy Braga in plak (alteast in plakje) yn \'e
Walhalla ofstean scil", naar ons bescheiden
oordeel, wagen wij het in dezen met hem van
opinie te verschillen. Wel heeft hij den dich-
ter „éénmaal" gezien, waar wij „geenmaal"
moeten plaatsen, maar voor ons gevoel zijn de
benamingen Jan-om (hierboven vermeld) Gys-
bert-om en Dokter-om eervolle onderscheidin-
gen, even als Vader Cats. Voor Spinoza, V on-
del, Bilderdijk, meer vorsten dan vaders, zou
zoo\'n intieme vleinaam, zullen we maar zeggen,
niet passen, evenmin als voor Dr. Joost Hal-
bertsma, doch voor Dr. Eeltje wel, die leefde
met en geschreven heeft voor het volk.
En wat meer zegt dan al het voorgaande, is
het vers, door Dr. Eeltje zelf voorgedragen bij
het feest te Bolsward, den 7 Juli 1N23 ter eero
van Gyxbert Japix, vroeger medegedeeld en
aldus aanvangend:
Yn \'t Alde Bohsert stil en from,
Tigt oan \'e Kowe-merke,
Der wenne alear lis Oysbert-om
En tsjinne skoalle en tsjerke.
Ons dunkt alzoo, dat de heer Dr. Schepers
alle recht had van Dokter-om te spreken, waar-
door hij hem stelt naast (lyxbert-om en den
dichter eer vergroot dan verkleint. Hij doet
het op deze wijs:
Lang soil hy libjon bljoue
De alde dichter Dokter-om!
Sa lang swannehlommen drjbue
Op üs blaue poelen om;
Sa lang drege skippersljoue
Droeze oer \'t wetter, wyt fen skom;
Lang scil by üs libjen bljoue ) twftrig
De alde dichter Dokterom. )
Wjj verwijzen verder naar „De Lapekoer
trochskodde" van W. 1\'. de Vries, pag. 136.
Dan stiet de haiwein op it hüs,
De bolle oan de klink, (en zoo voort.)
En gnoarje ik ris oer dat spil,
Dan scit dat fanke vet:
„Och Jan-om ha ld je dochs mar stil,
De iilde dei forjit."
Dat van Fyke te moeten hooren, valt hem
hard. Hij is altijd zoo goed voor haar geweest
en nu zal ze hem de les lezen !
Né, boer, as dat sa langer kin,
Ik kin sa langer net;
Ik tankje jou en \'t hüsgezin !
Myn hcarring bret hjir net.
Ik ga een andere plaats zoeken, waar ook
voor mij de haring wordt gebraden, hier kan
ik hem rauw eten, wil hij zeggen.
Dit is eeno origineele teekening uit het
Friesche boeren-volkslcven, zooals het „was"
voor jaren en dit verhoogt de waarde. Som-
migc van Dr. Eeltje\'s pennevruchten dienden
geïllustreerd. Zoo\'n oude knecht als Jan-om
met Fyke aan de hand of op de knie en met
haar spelend en dezelfde Fyke later als vrijster
hem bevelend, die hooiwagen op de schuur
en de stier aan de klink van de deur, wat
typische tooneeltjes zouden het zijn in prent.
Ook Jonker Piet en Sibbel leent zich daarvoor.
Wij kennen jeugdige teekenaars onder de Frie-
zen van veel aanleg; och, mochten die eens
beproeven, of ze niet kunnen afbeelden, wat
Dr. Eelt je1 s geestesoog zag, toen hij zijn lui-
inige rijmen opstelde. Zijn proza dito. „Oud-
F r i e s 1 a n d" zou daardoor beter bewaard
blijven. Wij leven snel. Zoo ooit dan thans.
Wij zijn de grenzen reeds over van een oude
tot een nieuwe wereld. De toestanden ten
platten lande, vooral in \'t boerenbedrijf, zijn
als omgekeerd. Doch dr. Feitje geeft nog het oude,
dat eerbied afdwingt. Hij teekent het verleden in
woord, laat men de lijnen er naast stellen, waarin
antieke boerderijen, k leederdracht, types, toe-
standen enz. tot het nageslacht spreken, en de
geest van Dr. Eeltje blijft leven.
Het is als Veendorp van Dokkutn schrijft in
F. H. en II. : Sykje de erfenis fen jimme Alden
troch en wer troch en sjog luret skat/en jimme
neilitten binne.

■•
/
/
/
/
/
/
/

/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/•
/
/
/
/
/
/
s
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
\'
/

/
/
/
Doktcr-oiii.
In het bundeltje „Gedichten", bij gelegenheid
van den honderdjarigen geboortedag van Dr.
Eeltje Halbertsma in \'t licht gegeven, door I).-.
J. Schepers te Haarlem, komt een „sangkje"
voor onder den titel: l)oktor-om,. De heer T.
G. r.il. Meulen
teekent in netjongste no. van
zijn Mlad protest aan tegen die benaming. Hij
zegt daarvan:
-ocr page 43-
- 37 -
list, zegt het spreekwoord. Toen de kreupele
vrijer zich den eerstvolgenden Zondagavond
aandiende en vriendelijk door Janke werd ont-
vangen, die hem zacht zette, had de boer rust
noch duur.....
Yn \'t koart, hy gong mar gau fen kant
En sei foaral net folie;
It sliepen koam nlhiel net fan,
Sa draeide him de holle.
Yn \'t milhus siet it jonge pear
Sa noflikjes to meiden,
En yn it binhus lei de boer,
Jaloersk en 1 i lic fen beiden.
Het spookte in zijn verhitte verbeelding en
hij vreesde zelfs voor de mogelijkheid, dat er
over „boaskjen" of dergelijke intieme zaken
zou worden gesproken, zoodat hij dra achter
\'t net zou visschen. Hij kon het niet uithou-
den op zjjn legerstede en moest weten, wat er
door het zoeteïiefpaartje versproken mocht wor-
den. Die mogelijkheid bestond, wanneer hij
door een hein bekend luik van den schoorsteen
hen stilletjes ging beluisteren. Ongemerkt
kwam hjj boven, behoedzaam nam hij het luik
weg, boog zich voorover, doch liet gefluister
beneden werd nog maar half verstaan. Al
dieper en dieper waagt hij zich, om toch maar
geen woord te verliezen......
Dat rekte al; mar it boppe-ein
Waerd swierder ns de skonken,
Kn Rink-om foei fen hoppen del
Kn briek hast hals en bonken.
De spekstok briek tn syn gelok ;
Der koam er op to li\'ine,
En \'t tiürke dat er stie wie lyts;
Hy koe him net forbrnne.
\'t Wie roet en jiske wat men seag,
Kn \'t spek dat lei fen boppen;
De feint stnu ta de doarren ut;
De faem him nei to roppen.
Maar de vreeselijk verschrikte vrijer vloog
sloot in sloot uit en keerde in zijn doodelijken
angst niituurlijk niet terug, wat Janke trouwens
ook niet alles kon schelen, al toonde ze zich
al zeer ontsteld, toen Rinke-boer bij haar bui-
ten verscheen niet zijn excuses.
„Kom", sei er, „kom mar mei yn hils."
„Zijn plan was niet geweest hen te beluisteren,
waarvan het al den sclijjn had, maar de schoor-
steen eens te w^vn^. Zoo vertelt hjj in zjjn
alteraesje en verder:
„Want sliep, sa lang as hy der siet,
„Koam net wer yn myn eagen :
„\'t Wie of de stiennen (it \'o Hier
„My tsjin de troanje fleagen."
In moaye skoarstienfegery
De nachts om healwoi-tryen !
antwoordt Janke gevat en vervolgt:
III.
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/

/
/



y
y
y
*
y
y
/

/
/
/
/
y
y
y
y
y
y
y
y

/
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
Ho mannigion komt oan syn wiif,
Dat is net to beskriuwen.
Scherper, doch niet zoo fijn als in Aid Jan-om,
is de macht der jalouzie geteekend in
It Boask trog de skoarstien,
een echt komisch stukje, waarin een rjjke oud-
boer-vrijgezel Rinke en zijn jeugdige knappe
huishoudster Janke, de hoofdrollen vervullen.
Het speelt te Abbegea, in de buurt van IJlst.
Ho mannigien komt oan syn wiif,
Dat is net to beskriuwen ;
Ja, \'t giet sa selsom yn syn wirk,
It is hast net to leauwen.
Dat zal waar zijn!
Mar trog de skoarstien, trog in loek
Om in knap skepsel stikjo,
Dat likct briker vet ns bryk,
En \'t koe in fabel Iykje.
Maar dat is het hier niet, als we Dokter-om
hooren.
De oud boer had wel bestek op Janke, maar
al zooveel teleurstellingen beleefd op het stuk
van vrijagie, dat de moed hem in de schoenen
was gezonken. Hij durfde zieh niet verklaren
en Janke,
Dy faejn wie ek net fij f\'en liim,
Hja mocht him lieel wol ljje,
Mar sels to fryen dat koe net,
Dat koe har ear net ljje.
Dat stiine by elkoarren om,
En elts dy liet neat merke,
Mar einling roun de tyd safier,
Dat it waerd Drylster merkt\', (kennis te IJlst)
Dêr tea^ de faem ek hinne do
En krige in kreup\'le fryer.
Een hard gelag voor den in zijn hart ver-
liefden Rinke, die zich zei ven geen raad wist,
toen hij hoorde wat er gaande was.
De boer, dy oars sa freunlik wie,
Waerd noartig nou op Janke;
Mar hja, hja tsjinnn flitig foart,
It wie in hansom i\'anke.
Mar \'t swierste wie behalden yet;
It moast him better knelle.
Do de yntrest fen it merke-jild
Troch Janke waerd betel Ie.
Naar oud gebruik bad de vertering betalon-
de „merke-fryer", al was de toegenegenheid
jegens hem ook verre, het stilzwijgend recht,
nog eens bij \'t meisje terug te komen, om „do
intrest" te halen, gelijk het heette.
Zoo hier ! Janke (hansom) wist wel wat zij
deed. Hare vrijagie had een achtergrond. De
boer moest uit den hoek komen. Hij moest
tot het uiterste van jalouzie worden gebracht.
En dit lukte. Niets gaat er boven vrouwen-
-ocr page 44-
„Je wier\'n jaloersk, myn goede man!
„Ja, jou beginn\' to switten,
„Al komt hjir mar in kreupel skroar
„Om by my op to sitten."
Maar voegt ze er in éénen adem bij :
En wol jou yetris frye,
Wol nou; \'t jowt nou just sa gjin pas,
Mar \'k mei it oars heel wol lye.
Dat wier de boer gjin doawe sein,
En \'t het mar in bytke duorre,
Do waerd Aid Jiinke-om breageinan;
De flag koam op \'e skoarre.
\'t Werd een goed huwelijk, doch Rinke-boer
bleef wat kloek en deun, en wanneer de vrouw
wat nieuws wou koopen, kon \'t er wel eens
spannen. Maar dan wist ze hem aardig te
plagen
En sei: „Jou scoene wol by nacht
Foar \'n stoer de skoarstien reagje." —
„Dêr!" sei er dan, „dêr hest de pong;
„Dou kenste goed onthulde;
„Tsjin frouliu is gjin praten tsjin,
„Dan rekket men forkalde."
Sint Pontsjer en syn wiif
is een stukje, door den snijder Gabe in de lijst
gezet, voor een student, die het op zijn kreu-
pelheid gemunt had en hom op de Spartanen
wees, van wie geboekt staat, dat ze mismaakte
kinderen uit den weg ruimden, omdat ze on-
geschikt waren voor den krijg, \'t Was een
oorlogsvolk, gelijk we weten en de student
wilde zeggen : dat Gahe van geluk mocht spre-
ken, niet in Sparta geboren te zijn. Maar
Gabe wist hem te staan met wijze reden.
Ten slotte gaf hij als toepassing of proef op
de som, de berijming van
Sint Pontsjer en syn wiif.
Sint was een rijk vrijgezel, die woonde te Hui-
zum
bij Leeuwarden. Pontsjer (*) was zijn vroc-
geren scheldnaam, dien hij als „van" had aan-
genomen; \'t wijste wat hij doen kon, om er
geen last meer van te hebben.
In de wandeling werd hij „Sint Fry!" ge-
noemd, wijl hij immer pochte op zijn vrijheid;
door zijn geld toch was hij onafhankelijk en
van vrouwen wilde hij niet weten.
Want bongels binn\' \'t foar liuwe mar;
Dy hoef ik ommers net,
En ongelokkig neam ik har,
Dy s\' oan de skonken het.
Sa praette Sint dan by de wyn
En as in frygesel
/
/
/
/
s
s
/
s
\'.
/
/
/
s
/
/
/
/
/
/
/.
/
/
/
\'■
/
f
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/



/
/



/
/
\\
Mar do er seis-en-tritig wie,
Do waerd it ding dochs oars,
En ien dy wyt yn d\' eagen hie,
Dy krige him by de noas.
Der wie in jiffer yn de Skrans, (te Huiziim)
In minski\' as millke en bloed,
Dy wie him al to folie mansk,
Dy flapte \'im ond\'re hoed.
Men sei, dat hie Cupido wrocht,
Mar och, hja die \'t him sels.
Twa eagen, dêr sok floer ütfljucht
Bringt mannig oan \'e pels.
Yn \'t koart, Sint Pontjer krige \'t wei,
Moai Lena waerd syn wiif.
Hja naem in hopen snaren mei,
Mar oars hie \'t neat om \'t liif.
En o, dy licave boalctiid,
Wat wie dy red forroun !
In ingel wie se in wike of seis,
Mei toalf do wie \'t syn wiif,
En ear der twa jier omroun wie, —
Do waerd se steiitlik stiif.
De moaye troanje dy hja hie,
Dy koe er net mear sjen,
Mar kant, dêr se yn bewoalle wie
En side en lint en jern. —
Het werd een madame op straat, maar in
huis contra.
It wie wat moais by elk-en-ien,
liehalwen by har man.
Kapteintjes en Jonkers zochten haar gezel-
schap, daarmede ging ze zelfs uit rijden, doch
\'t eind droeg den last.
Op zulk een rit raakte het tweespan met
den wagen to water en mooi Lena brak een
been en verloor een oog bij \'t ongeval. Kreu-
pel .en half blind als ze werd, kwam ze tot be-
daren, want geen beer zag meer naar haar om,
zij bleef rustig thuis en Sint wist te vergeten
en te vergeven, zoodat vrede en geluk terug-
keerden in de echtelijke woning.
„Begrepen P" zei Gabe.
„Dou wist er altiid rie mei," antwoordde de
student.
„Ja," zei Gabe, „dy in bryk pleit hat, dy
mat in kwea abbekaet wèze."
Nagenoeg op dezelfde leest geschoeid, doch
gansch anders ingekleed en met minder bevrcdi-
genden einduitslag, is het berijmde verhaal,
waarin
Aid Greult-omme
als hoofdpersoon optreedt.
Aid Greult-om wenne yn Tirellegea, (bij Sncek)
Dy hie hwet efter \'t linnen,
Mar hearstmis wie er meast heal dea,
Den hie er frjemde sinnen.
(*) Pontsjer is de boom of paal gelegd over den
wagen hooi, om do lading met behulp van touwen
stevig vast te kunnen zetten ; in \'t zuiden der pro-
vincie noemt men hem wlzebeam, ouidut hij tijdens
het laden recht uit achter don wagon ligt en de
lader er zich naar richt bij den opbouw van „het
voer" of „de weide".
-ocr page 45-
39
/
./
/
/
/
/
/
/
/
/
/
■\'
/
/
/
/
/
/
/

