-ocr page 1-
0e Verten
FSPIEGELINGEN.
u
A.W.5y*hoff. Leider\\-
-ocr page 2-
•
-ocr page 3-
AFSPIEGELINGEN.
.
-ocr page 4-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000007380144B
0738 0144
-ocr page 5-
lo8. J.iö
AFSPIEGELINGEN.
DOOR
Alexander Ver Huell.
LEIDKN. — A. W. SIJTHOFF.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
TIJDSPIEGEL-PHANTASIEËN.
-ocr page 8-
TIJDSPIEGEL-PHANTASIEËN.
I?
ZWAKTE. — STERKTE.
-ocr page 9-
- *,\'• -\'
-ocr page 10-
-ocr page 11-
-ocr page 12-
GEEST EN STOF.
3&
STERVEN MET — ZONDER GODSDIENST.
-ocr page 13-
-ocr page 14-
-ocr page 15-
-ocr page 16-
DE OUDE DIENSTMEID.
\'.
m-
EEN WOLF ONDER DE SCHAPEN.
-ocr page 17-
-ocr page 18-
-ocr page 19-
-ocr page 20-
NIEUWE HUNNEN BIJ EEN OUD HUNNEBED.
„En sliep die Hun daar nu onder, Papa?"
„„Ja, kind — en hij is nog niet opgestaan.""
ARISTOCRATIE EN DEMOCRATIE IN DE KUNST.
-ocr page 21-
-ocr page 22-
-ocr page 23-
-ocr page 24-
EIGENDOM EN GENOT.
&
HET LEVEN.
-ocr page 25-
-ocr page 26-
-ocr page 27-
-ocr page 28-
TIJDSPIEGELREALITEITEN.
„Neen! geen overjas! Chic!" ,, „Hoe voelt u u nu?\'
I „Sjiek....."
-ocr page 29-
-ocr page 30-
-ocr page 31-
-ocr page 32-
„Is da .... t men huis ....?".....Of is da .... t niet
men huis ....?"......Ja, da\'s men huis!"
Nieuwe laarzen                                  Een taart
waarop wordt gewacht.
-ocr page 33-
..
\'V.
•
-ocr page 34-
-ocr page 35-
-ocr page 36-
Een van je Notabelsten van je stad.
Dezelfde op een reisje in Gelderland.
*
PRO. STAT.
„Meneeren! ik ken maar één Vaderland,
dat is de stad, waar IK in woon."
PROGRAM.
„Mijn program? Ziehier mijn program!
Ontzag voor de regeerende machten. Eer-
biediging van den volkswil. Vrijheid van
den individu, gepaard met gehoorzaam-
heid aan de wet. Tolerantie van alle ge-
zindheden, zoowel als van alle bedienaren
derzelve. Krachtige versterking van leger,
vloot en vestingen, doch niet zonder in-
achtneming der grenzenloosste zuinigheid.
Dienstplichtigheid, algemeen, maar vrij-
willig. Uitbreiding en bescherming van
den handel in eiken tak van industrie.
Zoodanige hervorming van het belasting-
stelsel, dat het een ieder aangenamer
worde, productiever ofschoon minder
drukkend. Behartiging der zelfstandige
belangen der Koloniën van het dierbaar
Moederland. Scholen alom, doch waar en
zoodanig als men dezulke verlangt. Aan-
kweeking der kunsten door de meest
gulle toegeeflijkheid ter volkomene vrij-
heid harer uitoefening. En vóór en boven
alles, Mijneheeren! vermeerdering van den
rijkdom des Lands door bevordering van
dien des particuliers. Ziedaar, Mijneheeren!
mijn program!"
Eindelooze toejuichingen. Wordt met meer dan algemeene
stemmen gekozen.
-ocr page 37-
•
-ocr page 38-
-ocr page 39-
-ocr page 40-
(Een uur later.)
„Waarde Grootvader!
„Met veel genoegen vat ik de
pen op, om mij eenige oogen-
blikken met U te onderhouden,
Waarde Grootvader!
„ Waarde Grootvader!
„Met veel genoegen vat ik
de pen op, om mij eenige
oogenblikken met U te onder-
houden ....."
Effect van het politiek begin en niet-oeconomiek einde
der brieven van zonen-studenten.
-ocr page 41-
- :* ^ -
A-_-_. <L_1,
-ocr page 42-
-ocr page 43-
NAAR \'T LEVEN.
-ocr page 44-
Voor de schilders, de grootsche composities, de breede lijnen en draperieën, het tooveren
met licht en bruin. Voor de teekenaars, de losse grepen uit het dagelijksche leven, de bedelaars
van Callot, de kinderen van Charlet, de lions van Gavarni, de vroolijke heeren van Troost.
Dezen zomer bezocht ik Londen en schetste aldaar, wanneer ik van mijn omdolingen op
mijn kamer terug was gekeerd, wat mij het meest getroffen had. Eenige dier schetsen kunnen
mogelijk voor mijn landgenooten, öf als herinnering aan hun verblijf in de wereldstad, öf als
typen van het hedendaagsche Engeland, van eenige waarde wezen. Men zal er een paar droevige
tafereelen uit het lagere volksleven onder vinden, die een sterken indruk op mij maakten, te sterker
door het contrast met de uiterlijke Engelsche piëteit. Bewijst dit niet, dat het geweten zelve van
het volk te verlichten, zijn gevoel van eigenwaarde en zijn verstand te ontwikkelen, de ware wijze
is om het zijn gebreken uit eigen beweging te doen afschaffen, evenals wij zelven deze vrijwillig
afschaffen ?
Is het daarom niet de plicht der hoogere standen, niets na te laten wat strekken kan om
de beschaving des volks te bevorderen? Dat de mindere klasse in ons land er vatbaar voor is
en zin heeft voor edeler genoegens dan de stoffelijke, bewees het nog onlangs te Arnhem gegeven
Volksconcert, waar 1800 menschen bijeen waren en de orde geen oogenblik verstoord werd.
Nogmaals maak ik hier van de gelegenheid, die zich als onder mijn pen schuift, gebruik, om aan
de Hoofdstad met nadruk in bedenking te geven, indien zij (de grootsche werken der Doorgraving
eenmaal geregeld zijnde) een Pynakotheek wil daarstellen en niet tot de oorspronkelijke stichting
eener zelfstandige Volkszaal besluit, althans de kunst der kenners, der liefhebbers, de Terburgs,
Metzu\'s, Poelenburgs enz. af te zonderen van die, welke het zoo nuttig zoude zijn dagelijks voor
het Volk toegankelijk te stellen. De schilderstukken, portretten en derzelver bijschriften moeten
zijn nationaal gevoel opwekken, leeren en, bij het beschouwen der groote mannen, die uit zijn
midden opstonden, voorbeelden stellen ter navolging. Geen minutieuze of luimige meesterstukjes
mogen het indrukwekkende van het geheel verzwakken. En laat u niet influenceeren door den
vijand van den Vader des Vaderlands.
Vergeef mij deze uitweiding ten gunste eener zaak, waarvan velen met mij de overtuiging
deelen, dat zij niet terstond, maar met klimmende kracht, van heilzamen invloed kan zijn op
Volk en Kunst.
Spoedig, wij hopen het, zal de vooruitgang aan de zichtbare ellende in Londen, althans
aan de zoo akelige dronkenschap der vrouwen, een einde maken, en men dan nauwelijks kunnen
gelooven, dat tooneelen als die, welke ik op helderen dag in Drury-lane, \'s nachts in Holborn, en
op zoovele andere plaatsen met verbazing gadesloeg, nog in 1862 plaats grepen.
De scène in Holborn vooral, zal ik nimmer vergeten — den kletsenden vuistslag tegen het
voorhoofd der zwakke vrouw, het spreeuwen-gekrijsch der havelooze kinderen, de spokerige
gestalten, die er omheen doolden, het in Engeland zoo karakteristiek stilzwijgen van al dier
dronken wezens.
-ocr page 45-
Tijdens de eerste Tentoonstelling bracht ik van Greenwich-park herinneringen mede der
reinste poëzie. Nu werd daar op drie plaatsten in de open lucht gepreekt: heel veel over de hel.
„Als er geen zwavel in komt, houden ze er niet van, Sir!" zeide een Engelschman tot mij, dien
ik vroeg wie en wat die predikers waren. „Het is een genootschap, Sir. — We hebben genoot-
schappen voor alles. Morgen richten ze misschien een genootschap op tot bekeering der Hollan-
ders." — Het was op de oude Invaliden, dat de preek den sterksten indruk maakte. Toen de
prediker uitriep: „You think, there is no heil?" schudden zij met de brave, verweerde koppen,
alsof zij zeggen wilden: „Neen, dat weten wij wel beter!"
En wat die zelfde Engelschman mij verhaalde omtrent de verregaande verdorvenheid in en
om Londen, en van de mysteres van Lincoln\'s-Inn-fields, zoude bijna doen gelooven aan een hel.
