-ocr page 1-
-:«*
& <#-
\'^S^
">               »C
:?*£• •
•\'*<*
-s„ •< v
*^
*vw. /.
2f T v"^V/*<
r i.
-ocr page 2-
ï*i \\OZQ
YA
\'5
Kast 190
PI. H N°.10
-ocr page 3-
-ocr page 4-
,
h.
:
.
-ocr page 5-
&,
2)e Kondenvriend.
CEILLUSTEKBRD HANDBOEKJE
VOOR DE
verzorging en verpleging van den bond.
Naar het Hoogdnitsch van M. J. Schnster
DOOR
J. H. BEEKMAN Bzn.
ZUTPHBN.
SCHILLEMA.NS & YAN BEIKUM.
ïhiomo\'s Boek- oa Muziokbaiidel.
-ocr page 6-
GEDRUKT BIJ O. J. THIEME TE ARNHEM.
-ocr page 7-
INHOUD.
Bladz.
I. Inleiding.................        1
Algemeenheden..............       1
II. De opvoeding...............      20
u. In huis. . .......... . .      20
b.  In den dwinger..............      82
c.  Geschikte tijd voor het opkweeken......      36
d.  Keus der op te kweoken honden ... . .      36
III.    Uitwendige behandeling:..........      38
«. Het kammen. . . . •..... . .      38
b. Het wasschen.............     40
v. Zindelijkheid van den hond.........      42
d. Ongedierte..............      48
IV.     Voeding..................      46
V. Het fokken................      52
a.  De reu................     53
b.  De fokteei\'..............     55
c.  De dektp. ..............     60
d.  De drachtige teef............      60
e.  Het werpen..............     61
VI. In- en verkoop..............      65
VII. Verzending................      69
VIII. Het africhten of dresseereu..........     72
IX. De dressuur van jachthonden........      97
Het staan voor het wild..........      98
De alleen zoekende hond..........    103
-ocr page 8-
Bladz.
Ras-typen.................107
Do Mastilf. — Do Sint-Bernardshond. — De Newfound-
landor. — De Leonberger. — Do Dog. — Do
Sohotscho herdershond (Collie). — De Duitscho
herdershond. — De Istrische herdershond. — Do
Torriors. — Do Duitscho pinschor. — De Dalma-
tische hond. — De Maltezer. — De Poedel. — De
"VVindhond. — De Bloedhond. — Het Schipperke. —
De Deerhond. — De Engelscho Pointer. — De
Duitsche staando hond. — Do Setter. — Do
Spaniols. — Do Dwerg-Spanicla. — Do Japanscho
Chin-Hond. — De Dashond. — De Keeshond
(Spits). — De Mopshonden. — De Bulldog. —
Ziekten.................162.
Bloedwateren. — Diarrhee. — Do Druiper. — Gebrek
aan eetlust. — De hondenziekto. — o. De catarrhalo
hondenziekto. — b. De gastrische hondonziokte. —
e. De nerveuze hondenziekto. — De Hondsdolheid. —
Krampkoliek. — Lintwormen en wormen. — Oog-
ontsteking. — Oorworm of oorkanker. — Spruw.—
De Staar. — Do Typhus. — Uitslag. — Ver-
stopping. —
-ocr page 9-
I. Inleiding.
Algemeenheden.
Geen dier ter wereld heeft zich zoo algemeen de gunst
der menschen en bijgevolg zooveel liefhebbers en vrienden
weten te verwerven, als de hond. Hij heeft zich aan alle
mogelijke, zelfs aan de meest verschillende invloeden der
natuur weten „aan te passen", waardoor zich naar de on-
derscheiden behoeften en wenschen van den naar afwisseling
hakenden mensch zoo vele en zoo verschillende rassen hebben
gevormd, dat in dit opzicht zeker geen hondenvriend of
vriendin onbevredigd behoeft te blijven.
Alle honden zonder uitzondering, van af den kleinen,
levendigen Toy terriër tot den dog, den St. Bernards-
hond enz., alle buigen zich, wanneer zij oordeelkundig
worden opgevoed, naar den wil van hun heer, den mensch;
ja, zij leeren zelfs diens zwakke zijde kennen en weten
daarvan niet zelden in hun voordeel partij te trekken. Men
lette bijv. maar eens op de lievelingen der dames, wier
zitplaatsen zij in den regel met de hunne verruilen, wier
slaapkameraad zij niet zelden worden, en men zal van de
waarheid mijner bewering overtuigd worden.
Zoo groot het verschil in lichaamsvorm is bij de hon-
den, zoo groot of nog grooter zeker is ook het verschil
in talent en natuurlijke begaafdheid, die zich ontwikkelt
De Hondenvriend.                                                                         1
-ocr page 10-
M A S TIF F.
-ocr page 11-
i
overeenkomstig de bestemming van het dier en op zijn ge-
laat staat te lezen. Men vergelijke slechts het verstandige
oog van den poedel of Terriër met den knorrigen en
respect inboezemenden blik van den opgewonden dog of
met de onheilspellende, uitdrukking van een diep gespleten
buldogsgelaat, dat ook reeds zonder dat onheilspellende den
vreesachtige schrik aanjaagt. En welk een enorm verschil
openbaart er zich, als men dien blik vergelijkt met het
trouwe, verstandige oog van den herdershond of fermen
jachthond! Onvermoeid loopt de herdershond rondom de
kudde of langs de randen van een weide of akkerveld, zijne
oogen zoowel op de kudde gericht als op zijn meester, om
bij de vervulling zijner moeielijke taak toch niet in \'t minste
te kort te schieten. Hij verstaat ieder woord, ieder teeken,
ja, zelfs de uitdrukkingen van diens gelaat, en niet zelden
brengt hij het zoo ver in de vervulling van zijn ambt, dat
hij alleen de kudde over dag weet te geleiden en des avonds
getrouw weder huiswaarts voert. En hoe verheugt zich de
goede jachthond, wanneer zijn meester de jachtlaarzen aan-
trekt en het geweer over den schouder hangt! En hoe tri-
omfeerend danst hij eindelijk om het gedoode wild, dat hij
misschien zelf opgespoord, of aan de voeten van zijn meester
nedergelegd heeft! Welk eene. verbazing en bewondering
dwingt niet de dressuur der circushonden ons af!
Bij al deze zedelijke eigenschappen van den vriendelijk
en oordeelkundig behandelden hond, als: aanhankelijkheid,
getrouwheid, dankbaarheid, geduld, zelfopoffering, enz., —•
zoovele bewijzen van hun verstand, geheugen en verbeel-
dingskracht — zou men eigenlijk tot de slotsom moeten
komen, dat de houd in den mensch niet anders dan een
vriend moet hebben. Toch, helaas, is zulks niet het geval!
Menigeen is hondenliefhebber, doch op verre na nog geen
-ocr page 12-
3
honden vriend; hij ziet in den hond slechts een dienstbaar
dier, dat beloond wordt naar \'t geen hij verricht, naar zijnen
arbeid. Komt dat dier, in de meening zijn plicht gedaan
te hebben, vroolijk kwispelstaartend bij zijn gestrengen mees-
ter, die zich ook nog wel onder de hondenvrienden zou
willen rangschikken, dan wordt hij menigmaal met scheld-
woorden, slagen en schoppen verwelkomd.
\'t Is niet voldoende, dat hij den mensch, voornamelijk
den arme, als last- of trekdier dient, den blinde tot leids-
man verstrekt, den scharenslijper zijn wiel, den kleinen
veehouder zijn karnmolen in beweging brengt, hij moet bij
een soms overgrooten last ook nog zijn meester trekken,
onverschillig hoe de wegen zijn en of hij zulks kan of niet,
terwijl hem menigmaal na zulk eene ongehoorde inspanning
nog slechts halve of slechte kost of zelfs een dracht slagen
wordt toegediend, om maar niet te spreken van het arm-
zalig leger, waarmede hij zich, thuis zoowel als onderweg,
moet tevreden stellen.
En toch vergeet de hond, zooals geen ander dier ter
wereld, alle onbillijkheid en slagen, welke hij verdiend of
onverdiend van zijn meester moet verduren, terwijl hij
integendeel niet vergeet die, welke van een vreemde hand
komen. Vroolijk springt hij van zijn leger op, als hij be-
merkt, dat zijn meester zich gereed maakt om uit te gaan;
vroolijk als geen lid der familie begroet hij dezen bij diens
thuiskomst; vroolijk gaat hij weder aan zijn, dikwijls zoo
slecht beloonden arbeid: alles alleen uit liefde tot zijn
meester, voor wien hij in het gevaar zelfs zijn leven laat.
Even groot als deze liefde tot zijn meester is, zoo groot
is ook zijn haat tegen diens vijanden; ja, hij herkent zelfs
het eigendom van zijn meester, huis en hof en alle voor-
werpen, welke eens in diens bezit waren.
-ocr page 13-
4
Hoogst bewonderenswaardig is de richtingszin en het
geheugen van den hond. Den eenmaal afgelegden weg vindt
hij zeker weder, en in dat opzicht kan men hem gerust
volgen. Den moordenaar, den dief herkent hij na jaren weder,
en daardoor is hij dikwijls de ontdekker van moordenaars
en roovers geweest.
Al deze uitstekende eigenschappen, die geen instinct zijn,
maar uitingen van het zieleleven van den hond, geven
dezen zeker boven alle andere dieren rechtmatige aanspraak
op eene plaats naast den mensch. Moet het daarom niet
onze plicht zijn, hem dienovereenkomstig te verzorgen, te
behandelen en hein die plaats af te staan?
En toch moeten we eerlijk — doch niet tot onze eer —
bekennen, dat de verhouding tusschen den mensch en den
hond nog lang niet de juiste is, ja, dat die in vroegere,
tijden zelfs veel gunstiger was dan tegenwoordig.
Vreugde en droefheid deelt hij met zijn meester; vol
deelneming ligt hij voor diens ziekbed; tot stervens toe is
hij bedroefd over het verlies of den dood van zijn heer;
hij weigert elk voedsel; terneergebogen, met hangenden
kop en staart, met droevige, dikwijls met betraande oogen
volgt hij de lijkbaar van zijn heer; ja, er zijn voorbeelden
van, dat een trouwe hond gedurig het graf van zijn mees-
ter bezocht, zich daarop neerlegde en stierf; getrouw als
hij met zijn meester vereenigd was in het leven, was hij
het ook tot in den dood.
De hond en de mensch stonden in vroegere tijden, en wel
in \'t bijzonder in de aanzienlijkste familiën, veel nauwer
tot elkander in betrekking dan tegenwoordig, zoodat zijne
uitstekende eigenschappen, vooral zijne aanhankelijkheid en
trouw, hem aanspraak gaven op de onsterfelijkheid. We
laten hier enkele voorbeelden uit de geschiedenis spreken:
-ocr page 14-
Koning Hendrik III van Frankrijk had een zoo grooten
hartstocht voor honden, dat hij daaraan groote sommen
gelds verspilde. Hij was steeds vergezeld van een aantal
uitgezochte Lyoneesche hondjes (overeenkomende met de
tegenwoordige Bologneesche dameshondjes), en voerde soms
zelfs enkele van hen in een korf\' mede, welke hij aan een
koord om den hals droeg.
Jakobus II, Koning van Engeland, openbaarde zijne groote
liefde voor en de waardeering van zijne honden en generaal
Marlborough op de volgende wijze : Bij gelegenheid van een
storm op zee, die alles dreigde te verzwelgen, riep Jakobus,
den matrozen toe: „Kinderen, redt mijne bonden en Marl-
borough l" Aan zich zelven dacht de goede man eerst in de
derde plaats.
Czaar Peter de Groote hield onder zijne honden bij-
zonder veel van L i s e 11 e, zóó zelfs, dat deze als invloed-
rijk bekend werd. Toen de Czaar eens een ter dood ver-
oordeelden misdadiger trots alle bidden en smeeken geen
gratie wilde schenken, hing men de invloedrijke Lisette een
verzoek om gratie om den hals en — met goed gevolg.
In naam der „hondheid" schonk de vorst lachende aan den
misdadiger het leven en de vrijheid.
Eene historische beroemdheid verwierven ook de wind-
honden van Erederik den Groote. De gunsteling onder hen
mocht zelfs in het bed van den vorst slapen en werd alleen
door dezen gevoerd. Meermalen, wanneer men er zijne ver-
bazing over te kennen gaf, dat de groote veldheer de honden
eene zoo overgroote liefde toedroeg, zeide hij: „De honden
betoonen mij meer aanhankelijkheid en trouw dan de men-
schen en hebben daarbij nooit nevenbedoelingen." Bic bc
en Al km en e waren de meest begaafde en bevoorrechte
onder zijne honden. Eens was Alkmene in handen van den
-ocr page 15-
6
vijand geraakt; hij ontsnapte echter weder, kwam bij zijn
heer terug en sloeg hem de voorpooten om den hals. Van
Biche wordt verhaald, dat deze, wanneer zijn werkzame
meester tot al te diep in den nacht aan zijne schrijftafel
zat, hem dikwijls de pen uit de hand rukte.
In het midden der 18de eeuw was een hond de aan-
leiding tot de ontdekking van een groot staatkundig talent.
Keizerin Maria Theresia bereisde hare Oostenrijksche
erflanden, op welke reis zij bij Braunau de rivier de Inn
moest oversteken. Toen zij in de veerpont wilde stappen,
ondersteunde haar de veerman, doch deze werd door een der
volgelingen van de vorstin, een klein schoothondje, daarom
hevig aangevallen, waarop de veerman het hondje sussend
toeriep: „Wees maar bedaard, Excellentie, wees maar be-
daard!" De Keizerin barstte in een helder gelach uit en
vroeg den schipper, hoe hij er toch bij kwam een hond
zulk een titel te geven. Koelbloedig antwoordde dezet
„Waarom mag het liefste, wat de Keizerin op den arm
draagt, geen Excellentie lieeten, indien overigens alles in
het gevolg van Hare Majesteit dien titel draagt?" Maria
Theresia vroeg lachende naar zijn naam, waarop de veerman
antwoordde, dat hij „Thunichtgut" heette. „Welk een
leelijke naam!" zei de vorstin; „krachtens mijn bevel zult
gij voortaan „Thugut" lieeten en uw zoon, over wien gij
met mij gesproken hebt, moet bij mij te Weenen komen
om daar zijn fortuin te maken." Zoo geschiedde het: de
vroolijke, knappe, jonge Thugut kwam weldra in Weenen
studeeren, daarna op de rijkskanselarij en werd eindelijk
de welbekende baron Thugut, Oostenrijksch Minister van
Buitenlandsche Zaken.
Een niet minder groote voorliefde voor honden is ons
van de Oostenrijksche Keizerin Elizabeth bekend. Zij bezat
-ocr page 16-
7
een uitgezochte collectie geleerde dieren, terwijl wijlen
Kroonprins Rudolpli, een der eerste jagers, voornamelijk
prachtexemplaren van zeldzame jachthonden had en aarts-
hertog Frans Ferdinand van Oostenrijk-Esthe de beste en
fijnste dashonden, welke op vele tentoonstellingen de eerste
prijzen verwierven.
En wie kent niet de roerende geschiedenis van zeldzame
hondentrouw van het hondje, een king Charles, van Maria
Stuart?! Door niemand opgemerkt volgde het kleine dier
zijne meesteres op haren laatsten tocht naar het schavot
en legde zich na de voltrekking van het vonnis aan haar
boezem neder, terwijl het zich later onder de kleederen van
zijne meesteres verborg. Toen nu de grootmaarschalk Graaf
Talbot Shrewsbury het groene doek opensloeg, waarin het
ontzielde lichaam der vorstin gewikkeld was, scheen zich
dat lichaam te bewegen. Alle omstanders werden door een
panischen schrik bevangen. Eén viel er in onmacht, alle
anderen vluchtten met uitzondering van één officier, Kent
genaamd, die den moed had met een kaars in de hand
dit wonderbare verschijnsel te onderzoeken. Woedend sprong
nu het hondje te voorschijn, en reeds wilde Kent het aan
zijn degen rijgen, toen de stem der menschelijkheid halt!
gebood en hij het trouwe dier van de strafplaats verwij-
derde. De kroniek van \'t slot Fotheringhai, waar Maria
Stuart op 8 Februari 1587 den laatsten adem uitblies, meldt,
dat het arme dier dag en nacht onophoudelijk jammerde
en weeklaagde, tot het na drie dagen, in welken tijd het
alle voedsel had geweigerd, stierf.
Op dergelijke wijze hebben van de vroegste tijden af tal
van honden blijken van eindelooze trouw aan en liefde tot
hun meester gegeven, waarvan wij den lezer nog enkele
meenen te mogen mededeelen.
-ocr page 17-
8
Voor ongeveer 40 jaren bezat een zeer hartstochtelijk
jager, Grandjean genaamd en wonende in de beroemde be-
devaartsplaats Bornhofen, bij Camp a/d Rijn, twee Oud-
Duitsche patrijshonden, groote, sterke en zeer verstandige
dieren, want hun heer verstond het de dieren oordeelkun—
dig te behandelen en te dresseeren, en zoo waren heer en
honden echte, trouwe vrienden geworden.
M a r k o, de oudste, onderscheidde zich in het bijzonder
en was daarom behalve op de jacht ook op de wandelingen
in de omstreken, voornamelijk naar Camp, steeds de op-
uierkzame begeleider van zijn meester. Wee hem, die zich
onbehoorlijk jegens zijn heer gedroeg. Aan Marko werd ook
de zorg toevertrouwd om boodschappen te doen en uit Camp
vleesch, brood, enz. te halen; hij kreeg dan een mandje
mee, waarin een briefje werd gelegd, en nooit kwam een
der boodschappen verkeerd uit.
Een oude, arme daglooner, die den hond dikwijls op zijne
tochtjes naar Camp ontmoet had, kreeg eindelijk lust om
Marko\'s last een weinig te verlichten. Toen hij den hond
eens weder op diens terugreis zag aankomen, rukte hij een
paaltje uit den grond om Marko daarmee te lijf te gaan.
Marko begreep echter dadelijk, wat hem te wachten stond.
Hij zette de mand neer, liep met zooveel snelheid steeds
rondom den man heen, dat deze zich in \'t laatst niet meer
te keeren of te wenden wist, pakte hem eindelijk onver-
wacht bij den hals en wierp hem op den grond, waar hij
hem ongetwijfeld geworgd zou hebben, indien niet verschei-
dene menschen den armen man te hulp waren gekomen. Onder
deze maDnen was er n. 1. één, dien Marko kende, en aan
dezen gelukte liet den hond van zijn slachtoffer te verwijderen.
Terwijl hij zich onderhield met den oude, wien de lust om
weder te trachten den hond te berooven voor goed was ver-
-ocr page 18-
o
gaan, had Marko zijn korf weer opgevat en liep spoedig
daarmede weg, terwijl hij nu en dan nog eens omkeek.
Marko ging ook uit eigen aandrift of op \'t bevel: „Marko,
zoek je heer" of „zoek papa I" naar Camp en bezocht daar
alle koffiehuizen, tot hij zijn heer vond; was hij uitgezon-
den om dezen te halen, dan trok hij hem aan de jas of aan
de hand en dit was dan voor zijn meester een teeken, dat
hij thuis moest komen. Was hij uit eigen beweging gegaan,
dan ging hij eenvoudig aan de voeten van zijn meester
liggen. Vond Marko in een of ander huis iets, dat zijn
meester toebehoorde, bijv. stok of paraplu, dan legde hij
zich daarbij neder en wachtte. Duurde dit hem echter te
lang, dan nam hij eenvoudig stok of paraplu in den bek
en liep er mee weg om zijn heer te zoeken, en kou hij dien
nergens vinden, dan nam hij het gevondene mee naar huis.
Beval men hem : „Marko, ga naar de keuken en haal
een mes!" dan ging hij en keerde steeds met een mes
terug, ofschoon men hem dikwijls trachtte te foppen door
onder een aantal vorken bijv. slechts één mes te leggen.
Zoo werd Marko langzamerhand oud, en hoewel hij niet
meer in staat was, op de jacht of in iets anders zijn heer
nog van dienst te zijn, zoude deze hem toch voor geen geld
hebben willen missen. Eindelijk stierf zijn heer; Marko
vertoefde steeds bij het sterfbed en bij de doodkist en treurde
en weende. Op den tocht naar het kerkhof volgde hij de
lijkbaar, bleef dag en nacht op het graf, krabde het open
tot de kist bloot kwam, weigerde alle voedsel en stierf ein-
delijk op de laatste rustplaats van zijn meester.
In een dorpje aan den Moezel zou eens een oude, trouwe
poedel wegens verhooging van de hondenbelasting verdron-
ken worden. Zijn meester, een nog jonge man, bond hem
een touw om den hals met een zwaren steen eraan, ging
-ocr page 19-
10
met hem in eene boot en roeide de rivier af. In \'t midden
gekomen greep hij het arme dier, dat hem treurig en ver-
wijtend aankeek, en wierp het over boord, zoodat het weldra
in de diepte zonk. Door een of\' ander toeval brak echter
liet touw stuk; K a r o werkte zich weder naar boven
en zwom zijn meester na, die reeds weder naar den oever
roeide. Deze trachtte hem echter van de boot te houden
door hem met de roeispaan terug te stooten en te slaan.
Toen hij na eenige vergeefsche pogingen eindelijk dooreen
hevigen slag op den kop van het dier een einde aan dit
afschuwelijke tooneel dacht te maken, verloor hij zelf het
evenwicht, tuimelde hals over hoofd in het water en ver-
dween in de diepte. Karo, een goed duiker en apporteur,
verdween mede, doch bracht eene minuut later zijn meester
boven water en behouden aan den oever. Het trouwe dier
had zijn moordenaar het leven gered, doch ook dermate
liet hart week gemaakt, dat deze tot aan zijn dood gaarne
de hondenbelasting betaalde.
Een jonge dame in S. had tot gezelschap een sierlijk
en zeer waakzaam hondje. Zij stond algemeen bekend voor
zeer rijk, doch was zoo gierig, dat zij niet alleen geen
medelijden had met de armen, doch ook haar lieveling
Bello daaronder liet lijden, want „Schraalhans was dikwijls
zijn kok." Niettegenstaande dat deed het dier echter zijn
plicht als bewaker en beschermer zijner meesteres.
Op zekeren avond kwam zij thuis, sloot in het donker
de deur en begaf zich naar hare kamer. Bello, die als altijd
de vrijheid nam het eerst binnen te treden, begon geweldig
te blaffen: zijn scherpe neus had iets buitengewoons be-
speurd. In grooten angst ijlde de dame zonder licht aan te
steken weder het huis uit, gevolgd door Bello, die echter,
toen de deur van buiten weder gesloten was, niet verder
-ocr page 20-
11
verkoos te gaan, doch steeds onder hevig geblaf tegen de
deur opsprong. Eindelijk echter ging hij met zijne meesteres
mee en weldra keerden beiden terug met de politie, die
onder het bed een man verborgen vond, wiens misdadige
bedoelingen duidelijk aan het licht kwamen door verschillende
werktuigen, die hij bij zich droeg. Bello had zijne meesteres
geld en leven gered en daardoor haar hart tot barmhartig-
heid geneigd, wat zoowel hem als de armen ten goede kwam.
Nog niet lang geleden werd een houtvester, die gewoon-
lijk door zijne beide dashonden vergezeld werd, in een bosch
doodgeschoten door een strooper, wiens spoor hij zocht.
De moordenaar zal zich zeker dadelijk verwijderd hebben,
want de beide honden, Waldmann en Diana, waren
bij hun meester gebleven. Des anderen daags vond men
den vermoorde, en de honden volgden getrouw en bedroefd
den wagen, met hangenden kop en staart; ieder kon hun
aanzien, dat zij begrepen, wat er gebeurd was. Alle naspo-
ringen om den dader te vinden bleven vruchteloos en
Waldmann en Diana gingen over in handen van een anderen,
in de buurt wonenden houtvester.
Ongeveer twee jaren later ontmoette deze op een zijner
tochten door het bosch een man, dien hij reeds eenigen
tijd van strooperij verdacht. Toen de beide honden dien
man zagen, vielen zij woedend op hem aan en luisterden
niet naar het gefluit en geroep van den houtvester, aan
wien zij anders stipt gehoorzaamden.
Deze begon daardoor argwaan te koesteren en waar-
schuwde de politie, die den strooper weldra achter slot
bracht. Ofschoon hij weken lang alle schuld aan den vroe-
ger bedreven moord loochende, bezweek hij toch eindelijk
voor het getuigenis der beide honden en bekende, dat hij
hun vorigen meester had doodgeschoten.
-ocr page 21-
12
Vroeger bezat ik zelf een groolen zwarten poedel, naar
het haar een echten koordenpoedel, doch wiens lichaams-
bonw aan een New-Foundlander herinnerde, zoowel wegens
zijne grootte (68 cM.) als wegens zijn kolossalen kop en
zijne ooren. Bob was in alle opzichten een modelhond,
een getrouwe wachter en kameraad, zeer volgzaam, ver-
standig en goed gedresseerd; hij had echter ééne fout, die
in den loop van den tijd door bijzondere omstandigheden
ontstaan was en die bewijst, hoe voorzichtig men bij de
opvoeding en dressuur van een hond moet zijn.
Bob apporteerde voortreffelijk te water en te land en
droeg het geapporteerde, ot\' \'t geen men hein anders te
dragen gaf, zelfs een stuk brood, vleesch of worst, urenlang
en dat niet in een mandje, doch tusschen zijne tanden.
Als ik een stuk brood of iets dergelijks op den vloer legde
met de woorden: „Dat is het mijne!" en kwam ik dan
denzelfden of den volgenden dag terug, dan lag het nog
onaangeroerd op dezelfde plaats ; ofschoon Bob in dien tus-
schentijd wel bewijzen van eetlust gaf, was hij gehoorzaam
genoeg niet van mijn brood te snoepen.
Hij apporteerde meesterlijk een geldstuk of een steen uit
de rivier (de Lahn) en haalde eveneens een met steenen
bezwaarden strooman van den bodem naar den oever. Werd
hij naar den slager gezonden, dan ging hij niet naar den
bakker; hij vergiste zich niet in de personen, bij wien hij
eene boodschap had te doen.
Ging ik naar de kerk of naar de school, dan wist hij
zeer goed, dat hij niet mee mocht en maakte ook geene
bewegingen om mee te gaan. Als het kamermeisje voor mijne
terugkomst uit de school in mijne kamer kwam, dan ging
Bob naar buiten om zich op te poetsen, legde zich daarna
voor de deur van mijn schoollokaal neder en liet niemand
-ocr page 22-
L8
binnen. Toen hij later de deur van mijne kamer open kon
krijgen, zonder dat hij daarop gedresseerd was, bleef hij in
den regel binnen, tot de klok tien sloeg — het uur waarop
ik vrij was — en liep mij dan te gemoet.
Op zijne tochten naar de school moest hij door twee stra-
ten, waar toevallig verscheiden slagers woonden, wier hon-
den gewoonlijk in de nauwe straten voor de slagerswinkels
lagen en natuurlijk op Bob loskwamen, wanneer deze daar
passeerde. Aangezien Bob echter goed met de omgeving
bekend was, gelukte het hem in den regel zijne vervolgers
heelhuids te ontsnappen. Eindelijk werd het mij echter toch
al te erg, daar de beesten het ten laatste zelfs waagden
den hond in mijne tegenwoordigheid aan te vallen. Ik hielp
hem met mijn ploertendooder, dien ik voor dat doel ge-
kocht had, en hitste hem aan. En wat was het gevolg?
Bob werd zulk een bijter, dat hij later eiken hond aanviel
en bij aanval en verdediging steeds overwinnaar bleef. Hij
vermoordde iederen hond, groot of klein; wat niet dadelijk
onder zijne tanden het leven liet, stierf toch na korten tijd
aan de bekomen, vreeselijke wonden. Hij had het voorna-
meiijk op hals, neus en oogen gemunt, waardoor er ver-
scheidene honden rondliepen zonder neus en met één oog.
Bob had het eindelijk zoover gebracht, dat alle honden,
wanneer zij hem, en ten laatste zelfs mij, zagen aankomen,
het hazenpad kozen; hij verwief zich den naam van moor-
denaar, onder welken naam hij nog in de herinnering leeft.
Op zekeren avond, toen ik thuis kwam, bemerkte ik, dat
Bob direct opvallend rondsnutt\'elde en weldra begon te
brommen.
Steeds snuffelende was hij in een paar sprongen de trap
op (ik Avoonde op de derde verdieping), bleef echter niet
voor mijne kamerdeur staan, maar ging rechtstreeks op den
-ocr page 23-
II
zolder. Ik dacht, dat bij eene kat in den neus had en stak
licht aan. Plotseling echter hoorde ik een vreeselijken gil
op den zolder, waarop ook ik mij daarheen spoedde. Daar
vond ik een ouden man, die door Bob stevig aan oor en
wang was beetgepakt. Op het „los Bob \\" van mij, liet bij
den man los, die dronken was en mij schreiende en in ge-
broken woorden meedeelde, dat hij zijne dochter Sophie zocht,
die in dit huis moest dienen. Ik informeerde en vernam,
dat dit meisje werkelijk in het buis naast ons diende. De
man had zich in zijn roes in de deur vergist, was op den
zolder terecht gekomen en in slaap gevallen, waaruit hij
door Bob zoo onzacht werd gewekt.
Bevond er zich in mijne kamer iets van een ander, bijv.
stok, paraplu of boek, dan besnuffelde Bob dat onder ge-
durig brommen en ging er eindelijk bij liggen.
Ik verloor dit voortreffelijke dier door zijne ergernis over
bet gesis van den uit een locomotief stroomenden water-
damp. Hij sprong op den locomotief, doch werd er weder
afgeslingerd en — overreden.
Prof. Lenz, de beroemde zoöloog, verhaalt van zijne
bonden het volgende: „Toen ik mij te Tbom bevond als
leeraar aan het gymnasium, bezat ik een groot jachtveld
rondom 5 dorpen in pacht en bad daarom, en ook omdat
men daar, als men die dorpen doorging, steeds door een
menigte kleine keffers aangevallen werd, behoefte aan een
grooten, sterken bond.
Ik kocht daarom van een jager van graaf Lipske, te
Choders in Russisch Polen, een grooten, langharigen pa-
trijshond, waarvoor ik bijzondere voorliefde gekregen had,
omdat hij een jongen, doch reeds sterken wolf had gevan-
gen; hij was wit van kleur, had bruine ooren en heette
Tiras. Als ik door een dorp wandelde en de kleine keffers
-ocr page 24-
15
van alle kanten te zamen kwamen, liep Tiras bedaard dicht
achter mij, totdat één van hen pogingen deed om mij of
hem te bijten; dan sprong hij plotseling als onzinnig op
de blaffende menigte los, liep er eenige omver en joeg ze
naar alle kanten op de vlucht.
Te huis liet T. zich door den geringsten wenk comman-
deeren, alleen niet door den eigenaar van het huis, bij
wien ik inwoonde, want hij wist zeer goed, dat deze hem
niet mocht lijden, omdat hij diens hond, een nijdigen kees,
dikwijls in het haar zat.
Meermalen lag T. behagelijk in de kamer van den huis-
heer. Als deze dan binnenkwam en hem gebood weg te
gaan, antwoordde hij met gebrom en tandengeknars, strekte
zich zoo lang als hij was uit en bleef bedaard liggen; riep
echter het kleinste kind „weg!", dan gehoorzaamde hij
zonder dralen. Was hij in mijne kamer en wilde de huis-
heer binnen komen, dan sprong T. hem tot aan de deur
te gemoet om dat te beletten. En toch had de man hem,
voor zoover ik kon te weten komen, nooit kwaad gedaan,
maar alleen door de uitdrukking van zijn gelaat verraden,
dat hij den hond niet mocht. Op de jacht was Tiras, als
het er op aankwam een aangeschoten stuk wild te pakken,
geen waagstuk te groot. Als ik op de rivier de Weichsel
een eend schoot, sprong hij opgenblikkelijk in de dikwijls
fel bewogen golven, onverschillig hoe hoog de oever of de
brug was, Avaarvan hij zijn sprong moest nemen.
In huis was hij bijzonder op orde gesteld. Hij duldde
volstrekt niet, dat de lieden, die bij mijn huisheer iets
kwamen koopen, het gekochte maar van de toonbank na-
men, als hij daarbij tegenwoordig was ; het moest hun over-
gereikt worden. Mijn laarzenpoetser greep hij reeds den
eersten keer, dat deze binnenkwam om mijn laarzen weg
-ocr page 25-
16
te halen, onverwachts zoo forsch bij hetbeen, dat ik gevoe-
lig tusschen beiden moest komen; hij waagde het later
ook niet weer den man in de kamer aan te vallen, maar
sloop hem stilletjes na, als deze zich met de laarzen ver-
wijderde, waarom ik wel verplicht was den hond tegen dien
tijd steeds in het oog te houden.
Eens had ik dit, doordat ik in mijn werk verdiept zat,
verzuimd, ofschoon ik anders wel had gehoord, dat de knecht
achter mij de deur opende.
Toen ik een poosje later toevallig opkeek, zag ik tot
mijne verbazing den man op den grond liggen, terwijl Tiras
hem bij het oor beet had, alsof hij hem eens de les wou
lezen. Geen van beiden bewoog zich echter. Toen ik riep:
„Tiras, naar buiten \\" liet hij den knecht los, en toen deze
weer van den schrik bekomen was, vertelde, hij mij, dat de eene
laars zoover onder het ledikant had gelegen, dat hij dien niet
dan in half liggende houding had kunnen krijgen. Van die
gelegenheid had Tiras gebruik gemaakt om hem stil te
naderen en bij het oor te pakken, zonder hem juist te bijten.
Zich verroeren of roepen had de man niet gedurfd, uit vrees
dat hij dan misschien een oor zou verliezen, en zoo was hij
maar rustig blijven liggen, tot ik kwam om hein uit zijne
benarde positie te verlossen.
Daar Tiras met mijn huisheer en diens hond steeds op
een vijandigen voet bleef en ook, omdat hij \'s avonds de
menschen voor mijne woning niet zelden schrik aanjaagde,
schafte ik hem af; ik verruilde hem aan Dr. Schartmann
tegen een kleinen, gladharigen patrijshond, Finka genaamd,
die zich echter binnen korten tijd zeer nukkig toonde en
daarom ook weer afgeschaft moest worden. Tiras had zich
intusschen aan zijn nieuwen heer, die een ijverig jager was
— en zoo iemand diende hij bij voorkeur — goed gewend.
-ocr page 26-
17
Nu gebeurde het eens, dat de dokter, wat hem wel vaker
overkwam, weer op verboden terrein jaagde, doch betrapt
werd. Kort daarop ontving hij van wege het gerecht een
bevel om geweer en weitasch over te geven, wat hij echter
niet deed. Op nieuw krijgt hij eene aanmaning, doch even-
eens zonder gevolg. Voor de derde maal verschijnt er een
politieagent en verzoekt hem dringend, om verdere onaan-
genaamheden te voorkomen, toch zijn jachtgereedschap af
te geven. De dokter blijft echter bij zijne weigering, waarop
de agent verklaarde, dat hij in dit geval gemachtigd is
het eenvoudig te nemen. „Welnu, neem in duivels naam,
wat gij krijgen kunt!" zegt de dokter.
De agent grijpt naar het geweer, maar op hetzelfde oogen-
blik springt Tiras, die elke beweging van den agent steeds
nauwkeurig gevolgd had, woedend op dezen toe en slaat
hem de tanden zoo diep in den naar het geweer uitgestrek-
ten arm, dat het bloed uit de wonden gutste. „Los !" ge-
biedt de dokter; Tiras liet los, zijn meester verbond de
wonde doch werd kort daarna door het gerecht tot eene
aanzienlijke geldboete veroordeeld, welke hij uit vrees voor
erger dienstig oordeelde maar te betalen.
Van uit Wallis (Zwitserland) voert een weg over den
grooten Sint-Bernard naar Italië. Aan dezen weg heeft de
menschliev endheid een klooster of hospitium gebouwd, dat
door 10 a 12 monniken bewoond wordt. Nauwelijks vier
maanden van het jaar is de streek daar zonder sneeuw;
overigens omringt deze het gebouw tot op een gemiddelde
hoogte van 2 Meter, bij een nieuwen sneeuwval ook niet
zelden tot 13 Meter. De lucht is er zoo scherp, dat het er
zelfs des zomers in de vroege morgen uren vriest, waarom
er ten allen tijde verwarmde kamers voor de reizigers moe-
ten worden gereed gehouden. Deze toch vinden er steeds
De Hondeiwriend.                                                                                   "
-ocr page 27-
LANGHARIGE St. BERNARDSHOND.
-ocr page 28-
18
een voortreffelijk onthaal. De zaal is goed gestoffeerd; de
slaapkamers zijn uiterst net en zindelijk en van alles voor-
zien, wat men tot rust en versterking wenschen kan.
De monniken zijn de beminnelijkste gastheeren, die men
zich denken kan; want zij zijn meest mannen uit aanzien-
lijke familiën en met alle vormen van liet gezellige leven
vertrouwd. Men vergeet bij hen in huis, dat men zich eenige
duizenden meters boven de bewoonde aarde bevindt, en dat
deze mannen een zeer strenge gelofte afgelegd en zich niet
alleen verplicht hebben den reizigers gastvrijheid te bewijzen
en tot gids te dienen, maar ook om de verdwaalden en ver-
ongelukten met gevaar van eigen leven op te zoeken en
zoo mogelijk aan den dood te ontrukken.
Dagelijks trekken twee dezer monniken, die met alle paden,
passen en kloven goed bekend zijn, in verschillende richtin-
gen uit om de voetpaden zooveel mogelijk vrij van sneeuw
te houden en naar verdwaalde reizigers uit te zien. Ieder
dezer reddingsapostelen wordt vergezeld door een van
de beroemde Sint-Bernardshonden, die, oorspronkelijk uit
Spanje stammend, alleen voor het opsporen der vcron-
gelukten in het hospitium opgevoed en afgericht worden,
en aan welke vele door de sneeuw overvallen reizigers hun
leven hebben te danken. Eiken nacht, voornamelijk bij
sneeuw en onweer, doorkruisen deze honden alle paden,
alle spleten in het gebergte. Hun reuk is zoo fijn, dat zij,
veel spoediger dan de monniken, dikwijls verscheiden voet
onder de sneeuw een bedolven reiziger ontdekken. Hebben
zij zoo iemand gevonden, dan krabben zij de sneeuw weg
en stooten daarbij een diep, doordringend gehuil uit, waar-
door de monniken uit het klooster te hulp worden geroepen.
Is de verongelukte nog bij bewustzijn, dan kan hij zich met
den geestrijken drank uit het fteschje, dat de hond om den
-ocr page 29-
19
hals draagt, laven, totdat er meer afdoende hulp nadert.
Den bewustelooze brengen de monniken in het hospitium
•en verleenen hem alle mogelijke hulp; met innige vreugde
zien zij hun liefdewerk door de opwekking der levensgeesten
bekroond en niet dan na lange, vergeefschc pogingen be-
sluiten zij voor een bevrorene eene plaats in de doodenkamer
aan te wijzen, waar deze door de koude indroogt en zoo
volkomen bewaard blijft, dat hij nog na jaren door zijne
bloedverwanten herkend kan worden. De verpleging der
verdwaalden en het onthaal der reizigers geschieden koste-
loos, en alleen de vermogenden of overigens goedgezinden
werpen bij hun vertrek eene gave in de armenbus.
De beroemdste dezer St. Bernardshonden was Barry,
>die meer dan 50 personen het leven heeft gered. Ter her-
innering heeft men het goede beest na zijn dood opgezet
en in het museum te Bern geplaatst.
liet is te begrijpen, dat niet alle honden het tot zulk
eene hooge mate van ontwikkeling brengen als in de aan-
gehaalde schilderingen verhaald is, en zelfs vindt men onder
de verstandige, goed gedresseerde honden ook sommige,
die domme of schelmachtige streken uitvoeren, zooals uit
het volgende kan blijken.
Een dienaar der gerechtigheid zou bij een slager, een
onwilligen betaler, eenige goederen in beslag nemen. Toen
de slager den niet zeer beminden ambtenaar door het venster
zag aankomen, wierp hij vlug, vóór deze binnentrad, zijn
geldbeurs, die 40 Mark bevatte, onder het bed.
