-ocr page 1-
-ocr page 2-
*^ 102 S3
•
Kast 201
PJ.E No. 2 9
,
GESCHENK
.
-*s
Bi
-ocr page 3-
VM1DD&\'
-ocr page 4-
-ocr page 5-
•
*
*
WET OP HET LAGER ONDERWIJS.
-ocr page 6-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000004976563B
0497 6563
-ocr page 7-
&*,%.
f
"W E T
TOT
REGELING VAN HET
LAGER 0 N D E R W IJ S,
MET AANTEEKENINGEN, ONTLEEND AAN DE OFF.
STUKKEN DER STATEN-GENERAAL, AAN ADMINISTRATIEVE BE-
SLISSINGEN EN AAN DE LITERATUUR,
DOOE
H. J. G. HARTMAN,
Adj.-Commies ter Provinciale Griffie van Zeeland,
ONDER TOEZICHT VAN
Mr. E. L. VAN EMDEN,
Advocaat te \'s-Gravcnhage.
S N E E K,
J. F. VAN DBUTEN.
1890.
.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
5,
VOORBEEICHT.
Het doel, met deze uitgaaf beoogd, is hun, die tot de uitvoering
der wet op het lager onderwijs hebben mede te werken, daarbij be-
hulpzaam te zijn door mededeeling in beknopten vorm van hetgeen
omtrent die uitvoering licht kan verspreiden. In verband daar-
mede vindt men omtrent het ontstaan van verschillende bepalingen
en omtrent verschillende belangrijke vragen, die zich bij de jongste
herziening hebben voorgedaan (als b.v.: grondwettigheid der subsidiën
aan bijzondere scholen, rechtsgelijkheid van openbaar en bijzonder
onderwijs, verwachtingen betreffende beëindiging van den schoolstrijd),
slechts zeer korte aiinteekeningen, en evenzoo van de vele amende-
menten alleen die vermeld, welker mededeeling niet gemist kan wor-
den tot recht begrip van hetgeen wet geworden is.
Van het aanvankelijk voornemen om met de uitgaaf van het laat-
ste gedeelte te wachten totdat alle maatregelen, ter uitvoering der wet
nog te nemen, in het Staatsblad zullen verschenen zijn, is afge-
weken, teneinde de inteekenaren spoediger in het bezit te kunnen
stellen van het register en van verschillende beslissingen betreffende
-ocr page 10-
VI                                                         VOORBERICHT.
vragen, die de uitvoering der herziene wet reeds in den loop van
dit jaar deed rijzen. Die maatregelen zullen nu later in een afzon-
derlijk vervolg worden vereenigd.
Voor den tekst der wet is overal spelling en interpunctie van het
Staatsblad nauwkeurig gevolgd.
Aan de welwillende toestemming van Gedeputeerde Staten van Zee-
land dank ik de mededeeling van enkele beslissingen, die ik tot dus-
ver niet vermeld vond.
Hun zij daarvoor dank gebracht, evenals aan Mr. Van Emden voor
de goede zorgen, door hem aan de uitgaaf besteed.
Middelburg, Juli 1890.
H. J. G. HARTMAN.
-ocr page 11-
INHOUD.
Bladz.
Opgaaf van de officieele stukken der Staten-Generaal.....IX
Lijst van verkortingen...............• XI
OVERZICHT der wetten op het L. Onderwijs van 1857 tot 1889        1
Overgangsbepalingen (artt. IV en V) der wet van 11 Juli 1884
(S. no. 123).................     42
Overgangsbepalingen (artt.V—X) der wet van 8 Dec. 1889 (S. no. 175)      42
WET op het Lager Onderwijs, zooals zij luidt na de in 1889 vast-
gestelde wijzigingen, met aanteekeningen.
Titel I. Algemeene bepalingen.........     45
Titel II. Van het openbaar onderwijs......      78
§ 1. Van de scholen...........      78
§ 2. Van de onderwijzers.........    106
§ 3. Van de kosten van het onderwijs.....    163
Titel III. Van het bijzonder onderwijs......    200
Titel IV. Van de akten van bekwaamheid tot het geven
van Lager Onderwijs........    216
Titel V. Van het toezicht op het Lager Onderwijs . .    231
Titel VI. Van bevordering van het schoolbezoek. . . .    243
Titel VII. Overgangsbepalingen.........    247
Overgangsbepalingen (artt. V—X) der wet van
8 Dec. 1889 (S. no. 175).......    253
VERVOLG der aanteekeningen............    260
-ocr page 12-
VIII
INHOUD.
BIJLAGEN.
Koninklijk Besluit van 22 Jan. 1880 (S. no. 5), tot regeling
van het ambtsgebied der Inspecteurs, Distr.- en Arrond.-Scb.ool-
opzieners en van de verdeeling hunner werkzaamheden . . . 277
Koninklijk Besluit van 8 Febr. 1881 (S. no. 26), houdende be-
palingen nopens de bijdragen voor pensioen enz......288
Koninklijk Besluit van 4 Mei 1883 (S. no. 41), waarbij worden
vastgesteld algemeene maatregelen omtrent den bouw en de
inrichting van schoollokalen............292
Koninklijk Besluit van 19 Febr. 1890 (S. no. 26), ter uitvoering
van art. 54bis der wet..............296
Koninklijk Besluit van 3 April 1890 (S. no. 34), houdende voor-
schriften ter uitvoering van art. 12, 3de lid, sub 2°., der wet. 300
Koninklijk Besluit van 18 April 1890 (S. no. 64), houdende
voorschriften ter uitvoering van art. 24 der wet.....302
Koninklijk Besluit van 29 Juni 1890 (S. no. 97), tot vaststelling
der regelen voor de Rijksnormaallessen, bedoeld in Art. 12 der
wet....................303
ALPHABETISCH REGISTER.............309
-ocr page 13-
,
OPGAAF
VAN DE
OFFICIEELE STUKKEN DER STATEN-GENERAAL.
Wet van 13 Aug. 1857 (S. no. 103).
Ontwerp aangeboden bij Kon. boodseh. van 21 Febr. 1857 (Bijl.
Hand. Staten-Gen. 1856/7 no. 84). Mem. van Toel. onderteekend door
den Min. Van Rappard. Voorloopig verslag der Tweede Kamer gedag-
teekend 6 April 1857, Mem. van Beantwoording 16 Juni 1857, Eind-
verslag 24 Juni 1857. De beraadslagingen in de Tweede Kamer duur-
den van 29 Juni—20 Juli 1857 (Hand. blz. 958—1232); op 20 Juli
1857 werd het ontwerp aangenomen met 47 tegen 13 stemmen. Bij de
Eerste Kamer kwam het in 4 Aug. 1857; het Verslag, bevattende tevens
het antwoord der Regeering, is gedagteekend 10 Aug. 1857. In de
zitting van 12 Aug. 1857 werd het ontwerp behandeld en goedge-
keurd met 34 stemmen tegen 1.
Wet van 17 Augustus 1878 (S. no. 127).
Ontwerp aangeboden bij Kon. boodseh. van 2 Maart 1878 (Bijl. 1877/8
no. 130). Mem. van Toel. onderteekend door den Min. Kappeyne van de
Coppello. V.V. der Tweede Kamer gedagteekend 30 April 1878, M.v.B.
1 Juni 1878, Eindverslag 5 Juni 1878. Beraadslagingen van 17 Juni
tot 18 Juli 1878 (Hand. blz. 944—1390); op 18 Juli 1878 werd het
ontwerp aangenomen met 52 tegen 30 stemmen. Bij de Eerste Kamer
kwam het in 30 Juli 1878; het V.V. is gedagteekend 3 Aug. 1878,
het Eindverslag, bevattende de M.v.B., 5 Aug. 1878. In de zitting van
7 Aug. 1878 werd het ontwerp behandeld en goedgekeurd met 26 tegen
10 stemmen.
Wet van 27 Juli 1882 (S. no. 117).
Voorstel ingezonden door het lid der Tweede Kamer Jhr. Mr. A. F.
De Savornin Lohman bij brief van 4 Maart 1882 (Bijl. 1881/2 no. 135).
V.V. der Tweede Kamer gedagteekend 20 Maart 1882, M.v.B. 19 April
1882, Eindverslag 25 April 1882. Het voorstel werd op 28 en 29 Juni
1882 behandeld (Hand. blz. 1201—1216), en op laatstgemelden dag
aangenomen met 46 tegen 24 stemmen. Bij de Eerste Kamer kwam
het in 4 Juli 1882; het Eindverslag is gedagteekend 6 Juli 1882. In
de zitting van 7 Juli 1882 is het voorstel behandeld en goedgekeurd
met 24 tegen 13 stemmen.
Wet van 3 Jan. 1884 (S. no. 2).
Voorstel ingezonden door het lid der Tweede Kamer Dr. P. J. F.
Vermeulen bij brief van 9 Nov. 1882 (Bijl. 1882/3 no. 103). V.V. der
-ocr page 14-
X                                           OPGAAF VAN DB OFF. STUKKEN.
Tweede Kamer gedagteekend 2 Juli 1883, M.v.B. 3 Sept. 1883, Eind-
verslag 20 Sept. 1883 (Bijl. 1883/4 no. 65). Op 17 Oct. 1883 had de
beraadslaging plaats (Hand. blz. 155—164), en werd het voorstel aan-
genomen met 57 tegen 18 stemmen. Bij de Eerste Kamer kwam het in
29  Nov. 1883; het Eindverslag is gedagteekend 1 Dec. 1883. In de
zitting van 3 Dec. 1883 is het voorstel behandeld en goedgekeurd met
algemeene stemmen.
Voorstel ingezonden door de leden der Tweede Kamer Mr. M. Baron
Maekay, Jhr. Mr. G. L. M. H. Ruys van Beerenbroek, Jhr. Mr. A. P.
De Savornin Lohman en Dr. H. J. A. M. Sehaepman bij brief van 5
Dec. 1883 (Bijl. 1883/4 no. 140). V.V. der Tweede Kamer gedagtee-
kend 2 April 1884, M.v.B. 16 Mei 1884, Eindverslag 19 Mei 1884.
Het voorstel is in den vorm van amendementen op het hieronder ver-
melde Eegeeringsvoorstel ingediend; na de stemmingen over art. 24,
op 24 Mei 1884, zijn echter zoowel de amendementen als het voorstel
ingetrokken.
Wet van 11 Juli 1884 (S. no. 123).
Ontwerp aangeboden bij Kon. boodsch. van 26 Jan. 1884 (Bijl. 1883/4
no. 161). M.v.T. onderteekend door den Min. Heemskerk. V.V. der Twee-
de Kamer gedagteekend 2 April 1884, M.v.B. 2 Mei 1884, Eindverslag
19 Mei 1884. De beraadslagingen werden gehouden van 26 tot 30 Mei
1884 (Hand. blz. 1417—1475); op 30 Mei 1884 werd het ontwerp aan-
genomen met 40 tegen 31 stemmen. Bij de Eerste Kamer kwam het in
30  Juni 1884; het Eindverslag is gedagteekend 3 Juli 1884. In de zit-
ting van 7 Juli 1884 is het ontwerp behandeld en aangenomen met 33
tegen 2 stemmen.
                   ___________
Wet van 15 April 1886 (S. no. 64),
houdende bepalingen, regelende het in werking treden van het bij de
wet van 3 Maart 1881 (S. no. 35) vastgestelde Wetboek van Straf-
recht en den overgang van de oude tot de nieuwe strafwetgeving, als-
mede om overeenstemming te brengen tusschen de bestaande wetten
en het nieuwe wetboek (zoogenaamde Invoeringswet).
Wet van 31 December 1887 (S. no. 265),
tot wijziging van bestaande wetten, ten einde die in overeenstemming te
brengen met het Wetb. van Strafvordering, in het Wetb. van Strafrecht
en, in verband met de thans geldende strafwetgeving, in het Burg. Wetb.
Wet van 8 Dec. 1889 (S. no. 175).
Ontwerp aangeboden bij Kon. boodsch. van 13 April 1889 (Bijl.
1888/9 no. 89). M.v.T. onderteekend door den Min. Maekay. Verslag der
-ocr page 15-
OPGAAF VAN DE OFF. STUKKEN.                                      XI
Commissie van voorbereiding, waarin opgenomen het V.V. van het on-
derzoek in de Tweede Kamer (dd. 20 Juni 1889), het antwoord der
Eeg. (dd. 20 Juli 1889) en de uitkomsten van het mondeling overleg
van de Eeg. met de Comm. van voorb., vastgesteld 6 Aug. 1889. De
beraadslagingen zijn gehouden van 22 Aug.—13 Sept. 1889 (Hand.
1888,9 blz. 1303—1643) en op 24 Sept. 1889 (Hand. 1889,90 blz.
43—63); op 26 Sept. 1889 werd het ontwerp aangenomen met 71 tegen
27 stemmen. Bij de Eerste Kamer kwam het in 21 Oct. 1889; het V.V.
is gedagteekend 13 Nov. 1889, het Eindverslag, bevattende de M.v.B.,
25 Nov. 1889. Het ontwerp werd behandeld in de zittingen van 3—6
Dec. 1889, en in die van laatstgenoemde dagteekening aangenomen met
31 tegen 18 stemmen.
De tekst der wet, zooals zij na de laatste wijziging luidt, is bekend
gemaakt bij K.B. 14 Dec. 1889 (S. no. 177).
LIJST TAN VERKORTINGEN.
M.v.T. 1878, 1884 Memorie van Toelichting en Memorie van Be-
of 1889.
                    antwoording, behoorende bij de wetten van
M.v.B. 1878, 1884 1878, 11 Juli 1884 en 1889. Bij de stukken
of 1889.                    van 1889 wijzen de cijfers de bladzijden van het
verslag der Commissie van voorbereiding aan.
Mond. overl. 1889. Uitkomsten van het mondeling overleg der Com-
missie van voorbereiding met de Eegeering in
1889. De cijfers wijzen de bladzijden van het
verslag der Commissie aan.
Verslag 1889.           Verslag der Comm. van voorbereid, in 1889.
M.v.B. Ie K. 1889. Memorie van Beantwoording op het verslag der
Eerste Kamer betreffende de wet van 1889.
V.V.                        Voorloopig Verslag.
M.v.B.Z. 2e K. Eedevoering van den Min. van Binnenl. Zaken in
1878,1884,1889. de Tweede Kamer bij de behandeling van een
der genoemde wetten. Het cijfer wijst de blad-
zijde van de Handelingen der Staten-Generaal
over 1877/8, 1883/4 of 1888,9 aan.
M.v.B.Z. Ie K. 1889. Als boven in de Eerste Kamer.
K.B.                         Koninklijk Besluit.
M.v.B.Z.                   Eapport of beslissing van den Min. van Binnenl.
Zaken.
M.v.F.                      Beslissing van den Min. van Financiën.
-ocr page 16-
LIJST VAN VBBKORTINGEN.
XII
Beslissing van Gedeputeerde Staten.
Idem van den Commissaris des Konings.
Advies der vergadering van Inspecteurs van het
lager onderwijs.
Arrest van den Hoogen Eaad.
Staatsblad.
Staats-courant.
Verslag van den staat der hooge-, middelbare en
lagere scholen in het Koninkr. der Nederlanden.
Verslag van den toestand der provincie, uitge-
bracht door Gedeputeerde Staten.
Provinciaal blad.
Eaad van State, afdeeling voor de geschib
len van bestuur. Uitg. Gebr. Belinfante.
Handelingen over de herziening der Grond-
wet, uitgegeven onder toezicht van Mr. A.
R. Arntzenius.
De Grondwet, toelichting en kritiek, door
G.S.
C.d.K.
Insp. l.o.
H.R.
S.
St.-ct.
Schoolversl.
Verslag (m. d. naam
eener prov. er bij).
P.B.
R.v.S.
Arntz.
Buys.
Bijdr.
v.E.
T.A.R.
Hiibr.
HL
T.C. en M.
Genist.
W.B.A.
Wekker.
W.v.h.R.
D.s.o.
A.s.o.
Mr. J. T. Buys.
* e
Bijdragen tot de kennis van het Staats-
Provinciaal- en Gemeentebestuur in Ne>
derland.
De rechtspraak en de administratieve beslis-
singen op de Nederl. Staatswetten, door
Mr. E. L. Van Emden.
Tijdschrift ter beoefening van het admini-
stratief recht.
De onderwijswetten in Nederland en hare
uitvoering, door Mr. P. F. Hubrecht, af-
deeling C.
De wet op het lager onderwijs en de daarbij be-
hoorende verordeningen, door Mr. P. P. Hu-
brecht. Het cijfer wijst het nummer der aan-
teekeningen aan.
De wet op het lager onderwijs, door S. Blaupot
Ten Cate en A. Moens, derde druk.
Gemeentestem.
Weekblad voor de Burgerlijke Administratie.
De Wekker, nieuwe bijdragen voor het onderwijs.
Weekblad van het Becht.
Districts-schoolopziener.
Arrondissements-schoolopziener.
-ocr page 17-
OVERZICHT
DER WETTEN OP HET LAGER ONDERWIJS
van 1857 tot 1889.
OPGAAF der WIJZIGINGEN,
aangebracht bij de wet van 1889.
TEKST DER WET VAN
17 Aug. 1878, S. no. 127,
met opgave der wijzigingen, aan
febracht bij de wetten van:
7 Juli 1882, S. no. 117,
3 Jan. 1884, S. no. 2,
11 Juli 1884, S. no. 123,
15 April 1886, S. no. 64, en
31 Dec. 1887, S. no. 265.
Deze wetten zijn in onderstaande
rubriek aangeduid met: 1878, 1882,
Jan.1884, 1884,1886 en 1887.
Met deze letter zyn gedrukt de bepalingen
der wet ran
1878, die door bepalingen van
een der bovengenoemde wetten zyn rerrangen.
Met deze letter zijn die bepalingen
gedrukt, welke door bepalingen der
wet van
1889 zijn vervangen.
Wij WILLEM III, bij de gra-
tie Gods, Koning der Nederlan-
den, Prins van Oranje-Nassaü,
Groothertog van Luxemburg,
enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of I100-
ren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging geno-
men hebben, dat herziening der wet
van 13 Angnstusl857 (Staatsblad
No. 103) noodzakelijk is (1878);
Alzoo Wij in overweging genomen
hebben, dat het wenschelijk is enkele
artikelen der wet van 17 Augustus
1878 (Staatsblad no. 127), hou-
dende herziening der wet van 13 Au-
gustus 1857 (Staatsblad no. 103),
tot regeling van het lager onder-
wijs, te wijzigen (1882 en 1884);
Alzoo Wij in overweging genomen
hebben, dat het wenschelijk is, eene
wijziging te brengen in art. 65 der
wet van 17 Augustus 1878 (Staats-
bladno. 127), houdende herziening
der wet van 13 Augustus 1857
(Staatsblad no. 103) tot regeling
van het lager onderwijs (Jan. 1884) ;
TEKST DER WET VAN
13 Auq. 1867, S. NO. 103.
De bij deze wet vastgestelde bepa-
lingen zijn gedrukt naast de bepa-
lingen der wet van 17 Aug. 1878,
S. no. 127, in wier plaats zij tre-
den. Gedeelten van artikelen, die on-
veranderd zijn vastgesteld, zijn hier-
onder niet overgenomen.
De bepalingen dezer wet zijn ge~
plaatst naast de daarmede overeen\'
komende bepalingen der wet van
17
Aug, 1878, S. no. 127, hiernevens.
Wij Willem III, bij de gratie
Gods, Koning der Nederlanden,
Prins van Oranje\'Nassau, Groother\'
tog van Luxemburg, enz., enz,, enz.
Allen, die deze zullen zien of hoo-
ren lezen, salutf doen te weten:
A Izoo Wij in overweging geno-
men hebben, dat art.
19-4 der Grond\'
wet voorschrijft, dat de inrigting
van het openbaar onderwijs, met eer-
hiediging van ieders godsdienstige
6e-
f vippen, door de wet wordt geregeld;
at er overal in het Rijk van over\'
heidswege voldoend openbaar lager
onderwijs wordt gegeven, en dat liet
geven van onderw\'ys vrij is, behou\'
dens het toezigt der overheid, en
bovendien, voor zooveel het middel-
baar en lager onderwijs betreft, be-
houdens het onderzoek naar de be-
kwaamheid en zedelijkheid des on-
derwijzers; het een en ander door
de wet te regelen;
dat het noodzakelijk is, in af-
wachting der regeling van het
«iüï-
delbaar en hooger onderwijs, aan
die bepalingen, voor zooveel het la*
ger onderwijs betreft, gevolg te ge
ven;
Alzoo Wij in overweging genomen
hebben, dat het wenschelijk is de wet
van 17 Augustus 1878 (Staatsblad
no. 127) tot regeling van het lager
onderwijs, zooals die is gewijzigd
bij de wetten van 27 Juli 1882
(Staatsblad no. 117), 3 Januari
1884 (Staatsblad no. 2), 11 Juli
1884 (Staatsblad no. 123) en 15
April 1886 (Staatsblad no. 64),
gedeeltelijk te herzien;
WET h. O.
-ocr page 18-
Wet 1889.
Wetten 1878—1884.
Wet 1857.
Zoo is het, dal iry, den Rimd z00 is het, dat Wij, den Raad
run Sltite gehoord, en met gemeen               Ufofp .rnlmnrfl en mpt rrpmppn
orerleg der staten-Gcneriial, hebben van ötate genoora.en mei gemeen
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij overleg der Staten-Generaal, nebben
goedvinden en verstaan hij deze: goedgevonden en verstaan, geluk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
TITEL I.
Algemeene bepaling en.
Art. 2. Lager onderwijs icordt ge-
geren in scholen en in de woningen
der ouders of voogden van de kin*
deren.
Het eerste is school\', het laatste
haisonderw\'ys.
Onderwijs aan de kinderen tan
ten hoogste drie gezinnen gezamen-
lijk wordt nog als huisonderwys be-
schouwd.
ALGEMEENE BEPALINGEN.
Art. I. Lager onderwijs is huis-
of sclioolonderwijs.
Onderwijs, gegeven aan kinderen
van ten hoogste drie gezinnen ge-
zamenlijk in de woning van het
hoofd van een dier gezinnen, is huis-
onderwijs.
Ieder ander onderw\'ys wordt voor de toe.
passing dezer wei als schoolonderwys be-
schouwd
(1878).
Ieder ander onderwijs, waaronder
ook liet onderwijs in armeninrichtin-
gen, gods-, gast- en werkhuizen, ge-
stichten van weldadigheid en andere
instellingen van openbaar nut gege-
ven, wordt voor de toepassing dezer
wet als schoolonderwijs beschouwd.
(1884.)
Art. 2. Onder lager onderwijs
begrijpt deze toet het onderwijs, in
a.  het lezen;
b.  het schrijven;
c.  het rekenen;
d.  de beginselen der vormleer;
e.  die der Nederlandsche taal;
f.  die der vaderlandsche geschie-
denis;
f. die der aardrijkskunde;
. die van de kennis der natuur;
i. het zingen;
Art. 1. ITet lager onderwijs wordt
onderscheiden in gewoon en meer
uitgebreid onderwijs.
Hei gewoon lager onderwijs om-
rat het onderw\'ys in:
a.  het lezen,
b.  het schrijven,
c.  het rekenen,
d.  de beginselen der vormleer,
e.  die der Nederlandsche taal,
g. die der geschiedenis,
f.   die der aardrijkskunde,
h. die der kennis ran de natuur,
i. hei zingen.
Onder lager onderwijs begrijpt
deze wet het onderwijs in:
d.  de beginselen der Nederlandsche
taal;
e.  die der vaderlandsche geschie-
denis;
/. die der aardrijkskunde;
g. die van de kennis der natuur;
h. het zingen;
i. de eerste oefeningen van het
handteekenen;
j. de vrije en orde-oefeningen der
gymnastiek;
k. de nnttige handwerken voor
meisjes.
Aan lagere scholen kan bovendien
onderwijs gegeven worden in
l. de beginselen der Fransche taal;
m. die der Hoogduitsche taal;
n. die der Engelsche taal;
o. die der algemeene geschiedeuis;
p. die der wiskunde;
q. het handteekenen;
r. de beginselen der landbouw*
kunde;
.v. de gymnastiek;
t. de fraaije handwerken voor
meisjes.
Aan lagere scholen kan bovendien
onderwijs gegeven worden in:
Tot het meer uitgebreid lager on-
derw\'ys wordt gerekend het onder-
wijs in:
k. de beginselen der kennis ran de
lerende talen,
1. die tier unskunde,
o. het teekenen,
ra. die der landbouwkunde,
n. de gymnastiek,
p. de hatidwerken voor meisjes.
t. de fraaie handwerken voor
meisjes.
-ocr page 19-
Wet 1889.             3
Wet 1857.
Wetten 1878—1884.
Art. 3. De lagere scholen worden
onderscheiden in openbare en bijzon-
dere scholen.
Openbare scholen zijn die, opge-
rigt en onderhouden door de ge-
meenten, de provinciën en het Rijk,
afzonderlijk of gezamenlijk
; de ove-
rige zijn bijzondere scholen.
Art. 3. De lagere scholen opge-
richt en onderhouden door het Rijk
of de gemeenten zijn openbare, de
overige zijn bijzondere scholen.
Door waterschappen of provinciën
worden geene uitgaven ten behoeve
van het lager onderwijs gedaan.
Aan bijzondere scholen noch aan
bijzondere inrichtingen tot opleiding
van onderwijzers mogen van wege
de gemeente geldelijke bijdragen of
eenige andere ondersteuning middel-
lijk of onmiddellijk worden tocge-
kend, dan in de gevallen en onder de
voorwaarden in deze wet genoemd.
Art. 3. Lagere scholen, waarvan
de kosten geheel of gedeeltelijk door
de gemeenten of het Rijk worden ge-
dragen, zijn openbare, alle andere
zijn bijzondere scholen.
Door waterschappen of pronincien
worden geene uitgaven ten behoeve
van het lager onderwijs gedaan.
Onverminderd het bepaalde in het
\\e lid, worden als bijzondere scholen
beschouwd de zoodanige, waaraan on-
derwijs gegeven wordt in een of meer
der vakken, genoemd in art.
2 onder
1, m en n, en hel vak, aldaar genoemd
onder
p, en aan welke van wege de
gemeente subsidie wordt verleend on-
der de voorwaarden, die de gemeen-
teraad noodig acht. Op deze scholen
zijn de arlt.
4 en 5 en het Ie en 2e
lid van art. 33 toepasselijk.
Art. 4. Art. 5 der wet van 1
Junijl865 (Staatsblad no. 58) is
toepasselijk op alle lokalen, waarin
lager schoolonderwijs gegeven wordt.
Bij algemeenen maatregel van in-
wendig bestuur worden door Ons,
zoowel in het belang van de gezond-
heid als van het onderwijs, alge-
meene regelen vastgesteld omtrent
den bouw en de inrigtiug der lokalen,
waarin openbaar lager schoolonder-
wijs gegeven wordt, alsmede omtrent
het aantal kinderen dat daarin mag
worden toegelaten, met bepaling
in hoever deze regelen verbindend zijn voor
de lokalen, waarin bijzonder lager schoolon-
derwjjs gegeven wordt
(1878).
oren in hoeverre deze regelen ver-
bindend zijn voor de lokalen, waarin
door gemeenten gesubsidieerd bijzon-
der lager schoolonderwijs wordt ge-
geven (1882).
Art. 5. Geen lager schoolonder-
wijs wordt gegeven in lokalen, welke
door den inspecteur van het genees-
kundig Staatstoezigt
als schadelijk voor de gezondheid zijn afge-
keurd
(1878).
zijn afgekeurd als schadelijk voor
de gezondheid of van onvoldoende
rnimte voor het aantal schoolgaande
kinderen (1882).
De inspecteur spreekt de afkeuring
nit bij schriftelijke en met redenen
omkleede verklaring en zendt daar-
van afschrift aan Gedeputeerde Sta-
ten en tenzelfden dage aan het ge-
meentebestuur, aan den districts-
schoolopziener en aan het hoofd der
school. Gedeputeerde Staten gelasten
Aan bijzondere scholen kan van
wege de gemeente of de provincie
subsidie morden verleend, onder zoo-
danige voorwaarden, als het ge-
meente. of provinciaal bestuur noO\'
dig acht.
De aldus gesubsidieerde scholen
zijn toegankelijk roor alle kinderen,
zonder ontlerscheid ran godsdienstige
gezindheid. Het Ie en 2e lid ran
art.
23 zijn op die scholen toepasse-
lijk.
Art. 4. Geen schoolonderwijs wordt
gegeven in localen, die door den
districts-schvolopzieuer verklaard zijn
roor de gezondheid sehatlelijk te we\'
zen of ran onroldoende ruimte roor
het aantal schoolgaamle kinderen.
-ocr page 20-
Wet 1889.
4          Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.
burgemeester en wethouders der ge-
meente, waarin het lokaal ligt, deze
verklaring af te kondigen binnen
een door hen te bepalen termijn.
Bij Gedeputeerde Staten kunnen
tegen de uitspraak van den inspeo
teur in hooger beroep komen
a.  de districts-schoolopziener;
b.  het hoofd der school;
c.  de eigenaar of bruiker van het
lokaal;
d.  de ouders of verzorgers van
schoolgaande kinderen.
Het beroep moet worden ingesteld
binnen dertig vrije dagen, te rekenen
van den dag, waarop het afschrift
der verklaring van den inspecteur
op last van Gedeputeerde Staten door
het gemeentebestuur is afgekondigd.
Gedeputeerde Staten geven aan elk
der in beroep gekomen belangheb-
benden schriftelijk kennis van hunne
beslissing.
Ieder, die bij de beslissing partij
geweest is, kan daartegen bij Ons in
hooger beroep komen.
Dit moet ingesteld worden binnen
dertig vrije dagen, te rekenen van
den dag, waarop de kennisgeving
van de beslissing van Gedeputeerde
Staten den belanghebbenden is toe-
gezonden.
Hangende de termijnen van be-
roep en tot de eindbeslissing kan
met het geven van onderwijs in het
afgekeurd lokaal worden voortge-
gaan, ten ware de inspecteur van het
geneeskundig staatstoezigt om drin-
gende redenen, in zijne verklaring
uitdrukkelijk te vermelden, anders
mogt hebben bevolen.
Zijn aan het afgekeurd lokaal de noodige
verbeteringen aangebragt en deze door den
inspecteur ran het geneeskundig staatstoezigt
schriftelijk goedgekeurd, dan kan het onder-
wijs in dat loktutl worden hervat
(1878).
Indien de inspecteur van het ge-
neeskundig Staatstoezigt schriftelijk
verklaart, dat het afgekeurde lokaal
voldoende verbeterd is, of dat het
aantal kinderen genoegzaam beperkt
is, kan het onderwijs worden her-
vat (1882).
Indien in zijne uitspraak niet
wordt berwt, beslissen Gedeputeerde
Staten na een nieuw zelfstandig on-
derzoek.
Het komen in hooger beroep, zoo
run de uitspraak van den schoolop-
ziener als run die ran Gedeputeerde
Staten, geschiedt binnen veertien da-
gen, te rekenen ran den dag, waar-
op de kennisgeving der uitspraak
bij de belanghebbenden is ontvangen.
Tot het komen in hooger beroep
zijn bevoegd allen, ten wier nadeel
de uitspraak is uitgevallen, mei na-
me de ouders of voogden der schooU
gaande kinderen, indien de schoolop-
ziener in de uitspraak van G\'edepu-
teevde Staten heeft berust.
In afwachting der eindbeslissing
kan het ouderwi/s in het afgekeurde
locaal worden voortgezet.
Art. 5, Ie lid. Het schoolonder-
wijs wordt gegeven door hoofd\' en
hulponderwijzers, hoofd* en hulpon-
derwjjzeressen en ktceekeltngen, zoo
mannelijke als vrouwelijke.
Art. 6. AU in 1878.
Art. 6. Niemand mag lager on-
derwijs geven, die niet in het bezit is
der bij deze wet gevorderde bewijzen
-ocr page 21-
Wet 1857.
Wetten 1878—1884.
Wet 1889.
van bekwaamheid en zedelijkheid.
Vreemdelingen behoeven boven-
dien Onze vergunning.
Art. 7. De bepalingen van het
voorgaande artikel zijn niet toepas-
selijk op
Art. 7. De bepalingen van het
voorgaand artikel zijn niet toepasse-
lijk op:
a.  de ktceekelingen, voor zooveel
betreft het onderwijs in de school,
waarin zij werkzaam zijn;
b.  hen, die uitsluitend aan de kin-
deren van één gezin lager onderwijs
geven;
c.  hen, die van het geven van la-
ger onderwijs geen beroep makende
en zich zonder geldelijke belooning
daartoe bereid verklarende, van Ons
vergunning hebben verkregen tot het
geven van zoodanig onderwijs;
a.  hen, die uitsluitend aan kinde-
ren van één gezin lager huisonderwijs
geven;
b.  hen, die, van het geven van
lager onderwijs geen beroep makende
en zich zonder geldelijke belooning
daartoe bereid verklarende, van Ons
vergunning hebben verkregen tot het
geven van zoodanig onderwijs.
Vrijgesteld van het bezit van een
der bewijzen van bekwaamheid bij
het voorgaande artikel bedoeld is hij,
die voor net vak of de vakken, waar-
in hij onderwijs geeft, bevoegd is
ingevolge het Koninklijk besluit van
2 Augustus 1815, no. 14, de wet van
28 April 1876 (Staatsblad no.
102), of de wet van 2 Mei 1863
(Staatsblad no. 50).
Art. 8. Jongelieden van beiderlei
kunne mogen, met schriftelijke goed-
keuring van den arrondissements-
schoolopziener, in de school alt kwee-
kelingen worden toegelaten en aldaar
behulpzaam zijn, mits zij
a.  hun vijftiende jaar ingetreden
zijn en hun negentiende niet volbragt
hebben ;
b.  tot geene werkzaamheden in de
school gebezigd worden dan de zooda-
nige, welke zij onder het regtstreeksch
toezigt en onder de leiding van een
bevoegde verrigten, en
c.  na drie maanden als kweekeling
geplaatst te zijn geweest, in het bezit
zijn van een bewijs, niet ouder dan
een jaar en onderteekend door het
hoofd der school, waarin zij tijdens
de afgifte waren toegelaten, dat hun
zedelijk gedrag en hunne vorderingen
voldoende zijn.
d. de candidaten en doctoren in de
letteren en in de wis- en natuur\'
kunde, voor zooveel zij door hunne
academische graden bevoegd zijn
onderwijs te geven in een of eentge
der vakken, vermeld in art.
1.
Art. 8. Jongelieden van beiderlei
kunne mogen in de school als kwee-
keling worden toegelaten en aldaar
behulpzaam zijn, mits zij
a.  hun vijftiende jaar ingetreden
zijn en hun negentiende niet volbracht
hebben, of de akte, bedoeld in art.
56 onder a, bezitten;
b.  tot geene werkzaamheden in de
school gebezigd worden dan de zoo-
danige, welke zij onder het toezicht
en de leiding van een in hetzelfde
schoolvertrek aanwezigen bevoegde
verrichten, en
0, na drie maanden als kweeke-
ling geplaatst te zijn geweest, in het
bezit zijn van een door den arrondis»
sements-schoolopziener schriftelijk
goedgekeurd bewijs, niet ouder dan
een jaar en afgegeven en ondertee-
kenddoor het hoofd der school, waar-
in zij tijdens de afgifte waren toege-
laten, dat hun zedelijk gedrag en
hunne vorderingen voldoende zijn.
Ingeval dearrondissements-school-
opziener zijne goedkeuring weigert,
kan het hoofd der school binnen
veertien dagen na die weigering de
beslissing van den districts-school*
opziener inroepen. Deze beslist bin-
nen eene maand.
Art. 6. Se. 3e en 4e lid. Kweeke-
Vingen zijn zij, die den ouderdom
nog niet bereikt hebbende waarop
zij tot het examen als hulponderwij-
zcr of als hulponderwijzeres kunnen
worden toegelaten, by het schoolon-
derwjjs behulpzaam zijn.
Dien ouderdom bereikt hebbende,
mogen zij als kweekelingen werk-
zaam blijven gedurende den tijd,
die nog verhopen moet alvorens zij
tot het examen kunnen tcorden toe-
gelaten.
Indien kweekelingen het examen,
vermeld in het
2e en 3e lid, met on-
gunstig gevolg hebben afgelegd, of
om redenen, ter beoordeeling van
den provincialen inspecteur, verhin-
derd zijn geweest, examen af ie leg-
gen, kunnen zij nog tot aan het
eerstvolgend examen als kweekelin-
gen werkzaam blijven.
-ocr page 22-
6          Wet 1857.
Wetten 1878—1884.
Wet 1889.
Het hoofd der school geeft van de
toelating vaneen kweekeling in zijne
school minstens drie dagen te voren
schriftelijk kennis aan den arrondis-
sements- schoolopziener.
Art. 22, 8e lid. Het benoemen en
ontslaan der kweekelingen geschiedt
door den hoofdonderwijzer, onder
goedkeuring van den districtsschool»
opziener.
Art. 8. Die lager onderwijs geeft,
zonder daartoe bevoegd te zijn of in
strijd met het eerste lid van art.
4,
wordt roor de eerste maal gestraft
met eene boete ran rijf en twintig
tot vijftig gulden, roor de tweede
maal met eene boete ran vijftig tot
honderd gulden en gevangenisstraf
ran acht tot veertien dagen, te sta*
men of afzonderlijk, en vervolgens
telkens met gevangenisstraf ran eene
maand tot een jaar.
Op hem, die buiten de grenzen
zijner bevoegdheid lager onderwijs
geeft, is de helft dezer straffen van
toepassing. Hiervan zijn uitgezon.
derd de hulponderwijzers, tijdelijk
aan het hoofd eener school geplaatst,
mits de tijdelijke waarneming niet
langer dan zes maanden dure.
Art. 463 van het Wetboek van
Slrafregt en art.
20 der wei van den
%9sten Jutlij
1854 {Staatsblad no.
102), zijn ten deze toepasselijk.
Art. 9. Hij, die zonder daartoe bevoegd
te zijn, lager onderwijs geeft of in strijd met
het voorschrift van art.
5 schoolonderwijs
ueeft in een afgekeurd lokaal, of die, als
hoofd der school, daarin kweekelingen toelaat
anders dan op den vuet, bij het voorgaand
artikel bepaald, wordt gestraft met eene geld-
boete ran vijf en twintig tot vijftig gulden
voor de eerste maal; bij herhaling met eene
boete van vijftig tot honderd gulden en ge-
rangenisstraf van acht tot veertien dagen, te
zomen of afzonderlijk, en vervolgens telkens
met gevangenisstraf ran eene maand tot een
jaar.
Tegen hem, die buiten de grenzen zijner
bevoegdheid lager onderwijs geeft, wordt de
helft dezer straffen uitgesproken.
Art. 463 van het Wetboek van Slrafregt
en art.
20 der wet van den 29 Junij 1854
(Staatsblad no. 102) zijn ten deze toepasselijk
(1878).
Hij, die in strijd met het voor-
schrift van art.
5 schoolondericijs
geeft in een afgekeurd lokaal, of die,
als hoofd der school, daarin kweeke-
tingen toelaat anders dan op den voet,
bij het voorgaand artikel bepaald,
icordt gestraft met eene geldboete van
vijftig cents tot vijftig gulden voor de
eerste maal; bij herhaling mei eene
boete van vijftig cents tot honderd gul-
den of hechtenis van één tot veertien
dagen, en vervolgens telkens met hech-
tenis van een dag lot eenjaar
(1886).
Art. 9. Hij, die in strijd met het
voorschrift van art. 5 schoolonderwijs
geeft in een afgekeurd lokaal, of die,
als hoofd der school, in een vertrek
meer leerlingen toelaat dan het naar
de in art. 4 bedoelde regelen mag be-
vatten of daarin kweekelingen toe-
laat zonder dat de vereischte schrif-
telijke kennisgeving daaraan is voor-
afgegaan of wel anders dan op den
voet, bij het voorgaand artikel be-
paald, wordt gestraft met eene geld-
boete van ten hoogste vijftig gulden.
Indien tijdens het plegen van de
overtreding nog geen twee jaren zijn
verloopen sedert eene vorige veroor-
deeling van den schuldige wegens
gelijke overtreding onherroepelijk is
geworden, wordt hij gestraft met
geldboete van ten hoogste honderd
gulden of met hechtenis van ten hoog-
ste veertien dagen. Bij tweede of vol-
fende herhalingen gepleegd telkens
innen twee jaren nadat de laatste
veroordeeling wegens eerste of vol-
gende herhalingen onherroepelijk ge-
worden is, wordt hechtenis opgelegd
van ten hoogste eenjaar.
Art. 9. Bij elke veroordeeling tot
boete wordt tevens door den regter
bepaald, dat indien de reroordeelde
twee maanden na daartoe ie zijn
aangemaand in gebreke blijft de
boete of geregtskosten te voldoen, de
opgelegde straf zal worden vervan-
gen door gevangenisstraf van ten
hoogste veertien dagen, indien meer
dan vijftig gulden, en ten hoogste
zeven dagen, indien niet meer aan
vijftig gulden aan boete is opge-
legd.
Art. 10. Behalve in de gevallen
enz. als in 1878.
Art. 10. Behalve de gevallen,
hierna vermeld, vervalt de oevoegd-
heid tot liet geven van lager onder-
wijs voor hem, die bij eindvonnis is
veroordeeld
a.   wegens misdaad (1878, afgeschaft 1886);
b.   wegens diefstal, opligting, meineed, mis-
bruik van vertrouwen of aantasting der zeden
(1878).
b. tot eene der straffen, omschre-
ven in art. 28 nos. 4 en 5 van het
Wetboek van Strafrecht (1886).
-ocr page 23-
Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.                           Wet 1889.               7
Art. II. Hij, die de bevoegdheid
tot het geven van lager onderwijs
verloren heeft, kan haar niet terug-
bekomen, behalve in de gevallen, in
artt. 29, 31 en 53 voorzien.
In deze gevallen kan zij hem door
Ons worden teruggegeven.
Art. 11. Die de bevoegdheid tot
het geren van lager onderwijs ver-
loren heeft, kan haar niet terug-
krijgen.
In de gevallen, bedoeld bij art.
22, Te lid, en art. 39 kan zij door
Ons Korden teruggegeven.
Art. 12. Van Rijkswege worden
kweekscholen en normaallessen tot
opleiding van onderwijzers opgericht
en onderhouden.
De inrichting wordt bij algemee-
nen maatregel van bestuur geregeld.
Ten behoeve van de opleiding van
onderwijzers kan eene Rijksbijdrage
worden verleend,
1°. aan gemeentelijke en aan bij-
zondere kweekscholen;
2°. aan normaallessen en aan hoof-
den van scholen, voor elk der door
hen opgeleide personen die de akte
bedoeld in art. 56 onder a hebben
verkregen, volgens door Ons bij alge-
meenen maatregel van bestuur testel-
len regelen en voorwaarden.
Op de door het Rijk of de gemeen»
ten opgerichte en onderhouden k week-
scholen en normaallessen zijn het 1ste
en 2de lid van art. 33 van toepassing.
De bepalingen sub a en c van art.
8 en die van art. 9, voor zoover deze
op de toelating van kweekelingen be-
trekking heboen, zijn niet van toe-
passing op de leerscholen, verbonden
aan door Ons aangewezen kweek-
scholen.
Art. 12. Tot opleiding van onder-
wijzers zijn er ten minste twee rjjks-
kweekscholen en worden van rijks-
wege aan enkele der meest voortref-
lelijke lagere scholen normaallessen
verbonden.
De opleiding van onderwijzers en
onderwijzeressen op de lagere scho-
len wordt zooveel mogelijk van rijks-
wege bevorderd.
Art. 12. Fan Rijkswege worden
kweekscholen voor onderwijzers opge-
rigt en onderhouden.
De inrigling dezer kweekscholen
wordt bij algemeenen maatregel van
inwendig bestuur geregeld.
Indien eene kweekschool voor on-
derwijzers door eene gemeente wordt
opgerigt en onderhouden, kan daar-
voor eene bijdrage uit
\'s Rijks kas
worden verleend, doch tot geen hooger
bedrag dan van de helft der kosten,
zoo van oprigting als van onderhoud,
en onder voorwaarde dat de kweek-
school in alle opzigten aan de door
Ons voor de Rijkskweekscholen gestel-
de vereischten voldoe.
In gemeenten, waar hiertoe geschik-
te gelegenheid bestaat, worden van
Rijkswege normaallessen tot opleiding
van onderwijzers ingesteld en bekos-
ligd.
Hel geven van dergelijke lessen kan
aan alle bevoegden worden opgedragen.
De gemeenteraad kan op gelijke of
andere, bij plaatselijke verordening te
regelen, wijze ter opleiding van onder-
wijzers voorzieningen treffen.
Art. 14. De bepalingen dezer wet
omtrent de onderwijzers zijn insge-
lyks op de onderwijzeressen van toe-
passing, voor zooverre zij voor deze
geene uitzonderingen behelst.
Art. 13. Waar in deze wet van
onderwijzers gesproken wordt,
zijn hieronder onderwijzeressen
begrepen, ten ware het tegendeel
uitdrukkelijk bepaald zij.
Art. is. Van elk besluit, kmch- Art. 14. Onverminderd hel bepaal-
%Zjeae„ Ti tor ,<fei\'?J"".eer,de de in art. 5 en met uitzondering van
Staten genomen, kan btj Ons m be- , .          .            .              , n n , J
roep worden gekomen.                   hel geval, voorzien m art. 19, kan van
elk besluit, krachtens deze wet door
Gedeputeerde Stalen genomen, bij Ons
in hooger beroep worden gekomen door
ieder, die bij de vernietiging of ver-
betering van het besluit van Gedepw
teerde Staten belang heeft.
Het hooger beroep moet worden
ingesteld binnen dertig vrije dagen,
te rekenen van den dag, waarop het
besluit openbaar gemaakt of den be-
langliebbende toegezonden is.
Onverminderd het bepaalde in art.
5 en met uitzondering van de ge-
vallen, voorzien in art. 19, sub a, b,
c, d en f,
kan van elk besluit, krach»
tens deze wet door Gedeputeerde Sta-
ten genomen, bij Ons in hooger be-
roep worden gekomen door ieder, die
bij de vernietiging of verbetering van
het besluit van Gedeputeerde Staten
belang heeft.
Deze wet is niet toepasselijk op:
Art. 15.
selijk:
Art. 15. Deze wet is niet toepas-
Deze wet is niet toepas-
selijk op
-ocr page 24-
8          Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.                          Wet 1889.
a. hem, die uitsluitend in een of meerder
vakken, vermeld in art.
2, onder i, k, q, r, I
en t, onderwijs geeft (1878);
a.  hem, die uitsluitend in een of
meer der vakken, vermeld in art.
2
onder i, k, q, r, s en t, bijzonder on-
derwijs geeft
(1884);
b.  de scholen, uitsluitend bestemd
voor het onderwijs in een of meer
dier vakken;
c.  de scholen, waarin geene kin-
deren boven de zes jaren worden
toegelaten en geen ander dan voor-
bereidend onderwijs gegeven wordt,
behoudens dat ook deze scholen on-
derworpen zijn aan de bepalingen
van artt. 5 en 73 dezer wet;
d.  militaire onderwijzers en het
onderwijs, door hen gegeven aan
militairen;
e.  de scholen voor doofstommen,
blinden, spraakgebrekkigen en idio-
ten;
f. de scholen in de gevangenissen, behou*
dens de bepalingen omtrent de bevoegdheid
van hen, die lager oiulerwijs geven
(1878).
/. de scholen in gevangenissen,
bedelaarsgestichten ofRijks-werkin-
richtingen en in Rijks-opvoedings-
gestichten, behoudens de bepalingen
omtrent de bevoegdheid van hen, die
lager onderwijs geven (188é).
TITEL II.
VAN HET OPENBAAR ONDERWIJS.
§ 1. Van de scholen.
Art. 16. In elke gemeente wordt
voldoend lager onderwijs gegeven in
een genoegzaam aantal scholen, wel-
ke voor alle kinderen zonder onder-
scheid van godsdienstige gezindheid
toegankelijk zijn.
Het onderwijs omvat de vakken,
in art. 2 vermeld onder a—k, en daar,
waar genoegzame behoefte aan uit-
breiding bestaat, een of meer of wel
alle vakken, vermeld in dat artikel
onder l—t.
a. op ken, die uitsluitend onder*
u-tjs geren in een der vakken, ver*
meld onder
i, n, o en p van art. 1
en op de daarvoor bestemde scholen;
a.  hem, die uitsluitend in een of
meer der vakken, vermeld in art. 2
onder h, i, k, o, r en l, bijzonder on-
derwijs geeft;
b.  de scholen, uitsluitend bestemd
voor het onderwijs in een of meer
der vakken, vermeld in art. 2 onder
h> <i/i*i q,r,s int;
b. op militaire onderwijzers en het
ontlerwifs door hen gegeven aan mi*
litairen.
TITEL II.
Van het openbaar onderuit*.
$ 1. Van de scholen.
Art. 16. In elke gemeente tcordt
lager onderwi/s gegeven in een voor
de bevolking en de behoefte voldoend
getal scholen, toegankelijk voor alle
kinderen, zonder onderscheid van
godsdienstige gezindheid.
Het onderwijs omvat ten minste
de vakken, vermeld onder
a—i van
art.
1. Waar behoefte aan uitbrei\'
ding bestaat en deze mogelijk is,
worden een, meer of alle vakken,
onder
k—p van art. 1 vermeld, in
het onderwijs opgenomen.
De in de school toegelaten kinde-
ren zijn in elke klasse verplicht aan
het onderwijs in alle de aldaar on-
derwezen vakken deel te nemen, met
uitzondering van de vakken vermeld
in art. 2 onder,;\' en s.
Naburige gemeenten kunnen zich,
met inachtneming van art. 121 der
wet van 29 Juni 1851 (Staatsblad
no. 85) vereenigen tot liet oprichten
en in stand houden van gemeen-
Twee of meer naburige gemeenten
kunnen, met inachtneming van art.
121 der wet van den VÜsten Juni/
1861 (Staatsbltul no. 85), zich ver*
eenigen tot het oprigten en instand*
houden van gemeenschappelijke scko*
len.
Naburige gemeenten kunnen zich,
met inachtneming van art.
121 der
wet van
29 Jttuij 1851 (Staatsblad
no.
85), vereenigen tot het oprigten
en in stand houden van gemeen*
-ocr page 25-
Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.                           Wet 1889.              9
schappelijke scholen of tot het vast-
stellen eener regeling omtrent de toe-
lating van kinderen uit de eene ge-
meente op de scholen der andere.
schappelijke scholen of tol het tast-
stellen eener regeling omtrent de toe-
lating van kinderen uit de eene ge-
meente op de scholen der andere.
Art. 17. Voor zooveel doenlijk
wordt aan hen, die hetgewoon school-
onderwijs genoten hebben, gelegen-
heid gegeven tot het genieten van
herhalings-onderwijs.
Het herhalings-onderwijs kan zich
uitstrekken tot een of meer der vak-
ken, vermeld in art. 2 onder l-t, al zij n
die vakken niet begrepen geweest in
het genoten gewoon scnoolonderwijs.
Art. 18. De besluiten van den ge-
meenteraad, betreffende het getal der
scholen en de vakken, welke op de
scholen zullen onderwezen worden,
worden aan Gedeputeerde Staten
medegedeeld. Zoo Gedeputeerde Sta-
ten het getal scholen of den omvang
van het onderwijs onvoldoende ach-
ten, bevelen zij, den inspecteur ge-
hoord, vermeerdering.
Gelijke vermeerdering kan, Gede-
puteerde Staten gehoord, door Ons
worden bevolen.
Art. 19. De besluiten van den ge-
meenteraad, belrejfende
a, de plaats, waar een schoollokaal
zal zijn gevestigd;
6. de vermindering van het getal
scholen of van den omvang van het
onderwijs;
c.  de vereeniging eener school met
of hare vervanging door andere;
d.  de sluiting eener school of de
schorsing van het onderwijs aan eene
school;
e.  hel verleenen van een subsidie
aan eene der scholen, bedoeld in het
laatste lid van art.
3,
Art. 17. De gemeenteraad bepaalt
het getal der scholen. Zijn besluit
wordt aan Gedeputeerde Staten me-
desedeeld.
Zoo Gedeputeerde Staten het ge-
tal onroldoende achten, bevelen zij
vermeerdering.
Indien het Ons onvoldoende voor-
komt, kan vermeerdering door Ons
worden bevolen.
De uitbreiding van het onderwijs,
bij het Þ lid van het voorgtumd
artikel bedoeld, wordt op dezelfde
wijze vastgesteld.
Ue besluiten van den gemeente-
raad, betreffende:
e.  den leeftijd welken de kinderen
moeten bereikt hebben vóór zij op de
openbare school worden toegelaten,
en van dien waarop zij die school
moeten verlaten;
f.  het verleenen van ontslag aan
onderwijzers in de gevallen bedoeld
in art. 29 onder b en c;
worden aan de goedkeuring van
Gedeputeerde Staten onderworpen.
De artt. 196, 197, 198, 200, 201
en 202 der wet van 29 Jimij 1851
{Staatsblad no. 85) zijn ten deze
toepasselijk.
Art. 20. Sluiting eener school
voor bepaalden tijd kan door Gede-
puteerde Staten bij een met redenen
omkleed besluit worden bevolen.
De artikelen 196, 197,198, 200,
201 en 202 der wet van 29 Juni
1851 (Staatsblad no. 85) zijn ten
deze toepasselijk.
-ocr page 26-
10 Wet 1857.
Wetten 1878—1884.
Wet 1889
Zij hooren in het geval van dit
en het voorgaande artikel vooraf den
inspecteur van het lager onderwijs.
Gelijke sluiting kan door Ons, Ge-
deputeerde Staten gehoord, worden
hevolen.
Art. 21. De regeling van de
schooltijden en van de vacantien, de
vaststelling van het leerplan en van
de bij het onderwijs te gebruiken
boeken en de verdeeling der school
in klassen geschieden door het hoofd
der school en, zoo de regeling voor
meerdere scholen gelijkelijk werkt,
door de hoofden dier scholen geza-
menlijk, onder goedkeuring van bur-
gemeester en wethouders en van den
districts-schoolopziencr.
Bij verschil tusschen burgemees-
ter en wethouders en den distriets-
schoolopziener beslist Onze Minister,
die met de uitvoering dezer wet be-
last is.
Art. 22. Bij de regeling der
schooltijden wordt door het vrijgeven
van uitdrukkelijk in de regeling ge-
noemde uren gezorgd, dat de school-
gaande kinderen van de godsdienst-
leeraren godsdienstonderwijs kunnen
genieten.
Art. 23, ie zin. Hiervoor (d. w.z.
voor bet geveu van het onderwijs ia
de godsdienst) kunnen de schoollo.
calen builen de schooluren ten be-
Onder voorwaarden door burge-
meester en wethouders in overleg
met den districts-sclioolopziener te
hone ran Je leerlingen, die er ler bepalen, worden de schoollokalen, des
school gaan. beschikbaar worden ge~ * j.                      1              ,. *. \'
lrty. " \'                        \' noodig verwarmd en verlicht, voor
dit godsdienstonderwijs beschikbaar
gesteld.
Bij verschil is het laatste lid van
het voorgaande artikel toepasselijk.
§ 2. Van de onderwijzers.
Art. 23. Aan het hoofd van elke
school is een onderwijzer geplaatst,
die den leeftijd van 23 jaren moet
volbragt hebben en den rang van
hoofdonderwijzer bezit.
De waarneming van het bestuur
eener school kan echter tijdelijk
worden toevertrouwd aan een onder-
wijzer, die den gevorderden leeftijd
of den rang van hoofdonderwijzer
niet bezit, mits aan de school geen
onderwijzer in het bezit van dien
rang, ingevolge art. 24, verbonden
zij. Zoodanige waarneming mag niet
langer duren dan zes maanden.
Art. 24. Het hoofd der school wordt
$ 2. Van de onderwijzers.
Art. 18. Wanneer hei getal tier
leerlingen op eene school meer dan bijgestaan door minstens één onderwijzer, als
zeventig bedraagt, wordt de hoofd- het aantal schoolgaande kinderen meer dan
-ocr page 27-
Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.                           Wet 1889.             11
mderwijzer bijgestaan door een kwee\'
;eling, meer dan honderd door een
mlponderwi/zer, meer dan honderd
vijftig door_ een hulponderwijzer en
ten kweekeling. Boven dit getaUvordl
iij telkens voor vijftig leerlingen door
•en kweekeling, en voor honderd leer~
ingen door een hulponderwijzer bij-
gestaan.
dertig, door minstens twee onderwijzers, als
het meer dan zeventig, door minstens drie, als
het meer dan honderd en twintig, en door
minstens vier, als het meer dan honderd en
zeventig bedraagt.
Telt eenc school meer dan twee honderd leer\'
tingen, zoo moet minstens één onderwijzer op
elk veertigtal kinderen aan de school verbonden
zijn en daarenboven nog één meer, zoodra het
getal schoolgaande kinderen een zuiver veel\'
voud van veertig met meer dan vierentwintig
overtreft
(1878).
Het hoofd der school wordt bijge-
staan door ten minste één onderwijzer,
zoodra het aantal schoolgaande hinde-
ren meer dan veertig, door ten minste
twee onderwijzers, zoodra het zes en
laehtig bedraagt.
Voor elk vijf en veertigtal schooU
gaande kinderen boeen de vijf entach-
tig wordt een onderwijzer meer ver-
eischt
(1884).
Wanneer het aantal onderwijzers,
aan de school verbonden, meer dan
vier bedraagt, moeten minstens twee,
wanneer het meer dan acht bedraagt,
minstens drie hunner den leeftijd van
drie en twintig jaren volbragt hebben
en den rang van hoofdonderwijzer
bezitten.
Het hoofd der school wordt bijge-
staan door ten minste één onderwü-
zer, zoodra het aantal schoolgaande
kinderen meer dan veertig, door ten
minste twee onderwijzers, zoodra het
een en negentig bedraagt.
Voor elk vijf-en-vijftigtal school-
gaande kinderen boven de negentig
wordt een onderwijzer meer ver-
eischt.
Wanneer met inbegrip van het
hoofd der school het aantal onder wij -
zers ingevolge de voorafgaande be-
palingen van dit artikel aan de school
verbonden meer dan vier bedraagt,
moeten ten minste twee, wanneer het
meer dan acht bedraagt, ten minste
drie hunner den leeftijd van drie en
twintig jaren volbracht hebben en
den rang van hoofdonderwijzer be-
zitten.
Onder de onderwijzers, in dit ar-
tikel bedoeld, worden zij, die uitslui-
tend in een of meer der vakken, ge-
noemd in art. 2, onder h—t, onder-
wijs geven, niet medegerekend.
Onder de onderwijzers, in dit arli-
kei bedoeld, worden zij, die uit si ui-
tend in een of meer der vakken,
genoemd in art.
2, onder i—t, onder-
wijs geven, niet medegerekend.
Op geene school mogen meer dan
vierhonderd (1878) zeshonderd (1884)
kinderen gelijktijdig worden toe-
gelaten, tenzij hiertoe door Ons
om bij zondere redenen vergunning
wordt verleend.
Bij de toepassing van dit artikel
wordt tol grondslag genomen het ge-
tal kinderen, die op den vijftienden
dag der maand Januarij van het loo-
pende schooljaar als werkelijk schooU
gaande bekend staan.
Bij de toepassing van dit artikel
wordt tot grondslag genomen het
fetal kinderen, die op den vijftien-
en dag der maand Januari van het
loopende schooljaar als werkelijk
schoolgaande bekend staan.
Waar die grondslag ten gevolge
van het tijdstip van oprichting der
school niet kan worden vastgesteld,
geldt het aantal kinderen dat op den
laatsten dag der maand volgende op
die waarin de school geopend is, als
werkelijk schoolgaande bekend staat.
Art. 25. Wanneer de school in
verscheidene klassen verdeeld is,
wordt het onderwijs in de laagste
klassen bij voorkeur aan onderwijze"
ressen, dat in de hoogste klassen,
-ocr page 28-
Wet 1889.
Wetten 1878—1884.
12 Wet 1857.
behalve aan de scholen uitsluitend
voor meisjes bestemd, bij voorkeur
aan onderwijzers opgedragen.
Art. 26. Aan eiken onderwijzer
wordt eene vaste jaarwedde toege-
legd. Die jaarwedde bedraagt in
teen geval minder dan zeven hon-
erd gulden voor het hoofd der school,
niet minder dan zes honderd gul-
den voor de onderwijzers, met rang
van hoofdonderwijzer, die, volgens
art. 2é, moeten aanwezig zijn in scho-
len met meer dan vier onderwijzers,
en niet minder dan vier honderd
gulden voor eiken anderen onder-
wijzer.
Door Ons kan, Gedeputeerde Sta-
ten der provincie gehoord, voor elke
provincie bepaald worden, waar en
tot welk bedrag het minimum van
jaarwedde voor de verschillende on-
derwijzers aan de onderscheidene
klassen van scholen hooger zijn zal
dan het bedrag in de voorgaande
zinsnede bepaald.
De twee voorgaande zinsneden gel-
den niet voor de onderwijzers, uitslui-
tend belast met het onderwijs in een
of meer der vakken, genoemd in art.
2 onder i—t.
Het hoofd der school geniet bo-
vendien vrije woning, zoo mogelijk
met eenen tuin.
Ingeval hem geene vrije woning
kan verschaft worden, ontvangt hij
eene billijke vergoeding voor huis-
huur, waarvan het bedrag door Ge-
deputeerde Staten wordt bepaald.
Met inachtneming dezer voor-
schriften worden de jaarwedden der
onderwijzers door den gemeenteraad
onder goedkeuring van Gedeputeerde
Staten geregeld.
In geval van hooger beroep bij Ons
van het besluit van Gedeputeerde
Staten, wordt bij Onze beslissing de
vereischte regeling vastgesteld.
Art. 19. Aan eiken hoofdondertci/-
zer wordt, behalve vrije woning, zoo
mogelijk met een tuin, eene juar-
wedde toegelegd.
Ingeval hem geene vrije woning
kan verschaft worden, ontvangt hij
eene billijke vergoeding voor huis-
huur.
Bij verschil tusschen den gemeeu-
teraad en den onderwijzer omtrent
hei bedrag dier vergoeding beslissen
Gedeputeerde Staten.
Ten behoeve van eiken kweekeliug,
bedoeld in het voorgaattd artikel,
wordt den hoofdonderwijzer eene
jaarlijksche toelage verleend.
Aan eiken hulponderwijzer wordt
eene jaarwedde toegelegd.
De jaarwedden en toelagen wor-
den door den gemeenteraad onder
goedkeuring van Gedeputeerde Sta-
ten bepaald.
Voor een hoofdonderwijzer is het
bedrag der jaarwecble ten minste
f
400, voor een hulponderwijzer ten
minste f
200. Het bedrag der toe-
lage is ten minste f
26.
De twee voorgaande zinsneden
gelden niet voor de onderwijzers,
uitsluitend belast met het onderwijs
in een of meer der vakken, genoemd
in art. 2 onder h—t.
Art. 20. In gemeenten waarin,
wegens de uitgebreidheid van haar
grondgebied hij verspreide bevolking,
een grooter aantal scholen vereischt
wordt dan anders noodig zou zijn,
kan, onder goedkeuring van Gede-
puteerde Staten, aan het hoofd van
eene of eenige dier scholen een hoofd-
of hulponderwijzer geplaatst worden,
wiens jaarwedde ten minste f
200
bedraagt.
Art. 21. Om als hoofd- of hulp-
onderwijzer benoemd ie kunnen wor*
den, wordt vereischt het bezit:
Art. 27. Om als onderwijzer be-
noemd te kunnen worden, wordt het
bezit vereischt
-ocr page 29-
Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.                           Wet 1889.            13
a.  eener akte van bekwaamheid;
b.  van een getuigschrift van zede-
lijk gedrag, afgegeven door den bur-
gemeester der gemeente of de bur-
gemeesters der gemeenten, waar hij,
aan wien het wordt uitgereikt, in de
twee laatste jaren gewoond heeft.
Bij weigering van een der burge-
meesters kan het getuigschrift wor-
den verleend door Onzen Commissa-
ris in de provincie.
Met zoodanig getuigschrift wordt
gelijk gesteld het getuigschrift van
zedelijk gedrag, afgegeven door de
bevoegde overheid buiten \'s lands, on-
der welker gebied de bezitter in de
twee laatste jaren heeft gewoond.
Art. 28. De onderwijzers, aan de
gemeentescholen verbonden, worden
door den gemeenteraad benoemd.
Betreft die benoeming den onder-
wijzer, aan het hoofd der school ge-
plaatst, zoo gaal daaraan een verge-
lijkend examen vooraf.
Bij algemeenen maatregel van in-
wendig bestuur wordt de wijze, waar-
op dit examen wordt afgenomen, door
Ons geregeld.
De benoeming geschiedt in dat ge-
val uit eene voordragt van minstens
drie en hoogstens vijf onderwijzers,
door den districts-schoolopziener aan
den raad schriftelijk in te zenden.
a.  eener acte rem bekwaamheid
tot het geven van schoolonderwijs;
b.  va7i eeii getuigschrift van goed
zedelijk gedrag, afgegeven door het
dagelijksch bestuur der gemeente of
gemeenten, waar de bezitter gedu-
rende de twee laatste jaren heeft
gewoond.
De benoeming van den onderwij-
zer, aan het hoofd der school ge-
plaatst, geschiedt uit eene voordracht
van minstens drie bevoegden, opge-
maakt door burgemeester en wethou-
ders en den districts-schoolopziener.
Indien burgemeester en wethou-
ders en de districts-schoolopziener
niet tot overeenstemming kunnen
geraken, gaat aan de benoeming een
vergelijkend onderzoek naar de ge-
schiktheid der candidaten vooraf.
Melden meer dan zes bevoegden
zich voor het onderzoek aan, dan
kunnen burgemeester en wethouders,
in overeenstemming met den dis-
tricts-schoolopziener, bepalen welke
candidaten, mits niet minder dan zes,
daaraan zullen worden onderworpen.
Bij gemis aan overeenstemming om-
trent de keuze der op te roepen per-
sonen, worden alle candidaten die
zich hebben aangemeld tot het on-
derzoek toegelaten.
Ingeval de benoeming na vooraf-
faand vergelijkend onderzoek plaats
eeft, wordt de voordracht, bestaan-
de uit minstens drie bevoegden, door
den districts-schoolopziener opge-
maakt en door dezen met een schrif-
telijk, met redenen omkleed advies
omtrent de voorgedragen candidaten
aan den raad ingezonden.
Al wat verder het in dit artikel
bedoeld onderzoek betreft, wordt door
Ons bij algemeenen maatregel van
bestuur geregeld.
In gemeenten waar meer dan eene
Art. 22, Ie lid. De hoofdomler-
wijzers worden benoemd door den
gemeenteraad uit eene voordragt van
minstens drie en hoogstens zes per-
sonen, opgemaakt door burgemeester
en wethouders, in overleg met den
districts-schoolopziener, nu een ver-
gelijkend examen, door ttem of on-
der zijn opzigt afgenomen ten over*
staan van burgemeester en wethou-
ders of van afgevaardigden uit hun
midden, en van de plaatselijke sc/iool-
commissie of van afgevaardigden uit
die commissie. De leden van den
raad worden tot het bijwonen van
dit ejcamen uitgenoodigd.
In gemeenten, waar meer dan ééne
-ocr page 30-
14 Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.                           Wet 1889.
school beslaat, kan de onderwijzer aan
hel hoofd der eene geplaatst, aan het
hoofd der andere worden gesteld, zon-
der voorafgaand vergelijkend examen
en voordracht, indien de gemeenteraad
op voorstel van
(1878) na overleg mei
(1884) den dislricls-sehoolopziener
hiertoe besluit.
De benoeming van andere onder-
wijzers geschiedt uit eene voordragt
van minstens drie bevoegden, opge-
maakt door burgemeester en wet hou •
ders in overleg met den arrondisse-
ments-schoolopzimer; na ingewonnen
berigt van het hoofd der school, waar-
aan de benoeming geschieden moet, en
onder overlegging van het berigt van
het hoofd der school aan den raad
schriftelijk ingezonden.
school bestaat kan de onderwijzer,
aan het hoofd der eene geplaatst, aan
het hoofd der andere worden gesteld
zonder voordracht, indien de gemeen-
teraad na overleg met den districts-
sehoolopziener hiertoe besluit.
De benoeming van andere onder-
wijzers geschiedt uit eene voordracht
van minstens drie bevoegden, opge-
maakt door burgemeester en wethou-
ders in overleg met den arrondisse-
ments schoolopziener, na ingewon-
nen bericht van het hoofd der school,
waaraan de benoeming geschieden
moet. Het bericht van het hoofd der
school en het schriftelijk, met rede-
nen omkleed advies van den arron-
dissements-schoolopziener worden
aan den raad overgelegd.
De onderwijzers, verbonden aan
scholen, uitsluitend door het Rijk
bekostigd, worden benoemd door On-
zen Minister die met de uitvoering
dezer wet belast is.
Art. 22, 2e lid. De hulponderwjj-
zers worden benoemd door den ge-
meenternad, uil eene roordragt ran
drie personen, opgemaakt door bur-
gemeester en wet/tonder* in orerleg
met den hoofdonderwijzer en den
distriets-svlioolopziener.
Be onderwijzers, verbonden aan
scholen, uitsluitend door het Rijk be-
kostigd, worden benoemd door Onzen
Minister, die met de uitvoering dezer
wet belast is.
Op de benoeming van het hoofd van
zoodanige school is het tweede lid van
dit artikel toepasselijk.
Art. 29. Ontslag aan onderwij -
zers, aan gemeentescholen verbon-
den, woidt door den gemeenteraad
verleend
a. regtstreeks overeenkomstig eigen verzoek
(1878);
a. rechtstreeks overeenkomstig eigen
verzoek, met ingang van den dag door
den gemeenteraad te bepalen(1884);
b.  op voordragt van den districts-
schoolopziener, indien hel een onder-
wijzer betreft, aan het hoofd eener
school geplaatst;
c.  op voordragt van burgemeester
en wethouders of van den arrondis-
sements-schoolopziener, indien het
een onderwijzer betreft, die niet aan
het hoofd eener school is geplaatst.
In de twee laatste gevallen kan
het ontslag ni et-eer vol worden
verleend.
Door Gedeputeerde Staten kan
worden verklaard, dat de niet eervol
ontslagen onderwijzer de bevoegd"
heid tot liet geven van onderwijs
heeft verloren.
Art. 22, "te lid. De hoofd- en hulp-
onderwijzers worden ontslagen door
den gemeenteraad, op roordragt ran
burgemeester en wethouder* en den
districts-sehoolopziener. Ontslag op
eigen verzoek geschiedt regtstreeks
door den raad.
b. op voordracht van burgemees-
ter en wethouders of van den districts-
schoolopziener, indien het een onder-
wijzer betreft, aan het hoofd eener
school geplaatst;
Art. 22, 7e lid. Die ontslagen zijn
ter zake ran een ergerlijk lerensge-
drug of het verspreiden ran leertn-
gen, strijdig met de goede zeden of
aansporende tot ongehoorzaamheid
aan de wetten des lands, kunnen
door Gedeputeerde Staten worden ter*
kUiard hunne bevoegdheid tot het ge-
ven van onderwijs verloren te hebben.
Aan onderwijzers, verbonden aan
-ocr page 31-
Wet 1889.
Wetten 1878—1884.
Wet 1857.
15
eene school, uitsluitend door het
Rijk bekostigd, wordt, hetzij over-
eenkomstig eigen verzoek, hetzij
ambtshalve, ontslag verleend door
Onzen Minister, die met de uitvoe-
ring dezer wet belast is.
Art. 30. Een onderwijzer, aan
eene gemeenteschool verbonden, kan
op voorstel van den arrondissements-
schoolopziener voor hoogstens eene
maand door burgemeester en wet-
houders worden geschorst. Zij geven
hiervan onmiddellijk kennis aan den
gemeenteraad en aan den districts-
schoolopziener met opgave van de
redenen der schorsing.
De schorsing geschiedt zonder
stilstand van jaarwedde.
Zij kan binnen den tijd, waarvoor
zij is uitgesproken, door den gemeen-
teraad worden opgeheven.
Art. 31. Behalve op de wijze,
in de twee voorgaande artikelen be-
paald, kan de schorsing of het ont-
slag, doch in het laatste geval slechts
niet-eervol, op voordragt van den
districts-schoolopziener door Gede-
puteerde Staten worden uitgespro»
ken.
Op dergelijk ontslag is het voor-
laatste lid van art. 29 toepasselijk.
Art. 32. In de tijdelijke waar-
neming der door schorsing, ontslag
of ontstentenis aan eene gemeente-
school opengevallen plaats wordt
door burgemeester en wethouders in
overleg met den arrondissements-
schoolopziener voorzien.
Indien in de vervulling, waar het
betreft het hoofd der school, niet door
den gemeenteraad is voorzien binnen
zes maanden, nadat de plaats is open-
gevallen, geschiedt zulks met inacht-
neming van het tweede lid van art.
28
door Gedeputeerde Staten.
In geval van tijdelijke verhinde-
ring kan, op gelijke wijze als in het
eerste lid van dit artikel is bepaald,
in de waarneming worden voorzien.
De schorsing van onderwijzers,
verbonden aan scholen, uitsluitend
van Rijkswege bekostigd, en de voor-
ziening in de tijdelijke waarneming
aan dergelijke scholen geschieden
door Onzen Minister, met de uitvoe-
ring dezer wet. belast.
Art. 22, 3e lid. De hoofd- «1 hulp-
onderwijzers kunnen door burgeviees-
Ier en wethouders, den schoolopzie»
ner gehoord, worden geschorst. Bur*
gemeester en wethouders geren zoo
spoedig mogelijk rekenschap van hun
besluit aan den raud.
Art. 22,6e lid. Schorsing geschiedt
uiterlijk voor drie maanden en met
behoud of met gedeeltelijk of geheel
rerlies der bezoldiging gedurende het
buiten dienst blijven.
Art. 22, 5e lid. Is schorsing of
ontslag, naar inzien der plaatselijke
schoolcommissie of tan den districts~
schoolopziener
, noodig en de ge-
nteenteraad nalatig of weigerachtig
daartoe over te gaan, dan kan de
schorsing of het ontslag door O\'ede.
puieerde Staten geschieden.
Art. 22, 9e lid. Ingeval van schor-
sing, ontslag of ontstentenis ran den
hoofd-of hulponderwijzer, wordt door
burgemeester en wethouders, in over.
leg wat den hoofdonderwijzer betreft
met den districts schoolopziener, wat
den hulponderwijzer aangaat met
den hoofdonderwijzer, in de tijdelijke
waarneming der opengerallen plaats
voorzien. Die van hoofdonderwijzer
moet uiterlijk binnen zes maanden
na het openvallen zijn vervuld.
Indien in de vervulling, waar het
betreft het hoofd der school, niet
door den gemeenteraad is voorzien
binnen zes maanden nadat de plaats
is opengevallen, geschiedt zulks door
Gedepnteerde Staten na voorafgaand
vergelijkend onderzoek naar de ge-
schiktheid der candidaten.
Art. $2bis. Wanneer in eene ge-
-ocr page 32-
16 Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.                           Wet 1889.
meenteschool jongelieden in het be-
zit der akte, bedoeld in art. 56, onder
a, op den voet van art. 8 als kwee-
kelingen zijn toegelaten, zijn deze tij
schorsing, ontslag, ontstentenis of tij -
delijke verhindering van eenen on-
derwijzer in die school, op aanwij-
zing van het hoofd, bevoegd en ver-
plicht tot de waarneming der ópen-
gevallen plaats, hangende het over-
leg in het eerste lid van art. 32
voorgeschreven.
Art. 33. Het schoolonderwijs
wordt onder het aanleeren van ge-
paste en nnttige kundigheden dienst-
baar gemaakt aan de ontwikkeling
van de verstandelijke vermogens der
kinderen en aan hunne opleiding tot
alle Christelijke en maatschappelijke
deugden.
De onderwijzer onthoudt zich van
iets te leeren, te doen of toe te laten
wat strijdig is met den eerbied ver-
schuldigd aan de godsdienstige be-
grippen van andersdenkenden.
De onderwijzer, die zich in dit
opzigt aan pligtverzuim schuldig
maakt, kan door Ons voor hoogstens
een jaar en bij herhaling der over-
treding voor onbepaalden tijd in zijne
bevoegdheid tot het geven van on-
derwij s aan eene openbare school ge-
schorst worden.
Het geven van godsdienstonder-
wijs blijft aan de godsdienstleeraren
overgelaten.
Art. 34. Op bezwaarschriften
tegen het in de school gebruik ma-
ken van bepaald aangewezen leer-
boeken wordt beslist door Onzen
Minister, die met de uitvoering dezer
wet is belast.
Zijnebeslissingwordtinde Staats-
courant openbaar gemaakt.
Den onderwijzer, die een aldus
afgekeurd leerboek gebruikt, wordt
door burgemeester en wethouders
verboden hiermede voort te gaan.
In geval van ongehoorzaamheid
wordt aan den onderwijzer een niet-
e er vol ontslag gegeven.
Art. 35. Het is den onderwijzers
op straffe van ontslag verboden nan-
del te drijven of eenige nering of
beroep, behalve het geven van on-
derwij s, uit te oefenen.
Art. 36. Het is hun op gelijke
straffe verboden ambten of bedienin-
Art. 28, Ie en 2e zin. Al» art. 33,
al. 1 en 2, van 1878.
Art. 23, 8e zin. Het geren run
onderwijs in de godsdienst wordt orer-
gelaten aan de kerkgenootschappen.
Art. 24. De hoofd- en hidponder\'
wijzers bekleeden geene ambten of
bedieningen dan niet goedkeuring
run Gedeputeerde Staten, die rooraf
burgemeester en wethouders, en in
gemeenten
MM 3000 zielen en daar\'
lioren de plaatselijke schoolcommissie,
in de overige gemeenten den districts-
schoolopziener hooren.
-ocr page 33-
Wet 1889.             17
Wetten 1878—1884.
Wet 1857.
gen te bekleeden ofte gedoogen, dat
te hunnen huize handel of nering
gedreven of eenig beroep uitgeoefend
worde door de leden van hun gezin.
Zoowel van het eene als van het an-
dere verbod kan vrijstelling worden
verleend door Gedeputeerde Staten,
den districts-schoolopziener gehoord.
Het ontslag, in dit en de twee
voorgaande artikelen bedoeld, wordt
verleend, hetzij door den gemeente-
raad op voordragt van den districts-
schoolopziener of van burgemeester
en wethouders of van den arrondis-
sements-schoolopziener naar de on-
derscheidingen, in art. 29 onder b en
c gemaakt, hetzij ingevolge art. 31
door Gedeputeerde Staten, netzij aan
scholen, uitsluitend door het Rijk
bekostigd, door Onzen Minister, met
de uitvoering dezer wet belast.
Art. 37. Aan de onderwijzers
wordt, in de gevallen bij art. 38 en
onder de voorwaarden bij artt. 41 en
42 dezer wet gesteld, pensioen ver-
leend ten laste van het Kijk.
Art. 38. Regt op pensioen wordt
verkregen door na voloragten vijf en
zestigjarigen leeftijd bekomen ont-
slag.
Pensioen kan insgelijks verleend
worden aan eeu onderwijzer, die na
tienjarigen diensttijd uithoofde van
ziels- of ligehaamsgebreken voor de
waarneming zijner betrekking onge-
schikt is en op dien grond ontslag
heeft bekomen.
Die ongeschiktheid wordt aange-
nomen op de verklaring van den
districts-schoolopziener en van Gede-
puteerde Staten.
Bij de berekening van het pensi-
oen komen alleen in aanmerking
diensten vóór of sedert het in wer-
king treden dezer wet als onderwijzer
aan eene openbare school ten behoeve
van het lager onderwijs bewezen.
Art. 39. Aan den onderwijzer, die
len gevolge van de opheffing der
school, waarvan hij het hoofd was,
wordt ontslagen en niet in de termen
valt om pensioen te genieten, wordt
ten laste van het Rijk een wachtgeld
verleend lot een bedrag van de helft
der jaarwedde, die hij op het tijdstip
van zijn ontslag genoot. Dit wacht-
geld vervalt na vijfjaren, of wanneer
de onderwijzer in de termen komt om
Art. 25. Aan hoofd, en hulponder~
wijzers wordt in de volgende gevaU
len en owler de daarbij gestelde
voorwaarden pensioen ten laste van
den Staat verleend.
Art. 26. Regt op pensioen wordt,
na bekomen eervol ontslag, verkre-
gen op bereikten vijf-en-zestigjarigen
leeftijd en veertigjarigen diensttijd.
Insgelijks kan pensioen worden
verleend aan hen, die, na tienjarigen
diensttijd, uithoofde van ziels, of
ligehaamsgebreken voor de waarne-
ining hunner betrekking ongeschikt
zijn en op dien grond eervol ontslag
hebben bekomen. Die ongeschiktheid
wordt aangenomen op de verklaring
vayi den districts-schoolopziener en
van Gedeputeerde Staten.
By de berekening van het pensioen
komenatleenin aanmerking diensten,
onder deze wei als hoofd.of hulponder-
wijzer, en, vóór dien tijd, als onderwijl
xer aan eene openbare school, ten
6e-
hoevevan het lager onderwijs bewezen.
Voor hem, die niet eervol wordt
ontslagen, gaat aanspraak op pen-
sioen verloren.
Aan den onderwijzer hoofd eener
school die ten gevolge van de op-
heffing der school, en aan den on-
derwijzer, die, wegens opheffing der
school of wegens opheffing zijner be-
trekking, omdat het krachtens deze
wet in de school gevorderd aantal
onderwijzers is overschreden, wordt
ontslagen en niet in de termen valt
pensioen te genieten, wordt ten laste
van het Rijk een wachtgeld verleend
2
WET L. O.
-ocr page 34-
Wetten 1878—1884.
18 Wet 1857.
Wet 1889.
pensioen te genieten, of zooceel vroe-
ger, als hij tot eene betrekking van
rijks-, provincie- of gemeentewege
wordt benoemd, waarvan de bezoldi-
ging met het bedrug van hel wachtgeld
gelijk slaat of dit overtreft, of zoo-
danige betrekking, hem niet van rijks-,
provincie- of gemeentewege opgedra-
gen, aanvaardt. Bij de aanvaarding
eener betrekking, niet van rijks-, pro-
vincie- of gemeentewege opgedragen,
waarvan de bezoldiging lager is dan
het wachtgeld, wordt dit verminderd
met hel bedrag dier bezoldiging.
tot een bedrag van de helft der jaar-
wedde, die hij op het tijdstip van zijn
ontslag genoot. Dit wachtgeld ver-
valt na vijf jaren wanneer het geldt
het hoofd eener school, na twee
jaren wanneer het geldt een onder-
wijzer, of wanneer het hoofd of de
onderwijzer in de termen komt om
pensioen te genieten, of zooveel vroe-
ger als hij tot eene betrekking van
Rijks-, provincie- of gemeentewege
wordt benoemd, waarvan de bezoldi-
ging met het bedrag van het wacht-
geld gelijk staat of dit overtreft, of
zoodanige betrekking, hem niet van
Rijks-, provincie- of gemeentewege
opgedragen, aanvaardt. Bij de aan
vaarding eener betrekking, nie
van Rijks-, provincie- of gemeente
wege opgedragen, waarvan de bezol
diging lager is dan het wacht
geld, wordt dit verminderd met he
bedrag dier bezoldiging.
Behalve in het laatstgenoemde
geval rekent de tijd, gedurende wei-
ken het wachtgeld wordt genoten,
mede voor aanspraak op pensioen.
In de aan onderwijzers, geen hoof
den van scholen, te verleenen wacht-
gelden wordt door de gemeente de
helft aan het Rijk vergoed.
Art. 40. Het pensioen beloopt
voor elk jaar dienst een zestigste deel
van de jaarwedde, die over de laatste
twaalf maanden, aan het ontslag
voorafgegaan, tot grondslag gediend
heeft voor de bepaling der bijdrage,
in het volgend artikel vermeld, doch
mag nimmer het twee derde gedeelte
dier jaarwedde te boven gaan.
Art. 41. Als bijdrage voor pensi-
oen wordt door de onderwijzers jaar-
lijks betaald twee ten honderd van
de jaarwedde aan hunne betrekking
verbonden.
De jaarwedde wordt berekend met
inbegrip van hetgeen de onderwij-
zer, aan het hoofd eener school ge-
plaatst, op grond van art. 20, vierde
lid, dezer wet geniet. Het bedrag de-
zer inkomsten wordt door Gedepu-
teerde Staten bepaald.
De bijdrage komt ten voordeele van
het Rijk en wordt door de zorg der
gemeentebesturen geïnd en aan \'s
Rijks schatkist verantwoord.
Art. 27. liet pensioen beloopt voor
elk jaar dienst een zestigste deel run
de jaarwedile, die over de laatste
twaalf maanden, het eervol ontslag
voorafgegaan, heeft gediend tot
grondslag van de betaling der bij-
drage, bij art.
28 bepaald, doch mag
nimmer het twee derde gedeelte dier
jaarwedde te boren gaan.
Art. 28. Als büdrage voor pensioen
wordt door de hoofd, en hulponder-
wijzers, te rekenen van het tijdstip
waarop deze wet in werking treedt,
jaarlijks betaald twee ten honderd
van de jaarwedde aan hunne betrek-
king verbonden. Die bijdrage komt
ten roordeele run den Staat en wordt
door de zorg der gemeentebesturen
geïnd en tuin \'s Rijks schatkist ver-
antwoord.
Art. 29. Door de gemeenten, uit
welke, krachtens deze wet, hoofd, of
hulponderwijzers worden gepensiv-
-ocr page 35-
Wet 1857.                   Wetten 1878—1884.                        Wet 1889.           19
neerd, wordt aan den Staat een
derde gedeelte van het bedrag ran
het pemioen vergoed.
Art. 80. De bepalingen van de
artt.
22, 23, 24, 26, 27, 38. 29. 30,
31, 33, 37, 40 en 41 der wet van den
9dm Mei
1846 (Staatsblad no. 34),
zooah die bij de wet van den Sden
Mei
1861 (Staatsblad no. 49) zijn
gewijzigd, zijn op de pensioenen der
hoofd\' en hulponderwijzers toepas\'
selijk.
Art. 42. De bepalingen van de
artt, 7,16, derde lid, 22, 23, 24, 26,
27, 28, 29, 30, 31, 32, 37, 40 en 41
der wet betreffende de burgerlijke
pensioenen, laatstelijk gewijzigd bn
die van21 Mei 1873 (Staatsblad
no. 64), zijn op de pensioenen der on-
derwijzers van toepassing.
Art. iibis. De artt. 6, 26, 27 lil.
a en 35—42 gelden niet voor de on-
derwijzers, aan openbare scholen uit-
sluitend belast met hel onderwijs in
een of meer der vakken, vermeld in
art.
2 onder i, k, q, r, 8 en t (1884).
Art. 42iw. De artt. 6, 26, 27, lit.
a, en 35—42 gelden niet voor de on-
derwijzers aan openbare scholen, uit-
sluitend belast met het onderwijs in
een of meer der vakken, vermeld in
art. 2 onder h, i, k, q, r en t.
De artt. 26 en 35-42 gelden
niet voor de onderwijzers aan openba-
re scholen die uitsluitend in een der
vakken of in beide vakken vermeld
in art. 2 onderj en s onderwijs ge-
ven, dan wel daarnevens mede onder-
wijs geven in een of meer der vakken,
vermeld in art. 2 onder /*, i, k, q, r en l.
§ 3. Van de kosten van het onderwijs.
Art. 43. Elke gemeente voorziet
in de kosten van haar lager onder-
wijs, voor zoover die niet Komen ten
laste van anderen of op andere wijze
worden gevonden.
Art. 44. Die kosten zijn
a.  de jaarwedden der onderwij-
zers;
b.  de vergoeding aan onderwij -
zers, aan het hoofd van scholen
staande, wegens gemis van vrije wo-
ning;
c.  de toelagen en bijdragen tot op-
leiding van onderwijzers;
d.  de uitgaven ten behoeve van
het herhaliugs-onderwijs;
e.  die voor het stichten en in
stand houden of voor het huren der
schoollokalen en onderwjjzerswonin-
gen;
f.  die voor het aanschaffen en on-
derhouden der schoolmeubelen en der
schoolboeken.leermiddelen en school -
behoeften;
g.  die voor verlichting en verwar-
mingenhetschoonhouden derschool-
lokalen;
h. die van het plaatselijk schooltoe-
zigt en van de vergelijkende examens;
i. die voor de schoolbibliotheken,
belooningen en eereblijken.
§ 3. Van de kosten van het
onderwijs.
Art. 31. Elke gemeente voorziet in
de kosten van haar lager onderwijs,
voor zooverre die niet komen ten
laste van anderen, of op andere wijze
worden gevonden.
Art. 32. Die kosten zijn:
a. de jaarwedde der hoofd\' en
hulponderwijzers;
g. de vergoeding aan de hoofdon\'
derwijzers voor het gemis van vrije
woning;
b. de toelagen ten behoeve
kweekelingen;
der
c.  de kosten van het oprigten en\'
in stand houden of het huren der
schoolgebouwen;
f. die van het oprigten en in stand
houden of het huren der onderwij\'
zerswoningen;
d.  die van het aanschaffen en on-
derhouden der schoolmeubelen en
der schoolboeken en schoolbehoeften
der leerlingen;
e.  die vun licht en brand, benoo-
digd voor de schoollocalen;
i. de kosten der plaatselijke school\'
commissie;
h. die van het plaatselijk school-
toezicht en van het vergelijkend on-
derzoek;
h. de bijdrage der gemeente tot
het pensioen der onderwijzers.
-ocr page 36-
Wetten 1878—1884.
Wet 1889.
Art. 45. Door het Rijk wordt over elk
dienstjaar aan de gemeente dertig ten hon-
derd run het bedrag dezer kosten vergoed.
lijj tcy\'ze van roorschot icordt om de drie
maanden door het Rijk aan de gemeente een
tierde gedeelte uitgekeerd van het bedrag
over hel dienstjaar verschuldigd, berekend
naar de sommen voor deze kosten oji de ge-
meentehegrooting uitgetrokken.
Bij de eerste uitkeering en, zoo noodig, by
de latere in een volgend dienstjaar wordt
hetgeen door de gemeente te veel mogt zijn
ontvangen verrekend, zoodra het juiste cijfer
der uitgaven ingevolge artt.
222 en 223 der
u-et van
29 Junfj 1861 (Staatsblad no.86J
is vastgesteld.
De noodige voorschriften omtrent de uit-
roering dezer bepalingen worden door Ons bij
algemeentn maatregel van inwendig bestuur
gegeven
(1878).
Door hel Rijk wordt over elk
dienstjaar aan de gemeente vergoed
dertig ten honderd van het bedrag der
kosten bedoeld in het vorig artikel,
onder:
1°. letter a—d;
2°. letter e, doch uitsluitend voor
zooverre zij betreffen het slichten en
huren der schoollokalen en onderwij-
zerswoningen, zijnde onder „slichten1\'
ook het verbouwen begrepen ;
3°. letter f, doch uitsluitend voor
zooverre zij betreffen het aanschaffen
der noodzakelijke schoolmeubelen, bij
eerste inrichting van nieuwe schoollo-
kalen.
Voorschriften omtrent de uitvoering
dezer bepaling worden door Ons bij
algemeenen maatregel van inwendig
bestuur gegeven, wet inachtneming van
het beginsel dat, behoudens aanvulling
of terugbetaling na vaststelling der
gemeenterekening, de uitkeering der
vergoeding geschiedt :
1°. met betrekking tol de kosten in
hel vorig artikel sub lilt.
a—d bedoeld,
en tot die van het huren der schoollo-
kalen en onderwijzerswoningen, bij
wijze van voorschot, op den grondslag
der goedgekeurde begrootingscijfers;
2". met belrekking lol de overige
kosten, in verband met de betalings-
lermijnen
(1884).
Art. 45. Door het Rijk wordt
over elk dienstjaar aan de gemeente
eene bijdrage verleend:
ln. a. voor elk hoofd eener school
van negentig en minder leerlingen
tweehonderd vijftig gulden;
van een en negentig tot en met
eenhonderd negen en negentig leer-
lingen driehonderd gulden;
van tweehonderd tot en met drie-
honderd negen leerlingen vierhon-
derd gulden;
van driehonderd tien tot en met
vierhonderd negentien leerlingen
vijf honderd gulden;
van vierhonderd twintig en meer
leerlingen zeshonderd gulden;
b.   voor elk der onderwijzers, die
het hoofd der school bijstaan, voor
zoover die bijstand volgens art. 24
verplichtend is, voor scholen:
van een en veertig tot en met ne-
gentig leerlingen eenhonderd vijftig
gulden;
van een en negentig en meer leer-
lingen tweehonderd gulden, doch
voor elk dier onderwijzers die den
leeftijd van drie en twintig jaren
volbracht hebben en den rang van
hoofdonderwijzer bezitten, voor zoo-
ver zulks volgens art. 24 gevorderd
wordt, driehonderd gulden;
c.  indien het aan de school ver-
bonden onderwijzend personeel het
minimum van onderwijzers, bij ar-
tikel 24 gesteld, overschrijdt:
voor scholen van negentig en min-
der leerlingen eenhonderd vijftig gul-
den en van een en negentig tot en
met driehonderd negen leerlingen
tweehonderd gulden voor één onder-
wijzer;
voor scholen van driehonderd tien
en meer leerlingen tweehonderd gul-
den per onderwijzer voor ten hoogste
twee onderwijzers;
doch omvat het onderwijs behalve
de vakken a—k tevens ten minste
twee der vakken onder /, m en a en
hetvakonder/> van artikel 2genoemd:
voor scholen van negentig en min-
der leerlingen tweehonderd gulden
voor één onderwijzer;
voor scholen van een en negentig
tot en met eenhonderd negen en ne-
gentig leerlingen tweehonderd vijftig
gulden per onderwijzer voor ten
hoogste twee onderwijzers;
voor scholen van tweehonderd en
-ocr page 37-
Wet 1857.
Wetten 1878—1884.
Wet 1889.            21
meer leerlingen tweehonderd vijf-
tig gulden per onderwijzer voor ten
hoogste drie onderwijzers.
Indien een onderwijzer in den loop
van het jaar wordt in dienst ge-
steld, ten gevolge van ontslag de
school verlaat, of overlijdt, wordt de
bijdrage berekend naar den maatstaf
sub a, b en c vermeld, in evenredig-
heid van het aantal volle maanden
dat hij in dat jaar aan de school ver-
bonden is geweest;
2U. vijf en twintig ten honderd
van de kosten wegens het stichten,
verbouwen of aankoopen van school-
lokalen voor zoover die niet komen
ten laste van anderen of op andere
wijze worden gevonden.
Voor de sub 1°. vermelde bijdrage
komen niet in aanmerking de scho-
len waarvan de opbrengst der school-
gelden eene inkomst oplevert van ge-
middeld tachtig gulden of meer per
leerling en per jaar.
Voor de berekening daarvan dient
tot grondslag het aantal leerlingen
waarnaar volgens den maatstaf in
art. 24 vermeld, het aantal onder-
wijzers geregeld wordt.
Voorschriften omtrent de uitvoe-
ring dezer bepalingen worden door
Ons bij algemeenen maatregel van
bestuur gegeven, met inachtneming
van het beginsel, dat behoudens aan-
vulling of terugbetaling na afloop
van het dienstjaar de uitkeering der
bijdrage geschiedt:
a. bij voorschot:
die sub 1°. a en b bedoeld naar het
aantal onderwijzers dat ingevolge het
bepaalde bij de artt. 23 en 24 aan de
school moet verbonden zijn;
die sub 1°. c bedoeld, voor zoo ver
het aantal op 1 Januari van het
dienstjaar aan de school verbonden
onderwijzers voor de bijdrage in aan-
merking komt;
6. die sub 2U. bedoeld in verband
met de betalingstermijnen.
Art. 46. Ter tegemoetkoming in
de kosten, welke voor rekening der
gemeente blijven, wordt voor ieder
schoolgaand kind, met uitzondering
van bedeelden, en van hen die, schoon
niet bedeeld, onvermogend zijn, een
schoolgeld geheven van ten minste
twintig cents per maand.
De minvermogenden worden, in-
dien het schoolgeld voor ieder kind
Art. 46. Ter tegemoetkoming in de
kosten, welke voor rekening der ge-
meente blijven, kan eene bijdrage van
ieder schoolgaand kind worden gene-
ven.
Art. 38, Ie lid. Ter iegemoelko-
tning in deze kotten kan eene bij-
druge toor ieder schoolgaand kind
worden geheven.
-ocr page 38-
22 Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.                           Wet 1889.
van dezelfde klasse gelijk is, slechts
voor een gedeelte aan de heffing on-
derworpen.
Vrijstelling van verplichting tot
het heffen van schoolgeld kau aan
eene gemeente door Ons worden ver-
leend hij een met redenen omkleed
hesluit, den Raad van State gehoord.
Intrekking dezer vrijstelling ge-
schiedt op dezelfde wijze.
Het invoeren, wijzigen of afschaf-
fen van dit schoolgeld geschiedt met
inachtneming van de artt. 232—236
der wet van29 Juni 1851 (Staats-
hl ad no.85),met dien verstande dat
aan de verordening tot heffing Onze
foedkeuring niet wordt onthouden
an bij een met redenen omkleed he-
sluit, den Raad van State gehoord.
De invordering wordt geregeld
door eeue plaatselijke verordening
overeenkomstig de bepalingen van
de artt. 258—262 dier wet. Indien
het schoolgeld, behalve voor zooveel
betreft de gevallen in het 2de lid van
dit artikel en in art. 48 vermeld,
voor ieder kind van dezelfde klasse
niet gelijk is, zijn daarop de artt. 264
—266 dier wet, gelijk die gewijzigd
is bij de wet van 28 Juni 4881
(Staatsblad no. 102), mede van
toepassing, met dien verstande dat
het schoolgeld voor geen kind meer
bedrage dan hetgeen voor het onder-
wijs van dat kind kan geacht wor-
den voor rekening der gemeente te
blijven.
Hel invoeren, wijzigen of afschaf-
fen van dit schoolgeld geschiedt met
inachtneming van de artt.
232—236
derwetvan 29 Junij 1851 (Slaats-
Had no.
85).
Art. 34. Het inroeren, wijzigen of
afschaffen tan schoolgeld
enz. als
art.
46, al. 2 en 3, van 1878.
Be invordering wordt geregeld door
eene plaatselijke verordening overeen-
komslig de bepalinaen van "de artt.
258—262 dier wet.
Bedeelden en zij, die, schoon niet
bedeeld,onvermogend zijn,wurden niet,
de minvermogenden niet of slechts voor
een gedeelte, aan de heffing onder-
worpen.
Art. 33, 2e lid. Bedeelden en zij,
die, schoon niet bedeeld, oncermo-
gend zijn schoolgeld te belalen, icor-
den niet aan de heffing onderworpen.
Art. 47. Het gemeentebestuur be-
vordert zooveel mogelijk het school-
gaan der kinderen van bedeelden,
onvermogenden en minvermogenden.
Art. 48. Tenzij bij eene regeling,
krachtens het laatste lid van art.
16
gemaakt, anders is bepaald, bedraagt
het schoolgeld voor de kinderen uil
andere gemeenten niet meer dan dat
voor de kinderen uit de heffende ge-
meènte.
Voor twee of meer kinderen uit één
gezin, gelijktijdig ter school gaande,
kan het bedrag van het schoolgeld
lager gesteld worden dan het, berekend
voor ieder afzonderlijk, wezen zou.
Behoudens de vrijstellingen, in art.
46 dezer ivet bedoeld, is voor ieder
kind van dezelfde klasse het school-
geld gelijk.
Art. 49. Indien Wij, Gedepu-
Art. 83, 3e lid. Het gemeentebe-
bestuur bevordert zooveel mogelijk
het schoolgaan der kinderen van
bedeelden en onvermogenden.
Art. 48. Tenzij bij eene regeling
krachtens het laatste lid van art. 16
gemaakt, anders is bepaald, bedraagt
het schoolgeld voor de kinderen uit
andere gemeenten niet meer dan dat
voor de kinderen uit de heffende ge-
meente.
Voor twee of meer kinderen uit één
fezin, gelijktijdig ter school gaande,
an het bedrag van het schoolgeld la-
ger gesteld worden dan het, berekend
voor ieder afzonderlijk, wezen zou.
Art. 35, 2e lid. Voor twee of
meer kinderen uit één gezin, gelijk\'
tijdig ter school gaande, kan het be»
drug lager worden gesteld.
Art. 35, Ie lid. Voor de kinderen
ran dezelfde klasse eener school is
het schoolgeld gelijk.
Art. 86. Indien Wij, na onderzoek
-ocr page 39-
Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.
door Gedeputeerde Staten en de Pro-
vi?iciale Staten gehoord, oordeelen
dat eene gemeente door de uitgaven,
tot eene behoorlijke inrigting van
haar lager onderwijs veveischt, te
zwaar zou worden gedrukt, wordt
hetgeen ten laste der gemeente zal
blijven door Ons bepaald en in het
overige door de provincie en het Rijk,
elk xoor de helft, voorzien.
teerde Staten gehoord, oordeelen dat
eene gemeente, door de uitgaven tot
eene behoorlijke inrigting van haar
lager onderwijs vereischt, in verhou-
ding tot hare middelen en andere uit-
gaven onbillijk zou worden bezwaard,
wordt haar uit \'s Rijks kits tijdelijk subsidie
verleend.
Ons met redenen
(1878)
kan haar uit \'s Rijks kas tijdelijk
subsidie verleend worden. Ons daar-
toe strekkend en met redenen (1884)
omkleed besluit wordt, te gelijk met
het advies van Gedeputeerde Staten,
in de Staatscourant openbaar
gemaakt.
Art. 50. De bestekken voor den bouw en
erttouw van scholen en onderwyzerswmiingen
worden aan de goedkeuring van den distrtcts-
schoolopzienev onderworpen. In geval deze
bezwaar maakt zijne goedkeuring te rerleenen,
kan de beslissing van Onzen Minisier, met de
uitvoering dezer wet belast, worden ingeroe.
pen
(1878).
De bestekken voor en de gun-
ning van den bouw en verbouw van
scholen en onderwijzerswoningen, ter
bekostiging waarvan aan de gemeente
overeenkomstig art. 49 uit \'s Rijks
kas tijdelijk subsidie wordt verleend,
behoeven de goedkeuring van Onzen
Minister met de uitvoering dezer
wet belast; deze beslist, den districts-
schoolopziener gehoord.
In alle overige gevallen worden de
bestekken aan de goedkeuring van
den districts schoolopziener onder-
worpen. Ingeval deze bezwaar maakt
zijne goedkeuring te verleenen, kan
de beslissing van Onzen Minister
met de uitvoering dezer wet belast,
worden ingeroepen (1884).
titel ui.                                 TITEL III.
Van het bijzonder onderwijs. VAN HET BIJZONDER ONDERWIJS.
Art. 51. Tot het geven van bij-
zonder onderwijs wordt vereischt het
bezit
a.  eener akte van bekwaamheid;
b.  van een gelijk getuigschrift, als
in art. 27, litt. 6, is vermeld, en waar-
op het voorlaatste en het laatste lid
van dat artikel toepasselijk zijn;
c.  van een bewijs, dat deze beide
stukken door burgemeester en wet-
houders der gemeente, waar het on-
derwijs zal gegeven worden, zijn ge-
zien en in orde bevonden.
Burgemeester en wethouders geven
hiervan aan den districts-schoolop-
ziener berigt.
Art. 87. Tot het geven van bijzon»
der schoolondcrwijs of van huison-
derwijs wordt vereischt het bezit:
a.  eener acte van bekwaamheid;
b.  van gelijk getuigschrift als in
art.
21, ht. b, is vermeld;
c. van een bewijs, dat beide deze
stukken door burgemeester en wei-
houders der gemeente, waar het on-
derwijs zal gegeven worden, zijn
gezien en in orde bevonden.
-ocr page 40-
24 Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.                           Wet 1889.
Art. 52. Omtrent de afgifte van
het bewijs, vermeld in litt. c van het
voorgaand artikel, wordt uiterlijk
binnen vier weken, te rekenen van
den dag, waarop de aanvrage daar-
toe geschied is, door burgemeester en
wethouders beslist.
Van die beslissing, of wanneer bin-
nen dien termijn de beslissing aan
den belanghebbende niet is kenbaar
gemaakt, wordt beroep op Gedepu-
teerde Staten toegelaten.
Na afwijzing door Gedeputeerde
Staten, of indien binnen den tijd van
zes weken na het ingesteld hooger
beroep hunne beschikking aan den
belanghebbende niet is kenbaar ge-
maakt, kan bij Ons in beroep wor-
den gekomen.
Art. 53. De onderwijzer, die bij
het geven van bijzonder school» of
huisonderwijs leeringen verspreidt
strijdig met de goede zeden of aan-
sporende tot ongehoorzaamheid aan
de wetten des lands, kan op voor-
dragt van burgemeester en wethou-
ders of van den districts-schoolopzie-
nerdoor Gedeputeerde Staten worden
verklaard zijne bevoegdheid tot het
geven van onderwijs verloren te heb-
ben.
Deze bepaling is ook toepasselijk
op den onderwijzer, die zich aan
een ergerlijk levensgedrag schuldig
maakt.
Art. 54. De onderwijzer, die de
lessen der school bestuurt, wordt ge-
acht aan haar hoofd te staan.
Bij moet den leeftijd van drie en
twintig jaren volbragt hebbenen den
rang van hoofdonderwijzer bezitten.
Van deze vereischten wordt vrij-
stelling verleend in geval eener tijde-
lijke waarneming, mits het niet lan-
ger dure dan zes maanden, dat een
onderwijzer, die den gevorderden
leeftijd of den hoofdonderwijzersrang
niet bezit, aan het hoofd der school
staat.
Aan bijzondere lagere scholen kan
onderwijs gegeven worden in dezelf-
de vakken als aan de openbare.
Art. 88. Omtrent de afgifte tan
het bewijs, vermeld bij Ut.
c rail art.
87, wordt, uiterlijk binnen tier we-
ken, te rekenen van den dag waarop
de aanvrage daartoe geschied is, door
burgemeester en wethouders beslist.
Van die beslissing, of wanneer
binnen dien termijn de beslissing aan
de belanghebbeiiden niet is kenbaar
gemaakt, wordt beroep toegelaten
op Gedeputeerde Staten.
Na afwijzing door Gedeputeerde
Staten, of indien binnen den tijd
ran zes weken hunne beschikking aan
de belanghebbenden niet is kenbaar
gemaakt,kan bij Ons in beroep worden
gekomen.
Art. 89. De onderwijzers, die bij
het geven van bijzonder schoolonder-
wi/s of van huisonderwijs, leeringen
verspreiden, strijdig met de goede ze-
den o f aansporende tot ongehoorzaam^
heid aan de wetten des lands, kun-
nen, op roordragt van burgemeester
en wethouders, van de plaatselijke
schoolcommissie of van den districts-
schoolopziener, door Gedeputeerde
Staten worden verklaard hunne be-
voegdheid tot het geven van onder\'
wijs verloren te hebben.
Deze bepaling is ook van toepas-
sing op de onderwijzers, die zich aan
een ergerlijk levensgedrag schuldig
maken.
Art. 546is. Door het Rijk wordt
over elk dienstjaar aan de besturen
der bijzondere lagere scholen eene
bijdrage verleend volgens denzelfden
maatstaf als bij art. 45 sub 1°. aan
de gemeente ten behoeve der open-
-ocr page 41-
Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.                           Wet 1889.            25
bare lagere school wordt toegekend,
mits:
1°. de school staat onder het be-
stuur van eene instelling of vereeni-
gingdie rechtspersoonlijkheid bezit;
2°. het onderwijs de vakken om-
vat in art. 2 vermeld onder a—j, als-
mede k, tenzij, wat het laatste vak
betreft, blijke dat de schoolgaande
kinderen daarin elders voldoend on-
derwijs ontvangen;
3°. dat onderwijs gegeven wordt
gedurende ten minste achttien uren
per week, waarvan ten hoogste twee
uren in het vak vermeld onder k van
art. 2, volgens een aan den arrondis»
sements-schoolopziener medegedeel-
den en in een der schoolvertrekken
op eene zichtbare plaats opgehangen
rooster van lesuren, waarop tevens
de feestdagen en vacantietijden zijn
vermeld;
4°. het aantal onderwijzers vol-
doet aan de voor de openbare scholen
gestelde eischen in de artt. 23 en 24,
het 3de lid uitgezonderd.
Voor die bijdrage komen niet in
aanmerking de bijzondere scholen:
a.  waarvan het aantal leerlingen
boven zes jaren, dat als werkelijk
schoolgaande bekend staat, berekend
naar den maatstaf in art. 24 vermeld,
minder dan 25 bedraagt;
b. waarvandeopbrengstderschool-
gelden eene inkomst oplevert van ge-
middeld tachtig gulden of meer per
leerling en per jaar;
c.  wanneer bij vacature in het on-
derwijzend personeel tusschen het
ontstaan daarvan en de aanvaarding
zijner betrekking door den benoemde
een langere tijd verloopt dan: wat
het hoofd der school betreft, van zes
maanden; wat de overige onderwij-
zers betreft, van vier maanden;
cl. waarvan blijktdatzij gehouden
worden als winstgevend bedrijf.
Voor de berekening van het sub b
vermelde wordt het voorschrift ge-
volgd dienaangaande bij art. 45 ge-
geven.
De besturen zijn gehouden aan On-
zen Minister, met de uitvoering de-
zer wet belast, en aan Gedeputeer-
de Staten der provincie, waarin de
school is gevestigd, alle inlichtingen
te geven verlangd met betrekking tot
litt. a—d, in dit artikel vermeld, en
zulks op straffe van verval van aan-
spraak op de bijdrage.
-ocr page 42-
26 Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.                           Wet 1889.
Jaarlijks in de maand Januari
zendt het bestuur, dat op eene
Rijksbijdrage krachtens dit artikel
over het voorgaande jaar aanspraak
maakt, zijne daartoe strekkende aan-
vrageaan de Gedeputeerde Staten van
de provincie, waarin de school is ge-
vestigd.
Deze beslissen vóór 1 Mei daaraan-
volgende, of de school voldoet aan de
eischen en voorwaarden, in dit arti-
kel tot het verleenen eener Rijksbij-
drage gesteld, bepalen het bedrag dier
Rijksbijdrage overeenkomstig de eer-
ste zinsnede van dit artikel en dee-
len hun besluit onverwijld mede aan
Onzen Minister met de uitvoering
dezer wet belast, alsmede aan den
inspecteur van het lager onderwijs,
in wiens ambtsgebied de school is ge-
vestigd, en aan het bestuur, dat de
aanvrage deed.
Binnen dertig vrije dagen na de dag»
teekening van dat besluit kan daar-
van bij Ons in beroep worden geko-
men door Onzen Commissaris in de
provincie en door den inspecteur en
het bestuur in het vorige lid bedoeld.
Het bedrag, waarop het bestuur
aanspraak mocht kunnen maken,
wordt alsdan bij Onze eindbeslissing
vastgesteld.
De voorschriften omtrent de uit-
voering van dit artikel worden door
Ons gegeven bij algemeeuen maat-
regel van bestuur.
TITEL IV.
VAN DE AKTEN VAN BEKWAAMHEID
TOT HET GEVEN VAN LAGER
ONDERWIJS.
Art. 55. De bevoegdheid tot het
geven van lager onderwijs wordt
verkregen door het afleggen der in
deze wet omschreven examens.
Art. 56. De akten van bekwaam»
heid zijn
a. die, waarvan het bezit de be-
voegdheid verleent tot het geven van
huis- en, schoolonderwijs in de vakken,
vermeld in art.
2, onder a—i, en aan
onderwijzeressen tevens in het vak,
aldaar genoemd onder
k;
TITEL ir.
Van de acten vati bekwaam»
heid tot het geren van
onderwijs.
Art. 40. De acten van bekwaam.
heid tot het geven van school\' en
van huisonderwys worden verkregen
door het alleggen van examens.
Art. 56. De akten van bekwaam.
heid zijn:
a.  die, waarvan het bezit de be-
voegdheid verleent tot het geven van
huis- en schoolonderwijs in do vak-
ken, vermeld in art. 2, onder a—i,
en tevens bevoegdheid kan verleenen
tot het geven van huis- en schoolon-
derwijs in een der vakken of in beide
vakken, genoemd onder,/\' en k in art.
2 der wet;
b.  die, waarvan het bezit met den
rang van hoofdonderwijzer de be-
b. die, waarvan hel bezit met den
rang van hoofdonderwijzer de be»
-ocr page 43-
Wet 1889.            27
Wetten 1878—1884.
Wet 1857.
voegdheid verleent tot het geven van
huis- en schoolonderwijs niet alleen
in de vakken, vermeld in art. 2 on-
der a—i, maar ook in die, aldaar ge-
noemd onder o en q, en tevens be-
voegdheid kan verleenen tot het ge-
ven van huis- en schoolonderwijs in
een der vakken of in beide vakken, ge-
noemd onder j en k, in art. 2 derwet;
c. die, waarvan het bezit de be-
voegdheid verleent tot het geven van
huisonderwijs of tot het geven van
huis- en schoolonderwijs in bepaalde
vakken.
voegdheid verleent tot het geven van
huis* en schoolonderwijs niet alleen in
de vakken, vermeld in art.
2, onder
a—i of a—k, maar ook in die, al-
daar genoemd onder
o, p, q, en voor de onderwijzeressen onder t
(1878);
o, p en q (1884);
c. die, waarvan het bezit de be-
voegdheid verleent tot huisonderwijs
of tot huis* en schoolonderwijs in be-
paalde vakken.
Art. 57. Ter verkrijging der akte,
vermeld in art. 56, onder a, wordt
vereischt
a. de volbragte leeftijd van acht-
tien jaren;
Art. 43. Om tot het examen te
worden toegelaten, moet de gevor~
derde ouderdom zijn bereikt.
Deze is bepaald voor de huison*
derwijzers,huisonderwijzeressen,hulp*
onderwijzers en hulponderwijzeressen
op
18 jaren, voor de hoofdonderwt/*
zers en hoofdonderwijzeressen op
23
jaren.
Art. 41, Ie lid. Hiertoe (tot het
alleggen van examens) wordt twee
malen \'s jaars in elke provincie de
gelegenheid aangeboden door eene
commissie, zamengesteld uit den in-
speeteur en vier schoolopzieners.
b. het afleggen van een examen,
waartoe tweemalen \'s jaars degelegen*
heid in elke provincie wordt openge*
steld, voor eene commissie, zamenge*
steld uit den inspecteur van het lager
onderwijs in de provincie en vier
districts* of arrondissements-school*
opzieners.
Onze Minister, die met de uitvoe-
ring dezer wet is belast, wijst de
leden dier commissien aan en bepaalt
den tijd, waarop zij vergaderen.
Hij kan bij verhindering van den
inspecteur een districts-schoolopzie-
ner in diens plaats als voorzitter
benoemen.
Art. 58. De zitting der commissie
wordt in de provincie Noordhol-
land te Amsterdam en in de
andere provinciën in de hoofdplaats
der provincie gehouden.
De tijd, gedurende welken de exa-
mens worden afgenomen, wordt door
den inspecteur bij openbare aankon-
diging ter algemeene kennis gebragt.
De commissie kau zich door des-
kundigen doen bijstaan.
De examens, behalve die van on-
der wij zeressen, worden in het open-
baar gehouden.
Art. 59. Hij, die zich aan het
examen wenscht te onderwerpen,
meldt zich tijdig aan bij den school-
opzienervan het district zijner woon-
plaats, of, komt hij van buiten
\'s lands, van de plaats, waar hij
voornemens is zien te vestigen.
b. het afleggen van een examen,
waartoe minstens eenmaal \'s jaars de
gelegenheid in elke provincie wordt
opengesteld, voor eene commissie, sa-
mengesteld uit deu inspecteur van
het lager onderwijs in de provincie
en vier districts- of arrondissements-
schoolopzieners.
Art. 41,3e lid. De aanwijzing der
schoolopzieners en de bepaling van
den tijd, waarop de commissien ver\'
gaderen, geschiedt door Onzen Mi*
nisier van Binnenlandsche Zaken.
Art. 41,2e lid. Die commissie houdt
hare zittingen in de hoofdplaats der
provincie. Zij is bevoegd zich door
deskundigen te doen bijstaan.
Art. 42, Ie lid. De tijd, geduren*
de welken de examens worden ge*
houden, wordt bij openbare aankon*
diging ter algemeene kennis gebragt.
Art. 41, 4e lid. De examens wor*
den in het openbaar gehouden, met
uitzondering van die der onderwi/*
zeressvn.
Art. 42, 2e—6e lid. Die een exa-
men wenscht af te leggen, meldt
zich tijdig aan bij den schoolopzic*
ner van hel district, waarin hij woont,
of, van buiten \'s lands komende, voor*
nemens is zich ie vestigen, met op*
gave van de acte, die hij verlangt.
-ocr page 44-
28 Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.                           Wet 1889.
Hij legt daarbij een of meer ge-
tuigschriften over van zijn zedelijk
gedrag en zijne geboorte-akte.
De dag en de plaats van het exa-
men worden hem door den districts-
schoolopziener bekend gemaakt.
Hij legt het examen af in de pro-
vincie, waarin hij woont, of, van
buiten \'s lands komende, voornemens
is zich te vestigen.
Art. 60. Het examen omvat
Hij legt daarbij over een of meer
%
tuigscïtriften run zijn goed zede-
k gedrag en zijne geboorte-acte.
De dag en plaats ran het exa-
men worden hem door den schooU
opziener bekend gemaakt.
HU legt het examen af in de pro<
rincte, waar hij woont, of, van blti-
ten \'s lands komende, voornemens is
zich te vestigen.
Het examen omvat:
Art. 44. Voor het examen ter rev-
krijging eener acte ran bekwaani-
heid als hulponderwijzeres en als
hulponderwijzer wordt gevorderd:
goed lezen en schrijven ;
voldoende kennis der zinsontleding,
der spelregels en eerste gronden der
Nederlundsche taal;
vaardigheid om zich, zoowel mon-
deling als schriftelijk, juist en ge-
makkelijk uit te drukken;
beginselen van de vormleer;
foed lezen en schrijven;
e kennis der zinsontleding, der
spelregels en der eerste gronden der
Nederlandsche taal;
vaardigheid om zich, zoowel mon-
deling als schriftelijk, juist en ge-
makkelijk uit te drukken;
de beginselen van de vormleer;
het rekenen, zoowel met geheele ge-
tallen als met gewone en tiendeelige
breuken en kennis van de leer der
evenredigheden en van hel Neder-
landsch stelsel van maten en gewig-
ten;
de beginselen der aardrijkskunde,
inzonderheid van Nederland en zijne
overzeesche bezittingen;
de grondtrekkender vaderlandsche
geschiedenis;
de beginselen van de kennis der
natuur;
de theorie van het zingen;
de beginselen van onderwijs en
opvoeding.
Van onderwijzeressen worden bovendien
bewijzen van bedrevenheid in de nuttige hand-
werken gevorderd
(1878).
Van onderwijzeressen worden bo-
vendien bewijzen van bedrevenheid in
de nuttige handwerken gevorderd.
Van dit examen zijn vrijgesteld zij,
die in het bezit zijn eener akte van
bekwaamheid in dit vak volgens art.
65*w (1884).
Aan ieder, die voldaan heeft, wordt
eene akte van bekwaamheid als onder-
wijzer kosteloos uitgereikt.
de eerste oefeningen van het hand-
teekenen;
het rekenen, zoowel met geheele
getallen als met gewone en tiendee-
lige breuken en kennis van de leer
der evenredigheden en van het Ne-
derlandsch stelsel van maten en ge-
wichten ;
rekenen, zoowel met geheele getal\'
ten als gewone en tiendeelige breu-
ken, toegepast op munten, maten en ge-
wigten;
— als hulponderwijzer daar-
enooven de leer der evenredigheden;
aardrijkskunde en geschiedenis;
beginselen van de kennis der na-
tuur;
theorie van hei zingen;
beginselen van onderwijs en op*
voeding.
Aan allen, die hiertoe bij hunne
aangifte het verlangen hebben ken-
baar gemaakt, wordt, nadat tot hunne
toelating is besloten, de gelegenheid
gegeven, bewijzen van bekwaamheid
in de vrije en orde-oefeningen der
gymnastiek,aan onderwijzeressenbo-
vendien bewijzen van bedrevenheid
in de nuttige handwerken voor
meisjes te leveren.
A an ieder, die voldaan heeft, wordt
eene akte van bekwaamheid kosteloos
uitgereikt. Op de akte van bekwaanv
lieid van hen, die bij het examen in
de vrije en orde-oefeningen der gym-
nastiek of in de nuttige handwerken
of in die beide vakken hebben vol-
daan, wordt daarvan aanteekening
gedaan.
Van het examen in de eerste oefe-
Art. 49. Wanneer het examen naar
genoegen der commissie is afgelegd,
wordt door haur aan den geëxami»
neerde de verlangde acte uitgereikt.
Op de acte van bekwaamheid tot
het geven van scltoolonderwi/s worden
tevens het vak of de vakken van
het meer uitgebreid lager onderwijs
aangeieekena, waarin met gunstig
gevolg examen is afgelegd.
Insgelijks worden op de ucten ran be-
kwaamheid tot hei geven van huison-
derwi/s de verdere rakken van het lager
onderwijs aangeteekend, waarin met
gunstig gevolg examen is afgelegd.
-ocr page 45-
Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.                           Wet 1889.            29
ningen van het handteekenen zijn
vrijgesteld zij, die in het bezit zijn
eener akte van bekwaamheid in het
vak q volgens art. Q5bis.
Art. 61. Ter verkrijging der akte,
vermeld in art. 56 onder b, wordt
vereischt:
a.  het bezit der akte, vermeld in
art. 56 onder a;
b.  het bewijs van minstens twee-
jarige werkzaamheid als onderwijzer
of, na aflegging van het examen, ver-
meld in art. 56 onder a, als kwee-
keling aan eene of meer openbare of
bijzondere scholen van lager onder-
wijs of als onderwijzer aan eene of
meer scholen voor doofstommen, blin-
den, spraakgebrekkigen of idioten,
afgegeven door het hoofd of de hoof-
den dier scholen, of het bewijs afge-
geven door den bestuurder eener door
Ons aangewezen kweekschool voor
onderwijzers, van gedurende twee ja-
ren aan die school de lessen ter voor-
bereiding van dit examen, na afleg-
ging van liet examen, vermeld in art.
56 onder a, te hebben gevolgd;
c.  het afleggen van een examen,
loopende, behalve over de vakken, in
art. 2 vermeld onder a—g, over die,
aldaar genoemd onder o en q, en over
methode van onderwijs en opvoeding
voor eene der commissien, in art. 62
bedoeld.
Van dit examen zijn, voor zooveel
het vak q betreft, vrijgesteld zij, die
in het bezit zijn eener akte van be-
kwaamheid in dit vak volgens art.
65bis.
Art. 61. Ter verkrijging der akte,
vermeld in art.
56 onder b, wordt
vereischt
a.  hel bezit der akte, vermeld in
art.
56 onder a;
b.   het bewijs van minstens lteee-
jwige werkzaamheid als onderwijzer
aan eene of meer openbare of bijzon-
dere scholen van lager onderwijs, af-
gegeven door het hoofd of de hoofden
dier scholen, of het bewijs, afgegeven
door den bestuurder eener kweekschool
van onderwijzers, voldoende aan de
vereischt en, in art.
12 vermeld, van
gedurende twee jaren aan die school
de lessen ter voorbereiding van dit
examen, na aflegging van hei examen,
vermeld in art.
56 onder a, te hebben
gevolgd;
(Toor de examens voor hoofd,
onderwgzer en hoofdonderwgzeres
golden ook de bepalingen van artt.
41, 42, 43 en 49, hierboven, en die
van art. 50, hieronder vermeld.)
c. het afleggen van een examen,
hopende, behalve over de vakken, in
art.
2 vermeld onder a—b, over die,
aldaar genoemd onder
o, p en q, voor
eene der commissien,
in art. 62 bedoeld (187K).
in art. 62 bedoeld. Van dit exa-
men zijn, voor zooveel hel vak
q be-
treft, vrijgesteld zij, die in hel bezit
zijn eener akte van bekwaamheid vol-
gens art. 65bis
(1884).
Art. 62. Jaarlijks worden door
Onzen Minister, met de uitvoering
dezer wet belast, een of meer com-
missien tot het afnemen der exa-
mens, in het voorgaand artikel
bedoeld, benoemd en de tijd wan-
neer en de plaatsen, waar zij hare
zittingen zullen houden, tijdig aan-
gewezen.
De voorzitters en leden dezer conv
missien genieten uit \'s Rijks kas va-
catiegelden en vergoeding voor reis-
en verblijfkosten.
De voorzitter der commissie brengt
den tijd, gedurende welken de exa-
mens worden afgenomen, bij open-
bare aankondiging ter algemeene
kennis.
De examens, behalve die van on-
-ocr page 46-
30 Wet 1857.                   Wetten 1878—1884.                         Wet 1889.
derwijzeressen, worden in het open-
baar gehouden.
Art. 63. Hij, die zich aan het
examen wenscht te onderwerpen,
meldt zich tijdig aan bij den voor-
zitter der commissie, voor welke hij
wenscht te verschijnen, en legt daar-
bij over
a. zijne geboorte-akte;
6. een of meer getuigschriften van
zedelijk gedrag;
c.  zijne akte van bekwaamheid als
onderwijzer, bedoeld in art. 56 on-
der a;
d.  het bewijs, vermeld in art. 61
onder b.
De dag en de plaats van het exa-
men worden hem door den voorzit-
ter bekend gemaakt.
De omvang van het examen, de
wijze van afneming en wat verder
tot dit examen betrekking heeft,
worden door Ons bij algemeenen
maatregel van inwendig bestuur ge-
regeld.
Art. 45. Voor het examen ter ver-
kri/ging eener acte van bekwaam*
heid als hoofdonderwijzeres wordt
gelijke kennis als van den hulpon-
aerwijzer gevorderd, maar grondiger
en met toepassing op hare bestem*
ming als hoofdonderwijzeres.
Art. 46. Voor het examen ter ver»
krijging eener acte van bekwaamheid
als hoofdonderwijzer wordt gelijke
kennis als van den hulponderwijzer
gevorderd, doch grondiger, meer om-
rattend en ontwikkeld.
Aan ieder, die voldaan heeft, wordt
eene akte van bekwaamheid als hoofd-
onderwijzer kosteloos uitgereikt.
Aan ieder, die voldaan heeft, wordt
eene akte van bekwaamheid kosteloos
uitgereikt.
