-ocr page 1-
yrt\'- --------■■ ff
.4
Z
■."2                 f :\'606naiis\'iA:J                     \'^
„OM HET ROER VAN -
SERIE POLITIEKE VLUGSCHRIFTEN ONDER REDACTIE VAN
Prof. Dr. H. VISSCHER ea Prof. Mr. P. A. DIEPENHORST
MET MEDEWERKING VAN
Mr. A. A.NEMA, S. H. BUYTENDIJK, L. F. DUYMAER VAN TWIST,
Mr.V. H. RUTGERS, G. W. C. VUNDERINK, Dr. J. Th. DE VISSER enz.
No. 6.
De Romende strijd
door                                 ^ü$^?ü»v
S. H. BUYTENDIJK,
EM.-PRE.DT.
UTRECHT — G. J. A. RUYS — 1909
Per Serie van 8 nummers ƒ1.— (fr. p. p. ƒ1.15).
Bij getallen ter verspreiding — uitsluitend van de complete
serie — wordt verleend:
Bij: 25 ex. 25%; 50 ex. 35%; 100 ex. 45% en 150 ex.
50% korting.
••
-ocr page 2-
Wat zegt de pers aangaande de serie „Om
het Roer Van Staat".
De hoofdredacteur van „De Standaard". Onder de stembus-
litteratuur, die in ruimen kring verspreid behoort te worden,
komt voorshands wel de eerste plaats toe aan de serie,
die de hoogleeraren Dr. H. Visscher van Utrecht en Mr.
P. A. Diepenhorst in \'t licht zonden.
Reeds de titel van deze serie pakt, want in dien titel ligt
een politieke confessie.
Het gaat bij de stembus niet om een zetel aan een vriend
te gunnen, noch ook om een lid, dat zat, te wippen. Het
gaat, zoo zeggen deze heeren in hun titel, om \'t roer van
Staat.
Laat men bij dien mooien titel de moeite sparen ons op
te merken, dat het roer van Staat in Gods hand is, of ook
dat het roer van Staat door God in de hand van onze
Koningin gelegd is, en dat het volk, dat de kiezers, dat
zelfs de Tweede Kamer geen hand en geen vinger naar
het roer van Staat mogen uitsteken.
Ons antwoord op al zulke critiek luidt: We weten het
ook wel. Maar wat we ook weten is, dat het roer van Staat
naar Links omgaat, zoo Links wint, en dat wie het roer
van Staat Rechts wil houden, er voor te waken en te ijveren
heeft, dat Rechts niet ten tweede male geslagen wordt.
En dit kan niet de Koningin doen, dit kan alleen het
volk, dat daarbij strijdt voor zijn rechten en vrijheden, en
in die rechten en vrijheden voor de eere van Christus onzen
Koning.
Geheel conform deze opvatting is dan ook het eerste
stuk van Prof. Visscher in deze serie, dat loopt over de
anti-these. Die anti-these wordt ontdaan van al het stof,
waarmee het Liberalisme haar bezoedeld geeft. Ze komt
uit in haar oorspronkelijke zuiverheid en hooge beteekenis.
Ze verschijnt als de diepgaande tegenstelling, die of men
wil of niet wil, het lot der volken beslist.
Er is onder ons ook wel eens een tactiek aan het woord
die fluistert: Berg de antithese toch weg, anders verliezen we
weer. Laat ons de snaren van gematigheid en zoetelijk ver-
zoenen betokkelen, en we hebben kans om te winnen.
Maar de H. H. Visscher en Diepenhorst antwoorden
kloekweg, dat zoo laffe politiek hun verzaking van beginsel
zou zijn, en kloek en moedig heffen ze de aloude banier
van Groen, de antithese van Tegen de Revolutie het Evan-
gelie !
weer omhoog.
Leze ons volk wat ze ons ten beste geven, het zal er in
genieten, en er door bekwaamd worden tot den heiligen strijd.
\'
-ocr page 3-
Aan onze Lezers zijn we een korte toelichting verschuldigd
over het feit, dat buiten de orde, die wij ons voorgesteld hadden,
dit geschrift in de serie „Om het Roer van Staat" verschijnt.
Wij meenden niet te mogen nalaten ook Ds. Buytendijk ge-
legenheid te geven voor de naderende verkiezingen zijn stem
te doen hooren.
Wij geven hem gaarne plaats, niet slechts omdat hij een man
is op zeer hoogen leeftijd, maar bovenal omdat hij met de volks-
nooden heeft meegeleefd en in den strijd der geesten heeft
meegestreden.
Het kwam ons voor, dat de stem van dezen oude mocht
weerklinken, zoolang hij spreken kan. Waar hij op zoo hoogen
leeftijd nog behoefte gevoelt ook op politiek terrein te getuigen,
daar meende de redactie voor zijn getuigenis deze serie te
moeten openstellen.
Vinde het woord van dezen eerbiedwaardigen veteraan weer-
klank in den breeden kring van jongeren.
Het is een eigenaardig woord, echt „Buytendijksch" zouden
we bijna zeggen, maar toch een woord, waarin nog natrilt van
de vroegere actie van dezen actieven man; waarin nog navonkt
van het jeugdig vuur; waarin nog tintelt de warme liefde voor
Vaderland en Vorstenhuis.
Maar niet minder blijkt er uit zijn diep besef van de groote
beteekenis, die een Christelijke regeering voor de volksontwik-
keling heeft. En daarom, we wilden Ds. Buytendijk gelegenheid
bereiden zijn woord te zeggen in de hope, dat het menigeen,
die nog aarzelt uit sleur of lauwheid, zal doen gevoelen, dat het
de roeping des Christens is ook op politiek terrein mede te
strijden met het wapen van het ons gegeven stembillet voor de
bevestiging en bevordering der Christelijke levensbeginselen.