Nauwelijks was de deurwaarder de kamer binnengetreden
of de poedel, de lieveling van den slager, wipte onder het
bed, haalde de beurs te voorschijn en bracht die in plaats van
bij zijn meester, bij den deurwaarder, welke ze bereidwillig
in ontvangst nam. Toen hij den inhoud onderzocht had,
-ocr page 30-
20
was hij tevreden en verwijderde zich sneller dan hij geko-
men was.
Wat de anders zoo brave Karo tot loon kreeg, zal de
lezer zich zelf wel kunnen voorstellen.
II. De opvoeding.
a. In huis.
De lichamelijke en verstandelijke opvoeding zijn zoo innig
aan elkander verbonden, dat bevoorrechting van de eene
of verwaarloozing van de andere zich voorzeker zal wreken
tot nadeel van het dier en tot ergernis van zijn meester.
Van de opvoeding, het fondament der geheelc honden-
kweekerij, hangt het leven en de bestemming van het dier
af. Wij stellen ons daarom ten taak, deze zaak zoo grondig
en uitvoerig te behandelen, als ons slechts mogelijk is en
daarbij niet alleen eigen ervaring, maar ook die van ver-
trouwbare fokkers, enz. te volgen.
Menig fokker, liefhebber of dresseerder is van meening,
dat de hond eerst volkomen of bijna volkomen lichamelijk
ontwikkeld moet zijn, voor men met dressuur, enz., dus
met geestelijken arbeid kan beginnen. We kunnen ons met
die meening niet vereenigen, daar ons steeds de vele, bijna
onuitroeibare fouten en gebreken voor oogen staan, die bij
zulke, zoo lang aan zich zelven overgelaten honden onbe-
merkt binnensluipen en zoo vastwortelen, dat de uitroeiing
daarvan den liefhebber of dresseerder menigen zweetdroppel
kost, wat dikwijls de reden wordt tot afschaffing van een
-ocr page 31-
21
misschien zeer kostbaar dier; want vele zulke honden zijn
nooit meer geheel terecht te brengen, zooals den lezer uit
de Inleiding genoegzaam gebleken zal zijn.
Het gaat hiermee waarlijk evenzoo als met menschen.
Kinderen, op wier geestelijke opvoeding niet van den beginne
af het oog gevestigd is, zijn later, wanneer de ondeugden
vaster wortel hebben geschoten, niet meer of hoogst moei-
lijk en dan nog alleen met ijzeren wilskracht tot orden-
telijke menschen te maken.
\'t Is jammer, dat de meeste honden onder zulk eene
opvoeding te lijden hebben; want de meeste honden worden
overal gevonden bij de minder gegoede en de armste volks-
klassen, bij welke het niet alleen aan de noodige kennis
maar ook aan doelmatig voedsel ontbreekt, zoodat de arme
dieren zoowel in lichamelijke als in geestelijke ontwikkeling
te kort komen. Gelukkig worden de meeste van die honden
voor den ketting bestemd en vervullen zij in den regel vol-
koinen den plicht als bewaker, waartoe de natuur ze immers
•ook eigenlijk heeft bestemd.
Verder is het gelukkig, dat het leven van die diereu
meestal kort is en zij dus spoedig van hunne ellende ver-
lost zijn. De hondenbelasting is hun redder. Hierdoor ge-
raken zij tegen een geringen prijs of om niet in handen
van betere menschen of zij worden gedood. Op die wijze
heb ik reeds menigen goeden hond gekregen, die mij wer-
kelijk weldra voor zijne verlossing en redding wist te be-
loonen.
De opvoeding van den hond begint eigenlijk reeds bij
zijne geboorte, ja, als men wil, zelfs vóór zijne geboorte;
want het is zeer aan te bevelen, dat men de drachtige
moeder in den laatsten tijd, zoowel in het belang van haar
als van haar kroost, zorgvuldig behandelt, haar van goed
-ocr page 32-
:>2
en voedzaam d. w. z. versterkend voedsel voorziet, liet
haar nooit aan frisch drinkwater laat ontbreken en haar
kraambed tijdig en op eene geschikte, droge, gezonde en
niet tochtige plaats inricht. Als \'t mogelijk is, zorge men
bij de geboorte tegenwoordig te zijn om in geval van nood
te kunnen helpen of ongevallen te voorkomen; want, zoo-
als bekend is, worden er tijdens het baren dikwijls jongen
door de moeder dood gedrukt, ja, zelfs verslonden; dit laatste
vooral door oude moeders, wier slecht gebit de navelstreng
niet meer kan afbijten, en daardoor onophoudelijk knaagt tot
aan de buik en verder; de darmen treden naar buiten en
het jonge schepsel wordt voor zijne, moeder een aangename
spijs.
Ofschoon wij aan de eigenlijke voeding in de volgende
afdeeling meer opzettelijk onze aandacht willen wijden, kun-
nen we toch niet nalaten hier reeds met enkele woorden
daarvan te gewagen, te minder, omdat de laatste dagen der
drachtigheid evenals de eerste dagen na het werpen zoowel
met betrekking tot de moeder als tot de jongen van groot
gewicht zijn.
Men gunne de moeder na de bevalling volkomen rust
ter herstelling en voorzie haar steeds van verkoelende, voe-
dende spijzen, veel melk (met een derde water) en geweekt
brood. Die over de noodige middelen beschikken kan, mag
ook gerust de fabrikaten van Spratt gebruiken, die niet
te verachten zijn. Jammer, dat zij wegens de prijzen niet
onder het bereik van eiken hondenvriend of fokker vallen.
Uitdrukkelijk moet ik waarschuwen voor voeding met
aardappels in de eerste week van het zoogen. Wie met
zijne kas moet te rade gaan, neme maïsmeel en voedere
dit, met melk of met melk en water, of in \'t ergste geval
alleen met water gekookt; de uitwerking zal zeer goed zijn.
-ocr page 33-
ÏS
In de eerste levensperiode, in den tijd van het zoogen, kost
ons de opvoeding nog geene moeite, daar deze alleen voor
rekening van de moeder komt, indien deze n.1. genoeg te
zuigen heeft. Ontbreekt het een zoogende moeder aan melk,
dan late men door een veearts onderzoeken of ziekte (meestal
zwakte) dan wel ondoelmatig of onvoldoend voedsel de oor-
zaak der geringe melkafscheiding is en zoeke daarna de
kwaal zoo spoedig mogelijk te verhelpen, want de minste
verwaarloozing in deze wreekt zich dikwijls bitter, voorna-
melijk in de lichamelijke ontwikkeling van het jonge dier,
terwijl de moeder blootstaat voor andere kwalen, waarop
we later terug zullen komen.
Gedurende het zoogen zorge men vooral voor zindelijk-
heid, die bij de lichamelijke opvoeding bepaald een hoofd-
factor is\'. Het strooisel moet minstens om den anderen dag
vernieuwd worden, opdat de dieren nooit nat liggen en niet
van ongedierte te lijden krijgen.
De eerste zes weken vorderen alzoo verder niets dan
ons toezicht, indien n.1. de moeder gezond is en voldoende
melk geeft.
Zoo de melkafscheiding in den beginne onvoldoende is,
dan geve men de jongen door middel van een zuigflesch
koemelk met water — gedurende de eerste veertien dagen
een derde water, daarna steeds minder en na 4 weken
zuivere melk.
Zoodra de jongen van de moeder genomen worden, treedt
er eene niet geringe verandering — en wel dikwijls ten
kwade — in. De oorzaak ligt in de plotselinge verandering
van leefwijze. Als het immer mogelijk is, late men daarom
het jonge dier, behalve van zijn nieuwen kost, ook nog
eenige dagen lang, minstens één keer per dag, van de moe-
derborst genieten. Dit is ook voor de moeder, die veel
-ocr page 34-
24
melk heeft, zeer gezond, omdat zoodoende zwering en melk-
koorts voorkomen kunnen worden, welke ongemakken zich
dikwijls na het verwijderen der jongen vertoonen en in
sommige gevallen gevaarlijk kunnen worden. Menige teef
weet instinctmatig die lasten en ongemakken te voorkomen,
door zich zelf de melk, die haar last veroorzaakt, af te
zuigen. Ik zelf heb reeds eenige zulke voorzichtige moe-
ders gehad.
Nu begint ook de verstandelijke ontwikkeling. Het jonge
dier bekomt zijne spijs uit een bepaalden schotel. De nood-
zakelijkheid dwingt hem op te staan en naar zijn voedsel
te zoeken. Nooit zullen alle jongen ter zelfder tijd opstaan
om hun ontbijt op te zoeken.
In den regel is het eerst het grootste, dat aan den honger-
prikkel gehoorzaamt en zoekend rondscharrelt, tot het iets
heeft gevonden. Dringt het geluid van zijn geslobber door
tot de ooren van zijne broers en zusters, dan is in een
oogenblik de geheele familie op de been en valt op het
gemeenschappelijk maal aan, zonder den vinder daarvan een
enkel bewijs van dank te geven; ja, tegen het einde van
den maaltijd wordt het hun ook bewust, dat zij bijten kun-
nen en begint de eerste vechtpartij om het „mijn en dijn."
Het zij hier gezegd, dat den jongen dieren en ook een
enkelen hond, dien men groot brengt, het eten steeds op
dezelfde plaats en in denzelfden schotel (aardewerk is aan
te bevelen) wordt toegediend en dat ook de drinknap met
frisch water altijd op dezelfde of ten minste op eene vaste
plaats te vinden is. Hierdoor wordt den jonge dieren dade-
lijk een zekere orde ingeprent en veel vuilheid en onheil
in huis of buiten voorkomen. Wanneer het dier er eens in
mocht slagen bij een anderen schotel of iets dergelijks te
komen snoepen, en het ons gelukt hem op heeterdaad te
-ocr page 35-
25
betrappen, dan zal hem dat snoepen veel eerder afgewend
zijn dan door andere kunstmiddelen, als slagen, enz. Hij
kan en moet slechts één schotel of nap als de zijne leeren
kennen, waaruit hij steeds eten en drinken moet. Daarom
is het zeer verkeerd, dat men een hond de borden en
schotels van de tafel voorzet om de overblijfselen van onzen
maaltijd op te eten of de keukenmeid zekeren dienst te
bewijzen. De hond vergeet daardoor het onderscheid tus-
schen zijn etensbak en ander vaatwerk, neemt, als hij het
krijgen kan, van elk bord, eiken schotel, enz. en is weldra
een snoeper — door onze eigene schuld. Dan wordt op
hem geraasd, gescholden en gevloekt, dikwijls erbarmelijk
op hem omgeslagen, doch te genezen is zulk een dief slechts
zelden.
Aan mijne jonge honden gaf ik, wanneer zij van de moe-
der genomen waren, steeds koemelk met havermeelpap ver-
ïnengd, driemaal per dag zooveel zij lustten en bovendien
een stukje wittebrood om te beknabbelen als bezigheid voor
de tanden. Deze kost bekomt de dieren zeer goed en be-
hoedt ze voor menig gevaar, voornamelijk voor wormen, die
zich dikwijls kort nadat de jongen gespeend zijn, vertoonen
en hunnen groei zeer tegenhouden.
Vertoonen er zich wormen, die men ook met zekerheid
vermoeden mag, .als de maag zich hard laat aanvoelen en
gezwollen schijnt, hoewel er ook zonder deze kenteekens
wormen aanwezig kunnen zijn, en wil men zijne dieren
gaarne van de daardoor veroorzaakt wordende lasten be-
vrijden, dan doet men goed, dadelijk bij het spenen een
krachtig werkend wormmiddel in te geven, als hoedanig
ik dat van Spratt (Spratts patent) zeer kan aanbevelen.
Ciewoonlijk word ook areca-noot en worrnkruidbitter aange-
wend, twee zeer goede middelen, waarmee men echter zeer
-ocr page 36-
W\'^s
;«S:\'*S-
*">!•"\'•
DUITSCHK DOGE.
-ocr page 37-
26
voorzichtig moet zijn, waarom ik aanraad van Spratts\' pa-
tent wormmiddel gebruik te maken.
Voor men den hond dat middel toedient, laat men hem
10 ti 12 uren vasten: vooraf ricinusolie te geven, zooals
velen doen, vind ik niet goed, daar vele honden, vooral
teere ot\' zwakke, door de afvoering te zeer afgemat wor-
den; ook is het volstrekt niet noodig, daar het worrapoe-
der alleen zeer goed werkt.
Bij alle voeder, zoowel voor de jongen als voor de moe-
der, heeft men er voor te waken, dat het niet verzuurt,
wat vooral in den zomer licht voorkomen wil, wanneer
men het gekookte voer niet, zoodra het van het vuur komt,
in goed gereinigd vaatwerk overstort. Zuur of schimmelig
voer heeft reeds menig kostbaar dier doen sterven of is
oorzaak geworden van de algemeen bekende en gevreesde
hondenziekte.
Tot het flink gedijen en tot een gewenschte ontwikkeling
van den hond is, behalve reinheid, ook frische lucht noo-
dig en dagelijksche beweging in de frische lucht. Wie niet
in de gelegenheid is zijn hond op een erf rondom het huis
vrij te laten rondloopen, die neme hem mee op zijne wan-
delingen, waarbij hij ongemerkt aan den band gewend wordt
en tevens eenigen tijd los en vrij kan rondspringen; eene
schoone gelegenheid om hem gehoorzaamheid te leeren.
De moeielijkste periode in de opvoeding van den hond
is de tijd der hondenziekte, die van 2 tot 12 maanden,
doch zelden langer duurt. Men verkeert in dien tijd steeds
in angst en zorg voor de gezondheid of het leven van het
dier. Het is eigenaardig, dat er aangaande de oorzaken
en liet optreden dezer ziekte tot nog toe niets bcpaalds
bekend is. De eene wordt vroeg aangetast, een andere laat,
de eene lijdt er weinig aan, een andere schiet er het leven
-ocr page 38-
•27
bij in, terwijl een derde er geheel van verschoond blijft.
Naar mijne jarenlange ervaring hebben kruisingsproducten
er veel minder door te lijden dan de honden van zuiver
of fijn ras; zeker een gevolg van de vermenging met vreemd
bloed. Ongelukkig vertoonen er zich bij honden, die de honden-
ziekte te boven zijn gekomen, later nog dikwijls naweeën,
die zelden te genezen zijn, als zenuwtrekking en zwakte in
het achterste deel van het lichaam; dit meestal bij groote
honden.
Een jonge hond moet veel beweging hebben; men legge
hein daarom, vóór hij volwassen is, niet of slechts nu en
dan voor korten tijd aan den ketting. Ook de losloopende
hond gewent zich gemakkelijk en spoedig aan orde en ge-
hoorzaainheid, wanneer men maar niet nalaat hem deze
goede eigenschappen bewust te maken en niet rust, vóór
hij zich naar onzen wil voegt; men bereikt dit niet door
slaan en schoppen, maar door vriendelijke woorden, een
streng gelaat en een vasten wil. Honden, die met slagen
worden groot gebracht, verliezen hunne natuurlijke getrouw-
heid, worden wantrouwend en volgen ons met angst, uit
vrees voor straf. Bij deze honden openbaart zich duidelijk
de algeineene bekende waarheid van het gezegde: „Slechts
wat men gaarne doet, valt licht l"
Zulke in angst en vrees levende honden zijn spoedig ver-
moeid, gaan ongemerkt liggen, worden onoplettend; hun
reuk neemt af, en dit is de reden, waarom zoo menige
jachthond, die vroeger goed was, later slecht werkt. Het
verdere hierover wordt bij de dressuur behandeld.
Kamerhondcn moeten geheel anders opgevoed worden
dan andere, bijv. jacht- en herdershonden, enz. Bij de
eerstgenoemde is onze eerste zorg het dier zindelijk te
krijgen. Als zuigeling is het dier niet aan zindelijkheid
-ocr page 39-
28
gewoon; het ontlast zich liggende en de moeder zorgt verder.
Zoodra het dier echter oogen en ooren open heeft, wat
in den regel met den 9don of 10don dag het geval is, be-
merkt het reeds, wanneer het nat en vuil ligt; het wordt
onrustig en begint te kermen of te janken. Is het eindelijk
zoover, dat het kan loopen, dan zoekt het zijne ontlasting
reeds elders te brengen; het loopt onrustig heen en weer,
tot het ervan bevrijd is.
Wordt het dier niet gestoord, dan zoekt het die zelfde
plaats later in de regel weder op, wat hem, dank zij zijn
goeden neus, niet moeilijk valt. Nu is het tijd, den hond
te gewennen zijne ontlasting te brengen op de plaats, waar
wij die wenschen. Hij onlast zich namelijk steeds dadelijk,
nadat hij is opgestaan; houdt men hem nu steeds in het
oog en brengt men hem, zoodra hij opstaat, naar buiten,
of, wat nog beter is, jaagt men hem naar buiten, dan zoekt
hij zelf dadelijk de bepaalde plaats op. Vergeet hij zich
door onze of door eigen schuld soms eens, dan neme men
hem maar bij den nek, wrijve hem eens met den neus in
zijne uitwerpselen en jage hem met eenigc lichte klappen
van de vlakke hand op zijn achterdeel en met luide, af-
keurende woorden naar buiten. Reeds na korten tijd weet
de hond, wat men van hem verlangt; hij staat op, laateen
klagend geluid hooren, loopt naar zijn meester en van dezen
naar de deur en begint weldra hieraan te krabben. Nu is
de zaak gewonnen, waarom men nooit verzuimen" moet het
dier uit te laten, wanneer het daarom vraagt. Laat men
dit door een druk gesprek of door bezigheden maar een
enkelen keer achterwege, dan moet het dier zich wel weder
in de kamer ontlasten en is er weder veel bedorven. Een
goede hond schaamt zich na zoo\'n ongeluk, waaraan wij
zelf eigenlijk de meeste schuld hebben.
-ocr page 40-
29
Afgezien van de dierenkwelling, die aan de handeling
verbonden is, moet ik het ten zeerste afkeuren een hond,
hij moge jong of oud zijn, in de kamer op te sluiten, wan-
neer men afwezig is, d. w. z. voor langer dan een halven
dag. Het arme dier weet, dat het de. kamer van zijn meester
niet verontreinigen mag en ook, dat die kamer niet zijne
gewone ontlastingsplaats is. Hij is daarom verplicht zicli
in te houden, wat natuurlijk, wanneer het te lang duurt,
zeer pijnlijk is en niet zelden de oorzaak van eene ziekte
wordt. Ik heb wel zulke arme dieren gezien, die een kwar-
tier lang als dol heen en weer liepen, door pijn en smart
den poot niet omhoog konden brengen en eindelijk meer
dan 20 minuten tijd noodig hadden om te wateren.
Zulke kwellingen zijn dikwijls de oorzaak van hondsdolheid,
vooral bij groote hitte.
Hoe groot en sterk de angst en vrees voor straf is, heb
ik eens bij een Duitschen patrijshond gezien. Zijn gestrenge
meester, die niet zelden 2 a 3 dagen afwezig was, gaf zijn
hond telkens, wanneer deze zich door nood gedwongen
ontlastte, een ferme dracht slagen, die hem zelf eigenlijk
toekwamen. Ja, de onbarmhartige man pochte er zelfs nog
op, dat zijn hond zoo goed aan zindelijkheid gewoon was.
Eindelijk werd door een toeval ontdekt, dat de hond in
gevallen van nood zijne urine opdronk, en daarmede was
de grootspraak uit. De hond toonde zijn meester dan ook
nooit de rechte aanhankelijkheid, doch toen hij kort daarna
in. handen van een anderen heer kwam, loonde hij weldra
diens zachte behandeling door een waarlijk menschelijk
gedrag en was voor geen geld meer te koop. Hond en
meester verstonden elkander na korten tijd dermate, dat
zij niet meer buiten elkander konden.
De houding en het gedag van den kamerhond gedurende
-ocr page 41-
80
onze maaltijden eischen ook onze opzettelijke aandacht.
\'t Is toch hoogst onaangenaam, wanneer men bij het eten
telkens door honden wordt lastig gevallen: de eene blaft
ons aan, de andere bromt, knort of jankt, een derde poetst
zich de pooten aan onzen pantalon, een vierde zet ze zelfs
op de tafel, enz. enz. Aan zulke miserabele ondeugden
draagt de meester zelf altoos schuld, dat wil zeggen, wan-
neer hij zelf den hond heeft groot gebracht, doch vergeten
heeft hem werkelijk op te voeden.
Als men toelaat, dat een jonge hond steeds aan tafel
rondsnuffelt en hier en daar een brokje of zelfs een been
krijgt, waarmede hij tot ergernis der huisvrouw het vloer-
kleed bemorst, dan begaat men daarmee eene groote fout,
die de opvoeding van het dier zeer tegenwerkt en die men
later in \'t geheel niet of slechts met veel moeite en er-
gernis kan verbeteren.
De hond moet zonder tegenspraak in de kamer een be-
paalde rustplaats, en niet een bed of sofa, maar een stroomat,
vloerkleedje of mand op den vloer hebben staan, en uien
mag nooit toelaten, dat hij deze plaats ongenoodigd of
zonder noodzaak verlaat. Telkens vóór wij gaan eten, krijgt
hij zijn maal, en niet in de kamer of de gang, maar op eene
bepaalde plaats buiten of \'s winters misschien in de keu-
ken, waar hij echter ook niet langer geduld moet worden
dan noodig is. Zoolang onze maaltijd duurt, moet de ver-
zadigde hond op zijne gewone rustplaats liggen, wat met
goede woorden en liefkoozingen of bij koppige honden
(goed opgevoede honden zijn echter nooit koppig) door
enkele slagen zeer goed verkregen kan worden. Mettertijd
wordt dan deze goede gewoonte den hond tot een tweede
natuur, zooals men gewoonlijk zegt, en men ziet dan zijne
moeite ruimschoots door genot beloond. Zulke dieren kan
-ocr page 42-
81
men ook overal meenemen, zonder lastig of ongaarne ge-
zien te worden, terwijl men van verkeerd opgevoede hon-
den, die in vreemde huizen rondvliegen, in keuken en kan-
ten snuffelen, kinderen hunne eetwaren uit de handen ruk-
ken, enz. niets dan onaangenaamheden heeft, die soms ten
gevolge hebben, dat men wel eens tamelijk diep in de
beurs moet tasten.
Valt er bij toeval iets eetbaars van de tafel, dan roepe
men niet den hond van zijne rustplaats, maar neme het
zelf op en geve het hem later, na geëindigd en maaltijden
nadat men hem een weinig geliefkoosd heeft, als een soort
belooning. Zulke honden worden ook geene snoepers, die
alles verslinden, wat zij in huis of op straat maar kunnen
machtig worden en waardoor zij ten slotte alle mogelijke
kwalen krijgen; orde in voeding en beweging houdt den
hond even zoo goed gezond als ons, menschen.
Be rustplaats van den hond moet nooit in de nabijheid
van de kachel of den haard staan, wat de meeste bonden
anders wel graag willen. Zulk eene gevaarlijke plaats sta
men een bond nooit toe, al is hij ook nog zoo dun van
haar, nog zoo fijn van ras.
Evenals bij ons is ook bij den hond eene te snelle afwis-
seling van temperatuur de oorzaak van zeer veel lijden,
dat zich in verkoudheid, katarrh, oogontsteking enz. open-
baart en dikwijls van zeer langdurigen aard is. Over de
behandeling hiervan zie men het hoofdstuk ziekten.
Eindelijk hebben wij nog op de tanden te letten. Of-
schoon de tanden bij do meeste honden bijna ongemerkt
tusschen den leeftijd van !i a 8 maanden komen, gaat dit
toch ook dikwijls, evenals bij kleine kinderen, met koorts-
achtige verschijnselen gepaard. Het tandvleesch zwelt erg
op, is rood en ontstoken of ettert, wanneer het zoo ver-
-ocr page 43-
32
hard is, dat de tanden niet willen doorbreken. Er vertuo-
nen zich krampachtige trekkingen, die echter weldra ver-
dwijnen, wanneer men insnijdingen boven in het opgezwollen
tandvleesch maakt en de tanden zoo ruimte geeft om door
te breken. Dit heeft nog deze goede zijde, dat het gebit
meer gelijkmatig voor den dag komt.
b. In den dwinger.
Het woord dwinger is zeer rekbaar. Menig fokker in
\'t klein heeft, een, twee, drie hokken op zijn erf, die op
varkens- of geitenhokken gelijken, en geneert zich niet
hieraan ook den naam van dwinger te geven, ja, zelfs
„Honden uit mijn dwinger" te annonceeren.
De opvoeding in een goed ingerichte dwinger heeft zeker
hare licht- maar ook hare schaduwzijde. Een fokkerij in het
groot, bepaaldelijk van groote honden, is eigenlijk zonder dwin-
ger in \'t geheel niet denkbaar. Wij willen daarom, voor zoover
de ruimte ons zulks toelaat, dien eens wat nader beschou-
wen en ook onze meening over andere inrichtingen bij de
opvoeding bespreken.
Honden zijn geen pluimvee; men kan ze dus maar niet
de eerste de beste plaats aanwijzen, die er maar disponibel
is (1). Hunne lichamelijke ontwikkeling bangt in de eerste
plaats van eene willekeurige, vrije beweging af; deze tocli
geeft het dier eerder den fraaien typenvorm en een passenil
beenderenstelsel, dan liet beste voer. De dwinger biedt de
dieren voldoende ruimte aan, om naar willekeur in de fris-
sche buitenlucht rond te dartelen en te stoeien, wat jonge
honden instinctmatig gaarne doen met hunne moeder en nest-
(1) Pluimvee ook niet, als men het ten minste gezond wil
houden.
                                                                       (Vekt.)
-ocr page 44-
\'
3:3
genooten of ook wel met andere honden; ja, bij gebrek aan
huns gelijken houden ze hunne gymnastische oefeningen
ook wel met andere dieren bijv. katten. Wij schromen
niet, hier openlijk te verklaren, dat van alle groote honden-
rassen die dieren de beste worden, welke de meeste licha-
melijke. beweging hebben.
Niet eiken fokker is het mogelijk voor zich een dwinger
in te richten, zooals men dien naar de tegenwoordige eischen
afbeeldt en beschrijft. Zulke luxe-dwingers zijn ook voor het
fokken in \'t klein, waarmee zich toch de meeste fokkers
bezighouden, niet noodig. Ik bijv. gebruikte een luchtigen,
goed verlichten stal en verdeelde dien in afdeelingen voor
twee verschillende rassen, wat door middel van draadvlecht-
werk gemakkelijk en met weinig kosten te doen is. Hier
en daar worden palen in den grond geslagen, waaraan men
het vlechtwerk tot eene hoogte van minstens 1.25 Meter
vastspijkert en de afdeeling is gereed, op de deuren na,
die ook met weinig moeite zijn aan te brengen. Een be-
hoorlijk hok moet een geplaveiden vloer hebben, welke zoo
is ingericht, dat de urine gemakkelijk wegvloeit naar een
daarvoor bestemden kuil. Het witten van het hok is evenzoo
noodig voor de gezondheid der honden als voor het helder
en vroolijk aanzien.
In den regel grenst zoo\'n hok aan een tuin of eene weide,
doch in elk geval toch aan een goed omheind erf. Deze
ruimte stelle men ten dienste der jonge honden, opdat zij
bij gunstig weder naar hartelust kunnen dartelen en stoeien.
Op deze wijze heb ik zeer fraaie honden gefokt, die nooit
van ziekten te lijden hadden; finantieel voer ik er wel bij,
anders zou ik mij er niet mee hebben afgegeven, daar ik
geen vriend ben van eene liefhebberij, die geld kost; zij
moet integendeel winst afwerpen.
Pe Honden vriend.                                                                                  3
-ocr page 45-
FOX-T ERR IER.
-ocr page 46-
84
Als strooisel, dat wekelijks eenige malen vernieuwd moet
worden, is zeer aan te bevelen fijn gemaakt houtwol, waar-
onder men wat gemalen run of turfstrooisel mengt tegen
ongedierte, onaangenamen geur, enz.
In den laatsten tijd heeft men ook verplaatsbare dwingers
van ijzer en draadwerk in den handel gebracht, die zeer
praktisch zijn, daar zij neergezet kunnen worden, waar men
ze verkiest en geen kleine schuilplaatsen aanbieden voor
ongedierte. De beroemde fabriek van G. H. 0. Muller te
Leipzig, Querstrasse 11, is wegens haar fabrikaat in deze
zeer aan te bevelen. (1)
Doch al bevelen wij aan den eenen kant hier het fokken
in een dwinger aan, van den anderen kant kunnen wij tocli
niet nalaten, melding te maken van de cventueele nadeelen.
Het spreekt wel van zelf, dat in nauwbegrensde ruimten,
waarin maar al te vaak ook nog meer dieren gehuisvest
worden dan goed is, de gezondheidstoestand eerder iets te
wenschen overlaat, dan bij het fokken van een enkel dier
of bij de fokkerij in \'t klein. De uitwasemingen, het bij
elkander liggen, het elkander belekken enz., de dikwijls
groote opeenhooping der uitwerpselen in de onmiddellijke
nabijheid der dieren, werken in geenen deele gunstig op de
gezondheid en het gedijen der jonge dieren. Het is daarom
bepaald noodig, dat men de uitwerpselen eiken dag vcr-
wijdert en het strooisel vernieuwt. Ook moeten de honden
minstens tweemaal per week met behulp van een borstel
met water en teerzeep gereinigd worden. Op verschillende plaat-
sen brenge men banken of „britsen" aan, d. w. z. een weinig
boven den vloer verheven houten stellingen, van een stroo-
(1) Ia ons land wonle men zich um alles, wat do huisvesting,
enz. van den hond betreft, tot den heer Dr. A. J. J. Klopport, to
Hilversum.
                                                                           (Vekt.)
-ocr page 47-
\'.ir,
inat voorzien, waarop de honden kunnen liggen. Zelfs jonge
honden zullen deze rustplaatsen spoedig vinden, ze als lig-
plaats boven deu vlakken grond verkiezen en ze niet ver-
ontreinigen.
In de warme voorjaars- en zomerinaanden moet de dwin-
ger flink gezuiverd worden, waarvoor ik niet het sterk
riekende en zeer vergiftige carbolzuur aanbeveel, maar
„Condy\'s Fluid" of het nog nieuwere gepatenteerde „Sanitas;\'"
de dwinger voor dunharige honden en die voor fijne rassen
moet bij eene koude van 6 graden Eéaumer reeds verwarmd
worden, daar koude den dieren zeer spoedig nadeelig wordt
en de ontwikkeling niet bevordert.
Vestigen wij ten slotte nog even de aandacht op het
hondenhok, zooals dat door de meeste liefhebbers voor de
honden ingericht wordt. Wordt de hond dadelijk aan den
ketting gelegd, welke bevestigd is aan het hok, waarin hij
tot aan zijn dood wonen moet, dan zorge men er toch voor,
wanneer men ten minste een in alle opzichten goed uitge-
groeid dier verlangt, dat hij dagelijks eenige uren vrij kan
rondloopen. Aan den ketting beschadigt het dier zich door
het voortdurend trekken en rukken licht aan hals, schouder-
bladen en het haar, en door gebrek aan vrije, beweging en
het aanhoudend liggen worden de eetlust en de spijsverte-
ring gestoord, waardoor alle mogelijke ongemakken kunnen
ontstaan.
Bij velen ontbreekt het den honden ook aan de noodige
beschutting; de meesten liggen in een schuur onder een
veelal slecht dak, en zonder een hok of vat, waarin ze
zich bij guur weder of feilen zonneschijn kunnen terugtrek-
ken, en waaraan ze toch werkelijk behoefte hebben, als men
maar zorgt, dat het ruim genoeg is. Voor honden in de
open lucht plaatse men dit hok met den ingang naar een
-ocr page 48-
.\'50
dichten wand of muur gericht, opdat het dier geen last
hebbe van regen en sneeuw, en 50 a CO cM. van dien
wand verwijderd, zoodat hij er gemakkelijk in en uit kan
komen, \'t Is aan te bevelen het hok in den winter van
eene zelfsluitende deur te voorzien, zulk eene n.1. die de
hond gemakkelijk kan openen en die van zelf weder dicht»
valt. Die deur moet van een glasruit zijn voorzien.
c.      Geschikte tijd voor het opkweeken.
Wie een jongen hond wil opkweeken, kieze daartoe zulk
een, die tusschen \'t laatst van Maart en \'t midden van Sep-
tember geboren is; de fokker dient er voor te zorgen, dat
zijne teven in dat tijdperk werpen. In den winter geboren
honden worden licht door de koude in hunnen groei ge-
stoord, kunnen geen beweging genoeg krijgen in de buiten-
lucht en staan door een en ander meer bloot aan onge-
steldheden. Zelfs de jongen, die \'s winters door kamerhonden
en binnenskamers geworpen worden, maken hierop weinig
of geen uitzondering. Al maken zij het in de kamer oogen-
schijnlijk ook zeer goed, toch openbaart zich weldra het gemis
aan de frissche buitenlucht, enz. en juist deze weekelijke
dieren staan in den regel bij hun eerste voorjaarswandeling
in de vrije lucht bloot aan koudevatting, enz.
d.     Keus der op te kweeken konden.
Maar al te dikwijls laten vele liefhebbers zich bij den
aankoop van een jongen hond verleiden door zijn mooi
haar, fraaie kleur, symmetrische teekening, enz., doch zulks
overkomt alleen den onkundige. Zooals ik reeds vroeger
opmerkte, erven de goede en slechte hoedanigheden en
-ocr page 49-
;57
eigenschappen der onders deels op de jongen over, worden
deels met de moedermelk ingezogen.
Voor we er toe besluiten een jongen hond te koopen,
behooren we dus te informeeren naar de eigenschappen en
de dressuur van de ouders. Wie een sterken hond noodig
heeft, lette in de eerste plaats op een dien overeenkomstig
beenderengestel, bouw, grootte, enz.; wie daarentegen een
vluggen of tot verschillende kunststukken afgerichten hond
wenscht, zie meer op een slanken lichaamsbouw, verstandige
oogen, levendigheid, enz. De meeste loop-, dans- en spring-
kunstjes zijn door zwaargebouwde, plompe honden onmo-
lijk uit te voeren.
De oude regel om uit een nest raszuivere honden een
goeden te zoeken, is nog altijd niet te verwerpen, al lacht
menigeen er misschien ook in \'t geheim om. Men tilt na-
melijk den hond aan den staart op; trekt hij nu de voor-
pooten verder achteruit dan de ooren, clan mag men aan-
nemen, dat de hond zonder gebreken is.
Het verstaud van een hond meent men te kunnen beoor-
deelen naar de meerdere of mindere ontwikkeling van het
achterhoofdsbeen, het zoogenaamde verstandsbeen. Ofschoon
ik zelf ook wel van die meening ben, zoo denke men toch
hier ook aan het spreekwoord : „Geen regel zonder uitzon-
deringen!" Ik heb ook zeer goede honden gehad, welke
dat kenteeken misten, doch nooit een dommen, dien het
bezat.
In hoe hooge mate de leerzaamheid bij een hond aan-
wezig is, kan niemand aan hem zien noch bepalen; wel
kan men uit het gedrag van een hond, uit zijn levendige
«ogen, vlugge bewegingen, zijn nieuwsgierig rondkijken, enz.
opmaken, of hij verstandig is ; en zulk een hond zal in goede
handen en bij eene verstandige opvoeding ook zeker een
-ocr page 50-
;5S
goed en kostbaar dier worden. Talent voor het africhten,
enz. sluimert eigenlijk in eiken hond, die niet met organi-
sche hersengebreken behept is. Dat talent te wekken en
langzamerhand te ontwikkelen, is de taak, de kunst van den
africhter of dresseerder.
III. Uitwendige behandeling.
a. Het kammen.
Het uitwendig voorkomen van den hond is het beste ken-
teeken van de zorgen, die zijn meester aan hem wijdt.
Hoevelen toch zijn er niet, die verwonderd opkijken, als men
hen vraagt, of zij hun hond ook wasschen en borstelen en
of hij zich vooral op warme dagen ook baadt. Dat zijn
voornamelijk zulke hondenvrienden, die zelf aan een soort
watervrees lijden, en reiniging der huid van een hond even
onnoodig vinden als van hun eigene.
En toch is de uitwerking van de huidverpleging dikwijls
van zoo wonderbare uitwerking op het uiterlijk der dieren,
dat menig hondenfokker bij gelegenheid van hondententoon-
stellingen daarover verbaasd stond. Welk een onderscheid
tusschen dieren van een zelfde ras, waarvan het eene met
zorg behandeld en wekelijks eenige malen gewasschen, ge-
borsteld en gekamd werd, terwijl een andere juist een beeld
van het tegenovergestelde vertoonde. Wij hebben dikwijls,
vooral onder de langharige honden, monsters van leelijkheid
gezien, alleen een gevolg van verwaarloozing. De eigenaars,
welke misschien te huis zeker op een prijs rekenden, moes-
-ocr page 51-
39
ten zich bij het zien der goedverzorgde dieren schamen en
zelfs bekennen, dat zij geen prijs verdienden. De tentoon-
stelling had voor hen, evenals voor zoovele anderen dit
nut, dat zij er tot het inzicht kwamen, dat zij hunne hon-
den verwaarloosd hadden.
Zal de verpleging der huid werkelijk van beteekenis en
van eene duurzame uitwerking zijn, dan moet moet zij ge-
regeld en grondig ondernomen worden, bij groote honden
ten minste eens per week en wel met zuivere borstels,
kammen, enz. In den laatsten tijd heeft men verscheidene
hulpmiddelen uitgevonden, die zoowel ons als den honden
ten goede komen ; ik denk hier bijv. aan den haarhandschoen,
die voor kortharige honden bestemd is, en aan den honden-
schuier en hondenkam voor langharige honden. Harde
schuiers van varkensborstels enz. zijn in elk geval onge-
schikt, omdat zij dikwijls de fijne huid der dieren bescha-
digen en wonden, waardoor deze aanleiding krijgen tot
krabben, dat dikwijls weer vergrooting der wonden ver-
oorzaakt.
Harde schuiers met korte haren of met plantenworteltjes,
zooals ik er dikwijls bij liefhebbers gevonden heb, zijn geheel
verwerpelijk, daar men het haar daarmede uitscheurt en de huid
steeds beschadigt. Menigeen onder die verkeerde liefhebbers
meent al wonder wat gedaan te hebben, als hij zijn hond
met zulk een werktuig behandeld heeft, en het doet hem
zichtbaar goed (den hond echter niet), als hij tot ons zegt:
„ Ik heb hem eens weder flink gerost \\"
Zoo gemakkelijk het wasschen en borstelen gaat, zoo
moeilijk gaat dikwijls het kammen van langharige honden,
voornamelijk wanneer dit vroeger verzuimd werd of eenige
dagen te lang uitgesteld is. In het eerste geval verandert
het haar als \'t ware in een soort van vilt, dat met geen
-ocr page 52-
40
middel meer geheel uiteen en los is te krijgen. Zulke
honden moet men dan scheren en voortaan geregeld dage-
lijks kammen. Een hond wordt niet gaarne gekamd, evenmin
als de waterschuwe gaarne gewasschen wordt, doch beiden ge-
wennen er langzamerhand aan, wanneer men het maar ge-
regeld doet en vooral voorzichtig met den kam omgaat,
opdat het dier niet geplukt wordt. Eerst kamt men de
pooten, van den voet af beginnende, daarna kop, hals en
ooren en eindelijk den rug en de zijden.
Eene geregelde en grondige verpleging van de huid
voorkomt ook ongedierte als vlooien en luizen, daar huid
en haar steeds zuiver en rein blijven, waardoor de hond
een bevallig en tevens indrukwekkend uiterlijk verkrijgt.
Het dier, dat zich vvelbehagelijk gevoelt, verheft zich zelf
en neemt een geheel andere houding aan, alsof het zich
bewust is van zijne schoonheid.
Voor het afvvrijven gebruike men nooit oude, wollige
lappen, omdat die vezels in het haar achterlaten, welke er
moeilijk uit te verwijderen zijn.
b. Hel icasscken.