Zooveel groots, zooveel schoons, krachtigs en edels — daarnaast zooveel ellendigen en
ellendelingen!
Het is de afschuw van deze hel, welke aan de pen van Victor-Hugo zijn edelste pagina\'s
heeft ontlokt, die hij samenvat in de woorden: „L\'unique péril social, c\'est 1\'ombre!"
Kort nadat Mr. Train zijn beroemde, luid toegejuichte, wel wat puriteinsche speech tegen
de Derby-races had gehouden, en aan Lord Brougham, met scherpe woorden, zijn zwakheid in
het beteugelen dier aanleiding, voor alle standen, tot spel en dronkenschap verweet, zag ik bij
de Ascot-races honderd-duizenden verwedden binnen de Tribunes, en daar buiten, van allerlei
sukkels, honderden afwinnen door allerlei vlugvingers en hun compères.
De Pit-entrance zal hij, die nimmer plaats nam in den bak der groote schouwburgen,
overdreven noemen. De eerste maal echter, dat ik met twee mijner kennissen de Robert ging
hooren, was het gedrang zoo geweldig, dat wij, zonder den grond te raken, eenige treden
opgedragen werden, twee dames flauw vielen, heeren hun horloges kwijtraakten en mijn lorgnon
tegen mijn borst tot gruis vermorzeld werd.
De groep der arme kleinen, die met een teringachtige piano langs de huizen muziek
maakten, wilde ik wel dat ge gezien hadt — ik wilde, dat ge hun lief en frisch gezang hadt gehoord.
Wat ik gevoelde tegenover de Uithangbord-menschen, schreef ik neer in eenige artikels
voor de Arnhemsche Courant van Juli, waarin ik tevens aan mijn bewondering lucht gaf, over
het vele leerrijke, belangrijke en schoone, dat Londen zijn bezoekers aanbood.
Hetgeen de schrijfpen zoekt, verwerpt echter vaak de teekenpen — en omgekeerd.
Ik besloot die artikels, evenals ik nu deze platen doe eindigen, met een schets van Wight,
het eiland van Londen.
„Wight — parel van Engeland — hoe gelukkig was ik eenige dagen, in plaats der dampen
van het Nieuw-Babyion, uw reine atmosfeer te mogen inademen!
Het is reeds jaren geleden, dat een mijner vrienden, op de ivoren toetsen phantaseerende,
mij zijne herinneringen van dat heerlijk oord poogde mede te deelen.
Het rhythmisch gebruis der golven tegen den steilen, hoogen rotswand, het zuchten van
den avondwind in de diepe rotskloven, zijn gefluister door heesters en grashalmen — den kreet
van den angstigen zeevogel.
Hij had die harmonieën, alleen voor den dichter verstaanbaar, in zijn hart opgevangen en
medegevoerd naar de Hollandsche Koopstad.
Ik heb ze herkend, en aan hem gedacht, en aan het goede Vaderland, het dierbare, kleine
land, dat sluimerde, daar verre, achter den grauwen horizont."
Arnhem, November 1862.                                                                     Mr. A. VerHuell.
-ocr page 46-
LONDEN IN 1862.
KORTRIJK. — CALAIS. — WIGHT.
PREEK IN HET PARK (Greenwich).
-ocr page 47-
£:•••
-
i
-*-^rN-,v^^\'v --.\'\'-; .\'^ëP^t
-ocr page 48-
-ocr page 49-
-ocr page 50-
ALHAMBRA.
Uitwendig deed het Alhambra-palace denken aan Granada, de Abencerragen, en de „Cuarto
de los Leones" — inwendig verdreven de rondwarende lions en lionnes, de veelsoortige genietingen
en vertooningen terstond die Moorsche illusiën. Dans, zang, komedie; wonderlijkheden, als een
tamboer, drie jaar oud, geaccompagneerd door op zilveren hoorns blazende broeders; allerhande
wijnen en spiritualiën; „stout and ales"; de beroemde Alhambra-punch; „American drinks, prepared
by an American, engaged expressly for this Bar; chops and steaks etc." Maar de „greatest
attraction" gaven twee gymnasten. „The wondrous Julien", de mededinger van Léotard, alléén
voor dit Paleis geëngageerd, „introducing some daring feats hitherto unattempted." Dien avond
deed hij, door een ongenoegzamen zwaai van het Trapeze, een misgreep — maar kwam toch als
een groote, gladde, rozeroode kat, met een „coup sec" op zijn pooten terecht. Een volmaakt
geëvenredigd kereltje, de Faun van Praxiteles. Eenige bewonderaarsters misten dan ook niet één
zijner „performances", ja, reisden hem zelfs na, gelijk ik hoorde vertellen. Het toppunt der verruk-
king was echter „the glorious, triumphant, and continued success of Mdlle Nathalie, la Reine des
gymnastes. Her feats are marvels of muscular power. The charm which renders this performance
exceptional, is the simple and serious grace of the gymnast"; en deze reclame was niet overdreven.
Nooit zag ik van mannen toeren gelijk dit veertienjarig meisje er vertoonde. Alléén met de handen
palmde zij zich op tot aan de kroonlijst van het zeer hooge plafond en stak zich dan horizontaal
boven het aangenaam beangstigd publiek uit. Een paar maanden later is zij van daar in de zaal
gevallen, aan stukjes gebroken.
*
UITHANGBORDEN-MENSCHEN.
-ocr page 51-
-ocr page 52-
-ocr page 53-
-ocr page 54-
DRURY-LANE.
^a
DES NACHTS.
-ocr page 55-
;"• - 1M»<ffBWS.i||»i)<ijt\'tiii *c.
-ocr page 56-
-ocr page 57-
-ocr page 58-
ASCOT-RACES. (Kaartspel.)
*k
PIT-ENTRANCE.
-ocr page 59-
^^r=g^H^ji>-i;l
^Ê^
^iï/ÏV...™" „«M»*»
• i i
•
fc\',
i\'
-ocr page 60-
-ocr page 61-
-ocr page 62-
ARME, KLEINE MUZIKANTEN.
&
EEN ACHTERBUURT.
-ocr page 63-
-ocr page 64-
-ocr page 65-
-ocr page 66-
<
AANTEEKENINGEN.
KORTRIJK.
........Beloof in Gend een dubbele fooi, indien de Vigilante mij tijdig aan \'t station voor Kortrijk brengt. Het
paard loopt harder dan \'t kan, opgefrischt door een stortbui. — Kortrijk. Beleefd, Vlaamsch Vrouwtje. Recommandeert
mij den Lion-d\'Or. — Wandel \'s morgens naar de Gendsche poort, en het slagveld van den Sporenslag. Drink een glas bier
in de Au-Phénix, tegenover een estaminet a-1\'Éperon-d\'or, dicht bij het park van Groeninge, waar een scherpschutters-
sociëteit is. [I. a. Park van Groeninge. b. Estaminet a-1\'Éperon-d\'or. c. Kapel.] Ga achter het logement een pad op, tot aan de rivier
de Leie. [II. Het slagveld gezien van de Leie.] Hier had Renesse de Vlamingen, dicht opeengedrongen, in slagorde gesteld;
rechts de muren der stad; [IV. Overblijfsel, waarschijnlijk reeds weggebroken, van den stadsmuur.] vóór hen de drassige weiden
door de Groeninger en Mosscherbeken. [III. Het slagveld gezien van de beek de Mosschere naar d. de plek aan de Leie, waar ik II. teekende.]
omkronkeld, waarachter het overmachtig leger van Artois ten aanval gereedstond. Door dezen was de sluwe raad om die mannen
te voet, daar te laten staan tot den volgenden morgen, hooghartig verworpen. Toch strekten kwade voorteekenen hem ter
waarschuwing. Zijn buitengewoon groot, zwart paard Morel, dat zijn Heer meermalen gedragen had „in swaren stride",
struikelde, voor hem geleid, driemaal. Toen de onafzienbare scharen ijzeren ridders en ijzeren rossen dreigend naderden,
„namen al de mannen, in dit plechtig oogenblik nederbuigende, van den vaderlandschen grond een weinig aarde, hetwelk
zij op hun lippen brachten." In hun voorste rij stonden de Heeren Gwijde van Vlaanderen en Willem van Gulik, van hun
schoone strijdhengsten afgestegen, om met hun broeders te overwinnen ofte sterven. „De bloem der Kerstenhede" moest
echter dien dag vernietigd worden door dat „arm volc te voet". De goedendags verbraken helmen en harnassen; allen, die
„vriend en schild" niet konden uitspreken, of gouden sporen droegen, werden gedood. Artois zelf drong op zijn reuzen-
paard tot de banier van Vlaanderen door. Een baan scheurde hij er af. Doch de gepinde staven sloegen hem tegen den
grond. De laatste zorg van den ridder was voor zijn Moor, zijn trouw strijdros „Dat gij \'t niet ne quets, no slaet! —
Heroïsch! Ook de vrijwillige dood zijner edellieden:
„Die quamen weder, en lieten sich slaen;                                                                 >
Nadien dat Artoys doet es bleven,
So en willen si niet langer leven!"
