-ocr page 1-
10Z1S
Knm
^
MAATSCHAPPIJ DTLIÖBNTIA
Natuurkundige voordrachten,
beschreven door P. A. Haaxman Jr.
1898/99.
Dr. C. H. WIND
Lector a/d. Universiteit te Groningen..
I^iclit en X-stralen.
W24&&
-ocr page 2-
•
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000035191463B
35191463
-ocr page 3-
Licht en X-stralen.
Do mededcolingen, die Dr. Wind den 10en Februari 11.
aan een talrijk publiek in DUk/entia deed over de jongste
onderzoekingen in het natuurkundig laboratorium van de
Hoogeschool te Groningen, waren wel een schitterend bewijs
dat de beoefenaars der wetenschap een taai geduld hebbon,
zich door teleurstellingen hoe groot ook niet uit het veld
laten slaan, maar integendeel met des te grooter volharding,
zoo noodig, weer van voren af aan beginnen.
Een paar maanden geloden, toen Dr. Wind zijn onderwerp
opgaf, had hij zich gevleid zijn Haagsch auditorium den
primeur te kunnen geven van een wetenschappelijk nieuwtje
ter wereld gekomen in \'tphysisch laboratorium der Groningsche
Universiteit, namelijk niet veel minder dan de oplossing van
de vraag, wat Röntgen- of X-stralen eigenlijk voor stralen
zijn. Dit is toch de vraag welke sedert een paar jaar een
deel van de werkkrachten van genoemd laboratorium in
beslag heeft genomen. Spreker gaf ons een levendig beeld
van de moeielijkheden die dit vraagstuk voor den onderzoeker
oplevert, hoe men telkens de waarheid meende te vatten,
maar ze ook dra weer ontglipte en hoe hier oen merkwaardige
illustratie werd geleverd van het beweren, dat de natuur
er op uit schijnt te zijn, den onderzooker zoo veel mogelijk
om den tuin te leiden.
-ocr page 4-
2
Was spreker dus teleurgesteld geweest, dat hij heden-avond
het laatste woord in dit onderzoek niet had mogen spreken,
zijn gehoor zal er hem dankbaar voor geweest zijn, dat hij
nochtans bij zijn keuze van dit onderwerp gebleven was,
want er volgde nu een verrassend kijkje in de wording van
de oplossing van een probleem: wel geen eclatante nieuwig-
heden, geen stukje natuur in haar zondagsgewaad, maar
oen stukje natuur in werkgewaad.
Aan dat intieme kijkje in oen werkplaats van het natuur-
kundig onderzoek liet spreker vooraf gaan een heldere schets
van een interessant hoofdstuk der natuurkunde.
Toen nu ruim drie jaar geleden professor Röntgen te
Würzburg de merkwaardige stralen ontdekte, die het ver-
mogen hebben door ondoorschijnende lichamen heen te gaan,
sommige stoffen te doen fluoresceeren en ook de photographischo
plaat aan te tasten, was dadelijk de eerste vraag: van welken
aard zijn die stralen? Men was het spoedig hierover eens,
dat zij van geheel andere natuur zijn dan de licht-, de
electrische- en de warmtestralen. Maar wat waren het dan?
Prof. Röntgen heeft die vraag trachten te beantwoorden,
maar is geëindigd met daarover geen besliste meening uit
te spreken. De meest waarschijnlijke mogelijkheid achtte hij
deze, dat de X-stralen waren trillingen of golvingen van
den aether, evenzeer als het gewone licht, maar dat die
trillingen hier dan niet zooals bij de lichtstralen loodrecht op het
vlak, waarin zij zich voortplanten, dus niet transversaal plaats
vinden, maar evenwijdig aan die richting, d.i. longitudinaal.
Dit punt van verschil in wezen zou, volgens hem, voldoende
zijn om het groote onderscheid in eigenschappen te verklaren.
Vele geleerden echter hebben zich ernstig bezwaard gevoeld
om die hypothese te aanvaarden, of liever gezegd zij zouden
het zeer betreurd hebben, wanneer dit de eenige houdbare
hypothese mocht blijken te zijn. En wel om deze reden.
Transversale aethertrillingen zijn er bekend van allerlei soort.
-ocr page 5-
8
Als men van een Leidschc fleseh een vonk laat overspringen,
worden er naar alle zijden electrische trillingen uitgezonden,
die steeds echter plaats vinden loodrecht op de richting,
waarin zij zich voortplanten. Neemt men, in plaats van
een Leidsche fleseh, twee kleine bollen, tusschen welke een
vonk overspringt, dan zal die vonk weer een bron zijn van zich
naar alle zijden voortplantende transversale aethertrillingen,
alleen van een veel sneller tempo dan die van de fleseh.