De aanteekening, bedoeld in
het voorlaatste lid van art. 60,
wordt op de akte van bekwaam-
heid als hoofdonderwijzer overge-
schreven.
Ter verkrijging eener akte, die de
bevoegdheid verleent tot het geven
van huisonderwijs in enkele vakken,
vermeld in art. 2 onder a—g, wordt
vereischt:
Art. 64. Ter verkrijging eener
akte, die de bevoegdheid verleent tot
het geven van huisonderwijs in enkele
vakken, vermeld in art.
2 onder a—h,
wordt vereischt
a.  de volbragte leeftijd van acht-
tien jaren;
b.  het afleggen van een examen
in de vakken, waarvoor de be-
voegdheid verlangd wordt, voor
eene der commissien, in art. 57 ver-
meld.
De bepalingen van artt. 58 en 59
zijn ten deze toepasselijk.
Aan ieder, die voldaan heeft, wordt
kosteloos eene akte van bekwaamheid
uitgereikt als huisonderwijzer, waar-
in de vakken, over welke het examen
met goed gevolg is afgelegd, worden
uitgedrukt.
Art. 48. Het examen ter verkrij-
ging eener acte van bekwaamheid
als huisonderwijzer of luiisonderwij-
zeres loopt over een of meer der vak-
ken, vernield in art.
1.
Daarbij wordt althans gelijke ken-
nis als van den hulponderwijzer ge-
vorderd,
(Ook voor deze examens golden
de bepalingen der artt. 4], 42, 43,
49 en 60.)
-ocr page 47-
Wetten 1878—1884.
Art. 65. Ter verkrijging van eene akte
can bekwaamheid voor huis. en schoolonder-
wijs in een of meer der rakken, vermeld in
art.
2 onder l, m, n, en onder q, r, s, wordt
vereischt
a. voor die onder q, r, B hei bezit der akte,
vermeld in art.
56 onder a;
en voor die onder 1—n het bezit der akte
van hoofdonderwijzer
(1878);
Ter verkrijging eener akte van bekwaatn.
heid voor huis. en schoolonderwijs in een of
meer der vakken, vermeld in art.
2 onder \\,
m, n, q, r en s, wordt vereischt:
a. het bezit der akte, vermeld in art. 66
onder a (Jan. 1884);
Ter verkrijging van eene akte van
bekwaamheid voor huis- en schoolon-
derwijs in een of meer der vakken,
vermeld in art.
2 onder 1, m, n, r en
s, wordt vereiseht:
a.  het bezit der akte, vermeld in
art.
56 onder a (1884);
b.  het afleggen van een examen
voor eene der commissiën, bedoeld in
art.
09 der wet van 2 Mei 1863
{Staatsblad no. 50).
Al wat verder deze (1878) de in dit
artikel bedoelde
(1884) examens be-
tre/t, wordt door Ons bij algemeenen
maatregel van inwendig bestuur ge~
regeld.
Art. Qübis. Van lijd tot tijd wordt
gelegenheid gegeven om door hel afleg •
gen van een examen voor bijzondere
commissiën, daartoe benoemd door
Onzen Minister met de uitvoering de-
zer wet belast, eene akte van bekwaam-
heid te verkrijgen voor huis- en school-
onderwijs in een of meer der vakken,
vermeld in art.
2 onder k, q en t.
Al wat de in dit artikel bedoelde
examens betreft, wordt door Ons bij
algemeenen maatregel van inwendig
bestuur geregeld
(1884).
Wet 1889.
Wet 1857.
Art. 47. Zy, die eene der aden
verlangen of reeds verkregen hebben,
in de drie voorgaande artikelen ge*
noemd, worden, op hun verzoek,
daarenboven onderworpen aan een
examen in een of meer der vakken,
vermeld onder
k—p van art. 1.
(Ook voor déze examens golden
de bepalingen der artt. 41, 42, 43,
49 en 50.)
31
Art. 65. Ter verkrijging eener
akte van bekwaamheid voor huis-
en schoolonderwijs in een of meer
der vakken, vermeld in art. 2, onder
/, m, », p, r en s, wordt vereischt:
a.  het bezit der akte, vermeld in
art. 56, onder a;
b.  het afleggen van een examen
voor eene der commissiën, bedoeld
in art. 69 der wet van 2 Mei 1863
(Staatsblad no. 50).
Al wat verder de in dit artikel
bedoelde examens betreft wordt door
Ons bij algemeenen maatregel van
bestuur geregeld.
Art. 65tó. Van tijd tot tijd wordt
gelegenheid gegeven om door het af-
leggen van een examen voor bijzon-
dere commissiën, daartoe benoemd
door Onzen Minister, met de uitvoe-
ring dezer wet belast, eene akte van
bekwaamheid te verkrijgen voor huis-
en schoolonderwijs in een of meer der
vakken, vermeld in art. 2 onder j, k,
q
en t.
Al wat de in dit artikel bedoelde
examens betreft, wordt door Ons bij
algemeenen maatregel van bestuur
geregeld.
Art. 65ter. Voor het afleggen der
examens worden de navolgende som-
men bij vooruitbetaling voldaan:
voor het examen, vermeld in art.
57, onder b, vijf gulden;
voor het examen, vermeld in art.
61, onder e, tien gulden;
voor het examen, vermeld in art.
64, onder b, loopende over één vak,
twee gulden;
voor het examen, vermeld in art.
64, onder b, loopende over meer dan
één vak, vier gulden;
voor het examen, vermeld in art.
65,  onder b, in elk der vakken, ge-
noemd onder /, m, n, p, r en *, in art.
2, vijf gulden;
Art. 50. De acte van bekwaam\'
heid wordt uitgereikt tegen betaling
van:
tien gulden voor die van hoofd\'
onderwijzer en die van hoofdonder-
wy zeres;
vijf gulden voor die van hulpon-
derwijzer en die van hulponderwy-
zeres;
yyf gulden voor die van huisonder*
wijzer en die van huisonderwijzeres in
meer dan één vak;
drie gulden voor die van huison~
derwijzer en die van huisonderw\'ys
zeres in één vak.
Voor de eerste aanteekening op de
acte voor het schoolonderwijs wordt
betaald drie gulden en op die voor
het huisonderw\'ys in één vak twee
gulden. De eerste aanteekening op
de acte voor het huisonderw\'ys in meer
dan één vak en alle verdere aantee-
keningen in het algemeen geschieden
kosteloos.
-ocr page 48-
Wet 1889.
Wetten 1878—1884.
32 Wet 1857.
voor het examen, vermeld in art.
bbiis in elk der vakken, genoemd
onder,/ en k, in art. 2, twee gulden;
voor het examen, vermeld in art.
&5iis, in elk der vakken, genoemd
onder q en t, in art. 2, vijf galden.
Deze gelden worden in \'s Rijks
schatkist gestort.
Deze gelden strekken ter voldoe-
ning der kosten van de vergaderin-
gen der commissien, daaronder be-
f repen de schadeloosstelling der des-
undigen. Het overschietende wordt
in \'s Rijks schatkist gestort.
Art. 66. De akten van bekwaam-
heid, volgens de voorschriften dezer
wet verkregen, gelden, wat de daar-
aan verbonden bevoegdheid betreft,
voor het geheele Rijk en zijne kolo-
nien en bezittingen in andere we-
relddeelen.
Art. 61. De aden run bekwaam,
heid gehlen roor het geheele Bi/k.
Die voor het schoolonderwijs ook voor
het huisonderwijs. Die voor het kuit-
onderwijs geven tevens de bevoegd-
heid om in eene school onderrigi te
geven in een of meer der rakken, ver-
meld onder
b, c en i—p van art. 1.
De acten van bekwaamheid als
hoofdonderwijzer en als hoofdonder-
wijzeres geven ook het regt om als
hulponderwijzer en als hulponderwjj-
zeres werkzaam te zijn.
Behalve in de gevallen voorzien bij
art.
20, kan de acte van hulponder-
wijzer, onder de voorwaarden door
Om ie bepalen, regt geven om aan het
hoofd eener opeiibare school te staan.
TITEL V.
Van hel toezigt op het
onderwijs.
Art. 62. Met het toezigt op het
onderwijs zijn,- onder hel opper toe-
zigt run Onzen Minister van Bin-
nenlandsche Zaken, belast:
a.  plaatselijke schoolcommissien;
b.  districts-schoolopzieners;
c.  provinciale inspecteurs.
TITEL V.
VAN HET TOEZIGT OP HET LAGER
ONDERWIJS.
Art. 67. Het toezigt over het
lager onderwijs in het geheele Rijk
is opgedragen aan Onzen Minister,
die met de uitvoering dezer wet is
belast.
Dat toezigt wordt onder zijne be-
velen uitgeoefend door de inspecteurs,
de districts-schoolopzieners en de ar-
rondissements- schoolopzieners.
Art. 68. Het ambtsgebied van
iederen inspecteur omvat eene of
meer provinciën, dat van iederen
districts-schoolopziener een der di-
stricten, waarin de provinciën door
Ons worden verdeeld.
De inspecteurs en de districts-
schoolopzieners worden door Ons be-
noemd, geschorst en ontslagen.
Zij genieten, behalve eene vaste
jaarwedde, vergoeding voor reis- en
verblijfkosten uit \'s Rijks kas.
Zij bekleeden geene ambten of be-
dieningen zonder Onze toestemming.
In geval van ziekte, afwezigheid,
schorsing of ontstentenis wordt een
inspecteur door een districts-school-
opziener, een districts-schoolopziener
door een arrondissements-scnoolop-
ziener vervangen.
Onze Minister, met de uitvoering
dezer wet belast, wijst den plaats•
vervanger aan.
Art. 68. In elke provincie is een
inspecteur.
De inspecteurs worden door Ons
benoemd. Zij kunnen ten allen tijde
door Ons worden ontslagen.
Zij genieten uit \'s Bijks kas eene
jaarwedde en vergoeding voor reis-
en verblijfkosten.
Art. 60. De inspecteurs bekleeden
geene ambienof bedieningen zonder
Onze toestemming.
-ocr page 49-
Wetten 1878—1884.
Wet 1857.
Art. 69. De inspecteurs worden
eenmaal \'sjaars door Onsen Minis*
ter van Binnenlandsche Zaken by-
eengeroepen, ten einde onder zijne
leiding de algemeene belangen van
het lager onderwijs te overwegen en
te bevorderen.
Art. 56. Elke provincie wordt door
Om in schooldistricten verdeeld.
Art. 69. Elk schooldistrict wordt
door Ons verdeeld in minstens twee
arrondissementen.
In ieder arrondissement is een
arrondissements-schoolopziener.
Elk district Haat onder het toe*
sigt van een schoolopziener.
ïn geval van overlijden, ziekte of
afwezigheid van den schoolopziener,
kan in de waarneming zijner betrek*
icing door Onzen Minister ratl Bin*
nenlandsche Zaken worden voorzien.
Art. 66. De schoolopzieners wor*
den door Ons benoemd voor den tijd
van zes jaren.
De aftredenden zijn weder be*
noembaar.
Zij kunnen ten allen tijde door
Ons worden ontslagen.
Art. 67. De schoolopzieners genie-
ten uit *s Rijks kas eene som bij
abonnement, als vergoeding voor
hunne reis- en verblijfkosten.
Die schoolopzieners worden door
Ons benoemd voor den tijd van zes
jaren.
De aftredenden zijn weder benoem»
baar.
Zij kunnen ten allen tijde door Ons
worden ontslagen.
Zij genieten vergoeding voor reis-
en verblijfkosten uit \'s Rijks kas.
Zij staan den districts-schoolop-
ziener ter zijde.
De verdeeling der werkzaamheden
tnsschen de districts- en arrondisse-
ments-schoolopzieners wordt door
Ons geregeld.
Art. 70. Het plaatselijk toezigt
wordt uitgeoefend door burgemees-
ter en wethouders.
De gemeenteraad kan ter nadere
verzekering van het plaatselijk toe-
zigt eene commissie instellen, welke
de bevoegdheden bezit, in de artt. 73
en 74 dezer wet omschreven.
Eene plaatselijke verordening re-
gelt hare zamenstelling en inrigting.
Art. 63. In elke gemeente is eene
plaatselijke schoolcommissie.
In gemeenten, die zich ingevolge
liet Sde lid van art.
16 vereenigd
hebben tot het oprigten en instand*
houden van gemeenschappelijke scho*
len, is eene gemeenschappelijke com*
missie.
Art. 64. In gemeenten beneden de
3000 zielen zijn de werkzaamheden
der plaatselijke schoolcommissie op*
gedragen aan .burgemeester en wet*
houders.
In de overige gemeenten worden
die commissien door den gemeente*
raad benoemd.
Hei lidmaatschap dezer commissien
is vereenigbaar met dat van dien raad.
Art. 61. De leden der plaatselijke
schoolcommissien, de schoolopzieners
en de inspecteurs leggen, bij de aan*
vaarding hunner beirekking, dan eed
of de belofte af, dat zy haar naar
behooren en getrouw zullen waar-
nemen.
Art. 71. De leden der plaatse*
lijke commissien, de arrondissements.
schoolopzieners, de districts-school-
opzieners en de inspecteurs leggen,
bij de aanvaarding hunner bediening
den eed of de belofte af, dat zij hunne
pligten getrouw en naar behooren
zullen waarnemen.
De aflegging van den eed of van de
belofte geschiedt door de leden der
plaatselijke commissie in handen van
den burgemeester en door den burge-
meester, is deze zelf tot lid der com-
missie benoemd, in handen van den
kantonregter; door de arrondisse-
De eedsaflegging of belofte ge*
schiedt door de leden der plaatselijke
schoolcommissien in gemeenten van
8000 zielen en daarboven in hamlen
van den burgemeester, in de overige
gemeenten in handen van den reg*
ter van het kanton waarin zij wonen,
door de schoolopzieners in handen
van Onzen Commissaris in de pro*
vincie, door de inspecteurs in Jmnden
WET L. O.
-ocr page 50-
34 Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.                           Wet 1889.
ments-schoolopzieners en de districts-
schoolopzieners in handen van Onzen
Commissaris in de provincie; door
de inspecteurs in handen van Onzen
Minister, met de uitvoering dezer
wet belast.
Bij herbenoeming wordt de eed of
belofte niet op nieuw afgelegd.
Art. 72. Behalve de ambtenaren,
in art. n (1878) 8 (1887) no. 1 — 6
van het Wetboek van Strafvordering
genoemd, zijn tot het opmaken van
Sroces-verbaal van de overtredingen
ezer wet en van andere verordenin-
gen op het lager onderwijs bevoegd
cie leden van het collegie van burge-
meesteren wethouders, de voorzitters
en leden der plaatselijke commissien
van toezigt, de arrondissements-
schoolopzieners en de districts-school-
opzieners en de inspecteurs, ieder
binnen de grenzen van zijn ambtsge-
bied.
Art. 73. Voor leden van het col-
legie van burgemeester en wethou-
ders, voor de voorzitters en leden der
plaatselijke commissien van toezigt,
voor de arrondissements-schoolopzie-
ners, voor de districls-schooiopzieners
en voor de inspecteurs, ieder binnen
de grenzen van zijn ambtsgebied, moe-
ten alle scholen, waar lager onderwijs
wordt gegeven, zoo openbare als bij-
zondere, steeds toegankelijk zijn.
De hoofden dier scholen en de ove-
rige onderwijzers zijn gehouden aan
hen of aan Onzen Minister, met de
uitvoering dezer wet belast, de ver-
langde inlichtingen omtrent de school
en het onderwijs te geven.
Zij zijn hiertoe verpligt in eiken
vorm, waarin die inlichtingen ge-
vraagd worden, hetzij schriftelijk,
hetzij mondeling, en zoowel bij gele-
genheid van het schoolbezoek als op
andere tijdstippen.
Weigering in deze wordt gestraft met eene
boete van vijf en twintig gulden en gevan-
genisstruf van drie dagen te zamen of af-
zonderlijk.
Bij herhaling en vervolgens worden telkens
beide straffen te zamen opgelegd.
Art. 463 van liet Wetboek van Strafregt
en artikel
20 der wet van 29 Junij 1854
(Staatsblad no. 102} zijn ten deze toepasselijk.
(1878, afgeschaft 1886).
Art. 74. De plaatselijke commis-
sien houden een naauwkeurig toezigt
op alle scholen in de gemeente, waar
lager onderwijs gegeven wordt; be-
van Onsen Minister van Binnen-
landsche Zaken.
Art. 62. De leden der plaatselijke
sehooleovunissien, de schoolopzieners
en de inspecteurs zijn bevoegd van
de overtredingen dezer wet en der
verdere verordeningen op het lager
onderwijs proces-verbaal op te ma-
ken.
Art. 73. Voor leden van het col-
lege van burgemeester en wethou-
ders, voor de voorzitters en leden der
plaatselijke commissien van toezicht,
voor de arrondissements-schoolopzie-
ners, voor de districts-schoolopzieners
en voor de inspecteurs, ieder binnen
de grenzen van zijn ambtsgebied,
moeten alle scholen, waar lager on-
derwijs wordt gegeven, zoo openbare
als bijzondere, steeds toegankelijk
zijn en op hunne aanvrage onverwiild
worden geopend. De hoofden dier
scholen en de overige onderwijzers
zijn gehouden aan hen of aan Onzen
Minister, met de uitvoering dezer wet
belast, de verlangde inlichting om-
trent de school en het onderwijs te
geven. Zij zijn hiertoe verplicht in
eiken vorm, waarin die inlichtingen
gevraagd worden, hetzij schriftelijk,
hetzij mondeling, en zoowel bij ge-
legenheid van het schoolbezoek, als
op andere tijdstippen.
Art. 63. Alle scholen, waar lager
onderwijs wordt gegeven, zoo open-
hare als bijzondere, zijn steeds toe-
gankelijk voor de leden der plaalse-
l\'yke schoolcommissie van de gemeen\'
te, voor den schoolopziener van het
district en voor den inspecteur der
provincie.
De onderwijzers zijn gehouden hun
de verlangde inlichtingen te geven
omtrent de school en het onderwijs.
Weigering in dezen wordt gestraft
met eene boete van vijf en twintig
gulden of gevangenisstraf van drie
dagen, en bij herhaling telkens met
betde straffen te zamen.
Art. 463 van het Wetboek van
Strafregt en art.
20 der wet van den
Vüsten Juni) l&M(Staatsblad
no.102)
zijn ten deze toepasselijk.
Art. 84. De plaatselijke schoolcom-
missien houden een naauwkeurig toe-
zigt op alle scholen in de gemeente
waar lager onderwijs gegeven wordt;
bezoeken die ten minste twee malen
-ocr page 51-
35
Wet 1889.
Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.
zoeken die ten minste twee malen
\'s jaars, hetzij gezamenlijk, hetzij
door commissien uit haar midden;
zorgen dat de verordeningen op het
lager onderwijs stipt nageleefd wor-
den; houden aanteekening van het
onderwijzend personeel, van het getal
leerlingen en van den staat van het
onderwijs; doen jaarlijks vóór 1°.
Maart aan den gemeenteraad een be-
redeneerd verslag van den toestand
van het onderwijs in de gemeente en
zenden daarvan afschrift aan den
arrondissements-schoolopziener; dee-
len aan dezen de belangrijke veran-
deringen mede, die het schoolwezen
heeft ondergaan; geven hem , den
districts-schoolopziener en den pro-
vincialen inspecteur alle inlichtin-
fen, die deze verlangen; verleenen
en onderwijzers, die hare voorlich-
ting, hulp of medewerking vragen,
bijstand en beijveren zich den bloei
van het onderwijs naar vermogen te
behartigen.
Art. 75. De arrondissements»
schoolopzieners zorgen voortdurend
bekend te blijven met den toestand
van het schoolwezen in hun arron-
dissement; bezoeken twee malen \'s
jaars alle daarbinnen gelegen scho-
len, waar lager onderwijs wordt ge-
geven, en houden van dat school-
bezoek naauwkeurig aanteekening;
waken dat de verordeningen op het
lager onderwijs stipt nageleefd wor-
den; treden in overleg met de plaat-
selijke schoolcommissien en de ge-
meentebesturen; doen zoowel aan
dezen als aan de districts-schoolop-
zieners de voorstellen, die zij in het
belang van het onderwijs achten;
doen aan den districts-schoolopziener
na verloop van elke drie maanden
opgave van de door hen gedurende
dat tijdvak bezochte scholen; geven
hem kennis van al hetgeen hun bij
het schoolbezoek belangrijk is voor-
gekomen en verstrekken hem alle in-
lichtingen, die hij verlangt; beharti-
fen de belangen der onderwijzers,
evorderen hunne bijeenkomsten en
wonen die zooveel mogelijk bij.
Art. 76. De districts-schoolop-
zieners zorgen zoo door schoolbezoek
als door mondeling en schriftelijk
overleg met de arrondissements-
schoolopzieners, plaatselijke commis-
sjaars, hetzij gezamenlijk, hetzij
door commissien uit haar midden;
zorgen dat de verordeningen op het
lager onderwijs stipt nagekomen wor-
den; houden aanteekening van het
onderwijzend personeel, van het getal
leerlingen en van den staat vanhet on-
derwijs; doen jaarlijks vóór den Isten
Maart aan den gemeenteraad een
beredeneerd verslag van den toestand
van het onderwijs m de gemeente, en
zenden daarvan afschrift aan den
districts-schoolopziener; deelen dezen
de belangrijke veranderingen mede,
die het schoolwezen heeft ondergaan;
geven hem en den provincialen in-
specteur alle inlichtingen die zij ver*
langen; verleenen den onderwijzers,
die hare voorlichting, hulp of mede-
werking vragen, bijstand, en beijve-
ren zich den bloei van het onderwijs
naar vermogen te behartigen.
Art. 65. De schoolopzieners zorgen
voortdurend bekend te blijven met
den toestand van het schoolwezen in
hun district; bezoeken ten minste
twee malen \'s jaars alle scholen in
hetzelve waar lager onderwijs wordt
gegeven en houden van dat school\'
bezoek naauwkeurig aanteekening;
zorgen dat de verordeningen op het
lager onderwijs stipt nagekomen wor-
den; treden m overleg met de plaat\'
selijke schoolcommissien en de gemeen-
tebesturen; doen zoowel aan deze, als
aan den provincialen inspecteur de
voorstellen, die zij in het belang van
het onderwijs achten; geven dien in*
specteur kennis van al hetgeen hun
bij het schoolbezoek belangrijk is
voorgekomen en verstrekken hem alle
.inlichtingen, die hij verlangt; doen
jaarlijks vóór den
\\sten Mei een be-
redeneerd verslag van den toestand
van het onderwijs in hun district aan
den inspecteur en zenden daarvan
afschrift aan Gedeputeerde Staten
der provincie; behartigen de belan-
f en der onderwijzers, bevorderen
unne bijeenkomsten en wonen die,
zooveel mogelijk, bij.
3*
-ocr page 52-
36 Wet 1857.
Wet 1889.
Wetten 1878—1884.
sien en gemeentebesturen voortdu-
rend bekend te blijven met den toe-
stand van het lager schoolwezen in
hun district en de verbetering en den
bloei daarvan te bevorderen; zijoefe-
non het hun opgedragen toezigt met
naauwlettendheid uit en waken, dat
de verordeningen op het lager onder-
wijs stipt worden nageleefd; zij doen
aan den inspecteur de voorstellen, die
zij in het belang van het onderwijs
achten, en geven hem alle inlicbtin-
gen die hij verlangt.
Elk hnnner doet jaarlijks vóór 1°.
Mei een beredeneerd verslag van den
toestand van het onderwijs in zijn
district aan den inspecteur toekomen
en zendt daarvan afschrift aan Ge-
deputeerde Staten der provincie.
Art. 77. De inspecteurs trach-
ten, zoo door schoolbezoek als door
mondeling en schriftelijk overleg met
de districts-schoolopzieners en arron-
disse ments-schoolopzieners, plaatse-
lijke commissien en gemeentebestu-
ren, de verbetering en den bloei van
het lager schoolwezen te bevorderen;
zij lichten Onzen Minister, met de
uitvoering dezer wet belast, voor
omtrent alle onderwerpen, waarover
hun oordeel gevraagd wordt; zij ver-
vaardigen uit de jaarlijksche versla-
gen der districts-schoolopzieners en
uit hunne eigene aanteekeningen
jaarlijks een beredeneerd verslag om-
trent den toestand van het onderwijs
in de provincie of provinciën en zen-
den dit vóór 1°. Julij aan Onzen Mi-
nister voornoemd.
Art. 78. De inspecteurs, districts-
schoolopzieners en arrondissements-
schoolopzieners hebben toegang tot
de vergaderingen van alle plaatse-
lijke commissien binnen hun ambts-
gebied en kunnen zoodanige verga»
dering beleggen.
In de vergadering hebben zij eene
raadgevende stem.
Art. 79. Bij het ontbreken eener
plaatselijke commissie kunnen bur-
gemeester en wethouders, in overleg
met den arrondissements-schoolop-
ziener, geschikte personen, buiten
hun collegie gekozen, met het doen
van schoolbezoek belasten.
Op zoodanige gecommitteerden is
het eerste lid van art.
73 toepasselijk.
Art. 67. De inspecteurs trachten,
zoo door schoolbezoek als door mon-
deling en scliriflelyk overleg met de
districts-schoolopzieners, plaatselyke
schoolcommissien en gemeentebestu-
ren, de verbetering en den bloei tan
het schooliïezen te bevorderen; zy
lichten Onzen Minister van Binnen.
landsche Zaken voor omtrent alle
onderwerpen waarover hun oordeel
wordt gevraagd; zy\' vervaardigen uit
de jaarlyksche verslagen der school\'
opzieners en uit hunne eigene aan*
ieekeningen jaarlyks een berede-
neerd verslag omtrent den toestand
van liet onderwys in de provincie, en
zenden dit vóór den
\\sten July aan
Onzen Minister voornoemd.
Art. 66. De schoolopzieners hebben
toegang tot de vergaderingen van
alle plaaiselyke schoolcommissien in
hun district en brengen daarin eene
raadgevende stem uit.
«
Op zoodanige gecommitteerden is
de eerste zinsnede van art. 73 toe-
passelij 1;.
-ocr page 53-
Wet 1857.                     Wetten 1878-1884.                            Wet 1889.            37
TITEL VI.
VAN BEVORDERING VAN HET
SCHOOLBEZOEK.
Art. 80. Jaarlijks vóór 1°. Fe-
bruarij zenden de hoofden der open-
bare en bijzondere scholen, waar la-
fer onderwijs gegeven wordt, aan
urgemeester en wethouders der ge-
meente eene lijst der bij hen op 1°.
Januarn schoolgaande kinderen van
boven de zes en beneden de twaalf
jaren.
Die lijst bevat de namen der kin-
deren met bijvoeging der voornamen,
ouderdom en woonplaats.
Gelijke opgave wordt vóór gelijk
tijdstip aan burgemeester en wethou-
ders gedaan door de huisonderwijzers
omtrent de kinderen van dien leef-
tyd, die van hen onderwijs genieten.
Art. 81. Burgemeester en wet-
houders maken eene lijst op der kin-
deren boven de zes en beneden de
twaalf jaren, welke zich op ]°. Ja-
nuarij van het loopende jaar in de
gemeente bevonden.
Van de zoodanigen, welke niet
gevonden worden op de lijsten, bij
net vorig artikel bedoeld, en waar-
van het niet bekend is, dat zij zich
niet meer in de gemeente bevinden,
maken zij vóór 1°. Maarteen staat op.
Die staat wordt ter secretarie ter
lezing gelegd.
Ouders of verzorgers van op dien
staat voorkomende Kinderen verkrij-
fen geene ondersteuning, geneeskun-
ige hulp uitgezonderd, van wege
de gemeente, tenzij zij aantoonen, dat
hunne kinderen ten onregte op dien
staat zijn gebragt of het niet school
gaan van deze aan hen niet is te
wijten.
Art. 82. De gemeenteraad kan,
voor zooveel dit niet bij de wet is
geschied, verbodsbepalingen omtrent
net arbeiden van kinderen beneden
de twaalf jaren vaststellen.
Door het uitloven van openbare
belooningen en eereblijken kan het ge-
trouwe schoolbezoek van wege het ge- J
meentebestuur worden aangemoedigd. »
Ten einde de aanspraak op die be-
looningen en eereblijken te kunnen
beoordeelen, kan aan de hoofden der
openbare en bjjzondere scholen het
invoeren van schoolboekjes, waarin
-ocr page 54-
38 Wet 1857.                     Wetten 1878—1884.                           Wet 1889.
van het schoolbezoek aanteekening
gehouden wordt, bij plaatselijke ver-
ordening worden voorgeschreven.
TITEL VII.
OVERGANGSBEPALINGEN.
Art. 83. Allen, die op het tijd-
stip, waarop deze wet in werking
treedt, wettig in betrekking zijn als
onderwijzers of kweekelingen, of als
voorzitters en leden van plaatselijke
commissien behoeven geene herbe-
noeming of erkenning orn hunne be-
trekking te blijven oekleeden.
Art. 84. Tot l». Jannarij 1883
kunnen kweekelingen, op den voet
der wet van 13 Augustus 1857
(Staatsblad no. 103), worden
aangenomen.
Ten behoeve van deze en van de
kweekelingen, die er op het tijdstip
van het in werking treden dezer wet
zijn, blijven de bepalingen van laatst-
genoemde wet toepasselijk tot 1°. Ja-
nuarij 1886.
De toelagen voor genoemde kwee-
kelingen, die aan openbare scho-
len zijn verbonden, worden in dat
tijdvak tot geen minder bedrag ge-
regeld, dan waarop zij bij het in wer-
king treden dezer wet waren vastge-
steld. De toelagen voor kweekelm-
gen, die in het bij deze wet toegestaan
overgangstij dperk aan openbare scho-
len worden geplaatst, worden door
den gemeenteraad geregeld; zijn be-
sluit wordt aan de goedkeuring van
Gedeputeerde Staten onderworpen.
Art. 85. Gelijke bevoegdheid als
de akte, vermeld in art. 5G dezer wet
onder a, geeft die van hulponderwij-
zer en hulponderwijzeres na 1°. Ja-
nnarij 1858 en de akte van algemeene
toelating van den derden rang vóór
dat tijdstip verkregen.
Gelijke bevoegdheid als de akte,
vermeld in art. 56 dezer wet onder 6,
feeft die van hoofdonderwijzer of
oofdonderwijzeres na 1°. .Jannarij
1858 en de akte van algemeene toe-
lating van den eersten en tweeden
rang vóór dat tijdstip verkregen.
Hetzelfde geldt van de akte als
schoolhouderes, vóór 1°. Januarij
1858 verkregen, doch alleen binnen
de gemeente of provincie, waar zij is
afgegeven.
TITEL VI.
Ot er gangsbepalingen.
Art. 68. De onderwijzers en onder-
wij zeressen, zoo openbare ah b\'yzon-
dere, de huisonderwijzers en huison-
dcrwijzeressen, die op het tijdstip ran
hei in werking treden dezer wet wei.
lig in die betrekkingen zijn, behoeven,
om daarin voort te gaan, geene her-
benoeming of erkenning.
Na dat tijdstip worden de vóór het-
zelve verkregen ucten ran algemeene
toelating van den
\\sten en Zden
rang beschouwd gelijke regten te ge-
ren als de acten van bekwaamheid als
hoofdonderwijzer; die van den Sden
rang gelijke regten als de acten van
bekwaamheid als hulponderwijzer;
die van schoolhouderes gelijke regten
als de acten van bekwaamheid als
hoofdonderwijzeres, doch alleen bin-
nen de provincie of de gemeente
waarin de acten zijn afgegeven.
(Fffl. art. Vlll op bh. 44.)
-ocr page 55-
Wet 1889.            39
Wetten 1878—1884.
Wet 1857.
Zij, die in het bezit zijn eener akte
van huisonderwijzer of huisonder-
wijzeres, na 1°. Januarij 1858 ver-
kregen voor hetgeheele Rijk, of vóór
1°. Januarij 1858 binnen de gemeen-
te, behouden de bevoegdheid, welke
zij op het tijdstip, waarop deze wet
in werking treedt, bezitten.
De vóór dit tijdstip op de akten
van bekwaamheid tot het geven van
schoolonderwijs gestelde aanteeke-
ningen wegens het met gunstig ge-
volg afgelegd examen in een of meer
der vakken, vermeld onder k—p van
art. 1 der wet van 13 Augustus 1857
(Staatsblad no. 103), geven ge-
lijke bevoegdheid met opzigt tot die
vakken als de bijzondere akten, ver-
meld in art. 56 onder c.
De huisonderwijzers en huisomler*
wyzeressen, die, nadat tijdstip, zich
als zoodanig in eene andere gemeen*
te wenschen te vestigen, zijn verpligt
zich vooraf aan het examen, vermeld
in art.
48, te onderwerpen.
De vrijstelling, bedoeld in de laat-
ste zinsnede van art. Gl, geldt ook
voor hen, die in het bezit zijn eener
akte van bekwaamheid of aanteeke-
ning voor het vak vermeld onder o
van art. 1 der wet van 13 Augustus
1857 (Staatsblad no. 103).
De hoofdonderwijzers der bij het
in werking treden dezer wet bestaan*
de bijzondere scholen van de tweede
klasse, welke minstens den tweeden
rang bezitten, kunnen.imlien die scho*
len door de gemeentebesturen, in over*
leg met den districts-schoolopziener,
als openbare lagere scholen worden
overgenomen, bij die inrigtingen als
hoofdonderwijzers worden aange*
steld.
De bepalingen van art. 22 omtrent
de voordragt en het vergelijkend exa*
men zyn daarop niet van toepassing.
Art. 69. De jaarwedden van alle
tijdens het in werking treden dezer
wet dienstdoende openbare hoofdon*
derwijzers en hoofdonderwijzeressen
worden, zoolang zij hunne betrekking
bekleeden, in geen geval tot een min.
der bedrag geregeld dan hetgeen zij
in de laatste vijf jaren, aan gemeld
tijdstip voorafgegaan, of voor hen,
die korter in dienst zyn geweest, over
het kortere tijdvak, in hunne betrek*
king, gemiddeld, jaarlijks, aan inkom*
sten hebben genoten.
Art. 86. Alle op het tijdstip,
waarop deze wet in werking treedt,
dienstdoende openbare onderwijzers
en onderwijzeressen blijven, zoolang
zij hunne betrekking bekleeden, in
het genot eener jaarwedde minstens
gelijk aan die, welke op dat tijdstip
aan hunne betrekking verbonden
was, vermeerderd met de door hen
fenoten wisselende inkomsten. Ter
epaling van het bedrag dezer in-
komsten wordt tot grondslag geno-
men het gemiddeld cijfer van het-
geen in de laatste vijfjaren, vooraf-
gaande aan het jaar, waarin deze wet
in werking treedt, of voor de onder-
wijzers of onderwijzeressen, die korter
in dienst zijn geweest, over het kor-
tere tijdvak, jaarlijks uit dien hoofde
is genoten.
De bij art. 29 der wet van 13 Au-
gustusI857 (Staatsblad no.103)
-ocr page 56-
Wetten 1878—1884.
40 Wet 1857.
Wet 1889.
bedoelde vergoedingen, die bij het in
werking treden dezer wet nog over
eenig aan dat tijdstip voorafgegaan
tijdvak verschuldigd zijn of worden,
blijven na dat tijdstip invorderbaar.
Art. 87 Bij den algemeenen
maatregel van inwendig bestuur, be-
doeld in art. 4 dezer wet, worden te-
vens de noodige voorschriften gege-
ven omtrent de lokalen, welke bij Eet
in werking treden daarvan voor het
f even van lager onderwijs in ge-
ruik zijn.
Art. 88. Be termijn tol het in wer-
king brengen der voorschriften van
art.
24 dezer wet toegestaan, eindigt
1°. Januari 1880 (1678) 1890 (1884),
en die tot het in werking brengen der
voorschriften van art.
26, 1". Ja-
nuari
1883.
De voorschriften ter verzekering
der geleidelijke uitvoering worden
door Ons, Gedeputeerde Staten ge-
hoord, vastgesteld.
Art. 88. De termijn tot het in
werking brengen van de voorschrif-
ten van art. 24 dezer wet toegestaan,
eindigt voor de openbare school op 1
Jan. 1892.
De termijn tot het in werking bren-
gen van de voorschriften van art. 23
dezer wet eindigt voor de bijzondere
scholen die voor de Rijksbijdrage be-
doeld bij art. 54bis in aanmerking
komen op 1 Januari 1891, en die tot
het in werking brengen der voor-
schriften van art. 24 der wet eindigt
voor deze scholen op 1 Januari 1899.
Voorschriften ter verzekering der
geleidelijke uitvoering worden door
Ons gegeven.
{Vgl. art. IX op blz. 44.)
Art. 70. Tot het in werking bren-
gen der voorschriften betrekkelijk:
het bepalen ran het getal der scho-
len in evenredigheid met de bevolking
en de behoefte, en de uitbreiding van
het onderwijs {artt.
16 en 17);
den bijstand in hei onderwijs aan
den hoofdonderwijzer te verkenen
(.art.
18)i
de jaarwedden en andere voordee-
len der hoofd\' en hulponderwijzers
en de toelagen ten behoeve der kwee-
kelingen (artt.
19 en 20);
de kosten van het onderwijs (artt.
81—85);
wordt een termijn toegestaan ran
uiterlijk drie jaren, te rekenen van
het tijdstip waarop deze wet verbiii\'
dende is.
Gedurende dien termijn worden
aan de openbare hoofdonderwijzers en
hoofdonderwijzeressen en aan de ge*
meenten de jaarwedden en toelagen
der provinciën en van het Rijk uitbe.
taald, in welker genot zij zijn tijdens
het in werking treden dezer wet.
Art. 89. De bestaande bepalin-
f en omtrent de examens en vergelij-
ende examens blijven gelden, tot
dat die onderwerpen overeenkomstig
deze wet op nieuw zullen zijn gere-
geld, doch niet langer dan 1°. Janu-
arij 1883.
Art. 90. Thans genoten subsi-
dien, welke na het tijdstip, waarop
deze wet in werking treedt, niet
meer voor het eerst zouden kunnen
worden verleend, kunnen na dat tijd-
stip nog gedurende tien jaren, doch
tot geen hooger bedrag, noch op an-
dere voorwaarden, worden genoten.
(Vgl. art. Vil op blz. 44.)
Art. 71. Aan bijzondere scholen,
welke tijdens het m werking treden
dezer wet in het genot zijn van sub.
sidie van wege de gemeente of de
provincie, en niet beantwoorden aan
de voorwaarden van het ide lid van
art
. 8, kan het subsidie niet langer
dan nog gedurende eenjaar na eerst,
genoemd tijdstip worden verleend.
Art. 72. In afwachting der wette.
lijke regeling van het middellniar
onderwijs zijn de voorschriften dezer
wet mede van toepassing op alles wat
betreft het verder voortgezet onder*
wijs in de levende talen en in de wis*
en natuurkunde.
Om tot het examen ter verkrijging
eener acte van bekwaamheid voor een
of meer dier vakken te worden toege*
laten, wordt de ouderdom van ten
minstee jaren gevorderd. Voor de ao
ie wordt eenmaal vijf gulden betaald.
Art. 91. Onderwijzen*, niet in het
bezit van den hoofdonderwijzersrang,
-ocr page 57-
Wet 1889.
Wet 1857.
Wetten 1878-1884.
die op liet tijdstip, waarop deze wet
in werking treedt, uit kracht van de
artt. 20 of 51 der wet van 13 Au-
gustns 1857 (Staatsblad no. 103),
wettig aan net hoofd eener school
staan, blijven bevoegd die betrek-
king waar te nemen.
Art. 92. De districtsschool opzie-
ners en de inspecteurs, die op het in
art. 93 vermelde tijdstip in betrek-
king zijn, worden door het in wer-
king treden dezer wet van regtswege
eervol ontslagen.
De inspecteurs, die op dat tijdstip
den ouderdom van vijf en zestig ja-
ren hebben bereikt, behouden levens-
lang hunne volle wedde als wacht-
geld; de inspecteurs die op dat tijd-
stip dien ouderdom niet hebben te-
reikt, hebben aanspraak op wacht-
geld volgens de bepalingen van Ons
besluit van 21 Julij 1869 (Staats-
blad no. 142).
Art. 93. Deze wet treedt in wer-
king op een door Ons te bepalen tijd-
stip. \')
Behoudens de voorschriften van
dezen titel vervallen met hare invoe-
ring de wet van 13 Augustus 1857
(Staatsblad no. 103)en alle andere
het lager onderwijs betreffende alge-
meene, provinciale en plaatselijke
verordeningen, voor zoover zij met de
voorschriften dezer wet in strijd zijn.
Lasten en bevelen, dat deze in het
Staatsblad zal worden geplaatst,
en dat alle Ministeriële Departemen-
ten, Autoriteiten, Collegien en Amb-
tenaren, wien zulks aangaat, aan de
naauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven op het Loo, den 17den
(Fffl. art. X op bh. 44.)
Art. 78. Deze wet treedt in wer-
Icing den Isten Januarij
1858.
Behoudens het bepaalde bij art. 70
zi/n alsdan de bestaande algemeene,
provinciale en plaatselijke verorde-
ningen op het lager onderwijs afge-
schaft, de provinciale commissien van
onderwijs, plaatselijke schoolconimis-
sien en commissien van plaatselijk
schooltoevoorzigt ontbonden, de dis.
tricts-schoolopzieners ontslagen en
door het schooltoezigt, ingevolge deze
wet, vervangen.
Lasten en bevelen enz. als in 1878.
Gegeven op het Loo, den \\iden
Augustus
1857.
WILLEM.
De Minister van Bin-
nenlandsche Zaken,
A. O. A. VAN BAPPABD.
Uitgegeven den HQsteu
Augustus
1857.
De Directeur van het
Kabinet des Konings,
DK KOCK.
Augustus 1878.
WILLEM.
Be Minister van Binnen-
landsche Zaken,
KAPPEYNE.
Uitgegeven den 22sten
Augustus 1878.
De Minisier van Justitie,
H. J. SMIDT.
1) BU K.B. van 5 Aug. 1880, S. no. 155,
ia dit tijdstip bepaald op 1 Nov. 1880.
-ocr page 58-
42
Artikelen 4 en 5 der wet van 11 Juli 1884 (S. no. 123) luiden:
Art. IV. De wijziging, bij deze wet gebracht in, art. 45 der wet van 17 Augustus
1878 {Staatsbla d no. 127), wordt voor het eerst toegepast op het dienstjaar 1885.
Over de voorafgaande dienstjaren blijft art. 45, zooals dat thans luidt, van
kracht, doch met dien verstande, dat over het dienstjaar
1884 met betrekking tot die
kosten waarvoor in het vervolg geen vergoeding meer zal worden uitgekeerd, dertig
ten honderd zal worden vergoed hoogstens over de sommen, voor die kosten uilge-
trokken op de gemeentebegrotingen voor dat dienstjaar, zooals die vóór
1 Juni 1884
door Gedeputeerde Staten zijn goedgekeurd, of aan Gedeputeerde Staten ter goed-
keuring zijn aangeboden.
Hetgeen over de dienstjaren 1883 en 1884 te veel door eene gemeente mocht zijn
genoten, wordt in de schatkist teruggebracht binnen drie maanden, nadat het juiste
cijfer der uitgaven ingevolge de artt.
222 en 223 der wet van 29 Juni 1851 {Staats-
blad no.
85), is vastgesteld.
Voorschriften, lot uitvoering van dit artikel noodig, worden door Ons bij alge-
meenen maatregel van inwendig bestuur gegeven.
])
Art. V. Deze wet treedt in werking op den lsten September 1884.
1) Zie K.B. 29 Aug. 1884, S. no. 196.
Artikelen 5—10 (overgangsbepalingen) der wet van 1889 luiden:
Art. V. De wijziging, bij deze wet gebracht in artikel 45 der wet van 17
Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), zooals dat artikel luidt volgens de wet
van 11 Juli 1884 (Staatsblad no. 123), wordt voor het eerst toegepast op het
dienstjaar 1891.
Over de voorafgaande dienstjaren blijft artikel 45, zooals dat thans luidt, van
kracht, met dien verstande evenwel dat over het dienstjaar 1890 1°. in de kosten
wegens het stichten, verbouwen of aankoopen van schoollokalen, eene Rijksbij-
drage van vijf en twintig ten honderd zal worden uitgekeerd; 2°. de kosten we-
gens het stichten, verbouwen of aankoopen van onderwijzerswoningen en die
wegens het aanschaffen van noodzakelijke schoolmeubelen voor eerste inrichting
van nieuwe schoollokalen bij de vaststelling der Rijksvergoeding niet in aanmer-
king komen, ten ware de bestekken voor den bouw en verbouw van scholen en
onderwijzerswoningen vóór 24 September 1889 aan de bij artikel 50 der wet van
17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), zooals dat artikel luidt volgens de
wet van 11 Juli 1884 (Staatsblad no. 123), gevorderde goedkeuring zijn onder-
worpen, in welk geval dertig ten honderd van het bedrag dier kosten zal wor-
den vergoed.
Indien de bijdrage in de jaarwedden van onderwijzers, volgens het bij deze
wet gewijzigd art. 45 der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127),
over eenig dienstjaar voor eene gemeente minder mocht bedragen dan de som
der Rijksvergoeding in de kosten van het lager onderwijs, niet medegerekend
die voor het stichten van schoollokalen en onderwijzerswoningen en het aanschaf"
fen van noodzakelijke schoolmeubelen bij eerste inrichting van nieuwe lokalen,
waarop die gemeente krachtens evengenoemd wetsartikel, zooals dat luidt vol-
gens de wet van 11 Juli 1884 (Staatsblad no. 123), over 1889 aanspraak kon
-ocr page 59-
43
doen gelden, zal het Rijk aan zoodanige gemeente in plaats van de bijdrage in de
jaarwedden van onderwijzers, hierboven vermeld, uitkeeren het bedrag, waarop zij,
naar den regel van het aangehaalde art. 45 der wetten van 1878/84, als Rijks*
vergoeding in de kosten van het lager onderwijs, niet medegerekend die voor
het stichten van schoollokalen en onderwijzerswoningen en het aanschaffen van
de noodzakelijke schoolmeubelen bij eerste inrichting van nieuwe lokalen, over
dat dienstjaar aanspraak zoude hebben gehad, doch in geen geval tot een hooger
bedrag dan haar dienovereenkomstig over 1889 toekwam.
De uitkeering dezer vergoeding geschiedt met inachtneming van het gestelde
maximum en behoudens aanvulling of terugbetaling, na vaststelling der gemeen-
terekening, bij wijze van voorschot op den grondslag der goedgekeurde begroo-
tingscijfers.
Zoodra over eenig dienstjaar de bepaling van het derde lid op eene gemeente
niet behoeft toegepast te worden, houdt zij voor die gemeente op voor den ver-
volge te gelden.
Artikel 5&6is wordt voor het eerst toegepast op het dienstjaar 1890, doch met
dien verstande dat indien over dat jaar het aantal onderwijzers aan de school
verbonden niet voldoet aan de eischen voor de openbare scholen gesteld in de
artt. 23 en 24, het 3de lid uitgezonderd, de aanspraak op de Rijksbijdrage voor
de aan die scholen verbonden onderwijzers daardoor niet verloren gaat. Over de
jaren 1891 tot en met 1898 gaat wegens het niet voldoen aan het voorschrift
van art. Hiis, sub 4°., de aanspraak op de Rijksbijdrage eerst dan verloren
wanneer de bijzondere scholen ten aanzien van het onderwijzend personeel niet
voldoen aan art. 23 of, voorzoover art. 24 betreft, niet voldoen aan de door Ons
krachtens art. 88 der wet te geven voorschriften.
Met afwijking van het bepaalde bij het voorlaatste lid van art. 24, zooals dat
artikel bij deze wet wordt gewijzigd, geldt, voor de bij het in werking treden
dezer wet bestaande bijzondere lagere scholen die voor de Rijksbijdrage bedoeld
bij art. 5ibis in aanmerking komen, voor het jaar 1890, tot grondslag voor de
toepassing van art. 24, het aantal kinderen dat op 31 December 1889 als wer-
kelijk schoolgaande bekend stond.
Het aantal onderwijzers bij het in werking treden dezer wet aan de gemeen-
tescholen verbonden mag niet worden verminderd, behoudens voor zoover het
volgens het bij deze wet gewijzigd art. 24 gevorderd aantal is overschreden.
Voorschriften omtrent de uitvoering van dit artikel worden door Ons gegeven
bij algemeenen maatregel van bestuur.
Art. VI. Het bij deze wet bevolen onderwijs in het vak, genoemd in art. 2
onder y, wordt verplichtend op 1 Januari 1893.
Gedurende de zes jaren, volgende op dit tijdstip, kan door Ons telkens voor
ten hoogste twee jaren, ontheffing worden verleend aan bepaalde scholen van de
verplichting tot het doen geven van dit onderwijs.
Zij, door wie vóór of op 1 September 1889 overeenkomstig art. 15« en art.
42tó der wet van 17 Augnstus 1878 (Staatsblad no. 127), zooals die is ge-
wijzigd bij de wet van 11 Juli 1884 (Staatsblad no. 123), onderwijs gegeven
werd in het vak in art. 2 vermeld onder lit. s kunnen met het geven van dat
onderwijs voortgaan op den voet, waarop het door hen werd gegeven.
Zij, die vóór het in werking treden dezer wet, de akte, vermeld in art. 56
onder a of b hebben verkregen of in het bezit zijn der daarmede gelijkgestel-
de akten of toelatingen, zjjn bij het afleggen van het in art. 656is vermelde
-ocr page 60-
44
examen in het vak / vrijgesteld van het in art. 65ier daarvoor bepaalde exa-
mengeld.
Art. VII. Subsidiën thans genoten krachtens art. 3, 3de lid, der wet van
17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), kunnen nog na het tijdstip waarop
deze wet in werking treedt doch tot geen hooger bedrag, noch op andere voor-
waarden worden uitgekeerd.
Andere subsidiën welke onder de werking der wet van 17 Augustus 1878
(Staatsblad no. 127) door gemeenten zijn verleend, doch na het tijdstip waarop
deze wet in werking treedt niet meer verleend kunnen worden, kunnen nog
gedurende vijf jaren na dat tijdstip, doch tot geen hooger bedrag noch op andere
voorwaarden worden uitgekeerd.
Art. VIII. Onderwijzeressen, welke de akte, vermeld in art. 56, onder a, der
wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), of die, vermeld onder b van
dat wetsartikel, vóór het in werking treden dezer wet hebben verkregen of in
het bezit zijn der daarmede in art. 85 der wet van 17 Augustus 1878 (Staats-
blad no. 127) gelijkgestelde akten of toelatingen, behouden de bevoegdheid tot
het geven van huis- en schoolonderwijs in het vak, genoemd onder k in art. 2
dier wet, binnen den kring waarin zij die bevoegdheid bezaten.
Allen, die de akte, vermeld in art. 56, onder b, der wet van 17 Augustus 1878
(Staatsblad no. 127) vóór het in werking treden dezer wet hebben verkregen
of in het bezit zijn der daarmede in art. 85 der wet van 17 Augustus 1878
(Staatsblad no. 127) gelijkgestelde akten of toelatingen, behouden de bevoegd-
heid tot het geven vati huis- en schoolonderwijs in het vak, genoemd onder p
in art. 2 dier wet, binnen den kring waarin zij die bevoegdheid bezaten.
De akte, vermeld in art. 56, onder a, der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad
no. 127), vóór het in werking treden dezer wet verkregen, geeft, tot het geven
van huis- en schoolonderwijs in de eerste oefeningen van het handteekenen, ge-
lijke bevoegdheid als de akte, vermeld in art. 56, onder a, zooals dat artikel bij
deze wet is gewijzigd.
Art. IX. De bestaande bepalingen omtrent de examens, ter verkrijging der
akten van bekwaamheid, vermeld in art. 56 onder a en 6, en omtrent de ver-
gelijkende examens blijven gelden, totdat die onderwerpen overeenkomstig deze
wet opnieuw zullen zijn geregeld, doch niet langer dan 1 Januari 1891 en met
dien verstande dat de voorschriften in art. 6&ter met het tijdstip van het in
werking treden dezer wet voor alle in dat artikel bedoelde examens van kracht
zijn.
Art. X. Deze wet treedt in werking op 1 Januari 1890.
-ocr page 61-
WET OP HET LAGER ONDERWIJS,
zooals zij luidt na de in 1889 vastgestelde wijzigingen, met aanteekeningen.
TITEL I.
ALGEMEEN\'K BEPALINGEN.
Artikel 1.
Lager onderwijs is huis- of schoolonderwijs.
Onderwijs, gegeven aan kinderen van ten hoogste drie ge-
zinnen gezamenlijk in de woning van het hoofd van een dier
gezinnen, is huisonderwijs.
Ieder ander onderwijs, waaronder ook het onderwijs in ar-
meninrichtingen, gods-, gast- en werkhuizen, gestichten van
weldadigheid en andere instellingen van openhaar nut ge-
geven, wordt voor de toepassing dezer wet als schoolonder-
wijs beschouwd.
1.    De wet op het midd. ond. geeft aan den Koning de bevoegd-
heid te beslissen, of eene school beschouwd zal worden als behoorende
tot het meer uitgebreid lager of tot het middelbaar onderwijs. Dus, als
er verschil van gevoelen onder de schoolautoriteiten zelve, of tus-
schen de gemeentebesturen en de onderwijzers mocht bestaan, heeft
men steeds een appèl in hoogste ressort. Over het algemeen bestaan
er echter drie kenmerken, welke in overweging komen ter beoordee-
ling van de rubriek, waartoe het onderwijs behoort. Deze zijn: 1. de
vakken, waarin onderwijs wordt gegeven; 2. de leeftijd der leerlin-
gen; 3. het einddoel der inrichting. Insp. I. o. in 1867; T.C. en M. 90.
Vgl. ook eene beschouwing over de grenzen van het 1. o. bij Hubr.
V 121.
2.    Scholen, waar alleen onderwijs wordt gegeven in levende ta-
len en wiskunde, zouden scholen zijn van middelbaar onderwijs, en
wij handelen hier alleen van lagere scholen. De wet zou dus eene
verkeerde terminologie bezigen, wanneer zij hier sprak van scholen,
waar, behalve de vakken, vermeld onder de litt. a—k, onderwijs gege-
ven werd in een of meer der vakken van de volgende categorie. Het
spreekt van zelf dat, wanneer men alleen spreekt over scholen, die
zijn lagere scholen en geen scholen van middelbaar onderwijs, eerst-
genoemde vakken hier niet vermeld behoeven te worden. M.v.B.Z.
2e K. 1878, 1113, ad art. 3, al. 3, der toet van 1878 (thans gewijzigd).
-ocr page 62-
Art. 1.                               46
3.    Voor zooveel de rechtskundige kenmerken van huisonderwijs
aangaat, verwees de Regeering in 1878 (M.v.T. 16) naar het arrest
van den H. R. van 27 Dec. 1875. In dat arrest (W.v.h.R. 3946; Gemst.
1275; W.B.A. 1399; v.E. V 124) leest men: „Onder het woord „wo-
ningen" in dit art. moeten in den zin der wet overeenkomstig het
gewone spraakgebruik worden verstaan de huizen of gedeelten van
huizen, welke door de ouders of voogden werkelijk worden bewoond;
lokalen, daartoe door de ouders of voogden buiten hunne woningen
gehuurd of beschikbaar gesteld, kunnen daarmede niet worden gelijk
gesteld." Het vervolg van dit arrest heeft zijne waarde verloren door
de in 1878 in de wet gebrachte wijzigingen.
4.    Wanneer de huisonderwijzer zelf kinderen heeft, meen ik, dat
hij tot het geven van onderwijs bij zich slechts mag ontvangen kin-
deren uit twee andere gezinnen. Maar heeft hij zelf geene kinderen,
die hij tegelijk met anderen onderwijst, dan mag hij in geen geval
leerlingen bij zich aan huis onderwijs geven. M.v.B.Z. 2e K. 1878,1090.
5.    Huisonderwijs, zoodra het zich uitstrekt tot de vakken, welke
aan lager en middelbaar onderwijs gemeen zijn, valt in de termen
van art. 3 der wet van 2 Mei 1863 (S. no. 50). T.C. en M. 85.
6.    Derde lid. Dat het onderwijs in de hier genoemde gestichten
schoolonderwijs zou zijn, lag ook in de bedoeling van den wetgever
van 1878. In de M.v.B. 1878 las men, blz. 23: „Onze burgerlijke
wetgeving beschouwt de kinderen, in een weeshuis opgenomen, als
leden van een gezin, want zij stelt ze gezamenlijk onder de voogdij van
regenten," terwijl de M.v.B.Z. in de 2e K. in 1878, Hand. blz. 1090,
sprak: „Wat is een gezin? In rechtskundigen zin kan ik daaronder
alleen verstaan de kinderen, geplaatst onder dezelfde ouderlijke macht,
of bij gebreke van deze, onder dezelfde voogdij. Het gezin vindt zijne
eenheid in de patria potestas of in de tutela. Nu zijn de kinde-
ren eener instelling van liefdadigheid alleen daarom als één gezin te
beschouwen, omdat zij staan onder de voogdij, niet van den binnen-
vader van het huis, maar van de regenten. Het zijn dus wel kinde-
ren van één gezin, maar aan wie het onderwijs in het gesticht ge-
geven wordt en niet in de woning van het hoofd van het gezin, want
dit gebeurt nimmer in de woningen der regenten.
„Dus gelijk het huisonderwijs omschreven is, is het volkomen te rij-
men met de handhaving van het rechtskundig beginsel dat de kin-
deren uitmaken één gezin, dat, wanneer zij niet onderwijs ontvangen
in de woningen der regenten, dan het onderwijs niettemin schoolonder-
wijs blijft."
Het is intusschen gebleken — zegt de M.v.T. 1884, 5 — dat er
gestichten zijn, waarvan de regenten, of liever — want in dezen vorm
deden de gevallen zich voor — de eenige regent of regentes wel in het
-ocr page 63-
47
Artt. 1, 2.
gesticht woont 1). Ter verwezenlijking van de bedoeling van het arti-
kel is derhalve de thans voorgestelde bepaling noodig, waarbij tevens
de vraag, in hoeverre de kinderen in een gesticht van weldadigheid als
een gezin zijn te beschouwen, eene vraag die bij de toepassing van het
artikel moeilijkheid baarde en bovendien niet op het gebied van deze
wet tehuis behoort, wordt vermeden.
Artikel 2.
Onder lager onderwijs begrijpt deze wet het onderwijs in:
a.     het lezen;
b.     het schrijven;
c.     het rekenen;
d.     de beginselen der Nederlandsche taal;
e.     die der vaderlandsche geschiedenis;
ƒ.
    die der aardrijkskunde;
g.    die van de kennis der natuur;
h.    het zingen;
i.     de eerste oefeningen van het handteekenen;
j.     de vrije en orde-oefeningen der gymnastiek;
k.    de nuttige handwerken voor meisjes.
Aan lagere scholen kan bovendien onderwijs gegeven wor-
den in:
l.     de beginselen der Fransche taal;
m.   die der Hoogduitsche taal;
n.    die der Engelsche taal;
o.    die der algemeene geschiedenis;
p.    die der wiskunde;
q.    het handteekenen;
r.    de beginselen der landbouwkunde;
*.     de gymnastiek;
t.     de fraaie handwerken voor meisjes.
1.    Eene inrichting voor bouwkundig" en ornamentteekenen valt
buiten de wet op het 1. o. G. S. Zeeland 30 Juni 1882 no. 13.
2.    Wat in art. 2 niet is opgenoemd, behoort niet tot het 1. o. en
mag dus op eene lagere school niet worden onderwezen. Genist. 411,
412; v.E. II 178; anders o. a. Wekker 24/1861; T.C. en M. 87.
3.    Onder de scholen van 1. o. kan niet gerekend worden eene han-
1) Vgl. o. a. M.V.B.Z. 5 Febr. 1883 no. 181, afd. O, bij Hubr. V 182: „Het la-
ger onderwijs, gegeven in een gesticht van weldadigheid, waarvan de inwonende
overste eenige regentes is, aan de inwonende kinderen, moet als huisonderwijs
beschouwd worden."
-ocr page 64-
Art. 2.
48
delsschool, wier karakter en doel is om jongelieden, die het 1. o. genoten
hebben, door eene wetenschappelijke voorbereiding tot goede handehv
ren en fabrikanten te bekwamen en niet om hen 1. o. in den zin der
wet te doen ontvangen. De weigering om aan den schoolopz. toegang
tot de school te verleenen, is dus geen strafbare daad. Arr.R. Am-
sterdam
28 Mei 1862; W.v.h.R. 2403; Gemst. 566; v.E. II 177.
4.    De gewijde geschiedenis, een deel der algemeene geschiedenis
zijnde, is onder litt. g (thans o) van dit art. begrepen. Bijblad 1856,7, II,
hl. 1031; v.E. II 178.
5.    Ter verkrijging van een afgerond en goed aaneensluitend onder-
wijs zal, in die gemeenten waar midd. o. wordt gegeven, het 1. o. zich in
den regel kunnen bepalen tot de vakken a—k, en tot het verschaffen
hoogstens van de kennis der fransche taal, die de leerlingen noodig
hebben om op 12jarigen leeftijd tot de laagste klasse der midd. school
te worden toegelaten.
Zoolang het midd. ond. niet op voldoenden voet geregeld is, behoort
de lag. school zoo goed mogelijk in de behoeften te voorzien. M.v.B.Z.
22 Aug. 1881 no. 2886, afd. O.; Hubr. V 123.
6.    De benamingen gewoon en meer uitgebreid lager onder-
derwijs kunnen veilig vervallen. Er behoeft alleen te worden gezegd,
dat aan lagere scholen, zonder dat zij hierdoor aan het beheer dezer
wet onttrokken worden, onderwijs gegeven worden mag in die vakken,
welke niet voor alle openbare scholen verplichtend zijn en in dien zin
het eigenlijk lager onderwijs uitmaken. M.v.T. 1878, 16.
7.    In 1878 werden de handwerken onder de verplichte vakken op-
genomen. Men leest daaromtrent in de M.v.B. 1878, 12: „Dat thans
reeds op vele plaatsen, ook ten platten lande, naai- en breischolen van
gemeentewege opgericht en onderhouden worden, toont dat de ge-
meentebesturen de behoefte beseffen en, om daarin te voorzien, zich
gaarne de noodige opofferingen getroosten. Op welke wijze dergelijke
bestaande scholen met die van lager onderwijs het best in verband
gebracht kunnen worden, is eene moeilijkheid, die langs administratie-
ven weg zal te vereffenen zijn."
8.    Dat dit onderwijs {V) buiten de schooluren en buiten de tegen-
woordigheid der jongens moet gegeven worden, is geen bezwaar en
evenmin juist dat overal daarvoor bijzondere lokalen noodig zullen zijn.
M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1097.
9.    Wat bedoeld wordt met het vak, onder letter i vermeld, blijkt
uit redevoeringen van de heeren Vermeulen en Fabius, twee der voor-
stellers van dit vak, waaraan het volgende ontleend is:
„De bedoeling is niet teekenonderwijs te doen geven op de oude
manier, zooals het vroeger gegeven werd aan de scholen van meer ge-
goeden, kostscholen, gymnasie\'n en dergelijke, toen het was eene soort
-ocr page 65-
49                                       Art. 2.
van liefhebberij-vak, toen het teekenen van studiekoppen, landschap-
pen enz., waarmee men ouders verrast op hun verjaardag, gold als
hoofdzaak.
„De eigenlijke bedoeling kennen wij uit een cahier met teeken-
voorbeelden van den heer Molkenboer, die tegenwoordig als autoriteit
op dat gebied kan gelden. De heer Molkenboer stelt zich voor een cur-
sus van 4 jaar op de lagere school voor kinderen van 8—12 jaar. Men
vangt aan met lijnen en punten en klimt op tot zeer eenvoudige syme-
trische figuren en eindelijk tot het teekenen van blokmodellen. Ook op
het gebied van het handteekenen heeft inderdaad in de laatste jaren
zeer aanzienlijke vooruitgang plaats gehad, en men is ook bij het tee-
kenonderwijs op een veel meer practischen weg gekomen." Vermeulen
in
2e K. 1889, 1410.
„Hij (de heer Heemskerk) meent toch, dat door ons wordt voorge-
steld een soort van teekenonderwijs in te voeren op de lagere school,
alleen bereikbaar in de groote steden en niet op het platteland. Dus
zou ons amendement de strekking hebben om in te voeren afzonderlijke
teekenzalen, volledig uitgerust met teekentafels, teekenborden enz., in
één woord wat op eene middelbare school te huis kan zijn, maar op
eene lagere niet behoort.
„Ik weet wel, dat de spreker dat niet bedoelt, maar zijne bezorgdheid
onderstelt toch eene mogelijkheid, welke ik afwijs. Ik kan hem gerust-
stellen. Het plan, \'t welk hij meent dat nog uitgevonden moet worden,
is reeds uitgevonden; ja er zijn er zelfs meerdere. De heer Vermeulen
heeft er reeds op één gewezen: het is de methode van teekenonder-
wijs van den heer Molkenboer." Fabius in 2e K. 1889, 1413.
10. Ik heb gemeend de gymnastiek als zoodanig niet op de lagere
school te moeten brengen, maar mij te moeten bepalen tot die vrije
en orde-oefeningen, die zonder toestellen verricht kunnen worden.
Want het zou niet mogelijk en niet goed zijn op alle lagere scholen de
gymnastiek te doen onderwijzen; vooreerst zou dat te kostbaar worden
en bovendien ziet de Eegeering er het wenschelijke niet van in, omdat
die school in den regel bezocht wordt door kinderen van 6—12 jaren.
De vrije en orde-oefeningen echter, zooals de Regeering die verlangt,
kunnen, zooals de heer Van Dedem te recht aantoonde, medewerken
tot lichamelijke ontwikkeling van de natie. Wat onder die oefeningen
te verstaan is, kan niet zoo gemakkelijk met één woord aangeduid wor-
den. De velerlei Handleidingen bewijzen dit. Ik meen echter daaronder
te moeten verstaan die oefeningen, welke zonder toestellen gemaakt
worden, bewegingen van het lichaam en gymnastische spelen, die
kunnen strekken om dat onderwijs eenigszins genoegelijk te maken.
Immers, als een bezwaar tegen de vrije en orde-oefeningen wordt wel
eens aangevoerd de eentonigheid, die er toe leiden kan om tegen-
wet l. o.                                                                   4
-ocr page 66-
Artt. 2, 3.                                   50
zin in de gymnastiek te wekken. Daartegen moet gewaakt worden,
ook door den onderwijzer, die dat onderwijs geeft. M.v.B.Z. 2e K.
1889, 1415.
Artikel 3.
De lagere scholen opgericht en onderhouden door het Eijk
of de gemeenten zijn openbare, de overige zijn bijzondere
scholen.
Door waterschappen of provinciën worden geene uitgaven
ten behoeve van het lager onderwijs gedaan.
Aan bijzondere scholen noch aan bijzondere inrichtingen
tot opleiding van onderwijzers mogen van wege de gemeente
geldelijke bijdragen of eenige andere ondersteuning middel-
lijk of onmiddellijk worden toegekend, dan in de gevallen
en onder de voorwaarden in deze wet genoemd.
1.    Altera tanta, gelijk in Friesland, en in het algemeen alle finan-
ciüele bemoeiing der provinciën met het lager onderwijs, moeten op-
houden. M.v.T. 1878, 14.
2.     Een cursus, die strekt om aan onderwijzers van het 1. o. gele-
genheid te verschaffen zich voor het ond. in de landbouwkunde te be-
kwamen, ook al werd die aan een h.b.s. en door leeraren dier inrich-
ting gehouden, moet beschouwd worden als te behooren tot het 1. o.;
elke toelage, daarvoor door de Prov. verleend, zou in strijd zijn met
art. 3 der wet. M.v.B.Z. aan G. S. Overijsel; Genist. 1422.
3.     De Regeering stelde in 1889 aanvankelijk voor, art. 3 alleen te
doen bestaan uit de eerste twee alinea\'s en de oude derde alinea on-
veranderd over te brengen naar titel III, betreffende het bijzonder
onderwijs, als een nieuw art. 54fc>\\ „Het schijnt," schreef zij in de
M.v.T. 1889, 13, „niet raadzaam verder te gaan en aan de gemeente
de bevoegdheid toe te kennen om de vrije school te subsidiëeren.
Uit het oogpunt van rechtsgelijkheid is daarvoor ongetwijfeld veel te
zeggen. Echter moet niet buiten overweging worden gelaten, dat eene
regeling in dien geest den strijd over de school zeker tot groote scha-
de van tal van belangen in de gemeenten en hare besturen zou over-
brengen; dat minderheden in eene gemeente weinig kans hebben om
tot haar recht te komen; dat de vrije school juist om hare grootere
vrijheid een voordeel boven de openbare school geniet, en, zal het
particuliere initiatief opgewekt blijven, de financiëele zorg voor hare
instandhouding niet geheel moet worden weggenomen."
Terwijl men nu, blijkens het V.V., eenerzijds betreurde, dat aan
de bijzondere scholen alleen subsidie zou kunnen worden verleend
onder voorwaarde, dal art. 33, 1ste en 2dc lid, zouden worden nage-
-ocr page 67-
51                               Art. 3.
leefd, en vroeg,. of die voorwaarde niet zou kunnen worden ge-
schrapt, vroeg men anderzijds „of het niet raadzaam ware, dit arti-
kel te doen vervallen, eensdeels omdat controle op de behoorlijke na-
leving zeer moeilijk was, anderdeels omdat het getal gesubsidieerde
bijzondere scholen voortdurend verminderde. „Wellicht", schreef men
in het Verslag 47, „kan het artikel als overgangsbepaling behouden
blijven, des dat geene nieuwe subsidiën van dezen aard meer verleend
worden." De Regeering antwoordde:
„In de Memorie van Toelichting is rekenschap gegeven waarom de
Regeering meent het subsidiëeren van bijzondere scholen uit de ge-
meentekas niet te moeten toelaten.
„De bepaling van art. 3, derde lid, om de in de Memorie van Toe-
lichting medegedeelde reden zonder eenige wijziging naar deze plaats
overgebracht, geeft in de practijk geene aanleiding tot moeilijkheden;
aan wijziging of intrekking bestaat geene behoefte."
De Comm. v. Voorb. drong er echter nader op aan, dat van art.
54ter eene overgangsbepaling zou worden gemaakt, zoodat geene nieu-
we subsidiën zouden worden verleend; tengevolge van het daarom-
trent gevoerde overleg verklaarde de Minister zich alsnog bereid aan
dezen wensch gevolg te geven. (Zie art. VII, al. 1, der wet van 1889
onder de overgangsbepalingen).
Voorts had de Reg. voorgesteld, de laatste alinea van art. 12 (zie
den tekst der wetten van 1878—1884 hiervoor) te doen vervallen. De
vraag werd gedaan, of de gemeente niettemin bevoegd zou zijn, bij-
zondere scholen, opleidingsklassen of normaallessen te subsidiëeren.
De Regeering zeide, dat de gemeenten bevoegd bleven dergelijke sub-
sidiën te verleenen en dat, waar subsidiën gegeven werden, art. 33,
lste en 2de lid, op deze inrichtingen toepasselijk zouden zijn. Het kwam
der Comm. v. Voorb. twijfelachtig voor, of de gemeenten volgens het
laatste lid van art. 12 der wet van 1878 bedoelde bevoegdheid be-
zaten; maar hoe dit zij, het scheen wenschelijk het geven van zooda-
nige subsidiën uit de gemeentekassen niet toe te laten. Na de ge-
dachtenwisseling, die daaromtrent plaats had, vereenigde de Min. zich
met het gevoelen der Comm., en stelde hij het tegenwoordige 3de lid
van art. 3 voor, benevens, als overgangsmaatregel ten behoeve van
de inrichtingen tot opleiding van onderwijzers, die in 1889 uit ge-
meentekassen subsidie ontvingen, art. VII, 2de lid, der wet van 1889,
vermeld onder de overgangsbepalingen. (Zie verslag 1889, 15 en 16).
De volgende aanteekeningen, hoewel ten deele ontleend aan beslis-
singen, vóór 1889 genomen, schijnen tot recht verstand van de derde
alinea, zooals zij thans luidt, te kunnen strekken. Andere aanteekenin-
gen, de oude derde alinea van art. 3 betreffende, zal men onder art. VII
der wet van 1889 aantreffen.
4*
-ocr page 68-
Art. 3.
52
4.     De overneming van scholen is met oprichting gelijk te stellen.
Zoo wordt in art. 44, litt. e, der bestaande wet onder de uitdrukking
„stichten" ook het koopen van een schoollokaal begrepen. M.v.B.
1889, 40.
5.     Op eene opmerking van de Comm. v. Voorb. verklaarde de Mi-
nister onder „bijzondere inrichtingen tot opleiding van onderwijzers"
ook te begrijpen de opleiding voor hoofden der scholen, bedoeld in art.
12 sub 2°. Verslag 1889, 40.
6.    Bij de behandeling in de Tweede Kamer 1889 vroeg de heer Van
Delden opheldering omtrent de beteekenis der woorden: „dan in de
gevallen en onder de voorwaarden, in deze wet genoemd." De M.v.
B.Z. antwoordde, Hand. 1417:
„Deze woorden zijn in het wetsontwerp opgenomen niet alleen om-
dat — gelijk ook door den geachten spreker is opgemerkt — in de
overgangsbepalingen de gelegenheid is gelaten aan de gemeentebestu-
ren om subsidie te geven aan de bijzondere scholen, maar omdat in
art. 82 gesproken wordt van het uitloven van openbare belooningen
en eereblijken, om het getrouwe schoolbezoek vanwege het gemeente-
bestuur aan te moedigen. Dit heeft gegolden voor het openbaar en
het bijzonder onderwijs, en dat wil men nu in het vervolg niet ver-
hinderen en daarom is deze bepaling in het wetsontwerp opgenomen,
en, zooals ik zeide, noodig, met het oog op art. 82."
7.    Het toelaten van kinderen eener bijzondere school tot de lessen
in de handwerken aan de openbare school zou eene bijdrage in de kos-
ten eener bijzondere school zijn, in den zin van art. 3 der wet. M.v.B.Z.
«\'«1886; Verslag Gron. 1886; Genist. 1918; W.B.A. 2042; v.E. XI
197 en 202.
8.     Dit art. maakt geen onderscheid tusschen een jaarlijks terug-
keerend subsidie en een subsidie voor eens, maar verbiedt in het al-
gemeen geldelijke bijdragen te verleenen aan scholen, die aan de bij het
laatste lid van dit artikel gestelde voorwaarden niet voldoen. G. S.
Friesl.
1878; Genist. 1479; v.E. VII 134.
9.    Het verstrekken van geld uit de gemeentekas, hetzij onder den
naam van onderstand of onder een anderen naam, aan ouders of
kinderen, ten einde zij daarmede de voor het bezoek eener bijzon-
dere school benoodigde schoolgelden kunnen betalen, is in strijd met
de wet. K.B. 18 Maart 1877; Gemst. 1338; W.B.A. 1461; v.E.
VI 135.
10.     Onderhandsche verhuring van een buitengoed, waarvoor onder
gewone omstandigheden een huurprijs van f 1000 \'s jaars zoude kun-
nen bedongen worden, voor f 300, onder voorwaarde, dat daarin eene
kost- en dagschool voor meer uitgebreid lager onderwijs wordt gehou-
den, draagt het karakter van een subsidie, als bedoeld in art. 19 wet
-ocr page 69-
53                               Artt. 3, 4.
1. o. Het daartoe strekkende Raadsbesluit behoeft mitsdien goedkeu-
ring van Ged. Staten. G. S. Utrecht blijkens verslag 1888.
11. Het beschikbaar stellen van lokalen ten dienste eener bijzon-
dere school is eene bijdrage in de kosten van die school, in den zin van
art. 3 der wet. K.B. 2 Dec. 1882 (S. no. 150).
In gelijken zin M.v.B.Z. 14 Juli 1883 no. 2627, afd. O; Hubr.
V 258.
Artikel 4.
Art. 5 der wet van 1 Junij 1865 (Staatsblad no. 58) is
toepasselijk op alle lokalen, waarin lager schoolonderwijs ge-
geven wordt.
Bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur worden
door Ons, zoowel in het belang van de gezondheid als van
het onderwijs, algemeene regelen vastgesteld omtrent den
bouw en de inrigting der lokalen, waarin openbaar lager
schoolonderwijs gegeven wordt, alsmede omtrent het aantal
kinderen dat daarin mag worden toegelaten, met bepaling of
en in hoeverre deze regelen verbindend zijn voor de lokalen,
waarin door gemeenten gesubsidieerd bijzonder lager school-
onderwijs wordt gegeven.
1.    Art. 5 der wet van 1 Juni 1865 (S. no. 58) luidt:
„Dg geneeskundige ambtenaren, de leden en de plaatsvervangende leden van
de geneeskundige raden, mits deze voorzien zijn van eene magtigiug van den
geneeskundigen inspecteur der provincie, zijn bevoegd, alle openbare gebouwen,
scholen, gestichten van liefdadigheid, slaapsteden en fabrieken of andere werk-
plaatsen, kazernen en gevangenissen binnen te treden, ten einde zich zooveel
mogelijk bekend te maken met den toestand en de inrigting dier gebouwen in
het belang der gezondheid. Die bevoegdheid kan echter niet uitgeoefend worden
dan in bijzijn hetzij van den kantonregter, hetzij van het hoofd of een der le-
den van het gemeentebestuur of van een commissaris van politie, wanneer moet
worden binnengetreden in de in het vorig lid bedoelde gebouwen of gedeelten
van gebouwen, voor zooveel die niet openbaar zijn.
„Van dit binnentreden en van de redenen, die daartoe geleid hebben, wordt
door hem, die krachtens bovenstaande bepaling daarbij tegenwoordig is geweest,
binnen twee maal 24 uren proces-verbaal opgemaakt en aan den ingezetene,
wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld."
2.    De bepalingen, die èn in het belang der openbare gezondheid
èn in dat der paedagogiek omtrent de lokalen gemaakt moeten wor-
den, behooren aan een algemeenen maatregel van inwendig bestuur
te worden overgelaten. Men moet toch daarbij te rade gaan met des-
kundigen en, naarmate de wetenschap en de ervaring vooruitgaan,
van hare lessen voordeel kunnen trekken. M.v.T. 1878, 10.
3.    Aan die voorschriften zal de schoolopziener de bestekken toet-
-ocr page 70-
Art. 4.
54
sen en daarenboven alle bedenkingen maken, die hij geraden acht. M.v.T.
1878, 15.
Het is alleen de vraag: moet de wet zich inlaten met het zelf stel-
len van den algemeenen regel, zooals gebeurd is in art. 4 der wet van
1857, of moet zij de nadere regeling aan een algemeenen maatregel van
inwendig bestuur opdragen ? Het is niet geraden, dat de gemeentebestu-
ren geheel naar eigen inzichten te werk gaan en dat in de eene pro-
vincie anders wordt gehandeld dan in eene andere. Wil men eene goede
regeling van het onderwerp verzekeren, dan moet de wet de onder-
werpen der regeling aanduiden, maar de uitwerking overlaten aan eene
nadere regeling bij besluit. Behoud van het artikel is dus noodig in
het belang der zaak. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1120.
4.    De wet verbiedt niet, twee scholen in één gebouw te vereeni-
gen. W.B.A. 1843.
5.    Bij K.B. 2 Pebr. 1879, no. 15, werd eene commissie benoemd,
om de Kegeering voor te lichten nopens de te stellen maatregelen.
Deze bracht onder dagteekening van 15 Oct. 1879 aan den Koning
een uitvoerig verslag uit, hetwelk met de bijlagen is opgenomen in
Hubr. I 43—178. Daarop werd bij K. B. 30 Aug. 1880 (S. no. 167)
het eerste „bouwreglement" vastgesteld; bij K.B. 20 Oct. 1880 (S.
no. 181) werd het gewijzigd. Was bij deze besluiten reeds afgeweken
van het advies der commissie, spoedig bleek, dat de gestelde eischen
nog te hoog werden geacht. Bij K. B. 1 Mei 1882 (S. no. 59) wer-
den mildere bepalingen vastgesteld; de wet van 27 Juli 1882 (S.
no. 117) maakte wijziging noodig, welke werd aangebracht bij K. B.
5 Dec. 1882 (S. no. 152). Bij K. B. 4 Mei 1883 (S. no. 41) werden
nieuwe bepalingen vastgesteld; eenige daarbij gestelde termijnen wer-
den bij K. B. 30 Aug. 1884 (S. no. 197) gewijzigd.
Men vindt dit besluit onder de bijlagen. Zie voorts de volgende
aanteekeningen.
6.    Door den M.v.B.Z. werd aan de districts-schoolopzieners bij
brief dd. 15 Mei 1883 no. 1741, afd. O, (bij Ht. 34) in het bijzonder
aanbevolen te letten op de bepaling van art. 9 van het besluit, dat
de lokalen stevig en eenvoudig moeten zijn.
7.    De bepalingen van artt. 1 en 2, K. B. 4 Mei 1883 (S. no.
41) strekken wel ter .voorkoming, dat eene school worde gesticht in
de nabijheid van schadelijke inrichtingen, doch bevatten geen verbod
van het oprichten dier inrichtingen in de nabijheid van scholen. K. B.
4 Sept. 1886 no. 23; W.B.A. 1961; Wekker 10/1887.
8.    Het middel tot afscheiding, bedoeld in art. 5 al. 2 van S. no.
41 van 1883, behoeft niet aanstonds aanwezig te zijn. Het lokaal be-
hoort derwijze te zijn ingericht, dat de afscheiding gemakkelijk kan
worden aangebracht, doch met de aanschaffing van het beweeglijk
-ocr page 71-
Artt. 4, 5.
55
deel der afsluiting kan worden gewacht tot de verdeeling noodig
blijkt. M.u.B.Z. 30 Juli 1886 no. 1768, afd. O; Et. 27.
9.    Een nieuw gebouwde school, al vervangt zij twee bestaande
schoollokalen, kan niet gerekend worden tot de bij § 2 van het K. B.
van 4 Mei 1883 (S. no. 41) bedoelde lokalen; art. 13 is mitsdien op
de aldaar te bezigen banken van toepassing. M.v.B.Z. 30 Nov. 1883
no. 4292, afd. O; Ht. 29.
10.    G. S. Zeeland hebben, op verzoek van den geneesk. raad, de
gemeentebesturen aanbevolen, toe te zien, dat van de ventilatiemidde-
len zou worden gebruik gemaakt. Circ. 16 Juli 1886 no. 21; P.B.
106; W.B.A. 1939; Gemsf. 1821; Wekker66/1886.
Artikel 5.
Geen lager schoolonderwijs wordt gegeven in lokalen,
welke door den inspecteur van het geneeskundig Staatstoe-
zigt zijn afgekeurd als schadelijk voor de gezondheid of van
onvoldoende ruimte voor het aantal schoolgaande kinderen.
De inspecteur spreekt de afkeuring uit bij schriftelijke en
met redenen omkleede verklaring en zendt daarvan afschrift
aan Gedeputeerde Staten en tenzelfden dage aan het gemeen-
tebestuur, aan den districts-schoolopziener en aan het hoofd
der school. Gedeputeerde Staten gelasten burgemeester en
wethouders der gemeente, waarin het lokaal ligt, deze verkla-
ring af te kondigen binnen een door hen te bepalen termijn.
Bij Gedeputeerde Staten kunnen tegen de uitspraak van
den inspecteur in hooger beroep komen
a.     de districts-schoolopziener;
b.     het hoofd der school;
c.     de eigenaar of bruiker van het lokaal;
d.     de ouders of verzorgers van schoolgaande kinderen.
Het beroep moet worden ingesteld binnen dertig vrije da-
gen, te rekenen van den dag, waarop het afschrift der ver-
klaring van den inspecteur op last van Gedeputeerde Staten
door het gemeentebestuur is afgekondigd.
Gedeputeerde Staten geven aan elk der in beroep gekomen
belanghebbenden schriftelijk kennis van hunne beslissing.
Ieder, die bij de beslissing partij geweest is, kan daarte-
gen bij Ons in hooger beroep komen.
Dit moet ingesteld worden binnen dertig vrije dagen, te reke-
nen van den dag, waarop de kennisgeving van de beslissing
van Gedeputeerde Staten den belanghebbenden is toegezonden.
-ocr page 72-
Art. 5.
56
Hangende de termijnen van beroep en tot de eindbeslis-
sing kan met het geven van onderwijs in het afgekeurd lo-
kaal worden voortgegaan, ten ware de inspecteur van het
geneeskundig staatstoezigt om dringende redenen, in zijne
verklaring uitdrukkelijk te vermelden, anders mogt hebben
bevolen.
Indien de inspecteur van het geneeskundig Staatstoezigt
schriftelijk verklaart, dat het afgekeurde lokaal voldoende
vei\'beterd is, of dat het aantal kinderen genoegzaam beperkt
is, kan het onderwijs worden hervat.
1.    De ambtenaren van het schooltoezicht en van het geneeskundig
staatsbestuur zijn gelijkelijk agenten der Eegeering. De geneeskundige
inspecteur zal niet handelen zonder overleg met het schooltoezicht of
weigeren op zijn verzoek tusschenbeide te treden. Maar het stuk, dat
tot grondslag strekt van het administratief proces, moet van den ge-
neeskundigen inspecteur uitgaan. M.v.B. 1878, 24.
2.    De M.v.B.Z. verklaarde in de 2e K. 1878, 1130, dat hij den ge-
neesk. insp. bij instructie zou voorschrijven, in overleg met den insp.
van het 1. o. te handelen.
3.    De districts-schoolopzieners zijn uitgenoodigd, bij miss. M.v.B.Z.
dd. 19 Dec. 1882 no. 4854, afd. O, „om bij gelegenheid van het
overeenkomstig art. 30 van het K. B. van 22 Jan. 1880 (S. no. 5)
te brengen schoolbezoek, den toestand der lokalen zorgvuldig na te
gaan, en, indien een lokaal aan ernstige bedenking onderhevig is, den
inspecteur van hunne bevinding omstandig mededeeling te doen, opdat
hij in staat zij, desgevorderd de afkeuring uit te spreken." Tevens wer-
den zij uitgenoodigd, aan de arrondissements-schoolopzieners in hun
district namens den Minister op te dragen hetzelfde toezicht te houden,
en den insp. v. h. geneesk. staatstoezicht, zoo noodig, te waarschuwen.
Zie Ht. 38.
4.    Vgl. aant. 1, ad. art. 4. De geneeskundige inspecteurs zijn bij
miss. M.v.B.Z. 19 Dec. 1882 no. 4854, afd. O, herinnerd aan hunne
bevoegdheid om de machtiging, bedoeld in het onder die aanteek. ver-
meld artikel, te verleenen. Zie Ht. 37.
5.    Art. 5 bevat eene algemeene bepaling en maakt geen onderscheid
tusschen het tijdelijk en het voortdurend geven van onderwijs. K.B. 25
Juni 1885 no. 42; Oemst. 1781; Schoolversl. 1885/6; W.B.A. 1899;
v.E. X 179.
6.    De inspecteur van het 1. o. (lees: van het geneesk. staatstoezicht)
kan geen verbeteringen gelasten, maar alleen het lokaal of de lokalen,
waarin school gehouden wordt, als schadelijk voor de leerlingen zelve,
voor het geven van onderwijs afkeuren. Het belang der bewoners van
-ocr page 73-
57
Art. 5.
het huis en de openbare gezondheid moeten daarbij niet in aanmerking
komen. Gemst. 1844; v.E. XI 199.
7.    De bepaling van K. B. 30 Aug. 1884 (S. no. 197), houdende
verdaging van den termijn, vermeld in K. B. 4 Mei 1883 (S. no. 41),
maakt geen inbreuk op de bevoegdheid en de verplichting van het ge-
neeskundig staatstoezicht om lokalen af te keuren, die schadelijk zijn
voor de gezondheid, of welker ruimte voor het aantal schoolgaande
kinderen onvoldoende is. K.B. 8 Juni 1886 no. 20; W.B.A. 1948;
Schoolversl. 1885/6; R.v.S. 1886, 467; v.E. XI 198.
8.    Van een raadsbesluit, waarbij een voorstel tot vergrooting van
een schoolgebouw is verworpen, kan geen vernietiging worden uitge-
sproken, omdat dit art. den weg tot voorziening in deze aanwijst.
M.v.B.Z. 18 Nov. 1870; Gemst. 1046; W.B.A. 1160; v.E. IV 158.
9.    Bij onderzoek in hooger beroep kan niet een toestand, die niet
of niet meer bestaat, maar enkel en alleen de toestand, die tijdens
het onderzoek bevonden wordt, in aanmerking komen.
Gemis van overeenstemming met de eischen van het K.B. van 4 Mei
1883 (S. no. 41) kan afkeuring op grond van schadelijkheid voor de ge-
zondheid niet voldoende wettigen, omdat daardoor alleen die schade-
lijkheid niet wordt uitgemaakt, terwijl in allen gevalle de nakoming
van bedoeld besluit op andere wijze is verzekerd. K.B. 7 Oct. 1884
no. 11; Schoolversl. 1884/5; W.B.A. 1856; v.E. X 178.
10.    Het aanbod van den gemeenteraad om verbeteringen aan te
brengen in een afgekeurd en gesloten schoollokaal kan op de beslissing
in hooger beroep geen invloed uitoefenen, daar het dan enkel de vraag
is, of het lokaal in zijn tegenwoordigen toestand terecht is afgekeurd.
K.B. 14 Nov. 1875; Gemst. 1278; v.E. V 125.
11.    De eigenaar of gebruiker van het lokaal der openbare school
is altijd het gemeentebestuur; ik ken althans geene zoodanige school,
waarvan dit geen eigenaar is of daarover niet de beschikking heeft.
M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1131.
12.    Ged. Staten, in deze aan geen termijn gebonden, kunnen hunne
beslissing zelfs herhaaldelijk verdagen. Eene Kon. beslissing kan niet
worden ingeroepen dan nadat Ged. Staten, na een nieuw zelfstandig
onderzoek, uitspraak hebben gedaan. K.B. 2 Nov. 1866 ; Gemst. 1799;
W.B.A. 920; v.E. II 180.
13.    De verzending wordt genoegzaam bewezen door de aanteeke-
ning daarvan gehouden ter provinciale griffie.
Slechts zij, die partij in het geding bij Ged. Staten geweest zijn,
kunnen toegelaten worden tot het hooger beroep op den Koning.
M.v.B. 1878, 24.
14.    Zoolang de termijnen van beroep niet verstreken zijn, of, is
er beroep ingesteld, de eindbeslissing niet gevallen is, is er geen
-ocr page 74-
Artt. 5, 6.
58
„weigering" van den raad, en kunnen dus B. en W. niet krachtens art.
126 gemeentewet aanbesteden. Genist. 1924.
15.    Zoolang niet overeenkomstig dit art. definitief uitspraak is
gedaan over een geschil betreffende de bruikbaarheid van een school-
lokaal, is eene gemeente niet verplicht, voor de oprichting eener
nieuwe school gelden in uitgaaf op hare begrooting uit te trekken.
Onthouding van goedkeuring aan de gemeentebegrooting als zijde-
lingsch dwangmiddel om tot den bouw eener nieuwe school te gera-
ken, mag niet aangewend worden. KB. 22 Juni 1876; W.B.A. 1424;
v.E. VI 127.
16.    Een schoollokaal kan, als schadelijk voor de gezondheid, wor-
den afgekeurd, al zijn al de gebreken voor herstel vatbaar en al
heeft de gemeenteraad reeds besloten, het lokaal naar eisch te doen
verbeteren. K.B. 11 Juni 1884 «o. 33; W.B.A. 1849; Wekker 95/1884;
Gemst. 1730; v.E. X 178.
17.    Art. 5, laatste lid, mag slechts op verbeterde schoollokalen,
niet op eene geheel nieuwe school van toepassing verklaard worden.
M.v.B.Z. in 1888 blijkens W.B.A. 2065; Genist. 1964.
18.    Naar aanleiding van het denkbeeld, in het V.V. 1889 uitge-
sproken, om aan Ged. Staten de bevoegdheid toe te kennen, te bepalen,
dat de door den inspecteur uitgesproken afkeuring niet langer zal gel-
den, indien naar het oordeel van Ged. Staten voldoende voorzienin-
gen tot verbetering van het afgekeurde lokaal zijn genomen, behou-
dens bevoegdheid van den inspecteur om tegen die beslissing van
Ged. Staten bij den Koning in hooger beroep te komen, antwoordde
de Regeering:
„Na de wijziging, die in dit artikel door de wet van 27 Juli 1882
(S. no. 117) is gebracht, deden zich geene omstandigheden voor, die
andermaal verandering noodig maken. De inspecteur, die de afkeu-
ring uitspreekt, is daardoor reeds aangewezen, maar tevens beter in
staat dan Ged. Staten, om te beoordeelen of de toestand der lokalen
genoegzaam verbeterd is." Verslag 1889, 40.
19.    Eenige speciale gevallen, waarin door den Koning uitspraak
is gedaan in beroepen betreffende afkeuring van schoollokalen, vindt
men bij Ht. 39—45.
Artikel 6.
Niemand mag lager onderwijs geven, die niet in het be-
zit is der bij deze wet gevorderde bewijzen van bekwaamheid
en zedelijkheid.
Vreemdelingen behoeven bovendien Onze vergunning.
-ocr page 75-
Avtt. 6, 7.
59
1.    Er kunnen redenen zijn om den vreemdeling de gevraagde ver-
gunning te weigeren. Regelen daaromtrent zijn echter moeilijk te
stellen; men zou daardoor, wat eene vergunning blijven moet, ver-
anderen in een voorwaardelijk recht. In hoever verzet tegen de wet-
ten van zijn geboorteland den vreemdeling, die naar Nederland de
wijk nam, alhier moet doen beschouwen als ongeschikt om onderwijs
te geven, hangt van velerlei omstandigheden af. M.v.B. 1878, 24.
2.    Een Israëlitisch onderwijzer, niet in het bezit van de bewij-
zen in dit artikel gevorderd, is niet bevoegd lager onderwijs te ge-
ven krachtens het K.B. van 10 Mei 1817 en de latere verordenin-
gen omtrent de Israëlitische godsdienstscholen. H.B. 30 April 1861;
W.v.h.B. 2293; Hubr. II 20.
3.    Voorbereidend onderwijs in het lezen of in eenig vak, bij deze
wet aangewezen als behoorende tot het 1. o., zooals dit meer bepaald
op de bewaar- en klein-kinderscholen gegeven wordt, kan niet wor-
den aangemerkt als lager onderwijs in den zin der wet. Op zulk
voorbereidend onderwijs is derhalve dit art. niet toepasselijk. Arr.
Bechtb. Breda
4 Maart 1867; W.v.h.B. 2948; Hubr. II 20.
4.    De woorden: „bij deze wet gevorderde bewijzen van bekwaam-
heid" verbieden, aan de akten van bekwaamheid voor hei geven van
lager onderwijs, die in Nederlandsch-Indië zijn verkregen, bevoegd-
heid te ontleenen tot het geven van dat onderwijs in Nederland, al
mochten ook de examen-programma\'s aldaar geheel dezelfde eischen
stellen als hier te lande. M.v.B.Z. 26 Nov. 1883 no. 4241 en 22 Juni
1885 no. 1770, afd. O, bij HL 51.
Artikel 7.
De bepalingen van het voorgaande artikel zijn niet toe-
passelij k op
a.     hen, die uitsluitend aan kinderen van één gezin lager
huisonderwijs geven;
b.     hen, die, van het geven van lager onderwijs geen be-
roep makende en zich zonder geldelijke belooning daartoe
bereid verklarende, van Ons vergunning hebben verkregen
tot het geven van zoodanig onderwijs.
Vrijgesteld van het bezit van een der bewijzen van be-
kwaamheid bij het voorgaande artikel bedoeld is hij, die
voor het vak of de vakken, waarin hij onderwijs geeft, be-
voegd is ingevolge het Koninklijk besluit van 2 Augustus
1815, no. 14, de wet van 28 April 1876 (Staatsblad no. 102),
of de wet van 2 Mei 1863 {Staatsblad no. 50).
-ocr page 76-
GO
Art. 7.
1.    Werd de bepaling van art. 7 c (thans 7b) in zoo ruimen zin ge-
nomen, dat onbevoegden, zij het dan ook tijdelijk, aan het hoofd eener
school konden geplaatst worden, dan zou het weinig moeite kosten
om het 1. o. spoedig voor een goed deel in handen van onbevoegden
te doen overgaan.
Vergunning om in een of meer vakken kosteloos 1. o. te geven,
kan verleend worden. O. S. N.-Brab. 1876; Genist. 1374; W.B.A.
1508; v.E. VI 127.
2.    De Koning kan krachtens art. 7, litt. b, aan personen, die van
het geven van 1. o. geen beroep maken en zich zonder geldelijke be-
looning daartoe bereid verklaren, vergunnen 1. o. te geven zonder het
bezit der bij de wet gevorderde bewijzen van bekwaamheid en zede-
lijkheid, doch nimmer om langs dien weg gelegenheid te vinden, tij-
delijk aan het hoofd van eene bijzondere school geplaatst te worden,
omdat art. 54 aanwijst, op welke wijze bij zoodanige school desge-
vorderd in de waarneming kan worden voorzien. M.v.B.Z. 14 Juli
1884 no. 2312, afd. O, bij HL 54.
3.    Krachtens de slotbepaling zijn bevoegd tot het geven van lager
onderwijs:
1°. Zij, die overeenkomstig het K. B. van 2 Aug. 1815, no. 14,
aan een der Rijks-hoogescholen hebben verkregen den graad
van doctor of hebben afgelegd het candidaatsexamen in:
o. de bespiegelende wijsbegeerte en letteren, in de vakken
a, c, d, e, ƒ, o enp;
b.
de wis- en natuurkunde, in c, g en p; doctoren boven-
dien in f;
2°. Zij, die krachtens de wet van 28 April 1876 (S. no. 102)
candidaat of doctor zijn in:
a.  de Nederlandsche letterkunde, in a, d, e, ƒ en o;
b.  wis- en natuurkunde, of wis- en sterrekunde, of schei-
kunde, of aard- en delfstof kunde, of plant- en dierkun-
de, in c,geu.2); doctoren bovendien in f;
c.  de klassieke letterkunde, in e en o;
3°. Zij die krachtens de wet op het middelbaar onderwijs in
het bezit zijn van de akte: A (wis- en werktuigk. weten-
sch.), B (wis-en werktuigk.), C (natuurk.), D (scheik.) en
E (landbouwk.) in c, g en p, de laatsten ook in r; — F (Ne-
derl. taal en letterk. en geschiedk. wetensch.) in a, d, e, f
en o; — I (zeevaartk.), KI (wisk.), KV (hoogere wisk.), en
die het diploma van technoloog, ingenieur of architect heb-
ben (art. 82 wet M. O.), die in \'s lands dienst de betrekking
van ingenieur bekleeden of bekleed hebben, en die aan eene
der Rijks-instellingen tot opleiding van ingenieurs en offi-
-ocr page 77-
61                               Artt. 7, 8.
eieren der land- en zeemacht den cursus hebben ten einde
gebracht (art. 89 wet M. O.) in c en p; — KH (mechanica)
en KM (natuurk., scheik. en cosmografie) in g; — KVII
(Nederl. taal en letterk.) in a en d; — KVIII (geschiedenis)
in e en o; — L (Fransch, Hoogduitsch of Engelsch) in l,
m
of n; — MI (handteek.) in q; — N (schoonschrijven) in b;
— P (gymnastiek) in s; — R (landbouwk.), S (tuinbouw) en
T (houtteelt), en die het diploma van landbouwkundige bezit-
ten (art. 82 wet M. O.) in r.
Vgl. Hier. II 21—30 en T.C. en M. 113.
Artikel 8.
Jongelieden van beiderlei kunne mogen in de school als
kweekeling worden toegelaten en aldaar behulpzaam zijn,
mits zij
a.     hun vijftiende jaar ingetreden zijn en hun negentiende
niet volbracht hebben, of de akte, bedoeld in art. 56 onder
a, bezitten;
b.     tot geene werkzaamheden in de school gebezigd wor-
den dan de zoodanige, welke zij onder het toezicht en de
leiding van een in hetzelfde schoolvertrek aanwezigen be-
voegde verrichten, en
c.     na drie maanden als kweekeling geplaatst te zijn ge-
weest, in het bezit zijn van een door den arrondissements-
schoolopziener schriftelijk goedgekeurd bewijs, niet ouder dan
een jaar en afgegeven en onderteekend door het hoofd der
school, waarin zij tijdens de afgifte waren toegelaten, dat
hun zedelijk gedrag en hunne vorderingen voldoende zijn.
Ingeval de arrondissements-schoolopziener zijne goedkeu-
ring weigert, kan het hoofd der school binnen veertien da-
gen na die weigering de beslissing van den districts-school-
opziener inroepen. Deze beslist binnen eene maand.
Het hoofd der school geeft van de toelating van een kwee-
keling in zijne school minstens drie dagen te voren schrifte-
lijk kennis aan den arrondissements-schoolopziener.
1. De geachte afgevaardigde uit Amersfoort (de heer Mackay)
wil onderscheid maken tusschen openbare en bijzondere scholen. Maar
\'t geldt hier de opleiding van onderwijzers in het algemeen en ik kan
niet toegeven dat tusschen bijzonder en openbaar onderwijs in dit op-
zicht verschil te maken is. Beide beschikken over dezelfde onderwijs-
krachten. Door eene uitzondering te maken voor de bijzondere school,
-ocr page 78-
Art. 8.
62
zou men de regelen, die art. 8 behelst voor de opleiding en tevens
practische vorming in de school en die bij allen onmisbaar zijn, in-
derdaad omver stooten. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1153.
2.    Door de toevoeging der woorden „of de akte, bedoeld in art.
56 onder a, bezitten", aan litt. a is de vraag opgelost, of jongelie-
den met akte van onderwijzer in de school mochten werkzaam zijn
(zoogenaamde volontairs). Vgl. daarbij art. 61.
3.    De woorden „onder het regtstreeksch toezicht en onder de lei-
ding van een bevoegde" hebben tot uiteenloopende opvattingen aan-
leiding gegeven. Tegenover de meening dat de kweekeling onderwijs
mag geven mits een bevoegde aanwezig zij, die toezicht houdt en
voor zooveel noodig leiding geeft, staat de opvatting dat de uitdruk-
king „regtstreeksch" den onderwijzer verplicht, zich uitsluitend met
den onderwijs gevenden kweekeling bezig te houden en inmiddels
geene andere bezigheid te verrichten. Beide opvattingen kunnen wor-
den verdedigd en het is dus raadzaam de dubbelzinnigheid dezer be-
paling weg te nemen. Daartoe strekt de weglating van het woord
„regtstreeksch".
Aan den kweekeling moet de gelegenheid gegeven worden zich in
de school practisch te oefenen. Deze oefening zal altijd eenig bezwaar
opleveren, dat niet geheel is weg te nemen. Toezicht en leiding wor-
den vereischt om het zooveel mogelijk te beperken, maar het is niet
wenschelijk, ruimte te laten voor eene opvatting, die den onderwijzer
noodeloos belemmert in zijne werkzaamheden en hem dwingt, zoo-
lang de kweekeling onderwijs geeft, zich uitsluitend met dezen be-
zig te houden. M.v.T. 1889, 7 en 8.
4.    De woorden „onder het toezicht en de leiding van een bevoeg-
de" laten liet bezigen van kweekelingen als zelfstandige leerkracht
niet toe. Ook taalkundig wordt in het gewijzigd voorschrift genoeg-
zaam uitgedrukt wat bedoeld wordt. Verboden blijft, kweekelingen
zelfstandig onderwijs te doen geven in een afzonderlijk lokaal en dus
buiten toezicht en leiding van een bevoegd onderwijzer. M.v.B. 1889, 20.
Naar aanleiding eener opmerking van de Comm. v. Voorb. laschte
de Min. v. Binnenl. Zaken, tusschen de woorden „van" en „bevoegde"
in „een in hetzelfde schoolvertrek aanwezigen". Zie Verslag 1889, 20.
Daardoor wordt elke twijfel aan de bedoeling uitgesloten.
5.    De toelating van kweekelingen moet door het hoofd der school
geschieden. Gemst. 1532; v.E. VIII 158.
6.    Kweekelingen mogen worden toegelaten zonder voorkennis van
B. en W. Gemst. 1791.
7.    De schriftelijke goedkeuring door den arrondissements-school-
opziener van het door het hoofd der school afgegeven bewijs behoort
ongetwijfeld meer te wezen dan eene legalisatie; zij zal beter waar-
-ocr page 79-
Art. 8.
63
borg opleveren dan de schriftelijke goedkeuring, die thans vóór de
toelating wordt vereischt. De proef van drie maanden zal kunnen uit-
wijzen, of de kweekeling zich werkelijk oefent en vorderingen maakt.
De wijze, waarop de schoolopziener zich de gegevens zal verschaffen
tot beoordeeling van het zedelijk gedrag en de vorderingen van den
kweekeling, zal vaak naar de omstandigheden verschillen. Blijken dien-
aangaande algemeene voorschriften noodig, zoo kunnen deze door den
Minister worden gegeven; in de wet ware eene regeling dienaangaan-
de, die naar gelang der behoefte wijziging of aanvulling kan ver-
eischen, niet op hare plaats. M.v.B. 1889, 41.
8.     De kweekeling zal in geval van weigering van den arrondisse-
ments-schoolopziener, om het door het hoofd der school afgegeven be-
wijs goed te keuren, in de school werkzaam kunnen blijven tot de
districts-schoolopziener zal hebben beslist. Een termijn van veertien
dagen is alsnog gesteld binnen welken het hoofd der school de be-
slissing van den districts-schoolopziener zal moeten inroepen, eene
maand is alsnog voor het nemen van die beslissing gesteld. Het denk-
beeld, de bedoelde beslissing aan de inspecteurs op te dragen, verdient
geen aanbeveling; beter dan deze zijn de districts-schoolopzieners
door kennis van personen en toestanden in staat, in dergelijke geval-
len een billijk oordeel te vellen. M.v.B. 1889, 41.
9.    Een eigenlijk ontslag komt bij een kweekeling niet te pas.
Eenmaal toegelaten, mag hij blijven, tot dat het hoofd der school het
in litt. c van dit art. bedoeld bewijs weigert te vernieuwen, welke
vernieuwing minstens na verloop telkens van een jaar moet geschie-
den. Die weigering staat dus gelijk met ontslag. Wekker 58/1882;
v.E. VIII 157.
Na de wijziging van 1889 behoort men in deze aant. achter „ge-
schieden" nog te lezen: „of de schoolopzieners weigeren, dat bewijs
goed te keuren".
10.     Mocht de Baad aanleiding vinden om de diensten, die een
kweekeling onder toezicht van het hoofd der school of anderen be-
voegde, met inachtneming der voorschriften van art. 8 der wet op
het lager onderwijs, aan het onderwijs mocht bewijzen, te beloonen
door aan hem eene nadere toelage te verleenen, dan zoude dit ook
nu nog wel, krachtens art. 136 der gemeentewet, mogen geschieden,
doch dan is zoodanig raadsbesluit niet aan hoogere goedkeuring on-
derworpen, en behoort in ieder geval de toelage alsdan aan dien
kweekeling zelven verleend te worden, en niet te zijnen behoeve aan
het hoofd der school. G. S. Utrecht 6 Jan. 1887 no. 47, blijkens ver-
slag
1887; W.B.A. 2094.
11.     Kweekelingen van inrichtingen, uitsluitend bestemd tot oplei-
ding van onderwijzers en onderwijzeressen en werkzaam in de aan die
-ocr page 80-
Artt. 8, 9.
64
inrichtingen verbonden leerscholen, kunnen niet geacht worden werk-
zaam te zijn op den voet der kweekelingen, bedoeld in art. 8. Ook
art. 84 is niet op hen van toepassing. M.v.B.Z. 6 Dec. 1882 no. 4719,
afd. O.; Schoolversl. 1882/3, 271; HU 56.
Artikel 9.
Hij, die in strijd met het voorschrift van art. 5 schoolon»
derwijs geeft in een afgekeurd lokaal, of die, als hoofd dei-
school, in een vertrek meer leerlingen toelaat dan het naar
de in art. 4 bedoelde regelen mag bevatten of daarin kwee-
kelingen toelaat zonder dat de vereischte schriftelijke ken-
nisgeving daaraan is voorafgegaan of wel anders dan op den
voet, bij het voorgaand artikel bepaald, wordt gestraft met
eene geldboete van ten hoogste vijftig gulden.
Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen
twee jaren zijn verloopen sedert eene vorige veroordeeling
van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk
is geworden, wordt hij gestraft met geldboete van ten hoogste
honderd gulden of met hechtenis van ten hoogste veertien
dagen. Bij tweede of volgende herhalingen gepleegd telkens
binnen twee jaren nadat de laatste veroordeeling wegens
eerste of volgende herhalingen onherroepelijk geworden is,
wordt hechtenis opgelegd van ten hoogste één jaar.
1.    In het V.V. 1878 werd gevraagd: „Moet, als op eene school
lager onderwijs door een onbevoegde wordt gegeven, het hoofd der
school, met wiens medewerking dit plaats had, niet insgelijks strafbaar
zijn?" De Regeering antwoordde daarop:
„De onbevoegde is altoos schuldig en strafwaardig; het hoofd der
school kan bedrogen zijn ....
Toelating van den kweekeling anders dan op den voet bij art. 8
bepaald, sluit alles in, bijv. ook het toelaten op verboden leeftijd."
M.v.B. 1878, 24.
2.    Hoewel de wet van 6 Maart 1818 (Staatsblad no. 12) nog tot
1890 zal worden verlengd, 1) is het toch wenschelijk de strafbepaling
in dit artikel mede van toepassing te verklaren op overtreding van
den in art. 4 bedoelden maatregel van bestuur. M.v.B. 1889, 41.
3.    Aan den strafrechter is overgelaten te beoordeelen en te waar-
1) De Minister bedoelde blijkbaar art. 1 dier wet; daarvan is, met wijziging
van art. 22 al. 1 der invoeringswet, bij de wet van 28 Aug. 1889 (S. no. 112) de
werking verlengd tot 1 Sept. 1890.
-ocr page 81-
65                             Artt. 9, 10.
deeren of handelingen, als bij dit art. strafbaar zijn verklaard, in waar-
heid of slechts pro forma hebben plaats gehad, om daarnaar de
strafbaarheid zelve te beoordeelen. H.B. 14 April 1863; W.v.h.R.
2476; Hubr. II 31.
4.    Het geven van schoolonderwijs door iemand, die slechts bevoegd-
heid heeft huisonderwijs te geven, is niet het te buiten gaan van de
grenzen zijner bevoegdheid, maar het geheel onbevoegd uitoefenen
van een tak van onderwijs. Arr. Bechtb. Leeuwarden 12 Aug. 1879;
W.v.h.B. 4514; v.E. VII 240.
5.    Vgl. hierbij art. 436 Wetboek van Strafrecht, luidende:
„Hij die, niet toegelaten tot de uitoefening van een beroep waartoe de wet
eene toelating vordert, buiten noodzaak dat beroep uitoefent, wordt gestraft met
geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
„Hij die, toogelaten tot de uitoefening van een beroep waartoe de wet eene
toelating vordert, buiten noodzaak in de uitoefening van dat beroep de grenzen
zijner bevoegdheid overschrijdt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste
honderd vijftig gulden.
„Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn ver-
loopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke
overtreding onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, in het
geval van het eerste lid hechtenis van ten hoogste twee maanden, in het geval
van het tweede lid hechtenis van ten hoogste eene maand worden opgelegd."
Artikel 10.
Behalve de gevallen, hierna vermeld, vervalt de bevoegd-
heid tot het geven van lager onderwijs voor hem, die bij
eindvonnis is veroordeeld
a. (afgeschaft door art. 3il der Invoeringswet in ver-
band met art. 28 no. 6 Wetboek van Strafrecht);
6.     tot eene der straffen, omschreven in art. 28 nos. 4 en
5 van het Wetboek van Strafrecht.
1.    Verschillend wordt gedacht over de vraag, of art. 10» door de
bovengenoemde wetsbepalingen is afgeschaft. Zie daarvoor o. a. Genist.
1984.
2.    Naar aanleiding van een schrijven van den M.v.B.Z. noodigde
de M. v. Just. bij circulaire van 3 Sept. 1866, afd. A.S., no. 162, de
Proc.-Gen. bij de prov. gerechtshoven uit, te willen zorgen, dat door
de ambtenaren van het Op. Min., telkens als een onderwijzer wegens
eene misdaad of wanbedrijf is vervolgd, van den uitslag daarvan
worde kennis gegeven aan den Insp. van het 1. o. in de provincie
waar de onderwijzer gevestigd is. Hubr. II 31; v.E. III 253; T.C.
en M.
122.
Deze kennisgeving behoort in het vervolg te worden gedaan aan
wet l. o.
                                                                    5
-ocr page 82-
Artt. 10—12.                          66
den schoolopziener in het district, waar de onderwijzer is gevestigd.
M.v.Just. 6 Aug. 1881, afd. Ha, no. 109; Hubr. IV 157.
3.    Dit art. ziet enkel op hem, die, reeds in het bezit zijnde eener
akte van bevoegdheid tot het geven van onderwijs, eene veroordee-
ling heeft ondergaan wegens een der daar genoemde misdrijven. Zulk
eene veroordeeling is dus geen beletsel om tot het examen te wor-
den toegelaten. W.B.A. 1375; v.E. IV 125.
4.    Aan hem die, wegens misdaad veroordeeld, zijne bevoegdheid tot
het geven van 1. o. heeft verloren, mag niet opnieuw een afschrift zijner
akte van bevoegdheid worden uitgereikt, wanneer het oorspronkelijk
stuk als bewijsstuk bij de processtukken moet blijven berusten. M.v.B.Z.
1 Aug. 1881; Hubr. IV 156; v.E. IX 173.
Artikel 11.
Hij, die de bevoegdheid tot het geven van lager onderwijs
verloren heeft, kan haar niet terugbekomen, behalve in de
gevallen, in artt. 29, 31 en 53 voorzien.
In deze gevallen kan zij hem door Ons worden terugge-
geven.
Art. 53 veronderstelt misdragingen, die het gevolg kunnen zijn bijv.
van jeugdige onbezonnenheid. Beterschap is dus alleszins mogelijk en
daarom mag rehabilitatie niet worden uitgesloten. M.v.B. 1878, 24.
Artikel 12.
Van Rijkswege worden kweekscholen en normaallessen tot
opleiding van onderwijzers opgericht en onderhouden.
De inrichting wordt bij algemeenen maatregel van bestuur
geregeld.
Ten behoeve van de opleiding van onderwijzers kan eene
Rijksbijdrage worden verleend,
1°. aan gemeentelijke en aan bijzondere kweekscholen;
2°. aan normaallessen en aan hoofden van scholen, voor
elk der door hen opgeleide personen die de akte bedoeld in
art. 56 onder a hebben verkregen, volgens door Ons bij al-
gemeenen maatregel van bestuur te stellen regelen en voor-
waarden.
Op de door het Rijk of de gemeenten opgerichte en on-
derhouden kweekscholen en normaallessen zijn het 1ste en
2de lid van art. 33 van toepassing.
De bepalingen sub a en e van art. 8 en die van art. 9,
-ocr page 83-
67                                   Art. 12.
voor zoover deze op de toelating van kweekelingen betrek -
king hebben, zijn niet van toepassing op de leerscholen, ver-
bonden aan door Ons aangewezen kweekscholen.
1.    Een minimum van het aantal kweekscholen werd met voordacht
niet in de wet opgenomen, want uit een practisch oogpunt schijnt dit
niet aanbevelingswaardig.
Kweekscholen van onderwijzeressen zijn evenzeer noodig als van on-
derwijzers.
Ook moet er, althans bij sommigen der Rijkskweekscholen van bei-
derlei soort, gelegenheid zijn om zich bekwaam te maken voor het twee-
de examen, waardoor de rang van hoofdonderwijzer verworven wordt.
M.v.T. 1878, 4.
2.    Het Rijk moet ze (normaallessen) overal, waar de genoegzame
stof aanwezig is, instellen en bekostigen en met het geven der lessen de
bekwaamste mannen belasten, onverschillig of zij bij het openbaar of
bij het bijzonder onderwijs werkzaam zijn. Het eenige formeele vereisch-
te moet dat van bevoegdheid tot het geven van het opgedragen on-
derwijs zijn. M.v.T. 1878, 4.
3.  Het toezicht der plaatsel. comm. strekt zich niet uit tot de Rijks-
normaallessen tot opleiding van onderwijzers en onderwijzeressen.
M.v.B.Z. 6 Jan. 1883 no. 4850, afd. O.; Hier. V 176.
4.    In overeenstemming met het beginsel, dat aan deze wetsvoor-
dracht ten grondslag ligt, strekt de voorgedragen wijziging van dit ar-
tikel om de gelegenheid te openen geregelde uitkeeringen uit \'s Rijks
kas te doen tot tegemoetkoming in de kosten der vorming van onder-
wijzers. De Regeering is hierbij uitgegaan van het denkbeeld dat, als
de onderwijzer aan de gestelde eischen van bekwaamheid voldoet, het
haar onverschillig moet zijn, door wiens hulp hij die bekwaamheid wist
te verwerven en dat derhalve elk hoofd eener school die een onderwij-
zer opleidt op gelijke behandeling of belooning aanspraak heeft. Door
deze Rijksbijdrage alleen te verleenen voor de opleiding van hen, die de
akte van onderwijzer bekomen, voorkomt men dat de bijdrage niet zou
beantwoorden aan het doel, waarvoor ze wordt verleend.
Waar reeds volgens de bestaande wet de gemeente uit \'s Rijks kas
eene bijdrage kan ontvangen voor de door haar opgerichte en onder-
houden kweekscholen is er geen reden, waarom deze bijdrage niet zou
mogen verleend worden voor de opleiding van onderwijzers in het al-
gemeen, zoowel aan kweekscholen als aan normaallessen, opgericht en
onderhouden niet alleen door eene gemeente maar ook door particulieren.
Doch ook hier mocht de Regeering niet uit het oog verliezen, dat het
voor de openbare school benoodigde aantal onderwijzers nimmer ont-
breken mag. De verplichting, om in die behoefte door middel van Rijks-
/
        kweekscholen en Rijksnormaallessen te voorzien, is in het artikel behou-
5*
-ocr page 84-
68
Art. 12.
den. Langs dien weg zal eene regeling worden in het leven geroepen,
die zoowel voor het openbaar als voor het bijzonder onderwijs goede
uitkomsten belooft. M.v.T. 1889, 8.
5.    De bedoeling is niet, de subsidiè\'n voor gemeentelijke en bijzondere
kweekscholen te berekenen naar het aantal verkregen akten, daaren-
tegen wel voor zoover de bijdrage betreft aan normaallessen en aan
hoofden van scholen. Naar het oordeel der Regeering wordt daardoor
bevoorrechting vermeden en de zuiverste maatstaf verkregen voor het
doel waartoe de bijdrage strekken moet. M.v.B. 1889, 15.
Toen de Comm. van Voorb. vroeg, waarom verschil gemaakt werd
betreffende de subsidiëering van normaallessen en kweekscholen, gaf
de Minister te kennen, dat met betrekking tot de Rijksnormaal-
lessen gebleken was, hoe vele personen, die daaraan deelnemen,
dat doen om andere redenen dan om zich aan het onderwijs te wij-
den. Hij achtte het niet mogelijk voldoende waarborgen te stellen,
opdat hetzelfde niet zou geschieden bij gemeentelijke of bijzondere
normaallessen. Daarom achtte hij het verkieslijk, het subsidie voor
deze inrichtingen van het aantal ten gevolge van aldaar genoten on-
derricht verkregen akten afhankelijk te stellen. Hij voegde hieraan
toe, dat normaallessen veel minder behoefte hebben aan een vasten
financiëelen grondslag dan de kweekscholen. Deze hebben een eigen
onderwijzend personeel, terwijl het onderwijs der normaallessen pleegt
gegeven te worden door onderwijzers van andere inrichtingen van
onderwijs, die deze betrekking nevens hun hoofdtaak waarnemen.
Zie Verslag 1889, 15.
6.    De bijdrage wordt verleend voor de opleiding tot onderwijzer,
niet voor het geven van enkele lessen. "Wordt een jongeling opgeleid
aan eene normaalles, dan kan er natuurlijk geen sprake zijn van ver-
goeding aan één onderwijzer voor de opleiding; waar de opleiding
plaats vond door verschillende zich opvolgende onderwijzers, daar kan
het in art. 8 van het ontwerp vermelde bewijs van den schoolopziener
het bewijs daarvoor leveren. Het voornemen is, de toelage aan den
hoofdonderwijzer slechts te verleenen voor de opleiding van kweeke-
lingen, die volgens art. 8 op de school zijn toegelaten. M.v.B. 1889, 15.
Naar aanleiding hiervan werd door de Comm. van Voorb. nog
de volgende opmerking gemaakt: „De Regeering zegt, dat zij eene
Rijkstoelage wil verleenen aan de hoofdonderwijzers van scholen
voor kweekelingen, ingevolge art. 8 toegelaten en die door hun on-
derwijs de akte, bedoeld in art. 56a, hebben verkregen. Maar het
is mogelijk, dat zoodanige leerlingen ook normaallessen volgen. Heeft
dan de hoofdonderwijzer toch aanspraak op subsidie, als de kweeke-
ling de akte verkrijgt? De Comm. betwijfelde of dit de bedoeling is,
aangezien de Regeering zelve zegt, dat de bijdrage wordt verleend
-ocr page 85-
69                                   Art. 12.
voor de opleiding, niet voor het geven van enkele lessen." De Mi-
nister verklaarde, dat in zoodanig geval inderdaad geen subsidie aan
den hoofdonderwijzer kon worden verleend. Mond. Overleg 1889, 15.
7.    Aanvankelijk werd alleen gesproken van onderwijzers, maar in
het gewijzigd ontwerp is de bepaling opgenomen dat de bijdragen
alleen zullen gegeven worden aan onderwijzers, hoofden van scholen.
Daarin wordt een waarborg gevonden, dat niet de eene of andere
onderwijzer enkele jongelieden tot zich zou trekken. Wanneer de op-
leiding door het hoofd der school geschiedt, dan kunnen tevens de
jongelieden onder zijne leiding in de school werkzaam zijn en prac-
tisch zich vormen. M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1431.
8.    Het zij verre, de opleiding aan toezicht te onttrekken; ook te
dien aanzien zullen de noodige maatregelen getroffen worden. Dat
toezicht zal er tevens toe leiden, de opleiding naar vaste beginselen
en alzoo behoorlijk te organiseeren. M.v.B. 1889, 15.
9.    Het is, naar het oordeel der Regeering, van groot belang de
vaststelling der regelen en voorwaarden voor het erlangen der bijdragen
en dus ook de hoegrootheid daarvan over te laten aan een algemeenen
maatregel van bestuur, omdat er veel gelet zal moeten worden op ver-
schillende bijzondere omstandigheden, en de wet in ieder geval slechts
een maximum van bijdrage zou kunnen bepalen. M.v.B. 1889, 42.
10.    De wet op het 1. o. behelst geene bepaling, die de gemeente-
besturen aanleiding kan geven tot overleg met het schooltoezicht in
zake de benoeming van leeraren aan gemeentelijke opleidingsscholen.
De A.s.o. is echter bevoegd, over die scholen toezicht uit te oefe-
nen. Vgl. art. 21 K.B. 22 Jan. 1880, S. no. 5. M.v.B.Z. 24 Oct. 1882
no. 4133, afd. O.; Hubr. V 174.
11.    Op eene gemeentelijke inrichting tot opleiding voor het hoofd-
onderwijzersexamen mag het leergeld voor de onderwijzers in de ge-
meente niet jiooger worden bepaald dan voor hen, die elders in be-
trekking zijn. Vermits voor alle onderwijzers de van wege de ge-
meente verstrekte dienst dezelfde is, moeten de volgens art. 254 ge-
meentewet daarvoor te heffen rechten ook voor allen gelijk zijn.
M.v.B.Z. in 1884; Gemst. 1789; v.E. X 180.
12.    De noodzakelijkheid om de 3de en 4de alinea van art. 33 ook
in dit artikel te noemen, is niet gebleken. Het schijnt trouwens dat
de geachte afgevaardigde uit Ridderkerk, de heer Heemskerk, die de
aanvulling heeft aangegeven, er niet verder op aandringt. De bedoe-
ling is enkel om te bepalen dat ook op de hierbedoelde scholen de
neutraliteit moet in acht genomen worden. M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1431.
13.    Tot toelichting van het slot (een amendement-Bool, door de
Reg. overgenomen) werd aangevoerd (Hand. 1888/9, 1426): „Voor
eenige jaren heeft zich het geval voorgedaan, dat een arrondisse-
-ocr page 86-
Artt. 12, 13.                           70
ments-schoolopziener vorderde, dat de toelating van kweekelingen
aan de leerschool eener kweekschool zou worden onderworpen aan
zijne goedkeuring. De directeur der kweekschool achtte dit onrecht-
matig, en meende dat, waar het Koninklijk besluit aangaande de
kweekscholen iets beveelt, het niet aangaat dat bevel onzeker te ma-
ken en afhankelijk te stellen van zoodanige vordering.
„Hoewel de burgemeester en de wethouders der gemeente waar zich
het geval voordeed, zich met het bezwaar van den directeur konden
vereenigen, bleef de arrondissements-schoolopziener bij zijne vordering.
Het is zelfs zoo ver gekomen, dat de directeur der kweekschool is
gedreigd met eene rechtelijke vervolging.
„Zoo iets moet niet kunnen plaats hebben en de wet moet dit voor-
komen. Zoodanige vordering nu kan alleen rusten op eene verwar-
ring van den kweekeling bedoeld in art. 8 en van dien van art. 12,
en dit te voorkomen is de strekking van mijn amendement."
14.    Er bestaan thans zes Rijkskweekscholen voor onderwijzers, nl.
te \'s Hertogenbosch (geopend in 1861), Groningen (1861), Haarlem
(1862), Middelburg (1877), Deventer (1877) en Maastricht (1880). De
Rijkskweekschool te Nijmegen, geopend in 1879, is met 1 September
1889 opgeheven.
„Terecht is de onderstelling geuit, dat dit ontwerp, evenals de
bestaande wet, de gelegenheid opent tot het oprichten van Rijks-
kweekscholen voor onderwijzeressen. "Vermits aan de gemeentelijke
kweekschool voor onderwijzeressen te Groningen, aan de gemeente-
lijke kweekscholen te Amsterdam en Leiden, aan vele Rijksnormaal-
lessen en bijzondere inrichtingen ter opleiding van onderwijzers een
voldoend aantal kweekelingen voor het verkrijgen eener akte van be-
kwaamheid als onderwijzeres bekwaam gemaakt worden, bestond tot
nog toe geen aanleiding om tot de oprichting eener Rijkskweekschool
voor onderwijzeressen over te gaan." M.v.B. 1889, 42.