Dit meldt de Spiegel-Historiaal van den Tijdgenoot Lodewijk van Velthem, A. D. MCCCXVI.
CONSCIENCE.
........Teeken, links van den weg naar de stad, de kleine, op het oude slagveld geplaatste, Kapel van
Groeninge. [V.] In \'t voorportaal van het Stadhuis zie ik het standbeeld van Breydel, den deken der Beenhouwers. Hier-
nevens een schets er van, naar een los krabbeltje. [VI.] Dit werk van de Vreesse is krachtig van uitdrukking en los van
houding. De historische Breydel was echter beter gewapend dan deze geboetseerde volksman. Op het Museum, de beroemde
schilderij van de Keijser, en een oude schildering van den Sporenslag. — Breng een bezoek aan Conscience, Rue-Notre-
Dame, van de markt komende, rechts. In aanteekeningen van een reisje met Kneppelhout door België in 1844, vind ik de
volgende omtrent den schrijver van De Leemt\' van Vlaanderen, destijds in Antwerpen woonachtig. — \'s Avonds naar den
Borgenhout, buiten de wallen, waar de heer Conscience woont. Breed van schouders, niet groot; heldere oogen; lichtbruin
haar, plat, lang; lichtbruine knevel; groot hoofd, vooral van het vóór- naar het achterhoofd bijzonder ontwikkeld. [VII.]
Zegt hoe alle Vlaamsche schrijvers samenwerken om het Fransch te verdringen; hoe zij op hooger en lager standen invloed
trachten uit te oefenen. Spreekt lang en met vuur met mij, en schenkt mij zijn laatsten geïllustreerden roman Siska van
Roosemael, waarin hij een opdracht schrijft, tot aandenken. — Nu, achttien jaar later, vind ik hem weinig veranderd,
uiterlijk — zijn breed gelaat \'meer geplooid — maar innerlijk, veel; minder enthusiastisch. Mist natuur bij Kortrijk; gaat
daarom dikwijls naar het zeestrand. Heeft gaarne zon op zijn wandelingen; steeds behoefte aan werkzaamheid; ook aan
eenzaamheid. Wil niet slechts géén menschen zien, maar zelfs niet hooren. De indrukken van buiten moeten innerlijk om-
gewerkt worden. Weidt uit over zijn tegenwoordig verblijf, en over de schilders in \'t algemeen. Zeer werkzaam, is hij
gebrouilleerd geraakt met zijn vrienden. Het is een tijd van algemeene twijfeling. Hij zoude anders schrijven, maar acht
het beter zóó te schrijven. Deelt mij nog het een en ander mede omtrent den Sporenslag; de muren van Kortrijk lagen
tot tegen de Notre-Dame; de kasteelen van Mosschere zijn thans hoeven. — Terwijl er een onweer opkomt, neem ik afscheid
in de sombere benedenkamer, hoog van verdieping, met donker behangsel en donkere meubels, als de geschilderde binnen-
huizen van voor 200 jaar. Aan den wand hangt zijn portret, levensgroot, ter halver lijve, met een rist ridderorden, tegen-
over dat zijner echtgenoote. Het onweder woedt vreeselijk. De au vent van het Grand-Café, waarin ik de wijk neem,
waait aan flarden de lucht in.
-ocr page 67-
...>
iiiii u»r » »» *>
Élll......
y^*\'^^;
-*&i¥"
-ocr page 68-
-ocr page 69-
CALAIS.
Toen mijn vader mij, voor \'t eerst, uit The sentimental Journey het hoofdstuk The Snuffbox voorlas, welde er een
traan in zijn eerlijke zeemansoogen op, en moest hij zelf met een snuif te nemen, gelijk zijn gewoonte was, zijn aan-
doening verbergen. Hij verhaalde mij, dat hoornen snuifdoozen „a la Sterne" nog in de mode waren tijdens zijn verblijf
als krijgsgevangene te Londen. En nu zoude ik, toevallig juist een eeuw nadat Sterne er zijn intrek nam, in het hotel
Dessein logeeren. Helaas! niet veel meer dan de naam was overgebleven. Het huis, voor hoogen prijs gekocht, is geheel
verbouwd. Alléén in het zeer groote Salon meen ik nog de langwerpig-vierkante CourU Yard te herkennen. Men geleidt
mij naar de Sternekamer. Zijn groot portret naar Reynolds hangt er, en de bekende gravure Yorick and the Crisette naar
het meesterstuk van Newton, [als wiens afbeeldsel W Burger, in het prachtwerk van C. Blanc, dat van den wiskunstenaar
geplaatst heeft]. Geef een fooi van teleurstelling. Waggelende, fletsche passagiers komen van Dover. „Mer exécrable!
Trempés jusqu\'aux os!" Dit is een misselijk teeken. Gevoel maldemerachtige „ahnungen" voor den volgenden dag. Ga
onmiddellijk op de Dover boot een plaats bespreken. Een Engelsche en een Fransche kapitein. Den Engelschen vind ik,
geheel alleen in de kajuit, bij een kaars, op de viool zittende te spelen. Kies de plaats het dichtst aan het middenschip. —
Ontbijt met een geestigen Franschman. Beweert dat Frankrijk elke 8 a 10 jaar een revolutie noodig heeft; dat het altijd
een IC0,0O0 man buitenslands moet hebben; gelooft aan géén oorlog met Engeland, omdat het geheele noordelijke Frankrijk van
den handel op Engeland bestaan moet; dan eerder met Duitschland. - Schrijf naar huis. Wandel de stad door en naar de Pier
der veelbewogen zee, „polufloisboio thalasses". „O mer d\'Homère, tu ne peux me plaire!" vandaag. De golven steigeren en
schuimbekken, superber — maar een wilden, vurigen hengst te zien of \'r op te zitten, is iets anders. Neem nog verscheiden
schetsen. Wil ook de Hogarth-poort teekenen, waarvan hij schrijft: „I was prompted to make a sketch of it; which being
observed, 1 was taken into custody." De „little touch of spleen", die hem bijbleef over deze gevangenneming, inspireerde
hem de sarcastische schilderij en prent Calais-gate. O the Roast Beef of O/d Eng/and, waarop in een hoek, zijn eigen
portret, „which has been generally thought a correct likeness". Er zijn twee poorten dicht bij elkaar. Teeken ze beide.
[VIII en IX.] VIII zal wel Hogarth\'s Zeepoort wezen. Te één uur, op de boot. Holle, of eer hollende zee; kribbig, kroes-
koppig. Acht het raadzaam op mijn gereserveerde plaats te gaan liggen. Beneden, stampvol. Tracht niet op te merken de
aanstekelijke ultrarealistische uitdrukkingen hier en daar. Een dikke, oude Griek ligt met zijn voeten tegen de mijne. Krijgt
het zeer benauwd. Maakt mij zenuwachtig door zijn getrappel onder tegen mijn laarzen. Begint „boaoo" te conjugeeren.
Zijn vrouw troost hem. Bekomt haar slecht. Loeien een duo. Een heer naast mij, die met de grootste attentie een courant
had zitten lezen, roept om een spoelkom. Die van den Griek valt om. Dit doet ook mij bezwijken. Alles brult, wordt
uitgeperst, leeggewrongen, schier \'t binnenste-buiten gekeerd. „Chorus vomitorum. Enfer réaliste."
Bij mijn terugreize ben ik, na wel deze sentimenteele noodwendigheid overwogen te hebben, midden op het dek
gaan staan en onophoudelijk blijven staren naar de lucht boven het roer. „Probatum est!"
DICKENS.
Mr. CHARLES DICKENS LAST READING.
It has been found necessary to add ONE FIN AL EXTRA NIGHT, St. James\'s Hall, Regentstreet, Picca-
dilly. On Friday evening, June 27, Mr. CHARLES DICKENS will read his „Nicholas Nickleby at Mr. Squeers\'s
school — Boots at the Holly tree inn — Mrs. Gamp.\'\' The time occupied by this FINAL READING will be about
two hours. — Places for the Reading: Sofa stalls, Four shillings. Body of Hall and Balcony, two shillings. Area
and Galleries, one shilling. — Tickets to be had at Mess™ Chapman and Hali\'s Publishers, 193, Piccadilly; and
at Austin\'s Ticket Office, St. James Hall, Piccadilly. Doors open at seven, commence at Eight o\' clock. —
Thomas Headland, Secretary." — Met welk een vreugde las ik deze annonce! Terstond ging ik in Regentstreet een
ticket nemen, lste rang — en liet mij Vrijdagsavonds tijdig naar de St. James Hall rijden. — Groote, in verhouding, lage
zaal, van boven met gas doelmatig verlicht; gelijkfloers, links en rechts banken, in \'t midden de couloir; een rondgaande
galerij met zitplaatsen. Goed bezet; vele Dames. Neem een hoekplaats, een bank of acht verwijderd van den lessenaar
met het plankje voor het glas water, en een hooger voor den arm. DICKENS. Geestige, ondeugend-goedhartige gelaats-
uitdrukking. Allerbeminnelijkste glimlach. Knevel en kinbaard. Gelijkt op sommige Shakespeare-portretten Het voorhoofd
gerimpeld. Zwarte rok, met vrij grooten bouquet van witte en roode bloemen in \'t knoopsgat. Omgeslagen halsboord, en
geborduurd overhemd. Aan den lessenaar staande groet hij een bekende in de zaal, en iemand op de gaanderij rechts.