Het wasschen behoort steeds op het kammen te volgen.
Eene bijzondere bekwaamheid is er niet voor noodig, doch
door het gedurig te doen kan men er mettertijd toch vlugger
en beter mee voort, wat vooral den hond zeer aangenaam
is; want over \'t algemeen ploeteren de van water houdende
honden liever zelf in \'t water om dan zich te laten wasschen.
Eerst wascht men de pooten, dan kop, ooren en hals en
eindelijk rug, staart en buik. Ik zet den hond in eene beek-
of rivier, of thuis in een kuip met water, giet hem door
middel van een kan \'s winters warm en des zomers koud
-ocr page 53-
41
water (van de luchttemperatuur), waarin wat soda is op-
gelost, over het geheele lichaam, wrijf hem dan flink in
met groene zeep, teer- of zwavelzeep en wasch met de hand
of met een spons of zuchten schuier het geheele lichaam,
steeds knedend en strijkend, terwijl ik telkens weer water over
hem uitgiet om het vuil weg te spoelen. Na afloop van de
wassching wordt hij met schoon water flink overgoten, opdat
er volstrekt geen vuil of zeep in het haar blijft zitten.
Nu volgt het afdrogen, zooals gezegd is met een niet
wolligen of harigen doek of een zeemdoek. Bij het afdrogen
moet men ook altijd de richting van het haar volgen, niet
er tegenop strijken of in het wilde er door woelen, want
daardoor zou het vooraf gekamde haar weder geheel in en
door elkander geraken.
Als alles is afgeloopen, neme men den hond, vóór men
hem zijn eigen gang laat gaan, aan een touw en doe een flinke
wandeling met hem, of men sluite hem op in een hok,
dat van schoon, droog stroo is voorzien.
De gewasschen hond toch loopt graag dadelijk weg en
wentelt zich dan rond in stof en vuil en maakt daardoor
al ons werk nutteloos.
Houdt men hen aan een koord of kettinkje, dan kan hij
het zich nog in het haar bevindende water afschudden;
doch zich niet wentelen of gaan liggen; hij moet in be-
weging blijven, tot hij geheel droog is en zal dan ook
geen koude vatten.
De kleine schoot- of dameshondjes wikkelt men na ze
met warm water te hebben gewasschen en met koud besproeid,
het best in eene ongekleurde, wollen deken en legge ze te
bed of des zomers op de sofa of iets dergelijks, omdat
deze dieren, vooral de zeer kortharige, heel spoedig last
van koude hebben.
-ocr page 54-
4i>
Alle honden, voornamelijk de fijn- en kortharige kleumers
liggen zelfs des zomers gaarne in de zon, en \'s winters,
als het hun wordt toegestaan, zoo dicht mogelijk bij de
warme kachel. Dit mag echter nooit geduld worden, want
overgroote hitte is altijd vergif\' voor hen. Oude honden,
die zich deze leelijke gewoonte vaak ongestraft kunnen ver-
oorloven, lijden altijd meer of minder aan vurige, loopende,
vuile oogen, vatten ieder oogenblik koude, worden slaperig,
loom en dom. Men zorge er daarom van den beginne af
voor, dat zij zich deze slechte gewoonte niet aanwennen,
wat met de noodige wilskracht en volharding niet zoo-
moeilijk is.
C. Zindelijkheid van den hond.
De, zindelijkheid van den hond is een product van onze
eigene doelmatige behandeling. Alleen de werkelijk kamer-
zindelijke hond kan ons bevallen en zal ook anderen niet
onaangenaam zijn, indien hij met zijn heer aan dezen of
genen een bezoek brengt. Kamerhonden zijn gemakkelijker
tot zindelijkheid te brengen dan hof- of heemhonden, omdat
men de eerste steeds in zijne nabijheid heeft en geen onrein-
heid duldt, terwijl de hcemhond zich ontlast, waar hij het
goedvindt.
Zooals reeds vroeger is opgemerkt, zorge men ervoor,
den hond, zoodra hij van zijn leger gaat opstaan, met
vriendelijke woorden op te nemen en naar buiten te dragen,
waar hij dan dadelijk na een weinig heen- en weerloopen
zijne boodschap verricht. Men behoeft dit niet dikwijls te
herhalen, of hij loopt, als hij opgestaan is, van zelf naar
de deur en zegt ons door zijn gejank en gekrab aan de
deur, wat hij wil. Ontlast hij zich nog eens een enkelen
-ocr page 55-
43
keer in de kamer, clan neme men hein beet, wrijve hem
met zijn neus in zijn vuil, geve hein met de vlakke hand
een paar klappen op zijn achterdeel en jage hein met een
boos gelaat en een barsch: „Wat heb je gedaan?" de
deur uit.
Een heemhond in een kamerhond te veranderen gaat
altijd te moeielijker, naarmate de hond ouder is; doch ook onder
de heemhonden treft men er aan, die in korten tijd kamer-
zindelijk zijn te maken. In den regel zijn dit zulke, die
in de open lucht eene instinctmatige zindelijkheid vertoonen.
Zoo zijn er onder hen, die op hun terrein zelf een vaste
plaats gekozen hebben, in den regel den mesthoop, waar zij
zich ontlasten en — bij regelmatig gevoede honden — ge-
woonlijk ook op gezette tijden. Den mesthoop kiezen ze daar-
toe nog al vaak, omdat zij voor het doen hunner behoefte
over \'t algemeen gaarne een eenigszins hooge plaats uit-
zoeken.
Men geve ook alle kamerhonden dagelijks altijd eenigen
tijd om vrij rond te loopen en zich te ontlasten, vooral
\'s morgens vroeg, \'s middags na den maaltijd en \'s avonds
voor het slapen gaan.
Door veel slaan en voortdurend schelden maakt men
menigen hond óf vreesachtig en angstig óf boosaardig en
wild, alle eigenschappen, die hen ten slotte als kamerhond
ongeschikt maken.
d. Ongedierte.
Door ongedierte worden alleen die honden geplaagd, welke
uitwendig niet goed verzorgd, dus niet gewasschen en ge-
kamd worden, en — zieke honden. De hoofdvijand van
ongedierte is reinheid. Als we een hond hebben, wiens haar
-ocr page 56-
44
vol vlooien zit, dan doen we het best onze toevlucht te
nemen tot eenvoudige, voor de gezondheid onschadelijke
middelen. Voor kleine honden gebruik ik spaanders van
kwassiehout en giet daar kokend water op, (op 100 gram
1 liter), en laat dat zoo verscheidene uren staan te trekken.
Daarna filtreer ik dat aftreksel door een doek en voeg het
bij 2 liter wasehwater; met dit mengsel wordt de hond
Hink gewasschen en het ongedierte verdwijnt.. Voor grootere
honden neem ik lijn- of raapolie, wrijf de geheele huid
daarmede, fiink in en laat den hond eenige uren loopen,
waarna hij met lauwwarm water gewasschen wordt, waarin
ik eene sterke oplossing van ovennangaanzure kali doe. Als
een uitstekend middel worden ook aanbevolen inwrijvingen
met 5 gr. Peru-balsem en 50 gr. wijngeest.
Voor het vergiftige en zeer gevaarlijke carbolzuur in
het wasehwater moet ik ten sterkste waarschuwen en even-
eens voor carbolzeep. De honden belekken zich, zoolang zij
nat zijn, en daardoor is reeds menige fraaie hond gestorven,
al was het ook niet dadelijk, dan toch na weken of zelfs
maanden, zonder dat men de oorzaak vermoedde; want
carbolzuur in kleine hoeveelheden is een langzaam werkende
moordenaar.
Nog lastiger dan vlooien zijn luizen, die bij slecht ver-
zorgde langharige honden bijna altijd voorkomen en waar-
tegen de middelen tegen vlooien meestal werkeloos zijn.
Voor eene radikale vernietiging der luizen moet men wel
zijne toevlucht nemen tot vergiftige middelen, bijv. tot wit
precipitaatpoeder. Dit kan alleen in drogen toestand gebruikt
worden en ook de hond zelf moet goed droog zijn. Men
strooit of blaast het tusschen het haar, nadat men den hond
een muilkorf heeft omgedaan, die het onmogelijk maakt,
dat hij zich met snuit of tong ergens kan likken. Na één
-ocr page 57-
45
of nog beter na twee uur wordt het poeder geheel uit het
haar geborsteld. De hond mag, zoolang het poeder in het
haar zit, niet nat worden, daar het opgeloste poeder de huid
aantast en den hond kan dooden.
Een meer eenvoudig middel is de zoogenaamde luizenzalf
(Pedicularis), die men flink in het haar en op de huid
wrijft, Maardoor deze woekerdieren weggaan en ook ten deele
sterven. Op dezelfde wijze werkt ook petroleum en een af-
kooksel van luiskruid (Pedicularis), eene plant, die op de
weilanden dikwijls voorkomt.
Teken worden in den regel slechts weinig op honden ge-
vonden en wel bijna alleen op zulke, die veel onder boomen
en heggen komen, zooals jacht* en herdershonden. Worden
deze diertjes, wier zetel de hond door onophoudelijk krabben
of, als hij er niet bij kan komen, door zich te wentelen ver-
raadt, dadelijk ontdekt, dan kan men ze gemakkelijk met
de nagels der vingers of met een tangetje wegnemen, waarbij
men echter moet zorgen, dat men den met bloed gevulden
bloedzak niet afbreekt en het eigenlijke dier zitten laat,
dat reeds vrij diep in het vleeseh is gedrongen. Een weinig
precipitaatpoeder doodt dit insect ook dadelijk, doch dit
middel mag alleen weer aangewend worden op eene plaats,
waar de hond niet met den snuit bij kan komen.
Hokken en dwingers moeten elk vierendeeljaars gewit
worden met kalk, waaraan een weinig carbolwater is toe-
gevoegd; alle dcelen, waarmede de hond in aanraking
komt, worden met zuivere kalk gewit of met lijnolie be-
streken, nadat ze vooraf grondig gereinigd zijn.
Het hondenhok of het leger moet nooit in de nabijheid
van een hoenderhok, nog minder daaronder staan, zooals
ik dikwijls gezien heb, daar een hond aan zijne eigene
plaaggeesten reeds genoeg heeft. Hoenderluizen gaan namelijk
-ocr page 58-
46
op vrij groote afstanden van hunne geboorteplaats wandelen
en zijn wat in hun schik, als zij dan op een ander, vreemd
lichaam eens kermis kunnen vieren.
Heeft men honden op eene tentoonstelling gehad, dan
onderzoeke men, als men ze weer thuis krijgt, nauwkeurig
haar en huid; want niet zelden brengen zij de lastige
plaaggeesten van andere honden mede. Tentoonstellingen
van honden en pluimvee moeten ook nooit in een zelfde
vertrek gehouden worden, zooals, helaas, reeds is voorge-
komcn tot groote ergenis en verdriet der hondenliefhebbers.
want het ongedierte der honden gaat niet op het pluimvee
over, terwijl zooals we reeds aanhaalden, het ongedierte van
het pluimvee wel graag aan andere dieren een bezoek brengt.
IV. Voeding.
Evenals het voedsel op het lichamelijk en geestelijk
welzijn van ons, menschen, werkt, zoo doet het zulks ook bij
de dieren, dus ook bij de honden. Goed gevoede en goed
verzorgde honden, jonge zoowel als oude, openbaren een
levendig temperamcut, springen als jonge geitjes en kijken
verstandig, vroolijk en vertrouwelijk naar alles om, terwijl
de sleelitgevoede zich langzaam en mat voortbewegen, er
dom, droevig en bij sommige rassen zelfs moordgierig uit-
zien en iemand zeker ook kwaadaardig zouden aanvallen,
indien ze er sterk en moedig genoeg voor waren.
De ervaring heeft verder geleerd, dat zwakke, loome die-
ren eerder bloot staan aan hondenziekte en ongedierte dan
krachtige, goed gevoede. Ieder, die een hond heeft, bedenke
-ocr page 59-
47
wel, dat eene te groote zuinigheid op goed voeder, vooral
aan jonge en niet volwassen honden, zich bitter wreekt.
Hoe dikwijls heb ik gehoord, dat men van een pas ge-
speenden, slechts 4 a 6 weken ouden hond sprekende, zeide:
„0, die heelt geen melk meer 7ioodig; die kan eten, wat
er van onzen maaltijd overblijft!" Zulke uitdrukkingen
koinen gewoonlijk van mannen, die in zeker opzicht onder
den pantoffel zitten van eene strenge wederhelft, aan wie
een hond alleen dan minder onaangenaam is, als deze geen
melk meer behoeft, weinig of niet eet en, zooals van zelf
spreekt, nooit binnenshuis komt.
Zulke bannelingen zijn de meest beklagenswaardige schep-
selen ter wereld. Zij worden aan de blikken van de hun
zoo welwillende (!) huisvrouw onttrokken en in een donkeren,
ontoegankelijken hoek gehuisvest, terwijl men slechts aan
hen denkt, als hunne vriendin afwezig is of slaapt. Dan
wordt in der haast wat voedsel aan het dier gebracht, dat,
hongerig als het is, dit met evenveel haast naar binnen
werkt, op gevaar af zich te verslikken en te stikken. O,
wat moet zoo\'n hond gedijen ! Het wordt bepaald een model
van een hond, zooals die niet moet zijn. En toch
kan zulk een hond nog tot loon voor dergelijke behande-
ling een trouwe bewaker van het huis zijn, een veilige
gids voor zijn meester en misschien zelfs in nood nog een
onbevreesde verdediger van zijn lieve meesteres, wie hij,
ofschoon hij haar misschien slechts enkele malen in zijn
leven gezien heeft, toch nog kwispelstaartend een poot reikt
of zelfs de hand likt; want zijn fijne neus heeft Jiem ge-
zegd, dat zij tot de huisgenooten behoort. Is er onder de
menschen wel zooveel trouw te vinden ?
Wanneer men zoo iets ondervindt van zulke, door eene
treurige eenzaamheid letterlijk versufte dieren, wat mag men
-ocr page 60-
48
dan niet van goed verzorgde en met liefde behandelde hon-
den verwachten ?!
Wij komen nu tot de belangrijke vraag, wat en hoe men
dan eigenlijk een hond moet voeren, eene vraag, die reeds
zoo dikwijls gedaan werd en nog dikwijls gedaan zal wor-
den. Het komt niet in mij op, hier alleen mij n e meening er»
ervaring mede te deelen, ik zal integendeel de ervaringen
van de grootste en beroemdste fokkers aanhalen, voorna-
meiijk in zooverre die betreffen de voeding van honden in
het groot. We hebben bij gelegenheid reeds over de voeding
van jonge, pas gespeende honden gesproken, doch zullen des
niettegenstaande hier nog wat uitvoeriger daarop terugkomen.
Ik moet in de voedingswijzen noodzakelijk verschil maken,
vooral om de kosten, welke er aan verbonden zijn. Voor-
schriften, zooals er in vele of bijna alle boeken over hon-
den voorkomen, geef ik hier niet, want die kunnen alleen
dienstig zijn voor de bemiddelden, die evenveel van zijn hond
houdt als van zich zelf, of het voordeel van zijne fokkerij
o]) het oog heeft. Ik heb meer het oog op de honden,
welken het minste levenslot ten deel is gevallen, op zulke>
die bij den geringen man gehuisvest zijn; de honden der
rijken hebben ook zonder voorschrift „betere maaltijden".
Minder gegoede of arme liedeu zijn op de voeding van
hunnen hond, hij moge jong of oud zijn, gewoonlijk niet
kieskeurig of angstvallig. Melk krijgen zij zelf niet of slechts
weinig, nog minder krijgt dus de hond.
Zulke menschen moesten eigenlijk geen hond hebben;
want ora liet leven van den hond, die eigenlijk niets anders
is dairwen stuk speelgoed voor den kleinen Jan of Piet,
wordt in het geheel niet gedacht. Is hij dood, dan wordt
hij eenvoudig begraven, wat voor het arme dier wezenlijk
het beste is.
-ocr page 61-
49
Men meene niet, dat al zulke gelukkige(P) honden vroe-
ger of later van ellende omkomen, want dat is niet het
geval. Zij worden evenals vele kinderen uit- en inwendig
gehard en trotseeren later alle mogelijke weder en elke
ziekte, voorzoover zij die n.1. gelukkig te boven komen.
Ja, het is merkwaardig, dat deze honden, die meestal de
metgezellen van scharen slijpers en dergelijken zijn, zeer zel-
den de hondenziekte krijgen of daaraan sterven. (1)
Zulke honden hebben geen bepaalde maaltijden; zij nemen
wat en waar zij iets vinden, en zoeken ook hun drinken
in een emmer of tobbe hier of daar binnenshuis of daar-
buiten in een gracht of sloot.
De jonge hond moet dagelijks drie malen, n.1. \'s morgens,
\'s middags en \'s avonds gevoerd worden tot zoolang hij
volwassen is; daarna zijn 2 maaltijden voldoende en bij
oude honden één, des middags. Kamerhonden geve men,
onverschillig of zij jong of oud zijn, des avonds niets, op-
dat zij \'s nachts rustig kunnen blijven liggen en niet in
de noodzakelijkheid komen om het vertrek te verontreini-
geiij vooral vermijde men vloeibare spijzen als soep, melk
koffie enz.
Over het „wat" zijn de meeningen even verschillend als
over het „hoe dikwijls" en het „hoeveel". Met be-
trekking tot de gezondheid en eene voorspoedige ontwikke-
ling van den hond kan men, aangaande het „wat" nog
bepaalde voorschriften geven, maar hoe weinigen zijn er,
die daarnaar hunne honden, soms zelfs verscheiden dwingers
vol, kunnen voeren ?! Hoe zouden zij daarbij hunne reke-
ning maken.
De hond is van natuur, zooals zijn gebit aantoont, een
(1) Anderen beweren echter het tegendeel.
De Hondenvriend.
-ocr page 62-
SMOUSHOND.
-ocr page 63-
50
vleeschetend dier, en van deze natuurlijke bestemming kun-
nen wij ons gemakkelijk overtuigen, wanneer wij den hond,
zelfs een zeer jongen, verschillende spijzen, bijv, soep, melk
enz. en vleescli voorzetten of een weinig vleesch ouder zijn
voeder mengen: hij zal liet eerst naar het vleesch grijpen.
Ja, als hij maar vleesch ruikt, springt hij reeds vroolijk op
en geeft zijn verlangen daarnaar niet onduidelijk te kennen.
Uitsluitend vleeschvoeder zou alzoo overeenkomstig de
natuur en dus het beste zijn, doch dit is aan den eenen
kant zeer duur en aan den anderen kant niet goed voor
iederen hond. Aroeding met rauw vleesch toch maakt den
hond kwaadaardig, geneigd tot bijten, daarbij sterk en der-
halve zeer gevaarlijk, zelfs voor zijn eigen meester, zooals
men bij buldoggen en doggen dikwijls ziet.
Ik spreek hier uit ervaring: ik had een zeer grooten,
zwarten poedel, dien ik eerst met melk en brood, later
met het afval van de tafel groot bracht. Hij groeide goed,
want hij had behalve goed voedsel dagelijks ook voldoende
beweging.
Hoeveel ik echter ook van Leo hield om zijne goede
eigenschappen en gemakkelijke dressuur, zoo ergerde mij
toch zijne groole goedaardigheid, ja, lafheid tegenover kleine,
bijtgrage mormels, die hem steeds tot buiten het dorp ver-
volgden. Hij ging uit angst en vrees op den rug liggen
en smeekte om genade, vooral wanneer hij door twee van
die rakkers vervolgd werd. Al mijn toespreken en aanhitsen
hielp niets. Eindelijk ried mij een houtvester aan, den hond
rauw vleesch te voeren, dat ik dan ook tegen billijken prijs
van hem kon krijgen. Voortaan kreeg Leo dan nu niets
dan rauw paarde vleescli, en wel 2 ïi 2£ kilogram per dag,
en hoogstens enkele stukjes broodafval. Het dier, dat an-
ders op zich zelf levendig genoeg was, werd nu nog !even-
-ocr page 64-
51
diger, doch ook ernstiger, wat duidelijk aan zijn gelaats*
uitdrukkiug te zien was.
Drie weken daarna kwam ik met hem in een naburig
dorp, waar hij geregeld door een witten keeshond behoorlijk
toegetakeld werd. Dezen keer echter liep Leo mij niet
steeds uit angst om de beenen noch maakte, dat hij met deu
staart tusschen de beenen weg kwam; hij bleef met omhoog
gedragen staart en \'t haar op den rug overeind staand,
brommend staan en keek zijne tegenpartij, den keeshond,
grimmig aan. Spits kreeg respect voor deze houding van
Leo en bleef ook staan, waarop Leo op den grond ging
liggen als een loerende kat.
Dit scheen Spits moed te geven; op eens schoot hij op
Leo los, doch deze sprong direct op, ging op zijne achter-
pooten staan, pakte zijn tegenstander bij den hals, wierp hem
op den grond en takelde hem zoo toe, dat het den boer,
die vroeger altijd met een welbehagelijk lachje toeschouwer
"was, eindelijk te erg werd. Het kostte mij nu groote moeite
L30 van den kees los te scheuren; hij had dezen geducht
beet gepakt en wilde niet loslaten. Bloedend verliet Spits
de kampplaats en liet zich later niet weder zien. Leo was
nu een bijter geworden in de volste beteekenis van het
woord. Geen hond kon hem meer ongeschonden voorbij
komen. Kleine honden worgde hij dadelijk, en in de ge-
vochten met de grootste Bernardshonden, doggen en sla-
gershonden bleef hij steeds meester van het terrein, zoodat
hij zijn naam als moordenaar vereeuwigde. Deze totale ont-
aarding, die ik bij meer honden, ook bij die van den hout-
vester waarnam, schrijf ik alleen toe aan de voeding met
rauw vlcesch.
Evenzoo bleven mijne Russische windhonden door vleesch-
voeding steeds prikkelbaar, wild en bijna toomeloos. Ik
-ocr page 65-
52
ging daarom later tot plantenvoedsel over, n.1. maïsmeel en
zwartbrood, en gaf slechts twee malen in de week vleesch,
waardoor mijne honden weder veel bedaarder en handel-
baarder werden, doch aan kracht en taaiheid verloren.
Vleeschvoedering is daarom bij honden, die aanhoudend
en met inspanning moeten werken, zooals trekhonden, her-
dershonden en dergelijke juist op hare plaats.
In den zomer is dikke of zure melk met aardappelen of
brood, éénmaal per dag, voor alle honden eene aangename
en gezonde spijze; vooral voor jonge honden is die dikke
melk zeer aan te bevelen, daar zij het lichaam open houdt
en daardoor eenigszins als voorbehoedmiddel tegen honden-
ziekte of in elk geval tegen hevige aanvallen daarvan
dienst doet.
Als een uitstekend voedsel voor alle honden, zieke zoowel
als gezonde, zijn de verschillende fabrikaten aan te bevelen,
die onder den naam van Spratts Patent honden voer bekend
zijn. Jammer is het evenwel, dat deze voedingsmiddelen
van wege hun hoogen prijs slechts door weinigen zijn te
bekomen. Ik beveel ze hier echter in \'t bijzonder aan voor
zieke en jonge honden, die anders niet recht willen gedijen.
V. Het fokken.
Het fokken van honden vereischt evenals elke dieren-
fokkeiïj eenige kennis, indien het ten minste met succes
zal worden bekroond. Een zorgvuldige keuze van de fok-
dieren is hierbij eene zaak van het grootste gewicht, want
alleen van fraaie, gezonde en voorbeeldige exemplaren kan
-ocr page 66-
53
uien jongen verwachten, die dezelfde goede eigenschappen
bezitten. Wij hebben ons daarom in de eerste plaats bezig
te houden met het kiezen van een fokreu en eene fokteef,
de hoofdfactoren van een goede en voordeelige fokkerij.
a. JJe reu.
De eisenen, die men aan een goeden reu mag, ja, moet
stellen, zijn waarlijk niet gering; toch zijn ze noodig, zoo-
wel in het belang van den hond zelf en van het ras als
in \'t belang van de zaak, d. w. z. van de rentabiliteit:
gezondheid, krachtig gestel, majestueuze, sierlijke houding
in alle deelen en ten alle tijde, niet alleen in oogenblikken
van sterke aandoening, als bijv. bij \'t zien van andere hon-
den of van eene teef. Een heldere, kalme doch levendige
blik verraadt gezondheid en een vurig temperament, zooals
een goede fokhond juist moet hebben. Een teere, zwak ge-
bouwde, droefgeestige hond zal zijne minder te verkiezen
eigenschappen ook op zijne nakomelingen voortplanten, en
de koopers van deze zullen er waarlijk niet te veel ge-
noegen van beleven. Ook bij de beste voeding groeien ze
nauw merkbaar; elk oogenblik zijn ze ongesteld en zij bezwij-
ken in den regel aan het tanden krijgen of aan de hon-
denziekte. Eu komt er een enkele deze ziekte te boven,
dan blijft hij toch altijd in waarde zeer ten achter bij an-
dere. De kenner weet op eene tentoonstelling dadelijk die
honden op te sporen, welke van goede ouders gefokt zijn;
\'t is daarom een liefhebber, die een hond wil koopen, aan
te raden een kenner mee te nemen, opdat hij niet bedrogen
uitkome; de in het oog loopende honden zijn nog niet al-
tijd de beste.
Het spreekt van zelf, dat de fokreu zorgvuldig gevoed
-ocr page 67-
54
en verpleegd moet worden met het oog op de diensten,
die hij in belang der voortplanting moet verrichten. Hij kan
en mag zich niet vergenoegen met de maaltijden, enz. van
een hond, die niet dekt. Tot ontspanning en versterking is
het tevens noodig, dat hij \'s morgens en \'s avonds eene Hinke
wandeling doet of, door vrij op het erf rond te loopen, de
noodige beweging krijgt, üe dwingerhond heeft ruimte om
zich te bewegen, en waar zulks niet in voldoende mate het
geval mocht zijn, moet hij de noodige ontspanning ergens
anders kunnen vinden.
Angstvalliger nog dan bij andere honden moet men bij
een fokhond op reinheid letten. Een vuile, onzindelijke
hond maakt op den toeschouwer, die toch in de meeste
gevallen gaarne den- hond, die zijne teef zal dekken wil
zien, geen aangenamen indruk, ja, zelfs rnenigmalen ook op
de teef niet. Ik ken voorbeelden, dat eene zeer vurige teef
zulk een hond niet wilde toelaten, doch zicli gewillig aan
een netten, eleganten reu overgaf. De dekhond moet ook
in het heete jaargetijde volstrekt alle dagen een koud bad
hebben en daarna voldoende beweging, tot hij weder geheel
droog is.
De eigenaar van een goeden dekhond moet er steeds op-
bedacht zijn, dien in goeden staat, sterk en gezond te hou-
den. Hij late hem daarom nooit te dikwijls dekken, vooral
den jongen dekhond niet, die eigenlijk in \'t geheel niet
als zoodanig dienst moet doen, vóór hij den leeftijd van
18 maanden bereikt heeft.
Een sterke hond mag in eene maand 3 teven bevruchten;
jonge of oude honden niet meer dan twee per maand of,
naar omstandigheden, slechts ééne. Het meerdere in deze
is uit den booze; al is dit ook niet dadelijk aan den dek-
hond merkbaar, de eene of andere liefhebber, die zijne teef
-ocr page 68-
55
door zulk een te veelvuldig dienst doenden hond liet dek-
ken, wordt het tot zijne verbazing en ergernis wel gewaar;
want zijne teef werpt of slechts enkele, zwakkelijke jongen,
of in \'t geheel niet.
Hoe lang een hond als dekhond gebruikt kan worden is
niet nauwkeurig te bepalen, want terwijl menige hond op
tienjarigen leeftijd reeds afgeleefd en totaal onbruikbaar is,
verwekt een andere op den leeftijd van 15 jaren nog gezonde,
krachtige nakomelingen. De vroegtijdige zwakte kan bij den
hond ontstaan doordat hij te vroeg en te dikwijls als dek-
hond dienst moest doen, doch ook door onvoldoende voeding
en verpleging, alsmede door te groote levendigheid. Wordt
hij echter slechts spaarzaam als dekhond gebruikt en daarbij
goed gevoed en verzorgd, dan kan hij tot op veel hoogeren
leeftijd nog de vreugde zijns meesters zijn. Ik heb een poe-
del gehad van 22 jaren, die nog zoo levendig was als een
jonge hond, dagelijks naar de brievenpost ging, enz. en zijne
kunststukjes even vlug en precies uitvoerde als in zijn derde
levensjaar. Ik verkocht hem aan een schoorsteenveger, die-
hem twee jaren later weer aan een rechtsgeleerde overdeed,
en deze laatste had hem nog eenige jaren, in welke hij nog
dezelfde diensten bewees als bij mij. Zijn gehoor was bijna
weg, doch overigens was hij nog flink; zelfs zijn gebit was
nog tamelijk goed, inet uitzondering van de hoektanden, die
op 18jarigen leeftijd de een na den ander afbraken tenge-
volge van vechtpartijen, waarvan Leo een groot liefhebber
was en in welke hij altijd meester bleef op de kampplaats.
b. J)e foUeef.
Bij het kiezen van eene voor de fokkerij bestemde teef
moet men al even omzichtig en nauwgezet zijn in het uit-
-ocr page 69-
56
zoeken als van een reu, en dezelfde grondwaarheden moeten
ons ook hier tot eene juiste keuze voeren.
De meeste teven worden reeds ritsig (tochtig, loops), als
ze ongeveer 9 maanden oud zijn, doch men zou zich aan
het ras en aan de teef zelve bezondigen, wanneer men haar
reeds op zoo jeugdigen leeftijd liet dekken, omdat zij dan
nog lang niet volkomen ontwikkeld is. De jongen van zulke
moeders kunnen niet anders dan zwakkelingen zijn, en nooit
volmaakte rasdieren geven; bovendien is de schade, die door
eene te vroege dekking aan de constitutie der jonge moeder
wordt veroorzaakt, dikwijls onberekenbaar. Hij eene teef, die
vroeger volkomen gezond en in alle opzichten Hink was,
openbaren zich na eene te vroege zwangerschap meermalen
kwalen, waaraan zij geheel haar verder leven blijft lijden.
De fokteef moet niet jonger zijn dan ongeveer Ih jaar.
Het begin der loopschheid is merkbaar aau liet gedrag
en de houding van de teef tegenover mannelijke honden;
zij wordt dan bijzonder levendig, tracht met den houd aan
\'t spelen en stoeien te geraken en springt gedurig op dezen.
Als men dit bemerkt, moet uien de teef steeds goed in
\'t oog houden, daar het noodig kan zijn, dat men aan haar
bijzondere zorgen moet wijden. Uit de inoederscheede vloeit
nu en dan een kleverige vloeistof of bloed, waarvan men
de sporen kan vinden op het leger van het dier. Deze eer-
ste periode duurt zes dagen; met den zesden dag laat de
teef den hond toe en wel gedurende de volgende vijf of
zes dagen; daarna bijt ze hem af en nog een dag of zes
later is de loopschheid voorbij. Het spreekt van zelf, dat
de teef ten tijde van de ritsigheid en voornamelijk gedu\'
rende het middelste zestal dagen, gedurende welke zij den
hond toelaat, met geen anderen hond in aanraking mag
komen dan met dien, door welken men voornemens is haar
-ocr page 70-
57
te laten\' dekken. Zij moet daarom zoo bewaard of opgeslo-
ten worden, dat zij niet kan ontsnappen en dat er ook op
geenerlei wijze een andere hond zich toegang tot haar kan
verschaffen.
En dat men daarbij tegenover vurige en verstandige dieren
soms krasse maatregelen moet nemen, heeft de ervaring meer
dan eens geleerd, \'t Is bij mij voorgekomen, dat een toch-
tige teef, die opgesloten was in een goed gesloten stevig
varkeushok, aan den binnenkant langzamerhand planken van
5 cM. dikte in splinters wist te krijgen, terwijl een vurige
hond, die des avonds over een 1.30 M. hoogen muur ge-
sprongen was, aan den buitenkant zijn best deed om zijn
liefje te genaken.
Op zekeren morgen was M i n k a met haren uitverkorene
er van door gegaan; \'t was hun gelukt in de eene zijde
van het varkenshok eene voldoend groote opening te makeu
om de teef door te laten. Nadat ik het defect had laten
herstellen en de vier zijwanden en den vloer met blik be-
slaan, zag Minka van haar voornemen om op nieuw te ont-
snappen af, en de teer, waarmee ik het hok aan den buiten-
kant liet bestrijken benam ook haren iniunaar den lust
weder inbraak te plegen.
Wil men eene teef door een zekeren reu buiten onze
woonplaats laten dekken, dan is dubbele voorzichtigheid
noodig. Ten eerste doe men onderzoek naar de vertrouw-
baarheid van den eigenaar van den dekhond en naar het
aantal teven, dat door hem ter dekking wordt toegelaten.
Wordt de hond wat al te vaak vader, dan doet men ver-
standig omtrent de betaling van het dekgeld zekere voor-
waarden te stellen. Een jonge teef kan met succes gedekt
worden door een ouden reu; voor een oude teef neme men
echter een jongen reu.
-ocr page 71-
58
Ten tweede moet de liefhebber, die zijne teef tegen be-
taling van dekgeld — vooral indien dit nogal hoog is —
wil laten dekken, zich overtuigen, of zijne teef ook werke.-
lijk bij den bedoelden reu toegelaten wordt en of die reu
werkelijk de rashond is, waarvoor bij wordt uitgegeven. Ik
zou hier gemakkelijk eenige voorbeelden kunnen aanhalen
van treurige ervaringen, die men kan opdoen, als men maar
klakkeloos afgaat op de veel belovende annonces, welke men
in de kranten aantreft. Ik zelf ben er ook eens leelijk in-
geloopen. Men gaf hoog op van het non plus ultra
van een Tov terriër, die tegen overeen te komen voorwaarden
ter dekking stond. Ik sloot een aeeoord voor 20 Mark,
zond mijne teef in, doch zag haar nooit weder. Op mijne
navraag ontving ik de verrassende mededeeling, dat de nette
heer, die onder valsche namen geadverteerd had, verdwenen
was en met hem mijne Bel la, die eene waarde had van
100 a 150 Mark.
Is het dekstation van onze woonplaats verwijderd, zoodat
het ons niet mogelijk is de teef te vergezellen, dan is het
noodig dat men een bekend en vertrouwd persoon neemt,
die den hond heenbrengt en die bij de eerste dekking tegen-
woordig is.
Onze waarschuwingen in deze betreffen natuurlijk alleen
twijfelachtige personen of geheel onbekende firma\'s. Wil
men zeker gaan, dan wende men zich liever tot bekende
en vertrouwbare fokkers en sluite een bepaald accoord; ook
de fokker moet voorzichtig zijn, want tegenwoordig is alles
mogelijk. Zoo herinner ik inij een geval, waarin de eigenaar
van eene teef, die zes doode jongen wierp, zich er in een
ellenlangen brief bij den fokker over beklaagde, dat de dek-
king zonder gevolg was gebleven en dat bij dus bij eene
eerstvolgende gelegenheid vrije dekking eischte. Zijn buur-
-ocr page 72-
59
ïii.in, die gezien had, dat hij do jongen in den tuin begroef,
was echter zoo vrij de waarheid aan het licht te brengen.
Wanneer eene teef op een dekstation aankomt, moet men
haar niet dadelijk bij den ren toelaten; men late haar liever
uitrusten tot den volgenden dag en ondersteune in dien
tussehentijd de natuurdrift door eene doelmatige voeding.
Eene teef, die in een verhitten en afgeinatten toestand ge-
dekt wordt, baart in den regel te vroeg, wat noch in \'t voor-
deel der moeder, noch in dat der jongen kan zijn.
Toont eene teef zich tegenover den dekhond boosaardig en
weerspannig, dan is het noodig, dat men te hulp komt.
Men houde haar dan bij den kop of aan den halsband
vast en dwinge haar zoo om rustig te blijven staan.
Is de paring, die van 5 tot 20 minuten kan duren, af-
geloopen, dan moet men de dieren dadelijk van elkander
verwijderen, ze van frisch drinkwater voorzien en later een
portie vleesch geven. Vierentwintig uren na de eerste dek-
king kan de tweede plaats hebben, en den daarop volgen-
den dag kan men de teef naar huis sturen. Om meer ze-
kerheid te verkrijgen laat men de teef ook wel 8 dagen
aan liet dekstation en brengt haar gedurende dien tijd om
de \'Z4> a, 36 uren bij de reu.
Weder te huis gekomen mag men het gedekte dier niet
eerder vrij laten uitgaan, voor men er zeker van is, dat zij
geen anderen hond meer bij zich toelaat.
Over den invloed van de dekking op de latere nakome-
lingschap is reeds veel geredetwist, zonder dat men tot he-
den tot bepaalde duidelijke bewijzen is gekomen. Vele
fokkers beweren, dat eene teef, die eerst door een reu van
een ander ras gedekt is, later bij eene tweede baring, waar-
aan eene dekking voorafging door een reu van \'t zelfde
ras, toch nog bastaarden zal werpen van den eersten vader,
-ocr page 73-
60
m. a. w., dat er onder de jongen van den tweeden worp
nog één of meer bastaarden zullen voorkomen, als een ge-
volg van de dekking voor den eersten worp. Ik ben die
meening zelf ook geheel toegedaan en wel ten gevolge van
eigen ervaring.
Ik had een echte zijdeharige Pinscherteef, die tot mijne
groote ergernis niet een zwarten keeshond aan den loop
kwam. Zij wierp natuurlijk alleen bastaardproducten, het eene
meer op den kees, het andere meer op de pinscher gelijkende.
Bij den volgenden worp, waarvoor zij door een rasechten
reu gedekt was, bracht zij o. a. een volkomen raszuiver
muisvaal keeshondje ter wereld, zoo klein en zoo lief als ik
er nog nooit een had geüien. Ik heb dit diertje later als
fokteef gebruikt voor dwergkeezen, maar kon, ofschoon ik
de proef 4< jaren lang nam, niet het gewenschte gevolg ver-
krijgen. Niettegenstaande de beste dekking verkreeg ik
producten, waarin altijd nog de zijdeharige Pinscher te her-
kennen was.
c. De dektijd.
Wie goede honden wil hebben, moet maar éénmaal in
\'t jaar laten dekken, ofschoon de meeste teven A\\el tweemaal
in een jaar daarvoor geschikt zijn, en wel \'t liefst in \'t voor-
jaar ; de jongen hebbeu dan het warme jaargetijde voor zich,
dat voor hunne ontwikkeling beter is dan de winter, die
dikwijls de oorzaak is van on gesteldheden en voornamelijk
op den wasdom der dieren een nadeeligen invloed uitoefent.
(1. De drachtige teef.
De teef draagt 9 weken, van den dag der dekking af
gerekend. Gedurende dezen tijd, en voornamelijk in de
-ocr page 74-
(il
tweede helft van den draagtijd, mag men volstrekt geen
inspanning meer van haar vorderen, haar niet over een
stok, een stoel enz. laten springen. Passende beweging als
wandelen, waardoor het dier zich naar wensch en natuur»
lijke aandrift voldoende kan bewegen, is evenwel bepaald
noodig en zal de baring vergemakkelijken.
In den laatsten tijd moet de voeding geregeld worden
naar den toestand, van het dier. Is het te mager, dan moet
zijn voedsel vermeerderd en verbeterd worden; is het te
vet, dan vermindere men de porties en geve minder voed-
zame, doch meer verkoelende spijzen, als zure melk of zoete
melk met tamelijk veel water. Aan zwakke dieren geef ik
2 ïi 3 dagen voor de baring brood, in wijn of bier geweekt.
Dit versterkt de dieren blijkbaar. Teven, die al te goed
gevoed worden, baren in den regel moeielijker dan andere,
en lijden ook meer aan de melkkoorts. Als men meer hon-
den houdt dan één, dan moet men de drachtige teef een dag of
acht voor hare bevalling afzonderen op eene daarvoor geschikte
plaats en daar een leger voor haar inrichten, opdat zij niet
angstig behoeft rond te loopen om zelf een of ander plaatsje
op te zoeken, dat misschien wel eens zeer ondoelmatig kon
blijken.
e. Hef teerpen.