15.    De kweekscholen waren geregeld bij K.B. 28 Mei 1879 (S. no.
205), gewijzigd bij K.B. 16 Sept. 1887 (S. no. 163).
De normaallessen waren geregeld bij een algemeen reglement, vastge-
steld bij K.B. 13 Mei 1881 no. 1, opgenomen in Schoolversl. 1881/2;
St.-Ct. 279/1882; Hubr. II 135; Ht. 79; Wekker 40 en 41 van 1881.
De te verwachten maatregel, bedoeld in al. 2 van het artikel, zal
onder de bijlagen worden opgenomen.
Artikel 13.
Waar in deze wet van onderwijzers gesproken wordt, zijn
hieronder
onderwijzeressen begrepen, ten ware het tegendeel
uitdrukkelijk
bepaald zij.
-ocr page 87-
7t                              Art. 14.
Artikel 14.
Onverminderd het bepaalde in art. 5 en met uitzondering
van de gevallen, voorzien in art. 19, sub «, #, c, cl en ƒ,
kan van elk besluit, krachtens deze wet door Gedeputeerde
Staten genomen, bij Ons in hooger beroep worden gekomen
door ieder, die bij de vernietiging of verbetering van het be-
sluit van Gedeputeerde Staten belang heeft.
Het hooger beroep moet worden ingesteld binnen dertig
vrije dagen, te rekenen van den dag, waarop het besluit
openbaar gemaakt of den belanghebbende toegezonden is.
1.    De Eegeering had voorgesteld, de gevallen, vermeld in art. 19,
alle uit te zonderen. Een viertal kamerleden wenschte in het geval
van art. 19e beroep op den Koning mogelijk te maken, en diende een
daartoe strekkend amendement in. De M.v.B.Z. zeide daaromtrent,
Hand. 1889, 1441: „De reden, waarom de Eegeering dat niet heeft
voorgesteld, is dat men hier in den regel te doen zal hebben met
de beoordeeling van locale omstandigheden en dat het daarom beter
was om de beslissing over te laten aan Ged. Staten, daar de Eegee-
ring toch geacht moet worden, minder bekend te zijn met die locale
omstandigheden. Meent men nu, dat de waarborgen versterkt moe-
ten worden door beroep toe te laten op den Koning, dan heeft de
Eegeering daartegen geen bezwaar, en om de Kamer eene stemming
te besparen, verklaar ik het amendement over te nemen."
2.    Art. 16 verwijst omtrent de oprichting en instandhouding van
gemeenschappelijke scholen naar art. 121 gem.-wet. De regeling van
gemeenschappelijke scholen is dus alleen krachtens laatstgenoemd art.
aan de goedkeuring van Ged. Staten onderworpen. Dit art. laat beroep
op den Koning alleen dan toe, wanneer door Ged. Staten de goedkeuring
aan de regeling is onthouden, en dus niet wanneer de regeling (in casu
opheffing van eene gemeenschappelijke school) door Ged. Staten is goed-
gekeurd. K.B. 7 Aug. 1867; Gemst. 840; W.B.A. 967; v.E. II 185.
3.    Wanneer Ged. Staten een hun toegezonden raadsbesluit niet
hebben goed- of af te keuren en het daarom, eenvoudig er in berus-
tende, voor kennisgeving hebben aangenomen, dan stelt dit geen be-
sluit daar, als waartegen dit art. hooger beroep toelaat. KB. 16 Oct.
1867; Gemst. 852; W.B.A. 972; v.E. II 185; T.C. en M. 135.
4.    Een besluit van Ged. Staten, dat niets anders behelst dan eene
afwijzende beschikking op een verzoek om tusschenkomst, en alzoo
alleen een antwoord is op eene aan Ged. Staten gedane vraag, maar
dat geene bestuurshandeling bevat met betrekking tot de regeling
van onderwijzersjaarwedden of tot eenig ander onderwerp, bij de wet
*
-ocr page 88-
Art. 14.
72
tot regeling van het 1. o. aan Ged. Staten opgedragen, is niet te be-
schouwen als een „krachtens deze wet" door Ged. Staten genomen
besluit, waarvan bij den Koning in hooger beroep kan worden geko-
men. K.B. 9 JtmilBSl no. 62; Hubr. III 264—265; W.B.A. 1693;
v.E. VIII158.
5.    Een afwijzende beschikking van Ged. Staten op een verzoek
van het hoofd eener school om hem eene bezoldiging toe te kennen
voor het geven van herhalingsonderwijs, terwijl geen besluit van den
gemeenteraad aan Ged. Staten is gezonden, kan niet worden beschouwd
als een besluit, krachtens de wet op het 1. o. genomen; van zooda-
nige beschikking staat dus geen beroep op den Koning open. K.B. 29
Juni 1883 no. 9; Hubr. V 273; Gemat. 1673; W.B.A. 1795; Wekker
87/1883; Schoolversl. 1882/8, bh. 403; v.E. IX 174; Ht. 219.
6.    Nadat de raad van Wijmbritseradeel wegens het niet-inachtne-
men van den termijn, voorgeschreven in art. 14 der wet, bij K. B. 23
April 1883 no. 3 niet-ontvankelijk was verklaard in zijn beroep van
een besluit van Ged. Staten van Friesland tot onthouding van goed-
keuring aan eene regeling van de onderwijzersjaarwedden, stelde de
raad dezelfde regeling opnieuw vast. Ged. Staten onthielden hunne
goedkeuring wederom en de raad vroeg weder, thans tempore utili,
voorziening van hunne beslissing. Is de raad nu ontvankelijk?
De Raad van State .adviseerde, den raad weder niet-ontvankelijk
te verklaren. In strijd met dit gevoelen stelde de Koning de jaar-
wedden vast bij besluit van 9 Dec. 1883 (S. no. 224). Zie rapport
M.v.B.Z.
6 Dec. 1883 no. 4325, afd. O, in St.-Ct. 21 Dec. 1883 no.
300; Hubr. V 282—287; Gemst. 1684; v.E. IX 174.
Het K. B. wordt verdedigd in W.B.A. 1876.
7.    Wanneer verstreken is een bij de wet gestelde termijn om in
hooger beroep te komen van eene beslissing van Ged. Staten, waar-
bij een verzoek is afgewezen, is men niet ontvankelijk in een beroep
van nadere beslissingen van dat college, waarbij, terwijl de omstan-
digheden niet waren veranderd, de vroegere beschikking is gehand-
haafd. K.B. 9 April 1889 no. 174; W.B.A. 2090; Gemst. 1972.
8.    Art. 14 geeft geen recht van beroep van een besluit van Ged.
Staten, waarbij zij, naar aanleiding van het K. B. van 3 Oct. 1884,
S. no. 207, vermeerdering van het getal onderwijzers hebben bevo-
len. Dit is geen besluit, krachtens de wet genomen. K.B. 7 Juni
1888 no. 33; W.B.A. 2047; Wekker 73/1888; Gemst. 1931; R.v.S.
1888,396; v.E. XI 199.
Bestreden door Red. W.B.A. 2053 en door H.J.G.H. in Gemst. 1941.
9.    Een schrijven van Ged. Staten aan den raad, waarbij zij be-
denkingen aanvoeren tegen eene nadere regeling der jaarwedde van
een onderwijzer, en den raad in overweging geven in anderen zin te
-ocr page 89-
Art. 14.
73
beslissen, is geen besluit, waarvan krachtens art. 14 in beroep kan
worden gekomen. K.B. 7 Juni 1887 no. 39; W.B.A. 2003; v.E. XI
199; Schoolversl. 1887/8.
10.    Een brief van Ged. Staten, houdende, dat zij hunne goedk.
niet kunnen verleenen aan een raadsbesluit tot aanwijzing eener ves-
tigingsplaats, is terecht beschouwd als eene beschikking, waarvan in
beroep kan worden gekomen. Is echter dat raadsbesluit van dezelfde
strekking als een raadsbesluit van vroegere dagteekening, waaraan
door Ged. Staten meer dan dertig dagen geleden goedkeuring ont-
houden is zonder dat daarvan door den raad hooger beroep is inge-
steld, dan behoort het beroep tegen de beslissing van Ged. Staten
op het nader genomen raadsbesluit ongegrond te worden verklaard.
K.B. 7 Juni 1887 no. 38; Schoolversl. 1886/7; Ht. 146.
11.    Wanneer door Ged. Staten aan een gemeenteraad de eisch is
gesteld om het getal onderwijzers te vermeerderen, en de gemeente-
raad daartegen geen beroep heeft ingesteld, maar geweigerd heeft
aan het ter uitvoering der onderwijswet van hem gevorderde te vol-
doen, zijn Ged. Staten krachtens art. 126 der gemeentewet bevoegd
en verplicht, van Burgemeester en Wethouders de medewerking te
vorderen, waartoe de raad, na zijne berusting in den eisch van. Ged.
Staten, ontwijfelbaar was gehouden. Van deze vordering van Ged.
Staten staat aan B. en W. geen beroep op den Koning open. K.B.
7 Nov. 1888 no. 17; W.B.A. 2075.
12.    Voor het, naar de wet bij den Koning in te stellen, hooger
beroep kan niet gelden, noch in de plaats treden een verzoekschrift,
hetwelk niet aan den Koning is gericht en ingediend, naardien daar-
mede aan den eisch der wet niet wordt voldaan. K.B. 5 Sept. 1881 no.
16; Hnbr. III 270; Ht. 246. In gelijken zin M.v.B.Z. 7 Juni 1882 no.
1982, afd. O; Hubr. V 161. Anders Hubr. IV 187-190; v.E. IX 175.
13.    Bij bet ontbreken van eene opdracht om namens de gemeente
in hooger beroep te komen, moet niet het college van dagelijksch
bestuur, maar de gemeenteraad, aan wien, als vertegenwoordigende
de gemeente, ook het bestel toekomt over de uitgaven der gemeen-
te, geacht worden de belanghebbende te zijn, die krachtens art. 14
der wet tot regeling van het 1. o. \'s Konings voorziening kan inroe-
pen tegen een besluit van Ged. Staten, dat van invloed is op de uit-
gaven voor het onderwijs. K.B. 16 Juni 1881 no. 29; Hubr. III
267—269; Gemst. 1571 j W.B.A. 1700; v.E. VIII 158.
14.    Een beroep van drie leden van den gemeenteraad van den Bom-
mel tegen een besluit van Ged. Staten van Zuid-Holland, waarbij de
oprichting eener school werd bevolen, is door den Koning niet-ontvan-
kelijk verklaard. Volgens het K.B. waren de gronden voor het appel
uitsluitend ontleend aan het financieel belang der gemeente; doch uit
-ocr page 90-
Art. 14.
74
dit oogpunt kan alleen de gemeente zelve als belanghebbende worden
erkend. Adressanten waren niet bevoegd namens den raad op te tre-
den. Mocht het hunne bedoeling zijn, uit eigen hoofde \'s Konings voor-
ziening in te roepen, dan dient te blijken van eenig bijzonder, door
de wet bedoeld, belang van hen zelven, om als appellant te worden
toegelaten, welk belang niet kan worden aangenomen om de enkele
reden, dat zij belastingplichtigen van de gemeente zijn. Dan toch zou
evenzeer ieder, die aan den Staat belastingplichtig is, belang hebben,
met \'t oog op artt. 45 en 49 der wet; indien dit de bedoeling des
wetgevers geweest ware, had het recht van appel onbeperkt moe-
ten worden toegekend, en zou de beperking van „ieder" door „die
bij de vernietiging of verbetering van het besluit van Ged. Staten
belang heeft" achterwege hebben moeten blijven. Juist de toevoe-
ging dier woorden toont aan, dat de wetgever niet het oog heeft ge-
had op een belang, dat ieder ingezeten met al zijne mede-ingezetenen
gemeen heeft en waarvoor de zorg door de wet aan het bestuur is
opgedragen; maar op een zoodanig, dat iemand, hetzij dan alleen, hetzij
met enkele zijner mede-ingezetenen gemeenschappelijk, in het bijzon-
der betreft en waarvoor hij als bijzonder persoon gerechtigd en geroepen
is te waken. K.B. 15 April 1882 no. 26; Hubr. V 188—200; R.v.S.
1881, 520, en 1882, 183; Gemat. 1603; W.B.A. 1725; v.E. VIII 158.
In gelijken zin K.B. 29 Oct. 1888; Gemst. 1951; W.B.A. 2074.
15.    Een D.s.o. is niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen een besluit
van Ged. Staten tot goedk. der jaarw. van het hoofd eener school,
omdat, al moge hij de vernietiging van het besluit van Ged. Staten
in het belang van het onderwijs noodig oordeelen, hij toch niet kan
geacht worden bij die vernietiging een eigen persoonlijk belang te
hebben, en art. 14 alleen aan ieder, die zoodanig belang kan doen
gelden, recht van beroep toekent. K.B. 15 Juli 1886 no. 21; Gemst.
1818; W.B.A. 1951; Schoolversl. 1886/7; v.E. X180; Ht. 247.
16.    Er is geene wetsbepaling, die aan een lid van den gemeente-
raad het recht toekent, in beroep te komen van eene beschikking van
Ged. Staten, waarbij hij niet-ontvankelijk is verklaard in zijn beroep
van een raadsbesluit tot regeling van het getal scholen. K.B. 4 Oct.
1886 no. 27; Gemst. 1830; W.B.A. 1967; Schoolversl. 1886/7.
Vgl. hierbij aant. 11 op art. 18.
17.    B. en W. zijn niet ontvankelijk in een binnen 30 dagen in-
gesteld beroep, wanneer de raad een besluit tot goedkeuring van het
beroep eerst na dien tijd neemt. K.B. 1 Mei 1887; Gemst. 1863.
18.    Ter bepaling van den termijn van dertig dagen wordt geno-
men de dagteekening van den stempel van \'s Konings Kabinet. K.B.
19 Juli 1881 no. 12; Hubr. III 269/70; - K.B. 24 Mei 1887 no. 6;
Schoolversl. 1886/7.
-ocr page 91-
Art. 15.
75
Artikel 15.
Deze wet is niet toepasselijk op:
a.     hem, die uitsluitend in een of meer der vakken, ver-
meld in art. 2 onder A, i, £, ^, / en (, bijzonder onderwijs
geeft;
b.     de scholen, uitsluitend bestemd voor het onderwijs in
een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder A, i, j, k,
§, r, s en i;
c.     de scholen, waarin geene kinderen boven de zes jaren
worden toegelaten en geen ander dan voorbereidend onder-
wijs gegeven wordt, behoudens dat ook deze scholen onder-
worpen zijn aan de bepalingen van artt. 5 en 73 dezer wet;
il. militaire onderwijzers en het onderwijs, door hen ge-
geven aan militairen;
e. de scholen voor doofstommen, blinden, spraakgebrek-
kigen en idioten;
/. de scholen in gevangenissen, bedelaarsgestichten of
Rijks-werkinrichtingen en in Rijks-opvoedingsgestichten, be-
houdens de bepalingen omtrent de bevoegdheid van hen, die
lager onderwijs geven.
1.    De in 1878 vastgestelde redactie had aanleiding gegeven tot ver-
schillende beantwoording van de vraag, of op de onder a bedoelde per-
sonen de wet van toepassing was, wanneer zij onderwijs gaven aan
eene openbare school. Ten einde de daaruit ontstane moeilijkheden
te ontwijken, werd in 1884 art. 15a beperkt tot hen, die bijzonder on-
derwijs geven, en de wet op hen, die het hier bedoelde onderwijs aan
eene openbare school geven, toepasselijk verklaard; daarop wordt dan
weder eene uitzondering gemaakt, voor zoover de in art. 42bis ge-
noemde artikelen aangaat. Vgl. M.v.T. 1884, 5.
Toen in 1889 de vrije en orde-oefeningen der gymnastiek onder de
verplichte leervakken werden opgenomen en de M.v.B.Z. te kennen
gaf, dat men daarin geen onderwijs zou mogen geven dan na bewij-
zen van bekwaamheid te hebben afgelegd, vroeg de Comm. van Voorb.
of wijziging van de artt. 15 en 426«\'s niet noodig was. Uit die artt.
volgde toch dat personen, die uitsluitend onderwijs geven in de gymnas-
tiek, vermeld sub litt. s van art. 2, en dus in breederen omvang dan
bedoeld wordt sub litt. j van dat artikel, geenerlei examen zouden
hebben af te leggen. Na nauwgezet onderzoek heeft de Minister de
gestelde vraag bevestigend beantwoord en de artt. 15a en 42&is dien-
overeenkomstig gewijzigd. Zie Verslag 1889, 8.
2.    Onder b is de gymnastiek behouden gebleven, „dewijl — hoe-
-ocr page 92-
Art. 15.                              76
wel het wenschelijk is, dat de onderwijzers in de gymnastiek eene akte
hebben — het der Regeering echter niet noodzakelijk voorkomt, dat
de scholen, uitsluitend bestemd voor gymnastiek, zullen vallen onder
deze wet. De Reg. meent, dat in deze de oude toestand kan bestendigd
worden." M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1443.
In verband met eene vraag van den heer Roëll dienaangaande, zei-
de de M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1443, nog: „Terecht heeft de geachte af-
gevaardigde opgemerkt, dat in litt. a alleen gesproken wordt van per-
sonen die onderwijs geven, en in litt. b van scholen, waaronder hier be-
doeld worden schoolgebouwen, in tegenstelling van de volgende letters,
waar onder scholen verstaan wordt, zoowel de onderwijzers als de ge-
bouwen, dus de geheele inrichting."
De heer Roëll trok daaruit deze conclusie (plz. 1444): „Het is nu
gebleken dat het de bedoeling niet is, om de bepaling sub b zóó te ver-
staan, dat in die gevallen de onderwijzer in de vakken _;\' en s gééne akte
zoude behoeven te hebben, en dat dus de uitdrukking „scholen" aldaar
eene veel beperkter beteekenis heeft dan in de gevallen sub litt. c, e en f.
„Ik kan mij volkomen met dit stelsel vereenigen, en acht het ratio-
neel, dat, waar volgens litt. a de akte van bekwaamheid wel zal worden
gevorderd van de onderwijzers in de beperkte en de meer omvangrijke
gymnastiek, dat ook in het geval sub b geschieden zal."
3.    Litt. c. „Bewaarscholen" kan men niet wel in de wet noemen,
dewijl het rechtskundig criterium van hetgeen men daaronder verstaat
ontbreekt. Daarom is getracht door eene omschrijving van hetgeen
bedoeld wordt de bepaling te verduidelijken. Wordt er aan bewaar-
scholen volstrekt geen onderwijs gegeven, zoo is het even onnoodig ze
hier te vermelden als muziek- of rijscholen. Van den anderen kant mag
het onderwijs, daar gegeven, niet meer dan bezighouden zijn. Kan
daarbij geen gebruik van schrijf- of rekenbehoeften worden gemaakt, zoo
blijft alleen het lezen over, en bepaalt dit zich tot niet veel meer dan
de kennis van het alphabet, zoo kan men, om niet te streng te zijn,
dit door de vingers zien. M.v.T. 1878, 17.
4.    Het wetsontwerp, gelijk het ligt, belemmert in geenen deele dat,
waar zulks mogelijk is, de openbare school eene laagste klasse, als mid-
del van opleiding en voorbereiding, in zich opneemt. Van de samen-
werking van onderwijzers, toezicht, besturen en belanghebbenden
hangt het af of men in dit opzicht de juiste maat zal weten te tref-
fen en van lieverlede eene verbeterde inrichting in het leven roepen.
M.v.B. 1878, 13.
5.    In art. 15c wordt niet indirect aangenomen, dat het schoolon-
derwijs het best op zesjarigen leeftijd wordt aangevangen, allerminst
over den aanvang eerst een jaar later een afkeurend oordeel geveld;
de bedoeling is eenvoudig, zeker te gaan, dat geene inrichting, waar
-ocr page 93-
77                              Art. 15.
eigenlijk lager onderwijs wordt gegeven, buiten het beheer der wet
wordt gebracht. M.v.B. 1878, 14.
6.    Eindelijk de quaestie of de kinderen tot hun zevende jaar op de
bewaarschool moeten blijven. Het artikel bevat daaromtrent geene be-
slissing, het is ook geen paedagogisch artikel en dat vergeet men bij
de beoordeeling van dit wetsontwerp te veel. Het artikel zegt eenvou-
voudig dat, waar een onderwijs gegeven wordt, dat, getoetst aan de
omschrijving van hetgeen de wet onder lager onderwijs verstaat, zou
kunnen aangemerkt worden lager onderwijs te zijn, — het onderwijs
dus dat per se in de bepalingen van de wet valt, — dit bij uitzondering
voor een bepaald geval aan het beheer dezer wet wordt onttrokken.
M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1168.
7.    In deze bepaling in stede van den zesjarigen een zevenjarigen leef-
tijd aan te nemen ware geen verbetering. Moge al dikwerf het eigenlijk
lager onderwijs eerst op zeven jaar worden aangevangen, met de ver-
langde wijziging zou een waarborg worden weggenomen dat niet eene
school, waar eigenlijk lager onderwijs gegeven wordt, aan het gebied der
wet worde onttrokken. M.v.B. 1889, 43.
Zie verder over den leeftijd van toelating tot de openbare school art.
19e met de aanteekeningen.
8.    Art. 258 der algemeene politieverordening te Amsterdam be-
paalde, dat de scholen, omschreven bij art. 15 litt. c. wet 1. o., met
bewaarplaatsen voor kleine kinderen zouden worden gelijkgesteld, in
het bijzonder wat betreft de voorziening voor de gezondheid en de
ruimte, naar luid van art. 259 tot en met art. 262 der verordening.
Art. 1 der verordening betr. kinderbewaarplaatsen te Kotterdam be-
paalde, dat daaronder zouden worden verstaan: inrichtingen, waarin
kleine kinderen van meer dan drie gezinnen worden bewaard, hetzij
daarin al dan niet eenig onderricht wordt gegeven, met uitzondering
van scholen van lager onderwijs; dientengevolge waren o. m. de voor-
schriften dier verordening betreffende ruimte en gezondheid ook van
toepassing op die inrichtingen, wanneer daarin voorbereidend lager on-
derwijs gegeven werd.
Op grond, dat in de scholen en inrichtingen, in deze artikelen ver-
meld, krachtens art. 15c wet 1. o., art. 5 dier wet toepasselijk is, en
de wet bij dat artikel aan den insp. van het geneesk. staatstoezicht,
met beroep op Ged. Staten en op den Koning, de beoordeeling opdraagt
van hetgeen in de boven aangehaalde artikelen en voorschriften der ver-
ordeningen is geregeld, zonder dat de wet aan de gemeentebesturen
heeft opgedragen of vergund — gelijk zij in art. 4 der wet, echter alleen
voor zooveel de daar genoemde scholen betreft, aan den Koning heeft
voorbehouden — daaromtrent algemeene voorschriften te geven, wer-
den zoowel art. 258 der Amsterdamsche als art. 1 der Rotterdamsche
-ocr page 94-
Artt. 15, 16.                           78
verordening geoordeeld te treden in hetgeen de wetgever geacht heeft
van algemeen belang te zijn, en mitsdien wegens strijd met art. 150
der gemeentewet vernietigd. K.B. 23 Juli 1888, 8. no. 97 (Amst.), en
8 Mei 1889, S. no. 61 (Rott.).
9.    De besluiten in de vorige aant. vermeld, gaven den heer Eoëll
aanleiding tot de vraag, of het niet gewenscht zou zijn, aan de ge-
meentebesturen bevoegdheid te geven, preventieve maatregelen te ne-
men met betrekking tot gebouwen voor bewaarscholen. De Minister
achtte het beter, de zaak te laten zooals zij is, vooral, omdat altijd door
het geneesk. staatstoezicht genoegzaam toezicht gehouden kan worden
op alles wat in strijd zou zijn met de gezondheid der kinderen. Hand.
1889, 1444.
10.    Over het onderwijs in de gevangenissen worden door Hubr.
IV 1—74, verschillende belangrijke medededeelingen gedaan. De ver-
ordeningen regelende het onderwijs in de strafgevangenissen, en in de
huizen van verzekering en arrest enz. worden daar gevonden.
TITEL II.
VAN HET OPENBAAR ONDERWIJS.
§ 1. Van de scholen.
Artikel 16.
In elke gemeente wordt voldoend lager onderwijs gegeven
in een genoegzaam aantal scholen, welke voor alle kinderen
zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid toeganke-
lijk zijn.
Het onderwijs omvat de vakken, in art. 2 vermeld onder
a—k, en daar, waar genoegzame behoefte aan uitbreiding
bestaat, een of meer of wel alle vakken, vermeld in dat ar-
tikel onder l—t.
De in de school toegelaten kinderen zijn in elke klasse
verplicht aan het onderwijs in alle de aldaar onderwezen
vakken deel te nemen, met uitzondering van de vakken ver-
meld in art. 2 onder j en *.
Naburige gemeenten kunnen zich, met inachtneming van
art. 121 der wet van 29 Juni 1851 {Staatsblad no. 85) ver-
eenigen tot het oprichten en in stand houden van gemeen-
schappelijke scholen of tot het vaststellen eener regeling om-
trent de toelating van kinderen uit dé eene gemeente op de
scholen der andere.
-ocr page 95-
79                             Art. 16.
Voldoend en genoegzaam.
1.    De bepalingen der Grondwet brengen m. i. mede dat op het bij-
zonder ond. in zooverre volstrekt niet gerekend wordt, dat in elke ge-
meente een school moet zijn, die geschikt is om de kinderen van ver-
schillende gezindheden te ontvangen. Dergelijke scholen zijn er ook in
ons\' land onder de wet van 1857 in iedere gemeente of anders sticht
eene vereeniging van gemeenten die. Maar al tij d moet de gelegenheid
bestaan, dat kinderen, die van de openbare school gebruik willen ma-
ken, dit kunnen doen. Men zal dus het stichten van openbare scholen
niet mogen nalaten, omdat men meent dat, indien die openbare school
er niet is, de kinderen wel naar de bijzondere zullen gaan.
De geest van het artikel is volkomen dezelfde als die van het artikel
der bestaande wet. Alleen is door de redactie de zaak in zooverre ver-
duidelijkt, dat het onderwijs voor elke gemeente, naar hare behoefte,
voldoende zal moeten zijn. Dus daar, waar b. v. behoefte is aan herha-
lingsonderwijs of aan onderwijs in een of meer der facultatieve vak-
ken in art. 2 vermeld, zal het zich hiertoe moeten uitstrekken. Met „ge-
noegzaam aantal scholen" wordt bedoeld dat zekerheid gegeven worde,
dat geen kind, dat de openbare school wil bezoeken, van de gelegen-
heid daartoe verstoken zij, zoodat men niet het oprichten van openbare
scholen mag nalaten, omdat men berekent dat het bijzonder onderwijs
in de behoefte zal voorzien. De bedoeling is dus dat handelingen van
bijzondere personen of vereenigingen niet door gemeentebesturen, Ged.
Staten of het Rijk, met de uitvoering dezer wet belast, als voorwend-
sel mogen genomen worden om op de kosten van het openbaar onder-
wijs te bezuinigen. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1172.
2.    De voorziening in de behoefte aan voldoend 1. o. kan niet worden
afhankelijk gesteld van later op te richten bijzondere scholen. Bij de
beoordeeling van het al of niet voldoende van het getal der openbare
scholen kan alleen worden acht gegeven op hetgeen werkelijk in de
gemeente bestaat. K.B. 25 Dec. 1860; Genist. 484; v.E. II 190. —
K.B. 27 Maart 1876; Genist. 1288; v.E. V 128. Zie ook T.C. en M.
153.
3.    De heer Godefroi zeide: „De Grondwet wil overal voldoend
openb. onderwijs, zoodat nergens openbare scholen zouden ontbre-
ken; bijzonder onderwijs n o o d e toegestaan, als aanvulling voor hen,
die geen onderwijs van overheidswege willen." Citaat van de heeren
De Geer van Jutfaas en De Savornin Lohman, in eene nota, gevoegd
bij het rapport der Comm. voor de Grondwetsherz. Arntz.
I 101.
4.    De bedoeling van den grondwetgever is daghelder. Hij wil dat
niemand gedwongen worde, van eene bijzondere school gebruik te
maken, en eischt alzoo, dat ieder die voor de aan zijne zorgen toe-
vertrouwde kinderen eene goed ingerichte openbare school zoekt, die
-ocr page 96-
Art. 16.                              80
ook onder zijn bereik moet kunnen vinden. Indien de gemeente zorgt,
dat ieder, die zich voor zulk eene school komt aanmelden, daar ook
plaats kunne vinden, dan heeft zij in dit opzicht aan al hare ver-
plichtingen voldaan.....Eene openbare school te sluiten in de on-
derstelling dat hare leerlingen wel eene plaats zullen willen zoeken
op deze of gene goed ingerichte bijzondere school, in dezelfde ge-
meente aanwezig, is natuurlijk in strijd met de Grondwet, maar ik
voor mij zie eveneens miskenning van haar gebod in den eisch, dat
het gemeentebestuur eene nieuwe school inrichte, niet omdat er
meer plaats wordt gevraagd, maar omdat men vertrouwt, dat, als
de school bestaat, de aanvragen om plaatsing niet zullen achterwege
blijven. Buys II 775.
5.    Immers, het gebod, dat overal in het Rijk van overheidswege
voldoend o. 1. onderwijs worde verstrekt, zou alleen dan bedenkelijk
worden, indien daaruit volgde, dat op elke bewoonde plaats eene
openbare lagere school aanwezig behoort te zijn, onverschillig of
daaraan behoefte bestaat of niet. Maar de bedoeling is blijkbaar an-
ders, en wordt dan ook in de practijk anders opgevat. Zoo het open-
baar gezag slechts in het geheele Rijk, naarmate van de behoefte,
van zijnentwege 1. o. verstrekt, zoodat ieder, voor wien men het ver-
langt, dit ter bekwamer plaatse kunne genieten, wordt aan het gebod
der Grondwet voldaan. Staatscomm. voor de Grondtcetsherz., Arntz.
I 11.
6.    De Regeering in 1848 verklaarde het woord: overal (in oud art.
194 der Grondwet) zoo, dat het niet behoefde te worden opgevat, alsof er
stond: in elke gemeente moet eene openbare school zijn. Maar
redelijkerwijze moet het dan toch beteekenen, dat de kinderen, in elke
gemeente woonachtig, eene openbare school kunnen bezoeken, met dien
verstande, dat aangrenzende gemeenten zich ook kunnen combinee-
ren tot het oprichten en houden van gemeenschappelijke scholen. Dit
laatste punt liet zich practisch zonder groote moeite regelen, omdat
het van zelf spreekt, dat de kinderen niet op al te groote afstanden,
in den regel niet verder dan een uur gaans, naar de lagere school
worden gezonden.....Wanneer echter al de kinderen in eene ge-
meente of eene afdeeling eener gemeente op bijzondere scholen gaan,
geeft de wet niet uitdrukkelijk vrijheid, om de alsdan ledigstaande
openbare school te sluiten. Min. J. Heemskerk Az., bij aarib. voorstel
tot wijz. art.
194 {oud) Grondwet. Arntz. III 8.
7.    De eenige openbare school mag worden opgeheven, wanneer
zij in het geheel niet bezocht wordt. H.J.G.H. in Genist. 1943;
d.J. in Gemst. 1946. Zie ook Ht. 104.
8.    Wanneer alle menschen in Nederland nu eens bijzondere scho-
len gingen oprichten, zou dan toch nog de overheid verplicht zijn
O
-ocr page 97-
Art. 16.
81
om openbare scholen voor niemand op te richten? Neen, maar wat
wil de Grondwet wel? Dat, zoodra er dan meer verlangen ontstaat
naar openbare scholen, deze opnieuw worden opgericht. En dit wets-
ontwerp brengt daarin geen verandering. De oprichting van open-
bare scholen is aan geen getal kinderen verbonden. Zij moeten ge-
schieden naar er behoefte is. Mr. De Savornin Lohman in de 2e K.
23 Aug. 1889; Hand. 1342.
9.    In gemeenten, waarin door het bijzonder onderwijs volledig
wordt voorzien in de behoeften van het onderwijs, zal geen sprake
behoeven te zijn van de oprichting van openbare scholen en is na-
tuurlijk van concurrentie geen sprake. Waar voldaan wordt aan de
behoeften aan lager onderwijs door particuliere bemoeiing, houdt de
taak van den Staat op, en deze richt daarnevens niet eene school op
om te zorgen dat het onderwijs in zekere bepaalde richting gegeven
worde. De Staat vraagt slechts of er lager onderwijs te verkrijgen is.
M.V.B.Z. 2e K. 1889, 1407.
10.    Blijkens de door de Eeg. in de 2e Kamer der St.-Gen. ge-
geven toelichting is de bedoeling van art. 16, te waken dat altijd de
gelegenheid bestaat, dat kinderen, die van de openbare scholen ge-
bruik willen maken, dit inderdaad kunnen doen. K.B. 2 Nov. 1883
no. 16; Gemst. 1688 en 1712; W.B.A. 1615; Wekker 61/1884; SchooU
versl.
1883/4; R.v.S. 1883, 41; v.E. IX 176; Ht. 104.
11.    Het beginsel van artikel 16 der wet op het lager onderwijs
blijft ongewijzigd. De gelegenheid tot het erlangen van voldoend open-
baar lager onderwijs voor de tot iedere gemeente behoorende jeugd
blijft onverkort. In dit wettelijk voorschrift is genoegzame waarborg
gelegen tegen de opheffing van gemeentescholen en de overdracht
van schoollokalen, die door sommigen wordt geducht. M.v.B. 1889, 14.
12.    Ged. Staten van N.-Brabant onthielden in 1885 goedkeuring aan
eene overeenkomst, door eene gemeente, wier school door geen en-
kel kind meer werd bezocht, gesloten met eene naburige, omdat het
met art. 16 niet is overeentebrengen, kinderen, waarvoor openbaar
onderwijs wordt gevraagd, te verwijzen naar de scholen van eene na-
burige gemeente.
In die overeenkomst was ook bepaald, dat de eerste gemeente we-
der eene school zou openen, als er 12 kinderen waren. Op grond
dat dit niet een onderwerp van gemeenschappelijke regeling kan uit-
maken, werd verklaard, dat de overeenkomst niet voor goedkeuring
vatbaar was, bij K.B. 31 Dec. 1885 no. 23; Gemst. 1770 en 1789;
Wekker 4/1886; W.B.A. 1909 en 1919; Schoolversl. 1885/6; v.E. X
180; Ht. 120.
Aan eene nadere regeling, door de gemeentebesturen vastgesteld, ont-
hielden Ged. Staten hunne goedk., omdat naar hunne meening de
wet l. o.                                                                    6
-ocr page 98-
Art. 1G.
82
wet vorderde, dat in iedere gemeente minstens ééne openbare school
zij. De regeling werd echter door den Koning goedgekeurd; zoodani-
ge overeenkomst doet niet te kort aan het recht van ouders, om voor
hunne kinderen eene andere voorziening te vragen, als zal kunnen
leiden tot hervatting van het onderwijs aan de openbare school, wel-
ker opheffing niet voortvloeit uit deze regeling. K.B. 15 Juni 1886 no.
22; Schoolversl. 1886/7; Gemst. 1799 en 1814; W.B.A. 1919, 1934,
1947; v.E. XI 201; Ht. 120.
13.     Ongunstige financiëele toestand ontheft de gemeente niet van
de verplichting om te zorgen, dat voldoend 1. o. in een genoegzaam
aantal scholen worde gegeven. K.B. 16 Juli 1885 no. 43; School-
versl.
1885/6.
14.     De genoegzaamheid van het getal scholen, bedoeld bij art. 16,
is niet afhankelijk van het verkrijgen van een subsidie, en de bepa-
ling, dat er een zeker aantal scholen onder de aangehaalde voorwaar-
de in de gemeente zal zijn, is krachteloos, omdat die voorwaarde on-
mogelijk is te vervullen. Immers, de aanvraag om subsidie kan niet
in overweging worden genomen, voordat vaststaat, hoeveel scholen
in de gemeente zullen zijn. M.c.B.Z. in 1882; Verslag Friesland 1882;
W.B.A.
1834.
15.     In het algemeen kan worden erkend, dat nakoming van het
grondwettig voorschrift, dat verstrekking van voldoend openbaar lager
onderwijs beveelt, niet afhankelijk mag gesteld worden van het finan-
ciöel vermogen der gemeenten. M.v.B. 1889, 14.
16.    Het door een openbaar onderwijzer voor eigen rekening hou-
den van avondschool in een gemeente-lokaal, waarbij deze het bedrag
van het schoolgeld bepaalt en ontvangt, is in strijd met den geest der
wet, die wil dat de gemeente zelve voor voldoend 1. o. zorge en het
heffen van schoolgeld onder goedkeuring des Konings van harentwege
geschiede. G.S. Gelderland in 1864; Gemst. 728; W.B.A. 846. An-
ders M.v.B.Z. 16 Aug. 1867; v.E. II 189 en III 257; Gemst. 936.
Alle kinderen.
17.    Bepalingen, welke den toegang tot het openbaar onderwijs
van kinderen, die in de gemeente werkelijk wonen, doch wier ouders
of voogden niet in de gemeente woonachtig zijn, afhankelijk stellen
van eene vergunning van B. en W., zijn in strijd met de wet. K.B.
19 Oct. 1881 (S. no. 166); Hubr.IV 77-85; Gemst. 1571; W.B.A.
1690; v.E. VIII 161.
18.     De wet legt aan de gemeentebesturen de verplichting op, alle
kinderen, die in de gemeente verblijf houden, op de openbare lagere
school toe te laten, onverschillig waar hunne wettige woonplaats is, of
waar hunne ouders of voogden gevestigd zijn. Het vaststellen eener re-
-ocr page 99-
83                              Art. 16.
geling omtrent de kinderen, die in eene andere gemeente verblijven,
moet niet door B. en W. maar door den raad geschieden. M.v.B.Z.
in
1887; Gemat. 1871; v.E. XI 204.
19.    Eene openbare school, gevestigd in een gebouw dat met een
klooster uitwendig één geheel uitmaakt en inwendig daarmede gemeen-
schap heeft en waarin door geestelijke broeders onderwijs wordt gege-
ven, kan niet geacht worden toegankelijk te zijn voor alle kinderen
zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid. K.B. 23 April 1861
(S. no. 24).
20.    In het algemeen zijn de gemeentebesturen bevoegd om in de
plaatselijke verordeningen op de openbare school de gevallen aan te
wijzen, waarin kinderen uit de school kunnen worden verwijderd.
M.v.B.Z. 9 Juli 1881 no. 1788, afd. O; Hubr. IV 7576.
21.    In eene gemeentelijke verordening of in een reglement voor de
openbare scholen van lager onderwijs mag de bepaling worden opge-
nomen, dat leerlingen, die aan een gebrekkig spraakvermogen, aan
doofheid of eene andere lichaamskwaal lijden of door achterlijke ont-
wikkeling voor het onderwijs of hunne medeleerlingen hinderlijk zijn,
tijdelijk van de school kunnen worden verwijderd. Ht. 106.
Schoolwijken.
22.    De gemeenteraad is, ten einde het overbevolken van de eene,
en het ontvolken van de andere school te voorkomen, bevoegd elke
der scholen, die tot dezelfde klasse behooren, voor eene bepaald aan-
gewezen afdeeling der gemeente te bestemmen. Genist. 855; v.E.
II 190.
23.    Aan een gemeentebestuur kan het recht niet ontzegd worden
om zijne gemeente, als er zich meer dan ééne openbare school bevindt,
in schoolwijken te verdeelen. Dat bestuur voldoet aan zijne verplich-
ting, als het aan elk ingezeten de gelegenheid verschaft, zijne kinderen
op eene openbare school te laten onderwijzen, en het doet niets ter
zake of er voor het onderwijs, op de genoemde scholen genoten, school-
geld wordt betaald, dan wel of er kosteloos onderwijs wordt gegeven.
M.v.B.Z. 23 Juli 1868, cf. Insp. I. o. in 1868; Gemst. 887 en
1313; v.E. II 500, V 126, VI 128.
Omvang onderwijs.
24.    Een gemeenteraad, die bepaalde, dat het onderwijs zou om-
vatten de vakken a—i, werd bij brief M.v.B.Z. 12 Oct. 1880 litt. F,
afd. O,
tot wijziging uitgenoodigd. Nadat de raad vak k in het besluit
had opgenomen, kon, zegt Hubr., II 214, „vernietiging van het besluit
achterwege blijven." Zie ook Verslag Zeeland 1880.
25.    Het 2e lid geeft de nadere uitwerking van hetgeen door vol-
6*
-ocr page 100-
Art. IC.                              84
doend onderwijs verstaan wordt. De uitbreiding moet bevolen kunnen
worden, behalve door den gemeenteraad, door de Ged. Staten en door
den Koning. De uitdrukkelijke vermelding, dat die behoefte eene ge-
noegzame wezen moet, waarborgt tegen overdrijving, daar het besluit
de redenen vermelden moet. M.v.T. 1878, 18.
26.   Blijkens V. V. 1878, 42 werd door vele leden gevreesd, dat door
\'t woord genoegzame aan onwillige gemeentebesturen een wapen in
de hand zou worden gegeven om over het bestaan der behoefte aan uit-
breiding te twisten of zich daartegen zoo lang mogelijk te verzetten.
„Wel verre, dat het woord genoegzaam de uitwerking hebben
zal, in het V.V. gevreesd, is het een wapen in handen van Ged. Staten,
om, bij onwil van het gemeentebestuur, vermeerdering te bevelen."
M.v.B. 1878, 25.
27.    De opneming van de vrije en orde-oefeningen der gymnastiek
onder de verplichte vakken laat de gemeentebesturen vrij, evenals tot
dusver de gymnastiek in meer uitgebreiden zin in het leerplan van de
lagere school te behouden. M.v.B. 1889, 43.
28.    Op eene school voor meer uitgebreid 1. o. moet, behalve in de
daarvoor vereischte vakken, ook onderricht worden gegeven in de vak-
ken, vermeld onder a—i van art. 1 (a—k van art. 2). KB. 25 Aug.
1860 (S. no. 49).
29.    Beperking van het openbaar onderwijs tot een eenmaal be-
staand getal scholen, ook wanneer zich behoefte aan meer school-
ruimte mocht doen gevoelen, mag ten aanzien van het meer uitge-
breid 1. o. evenmin plaats hebben als dit ten aanzien van het ge-
woon 1. o. zou kunnen geschieden. K.B. 20 Nov. 1874; Gemst. 1210;
W.B.A. 1330; v.E. V 127.
30.    De oprichting van afzonderlijke scholen, eene voor de aanvangs-
klassen en eene voor meergevorderden, hoezeer eenigszins vreemd, is
niet in strijd met de wet. Op beide scholen worden minstens de ver-
plichte vakken onderwezen, en het onderwijs aan de eene school vult
dat aan de andere aan. M.v.B.Z. 17 Aug. 1878; Gemst. 1404; W.B.A.
1594. Anders G.S. Gron., en Mr. A. W. Hoeth in genoemde Gemst.
Zie v.E. VII 135.
31.    Door middelbaar onderwijs te doen geven, kunnen de gemeen-
teraden den gebiedenden eisch van dit artikel om, als daaraan behoefte
is, meer uitgebreid lager onderwijs te doen geven, niet ter zijde stellen.
Het middelbaar onderwijs komt, ter beoordeeling of er aan uitbreiding
van het lager onderwijs behoefte bestaat, niet in aanmerking. Aan-
sluiting tusschen het lager en middelbaar onderwijs in de gemeente
mag niet geschieden ten koste van het meer uitgebreid lager onder-
wijs. K.B. 15 Maart 1873, cf. G.S. Gelderland 16 Oct. 1872; Gemst.
1101 en 1123; W.B.A. 1221; v.E. IV 160.
-ocr page 101-
85                                    Art. 16.
32.    Het bestaan der behoefte aan onderwijs in vreemde talen kan
niet worden ontkend op grond dat die vakken worden onderwezen
aan eene in de gemeente bestaande Rijks H. B. S. met driejarigen
cursus.
Evenmin levert de omstandigheid, dat op twee in de gemeente aan-
wezige bijzondere scholen onderwijs in de vermelde vakken wordt ge-
geven, grond op om de behoefte aan zoodanig onderwijs, van over-
heidswege verstrekt, in twijfel te trekken. G.S. Z.-Holl. 30 Aug. 1875 ;
Gemst. 1252; v.E. V 127.
33.    De besluiten, door gemeentebesturen genomen, waarbij op grond
van art. 16, 2e zinsnede, der wet het onderwijs tot een of meer der vak-
ken onder l—t wordt uitgebreid, moeten blijkens de aangehaalde wets-
bepaling aanleiding nemen uit de overweging, dat de behoefte aan uit-
breiding wordt erkend. Op die beslissing kan de meerdere of mindere
gegoedheid der ingezetenen niet van invloed zijn. De behoefte moet
uit andere omstandigheden worden afgeleid, en zij mag niet geacht
worden uitsluitend te bestaan voor hen, die de kosten van het onder-
wijs kunnen dragen. Ook voor on- en minvermogenden moet dat on-
derwijs derhalve toegankelijk zijn. M.v.B.Z. 24 Sept. 1881 no. 3537,
afd. O; Hubr. IV 109.
34.    Het verbinden van werkplaatsen aan de openbare lagere scho-
len, tot het aanleeren van ambachten, is strijdig met dit artikel, bepa-
lende welke vakken moeten en welke vakken bovendien aan de la-
gere school kunnen onderwezen worden. Besluit gemeenteraad\'s-Gra-
venhage
29 Mei 1883; Gemst. 1653.
35.    In de omstandigheid, dat in eene gemeente bijzondere scho-
len worden aangetroffen, waar onderwijs in de nutt. handw. wordt
gegeven, wordt geene aanleiding gevonden om van het wettelijk voor-
schrift af te wijken, dat dit onderwijs aan de openbare school moet
gegeven worden. M.v.B.Z. 27 Juni 1881 no. 2301, afd. O; Hubr. II 219.
36.    Met de beslissing, in de vorige aanteekening vermeld, heeft
zich de Tweede Kamer in 1889 vereenigd, door de verwerping van een
amendement van den heer De Savornin Lohman, om achter al.
2 te doen volgen: „Indien elders genoegzame gelegenheid voor de
schoolgaande kinderen bestaat om voldoend onderwijs te ontvangen
in het vak, vermeld in art. 2 onder k, behoeft in de school het on-
derwijs in bedoeld vak niet te worden gegeven." De bedoeling van
dit amendement was om, als particulieren de gelegenheid gaven voor
het ontvangen van het handwerks-onderwijs, de gemeente te ontslaan
van de zorg om op hare scholen dat onderwijs te doen geven. {Zie
2e K. 1889, 1447 en 1449).
37.    Door de verwerping van het amendement, in de vorige aan-
teekening genoemd, is niet uitgemaakt, dat het onderwijs in hand-
-ocr page 102-
Art. 16.                              86
werken in dezelfde lokalen moet worden gegeven als het overige on-
derwijs. De volgende beslissing blijft van kracht:
„Art. 16 bepaalt wel, dat het lager onderwijs in elke gemeente
moet omvatten de vakken a—k, maar niet, dat dit onderwijs in de-
zelfde school moet worden gegeven. Indien dus in eene gemeente
voor on- en minvermogenden voldoend onderwijs gegeven wordt in
de nuttige handwerken voor meisjes op eene afzonderlijke gemeente-
naai\' en breischool, mag aldaar op de gewone lagere scholen voor
on- en minvermogenden het leervak k worden weggelaten. Het ge-
meentebestuur zal met het schooltoezicht in overleg moeten treden
omtrent de wijze, waarop de gemeentelijke naai- en breischool het
best in verband kan worden gebracht met de school of scholen van
lager onderwijs voor min- en onvermogenden." M.v.B.Z. 12 Maart
1881 no. 827, afd. O; Hubr. II 215—217; Ht. 118. Zie dergelijk be-
richt in Wekker no. 69/1881.
38.    Wanneer het handwerks-onderwijs in een afzonderlijk lokaal
gegeven wordt, is de wet op dat lokaal toepasselijk. Uit de beraad-
slaging over art. 15 is wel gebleken dat dit onderwijs buiten de ge-
wone schooluren, niet dat het buiten een gewoon schoollokaal mag
gegeven worden. Genist. 1838; v.E. XI 204.
Verzuimen en bijwonen van enkele lessen.
39.    Vóór de wetswijziging van 1889 zijn er verscheidene beslissin-
gen genomen over de vraag, of kinderen, die de openbare lagere school
bezoeken, op den duur het onderwijs in de nuttige handwerken of in
eenig ander vak mogen verzuimen. Sedert de invoering der wet van
1878 is die vraag door de opvolgende Regeeringen ontkennend beant-
woord. Vgl. het hoofdartikel in Genist. 1970. Toen nu in 1889 de
vrije en orde-oefeningen der gymnastiek onder de verplichte leervak-
ken werden opgenomen, meende de Comm. van Voorb., dat aan de
ouders de bevoegdheid moest blijven om hunne kinderen aan het on-
derwijs in dit vak niet te doen deelnemen, en, waar het nu twijfeb
achtig was, of naar de bestaande wet zoodanige bevoegdheid aan de
ouders zou toekomen, wenschte zij dit punt uitdrukkelijk in art. 16
der wet beslist te zien. Daarbij kon naar haar inzien aan de ouders
dezelfde bevoegdheid gegeven worden met betrekking tot het onder-
wijs in de handwerken. De Min. gaf aan dien wenk, voor zooveel de
vakken j en s aangaat, alsnog gehoor door de opneming der derde
alinea in het artikel, maar had bezwaar om aan de ouders de be-
voegdheid te geven om hunne kinderen niet te doen deelnemen aan
het onderwijs in de handwerken. Zie Verslag 1889, 8.
Wat kan nu het gemeentebestuur doen, als niettemin bij voortdu-
ring het onderwijs in eenig vak door een kind wordt verzuimd? Toen
-ocr page 103-
87                                   Art. 16.
in 1881 B. en W. eener gemeente bij circulaire aan de ouders van
schoolgaande kinderen mededeelden, dat zij, die bij voortduring
de lessen in handwerken verzuimden, van de school zouden worden
verwijderd, besliste de M.v.B.Z., bij wien men zich daaromtrent be-
klaagde, als volgt:
„De wet laat de gemeentebesturen bevoegd, om in het belang dei-
orde op de o. 1. school de voorschriften te geven, die zij noodig
achten, mits die voorschriften niet met de wet zelve in strijd zijn;
eene circulaire van B. en W., die strekt om het wegblijven van
het onderwijs in de handwerken, als strijdig met het overeenkom-
stig art. 21 der wet vastgesteld leerplan, tegen te gaan, wordt door
geen der bepalingen van de wet verboden." M.v.B.Z. 29 Oct. 1881 no.
3970, afd. O; Hubr. IV 99-108; Ht. 168; Genist. 1558, 1559,
1573; W.B.A. 1680; Wekker 90/1881; Verslag Zeeland 1881; v.E.
VIII 164.
40.    Verschillend is vóór 1889 beslist over de vraag, of het geoor-
loofd was, een kind aan het onderwijs in slechts één of enkele vak-
ken van het lager onderwijs te doen deelnemen. Zie Genist. 1970.
De nieuwe derde alinea beantwoordt ook die vraag in ontkennenden
zin. Zij maakt daarbij geen onderscheid tusschen verplichte en niet-
verplichte vakken.
Gemeenschappelijke regeling.
41.    Is de openbare lagere school in eene gemeente, hetzij om den
afstand van de woonplaats der kinderen of om den toestand der we-
gen of om eenige andere reden, voor sommige kinderen niet bruik-
baar, dan kan voorziening worden gevraagd en kunnen Ged. Staten,
naar bevind van zaken, krachtens artikel 18 der wet voorziening be-
velen. Naburige gemeenten kunnen evenwel niet worden gedwongen
tot de in art. 16 bedoelde vereeniging over te gaan. M.v.B. 1889, 43.
42.    Eene regeling, als bedoeld in al. 3, ontslaat Ged. Staten niet
van het toezicht, bij den tweeden zin van art. 18 aan dat college op-
gedragen. De regeling zelve blijft, ook wanneer Ged. Staten vermeer-
dering van het getal scholen bevelen, van kracht. G. S. Z.-Holl. 12
Febr. 1878; Gemst. 1381; W.B.A. 1503; v.E. VI 129.
43.    De woorden „met inachtneming van art. 121 der wet van 29
Juni 1851 (S. no. 85)" slaan zoowel op „het oprichten en instand-
houden enz." als op „het vaststellen eener regeling enz." Wanneer
dus twee gemeenten willen overeenkomen om kinderen uit de eene
toe te laten op de school der andere, is daarop art. 121 gemeentewet
toepasselijk. K.B. 21 Juni 1881 no. 24; Hubr. V 200; R.v.S. XXI
259; Gemst. 1554, 1556 ««1565; W.B.A. 1688; Schoolversl. 1881/2,
blz. 222; Wekker 59/1881; v.E. VIII 160.
-ocr page 104-
Art. 16.                                 88
44.     Eene overeenkomst is voor hen, die haar hebben gesloten, de
wet, naar welke de wederzijdsehe rechten en verplichtingen moeten
worden beoordeeld. Het geschil, dat daaromtrent is ontstaan, moet dus
naar de termen en de bedoeling der gesloten overeenkomst worden
beslist, en, ofschoon het onderwerp der regeling van publiekrechte -
lijken aard moge zijn, is het tegenwoordig geschil, als betreffende eene
schuldvordering gegrond op hetgeen tusschen partijen is overeenge-
komen, geen geschil van bestuur, waarvan de kennisneming behoort
tot het administratief gezag. K.B. 10 Juli 1883 no. 23; Gemat. 1663;
Schoolversl, 1882 3, blz. 405.
45.     Bij gemis van elke bepaling in eene overeenkomst omtrent de
wijze waarop de door de gemeente, waarin de school ligt, rechtmatig
gevorderde herziening in den stand der zaak zou kunnen worden in
het leven geroepen, kan die gemeente niet geacht worden gehouden
te zijn tot verdere nakoming harerzijds eener regeling, welker grond-
slag is vervallen en, wegens gebleken onwil tot samenwerking van de
eene en onverkrijgbaarheid van overeenstemming met de andere harer
mede-contractanten, niet kan worden hersteld. Het raadsbesluit tot
opheffing der school kan dus worden goedgekeurd. K.B. 8 April
1888 no. 3; v.E. XI 201; Gemst. 1909; W.B.A. 2040.
46.     Wanneer de noodzakelijkheid der verbouwing van eene afge-
keurde school bij gemeenschappelijke verordening is voorzien, stuit
de eisch om vóóraf gezamenlijk over te gaan tot eene herziening der
verordening, met name op het stuk eener eventueele ontbinding der
gemeenschap — wat er ook van het meer of minder wenschelijke daar-
van moge zijn — af op het onbetwistbare feit, dat de gemeenten vol-
gens de bestaande gemeenschappelijke verordening zonder eenig voor-
behoud verbonden zijn, om tot de vernieuwing, verbetering en uit-
breiding van het schoolgebouw mede te werken en bij te dragen, zoo-
dat er geen grond is om de praestatie te verschuiven. K.B. 18 Oct.
1883 no. 16; Ht. 119.
47.     Het beding der betaling van een deel der kosten in de ver-
grooting van een schoolgebouw sluit niet uit het geval, dat de ver-
grooting geschiedt door het stichten van een nieuw en grooter ge-
bouw ; ja zelfs somtijds kan de vergrooting van een schoolgebouw
niet anders dan op die wijze geschieden. KB. 22 Maart 1882 no. 4;
W.B.A. 1722; Gemst. 1602; v.E. VIII 162; - K.B. 5 April 1882;
R.v.S. 1882, 136; v.E. IX 176.
48.     Alinea 3 van artikel 16 kan niet in dien zin worden opge-
vat, dat het, bij gebreke eener gemeenschappelijke regeling als daar
bedoeld is, den raad niet zou vrijstaan kinderen uit eene andere ge-
meente op zijne scholen toe te laten. M.v.B.Z. 22 Oct. 1883 no. 3762, afd.
O; Gemst.
1674; W.B.A. 1794 en 1857; v.E. IX 178 e» X 181; Ht. 118.
-ocr page 105-
Artt. 16, 17.
89
49.    Zonder dat eene regeling getroffen is, als bedoeld bij al. 3
van dit art., mag op eene gemeentebegrooting geen post worden uit-
getrokken voor schoolgeld van kinderen die door hunne ouders of
voogden in een andere gemeente ter school worden gezonden. Gemst.
1858; v.E. XI 204; — Idem Ht. 116.
50.    De heffing van schoolgeld mag zich niet uitstrekken tot die
kinderen, die in eene andere gemeente krachtens overeenkomst gratis
schoolgaan. M.v.BZ. 2 Febr. 1882 no. 357, afd. B.B.; Hubr. V 32.
51.    Schoolgeldheffing op eene gemeenschappelijke school. Zie aant.
op art. 46.
Artikel 17.
Voor zooveel doenlijk wordt aan hen, die het gewoon
schoolonderwijs genoten hebben, gelegenheid gegeven tot het
genieten van herhalings-onderwijs.
Het herhalings-onderwijs kan zich uitstrekken tot een of
meer der vakken, vermeld in art. 2 onder l—t, al zijn die
vakken niet begrepen geweest in het genoten gewoon school-
onderwijs.
1.    Zooals het wetsontwerp luidt, zijn Ged. Staten daar, om de
gemeentebesturen, die uit nalatigheid verzuimen het herhalingsonder-
wijs in te voeren, hiertoe te dwingen en eerst dan, wanneer het naar
het oordeel van het schooltoezicht niet doenlijk is, vervalt de verplich-
ting. M.v.B. 1878, 15.
2.    De verplichting tot het verschaffen van herhalingsonderwijs
drukt op de gemeente ten behoeve van de leerlingen der openbare
school, die aldaar het gewone schoolonderwijs genoten hebben. Dit
ligt in het woord herhaling van zelf opgesloten. Men herhaalt het
vroeger geleerde om het te onderhouden. De gemeente heeft niet te
zorgen voor hen, die huisonderwijs genieten, maar hieruit volgt niet,
dat, waar herhalingsonderwijs gegeven wordt, hij, die zich aanmeldt,
onverbiddelijk moet worden geweerd, omdat hij huis- of bijzonder
schoolonderwijs genoten heeft. Er wordt dus eenvoudig bedoeld, dat
het herhalingsonderwijs zich aan het onderwijs, dat de gewone open-
bare school geeft, rechtstreeks aansluit. In art. 18 is sprake van
onvoldoende. Hieronder valt ook het herhalingsonderwijs. Waar
dit ontbreekt, ofschoon er alleszins gelegenheid voor is, zullen Ged.
Staten bij machte zijn te handelen. M.v.B. 1878, 25. Zie aant. 7,2de
gedeelte.
3.    Vermits bij art. 17 der wet is bepaald, dat voor zooveel doen-
lijk aan hen, die het gewoon schoolonderwijs genoten hebben, gele-
-ocr page 106-
Art. 17.                                 90
genheid tot het ontvangen van herhalingsonderwijs gegeven wordt,
en daarmede dus de vrouwelijke leerlingen, die dat onderwijs wen-
schen te genieten, niet uitgesloten zijn, is eene bepaling, dat de her-
halingsschool uitsluitend door jongens moet worden bezocht, in strijd
met de wet. M.v.B.Z. 12 Sept. 1881 no. 3071, afd. O; Hubr. IV 86,
87; Ht. 131.
4.    Herhalingsonderwijs mag niet worden gegeven te gelijker tijd
/ met een derden schooltijd, zij het ook in een afzonderlijk lokaal.
M.v.B.Z. 8 Sept. 1881 no. 3186, afd. O; Hubr. IV 87—89.
5.    Waar de wet bepaalt, dat herhalingsonderwijs slechts voor zoo-
veel doenlijk moet gegeven worden, strekt de verplichting der gemeen-
tebesturen zich niet zoover uit, dat zij eene herhalingsschool zouden
moeten oprichten, hoe klein ook het aantal dergenen zij, die zich daar-
voor aanmelden. Zij mogen dus een minimum stellen. M.v.B.Z. 27 Sept.
1881 no. 3256,afd. O; Hubr. IV 89-99; v.E. IX 180; — Idem 6 Maart
1884 «o. 590, afd. O; Verslag Z.-Holland 1884; W.B.A. 1931; llt. 122.
6.    Het gestelde minimum behoort dan voor alle scholen in de ge-
meente gelijk te zijn. M.v.B.Z. 27 Sept. 1881 no. 3257, afd. O; Hubr.
IV 89—99; Ht. 132.
7.    Bij de beslissing, vermeld in aant. 6, verklaarde de M.v.B.Z. geene
bedenking te hebben tegen de bepaling, dat het herhalingsonderwijs
slechts gedurende een bepaald aangewezen deel van het jaar zal onder-
wezen worden (anders Ht. 133), en dat alleen zij, die het gewoon school-
onderwijs met vrucht genoten hebben, tot het herh.-onderw. toegang
hebben (anders Ht. 128).
Bij de verordening mag niet worden bepaald, dat tot het herh.-on-
derw. alleen toegang hebben zij, die de openbare school bezocht
hebben. Ht. 127, cf. een insp. v. h. I. o. bij Hubr. IV 95. Zie aant. 2.
,, 8. De bepaling eener verordening, dat eene tot herhalingsonderwijs
opgerichte avondschool zal bestemd zijn voor hen, die in hunne eigenlijke
schooljaren onvoldoend 1. o. genoten hebben, is in strijd met de wet.
G.S. Zeeland 1881; Gemat. 1640; W.B.A. 1675; v.E. IX 180.
9.    Leerlingen der hoogste klasse van de dagschool mogen niet tot
de herhalingsschool worden toegelaten. M.v.B.Z. 22 Nov. 1881 no.
4411, afd. O. Anders Gemst. 1573. Zie Hubr. IV 113—123; Ht. 130;
v.E. VIII 162 en IX 181. Vgl. echter aant. 11.
10.    Het vorderen van een leeftijd van 12 jaren voor de toelating
tot het herhalingsonderwijs wordt niet door de wet op het 1. o. ver-
boden en staat de uitvoering van art. 17 dier wet niet in den weg.
M.v.B.Z. 6 Juli 1883; Verslag Z.-Holland 1883; Gemst. 1716; Wekker
69,1884; W.B.A. 1883; v.E. X 182.
11.     Geen termen tot vernietiging eener bepaling in verordening 1. o.
/ houdende, dat kinderen beneden 12 jaren niet tot de herhalingsklasse
-ocr page 107-
Art. 17.
91
worden toegelaten, en dat wel worden toegelaten kinderen, die de
hoogste klasse der school volgen, al zijn ze nog geen 12 jaren oud.
M.v.B.Z. 20 April 1885 no. 1110, afd. O; Verslag Zeeland 1885;
Gewist. 1826; W.B.A. 1918, 1976. Idem M.v.B.Z. 14 Febr. 1885 no.
309, afd. O; Ht. 129.
12.    Het herh.-onderw. is geen deel van het gewone schoolonder-
wijs, maar vormt gezamenlijk daarmede het van wege de gemeente
te geven 1. o. in zijn geheelen omvang.
De bepalingen der wet betreffende het openbaar 1. o. in het alge-
meen (aard en karakter van het onderwijs, de verplichtingen van de
met dat onderwijs belaste personen en hunne bevoegdheid, schoollo-
kalen, schooltoezicht enz.) gelden derhalve zoowel voor het herh.-on-
derw. als voor het gewoon schoolonderwijs. Maar voor zoover de be-
palingen der wet de inrichting der school en de bemoeienissen
te dier zake van de provinciale en gemeentebesturen en van het
schooltoezicht in bijzonderheden regelen, zijn zij geschreven alleen voor
de gewone lagere school en dus niet op de herhalingsschool toepasselijk.
Benoeming, schorsing en ontslag te regelen volgens de gemeente-
wet, tenzij den onderwijzer bij zijne benoeming de verplichting tot
het geven van herh.-onderw. worde opgelegd.
De bezoldiging kan gegeven worden in den vorm eener toelage,
eener afzonderlijke jaarwedde of\' eener verhooging der reeds als on-
derwijzer genoten jaarwedde.
Is de bezoldiging als afzonderlijke jaarwedde of toelage geregeld,
dan niet bij te dragen voor pensioen.
De onderwijzer, die vóór het in werking treden der wet van 1878
avondschool moest houden, is thans tot het geven van herh.-onderw.
zonder nadere bezoldiging verplicht, indien de oude avondschool het
karakter van herh.-school bezat. M.v.B.Z. 3 Oct. 1882 en 12 Febr. 1883,
nis. 2109 en 207, afd. O; Hubr. V 204—220; Ht. 126; v.E. IX 180
en 181; W.B.A. 1739, 1743 en 1758; Gemst. 1619 en 1639; Wekker
80/1882; P.B. Geld. 119/1882 en 82/1883; Friesl. 120/1882 e»22/1883;
Overijsel 69/1882 en 15/1883; Limb. 111/1882 en 28/1883; Utrecht
87/1882 en 17/1883.
13.    Voor pensioen ook dan bij te dragen, als de afzonderlijke be-
looning door Ged. Staten wordt goedgekeurd met het oog op art. 26,
omdat daarin slechts eene soort van verhooging der jaarwedde is ge-
zien. M.v.B.Z. 9 Dec. 1882 no. 4779, afd. O; P.B. Geld. 147; Gemst.
1649; v.E. IX 191.
14.    Wanneer de verplichting tot het houden eener herhalingsschool
aan een onderwijzer niet bij zijne aanstelling is opgelegd, dan kan hij
niet zonder bezoldiging met die taak worden belast. M.v.B.Z. in 1885;
Gemst. 1785; v.E.X 183.
-ocr page 108-
Artt. 17, 18.
92
15.    Besluiten van gemeentebesturen, waarbij aan onderwijzers van
de lagere school een opdracht gedaan wordt tot het geven van herh.-
onderw., zijn — althans indien daarbij niet tegelijkertijd eene wijzi-
ging gebracht wordt in de aan die personen bevorens krachtens ai-t.
26 der wet op het 1. o. toegekende jaarwedden — niet onderworpen aan
de goedkeuring van Ged. Staten. K.B. 29 Juni 1883 no. 9; Hubr. V
273; Gemst. 1673; W.B.A. 1795; Wekker 87/1883; Schoolversl.
1882/3, Uz. 403.
16.    Wanneer er tusschen een gemeentebestuur en een onderwij-
zer geschil ontstaat over de vraag of hij krachtens zijne aanstelling
al dan niet tot het geven van herh.-onderw. verplicht is, staat hem
tegen eene ongunstige beslissing van den raad geen beroep open,
ook blijkens K. B. 29 Juni 1883 no. 9, in een geschil van bestuur ge-
nomen. Zie de vorige aant.
Eene weigering zijnerzijds om met dat onderwijs voort te gaan, zou
hem aan een ontslag ambtshalve, of aan schorsing, kunnen blootstel-
len. M.v.B.Z. in 1884; Versl. Gron. 1884; Gemat. 1798.
Cf. voor het tweede deel dezer beslissing G. S. Groningen in 1882;
Gemst. 1673; v.E. IX 181 en X 183.
17.    Blijkens eene mededeeling in W.B.A. 1818 kan, wanneer een
gemeentebestuur weigert, gelden voor het herh.-onderw. toe te staan,
art. 212 der gemeentewet niet worden toegepast.
Artikel 18.
De besluiten van den gemeenteraad, betreffende het getal
der scholen en de vakken, welke op de scholen zullen on-
derwezen worden, worden aan Gedeputeerde Staten medege-
deeld. Zoo Gedeputeerde Staten het getal scholen of den om-
vang van het onderwijs onvoldoende achten, bevelen zij, den
inspecteur gehoord, vermeerdering.
Gelijke vermeerdering kan, Gedeputeerde Staten gehoord,
door Ons worden bevolen.
1. De verplichting, den gemeenteraad bij art. 18 der wet opge-
legd, geldt alleen voor die besluiten, welke krachtens deze wet door
den raad genomen worden. Indien de besluiten aangaande het getal
der scholen en de vakken, aldaar te onderwijzen, onder de wet van
1857 vastgesteld, in overeenstemming zijn met de voorschriften der
nieuwe wet, dan is de raad niet verplicht een nieuw besluit te ne-
men en aan Ged. Staten medetedeelen. M.v.B.Z. 21 Dec. 1880 litt. M,
afd. O; Hubr.
II 215 en 220; Gemst. 1529; v.E. VIII 163; HL 135.
Zie aant. 9, 2de gedeelte, op art. 19.
-ocr page 109-
Art. 18.
93
2.    Uit de vorige beslissing volgt, dat Ged. Staten, lettend op het
getal scholen dat in eene gemeente feitelijk bestaat, terstond de vraag
kunnen behandelen of vermeerdering van het getal scholen noodig
is, en dat op elke vermindering van het getal, al is dat vastgesteld
krachtens de nu afgeschafte onderwijswet van 1857 en niet opnieuw
bepaald onder de tegenwoordige wet, de goedkeuring van hun college
noodig is volgens art. 1% der nu geldende wet. M.v.B.Z. 16 Dec. 1880
UU. P, afd. O; Hubr.ll 221; Genist. 1529; v.E. VIII163; Ht. 136.
3.    Gem.-besturen in Gelderland door Ged. Staten uitgenoodigd,
aan den Insp., den D.s.o. en den A.s.o. steeds afschrift te doen toe-
komen van alle raadsbesluiten, rakende de regeling van het 1. o.,
waarmede Ged. Staten zich hebben vereenigd of die zij hebben goed-
gekeurd. P.B. Geld. 13 van 1881 en 78 van 1887.
4.    Dit art. geeft alleen dan bevoegdheid om vermeerdering te be-
velen, wanneer in eene gemeente geen voldoend aantal scholen be-
staat, toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van gods-
dienstige gezindheid. De bevoegdheid om de oprichting te bevelen
strekt zich niet uit tot het daarstellen van scholen voor jongens of
meisjes afzonderlijk. K.B. 25 Mei 1875; Genist. 1237; W.B.A. 1356;
v.E. V 128 en VI 129. Bestreden in W.B.A. 1451 en door Mr. L.
d. H.
in Bijdr. XXI 282.
5.    Een gemeentebestuur mag niet gedwongen worden bij de in-
richting van het openbaar 1. o. de eigenaardige eischen in aanmerking
te nemen, die aan onderwijs voor meisjes van 14—17 jaren, in on-
derscheiding met dat voor jongens, naar psedagogische opvattingen
wellicht kunnen gesteld worden.
Waar genoemde leeftijd is bereikt, moet toch als regel worden aan-
genomen, dat aan de behoefte van hetgeen de wet onder lager
onderwijs verstaat, bereids is voldaan. K.B. 17 Nov. 1881 no. 19.
Hubr. V97; Gemst. 1586; Wekker 22/1882; W.B.A. 1708; v.E. VIII
161; Ht. 138.
6.    Bij weigering van den raad om te voldoen aan een krachtens
de 2e of 3e zinsnede gegeven bevel behooren artt. 212 en 127 ge-
meentewet te worden toegepast. M.v.B.Z. 25 Juni 1859; W.B.A. 587;
v.E. II 191.
7.    Een geschil tusschen Ged. Staten en een gemeenteraad over
het al dan niet noodige van eene school, moet zijne oplossing vinden
in dit art., dat aan Ged. Staten bevoegdheid schenkt om vermeerde-
ring van het getal scholen te bevelen, indien daarvoor gronden zijn.
Alzoo behoort, om tot die vermeerdering te geraken, niet als zijde-
lingsch dwangmiddel te worden aangewend onthouding van goedkeu-
ring aan de begrooting of aan de daarin gebrachte wijzigingen. K.B.
18 Sept. 1868; Gemst. 898; v.E. II 500.
-ocr page 110-
Art. 18.
94
8.    Gcd. Staten kunnen niet vorderen, dat op eene gemeentebe-
grooting eene uitgaaf ten behoeve van het 1. o. gebracht worde, zoo-
lang niet op de wijze bij de wet aangewezen, is uitgemaakt, dat de
gemeente die uitgaaf moet doen. K.B. 21 Juli 1878; Gemst. 1412;
W.B.A. 1530; v.E. VII 135.
9.    Bij het door Ged. Staten ingevolge art. 18 te geven bevel kan
niet tevens de plaats, waar het nieuwe schoolgebouw moet worden
opgericht, worden aangewezen. M.v.B.Z. 24 Jan. 1885; E.v.S. 1885,\',
308; W.B.A. 1862; v.E. X 181. In gelijken zin K.B. 27 Juni 1882
no. 17; Hubr. V 107; Ht 143.
10.    Van een raadsbesluit, waarbij een voorstel tot vermeerdering
van het aantal scholen is verworpen, kan geene vernietiging worden
uitgesproken, omdat dit art. den weg tot voorziening in deze aanwijst.
M.v.B.Z. 18 Nov. 1870; Gemst. 1046; W.B.A. 1160; v.E. IV 161.
11.    Een lid van den raad is niet bevoegd bij Ged. Staten in be-
roep te komen van een raadsbesluit tot oprichting van eene school.
G. S. Zeeland in 1886; Gemst. 1812; v.E. X 183.
12.    Wanneer Ged. Staten, na eerst vermeerdering van het aantal
scholen te hebben bevolen, waartegen door den gemeenteraad beroep
op den Koning is ingesteld, later eene nieuwe regeling van het on-
derwijs goedkeuren, waarbij het oorspronkelijk aantal scholen, dus
zonder de bevolen vermeerdering, behouden blijft, dan bevat deze
goedkeuring eene stilzwijgende intrekking van het bevel tot ver-
meerdering der scholen. K.B. 14 Oei. 1881 no. 19; Hubr. V 94;
Ht. 137.
13.    Wanneer eene gemeenschappelijke school onder goedkeuring
van Ged. Staten is opgeheven, kan de Koning niet bevelen dat zij
weder geopend worde. K.B. 7 Aug. 1867; Gemst. 840; W.B.A. 967;
v.E. II 191.
14.    Volgens het gevoelen der inspecteurs in hunne vergadering
van 1861 kunnen Ged. Staten het oprichten eener gemeenschappelijke
school, ook als het hun wenschelijk voorkomt, wel niet hevelen, maar
kunnen zij toch als indirect middel daartoe te baat nemen hunne be-
voegdheid om vermeerdering van het aantal scholen in de beide of
meer afzonderlijke gemeenten te gelasten. T.C. en M. 149.
15.    Noch aan dit art. noch aan artt. 121 volg. gem.-wet kunnen
Ged. Staten de bevoegdheid ontleenen om de oprichting te bevelen
eener gemeenschappelijke school voor twee gemeenten, en tevens te
bepalen, welk gedeelte door ieder dier gemeenten in de kosten zal
worden gedragen.
Ged. Staten zouden vermeerdering van het getal scholen in elke der
beide gemeenten moeten bevelen. Het is niet te verwachten, dat als-
dan beide gemeenten zouden verzuimen, van de haar bij art. 16 ge-
-ocr page 111-
95                           Artt. 18, 19.
schonken bevoegdheid gebruik te maken. M.v.B.Z. 24 Jan. 1885;
B.v.S. 1885, 308; W.B.A. 1862; v.E. X 181.
16. Een afstand van een uur gaans of meer voor kinderen van 5
tot 12 jaar kan een bevel tot vermeerdering van het aantal scholen
rechtvaardigen. K.B. 27 Juni 1882 no. 17; Hubr. V 107. Zie echter
aant. 16 ad art. 19.
Artikel 19.
De besluiten van den gemeentei\'aad, betreffende:
a.     de plaats, waar een sclioollokaal zal zijn gevestigd;
b.     de vermindering van het getal scholen of van den om-
vang van het onderwijs;
c de vereeniging eener school met of hare vervanging
door andere;
d.     de sluiting eener school of de schorsing van het on-
derwijs aan eene school;
e.     den leeftijd welken de kinderen moeten bereikt hebben
vóór zij op de openbare school, worden toegelaten, en van
dien waarop zij die school moeten verlaten;
f. het verleenen van ontslag aan onderwijzers in de ge-
vallen bedoeld in art. 29 onder b en c;
worden aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten on-
derworpen.
De artikelen 196, 197, 198, 200, 201 en 202 der wet van
29 Juni 1851 (Staatsblad no. 85) zijn ten deze toepasselijk.
1.    Ged. Staten moeten omtrent de raadsbesluiten, in dit artikel be-
doeld, volgens art. 20 der wet vooraf den inspecteur van het 1. o.
hooren.
2.    Ten gebruike afstaan eener school voor bewaarschool is niet aan
de goedkeuring van Ged. Staten onderworpen. Dit is te beschouwen
als eene de gemeente tot niets bindende vergunning. M.v.B.Z. in 1886;
Wekker 38/1886; Gemst. 1806; W.B.A. 1925.
Deze beslissing is cf. K.B. 8 Sept. 1879; Gemst. 1462; W.B.A. 1583.
3.    Ged. Staten Drenthe hebben de gemeentebesturen uitgenoodigd,
het uittreksel uit de kadastrale kaart, bedoeld in art. 1, sub 1, van S.
167/1880, reeds bij het raadsbesluit tot bepaling der vestigingsplaats
over te leggen, opdat de D.s.o. beter kunne oordeelen. P.B. Drenthe
24/1882.
4.    Een verzoek (aan den Min.) om de plaats voor eene te stichten
school aan te wijzen, is niet voor inwilliging vatbaar. M.v.B.Z. 7 Juni
1882 no. 1982, afd. O.; Hubr. V 161.
-ocr page 112-
Art. 19.
90
5.    De bepaling van ai-t. 19a is niet in dien zin op te vatten, dat
Ged. Staten zouden hebben te beslissen over de geschiktheid van het
lokaal. Dit art. geldt ook niet voor een lokaal, waar gedurende den
verbouw eener school onderwijs zal worden gegeven. K.B. 20 Avg.
1884 no. 20; W.B.A. 1850; Schoohersl. 1884/5; Genist. 1721; v.E.
X  183; Ht. 147. Anders Gemst. 1704.
6.    Litt. a van dit art. is niet toepasselijk bij verplaatsing of over-
brenging van eene inrichting van onderwijs naar een ander reeds be-
staand schoollokaal. 0.8. Gron. 1883; W.B.A. 1890; v.E. X 185.
7.    Art. 19a betreft uitsluitend het vestigen van nieuwe scholen en
niet het behouden, onderhouden en verbeteren van bestaande.
Goedkeuring, door Ged. Staten volgens de wet verleend, sluit niet in
zich de verplichting van den gemeenteraad om de maatregelen, waarop
goedkeuring is verleend (aankoop, geldleening), inderdaad te nemen,
immers voor zoover de gemeente daartoe niet uit anderen hoofde ver-
plicht is. K.B. 6 Nov. 1882 no. 17; Hitbr. V 112; W.B.A. 1758;
Gemst. 1668; Schoohersl. 1882/3; v.E. IX 182; Ht. 145.
8.    De besluiten, sub b en c genoemd, worden niet alleen volgens
art. 18 aan Ged. Staten medegedeeld, maar bovendien hier onderwor-
pen aan hunne goedkeuring. Daarin ligt geene tegenstrijdigheid, veel-
eer het omgekeerde. Immers, Ged. Staten, die vermeerdering kunnen
bevelen, behooren a fortiori bevoegd verklaard te worden, inkrim-
ping af te keuren. M.v.B. 1878, 25.
9.    Tijdelijke opheffing eener school staat gelijk met tijdelijke ver-
mindering van het getal scholen.
Ged. Staten kunnen de macht tot goed- of afkeuring, bedoeld in
art. 19 der wet, niet geldend maken op besluiten, genomen onder
de wet van 1857. K.B. 26 Juli 1881 no. 19; Hubr. V 101; Gemst.
1568; W.B.A. 1702; v.E. VIII163; Ht. 144. Zie aant. 1 op art. 18.
10.    Al moge van de opneming van een vak in het op eene school
te geven onderwijs volgens art. 18 geen mededeeling aan Ged. Sta-
ten zijn gedaan, toch moet, wanneer de raad besluit dat vak weer
te doen vervallen, de goedkeuring van dat college daarop gevraagd
worden. M.v.B.Z. 14 Mei 1888 no. 1451, afd. O; Gemst. 1914; v.E.
XI  205. Anders T.A.B. V 197.
11.    Wanneer een gemeenteraad besluit tot uitbreiding van het
lager onderwijs bij wijze van proef voor een bepaalden tijd en na het
verstrijken daarvan het uitgebreid onderwijs heeft doen voortduren,
heeft de uitbreiding haar beslag gekregen, en is het besluit om haar
te doen vervallen te beschouwen als strekkende tot vermindering
van het getal vakken, en is het onderworpen aan de goedkeuring
van Ged. Staten. K.B. 2 Juni 1888 no. 26; W.B.A. 2048; Wekker
80/1888; Schoohersl. 1887/8.
-ocr page 113-
97                              Art. 19.
12.    Bij opheffing eener school mogen geene motieven gelden, ont-
leend aan feiten, die waarschijnlijk in de toekomst zullen plaats heb-
ben. KB. 23 April 1881 no. 5; Hubr. V 98; Ht. 154.
13.    In de omstandigheid dat sedert het eervol ontslag, aan het
hoofd der school verleend — hetgeen ten gevolge gehad heeft dat de
leerlingen der openbare school van onderwijs verstoken waren — de
meeste der kinderen naar de christelijke school zijn overgegaan, ligt
geen voldoende grond tot opheffing der openbare school, daar geens-
zins vaststaat, dat na de benoeming van een geschikt hoofd de open-
bare school niet weder een aanzienlijk getal leerlingen tot zich zou
trekken, zooals vroeger in de betrokken gemeente geschied was. K.B.
14 Mei 1887 no. 22; Ht. 148.
14.    De kosten, die het volledig herstel eener school zal vorderen,
mogen geen grond opleveren om te besluiten tot opheffing van eene
lang bestaan hebbende school, die in eene bepaalde behoefte voorziet.
K.B. 30 Aug. 1882 no. 13; Hubr. V 110; Ht. 150.
In gelijken zin K.B. 14 Jan. 1887 no. 4 (Schoohersl. 1886/7; R.v.S.
1887, 55; v.E. XI 204; Ht. 149), waarbij tevens overwogen werd:
Het maakt verschil of het geldt het al of niet behouden, niet van
eene school op een afgelegen punt, die door de schaarschte der om-
ringende bevolking steeds van weinig beteekenis zou zijn, maar van
de van ouds bestaan hebbende, vroeger zeer bezochte, school in de
kom der gemeente.
15.    In het algemeen kan er, naar de bedoeling des wetgevers,
niet aan gedacht worden om eene streek, waar steeds eene openbare
school bestond en waar 74 kinderen van 5 —12 jaar zijn, geheel van
openbaar onderwijs verstoken te laten.
Eene verklaring van ouders, dat zij hunne kinderen naar eene bij-
zondere school zullen zenden, levert geen voldoenden grond op voor
opheffing der openbare.
Toestand van een voetpad element der beoordeeling van de nood-
zakelijkheid om eene openbare school te behouden. KB. 7 Juli 1882
mo. 4; Hubr. V 83; Ht. 153.
16.    Een afstand van een uur gaans gaat niet te boven dien, welke
in zeer vele plattelandsgemeenten de over de uitgestrektheid daarvan
verspreid liggende huizen van het schoollokaal scheidt. K.B. 16 Juni
1881 no. 30; Hubr. V 78; Ht. 140; — K.B. 1 Mei 1882 no. 18; Hubr.
V 80. Zie echter aant. 16 ad art. 18.
Een verschil van tien minuten, langs kunstwegen, levert geen vol-
doenden grond tot behoud eener school. KB. 21 Nov. 1882 no. 14;
Hubr. V 87. Wel afstanden van 30 tot 60 minuten gaans van der
leerlingen woning tot de school, die gemiddeld door 50 leerlingen be-
zocht wordt. KB. 21 Dec. 1882 no. 12; Hubr. V 104; Ht. 152.
WET L. 0.                                                                                           7
-ocr page 114-
Art. 19.                                    98
17.    In het belang van het onderwijs is het verkieslijk, dat de kin-
deren zich eenige meerdere inspanning getroosten om eene op ruimer
voet ingerichte school te bezoeken, dan dat zij in hunne nabijheid
eene kleine school hebben, waar het onderwijs niet op even onbe-
krompen en doelmatige wijze kan worden ingericht. K.B. 27 Dec.
1869 no. 11 en 15 Mei 1871 no. 22, bij T.C. en M. 156; — K.B. 16 Juni
1881 no. 30, 21 Nov. 1882 no. 14 en 23 April 1883 no. 4 bij Hubr. V
78, 87 en 90; — K.B. 31 Aug. 1884 no. 19; Ht. 157.
18.    Waar het betreft drie kleine en niet vooruitgaande scholen,
welker bevolking zeer wel, en zelfs met voordeel voor den goeden
gang van het onderwijs, in ééne school kan vereenigd worden, be-
hoort dit te worden toegestaan, wanneer die ééne school zoo wordt ge-
plaatst, dat er geen te groot ongerief ontstaat, wat de afstanden betreft;
het afleggen van een afstand van drie kwartier is niet ondoenlijk. KB.
15 April 1887 no. 1; Schoolversl. 1886/7. Cf. het laatste ook K.B.
18 Dec. 1870 no. 5; T.C. en M. 156.
19.    Wanneer twee jaren verloopen zijn sedert in hooger beroep een
besluit tot opheffing eener school niet werd goedgekeurd, kan die goed-
keuring aan een nieuw besluit tot opheffing worden verleend, indien
blijkt dat de verwachting dat het schoolbezoek weder zou toenemen,
waarop het eerste besluit steunde, niet is verwezenlijkt. K.B. 5 Ang.
1884 «o. 17; Ht. 158.
20.    Er bestaat geen reden tot bestendiging van het onderwijs in de
vakken, genoemd onder de letters l—p van art. 2 der schoolwet, wan-
neer van dat onderwijs slechts door vier kinderen in de gemeente wordt
gebruik gemaakt, en voor hen de gelegenheid bestaat om het in eene
naburige gemeente te genieten. K.B. 28 April 1888 no. 7; W.B.A.
2046; Schoolversl. 1887/8.
21.    Het vervangen van een onderwijzer, die bevoegd was onderwijs
in de gymnastiek te geven, door een ander onderwijzer, daartoe niet
bevoegd, levert geen grond op tot vermindering van den omvang van
het onderwijs met dit vak. K.B. 19 Aug. 1883 no. 27; Ht. 155.
22.    De wet op het 1. o. bepaalt niets omtrent den leeftijd, waarop
kinderen de lagere scholen mogen bezoeken en die moeten verlaten.
Men beschouwde deze regeling als eene zaak van plaatselijken en huis-
houdelijken aard, die in overeenstemming met locale omstandigheden
en met de zeden des volks behoort te worden geregeld. Het kan even-
wel niet worden ontkend, dat de wijze, waarop sommige gemeentebe-
sturen in den jongsten tijd van deze hun geschonken bevoegdheid heb-
ben gebruik gemaakt, zooal niet strijdig met de wet 1), toch gegronde
1) De Regeering had o. a. verklaard, geone termen te vinden tot vernietiging
der volgende bepalingen in gemeentelijke verordeningen:
„dat de kinderen op den leeftijd van 5—12 jaren worden toegelaten." M.v.B.Z.
-ocr page 115-
99                                Art. 19.
reden oplevert tot ernstig bezwaar en ongetwijfeld niet overeenstemt
met de bedoeling, die aan de achtereenvolgende wettelijke regelingen
van het lager onderwijs ten grondslag ligt. M.v.T. 1889, 8.
Waar, zooals op het platteland, veelal geenerlei inrichting bestaat
voor het genieten van voorbereidend lager onderwijs, dikwerf evenmin
gelegenheid bestaat voor het genieten van herhalingsonderwijs en uit
den aard der zaak, vooral des winters, het geregeld schoolbezoek door
verschillende omstandigheden belemmering ondervindt, kan het onder-
wijs geen voldoende resultaten geven, indien de kinderen slechts tot hun
12de jaar de school mogen bezoeken. M.v.T. 1889, 8.
De Regeering acht eenige voorziening in dit opzicht noodig. Hier en
daar tracht men de school kunstmatig te ontvolken, door de kinderen
beneden zes en boven twaalf jaar oud niet tot de school toe te laten of
daaruit te verwijderen. Veelal zijn dergelijke besluiten uitvloeisels van
de zucht om het wettelijk voorschrift nopens het vereischte hulpper-
soneel te ontgaan, en er bestaat grond te verwachten dat wijziging
der wet op dit punt in het vervolg gunstig werken zal. M.v.B.
1889, 44.
De verlangde voorziening te zoeken in de vaststelling bij de wet van
den leeftijd die voor het genieten van lager onderwijs bestemd is, ver-
dient geen aanbeveling. Bij de regeling van dit onderwerp zal altijd
rekening zijn te houden met de plaatselijke omstandigheden in de
verschillende gedeelten des lands, en het schijnt derhalve verkieslijk
ook thans niets omtrent den ouderdom der leerlingen in de wet te be-
palen. M.v.T. 1889, 9.
In de goedkeuring van Ged. Staten is voldoende waarborg aanwezig
dat dergelijke praktijken zullen worden gekeerd, maar overigens be-
hoort de regeling aan de gemeentebesturen te verblijven. M.v.B.
1889, 44.
23.    Eene verplichting tot vaststelling van den leeftijd wordt den
gemeentebesturen niet opgelegd. M.v.B. 1889, 44.
24.    De Inspecteurs van het 1. o. achtten het hoogst wenschelijk, dat
21 Juni 1883 no. 1243, afd. O. (Hubr. V 226—228; W.B.A. 1778; Gemst. 1659;
Wekker 57/1883; v.E. IX 177), waarbij werd opgemerkt: „De wqorden alle hinde-
ren
in art. 16, al. 1, kunnen redelijkerwijze niet anders worden begrepen, dan
dat zij aanduiden alle kinderen van den leeftijd, die voor het ontvangen van la-
ger onderwijs geschikt is." Anders W.B.A. 1790; Gemst. 1642;
„dat kinderen boven 12 jaren van de openbare school zullen verwijderd wor-
den." M.v.B.Z. in 1887 (Wekker 14/1887; Gemst. 1856; v.E. XI 203);
„dat de school toegankelijk is voor kinderen van 6—12 jaren, en voor kinde-
rcn boven 12 jaar alleen op vertoon van een toegangsbewijs van B. en W."
M.V.B.Z. 23 Juli 1887 no. 2042, afd. O. (Gemst. 1871, 1874; Wekker 63 en 69 van
1887; W.B.A. 1991; v.E XI 203) en M.v.B.Z. 23 Maart 1888, no. 654, afd. O.
(Versl. Zeeland
1887).
7*
-ocr page 116-
Art. 19.                             100
allerwege zooveel mogelijk tot beginsel wierd aangenomen om geen kin-
deren beneden de zes, of althans zeker niet beneden de vijfjaren, in de
lagere school op te nemen. M.v.B.Z. 18 Aag. 1862 no. 242, 5e afd.;
P.B. Zeeland
97/1862.
25.    Indien een gemeenteraad zoover ging om te bepalen, dat kin-
deren van 9, 10 of 11 jaren niet meer op de school zouden worden toe-
gelaten, zou ik mij gerechtigd achten, omdat dit blijkbaar zou strijden
met den geest en de bedoeling der wet, zoodanig besluit ter vernieti-
ging aan den Koning voor te dragen. M.v.B.Z. 2e K. 13 Dec. 1887;
Hand. 1887,8, 480.
26.    Onvermogenden mogen niet worden achtergesteld bij betalen-
den. Daarom mag niet worden bepaald, dat de kinderen van èerstbe-
doelden niet langer dan tot zekeren leeftijd de school mogen bezoeken.
Genist. 1662; v.E. IX 197.
27.    Bij K.B. 26 Dec. 1885 (S. no. 259) werd een raadsbesl., waarbij
aan een onderwijzer ongevraagd eervol ontslag was verleend, ge-
schorst; vernietiging volgde echter niet. Zie Gemst. 1794; v.E. X 188.
In 1888 verleenden o. a. de raden van Montfoort en Smilde onge-
vraagd ontslag aan onderwijzers. Het besluit van Montfoort achtte de
M.v.B.Z. niet in strijd met de wet, omdat het daar gold eene reorgani-
satie van het onderwijs, tengevolge waarvan aan alle onderwijzers ont-
slag werd verleend. Te Smilde echter werd het ontslag alleen gegeven
om tot verlaging der traktementen te komen. Dit achtte de Min. in strijd
met het algemeen belang. M.v.B.Z. 2e K. 13 Dec. 1888. Dat algemeen
belang toch vordert, dat aan ambtenaren, die naar behooren hun plicht
vervullen, niet willekeurig ontslag worde verleend bij het voortduren
der betrekking waarin zij werkzaam waren. M.v.B.Z. 12 Jan. 1889 no.
72, afd. O, cf. G.S. Z.-Holl. {Zie Wekker 4/1889; Gemst. 1948 en
1950).
De reden echter, welke de raden der beide bovenbedoelde gemeenten
heeft geleid tot het ontslag der (hulp)onderwijzers, namelijk om daar-
door tot vermindering der traktementen te geraken, heeft aanleiding
gegeven om de raadsbesluiten tot het verleenen van ontslag in de geval-
len, bedoeld onder b en c van art. 29, optenemen onder die welke aan
de goedkeurirtg van Ged. Staten zijn onderworpen. Zie M.v.T. 1889, 9.
28.    De raad van Didam werd wegens het niet-inachtnemen van den
termijn niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen een besluit van
Ged. Staten van Gelderland, waarbij goedkeuring werd onthouden aan
een raadsbesluit tot het verleenen van subsidie aan eene bewaarschool
der geestelijke zusters. K.B. 29 Mei 1885 (S. no. 123).
De R.v.S. had geadviseerd, te verklaren, dat het adres van den raad
niet kon worden aangemerkt als een bij den Koning ingesteld hooger
beroep en mitsdien daaromtrent ook niet overeenkomstig de voor zoo-
-ocr page 117-
101                         Artt. 19-21.
danig beroep bestaande bepalingen kon worden beslist. St.-Ct. 9 Juni 1885
no. 133; Gemst.1760; W.B.A. 1879; v.E. X 184; Schoolversl. 1885/6.
29.    Alleen aan de gemeentebesturen en niet aan de ingezetenen is
het recht van beroep toegekend van besluiten, door Ged. Staten krach-
tens art. 19 genomen. Zij kunnen dit noch aan art. 14, noch aan art.
19ontleenen. KB. 2 Jan. 1885 no. 1; Gemst. 1753; Wekker 36/1885;
W.B.A. 1872; Schoolversl. 1884/5; v.E. X 184; Ht. 159.
30.    Van een raadsbesluit tot opheffing eener school en van het goed-
keurend besluit van Ged. Staten is geen hooger beroep op den Koning.
Zoodanig besluit kan echter wel wegens strijd met de wet of het alge-
meen belang, als die aanwezig is, worden vernietigd. M.v.B.Z. in 1882;
Gemst. 1613; «.£.1X182.
31.    Op een raadsbesluit, krachtens art. 196 genomen, kan art. 70
al. 2 der gemeentewet niet worden toegepast, vermits dat besluit niet
voor uitvoering vatbaar is zoolang de vereischte goedkeuring van Ged.
Staten niet is verkregen. M.v.B.Z. 4 Dec. 1886 no. 3637, afd. O;
Ht.
156.
Artikel 20.
Sluiting eener school voor bepaalden tijd kan door Gede-
puteerde Staten bij een met redenen omkleed besluit worden
bevolen.
Zij hooren in het geval van dit en het voorgaande artikel
vooraf den inspecteur van het lager onderwijs.
Gelijke sluiting kan door Ons, Gedeputeerde Staten ge-
hoord, worden bevolen.
Artikel 21.
De regeling van de schooltijden en van de vacantien, de
vaststelling van het leerplan en van de bij het onderwijs te
gebruiken boeken en de verdeeling der school in klassen ge-
schieden door het hoofd der school en, zoo de regeling voor
meerdere scholen gelijkelijk werkt, door de hoofden dier scho-
len gezamenlijk, onder goedkeuring van burgemeester en wet-
houders en van den districts-schoolopziener.
Bij verschil tusschen burgemeester en wethouders en den
districts-schoolopziener beslist Onze Minister, die met de uit-
voering dezer wet belast is.
1.    Vernietiging raadsbesluit Alblasserdam tot regeling der school -
tijden en vacantien. K.B. 22 Oct. 1886 (S. no. 177).
2.    Wanneer het hoofd der school weigert, het initiatief tot wijzi-
-ocr page 118-
Art. 21.
102
ging der regeling te nemen, kunnen B. en W. er niets tegen doen en
kan de door hen verlangde wijziging niet tot stand komen. Gemst.
1877 en 1947.
3.    Ik versta onder goedkeuring van B. en W. en van den D.s.o.,
dat zij niet alleen het recht hebben van afkeuring, maar dat zij vast-
stellen en dus het recht hebben om, wanneer het hoofd der school eene
regeling vaststelt, die zoodanig te wijzigen, dat zij die kunnen goed-
keuren. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1183.
Ik meen dat ik duidelijk genoeg heb uitgelegd wat ik onder „goed-
keuring" versta. De regeling geschiedt door het hoofd der school, maar
B. en W. en de D.s.o. treden als autoriteiten op en beslissen na ge-
meen overleg. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1186.
4.    De regeling van schooltijden en vacantiën is niet onderworpen
aan de bij art. 21 bedoelde goedkeuring, wanneer de school eene leer-
school is, verbonden aan eene Eijkskweekschool. M.v.B.Z. 17 Sept.
1881 no. 3326, afd. O; Huh: V 115; v.E. IX 183; Ht. 162.
5.    Eene derde les moet neerkomen op een avondschool, die, terwijl
zij het verzuimen der andere scholen in de hand werkt en daardoor eene
goede inrichting van het klassikaal onderwijs tegengaat, de door de
wet voor zooveel doenlijk voorgeschreven herhalingsschool onmoge-
gelijk maakt. M.v.B.Z. 19 Dec. 1883 no. 4421, afd. 0; Gemst. 1686;
v.E. IX 183; Ht. 164.
6.    Het onzijdig karakter, door den wetgever aan de openbare school
toegekend, verbiedt die school op feestdagen van eene der kerkelijke
gezindten te doen sluiten. K.B. 22 Febi: 1865 (8. no. 22). Zie ook v.E.
II 189; T.C. en M. 214; Gemst. 569 en 1232.
7.    Geen termen tot vernietiging eener bepaling in een leerplan om
vacantie te geven op eenige R.K. kerkelijke feestdagen. M.v.B.Z. 11
Sept. 1882 no. 3304, afd. O; Hubr. V 173; Ht. 166.
8.    Het is wenschelijk en doelmatig de school te sluiten op die da-
gen, waarop 2J3 der leerlingen en het onderwijzend personeel, zoo niet
geheel, dan toch voor het grootste gedeelte, afwezig zijn. M.v.B.Z. 14
Juli 1884 no. 2261, afd. O; Ht. 166.
9.    Eene zomervacantie van vier weken is voldoende. M.v.B.Z. 8
April 1884 no. 941, afd. O; Ht. 167.
10.    De Zaterdag-voormiddag behoort niet van de schooltijden te
worden uitgesloten. M.v.B.Z. 24 Oct. 1884 no. 3439, afd. O; Ht. 165.
11.    In eene schoolverordening mag niet worden bepaald, dat bij
den aanvang en de sluiting der klasse zal worden gezongen, omdat het
zingen behoort tot de verplichte vakken van onderwijs, en de bepaling
wanneer zal worden gezongen, een onderwerp is, dat in het bij dit art.
bedoelde leerplan behoort. M.v.B.Z. cf. G.S. Z.Holl. 1881; W.B.A.
1730; v.E. VIII 242.
-ocr page 119-
103                          Artt. 2J, 22.
12.    Wanneer het leerplan met inachtneming van dit art. gewijzigd
is in dien zin, dat in één vak buiten de tot dusver bepaalde schooltij-
den onderwijs zal worden gegeven, dan is dit „regeling van schooltij-
den", in het art. bedoeld, waarnaar de onderwijzers zich moeten schik-
ken. Genist. 1704; v.E. IX 184.
13.    Het woord „regeling" in dit art. beteekent bepaling van het
aantal en den duur van de schooltijden (en de vacantiën) en niet enkel
verdeeling van de uren, waarvan het maximum door den raad zou zijn
vast te stellen. Gemst. 1914; v.E. XI 205.
14.    In de regeling van art. 21 behoort geen bepaling omtrent den
overgang der leerlingen van de eene klasse naar de andere. Daarom-
trent beslist de plaatselijke verordening, en zoolang deze ter zake eene
bepaling bevat, mag de regeling geene afwijkende en behoeft zij geene
gelijkluidende bepaling te bevatten. M.v.B.Z. 26 Aug. 1887 no. 2605,
afd. O, cf. G.S. Zeeland; Gemst. 1956; W.B.A. 2089.
15.    Bepaling der tijdstippen van toelating van leerlingen is niet te
brengen onder een der punten, in dit art. genoemd. Vermits dit
eene uitzondering maakt op \'s raads bevoegdheid oin het openbaar
l.o. in zijn geheel te regelen, zoo moet het art. als exceptieve bepaling
in strikten zin worden opgevat en mag het dus niet worden uitge-
strekt tot andere punten dan daarin uitdrukkelijk worden genoemd.
Gemst. 1696; v.E. IX 184.
16.    Toelating van nieuwe leerlingen éénmaal \'s jaars verdient uit
een psedagogisch oogpunt de voorkeur. M.v.B.Z. 2 Jan. 1885 no. 4086,
afd. O; Ht. 173.
17.    Reglementen voor de Rijks lagere scholen in de koloniën der
Maatschappij van weldadigheid zijn te vinden: Wekker 18/1883; Ht.
688.
Artikel 22.
Bij de regeling der schooltijden wordt door het vrijgeven
van uitdrukkelijk in de regeling genoemde uren gezorgd, dat
de schoolgaande kinderen van de godsdienstleeraren gods-
dienstonderwijs kunnen genieten.
Onder voorwaarden door burgemeester en wethouders in
overleg met den districts-schoolopziener te bepalen, worden
de schoollokalen, des noodig verwarmd en verlicht, voor dit
godsdienstonderwijs beschikbaar gesteld.
Bij verschil is het laatste lid van het voorgaande artikel
toepasselijk.
1. Er kan op meer dan ééne wijze aan dit voorschrift worden vol-
daan. Bijv. door het vrijgeven van een geheelen schooldag of door het
-ocr page 120-
Art. 22.                             104
aanwijzen van bepaalde uren, die tusschen de gewone schooluren in-
vallen......De ouders moeten de godsdienstleeraren, van wie zij ver-
langen dat hunne kinderen onderricht in den godsdienst zullen krijgen,
aanwijzen......Het is wenschelijk, dat dit onderwijs gegeven worde
in de schoollokalen, als het tusschen de gewone schooluren valt, en
door B. en W. in overleg met den schoolopziener, of anders bij verschil
door den Min., zijn de voorwaarden wel zoo te stellen, dat bij goeden
wil aan beide zijden het loffelijk denkbeeld van den wetgever van 1857
verwezenlijkt kan worden. M.v.T. 1878, 18.
2.    Het gemeentebestuur wijst de uren aan. Verplicht overleg met
kerkbesturen wordt niet voorgeschreven. De vraag, wie door g o d s-
dienstleeraren worden bedoeld, geeft de reden van twijfel niet
aan. Bedoeld worden de geestelijken, bedienaars van den godsdienst of
godsdienstonderwijzers, welke door dé kerkelijke gemeente of gods-
dienstige vereeniging, waartoe de ouders behooren, met het geven van
godsdienstonderwijs zijn belast en mitsdien eene aanstelling hebben.
Op de vraag of het in de bedoeling lag voor alle godsdienstleeraren
van eene en dezelfde kerkelijke gemeente de schoollokalen te moeten
afstaan, moet bevestigend geantwoord worden. Het vrijgeven der
uren is de hoofdzaak. Een afstaan der schoollokalen op eene wijze,
terecht ondoenlijk geacht, gebiedt het ontwerp niet. M.v.B. 1878,
12.
3.    Wat, indien die regeling, door de autoriteiten gemaakt, aan de
overdreven eischen der godsdienstleeraren niet voldeed ? Ja, dat is on-
mogelijk te keeren. Het artikel wil alleen eene regeling, die in redelij-
ken zin voldoende is. Maar, willen de predikanten hunne cateehisatiën
zoo inrichten, dat zij geen gebruik van de aangeboden gelegenheid
kunnen maken, men zal hen er niet toe dwingen; dat is hunne zaak;
met die casuistiek heeft de Regeering zich niet in te laten. M.v.B.Z.
2e K. 1878, 1195.
4.    Het hoofd der school is niet verplicht, zooveel uren vrij te ge-
ven als de geestelijke verlangt. Ht. 178.
5.    Maar zal daarom het schoollokaal niet beschikbaar gesteld kun-
nen worden voor het godsdienstonderwijs buiten de schooluren? Dat
is eene interpretatie van het artikel, die geheel buiten de bedoeling ligt.
M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1192.
Voor zoover ze gemeente-eigendommen zijn, vallen de schoollokalen
onder de bepaling der gemeentewet. Deze wet regelt alleen het ver-
plicht gebruik van die lokalen voor het onderwijs, ook voor zoo-
veel betreft het godsdienstonderwijs. Overigens laat deze wet, wat
die lokalen betreft, de regelen der gemeentewet ongeschonden. Ibid.
1195.
6.    Volgens art. 134 gem.-wet behoort aan den raad alle bevoegd-
-ocr page 121-
Art. 22.
105
heid, die niet bij deze of eenige andere wet aan den Burg. of aan B. en
W. is opgedragen; de bevoegdheid om buiten de schooluren over het
schoollokaal te beschikken is bij geene wet aan B. en W. opgedragen
en behoort derhalve uitsluitend aan den raad. K.B. 11 Juli 1882
(S. no. 110).
7.    Een raadsbesluit tot het in gebruik geven van schoollokalen
voor godsdienstonderwijs buiten de schooluren vordert geen goedkeu-
ring van Ged. Staten. KB. 8 Sept. 1879; Gemst. 1462; W.B.A.
1583; v.E. VII 82 en 139. In gelijken zin Gemst. 1615; v.E. IX
184. Idem voor Zondagsschoolonderwijs, indien blijkt, dat men wer-
kelijk daarmede te doen heeft. G.S. Zeeland 19 Oct. 1883 no. 26.
Ook volgens eene in het Verslag Friesland 1885 opgenomen mede-
deeling was de M.v.B.Z. van oordeel, dat de vergunning om school-
lokalen voor het onderwijs in godsdienst, voor zangvereenigingen enz.
buiten de schooluren, op door B. en W. in overleg met het hoofd te
bepalen tijd en voorwaarden beschikbaar te stellen, niet behoort tot de
in art. 138 gem.-wet bedoelde zaken, waarvoor een raadsbesluit, inge-
volge art. 194e dier wet onder goedkeuring van Ged. Staten te ne-
men, wordt vereischt. Zie W.B.A. 1981; v.E. XI 198.
8.    Terwijl de gemeenteraad verplicht is, voor het in art. 22 om-
schreven doel de schoollokalen beschikbaar te stellen, is het houden
eener zondagsschool eene particuliere zaak, waarvoor de raad, inge-
volge artt. 138 en 194e gem.-wet, onder goedkeuring van Ged. Staten,
de openbare school, indien zij gemeente-eigendom is, in huur of ge-
bruik kan afstaan, onder zoodanige voorwaarden als hem geraden
voorkomen. Werden echter op zulk eene zondagsschool vakken van l.o.
onderwezen, dan zou de afstand van het lokaal het karakter van een
subsidie aan eene bijz. school van gewoon 1. o. aannemen. Of de leer-
lingen der openbare school al dan niet aan de zondagsschool deelne-
nien, doet daarbij niets af. M.v.B.Z. 26 Noo. 1884 no. 3830, afd. O;
Ht.
175.
9.    De woorden „des noodig verwarmd en verlicht\'\' werden in 1878
bij amendement ingevoegd. Ter verdediging daarvan werd aangevoerd
(2e K. 1878, 1189):
„Ten einde nu eenerzijds eventueele moeilijkheden ten deze te voor-
komen, en anderzijds onwettige regelingen te doen ophouden, wenschen
wij eens voor goed te zien vastgesteld, dat voor de verwarming en ver-
lichting door en voor "rekening der gemeente zal worden gezorgd, en
dat zij dus kosteloos geschiede, zooals uit het woord: „beschikbaar-
stellen" voldoende volgt.
„Het behoeft overigens geen betoog, dat wij door de bijvoeging van
de woorden „verwarmd en verlicht" niet hebben willen aanraden om
juist de avonduren beschikbaar te stellen voor het godsdienstonder-
-ocr page 122-
Artt. 22, 23.                           106
wjjs; integendeel, veelal zullen die uren daarvoor minder geschikt
zijn, doch dit behoort geregeld te worden overeenkomstig de plaatse-
lijke omstandigheden."
10.    Onder de voorwaarden, die ingevolge dit artikel mogen wor-
den gesteld, kan het vragen eener geldelijke vergoeding, hoe gering
ook, voor de verwarming en verlichting niet begrepen worden. M.v.B.Z.
26 Nov. 1884 no. 3830, afd. O; Ht. 175.
11.    De bedoeling van het artikel is beschikbaarstelling van de lo-
kalen voor de kerkgenootschappen (lees nu: godsdienstleeraren), niet
voor de kinderen der school, zoodat ook kinderen, die er niet school-
gaan, tot het godsdienst-onderwijs mogen worden toegelaten. Gem.-raad
Zwolle
4 Dec. 1876; Gemst. 1320; v.E. VI 134.
Volgens Ht. 179 kan het hoofd die andere kinderen niet uit de
school weren, maar moet hij van het feit kennis geven aan B. en W.
12.    De tusschenkomst des Ministers kan alleen worden ingeroepen,
indien zich verschil voordoet „bij de regeling der schooltijden"; zoolang
die regeling zich wachten laat, kan dus die tusschenkomst niet wor-
den ingeroepen. M.v.B.Z. 23 Jan. 1882 no. 263, afd. O, Hubr. IV
109-113; v.E. IX 184 ; Ht. 176.
§ 2. Van de onderwijzers.
Artikel 23.
Aan het hoofd van elke school is een onderwijzer geplaatst,
die den leeftijd van drie en twintig jaren moet volbragt heb-
ben en den rang van hoofdonderwijzer bezit.
De waarneming van het bestuur eener school kan echter
tijdelijk worden toevertrouwd aan een onderwijzer, die den
gevorderden leeftijd of den rang van hoofdonderwijzer niet
bezit, mits aan de school geen onderwijzer in het bezit van
dien rang, ingevolge art. 24, verbonden zij. Zoodanige waar-
neming mag niet langer duren dan zes maanden.
1.    Voor elke school dus afzonderlijk een onderwijzer, die aan
\'t hoofd daarvan staat. M.v.B. 1878, 25.
2.    Wanneer de raad ééne klasse van eene school in een afzonderlijk
gebouw plaatst, dan wordt zij daardoor feitelijk eene tweede school, aan
wier hoofd geen onderwijzer zonder voorafgaand vergelijkend examen
mag worden gesteld. K.B. 28 Aug. 1878 (S. no. 133).
3.    Er kunnen gevallen zijn, dat eene inrichting van jongens en
meisjes, al worden deze in afzonderlijke vertrekken geplaatst, als ééne
inrichting onder do leiding van één hoofdonderwijzer moet worden be-
schouwd. M.V.B.Z. 6 Aug. 1860 no. 233, 5e afd.; T.C. en M. 120.
-ocr page 123-
107                      Artt. 23, 24.
4.    De wet verbiedt niet, twee scholen in één gebouw te vereenigen.
W.B.A. 1843.
5.    Geheel op zich zelve staande scholen, ofschoon in één gebouw,
behooren ieder een wettig hoofd te hebben. Indien echter de personen,
aan het hoofd der onderscheidene leerinrichtingen staande, elk in het
bezit der bij de wet gevorderde akten zijn, is de omstandigheid, dat
één onderwijzer de algemeene leiding dier scholen heeft, hierbij van
geen invloed; in dien toestand schijnt dan ook voor het schooltoezicht
geen aanleiding te bestaan om tusschenbeide te komen. Insp. I. o. in
1864; T.C. en M. 119.
6.    Het hoofd eener openbare school kan tegelijkertijd als hoofd eener
bijzondere school werkzaam zijn. M.v.B.Z. in 1886; Wekker 2/1887 en
18/1888; W.B.A. 1960; Genist. 1841; P.B. Limburg 1886.
Niet echter als de bijz. school subsidie geniet. Zie art. Sêbis.
7.    De wet laat de gemeentebesturen vrij, te bepalen, of aan het
hoofd eener openbare lagere school een onderwijzer dan wel eene on-
derwijzeres zal staan, zoodat do gemeenteraad bevoegd is te besluiten,
aan het hoofd eener openbare lagere school voor meisjes een onder-
wijzer te plaatsen. M.v.B.Z. 7 Jan. 1884 no. 9, afd. O.
8.    Een onderwijzer, alleen in het bezit eener hoofdakte, is bevoegd,
aan het hoofd eener school te staan, waar ook een of meer der vakken
l—t worden onderwezen, wanneer aan de school onderwijzers verbon-
den zijn, bevoegd tot het geven van onderwijs in die vakken, welke
buiten de gewone op het leerplan voorkomen. HL 265.
9.    De raad is bevoegd, aan B. en W. op te dragen bij instructie de
wijze vast te stellen, waarop zekere dienstplichten, voortvloeiende uit
de uitvoering eener gemeenteverordening, moeten worden vervuld.
M.v.B.Z. 23 Juli 1884; Gemat. 1717.
10.    De raad is bevoegd, den onderwijzer bij zijne instructie de ver-
plichting op te leggen om toezicht te houden op de leerlingen gedu-
rende den tijd, dien zij op de speelplaats der school mogen doorbren-
gen. v.E. in Wekker 7/1889.
Artikel 24.
Het hoofd der school wordt bijgestaan door ten minste
één onderwijzer, zoodra het aantal schoolgaande kinderen
meer dan veertig, door ten minste twee onderwijzers, zoodra
het een en negentig bedraagt.
Voor elk vijf-en-vijftigtal schoolgaande kinderen boven de
negentig wordt een onderwijzer meer vereischt.
Wanneer met inbegrip van het hoofd der school het aan-
-ocr page 124-
108
Art. 24.
tal onderwijzers ingevolge de voorafgaande bepalingen van
dit artikel aan de school verbonden meer dan vier bedraagt,
moeten ten minste twee, wanneer het meer dan acht be-
draagt, ten minste drie hunner den leeftijd van drie en twin-
tig jaren volbracht hebben en den rang van hoofdonderwijzer
bezitten.
Onder de onderwijzers, in dit artikel bedoeld, worden zij,
die uitsluitend in een of meer der vakken, genoemd in art.
2, onder /*—(, onderwijs geven, niet medegerekend.
Op geene school mogen meer dan zeshonderd kinderen ge-
lijktijdig worden toegelaten, tenzij hiertoe, door Ons om bij-
zondere redenen vergunning wordt verleend.
Bij de toepassing van dit artikel wordt tot grondslag ge-
nomen het getal kinderen, die op den vijftienden dag der
maand Januari van het loopende schooljaar als werkelijk
schoolgaande bekend staan.
Waar die grondslag ten gevolge van het tijdstip van op-
richting der school niet kan worden vastgesteld, geldt het
aantal kinderen dat op den laatsten dag der maand volgende
op die waarin de school geopend is, als werkelijk school-
gaande bekend staat.
1. Toen de Eegeering in 1889 de herziening der wet 1. o. ter hand
nam, vroeg zij zich af, of het, niettegenstaande in 1884 art. 24 was ge-
wijzigd, wenschelijk was andermaal eene wijziging voor te stellen, en zij
meende, dit te moeten doen (M.v.B.Z. 2e K. 1889,1474). Zij oordeelde,
dat art. 24 der wet op den daarvoor gestelden termijn — 1 Jan. 1890 —
niet zou kunnen worden uitgevoerd. Volgens den maatstaf, bij dat art.
bepaald, „zou op 1 Januari 1890 het aantal onderwijzers met ongeveer
2000 moeten vermeerderen. Vermits het aantal bij de openbare scholen
benoemde (hulp)onderwijzers in de laatste drie jaren achtereenvolgens
met 355, 294 en 387 personen vermeerderde en die vermeerdering dus
gemiddeld 345 per jaar bedraagt, zullen vermoedelijk vóór 1890 2
maal 345 gelijk 690 onderwijzers meer aangesteld zijn. Er blijft dus op
dat tijdstip een tekort van 1310 (hulp)onderwijzers bestaan. Op grond
van deze uitkomsten acht de Regeering tempering der eischen ten aan-
zien van het getal onderwijzers plichtmatig en wijziging van den invoe-
ringstermijn wenschelijk." M.v.T. 1889, 7.
De Regeering stelde toen voor om, met inachtneming van den be-
kenden paedagogischen eisch, dat voor één onderwijzer. in de school
het maximum leerlingen niet meer dan 40 bedragen zal, aanstelling
van één onderwijzer te bevelen, zoodra het aantal leerlingen meer dan
veertig, van ten minste twee onderwijzers zoodra het een en negentig
-ocr page 125-
109                             Art. 24.
bedraagt. Het aantal onderwijzers zal daarna telkens met één voor elke
55 leerlingen boven de negentig klimmen. Ibid.
De Kegeering oordeelde, dat deze regeling aan alle psedagogisehe
eischen zon voldoen, doch meende geen ingrijpender wijziging in de
verhouding van het aantal onderwijzers tot dat der leerlingen te mogen
voorstellen, dewijl zij verwachtte, dat de tevens door haar voorgestelde
aanneming van het middelcijfer der vier kwartalen van het afgeloopen
jaar tot maatstaf van beoordeeling der behoefte aan personeel eenige
daling van het getal onderwijzers tengevolge zou hebben. Met dit ge-
deelte van het regeeringsvoorstel had de Tweede Kamer geen vrede (zie
aant. 11 hieronder); overigens echter is het regeeringsvoorstel wet
geworden.
2.    Tegen den wensch van sommige leden, dat bij de bepaling van
het aantal onderwijzers onderscheid zou worden gemaakt tusschen
scholen te platten lande en in de grootere gemeenten, bestaan ernstige
bezwaren.
Voor alle gemeenten is bij art. 16 der wet voldoend l.o. gewaarborgd.
Er is van zelf krachtens de wet eenige ongelijkheid tusschen gemeen-
ten, waar alleen in de vakken a—k, en die waar ook in andere school-
onderwijs wordt gegeven. Ook kan de ondergeteekende niet toegeven,
dat de steden van zelf meer onderwijzers zouden aanstellen dan waar-
toe de wet verplichtte. M.v.B. 1884, 16.
3.    Twee denkbeelden werden nog in het V. V. 1889 geopperd.
Het eerste was, om maximum- of minimumcijfers in de wet op te
nemen, en daarnevens aan Ged. Staten, behoudens beroep op den Ko-
ning. de bevoegdheid te geven om van het wettelijk maximum of mini-
mum af te wijken, waar dit wegens den bijzonderen toestand eener ge-
meente wenschelijk bleek. Of men kon in de wet een maximum- en
een minimum-cijfer, beide, vermelden. Binnen deze grenzen konden
dan Ged. Staten, altijd behoudens beroep op den Koning, bepalen, hoe
groot het verplicht aantal onderwijzers in elke gemeente of in eiken
kring van gemeenten zou moeten zijn. De Reg. noemde dit denkbeeld
niet voor verwezenlijking vatbaar en geheel buiten het stelsel der wet
vallende.
Het tweede was, om naar analogie van art. 26, 2e lid, in art. 24 den
Koning de bevoegdheid toe te kennen, om, waar het noodig is, het
verplicht aantal onderwijzers van openbare scholen op een hooger cij-
fer te stellen dan in laatstgenoemd artikel bepaald wordt, over welk
hooger cijfer dan ook de rijksbijdrage zou worden berekend. Ook hier-
mede kon zich echter de M.v.B.Z. niet vereenigen, uit hoofde der groote
bezwaren, waarmede de toepassing van dergelijke bepaling zou gepaard
gaan. Zie Verslag 1889, 19.
4.    Volgens art. 24 wordt het hoofd der school bijgestaan door ten
-ocr page 126-
Art. 24.
110
minste twee onderwijzers, wanneer het aantal schoolgaande kinderen
91 bedraagt. Voor elk 55tal schoolgaande kinderen boven de 90 wordt
weder een onderwijzer vereischt. Voor 90 plus 55, gelijk 145 leerlingen,
worden dus 3, voor 145 plus 55, gelijk 200 leerlingen, worden 4, voor
200 plus 55 gelijk 255 leerlingen, worden 5 onderwijzers gevorderd enz.
M.v.B. 1889, 45.
5.    Dit artikel bepaalt slechts een minimum, dat dikwijls in het bo-
lang van het onderwijs overtreden zal moeten worden. M.v.B.Z. 16
Juni 1860; Gemat. 458; v.E. II 192.
6.    Blijft het gemeentebestuur nalatig in de aanstelling van onder-
wijzend personeel tot het gevorderd aantal te voorzien, dan kunnen
het hoofd der school of ingezetenen daarop de aandacht van Ged. Sta-
ten vestigen.
Deze kunnen dan hunne goedkeuring onthouden aan de gemeente-
begrooting ; een beroep van een gemeenteraad tegen een dergelijk be-
sluit werd niet-ontvankelijk verklaard bij K.B. 31 Mei 1887 no. 21;
Sclwolversl. 1887,8; W.B.A. 1990; Gemst. 1863; Wekker 47/1887;
v.E. XI 207 ; P.B. Geld. 73, Z.-Holl. 42, Friesl. 59, Limb. 99 van 1887;
Ht. 185.
Ged. Staten kunnen ook art. 212 gem.-wet toepassen. Dit is o. a.
geschied door 0.8. Drente: P.B. 19,1887; Gemst. 1851; — Over-
ijsel: P.B.
331887; — Limb.: Wekker 28,1887; — Utrecht: P.B.
1/1889.
Is door den raad geene jaarwedde bepaald, dan kunnen Ged. Sta-
ten daarvoor f 400 op de begrooting brengen. Wordt dan later de
jaarwedde op een hooger cijfer gesteld, dan moet de post worden ver-
hoogd. Gemst. 1853; v.E. XI 207.
Weigert dan nog de raad tot benoeming over te gaan, dan kun-
nen de artt. 126 en 127 gemeentewet worden toegepast. Zie ook Ht.
198, 200. — Benoeming van een onderwijzer door C.d.K. Zeeland:
Gemst.
1847; Wekker 17/1887 ; — Gron.: P.B. 40/1887; Gemst. 1871.
7.    Een amendement om in al. 4 achter de woorden „onderwijs ge-
ven" te laten volgen „en de kweekelingen, die de akte, bedoeld in
art. 56, onder a, bezitten," werd ingetrokken, nadat de M.v.B.Z. 2e
K. 1889, 1475, had geconstateerd, dat in art. 24 sprake is van on-
derwijzers, en dat daaronder de bedoelde personen niet te begrijpen
zijn, daar bij art. 8 is uitgemaakt, dat zij behooren tot de kweeke-
lingen, die niet onder de onderwijzers op de school medetellen.
8.    De in het 5e lid bedoelde bevoegdheid werd door den wetge-
ver vooral verleend, „om aan gemeenten, waar groote scholen wor-
den aangetroffen, desgevorderd, de gelegenheid te schenken, die scho-
len in stand te houden." Er moet dus gebleken zijn, dat bijzondere
omstandigheden de vrijstelling wettigen. M.v.B.Z. 20 Aug. en 30 Sept.
-ocr page 127-
111                             Art. 24.
1881 nis. 2834 en 3396, afd O; Hubr. IV 124, 125; Ht. 192. Het
kan echter in het belang van het onderwijs niet raadzaam worden
geacht, bij de oprichting van nieuwe of bij de vergrooting van be-
staande schoolgebouwen, van het in art. 24, 5e lid, gesteld verbod
vrijstelling te geven. M.v.B.Z. 5 Sept. 1882 no. 3383, afd. O; Hubr.
V 222; v.E. IX 184; Gemst. 1666.
9.    Die vergunning mag niet worden aangevraagd om daardoor
langs een omweg te verkrijgen dat met ééne school kan worden vol-
staan, als Ged. Staten aan een besluit om het getal scholen tot ééne
terug te brengen goedkeuring hebben onthouden. Ht. 191.
10.    Financieele bezwaren mogen niet in aanmerking komen bij de
beoordeeling der vraag, of het 5e lid zal worden toegepast. Ht. 190.
11.    In 1884 werd een voorstel der Regeering om bij de toepassing
van art. 24 tot grondslag te nemen het gemiddeld getal der in de
laatste vier kwartalen bij elke school ingeschreven kinderen verwor-
pen (2e K. 1884, 1455).
In 1889 stelde de Regeering voor, tot grondslag te nemen het ge-
middelde aantal kinderen, berekend naar het aantal, dat op 31 Maart,
30 Juni, 30 Sept. en 31 Dec. van het onmiddellijk voorafgaand kalen-
derjaar als werkelijk schoolgaande bekend stond.
Deze termijnen ontmoetten in de Tweede Kamer nog al beden-
king, in hoofdzaak omdat één daarvan, die van 30 Juni, valt in
den tijd, waarop het relatief schoolverzuim zeer groot is. De bereke-
ning zou dus een veel te laag gemiddeld cijfer opleveren, en het gevolg
zou zijn dat sommige onderwijzers des winters klassen van 80 kinde-
ren en meer voor zich zouden krijgen, cijfers, die bij ongelijkmatige
verdeeling der kindei-en over de verschillende klassen nog belangrijk
kunnen stijgen. Ten aanzien van scholen met één onderwijzer zal op
deze wijze ook niet zijn voldaan aan den door de Regeering zelve ge-
stelden eisch, dat voor zoodanige school het maximum leerlingen 40
zal bedragen. Ook zal de wijze van berekening het schoolverzuim in
de hand werken.
Met het oog daarop werd door den M.v.B.Z., na overleg met de
Comm. van Voorb., voorgesteld tot grondslag te nemen het aantal
kinderen, dat op 1 Oct., 1 Dec, 1 Febr. en 1 April, aan de opening
van het schooljaar onmiddellijk voorafgaande, als werkelijk school-
gaande bekend stond.
De Tweede Kamer heeft zich echter ook daarmede niet kunnen ver-
eenigen en den termijn van 15 Jan. in eere hersteld.
Ter verdediging van zijn gewijzigd voorstel had de M.v.B.Z. 2e K.
1889, 1478, o. a. aangevoerd:
„Ik meen dat, om zeker te zijn dat de onderwijzers met 1 Jan. van
het volgende jaar zullen aangesteld worden, men het gemiddelde van
-ocr page 128-
•
Art. 24.