Ook onderstelt men dat de moleculen van een lichaam
transversale trillingen uitzenden, die, wanneer zij door toe-
neming van de temperatuur sneller worden, ten slotte het
netvlies van ons oog aandoen. Die snellere trillingen planten
zich dan voort als lichtstralen, waaronder de roode met hun
betrekkelijk langzame trillingen, de gele met snellere,
eindelijk de violette stralen met nog snellere trillingen.
Dan zijn er nog de nog snellere trillingen van deze zelfde
soort, die het netverlies niet meer aandoen, maar wel de
photographische plaat en die de zg. ultraviolette stralen vormen.
Welnu, al die transversale trillingen kent men nauwkeurig,
maar longitudinale electrische trillingen heelt men nog nooit
waargenomen, ja de tegenwoordige electrische theorie is
zoo gebouwd, dat zij eigenlijk geen longitudinale trillingen
toelaat. Als ze er waren, zou de electrische theorie een
goed deel van haren tegenwoordigen betrekkelijken eenvoud
moeten inboeten.
Dit was de reden, waarom vele geleerden zich bezwaard
gevoelden bij de gedachte, dat de X-stralen zouden zijn
longitudinale trillingen. Velen verklaarden zich dan ook
spoedig voor een andere hypothese, nl. dat de nieuwe stralen
zouden bestaan in zich zeer snel voortbewegende stofdeeltjes,
zoo ontzettend fijn dat ze zich met weinig moeite een weg
konden banen tusschen de moleculen van gewone lichamen
door. Men herkent hier dadelijk de gedachte, die langer
dan een eeuw aan de theorie van het licht heeft te gronde
-ocr page 6-
4
gelegen. Men weet dat aan deze zg. eniissiethcor\'tc, van
Newton afkomstig, door de proeven van Young en
Frosnel in \'t begin van deze eeuw de genadeslag is toe-
gebracht en dat eerst toen de even oude undulatietheoric van
onzen grootcn Huygcns tot haar recht kon komen. Hier
duikt het gronddenkbeeld der emissietheorie nu onmiddellijk
weer op, waar het geldt, zich omtrent hot wezen van een
nieuw ontdekte soort van straling een voorstelling te vormen.
Trouwens het is een feit dat er verschijnselen zijn op elec-
trisch gebied, die zich inderdaad niet gemakkelijker laten
verklaren dan door het aannemen van zeer snel bewegende
stofdeeltjes. Met het oog op de verklaring der X-stralen nu
had de emissie-theorie ongetwijfeld dit voor, dat zo niet
streed tegen de fundamenten van de elcctriciteitslcer.
Van den aanvang was er ook een derde hypothese,
namelijk dat de X-stralen eenvoudig zouden behooren tot
de bekende reeks van electrische trillingen. Te beginnen met
die van de vonk der leidsche flesch, vervolgens die uitgezonden
door de electrische trillingsbronnen of vibrators van Hor tz ,
die van de kleinere vibratoren van zijne volgelingen (Righi
in \'t bijzonder), verder de warmte-, licht- en ultra-violette
trillingen, verschillen zij alle in tempo of wel in golf lengte
(d. i. de weg dien de straal aflegt gedurende den tijd dat
een enkele trilling duurt); deze toch wordt kleiner naarmate
men verder in deze rij van trillingen voortschrijdt. Zoo kan
de golflengte der trillingen van de vonk eener leidsche flesch
30 kilometer bedragen; Hertz wist trillingen teweeg te
brengen met golflengten tusschen 3 M. en 30 cM., en tegen-
woordig kent men langs electrischen weg teweeggebrachte
trillingen tot zelfs van een golflengte van eenige mM. Maar
tusschen deze electrische trillingen en de warmte-trillingen van
0,050 mM. golflengte bestaat een hiaat, dat tot dusverre nog
niet is aangevuld — wat trouwens niet aan iets anders dan aan
de onvolmaaktheid onzer toestellen en waarnemingen behoeft
-ocr page 7-
5
te worden toegeschreven. De na dit hiaat volgende reeks
van warmte-, licht- en ultra-violette trillingen is geheel
doorloopend en reikt, voor zoover men haar kent, van ruim
V20 tot ruim V10000 mM.
In deze reeks vallen tusschen ongeveer 1/1250 en V2500
mM. de golflengten der op ons netvlies werkende stralen.