/
/
/
/
y
y
y
y
y
/
/
y
y
/
y
y
y
y
y
<
y
/
y
y
y
/
y
/
y
/
y
y
y
y
y
y
y
y
y
Aemborstig als hij dan was, wat hij toeschreef
„aan \'t stoffig hooi", dachten de erven, waar-
onder die naar zijn dood of liever naar zijn
kapitaal verlangden, dat hij het wel niet lang
meer zou maken.
Hy wio nou twa en santig jier
en \'t was weer herfst en mis met de oude.
Mar \'t waerd net folie aehte.
„Och !" sein de boden, „\'t is hearstdei;
It is wer de tilde klachte.
Mar \'t lyke slimmer dizze kear :
De aldboer dy bleau mar lizzen,
En alle lidden dien\' him sear,
Hy wie hast net to rizzen.
En hetsig wie dy tilde man,
Hy dronk mar farske soepe.
Karnemelk en wei golden bij Dr. Eelfje als
de beste medicijn voor gezonden en zieken. Aan
\'t geregeld gebruik daarvan schreef hij het voor
een groot deel toe, dat er onder de boeren be-
trekkeljjk zoo weinig ziekten voorkwamen en
zoovelen hunner hooge jaren bereikten.
Doch Alil Greult-om scheen dit middel niet
meer te zullen baten, hij werd steeds zwakker,
vroeg eindelijk de sleutels, maakte beschikkin-
gen en wees zelfs zijn doodskleed aan.
Kn testamintsjo mast er ek :
Notaris moast bestel Ie,
Dat al syn spul koam yn \'e heak,
Ear \'t him de dea behelle.
De landerijen vermaakte hij aan zijn erven.
Syn lytsfaem tsjinno him hwet skoan,
Dat koe men heel wol merke;
Dêr makke er toezen goune oan ;
In miedstik oan \'e tsjerke.
Dokter kwam trouw en maakte voor zich
ook al een goede rekening, omdat het er wel
aanzat en er van do gelukkige erven, die toch
genoeg kregen, geen aanmerkingen waren te
vreezen. Medicijnen geen gebrek.
Mar soepo htlldt i\'ihl Greult him oan,
Ify won gjin dranken liawwe ....
Af en toe kreeg hij nog een kleine versna-
pering, die de meid hem ongemerkt wist toe
te schuiven.
Syn bern en bernsbern koamen op,
\'t Wie merke by Greult Rommerts,
Fen Offenwier en fen de Top,
Fen Dri/I«t en Heeij en Ilommcrts.
Dat spriek der mar de flesse oan,
De frouliu kofje drinke;
Net ien syn mage wie bedonrn ;
Hwet snienen se yn de skinke!
It flêsk dêr snien se net bytroch
Der waerd mar tyge yn fego.
Kn klontsjes as in lytshrts, man !
Dy scoo ik hast IWjilie.
De aeyen treauwen se yn \'e hoed,
De boeter yn \'e doeken;
De tsjiezen stielen se fen \'t boerd,
Trogsnuwden alle hoeken.
Den gongen se nei Grciilt-oin ta,
Sahwet om him to treasten,
Hy dracid\' him om en knikt har ta;
Ynwindig koe \'r de measten.
Zoo trokken ze af en aan.
En onderweis, dan gong it mAl,
Den koen\' se oan \'t fjuchtsjen reitsje;
In earmo sweager wearzen se al:
Dy stakker woe al pleitsje.
Yn \'t ein, hia lizz\' him yn de bank,
Der woe er oars net hinne ;
Der roun ek bygeloaf\' mei mank,
Lyk as dy tilden binne.
Twee buren waken nacht op nacht aan \'t
ziekbed. Twaalf nachten heeft het al geduurd
en vurig wenschen de inderdaad vroede man-
nen naar het einde van den armen lijder, doch
deze, na een verkwikkenden slaap van den
voornacht in den vroegen morgen ontwakende,
sprak onverwacht, dat hij gedroomd had van
„spek en skinke" en honger gevoelde. De
eene bewaker zag de ander aan en dacht: Scoe
bourman baze ? IJlen f
Dat niet, integendeel,
zelf wijst hij hen aan wat hij verlangt en waar
\'t staat in de kast.
Ilja fine op it onderst boerd
In alderedelst krouske
Fen \'t alderdreegate bargeguod,
Fiks onder \'t smoar besouske.
De buren vreesden wel dat het te kras zou
wezen, doch Greult hield aan.
Hy sei: \'t Is kost dy holpe kin,
Dêr hie \'k al lang op long\'re.
Hy nimt in fine boale vet
Om \'t pantsjo om to feyen;
Hy waerd gesoun en mei in snjit
Wie \'t kreunen oer en \'t kleven.
De buren trokken beschaamd af en de knecht,
die hen de deur uitliet, beter wetende hoe de
vork er in den steel zat en welke verrassing de
naaste toekomst allicht nog zou brengen, sprak
schertsend:
„De tlld boer mat jouns in soepke lm,
„En nest de lytsfaem sitte.
„Dy streaket en dy streelt him sn,
„Dat kin gjin minske witte."
Al de erven bleken verslagen, toen zij hoor-
den van \'t onverwacht herstel en sterker nog
trof hen, wat er spoedig volgde.
De winter dy foei einling yn,
En Greult mast ek \'ris ride;
\'t Wirdt sterker, en hy nimt syr. Trt/n
Mei yn de hynsteslide.
Heel Twelleijcu koam op in ein
en ieder sprak er over, spottend met de erven
-ocr page 46-
— 40 —
en bewakers. En „\'t bargoguod" werd niet
vergeten. Maar Grettlt-om reed de familie rond
en maakte haar bekend, dat bij voornemens
was een wettig huwelijk aan te gaan.
Sein al syn bern al: „Heit is mis,
Hwet wol je onderwino V"
Crreu.lt sei: „Hwet ion allinne is,
„Dat moast ik onderfino.
„Dy twa-cn-santig jierren het,
„l)y ken vet tweintig krye.
„Ik haw myn sin op Tn/ntxje set,
„\'k "Wol sa net langer lye."
Tranen en verwijten volgden, doeh d\' oud-
fries hield de kop er voor.
Sa rekke Greult ta mannig spyt
Oan \'t wiif, en ek er onder.
Uy rekke lan en grounen kwyt,
En ek it hyporhondcr.
AVant Ki/nkc libbe er hearlik fen
Kn hie in earm famylje,
die zoetjesaan niet het kapitaal ging strijken,
zoodat er voor de erven ten slotte niets meer
viel te deelen. Dit was zeker verdiend loon
en in zoover kunnen we er vrede mee hebben,
doch liever hadden we gezien, dat de dichter
geen „vader en kinderen", maar inplaats „oom
en neven" had gekozen.
IV.
en dat hij onder de meisjes „te kus en te keur"
kan gaan.
Kn Oegeman, dy roun dat praot
As lye mrtlke yn d\' earen.
0]> Nonkcsboarren wenne Tiet,
In fanke as in loage;
Dy \'t hert op \'t echte plakje siet,
Dy alle man fortoage.
Dy har mar seag, dy wie forjown
Trog \'t gloeren fen har eagen,
Sa dat de feinten joun op joun
By swermen nei har teagen.
As bykes fleagen se er op oan,
\'t Wie of se er hunig roekten,
Kn of \'t har eagen blier en skoan
Mei syd\'ne tridjes loekten.
Jandorie, Oege! der is lueht,
„daar moet je Zondagavond heen, je zult er
welkom wezen", en jawel man, hij werd gc-
wonr.cn voor Tietje, doch vóór de veelbelovende
Zondagavond aanbrak, waarop de boter frcld
zou gelden, had de loozo vriend de vrijster
laten «veten, of liever wijs gemaakt, dat Oege
leed aan een besmettelijke ziekte, welke men
tegenwoordig wel op borden in de weide kan
lezen, waar schapen grazen, zoodat ze ge-
waarschuwd was en op haar hoede kon zijn,
wanneer hij eens bij haar mocht aankloppen.
* *
*
\'t Wie op in lette hearstmisjoun,
En \'t wie mei Ijochte moanne,
dat Oege vol blijden moed de stap zette.
Hy stoep krekt as in hoanne.
Syn Sneinske pakje hie er oan,
\'t Oeloosje op \'e side,
Der hongen skipke-skeljen oan,
Mei rütcrkes dy n\'de.
Hwet rink\'le er mei syn foest fol jild!
Hy wie ek lang net loai;
Hy waeide oer it Nonkesfjild,
Syn stappers kreak\'ne moai.
Dan fage er him de pliiskes wei;
Dan seag er nei svn skonken,
Of bo svn Bulw\'ren kjetting lei,
Of ho de skeljen Idonken.
Men zal toestemmen, dat de parmantige
vrijer in deze regels naar \'t loven is geteekend,
men ziet hem stappen.
Als gebruikelijk, gaat do vrjjcr voor zijn
entree bij Tietje eerst een herberg binnen, dien
hij op zijn weg vindt, om een „zoopjen durfs".
Daar treft hij, zoo \'t heet „toevallig", zijn
„raadsman en vriend" Héarke, die met hem
dronk en klonk.
En Oetji loek in koele yn \'t glês,
IIv gloeide as in trompetter, (rood van angst)
Mar eindlings ropt de kastlein :
,Aclit oeren, fcynten ! wyt je V"
/
/

/
/
y
/
s
/
s
/


/
/
/
s
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
f
/
f
f
f
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
s
/
/
/
/
/
/
/
/
s
/
/
/
/
s
/
f
/
Hy tocht net mear om frycry,
"Want \'t ballet óf sa\'n set.
De Blauwe Skine
is een verhaaltje, dat heel wel historisch kan
wezen, al klinkt het in onzen tijd van verfijnde
manieren wel wat vreemd, voor wie niet be-
kend zijn met het plattelands-volk bleven. Er
zijn wat grappen uitgehaald in den goeden
ouden tijd, toen men zich in kleiner kring dan
thans moest bewegen en vermaken. Ongestraft
kon een hooiwagen boven op de schuur ge-
plaatst worden, geljjk nld-Jnn-om verhaalt,
terwijl thans het betreden van iemands erf
reeds gevangenisstraf tengevolge kan hebben.
Zoo scherp heeft de wet de lijnen getrokken
en met de Zondagsavonds „vrijheid-blijhoid"
van voorheen is \'t eigenlijk gedaan. Grappen
als „de Hlauwe Skine" behooren ook tot het
verleden, hoewel het thans nog is als toen, dat
de stumperts veeltjjds het gelag moeten betalen
en bovenal de stumperts in de vrijagie, gelijk
Oetje er een bljjkt te zijn, van wien Halbertmtui
ons het volgende verhaalt in vloeiend rijm.
Oege wordt ons geteekend als een type van
weinig verstand en veel verbeelding. Een
„bies", dat is een schalk, maakt hem wijs, dat
hij in voorkomen, kleeding, geld, kortom in
geen enkel opzicht behoeft achter te staan of
onder te doen voor de jongelui uit de buurt
-ocr page 47-
41 -
\' Om het kwaad te bezweren en niet in op-
\'     spraak te komen, zegt hij:
            „Dêr hêste in kroon, en spiel de klean,
/            „En swy ! dat kinst wol tsjoege.
/            „Lit Hearke mar At fryen gean;
/            „Noait hearste it wer fen Oege.
/            „Ik haw in blaue skino opdien,
f            „En \'t hat my kwenlik smakke."
\'           Mar Hearke wie nei Tiet tagien
/            En hie him skoan formakke.
/
/
/ Meer en beter bekend, nog vlotter berijmd on
/     origineeler van vinding, dan de voorgaande
i*     kluchtige scènes, is
„Kom ja," soit Hearke, „ik gean mei.
„\'k Wol nei de wite wringe; (draaiend hek)
„Dat leit ek krekt op Oege wei.
B\'k Scil him oan \'t hiem ta bringe."
Dêr stoe er einling foar it hiem,
Syn skrüten hert dat tikke.
„Kom flink !" sei Hearke, „gjin gekliem !
Toe, luftig om de hikke."
De bies, die de strikken gespannen had,
wilde zeker zijn van zijn vangst en was hem
daarom aanmoedigend gevolgd zoover hij kon,
om verder de kat uit den boom te kijken.
Oege gaat de hieming op.
„ Joun, foltsen !" róp er oer \'e doar;
„Binn\' jimme soun hjir yette f"
En Tietsje Biet krekt by de hird,
IIja glimde as in ikel,
Hja sei yn \'t earst gjin inkel wird,
En seag krekt as in wtkel. (roofvogel)
En toen de vrjjer iets vroeg, kreeg hij barse h
bescheid. Geen stoel werd hem gepresenteerd,
zelfs een pijp tabak geweigerd.
Dat joeg mar bran en ongemak,
Dat woe har heit net lyc.
Fen \'t Btroukjen koe men ek net ha,
\'t Besleek dat wie mislearre.
Usance was het, bij zulk een gelegenheid
pannekoeken te bakken.
De onschuldige en verblufte Oege begreep
er totaal niets niemendal van en toen hij in
zijn verbouwercerdheid zelf een stoel wilde
nemen, riep Tiet: hou, tankje ! en vervolgt:
„Tlwet jou mankearret wit jou best;
„Ik hoef \'t jou net to sizzen.
„Ik ried jou, gean yn \'t poepenêst (bed voor
„Dêr op \'e kowstal lizzen."            de maaiers)
Forwézen striik er him om \'t bird,
En woe yet ien wird sprekke;
Sy grouwd\' him ta: „Net by de hird!"
En griep de tang\', dy fekke.
Beteut\'re stoep er \'t milhoes ut
En sei: „Joun faem, ik gong."
En roun by tsjuster ta besliit
Oan \'t liif ta yn de dong. (mesthoop)
Hy spiek him yn it Bleatsje óf
En pangclt trog de miste.
Hy flokte op Hearke yn \'t tsjuster hóf
En woe, dat nimmen \'t wiste.
Thuis komen durfde hjj niet voor half drie
in den morgen (vrijersklokke); tot zoolang
vljjde hij zich neder onder „d\' oes fen \'t hea"
(overstekend gedeelte van \'t dak over de hooi-
schelf) en klopte toen aan.
De faem Bei: „"Wolkom thrts fen Tiet;
„Dat haw jy feardig makke,
„Mar man ! jou srjonke en binn\' trogwiet;
„Binn\' j\' yn de jarre rukku \'t"
Murk fen Ypecolsgea,
\'    door den heer T. (f. v. <l. Meiden bewerkt voor
\'.    het tooneel en opgevoerd bij de jongste feest-
,    viering te Grouir, \'t Is een echt komisch
/    stukje met veel actie, \'t beste van dezen aard,
/    door I)okter-om geleverd. Al de personen die
\'/    er in voorkomen zijn vermakelijke types, inzon-
f    der Murk, de hoofdpersoon en de spil om wien
\'    alles draait.
■           Wc vinden hem in de twee eerste coupletten
,
    meesterlijk geteekend.
s           Yn Ypecolsgea wenne Mark,
y           In rike boeresoan ;
/           Hy hie de diwel fen it wurk,
•             Syn mom hie him bedoarn.
•             Hy waerd ek wol Mark Hopper noamd,
/
           Omdat er heislik skreaude
•             En faek tsjin alle reden oan,
/
           Om nietigheden kreaude.
Nei folie merken reisgo er ta
Mei boesefollen jild;
En fryster moast er altiid ha,
Sa teag er dan to fjild.
Dat gong him meastal kwalik of,
En mannig gloepske makker,
Dy laette Murk dan om it hóf;
Want hy wie oara in stakker.
In dit opzicht gelijkt hij Oege in \'t vorig
/ stuk, doch Murk is ruwer en minder de type
* van opgeblazen onnoozelheid, dan wel van
< domme trots.
\' De tweede persoon is vFoek fen Heeg",
.           Die mear seag as in oar,
■              Alteast dêr gong hja foar.
/        Mark laat zich door haar de kaart leggen,
/     want het liep tegen Leeuwarder kermis en nu
\'     wilde hij vooraf zijn lot wel eens weten, dat
\'     anders berustte bij zijn onbetrouwbare vrienden,
\'     die hem al zoo dikwijls in \'t oortje hadden go-
f     nomen of in de mist gevoerd.
,        Om „zeker" te zijn vervoegde hij zich dus
/     bij „Foek", die hem op de gebruikelijke wijze
/     de kaart lei, doch zoo mooi, dat Pieter Jelles
\'     haar naam als zoodanig heeft hooggehouden
bij do Friezen.
-ocr page 48-
42
Voor onzen vrijer luidde de profetie als volgt:
„Dou kryste in siden mantel om;
„Scilgt mei in jiffor ride.
„Mar leau my, greate Beinte-soan,
„Net ien geil \'t dy benyde."
Murk had meer oor gehad voor „den zijden
mantel en de jifter", dan voor de rest der
waarzegginge en was zoo in de wolken met
het blijde vooruitzicht, dat hij er een extra
glaasje op kocht en spoedig een aanzoek waagde.
*  *
To Snit* der wenne in winkelier,
Dêr hien\' se folie komste ;
Dy man syn hiisgesin wie swier,
Hy hiu it net fen \'t romste.
De dochter Rinske, „in snedig ding en man-
siek net gering",
Dy freege Murk op Ljouwerter-merke
Om mei him ut-to-riden;
Har onnstean hoefde er heel net sterk,
\'t Wie rekke oan beide Biden.
De moeder van Rinske is wat in haar schik
met de „onderscheiding", die haar dochter wacht.
De frou roap al har boarren ta:
„Heirw\' jimm\' \'t al hoard fan Rinske?
„Die ml na Lieuirter merke toa,
„Die het alheel hoar winske.
„It is in seun fan groot e Beint,
„It binne rike maats
„ Ik weet wel, \'t is in boereseun,
„Maar dat ken Rins niet bruije;
„Sien ouders binne kloek en deun,
„Die heiew\' wat in te struijen."
Zoo was het destijds, „rike boeren" en „keale
stêdliu".
Altiid binne de boeren dronken,
Altiid binne de stedliu gek,
Altiid kliuwe de borgers bonken,
Altiid ite de boeren spek,
is een kermisdcun van die dagen.
*  *
*
De merke dy kaem oinling onn,
En dêr koain Murk yn boes.
Hy hie in gloedny pakje onn
Kn bocsjild by de roes.
Hy Ine in lange rok oantein,
Dy Bloeg iiim op \'e koeten ;
In boesdoek oan de tip utsnein (uitgesneden of
Dy hong er healwei booten.            geborduurd)
In machtig greate fine hoed
Biet him yn d\' eagen del;
De rdnne like in wetterboerd, (*)
Dy hong er sloek by del.
Hy wogk him oarg sa daegliks net;
Oars net as gncing foar tsjerke;
Nou gparre er ek de sjippe net,
Hy glimde as in jerke. (niannetjc-eend)
De faem dy seag al nuwer op,
Want it postuerre raer.
Sy like oars gans in modepop :
Dat like sonderbaer.
Och, Mark, gaen jou na buten to,
Om \'t riituug klair te maken.
De minsken siën\' as \'k weten\'t hoc,
Der binn\' hier rare snaken.
De modens hier of op it lan,
Dat is in ander ding
Kn die him dan niet schikkc kan,
Dat is in sonderling.
Dan gaen ik mar it bolwerk om,
Dat mg gien minsen sienc.
Want uk ik- daer met jon an kom,
Wat si\'td\'n de minsen miene?
/
/
/
/
s
/
/
/
/
/
/
/
/
s
/
/
s
•           In de naaste omgeving heeft de gelukkige
f praatzieke moeder dus blijkbaar succes gehad
*      met hare verhalen, doch wat „zjjn" Rinske vcr-
<" langde,
,             Dat noaske Murk mar just sa wat,
,             Mar docbs by die \'t om har.
/             Hy tochte, bin \'k mar boeten gat,
,             Den ha \'k myn eigen kar.
•           Dan heb ik het te weten en stel ik de wet-
\' ten, wil hij zeggen.
\' Aan de buitenzij der stad gekomen, wordt
*      ingespannen en steekt het paartje van wal.
          Het „los de touwen", steeds schertsend ge-
.     bruikt, had hier raison, want de voorzichtige
/     en bezorgde ouders hadden „Murkje" niet laten
•      uittrekken met een eigen vurigen viervoeter,
•      maar om zeker te gaan, hem een huurpaard
\'
     laten nemen, beter gewend aan \'t klappen van
\'
     de zweep en \'t kermisgejoel. AIzoo lezen wij :
In tilden bierknol foar de sjeas,
Dat bong\'le er sa wat hinne,
Mar Rinske wie bisondre kreas,
En hie it wird allinne.
Want, o! it wie sa\'n snippren faem ;
Mar hy wie grutsk en dom
En wat er yn de moele naem,
Dêr tocht er meast net om.
Hy gong to jow net mei sa\'n spil
En mei sa\'n faem to fjildel (niet voor niet)
De stokliu inoastcn op \'e dril, (\'n stokmantje is
.lild motist it joed \'ris jilde.                \'n gulden)
IIy dronk moarnsier al readc wyn,
En limiet de belt hast wei,
De middeis wie it henl in swyn,
lt stediblk pieuwd\' him nei.
Yn \'t allerheegste logemint,
Dêr nioast it pear do ite.
Hy giet oan tafel as in Drint,
Hja woen\' him dêr wol slite.
Het laat zich denken, dat de berooide Murk
in deftig gezelschap aan de open tafel geen gc-
/ wenschte verschijning kon heeten.
, Tegenover het paar zat een aardige officier,
/ die Murk maar inschonk en tot drinken aan-
• spoorde, terwijl hij met Rinske zoete woordjes
wisselde, die ten slotte, toen het met „Beintc-
(*) Een benaming, ontleend aan \'t sehip en wel
aan planken, die er opgezet worden, oui geen water
over boord te krijgen.
-ocr page 49-
— 48
Hy koam wer trog de wyn
in dubbelen zin, doch toog niet naar huis,
Mar dwaeldo trog it merkgekriel
Trog al dy minsken hinne;
Hy tocht de merke-skiere-iel
Dy scil to nacht wol rinne.
Hij zou nog wel een meisje van pleizier vin-
den, dacht hem en lang liet dezo niet op zich
wachten. Dra was hij aangespannen en ging
het gearmd vooruit, naar een optrek in een
voorname straat, waar het er waarlijk deftig
uitzag.
Dat kin in keamer h.jitte,
zei hij opgetogen en zeer voldaan over zijn
aanvankelijk succes.
Maar wat is het geval; \'t huis waarin hij
zich bevond, behoorde aan twee zusters, al op
jaren, die bij hun broer in de stad ten eten
waren en dan niet voor middernacht thuis
kwamen, wat aan Murk zijn „liefje" bekend
was, die er vroeger gediend en een sleutel van
\'t huis had. Zij sloop er wel vaker binnen,
om zoeternij en drank te kapen, als ze wist
dat de dames uit waren.
Hja fynt al gnu de brandewyn
En jowt him mar to drinken,
Hy wie mei \'n oere wer in swyn,
l.yk as wol is to tinken.
Hja puollet him de boezen ut,
Ontnimt him rok en hoed,
En lit him roalje ta besliit
Yn \'t bêd, gerest en goed.
Mar do begoun yet earst syn kruas!
Wylst hy di*r leit to sliepen,
Dêr komme de alde jiffers thiis
En dwaen de doarren iepen.
Hja gongen mcast by moanneskyn
Sa sonder ljocht to koai,
Har nachtgoed lei den op \'e wryn, (bed)
Heel eptich yn de ploai.
Dat knofTlo dêr al jierren om,
Jouns yn it tsjustcr hinne.
Foar oaljebarnen wiern\' se bang,
Hja woen \'t er fyn ütspinne.
De jongste stoep de keamer yn
En sei: „Hoe heir \'Jfc it hier\'t
Hier
sta.it in fles met brandeicicn :
Hest dou flair toe ireest, Knier?"