112
de vier termijnen, zooals zij nu in het ontwerp staan, moet nemen, om-
dat de Reg. het niet in de hand heeft om de gemeentebesturen te dwin-
gen om de gelden op de begrooting te brengen in den loop van het
dienstjaar. Wanneer op 15 Jan. blijkt dat er een grooter getal onder-
wijzers noodig is, dan zal de Eeg. soms weerloos staan tegenover de
gemeentebesturen en kan er alleen voor gezorgd worden dat eerst on-
geveer één jaar later bij den aanvang van het nieuwe dienstjaar het
ontbrekende personeel wordt aangesteld. Intrekking van het subsidie
komt niet te pas; te dwingen tot het opmaken van eene suppletoire be-
grooting gaat ook niet. De gemeentebesturen vergeten dan allicht om
tot de benoeming over te gaan en brengen dan pas de gelden op de
begrooting in de maand Sept., die op 1 Jan. in werking treedt."
12.    Onder schooljaar verstaat men in onze schoolwereld het tijd-
vak, dat aanvangt bij het einde van de groote vacantie en eindigt bij
het begin daarvan. Een vaste datum daarvoor te geven is niet wel mo-
gelijk. Voor de Academiën is het begin van het schooljaar half Sep-
tember, voor de hoogere burgerscholen en gymnasia 1 September
en voor de lagere scholen in den loop van Augustus of het begin van
Sept. M.v.B.Z. 2e K 1889, 1475.
13.    Met de uitdrukking „leerlingen op eene school" (in de tegen-
woordige wet vervangen door „schoolgaande kinderen") kunnen niet
anders zijn bedoeld dan de leerlingen aan die school ingeschreven of
daartoe behoorende. KB. 5 Mei 1877 (S. no. 99).
14.    Wanneer op 15 Jan. volgens de schoollijsten 41 kinderen als
werkelijk schoolgaande bekend stonden, doet het niet ter zake af, dat
op een bepaalden dag, 14 Jan. (als op 15 Jan. geen school gehou-
den is), slechts 37 kinderen feitelijk in de school aanwezig zijn ge-
vreest. K.B.
3 Juli 1887 no. 33; Schoolversl. 1887/8; Hl. 199.
15.    Uit de omstandigheid, dat telken jare van November tot
Paschen een deel der R.K. schoolgaande kinderen in de gemeente
van schoolonderwijs geheel, of zoo goed als geheel, verstoken blijft,
omdat het in den daarvoor bestemden tijd elders godsdienstonderwijs
tot voorbereiding voor de eerste communie ontvangt, volgt geens-
zins, dat zij niet zouden behooren vermeld te worden op de lijsten,
bedoeld in art. 80 der wet, en niet zouden zijn mede te rekenen bij
het getal der op 15 Jan. van het loopende schooljaar als werkelijk
schoolgaande bekend staande kinderen. Immers aan de hier bedoelde
kinderen, al blijven zij feitelijk gedurende vijf of zes maanden om
eene als geldig beschouwde reden uit de school afwezig, wordt het
recht om haar te bezoeken niet ontzegd. KB. 15 Sept. 1887 no. 16;
Gemst. 1881; W.B.A. 2014; Wekker 10/1888; v.E. XI 216; SchooU
versl.
1887/8; HL 197.
16.    Zoo ook kinderen uit andere gemeenten van het onderwijs
-ocr page 129-
113                         Artt. 24—26.
gebruik maken, behooren ook deze tot de bepaling van het ge-
middeld getal in aanmerking te komen. M.v.B.Z. 16 Juni 1860 no.
174, 5e afd.; T.C. en M. 176.
Artikel 25.
Wanneer de school in verscheidene klassen verdeeld is,
wordt het onderwijs in de laagste klassen bij voorkeur aan
onderwijzeressen, dat in de hoogste klassen, behalve aan de
scholen uitsluitend voor meisjes bestemd, bij voorkeur aan
onderwijzers opgedragen.
Artikel 26.
Aan eiken onderwijzer wordt eene vaste jaarwedde toege-
legd. Die jaarwedde bedraagt in geen geval minder dan zeven
honderd gulden voor het hoofd der school, niet minder dan
zes honderd gulden voor de onderwijzers, met rang van hoofd-
onderwijzer, die, volgens art. 24, moeten aanwezig zijn in scho-
len met meer dan vier onderwijzers, en niet minder dan vier
honderd gulden voor eiken anderen onderwijzer.
Door Ons kan, Gedeputeerde Staten der provincie gehoord,
voor elke provincie bepaald worden, waar en tot welk be-
drag het minimum van jaarwedde voor de verschillende on-
derwijzers aan de onderscheidene klassen van scholen hoo-
ger zijn zal dan het bedrag in de voorgaande zinsnede bepaald.
De twee voorgaande zinsneden gelden niet voor" de onder-
wijzers, uitsluitend belast met het onderwijs in een of meer
der vakken, genoemd in art. 2 onder h—l.
Het hoofd der school geniet bovendien vrije woning, zoo
mogelijk met eenen tuin.
Ingeval hem geene vrije woning kan verschaft worden,
ontvangt hij eene billijke vergoeding voor huishuur, waar-
van het bedrag door Gedeputeerde Staten wordt bepaald.
Met inachtneming dezer voorschriften worden de jaarwed*
den der onderwijzers door den gemeenteraad onder goedkeu-
ring van Gedeputeerde Staten geregeld.
In geval van hooger beroep bij Ons van het besluit van
Gedeputeerde Staten, wordt bij Onze beslissing de vereischte
regeling vastgesteld.
Vaste j aarwedde.
1. Het staat niet vrij, den onderwijzers eene bezoldiging toe te ken-
nen, deels als jaarwedde, deels als wisselende inkomst (zooals zeker be-
wet h. o.
                                                                        8
-ocr page 130-
Art. 26.
114
drag voor iederen leerling). M.v.B.Z. in 1880; Gemst. 1577; v.E. VIII
166. Zie echter aant. 15.
2.    Naar aanleiding van den wensch, dat het beginsel van periodieke
verhooging van traktement in de wet zou worden uitgedrukt, werd op-
gemerkt: Eene verplichting om een ambtenaar, dien het gemeentebe-
stuur kan ontslaan, eene periodieke verhooging van traktement toe te
kennen, kan niet worden opgelegd. M.v.B. 1878, 9.
3.    Voor de jaarwedde van een openbaren onderwijzer behoort geen
ander bedrag op de begrooting der gemeente te worden gebracht,
dan dat hetwelk door Ged. Staten is goedgekeurd, vermits die jaarwedde
niet afhankelijk mag worden gemaakt van de jaarlijksche vaststelling
en goedkeuring der bedoelde begrooting. K.B. 3 Sept. 1863; R.v.S.
III  131; v.E. II 193.
4.    Geen termen tot afkeuring eener begrooting, of tot toepassing
van art. 212 gem.-wet, als de raad weigert, de jaarwedde van het
hoofd eener school te verhoogen, zelfs als eene tweede oproeping van
sollicitanten zonder resultaat is geweest. Art. 26 al. 2 wet l.o. kan dan
niet worden toegepast, omdat de wetgever eene algemeene — zij het
ook provinciesgewijze — regeling op het oog heeft. M.v.B.Z. 13 Febr.
1884 wo. 470, afd. O; Ht. 220.
5.    Dit art. brengt mede, dat de jaarwedden der onderwijzers wor-
den vastgesteld op een vast en niet op een van het goedvinden van
den raad afhankelijk bedrag. Men mag dus niet:
de jaarwedde op een minimum bepalen. K.B. 19 Aug. 1869; Gemst.
963; W.B.A. 1083; v.E. III 255; — G.S. Gron. in 1885; W.B.A.
1991; — G.S. Friesl. in 1885; Gemst. 1770;
bepalen, dat de jaarwedde zich tusschen een minimum en een maxi-
mum zal bewegen. K.B. 7 Juni 1881 no. 14; Hubr. II 269; Gemst.
1646; v.E. IX 185; Ht. 207;
het uitzicht openen op het verkrijgen van een jaarlijksche gratifi-
catie boven het traktement. K.B. 5 Maart 1872; Gemst. 1086; v.E.
IV  162;
bepalen, dat het bedrag der jaarwedden van de onderwijzers af-
hankelijk zal zijn niet slechts van den leeftijd en de dienstjaren, maar
ook van den ijver, de kunde en de geschiktheid des onderwijzers.
G.S. Zeeland in 1877; Gemst. 1338; v.E. VI 133.
6.    Aan het hoofd eener school komt geen vergoeding toe wan-
neer kinderen uit andere gemeenten met vergunning of wel op last
van het gemeentebestuur zijne school bezoeken, daar de onderwijzer
niet betaald wordt naar het aantal leerlingen dat de school bezoekt,
maar eene vaste jaarwedde ontvangt, waar tegenover voor hem de
verplichting staat om ieder kind te onderwijzen dat op zijne school
toegelaten wordt. G.S. Groningen in 1886; W.B.A. 2043; v.E.Xl 209.
-ocr page 131-
115                             Art. 2C.
7.    De wet verbiedt geenszins het geven van gewoon l.o. en van
herh.-ond. aan denzelfden persoon op te dragen; waar dit geschiedt,
kan de jaarwedde des onderwijzers nevens belooning voor het geven
van gewoon l.o. ook eene vergoeding voor het geven van herh.-ond.
bevatten.
Bij eene regeling op deze wijze komt de verhooging, die ter zake
van het herh.-ond. toegelegd en bij de gewone jaarwedde gevoegd
wordt, uit den aard der zaak te vervallen, indien dat herh.-ond. niet
meer mocht gegeven worden; een in dien zin geformuleerd raadsbe-
sluit, waarbij immers de gewone jaarwedde vast verzekerd blijft, kan
geenszins geacht worden iets te kort te doen aan de eerste zinsne-
de van art. 26 der wet op het l.o. K.B. 9 Nov. 1883 no. 18; v.E.
IX 179; Genist. 1681 en 1705; W.B.A. 1814; Wekker 103; Ht. 221.
In gelijken zin, wat het eerste gedeelte aangaat: K.B. 19 Aug. 1882;
R.v.S. 1882, 386.
8.    Inhouding van jaarwedde als voorwaarde van een aan den on-
derwijzer op zijn verzoek verleend verlof tot herstel van gezondheid
is onwettig, zelfs al heeft de onderwijzer daaronder het verlof aan-
genomen. Gemst. 1284, met bestrijding M.v.B.Z. 19 April 1876; v.E.
V  131.
9.    De jaarwedde van een onderwijzer mag niet worden ingehou-
den over den tijd, dat hij ziek is geweest. K.B. 26 Febr. 1876 (S.
no.
45).
10.    De raad is bevoegd in het besluit tot regeling van het openb.
l.o. eene bepaling op te nemen, waarbij B. en W. worden gemach-
tigd om den onderwijzer, in geval van overtreding zijner instructie,
een deel zijner jaarwedde in te houden, een zeker maximum niet te
boven gaande. Jhr. Mr. B. De Bosch Kemper in W.B.A. 1499; v.E.
VI  134.
11.    Bij de instructie voor de onderwijzers mag niet bepaald wor-
den dat zij, vroeger vertrekkende dan het hun gegeven ontslag in-
gaat, een gedeelte van hunne verdiende jaarwedde zullen verbeuren.
Gemst. 1175; v.E. V 134.
12.    Het gemeentebestuur, en niet de tijdelijke titularis zelf, is be-
voegd tot het opvorderen eener jaarlijksche uitkeering tot aanvulling
van het onderwijzerstraktement, wanneer die vordering berust op de
verdeeling der kerkelijke goederen onder de verschillende gezindten,
ingevolge het 6e add. art. der Staatsreg. van 1798, en bij die gele-
genheid aan een kerkbestuur als een der lasten zoodanige uitkee-
ring is opgelegd. Hof Gelderland 21 Sept. 1864; Gemst. 654; W.B.A.
772; Wekker 15/1864; v.E. II 213.
13.    De nagelaten betrekkingen van een onderwijzer hebben slechts
„recht" op de jaai-wedde tot op den dag van overlijden. Ht. 244.
8*
-ocr page 132-
Art. 26.
116
14.    De zegels van alle mandaten der gemeente, dus ook van die
tot betaling der onderwij/.ersjaarwedden, moeten ten laste der ge-
meentekas komen. M.v.B.Z. 16 Maart 1887, cf. M.v.F. 27 Jan. 1887;
Gemst. 1856. Zie ook P.B. Zeel. 69/1887.
Minimum.
15.    De vaste jaarwedde moet altijd het minimum bedragen. Het
is aan het gemeentebestuur niet verboden den onderwijzer aandeel
toe te kennen in de schoolgelden, doch dit aandeel strekt niet in min-
dering van het minimum. M.v.B. 1878, 26. Zie ook Gemst. 1481.
16.    Het gemeentebestuur kan den onderwijzer niet bij instructie
de verplichting opleggen, lid van een weduwenfonds te worden, indien,
na aftrek van zijne jaarlijksche contributie voor zulk een fonds, de
jaarwedde minder dan het minimum zou bedragen. T.C. en M. 182.
17.    In mindering van de jaarwedde des onderwijzers mogen niet
worden gebracht inkomsten die hij geniet als koster. Die jaarwedde
mag ook niet worden ingekort door het opleggen van verplichtingen
die voor den onderwijzer het doen van uitgaven ten gevolge hebben.
K.B. 30 Dec. 1866; Gemst. 809; W.B.A. 932; v.E. II 193.
18.    Het bedrag, bij besluit van den raad als vaste jaarwedde aan
den onderwijzer toegekend, behoort geheel uit de gemeentekas te
worden voldaan, zonder dat daarop eenig bedrag in mindering kan
worden gebracht. Een besluit van den raad om een deel van eenige
wisselende inkomsten (in casu een gedeelte van de opbrengst der kos-
terij- en schoollanden, aan den onderwijzer-koster vóór de invoering
der wet van 1857 toegekend) in mindering van de vastgestelde jaar-
wedde te doen strekken, is in strijd met de wet. K.B. 13 Juli 1883 no.
6; Gemst. 1737; Hubr. V 276—282; W.B.A. 1804; v.E. IX 201 en
X 185; Ht. 218.
19.    De onderwijzers kunnen niet vorderen, dat hun boven de toe-
gekende jaarwedde het vroegere zoogenaamde landstraktement worde
uitbetaald. M.v.B.Z. 6 Febr. 1882 no. 366, afd. O; Hubr. IV 210—219.
20.    De vraag, of een openbaar onderwijzer, aangesteld voor het
geven van gewoon lager onderwijs, tegen zijn wil verplicht kan
worden, zich ook met het geven van „uitgebreid" lager onderwijs te
belasten, verondersteld dat hij daartoe bevoegd is, werd ontkennend
beantwoord. Insp. l.o. in 1867; T.C. en M. 146.
Verhooging minimum.
21.    Het 2e lid van art. 26 kent aan den Koning de bevoegdheid
toe, om, G.S. der provincie gehoord, voor elke provincie te bepalen,
waar en tot welk bedrag het minimum van jaarwedde hooger
zal zijn. M.v.B. 1878, 9.
-ocr page 133-
Art. 26.
117
22.    Indien het wenschelijk blijken mocht, den onderwijzer met
hoofdonderwijzersrang, althans daar, waar hij volgens art. 24 aanwe-
zig zijn moet, een verhoogd minimum boven dat van het Ie lid van
art. 26 toe te kennen of eene classificatie der scholen in te voeren,
zal dit bij de K.B., krachtens het 2e lid van art. 26 te nemen, ge-
schieden. In de woorden: „waar en tot welk bedrag het minimum
van jaarwedde voor de verschillende onderwijzers hooger zijn zal",
versterkt door de bijvoeging omtrent de onderscheidene klassen der
scholen, ligt dit opgesloten. M.v.B. 1878, 9.
23.    De uitdrukking werd met opzet zoo ruim mogelijk genomen.
G.S. gehoord, kan bij K.B. de zaak geregeld worden voor de gan-
sche provincie of voor een gedeelte, ja, bestaan hiervoor redenen,
voor eene bepaalde gemeente. M.v.B. 1878, 26.
24.     „Is het de bedoeling om bij de classificatie, die zal kunnen
plaats hebben bij K.B., het minimum van de jaarwedde vast te stel-
len ook met het oog op de verschillende klassen van scholen en op
de onderwijzers met hoofdonderwijzersrang?"
Zeer zeker, dat is wel degelijk de bedoeling, namelijk om het wet-
telijk minimum eenvoudig in overeenstemming te brengen met het
laagste peil, dat voor het geheele Rijk bestaat, maar bij alg. maatr.
van bestuur het plaatselijk te verhoogen. Men zal natuurlijk bij laatst-
genoemde regeling rekening houden met de verschillende plaatselijke
omstandigheden, met de klasse der scholen en den rang der onder-
wijzers. Nog wordt gevraagd: „is de bevoegdheid, hier aan den Ko-
ning gegeven, eene perpetueele?" De bedoeling is geene andere, dan
dat zij eene perpetueele zij, want er staat niet: „door Ons kan eens
voor al", maar „door Ons kan".
„Waarom hier de woorden voor elke provincie behouden?"
De bedoeling is deze: om de regeling wel degelijk te maken provin-
ciesgewijs, dat is: Ged. Staten van elke provincie te hooren; maar of-
schoon de regeling alzoo provinciesgewijs geschieden zal, is de be-
doeling toch niet om dit te doen zóó, dat zij voor elk deel van de
provincie, ja zelfs voor elke gemeente dezelfde zal moeten zijn. De
woorden duiden dus aan, dat er even zoo vele regelingen zullen zijn als
provinciën, omdat voor de verschillende provinciën G.S. zullen worden
gehoord; maar dat toch die regelingen zoo zullen zijn, dat voor ver-
schillende deelen van dezelfde provincie, voor verschillende gemeenten
in dezelfde provincie, ja zelfs voor verschillende scholen in dezelfde
gemeente, bijzondere regelen zullen kunnen gesteld worden.
Nu zie ik het bezwaar niet in, dat, als later moet teruggekomen
worden op een der onderdeelen dier regeling, men dat niet bij een
later K.B. zou kunnen verbeteren. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1212.
25.    Wanneer, bij toepassing van het 2de lid, het traktement ver-
-ocr page 134-
118
Art. 26.
hooging moet ondergaan, zal die verhooging dan ook ten goede ko-
men aan de titularissen, die er zijn? Ja, wanneer de reden, waarom
het minimum verhoogd wordt, deze is, dat de jaarwedde in verhou-
ding tot de behoeften te laag is.
Zullen dan de bepalingen der gemeentewet toepasselijk zijn? Ik
meen ook deze vraag bevestigend te moeten beantwoorden, want de
jaarwedde van den onderwijzer komt op de begrooting; zij is aan
het toezicht van Ged. Staten onderworpen; zij strekt tot uitvoering
van de wet en daarom is art. 127 der gemeentewet toepasselijk.
M.V.B.Z. 2e K. 1878, 1213.
26.    Eene regeling voor ieder speciaal geval kan niet in aanmer-
king komen; de regeling moet zijn provinciesgewijs. M.v.B.Z. 9 Mei
1881 no. 1531, afd. O; Hubr. II 259; Ht. 202. Zie ook aant. 4.
27.    Zoolang de termijn voor de uitvoering van art. 26 der wet,
bij art. 88 gesteld, niet is verstreken, komt het niet wenschelijk
voor, de regeling van al. 2 te bevorderen. M.v.B.Z. 19 Oct. 1882 no.
3841, afd. O; Hubr. V 262; Verslag Zeeland 1882.
28.    Een ontworpen regeling tot uitvoering van al. 2 voor het
geheele Rijk, voorloopig aangehouden. M.v.B.Z. 9 Mei 1881 no. 1531,
afd. O; Hubr. V 260.
29.    Ik wensch er de aandacht op te vestigen, dat, hoewel al. 2
in de wet is opgenomen, men er nimmer toe is overgegaan, er uit-
voering aan te geven, en wel om twee redenen. Vooreerst, omdat,
toen men er uitvoering aan wilde geven, gebleken is, dat de bezwa-
ren zeer groot waren, eene billijke regeling te maken, en in de
tweede plaats omdat de noodzakelijkheid volstrekt niet gebleken is
van dergelijke regeling. M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1484.
Op grond, dat het onmogelijk zou zijn, in den Haag eene rege-
ling te maken, al is het na advies van Ged. Staten, die billijk over
het geheele land zou werken, werd {zie 2e K. 1889, 1484 en 1523)
in hoofdzaak bestreden een amendement om art. 26, Ie en 2e lid, te
doen luiden:
„Aan eiken onderwijzer wordt eene vaste jaarwedde toegelegd.
„Voor de bepaling van het minimum dezer jaarwedde wordt door
Ons, de colleges van Ged. Staten elk voor zijne provincie gehoord, eene
classificatie der scholen vastgesteld, naar mate van de eischen van het
levensonderhoud ter plaatse waar de school gelegen is, met dien ver-
stande, dat voor geene school dat minimum lager wordt gesteld dan
f 700 voor het hoofd der school; f 600 voor de onderwijzers met den
rang van hoofdonderwijzer, die volgens art. 24 aanwezig zijn in scho-
len met meer dan vier onderwijzers, en f 400 voor eiken anderen on-
derwijzer."
-ocr page 135-
119                              Art. 26.
Derde lid.
30.    Geene termen tot vernietiging van een raadsbesluit tot verla-
ging jaarw. onderwijzeres in vak k. M.v.B.Z. in 1887; Verslag \'N.-
Holland
1887; Genist. 1923.
Vrije woning en huishuur.
31.    In het ontwerp van 1878 volgden op: verschaft worden
de woorden: „ of ingeval hij uit anderen hoofde in het genot daarvan
gesteld is." Daartegen werd aangevoerd: „Volgens dit artikel zou nu
de gemeente, die eene onderwijzerswoning heeft gebouwd, welke ledig
staat, tevens den onderwijzer vergoeding voor huishuur moeten geven;
dit kan, dit mag de bedoeling niet zijn." Zie 2e K. 1878, 1213. Een
amendement om de aangehaalde woorden uit de wet te lichten, werd
daarop aangenomen.
32.    Wanneer de gemeente eene goede, geschikte woning verschaft,
die de onderwijzer niet verkiest te bewonen, heeft hij geen recht om ze
te verhuren, en evenmin aanspraak op vergoeding, omdat de gemeente
aan hare verplichtingen voldaan heeft. Gemst. 803; T.C. en M. 186.
33.    Uit de geschiedenis van art. 26 der wet op het 1. o. is wel af
te leiden, dat de onderwijzer, die, om welke bijomstandigheden ook, de
woning niet betrekt, welke de gemeente te zijner beschikking stelt,
geene aanspraak kan maken op eene vergoeding van huishuur, maar
blijkens de duidelijke bewoordingen van het artikel moet, ingeval van
wege de gemeente zelve geene woning wordt verschaft, dusdanig recht
op geldelijke vergoeding worden erkend, zonder eenig bij de wet ge-
maakt voorbehoud, en zonder dat dus een onderzoek te pas komt naar
de vraag, of wellicht de onderwijzer uit hoofde van andere betrekkin-
gen of omstandigheden bereids in het genot van kostelooze woning zij.
Eene regeling, waarbij het hoofd eener school tegenover kerk-
voogden der Herv. Gem. afstand heeft gedaan van zijne aanspraak
op het recht van vrije woning of vergoeding van huishuur, hem te-
genover de gemeente toekomende, en waarbij de burgerlijke gemeente
niet eenmaal partij was, kan door Ged. Staten bij de uitvoering der
wet van 17 Aug. 1878 (S. no. 127) niet worden in aanmerking geno-
men. K.B. 7 Mei 1881 no. 5; Hubr. II 263; W.B.A. 1686; Gemst.
1560; Wekker 83/1881; v.E. VIII 166; Ht. 238. Cf. het eerste gedeelte
Gemst.
803, 1002, 1465.
34.    In gelijken zin als het eerste gedeelte van bovenstaande be-
slissing K.B. 28 Mei 1881 no. 30. Dit besluit voegt er nog bij: dat
den onderwijzers derhalve eene som moet worden toegekend, vol-
doende om onder de bestaande plaatselijke omstandigheden eene ge-
schikte woning te kunnen huren. Hubr. II 268; Gemst. 1562; W.B.A.
1686; Wekker 83/1881; v.E. VIII166; Ht. 235.
-ocr page 136-
Art. 26.
120
35.    Indien de hoofdonderwijzer als koster vrije woning geniet,
kan door het betalen van eene jaarlijksche vergoeding aan kerk-
voogden, waarbij echter van huur van het kosterijgebouw geen spra-
ke is, het gemeentebestuur niet geacht worden, voor zich de be-
schikking over het kosterijgebouw te hebben verworven, zoodat het
dit aan den hoofdonderwijzer ter bewoning kan aanwijzen. Aan de-
zen behoort dus eene billijke vergoeding voor huishuur te worden
verleend. K.B. 29 Maart 1882 no. 2; Hubr. IV 236-239; W.B.A.
1726; R.v.S. 1882, 159; v.E. IX 185; Ht. 238.
36.     Onder genot van vrije woning is niet vrijdom van personeele
belasting begrepen. G.S. N.-Brab. 28 Jan. 1859; W.B.A. 505; Gemst.
386; v.E. II 195.
37.     De hoofdonderwijzer, die in zijne aan de gemeente behoo-
rende woning leerlingen, welke de school bezoeken, in den kost
heeft, zonder hun in die woning echter uitsluitend of hoofdzakelijk
onderwijs te geven, kan niet geacht worden eene kostschool te hou>
den. Zijne woning is dus, ingevolge art. 25 litt. d der wet van 26
Mei 1870 (S. no. 82), vrij van grondbelasting. G.S. Z.-Holl. 1875;
Gemst. 1310; v.E. VI 131.
38.     De onderwijzer heeft geen recht in burgerrechtelij ken
zin, om de woning, zóó en in dier voege als hij ze tot dus ver had, te
behouden, zoodat de raad de beschikking daarover zou hebben ver-
loren. Gemst. 1451; v.E. VII 137.
39.     Met welk recht zou het hoofd der school, dat de door de
gemeente aangewezen woning niet betrekt, deze verhuren? M.v.B.
1878, 26.
Het hoofd der school heeft niet het recht, de onderwijzerswo-
ning zonder toestemming van het gemeentebestuur te verhuren.
Gemst. 1964.
Noch de raad, noch B. en W. kunnen hem tot verhuring toestem-
ming geven; de gemeente krijgt de woning weer tot hare beschik -
king. Ht. 239.
40.     De vergoeding voor huishuur, aan de onderwijzers toe te
leggen, moet niet berekend worden in verband met hunne meerdere
of mindere bezoldiging, maar uitsluitend op hetgeen gevorderd wordt
om hun het gemis van vrije woning te vergoeden. K.B. 8 Mei 1881
no. 8; Hubr. II 265.
41.     De som, die tot vergoeding van huishuur in naburige gemeen-
ten is toegekend bij gemis van onderwijzerswoning, komt niet in
aanmerking, waar het de waardeering van eene van gemeentewege
verstrekte woning betreft. K.B. 8 Lee. 1881 no. 26; Hubr. IV 230;
Ht. 237.
42.     Aan een onderwijzer mag de hem toegekende vergoeding
-ocr page 137-
Art. 26.
121
voor huishuur niet worden onthouden gedurende den tijd, dien hij
na het verlaten der door hem gehuurde woning, bij een zijner ambt-
genooten, in een huis der gemeente wonende, hetzij om niet, hetzij
tegen vergoeding, heeft doorgebracht. G.S. Z.-Holl. 1877; Gemat.
1416; W.D.A. 1527; v.E. VII 137.
Tuin.
43.    Het hoofd der school kan geene aanspraak maken op vergoe-
ding van huur van een tuin of schadeloostelling voor het gemis van
een tuin; de uitgaven, door eene gemeente te dier zake gedaan, be-
hooren daarom niet tot de kosten, vermeld onder letters & en e van
art. 44. M.v.B.Z. 6 Jan. 1881 no. 127, afd. A.Z.C; Hubr. II 258;
Ht. 407.
44.    Wanneer de raad besloten heeft, een gedeelte van den tuin,
den onderwijzer in gebruik gegeven, te verkoopen zóó, dat hij toch
nog altijd een tuin, ofschoon kleiner, behoudt, dan kan dit voor
Ged. Staten geene reden zijn om goedkeuring aan dat besluit te
onthouden. K.B. 21 Aug. 1875; Gemst. 1268; W.B.A. 1391; v.E. V
129. Anders Wekker no. 56/1880; zie v.E. VII 137.
In dat geval vordert echter de billijkheid, hem vergoeding te geven.
Dit behoort niet te geschieden in den vorm van „vergoeding voor ge-
mis van tuin," maar in dien van verhooging van jaarwedde. Voor den
opvolger van den tegenwoordigen titularis zou de wedde, behoudens
goedkeuring, weer op het vroeger bedrag kunnen worden gebracht.
C.d.K. Gron. in 1881; Gemst. 1621; v.E. IX 186.
Geregeld.
45.    Wanneer al de begrooting, waarop de jaarwedde voor een on-
derwijzer is uitgetrokken, door Ged. Staten is goedgekeurd, kunnen zij
toch later aan de vaststelling van het bedrag hunne goedkeuring ont-
houden. K.B. 31 Maart 1872; Gemst. 1075; v.E. IV 162.
46.    Wat er ook zijn moge van de juistheid der meening van Ged.
Staten, dat op de begrooting uitgetrokken jaarwedden te laag zijn, en
welke de invloed daarvan ook zou kunnen zijn bij een besluit krach-
tens al. 2 of eene beslissing krachtens al. 7 van art. 26 der wet op
het 1. o. door den Koning te nemen, zoo is bij de beoordeeling van
het betrekkelijk begrootingsartikel de vraag alleen deze, of het daar-
bij uitgetrokken bedrag toereikend is om daaruit die betalingen te
doen geschieden, waarop naar de wettelijk bestaande verordeningen
behoort te worden gerekend. Is nu voor de hoofden der scholen de
jaarwedde eenmaal vastgesteld op f 700, dan is dit cijfer, onverkort
de noodzakelijke gevolgen eener wettig tot stand gebrachte verhoo-
ging, terecht door den gemeenteraad tot grondslag van raming ge-
-ocr page 138-
Art. 26.
122
nomen. Voor nog te benoemen onderwijzers, tot wier aanstelling de
raad heeft besloten, doch omtrent wier jaarwedde tusschen den raad en
Ged. Staten verschil bestaat, zoodat daaromtrent nog geenerlei rege-
ling is tot stand gekomen, kan het daarvoor uitgetrokken bedrag niet
reeds nu, ter gelegenheid van de vaststelling en goedkeuring der
loopende begrooting, als onvoldoende worden afgekeurd. K.B. 12
Sept. 1881 no. 31; Genist. 1595; W.B.A. 1704.
In gelijken zin wat het eerste gedeelte betreft, K.B. 3 Juni 1873;
Gemat. 1154; v.E. IV 168, en K.B. 19 Aug. 1882; Jt.v.S. 1882, 136.
47.    Luidens al. 5 van art. 26 heeft de gemeenteraad, onder goed-
keuring van Ged. Staten, de bezoldiging der onderwijzers te regelen
met inachtneming van het minimum bij al. 1 (en, indien daaraan
gevolg ware gegeven, ook van dat bij al. 2) bepaald; maar Ged.
Staten hebben bij het verleenen of onthouden van hunne goedkeu-
ring niet alleen op het wettelijk minimum, maar in ieder geval ook
op de belangen der gemeente en van het onderwijs te letten. K.B. 28
April 1881 no. 1; Hubr. II 261; Gemst. 1573; W.B.A. 1683; v.E.
VIII 165; Ht. 206; zie ook Ht. 210 en 211. Idem K.B. 9 Dec. 1883
(S. no. 224); K.B. 5 Febr. 1884; R.v.S. 1884, 50; v.E. IX 185.
48.    Het gaat niet aan, de jaarw. van de hoofden der scholen te
regelen zonder daarbij acht te slaan op hare bevolking, op den om-
vang van de taak des onderwijzers en op de levenswijze in de plaats
waar de school gevestigd is, en het is geheel onaannemelijk, de jaar-
wedden van al de hoofden der scholen eenvoudig gelijk te maken,
omdat het onderwijs in al de scholen zich tot de vakken a—k van
art. 2 der wet bepaalt. K.B. 6 Nov. 1887 no. 25; Schoolversl. 1887/8;
W.B.A. 2026.
In gelijken zin K.B. 18 Dec. 1886; R.v.S. 1887, 1; v.E. XI 208.
49.    Waarop bij regeling van onderwijzersjaarwedden behoort te
worden gelet, kan o. a. blijken uit de volgende beslissingen.
Wat er waar moge zijn van het weinig aantrekkelijke, dat eene
gemeente voor jonge onderwijzers zou hebben, het feit, dat zich voor
eene bestaande vacature, jaarwedde f 550, 22 sollicitanten hebben
aangemeld, toont aan dat dit bedrag niet te gering is om eene ge-
noegzame keuze te waarborgen. K.B. 9 Jan. 1886 no. 14; Schoolversl.
1885/6. — Voor een onderwijzer aan een groote school in een aan-
zienlijk dorp moet f 400, al moge het somtijds niet onmogelijk zijn
er een onderw. voor te bekomen, geacht worden te karig te zijn.
K.B. 19 Jan. 1886 no. 8; Ht. 229; Sshoolversl. 1885/6. — Zoodra
eene gemeente niet kan gerekend worden te behooren tot die plaat-
sen, waar het wettelijk minimum der onderwijzersjaarwedden met het
oog op de leefwijze en den prijs der levensbehoeften als onvoldoende
moet worden beschouwd — omdat volgens mededeeling van B. en W.
-ocr page 139-
123                                   Art. 26.
aldaar tot lagen prijs behoorlijke gelegenheid tot het verkrijgen van
kost en inwoning te vinden is — bestaat er geene reden om aan de
bepaling der jaarwedde voor een onderwijzer op ƒ 400 goedkeuring te
onthouden. K.B. 14 Oct. 1886 no. 17; Ht. 229. — Verlaging voor het
hoofd te Oost- en West-Souburg van f 850 tot 800 niet gewettigd,
hoewel er elf sollicitanten voor f 800 waren. K.B. 27 Febr. 1887 no.
16; Gemst. 1850; Versl. Zeeland 1886; Schoohersl. 1886/7. — In
aanmerking genomen de geringheid der bevolking en de eenvoudige
levenswijs in de standplaats is f 700 voldoende voor het hoofd dei-
school te Bath. K.B. 16 Oct. 1887 no. 19; W.B.A. 2017; Wekker
18/1888. — Voor eene school in een aanzienlijk dorp, met 1200 zie-
len, de hoofdplaats en den zetel van het bestuur der gemeente Hen-
naarderadeel, is, met het oog op den rang, dien deze standplaats in-
neemt, in verband met de levenswijze en het peil der levensbehoef-
ten, f 750 voor het hoofd te laag. K.B. 3 Oct. 1887 no. 15; SchooU
versl.
1887/8; Ut. 209.
50.    Een verschil van f 100 tusschen de wedde van den eersten
onderwijzer zonder en den onderwijzer met rang van hoofdonderw.
verdient aanbeveling, omdat daarin voor den eerstbedoelden onderw.
een spoorslag zal liggen om door voortgezette studie de akte van
hoofdonderwijzer te verkrijgen. K.B. 11 Jan. 1886 no. 13; Ht. 214.
51.    Eene rechterlijke uitspraak, waarbij eene gemeente veroor-
deeld is om aan den onderwijzer het volle bedrag uit te betalen,
waarop zijne jaarwedde in verband met eene gesloten overeenkomst
vroeger was bepaald, verhindert den raad niet, later het bedrag
dier jaarwedde te wijzigen. K.B. 8 Nov. 1867; Gemst. 854; W.B.A.
980; v.E. II193.
52.    De bedenking omtrent de ontoereikendheid der gemeente-finan-
ciè\'n is niet afdoende, zoodra het belang van het openbaar lager on-
derwijs de bezoldiging, zooals Ged. Staten die verlangen, noodig
maakt. K.B. 7 Juni 1881 no. 15; Hubr. II 271.
In gelijken zin K.B. 12 Oct. 1875; Gemst. 1275; v.E. V 129; —
K.B. 30 Dec. 1883 no. 24; Ht. 227.
53.    Een raadsbesluit tot intrekking van een goedgekeurd raads-
besluit tot regeling eener wedde eischt goedkeuring. G.S. Zeeland 30
April 1886 no. 31.
54.    Een raadsbesluit tot verleenen van vergoeding voor de eerste
drie grondslagen der personeele belasting aan het hoofd der school
eischt goedkeuring. G.S. Zeeland 9 Mei 1884 no. 38.
55.    Het, bij wijze van proefneming, uitloven eener jaarwedde van
minder bedrag dan noodig wordt geacht, zou niet bevorderlijk zijn
aan de bedoeling van het onderwijs, daar in het bepalen eener rede-
hjke bezoldiging hoofdzakelijk de waarborg ligt, dat bekwame per-
-ocr page 140-
Art. 26.
124
sonen naar de betrekking zullen dingen. K.B. 12 Oct. 1875; Gonst.
1275; v.E. V 129.
56.    "Tijdelijke verhooging, zelfs in den vorm eener gratificatie, be-
hoeft goedkeuring van Ged. Staten. K.B. 17 Sept. 1868; Gemat. 898;
W.B.A.1018; <.\'.£\'.II500; — K.B. 16Fe*!". 1869; Gemsl.922; W.B.A.
1041; v.E. m-254; P.B. Zeeland 3/1873.
57.     Het staat Ged. Staten vrij, de door den raad vastgestelde
jaarwedde eens onderwijzers slechts voor een bepaalden tijd goed te
keuren. G.S. Z.-Holl.lS76; Gemst. 1384; W.B.A 1484; v.E. VI132.
58.     Als de raad weigert te voldoen aan de uitnoodiging van Ged.
Staten om de onderwijzersjaarwedden, vroeger door hen goedgekeurd,
te verhoogen, dan zijn Ged. Staten bevoegd de eenmaal verleende
goedkeuring in te trekken. G.S. Z.-Holland 23 Nov. 1875, bestreden
in Gemst, 1270, doch verdedigd in W.B.A. 1391; zie v.E. V 129.
Het beginsel, door Ged. Staten gehuldigd, is stilzwijgend aangenomen
bij K.B. 18 Mei 1876; Gemst. 1219; W.B.A. 1408; v.E. V 227.
59.     Een besluit van Ged. Staten, waarbij onderwijzersjaarwedden
zijn goedgekeurd, kan eerst dan geacht worden met het algemeen
belang strijdig en voor vernietiging vatbaar te zijn, als het blijkt dat
de jaarwedden ongenoegzaam zijn om daarvoor de vereischte onder-
wijzers te bekomen, en die ongenoegzaamheid oorzaak wordt dat de
school moet gesloten worden en het onderwijs stilstaan. M.v.B.Z. 3
Juni 1876; W.B.A. 1416; v.E. VI 132.
60.     Verhooging der jaarwedden van onderwijzers aan eene gemeen-
schappelijke school kan alleen uitgaan van het gemeen overleg der
betrokken gemeenteraden. Wanneer over zoodanige verhooging ver-
schil bestaat tusschen de betrokken gemeentebesturen, kan de Koning
geen uitspraak doen. K.B. 19 Febr. 1877; Gemst. 1327; W.B.A. 1456;
v.E. VI 131.
61.     De voorwaarde, bij eene regeling der onderwijzersjaarwedden
gesteld, dat de onderwijzers, om in het genot eener toe te kennen ver-
hooging van jaarwedde te komen, zich moeten verbinden geen ver-
zoek om ontslag te zullen indienen dan tegen het einde van een jaar-
lijkschen cursus, uitgezonderd in het geval van benoeming tot hoofd
eener school, verdient, geen goedkeuring. K.B. 1876; Gemst. 1339;
v.E. VI 130.
Vermindering jaarwedde.
62.     Eene jaarlijksche toelage aan een onderwijzer toegekend bo-
ven zijne jaarwedde is in werkelijkheid eene verhooging dier jaarwed-
de, en de gemeenteraad is alzoo onbevoegd die te verminderen of in te
trekken zonder goedkeuring van Ged. Staten. K.B. 8 Juni 1866;
Gemst. 779; W.B.A. 889; v.E. II193.
-ocr page 141-
125                             Art. 26.
In gelijken zin betreffende eene gratificatie, aan onderwijzers toege-
staan voor elk vol jaar verblijf. K.B. 20 Jan. 1888 no. 2; Genist. 1898;
Wekker 39/1888; W.B.A. 2030; Schoolversl. 1887\'/8; i>J?. XI 209.
63.    Een raadsbesluit, strekkende om als gevolg van de opheffing
van schoolgeld, de uitkeering aan den onderwijzer van een zeker ge-
tal percenten van dat schoolgeld te doen ophouden zonder eenige
vergoeding, staat gelijk met eene vermindering van jaarwedde. K.B.
13 Febr. 1865; Genist.
710; W.B.A. 834; Wekker 19/1865; v.E.Il 193.
64.    Het vervallen van een of meer der niet-verplichte vakken kan,
bij vertrek van het hoofd eener school, verlaging der jaarwedde recht-
vaardigen. K.B. 19 Jan. 1882 no. 13; Ht. 224.
65.    Vermindering der jaarwedden van onderwijzers is in \'t alge-
meen niet wenschelijk, omdat tengevolge daarvan de onderwijzersnood
zich zou kunnen herhalen juist tegen den tijd, dat de door de wet
bepaalde evenredigheid tusschen het getal onderwijzers en de leerlin-
gen zal moeten bestaan. Plaatselijke omstandigheden, in verband met
de daling van de prijzen der eerste levensbehoeften, kunnen echter in
sommige gevallen zoodanige niet aanzienlijke vermindering wettigen.
K.B. 31 Dec. 1885 no. 24; W.B.A. 1919; Wekker 32/1886; School-
versl.
1885/6; v.E. X 186; Ht. 228.
In gelijken zin K.B. 3 Oct. 1886 no. 19; Ht. 208.
66.    Aan een raadsbesluit tot bepaling eener jaarwedde op f 500
en f 100 gratificatie na ieder vol jaar verblijf, doch alleen geduren-
rende de eerste twee jaren, kan geen goedkeuring worden verleend.
K.B. 31 Maart 1880; Genist. 1502; W.B.A. 1621; v.E. "VII 137.
67.    Niet alleen brengt de billijkheid mede, dat de aan een on-
derwijzer toegekende wedde niet wordt verlaagd, maar het belang
van het onderwijs eischt, dat de onderwijzer gevrijwaard blijve voor
willekeurige verlaging zijner inkomsten. G.S. Zeel. 4 Sept. 1885 no.
25; Verslag Zeel. 1885; Gemst. 1775 e» 1783; W.B.A. 1906, 1913,
1916; v.E. X 187.
Zie ook G.S. Friesland in 1888, Gemst. 1982.
68.    Al moge vermindering van de jaarwedden van in betrekking
zijnde onderwijzers niet in strijd zijn met art. 26 der wet op het l.o.,
zoo is eene daartoe strekkende regeling niet vatbaar voor goedkeu-
ring, zoowel op grond van billijkheid tegenover de onderwijzers, als
met het oog op de belangen van het onderwijs. K.B. 7 Mei 1886 no.
26; W.B.A.
1942; Schoolversl. 1885/6; Wekker 40/1886; m 231.
In gelijken zin is beslist bij K.B. 4 Juli 1886 no. 12; Schoolversl.
1886/7; R.v.S. 1886, 539; v.E. X 261; — K.B. 14 Oct. 1886 no. 18, 18
Dec. 1886 no. 47, 28 Febr. 1887 no. 6 en 8 Maart 1887 no. 1, alle te
vinden in Schoolversl. 1886/7; - K.B. 28 Juli 1886; R.v.S. 1886, 603;
v.E. XI 208.
-ocr page 142-
Artt. 26, 27.
126
Intrekking gratificatie voor in functie zijnde onderwijzers kan niet
worden goedgekeurd. K.B. 20 Jan. 1888 no. 2 (aant. 62 hierboven).
69.    Goedk. onth. aan vermindering jaarwedde van f 900 tot f 800
plus eene onzekere toelage (namelijk opbrengst schoolgelden herha-
lingsond.), wier bedrag waarschijnlijk zou blijven beneden de som, waar-
mede de vastgestelde jaarwedde verminderd geworden is. K.B. 16
Sept. 1877 no. 17; Gemst. 1877; Schoolversl. 1887/8; Ht. 225.
Laatste lid.
70.    Wanneer bij verschil over de jaarwedde het gemeentebestuur
weigert de jaarwedde op het door Ged. Staten gewenscht bedrag te
bepalen, en ook niet in beroep komt, kan art. 127 gem.-wet worden
toegepast. C.d.K. Zuid-Holl. onder de werking der wet van 1857;
Gemst. 1471.
Artikel 27.
Om als onderwijzer benoemd te kunnen worden, wordt het
bezit vereischt
a.     eener akte van bekwaamheid;
b.     van een getuigschrift van zedelijk gedrag, afgegeven
door den burgemeester der gemeente of de burgemeesters der
gemeenten, waar hij, aan wien het wordt uitgereikt, in de
twee laatste jaren gewoond heeft.
Bij weigering van een der burgemeesters kan het getuig-
schrift worden verleend door Onzen Commissaris in de pro-
vincie.
Met zoodanig getuigschrift wordt gelijkgesteld het getuig-
schrift van zedelijk gedrag, afgegeven door de bevoegde over-
heid buiten \'s lands, onder welker gebied de bezitter in de
twee laatste jaren heeft gewoond.
1.    Aan het woord „bezit" mag niet die beperkte beteekenis wor-
den gehecht, dat het overleggen van afschriften der onder a en b
vermelde bescheiden wordt buitengesloten. M.v.B.Z. 26 Jan. 1884 no.
176, af\'d. O; Ht. 248.
2.    Afschriften van akten zijn geldig, wanneer zij gemaakt zijn
door den ambtenaar, voor wien de oorspronkelijke akte verleden is
en die de minute in bewaring heeft. T.C. en M. 189.
3.    De getuigschriften, bedoeld onder lett. b, zijn vrijgesteld van
de rechten van zegel en registratie bij K.B. 25 Oct. 1880 no. 21; zie
o.a. P.B. Zeeland 93/1880. Zij moeten echter geregistreerd worden;
Ht. 254. Anders Ontv. reg. Apeldoorn in 1889; Gemst. 1993.
-ocr page 143-
Artt. 27, 28.
127
4.    Tot de bovenbedoelde getuigschriften behooren niet die voor
het examen ter plaatsing aan eene der Rijkskweekscholen voor on-
derwijzers. M.v.F. 28 Maart 1863 no. 36.
5.    In het getuigschrift of de getuigschriften, bedoeld onder art.
27 litt. b, kan geen gaping van tijd worden toegestaan. Zij behoo-
ren over de laatste twee jaren aan te sluiten. M.v.B.Z. 17 Oct. 1882
no. 4094, afd. O; Ht. 250.
De benoeming na overlegging van een getuigschrift, dat niet over
de volle twee jaren loopt, maakt de benoeming onwettig. K.H. 6 Jan.
1884 (S. no. 5).
6.    De Burg. is bevoegd, aan een onderwijzer, die tot 15 dagen
celstraf is veroordeeld, welke straf door den Koning in f 200 boe-
te is veranderd, op zijn verzoek een bewijs van goed gedrag af te
geven, en kan dit — behoudens zijn ambtsplicht — doen, wanneer de
omstandigheden, die tot de veroordeeling leidden, uit een zedelijk
oogpunt grond tot verschooning van het wanbedrijf geven. M.v.B.Z.
23 Aug. 1884 no. 2701, afd. O; Ht. 252.
Artikel 28.
De onderwijzers, aan de gemeentescholen verbonden, wor-
den door den gemeenteraad benoemd.
De benoeming van den onderwijzer, aan het hoofd der school
geplaatst, geschiedt uit eene voordracht van minstens drie
bevoegden, opgemaakt door burgemeester en wethouders en
den districts-schoolopziener.
Indien burgemeester en wethouders en de districts-school-
opziener niet tot overeenstemming kunnen geraken, gaat aan
de benoeming een vergelijkend onderzoek naar de geschikt-
heid der candidaten vooraf.
Melden meer dan zes bevoegden zich voor het onderzoek
aan, dan kunnen burgemeester en wethouders, in overeen-
stemming met den districts-schoolopziener, bepalen welke can-
didaten, mits niet minder dan zes, daaraan zullen worden on-
derworpen. Bij gemis aan overeenstemming omtrent de keuze
der op te roepen personen, worden alle candidaten die zich
hebben aangemeld tot het onderzoek toegelaten.
Ingeval de benoeming na voorafgaand vergelijkend onder-
zoek plaats heeft, wordt de voordracht, bestaande uit min-
stens drie bevoegden, door den districts-schoolopziener opge-
maakt en door dezen met een schriftelijk, met redenen om-
kleed advies omtrent de voorgedragen candidaten aan den
raad ingezonden.
-ocr page 144-
Art. 28.
128
Al wat verder het in dit artikel bedoeld onderzoek betreft,
wordt door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur gere-
geld.
In gemeenten waar meer dan eene school bestaat kan de
onderwijzer, aan het hoofd der eene geplaatst, aan het hoofd
der andere worden gesteld zonder voordracht, indien de ge-
meenteraad na overleg met den districts schoolopziener hier-
toe besluit.
De benoeming van andere onderwijzers geschiedt uit eene
voordracht van minstens drie bevoegden, opgemaakt door bur-
gemeester en wethouders in overleg met den arrondissements-
schoolopziener, na ingewonnen bericht van het hoofd der
school, waaraan de benoeming geschieden moet. Het bericht
van het hoofd der school en het schriftelijk, met redenen om-
kleed advies van den arrondissements-schoolopziener worden
aan den raad overgelegd.
De onderwijzers, verbonden aan scholen, uitsluitend door
het Rijk bekostigd, worden benoemd door Onzen Minister die
met de uitvoering dezer wet belast is.
1. De Reg. in 1889 meende gehoor te moeten geven aan de tal-
rijke klachten, opgegaan tegen de bestaande vergelijkende examens,
en stelde daarom voor, die examens af te schaffen. De door haar
niet verwachte bestrijding, die dit voorstel bij velen, en met name
bij vele onderwijzers had gevonden, bracht er haar toe, bij het twee-
de ontwerp haar voorstel in zoover terug te nemen, dat het verge-
lijkend examen zou behouden blijven, indien B. en W. en de D.s.o. niet
tot overeenstemming konden geraken omtrent de voordracht. {Zie
Verslag
1889, 21.)
In de Tweede Kamer werden nog een paar wijzigingen aange-
bracht.
In alinea 2 vervielen de woorden „en hoogstens vijf\' achter „drie",
en in al. 5 werden de woorden „bestaande uit minstens drie bevoeg-
den" ingelascht, beide met de bedoeling om, bij een miniem gering
verschil in de sollicitanten, aan den raad die vrijheid van beweging
te gunnen, welke overeen te brengen is met de belangen van het on-
derwijs. {Zie 2e K. 1889, 1489.)
Voorts werd het „vergelijkend examen" vervangen door een „ver-
gelijkend onderzoek." De voorsteller van het daartoe strekkend amen-
dement, doelende op de verkeerde richting, die meermalen de verge-
hjkende examens namen, doordien zij vaak als een soort van akte-
examen werden beschouwd, zeide o. a.:
„Nu is het mogelijk dat de een of ander ons zal tegenwerpen:
-ocr page 145-
«
129
Art. 28.
maar examen en onderzoek zijn immers woorden van gelijke betee-
kenis. Daartegenover meen ik evenwel dat het ons vrijstaat er op
te wijzen dat het woord „examen" door het gebruik langzamerhand
eene vaste, meer beperkte beteekenis heeft gekregen dan het woord
„onderzoek" heeft. Het woord „onderzoek" vertegenwoordigt een rui-
mer begrip, en dat is de reden — het is geen bloot purisme —
waarom wij in plaats van „examen" liever wenschen te lezen: „on-
derzoek" met de daarbij gevoegde woorden.
„Dat vergelijkend onderzoek toch moet ten doel hebben, hetzij door
samensprekingen met de candidaten, hetzij door hun de gelegenheid
te geven tot het ontwikkelen van een deel van de leerstof, van een
onderdeel van een of ander vak van onderwijs, hen die de voor-
dracht moeten opmaken en daarna hen, die later uit die voordracht
eene keuze moeten doen, zooveel mogelijk in staat te stellen zich
een oordeel te vormen omtrent de geschiktheid van iederen candi-
daat voor de vacante betrekking." Zie 2e K. 1889, 1486.
Doelende op hetgeen voorafgaat, leest men in de M.v.B. Ie K. 1889:
„Die verklaring heeft de ondergeteekende aanvaard, met dit voorbe-
houd, dat de uitkomsten van het vergelijkend onderzoek, in tegenwoor-
digheid van B. en W., leden van den gemeenteraad en van de plaatsel,
commissie van toezicht in te stellen, beslissend behooren te zijn en
derhalve de schoolopziener niet gerechtigd zal zijn, zooals de voorsteh
ler wenschelijk achtte (zie 2e K. 1889, 1491 en 1492), in rekening te
brengen de resultaten van een onderzoek, door hem buiten genoem-
de autoriteiten om naar de geschiktheid der candidaten ingesteld."
2.    Indien B. en W. en de D.s.o. niet tot overeenstemming kun-
nen komen omtrent het getal der op de voordracht te plaatsen per-
sonen, is, naar het gevoelen van den ondergeteekende, het geval
aanwezig, dat een vergelijkend onderzoek verplichtend wordt. M.v.B.
Ie K. 1889.
3.    Met het woord „bevoegden" is bedoeld, dat de voor te dragen
personen in het bezit moeten zijn van de stukken, bij art. 27 gevor-
derd. Dit stelt de wet als eerste vereischte op den voorgrond, maar
desniettemin blijft het oordeel of een „bevoegde" ook tevens geschikt
is voor de opengevallen betrekking, aan B. en W., behoudens het ge-
vorderd overleg en bericht. Gemst. 1706 ; v.E. IX 188.
4.    Wanneer zich slechts 1 of 2 candidaten aanmelden, dan zal de
natuurlijke rechtsregel gelden. Het is onmogelijk de menschen te
dwingen om te solliciteeren. Men heeft diezelfde quaestie gehad bij
de toepassing der wet op het m. o. Ook daar heeft men dikwijls min-
der namen op de aanbevelingslijst moeten stellen dan de wet voor-
schrijft, omdat men niet meer bevoegden had. M.v.B.Z. 2e K. 1878,
1217.
WET L. O.                                                                                                9
-ocr page 146-
Art. 28.                              130
5.    Verzoekschriften om tot onderwijzer te worden benoemd moeten
op zegel geschreven zijn. M.v.B.Z. 7 Der. 1880 lett. O, afd. O; Hubr.
II 278; P.B. Zeel. 110,1880; Ut. 255.
6.    Akten van aanstelling van onderwijzers zijn vrij van zegel krach-
tens art. 27, A no. 40, der wet van 3 October 1843 (S. no. 47), en
vrij van de formaliteit der registratie krachtens art. 11 no. 1 der wet van
16 Juni 1832 (S. no. 29). Ook de afschriften of uittreksels zijn vrij; de
afschriften of uittreksels echter van besluiten, waarbij aan onderwij-
zers, op hun verzoek, eervol ontslag wordt verleend, zijn niet bij de
wet van zegelrecht vrijgesteld. M.v.B.Z. 1 en 19 Febr. 1881 nis. 327 en
483, afd. O; Hubr. II 280.
7.    Eene voordracht, bij den raad ingediend, is, zoodra zij bij den
raad is ingekomen, diens eigendom, en mag zonder zijne toestemming
niet worden teruggenomen, al is ook een der voorgedragenen overle-
den of ten onrechte op de voordracht geplaatst. Gemat. 1951.
8.    Het is niet cf. de bedoeling der wet, als de raad, alvorens tot de
benoeming van een hoofdonderwijzer over te gaan, het gevoelen der
schoolcommissie over de voordracht inwint. Gemst. 1445; v.E. VII139.
9.    De raad mag zich aan het doen eener keuze uit de hem door
den D.s.o. voorgedragen onderwijzers niet onttrekken, door b.v. de
vakken van onderwijs voor de school uitte breiden. K.B. 28 8e.pt. 1888
no. 11; W.B.A. 2065; Schoolversl. 1887/8.
10.    Benoeming van een hoofd eener school buiten de voordracht is
in strijd met de wet. K.B. 2 Maart 1888 (S. nrs. 28 en 29). — Idem
van een onderwijzer. K.B. 25 Nov. 1888 (S. no. 163).
11.    Benoeming voor een bepaalden tijd, zie aant. 13 ad art. 29.
12.    Van iedere benoeming, schorsing of ontslag van hoofden van
scholen moet mededeeling worden gedaan aan den Inspecteur en den
D.s.o. M.v.B.Z. bij toez. tabellen schoolstatistiek 1882; P.B. Zeel. 133/1881.
13.    Zevende lid. In plaats van de woorden „in overleg met" zijn
de woorden ,na overleg met" gesteld. Het ontmoet bezwaar daarvoor
te lezen: „in overeenstemming met". Het werd dan noodzakelijk, bij
verschil van gevoelen tusschen het gemeentebestuur en den D.s.o., de
beslissing aan eene hoogere autoriteit te geven. Doch die autoriteit zou
in den regel niet met voldoende kennis van zaken eene uitspraak kun-
nen doen. M.v.B. 1889, 21. Zie ook aant. 21 en 22.
14.    De wet verbiedt den gemeenteraad niet, na overleg met den
D.s.o., het hoofd eener school naar eene andere school in die gemeente
te verplaatsen, ook dan wanneer die onderwijzer de overplaatsing ver-
langt noch goedkeurt. M.v.B. 1889, 44.
15.    Art. 28, 7de lid, geeft geen bevoegdheid om te plaatsen:
de directrice eener middelbare school voor meisjes aan het hoofd
eener lagere school. Waar in deze wetsbepaling van „gemeentescholen"
-ocr page 147-
131
Art. 28.
wordt gewag gemaakt, worden uitsluitend lagere scholen bedoeld.
M.v.B.Z. 8 April 1885 no. 971, afd. O; Ht. 284;
het hoofd eener bijzondere gesubsidieerde school aan het hoofd eener
openbare, al wordt de school door de gemeente overgenomen. M.v.B.Z.
3 Oct. 1881 no. 3612, afd. O; Hubr. IV 195-197; Gemat. 1607; v.E.
VIII 167; Ht. 282;
het hoofd eener gemeenschappelijke school aan eene school in eene
der gemeenten. Ht. 281.
16.    Zoolang in de bezoldiging yan den onderwijzer geene verande-
ring wordt gebracht, en indien hij niet door den raad voor eene be-
paalde school of voor een bepaald vak is benoemd, kan de onderwij-
zer worden overgeplaatst van de eene school naar de andere door het
dagelijksch bestuur der gemeente. M.v.B.Z. 25 Juni 1861; Gemst.
510; v.E. II 202. — Echter niet zonder overleg met den hoofdonderw.
en den schoolopziener. M.v.B.Z. 25 Febr. 1862; Gemst. 540 en 545;
W.B.A. 663 en 667; v.E. II 202; P.B. Zeeland 30/1862.
Het in deze beslissingen gehuldigd beginsel geldt ook nog onder de
wet van 1878. Gemst. 1833 en 1989.
Een onderwijzer mag niet op zijn verzoek naar eene andere school
in dezelfde gemeente worden overgeplaatst. G.S. Friesl. en M.v.B.Z.
in
1886; Gemst. 1833 en 1838; W.B.A. 1950, 1952 en 1957; v.E. XI
210; Ht. 283.
17.    Art. 28 al. 8 is ook op onderwijzeressen in handwerken van
toepassing. K.B. 16 Juni 1885 (S. no. 126).
18.    Een vergel. examen voor onderwijzer is niet voorgeschreven,
maar ook niet verboden. Het kan alleen plaats hebben als B. en W.,
de A.s.o. en het hoofd der school het daaromtrent eens zijn. Het be-
richt van het hoofd der school, dat den raad moet worden medege-
deeld, moet natuurlijk in dat geval ook den uitslag van het examen
vermelden. T.C. en M. 197.
19.    B. en W. beginnen met het hoofd der school te hooren;
heeft deze zijn bericht ingezonden, dan overleggen zij met den A.s.o.,
en zenden daarna de voordracht schriftelijk aan den raad, met over-
legging van het bericht van het hoofd der school. M.v.B.Z. 6 Jan.
1881 no. 71, afd. O; Hubr. II 280; Ht. 285.
20.    Indien werkelijk overleg heeft plaats gehad, en nochtans de
meeningen van B. en W. en het schooltoezicht blijven verschillen,
moet door den A.s.o. in de voordracht worden berust, aangezien ge-
noemd college, na aan het voorschrift der wet voldaan te hebben,
ten slotte zijne voordracht zelfstandig kan opmaken. M.v.B.Z. 14 Oct.
1881 no. 3637, afd. O; Hubr. IV 197; v.E. IX 187; Ht. 286; —
M.v.B.Z. 26 Jan. 1886 «0.139, afd. O; Verslag Drente 1886; Gemst.
1871 en 1915; W.B.A. 1991; Wekker 69/1886; v.E. XI 211.
-ocr page 148-
Art. 28.                                   132
21.    Het houden van overleg beteekent niet: met toestemming van
den schoolopziener, maar beteekent toch meer dan het eenvoudig
hooren van de eene partij door de andere; het eischt wederzijdsche
raadpleging. K.B. 16 Juni 1870 (S. no. 94).
22.    Het gevorderde overleg heeft geen plaats gehad, als de A.s.o.
slechts in kennis is gesteld met de rekwesten en zijn gevoelen over
de personen, maar niet zijn oordeel is ingewonnen over de voordracht,
die men voornemens was te doen, en over de vraag, die zich voor-
deed, of er één of twee personen op de voordracht zouden worden
geplaatst. K.B. 19 Der. 1878 (S. no. }%g).
Evenmin, als van drie personen, geplaatst op een in overleg met
den A.s.o. opgemaakte voordracht, zich twee teruggetrokken hebben,
en alleen de derde, zonder nader overleg, door B. en W. aan den raad
is voorgedragen. K.B. 8 Juli 1881 (S. no. 126).
Verg. ook aant. 3 ad. art. 32.
23.    De wet schrijft geen bepaalden vorm voor ten aanzien van het
overleg met den A.s.o. omtrent de benoeming van een onderwijzer;
dat overleg kan worden aangenomen, ook op andere gronden dan op
een officieele briefwisseling.
Waar in de gemeenterekening voorkomt een post wegens belooning
van een onderwijzer voor werkelijk verstrekte diensten, bestaat geen
reden om die uitgaaf als eene onwettige niet in de rekening der ge-
meente toe te laten, al mocht ten aanzien van de door den onder-
wijzer over te leggen getuigschriften en het houden van overleg niet
geheel ordelijk zijn gehandeld. K.B. 16 Mei 1886; W.B.A. 1945; v.E.
XI 209.
24.    Bij uitbreiding van den omvang van het onderwijs met een of
meer der vakken, vermeld onder l—t van art. 2, mag het gemeente-
bestuur den onderwijzer niet verplichten, daarin onderwijs te geven,
zonder hem daarvoor eene billijke belooning toe te kennen. "Was het
handteekenen reeds onder de leervakken opgenomen tijdens de benoe-
ming van den onderwijzer, dan is deze verplicht in dat vak onderwijs
te geven, ook al was het bezit der akte geen vereischte voor zijne be-
noeming. Ht. 258.
25.    De benoeming van een onderwijzer, gedaan naar aanleiding van
getuigschriften van goed gedrag, die formeel in orde waren en wier
juistheid op dat oogenblik door niemand werd betwist, kan, al blijkt
later dat die stukken slechts door een samenloop van omstandigheden
konden zijn verkregen, omdat op het verleden van den onderwijzer valt
af te dingen, niet ter vernietiging worden voorgedragen. G.S. Zeeland
blijkens verslag
1884; W.B.A. 1922; v.E. X 187.
26.    Is aan een raadsbesluit tot benoeming van een onderwijzer
reeds uitvoering gegeven door kennisgeving aan den belanghebbende,
-ocr page 149-
133                            Artt. 28, 29.
dan is een besluit tot intrekking van het besluit tot benoeming in strijd
met de wet. K.B. 5 April 1888 (S. no. 70).
27.    Aan een onderwijzer mag bij zijne aanstelling als voorwaarde
worden gesteld, dat hij binnen een zeker getal jaren naar geen andere
betrekking zal mogen dingen. Gemat. 334 en 773; v.E. II 205.
28.    De raad is bevoegd bij instructie te bepalen, dat de onder-
wijzers in het vervolg moeten wonen in dat deel der gemeente, waar
zij onderwijs geven. Hij kan voor de onderwijzers, evenals voor an-
dere ambtenaren, instructiën vaststellen, ze wijzigen of ze door andere
vervangen. Goedkeuring van Ged. Staten is daarop niet noodig. Deze
kunnen echter bepalingen dier instructiën aan den Koning ter ver-
nietiging voordragen. Ht. 289.
Artikel 29.
Ontslag aan onderwijzers, aan gemeentescholen verbonden,
wordt door den gemeenteraad verleend
a.     rechtstreeks overeenkomstig eigen verzoek, met ingang
van den dag door den gemeenteraad te bepalen;
b.     op voordracht van burgemeester en wethouders of van
den districts-schoolopziener, indien het een onderwijzer be-
treft, aan het hoofd eener school geplaatst;
e. op voordragt van burgemeester en wethouders of van
den arrondissements-schoolopziener, indien het een onderwij -
zer betreft, die niet aan het hoofd eener school is geplaatst.
In de twee laatste gevallen kan het ontslag niet-eervol
worden verleend.
Door Gedeputeerde Staten kan worden verklaard, dat de
niet eervol ontslagen onderwijzer de bevoegdheid tot het
geven van onderwijs heeft verloren.
Aan onderwijzers, verbonden aan eene school, uitsluitend
door het Eijk bekostigd, wordt, hetzij overeenkomstig eigen
verzoek, hetzij ambtshalve, ontslag verleend door Onzen Mi-
nister, die met de uitvoering dezer wet belast is.
1.    Zegel; zie aant. 6, 2de gedeelte, op art. 28.
2.    Op eigen verzoek schijnt slechts eervol ontslag te kunnen
worden verleend. Vraagt de onderwijzer zijn eervol ontslag en meent
de gemeenteraad een niet-eervol te moeten verleenen, zoo zal hij het
verzoek moeten afwijzen en ambtshalve ontslaan. Een verzoek om
eervol te beantwoorden met een niet-eervol ontslag, ware toch
iets anders toestaan dan gevraagd werd. Daarom wordt niet van
-ocr page 150-
Art. 29.                              134
op, maar van overeenkomstig eigen verzoek gesproken. M.v.T.
1878, 19.
3.    Een raadsbesluit, waarbij eene onderwijzeres in vak k op voor-
stel van een raadslid wordt ontslagen, terwijl een door haar inge-
diend verzoek om eervol ontslag buiten beschikking wordt gehouden,
is in strijd met de wet. M.v.B.Z. 30 Maart 1886 no. 936, afd. O; Ver-
slag Zeeland
1886; W.B.A. 2032; v.E. XI 212.
4.    De in 1878 vastgestelde redactie gaf aanleiding tot de opvat-
ting dat een gemeenteraad, ook ten aanzien van het tijdstip waarop
het ontslag zal ingaan, gehouden was aan den wensch van den ver-
zoeker te voldoen. De in 1884 aangebrachte wijziging strekt om deze
uitlegging, niet door de wet bedoeld en evenmin strookende met het
belang van het onderwijs, voor het vervolg onmogelijk te maken.
M.v.T. 1884 6.
Alleen het gemeentebestuur is, bij iedere aanvrage van ontslag, in
staat te beoordeelen, welke termijn strookt met het belang der school-
gaande kinderen. M.v.Jï. 1884, 19.
5.    Volgens litt. a van dit art. mag de raad „overeenkomstig het
verzoek" het ontslag niet anders dan „eervol" verleenen. M.v.B.Z. in
1882; W.B.A. 1790. Anders Gemeenteraad Roermond. Zie v.E. 1X188.
Als een onderwijzer enkel ontslag heeft gevraagd, is de raad niet
verplicht, er het „eervol" bij te voegen. Gemst. 1602.
6.    Vertrekt een onderwijzer vóór den door den raad bepaalden dag,
dan maakt hij zich aan plichtverzuim schuldig. Dit laatste geeft ech-
ter den raad geen bevoegdheid, hem zijn inkomen tot op den dag van
vertrek te onthouden. Men heeft hier niet te doen met eene gewone
burgerrechtelijke overeenkomst; de verhouding tusschen de gemeente
en hare ambtenaren is van een anderen, van een publiekrechtelijken
aard. Daarbij kan geene gerechtelijke ontbinding van het contract we-
gens wanpraestatie met schadevergoeding te pas komen. De ambte-
naar moet worden uitbetaald tot op den dag, dat hij zijne betrekking
verlaat; het is eene jaarwedde, volgens de wet op de begrooting uit-
getrokken en aan de waarneming der functie verbonden. v.E. in Wek-
ker
7,1869; T.C. en M. 199, 200.
7.    De woorden „eigen verzoek" in art. 29a veronderstellen eene
vrijwillige daad, die niet het gevolg is van de, uit eene voorafgestel-
de voorwaarde voortvloeiende, verplichting. De gemeentebesturen zijn
niet bevoegd, deze wetsbepaling aan te vullen in dier voege, dat de
onderwijzers in bepaald aangewezen gevallen van de hun verleende
bevoegdheid al of niet gebruik moeten maken.
Mitsdien zijn in strijd met de wet de volgende bepalingen in plaat-
selijke verordeningen:
dat eene te benoemen onderwijzeres geacht wordt, bjj het aangaan
-ocr page 151-
135                                   Art. 29.
van een huwelijk ontslag uit hare betrekking te nemen. K.B.lf Maart
1882 (S. no. 43);
                                                                  \'
dat onderwijzeressen, die in het huwelijk treden, verplicht zijn ont-
slag te vragen, uiterlijk op den dag, waarop haar huwelijk voltrok-
ken wordt. M.v.B.Z. 14 Juni 1887 no. 1668, afd. O, en K.B. 8 Oct.
1887 (S. no. 170); Gemst. 1874 en 1882; W.B.A. 2002 ; v.E. XI 211;
Ht. 294;
dat, indien een onderwijzer en een onderwijzeres, beiden aan de
school verbonden, liefdesbetrekkingen met elkander aanknoopen, zoo-
danig dat daarvan door feiten in of buiten de school blijkt, de jongst-
benoemde verplicht is ontslag aan te vragen binnen twee maanden na
aanschrijving van B. en W. Ut. 294.
8.    In 1878 werd alleen aan den D.s.o. bevoegdheid verleend, eene
voordracht tot ontslag van het hoofd der school te doen. De Reg.
verdedigde dit o.a. door te zeggen, dat de klem van het rijkstoezicht
lag in den invloed, dien de D.s.o. op de benoeming en het ontslag
van het hoofd der school zou hebben. M.v.B. 1878, 26. Naar het oor-
deel der Reg. van 1889 bestond er evenwel geen reden, aan B. en
W. het recht te ontzeggen, den onderwijzer, hoofd eener openbare
school, die toch gemeente-ambtenaar is, voor ontslag voor te dragen.
M.v.T. 1889, 9.
9.     Gemst. 1614 en T.C. en M. 204 waren van meening, dat alle
besluiten tot ontslag, die niet overeenkomstig eigen verzoek verleend
waren, de redenen van het ontslag moesten vermelden. Daarvoor be-
staat nu nog te meer reden, nu die besluiten aan de goedkeuring van
Ged. Staten zijn onderworpen. Zie art. 19/".
10.    Art. 29c laat het ontslag van een onderwijzer zonder medewer-
king van het schooltoezicht toe. Geen termen tot vernietiging van een
raadsbesluit, waarbij ontslag was verleend aan eene onderwijzeres, aan-
gewezen bij loting uit eene door B. en W. gedane voordracht van
drie personen. M.v.B.Z. 26 Mei 1886 no. 1449, afd. O; Ht. 298.
11.    Een onderwijzer kan ter zake van onbetamelijke handelingen
jegens zijne vrouwelijke leerlingen worden ontslagen, ook vóór dat
de rechter uitspraak heeft gedaan. G.S. Gron. 1 Maart 1878; Gemst.
1405; v.E. VII 138.
12.    Er zijn geen termen voor tusschenkomst der Regeering in
zake een raadsbesluit tot het verleenen van ontslag aan het hoofd
eener school, als de D.s.o. een eervol ontslag had voorgesteld.
M.v.B.Z. blijkens verslag Limburg 1888; W.B.A. 2118.
13.    De benoeming van een onderwijzer „tot wederopzeggens" is
in strijd met de wet, die de wijze regelt waarop aan onderwijzers,
indien daartoe termen bestaan, ontslag kan worden verleend. M.v.B.Z.
cf. G.S. Friesland in
1878; Gemst. 1453; v.E. VII138. Idem Insp. l.o.
-ocr page 152-
Art. 29.                                   136
in de 3e insp. blijkens verslag Gron. 1887; W.B.A. 2101. — Even-
zoo benoeming voor een bepaalden tijd. M.v.B.Z. 25 Juli 1881 no. 2413,
afd. O; Hubr. IV 184; v.E. VIII 167; Ht. 259; Gemst. 1563; W.B.A.
1685. In gelijken zin K.B. 17 y%. 1886 (S. no. 128).
14.    Het raadsbesluit, waarbij een hoofdonderwijzer wordt ontslagen
met bepaling dat hij zijne woning en het schoollokaal moet ontrui-
men, is eene authentieke akte in den zin van art. 52 Wetb. Burg.
Rechtsv. Dat besluit kan alzoo bij voorraad, niettegenstaande verzet
of hooger beroep, worden ten uitvoer gelegd. Hof Limburg 13 Juli
1858; W.v.h.R. 2014; Gemst. 376. Anders Gemst. 443 en W.B.A. 564,
die meenen dat artt. 179/* en 180 gem.-wet moeten worden toege-
past. v.E. II 200.
15.    De raad mag den onderwijzer bij verordening of instructie niet met
geldboete bedreigen. G.S. Friesland in 1871; Gemst. 1093; v.E. IV 163.
16.    De raad kan vorderen, dat een onderwijzer zijne betrekking
waarneme en dus in de school tegenwoordig zij gedurende de school-
tijden bij de verordening bepaald. Wordt nu de onderwijzer in mili-
tairen dienst opgeroepen, dan is hij verplicht zijn ontslag te vragen,
tenzij de raad hem verlof wil verleenen. Indien hij zelf zijn ontslag niet
vraagt, zal hij door den raad kunnen worden ontslagen. G.S. Gron. in
1880; W.B.A. 1728; v.E. VIII 243.
17.    Een raadsbesluit, waarbij eervol ontslag wordt verleend aan
een onderwijzer, die zich, als beklaagd van valschheid in geschrifte, in
preventieve gevangenschap bevindt, is niet in strijd met de wet of het
algemeen belang. M.v.B.Z. 26 Aug. 1880 lett. H, afd. O; Hubr. IV
157-160.
18.    Strijd met de wet is niet aanwezig wanneer eene gehuwde on-
derwijzeres wordt ontslagen op grond dat zij in staat van zwangerschap
verkeert. Gemst. 1763; v.E. X 188.
19.    Al moge de strafrechter een onderwijzer wegens hem ten laste
gelegde onzedelijke handelingen buiten vervolging hebben gesteld, zoo
volgt daaruit nog in geenen deele dat Ged. Staten daardoor onbevoegd
zouden zijn geworden, het voorlaatste lid van dit art. toe te passen, wan-
neer naar hunne overtuiging voldoende van de waarheid der onzede-
lijke handelingenis gebleken. K.B. 10 Jan. 1864; Gemst 668 ; W.B.A.
790; Wekker 34,1864; v.E. II 198. Verg. hierbij aant. 2 ad art. 10.
20.    Bij toepassing van art. 29 al. 3 en 53 wet l.o. moeten Ged.
Staten de genomen besluiten in afschrift aan den M.v.B.Z. mededee-
len. M.v.B.Z. 14 Sept. 1886 no. 2810, afd. O; Ht. 308.
21.    Het behoeft niet opzettelijk te worden uitgedrukt, dat het ont-
slag aan onderwijzers van rijksscholen, evenals dit met rijksambtena-
ren in het algemeen het geval is, ook niet-eervol kan worden verleend.
M.v.B. 1878, 26.
-ocr page 153-
137                         Artt. 30-32.
Artikel 30.
Een onderwijzer, aan eene gemeenteschool verbonden, kan
op voorstel van den arrondissements-schoolopziener voor hoog-
stens eene maand door burgemeester en wethouders worden
geschorst. Zij geven hiervan onmiddellijk kennis aan den ge-
meenteraad en aan den districts-schoolopziener met opgave
van de redenen der schorsing.
De schorsing geschiedt zonder stilstand van jaarwedde.
Zij kan binnen den tijd, waarvoor zij is uitgesproken, door
den gemeenteraad worden opgeheven.
1.    Schorsing als zelfstandige straf verdient af keuring. Die maat-
regel komt alleen te pas als maatregel van orde ingeval van gebieden-
de noodzakelijkheid. Daarom wordt de schorsing afhankelijk gemaakt
van het voorstel van den A.s.o, en geschiedt zij altoos zonder stilstand
van jaarwedde. M.v.B. 1878, 26.
2.    Zoowel bij schorsing als bij ontslag valt het wenschelijke op te
merken, dat de onderwijzer worde gehoord of althans opgeroepen om
zich te verantwoorden, vóór tot schorsing of ontslag worde besloten.
Men mag het er voor houden, dat dit algemeen bekende beginsel dan
ook wel nooit opzettelijk buiten toepassing zal worden gelaten, wan-
neer deze toepassing eenigszins mogelijk is. Insp. I. o. in 1862; T.C.
en M.
206.
Artikel 31.
Behalve op de wijze, in de twee voorgaande artikelen
bepaald, kan de schorsing of het ontslag, doch in het laatste
geval slechts nieteervol, op voordragt van den districts-
schoolopziener door Gedeputeerde Staten worden uitgesproken.
Op dergelijk ontslag is het voorlaatste lid van art. 29 toe-
passelijk.
Het door Ged. Staten uit te spreken ontslag moet altijd niet-eervol
zijn. „Waar de gemeenteraad het ontslag niet wil uitspreken, moeten
Ged. Staten het niet doen, dan waar het een onwaardige geldt. Voor
alle gevallen hunne tusschenkomst in te roepen, ware hen geheel in de
plaats van het gemeentebestuur stellen." M.v.B. 1878, 27.
Artikel 32.
In de tijdelijke waarneming der door schorsing, ontslag
of ontstentenis aan eene gemeenteschool opengevallen plaats
-ocr page 154-
Art. 32.
138
wordt door burgemeester en wethouders in overleg met den
arrondissements-schoolopziener voorzien.
Indien in de vervulling, waar het betreft het hoofd der
school, niet door den gemeenteraad is voorzien binnen zes
maanden nadat de plaats is opengevallen, geschiedt zulks
door Gedeputeerde Staten na voorafgaand vergelijkend on-
derzoek naar de geschiktheid der candidaten.
In geval van tijdelijke verhindering kan, op gelijke wijze
als in het eerste lid van dit artikel is bepaald, in de waar-
neming worden voorzien.
De schorsing van onderwijzers, verbonden aan scholen, uit-
sluitend van Kijkswege bekostigd, en de voorziening in de
tijdelijke waarneming aan dergelijke scholen geschieden door
Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast.
1.    De gemeenteraad is onbevoegd, dit voorschrift tot andere geval-
len uit te breiden, in casu door te bepalen, dat eene onderwijzeres in de
handwerken slechts voor één jaar zal worden benoemd. K.B. 17 Aiifj.
1886 (S. no. 128).
2.    Ofschoon dit art. het voorzien in de tijdelijke waarneming aan
B. en W. opdraagt, zoo is daardoor aan den raad niet de bevoegdheid
ontnomen om een vasten plaatsvervanger aan te stellen. W.B.A. 1883;
v.E. X 188.
3.    Enkele kennisgeving van B. en W. aan den A.s.o., dat de tijde-
lijke waarneming is opgedragen, kan niet als het bij de wet geboden
overleg worden aangemerkt. K.B. 8 Ang. 1888 (S. no. 130).
4.    De raad is niet bevoegd, den tijdelijken waarnemer van de
waarneming te ontheffen. M.v.B.Z. in 1876\'; W.B.A. 1495; v.E. VI
133.
5.    Art. 32 houdt geene bijzondere bepalingen in omtrent het ontslag,
aan een waarnemend onderwijzer op eigen verzoek te verleenen. Bij-
gevolg moet hier de algemeene regel van art. 29a gelden. Zulk een
onderwijzer is ook niet minder „aan de school verbonden" dan een
definitief aangestelde. Het ontslag moet alzoo aan den gemeenteraad
worden gevraagd, die dan echter den dag, waarop het zal ingaan, te
bepalen heeft.
Wil een onderwijzer, die, na drie weken krachtens art. 32 werk-
zaam geweest te zijn, definitief aan eene andere school benoemd
en daarheen reeds vertrokken is, den raad alsnog eervol ontslag
verzoeken, het staat hem vrij, maar evenzeer den raad om het te
weigeren, want deze kan er niet toe verplicht worden, en er is geen
autoriteit, die in zoodanig geval buiten den raad om ontslag kan ver-
leenen.
-ocr page 155-
139
Art. 32.
De vergoeding voor de tijdelijke diensten had door den raad moeten
zijn vastgesteld, omdat de waarnemende onderwijzer plaatselijk ambte-
naar is (zie M.v.B.Z. 10 Oct. 1887 no. 2996, afd. O; aant. 13 hieronder).
Is dit in casu geschied of bepaalt de raad alsnog op verzoek van den
onderwijzer het bedrag der vergoeding voor de drie weken, gedurende
welke hij tijdelijk werkzaam is geweest, dan behooren B. en W. hem
een mandaat te verstrekken tot uitbetaling uit den post der begrooting
voor de jaarwedden van de plaatselijke ambtenaren (art. 205a ge-
meente-wet). Weigeren zij dit, dan kan het op verzoek van den be-
langhebbende door Ged. Staten geschieden (art. 225). v.E. in Wekker
43/1889.
6.    Art. 30 der pensioenwet verzet zich niet tegen het gelijktijdig
genot van het volle pensioen als onderwijzer met eene belooning ver-
bonden aan de tijdelijke waarneming der betrekking van hoofd eener
openbare lagere school. M.V.Fin. 9 Nov. 1883 no. 81, afd. Gen. Thes.;
M.v.B.Z.
16 Nov. 1883 no. 4143, afd. O; Ht. 314.
7.    Maken B. en W. van art. 32 al. 3 gebruik, dan mag de raad de
daartoe noodige gelden niet weigeren. Gemat. 1951.
8.    Ook aan den onderwijzer, die de akte van hoofdonderwijzer be-
zit en daarvoor reeds verhooging van jaarwedde geniet, behoort eene
buitengewone belooning te worden toegekend, indien hij optreedt als
tijdelijk waarnemer der betrekking van hoofd der school, aan welke hij
verbonden is. B. en W. eener gemeente blijkens Ht. 315.
9.    Het is wenschelijk, dat door elk gemeentebestuur regelen wor-
den gesteld, hoe ten aanzien der belooning van de tijdelijke waarne-
ming gehandeld zal worden in geval van schorsing, ongesteldheid of
ontstentenis van de onderwijzers. Deze aangelegenheid behoort tot de
gemeentelijke ambtspolitie, bij plaatselijke verordening te regelen.
M.v.B.Z. 18 Aug. 1862 no. 242, 5e afd.; P.B. Zeeland 97/1862; T.C.
en M.
208.
10.    De bepaling dat de kosten der tijdelijke waarneming van een
onderwijzer, die wegens ziekte vervangen wordt, voor een deel te zij-
nen laste komen, is niet overeenkomstig de billijkheid, omdat de ijve-
rige onderwijzer, die, onafhankelijk van zijn wil, tijdelijk belet wordt
zijne betrekking waar te nemen, daardoor zwaar zou kunnen getroffen
worden, juist op het oogenblik dat zijne behoeften grooter zijn dan ge-
woonlijk, tegen welk bezwaar de last, dien eene tijdelijke vervanging
voor de gemeentekas zou kunnen hebben, niet opweegt. K.B. 30 Maart
1866; Genist. 774; W.B.A. 893; v.E. II 200; T.C. en M. 209.
11.    De jaarwedde van een onderwijzer mag niet worden ingehou-
•den over den tijd, dat hij ziek is geweest. K.B. 26 Febr. 1876
{S. no. 45).
12.    Wenscht een onderwijzer boyen de vastgestelde vacantiën een
-ocr page 156-
Art. 32.
140
verlof, niet voor ziekte, van zóó langen duur, dat zijne vervanging
gedurende dien tijd noodig wordt geacht, dan is het billijk, dat hij zelf
in de kosten der waarneming van zijne betrekking voorzie. In alle an-
dere gevallen draagt de gemeente de kosten der tijdelijke waarneming.
Genist. 1870; HL 811.
13.    B. en W. zijn niet bevoegd, de belooning voor den tijdelijken
waarnemer vast te stellen. Gemst. 1870.
De raad moet krachtens art. 136 der gemeentewet de belooning vast-
stellen. M.v.B.Z. 10 Oct. 1887 no. 2996, afd. O.; HL 310.
Hij is daarbij niet gebonden aan het minimum van art. 26. G.S. Z.-
Holland in
1887; Gemst. 1945.
De toekenning dier belooning is niet aan de goedkeuring van Ged.
Staten onderworpen. G.S. Gron. blijkens verslag 1886; W.B.A. 2043;
— G.S. Utrecht 10 Febr. 1887; W.B.A. 2094; — M.v.B.Z. in 1887;
W.B.A. 1995; Gemst. 1875; v.E. XI 206.
14.    Hij die tijdelijk de betrekking van hoofd der school waarneemt,
heeft geen aanspraak op vrije woning of vergoeding voor huishuur.
Gemst. 1735 en W.B.A. 1854 cf. Raad Edam Dec. 1884; v.E. X 186.
Zie ook HL 313.
15.    De persoon, die als hoofd der school, zij het slechts tijdelijk,
optreedt, heeft aanspraak op eene jaarwedde als zoodanig, dus ook op
vrije woning of vergoeding voor het gemis daarvan. Oordeelt de raad
de jaarwedde, aan de betrekking verbonden, voor den waarnemer te
hoog, zoo kan hij een besluit nemen tot vermindering der jaarwedde,
met bepaling, dat dit besluit buiten werking treedt, zoodra de volgens
artt. 27 en 28 wet 1. o. benoemde onderwijzer zijn taak als hoofd der
school aanvaardt. Daar ook de tijdelijke waarnemer optreedt als hoofd
der school, mag echter ook zijne jaarwedde niet minder bedragen dan
f 700, terwijl hij vrije woning of vergoeding voor het gemis daarvan
behoort te genieten. G.S. Zeeland 25 Nov. 1887 no. 38; Gemst. 1889
e» 1972; W.B.A. 2090; v.E. XI 206; Verslag Zeel. 1887. - Idem
H. J. G. H. in Gemst. 1870. Zie ook Gemst. 1879.
16.    Art. 32, 2e lid, kan door Ged. Staten ook worden toegepast,
als de raad wel eene benoeming heeft gedaan, maar deze door den Ko-
ning is vernietigd. Wanneer eene voordracht is ingediend, is de raad
niet bevoegd, de vakken van onderwijs uittebreiden, met het doel de
voordracht ter zijde te leggen en zich te onttrekken aan de ver-
plichting tot benoeming. K.B. 28 Sept. 1888 no. 11; W.B.A. 2065;
Schoolversl. 1887/8.
17.    Art. 32, 2e lid, is o. a. toegepast door G.S. Zeeland in 1883;
Verslag Zeeland 1883; Schoolversl. 1883/4; door G.S. Gelderland in
1888; W.B.A. 2033; Gemst. 1914.
18.    Verlof aan de onderwijzers, zie aant. ad art. 70.
-ocr page 157-
141                      Artt. 32M», 33.
Artikel 32èis.
Wanneer in eene gemeenteschool jongelieden in het hezit
der akte, bedoeld in art. 56, onder «, op den voet van art.
8 als kweekelingen zijn toegelaten, zijn deze bij schorsing,
ontslag, ontstentenis of tijdelijke verhindering van eenen on-
derwijzer in die school, op aanwijzing van het hoofd, bevoegd
en verplicht tot de waarneming der opengevallen plaats, han-
gende het overleg in het eerste lid van art. 32 voorgeschreven.
Zoo min als het recht, in art. 32 aan het gemeentebestuur toege-
kend, wordt verkort, wordt het beginsel, in art. 8 neergelegd, omver-
geworpen. De persoon toch, door het hoofd der school krachtens de
aan dat hoofd verleende bevoegdheid aangewezen tot waarneming der
opengevallen plaats, is gedurende den tijd dier waarneming geen kwee-
, keling doch onderwijzer, evenals hij dit zijn zal, indien eene tijdelijke
opdracht, door B. en W. gedaan, mocht volgen. M.v.B. Ie K. 1889.
Artikel 33.
Het school onderwijs wordt onder het aanleeren van gepaste
en nuttige kundigheden dienstbaar gemaakt aan de ontwikke-
ling van de verstandelijke vermogens der kinderen en aan hunne
opleiding tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden.
De onderwijzer onthoudt zich van iets te leeren, te doen
of toe te laten wat strijdig is met den eerbied verschuldigd
aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden.
De onderwijzer, die zich in dit opzigt aan pligtverzuim
schuldig maakt, kan door Ons voor hoogstens een jaar en
bij herhaling der overtreding voor onbepaalden tijd in zijne
bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan eene openbare
school geschorst worden.
Het geven van godsdienstonderwijs blijft aan de godsdienst-
leeraren overgelaten.
1. De ondergeteekende wanhoopt aan het vinden eener betere
formule dan de geijkte: opleiding tot alle Christelijke en maatschap-
pelijke deugden. Met de neutraliteit der school tegenover de geloofs-
verschillen der kerkelijke secten strijdt het niet, dat het onderwijs,
de omgang tusschen onderwijzer en jeugd, van den zuurdeesem der
ethiek doortrokken zij. Christelijke en maatschappelijke deugden staan
tot elkander in soortgelijk verband als goede zeden en openbare orde
in rechten. De volkeren, die de Christelijke jaartelling gebruiken, ken-
nen, wat de plichten jegens den naaste betreft, geen andere zede-
-ocr page 158-
142
Art. 33.
leer dan die, welke eerst_ sedert het groote feit, waaraan die jaar-
telling herinnert, \'s menschen hart verlicht en gevormd heeft en waar-
op dus de wereldgeschiedenis — niet het goedvinden van den Ne-
derlandschen wetgever — den stempel Christelijk heeft gedrukt.
Doch de Christelijke zedeleer houdt zich meer met de plichten jegens
den evenmensen dan met die jegens het vaderland bezig en de op-
leiding, door de nationale school te schenken, strekt tevens om vrije
burgers te kweeken en aan het opkomend geslacht levendig besef der
plichten jegens de maatschappij in te boezemen. De woorden Chris-
telijk en maatschappelijk omvatten het gansche gebied der zede-
lijke opvoeding, voor zoover deze in de openbare school thuis be-
hoort. Komen zij, die deugden verwarren met geloofswaarhe-
den, tegen de uitdrukkingen der wet in verzet, — geen tekst is te-
gen misverstand veilig. M.v.B. 1878, 27.
2.    Tot de maatschappelijke deugden, welker aankweeking dit art.
voorschrijft, behooren orde en ingetogenheid, in één woord fatsoen-
lijkheid, niet alleen gedurende den schooltijd en binnen de school-
muren, maar altijd en overal. D.s.o. Breda 1882; Verslag 1882; v.E.
IX 189.
3.    Het woord „andersdenkenden" is steeds opgevat in den ruimen
zin. Men mag geen ideeën verkondigen, strijdig met de begrippen
van hen, die op de school konden tegenwoordig zijn. M.v.B.Z. 2e
K. 3 Mei 1881; Gemat. 1545; v.E. VIII 169. De school moet zooda-
nig zijn ingericht en gehouden worden, dat er elk oogenblik kinde-
ren van andere gezindten ter school kunnen komen. T.C. en M. 213.
(Verg. ook W.B.A. 1380; v.E. V 127: „Het lezen van den bijbel op
de openbare school is, ook wanneer die enkel door Protestantsche
kinderen wordt bezocht, ongeoorloofd.")
In 1889 stelde de heer Van Houten voor, het 2e lid van art. 33
aldus te lezen: „Het onderwijs wordt gegeven met inachtneming van
den eerbied aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden ver-
schuldigd. De onderwijzer onthoudt zich van iets te doen of toe te
laten wat met dien eerbied strijdig is." Tot toelichting daarvan zei-
de de voorsteller o.a.:
„Art. 33 moet zoodanig worden geredigeerd dat geen andere in-
terpretatie mogelijk zij. De onderwijzer moet de feiten mededeelen,
maar mag niet uit die feiten voortredeneerende, iets leeren wat de
godsdienstige begrippen van andersdenkenden zoude krenken. Be-
houdt men de tegenwoordige redactie, dan blijft het onduidelijk of
men ook de feiten zelve niet mag leeren en mededeelen, en deze
onduidelijkheid wordt opgeheven bij de aanneming van mijn voor-
stel."
De heer Schaepman, over het amendement sprekende, zeide o.a.:
-ocr page 159-
143                              Art. 33.
„Wat de heer Van Houten eigenlijk wenscht en bedoelt, kan toch ge-
schieden. Men kan uit geen enkele geschiedenis ter wereld feiten doen
wegvallen. De gewone, naakte mededeeling van zulke feiten staat aan
ieder •onderwijzer vrij. Indien de onderwijzer der openbare lagere
school aan de leerlingen zou willen verhalen welke de stelsels zijn van
Ptolemams of Copernieus, van Darwin, Haeckel, Vogt of Moleschott,
dan staat hem dit volkomen vrij, maar hij mag er niet bijvoegen dat
die stelsels de absolute waarheid behelzen, want daardoor zou de neu-
traliteit zijn geschonden."
De M.v.B.Z. vereenigde zich met deze meening van den heer Schaep-
man: „De heer Van Houten moge er prijs op stellen dat er niet al-
leen feiten worden medegedeeld op de openbare school, maar ook
het trekken van conclusiën daaruit aan de onderwijzers zal worden
overgelaten; ik geloof werkelijk dat, wanneer men nagaat waarvoor
onze openbare school moet dienen, zooals te recht is in het licht ge-
steld door den heer Schaepman, wel het mededeelen van geschied-
kundige feiten niet verboden is, maar het negeeren dier feiten of het
trekken van conclusie\'n daaruit, die de godsdienstige begrippen van
anderen zou kunnen krenken."
De heer Koyaards van den Ham vond in het amendement aanlei-
ding om o.a. op te merken: „Het is mijne meening, dat het voor het
openbaar onderwijs en de natie in het algemeen van groot belang is,
dat de Reg. bij de toepassing van dit artikel niet aan het doctrinaire
denkbeeld van absolute neutraliteit vasthoude, maar alleen de rela-
tieve neutraliteit verzekere, de neutraliteit van het onderwijs met het
oog op de schoolgaande kinderen.......Ook de openbare school
kan zich niet geheel onttrekken — de Eeg. zelve erkent het — aan
den invloed van hare omgeving, evenmin als de onderwijzer aan dien
van zijne eigene overtuiging. Indien maar de onderwijzer zorg draagt
dat zijn onderwijs geen schade toebrengt aan de godsdienstige be-
grippen van de schoolgaande kinderen of hunne ouders, dan worde
door de Reg. niet aangedrongen op absolute neutraliteit, die eerbie-
diging eischt van alle mogelijke begrippen, ook van die welke door
niemand op of in de omgeving der school worden gedeeld."
De heer Van Houten verklaarde zich tevreden met de meening
dat, wanneer men op de openbare school de feiten zuiver, kortweg
mededeelt, men dan niet alleen het zonnestelsel van Copernieus, maar
zelfs de scheppingsleer van Hilckel en Darwin mag mededeelen, mits
het mededeelen van zulk een stelsel niet geschiedt als eene abso-
lute waarheid. Voorts achtte hij met hen, die zijn amendement bestre-
den, dit onnoodig, „omdat het geen verandering zal brengen in den
bestaanden toestand, die zich inderdaad reeds heeft gemodelleerd over-
eenkomstig de formule, welke (hij) wenschte in de wet te schrijven."
-ocr page 160-
Art. 33.                                   144
En nu de discussie, naar het hem voorkwam, een richtsnoer voor de
interpretatie in de toekomst zou opleveren, en dit den onderwijzer vol-
doende zou beveiligen, indien hij zich te goeder trouw houdt aan zijne
leerstof, beschouwde hij zijn amendement als overbodig en trok hij
het in. Zie 2e K. 1889, 1494-1500.
4.    De onthouding, den onderwijzer bevolen, waarborgt de eerbie-
diging van ieders godsdienstige begrippen, door de Grondwet voorge-
schreven. Het gebod geldt dus in de school, niet daarbuiten.
Op andere openbare plaatsen vertoont zich de bijzondere persoon,
niet de onderwijzer. Plichtverzuim slaat alleen op handelingen, die
de onderwijzer pleegt in de uitoefening zijner openbare functiën.
M.v.B. 1878, 27.
In gelijken zin Gemst. 851; W.B.A. 971; v.E. II 207. Art, 36 be-
perkt de vrijheid buiten de school. Gemst. 1377; v.E. VI 135.
5.    Wangedrag buiten de school kan tot ontslag leiden, maar de
straf in dit artikel bedoeld kan alleen worden opgelegd wegens da-
den inde school gepleegd. M.v.B.Z. 2e K. 29 Mei 1884; Hand. 1883/4,
1457.
6.    De onderwijzer eener openbare school mag buiten de school-
uren onderwijs in den godsdienst geven, mits met inachtneming van
art. 36. K.B. 12 Dec. 1876 (S. no. 239).
Schorsing van een onderwijzer, die gedurende de schooluren on-
derwijs gaf volgens de leer der E.K. Kerk. Wekker 73/1883; Ht. 322.
7.    Door mede-redacteur of mede-corrector of medewerker van een
blad te zijn, aangenomen zelfs dat dit blad zich regelmatig schuldig
maakt aan de verguizing van den clerus en den godsdienst der over-
groote meerderheid van de bevolking, handelt een onderwijzer nog
niet in strijd met art. 23 (oud, nieuw 33) der wet op het l.o., het-
welk een voorschrift behelst omtrent datgene, waarvan de onderwij-
zer zich in de school moet onthouden. K.B. 6 Aitg. 1878 (S. no.
106).
8.    Geestelijke broeders, gekleed in het gewaad hunner orde, in
eene o. 1. school onderwijs gevende, kunnen niet geacht worden zich
te onthouden van iets te leeren, te doen of toe te laten wat strijdig
is met den eerbied verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van
andersdenkenden. K.B. 23 April 1861 (S. no. 24).
Ditzelfde is uit den aard der zaak ook op geestelijke zusters van
toepassing. Wanneer de bedoelde personen het gewaad hunner orde
afleggen en zij de bevoegdheid tot het geven van l.o. bezitten, is er
geen bezwaar hen bij op. 1. scholen onderwijs te laten geven. De wet
heeft hen niet uitgesloten. M.v.B.Z. 20 April en 2 Aug. 1881 nrs. 1240
en 2750, afd. O; Hubr. III4; Gemst. 1559; Wekker 64/1881; v.E. VIII
169; Ht. 323.
-ocr page 161-
145                              Art. 33.
9.    Het als „misbruiken" of als „verderfelijke aflaathandel" voor-
stellen van instellingen der R.K. kerk is strijdig met den eerbied, ver-
schuldigd aan de godsdienstige begrippen der Roomsch-Katholieken.
K.B. 10 AprU 1883 no. 10; Wekker 35/1883; Gemst. 1649; W.B.A.
1769; v.E. 1X189.
Bij dit besluit is zonder voldoenden grond de straf van schorsing
opgelegd. Besl. 2e K. 4 April 1884; Hand. 1277. Zie ook Ht. 335.
10.    Het hoofd der school handelt niet in strijd met art. 33 der
wet, wanneer hij buiten tegenwoordigheid der leerlingen veranderin-
gen in schoolversjes aanbrengt (in casu zijn Schepper verandert
in het zonlicht, en derg.), indien die wijzigingen op zich zelve
niets bevatten, wat strijdt met den eerbied, verschuldigd aan de gods-
dienstige begrippen van andersdenkenden. M.v.B.Z. 29 Jan. 1886 no.
69, afd. 0; Ht.
326.
11.    De aanbeveling in eene instructie, dat het hoofd der school
bij den aanvang en het einde der schoolweek een stichtelijk woord
spreke, is niet in strijd met de wet. M.v.B.Z. 6 Maart 1882 no. 681,
afd. O; Hubr. IV 239-244; Ht. 320.
12.    De bepaling, dat het openen en sluiten van de schooltijden
moet geschieden met een kort en gepast gebed of gezang, op eerbie-
dige wijze ingericht, is niet in strijd met de wet. Door het bidden op
zich zelf toch wordt niet in strijd met art. 33 al. 2 gehandeld; dit
art. wordt eerst dan geschonden, wanneer de bewoordingen van het
gebed den eerbied voor de godsdienstige begrippen van andersden-
kenden krenken. Een „gepast gezang" is zeker niet in strijd met de
wet, welke het zingen onder de vakken van het lager onderwijs op-
neemt. M.V.B.Z. 9 Jan. 1884 no. 4581, afd O; Verslag Z-.Holl. 1884;
W.B.A. 1931; v.E. X 189; Ht. 321. — In gelijken zin Gemst. 1310;
v.E. VI 135.
In anderen zin was beslist M.v.B.Z. 24 Juni 1881 no. 2185, afd. O,
cf. G.S. Z.-Holl; Hubr. III 5; W.B.A. 1730; v.E. VIII 243.
13.    In het 3e lid is niet sprake van eene schorsing, bij welker
opheffing de geschorste zijne functiën hervat, maar van het ontnemen
der bevoegdheid, om onderwijs aan eene openbare school te geven,
in het algemeen. Dit reikt verder zelfs dan ontslag. M.v.B. 1878, 27.
De schorsing, in art. 30 bedoeld, is schorsing in de betrekking en
deze betreft de bevoegdheid tot het geven van onderwijs; gedurende
haren duur vervalt dus de bevoegdheid om onderwijs te geven, ter-
wijl integendeel bij de schorsing in de betrekking die bevoegdheid
behouden blijft. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1237.
In 1884 stelde de Reg. voor, aan het derde lid eene bepaling toe
te voegen van dezen inhoud: „Met tijdelijke schorsing gaat gepaard
eene schorsing in de betrekking van gelijken duur zonder of met
WET L. O.                                                                                   10
-ocr page 162-
Artt. 33, 34.                          146
geheelen of gedeeltelijken stilstand van jaarwedde. De schorsing
voor onbepaalden tijd brengt van rechtswege ontslag uit de betrek-
king mede." De vraag toch was gerezen: „Wanneer het een gemis
van bevoegdheid is, wat moet er dan met de jaarwedde gebeuren?
Gaat die verloren? En de Ministers, die de wet hebben toegepast, zijn
van oordeel geweest dat dit niet het geval was, want dat het dan
in de wet had moeten staan en dat eene bepaling van poenalen aard
niet dan beperkend moet worden uitgelegd. Wanneer in de wet staat,
dat iemand in zijne bevoegdheid om onderwijs te geven wordt ge-
schorst en hij eerst geheel onbekwaam wordt ingeval die schorsing
bij herhaling is opgelegd (zoodat dan het ontslag moet volgen), dan
volgt daaruit dat de eerste schorsing geen aanleiding zou geven tot
ontzetting uit het ambt en verlies van het traktement." M.v.B.Z. 2e
K. 1884, 1459. Het voorstel werd echter verworpen.
Artikel 34.
Op bezwaarschriften tegen het in de school gebruik ma-
ken van bepaald aangewezen leerboeken wordt beslist door
Onzen Minister, die met de uitvoering dezer wet is belast.
Zijne beslissing wordt in de Staatscourant openbaar gemaakt.
Den onderwijzer, die een aldus afgekeurd leerboek ge-
bruikt, wordt door burgemeester en wethouders verboden
hiermede voort te gaan.
In geval van ongehoorzaamheid wordt aan den onderwij-
zer een niet-eervol ontslag gegeven.
1.    Bij ongehoorzaamheid na waarschuwing en verbod valt aan
geene verzachtende omstandigheid te denken, öf zij is van zoodanigen
aard, dat in het geheel geen ontslag gegeven wordt. M.v.B. 1878, 27.
2.    Wanneer noch de gemeenteraad, noch Ged. Staten het niet-
eervol ontslag willen verleenen, kan daarin niet worden voorzien. Dit
komt ons voor eene leemte te zijn. T.C. en M. 218.
8. Verboden is de 2e druk van „Nieuwe geschiedenis door A.
Nuiver en O. J. Reinders". M.v.B.Z. 7 Se2)t. 1883 no. 3151, afd. O;
St.-ct.
8 Sept. 1883 wo. 241; Wekker 73/1883; W.B.A. 1787; Ht. 330;
T.C. en M.
519.
Geen bezwaar tegen: „Bijbelsche geschiedenis, in leerzame verha-
len voor de jeugd, Ie stuk, 15e druk." M.v.B.Z. 12 Jan. 1884 no.
4625, afd. O; W.B.A. 1807; Gemst. 1688; Wekker 28/1884; Hl. 332.
4. Het gebruik van het Oude en Nieuwe Testament als leesboek
op de openbare school is niet wenschelijk. M.v.B.Z. 17 Mei 1882 no.
1799, afd. O; Ht. 171. — Idem T.C. en M. 213.
-ocr page 163-
147                      Artt. 34, 35.
5. Aan geen enkele wetsbepaling kan de Kegeering de bevoegd-
heid ontleenen om een bepaald leesboek van regeeringswege aan te
bevelen. M.v.B.Z. 24 Dec. 1833 no. 4364, afd. O; Ht. 331.
Evenmin, om te zorgen voor de verspreiding van het werkje:
„Volksonderwijs over alcohol." M.v.B.Z. sine die; Ht. 333.
Artikel 35.
Het is den onderwijzers op straffe van ontslag verboden
handel te drijven of eenige nering of beroep, behalve het
geven van onderwijs, uit te oefenen.
1.      Onderscheid te maken tusschen handeldrijven, nering doen of
een beroep uitoefenen is niet doenlijk. Maar het ligt in den aard der
zaak, dat het verbod strikt moet worden uitgelegd. Correspondent
van een levensverzekeringmaatschappij te zijn of correspondent of re-
dacteur van een dagblad, zal men niet als uitoefening van een be-
roep kunnen aanmerken, als het bijzaak blijft en dus niet wegneemt
dat de onderwijzer in gezonden zin gezegd kan worden voor zijn
ambt te leven. (Zie echter aant. 6 op dit art.). Legt men het verbod
breed uit en tracht men dan de ongerijmde gevolgen te breidelen door
aan Ged. Staten de bevoegdheid tot vrijstelling te verleenen, men ver-
plaatst de moeilijkheid, doch ontkomt daaraan niet, want nu rijst da-
delijk de vraag, of vrijstelling verzocht moet worden of niet en dus
wat handel, nering of beroep beteekent. M.c.B. 1878, 27.
2.    Correspondent van een levensverzekeringmaatschappij is geen
beroep als het bijzaak blijft. M.v.B.Z. 17 Dec. 1880 Lett. AA, afd. O;
P.B. Zeeland
30,1881; Ht. 340; Hubr. III 11; Gemst. 1531; W.B.A.
1654; v.E. VIII 169.
Zie hierover verder aant. 9 ad art. 36.
3.    Agent der Brusselsche Centraalbank valt onder drijven van
handel of uitoefening van nering. G.S. Friesl. volgens verslag 1887;
Gemst. 1929.
4.    Het op eigen gezag en voor eigen rekening geven van onder-
wijs in den godsdienst is niet het waarnemen van een ambt of bedie-
ning, maar het uitoefenen van een beroep. G.S. Z.-Holl. in 1877;
W.B.A. 1526; v.E. VII 139. Idem Ht. 336.
5.    Akkerbouw is niet als een beroep te beschouwen, b.v. het be-
werken van een half bunder gronds als akker- of bouwland; het te-
gendeel volgt uit art. 19 (thans 26) dat den onderwijzer zoo moge-
lijk een tuin wil toegelegd hebben. W.B.A. 506.
6.    Het redacteur zijn van dag- of weekbladen is als een beroep
in den zin van art. 24 (thans 35) wet l.o. te beschouwen, zoodat een
10*
-ocr page 164-
Art. 35.                            148
daartegen in de instructie opgenomen verbod, als eene herhaling of
toepassing van het wettelijk voorschrift, geen bedenking ontmoet.
Daarentegen schijnt het schrijven of leveren van artikelen voor uit-
gevers van couranten den onderwijzers niet te kunnen worden ver-
boden, daar zoodanig verbod bezwaarlijk overeen te brengen ware
met art. 8 (thans 7) der Grondwet, hetwelk iederen preventieven maat-
regel ten aanzien van het gebruik der pers verbiedt. M.v.B.Z. 29 Dec.
1874; T.C. en M. 222. Zie aant. 1 op dit art.
Cf. voor het laatste gedeelte Gemst. 1185; W.B.A. 1308; v.E. V 135.
7.    Onder „het geven van onderwijs" in art. 35 is te begrijpen:
onderwijs aan eene bijzondere bewaar- naai- en breischool; G.S. Zeel.
14 Dec. 1883 no. 37; — onderwijs aan eene praktische ambachtsschool;
G.S. Gron. blijkens verslag 1885; W.B.A. 1993.
8.    Nu de wet het geven van onderwijs, als uitoefening van een
beroep, uitdrukkelijk toelaat, mag de plaatselijke wetgever deze be-
voegdheid niet beperken door te bepalen:
dat de openbare onderwijzers geene privaatlessen mogen geven zon-
der vergunning van B. en W. M.v.B.Z. 3 Mei 1881 no. 1416, afd O;
Ilubr. III 7; Ut. 335;
dat den hoofden van scholen en den onderwijzers verboden is, aan
bijz. inrichtingen en evenzeer aan bijz. personen onderwijs te geven,
indien dit laatste volgens het oordeel van het schooltoezicht nadeelig
is voor het openbaar onderwijs. M.v.B.Z. in 1883; Gemst. 1667 ; W.B.A.
1787; v.E. 1X190;
dat de onderwijzers aan B. en W. mededeeling moeten doen van de
dagen en uren, waarop zij privaatles wenschen te geven. K.B. 20
Febr. 1884 (S. no. 33).
9.    Art. 35 laat den raad bevoegd in het belang van het onder-
wijs in de gemeente bij verordening te bepalen:
dat de openbare onderwijzers zich moeten onthouden van privaat-
lessen te geven. M.v.B.Z. in 1888; Gemst. 1933 en 1956; W.B.A.
2079;
dat de onderw. zonder vergunning van B. en W. geen privaaton-
derwijs mogen geven aan de leerlingen van de scholen, waaraan zij
verbonden zijn. Raad Leemvarden 16 Maart 1889; W.B.A. 2079 en
2081;
dat de onderwijzers geene privaatlessen mogen geven zonder ver-
gunning van B. en W.; deze kunnen in elk bijzonder geval het best
beoordeelen of het ten nadeele van het schoolonderwijs zou zijn. G.S.
Zeel.
15 Nov. 1889 no. 17.
In gelijken zin ook M.v.B.Z. in 1875; Gemst. 1316; v.E. VI 137.
10.    Art. 35 is niet van toepassing als de onderwijzer eenige kost-
leerlingen bij zich in huis neemt. Iets anders is het, als hij eene kost-
-ocr page 165-
Artt. 35, 36.
149
school houdt; dit is wel degelijk een beroep. — Den raad mag de
bevoegdheid niet worden ontzegd, den onderwijzer het houden van
kostleerlingen te verbieden. Genist. 1477, 1945 en 1946; v.E. VII 140.
11.    De bepaling, dat hoofden geene kostleerlingen in huis mogen
nemen zonder vergunning van B. en W. en dat de onderwijzers in
de schoollokalen geen bijzonder of privaat onderwijs mogen geven zon-
der gelijke vergunning, is in strijd met de wet. Ged. Staten moeten
beslissen, of de onderwijzer door het opnemen van kostleerlingen een
beroep uitoefent, en zoo ja, of hem de vrijstelling hiertoe kan wor-
den verleend. M.v.B.Z. 14 Sept. 1885 no. 2632, afd. O; Verslag Fries-
land
1885; W.B.A. 1981; Ht. 343; v.E. XI 209. Zie ook Gemst. 1882
en 1884.
12.    Vergelijking van artt. 35 en 36 met de bepalingen in de vo-
rige wet, en opmerkiiïgen omtrent de uitvoering, Gemst. 1911.
Artikel 36.
Het is hun op gelijke straffe verboden ambten of bedienin-
gen te bekleeden of te gedoogen, dat te hunnen huize han-
del of nering gedreven of eenig beroep uitgeoefend worde
door de leden van hun gezin.
Zoowel van het eene als van het andere verbod kan vrij-
stelling worden verleend door Gedeputeerde Staten, den
districts-schoolopziener gehoord.
Het ontslag, in dit en de twee voorgaande artikelen be-
doeld, wordt verleend, hetzij door den gemeenteraad op voor-
dragt van den districts-schoolopziener of van burgemeester
en wethouders of van den arrondissements-schoolopziener naar
de onderscheidingen, in art. 29 onder b en c gemaakt, hetzij
ingevolge art. 31 door Gedeputeerde Staten, hetzij aan scho-
len, uitsluitend door het Eijk bekostigd, door Onzen Minis-
ter, met de uitvoering dezer wet belast.
1.    De bedoeling is wel degelijk de uitoefening van elk beroep,
ook dat van onderwijzer, aan de leden van het huisgezin te verbie-
den, indien Ged. Staten geen grond vinden om vrijstelling daarvan
te verleenen. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1252.
2.    Een amendement om tusschen „beroep" en „uitgeoefend" te
voegen: „behalve het geven van onderwijs", werd verworpen, omdat
er redenen kunnen zijn om in een huis, waarover de gemeente be-
schikt, geen onderwijzer te hebben, die in een gedeelte daarvan on-
derwijs laat geven door zijne huisgenooten. Zie M.v.B.Z. 2e K. 1878,
1252.
-ocr page 166-
150
Art. 36.
8. Zij, die vóór de invoering der wet ambten of bedieningen be-
kleedden met goedkeuring van Ged. Staten krachtens art. 24 der
wet van 13 Aug. 1857 (S. no. 103), behoeven de in art. 36 der wet
van 17 Aug. 1878 bedoelde vrijstelling niet om die ambten of bedie-
ningen te blijven uitoefenen. M.v.B.Z. 20 Oct. 1880 Lett. A, en 29
Oct. 1880 no. 13, afd. O; Hubr. III 7-9; P.B. Zeeland 91/1880 en
30/1881; Gemst. 1534; W.B.A. 1654; v.E. VIII 171. Anders Mr. A.
W. Hoeth in Gemst.
1517; W.B.A. 1642.
4.    Wanneer Ged. Staten de vrijstelling weigeren, kan die niet
worden verleend door den M.v.B.Z. Wel kan de requestrant, krach-
tens art. 14 der wet, bij den Koning in hooger beroep komen. M.v.B.Z.
17 Maart 1881 no. 896, afd. O; Hubr. III 13; Ht. 351.
5.    De Eaad van State was in 1881 van meening, dat tot het ver-
leenen der in dit artikel bedoelde vrijstelling alleen dan behoorde
te worden overgegaan, „wanneer met zekerheid mag worden aange-
nomen, dat door de gelijktijdige waarneming aan het onderwijs geen
schade zal worden berokkend." Bij K.B. 24 /«Z«.1881 (S. no. 139) werd
echter beslist, dat de vrijstelling moet worden verleend, „tenzij ge-
gronde redenen het onraadzaam doen achten in het belang van het
onderwijs". Zie St.-ct. 4 Aug. 1881; Hubr. III13—20; iïï.346; Gemst.
1558; W.B.A. 1679; v.E. VIII170; B.v.S. 1881, 420 en 526.
6.    Tot het verleenen van vrijstelling van het verbod, bij het Ie lid
als regel gesteld, behooren in ieder geval afdoende redenen van zoo-
danigen aard te bestaan, dat daardoor de afwijking van bedoelden re-
gel genoegzaam gewettigd wordt. G.S. Utrecht in 1884; W.B.A. 1942;
v.E. X 262.
7.    Bij het K.B., in aant. 5 bedoeld, is tevens beslist: 1°. dat,
daargelaten wat onder het woord bedieningen in art. 36 in het al-
gemeen te verstaan zij, daaronder elke betrekking, door een kerke-
lijk gezag of eene kerkelijke gemeente opgedragen, moet worden be-
grepen; 2°. dat de algemeene stelling, „dat de taak van openbaar
onderwijzer, zooals de wet die omschrijft, niet wel vereenigbaar is
met kerkelijke dienstbetrekkingen", niet mag gelden als gegronde
reden om een afwijzing te motiveeren.
8.    Onder „ambten" en „bedieningen" zijn, in tegenstelling van
„handel, nering en beroep" te verstaan alle zoodanige betrekkingen,
die niet door eigen keuze kunnen aanvaard worden, maar door eenige
bestaande macht worden opgedragen. Diephuis, Handleiding, hl. 111.
Zie T.C. en M. 228.
„Ambt" is een blijvende werkkring, die 1°. door een bevoegd ge-
zag aan iemand wordt opgedragen, en 2°. tot de hoogere betrekkin-
gen in de maatschappij behoort; wie in persoonlijken dienst staat,
bekleedt geen ambt......Veel ruimer is de opvatting van het
-ocr page 167-
151                             Art. 36.
woord „bediening". Het brengt niet het bijdenkbeeld mede, dat men
door een openbaar gezag is aangesteld, en het strekt zich ook tot
lagere betrekkingen uit. Evenwel, men heeft ook hooge bedieningen,
betrekkingen b. v. in dienst van den Koning (kamerheeren, opperstah
meesters, hofmeesters enz.). Het onderstelt meestal, dat men in den
werkkring niet geheel zelfstandig handelt naar eigen inzicht, maar
aan de orders van een hooger persoon gebonden is.
Eindelijk spreekt men van „ambten en bedieningen" te zamen, en
dat is, dunkt mij, de collectieve benaming, waarin men alles omvat,
zonder dat de bijzondere kenmerken van het ééne of van het andere
woord daarbij zoo geheel nauwkeurig in aanmerking komen. Advies
van hooggeleerde zijde bij Hubr.
III 11.
Moeten de woorden bediening en ambt als geheel gelijkluidend
worden aangemerkt? De Grondwet (art. 5) maakt geen onderscheid,
en ik geloof ook niet, dat zulk een onderscheid gemaakt behoort te
worden. In het dagelijksch spraakgebruik moge men soms vrij wil-
lekeurig aan de beide woorden eene eenigszins verschillende betee-
kenis hechten, naar ik meen laat dit verschil zich noch juridisch noch
etymologisch rechtvaardigen. Het nieuwe strafwetboek, dat de woor-
den welke het gebruikt met bijzondere zorg gekozen heeft, spreekt
herhaaldelijk van ambtenaren in de uitoefening hunner bediening, en
bezigt dus het woord bediening daar waar het ongetwijfeld ook had
kunnen schrijven „ambt". In grammaticalen zin zal openbaar ambt of
bediening wel omschreven moeten worden als omvattende elke be-
trekking, welke iets meer dan een loutere eeretitel, als plicht eene
bepaalde taak oplegt, die ten behoeve van den staat of van zijne dee-
len vervuld behoort te worden. En in juridischen zin is het niet an-
ders; het staatsambt is een door het openbare recht begrensde kring
van staatsfunctiën, een complex van werkzaamheden, en diezelfde ver-
klaring zal men naar ik meen aan het woord „openbare bediening"
moeten geven. Bugs I 53.
9. Onder „ambten en bedieningen" behoort:
ouderling bij een Ned. Herv. gemeente. G.S. Geld. in 1872 (Gemst.
1060; v.E. IV 167); G.S. N.-Brab. in 1878 {Gemst. 1472; v.E. VII140).
kerkvoogd bij eene Ned. Herv. gemeente. Gemst. 1800; G.S. Friesl.
in
1890 (Gemst. 2001).
makelaardij in suikerbiet. G.S. Limb. in versl. 1888.
diaken. G.S. Gron. in versl. 1885 {W.B.A. 1993). Anders dez. in
1889 (Wekker 50/1889) en G.S. Zeel. 24 Dec. 1880.
lid van het burgerlijk armbestuur. M.v.B.Z. 13 Nov. 1889 no.
3353, afd. O (Gemst. 1992; W.B.A. 2112).
lid of secr. van een Nutsspaarbank, lid, secr. of voorz. van een
Nutsdepartement, secr. bij de Kerkvoogdij. G.S. Gron. in 1889 (Gemst.
-ocr page 168-
Art. 36.                                   152
1990). Anders v.E. in Wekker 48/1889, en voor zooveel bestuurslid
eener Nutsspaarbank betreft, G.S. Gron. op \'t eind van 1889 {Gemst.
1994).
agent eener verzekeringmaatschappij. G.S. Limb. en Drente blij-
kens versl.
1888. Anders G.S. Friesl. in versl. 1887 {Gemst. 1929; v.E.
XI 258); G.S. Zeel. in versl. 1888; G.S. Z.-Holl. in 1872 en 1874
{Gemst. 1159 en 1253; W.B.A. 1277 en 1397; v.E. IV 167 en V 135).
Terwijl G.S. Zeeland meenden, dat dergelijke agentuur, zoolang zij
bijzaak blijft, zonder wetsovertreding kan worden waargenomen, acht-
ten G.S. Z.-Holl. haar een beroep of bedrijf. Verg. aant. 1 en 2 op art. 35.
10. Onder ambten en bedieningen behoort niet:
volksteller. G.S. Geld. in 1889 (WeK-er 47/1889; Gemst. 1991); G.S.
Zeel.
6 Dec. 1889 no. 24.
dienst bij de schutterij, in welken rang of graad ook, te minder
omdat bij art. 32 schutterijwet op de weigering van leden der schut-
terij om de benoeming tot officier, onder-off. of korp. aan te nemen,
zelfs eene poenaliteit is gesteld. M.v.B.Z. 3 Febr. 1869 {Gemst. 910;
W.B.A. 1028; Wekker 10/1869). De Gemst. 925 {v.E. III 258) en 1266
{T.C. en M. 230) onderscheidt of de onderwijzer schutterplichtig is of
niet; in het eerste geval behoeft hij geen, in het andere wel vrijstel-
stelling om off. te zijn. \'t Laatste cf. M.v.B.Z. 12 Oct. 1861 {Gemst.
494; W.B.A. 616; Wekker 11/1861; v.E. II 208).
het geven van bijzonder onderwijs. G.S. Geld. in 1864 {W.B.A. 846;
v.E. II 209). Of van normaalonderwijs. M.v.B.Z. 31 Maart 1884 no.
1000, afd. O {Gemst. 1699; Wekker 33/1884; Ht. 342); Gemst. 1647
en 1673 {v.E. IX 174).
het besturen der lessen van eene bijzondere school. M.v.B.Z. 30
Kov. 1886 no. 3596, afd. O {Versl. Limb. 1886; Wekker 18/1888;
Gemst. 1913; W.B.A. 2019; Ht. 341). Anders een D.s.o., omdat aan
de betrekking van hoofd eener bijz. school behalve het geven van
onderwijs nog andere op zich zelf staande verplichtingen verbonden
zijn. v.E. XI 213.
dienstplichtigheid bij het brandwezen, tenzij bij de verord. op de
brandweer aan de schoolonderwijzers de bevoegdheid is toegekend,
voor eene benoeming bij den brandspuitdienst te bedanken; in dat
geval is art. 36 toepasselijk, en kan de vrijstelling worden verleend,
wanneer door zijn dienst bij de brandweer de onderwijzer wordt ont-
last van andere diensten (in casu schutterij), die meer zijne afwezig-
heid uit de school zouden vorderen. G.S. Gron. in 1880 en 1886
{W.B.A. 1728 en 2004; v.E. VIII 243; Wekker 94/1887; Gemst.
1879; Ht. 349).
boekhouder eener spaarbank. Gemst. 1994.
11. Het is niet wenschelijk dat een (hulponderwijzer tegelijk met
-ocr page 169-
Art. 36.
153
het hoofd der school in een en hetzelfde college zitting heeft. Dit
kan licht tot min goede verstandhouding leiden, wanneer zij in ge-
voelen verschillen, vooral waar het een kerkelijk college geldt. G.S.
Gron. in
1885; W.B.A. 1993; v.E. XI 213.
Evenmin dat een (hulp)onderwijzer kerkvoogd is, terwijl het hoofd
der school de betrekking van koster bekleedt. G.S. Friesl. in 1890;
Gemst. 2001.
12.    Vrijstelling is o. a. verleend voor:
doodgraver. K.B. 1 Nov. 1870 no. 4; T.C. en M. 229; — voorzan-
ger en voorlezer bij eene Herv. gemeente; deze betrekking, ofschoon
tot de kerkelijke bedieningen behoorende, is niet van dien aard, dat
zij den openbaren onderwijzer, die haar waarneemt, afhankelijk maakt
of onder den invloed plaatst van eenig geestelijk gezag, of eeniger-
mate de onpartijdigheid, die in hem gevorderd wordt, in gevaar
brengt. K.B. 5 April 1881 no. 7, 26 Juli 1881 no. 20 en 25 Juli
1882 no. 14; Hubr. III 20—22 en IV 285; Gemst. 1550; v.E. VIII
170; Kt. 347 en 348; — onderwijzer in den godsdienst bij eene doops-
gezinde gemeente. K.B. 12 Dec. 1876 (S. no. 239). In gelijken zin,
wanneer dat godsdienstonderwijs buiten de schooluren wordt gege-
ven. K.B. 28 Aug. 1858; Gemst. 588; S.v.S. I 121; v.E. II 207; —
kerkmeester in de R. K. Kerk. K.B. 2 Aug. 1881 no. 13; Hubr. IV
204; Ht. 348; — kerkelijk ontvanger bij de Ned. Herv. gemeente.
K.B. 9 Nov. 1881 no. 22; Hubr. IV 206; v.E. IX 190; Ht. 348; —
het buiten de schooluren ophooren der lessen over den godsdienst
van R. K. kinderen, die op de school gaan. G.S. Zeeland 10 Febr. 1882
no. 24; Verslag Zeel. 1882.
Voor het beroep van modiste of naaister, uit te oefenen door de
vrouw van een onderwijzer, kan vrijstelling worden verleend. Ht. 345.