Is daarmee nu gezegd, dat de reeks der electrische trillingen
daar haar einde heeft bereikt? Liggen misschien niet de
X-stralen nog in dezelfde rij, doch verderop? \'t Is waar, eenigs-
zins onwaarschijnlijk moest dat wel schijnen, daar de wijze
waarop de X-stralen zich gedragen, zoo veel verschilt van de
bekende stralen. Immers deze worden gebroken aan de grens
van twee middenstoffen en laten zich terugkaatsen, maar
de X-stralen laten zich dat niet doen noch door prismaas,
noch door lenzen, terwijl zij buitendien de eigenaardigheid
hebben om door metalen en andere voorwerpen heen te
dringen. Dit is dan ook de reden waarom die hypothese in
den aanvang zoo weinig sympathie ontmoette. Evenwel
kwam er spoedig weer weifeling, toen men overwoog hoe-
zeer ook de bekende stralen uiteenloopen ten aanzien van
de mate van breking en terugkaatsing. Gaan de roode
stralen veel minder van hun weg af dan de blauwe, bij de
ultraviolette is die breking nog veel sterker. En de theoriën
omtrent de verschillende breekbaarheid enz. nagaande, zag
men zelfs in dat zeer waarschijnlijk stralen van zeer geringe
golflengte juist een zeer geringe mate van breekbaarheid
en een groot doordringingsvermogen zouden bezitten. Het was
dus nog niet zoo geheel onwaarschijnlijk, dat de X-stralen tot
de rij bekende stralen behooren, als men maar wilde aannemen
dat zij een heel eind verder in de rij liggen. De hypothese
van gelijksoortigheid met de lichtstralen had dus voorloopig
recht van bestaan en vond dan ook een plaats naast die
van de stofdeeltjes.
Spreker schetste nu de richting van het verder onderzoek,
-ocr page 8-
6
waarbij men op de X-stralen trachtte toe toe te passen het
kriterium waardoor zich ondubbelzinnig stralen van zich
voortbewegende stofdeeltjes laten onderscheiden van stralen,
die bestaan in zich voortplantende periodieke toestandsver-
anderingen. De eerstbedoelde stralen zullen, als zij op een
bepaald punt vallen, elkaar altijd versterken; de tweede
daarentegen kunnen elkaar óf opheffen of versterken. Men
heeft dus getracht te onderzoeken, of X-stralen al dan niet
deze laatste eigenaardigheid, m. a. w. of zij interferentie-
vermogen bezitten. Maar bij dat onderzoek kon men hier,
bij de X-stralen, geen gebruik maken van prismaas of lenzen,
die toch op die stralen geen vat hebben. Hier moet men
zijn toevlucht nemen tot de zg. buigingsproeven. Wat heeft
men te verstaan onder buiging van het licht? Wanneer
stralen, van een lichtend punt uitgaande, door een opening
in een scherm vallen, zou men mogelijk verwachten, dat
er aan gene zijde van het scherm slechts verlichting zal
plaats vinden in een ruimte, welke valt binnen den kegel,
die het lichtgevende punt tot top heeft en door de opening
wordt uitgesneden; in werkelijkheid zal echter het licht
zich eenigermate om de randen der opening henen buigen,
zoodat er ook nog verlichting buiten de genoemde ruimte
plaats vindt.
Het bestaan van zulk een buiging bij de lichtstralen
toonde Spr. aan door een van Cornu afkomstige eenvoudige
doch zeer interessante proef, waarbij op het projectiescherm
een fraai beeld verscheen van een vogel veer, dat slechts
aan gebogen stralen kon worden toegeschreven, daar al de
recht doorgaande stralen door diaphragmaas werden terug-
gehouden. Deze proef kon echter voor de X-stralen niet
dienen, daar er weer van lenzen werd gebruik gemaakt.
Hier moet men buigingsproeven doen, waarbij geen lenzen
noodig zijn.
Als zoodanig kunnen echter uitstekend dienen de gewone
-ocr page 9-
7
buigingsproeven, die in eiken eenigszins volledigen cursus
over Natuurkunde worden behandeld.
Men kan deze proeven niet gemakkelijker begrijpen dan
door toepassing van het zoogenaamde beginsel van Huygens,
den vader der undulatie-theorie.
Dit beginsel werd door spr. uiteengezet en uitvoerig
toegelicht door teekeningen en lichtbeelden. Op het projectie-
scherm werd een in elementaire zones verdeeld golfvlak
voorgesteld en door het voorschuiven van donkere schermen
gedemonstreerd, hoe de totale uitwerking van het werkzaam
gelaten deel van het golfvlak verandert, naarmate men een
wijdere of een nauwere spleet gebruikt en naarmate men
het punt, welks verlichting men in het oog vat, van plaats
laat veranderen.