„Hen, Styntse! ikke brandewyn?
\'k Hew oniiiiers seere bienncn,
Ik bruukte it in geen jair of tien.
Ho stootst it uet de schiennen
?"
„Mistift! irat stain die stocllen rair!
Kn \'t bed gord yn is scheurd.
It uudt my mislik, tree, en nair:
Want hier is wat gebeurd."
Hja giet nou op it bedsteed oan,
Om moetze en jak to kryen :
Mar taest op Greate-Beinte-soan
En do begoun it lyen.
soan" in \'t malle liep, zelfs een handje ging
meehelpen......
En Murk waerd onder \'t iten wei.
Sa dat er skielik snoarke.
Nou kui\'ren Rinsk en de Officier
Plesierig trog de stM.
It skieden foei har heel net swier,
Want Murk Biet d«"r foar slet.
En d\' officier wie wol yn \'t skik :
Dat folk hiildt meast fen slinen ;
Hja rinne folie op \'e slik
En dat yn oarliu\'g spinen.
Mar dy man hald\' him opperbest,
Dy brocht lis Rinsk yn \'t skip.
En Murk dy smieten se op it nest;
De doar koam op de knip.
Daar lag Murk in een vreemde wereld, zonder
te weten hoe daar gekomen te zijn. Toen hij
in den avond ontwaakte en de deur gesloten
vond, begon hij vrees\'lijk te schreeuwen, te
vloeken en te schoppen.
Hy wie alheel forheard, ontdien ;
Hy miend\', hy siet yn \'t hok!
De feint róp: „Poerke, sjop so niet;
Je pin noch niet kefangen.
Vor louter sjaamte ind verdriet
Is \'t meiske al fort kekangen.
Is that, kottorie, süpen, poer ?
It is te slim, minhear."
Sa hikk\'le him dy Duetsker oer,
Dy kaem him op it lear.
Maar toch bleef hij „dienaar".
Hy poetste him syn klean wat ut,
Hy joeg him thé en wetter.
Dy wosk en kjimd\' him ta besliit
Kn do wie Murk wer better.
Uiterlijk weer „de" man, bleef het inwendig
spoken en wist de beschaamde vrjjer met zich
zelven haast geen raad:
Hy tocht om \'t wird fon Foek to Heeg:
„ScilsV mei in jiff\'er ride,
„\'t Is wier, dou alde hellefeeg,
„Gjin minsk scil \'t Murk benide."
Zoo ver was de profetie van de waarzegster
vervuld ; er restte nog:
Dou kryst in siden mantel om.
Wat dat bcteekende en daar achter kon
schuilen, begreep hij wel niet en — deed ook min-
der ter zake, toen hij bij zich zelven had ge-
zworen :
Mar dat oerkomt my net!
Hij zal het niet weer in den drank zoeken,
want die is oorzaak geweest van zijn ongeluk,
zoo wijs is hij en daarom zal hij het laten bij
één fleschje wjjn, dat hem geen kwaad zal doen.
Zoo redeneert do wijsgeerige Murk en schenkt
zich het eerste glaasje in. Al drinkende komt
de dorst en geldt de kermisdeun: „niet naar
huis toe gaan, of de flesch moet ledig op de
tafel staan".
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/

/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
s
/
/
/•

/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
-ocr page 50-
44 —
?    weiijk van Murk: Wy keapje in skaedlik lapke
groun, bouwe er in kreep hüske op en litte üs
/     libben ófraffelje as in ald hoas." Murks ver-
s     dere levensdagen gelijken deze kous.
/         Intusschen is zijn levensgeschiedenis toch
     nog rijker geweest dan die van den negentig-
\'    jarigen grjjsaard, van wien in \'t einde zjjner
\'     dagen enkel geboekt kon worden: Hij leefde,
\'     nam een vrouw en stierf!
: ______z^_____,
Do goelje en moardsje: „Dieren hier!"
Hja tomm\'len oer elkoar.
De boarren koamen yn it spier,
De rottelwacht foar donr:
Hja stiik\'ne gau lantearnen op,
In swird moast op \'e side,
„Kom," sein se, „fris er mar op tos,
Him ml de duirel ride."
De rottelwacht dy spriek him oan
En sei: „Wat doestou hier?"
„Och! ik bin greate Beint syn soan,
Ik bin hjir foar plesier." —
Wif weten hier f en greate Beint
Of fan ui/n seun gien donder.
Mar earlik bieehte sueste, feint,
Of don raikxt in
\'< fooronder.
Dou maikste hier in nachtgerucht
Bij groote loi an luies,
En \'t is oek lang gien merkekhtcht;
Die boel is hier niet plues."
Hy biecht ek alles wat er wist,
Dêr wie net tsjin to kriemen:
Mar do er jild en klean ek mist,
Begoun er loed to skriemen.
Dêr stoe er nou yn d\' onderklean;
Ho graeg skow Murk de flint!
Mar sa doarst hy dochs ek net gean
Yn sa\'n great logemint.
De rottelwacht seag yn in kast
In Alde siidne tabbert.
„Dair!" sei er, „hang die an dien bast;
Dat is nog krekt soa\'» sicabbert."
Hja sjowden nei it logement;
De Alde poep koatn foar ;
Dy roap : „l\'otstausend sapperment,
Dat stelit er schnurrig roar."
Kredyt dat hie er dor yet wol,
Hy koe him klaeye en skoaye,
En de oare moiirns mei de Alde knol
Werom noi Snits ta toaye.
By tsjuster gong er do nei hoes,
Den hie dat ding gjin wird.
De rok en hoed, dat wie \'n aboes ;
Mar \'t praet dat foei him hird.
„O!" roap er, „alde galgestrik!
(Hy miende Foekje-moaye)
„Dou wist it alles op in prik,
„ik scoe dy wol forfoaye."
En hwa nou oait nei merken teag,
Us Murk dy konm er net.
It joeg oars al in nuwor eag,
Mar \'t ballet óf sa\'n set.
Hy tocht net mear om fryery
En gong net mear to sink ;
Hy halde hinnemeltsery,
Twa ljurken en in fink.
Voor liefhebberij en tijdverdrijf — werken
hoefde hjj niet, want hij had geld en bleef toch
alleen - hield hij vervolgens wat kippen en
zangvogels, waaraan hij zijn zorgen wijdde.
Hjj volgde het voornemen zijner ouders, die
zooals „Tsjibbe" het de moeder zoo origineel
laat zeggen met het oog op een eventueel hu-
Och, Keuning, Keuning, jow üs freed\'
En help üs skutters ut de need!
Met Murk zijn we aan \'t einde van Dr. Feitjes
vrijagie-verhalen op rijm. Wij zullen nu
eens gaan luisteren naar zjjn boertige sangkjes.
\'t Zijn deuntjes van den dag, opgesteld voor
„\'t jongfolts", om gezongen te worden bij „set
en pret". Zij dagteekenen meerendeels uit de
jaren van omstreeks 1830, toen onze jongelin-
gen te wapen werden geroepen, om uit te
trekken tegen de oproerige Belgen.
„Het regende, ja, het hagelde destijds ge-
dichten," schreef Jar. v. Lennep en geen boek-
handclaar, die geen bundels met „krijgszangen"
in \'t licht gaf. Het was toen, zooals Jan de
Rijmer
het uitdrukte, de tijd
van Bemoedigingen,
Van Op te wapens, Krijgsgeschreeuw,
Lierzangen op Oud-Hollands leeuw,
Den Koning, Neerland, Bato\'s telgen,
Den Prins, Van Speyk, Hobegn, Chass<!,
Van toosten op geheel de armee,
Van : Zegt, waarheen ontzinde Belgen !
Dr. Ecltje deed daaraan niet mee, it Fryske
aerd is s\'adiger,
zegt hij zelf, maar toch koos
hij partij en wel voor de Friesche meisjes, die
hjj het hart laat uitspreken in een drietal
stukjes, waarvan slechts één is opgenomen in
de „Rimen en Teltsjes". De beide andere over
den uittocht en de terugkomst der „vrijers" zijn
als losse blaadjes verschenen, in den vorm
van kermislicdjes en daardoor minder bekend
gebleven.
Het eerste, met een vignet van „harnas en
/
/
/
/
/
/
/
y