Legt een boekje open voor zich neer — en blijft eenige minuten, op beide armen leunende, voor zich staren — totdat het
volkomen stil is in de zaal. Veel beweeglijkheid in gebaren en stembuiging, ook van gelaatstrekken. Onze Cremer had
-ocr page 70-
geheel zijn manier van voordracht. Het tekstboekje [Londen, Bradbury and Evans, II, Bouveriestreet, 1858. One shilling]
had ik gekocht, maar hij hield zich niet altijd aan den gedrukten inhoud. — Dankbaar den edelen, lieven Dickens, den
koning van den beschrijvenden humor, gehoord te hebben, zag ik met aandoening hem de zaal verlaten, den vriend
mijner jeugd, die mij kon doen lachen om den gevierden Pecksniff, en weenen om het éénig kind van een Dombey.
Waarom schilderde hij ons niet het lot, exceptioneel en daarom veelal niet begrepen, des eenzaam zelfstandigen in
lateren leeftijd?
*                                   WIGHT.
Vertrek met den „South-western railway" van Londen. Een allerliefst ladytje op den trein, ziende dat ik vreemde-
ling ben, vraagt aan elk station of er ook „change" is voor mij. — Basingstoke: schilderachtig vervallen kerkje met
Gothischen toren, omringd van dennen, het kerkhof voorgrond. — Verrassend gezicht op Southampton: uitgestrekte water-
vlakte, bezaaid met schepen. — Brockenhurst. „Change!" Bedank mijn onbekende beschermengel. Vliegen van elkaar af:
„for ever." Ach, Stgrne! zelfs het woord „sentimentality" is ons te lang. Wij kunnen er maar vijf letters van gebruiken! —
Lymington, te vier uren. Overal in het groen cottages, met club-yachts en kotters er voor. Stoom, tusschen modderige
rietbanken door, op het bootje naar Yarmouth. Een oud heer maakt een praatje. Zegt admiraal te zijn. Spreekt over den
tijd van Napoleon I. Had mijn oudoom Carel, Hendrik en diens officieren gekend. Noemt verscheiden namen. Wij redeneeren
over Nelson en Collingwood. „Dat alles is voorbij; nu zal het de kracht zijn van iron and s/eam." Naderen Wight, het
Europeesche Madeira. — Levensgevaar. — Begeleid door den grijzen gentleman, groet ik hem, keer mij om, en stap de
plank op om aan wal te gaan. Een zware stem hoor ik uit de verte roepen: „Walk not on, sir!" maar te laat; zie de
plank op het punt van af te glijden van den steilen rotswand — nog één seconde en wij gaan in zee — zet mijn voet vast,
waag den sprong, en sta aan wal; te gelijk hoor ik de klets van de plank, die gelukkig alléén in de golven slaat, en een
matroos, die den tros houdt, zeggen „a clever fellow!" terwijl ik hem toevoeg „just time!" — Tegenover het George-hotel,
waar ik een oogenblik later wat gebruik, lees ik „Postoffice", en schrijf het pas overkomen avontuur aan een Gelderschen
vriend. — Wandel langs gezellige huisjes in de schaduw van zware eiken, over heuvels met vergezichten op de zee en
Engeland, tusschen weelderige korenvelden naar Freshwatergate. Onderweg noemt een kind mij de namen van al de
bewoners der buurt; krijgt eenige pence om aan moeder te geven. — Plumbley\'s-hotel. Voorbij den zeshonderd voet hoogen
krijtmuur naar de Arched-rock, een triumfboog der golven aan de zee; bezoek den top van Afton-Dow. Verheven stille
avondstond. Zet mij neer, en schrijf de volgende regels in mijn schetsboek:
La m*r, la mer immense est la devant mes yeux,                           D\'ou mon regard s\'étend jusques a ï\'horison,
Comme uil miroir d\'acier réfléchissant les cieux ,                              Des pres, des bois, les champs quejaunit la moisson.....
Que Ie soleil couchant embrase et illumine;                                      Mais Wight dêja s\'endort, la (leur de PAngleterre,
Derrière moi, au pied de la longue colline,                                     Dans 1\'imposant repos de la Nature entière.
In het hotel-salon, eenige soupeerende vroolijke heeren. Roepen mij Morland voor den geest, den Engelschen Jan
Steen, dikwijls hier te gast. Meen mijn admiraal te herkennen — maar hij zit met den rug naar de deur. Laat mij vroeg
mijn zeer nette bed-chamber wijzen, om vroeg op te zijn voor de tournee naar de Needies.
*                       THE NEEDLES.
Ontbijt met het uitzicht, door het breede, open raam, op den schitterend witten, smaragd gezoomden rotswand,
waartegen de frissche golven schuimen, en waarvoor de zee — is deze dezelfde zwartgroene zee vanCalais! —zich uitstrekt
tot aan de kimmen. — Eenzame wandeltocht. [I. De vlag is die van een lager gelegen fortje.l Geheel nieuwe indrukken. Van
deze hoogten gezien, gelijkt de zee volkomen op een onmetelijk zilver geschubd veld. Door den afstand wordt de beweging
der golven bijna onmerkbaar; haar geruisch is als het suizen van den wind door \'t koren. De lange schaduwen der talrijke
zeevogels glijden over den zonnigen krijtmuur. Spichtig, kort gras; paarse bloempjes; roode distels. — The Needies.
Vreemde weg er heen; alsof men zóó in zee moet loopen. Het nauwelijks zichtbaar voetpad gaat, een pistoolschot van
den rotswand, tegen de hoogte op, waar ik niet overheen kan zien, en die zich ook met langzame glooiing rechts verheft.
Hier gekomen, en even stilstaande, valt het mij in langs den boord der steilte te gaan, links, in plaats van het pad te
volgen. Ik doe dit, en schets de Needies [II], die scherp gepunt uit het glinsterend watervlak verrijzen, als de vinnen van
een reusachtigen Leviathan. Ga verder, en zie, aan den hoek gekomen en rechts wendende, op het voetpad, dat ik had
moeten volgen, een shabby heer geposteerd, in bruine jas, met gedeukten hoed, een Iersch knuppeltje in de hand; te gelijk
ziet hij mij; komt naar mij toe; ik stap door, doch steek de hand in den zak, waarin ik mijn trouwen potloodsnijder
sedert 1841 draag. Hierop blijft hij staan; en ik kom weder op den open weg. — Zonder gevaar was dit laatste gedeelte
der wandeling niet. Het steentje, dat de voet aanraakt, rolt en verdwijnt in den afgrond. [III. De Xeedles uit zee gezien; schetsje
naar een groote plaat in The Graphie.] Behalve dien enkelen „highwayman" had ik géén mensch ontmoet of bespeurd; alleen het zeil
van een jacht, verre westelijk in zee. — Kies nachtverblijf in het George-hotel te Yarmouth. Maak \'s avonds nog een
wandeling door een boschrijke streek. Bestel een open rijtuig voor den volgenden dag naar het historisch-romantische
Carisbrook-castle en de romeinsche villa.......
Bijzonder heusch was de bejegening en bediening op de stoomboot bij mijn terugkeer naar Lymington — ook bij
mijn aankomst. Onder de vele passagiers trok een meisje mijn aandacht, om haar regelmatig, fijn kopje en lang, goudgeel
haar, waarvan de glans werd verhoogd door de scharlakenroode mantille. Drie zichtbaarheden toch heb ik altijd in mijn
leven boven alles bewonderd: een schoone vrouw, een mooi paard en de ondergaande zon.
-ocr page 71-
i.
-ocr page 72-
-ocr page 73-
WIT EN ZWART.
-ocr page 74-
-ocr page 75-
WIT EN ZWART.
-ocr page 76-
-ocr page 77-
-ocr page 78-
TOELICHTING DER EERSTE PLAAT.
Hoe genoeglijk was voor volwassenen zoowel als voor kinderen de ouder-
wetsche kermis met haar tal van parallelle kramenstraten, die zooveel gaven te
bekijken en te begeeren. Hoogstens zes of zeven jaar oud, werd ik op de Haagsche
kermis, achterblijver, teruggevonden met tranen op de wangen voor de plaat van
Vigneron, den soldaat, die gefusilleerd wordt en zijn losgebroken hond van zich af houdt.