13.    Vrijstelling is o. a. geweigerd voor:
sub-ontvanger der accijnzen. G.S. Z.-Holl. in 1874; Gemst. 1253;
W.B.A. 1397; v.E. V 135; — brievengaarder. K.B. 18 Sept. 1879;
W.B.A. 1591; v.E. VII 140; — onderwijzer in het koraalgezang en
het bijbellezen namens de Herv. gem., omdat de gelijktijdige waar-
neming moet geacht worden in strijd te zijn met de beginselen der
wet op het 1. o. K.B. 20 Jan. 1863; Gemst. 593; W.B.A. 713 en
898; v.E. II 206; — lid der plaatselijke commissie van toezicht op
het 1. o. G.S. N.-Holl. blijkens Wekker 2/1889; — koster en organist
bij de R. K. gem. K.B. 5 Oct. 1881 no. 17; Hubr. IV 207; Ht. 348;
— het geven van godsdienstonderwijs buiten de schooluren tegen
geldelijke belooning. G.S. Zeeland blijkens verslag 1881.
Vrijstelling is ook geweigerd aan een onderwijzer, die na zijn huwe-
lijk met de dochter eener weduwe, welke een winkelnering dreef, bij deze
wilde gaan inwonen. K.B. 9 Dec. 1881 no. 40; Hubr.IY 202; Ht. 350.
-ocr page 170-
Artt. 37, 38.
154
Artikel 37.
Aan de onderwijzers wordt, in de gevallen bij art. 38 en
onder de voorwaarden bij artt. 41 en 42 dezer wet gesteld,
pensioen verleend ten laste van het Rijk.
Artikel 38.
Regt op pensioen wordt verkregen door na volbragten vijf
en zestigjarigen leeftijd bekomen ontslag.
Pensioen kan insgelijks verleend worden aan een onderwij»
zer, die na tienjarigen diensttijd uit hoofde van ziels- of lig-
chaamsgebreken voor de waarneming zijner betrekking on-
geschikt is en op dien grond ontslag heeft bekomen.
Die ongeschiktheid wordt aangenomen op de verklaring
van den districts-schoolopziener en van Gedeputeerde Staten.
Bij de berekening van het pensioen komen alleen in aan-
merking diensten vóór of sedert het in werking treden dezer
wet als onderwijzer aan eene openbare school ten behoeve
van het lager onderwijs bewezen.
1.    Bij eene aanvrage om pensioen moeten worden overgelegd: a.
een extract uit de geboorte-akte; b. het besluit, waarbij uit de laatste
betrekking ontslag is verleend; c. een staat van dienst, zijnde een op-
gaaf in volgorde van tijd van de onderwijzersbetrekkingen, aan open-
bare scholen voor lager onderwijs bekleed, met aanduiding van de
dienstjaren aan elke school; deze staat moet door bewijsstukken wor-
den gestaafd. Zoowel de aanvrage om pensioen als de bewijsstukken
van het aantal dienstjaren moeten gezegeld zijn. Vyl. Ht. 355, 356.
2.    Wordt het recht van een onderwijzer op pensioen ontkend of
betwist, of blijkt na de regeling van zijn pensioen, dat deze niet juist
is te achten, dan kan hij aan den Koning verzoeken, de regeling van zijn
pensioen in nadere overweging te nemen. Zie E.v.S. 1885, 514 en 603.
3.    Op pensioen hebben ook aanspraak de hoofd- en hulponderwij-
zers, die aan het hoofd staan van bijzondere scholen, welke volgens art.
2 van reglement A bij de wet van 1806 onder de openbare scholen
zijn gerangschikt, omdat zij iets uit de gemeentekas ontvingen en als
openbare onderwijzers werden aangemerkt. Hun diensttijd aan zooda-
nige school wordt dan ook in rekening gebracht, wanneer zij later als
onderwijzers aan eene openbare school gepensionneerd worden. Maar
wordt zoodanige school niet als openbare behouden, dan vallen zij van
de pensioenlijst af. M.v.B.Z. 8 Febr. 1859 no. 108, 5e afd.; v.E. II 209;
T.C. en M. 232.
-ocr page 171-
Art. 38.
155
4.    Aan den dienst van 1°. de voormalige ondermeesters, die geen
aanstelling van het gemeentebestuur verkregen hebben en ook geene
bezoldiging uit de gemeentefondsen genoten, maar ten wier behoeve
aan den hoofdonderwijzer eene toelage van de gemeente werd uit-
gekeerd; 2°. de voormalige ondermeesters, die geen aanstelling van
het gemeentebestuur noch bezoldiging uit de gemeentefondsen ver-
kregen, maar wier indiensttreding door het gemeentebestuur is erkend
en goedgekeurd, — kan het karakter van gemeentelijken dienst niet
wel ontzegd worden. Raad v. toez, o. h. pensioenfonds voor Burg. ambt.
in
1869; T.C. en M. 235; Gemst. 943; W.B.A. 1115; v.E. III 259;
Ut. 352.
5.    Diensttijd als ondermeester aan een lagere school vóór 1860 niet
in aanmerking genomen, omdat niet blijkt van eene vaste aanstelling
van het gemeentebestuur. K.B. 3 Sept. 1886 no. 16; Gemst. 1856;
Wekker 6 en 36/1887.
6.    Ingeval van wege het gemeentebestuur geen bewijzen van ge-
presteerde ondermeesters-diensten kunnen overgelegd worden, of een
gemeentebestuur bezwaar maakt eene verklaring van erkenning of
goedkeuring van den dienst aftegeven, kan genoegen worden geno-
men met eene verklaring van drie of meer personen, bekrachtigd door
eene verklaring van den burgemeester. M.v.B.Z. 3 Juni 1871 cf. Raad
v.T. pens.-fonds Burg. ambt.; Gemst.
1029; W.B.A. 1148; v.E. III
259; T.C. en M. 235; Ht. 354.
Blijkens mededeeling in Verslag Zeeland 1884 is echter eene ver-
klaring van twee ingezetenen voldoende.
7.    De verklaring van ongeschiktheid in het 3e lid bedoeld, door
den D.s.o. en Ged. Staten te geven, moet natuurlijk aan het ontslag
voorafgaan, omdat dit steunen moet op grond dier ongeschiktheid.
M.V.B.Z. 22 Juni 1859 no. 151, 5e afd.; P.B. Zeeland 64/1859.
Bij K.B. 5 Dec. 1888 no. 17 werd echter pensioen verleend in het
volgende geval. Aan \'t hoofd eener school was ontslag verleend, voor-
dat hij den 65-jarigen leeftijd bereikt had. Na de aanvrage om pensioen
werden eerst verklaringen van ongeschiktheid afgegeven; de raad ver-
leende toen, met intrekking van het vorige besluit, eervol ontslag op
grond van ongeschiktheid, welk besluit werd geacht te zijn ingegaan op
denzelfden dag, waarop het eerste besluit zou zijn ingegaan. Met in-
gang van dien dag werd het pensioen verleend.
8.    Hoe Ged. Staten en de D.s.o. tot de overtuiging der onge-
schiktheid geraken, is aan henzelve overgelaten. Volgens den eisch
der zaak zal wel een behoorlijk onderzoek, zoo noodig met voorlichting
van het plaatselijk schooltoezicht en van een geneesheer, voorafgaan.
M.v.B. 1857 ad art. 24; T.C. en M. 234.
Eene verklaring van geneeskundigen kan door Ged. Staten niet
-ocr page 172-
Artt. 38, 39.                          156
worden gevorderd. Mochten zij echter op geneeskundig advies prijs stel*
len, dan ware het geneeskundig staatstoezicht te raadplegen. M.v.B.Z.
7 April 1881 no. 1016, afd. O; Hubr. III 40; Ht. 357.
Tot het uitbrengen van een advies zijn de Inspecteurs van het
geneesk. staatstoez. uitgenoodigd bij schrijven M.v.B.Z. 25 April 1881
no. 1016/1, afd. O; Hubr. III 41; Wekker 36/1881; Ht. 357.
Artikel 39.
Aan den onderwijzer hoofd eener school die ten gevolge
van de opheffing der school, en aan den onderwijzer, die,
wegens opheffing der school of wegens opheffing zijner be-
trekking, omdat het krachtens deze wet in de school gevor*
derd aantal onderwijzers is overschreden, wordt ontslagen
en niet in de termen valt pensioen te genieten, wordt ten
laste van het Rijk een wachtgeld verleend tot een bedrag
van de helft der jaarwedde, die hij op het tijdstip van zijn
ontslag genoot. Dit wachtgeld vervalt na vijfjaren wanneer
het geldt het hoofd eener school, na twee jaren wanneer het
geldt een onderwijzer, of wanneer het hoofd of de onderwij *
zer in de termen komt om pensioen te genieten, of zooveel
vroeger als hij tot eene betrekking van Rijks*, provincie- of
gemeentewege wordt benoemd, waarvan de bezoldiging met
het bedrag van het wachtgeld gelijk staat of dit overtreft,
of zoodanige betrekking, hem niet van Rijks*, provincie* of
gemeentewege opgedragen, aanvaardt. Bij de aanvaarding
eener betrekking, niet van Rijks-, provincie* of gemeente*
wege opgedragen, waarvan de bezoldiging lager is dan het
wachtgeld, wordt dit verminderd met het bedrag dier bezol*
diging.
Behalve in het laatstgenoemde geval rekent de tijd, gedu*
rende welken het wachtgeld wordt genoten, mede voor aan*
spraak op pensioen.
In de aan onderwijzers, geen hoofden van scholen, te ver*
leenen wachtgelden, wordt door de gemeente de helft aan het
Rijk vergoed.
1.    Geen pensioen kan worden verleend aan eene onderwijzeres,
die gedurende den tijd, dat zij krachtens art. 39 wachtgeld geniet,
ongeschikt wordt. M.v.B.Z. 16 Dec. 1885 no. 3761, afd. O. Zie ook
Gemst. 1893.
2.    Het wachtgeld moet bedragen de helft der jaarwedde, zonder
-ocr page 173-
157                           Artt. 39—41.
dat daaronder de waarde van — of het bedrag der vergoeding voor
huishuur mag worden begrepen, die volgens art. 40 der wet voor de
berekening van het pensioen mede in aanmerking komt. M.v.F. 3
Mei 1881 no. 3, Gen. Thes.; Hnbr. III 48.
3.    Met het oog op deze wet gaat het niet op, aan een bijzonder
onderwijzer, al genoot hij vroeger een subsidie uit de gemeentekas,
wachtgeld toe te kennen. Wel staat het den gem.-raad vrij hem van
jaar tot jaar eene gratificatie te verleenen als tegemoetkoming in het
verlies, dat hij door eene nieuwe regeling zal ondervinden. G.S. Fries-
land blijkens verslag
1888; Genist. 1907 en 1982; v.E. XI 213.
4.    Over uitbetaling van wachtgelden verg. Hubr. III50; Ht.ZQien 365.
5.    De letter van art. 39 is in strijd met de bedoeling. Genist. 1893.
Artikel 40.
Het pensioen beloopt voor elk jaar dienst een zestigste
deel van de jaarwedde, die over de laatste twaalf maanden,
aan het ontslag voorafgegaan, tot grondslag gediend heeft
voor de bepaling der bijdrage, in het volgend artikel ver-
meld, doch mag nimmer het twee derde gedeelte dier jaar-
wedde te boven gaan.
:.im                                       Artikel 41.
Als bijdrage voor pensioen wordt door de onderwijzers
jaarlijks betaald twee ten honderd van de jaarwedde aan
hunne betrekking verbonden.
De jaarwedde wordt berekend met inbegrip van hetgeen
de onderwijzer, aan het hoofd eener school geplaatst, op
grond van art. 26, vierde lid, dezer wet geniet. Het bedrag
dezer inkomsten wordt door Gedeputeerde Staten bepaald.
De bijdrage komt ten voordeele van het Rijk en wordt
door de zorg der gemeentebesturen geïnd en aan \'s Rijks
schatkist verantwoord.
1. Blijkens het 2e lid telt de vrije woning, of de vergoeding wegens
gemis daarvan, mede voor pensioen. Tengevolge der aanneming van
een amendement op art. 26 (zie aldaar aant. 31) zal echter de onderwij-
zer, wanneer hij van de gemeente zou kunnen krijgen eene woning die
hij niet betrekt, omdat hij eene kosterswoning of eene eigene woning
bewoont, wegens het gemis van de woning der gemeente geene vergoe-
ding krijgen. In dat geval zal de grondslag van zijn pensioen dus na-
tuurlijk minder moeten wezen; dat is het noodwendige gevolg van het
-ocr page 174-
Art. 41.                              158
amendement. In dat geval doet de onderwijzer zelf vrijwillig afstand van
zijne aanspraak op vrije woning en verkeert hij dus in hetzelfde ge-
val als een onderwijzer, die afstand doet van een gedeelte van zijn
traktement. De aanneming van het amendement heeft, ik herhaal het,
tengevolge, dat in dat geval de grondslag van het pensioen minder
bedraagt. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1253.
In gelijken zin Ht. 368 en 372.
2.    Wil de raad boven de in art. 26 bedoelde vaste wedde, ter
aanmoediging of voor buitengewone diensten, eene buitengewone be-
looning toekennen, dan maakt die belooning geen deel uit van de
vaste wedde en is daarvoor ook geene pensioensbijdrage verschuldigd.
G.S. Z.-Holl. in 1883; Genist. 1659; v.E. IX 186; — K.B. 24 Maart
1858 no. 14; T.C. en M. 239. — Idem, wat eene gratificatie voor een
vol jaar dienst betreft. M.v.B.Z. 22 Jan. 1881 no. 265, afd. O; Hubr.
III 43; Ht. 360; Gemat. 1536; W.B.A. 1658; P.B. Zeeland 30/1881.
Anders Gemst. 1659.
3.    Eene bezoldiging voor het geven van herh.-onderw., vastge-
steld en goedgekeurd krachtens art. 26, is, hoewel het vormelijk juis-
ter schijnt de jaarwedde als één geheel vast te stellen, een deel van de
vaste jaarwedde, bedoeld in art. 26, en die jaarwedde in haar geheel is
krachtens art. 41 de grondslag voor de pensioensbijdrage. M.v.B.Z. 9 JJec.
1882 no. 4779,afd. O; Gemst. 1649; v.E.ÏX 191; P.B. Geld. 147/1882.
4.    De ond., die tijdelijk als hoofd der school fungeert, moet zoo-
lang dit duurt pensioensbijdrage storten van de jaarwedde, aan zijne be-
trekking van (hulp)onderwijzer verbonden. Gemst. 1926; v.E. XI 258.
/ 5. Voor tijdelijke waarneming krachtens art. 32 wordt niet bijge-
dragen. M.v.B.Z. cf. Raad v. Toez. pensioenfonds in 1872; P.B. Zeel.
26/1872; Gemst. 1065; W.B.A. 1184; v.E. IV 168; T.C. en M. 237.
Evenmin door op wachtgeld gestelden. M.v.B.Z. cf. Raad v. Toez.
in
1880.
6. Bij verplichte afwezigheid met of zonder behoud van traktement,
om wettige redenen, waaronder het vervullen van militie-plichten be-
hoort, kan de tusschentijd niet geacht worden afbreking van den dienst-
tijd als onderwijzer te zijn, en kan dus de pensioensbijdrage doorgaande
worden ingevorderd. M.v.B.Z. cf. Raad v. Toez. pensioenfonds in 1880;
P.B. Zeel. 47/1880; Gemst. 1500; W.B.A. 1619; v.E. VIII 141.
Schorsing wordt niet geacht afbreking van den diensttijd te zijn.
M.v.B.Z. 11 Febt: 1861 no. 210, 5e afd; P.B. Zeel. 23/1861.
Voor den onderwijzer, die in militairen dienst treedt, met het voor-
nemen, zijne betrekking later weder te aanvaarden, wordt, indien hij
dit niet kan en ontslag krijgt, zijn diensttijd geacht te zijn geë\'in-
digd op het tijdstip der indiensttreding. M.v.B.Z. 5 Mei 1883 no. 1619,
afd. O cf. Raad v. Toez. pensioenfonds.
-ocr page 175-
159
Artt. 41, 42.
7.    De bijdrage van 2% moet worden berekend van den dag af
van de in functie treding tot dien van het eervol ontslag of overlij-
den toe. Er kan noch behoeft alzoo iets te worden bijgedragen ge-
durende den tijd die tusschen het ontslag en eene weder in functie
treding als onderwijzer op eene andere plaats of door verhooging mocht
verloopen. Raad van Toez. pensioenfonds 19 Oct. 1865; Gemst. 741;
W.B.A. 862; Wekker 49/1865; v.E. II 211.
8.    Bij de berekening over gebroken tijdvakken van pensioensbij-
dragen op te volgen den regel, aangegeven bij Kon. Besl. van 21
Jan. 1884 (S. no. 8), nl. dat steeds het jaar op 360 en de maand op
30 dagen worden gesteld. G.S. Geld. in P.B. 37/1889.
9.    Voorschriften betreffende de invordering en verantwoording der
bijdragen zijn gegeven bij K.B. 8 Fehv. 1881 (S. no. 26). \')
De bevelschriften wegens ingehouden bijdragen zijn vrij van zegel
krachtens K.B. 22 Aug. 1880 no. 40; Huhr. III 50; P.B. Zeel. 95/1881.
De bijdragen mogen niet vóór het einde van het halfjaar gestort
worden. P.B. Zeel. 26/1870.
Artikel 42.
De bepalingen van de artt. 7, 16, derde lid, 22, 23, 24,
26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 37, 40 en 41 der wet betref,
fende de burgerlijke pensioenen, laatstelijk gewijzigd bij die
van 21 Mei 1873 (Staatsblad no 64), zijn op de pensioenen
der onderwijzers van toepassing.
De in dit artikel toepasselijk verklaarde artikelen der pensioenwet
luiden;
Art. 7. Alle aanspraak op pensioen gaat verloren voor hem, die, behalve in
de gevallen bij de artikelen 3, 5, 11 en 12 voorzien, ontslagen wordt op eigen
verzoek, of die ten gevolge van lijf- of onteerende straf, of uithoofde van wan-
gedrag, onzedelijkheid of morkelijke achteloosheid, of omdat hij zijn post eigen-
dunkelijk heeft verlaten, van dezen wordt ontzet.
Voor hem evenwel, die, na om een der redenen bij het eerste lid vermeld ont-
slagen te zijn geweest, later wordt herplaatst, zijn de diensten vóór het ontslag
en na de herplaatsing bewezen gelijkelijk geldig.
Art. 10, 3e lid. Daarentegen wordt het genot van vrije woning, huisvesting
en voeding, voor zoover dit invloed heeft op het bedrag der inkomsten, als wed-
de of belooning aangemerkt.
Art. 22. Geen pensioen wordt verleend dan op aanvrage van of van wege de
belanghebbenden.
Die aanvrage moet, op verbeurte van alle aanspraak op pensioen, binnen vijf
jaar na het verkrijgen der bevoegdheid om de aanvrage te doen, worden inge-
diend bij het departement van algemeen bestuur, waaronder de belanghebbendo,
of hij, door wiens overlijden de bevoegdheid verkregen is, heeft behoord.
1) Dit besluit zal onder de bijlagen worden opgenomen.
-ocr page 176-
Art. 42.                           160
Wanneer de aanvrage niet binnen een jaar na het verkrijgen der bevoegdheid
daartoe is ingediend, gaat het pensioen eerst in met het vierendeel jaars, vol-
gende op dat waarin de aanvrage gedaan is.
Ten aanzien van ambtenaren wordt de bevoegdheid gerekend eerst verkregen
te zijn door ontslag.
Art. 23. Geen pensioen wordt toegekend anders dan bij besluit van den Ko-
ning, houdende vermelding der gronden, waarop het pensioen verleend wordt.
Van deze besluiten wordt in de Staatscourant opgave gedaan, voor zoo veel
betreft den naam van den gepensioneerde, het bedrag van het pensioen en de toe-
passelijke wetsbepaling.
Voorts wordt bij de indiening van de begrooting van Staatsuitgaven jaarlijks
aan de Staten-Generaal overgelegd eene lijst van de sedert de indiening der vo-
rige begrooting verleende pensioenen.
Die lijst wijst aan:
a.   do namen der gepensioneerden;
b.   hun ouderdom, woonplaats en laatste dienstbetrekking;
c.    de oorzaak van het gegeven ontslag;
d.   de artikelen der wet krachtens welke het pensioen is verleend;
e.    het bedrag van het pensioen;
ƒ. de bevoegdheid tot overgang van het pensioen op de weduwen en weezen,
wanneer dit geval zich kan voordoen.
Art. 24. De pensioenen worden in volle guldens verleend.
Onderdeelen van een gulden komen daarbij voor een guldon in berekening.
Zij gaan, behoudens de uitzondering in art. 22 vermeld, in met den dag vol-
gende op dien, met welken de wedde of belooning waarnaar zij berekend zijn,
of het pensioen dat zij vervangen, is opgehouden.
Zij worden uitbetaald tot het einde van het vierendeel jaars waarin zij door
overlijden of om andere redenen vervallen.
In geval van herplaatsing echter wordt het pensioen niet verder uitbetaald, dan
tot den dag dat de wedde of belooning ingaat.
Art. 26. De pensioenen, welke gedurende vijf achtereenvolgende jaren niet
zijn ingevorderd, worden aangemerkt als vervallen.
De titularissen, welke later de uitbetaling weder mogten aanvragen, kunnen in
het genot niet worden hersteld, dan te rekenen van het vierendeel jaars, volgen*
de op dat waarin de aanvraag gedaan is.
De termijnen, waarvan de invordering niet heeft plaats gehad binnen itn jaar
na de betaalbaarstelling, worden niet meer uitbetaald.
Art. 27. (Zooals het is gewijzigd bij art. 15 dor wet van 15 April 1886, S.
no. 64.) Veroordeeling tot gevangenisstraf van drie jaren of zwaardere straf, ten-
zij door geheele kwijtschelding der straf opgevolgd, doet het genot van pensioen
ophouden gedurende een door den regter bij het vonnis te bepalen tijd.
Het staat den Koning vrij, daartoe termen vindende, over het pensioen van den
veroordeelde, ten behoeve van deszelfs vrouw of minderjarige kinderen te beschikken.
Art. 28. Het pensioen vervalt, wanneer de titularis:
a.   naturalisatie in een vreemd land of vreemden adeldom aanneemt;
b.   buiten toestemming van den Koning, hetzij zich in vreemde krijgsdienst be-
geeft, hetzij een ordeteeken, titel, rang, waardigheid, openbare bediening, bezoldi-
ging of pensioen aanneemt, welke door eene vreemde mogendheid of regering zijn
verleend of opgedragen.
Art. 29. Buiten de gevallen, waarin de wet zulks toelaat, kan geen burger-
lijk pensioen gelijktijdig met een ander pensioen ten laste van de geldmiddelen
van den Staat of van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen geno-
ten worden.
-ocr page 177-
161                                Art. 42.
Art. 30. \') Wanneer een burgerlijk gepensioneerde inkomsten of belooningen
geniet uit de geldmiddelen van den Staat, van \'s Rijks koloniën en bezittingen in
andere werelddeelen of uit fondsen onder het beheer des Rijks geplaatst, in be-
trekkingen, die ter begeving staan van het algemeen bestuur, dan wordt te dier
zake eene korting op zijn pensioen toegepast.
Die korting bedraagt;
«. wegens eene bijkomende inkomst of belooning van minder dan zestien hon-
derd gulden;
25 ten honderd van de eerste f C00;
50 ten honderd van de volgende f 400;
75 ten honderd van het overige;
b. wegens eene bijkomende inkomst of belooning van zestien honderd gulden
of hooger, vijftig ten honderd van het geheele bedrag.
De korting wordt niet toegepast, wanneer het vereenigd bedrag van pensioen
en bijkomende inkomst of belooning de som van vijf honderd gulden niet over-
treft, en met zooveel verminderd als noodig is om het vereenigd bedrag niet be-
neden die som te doen dalen.
Het burgerlijk pensioen wordt in zijn geheel gelijktijdig genoten met de soldij
en de toelage, verbonden aan de Militaire Willemsorde en aan de benoeming tot
broeder der orde van den Nederlandschen Leeuw.
Art. 31. 2) Wanneer een gepensioneerde, wiens pensioen uit de inkomsten van
den Staat, uit die van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen of
uit het fonds bij art. 33 vermeld wordt gekweten, herplaatst wordt in eene be-
trekking, waaraan het uitzigt op burgerlijk pensioen verknocht is, dan wordt zijn
pensioen te dier zake, op den voet van het voorgaande artikel, behoudens de
daarbij vermelde uitzonderingen, verminderd.
Bij latere aftreding wordt hij, behoudens het bepaalde bij do artt. 27 en 28, in
het volle genot van zijn vroeger pensioen hersteld, en wordt hem daarenboven,
voor zoo verre hij daarop naar de regelen dezer wet aanspraak kan maken, een
tweede pensioen verleend, in evenredigheid van de belooning en den duur der
diensten na de herplaatsing genoten en bewezen, doch met dien verstande, dat
het vereenigd bedrag der pensioenen de som van drie duizend gulden en voor
gewezen hoofden van ministeriële departementen die van vier duizend gulden niet
kan overschrijden.
Art. 32. Wanneer een ambtenaar, die gelijktijdig meer dan ééne burgerlijke of
daarmede gelijkgestelde betrekking vervult, slechts uit één daarvan wordt ontsla-
gen, worden bij de regeling van zijn pensioen de belooningen en de diensten zij-
ner overige betrekkingen niet in aanmerking genomen, doch kan hij zijn pensi-
oen, zonder dat de bij art. 30 bepaalde korting daarop wordt toegepast, gelijktij-
dig met de belooning der laatstgemelde betrekkingen genieten.
Bij latere aftredingen uit deze betrekkingen wordt hem daarvoor, naar de re-
gelen dezer wet, een afzonderlijk pensioen verleend, in evenredigheid van de be-
looning en den duur der diensten daarin genoten en bewezen, doch met dien ver-
stande, dat het vereenigd bedrag zijner pensioenen de som van drie duizend gul-
den
niet kan overschrijden.
Art. 37. De raad onderzoekt de aanvragen om pensioen, en brengt zijn advies
uit omtrent het al of niet verleenen van pensioen, mitsgaders over de hoegroot-
heid van hetzelve.
1)  Zie aaiit. f. ad art. 32.
2)  Een gepensionneerd onderwijzer, die weder tot onderwijzer benoemd wordt, mag tegelijk met
zijne jaarwedde als onderwijzer zijn volle pensioen genieten. .V.r./Vu. 19 Mei 1885 710. 30, afd.
Gen. Thes.; Mx.B.Z.
27 Mei 1885 no. 1485, afd O; lil. 878.
WET L. O.                                                                                              11
-ocr page 178-
Artt. 42, 42««.                      102
Art. 40. De bepalingen tier wet van den 24sten Jan. 1815 (Staatsblad no. 5),
welke bij deze ook van kracht verklaard wordt voor de provincie Limburg, wor-
den, zoowel wat de arresten als wat de kortingen betreft, met opzigt tot de lmr-
gerlijke pensioenen gehandhaafd en toepasselijk verklaard.
Art. 41. De burgerlijke pensioenen zijn onvervreemdbaar. De titularis kan
daarover op geenerlei wijze beschikken, ook niet door verpanding of beleening.
Indien hij last geeft om dezelve voor hem te ontvangen, kan hij die Iastge-
ving altijd herroepen.
Alle overeenkomsten hiermede strijdig zijn nietig.
Deze bepalingen worden in de acte van pensioen uitgedrukt.
De voorschotten door gemeentebesturen, liefdadige of tot algemeen nut wcr-
kende instellingen, hetzij renteloos, hetzij tegen eene matige rente, op de voor-
schrevene pensioenen gegeven of nader te geven, en tot zekerheid waarvan de
acten van pensioen in pand gegeven zijn of zullen worden, zijn niet onder de bij
deze wet verboden beleeningen begrepen, mits de bepalingen, waarnaar die voor-
schotten geschieden, door Gedep. Staten der provincie, waarin de gezegde be-
sluren en instellingen zijn gevestigd, goedgekeurd zijn.
Wanneer een burgerlijk gepensioneerde in een gesticht of instelling van \\velda-
digheid, door het openbaar gezag erkend, is opgenomen of, op welke wijzo ook,
door zoodanige instelling of door eene burgerlijke gemeente wordt verpleegd, wordt,
zoolang dit geschiedt, zijn pensioen uitbetaald aan het bestuur van dat gesticht,
die instelling of gemeente, hetwelk zich tot dat einde in het bezit zal stellen van
het bewijs van inschrijving van het pensioen.
Indien het bedrag van het pensioen dat dor verplogingskosten overtreft, wordt
het verschil door het betrokken bestuur aan of ten behoeve van den gepensio-
neerde uitgekeerd.
Artikel 42bL*.
De artt. 0, 2(5, 27, lit. a, en 35—42 gelden niet voor de
onderwijzers aan openbare scholen, uitsluitend belast met
het onderwijs in een of meer der vakken, vermeld in art. 2
onder /i, ?\', /\', q, r en f.
De artt. 26 en 35—42 gelden niet voor de onderwijzers
aan openbare scholen die uitsluitend in een der vakken of
in beide vakken vermeld in art. 2 onder j en ,« onderwijs
geven, dan wel daarnevens mede onderwijs geven in een of
meer der vakken, vermeld in art. 2 onder //, ?, k, q, r en i.
1.    Vergelijk hierbij aant. 1 ad art. 15 en de K.I5., vermeld onder
aant. 17 ad art. 28 en aant. 1 ad art. 32. ])
2.    Bekend zijn de motieven die er toe hebben geleid de akte van
1) Bij M.D.B.Z. 17 Sept. 1881 no. 3327, afd. O (lluhi: IV 267), was beslist:
„Vreemdelingen kunnen niet tot onderwijzeres in vak h worden benoemd, vóór-
dat door haar, overeenkomstig art. 0 al. 2 der wet, de vergunning des Konings
tot het geven van onderwijs in dat vak hier te lande verkregen zal zijn." Na de
wijziging van 1884 schijnt die vergunning niet meer noodig geacht te moeten
worden.
-ocr page 179-
163                        Artt. 426it, 43.
bekwaamheid niet te vorderen van hen die uitsluitend in een of meer
der sub a bedoelde vakken onderwijs geven. Er zijn geen termen voor
het landbouwkundig onderwijs ten deze weder eene uitzondering te
maken, waardoor de uitgaven bovendien zouden klimmen. In den re-
gel zal aan hen die de wettelijke bevoegdheid bezitten wel de voorkeur
worden gegeven. M.v.B. 1889, 43.
3. Aan het verzoek om door wetswijziging te bevorderen, dat gym-
nastiek-onderwijzers pensioen kunnen verkrijgen, kan niet worden vol-
daan. M.r.B.Z. 6 Sept. 1882 m. 3037, afd. O; Hiibr. V 241—245; v.E.
IX 175.
§ 3. Van de kosten van hel onderwijs.
Artikel 43.
Elke gemeente voorziet in de kosten van haar lager on-
derwijs, voor zoover die niet komen ten laste van anderen
of op andere wijze worden gevonden.
1.     Het wetsontwerp behoudt de grondslagen der wet van 1857,
doch aan de gemeente hoogere lasten opleggende, komt het ze tege-
moet door 30 pCt. van de kosten, waarmede het openbaar lager
onderwijs de gemeenterekening bezwaart, ten laste van het Eijk te
brengen.
Dit is de algemeene regel. Zijn er dan nog gemeenten, die in weer-
wil dezer tegemoetkoming nog te onevenredig gedrukt blijven, zoo
kan bovendien aan deze, als de billijkheid het vordert, een subsidie
worden verleend. M.v.T. 1878, 13.
2.     De verplichting tot betaling door een waterschap, krachtens
octrooi van bedijking, van een bijdrage tot bezoldiging van den school-
meester is niet vervallen door art. 3. In de gemeente, die de bijdra-
ge ontvangt, komt dan volgens art. 43 een deel der kosten ten laste
van anderen. M.v.B.Z. 22 Dec. 1880 lett. P, afd O; Hubr. III 52; Ver-
dag Zeeland
1880.
3.     Indien eene gemeente (/een kosten voor het openbaar lager on-
derwijs heeft, kan zij ook geen aanspraak maken op de uitkeering
van het subsidie, vervangende vroegere rijksjaarwedden van onder-
wijzers. Voor de gemeente Eeusel, waar al de leerlingen der open-
bare school naar de bijzondere waren overgegaan en dientengevolge
de onderwijzers eervol ontslag hadden bekomen, is op dien grond ge-
meld subsidie bij K.B. 9 Febr. 1889 no. 20 ingetrokken. Uittreksel
verslag Rekenkamer
1888; ir.7J.yl. 2103.
11*
-ocr page 180-
Art. 44.                                    164
Artikel 44.
Die kosten zijn
a.     de jaarwedden der onderwijzers;
b.     de vergoeding aan onderwijzers, aan het hoofd van
scholen staande, wegens gemis van vrije woning;
c.     de toelagen en bijdragen tot opleiding van onderwijzers;
d.     de uitgaven ten behoeve van het herhalings-onderwijs;
e.     die voor het stichten en in stand houden of voor het
huren der schoollokalen en onderwijzerswoningen;
f.     die voor het aanschaffen en onderhouden der schoolmeu-
belen en der schoolboeken, leermiddelen en schoolbehoeften;
rj. die voor verlichting en verwarming en het schoonhou-
den der schoollokalen;
h. die van het plaatselijk schooltoezicht en van het ver-
gelijkend onderzoek;
i, die voor de schoolbibliotheken, belooningen en eere-
blijken. \')
1.     „Die kosten zijn", zegt het art., niet om daarmede te kennen
te geven, dat de raad geenerlei andere kosten zou mogen aanwenden
dan die hier zijn genoemd, want de bevoegdheid van den raad wordt
hier niet tot de gemelde punten beperkt. Het is alleen eene beslissing,
dat in de gezegde kosten noodwendig op den voet van art. 43 voor-
zien moet worden, zoodat zij zelfs, volgens art. 212 gem.-wet, des-
noods door Ged. Staten op de gem.-begr. kunnen worden gebracht.
Diephuis, bh. 150; T.C. en M. 258.
2.    De opdracht van het beheer aan de plaatselijke schoolcommissie
over de gelden, welke door den raad jaarlijks worden toegestaan om
te voorzien in de kosten van het openbaar lager onderwijs, is in strijd
met art. 179e der gem.-wet. K.B. 1 Nov. 1858 (S. no. 74.)
B. en W. mogen echter wel de beschikking over eene kleine som,
toegestaan voor het verleenen van prijzen, overlaten aan de school-
commissie; zij blijven evenwel verantwoordelijk aan den raad. M.v.B.Z.
23 Juni 1858 no. 153, 5e afd.; Hiibr. III 66; HL 389; T.C, en M.
258; P.B. Zeel. 70/1858.
3.    Onder c zullen begrepen moeten worden alle uitgaven, die de
1) Verscheidene der onder dit art. medegedeelde beslissingen zijn uitgelokt
door de Traag, of voor oene uitgaaf door het Rijk 30"/0 werd Tergoed. Door de
wetswijzigingen van 1884 en 1889 is die vraag vervallen; de beslissingen behou-
den echter haro waarde in verband mul de plaatsing van een uitgaafpost op de
geineente-begrooting.
-ocr page 181-
165                                      Art. 44.
gemeente ten behoeve van de opleiding van onderwijzers doet, en dus
ook de uitkeeringen ten behoeve van kweekelingen. M.v.T. 1878, 19.
— Idem M.v.B.Z. 11 Oct. 1880 litt. P, afd. 0; Hubr. III 82; Wekker
85/1880 en 78/1881; Gemat. 1517; W.B.A. 1636; P.B. Friesland
123/1880.
4.     Onder de uitdrukking stichten is ook koopen begrepen. M.v.B.Z.
26 Jan. 1881 no. 811, a/tf. O; Hubr. III 57; tfeww*. 1532.
5.     Op aankoop van grond, noodig voor de vergrooting van eene
openbare school, kan de wet op de onteigening worden toegepast.
Gemst. 1573.
6.     Ged. Staten zijn niet bevoegd te eischen, dat de raad een post
die z.i. behoort onder de rubriek „instandhouden van schoollokalen",
zal brengen onder de rubriek „stichten of verbouwen van schoollo-
kalen", zoodat art. 50 der wet toepasselijk wordt. Gemst. 1978.
7.     Geen strijd met de wet in een raadsbesluit, waarbij een lokaal
der openbare school tegen een nader te bepalen huurprijs in gebruik
is afgestaan aan de vereeniging tot oprichting en instandhouding
eener school met den bijbel. M.v.B.Z. in 1886; Verslag Overijsel
1886; Gemst. 1910.
8.     De kosten van bouw en verbouw van schoollokalen behooren
niet op de begrooting te worden gebracht vóór de bestekken zijn
goedgekeurd. Een gemeentebestuur, dat weigerachtig is, kan echter
niet worden genoodzaakt. Ook kan het uittrekken van gelden voor
werken, waarvoor de bestekken nog niet zijn goedgekeurd, geen mo-
tief zijn om de goedkeuring aan de begrqpting te onthouden. M.v.B.Z.
15 Oct., 30 Oct. en 12 Nov. 1880 litt. A, Pen H, afd. A.Z.C.; Hubr.
III 61-64; P.B. Zeel. 91/1881.
9.    Het toekennen aan den onderwijzer van eene schadeloosstelling
voor het huren van een schoollokaal is af te keuren; de gemeente
moet daarvoor zelf zorgen. M.v.B.Z. 16 Juni 1860; Gemst. 458; Wék-
her
27/1860; v.E. II 214; T.C. en M. 256.
10.     Onder huren van schoollokalen is niet begrepen eene uitkee-
ring door eene gemeente aan eene andere gedaan voor het gebruik
maken van hare school door kinderen uit de gemeente, welke die uit-
keering betaalt. Art. 44e ziet alleen op het geval, dat eene gemeente,
niet in het bezit van een eigen schoollokaal, er een in de gemeente
zelve huurt, ten einde aldaar het door de wet gevorderd openbaar
lager onderwijs te doen geven. M.v.B.Z. 25 Sept. 1880 litt. L, afd. O;
Hubr.
III 56; Ht. 386.
11.     Zie aant. 43 op art. 26.
12.    Volgens aanschrijving van het departement van Binnenl. Za-
ken moeten als schoolmeubelen worden aangemerkt: schooltafels, kas-
ten, banken, tafeltjes en stoelen vóór de klassen, sleutelborden, kap-
-ocr page 182-
166
Art. 44.
stokken langs de wanden, kachels met toebehooren, gordijnen, vloer-
matten, turfmanden, waterkannen, drinkkroezen, inktkannen, turf-, ko-
len- en aschbakken, aschketels, vuurdragers en kolenemmers.
Daarentegen kunnen niet onder de schoolmeubelen worden bogre-
pen: borden, hetzij losse of vaste, met standaard of roltoestel, ka-
trollen voor de kaarten, stokken met ijzeren haken, kaartenhangers,
aanwijsstokken, muziekborden met ezel, telramen, rekenrakken, mu-
zieklessenaars, tafeltjes voor aanschouwelijk onderwijs, bakken voor
inktkokers, papiermanden, krijtbakjes, inktkokers, naaikussens, maat-
linialen, pennebakjes, trapjes, thermometers, schrooten voor de platen
en gymnastiektoestellen. P.B. Limburg 83/1889; Gemat. 1983; HtAbl.
13.    Met de bedoeling der wet is niet overeenkomstig het opdra-
gen der levering van schoolbehoeften bij abonnement aan den onder-
wijzer, omdat men daardoor een strijd doet ontstaan tusschen het
schoolbelang en het eigen voordeel van den onderwijzer, die voor het
eerste niet zonder gevaar zou zijn. K.B. 3 Juni 1865; Gemat. 722;
W.B.A. 843 en 865; Wekker 31/1865; v.E. II 214; li.v.S. V 220; T.C.
en M.
257.
In anderen zin, ook voor het voorzien in verlichting, verwarming
en schoonhouden, mits gezorgd worde, dat de bij abonnement toege-
legde gelden behoorlijk besteed worden en daarop nauwkeurig van
gemeentewege worde toegezien. M.e.B.Z. 30 Oct. 1880 litt. K en 27
Se.pt. 1881 no. 3257, afd. O; Huh: III 65 en IV 185; Ut. 387; P.B.
Zeel.
30/1881.
Zie over het verstrekken van schoolbehoeften door hoofden van
scholen ook Gcmst. 1873.
14.    Schoolbehoeften mogen ook niet ten deele, b.v. voor onver-
plichte vakken of voor sommige klassen, door de schoolgaande kin-
deren of door hunne ouders of voogden betaald worden. Die kosten
moeten door de gemeente worden gedragen. M.v.B.Z. 9 Nov. 1880 lett.
K en L en
17 Maart 1881 no. 1231, afd. B.B.; Huh: III 51, 115 en
119; Ht. 467, 468 en 485. — M.v.B.Z. 27 Sept. 1882 no. 3654, afd. O;
Huh:
V 224. — G.S. Friesl. in 1885; Genist. 1743; v.E. X 190.
Er is bezwaar tegen de bepaling in eene verordening, dat de leer-
lingen de schoolbehoeften voor de handwerken moeten meebrengen.
M.v.B.Z. 20 Juni 1885 no. 1778, afd. O; Ht. 390. Maar niet tegen het
voorschrift, dat de leerlingen desverkiezende zelf de grondstoffen mo-
gen aanschaffen, in welk geval de daarmee vervaardigde voorwerpen
hun eigendom worden, terwijl de voorwerpen, vervaardigd met door de
gemeente verstrekte grondstoffen, publiek worden verkocht. M.v.B.Z.
5 Nov. 1885 no. 3383, afd. O; Verslag Friesl. 1885; W.B.A. 1981;
v.E. XI 214; Ht. 390.
15.    Een stel maten en gewichten behoort tot de schoolbehoeften;
-ocr page 183-
167                                       Art. 44.
op het aanschaffen daarvan moet worden aangedrongen. M.V.B.Z. 20
Juli 1863 no. 301, 5e afd. en 15 Nov. 1869 no. 276, 5e afd.; T.C. en
M.
256; P.B. Zeel. 125/1869.
16.     Onder schoolboeken zijn niet te verstaan woordenboeken, at-
lassen, spraakkunsten voor vreemde talen en dergelijke leermiddelen,
waarvan de leerlingen te huis gebruik moeten maken. De kosten van
deze zouden dus niet ten laste der gemeente komen. Insp. l.o. in 1866;
T.C. en M. 256.
17.     Het is wenschelijk dat de op de leerschool bij de Kijkskweek-
school vervaardigde handwerken worden afgestaan aan de leerlingen
die ze hebben vervaardigd. M.c.B.Z. 15 Koe. 1882 no. 4372, afd. O;
Jfubr.
V 225.
18.     Een voorschrift in eeno plaats, verord., bepalende dat de school-
lokalen door de zorg des onderwijzers worden verlicht, verwarmd en
schoongohouden, is niet in strijd met de wet. De gemeente is echter
tot vergoeding der daardoor veroorzaakte kosten verplicht. M.c.B.Z.
3 Mei 1881 no. 1387, afd.\'O; v.E. VIII 173; Ilt. 388; Hubr. III 57—
61; W.B.A. 1648.
Uit de instructie behoort te blijken, dat de aan de hoofden opge-
dragen zorg voor schoonhouden van lokalen en meubelen, schoon-
houden en knippen der heggen om het schoolerf, verwarming en ver-
lichting enz. ten koste der gemeente komt. G.S. Zeel. blijkens oer-
dag
1887; Gemst. 1950.
De gemeente kan niet bij instructie of verordening aan de hoofden de
verplichting opleggen om zelfde verwarming en verlichting der school -
lokalen te doen. C.d.K. Gron. 1888; Gemst. 1876; v.E. XI 214.
Het hoofd is niet verplicht de zorg voor de verlichting en verwar-
ming op zich te nemen. W.B.A. 1648.
19.     De gemeenteraad zal niet verplicht zijn, schoolbibliotheken op te
richten. . . . Het toezicht daarop kan men gerust aan het gewone
schooltoezicht overlaten. M.o.B.Z. 2e K. 1878, 1265.
20.     Onder i zijn gratificatiën aan onderwijzers begrepen. M.c.B.Z.
il» 1881; P.B. Zeeland 30/1881; Hubr. III 43 e«83; Gemst. 1536;
W.B.A. 1658; v.E. VIII 176.
21.     De gelden der gemeente zijn niet bestemd tot het geven van
een diner aan schoolopzieners, examinatoren, leden van den gemeente-
raad en van het plaatselijk schooltoezicht, en het brengen van een post
op de begrooting tot dat doel is in strijd met de wet. G.S. Koordbra-
bant in
1889; W.B.A. 2072; Gemst. 1953; Wekker 9/1889.
22.     Inrichtingen van onderwijs voor doofstommen of blinden en an-
dere hulpbehoevenden zijn geene kostscholen, en behooren dus met de
erven van grondbelasting te worden vrijgesteld. M.v.Fin. in 1888; Gemst.
1917; W.B.A. 2037; v.E. XI 198.
-ocr page 184-
Art. 45.                                   168
Artikel 45.
Door het Rijk wordt over elk dienstjaar aan de gemeente
eene bijdrage verleend:
1°. a. voor elk hoofd eener school van negentig en min-
der leerlingen tweehonderd vijftig gulden;
van een en negentig tot en met eenhonderd negen en negen-
tig leerlingen drie honderd gulden;
van tweehonderd tot en met driehonderd negen leerlingen
vierhonderd gulden;
van driehonderd tien tot en met vierhonderd negentien
leerlingen vijfhonderd gulden;
van vierhonderd twintig en meer leerlingen zeshonderd gul-
den;
b. voor elk der onderwijzers, die het hoofd der school
bijstaan, voor zoover die bijstand volgens art. 24 verplich-
tend is, voor scholen:
van een en veertig tot en met negentig leerlingen een-
honderd vijftig gulden;
van een en negentig en meer leerlingen tweehonderd gul-
den, doch voor elk dier onderwijzers die den leeftijd van
drie en twintig jaren volbracht hebben en den rang van hoofd-
onderwijzer bezitten, voor zoover zulks volgens art. 24 ge-
vorderd wordt, driehonderd gulden;
e. indien het aan de school verbonden onderwijzend per-
soneel het minimum van onderwijzers, bij artikel 24 gesteld,
overschrijdt:
voor scholen van negentig en minder leerlingen eenhon-
derd vijftig gulden en van een en negentig tot en met drie-
honderd negen leerlingen tweehonderd gulden voor één on-
derwij zer;
voor scholen van driehonderd tien en meer leerlingen twee-
honderd gulden per onderwijzer voor ten hoogste twee on-
der wijzers;
doch omvat het onderwijs behalve de vakken a—h tevens
ten minste twee der vakken onder /, m en n en het vak
onder p van artikel 2 genoemd:
voor scholen van negentig en minder leerlingen tweehon-
derd gulden voor één onderwijzer;
voor scholen van een en negentig tot en met eenhonderd
negen en negentig leerlingen tweehonderd vijftig gulden per
onderwijzer voor ten hoogste twee onderwijzers;
-ocr page 185-
169                                   Art. 45.
voor scholen van tweehonderd en meer leerlingen twee-
honderd vijftig gulden per onderwijzer voor ten hoogste drie
onderwijzers.
Indien een onderwijzer in den loop van het jaar wordt in
dienst gesteld, ten gevolge van ontslag de school verlaat,
of overlijdt, wordt de bijdrage berekend naar den maatstaf
sub a, b en c vermeld, in evenredigheid van het aantal volle
maanden dat hij in dat jaar aan de school verbonden is ge-
weest;
2°. vijf en twintig ten honderd van de kosten wegens
het stichten, verbouwen of aankoopen van schoollokalen voor
zoover die niet komen ten laste van anderen of op andere
wijze worden gevonden.
Voor de sub 1°. vermelde bijdrage komen niet in aanmer-
king de scholen waarvan de opbrengst der schoolgelden eene
inkomst oplevert van gemiddeld tachtig gulden of meer per
leerling en per jaar.
Voor de berekening daarvan dient tot grondslag het aan-
tal leerlingen waarnaar volgens den maatstaf in art. 24 ver-
meld, het aantal onderwijzers geregeld wordt.
Voorschriften omtrent de uitvoering dezer bepalingen wor-
den door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur gegeven,
met inachtneming van het beginsel, dat behoudens aanvul-
ling of terugbetaling na afloop van het dienstjaar de uitkee-
ring der bijdrage geschiedt:
a.     bij voorschot:
die sub 1°. a en b bedoeld naar het aantal onderwijzers
dat ingevolge het bepaalde bij de artt. 23 en 24 aan de school
moet verbonden zijn;
die sub 1". c bedoeld, voor zoo ver het aantal op 1 Januari
van het dienstjaar aan de school verbonden onderwijzers voor
de bijdrage in aanmerking komt;
b.     die sub 2°. bedoeld in verband met de betalingstermijnen.
1. Het stelsel, dat aan de wetten van 1878/84 ten grondslag lag,
„namelijk de percentsgewijze bijdrage in de door de wet aangewezen
kosten, doch waarvan het vaststellen van het cijfer aan de gemeente
is overgelaten" (M.v.T. 1889, 5), achtte de Eeg. in 1889 verkeerd;
h.i. moest worden gebroken met dat stelsel, waarbij „\'s Rijks schat-
kist ter beschikking van de gemeentebesturen is gesteld en krach-
tens hetwelk die besturen de macht bezitten de rijksuitgaven voor
het 1. o. op te drijven naar den rijkdom of de meerdere hulpbronnen
der gemeenten." M.v.B. 1889, 30.
-ocr page 186-
Art. 45.
170
De Reg. stelde daarom voor, de vergoeding in de gewone kosten
te beperken „tot de kosten van het onderwijzend personeel door de
wet gevorderd en werkelijk aan de school verbonden, en haar te ver-
Jeenen naar een vasten maatstaf", gegrond op den omvang van den
werkkring en van door de wet in met name genoemde gevallen gc-
ëischt wordende meerdere bekwaamheid van liet hulppersoneel." M.v.T.
1889, 5. Zie 1°. u en b van het artikel.
Ten einde tegemoet te komen aan het in het V, V. 1889 geopperd
bezwaar dat daardoor vooral die gemeenten zouden worden benadeeld,
die, om haar onderwijs zoo goed mogelijk te doen zijn, onderwijzers
boven het door de wet gevorderd getal hadden aangesteld, voegde do
Reg., „in aanmerking genomen dat öf de omvang van het onderwijs
öf\' de inrichting der lokalen het wenschelijk maakt, dat meer onder-
wijzers dan bet gestelde minimum aan de school verbonden zijn," en
dat het in die gevallen billijk voorkomt, „dat het Kijk, mits binnen
zekere grenzen, voor dat meerdere personeel ook eene bijdrage ver-
leene," de bepalingen onder e, Ie, 2e en 3e lid, en daarna op aan-
drang van vele leden ook die van hot 4e—7e lid aan het arti-
kel toe.
De bezwaren, die velen er tegen hadden, en die in hoofdzaak be-
trekking hadden op de nadeelige gevolgen, die het art. op de finan-
ciën van vele, vooral groote gemeenten zou uitoefenen, werden groo-
tendeels uit den weg geruimd door art. V der overgangsbepalingen;
zie hierachter.
2.     Het beginsel van de uitkeering is zeer eenvoudig. De Staat
draagt bij, zooals aanvankelijk het ontwerp luidde in hetgeen de
wetgever strikt noodzakelijk acht, maar nu bovendien, omdat men
later een stap verder is gegaan, in hetgeen hoogst wenschelijk wordt
geacht. Wanneer eene gemeente meer wil doen dan de wet bepaald
noodig acht, laat men haar daartoe de vrijheid, maar de Staat draagt
daarin niet bij. M.V.Fin. 2e K. 1889, 1518.
3.     Op de vergoeding krachtens art. 45 kan beslag gelegd worden
krachtens art. 2 der wet van 24 Jan. 1815 (S. no. 5). Verslag lle-
leenkamer
1881; W.B.A. 1772.
4.     Geenerlei wetsbepaling kent aan iemand het recht toe om van
eenige beschikking der Ministers, hoofden van depart. van alg. best.
(in casu betreffende regeling der rijks vergoeding), in hooger beroep te
komen bij den Koning. K.B. 15 Juni 1883 (S. no. 91); St.-ct. 24/25
Juni 1883; Gemst. 1657; W.B.A. 1776; v.E. IX 194.
5.     Eene bepaling, krachtens welke de gemeenten de aanspraak op
subsidie zouden derven wanneer gemeentebesturen verzuimen voor de
openbare scholen het wettelijk minimum van onderwijzers te benoe-
men, acht de Regeering niet wel in overeenstemming te brengen met
-ocr page 187-
171                                       Art. 45.
de voorschriften der gemeentewet, waarbij de uitvoering van wetten
voldoende is verzekerd. M.v.B. 1889, 39.
6.     De bijdrage van art. 45 zal niet worden toegekend voor onder-
wijzeressen, die, geëxamineerd of niet, uitsluitend in handwerken on-
derricht geven, en in het algemeen voor onderwijzers in een of meer
der vakken h—t. Dit volgt uit no. 16 van genoemd artikel. Gemxt. 1986.
7.     Het verschil in uitkeering voor het hoofd wordt noodig geacht
omdat, naarmate de werkkring van „het hoofd", die zich regelt naar
het aantal leerlingen, uitgebreider is, de gemeente eene hoogere bezol-
diging zal moeten toeleggen. M.v.T. 1889, 10.
8.     Op de vraag: "hoe zal de uitkeering geschieden indien de waarnc-
ming van het bestuur eener school ingevolge het laatste lid van art. 23 is
toevertrouwd aan een onderwijzer, die aan de gestelde oischen niet vol-
doet, werd geantwoord: „Als regel kan worden aangenomen dat de
waarneming van hot bestuur eener school steeds zal worden opgedra-
gen aan een onderwijzer aan dio school werkzaam en waarvoor dus
eene rijksbijdrage genoten wordt. Het is daarom niet noodig ook voor
een waarnemend hoofd eener school eene bijdrage uit te keeren. M.v.B.
1889, 45.
9.     De redactie van 1°". b slot, na overleg met de comm. van voorb.
gekozen, sluit eiken twijfel uit omtrent de vraag, of het verplicht aan-
tal onderwijzers met hoofdakte zich regelt naar het feitelijk aanwezig
of naar het bij de wet gevorderd aantal onderwijzers. Stel dat eene
school 9 onderwijzers heeft, terwijl er slechts 8 behoeven te wezen, dan
zullen niet drie, maar slechts twee hunner den rang van hoofdonder-
wijzer behoeven te bezitten, en zal ook voor slechts twee hunner de
verhoogde bijdrage worden betaald. Zie Verslag 1889, 45.
10.     Bedraagt het aantal onderwijzers van eene school met 310 leer-
lingen 7, dan wordt slechts voor één onderwijzer, bedraagt het 8, dan
wordt voor twee onderwijzers boven het minimum, dat 6 is, de bijdrage
uitgekeerd. Vandaar de uitdrukking „ten hoogste" bij scholen van
310 en meer leerlingen.
Door deze wijziging wordt tevens voorkomen dat een onderwijzer,
die ten gevolge van het vertrek van eenige kinderen van de school zou
kunnen gemist worden, slechts zonder rijksvergoeding zijne betrek-
king zou kunnen behouden. Eenige speling is in deze wenschelijk.
Tevens wordt de mogelijkheid geopend op talrijk bezochte scholen
een onderwijzer meer aan te stellen met rijksvergoeding, waar het wen-
schelijk geacht wordt den hoofdonderwijzer niet aan het hoofd eener
klasse te plaatsen. M.v.B. 1889, 32.
11.     De vraag is gedaan, of het niet mogelijk was bij de toelage,
die zou gegeven worden voor het uitgebreid 1. o., de wiskunde als ver-
eischte te doen vervallen.
-ocr page 188-
Art. 45.
172
De wiskunde is steeds vereischt geworden om aanspraak te kunnen ma-
ken op een subsidie, waar het gold eene bijz. school voor meer uitg. 1. o.
Daarom geloof ik, dat het beter is, om de wiskunde te behouden,
vooral omdat ik anders allicht beschuldigd zou worden het peil van
het onderwijs te willen verlagen. M.v.B.Z. 2e K. 1880, 1522.
12.    De voorgestelde bijdrage geldt voor het dienstjaar, weshalve
zij bij vacature slechts wordt uitgekeerd over het tijdvak dat de onder-
wijzersplaats bezet was en wel over het aantal volle maanden. M.v.T.
1889, 10.
Met de uitdrukking „volle maanden" worden bedoeld tijdvakken van
30 dagen. M.v.B. 1889, 45.
13.     Nu de bijdrage in de jaarwedden der onderwijzers op een vast
cijfer wordt bepaald, komt het thans bestaande verband tusschen de
artt. 43, 44 en 45 te vervallen, zoodat de inkomsten, die sommige ge-
meenten genieten ter bestrijding van de jaarwedden van onderwijzers
en andere uitgaven voor het onderwijs, niet meer in aanmerking ko-
ïnen bij do berekening der rijksvergoeding.
De opheffing van dat verband maakt het tevens noodig, dat in de
wet uitdrukkelijk worde vermeld, dat de bijdrage in de kosten van
stichting enz. wordt berekend naar de kosten, voor zoover die niet
komen ten laste van anderen of op andere wijze worden gevonden.
Sticht eene gemeente eene school en wordt de bestaande verkocht,
dan wordt de gemeente bezwaard met de kosten der stichting na af-
trek van de verkoopsom der oude school, en over het verschil zal dan
ook de bijdrage worden uitgekeerd. M.v.T. 1889, 11.
14.     Aan het slot der vorige aant. sluit zich \'t volgende aan: Blijft
de oude school aan de gemeente, dan wordt de waarde niet in min-
dering gebracht. M.v.B.Z. in Ie K. 26 Jan. 1883; Hand. 213.
15.     Afschaffing der uitkeering voor schoolgebouwen, gepaard gaan-
de met eene verhooging der bijdrage in de onderwijzerswedden, zou
zijn ten nadeele der schatkist en van het openbaar onderwijs.
Ten nadeele der schatkist, omdat reeds tal van scholen zijn tot
stand gekomen, in de kosten waarvan door het Rijk 30 pCt. is bij-
gedragen. Eene verhooging der bijdrage in de jaarwedden van per-
soneel zou ook aan deze scholen ten goede komen, zoodat in die geval-
len eene dubbele bijdrage door het Rijk zou worden uitgekeerd.
Ten nadeele van het openbaar onderwijs, omdat onthouding der
rijksbijdrage in de kosten van schoolbouw ten gevolge zou hebben dat
stichtingen, noodzakelijk wegens voortdurende toeneming der bevol-
king, zoo zij al niet geheel achterwege zouden blijven, dan toch lan-
ger zouden worden uitgesteld dan wenschelijk is. M.v.B. 1889, 37.
16.     De vraag werd gesteld of het niet dienstig zou zijn het ge-
ven van rijksvergoeding voor het bouwen van scholen, waaraan geen
-ocr page 189-
173                                      Art 45.
behoefte bestaat, te voorkomen door te bepalen, dat voor uitkeering
daarvan de noodzakelijkheid van den aanbouw door de Keg. moet zijn
erkend. De Minister antwoordde, dat hij het stellen van die voorwaar-
de niet noodig achtte en dat dit daarenboven niet zou overeenstem-
men met de economie der wet, welke in art. 16 aan de gemeenten de
verplichting oplegt voor een genoegzaam aantal scholen te zorgen, en
in art. 18 aan Ged. Staten de bevoegdheid geeft vermeerdering van
het getal scholen te bevelen. Nevens deze bepalingen ware inmenging
van de Iteg. ten aanzien van de uitkeering voor door de gemeente
of het gewestelijk bestuur noodig geachte scholen niet raadzaam. M.v.B.
1889, 45.
17.     Dat de vermindering der bijdrage in den schoolbouw van 30
tot 25 pCt. de oprichting van kleine scholen, waar die gevorderd wordt,
zou belemmeren, is niet aan te nemen, maar wel is te verwachten, dat
bij den bouw dier kleine scholen de zucht der bouwmeesters naar weel-
de zal worden getemperd. M.v.B. 1889, 45.
18.     Onder de kosten van stichting van schoollokalen zijn ook be-
grepen die van aankoop van het terrein. Afzonderlijke vermelding van
deze laatste kosten is daarom niet noodig. M.v.B. 1889, 45.
19.    De Min. vraagt, wat wij bedoelen met „verbouwen". Het ant-
woord ligt voor de hand. Hetzelfde wat daaronder begrepen wordt in
art. 50 der bestaande wet. Wij hebben het daaruit overgenomen, en
de technische beteekenis, die het daar heeft, zal het ook in art. 45
hebben. Vrees voor misbruik bestaat hier dus niet; want de D.s.o. zal,
wat niet in werkelijkheid verbouw is, wel niet als zoodanig volgens
art. 50 goedkeuren. En mocht hij het al doen, dan kunnen de hoo-
ger gestelde machten daartegen voldoende waken. Roëll in 2e K.
1884, 1469.
Onder het woord „verbouwen" is te begrijpen verandering die strekt
om een schoollokaal aan de wettelijke eischen te doen beantwoorden.
Gemat. 1643; v.E. IX 199.
Onder verbouw wordt steeds verstaan de uitvoering van zoodanige
werkzaamheden, waardoor het bestaande gebouw verandering onder-
gaat.
Het geval van verbouw is bij het K.B., bedoeld bij art. 4 der wet,
voorzien, zoodat dit besluit geene wijziging behoeft. M.v.B. Ie K. 1889.
20.    Wanneer eene gemeente een raadhuis en eene school\'te gelijk
sticht, moet eene gedetailleerde opgave worden gedaan van de kosten
van den bouw, zoodanig gesplitst, dat de kosten van den schoolbouw
en die van het raadhuis afzonderlijk blijken. M.v.B.Z. 18 Aug. 1881
no. 3779, afd. A.Z.C.; Hubr. III 89; — M.v.B.Z. 22 Febr. 1882 no.
1091, afd. A.Z.C.; Hubr. V 20. Zie ook Ht. 436.
21.    Breuken, kleiner dan 0,50 cent, moeten worden verwaarloosd;
-ocr page 190-
Art. 45.
174
voor 0,50 cent en meer wordt een halve cent gerekend. M.v.B.Z. vol-
gen* P.B. Zeel.
87/1885.
22.     Quitantiën voor niet meer dan f 10 op betalingsstukken, be-
treffende de betalingen door het Rijk aan de gemeente krachtens art.
45 der wet gedaan, zijn vrij van zegel. M.v.F. 23 Fel»; 1882 no. 52,
afd. Reg.\\ Hul»: V 21; HL 401.
Mandaten tot storting van te veel genoten vergoeding tot een bedrag
van meer dan f 10 zijn niet vrij van zegel. Advies M.V.Fin, volgens
P.B. Limburg
70/1885.
23.     In 1878 en 1884 werd er op aangedrongen, de uitkeering der
vergoeding te doen plaats hebben niet bij voorschot, maar naar door
de gemeentebesturen opgemaakte en door Ged. Staten geverifieerde
staten van uitgaven. Daartegen had de Reg. bedenking. „Voor die
verificatie zouden de gemeentebesturen gedurende eenigen tijd afstand
moeten doen van bewijzen van betaling betreffende een nog openstaan-
den dienst, hetgeen voor een goed geordende administratie niet wen-
schelijk is. Aan Ged. Staten zouden opnieuw werkzaamheden van groo-
ten omvang worden opgedragen, waardoor de voldoening der rijksbij-
drage allicht zal worden vertraagd, terwijl ook de administratie bij het
Dep. van B.Z. ongetwijfeld zou worden uitgebreid." M.v.B. 1884, 20.
Daaraan sluit zich het volgende aan:
„In het belang der kleinere gemeenten, die over weinig of geen kas-
geld beschikken, is ten aanzien der bijdrage in de jaarwedden van het
onderwijzend personeel het stelsel van betaling bij voorschot behou-
den, terwijl de bijdrage in de kosten van stichting enz. zal worden uit-
gekeerd in verband met de betalingstermijnen, een en ander behoudens
nadere verrekening.
„Voor die verrekening is het, wanneer de bijdrage alleen betreft de
jaarwedden der onderwijzers, niet noodig dat daarmede wordt gewacht
tot na vaststelling der gemeenterekening. Zij kan dan veel spoediger
plaats vinden, hetgeen ten gevolge zal hebben dat aan de gemeente
vroeger dan thans zal worden uitgekeerd de som door haar te weinig
bij voorschot genoten, of wel, dat door hot Rijk vroeger kan worden
verhaald de som die te veel bij voorschot is uitgekeerd.
„Die verrekening wordt daarom in de wet losgemaakt van de vast-
stelling der gemeente-rekening." M.v.T. 1889, 11.
24.     Onder- de kosten, waarvoor vergoeding verleend wordt, wor-
den niet gerekend:
koopwaarde van een aan de gemeente behoorend stuk grond, waar-
op eene openbare lagere school wordt gesticht. M.v.B.Z. 4 Juni 1881
no. 2445 en 5 Aug. 1885 no. 4144, afd. A.Z.C.; Et. 411 en 432. -
Ook dan niet wanneer tegelijk de op een ander terrein staande oude
school wordt verkocht en de opbrengst daarvan in mindering wordt
-ocr page 191-
Art. 45
175
gebracht. M.v.B.Z. 19 Nov. 1886 no. 5957, afd. A.Z.C.; Ht. 442.
kosten van overschrijving der koopakte, tenzij bij de akte bedon-
gen zij, dat die door de gemeente worden gedragen. M.v.B.Z. 4
Aug. 1885 no. 4182, afd. A.Z.C.; Gemst. 1768; P.B. van versch.
prov.
— Eene schriftelijke verklaring van den notaris, dat partijen
zijn overeengekomen, dat de gemeente de kosten zal betalen, is niet
voldoende. Verslag Rekenkamer 1886 ; Gemst. 1913.
kosten van woningen voor portier, conciërge of schoonmaakster in
de school. M.v.B.Z. 22 en 23 Febr. 1882; Tlubr. V 20, 21; Ht. 437.
schadeloosstelling voor renteverlies en winstderving, uitgekeerd aan
een aannemer, omdat met den bouw nog niet kon worden aangevan-
gen. M.v.B.Z. 17 Mei 1883 no. 1948, afd. A.Z.C,; Ht. 413.
gratificatie aan den gemeente-secretaris voor diensten bij school-
bouw. M.v.B.Z. 7 Mei 1884 no. 2012, afd. A.Z.C.; Ht. 425.
aanbrengen van een bliksemafleider op of van zonneblinden aan
eene bestaande school. M.v.B.Z. 15 Aug. 1884 en 18 Oct. 1887 nrs.
4553 en 5423, afd. A.Z.C.; Ht. 427 en 565.
aanleg van een puin weg van den straatweg naar de deur eener
nieuw te bouwen school. M.v.B.Z. 4 Sept. 1884 no. 4835, afd, A.Z.C.;
Ht.
428. — Idem van een klinkerpad naar een schoollokaal. M.v.B.Z.
5 Febr. 1887 no. 733, afd. A.Z.C.; Ht. 446.
vervanging van een ouden muur door een nieuwen. M.v.B.Z. 8
Mei 1886 no. 2462, afd. A.Z.C.; Ht, 438.
het aanbrengen van een verwarmingstoestel in de school. M.v.B.Z.
13 Juni 1887 no. 3057, afd. A.Z.C.; Ut. 447.
zegel- en legesgelden voor subsidiën. M.v.B.Z. 11 Mei 1882 no. 1713,
afd. A.Z.C.; Ilubr. V 26.
25. Onder de kosten, waarvoor vergoeding verleend wordt, kun-
nen worden begrepen:
die der voorbereidende klasse, verbonden aan eene o. 1. school.
M.v.B.Z. 18 Juli 1882 no. 3492, afd, A.Z.C.; Htibr. V 30; Ht. 398.
aankoop van grond voor schoollokalen met kosten op de overdracht
gevallen. M.v.B.Z. 8 Jan. 1885 no. 100, afd. A.Z.C.; W.B.A. 1865;
RB. Gron. 3/1885; Gemst. 1757; v.E. X 190.
verbouw van eene school, waarvoor geene declaratie"n zijn ingediend,
doch welke onder goedkeuring van den D.s.o. is uitgevoerd. M.v.B.Z.
19 Maart 1887 no. 1385, afd. A.Z.C. — Idem M.v.B.Z. blijkens verslag
Eekenkamer
1885; W.B.A. 1982.
weinig belangrijke verbouw eener school, waarvoor geen bestek
is opgemaakt, doch die in overleg met den D.s.o. is uitgevoerd. M.v.B.Z.
blijkens vaststelling vergoeding voor eenige gemeenten over
1882.
ontwerpen van een plan voor een verbouwing der school, welke
voorloopig is uitgesteld; afsluiten van den tuin van het hoofd der
-ocr page 192-
Artt. 45, 46.
176
school bij den bouw eener nieuwe school. M.v.B.Z. 16 Jan. 1885 no.
198, afd. A.Z.C.
in orde brengen van den tuin van het hoofd der school welke bij
schoolbouw beschadigd is. M.v.B.Z. 28 Jan 188-4 no. 417, afd. A.Z.C.
advertentiën betreffende opmaken van een bestek voor school-
bouw; akte van in erfpachtneming grond voor schoolbouw. M.v.B.Z.
Auy. 1882 no. 3683, afd. A.Z.C.
opmaken van plannen; voorbereidende werkzaamheden voor school-
bouw. M.v.B.Z. 1 Febr. 1883 no. 547, afd. A.Z.C.
kosten van inricbting van hulplokalen gedurende schoolbouw.
M.v.B.Z. 30 April 1883 no. 2066, afd. A.Z.C.
maken van een regenbak aan de school. M.v.B.Z. 5 Juni 1883 no.
2786, afd. A.Z.C.
herstel van schade aan een naast de school gelegen woonhuis, waar-
toe de gemeente, tengevolge van den schoolbouw, verplicht is tegen-
over derden. M.v.B.Z. 5 Der. 1883 no 5693, afd. A.Z.C.
maken van een ijzeren hek bij de school, als een door den D.s.o.
goedgekeurd bestek is gevolgd. M.v.B.Z. 8 Mei 1886 no. 2462, afd.
A.Z.C.
; ift. 438.
maken van een nieuwen trap ter vervanging van een bestaanden.
M.v.B.Z. in Febr. 1888.
te kort op aannemingspenningen, bij schoolbouw gestort. M.v.B.Z.
Febr. 1884 no. 740, afd. A.Z.C.
open of overdekte speelplaatsen. M.v.B.Z. 4 Juni 1883 no. 2601,
afd. A.Z.C.; Ut. 414.
aanbrengen van een bliksemafleider op of van zonneblinden aan eene
in aanbouw zijnde of nieuw te bouwen school. M.v.B.Z. 15 Atig. 1884
en 18 Oct. 1887 nrs. 4553 en 5423, afd. A.Z.C.; Ht- 427 en 565.
26. De maatregel van bestuur, bedoeld in het artikel, wordt onder
de bijlagen opgenomen.
Artikel 46.
Ter tegemoetkoming in de kosten, welke voor rekening
der gemeente blijven, wordt voor ieder schoolgaand kind,
met uitzondering van bedeelden, en van hen die, schoon niet
bedeeld, onvermogend zijn, een schoolgeld geheven van ten
minste twintig cents per maand.
De minvermogenden worden, indien het schoolgeld voor
ieder kind van dezelfde klasse gelijk is, slechts voor een
gedeelte aan de heffing onderworpen.
Vrijstelling van verplichting tot het heffen van schoolgeld
-ocr page 193-
177                                  Art. 46.
kan aan eene gemeente door Ons worden verleend bij een met
redenen omkleed besluit, den Eaad van State gehoord. In-
trekking dezer vrijstelling geschiedt op dezelfde wijze.
Het invoeren, wijzigen of afschaffen van dit schoolgeld ge-
schiedt met inachtneming van de artt. 232—236 der wet van
29 Juni 1851 (Staatsblad no. 85), met dien verstande dat aan
de verordening tot heffing Onze goedkeuring niet wordt ont-
houden dan bij een met redenen omkleed besluit, den Baad
van State gehoord.
De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke ver-
ordening overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258—
262 dier wet. Indien het schoolgeld, behalve voor zooveel
betreft de gevallen in het 2de lid van dit artikel en in art.
48 vermeld, voor ieder kind van dezelfde klasse niet gelijk
is, zijn daarop de artt. 264—266 dier wet, gelijk die gewij-
zigd is bij de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 102),
mede van toepassing, met dien verstande dat het schoolgeld
voor geen kind meer bedrage dan hetgeen voor het onder-
wijs van dat kind kan geacht worden voor rekening der ge-
meente te blijven.
1. De hoofdreden, waarom de Reg. in 1878 geene verplichte school-
geldheffing voorstelde, was dat h.i. eene verplichting om eene plaatse-
lijke belasting in te voeren niet door den wetgever, ter bereiking van
een bijoogmerk, aan het gemeentebestuur kon worden opgelegd. Zie
M.v.B. 1878, 23.
De Reg. van 1889 dacht er anders over. Het was h.i. „moeilijk aan
te nemen dat de betaling van schoolgeld door hen, die niet tot de on-
vermogenden behooren, schoolverzuim zou hebben in de hand gewerkt.
Maar het geldt hier tevens een beginsel. De ouders zijn in de eerste
plaats geroepen bij te dragen, bijaldien hunne middelen dit toelaten,
in de kosten van het onderwijs hunner kinderen. Alleen zij, die onver-
mogend zijn, dienen hiervan te worden vrijgesteld." M.v.T. 1889, 11.
De Reg. stelde daarom voor, art. 46 aldus te lezen:
„Van ieder schoolgaand kind, met uitzondering van bedeelden en van
hen die, schoon niet bedeeld, onvermogend zijn, wordt een billijk
schoolgeld geheven.
„De minvermogenden worden, indien liet schoolgeld voor ieder kind
van dezelfde klasse gelijk is, slechts voor een gedeelte aan de heffing
onderworpen.
„Het invoeren of wijzigen van dit schoolgeld geschiedt met inacht-
neming van de artt. 232—236 der wet van 29 Juni 1851 (Staatsblad
no. 85).
WET L. 0.                                                                                  12
-ocr page 194-
178
Art. 46.
„De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening
overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258—262 dier wet."
Daai-tegen rezen bezwaren, die eensdeels tegen het beginsel van
verplichte heffing gericht waren, anderdeels de vraag betroffen, wat
onder „billijk" schoolgeld moest worden verstaan (zie aant. 3 en 5
hieronder), en in de derde plaats de vraag golden of de gemeentebe-
sturen met het oog op de gemeentewet gedwongen zouden kunnen
worden tot de heffing over te gaan (zie aant. 6 hieronder).
De Keg. handhaafde aanvankelijk hare meening. „De billijkheid
brengt mede dat zij, die in de eerste plaats belang hebben bij het on-
derwijs, door dat hunne eigene of de aan hunne zorg toevertrouwde
kinderen de openbare scholen bezoeken, ook in de eerste plaats in de
kosten daarvan helpen voorzien." M.r.B. 1889, 22.
Het voorstel gaf aanleiding tot zeer belangrijke discussiën (2e K.
1889, 15G9—1616). Werd het van de eene zijde verdedigd met te wij-
zen op de ook door de Eeg. vooropgezette billijkheid, dat zij, die in de
eerste plaats belang hebben bij het onderwijs, daaraan ook betalen,
en met de opmerking, dat alleen door het voorschrift der verplichte
schoolgeldheffing eene eerlijke concurrentie van de bijzondere met de
openbare school mogelijk zou zijn, — van de andere zijde werd juist be-
weerd, dat, daar voor het bijzonder onderwijs heffing van schoolgeld
niet voorgeschreven werd, de voor het openbaar onderwijs opgeleg-
de verplichting dit van ongunstiger conditie zou maken, en aanleiding
zou geven, dat de bijzondere school, door geen schoolgeld te heffen, de
leerlingen uit de openbare school zou trekken, deze zou „leegpompen".
Vooral werd dit gevreesd, omdat bij de onzekerheid van het begrip
„billijk" de beslissing omtrent het bedrag van het schoolgeld geheel
zou afhangen van den M.v.B.Z., die wellicht het openbaar onderwijs
minder dan het bijzonder genegen zou kunnen zijn; terwijl volgens
de door de Eeg. in 1889 gegeven uitlegging, wanneer een gemeen-
tebestuur weigerde de door den M.v.B.Z. noodig geachte verhooging
van schoolgeld vast te stellen, artt. 126 en 127 der gemeentewet zou-
den kunnen worden toegepast.
Tegen het einde der discussie, erkennende, dat het door hem voor-
gedragen artikel aanleiding zou kunnen geven tot groote moeilijkhe-
den, bracht de M.v.B.Z. er verschillende wijzigingen in, waardoor het
den vorm kreeg, waarin het nu is vastgesteld.
2. Het schoolgeld strekt alleen tot tegemoetkoming in de kosten.
Het kan nimmer eene bijdrage tot bestrijding, veel min tot dekking
der kosten zijn. Het mag nimmer zoo hoog worden opgevoerd, dat
uit de opbrengst de kosten van het onderwijs kunnen worden be-
streden, veel minder dat daaruit eenige inkomst voor de gemeente
als overwinst zoude kunnen ontstaan. Mr. P. F. Hubrecht in Bijdr. I
-ocr page 195-
179                             Art. 46.
139. In gelijken geest Diephuis 152; M.v.B.Z. 28 Oct. 1858 no. 143,
5e afd.\\ T.C. en M. 262.
Het woord „tegemoetkoming" heeft m.i. een vee] ruimer of veel
meer beperkten zin —• al naar dat men het nemen wil — dan het
beginsel van art. 254 der gemeentewet. In dat artikel wordt ge-
zegd, dat de rechten, door de gemeente geheven voor het gebruik
van zekere inrichtingen, mogen gaan tot den kostenden prijs, maar
niet verder; de zaak mag nooit een voorwerp van winstbejag zijn.
Nu sluiten de woorden „ter tegemoetkoming*\' mjjns inziens echter uit
dat men schoolgeld mag heffen tot den kostenden prijs; wat gehe-
ven wordt moet altijd minder zijn dan hetgeen de inrichting van
het onderwijs kost. De Beaufort in 2e K. 1889, 1572. In gelijken zin
Vemiers v. cl. Loeffin 2e K. 1889, 1594.
Nadat de eerste alinea in de vroegere gedaante hersteld was, werd
op de vraag, of daarin nu ook begrepen is, dat het schoolgeld niet
mag te boven gaan den kostenden prijs, bevestigend geantwoord.
„Door weder in de eerste alinea te spreken van het tegemoet komen
in de kosten, is bedoeld daaronder te verstaan wat er tot heden toe
onder verstaan werd." M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1614.
3.     De aanduiding van een „billijk" schoolgeld strekt tot voorko-
ming dat de heffing zóó laag worde gesteld, dat ze den naam van
schoolgeld niet verdient. Het bedrag behoort in billijke verhouding
te staan tot de kosten en den omvang van het lager onderwijs en
de gegoedheid van de ingezetenen. M.v.B. 1889, 22.
Blijft de Reg., nu het woord „billijk" uit de wet is verdwenen,
toch vasthouden aan dat begrip van billijk? Zeker. Wat is het ge-
val ? Door de wijziging in het artikel gebracht is niet aangegeven dat
die billijkheid niet overal moet blijven gehandhaafd; integendeel, het
vertrouwen wordt uitgesproken, dat de gemeenteraden, op wie de
zaak veel meer wordt overgebracht dan vroeger, den wenk van bil-
lijke schoolgeldheffing zullen behartigen, zooals die trouwens door
vele van hen reeds thans behartigd wordt. Ten overvloede zij nog
gezegd, dat de gemeentebesturen uit de intrekking van het woord
„billijk" niet moeten opmaken dat in dat opzicht thans „onbillijk\'\'\'\'
zou kunnen gehandeld worden.- M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1614.
4.     Na raadpleging der bij het ontwerp gevoegde staten heb ik
gemeend als minimum, dat van de niet-onvermogenden, d. i. van hen
die geacht kunnen worden in staat te zijn om schoolgeld te betalen,
gevorderd wordt, twintig cents per maand te mogen stellen. Ik weet
wel dat, wanneer men de staten raadpleegt, men hier en daar nog
een lager schoolgeld vindt, maar het komt mij voor dat het genoem-
de schoolgeld in billijkheid in de armste gemeente kan gevorderd
worden. M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1604.
12*
-ocr page 196-
180
Art. 46.
5. De Reg. kan haren invloed gebruiken om een hoog schoolgeld
te doen verminderen. Het geschiedt dan ook verscheidene keeren dat
de M.v.B.Z. een gemeentebestuur dat een te hoog schoolgeld wil gaan
heffen, verzoekt of waarschuwt, dat schoolgeld te verminderen. \')
Gewoonlijk geeft de gemeente gevolg aan dat verzoek en verlaagt
het schoolgeld. Maar doet zij dit niet, dan kan de Min. wel aan
Zijne Majesteit voorstellen de goedkeuring niet te verleenen, doch hij
kan zich daarbij niet beroepen op de wet en is volkomen gedekt voor
zijne eigen verantwoordelijkheid indien hij de goedkeuring voorstelt.
M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1590.
Ik wil wel erkennen dat gezorgd moet worden, dat het schoob
geld niet tot een zoodanig bedrag geheven wordt, dat daardoor het
schoolverzuim in de hand wordt gewerkt; maar daarvoor behoeft
geen vrees te bestaan bij de zeer matige schoolgelden die hier te lan-
de geheven worden. Doch men vergete niet dat het schoolgeld ge-
heven wordt van hen, die het betalen kunnen, en er dan ook zeer te
recht in de wet gesproken wordt van onvermogenden die of niets of
slechts weinig betalen. Wanneer men nu den toestand van de verschil-
lende gemeenten nagaat, dan vindt men dat menige gemeente nog al
ruim is met het aannemen van onvermogenden en minvermogenden.
En dat blijft ook, zooals onder de oude wet, geheel ter beoordeeling
van B. en W., die de categorieën moeten bepalen. Dit is eene zaak,
waarin de Reg. zich niet mengt, behalve voor het geval hare tus-
schenkomst wordt ingeroepen, hetgeen uiterst zeldzaam geschied is.
M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1603.
G. Op de vraag: „Is het voorstel nu zoo te verstaan en te begrijpen
dat, indien een gemeenteraad voor eene of andere school het school-
geld bepaalt op f 2,40, die verordening ter goedkeuring aan den Ko-
ning moet worden voorgedragen ? of begrijpt de Reg. dat dit een mi-
nimum is, ja, maar dat het nog aan haar arbitrium staat, te eischen,
dat de gemeenteraad hooger zal gaan?" werd geantwoord:
„Het blijkt uit de redactie dat de bepalingen die in de gemeente-
wet omtrent verordeningen voorkomen, geheel ongewijzigd zijn ge-
bleven.
1) f 1,50 por maand en per leerling voor één der vakken l—en f 0,30 meer
voor ieder ander vak, dus f 3C per jaar voor het geheel, is te hoog. U.P.B.Z. 28
Mei 1881 ho. 2240, aftl. U.K.; Hubr. III 121; Ut. 491.
f 1,20 per maand voor de vakken o—k is te hoog. M.r.B.Z. 3 Mei 1882 un.
2183, af(7. B.Ti.; Hubr. V 34; Ut. 510.
Het schoolgeld moet rekening houden met dat, in naburige gemeenten geheven.
M.V.B.Z. 13 Jan. 1882 no. GOlfi, ufd B.B.; Hubr. V 34; Ut. 512.
f i,— per kwartaal en per leerling is te hoog; tegen f 3,— met evenredige
verlaging voor meer kinderen en voor minvermogenden is geen bezwaar. M.r.B.Z.
in
1880 en 1887; Ut. 521.
-ocr page 197-
181                                   Art. 46.
„De goedkeuring van den Koning zal altijd voor deze verordenin-
gen gevorderd worden en het recht van den Minister om den Koning
in deze van advies te dienen blijft ongerept.
„Natuurlijk zal de verordening niet strijden tegen de wet wanneer
het schoolgeld op f 2,40 bepaald is, maar het recht des Konings om
de verordeningen niet goed te keuren is niet gebonden aan den en-
kelen grond van strijd met de wet; er kunnen omstandigheden zijn,
dat de Minister geroepen wordt den Koning te adviseeren, ook om
andere redenen zijne goedkeuring te weigeren en dit zal ook voor
deze verordeningen gelden. Daarin wordt geene verandering gebracht.
Meent nu de geachte afgevaardigde te moeten generaliseeren en te
zeggen: dus dan zal de Minister elke verordening, die hij krijgt, den
Koning ter vernietiging voordragen, dan antwoord ik: neen, dat is de
bedoeling niet; maar het recht om dit te doen blijft onverlet." M.v.B.Z.
2e K. 1889, 1605.
7. Toen de verplichting tot heffing van een „billijk" schoolgeld
werd voorgesteld, achtte de M.v.B.Z. artt. 126 en 127 der gemeen-
tewet toepasselijk, ingeval de gemeenteraad besloot tot heffing van
schoolgeld, maar de daartoe strekkende verordening \'s Konings goed-
keuring niet erlangde, omdat het bedrag niet billijk werd geacht.
\'s Konings Comm. zou dan, bij weigering van het gemeentebestuur om
aan de bezwaren van hooger hand door wijziging der verord. tege-
rnoet te komen, krachtens art. 127 eene nieuwe verord. hebben vast
te stellen. Zie Verslat/ 1889, 23, en M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1590.
De vraag kreeg echter een ander aanzien na de wijzigingen, die in
het artikel werden gebracht. De meening der Reg. blijkt uit het vol-
gende:
„Ten einde alle misverstand op te heffen zal de ondergeteekende
gaarne trachten nog duidelijker dan in de andere Kamer zijne mee-
ning kenbaar te maken, in hoeverre de raad kan gedwongen worden
hooger schoolgeld te heffen dan van 20 cents per maand.
„Op bladzijde 1605 van de Hand. werd de vraag naar zijne
meening zeer juist geformuleerd door den heer Roe\'11: „Wanneer
een gemeenteraad, waar nu geen schoolgeld geheven wordt, krach-
tens de bepaling van dit ontwerp het schoolgeld bij verordening
vaststelt op f 0,20 per maand, welke zal dan de bevoegdheid zijn
van het centraal gezag ten opzichte van eene diergelijke verorde-
ning?"
„Het antwoord door dien geachten afgevaardigde op die vraag ge-
geven, komt den ondergeteekende volkomen juist voor. Is de Reg.
van oordeel, dat de heffing te laag is, dan kan zij öf de goedkeu-
ring weigeren, doch alsdan zal er in het geheel geen verordening en
dus ook geen heffing bestaan, terwijl er alsdan geen sprake is van
-ocr page 198-
Art. 46.
182
toepassing van art. 126 § 2 of art. 127 der gemeentewet, \') óf zij
zal, overtuigd zijnde door of zwichtende voor de beweegredenen van
den gemeenteraad, of uit overweging dat een min goede regeling al-
toos beter is dan geen regeling, die verordening goedkeuren." M.v.li.
Ie K. 1889.
In gelijken zin Gemat. 1986 die er bijvoegt: neemt de raad echter
geen besluit tot heffing van schoolgeld, dan kunnen artt. 126 en 127
worden toegepast.
„De Grondwet verzet zich niet tegen het optreden van den C.d.K.,
om ook in dit geval datgene te doen, waarin de gemeenteraad nala-
tig is. De verordeningen omtrent schoolgeldheffing zijn geene belas-
ting-verordeningen gelijkstaande met die omtrent de plaatselijke belas-
tingen, waarvan de gemeentewet melding maakt." M.v.ü. Ie K. 1889.
8.    Op de vraag of er wel genoegzame zekerheid bestond dat door
\'s Kon. Comm. vastgestelde en door den Koning goedgekeurde ver-
ordeningen betreffende schoolgeldheffing door de gemeentebesturen
inderdaad zouden worden nageleefd en uitgevoerd, antwoordde de
M.v.B.Z., „dat hij dergelijk verzet niet verwachtte, maar dat, indien
in de praktijk de gemeentebesturen inderdaad middelen mochten vin-
den en toepassen om de bedoelde verordeningen niet uit te voeren,
daarin voorzien zou kunnen worden door bij de wet te bepalen, dat
ingeval er geen schoolgeld wordt geheven, de rijksvergoeding slechts
ten deele zal worden genoten." Zie Verdug 1889, 23.
9.    Wanneer in eene gemeente eene verordening moot gemaakt
worden tot het heffen van schoolgeld en daaraan wordt niet voldaan,
gaat dan de aanspraak op de bijdrage verloren? In de wet is daar-
omtrent geene bepaling te vinden. Op het niet nakomen van die ver-
plichting door de gemeenten is geen straf gesteld. Al wordt de bij-
drage uitbetaald, zijn er andere middelen om van de gemeenten ge-
daan te krijgen, dat zij de wet opvolgen. M.v.B.Z. Ie K. 1889, 139.
10.    Het is niet wel denkbaar, dat de C.d.K. niet gelijktijdig met
het belastingbesluit ook de verordening op de heffing zal vaststellen.
Het recht van den gemeenteraad blijft alsdan onverlet, om dat hef-
fingsbesluit te wijzigen, waarop het tweede lid van art. 235 van de ge-
meentewet van toepassing is. M.v.B. Ie K. 1889.
11.    Ik moet erkennen dat er gevallen kunnen zijn, dat het niet
billijk zoude zijn eene verplichte schoolgeldheffing aan eene gemeente
op te leggen.....Ik geef toe, dat er verschillende omstandighe-
1) „Waarom niet? Eenvoudig daarom niet, omdat do gemeenteraad dan vol-
strekt niet weigert — zooals art. 126 § 2 eischt — aan het wettelijk bevel te vol-
doen, daar het art. alleen eene heffing van f 0,20 per maand verplichtend stelt."
Iioëll in 2e K. 1889, 1605.
-ocr page 199-
Art. 46.
183
den zijn waarin het gerechtvaardigd kan zijn dat geen schoolgeld
wordt geheven.
Wanneer bij voorbeeld, zooals beweerd wordt dat mogelijk is, in
eene gemeente, die nu zou gedwongen worden voor de openbare school
schoolgeld te heffen, de daar bestaande bijzondere scholen juist, in het
uiet-hoSen van schoolgeld het middel zoeken om de openbare school
tegen te werken. Sommige ouders, die niet uit beginsel voor de bij-
zondere school zijn, maar de richting van het openbare onderwijs
goedkeuren, zouden dan wellicht hunne kinderen, gelokt doordat zij
niet behoefden te betalen op de bijzondere school, daarheen zenden.
In zulk een geval, indien het zich mocht voordoen, zoude vrijstelling
van schoolgeldheffing voor de openbare school te rechtvaardigen zijn.
M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1604.
Wanneer zou blijken, dat in eene gemeente de besturen van bij-
zondere scholen in het niet-heffen van schoolgeld het middel zoeken
om de openbare school tegen te werken, zal van de in art. 46, 3de
lid, geschonken bevoegdheid om vrijstelling van schoolgeldheffing voor
de openbare school te verleenen, gebruik kunnen worden gemaakt.
M.v.B. Ie K. 1889.
12.     De bepaling in het derde lid moet een rationeelen zin heb-
ben, en deze kan alleen zijn, dat, waar het heffen van schoolgeld in
het nadeel kan zijn van het onderwijs en het schoolverzuim in de
hand zou werken, daar de vrijstelling toepassing zal vinden, evenals
daar, waar op de bijzondere school geen schoolgeld wordt geheven.
Wel meent de Min. dat een matig schoolgeld het schoolverzuim niet
zou bevorderen, maar Zijne Exc. kan niet tegenspreken dat, wanneer
een gemeentebestuur op aannemelijke gronden de overtuiging moti-
veert dat dit in zijne gemeente wel het geval zou zijn, dan tegen de
kosteloosheid van het onderwijs geen bezwaar gemaakt zal mogen
worden. W. Van Dedem in 2e K. 1889, 1616.
13.     Het slot van het 4e lid werd door de Keg. ingevoegd naar
aanleiding der in het V.V. 1889 gedane vraag, of\' in elk geval niet
eenigermate tegen onbillijke weigering van goedkeuring op verorde-
ningen tot heffing van schoolgeld gewaakt kon worden door, in aan-
sluiting aan hetgeen bij art. 134 der Grondwet ten aanzien van pro-
vinciale verordeningen is gezegd, te bepalen, dat bedoelde goedkeu-
ring alleen kan onthouden worden bij gemotiveerd besluit, den Raad
van State gehoord. Zie Verslag 1889, 23.
14.     Voor de gemeenten waar reeds een schoolgeld boven het mi-
nimum wordt geheven blijft de wet onveranderd; wil men daar wij-
zigingen maken, dan zal men telkens de verordening moeten veran-
deren, en ook telkens, volgens de bepalingen van de gemeentewet,
de goedkeuring des Konings gevraagd moeten worden, en bij wei-
-ocr page 200-
Art. 46.                                184
gering blijft de oude verordening van kracht. M.v.B.Z. 2e K. 1889,
1615.
15. Evenredige schoolgeldheffing. Het heffen van een school-
geld, dat verschillend is naar mate van de gegoedheid der ouders,
wordt mogelijk door het vervallen van het laatste lid van art. 48.
M.v.T. 1889, 11.
De daartegen ingebrachte bezwaren gaven „der Reg. geene aanlei-
ding de gemeentebesturen ten aanzien van de toepassing van dit naar
haar inzien billijk stelsel in het vervolg niet vrij te laten. Evenzeer
als B. en W. thans in staat worden geacht te beoordeelen wie min- of
onvermogend zijn, zal het zeer wel doenlijk wezen, eene regeling te
treffen, waarbij ouders, die gegoed zijn, een grooter, de minder ge-
goeden daarentegen een kleiner deel in de kosten van het lager on-
derwijs zullen betalen." M.v.B. 1889, 23.
De toevoeging aan het slot van de laatste alinea is geschied, om
duidelijk te doen uitkomen, dat, waar evenredig schoolgeld geheven
wordt, en daardoor de vrees bestaat, dat een te zwaar aandeel der
kosten op enkelen wordt gebracht, niettegenstaande die zoogenaamde
evenredigheid toch nooit voor eenig kind meer zal betaald worden
dan het onderwijs van dat kind in werkelijkheid kost. M.v.B.Z. 2e K.
1889, 1614.
Eindelijk merk ik op dat door dit wetsontwerp de evenredige school-
geldheffing niet verplichtend wordt gesteld, doch slechts aan de ge-
meentebesturen de bevoegdheid wordt verleend die desverkiezende in
te voeren. M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1590.
Zullen tengevolge van de evenredige schoolgeldheffing de verschil-
lende soorten van scholen in de gemeenten moeten worden opgehe-
ven? Ik antwoord dat dit volstrekt niet het geval behoeft te zijn. Er
is geen bezwaar dat, nevens eene classificatie van verschillende scho-
len, in die scholen zelve evenredig schoolgeld wordt geheven voor de
kinderen, die een en dezelfde klasse bezoeken. Deze kunnen, al be-
zoeken zij dezelfde school, wat betreft het te heffen schoolgeld in ver-
schillende rubrieken verdeeld worden; maar er volgt volstrekt niet
uit dit voorstel dat daardoor slechts één soort van scholen in de ge-
meente mag gevonden worden. M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1590.
Hoe zal het gaan bij de evenredige schoolgeldheffing met kinderen,
die buiten de gemeente wonen\'?
Ik doe opmerken dat aan de gemeenten niet de verplichting is op-
gelegd om kinderen, buiten de gemeenten woonachtig, op de school
toe te laten. Wanneer het geval zich voordoet, zal de gemeente daar-
over gehoord worden en eene overeenkomst gesloten worden, op welke
wijze de kinderen op de school zullen worden toegelaten, en op welke
wijze het schoolgeld zal geregeld worden. M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1590.
-ocr page 201-
185                             Art. 46.
Op dit laatste punt kwam men bij de behandeling van art. 48 terug.
Toen bleek, dat de bedoeling was, te spreken over kinderen, die in de
gemeente gevestigd zijn, maar wier ouders buiten de gemeente wo-
nen, b.v. in de koloniën of bezittingen. De Minister zeide: Die kin-
deren zullen bijdragen naar mate van de gegoedheid der ouders. De
gemeentebesturen zullen de vrijheid hebben dit onderwerp te regelen;
mochten er onbillijkheden of onregelmatigheden bij gepleegd worden,
dan staat de weg nog open om de verordening op de heffing niet
goed te keuren. Ik geloof niet, dat in de praktijk de moeilijkheden zich
zullen voordoen, die men zich voorstelt. De gemeentebesturen zullen
de gegoedheid van de ouders, van de kinderen of van de voogden, wan-
neer zij geen ouders meer hebben, in overweging moeten nemen.
.... Op de kohieren zullen de personen gebracht worden die nu
reeds ook zonder evenredige schoolgeldheffing aansprakelijk zijn voor
het schoolgeld; maar het is natuurlijk niet mogelijk hier alle vragen
op te lossen die samenhangen met de quaestie van het evenredig
schoolgeld. M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1618.
Verg. ook de volg. aanteekening.
16. De becijfering van het bedrag, dat per kind geacht kan wor-
den voor rekening der gemeente te blijven, zal worden gemaakt door
het bedrag der kosten van de school, die voor rekening der gemeente
blijven, te deelen door een cijfer gelijkstaande met het aantal kinde-
ren dat de school bezoekt. M.v.B. Ie K. 1889.
De aanmerking is gemaakt, dat, waar in het V.V. der Ie K. gevraagd
wordt hoe de becijfering gemaakt wordt in de laatste woorden der
laatste alinea van art. 46 bedoeld, een antwoord gegeven wordt dat
niet slaat op hetgeen dienaangaande gevonden wordt in het Versl. der
2e K. Ik heb gemeend dat de vraag in het Versl. van de Ie K. doelde
op de quaestie, behandeld in de 2e K. tijdens de beraadslaging over
art. 46, en wel: hoe het met de berekening bij de evenredige sehool-
geldheffing van den kostenden prijs van het onderwijs per kind zal
gaan. Zullen daarvoor alleen in aanmerking komen de kinderen die
/ betalen kunnen of ook de on- en minvermogenden\'? De bedoeling is
om bij die berekening de kosten om te slaan over alle kinderen, zoo-
dat de vermogenden niet mede betalen voor de onvermogenden. Wat
de geachte afgevaardigde nu vraagt is geheel iets anders. Die quaestie
heeft bij de Comm. van Voorb. in de 2e K. een onderwerp van be-
spreking uitgemaakt, waar zij zegt dat. het schoolgeld voor vermo-
genden zou kunnen bepaald worden op de kosten aan onderwijs-
kracht en leermiddelen, die voor het onderricht van elk kind zouden
moeten worden uitgegeven, indien de beschikbare ruimte gevuld was.
De Reg. heeft daar toen niet op geantwoord. Tegen die berekening
is dunkt mij geen overwegend bezwaar, vooral als het aantal kinde-
-ocr page 202-
Art. 46.
186
ren zeer gedaald is, en mits men onder beschikbare ruimte niet het
geheele schoolgebouw verstaat, en dus ook de lokalen die niet voor
school gebruikt worden, maar let op het aantal kinderen, waarvoor
de gebruikte ruimte, in verband niet de aanwezige onderwijskracht,
is ingericht. In dien zin kan ik mij wel vereenigen met het in het
Verslag uitgedrukt gevoelen der Comm. M.v.B.Z. Ie K. 1889, 139.
17.    Bij de inzending van het besluit tot schoolgeldheffing moet
een staat van de vermoedelijke opbrengst der schoolgelden en van het
waarschijnlijk bedrag der kosten van het openbaar lager onderwijs
worden overgelegd. P.B. Zeel. 66/1858.
18.     J) De bevoegdheid om voor eeno hoogere klasse, waar de om-
vang van het onderwijs een andere wordt, hooger schoolgeld te hef-
fen, kan niet worden ontnomen. M.v.B. 1878, 28.
Ik zou zeer geneigd zijn, de vraag: of niet door de gemeenteraden
in acht genomen moet worden, dat hot schoolgeld voor eene hoogere
klasse alleen kan stijgen, wanneer het onderwijs daar een grootoren om-
vang heeltV bevestigend te beantwoorden, omdat, indien er van geen
meerderen omvang sprake is, er ook geen reden is om het schoolgeld te
verhoogen. Ik moet mij evenwel verontschuldigen. Ik durf, zoo on-
voorbereid, geen definitie formuleeren en veel minder nog in mij on-
bekende gevallen eene beslissing uitspreken. Het ligt echter in den
aard dei\' zaak, dat schoolgelden evenredig moeten zijn aan \'t genot
en dat er geen verschil mag bestaan, tenzij dit gegrond is op het
feit, dat voor de hoogere klasse het onderwijs meer omvat dan voor
de lagere. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1329. In de 2e K. werd toen gecon-
stateerd, dat op de gewone volksschool, waar alleen de vakken a—k
worden onderwezen, niet kan worden gezegd dat in de hoogere klas-
sen de omvang zou zijn toegenomen, zoodat in dergelijke school het
schoolgeld in alle klassen gelijk moet zijn. In gelijken zin \'T.C. en
M.
274.
In strijd daarmede is de volgende beslissing: Er mag worden vast-
gesteld een opklimmend tarief van schoolgeld, naarmate der klassen
waarin de leerlingen in de scholen zijn verdeeld. K.B. 14 April 1881;
Verslag Z.-Holl. 1880; Genist. 1561; v.E. VIII 177.
In overeenstemming daarmede is echter het volgende: Heffing van
hooger schoolgeld voor de hoogere klassen, niettegenstaande in alle
klassen alleen gewoon l.o. wordt gegeven, is in strijd met het belang
van het onderwijs en met den geest der wet. M.v.B.Z. 22 Mei 1860;
1) Voor zoover in deze en de volgende aanteek. alleen een dagteekoning en
een letter of nummer wordt vermeld, worden daarmede bedoeld beschikkingen
van den M.v.B.Z., afd. B.B.; de meeste daarvan zijn min of meer uitvoerig me-
degedeeld bij Hubr. III113-122 en V 30—34, en bij Ut. 458—529 en 532—536.
-ocr page 203-
187                                       Art. 46.
Gemat. 454; W.li.A. 574; v.E. II 220. - Heffing van f 0,60 voor de
middelste en f 0,80 voor de hoogste klasse zou werken als premie
om de school vroeg te verlaten. 28 Jan. 1887 no. 254; Gem.it. 1864;
Wekker 51/1887; c.E. XI 215. — Het is geoorloofd voor de hoogste
klasse eener school lager schoolgeld te heften dan voor de lagere, ten
einde het te vroeg verlaten der school door de kinderen te voorko-
men. Genist. 1862; v.E. XI 215.
19.     De beoordeeling wie on- en minvermogend zijn, staat aan IJ.
en W., niet aan den raad of aan de ouders (16 Oct. 1880 Lett. (\';
Gemat.
1477 en 1536; v.E. XII 141 en X 191; W.li.A. 1889). Ook niet
„in de eerste plaats" aan den raad (16 Febr. 1881 no. 729). — 15. en
W. moeten dus ook beoordeelen of kinderen van schippers vrij zul-
len zijn (31 Mei 1884 no. 2235). — Er is daarom ook bezwaar tegen
de bepaling in eene verordening, dat on- of minvermogenden zijn: zij,
die niet in den hoofdelijken omslag aangeslagen zijn (9 Nov. 1880
Lelt. 1), of zij, die niet meer dan een in de verordening genoemd
jaarlijksch inkomen hebben (17 Dei: 1880 Lett. T), of zij, die niet bij-
dragen in de Rijks directe of plaatselijke belastingen (11 Jan. 1881
no. 158). — B. en W. moeten eveneens beslissen op tegen de vaststel-
ling van het schoolgeld gerezen bezwaren (18 Febr. 1882 no. 808);
de raad mag ook niet in hooger beroep uitspraak doen (13 Jan. en 14
Mei 1882 nrs. 114 en 2336). In anderen zin: 29 Mei 1883 no. 2139
(cerslatj Zeeland 1883) en 10 Jan. 1887 no. 12.
20.     De gemeente mag geen schoolgeld vorderen voor de in een
weeshuis opgenomen kinderen. Gemat. 1653. Anders W.li.A. 1786,
op grond dat dit art. niet de kinderen, maar hen die ze verzorgen
op het oog heeft. Zie c.E. IX 197.
21.     De regeling van het schoolgeld voor minvermogenden behoort
te huis in het besluit tot heffing, niet in de verordening op de in-
vordering (6 Nov. 1880 Lett. F).
Bij de verord. wordt bepaald, hoe veel minder dan het volle be-
drag het schoolgeld voor minvermogenden zijn zal. M.v.li. 1878, 28.
(Idem 10 en 8 Sept. 1881 nrs. 3884 en 3930, en M.v.B.Z. in 1883 en
1886 ; v.E. IX 196 en X 191; W.B.A. 1889; versl. Gron. 1886; Gemst.
1874). — Mocht het blijken, dat een gemeentebestuur de minvermo-
genden ten opzichte van de betaling van schoolgeld te veel zou wil-
len bezwaren, dan kan de Eeg. op grond van deze bepaling weige-
ren, een dergelijk besluit goed te keuren. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1326.
— Ook voor één kind van minvermogenden moet minder betaald wor-
den dan van vermogenden (9 Juni 1884, 16 Oct. 1885 en 27 Maart
1886 nrs. 2406, 4428 en 1381).
De vrijstelling of vermindering moet van toepassing zijn voor alle
klassen (5 Sept. 1881 no. 3356), op alle minvermogenden (28 Oct., 9
-ocr page 204-
Art. 46.                                188
Nov. 1880 en 12 Jan. 1881 Lett. A, L en no. 179), ook op on- en min-
vermogenden uit andere gemeenten (5 Maart 1881 no. 974). — Ook
voor het herhalingsonderwijs, zelfs als daar meer vakken worden
onderwezen (9 Nov. 1880 en 24 Mei 1881 Lelt. 11 en no. 2187) en
dan in gelijke mate als voor het gewoon onderwijs (28 Febr. 1882
no. 861). — De toepassing mag niet afhankelijk zijn van „buiten-
gewone redenen" (21 Jan. en 5 Dec. 1881 nrs. 227 en 5408), of van
eene nadere gunstige beschikking van B. en W. (12 Febr. en 29
Juli 1881 nrs. 506 en 3040), of van de verwachting dat de lessen
„met vrucht" zullen worden gevolgd (28 Jan. 1881 no. 364), of van
de meerdere of mindere geschiktheid der kinderen (11 Juli 1881 no.
2751; W.B.A. 1753; o.K. IX 196); zij mag ook niet worden opge-
sehort tot een bepaald tijdstip gedurende het schooljaar (5 Maart 1881
no. 974).
Zie ook de volgende aant.
22.     Het onderwijs in alle vakken moet voor on- en minvermogenden
toegankelijk zijn, tegen geen of verlaagd schoolgeld (4 Jan. 1881 nrs.
88 en 34, 10 Jan. 1881 no. 131, 28 Febr. 1881 no. 507, 3 Mei 1881 en
6 Mi 1882 no. 2132). — Aan hen mogen geene eischen van bekwaam-
heid worden gesteld, tenzij ook voor hen, die \'t volle schoolgeld be-
talen, die regel geldt (11 Juli 1881 no. 2833 en 13 April 1882 no.
1387). — De raad mag zich niet voorbehouden, welke onvermogen-
den tot het onderwijs in l—t zullen worden toegelaten (11 Jan. 1881
no. 158).
Art. 172 (thans 175) Grondwet belet niet, dat in dezelfde gemeen-
te in de eene school geen, in de andere wel schoolgeld geheven wordt
(3 Febr. 1882 no. 441). Aan de voor on- en minvermogenden aange-
wezen school moet dan onderwijs verkrijgbaar zijn in alle vakken, die
in de gemeente worden onderwezen (3 Aug. 1882 no. 3514). Aan on-
en minvermogenden staat de keus niet open van de school, waar zij
onderwijs in de vakken l—t wenschen te genieten. Het gemeentebe-
stuur is bevoegd, hun daartoe eene school aan te wijzen. Maar van
het onderwijs mogen zij niet worden uitgesloten, zoodra zij begeeren
het te genieten. M.v.B.Z. 13 Jan. 1881 «0.172, afd. O; Gemst. 1531,
1560; W.B.A. 1651; v.E. VIII 178; Hubr. III 122.
Met de voorgaande beslissingen is de volgende niet in overeenstem-
ming: Vindt een gemeenteraad, dat het noodig is, voor de on- en
minvermogenden eene kostelooze of armenschool te openen, met de
vakken a—l zelfs, en eene andere school voor betalende leerlingen,
ook nog zeer goedkoop, met eenige vakken meer, dan beveelt de wet
niet, dat in zoodanig geval ook de onvermogenden in onbeperkten
getale in deze school mogen plaats nemen. K.B. in 1884; Ht. 520.
23.     Wanneer twee gemeenten eene gemeenschappelijke school heb-
.\'
-ocr page 205-
Art. 46.
189
ben, moet het schoolgeld worden geïnd door den ontvanger der ge-
meente, op wier grondgebied de school ligt, ook van die leerlingen die
in de andere gemeente wonen, omdat belasting voor het gebruik van
een voorwerp betaald moet worden ter plaatse waar zich dat voor-
werp bevindt. De Regeering blijkens W.B.A. 647 ; v.E. II 190.
De gemeente is bevoegd, als in de regeling krachtens art. 16 is be-
paald, dat kinderen uit andere gemeenten hooger schoolgeld zullen
betalen, dit zelf van de ouders dier kinderen in te vorderen. v.E. in
Wekker
19/1889.
Waar en zoolang eene tusschen twee gemeenten gemeenschappe-
lvjke school bestaat, mag eene heffing van schoolgeld van de kinderen
enkel uit ééne der beide gemeenten niet worden toegelaten. M.v.B.Z.
ef. G.S. Z.-Holl. in
1875; Gemst. 1309; W.B.A. 1447; v.E. VI 136.
24.    Het staat den raad vrij, schoolgeld te heffen voor de kinde-
ren uit zijne gemeente, welke de openbare scholen bezoeken der om-
liggende gemeenten, waarmede omtrent de toelating van kinderen re-
gelingen zijn getroffen. G.S. Z.-Holl. in 1880; Gemst. 1561; W.B.A.
1706; v.E. VIII 177. Idem M.v.B.Z. 22 Maart 1881 no. 1264. - Niet
voor kinderen, die schoolgaan in gemeenten, waarmede geen regeling
is getroffen. 2 Febr. 1882 no. 357.
Ook mag voor kinderen, die krachtens overeenkomst elders school-
gaan, niet meer schoolgeld worden gevorderd dan voor kinderen die in
de gemeente zelve schoolgaan, al mocht ook het bestuur dier gemeen-
te aan dat der gemeente, waarin eerstbedoelden schoolgaan, meer be-
talen. M.v.B.Z. 7 Oct 1885 no. 2892, afd. O; Ht. 528.
25.    De bedoeling is, dat ook de tweede alinea van art. 48 gehand-
haafd blijft, met dien verstande dat, wanneer de gemeenteraad be-
paalt, dat een schoolgeld zal geheven worden van slechts 20 cents per
kind en per maand, voor twee kinderen uit één gezin niet 40 cents zal
behoeven betaald te worden, maar dit kan gesteld worden op een min-
der bedrag. M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1615, en M.v.B. Ie K. 1889.
De beslissing of art. 48 al. 2 zal worden toegepast, mag niet aan
B. en W. worden overgelaten; de verord. moet het bepalen. 19 Jan.
1881 no. 189; 1 Oct. 1885 no. 4179. — De raad is niet verplicht, ook
voor minvermogenden die al. toe te passen. 20 Jan. 1886 no. 160. —
Zij mag ook dan worden toegepast, wanneer de kinderen uit één
gezin verschillende openbare scholen bezoeken. Gemst. 1420; v.E. VII
141. — Het schoolgeld mag niet in absoluten zin minder zijn naar-
mate er meer kinderen schoolgaan, zoodat twee kinderen te zamen
minder betalen dan één, of vier te zamen minder dan drie, of dat
voor vijf kinderen in het geheel geen schoolgeld zal verschuldigd
zijn. 28 Febr. 1882, 2 Febr. 1884 en 15 Maart 1886 nrs. 861, 452
en 1099.
-ocr page 206-
Artt. 4G, 47.
190
20. Heffing van 40 a 50 et. voor de dagschool en gratis onder-
wijs op de herhalings- of avondschool zou het schoolverzuim op de
dagschool in de hand werken. 25 Aug. 1886 no. 3328; Gemst. 1828;
v.E. XI 215.
27.     De raad is bevoegd te bepalen dat:
het schoolgeld vooruit betaald behoort te worden, en dat bij ge-
breke daarvan de toegang tot de school wordt ontzegd. 3 Mei 1881
no. 1726;
als het schoolgeld niet binnen vier maanden is betaald, B. en W.
het bezoek der school mogen ontzeggen aan de leerlingen, voor wie
de betaling is verzuimd. 14 Oct. 1880 Lett. Ji eu 28 Febr. 1882 no.
8G1 (In anderen zin: als bjj de verord. geen vooruitbetaling is be-
dongen, mag noch de raad, noch B. en W. verwijdering wegens wan-
betaling gelasten en moeten de artt. 258—262 gem.-wet worden toe-
gepast, Gemst. 1325; v.E. VI 137);
de onderwijzer belast is met de inning der schoolgelden, mits hij
die aan den ontvanger verantwoorde. 6 April 1881 no. 1490;
per maand ƒ 0,50 voor één kind worde geheven, met verminde-
ring voor meer kinderen, terwijl de bijzondere school in de gemeen-
te /\' 0,40 per maand voor één kind heft. 27 Der. 1880 Lett. K.
28.     De raad mag in de verordening tot schoolgeldheffing:
geen onderscheid maken tusschen meerder- of minderjarige onver-
mogenden (16 Oct. 1880 Lett. C), of tusschen bedeelden en onvermo-
genden (28 Oct. 1880 Lett. li), of tusschen kinderen, die al of niet
tot de wettige bevolking behooren (30 Maart 1881 no. 1377) of wier
ouders al of niet ingezetenen zijn (5 Maart 1881 no. 974);
geen vrijstelling van betaling voor kinderen van onderwijzers toe-
staan (5 Maart 1881 no. 974);
niet voor één of meer der vakken a—k schoolgeld bepalen, om-
dat, als slechts voor één of meer vakken kinderen zouden worden toe-
gelaten, de school een vakschool zou worden, hetgeen met de bedoeling
des wetgevers niet ware ovei-een te brengen (31 Mei 1884 no. 2280);
niet bepalen, dat voor kinderen, die gedurende één of meer volle
maanden geen onderwijs genoten, schoolgeld zal worden geheven, dat
per maand verschuldigd is (22 Nov. 1883 no. 4565). — Verg. hierbij
Gemst. 590 en v.E. II 218: De bepaling dat het schoolgeld, onver-
schillig hoe lang de leerling van het onderwijs hebbe gebruik ge-
maakt, altijd voor een geheel jaar zal gerekend worden, is niet in
strijd met art. 254 gem.-wet, zooals de Eeg. in 1862 van ooi-deel was.
Artikel 47.
Het gemeentebestuur bevordert zooveel mogelijk het school-
-ocr page 207-
1.91                           Artt. 47, 48.
gaan der kinderen van bedeelden, onvermogenden en min-
vermogenden.
1.    De verplichting, bij een verordening op het, burg. armbestuur
opgelegd aan hen die door dat bestuur bedeeld worden, om hunne
kinderen naar de openbare armenschool te zenden, strookt niet met
den geest der onderwijswet, noch met dien der staatsregeling, waar-
van zij een uitvloeisel is. M.v.B.Z. 30 Juni 1868; Genist. 877; W.B.A.
997; Wekker 30/1868; v.E. II 217.
2.    Naar het oordeel van den ondergeteekende mogen ouders in de
vrije keuze der school nooit belemmerd worden. M.v.B. 1878, 28.
o. De zorg voor schoolbezoek strekt zich ook uit tot het herha-
lingsonderwijs. T.C. en M. 272.
4.    De bepaling in eene gemeentelijke verordening, dat, ter bevor-
dering van het geregeld schoolgaan, kinderen, die niet een zeker aan-
tal dagen de school hadden bezocht, zonder gegronde redenen voor
hun verzuim, het volgend jaar niet weer zouden worden toegelaten,
is onwettig. Gemst. 976; v.E. III 260.
5.    De wet verbiedt niet, dat voor on- en minvermogenden af/.on-
derlijke scholen worden aangewezen. M.v.B.Z. 8 Der. 1880 Lett. L,
afd. B.B.; Itubr.
III 115; Ut. 470.
6.    Waar meer openbare scholen bestaan, heeft het gemeentebe-
stuur het recht om aan de bedeelden en onvermogenden de school
aan te wijzen, waarop hunne kinderen zullen geplaatst worden.
Waar schoolgeld geheven wordt, is de keus der ouders, die school-
geld betalen voor hunne kinderen, tusschen de verschillende scho-
len vrij.
Daar, waar geen schoolgeld wordt geheven en meer dan ééne open-
bare school is, staat het ieder vrij, zijn kinderen ter school te zen-
den waar hij wil. Is er op eene school gebrek aan plaats voor allen
die zich aanmelden, dan zal aan de kinderen van bedeelden, die op de
school hunner keuze niet kunnen worden opgenomen, eene andere door
B. en W. kunnen worden aangewezen. De kinderen van anderen dan
bedeelden zullen worden geplaatst, al naarmate er plaatsen open ko-
men, naar rangorde van aangifte. T.C. en M. 272.
Artikel 48.
Tenzij bij eene regeling krachtens het laatste lid van art.
16 gemaakt, anders is bepaald, bedraagt het schoolgeld voor
de kinderen uit andere gemeenten niet meer dan dat voor
de kinderen uit de heffende gemeente.
Voor twee of meer kinderen uit één gezin, gelijktijdig ter
-ocr page 208-
Artt. 48, 49.                          192
school gaande, kan het bedrag van het schoolgeld lager ge-
steld worden dan het, berekend voor ieder afzonderlijk, we-
zen zou.
Zie de aantn. op art. 46, in \'t bijzonder nrs. 15, 16, 23, 24 en 25.
Artikel 49.
Indien Wij, Gedeputeerde Staten gehoord, oordeelen dat
eene gemeente, door de uitgaven tot eene behoorlijke inrig-
ting van haar lager onderwijs vereischt, in verhouding tot
hare middelen en andere uitgaven onbillijk zou worden be-
zwaard, kan haar uit \'s Rijks kas tijdelijk subsidie ver-
leend worden. Ons daartoe strekkend en met redenen om-
kleed besluit wordt, te gelijk met het advies van Gedepu-
teerde Staten, in de Staatscourant openbaar gemaakt.
1.    Subsidiën aan gemeenten, die door de algemeene uitkeering
niet genoegzaam geholpen zijn, moeten, op gelijke wijze als die uit-
keering zelve, komen uit \'s lands kas. M.v.T. 1878, 14.
2.    Overeenkomstig het aangenomen beginsel valt hier weder de
provincie weg. Het toezicht der Staten-Gen. waarborgt tegen mis-
bruik hetzij door te groote rijkelijkheid, hetzij door te groote karig-
heid in het verleenen van subsidie. M.v.T. 1878, 20.
3.    De woorden: „wordt uit \'s Kijks kas tijdelijk subsidie ver-
leend" zijn tot dusver zoo opgevat dat het voorschrift gebiedend is
en eene gemeente aanspraak heeft op tijdelijk subsidie, indien blijkt,
dat zij door de uitgaven, tot eene behoorlijke inrichting van haar la-
ger onderwijs vereischt, in verhouding tot hare middelen en andere
uitgaven onbillijk zou worden bezwaard.
Die opvatting moet in hare consequentie daartoe leiden, dat de
bezwaarde gemeente eene vordering bekomt tegen den Staat, en de
verplichting van de Eeg. tot het toekennen van een subsidie zelfs
niet ophoudt bij de grens, door het artikel der Staatsbegrooting daar-
voor gesteld.
De wijziging heeft ten doel hieraan een einde te maken. Wanneer
men niet verder behoeft te gaan dan het bedrag dat bij de vaststel-
ling der begrooting is toegestaan, zal het gevolg wezen dat de be-
grootingswet een breidel aanlegt aan eene Keg. die al te mild zou
willen subsidiëeren en dat de subsidiën zich over meerdere dienstja-
ren zullen spatiëeren. M.v.B. 1884, 20.
Het is niet de quaestie van de macht van den Min., en nog min-
der van de willekeur van den Min. Deze kan niet naar goedvinden
-ocr page 209-
193
Art.49.
verklaren, dat er geen onvermogen bestaat. Als uit de rapporten van
Ged. Staten blijkt, dat het aan de gemeente redelijkerwijze niet mo-
gelijk is, meer belastingen te heffen tot dekking van de gewone kos-
ten, of eene leening te sluiten voor de buitengewone kosten, dan
moet de Min. naar waarheid het onvermogen constateeren. Neen, het
woord kan vindiceert de bevoegdheid van de wetgevende macht. Daar*
door wordt uitgedrukt, dat de Min. zou kunnen zeggen: „Wel is waar
zou de gemeente het noodig hebben, maar daar over het loopende jaar
niet meer dan zooveel duizend gulden is toegestaan, zal ik tot het vol-
gende jaar wachten." M.v.B.Z. 2e K. 1884, 1473.
4.     De algemeene bedenking is tegen dit artikel gemaakt dat het
verleenen van dergelijke subsidiën niet kan geschieden naar vaste re-
gelen. Dit stem ik volkomen toe. Het verleenen van subsidie moet
geschieden naarmate van de omstandigheden van elke te subsidiëeren
gemeente; dit vordert in ieder geval een bijzonder onderzoek en al
meent men daarvoor algemeene regelen gevonden te hebben, altijd zal
men bij de toepassing van die regelen zeemanschap moeten gebruiken.
M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1331.
5.     Mijn ambtgenoot van Financiën heeft in overweging gegeven
of het wellicht wenschelijk zou zijn om bij eene overgangsbepaling in
deze wet eenige regelen te stellen voor het verleenen van zulke subsi-
diën. Hij meende dat er speciaal op gelet behoorde te worden of de
gemeenten, waardoor dat subsidie gevraagd werd, een eigen belasting
betaalden, aan hoofdelijken omslag en opcenten op het personeel min-
stens tweemaal zooveel bedragende als vier vijfden van het personeel.
Reeds nu is het een vaststaande regel om, wanneer subsidie krach-
tens art. 49 gevraagd wordt, daarop te letten. Wordt er dan ook min-
der belasting in de gemeente geheven dan het genoemde bedrag, zoo
bestaat er veel kans dat de aanvraag afgewezen wordt, tenzij zeer bui-
tengewone omstandigheden eene afwijking toelaten; hoewel daar nog
niet uit volgt dat, als zoodanig bedrag aan eigen belasting door de ge-
meente geheven wordt, daardoor de noodzakelijkheid van het verlee-
nen van een subsidie zou zijn gebleken. Dit heeft natuurlijk alleen
betrekking op subsidie voor gewone onderwijskosten. M.v.B.Z. 2e K.
1889, 1522.
6.    Zal de regel gelden, dat eene gemeente, die geen schoolgeld
heft, geen subsidie zal verkrijgen? Die regel staat niet in de wet,
maar evenmin het omgekeerde. De beoordeeling zal altijd deze moe-
ten zijn, of eene gemeente, in evenredigheid tot hare middelen en
andere uitgaven, als te zwaar gedrukt, subsidie niet missen kan. Is
er dus werkelijk reden aan te nemen, dat, wanneer de gemeente school-
geld wil heffen, de ingezetenen dat schoolgeld zullen kunnen beta-
len, de grond voor het subsidie vervalt, want in dat geval moet het
WET L. O.                                                                                   13
-ocr page 210-
Art. 49.                                       194
subsidie niet of tot een minder bedrag worden toegestaan. Dus de toe-
zegging dat, waar geen schoolgeld geheven wordt, dit nooit een reden
zal zijn tot weigering van het subsidie, kan ik niet geven. Volkomen
stem ik toe, dat niet alles wat de Min. spreekt geacht kan worden in de
wet te staan. Maar aan den anderen kant is er geen reden om aan te ne-
men, dat de bedoeling van het artikel is, dat eene gemeente schoolgeld
moet heffen om subsidie te kunnen verkrijgen. M.v.D.Z. 2e K. 1878,1881.
7.     Hoezeer de gem."besturen vrij zijn al dan niet schoolgeld te heffen,
valt, zoodra zij toepassing van dit art. inroepen, te beoordeelen of de inge-
zetenen, en wel in de eerste plaats de belanghebbenden, genoegzaam bij-
dragen. Het heffen van een behoorlijk, hoewel matig schoolgeld tot tege-
moetkoming in de kosten van het onderwijs schijnt wijders een billijke
eisch tegenover den eisch om buitengewoon subsidie in die kosten.
M.V.B.Z. 11 en 21 Juni 1883 nra. 1897 en 2155, afd. O; Genist. 1637;
W.B.A. 1777; v.E. IX198;JÏ*.589«*541. — In gelijken zin M.v.B.Z.
in
1864 ; Genist. 667 ; v.E. II222. Idem W.B.A. 1372; v.E. V136.
In anderen zin G.S. Zeeland blijkens eerslag 1883, en Vereen. Burg.
en Secr. in Z.- en N.-Bevéland; Genist.
1671; v.E. IX 198.
8.     In 1884 stelde de lieg. voor, de verplichting tot schoolgeldheffing
aan het verkenen van subsidie te verbinden. Daartegen werd bezwaar
gemaakt, vooral omdat er zeer arme gemeenten zouden kunnen zijn,
voor welke die heffing overwegende bezwaren zou kunnen opleveren.
Om nu te voorkomen dat uit eene afstemming het verkeerde gevolg zou
worden getrokken, dat de Keg. de voorwaarde van schoolgeldlieffing
niet zou mogen stellen, werd de verplichting tot heffing door de Reg.
uit het artikel gelicht.
9.     Behoorljjke inrichting. Dat kan niet anders zijn dan eene inrich-
ting, zoowel wat de lokalen als wat het onderwijs, personeel, leermid-
delen enz. betreft, die voldoet aan de eischen der wet en aan de behoefte
der gemeente. T. C. en M. 275.
10.    Het is o.i. boven twijfel vei-heven dat daar subsidie moet worden
verleend, waar de uitdrukkelijke bedoeling van art. 45, dat n.1. „de ge-
meenten moeten worden schadeloos gesteld voor den last, welken de
nieuwe wet haar oplegt", door de tegemoetkoming van 30°/o der uitga-
ven niet wordt bereikt. T.C. en M. 277.
11.     Het is niet zoozeer de vraag of de begrooting eener gemeente
niet zou kunnen sluiten zonder een ten behoeve van het lager onderwijs
verzocht subsidie, dan wel of de gemeente door de uitgaven tot eene be-
hoorlijke inrichting van haar lager onderwijs vereischt, in verhouding
tot hare middelen en andere uitgaven onbillijk zou worden bezwaard,
zoo haar uit \'s Rijks kas geen tijdelijk subsidie werd verleend. M.v.B.Z.