Vure het exempel van ijver door dezen grijsaard gegeven vele
jongeren aan om te doen wat onze hand ook op politiek ge-
bied te doen vindt. En worde het Ds. Buytendijk gegeven nog
te aanschouwen de zege van Rechts!
De Redactie.
-ocr page 4-
Het gelieve den kristelijken kiezers eenige oogenblikken \'t
oor te leenen aan een man, die als met zijn eenen voet in \'t graf staat,
bij de 89, maar toch met zijn tijd meeleeft en ons volk, vaderland
en vorstenhuis op zijn biddend harte draagt. Toen ik jongstleden
zomer krank werd, was mijn eerste gedachte: „Hoe jammer dat,
als ik nu stierf, ik dan \'t volgend jaar aan de groote verkiezing niet
zou kunnen deelnemen". Van mijn jeugd af aan, trok ik partij
voor wat ik \'t hoogste acht: God, Nederland en Oranje.
Menschen die zeggen: „Wie \'t land wint, wint mij", zijn
voor mij onuitstaanbare Laodiceeërs. Wees wat gij zijt: Kristen
of heiden, orthodox of modern; voeg u in de politiek bij Rechts
of Links; dat moet gij voor uzelf weten; ieder staat of valt zijn
eigen heer. Maar bedenk dat anderen op gelijk recht aanspraak
hebben; wees een onpartijdige partijganger naar den bijbelschen
regel: „Wat gij wilt dat de menschen u doen, doe gij hun
ook alzoo".
Gambetta heeft gezegd: „Het klerikalisme, dèt is de vijand".
Neen, niet het klerikalisme, maar \'t liberalisme; niet het echte,
doch de karikatuur daarvan. Halverwege de achttiende eeuw
was een deel van ons volk begonnen \'t kristelijk geloof beu te
worden, om \'t in te ruilen tegen de filosofie des ongeloofs van
Voltaire en konsorten. De groote Fransche Revolutie had haar
intree ten onzent gedaan en, bleef ook na den val van Napoleon,
de heerschende richting. Wat er van \'t kristelijk geloof in staats-
bestuur, maatschappij en school nawerkte, moest verdwijnen,
Van deze brochure is bij den Uitgever dezer een uit-
treksel verschenen, getiteld Tégen Links, voor Rechts, om
aan de kiezers toe te zenden. Kiesvereenigingen kunnen
daarin bij wijze van advertentie hun kandidaat aanbevelen,
zelfs zijn portret plaatsen. De prijs bij getallen is gering.
Op franko-aanvraag wordt een exemplaar gratis aan kies-
vereenigingen toegezonden.
-ocr page 5-
3
heel ons volk geliberaliseerd worden. In de volksschool mocht
de onderwijzer den naam van Kristus niet bezigen dan, gelijk
een professor-kamerlid het uitdrukte, „terloops".
Ja zelfs in 1878, toen de onzen feitelijk reeds in de meerder-
heid waren, riep minister Kappeyne triumfantelijk uit: „Dan
moet de minderheid — dat waren wij — maar onderdrukt
worden! Ze heeft geen recht van bestaan" \')•
In de kunst om hun tegenstanders te onderdrukken waren de
Liberalen steeds matadoren, terwijl orthodoxe protestanten en
kerksche Roomschen als dom of oneerlijk gedoodverfd werden.
Er was een nieuw licht, uitstralend van de godin der Rede,
opgegaan, dat, zoo leerden ze, \'t schemerlicht der kristelijke
kerk, immers op sterven na dood, in luister verre overtrof.
Toch, evenals Paulus vóór zijn bekeering, waren deze mannen
te goeder trouw en als wijlen de Atheners alleszins godsdienstig.
Ze voelden zich geroepen om ons volk in de „zegeningen" van
den nieuwen tijd te doen deelen. En dat ze op menig gebied
baanbrekers ten goede geweest zijn, moet dankbaar erkend worden.
Den Jan Salie-geest uit de eerste helft der vorige eeuw hebben
ze ten doode gedoemd, vele hoogst noodige hervormingen tot
stand gebracht. Eere aan wie eere toekomt.
„Maar, zoo vroegen de bijbelsche Kristenen, „wat heeft een
volk aan stoffelijke welvaart en verliest daarbij zijn geloof in
God en de hoop des eeuwigen levens?"
Door heel de wereldgeschiedenis loopt een lijn die \'t mensch-
dom in tweeën scheidt, in kinderen Gods en die der wereld.
Geloof en ongeloof zijn elkaars tegenvoeters. Of ge laat u in
denken en doen besturen door God, gelijk Hij zich in zijn
Woord en in de historie geopenbaard heeft, en stelt deze tot
richtsnoer, niet alleen van uw handel en wandel, maar ook van
\'t staatsbestuur; óf ge kiest als kind der Revolutie van 1789
de Rede (de wijsbegeerte, \'t z.g. gezond verstand, het vernuft)
tot uw leidsvrouw en grondt wetten en verordeningen op haar
uitspraken.
Dit laatste deed de liberale partij te onzent nu reeds een
eeuw onder de in haar mond valsche leus: scheiding van Kerk
en Staat, terwijl de bedoeling was de Kerk in een hoek te
duwen en den Staat als atheïstisch instituut te stempelen.
1) Opmerkelijk dat sedert dien tijd de liberale partij is gaan kwijnen. Hoogmoed
komt vóór den val.
-ocr page 6-
4
Dat dit ondergraven van \'t eeuwen-oud fundament zich zou
wreken, kon niet anders, \'t Is overbodig dit in bizonderheden
aan te toonen. De koeranten vermelden \'telken dag; en de
statistieken bevestigen \'t met huiveringwekkende cijfers. Komt
daarin geen kentering, wee dan de komende geslachten!