Tot illustratie van de langs dezen weg afgeleide resultaten
werden gefotografeerde buigingsbeelden, verkregen door
gebruik te maken van wijdere en nauwere spleten als
buigende opening, op het scherm geprojecteerd.
Daarna keerde spr. terug tot de X-stralen, en wel tot de
vraag of bij deze nu ook soortgelijke buigingsverschijnselen
zouden zijn waar te nemen.
Velen hebben er naar gezocht, maar aan niemand mocht
het gelukken, totdat de Duitscher F o m m beweerde dat hij
buigingsbeelden van X-stralen verkregen had, waardoor dus
bij nauwkeurige meting de golflengte der stralen zich zou
laten berekenen. F o m m mat de beelden, berekende daarna
de golflengte en vond deze ongeveer 40-maal kleiner dan die
van het gewone licht. Over \'t algemeen vond dit resultaat
echter niet veel vertrouwen, vooral, omdat het in tegen-
spraak was met de door andere onderzoekers gepubliceerde
resultaten. Onder die omstandigheden nu besloot men te
Groningen de proeven van Fomm te herhalen; \'t gelukte
al zeer spoedig een figuur te verkrijgen, die met die van
Fomm overeenkwam, doch nu bleek het al spoedig aan
-ocr page 10-
8
de Groningsche waarnemers, dat de strepen in de figuren van
F o mm onmogelijk gewone buigingsstrepen konden zijn, daar
zij niet aan de daarvoor geldenden wetten gehoorzaamden.
Zjjn beweren, dat de X-stralen golvingen zijn van die of
die grootte had dus geen waarde. In plaats van éen, stond
men nu voor twee vraagstukken, want men moest nu ook
oplossen van welken aard die lijnen van Fomm dan wèl
waren. Te Groningen begon men met het laatste, in de
hoop dan misschien in de oplossing daarvan tevens een
uitgangspunt te vinden ter beantwoording van de andere,
de groote vraag. Werkelijk meende men al spoedig de
oorzaak van de donkere lijnen, die Fomm in zijnespleet-
beelden had waargenomen en voor gewone zoogenaamde
buigings-strepen had aangezien, te kunnen aangeven.
Terwijl bij de theorie der buigingsverschijnselen meestal
stilzwijgend wordt vooropgesteld, dat als lichtbron een fijn
lichtgevend punt of\' wel een verlichte zeer fijne spleet wordt
gebruikt, kwam men op de gedachte, dat de spleetopening
die voor de proeven van Fomm had gediend om den bundel
van X-stralen af te grenzen, welken men op de buigings-
spleet liet vallen, hoe nauw zij ook was genomen, toch niet
als een voor de onveranderde toepassing der theorie voldoend
fijne spleet mocht worden aangemerkt en dat men wel degelijk
met de breedte dier spleet had rekening te houden. Hoe
men daarmee rekening kon houden, was gemakkelijk aan
te geven. Deze gedachte scheen nu werkelijk een bevredigende
verklaring te bieden van de F o m m\'sche beelden niet alleen,
zij leidde ook tot verschillende voorspellingen, die gemakkelijk
op de proef konden worden gesteld. Vooreerst deed zij ver-
wachten dat volkomen soortgelijke verschijnselen als de
Fora m\'sche, zich ook bij gewoon licht onder de overeen-
komstige omstandigheden zouden voordoen. Dan leerden zij
al spoedig, wat er voor buigingsbeelden moeten ontstaan,
wanneer men, hetzij met licht, hetzij met X-stralen werkende,
-ocr page 11-
9
de buigende spleet verving door een schaduwgovende naald b.v.