Wie eene drachtige teef wil koopen, wachte daarmee niet
tot de allerlaatste dagen van den draagtijd; het dier moet
ten minste 14 dagen tot 3 weken voor die gewichtige ge-
beurtenis aan zijn nieuwen heer en aan zijne woonplaats
gewend zijn. Het angstig rondloopen is nadeelig, vooral
wanneer het dier op de nieuwe en hem nog vreemde plaats
zijne jongen niet wil afzetten. Vriendelijke woorden en lief-
kozingen kunnen in zoo\'n geval werkelijk van nut zijn.
-ocr page 75-
62
Ecnige dagen voor de baring treedt er bij de teef gt-
woonlijk eene zeer belangrijke verandering in. De buik zwelt
aanmerkelijk oj> en de melk vertoont zich, als men zachtjes
aan de tepels drukt, liet dier voelt zich onbehagelijk, wordt
door pijnen gekweld en verliest den eetlust. Als er vóór de
verlossing geenc ontlasting wil komen, moet men een zacht
afvoermiddel geven als sla-(olijfjolie of een klisteer van lauw
water met een eetlepel vol olie erin.
Yoor het leger neemt men het best zacht gerstestroo op
een onderlaag van planken. Ik neem daarvoor altijd een kist
van ongeveer 30 c.M. hoogte en voldoende bodemruimte.
In zoo\'n eenigszins afgesloten ruimte blijven de jongen beter
bij elkander, dan op een geheel platte legerstee. De lig-
plaats zelf maakt de teef in orde, zóó als zij weet dat voor
hare jongen en voor de reiniging van deze bet best is.
Zoo noodzakelijk als het is om bij het werpen een oog
in \'t zeil te houden of bij onrustige honden, aan welke men
bemerkt, dat zij hun meester gaarne bij zieli zouden hebben,
te blijven, zoo nadeelig is het de barende teef te dikwijls
te storen, vooral wanneer zij wat angstig van natuur of nog
niet goed aan haren meester en aan de omgeving gewend is.
Hierdoor kunnen koortsachtige toestanden voorkomen en
nadeelige gevolgen, zoowel voor de jongen als voor de moeder.
Vertoont de moeder gedurende den barenstijdgroote zwakte,
dan geve men haar 1 n 2 eetlepels Malaga of anderen ver-
sterkenden wijn.
Zoodra de baring is afgeloopen, moet de moeder een licht
doch goed voedsel gegeven worden. Ik geef steeds lauwe
melk met een derde water en een paar lepels gebroeid haver-
meel en Avel minstens vijf keeren per dag. Gedurende de
eerste 1—5 dagen moeten de spijzen lauw, in den winter
warm zijn.
-ocr page 76-
68
Wanneer na een dag of vijf de melkafscheiding geregeld
is, kan men met het gewone voedsel beginnen; men geve
het echter nu vaker en in grootere porties, daar het dier
nu niet alleen voor zijn eigen onderhoud maar ook voor dat
van zijne jongen en voor hunnen groei te zorgen heeft.
Verlaat de teef in de eerste dagen hare jongen niet om
aan hare natuurlijke behoeften te voldoen, wat door goede
moeders altijd gebeurt, dan venvijdere men haar des uooda
met geweld tweemaal dagelijks en zorge, dat zij dan ook
wat beweging neemt, waardoor, zooals bekend is, de ont-
lasting bevorderd wordt.
Teven, die niet aan vleesch gewoon zijn, mag men dat
in hun kraambed ook niet geven, omdat daardoor geraak-
kelijk koorstachtige toestanden kunnen ontstaan.
Mijne teven krijgen gedurende den tijd dat zij zoogen,
evenals anders, brood met melk of brood met bouillon om
beurten, in het laatste een weinig fijn gesneden vleesch
(paardenvleesch of afval uit de slagerij). Oude teven, wier
gebit zeer slecht is, kunnen zooals reeds vroeger is opge-
merkt, de navelstreng niet afbijten, wat de oorzaak kan
worden, dat zij hunne eigeue jongen verslinden. Men kan
dit voorkomen, door in zulke gevallen gedurende het werpen
bij de teef te blijven en de navelstreng met een schaar door
te knippen, \'t Spreekt van zelf, dat men de jongen moet
tellen, om later te weten, of er ook een ontbreekt.
Sommige teven worden uit overgroote liefde voor hunne
jongen bijtachtig, zelfs tegenover hun meester. Men late
zich daardoor echter niet tot drift verleiden en sla het dier
niet, want het zou daardoor voor altijd bedorven kunnen
worden, zonder nog van het nadeel te spreken, dat daardoor
aan de jongen kan worden toegebracht.
Blijkt eene teef de moordenares van hare eigene kinderen
-ocr page 77-
64
te zullen worden, clan is het raadzaam de jongen eene pleeg-
moeder te geven, waarnaar men natuurlijk bijtijds moet om-
zien. Kan men geen pleegmoeder krijgen, dan moet men
de jongen wegnemen, op eene warme plaats brengen en om
de 2 uren onder opzicht de moeder bij hen toelaten om
ze te zoogen.
Doodgeboren of doodgelegen jongen moet men onmiddel-
lijk wegnemen en begraven. Menige moeder merkt zeer goed,
wanneer een of meer jongen ontbreken, die men misschien
wegens het overgroot aantal of omdat ze niet mooi genoeg
waren dadelijk verwijderd heeft. Tellen kan het dier niet,
het moet dus op de eene of andere, ons onbekende wijze
die bewustheid verkregen hebben.
Aan de keus van eene pleegmoeder zijn belangrijke vragen
verbonden. Ik beweer — en mijne bewering steunt op veel-
vuldig onderzoek en ervaring — dat de jongen de eigen-
schappen der pleegmoeder met de melk in zich opnemen,
evenals het zuigende kind van zijne min; ook hiervoor heb
ik in mijne eigene familie de sprekendste bewijzen, \'t Is daarom
zaak, zich bij de keus van eene pleegmoeder vooraf van hare
goede en slechte eigenschappen te vergewissen.
Ik heb eenmaal een nest van b\' jonge keeshonden door
middel van een zuigflesch met koemelk groot gebracht; in
de eerste weken vermengde ik de melk met */s water, daarna
gaf ik ze onverdund. De diertjes groeiden voorspoedig en
overtroffen later hunne beide ouders in grootte, maar misten
de meer dan gewone verstandelijke begaafdheid der moeder.
Kan een teef trots alle inspanning niet baren, dan
haaste men zich niet al te zeer om haar te helpen. Men
late liever de natuur haren gang gaan, totdat men over-
tuigd is, dat het dier hare jongen werkelijk niet kan afzet-
ten. Vertoont zich de kop van het jong, dan is de zaak in
-ocr page 78-
65
orde en dan kan men door een of meer vingers in de scheede
te brengen en hiermede onder zacht trekken steeds rondom
den kop te strijken, het dier langzamerhand wat verder brengen;
natuurlijk moet men de vingers vooraf even bevochtigen met
versche boter of olie. Ligt het jong verkeerd en komen de
pooten het eerst, dan is meer voorzichtigheid noodig. Als
het niet mogelijk is het jong door middel van de vingers
om te keeren (bij grootere honden gaat dat gemakkelijker
dan bij kleine), dan trekke men voorzichtig aan staart of
poot, maar alleen, wanneer de teef weeën heeft, anders vol-
strekt niet. Ik heb op die wijze menigmaal moeder en jongen
gered zonder daarvan nadeelige gevolgen te hebben bespeurd.
Natuurlijk moet de verzwakte moeder in zoo\'n geval door
best voedsel, melk en vleesch (bij afwisseling) en zwart
brood weder kracht bijgebracht worden.
"Wie echter zelf niet eenige ervaring van deze niet zoo
aangename zaak heeft, doet beter zijne toevlucht te nemen
tot een meer kundige of een chirurg, want ook niet iedere
veearts heeft daarin de noodige ervaring en staat er me-
nigmaal even radeloos bij als wij zelf, of tracht door geweld
het doel te bereiken, wat in den regel verkeerd uitkomt.
VI. In- en verkoop.
In het laatste tiental jaren wordt er in den hondenhan-
del zooveel bedrog en zwendelarij gepleegd, dat het zeker
niet ondienstig zal zijn, hier een en ander uit mijne erva-
ring mede te deelen.
Waar een liefhebber zijne honden kan koopen, verkoopen
De Hondenvriend.                                                                                  5
-ocr page 79-
DAL.MATISCHE HOND.
-ocr page 80-
6 b\'
of zelfs verruilen, daarover behoeft hij tegenwoordig vol-
strekt niet meer verlegen te staan. Zoowel hier als in het
buitenland toch zijn tal van weekbladen, die zich geheel
of gedeeltelijk op het gebied der zoölogie bewegen en telkens
tal van annonces bevatten, den in- en verkoop van honden
betreffende. Jammer maar, dat zooveel dier annonces af-
komstig zijn van personen, waarop men niet genoegzaam
vertrouwen kan. Menig kooper toch is reeds de dupe ge-
worden van zijn goed vertrouwen op de geloofwaardigheid
van personen, die zich niet ontzien in woord en geschrift
dieren hemelhoog te verheffen en aan te prijzen, hoewel zij
zelf zeer goed weten, dat er slechts weinig waar is van al
die lofspraak; vooral in den handel in honden is het be-
drog zeer groot.
Voor eenige jaren werd er een echte dwergspaniel aan-
geboden; ik schreef daarop, dat ik het dier tegen een be-
paalden prijs aan zou nemen onder de uitdrukkelijke voor-
waarde, dat het een echte dwergspaniel was. Het accoord
geraakte klaar en de bedoelde hond werd mij tegen rem-
bours gezonden in eene kist, die zoo dicht was, dat ik van
het dier niets kou onderscheiden. Ik betaalde daarom maar
spoedig en opende vlug de kist om het dier uit zijn don-
keren kerker te bevrijden. En wat kwam er uit? Een
mormel, waarvan de afstamming onmogelijk was te bepalen
en dat met het verwachte dier geen andere overeenkomst
had dan den naam „hond". Dergelijke voorbeelden zou ik
in groot aantal kunnen bijbrengen, doch ik zal er maar verder
van zwijgen.
Beter doet een kooper, wanneer hij zich een hond „op
zicht" laat zenden, maar dan ook zoo verpakt, dat het dier
goed zichtbaar is, en onder de uitdrukkelijke voorwaarde,
dat het niet behoeft te worden gezonden, als het niet in
-ocr page 81-
67
alle opzichten overeenkomt met \'t geen er van in de annonce
of in de correspondentie is gezegd.
Het gebiuik wil, dat in zoo\'n geval de koopei de dubbele
transportkosten betaalt; aangezien levende dieren per spoor
niet anders dan franco worden verzonden en de afzender
de vervoerkosten dus eerst moet voorschieten, behooren deze
kosten hem later vergoed te worden, als de hond wordt
geaccepteerd.
Als de verkooper oneerlijk wil handelen, dan zal hij, al
is hij er zich ook van bewust, dat het dier niet is, wat
het volgens belofte moot zijn, dit toch afzenden, maar on-
der rembours. Blijkt het nu echter bij de aankomst, dat
het dier niet of slechts ten deele is, wat het moet zijn,
dan zendt men het direct met een „geweigerd!" aan den
oneerlijken afzender terug, die dan zelf bedrogen uitkomt,
daar de kooper in dergelijke gevallen volstrekt niet ver-
plicht is een deel der vervoerkosten te dragen.
Er komen echter ook andere gevallen voor. Er wordt
een hond besteld en de verkooper, een volkomen vertrouwd
persoon, zendt een dier af, dat in alle opzichten voldoet,
doch de kooper, die geen kenner is, heeft zich het dier
geheel anders voorgesteld dan het in werkelijkheid is; hij had
iets anders verwacht, weigert het te ontvangen en het gaat dus
terug, zoodat de afzender op eene onbillijke wijze op kosten
gejaagd zou worden. In zoo\'n geval is hij, die den hond heeft
besteld, natuurlijk verplicht schadevergoeding te geven.
De verkooper wachte zich er daarom wel voor, zonder
voldoende zekerheid een dier „op zicht" te zenden. Het
zekerst zal hij uitkomen, wanneer de besteller het bedrag
ergens deponeert en er een tijd bepaald wordt, binnen welken
de hond, in geval hij niet voldoet, teruggezonden of anders
betaald moet zijn. Met voorwendsels, die de terugzending
-ocr page 82-
68
wat vertragen moeten, of ten doel hebben van den bepaal-
den prijs iets af te krijgen, boude men zich dan echter niet
op ; het moet zijn en blijven : „Of geld, of binnen den
bepaalden tijd de hond terug \\" Wordt het dier later ge-
zonden, dan neme men bet eenvoudig niet meer aan. Als
men overeenkomstig de voorwaarden gehandeld heeft, is bet
niet noodig in een of ander opzicht toe te geven aan de
uitvluchten, die onzedelijke koopers soms bedenken om van
den prijs nog wat af te dingen.
Aangezien ik reeds meer dan eens erg bedrogen ben uit--
gekomen, zend ik niets meer af dan tegen vooruitbetaling
van het bedrag of tegen rembours. Zendt men maar op goed
geluk, in \'t volle vertrouwen op den kooper, dan komt meiv
dikwijls bedrogen uit. Ik zond eens een hond af, niet tegen
rembours, maar in de vooronderstelling, dat mij de koopsom
bij ontvangst van het dier wel zou worden overgemaakt;
deze bleef echter uit. Ik drong per brief op de betaling,
aan, doch er kwam geen geld en geen antwoord. Ik wendde
mij daarop tot de politie, doch kreeg den troostvollen raad:
„Spaar uw geld ; er is niets van te halen !"
In zulke gevallen heeft men wel den troost, dat men zoo\'iv
zwendelaar door diens naam enz. in de dagbladen tepubli-
ceeren kan brandmerken, doch zulke lui storen zich daar-
aan ook al bitter weinig.
Het beste is, zich bij het koopen van een hond tot be-
kende firma\'s te wenden, welke tegenwoordig voor alle
rassen meer dan genoeg bestaan. Yan particulieren koope
men alleen op voldoende voorwaarden, opdat men, als men met
een oneerlijken verkooper te doen beeft, in geen geval gel~
delijke schade behoeft te lijden.
-ocr page 83-
69
VII. Verzending.
Ook bij de verzending vau honden heeft men op enkele
zaken noodig acht te geven, waarom we meenen ze niet
geheel buiten bespreking te mogen laten.
In de allereerste plaats zorge inen er voor, dat de kist,
waarin men den hond verzenden wil, in overeenstemming is
met de grootte van het dier en dat men die voorziet van
het noodige voer en water: teveel mag men den hond ech-
ter op reis niet meegeven, omdat hij zich dan licht overvreet
en van allerlei bezwaren te lijden heeft. Een hond, die
kamerzindelijk is, wil namelijk ook op reis zindelijk zijn
«u daarom alles bij zich houden; hij zal zich niet willen
ontlasten en daardoor groot gevaar loopen zich eene onge-
steldheid op den hals te halen. Menige hond is reeds om
tlie reden ziek ter bestemde plaatse aangekomen, hoewel hij
werkelijk gezond afgezonden werd, wat aanleiding heeft ge-
geven tot veel geharrewar en zelfs tot langdurige processen,
\'t Zou daarom goed zijn, dat men een hond niet anders
afzond dan met een certificaat vau een veearts, waardoor
men in dergelijke voorkomende gevallen geheel verant-
woord was.
Op de kist zette men behalve het opschrift: „Levende
hond" ook nog: „Bij weigering wordt directe terugzending
verzocht!", hoewel dit laatste, zooals uit de volgende mededee-
ling zal blijken, ook al van weinig of geen beteekenis is.
Verleden jaar, in \'t begin van Mei, verzond ik een grijze*
voodstaart papegaai (Jako) naar Oresden. De vogel, dien ik
reeds een jaar had bezeten, was zoo gezond als een visch
in \'t water, een prachtstuk van een dier, alleen om op te
zetten wel 25 Mark waard.
Hij was goed verpakt in dezelfde transportkooi, waarin
-ocr page 84-
70
ik hem ook ontvangen had en gehee] op dezelfde wijze,
waarop papegaaien altoos verpakt worden.
In plaats van den overeengekomen prijs, dien ik ervoor*
bedongen had, bracht de postbode mij echler de postaan-
wijzing voor bedoelde som terug met de boodschap, dat de
vogel dood aangekomen was. Naar mijne meening was het
dier langer onderweg geweest dan noodig was.
Nu volgt echter het opvallende, dat mij tot heden ook
nog onverklaarbaar is. Vijf of zes dagen later kwam van-
wege de koninklijke posterij te Dresden de vraag tot mij,
wat ze met den dooden vogel moesten doen. Ik berichtte,
natuurlijk schriftelijk, dat het antwoord op de vraag met
dikke en duidelijke letters op de kooi te lezen stond : „Bij
weigering wordt directe terugzending verzocht!" Verschei-
dene dagen hierna ontving ik de mededeeling, dat de doode
vogel, waarvoor ik 25 Mark gevraagd had, wat hij om op
te zetten zeker waard was, niet meer geschikt was om op-
gezet te worden, aangezien hij reeds tot rotting was overge-
gaan. Zeer interessant was daarbij de opmerking van den
loozer. postbeambte, dat een „dood cadaver" niet opgezet
kon worden. Die man zet zeker alleen levende dieren op.
Ik zocht nu mijn recht bij den directeur-generaal te Ber-
lijn, doch vond het ook daar niet. Zoo gaat het dus, wan-
neer erop staat : „Bij weigering wordt directe terugzending
verzocht/\' Was het dier mij bij de weigering direct terug-
gezonden, dan had ik er, door hem op te zetten ten minste
nog 20 ii 25 Mark voor kunnen krijgen.
Vroeger schreef ik telkens, als ik een hond verzond, met
groote, vette letters op de kist: „Men wordt verzocht den
hond gedurende de reis op kosten van den ontvanger van
voedsel en drinken n.1. van goed natgemaakt brood te voor-
zien !" Ook hiervan ben ik teruggekomen en ik raad het
-ocr page 85-
71
ook iedereen af, omdat ik daardoor hittere ervaringen heb
opgedaan. Eenmaal verzond ik 5 honden naar "Weenon.
Onderweg (zooals later bleek op Oostenrijksch grondgebied)
werd de beste, ee/i hoogst zwangere dwergpinscherteef ge-
stolen, waarom de besteller natuurlijk weigerde ze tegen de
opgegeven rembourskosten in ontvangst te nemen. Toen ik
daarvan bericht ontving, telegrafeerde ik, dat hij de honden
maar zou aannemen, zonder dadelijk te betalen. De honden
kwamen echter toch terug, twee op het punt om van honger
te sterven, terwijl de beide andere weinig meer dan ge-
raamten waren. En toch had ik nog over de 20 Mark
voedergeld te betalen, ofschoon de besteller mij schreef, dat
hij de honden gedurende de 8 dagen, dat zij in Weenen
hadden gestaan, steeds gevoerd had, wat hij mij natuurlijk ook
in rekening bracht. Wat hadden de bijna verhongerde dieren
dan eigenlijk voor dat hooge voederloon ontvangen ?! Zeker
alleen de velletjes van de worsten, die zeker iemand opat
en die ik betaald heb.
Zoo moest ik ook eens voor twee hoenders als voergeld
voor één dag betalen vijfendertig pfennige, enz. enz.
\'t Beste is alzoo, op de transportkist te schrijven: „Den
hond niet voeren !"
Een hond kan, wanneer hij behoorlijk gevoerd verzonden
wordt en hem nog een weing voor eene grootere reis wordt
medegegeven (voor kleine reizen geve men niets), ver-
scheidene dagen zonder voeder, zonder dat zulks hem
schaadt.
Ook moet men vóór het verzenden niet vergeten den hond
aan een ketting te leggen en het eind daarvan aan de kist
te bevestigen. Mocht het dier de kist al eens openbreken,
dan is het hem toch niet mogelijk te ontsnappen.
Bij kwaadaardige, groote honden is het goed dat de af-
-ocr page 86-
72
zender aan den besteller vooraf een zijner gebruikte zakdoeken
zendt, dien men den hond bij de aankomst en de opening
der kist voor den neus houdt; hierdoor zal het dier dadelijk
bedaren en zijn nieuwen heer gemakkelijk volgen.
VIII. Het africhten of dresseeren.
Ofschoon we in het hoofdstuk over de opvoeding reeds
een en ander hebben aangeroerd, dat betrekking heeft op
deze zaak, vinden we het toch noodig de eigenlijke dressuur
meer uitvoerig te behandelen.
Aangaande het antwoord op de vraag, wanneer men met
de eigenlijke dressuur moet beginnen, loopen de meeningen
nog al uit elkander. De eene meent, dat de hond eerst 9
a, 10 maanden oud moet zijn, een ander begint er reeds
mee op den leeftijd van 8 a 10 weken. De laatste moet
den jongen hond dan alles spelenderwijze en met zoete
woorden leereii, terwijl de eerste zijn taak meer ernstig aan
moet vatten en niet zelden tot strengere maatregelen, soms
zelfs tot slaan zijn toevlucht zal moeten nemen. Ik heb
beide manieren van africhten gevolgd en heb ook met beide
even spoedig en gemakkelijk mijn doel bereikt, doch beu
tot de overtuiging gekomen, dat de meer ernstige, dus la-
tere dressuur ook meer ernstige honden oplevert, die hunne
kunststukken met meer zekerheid en accuraatheid uitvoeren.
De nog zeer jonge honden zijn te speelsch, vatten de
zaak als speelgaan op en vertoonen hunne kunsten menig-
maal alleen, wanneer het hun belieft; moeten ze apportee-
-ocr page 87-
73
ren, dan loopen ze dikwijls met het voorwerp weg, spelen
«r mee of vernielen het.
We zullen hier mededeelen, hoe wij verscheidene honden
•zeer goed hebben afgericht, zoowel naar de eene als naar
de andere methode, het gaarne aan een ieder overlatende
tusschen beide methoden te kiezen; alleen voor jachthonden
meenen we de meer ernstige, dus de latere dressuur bepaald
te moeten aanbevelen.
Voor we beginnen, moet de hond kamerzindelijk zijn,
opdat hij onder de dressuur binnenskamers niet uit angst
zijne behoefte doet.
De eerste oefening bestaat hierin, dat men den hond
„onder appel brengt", wat op tweeërlei wijze kan ge-
schieden. Of men leere hem dadelijk zich aan „appel" te
gewennen, d. w. z. hij wordt genoodzaakt om op commando
dadelijk tot ons te komen, waartoe een ijzeren consequentie
noodig is, öf men beginne met het apporteeren, dat het
eigenlijke fondament van alle dressuur is. Op dat fondament
kan, als men het goed aanlegt, al het andere opgebouwd
worden.
„Karo, apport!"
Ik noem altijd eerst den naam van den hond, om-
dat daardoor zijne opmerkzaamheid gewekt wordt en
hij daardoor te weten komt, dat hij bedoeld wordt.
Bovendien heeft het ook nog dit ten gevolge, dat zulk een
hond zijne kunststukken maar niet zoo op bevel van een
vreemde vertoont, die zijn naam niet kent of dien niet vooraf
noemt. De hond toch rekent al heel spoedig, dat het bevel
hem alleen dan betreft, wanneer hij zijn naam daarmee ver-
bonden hoort.
Ik neem een ineengewikkeldeii zakdoek en gebruik dien
om met den hond te spelen, terwijl ik hem ermee om den
-ocr page 88-
71
snuit strijk, weer terugtrek, enz. De hond krijgt daardoor
aanleiding tot spelen, neemt eindelijk den zakdoek uit de
hand en houdt dien vast.
Daarop neem ik hem den doek uit den bek men het
bevel:
„Karo, los \\"
Zon houd ik mij den geheel en dag met den hond bezig,
d. w. z. meermalen op denzelfden dag, tot hij gehoorzaamt
aan het bevel. Daarna werp ik dun zakdoek een paar pas-
sen van mij af op den grond met de woorden:
„Karo, apport, mooi!"
Vroolijk springt de hond op den zakdoek los, pakt dien
op en komt er meestal dadelijk mee aanloopen ; in dat geval
wordt hij geprezen en geliefkoosd en laat men hem den doek
behouden tot hij gaat zitten, wat men het best van hem
gedaan krijgt, door hem met het achterdeel neer te drukken
onder het bevel:
„Karo, zitten !"
Als hij zit, neem ik hem den doek uit den bek met het
gewone bevel: „Karo, los \\"
Heeft hij een bevel goed uitgevoerd, dan moet hij telkens
vriendelijk toegesproken en bijzonder geprezen worden en
nu en dan een klontje suiker tot belooning ontvangen;
want hoe meer men een jongen hond streelt en hoe meer
weldaden men hem bewijst, des te meer is hij zijn meester
toegedaan.
Al mocht ook het apporteeren naar onzen zin wat te
langzaam gaan, zoo geve men den jongen hond toch geen
slaag, want hij kan daardoor zoo vreesachtig worden, dat
hij, wanneer hij apporteeren moet, wegloopt of zich in den
een of anderen hoek schuil houdt. Met zulk een hond heeft
men dan een zeer moeilijk werk te verrichten, ja, dikwijls
-ocr page 89-
75
leert hij het apporteeren nooit of niet vast. Doet hij het
ten slotte, dan doet hij het toch met tegenzin, en dat is
verkeerd. Een hond moet alles met genoegen doen, als het
tot een blijvend eigendom van hem zal worden.
Nooit moet men den hond het door hem geapporteerde
met geweld uit den bek trekken, maar men moet hem, nadat
hij eerst is gaan zitten, door een zacht naar beneden druk-
ken van de onderkaak noodzaken het los te laten. Door
het hem uit den bek te rukken wordt de hond aangespoord
om zelf ook de dingen stuk te scheuren, waartoe hij van
nature wel geneigd is, maar wat men met alle kracht, die
in ons is, moet bekampen.
Langzamerhand werp ik nu den zakdoek verder weg. Ik
moet hierbij nog opmerken, dat ik mij bij de geheele dres-
suur met den hond in een overigens geheel ledig vevtrek
bevind, zoodat hem alle gelegenheid om weg te krui-
pen afgesneden is.
Altijd geef ik er acht op, of de hond ook vermoeid wordt,
wat bij jonge honden al zeer spoedig het geval is en wat
men merken kan aan zijne lusteloosheid en de langzaamheid
zijner bewegingen. Als ik dat bemerk, scheid ik dadelijk
met de dressuur uit en onderhoud mij nog ecuigen tijd met
den hond door met hem te spelen, hem te liefkoozen en
te streelen.
Toont Karo zich niet goed geluimd, als ik hem voor
het africhten roep, dan dwing ik hem niet, maar wacht
geduldig tot hij begint te spelen en zelf zijn verlangen om
te beginnen te kennen geeft, door iets op te nemen en naar
mij toe te brengen. Zoo dresseer ik hem ook altijd vóór
hij eten moet, opdat hij zijn maal meteen als eene belooning
leert beschouwen, wat een zeer goede prikkel tot den arbeid
voor hem is.
-ocr page 90-
76
Zoo wordt Karo, naarmate hij in wasdom toeneemt, ook
steeds vaster en zekerder in het apporteeren en eindelijk
een flink apporteur, als men onder de hand in plaats van
den zakdoek een niet al te dik stuk hout of metaal, een
korfje enz. neemt. Mijn Karo apporteerde eindelijk op die
wijze een hoeuderei, zonder dat ik mij opzettelijk met hem
had bezig gehouden.
Wil de hond niet dadelijk metaal, porselein, glas, enz.
apporteeren, dan moet men toeh geen geweld gebruiken. Ik
geef hem een schotel in den bek en, als hij dien niet vasthou-
den wil, druk ik hem den bek dicht, zoodat hij den schotel
niet kwijt kan worden. Na eene minuut neem ik hem dien dan
met de woorden: „Karo, los!" af, herhaal dit eenige keeren
en eenige dagen na elkander, tot hij den schotel behoorlijk
vasthoudt en niet anders dan op het gebruikelijke commando
afgeeft.
Te gelijk met het apporteeren of ook reeds vroeger kan
men den jongen hond ook spelende leeren den poot te geven,
Avannecr men, zoo dikwijls de hond bij ons komt, dien
toeroept:
„Karo, pootje geven !"
terwijl men met de hand zijn rechterpoot aanvat. Zoo kan
men hem binnen weinige dagen leeren op bevel den rechter-
of den linkerpoot te geven, al naar hem bevolen wordt.
Ik verbind dit klein kunststukje altijd met het appor-
teeren. Als de hond reeds tamelijk goed apporteert en bij
het brengen zitten gaat, laat ik hem eerst op bovengenoemde
wijze den poot geven en neem hein daarna het geapporteerde
af. Het duurt slechts weinige dagen of de hond gaat, als
hij het geapporteerde brengt, op zijn achterste zitten, den
poot oplichten en wachten tot hein het voorwerp wordt af-
genomen.
-ocr page 91-
77
Nu volgt het:
„Karo, zoek, verloren V\'
Men laat den hond een zakdoek of eenig ander voorwerp
zien, houdt hem dien onder deii neus, spuwt er een weinig
op en legt of werpt dien weg, zonder dat de hond het ziet.
\'t Is niet verkeerd den hond hierbij een paar malen te foppen
door met de hand eene beweging in de lucht te maken,
alsof men het voorwerp had weggeworpen. De hond wordt
daardoor opmerkzaam en vurig gemaakt, hij blijft staan,
luistert of het ook valt, kijkt om en gaat aan het zoeken.
Dan is er gelegenheid het voorwerp ergens op een stoel,
in een hoek of ergens anders neer te leggen, doch eerst
nog niet te ver van den hond verwijderd.
Karo komt weldra door zijn neus het verlorene op het
spoor en vroolijk brengt hij het naar mij toe, waarvoor hij
natuurlijk weer gestreeld en geliefkoosd wordt en nu en
dan eene belooning ontvangt.
Met het „zoek, verloren" moet men zich zeer dikwijls en
langen tijd bezig houden, eerst in de kamer of in eenige
andere ruimte, dan op het erf of in den tuin, later ook op
straat of weg e?i in het opene veld. Ik werp eerst een witten
zakdoek, dien de hond op tamelijk grooten afstand kan zien,
onmiddellijk achter mij neer, zoodat de hond dien ziet vallen ;
in den regel neemt hij dien, zonder dat ik iets zeg op, komt
daarmede bij mij en houdt hém zoolang vast, tot ik hem beveel
te gaan zitten ; want hij weet, dat dit steeds aan het afgeven
vooraf moet gaan. Voor den tweeden keer werp ik den zakdoek
eenige passen achter mij, zonder dat de hond zulks bemerkt.
Terwijl ik mij nu omwend en naar den zakdoek wijs, zeg ik:
„Karo, zoek, verloren l"
en binnen enkele oogenblikken heeft hij den doek ontdekt
en bij mij gebracht.
-ocr page 92-
78
Zoo wordt de zakdoek telkens verder en verder achter-
gelaten en wel telkens op den weg, dien ik reeds heb afge-
legd. Daarna ga ik eens een stuk land in, leg den doek
daar ongemerkt ergens neer, keer nu weer op den weg terug
en beveel : „Karo, zoek, verloren!" Ook nu brengt zijn
neus hein weldra op het spoor, al loopt hij er eerst misschien
ook enkele malen voorbij, en brengt hij daarop het verlorene
terug. Wanneer de doek zoo in een klaverveld of weiland
verstopt wordt, moet de hond alleen door zijn neus geleid
worden, daar het hein dan niet mogelijk is den doek te zien.
Nu eens leg ik den doek onder een steen, dan eens op een
tak van een boom; dit laatste om den hond te leeren ook
door middel van zijn neus naar boven te zoeken.
Heb ik eens opzettelijk om den hond of uit noodzakelijkheid
eene wandeling gemaakt of\' hier of daar een bezoek afgelegd,
dan laat ik bij het weggaan mijn zakdoek, mes, stok of
iets dergelijks aeliter, terwijl ik mijn gastheer met de be-
doeling hiervan bekeud inaak. Onder weg — eerst nog
dicht bij het huis, dat we verlaten hebben, later ook buiten
het dorp en nog verder en eindelijk van uit mijne eigene
woning — wordt Karo teruggezonden met het gebruikelijke:
„Karo, zoek, verloren!"
Op deze wijze heb ik poedels en patrijshonden in Ü a 3
maanden volmaakt tot deze kunst afgericht en wel zonder
moeite en zonder hun een enkelen slag te hebben toegebracht;
Het dragen van een voorwerp, stok, paraplu, mandje,
enz. brengt ons alweer eene schrede verder. Elke hond, die
goed en sekuur apporteert, draagt ook het geapporteerde
tot zoolang men dat verlangt en verder ook elk voorwerp,
dat hem te dragen wordt gegeven. Men houdt hein een stok
voor met de woorden:
„Karo, apport!"
-ocr page 93-
79
Pakt hij nu niet dadelijk aan, wat echter slechts zelden
voorkomt, dan doet men hem den bek open, steekt hem
den stok tusschen de tanden, drukt den bek diciit, houdt
den hond zoo 1 a 2 minuten vast en laat hem dan mee-
wandelen.
Is de hond in het apporteeren te land volkomen bedre-
ven, dan volgt het apporteeren uit het water.
Met honden, die gaarne te water gaan, zooals poedels,
Newfoundlanders enz. gaat ook dit zeer gemakkelijk; ge-
woonlijk zal de hond dadelijk te water gaan om het daarin
geworpene te halen. Is hij echter niet aan water gewoon
en toont hij zich daar bevreesd voor, dan weet ik vooraf,
dat mij een lang niet gemakkelijke arbeid te wachten staat.
Ik laat Karo eerst nog apporteeren te land, dicht aan
het water van een kanaal, eene beek enz. en werp dan op eens
het voorwerp in het water en wel zoo dicht bij den oever,
dat Karo het met den bek bereiden kan, zonder of door
op zijn hoogst alleen met de voorpooten (hij zal dan in de
meeste gevallen slechts één poot in het water zetten en den
anderen omhoog houden) in het water te behoeven. Zoo
moet Karo verscheidene malen achter elkander hetzelfde
voorwerp terugbrengen, waarna ik het zoo ver in het water
werp, dat hij er niet bij kan komen, zonder alle
vier pooten in het water te zetten. Op gelijke wijze moet
men hem verscheidene dagen oefenen, voor men het voor-
werp zoo ver wegwerpt, dat hij dat niet anders dan zwem-
mende kan bereiken. Doet hij zulks dadelijk bij de eerste
proef, dan is de zaak gewonnen. Karo zal voortaan
geene vrees meer hebben voor het water; hij weet, dat
hij zwemmen kan en heeft er nu zelfs schik aan te water
te gaan. Want kom ik bij gelegengeid eens met hem aan
een water, dan loopt hij er reeds in gespannen verwachting
-ocr page 94-
so
op toe, blaft vroolijk en geeft niet onduidelijk te kennen,
dat hij wenscht iets uit het water te apporteeren.
Als een hond werkelijk vrees voor het water toont, zoo-
dat hij, wanneer hij het natte element nadert, wegloopt en
zelfs op ons gefluit of geroep niet terugkomt, dan is er
met zoo\'71 hond als waterapporteur weinig of niets aan te
vangen. Men kan het echter op dezelfde wijze probeercn,
als zoo pas is aangegeven.
In den regel zijn de eigenaars van zulke waterschuwe
honden zelven de oorzaak van het kwaad. Menigmaal wordt
een hond, als hij nog zeer jong en het water hem geheel
vreemd is, en als hij er nog volstrekt geen voorgevoel van
heeft, dat hij zwemmen kan, op de wandeling meegenomen
en maar op eens in het water geworpen. Wel beweegt hij
zijne pooten, doch hij is nog niet sterk genoeg om zich boven
water te houden ; hij bemerkt, dat zij ne krachten te kort schie-
ten en vermoedt, dat zijn dood nabij is. Zijn meester haalt
hem dan met groote moeite uit het water en lacht erom, dat
hij een hond heeft, die niet zwemmen kan. Als het goed afloopt,
komt het dier dezen keer met den schrik vrij, doch een vol-
genden keer krijgt hij slagen, als hij het, er niet beter afbrengt of
misschien wegloopt. En zoo wil men een hond tot water-
apporteur maken ? !
Het apporteeren van de oppervlakte van het water, door
het apporteeren van een drijvend voorwerp, is de vooroefe-
ning tot het redden van een drenkeling door den hond.
Men vervaardigt twee poppen van stroo en lompen en steekt
die in de kleeding van een man en van een e vrouw. Als
nu de hond alles uit het water apporteert, neemt men een
proef met den nagemaakten mensch. Men legt dien dichtbij
den oever in het water, nadat men op het land reeds eeuige
apporteerproeven genomen heeft. Een goeden hond behoeft
-ocr page 95-
81
het niet tweemaal bevolen te worden. Hij springt den in
\'t water geworpen mensch dadelijk na en sleept hem aan
wal, wat hem in \'t water niet moeilijk valt, daar de stroo-
pop immers drijft.
Heeft de hond de stroopop op deze wijze reeds dikwijls
uit het water gehaald, dan neme men iemand te hulp. Wij
gaan met onzen hond aan den oever wandelen, terwijl onze
adsistent van den oever of uit eene boot de stroopop in het
water laat vallen. Dadelijk roepen we nu den hond, zoo hij
niet van zelf de welbekende stroopop naspringt, toe : „Karo,
apport, mooi!" Zonder zich te bedenken zal hij nu in het water
springen en de stroopop er uit halen, waarvoor hem
telkens eene belooning in den vorm van een lekker beetje
gegeven wordt.
Eindelijk laat men een kind uit onze familie (een kind,
dat de hond kent) aan eene lijn of voorzien van een zwem-
gordel te water en beveelt den hond ook dit eruit te halen,
wat een goede hond gaarne doet. Daarna doet men hetzelfde
met een vreemd kind en ten laatste met een volwassen
persoon.
Zoo komt de hond or langzamerhand toe een drenkeling,
zelfs zonder dat hem zulks bevolen wordt, na te springen
en te redden. Dit schijnt menigeen misschien onmogelijk,
doch men bedenke, dat zelfs een zwaar lichaam in het wa-
ter zooveel van zijn gewicht verliest, dat men het met één
vinger boven kan houden. Het moeielijkste in zoo\'n geval
is altijd, dat de drenkeling zijne tegenwoordigheid van geest
verliest en zich dan aan alles, wat onder zijn bereik komt,
vastklampt, waardoor de redding meestal onmogelijk wordt
en dikwijls drenkeling en redder met elkander omkomen.
Moeielijker is het, een hond ertoe te brengen iets van
den bodem van het water te apporteeren. Daartoe is het
De Hondenvriend.                                                                                  "
-ocr page 96-
GLADHARIGE ENG. WINDHOND.
-ocr page 97-
82
noodig, dat hij eerst leert duiken, wat echter lang niet met
eiken hond gelukt. Ik heh zeer goed gedresseerde poedels
gehad, die uitmuntend zoowel te water als te land appor-
teerden, en die toch met geen mogelijkheid tot duiken te
bewegen waren. Een domdrieste bastaard (van een poedel
en een herdershond) daarentegen werd zulk een uitstekende
duiker, dat hij een kreuzer (eene kleine pasmunt) uit de
rivier de Lahn haalde, wat hem bepaald wel 5 of 6 maal
van de 10 keer gelukte. Een steen ter grootte van een
ganzenei haalde hij bijna altijd en een stuk hout, dat met een
looden kogel bezwaard was, telkenmale weder te voorschijn.
Om een hond het duiken te leeren, leg ik een roodge-
verfd stuk hout, dat de hond reeds dikwijls geapporteerd
heelt, in een pot met water, en wel met slechts zoo-
veel water, dat de hond den kop er niet tot over de oogen
in behoeft te brengen om het stuk hout te grijpen. Doet
hij zulks dadelijk, dan is er reeds veel gewonnen en moet
men hem op die wijze dikwijls achtereen laten apportecren.
Wil hij echter niet met den kop in het water, dan neemt
men het hout in de hand en brengt het even boven het
water, zoodat de hond het krijgen kan zonder den snuit
nat te maken. Wil hij het grijpen, dan trekt men echter
vlug de hand weg, waardoor het weder in het water valt.