Deze heillooze loop der dingen werd van den beginne aan
door enkele diepgeleide geesten voorzien en er tegen gewaar-
schuwd. Goddank, niet vruchteloos. Er was ook toen een over-
blijfsel naar de verkiezing der genade. De ontkerstening der
volksschool stuitte velen tegen de borst. De kinderen behooren
niet aan den Staat, maar aan de ouders. Ook op de school
moet de kristelijke opvoeding schering en inslag zijn. Denken
de Liberalen daarover anders, \'t zij zoo. Maar \'t was gruwelijk
onrecht den onzen de oprichting van vrije scholen, en nog wel
op eigen kosten, te verbieden. Toch, met de taaiheid onzen
landaard eigen, hielden ze vol; totdat eindelijk op 6 Mei 1844
te Nijmegen de eerste kristelijke school kon geopend worden \')•
Of zou de liberale partij, nu de door Kappeyne zoo gesmade
minderheid beslist tot meerderheid is geworden en zich als zoo-
danig geopenbaard heeft, tot inkeer gekomen zijn, en laat ze
althans haar suprematie-allures varen?
Niets daarvan. Keerde \'t lot en kreeg ze weer de handen vrij,
\'t ging den ouden weg. Tusschen tegenovergestelde beginselen
is geen vergelijk mogelijk. Aan „de vrije school voor heel ons
volk" d.i. gelijk recht voor allen, draagt ze voortdurend een
onverbiddelijken haat toe. Ze erlangde in 1905 bij de verkiezing
45 van de 100 zetels, dat is nog drie minder dan Rechts. En
toch durfde ze de regeering aanvaarden, steunend op de mee-
werking der Socialisten, — mannen zonder God, zonder vaderland,
zonder historie, „zonder liefde tot het goede", die allen menschen
tegen zijn, elkander bijtend en opetend, laatdunkend en brutaal.
Denk slechts aan hun walgelijk protest, toen aan de Kamer de
heuglijke tijding werd meegedeeld, die elks hart deed trillen
van blijde hoop op een loot uit \'t hoog vereerd Huis van Oranje
Nassau, uit een Vorstin welker leven we hooger schatten dan eigen
leven. Reeds daardoor dat ze van Socialisten steun verwacht om \'t
land te kunnen besturen, heeft de liberale partij zichzelf geoordeeld.
1) Ik heb dit ten vorige jare breeder aangetoond in een brochure: De Vrije School
voor heel ons volk; gelijk recht voor allen;
uitgave O. J. A. Ruys, Utrecht. Prijs f 0.35.
-ocr page 7-
5
Nu zal ik \'t spreekwoord: „Noem me uw vrienden en ik zeg
u wie ge zijt" niet op de Liberalen toepassen. Ik denk aan den
oorlog met de Belgen in 1830 1, waaraan ze con amore deel
namen, en aan hun enthousiastisch mee-vieren van de voor-
spoedige bevalling onzer Koningin en de geboorte van \'t afge-
beden kind. Toch teekent het dat, staat het bij een herstemming
tusschen een der onzen en een socialist, zeer vele Liberalen den
laatstgenoemde kiezen. Ook in de politiek helt de meerderheid
der vrijzinnigen over naar de zijde der Socialisten. Zelfs de
handhaving van \'t gezag is in hun handen niet veilig; denk
aan de spoorwegstaking in 1903.
Dat ook de linkerzij beseft dat het bij de komende verkiezingen
niet allereerst gaat om sociale en materieele belangen, maar om
de vraag: welke geestesrichting in de regeering de heerschende
zal zijn: die des geloofs volgens de H. S., of de tegenovergestelde,
die der Rede, blijkt mede uit het rumoer dat de Liberalen
maakten over de z.g. antithese. Dr. Kuyper zou hen — \'t is nu
al 4 jaar geleden — voor paganisten (heidenen) hebben ge-
scholden, in tegenstelling met zijn eigen geestverwanten: geloovigen.
Zulks wilden de Liberalen zich niet laten aanleunen. Ook zij,
beweerden ze, gelooven in God en zijn voorstanders van goede
zeden; over de beweegredenen huns harten te oordeelen staat
niemand vrij.
Natuurlijk is door Dr. Kuyper niet bedoeld elk lid der liberale
partij, hoofd voor hoofd, een vijand van \'t kruis van Kristus te
heeten. Ieder weet dat er onder de vrijzinnigen steeds waren,
en nog zijn, met ons eenzelfde dierbaar geloof deelachtig; hoe
onverklaarbaar \'t ons voorkomt dat ze zich bij de ongeloofspartij
lieten indeelen. En evenzeer is \'t een dwaling te meenen dat
allen die zich bij Rechts aansluiten, oprechte vromen zouden
zijn. Ons voegt in deze geen oordeel. Paulus leerde dat er
heidenen waren, die zonder wet de werken der wet deden; aan
wie heerlijkheid en eer en vrede werden toegekend (Rom. 2);
terwijl Jakobus zeide dat de barmhartigheid tegen \'t oordeel
roemt. Het kenmerk eener partij zijn niet de gevoelens van
deze of gene leden, maar haar beginselen en de daaruit voort-
vloeiende daden.
Doch waarom aanvaarden de Liberalen dan niet rond en ruiter-
lijk de antithese ? Was ik hunner éen, ik deed het. Ik ben burger
van een vrij land, in \'t welk jeder mag ijveren voor wat hij
-ocr page 8-
6
waar en goed acht. Wie dat niet doet, is een lafaard. En ik acht
het woordenspel, beneden de waardigheid der liberale partij,
wanneer ze beweert: „Ook wij gelooven in God", wetend dat
tusschen ónzen God, gelijk Hij zich in de H. S. geopenbaard
heeft, en héar God, een wijsgeerig gedachtenbeeld, geen de
minste verwantschap bestaat.