Te Leiden kreeg ik deze en het pendant Lc convoi dn pauvrc, door Léon Gozlan
met zooveel gevoel besproken, als een souvenir van die eerste kunstenaarstranen, ten
geschenke. In mijn studententijd worden zij door een ieder bewonderd, en thans nog
versieren zij mijn werkkamer. De woelige kermisjool, aanstekelijke dolheid, niet
ongelijk aan die der convulsionnaires van vorige eeuwen, beschouwde ik eerst later
met belangstelling, maar van een anderen aard. De spu/icn ontspannen en vermaken —
de nacht en het overmatig drankgebruik brachten, en inzonderheid op een kermis,
kort voor de cholera uitbrak, een dertig jaar geleden, het bloed aan \'t gisten, en
langen tijd dreunde mij de naklank van het, door duizenden verhitte kelen, wegsleepend
uitgegilde Bacchantenrefrein dier dagen, het onzinnig „Pas jij maar op je katje —
van de hi! ha!! ho!!!" in de ooren. Nevensgaande plaat drong zich toen op aan mijn
teekenstift en verscheen met de overige in den Volksalmanak van 1858.
*^t
HEBBEN EN NIET GEVEN. I GEVEN EN NIET HEBBEN.
-ocr page 79-
i_^v-\'^ J\'S*,
-ocr page 80-
-ocr page 81-
-ocr page 82-
TE MOETEN SLAPEN.
NIET TE KUNNEN SLAPEN.
TE MOETEN WERKEN.
NIET TE KUNNEN WERKEN.
-ocr page 83-
-ocr page 84-
-ocr page 85-
-ocr page 86-
KUNNEN EN NIET WILLEN. | WILLEN EN NIET KUNNEN.
<3>
WILLEN, KUNNEN EN MOGEN.
-ocr page 87-
-ocr page 88-
-ocr page 89-
VERSPREIDE PLATEN.
-ocr page 90-
-ocr page 91-
VERSPREIDE PLATEN.
-ocr page 92-
-ocr page 93-
-ocr page 94-
„Ommes niet gelaaie, meneer?!"
„„Met scherrrp, juffvrouw!"
ag.
NOG EEN „OP HET IJS".
Jongeheeren, die gaarne een jongejuffrouw zouden doen vallen.
-ocr page 95-
-ocr page 96-
-ocr page 97-
-ocr page 98-
JONGE LEEUWEN (LIONS SOTS).
„Baal — gisteren — geamuseerd?... Aauw!"
„ „Jae — gewonnen — geécarteerd ... Aauw!""
4^
OUD- EN JONG-HOLLAND.
Toen ik deze plaat teekende, begon, tegenover krachtige nationaliteitsbevestiging
van andere landen, een bedroevende cosmopolitische strekking ten onzent veld te
winnen, werd bij inspanning van den geest lichaamsoefening verwaarloosd, en de
oud-Nederlandsche fierheid bedreigd. Gelukkig ontwikkelde zich een gezonder zin, en
de troepjes gymnasten, cricketters en wielrijders, die ik nu en dan te zien krijg, de
overwinningen bij het schijfschieten, schaatsenrijden en roeien —• echt Nederlandsche
sport — die ik met trots op teeken, beloven, dat een flink, opkomend geslacht zich
scharen zal om onze beroemde driekleur. Het is de edele taak der Moeders haar
zoons daartoe aan te sporen, der schrijvers de jeugd er toe op te wekken, der
mooie meisjes de jongelui er toe aan te moedigen.
-ocr page 99-
-ocr page 100-
-ocr page 101-
-ocr page 102-
Te Rotterdam werd een Verloting gehouden voor de Inrichting tot
wering der bedelarijen van kinderen door het venten van lucifers.
Op vriendelijke aanvraag om een plaat, teekende ik nevensstaande voorstelling met
de pen op steen en liet er een beperkt aantal exemplaren tot prijzen van drukken.
De meesten hielden die lithographie voor een ets, en zelfs de kundige C. Kramm heeft
haar als zoodanig in zijn werk beschreven, onder de benaming van: Een Winter-
tafereel.
De honderdtwaalfjarige Thomas
Peters werd 1857 door mij naar het
leven geteekend en gelithographeerd; de
opbrengst van het folio-portret was hem
ten onderstand bestemd, en edelmoedig
droegen de families, met wie ik bekend
was, daartoe bij. Men zegt, dat een uit-
geleefde ooftboom, rijkelijk met mest
bestreken, nog ééns weelderig bloeit en
dan sterft. De laatste maal, dat ik den
grijsaard bezocht, vond ik hem omringd
van hulpvaardige vriendinnen en was hij
blijkbaar opgefleurd — niet lang daarna
evenwel, dood. De overblijvende gelden,
ƒ 180, kregen de Gereformeerde en
Roomsche armen.
Bijgaand afbeeldsel van Herman
Veenbrink uit Oosterbeek, oud-garde
van Koning Louis, verscheen 1864 ineen
Cahier van twintig folio-platen, Uit het
Verleden, door mij met de pen op steen
ge teekend, niet in den handel gebracht,
doch aan vrienden en bekenden toege-
zonden. Kort voor zijn dood had de oude
man mij gezegd: „Meneer, ik zou oe zoo
graag \'n gedachtenis laten; ik heb niks
as \'n mooi stokske; da wou \'k aan meneer
geven. Mag ik?"
-ocr page 103-
-ocr page 104-
-ocr page 105-
-ocr page 106-
DE WACHTER AAN ONZE GRENZEN.
De Cholera is hier redster; zij doet de vijandelijke legers
afdeinzen van de bedreigde grenzen. Een invasie toch is vreese-
lijker dan een voorbijgaande epidemie: deze doodt eenige
individuen; gene treft geheel het Volk in \'t hart.
#
In het maandschrift Nederland, jaargang 1856, beschreef
ik de aardige, degelijke, goed-Hollandsche Gaarkeuken De
Zeven Kerken van Rome. Later is dit stukje overgedrukt
in mijn tweeden bundel Schetsen met de pen, 1861. Vooraan
heb ik mijn allereerste ets geplaatst: De oude HeerGraffner.
Dertig jaren later, heb ik een kransje zijner vreedzame bezoekers,
uit de herinnering, om hem heen gelithographeerd.
-ocr page 107-
-ocr page 108-
-ocr page 109-
-ocr page 110-
DEN TURK HELPEN!
%
KINDERJAREN.
Het oorverdoovend geklepper van honderden hamers, afgewisseld door doodsche stilte, waarin slechts het getjilp van
musschen zich hooren liet, en des nachts de kreet der uilen — ziedaar mijn vroegste herinneringen. Dan de komst des
Konings op de werf; de zeshonderd bijltjes geschaard op een afstand; de voorrijder, de vier paarden, en de calèche,
waarin de breedgeschouderde Willem I voor de hoezees van het werkvolk den steek afneemt; de hellebaardiers, die Z.M.
naar de koningssloep begeleiden, waarvan de twintig roeiers in het traditioneel pak der bootslui van de Ruyter gekleed
waren. Later, het sluipen, des avonds, in de geraamten der oorlogsschepen, tusschen wier ribben, gelijk aan die van monster-
achtige walvisschen, de wind beangstigend huilde en zuchtte. Het klimmen in scheepsmasten, of tot aan het dek der maga-
zijnen, en het met dien zelfden hijschtoestel als huizen hoogen schommel, van een stapel kisten pijlsnel heen en weder
vliegen. Ons visschen en spelen op de vlotten; de val van een brandpraam en verdwijning in het diepe water van een
mijner kameraadjes, dien ik echter het geluk had, mij plat op den buik nederwerpende, toen hij boven kwam, in zijn
kraag te pakken en te houden tot mijn vriendje C. de boot haalde, waarin wij den geredde moedernaakt uitkleedden om
zijn kleeren te drogen. Vele jaren daarna voegde een medereiziger in de diligence mij toe: „Weet u wel, dat u mij
\'t leven heeft gered!" Met voldoening beschouwde ik den welgedanen man. — Mijn roeitochtjes op de Maas, voor \'t laatst
met den schilder van Beest, door mijn vader ontdekt en aan zijn vriend den minister Rijk gerecommandeerd, die hem een
atelier op de werf deed inruimen. Meermalen bezochten Keizers, Koningen, Koninginnen, Prinsen en Prinsessen de werf, bij het
van-stapel-loopen van schepen of om zich aan boord van een jacht of stoomboot te begeven. Hoe hartelijk lachte bij zulk
een gelegenheid de elegante, rijzige Prins Alexander om een schetsboek met jachtscènes, dat bij ons op de tafel lag. Zijn
broeder, de onvergetelijke Prins Hendrik, behield altijd een zekere terughoudendheid. Aan den ridderlijken Willem II werd
ik voorgesteld, en nooit zag ik beleefder vormen gepaard met krijgshaftig-vorstelijker houding. Prins Jerome en zijn zoon,
deze sprekend gelijkende op de portretten van den consul Bonaparte, kwamen ook eens het Rijks-etablissement in oogen-
schouw nemen. De jongste broeder van Napoleon I, in een lange, bruine jas gekleed, had, gelijk mijn vader zeide, vol-
komen den veerkrachtigen, militairen stap des Keizers. Zijn gelaat toonde een zeer vriendelijke en geestige uitdrukking.