Pakt hij het, dan moet hij nu wat dieper reiken, waar-
toe men het water in den pot wat vermeerdert, en zoo komt
hij er eindelijk toe, het ook van den bodem van den pot
te halen, als deze geheel met water gevuld is. Nu neemt
men een groote kuip of zoo iets, waar de hond inspringen
moet, en eindelijk gaat men naar een water (stilstaand of
stroomend). Men legt het stuk hout in het water dicht aan
den oever, zoodat de hond het zien kan, daarna steeds
verder en verder en eindelijk zal hij, als hij het roode
-ocr page 98-
88
hout niet meer ziet, gaau duiken en het op den bodem
zoeken. Later werpt men iets anders in bet water, een
steen of iets dergelijks, en ook dit zal de hond eruit halen.
Zoo laat een hond zich africhten om zelfs verdronken men-
schen op den bodem van eene rivier enz. op te zoeken.
\'t Is werkelijk verbazingwekkend, hoelang menige boud het
onder water kan uithouden.
„Karo, apport, vleesch I"
Met deze woorden geef ik mijn Karo eene zwarte mand,
ga met hem mede naar den slager en herbaal onderweg
dikwijls dezelfde woorden, waaraan ik nog nu en dan het
woordje „mooi" toevoeg. Aan den slager wordt de opdracht ge-
geven om den hond in het mandje te doen, wat op bet daarin
liggend briefje besteld wordt en hem zelf dan ook telkens
een stukje vleesch te geven. Karo heeft dit weldra in den
neus, denkt, zoodra bovenstaande woorden tot hem gespro-
ken worden, aan de zwarte mand en ook aan het stukje
vleesch, dat hem dan te wachten staat en is dan ook weldra
gereed en in staat om alleen naar den slager te gaan. Op
gelijke wijze leerde Karo in een witte mand brood te halen
van den bakker.
Eindelijk, na jaren, zal het onverschillig zijn, welke mand
men hem geeft, daar hij dan den slager, den bakker enz.
nauwkeurig kent en zeer goed verstaat, wat hem bevolen
wordt te halen.
Een sterk bewijs van goed opmerken en goed verstaan
gaf eens een hond van een mijner kennissen.
Dat dier deed ook tal van boodschappen naar den kruide-
nier en den bakker; men reikte hem daartoe slechts een
mand over met het bevel: „Polio, naar den bakker (of den
kruidenier), hoor \\" Tot de vrienden van dien kennis be-
hoorde ook iemand, dien we bier maar mijnheer A. zullen
-ocr page 99-
84
noemen en die ongeveer 200 pas verder in dezelfde straat
woonde. Mr. A. kwam meermalen bij hem aan huis en ook
bracht mijn kennis wel in gezelschap van Polio een bezoek
aan Mr. A., dien de hond op deze wijze dikwijls bij zijn
naam hoorde noemen en goed leerde kennen.
Eens bij gelegenheid, dat de abrikozen-oogst wat bijzonder
voordeelig was, zegt mijn kennis tot zijn vrouw : „Daarvan
willen we Mr. A. eens een proefje zenden; breng mij even
het hengselinandje !" Het hcngselmandje wordt gebracht, en
nadat er een 50 tal abrikozen in gelegd zijn, aan den hond
gegeven met de boodschap : „Polio, breng dat naar Mr. A.,
naar Mr. A. hoor !" De hond kijkt zijn meester aan, alsof
hij vragen wil: „Versta ik je goed ?" doch toen deze hein
nogmaals toevoegde: „Ja, naar Mr. A," vertrekt Polio
regelrecht naar de woning van Mr. A., blijft voor de ge-
sloten deur staan, zet het mandje neer, begint te blaffen,
en blaft zoolang tot hem wordt opengedaan. (Vert.)
Op dergelijke wijze breng ik Karo er toe, brieven enz.
naar de post te brengen en geregeld één-, twee- of drie-
maal per dag vandaar te halen, wat voor mij bestemd is.
Ik wikkel de brieven, briefkaarten enz. in een stuk papier,,
opdat alles bijeen blijft en niet door zijn speeksel bescha-
digd wordt. Na een jaar ging mijn Karo zonder bevel
dagelijks tweemaal naar de post, \'s morgens om 8 en \'s avonds
om 7 uur, en heeft in 6 jaren tijds niets verloren of bevuild,
ofschoon hij onderweg meermalen door zijne vijanden aange-
vallen werd; want deze wisten zeer goed, dat hij niet kon bijten.
Natuurlijk heeft hij die drieste keffers bij andere gelegen-
lieden, bijv. wanneer ik met hem wandelen ging, hunne
stoutheid wel betaald gezet en daarvan menig teeken op-
hunne huid achtergelaten.
Een goede hond zal mettertijd niet alleen datgene aan-
-ocr page 100-
85
vatten en naar huis brengen, wat hem bevolen wordt, maar
•ook alles wat hij hier of daar vindt en herkent als aan
zijn meester behoorende. Marko, van wien in de inleiding
gesproken is, zocht naar zijn heer, als deze hem niet mee-
nam en wist hier en daar in een koffiehuis diens paraplu of
stok op te sporen. Hij nam deze voorwerpen zonder vragen
of bevelen mee en ging verder naar een ander koffiehuis,
tot hij zijn heer vond; anders bracht hij de gevonden voor-
werpen naar huis.
\'t Zal, dunkt mij, de lezers interesseeren hier ook iets
van mijn eigen hond te hooren, welke eveneens alles thuis
bracht, maar meestal iets, dat hij gestolen had.
1) i a n a heette deze hond (een teef patrijshond), dien ik
juist om die minder lofwaardige eigenschap van een jager
ten geschenke kreeg, nadat dezen gebleken was, dat hij
den hond trots alle dressuur en slagen niet kon verbeteren.
Ik als hondenvriend, nam Diana tot mij, want het was
«en beeldschoon 3jarig dier met overigens zeer goede eigen-
schappen, en ik leefde dan ook in het vertrouwen, dat ik
•door mijne methode van dresseeren (door goede woorden,
betere voeding enz.) betere resultaten zou verkrijgen dan de
ruw gebaarde jager, die den hond ook wel wat ruw behandelde.
Diana had werkelijk eene bewonderenswaardige vaardigheid
in het stelen; zij was van meening, dat zij niet alleen mijn
«tok of paraplu, die ik in een koffiehuis of bij een mijner
collega\'s had laten staan, moest te huis brengen maar ook
alles, wat zij maar krijgen kon, zoodat ik bij mijne thuis-
komst voor mijne kamerdeur soms een volslagen victualie-
winkel vond: worsten, kaas, geweekte stokvisch, ham,
bokkings, rauw, gezouten en gedroogd vleesch, broodjes,
«nz. enz. Tot geluk voor mij en voor Diana kwam er bijna
nooit navraag naar, tot eindelijk Diana in de buurt als
-ocr page 101-
si;
dievegge bekend raakte. Toen nam hare kunst af, d. w. z.
de bestolenen werden voorzichtiger en daarmee werd Diana\'s
buit zeldzamer en steeds geringer.
Met welk eene voorzichtigheid en overleg Diana handelde
blijkt uit liet volgende :
Zij ging eens, het was op „Goede Vrijdag" naar de markt,
zeker met de bedoeling om te stelen. En wat bracht ze
mij als vastenmaal te huis ? Een stuk labberdaan, dat zij
zonder naar den prijs te vragen uit een vat genomen had
en wel op hetzelfde oogenblik, dat de koopvrouw iemand
geld terug gaf en den stinkenden visch en dus ook Diana
den rug toegekeerd had. In een oogenblik was Diana te
huis en legde, toen ik haar ingelaten had, kwispelstaartend
liet meegebrachte lekkere brokje aan mijne voeten neder.
\'t Is zeker te begrijpen, dat ik zelf mijne Diana niet
algemeen als dievegge bekend wilde, maken, want dan
had ik, als ergens iets vermist werd, telkens in den
zak kunnen tasten en ten slotte ook misschien nog
kunnen vergoeden, wat door andere dieven gestolen was.
Ik gaf daarom alleen iets terug, als erom gevraagd werd
en ik stellig overtuigd was, dat Diana het werkelijk weg-
genomen had.
Naast mij woonde een bakker, die om de beperkte ruimte
in de bakkerij, zijne platen met krentebroodjes altijd in
zijne huisgang neerlegde, voor ze in den oven kwamen.
Diana was een liefhebster van die broodjes; zij wandelde
daarom steeds tegen dien tijd voor het huis van den bak-
ker heen en weer en, als er niemand te zien was, sloop ze
binnen en kaapte vlug een broodje weg. Mij bracht zij er
echter nooit een.
Toen zij het den bakker, die anders wel een vriend van
honden was, al te bar maakte, besloot deze met mijne goed-
-ocr page 102-
87
keuring eenige met phosphor vergiftigde broodjes vooraan
op de plaat te leggen. Diana kwam, zag en hapte toe,
doch liet het gegrepen broodje direct weer los om een ander
te pakken, want de phosphorlucht beviel haar niet. Niemand
lachte meer dan de bakker, die Diana daarna meende te
kunnen verschalken door fijngemaakt glas iii een 6tal brood-
jes te bakken en deze dicht bij den ingang te leggen.
Diana kwam en zag pas haar lievelingskost, ot\' had er ook
reeds een te pakken, doch liet het, toen zij het knarsen
onder hare tanden voelde, weer los en liep weg. De bakker
liet ze echter alle 6 liggen in de verwachting, dat Diana
wel terug zou komen.
En jawel, Diana kwam den volgenden morgen terug,
doch liep over de 0 bewuste broodjes heen naar de andere
om daarvan te smullen, toen de bakker haar een tienponds
gewicht nawierp. Hij raakte echter niet Diana maar het
paneel van zijne oude huisdeur, dat daardoor geheel in
splinters vloog.
Nu veranderde Diana van smaak, was eiken Vrijdag bij
een slager op de wacht, wanneer deze zijne versche worsten
op cene uitstaltafel uitbreidde om af te koelen, en wist
telkens ongemerkt een worst weg te nemen.
De slager zon op wraak en hing op zekeren morgen niets
anders buiten de deur dan een kalfslong, waarin hij een
haakje met een fijnen ketting verborgen had, zóó dat Diana,
als zij de long pakte, zich zelf moest ophangen. Dit ge-
lukte; weldra hing Diana te spartelen, waarop de slager
met een kromhout in de hand buiten kwam en haar daar-
mede zoo onbarmhartig ranselde, tot hij eindelijk van ver-
moeidheid niet meer kon slaan. Toen nam hij Diana van
den haak en zette haar op den grond. Deze keerde zich
snel om, zooals hare gewoonte was en beet tot dank den
-ocr page 103-
88
halflammen slager zoo in het been, dat hij 4 maanden lang
de kamer niet kon verlaten. Daarmede was Diana\'s lot be-
süst: ik liet haar doodschieten.
Met het apporteeren heeft de hond den voornaamsten
trap van dressuur bereikt. Men kan nu verder gaan, en
liet is tamelijk onverschillig, wat er nu zal volgen.
Ik neem in den regel het springen.
In de huisgang wordt over de breedte der gang een plank
aangebracht, zóó dat de hond er niet onder door kan. Karo
staat aan den eenen kant, ik aan den anderen en lok den
hond met een:
„Karo, hop!\'\'
om er over te springen. Dan ga ik aan den anderen kant
staan en Karo moet weder over de plank springen, wat hij
in den beginne minstens 30 a 10 malen moet herhalen.
Reeds den volgenden dag neem ik een stok, houd dien
met liet eene eind tegen den muur en beveel met genoemde
woorden den hond ook hierover te springen. Wil hij er
onderdoor sluipen, dan houd ik den stok wat lager, doch
springt hij er dadelijk over, wat bij poedels, terriërs
enz. in den regel het geval is, dan is hij reeds een spiïn-
ger en zal zonder bedenken over alles springen, wat men
hem voorhoudt: over een been, paraplu, een, twee, drie
stoelen, door een hoepel enz. Jonge honden, die nog geen
schik in het springen hebben, lokke men met een stukje
vleesch en geve hun dan ten slotte het lekker hapje tot loon.
Door een open hoepel springt de stokspiïiiger even ge-
makkelijk als over een stok. In neem in den beginne een
wijden hoepel (50 u, 60 cM.). Langzamerhand wordt die
vernauwd tot hij eindelijk zoo nauw is, dat de hond er nog
juist door kan. Nu kan de hond ook door een koker of
vat zonder bodem springen.
-ocr page 104-
89
Zal de hond ook door een met papier gesloten hoepel
of koleer springen, dan houdt men hem met de eene hand
den stok voor en commandeert: „hop!\'\' Terwijl nu de
hond den sprong doet, houdt men fluks den hoepel voor den
stok, zoodat de hond noodzakelijk door het papier moet.
Doet men dit eenige keeren, dan springt hij ook direct
door den papieren hoepel of koker.
In het begin maakt men een gaatje in het papier (in
het midden), opdat het dier er gemakkelijk door kan; ook
gaat het gemakkelijker, wanneer men den hoepel of koker
met het papier tegen den kop van den hond slaat, als deze
den sprong doet.
Elke goede hond weet nauwkeurig, waartoe hij in staat
is. Schat hij den afstand, welken hij overspringen zal, groo-
ter dan de gewone, dan komt hij, als pas zijn aanloop be-
gonucn is, terug en ziet zijn meester vragend aan, alsof
hij dezen vertellen wil, dat de zaak hem te moeielijk is.
Wil zijn meester hem nu dwingen, dan begaat deze daar-
door eene groote fout. Niet alleen toch kan de hond zich be-
zeeren, doch hij wordt dan in den regel ook verbluft en ang-
stig en zal later zelden volkomen zeker van zijn sprong zijn.
„Karo, doe de deur dicht I"
Dit kunststukje is door eiken middelgrooten en sterken
hond gemakkelijk te leeren.
Ik neem Karo daartoe bij de voorpooten, zóó dat hij rug-
gelings naar mij toe is gekeerd, ga zoo met hem naar de
openstaande deur, zet zijne beide voorpooten er tegenaan en
druk met den hond op die wijze de deur dicht. Dit herhaal
ik dagelijks 10 a 12 maal achtereen; weldra zal de hond,
als men met de woorden : „Karo, de deur dicht!" naar de
geopende deur wijst, deze zelf gaan dichtdoen en later ook
zonder commando.
)
-ocr page 105-
90
Een groote hond (doch nog niet iedere.) kan ook leeren
eciie deur, die met een klink gesloten is, te openen, wat
veel moeilijker gaat, daar het dier tegelijker tijd met den
poot de klink moet oplichten en daaraan trekken. Ook kan
dit kunstje wel eens erg lastig worden, daar de hond dan
in staat is overal elke met eene klink gesloten deur open
te krijgen.
„Karo, dood!"
Men legt den hond met deze woorden op den grond en
houdt hem zoo eenigen tijd vast, terwijl men telkens het
woord „dood !" herhaalt. Dan laat men hem los, maar zegt
nog steeds: „dood!" opdat hij nog enkele oogcnblikkeit
blijft liggen. Eindelijk roept men duidelijk, terwijl men met
den vinger klapt: „daar komt de vilder (de poes of iets
anders) aan !" waarop de hond dadelijk op de been zal
zijn. Weinige zulke oefeningen zullen voldoende zijn om
den hond op commando dood te laten liggen, vooral wanneer
hij met een stukje suiker, vleesch of iets dergelijks beloond
wordt.
„Karo, spreek !"
Dit leeren de steeds hongerige keffers, die altijd blaffen,
wanneer zij eten zien, het gemakkelijkst.
Wanneer men hun bij het uitspreken van bovenstaand
commando iets voorhoudt en hun dat ook telkens geeft,
is dit minder prijzenswaardig kunstje binnen korten tijd
geleerd.
„Karo, dat is mijn !"
Dit is een aardig kunstje, waardoor men den hond voor
diefstal kan behoeden en maken, dat hij vreemden niets
afneemt.
Ik leg een lekker beetje op stoel of tafel en zeg: „dat
is mijn !" Wil de hond het pakken, dan is het „pst" en
-ocr page 106-
91
als hij er te dicht bij komt, krijgt hij een tik met den
vinger op den neus. Nu leg ik met dezelfde woorden een
tweede stukje neer en laat hem daar eenige oogenblikken
naar kijken. Dan leg ik een derde stuk neer met de \\voor-
den : „dat is voor jou l" (of „daar" of „asjeblieft!") en
schuif het desnoods een weinig naar hem toe, tot hij het
neemt. Dan schuif ik ook het tweede stukje naar hem
toe en zeg, als hij ook dit krijgen wil : „pst, mijn !" Op
deze wijze geoefend zal de hond eindelijk hoegenaamd niets
aanraken, dat met de woorden : „dat is mijn" ergens
neergelegd\' is. Wil een vreemde hem iets geven, dan is
een „pst, dat is mijn \\" voldoende en de hond zal het niet
aannemen. Zulke honden worden zelden snoepers.
\'t Zelfde kunstje ziet men ook wel uitvoeren op de woor-
den : „dat is van een jood", „dat is vergif" en dergelijke.
„Karo, zit op, mooi !"
Men zet den hond in een hoek van de kamer op zijn
achterste, terwijl hij overigens rechtop gericht is. Wil hij
weder den gewonen stand op zijne vier pooten aannemen,
dan dwingt men hem door de genoemde woorden in positie
te blijven. Ha, 1 u, 2 minuten laat men hem vrij, liefkoost
en beloont hem, om daarna op nieuw te beginnen. Gehoor-
zaamt hij na een paar dagen steeds aan het commando,
dan laat men hein nog in denzelfden hoek opzitten, maar
zonder den wand aan te raken. Een lekker beetje tot
belooning is hierbij zeer goed op zijne plaats. Is hij vast
in dit kunstje, dan kan men het nog grappiger maken door
den hond een muts of hoed op te zetten, een pijp in den
bek te geven, enz.
„Karo, op, mooi!"
Het staan, loopen en dansen is geen werk voor groote
zware honden; men leere het alleen aan vlugge (kleine)
-ocr page 107-
92
honden en wel vroegtijdig, ongeveer met de vierde maand.
De hond wordt rechtop in een hoek gezet en vastgehouden,
indien hij weer op zijne vier pooten wil gaan staan, of men
tikt hem met een stokje onder tegen de voorpooten aan,
tot hij rustig blijft staan. Kan de hond in een hoek staan,
dan zette men hem een eindje van den muur af en houde
hem een stukje vleesch voor om hem rechtop te houden.
In \'t vervolg zal hij, wanneer hij vleesch ziet, van zelf
gaan staan en zelfs het vleesch, wanneer men zich daarmee
langzaam verwijdert, volgen door op zijne achterpooten
te loopen.
Zal hij oak dansen leeren, dan beweegt men het stukje
vleesch steeds in een kring boven den kop van het dier.
De hond zal het vleesch steeds met de oogen volgen en
zich daarbij omdraaien. Eindelijk behoeft men slechts te
zeggen: „Karo, om!" of „dansen", en hij zal dadelijk bc-
ginnen te dansen. Wanneer hij muziek hoort, danst hij
zichtbaar met meer genoegen.
„Karo, over, hop!\'\'
Elke hond, die goed op de aehterpooten kan loopen en
dansen, leert ook gemakkelijk in die houding over een
barrière springen. Men plaatst bijv. een stok ongeveer 10
cM. boven den grond tusschen ons en den hond in, lokt
den rechtopstaanden hond naar ons toe en noodigt hem zoo
uit over den stok te springen. De meeste honden doen
zulks dadelijk. Wil hij het echter niet doen, dan neemt
men hem achter bij den halsband en tilt hem er vlug over,
terwijl men hem ook weer op de achterpooten neerzet. Met
«enige herhaling en gelokt door een lekker beetje leert hij
dit zeer gemakkelijk.
Langzamerhand plaatst men den stok een weinig hooger
doch telkens niet eerder, dan wanneer hij zonder moeite
-ocr page 108-
93
hooger kan springen; mijn poedel sprong op die wijze tot
80 cM. hoogte, en sterk gespierde honden kunnen het wel
tot 1 M. brengen.
„Karo, snap!"
Karo zit op de achterpooten. Ik leg hem een klontje
suiker of iets dergelijks op den top van zijn neus eu noem hem
een of ander getal, bijv.: „Karo, als ik 10 zeg, is het brokje
voor jou!" Dan tel ik langzaam en duidelijk tot 10, Karo
werpt dadelijk het brokje omhoog en snapt het op. In den
beginne geelt men den hond hierbij op het bepaalde oogen-
blik een teeken met de hand of met het hoofd.
Het beklimmen van een ladder.
Sommige honden als poedels en Terriërs loopen dadelijk
bij een ladder op, als hun meester hen voorgaat. Het af-
dalen gaat echter moeilijker en langzamer. Om een hond,
die niet omhoog wil, daartoe te brengen, zet men hem met
de voorpooten op de onderste sport en wijst met den vinger
naar een op de tweede of derde sport gelegd lekker hapje,
terwijl men bij het woord „verder" of „vooruit" met de
hand het dier een weinig voortdringt.
Wil men den hond gaarne spoedig boven hebben, dan is
het beter een touw aan den halsband te bevestigen en dat
over de bovenste sport te. slaan; men kan dan achter de
ladder staande door voorzichtig aan het touw te trekken
den hond zachtjes dwingen naar boven te gaan.
Het liefst maakt de hond gebruik van een dubbele ladder
met platte sporten (meer een trap); op zoo\'n ladder behoeft hij
zich, wanneer hij boven is ook niet om te keeren, wat zeer moei-
lijk is, maar kan hij de ladder aan den anderen kant weer afdalen.
De slangloop.
De hond moet onder het wandelen rechts en links tus-
schen de beenen van zijn meester doorloopen.
-ocr page 109-
94
Om dit doel te bereiken neem ik den leerling aan een
touw, laat hem bij den eersten pas tusschen de beenen
doorgaan, doe den tweeden pas en trek hem met het
touw aan den anderen kant weer tusschen de beenen door
en ga daarmee voort, tot de hond van zelf op deze wijze
loopt, wat gewoonlijk niet lang duurt.
Verschillende marschoefeningen.
Vooreerst loopt de hond op zijne vier pooten in een
kring rond, dan tilt hij het linker achterbeen op, wat men
hem gemakkelijk leert door met het touw dat been omhoog
te houden; afwisselend doet men evenzoo met den rechter
achterpoot en den linker en rechter voorpoot. Dit valt den
hond volstrekt niet moeilijk; men ziet toch dikwijls een hond
op •\'} pooten loopen, omdat hij zich aan één poot bezeerd heeft.
Nu volgt
De kruisgang,
waarbij de hond op 2 pooten loopt, afwisselend op rechter
voor- en linker achterpoot of op linker voor- en rechter
achterpoot. Deze oefening is moeielijker, omdat het dier
hierbij minder steun heeft. Ik bind den hond hiertoe den
linker voorpoot aan den hals vast en den rechter achter-
poot aan het achterlijf en later, wanneer hij zoo loopen
kan, omgekeerd. Eerst zal hij erg waggelen, doch langza-
merhand leert hij zijn evenwicht beter bewaren en zal hij
op commando den kruisgang uitvoeren.
De eenzijdige gang,
waarbij de hond op beide linker of op beide rechterpooten
loopt. Hiertoe bindt men de beide pooten van de eene zijde
vast, den voorpoot aan den hals, den achterpoot aan het
achterlijf. Verder doet men den hond een touw om den
hals en een om het achterlijf en knoopt die touwen stevig
vast aan het touw, dat men in de hand houdt; hel dier
-ocr page 110-
95
wordt hierdoor rechtop gehouden en tot loopen genoodzaakt.
Eerst na zeer lange oefening zal hij zulks zonder touw
op commando doen en ook alleen in een cirkel, naar welks
middenpunt hij natuurlijk overhelt.
Het loopen op de voorpooten.
Deze oefening is zeer moeilijk en alleen maar te pro-
beeren met kleine honden.
Men leert het den hond het gemakkelijkst op de volgende
wijze :
Ik bind den hond een breeden riem om het achterlijf en
hef hem daaraan zoo hoog op, dat hij bijna loodrecht op
de voorpooten komt te staan; geheel loodrecht gaat niet,
daar hij dan over den kop zou buitelen. Zoo moet nu de
hond zeer lang in liet loopen op de voorpooten geoefend worden,
tot hij zulks eindelijk doet, wanneer men hem een stokje onder
de achterpooten houdt. Na voortgezette oefening zal hij
ten laatste ook zonder het stokje het kunststukje uitvoeren.
Het koorddansen.
Dit is inderdaad het moeilijkste en het volmaaktste, wat
de hond op het gebied der gymnastiek kan leeren en eigen-
lijk alleen te vergen van den poedel, die van nature meer
volhardend en verstandig is en ook meer liefde voor de
zaak heeft dan andere honden.
De koorddanser moet in de eerste plaats een goed appor-
teur zijn, die dan door goedheid, maar ook alleen hierdoor
tot het beklimmen van het koord te bewegen is.
Als vooroefening leert men hem over een balk of paal
te loopen, dien uien over twee stoelen, over een kuil in
den grond, later over een sloot legt. Men zet hem daartoe
op den eenen stoel en lokt hem met een stukje vleesch
over den balk tot ons te komen; men mag hierbij wel wat
geduld hebben en het dier tijd gunnen, want het is zeer
-ocr page 111-
96
bang voor vallen. Vervolgens zet men hein dadelijk op
den balk, zonder van den stoel gebruik te maken. Vooraf
geeft men hem echter een plankje in den bek, waarop een
stokje staat met een vlaggetje eraan, dat hij over den balk
moet apporteeren. \'t Is goed hein dit vlaggetje eerst eenige
keeren op de gewone manier te laten apporteeren, opdat
hij er goed mede vertrouwd geraakt.
Brengt hij het vlaggetje telkens goed over, dan zet men
dit aan het eene eind van den balk neer en laat het door
den hond halen.
Na eenige oefening neemt men den balk telkens wat smaller,
zoodat de hond telkens meer moet acht geven en ballan-
ceeren; daarna bezigt men een ronden stok, die echter niet
glad mag zijn, en ten slotte een touw van tamelijke dikte.
Dit touw brengt men eerst ter hoogte van ongeveer l1/?
M. boven den grond aan en gaat daarmede langzamerhand
iets hooger; want ook aan de hoogte kan de hond zich niet
eensklaps gewennen. Het touw moet goed gespannen zijn
en aan de uiteinden, waar het vastgemaakt is, moet een
plankje aangebracht worden, waarop de hond zich kan om-
keeren en, als \'t noodig is, een oogcnblikje rusten. Ook bij
deze oefeningen make men van het genoemde vlaggetje gebruik.
Zal de hond eindelijk over een hooggespannen koord zijne
kunsten vertoonen, dan moet men daaronder een net of
kleed uitspannen, opdat hij zich bij het vallen, wat echter
zelden voorkomt, niet kan bezeeren.
Wij zouden hier nog wel een aantal andere kunstjes kunnen
aanhalen, die de hond gemakkelijk kan leeren, doch na al
het aangevoerde zal het zeker niemand moeilijk vallen,
zelf de beste wijze te vinden, waarop een of ander kunst-
stukje kan worden geleerd.
-ocr page 112-
D7
IX. De dressuur van jachthonden.
Dat wij hier een afzonderlijk hoofdstuk wijden aan de
dressuur van jachthonden, geschiedt eensdeels in het belang
van den jachtliefhebber, die ons werkje in handen mocht
krijgen, en anderdeels omdat de dressuur van jachthonden
eigenlijk eene geheel andere is dan de pas behandelde.
Aangezien we hier echter onmogelijk alles kunnen rele-
veeren, wat voor de vorming van een volmaakten jachthond
noodig is, zullen we ons in dezen tot de hoofdzaken moe-
ten bepalen.
De inleiding tot de jachthondendressuur bestaat in het
bedaard en rustig loopen van den hond naast zijn meester
(den jager). De hond wordt daartoe steeds aan een touw
gehouden, waar men ook met hem heengaat, en het is aan
te bevelen, hem op den leeftijd van 6 maanden reeds dicht
naast ons aan een touw te leiden. Later loopt hij dan
altoos naast of onmiddellijk achter zijn meester, al naar deze
het wenscht, want aan het touw laat hij zich zeer goed
naar onzen wensch schikken, corrigeeren en dresseeren, en
eindelijk zal hij ook zonder touw zijn meester niet verlaten,
zelfs niet wanneer er .andere honden bij zijn, die tot zoeken
uitgezonden worden.
De kamerdressuur van den jachthond is dezelfde als die
van eiken anderen hond, voor zoover die n.1. het appel
en het apporteeren betreft; alle andere kunststukjes laat
men bij den jachthond achterwege.
Sommige jagers beginnen met de kamerdressuur reeds
als de hond 6 maanden, anderen als hij 9 a 10 maanden
oud is.
Volgens mijne ervaring doet men het best, den jachthond,
De Hondenvriend.                                                                                   <
-ocr page 113-
ENGELSCHE POINTER.
-ocr page 114-
98
die oen ernstigen en vermoeiende!) arbeid heeft te verrich-
ten, eerst te dresseeren, wanneer hij /elf ook reeds wat
ernstiger is geworden : dus niet te jong.
Het sta a n voor het wil d.
Een hond van goede afkomst moet eigenlijk uit zich
zelf voor het wild staan. Ik heb reeds kruisingsproducten
(Pointer-poedel) gehad, die /onder eenige dressuur op den
leeftijd van (i maanden zeer goed, zoowel voor hazen als
voor patrijzen stonden.
Heelt een jachthond de/e eigenschap van nature, dan is
dit natuurlijk een groot voorrecht; men is dan des te spoe-
diger met hem klaar en hij is en blijft dan ook altijd ver-
trouwbaarder. Moet een hond het „staan" en het appor-
teeren eerst geleerd worden, dan vereischt dit vrij wat
moeite ei. tijd en niet minder tact en oplettendheid, wanneer
men ten minste van hein een goeden hond, de rechterhand
van den jager, wil maken. Het woord „goed" is echter
zeer rekbaar en \'t hangt van den bezitter af, wat hij daar-
onder verstaan wil. Sommige honden worden door hun
eigenaar goed genoemd, terwijl een ander ze geen schot
kruit waard oordeelt. Om een jachthond goed te beoordee-
lcn, moet men in de eerste plaats goed verstand van de
jacht hebben, d. w. z. men moet /elf een prefect jager zijn,
maar geen „zondagsjager", die ook honden dresseert (doch
hoe ?) en ze ten slotte voor goed uitgeeft en zich goed laat
betalen ook.
Voor de eigenlijke africhting in het veld is het noodig den
jongen hond zeer dikwijls mede te nemen, hem met alles be-
kend te maken en tevens aan het schieten te gewennen ; want
een hond, die bang is voor het schieten, geeft den jager veel last
-ocr page 115-
99
en moeite. De hond moet ook recht vurig gemaakt worden en
men moet zich niet te spoedig over te veel drift van een
hond beklagen, zooals wel eens gebeurt. Te veel drift kan
een hond niet licht hebben, als hij maar verstandig geleid
en behandeld wordt.
Wordt de leerling aan het touw gelegd en mee in \'t veld
genomen, dan toont hij zich in den beginne recht onhan-
delbaar, rukt naar links en rechts, gaat liggen enz. Men
moet zich daardoor echter niet tot drilt laten verleiden en
den hond niet slaan ; met vriendelijke woorden komt men
verder. Men bestudeere voor alles het karakter van den hond;
dat hij eerst onhandelbaar is, is een goed teeken en getuigt
van vuur, dat een goede hond zelfs tot op hoogen leeftijd
moet bezitten.
\'t Is zeer aan te bevelen een jongen hond aan een
ouderen, termen hond te koppelen, die van het tegenover-
gestelde geslacht is, waardoor hij onwillekeurig aan \'t appel
enz. gewent.
Onderweg late men, terwijl men bedaard voortloopt, zon-
der op de dieren veel acht te geven, nu en dan een slag-
hoedje knallen, opdat het dier eerst aan een lichten knal
gewent. Daar de oude honden bij het schieten duiken of
gaan liggen, moet men niet schieten terwijl men stilstaat,
vóór de jonge hond daaraan gewend is; want deze zou ver-
wonderd opkijken, als zijn leidsman ging liggen, hij zou
bevreesd worden en later, als hij los meeliep, zelfs wegloopcn.
Is de jonge hond eindelijk in \'t geheel niet meer
bevreesd voor \'t schieten, dan moet hij duiken leeren.
De hond komt daartoe aan eene lij n van ongeveer 40 M.
lengte, die men echter bijna geheel opwindt, zoodat men
het dier kort aangebonden houdt. Gaat de hond nu
op het commando: „koest!" of „neer!" goed liggen, dan
-ocr page 116-
100
late men de lijn vieren en verwijdere zich om zich te over-
tuigen, of hij ook rustig blijft liggen. Komt hij ons achterna,
dan moet hij dadelijk weer naar dezelfde plaats terug en
op nieuw „koest" maken, tot zoolang, dat hij bedaard blijft
liggen, hoe ver wij ons ook van hem verwijderen.
De hond moet onvoorwaardelijk weten, wat hij te doen
heeft. Is inen overtuigd, dat hij dit weet, en wil hij dan
toch niet volgen, dan is het niet verkeerd hem door een
slag met de zweep tot zijn plicht te brengen.
Nu koppelt men den jongen hond weder met een goed
afgerichten, ouderen hond. Op het commando „koest!" gaat
deze liggen en de jonge hond zeker inet hem. Daarna wordt
de lijn weder verlengd en ook dan zal de jonge hond het
voorbeeld van zijn geleider volgen; voor en na wordt er
„koest!" gecommandeerd, terwijl men dit telkens door één
of meer schoten laat volgen, den hond met een „apport!"
of „hier!" terugroept, tot zoolang er steeds gehoorzaamd
wordt. Heeft men er onder verscheidene honden soms nog
één, die niet behoorlijk het voorbeeld van zijn leidsman
volgt, dan moet men dezen afzonderlijk aan de lijn oefenen,
tot hij vast is.
Aan het gebruik van de lijn pare men echter altijd vrien-
delijkheid. De ervaring leert, dat honden, die zich eerst
ongezeggelijk en halsstarig toonden, doch door zachtheid
tot hun plicht werden gebracht, later des te gehoorzamer
werden.
De hond, die op commando gaat liggen, mag nu mede
naar een veld, waarop slechts weinig wild is. De vrees-
achtige hond mag nu naar believen rondloopen, en gaat hij
daarbij ook al wat te ver, men store hem daarin niet; hij
legt daardoor langzamerhand zijne vreesachtigheid af en zal
er zelf wel het doellooze van inzien en er mede uitscheiden.
-ocr page 117-
101
Een hond, die te vurig is, moet met ernst beteugeld en
streng aan liet commando gehouden worden; in geval van
nood zelfs door eene behoorlijk dracht slagen, waarbij men
echter bedenke : éénmaal fliuk wat, is beter dan dikwijls een
weinig !" Is zijne vurigheid wat getemperd, dan kan men
hem ook wat meer vrijheid in het zoeken laten. Men herhale
dan echter de noodige wenken en commando\'s, wanneer de
hond zich een weinig vermoeid toont, en wel vlug achter
elkander, opdat het dier deze vlug leert begrijpen en volgen.
Met zulke vurige honden moet men zich altijd afzonderlijk
bezig houden.
Onder de jachthonden treft men er ook aan, die graag
uit eigen aandrift mogen handelen; zij dwalen bijv. te ver
af. \'t Zou verkeerd zijn zoo\'n hond dadelijk terug te
roepen of te fluiten; want als de jager meent, in dit geval
het dier door slaan tot onbepaalde gehoorzaamheid te moe-
ten brengen, kan hij den hond wel eens geheel bederven,
daar \'t zeer wel mogelijk is, dat deze in zijn ijver het geroep
of gefluit niet gehoord heeft en dus ook niet weet, waarom
hij gestraft wordt. Keert de hond zich echter van zelf om,
dan geeft men hem dadelijk een teeken en gaat, als hij
rechts afgedwaald is, links op hem af, alsof er niets voor-
gevallen ware; de hond zal zeker volgen.
\'t Gebeurt niet zelden, dat een vurige hond bij \'t zoeken
te ver afdwaalt, maar toch op zijn strooptocht weer in onze
nabijheid komt; in dat geval laat men hem dan dadelijk
zelfs in zijn grootsten ijver „koest" maken, prijst hem,
roept hem tot zich enz., zoodat hij begrijpt wat hij doen moet
en hij zal gaarne alle commando\'s naar rechts en links,
vooruit, achteruit enz. uitvoeren. Worden de commando\'s
te kort of te vaak gegeven, dan zal de bange of bevreesd
gemaakte hond wat om den jager rondloopen in plaats van
-ocr page 118-
102
te zoeken. Zulk een hond is alleen hierdoor te genezen,
dat inen hem het „vooruit!" voordoet door zelf vooruit te
loopen; hij zal dan zeker volgen en zijne vreesachtigheid
langzamerhand vergeten. Alleen in zulk een geval is een
vlug en krachtig optreden geoorloofd.
Een goede hond moet het geheelc veld afzoeken en daarom
het loopen in een zig-zaglijn grondig geleerd hebben. Alle
honden, die door te grooten ijver in \'t jagen hiertegen
zondigen, moeten teruggeroepen worden en dikwijls „koest"
maken om hun ijver te temperen en gehoorzaamheid te
leeren.
Is een hond om zijn overgrooten ijver reeds dikwijls ge-
straft en weigert hij bij den jager te komen, dan moet men
bedaard naar hem toe gaan, hem aan de lijn leggen en een
paar Hinke klappen geven, terwijl men dikwijls fluit. Daarna
verwijdert men zich en iluit hem. Komt hij wederom niet,
dan trekt men eens flink aan den collier (stekelband, par-
forceband) en haalt hem naar zich toe ; want alleen bier-
door is dan onbepaalde gehoorzaamheid te verkrijgen.
Nu brengen wij den gehoorzamen en niet meer schrik-
kigen hond voor het wild, dus op een terrein, waar men
zeker is, dat de hond met het wild in aanraking komt.
Ook hierbij is liet goed, een ouden, goed gedresseerde^
hond als leermeester en leidsman mee te nemen. Dezen laat
men eerst alleen zoeken. „Staat" hij, dan moet de jonge
discipel aan de lijn naar hem toegebracht worden, om zijn
doen en laten gade te slaan en ook het wild in den neus
te krijgen. Als de jonge hond rustig staat, is er wat goeds
van hem te verwachten, want deze eigenschap moet een
goede hond bezitten, als hij mee naar het veld zal gaan.
Wil hij echter dadelijk op het wild afgaan, dan kan dit
een gevolg zijn van al te veel vuur, doch ook zijn grond
-ocr page 119-
103
hebben in eene overgeërfde fout; liet eerste is gemakkelijker
af te leeren dan het laatste.
Dat de hond het wild naspringt kan door de lijn tegen-
gegaan worden, en daarom moet men zich ook niet te vroeg
van deze ontdoen. Als de jonge hond geleerd heeft te
„staan", moet de oude leidsinakker te huis gelaten worden
en hij dus alleen werken.
Een oude hond is niet altijd volstrekt noodig om een
jongen te dresseeren, doch men bereikt daarmede in den
regel eerder zijn doel, en voor jagers, die wat prikkelbaar
en driftig zijn uitgevallen, is deze wijze van dresseeren in
elk geval zeer aan te bevelen.
De alleen zoekende hond.
Als de hond zoo ver gevorderd is, dat wij over het ge-
heel genomen over hem tevreden kunnen zijn, dan wil
het toch nog wel eens voorkomen, dat hij hazen of patrij-
zen opjaagt in plaats van er voor te staan. Komt zoo iets
eens voor, dan straffe men hem niet dadelijk, maar legge
hem de lijn weer aan en wel een zoo lange, dat hij niet
anders gevoelen kan, dan dat hij geheel vrij is. Zoo moet
hij dan weder voorwaarts om de ergens neergevallen patrijzeii
nogmaals op te zoeken. Heeft hij deze weder opgespoord
en wil hij er op nieuw op afgaan, dan volgt er dadelijk
een flinke ruk aan de lijn en een gestreng „koest!"