Of is heel de beweging over de antithese ook een kiesmaneu-
ver, om Dr. Kuyper zwart te maken, en daardoor onmogelijk
als minister? Die taktiek is in 1905 gelukt. Zal ze \'t in 1909
weer doen ? \'t Is vermakelijk op te merken hoe bang heel de
liberale pers is voor dien éenen man. Wel een bewijs dat de
schrik er bij de Liberalen in zit; en tevens van hun blindheid,
wijl ze, zoo doende, zijn invloed te meer in de hand werken.
Want onverschillig of hij al of niet in \'t ministerie zitting neemt,
men zal met zijn adviezen moeten rekenen. Nooit was zijn positie
zoo sterk als tegenwoordig. De z.g. doleering ligt nu reeds 23
jaar achter ons. Het jongere geslacht heeft wat er uit ontsproot,
als een fait accompli aanvaard, en de Herv. Kerk is er tot krach-
tiger werkzaamheid door geprikkeld. Als minister heeft Dr. Kuyper
de Herv. Kerk op geenerlei wijze benadeeld; zelfs het tegendeel.
Van zijn vroegere „onhebbelijkheden" heeft hij zich bekeerd.
Middelerwijl mag niemand vergeten hoe hij en zijn kollega\'s de
spoorwegstaking van 1903 den kop hebben ingedrukt en bewezen
dat het roer van den Staat aan onze voormannen veilig kan
worden toevertrouwd. En wat Dr. Kuyper ten bate van \'t kriste-
lijk onderwijs wrocht, zal hem immer tot roem strekken. Treurig
dat men om als een genie algemeen erkend te worden, eerst
sterven moet. Zijn Groen, Mackay en Elout, het roemrijk drie-
manschap, de grondvesters, onzer partij — hun namen staan in
ons hart gegrift — Kuyper en de Savornin Lohman hebben haar
georganiseerd, bevestigd en tot bloei helpen brengen. Wij danken
God die ze ons heeft gegeven.
Dat ook onze roomsche medeburgers \'t innig verband tusschen
geloof en staatsrecht erkennen en met ons willen samenwerken
om ons volk van onder \'t juk der liberalistische overheersching
te verlossen, moet hoog gewaardeerd worden. Onttrokken ze
zich, \'t zou hen minder deren dan ons. En of men nu al hoon-
-ocr page 9-
7
lacht en roept: „Prachtige kombinatie ! Geuzen en Papisten saam
arm in arm ter stembus zich spoedend!" wij kennen dien Si-
renenzang, dat schimpen op \'t „Monsterverbond", om, gelukte \'t,
zichzelven de heerschappij te verzekeren, \'t Is partijtaktiek, spe-
kuleeren op \'t antipapisme, zoo diep bij de Protestanten geworteld,
zelfs bij hen die anders zich boven elk vooroordeel weten te ver-
heffen. De tachtigjarige bloedige worsteling om vrijheid van geloofs-
overtuiging kunnen wij nooit vergeten. En al vertoont Rome zich
ten onzent nog zoo verdraagzaam, niet echter in landen waar
ze op \'t gebied van den godsdienst alleenheerscheres is. Wat
hierop te zeggen ? \'t Is de vloek van elke kerk met een ver-
steende geloofsbelijdenis, om wie van deze afwijken, niet voor
vol aan te zien, indien zelfs niet erger. De pot verwijt den ketel
dat hij zwart is.
Gemeenschappelijke nood bindt echter saam. De strijd loopt
niet meer over de vraag welke kerk de echte is, of welke de
waarheid der Godsopenbaring \'t zuiverst formuleert. Dit goede
werkte \'t ongeloof zijns ondanks uit, dat vele Kristenen niet meer
den nadruk leggen op wat ze scheidt, maar op wat ze onderling
gemeen hebben, om vereenigd pal te staan tegen den geest uit
den afgrond, en hóe onze medeburgers te verlossen uit de
doodende omarming des ongeloofs, dat uit de kringen van god-
loochenende filosofen is overgeplant in die des volks uit alle
rangen en standen.
Ten tijde onzer vaderen was de leus „Liever Turksch dan
Paapsch !" thans moet ze luiden „Liever Paapsch dan Modern !"
op theologisch, en „Liever Paapsch dan Liberalistisch !" op politiek
gebied. Ik acht het een gunstige beschikking Gods dat ten onzent
Rome door haar organisatie nagenoeg al haar leden behoedt
tegen de listige omleidingen van Liberalisten en Socialisten, en
met rechtzinnige Protestanten zich vereenigt. Een tegenoverge-
stelde politiek, die zich laat beïnvloeden door persoonlijke
antipathieën en vrees voor mogelijke gevaren, — en dan nog
wel door een vergrootglas bezien — zulk een politiek heet ik
kleinzielig en verderfelijk.
Neem daarbij in aanmerking dat Protestanten en Roomschen
slechts elkander steunen in distrikten waar ze anders in de
minderheid zouden zijn ; en voorts op eenige punten van aktueele
politiek éen lijn trekken. Deze samenwerking heeft reeds goede
vruchten gedragen.
-ocr page 10-
8
Of weet iemand een ander middel om ons volk uit het libe-
raal moeras te verlossen? Zulk een is er niet\')• Links telt
thans in de Tweede Kamer 44 stemmen, en met de Socialisten
erbij 51 ; en Rechts 49, van welke 24 door Protestanten en 25
door Roomschen worden uitgebracht.
Onttrekken nu de Protestanten en Roomschen zich aan elkan-
der, dan daalt het stemmencijfer voor de Protestanten op pl.m.