Toch gevoelde ik te Rotterdam altijd heimwee naar mijn geboorteland, en teerde ik geheel het jaar op \'t uitzicht
van ons Geldersch reisje, het verblijf gedurende eenige weken in het huis te Doesborgh, waarvan ik hierbij een afbeelding
voeg, welke Van Kesteren in Io\'C.8 naar mijn teekening uit 1841 graveerde en door mij aan de familie gezonden werd met
nevensstaand vers. De tuin, die wel een klein buiten mocht heeten, en het ruime woonhuis zijn thans in drie perceelen
gedeeld. Aan de gebeurtenissen uit het jaar ISi 3 ontleent het eenige belangrijkheid. Mr. E. A. Ver Huell was op dringend
verzoek van geheel de burgerij — het stuk met de lange reeks handteekeningen bezit ik nog — als burgemeester aangebleven
en de Luitenant-Kolonel der Genie W. De Vaynes van Brakell fungeerde als plaatscommandant der grensvesting. De eerste
voorkwam door verstandige maatregelen de weerwraak der Franschen; de tweede bedwong door zijn moedige tusschen-
komst de vijandelijke baldadigheid. In de tuinkamer, die men op nevensgaande plaat ziet, werden door de Pruisische
bevelhebbers de plannen beraamd ter inneming der stad Arnhem. Een paar dagen te voren zat mijn moeder voor die deur
te lezen, toen nu en dan een gekletter tegen de dakpannen haar waarschuwde, dat de kogels van de overzijde des IJssels
tot daar reikten.
Volgens overlevering liggen twaalf zilveren apostelen-beelden, weleer gedurende den oorlog begraven, noordelijk in
of bij dezen tuin.
Mei 1885.
-ocr page 111-
\'k Vergeet al wat ik heb geleden,
En \'s levens wisselvalligheden —
De sombre schaduw van het heden
Wijkt voor de scheem\'ring van \'t weleer.
Een wereld van herinneringen
Komt steeds, in bonte mengelingen,
Voor \'t oog van mijnen geest zich dringen
Zie ik dien tuin, die woning weer.
\' \'
£
Ik denk opnieuw aan de zoovelen,
Die daar in mijne kinderspelen
Met blijde vriendschap mochten deelen
Beelden der zorgelooze jeugd.
En allen, die me dierbaar waren,
Zie *k weer gelijk in vroeger jaren
Maar ach! der tijdzee wreede baren
Verbrokkelden allengs die vreugd.
Slechts een plant blijft steeds groen
In \'t wis\'lend woud van \'t leven -
Vergun mij ook aan U
Een bloem dier plant te geven
SOUVENIR.
-ocr page 112-
-ocr page 113-
4
VOLGORDE DER PLATEN VAN DEN BUNDEL:
AFSPIEGELINGEN.
17.   Pro. Stat. — Program.
18.    De twee brieven of kleinzoon en
zoon.
19.    Penneschets ? en !
20.    JNaar \'t Leven. Londen In 1862.
ai.
   In het park te Greenwich.
22.    Alhambra.
23.    Uithangborden-menschen.
24.   Drury-lane.
25.    Des nachts.
26.    Ascot-races. (Kaartspel.)
27.    Pit-entrance.
28.   Arme, kleine muzikanten.
29.    Een achterbuurt.
30.    Kortrijk en de Sporenslag.
31.    Cionscience. — Calais.
32.   Dickens. — Wight.
33.   De Naalden.
i.   Titelplaat.
2.    1 y dspiegelphant asi eën.
3.    Zwakte. — Sterkte.
4.    Geest en stof.
5.    Oterven met — zonder Godsdienst.
6.    De oude dienstmeid.
7.    Een wolf onder de schapen.
8.    Nieuwe Hunnen bij een oud
Hunnebed.
9.    Aristocratie en democratie in de
kunst.
10.    Eigendom en Genot.
11.    Het Leven.
12.    1 jj dspieg-elrealiteiten.
13.    Chic. — Sjiek.
14.   Zen huis?
15.   Wel bezorgd.
16.   In functie. — In vacantie.
-ocr page 114-
34- Wit en Zwart.
35.    Hi! ha!! hoü!
36.    Hebben en Geven.
37.    Moeten slapen en Niet kunnen
slapen.
38.    Moeten werken en Niet kunnen
werken.
39.    Kunnen en niet willen. Willen en
niet kunnen.
40.    \\Villen, kunnen en mogen.
4\'- Verspreide Platen.
42. „ümmes niet gelaaie?!"
43-
Op glad ijs.
44. Jonge leeuwen.
45-
en Jong-Holland.
46.    Lucifers-kinderen.
47.    Herman Veenbrink. — Thomas
Peters.
48.   De Bewaakster onzer Grenzen.
49.    De zeven kerken van Rome.
50.    Den Turk helpen.
51.    xVinderjaren.
-ocr page 115-
ZE ZIJN ER!
-ocr page 116-
-ocr page 117-
ZE ZIJN ER!
HIER EN DAAR.
KRIJTKRABBELS.
DOOR
Alexander Ver Huell.
-ocr page 118-
-ocr page 119-
HIER — EN — DAAR.
*
-ocr page 120-
HIER EN DAAR.
EEN AANGEZICHTSPIJN-PHANTASIE.
-ocr page 121-
^# w
-ocr page 122-
-ocr page 123-
•
«
-ocr page 124-
ÉÉN MINUUT, DIE EEN MOEDERHART NOOIT VERGEET.
&
DE WEEZE.
-ocr page 125-
-ocr page 126-
-ocr page 127-
4
\'
-ocr page 128-
WIE MIJ, OUDE VRIENDEN OPTAFELDANSENDE,
VERSCHEEN.
„Wel, Bull\'tje, ben jij daar? waar kom jij vandaan?"
,, „Honden-planeet.""
„En wat doe je daar?"
„„Eten.""
„En je levensdoel is \'r?"
„„Zoo lang mogelijk te eten.""
„Je ideaal?"
„„Een biefstuk.""
„En je geloof?"
„ „Stofwisseling." "
„Maar, Buil — blijf hier — wordt mensch van de ige eeuw — dignus es
intrare in nostro docto corpore!"
»
MAGEN-PARADE.
*gf
„Ik wou, dat Belzebub dien ouwen-heer annexeerde! — hij verliest zijn dochter
niet één minuut uit het oog."
„„Of\'r geld.""
-ocr page 129-
-ocr page 130-
-ocr page 131-
-ocr page 132-
HET MOOIE MEISJE.
*
LE BEAU VAN DER VAN.
-ocr page 133-
-
\' \'
-ocr page 134-
-ocr page 135-
-ocr page 136-
FATALITEIT.
&
ALMA MATER.
IBI SUNT QUI ANTE NOS IN MUNDO FUERE.
Io VIVAT.
-ocr page 137-
. m:
&
^;>;>:-^V
-ocr page 138-
-ocr page 139-
-ocr page 140-
EEN BILJARTPARTIJ (Baldrama.)
Snijden.
Trekken.
Acquit.
Doublé.
Carambole.
Los.
8.
Hoog raken.
Verloopen.
10.
Bloquée.
Lange bok.
12.
A pistolet, doorschieten.
Partie!
-ocr page 141-
1> C<\' v^.\' C*fe
* a
\'irt**"~" "\'
-ocr page 142-
-ocr page 143-
-ocr page 144-
WARE KUNST.
JE.
DE KUNSTENAAR EN ZIJN IDEAAL.
-ocr page 145-
-ocr page 146-
-ocr page 147-
KRIJTKRABBELS.
-ocr page 148-
-ocr page 149-
KRIJTKRABBELS.
HET KRUIS DER HOOGSTE VERDIENSTE EN DER
WEDERKEERIGE LIEFDE.
-ocr page 150-
-ocr page 151-
-ocr page 152-
„En hoe staat het met de schrijverij?"
„ „Ja, oom! — wat zal ik u zeggen — u weet zoo goed
als ik, hoe men de Hollandsche dichters behandelt. Lange jaren
heb ik in werkzaamheid doorgebracht, zonder mijn gezondheid
te sparen of geldelijk voordeel te beoogen, getracht mijn stijl te
volmaken, mijn kennis te verrijken — ik heb in al mijn ge-
dichten zooveel mogelijk vermeden, personen of gezindheden
te kwetsen — waar ik kon, goede en moreele gedachten
gezaaid.....