/
s
/
/
/
/
/
/
/
y
/
/
/
/

/

/
/
/
/

/
vuurwapens"
er boven en op muziek, is ge-
titeld:
/
/
s
/
s
/
s
/
/
/
Foeke-Skutter en Hospes-Tryn.
Foeke is de vrijer, die moet uittrekken, on
Tryn, het dienstmeisje van den kastelein, zjjn
vrjjster. De beurtzang wordt ingeleid en be-
sloten met een korte samenspraak. Wij laten
het stukje hier volgen in zjjn geheel. Mogelijk
dat het nog kan dienen als voordrachtzang op
een „winterjounenocht", of aanleiding kan ge-
ven tot het samenstellen van een historische
voordracht.
-ocr page 51-
- 45 —
foarste fingers oer de knewels, en joeg him in
tuetsje yn \'t foarhoes — en do wie \'t üt.
Eeltsje Hiddes fen Groueryea.
Lang zeer lang bleven de schutters uit en
daarom stelde de Dichter een
Rekwest
op, onderteekend met
Lisk Doekle <lr. Rjimkema,
üt namme fen alle Fryske fammen,
dy skutters yn \'t fjild hawwe.
Het verzoek- en beklaagschrift is gericht
aan Z. M. den Koning. Zij vragen den vrede
en de terugkomst van hunne minnaars, waar
ze het langer niet zonder kunnen stellen.
"Want is der hjir of dèr in merke,
De spylman saget om \'e nocht ;
Net ien dy üs to dounsjen freget,
Net ién springt mei üs yn \'e bocht.
Wat hawwe wy in moaye winter!
En as de di\'ken is it üs;
"Wy tli\'iinc er oer as winterfoegels,
Mar sonder skutters. Is \'t gjin griis ?
\'t Is wier, jou lit se ütfenhüsje; (met verlof gaan)
Mar och, wy sjen dy maets net oan.
In diakensrok mei gleaune knonpen !
En poepeskoan mei spikers oan !
In bóllefel sit op har rêg boun :
Dèr sit in blikken thébos op,
En om \'e hals, yn pleats fen doeken,
In learen ding, it hjit in strop.
Ho heislik is har thuwt bewocksen !
\'t Is of \'t in illde tarkwast is:
En wol min har ris ljonlig tuetsje,
Men rekket noait dat kramtried mis.
Do iene hompelt op syn blierren
En klaget oer de hirde wei,
En bringt ynpleats fen Djimter koeke,
In koarste knersig mik\'brea mei.
Dy bringt in himd fol hippentrippen ;
De grize rint üs oer de grou !
Hwet stjonke se fen plaggestoakcn !
In nearo wallem giet har ou.
In tredde skarlt op Keulsko redens,
Dèr opkoft yn it heidelAn ;
Mar is dat poepnark hwet roastig,
\'t Uewenr dut blinkt dochs as de briin.
Mar och, wy mei dat ding net lye :
Dat moardsjen, o! dat griist üs sa.
Och ! teagen se mei sein\' en kanne
Mar nei de lege mieden ta. (te maaien)
Eu as wy ris in oansit hulde
En komt it op \'e boeze oan,
Dan matte wy de gearjeft meitsje: (betalen)
Hja ha forkearde broeken oan.
Mar heart men dan dy feinten praten
Fen fammen dèr yn har kwertier,
O né ! dy mey\' se net oanroeke.
"Wy leauwe it wol! Hja binne tier! I
De sneins op \'e neidei kaem Foeke yn de
jachtweide stappen. Dèr siet syn fryster Tryn
to sliepen. Hja sprong einling ten de stoel
en sei tsjin him : „Biste dèr, Foeke? Kom, ik
bin blyd, dat ik dy sjog en dou griiste my ek
mei dyn heislike knevels. Kom, dat trefste
goed: üs Grietman hat hjir in ficsse wyn stean
litten, dèr is mar ien romerf\'ol üt, en as er wer
komt, dan wol er dochs wer in nye hawwe."
— „Ja, mar hwer is baes Abe?" — „Dy leit
op it noflik ear oer de matten yn \'t kjeramer-
ke." — „Kom," sei Foeke, „dat wie fiks! Dan
scille w\' er in sangkje by hawwe," en do son-
gen se by elts romerfol in fórske, lyk as hjir
to lêsen stiet.
Hwer moaste nou hinne myn skutter? (bis)
Nei Brdbdn ta, myn lieave Nynke! (*)
Nei Brab&n ta, myn lieave Tnjn!
Kom taepje \'ris yn! Kom taepje \'ris yn !
Hwa scil dy dyn poatstrou dan koaitsje ? (bis)
De kok, de kok, myn lieave Nynke!
De kok, de kok, myn lieave Tryn!
Kom taepje \'ris yn ! (bis)
As de poatstrou dan kliitert, myn Foeke ? (bis)
Itiere, riere myn lieave Nynke .\'
De tweede regel wordt telkens herhaald met
het slotwoord Tryn en de vierde blijft in alle
versjes dezelfde.
Hwet potstrou scil de kok dy dan riere ? (bis)
Ratsjetoe, myn lieave Nynke !
Hwa scil dy dyn kofje dan siede ? (bis)
De pomp, de pomp, myn lieave Nynke!
As de sead dan kiild wirdt, myn skutter ? (bis)
Dan in slokje, myn lieave Nynke!
Hwer sisstü op sliepe, myn skutter? (bis)
Op de striesek, myn lieave Nynke!
Hwa scil dy dyn wrine dan spriede ? (doken) (bis)
De kapot, myn lieave Nynke ! (kapotjas)
As it strie to hird wirdt, myn skutter? (bis)
Skodsje, skodsje, myn lieave Nynke!
Hwa jowt dy dyn boesjild, myn skutter ? (bis)
Kening Willem, myn lieave Nynke.!
As de tiid dy dan lang fait, myn skutter ? (bis)
Poetse, poetse, myn lieave Nynke!
As de BrabAnders komme, myn skutter? (bis)
Sjitte, sjitte, myn lieave Nynke !
Sjitte, sjitte, myn lieave Tryn,
Fcn boppen del d\'r yn. Kom taepje \'ris yn.
Doe wie de flesse leeg, en hospes Abe kaem
opljeppendo Hits üt syn fjouerkunt springen.
„Het dat sjongen en balten lunger-noag doerre?
Skear jimme er üt, as jimmc langer wolle.
Gjin minske kin rèste," sei er. — „Abebaes"
eei Foeke, „Is de holle tisig fcn do moanslok \'i
Haw ik (lat nou fortsjinne ? Ik huw altyd in
goed minger (klant) ten jou west: jou hawwe
mannig feu myn stoerkes yn de boese. Ik
stap er üt, man!" — en Tryn lei him de
(*) Nynke is do verklein- of vleivorra van Tryn.
/
/
/
/
s
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
s
s
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
A
-ocr page 52-
- 46 -
als jeugd en jeld (ouderdom). Hier een ver-
meien in louter verlangen, daar ernstig naden-
ken en diepen zin; hier lustige, daar treffende
klanken. Men ga ze maar eens vergelijken en
leze dan tevens als „Dritte im Bunde" „it AU
derhiis".
Grouster Merke.
Grouster merke, wyt je ?
Grouster merke, wyt je ?
Dêr haw ik, wyt je ? folie west.
Dêr binne fammen, wyt je ?
En de spylliu, wyt je ? fylje, wyt je ?
Opperbest.
Op Grouster merke, wyt je ?
Dêr kom ik, wyt je, werom :
Dêr kin men dounsje, wyt je ?
Dêr kin men patsje, wyt je ?
Dêr het in minske it rom.
Grouster merke, wyt je ?
Grouster merke, wyt je ?
Grouster merke, wyt je ? komt werom.
Dan scil ik dounsje, wyt je ?
Dan scil ik sjonge, wyt je ?
En tinke nearn\' net om. (nergens om, zonder
zorgen)
Als loten van dezen stam zijn aan te merken :
In ny Liet op Grouster Merke.
Voys: liet zal u-el gaan, wel gaan, wel gaan
van avond in liet schuitje.
Natuurlijk krijgen we hier een kermislied te
hooren, niets meer en niets minder. Als zoo-
danig hebben we het te beschouwen, \'t is tra-
la, la-la, tra-ral-de-ra-la in \'t kermisschuitje.
Volledigheidshalve doelen we het mede. Al
de drie broeders hebben zulke liedjes geschre-
ven en deze zijn ons aangewezen van Dr.
Eeltje.
Toe lis mar, lis mar, lis mar oan,
Us mem dy wol \'t wol lye.
Ja sei tsjin heit: „wy ha \'t wol dien;
Us \'frijn mei ek wol frye."
Strak scille wy skotse
Trala, lulu, tra lalderala;
Strak scille wy skotse.
It kjellebout ropt üs ta. (viool)
Us omke het it jak al oan ;
Dêr Bit de man to basen.
Hy het it by syn wyf fordoarn;
O wéo! hwet scil se raze!
Mar omke en moike
Dy bruye üs alle beide net.
Wy scille mar skotse,
Hwet ha wy joed in pret!
In Ade, üde, ade proek
Mei nou nog gnorje en stinne.
De faem en feint dy kroepe oan
En litte it glêske rinne.
Kom litte wy sjonge,
Trala, lulu, la lalderalda.
Kom litte wy stampe;
De hospes wol \'t wol ha.
Wy kenne ek wol manliu, Keuning;
Leau dat de Fryske fammen mar.
Mar hawwe wy se op \'e skirtc,
Den hawwe se mar ienris kar.
Dêrom wol dochs in bytsjo tajaen ;
Och, Keuning, Keuning, jow üs freed\'!
Jou scille toezen tuetsjes hawwe:
Help mar üs skutters üt de need.
__         
Het „Rekwest" van de Fryske Farakes schijnt
het gewenschte succes te hebben gehad, althans
de schutters keerden terug uit den vreemde
op d\' eigen geboortegrond. Leiden was ontzet
en zeker is het Lisk Rjimkema wel geweest,
die zich aldus liet hooren in een sangkje met
muziek, getiteld:
Famme-wille.
Heare Saske, hwet in nocht!
Heare Saske, hwet in nocht!
Hear ik dêr de trommen net,
Blinke de gewearen net ?
Ljea, it skuttorsfolk is* thfis;
Daelk is \'t keamer op mei üs!
Dan springst mei har yn \'e bocht,
Heare Suske, hwet in nocht !
Saske, binn\' dyn redens klear ?
Saske, binn\' dyn redens klear?
Al de skutters üt it liin
Nimme in famke by de han.
Ryd dan dat it goelt en gie\'t;
Gjin faem dy allinne stiet.
Alles ryd wer peur oan pear,
Saske, is dyn ark al klear ?
Saske, hastü hoaske ljea? (jawoord gegeven)
O, dyn skuttcr is net dea !
Fiel, dü hest hiin by de han,
Dy syn trou dy joeg to pün !
Liz nou oan en tuetsje ta;
Ojin poepinne scil liim ha,
Foi! dat wie gjin wachtsjen, ljea!
Sonder skutters, ljeaver dea!
VI.
Het zal wel gaan, wel gaan, wel gaan,
Van avond in het schuitje.
Naast de „Skutters-sangkjes" staan een paar
„Kermisliedjes", die evenmin in de „K. en T."
zijn opgenomen. Wol vindt men daarin een
extemporé op de Grouwster kermis, even origi-
neel van vorm als uiting. Het is een stukje,
waar naast men geen tweede kan stellen in
de Hollandsche taal, dat er op gelijkt, en \'t is
alsof het in geen andere taal zoo gezegd kan
worden. Men hoort de krassende viool naast
het liedje van verlangen der benjjdbaar onbe-
zorgde jeugd.
„Grouwster Merke" is een pendant van
„Grouwster Weagen". Ze staan tot elkander
-ocr page 53-
47 —
dêr sa jolig op elkoar omhingene kaem beppe
har oer it mat en frege har, wat nijs as se
sjoen hiene en as er ek in bulte folk to Ljouwt
west wie.
Folk, man ? sei Botte, folk ? Der hienje de
Ljouwerter galgelappers, de Frentsjerter klok-
kedieven, de Boalserter oaljekoeken, de War-
kommer brijbekken, de Hynlipper tjeeunken,
de Dokkumer grenaten, de Harnser tobbedoun-
sers, de Beltsommer hounen, de Wargeaster
breagebidlers, de Boarnster toermjitters, de
Ureterper oanbreide hoassen, de Earnewaldster
1. f., de Arummer moudekroepers, de Blyer
bellefleuren, de Geastmer liounewippers, de
Kollumer kattefretters, de Ternaarder barge-
stroepers, de Hantummer margeyters, de Hal-
lumer koekefretters, de Wierumer katjes, de
Peasumer hountsjes, de Rirdaerder skjippekop-
pen, de Holwerder roekefretters, de Grouster
tsiesfordounsers, de Jinsummer kattekneppelers,
de Akkrummer skytstoellen, de Makkummer
stranjutten, de Wirdummer....... „Hald
op mar! Hald op!" sei Beppe, „ik begryp it
al, Botte. Heel Fryslón wie to Ljouwt. Dou
bist in bysfeint!" En sa gong it minske wer
hinne. „Nacht, beppe!"
VII.
Elk sei: „Binn\' wy nou Russen wirden,
„Dat dat hjir sa yn Warkum moat ?"
Wjj hebben Dr. Eeltje nog te volgen in zjjn
Rjjmstukken, vroeger met een enkel woord als
„diversen" aangeduid, waarvoor de gedachte,
de stof of intrige door hem veeltjjds is ontleend
aan zegjes of verhaaltjes bij andere schrijvers
gevonden of uit den volksmond opgevangen.
Hjj weet het oude te steken in een oorspron-
keljjk en behagend kleed, zoodat zijn rijmen
frisch en friesch blijven, door de taal en si-
tuatie-teekening of belijsting en als \'t ware niet
verouderen, maar steeds weer nieuwe lezers
trekken onder de jongere Friezen. Daar hebt ge
It Pelsriucht,
haast zoo oud en bekend als de weg naar
Rome, wat betreft do aardigheid, die er in be-
rijmd wordt over der vrouwen macht.
Wjj hebben het oorspronkelijke verhaaltje
even opgediept en gevonden bij Dr. Schotel.
Zekere P. Diephout, notaris en procureur te
Gouda, stellig een bizonder man, liet in den
jare 1597 omroepen, dat hij een paar met goud
gevulde laarzen wilde schenken aan hem, die
kon bewijzen, dat hij niet onder de pantoffel
van zijn vrouw zat. Toen dit niemand ge-
lukte, liet hij een schilderij vervaardigen met
zjjn eigen beeltenis, de uitgeloofde laarzen aan
den arm, de bel in de hand en met dit on-
derschrift :
Nou romte, romte, romte mar!
Wy fleane nei de boarren.
Der Kil-uu twa feinten yn it grien,
To f jochten en to skoarren ;
Wy sjonge lieaver,
Trala, lala, la lalderala,
In soepe astrinta.
Uut.