18. Begin daarmee eens wat in een Kamer van 100 leden! Of
Liberalisten en Socialisten ook viktorie zouden roepen! Vergeefsch
dan de worsteling van t geslacht dat bijna de geheele 19de
eeuw lang, op hoop tegen hoop den kamp met de overmachtige
liberale partij heeft aangebonden! Weg dan de behaalde voor-
deden, vooral op \'t gebied van \'t lager onderwijs! In den grond
geboord dan ons ideaal: de kristelijk-historische grondslagen
van ons volksleven te bevestigen of, waar ze reeds aangetast
waren, te doen herstellen! Dan zullen we weer gebonden zijn
aan den triumfwagen der Liberalen en Socialisten.
En al die ellenden zouden we in den mond moeten loopen
om voldoening te geven aan ingekankerden haat tegen Rome,
en uit óf domme, of ingebeelde óf voorgewende vrees voor ketter-
gerichten, foltertuigen en brandstapels. Alsof we nog in de middel-
eeuwen leefden ; alsof sedert geen machtige protestantsche rijken
ontstaan waren, en ten onzent de roomsche bevolking niet van
39% tot 35% was gedaald! Alsof Rome zelf niet schier overal
heeft te kampen, in geloovige protestantsche kringen steun zoekt
en met ons voelt dat „de worsteling der tijden niet gaat tegen
vleesch en bloed, maar tegen de machten, tegen de wereldbe-
heerschers der Duisternis, tegen de booze geesten in de lucht"!
De Latijnen zeiden: „Terwijl de senaat delibereert, gaat Sagun-
tus verloren". Een mensch wordt kregel als telkens deze of die
aankomt met zijn „Maar uit dit (of dat) oogpunt beschouwd". Niet
weinigen worden door „oogpunten" doodgestoken. Spijkers met
koppen te slaan is wel zoo verkieslijk.
„Of \'t dan niet bedenkelijk is ons volk in geloovigen en onge-
loovigen te splitsen, terwijl de stembus moet uitmaken welke
1) Wel heeft men reeds vóór jaren een nieuwe partijvorming beproefd. Gods-
dienstige liberale-protestanten zouden zich met de linkerzij van Rechts, de volbloed-
anti-Kuyperianen, tot een middelpartij vereenigen, en zoo saam tegen Rome optrekken,
\'t Bleek — \'t was te voorzien — een aan den boom gebonden dood paard te zijn.
-ocr page 11-
9
van beide de sterksten zijn en alzoo behooren te regeeren ?"
Doch aan wie de schuld dier scheiding? Vóór dat de onge-
loofstheorieën hun intree deden, was schier ieder volk in
naam geloovig. En nu staat het elk vrij om met God en zijn
dienst te breken, — God dwingt niemand — en het staatsrecht
op andere beginselen te gronden. Maar dan behoort dit open
en rond te geschieden, na daartoe de toestemming der stemge-
rechtigden te hebben verkregen; niet, gelijk geschied is, op
geniepige wijze. En nu het vaststaat dat de meerderheid van ons
volk wil dat Nederland een kristelijke Staat zijn zal, thans voor
ongeloofspredikers te wijken zou laf zijn, ja erger: zondig voor
God. Wil Hij dat wij verdrukt worden, we zullen ons onder-
werpen, doch biddend worstelend om vrij te worden. Ook in de
politiek zijn we tot vrijheid geroepen. Thorbecke heeft eens aan
Groen c.s. toegeroepen: „Als gij maar een stille partij wildet
zijn!" De Franschen echter zeggen, dat wie zich als een schaap
voordoet, door de wolf wordt opgegeten.
Maar als we dan de talrijksten blijken te zijn, zullen we er
dan niet vanzelf toe komen om de liberale partij in de positie
te brengen, waarover wij ons beklagen ? Is gelijk recht voor
allen niet een groot woord, dat in deze kromme wereld onmo-
gelijk konsekwent kan worden toegepast?
Dat dit gevaar werkelijk dreigt, moet toegegeven worden.
Hoewel dit slechts loon naar werk zijn zou, heb ik toch van
Rechts, in \'t bizonder van onze voormannen, betere verwachting.
Onze vaderen hebben \'t andersdenkenden, Roomschen uitge-
zonderd \')» nooit moeilijk gemaakt, de vrijheid der konsciëntie
I) Dat ze hen verdrukt hebben; en nog wel tegen den raad in van den nooit
volprezen Willem den Zwijger, model van echte verdraagzaamheid, blijft een vlek
in de geschiedenis, alhoewel te verklaren uit de naamlooze ellende en gruwelen
door Karel V, en nog veel erger door Filips II, monster uit de hel, en zijn tijger-
achtige bent met den onmensch Alva aan den spits, hun aangedaan. Ik lees dezer
dagen Motley, de opkomst der Nederlandsche republiek, — een uitnemend middel
om \'t z.g. droit divin der monarchen te leeren verafschuwen. De Zwijger mocht
„door een verdichting, niet zonder wijsgeerigen zin, onderstellen dat Filips II niet
in staat was, de misdaden te begaan, welke hij (prins Willem) Alva ten laste
legde .... en door een eigenaardig schijnbetoog zich laten meeslepen, hetwelk de
zaak des volks zocht te sterken door den Koning (Filips) deugd toe te schrijven"
(Motley) — wij kinderen der 20ste eeuw zijn te nuchter en te zelfstandig om zulk
een illusie te koesteren. Het „den Koning van Hispaniên heb ik altijd geëerd", in
ons Wilhelmus, zing ik dan ook nooit mee. (Ps. 139 : 21, 22).