31 Maart 1881 no. 1000, afd. O; Hubr. III 125; Ht. 550.
12.    Er bestaat bezwaar tegen de inwilliging van den wensch van Ged.
-ocr page 211-
195
Art. 49.
Staten om, in het belang van het onderzoek van volgende aanvragen om
toepassing van art. 49 der wet, steeds in kennis te worden gesteld met
de redenen, die den Min. leidden om bij zijne voordracht aan den\' Ko-
ning af te wijken van het door Ged. Staten uitgebracht advies. M.v.B.Z.
26 April 1883 no. 1214, afd. O; Ht. 548.
13.    Bij de beoordeeling der aanvragen moet de toestand der geheele
gemeente, niet die der afdeeling, in aanmerking genomen worden.
M.v.B.Z. 26 April 1882 no. 1317, afd. O; Ilubr. V 41; v.E. IX 197.
Art. 49 laat niet toe, aan afdeelingen van gemeenten subsidie te ver-
leenen. M.v.B.Z. 25 Mei 1867 ; Gemst. 819; W.B.A. 938 ; v.E. II 223 ;
T.C. en M. 277. — Idem in 1887 «»1888; Verslag Limburg 1887;
W.B.A. 2048 en 2053; Gemst. 1933.
14.    De betaling van de subsidiën in gewone kosten geschiedt kwar-
taalsgewijs, van die in buitengewone kosten in verband met de betalings-
termijnen, op aanvraag der gemeentebesturen. M.v.B.Z. 7 Maart 1882
no. 896, afd. O; Ilubr. V10-14 en 39 ; Wekker 21,1882; W.B.A. 1715 ;
Ht. 552; T.C. en M. 482.
15.    Adviezen voor gewone en buitengewone, kosten moeten afzonder-
lijk worden behandeld. M.v.B.Z. 7 April 1883 no. 1297, afd. O.
16.    Vorm der adviezen vastgesteld. Zij behooren uiterlijk vóór 1
December van het jaar, waarop zij betrekking hebben, te worden inge-
zonden. M.v.B.Z. 23 Jan. 1882 no. 309, afd. O; Hubr. V 35; Wekker
8/1882 ; Gemst. 1583 ; Ht. 542.
Van de uitgaven wordt eerst de vergoeding van art. 45 afgetrokken;
van het overblijvend bedrag het subsidie krachtens art. 49; het dan nog
overschietende blijft ten laste der gemeente. M.v.B.Z. 28 Nov. 1882 no.
4713, afd. O; Wekker 97/1882; Gemst. 1628; v.E. IX 198; Ht. 543.
In het advies op te geven het getal leerlingen op 15 Januari en
de daaronder begrepen on- en minvermogenden. M.v.B.Z. 16 Maart
1887 no. 825, afd. O; Ht. 544.
17.    Voor een jaar, waarvoor reeds een gewoon subsidie verleend
is, kan nader een subsidie verleend worden. St.-ct. 17/18 Jan. 1886,
16 Mei 1888, 8 Jan. 1889. Ook zonder dat blijkt van een nader advies
van Ged. Staten. St.-ct. 28 Juni 1889 no. 150.
18.    De toegekende subsidiën zijn steeds als maxima te beschouwen.
De M.v.B.Z. stelt zich voor, te doen nagaan of de uitgaven voor
gewone onderwijskosten met de raming, waarnaar het subsidie bere-
kend is, overeenkomen. Bij beduidend verschil zal daarop bij de toe-
kenning van een subsidie in een volgend jaar worden gelet of wel het
gemeentebestuur worden uitgenoodigd het te veel genotene in \'s Rijks
kas te storten. M.v.B.Z. 5 April 1883 no. 1308, afd. A.Z.C.; Verslag
Zeel.
1883. Zie eene toepassing van \'t laatste in Verslag Zeel. 1884.
19.    Rente en aflossing van schulden, aangegaan tot het verleenen
13*
-ocr page 212-
19G
Artt. 49, 50.
van subsidiën aan kerken, pastorieën enz., komen niet voor de toepas*
sing van art. 49 in aanmerking. M.v.B.Z. 22 April 1882 no. 1495,
afd. 0; Hubr. V 42; Ht, 54G.
20.     Renten en aflossingen van geldleeningen voor schoolbouw mo-
gen bij de toepassing van art. 49 niet onder de gewone kosten van het
l.o. gerekend worden. M.v.B.Z. in 1887. Anders G.S. Zeeland (blijkens
Verslag 1887; W.B.A. 2090), Gem*t. 1952 en G.S. Geld, (blijkens St,
et.
8 Mei 1888).
21.     De gemeente behoort te voorzien in bestek, teekening en be-
grooting van kosten voor schoolbouw. M.v.B.Z. 22 Aikj. 1882 no. •\'3245,
afd. O; Hubr. V 43; Ht. 547.
22.     Gemeentebesturen, die subsidie in de buitengewone kosten vra-
gen, moeten de bestekken overleggen bij de aanvraag om subsidie. Na-
dat advies door Ged. Staten uitgebracht is en de gemeentebesturen het
eventueel aan te bieden subsidie zullen hebben aanvaard, worden de
bouwkundige stukken door den Min. in handen van den D.s.o. gesteld.
In de voorwaarden van aanbesteding moet de termijn, gedurende wei-
ken de inschrijvers hun bod gestand moeten doen, eenigs/.ins ruim ge-
steld worden. M.v.B.Z. 20 Sept.18Hino.S071,afd, O; Wekker80/1884;
Ht. 553; B.B. Zeel. 96, Geld. 108, Utrecht 80, Friesl. 73, Ooerijs. 60,
Drenthe 71, Limb. 120 van 1884.
23.    Art. 49 kan worden toegepast voor kosten van een tuin (St.-
rt.
9 Oct. 1884, 18 Juni 1886) en van schoolmeubelen {Schoolversl.
1887,8, W. 202.)
                                                    •
24.     Critiek omtrent uitvoering van art. 49. Gemst. 1759, 1760 en
1851.
25.     Heeft eene gemeente subsidie gevraagd en bestaat er geen reden
om te verwachten, dat het subsidie zal worden toegestaan, dan kunnen
Ged. Staten hunne goedkeuring onthouden aan eene begrooting, waarop
dat subsidie is uitgetrokken. K.B. 16 Mei 1881 (S. no. 59); St.-ct. 28
Mei 1881; — K.B. 9 April 1889 no. 171; W.B.A. 2089; Gemst, 1967.
In geen geval kan het enkele verzoek om subsidie, door een gem.-
raad aan den Koning gedaan, een voldoende grond zijn om een ge-
wenscht subsidie reeds als eene inkomst der gemeente aan te mer-
ken en als zoodanig op de begrooting te brengen. K.B. 30 April 1884;
R.v.S. 1884, 215; v.E. IX 255.
Artikel 50.
De bestekken voor en de gunning van den bouw en
verbouw van scholen en onderwijzerswoningen, ter bekosti-
ging waarvan aan de gemeente overeenkomstig art. 49 uit
\'s Rijks kas tijdelijk subsidie wordt verleend, behoeven de
-ocr page 213-
197                                   Art. 50.
goedkeuring van Onzen Minister met de uitvoering dezer wet
belast; deze beslist, den districts schoolopziener gehoord.
In alle overige gevallen worden de bestekken aan de goed-
keuring van den districts schoolopziener onderworpen. Inge-
val deze bezwaar maakt zijne goedkeuring te verleenen, kan
de beslissing van Onzen Minister, met de uitvoering dezer
wet belast, worden ingeroepen.
1.    Zooals bij de technische beschouwingen gezegd is, omvat het
onderzoek der bestekken meer dan het toetsen aan de algemeene rege-
len van art. 4. M.v.B. 1878, 28.
Het onderzoek door den D.s.o. betreft meer het paedagogisch en
financieel gedeelte dan wel de bouwkundige eischen van het ont-
werp. M.V.B.Z. 25 Nov. 1880 lett. li, afd. O; Ilubr. III 126.
2.    De D.s.o. mag den Rijksbouwkundige voor de gebouwen van
onderwijs enz. te \'s-Gravenhage raadplegen. M.v.B.Z. 24 Febr. 1881
no. 581, afd. K.W.\\ llubr. III 127; Ht. 35. Ontbreekt dezen de ge-
legenheid, spoedig advies te geven, dan moet hij daarvan onmiddellijk
onder terugzending der stukken aan den D.s.o. mededeeling doen.
M.v.B.Z. 13 Maart 1882 no. 701, afd. K.W.; Ht. 559.
Acht de D.s.o. een plaatselijk onderzoek door den Rijksbouwkundige
wenschelijk, dan moet hij zich tot den Min. wenden. M.v.B.Z. 7 Nov.
1881 no. 1735, afd. K. W.; Ht. 557.
3.    \'t Is wenschelijS ook den Insp. v. h. geneesk. staatstoez. te hoo-
ren omtrent bouw en verbouw van scholen. G.S. Zeel. in P.B. 116/1881.
4.    De nabijheid van eene koperslagerij mag de goedkeuring van
het bestek niet verhinderen. M.v.B.Z. 13 Dec. 1887 no. 3803, afd. O;
Ht. 570. Ook niet het voorschrift, dat de daken onbeschoten zullen
zijn. M.v.B.Z. 29 Dec. 1887 no. 3938, afd. O; Ht. 571.
5.    De D.s.o. behoeft zijne goedkeuring niet te onthouden aan een
bestek, waarin voorwenen zijn opgenomen, die niet voor de vergoe-
ding van art. 45 in aanmerking komen. M.v.B.Z. 10 Maart 1888 no.
1346, afd. A.Z.C.; Ht. 574.
6.    Bestekken voor schoolmeubelen behoeven de goedkeuring van
den D.s.o. niet. M.v.B.Z. 21 Jan. 1885 en 14 Dec. 1887 nrs. 143 en
3789, afd. O; Ht. 564 en 569.
7.    De D.s.o. moet zijne goedkeuring niet verleenen aan een bestek,
waarin voor eenig werk bij uitsluiting gebruik van buitenlandschen
baksteen is voorgeschreven. M.v.B.Z. 21 Sept. 1883 no. 2691, afd.
K. W.
; Ht. 560. — Evenmin aan een bestek voor den bouw eener
school, die meer dan 400 (thans 600) kinderen zal bevatten, en waar-
voor de bij art. 24, voorlaatste (thans 5e) lid, bedoelde vergunning nog
niet is verkregen. M.v.B.Z. 6 Nov. 1883 no. 3929, afd. O; Ht. 563.
-ocr page 214-
Art. 50.                                       198
8.     Onder het woord „verbouwen" is te begrijpen verandering die
strekt om een schoollokiial aan de wettelijke eischen te doen beant-
woorden. Gemst. 1643; v.E. IX 199. — Splitsing van een lokaal in
drie tifdeelingen is verbouw. Evenzoo het vernieuwen van den vloer,
mits de bedoelde splitsing dit noodwendig medebrengt, en daarmede
één werk uitmaakt. Anders is die vernieuwing onder instandhouding
te rekenen. Gemst. 1978. — Zie ook aant. 19 ad art. 45.
9.     Het vervangen van een steenen vloer vóór den werkinuur in
het schoollokaal en het bouwen van een waterplaats met dubbel pri-
vaat tegen het schoolgebouw is te beschouwen als „verbouw" waarop
art. 50, al. 2, toepasselijk is. Bij niet-naleving dier wetsbepaling wordt
de vergoeding van 30°/o niet uitgekeerd. M.v.B.Z. 20 Dec. 1884 no.
6672, afd. A.Z.C.; Ut. 567.
10.    Als de raad een bestek voor den verbouw eener onderwijzers-
woning heeft doen opmaken, dat de D.s.o. niet wil goedkeuren, omdat
hij luxueuser eischen stelt, kan de raad niettemin den verbouw doen
plaats hebben. Deze kan niet belet worden. Genist. 1987.
11.    De bestekken behoeven de goedkeuring van den D.s.o. ook als
de gemeente geene aanspraak maakt op de rijksvergoeding. M.v.B.Z.
18 Oct. 1887 no. 5423, afd. A.Z.C.; Ut. 565.
12.    Als eene gemeente art. 50 overtreedt door een bestek voor
verbouw niet aan de goedkeuring van den D.s.o. te onderwerpen, doch
ook geene aanspraak maakt op de vergoeding van art. 45, kan daarin
alleen door toepassing van artt. 126 en 127 geint-wet worden voorzien,
als door den verbouw in strijd zou worden gehandeld met de bepalin-
gen van K.B. 4 Mei 1883 (S. no. 41). M.v.B.Z. 10 Dec. 1887 no. 3668,
afd. O.; Ht. 568. Verg. aant. 6 op art. 44.
13.    De deskundige, die de plannen voor den bouw eener school
zal maken, behoort niet tot de gemeente-ambtenaren en bedienden.
Art. 145 gemeentewet is dus niet van toepassing. Daarom staat de
benoeming van den deskundige, als behoorende tot de uitvoering van
het raadsbesluit, aan B. en W. Gemst. 1575.
14.    De Burg. is volgens art. 70 gem.-wet bevoegd eene aanbeste-
ding te houden, doch niet om het werk aan een der inschrijvers te
gunnen. Zijn besluit tot gunning is echter niet vatbaar voor vernieti-
ging, en de beslissing der vraag, of de gemeente door die gunning ver-
bonden is, behoort tot de bevoegdheid der rechterlijke macht. M.v.B.Z.
24 Juni 1882 no. 2868, afd. B.B.; Ht. 562.
15.     Bouw en verbouw van scholen en onderwijzerswoningen in den
regel in het openbaar aan te besteden; aan de aanbesteding tijdig open-
baarheid te geven; de bestekken en teekeningen zoo goedkoop en ge-
makkelijk mogelijk verkrijgbaar te stellen. Twee exx. van bestek en
ontwerp te zenden aan het Dep. van B.Z. en één aan den D.s.o., en
-ocr page 215-
199
Art. 50.
binnen ééne maand na afloop dei* aanbesteding eene opgave van don
aannemer en van de aannemingssoin, en van de bij de besteding aan-
gebrachte wijzigingen of eene verklaring, dat geen wijziging heeft plaats
gehad. M.c.B.Z. 24 Febr. 1881 no. 669, afd. O.; Ifubr. UI 127; lil.
35; P.B. Zeel. 35/1881; T.C. en M. 456.
Niet alleen de bestekken, ook de teekeningen doen drukken; geen
hectografische afdrukken doen maken, maar steendrukken. M.c.B.Z. 20
April 1881 no. 1199, afd. O; Hubr. III 128; Hl. 35; P.B. Zeel. 56,1881.
Evenwel kan de wenscbelijkheid van het doen vervaardigen of drak-
ken van teekeningen van weinig omvangrijke werken aan het oordeel
van den D.s.o. overgelaten worden. M.c.B.Z. 17 Maart, 1882 no. 696,
afd. K.W.; P.B. Zeel. 35/1882; Wekker 26/1882; W.B.A. 1712; Genist.
1594.
Het staat aan de gemeentebesturen vrij, met inachtneming van art.
194 der gemeentewet, naar omstandigheden te handelen ten opzichte
van het ondcrshands of openbaar aanbesteden van werken van betrek-
keiijk geringen omvang aan sehoollokalen en onderwijzerswoningen.
M.c.B.Z. 2 Juni 1881; Wekker 46/1882.
Bij de toezending der exx. aan het Dep. daarop melding te maken
van de goedkeuring van den D.s.o. en van de dagteekening daarvan.
(Ook bij de toezending van wijzigingen. M.c.B.Z. 10 Mei 1882 no. 1271,
afd. K.W.; P.B. Zeel. 53/1882; Wekker 41 1882; Gemat. 1621). Van
de voltooiing van den bouw mededeeling te doen aan den D.s.o., die
zich dan zal komen overtuigen of het werk volgens het bestek is vol-
tooid, en daarvan een bewijs zal afgeven. De goedkeuring, door den
D.s.o. verleend, en het genoemde bewijs aan (red. Staten te zenden.
Komen in eene rekening kosten van bouw of verbouw voor, dan moe-
ten Ged. Staten bij de opgaaf der sommen volgens de rekening aantee-
kenen, of aan art 50 der wet is voldaan. Is in strijd gehandeld met art.
50 der wet of zonder goedkeuring van den D.s.o. van het bestek afge-
wekeu, dan komen de kosten van bouw of verbouw niet voor de rijks-
vergoeding in aanmerking. M.c.B.Z. 31 Dec. 1881 no. 5833, afd.
A.Z.C.; Hubr.
V 15—19; Ht. 558; P.B. Zeel. 3/1882; Wekker 21882;
W.B.A. 1702; Gemst. 1580; T.C. en M. 480.
De D.s.o. moet vóór den 5en der maand, volgende op elk kwartaal,
aan den M.v.B.Z. opgave doen van de in het afgeloopen kwartaal door
hem goedgekeurde bestekken, en moet, indien eene gemeente tot bouw
of verbouw overgaat zonder dat het bestek door hem is goedgekeurd,
daarvan onmiddellijk mededeeling doen aan den Min. M.c.B.Z. 31 Dec.
1881 als boven; W.B.A. 1699.
16. Is een bestek aan de goedkeuring van den M.v.B.Z. onderwor-
pen,dan moet deze den D.s.o. raadplegen, maar hij behoeft diens advies
niet te volgen; hij kan zich de voorlichting van deskundigen ten nutte
-ocr page 216-
200
Artt. 50, 51.
maken om te zorgen, dat de gebouwen deugdelijk en zuinig worden
aangelegd. M.v.T. 1884, 6.
Is een bestek door den M.v.li.Z. goedgekeurd, dan wordt een ex. aan
den D.s.o. gezonden, en wordt hem van alle door den Min. toegestane
wijzigingen mededeeling gedaan. De D.s.o. geeft een bewijs af van de
voltooiing. Voorts wordt gehandeld als bij M.v.B.Z. 31 Dee. 1881,
hierboven vermeld, is voorgeschreven. M.v.B.Z. 25 Oct. 1886 no. 5344,
afd. A.Z.C.; P.B. Zeel. 143,1886; W.li.A. 1952; Ut. 561.
TITEL III.
VAN HET BIJZONDER ONDERWIJS.
Artikel 51.
Tot het geven van bijzonder onderwijs wordt vereischt het
bezit
a.     eener akte van bekwaamheid;
b.     van een gelijk getuigschrift, als in art. 27, litt. b, is
vermeld, en waarop het voorlaatste en het laatste lid van
dat artikel toepasselijk zijn;
e. van een bewijs, dat deze beide stukken door burge-
meester en wethouders der gemeente, waar het onderwijs zal
gegeven worden, zijn gezien en in orde bevonden.
Burgemeester en wethouders geven hiervan aan den districts-
schoolopziener berigt.
1.    Bijzonder\'onderwijs omvat volgens art. 1 zoowel huis-als school-
onderwijs. Daaromtrent kan dan ook bij dit artikel geen twijfel zijn. In
art. 53 kwam het beter voor, /(«/sonderwijs uitdrukkelijk te blijven
noemen in verband met het eigenaardig karakter dier bepaling. M.v.B.
1878, 28.
2.    Vrijstelling van grondbelasting voor de scholen van erkende
vereenigingen is verleend bij de wet van 30 Dec. 1887 (S. no. 259).
Vrijstelling van patentrecht is aan de onderwijzers van bijzondere scho-
len verleend bij de wet van 8 Mei 1869 (S. no. 77).
3.    Van de oprichting of opheffing van bijzondere scholen behooren
B. en W. kennis te geven aan den D.s.o. P.B. Zeel. 119/1882. Van het
verleenen van visum behooren B. en W. kennis te geven aan den school-
opziener. M.v.B.Z. 3 Mei 1859; P.B. Zeel. 48/1859.
4.    De getuigschriften, bedoeld onder b, en de bewijzen, bedoeld on-
der c, zijn vrij van zegel - en registratierechten krachtens K.B. 25 Oct.
1880 no. 21; llubr. II 274; P.B. Zeel. 93/1880; T.C. en M. 434.
-ocr page 217-
Artt. 51—53.
201
5.    Vernietiging van een besluit, waarbij het bewijs, bedoeld onder
c, was afgegeven, niettegenstaande het getuigschrift, bedoeld onder b,
niet over twee volle jaren liep. K.B. 20 Jan. 1863 (S. no. 3).
6.    Wanneer de sub a en b van dit art. gevorderde stukken in orde
zijn bevonden, mogen B. en W., al mocht het gedrag van den belang-
hebbende bij hen niet gunstig bekend zijn, het in litt. c bedoeld be-
wijs niet weigeren. G.S. Geld. 8 Dec. 1885; Geinst. 1826; v.E. XI 216.
7.     Dit art. geeft aan B. en W. alleen bevoegdheid om te onder-
zoeken of de stukken in orde zijn, dat is geldig en onvervalseht. Wan-
neer de houder der akte met het onderwijs een aanvang maakt, heeft
vervolgens het schooltoezicht te beoordeelen, of hij buiten de grenzen
zijner bevoegdheid treedt. M.v.B.Z. 3 Mei 1859; Gemat. 398; T.C.
en M.
280; P.B. Zeel. 48/1859. Anders Insp. v.h.l.o., Genist, en
W.B.A.
520, aangehaald bij v.E. II 224.
8.    Hij, die bijzonder onderwijs geeft zonder voorzien te zijn van
het onder c bedoeld bewijs, is strafbaar volgens art. 8 (thans 9). H.li.
21 Dec. 1869; Gemist. 957.
9.    Het visum niet te plaatsen op den achterkant der akte, maar
een afzonderlijk bewijs af te geven. Circ. G.S. Zeel. aan de gem.-best.
31 Mei.ll Juni 1861 no. 1491/9.
Artikel 52.
Omtrent de afgifte van het bewijs, vermeld in litt. c van
het voorgaand artikel, wordt uiterlijk binnen vier weken, te
rekenen van den dag, waarop de aanvrage daartoe geschied
is, door burgemeester en wethouders beslist.
Van die beslissing, of wanneer binnen dien termijn de be
slissing aan den belanghebbende niet is kenbaar gemaakt,
wordt beroep op Gedeputeerde Staten toegelaten.
Ka afwijzing door Gedeputeerde Staten, of indien binnen
den tijd van zes weken na het ingesteld hooger beroep hunne
beschikking aan den belanghebbende niet is kenbaar ge-
maakt, kan bij Ons in beroep worden gekomen.
Onder belanghebbenden zijn hier alleen de belanghebbende onderwij-
zers, niet de bestuurders van inrichtingen te verstaan. M.v.B.Z. in
1859; v.E. II 224; T. C. en M. 282.
Artikel 53.
De onderwijzer, die bij het geven van bijzonder school- of
huisonderwijs leeringen verspreidt strijdig met de goede zeden
-ocr page 218-
Avtt. 53, 54.
202
of aansporende tot ongehoorzaamheid aan de wetten des lands,
kan op voordragt van burgemeester en wethouders of van
den districts schoolopziener door Gedeputeerde Staten worden
verklaard zijne bevoegdheid tot het geven van onderwijs ver-
loren te hebben.
Deze bepaling is ook toepasselijk op den onderwijzer, die
zich aan een ergerlijk levensgedrag schuldig maakt.
1.    De toepasselijkheid van dit art. op de (hulp)onderwijzers is niet
twijfelachtig. M.v.B.Z. 23 Juni 1858; Gemist. 358; W.B.A. 479; o.E.
II 225; T.C. en M. 283.
2.    Zie aant. 20 ad art. 29.
Artikel 54.
De onderwijzer, die de lessen der school bestuurt, wordt
geacht aan haar hoofd te staan.
Hij moet den leeftijd van drie en twintig jaren volbragt
hebben en den rang van hoofdonderwijzer bezitten.
Van deze vereischten wordt vrijstelling verleend in geval
eener tijdelijke waarneming, mits het niet langer dure dan
zes maanden, dat een onderwijzer, die den gevorderden leef-
tijd of den hoofdonderwijzersrang niet bezit, aan het hoofd
der school staat.
Aan bijzondere lagere scholen kan onderwijs gegeven wor-
den in dezelfde vakken als aan de openbare.
1. Een verbod, om twee bijzondere scholen door denzelfden onder-
wijzer te laten besturen, wordt niet bedoeld. Welk belang kon de Staat
daarbij hebben? M.v.B. 1878, 29.
Ik zou ongaarne de bijzondere school te veel aan banden leggen.
Meent men, dat één onderwijzer twee scholen kan waarnemen, wel-
nu, dat is voor mij geen reden om het aan den bijzonderen onderwij-
zer te verbieden. M.v.B.Z. 2e K. 1878.
Art. 54 verbiedt niet, dat één persoon aan het hoofd sta van meer
dan ééne bijzondere school. Intusschen is het twijfelachtig, of er sprake
is van eene afzonderlijke school, als de leerlingen der laagste klasse
van eene school in een op eenige minuten afstand gelegen lokaal on-
derwijs ontvangen. M.v.B.Z. 24 Febr. 1886 no. 454, afd. O; Ht. 580.
Verg. ook Genist. 1801, 1870 en 1946.
Hierbij zij opgemerkt dat, als de bijzondere school aanspraak maakt
op de bijdrage van het Rijk, zij aan art. 23 der wet moet voldoen.
Zie art. 54&/s aant. 23 en 24.
-ocr page 219-
Artt. 54, 54iw.
20:ï
2.    Zie aant. 6 ad art. 23 en aant. 10 ad art. 36.
3.     Onderwijs, met \'s Konings vergunning gegeven door iemand, die
is vrijgesteld van het bezit der bij de wet gevorderde bewijzen van be-
kwaamheid en zedelijkheid, is schoolonderwijs. Art. 7b is exceptioneel;
alle overige bepalingen der wet blijven toepasselijk. M.v.B.Z. 15 Juni
1881 iw. 2093, afd. O; Hubr. III 132.
4.     Geen autoriteit is bevoegd den termijn, bedoeld in al. 3, uit
te breiden. M.v.B.Z. 29 Nov. 1883 no. 4291 en 17 Mei 1834 >w. 1611,
afd. O; Ut. 582 en 583.
5.     Het laatste lid is noodig om te zorgen, dat bijzondere scholen,
aan welke onderwijs gegeven wordt in de vakken, in art. 2 onder l—t
genoemd, niet als middelbare worden aangemerkt. Bijbelsche geschie-
denis is èf onderdeel der algemceno geschiedenis öf van godsdienston-
derwijs. Onderricht in het Italiaansch is geen lager onderwijs. Een ver-
bod om in andere vakken onderwijs te geven, dan waarin dit aan de
openbare school plaats heeft, ligt in de woorden niet, want de bedoe-
ling is alleen om aan de bijzondere school, zonder dat zij haar wettelijk
karakter als lagere school verliest, te vergunnen haar onderwijs even
ver uit te strekken, als dit volgens art. 2 aan de openbare vrijstaat.
M.v.B. 1878, 29.
Ik geloof, dat het raadzaam is, in het belang van het bijzonder on-
dorwijs zelf, en om allen twijfel weg te nemen, te bepalen, dat ook dat
onderwijs zich kan uitstrekken tot de facultatieve vakken van art. 2,
zonder te vervallen in het midd. of hooger onderwijs.
Wanneer men zegt, dat er dan geene andere vakken zullen mogen
gedoceerd worden, dan antwoord ik, dat dit volstrekt niet verboden is.
Noemt men b.v. onder die vakken Bijbelsche geschiedenis, dan vraag
ik: wordt die geschiedenis beschouwd als een onderdeel der geschiede-
nis in het algemeen, of wordt zij gedoceerd in verband met den gods-
dienst? Op het godsdienstig onderwijs slaat dit art. niet.
Ik vermeen, dat het daarom beter is die laatste alinea te behouden,
om allen twijfel weg te nemen en te doen uitkomen dat het bijzonder
onderwijs even ver kan gaan als het openbare, wat betreft de vakken
in art. 2 genoemd, en omdat niemand in dit artikel kan of mag lezen,
dat het bijzonder onderwijs geen andere vakken zou mogen opnemen
dan die in art. 2 vallen, wanneer zij maar niet zijn vakken van midd.
of hooger onderwijs, waardoor de wetten omtrent die takken van on-
derwijs toepasselijk zouden worden. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1334.
Artikel b&bis.
Door het Eijk wordt over elk dienstjaar aan de besturen
der bijzondere lagere scholen eene bijdrage verleend volgens
-ocr page 220-
Art. 5Uh.
204
denzelfden maatstaf als bij art. 45 sub 1°. aan de gemeente
ten behoeve der openbare lagere school wordt toegekend, mits:
1". de school staat onder het bestuur van eene instelling
of vereeniging die rechtspersoonlijkheid bezit;
2". het onderwijs de vakken omvat in art. 2 vermeld
onder a—j, alsmede /•, tenzij, wat hot laatste vak betreft,
blijke dat de schoolgaande kinderen daarin elders voldoend
onderwijs ontvangen;
3°. dat onderwijs gegeven wordt gedurende ten minste
achttien uren per week, waarvan ten hoogste twee uren in
het vak vermeld onder k van art. 2, volgens een aan den
arrondissements-schoolopziener medegedeelden en in een der
school vertrekken op eene zichtbare plaats opgehangen roos-
ter van lesuren, waarop tevens de feestdagen en vacantie-
tijden zijn vermeld;
4". het aantal onderwijzers voldoet aan de voor de open-
bare scholen gestelde eischen in de artt. 23 en 24, het 3de
lid uitgezonderd.
Voor die bijdrage komen niet in aanmerking de bijzondere
scholen:
a. waarvan het aantal leerlingen boven zes jaren, dat als
werkelijk schoolgaande bekend staat, berekend naar den
maatstaf in art. 24 vermeld, minder dan 25 bedraagt;
h. waarvan de opbrengst der schoolgelden eene inkomst
oplevert van gemiddeld tachtig gulden of meer per leerling
en per jaar;
c.     wanneer bij vacature in het onderwijzend personeel
tusschen het ontstaan daarvan en de aanvaarding zijner be-
trekking door den benoemde een langere tijd verloopt dan:
wat het hoofd der school betreft, van zes maanden; wat de
overige onderwijzers betreft, van vier maanden;
d.     waarvan blijkt dat zij gehouden worden als winstge-
vend bedrijf.
Voor de berekening van het sub b vermelde wordt het
voorschrift gevolgd dienaangaande bij art. 45 gegeven.
De besturen zijn gehouden aan Onzen Minister, met de
uitvoering dezer wet belast, en aan Gedeputeerde Staten der
provincie, waarin de school is gevestigd, alle inlichtingen te
geven verlangd met betrekking tot litt. a—d, in dit artikel
vermeld, en zulks op straffe van verval van aanspraak op
de bijdrage.
Jaarlijks in de maand Januari zendt het bestuur, dat op
eene Rijksbijdrage krachtens dit artikel over het voorgaande
-ocr page 221-
Art. 54*/».
205
jaar aanspraak maakt, zijne daartoe strekkende aanvrage aan
de Gedeputeerde Staten van de provincie, waarin de school
is gevestigd.
Deze beslissen vóór 1 Mei daaraanvolgende, of de school
voldoet aan de eischen en voorwaarden, in dit artikel tot
het verleenen eener Rijksbijdrage gesteld, bepalen het bedrag
dier Rijksbijdrage overeenkomstig de eerste zinsnede van dit
artikel en deelen hun besluit onverwijld mede aan Onzen
Minister met de uitvoering dezer wet belast, alsmede aan
den inspecteur van het lager onderwijs, in wiens ambtsge-
bied de school is gevestigd, en aan het bestuur, dat de aan-
vrage deed.
Binnen dertig vrije dagen na de dagteekening van dat be-
sluit kan daarvan bij Ons in beroep worden gekomen door
Onzen Commissaris in de provincie en door den inspecteur
en het bestuur in het vorige lid bedoeld.
Het bedrag, waarop het bestuur aanspraak mocht kunnen
maken, wordt alsdan bij Onze eindbeslissing vastgesteld.
De voorschriften omtrent de uitvoering van dit artikel
worden door Ons gegeven bij algemeenen maatregel van be-
stuur.
1. Uitvoerige beschouwingen zijn bij de schriftelijke en de monde-
linge gedachtenwisseling in 1889 gevoerd over de vraag, of de toeken-
ning van bijdragen aan het bijzonder onderwijs kon worden verdedigd
op gronden van recht, of op gronden van billijkheid en staatsbelang.
De Reg. had het een „eisch van rechtsgelijkheid" genoemd, dat de
Staat, „waar hij ten behoeve van het onderwijs bijdragen uit\'s Rijks
kas beschikbaar stelt, die niet, met uitsluiting van het bijzonder, alleen
ten goede doe komen aan het openbaar onderwijs" (M.v.T. 1889, 4 en
5). Terwijl nu eenerzijds met nadi-uk werd ontkend, dat er rechtsgron-
den zouden bestaan, welke behooren te leiden tot toekenning van sub-
sidiën aan bijzondere scholen, en gelijkstelling van openbare en bijzon-
dere scholen onmogelijk genoemd werd, gaf men dit anderzijds tot op
zekere hoogte toe, doch meende men de bedoeling der Reg. aldus te
moeten verklaren, dat gelijke behandeling van de voorstanders van het
openbaar en van die van het bijzonder onderwijs een eisch van rechts-
gelijkheid was. De Reg. zelf sprak in hare verdediging minder van
rechtsgelijkheid, dan wel van de billijkheid en het belang van den Staat,
om niet alleen voor hen, die van de openbare school gebruik maken,
maar ook ten behoeve van het groot aantal kinderen, die de bijzondere
scholen bezoeken, bijdragen beschikbaar te stellen (Zie Verslag 1889,
10-13, en M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1379).
-ocr page 222-
Art. 546is.
206
In de M.v.B. Ie IC. 1889 lichtte de Reg. haar standpunt aldus toe:
„De Grondwet beveelt dat er openbaar onderwijs moet zijn, voor ieder
te verkrijgen, met eerbiediging van ieders godsdienstig begrip. Voor
hen, die in de tegenwoordige inrichting van het openbaar onderwijs
bezwaar hebben, is dat onderricht niet te verkrijgen. Zij moeten het
onderwijs, waar hun godsdienstig begrip geëerbiedigd is, zelve inrich-
ten en bekostigen. Er bestaat derhalve ongelijkheid, er is eene onge.-
lijke behandeling van de ingezetenen, wanneer tengevolge van eene rege-
ling van het openbaar onderwijs, die niet aan enkelen doch aan een
zeer aanzienlijk deel des volks niet voldoet, dit deel gedwongen wordt
het onderwijs zijner kinderen zelf te bekostigen of ze zonder onderwijs
te laten. Het algemeen belang, dat bij het verschaffen van voldoend
onderwijs alom in den lande in hooge mate betrokken is, eischt, dat
die belemmering, die ongelijkheid worde opgeheven. In dien zin is op
te vatten, wat de Reg. in de M.v.T. aanvoerde. Dat de verwezenlijking
van dit streven volstrekte gelijkheid van openbaar en bijzonder onder-
wijs, de vaststelling van gelijke wettelijke voorschriften voor de daar-
mede belaste onderwijzers met zich zou brengen, kan kwalijk worden
volgehouden".
2.     Verschillend wordt gedacht over de vraag of subsidiëering van
bijzondere scholen met de Grondwet overeen te brengen is. Ook bij
de herziening der Grondwet had zij zich voorgedaan; zie o.a. Arntz.
IX 688 en 707. Vgl. ook Buys II 778. De Reg. in 1878 achtte een stel-
sel van subsidie uit \'s Rijks kas aan scholen, niet toegankelijk voor kin-
deren van elke gezindheid, in strijd met de Grondwet (zie o.a. M.v.B.Z.
2e K. 1878, 1108); die van 1889 dacht er anders over. Het ligt buiten
het bestek van dit werk om de gronden voor en tegen de vraag te ont-
wikkelen; door de aanneming van het ontwerp hebben de meerderheid
in de 2e en in de Ie K. beslist, dat het subsidiestelsel met de Grondwet
overeen te brengen is. Uitvoerig is de vraag behandeld in Verslag
1889, 10, in het Verslag der Ie K. en de M.v.B. daarop; zeer belang-
rijk omtrent dit punt zijn de redevoeringen, in de Ie K. gehouden door
de heeren Kappeyne van de Coppello, Pijnappel, Van Tienhoven en den
M.v.B.Z.
3.    Het wetsontwerp bevat ten behoeve van hel bijzonder onderwijs
de voorziening die, binnen de grenzen van art. 192 der Grondwet, ver-
langd en naar het oordeel van deze Reg. gegeven kan worden.
Deze Reg. is niet voornemens, na het tot stand komen van de door
haar voorgedragen regeling, de herziening van art. 192 der Grondwet
opnieuw aan de orde te stellen. M.v.B. 1889, 13.
4.     Door het stellen van de voorwaarden ter verkrijging eener bij-
drage wordt de vrjjheid van het bijzonder onderwijs, in gezonden zin
opgevat, naar de meening der Reg. niet belemmerd.
-ocr page 223-
Art. b4bis.
207
De Reg. vertrouwt, dat in de toekomst die vrijheid niet /.al worden
aangerand. Zij is te zeer overtuigd, dat de voorwaarden, waaronder
eene bijdrage zal worden verleend, voldoenden waarborg geven voor
goed onderwijs en tevens dat van den toekomstigen Nederlandschen
wetgever niet is te wachten, dat hij, alléén om den schoolstrijd opnieuw
te doen ontbranden, het genot der bijdrage op eenigerlei wijze zal be-
moeilijken.
De Reg. meent nog te moeten herinneren, dat aan de bijz. school
geen nieuwe verplichtingen worden opgelegd, doch dat slechts onder
zekere bepaalde voorwaarden aan haar eene bijdrage wordt toegekend.
Het staat aan elke bijzondere school vrij daar al of niet gebruik van
te maken. M.v.B. Ie K. 1889.
Is de bloei eener school ook zonder genot van subsidie verzekerd,
dan zal op de rijksbijdrage ook wel geen aanspraak worden gemaakt,
daar als zeker mag worden aangenomen, dat men ter wille dier geringe
bijdrage zich niet zal wenschen te onderwerpen aan de verplichtingen,
voor het genot der bijdrage gesteld. M.v.B. Ie K. 1889.
5.     Volgens den aanhef van het artikel wordt over elk dienstjaar aan
de besturen der bijzondere lagere scholen eene bijdrage verleend volgens
denzelfden maatstaf als bij art. 45, sub 1, aan de gemeente ten behoeve
der openbare school wordt toegekend. Daarin is niet begrepen eene
verwijzing naar den alg. maatr. van bestuur, aan het slot van dat arti-
kel bedoeld.
Aan Ged. Staten is bij de wet niet het recht van inspectie toegekend
en daaraan bestaat, naar het voorkomt, ook geene behoefte. Het school-
toezicht staat hun ten dienste, terwijl de besturen der scholen gehou-
den zijn, met betrekking tot lett. a—cl, op straffe van verlies van aan-
spraak op de bijdrage, aan bedoelde colleges alle inlichtingen te geven,
die zij verlangen.
                                                                                  v
Aan den wensch om jaarlijks omtrent den toestand van het gesub-
sidiè\'erde onderwijs een uitvoerig en nauwkeurig verslag uit te geven,
zal worden voldaan. Dat verslag zal deel uitmaken van het in art. 192
der Grondwet bedoelde regeeringsverslag. M.v.B. Ie K. 1889.
6.    De mogelijkheid, dat lager onderwijs, gegeven aan kinderen,
tegen de maatschappelijke orde zou zijn gericht, komt der Reg. denk-
beeldig voor. Mocht zulks onverhoopt geschieden, dan geeft art. 53 dei-
wet het middel aan de hand, dit te keer te gaan. M.v.B. Ie K. 1889.
7.    Voor de bijdrage zullen alleen in aanmerking komen die bijzon-
dere scholen, welke onder het bestuur staan van eene instelling of ver-
eeniging die rechtspersoonlijkheid bezit. Bij de wet van 30 Dec. 1887
(S. no. 259) is dezelfde beperking aangenomen, waar het betreft vrij-
stelling te verleenen van grondbelasting. Niet alle de in de bijlage der
M.v.T. vermelde scholen zullen thans voldoen aan die voorwaarde, doch
-ocr page 224-
Art. óMiê.                            208
voor zooverre de oprichting daarvan een gevolg is van de begeerte der
ouders om hunne kinderen eene opvoeding te geven zooals zij verlan-
gen, is het naar het oordeel der Reg. wenschelijk dat, wil men op de
bijdrage aanspraak maken, de ouders en andere belanghebbenden eene
vereeniging oprichten en daarvoor rechtspersoonlijkheid verkrijgen.
M.v.T. 1889, 12.
Stemt de beperking in art. .Abis, sub 1, niet woordelijk overeen met
de wet van 30 Dec. 1887 (S. no. 259), dit is een natuui-lijk gevolg van
de verschillende strekking dier bepalingen. Intusschen ligt aan de beide
bepalingen hetzelfde beginsel ten grondslag, namelijk uitsluiting dei-
school die als bedrijf gehouden wordt, en vandaar de verwijzing in de
M.v.T. naar de wet van 1887. M.v.B. 1889, 35.
8.     Onder het bestuur. Volgens art. 54 bestuurt de hoofdonderwij-
zer de lessen der school; de school zelve, die eene bijdrage verlangt,
moet staan onder het bestuur, waaronder ook het beheer begrepen is,
van eene instelling of vereeniging ; het hoofd der school staat als zoo-
danig onder dat bestuur. M.v.B. Ie K. 1889.
9.     Dat bij alg. maatr. van best. de regelen zullen moeten worden
vastgesteld, waaraan de rechtspersoonlijkheid van hen, die op de rijks-
bijdrage aanspraak maken, moet worden getoetst, is onjuist. De voor-
schriften, aan het slot van art. 546*8 bedoeld, zijn die, welke noodig
zijn ter uitvoering van die bepalingen van het wetsartikel, welke na-
dere regeling eischen. Dit is niet het geval met punt 1 van het artikel.
De regelen, waaraan in ieder concreet geval de bedoelde rechtsper-
soonlijkheid moet worden getoetst, zijn alleen de regelen van burger-
lijk recht, die thans of vroeger, namelijk bij de oprichting der vereenb
ging of instelling, hier te lande golden. M.v.B. Ie K. 1889.
10.     De meeste dier scholen zullen staan onder het bestuur eener
vereeniging, na de invoering van het Burgerlijk Wetboek opgericht,
zoodat omtrent de rechtspersoonlijkheid dier vereeniging geen twijfel
zal bestaan.
Is de vereeniging vroeger opgericht en wordt de aanvrage om sub-
sidie afgewezen op grond, dat naar het oordeel der Reg. de besturende
vereeniging aan de tijdens hare oprichting geldende wetsbepalingen
geen rechtsgeldigheid ontleent, dan kan zonder eenig bezwaar worden
overgegaan tot de oprichting van eene nieuwe vereeniging en daarvoor
de erkenning worden gevraagd.
Wat betreft plaatselijke afdeelingen van ééne hoofdvereeniging, meent
de ondergeteekende, bij de onzekerheid die dienaangaande bestaat, dat,
indien deze als bestuur eener school optreden, zij eigen rechtspersoon-
lijkheid dienen te hebben of aan te vragen, afgescheiden van de rechts-
persoonlijkheid, die de hoofdvereeniging mocht bezitten. In vele geval-
len wordt reeds nu door hulpvereenigingen of plaatselijke afdeelingen
-ocr page 225-
Art. 54bis.
209
erkenning als rechtspersoon gevraagd en verkregen, waar het geldt het
oprichten van bijzondere scholen.
Kerkgenootschappen en zelfstandige kerkelijke gemeenten, opgericht
na het in werking treden der wet van 22 April 1855 (S. no. 32) door
vrijwillige vereeniging van personen, hebben naar het oordeel der op-
volgende Regeeringen geen rechtspersoonlijkheid, dan na deze op den
voet van evengemelde wet te hebben gevraagd en verkregen. Daarop
maken echter uitzondering die nieuwe gemeenten (parochiën), die in
de van ouds bestaande kerkgenootschappen worden opgericht door de
daartoe bevoegde kerkelijke autoriteit.
Dat met instelling niet hetzelfde bedoeld wordt als met vereeniging,
schijnt niet twijfelachtig.
Aan het woord „instelling", in deze wet gebezigd, is dezelfde betee-
kenis te hechten, als daaraan volgens de wet van 30 Dec. 1887 (S.
no. 259) moet worden gegeven, namelijk die van instelling van wel-
dadigheid. Moge laatstgenoemde wet zelve aangaande het woord „ in-
stelling" geen licht verstrekken, het kan geput worden uit hare ge-
schiedenis.
De vraag, of de bisschop aanspraak zal kunnen maken op al de sub-
sidiën voor al de bijzondere scholen in zijn diocese, als deze maar in
zoodanige afhankelijkheid van de kerkelijke overheid zijn geplaatst, dat
zij geacht kunnen worden te staan onder kerkelijk gezag, moet ontken-
nend worden beantwoord. Zijn de scholen opgericht door kerkelijke
gemeenten (parochiën) en door kerkelijke armeninrichtingen en staan
zij onder het rechtstreeksch toezicht en beheer van de kerk- of armbe-
sturen, dan worden zij beschouwd als uitvloeisel of onderdeel dier ker-
kelijke gemeente of armeninrichting. Die scholen staan dus niet onder
het bestuur van den bisschop en deze zal dus ook geen aanspraak kun-
nen maken op de rijksbijdragen voor die scholen.
Ten slotte meent de ondergeteekende er nog op te moeten wijzen,
dat, indien bij de uitvoering van de wet in een of ander geval bij de
beslissing omtrent de rechtspersoonlijkheid moeilijkheden ontstaan, dit
nimmer aanleiding zal behoeven te geven tot willekeur, dewijl elke
moeilijkheid terstond kan worden opgeheven door het oprichten van
eene vereeniging met rechtspersoonlijkheid. M.v.B. Ie K. 1889.
11. Te recht is er op gewezen, dat het niet moeilijk is rechtsper-
soonlijkheid te verkrijgen. Ik acht dit echter juist een voordeel, voor-
eerst omdat dit in sommige gevallen ten goede kan komen aan de on-
derwijzers die thans eene school voor eigen rekening houden, mits de
school wijders voldoe aan de bepalingen van art. Sibis; en ten andere
zijn er vele gevallen denkbaar, waarin het zeer dubieus is of eenige in-
stelling rechtspersoonlijkheid bezit. Men behoeft de dossiers van het De-
partement van Justitie maar eensna te slaan, om te zien, hoe ingewik-
wet l. o.                                                                  14
-ocr page 226-
Art. 54«m.                          210
keld de vraag soms is of er al of niet rechtspersoonlijkheid aanwezig is.
Vooral bij legaten is dit van het grootste gewicht, omdat, waar eene
instelling rechtspersoonlijkheid mist, het legaat teloor gaat.
Wanneer hier nu de zaak dubieus is, kan men overgaan tot eene
schoolvereeniging ad hoc, en kan ik mij niet voorstellen dat personen,
die eene school willen oprichten, tegen het vormen van eene dergelijke
vereeniging bezwaar zouden hebben. Ik geloof dus, dat het best aan de
bedoeling van den wetgever wordt voldaan, wanneer zooveel mogelijk
vereenigingen ad hoc worden opgericht. M.v.B.Z. Ie K. 1889, 124.
12.    Reeds in de M.v.T. heb ik er op gewezen, dat men kan twisten
over de vraag welke vereenigingen en instellingen in Nederland al zoo
rechtspersoonlijkheid hebben.
Maar dat is de hoofdvraag niet. Ik heb er reeds op gewezen hoe men
over coöperatieve vereenigingen, burgerlijke maatschappen, vennoot-
schappen van koophandel kan twisten, maar dat dit bij deze zaak niet
aan de orde is. Men weet toch wel dat die vereenigingen niet voor eene
bijdrage zullen komen, eenvoudig omdat zij geen scholen hebben. En
mochten zij scholen hebben, dan zou er dit bezwaar voor haar bestaan,
dat zij ten doel hebben winst te behalen, en dat subsidie voor zulke
scholen uitgesloten is. M.v.B.Z. Ie K. 1889, 124.
13.    Beperking der bijdrage tot die scholen, waarvan het gebouw
eigendom van rechtspersonen is, zou het wetsontwerp niet volledig
doen beantwoorden aan het doel, het verleenen van steun aan alle bij-
zondere scholen niet als bedrijf gehouden, en zij zou bovendien tenge-
volge hebben dat instellingen of vereenigingen, wier financiëele toe-
stand wegens het bezit van een eigen schoolgebouw gunstig is te noe-
men, de rijksbijdrage zouden genieten, terwijl instellingen of vereeni-
gingen, die hare uitgaven door de huur van een gebouw belangrijk zien
bezwaard, van die bijdrage zouden zijn uitgesloten. M.v.B. 1889, 35
en 36.
14.    Verder moet op de scholen die subsidie genieten onderwijs wor-
den gegeven in de gewone vakken van lager onderwijs, vermeld onder
a—h van art. 2 der wet, hoewel natuurlijk het. geven van onderwijs
daarenboven in een of meer der vakken, onder l—t van dat art. ge-
noemd, de aanspraak op de bijdrage niet verloren doet gaan. M.v.T.
1889, 12.
Of de verplichte leervakken worden onderwezen, daarop zal door het
schooltoezicht moeten worden toegezien.
De vaststelling van den duur van het onderwijs, behoudens het in de
wet opgenomen minimum schoolm-en, en dervacantiën moge zijn over-
gelaten aan het bestuur der school, van de zijde der ouders wordt daar-
op eene scherpe controle uitgeoefend. Men moet zich van het doel, dat
door de voorstanders van het bijzonder onderwijs met groote geldelijke
-ocr page 227-
211                         Art. bUis.
opofferingen wordt nagejaagd, een zonderling denkbeeld maken, om
aan te nemen dat het streven zou zijn zoo weinig mogelijk onderwijs
te geven. M.v.B. 1889, 35.
15.    Het slot van 2°. luidde in het gewijzigd ontwerp: „blijke dat
voor de schoolgaande kinderen genoegzame gelegenheid bestaat om vol-
doend onderwijs daarin elders in de gemeente te ontvangen". De voor-
stellers van het door de Reg. overgenomen amendement, krachtens het-
welk het zijn tegenwoordigen vorm verkreeg, achtten de bijvoeging „in
de gemeente" overbodig. „Wanneer er staat: elders voldoende enz.,
dan wil dat reeds zeggen dat het onderwijs voor de kinderen bereik-
baar moet zijn, want anders voldoet de gelegenheid niet. Maar in de
tweede plaats, het woord is schadelijk, omdat het eene belemmering
kan zijn. Het kan gebeuren dat kinderen die wonen in eene gemeente
schoolgaan in eene andere, of, al gaan ze school in de gemeente, het
handwerksonderwijs in eene andere ontvangen. Het kan zeer lastig zijn
dit te verbieden, wanneer wij te doen hebben met kinderen die wonen
aan de grens van gemeenten, vooral van groote gemeenten". Zie 2e K.
1889, 1626.
16.    Amendementen om in den aanhef, in plaats van „mits", te lezen
„mits blijke dat" en om de bepaling onder 2°. te lezen: „voldoend on-
derwijs wordt gegeven in de vakken, vermeld in art. 2 onder a—j, als-
mede k, tenzij, wat het laatste vak betreft, blijke, dat de> schoolgaande
kinderen daarin elders in de gemeente voldoend onderwijs ontvangen",
— werden verworpen. Daartegen bestond het bezwaar, dat niet is uit
te maken, hoe blijken moet, dat het onderwijs voldoende is {M.c.B.Z.
2e K. 1889, 1638), en dat „op die wijze, in deze gewichtige zaak, rege-
ling van de rijkstoelage voor het bijzonder onderwijs, alles afhankelijk
zal worden gesteld van het wellicht partijdig oordeel van dezen of ge-
nen" (M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1642).
17.    De woorden „dat onderwijs" strekken om 3°. in behoorlijk ver-
band te brengen met 2». M.v.B. 1889, 46.
18.    Het spreekt van zelf dat waar gezegd wordt, dat er een zeker
aantal kinderen op de school gevonden moet worden, om aanspraak te
hebben op de bijdrage, en dat aan de school minstens 18 uren per week
onderwijs moet gegeven worden, hieruit volgt, dat niet anders bedoeld
kan zijn dan dat een en hetzelfde kind dat onderwijs ontvangt. M.v.B.Z.
2e K. 1889, 1639.
19.    Een waarborg te stellen tegen het besteden van te veel tijd aan
het onderwijs in de handwerken scheen den Minister, met betrekking
tot de toestanden hier te lande, niet noodzakelijk, maar hij zag aan den
anderen kant geen bezwaar te bepalen, dat het minimum, na aftrek van
den tijd voor dat onderwijs bestemd, 16 uren zal moeten bedragen.
Mond. overl. 1889, 37.
14*
-ocr page 228-
212
Art. öibis.
20.    Het spreekt van zelf, dat er meerdere uren mogen besteed wor-
den aan de nuttige handwerken, maar van die 18 uren mogen niet
meer dan 2 uren daarvoor worden afgenomen. M.c.B.Z. 2e K. 1889,1639.
21.    De rooster van lesuren bepaalt de vakken, waarin op de ver-
schillende dagen en uren onderwijs zal worden gegeven. Valt bijv. op
Maandag een feestdag en wijst de rooster voor dien dag 4 uren onder-
wijs aan, dan wordt in die week gedurende 18—4 d.i. 14 uren onderwijs
gegeven.
Is in vaeantietijd de gansche week geen school, dan wordt er gedu-
rende die week ook geen enkel uur onderwijs gegeven. M.v.B. Ie K.
1889.
22.     De heer Vening Meines/, heeft gevraagd, hoe het gaan zal met
de scholen, die voortdurend vacantie hebben; met andere woorden dus:
met de scholen waar geen school gehouden wordt? Hij vroeg, of eene
school, waar 9 maanden vacantie was en 3 maanden school, aanspraak
op subsidie zou kunnen maken?
Men moet bier, dunkt mij, niet vergeten, dat men te doen heeft met
het oprichten van scholen, bestemd om geregeld lager onderwijs aan\'
de jeugd te geven, waarbij het niet wel aangaat om een onderwijzer
slechts voor enkele maanden aan te stellen, en tevens bedenken dat on-
der vacantiën verstaan worden de gewone vacantië\'n.
Wanneer het geval zich voordoet waarop de geachte afgevaardigde
doelde, dan kan men gerust aannemen dat men met ontduiking dei-
wet te doen heeft. M.v.B.Z. Ie K. 1889, 139.
23.    Artikel 23 en 24 is steeds in dien zin opgevat, dat elke open-
bare school afzonderlijke onderwijzers en een afzonderlijk hoofd moet
hebben. Die eisch is thans ook gesteld voor de bijzondere school als
eene der voorwaarden om op de bijdrage aanspraak te kunnen maken.
Het schooltoezicht invloed te doen hebben op de benoeming van on-
derwijzers komt onnoodig voor, vermits de bevoegdheid tot het geven
van onderwijs bij de wet is beperkt tot hen, die met goed gevolg de
daarbij voorgeschreven examens hebben afgelegd. Verslag 1889, 36.
24.    Er is wel eenig bezwaar art. 24 al. 3 mede gebiedend voor te
schrijven voor eene bijzondere school, indien deze aanspraak wil maken
op eene rijkstoelage. Het is mogelijk dat het aantal beschikbare hoofd-
onderwijzers niet groot genoeg is om aan dat gebiedend voorschrift te
voldoen. In dat geval zou intrekking van de toelage niet van onbillijk-
heid zijn vrij te pleiten. De verplichting wordt nu reeds opgelegd dat
aan het hoofd van elke bijzondere school, indien zij aanspraak wil ma-
ken op de rijkstoelage, een hoofdonderwijzer moet staan, hetgeen tot
nog toe voor al die scholen niet het geval was.
Is het aantal hoofdonderwijzers grooter dan het aantal scholen, dan
zal dat meerder aantal toch als hulponderwijzer dienst doen.
-ocr page 229-
Art. bUis.
213
De Reg. ziet dan ook geen bezwaar de bijzondere school van die ver-
plichting te ontheffen. Het spreekt vanzelf dat, waar zulk een onder-
wijzer niet hoofdakte niet gevonden wordt, ook de verhoogde toelage
niet wordt uitgekeerd. In verband hiermede is art. üébin gewijzigd.
M.v.B. 1889, 19.
25.    Een amendement om achter 4°. te doen volgen: „5°. de school
ten minste een jaar heeft bestaan" werd verworpen. „Ik begrijp niet,
waarom eene school, die na de groote vacantie in September geopend
wordt, niet in Januari zou mogen komen om voor vier maanden eene
bijdrage te ontvangen". M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1639.
26.    De Reg. meent daaraan, wat betreft de uitsluiting sub 1 be-
doeld, nog te moeten toevoegen, dat er een minimum moet bepaald
worden voor het aantal kinderen dat de school bezoekt om aanspraak
te geven op eene bijdrage. Zij heeft het getal van 25 hier aangenomen.
Dat getal is natuurlijk eenigszins willekeurig, doch voor een kleiner
aantal kinderen pleegt men, behalve waar het zeer vermogenden geldt,
niet over te gaan tot het oprichten van eene bijzondere school. M.v. T.
1889, 12.
27.    Het minimum aantal leerlingen dat gevorderd wordt, om voor
de bijdrage in aanmerking te komen, moet niet enkel op de schoollijs-
ten voorkomen, maar ook werkelijk de school bezoeken. Het cijfer van
25 is gekozen vooral met het oog op het platteland. De uitgaven, die
dergelijke scholen zoo voor personeel als materieel vorderen, en de ge-
ringe bijdrage die van rijkswege daarin zal worden genoten leveren
voldoende waarborgen op, dat zulke scholen niet dan bij onvermijde-
lijke noodzakelijkheid zullen worden opgericht.
Dat het verkenen van eene rijksbijdrage voor bijzondere scholen met
25 kinderen zou leiden tot splitsing van de bestaande bijzondere scho-
len in meerdere kleinere, wordt onaannemelijk geacht.
Immers, eene der voorwaarden waaraan de bijzondere school moet
voldoen om voor de bijdrage in aanmerking te komen is, dat het aan-
tal onderwijzers moet overeenstemmen met de eischen in de artikelen
23 en 24 der wet voor de openbare school gesteld.
Aan het hoofd van elke der bijzondere scholen moet dus een onder-
wijzer staan, die den leeftijd van 23 jaren heeft volbracht en den rang
van hoofdonderwijzer bezit.
De uitgaven voor die onderwijzers zijn belangrijker dan voor hulp-
personeel, zoodat splitsing van groote in kleinere scholen de uitgaven
dier scholen zoo voor personeel als voor materieel belangrijk zou doen
vermeerderen, welke vermeerdering niet geëvenredigd zou zijn aan de
hoogere rijksbijdrage. M.v.B. 1889, 30.
28.    Door de woorden „boven 6 jaren" onder « zullen de kinderen
beneden 6 jaren volstrekt niet zijn uitgesloten, maar deze bepaling
-ocr page 230-
Art. bkbis.
214
heeft alleen ten doel het gevaar te voorkomen, dat de school eeue be-
waarschool is. Zie 2e K. 1889, 1626.
29.    Scholen voor heel of half volwassenen komen voor eene bijdra-
ge niet in aanmerking. Den leeftijd te bepalen, waarop de kinderen de
school, die wel voor eene bijdrage in aanmerking komt, moeten verlaten,
is niet mogelijk. De tijd, gedurende welken de lagere school wordt be-
zoeht, hangt af van verschillende omstandigheden, zooals van den tijd,
waarop de leerling is toegelaten, van den omvang van het onderwijs
enz. De opmerking, dat onder a een minimum van leeftijd van zes jaren
is aangenomen, is niet juist. Alleen is bepaald, dat er minstens 25 leer-
lingen van dien leeftijd als werkelijk schoolgaande moeten bekend staan,
wil de school voor eene rijksbijdrage in aanmerking kunnen komen.
M.v.B. Ie K. 1889.
30.    Men vraagt of, wanneer voor jongelingen eener jongelingsver-
eeniging eene school opgericht wordt, er van subsidie sprake kan zijn.
Het komt hier ook al weer niet direct aan op den leeftijd van die
jongelieden. Maar het zal de vraag zijn of er geregeld 18 uren per week
les gegeven wordt in de vakken van het lager onderwijs. Do leeftijd
doet er dan minder toe, hoewel het natuurlijk zeldzaam is kinderen
boven de 14 jaren op die scholen aan te treffen. M.v.B.Z. Ie K. 1889,
189.
31.    De bepaling onder r, in het oorspronkelijk ontwerp luidende:
„waarvan het aantal onderwijzers gedurende langer dan zes achtereen-
volgende maanden van het kalenderjaar niet voldoet aan de eischen
in de artt. 23 en 24 voor de openbare school gesteld," is in overleg
met de Comm. van voorb. vastgesteld. Die bepaling kan nu geen aan-
leiding geven tot de meening, dat het aan de bijzondere scholen zou
vrijstaan om zich slechts voor de helft van het jaar aan de voorschrif-
ten der wet omtrent het verplichte aantal onderwijzers te houden. Ver-
dag
1889, 36.
De termijn, binnen welken vacatures in het onderwijzend personeel
moeten worden aangevuld, is dezelfde binnen welken volgens art. 23
moet worden voorzien in de vervulling eener vacature van hoofd eener
openbare school.
Voor de vervulling van vacatures in het hulppersoneel aan laatst-
bedoelde scholen is geen termijn gesteld, weshalve voor de bijzondere
school in dit opzicht strenger eischen zullen gelden dan voor de open-
bare.
Dat de termijn van zes (is geworden vier) achtereenvolgende maan-
den zou leiden tot het ontstaan van rondtrekkende onderwijzers, komt
der Eeg. denkbeeldig voor, en kan alleen worden ondersteld wanneer
men van meening is, dat de voorstanders van het bijzonder onderwijs
er naar streven om, behalve zoo weinig mogelijk onderwijs te doen
-ocr page 231-
Art. Ó46is.
215
geven, dat onderwijs nog zoo slecht mogelijk te doen zijn. Niemand
toch zal ontkennen dat herhaalde afwisseling van onderwijzend perso-
neel zeer ten nadeele strekt van het onderwijs. M.v.B. 1889, 36.
32.    Indien een hulponderwijzer gedurende meer dan zes (is gewor-
den vier) maanden ontbreekt en het aantal onderwijzers derhalve niet
voldoet aan de eischen in de artikelen 23 en 24 der wet voor de open-
bare school gesteld, wordt het geheele subsidie ingetrokken, of liever
wordt dit niet verleend.
Eene strafbepaling voor het geval dat het bestuur eener bijzondere
school subsidie heeft verkregen en de gestelde voorwaarden niet in
acht neemt, is niet noodig, vermits de uitkeering van het subsidie aan
de bijzondere school eerst plaats heeft na afloop van het jaar, wanneer
gebleken is, dat de school aan de voorwaarden op die uitkeering heeft
voldaan. M.v.B. 1889, 46.
33.    Eene school wordt geacht te worden gehouden als winstgevend
bedrijf, wanneer niet het doen geven van onderwijs de reden van op-
richting is, maar oin den onderwijzer een bestaan te verzekeren en
voorts zoo mogelijk winsten te behalen. Hoewel het voornaamste, zoo
zal toch het bedrag van het schoolgeld niet het eenige criterium van
beoordeeling kunnen zijn. Ook met de omstandigheden, waaronder tot
de oprichting werd overgegaan, zal rekening zijn te houden.
De vragen, te dezer plaatse in het verslag gedaan, berusten op ver-
keerden grondslag, doordien namelijk is uitgegaan van de meening,
dat de school voor de bijdrage in aanmerking komt, wanneer onder
anderen blijkt, dat zij niet gehouden wordt als winstgevend bedrijf.
Maar dit is niet juist. De school komt niet voor de bijdrage in aan-
ïnerking, wanneer blijkt, dat zij als winstgevend bedrijf gehouden
wordt. Aan het bestuur zal gelegenheid gegeven worden het tegendeel
te bewijzen, wanneer Ged. Staten meenen dat het geval in punt tl
bedoeld aanwezig is.
De besturen der scholen zullen dus niet, zooals in het Verslag
wordt aangenomen, aan Ged. Staten rekenplichtig zijn.
Wegens de voorwaarde, gesteld in art. 546/s sub 1°., en het daar-
in bepaalde onder u. zal het geval zich niet dikwijls voordoen, dat
de school gehouden wordt als winstgevend bedrijf. M.v.B. Ie K. 1889.
34.    Wordt enkel aan de openbare scholen 25 pCt. van de kosten
van schoolbouw uitgekeerd, daartegenover staat dat ook voor die
scholen, wat de gebouwen betreft, hoogere eischen zijn gesteld dan
voor bijzondere scholen het geval is. M.v.B. 1889, 37.
35.    Er is gevraagd of het niet mogelijk was om eene bijdrage te
geven aan de bijzondere scholen naar de huurwaarde van de school-
lokalen. Ik heb gemeend de schoollokalen geheel en al voor reke-
ning te moeten laten van het bijzonder onderwijs en geen bijdrage
-ocr page 232-
Artt. 54iw, 55.
216
in de kosten daarvan te verleenen, omdat ik niet over het hoofd heb
gezien dat, wanneer ik eenmaal daartoe overging, er weder bepalin-
gen van rijkswege daarop toepasselijk zouden moeten worden ge-
maakt en ik meen, dat het voordeeliger zou zijn voor de bijzondere
school, dat zij zich daarvan vrijhield, ook wat betreft den bouw dei-
scholen, daargelaten andere moeilijkheden, die zich zouden kunnen
voordoen bij het toekennen van een aandeel in den bouw der school-
lokalen; daarom heb ik gemeend beter te doen om de toelage te be-
perken tot die welke voor de onderwijzers gegeven wordt. M.v.B.Z.
2e K. 1889, 1522.
36.    Het gedeelte: „Jaarlijks in de maand Januari" tot ,eindbe-
slissing vastgesteld" is bij amendement ingevoegd. Dit amendement
opent „een rechtsweg, die behoorlijken waarborg geeft aan alle be-
langhebbenden, dat de zaken deugdelijk onderzocht, dat partijen ge-
hoord zullen worden, zoo noodig ter mondelinge toelichting hunner
bedreigde of aanvankelijk miskende rechten, zóó dat eene eindbeslis-
sing volge, waarop met vertrouwen kan worden uitgezien." Zie 2e K.
1889, 1627.
De bedoeling is niet, dat Ged. Staten de macht zullen hebben om
willekeurig te beslissen in welke speciale gevallen art. 546/s zal wor-
den toegepast, de macht om op andere gronden dan het niet-voldoen
aan de eischen en de voorwaarden in art. hAbis, sub 1°. tot 4°. en sub
a tot d gesteld, subsidie aan de bijzondere school te weigeren; zij is
eenvoudig: door Ged. Staten te doen uitmaken, of eene bijzondere
school al dan niet voldoet aan de in dit artikel gestelde bepalingen.
Zie 2e K. 1889, 1633 en 1641.
37.    Zie K.B. 19 Febr. 1890 (S. no. 26) ter uitvoering van dit artikel.
TITEL IV.
VAN DE AKTEN VAN BEKWAAMHEID TOT HET GEVEN VAN
LAGER ONDERWIJS.
Artikel 55.
De bevoegdheid tot het geven van lager onderwijs wordt
verkregen door het afleggen der in deze wet omschreven
examens.
De woorden „in deze wet" duiden niet meer volledig aan, wie tot
het geven van lager onderwijs bevoegd zijn. Immers is daartoe bo-
vendien bevoegd de bezitter eener akte A, bedoeld bij de wet van 25
April 1879 (S. no. 87), voor het vak, waarvoor zij is uitgereikt. Hitbr.
III 133; Ht. 584.
-ocr page 233-
217                          Artt. 56, 57.
Artikel 56.
De akten van bekwaamheid zijn:
a.     die, waarvan het bezit de bevoegdheid verleent tot het
geven van huis- en schoolonderwijs in de vakken, vermeld
in art. 2, onder a—/, en tevens bevoegdheid kan verlee*
nen tot het geven van huis- en schoolonderwijs in een der
vakken of in beide vakken, genoemd onder j en k in art. 2
der wet;
b.     die, waarvan het bezit met den rang van hoofdonder-
wijzer de bevoegdheid verleent tot het geven van huis- en
schoolonderwijs niet alleen in de vakken, vermeld in art. 2
onder a—i, maar ook in die, aldaar genoemd onder o en q,
en tevens bevoegdheid kan verleenen tot het geven van huis-
en schoolonderwijs in een der vakken of in beide vakken,
genoemd onder j en &, in art. 2 der wet;
c.     die, waarvan het bezit de bevoegdheid verleent tot het
geven van huisonderwijs of tot het geven van huis- en school-
onderwijs in bepaalde vakken.
Zie de aant. bij artt. 57 en volg.
Artikel 57.
Ter verkrijging der akte, vermeld in art. 56, onder </,
wordt vereischt
a.     de volbragte leeftijd van achttien jaren;
b.     het afleggen van een examen, waartoe minstens een-
maal \'s jaars de gelegenheid in elke provincie wordt open-
gesteld, voor eene commissie, samengesteld uit den inspec-
teur van het lager onderwijs in de provincie en vier di-
stricts- of arrondissements-schoolopzieners.
Onze Minister, die met de uitvoering dezer wet is belast,
wijst de leden dier commissien aan en bepaalt den tijd waarop
zij vergaderen.
Hij kan bij verhindering van den inspecteur een districts-
schoolopziener in diens plaats als voorzitter benoemen.
1.    In 1878 was de leeftijd voor de onderwijzeressen aanvankelijk
op 16 jaar gesteld. Naar aanleiding van opmerkingen in het V. V.
werd de leeftijd voor onderwijzers en onderwijzeressen gelijk gesteld.
2.    Uitreiking van akten aan personen, die den leeftijd van 18
jaren hebben volbracht binnen den kring der dagen, waarop die
-ocr page 234-
Artt, 57, 58.                          218
examens gehouden worden in de provincie, waar die het langst duren,
zou niet met de wet strooken. M.v.B.Z. 15 Maart 1881 no. 856, afd.
O; Hubr.
III 151; Ut. 587. Anders M.v.B.Z. 1860/1; T.C. en M. 289.
Het examen kan echter eenige dagen worden geschorst, ten einde
aan een candidaat alsnog de gelegenheid te geven, examen te doen.
M.v.B.Z. in 1881; Ut. 587.
3.    Meermalen is de vraag gerezen, of er wel noodzakelijkheid be-
staat, de gelegenheid tot het verkrijgen der akte, vermeld in art. 56
onder «, meer dan éénmaal \'s jaars open te stellen. Ten einde het der
Iteg. mogelijk te maken het aantal examens niet onnoodig uit te brei-
den, is het dus wenschelijk haar niet te binden aan een gebiedend
voorschrift om dit examen tweemaal \'s jaars te doen afnemen. M.v.T.
1889, 12.
Zooals te recht in het Verslag wordt opgemerkt, blijft het gewij-
zigde art. 57, lit. b, toelaten, indien het noodig is, het examen voor
do (hulp-)onderwijzers-akte tweemaal \'s jaars af te nemen. M.v.B.
1889, 23.
4.    De bedoeling is niet, dat de commissie permanent zal zijn en
dus het geheele jaar door zitting zal houden, doch dat er tweemaal
(verg. hierbij de vorige aant.) in het jaar gelegenheid tot het afleg-
gen van examen zal worden gegeven.....Indien de examens tege-
lijkertijd gehouden worden in verschillende provinciën, die onder den-
zelfden insp. staan, wordt in plaats van den insp. een D.s.o. aange-
wezen. De insp. zal dus altijd in eene der provinciën onder zijn ge-
bied voorzitter zijn. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1347.
5.    Het euvel, dat zij, die voor de eerste maal werden afgewezen,
terugkomen, voordat zij het ontbrekende hebben aangevuld, is niet
te verhelpen, of liever, mag niet verholpen worden ten koste van hen,
die in staat zijn en belang hebben de proeven hunner bekwaamheid
te leveren. M.v.B. 1878, 29.
6.    Het behoeft niet opzettelijk vernield, dat aan de examineeren-
de inspecteurs en schoolopzieners vergoeding van reis- en verblijfkos-
ten toekomt, daar dit volgt uit de algemeene bepalingen van artt. 57
en 68. M.v.T. 1878, 20.
Artikel 58.
De zitting der commissie wordt in de provincie Noord/iol-
land
te Amsterdam en in de andere provinciën in de hoofd-
plaats der provincie gehouden.
De tijd, gedurende welken de examens worden afgenomen,
wordt door den inspecteur bij openbare aankondiging ter al-
gemeene kennis gebragt.
-ocr page 235-
Artt. 58, 59.
219
De commissie kan zich door deskundigen doen bijstaan.
De examens, behalve die van onderwijzeressen, worden in
het openbaar gehouden.
1.    Het is verkieselijk in de provincie N.-Holland de examens te
honden te Amsterdam, in plaats van te Haarlem, omdat de meeste
schoolopzieners te Amsterdam woonachtig zijn en het ook voor de
examinandi het gemakkelijkst is zich daarheen te begeven. M.v.T.
1878, 20.
2.    De openbare aankondiging geschiedt in de Staats-courant. De
inspecteurs zijn gemachtigd: 1°. op zoodanige wijze, als zij met het
oog op de locale omstandigheden het meest doeltreffend zullen vin-
den, de noodige bekendmaking van de examens te doen plaats heb-
ben; 2°. de kosten zoo van advertentiën, circulaires als anderszins, te
dezen einde aan te wenden, te brengen onder de uitgaven ten beboe-
ve der examens. M.v.B.Z. 12 April 1859 no. 120, 5e afd.; T.C. en
M.
291.
3.    De keuze van deskundigen bij het afnemen van examens wordt
overgelaten aan het oordeel der commissie van examen. M.v.B.Z. 21
April 1859 no. 163, 5e afd.; T.C. en M. 292.
4.    Wat de openbaarheid der examens betreft, volgens ons gevoe-
len ligt daarin opgesloten, dat het publiek zooveel mogelijk worde
in staat gesteld om alle mondelinge vragen en antwoorden duidelijk
te kunnen verstaan, omdat die openbaarheid anders doelloos zou zijn.
Bij het verrichten echter der schriftelijke werkzaamheden is de toe-
lating van het publiek minder raadzaam. Of het heeft er niets aan,
of het zou stoornis veroorzaken bij de adspiranten. T.C. en M. 292.
Artikel 59.
Hij, die zich aan het examen wenscht te onderwerpen,
meldt zich tijdig aan bij den schoolopziener van het district
zijner woonplaats, of, komt hij van buiten \'s lands, van de
plaats, waar hij voornemens is zich te vestigen.
Hij legt daarbij een of meer getuigschriften over van zijn
zedelijk gedrag en zijne geboorte akte.
De dag en de plaats van het examen worden hem door den
districts-schoolopziener bekend gemaakt.
Hij legt het examen af in de provincie, waarin hij woont, of,
van buiten \'s lands komende, voornemens is zich te vestigen.
1. De getuigschriften van zedelijk gedrag, afgegeven door den bur-
gemeester, zijn vrijgesteld van zegel- en registratierechten bij K.B. 25
-ocr page 236-
Artt. 59, 60.
220
Oct. 1880 ho. 21; Hubr. II 274; P.B. Zeel. 93/1880; T.C. en M. 434.
De geboorte-akte moet op zegel zijn. M.o.B.Z. 15 Maart 1881 no.
837, ufd. O; Hubr. III 154; Ht. 598.
2.     De door vreemdelingen over te leggen geboorte-akten en ge-
tuigschriften behoeven niet gelegaliseerd te zijn. M.v.B.Z. 21 April
1859 no. 163, 5e afd.; T.C. en M. 295.
3.     Indien het onmogelijk is, tijdig een geboorte-akte over te leg-
gen, kan met eene akte van bekendheid, opgemaakt volgens art. 127,
al. 1 en 2, van het Burg. Wetb., worden volstaan. M.v.B.Z. in 1883
e» 1887; Ht. 596.
4.     De getuigschriften, waarvan in het 2e lid sprake is, behoeven
niet te zijn van het dagelijksch bestuur der gemeente of gemeenten,
waar de adspirant de laatste twee jaren heeft gewoond, zooals bij
art. 27 wèl het geval is. Zij kunnen ook zijn van bijzondere perso-
nen, die met den adspirant bekend zijn en als geloofwaardig bekend
staan. Indien de commissie er genoegen mede neemt, dan zijn zij in
dit geval voldoende; zij zijn dan ook geheel vrij van zegel en regi-
stratie. T.C. en M. 294.
5.     Met het stelsel van provinciale commissiën is het niet overeen
te brengen, aan de adspiranten vrijheid te geven om zich te wenden
tot de commissie, welke zij verkiezen. M.v.B. 1889, 24.
6.     De minderjarige, die in eene andere provincie woont dan zijne
ouders of voogd, moet, waneer hij een examen wil afleggen als onder-
wijzer, dit niet doen in zijne eigene provincie, maar wel in die, waar
zijne ouders of zijn voogd wonen. Gemst. 359; W.B.A. 482; e.E. II
225. Anders Diephuis 53; T.C. en M. 293.
7.     Aan een Israëliet, die wegens invallende godsdienstige feestda-
gen niet op de dagen, in de provincie waarin hij woonde daarvoor aan-
gewezen, het examen kon afleggen, kan geen vergunning worden ver-
leend, het examen in eene andere provincie op de voor dat gewest aan-
gewezen dagen af te leggen. M.v.B.Z. 28 Sept. 1883 no. 3529, ufd. O;
Ht.
599. Verg. aant. 2, 2e gedeelte, ad art. 57.
8.     Zie aant. 3 ad art. 10.
Artikel GO.
Het examen omvat:
goed lezen en schrijven ;
de kennis der zinsontleding, der spelregels en der eerste
gronden der Nederlandsche taal;
vaardigheid om zich, zoowel mondeling als schriftelijk, juist
en gemakkelijk uit te drukken;
de eerste oefeningen van het handteekenen;
-ocr page 237-
221                                   Art. 60.
het rekenen, zoowel met geheele getallen als met gewone
en tiendeelige breuken en kennis van de leer der evenredig-
lieden en van het Neder! andsch stelsel van maten en ge-
wichten;
de beginselen der aardrijkskunde, inzonderheid van Neder-
land en zijne overzeesche bezittingen;
de grondtrekken der vaderlandsche geschiedenis;
de beginselen van de kennis der natuur;
de theorie van het zingen;
de beginselen van onderwijs en opvoeding.
Aan allen, die hiertoe bij hunne aangifte het verlangen heb-
ben kenbaar gemaakt, wordt, nadat tot hunne toelating is be-
sloten, de gelegenheid gegeven, bewijzen van bekwaamheid in
de vrije en orde-oefeningen der gymnastiek, aan onderwijze-
ressen bovendien bewijzen van bedrevenheid in de nuttige
handwerken voor meisjes te leveren.
Aan ieder, die voldaan heeft, wordt eene akte van be-
kwaamheid kosteloos uitgereikt. Op de akte van bekwaam-
heid van hen, die bij het examen in de vrije en orde-oefe-
ningen der gymnastiek of in de nuttige handwerken of in
die beide vakken hebben voldaan, wordt daarvan aanteeke-
ning gedaan.
Van het examen in de eerste oefeningen van het handtee-
kenen zijn vrijgesteld zij, die in het bezit zijn eener akte van
bekwaamheid in het vak q volgens art. dóiis.
1.    Om te voorzien in de behoefte aan onderwijzend personeel in
de vakken, in art. 2 onder * en j vermeld, „komt het mij wensche-
lijk voor, om in de plaats van kennis van de vormleer van de hulp-
onderwijzers bij het door hen af te leggen examen, te vorderen ken-
nis van de eerste oefeningen in het teekenen. Wij weten reeds dat
ook van de hoofdonderwijzers bij hun examen eenige bedrevenheid
wordt gevorderd in het handteekenen, en het komt mij wenschelijk
voor om dit ook van de hulponderwijzers te vorderen, omdat dan
elke onderwijzer in zijn eigen klas dat onderwijs zal kunnen geven.
Bij de orde-oefeningen in de gymnastiek is het iets anders. Ik heb
reeds aangetoond, hoe men daarbij moet zorgen, personen te krijgen
die speciaal meer aanleg hebben voor de gymnastiek en blijken ge-
ven dat zij kunnen letten op de eischen die de lichaamsbouw van
kinderen stelt." M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1415.
2.    De vraag werd gedaan, of\', nu de vormleer uit het examen-
programma was vervallen, zoodat van do exacte wetenschappen alleen
het rekenen overbleef, dit voldoende kon worden geoordeeld. In het
-ocr page 238-
Art. 60.                                       222
bijzonder drong men er op aan, dat van den onderwijzer zou worden
gevorderd eenige kennis van de algemeene eigenschappen van de wis-
kundige figuren en wiskundige lichamen. De M.v.B.Z. zeide:
„Ik meen, na de verschillende sprekers gehoord te hebben, dat die
leden en de Reg. tamelijk wel overeenstemmen. De Reg. erkent na-
nielijk gaarne, dat door het vervallen der vormleer er noodzakelijk
op gelet moet worden dat de hulponderwijzer niet geheel verstoken
zij van de kennis der vlakke figuren en lichamen, omdat, zooals te
recht is aangetoond, de kennis van de eerste beginselen daarvan voor
hem noodig mag geacht worden in verband met andere in het pro-
gramma opgenomen vakken.
Daarom zal ik bij de herziening van het programma gaarne ge-
bruik maken van de thans gemaakte opmerkingen, en dus overwe-
gen op welke wijze in dit programma kan worden opgenomen de ken-
nis van vlakke figuren en lichamen.
Ik voeg er al dadelijk bij, dat dit een zeer elementaire kennis zal
zijn, en zeer zeker zal moeten gewaakt worden, dat wij niet weder
vervallen in de vroegere kwaal van het stellen van te hooge eischen.
Dit zal trouwens ook wel de wensch zijn van de sprekers die over
dit onderwerp het woord hebben gevoerd. M.v.B.%. 2e K. 1889, 1G20.
3.     Kennis van de beginselen van onderwijs en opvoeding kan on-
mogelijk geschrapt worden als examenvak ter verkrijging van eene
akte van bekwaamheid als onderwijzer.
De Reg. heeft van deskundige zijde tot dusver geene klacht ver-
nomen over het gebrek aan bruikbare handboeken omtrent dit vak.
M.v.B. 1889, 47.
4.     Door het examen in de nuttige handwerken verplichtend te stel-
len ter verkrijging van eene akte van bekwaamheid als onderwijzeres
kan dit voorschrift, in plaats van, overeenkomstig de bedoeling, goed
onderwijs in dit voor de volksschool belangrijk vak te bevorderen,
zeer nadeelige gevolgen voor dat onderwijs hebben. Het geval doet
zich niet zeldzaam voor, dat bij een onvoldoend examen in dit vak,
de akte van bekwaamheid als onderwijzeres wordt uitgereikt wegens
een voldoend examen in de overige vakken. De gemeentebesturen, die
aan de onderwijzeres tevens het onderwijs in de nuttige handwerken
wenschen op te dragen, hebben dus niet den minsten waarborg dat
zij door aanstelling van eene, op grond der akte, vermeld in art. 56
onder a, bevoegde, ook eene werkelijk bekwame met dit onderricht be-
lasten. Hierop is reeds herhaaldelijk, zoowel door deskundigen als door
de inspecteurs van het lager onderwijs, gewezen.
Het komt der Reg. mitsdien wenschelijk voor, dit vak te doen ver-
vallen als vereischte ter verkrijging van de akte als onderwijzeres,
doch bij het afleggen van het examen voor die akte de adspiranten,
-ocr page 239-
Artt. 60, 61.
223
tot wier toelating is besloten, in de gelegenheid te stellen ook in de
nuttige handwerken bewijzen van bekwaamheid te leveren, waarvan,
indien het met goed gevolg geschiedt, op de akte van bekwaamheid
als onderwijzeres aanteekening zal worden gedaan.
Deze aanteekening is alleen verkrijgbaar gelijktijdig met het afleg-
gen van het examen voor de akte bedoeld in art. 56 onder «.
Onderwijzeressen die later een bewijs van bekwaamheid wenschen
te ontvangen, hetzij omdat zij bij het afleggen van genoemd akte-exa-
men niet zijn geslaagd, of omdat zij zich toen voor de handwerken
niet hadden aangemeld, moeten daartoe verschijnen voor de speciale
commissie bedoeld in art. 6~>bis. M.v.T. 1889, 11.
5.    Zie den vorm der akten, bedoeld in artt. 60, 68 en 64, bij Hnbr.
III 156, 176, 177.
Uit het woord „kosteloos"\' volgt, dat de akte vrij van zegelrecht is.
M.v.Fin. 21 Febr. 1881 no. 39, afd. lieg.; Hnbr. III 156; Ht. 60.1.
6.    Aan een onderwijzer, die tengevolge eener veroordeeling wegens
misdaad zijne bevoegdheid tot het geven van lager onderwijs heeft ver-
loren, kan niet opnieuw eene akte van bevoegdheid worden uitge-
reikt. M.v.B.Z. 1 Ang. 1881 no. 2692, afd. O; Hnbr. IV 156.
7.    De uitreiking der akte aan vreemdelingen kan terstond geschie-
den en behoeft dus niet te wachten, totdat de bij art. 6 der wet voor-
geschreven vergunning des Konings is verleend geworden. M.v.B.Z. 21
April 1859 no. 136, 5e afd.; T.C. en M. 316.
8.    Tot het verkrijgen eener verklaring ter vervanging van eene in
het ongereede geraakte akte wende men zich tot den Min. v. Binn. Za-
ken. M.V.B.Z. 21 Juni en 26 Jnü 1882 nrs. 2366 en 2920, afd. O;
Hnbr.
IV 284; Ht. 588.
9.    De maatregel van bestuur tot regeling van het examen wordt
onder de bijlagen opgenomen.
Artikel 61.
Ter verkrijging der akte, vermeld in art. 56 onder 6, wordt
vereischt:
a.     het bezit der akte, vermeld in art. 56 onder a;
b.     het bewijs van minstens tweejarige werkzaamheid als
onderwijzer of, na aflegging van het examen, vermeld in art.
56 onder a, als kweekeling aan eene of meer openbare of bij-
zondere scholen van lager onderwijs of als onderwijzer aan
eene of meer scholen voor doofstommen, blinden, spraakge-
brekkigen of idioten, afgegeven door het hoofd of de hoofden
dier scholen, of het bewijs afgegeven door den bestuurder eener
door Ons aangewezen kweekschool voor onderwijzers, van ge-
-ocr page 240-
Art. 61.
224
durende twee jaren aan die school de lessen ter voorberei-
ding van dit examen, na aflegging van het examen, vermeld
in art. 56 onder a, te hebhen gevolgd;
e. liet afleggen van een examen, loopende, behalve over
de vakken, in art. 2 vermeld onder a—g, over die, aldaar
genoemd onder o en q, en over methode van onderwijs en op-
voeding voor eene der commissiën, in art. 62 bedoeld.
Van dit examen zijn, voor zooveel het vak q betreft, vrij-
gesteld zij, die in het bezit zijn eener akte van bekwaamheid
in dit vak volgens art. Qbbis.
1.     In 1878 was in \'t oorspronkelijk ontwerp de leeftijd op 23 jaren
gesteld. Naar aanleiding van bedenkingen, in het V.V. gemaakt, werd
de leeftijd weggelaten.
2.     Het hoofdonderwijzers-examen verkrijgt naar het tegenwoordig
ontwerp een ander karakter. Het zal worden afgenomen door commis-
siën, wier aantal zoo klein mogelijk moet zijn, en het programma zal
meer uitgewerkt moeten worden dan in de wet, die alleen algemeen-
lieden kan opnemen, passen zou. M.v.B. 1878, 29.
3.     De Reg. kan geheel instemmen met het gevoelen van hen die
meenen, dat de wiskunde moet vervallen als examenvak ter verkrijging
der akte bedoeld in art. 56 onder b.
De ondervinding heeft onder de vorige wet geleerd, dat het zeer wel
mogelijk is, uitstekende onderwijzers in rekenkunde voor de volksschool
te verkrijgen, zonder eenige speciale beoefening der wiskunde als ver-
eischte te stellen, terwijl het voor het onderricht in dit vak, als onder-
deel van het meer uitgebreid lager onderwijs, wenschelijk is, geene
bevoegdheid te verleenen, wanneer niet voldoende bewijzen van be-
kwaamheid zijn geleverd. M.v.T. 1889, 12.
4.     De Reg. heeft bezwaar onder de vakken voor het examen van
hulp- of hoofdonderwijzer alsnog de stelkunde op te nemen.
De wensch om het examen in twee deelen te splitsen is na het ver-
vallen der wiskunde zeker niet gerechtvaardigd. M.v.B. 1889, 23.
5.     Nu eenmaal de wiskunde vervallen is uit het examen voor hoofd-
onderwijzer, moet men niet vergeten, dat het vak als zoodanig niet
meer door eiken hoofdonderwijzer onderwezen mag worden, maar al-
leen door hen, die daarin zijn geëxamineerd. Eene toezegging kan ik
niet geven, dat in het vervolg in het programma voor de hoofdakte
de beginselen der stel- en meetkunde zullen worden opgenomen.
De laatste spreker wenscht niet dat de beginselen der stelkunde wor-
den opgenomen in het programma, maar meent toch dat een hoofdon-
derwijzer daarvan eenige kennis moet bezitten, wil hij het rekenen, bij
voorbeeld de leer der evenredigheden, goed onderwijzen. Ik ben dit
-ocr page 241-
225
Art. 61.
met hem eens. Doch waar reeds in het bestaande programma wordt
gevorderd grondige kennis van de leer der evenredigheden, volgt daar-
uit, dat hij ook eenigszins bekend moet zijn met de stelkunde, voor
zooverre die voor gemelde grondige kennis noodig is.
De afgevaardigde uit Amsterdam wees er op, hoe onder anderen de
stelkunde dienstbaar kan zijn voor kunstgrepen bij het rekenen uit het
hoofd, die meestal steunen op het binomium van Newton. Ik moet er
echter op wijzen, dat het bezigen van de stelkunde tot genoemd doel
allicht het degelijk onderwijs in het rekenen zou kunnen schaden, het-
welk juist gegeven moet worden zonder gebruik te maken van de al-
gebra. M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1621.
6.    In 1889 nam de Keg. in het art. op „theorie van opvoeding en
onderwijs" in verband met het door haar voorgesteld vervallen van het
vergelijkend examen uit art. 28 (zie aant. 1 aldaar). In het V. V. werd
de opmerking gemaakt, dat dit vak bij het examen niet als hoofdvak
behoort te worden beschouwd, en of het niet raadzaam zou zijn dit
examen te beperken tot de methodiek? Daarop werd geantwoord:
„Naar aanleiding van de gemaakte bedenking omtrent de theorie van
opvoeding en onderwijs heeft de Reg. het woord „theorie" door „me-
thode" vervangen." M.v.B. 1889, 47.
Het examen in de methode van onderwijs en opvoeding zal zich be-
palen tot de eigenlijk gezegde methodiek, zoodat van den adspirant
niet meer, zooals vroeger, zal gevorderd worden eenige kennis van de
gronden der anthropologie. M.v.B. Ie K. 1889.
7.    De hoofdonderwijzersrang geeft de bevoegdheid om aan het
hoofd eener school te staan. Niet enkel theoretische, practische ken-
nis van het vak is dus eene eerste voorwaarde en daarom eene stage
onmisbaar. M.v.B. 1878, 29.
8.    Art. 616 zegt niet, dat men de laatste twee jaren moet werk-
zaam geweest zijn. Ht. 613.
9.    Door de wijziging, in het artikel gebracht, is de vraag afgesne-
den of de tijd, dien zoogen. volontairs in de school doorbrengen, bij
de berekening der stage meetelt. Verg. aant. 2 ad art. 8.
Eveneens is nu het maken der stage mogelijk gemaakt voor onder-
wijzers aan scholen voor doofstommen, blinden, spraakgebrekkigen en
idioten, welke scholen gerekend worden tot het midd. ond. te behoo-
ren. Zie 2e K. 1889, 1620.
10.    Werkzaamheid aan eene voorbereidende school is niet voldoen-
de. M.v.B.Z. 21 Maart 1881 no. 955, afd. O; Hubr. III 157; Ht. 609.
11.    Met tweejarige werkzaamheid aan eene of meer openbare of
bijz. scholen wordt uitsluitend bedoeld werkzaamheid in Nederland.
M.v.B.Z. 14 Juli 1882 no. 2746, afd. O; Hubr. IV 283; v.E. IX 199;
Ht. 607.
WET L. O.                                                                                  15
-ocr page 242-
Artt. 61—63.
226
12.    Is het hoofd der school, die de verklaring van tweejarige werk-
zaamheid moet afgeven, overleden, dan legt het tegenwoordig hoofd
der school de verklaring af, ook voor zooveel betreft den tijd vóór zijn
optreden. M.v.B.Z. 16 Juni 1882 no. 2258, afd. O; Hubr. IV 281; Hf.
608.
13.    Als termijn voor de tweejarige werkzaamheid behoort te wor-
den aangenomen de dag, waarop de belanghebbende, ter verkrijging
der akte als hoofdonderwijzer, tot het afleggen van examen wordt toe-
gelaten, dat is de eerste dag van bet schriftelijk examen. M.v.B.Z. 16
Juni 1887 no. 1772, afd. O; Ht. 611.
Artikel 62.
Jaarlijks worden door Onzen Minister, met de uitvoering
dezer wet belast, een of meer commissien tot het afnemen der
examens, in het voorgaand artikel bedoeld, benoemd en de
tijd wanneer en de plaatsen, waar zij hare zittingen zullen
houden, tijdig aangewezen.
De voorzitters en leden dezer commissien genieten uit \'s
Rijks kas vacatiegelden en vergoeding voor reis- en verblijf-
kosten.
De voorzitter der commissie brengt den tijd, gedurende
welken de examens worden afgenomen, bij openbare aankon-
diging ter algemeéne kennis.
De examens, behalve die van onderwijzeressen, worden in
het openbaar gehouden.
Artikel 63.
Hij, die zich aan het examen wenscht te onderwerpen, meldt
zich tijdig aan bij den voorzitter der commissie, voor welke
hij wenscht te verschijnen, en legt daarbij over
a.     zijne geboorte-akte;
b.     een of meer getuigschriften van zedelijk gedrag;
c.     zijne akte van bekwaamheid als onderwijzer, bedoeld
in art. 56 onder «;
cl. het bewijs, vermeld in art. 61 onder b.
De dag en de plaats van het examen worden hem door den
voorzitter bekend gemaakt.
De omvang van het examen, de wijze van afneming en
wat verder tot dit examen betrekkmg heeft, worden door
Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur gere-
geld.
-ocr page 243-
Artt. 63, 64.
227
Aan ieder, die voldaan heeft, wordt eene akte van be-
kwaamheid kosteloos uitgereikt.
De aanteekening, bedoeld in het voorlaatste lid van art.
60, wordt op de akte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer
overgeschreven.
1.    De getuigschriften, bedoeld onder letter 6, zijn vrijgesteld van
zegel- en registratierecht bij K.B. 12 Maart 1881 no. 6; Hubr. III
175; P.B. Zeel. 97/1881; T.C. en M. 459.
2.    Van een voorschrift, om zoo mogelijk bijzondere onderwijzers
in de verschillende examen-commissiën op te nemen, is weinig nut
te verwachten. En een gebiedend voorschrift in dien zin kan be-
zwaarlijk gegeven worden. M.v.B. 1889, 24.
3.    Zie aant. 5 en 8 ad art. 60.
4.    De maatregel van bestuur was vastgesteld bij K.B. 28 Mei 1879
(S. no. 106). Deze is vervangen door dien, vastgesteld bij K.B. 27 Maart
1885 (S. no. 74), gew. bij K.B. 2 April 1887 (S. no. 47) en K.B. 19
Maart 1888 (S. no. 51).
De maatregel wordt onder de bijlagen opgenomen.
Artikel 64.
Ter verkrijging eener akte, die de bevoegdheid verleent
tot het geven van huisonderwijs in enkele vakken, vermeld
in art. 2 onder a—g, wordt vereischt:
a.     de volbragte leeftijd van achttien jaren;
b.     het afleggen van een examen in de vakken, waarvoor
de bevoegdheid verlangd wordt, voor eene der commissien,
in art. 57 vermeld.
De bepalingen van artt. 58 en 59 zijn ten deze toepasse-
lijk.
Aan ieder, die voldaan heeft, wordt kosteloos eene akte
van bekwaamheid uitgereikt als huisonderwijzer, waarin de
vakken, over welke het examen met goed gevolg is afge-
legd, worden uitgedrukt.
1.    Zie aant. 5 en 8 ad art. 60.
2.    Wanneer iemand, na afgelegd examen als hulponderwijzer, niet
wordt toegelaten, kan hij, zulks verlangende, dadelijk examen als
huis-onderwijzer in een of meer der vakken van het l.o. afleggen.
M.v.B.Z. 1 Jmm*1858 no. 124, 5e afd.; T.C. en M. 307.
Dit was ook onder de wet van 1878 het geval. M.v.B.Z. 28 Febr.
1884 no. 665\\ afd. O; Ht. 639.
15*
-ocr page 244-
228
Artt. 04, 05.
Met deze aanschrijving is het niet in strijd, den adspirant, die in
een of meer der vakken a—h (thans a—g) heeft voldaan, zonder na-
der examen de akte als huisonderwijzer voor de vakken, waarin hij
voldaan heeft, uit te reiken. De commissie heeft in elk bijzonder ge-
val te beoordeelen, of en in hoever een nieuw examen noodig is.
M.v.B.Z. 30 April 1885 no. 1199, afd. O; Ht. 639.
Artikel 65.
Ter verkrijging eener akte van bekwaamheid voor huis-
en schoolonderwijs in een of meer der vakken, vermeld in
art. 2, onder /, m, n, p, r en *, wordt vereischt:
a.     liet bezit der akte, vermeld in art. 56, onder a;
b.     bet afleggen van een examen voor eene der commis-
siën, bedoeld in art. 69 der wet van 2 Mei 1803 {Staatsblad
no. 50).
Al wat verder de in dit artikel bedoelde examens betreft
wordt door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld.
1.    Stuit men, het onderscheid zoekende tusschen lager en middel-
baar Aw/s-onderwjjs, overal op onwisse grenzen, het hieruit geboren
bezwaar doet zich het meest gevoelen, zoodra men treedt buiten den
kring der vakken, waarin aan elke openbare lagere school onderwijs ge-
geven wordt, zooals de vreemde talen. Daarom wordt nu de akte voor
vreemde talen altijd verkregen bij de commissie voor midd. ond. en
heeft alleen hij, die of eene akte voor midd. ond. bezit, óf eene vol-
gens deze wet toegekend, bevoegdheid ook voor huis-onderwijs. M.v.B.
1878, 23.
In het Verslag 1889 werd gevraagd of de woorden: „voor eene
der commissiën, bedoeld in art. 69 der wet van 2 Mei 1863 (S. no.
50)" niet uit het artikel konden vervallen? De Reg. bleef dan vrij
de wijze van aflegging van het examen bij K.B. te regelen en kon
wellicht terugkeeren tot den maatregel om bij het afleggen der exa-
mens voor de onderwijzersakte tevens gelegenheid te geven tot het
verkrijgen van akten voor vreemde talen.
De Min. verklaarde tegen de weglating van genoemde woorden be-
zwaar te hebben. De vroeger gevolgde methode was juist afgeschaft,
omdat zij geene waarborgen voor voldoende bekwaamheid opleverde,
terwijl de bestaande regeling voldoet en de daartegen geopperde be-
denkingen niet van overwegend belang zijn. Verslag 1889, 24.
2.    De wet vereischt niet de overlegging van een getuigschrift
van goed gedrag, om tot het in dit art. bedoeld examen te worden
toegelaten. Ht. 651.
-ocr page 245-
229                      Artt. 65, Göbis.
3.    De bedoeling van den wetgever is geweest, ook deze akten
kosteloos te doen uitreiken. M.v.B.Z. 21 Febr. 1881 no. 533, afd. O.
De stukken zijn dan ook niet aan zegelrecht onderworpen. M.V.Fin.
31 Maart 1881 no. 12, afd. Reg.; Ilubr. III 179.
4.    Verg. de wet van 25 April 1879 (S. no. 87).
De wijze van afneming der examens is geregeld bij K.B. 9 Aug.
1879 (S. no. 149). De omvang van het examen is geregeld bij K.B.
3 Aug. 1879 (S. no. 148) voor zooveel vak /• betreft, bij K.B. 14 Oct.
1884 (S. no. 216) voor zooveel vakken l, m en n aangaat, en bij K.B.
24 April 1885 (S. no. 112) voor wat vak s betreft. Deze regelingen
worden onder de bijlagen opgenomen, evenals de te wachten rege-
ling van het examen in vak p.
Artikel §öbis.
Van tijd tot tijd wordt gelegenheid gegeven om door het
afleggen van een examen voor bijzondere commissiën, daar-
toe benoemd door Onzen Minister, met de uitvoering dezer
wet belast, eene akte van bekwaamheid te verkrijgen voor
buis- en schoolonderwijs in een of meer der vakken, vermeld
in art. 2 onder j, £, q en t.
Al wat de in dit artikel bedoelde examens betreft, wordt
door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld.
1.    Voor zooveel de vakken k, q en t betreft, is het examen gere-
geld bij K.B. 24 Oct. 1884 (S. no. 217), gewijzigd bij K.B. 18 Dec.
1886 (S. no. 214). Zie daarvoor de bijlagen.
2.    De eischen voor de onderwijzers in vak j zullen, naar de Eeg.
vertrouwt, zeer eenvoudig gesteld kunnen worden.
De vraag hoe de personen, die in de vrije en orde-oefeningen onder-
wijzen, blijk moeten geven van bevoegdheid om voor dat onderdeel van
gymnastiek-onderwijs op te treden, kan op tweeërlei wijze bepaald
worden.
Men kan dat vak voorschrijven als examenvak voor hulponderwij-
zers. De Eeg. meende dit echter niet te moeten doen, omdat, zooals
ook voor de „nuttige handwerken" gebleken is, dikwijls de moeilijk-
heid bestaat dat iemand die volkomen geschikt is om onderwijs te ge-
ven in alle andere vakken, afgewezen zou moeten worden, wijl hij voor
het leiden van die vrije en orde-oefeningen de geschiktheid mist of
wel dat hem toch de akte wordt uitgereikt zonder voldoenden waar-
borg van bedrevenheid in laatstgenoemd vak. Dit heeft er de Eeg. toe
geleid om eene afzonderlijke bij-akte voor dat onderwijs in het leven
te roepen. Er kwam nog eene reden bij. Wij hebben hier te doen met
-ocr page 246-
Artt. 65öis, Qbter.                    230
het lichaam van de kinderen, en zulke oefeningen, hoe goed ook in me-
nig geval, kunnen wel eens nadeelig werken. Daarom koos de Reg. als
oplossing de afzonderlijke akte. De noodige overgangsbepaling is daar-
bij in acht genomen. M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1415.
Artikel Qbler.
Voor het afleggen der examens worden de navolgende som-
men bij vooruitbetaling voldaan:
voor het examen, vermeld in art. 57, onder l>, vijf gulden;
voor het examen, vermeld in art. 61, onder c, tien gulden;
voor het examen, vermeld in art. 64, onder 4, loopende over
één vak, twee gulden;
voor het examen, vermeld in art. 64, onder £, loopende over
meer dan één vak, vier gulden;
voor het examen, vermeld in art. 65, onder £, in elk der
vakken, genoemd onder l, m, n, p, r en *, in art. 2, vijf gul-
den;
voor het examen, vermeld in art. 654e* in elk der vakken,
genoemd onder j en /•, in art. 2, twee gulden;
voor het examen, vermeld in art. 654w, in elk der vakken,
genoemd onder q en l, in art. 2, vijf gulden.
Deze gelden worden in \'s Rijks schatkist gestort.
De Reg. van 1878 oordeelde, dat de retributie, welke voor de akten
onder de wet van 1857 betaald werd, van geen beteekenis was voor
het Rijk en bezwarend voor de candidaten. Zij werd mitsdien afge-
schaft. Zie M.v.T. 1878, 20. In 1889 kwam het tegenwoordig art. tot
stand.
„Jaarlijks," zeide de M.v.T. 1889, 13, „wordt de klacht vernomen
over de hooge kosten der akte-examens en over het ongerief, dat voor
de inrichtingen van onderwijs uit den langen duur dier examens voort-
vloeit. Voornamelijk worden deze bezwaren veroorzaakt door de vele
adspiranten, die zich niet voldoende voorbereid aanmelden en „het
maar eens probeeren", aangezien de deelneming aan het examen geen
geld kost. Dit heeft reeds dikwijls de wenschelijkheid doen uitspre-
ken vóór de toelating eene retributie te heffen, welke zou kunnen wor-
den teruggegeven, ingeval de adspirant slaagt. De Reg. meent in deze
echter eenigszins verder te mogen gaan.
„De examens worden afgenomen in de eerste plaats in het algemeen
belang, maar zij mogen geacht worden ook in het bijzonder belang te
zijn van hen, die slagen. Derhalve wordt in dit artikel van alle adspi-
ranten, zonder onderscheid, eene geldelijke bijdrage gevorderd, die
-ocr page 247-
231                      Artt. 6öler—67.
strekt ter tegemoetkoming in de kosten door den Staat ten behoeve
van de examens te maken.
„De bepalingen omtrent kostelooze afgifte der akten van bekwaam-
heid blijven bij deze regeling bestaan."
Artikel 66.
De akten van bekwaamheid, volgens de voorschriften de-
zer wet verkregen, gelden, wat de daaraan verbonden bevoegd-
heid betreft, voor het geheele Rijk en zijne koloniën en be-
zittingen in andere werelddeelen.
Zie aant. 2 ad art. 85.
TITEL V.
VAX HET TOEZIGT OP HET LAGER ONDERWIJS.
Artikel 67.
Het toezigt over het lager onderwijs in het geheele Rijk
is opgedragen aan Onzen Minister, die met de uitvoering de-
zer wet is belast.
Dat toezigt wordt onder zijne bevelen uitgeoefend door de
inspecteurs, de districts-schoolopzieners en de arrondissements-
schoolopzieners.
1.    Het denkbeeld om, met opheffing der A.s.o., uitsluitend D.s.o. in
dienst te stellen, met andere woorden om personeel te verkrijgen dat
uitsluitend leven kan van en voor het ambt, werd in 1889 door de
Keg. verworpen met het oog op het financieel bezwaar, dat daaruit
zou voortvloeien. Keorganisatie van het schooltoezicht kon zoo noodig
later plaats hebben. „Alsdan zal het ernstige overweging verdienen in
hoeverre er verbetering kan gebracht worden in de samenstelling der
schoolcommissiën, door de keuze der leden geheel of gedeeltelijk te
doen plaats hebben door de ouders der schoolgaande kinderen. Te
recht wordt in het Verslag opgemerkt, dat tegen eene dergelijke rege-
ling bij den thans nog bestaanden schoolstrijd menigvuldige bezwaren
bestaan." M.v.B. 1889, 6.
2.    Mocht het bestaande personeel niet groot genoeg blijken om de
nieuwe werkzaamheden, waarmede het vooral in verband met art.
541/s zal belast worden, behoorlijk te verrichten, dan zou er grond be-
staan om uitbreiding of reorganisatie van dat toezicht voor te stellen.
M.v.B.Z. bij \'t mond. overleg 1889, 6.
3.    Wanneer twee gemeenten, in verschillende districten of in ver-
-ocr page 248-
232
Art. 67.
schillende provinciën (lees thans: arrondissementen, districten of in-
spectiën) gelegen, eene gemeenschappelijke school hebben, dan volgt
deze, wat schoolopziener en inspecteur betreft, de plaats waar zij staat.
v.E. II 229; W.B.A. 602; T.C. en M. 336.
4. Vrijdom van briefport is verleend voor briefwisseling over
ambtszaken van:
de plaatselijke commissiën met de onderwijzers in de gemeente, bij
K.B. 20 Nov. 1857 no. 49;
de leden der commissiën in dezelfde gemeente, bij KI). 24 April
1858 no. 60;
de directeuren der rijkskweekscholen onderling en met den C.d.K.
en G.S. in de provincie, en de Insp. en de D.s.o. in het Rijk, bij K.B.
23 Oct. 1861 no. 61;
de Insp. van het m.o. met die van het l.o. in het Rijk, bij K.B. 24
Aug. 1863 no. 83 en K.B. 11 Nov. 1866 no. 21;
de D.s.o. in het Rijk onderling, bij K.B. 15 Sept. 1874 no. 21;
den bouwkundige voor de onderwijsgebouwen met de Insp. van 1.,
in. en h. o., de hoofden der scholen, het hoofd der rijksleerschool te
Haarlem, de burgemeesters en de colleges van dagelijksch bestuur door
het Rijk, bij K.B. 16 Aug. 1879 no. 22;
de Insp. van het l.o. met de C.d.K. en G.S. door het Rijk, en de
A.s.o. in de inspectie; de D.s.o. met den gemelden bouwkundige; de
A.s.o. met den Insp., G.S. en C.d.K., waaronder zij ressorteeren en met
de gem.-besturen, plaats, comm., dir. rijkskweekschool en de onder-
wijzers en onderwijzeressen in hun arrond., de plaats, comm. in de-
zelfde gemeente onderling en die comm. met G.S. en den A.s.o., waar-
onder zij ressorteeren, bij K.B. 23 Oct. 1880 no. 16;
B. en W. met het onderw. personeel in de gemeente, bij K.B. 22
Dec. 1880 no. 20;
den Insp. der gymnasia en de Insp. van het m.o. met de Insp., D.s.o.
A.s.o. en de directeuren van alle kweekscholen in het Rijk, bij K.B. 3
Jan. 1881 no. 10;
de Insp. v. h. geneesk. staatstoez. met de Insp., D.s.o. en A.s.o. van
het l.o., bij K.B. 20 Febr. 1883 no. 13;
de A.s.o. met de onderwijzers in hun arrond., bij briefwisseling over
arrond.-bibliotheken, bij K.B. 28 April 1883 no. 13;
de D.s.o. met de A.s.o. en de A.s.o. onderling door het Rijk, bij K.B.
17 Mei 1884 «o. 22;
de comm. van toez. met het gem.-best. ter plaatse, bij K.B. 7 Oct.
1886 no. 20.
Deze besluiten zijn medegedeeld in verschillende P.B. en Schoolversl.,
en worden ook gevonden bij Hubr. III 189—191; Ht. 670; T.C. en
M.
435, 450.
-ocr page 249-
Art. 68.
233
Artikel 68.
Het ambtsgebied van iederen inspecteur omvat eene of
meer provinciën, dat van iederen districts-schoolopziener een
der districten, waarin de provinciën door Ons worden ver-
deeld.
De inspecteurs en de districts schoolopzieners worden door
Ons benoemd, geschorst en ontslagen.
Zij genieten, behalve eene vaste jaarwedde, vergoeding
voor reis- en verblijfkosten uit \'s Rijks kas.
Zij bekleeden geene ambten of bedieningen zonder Onze
toestemming.
In geval van ziekte, afwezigheid, schorsing of ontstente-
nis wordt een inspecteur door een districts-schoolopziener,
een districts-schoolopziener door een arrondissements-school-
opziener vervangen.
Onze Minister, met de uitvoering dezer wet belast, wijst
den plaatsvervanger aan.
1.    Het ambtsgebied der Insp., D.s.o. en A.s.o. en de verdeeling
hunner werkzaamheden zijn geregeld bij K.B. 22 Jan. 1880 (S. no. 5),
gewijzigd bij K.B. 20 Oct. 1883 (S. no. 146), te vinden onder de bij-
lagen.
2.    Jaarl. abonnement voor bureaukosten toegekend aan iederen
Insp. ad f 300, iederen D.s.o. ad f 200. K.B. 24 Oct. 1880 no. 13;
Hubr. III 218; Et. 674.
Voor de reis- en verblijfkosten behooren de Insp. in de 2e klasse,
de D.s.o. voor reizen binnen hun district in de 3e klasse, en daar-
buiten in de 2e klasse van het tarief, vastgesteld bij K.B. 15 Dec.
1849 (8. no. 62). *) K.B. 30 Oct. 1880 no. 13; Hubr. III 218—220.
Zie daar ook de modellen der declaratiè\'n.
3.    De kosten eener reis, door een D.s.o. op last van een C.d.K.
gedaan „ter behandeling en bevordering van schoolbelangen", komen
ten laste der schatkist. M.v.B.Z. 15 Maart 1881 no. 1177, afd. A.Z.C.;
Hubr All
221; Ht. 681.
Een D.s.o. is niet verplicht, als deskundige bij een vergelijkend
examen optetreden, en kan dus voor de als zoodanig bewezen dien-
sten vergoeding erlangen. M.v.B.Z. 28 Juli 1881 no. 2308, afd. O;
Hubr.
III 221.
4.    Het lidmaatschap van de Staten-Generaal geen ambt of bedie-
ning zijnde, is bij het optreden van een der insp. van het l.o. als lid
1) Vervangen door K.B. 4 Jan. 1884 (S. no. 4).
-ocr page 250-
234
Avtt. 68, 69.
der Tweede Kamer art. 60 (der wet van 1857) niet van toepassing
geacht. M.v.B. lot Hoof dist. V der Staatsbegr. voor 1867; T.C. en
M.
331.
Hoogleeraren kunnen hunnen leerstoel behouden, ook al nemen zij
zitting in een der beide Kamers der Staten-Generaal. Doch op de in-
specteurs zou eene bepaling als van art. 56 der wet op het hooger
onderwijs niet goed toepasselijk te verklaren zijn. Is de waarneming
van het inspecteurschap met het lidmaatschap van eene der beide ka-
mers niet vereenigbaar, zonder dat de dienst er door lijdt, de be-
langhebbende zal moeten kiezen. M.v.B. 1878, 29.
Voor betrekkingen die geene ambten of bedieningen zijn, is geene
dispensatie noodig, b.v. voor het lidmaatschap van den gem.raad of
van de Prov. Staten. Kreenen 144; T.C. en M. 331.
5.    Tegen de gelijktijdige waarneming der betrekking van D.s.o.
en Wethouder bestaat bezwaar (M.v.B.Z. 12 Nov. 1880 lelt. O, afd. O),
niet tegen die der betrekking van D.s.o. en kantonrechter-plaatsver-
vanger. K.B. 1 en 23 Dec. 1880 nrs. 21 en 55; Hubr. III 221; Ht. 675
en 676.
6.    Het is onnoodig, te bepalen dat de D.s.o., door omstandighe-
den van zijn wil onafhankelijk verhinderd in het waarnemen van een
deel zijner betrekking op eilanden, bevoegd zou zijn zich aldaar door
den A.s.o. te doen vervangen. Art. 68, 5e lid, der wet en art. 29
K.B. 22 Jan. 1880 (S. no. 5) zijn dan van toepassing. M.v.B.Z. 26
Maart 1881 no. 1026, afd. O; Hubr. III 221.
Artikel 69.
Elk schooldistrict wordt door Ons verdeeld in minstens
twee arrondissementen.
In ieder arrondissement is een arrondissements-schoolop-
ziener.
Die schoolopzieners worden door Ons benoemd voor den
tijd van zes jaren.
De aftredenden zijn weder benoembaar.
Zij kunnen ten allen tijde door Ons worden ontslage*n.
Zij genieten vergoeding voor reis- en verblijfkosten uit \'s
Rijks kas.
Zij staan den districts-schoolopziener ter zijde.
De verdeeling der werkzaamheden tusschen de districts- en
arrondissements schoolopzieners wordt door Ons geregeld.
1.    Zie de aant. onder het vorig artikel.
2.    Eene maand vóór den afloop van den termijn, waarvoor een
-ocr page 251-
235                          Artt. 69, 70.
A.s.o. is aangesteld, moet de C.d.K. aan den Min. berichten, na over-
leg met Insp. en D.s.o. en onder overlegging van hunne schriftelijke
rapporten, of herbenoeming al dan niet raadzaam voorkomt. M.v.B.Z.
7 Sept.
1886 no. 2725, afd. O; Ut. 678.
3. Vermits de hier bedoelde vergoeding geene „bezoldiging" is, ver-
biedt art. 53 prov. wet niet, dat een lid van Ged. Staten tevens A.s.o.
zij. Genut. 886; W.B.A. 955; v.E. II 232.
Artikel 70.
Het plaatselijk toezigt wordt uitgeoefend door burgemees-
ter en wethouders.
De gemeenteraad kan ter nadere verzekering van het plaat-
selijk toezigt eene commissie instellen, welke de bevoegdhe-
den bezit, in de artt. 73 en 74 dezer wet omschreven.
Eene plaatselijke verordening regelt hare zamenstelling en
inrigting.
1.    Het wetsontwerp laat de plaatselijke schoolcommissie\'n bestaan
waar de gemeenteraad het noodig acht, maar beschouwt ze niet als
deel van het schooltoezicht dat onder de bevelen des Ministers ge-
plaatst wordt. De onderscheiding is deze: Het toezicht is plaatselijk of
is Rijkstoezicht, naarmate van de autoriteit waarvan het uitgaat. Het
Rijkstoezicht is dat, voor welks uitoefening de Minister verantwoorde-
lijk is tegenover de vertegenwoordiging, dat is dat toezicht, dat uit-
gaat van de Kroon, en dat dus bestaan moet uit eene hiërarchie van
ambtenaren. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1140.
2.    Voor gemeenschappelijke scholen kunnen gemeenschappelijke
commissiën worden benoemd. Het is de bedoeling van den wetgever,
de benoeming en samenstelling dier commissiën geheel vrij te laten
en een onderwerp te doen uitmaken van de overeenkomsten, tusschen
de betrokken gemeentebesturen volgens art. 121 der gemeentewet
aan te gaan. M.v.B.Z. 11 Maart 1858 no. 154, 5e afd.; T.C. en Jf.335;
P.B. Zeel. 32/1858.
De Rijks-lagere scholen in de koloniën der maatsch. van weldadig-
heid, liggende in drie gemeenten en in drie provinciën, staan onder toe-
zicht eener afzonderlijke commissie. Instructie dier commissie vastge-
steld. M.v.B.Z. 31 Jan. 1881 no. 232, afd. 0; Hubr. III 222-224.
3.    Hoezeer de wet het niet uitdrukkelijk zegt, volgt het toch uit
den aard der zaak en ook uit de ratio legis, dat enkel ingezetenen van
de gemeente benoembaar zijn tot leden der schoolcommissie. Genist.
724; v.E. II 229.
-ocr page 252-
Art. 70.
236
4.    De leden van den raad kunnen leden der plaatselijke commis-
sie zijn. T.C. en M. 335.
5.    De leden der commissie behoeven geen Nederlanders te zijn.
Genist. 1523 en 1854; zie ook Ht. 691.
6.    Om voor eene benoeming tot lid eener plaatselijke commissie
van toezicht in aanmerking te kunnen komen, zouden vrouwen uit-
drukkelijk in dit artikel moeten zijn genoemd. De behoefte aan aan-
vulling van het voorschrift te dien aanzien is der Reg. niet geble-
ken. M.v.B. 1889, 47. Idem Gemat. 1946.
7.    De wet verbiedt niet, dat de comm. zich bij het toezicht door
dames late bijstaan. M.v.B.Z. in 1884; Verslag Gron. 1883; W.B.A.
1890; Gemst. 1721; Ht. 699; v.E. X 192. Zulk eene commissie van
dames is echter niet gelijk te stellen met die, door de wet bedoeld;
de artt. 71 en volg. zijn dan ook op haar niet van toepassing. Gemst.
1545.
In enkele gemeenten is aan de commissie van toezicht een dames-
comité toegevoegd, belast met het toezicht op het onderwijs in de nut-
tige handwerken voor meisjes. Op verdere wettelijke regeling van het
toezicht op dit vak is noch door het schooltoezicht noch door de ge-
meentebesturen aangedrongen. M.v.B. 1889, 47.
8.    De raad mag aan de comm. een secretaris toevoegen. Gemst.
1050; v.E. X 170.
9.    De verord. voor de comm. moet door den raad, niet door B. en
W. worden vastgesteld. De raad kan benoeming en ontslag der leden
aan zich houden, of aan B. en W. overlaten. Als het recht daartoe
niet bij de verord. is voorbehouden, kan men de leden niet dan op
eigen verzoek ontslaan. W.B.A. 2013.
10.    Het is niet cf. dit art., te bepalen dat de comm. van toez. heeft
te beslissen omtrent toelating van leerlingen op, of verwijdering van
scholen; evenmin dat van beslissingen van B. en W. te dier zake be-
roep op den raad wordt toegelaten. Ook de bepaling dat de onderwij-
zers onder onmiddellijk toezicht der comm. staan, schijnt niet met dit
art. te strooken. G.S. Zeeland blijkens verslag 1881; W.B.A. 1775;
v.E. IX 200.
11.    Het geven van verlof aan onderwijzers behoort tot den werk-
kring van B. en W., niet tot dien der commissie. M.v.B.Z. 9 Aug.
1859; Gemst. 434; W.B.A. 552; v.E. II 201. Idem T.C. en M.
209. Die bevoegdheid kan door den raad niet aan het schooltoezicht
worden overgedragen. G.S. Z.-Holl. in 1871; Genist. 1035; v.E. IV
170.
12.    De bevoegdheid tot het verleenen van verlof aan onderwij-
zers op openbare 1. scholen behoort bij plaatselijke verordening gere-
geld te zijn; de plaats, comm. v. toez. heeft die bevoegdheid niet, dan
-ocr page 253-
237                      Artt. 70, 71.
voor zoover haar die bij eene dergelijke verordening is toegekend.
De bepaling, dat het hoofd der school bij de aanvraag om leer-
middelen liet advies der commissie overlegt, is niet in strijd met de
wet.
Aan de comm. kan het recht niet ontzegd worden, over schorsing
of ontslag van een onderwijzer hare zienswijze aan de autoriteiten
mede te deelen. M.v.B.Z. 24 Mei 1882 no. 1874, afd. O; Hubr. V
157.
13. Verlof voor eenige maanden om zich voor een examen midd.
ond. te bekwamen, dus alleen in het persoonlijk belang van den on-
derwijzer, behoort niet te worden verleend, zelfs als de onderwijzer
aanneemt, iemand in zijne plaats te stellen. Ut. 312.
Artikel 71.
De leden der plaatselijke commissien, de arrondissements-
schoolopzieners, de districts schoolopzieners en de inspecteurs
leggen, bij de aanvaarding hunner bediening den eed of de
belofte af, dat zij hunne pligten getrouw en naar behooren
zullen waarnemen.
De aflegging van den eed of van de belofte geschiedt door
de leden der plaatselijke commissie in handen van den bur-
gemeester en door den burgemeester, is deze zelf tot lid der
commissie benoemd, in handen van den kantonregter; door
de arrondissements-schoolopzieners en de districts-schoolopzie-
ners in handen van Onzen Commissaris in de provincie; door
de inspecteurs in handen van Onzen Minister, met de uit-
voering dezer wet belast.
Bij herbenoeming wordt de eed of belofte niet op nieuw
afgelegd.
1. Het art. schrijft het afleggen van eed of belofte voor, zonder
uitdrukkelijke bijvoeging in welk geval een eed, in welk geval eene be-
lofte verplichtend zal zijn. De wet laat dus aan het gezag, ten wiens
overstaan de eedsaflegging geschiedt, de beslissing over, of de eed
moet worden geëischt, dan wel met de belofte kan worden genoegen
genomen. Dat gezag zal bij die beslissing zich laten leiden door de be-
ginselen der grondwet, die eerbiediging van ieders godsdienstige over-
tuiging wil; en verklaart iemand, dat zijne godsdienstige overtuiging
hem verbiedt te zweren, dan zie ik geen reden, waarom met eene be-
lofte geen genoegen zou kunnen worden genomen. M.v.B.Z. 12 Juli
1873 no. 254, 5e afd.; W.v.h.R. 3615; Gemat. 1142; v.E. IV 171;
Hubr. III 225—236; Ht. 693.
-ocr page 254-
A.rtt. 71—73.                         238
2. Van Israëlieten kan of behoort op geene andere wijze eenige eed
of beloite te worden afgenomen, dan volgens het formulier voor alle
onderdanen gebruikelijk; des echter dat de Israëlieten den eed met ge-
dekten hoofde behooren af te leggen. K.B. 9 Juni 1817 letter X*;
Hiibr. III 236; Ht. 693.
8. Akten van aanstelling en beëediging van leden van schoolcom-
missiën zijn vrij van zegel krachtens art. 27 A no. 39 der wet van 3
Oct. 1843 (S. no. 47) en van de formaliteit van registratie krachtens
art. 70 § 3 no. 2 der wet van 22 Primaire VII. M.v.Fin. 28 Jan. 1858
no. 868, afd. Reg.; P.B.Zeel. 28/1858. Het proces-verbaal van eeds-
aflegging voor den kantonrechter is vrij van registratierecht volgens
K.B. 21 Jan. 1858 no. 70; PJj. Zeel. 18/1858.
Artikel 72.
Behalve de ambtenaren, in art. 8 no. 1—G van het Wet-
boek van Strafvordering genoemd, zijn tot het opmaken van
proces-verbaal van de overtredingen dezer wet en van andere
verordeningen op het lager onderwijs bevoegd de leden van
het collegie van burgemeester en wethouders, de voorzitters
en leden der plaatselijke commissien van toezigt, de arron-
dissements-schoolopzieners en de districts-schoolopzieners en
de inspecteurs, ieder binnen de grenzen van zijn ambtsge»
bied.
Artikel 73.
Voor leden van het college van burgemeester en wethou-
ders, voor de voorzitters en leden der plaatselijke commissien
van toezicht, voor de arrondissements-schoolopzieners, voor de
districts-schoolopzieners en voor de inspecteurs, ieder binnen
de grenzen van zijn ambtsgebied, moeten alle scholen, waar
lager onderwijs wordt gegeven, zoo openbare als bijzondere,
steeds toegankelijk zijn en op hunne aanvrage onverwijld
worden geopend. De hoofden dier scholen en de overige on-
derwijzers zijn gehouden aan hen of aan Onzen Minister,
met de uitvoering dezer wet belast, de verlangde inlichting
omtrent de school en het onderwijs te geven. Zij zijn hier-
toe verplicht in eiken vorm, waarin die inlichtingen ge-
vraagd worden, hetzij schriftelijk, hetzij mondeling, en zoo-
wel bij gelegenheid van het schoolbezoek, als op andere
tijdstippen.
1. In dit artikel wordt behandeld het toezicht, dat op het school-
-ocr page 255-
239                             Art. 73.
onderwijs, dat gegeven wordt, kan uitgeoefend worden, en het woord
scholen omvat natuurlijk elk lokaal, waarin schoolonderwijs gegeven
wordt, want schoolondei-wijs, dat niet gegeven wordt in een lokaal,
laat zich moeilijk denken. Maar mocht ergens schoolonderwijs niet in
een lokaal gegeven worden, maar in de open lucht, in een weide of tuin,
dan zou ook die school moeten toegankelijk zijn voor de autoriteiten,
die toezicht behooren uit te oefenen.