/
/
s
/
/
/
/
/

/
s
/
f
/
/
/
/.
/
/
/
s
/
/
/
/
/
/
/
/
/
?
/
.<
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
f
/
/
/
/
/
/
In denzelfden toonaard en van
halte is:
\'t zelfde
De léste Freed yn Ljouwter Merke.
Voys: De bochel die pareert altijd.
Toe, Nies, ik wol de merk besjen.
Wat is it folk oan \'t joeien,
Dêr is gjin ald wiif by de wiel, (spinwiel)
Ojin boer tinkt om syn ploeien.
Oeral yn \'e stêd
Is \'t minsken, tsjop en glêd,
En lans dy rigels kreammen
Fremde liu fen fier en hein ;
Hem by heele teammen ;
De stêd is joed oerein !
Oleaune Koen dy stiet er al
Mei syn forskimle koeke,
De sknrren foar de flauwe liu
Lit hy syn mingers roeke.
Sjen der is guchler Murk,
Hy is al drok oan \'t wurk.
Sjen Nies, wat móale franjen !
Koel, syn feint, is mei to gong,
Om har sels te leanjen,
Mei \'n tsjokke boerepong.
Gauke bliest op syn trompet,
Set wangen as in bonge.
Bonsen mei syn klarinet
Qoelt ek al om fis ponge.
Wat gappet Gelf der nei!
Hy is er heal yn wei.
Gelf, Gelf, dou wirdste loese,
In pongeleger dogt in feeg,
Gelf slagt op syn boese,
Ja, man, hy is al leeg.
Wel, Nieske-lea, ho seil \'t nou, man ?
Dou kinste sa ast wotte;
Dounsje of patsje is hjir de kar:
„Karnt patsje", sei se, „Hotte".
Kom, kom, myn famke, kom !
En Nieske hinge er om.
Koal, Kool, (*) kom dan ris harren,
It kielsgat wirdt üs beide soar;
Jaen üs wat te smarren,
Wy dounsje dernei foar.
Doe Botte en Nies in goe slok brandewyn
mei soeker nomd hiene, habbe se dounse, dat
it klapte en binne yn \'e moarntyd mei in
noflik holle nei hoes tein. Nies mast dy deis
ut to skroarjen (naaien), mar it koe net; ja
hie Botte nou lieaver oan \'e griene side, as in
boeitsje fen \'e Aldboer op \'e skette. Doe se
(*) Koal is de kastlein\'s namnie yn \'e Keizers-
kroan.
-ocr page 54-
- 48 -
Dit paer laerzen wil ik vrolick schijncken                  y
de man die zijn wijf niet ontsiet:                               \'f
Verre heb ick mijn belle doen klincken, roupen en *
wijncken,        \'
Maer noch en heb ick hem gevonden niet.
Aldus koem ik om weten, also men mij siet,
Of hij mach sijn in Goudse dal,
Die mij dese laersen afhalen sal.
Hij liet deze schilderij, „de Laerzeman" ge-
heeten, ophangen in „den Doele" en ettelijke    ,
malen is \'t onderwerp berijmd, vooral in oude    /
almanakken. Zoo ook door Dr. tkltje, die er   
een eigen vorm aan geeft en het op eigen bo-     *
dem plant.
traan, voor zijn ramen, met een briefje er aan,
evenals Diephout te Gouda juist drie eeuwen
geleden. Van Workum zelf waagde zich nie-
mand, wat een boer uit Fertcoude, de „wylde
Hoer" geheeten, zeer bevreemdde. Toen hij
\'t briefje had gelezen, eischte hij den uitgeloof-
den prijs voor zich.
„Ik freas myn wiif net, doar ik sizze
„Kom, baes, jaen my de skoan mar oer,"
spreekt hij bout en krijgt ten antwoord:
„As dat sa is, scill\' jo se hawwe."
Baes nimt de skoan fen \'t finster del
En treau se him yn \'t wite kyltsje;
Jlar o, wat waerd dy hiisman kei!
„Hou, hou, irat seil mi/n niif irol sizze,"
klinkt het verschrikt uit zijn mond, toen hij
zijn witte kiel met het vuile vet van de schoo-
nen ziet besmeerd. .Verbeurd, man!" roept
de schoenmaker en de boer
Koe sonder skoan nei luis ta gean,
In hiisfol kjibjen wie syn lean !
Daarom, regenten van steden en dorpen, —
zoo luidt de les aan \'t slot — wees in uw
wetten niet te streng, laat uw „taptoe" voor
de mannen maar rusten, de vrouwen zullen
hen wel in bedwang houden en zorgen dat ze
\'s avonds op tijd thuis zijn !
Twa Boeren en de Skrie,
sehjjnt ons ook een oud-almanak-stukje, door
Dokter-om in «Ie voegen gezet en even aardig
als vaardig berijmd. Het zet mooi in:
Twa boeren beide üt Longerhou,
Dat wieme rare omen,
Mar makkers wieme it goed en trou,
die met elkander op- en uitgingen, maar wel
eens wat laat en berooid thuis kwamen, zooals
dat gaat, wanneer wijntje haar zoete lijntje
trekt. Ook nu weer.
To Frentsjer oan de bargemerk,
Der siet dat pear to prieuwen,
Mar op \'e neidei knem it swerk
Trog dat gelurk mei Age en Tsjerk
Almeugend swier to driuwen.
En tsjin de joun do tcag min foart,
Men sjaggle trog de poarte,
Sims kaem er wol in nuw\'ro hoart.
Dat box\'le trog de modder foart,
Dy oer de skoan har kwatte.
Laveerend gaat het verder, tot zo lang om
laat dicht bij huis gekomen, den skries zijn
Grieto! hooren roepen, gelijk deze vogel dat
kan op do hem eigene klagende en aanklagen-
do wijs. Tsjerk vertolkt dien uitroep mot
„Grlef-toe" en vat het op als een aansporing
voor de vrouw van zijn kameraad, om dezen
het gelag eens betaald te zetten. Uitvarend
/■
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
s
/
/
/
/
/
/
To Warkum buwten oan de hrêge,
Ticht oan de greate Sésylskolk,
Der stie yn \'t jier fen aeht-en-fjirtig
In tropke liddig 1\'arjensfolk.
Hja hienen \'t dêr, dat stiet to tinken,
Al meast oer sémanswé en need.
Dêr waerden al de stakkers helden,
It skiep dat waerd dér tiger-wreed.
Dat liigde dér fen fremde dingen,
(l\'t fiere binnen liigt it goed!)
Mar meastal krigen hja op \'t lêsto
De lansregearring by de hoed.
En wylst dat folkje stie to praten,
Stoep do stedstamboer op har ta ;
En grutsk op swird en glédde tromme,
Sloeg hy er op en spriik do sa:
„De Burgemeester en Vroedsmannen
Verbieden aan de burgerij
„Na tienen in de kroeg te zitten;
„Maar aan de linzen is het vrij.
„Die na dien tijd daar wordt gevonden
„Betaalt roor de eerste maat een kroon,
„De tweede maal drie guldens boete;
„Als \'t driemaal beurt is
V hok zijn loon."
Do seag dat foltsen op elkoarren,
De rópper gliniko en gong wer foart.
Elk Bei: „Binn\' wy nou Bussen wirden,
„Dat dat hjir sa yn Warkum moat ï"
„Ua Borgemaster, scoe ik miene,
„Dy spyt ek yn de romer net;
„Dy het it flésk om niuggen oere
„Al feardig yn de pikel set.
„Dat ha de frouliu wis ütriuchtte,"
Sa róp in trédde üt de kring. —
Baes Piktried sci: „Dat kin net wêze.
„Koar har wie \'t in oerbodig ding."
„Want frouliu, o, dy kinn\' üs stjoere!
„Dy hoawe wis de tamboer net.
„O, as dy mar efkes brimme,
„Den is har wille al manliu\'s wet."
„Us frouliu binn\' fis borgemasters
„En elts dy dat syn wiif net freest,
„Scil ik in best pear skoan forearje,
„Dy just nou sitte oer de leest."
Hjj voegt de daad bij \'t woord en hangt het
uitgeloofde paar schoenen, Hink ingesmeerd met
-ocr page 55-
— 49 -
tegen den vogel, legt de dichter hem deze
geestige woorden in den mond, die herinneren
aan v. Blom\'s: Skilige moanne, wat wost fen
my ha ? enz.
Dou steltman, mei dyn miggeskoft,
De bek ta, of pas op, dér poft
Dy joun yet ien fen boppen !
Sa roesde Tsjerk do tsjin dat dier
En sei: „Hald op fen skelden !
Dou langbek hest in raer getier.
Is Ageman wat oer syn bier,
Hoegst dat syn wiif to melden f*
En zich wendend tot zijn kameraad, gaat
hjj voort:
„Want hark is Age, wat er seit:
Griet, toe ! Sjog, Age is dronken t"
Age is over deze uitlegging van zijn collega
slecht gesticht. Beschonken als hij is, vuurt
hjj van zich af in ongezouten taal. „Datliigste
je," zoo valt hjj uit en verwijt hem, dat hij zijn
eigen vrouw achter stelt bjj de meid, toevallig
ook „Griet" geheeten. „Griet-toe, de boer
komt er aa n," dat wil de vogel zeggen,
doe hem open,
Mar hoedsje dy mar foar de blaem,
gaat hij verwijtend voort, wat Tsjerk zich geen
tweemaal laat zeggen ; hij valt op Age aan,
smijt hem tegen den grond, dekt er duchtig
op en duikelt hem ten slotte nog even kopje-
onder in een vuile sloot, zonder verder naar
hem om te kijken.
Daarna sluipt hij stilletjes naar huis, waar
zijn vrouw hem wacht en onder handen neemt,
terwijl de vogel blijft roepen: Griet-toe!
Mar \'t slimste wie behülden yet,
Want Age dy woe riuohtsje;
De oare deis siet Tsjerk yn \'t swit.
Hy tocht: „Dy, diker ! ik kry pit;
Ik mei dochs ek net fjuchtsje!"
En ear de klok nog middei sloeg
Kaem der eksteur oan stappen
met een citatie, om voor \'t gerecht te verschij-
nen, waardoor zijn vrouw opnieuw tegen hem
begon uit te varen. Tsjerk voelde zich niets
gerust over de mogelijke gevolgen, maar er
viel niet meer aan te veranderen.
* *
De rechtdag kwam.
Dér stien se beide foar \'t geriucht,
Forslein as earme stakkers.
In skylde noas en lang net riucht,
En blauwe eagen ; \'t wie gjin nocht:
En dat foar trouwe makkers!
De Grietman — destijds rechter, ten wiens
voordeele de boeten of breuken kwamen, al-
thans ten deele —
\'t wie in stringen hear,
Dy sei: Ouen uitten, boeren.
Sitt\' jimme nou tnekaer op \'t teer ?
As ik die saek goed instrueer,
Gaen jimme koekeloeren.
Een jaer in Wibren Wibren\'s gat,
En hondert ilaelders breuken.
Spreek op nou, Tsjerk; hoe is \'t gefal?
Dou sirst al raer üt d\' ogen,
spreek waarheid of het zal dien straf verhogen...
En Tsjerk forhelle do de saek
En fen de skrie syn roppen;
De Grietman dy hie wol formaek
En dochs hy siet dér as in staek,
Hy tochte wat to toppen.
Nou Age, wat heww\' jou in \'t fat ?
Het Tsjerk de waerheit sproken 9
„Hy het yn alles wierheit sein,
Behalven fen myn bruyen.
Ik net, mar \'t wiif dat hat him slein,
\'k Die neat, want ik haw onder lein."
„Dat liigstou" — valt Tsjerk uit, doch de
Grietman besluit:
Kom boeren, hier gien kih\'lerij;
Die saek komt gau te rechte.
Ik hoor, niet ien fen jimme is f rij.
Nou geef jim elk \'n som aen mij,
Dat kan de saek beslechte.
Tien ducatons de man, glad of,
Dat moet hier daedlik iceze.
Ik breng it anders voor it Hof.
Die Heeren lewere and\'re stof
En late heur niet beleze.
En as de skrie non roept Griet-toe,
Dan moette jimme dinke,
Nou roept mijnheer syn dochter toe:
„Hael mij \'n flesse wgn, Griet, toet
Dou moest mij ook \'ris schinke."
Franske turven en Oranjebitter
is een geestig gevonden stukje, flink opgezet
en uitgewerkt. Als motto zou men er boven
kunnen stellen : leer om leer, fop je mij, ik fop
je weer.
Het speelt te Woudsend, voortijds een
bloeiend plaatsje van schuitschippers en schoep-
makers en als zoodanig door Srhtltema in zijn
spreekwoorden herhaaldelijk vermeld.
Wij vinden in dit berijmd verhaal een na-
tuurgetrouwe teekening van een ouden schip-
persknecht en vrijgezel, van een vrouwtje als
op bijna ieder dorp gevonden werd, dat een
huisje hield van „houd-aan", voorts van een
kwakkelwinter, benevens een tegenstelling van
Franschen en Prinsgezinden. Hoe beter bezien,
hoe juister schets en schildering blijken te zjjn
van personen en gewezen toestanden. Daar-
door is de lijst wat breed en raakt de intrige
eenigszins op den achtergrond. Nochtans ont-
breekt het niet aan aktie of handeling en leent
het stuk zich uitnemend tot voordracht, vooral
ook omdat de beide hoofdpersonen sprekende
7
\\
<
s
/
/
/
V
/
\\
*
/
/
/
/
/
/
/
f
/
/
/
/
/
/
/■
/
/
/
/
/
/
/■
s
\'
/
/
•\'
>
\'■/
s
/
-ocr page 56-
50
■\'■
/
/
\'
/
\'/
/
/
*
i
>
/
/
s
/
/
/
f
worden ingevoerd, gelijk dit veeltijds het geval
is in de rijm verhalen van onzen Dichter.
Dér lei in skipper to Waldsein;
Ho of er hjitte wirdt net sein ;
Hy hie in feint dy hjitte Duffe,
In bysfeint wie it, in skarlün, (een snaak)
Mar as dy wat hie yn de krün,
Dan koe \'t er nuwer hinne bruye.
Hy hie syn komste by Tryn Klear,
Dér koft er soepkes kear op kear.
Dy hie sawatte snobberye;
En dy mar roeg op side wie,
Of borgen after hunnen hie,
Dy koe to moek in soepke krye.
Dér libbe it minske aerdig fen :
It wie in widdou sonder bern ;
De winters spoan se foar de liuwe,
En hokk\'ne pearen by elkaar, (vrijagie)
Dat wie in akkefyt foar har ; (buitenkansje)
Dy koen\' dér noflik Bitten bliuwe.
En as er ien to sink west wie, (onder water of
Of \'t mei syn folk forkurwen hie, [beschonken)
Dy woe se graeg in bulsek spriede
En broei hint dér \'ris tige üt,
En wie er flau, him ta beshit
Wol hearrings op de tange briede.
Derom waerd sy Tryn Klear ek neamd.
Dy namme wie ek heel net freamd.
Want wie er ris oansetterye
En wie er \'t ien of \'t oare brek
Fen oalje, drank of boale of spek,
By Tryn wie \'t klear; dér koe men \'t krye.
* *
\'t Wie winter, mar gjin riders iis,
En dat forfeelde de ülde biis;
De liddigheit jowt nummers flinken.
De fammen pleagje as in Turk,
Dat wie sawat syn heele wurk,
En moale potsen üt to tinken.
Dat tipte dan op teyig iis,
Of \'t souke en tsjirre as healwiis,
Of \'t sloerke op \'e glédde stritte;
En oeren yn \'e smitte stean
Of foar de kjeld yn \'t bakhi\'is gean;
Dat scil dan fi-ygoscljen hjitte.
Na deze treffend juiste teekening van per-
sonen en toestanden begint de handeling en
maken we nader kennis met Dmje.
Hy komt by Tryn-moi op in joun,
Wylst dat goe-sloaf by \'t tjurke spoan
En sei: „Ken \'k ek in koaltsje krye ?
„Us folk is ut to praten gien
„En hawwe al it floer üt dien." —
„Hea ja," gei Tryn, „ik mei \'t wol lye."
Hy hie in sponturf yn de hiin
Lyk as \'t gebroek hjir is to lan ; (*)
Dan is it koaltsje fjoer betelle.
Hy troau him by it hirdsje del (in \'t Zuiden zegt
Enseigoe\'nawenddooan Tryn. [men „heardsje")
\'t Wie it léste koaltsje dat er helle.
(*) Ook de schoolkinderen, althans de meisjes,
brachten voortijds turven mee voor de verwarming
van \'t schoolvi-rtrek en de laatstuu kregen daarvoor
een stukje glad vuur in de stoof.
wat zich laat begrijpen, als men hoort wat er
verder volgt en wat „de biis" had uitgehaald.
Want, o, it stik dat wie to bryk!
It wie gjin bfzery gelyk.
Dy turf hie hy in gat yn boarre;
Dat noagergat mei boskroed stopt,
Do mei in greinen kyl forpropt
En feardig mei in tou forsjorre.
Een soort kanonnetje lag er dus bij of in
\'t vuur van den haard, waarvan de ontploffing
niet lang op zich zou laten wachten.
Dér siet üs Tryn-moi nou
En spoan har tridsje flaeks sa trou,
De wekker tikke en \'t wieltsje snoarre;
Aid mopke snorke op \'e plaet
En poeske spoan wer d\' tilde maet;
De soepenbry dy soarre. (tegen \'t koken aan)
\'t Is het lied van „den stillen avond", waar-
aan dit tooneeltje herinnert; alles ademt rust
en vrede in de kleine woning en \'t vrouwtje
in haar eenzaamheid:
Hja spoan en waerd sa sloeg, sa sof,
Mar einlings boarst dér üt in plof!
\'t Waerd alles jiske en fonken.
De poes fleag by de ljedder op
En op it bed der fluchte mop;
En Tryn-moi makke ek skonken.
Hja (luchtte ta de doarren üt,
Mar foar de gewei stoe de güt;
Hy socht de lyte wat, sa beare.
Dér roun dld-Tryn him op it liif
En sei: Don sirift, dou xnaek, dou dieft
Ik scil dy fjocr-oanscttcn leure.
Hja tig\'Ie er ek mar helder op:
Mar och, hy hie in Fryske kop
En mannig slag mislearre.
Hij koos de wjjste partij, bleef kalm en suste
\'t ontstelde wijfje. „Ik zal met je in huis
gaan" — zegt hij — „en je \'t geval wel ver-
klaren, ik weet precies hoe de vork in den steel
zit". Meteen kreeg de looze guit zoo een kijkje
op zijn welgeslaagde ontploffing, die de kamer
in een chaos had doen verkeeren, als blijkt
uit de volgende schildering:
De oaljesnip lei op \'o stoel;
De brypot lei yn stikken;
De tafel op \'e side teard;
De spinwiel onderst-boppe keard;
It Meuks wie gleaun; de matten rikken.
De stealen leine oer \'e hüs (gloeiende kolen)
En op \'e souder alle poes, (angstig miauwen)
Ald-mopke siet op béd to kriten,
De soepenbry stroamde oer do plaet.
„Och .\'" roap dy leaze kammeraet,
„Dat skoane lieave iten!"
8a maste er prate op dy joun ;
Oars hie se nei \'t geriucht ta roun.
Hy streake en flaide om har hinne
En redde flug de boel mei oan.
Want reagje en klinsgjo koe er skoan,
Lyk as de skippersfeinten binne.
i
; ■
/
"/
y
\'s
/
/
/
/
/
/
\',
s
s
/
s
/
s
\'
s
/
/
/
/
/
/
-ocr page 57-
51
\'
/
/
/
/
/
/
>
/
/
/
/
/
/
/
/