-ocr page 12-
10
geëerbiedigd. Zulks moet in \'t klassieke land der vrijheid zoo
blijven. Ook \'t vermoeden dat een regeering van Rechts de
triumf zou zijn van \'t klerikalisme, is uit de lucht gegrepen. De
tijd is, Goddank, lang voorbij dat de dominees in de politiek een
hoofdrol speelden. De scheiding van Kerk en Staat is een vol-
dongen feit. Maar dominees en pastoors zijn ook burgers. Velen
hunner hebben als kamerleden of ministers den lande diensten
bewezen. Geen huwelijk tusschen Staat en Kerk, bron van
namelooze ellenden vele eeuwen lang; maar wel uit kracht van
beider roeping elkaar steunen en in de hand werken. Ons voor-
geslacht was zijn ontwikkeling, beschaving en welvaart aan \'t
kristendom verschuldigd. Reeds vóór de Hervorming was \'t een
energiek, vrijheidminnend en vroom volk — denk slechts aan
de trotsche kathedralen die \'t gebouwd heeft. Dat willen we blijven
en ons meer en meer betoonen, ook in de oefening van ver-
draagzaamheid jegens hen die we thans op politiek gebied
bestrijden. Maar dit zullen ze, worden ze bij de stembus geslagen,
voor lief moeten nemen, dat Nederland weer \'t beeld vertoonen
zal van wat eertijds op onze nationale muntstukken prijkte —
ik heb ze nog in omloop gekend —: de Hollandscne Maagd
met den helm op \'t hoofd en de speer, versierd met den vrij-
heidshoed, in de rechterhand, terwijl de linker op den Bijbel
steunde, en \'t opschrift luidde: Hanc tuemur, hac nitimur (de
vrijheid beschermen we, op den Bijbel steunend).
Echter niet alles op eens. Wat een eeuw lang in verkeerde
richting werd gestuurd, is niet met een handomdraaiïng in \'t goede
spoor te leiden.
De rechterzij heeft thans voor de derde maal de bewindteu-
gels in handen, en toch vertoont het politisch en maatschappe-
lijk leven nog schier op elk gebied de liberale kleuren, \'t Is Dr.
Kuyper verweten dat hij als Minister bij benoemingen zijn
geestverwanten zou hebben voorgetrokken, partijbenoemingen
gedaan. Indien dit werkelijk \'t geval geweest is, dan zou ik
hierop \'t woord van den Prediker willen toepassen: „Wees niet
al te rechtvaardig."
Wat beteekent dat weinige in vergelijking met hetgeen de Li-
beralen deden, ongeveer een eeuw lang. Was \'t niet een witte
raaf wanneer iemand die gerekend werd tot de „fijnen" te be-
hooren, in eenige hoogere of lagere betrekking geplaatst werd?
-ocr page 13-
11
Bezoek de protestantsche kerken — en de professoren, de rechters,
de leeraars aan gymnasiums en hoogere burgerscholen, tot zelfs
de onderwijzers aan de lagere openbare scholen toe, — in \'t kort
schier allen die tot de regeering van rijk, provincie en gemeente
in eenige betrekking staan, schitteren door hun afwezigheid. En
deze allen doen op hun beurt alles wat ze kunnen om hun par-
tijgenooten te begunstigen \')• Zeker, wijl de meesten van hen
die zich Rechts scharen, tot de „kleine luyden" behooren, en
derhalve voor hoogere staatsbetrekkingen onbekwaam zijn, zal
men wel genoodzaakt wezen de toevlucht tot mannen van de
linkerzij te nemen. En waarom zou men dit niet, als deze be-
kwamer en geschikter zijn ? Wat we in anderen afkeuren, mogen
wij zelf niet doen. Gelukkig voor Rechts gorden zich steeds
meerderen tot wetenschappelijke studies aan, terwijl ook de Vrije
Universiteit daartoe de gelegenheid biedt. De politieke en sociale
atmosfeer wordt malscher. Hebben we slechts mannen aan \'t hoofd
der regeering die in de gewenschte richting sturen, bekwaam,
eerlijk en te goeder trouw, dan verbeidt ons land en volk een
toekomst, waarop wij ouderen van jaren vroeger zelfs niet durf-
den hopen. Al de hypothetische theoriën, welke in mijn tijd op-
kwamen ter verklaring van natuur- en levensraadselen, hebben
fiasko gemaakt of zijn op sterven na dood. De woorden op de
grafzerk van een vóór een kleine eeuw overleden hoogleeraar
gebeiteld: „Wie niet als kind gelooft, hoe kan die wijsgeer hee-
ten ?!" worden steeds meer bevonden waarheid te zijn.
Toch nooit vergeten dat in deze bedeeling geen enkel land
ooit een paradijs wordt. Als \'t redelijk gaat, moet men \'t loven.
Het betere is de vijand van \'t goede. Ook aan de rechterzij zijn drij-
vers en politieke tinnegieters. Wie met mij drie kwart eeuw de toe-
standen in Staat en Kerk heeft gadegeslagen, is van vele illusies ge-
nezen. Dit echter hebben we gewonnen : ons volk is mondig gewor-
den. Niet alleen de absolute macht der vorsten is geknakt, ook de
heerschappij der bourgeoisie. God heeft het fundament van \'t
gezag op aarde gelegd in de hoofden der huisgezinnen, ten
onrechte demokratie geheeten. Dit woord toch is afgeleid
van \'t Grieksche demos, volk, en kratein, heerschen. Maar de
1) Onder het laatst afgetreden liberaal bewind werd het hoofd eener onderafdee-
ling door den betrokken minister gedwongen een werkman in dienst te stellen, dien
dat hoofd onbekwaam oordeelde, en \'Hater bleek werkelijk te zijn. Deze noemde
zich liberaal.
-ocr page 14-
12
gezamenlijke hoofden der huisgezinnen kunnen geen land be-
sturen. De regeerkunst is en wordt meer en meer een zeer
saamgestelde en moeilijke. En deswege is ten onzent het bewind
en de handhaving van \'t gezag opgedragen aan \'t Huis van
Oranje, altijd in verband met de historische gegevens, in de
grondwet geformuleerd. Dat het Hoofd daarvan, onze Koningin,
in overleg met de door haar gekozen ministers, daarbij te rade
gaat met de volksvertegenwoordiging en de geestesrichting die
daarin de overheerschende is, volgt uit den aard onzer konstitutie.