Daarop liefkoost en streelt men hein en brengt hem zoo
zoetjes aan zoo dicht bij het wild, als men dit wagen kan
zonder het op te jagen. De hond moet voor de eerste pa-
trijzen 2 a 3- minuten staan; langer is niet noodig. Mochte.71
de patrijzen vóór dien tijd opvliegen, dan moet de hond
zich dadelijk weer koest houden.
-ocr page 120-
104
Het instinct drijft don hond er toe, het wild op te sporen,
te vervolgen en eindelijk te vangen. De eene hezit dat in-
stinct in hoogere inate dan de andere; de meer wilde en
ruwe honden kenmerken zich er meer door dan de goed-
aardige en fijne honden, \'t Is dus de plicht van den dresseur
den hond dat instinct te ontnemen of liever, dat door zijn
wil te doen beheerschen, wat gebeuren kan door een ver-
standige dressuur, waardoor de hond leert begrijpen wat er
van hem gevorderd wordt, wat hij doen en laten moet.
Door eene al te gestrenge behandeling of mishandeling bereikt
men echter zelden zijn doel, evenmin als door het dier een
schot hagel na te zenden, dat hem misschien voor zijn ge-
heele leven verminkt of de oorzaak van zijn dood wordt.
Is de jonge hond eindelijk zoover, dat hij het wild goed
weet te vinden en daarvoor te staan, dan neme men hem
weder in gezelschap van een ouden hond mede; zulk een
leermeester toch is het beste voorbeeld.
Men gaat nu met den hond (of de honden) aan den lijn
tegen den wind in, zwenkt bij afwisseling rechts en links,
terwijl men door gebaren of woorden den hond de richting
aangeeft en door de woorden „zoek, zoek" aanspoort. Wordt
hij al te driftig, dan waarschuwt men hem door een ge-
dempt „zacht wat", „zoetjes" of „langzaam", en blijft deze
waarschuwing zonder het gewenschte gevolg, dan helpt een
flinke ruk aan de lijn. Honden, die naar muizen, leeuwe-
riken en dergelijke zoeken, moet men daarvan door een her-
haald „foei" afbrengen, en men moet ook nooit in tegen-
woordigheid van den hond op dergelijke dieren schieten.
Is de hond goed gehoorzaam, dan brenge men hem op
een veld met weinig haas, doch met patrijzen. Aan de lijn
gaat hij nu met zijn meester tegen den wind in en zoekt.
Heeft hij iets in den neus, dan roepe men hem toe : „lang-
-ocr page 121-
105
zaam" of „zacht wat!" Blijft hij staan, dan moet hij dadelijk
duiken, terwijl de jager om hem heen loopt, tot hij de
patrijzen in \'t oog krijgt. Daarop gaat hij terug, roept den
hond met een „hier !\'\' tot zich, laat hem nogmaals voor-
waarts gaan en koest maken, loopt op nieuw ora hem heen en
jaagt de vogels op, zouder er evenwel op te schieten, terwijl ook
den hond volstrekt niet mag worden toegestaan het wild
na te springen. Nu gaat men weer gezamenlijk de patrijzen
na, handelt weder evenzoo met den hond en tracht nu een
der vogels zittend of in de vlucht te schieten. Men moet
zich hierbij echter wel sekuur nemen, daar mis schieten zeer
nadeelig op de dressuur van den hond zou werken.
De hond moet nu dadelijk den geschoten vogel opzoeken
en apporteeren, zonder dien te verscheuren of zelfs maar
heen en weder te schudden. Is de hond wat al te vurig,
dan mag hij in \'t vervolg niet eerder weder het geschoten
wild achterna, voor dit geheel dood is.
Een hond mag, als het schot gevallen is, niet gaan rond-
loopen, doch moet, na of zonder geroepen te zijn, bij zijn
meester komen en bedaard naast dezen blijven staan.
De beste tijd om den hond op patrijzen af te, richten, is
de maand Maart of April, omdat de patrijzen dan paars-
gewijze liggen, of September, als de jongen nog niet
wild zijn.
Voor de dressuur op hazen is September de beste tijd;
men handele hierbij evenzoo, als voor patrijzen is aangegeven.
Nu moet de hond mede het hout in; de jager zoekt dus
een geschikt, van struikgewas voorzien terrein uit, dat hein
ook een vrij gezicht op zijn hond toestaat. Op zoo\'n terrein
moet de hond door een gedurig zwenken en door comman-
do\'s als : „om", „terug", „hier!" enz. er toe gebracht worden
steeds in de nabijheid van den jager te blijven.
-ocr page 122-
106
Voor de snippeujacht richt men den hond evenzoo af,
als voor de jacht op patrijzen.
De Februari" of Maart-dressuur moet in Sept. of October
afgeloopen zijn, waarna de hond bij een flinken jager zeker
ook ferm zal blijven, terwijl hij bij een slecht jager gevaar
loopt weldra bedorven te zijn.
Hoofdregels voor de dressuur van den
jachthond.
1. Elke les, waarbij de hond zich leerzaam betoont, kan
verkort worden.
&. De hond moet steeds dezelfde commando\'s en het-
zelfde gefluit hooren.
3.    Door vriendelijke woorden en ernstige berisping be-
reikt men zijn doel eerder dan door vloeken en
tieren.
4.    Als een vriendelijke, zachte behandeling niet tot het
doel leidt, dan make men gebruik van den collier
(klos- of stekelband).
5.    Nooit schoppe men den hond of trekke hein aan de
ooren. Heeft hij werkelijk door kwaadaardigheid enz.
straf verdiend, dan geve men hem een paar slagen
met de zweep op zijn achterdeel.
6.    Honden, die zich bij herhaling koppig toonen, moeten
niet te ruim gevoerd worden ; in erge gevallen late
men ze 2 u 3 dagen honger en dorst lijden.
7.    Een hond mag in het eerste jaar van de dressuur
alleen door zijn meester, niet door vreemden, mee
naar \'t veld genomen worden.
9. Bij het koopen van een hond inforincere men nauwkeu-
rig, aan welke bevelen, en woorden en aan welk gefluit
-ocr page 123-
107
hij gewend is, opdat hij niet door verkeerde uit-
drukkingon enz. in de war gebracht en eindelijk
bedorven wordt.
X. Bas-typen.
Eene juiste klassificeering van alle honden zou ons waar-
schijnlijk zeer moeilijk vallen, waarom we het maar geheel
niet beproeven. Eene verdeeling in groote honden en kleine
of schoothonden, of naar de bestemming van de dieren
in slagers-, jacht-, herdershonden enz., wil ons evenmin
bevallen als elke andere.
We beginnen onze korte beschrijving van eenige der voor-
naamste rassen daarom maar met een der grootste en zwaarste.
1. J)e Maxtiff.
Deze majestueuze, voorname reus met zijn edel, maar
ernstig gezicht, moet zelf de minst bcvreesden wel een zeker
respect inboezemen, wanneer hem zulk eene verschijning onver-
wachts den weg verspert. Zijn gehcele optreden verraadt
kracht en moed, gepaard met eene onovertroffen waakzaamheid.
Kenmerken : Schedel breed, aan \'t voorhoofd niet te plot-
seling dalend; suuit middellang, vierkant, eerder breed dan
diep; lippen vol, doch niet zoo afhangend als bij de bloed-
honden; tmden wit en zeer sterk, beneden en bovenkaak
goed op elkander passend, (vooruitstekende benedenkaak is
eene fout); oog middelgroot, gewoonlijk helder bruin; ooren
glad, dun en vlak tegen de kaken hangend, zwart als \'t mas
kcr geldt als fraai.
Hals: zeer gespierd, sterk, niet te kort en zonder wam.
-ocr page 124-
108
Horst: niet diep en middelmatig breed.
Rug: sterk en breed, vol ca krachtig gespierd.
Pooten: sterk en recht; hoewel wolfsklauwen niet als fout
gelden, zijn ze toch als onschoon af te keuren.
Kleur: vaalgeel als modekleur met zwart masker; ge-
stroomd is minder gewild.
Beharing: zeer fijn, kort en gelijkmatig, alleen op rug
en schouders en aan den staart wat langer.
Staart: zeer lang, van den dikken wortel langzamerhand
dunner doch niet spits uitloopend, ongeveer als bij den Poin-
ter. De gemiddelde hoogte bedraagt 75 cM.; exemplaren
van 80 cM. zijn echter niet zeldzaam en zeer gezocht; nog
grootere, vau 85 cM., worden verschrikkelijk duur betaald,
als hun gewicht en bouw n.1. met de hoogte in overeen-
steinming zijn. Teven zijn steeds 5 a 10 cM. kleiner.
liet gewicht van een goedgevulden mastiff bedraagt on-
geveer evenveel kilogrammen als de hoogte centimeters,
zoodat een hond van 75 cM. hoogte ongeveer 75 kilogr.
en een van 85 cM. ook ongeveer 85 kilogram zal wegen.
Punten:
Kop, snuit, ooren, oogeu ...     15
Hals, borst, rug, staart ....    15
Pooten en voeten......    10
Beharing en kleur.....      5
Algemeen voorkomen en houding.      5
Totaal . .    50.
&. De Sint-Bernards7iond.
Terwijl we op bladz. 17 e. v. meer over den vroegeren
Sint-Bemard hebben gesproken, is het hier onze taak den
tegenwoordigen nader te beschrijven.
-ocr page 125-
109
Ofsehoon de St. Bernardshond wel verdient als rasltond
beschouwd te worden, is het toch aan hein fe zien, dat hij
van gekruist ras is. Naar de overleveringen van de monni-
ken uit het hospitium zou de St. Bernard uit eene kruising
van den Deenschen dog met een grooten Pyreneeschen her-
dershond (Mastiff) afstammen.
Hoewel de St. Bernards hunne oorspronkelijke goede eigen-
schappen, als trouw, waakzaamheid, vertrouwhaarheid bij kin.
deren enz, behouden hebben, treft men bij hen soms echter ook
gebreken aan, die zeer onaangenaam kunnen worden. Of zulke
gebreken uit eene verkeerde opvoeding voortvloeien of toevallig
ontstaan, is niet uitgemaakt. Ik had eens twee St. Bernards, die
in het derde jaar zoo boosaardig tegen kinderen werden, dat
ze wel aan den ketting moesten. Deze boosaardigheid open-
baarde zich echter slechts nu en dan, op het onverwachts, en
nooit tegenover een en hetzelfde kind. Later vielen zij ook
op eene wandeling onverwachts volwassen personen aan.
Wat moed aangaat, daarin staat de St. Bernard bij den
Mastiff ten achter. Wordt hij eenmaal overbluft, dan is hij
in den regel bedorven, een bloodaard, die eerder zal wijken
dan zijn meester met zijn leven te verdedigen. Ook behoort
hij tot de fijngevoelige honden, die niet geslagen willen
worden, vooral niet op eene verkeerde plaats.
Kenmerken: Kop groot, massief, vierkant, met niet te
langen, vrij vierkanten snuit, sterk hangende lippen, als bij
den bloedhond; het voorhoofd scheidt zich vrij scherp van
den snuit af; de dicht tegen de kaken liggende ooren zijn
slechts middelmatig van lengte en driehoekig van vorm;
de donkere oogen verraden stoutheid en veel verstand.
Hals en schouders : een tamelijk lange hals met breeden,
gewelfden nek en goed ontwikkelde wam, ronde schoudere
en breede borst.
-ocr page 126-
iio
Pooten: recht met groote voeten en dubbele wolfsklaü-
wen; dit laatste is echter niet onvoorwaardelijk noodig.
Koehakken zijn eene fout en teekenen zwakte van het dier.
Algemeen voorkomen : eene in \'t oog loopende frischheid,
verstand gepaard met kracht en levendigheid.
Kleur: Oranje of rood, donkerrood en grijs gestroomd,
geel met witte plekken.
Temperament: Dit hangt juist bij den St. Bernard het
meest van de opvoeding af. Een goed opgevoede hond is
een zachte, vriendelijke, aanhankelijke, gehoorzame, leerzame
en waakzame huisgenoot, terwijl een slecht opgevoede vol-
maakt het tegenovergestelde kan zijn.
Beharing: Er zijn langharige, die meer van den oor-
spronkelijken stamvader en kortharige, die meer van de
oorspronkelijke moeder hebben ; de eerste hebben ruw doch
een weinig golvend, de laatste hard, glad en dicht haar.
Punten :
Kop..........     
Hals en schouders.....      5
Pooten en voeten......    10
Wolfsklauwen.......      5
Algemeen voorkomen ....    10
Beharing.........       5
Temperament.......      5
Totaal . .    50
3. De Newfomullander.
Zijn statig en deftig voorkomen, zijn edel gelaat, zijne
majestueuze manieren en leerzaamheid hebbon hem reeds
voor lang boven alle groote honden tot een lieveling der
-ocr page 127-
m
hondenvrienden, voornamelijk der Engelschen gemaakt, die
liem nog lieden boven alle andere honden verkiezen, terwijl
men er ook elders weder op bedacht is, dezen hond de
hem toekomende plaats in te ruimen, vooral omdat hij ook
als waterhond door geen anderen, zelfs niet in de verte,
wordt geëvenaard. Als waakhond en om ons te vergezellen
schat ik hein boven alle andere honden.
Deze hond stamt oorspronkelijk van liet eiland ATew-
Foundland, waar hij echter niet zoo groot is als die, welke
in Engeland en elders aangefokt worden.
Ik heb in den Elzas twee rechtstreeks van New-Eoundland
ingevoerde honden gezien, die bijna 155 cM. rughoogte had-
den en sterk gebouwd, doch minder fraai van uiterlijk waren.
Zij waren wit, hadden zwarte ooren en lagen den geheelen
dag in het water als een vischotter.
In den kaatsten tijd onderscheidt men naar de kleur
twee soorten: de zwarte (zoogenaamd Engelsche) en de
Landseer-Newfoundlander, welke wit is met zwarte plekken.
Kenmerken: Kop groot, breed, met zeer schuinen voor-
hoofdshoek en sterk ontwikkeld achterhoofdsbeen. Snuit
tamelijk lang, door den vooruitstekenden bovenkaak en
grooten neus wat spits schijnend; lippen slechts weinig han-
gend; beharing kort. Ooren kort, goed aansluitend en met
kort, Huweelachtig haar, alleen aan de zoomen een weinig
langer.
4. De Leonlerget.
ook wel berghond(P) genaamd, mag hier zekef, als na aan
den St. Bernardshond verwant, ook eene plaats vinden.
Eerlijk bekend zou ik hem, daar ik hem beschouw als
een kruisingsproduct van den St. Bernards- met den een
-ocr page 128-
112
of anderen dikkoppigen, beenigen slagershond, liever niet
onder de rashonden noemen, zoo niet in reclame-annonces
dit plompe dier zelfs boven den Si. Bernardshond aanbe-
volen wordt en zoo de onkundige liefhebbers door alle
mogelijke aanprijzingen worden misleid, alleen uit specula-
tiezucht.
Genoemde hond heeft zijn naam te danken aan iemand
uit Lconbcrg in Wurtcmberg. Als fokker van dez e dieren
heeft zich uitgegeven een zekere heer Essig in Leonberg,
weldra bijgestaan door zijn zwager den schoenmaker Burger.
Burger, die voor eenige jaren gestorven is, kende ik en
wel niet van eene goede zijde. Naar de ervaring, die ik bij
drie gelegenheden van hem opdeed en bij welke ik telkens
bedrogen uitkwam, kan ik niet anders zeggen, dan dat
Burger of geen verstand van honden had of een niet te
vertrouwen, gewone koopman was.
Denk u een ontaarden, plompen St. Bernardshond, hoog
op de pooten en minder verstandig enz. uitziende, en ge
hebt het beeld van een Leonberger.
5. Be J)off.
Aan dezen naam verbond men vroeger nog de plaatsna-
men Ulmer- en Deensche, dewijl deze hond in de omstreken
van Ulm (Wurtemberg) en in Denemarken veel aangetroffen
en voor de zwijnenjacht gebruikt werd. In den laatsten
tijd zijn deze namen vervallen en is daarvoor de naam
„Duitsche dog" in de plaats gekomen.
De Duitsche dog is tegenwoordig ontegenzeggelijk een
geliefde luxe-hond, wat hij aan zijn elegant voorkomen en
wel hoofdzakelijk aan zijne fijne huid te danken heeft, waar-
door hij des te eerder als kainer- of huishoud wordt gekozen.
-ocr page 129-
113
Hij is ongetwijfeld een kruisingsproduct van mastiff en wind-
hond. Een fraaie dog moet eene elegante houding aan eene
flinke grootte paren.
Kenmerken: In zijn uitwendig voorkomen moet de Duit-
sche dog nauwkeurig — en bepaald ook zeer nauwkeurig —
het midden houden tusschen den mastiff en den windhond,
en dus evenmin het lompe en den zwaren bouw van den
eerste hebben als het lichte en spitse van den laatste. Zijne
houding moet fier zijn, met hooggedragen kop en recht ge-
dragen dunnen staart; alleen bij gemoedsbewegingen wordt
de staart omhoog gedragen.
Kop: matig lang gerekt, meer hoog dan breed; \'t voor-
hoofd is nauw merkbaar hooger dan de rug van den neus,
naar achteren toe langzaam oploopend, sterk ontwikkelde
kaakspieren.
Neus groot. De snuit bijna loodrecht afgestompt, de lip-
pen hangen aan de zijden slechts weinig over, doch de
vouwen in de mondhoeken zijn sterk ontwikkeld.
De oogen zijn klein en vol uitdrukking.
Ooreu: middelgroot, hoog opgezet en aan de spitsen over-
hangend, waarom zij ook gecoupeerd worden, waardoor het
dier rechtop staande spitse ooren verkrijgt, die het een meer
voornaam en trotsch voorkomen verleenen.
Hals: lang en sterk en licht gebogen, zonder wam, met
sterken, vollen nek.
Borst: breed en hoog gewelfd, vau voren diep als bij
den windhond.
Eug: lang, het achterste gedeelte tamelijk schuin naar
den staart afdalend.
Staart: middellang, slechts tot even beneden het sprong-
gewricht reikend. Aan den wortel zeer dik doch langzamer-
hand slanker en spits uitloopend, slechts weinig gebogen.
JJe Hondenvriend.                                                                                  8
-ocr page 130-
LANGHARIGE DUITSCHE STAANDE HOND.
-ocr page 131-
114
Buik: ver naar achteren goed opgetrokken evenals bij
den windhond.
Pooten: de, onder schuin geplaatste schouders staande
voorpooten zijn noch binnenwaarts noch buitenwaarts ge-
keerd, sterk en gespierd, recht, van voren gezien slechts
weinig of niet gebogen, onderschenkel lang en sterk. De
achterpooten met zeer gespierde lange en sterke boven-
schenkels.
Voeten: rondachtig met goed gewelfde, gesloten teenen
en sterk gekromde nagels.
Beharing: kort, fijn maar dicht, aan den onderkant minder.
Kleur: Er zijn éénkleurige in alle mogelijke kleuren, al
naar den smaak van den liefhebber, en getijgerde doggen,
welker grondklcur wit of lichtgeel is, bezaaid met vele
groote en kleine donkere (meest zwarte en grauwe) vlekken.
Bij deze zijn glasoogen gewenscht, terwijl ook een vleesch-
leurige en gevlekte neus gedoogd wordt.
De gestroomde hebben op een licht- of donkergelen enz.
grond onregelmatige dwarsstrepen.
Aanmerking. De Deensche dog, als afzonderlijk ras, be-
staat dus voor mij niet, al geeft men dien naam ook
aan Duitsche doggen, die meer van den mastiff hebben,
vooral wat de grootte van den kop aangaat.
6. De Scholsehe herdershond {Collie).
Deze hond, die in het laatste tiental jaren als modehond
vrij wat op den voorgrond is getreden, neemt wegens zijne
verstandelijke begaafdheid en zijn voornaam voorkomen te-
genwoordig eene eerste plaats in de rij der lnxe-honden in.
Bepaalde aanwijzingen omtrent zijne afkomst hebben we
niet. Al ben ik ook niet van dezelfde meening als de groote
-ocr page 132-
115
natuurvorscher Button, flic don Schotschen herdersliond voor
den stamvader van alle hondenrassen hield, toch is het
zeker, dat dit ras reeds sedert overoude tijden dienst deed
als herdershond. De Schotsche herdershond in zijn oor-
spronkelijk natuur-type heeft de grootste overeenkomst met
den wilden hond van Afrika en Indië. Natuurlijk spreken
we hier niet van den tegenwoordigen Schotschen modehond
met zijn kunst-type, dat hij aan Engelsche fokkers te
danken heeft. De echte Schotsche herdershond is ruwharig
en dus tegen wind en weer gehard, terwijl de hedendaag-
sche zacht, glanzend en lichtbehaard wordt verlangd.
De bouw van den Schotschen herdershond is licht maar
toch krachtig. Kop en hals zijn lang, do ooren staan bijna
geheel rechtop; liet lijf is een weinig opgetrokken; de
lendenen zijn lang en krachtig en een weinig gebogen.
Aan wie de eer toekomt, dit nieuwe type te hebben voort-
gebracht, willen we hier niet onderzoeken, genoeg zij het,
dat dit begaafde dier daardoor nader tot ons is gebracht.
In het temperament dezer honden openbaart zich groot
verschil en evenzoo in het haar. Over .\'t algemeen zijn ze
wat schuw of vreesachtig, terughoudend en ook bijtachtig tegen
vreemden. Arglistig, zonder eenig geluid te geven, kunnen
zij vreemdelingen nasluipcn om die bij de boenen te pakken.
Zij onderscheiden zich echter alle door bijzondere waakzaam-
heid en volgzaamheid. Hoewel zijn oog verstandig genoemd
mag worden, zoo kan ik toch de bewering van sommige
liefhebbers en fokkers dat „geen ander ras daarin aan hem
gelijk is" niet deelen. Er zijn onder alle rassen door ver-
stand uitmuntende en ook zeer domme dieren. Ik zelf heb
reeds zeer domme, vreesachtige collies gehad, wier waak-
zaamheid geheel van hunne luimen afhing.
Kenmerken : Kop lang en smal. Ooren : zeer hoog aan-
-ocr page 133-
116
gezet, klein en half hangend, d. vv. z. de spits alleen om-
gevouwen. Snuit: beide kaken moeten even lang zijn;
meestal echter is de bovenkaak langer dan de onderkaak.
Beharing dicht en lang, doch nooit los.
Kleur: verschillend; zeer geliefd zijn zwarte met rosachtig
bruine extremiteiten, alsook zwarte met regelmatige witte
platvoeten ; ook bij deze laatste zijn rosachtige extremiteiten
gewenscht.
Schouders : moeten schuin liggen en niet te forsch zijn.
Borst: breed en eveneens de rug breed en gespierd.
Voorpooten : sterk, recht en goed onder \'t lichaam staande.
Achterpooten : sikkelvormig en van \'t spronggewricht af
kortharig.
Punten :
Kop..........    10
Borst en schouders.....      5
Lichaam.........      5
Lendenen en staart.....       5
Pooten en voeten.....       5
Kleur.........      5
Beharing........    10
Algemeen voorkomen ....      5
Totaal . .     50
Aanmerking : Er zijn ook kortharige Schotsche herders-
honden, die wegens hunne grooto zindelijkheid bij de dames
meer gezien zijn. Bij de langharige vertoont zich ook dik-
wijls de haarziekte.
7. De DuilscJie herdershond.
Niet alleen de Schotsche, doch ook de Duitsche herders-
hond verstaat zijn werk uitmuntend, als hij maar door een
-ocr page 134-
117
Hinken verstandigeu lierder geleerd is. „Zoo de herder, zoo
de hond" mag men gerust zeggen. De Duitsche herdershond
is even intelligent als de Sehotsche, als we hem maar wat
meer onze aandacht schonken. Men onderscheidt in den
laatsten tijd drie slagen. Het eerste slag heeft den slanken
bouw en spitsen kop, de opstaande ooren met hangende spits,
den behaarden staart enz. van den Schotschen herdershond
en zou wel als een verwaarloosden Sehotsche beschouwd
kunnen worden.
Het tweede slag komt den grooten keeshond nabij, terwijl
het derde aan een grooten pinscher herinnert.
Alle drie slagen vereenigen in zich de bij de herders-
bonden zoo geroemde eigenschappen : waakzaamheid, leer-
zaamheid en verstand.
Op het platte land in Duitschland vindt men dik-
wijls herdershonden als heemhonden aan den ketting, als
hoedanig de boer ze boven alle andere honden de voor-
keur geeft.
Van de goede eigenschappen van den Duitschen herders-
hond slechts één voorbeeld :
Mijn oom bewoonde e.ene pachthoeve, waarbij veel weiland
was. Hij hield daarom gewoonlijk twee- h, driehonderd schapen,
die langen tijd door een herdersjongen werden gehoed.
Later echter had hij een grooten, langharigen herdershond,
die zoo goed was, dat hij de kudde alleen kon hoeden,
zoodat de herdersjongen afgeschaft kon worden. Tiras
deed \'s morgens, nadat hij zijn maal gebruikt had, zelf de
deur van de schaapskooi open, welke slechts door een houten
pin, die men in de deurpost stak, gesloten werd. Zooals
de hond zijne schapen kende, kenden deze ook hem. Samen
gingen zij \'s morgens naar de weide, die wel niet veraf lag
maar toch vrij uitgebreid was, en \'s avonds keerden zij samen
-ocr page 135-
11S
terug, waarna Tiras do kudde binnen liet, zijn tweede maal
gebruikte en in zijn bok ging liggen.
Zoo was bij ook nog gedurende den nacht een zekere
bewaker van bet erf, die nienigcn dief op de vlucht joeg,
totdat het arme, trouwe dier eindelijk door zulk een onver-
laat vergiftigd werd.
8. Be Islrkche herdershond.
Dit verstandige, uiterst waakzame en sterke dier wordt
in Istrië (Zuid-Oostenrijk) als bewaker der schaapskudden
gebruikt, die hij meesterlijk zoowel tegen dieven als tegen
wolven beschermt.
Men zegt wel, dat het een kruisingsproduct is van een
vrouwelijke wolf en een reu herdershond.
Dit ras moet alle goede eigenschappen van een waak- en
herdershond in zich vcreenigen evenals de Schotsche, ja,
dezen nog overtreffen in kracht en moed.
Tegenover iemand, dien hij kent, is hij net en welvoe-
gelijk; tegenover eiken vreemde wantrouwend, ja, onder
omstandigheden, als hij iets verdachts meent te be-
speuren, gevaarlijk, daar hij zoo iemand dadelijk tot
staan dwingt en hem, ingeval bij wil wegloopen, dadelijk
aanvalt.
Boos gemaakt en in zijn ambt als beschermer der kudde
is hij een ware leeuw. Ofschoon hij geen vriend is van
water, houdt hij zich toch zeer goed schoon en kan daarom
als kainer- of huishoud opgevoed worden.
Zijn habitus herinnert zeer aan den wolf, ook zijn sterk
gebit; in zijn optreden boezemt hij respect in; hoewel hij
zelden grooter is dan een wolf, is bij echter gedrongener
en sterker gebouwd.
-ocr page 136-
119
9. J)e Terriërs.
a.
De Bullterrier.
Deze is, zooals de naam reeds zegt, een kruisingsproduct
van een buldog en een Terriër, waaraan men vroeger in
Engeland (en ook nu nog) bijzondere opmerkzaamheid wijdde.
De vroeger gefokte wijken van de latere producten nog
al tamelijk af. Terwijl de eerste meer het plompe van den
buldog vertoonen, hebben de laatste meer fijnheid en sier-
lijkheid en staan alzoo dichter bij den Terriër.
In de minder goede eigenschappon staat de bullterrier nader
aan den buldog; hij is alleen bij eene zeer goede opvoeding
bruikbaar; zijn overgroote vechtlust maakt hem als reis-
makker zeer onaangenaam, ofschoon zijn levendige aard veel
beweging in de buitenlucht vcreischt. Een goede hond is
verstandig, vlug, moedig, trouw en waakzaam.
Kenmerken: Kop plat, tnsschen de ooren breed, wigvor-
mig; voorhoofdsknobbcls en neus moeten in eene rechte lijn
liggen. Tanden regelmatig en sterk, goed op elkander slui-
tend. Lippen fijn, niet hangend. Neus groot, zwart en vochtig
met open neusgaten. Oogcn klein, een weinig langwerpig,
zwart. Ooren gecoupeerd en dan natuurlijk rechtopstaand
en spits. Hals middellang, gewelfd, zonder wam, vast op de
schouders zittend. Voorpooten: geheel recht, de ellebogen
niet naar buiten gericht. De lange achterpooten zeer ge-
spierd, het spronggewricht zeer laag.
De goed gesloten voeten zijn tamelijk lang en de teenen
gewelfd.
Beharing: Kort en een weinig ruw.
Kleur: in den regel wit, doch er zijn ook zeer fraaie
vaalgele, met en zonder teekening.
-ocr page 137-
120
Algemeen voorkomen: symmetrisch, sterk,  behendig en
zeer levendig.
Punten:
Kop..........     15
Romp en borst.......    10
Pooten en voeten......      8
Staart..........      2
Kleur......... .     10
Algemeen voorkomen.....      5
Totaal . .    50
b. De zwart-bruine Terriër.
(Black-and-tan.)
Deze is tegenwoordig en reeds redert tal van jaren de
lieveling en modehond der dameswereld, wat niemand be-
hoeft te verwonderen, daar dit dier alle eigenschappen bezit,
welke bij dames in den smaak vallen, zelfs al zijn deze ook
geen buitengewone liefhebsters van honden. Steeds vroolijk
en opgewekt, waakzaam, uiterst zindelijk en verstandig, is hij
een aangename kameraad in huis en pp de wandeling, terwijl
hij ook als ratten- en muizenvanger bekend en geschat is.
Als kamerhond, en ik mag zeggen als verwende en ver-
troetelde dameshond, is het dier zeer gevoelig voor ruw
weer en koude, vooral wanneer hij van den beginne af aan
een dekkleedje of manteltje gewoon is. Aangezien hij wegens
zijne dunne beharing erg kleumsch is, geeft men hem niet
zelden een al te voldoend leger, n.1. het bed of iets der-
gelijks; men zorge echter bepaald, dat hij zijn leger niet
in de nabijheid van de kachel heeft en evenmin op eene
zonnige plaats, omdat deze soort (vooral de kleine) daardoor
steeds aan de oogen begint te lijden.
-ocr page 138-
121
Men heeft groote en kleine Black-and-tan Terriërs, die
echter overigens in alle opzichten met elkander overeen-
komen.
Kenmerken; Kop lang, plat, smal, wigvormig, zonder
zichtbare kaakbeenderen, beide kaken op elkander sluitend
en spits toeloopend, strakke lippen, zwarte neus, kleine,
langwerpige, fonkelende oogen.
Ooren: steeds met omgevouweu spits en daarom gewoon*
lijk gecoupeerd, zoodat het dier kleine spitse oortjes krijgt,
die zijne bevalligheid werkelijk verhoogen. Slecht gecoupeerde
ooren worden dikwijls met gom bestreken om ze zoo rechtop
staande te houden, waarom het aan te raden is, indien men
zoo\'n hond koopt, de ooren eerst me* warm zeepwater flink
af te wasschen.
De hals is slank doch loopt naar de schuin geplaatste
schouders toe breed uit, zonder wammen. Borst smal doch
diep (eene breede borst is foutief). Romp middellang, sterk
in de lendenstreek en met goed geronde ribben.
Pooten: tamelijk hoog, recht en goed onder den romp
geplaatst.
Voeten: met lange, goed gewelfde teenen met zwarte
nagels (witte zijn foutief).
Staart: lang, dun en horizontaal, doch met naar boven
gebogen einde gedragen.
Kleur: gitzwart met roestroode extremiteiten. Beide kleu-
ren mogen niet ineenloopcn doch moeten scherp begrensd
zijn. Het rood mag niet naar het gele zweemen.
Beharing: zeer fijn en kort, bij de teven op sommige
plaatsen te kort, zoodat de huid zichtbaar wordt. Be kleine
Terriërs verliezen helaas, dikwijls hier en daar hun haar,
zoodat ze dikwijls half kaal zijn. (Inwrijven met Peru-bal-
sem is aan te bevelen).
-ocr page 139-
122
Gewicht: Do kleine mogen niet meer clan 3 en de groote
niet meer dan 10 kilogram wegen.
Algemeen voorkomen: Ze maken den indruk van groote
behendigheid, gepaard met levendigheid en moed.
Punten:
Kop met al zijne doelen ...     10
Boenen .........       5
Voeten.........      5
Homp.........       5
Kleur en teekening.....     15
Algemeen voorkomen.....    10
• Totaal . .   "5Ö~
c. De Fox-Terrier
of voshond is eerst sedert ongeveer 20 jaar bij ons inge-
burgord on is zeer gewild geworden, daar hij elegant, le-
vendig, verstandig en waakzaam en een onvermoeid verdelger
van allerlei roofgedierte is, (vossen, marters, wezels, ratten,
muizen, enz.). Juist daarom is hij tegenwoordig werkelijk
een jachthond.
Evenals bij zoo vele hondenrassen van den tegenwoordigen
tijd, ligt ook de afkomst van den Fox-terrier nog in het
duister.
Kenmerken: Kop niet te breed, vlak, met kleine huid-
plooien. Snuit tamelijk lang, als van den Black-and-tan
Terriër, goed gespierd; lippen goed gesloten; neus zwart.
Oogen klein, noch te diep, noch te ver van elkander staand,
met donkeren ring. Tanden groot en op elkaar sluitend.
Ooron halfstaand, de bovenste helft naar voren overhangend,
in den vorm van een V. Hals tamelijk lang en gespierd,
-ocr page 140-
12:3
vooral de nek. Schouders schuin en tamelijk lang. Borst
diep, tamelijk smal (eerder smal dan breed).
Rug: Kort, recht en sterk, breede hoekige en licht ge-
bogen lendenen.
Achterpooten : zeer sterk en gespierd, voetgewricht dicht
aan den grond. Voorpooten: volkomen recht en gespierd.
Kattepooten, geen wol fsk la uw en.
Staart: hoog aangezet en hoog gedragen, goed behaard.
Beharing: glad, kort, dicht en hard (kortharige); bij
de stek el harige hoe harder hoe beter.
Kleur: bijna geheel wit met enkele zwarte en gele vlek-
ken. Een driekleurige kopteekening is gewenscht.
Algemeen voorkomen: Noch te boog, noch te laag op
de pooten, stevig beenderengestel, vlug en volhardend.
Gewicht niet boven 8 kilogram.
Punten:
Kop en ooren.......     10
Schouders........      5
Eomp..........     10
Pooten en voeten......    10
Haar..........      5
Grootte en gewicht.....       5
Algemeen voorkomen.....      5
Totaal . .   "50"
Aanmerking: Onder den naam van „voshond" bestond
(vooral in Engeland) nog eenc speelsoort, een kortpootige
patrijshond, overeenkomend met onze brak, die zeker ook
niets anders is. Deze honden werden niet alleen op de vos-
sen- doch ook op de hazenjacht gebruikt.
Tot de Terriërs worden nog gerekend de volgende soorten,
-ocr page 141-
124
die echter nog weinig verspreid en daarom voor onze
lezers vau-minder belang zijn: de witte, Eugelsche Terriër,
de Iersche f., de Schotsche T., de Skye T., de Airedale
T., de Bedlington T., de Dandin Dinmont en
d. De Y o r k s h i r e-T e r r i e r.
ook Ilalifax-Terrier genaamd. Deze heeft in zijn uitwendig
voorkomen veel van onzen „zijdepinscher" of „Maltezer",
waaraan hij zeker bloedverwant is, ofschoon men van de
afkomst niet zeker is. Dit wérkelijk lieve diertje, dat echter
een buitengewoon zorgvuldige verpleging vereischt, is slechts
de lieveling van zeer rijke dames, welke voor die bijzondere
verpleging de noodige gedienstige geesten hebben. Als be-
geleider op de wandeling speelt hij een zeer geringe rol,
daar zijn over den grond slepend baar altijd vuil wordt,
zelfs bij droog weder. Zijne invoering is dan ook eerder
af- dan toegenomen.
Kenmerken : kop lang en tot aan den neus spits toeloo-
pende (geheel onder \'t haar verborgen). Neus en oogen
klein, donker; de laatste wegens het lange baar zelden
ziclitbaar, levendig, geen hanglippen. Snuitje uiterst teer
en fijn. De ooren half staande, doch meestal gesneden.
Romp: gedrongen kort, met naar verhouding brccdc borst,
gebeel met lang, zijdeachtig haar belekt.
Pootcn : recht, goed onder \'t licbaam geplaatst, door het
lange haar nauwelijks zichtbaar. Staart afgekapt en recht
gedragen.
Beharing : zacht als zijde, niet wollig, aan beide zijden
tot op den grond hangend, zoodat over den geheelen rug
en den kop eene scheiding loopt.
Kleur: op \'t gezicht prachtig goudgeel haar of met gouden
-ocr page 142-
125
weerschijn, naar de ooren toe donkerder. Rug en zijden
zilverblauwgrijs, de pooten evenals \'t gezicht.
Algemeen voorkomen: uiterst sierlijk en potsierlijk.
Punten :
Kop..........      3
Ooren en oogen......      2
Romp.........      7
Beenen en voeten ......      3
Beharing........     15
Kleur en algemeen voorkomen .    20
Totaal . .     50
10. De Duitsche pinseher.
a.
De glad harig e.
Op welke wijze, door welke kruisingen deze pinschers
ontstaan zijn, valt niet te bepalen, al kan men niet ontken-
nen, dat zij bloed van den dashond en van het Italiaansche
wiudhondje in hunne aderen hebben. Doch tot welk bloed
hij ook behoort, de Duitsche pinseher is nu een ras ge-
worden, en is even algemeen gewild als zijn Engelsche
broeder, die hein evenwel in sierlijkheid en fijnheid over-
treft, doch wat constitutie en geaardheid aangaat bij den
Duitscher ten achter staat. Overigens komen zij in hunne
eigenschappen overeen.
Kenmerken: Bovenkop tamelijk breed, gewelfd, niet te
lang; snuit korter dan bij den Engelschen pinseher en niet
zoo spits; ooren hoog aangezet, het bovenste, derde deel
hangend en daarom gecoupeerd.
Oogen : middelgroot, rond, met eene levendige en ver-
standige uitdrukking.
-ocr page 143-
126
De boven- en onderkaak passen nauwkeurig op elkander;
lippen nooit hangend.
Hals: middellang, slank en naar boven dunner toeloopeud;
nek goed gewelfd.
Homp : diep, aan de zijden een weinig samengedrukt;
rug sterk en in de lendenen goed gewelfd.
De borst mag niet te breed en de buik moet naar ach-
teren een weinig opgetrokken zijn.
Staart: boog aangezet en steeds omboog gedragen, zonder
krul, gecoupeerd.
Pooten : fijn van beenderengestel doch gespierd, recht van
alle kanten. Voeten klein met gewelfde teenen.
Beharing : glad, kort en dicht.
Kleur : glimmend zwarte met roestbruine pooten vallen
\'t meest in den smaak; overigens als bij de Engelsche.
Algemeen voorkomen: Beslist, vroolijk en driest; kopen
staart stomp, altijd hoog gedragen en de ooren steeds tot
luisteren gespitst.
b. De glad harige Dwergpinscher.
Deze komt in alles met den vorigen overeen, doch mag
niet hooger zijn dan 27 a 30 cM. en niet meer dan 3,5
kilogram zwaar zijn.
Aanmerking : Beiden zijn ook onder den naam van Duit-
sche reepinschers bekend.
o. De ruwharige Duitsche p i n s c h e r (Smous),
in \'t Duitsch ook „Rattler" (rattenvanger) geheeten, is insge-
lijks een orgineele hond en komt onder den naam van
rattenvanger in alle mogelijke vormen en kleuren voor.
-ocr page 144-
127
\'t Spreekt van zelf, dat al die mismaakte ratten verdelgers
hier niet opgeteld kunnen worden, waarom we alleen den
echten Duitschen zullen beschouwen.