/
/
>

-/
/
/
/
/
/
\'■/
/

/
/
/
>
*
s
s
/
/
/
/
/
/
/
/
,/
;/
>
/.
/
./
/
/
/
V
/
/
/
„De diwel!" roap er, „Tryntsje-moi!
„Dit komt to hird oan! foi, o, foi!
„O minske ik forbarn fen binnen.
„Ik spring warachtig At myn fel.
„Dou sleep, dou alde totebel!
„Ik t\'jil it gleaun trog \'t lichem rinnen."
Hy roan al dalik nei de bak
En soepte in koele, mar \'t wie lak.
Al wat er iet, dat smakke as galle
En Tryn-moi sei: „Dat siet yn \'t fet
„En wat déryn is soarret net, (verslaat niet)
„In alde rot sit yn de falie."
„Maakten de Fransche turven verschrikt,
Oranje kan ook meedoen," kermde Duye-man.
Do joeg dy lilde beste Tryn
Him sjerp mei férske boeter yn.
„Wy scill\' er noait net wer oer prate,"
Sei hja: „En gean dou stil nei board.
„It ding is diewery noch moart;
„Dou moast er my ek noait om hate."
De wylde ruter fen Dokkum
is een origineeltje van Dokter-om, waarin de
stad zijner voorvaderen gekroond wordt met
de pluimen van den zotskap. Bij uitnemend-
heid verstaat hij de kunst, om met een saty-
rieken glimlach op de lippen, Dokkum en de
Dokkumers in \'t zonnetje te zetten. De Kam-
per uien zijn oppervlakkiger en onschuldiger,
dan de Dokkumer grenaten. Wanneer hij „aerm-
Dokkum" onder het mes heeft, dan is de goed-
hartige medicijnmeester vaak vlijmend scherp
in den bjjtenden spot, waarmee hij de lachers
op zijn zij krijgt, die, als ze het woord Dokkum
maar hooren, onwillekeurig denken aan het
ultra-dwaze, dat hier waar gebeurd heet te
zijn, gelijk Dr. Eeltje het laat voorkomen. Aan
de onzinnigste voorstellingen weet hjj een na-
tuurlijken en aantrekkelijken vorm te geven,
steeds zoo saamgeweven met de stad en hare
bewoners, dat het er mee gaat als met den
Zwaan-Kleef aan ! Er blijft iets van hangen.
Ja, dat earm Dokkum hat in bulte to hjen.
It is de bok Azazel; alle sonden wirde er op
laden,
zei Ds. Joost, die de oude stad en hare
historie een welverdiende hulde brengt in voor-
treffelijke taal. Hij stelt er wijsheid en roem,
als ware het om de dwaasheid en spot van zijn
broeder eenigszins te verzachten.
Mogelijk komen we op dit punt terug; we
hebben ons thans te bepalen tot het rjjmver-
haal, onder den titel bovengenoemd.
„De wylde ruter" is een soort sage, waarin
de duivel in dierengedaante zich laat gelden.
Het verhaal dateert van omstreeks 1500, toen
het bier volksdrank was en er in de stad van
Bonifacius, met haar wonderbron van kristal-
helderwater, tal van brouwerijen werden ge-
vonden, meer dan ergens elders in ons Gewest.
Do spryk dy goede Tryn him oan:
„Dit ront to fier, Jan Jappes-soan.
„Dou scoest iny \'t hüs yn jiske stoake.
„Wat diker nou! dit is gjin nocht
„En as ik \'t foar de grietman brocht,
„Dan scoest in skeadlik pypke rooke."
Jan Jappes-soan komt nu met zijn memorie
van toelichting en legt de schrift zoo uit, dat
hij onwillens en onwetend oorzaak is geweest
van de „uitbarsting", maar dat zij geweten
moet worden aan de Franschen, die bij hem
in \'t schip ook zoo\'n stuk hebben uitgehaald
en er zeker van die turven hebben achtergelaten.
„Is dat net heislik, Tryntsje-moi ?
„Dy Fransken, ja, \'t is aeklik ; foi!
„Dat binne heidens, rare liuwe.
„Dy fluchte en swalkje oeral roun
„En hwer se in foet sette op \'e groun,
„Dér litt\' se krüs noch mint mear bliuwe."
Duye kent maar al te goed het teere plekje
van de in haar hart zoo prinsgezinde Tryntsje\'
moi
en door uit te varen tegen die vervloekte
Franschen, komt hij dra met haar in \'t zelfde
schuitje en geeft ze zelfs haar spijt te kennen,
hem geslagen te hebben. In „zijn" toonaard
vervolgt ze:
„Dy Fransken binne skelmen, snaken.
„Hja sette in beamke yn de groun,
„Dy dounsje gekken dan yn \'t roun
„En \'t is mar om üs jild to taken, (nemen)
„Och hien\' we mar üs prins wcrom !
„Wat wie \'t yn alde tiden rom!
„Men wist do fen gjin fremde flinken.
„It iten wie goekeap en best;
„Fen \'t fremde reau hie nimmen lust.
„Dér hoefde nimmen om to tinken."
En Duye gong do stil nei board;
It stik wie yn de doofpot smoard.
Maar \'t was toch te mooi om het voor zich
te houden, hij kon er niet over zwijgen,
Hy hie it yn \'e smitte sein (smederij)
En dalik wie \'t trog heel Wdldsein,
en kwam het ook Tryn-moi ter ooren, bij wie
hjj weer in huis kwam als te voren, doch zij
liet niets merken, om ter gelegener tijd haar
slag te slaan en hem de grap betaald te kun-
nen zetten.
Want Tryn wie snoader as de rotten.
8a kaem er wer ris op har ta
En sei: „ik moat in soepke ha,
„Mar \'t mat Oranje-bitter wêze,
„Ik bin Oranje yn myn hert;
„Ja, yn \'t gebjinte is \'t my set."
Sa woe er do dat sloaf belêze.
Hja hie foar jicht en oare smert
In soepke op Spaenske pi\'per set:
Dat naem hja yn by nioggen drippen
Mei beste swiete wite wyn,
Dér geat hja him in slok fen yn,
Om \'t sa yn ienen üt to wippen.
-ocr page 58-
- 52 -
De brouwer, dat mag elk wel towe,
Het him veranderd in en mud.
Nou kin er nachts braef stele en rowe:
So rake al ons k\'tpen fut.
It peert, krekt of in man him mende,
Gong na de stal, dat arme dier.
Dat is in duwelsch swatte binde,
Dat tsjoendersreau in Dockum hier.
Hja wiene breinroer om dy gritsen,
Gjin minske dronk fen baes syn bier
En fen benaudheid gong er ritsen (vluchten)
Nei in goeireun yn Metslawier.
Daar bleef hij \'n week of drie tot de bui
wat afgezakt was en kwam toen vrijmoedig weer
in de stad, waar hij stoutweg aan ieder ver-
telde, dat hij te Groningen was geweest en er
het klünbierbrouwen had geleerd.
Dat klunbier was bizonder gezocht en even
beroemd als de „echte" Deventer koek.
Yn trye wike in kinst to learen,
Dér mannig trye jier oan hie,
Dat leaudene dy skrandre hearen,
Dér do heel Dockum fol fen wie.
En baes gong daedlik oan it brouwen;
Dér smiet er kjellepoten by
Mei hoed en hier, mei klei en klauwen,
Dy koakke er yn dat bier ta bry.
Dat joeg in limigheit oan \'t bierke.
Dat, Bei er, kaem fen \'t beste koarn
En dreau er hjir of dér in hierke,
Dér steurden se har sa krekt net oan.
Hy die er by wat coriander,
Wat piper en wat brandewyn,
Want wien\' de Dockumers do skrander,
Baes brouwer dér siet ek wat yn.
En do se fen dat bierke preauwen,
Do sein se: Blikstien, dat is raek !
Sok bier is in gien fijftig eeuwen
Hier in ons oude Dockum maekt.
Dér is yn Keizer Karcls tfden
In aldernuwerst stikje bard,
Dér het in wylde ruter riden,
Heel Dockum wie er fen forfeard.
Hij was klein die ruiter, bewoonde een hol
en liet zich daags zelden kijken, maar \'s nachts
ging hij op roof en moord uit. Nu gebeurde
het eens op \'n avond, dat een brouwer, die bjj
den boer was rond geweest om bestellingen,
huiswaarts keerde op een kedde. Een hondje
had hij bij zich, dat „wakker snuefde en blafte"
en liep ter zij van \'t paardje. Plotseling stoof
er een „mird" (marter) dwars over den weg,
die \'t keffertje in den bek nam en er mee van
door zou, doch baas brouwer kon dat niet aan-
zien en sprong van \'t paard, om zijn lieveling
te redden en den aanvaller zijn brutaliteit be-
taald te zetten.
Mar \'t beestke wie him al to snel.
Dat is in folk dat kin har redde,
Hy wie to fier óf fen syn hol,
Nou fleag er dalik op \'e kedde,
Dat makke it hynzer razend dol!
Forskrikt set hy it op in rinnen ;
De mird dy klamm\'re oan it seal,
Wis krige er ek al nuw\'re sinnen,
Mar hy giet fést dochs al in peal.
Zooals kedden in den regel zijn, had deze
ook vreemde zinnen. Zij ging er van door
met haar berijder en de brouwer bleef met zjjn
hondje verlaten en verslagen aan den weg staan,
vloekend dat het een aard had. Baten deed
het hem allerminst; wilde hij Dol-hum berei-
ken, dan moest hij zich het loopen getroosten.
Dat was minder, maar hij schaamde zich, zoo
in de stad te komen en was bang voor smaad
en spot; daarom besloot bjj het duister af te
wachten, opdat niemand hein zou bemerken.
Hoe wel overlegd, bleef \'t geval niet geheim,
integendeel kreeg het een geweldig staartje.
Wat toch gebeurde? De „kedde" was de stad
komen invliegen met de „mird" op haar rug
en alle Dokkumers, die deze gekke vertooning
hadden aanschouwd, zeiden met arendsblikken :
It spultsje is niet goed.
\'t Gerucht dat roan trog alle stritten,
Dat baes sa heielik tsjoene koe
En \'t waerd fordoeb\'le en iitmjitten,
Lyk as it giet mei simple liu.
Was er al een enkele, die lachte om \'t dwaze
van de voorstelling der groote meerderheid,
Dan roapen se fen alle siden :
Wat uitent dott prate, heitemanf
Mt/n gunst nat leiste nog te striden ?
Want hele Dockum looft er an.
Ik lieir him op it peert sten silten ;
Maer \'k liet it beestke stil betiën;
Syn ogen as ttcie lampepitten,
Die waren glandiy om te sten.
!
/
<
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
\\
\\
\'s
/
\'
/
s
/
/
/
/
/
/
/
/
\'
/
4
1
<
/
/
/
\'■
\\
Ja, ons baes brouwer is in mantsje !
Die het wel hassens in syn kop.
Wat hewtv\' se laest dg man belasterd
Fan tsjoendery en \'k weet niet wat,
Ons Dockum is all\' heel verbasterd;
Ja, \'t is en aeklik rabbersgat.
En baas gaf reden en verklaring van „de
mird op zijn kedsje" zooals de Dokkumers dat
wenschten, het was de duivel geweest, maar
hij bevond zich gelukkig bij \'t Huis-ter-nood,
waar hij gekalmeerd werd.....
Ja, vielen ze hem in de reden,
\'t Is best beteerd aen alle kanten :
Want \'t klünbierbrouwen heye leerd.
Brou jon maer fut t
sa sein syn klanten,
Mar rgd fooreerst niet weer te peerd.
Dat is yn Keizer Karels tiden
Alear yn \'t nlde Dockum baerd
En lit er wylde ruters ride,
Aid Dockum is en bliuwt formaerd.
\',
-ocr page 59-
- 53 -
\'t Is aardig op te merken, hoe onze Dichter-
Dokter alle oorden van Friesland heeft bedacht
in zijn verhalen en hoe juist hij in zijn keuze
is geweest van de plaatsen, waar hij zijn per-
sonen laat optreden, \'t Zou ons te ver voeren,
om hier aan te willen toonen, wat de reden
kan geweest zijn, waarom hij Sint Pontjer te
Huizum, Skipper Hylke in de Lemmer, Dutje
te Woudsend en de brouwer te Dokkum do-
micilie geeft, zoo is het ook met Longerhou,
Ypecolsgea, Uitwellingerga, Heeg, Sneek, Leeu-
warden, Teroele, Terkaple, Langweer, Workum
en vele andere plaatsen, die in zijn stukken
genoemd worden, men kan er gewoonlijk een
goede en verklaarbare reden voor vinden, waar-
om hij deze als plaats van handeling heeft
gekozen. Ze passen steeds wonderwel bij zijn
onderwerp en geven veeltijds blijk, dat hij in
de oude historie dier dorpen en hun locaal
karakter geen vreemdeling is geweest; hij
kende de kaart der provincie en de kenmer-
kende eigenschappen der bewoners in de ver-
schillende streken.
In sommige verhalen doet het dorp minder
ter zake, als b.v. in „De rimpene Doktersgony".
Vraagt men evenwel de reden, waarom hij
dit stukje te Holwerd laat spelen, dan zouden
we voor \'t naast denken, dat hij dezen uithoek
aan de zee heeft gekozen, om met zijn collega\'s
uit de buurt vrede te houden, wat er wel eens
spande, omdat men uit zijn „types" maar al
té vaak bekende personen wist te distilleeren
en aan te wijzen, gelijk zoo meteen nader zal
blijken.
Eelke MeinC ts, de Westergeester School-
meester, later boer te Kollum en meer andere
Friesche schrijvers, hebben ook het verwijt niet
kunnen ontgaan, dat ze levende modellen heb-
ben gekozen, zoodat we zelfs ingezonden stuk-
ken naar aanleiding daarvan in de Nieuws-
bladen van dien tijd vinden geplaatst. Dr. Joost
Halbertsma
doelt hierop allicht als hij schrijft:
yn lytse rileen as lises, miene de Uu al gou, dat
men dg of dg persoan op it eag hun hot. Wy
binne net folie; mar om üs op to holden mei
de liuwe, dy nou libje en dy onderduems stek-
ken to jaen, sjog dér binne tvg dochs nog to
heeg ta. As dat sa wier, scoene wy ullinne
skreaun ha foar de Uu dy nou libje en dat li-
ket er net nei.
Intusschen gaat Dr. Feitje vrij zeker om die
reden zoo ver uit de buurt met deze klucht,
waarin de scherpe satyre het schuldig deel van
zjjn gilde moet treilen.
Met zjjn naaste collega\'s uit de buurt had hjj
het al te kwaad gekregen, toen „de heilingen"
of prenten het licht zagen, blijkens brieven
aan zjjn broeder Joost door Dr. Schepers ge-
publiceerd in R. en S. (7 Nov. \'97).
? Daar schrijft Dokterom: Het is aardig, dat
v     men de bewuste hellingen als satires aanziet,
g     het komt er soms al heel drollio bij; zie hier
5     een voorbeeld:
te               Jan Poep wiist groue Murk de wei
i?               En sjogt syn boesen wylens nei.
\'        In dit prentje met bijschrift „herkende" men
.\'     den broeder van Dr. Roemer te Irnsum, een
.     man van enorme corpulentie en onhebbelijk-
£     heid, die een Duitschen lijf knecht had, om hem
>     aan- en uit te klceden, in de wandeling Jan
\'te     Poep geheeten. Dat sloot dus als een bus. Op
\'te     een andere heiling meende Oldeboorn\'s escu-
f-
    laap T. zjjn portret te vinden, waarover Dr.
f<     Eeltje zich aldus uitlaat: deze is er razend om
C
     op mij ; ziet zoo gaat het als men satires srhrijft,
\'•
     waarop hij kort daarna laat volgen : het is maar
te
     best, dat men van die portretten „dobbeltgiin-
:te    ger" zoekt, dat is menschen, die er zeer op lijken
*/\\     en daarnaar de inscriptie inricht.
\'                    De Rimpene Doktersgong
te    is klucht en satire tegelijk. Naast een knap
"te     werkmansgezin, dat door ziekte in omslag en
<|    ongelegenheid komt, vinden we daarin getee-
H    kend een ietwat pronkerigen Dokter, die te
j$    kort komt in de moreele plichten jegens zijn
*     patiënten en zoo „loon naar werken" krijgt.
Bij Jelte en Tryn worden we aldus binnen
t, geleid :
te.            Te Holirert wennc ris in pear,
te\'            Dat wierne tsjeppe liuwe.
•             Hja sieten gnap yn hear en fenr,
/
            Hja koen\' har spultsje driuwe:
>                De man die wat genierkery
\'te              En \'t wiifke spoan er sa wat b\'y.
Hja hiene ien soan, dy wie hcaldea
Al trye, fiouer wiken.
It koalkleed siet him yn de lea;
De hüd wie rit de liken.
Dat mast\'re dér sa jimmor om
En sims dan hie er \'t lang net rom.
                De dokter, \'t wie in aerdig hear,
te
              Mar boarstig en wat kroedig;
*                Dy kiiiun er ek sa faek net niear.
/
              De man dy waerd Aanmoedig.
te            De rekk\'ning (o, sa giet it riu !)
>                Waerd ek to great foar sokke liu.
\'„i              Hy ried sa faek it luis foarby;
Hy niigde en hy boego;
*               War \'t wie mar plomkestrikery,
Dy hjir alheel net foege.
te             Dat wie har danig yn de wei;
\'te              De soan dy krimmenearre;
vjij              Hja roapen faek do dokter nei,
ï^              Mar \'t wie sa faek mL-dearre.
^              Dat einling sei er: „Kóp mar net,
fy              Mar gean mei H iretter nei de xted."
| Pas had men aldus besloten, of daar komt
f. de Dokter gansch onverwacht en ongewenscht
als met de deur in huis vallen; erger nog,
-ocr page 60-
54 -
het toeval wil, dat hij vrij onzacht door de
ruiten de ziekenkamer wordt ingeworpen, juist
op het oogenblik, dat de goede luidjes aan tafel
zijn gezeten en \'t middagmaal gebruiken.
De toedracht der zaak wordt ons aldus ver-
haald :
Wylst dér dat pcar oan tafel giet
En ieten greate beane,
Spant Dokter-om syn briintaje oan.
,Miit is in hynzer as in sweal, (zwaluw, zoo
„Dat dounset foar de karre,                     vlug)
„De wearde ken gjin minske heal:"
Sa spriek de smit-en-harre.
Dat stég\'re en stiek de kop oerein !
It beast wie hast it fel utflein !
Een nieuwkoop, doldriftig van natuur, die
weigerde aan te zetten, gelijk we dat meer zien,
als zoo\'n beest van den boer naar den burger
verhuist en voor een hem vreemd rijtuig wordt
gespannen.
Mar einling roun de guds dochs foart
En draefde dat it gounze,
Mar \'t karke krige in skewe hoart,
Dat \'t tsjin de moarre oan bounse.
De Dokter fleag by Jelte en Tnjn
Sa tiouerkant de glézen yn.
Hy skeat dér op \'e tafel del,
Dér op dat skoane iten.
Natuurlijk waren ze allen even verschrikt:
de patiënt schreide, Dokter kermde van de pijn,
En Tryn-moi wie sa fen de set,
It minske koe net sprekke;
Dy roun al nei it wetterfet
Wylst Jelte Dokter fette.
Dy sei: „Jy komme iïs kils net hein:
Der ha wy jou nou dochs yn \'t ein."
„Och heare!" spriek de Dokter do,
„Myn skouder is forritsen,
„Kin dalik nei de smit ta; to!
„Dy hat er mear ynlitsen."
Mar ear de Dokter spritzen hie,
Wie baes al foar de doarren.
Na onderzoek kommandeert de smid vier
der buren tot adsistentie, om den ontwrichten
schouder weer in \'t lid to trekken. Een pijn-
ljjk karwei, maar \'t moet!
Dér hongen liouer keardcls oan
En loeken dat se stinden;
De Dokter krollend as in swan,
Koap : „Duwels, beulen, vrinden /"
Mar einling ta syn great gelok
Fleag \'t wer yn \'t potsje mei in skok.
De smid spreekt nu van „een vonk in de
keel", die gedoofd moet worden; er wordt wijn
gehaald van Dokters huis en stevig gedronken, -,
ook door den zoon des huizes, den patiënt,
Dy sei: „Ik lei net op dit nest
Hie dér sok goed op \'t koalkleed west",
waaruit we mogen opmaken, dat hjj spoedig
geheel herstelde, maar de reeds gestrafte me-
dicjjnmeester treft nog den geesel der satyre van
een scherp gepunte pen.
Hja brochten Dokter meielkoar
De earm wat yn de doeken;
De frouliu kamen foar de doar
(Wat rabben se op \'e hoeken !)
En brochten him mei goed comfooi (als in op-
Yn \'t ein by jiffrou op \'e koai!              tocht)
De sjeas dy wie oan stikken slein
En brüntsje hie him redden,
Wie koegels feart nei Waexens flein
Oer hikken, dammen, sletten ;
Dér stoe er by in goede boer;
It pjalkc trille en wie oerstjoer.
En Dokter kui\'re yn Holwert om :
Dér mast er nou wol bliuwe;
Hy wie sa nuet, sa mak, sa from,
Roun trou by sike liuwe,
En as er by in sieke kaem,
Dan fleag er nea wer trog it raem.
/
/
/
/
y
■;.
/
y,
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
\'y
X
y
y
y
y
/
y
y
y
y
y
y
/
y
y
y
y
y
y
y