Toen nu de proeven die voorspellingen op de meest duidelijke
wijze bevestigden, was het geen wonder dat men groot
vertrouwen in de nieuw gevonden verklaring stelde en —
ondanks enkele kleine moeilijkheden, die nog bleven bestaan
—  de overtuiging kreeg, dat de gelijksoortigheid in gedrag,
bij die proeven aan den dag komende tusschen licht- en
X-stralen, haar grond moest hebben in een gelijksoortigheid
naar het wezen zelve van beiderlei stralen. Ook deed de gevon-
den verklaring der Fomm\'sche strepen de hoop herleven dat
men met behulp daarvan de golflengte der X-stralen zou
kunnen vinden, al moest men dan ook de berekening iets anders
inrichten dan Po mm had gedaan; en zoo werd vol moed
weer oen lange reeks van proeven ondernomen en begonnen
met een zorgvuldige uitmeting van de daarbij verkregen
beelden. De spleten bleken echter steeds nauwer, de afstanden
tusschen de spleten en de gevoelige plaat, waarop het buigings-
beeld werd opgenomen, steeds grooter te moeten worden
genomen: de grootste zaal van het laboratorium bleek ten
slotte te klein, de corridors moesten er bij worden getrokken:
het gansche gebouw werd vervuld van X-stralen. Tevens
maakten de fijne spleten en de groote afstanden steeds
grooter en grooter expositietijd noodzakelijk, zoodat deze ten
slotte klom tot 80 uren.
Doch, zonderling — elke nieuwe uitmeting gaf steeds
weer als resultaat, dat de omstandigheden, waaronder de
proef was gedaan, nog meer moesten worden verscherpt,
wilde men er werkelijk een golflengte uit kunnen berekenen
—   doch de golflengte zelve kwam er niet uit ... . Toen
kwam de ontgoocheling. Langzaam, als een grauw spook
kwam het over ons, zeide spreker, of die strepen, waarop
we zoo lang getuurd hadden, misschien het gevolg waren
van een optische illusie.
Weer proeven, om dit vermoeden te controleeren; en de
-ocr page 12-
10
verklaring van die proeven was niet het minst belang-
wekkende deel van spreker\'s rede. Met draaiende zwarte
schijven en daarop uitgesneden witte sectoren toonde hij
aan, hoe op de grens tusschen het licht en een overgang
naar een donkerder gebied zich een streep kan vertoonen,
zichtbaar voor het oog, maar werkelijk niet bestaande. Het
vermoeden werd maar al te zeer bevestigd.
Men had dus metingen gedaan van iets dat niet bestond
en een halfjaar naar een gezichtsbedrog zitten kijken, zonder
het vraagstuk zelf een stap verder te brengen. Toch wel.
Uit al de genomen proeven bleek ten minste, dat als de
X-stralen een golflengte hebben, deze niet 40maal kleiner,
maar meer dan 1000 maal kleiner dan die der gewone
lichtstralen moet zijn.
Maar daarbij heeft men het te Groningen niet gelaten.
Men is op \'t oogenblik aan \'t bestudeeren van de buigings-
verschijnselen in het nauwe gedeelte van een spits toeloopende
zeer fijne spleet. Het buigingsbeeld wordt daar wijder en
breidt zich penseelvormig uit. De hoop wordt nu gekoesterd
dat, als de X-stralen golvingen zijn en men die puntige
spleet maar fijn genoeg neemt, de verbreeding van het beeld
wel verkregen zal worden.
Proeven worden nu genomen met spleten, die in \'t nauwste
gedeelte 2/]0oo m^« bedragen en met expositietijden tot zelfs
van 200 uren. En de verbreedingen zijn daarmee werkelijk
verkregen maar .... zijn er ook hier misschien weer andere
omstandigheden in \'t spel, die het noodig zouden kunnen
maken al te ras getrokken conclusies later weer te corrigeeren ?
Als die verbreedingen intusschen werkelijkheid mochten
blijken, dan kan men zeker zijn, dat X-stralen bestaan in
trillingen en dat haar golflengte ligt in de buurt van 1
a 2 tienmillioenste van een millimeter.
\'t Heeft wel iets van een roman — zeide spreker aan \'t
eind zijner met groote spanning gevolgde voordracht —
-ocr page 13-
11
maar die niet eindigt met „dat ze elkaar krijgen". De
ontknooping
is voor later weggelegd.
Dan zal de naam van Dr. Wind er zeker aan ver-
bonden worden.
P. S. Op den dag dezer voordracht werd door Prof. Haga te
Groningen de laatste photografische opname, tot dit
onderzoek behoorende, ontwikkeld. In de Februari-zitting
der Kon. Akad. v. Wet. te Amsterdam mocht deze het
genoegen smaken, mede namens Dr. Wind, mede te deelen
dat het onderzoek over de buiging der X-stralen als
geëindigd mocht worden beschouwd en na allerlei over-
wegingen had geleid tot de nu zeer vast staande overtuiging,
dat de X-stralen buigingsverschijnselen vertoonen, derhalve
in trillingen moeten bestaan — en dat hun een reeks van
golflengten toekomt, reikende van een paar tienmillioenste
van een ml. tot een minstens nog wel twintigmaal kleiner
bedrag.