De taak voor ons, eenvoudige burgers, bepaalt zich derhalve
tot het kiezen van zulke volksvertegenwoordigers, die met ons
van gelijke gezindheid zijn en waarborg bieden onze belangen
naar behooren te zullen behartigen; mannen tevens van den
vooruitgang — want we leven in den tijd van \'t wereldburger-
schap —; doch niet met de godin der Rede aan hun hoofd, maar
met den God, die den hemel en de aarde gemaakt heeft, en
zijn Zoon verordend tot Heer van allen en alles.
Tot de verkiezing van een deel dier vertegenwoordigers worden
we eertstdaags geroepen : de Tweede Kamer moet vernieuwd
worden. En dan mag met blijdschap gekonstateerd, dat, terwijl
de vooruitzichten voor Rechts gunstig staan, die voor Links
daarentegen weinig bemoedigend. Stel: de Liberalen krijgen als
in 1905 een paar stemmen boven de helft der zetels, 52 — en
dat zal wel \'t hoogste cijfer kunnen zijn — wat dan nog! Door
de Socialisten indertijd aan hun lot overgelaten, zullen ze wel
niet andermaal het treurspel „Ministerie de Meester" durven
opvoeren. Het heeft allen schijn dat het met hun rijk in de
eerstvolgende jaren uit zal wezen. Onzerzijds is \'t daarentegen
moedgevend dat de verkiezingen in 1907 voor de Provinciale
Staten, na heftigen strijd, bizonder gunstig zijn uitgevallen, zoodat
diensvolgens de Eerste Kamer 31 rechtsche en slechts 19 linksche
leden telt. Voorts dat de Kristelijk Historischen thans geünieerd
zijn, en de drie frakties van Rechts zich beijveren bij de ver-
kiezing éen lijn te trekken. Bovendien is de partijorganisatie
verbeterd, en neemt het aantal rechtsche kiezers voortdurend toe,
ten deele vrucht van \'t onderwijs op onze zich steeds vermeer-
derende kristelijke scholen. Luther heeft naar waarheid gezegd :
„Geef me de jeugd, en ik heb de toekomst". Ook moet gememo-
reerd worden dat het wapen, waarvan in 1905 de Liberalen
-ocr page 15-
13
zich zoo behendig bedienden, nl. de Kuyperofobie, nagenoeg
zijn scherpte heeft verloren. Zoo\'n bangmakerij kan slechts één-
maal gelukken.
Indien de onzen uit dit alles aanleiding zouden ontleenen
tot flauwere opkomst ter stembus, dan handelen ze slecht. 1905
heeft ons leergeld gekost. Hoe sterker Rechts in de Kamers
vertegenwoordigd wordt, des te krachtiger is de positie der
regeering. Eendracht maakt macht. Deswege niet geluisterd naar
de schoonschijnende redenen van wie tot afval bewegen. Beaamt
ge de aloude Apostolische Belijdenis, dan behoort ge in de
politiek tot de rechterzijde, en is \'t uw roeping en plicht daarvan
in \'t uitbrengen van uw stem op den kandidaat van Rechts blijk
te geven, ook al zou deze niet de man zijn uwer keuze. Elk doe
met ijver wat hij vermag tot heil van ons land en bevordering
van den bloei van \'t Godsrijk. Dat geen enkel distrikt waarin
wij de meerderheid hebben, in de handen van Links valle of blijve.
Of we, zoo handelend geen gevaar loopen vleesch tot onzen
arm te stellen ? Ik antwoord: wanneer twee menschen \'tzelfde
doen, doen ze niet \'tzelfde. Wie dagelijks de komende verkie-
zing voor den genadetroon brengt, vindt daarin den waarborg
tegen steunen op eigen kracht. We beoogen niet den roem onzer
partij, maar de eere Gods en \'t heil van ons volk; ook van hen die
zich alsnog onze tegenstanders betoonen, opdat ze met ons dee-
len in de daaraan verbonden zegeningen. „Gerechtigheid verhoogt
een volk, maar de zonde is een schandvlek der natiën." De
eeuwenoude worsteling tusschen de kinderen Gods en de kin-
deren der menschen neemt eer toe dan af; „de openbaring van
den mensch der zonde, die zich verheft boven al wat God ge-
noemd wordt of voorwerp van vereering is". Of in dien naar den
vleesche ongelijken strijd de geloovigen dan niet het onderspit
zullen delven? Laat ons, zooveel ons volk betreft, het vertrou-
wen voeden, dat de profetie „O Nederland, Gij zult eens weer
het Israël van \'t Westen worden" in vervulling zal treden.
En daarop is uitzicht. 1909 staat in dubbelen zin een jubel-
jaar te worden. Men vergunne mij even mijn hart te luchten.
Van oudsher waren al mijn verwanten volbloed aanhangers van
Oranje. Mijn vader nam in 1815 deel aan \'t gevecht te Quatre-
-ocr page 16-
14
Bras en aan den slag bij Waterloo. En hoe speet het me in
1830 niet enkele jaren vóór 1820 geboren te zijn; dan had ik
den oorlog tegen de Belgen mee kunnen maken. In 1853 hoorde
ik te Utrecht Koning Willem III tot ons burgers zeggen: „Ik
ben geen man wien gemakkelijk de tranen langs de wangen
vloeien; toch ziet ge ze in mijn oogen; ik zie ze in de uwen".
En zoo ging \'t me telkens als ik een lid van \'t Oranje-huis zag.
Doe daar eens wat tegen ! Voor Oranje alles wat ik bezit en
ben. Vind dat overdreven, dwaas, bespottelijk, \'t Kan me niet
schelen.