Kenmerken : Kop niet meer dan middelgroot en weinig
gestrekt, scherpe neushoek, sterke snuit die schuin afge-
stompt is ; ooren hoog aangezet, staand doch de bovendste
helft hangend, waarom ze gesneden worden.
Het ronde oog verraadt verstand en vastberadenheid,
\'t Gebit is sterk, goed ontwikkelde hoektanden, goed slui-
tende kaken; dat een van beiden voor den ander uitsteekt
is eene fout.
Hals : middellang inet gewelfden nek.
Romp : de borst eer smal dan breed, op de ribben een
weinig samen gedrukt; buik een weinig opgetrokken.
Rug: matig gewelfd; schouders een weinig schuin en
weinig gespierd.
Staart: steeds gecoupeerd, de stomp moet zuiver recht
en hoog gedragen worden.
Pooten : de voorpooten over alle kanten recht; de achter-
pooten een weinig schuin in \'t benedenbeen ; kleine, ronde
voeten met gewelfde teenen.
Beharing: hard, stekelharig, dicht en vol en niet lang;
stekelige wenkbrauwen en korten snorbaard, waardoor het
gezicht een bijzonder aap-achtig voorkomen verkrijgt.
Ooren met kort en zacht haar bezet, aan den staart
slechts weinig borstelig haar. Pooten aan den achterkant
ruw, voeten kort maar dicht behaard.
Kleur: roestgeel, lichtgeel, grijsgeel, zwart, zilvergrijs
enz.; bij éénkleurig lichte is het gezicht in den regel
donker.
De neus moet steeds zwart zijn, de oogen en nagels donker.
Algemeen voorkomen: licht doch gespierd van bouw, een
-ocr page 145-
128
weinig gestrekt, nieuwsgierig van houding, steeds opmerk-
zaam, levendig, waakzaam en moedig; hangt zijn lieer zeer
aan en volgt diens paard of rijtuig, zeer bekwaam ratten-
en muizenvangcr en daarom overal als stalhond in aanzien.
d. De ruwharge dw ergpinscher,
ook „Afl\'enpinscher\'\' (aapliondje) genoemd, is sleehts een
miniatuurvorm van den vorigen en komt daarmede in alles
overeen; misschien is hij nog wat opgewekter en levendi-
ger. Om zijne vriendelijkheid, kleine, sierlijke gestalte en
voortreffelijke eigenschappen is hij als kamerhondje zeer
gezocht en hoog in prijs.
11. JJe Dalmatische hond.
Wat de gestalte aangaat, herinnert deze hond aan den
Duitschen dog, alsook aan den Pointer, doch hij is lichter
en slanker van houw. Niettegenstaande zijn werkelijk voor-
naam uiterlijk staat hij niet zeer in de gunst, omdat
hij zich niet door bijzonder innemende eigenschappen
kenmerkt.
Van zijne verstandelijke begaafdheid, waakzaamheid enz.
is nog niet veel bekend geworden. Zijn fraai voorkomen
heeft hein nu en dan eene plaats in een circus bezorgd,
doch ook daar schitterde hij nooit door buitengewone kunst-
vaardigheid Toch geloof ik, dat hij, als men zich maar meer
en gepast met hem bezig houdt, evengoed als andere honden
ontwikkeld kan worden.
Kenmerken : Kop breed en plat met stompen snuit en
zwarten neus; tamelijk fijne, V-vormige ooren, welke goed
tegen den kop gedragen worden.
-ocr page 146-
129
Oogen klein eu donker, hals licht gebouwd en gewelfd,
sterke schouders, borst breed en diep.
Komp: elegant en tevens sterk, flinke lendenen en fraai
geronde ribben.
Voor- en achterpooten gespierd, bcenig; de eerste zifiver
recht, de laatste met laag spronggewricht; voeten rond met
lange, gewelfde teenen.
Staart: spits uitloopend als bij den Pointer, fraai
gevlekt.
Kleur: wit met tallooze, zwarte kleine vlekjes, die regel-
matig over alle deelen van het lichaam verbreid zijn; de
vlekjes mogen niet in elkander loopen en de grootte van
een tienstuivcrstuk hebben.
Beharing: zeer fijn, dicht en kort.
Algemeen* voorkomen: een gespierd, krachtig gebouwde
hond, die in \'t loopen schaars overtroffen wordt, waarom
hij dan ook veelal gehouden wordt om het rijtuig te ver-
gezellen.
Punten:
Kop, ooren en oogen.
Hals, borst en romp .
Pooten en staart .
Kleur, teekening, haar
5
5
5
25
10
Algemeen voorkomen .
Totaal . . 50
12. Be Maltezer,
ook, doch ten onrechte „zijdepoedel" genoemd, heet van
het eiland Malta afkomstig te zijn, waarvoor we echter
niet durven instaan, ofschoon hij tamelijk identiek is met
Canis melitaeus op het eiland Malta.
Pe Hondenrriend.                                                                                   0
-ocr page 147-
-ocr page 148-
180
Ook zou deze de stamvader zijn van den kleinen „Spa-
niel"; liij heeft bovendien bij kruisingen veelvuldig diens!
gedaan en ons aardige bonden geleverd, die tegenwoordig
tot de rasbonden gerekend worden.
JR lierinner bier o. a. aan verscbillende Terriërs, als
Skye Terriër, Yorksbire Terriër enz.
Wegens zijne bevalligheid en sierlijkheid, die vooral bij
een goed gewasseben, witten bond in \'t oog vallen, heeft
hij zich reeds voor lang eene plaats in de dameswereld
verworven en die tot heden ook tamelijk goed behouden;
bier en daar echter is hij misschien door den gladharigen,
meer levendigen Toy Terriër of den Dwergpinscher ver-
drongen.
Door bijzondere eigenschappen munt hij niet uit, want
verstand verraadt hij juist niet, is niet bijzonder waakzaam,
een groot vriend van slapen, knorrig, doch zijn meester
wel genegen.
Kenmerken: breede, goed gevormde hersenpan, geheel
met zijdeachtig haar bedekt, als bij den Yorksbire Terriër.
Snuit: loopt spits toe; neus zwart; oogen rond, vol
en zwart.
Ooren : hoog aangezet, half hangend en geheel behaard.
Homp : diep, rechte rug en goede ribben ; de korte pooten
staan goed onder \'t lichaam.
Staart: over den rug gebogen, goed behaard.
Kleur: zuiver wit of geel, zwart enz. Geheel zwarte zijn
zeldzaam en niet raszuiver.
Beharing: zeer lang; \'t haar hangt tot op den grond,
is zacht als zijde, doch niet kroes.
Gewicht: niet meer dan 3 kilogram.
Algemeen voorkomen : miniatuurbond, gezet, meer voor
de kamer dan voor de wandeling geschikt.
-ocr page 149-
181
Punten:
Kop, suuit, neus......      5
Oogen.........      3
Ooren .              ......       7
Romp en pooten......      5
Staart.........      5
Haar..........     10
Kleur.........    10
Algem. voorkomen.....      5
Totaal . .    50.
13. De Poedel.
Wij noemen den poedel een oorspronkelijk ras, dat reeds
sedert de vroegste tijden bekend was en wel alleen als
„koordenpoeder". De nieuwere afwijkingen heeft men wol-
of scbaapspoedels en de kleinere zijdepoedels (eene kruising
van poedel en Maltezer) genoemd. Wanneer men een koor-
denpoedel van jongs af goed verzorgt, dikwijls scheert en
flink kamt, dan verkrijgt men een wol-poedel, die ook zulke
nakomelingen voortbrengt, zooals ik mij door mijn eigen
fokkerij overtuigd heb. Ook door kruising van een ouden
Duitschen herdershond met een koordenpoedel verkrijgt men
langzamerhand zoogenaamde wol- of scbaapspoedels, zoo ge-
heeten, omdat de beharing volkomen met die van het schaap
overeenkomt.
Wat verstand en begaafdheid aangaat, staan beide, de
koorden- en de wolpoedèl op denzelfden trap ; ook in grootte
komen zij overeen.
De poedel bekleedt om al zijne door ons gewaar-
deerde eigenschappen onder al zijne kameraden de eerste
plaats.
. "-
-ocr page 150-
132
Hij is bedaard, verstandig, zeer leerzaam, houdt bijzonder
veel van liet bijzijn van incnschen en moet daarom nooit
aan den ketting gelegd worden, waardoor hij zou versuften
en treurig worden. Ook als waterhond komt hij zelfs den
Newfoundlander zeer nabij. Ik heb poedels gehad, die in
het water meer vermoehten dan de beste Newfoundlander.
(Zie de inleiding).
Als langharige hond verdient de poedel voor alles eene
zorgvuldige verpleging van het haar, vooral de witte. Een
slecht verzorgde witte poedel is een waar monster, terwijl
de goed verpleegde een pronkjuweel is, dat betooverend
op ons werkt, vooral wanneer hij aan kop en pooten
naar behooren met roodzijden lintjes en kwastjes is
versierd.
In den zomer wordt hij geheel of half geschoren
met uitzondering van den kop, de gewrichten en den
staart.
Kenmerken: kop hoog gewelfd; snuit kort, afgestompt.
Oogen tamelijk rond, middelgroot en meest donker, vol
uitdrukking. Ooren goed sluitend, zeer lang en vlak af-
hangend; van het eene uiteinde tot het andere, over den
kop gemeten, 50 cM.
Bomp: middellang met diepe borst.
Pooten: tamelijk hoog en sterk.
Voeten : vol en sterk met gewelfde teenen.
Beharing: dicht, koorden of wol.
Kleur: wit, zwart, bruin en gevlekt.
Staart: tamelijk lang, een weing gebogen, overigensrecht-
uit gedragen; het liefst ziet men ze gecoupeerd.
Algemeen voorkomen: verstandige hond met levendig
temperament, voorname, zelfbewuste houding, vlug en be-
hendig te water en te land.
-ocr page 151-
133
Punten:
Kop..........5
Ooren en oogeu......5
Hals en romp.......5
Pooten.........5
Beharing. •.......    15
Kleur.........    10
Algemeen voorkomen.....5
Totaal . .    50.
Aanmerking: Elke poedel laat zich africhten tot het zoeken
vain champignons of truffels (eetbare paddestoelen) en wordt
dan wel truffelhond of truffelzoeker genoemd.
14. Be Windhond.
De windhond is sedert de oudste tijden reeds als jacht-
hond bekend en ook als zoodanig behandeld en verpleegd.
Door oordeelkundige kruisingen en verbeteringen heeft men
dit hondenras op eene prijzenswaardige hoogte gebracht,
waardoor we ons tegenwoordig in \'t bezit van prachtvolle,
kostbare dieren kunnen verheugen.
In vroegere tijden werd hij gebruikt op de hertenjacht,
ter vervolging van dieven, landloopers enz., terwijl hij te-
genwoordig alleen voor de jacht of als luxe-hond gehouden
wordt.
Men heeft drie verschillende soorten van windhonden:
de Engelsche of gladharige, de Perzische (ook Russische
„Barzois") of langharige, en de Italiaansche (dwergwindhond).
Zij maken wel den indruk, dat zij snel en aanhoudend
kunnen loopen, doch zij zien er niet naar uit, dat zij veel
verstandelijke begaafdheid bezitten; ook bezitteii zij niet de
-ocr page 152-
134
eigenschap zeer waakzaam te zijn, vooral de langharige
niet. Mijne Russische windhonden bekommerden zich in
\'t minst niet om mijn eigendom en zouden, geloof ik, geen
bek opengedaan hebben, al hadden dieven ook al mijn have
en goed medegenomen. Ook valt het hun niet in hun
meester te verdedigen.
Zij zijn alleen jagers, bloeddorstige vervolgers.
Kenmerken: Kop zeer lang (varkenskop), tusschen de
ooren breed, kaken zeer sterk, waardoor zij zulke felle bij-
ters zijn. De oogen zijn donker en vurig, verraden wel
eenigszins onvertrouwbaarheid of kwaadaardigheid; overigens
hebben zij geene bijzondere uitdrukking.
Ooren: klein, fijn en staande, alleen de spits overhau-
gend. Hals lang en gespierd; de zeer gespierde schouders
staan schuin en zijn zeer beweeglijk, wat de snelheid in
het loopeu zeer bevorderlijk is.
Borst: diep en naar verhouding breed.
Rug: gebogen en hoekig met sterk uitkomende spiereu,
sterke heupen.
Voorpooten: recht, boog, sterk van beendereugestel en
even gespierd als de goedgebogen achterpooten; de teenen
goed gebogen en harde (door het vele loopen steeds harder
wordende) voetzoelen. Om de voeten der windhonden te
beschermen en op den duur beter bruikbaar te houden,
trekt men de dieren wel ceue soort van schoenen of kousen
aan met een zool van kalfs- of schapenleer, welke men bo-
ven den voet vastbindt.
Staart: dun, zeer lang en aan het einde gebogen, sierlijk
behaard.
Kleur: zwart, rood, wit, rcckleurig, blauw, vaalgrijs,
éénklcurig of met witte teckening.
Beharing: bij de Engelsche windhonden glad en fijn; bij
-ocr page 153-
135
de Perzische en Russische meer lang, vooral aan beenen,
hals, ooien, borst, buik en staart.
Punten:
Kop..........      5
Ooren, oogen en kaken ....      5
Hals..........       5
Borst (breedte en diepte) ...      5
Homp........,    10
Beenen en teenen......    10
Algemeen voorkomen.....    10
Totaal . .     50.
15. De Bloedhond.
Deze hond was in vroegere tijden, vooral ten tijde van
het vuistrecht, in groot aanzien; in den nieuweren tijd schen-
ken de Engelschen hem weder hunne opmerkzaamheid. Zijne
buitengewone begaafdheid in het spoorzoeken, zijn moed,
kracht en onvermoeibaarheid, waardoor hij bij de vervolging
van herten, dieven, moordenaars, enz. groote diensten kan
bewijzen, brengen hein mede hoog in eere.
Kenmerken: Kop smal en hoog gewolfd met sterk ont-
wikkeld achterhoofdsbeen. Snuit dik en lang met zeer lange
hanglippen. Ooren breed, hangend en zoo lang, dat ze
over den neus getrokken kunnen worden. Oogen diep-
liggend, bruin, met duidelijk zichtbare traanhoeken. Zijn
blik is edel, ernstig en verstandig; de zwarte neus breed
met groote neusgaten. Hals tamelijk lang met groote wam;
schouders sterk.
Romp: sterk in alle deelcn, vooral breed in de borst,
en de lendenstreek goed ontwikkeld. De pooten zijn zeer
gespierd en beenderig; de voorpooten recht.
-ocr page 154-
136
Voeten massief. De grove staart is tamelijk lang en wordt
omboog gedragen.
Kleur: donkertaankleurig met bijna zwarten zadel.
Beharing : kort en dicht.
Algemeen voorkomen: het dier mag er niet grimmig en
wild uitzien, maar krachtig en verstandig en moet meer
volharding dan vlugheid verraden.
Punten :
Kop..........
Ooren en oogen......
Lippen en wam......
Romp en borst......
Pooten en voeten......
Kleur.........
Haar..........
Algemeen voorkomen.....
10
5
5
5
10
5
5
5
50^
Totaal . .
16. liet Schipperke.
Deze hond, die zijn naam ongetwijfeld dankt aan de om-
standigheid, dat hij veel door schippers wordt gehouden,
wordt vooral in België zeer veel aangetroffen en om zijne
waakzaamheid en trouw zeer geprezen.
Ofschoon hij langen tijd slechts als een bijlooper onder
de hondenrassen werd beschouwd, is men aan het schip-
perke, dat zich ook de gunst van H. M. de Koningin
van België wist te verwerven, toch langzamerhand meer en
meer aandacht gaan schenken; De Engelschen fokken het
met zorg en gunnen den „Belgischen hond" ook eenc af-
zonderlijke plaats op de tentoonstellingen. Evenwel denken
-ocr page 155-
Q
H
o
n
OQ
<
Q
-ocr page 156-
137
de Engelschen eu de „Schipperkes-Club" te Brussel niet gelijk
over de kleur. Deze laatste toch beweert, dat het echte
schipperke zwart moet zijn, terwijl de Engelschen ook de
chocolade-kleurige als echt erkennen.
Het schipperke is een uitmuntende, trouwe wachter en
buitengewoon vlug en levendig, zoodat hij alles opmerkt,
wat er rondom hem geschiedt; tegenover kinderen toont
hij zich buitengewoon goedhartig.
Het eigenaardige van dezen hond is, dat de staart ge-
heel ontbreekt.
Kenmerken: Kop, veel op dien van een vos gelijkend,
tamelijk breed tusschen de ooren, naar de oogen smaller
wordend en van ter zijde rond schijnend. De snuit is pun-
tig en niet te lang; de neus klein. De tanden moeten
zuiver wit, sterk en spits zijn en goed op elkander sluiten.
Oogen: donkerbruin, klein, meer ovaal dan rond, noch diep-
liggend noch uitpuilend, met levendige, vurige uitdrukking.
Ooren: klein, driehoekig, hoog aangezet en rechtop staand
met de punten een weinig naar elkander toe; zeer bewe-
gelijk doch zoo stijf, dat zij in eene meer liggende houding
niet plooien.
Hals: sterk en recht gedragen.
Schouders en borst: de schouders staan zeer schuin en
zijn zeer bewegelijk; de borst is vrij breed.
Romp: kort en gedrongen met volkomen rechten rug;
de lendenen sterk en gespierd, de buik goed opgetrokken.
Staart: ontbreekt.
Voorpooten: volkomen recht en goed onder het lichaam
geplaatst, fijn van beenderen, met kleine, ronde voeten; de
nagels zijn recht, sterk en kort.
Achterpooten : goed ontwikkelde, lange en gespierde dijen
en kort onderbeen.
-ocr page 157-
138
Beharing: kort en hard op liet gevoel; aan kop, ooren,
voorkant der pooten en van den voetwortel zeer kort; aan
den romp iets langer en aan den hals nog iets meer, en
wel van achter de ooren, waar liet haar een soort van korte
maan tot aan de borst, waar het een soort jabot vormt,
die zich tusschcn de voorpooten door uitbreidt; ook is de
achterkant der achterpooten bevcderd.
Kleur: bij voorkeur gitzwart, zonder eenig vlekje.
Gewicht: van 4 tot 9 kilogram.
Als fouten worden aangemerkt: licht gekleurde oogen,
half opgerichte, te lange of te veel afgeronde ooren, te
lange of te korte kop, golvend haar en het ontbreken dei-
lange haren aan nek, borst en achterpooten.
17. De Deerhond.
(Een ruigharige wiudhond, in Duitschland „Hirschhund" =
hertenhond geheeten).
Op het eerste gezicht ziet men, dat dit dier een wind-
hond is, die om zijne bestemming (jagen) op ruw haar
gekweekt wordt. Zonder twijfel is het een nakomeling van
den vroegeren lerschen wolfshond, terwijl hij een in \'t oog
loopende overeenkomst heeft met den hedendaagschen Rus-
sischen wolfshond (windhond). Ik ontving in 1874 uit
Moskou van zekeren heer Knorr drie van deze honden
(2 reuen en één teef), welke den „Deerhond" in alles gelijk
waren, uitgezonderd het haar, dat niet zoo ruw was.
Kenmerken: Naar den kop een windhond, doch wat
grover en massiver van snuit en beenderen; hals sterker
en schoft hoogcr. Hoogte tot 75 cM. Haar ruw; kleur geel
of wit, staalgrauw of licht isabellekleurig. Bij alle kleuren
moeten de snuit en de spitsen der ooren zwart zijn.
-ocr page 158-
139
Algemeen voorkomen : krachtig, getrouwheid en volhar-
ding verradend.
Punten :
Schedel.........     10
Hals..........       5
Romp.........     10
Pooten en teenen......     10
Haar..........    10
Algem. voorkomen.....      5
Totaal . .     50.
Aanmerking. Tot deze rubriek van honden behoort ook
nog eene andere in Engeland voorkomende speelsoort, „Stag-
hound" genaamd; deze is echter van minder beteekenis,
waarom we dien verder maar stilzwijgend voorbijgaan.
EIGENLIJKE JACHTHONDEN.
18. De Engehche Pointer.
Onder alle honden kan er zeker geen ras op zoo groote
volmaaktheid roemen als deze jachthond. Had men vroeger
meer bepaald zijne eigenschappen als jachthond op het oog,
tegenwoordig besteedt men evenveel zorg aan zijn uiterlijk
voorkomen, zoodat er tegenwoordig eene opvallende gelijk-
vormigheid in dit ras is op te merken.
De Pointer is ongetwijfeld van Spaanschen oorsprong en
verbeterd door kruising inet den Fox-terrier; vandaar zijn
bewonderenswaardige volharding en vuur.
De Pointer is een zeer levendige, vurige hond, die buiten-
gewoon goed zoekt inet neus en staart omhoog (\'t eerste
vooral), een fameuze looper en steeds jachtlustig. Zijne ge-
-ocr page 159-
140
breken zijn, als een gevolg van zijn groote levendigheid
en jachtlust, nijd en de zucht om na te springen, wat hem
echter door eene bekwame hand spoedig afgeleerd kan wor-
den. Een ferme Pointer wordt zeer hoog gewaardeerd en
men betaalt er hooge prijzen voor.
Vele Pointers hebben een gespleten of zoogenaamd dub-
belen neus; men zegt wel, dat dezulke beter ruiken, maar
daarvoor ontbreken de bewijzen. Wij hechten daaraan niet
en vinden bovendien, dat zulk een neus leelijk staat.
Kenmerken : Kop breed tusschen de ooren. De lijn van
het achterhoofdsbeen tot den neus is niet recht, maar ver-
toont voor de oogen een zeer duidelijke breking; hetachter-
hoofdsbeen is sterk ontwikkeld; de snuit is breed, stomp
en toch laug ; stevige kaken met regelmatige tanden; breede
neus, niet zwart maar leder- of vleeschkleurig; goede hang-
lippen.
Oogen : middelgroot (geen zwijnsoogen), welker kleur van
de kleur van het haar afhangt.
Ooren : flink lang, recht tot aan den hals naar beneden
hangend, fijn, laag aangezet.
Hals : fraai gebogen, zonder eenig spoor van een wam.
Schouders: recht aangezet, matig afhangend.
Borst: niet te breed maar zeer diep.
Romp: goed geribd, niet te kort, sterk.
Voorpooten sterk gespierd en beenig; achterpooten met
zware dijen en zeer sterk spronggewricht, een weinig dicht
bij elkander staand j ronde, sterke pooteu (kattepooten).
Staart: aan den wortel dik, kort, niet te laag aangezet, recht.
Beharing: zacht doch aan vocht weerstand biedend.
Kleur: \'t liefst wit met bruine of zwarte vlekken.
Algem. voorkomen: kracht met fijnheid vercenigd, levendig
temperament met een verstandige uitdrukking op het gelaat.
-ocr page 160-
141
Punten:
Schedel.........      5
Neus, ooren, oogen.....       5
Schouders, hals......      5
Borst (breedte en diepte) ...      5
Romp..........      5
Pooten en voeten......      5
Haar..........      5
Staart .........       5
Algemeen voorkomen.....    10
Totaal . .    5U.
Men spreekt van Spaansche, Engelsche en Duitsche Poin-
ters. De Duitsche is veel plomper van uiterlijk en heeft
een wam. Wij beschouwen den Spaanschen Pointer als het
oorspronkelijke type, den Engelschen als eene verbeterde soort
en den Duitschen als een nog betere soort, waarom men
er in den laatsten tijd ook van houdt den Engelschen
Pointer met den Duitschen te kruisen.
19. Be Duitsche staande hond,
ook patrijshond genoemd, komt den hiervoor genoemden Poin-
ter zoo nabij, dat er nauwelijks verschil tusschen beide is
waar te nemen. Aan welke kruising hij zijn bestaan te
danken heeft, zullen we hier niet trachten te onderzoeken.
Men onderscheidt:
a. Den gladharigen (kortharig).
Kenmerken: Kop niet te zwaar, middelgroot, met bree-
den, zacht gewclfden schedel en nauwelijks merkbaar ach-
terhoofdsbeen; de rug van den neus overal even breed;
-ocr page 161-
142
geene scherpe scheiding tusschen voorhoofd en neus; snuit
breed en afgestompt. Lippen sterk hangend met zeer ge-
plooide mondhoeken. Het oog middelgroot, meer ovaal dan
rond, noch uitpuilend noch diep liggend, helder, hazelnoot-
bruin, bij donkere honden lichter.
Hals: middellang, sterk en langzaam tot de breedte der borst
uitloopend, met losse kcelhuid en op zijn hoogst een kleine wam.
Rug: breed met ecne lichte welving in de lendenstreek.
Borst breed; buik achter matig opgetrokken.
Staart: middellang, recht of met een zwakke bocht, aan
den wortel dik, verder spits uitloopend en aan de bene-
denzij de behaard.
Pooten: voorpooten inet schuine schouders, goed gespierd,
recht en sterk, brecde voetwortel; achterpooten met ge-
spierde dijen, goed behaarde onderschenkels, rechte voet-
wortels; van achteren gezien moeten de achterpooten recht
en noch naar binnen noch naar buiten gedraaid zijn.
Voet: dicht gesloten, rond en gewelfd met groote, stevige
ballen en zeer kromme nagels.
Beharing: zeer dicht en hard, aan den onderkant van
den buik en staart grover, aan de ooren fijner.
Kleur: De grondkleur is meestal wit met bruine of zwarte
plekken en stippels, geheel bruin, zelden geheel zwart.
Algemeen voorkomen: goed middelgroot en daarboven.
Een weinig gerekte, krachtige bouw; kop en staart bij het
zoeken meestal horizontaal gedragen, overigens schuin, ver-
raadt verstand en ernst bij zijn werk.
b. De langharige,
ook Oud-Duitsche hond genaamd, schijnt over \'t geheel wat
plouaper, d. i. sterker en meer volkomen dan de kortharige.
-ocr page 162-
143
Kop: langgerekt zonder lomp te zijn, breede schedel met
lichte welving, meer ontwikkeld achterboofdsboen; overigens
als bij den kortbarige, de snuit echter nog wat stomper.
Ooren : breed, middellang, stom]) afgerond, dicht aan den
kop liggend.
Oogen : helder, niet uitpuilend of\' diepliggend.
Hals: weinig langer maar krachtiger dan bij den vorige.
Eug : kort, met lichte welving in de lendenstreck.
Borst en buik : smaller dan bij den vorige, het voorste
gedeelte van de buik wat dieper en aan de zijden een weinig
sainengedrukt.
Staart: dik aan den wortel, naar het einde dun uitloo-
pend, de laatste helft in een scheeven hoek naar boven ge-
dragen, de onderkant goed van baar voorzien.
Pooten : voorpooten met schuine schouders, vlakker en
losser van spiergestel dan de vorige, recht en sterk en even-
eens met breeden voetwortel; acliterpootcn met niet minder
sterke dijen, onderschcnkel met een tamelijken hoek in \'t
spronggewricht, bijna reebte voetwortel. Voet iets langer
dan bij den gladharige, gesloten, tamelijk gewelfde teenen
en goed gekromde nagels, groote, stevige ballen.
Beharing: glimmend, zacht als zijde, lang, golvend, maar
niet kroes; de ooren rijkelijk met haar omzoomd, zoodat
ze langer schijnen dan ze in werkelijkheid zijn. Keel, hals,
borst en buik met tamelijk ruige gegolfde franje, alsook de
achterkant der pooten en de onderkant van den staart;
tusschen de teenen ook behaard.
Kleur: in den regel donkerbruin of wit met bruine vlek-
ken of stippels, niet zoo dikwijls geheel zwart of wit met
zwarte vlekken.
Algemeen voorkomen: grootte ongeveer 60 il 70 cM.
(rughoogte), gerekt maar stevig van bouw, de rug een
-ocr page 163-
144
weinig plat lijkend. Verstandige gelaatsuitdrukking, vroolijk
en goedig van aard, buitengewoon leerzaam. (Zie de inleiding).
c. De stekelhar i ge,
vroeger onder alle mogelijke benamingen als : Poolsche,
Russische, IJslandsche, Priesche enz. bekend, is eigenlijk
slechts eene variëteit van den kortharigen, van welken hij
zich eigenlijk alleen maar door het haar onderscheidt, dat
een weinig langer, dichter en ruwer is. Terwijl kop, voor-
hoofd en ooren korter behaard zijn, heeft de snuit een
tamelijken baard, terwijl boven .de oogen stekelige wenk-
brauwen staan.
d. De Pointer»poedel,
eene kruising van een koordenpoedel en een Pointer, ook
Russische Setter genaamd, is in den laatsten tijd zeer ge-
zocht, omdat hij de goede, eigenschappen van twee leerzame
honden in zich vercenigt.
De Pointer-pocdels zijn uitmuntende honden, èn als
waclvthond èn als jachthond.
20. J)e Setter.
a. De Engelschc.
Het prachtig uiterlijk van een fraaien Setter, zijn ver-
stand en verdiensten als jachthond zullen hem altijd hoog
in eer doen staan, zoodat hij steeds de lieveling der jagers
zal blijven. Alle Setters stammen evenals de Pointers uit
Spanje. De Setter is van natuur wat vreesachtig en moet
-ocr page 164-
145
daarom bij de dressuur zeer zacht behandeld worden. Het
komt dikwijls voor, dat de minste heftigheid van den jager
het gevoelige dier zoo bevreesd maakt, dat hij alle gehoor-
zaamheid weigert en, in geval hij slaag ontvangt, direct
naar huis vlucht. Ik durf beweren, dat de Setter tegen-
woordig veel meer verbreid zou zijn, indien hij niet door
verkeerde opvoeding en dressuur in miskrediet geraakt was.
De hond zelf draagt er bepaald niet de schuld van.
Wat de eigenschappen voor de jacht betreft, verschillen
de Setters weinig van de Pointers j laatstgenoemde staat,
eerstgenoemde ligt voor het wild. De Setter is echter voor
de jacht op waterwild meer geschikt, ofschoon hij het ook
buiten het water zeer lang kan volhouden.
Voor de jacht op fazanten is de Setter over \'t algemeen
verkieslijker, daar hij zich door de dichtste heg niet laat
weerhouden. Zonder twijfel is de Setter in \'t gebruik nog
beter dau de Pointer en ook leerzamer en aanhankelijker.
Ook winnen in den laatsten tijd de Setters meer prijzen
dan de Pointers, nadat het net ter zijde gelegd is en de Set-
ter met het geweer werkt.
Kenmerken: kop tamelijk lang, niet te zwaar, tusschen
de ooren eer smal dan breed. Snuit voor de oogen een
weinig ingebogen en de neus een weinig opwaarts gericht.
Neus groot met wijde neusgaten, zwart of bruin, al naar de
kleur van het haar.
Ooren: laag aangezet, goed aan den kop liggend en met
fijn haar bezet.
Oogen: groot, verstandig, schitterend. (Zwijnsoogen zijn
foutief).
Hals: lang, gebogen en kort aangezet.
Sshouders: schuin aangezet en zeer gespierd.
Borst: zeer diep.
De Hondenvriend.                                                                      10
-ocr page 165-
KEKSHOND.
-ocr page 166-
146
Romp: middellang, schijnt door de sterke beharing een
weinig gedrongen; goede, tamelijk afgeronde lendenstreek.
\'Pooten : niet te hoog, geheel recht tot aan de voeten,
aan de achterzijde fraai bevederd; ook de voeten tusschen
de teenenzijn behaard; achtcrpooten met sterk spronggewricht.
Staart: middellang en recht of slechts licht gebogen en
zeer schoon bevederd, werkelijk een sieraad van den hond.
Beharing: zacht als zijde, doch vrij krullig.
Kleur: grondkleur wit tnet geel of blauw of zwart; ge-
heel wit, zwart, bruin en wit gevlekt of gestreept.
Algemeen voorkomen: fraaie, elegante gestalte.
Punten:
Kop..........    10
Oogen en ooren......      5
Hals en schouders......      5
Romp en borst.......    10
Lendenen, plaatsing der achter-
pooten........      5
Pooten en voeten......      5
Haar en staart.......      5
Algemeen voorkomen.....      5
Totaal . .   ~5Ö~
b. De Go r don-Setter.
Deze is van afkomst een Schot en dankt zijn naam aan
een zekeren hertog van Gordon. Over zijn ontstaan ligt
echter een even dichte sluier .als over dat van de meeste
hondenrassen. Wat zijne eigenschappen voor de jacht betreft,
daarover zijn de meeningen der jagers verdeeld. Sommigen
schatten hem even hoog als den Engelschen Setter, ja, wat
-ocr page 167-
147
den neus aangaat, nog hooger. Anderen zeggen, dat hij
weinig weerstandsvermogen bezit en te zenuwachtig is,
waardoor hij bij den Engelschen ten achter staat.
Wat het uiterlijk aangaat, verschillen beide Setters slechts
weinig van elkander, voornamelijk in de kleur, die door
kruising van den Gordon-Setter met den Ierschen verkregen
zou zijn of, volgens anderen, met den Collie of Schotschen
herdershond.
Kenmerken: kop in zijn geheel wat zwaarder dan bij
den Engelschen Setter.
Lippen: langer; neus niet zoo edel; staart iets korter;
haar niet zoo fijn.
Kleur: ravenzwart met roestbruine of mahoniekleurige
extremiteiten.
Algemeen voorkomen: sterk en beenig van bouw, zoodat
hij een zwaarder voorkomen heeft dan de Engelsche Setter.
Punten :
Kop..........    10
Hals en schouders.....      5
Romp en ribben......    10
Pooten en voeten.....      5
Kleur.........    10
Haar..........      5
Algemeen voorkomen ....      5
Totaal . .   ~JÖ~.
c. De Ierse h e Setter,
meer speciaal \'een jachthond voor Ierland, omdat hij voor
de gesteldheid van dat land beter geschikt is dan de Pointer.
Zijne afkomst is insgelijks moeilijk te bepalen.
-ocr page 168-
148
In het zoeken staat hij boven alle andere Setters en ook
in weerstandsvermogen, doch hij is wegens zijne eigenzin -
nigheid minder goed af te richten. Daarin ligt misschien
ook de reden, waarom de Iersche Setter bij de wedstrijden
in het zoeken minder prijzen verwerft.
Kenmerken: de kop is smaller en daardoor langer; de
neus is vleeschkleurig of donkerrood (ook die met een
zwarten neus zijn gezocht). Oogen bruin en verstandig.
Ooren lang en sterk bevederd; lippen goed; nek licht en
sierlijk gebogen; borst diep en smal j romp tenger met
volle, sterke lendenstreek; voorpooten zeer sterk en meer
behaard (bevederd) dan bij den Engelschen; achterpooten
met krachtig spronggewricht.
Staart: laag aangezet, fraai bevederd, het meest in het
midden.
Kleur: donker bloedrood, witte vlekjes zijn geen fout,
doch men ziet ze liever niet; aan den staart is de kleur lichter.
Beharing: grover en minder dicht dan bij de Engelsche.
Algemeen voorkomen : hij maakt den indruk een sterke,
levendige hond te zijn en verraadt snelheid en weerstands-
vermogen.
Punten :
Kop . . \'....... .      5
Oogen en ooren......      5
Hals, borst en schouders ...      5
Eomp en lendenen.....      5
Pooten en voeten......      5
Haar en staart......       5
Kleur.........    10
Algem. voorkomen.....    10
Totaal . .    50.
-ocr page 169-
149
21. Be Spaniels.
Deze jachthonden zijn reeds sedert oude tijden bekend ;
zij zijn uit Spanje het eerst in Engeland geïmporteerd en
werden toen reeds in twee soorten onderscheiden :
A.     De Land-Spaniel,
B.     De Water-Spaniel.
Alle Spaniels herinneren aan den koorden-poedel, daar
zij lang, een weinig ruw doch zacht, min of meer gekruld
haar hebben; glad haar verraadt kruising.
De ooren zijn zeer lang en goed behaard; de oogen
holder; de staart is prachtig gevederd. De Spaniel jaagt
,sprekend". Opdat hij beter in \'t struikgewas kan door-
dringen, wordt de staart gecoupeerd.
A. De Land-Spaniels.
a. De Sussex-Spaniel
gaat voor de oudste door en is uitstekend geschikt voor
de jacht op gevederd wild.
Kenmerken : kop tamelijk lang en breed j groote neus-
gaten; korte onderkaak; diepliggende, helderbruine oogen
met een verstandigen blik.
Ooren : niet zeer groot, ver naar voren, bijna boven de
oogen aangezet, niet wollig maar zijde-achtig gevederd.
Hals : sterk en licht gebogen.
Romp: diep, lang, met schuin liggende schouders, breede
lendenen, goed geronde ribben.
Pooten: gespierd en sterk van beenderen, de voorste recht
of bijna recht, de achtersche sabelvormig gebogen; voeten
groot, rond en goed behaard.
-ocr page 170-
150
Staart: op ééne lijn met den rug gedragen (een goed
raskenmerk).
Haar: goud-geelbruin, dicht en glad.
Punten:
Kop..........    10
Oogen.........5
Ooren.........5
Hals..........5
Romp.........    15
Voorpooten........    10
Achterpooten.......     15
Voeten.........     10
Staart.........5
Haar..........     10
Algemeen voorkomen.....     10
Totaal . .100.
h. De Clumber-Spaniel,
wiens naam, naar men zegt, afkomstig is van de residentie
van den hertog van New-Castle, wat men echter ook
bestrijdt, daar ook de hertog van Nouailles ook de impor-
teerder genoemd wordt.
De Clumber Spaniel jaagt „stom", maakt het wild dus
niet ontijdig wakker en is daarom het meest geschikt voor
het jagen in struikgewas. Met een bel aan den hals drijft
hij het wild langzaam naar voren voor het geweer des ja-
gers. Hij zoekt vlug en grondig; als er ergens wild aan-
wezig is, loopt een goed jager dus niet veel gevaar platzak
thuis te komen.
-ocr page 171-
151
c. Zwarte Spaniel 8,
even fraaie als bruikbare honden en daarom ook Zeer
gewaardeerd. De groote honden noemt inen „Springers",
wegens hunne geheel afwijkende wijze van handelen, al
naarmate zij haar- of vederwild in den neus hebben.
De zwarte Spaniel is een rohuste hond met voornaam
uiterlijk, zeer gemakkelijk te leiden. Hij is lang van
liehaam op korte pooten, met een sterk beenderengestel,
en heeft tamelijk lang, sluik, of een weinig golvend zijde-
achtig haar.
d. De Cocker Spaniel,
minder algemeen bekend. De kleur is zeer verschillend; het
veelvuldigst treft men oranjekleurige aan, verder bruine en
witte, bruin en roode, black-and-tan e. d. Over \'t geheel
gelijkt hij op een kleinen gedrongen Spaniel.
B. De Wateu-Spaniels.
Onderscheid tusschen waterhonden en water-Spaniels ma-
ken we niet, doch bepalen ons kort en eenvoudig tot de
afzonderlijke slagen.
Het haar moet dicht zijn en daarbij lang en gekroesd
(aan den poedel herinnerend), doch mag nooit klissen vor-
men; de ooren moeten lang en breed zijn, de oogen vol,
vurig en levendig; de snuit is kort, \'t gebit sterk.
Een korte, smalle hals, smalle borst, sterke schouders,
rechte voorpooten en een goed afgeronde romp kenmerken
deze Spanicls voldoende,
Men rekent tot deze:
-ocr page 172-
152
a. DeEngelsche water-Setter.
Een zware, groote hond, met ruw, lang en lokkig haar.
Hij houdt buitengewoon veel van het water en spoort zelfs
de onder water gedoken eenden op, wanneer zijn neus
goed is. Hij wordt daarom ook wel eendenhond genoemd.
De staart is in den regel gecoupeerd.
S, De Ierse h e water-Spa ni el,
insgelijks een sterke, tamelijk groote hond, 50 a 60 cM.
hoog, met hoog voorhoofd en zwaren kop, van de oogen
tot den snuit kort en glad behaard. Het haar op den kop
vormt een soort van kuif, die naar het voorhoofd in een
punt eindigt; het romphaar is fraai gekroesd, de staart
rond en stijf.
Kleur: zeer donkerbruin zonder eenig wit.
22. Be Dwerg-Spaniels.
Duitsch: (Wachtelhunde.)