Het woord scholen omvat dus alle lokalen, waarin onderwijs gege-
ven wordt, en zelfs meer dan die lokalen, en het zou dus niet voorzich-
tig zijn hier van lokalen te spreken, want de bedoeling is niet om de
ambtenaren, met het toezicht belast, toegang te geven enkel tot de
lokalen, maar tot de scholen zelve, altijd wanneer er onderwijs gege-
ven wordt. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1374.
2.    De Comm. van Voorb. in 1889 opperde twijfel, of den school-
opzieners wel altijd onmiddellijk toegang werd verleend. Zij gaf den
Minister in overweging het voorstel te doen om aan het eerste lid van
dit artikel toe te voegen de woorden: „en op hunne aanvrage onver-
wijld worden geopend\'\'. Verslag 1889, 37. De Minister gaf aan dit
denkbeeld gevolg.
3.    Het hoofd is niet verplicht, advies te geven omtrent een verzoek
aan den raad om vergunning tot gebruik der school voor Zondagsschool,
godsdienstond., zang-, tooneel- en andere vereenigingen. W.B.A. 2026.
4.    De bepaling in eene instructie, die aan de onderwijzers der open-
bare lagere scholen de verplichting oplegt, afschriften van alle door
hen ontvangen missives van het schooltoezicht betrekkelijk het 1. o.,
benevens van de daarop verstrekte antwoorden, binnen 3 dagen aan
B. en W. mede te deelen, is niet in strijd met art. 73 der wet. M.v.B.Z.
3 Dec. 1881 no. 4531, afd. O; Hubr. IV 220-226; v.E. IX 200; Ht.
692.
5.    Het schooltoezicht moet, voor zooveel de bijzondere school be-
treft, wegblijven zoowel van het financieel als van het godsdienstig ter-
rein; op het laatste alleen voor oogen houdende, of aan art. 53 der wet
wordt voldaan. T.C. en M. 339.
6.    Het hoofd eener bijzondere school is verplicht, opgave te ver-
strekken omtrent het schoolgeld. M.v.B.Z. 18 Sept. 1884 no. 2998, afd.
O
; Ht. 695. Maar niet omtrent het getal der op zijne school kosteloos
schoolgaande kinderen. M.v.B.Z. 4 Febr. 1885 no. 335, afd. O; Ht.
696.
7.    Art. 184 van het Wetboek van Strafrecht luidt:
„Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of eene vordering, krachtens wet-
telijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van eenig toe-
zicht belast of door een ambtenaar, belast met of bevoegd verklaard tot het op-
sporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk eenige
handeling, door een dier ambtenaren ondernomen ter uitvoering van eenig wet-
-ocr page 256-
Artt. 73, 74.                      240
telijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenis-
straf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste zes honderd
gulden.
„Met den in het eerste gedeelte van liet vorige lid bedoelden ambtenaar wordt
gelijk gesteld ieder die, krachtens wettelijk voorschrift, voortdurend of tijdelijk
met eenigen openbaren dienst is belast.
„Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verloopen,
sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf on-
herroepelijk is geworden, kunnen de straffen met een derde worden verhoogd".
Artikel 74.
De plaatselijke eommissien houden een naauwkeurig toe-
zigt op alle scholen in de gemeente, waar lager onderwijs
gegeven wordt; bezoeken die ten minste twee malen \'s jaars,
hetzij gezamenlijk, hetzij door eommissien uit haar midden;
zorgen dat de verordeningen op het lager onderwijs stipt na-
geleefd worden; houden aanteekening van het onderwijzend
personeel, van het getal leerlingen en van den staat van
het onderwijs; doen jaarlijks vóór 1". Maart aan den gemeen-
teraad een beredeneerd verslag van den toestand van het
onderwijs in de gemeente en zenden daarvan afschrift aan
den arrondissements-schoolopziener; deelen aan dezen de be-
langrijke veranderingen mede, die het schoolwezen heeft on-
dergaan ; geven hem, den districts-schoolopziener en den pro-
vincialen inspecteur alle inlichtingen, die deze verlangen;
verleenen den onderwijzers, die hare voorlichting, hulp of
medewerking vragen, bijstand en beijveren zich den bloei van
het onderwijs naar vermogen te behartigen.
1.    Zie aant. 2 ad art. 44.
2.    Het ligt in den geest der Keg., dat de colleges, met toezicht be-
last, voorstellen tot verbetering kunnen doen. M.v.B.Z. 2e K. 1878,
1375.
3.    Onder dit artikel is blijkbaar ook het bijzonder onderwijs begre-
pen. De vraag hoe de plaats, schoolcomm. „den bloei van het onder-
wijs naar vermogen kan behartigen", is echter geheel van feitelijken
aard, en hare beantwoording is van de omstandigheden, te beoordeelen
door die commissie zelve, afhankelijk. M.v.B.Z. 16 April 1880 lett. L,
afd. O; Hnbr.
III 242; HL 700.
4.    Het toezicht der plaats, comm. strekt zich niet uit tot de rijks-
normaallessen. M.v.B.Z. 6 Jan. 1883 no. 4850, afd. O; Hubr. V 176;
«.£.1X200; Ht. 701.
5.    In eene gemeente, waar geene plaatselijke commissie bestaat,
zijn B. en W. niet tot de indiening van een afzonderlijk onderwijsver-
-ocr page 257-
241                          Artt. 74—7G.
slag verplicht, maar kunnen zij hunne mededeelingen aangaande het
onderwijs in het gemeentelijk jaarverslag opnemen. Advies Prov. ad-m.
vereen, in Ocerijsel
1881; Gemst. 15G9; W.B.A. 1G90; c.E. VIII 179.
Idem Gemst. 1953 en 2002.
Artikel 75.
De arrondissements-schoolopzieners zorgen voortdurend be-
kend te blijven met den toestand van het schoolwezen in hun
arrondissement; bezoeken twee maal \'s jaars alle daarbinnen
gelegen scholen, waar lager onderwijs wordt gegeven, en
honden van dat schoolbezoek naauwkeurig aanteekening; wa-
ken dat de verordeningen op het lager onderwijs stipt nage-
leefd worden; treden in overleg met de plaatselijke school•
commissien en de gemeentebesturen; doen zoowel aan dezen
als aan de districts-schoolopzieners de voorstellen, die zij in
het belang van het onderwijs achten; doen aan den districts-
schoolopziener na verloop van elke drie maanden opgave van
de door hen gedurende dat tijdvak bezochte scholen; geven
hem kennis van al hetgeen hun bij het schoolbezoek be-
langrijk is voorgekomen en verstrekken hem alle inlichtin-
gen, die hij verlangt; behartigen de belangen der onderwij-
zers, bevorderen hunne bijeenkomsten en wonen die zooveel
mogelijk bij.
Artikel 76.
De districts-schoolopzieners zorgen zoo door schoolbezoek
als door mondeling en schriftelijk overleg met de arrondis-
sements-schoolopzieners, plaatselijke commissien en gemeen-
tebesturen voortdurend bekend te blijven met den toestand
van het lager schoolwezen in hun district en de verbetering
en den bloei daarvan te bevorderen; zij oefenen het hun op-
gedragen toezigt met naauwlettendheid uit en waken, dat de
verordeningen op het lager onderwijs stipt worden nageleefd;
zij doen aan den inspecteur de voorstellen, die zij in het
belang van het onderwijs achten, en geven hem alle inlich-
tingen die hij verlangt.
Elk hunner doet jaarlijks vóór 1°. Mei een beredeneerd
verslag van den toestand van het onderwijs in zijn district
aan den inspecteur toekomen en zendt daarvan afschrift aan
Gedeputeerde Staten der provincie.
1. Er zijn geen termen om bij de gem."besturen, of bij de comm.
van toez., of bij de A.s.o. maatregelen te nemen om den D.s.o. in staat
wet l. o.
                                                                   10
-ocr page 258-
Artt. 76-78.                     242
te stellen tot het opmaken van zijn jaarverslag. De wet voorziet daarin
\' in artt. 74 en 75. M.r.B.Z. 18 Maart 1881 no. 900, afd. O; Hul»:
III 239.
2. De vernietiging van een raadsbesluit wegens strijd met de wet
of het algemeen belang kan door den D.s.o. bij ambtsbrief worden aan-
gevraagd. Dit behoeft niet bij gezegeld adres te geschieden. M.r.B.Z.
30 Jan. 1886 no. 141, afd. O; Ht. 705.
Artikel 77.
De inspecteurs trachten, zoo door schoolbezoek als door
mondeling en schriftelijk overleg met de districtsschoolop-
zieners en arrondisscments-schoolopzieners, plaatselijke com-
missien en gemeentebesturen, de verbetering en den bloei
van het lager schoolwezen te bevorderen; zij lichten Onzen
Minister, met de uitvoering dezer wet belast, voor omtrent
alle onderwerpen, waarover hun oordeel gevraagd wordt; zij
vervaardigen uit de jaarlijksche verslagen der districts-
schoolopzieners en uit hunne eigene aanteekeningen jaarlijks
een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het on-
derwijs in de provincie of provinciën en zenden dit vóór 1".
Juli] aan Onzen Minister voornoemd.
De insp. brengt voor alle provinciën, tot zijn inspectie behooi-ende,
één verslag uit. M.v.B.Z. 21 T)ec. 1885 no. 3941, afd. O; Ht. 700.
Voor den vorm dier verslagen, zie Jlubr. V 138 —14G.
Artikel 78.
De inspecteurs, districts-schoolopzieners en arrondissements-
schoolopzieners hebben toegang tot de vergaderingen van alle
plaatselijke commissien binnen hun ambtsgebied en kunnen
zoodanige vergaderingen beleggen.
In de vergadering hebben zij eene raadgevende stem.
De vraag, of een besluit, door eene plaatsel. schoolcommissie geno-
men in eene vergadering, waar de schoolopziener geen toegang heeft
kunnen hebben wegens onbekendheid met dag, plaats en uur der ver-
gadering, wettig is, gelooven wij ontkennend te moeten beantwoorden.
Het tegendeel zou leiden tot het weren van den schoolopziener van alle
vergaderingen der plaatsel. schoolcommissie, in strijd met dit artikel,
door hem onkundig te laten van plaats, dag en uur der vergadering.
Jlir. Mr. J. .f. De la Bassecour Caan, Handl. tot de kennis v. h. adm.
recht in Nederland,
1865, I 71; T.C. en M. 350.
-ocr page 259-
243
Art. 79.
Artikel 79.
Bij het ontbreken eener plaatselijke commissie kunnen
burgemeester en •wethouders, in overleg met den arrondisse-
ments-schoolopziener, geschikte personen, buiten hun collegie
gekozen, met het doen van schoolbezoek belasten.
Op zoodanige gecommitteerden is de eerste zinsnede van
art. 73 toepasselijk.
1.     Het overleg met den schoolopziener beteekent in dit artikel,
dat op de door B. en W. voorgestelde personen zijne goedkeuring ge-
vorderd wordt, zal de last kunnen worden verstrekt. M.v.T. 1878, 21.
2.     De bevoegdheid om proces-verbaal op den ambtseed op te ma-
ken, mag aan de gecommitteerden niet worden toegekend. M.v.B.
1878, 30. Zie ook Gemat. 1531; v.E. VIII 179.
TITEL VI.
VAN BEVORDERING VAN HET SCHOOLBEZOEK.
Op de invoering van leerplicht werd reeds bij de behandeling dei-
wet van 1878 aangedrongen; de Reg. had echter overwegende bezwa-
ren. (Zie M.v.B. 1878, 15).
In 1889 werd opnieuw de leerplicht ter sprake gebracht. De Reg.,
hoewel tegenover het denkbeeld van leerplicht niet vijandig, achtte het
bij de uiteenloopende meeningen over dit onderwerp beter, „later het
vraagstuk in aanmerking te brengen voor afzonderlijke regeling, waar-
voor het zeer wel geschikt mag worden geacht". Zie M.v.B. 1889, 5.
Een amendement van 10 Kamerleden om 1°. tusschen de artt. 79
en 80 der wet in te lasschen een nieuw art. 7%is: „Ouders ol\' voog-
den zijn verplicht hunne kinderen of pupillen lager onderwijs te doen
genieten naar de regelen in de wet omschreven", en 2°. bij aanneming
van dit artikel onder de overgangsbepalingen na art. 7 in te voegen
een nieuw art. 7re: „Vóór 1 Jan. 1898 wordt door ons de wettelijke
regeling, bedoeld in art. 79bis, bij de Tweede Kamer der Staten-Gene-
raal aanhangig gemaakt", — werd verworpen. De Reg. had o.a. ter
bestrijding gezegd: „De reden, waarom eene bepaling als nu wrordt
voorgesteld niet in het kader van het ontwerp past en waarom de Reg.
dan ook het opnemen van een dergelijk voorschrift niet steunt, is daar-
in gelegen dat de Reg. bij de indiening van dit ontwerp niet de bedoe-
ling had algemeene beginselen in de wet te plaatsen, maar integendeel
de regeling zelve van hetgeen gewenscht werd in de wet op te nemen.
Het is onmogelijk om op dit oogenblik den leerplicht te regelen zoo
1G*
-ocr page 260-
244
Artt. 80, 81.
als het zou behooren. Ik althans zou niet in staat zijn nu eene rege-
ling te maken die zou kunnen geacht worden te voldoen aan de eischen
die voor eenc wet op den leerplicht mogen gesteld worden. Daartoe
ontbreekt nog menig gegeven\'\'. M.v.B.Z. 2e K. 1889/90, 47.
Artikel 80.
Jaarlijks vóór 1°. Februarij zenden do hoofden der open-
bare en bijzondere scholen, waar lager onderwijs gegeven
wordt, aan burgemeester en wethouders der gemeente eene
lijst der bij hen op 1". Januarij schoolgaande kinderen van
boven de zes" en beneden de twaalf jaren.
Die lijst bevat de namen der kinderen met bijvoeging der
voornamen, ouderdom en woonplaats.
Gelijke opgave wordt vóór gelijk tijdstip aan burgemees-
ter en wethouders gedaan door de huisonderwijzers omtrent
de kinderen van dien leeftijd, die van hen onderwijs ge-
nieten.
1.    Het doel is om te komen tot de kennis van de mate van hetniet-
schoolbezoek en tegelijk om een middel te vinden, waarvan gebruik
kunnen maken zij, die hunne welwillende pogingen aanwenden om het
schoolbezoek aan te moedigen. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 137G.
2.    Modellen voor de opgaven, bedoeld in dit art. en in art. 81 al. 1,
zijn vastgesteld bij M.v.B.Z. 25 Sept. 1880 lett. A, af cl. O; Hiibr. III
245-247; P.B. Zeel. 82/1880; T.C. en M. 439.
Artikel 81.
Burgemeester en wethouders maken eene lijst op der kin-
deren boven de zes en beneden de twaalf jaren, welke zich
op 1°. Januarij van bet loopende jaar in de gemeente be-
vonden.
Van de zoodanigen, welke niet gevonden worden op de
lijsten, bij het vorig artikel bedoeld, en waarvan het niet
bekend is, dat zij zich niet meer in de gemeente bevinden,
maken zij vóór 1°. Maart een staat op.
Die staat wordt ter secretarie ter lezing gelegd.
Ouders of verzorgers van op dien staat voorkomende kin-
deren verkrijgen geene ondersteuning, geneeskundige hulp
uitgezonderd, van wege de gemeente, tenzij zij aantoonen, dat
hunne kinderen ten onregte op dien staat zijn gebragt of het
niet school gaan van deze aan hen niet is te wijten.
-ocr page 261-
Art. 81.
245
1.     Burg. en Weth. zullen dezen staat moeten ontleenen aan de be-
volkingsregisters, en zoolang die registers nog in veel opzichten ge-
brekkig zijn, zal dus onnauwkeurigheid niet wel kunnen worden ver-
meden. Maar dit geeft geen groot bezwaar. Komen er op de lijst kin-
deren als niet-sehoolgaande voor, die wel school gaan, zoo hangt het
van de ouders of belanghebbenden af, de verbetering te vragen. En
worden er eenige kinderen, waarvan men niet weet dat zij zich in de
gemeente bevinden, van den staat afgelaten, zoo kan deze fout toch
nooit een groot verschil in de uitkomst maken. M.v.T. 1878, 21.
2.     Aanplakking, in het oorspr. voorstel voorgeschreven, verviel ten-
gevolge van opmerkingen in het V.V. 1878, 52.
3.     Ter voorkoming dat op den staat, bedoeld in al. 2, kinderen ge-
bracht worden, die daarop niet behooren, zijn de gemeentebesturen
aangeschreven, dat zoo in hunne gemeente kinderen ter school gaan,
die niet tot de bevolking der gemeente behooren, zij daarvan zoo spoe-
dig mogelijk, met opgave van de namen en voornamen der kinderen,
moeten kennis geven aan het bestuur der gemeente, waar die kinderen
thuis behooren. Kinderen op kostscholen worden geacht te wonen in
de gemeente, waar zij onderwijs ontvangen. M.v.B.Z. 3 Maart 1881 uu.
717, afd. O; Hubr. III 251; P.B. Zeel. 401881; Gemst. 1537; v.E.
VIII 179; Hl. 712.
4.     Kinderen van schippers die tijdelijk met hunne ouders in eene
gemeente buiten de provincie, tot wier bevolking zij behooren, vertoe-
ven en daar ter school gaan, worden beschouwd als elders te huis be-
hoorende. M.v.B.Z. 24 Maart 1881 nu. 1004, afd. O; Hubr. III 252;
Hl. 712.
5.     Volgens de bestaande armenwet hebben de burgerlijke armbestu-
ren de bevoegdheid de voorwaarde, bedoeld in het laatste lid, aan het
verleenen van onderstand te verbinden. Al moge de meerderheid der
Kamer begrijpen, dat het beginsel verkeerd is, de aiunenwet laat het
toe. Het bezwaar is tot nog toe geweest, dat de burgerlijke amibestu-
ren de voorwaarde stellen, dat de kinderen de openbare school en die
alleen moeten bezoeken, omdat die armbesturen begrepen dat zij alleen
aan onderwijzers dier school de verplichting konden opleggen behoor-
lijke opgave te doen. Die reden valt thans weg en nu wordt in deze
wet eene bepaling geschreven, die wel de nuttige voorwaarde hand-
haaft, maar tegelijk wegneemt de mogelijkheid voor de armbesturen
om daarbij de openbare school te begunstigen boven de bijzondere.
M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1389.
6.     De wet heeft hier alleen op het oog den onderstand, die regel-
matig door de burgerlijke armbesturen wordt verleend. M.v.B.Z. 2e
K. 1878, 1389.
7.     De bepaling in eene plaatselijke verordening, dat op ouders of
-ocr page 262-
Artt. 81, 82.                             246
voogden, aan wier kinderen of pupillen wegens herhaald schoolver-
zuim zonder geldige redenen voor een bepaalden tijd de deelneming
aan hei onderwijs is ontzegd, de laatste zinsnede van art. 81 der wet
wordt toegepast, bevat eene ongeoorloofde uitbreiding der wet. G.S.
Zeel.
15 Noo. 1889 no. 17.
8. G.S. Zeeland hebben B. en W. uitgenoodigd om aan de bepaling
van het laatste lid de meest mogelijke bekendheid te geven. P.B. Zeel.
108/1880.
Artikel 82.
De gemeenteraad kan, voor zooveel dit niet bij de wet is
geschied, verbodsbepalingen omtrent het arbeiden van kinde-
ren beneden de twaalf jaren vaststellen.
Door het uitloven van openbare belooningen en eereblijken
kan het getrouwe schoolbezoek van vvege het gemeentebestuur
worden aangemoedigd.
Ten einde de aanspraak op die belooningen en eereblijken
te kunnen beoordeelen, kan aan de hoofden der openbare en
bijzondere scholen het invoeren van schoolboekjes, waarin van
het schoolbezoek aanteekening gehouden wordt, bij plaatse-
lijke verordening worden voorgeschreven.
1.     De ondervinding heeft geleerd, dat het vertrouwen van den wet-
gever op de gezindheid van den plaatselijken wetgever misplaatst is
geweest. Slechts weinig gemeenteraden hebben verbodsbepalingen, als
bedoeld in al. 1, vastgesteld. Zie een overzicht bij Hubr. IV 128—137.
2.     Met een in het V. V. 1889 aangegeven denkbeeld om te bepalen,
dat het doen verrichten van arbeid door kinderen van 6 tot 12 jaren,
voor zooverre dit niet reeds bij de wet verboden is, niet zal zijn toege-
laten gedurende de uren waarop maatschappelijk schoolonderwijs gege-
ven wordt, kon de Eeg. zich niet vereenigen, omdat bij artt. 1 jo. 3 der
wet van 5 Mei 1889 (S. no. 48) aan kinderen van beneden 12 jaren elke
arbeid, die niet van huishoudelijken aard is, met uitzondering van land-
bouw-, veen- en boscharbeid, verboden is, tegen welke eerst kort gele-
den genomen beslissing het aangegeven denkbeeld zou reageeren, om-
dat uitbreiding van het verbod van kinderarbeid in deze wet minder op
hare plaats zou zijn: omdat daarenboven ten opzichte van den veld-
arbeid het verbod gedurende een gedeelte van den zomer zou moeten
worden opgeheven en de beslissing omtrent den tijd van opheffing aan
de gemeentebesturen overgelaten zou moeten worden, waardoor het
verbod veel van zijne beteekenis verliezen zou; omdat de Reg. overi-
gens, blijkens het slot van het antwoord omtrent de invoering van leer-
plicht (verg. aant. boven art. 80), het verkieslijk achtte om, onder ver-
-ocr page 263-
247                         Artt. 82—84.
anderde omstandigheden, later het vraagstuk van den leerplicht in aan-
merking te brengen voor afzonderlijke regeling. Zie Verslag 1889, 5.
3.    Het strafbaarstellen van hen, voor wie het kind de werkzaam-
heden heeft verricht, is geheel in overeenstemming met de wet van 19
Sept. 1874 (S. no. 130). Nergens blijkt dat de wet op het 1. o. juist de
ouders of vooyden heeft willen treffen; haar is het te doen om het feit,
minder om de personen, terwijl bovendien de ouders of voogden niet
zelden tevens de personen zullen zijn, voor wie de arbeid is verricht.
Hoe de in de verordening aansprakelijk gestelde personen den leef-
tijd hunner jeugdige arbeiders zullen kunnen constateeren ; wat de
grens is van „getrouw schoolbezoek" en wie deze grens zal vaststellen,
ziedaar vragen van practischen aard, welke bij de toepassing moeilijk-
lieden zullen opleveren, maar uit een wettelijk oogpunt geen beant-
woording schijnen te behoeven. M.v.B.Z. 6 Nov. 1880 lelt. 1, ufd. O;
Uabr.
III 252-256; Ut. 716.
4.    Door te verbieden, op andere dan in de verordening bepaalde
tijden en wijze, kinderen zonder verlof hetzij van den voorz. der plaatsel.
schoolcomm. of van die hem vervangt of van het hoofd der school, de
school te doen verzuimen, met bedreiging van straf tegen de overtre-
ding van dit verbod door particulieren of werkgevers, ouders of voog-
den, bedienaren van den godsdienst of hen die godsdienstonderwijs ge-
ven, heeft de gemeenteraad de hem bij de wet toegekende bevoegdheid
overschreden. K.B. 4 April 1884 (S. no. 45).
TITEL VII.
OVERGANGSBEPALINGEN.
Artikel 83.
Allen, die op het tijdstip, waarop deze wet in werking
treedt, wettig in betrekking zijn als onderwijzers of kweeke-
lingen, of als voorzitters en leden van plaatselijke oommis-
sien behoeven geene herbenoeming of erkenning om hunne
betrekking te blijven bekleeden.
Artikel 84.
Tot 1°. Januarij 1883 kunnen kweekelingen, op den voet
der wet van 13 Augustus 1857 (Staatsblad no. 103), worden
aangenomen.
Ten behoeve van deze en van de kweekelingen, die er op
het tijdstip van het in werking treden dezer wet zijn, blij-
-ocr page 264-
Artt. 84, 85.
248
ven de bepalingen van laatstgenoemde wet toepasselijk tot
1°. Januarij 1886.
De toelagen voor genoemde kweekelingen, die aan open-
bare scholen zijn verbonden, worden in dat tijdvak tot geen
minder bedrag geregeld, dan waarop zij bij het in werking
treden dezer wet waren vastgesteld. De toelagen voor kwee-
lingen, die in het bij deze wet toegestaan overgangstijdperk
aan openbare scholen worden geplaatst, worden door den ge-
meenteraad geregeld; zijn besluit wordt aan de goedkeuring
van Gedeputeerde Staten onderworpen.
Artikel 85.
Gelijke bevoegdheid als de akte, vermeld in art. 56 dezer
wet onder a, geeft die van hulponderwijzer en hulponderwij-
zeres na 1°. Januarij 1858 en de akte van algemeene toela-
ting van den derden rang vóór dat tijdstip verkregen.
Gelijke bevoegdheid als de akte, vermeld in art. 56 dezer
wet onder £, geeft die van hoofdonderwijzer of hoofdonderwij-
zeres na 1". Januarij 1858 en de akte van algemeene toela-
ting van den eersten en tweeden rang vóór dat tijdstip ver-
kregen.
Hetzelfde geldt van de akte als schoolhouderes, vóór 1".
Januarij 1858 verkregen, doch alleen binnen de gemeente of
provincie, waar zij is afgegeven.
Zij, die in het bezit zijn eener akte van huisonderwijzer of
huisonderwijzeres, na lü. Januarij 1858 verkregen voor het
geheele Rijk, of vóór 1°. Januarij 1858 binnen de gemeente,
behouden de bevoegdheid, welke zij op het tijdstip, waarop
deze wet in werking treedt, bezitten.
De vóór dit tijdstip op de akten van bekwaamheid tot het
geven van schoolonderwijs gestelde aanteekeningen wegens
het met gunstig gevolg afgelegd examen in een of meer der
vakken, vermeld onder i—p van art. 1 der wet van 13
Augustus 1857 {Staatsblad no. 103), geven gelijke bevoegd-
heid met opzicht tot die vakken als de bijzondere akten, ver-
meld in art. 56 onder c.
De vrijstelling, bedoeld in de laatste zinsnede van art. 61,
geldt ook voor hen, die in het bezit zijn eener akte van be-
kwaamheid of aanteekening voor het vak vermeld onder o van
art. 1 der wet van 13 Augustus 1857 (Staatsblad no. 103).
1. Laatste lid. Bij den algemeenen maatregel van bestuur, be-
-ocr page 265-
Artt. 85, 86.
249
doeld in het voorlaatste lid van art. 63 (K.B. van 28 Mei 1879, S.
no. 106, nader vervangen door het K.B. van 27 Maart 1885, S. no.
74) zijn van het examen in handteekenen vrijgesteld zij, die in het
bezit zijn eener akte van bekwaamheid ot\' aanteekening voor dit vak
onder de wet van 1857 verkregen.
Aangezien in 1884 de vrijstelling voor hen, die eene akte in hand-
teekenen volgens art. 6hbis bezitten, in de wet zelve is opgenomen,
is het beter de vrijstelling aan eerstbedoelde personen mede bij de
wet te verleenen. M.v.T. 1889, 12.
2.     Het is volkomen juist dat de akten hier te lande verkregen
de bevoegdheid geven om in Indië onderwijs te geven, maar dat het
omgekeerde niet het geval is. Maar de reden ligt voor de hand: omdat
de eischen in Indië veel lichter zijn dan hier te lande. De eisenen in
Indië gesteld kan men eenigszins vergelijken met die door de wet
van 1857 gesteld. Hoewel nog kort geleden deze zaak een onderwerp
van onderzoek heeft uitgemaakt naar aanleiding van een ingekomen
verzoek, heb ik toch gemeend dat het niet wensuhelijk was die ge-
lijkstelling in de wet op te nemen. Daarbij komt dat bij deze wet,
in dezen geheel conform aan de wet van 1878, geen onderscheid ge-
maakt wordt tusschen de eischen voor onderwijzers- en onderwij-
zeressenakten, terwijl in Indië het verschil daartussehen tamelijk
groot is. Het zal dus moeilijk zijn aan den wensch om de akten,
in de koloniën en bezittingen verkregen, ook voor het geheele rijk
geldig te verklaren, te voldoen. Het zou bovendien gevaarlijk zijn
aan personen, die voor korten tijd naar Indië gaan, daar een veel
lichter examen voor hoofdonderwijzer doen en dan terugkomen, be-
voegdheid te verleenen hier onderwijs te geven. Het zou onbillijk zijn
en niet goed met het oog op het onderwijs. M.v.B.Z. 2e K. 1889,
1622.
3.     Art. 85 bedoelt slechts gelijkstelling met de bevoegdheid, die
de akten van art. 56 a en b van rechtswege, d.i. in ieder geval geven,
dus niet de bevoegdheid (voor vak j), die van een nog af te leggen
examen of proeve afhangt. v.E. in Wekker 52/1889.
Artikel 86.
Alle op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt,
dienstdoende openbare onderwijzers en onderwijzeressen blij-
ven, zoolang zij hunne betrekking bekleeden, in het genot
eener jaarwedde minstens gelijk aan die, welke op dat tijd-
stip aan hunne betrekking verbonden was, vermeerderd met
de door hen genoten wisselende inkomsten. Ter bepaling van
het bedrag dezer inkomsten wordt tot grondslag genomen
-ocr page 266-
Artt. 86—88.                          250
het gemiddeld cijfer van hetgeen in de laatste vijf jaren,
voorafgaande aan het jaar, waarin deze wet in werking treedt,
of voor de onderwijzers of onderwijzeressen, die korter in
dienst zijn geweest, over het kortere tijdvak, jaarlijks uit
dien hoofde is genoten.
De bij .art. 29 der wet van 13 Augustus 1857 (Staatsblad
no. 103) bedoelde vergoedingen, die bij het in werking tre-
den dezer wet nog over eenig aan dat tijdstip voorafgegaan
tijdvak verschuldigd zijn of worden, blijven na dat tijdstip
invorderbaar.
Artikel 87.
Bij den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, be-
doeld in art. 4 dezer wet, worden tevens de noodige voor-
schriften gegeven omtrent de lokalen, welke bij het in wer-
king treden daarvan voor het geven van lager onderwijs in
gebruik zijn.
Artikel 88.
De termijn tot het in werking brengen van de voorschriften
van art. 24 dezer wet toegestaan, eindigt voor de openbare
school op 1 Jan. 1892.
De termijn tot het in werking brengen van de voorschrif-
ten van art. 23 dezer wet eindigt voor de bijzondere scholen
die voor de ltijksbijdrage bedoeld bij art. b£bk in aanmer-
king komen op 1 Januari 1891, en die tot het in werking
brengen der voorschriften van art. 24 der wet eindigt voor
deze scholen op 1 Januari 1899.
Voorschriften ter verzekering der geleidelijke uitvoering
worden door Ons gegeven.
1.    De wet heeft aan Ged. Staten niet de bevoegdheid toegekend
om in zake de geleidelijke vermeerdering van het getal onderwijzers
zelfstandig voorschriften te geven. K.B. 7 Juni 1888 no. 33; [V.B.A.
2047; Gem.it. 1931; Wekker 73/1888; R.v.S. 1888, 396; v.E. XI 199;
Schoolverd. 1887/8. Bestreden in W.B.A. 2053 en Gemat. 1941.
Zoodanig bevel van Ged. Staten om het getal onderwijzers te ver-
meerderen kan niet door toepassing van art. 212 gem.wet worden uit-
gevoerd. De daarbij bevolen uitgaven zijn geen uitgaven, door de wet
aan de gemeente opgelegd. K.B. 15 Oct. 1888 no. 9; W.B.A. 2055 en
2060; Gemst. 1936; P.B. N.-Holl. 61/1888.
2.    De voorschriften, in dit artikel bedoeld, waren gegeven bij K.B.
17 Jan. 1880 {S. no. 1), gewijzigd bij K.B. 11 Sept. 1880 (6". no. 172)
-ocr page 267-
251                            Artt. 88—90.
en bij K.B. 27 Oct. 1883 (S. no. 149), vervangen door die, vastgesteld
bij K.B. 3 Ocl. 1884 (S. no. 207).
De te wachten maatregel wordt onder de bijlagen opgenomen.
3.     Er bestaat geen bezwaar om ter geleidelijke uitvoering van art.
24 der wet voor de bijzondere school voorschriften te geven, doch
het zon niet in overeenstemming zijn met de tot dusverre gevolgde
gewoonte, die voorschriften in de wet op te nemen. Het voornemen
bestaat niet slechts één tusschentermijn, doch evenals in het Verslag
wordt aangegeven, verschillende overgangstermijnen te stellen.
Het wetsontwerp is daarom aangevuld met eene bepaling in den
zin van het tweede lid van art. 88 der beslaande wet, met weglating
van het voorschrift „Ged. Staten gehoord", wat voor de bijzondere
school onnoodig voorkomt. Ook voor de openbare school zal nog een
overgangstermijn worden bepaald.
In verband met deze aanvulling is het (6e) lid van art. (V der over-
gangsbep.) gewijzigd. Dientengevolge zal de bijzondere school die aan
de te stellen voorschriften ten aanzien van het personeel niet voldoet
geen aanspraak hebben op de voorgestelde bijdrage. M.V.B. 1889, 39.
4.     Het ligt in de bedoeling der lieg. het vereischte onderwijzend
personeel gaandeweg te doen aanvullen en daarvoor tusschentermijnen
vast te stellen, waardoor, vooral aan de kleinere scholen die hieraan
het meest behoefte hebben, reeds veel vroeger het volledig aantal on-
derwijzers in functie zal moeten zijn. M.v.B. Ie K. 1889.
5.     De voorschriften ten aanzien van de geleidelijke uitvoering van
art. 24 zullen, evenals de exceptieve bepaling van art. (V, 6e) lid, zoo-
als dit thans luidt, ook gelden voor de bijzondere scholen, die opge-
richt zullen worden.
De voorschriften bedoeld bij de laatste alinea van art. 88 hebben
steeds gegolden ook voor openbare scholen, na het in werking treden
der wet van 1878 opgericht, en er bestaat derhalve geen reden om ten
aanzien van het bijzonder onderwijs thans anders te handelen. M.c.B.
1889, 39.
Artikel 89.
De bestaande bepalingen omtrent de examens en vergelij-
kende examens blijven gelden, tot dat die onderwerpen over-
eenkomstig deze wet op nieuw zullen zijn geregeld, doch niet
langer dan 1°. Januarij 1883.
Artikel 90.
Thans genoten subsidien, welke na het tijdstip, waarop
deze wet in werking treedt, niet meer voor het eerst zouden
-ocr page 268-
Artt. 90—92.                         252
kunnen worden verleend, kunnen na dat tijdstip nog gedu-
rende tien jaren, doch tot geen hooger bedrag, noch op andere
voorwaarden, worden genoten.
1.    Het artikel ziet alleen op de subsidiën, die genoten worden
door de bijzondere scholen, volgens de bepalingen van de wet van
1857. M.o.B.Z. 2e K. 1878, 1386.\'
2.    De subsidiën aan gemeenten tot bestrijding van jaarwedden van
onderwijzers en onderwijzeressen bij de lagere scholen zijn uitkeerin-
gen, die niet vallen in de termen van dit artikel, maar geschieden uit
\'s Rijks schatkist. Steunen zij op een titel, dan zullen zij niet door
deze wet vervallen, maar voor zooveel zij niet op een titel steunen, het-
geen door een onderzoek bij de begrooting moet uitgemaakt worden,
zullen zij wol vervallen, omdat voortaan de uitkeeringen uit \'s Rijks
kas aan de genieenten voor allen 30 percent zullen bedragen en wat
de subsidiën betreft zullen geregeld worden volgens art. 4ü. Als die
subsidiën derhalve steunen op een titel, zullen zij niet vervallen, maar
zoo niet, dan vervallen zij dadelijk bij de invoering der wet. M.V.B.Z.
2e K. 1878, 1386.
Artikel 91.
Onderwijzers, niet in het bezit van den hoofdonderwijzers-
rang, die op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt,
uit kracht van de artt. 20 of 51 der wet van 13 Augustus
1857 (Staatsblad no. 103), wettig aan het hoofd eener school
staan, blijven bevoegd die betrekking waar te nemen.
Op de vraag of de woorden ,die betrekking" het wel duidelijk ge-
noeg maakten, dat de hier bedoelde hulponderwijzers alleen en bij uit-
sluiting aan het hoofd dor bepaalde school kunnen blijven, waarin zij
bij het in werking treden der wet van 1878 werkzaam waren, werd
geantwoord: „De juiste zin, in het V.V. aan het woord gehecht, mag
gelden als bewijs, dat de beteekenis duidelijk is. Meer dan handhaving
van hetgeen als verkregen recht beschouwd wordt, behoort in dit ge-
val niet te geschieden." M.v.B. 1878, 31.
Artikel 92.
De districts-schoolopzieners en de inspecteurs, die op het
in art. 93 vermelde tijdstip in betrekking zijn, worden door
het in werking treden dezer wet van regtswege eervol ont-
slagen.
De inspecteurs, die op dat tijdstip den ouderdom van vijf
en zestig jaren hebben bereikt, behouden levenslang hunne
-ocr page 269-
253 Artt. 92, 93. Overg.-bep. V.
volle wedde als wachtgeld; de inspecteurs die op dat tijdstip
dien ouderdom niet hebben bereikt, hebben aanspraak op
wachtgeld volgens de bepalingen van Ons besluit van 21 Julij
1869 (Staatsblad no. 142).
Artikel 93.
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen
tijdstip.
Behoudens de voorschriften van dezen titel vervallen met
hai-e invoering de wet van 13 Augustus 1857 (Staatsblad no.
103) en alle andere het lager onderwijs betreffende algemee-
ne, provinciale en phaatselijke verordeningen, voor zoover zij
met de voorschriften dezer wet in strijd zijn.
Bepaald op 1 Nov. 1880 l.ij K.B. 5 Amj. 1880 (S. no. 155).
OVERGANGSBEPALINGEN
der wet van 8 December 1889 (Staatsblad no. 175).
Artikel V.
De wijziging, bij deze wet gebracht in art. 45 der wet
van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), zooals dat ar-
tikel luidt volgens de wet van 11 Juli 1884 (Staatsblad no.
123), wordt voor het eerst toegepast op het dienstjaar 1891.
Over de voorafgaande dienstjaren blijft artikel 45, zooals
dat thans luidt, van kracht, met dien verstande evenwel dat
over het dienstjaar 1890 1". in de kosten wegens het stich-
ten, verbouwen of aankoopen van schoollokalen, eene Rijks-
bijdrage van vijf en twintig ten honderd zal worden uitge-
keerd; 2". de kosten wegens het stichten, verbouwen of aan-
koopen van onderwijzerswoningen en die wegens liet aan-
schaften van noodzakelijke schoolmeubelen voor eerste inrich-
ting van nieuwe schoollokalen bij de vaststelling der Eijks-
vergoeding niet in aanmerking komen, ten ware de bestek-
ken voor den bouw en verbouw van scholen en onderwijzers-
woningen vóór 24 September 1889 aan de bij artikel 50 dei-
wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), zooals dat arti-
kel luidt volgens de wet van 11 Juli 1884 (Staatsblad no. 123),
gevorderde goedkeuring zijn onderworpen, in welk geval der-
-ocr page 270-
Overg.-bep. Art. V.                  254
tig ten honderd van het bedrag dier kosten zal worden vergoed.
Indien de bijdrage in de jaarwedden van onderwijzers, vol-
gens het bij deze wet gewijzigd artikel 45 der wet van 17
Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), over eenig dienstjaar
voor eene gemeente minder mocht bedragen dan de som der
Rijksvergoeding in de kosten van het lager onderwijs, niet
medegerekend die voor het stichten van schoollokalen en
onderwijzerswoningen en het aanschaffen van noodzakelijke
schoolmeubelen bij eerste inrichting van nieuwe lokalen, waar-
op die gemeente krachtens evengenoemd wetsartikel, zooals
dat luidt volgens de wet van 11 Juli 1884 (Staatsblad no.
123), over 1889 aanspraak kon doen gelden, zal het Rijk
aan zoodanige gemeente in plaats van de bijdrage in de jaar-
wedden van onderwijzers, hierboven vermeld, uitkeeren het
bedrag, waarop zij, naar den regel van het aangehaald art.
45 der wetten van 1878/84, als Rijksvergoeding in de kosten
van het lager onderwijs, niet medegerekend die voor het
stichten van schoollokalen en onderwijzerswoningen en het
aanschaffen van de noodzakelijke schoolmeubelen bij eerste
inrichting van nieuwe lokalen, over dat dienstjaar aanspraak
zoude hebben gehad, doch in geen geval tot een hooger be-
drag dan haar dienovereenkomstig over 1889 toekwam.
De uitkeering dezer vergoeding geschiedt met inachtne-
ming van het gestelde maximum en behoudens aanvulling of
terugbetaling, na vaststelling der gemeenterekening, bij wijze
van voorschot op den grondslag der goedgekeurde begroo-
tingscijfers.
Zoodra over eenig dienstjaar de bepaling van het derde
lid op eene gemeente niet behoeft toegepast te worden, houdt
zij voor die gemeente op voor den vervolge te gelden.
Artikel 54///* wordt voor het eerst toegepast op het dienst-
jaar 1890, doch met dien verstande dat indien over dat jaar
het aantal onderwijzers aan de school verbonden niet voldoet
aan de eischen voor de openbare scholen gesteld in de artt.
23 en 24, het 3e lid uitgezonderd, de aanspraak op de Rijks-
bijdrage voor de aan die scholen verbonden onderwijzers daar-
door niet verloren gaat. Over de jaren 1891 tot en met 1898
gaat wegens het niet voldoen aan het voorschrift van art.
546t*, sub 4"., de aanspraak op de Rijksbijdrage eerst dan
verloren wanneer de bijzondere scholen ten aanzien van het
onderwijzend personeel niet voldoen aan art. 23 of, voorzoover
art. 24 betreft, niet voldoen aan de door Ons krachtens art.
88 der wet te geven voorschriften.
-ocr page 271-
255                 Overg.-bep. Art. V.
Met afwijking van het bepaalde bij het voorlaatste lid van
art. 24, zooals dat artikel bij deze wet wordt gewijzigd, geldt,
voor de bij het in werking treden dezer wet bestaande bij-
zondere lagere scholen die voor de Rijksbijdrage bedoeld bij
art. b&bis in aanmerking komen, voor het jaar 1890, tot
grondslag voor de toepassing van art. 24, het aantal kinde-
ren dat op 31 December 1889 als werkelijk schoolgaande
bekend stond.
Het aantal onderwijzers bij het in werking treden dezer
wet aan de gemeentescholen verbonden mag niet worden ver-
minderd, behoudens voor zoover het volgens het bij deze wet
gewijzigd art. 24 gevorderd aantal is overschreden.
Voorschriften omtrent de uitvoering van dit artikel worden
door Ons gegeven bij algemeenen maatregel van bestuur.
1.     Door de voorgestelde bijdrage wordt naar het. oordeel der Reg.
voldoende vergoeding verleend in de kosten van personeel, weshalve
zij niet zou kunnen medewerken om ook voor de onderwijzers en on-
derwjjzeressen, die krachtens dn wet van 180G of van 1857 voor spe-
ciale vakken gediplomeerd zijn, een toelage toe te kennen. Ook zou de
naleving der voorwaarde om daarvoor in aanmerking te komen, name-
lijk dat de onderwijzers alleen in de vakken waarvoor zij gediplomeerd
zijn, onderwijs geven, moeilijk zijn te controleeren. M.v.B. 1889, 48.
2.     De bepaling, voorkomende in het derde en vierde lid, is in de
wet gebracht door de aanneming van een amendement van 6 leden.
Het werd aanbevolen, omdat men hier niet te doen heeft met eene
gewone overgangsbepaling, maar met een eerbiediging van verkregen
aanspraken en rechten. „Het amendement respecteert den toestand
zooals die onder het oog van den Staat on met medewerking van de
Staatsambtenaren is tot stand gekomen; het eerbiedigt de werking
der nieuwe wet in de toekomst, maar het zegt: ten opzichte van het
bestaande wordt gehandhaafd datgene waarop de gemeenten te goe-
der trouw meenden aanspraak te kunnen maken; toch noopt het ook
die gemeenten tot meerdere zuinigheid. Eoëll in 2e K. 1889,90, 54.
De bedoeling is niet om het bedrag van de uitkeering voor 1889
voortdurend te perpetueeren, maar om, door den regel van het, oude
art. 45 te bestendigen, onbillijkheden te voorkomen. Ibidem 55.
Wordt het amendement aangenomen, dan moet ik nog eene reserve
maken. Volkomen juist is dat deze overgangsbepaling iets meer is
dan eene gewone overgangsbepaling, .luist nu omdat dit amendement
eene zeer verre strekking heeft en na verloop van zeer lange jaren
nog verschillende gemeenten in dien overgangstoestand kunnen ver-
keeren, meen ik dit voorbehoud te moeten maken, dat wanneer te
-ocr page 272-
Overg.-bep. Artt. V, VI.
250
eeniger tijd, hetzij omdat de financie\'ele toestand van de gemeenten
anders is of de gemeentefinanciën anders bij de wet zijn geregeld, liet-
zij omdat er enkele gemeenten zijn overgebleven maar het aantal zeer
klein en het verschil zeer gering is, deze Reg. of eene volgende meen-
de te moeten komen met een voorstel om ook voor die gemeenten
volle toepassing te moeten geven aan het tegenwoordig wetsontwerp,
zoodanig voorstel niet zal ontvangen worden met eene exceptie van
niet-ontvankelijkheid, maar dat men dan het recht van de Reg. zal
erkennen, dat zij in die gewijzigde omstandigheden op deze bepaling
mag terugkomen. M.v.B.Z. 2e K. 1889, 90, 62.
3.     Voor de nieuwe scholen zal het aantal onderwijzers gevorderd
worden, dat, naar gelang van het tijdstip waarop zjj worden geopend,
aan de bestaande scholen wordt vereischt. Aan de op te richten nieu-
we scholen, die nog niet van het volledig aantal onderwijzers zijn
voorzien, doch waarvan blijkt, dat zij aan de voorschriften hebben
voldaan, zal de rijksbijdrage niet worden onthouden. In hoeverre daar-
tegen bedenking kan rijzen, is den ondergeteekende onverklaarbaar,
als in aanmerking genomen wordt, dat sedert het jaar 1881 voor de
openbare scholen rijkssubsidie is verleend zelfs wanneer niet aan de
wet was voldaan, terwijl thans op de bijzondere scholen voor het ont-
vangen van rijkssubsidie de verplichting zal rusten, haar onderwij-
zend personeel overeenkomstig de deswege te geven voorschriften te
regelen. M.v.B. Ie K. 1889.
4.     Zie eene beschouwing over dit artikel in Gemat. 2003.
5.    Verg. aant. 3—5 ad art. 88.
0. De maatregel tot uitvoering van het tweede lid is gegeven bij
K.li. 23 Vee. 1889 (S. no. 189). Modellen ter uitvoering daarvan zijn
vastgesteld bij M.o.B.Z. 3 Jan. 1890 no. 0459\', afd. A.Z.C.
Daar deze maatregel slechts van tijdelijken aard is, wordt, hij niet
onder de bijlagen opgenomen.
Artikel VI.
Het bij deze wet bevolen onderwijs in liet vak, genoemd
in art. 2 onder/, wordt verpliclitend op 1 Januari 1893.
Gedurende de zes jaren, volgende op dit tijdstip, kan door
Ons telkens voor ten hoogste twee jaren, ontheffing worden
verleend aan bepaalde scholen van de verplichting tot het
doen geven van dit onderwijs.
Zij, door wie vóór of op 1 September 1889 overeenkom-
stig art. 15a en art. 424/* der wet van 17 Augustus 1878
(Staatsblud no. 127), zooals die is gewijzigd bij de wet van
11 Juli 1884 (Staatsblad no. 123), onderwijs gegeven werd
-ocr page 273-
257 Overg.-bep. Artt. VI, VII.
ia het vak in art. 2 vermeld onder lit. * kunnen met het ge-
ven van dat onderwijs voortgaan op den voet, waarop het
door hen werd gegeven.
Zij, die vóór het in werking treden dezer wet, de akte, ver-
meld in art. 56 onder a oï b hebhen verkregen of in het be-
zit zijn der daarmede gelijkgestelde akten of toelatingen,
zijn hij het afleggen van het in art. Qbbis vermelde examen
in het vak j vrijgesteld van het in art. Qöler daarvoor he-
paalde examengeld.
Het gemeentebestuur heeft het recht, de onderwijzers (zonder ver-
hooging van jaarwedde) te gelasten dat zij binnen een bepaalden tijd
moeten zorgen, de bevoegdheid te verkrijgen om vakj te onderwijzen.
Indien die onderwijzers de nieuwe akte niet verkrijgen, zal het, wan-
neer de tijd van het verplichte onderwijs in vakj daar zal zijfl, aan de
in art. 29c genoemde autoriteiten staan, te beoordeelen of er termen
bestaan om hun ontslag voor te dragen en de raad zal daarop te be-
slissen hebben. Gemst. 2016 en 2017.
In anderen zin D.s.o. Hoorn in 1890. Zie Gemst. 2019 en 2021.
Artikel VII.
Subsidiën thans genoten krachtens art. 3, 3de lid, der wet
van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), kunnen nog
na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt doch tot geen
hooger bedrag, noch op andere voorwaarden worden uitgekeerd.
Andere subsidiën welke onder de werking der wet van 17
Augustus 1878 {Staatsblad no. 127) door gemeenten zijn ver-
leend, doch na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt
niet meer verleend kunnen worden, kunnen nog gedurende
vijf jaren na dat tijdstip, doch tot geen hooger bedrag noch
op andere voorwaarden worden uitgekeerd.
1.    Het is geoorloofd, dat eene school ten deele door de gemeen-
te of het rijk, ten deele door anderen bekostigd wordt, maar zij zal
in dat geval altijd aan alle bepalingen omtrent het openbaar onder-
wijs onderworpen zijn. M.v.B. 1878, 23.
2.    Het is de bedoeling, dat subsidie zal gegeven worden alleen
aan dergelijke scholen, waar de vakken a—k ook worden gedoceerd.
Want scholen, waar alleen onderwijs wordt gegeven in levende talen
en wiskunde, zouden scholen zijn van midd. ond., en wij handelen
hier alleen over lagere scholen. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1113.
3.    Voor de toepassing van art. 4, waarmede art. 5 in onafschei-
delijk verband staat, zullen deze scholen beschouwd worden als open-
WET L. O.                                                                                              17
-ocr page 274-
Overg.-bep. Artt.VII,VIII. 258
bare scholen. Aan alle bepalingen van den alg. maatr. v. inw. best.
zullen zij als openbare scholen zijn onderworpen, en niet exceptioneel
zooals de bijzondere school. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1112.
4.     Art. 33, al. 3, is niet toepasselijk. „De onderwijzer van de ge-
subsidiëerde school houdt niet op bijzonder onderwijzer te zijn, maar
als hij handelt in strijd met datgene wat de voorwaarde uitmaakt
der subsidie, namelijk dat op de school de godsdienstige begrippen
van allen moeten worden geëerbiedigd, dan zal en kan eenvoudig de
subsidie ingetrokken worden, doch komt het niet te pas den onder-
wijzer te straffen." M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1237.
5.     Een verder voorschrift, omschrijvende welke kinderen op de
school moeten toegelaten worden, kan men niet geven, als men al-
thans de school haar bijzonder karakter wil laten behouden. Het
hoofd der school moet vrij blijven. M.v.B.Z. 2e K. 1878, 1114.
6.     Bijz. scholen, die in de termen vallen van art. 3, al. 3, zijn in
zooverre als openbaar te beschouwen; er is dus geen bezwaar, dat
in den regel aan de gemeentescholen te geven onderwijs in nuttige
handwerken, wanneer daarvoor geldige redenen zijn, aan de gesubsi-
diëerde bijzondere school worde verstrekt. M.v.B.Z. 7 Mei 1881 no.
1576, afd. O; Hubr. II 219. Zie ook M.v.B.Z. 19 Nov. 1881 no. 4366,
afd. O; Hubr. IV 180—182; v.E. IX 177.
7.    Is de subsidie aan den onderwijzer, met name genoemd, toe-
gekend, dan zal, wanneer de onderwijzer wordt vervangen, de subsi-
die komen te vervallen, omdat de wet niet toelaat, dat de subsidie
wordt verleend, wat in casu noodig zou zijn.
Is de subsidie verleend aan het hoofd der inrichting, dus niet aan
een bepaald persoon, dan zal zij kunnen doorloopen tot de opheffing
der inrichting, behoudens den termijn van vijfjaren, gesteld in het 2e
lid van dit artikel voor de daar bedoelde subsidiën. M.v.B. Ie K. 1889.
Artikel VIII.
Onderwijzeressen, welke de akte, vermeld in art. 56, on-
der a, der wet van 17 Augustus 1878 {Staatsblad no. 127),
of die, vermeld onder b van dat wetsartikel, vóór het in wer-
king treden dezer wet hebben verkregen of in het bezit zijn
der daarmede in art. 85 der wet van 17 Augustus 1878
(Staatsblad no. 127) gelijkgestelde akten of toelatingen, be-
houden de bevoegdheid tot het geven van huis- en schoolon-
derwijs in het vak, genoemd onder k in art. 2 dier wet, bin-
nen den kring
waarin zij die bevoegdheid bezaten.
Allen, die de akte, vermeld in art. 56, onder b, der wet
van 17 Augustus 1878
(Staatsblad no. 127) vóór het in wer-
-ocr page 275-
259 Overg.-bep. Art. VIII—X.
king treden dezer wet hebben verkregen of in het bezit zijn
der daarmede in art. 85 der wet van 17 Augustus 1878
{Staatsblad no. 127) gelijkgestelde akten of toelatingen, be-
houden de bevoegdheid tot het geven van huis- of school-
onderwijs in het vak, genoemd onder p in art. 2 dier wet,
binnen den kring waarin zij die bevoegdheid bezaten.
De akte, vermeld in art. 56, onder a, der wet van 17
Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), vóór het in werkingtre-
den dezer wet verkregen, geeft, tot het geven van huis- en
schoolonderwijs in de eerste oefeningen van het handteeke-
nen, gelijke bevoegdheid als de akte, vermeld in art. 56,
onder a, zooals dat artikel bij deze wet is gewijzigd.
Artikel IX.
De bestaande bepalingen omtrent de examens, ter verkrij-
ging der akten van bekwaamheid, vermeld in art. 56 onder
a en b, en omtrent de vergelijkende examens blijven gelden,
totdat die onderwerpen overeenkomstig deze wet opnieuw
zullen zijn geregeld, doch niet langer dan 1 Januari 1891
en met dien verstande dat de voorschriften in art. Qbter met
het tijdstip van het in werking treden dezer wet voor alle
in dat artikel bedoelde examens van kracht zijn.
1.    Art. 28 treedt dadelijk op 1 Jan. 1890 in werking. Is er dusover-
eenstemming tusschen B. en W. en D.s.o., dan komt geen vergelijkend
onderzoek te pas. In het tegenovergesteld geval moet er, in afwach-
ting van den algemeenen maatregel van bestuur, in art. 28 al. 6 be-
doeld, doch niet langer dan 1 Januari 1891, een vergelijkend examen
op de tot nu toe bepaalde wijze plaats hebben. Genist. 1990.
2.    De akte, uitgereikt gedurende den in dit art. bedoelden tijd, geeft
de bevoegdheid, bedoeld in art. 56 lett. a der wet, zooals het art. luidde
vóór 1 Januari 1890, welk artikel dus zoolang in werking blijft. Die
akte verleent derhalve, volgens art. VIII, laatste lid, van de wet van
8 Dec. 1889 (S. no. 175), bevoegdheid tot het geven van huis- en school-
onderwijs in de eerste oefeningen van het handteekenen en, volgens het
eerste lid van het laatstgenoemd wetsartikel, aan de onderwijzeressen
bovendien bevoegdheid tot het geven van huis- en schoolonderwijs in de
nuttige handwerken voor meisjes. M.v.B.Z. 16 April 1890 Lett. A., afd.
O; Wekker
18/1890; Genist. 2014; W.B.A. 2035; P.B. Friesl. 46/1890.
Artikel X.
Deze wet treedt in werking op 1 Januari 1890.
17*
-ocr page 276-
VERVOLG DER AANTEEKENINGEN.
(De volg-cijfers wijzen de plaats der aanteekeningen aan.)
Art. 2.
2bis. Art. 16 jo. art. 2 is limitatief. De vakken, die daar niet ge-
noemd worden, kunnen niet tot het 1. o. worden gebracht. Voor zoo-
ver het onderwijs in de kennis der staatsinrichting verder gaat dan
onder ,beginselen der vaderlandsche geschiedenis" is te brengen, be-
hoort het niet in de lagere school te huis en zijn de onderwijzers, die
niet eene speciale akte volgens de wet op het middelb. onderwijs daar-
voor bezitten, niet bevoegd het te onderwijzen. Genist. 1988.
9bis. Zal het onderwijs in vak i vruchten dragen dan mag nimmer
uit het oog verloren worden, dat het hier geldt eerste oefeningen.
Nu zullen, wel is waar, op vele plaatsen onderwijzers ontbreken,
die de wettelijke bevoegdheid voor het teekenen missen, maar de
eerste oefeningen voor het handteekenen kunnen door el-
ken onderwijzer, met behulp van daarvoor bestaande handleidingen,
zonder bezwaar met vrucht worden onderwezen. M.v.B. Ie K. 1889.
Art. 3.
12. Er is gevraagd of niet onder de bepalingen van art. 3, waarin
gezegd wordt dat van gemeentewege geen subsidie mag gegeven wor-
den, ook de subsidiën vallen van instellingen, die begrepen zijn onder
litt. « en d van art. 2 der wet op de armbesturen?
Gaarne had ik deze vraag vroeger vernomen, want het is onmogelijk
om haar nu met juistheid en volledig te beantwoorden.
Er kunnen bij voorbeeld armbesturen zijn, die schoolgeld voor de
kinderen betalen; dit zal moeilijk ongeoorloofd kunnen geacht worden;
wat de instellingen sub d betreft, deze zijn zoo verschillend van aard,
en hebben zulke verschillende statuten, dat a priori onmogelijk op
te geven is welke instellingen al dan niet door eene bijdrage voor scho-
len te geven vallen onder de verbodsbepalingen van art. 3 der wet. Bij
elk voorkomend geval zal moeten onderzocht worden of die bijdragen
-ocr page 277-
Artt. 3, 8.
261
gezegd kunnen worden te worden verleend van wege de gemeente.
M.V.B.Z. Ie K. 1889, 139.
13.    Den onderwijzer eener openbare lagere school mag geene ver-
gunning worden gegeven, om in die school onderwijs te geven in
l en m tegen f 0,50 \'s maands per leerling. M.v.B.Z. 21 Febr. 1887 no.
579, afd. B.B.; Ht. 527.
14.    Het beschikbaar stellen van gemeente-lokalen ten dienste van
de voorbereidende klasse aan normaallessen, welke klasse door de onder-
wijzers voor eigen rekening wordt gehouden, is in strijd met art. 3,
laatste lid, der wet. M.v.B.Z. 12 Maart 1890 no. 678, afd. O; Genist.
2008; W.B.A. 2129.
Art. 8.
ibis. De opvatting is juist, dat personen, in het bezit van de akte
als hoofdonderwijzer, als kweekelingen in de school aanwezig zullen
kunnen zijn. Zij mogen dan geene andere dan kweekelingendiensten ver-
richten. De ondergeteekende onderstelt echter, dat dit niet licht zal
voorkomen, en voor zooveel het wel eens het geval mocht zijn, ziet hij
daarin geen ernstig bezwaar, te meer omdat de toelating niet kan geschie-
den zonder medewerking en toestemming van den bezitter van de akte.
Het bewijs van voldoende vorderingen moge in het algemeen minder
noodzakelijk geacht kunnen worden, waar het geldt den geëxamineer-
den onderwijzer, — het kan in dit geval echter evenzeer wenschelijk zijn
dat bewijs te vorderen, waar het geldt het geven van onderwijs in vak-
ken waarin hij nog niet de noodige kennis heeft verworven. M.v.B.
Ie K. 1889.
4ter. Art. 8 verbiedt niet personen, die alleen de akte van art.
56a hebben en als onderwijzer aan eene lagere school werkzaam zijn,
als kweekelingen toe te laten bij het in den omvang van het onderwijs
aan die school begrepen onderwijs in een of meer der niet-verplichte
vakken, dat buiten de gewone schooluren door het daartoe bevoegd
hoofd der school wordt gegeven. Gemst. 2024.
6. Bij de behandeling van art. 28 in 1889 werd een amendement
om te bepalen, dat in gemeentescholen de toelating van de kweekelin-
gen de goedkeuring van B. en W. zou vereischen, verworpen, na bestrij-
ding op grond dat het niet behoorde in § 2 der wet, waarin van onder-
wijzers sprake is, en omdat het onnoodig was. „Immers in de instructie
der hoofdonderwijzers kan de bepaling worden opgenomen, zoodat elk
gemeentebestuur, dat de zekerheid wenscht te hebben dat zonder zijne
toestemming geen kweekelingen in de school worden toegelaten, de on-
derwijzers kan verbieden kweekelingen eigenmachtig op te nemen."
Zie 2e K. 1889, 1491 en 1493.
-ocr page 278-
Artt. 8, 10, 12.                        262
9bls. Wanneer de kweekeling, na drie maanden geplaatst te zijn
geweest, niet in het bezit is van de verklaring, in litt. c van art. 8 ge-
noemd, is, behoudens het recht van beroep op den D.s.o., zijne toela-
ting verder niet geoorloofd. Van nieuwe toelating kan dus geen
sprake zijn.
Indien de A.s.o. de goedkeuring van het bewijs in beraad houdt tot
dat het is verjaard, bestaat er weigering tot afgifte ten bekwamen tijde.
Derhalve is ook dan, naar het oordeel van den ondergeteekende, het
geval aanwezig, waarin het hoofd der school de beslissing van den D.s.o.
kan inroepen.
Heeft het hoofd der school den tijd voor beroep laten voorbijgaan,
dan behoort de kweekeling, onmiddellijk na het verstrijken van dien
termijn, verwijderd te worden.
Is het beroep tijdig ingesteld, dan behoeft de kweekeling hangende
de beslissing niet verwijderd te worden. Omtrent dit laatste punt is in
denzelfden zin geantwoord op het verslag van de 2e K. (zie aant. 8).
M.v.B. Ie K. 1889.
lObis. Aan de gemeentebesturen legt de wet geene verplichting op
tot toekenning van eenige toelage of vergoeding aan de kweekelin-
gen; wordt echter eene toelage gegeven dan moet deze door het ge-
meentebestuur, niet door den onderwijzer zijn vastgesteld. M.v.B. Ie K.
1889.
De raad is vrij om de toelage aan den kweekeling zelf uit te reiken;
het wetsontwerp. geeft daaromtrent geen voorschrift. M.v.B.Z. 2e K.
1878, 1264.
Art. 10.
1.     In Gemst. 1984 wordt betoogd dat litt. a van dit art. is af-
geschaft door art. 3d der invoeringswet, in verband met art. 28, no.
6, Wetb. van Strafrecht. In W.B.A. 2107 wordt deze opvatting be-
streden.
2.     Bij te voegen: W.v.h.R. 4661; Gemst. 1560; Wekker 67/1881.
Art. 12.
hbis. Het ligt niet in de bedoeling van art. 12, de bijz. kweek-
scholen te verplichten, zich, wat de inrichting betreft, geheel te on-
derwerpen aan de bepalingen van den alg. maatr. van bestuur, voor
de Rijkskweekscholen vastgesteld. Aan dien eisch, in art. 12 der
thans bestaande wet voor de gemeentelijke kweekscholen gesteld, is,
naar de ondervinding heeft aangetoond, niet de hand te houden zon-
der tevens de billijkheid uit het oog te verliezen. Zonder geheel aan
-ocr page 279-
263                    Artt. 12, 14—16.
de regelen voor de Rijkskweekscholen gesteld te voldoen, kunnen
gemeentelijke en bijz. kweekscholen toch zoodanig zijn ingericht, dat
zij voldoende waarborgen voor eene deugdelijke opleiding geven. Even
als alle overige inrichtingen ter opleiding van onderwijzers zullen ook
de gemeentelijke en bijz. kweekscholen aan het toezicht van Rijkswege
onderworpen zijn. Aan de toekenning eener bijdrage uit \'s Rijks kas
zal steeds een nauwgezet onderzoek naar de inwendige organisatie der
inrichtingen behooren vooraf te gaan.
De alg. maatr. van bestuur, bedoeld in art. 12, al. 3 sub 2»., zalen-
kei de opleiding aan gemeentelijke en bijz. normaallessen en door hoof-
den van scholen omvatten. Dit belet niet, de gemeentelijke en bijz.
kweekscholen, die voor het ontvangen eener Rijksbijdrage in aanmer-
king wenschen te komen, bij elke aanvrage van dien aard aan bijzon-
dere regelen te onderwerpen. Het ligt in den aard der zaak, dat de Reg.,
alvorens de hierbedoelde wijziging aan de Wetgevende Macht te onder-
werpen, de uitvloeisels daarvan overwogen heeft. Zij stelt zich voor
de bijdrage te bepalen naar verhouding van de uitgaven, in de laatste
jaren ten koste gelegd aan de opleiding bij normaallessen, gemeente-
lijke en bijz. kweekscholen, die een behoorlijk aantal kweekelingen tot
den rang van onderwijzer brachten. M.v.B. Ie K. 1889.
9. De maatregel is vastgesteld bij K.B. 3 April 1890 (S. no. 34).
15. Voor (S. no. 205) te lezen (S. no. 105).
Zie voor de normaallessen K.B. 29 Juni 1890 (S. no. 97).
Art. 14.
11. Bij te voegen: Schoolversl. 1888,9; Gemst. 2016.
14. Aan \'t slot toe te voegen: Schoolversl. 1888/9.
Art. 15.
Ibis. De heer Roëll heeft er reeds op gewezen, dat de wijziging van
art. 2, door er vak j in op te nemen, wijziging van verscheidene an-
dere artikelen heeft noodig gemaakt en dat met name om in den ver-
volge gymnastiek-onderwijs te geven, iemand gediplomeerd moet zijn.
M.v.B.Z. 2e K. 1889, 1415.
Art. 16.
Wbis. Het beginsel van art. 16 der wet op het lager onderwijs blijft
ongerept. Ongeschonden blijft de bepaling dat de Reg. zorge, dat over-
al voldoend openbaar lager onderwijs gegeven worde. De Reg. blijft
aanspraak maken op de erkenning, dat deze poging tot bevrediging op
-ocr page 280-
264
Art. 16.
de bij de Grondwet bevolen zorg voor het openbaar onderwijs geener-
lei inbreuk maakt. M.v.B. Ie K. 1889.
Wter. In het V.V. betr. Hoofdst. V der Staatsbegr. voor 1890
werd de vraag gesteld of, „wanneer in eene katholieke streek eene
uitnemende bijzondere school is, die voortaan volgens de nieuwe wet
zal worden gesubsidieerd, en er zijn enkele niet-katholieke gezinnen
(of omgekeerd), alsdan de kinderen uit die gezinnen van overheids-
wege onderwijs zullen ontvangen? Het grondwettige voorschrift, dat
„overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar lager on-
derwijs gegeven wordt\'\', is blijven bestaan, en daaruit behoort, naar
men meende, een bevestigend antwoord te worden afgeleid."
De Reg. antwoordde in de M.v.B.: „Ter beantwoording van de
vraag of onder alle omstandigheden kinderen, die van het bijzonder
onderwijs geen gebruik maken, onderwijs van overheidswege zullen
ontvangen, wordt een beroep op de Grondwet niet vereischt. Art.
16 van de wet op het 1. o. bleef immers ongewijzigd. In elke ge-
meente wordt voldoend 1. o. gegeven in een genoegzaam aantal scho-
len, welke voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienstige
gezindheid toegankelijk zijn." Zie ook Gemat. 2001; W.B.A. 2122.
39bis. Ten onrechte schijnt, volgens sommige leden, de bepaling,
dat de ouders niet verplicht zijn hunne kinderen aan het onderwijs
in vak j te doen deelnemen, aan te duiden, dat dit leervak op de
lagere school niet tehuis behoort. Vermits de behandeling van dit
leervak, ofschoon zich in den regel niet verder uitstrekkende dan tot
die oefeningen, welke zonder toestellen gemaakt worden, bewegingen
van het lichaam en gymnastische spelen, toch verband houdt met de
physieke ontwikkeling van het kind en dus in enkele gevallen na-
deel kan veroorzaken, schijnt het wenschelijk aan de ouders de be-
voegdheid te geven, hunne kinderen aan het onderwijs in dit vak
niet te doen deelnemen. M.c.B. Ie K. 1889.
39ter. De nieuwe bepaling, dat de in de school toegelaten kinde-
ren in elke klasse verplicht zijn aan het onderwijs in alle aldaar
onderwezen vakken deel te nemen, belet geenszins de les in nuttige
handwerken voor meisjes met die in het teekenen voor jongens te
doen samenvallen. De bedoeling van dat voorschrift is uitsluitend,
de ouders van schoolgaande kinderen te beletten die kinderen, met
uitzondering voor zooveel de vakken j en s betreft, willekeurig aan
het onderwijs in enkele vakken te onttrekken. M.v.B. Ie K. 1889.
39quater. Waar onderwijs in een of meer der vakken l—t niet wordt
gegeven op eene afzonderlijke, maar op de gewone volksschool, daar
moet het, zelfs als het op andere dan de gewone schooluren wordt
gegeven, door alle leerlingen der klasse worden gevolgd; art. 16, al.
3, gedoogt goeue afwijking. Gemst. 2010.
-ocr page 281-
265                   Artt. 18, 19, 21.
Art. 18.
17.     Zoolang de termijn van art. 14 wet 1. o. niet verstreken is, kan
een bevel van Ged. Staten tot vermeerdering van het getal scholen niet
vernietigd worden. Later wel; dan is niet art. 168, maar art. 166
prov. wet van toepassing. W.B.A. 2114.
18.    Is tegen een bevel van Ged. Staten tot vermeerdering van het
getal scholen niet binnen den bij art. 14 gestelden termijn beroep inge-
diend, dan kan met grond goedk. worden onthouden aan eene begroo-
ting, waarop geene gelden voor den bouw voorkomen. K.B. 12 Aug.
1889; Gemst. 1995.
Art. 19.
1.     Omtrent alle in dit art. bedoelde raadsbesluiten, niet alleen
omtrent die onder d vermeld, moeten Ged. Staten volgens art. 20 den
Insp. hooren. M.v.B.Z. 26 Febr. 1890 no. 558, afd. O; Gemst. 2007;
W.B.A. 2128; Wekker 18/1890; P.B. Friesl. 46/1890.
Ibis. Uit den aard der zaak zijn de gemeentebesturen in de eerste
en voornaamste plaats in staat en geroepen om alle omstandigheden
in overweging te nemen, welke bij de keus der plaats, waar een school-
lokaal zal worden gevestigd, in aanmerking behooren te komen. Hun-
ne besluiten dienaangaande zijn wel aan de goedkeuring van Ged. Sta-
ten onderworpen, maar deze behoort niet dan om redenen van overwe-
gend belang te worden onthouden. Als zoodanig geldt niet een afstand
van een half uur gaans voor meisjes van 9—13 jaren. K.B. 27 Dec.
1889 no. 13; P.B. Geld. 3/1890; Gemst. 1999; W.B.A. 2131.
23bis. Raadsbesluiten tot bepaling van den leeftijd der schoolgaande
kinderen, genomen vóór het in werking treden der wet van 8 Dec.
1889, moeten, om van kracht te blijven, aan de goedkeuring van Ged.
Staten onderworpen worden. G.S. Utrecht blijkens P.B. 21/1890.
Idem bij latere circulaire; zie W.B.A. 2135; Gemst. 2016.
In anderen zin Gemst. 2012 en 2014 (met verwijzing naar K.B. 26
Juli 1881 in Gemst. 1568), C.d.K. Friesl. en D.s.o. Heerenveen in
1890  blijkens Gemst. 2018. Zoo ook W.v.h.R. 5888.
Art. 21.
2.    Bij te voegen: Gemst. 2012 en 2023.
2bis. Als B. en W. weigeren, een voorstel van het hoofd der school
tot wijziging ter hand te nemen, kan deze zich wenden tot den D.s.o.; is
deze vóór de wijziging, dan is er verschil en kan de tusschenkoinst van
den M.v.B.Z. worden ingeroepen; zoo niet, dan kan de regeling niet ge-
wijzigd worden. Gemst. 2012.
-ocr page 282-
Artt. 21, 22, 24,26—28. 266
2ter. Het hoofd der school is niet verplicht, wenken van hooger
hand in zake de op de school te volgen methode van onderwijs op
te volgen. Gemst. 2025.
15. Bij te voegen: Gemst. 2005.
Art. 22.
7, Ie lid. Bij te voegen: Idem G.S. Overijsel in 1888; Gemst. 2024.
Art. 24.
13bis. De leeftijd der kinderen komt niet in aanmerking; alle kin-
deren, dus niet alleen die van 6—12 jaren, die op de schoollijsten zijn
ingeschreven, moeten geteld worden. G.S. Geld. blijkens Verslag 1888;
W.B.A. 2121.
Art. 26.
32bis. Al is het hoofd benoemd op zekere jaarwedde met vergoe-
ding voor huishuur wegens gemis van vrije woning, zoo blijft toch de
raad bevoegd, hem later eene vrije woning aan te wijzen en de ver-
goeding voor huishuur in te trekken. G.S. N.-Holl. en M.v.B.Z. in
1888; W.B.A. 2130; Gemst. 2016.
36bis. Zie aant. lObis ad art. 44 hierna.
68bis. Aan een raadsbesluit tot verlaging der jaarw. van een in
functie zijnden onderwijzer kan geen goedkeuring verleend worden, ook
al heeft die onderwijzer zich, om welke redenen dan ook, genoopt ge-
zien te verklaren, volkomen tevreden te zijn met de lagere jaarwedde,
met de verzekering daarenboven, dat het door hem te geven onderwijs
door eene verminderde jaarwedde niet benadeeld zal worden. G.S.
Zeel.
24 Febr. 1888 no. 22; Versl. Zeel. 1888.
Art. 27.
3bis. Het gemeentebestuur is bevoegd, van de bewijzen van goed
gedrag leges te heffen. v.E. in Wekker 22/1890.
Art. 28.
\\0bis. Wanneer een benoemd hoofd eener school bedankt, daarna
de D.s.o niet meent te moeten overgaan tot aanvulling der nog uit 4
personen bestaande voordracht, en vervolgens de raad met 2 stemmen
-ocr page 283-
Artt. 28, 29, 36.
267
een der op die voordracht staanden heeft benoemd, terwijl zich 5 le-
den van stemmen onthielden, is dat besluit wettig en bestaan er geen
termen om het te vernietigen. M.v.B.Z. cf. G.S. Geld. in 1888, blij-
kens Versl. der prov.; W.B.A.
2121.
24bis. Een onderwijzer is alleen verplicht onderwijs te geven aan
die school, waarvoor hij bepaaldelijk is aangesteld; het geven van
andere lessen kan hem niet worden opgedragen, zonder dat daarom-
trent met hem is overeengekomen. Genist, 2012.
Art. 29.
6. Bij te voegen: Een rechtsvordering te dier zake kan niet worden
ingesteld, omdat de onderwijzer geen burgerlijk recht kan doen
gelden. De rechter zou zich, op grond van art. 153 der Grondwet,
onbevoegd moeten verklaren om van zulk een eisch kennis te ne-
men. Den onderwijzer staat evenwel een andere weg open. B. en W.
zijn verplicht hem een bevelschrift af te geven tot betaling zijner jaar-
wedde. Doen zij dit niet, dan is het geval aanwezig, bij art. 225 ge-
meentewet voorzien, en zou dus de onderwijzer Ged. Staten toepassing
van het daarbij bepaalde kunnen verzoeken. Gemst. 2021.
12. Bij te voegen: Gemst. 2020.
18bis. Ontslag aan onderwijzers, op grond dat zij niet in het bezit der
hoofdakte zijn, is niet gerechtvaardigd, zelfs indien hun een termijn was
gesteld om die akte te halen. Mochten Ged. Staten zoodanig besluit goed-
keuren, dan zouden er voor den Koning termen bestaan om hun be-
sluit wegens strijd met het algemeen belang te vernietigen. Gemst. 2019.
Art. 36.
9. Bij te voegen: Ouderling of notabele. K.B. 24 Juli 1881 (S. no.
139). Notabele ook G.S. Gron. in 1885 (W.B.A. 1993).
9bis. Onder „ambten of bedieningen", in art. 36 wet 1. o. bedoeld,
moeten, behalve alle door het openbaar gezag opgedragen ambten of
bedieningen, hetzij zij bezoldigd zijn of niet, ook begrepen worden die,
opgedragen door een kerkelijk gezag of eene kerkelijke gemeente. Het
komt ons voor, dat niet alleen de aard dier betrekkingen, maar ook
het spraakgebruik en de geschiedenis der verbodsbepaling vorderen,
ze onder de in de wet op het 1. o. bedoelde „ambten of bedieningen"
te begrijpen. G.S. Zeel. 14/21 Maart 1890 no. 9.
lObis. Het verrichten van schrijfwerk ten dienste van het bestuur
eener roomboterfabriek is niet het uitoefenen van een beroep of het
bekleeden van een ambt of bediening. G.S. Gron. in 1888; Gemst. 2008,
11, Ie lid. Bij te voegen: Gemst. 1848.
-ocr page 284-
Artt. 38, 42.
268
Art. 38.
9. De weduwe van een onderwijzer aan eene o. 1. school heeft geen
aanspraak op pensioen krachtens de wet van 9 Mei 1890 (S. no. 79).
Gemst. 2021.
Art. 42.
Krachtens art. 40 der wet van 9 Mei 1890 (S. no. 78) 1) wordt dit
artikel gelezen als volgt:
De bepalingen van de artt. 8, 9 derde lid, 12 derde lid, 18
tot en met 31 der wet betreffende de burgerlijke pensioenen,
zijn op de pensioenen der onderwijzers van toepassing.
De in dit artikel toepasselijk verklaarde artikelen der wet betreffen-
de de burgerlijke pensioenen (wet van 9 Mei 1890, S. no. 78) luiden:
Art. 8. Alle recht op pensioen gaat verloren voor hem, die behalve in de ge-
vallen bij de artikelen 3, litt. «, b en c, en 4 voorzien, ontslagen wordt op eigen
verzoek, die bij rochtorlijke uitspraak van zijn arabt wordt ontzet, of die uit-
hoofde van wangodrag, onzedelijkheid, verregaande achteloosheid of plichtver-
zuim uit zijno betrekking ontslagen wordt.
Art. 9, 3e lid. Voor hem, die, na om welke redenen ook ontslagen te zijn,
later wordt herplaatst, zijn de diensten vóór het ontslag, en die, na de herplaat-
sing bewezen, gelijkelijk geldig.
Art. 12, 3e lid. Daarentegen wordt hot genot van vrije woning, huisvesting
en voeding, voor zooverre dit invloed heeft op het bedrag der inkomsten, als
wedde of belooning aangemerkt.
Art. 18. De pensioenen worden verleend op aanvrage van of vanwege de be-
langhebbenden.
Die aanvrage moet, mot overlegging van de voor de regeling van het pensioen
benoodigdo stukken, worden ingediond bij het Departement van Algemeen Be-
stuur, onder hetwelk de ambtenaar het laatst werkzaam is geweest.
Wanneer de aanvrage niet binnen één jaar na het ontslag is ingediond, gaat
het pensioen eerst in met het vierendeeljaars, volgende op dat waarin de aan-
vrage gedaan is. Is zij niet ingediend binnen vijf jaren na het ontslag, dan is
alle recht op pensioen verbeurd.
Dezelfde regelen gelden voor aanvragen om verhooging van reeds toegekend
pensioen en voor do overlegging der stukken tot staving van het recht op die
verhooging dienende, met dien verstande dat de termijnen van een jaar en vijf
jaren dan beginnen te loopen van den dag, waarop het pensioen is toegekend.
Art. 19. De pensioenen worden, op voordracht van hot hoofd van het Depar-
temont van Algemeen Bestuur onder hetwelk de ambtenaar het laatst werkzaam
is geweest en met medewerking van den Minister van Financiën, toegekend b\\j
Koninklijke besluiten, houdende vermelding van de gronden waarop ze verleend
worden.
Van deze besluiten wordt in de Staatscourant opgave gedaan, voor zooveel be-
1) Deze wet treedt ia werking den lsten Januari 1891.
-ocr page 285-
Art. 42.
269
treft den naam van den gepensionneerde, het bedrag van het pensioen en de toe-
passelijke wetsbepaling.
Bij de indiening van de jaarlijksche begrooting van Staatsuitgaven worden aan
de Slaten-Generaal overgelegd ljjsten van de sedert de indiening der vorige be-
grooting verleende en vervallen pensioenen.
Die lijsten wijzen aan:
n. de namen der gepensionneerden;
b.   hun ouderdom, laatste dienstbetrekking en laatsten grondslag voor pensioen;
c.   de oorzaak van het gegeven ontslag;
d.   de artikelen der wet, krachtens welke het pensioen verleend is;
e.   het bedrag van het pensioen.
Art. 20. De pensioenen worden in volle guldens verleend.
Onderdeelen van een gulden komen daarbij voor een gulden in berekening.
Zij gaan, behoudens de uitzonderingen in artikel 18 vermeld, in met den dag
volgende op dien, waarop de wedde of belooning waarnaar zij berekend zijn, of het
pensioen dat zij vervangen, is opgehouden.
Behoudens het bepaalde bij artikel 24 worden zij uitbetaald tot het einde van
het vierendeeljaars, waarin zij door overlijden of om andere redenen verval-
len.
Art. 21. De termijnen van een pensioen, welke niet zijn ingevorderd binnen
één jaar nü den eersten dag der betaalbaarstelling, worden niet meer uitbe-
taald.
Is die invordering achterwege gebleven gedurende vijf achtereenvolgende jaren,
dan is het pensioen vervallen. Bij Koninklijk besluit kunnen de belanghebbenden
die dit mochten verzoeken, in het genot van hun vervallen pensioen hersteld
worden.
Dat genot zal in het hierbedoeld geval ingaan met het vierendeeljaars, volgen-
de op dat, waarin het verzoek gedaan is.
Art. 22. Hij, die tot gevangenisstraf van drie jaren of zwaardere straf onher-
roepelijk is veroordeeld, mist van het tijdstip af, waarop die veroordeeling onher-
roepelijk is geworden, totdat hij de straf zal hebben ondergaan of daarvan kwijt-
schelding zal hebben bekomen, het genot van pensioen.
Wij behouden Ons voor, daartoe termen vindende, gedurende dien tijd over
het pensioen van den veroordeelde ten behoeve van zijne vrouw of minderjarige
kinderen te beschikken.
Het eerste lid van dit artikel geldt niet voor den veroordeelde, die voorwaar-
delijk in vrijheid is gesteld, gedurende den tijd, dat hij zich voorwaardelijk in
vrijheid bevindt.
Art. 23. Het pensioen vervalt, wanneer de belanghebbende:
ii. naturalisatie in een vreemd land of vreemden adeldom aanneemt;
b. buiten toestemming van den Koning zich in vreemden krijgsdienst begeeft,
of een ordeteeken, titel, rang, waardigheid of openbare bediening aanneemt, wel-
ke door eene vreemde Begeering is verleend of opgedragen.
Art. 24. Indien een burgerlijk gepensionneerde inkomsten of belooningen ge-
niet uit de geldmiddelen van den Staat, van \'s Bijks koloniën en bezittingen in
andere werelddeelen of uit fondsen onder het beheer des Bijks geplaatst, in be-
trékkingen die ter begeving staan van het algemeen bestuur, dan wordt te dier
zake, van den dag af waarop dergelijke inkomsten of belooningen zijn ingegaan,
eene korting op zijn pensioen toegepast.
Die korting bedraagt:
a. wegens eene bijkomende inkomst of belooning van minder dan zestienhon-
derd gulden:
25 ten honderd van de eerste ƒ600 dier inkomst of belooning;
-ocr page 286-
Art. 42.
270
50 ten honderd van de volgende ƒ400;
75 ten honderd van het overige;
b. wegens eene bijkomende inkomst of belooning van zestienhonderd gulden of
hooger:
50 ten honderd van het geheele bedrag dier inkomst of belooning.
De korting wordt niet toegepast wanneer het vereenigd bedrag van pensioen
en bijkomende inkomst of belooning de som van duizend gulden niet overtreft,
on met zooveel verminderd als noodig is om het vereenigd bedrag niet beneden
die som te doen dalen.
Het burgerlijk pensioen wordt in zijn geheel gelijktijdig genoten met de soldij
en de toelagen, verbonden aan de Militaire Willemsorde en aan de benoeming
tot broeder der Orde van den Nederlandsehen Leeuw.
Art. 25. Indien een gepensionneerde, wiens pensioen uit de inkomsten van
den Staat of uit die van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen
wordt gekweten, herplaatst wordt in eene betrekking waaraan het uitzicht op
burgerlijk pensioen verbonden is, dan wordt zjjn pensioen, te dier zake, op den
voet van het voorgaande artikel, behoudens de daarbij vormelde uitzonderingen,
verminderd.
Bij latere aftreding wordt hij, behoudens het bepaalde bij de artikelen 22 en
23, in liet volle genot van zijn vroeger pensioen hersteld, en wordt hem daaren-
boven, voor zooverre hij daarop naar de regelen dezer wet aanspraak kan maken,
een verder pensioen verleend, in evenredigheid van den grondslag en den duur
der diensten, na de herplaatsing bekomen en bewezen, doch met dien verstande,
dat hel vereenigd bedrag dor pensioenen de som van drie duizend gulden en voor
gewezen hoofden van Ministeriëele Departementen die van vier duizend gulden
niet kan overschrijden.
In de gevallen bedoeld bij art. 3, litt. c en f7, gelden, ten opzichte van liet ver-
eischte van tienjarigen burgerlijken dienst voor het verder pensioen alleen de
jaren in de betrekking doorgebracht, waarin de gepensionneerde is herplaatst.
Art. 26. Het bepaalde bij artikel 24 is mede van toepassing op ambtenaren,
die gelijktijdig meer dan eene burgerlijke of daarmede gelijkgestelde betrekking
vervullen en uit eene daarvan ontslagen worden. Bij de regeling van het pen-
sioen worden de grondslagen en de diensten der nog bekleed wordende betrek-
kingen niet in aanmerking genomen.
Bij latere aftreding uit de nog bekleed wordende betrekkingen wordt hun voor
elke betrekking een afzonderlijk pensioen verleend, met dien verstande, dat het
vereenigd bedrag der pensioenen de som van drie duizend gulden niet kan over-
schrijden.
Vroeger in andere betrekkingen bewezen diensten komen in het geval bedoeld
bij de eerste en tweede zinsnede van dit artikel, zoomede indien de belangheb-
bende uit al de door hem waargenomen betrekkingen te gelijker tijd wordt ont-
slagen, in berekening bij de regeling van het pensioen wegens die betrekking
waarin de hoogste pensioens-grondslag bekomen is.
In de gevallen, bedoeld bij art. 3, litt. c en d, gelden, ten opzichte van het ver-
eischte van tienjarigen burgerlijken dienst, voor het pensioen alleen de jaren in
de betrekking doorgebracht, te.r zake waarvan dat pensioen wordt verleend.
Art. 27. Er bestaat een pensioenraad voor de burgerlijke ambtenaren.
Hij is samengesteld uit vijf leden en wordt bijgestaan door een secretaris, die
nllen door Ons worden benoemd en ontslagen.
In geval van vacature doet de raad Ons eene aanbevelingslijst van ten minste
twee personen toekomen.
De voorzitter wordt uit de leden onmiddellijk door Ons benoemd. Hij treedt
als zoodanig om de twee jaren af, doch is opnieuw benoembaar.
-ocr page 287-
271                                 Art. 42.
De voorzitter en de leden nemen hunne betrekking zonder bezoldiging waar.
De raad kan geen wettige zitting houden, wanneer niet ten minste drie leden
tegenwoordig zijn.
De voorzitter heeft eene beslissende stem.
De verplichtingen van den secretaris worden geregeld bij eene door den raad
vast te stellen instructie.
A r t. 28. De raad onderzoekt do aanvragen, bedoeld bij artikel 18, en brengt
zijn advies uit omtrent het daaraan te geven gevolg. Dat advies wordt medege-
deeld aan den belanghebbende.
Indien het hoofd van het Departement van Algemeen Bestuur, waaronder de
belanghebbende het laatst werkzaam is geweest, zich met het advies van den
raad niet vereenigt, deelt hij zijn gevoelen over het ingevolge do wet toe te ken-
nen pensioen schriftelijk aan den belanghebbende mede.
Indien deze binnen drie maanden na den dag waarop do bovenbedoelde mede-
deelingen gedaan zijn, het verlangen daartoe te kennen geeft, dan wordt over
het advies het gevoelen ingewonnen van de afdeeling van den Baad van State,
bedoeld bij het tweede lid van artikel 13 der wet van 21 December 1861 (Staals-
blad
n°. 129).
Wanneer ingevolge het bepaaldo bij dit artikel het gevoelen van de afdeeling
van den Baad van State, bedoeld bij het tweede lid van artikel 13 der wet van
21 December 18G1 (Staatsblad n°. 129), wordt ingewonnen, wordt de zaak be-
handeld op de wijze vastgesteld voor de behandeling van geschillen van be-
stuur.
Art. 29. De raad is bevoegd om van de Departementen van Algemeen Be-
stuur de voreischte inlichtingen te vragen en doet aan het Departement van Fi-
nanciën de voorstellen, die hij in het belang eener goede regeling van het pen-
sioenwezen noodig of nuttig acht. Hij geeft insgelijks de gevraagde inlichtingen
aan de Departementen van Algemeen Bestuur.
Art. 30. De bepalingen der wet van den 2ésten Januari 1815 (Staatsblad n°. 5),
welke ook van kracht blijft voor de provincie Limburg, worden, zoowel wat de
arresten als wat de kortingen betreft, met opzicht tot do burgerlijke pensioenen
gehandhaafd en toepasselijk verklaard.
Art. 31. De pensioenen zijn onvervreemdbaar. De belanghebbende kan daar-
over op geenerlei wijze beschikken, ook niet door verpanding of beleening. Indien
hij last geeft om het pensioen voor hem te ontvangen, kan hij die lastgeving al-
tijd herroopen. Alle hiermede strijdige overeenkomsten zijn nietig.
Deze bepalingen worden op het bewijs van inschrijving van het pensioen afge-
drukt.
De voorschotten door gemeentebesturen, liefdadige of tot algemeen nut wer-
kende instellingen, hetzij renteloos, hetzij tegen een matige rente op de pensioe-
nen gegeven, tot zekerheid waarvan de bewijzen van inschrijving in het bezit van
die lichamen worden gesteld, zijn niet onder de bij deze wet verboden beleenin-
gon begrepon, mits de voorwaarden, volgons welke die voorschotten verstrekt
worden, zijn goedgekeurd door den Minister van Financiën.
Indien een gepensionneerde in een gesticht of instelling van weldadigheid, door
het openbaar gezag erkend, is opgenomen of, op welke wijze ook, door zoodani-
ge instelling of door eeno burgerlijke gemeente wordt verpleegd, wordt, zoolang
dit geschiedt, zijn pensioen uitbetaald aan het bestuur van dat gesticht, die in-
stelling of gemeente, hetwelk zich tot dat einde in het bezit zal stellen van het
bewijs van inschrijving van het pensioen.
Indien het bedrag van het pensioen dat der verplegingskosten overtreft, wordt
het verschil door het daarbij betrokken bestuur aan of ten behoeve van den ge-
pensionneerde uitgekeerd.
-ocr page 288-
Artt. 44—4G.
272
Art. 44.
lObis. Art. 44e brengt wel o. a. de kosten van het „in stand hou-
den", d. i. het onderhoud, der onderwijzerswoning ten laste der gemeente,
maar bepaalt niet, hoever die verplichting zich uitstrekt. Ik zou dus
de vragen, die daaromtrent rijzen, willen toetsen aan de regelen van
het Burg. Wetb., volgens welke het onderhoud in het algemeen voor
rekening van den verhuurder is, met uitzondering van „geringe en da-
gelijksche reparatiën", waaronder de wet (zie art. 1619) bij gebreke
van tegenbeding o. a. begrijpt de reparatie van vensterglazen, zoo bin-
nen- als buitenshuis. Tot herstel daarvan is de huurder, en dus,
naar het mij voorkomt, ook de onderwijzer verplicht. v.E. in Wekker
25/1890.
Art. 45.
25, 4e regel. Bij te voegen: Gemst. 2021.
2bbis. De gemeente Vlissingen heeft blijkens de wet van 1 Jan. 1889
(S. no. 2) een stuk grond gekocht voor den bouw eener school. Ten-
gevolge eener reorganisatie van het schoolwezen werd aan het voor-
nemen om die school te bouwen voorloopig geen gevolg gegeven (Zie
verslag Zeeland 1889). Niettemin kende de M.v.B.Z. de Rijksvergoe-
ding toe voor de kosten van aankoop in de rekening over 1888; hij
droeg echter aan Ged. Staten op, er voor te waken, dat de grond werke-
lijk en alleen voor het voorgestelde doel zou worden gebruikt. M.v.B.Z.
18 April 1890 no. 1217, afd. A.Z.C.
Art. 46.
Abis. De voorschriften van art. 46 zijn ook op het herhalingsonder-
onderwijs van toepassing. M.v.B.Z in 1890; Gemst. 2009; W.B.A.
2129; Wekker 18/1890; P.B. Friesl. 46/1890. In gelijken zin Gemst.
2016.
Ater. De bepaling, dat van de kinderen ten minste f 0,20 per
maand moet geheven worden, mag niet illusoir gemaakt worden
door in het besluit tot schoolgeldheffing te bepalen, dat voor die leer-
lingen, welke een geheel jaar onafgebroken van het onderwijs in de
openbare school hebben gebruik gemaakt, slechts voor tien maanden
schoolgeld zal verschuldigd zijn. W.B.A. 2114.
équater. Bepalingen dat voor eene maand, waarin minder dan 15
dagen school wordt gehouden, slechts de helft van het gewoon school-
geld zal verschuldigd zijn, b. v. 10 cents voor die maand, en dat voor
eene maand, waarin slechts 4 of 5 dagen school wordt gehouden, geen
-ocr page 289-
Art. 46.
273
schoolgeld verschuldigd is, zijn in strijd met de woorden en met de
bedoeling van de onderwijswet. Gemst. 2009.
12bis. Verscheidene gemeentebesturen hebben in 1890 aanvrage ge-
daan om van de verplichting tot schoolgeldheffing vrijgesteld te wor-
den. Als grond was o. a. aangevoerd:
dat sedert jaren geen schoolgeld was geheven;
dat heffing niet zou drukken op de rijken of armen, doch op de bur-
gers, die noch rijk noch arm zijn en veel kinderen hebben;
dat in de gemeente geen bijzondere school bestond;
dat met het kosteloos openstellen van het onderwijs naar de alge-
meene en sterk gevestigde volksovertuiging in de gemeente, die door
den raad gedeeld werd, niet mocht gebroken worden;
dat op de vruchten van het kosteloos onderwijs met voldoening kon
worden gewezen;
dat \'t schoolverzuim voor jaren, toen schoolgeld geheven werd,
schrikbarend groot was, en dat de afschaffing blijkens de ondervinding
allergunstigst op het schoolbezoek had gewerkt;
dat kosteloos onderwijs, zelfs in een tijd toen de gemeente-financiën
niet gunstig waren, niet tot moeilijkheden aanleiding had gegeven;
dat aan de opbrengst der heffing geen behoefte bestond;
dat splitsing der ingezetenen in gegoeden, min- en onvermogenden
standen in het leven zou roepen, en tot groote moeilijkheden aanlei-
ding zou geven, niet in verhouding staande tot de geringe financiëele
voordeelen;
dat de heffing voor vele minvermogende ouders eene reden zou zijn
om de kinderen vroeger van school te nemen, zoo niet geheel de school
te doen verzuimen;
dat de heffing het gemeentebestuur zou belemmeren in de bij art.
47 opgelegde verplichting om \'t schoolgaan van minvermogenden te be-
vorderen.
De M.v.B.Z. was, blijkens de beschikkingen, waarin hij namens den
Koning de verzoeken van de hand wees (8 Maart 1890 no. 407, 17
April no. 972, 6 Mei no. 1328 en 1344, 28 Mei no. 1589, 5 Juni no.
1741 en 1742, afd. O), van meening, dat al de aangevoerde gronden
niet kunnen worden beschouwd als zoodanige bijzondere omstandighe-
den, welke vrijstelling zouden wettigen, te minder daar art. 46 aan de
gemeente vrijheid laat tot evenredige schoolgeldheffing.
Vergel. ook Gemst. 2015 en 2017.
\\hbis. Wanneer een besluit tot heffing van schoolgeld onderscheidt
zeer vermogenden, vermogenden, min- en onvermogen-
den, is het geval aanwezig waarin, volgens de laatste zinsnede van
art. 46, de artt. 264—266 gemeentewet toepasselijk zijn. W.B.A.
2124; Gemst. 2018.
WET L. O.                                                                                  18
-ocr page 290-
Artt. 46, 47.                        274
De hoofdel. omslag kan bij evenr. heffing tot basis genomen worden.
Gemst. 2015. — Heffing naar den hoofdel. omslag is niet goed doen-
lijk en in strijd met art. 46 wet 1. o. G.S. Z.-Holl. in 1890; Gemst.
2017.
Ook bij heffing van evenredig schoolgeld behooren B. en W. te
beslissen wie onvermogend zijn. Zij brengen deze niet op het kohier
en de raad zal daarin moeten berusten. Gemst. 1998, 2015.
Bij evenredige heffing mag voor een of meer der klassen het be-
drag der heffing lager worden gesteld dan ƒ0,20 per maand. Ren-
ten en aflossing van leeningen voor schoolbouw tellen mede bij het
bedrag der kosten van onderwijs; de kosten van dag- en avondschool
mogen niet worden gescheiden. Opmaking van één kohier van school-
geldplichtigen, kort na het tijdstip van toelating, verdient de voor-
keur boven het opmaken van vier kohieren, telkens in \'t begin der
maanden April, Juli enz. Gemst. 2018.
18bis. Van een apart schoolgeld voor bepaalde schooltijden kan
geen sprake meer zijn, daar alle leerlingen het onderwijs in alle vak-
ken moeten bijwonen volgens art. 16, al. 3. Gemst. 2012.
20bis. Er is bezwaar tegen, dat het schoolgeldbedrag afhankelijk
gesteld wordt van het vermogen der voogden. Zijn de ouders over-
leden, dan gaat de verplichting tot opvoeding der weezen wel over
op de voogden, maar voor de daarvoor noodige uitgaven zijn alleen
de goederen der pupillen, niet die der voogden aansprakelijk. Het
ware wenschelijk in de verordening duidelijk te doen blijken, dat het
bedrag van \'t schoolgeld voor weezen geregeld wordt naar hun ver-
mogen en niet naar dat hunner voogden. M.v.B.Z. 10 Juli 1890 no.
2416, afd. B.B.
256*s. De bepaling, dat aan minvermogende ouders vrijstelling van
de betaling wordt verleend, hetzij voor het geheele jaar, hetzij voor
de wintermaanden, voor het tweede, derde enz. schoolgaande kind,
wanneer steeds voor het eerste, of voor het eerste en tweede enz. trouw
schoolgeld betaald wordt, strijdt met de wet; eveneens, dat B. en W.
minvermogende ouders gedurende een deel van het jaar onvermogend
verklaren tot betaling van schoolgeld. Gemst. 2017.
29. Alleen de gegoedheid der ouders of het kleiner of grooter
aantal kinderen mag aanleiding wezen dat voor kinderen van dezelf-
de klasse het schoolgeld niet gelijk is; niet verschil in leeftijd der
kinderen. W.B.A. 2129.
Art. 47.
7. Is in eene gemeente geene school speciaal voor onvermogen-
den, dan mag de omstandigheid, dat een kind kosteloos onderwijs
-ocr page 291-
275 Artt. 49,51,54^, 67, 82.
geniet, niet de toetssteen zijn ter bepaling der school, die het te ge-
bruiken heeft. G.S. Zeel. 11 April 1884 no. 31 blijkens Verslag;
Gemst.
1796.
Art. 49.
17. Bij te voegen: St.-ct. 4 Juli 1890 no. 154.
Art. 51.
Ibis. Aan iemand, die overlegt eene akte van bekwaamheid als
huis-onderwijzeres in het schrijven en het bewijs, bedoeld onder b,
mag het bewijs, bedoeld onder c, worden afgegeven. Indien zij echter
s c h o o 1-onderwijs geeft, valt zij in de termen van art. 436, al. 2,
"Wetb. v. Strafr. Gemst. 2000.
Art. öAUs.
25bis. De aanspraak op subsidie kan niet ingaan vóór den dag,
waarop de statuten der vereeniging door den Koning zullen zijn goedge-
keurd. M.v.B.Z. in 1890; Gemst. 2013; Wekker 18/1890; W.B.A. 2134.
33bis. De vraag of eene bijzondere school gehouden wordt als winst-
gevend bedrijf, zal door Gred. Staten zijn te beantwoorden bij hunne be-
slissing op de aanvrage vóór 1 Mei 1891. Vóór dien tijd zullen zoowel
de aanvragers als de districts-schoolopzieners, blijkens de artt. 5 en 6
van het K.B. van 19 Pebr. 1890 (S. no. 26), een verklaring hebben af
te geven omtrent de gestelde vraag. Het is aan den D.s.o. overgelaten
na te gaan, langs welken weg hij zijn meening omtrent dit punt zal
kunnen vestigen. M.v.B.Z. in 1890; Gemst. 2013; Wekker 18/1890;
W.B.A. 2134.
37. Geleidelijke uitvoering der bepaling onder 4°. wordt verzekerd
door het K.B. van 18 April 1890 (S. no. 64).
Art. 67.
4.    Bij te voegen: De besturen der bijz. lag. scholen en de besturen der
brjz. kweekscholen en normaallessen ter opleiding van onderwijzers en
onderwijzeressen ter eenre en de Insp. van het 1. o., de D.s.o. en de
A.s.o. binnen het ressort ter andere zijde; alsmede tusschen de bestu-
ren der bijz. lag. scholen ter eenre en de C.d.K. en de Ged. Staten der
provinciën ter andere zijde. K.B. 11 April 1890 no. 14; P.B. Zeel.
40/1890; Wekker 19/1890; W.B.A. 2134.
Art. 82.
5.    Ook na 1 Jan. 1895 mogen aan leerlingen van bijz. scholen
18*
-ocr page 292-
Artt.82,88,0verg.-bep.V. 276
openbare belooningen en eereblijken ter bevordering van getrouw
schoolbezoek worden toegekend. Genist. 2011.
Art. 88.
2. Zie K.B. 18 April 1890 (S. no. 64) onder de bijlagen.
Art. V, Overg.-bep. 1889.
7. De meening, dat over 1891 het minimum, gesteld bij art. I
van het K.B. van 18 April 1890 (S. no. 64), voor alle scholen zou
zijn het wettelijk minimum waarvan art. 45 der wet gewaagt, is
niet juist. Is het bij art. 24 der wet tegen 1 Jan. 1892 gevorderde
minimum getal onderwijzers op 1 Jan. 1891 reeds bereikt of over-
schreden, dan strekt het minimum van art. 24, en niet het door het
K.B. tegen 1 Jan. 1891 gevorderde minimum, tot grondslag van be-
rekening. Gemat. 2022.
-ocr page 293-
BIJLAGEN.
KONINKLIJK BESLUIT van den 22sten Januarij 1880 (S. no. 5),
TOT REGELING VAN HET AMBTSGEBIED DER INSPECTEURS, D1S-
TRICTS- EN ARRONDISSEMENTS-SCHOOLOPZIENERS EN VAN DE VER-
DEELING HUNNER WERKZAAMHEDEN.
Wu WILLEM III, enz.
Overwegende, dat tot uitvoering van de artt. 68 en 69 der wet van 17
Augustus 1878 {Staatsblad no. 127) door Ons de noodige bepalingen moeten
worden vastgesteld;
Uen Raad van State gehoord enz.
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
TITEL I.
VAN DE INDEELING DES RIJKS.
§ 1. Van de inspeclien.
Art. I. Het Rijk is voor het toezigt over het lager onderwijs verdeeld in
drie inspectien.
De eerste inspectie bevat de provinciën Noordbrabant, Gelderland en Limburg;
de tweede de provinciën Zuid- en Noordholland, Zeeland en Utrecht;
de derde de provinciën Friesland, Overijssel, Groningen en Drenthe.
§ 2. Van de districten.
Art. 2. Het Rijk is voor het toezigt over het lager onderwijs verdeeld
in vijf en twintig districten.
3. De provincie Noordbrabant bevat de districten \'s Hertogenbosch, Breda,
Tilburg en Eindhoven;
de provincie Gelderland de districten Arnhem, Zutphen en Tiel;
de provincie Zuidholland de districten \'s Gravenhage, Rotterdam en Dordrecht;
de provincie Noordholland de districten Amsterdam, Haarlem en Hoorn;
de provincie Zeeland de districten Middelburg en Goes;
de provincie Utrecht het district Utrecht;
de provincie Friesland de districten Leeuwarden en Heerenveen;
de provincie Overijssel de districten Zwolle en Deventer;
de provincie Groningen de districten Groningen en Winschoten;
de provincie Drenthe het district Assen;
de provincie Limburg de districten Maastricht en Roermond.
§ 3. Van de arrondissementen.
Art. 4. Het Rijk is voor het toezigt over het lager onderwijs verdeeld in
vier en negentig arrondissementen.
5. Het district \'s Hertogenbosch bevat de arrondissementen \'s Hertogenbosch,
Oss en Boxmeer;
-ocr page 294-
278
het district Breda de arrondissementen Breda, Zevenbergen en Bergen op Zoom;
het district Tilburg de arrondissementen Tilburg, Heusden, Waalwijk en
Oirschot;
het district Eindhoven de arrondissementen Eindhoven, Helmond en Veghel.
6.   Het district Arnhem bevat de arrondissementen Arnhem, Harderwijk en
Apeldoorn;
het district Zutphen de arrondissementen Zutphen, Groenlo en Doesburg;
het district Tiel de arrondissementen Tiel, Geldermalsen, Zalt-Bommel en
Nijmegen.
7.   Het district \'s Gravenhage bevat de arrondissementen \'s Gravenhage,
Leiden, Delft en Woerden;
het district Rotterdam de arrondissementen Rotterdam, Gouda, Schiedam
en Vlaardingen;
het district Dordrecht de arrondissementen Dordrecht, Gorinchem en Som-
melsdijk.
8.   Het district Amsterdam bevat de twee arrondissementen Oostelijk en
Westelijk, waarin het grondgebied der gemeente Amsterdam volgens de tabel,
bij dit besluit gevoegd, verdeeld is, en het arrondissement Hilversum;
het district Haarlem de arrondissementen Haarlem, Alkmaar, den Helder
en Texel;
het district Hoorn de arrondissementen Hoorn, Medemblik, Purnierend en
Zaandam.
9.   Het district Middelburg bevat de arrondissementen Middelburg, Oost-
burg en Axel;
het district Goes de arrondissementen Goes, Zierikzee en Tholen.
10.   Het district Utrecht bevat de arrondissementen Utrecht, Loenen, Amers-
foort, Rhenen en IJsselstein.
11.   Het district Leeuwarden bevat de arrondissementen Leeuwarden, Har-
lingen, Dokkum en Veenwouden;
het district Heerenveen de arrondissementen Heerenveen, Beetsterzwaag, de
Lemmer, Sneek en Bolsward.
12.   Het district Zwolle bevat de arrondissementen Zwolle, Kampen, Ommen
en Steenwijk;
het district Deventer de arrondissementen Deventer, Almelo, Enschedé en
Ootmarsum.
13.   Het district Groningen bevat de arrondissementen Groningen, Zuidhorn,
Onderdendam en Appingedam;
het district Winschoten de arrondissementen Winschoten, Hoogezand, Veen-
dam en Onstwedde.
14.   Het district Assen bevat de arrondissementen Assen, Borger, Emmen,
Hoogeveen en Meppel.
15.   Het district Maastricht bevat de arrondissementen Maastricht, Meerssen,
Heerlen en Sittard;
het district Roermond de arrondissementen Roermond, Weert, Venlo en Gennep.
16.   De tabel, bij dit besluit gevoegd, wijst de gemeenten en, voor zooveel
de arrondissementen Amsterdam betreft, de gedeelten der gemeente aan, die tot
elk arrondissement behooren.
-ocr page 295-
279
TITEL II.
VAN DE AMBTENAKEN.
§ 1. Van de Arrondissemenis-schoolopzieiiers.
Art. 17. üe arrondissements schoolopziener heeft zijne vaste woonplaats
binnen het arrondissement, tenzij hem door Onzen voornoemden Minister ver-
gnnd wordt elders gevestigd te zijn.
18.    Indien hij, behalve voor zijne ambtsbezigheden als schoolopziener, zich
langer dan veertien dagen van zijne woonplaats verwijdert, geeft hij hiervan
kennis aan den schoolopziener van het district.
Onze voornoemde Minister kan, op voorstel van den districts-schoolopziener,
een der andere arrondissements-schoolopzieners van het district met de tijdelijke
waarneming der dienst belasten.
19.   Aan den arrondissements-schoolopziener kan door Ons eene vaste som
\'s jaars als vergoeding van reis- en verblijfkosten worden toegelegd («).
20.   De arrondissements-schoolopziener houdt een naauwkeurigen staat van
alle openbare en bijzondere scholen van lager onderwijs in zijn arrondissement,
van de onderwijzers, aan die scholen werkzaam en van dekweekelingen, bedoeld
in art. 8 der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127).
Hij vermeldt op dien staat de hij het onderwijs aan iedere school in gebruik
zijnde leerboeken.
21.   Hij bezoekt meermalen \'s jaars de Eijks- of gemeentelijke kweekscholen
voor onderwijzers, normaallessen of andere instellingen tot opleiding van on-
derwijzers in het arrondissement en doet over ieder vierendeeljaars van zijne
bevinding verslag aan den districts-schoolopziener.
22.    Van ieder proces-verbaal ter zake van overtreding, door hem opgemaakt
ingevolge art. 73 der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), zendt hij
binnen tweemaal vier en twintig uren afschrift aan den districts-schoolopziener.
23.   Hij bevordert de instelling van plaatselijke commissien, overal waar dit
ter verzekering van het plaatselijk toezigt nuttig is, en bewaart afschrift van
de plaatselijke verordeningen, die de zamenstelling en inrigting der in het
arrondissement aanwezige commissien regelen.
Hij woont de vergaeleringen dier commissien bij, zoo dikwijls zij dit ver-
langen of hem ambtshalve geraden voorkomt en roept ze, zoo noodig, bijeen.
24.   Door Ons wordt jaarlijks eene bepaalde som ter zijner beschikking ge-
steld, bestemd tot bekostiging eener bibliotheek, waarvan de onderwijzers
onder zijn toezigt partij kunnen trekken bij de voortzetting hunner studiën en
tot bestrijding van andere kleine uitgaven ter bevordering van het doel der on-
derwij zers- bij eenkomsten.
(»)• voor kotten buiten den gewonen werkkring vallende, wordt geen verhoogd abonnement
toegekend; daarvoor moet worden gedeclareerd volgens de tweede klasse van het tarief. K.B.
27 Febr. 1882 no. 8; Hubr. V 129; Hl. 680. Modellen voor deel. als lid eener commissie van
examen voor de akte van onderwijzer, voor bijeenkomsten met den D. s. o. en met den insp. (arlt.
38 en 44 van dit besluit) zijn vastgesteld bij M.r.B.Z. 9 Maart 1882 no. 826, afd. O; Hubr. V
180; Hl. 680.
-ocr page 296-
280
De verantwoording dier som geschiedt op de wijze door Onzen voornoem-
den Miuister te bepalen («).
25. De arrondissements-schoolopziener geeft regtstreeks aan Onzen voor-
noemden Minister, aan Gedeputeerde Staten of aan den inspecteur van het lager
onderwijs, alle inlichtingen, die van hem worden verlangd.
§ 2. Van de dislricts-sr.hoolopzieners.
Art. 26. De districts-schoolopziener heeft zijne vaste woonplaats in de ge-
meente, waarnaar het district genoemd wordt, tenzij hem door Onzen voornoem-
den Minister vergund wordt zich elders in het district te vestigen.
27.   De districts-schoolopziener, die zich, behalve voor zijne ambtsbezigheden,
langer dan zeven dagen uit zijne woonplaats verwijdert, behoeft daartoe de ver-
gunning van Onzen voornoemden Minister.
28.    Wordt een districts-schoolopziener aangewezen om een inspecteur te ver-
vangen, dan blijft hij niettemin met de waarneming zijner betrekking belast.
29.   Op den arrondissements-schoolopziener, die aangewezen wordt ter ver-
vanging van den districts-schoolopziener, gaan, zoolang de vervanging duurt,
alle diens bevoegdheden en verpligtingen over.
30.   De districts-schoolopziener bezoekt iedere openbare en bijzondere school
van lager onderwijs binnen zijn ambtsgebied ten minste eenmaal in de driejaren.
31.   Aan den districts-schoolopziener kan door Ons eene vaste som \'s jaars als
vergoeding voor reis- en verblijfkosten worden toegelegd.
32.    De districts schoolopziener verzamelt de inlichtingen omtrent de onder-
scheidene scholen en het daar gegeven onderwijs, door hem gevraagd uit eigen
beweging of op last van den Minister.
33.   Hij houdt, tenminste eenmaal in de drie maanden en verder zoo dik-
wijls hij het noodig acht, eene bijeenkomst met de arrondissements-schoolopzie-
ners in zijn district ter bespreking van de aan hen toevertrouwde belangen.
Hij roept hen daartoe, behalve in spoedeischende gevallen, ten minste drie
dagen te voren bijeen.
De kosten dezer bijeenkomsten komen ten laste van het Rijk (b).
34.   Na afloop van elk viercndeeljaars zendt de districts-schoolopziener aan
den inspecteur een staat betreffende de vergelijkende examens, door hem gehou-
den. Die staat vermeldt: 1°. het aantal sollicitanten; 2". het aantal op de voor-
dragt geplaatsten; 3°. de plaats die de door den gemeenteraad benoemde op de
voord ragt innam.
35.   Zoo dikwijls krachtens de artt. 21, 22 en 50 der wet van 17 Augustus
1878 {Staatsblad no. 127) de beslissing van den Minister wordtingeroepen, zendt
(o). De A. s o. doet rechtstreeks verantwoording aan de Algemeenc Rekenkamer, en doet jaar-
lijks. vóór 1 April, door tusschenkomst van den D.s. o., verslag van hetgeen door hem ter uit-
voering van art. 24 is gedaan. M.v.B.Z. 31 Dec. 1881 no. 4811, afd. O; Ilubr. IV 226—229. Mo-
dellen voor de verantwoording vastgesteld Mx.B.Z. 8 Maart 1882 no. 773. afd. O; Ilubr. ^187.
(o), \'t Is wensclielijk, ten einde groote uitgaven te vermeden, die bijeenkomsten ten huize van
den D.s.o. te houden. Zij kunnen ook in verschillende deelen van het district gehouden worden,
als dit niet tot groote uitgaven leiden zal. M.v.B.Z. 81 Jan., 28 Febr. en 4 Maart 1881 nrs. 368,
664 en 667, afd. O; Hubr. III 204—206; Ut. 681 en 686.
-ocr page 297-
281
de districts-schoolopziener aan dezen de stukken met eene beredeneerde toelich-
ting.
Zoodra \'s Ministers beslissing hem is bericht, brengt hij die onmiddellijk ter
kennis van belanghebbenden.
36.   Telkens wanneer de districts-schoolopziener de vergadering eener plaatse-
lijke commissie wil bijwonen of beleggen en hij de tegenwoordigheid van den
arrondissements-schoolopziener wenscheljjk acht, geeft hij dezen hiervan kennis,
met uitnoodiging mede tegenwoordig te zijn.
37.   Van elk proces-verbaal ter zake van overtreding, door hem opgemaakt
ingevolge art. 73 der wet van 17 Augustus 1878 [Staatsblad no. 127), zendt hij
binnen tweemaal vier en twintig uren afschrift aan den inspecteur.
38.   Bij de toepassing van de artt. 21, 22, 29, 31, 36 en 38 der wet van 17
Augustus 1878 {Staatsblad no. 127) wint de districts-schoolopziener het gevoc-
len van den arrondissements-schoolopziener in.
39.   Hij geeft regtstreeks aan Onzen voornoemden Minister en aan Gedepu-
teerde Staten alle inlichtingen, die van hem worden verlangd.
§ 3. Van de inspecteurs.
Art. 40. De inspecteur heeft zijne vaste woonplaats binnen zjjn ambtsgebied
ter plaatse door Onzen voornoemden Minister te bepalen.
41.   De inspecteur, die zich, behalve voor zijne ambtsbezigheden, langer dan
zeven dagen uit zijne woonplaats verwijdert, behoeft daartoe de vergunning van
Onzen voornoemden Minister.
42.   Op den districts-schoolopziener, die aangewezen wordt ter vervanging van
den inspecteur, gaan, zoolang de vervanging duurt, alle diens bevoegdheden en
verpligtingen over.
43.   De inspecteur bezoekt de openbare en bijzondere scholen van lager onder-
wijs, de kweekscholen, normaallessen en andere inrigtingen ter opleiding van
onderwijzers, binnen zijn ambtsgebied, zoo dikwijls hij dit noodig acht.
44.   Hij kan, acht hij dit noodig, bijeenkomen met de districts-schoolopzie-
ners van zijn ambtsgebied ter bespreking van de hun toevertrouwde belangen.
Behalve in spoedvercischende gevallen, roept hij hen dan ten minste drie
dagen te voren bijeen.
Hij kan ook arrondissements-schoolopzieners binnen zijn ambtsgebied tot het
bijwonen van zoodanige bijeenkomst uitnoodigen.
De kosten dezer bijeenkomsten komen ten laste van het Rijk.
45.   De inspecteurs worden ten minste eenmaal \'s jaars door Onzen voornoem-
den Minister bijeengeroepen, teneinde onder zijne leiding de algemeene belangen
van het lager onderwijs te overwegen (a).
46.   De inspecteur geeft aan Gedeputeerde Staten der provincie regtstreeks
alle inlichtingen en voorlichting, die zij van hem verlangen.
47.   Telkens wanneer de inspecteur de vergadering eener plaatselijke commis-
sie wil bijwonen of beleggen en de tegenwoordigheid van den arrondissements-
(a). Wenschen de inspecteurs onderling bijeen te komen om gewichtige punten te bespreken,
dan vragen zy de machtiging van den Minister. M.v.B.Z. SO Dec. 1880 lelt. N., ufd. O; Hubr.
III
193; Hl. 672.
-ocr page 298-
282
schoolopziener wenschelijk acht, geeft hij dezen hiervan kennis met uitnoodiging
mede tegenwoordig te zijn.
48. Dit besluit treedt in werking op het tijdstip, voor het in werking treden
der wet van 17 Augustus 1878 {Staatsblad no. 127) door Ons vast te stellen.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast enz.
TABEL, BEDOELD IN ARTIKEL 16, AANWIJZENDE DE GEMEENTEN EN GE-
DEELTEN VAN GEMEENTEN, TOT ELK SCHO0L-AKRONDIS8EMENT
BEHOOBENDE.
District \'s Hertogenbosch.. Het arrondissement \'s Hertogenbosch omvat de
gemeenten Berlicum, Bokhoven, Cromvoirt, Empel en Meerwijk, Engelen, Esch,
Haaren, Helvoirt, \'s Hertogenbosch, St. Michielsgestel, Rosmalen, Vught.
Het arrondissement Oss de gemeenten Alem ca., Berchem, Deursen e. a., Die-
den, Geffen, Heesch, Herpen, Huisscling ca., Lith, Lithoijcn, Mogen, Nistelrode,
Nuland, Oijen c a., Oss, Ravenstoin, Reek, Schaijk.
Het arrondissement Boxmeer de gemeenten Beors, Beugen e. a., Boxmeer, Cu\\jk
c. a., Escharon, Gassel, Grave, Haps, Linden, Maashees, Mill, Oeffolt, Oploo c a.,
Sambeek, Velp, Vierlingsbeek, Wanroij, Zeeland.
District Breda. Het arrondissement Breda omvat de gemeenten Breda, Chaam,
Dongen, Ginneken o. a., Oosterhoul, Princenhage, Rijsbergen, Teteringcn, Zun-
dert.
Het arrondissement Zevenbergen de gemeenten Etten en Leur, Fijnaart e. a.,
Hoeven c a., Klundert, Made en Drimmelen, Oudenbosch, Oud- en Nieuw-Gastel,
Rucphen, Standdaarbuiten, Terheijden, Willemstad, Zevenbergen, Zwaluwe.
Het arrondissement Bergen op Zoom de gemeenten Bergen op Zoom, Dintel-
oord ca., Halsteren, Huijbergen, Nieuw-Vosmeer, Ossendrecht, Putte, Roosendaal
ca., Steenbergen ca., Woensdrecht, Wouw.
District Tilburg. Het arrondissement Tilburg omvat de gemeenten Alphen
en Riel, Baarle-Nassau, Berckel ca., Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Hooge-
cn Lage-Mierde, Oisterwijk, Tilburg.
Het arrondissement Heusden de gemeenten Almkerk e. a., Andel, Drongelen c a.,
Dussen ca., Giessen, Hedikhuizen, Heesbeen ca., Herpt ca., Heusden ca.,
Meeuwen e. a., Oudheusden e. a., Rijswijk, Veen, Werken en Sleeuwijk, Werken-
dam, Woudricbem o. a., Wijk en Aalburg.
Het arrondissement Waalwijk de gemeenten Baardwijk, Besoijen, Cappelle, Dru-
nen, Geertruidenberg, \'s Gravemoer, Loon op Zand, Nieuwkuik c. a., Raamsdonk,
Sprang, Udenhout, Vlijmen, Vrijhoeve-Capelle, Waalwijk, Waspik.
Het arrondissement Oirschot de gemeenten Best, Bladel ca., Boxtel, Diessen,
Hoogeloon c. a., Liempde, Moergestel, Oirschot, Oostelbeers c a., Reusel, Ves-
sem o. a.
District Eindhoven. Het arrondissement Eindhoven omvat de gemeenten
Aalst, Borgeijk, Borkel en Schaft, Dommelen, Duizel en Steensel, Eersel, Eind-
hoven, Gestel en Blaarthem, Luijksgestel, Neunen e. a., Oerle, Riethoven, Stratum,
Strijp, Tongelre, Valkenswaard, Veldhoven ca., Waalre, Westerhoven, Woensel ca.,
Zeelst, Zesgehuchten.
Het arrondissement Helmond de gemeenten Aarle-Rixtel, Asten, Bakel e. a.,
Beek en Donk, Budel, Deurne c a., Geldrop, Heeze, Helmond, Leende, Lierop,
Lieshout, Maarheeze, Mierlo, Soerendonk, Someren, Stiphout, Vlierden.
Het arrondissement Veghel de gemeenten Boekei, Dinther, Dungen, Erp, Ge-
mert, Heeswijk, St. Oedenrode, Schijndel, Son en Breugel, Uden, Veghel.
District Arnhem. Het arrondissement Arnhem omvat de gemeenten Am-
hem, Brummen, Doorwerth, Renkum, Rheden, Rozendaal, Wageningen.
-ocr page 299-
283
Het arrondissement Harderwijk de gemeenten Barneveld, Ede, Ermelo, Harder-
wijk, Hoevelaken, Nijkerk, Putten, Scherpenzeel.
Het arrondissement Apeldoorn de gemeenten Apeldoorn, Doornspijk, Elburg,
Epe, Hattem, Heerde, Oldebroek, Voorst.
District Zutphen. Het arrondissement Zutphen omvat de gemeenten Gors-
sel, Hengelo, Laren, Loehem, Buurlo, Steenderen, Vorden, Warnsveld, Zelhem,
Zutphen.
Het arrondissement Groenlo de gemeenten Aalten, Borculo, Eibergen, Groenlo,
Lichtenvoorde, Neede, Winterswijk, Wisch.
Het arrondissement Doesburg de gemeenten Angerlo, Bergh, Didam, Dinxperlo,
Doesburg, Doetinchem (Ambt-), Doetinchem (Stad-), Duiven, Gendringcn, Herwen
en Aerdt, Hummelo, Pannerden, Wehl, Westervoort, Zevenaar.
District Tiel. Het arrondissement Tiol omvat de gemeenten Betnmel, Dode-
waard, Echteld, Eist, Gent, Hemmen, Heteren, Huissen, Kesteren, Lienden, Maurik,
Tiel, Valburg, Uzendoorn, Zoelen.
Het arrondissement Geldermalsen de gemeenten Beesd, Beusichem, Brakel, Bu-
ren, Buurmalsen, Culenborg, Deil, Est en Opijnon, Gameren, Geldermalsen, Haaften,
Herwijnen, Kerkwijk, Nederhemert, Ophemert, Poederoijen, Varik, Vuren, Waar-
denburg, Wadenoijen, Zuilichem.
Het arrondissement Zalt-Bommel de gemeenten Ammerzoden, Appeltern, Baten-
burg, Bergharen, Dreumel, Driel, Druten, Hedel, Heerewaarden, Horssen, Hurwe-
nen, Bossum, Wamel, Zalt-Bommel.
Het arrondissement Nijmegen de gemeenten Balgoij, Beuningen, Ewijk, Groes-
beek, Heumen, Millingen, Nijmegen, Overasselt, Ubbergen, Wijehen.
District \'s Gravenhage. Het arrondissement \'s Gravenhage omvat de ge-
meenten \'s Gravenhage, Wassenaar.
Het arrondissement Delft de gemeenten Berkel en Eodenrijs, Bleiswijk, Delft,
\'s Gravesande, Hof van Delft, Lier (de), Loosduinen, Monster, Naaldwijk, Nood-
dorp, Pijnacker, Bijswijk, Schipluiden, Stompwijk, Veur, Voorburg, Vrijenban, Wa-
teringen, Zegwaart, Zoetermeer.
Het arrondissement Leiden de gemeenten Hillegom, Katwijk, Leiden, Leider-
dorp, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Bijnsburg, Sassenheim, Val-
kenburg, Voorhout, Voorschoten, Warmond, Zoeterwoude.