Maar zie, eindelijk rest ons van dat verheven oudadellijk ge-
slacht — noem me, zoo ge kunt, een tweede, dit gelijk — nog
slechts een enkele, een Vrouw, maar éen uit tienduizenden, ten
volle voor haar koninklijke taak toegerust; en bovendien, naar
oudvaderlijke zeden, trouw in haar opgaan naar \'s Heeren huis
en in \'t dagelijks met heel haar gezin, na voorafgaand gebed,
lezen van een deel der H. Schrift.
En wanneer nu eens deze Teerbeminde, al ware \'t ook in
hoogen ouderdom, kinderloos kwame te sterven ? Die mogelijk-
heid heeft mij en talloos velen \'t hart gepijnigd en uitgedreven
om dagelijks bij den Koning der Koningen afwending van zulk
een ramp af te smeeken. Ook zoo vaak ik nog den kansel be-
trad — want ik heb van mijn hart nooit een moordkuil gemaakt
— heb ik met de gemeente gebeden: „Och, Heer, laat toch het
Oranje-huis niet ten ondergaan; verwek een Spruit uit onze
Koningin; geef Haar een kind, kinderen; ontferm U Harer,
ontferm U onzer!"
En Hij die in den hemel zetelt, is onzer genadig geweest. We
hebben ze gehoord die boden met stalen tongen, die \'t den
volke kond deden: „Volk van Nederland, heden is u een
Vorstentelg geboren, een nakomelinge van Vorst Willem, den Vader
des vaderlands, Prinses Juliana. Oranje groent weer, Oranje
bloeit weer. \'t Is Oranje, \'t Blijft Oranje, \'t Zij Oranje-boven!
En over heel \'t land hebben de klokken gebeierd; en de ka-
rillons hebben de volksliederen gespeeld; en onze kinderen
hebben gedanst; en onze jongelingen en maagden hebben ge-
jubeld ; en in de oogen van onze ouden van dagen hebben tranen
van zielevreugd gepareld; en Roomschen en Protestanten, allen
één van zin, hebben in hun kerken Gode lof en dank gebracht;
terwijl vurige smeekingen voor Moeder en Kind, en ook voor
den Koninklijken Vader en de overgelukkige Grootmoeder als
-ocr page 17-
15
wierookwolken ten hemel klommen. Noem, zoo ge kunt, me een
land, waar volk en vorstenhuis zóo zijn ineengestrengeld in liefde
en trouw, in voor- en tegenspoed, in nood en dood ?
En wanneer nu eens in Juni, de verkiezingsmaand, de Oranje-
zon \'t hart van ons volk koesterde, om ons een volksvertegen-
woordiging te schenken, die de Kristus-banier weer in breede
plooien over velden en beemden, over steden en dorpen, over
stroomen en zeeën, over Oost- en West-Insulinde deed wappe-
ren, — dan zou 1909 met gulden letteren in Neerlands historie
geboekt worden; en \'t woord des dichters werd vervuld:
Achter grauwe onheilswolken
Steeg een koesterende zon!
Nieuwe tijden zijn geboren,
en een nieuwe loop begon.
-ocr page 18-
Tégen Links, vóór Rechts
WOORD AAN DE KIEZERS.
DOOR
S. H. BUIJTENDIJK.
Ter verspreiding. —:— —:— —:— —:—
— :—
          —:—          Verki ezingsl ectuu r voor 1909
8 bladzijden druks.
100 ex. ƒ2.50, 250 ex. ƒ5.50, 500 ex. ƒ9.50, 1000 ex. ƒ17.50.
Bij bestelling van minstens 250 ex. wordt op
de vóórpagina gratis geplaatst, de naam van den
eandidaat van rechts in het district.
Men stelle zich in verbinding met den
Uitgever dezes.
-ocr page 19-
NIEUWE UITGAVEN VAN G. J. A. RUYS - UTRECHT.
I}et Iievensprobleen}
bc
•SS                                                             DOOR \'S
5                                                                                 -ai
£                                    Dr. H. VISSCHER, g,
Hoogleeraar aan de Rijks-Universiteit te Utrecht.               °°
>                                          Prijs f 0.50. S,
15
g         Men leze de uitvoerige bespreking in het Utrechtsen Dagblad, o
S-                                                                                                                                         ■■ •: »
q         Compleet is thans verkrijgbaar het belangrijke werk: ö
&        Yan Strijd en Overwinning É
hJ     De groote Synode van 1618 op \'19 e/i h>o/ aan haar voorafging, ö
o                               Voor het Christelijk Volk beschreveij >?
o        ... ..." S.
t*                                                        DOOR .
#|P                                          Dr. L. H. WAGENAAR, q
.&f                                              Pra/. re Middelburg. u
\'ö                                                                                              \'o
       f4.50 ingen. f 5.25 geb. ,§
V                                                                                                                                      r-
«3
e
os                  In het najaar verschijnt de tweede s
vermeerderde druk van.                                         g
dhristelijk Sociale Studiën
cc
^                                                                      DOOR                                                                     
                    Dr. J.R. SLOTEMAKER DE BRUINE,                    o
HET boek voor dezen tijd op sociaal gebied.
-ocr page 20-
•Tégen Links, vóór Rechts
WOORD AAN DE KIEZERS.
DOOR
S. H. BUIJTENDUK.
Ter verspreiding. —:— —:— —:— —:—
— :—
          —:—          Verki ez i n gs 1 e c t u u r v oo r 1909
8 bladzijden druks.
100 ex. ƒ2.50, 250 ex. ƒ5.50, 500 ex. ƒ9.50, 1000 ex. ƒ17.50.
Bij bestelling van minstens 250 ex. wordt op
de vóórpagina gratis geplaatst, de naam van den
eandidaat van rechls in het district.
Men stelle zich in verbinding met den
Uitgever dezes.