/
/
/
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
y
It Holograef,
dat wil zeggen een met eigen hand geschreven
testament — is een uitheemsch stukje, door
Dr. Eeltje ontleend aan den Neurenberger rij-
mer Grübel. De taal is Friesch, maar de por-
sonen en toestanden zijn het niet, waarom de
Dichter, anders dergelijke producten gewoonlijk
overplantend op eigen bodem, dit wijselijk laat
in den vreemde. Vreemd is ook de titel, die
kwalijk begrepen, niet aantrekt, te meer omdat
in dat duistere woord zoo gezegd „de slag van
den vuurpijl" schuilt. De korte inhoud is deze.
Een boer is in \'t bezit van een hond, een
booze bijter, zinnig, maar bizonder trouw en
gehecht aan huis, heem en meester; natuurlijk
heeft het beest dus zijn vijanden, maar
Besprekke koe him dochs net ien,
Ojin skoayer, gjin soldaet,
Of hwa \'t mar fon dit wirk forstoe,
It holp net har gepraet.
Ojin boarman liet er op it erf.
Hy tinge dalik nei de nerf,
En siet er har yn \'t hier
Krekt as \'t in fremde wier.
Door geen fluiten, vleien of lekkernij liet hij
zich sussen of verlokken.
Dy nei him ta doarst gean,
Dy snauwde er yn de klean.
Zoo had de trouwe „Frans", behalve den
boer en zijn huisgenooten, alle menschen tegen
zich. Hjj moest uit den weg en wat was een-
voudiger, dan een pikbal onder zjjn bereik to
brengen, waarover de boer al lang bezorgd
was geweest.
Op ieners wirdt de houn sa stil,
Hy sjogt sa sloeg, sa sleau.
Nou tocht de boer al om de pil
Eu sei: „dat divels reau!"
-ocr page 61-
- 55 -
In hounedokter, tige wiis,
Dy jowt him oalje yn mei tsjiis,
Dryakel, skrabbe bokkehoarn — (*)
It holp net! Frans dy maat er oan.
De boer kan den onbekenden moordenaar
van zijn trouwen hond niet treffen, die school
in \'t duister, maar hij zal het beest toch een
eervolle begrafenis geven. Dat acht hjj zijn
plicht.
In \'t holst van den nacht gaat hjj er mee
op weg naar den gewjjden doodenakker van
het dorpje en begraaft daar zijn Frans, in de
hoop, dat het wel geheim zal blijven. Doch
daarin rekent hij buiten den waakzamen school-
monarch, die \'s anderen morgens al vroeg het
versch gedolven graf ontdekt en op hooge
beenen naar de pastorie snelt, die in rep en
roer wordt gebracht, \'t Hoofd der kerke trekt met
den meester naar \'t verdachte graf. De dood-
graver wordt vervolgens ontboden. Terstond
moet hij komen. Men vermoedt en vreest het
ergste: allicht is er een moord, een vreeselijke
moord in \'t spel.
Lou loddeman, ter plaatse verschenen, wordt
bevolen het graf te openen.
Hy dolt en wrot, en ta beslüt
Loekt hy er Frans by \'t stirtein ut.
Nu is natuurljjk boer Michel ook spoedig
gevonden, die onmiddellijk gehaald, in scherp
verhoor wordt genomen en met zware straffen
bedreigd als de dader van het ongehoorde mis-
dadige feit, doch hij blijft kalm bij de fiolen
van den toorn, die over zijn arm hoofd worden
uitgestort door de verontwaardigde Heeren.
Op de bedreiging: Miehiel, dijn straf wirdt
swier !
antwoordt hij :
Hwet straf t Dy houn hat jou, minhear,
En dy twa, dy dér stean,
Ek yn gyn testemint betocht.
"Wel, wol jy yette mear ?
Want liit\' en tweintig goune, maet,
Is foar \'n houn in knap legaet.
Foar Lou en master elkmis tsjien,
Wie dat net krist\'iik dien ?
Die „twa" dat waren de schoolmeester en
de doodgraver.
„In houn, dy testeminte hat,
Dat liigt Miehiel.\'" Bei Lou.
„Wel, man, \'t is nei de nye wet,
En seiste dat \'k it nou?"
roept de boer weerleggend:
(*) Dryakel was in de vorige eeuw een zeer
gezocht geneesmiddel, naar men wil, uitgevonden
door den lijfarts van keizer Nero en uit wel 60
stoffen bestaande, w.o. honig en opium. In Turkije
wordt elk middel tegen een ziekte nog „Heriak"
geheeten. Skrabbe bokkehoarn zal denzelfden dienst
hebben gedaan als fijn gestampt\', doorgerookte ta-
bakspjjpen, een eeuw geleden tegen verstoppingen
aanbevolen en gebruikt.
It is in holograef.
Wie dat foar Frans net braef?
„Ja," is \'t slotwoord van „de belanghebben-
den", hoewel Lou het fijne er van niet gevat
zal hebben; ieder ontvangt zijn „legaet", al-
len zijn content, de zaak blijft blauw blauw
en Frans in gewijde aarde.
r
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
>
/
s
/
s
/
Yn Drachten net bekend.
Yn \'t tsjuster rekket men oan \'t malen;
Dat bart wol elts-en-ien;
Mar yn de moanneskyn to malen,
Dat is watte ongemien.
Yn Drachten wenne alear baes Minne,
In klokkemnkkersbaes;
De man wie oars fen Grou fen dinne:
Sa seit it uld releas.
Kroeg en kaarten hadden hem in zijn jonge
jaren de ouderlijke woning met een heet hoofd
doen verlaten. Hjj was te Brachten terecht
gekomen, „terecht" ook in dit opzicht, dat hij
zich aan do bedaardheid overgaf. Van knecht
werd hij spoedig baas. \'t Kroegloopen noemde
hjj nu \'t werk van den duivel en in de kerk
kreeg hij zelfs een eereplaats in \'t hek. Hij
toonde zich bij wjjlen wat trots op zijne be-
keering.
En dochs him léste jern in soepke,
"Want yn de oeleflucht,
Dan makke er soms al gau in gloepke
By \'n boarman, dy \'t forkoft.
Een vos verliest wel zijn haren, maar nooit
geheel zijn streken, zoo ging het ook baas.
Op een Zaterdagavond na gedaan werk en
bij helderen maneschijn, kwam de oude natuur
weer eens boven, die sterker bleek dan de leer.
Zijn vrouw, die \'t gevaar zag naderen, ver-
maande hem ernstig, toen hij voor de laatste
maal dien avond op weg ging om de klok bij
den predikant op te winden.
„De wyn en \'t bier forhuwgt de sinnen,
„De wyndruef groeit net foar de spinnen,
„En \'t koarn net foar de gies,"
Wie Domenys adviis.
Hét hete? ure daer ons frind, baes Minne?
Kom eerst mar na de klok.
Mi/n fyftigst jair sal just beginne :
Ik geef van daig in slok.
Zoo raakten ze samen smakelijk aan \'t ver-
tellen, onder een glaasje brandewijn op morel-
len. \'t Werd negen uur, toon de klokmaker
in de buitenlucht verscheen, allesbehalve vlug
ter been.
Den sei er ien : „De deaker, Minne.\'
Put pakje fait jou swier."
In oar die roap: „Dér giet er hinne,
„Hy hat do klok opwoun.
„Wat scil syn 41de Fock opspinne,
„As hy sa thüs komt joun."
-ocr page 62-
56 -
Ho koam üs Joldert yn de tiid
En waerd in greate bingel ?
Mei skriemen, tsjirmjen en gestriid;
Mei boalten en gehingel,
Dy net graeg nei de skoalle gong,
Mar iwig op \'e strjitte omhong ?
Al niunkenlytsen.
Ho waerd us Joldert in jongfeint,
Wat great fen holle en moele,
Dy as de hinnen, as it reint,
Him graeg yn luis forskoele;
Dy folie smoakte en oars net die,
Fen dit en dat to sizzen hie ?
Al niunkenlytsen.
Ho koam ds Joldert oan in wiif,
Al koe \'r de lea pas reppe,
En myen, onheholplik, stiif?
Trog \'t jild fen alde beppe.
Hy fryde lang, hy fryde sleau
Ear \'t hy oan \'t minske hingjen bleau :
Al niunkenlytsen.
Ho krige üs Joldert lytse bern ?
Krekt as al oare liuwe.
Hy sei altiid : „fen flaeks mat jern,
Dér matte spinsters bliuwe."
Om \'t oarde jier wie \'t wiifke grien,
Hja krigen dan in lytsen ien :
Al niunkenlytsen.
Ho rekke és Joldert yn de myt?
Trog tiid- en wirk-forachtsjen.
Sa rekke er beppe skiwen kwyt,
Trog seaftens, trog forsaehtsjen.
Hy iet en slepte wakkere swiet
En iet de boel op lyk it giet:
Al niunkenlytsen.
Ho kaem lis Joldert wer to riucht ?
De need dy learde bidden.
Hy joeg him waerlik net ut nocht
Oan \'t smeyon by de smidden.
Hy smeide riucht, hy suïcide krom,
Hy switte en waerd ek minder dom :
Al niunkenlytsen.
„Is it nou ut?" sei de smid. „Ja," sei Gabe.
„Nou, dat wirdt ek tiid niunkelytsen," sei baes,
„want as er in oar nammc foar stoe, dan scoe ik
niunkelytsen loauwe, dat it op my wie." „Niunke-
lytKcn !
Dér hawwe wy it al wer trye kear, baes,
Jou sizze it foar jou it wite. It wirdt tiid niiinke-
lytsen,
dat ik gean," sei Gabe. De feinten laken
dat se skodden en baes wie mar heal yn \'t skik,
mar hy „niunkelytse" mar foart, want it wie him
yn \'e moele bestoarn.
Onder Dr. Eeltje\'s „Sangkjes" voor \'t jong-
volk, vroeger vermeld, hadden we nog kunnen
en moeten plaatsen : (*)
Ybel en Jelke of it Boask op it üs.
Tollfjis fen tierren neifolge (1832).
Dér ried in gnap faem fen Siiwalde nei stéd ;
Hja wie sa opstreake, sa tsjep en sa gléd;
(*) Door een verzuim van den zetter is dit niet
geschied.
In trédde «ei: „Baes hat him rekke,
„Dat hat er net fen spek!
„Dy ken him alderwetsk tasprekke.
„Moarn git er wer yn \'t hek."
\'t Slot vnn do „Geschichte" werd een dui-
keling in de opvaart, gevolgd door oen angstig
geroep om hulp. Zjjn buurman stak de red-
dende hand naar hom uit met de woorden:
„Mat jou hjir yn \'e Dwearsfeart rinne
En \'t moanrsje skynt sa glean !"
„Och," sei er, „\'k bin fen Grou fen dinne,
Yn Drachten net bekend!"
Op dit dwaze verlegenheids-excuus klinkt
het klemmend verwijt:
Al fjirtig jier yn Drachten wenne
En net bekend mei \'t paed!
Bij den wal opgetrokken, werd hij in huis
gebracht.
Dér mast er oan de lonte roeke ;
Want alde Foek joeg fonk.
„Och ! kibjen ha ik net fortsjinne,
„De kweade hat my dreaun,"
stamelde Minne, maar zijn vrouw beet hem
toe: De kweade dy sit yn de flesse, dij jowste
siel en liif.
Mar baes dy waerd mar hird forskjinne
En do nci béd ta treaun.
Seis wiken waerd him nou it hekje
Nei tsjerketucht forbean.
Dit was zijn loon of liever zijn straf en
Sjogt men nou \'ris immen dwalen,
Dy \'t hynzer yn in steeg op ment,
Dan geit men : Sjog dy man ris malen,
Dy is yn Drachten net bekend!
Niunkenlytsen,
een woord, dat zooveel beteekent als „van lie-
verlede", is een van die rijmen in lijst, met
voor- en nawoordje in proza, gelijk Dr. Eeltje
er meer heeft gegeven en waarin hij immer
iets „eigens" weet te leggen. Die lijst doet
goed en verhoogt niet weinig de waarde van
\'t portret, dat hier van oon smid wordt gego-
ven door den onuitputtolijken Gabe-skroar, de
tweede hand van, Dr. Eeltje.
Dér wie yn de tiid fen Gabe-skroar in smid to
Witmarsum, dy altiid it wird niunkenlytsen yn \'e
moele hie. Hy hie it wakker drok mei hynstebe-
slaen, dat syn soan fiks dwaen koe. Hy hie Gabe
\'ris in heele dei oan \'e praet halden trogdat er sa-
folle oanrin hie en ek omdat er Gabe graeg praten
hearde en dan niunkenlytse baes mar foart. Hy hie
Gabe syn libbensgong forhello en dy wie al niiwer
west; want howol er nou in knap man wie, sa
hie er mar in loayen sliinsfet west. Noait kaem
Gabe dér, of\' hy plenge Gabe om him in rynike
fen sines foar to lésen. Einlings sei Gabe: hark
dan mar \'ris! De feintcn leinen de hammer del
en de poester stoe stil. En do lésde Gabe dit
rymke op:
<
\'■
/
/
/•
f
/
/
/\'
s
\\
-ocr page 63-
57 -
Hja waeide en hja swaeide sa flink oer it wiid,
En ried mar mei alle de fammen om striid ;
Hja wie sa fornimstig, ga prot en sa wiis.
En seag nei gjin redens en 6eag nei gjin iis;
Hja gliid er mar hinne en tocht nearne net om,
It hertsje dat wie har sa nommel en rom.
Zoo dreef ze voor den wind de Langemeer
over, uitgelaten vrooljjk tegen de meisjes, die
haar tegenkwamen, ingetogen als het jongelin-
gen waren, waarvan ze niet scheen te willen
weten.
Plotseling hield ze stil. Ze had haar .gou-
den kroontje" verloren, een kostelijk aanden-
ken van haar grootmoeder. Doodsbleek van
schrik stond ze een oogenblik in gepeins en
keerde eindelijk ontsteld terug, om het te zoeken.
Hja skrepte en hja snuwde tsjin de eastewyn op
En poeste as in man mei it kin op it krop.
Dér dreauke fen tieren in feintsje har oan,
\'t Wie Jelke, de Birgumer bysitterssoan,(wethouder8-
Dy roap al : „Wel, honke, ho rydste sa hird \': [zoon)
Ei fanke, kom strtn wat, en sprek \'ris in wird."
Schreiend vertelde ze haar verlies en troostend
kreeg ze van hem te hooren, dat het kroontje
al gevonden was en bezorgd op Al tinborg. Zij
geloofde hem niet, waarop hij antwoordde : dan
zal ik met je meegaan :
„Liz op mar dyn hun, kom liz op mar om nocht."
Dér rieden so hinne as in foegel dy fljocht!
It hearren en sjen wie har omtrint forlern,
De holle dy gonze en dy soeze der fen.
En krekt as in laem yn de tinne wol docht,
8a sprongen se oer dykjes en ronfels ilt nocht;
En kamen se feinten en fammen neiby,
Dy swaeiden se en swongen se as ljippen foarby.
Zoo kwamen ze te Altenborg. Hij bestelde
den kastelein een hartsterking.
En Oebele dy skonk har in gléskefol yn
En Jelke dy muozze er it kroantsje by yn.
_ lliiboes, nou jong famke ! kom bring my ris ta:
In rider dy swit, komt in dripke wol ta!"
Dér foun hja yn \'t gléske har kroantsje werom !
Wat waerd it dat famke do noflik en rom !
It brochte har sinnen alheel wer yn stjoer,
Hja flyde har smoekjes by \'t knappende fjoer.
Hie \'k nou mar myn strinkje mei gitten ek wer!
gaf ze hem smeekend te verstaan; lachend en
schertsend gingen ze samen ten dans en zij vond
Jelke wat aardig jegens haar.
Hja hoalle en hja luestre en hja hie him sa 1 jeaf
En klamm\'re om him hinne as de brin om \'e skeaf.
„Wel, Ybvl," sei Jelke, „is \'t dy derom to dwaen,
Dan ride wy mar nei de Ljouwerter baen."
Hja moasten noch earst op de Froaxkepolle oan,
Dér smakket in minsk boerekofje sa skoan.
Hja rieden nei stêd en koften in string
En riden nei luis ta, en üt is it ding.
Want Ybel en Jelke, dat waerd er in span :
Hja socht om in kroantsje en hja foun in tsjep man.
Als gezegd, is „de idee" van „it Kroantsje"
ontleend aan Tollens, een tijdgenoot van Dr.
Eeltje, die twee jaren voor hem is heengegaan
en met wien hij in menig opzicht kan worden
vergeleken, reden waarom we er even bjj wil-
len stilstaan. Beiden gingen ze in de leer bij
Duitechland, de Fries bij Hebei, de Hollander
bij Clandius, beiden wisten ze meesterlijk te
vertolken, wat uit den vreemde door hen werd
opgenomen en zich daarvan dra geheel los te
maken, zoodat ze op eigen wieken omhoog zijn
gedreven. Niet omhoog in den zin. dat ze
onzichtbaar werden voor de menigte, intogen-
deel, zij bleven omlaag en onder het volk, dat
ze wisten te boeien, waardoor ze beiden den
eerenaam van „volksdichter" mochten behalen.
Van Tollens wordt gezegd: .hetzij hij de
huiselijke gebeurtenissen viert of een liefde-
geval verhaalt, hetzij hij den boezem voelt
zwellen bij den roem der vaderen .... steeds
deelt liij moed, troost en geluk mee. Hij bezat
bij uitstek dien open zin voor het eenvoudig-
harteljjke: hij gevoelt, wat poëzie er kan lig-
gen in de geringste uiting van het leven, in
iedere beweging van het kind, in elke hande-
ling van de moeder; in de bezorgdheid zelfs,
in de vreeze, in den angst, zoowel als in het
genoegen, in de vreugde, in het geluk.
Wat mannelijke verrukking de ziel des va-
ders doortrilt, waar zijn kind de smart van den
eersten tand heeft doorstaan (it dom fearnsjier);
wat weelde er hemelt in \'t moederharte, sta-
rende oj> haren sluimerenden lieveling (widze-
sangeni en die verrukkingen en weelden door
honderd dergelijke toestanden verhonderdvoud,
elkander afwisselende en opvolgende, en daar-
door altijd nieuw en immer frisch — duizen-
den onder ons gevoelen, genieten, waardeeren
dat, worden er door gezaligd — maar al trilt
hét hun op de lippen, zij vinden het woord
niet om het te uiten. Tollens sprak het uit.
\'t Begeerlijke van het land boven de stad,
het denkbeeld is meer dan oud, maar Tollens
(even als Halbertsma) heeft het weder nieuw
gemaakt. Uit zijn verzen spreekt een onbevan-
gen rondheid, een open hartelijkheid, een ge-
zond gevoel en een kloeke zin."
Zoo getuigt Hofdijk en de woorden van Prof.
Beet» bij Tollens\'1 verscheiden, konden ook gel-
den bij den dood van onzen Frieschen zanger :
„Een welluidende harp was ter zijde gezet, een
welbeminde stem had opgehouden zich te doen
hooren. na meer dan dertig jaren de lust en de
liefde van de Friezen te zijn geweest."
Loonend schijnt ons een vergelijkende studie
tussehen deze beide volksdichters en geestver-
wante tijdgenooten, hier minder op hare plaats
en niet aan de orde.