„En miskenning ingeoogst. — Hoor eens, mijn jongen ! —
de bijen verzamelen uit bloemen den geurigen honig ten nutte
van den mensch — doch zoo deze de bij wondt of deert, dan
gebruikt zij haar angel....."
„„Maar de bijen, die voor de andere strijden, offeren
zich op.
„Daarvoor zijn het bijen en geen wespen !"
A
„Schimmel? — connais pas — maar daar heb je Xavier
de Montépin, Ie Marquis de Foudras, la Comtesse Dash, enfin!
de élite van de moderne littérateurs."
-ocr page 153-
-ocr page 154-
-ocr page 155-
-ocr page 156-
WEELDE, GENOT EN EER.
•
,-^wft
WERKZAAMHEID, ONTBERING EN MISKENNING.
-ocr page 157-
\\ u            . /
-ocr page 158-
-ocr page 159-
-ocr page 160-
„Maar schaam je je wel niet \'n beetje, als je zóó staat
naast mannen als Schimmel, Opzoomer, Israëls ....?"
„„Daar sta ik nooit naast.""
„Ah, neen — daarvoor staan $ veel te hoog, bas-rond!"
3S.
„Maar één? — waarvoor verdiend, meneer?"
„„Bali, meneer!""
„Voor een bal — ik de mijne voor wel honderd baals,
zonder nog te spreken van alle diners, soupers, soirée\'s en
thé\'s — maar u ziet — ik heb er dan ook eenige meer als u."
-ocr page 161-
tf
*:
- m M>
m
-ocr page 162-
-ocr page 163-
-ocr page 164-
„Heb je dan zoo \'t land op ons?"
„„Persoonlijk, waarachtig niet, men goeie man. Maar,
gebruikt jelui je invloed om ware verdienste te doen erkennen ?
of is \'t altijd voor je zelven en voor zoontjes, broertjes, neefjes
en vriendjes, dat.....""
„Ja, wat dat betreft, mon cbèr, heb je gelijk, volkomen
gelijk!"
*
„En denk je nu goed te doen met die Krijtkrabbels ?"
„„Goed? — mogelijk: — indien zij, die het kunnen, de
aandacht van een Vorst, wien men den schoonen bijnaam gaf
van den Rechtvaardige, willen vestigen op de edele denkers,
die zoo gaarne met hoofd en hart, met pen en penseel, de eer
van het Vaderland zouden handhaven, en tijd en krachten wijden
aan zijn roem!""
„En u zelven ?"
,, „Oh, wij teekenpennen moeten een koperen hart hebben —
hoe zouden we anders onze veerkracht behouden?!""
-ocr page 165-
-ocr page 166-
-ocr page 167-
-ocr page 168-
„Gij, militairen, wordt bevorderd in rang, draagt er de
uiterlijke teekenen, geniet er de steeds opklimmende bezoldiging
en eindelijk het pensioen van: — gij, ambtenaren, ook. —
Behoeft uw stand dus wel een bijzondere belooning, een ridder-
teeken, tenzij voor eenige buitengewoon uitmuntende handeling? —
Maar de dichter, schrijver, kunstenaar — verkondigers van wat
schoon is en groot, ijveraars voor het edele en goede — beneem
hem het uitzicht op eenige onderscheiding, op een weinig Eer —
wat blijft er in ons land dan over om hem moed te geven in
zijn lange uren van afgetrokken, afmattende studiën ? — Vaak
afgunst of miskenning, zoolang hij werken kan — en daarna.....?"
„Maar hoe heb je dan toch gedaan, om ze machtig te
worden?"
„ „Ik geef je men woord van eer, dat ik er niets voor heb
gedaan.
„Neen, dat wil ik graag gelooven — maar hoe kom jij
er dan toch voor den duivel aan?"
„„Och, die eerste heb ik gekregen — bij vergissing. En
die anderen — omdat ik die eerste had.""
-ocr page 169-
f 9     &Q,
f-?-«SS*#i
:
-ocr page 170-
-ocr page 171-
-ocr page 172-
EEN PARTIJDIGE CRITIEK EN ONVERDIENDE
VERGUIZING.
EEN DITO BERIDDERING.
-ocr page 173-
•--
m
-ocr page 174-
-ocr page 175-
TAFELDANS.
-ocr page 176-
-ocr page 177-
TAFELDANS.
-ocr page 178-
-ocr page 179-
-ocr page 180-
KLEINE FLAUWITEITEN TEGEN EEN GROOTE
FLAUWITEIT.
Opgegeven door den Geest van f en Granville aan A. V. H.
Van goedgeloovigheid kon in politiek of familieaangelegenheden te licht
misbruik gemaakt worden.
ZE ZIJN ER.
HIER — EN — DAAR.
„Ik kom je afhalen voor \'t groot
concert van vanavond."
„„Verplicht voor je goedheid, maar
sinds ik Medium ben, laat ik zoo van tijd
tot tijd den een of anderen dooien Paganini
of Beethoven ës voor me spelen: van-
avond geven die heeren juist een strijk-
quartet — je ziet, ze zijn al bezig\'r instru-
menten te stemmen — ik frequenteer dus
de concerten niet meer!""
De heer X. geeft zich aan een onaf-
gebroken dolce far niente over en
laat den Geest van zijn kundigen boek-
houder zaliger de zaken waarnemen.
JSL
De heer B. gaat de schatten opgraven,
hem door eenige Geesten uit den tachtig-
jarigen krijg aangewezen.
De Mama verdiept in haar tafel
de dochter in haar Medium.
-ocr page 181-
••
ij imSl
-ocr page 182-
-ocr page 183-
-ocr page 184-
De heer Z., zich hebbende laten over-
halen om bij zijn ouden vijand, den heer IJ.,
een Spiritistische soiree bij te wonen,
krijgt aldaar een hoogst gevoeligen oor-
peuter, in den vorm van een attou-
chement.
„Vijfhonderd gulden voor het beste
gedicht — wacht, ik zal ze beethebben!
ik word tafeldanser en laat me door
Bilderdijk een vers dicteeren!"
„Maar ik begrijp niet, waarom dat
niet in \'t volle licht kan geschieden?
waarom ik \'t niet goed mag zien ?...."
„„Omdat je door te willen zien, uil!
wantrouwen zoudt verraden, en dan ge-
beurt er niks!""
Twee oudheidkenners vragen aan
den Geest van Tacitus, waar het eigenlijke
Arenacum heeft gelegen. — Tacitus ant-
woordt, dat dit zóó lang is geleden, dat
hij \'t zich niet meer kan herinneren.
-ocr page 185-
s~=
t8So
.
-ocr page 186-
-ocr page 187-
NALEZING.
-ocr page 188-
-ocr page 189-
NALEZING.
-ocr page 190-
-ocr page 191-
-ocr page 192-
ZONDER NAAM.
d^c
Lang en verre heeft hij gereisd, de
natuur bestudeerende — haar rijkdom in
het kleine, haar luister in het grootsche.
Hen schat van teekeningen had hij bijeen-
gegaard — ellendelingen ontstalen hem
de schoonste, tot hun voordeel, tot
hun eer. Het hart gebroken, keerde hij
naar zijn geboortegrond terug, met het
ééne verlangen, nog vóór zijn dood de
zee en duinen van het geliefde Vader-
land te mogen wederzien.....
Zijn wensch werd vervuld — en ver-
trouwende op zijn Schepper legde hij het
afgematte hoofd ter ruste.
„Het kwaad bestrijden — maar weet
je wel, dat je dan niet alleen de slechten,
maar ook een legio goeden tegen je
krijgt — jongelui, jonge vrouwen— een-
voudigen en goedgeloovigen. Want deze
laten zich \'t gemakkelijkst bepraten en
opruien door vleiende sluwheid en deftige
baatzucht. Weet je dat wel?!"
„„Ik wist het wel.""
-ocr page 193-
iM
-ocr page 194-
-ocr page 195-
-ocr page 196-
Aan T.
Almanak Holland
1855-
Doch \'t was een zoet, ja hemelzoet verrukken,
Als soms mijn hand uw kleine hand mocht drukken,
Als soms mijn arm op uw arm rusten mocht,
Nadat mijn oog \'t u smeekend had verzocht:
Als soms een plooi van \'t kleed, dat u omhulde,
Me omwoei, mij \'t hart met zaligheid vervulde,
En als mijn blik diep in den uwen zonk,
Een lieve lach uit heel uw wezen blonk.
\'t Is zoet, in \'t jeugdig eikenloover
Den nachtegaal te hooren slaan,
\'t Is zoet, des avonds tusschen bloemen
En geur\'ge heesters door te gaan,
Terwijl met vriendlijk lichtgeflonker
En zachten, zilverblauwen glans,
Als \'t oog eens engels, de avondsterre
U toelonkt van den hemeltrans.