Het arrondissement Woerden de gemeenten Aar (ter), Aarlanderveen, Alkemade,
Alphen, Barwoutswaarder, Benthuizen, Bodegraven, Boskoop, Hazerswoude, Kou-
dekerk, Leimuiden, Nieuwkoop, Nieuwveen, Oudshoorn, Eeeuwijk, Bietveld, Bijn-
saterwoude, Waarder, Weide (Lange Buige), Woerden, Woubrugge, Zevenhoven,
Zwammerdam.
District Rotterdam. Het arrondissement Botterdam omvat de gemeente Bot-
terdam.
Het arrondissement Gouda de gemeenten Ammerstol, Bergambacht, Berkenwou-
de, Cappelle a/d IJssel, Gouda, Gouderak, Haastrecht, Hekendorp, Krimpen a/d
Lek, Krimpen a/d IJssel, Lekkerkerk, Moercapelle, Moordreoht, Nieuwerkerk a/d
IJssel, Ouderkerk a/d IJssel, Oudewater, Papekop, Schoonhoven, Stolwijk, Vlist,
Waddinxveen, Zevenhuizen.
Het arrondissement Schiedam de gemeenten Barendrecht (Oost- en West-), Berg-
schenhoek, Charlois, Delfshaven («), Hillegersberg, Hoogvliet, Kralingen, Over-
schie, Pernis, Poortugaal, Eidderkerk, Bhoon, Schiebroek, Schiedam, IJsselmonde.
Het arrondissement Vlaardingen de gemeenten Abbenbroek, Brielle, Geervliet,
Heenvliet, Hekelingen, Hellevoetsluis, Hellevoet (Nieuw-), Kethel en Spaland,
Maasland, Maassluis, Nieuwenhoorn, Oostvoorne, Oudenhoorn, Bockanje, Eozen-
(«). Deze gemeente is verecnigd met Rotterdam b(j de wet van 4 December 1885 (S. no. 202).
-ocr page 300-
284
burg, Spijkenisse, Vierpolders, Vlaardingen, Vlaardingorambacht, Zuidland, Zwarte-
waal.
District Dordrecht. Het arrondissement Dordrocht omvat de gemeenten
Alblas (Oud-), Aiblasserdam, Beijerland (Nieuw-), Beijerland (Oud-), Beijerland
(Zuid-), Dordrecht, Dubbeldam, Goudswaard, \'s Gravendeel, Heerjansdam, Hcinen-
oord, Hendrik Ido Ambacht, Klaaswaal, Lokkorland (Nieuw-), Limit (Groote) (o),
Maasdam, Mijnsheerenland, Numansdorp, Papendrecht, Piershil. Pnttershoek, Slie-
drecht, Strijen, Westmaas, Zwijndrecht.
Het arrondissement Gorinehem do gemeenten Amoide, Arkel, Asperen, BIcs-
konsgraaf on Hofwegon, Brandwijk, Evordingen, Giessendam, Giessen-Niouwkerk,
Gorinehem, Goudriaan, Groot-Ammers, Hagestein, Hardinxveld, Hei- on Boeicop,
Heukclum, Hoogblokland, Hoornaar, Kedichem, Langerak, Leerbroek, Leerdam,
Lexmond, Meerkerk, Molenaarsgraaf, Nieuwland, Nieuwpoort, Noordeloos, Otto-
land, Peursum, Schellninen, Schoonrewoerd, Streefkerk, Tienhoven, Vianen, Wijn-
gaarden.
Het arrondissement Sommelsdijk de gemeenten Bommel (den), Dirksland, Goe-
dereode, Herkingen, Melissant, Middelharnis, Ooltgensplaat, Ouddorp, Sommels-
dijk, Stad aan \'t Haringvliet, Stellondam, Tonge (Nionwo), Tonge (Oude).
District Amsterdam. Het grondgobiod der gemoente Amsterdam is verdeeld
in twee arrondissementen, Oostelijk en Westelijk, door een scheidslijn, die aldus
loopt: van do zuidelijke grons der gemeente midden door de Oude Wetering tot
aan de Lijnbaansgracht tegenover de Weteringstraat; vervolgens oostwaarts mid-
den door de Lijnsbaansgraeht tot aan de Vijzelgracht; verder noordwaarts mid-
den door de Vijzelgracht en Vijzelstraat over het Sophiaplein tot in het Kokin;
voorts midden door het Bokin en de Beurssteeg tot den Dam; verder den Dam
over midden door de Beurs en het Damrak regt naar de grens der gemeente;
alles volgens de aanwijzingen op de door Onzen voornoemden Minister gewaar-
merkte kaart.
Het arrondissement Hilversum omvat de gemeenten Aalsmeer, Ankeveen, Blari-
cum, Bussiim, Diemen, \'s Gravcland, Hilversum, Huizen, Kortenhoef, Laren, Mui-
den, Naarden, Nederhorst den Berg, Nieuwer-Amstel, Ouder-Amstel, Sloten, Uit-
hoorn, Watergraafsmeer, Weesp, Weesperkarspel.
District Haarlem. Het arrondissement Haarlem omvat de gemeenten Benne-
broek, Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Haar-
lemmermeer, Heemstede, Schoten, Spaarndam, Velzen, Wijk aan zee en duin,
Zaudvoort.
Het arrondissement Alkmaar de gemeenten Akersloot, Alkmaar, Bergen, Broek
op Langedijk, Castricum, Egmond binnen, Egmond aan zee, Hoomskerk, Heer-
hugowaard, Heilo, Koedijk, Limmen, Noordscharwoude, Oterleek, Oudkarspel,
Ondorp, St. Tancras, Schoorl, Warmonhuizen, Zuidscharwoude, Zuid- on Noord-
Schermer.
Het arrondissement Helder de gemeenten Anna Paulowua, Barsingerhorn, Cal-
lantsoog, Harencarspel, Helder, St. Maarten, Nieuwe Niedorp, Oude Niedorp,
Petton, Schagen, Wieringen, Wieringerwaard, Winkel, Zijpe.
Het arrondissement Texel de gemeenten Terschelling, Texel, Vlieland.
District Hoorn. Het arrondissement Hoorn omvat de gemeenten Avenhorn,
Beemster, Beets, Berkhout, Graft, Hensbrock, Hoorn, Obdam, Oosthuizen, Ouden-
dijk, Bijp, Schermerhorn, Spanbroek, Ursem, Wognuni.
Hot arrondissement Medemblik de gemeenten Abbekerk, Andijk, Blokker, Boven-
karspel, Enkhuizen, Grootebroek, Hoogkarspel, Hoogwoud, Medemblik, Midwoud,
(a). Dcie gemeente is vereenlgd met Zwijndrecht b|j de wet van 28 Jnni 1881 (S. no. 106).
-ocr page 301-
285
Nibbixwoud, Opmeer, Opperdoes, Schellinkhout, Sijbekarspel, ïwisk, Urk, Ven-
huizen, Wei-verstoof, Westwoud, Wijdenes, Zwaag.
Het arrondissement Purmerend de gemeenten Broek in Waterland, Buiksloot,
Edam, Ilpendam, Katwoude, Kwadijk, Landsmeer, Marken, Middelie, Monnikendam,
Nieuwendam, Purmerend, Bansdorp, Warder, Wijdewormer.
Het arrondissement Zaandam de gemeenten Assendelft, Jisp, Koog aan de Zaan,
Krommenie, Oostzaan, Uitgeest, Westzaan, Wormer, Wormerveer, Zaandam, Zaan-
dijk.
District Middelburg. Het arrondissement Middelburg omvat de gemeenten
Aagtekerke, Arnemuiden, Biggekerke, Domburg, Grijpskerke, Koudekerke, Melis-
kerke, Middelburg, Nieuw- en St. Joosland, Oostkapelle, Oost- en West-Souburg,
Bittbem, Serooskerke (Walcheren), St. Laurens, Veere, Vlissingen, Vrouwepolder,
Westkapelle, Zoutelande.
Het arrondissement Oostburg de gemeenten Aardenburg, Biervliet, Breskens,
Cadzand, Eede, Groede, Heille (o), Hoofdplaat, Nieuwvliet, Oostburg, Eetranche-
ment, Schoondijke, St. Anna ter Muiden («), St. Kruis, Sluis, Waterlandkerkje,
IJzendijke, Zuidzande.
Het arrondissement Axel de gemeenten Axel, Boschkapelle, Clinge, Graauw,
Hengstdijk, Hoek, Hontenisse, Hulst, Koewacht, Ossenisse, Overslag, Philippine,
Sas van Gent, St. Jansteen, Stoppeldijk, Terneuzen, Westdorpe, Zaamslag, Zuid-
dorpe.
District Goes. Het arrondissement Goes omvat de gemeenten Baarland, Bors-
selen, Driewegen, Ellewoutsdijk, Goes, \'s Gravenpolder, \'s Heer Abtskerke, \'s Heer
Arendskerke, \'s Heerenhoek, Heinkenszand, Hoedekenskerke, Kapelle. Kattendijke,
Kloetinge, Krabbendijke, Kruiningen, Nisse, Oudelande, Ovezand, Billand-Bath,
Schore, Waarde, Wemeldinge, Wolfaartsdijk, Yerseke.
Het arrondissement Zierikzee de gemeenten Brouwershaven, Bruinisse, Burgh,
Dreischor, Duivendijke, Elkerzee, Ellemeet, Haamstede, Kerkwerve, Nieuwerkerk,
Noordgouwe, Noordwelle, Oosterland, Ouwerkerk, Eenesse, Serooskerke (Schouwen),
Zierikzee, Zonnemaire.
Het arrondissement Tholen de gemeenten Cats, Colijnsplaat, Cortgene, Oud-
Vossemeer, Poortvliet, Scherpenisse, St. Annaland, St. Maartensdijk, St. Philips-
land, Stavenisse, Tholen, Wissekerke.
District Utrecht. Het arrondissement Utrecht omvat de gemeenten Bilt (de),
Bunnik, Utrecht, Zeist.
Het arrondissement Loenen de gemeenten Abcoude-Baambrugge, Abcoude-
Proostdij, Breukelen-Nijenrode, Breukelen-St. Pieters, Koekengen, Laagnieuwkoop,
Loenen, Loenersloot, Loosdrecht, Maarssen, Maarsseveen, Mijdrecht, Nigtevecht,
Euwiel, Tienhoven, Vinkeveen en Waverveen, Vreeland, Wilnis, Zuijlen.
Het arrondissement Amersfoort de gemeonten Achttienhoven, Amersfoort, Baarn,
Bunschoten, Eemnes, Hoogland, Leusden, Maartensdijk, Soest, Stoutenburg, West-
broek.
Het arrondissement Bhenen de gemeenten Amerongen, Cothen, Doorn, Drieber-
gen, Houten, Langbroek, Leersum, Maarn, Odijk, Eenswoude, Ebenen, Eijsenburg,
Schalkwijk, Tuil en \'t Waal, Veenendaal, Werkhovon, Wijk bij Duurstede, Wouden-
berg.
Het arrondissement IJsselstein de gemeenten Benschop, Haarzuilens, Harmeien,
Hoenkoop, Jaarsveld, Jutphaas, Kamerik, Linschoten, Lopik, Montfoort, Ouden-
rijn, Polsbroek, Suelrewaard, Veldhuizen, Vleuten, Vreeswijk, Willeskop, Willige
Langerak, IJsselstein, Zegveld.
(u). Deze gemeenten zijn vereenigd met Sluis bij de «et van A\'A April 1880 (S. no. til).
-ocr page 302-
286
District Leeuwarden. Het arrondissement Leeuwarden omvat de gemeenten
Leeuwarden, Leeuwarderadeel, Menaldumadeel.
Het arrondissement Harlingen de gemeenten Barradeel, \'t Bildt, Franeker, Fra-
nekeradeel, Harlingen.
Het arrondissement Dockum de gemeenten Ameland, Dockum, Ferwerderadeel,
Oostdongeradeel, Schiermonnikoog, Westdongeradeel.
Het arrondissement Veenwouden de gemeenten Aehtkarspelen, Dantumadeel,
Kollumerland en Nieuwkruisland, Tietjerksteradeel.
District Heerenveen. Het arrondissement Heerenveen omvat de gemeenten
Ooststellingwerf, Schoterland, Weststellingwerf.
Het arrondissement Beetsterzwaag de gemeenten Aengwirden, Idaarderadeel,
Opsterland, Smallingerland, Utingeradeel.
Het arrondissement Lemmer de gemeenten Doniawerstal, Gaasterland, Hasker-
land, Hemelumer Oldephaert en Noordwolde, Hindeloopen, Lemsterland, Sloten,
Stavoren.
Het arrondissement Sneek de gemeenten Baarderadeel, Rauwerderhem, Sneek,
Wijmbritseradeel, IJlst.
Het arrondissement Bolsward de gemeenten Bolsward, Hennaarderadeel, Won-
seradeel, Workum.
District Zwolle. Het arrondissement Zwolle omvat de gemeenten Dalfsen,
Heino, Nieuwleusen, Zwolle, Zwollerkerspel.
Het arrondissement Kampen de gemeenten Genemuiden, Grafhorst, Hasselt,
Kampen, Kamperveen, Vollenhove (Ambt-), Vollenhove (Stad-), Wilsum, IJsselmui-
den, Zalk en Veecaten, Zwartsluis.
Het arrondissement Ommen de gemeenten Avereest, Gramsbergen, Ham (den),
Hardenberg (Ambt-), Hardenberg (Stad-J, Ommen (Ambt-), Ommen (Stad-).
Het arrondissement Steenwijk de gemeenten Blankenham, Blokzijl, Giethoorn,
Kuinre, Oldemarkt, Staphorst, Steenwijk, Steenwijkerwold, Wanneperveen.
District Deventer. Het arrondissement Deventer omvat de gemeenten Bath-
men, Deventer, Diepenveen, Holten, Olst, Baalte, Wijhe.
Het arrondissement Almelo de gemeenten Almelo (Ambt-), Almelo (Stad-), Borne,
Hellendoorn, Hengelo, Bijssen, Vriezenveen, Wierden.
Het arrondissement Enschedé de gemeenten Delden (Ambt-), Delden (Stad-),
Diepenheim, Enschedé, Goor, Haaksbergen, Lonneker, Markelo.
Het arrondissement Ootmarsum de gemeenten Denekamp, Losser, Oldenzaal,
Ootmarsum, Tubbergen, Weerselo.
District Groningen. Het arrondissement Groningen omvat de gemeenten
Adorp, Groningen, Haren.
Het arrondissement Zuidhorn de gemeenten Aduard, Ezinge, Grijpskerk, Groote-
gast, Hoogkerk, Leek, Marum, Oldehove, Oldekerk, Zuidhorn.
Het arrondissement Onderdendam de gemeenten Baflo, Bedum, Eenrum, Kan-
tens, Kloosterburen, Leens, Middelstum, Ulrum, Usquert, Warffum, Winsum.
Het arrondissement Appingedam de gemeenten Appingedam, Bierum, Delfzijl,
Loppersum, Stedum, Uithuizen, Uithuizermeeden, \'t Zandt.
District Winschoten (o). Het arrondissement Winschoten omvat de gemeen-
ten Beerta, Finsterwolde, Midwolda, Nieuwe Schans, Nieuwolda, Scheemda, Ter-
munten, Winschoten.
Het arrondissement Hoogezand de gemeenten Hoogezand, Noordbroek, Noord-
dijk, Sappemeer, Slochteren, Ten Boer, Zuidbroek.
(.u). De tot hot district Winschoten behoorende arrondissementen zijn, zooals ze hier zijn
vermeld, nader geregeld !>g besluit van 20 October 1883 (S. no. 146).
-ocr page 303-
287
Het arrondissement Veendam de gemeenten Meeden, Mnntendam, Oude Fekela,
Veendam, Wildervank.
Het arrondissement Onstwedde de gemeenten Bellingwolde, Nieuwe Pekela,
Onstwedde, Vlagtivedde, Wedde.
District Assen. Het arrondissement Assen omvat de gemeenten Assen, Eelde,
Norg, Peize, Eoden, Bolde, Smilde, Vries.
Het arrondissement Borger de gemeenten Anlo, Borger, Gasselte, Gieten, Odoorn,
Zuidlaren.
Het arrondissement Emmen de gemeenten Coevorden, Dalen (a), Emmen, Sleen.
Het arrondissement Hoogeveen de gemeenten Beilen, Hoogeveen, Oosterhesselen,
Weaterbork, Zuidwolde, Zweelo.
Het arrondissement Meppel de gemeenten Diever, Dwingelo, Havelte, Meppel,
Nijeveen, Ruinen, Ruinerwold, Vledder, Wijk (de).
District Maastricht. Het arrondissoment Maastricht omvat de gemeenten
Cadier en Keer, Eijsden, Gronsfeld, Gulpen, Heer, Maastricht, Margraten, Mesch,
Mheer, Noordbeek, Oud-Vroenhoven, Bijckholt, St. Geertruid, St. Pieter, Slenaken,
Wittem.
Het arrondissement Meerssen de gemeenten Ambij, Beek, Bemelen, Berg en
Terblijt, Borgharen, Bunde, Elsloo, Geulle, Houthem, Hulsberg, Itteren, Meerssen,
Oud-Valkenburg, Sehimmert, Schin op Geulle, Stein, Ulestraten, Valkenburg,
Wijlre.
Het arrondissement Heerlen de gemeenten Amstenrade, Bocholtz, Brunssum,
Eijgelshoven, Heerlen, Hoensbroek, Kerkrade, Klimmen, Nieuwenhagen, Nuth,
Bimburg (4), Schaesberg, Simpelveld, Ubach over Worms, Vaals, Voerendaal, Wij-
nandsrade.
Het arrondissement Sittard de gemeenten Bingelrade, Bom, Broek-Sittard,
Geleen, Grevenbicht, Jabeek, Limbricht, Merkelbeek, Munstergeleen, Nieuwstadt,
Obbicht en Papenhoven, Oirsbeek, Roosteren, Schinnen, Schinveld, Sittard, Spau-
beek, Susteren, Urmond.
District Roermond. Het arrondissement Roermond omvat de gemeenten
Buggenum, Echt, Haelen, Herkenbosch en Melick, Herten, Horn, Linne, Maas-
bracht, Maasniel, Montfort, Nunhem, Ohé en Laak, Posterholt, Roermond, St. Odi-
lienberg, Stevensweert, Swalmen, Vlodrop.
Het arrondissement Weert de gemeenten Baexem, Beegden, Grathem, Heel en
Panheel, Heijthuizen, Hunsel, Ittervoort, Meijel, Nederweert, Neeritter, Roggel,
Stamproij, Thorn, Weert, Wessem.
Het arrondissement Venlo de gemeenten Arcen en Velden, Beesel, Belfeld, Grub-
benvorst, Helden, Horst, Kessel, Maasbree, Neer, Sevenum, Tegelen, Venlo.
Het arrondissement Gennep de gemeenten Bergen, Broekhuijzen, Gennep, Meerlo,
Mook en Middelaar, Ottersum, Venray, Wanssum.
(a). Deze gemeente is gesplitst in twee gemeenten, Dalen en Schoonebeek, bij de wet van 25
April 1884 (S. no 65).
(?>). Deze gemeente is vereenigd met Ubach over Warms liij de wet van 10 December 1886 (8.
no. 212).
-ocr page 304-
288 .
KONINKLIJK BESLUIT van den 8sten Febrcarij 1881 (S. no.
26), HOUDENDE BEPALINGEN NOPENS DE BIJDRAGEN VOOR PEN-
SIOEN EN DE PENSIOENEN VAN ONDERWIJZERS EN ONDERWIJ-
ZERESSEN BIJ OPENBARE LAGERE SCHOLEN.
Wij WILLEM III, enz.
Overwegende, dat tengevolge van de in werking treding (met 1 November
1880) van de wet van den 17den Augustus 1878 (Staatsblad no. 127) de bij
Onze besluiten van den 24sten Maart 1858 (Staatsblad no. 14) en den 30sten
Januarij 18G1 (Staatsblad no. 6) vastgestelde bepalingen op de inning, ver-
antwoording en controle der bijdragen voor pensioen van onderwijzers bij
openbare lagere scholen en nopens andere punten, de pensioenen dier onder-
wijzers betreffende, door eene nieuwe regeling moeten worden vervangen;
Gezien de artt. 26, 29, 37, 40, 41, 42 en 86 der voormelde wet;
Den Eaad van State gehoord enz.
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. I. De grondslag, naar welken door onderwijzers en onderwijzeressen
bij openbare lagere scholen voor pensioen is bij te dragen, bestaat uitsluitend
uit het volle bedrag van ieders jaarwedde als zoodanig, verhoogd voor hen,
die aan het hoofd eener school zijn geplaatst, met het bedrag van de door
Gedeputeerde Staten der provincie bepaalde geldelijke waarde van het genot
van vrije woning of vergoeding voor huishuur.
Het bedrag dier grondslagen wordt door Gedeputeerde Staten ter kennis van
de gemeentebesturen en door deze ter kennis van de belanghebbenden gebragt.
2.   De naar die grondslagen verschuldigde bijdragen voor pensioen worden
voor een evenredig gedeelte bij de uitbetaling van eiken termijn op de jaar-
wedden der belanghebbenden ingehouden.
3.   Het gezamenlijk bedrag der volgens art. 2 door elk gemeentebestuur
gedane inhoudingen wordt, na afloop van elk halfjaar, aangewezen op de be-
grootingsposten, uit welke de jaarwedden der betrokken onderwijzers en on-
derwijzeresseu zijn gekweten en vervolgens bij een arrondissements-betaalmees-
ter gestort.
De quitantien dier stortingen worden, met bijvoeging eener gespecificeerde
aanduiding van de daarin begrepen bijdragen, aan Gedeputeerde Staten der
provinciën ingezonden binnen eene maand na afloop van het halfjaar over
hetwelk de inhoudingen zijn geschied («).
4.   Vóór of op lo. September en vóór of op lo. Maart van elk jaar zenden
Gedeputeerde Staten aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken lijsten in
duplo
tot aanwijzing, voor zooveel hunne provincie betreft, van de veranderingen,
(ü). Bij K.B. 22 Augustus 1881, no. 40, is vrijstelling van zegelrecht verleend voor de be-
velschriften meer dan AIO bedragende, door de gemeentebesturen af te geven wegens ingehou-
den bgdragen voor bet pensioen van onderwijzers en onderwijzeressen, onder voorwaarde dat op
die stukken worde aangeteekend: Vrij ran zegel, ingevolge Kuninklyk besluit run de» 22 Augu$-
lm
1881 110. 40.
-ocr page 305-
289
welke gedurende de met ultimo Junij en ultimo December bevorens geëindigde
halfjaren in het personeel der onderwijzers en onderwijzeressen bij openbare
lagere scholen en in het bedrag hunner grondslagen voor pensioen geschied zijn.
Deze lijsten worden ingerigt naar het bij dit besluit gevoegde model A.
5.   Gelijktijdig met de overmaking aan het Departement van Binnenland-
sche Zaken van de lijsten, voorgeschreven bij art. 4, zenden Gedeputeerde
Staten de quitantien, bedoeld bij art. 3, aan het Departement van Financien,
met bijvoeging van twee lijsten, waarvan een het bedrag aanwijst, door eiken
belanghebbende bijgedragen, en de andere de quitantien vermeldt, welke tot
verantwoording dier bijdragen worden overgelegd.
Deze lijsten worden ingerigt naar de bij dit besluit gevoegde modellen B en C.
De lijsten volgens model C worden in duplo ingezonden.
6.    De controle der bij dit besluit bedoelde bijdragen voor pensioen blijft
opgedragen aan den Raad van Toezigt op het pensioenfonds voor burgerlijke
ambtenaren.
7.   Tot de uitoefening dier controle worden aan genoemden Raad ingezonden :
a.   door het Departement van Binnenlandsche Zaken een exemplaar der
lijsten, opgemaakt volgens model A;
b.   door het Departement van Financien de lijsten, opgemaakt volgens model
B, vergezeld van de verklaring, dat het beloop van de daarin aangewezen bij-
dragen in \'s Rijks kas is gestort.
8.   De pensioenen, krachtens art. 37 der wet van den 17den Augustus 1878
(Staatsblad no. 127) door Ons te verleenen, worden gebragt op de begrootin-
gen voor het Departement van Binnenlandsche Zaken, bij het Departement van
Financien ingeschreven in het grootboek der pensioenen, verleend volgens art.
25 der wet van den 13den Augustus 1857 (Staatsblad no. 103), en door de
zorg van laatstgenoemd Departement, op dezelfde wijze als de overige pensioenen,
ten laste van den Staat uitbetaald.
OVERGANGSBEPALINGEN.
Artt. 9,10, II. (<*).
12. Dit besluit treedt in werking met den vijfden dag na dien zijner afkon-
diging.
Onze voornoemde Ministers (van Financien en van Binnenlandsche Zaken)
zijn ieder, voor zooveel hem aangaat, belast enz.
(«). Artt. 9 en 11 regelden de Btorting der bijdragen over de tijdvakken van 1 Juli tot 31 Octo-
ber en van 1 November tot 31 December 1680. Deze artt. hebben thans geene «aarde meer en
zgn daarom niet opgenomen.
By art. 10 worden de K.B. van 24 Maart 1858 (S. no. 11) en 30 Jan. 18C1 (S. no. 6) ingetrokken.
19
WET L. O.
-ocr page 306-
290
<1
o
O
o S
P 3
3
5\' 2
i
OEGE
•Ö 00
5 g
QQ £->
i-3
O
o" O
H
ta: 3
02
& o, g
*ï Sr B
H3
Ü S &
fe
OQ CD
B ,X
. 09
ö
Oorzaak
der
verandering.
Tijdstip
van
ingang.
W
S\' 3"
09 £.
SS
M
>e no
and-
aats.
«H
&
H3
l
O
&
H
\'
M
oa
H3
-f <
uk
o
lil.;
a
ö
-----
ff<i
P S.
5K
Gezamenlijk
bedrag
als grondslag.
S il
2
& |
BB 1
09 \'
B \'
F
I
a
<
NOTA.
O
5
<!
3
O
nog
verlij
oor de nieuw
. dez
•a
den,
slechts
elfde pr
ze lijste
ingevf
s
*
IOIIIAO
n won
5\'3 §
g o-g,
» g-g
» 3 ïfi
S 3 5
» 5.
8 f
o
3
►3
I
I
5III
I
g
3"
5
B
w e*-
o
►d <
la
1
er <6
5
g &
^
3 »
(I
£ B"
09 p
O
2 ö
» »
»
ï
i
w
o
5 \\ &£?
£$ a 3
*ö ^ o o
iifs1
0 3 * ^
31 I •* B*
a> g. m N
*5 a "-i (D
CTQ S 88 -4
1£ CM & B
» * S «
M •?» *3 Cj
i<-. E.
o
1!
n o- 2
23 ft
B 09
2ioB
ll§5
1
03
I
Hl
<&
-ocr page 307-
291
Model B.
PBOTINCIE
ocrsto
LIJST van de over het------t- halfjaar 18 . . geïnde bijdragen voor pen-
sioen van de onderwijzers en onderwijzeressen aan de openbare lagere
scholen in bovenvermelde provincie.
ü
i
a
«
13
•s
3
s<
p
•9
c
e
1
M
m
Grondslag
der
bijdrage.
Verantwoord
beloop.
Belang-
hebbenden.
Aanmerkingen.
Deugdelijk verklaard door ons Gedeputeerde Staten der provincie
Te . .........den.....
Model C.
PROVINCIE
LIJST der quitantien van in \'s Rijks schatkist gedane stortingen, wegens
eerste
de over het .-----j- halfjaar 18 . . geïnde bijdragen voor pensioen van
de onderwijzers en onderwijzeressen aan de openbare lagere scholen
in bovenvermelde provincie.
Kantoor
van den
betaalmeester.
Kantoor
van den
betaalmeester.
Bedrag.
Bedrag.
I
te a
S> a
Transp.
Per. tr.
Aldus opgemaakt door ons Gedeputeerde Staten der provincie
Te..........den . . .
19*
-ocr page 308-
292
KONINKLIJK BESLUIT van den eden Mei 1883 (S. no. 41), waar.
BIJ, MEI INTREKKING DER KONINKLIJKE BESLUITEN VAN 1 Mei
1882 (Staatsblad no. 59) en van 5 December 1882 (Staatsblad
no. 152), worden vastgesteld algemeene regelen omtrent
DEN BOUW EN DE INRICHTING VAN SCHOOLLOKALEN («).
Wu WILLEM III enz.
Overwegende, dat het wenschelijk is Ons besluit van 1 Mei 1882 (Staats-
blad
no. 59) ter uitvoering van art. 4 der wet van 17 Augustus 1878 (Staats-
blad
no. 127), zooals het is gewijzigd bij Ons besluit van 5 December 1882
(Staatsblad no. 152), te herzien;
Gezien de artt. 50 en 87 dier wet, alsmede art. 2 der wet van 25 April
1879 (Staatsblad no. 87) en art. 1 der wet van 27 Juli 1882 (Staatsblad no.
117);
Den Raad van State gehoord enz.
Hebben goedgevonden en verstaan vast te stellen de volgende/ „Agemeene
regelen omtrent den bouw en de inrichting van schoollokalen".
\\ 1. Van lokalen, te stichten of in gebruik te nemen voor
openbaar lager onderwijs (b).
Art. I. Bij het bestek voor den bouw eener school legt het gemeentebestuur
aan den districts-schoolopziener over:
1". een uittreksel uit de kadastrale kaart binnen een kring van 200 M. straal
rondom het terrein aanwijzende bet perceel met zijne naaste belendingen, zoo-
mede de binnen dien kring gelegen inrichtingen, bedoeld bij de wet van 2
Juni 1875 (Staatsblad no. 95);
2°. teekeningen van den platten grond, de doorsneden en het uitwendige op
de schaal van 1 tot 100;
3°. eene begrooting van kosten.
In geval van verbouwing of uitbreiding eener school is de overlegging der sub
2°. en 3°. omschreven stukken voldoende.
2.   De nabijheid binnen den in art. 1 aangewezen kring van inrichtingen en
plaatsen, nadeelig voor de gezondheid of belemmerend voor het onderwijs, wordt
bij het stichten eener school zooveel doenlijk vermeden.
Laat het beschikbaar terrein dit toe, dan worden het schoolgebouw en de
onderwijzerswoning, zoo deze daaraan verbonden is, opgericht vrij van andere
gebouwen.
3.   Waar ophooging van het terrein, waarop het schoolgebouw wordt gesticht,
vereischt wordt om het gebouw watervrij te maken, heeft die ophooging plaats
tot ten minste 0,5 M. boven den hoogsten waterstand der omgeving.
4.   Er is binnen \'s huis geen gemeenschap tusschen schoolgebouw en onder-
wijzerswoning.
(a). Verg. de aantt. 6 tot 10 onder art. i der wet.
(/<). Op een aan eene bestaande school aan te bonwen lokaal is niet de tweede, docb de eerBte pa-
ragraaf van het besluit van toepassing. M.v.H.Z. 27 Febr. en 13 Maart 1888 nr>. 493 en 039, «/</.
O; Ilt. 673.
-ocr page 309-
293
5.   Elk schoolvertrek wordt voor niet meer dan 100 leerlingen bestemd.
Vertrekken voor meer dan 50 leerlingen worden zoo ingericht, dat zij door
eene afscheiding in twee doelmatige vertrekken kunnen worden verdeeld.
6.   De vlakke inhoud van elk schoolvertrek bedraagt ten minste 0,8 M\'2. voor
iederen leerling. De lichamelijke inhoud van elk schoolvertrek bedraagt ten
minste 3,6 M3. voor iederen leerling.
De hoogte tusschen den vloer en de zoldering bedraagt ten minste 4,5 M.
7.   De afstand tusschen den werkmuur en de voorste bank is ten minste 1,3
M.; de overige gangpaden langs de muren of de afscheiding zijn ten minste 0,6
M. breed en de gangpaden tusschen de naast elkander geplaatste rijen banken
hebben een breedte van ten minste 0,4 M.
De afstand tusschen den werkmuur en de leuning der daarvan verst verwij •
derde banken is niet grooter dan 6,5 M.
8.   De wanden van het schoolvertrek zijn licht en mat gekleurd.
De vlakken der schoolborden zijn mat.
9.   Het schoolgebouw is in allen deele stevig en eenvoudig.
De buitenmuren hebben ten minste 0,23 M. dikte.
10.   De lichtramen worden zoo geplaatst en ingericht, dat het schoolvertrek
voldoende en doelmatig verlicht zij en dat te sterk invallend licht worde ge-
temperd.
Zij worden bij voorkeur geplaatst in den muur ter linkerzijde der leerlin-
gen en nimmer in den werkmuur.
Het bovengedeelte der in de muren aangebrachte lichtramen moet ten allen
tijde gemakkelijk kunnen worden geopend.
11.   Indien de vloer van het schoolvertrek niet geheel van hout is, behooren
althans de vrije ruimte vóór den werkmuur met hout belegd en de zitbanken
van voetplanken of latten voorzien te zijn.
12.   De deuren van liet schoolvertrek zijn niet in onmiddellijke gemeenschap
met de buitenlucht.
De gangen en portalen zijn behoorlijk verlicht, ten minste 2 M. breed en niet
lager dan 2,5 M.
13.   De schoolbanken worden voorzien van eene lendenleuning.
De schoolbanken hebben niet meer dan twee zitplaatsen.
Het tafelblad van een voldoend aantal der schoolbanken wordt ingericht
voor de handwerken voor meisjes.
14.   Bij elk schoolgebouw is een voldoend aantal privaten. Gebouwen, waar
jongens ter school gaan, zijn bovendieu van de noodige waterplaatsen voorzien.
Voor jongens en voor meisjes zijn afzonderlijke privaten ingericht.
JEen getal privaten, overeenstemmende met het getal schoolvertrekken, wordt
als voldoende beschouwd. Hetzelfde geldt voor de waterplaatsen. Alle priva-
ten zijn voorzien van deuren.
Privaten en waterplaatsen, met het schoolvertrek gemeenschap hebbende, zijn
daarvan gescheiden door voorportalen.
Er bestaat geen gemeenschap tusschen de privaten of de waterplaatsen onderling,
noch tusschen de daarvoor geplaatste portalen ; vóór een jongensprivaat en de
daaraangrenzende waterplaats mag een gemeenschappelijk portaal ingericht wor-
den.
-ocr page 310-
294
Privaten, waterplaatsen en voorportalen zijn behoorlijk verlicht en van vol-
doende middelen tot luchtverversching voorzien. De plaatsing der privaten
en waterplaatsen moet zoodanig zijn, dat behoorlijk toezicht op gemakkelijke
wijze te houden zij.
De diepte der portalen is minstens 1 M., de hoogte minstens 2,5 M. De
diepte der privaten is minstens 1 M., de breedte minstens 0,8 M. De breedte
der waterplaatsen is minstens 0,6 M.
15.   Voldoende middelen («) tot verwarming en luchtverversching worden in
elk schoolvertrek aangebracht.
16.   Het bergen van kleederen in de schoolvertrekken is verboden.
Als bergplaatsen worden gebruikt gangen, portalen of daartoe ingerichte ver-
trekken, die behoorlijk verlicht en van luchtverversching zijn voorzien.
§ 2. Van lokalen, waar reeds openbaar lager onderwijs werd gegeven
bij het in werking treden der wet van 17 Augustus
1878 (Staatsblad no. 127).
Art. 17. De vlakke inhoud van elk schoolvertrek bedraagt voor iederen leer-
ling ten minste 0.65 Ms., de lichamelijke inhoud ten minste 3 M3.
18. De lokalen worden vóór 1 Januari 1886 (b) in overeenstemming gebracht
met de regelen, vastgesteld bij de artt. 4, 8, 10, 3de lid, 11, 13, 1ste en 3de
lid, II\' en 15.
Art. 13, 2de lid, vindt toepassing zoodra de schoolbanken door nieuwe ver-
vangen worden.
Van de regelen, vastgesteld bij de artt. 4 en 14, 4de en volgende alinea\'s,
kan de districts-schoolopziener ontheffing verleenen.
§ 3. Van lokalen, te stichten of in gebruik te nemen voor
openbaar middelbaar onderwijs.
Art. 19. Op deze lokalen zijn van toepassing de regelen, vastgesteld bij de
artt. 2 tot eu met 4, 6 tot en met 10, 12, 13, 1ste en 2de lid, 14 en 15.
§ 4. Van lokalen, waar reeds openbaar middelbaar onderwijs werd
gegeven bij het in werking treden der wet van 17 Augustus
1878 (Staatsblad no. 127).
Art. 20. Op deze lokalen is art. 17 van toepassing. Zij worden vóór 1 Janu-
ari 1886 (b) in overeenstemming gebracht met de regelen, vastgesteld bij de artt.
4, 8, 10, 3de lid, 13, lste lid, 14 en 15.
Art. 13, 2de lid, vindt toepassing zoodra de schoolbanken door nieuwe wor-
den vervangen.
Van de regelen, vastgesteld bij de artt. 4 en 14, 4de en volgende alinea\'s, kan
de inspecteur van het middelbaar onderwijs ontheffing verleenen.
(a). Het openen der liclitramcn maakt geen deel nit van de „middelen" in art. 15 bedoeld, zoo-
dat door het voldoen aan art. 10, 3e lid, nog niet is voldaan aan art. 16. M.v.B.Z. 31 Jan. 1888 no.
188, afd. O; Ht. 672.
(4). De termijn ia tot 1 Januari 1890 verlengd by K.B. 30 Augustus 1881 (S. no. 197).
-ocr page 311-
295
§ 5. Van lokalen, te stichten of in gebruik te nemen voor door ge-
meenten gesubsidieerd bizonder lager of voor bizonder
middelbaar onderwijs.
Art. 21. De lichamelijke inhoud van elk schoolvertrek bedraagt ten minste
3 M8. voor iederen leerling.
De artt. 10, 1ste en laatste lid, 13,1ste lid, en 15 zijn hier van toepassing.
§ 6. Van lokalen, waarin reeds door geneenten gesubsidieerd bizon-
der lager of waarin bizonder middelbaar onderwijs werd gege-
ven bij bet in werking treden der wet van
17 Augustus
1878 (Staatsblad no. 127).
Art. 22. De lichamelijke inhoud van elk schoolvertrek bedraagt ten minste
3 M3. voor iederen leerling.
De lokalen worden vóór 1 Januari 1886 («) in overeenstemming gebracht met
de bepaling van art. 15.
§ 7. Algemeene slotbepalingen.
Art. 23. Bij de toepassing der artikelen betreffende schoollokalen van mid-
delbaar onderwijs treedt de inspecteur van het middelbaar onderwijs in de plaats
van den districts-sclioolopziener.
24.   Op schoolvertrekken, uitsluitend bestemd voor onderwijs in de gymnastiek
of voor laboratorium, zijn de artt. 5, 6, 7, 8, 10, 2de lid, 11, 12 en 13 niet van
toepassing.
De artt. 5, 7, 8, 1ste lid, en 13 zijn niet van toepassing op schoolvertrekken
uitsluitend bestemd voor teekenonderwijs.
25.   Het hoofd der school laat in geen vertrek meer leerlingen toe dan het
naar de regelen van dit besluit mag bevatten.
Ten aanzien van scholen, waar reeds onderwijs werd gegeven bij het in wer-
king treden der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), geldt dit
verbod met ingang van 1 Januari 1886 («).
Het hoofd eener school, waarop art. 7 of art. 19 is toegepast, draagt zorg
dat bij het gebruik van die school de afstanden, in art. 7 omschreven, steeds
worden in acht genomen.
26.   Op lokalen, gesticht of in gebruik genomen na het in werking treden
der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127) en vóór het in werking
treden van dit besluit, zijn de voorschriften in § 1, 3 en 5 van dit besluit van
toepassing, voor zoover de daarin gestelde eischen reeds voorkwamen in Onze
besluiten van 30 Augustus en 20 October 1880 (Staatsblad no. 167 en 181).
De bouw en verbouw van scholen en onderwijzerswoningen, waarvoor de be-
stekken bij het in werking treden van dit besluit zijn goedgekeurd, kunnen
overeenkomstig het bestek worden uitgevoerd.
27.   Onze besluiten van 1 Mei 1882 (Staatsblad no. 59) en van 5 December
1882 (Staatsblad no. 152) worden ingetrokken.
28.   Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na dien der dagtee-
kening van het Staatsblad en van de Staatscourant, waarin het geplaatst is.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast enz.
(.u). Zie de aanteekening op art. 18.
-ocr page 312-
296
KONINKLIJK BESLUIT van den 19den Februari 1890 (S. no. 26),
TER UITVOERING VAN ART. Öibis DER WET TOT REGELING VAN
HET LAGER ONDERWIJS, LAATSTELIJK GEWIJZIGD BIJ DIE VAN
8 December 1889 {Staatsblad no. 175).
Wij WILLEM III, enz.
Overwegende, dat door Ons de noodige voorschriften moeten gegeven worden
tot uitvoering van art. bil/is der wet tot regeling van het lager onderwijs, laat-
stel ijk gewijzigd bij die van 8 December 1889 {Staatsblad no. 175);
Gelet op artikel 5 van laatstgenoemde wet;
Den Raad van State gehoord enz.
Hebben goedgevonden en verstaan, te bepalen:
Art. I. Jaarlijks in de tweede helft der maand Januari zendt liet bestuur der
bijzondere lagere school dat op de Rijksbijdrage, bedoeld bij art. bibis der wet
tot regeling van het lager onderwijs aanspraak maakt, aan den districts- en aan
den arrondissements schoolopziener in wier ambtsgebied de school gelegen is,
eene opgave:
1°. van de namen, voornamen en ouderdom van de op den eersten dag dier
maand aan de school verbonden onderwijzers bedoeld in artt. 23 en 24 dier
wet, met vermelding van de akten van bekwaamheid die zij bezitten en tevens
of zij aan andere scholen verbonden zijn;
2°. van het aantal kinderen dat op den vijftienden dag dier maand als wer-
kelijk schoolgaande bekend stond, met vermelding van het aantal kinderen boven
de zes jaren.
Bij opening der school in den loop van een jaar zendt het bestuur aan den
districts- en aan den arrondisseraents-schoolopziener eene opgave:
1°. binnen tien dagen na die opening, van de namen, voornamen en ouder-
dom van de bij de opening aan de school verbonden onderwijzers, bedoeld in artt.
23 en 24 der wet, met vermelding van de akten van bekwaamheid die zij be-
zitten en tevens of zij aan andere scholen verbonden zijn;
2°. binnen tien dagen na den laatsten dag der maand volgende op die waarin
de school geopend is, van het aantal kinderen dat op gemelden laatsten dag als
werkelijk schoolgaande bekend stond, met vermelding van het aantal kinderen
boven de zes jaren.
Van elke vacature en van elke verandering in het onderwijzend personeel,
in het 1ste en 2de lid sub 1°. bedoeld, in den loop van het jaar voorkomende,
doet het bestuur aan den districts- en aan den arrondissements-schoolopziener
mededeeling binnen tien dagen nadat zij is ontstaan.
De opgave in het 1ste lid bedoeld, wordt voor de eerste maal ingezonden in
de maand Maart 1890 doch in stede van het aantal kinderen op 15 Januari 1890
wordt daarin vermeld het aantal kinderen dat op 31 December 1889 als werke-
lijk schoolgaande bekend stond, zoomede het aantal kinderen boven de zes jaren.
2. Jaarlijks vóór den aanvang van het schooljaar zendt het bestuur der bij-
zondere lagere school dat op de Rijksbijdrage, in art. 1 genoemd aanspraak
maakt, aan den arrondissemcnts-schoolopziener den rooster van lesuren in twee-
voud, voor dat schooljaar, waarop tevens de feestdagen en vacantietijden zijn ver-
meld.
-ocr page 313-
297
Wordt aan de school geen onderwijs gegeven in het vak vermeld onder k van
art. 2 der wet op het lager onderwijs, dan wordt op den rooster bovendien ver-
meld waar elders de schoolgaande kinderen voldoend onderwijs in dat vak ont-
vangen.
Bij opening der school in den loop van het schooljaar geschiedt de inzen-
ding van den rooster van lesuren in tweevoud aan den arrondissements-school-
opziener ten minste tien dagen vóór die opening.
De rooster van lesuren wordt in zoodanigen vorm ingezonden dat hij tevens
geschikt is om, opgeplakt, in een der schoolvertrekken te worden opgehangen.
De inzending van den rooster van lesuren geschiedt voor de eerste maal in
de maand Maart 1890 voor het dan loopende schooljaar.
3.   De arrondissements schoolopziener zendt een exemplaar van den rooster,
wanneer deze voldoet aan de eischen, gesteld in art. öiöis der wet op het lager
onderwijs en art. 2 van dit besluit, binnen tien dagen na ontvang "terug aan
het bestuur der school, na hem voor „gezien" te hebben onderteekend, met ver-
melding van de dagteekening der onderteekening.
Het bestuur zendt een afschrift van den voor gezien geteekendeu rooster aan
den districts- schoolopziener.
Voldoet de rooster niet aan de zooeven bedoelde eischen dan zendt de arron-
dissements-schoolopziener hem binnen denzelfden tijd ter wijziging aan het be-
stuur der school terug.
4.   De arrondissements-schoolopziener zendt binnen tien dagen na afloop van
elke maand aan den districts-schoolopziener en aan den inspecteur van het
lager onderwijs tot wier ambtsgebied liet arrondissement behoort, eene opgave
van de bijzondere lagere scholen wier rooster van lesuren in die maand voor
„gezien" geteekend is teruggezonden, met vermelding van de dagteekening dier
onderteekening en van de vakken waarin onderwijs wordt gegeven.
5.   De districts-schoolopziener zendt jaarlijks in de maand Januari aan ün-
zen Minister die met de uitvoering der wet tot regeling van het lager onder-
wijs is belast, aan Gedeputeerde Staten in de provincie en aan den inspecteur
van het lager onderwijs eene opgave van de bijzondere lagere scholen binnen zijn
ambtsgebied, wier besturen in het voorafgaande jaar hebben voldaan aan de bij
artikelen 1 en 2 van dit besluit gegeven voorschriften.
Die opgave wordt zoodanig ingericht dat blijke:
1°. de naam der instelling of vereeniging;
2°. de vakken waarin onderwijs is gegeven, en zoo daaronder niet behoort
het vak, vermeld onder k van art. 2 der wet, waar elders de schoolgaande kin-
deren daarin voldoende onderwijs hebben ontvangen;
3°. of voldaan is aan het bepaalde bij art. biiis, sub 3, der wet tot regeling
van het lager onderwijs;
4°. liet aantal kinderen dat op den vijftienden dag der maand Januari van
het voorafgaande jaar en, wanneer de school in den loop van dat jaar is geopend,
dat op den lnatsten dag der maand volgende op die waarin de opening plaats
had, als werkelijk schoolgaande bekend stond, met vermelding van het aantal
kinderen boven de zes jaren;
ö". de namen en voornamen en ouderdom der onderwijzers, bedoeld bij de
artt. 23 en 24 der wet tot regeling van het lager onderwijs in het voorafgaande
-ocr page 314-
298
jaar aan de school verbonden geweest, met aanduiding van de akten van be-
kwaamheid die zij bezitten, het tijdvak gedurende hetwelk zij werkzaam zijn ge-
weest en tevens of zij aan andere scholen verbonden waren;
6°. of gebleken is dat de school als winstgevend bedrijf gehouden wordt.
De opgave in dit artikel bedoeld, wordt voor de eerste maal ingezonden in de
maand Januari 1891, doch in stede van het aantal leerlingen op 15 Januari
1890 wordt daarin vermeld het aantal kinderen dat op 31 December 1889 als
werkelijk schoolgaande bekend stond, zoomede het aantal kinderen boven de zes
jaren.
6. De door het bestuur, dat op een Rijksbijdrage, krachtens art. biiis der
wet tot regeling van het lager onderwijs aanspraak maakt, aan Gedeputeerde
Staten overeenkomstig dat wetsartikel jaarlijks in de maand Januari te zenden
aanvrage, moet bevatten:
1°. den naam der instelling of vereeniging die rechtspersoonlijkheid bezit
en onder wier bestuur de school staat waarvoor de aanvrage geschiedt.
Is de instelling of vereeniging krachtens de wet van 22 April 1855 (Staals-
Had
no. 32) bij Koninklijk besluit erkend, dan wordt nevens de dagteekening
en het nummer van dat besluit vermeld de dagteekening en het nummer der
Staatscourant waarin de goedgekeurde statuten dier instelling of vereeniging
of wijzigingen of veranderingen daarin zijn openbaar gemaakt.
2°. de vakken waarin aan de school onderwijs is gegeven en indien daaron-
der niet behoort het vak vermeld onder k van art. 2 der wet, waar elders de
schoolgaande kinderen daarin voldoend onderwijs hebben ontvangen en voorts
de verklaring dat voldaan is aan het voorschrift van art. 54tó, sub 3;
3°. het aantal kinderen dat op den vijftienden Januari van het voorafgaande
jaar en, wanneer de school in den loop van dat jaar is geopend, dat op den
laatsten dag der maand, volgende op die waarin de opening plaats had, als
werkelijk schoolgaande bekend stond met vermelding van het aantal kinderen
boven de zes jaren;
4°. het bedrag van de opbrengst der schoolgelden in zijn geheel alsmede per
leerling en per jaar;
5°. de namen en voornamen en ouderdom der onderwijzers bedoeld bij de
artt. 23 en 24 der wet tot regeling van het lager onderwijs in het vooraf-
gaande jaar aan de school verbonden geweest, met aanduiding van de akten
van bekwaamheid die zij bezitten, het tijdvak gedurende hetwelk zij in dat
jaar aan de school werkzaam zijn geweest en tevens of zij aan andere scholen
verbonden waren, alsmede het bedrag waarop het bestuur meent voor elk dier
onderwijzers en in het geheel aanspraak te kunnen maken;
6°. eene verklaring van het bestuur dat de school niet wordt gehouden als
winstgevend bedrijf.
In de eerst in te zenden aanvrage, dat is die betreffende het jaar 1890,
waarvan de inzending aan Gedeputeerde Staten in de provincie overeenkomstig
art. biiis der laatstgenoemde wet moet geschieden in de maand Januari 1891,
wordt voor scholen bij den aanvang van het dienstjaar 1890 bestaande, in af-
wijking van het bepaalde sub 3°. van dit artikel, vermeld het aantal kinderen
dat op 31 December 1889 als werkelijk schoolgaande bekend stond, zoomede het
aantal kinderen boven de zes jaren.
-ocr page 315-
299
7.   Alvorens te beslissen of de school voldoet aan de bij de wet gestelde eischen
en voorwaarden onderwerpen Gedeputeerde Staten de ingediende aanvrage aan
een nauwkeurig onderzoek, treden, voor zooveel noodig, in overleg met het be-
trokken schooltoezicht en winnen bij het bestuur dat op eene Rijksbijdrage aan-
spraak maakt, al de inlichtingen in, die zij met betrekking tot de punten a—d in
art. buis vermeld, noodig oordcelen.
Wanneer de door Gedeputeerde Staten genomen beslissing op andere gegevens
berust dan die reeds verstrekt zijn door den betrokken districts-schoolopziener
ingevolge art. 5, worden deze medegedeeld aan Onzen Minister die met de uit-
voering der wet tot regeling van het lager onderwijs is belast, alsmede aan den
inspecteur van het lager onderwijs, bij de kennisgeving van het besluit, bedoeld
in art. biiis, 6de lid.
8.   Nadat de termijn van dertig vrije dagen, bij art. bil/is gesteld, is verstre-
ken, zonder dat van de beslissing van Gedeputeerde Staten op de aanVrage van
het bestuur om cene Rijksbijdrage krachtens evengemeld wetsartikel bij Ons
in beroep is gekomen, wordt door Onzen Minister met de uitvoering der wet
tot regeling van het lager onderwijs belast, de uitkeering bepaald van de som
waarop het bestuur volgens die beslissing aanspraak heeft.
Hetzelfde heeft plaats bijaldien de beslissing van Gedeputeerde Staten door
Ons in beroep wordt gehandhaafd of bij Ons in beroep genomen besluit eene
Rijksbijdrage aan eene bijzondere lagere school wordt toegekend.
9.   De opgaven en aanvrage in dit besluit vermeld, worden opgemaakt in den
vorm door Onzen voornoemden Minister te bepalen («).
10.   Waar in dit besluit van onderwijzers gesproken wordt, zijn hieronder
onderwijzeressen begrepen.
11.   Dit besluit treedt in werking met den vijfden dag na de afkondiging.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast enz.
(a). Ter uitvoering van dit art. zgn bg M.V.B.Z. 21 Febr. 1890 nu. 1038\'/581, afd. A.Z.C jO, vast-
gesteld de volgende modellen A tot H:
A. Opgaaf van onderwijze™ en kindereu, bedoeld in art 1, Ie lid; — B. Opgaaf der onderwg-
zerB, bedoeld in art. 1, 2e lid, onder 1».; — c. Opgaafderkinderen, bedoeld in art. 1, 2e lid, onderS0.;
— D. Opgaaf van vacatureB in het onderwijzend personeel ontstaan tengevolge van overlijden of
ontslag, bedoeld in art. 1, voorlaatste lid; — E. Opgaaf van veranderingen in het ouderwgzend
personeel, bedoeld in art. 1, voorlaatste lid; — F. Aanvrage van de rgksbgdrage (art. 6); — G. Op-
gave van den A.s.o., bedoeld in art. 4; — H. Opgave van den D.s.o., bedoeld in art. 5.
Bg brieven van gelijke dagteekeuing is aan de D.s.o. en A.s.o. aanbevolen, registers aan te 1 eg-
gen vau de bijzondere scholen in hun district en arrondissement. Daarbij is tevens te kennen gege*
ven, dat de vraag of een bij/., school voldoet aan de hij art. 54>bh gestelde voorwaarden niet enkel te
beantwoorden zal zijn uit de door het bestuur verstrekte opgaven; de D.s.o. en de A.s.o. zullen zich
daarvan hebben te vergewissen met aanwending van de middelen, welke de wet op het 1. o. daartoe
aan het schooltoezicht teu dienste stelt.
De modellen, die de besturen der bijzondere scholen moeten invullen, zgn met bgbehoorende
nota verkrijgbaar bg den A.s.o*
De beschikking met alle modellen, nota tot toelichting daarvan, en schrijven M.v.B.Z. van ge-
Igke dagteekeuing aan de Insp., D.s.o. en A.s.o., zgn o.a. opgenomen in I\'.ll. Limburg 33/1890.
-ocr page 316-
300
KONINKLIJK BESLUIT van den 3den April 1890 (S. no. 34),
HOUDENDE VOORSCHRIFTEN TER UITVOERING VAN ART. 12, 3de
LID, sub 2°. DER WET TOT REGELING VAN HET LAGER ONDERWIJS,
LAATSTELIJK GEWIJZIGD BIJ DIE VAN 8 DECEMBER 1889 (Staats-
blad no. 175).
Wu WILLEM III, enz.
Overwegende, dat ter uitvoering van art. 12, 3de lid, sub 2". der wet tot
regeling van het lager onderwijs, laatstelijk gewijzigd bij die van 8 December
1889 (Staatsblad no. 175), door Ons de regelen en voorwaarden moeten worden
vastgesteld, volgens welke eene Rijksbijdrage kan worden verleend aan normaal-
lessen en aan hoofden van scholen, voor elk der door hen opgeleide personen, die
de akte, bedoeld in art. 56 onder a, hebben verkregen;
Den Raad van State gehoord enz.
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
Art. I. Jaarlijks, in de maand December, wordt door Ons, tot een maximum
van vijfhonderd gulden, het bedrag der Rijksbijdrage vastgesteld, dat aan ge-
meentelijke en aan bijzondere normaallessen en aan hoofden van scholen zal
worden verleend voor elk der door hen in den loop van liet daaropvolgende jaar
ter opleiding tot onderwijzer aan te nemen personen, nadat deze de akte, be-
doeld in art. 56 onder a der wet tot regeling van het lager onderwijs, zullen
hebben verkregen.
Voor hen, die bij het in werking treden van dit besluit ter opleiding tot
onderwijzer zijn en die in den loop van 1890 zullen worden aangenomen, wordt
het bedrag der Rijksbijdrage door Ons vastgesteld vóór 1 Mei 1890 («).
Onze in dit artikel bedoelde besluiten worden in de Staatscourant openbaar
gemaakt.
2.   Om voor de Rijksbijdrage in aanmerking te komen wordt vereischt dat de
personen die de akte van bekwaamheid als onderwijzer hebben verkregen:
1°. bij den aanvang der opleiding hun vijftiende jaar waren ingetreden;
2°. gedurende ten minste twee jaren onafgebroken zijn opgeleid;
3°. voor het geval de opleiding door het hoofd eener school geschiedt, ge-
durende ten minste twee jaren vóór het afgelegd examen, onafgebroken op den
voet van art. 8 der wet tot regeling van het lager onderwijs in de school als
kweekeling waren toegelaten.
3.   De besturen van gemeenten die normaallessen doen geven, die van bij •
zondere normaallessen en de hoofden der scholen door wie een of meer perso-
nen ter verkrijging eener akte van bekwaamheid als onderwijzer worden op-
geleid, en die voor het ontvangen eener Rijksbijdrage in aanmerking wenschen
te komen, doen hiervan kennisgeving aan den arrondissements schoolopziener
vóór 1 Juli 1890 of binnen eene maand nadat de lessen zijn aangevangen.
4.   De kennisgeving in het vorige artikel bedoeld, gaat vergezeld van eene
(o). Vastgesteld bij K.B. 16 April 1890 no. 28 als volgt i
lo. voor hen die bij gemeentelijke en bg bijzondere normaallessen zijn opgeleid: a. gedurende
ten minste twee jaren / 300; ü. gedurende ten minste drie jaren f 400; c. gedurende ten minste vier
jaren ƒ600;
2<>. voor hen die door hoofden van scholen zyn opgeleid: a. gedurende ten minste twee jaren
ƒ200; b. gedurende ten minste drie jaren ƒ260; c. gedurende ten minste vier jaren ƒ800. St.-ct.
19 April 1890; W.B.A. 2188; Wekker 17/1890.
-ocr page 317-
301
lijst, waarvan het model door Onzen Minister, die met de uitvoering der wet tot
regeling van het lager onderwijs is belast, wordt vastgesteld, bevattende naam
en voornaam van den persoon die wordt opgeleid, den datum en de plaats zijner
geboorte en het tijdstip waarop hij tot de normaallessen of in de school als
kweekeling toegelaten, de lessen heeft aangevangen, alsmede de tijdstippen waar-
op en de plaats waar de lessen worden gegeven (a).
Bij aanneming van nieuwe kweekelingen wordt genoemde lijst aan den arron-
dissements-schoolopziener gezonden binnen acht dagen na hunne toelating tot de
lessen.
5.   De arrondissements-schoolopziener, bij wien de lijsten bedoeld in art. 4
zijn ingekomen, houdt toezicht over de lessen en doet daarvan jaarlijks, in de
maand Januari, verslag aan Onzen voornoemden Minister, door tusschenkomst
van den districts-schoolopziener.
6.   Het bestuur der normaallessen en de hoofden der scholen, door wie de op-
leiding heeft plaats gehad en die op een Rijksbijdrage aanspraak maken, zenden
binnen veertien dagen, nadat de opgeleide persoon de akte van bekwaamheid
als onderwijzer heeft verkregen, aan den arrondissements-schoolopziener eene
aanvrage tot uitkeering der bijdrage met bijvoeging der verkregen akte en van
eene verklaring betreffende het tijdvak gedurende hetwelk de opleiding onaf-
gebroken is geschied.
Binnen eene maand nadat de examens tot het verkrijgen der bedoelde akte
zijn afgeloopen, zendt de arrondissements-schoolopziener, door tusschenkomst
van den districts schoolopziener, aan Onzen voornoemden Minister de bij hem in-
gekomen aanvragen en bijlagen, vergezeld van een rapport omtrent de gedane
aanvragen.
Onze voornoemde Minister stelt de som vast waarop het bestuur der normaal-
lessen of het hoofd der school aanspraak heeft.
7.   Indien blijkt, dat de persoon, die in het bezit der akte van bekwaam-
heid gesteld is, achtereenvolgens aan verschillende gemeentelijke en bijzondere
normaallessen in verschillende scholen van de daaraan verbonden hoofden of
van verschillende hoofden in dezelfde school zijne opleiding heeft ontvangen,
is Onze voornoemde Minister bevoegd de Rijksbijdrage te splitsen naar gelang
van deu tijd der opleiding.
8.   Uitkeering van bijdragen op den voet van dit besluit geschiedt voor de
eerste maal wegens akten, in den loop van 1892 verkregen.
9.   Waar in dit besluit van onderwijzers gesproken wordt zijn hieronder
onderwijzeressen begrepen.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast enz.
(a). Model, verkrijgbaar b(j den A.s.o., vastgesteld M.r.B.Z. 11 April 1890 no. IS^Ig, afd. O;
St.-cl.
16 April 1890; Wekker 16/1890.
-ocr page 318-
302
KONINKLIJK BESLUIT van den 18den April 1890 (S. no. 64),
HOUDENDE VOORSCHRIFTEN TER UITVOERING VAN ARTIKEL 24
DER WET TOT REGELING VAN HET LAGER ONDERWIJS, LAATSTE-
lijk gewijzigd nu die van 8 December 1889 {Staatsblad
no. 175).
Wij WILLEM III, enz.
Overwegende, dat door Ons de noodige voorschriften moeten gegeven worden
ter geleidelijke uitvoering van artikel 24 der wet tot regeling van het lager on-
derwijs, laatstelijk gewijzigd bij die van 8 December 1889 (Staatsblad no. 175);
Gelet op de artikelen bibis en 88 der genoemde wet;
Den Raad van State gehoord enz.
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
§ 1. Van de openbare scholen.
Art.
. Op 1 Januari 1891 behooren in dienst te zijn gesteld aan scholen
met:
41— 90
leerlingen.. . één onderwijzer
91-199
„ . . . twee onderwijzers
200—254
„ . . . drie
255—309
„ . . . vier „
310—419
n • • • vÜf n
en verder voor elk zeventigtal leerlingen boven de 419 een onderwijzer meer.
Onder deze onderwijzers zijn de hoofden van scholen niet begrepen.
Op 1 Januari 1892 behoort aan alle openbare lagere scholen het volle getal
der bij het eerste en tweede lid van artikel 24 der wet tot regeling van het lager
onderwijs gevorderde onderwijzers verbonden te zijn.
§ 2. Van de bijzondere scholen.
Art. 2. Aan de bijzondere lagere scholen, die voor de Rijksbijdrage bedoeld
in artikel biiis der wet tot regeling van het lager onderwijs in aanmerking
komen, wordt voor het aantal schoolgaande kinderen het aantal onderwijzers
gevorderd in onderstaande tabel vermeld.
Aantal
leerlingen.
Gevorderd aanta
onderwijzers
op
1 Januari
1 Januari
1 Januari
1 Januari
1894
1895
1897
1899
41— 90 . .
1
1
1
1
91—144 . .
1
2
2
2
145—199 . .
2
2
3
3
200—254 . .
2
3
4
4
255—309 . .
3
3
4
5
310—364 . .
3
4
5
6
365—419 . .
4
5
6
7
420—474 . .
5
6
7
8
475—529 . .
6
7
8
9
-ocr page 319-
303
Aan scholen met meer dan 529 leerlingen wordt op 1 Januari 1894 voor elk
tachtigtal, op 1. Januari 1895 voor elk zeventigtal, op 1 Januari 1897 voor elk
zestigtal en op 1 Januari 1899 voor elk vijf en vijftigtal leerlingen boven de 475
een onderwijzer meer vereischt.
Onder de onderwijzers in dit artikel bedoeld zijn de hoofden van scholen niet
begrepen.
3. Ons besluit van 3 October 1884 (Staatsblad no. 207) wordt ingetrokken.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast enz.
KONINKLIJK BESLUIT van den 29sten Juni 1890 (S. no. 97),
TOT VASTSTELLING DER REGELEN VOOR DE RlJKSNORMAAL-
LESSEN, BEDOELD IN ART. 12 DER WET TOT REGELING VAN
HET LAGER ONDERWIJS, LAATSTELIJK GEWIJZIGD BIJ DIE VAN
8 December 1889 (Staatsblad no. 175).
Wij WILLEM III, enz.
Overwegende, dat volgens art. 12 der wet tot regeling van het lager onder-
wijs, laatstelijk gewijzigd bij die van 8 December 1889 (Staatsblad no. 175),
de inrichting der Rijksnormaallessen tot opleiding van onderwijzers en onder-
wijzeressen bij algemeenen maatregel van bestuur moet worden geregeld:
Den Raad van State gehoord enz.
Hebben goedgevonden en verstaan:
1°. vast te stellen de Regelen voor de Rijksnormaallessen ter opleiding van
onderwijzers en onderwijzeressen, zooals die bij dit besluit zijn gevoegd;
2°. te bepalen, dat de sub 1°. bedoelde regelen van 1 September 1890 af van
kracht zullen zijn.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast enz.
REGELEN
VOOR DE RIJKSNORMAALLESSEN TER OPLEIDING VAN ONDERWIJZERS
EN ONDERWIJZERESSEN.
§ 1. Algemeene bepalingen.
Art. I. Van Rijkswege worden normaallessen gegeven voor de opleiding van
onderwijzers en onderwijzeressen.
2. De cursns der normaallessen is vierjarig; in 4 klassen, elk van één jaar,
verdeeld.
Het schooljaar loopt van 1 April tot 31 Maart (a).
Zoo noodig wordt aan de normaalinrichting eene voorbereidende klasse toe-
gevoegd (b).
(o). Het volgen van enkele rakken of één bepaald vak is niet geoorloofd. M.r.B.Z. 1G Mei 1882
no. 1768, afd. O; Hubr. IV 298.
(6). Het onderwga aan die klassen behoort niet dagelijks te worden gegeven. M.t.B.Z. 81 Oef.
1881 no. 8762, afd. 0,- Hubr. V 8.
-ocr page 320-
304
3.   De normaallessen zijn in twee rangen verdeeld, volgens aanwijzing door
Onzen Minister van Biiinenlaudsche Zaken.
Aan die van den tweeden rang wordt, op den voet van de bij deze regelen be-
hoorende tabel der lesuren B, onderwijs gegeven in de vakken vermeld in art. \'2
der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), zooals dat artikel luidt na
de daarin bij de wet van 8 December 1889 (Staatsblad no. 175) gebrachte wij-
zigingen onder a—j; waar vrouwelijke kweekelingen de lessen volgen tevens
onder k; bovendien in de beginselen van onderwijs en opvoeding.
Aan die van den eersten rang op den voet van de tabel der lesuren A in de-
zelfde vakken en bovendien in dat vermeld onder p en in eene der drie levende
talen in dat artikel genoemd.
Onze voornoemde Minister bepaalt in hoeverre voor elke normaalinrichting
afzonderlijk wijziging in de lesuren kan worden toegestaan.
4.   Waar in deze regelen van onderwijzers gesproken wordt, zijn onderwij -
zeressen hieronder begrepen.
5.   Tijd en duur der vacantién worden, onder goedkeuring van den districts-
schoolopziener, bepaald door den directeur. Gezamenlijk duren de vacantiën, be-
houdens vergunning van Onzen voornoemden Minister, niet langer dan zes weken
in het jaar.
§ 2. Van den directeur en de onderwijzers.
Art. 6. De onderwijzers worden op voordracht van den districts-schoolop-
ziener, den arrondissements-schoolopziener gehoord, door Onzen voornoemden
Minister benoemd, geschorst en ontslagen.
Zij genieten een jaarlijksche Rykstoelage, waarvan het bedrag door Onzen
voornoemden Minister wordt vastgesteld.
7.   Een van de onderwijzers wordt, op de wijze in artikel 6 alinea 1 bedoeld,
tot directeur benoemd.
Hij zorgt dat de lessen geregeld naar de voorschriften gegeven worden en is
met het beheer belast, onder toezicht van den districts-schoolopziener, wien de
arrondissements-schoolopziener daarbij zijne medewerking verleent.
De directeur zorgt in overleg met den arrondissements schoolopziener, dat
de kweekelingen der laatste twee jaren zooveel mogelijk gelegenheid hebben
zich, met inachtneming van de voorschriften van artikel 8 der wet van 17 Au-
gustus 1878 (Staatsbladno. 127), zooals dat artikel luidt na de daarin bij de wet
van 8 December 1889 (Staatsblad no. 175) gebrachte wijzigingen, in het onder-
wijzen te oefenen.
Onze voornoemde Minister wijst, op voordracht van den districts-schoolop-
ziener, den onderwijzer aan die, bij afwezigheid of ontstentenis van den direc-
teur, dezen vervangt (<*).
8.   De directeur geeft aan den inspecteur, den districts- en den arrondisse-
ments-schoolopziener alle verlangde inlichtingen, de normaallessen betreffende,
en aan den districts-schoolopziener onmiddellijk kennis van alles wat voorzie-
ning vereischt.
(<<). Telkens wanneer de Dir. tijdelgk vervangen moet worden, wijst de Min. den vervanger aan.
In spoedeischenrte gevallen kan over de telegraaf worden beschikt. M.v.B.Z. 21 Juli 1882 no. 2874,
afd. O; Ifubr. ir 800.
-ocr page 321-
305
9.   De directeur houdt een register in triplo, waarin bij het einde van elk
kwartaal eene beoordeeling der kweekelingen ten opzichte van gedrag, vlijt en
vorderingen bij de verschillende lessen gedurende dat tijdperk in cijfers wordt
aangeteekend. Eén dezer registers is voor den districts-, één voor den arron-
dissements-schoolopziener bestemd. Vóór het einde van ieder kwartaal zenden
deze hun register ter invulling aan den directeur.
De registers worden van Rijkswege verstrekt.
10.    Vóór 15 April van elk jaar zendt de directeur aan den inspecteur een
beredeneerd verslag omtrent den toestand der normaalinrichting gedurende het
afgeloopen schooljaar en geeft daarvan afschrift aan den districts- en aan den
arrondissements-schoolopziener.
11.   De directeur zorgt, indien daartoe zijne tusschenkomst ingeroepen wordt,
voor een goede huisvesting en verpleging der kweekelingen. Hij houdt toezicht
op de kosthuizen en op het gedrag der kweekelingen, zoo in als buiten de lessen.
De onderwijzers zijn den directeur in het toezicht op de kweekelingen be-
hulpzaam.
12.   De onderwijzers volgen bij het onderwijs de voorschriften van den direc-
teur. Zij verzuimen of verzetten geen lessen dan met zijne toestemming. In ge-
val van ziekte geven zij hem daarvan kennis.
Voor afwezigheid gedurende één tot drie lesdagen behoeft een onderwijzer de
toestemming van den directeur; voor afwezigheid gedurende vier tot zes les-
dagen die van den districts schoolopziener; voor langere afwezigheid die van
Onzen voornoemden Minister. De directeur behoeft voor afwezigheid gedurende
één tot zes dagen de toestemming van den districts-schoolopziener; voor langere
afwezigheid die van Onzen voornoemden Minister.
In geval van ziekte geeft hij daarvan kennis aan den districts-schoolopziener.
13.   Gedurende afwezigheid of ontstentenis van een onderwijzer nemen de ove-
rigen, volgens aanwijzing van den directeur, zooveel mogelijk de lessen
waar («).
14.   Eene vergadering van directeuren onderwijzers heeft ten minste eenmaal
\'s jaars plaats en verder zoo dikwijls de directeur die noodig acht, of hij daar-
toe van ten minste twee onderwijzers een met redenen omkleed schriftelijk ver-
zoek ontvangt (b).
In het laatste geval wordt de vergadering belegd binnen acht dagen nadat
het verzoek is ingekomen. Van deze vergaderingen wordt tijdig kennis gegeven
aan den districts- en aan den arrondissements-schoolopziener, met vermelding
der zaken die te behandelen zijn.
De vergadering van directeur en onderwijzers benoemt bij den aanvang van
het schooljaar een der leden tot secretaris gedurende dat tijdperk.
15.   Jaarlijks in de maand Januari wordt in eene vergadering van directeur
(a). „Ontstentenis" doelt ook op het bestaan eener vacature. Mx.B.Z. 13 Sept. 1881 no. 3107,
afd. O; llubr. IV184.
De onderwijzers nemen waar zonder geldelijke belooning. M.T.B.Z. 13 Aug. 1881 no. 29D2,
afd. O; llubr. V 1.
(u). Voor het bijwonen der vergaderingen of besprekingen, bedoeld in de artt. 14, 15, 19, 22 en
26, wordt geen vergoeding van reis- en verblijfkosten verleend. M.r.B.Z. 24 Oct. 1881 no. 3988,
afd. O; llubr. V 4.
WET L. O.                                                                                       20
-ocr page 322-
306
en onderwijzers het programma der lessen voor het volgende schooljaar opge-
maakt en vóór 1 Februari door den directeur in duplo aan den districts-school-
opziener gezonden, die het, vergezeld van zijne op- of aanmerkingen, vóór 15
Februari aan de goedkeuring van Onzen voornoemden Minister onderwerpt.
Dit programma vermeldt het aantal uren wekelijks voor elk vak bestemd,
de namen van de onderwijzers die de lessen geven, de te gebruiken boeken en
den omvang van het onderwijs in de verschillende vakken in elke klasse.
De directeur zendt aan den districts- en aan den arrondissements-schoolop-
ziener ieder een afschrift van het goedgekeurde programma.
16. De directeur is belast met de zorg voor de bibliotheek en de leermid-
delen; hij maakt daarvan een catalogus en houdt dien geregeld bij.
Geen aankoopen of bestellingen geschieden dan met voorkennis van den
districts-schoolopziener.
§ 3. Van de kweekelingen.
Art. 17. Jaarlijks vóór 1 Maart wordt door den directeur, na oproeping
in een of meer dagbladen, de gelegenheid tot inschrijving van nieuwe kweeke-
lingen opengesteld («).
18.   Wie tot de normaallessen wenscht toegelaten te worden, moet op 1
April den leeftijd van 14 jaar; voor de voorbereidende klasse den leeftijd
van 12 jaar bereikt hebben.
Hij legt over:
1°. zijne geboorte-akte;
2°. een of meer getuigschriften, waaronder, zoo hij bij eene lagere school
werkzaam is geweest, een getuigschrift van het hoofd dier school;
3". eene verklaring van ouders of voogden, dat zij voornemens zijn hem
voor het onderwijs te bestemmen.
19.   Op een door den districts-schoolopziener, in overleg met den directeur
te bepalen dag, leggen de ingeschrevenen een examen af ten blijke dat zij
het onderwijs met vrucht kunnen volgen. Uit examen bepaalt zich tot de
vakken a—i van art. 2 der wet van 17 Augustus 1878 {Staatsblad «0.127),
zooals dat artikel luidt na de daarin bij de wet van 8 December 1889
{Staatsblad no. 175) gebrachte wijzigingen, en wordt ten overstaan van den
dictricts-schoolopziener door directeur en onderwijzers afgenomen {b).
Zij besluiten bij volstrekte meerderheid wie als kweekeling zullen worden
toegelaten. Staking van stemmen verhindert de toelating.
20.    De toelating geschiedt in den regel bij het begin van den cursus.
(ti). In de oproepingen te vermelden, hoeveel beurzen vacant zijn. Na afloop van hettoelatings*
examen kunnen de toegelatenen of de uitstekendaten onder hen, die eene beurs verlangen, aan
een verg. examen worden onderworpen. M.T.B.Z. 22 Jan. 1888 no. 4768, afd. O; Hubr. VZ48;
Wekker
14/1883.
(/\'). De voorschriften voor de keuring der candidaten voor de Rijkskweekscholen zyn hier niet
van toepassing. M.r.B.Z. 25 Jan. 1882 no. 824, afd. O; Hubr. IV 182.
Het gemis der rechterhand maakt iemand niet ongeschikt voor de betrekking van onderwijzer.
Er bestaat althans geen bezwaar een jongeling, die in dat geval verkeert, tot de normaallessen
toe te laten. lilijkt hij later uit anderen hoofde voor het beroep van onderwyzer ongeschikt te
zgn, dan kan worden overwogen of zijne verwijdering noodzakelijk is. M.V.B.Z. 26 Oei. 1881 no.
3738, afd. O; Hubr. IV183.
-ocr page 323-
•
307
Indien tusschentijds kweekelingen zich aanmelden, beslist de districts-
schoolopziener, op voorstel van den directeur, of er redenen bestaan om, na
afgelegd examen, van dien regel af te wijken.
21.   Zij die, zonder het onderwijs aan de normaalinrichting te hebben
bijgewoond, tot eene der hoogere klassen wenschen te worden toegelaten,
leggen een examen af ten blijke dat zij in staat zijn het onderwijs in die
klasse met vrucht te volgen.
De bepalingen van de artikelen 19 en 20 zijn ook op dit examen van toepassing.
22.   Jaarlijks, bij het einde van den cursus, wordt in eene vergadering
van directeur en onderwijzers bepaald welke kweekelingen tot eene hoogere
klasse zullen overgaan. Het besluit wordt bij volstrekte meerderheid van
stemmen genomen. Staking van stemmen verhindert den overgang.
23.   Aan kweekelingen der llijksnormaallessen kan in bijzondere gevallen
door Onzen voornoemden Minister een jaarlijksche Rijkstoelage worden ver-
leend, tot een door hem te bepalen bedrag. Boeken en leermiddelen kunnen
hun kosteloos verstrekt worden (a).
24.   Gevallen van ziekte uitgezonderd, mogen de kweekelingen, zonder toe-
stemming van den directeur, geen lessen verzuimen. Van elke verhindering we-
gens ziekte wordt hem zoo spoedig mogelijk kennis gegeven. Een attest van den
geneesheer moet worden overgelegd, indien de ziekte langer dan tien dagen duurt.
25.   Hun die zich schuldig maken aan onbetamelijk gedrag, gebrek aan ijver,
herhaald plichtverzuim, kan het bijwonen der lessen voor ten hoogste 14 dagen
door den directeur worden ontzegd. Acht de directeur of een van de onderwijzers
verwijdering voor langeren tijd of voor altijd noodzakelijk, dan wordt zoodanig
voorstel in eene vergadering van directeur en onderwijzers behandeld en daarop
een besluit genomen (6).
Dit met redenen te omkleeden besluit wordt door den directeur aan den
districts-schoolopziener ter goedkeuring gezonden.
Eerst nadat deze verleend is kan het uitvoering erlangen.
Moet een kweekeling, die in het genot eener Rijkstoelage is, voor altijd ver-
wijderd worden, dan wordt het besluit der vergadering door den districts-school-
opziener, vergezeld van zijn advies, aan de goedkeuring van Onzen voornoem-
den Minister onderworpen.
§ é. Van het toezicht.
Art. 26. Met het toezicht over de llijksnormaallessen is de distriets-school-
opziener belast, tot wiens ambtsgebied de inrichtingen behooren.
27. De inspecteur roept eenmaal \'s jaars de districts-schoolopzieners binnen
(o). Aan de kweekelingen der normaallessen kunnen bij uitzondering toelagen van f 100 en
daarbenedeu worden verleend, mits zy, blijkens een door den D.s.o. ingesteld onderzoek, op een
afstand van meer dan twee uren gaans wonen van het gebouw, waar de normaallessen gegeven
worden, en bovendien door bgzonderen yver en goed gedrag uitmunten. M.v.B.Z.l Aug. ISSino.
2797, afd. O; Ilubr. IV 395—297.
Zoodanige toelagen kunnen niet verleend worden aan hen, die tot de voorber. klasse toegela»
ten zgn. M.t.B.Z. 12 Aug. 1882 no. 8080, afd. O; Hubr. 7^297.
(o). Aan de kweekelingen wordt de verplichting opgelegd om, alvorens examen te doen, verlof
van directeur en onderwijzers te verzoeken, met bedreiging, dat art. 29 al. 2 (thans art. 25, 2de zin)
zul worden toegepast, als ze zonder dat verlof examen doen. M.t.B.Z, 10 Juli 1886 no. 2133, afd.
O; Wekker
67/1886; Schoolvenl. 1886)6.
20*
-ocr page 324-
308
den kring zijner inspectie bijeen, ter bespreking van de belangen der Rijksnor-
maallessen in bun ambtsgebied.
TABEL A, bedoeld in artikel 3 der Regelen, behoorende bij het Ko-
ninklijk besluit van 29 Juni 1890, no. 16 (Staatsblad no. 97).
•3 f
|i
Geheel
Eers
klas
fes
||
getal
fis
£3
lesuren.
i
i
3
14
1
1
2
C
2
2
1
0
2
2
2
8
s*—*^
2 | 2
2
6
^^^s
--------N
1 1 1
1 1 1
2
-------v
2 | 2
2 1 2
4
•—™-^
1 1 1
1 1 1
3
\'-------N
2
2
2 2
-—x
4
2
2
2
G
ff
2
2
G
n
2
4
____p__
15 15
11
13
C9
VAKKEN.
Nederl. taal, lezen en schrijven. .
Vaderlandsche geschiedenis. . .
Aardrijkskunde........
Rekenkunde..........
Kennis der natuur.......
Zang............
Handteekenen.........
Gymnastiek.........
Nuttige handwerken voor meisjes. .
Franscho taal.........
Wiskunde..........
Paedagogiek.........
Getal uren.....
TABEL B, bedoeld in artikel 3 der Regelen, behoorende bij het Ko-
ninklijk besluit van 29 Juni 1890, no. 16 [Staatsblad no. 97).
II
Geheel
getal
lesuren.
II
VAKKEN.
Nederl. taal, lezen en schrijven.
Vaderlandsche geschiedenis. . .
Aardrijkskunde........
Rekenkunde.........
Kennis der natuur......
Zang...........
Handteekenen........
Gymnastiek.........
Nuttige handwerken voor meisje
Paedagogiek........
Getal uren. . . .
14
G
C
8
(i
2
4
2
4
4
O*
Uk2
11 1
—8—
9 9
-G-
12 12
5G
-ocr page 325-
ALPHABETISCH KEGISTER.
De cijfers wijzen de bladzijden aan.
Aankoop van grond voor schoollokalon 1G5, 173. Toepassing onteigenings-
wet 165.
Aanvangsklassen. Afzonderlijke scholen voor — 84.
Afkeuring van schoollokalon 55. Beroop bij — 55. Beslissingen omtrent —
57, 58. Straf op \'t geven van onderwijs in eon afgekeurd lokaal 64.
Akte. Zonder — mag niemand 1. o. geven 58, 59, 210; uitzonderingen en vrij-
stellingen 59, 60. — geldt voor \'t geheelo Rijk, do koloniën en bezittingen 231.
In Indië verkregen — geeft goen bovoegdheid 59, 249. Bezitters der — als kwee-
keling 61, 261. Uitreiking nieuwe — na veroordeeling 00, 223. Afschriften der —
126. Vervanging verloren — 223, 227. Vorm der — 223, 227. Kosteloosheid der —
223, 227, 231. Bevel om — voor vak j te halen 257.
—    als onderwijzer. Leeftijd 217, 218; examen 217 tot 223; uitreiking — aan
vreemdelingen 223; gelijkgestelde akten 248, 259.
—    als hoofdonderwijzer 217; vereischten 223; tweejarige werkzaamheid 223;
beslissingen daaromtrent 225, 226; leeftijd 224; examen 224; gelijkgostelde akten
248, 249.
—  voor huisonderwijs in vakken a—ff 217; examen 227; —na onvoldoend exa-
men voor onderwijzer 227, 228.
—  voor vakken /, m, n, p, r, s 228; gelijkgestelde akten 248, 259.
—  voor vakken j, h, q, t 229; eischen voor vak j 229. Wie nog onderwijs mag
geven in vak j 256, 258, en in vak k 258.
Overgangsbepalingen betr. akten 258, 259.
Altera tanta. Houden op 50.
Ambten of bedleningen. Bekleedon van — door een onderwijzer 149,150.
Beroep bij weigering van Ged. Staten 150. Wanneer vrijstelling te verleenen 150.
Wat onder — te verstaan 150, 151, 152, 267. Beslissingen 153.
Andersdenkenden. Wat onder — te verstaan 142.
Zie verder Godsdienstige begrippen.
Arbeid van kinderen beneden 12 jaren 246, 247.
Arrondissements-schoolopziener. Ambtsgebied 234, 277. Benoeming 234,
235. Ontslag 234. Reis- en verblijfkosten 234, 235. Werkzaamheden 234, 241. Eed
of belofte 237, 238. — tevens lid van Ged. Staten 277.
Maatregel tot aanwijzing ambtsgebied en verplichtingen — 277.
Werkzaamheid van den — in zake: bewijs werkzaamheid kweekelingen 61, toe-
zicht opleidingsscholen 69, voordracht onderwijzer 128, verschil met B. en W.
daaromtrent 131, 132, ontslag onderwijzer 133, schorsing onderwijzer 137, waar-
neming betrekking onderwijzer 138, rooster lesuren bijz. school 204, commissie
examen onderwijzer 217, opmaken proces-verbaal 238, toegang lagere scholen 238,
239, vragen van inlichtingen 238, 239, bijwonen en beleggen vergad. comm. van
toezicht 242, aanwijzing gecommitteerden voor schoolbezoek 243.
Begrooting. Onthouding van goedkeuring aan de — om te komen tot school-
bouw 58, 165, 265, of tot vermeerdering van \'t getal scholen 93, 94. Jaarwedden
-ocr page 326-
310
op de — te brengen 114. Behandeling der — in verband met jaarwedden 121,
en met subsidie in kosten kosten 1. o. 196. Geen post op — voor diner aan
schoolopzieners enz. 167.
Belooningen en eereblijken tot bevordering van schoolbezoek 246, 275.
Benoeming. Afschriften van stukken, overgelegd bij — 126. — hoofd der
school on onderwijzers 127 en volg., 266. — op onjuiste stukken 132. Intrekking
eener — strijdig met de wet 132. Voorwaarden bij — 133. — tot wederopzeg-
gens 135, of voor een bepaalden tijd 136, 138. — mot 2 stemmen niet strijdig
met de wet 266.
Beroep van besluiton van öed. Staten op den Koning 71 tot 74; termijn van
—  74. — door een raadslid bij den Koning 74, of bij Ged. Staten 94. — van in-
gezetenen bij den Koning 73, 101. — van D.s.o. bij den Koning 74.
Uitoefenen van een — aan onderwijzers verboden 147; beslissingen daarom-
trent 147, 148, 267. Uitoefening van een — door huisgenooten van een onder-
wijzer 149.
Bestek. Waaraan het — getoetst moet worden 53, 197. Kosten van — enz.
196. — goed te keuren door M.v.B.Z. of D.s.o. 196, 197, 200. Raadpleging Rijks-
bouwkuudige 197; idem Insp. v. h. geneesk. staatstoez. 197. Beslissingen om-
trent inhoud — 197. Geschil over het — 198. Aanwijzing deskundige voor het —
198. Verspreiding enz. van het — 199, 200.
Bevoegdheid. Straf op \'t geven van onderwijs zonder of buiten de — 65.
Verlies der — bij veroordeeling volgens art. lOi 65. Terugkrijgen van vervallen
—  66. Ontneming der — aan openb. onderwijzers 133, 136, aan bijz. 201, 202. Schor-
sing in de — tot \'t geven van onderwijs 141, 145. — wordt verkregen door \'t
afleggen van examen 216. Verlies der — bij voroordeeling wegens misdaad
65, 262.
Bewaarscholen. Zie Voorbereidend onderwijs.
Bezoldiging. Zie Jaarwedde.
Bouw en verbouw. Zie Schoollokalen.
Bouwkundig teekenen. Inrichting voor — en ornamentteekenen behoort
niet tot \'t 1. o. 47.
Bijwonen van enkele lessen niet geoorloofd 78, 87, 264.
Bijzonder onderwijs. Wat is — 50. Invloed van — op de beoordeeling der
behoefte aan openbaar ond. 79 tot 81. Vereischten voor \'t geven van —: akte, ge-
tuigschrift, visum B. en W. 200; beroep omtrent \'t visum 201. Meded. oprichting
scholen voor — 200. — mag niet strijden met de goede zeden of aansporen tot onge-
hoorzaamheid aan de wetten des lands 201, 207. Omvang van het — 202, 203.
Bijz. onderwijzers in comm. examen 227. Inlichtingen betr. — te geven aan \'t school-
toezicht 239. Toezicht der plaatsel. comm. op het — 240.
Maatregel betreffende het getal onderwijzers bij gesubsidieerd — 302.
Subsidie aan —; zie Rijksbijdrage en Subsidie.
Christelijke en maatschappelijke deugden. Opleiding tot — 141. Wat
tot — behoort 142.
Commissie van toezicht. — heeft geen toezicht op Rijks-normaallessen 67,
240. Beheer der kosten van het 1. o. door de — 164. Instelling der — 235. Ver-
ordening op de — 235, 236. Gemeenschappelijke — bij gemeensch. school 235.
Afzonderlijke — voor de Rijksscholen in de kol. der maatsch. van Weid. 235. Lid-
maatschap der — door ingezetenen der gemeente 235, raadsleden, Nederlanders,
vrouwen 236. Bijstand der — door dames 236. Secretaris der — 236. Bevoegd-
heid der — 236. Aflegging van eed of belofte door de leden der — 237, 238.
Voorz. en leden der — kunnen proces-verbaal opmaken 238, hebben toegang tot
alle lagere scholen 238, 239, kunnen inlichtingen vragen 238; beslissingen daar-
omtrent 239. Omschrijving van den werkkring der — 240. Toezicht der — over
-ocr page 327-
311
bijz. scholen 240. Vergaderingen — bij te wonen en te beleggen door Bijksloe-
zicbt 242. Wettigheid der vergadering van de — 242.
Deskundigen bij \'t examen van onderwijzer 219.
Districts-sehoolopziener. — is niet ontvankelijk in beroep in zake jaar-
wedde 74. Ambtsgebied, benoeming, schorsing, ontslag, jaarwedde, reis- en ver-
blijfkosten 233; bekleeding ambten of bedieningen, vervanging 233, 234. Eed of
belofte 237. Werkkring 241, 277. Samenstelling verslag 241. Aanvraag vernietiging
raadsbesluit door — 242.
Maatregel tot aanwijzing ambtsgebied en verplichtingen — 277.
Werkzaamheid van den — in zake: Afkeuring schoollokalen 55, gebreken aan
lokalen 56, voroordecling onderwijzers 65, leerplan 101, 102, beschikbaarstelling
lokalen voor godsdienstonderwijs 103, voordracht hoofd der school 127, ontslag
hoofd der school 133, schorsing of ontslag onderwijzers 137, vrijstelling art. 36
149, verklaring ongeschiktheid 154, 155, bestek 197 tot 199, stukken bijz. onder-
wijzers 200, ontneming bevoegdheid aan bijz. ond. 202, examencommissie 217, op-
maken proces-verbaal 238, toegang lagore scholen 238, 239, vragon van inlichtin-
gen 238, 239, bijwonen on beleggen vcrgad. plaats, comm. 242.
Examen. Veroordeeling van een onderwijzer geen beletsel voor toelating tot
het — 66. Gelden voor \'t — 230; vrijstelling daarvan voor \'t — in vak j 257.
—    voor onderwijzer. Aantal malen, samenstelling commissio 217, 218; afge-
wezen candidatcn, reis- en verblijfkosten commissieleden 218; plaats, aankondi-
ging 218, 219; deskundigen, openbaarheid 219; aanmelding, over te leggen stuk-
ken, zegel enz. der akten 219, 220; — minderjarigen, dag voor Israëlieten, omvang
220; kennis van eigenschappen der wisk. figuren en lichamen 221, 222, van be-
ginselen onderwijs en opvoeding 222. Na-examen in vrije en orde-oefeningen der
gymnastiek 221; of in de handwerken 221, 222, 223. Vrijstelling van \'t examen
in eerste oefen, handteekenen 221, 259.
—  voor hoofdonderwijzer. Tweejarige werkzaamheid 223, 225, 226; vervallen
der wiskunde, opnemen stelkunde 224; methode van onderwijs en opvoeding 225;
commissiën, vacatiegelden, reis- en verblijfkosten, tijd, plaats, aankondiging, ovor
te leggen stukken 226; omvang en afneming 226, 227; bijz. onderwijzers in de
commissie 227. Vrijstelling van \'t examen in teekenen 224, 248.
—  voor huisonderwijs in vakken a—g 227.
—  voor huis- en schoolonderwijs in vakken l, m, n, p, t; s. Commissie, getuig-
sehriften goed gedrag onnoodig 228; afneming en omvang 229.
—  voor huis- en schoolonderwijs in vakken /, l; q, t 229. Eischen voor vak
j 229.
Financiën. Behoefte aan openb. ond. onafhankelijk van de — der gemeente
82, 97. Regeling jaarwedden idem 123.
Gebed in de openbare school 145.
Gecommitteerden voor schoolbezoek 243.
Ged. Staten. Beroep van besluiten van — op den Koning 71 tot 74. Lid van
— tevens A.s.o. 235. — kunnen niet zelfstandig voorschriften geven ontrent \'t
getal onderwijzers 250. — moeten Insp. hooren omtrent raadsbesluiten 95, 265.
G-eestolijken in de openbare school 144.
Geldboete. Bedreiging der onderwijzers met — 136.
Gemeenschappelijke regeling. Beroep op den Koning bij — 71. Hoe —
tot stand te brengen 78. Getal kinderen noodig voor opening eener school in eene
gemeente, geen onderwerp van — 81. Tot — kunnen de gemeenten niet gedwon-
gen worden 87, 94. — blijft van kracht bij bevel vermeerdering getal scholen 87.
Beslissingen omtrent geschillen, gerezen uit — 87, 88, 94. Schoolgeld bij — 89,189.
Jaarwedden bij — 124. Toezicht op gemeensch. school 231, 235.
Gemeentebestuur. Het — eigenaar of bruiker van het lokaal der openbare
-ocr page 328-
312
school 57. Beroep in te stellen door den Raad, niet door B. en W. 78, 74, of door
ingezetenen 73, 74.
Geschiedenis. Gewijde — deel der algemeene — 48, of van godsdienstonder-
wijs 203.
Gestichten. Onderwijs in — is sehoolonderwijs 45, 46.
Getuigschriften van goed gedrag: bij benoeming tot onderwijzer 126, 127; tot
plaatsing aan kweekscholen 127; voor examen af te geven door bijzondere personen
220; niet noodig voor examen in /, m, n, p, r, s 228. Heffing van leges voor — 266.
Gezang bij den aanvang en de sluiting der les 102, 145.
Godsdienstige begrippen. Eerbiediging van — 141, in de school 141. Be-
slissingen daaromtrent 144, 145.
Godsdienstonderwijs. Schoollokalen beschikbaar te stellen voor — 103; wijze
waarop 103, 105; overleg met kerkbesturen 104; zonder geldelijke vergoeding 106;
bedoeling der bepaling 106. Leerlingen die elders — ontvangen, blijven medetel-
len 112. — overgelaten aan de godsdionstleeraren 141. — door een onderwijzer
144, 147, 153.
Gratificatie. — behoeft goedkeuring 124. Vervallen van een — 125,126. — telt
niet meé voor pensioen 158.
Grondbelasting. Vrijstelling van — voor onderwijzerswouing mits geen kost-
school zijndo 120, voor scholen voor doofstommen enz. 167, voor lagere scholen
van erkende vereenigingon 200.
Gymnastiek. Bedoeling van de vrijo en orde-ocfeningeii der — 49. Onderwij-
zers in — moeten akte hebben 75, 76, 221, 263. Onderwijs in — behoeft niet te
worden bijgewoond 78, 86, 264. Opneming der uitgebreide — in het leerplan 84.
Toepassing der wet op onderwijzers in — 162. Pensioen aan —onderwijzers 163.
Na-examens in de vrije en orde-oefeningen der — 221. Afzonderlijke examens
in idem 229; vereischten 229; examengeld 230. Onderwijs in vrije en orde-oefe-
ningen der — verplichtend in 1893, met bevoegdheid tot verlenging 256. Bevoegd-
heid van onderwijzers om dit onderwijs te geven 256.
Handel drijven door onderwijzers 147; door huisgenooten van onderwijzers 149.
Handelsschool is geene inrichting van 1. o. 47.
Handteekenen. Wat zijn „eerste oefeningen van het —" 48 ; bevoegdheid tot
\'t geven van onderwijs daarin zonder examen 259, 260. — samenvallend mot hand-
werken 264.
Handwerken. Opgenomen onder de verplichte vakken 48. Buiten de school-
uron 48, 86. Bijzondere lokalen daarvoor onnoodig 48. Toelating leerlingen bijz.
school tot lessen in — op de openbare 52. Onderwijs in — onafhankelijk van bijz.
ond. 85, op afzonderlijke gemeentelijke naai- en breischool 86. Verzuimde lessen
in — 86, 87. Jaarw. onderwijzeres in — 119. Voordracht voor onderwijzeres in —
131. Toepasselijkheid der wet op onderwijzeressen in —162. Schoolbehoeften voor —
166. Voorwerpen, vervaardigd bij de les in — 167. Onderwijs in — op bijz. school
die subsidie vraagt 211. Toezicht op onderwijs in — 236. Bevoegdheid voor —
258, 259. — samenvallend met handteekenen 264.
Herhalingsonderwjjs. Belooning voor — 72, 91, 115. — voor hen, die ge-
woon sehoolonderwijs genoten hebben 89, ook huis- of bijz. schoolond. 89, 90. Om-
vang — 89. Dwang tot invoering — 89; toepassing art. 212 gem.-wet voor — 92.
— voor meisjes 89. Verhouding van — tot derden schooltijd 90, tot inhalingson-
derwijs 90, tot gewoon 1. o. 91. Getal en leeftijd leerlingen voor — 90. — gedu-
rende een deel van \'t jaar 90. — voor leerlingen dagschool 90, 91. Verplichting
tot \'t geven van — 91, 92. Schoolgeld voor — 126, 272. Jaarwedde voor — kan
medetellen voor pensioen 158.
Hoofd der school bij \'t openbaar onderwijs. Vereischten 106. Waarneming
106, 137. Hoofd van meer dan ééne school 106, 107, 152. Mannelijk of vrouwelijk
-ocr page 329-
313
—  107. — onbevoegd voor vakken / tot t 107. Instructie — 107. Benoeming —
127, 130, 135, 136, 2C6, door Ged. Staten 138, 110. Verplaatsing 128, 130, 131. —
en onderwijzer in één college 153. Ondorwijzers zonder hoofdakte als — 252.
—  bij \'t bijzonder onderwijs. Vereischten 202; vrijstelling bij waarneming 202,
203. Hoofd van meer dan ééne school 107, 152, 202.
Huishuur. Vergoeding voor — 113. Niet te verleenen als do gemeente oene
woning heeft 119. Te berekenen naar plaatsol. omstandigheden 119, 120. Boslissin-
gen in geschil over — 120. — voor waarnemend hoofd 140. Vervanging der ver-
goeding voor — door vrije woning 2ö6.
Huisonderwijs. Wat is — 45, 46. Voor — in één gezin geen bewijs van be-
kwaaniheid of zedelijkheid noodig 59. Geven van schoolonderwijs door iemand,
bevoegd voor — 05, 275.
Inspecteur van hot Geneeskundig Staatstoezicht. Keurt schoollokalen af 55,
56, 57, in overleg mot schooltoezicht 56. Geeft machtiging tot binnentreden scho-
len 53, 56. Kan geen verbeteringon gelasten 56. Te raadplegen omtrent bestek 197.
—  van het Lager Onderwijs. Ambtsgebied, benoeming, schorsing, ontslag, jaar-
wedde, reis- on verblijfkosten 233, bckleeding ambten of bedieningen, vervanging
233, 234, eed of belofte 237, 238. Werkkring 242,277. Verslag 242. Wachtgeld 252.
Maatregel tot aanwijzing ambtsgebied en verplichtingen — van het 1. o. 277.
Werkzaamheid van den — van het 1. o. in zake: raadsbesluiten bedoeld in art.
19 der wet 95, 265, on in art. 20 101; examencommissie 217; opmaken proccs-ver-
baal 238; toegang tot lagere scholon 238, 239; inwinnen van inlichtingen 238, 239;
bijwonen en beleggen vergad. plaats, conim. 242.
Instructie voor onderwijzers 107, 115, 116, 133, 136, 145, 167.
Italiaansch is geon vak van 1. o. 203.
Jaarwedde. Minimum der — 113, 116; verhooging daarvan bij K.B. 113, 116,
117, 118. — deels vast, deels wisselend 113,116. Periodieke verhooging van — 114.
—  onafhankelijk van \'t goedvinden van den raad 114, of van \'t getal kinderen
uit andere gemeenten 114. — voor herh.-ond. 72, 92, 115. Inhouding dor — bij
ziekte, verlof, overtreding instructie of vervroegd vertrek 115,134, 139, 267. Aan-
vulling der — uit korkefondsen 115, 116. Uitbetaling der —, zegol: 115,116, 207.
Classificatie der — 118. Goedkeuring begrooting in verband mot — 121. Beslis-
singen in hooger beroep in zake — 122, 123, 124. Intrekking of vernietiging be-
sluit Ged. Staten in zake — 124. Vermindering van — 124; beslissingen ter zake
124 tot 126, 266. — staat niet stil bij schorsing 137. Belooning bij tijdelijke waar-
neming 139, 140. — van onderwijzers en onderwijzeressen, op 1 Nov. 1880 in fuuc-
tie 249.
Kerkelijke betrekkingen. Bekleeden van — 151, 267.
Kinderen. Lijsten van schoolgaande en niet-schoolgaande — 244. — van
schippers 245.
Klassen. Verdeeling der school in — 101. Overgang der leerlingen naar an-
dere — 103.
Kosten van het 1. o. Verdeeling 163. Opsomming 164. Beheer der — door
schoolcommissie 164.
Kostleerlingen in onderwijzerswoningen 120, 148, 149.
Kweekelingen. Vereischten, leeftijd, werkzaamheden 61. Toezicht en lei-
ding 61, 62. Bewijs van werkzaamheid goed te keuren door A.s.o. met beroep op
D.s.o. 61, 62, 63, 262. Toelating 61, 62, 261, 262. Ontslag 63. Belooning 63, 262.
Geen verschil tnsschen — openb. en bijz. onderwijs 61. — werkzaam in leersoho-
len 63, 66, 69. Straf op \'t niet cf. de wet toelaten van — 64. Waarneming be-
trekking onderwijzer door — 141. Tweejarige werkzaamheid als — met akte 223,
225. Overgangsbepaling betreffende — 247. — met akte hoofdonderwijzer 261,
—  voor niet-verplichte vakken 261.
-ocr page 330-
314
Kweekscholen. — van Bijkswege 6G; minimum getal 67. Neutraliteit op Eijks- en
gemeentelijke — 69; toezicht op idem 263. Aanwijzing — 70. — voor onderwijzeres-
sen 70. Getuigschriften tot plaatsing aan — 127. Inrichting der bijzondere — 262.
Subsidie aan —; zie Bijksbijdragc.
Lager onderwijs. Verschil tussekon — on midd. ond. 45, 48, 203, 260. Wat
is — 47. Tot hoever moet zich — uitstrekken 48. Cursus tot bckwaming in land-
bouwkundo is — 50, voorbereidend onderwijs niet 59. — niet te geven zonder
bewijzen bekwaamheid en zedelijkheid 58; uitzonderingen 59. Vergunning tot ge-
ven — 58, 59, 60. Op 14jarigen leeftijd is aan de behoefte aan — voldaan 93.
Landbouwkunde. Cursus tot bckwaming in — behoort tot 1. o. 50. Onder-
wijzers in — zonder akte 163.
Iiandstraktement. Zie Subsidie vorvangonde vroegere rijksjaarwedden.
Leeftijd der leerlingon op do lagere school 76, 77, 100. Idem voor de herha-
lingsschool 90. Bepaling van den — der leerlingen goed te keuren door Ged. Sta-
ten 95; reden dier bepaling 98. Verplichting tot vaststelling — niet opgelegd 99.
Besluiten tot bepaling —, genomen vóór 1 Jan. 1890 265.
Leerboeken. Bepaling der te gebruiken — 101. Bezwaron tegen —146; be-
slissingcn daaromtrent 146, 147.
Leerlingen. Voor welke — de openbare school openstaat 78, 82. Verwijdering
van — met gebreken 83. Verdeeling der — over de openbare scholen 83, 191,
274. Afstand der — van do school 95, 97, 98. Getal — voor onderwijs in uiet-
vorplichte vakken 98. Tijdstip van toelating van — 103. Toezicht op de — op de
speelplaats 107. Scholen met meer dan 600 — 108. Verhouding getal — tot ge-
tal onderwijzers 107, 108, 109, 110; welke — mede te tellen 112, 266. Bevoegd-
heid comm. van toez. inzake toelating en verwijdering van — 236.
Leerplan. Vaststelling van het — 101, 102. Wijziging van het — 102; idem
bij weigering van B. en W. 265.
Leerplicht. Invoering van — 243.
Middelbaar onderwijs. Verschil tusschen lager en — 45, 48, 203, 260. —
ontslaat niet van \'t geven van meer uitgobreid 1. o. 84.
Minvermogenden. Zie On- en minvermogenden.
Nering doen door onderwijzers 147, door huisgenooten van onderwijzers 149.
Normaallessen.
— van Bijkswege 66; staan niet onder toezicht eener plaatsel.
comm. 67, 240. Vereischte onderwijzers bij Bijks— 67. Neutraliteit bij Eijks- en
gemeentelijke — 69. Voorbereidende klassen bij — in gemeentelokalen 261.
Maatregel tot vaststelling regelen voor de Bijks— 303.
Subsidie aan —; zie Eijksbijdrage.
Ondersteuning aan ouders bij niet-schoolgaan der kinderen 244; bevoegd-
heid van het burgerlijk armbestuur 245. Uitbreiding der wetsbepaling 245, 246.
Onderwijs
aan militairen, doofstommen, blinden, spraakgebrekkigen, idioten,
in strafgevangenissen, bedelaarsgestichten of Eijks-werkinrichtingen, en in Bijks-
opvoedingsgestichten 75, 78, 167.
Onderwijs en opvoeding. Beginselen van — bij \'t examen van onderwij-
zer 222. Methode van — bij \'t examen voor hoofdonderwijzer 224, 225. Methode
van onderwijs op de lagere school 266.
Onderwijzeressen. Begrepen onder onderwijzers 70. — bij voorkeur in de
laagste klassen 113. Leeftijd — voor \'t examen 217.
Onderwijzers. — waarop de wet niet van toepassing is 59, 75, 162. Ver-
plichting tot \'t geven van herh.-ond. 91, 92, van uitgebreid 1. o. 116, 132, van
andere lessen 267. Verhouding getal — tot getal leerlingen 107 tot 110; wanneer
te bepalen 108, 109, 111, 112; vak — tellen niet meé 108; geen onderscheid tus-
schen steden en platteland 109; nalatigheid van \'t gemeentebestuur om — aan
te stellen 110; kweekelingen tellen niet meê 110; geleidelijke vermeerdering van
-ocr page 331-
315
het getal — 250; bevoegdheid van Ged. Staten daaromtrent 250; vermindering
van het getal — verboden 255. — lid van een weduwenfonds 11G. Benoeming —
126, 128, 130, 131, 135, 136, aan Rijksscholen 128. Verplaatsing van — 131. Ver-
plichting tot inwoning der — 133. — zonder hoofdrang aan \'t hoofd eener school
254. Getal — aan bijz. scholen 251.
Maatregel tot geleidelijko vermeerdering van het getal — aan openbare en ge-
subsidiëerde bijzondere scholen 302.
Zie verder Akte, Ambten en Bedieningen, Benoeming, Examen, Jaarwedde,
Ontslag, Pensioen, Schorsing, Waarneming, Wachtgeld.
Onderwjjzerswoningen. Ontruiming 136. Eeparatie 272.
Zie verder Schoollokalen.
On- en minvermogenden. — hebben toegang tot uitgebreid 1. o. 85, 188.
—  niet achter to stellen wat leeftijd aangaat 100. Bevordering van schoolbezoek
door — 191. Aanwijzing van scholen voor — 191, 274.
Zie voorts Schoolgeld.
Ontslag. Ongevraagd — aan ondorwijzors goed te keuren door Ged. Staten
95; reden dezer bepaling 100. — van hoofden 130, 133. — van onderwijzers 133,
aan Rijksscholen 133, 136. — op eigen verzoek 133, 134, 135. Datum van ingang
van het — 134. Dwang tot het vragen van — 134, 135. — ambtshalve 135, 137,
146, 149. — wegens gemis der hoofdakte 267.
Openbaar onderwijs. Wat is — 50. Verplichte vakken van — 78, 83, 84.
Voldoend — moet overal gegeven worden in een genoegzaam aantal scholen 78;
wat daaronder te verstaan 79 tot 81, 83, 263, 264. Invloed van bijz. onderwijs op
de beoordeeling der behoefte aan — 79, 81. Opheffing der eenige openbare school
80. Toestand der financiën niet van invloed bij bepaling getal scholen 82. —
toegankelijk voor alle kinderen in de gemeente 82. — in één gebouw met een
klooster 83. Behoefte aan — in niet-verplichte vakken 84, 85. Werkplaatsen aan
openbare scholen 85. Waaraan het — dienstbaar moet zijn 141. Kosten van hot
—  163. Verslag over het — door B. en W. 240.
Omvang van het —. Bepaling daarvan 92; besluiten, onder de vorige wet ge-
nomen, blijven gelden 92. Uitbreiding — kan door Ged. Staten bevolen wordon 92,
mits niet voor jongens of meisjes afzonderlijk 93, of voor meisjes van 14—17
jaren 93; stilzwijgende intrekking van zoodanig bevel 94; oprichting gemeenschap-
pelijke school kan niet bevolen worden 94. Vermindering — goed to keuren door
Ged. Staten 95; beslissingen daaromtrent 96, 97, 98.
Opleiding van onderwijzers. Onder bijz. inrichtingen tot — behoort ook de —
voor hoofd 52. Benoeming van leeraren aan gemeentelijke inrichtingen tot — 69;
schoolgeld op idem 69.
Zie verder Kweekscholen, Normaallessen, Rijksbijdrage, Subsidie.
Ouders of verzorgers. — kunnen in beroep komen bij afkeuring schoollokalen
55, en bij bepaling leeftijd kinderen 71, niet in andere gevallen 101. Keus der school
door de — 191. Ondersteuning der — bij niet schoolgaan der kinderen 244.
Patent. Vrijstelling van — voor bijz. onderwijzers 200.
Pensioen. — en belooning tijdel. waarneming 139. Recht op —, leeftijd, onge-
schiktheid, berekening diensttijd, over te leggen stukken, herziening 154, 155. Be-
drag van het — 157. Bijdrage voor het — 157, 158, 159, 288. — aan gymnastiok-
onderwijzers 163. — aan de weduwe van een onderwijzor 268.
Bepalingen wet burgerlijke pensioenen, toepasselijk op het — 159 tot 162, 268 tot
271.
Maatregel tot regeling der bijdrage voor het — 288.
Personeele belasting. Vergoeding voor — 120, 123.
Plaatsvervanger. — van \'t hoofd door den raad aan te wijzen 138. Belooning
voor — 139.
-ocr page 332-
316
Portvrijdom. Mededeelingen betreffende — 282, 275.
Privaatlessen door onderwijzer» 148.
Provinciën doen geene uitgaven voor I. o. 50.
Registratie. Vrijstellingen: getuigschriften goed gedrag 126, 200, 219; akten
van aanstelling onderwijzers 130; idem en akten van beëediging leden comm. v.
toez. 238.
Reis- en verblijfkosten van leden commissie examen onderwijzer 218.
Rekening. Verschil over holooning van een onderwijzer, verantwoord in de
—  132.
Rijksbijdrage. — aan bijz. kweekscholen 66. Boginsel 67. Berekening 68, 263.
—  aan nol-maallessen en hoofden van scholen voor opleiding van onderwijzers 66.
Beginsel 67. Berekening 68, 263. Alleen voor kweekelingen, volgens art. 8 toege-
laten 68. Verdeeling 68. Niet aan onderwijzers te verleenon, toezicht 69. Maatregel
tot regeling der — 300.
—  voor hot openbaar onderwijs. Algemeene regel 163. Bedrag 168, 169. Stelsel en
beginsel 169 tot 172. Beslag op de —, bcroop in zake —, verlies van aanspraak
op de — 170. — voor vakonderwijzers 171, 255. — voor waarnemend hoofd, on-
derw. met hoofdakto, onderw. boven \'t minimum 171. — bij vacature 172. Inkom-
sten komen niet in aanmerking bij bepaling — in gewone kosten, wel bij buiten-
gewone 172. Breuken 173. — voor scholen waaraan geen behoefte bestaat, weelde
bij kleine scholen, — bij bouw raadhuis en school 173. Quitantiën, voorschot, ver-
rekening 171. Uitgaven waarvoor niet en wel — verleend wordt 174, 175, 272.
—  bij verzuim schoolgeldhefting 182. — als bestek niet goedgekeurd is 198,199.
—  over 1890 253. — over 1891 276. Overgangsbepaling 254, 255; ovontueele in-
trekking daarvan 255.
—  voor het bijzonder onderwijs. Uit \'t oogpunt van reeht, billijkheid of staats-
belang 205, van grondwettigheid 206. Vrijheid van het onderwijs 206, 207. Maat-
staf, inspectie door Ged. Staten, verslag omtrent de scholen, richting van het
onderwijs 207. Bestuur der school 208. Gebouw der school eigendom van rechts-
porsoon 210. — bij opening in den loop van \'t jaar 213. — aan nieuw op te rich-
ten scholen 256. Ingang der — 275. Geen — voor schoolbouw 215, ofhuurwaar-
dc schoollokalen 215, 216. Verplichting tot geven van inlichtingen 204, 207. Uit-
kcering na afloop van \'t dienstjaar 215. Aanvrage der — bij Ged. Staten 204; wat
daaronder te verstaan 216. Bepaling der — door Ged. Staten 205. Beroep 205.
Voorwaarden 204, 211. Rechtspersoonlijkheid 204, 207 tot 210; kerkgenootschap-
pen, kath. scholen 209; coöper.vereen. 210. Omvang onderwijs 204; verplichte vak-
ken 210; onderwijs in handwerken 211. Getal lesuren 204, 211; voor ieder kind
211; voor handwerken 211, 212; op feestdagen, vacantiën 212. Getal onderwijzers
204; vacaturen 204; afzonderlijk hoofd, invloed schooltoezicht op benoeming, on-
derwijzers met hoofdakte 212; aanvulling personeel 214; opvolging voorschriften
betreffende \'t getal 251. Getal leerlingen 204; verklaring daarvan, leeftijd 213;
scholen voor volwassenen, voor jongelingen 214. Opbrengst schoolgelden 204. Winst-
gevend bedrijf 204; wat daaronder te verstaan 215; hoe te bewijzen 215, 275.
Maatregel tot regeling der — 296.
Maatregel betreffende het getal onderwijzers aan gesubs. scholen 302.
Scholen. Twee — in één gebouw 54, 107. —waarop de wet niet van toepassing
is 75. Toestand financiën niet van invloed bij bepaling getal — 82. Genoegzaam
aantal openbare — 78 tot 81, 84. Afzonderlijke — voor aanvangsklassen en voor
meer gevorderden 84. Bepaling getal — en omvang 1. o. 92, 265. Goedk. Ged.
Staten noodig bij vermindering getal — 93, 95, bij sluiting of vereeniging van
—   95, bij tijdelijke opheffing van — 96. Beslissingen omtrent opheffing — of
vermindering omvang 1. o. 96, 97, 98. Sluiting van — door Ged. Staten of den
Koning 101. Plaatsing van klassen eeuer school in afzonderlijke gebouwen 106.
-ocr page 333-
317
—  met meer dan 000 leerlingen 108, 110, 111. Verschillende soorten van — in
eene gemeente 184, 191. Aanwijzing van — door \'t gem. bestuur 83, 191, 274. —
in de open lucht 239.
Schoolbehoeften. Wat daaronder te verstaan 166,167. Abonnement voor Ieve-
ring van —, betaling van — door leerlingen 1G6.
Schoolbezoek. — door comm. v. toez. 240, door A.s.o. en D.s.o. 241, door
gecommitteerden 243. Bevordering van het — 191, 243 tot 246.
Schoolbibliotheken. Toezicht op — 167.
Schoolboekjes 246.                     >
Schoolgeld. Heffing — door onderwijzer voor eigen rekening 82. — van kin-
deren, die elders schoolgaan 89, 189, 191. — tegemoetkoming in do kosten 178,
179. Billijk — 179. Te hoog — 180. Verschillend — in verschillende klassen 186, 274.
Bezwaar tegen bedrag — 187. — op gemeensch. school 188, 189. — voor meer
kinderen uit één gezin 189, 191, 274. — voor herh.-ond. 190, 272. Vooruitbeta-
ling, verzuim van betaling, inning 190. — voor kinderen van onderwijzers 190.
—  voor enkele vakken 190. — voor bepaalde schooltijden 274. — bij aanvraag
subsidie 193, 194. Bedeelden en minvermogenden vrij van — 176, 190. — van
weezen 187, 274. — van minvermogenden 176; hoe te regelen 187; voor alle klas-
sen 187; voor herh.-ond., voor alle vakken 188. On- en minvermogen te beoor-
deelen door B. en W. 180, 187, 274. Verplichting tot heffing van —176,177; mi-
nimum 179, 272; vrijstelling der verplichting 176; redenen voor vrijstelling 182,
183, 273; toepassing artt. 126 en 127 gem.-wet 181, 182; verordeningen, door den
C.d.K. vastgesteld 182. Wijziging, invoering, afschaffing, invordering van het —
177; overlegging staat van inkomsten en uitgaven 186; weigering goedkeuring
183. Evenredig — 177, 184; wanneer aanwezig 273; basis 274; van kinderen bui-
ten de gemeente 184, 185; niet meer dan de kostende prijs 177, 184; becijfering
185.
Schooljaar 112.
Schoollokalen. Regeling voor den bouw en de inrichting van — 53, 54, 55,
250. Ventilatiemiddelen in — 55. Afkeuring van — 55 tot 58. Te veel kinderen in —
64. — waarop de wet niet van toepassing is 75, 76. Gebruik van — voor bewaar-
school 95, voor godsdienstonderwijs 103, 104, voor andere doeleinden 105. Verhu-
ring van — 165. Geschiktheid der — niet door Ged. Staten te beoordeelen 96.
Verdeeling school over verschillende — 106, 107. Ontruiming — 136. Aankoop
grond voor — 165, 173. Huur van — 165. Verlichting, verwarming en schoon-
houden der —, bij abonnement 166, ten koste der gemeente, door \'t hoofd der
school 167. Wat te verstaan onder verbouw van — 165, 173, 198. Bestek voor
en gunning bouw of verbouw — 196; bepalingen betr. \'t bestek 196, 197; ver-
schil van den raad met den D.s.o., aanwijzing deskundige, aanbesteding en gun-
ning door den burgem. 198. Hoe te handelen voor en na aanbesteding van —198
tot 200. Onderwijs buiten — 239.
Maatregel, houdende regelen voor den bouw en de inrichting van — 292.
Schoolmeubelen. Wat onder — te verstaan 165. Schoonhouden der — 167.
Bestek voor — 167.
Schoolonclerwys. Wat is — 45, 203. Geven van — door iemand bevoegd
voor huisonderwijs 65. Verhouding van gewoon — en herh.-ond. 89 tot 91. —bui-
ten lokalen 239.
Schooltijden. Vaststelling der — 101, aan eene leerschool 102. Beslissingen
102. Vrijgeven uren voor godsdienstonderw. 103.
Schoolweken. Aanwijzing van — 83, 191, 274.
Schorsing. — van het onderwijs 95. — van hoofden 130,137. — van onderwij-
zers 137, aan Rijksscholen 138. — in do bevoegdheid tot het geven van onder-
wijs bij overtreding van art. 33 141, 145, alleen bij overtreding in de school 144.
-ocr page 334-
318
Sluiting eener school 95, 101.
Staatsinrichting is geen vak van 1. o. 260.
Subsidie. — aan eene bewaarschool voor geestelijke zusters 100. — vervan-
gende vroegere rijksjaarwedden van onderwijzers 116; intrekking daarvan 163;
blijft buiten aanmerking bij berekening Rijksbijdrage 172; vervalt niet 252. —van
armbestuur aan bijz. school 260.
—  van gemeenten aan bijz. scholen of bijz. inrichtingen tot opl. onderwijzers.
Verboden 50, 51, behalve in enkele gevallen 52, 53, 252, 257, 258, 261.
—  van het Kijk aan gemeenten. Aan te vragen na bepaling getal scholen 82.
Door den Koning te verleenen 192. Bedoeling van het artikel 192, 194. Begelen
voor \'t verleenen van — 193; schoolgeldheffing bij — 193, 194. Bedenen voor
weigering — 194. — aan afdeelingen van gemeenten, betaling van —, vorm advies,
tweede — voor één jaar, teruggaaf — 195. Wat in aanmerking komt voor — 195,
196. Behandeling van aanvragen om — 196. — in verband met de begrooting 196.
Toegang. — tot handelsschool 47. — tot alle scholen voor geneesk. ambte-
naren enz. 53, 56, voor schooltoezicht en gecommitteerden 243. — tot openb.
scholen voor alle kinderen zonder onderscheid van godsd. gezindheid 78. — voor
kinderen wier ouders buiten de gemeente wonen 82. — voor kinderen uit andere
gemeenten 88. — tot vergaderingen comm. van toez. 242.
Toehoorders. Zie Bijwonen.
Toezicht op het 1. o. Aan wie opgedragen 231. Beorganisatie van het — 231.
— op scholen in verschillende arrondissementen enz. 231. Verdeeling van het
Rijk voor het — 233, 277. Onderscheiding tusschen Rijks- en plaatsel. — 235. Aan
wie het plaatsel. — is opgedragen 235. Rijks— over kweekscholen 263.
Zie verder A.s.o., Comm. van toez., D.s.o., Insp. v. het 1. o.
Tuin of tuinhuur 121.
Uitgebreid 1. o. Op eene school voor — ook onderwijs in de verplichte vak-
ken 84. — moet bij gebleken behoefte gegeven worden, ook al is er midd. ond. 84,
of bijz. ond. in talen 85. — onafhankelijk van de gegoedheid der ingezetenen;
ook toegankelijk voor on- en minvermogenden 85.
Vacantiën. Bepaling der — 101, 102, aan eene leerschool 102.
Vergelijkend examen. — voor hoofd der school afgeschaft 128. — voor on-
derwijzer 131. D.s.o. deskundige bij — 233.
"Vergelijkend onderzoek bij benoeming hoofd der school 127,138. Wat daar-
onder te verstaan 128. Wanneer noodig 129.
"Vergunning tot het geven van 1. o. 59, 60. Uitreiking der akte aan vreem-
delingen vóór \'t verkrijgen der — 223.
Verlichting en verwarming. Zie Schoollokalen.
Verlof. Jaarwedde bij — 115, 140. — bij militairen dienst 136. Door wie —
te verleenen 236, 237. — in \'t persoonlijk belang van den onderwijzer 237.
Vernietiging. Aanvraag — raadsbesluit door D.s.o. 242.
"Veroordeeling. Verlies bevoegdheid bij — 65, 265. Getuigschriften goed
gedrag na — 127. Ontneming bevoegdheid ook zonder — 136. Uitreiking akte
na — 66, 223.
Verordeningen (plaatselijke). — betreffende: voorbereidend onderwijs 77,
verwijdering leerlingen 83, 236, overgang leerlingen 103, bedreiging onderwijzer
met geldboete 136, verlicht., verwarm, en schoonh. schoollokalen 167, geregeld
schoolgaan 191, aanwijzing scholen 191, comm. van toez. 235 tot 237, schoolver-
zuim 245, kinderarbeid 246, 247.
Verplaatsing van hoofden 128, 130, 131, van onderwijzers 131.
Verzuim. — van enkele lessen niet geoorloofd 78, 86, 264. Wat te doen bij
— 87. Straf tegen school— 191.
Vestigingsplaats eener openb. school. Goed te keuren door Ged. Staten 95,
-ocr page 335-
319
96. Niet aan te wijzen door Ged. Staten 94, of door den M.v.B.Z. 95. Wat bij de
— in acht te nemen 265.
Visum. Bewijs van — op stukken van bijz. onderw. 200, 201, 275.
Volontairs in de school 62, 225.
Voorbereidend onderwijs. Is geen 1. o. en mag zonder akte 1. o. gegeven
worden 59. Wat — omvatten kan 76, 77. — kan aan eene lagere school verbon-
den worden 76. Vernietiging plaatsel. verord. betr. — 77. Maatregelen botr. ge-
bouwen voor — onnoodig 78. Afstand van een schoollokaal voor bewaarschool
95. Subsidie aan eene bewaarschool voor geestelijke zusters 100.
Voordracht. — voor hoofd der school 127. — voor onderwijzer 128. To wei-
nig candidaten voor — 129. Behandeling der — bijden raad 130. Benoeming bui-
ten de — 130. Verschil over de — voor onderwijzer 131, 132.
Vreemdelingen. Behoeven vergunnning om 1. o. te geven 58, 59. Uitreiking
akte aan — 223.
Vrije woning. — voor het hoofd der school 113. —, die niet gebruikt
wordt 119. Beslissingen in geschil over — 120. Verhuring der — 120. Ontruiming
der — 136. — voor waarnemend hoofd 140. Genot der — wordt geschat door
Ged. Staten 157. Verstrekking van — in plaats van vergoeding huishuur 266.
Wat onder — te begrijpen 272.
Waarneming. — van het bestuur eener school 106. — der betrekking van
onderwijzer 137, 138, aan Rijksscholen 138. Ontheffing der —, ontslag aan den
waarnemer 138. Belooning bij — 139, 140. — door kweekelingen 141. Pensioens-
bijdrage bij — 158. — der betrekking van hoofd eener bijz. school 202.
"Wachtgeld. — aan onderwijzers 156, 157. — aan inspecteurs 252.
Waterschappen doen geene uitgaven voor 1. o. 50, tenzij krachtens octrooi
van bedijking 163.
Werkplaatsen aan de openbare scholen 85.
Winstgevend bedrijf. Zie Rijksbijdrage voor \'t bijz. onderwijs.
Wiskunde. Vervallen der — als examenvak 224. Bevoegdheid tot \'t geven
van onderwijs in — 259.
Zedelijkheid. Zonder bewijs van — mag niemand 1. o. geven 58; uitzonde-
ringen 59.
Zegel. Toepassing der —wet op: getuigschriften goed gedrag 126, 200, 219,
227; verzoekschriften om benoemd te worden 130; akten aanstelling onderwij-
zers 130; bevelschriften tot betaling pensioensbijdragen 159; idem tot betaling
rijksbijdrage aan de gemeenten 174; visum stukken bijz. onderw. 200; akten van
bekwaamheid 223, 227, 229; akten van aanstelling en beëediging leden comm. van
toezicht 238.