/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
f
/\'
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
\'/
/
/
/


-ocr page 64-
— 58 —
\'            „Hwet darkert komt dér oan ?
f?             Dy moat ik wol ris praeye.
\'            Ei, \'t is lis masten soan; (dokterszoon)
•?           Dy is hjir komt to May e.
Dér haw ik al fen heard;
Dat moat in knevel wêze, (een baas)
Yn \'t masterjen trogleard ;
Dy scil us hjir genêze.
Dei, Dokter, dei myn freun!"
Sa komt men dy tomjitte.
Zoo spreken de dorpelingen den geneesheer
z aan, die zich pas heeft gevestigd, wil de dich-
/ ter zeggen of liever de dokter, die van zich
/ zelven getuigt:
Ik haw dat gwiet ek preaun,
Mar \'t mei gjin swiet mear hjitte.
Dyn eare is heeg en great,
\'
            Dat wol ik heel wol witte.
\'           De pleagen fen dyn steat
Myn freun, dy komme yette.
Ik haw dat «wiet ek premin,
Mar \'t mei gjin gwiet mear hjitte.
In onderscheidene stukken van Halbertsma
proeft men den Dokter, die van recepten, ge-
neesmiddelen, pattetiten en kwalen het fijne
weet. Allicht is hij in zijn praktijk van menig
lachwekkend tooneeltje getuige geweest, door
hem au fond gememoreerd en met talent be-
schreven, als in „de reis nei de jichtoasters",
„de aldkies fen Pybe-omme" en m. a., waarin
de medicijnmeester zich doet kennen. Hoe hij
dacht over \'t beroep zelf, vinden we berijmd
in het gelegenheidsdicht: Oan myn freun Ger-
hard run der Meer, do V htj de heegste dich-
terlyke earetreppen bekleau.
Het woord „dïch-
térTyke" in dezen titel zal niet ieder direct
duidelijk zijn. Hoewel er vooral in gedichten
dikwijls iets te vragen of te raden valt voor
den lezer, komt dit merkwaardig zelden voor
bij onzen Frieschen zanger, wiens stijl en voor-
stelling immer klaar en duidelijk zijn.
In „ólrf-Jok-om\'s Swealtsje Forjif zijn een
paar verzen minder gemakkelijk te vatten en
ook werd ons wel eens opheldering gevraagd
van de eerste vier regels in dat overschoone
voorwoord, waarmede het boek : Leed en Wille
wordt ingewijd, luidende aldus:
As it gelok mei toezen blommen
Us om de kroeze lokken waeit,
En \'t wyld gemoed, forwend fen \'t krommen,
It swirk net sjogt, dat oer him swaeit;
Dan komt it leed mei toezen pleagen
En boeket üs forbolgen hert;
Driuwt skerpe triennen üs ut de eagen;
Wy wirde wiis mar faek to let.
\'t Duistere schuilt in den derden regel, waar-
van we den zin aldus meenen te moeten ver-
klaren, „\'t Wyld gemoed" is de dartele, on-
bezorgde zin, die kenmerkt de dagen van jeugd,
geluk of voorspoed, waarin men niet omziet en
niet opziet, maar hollend voort- en wel eens
door de bocht gaat (forwend fen \'t krommen),
niet denkend aan \'t dreigend zwerk, dat nadert
met leed en plagen. En wanneer die ons tref-
fen, komen nadenken en berouw, maar dan is
het reeds te laat:
Wy wirde wiis, mar faek to let.
\'t Woord „dichterlyke", waarop we zooeven
wezen, slaat hier op den „dokterstitel", die
zjjn vriend behaald heeft en dezen plaatst als
\'t ware boven op den berg van eere en geluk,
doch in de praktjjk gekomen, zal hjj het proza
van de koude werkelijkheid leeren kennen, er-
varen dat de rozen doornen hebben. Dr. Eeltje
weet uit eigen ervaring te spreken.
Hij laat den nieuwen dokter begroeten door
den dorpeling en schildert verder de schaduw-
zijden van zijn beroep en de teleurstellingen,
die hem wachten.
* *
*
Men komt dêr den fen Grins
Allyk in banjer stappen;
Men libbet as in prins
Forhellet fen syn grappen;
Ho men studearre het,
Ho folie tsjokke pongen
Men het op rinte set,
Ho dounse faek en sprongen.
f         De jonge dokter heeft meegedaan en leeft
\'     nog in \'t verleden als hij spreekt over dien
f:     heerlijken studententijd. Thans zelfstandig op-
\'     getreden, bezielt hem de gedachte: Nou ha \'k
.     it woun ! en zal de ware gelukzon eerst rijzen.
/            Dou sjogst hast nei de moanne,
/            En stapst\' de hoarren roun
/            Allyk in nytlig hoanne.
\'        Overgelukkig gevoelt zich de jonge medicus,
,     in \'t volle besef van zjjn waardigheid en be-
z    teekenis, maar ....
*               In wike fiouer, fiif,
\'             Mei sa dyn wille doarje,
\'             Den scil in rabbig wiif
*               Dy oer oerdwealskens skoarje.
■ Wat ze aan te merken heeft ?
y              „Dou praetste heeg en krom,
/              „Dou sjogste greatsk en skrillig;
s            „Dyn broek is har te rom,
,            *Dyn moetze stiet te tillig (te wif, te weinig
/            „Dyn dranken binne dioer,                  ernst)
,            „Dou sjogste net nei \'t wetter,
,            „ Dou haldste har oan \'t snoer :
/            „In oar dy wit it better.
/            «Dou seiste har ek neat,
/            «Dou wost har neat forklearje,
y            „Dou telste har gjin eart,
^            „Dou wolste har regearje."
\' Dit alles wordt den nieuwen dokter na en
\' op zijn brood gegeven, doch
Dit komste yet al oer,
Al smakket it wat soer.
-ocr page 65-
59 —
gemeester Mr. Johannes Muiier, waarop we
elders zullen wijzen, en het tweede op
Batheany\'s dead,
waaruit we hier een extract laten volgen.
Het is gedateerd 1849 en uit den oorlog van
Oostenrijk tegen Hongarije.
Hongarge,s eed\'le lieder,
Batheany, is nou wei;
Kruwd en lead fen kroande beulen
Naem him fen diz\' ierde wei.
Roaf kaem by de moarderye
En min stiel syn skatten ek ;
\'t Earst geslacht fen Hongarije
Moast yet oan de biddelsek.
De Hongaren vochten zich vrjj, maar
Nou kaem Kuslan mei syn benden
Ut it roege noarden op,
Om it folkenriucht to skenden
Mei de koegel, mei de strop.
Hwet net fluchte koe moast stearre,
Want genade wie er net.
Batheani/ is formoarde
Foar de fryheit fen syn ryk;
Hongarye is forplett\'re,
Fryheits-stander leit yn \'t slyk.
Heel Europa is fol woede
Om it yslik grouwelstik;
Mar de wraek komt mei syn roede :
Trilje den, tyrannen, skrik!
Ienris scil de dei oanbrekke
As in swarte tongerwolk;
waarin de vrijheidszon zal gloren.
De eed\'le deaden, jn dy swye,
Mar har geast dy libbet yet.
Iloapje, o Ongersman en Polen !
Yette is it tsjust\'re nacht:
Leit de fryheit nou forholen,
Ienris komt se onforwacht!
Dit is het eenigst rijm van onzen Dichter
aan de politiek van den dag gewijd, \'t welk in
druk bewaard is gebleven. Wel heeft hij in
deze roerige jaren de hoofdmannen derconser-
vatieve partjj in ons Gewest scherpe verwijten
naar \'t hoofd geslingerd, o. a. de Friesche Le-
dec der Tweede Kamer, de heeren Oosting en
Engelen, toen zij stemden tegen de afschaffing
der slavernij, doch deze rijmen zijn wijselijk
niet opgenomen onder zjjn geschriften van
blijvende waarde, evenmin als een ietwat boos-
aardig stukje op den „Griettnampoxt", waarin
\'t gemeentehoofd met scherpe roeden gegeeseld
wordt, wat genoegzaam kan blijken uit het
slotcouplet:
Sa\'n hounebaes fen \'t Heegbestjür
Is op üs tigchelwirk;
Dy is by alle Friesen oer
En heurt nou by de Turk!
\'t Is \'t ergste niet, je laat ze maar praten.
Mar einlik kriggest wirk
En \'t wol dy byster flotsje,
Stean fést nou as in Turk!
Nou meist dyn kop wol hotsje.
Je wel op scherp zetten, om staande te blij-
ven, dat is kalm en rolvast. Stel je voor:
Dou biste swiet yn \'t sliepen,
Bedobbe, yn \'e soes,
Pomp, gau! de doar mat iepen.
Daar wordt gehamerd op deuren en vensters
■en geroepen:
„Och man, ik bin sa kei, (verschrikt, ontzet)
„Us beppe, lis tilde beppe
„Foei by de ljedder del;
„To, Dokter-heite, reppe!"
De dokter verschrikt uit zijn eersten slaap
•gewekt, gevoelt zich alles behalve prettig ge-
stemd.
I\'raet tsjin en bêddet del,
maar \'t baat hem niet, tegen wil en dank
moet hij mee, weer of geen weer, lust of geen
lust.
Maar erger nog
Dêr leit in rike kwast
Dy hat him ris foriten.
Klean op nou mei in sprong!
Lit earme ljouwe stearre!
Hy twingt dy mei syn pong,
Dat lit er dy wol hearre.
En gevoelen tevens.
OarB neamt dat folk dy loai,
dat zi-lf niets anders heeft te doen dan te
eten en te... . sterven.
Dat maste liearre boi!
Ja opswolgje en fortarre,
Jild krigest\' einlik ek, •
Mar \'t kin dy net formeitsje:
Dou bist lyk as de f rek,
Dou meiste er net oan reitsje;
"Want sa freun is dyn steat
Mei \'t griisjen fen dyn jierren.
Is dat nou den de kroan
Fen al dat swiere bodsjen
Nachts ta de iere moarn,
Dér \'n oar yet leit to dodsjen ?
Neen, roept de dichter-dokter ten slotte, uw
kroon en loon zult ge vinden, niet in geld en
eer, maar in de zalige zelfvoldoening, dat ge
in nood en dood uw evenmensch en bovenal
den arme hebt bijgestaan met raad en daad.
>

/
s
/
/.
/
/
/
/
/
>

/
/•
/
/
/
/
/
/
/
/
/
y
v
/
\'/
/

/
/
/
/
>
/
/
/
/
/
/
/
/
.i
>
/
\'/
De eed\'le deaden, ja dy swye,
Mar har geast dy libbet yet.
Wij hebben ten slotte onder deze rubriek nog
melding te maken van twee gelegenheidsge-
dichtjes, het eerste op den Bolmrarder oud-bur-
-ocr page 66-
, Ut» Y
60
Hij zijn versterven in 1858 schreven de
Nieuwsbladen:
„Op den 22 dezer is te Grottw in omstreeks
60-jarigen ouderdom overleden de heer Eeltje
Hiddes Halbertsma,
vroeger med. dr. aldaar,
laatstelijk te Leeuwarden woonachtig. (*) Zijne
vrienden en talrijke vereerders betreuren in
hem een voortreffelijk dichter en volksschrijver,
die met zijn broeder, ds. J. H. Halbertsma, te
Deventer, door de uitgave van de Lapekoer fen
Gabe Srroar
en andere geschriften een belang-
rijken invloed hebben uitgeoefend op de nieuwe
friesche letterkunde, ja, die haar uit haren
vroeger verachterden toestand hebben doen
herleven en in kracht gesteld. Door hunne
schoone verzen, geestige verhalen en naïeve
voorstelling hebben zij toch bewezen, dat de
friesche taal voor alle soorten van schrijfstijl
geschiktheid bezit. Daar hunne geschriften
onder alle standen den meesten bijval verwier-
ven, hebben zij krachtig medegewerkt tot ver-
levendiging van der Friezen volksgeest en goe-
den smaak. Vandaar, dat de gevoelvolle dich-
ter van It Marke, it blomke Tink oan mij, de
SwuHueblommen
en van de Winter yn it wet-
terlun
nimmer vergeten, maar altijd op hoogen
prijs geschat zal zjjn."
Dat we dit toonen met de daad, het gevierde
eeuwfeest in gedachtenis blijve en de Alde Terp
daarvan getuige aan het nageslacht!
Hekuexvee.n, Mei 1898.
J. HEPKEMA.
Wij zijn aan \'t einde onzer beschouwingen
over Dr. Eeltje als „ Dichter". Over enkele
verspreide stukjes, deels Hollandsen, deels
Friesch, zoomede over zijne uit het platduitsch
vertaalde „rymkes" van Klans Groth, alle van
minder of geen poëtische waarde, hopen we
later nog een woordje te zeggen.
Wij sluiten thans met de mededeeling, dat
al de stukken van en over den ge vierden
dichter, sedert October in dit Blad geplaatst,
bijeengevoegd zijn tot een bundeltje, \'t welk
binnenkort in \'t licht zal verschijnen.
Wij wenschen het beschouwd te zien als een
Gedenkboekje aan den honderdjarigen geboorte-
dag van den dichter en hopen uit de opbrengst
dezer uitgave de kosten te kunnen bestrijden
voor een gedenkteeken te zijner eere, te plaat-
sen op «de alde Terp", sedert zijn versterven
herschapen in een doodenakker, met heerlijke
plantsoenen van nieuw leven en van stedelijk
aanzien. Wanneer het idee instemming mocht
vinden en in de uitvoering geen bezwaren ont-
moet, zullen we bij de verschjjning van \'t werkje
onze plannen nader in \'t licht stellen.
Sedert de schepping van ons ge-
slacht behaagde het moeder na-
tuur eenige weinige uitverkorene
kinderen aan de opgetogene aarde
te toonen, welke zij het hart eener
dichter geschonken hadde.
rGy.ibert is er een van," sprak Joost in 1823,
mede ten aanhoore van zijn broeder Eeltje, die
er een van zou worden en geweest is en wel een
dichter in den volsten zin van \'t woord.
*
(*) Op het Vliet, waar hij vrije kamers had bij
een ambtenaar ter Provinciale griffie.
wv......
BLADWIJZER.
lil.M-/.
Bi.
AI)/..
Bl.AOZ.
mm.
29-
—30. Xieuwjaarswenschen.
46.
Merkesangen.
1.
Voorwoord.
30
-32. De Rottelwacht, In Trien,
47.
It Pelsriucht.
2
- 4.
Leedzangen.
It liet fen in earm man en
48.
Twa boeren en de skrie.
4-
- 6.
Vaderlandsche zangen.
Twa berntsjes yn \'t Wiild.
49.
Franske turven en Oranje-
6-
-11.
Liefdezangen.
bitter.
11-
-15.
Bloemen, lente en jeugd.
luik of -::::
51.
De wylde ruter fen Dok-
15-
-16.
Waterzangen.
34. Jonker Piet.
kum.
Ui
-19.
Wiegezangen en „Telkes".
35. Ald-Jan-om.
53.
De rimpene Doktersgong
19.
Eigen jeugd.
36. Dokter-om.
54.
It Holograef.
21.
De Winter yn \'t Wetterlan.
37. It Boask ti og de skoarstien.
55.
Yn Drachten net bekend
24.
De Langeslettemer-man.
38. Sint Pontjer en syn wiif.
56.
Niunkenlytsen.
25-
-29.
Gelegenheidsrijmen (Bes-
38. Ald-Orealt-omme.
56.
Ybel en Jelke.
linga, Gysbert-om, Oan Pe-
40. De Mime skine.
58.
Oan myn Kreun vd. Meer
trus, Wolkom yn Fryslan
41. Murk fen Ypecolsgea.
59.
Batheany\'s dead.
en Ofskied.)
rmae
44. Skutterssangen.
i
! \'il •
n-e Tcal- en bJlerkunü\'.
60.
Naschrift.
aan de Rijksuniversiteit.
Ie Utrecht