\'t Is dan ook zoet, met peinzend staren,
Uit eenen donkren wolkenrand
Een tooverwereld zich te droomen
Van luchtpaleizen, drijvend land;
Te Uiistren naar \'t gegons der vlinders,
Naar \'t zacht geritsel van het groen:
Terwijl zefiertjes om u dartlen,
Uw slapen koelen met een zoen.
Vergeet dan ook in \'t warme Itaalje,
Uw vriend in \'t koude Holland niet,
En denk aan hem, als gij een sterre
Aan \'t luchtwelf eenzaam schijnen ziet.
ALEXANDER V. H.
Aan T.
Almanak Holland
1856.
Maar o! na zulk een dag was \'t hemelzoet verrukken,
Als \'k \'s nachts de pluimmuts mij op \'t zware hoofd kon drukken,
En \'k zonder bedsermoen maar stilkens slapen mocht,
Nadat mijn lodd\'rig oog \'t u smeekend had verzocht:
Maar, dan kwam vaak een kreet mij \'t hart met schrik vervullen
En dwong mij een Béh! Béh! me in een japon te hullen,
Tot, moede van \'t su, sul \'k weer in de dekens zonk,
En snurkte tot de zon weer aan den hemel blonk.
\'t Is zoet op \'t jeugdig kinderhoofdje
Het parasietje ga te slaan,
\'t Is zoet den groei der cryptogamen
Met fijnen kam te keer te gaan,
Terwijl, niet zonder vreeslijk spartlen
En aaklig nood- en angstgehuil,
Een uwer engelen in de waschkuip
Gereinigd wordt van \'t aardsche vuil.
\'t Is dan ook zoet met peinzend staren,
Te zien hoe in een donkren hoek,
Uw jongens voor \'t plezier zich haav\'nen
Of om een stuk gestolen koek:
Te luistren naar uw eega\'s brommen
Op Mie, de meid, of Jan, den knecht,
Terwijl zij entre deux heel knapjes
Uw Pietje over haar knieën legt.
Och, ja! — Ik ben nu in conjunctie!. ..
Och, neen! — Gij, gij vergat mij niet!...
En altijd wordt mijn oog nog vochtig,
Als \'t sterren eenzaam schijnen ziet.
ALEXANDER V. H.
-ocr page 197-
-ocr page 198-
-ocr page 199-
-ocr page 200-
PARTIJEN.
„Uit beginsel, behoor ik tot geen partij. Mijn partij is daar
waar ik een Vaderlandlievend woord hoor, of een Vader-
landlievende daad zie.
*b-
„ZAL NU NIET ÉÉN VAN JELUI GROOTEN \'M HELPEN!"
-ocr page 201-
.•• •
-ocr page 202-
-ocr page 203-
-ocr page 204-
ANONIEMEN.
%
HET NIEUWE JAAR!
-ocr page 205-
m
-ocr page 206-
-ocr page 207-
-ocr page 208-
HET NIEUWE JAAR.
GEMASKERD BAL.
„INDISCRETERD!\'
^
„Wie heeft dit boek gemaakt?"
„ „Laat ik es zien — dat zijn de Gedichten van Van Beers." "
„Da\'s vast een heel ondeugend man!"
,, „Mijn hemel! kind, waarom?""
„Omdat ie laatst mama en de zusjes, o! zoo heeft laten
huilen!"
-ocr page 209-
/ i -t
\' É il
-ocr page 210-
-ocr page 211-
-ocr page 212-
In 1831 was ik overgeleverd aan de niet zeer strenge tucht der Fransche school van den heer v. B. te
Rotterdam. Een oorlogzuchtige geest blaakte in de gemoederen der jeugdige vaderlanders dier tiendaagsche dagen.
n de donkere Wijnstraat werd met kunstig gestrengelde boekriemen menige slag tegen geïmproviseerde Belgen
geleverd, en onder de les menige uitdaging op een strookje papier van hand tot hand aan een vijand gezonden,
en in de gang, waar als eenige getuigen lange rijen van jassen en petten hingen, met woede afgevochten. Géén
jongen duldde een blauwen kiel op zijn Nederlandsche torse — maar de meesten zag men prijken met nationaal
gekleurde of Van-Spijks-linten aan denkbeeldige horloges. Op de Groote Markt kocht ik zelf aan een kraampje een
kolossalen in koper gemonteerden agaten horlogesleutel, als pretext voor mijn Leuven-en-Hasselt-lint. Waar is
het gebleven? — spoorloos verdwenen — verdwenen met onzen kinderlijken wrok van dien strijdlustigen tijd. —
Hoeveel kanonneerbooten hebben wij, mijn teeken-kameraad op de lei M. (welk een aanleg!) en ik, niet in de
lucht doen springen met een treffend kruitdampeffect van fijngewreven griftschraapsel — hoeveel muiters niet door
bajonetsteken en sabelhouwen „en effigie" doen sneven — met welk een animo zongen wij degelegenheidsliederen,
het alom weerklinkend:
„De Jagers van Van Dam
Die prikken de broedertjes uit de pan!\'\'
En toen de jagers te Rotterdam kwamen — mijn oom Groningsch studentjager — en de broer van mijn
vriendjes v. R. Utrechtsch studentjager — en de Leidsche vrijwilligers — wier buksen en geweren wij mochten
dragen, een vermoeiend doch hoog gewaardeerd geluk — welk een gejoel en gejuich weerklonk er toen langs
havens, in straten en in stegen! Maar \'t levendigst staat mij voor den geest — het in de schoolkamer, midden
onder de lessen, onverwachts binnenkomen van onzen meest geliefden, fermen, kundigen hulponderwijzer, den
heer Arend, in zijn uniform van sergeant der schutterij .... een spontaan Hoezee! brak los van alle banken,
van de eerste tot de laagste klasse, en alléén zijn vriendelijk gebiedend „stil! stil! jongelui!" kon de opgewonden
standjes weder tot bedaren brengen.
„Ik heb vanmorgen de critiek van je laatste werk gelezen — weergaasch scherp!"
„„Dankje!""
„Vervloekt hatelijk."
„„Dankje.""
„Als vriend zeg ik \'t je."
„ „Dankje." "
„Anoniem."
„„Zeker van een vriend. Dankje.""
„En voor \'n beetje geld hadt je lof en eer!"
„ „Dankje." "
„Niet kwaad — van tijd tot tijd dient een Volk er aan herinnerd te worden, dat zonder Vaderlandsliefde
en Burgerdeugd de knapste schurken een Land ten verderve zouden brengen!"
-ocr page 213-
• iMMNMKsNtMn"
-ocr page 214-
-ocr page 215-
VOLGORDE DER PLATEN VAN DEN BUNDEL:
ZE ZIJN ER!
Hier en daar.
i. Hier en daar.
2.    Aangezichtspijn.
3.    Een minuut, die een moederhart
nooit vergeet.
4.    De Weeze.
5.    Wie mij, oude vrienden optafel-
dansende, verscheen.
6.    Magen-parade.
7.    Liefderijke wensch.
8.    Het mooie meisje.
9.    Le beau Van der Van.
10. Fataliteit.
11. Alma mater.
12.    Een biljartpartij. [Baldrama.]
13.    Ware kunst.
14.    De kunstenaar en zijn ideaal.
Krjjtkrabbels.
15.    „En hoe staat het met de schrijverij ?"
16.    „Schimmel? — connais pas."
17.    Weelde, genot en eer.
18.    Werkzaamheid, ontbering en mis-
kenning.
19.    Naast Schimmel, Opzoomer, Israëls.
20.    „Maar één? — waarvoor verdiend?"
21.    „Heb je dan zoo \'t land op ons?"
22.    „Wü teekenpennen moeten een
koperen hart hebben — hoe zou-
den we anders onze veerkracht
behouden?!"
23.    Verdedigers van wat schoon is en
groot, ijveraars voor het edele en
goede.
24.    Hij heeft er niets voor gedaan.
-ocr page 216-
25.    Een partijdige critiek en onverdiende
verguizing.
26.    Een dito beriddering.
Tafeldans.
27.    Geesten-quartetspelers. — Geest-
kantoorboekhouder.
28.    Geest-medium. — Geesten-schatten-
aanwijzers.
29.    Attoucheerende geesten. — Dictee-
rende geesten.
30.    Een geest in de war. — Te zien
of niet te zien — dat is de
quaestie.
Nalezing.
31.    Zonder naam.
32.     WYXH.
33.    Een tegen velen.
34.    Aan T. — 1.
35.    Aan T. — 11.
36.   Partijwoede.
37.    „Zal nu niet één van jelui grooten
\'m helpen?"
38.    VlRTUS.
39.    Cjeloof, hoop en liefde.
40.    Gemaskerd bal.
41.    Indiscreterd!
42.    Naïeve hulde.
43.    Vaderlandsliefde.
44.    Een handdruk.
45.    üver-zee.
i^
tn
-ocr page 217-
-ocr page 218-
f
. -
,