Deze zijn algemeen bekend en, hoe kleiner hoe meer
gezien in de dameswereld.
Men onderscheidt:
Den gewonen dwerg-Spaniel, eenigszins groot, in den
regel zwart, wit of bruin, of wit gevlekt, zelden zwart
met bruine extremiteiten.
De kleine Spaniel, ook King Charles genaamd,
insgelijks zwart met wit, hoewel de zwarte met roestbruin
(black-and-tan) beter en gezochter zijn.
De Blenheim-Spaniel, ook Marlborough
geheeten, nog kleiner dan de King Charles.
-ocr page 173-
153
Alle Spaniels hebben een dikken, ronden kop, korten
snuit, breeden neus, ecu weinig ingedrukt, zoo kort moge-
lijk en naar boven gewipt: tusschen de oogen eene diepe
holle („stop"). De oogen zijn zeer groot, rond, zwart en
staan ver van elkander af. De ooren zijn zeer lang en sterk
behaard. Het lichaam is gedrongen; de pooten zijn sterk en
kort. Beharing zeer fijn, zijdeachtig, niet gekroesd. Borst,
voeten en staart sterk behaard, evenals de achterkant der
pooten. Gewicht tusschen 2| a fi kilogram.
23. De Japansche Chin-hond
komt in zijn vaderland Japan als dameshond voor, zoo-
als hier en elders de dwerg-Spaniel en heeft daarmede,
wat het uiterlijk betreft, ook buitengewoon veel overeen-
komst. Hij houdt ongeveer het midden tusschen dezen
en den mopshond, daar hij van dezen den kop en het
gezicht, van genen de beharing en den vorm geërfd schijnt
te hebben.
Wat hunne eigenschappen betreft, staan de Cliin-hondjes
echter dichter bij den Spaniel dan bij den mop; ze zijn
meestal zeer bedaarde dieren, maken echter, als ze gehitst
of gesard worden, sprongen op de manier als de kat en
staan ook in het vangen van muizen bij menige kat niet
ten achter. Het schijnt, dat de lof, dien men ze in sommige
geschriften toezwaait, niet bijzonder algemeen gedeeld wordt;
ook zijn de prijzen veel te hoog.
Ik voor mij stel den Engelschen kleinen reepinscher en
ook den dwergaffenpinscher boven al deze schoot- of dames-
hondjes, uitgezonderd echter voor zeer zenuwachtige dames,
voor wie de bedaarde Chin-hond zeker beter past dan de
levendige Terriër e. d.
-ocr page 174-
154
24. Be Dashond.
Deze hond is als jachthond algemeen bekend, daar hij
door zijne kromme poolen, laag en lang lichaam en groote
bijtzucht iedereen opvalt. Ook heeft hij zich in sommige
streken zelfs als wachthond ingeburgerd, omdat hij aan zijne
goede eigenschappen als heemhond ook die van een goeden
verdelger van roofgedierte paart.
Als kamerhond is hij juist niet bijzonder aan te bevelen,
daar hij vooral tegenover vreemden zeer kwaadaardig is en
zijne gehoorzaamheid veel te wenschen overlaat.
Zoo klein de dashond is, zoo groot zijn de eischen, die de
jager aan hem stelt. Hij wordt hoofdzakelijk bij de jacht op vos-
sen en dassen, doch ook op alle mogelijke ander wild gebruikt.
Kenmerken: kop met zeer langen, spitsen snuit en breed
achterhoofd. Hersenpan breed en licht gewelfd, neusrug smal,
lippen een weinig overhangend, sterke mond-plooihoeken.
Ooren: slechts middellang maar tamelijk breed en stomp
afgerond, hoog en ver naar achteren aangezet, vlak aan
den kop hangend.
Oogen: rond, middelgroot en helder, het wit weinig
zichtbaar, met zeer scherpen blik.
Hals: lang en zeer beweeglijk, daarbij een sterke nek,
losse keelhuid zonder wammen.
Homp: zeer lang en slank met breeden, licht gewelfden
lendenstreek, zeer buigzaam. Borst zeer breed en diep;
buik van achteren vrij goed opgetrokken.
Staart: lamelijk lang, vrij dik aan den wortel en langzamer-
hand spits uitloopend, bijna recht of met een lichte bocht
gedragen.
Pooten: de voorpooten zijn sterker dan de achterpooten,
grof maar toch elastisch van spieren, de onderarm zeer kort,
-ocr page 175-
155
bijzonder krachtig en naar buiten gekeerd ; ook de voetwortel
is naar buiten gedraaid, zoodat de voorpooten, van voren
gezien, S vormig gebogen zijn. De achterpooten zijn normaal,
sterk gespierd en hebben sterke dijen en korte onderschenkels,
die van ter zijde gezien niet den voetwortel bijna recht zijn.
Voeten : de voorste eveneens sterker dan de achterste, breed
en grot\' niet goed gewelfde teenen en sterke nagels; de achter*
ste kleiner en meer rond, teenen en nagels korter en rechter.
Haar : zeer kort en dicht aansluitend, glad, glanzig en
elastisch, vooral zeer kort en fijn aan de ooren, die soms
bijna geheel kaal zijn; alleen aan den onderkant van den
staart is het iets langer, echter zonder te hangen.
Kleur: zeer fraai zijn de zwarte met roestbruine extre-
miteiten (blaek-and-tan); gezocht zijn echter ook de bruine,
licht gele en hazengrauwe met donkere aalstreep op den
rug. Een witte oogstreep is geen fout.
Tanden: uitmuntend ontwikkeld, de grootte van het dier
in aanmerking genomen, zelfs buitengewoon sterk, de kaken
moeten nauwkeurig op elkander passen.
Algemeen voorkomen: een laag, gerekt, kortbeenig, inar-
tervormig dier, opgeruimd en opmerkzaam van aard, met
een verstandige gelaatsuitdrukking.
Punten :
Kop en snuit.......10
Ooren en oogen......5
Borst en schouders.....5
Lendenen ........ 5
Voorpooten en voeten .... 5
Achterpooten en voeten .... 5
Kleur en haar.......5
Algem. voorkomen.....10
Totaal . . ~5ÓT
-ocr page 176-
156
Aanmerking. Men onderscheidt gaarne de volgende varië-
teiten: den groot en, met den brak overeenkomenden, den
middelsten of eigenlijken dashond, den dwergdas-
hond (meer als dameshond bekend) en den langharigen,
aan welken sedert jaren bijzondere aandacht gewijd wordt.
Deze onderscheidt zicli van den gladharigen dashond alleen
door zijn lang, zijde-achtig haar, dat ons aan bloed van den
Spaniel herinnert. Bij slecht, nat weder moet hij nog een
groot weerstandsvermogen bezitten, zonder dat het lange
haar hem hindert.
Als zeer na aan den dashond verwant en zeker van de
zelfde afkomst, noemen wij nog
den Basset,
die zich tegenwoordig in velerlei opzicht van den dashond
onderscheidt. Deze komt in alle kleuren voor, met ruw en
met glad haar, terwijl de Bassets in vorm nooit van elkander
verschillen, ofschoon er verscheiden variëteiten van zijn.
De omvang van dit werkje laat evenwel niet toe, dat wij
in eene nadere beschouwing daarvan treden.
Ook de O 11 e r h o n d is den dashond na verwant of
dankt aan dezen misschien zijn ontstaan. Denken we ons een
meer stijven, doch zeer robusten ruwharigen dashond met
meer plompen kop en langere loshangende ooren, dan hebben
we het beeld van een otterhond voor ons. Hij wordt als
goede waterhond bijna uitsluitend voor de otterjacht gebruikt.
25. De Keeshond. (Spits).
Wie kent hem niet, den trouwen bewaker en gezelligen
speelmakker der kinderen, altijd vroolijk en overmoedig en
-ocr page 177-
157
er op uit om den loop- of straatjongen, of wie hein overi-
gens maar een weinig verdacht toeschijnt, even bij de broeks-
pijp te pakken en daarvan een stukje tot aandenken mede
te nemen ! Waakzaamheid, twistziekte en nijdigheid zijn nu
eenmaal de eigenschappen van een echten keeshond, doch
hij is daarbij ook zeer intelligent en leerzaam. En wat ge-
trouwheid aangaat, staat hij onder al zijne kameraden mede
bovenaan.
Een goed opgevoede keeshond laat zich door niemand
lokken, al is hij nog zoo hongerig. Hij is wantrouwend,
kent zijne vijanden en vergeet nooit, wie of wat hem onaan-
genaam geweest is. Hij wil evenmin kettinghond zijn als
de poedel, doch vergezelt gaarne zijn meester, voor wien hij
dan ook een trouwe wachter is.
Men heeft groote (Pommersche), middelgroote en kleine
of dwergkeeshonden, welk laatste meestal als dameshondjes
yaii beteekenis en hoog in prijs zijn.
Kenmerken : kop breed en vlak (vossekop).
Snuit: spits; kaken slecht ontwikkeld; neus vau binnen
zwart.
Ooren: klein, spits, hoog aangezet en opstaand gedragen.
Oogen: donker, weinig uitkomend, amandelvormig.
Borst: breed ; romp gedrongen.
Pooteu: sterk en goed onder \'t lichaam geplaatst.
Voeten: rond en klein.
Staart: lang behaard en over den rug gedragen.
Haar : is niet fijn te noemen, buitengewoon dicht, vooral
aan den hals. De voorpooten zijn aan den achterkant
gevederd.
Kleur: zwart, wit, bruin, staalgrauw, wolfskleurig en
gevlekt; de laatste zijn echter niet gewild.
Algemeen voorkomen: een levendige, verstandige, koene
-ocr page 178-
158
hond, die weerstandsvermogen verraadt doch weinig moed.
Aanmerking. Alle keeshonden hebben dezelfde eigenschap-
pen en hoedanigheden; alleen de dwergkees is veel kleiner
en mag niet meer dan 3J kilogram wegen. In den laatsten
tijd wordt er ook in sommige annonces veel ophef gemaakt
van buitengewoon fijne, zachtharige keeshonden (Seiden-
spitze). Een dergelijk ras bestaat echter niet. \'t Is op zijn
hoogst eene kruising van den Maltezer en den keeshond,
welker vorm en beharing met den keeshond overeenkomt,
doch zachter van haar is. Men behoeft zulke honden maar
als fokdieren te gebruiken en men zal dadelijk verschillende
slagen verkrijgen, die duidelijk den kees en den Maltezer
vertoonen.
26. 7)e Mopskonden.
Deze miniatuuruitgave van den Bulldog scheen voor on-
geveer 30, 40 jaren bijna uitgestorven, heeft zich een 20tal
jaren later weder ingeburgerd, doch wordt in den laatsten
tijd weder op den achtergrond geschoven door een meer
fijnen, verstandigen en levendigen mededinger, den En-
gelschen Terriër.
Zijne afkomst heeft hij aan den Bulldog te danken, waar-
mee hij niet alleen eene in \'t oog vallende uiterlijke over-
eenkomst vertoont, doch dien hij ook in geestelijke eigen-
schappen zeer nabij komt.
Een begaafde mopshond behoort tot de zeldzaamheden.
Hij is een knorrig, phlegmatiek, loom dier, dat meer houdt
van eene gemakkelijke positie op de sofa of op het ledikant
van zijne meesteres dan van eene frissche wandeling, waarom
hij dan ook, naar het oude spreekwoord: „lui, dom en vraat-
zuchtig maakt vet!" in den regel weldra een vetklomp
-ocr page 179-
159
gelijk wordt. Wie een mopshond wil houden, zorge er voor,
dat hij de noodige beweging krijgt.
Kenmerken: kop dik en rond, doch niet al te rond, met
zeer stompen snuit; groote, vooruitspringende, bruine oogen;
kleine, dunne, liefst opgewipte ooren; korte spekhals zonder
wammen.
De pooten zijn geheel recht en tamelijk hoog; goed ge-
spleten teenen met zwarte nagels.
Homp: kort en gedrongen met goed geronde ribben en
breede borst.
Staart: gekruld en over den rug gedragen, in den regel
naar links.
Kleur: reebruin, abrikozenkleurig tot lichtgeel of vaal
met koolzwart masker en dito ooren, gezichtsplooien en
wratten; over den rug een zwarte aalstreep en op het voor-
hoofd liefst een zwarte vlek.
Beharing: zeer fijn en kort.
Algemeen voorkomen: eene kleine, gedrongen, zooge-
naamd aristocratische figuur.
Gewicht: van 6 tot 7J kilogram.
Punten:
Kop..........       5
Snuit..........      5
Oogen.........       5
Romp..........      5
Pooten.........      5
Staart .........       5
Kleur (met masker).....    15
Algemeen voorkomen ....      5
Totaal . . 50.
-ocr page 180-
160
27. Be Bnlldor,
wordt ook wel bullebijter genoemd, zeker omdat hij het
tegen een stier durft opnemen, waarom hij dan ook wel
bij stierengevechten dienst doet. Zijne groote kracht, zijn
weerstandsvermogen en onovertroffen moed hebben hem
reeds voor lang vele vrienden verworven, terwijl hij om
zijn grimmig gelaat en plomp lichaam nog al gevreesd wordt,
vooral door dames. De bulldog is een echt Engelsche hond,
waarom wij ons ook houden aan de door de Engelschen
vastgestelde ras kenmerken.
O in ons te vergezellen en ons huis en erf te bewaken,
is de bulldog in zijne jeugd werkelijk onovertreffelijk, daar
hij voor niets terugdeinst en onvermoeid is in het vechten
en in het verdedigen van zijn meester en diens eigendom-
men. Op hoogeren leeftijd wordt hij dikwijls kwaadaardig
en lui, waarom men hem dan dikwijls een jongen hond
tot gezelschap en opwekking geeft.
Kenmerken: kop rond, wanstaltig dik en hoekig, met
sterk .vooruitspringende onderkaaksbeenderen en geplooid
voorhoofd.
Ooren: klein, dun en hoog aangezet, (zoogenaamde ro-
zen- of knopooren).
Oogen: rond, middelgroot en donker, \'t liefst zwart, dicht
bij den neus en ver van de ooren staande, \'t Masker, van
de kaken tot den top van den neus gemeten, niet te kort.
Plooien diep en goed naast elkander liggend. Snuit op-
staand. Lippen breed, diep en de tanden goed dekkend.
Neus groot, diep gespleten of enkel, zwart, met groote neus-
gaten. Kaken zoo breed als mogelijk, de onderkaak sterk
vooruitspringend, zoodat de neus ver achteruit schijnt te
wijken.
-ocr page 181-
161
Hals: kort (doch niet te kort), zeer sterk, met flink ge-
welfden nek, hals en wammen met sterk uitkomende plooien.
Borst: zeer breed en diep, rond.
Romp: korte rug met breede schouders, goed geronde
ribben, beenig.
Staart: dun, middellang, laag aangezet, met een lichte
bocht naar beneden gedragen, nooit boven den ruglijn op-
geheven.
Pooten: de voorpooten zeer sterk met goed zichtbare
spieren en iets korter dan de achterpooten. De ellebogen
ver van elkander staand en een weinig naar buiten gedraaid.
Voeten: klein en rond, recht voetgewricht.
Beharing: fijn, kort en dicht.
Kleur: éénkleurig, geheel wit, geel of zwart; de lichte
hebben in den regel een donker masker; gestroomde wor-
den zeer geschat.
Algemeen voorkomen: Maakt een aangenamen, bevalligen
indruk. De gang is een weinig scheef, doch niet lomp.
Gewicht: 10 tot 30 kilogram en meer.
Punten:
Schedel, grootte en vorm
Kop en masker .
Hals, borst en schouders
Romp.......
Pooten, voeten en staart
Algemeen voorkomen .
Totaal
10
10
10
5
10
5
~5Ö~
11
Do Hondenvriend.
-ocr page 182-
MOPSHOND.
-ocr page 183-
162
XI. Ziekten.
Bij goed verzorgde honden behooren ziekten tot de zeld-
zaamheden.
Voor den leek is het altijd ook uiterst moeilijk eene ziekte
goed te onderscheiden en te beoordeeleu, te meer omdat
zoovele ziekten in het eerste stadium veel overeenkomst
met elkander hebben en men dus licht mistast. Zelfs meni-
gen veearts zal het moeielijk vallen dadelijk den aard dei-
ziekte van een hond te onderkennen, tenzij hij gelegenheid
heeft gehad, bij zijne eigene of andere honden studie van
de verschillende hondenziekten te maken. In de meeste
gevallen ben ik niet voor veel medicineeren, maar laat He-
ver den zieken hond meer zijn instinct volgen. Ik zal mij
daarom hier dan ook maar alleen tot het eenvoudigste en
meest algemeene bepalen en vooral de homoeopatische mid-
delen aanbevelen, die bij mistasting door den leek den hond
niet nadeelig zijn.
N.B. Bij het opgeven van geneesmiddelen verwijst de
schrijver gedurig naar pillen, enz. welke in een bepaalde
apotheek te Berlijn verkrijgbaar zijn. Ik heb gemeend
deze te moeten vervangen door die middelen, welke door
de ervaring of in andere werken over deze materie als
doelmatig en heilzaam worden aanbevolen en in elke apo-
theek te bekomen zijn.
                                              Vert.
1. Bloedwateren.
Dit ontstaat dikwijls door slaan op de lendenstreek, door
ontsteking van de blaas of de nieren ten gevolge van kou-
devatting, door uitputting bij de paring, enz.
-ocr page 184-
1G3
De eetlust gaat verloren, het dier loopt treurig rond
terwijl hem bloedige urine afloopt.
Zoo de kwaal door uitwendige oorzaken is ontstaan, doen
koude, natte omslagen in de lendenstreek goede diensten.
In andere gevallen geve men inwendig een afkooksel
van 45 gram kinabast op een halven liter water, waarbij dan
nog 10 gram verdund zwavelzuur wordt gevoegd. Hiervan
kan inen om de 2 uren van £ tot 1 eetlepel vol toedienen.
2. JJiarr/iee.
Bedorven of te vet voeder, zure melk, enz. zijn dikwijls
de oorzaak van diarrhee, welke evenwel ook een gevolg
van gevatte koude kan zijn. In de eerste plaats is warm
houden zeer aan te bevelen, terwijl verder als genees-
middelen worden aanbevolen: eiwit, wanneer de kwaal niet
erg is: meelpap als ochtend voer en bovendien 2 maal daags
een poeder, bestaande uit \\ grain rhabarber en \\ gram
magnesia. Als snelwerkend middel 3 maal daags een eet-
lepel vol kamillethee, waarin een weinig catechu en lau-
danum; bijv.
Water......90 gram
Bloem van kamille . . 4 //
tot thee getrokken, en hierbij:
Catechu......4 //
Laudanum.....15 druppels
3. De druiper.
Dit is eene catarrhale ontsteking van de slijmhuid der
pisbuis en ontstaat meer door overprikkeling der roede bij
-ocr page 185-
164
de paring dan door koude. Bij teven vertoont zich de
kwaal zelden.
Er vloeit een taai, geelachtig slijm uit de roede, zonder
dat zulks het dier pijn veroorzaakt.
Men zorgc, dat een aan deze kwaal lijdende reu niet met
eetie teef in aanraking komt en geve hem alle 2 uur 4 a. 5
korreltjes zwavcllever, afgewisseld met evenveel M e r c u r
s o 1 u b i 1 is.
Tevens voedere men den patiënt niet te sterk.
4. Gehrek aan eetlust
is in den regel een gevolg van overlading der maag en kan
dus eigenlijk slecht den naam van ziekte dragen. Gcwoon-
lijk is geheel of gedeeltelijk vasten gedurende een paar dagen
voldoende om de kwaal weder te boven te komen, vooral
wanneer men tevens zorgt, dat alles, wat het dier nog te
eten krijgt, licht verteerbaar is.
(Mager vleesch, goed fijn gemaakt, verteert zeker \'t ge-
makkelijkst en vrij volkomen ; terwijl men rekent, dat van
brood ongeveer 40 % als onverteerd wordt afgescheiden,
bedraagt dat cijfer voor vleesch 4 °/c-
Melk on rijst, hoe uitstekend ook, verteren langzamer,
voornamelijk wegens hun vetgehalte.)
5. De hondenzielcte.
Deze is zeker wel de meest algemeen bekende, \'t Is
eigenlijk een wijd vertakte luchtbuiscatarrh, dikwijls verge-
zeld van darmcatarrh, zcnuwtoevallcn enz.
De veeartsen onderscheiden : a. de catarrhale, h. de
gastrische en c. de nerveuze hondenziekte.
-ocr page 186-
165
De meeste honden worden door de hondenziekte aange-
tast en vele sterven er aan, vooral rasliouden ; kruisings-
producten hebben er minder van te lijden.
Gewoonlijk ontstaat de ziekte in de periode van het tan-
denkrijgen, waarom de tandenwisseling wel eens als de
oorzaak wordt beschouwd, welke meening ik echter niet deel.
\'t Is eene ziekte, die bijna iedere hond in zijne jeugd krijgt;
evenals de kinderen de mazelen, zonder dat men juist de
oorzaken kan aanwijzen.
In den regel krijgt een hond de ziekte slechts eenmaal.
a.     De oatarrhale hondenziekte.
Deze tast in de eerste plaats de slijinhuid van den neus
en het bindvlies van de oogen aan, verbreidt zich dan over
alle slijmhuiden en gaat niet zelden in eene doodelijke long-
ontsteking over.
Het dier wordt treurig, langzaam in zijne bewegingen,
niest en hoest dikwijls en hevig, de oogen kleven dicht.
Na enkele dagen scheiden neus en oogen een geelachtig
slijm af. Bij een goedaardig verloop verdwijnt dit slijm in
een dag ot\' 4 en is de hond in 8 a 10 dagen weder beter.
In \'t ongunstigste geval openbaren zich hevige aanvallen
van koorts, matheid, benauwde ademhaling, hoesten en
braken, waardoor alleen wat slijm loskomt.
b.     De gastrische hondenziekte.
Deze tast hoofdzakelijk de slijmvliezen der spijsverteiïngs-
organen aan. Verschijnselen zijn; gebrek aan eetlust, bra-
king van groen-geel, zeer taai slijm, verstopping of diarrhee,
bij de laatste dikwijls bloedig slijm. Na cenige dagen komen
-ocr page 187-
166
hierbij in \'t ongunstigste geval zenuwtrekkingen of krampen
en gaat de ziekte in don regel over in
c. De nerveuzo hondenziekte.
Deze begint alzoo met zenuwtrekkingen, toevallen en ge-
deeltelijke, tijdelijke of blijvende verlamming.
De zenuwtrekkingen openbaren zich aan de lippen, ooren,
benedenkaak en \'t hevigst aan de pooten. De verlamming
bepaalt zich meestal tot het achterste gedeelte van het
lichaam, geneest zeer langzaam en dikwijls in het geheel
niet. De hond wordt en blijft dan zwak in het kruis en
\'t achterdeel en wankelt bij de minste beweging. Ook houdt
hij van deze ziekte dikwijls voor altijd zulke zenuwtrek-
kingen over, waarom het beste is, dergelijke dieren maar
dood te schieten.
Geneesmiddelen baten alleen in het eerste tijdperk der
ziekte. Als voorbehoedmiddel geeft men de dieren wel een
theelepel vol duinbessenstroop, zoodra er zich gebrek aan
eetlust en moeheid openbaren en de oogen dof worden.
Treedt er na een paar dagen nog geene verandering ten
goede in, dan make men een poeder van
Braak wijn steen • . 0.33 gram
Braakwortelpoeder . . . 0.50 //
Witte suiker.....0.60 //
en geve daarvan de helft in; komt hierop na een half uur
geene werking, dan geve men ook de andere helft. Dit poe-
der dient men op nieuw toe, indien er na een paar dagen
nog geene beterschap te bespeuren is. Weer 1 u 2 dagen
later geve men een | tk 1 theelepel vol duinbessenstroop
en herhale dit nog een keer of drie om den anderen of
-ocr page 188-
167
om den derden dag. Daarna geeft men het dier dagelijks
een eetlepel vol medicinale levertraan.
Beginnen er zich krampachtige trekkingen van de zenu-
wen. of de ledematen te vertoouen, dan kunnen inwrijviu-
geu van hals en ruggestreng 2 keer per dag met het vol-
gende mengsel goede diensten doen:
Kamferspiritus . . . .20  gram
Geest van salmiak. . . 10      //
Terpentijn.....20      tt
Spaansche-vliegentinctuur. 5  droppels
Een goed droog en warm leger (doch niet op eene te
warme plaats), licht verteerbaar voedsel als melk en witte-
brood, haverslijm met vleeschnat en wittebrood en altijd
versch drinkwater zijn ontegenzeggelijk voor de genezing
belangrijke factoren. Gezonde honden mogen niet met het
leger, den voeder* of waterbak van den zieke in aanraking
komen.
Is de hond aan de betere hand, dan voedere men matig
doch goed.
Volgens vele hondenliefhebbers moet levertraan een uit-
stekend middel zijn om, zooal niet de hondenziekte geheel
te voorkomen, ir\\ elk geval toch de hevigheid daarvan te
temperen.
Men begint met den hond, als hij ongeveer 10 weken
oud is, dagelijks een eierlepel vol levertraan te geven
en deze gift langzamerhand op een theelepel, bij groote
honden op een eetlepel vol te brengen. Dezelfde uit—
werking kent men toe aan fenegriek, waarvan men
een hond op den leeftijd van 6 a 10 weken 2 keer
per dag een theelepel vol geeft, vermengd met een theo-
lepel zwavelbloem.
-ocr page 189-
168
6. De hondsdolheid.
Deze verschrikkelijke, ook voor menschen zoo gevaarlijke
ziekte is tot dusver ongeneeslijk; zij heeft steeds den dood
viin het dier en dikwijls ook dien van andere dieren en
zelfs van menschen ten gevolge.
De vecartsenijkunde inaakt onderscheid tusschen de ra-
zende en de stille dolheid.
Als uiterlijke kentcekenen, die echter niet altijd zeker
zijn, gelden het opzoeken van de eenzaamheid, neerslach-
tigheid, bijt zucht. Het dier eet alle mogelijke onverteerbare
stollen als hout, leder enz., schrikt in den slaap op, is bij
tusschenpoozen vreeselijk opgewonden, wordt zwak of zelfs
lam in het kruis. Hij ontwijkt liet huis van zijn meester;
zijn blaffen wordt een langzaam, heesch en huilend geluid;
hij eet niet meer, het haar word ruw, hij vermagert en
sterft gewoonlijk na eenige dagen.
Bij de stille dolheid vertoont de hond zich verzwakt; hij
gaat niet van huis en bijt alleen, als men hem plaagt en
sart. In den regel gaat deze ziekte gepaard met lamheid
van den onderkaak, welke slap naar beneden hangt.
De eigenlijke oorzaak van deze gevaarlijke ziekte is tot
nu toe niet met juistheid vast te stellen. De kwaal breekt
zelden vroeger uit dan 6 u, 7 weken na den beet.
De gebctcne moet dadelijk de hulp van een bekwaam
geneesheer inroepen, daar alle kwakzalverij niets helpt en
spoedige hulp dringend noodig is. Of het enten van Dr.
Pasteur zeker helpt, is nog niet uitgemaakt, ten minste niet
voor alle gevallen.
Regelmatige beweging, goede verpleging, niet te heete
kost, een gezond en luchtig legor (geen tocht), in den zomer
niet te heet, des winters niet te koud en dagelijks frisch
-ocr page 190-
169
drinkwater zijn de beste voorbehoedmiddelen. Ook geve
men de honden, vrouwelijke zoowel als mannelijke, gele-
genheid, om de geslachtsdrift te bevredigen ; want het is bewe-
zen, dat het niet voldoen daaraan bij zeer prikkelbare dieren
de dolheid kan doen ontstaan.
7. Krampkoliek
is dikwijls een gevolg van te plotselinge verkoeling, door
het drinken van veel koud water, wanneer het dier erg
verhit is, doch kan ook een anderen, op de darmzenuwen
werkenden prikkel tot oorzaak hebben, alsmede door inge-
wandswormen ontstaan.
Hevige krampen heb ik steeds genezen inet:
Gedestilleerd water ... 50 gram
Tinctuur van Valeriaan ..Si,
Broomkalium.....4 ,t
Altheastroop......20 ,/
om de 2 uren een eetlepel vol. In den regel helpt de
eerste lepel reeds.
8. Lintwormen. Wormen.
Honden, die van wormen te lijden hebben, eten veel
zonder daarbij te gedijen, worden zelfs dikwijls mager.
Dikwijls schuren zij inet hun achterste over den grond,
lijden aan krampachtige pijnen en loopen als razend rond,
welk laatste er wel eens aanleiding toe heeft gegeven een aan
wormen lijdend dier als dol te beschouwen en te behandelen.
De wormen, zoowel als stukken van den lintworm, vcr-
toonen zich aan de uitwerpselen.
Tegen de gewone ingewandswormem is wormkruid (2 u 4
-ocr page 191-
170
gram) of de bekende worinkoekjes met een weinig wonder-
olie een heilzaam middel.
Tegen lintworm geeft men:
le. Poeder van arecanoot of betelnoot, 6 a 10 gram met
melk vermengd, na het dier eerst 2 dagen op dieet
gesteld te hebben, of
2». Een afkooksel van melk en knoflook, waarvan men
den hond maar naar believen, hoe meer hoe beter, laat
drinken, of
3°. Een extract van de wortels van de mannetjes-varen
(Aspidium Filix Mas). Men neemt 7£ gram extract
en geeft dat bij lepels vol binnen eenige uren in.
4°. Kamala-poeder van 2 tot 15 gram, (al naar de grootte
van den hond) met melk vermengd, nadat het dier eerst
24 uur heeft gevast. Na de toediening verschaft men
den hond veel beweging door loopen en springen, waarop
dan na een uur of 5 gewoonlijk de lintworm loskomt.
Een afzonderlijk purgeermiddel is hierbij niet noodig.
9. Oogontsteking
kan ontstaan door tocht, gevatte koude op een nat leger,
ook door het liggen in de volle zon. Dikwijls heb ik gene-
zing verkregen door de oogleden en wenkbrauwen met raap-
olie in te wrijven. Is het bindvlies onstoken, wat zich open-
baart door opzwelling der oogleden en sterke afscheiding
der traauklieren en slijmvorming om de randen der oogen,
dan wordt aanbevolen :
de oogen 3 of 4 keer per dag te wasschen met een af-
kooksel van lijnzaad en maankoppen, of met
\\ liter water, waarin 15 gram belladonnakruid is ge-
kookt en waarbij nog 1 decigram loodsuiker wordt gevoegd.
-ocr page 192-
171
Zetelt de kwaal meer in het wit der oogen of in het
doorschijnend hoorn vlies (iris en oogappel), dan tranen de
oogen ook en kleven de oogleden \'s morgens vast, doch
zijn de oogleden niet zoo gezwollen.
Li dit geval de oogen 3 of 4 keer per dag wasschen
met een afkooksel van lijnzaad en daarna betten met
Eozenwater.....30 gram
Witte vitriool .... 0.1 //
Laudanum.....8 druppels
Hierbij lichte voeding, doch geen vleesch, niet vermoeien,
niet baden; in beide gevallen het dier droog en warm
houden.
10. Oorworm of oorkanker.
De oorworm is eene menigvuldig voorkomende ziekte,
vooral bij jachthonden en andere langharige honden.
Men onderscheidt uitwendige en inwendige oorworm; de
eerste openbaart zich door zweertjes aan de randen der
ooren, die de hond dikwijls tot bloeden krabt. Deze zweer-
tjes en de daardoor ontstane ontstoken plekken penseele
men met een mengsel van 50 gram glycerine en 10 drup-
pels carbolzuur, terwijl men de gehoorgang meermalen daags
penseelt met eene oplossing van 80 gram soda op 1 liter
warm water of daarin dagelijks een drietal droppels giet
van 6 droppels creosoot vermengd met 30 gram saliethee.
Bij de inwendige oorworm is het inwendige oor ontsto-
ken en rood. In den beginne doet het den hond zichtbaar
goed, wanneer men hem zachtjes aan de ooren krabt of
schudt, later doet zulks hem pijn. Hij schudt aanhoudend
met den kop en wrijft dien tegen de muren. Uit het oor
vloeit een kwalijk riekende, kleverige en etterige vloeistof;
het meeste hiervan blijft zitten en verdroogt, waardoor
-ocr page 193-
172
zweren ontslaan, die veel pijn veroorzaken en den hond
doof kunnen maken.
Aanbevolen worden inspuitingen (meermalen dagelijks
met 25 gram carbolzuur en 30 gram spiritus op 1 liter
water of wasscliiugen (2 keer per dag) met arnica-water
(4 eetlepels arnica-tinctuur op een % liter lauw water).
Men kan hiervoor een stokje gebruiken, waaraan men
een snonsje heeft bevestigd; van het arnica-water giet men
een weinig in het oor en wascht dit dan met het
sponsje uit. Dit herhaalt men een paar malen, nadat men
telkens het sponsje goed gereinigd heeft, maakt het oor
op dezelfde wijze ook weder droog en giet er eenige drop-
pels amandelolie in.
Nu en dan een zacht purgeeriniddel en licht verteerbaar
voedsel zijn ook hier weder geraden.
11. Sprmo.
Deze ziekte komt bijna alleen voor bij jonge honden, die
nog de moederborst gebruiken. De geheel mond geraakt
vol blaasjes, die etteren en bij het dier zooveel pijn ver-
oorzaken, dat het zuigen hem moeiclijk valt.
Het zuiver houden van den bek der jongen en gezond voed-
sel voor de zoogende moeder zijn de beste middelen tergenezing.
Eene goede uitwerking heeft het bestrijken (inwendig)
van den bek met inoerbeziën- stroop of een mengsel van 1
deel azijn en 2 deelen honig.
12. Be Staar.
a. Grauwe Sta a r.
Deze ziekte openbaart zicli daardoor, dat de kristallens
troebel wordt, zoodat de oogappel er, in plaats van zwart,
-ocr page 194-
173
vuilwit, geel- of blauwachtig uitziet. Het toedienen van 4
of 5 korreltjes Mercur solubilis of c o c c u 1 u s, twee-
maal per dag, heeft reeds menigmaal geholpen.
O. Zwarte Staar.
De gezichtszenuwen verlammen, ofschoon men aan het
oog uitwendig nauwelijks iets merken kan; de hond kan
rechtstreeks in \'t helder zonlicht opzien, zonder er eenige
gewaarwording van te verkrijgen Al zeer spoedig vertooncn
er zich verschijnselen van volslagen blindheid.
Bij bloedaandrang naar den kop, bij jonge honden voor-
komende, kan men dagelijks twee maal 4 a 5 korreltjes
Belladonna geven; is verwonding misschien de oorzaak,
dan geve men evenveel A.rnica.
13. De Typhus.
De hond wordt luimig, treurig, steeds matter en matter
en wil niet meer eten. Het oogbindvlies wordt rood, de
ademhaling versnelt, dikwijls ontstaat er ook diarrhee.
Na eenige dagen zwelt het voorste gedeelte van het lichaam
op on vertoonen er zich aan de buik en aan de naakte
binnenkanten der pooten kleine bleekroode plekjes, die geheel
verbleeken, als men er met den vinger op drukt. De huid
is warm op het gevoel, alsmede de kop en de slijmhuid in
den bek. Bij genezing verdwijnen deze verschijnselen lang-
zamerhand. In den regel ontstaat deze ziekte door slecht of
bedorven voedsel, heete bedorven lucht in het hok of bo-
venmatige inspanning.
Men geve den patiënt om het half uur 4 of 5 korreltjes
Aconitns N a p e 11 u s, en als men dit 6 a 8 maal
-ocr page 195-
174
heeft gedaan, wisselt men dit af met Belladonna.
Bij groote zwakte ten gevolge van diarrhee geve men
4 of 5 korreltjes Phosphor en late de Belladonna
achterwege.
Voorts vocdere men bouillon met ei en een weinig fijn
gehakt rauw vleesch.
De patiënt moet van de gezonde dieren gescheiden, de
uitwerpselen dadelijk verwijderd en het leger zeer zindelijk
gehouden worden.
14. Uitslag,
Hiervan treft ineu er bij de honden verschillende soorten
aan, die alle in meerdere of mindere mate besmettelijk zijn.
Wij noemen daarvan in de eeste plaats
a. De Schurft,
welke ontstaat door een klein insect, de schurftmijt, die
hare gangen in en door de huid boort en daardoor huid-
ontsteking veroorzaakt. De jeukte, die hierdoor ontstaat,
noopt den hond zich te krabben en overal tegen aan te
schuren en te wrijven, waardoor de kwaal zich steeds meer
en meer verspreidt.
Eerst vertoonen er zich blaasjes op de huid, die weldra
in zweertjes overgaan en eindelijk geheele korsten vormen.
De huid wordt daar ter plaatse kaal, hard en rimpelig;
het dier begint te vermageren en te stinken en ziet er
eindelijk allerwalgelijkst uit.
Tal van middelen worden aanbevolen om de schurftmijt
te dooden, doch alle. kunnen niet aangewend worden, om-
dat eronder zijn, die zeer vergiftig en — daar de hond zich
gaarne lekt — dus gevaarlijk zijn.
-ocr page 196-
175
In vele gevallen krijgt men goede resultaten, door den
patiënt een keer of drie per dag in te wrijven met tabaks-
water, Peru-balsem, petroleum of terpentijn en hem een
paar uren na de inwrijving af te wasschen met groene-zeepsop.
Ook wordt aanbevolen alle aangetaste deelen 3 dagen
achter elkander in te smeeren met een zalf, die men ver-
krijgt door een zeker gewicht aan terpentijn te roeren door
tweemaal zooveel smeltend reuzel.
Heeft men dit smeersel 4 dagen lang laten zitten om in
te drogen, dan wascht men het er met lauwe groene-zeepsop
af; gewoonlijk verdwijnt de korst dan meteen, doch is zulks
niet het geval, dan smere men het dier nog eens in met
de zalf en wassche die er 4 dagen later op dezelfde wijze af.
Ofschoon inwendige middelen tegen deze kwaal uit den
aard der zaak weinig kunnen baten, is het toch wel aan
te bevelen het dier 2 maal in de week een messespits vol
bloem van zwavel door zijn eten te roeren.
b. De oneigenlijke Spekschurft.
Ook hierbij ontstaan er op de huid kleine blaasjes, die
vochtige plekken en kale, donkerroode, vetachtig uitziende
plekken te weeg brengen. Ook zij brengen jeukte mee en
daarmee de aanleiding tot de verdere verspreiding.
Deze kwaal komt het meest voor bij dieren welke zwaar
gevoed worden en veel vet krijgen, waarom men den patiënt
dan ook schraal moet voeren en om den anderen dag een
eetlepel vol bloem van zwavel toedienen.
Aanbevolen worden 2 of 3 wasschingen per dag met eene
oplossing van 86 gram alcohol en 15 gram carbolzuur op
1 liter water.
De kwaal kan zeer langdurig zijn.
-ocr page 197-
17G
e. Schubuitslag.
Hierbij ontstaan geen blaasjes maar schubben, welke de
huid verdikken, een korst vormen en de haren doen uitval-
len. Zij verspreiden zich niet over het geheele lichaam -
doch op bepaalde plaatsen als de kniegewrichten, de onder-
ste deelen der pooten, enz.
De huid is onder die schubben nu eens droog, dan weer
vochtig.
Daar de kwaal zeer besmettelijk is, moet de patiënt streng
afgezonderd worden.
Men geve hem een paar malen in de week 1 eetlepel
vol bloem van zwavel, wassche hem des morgens met de
onder b genoemde oplossing en \'s avonds met eene oplossing
van 125 gram zwavellever en 1 liter warm water.
15. Verstopping.
Meestal een gevolg van veel droog en zwaar verteerbaar
voedsel en gebrek aan beweging. Hebben zich de meststoffen
in den endeldarm opgehoopt, dan moeten deze daaruit verwij-
derd worden door een of meer lavementen van lauw water,
waarin een weinig keukenzout en een paar lepels vol boomolie.
Inwendig geve men een lepel vol wonderolie en licht
verteerbaar voedsel, vooral slijmige plantaardige stoffen, ter-
wijl men den patiënt bovendien warm houdt.
tf-tSpg.