-ocr page 1-
Samenspraak over den 8-urendag.
Zoon. — Wat ziet u er boos uit! Is er wat gebeurd op de fabriek,
dat u kwaad maakte?
Vader. — Och jongen, die dingen begrijp je nog niet. Maar \'t is
me een zorg! Die vervloekte kerels 1 Altijd vragen ze meer, nooit
zijn ze tevreden, ja ze worden maar al brutaler, zoodat ze nu al
eischen gaan stellen, precies alsof zij de baas zijn en het maar voor
het komraandeeren hebben. Jawel, eischen stellen aan ons, die hen
laten werken! Als ze zoo voortgaan, dan sluit ik mijn fabriek.
Je komt er nooit uit; van daag willen ze dit en morgen weer wat
anders. Wee onzer, als wij hun den vinger geven, spoedig nemen zij
de heele hand.
Zoon. — Maar papa, wat willen zij dan voor onbillijks?
Vader. — Die brutale kerels, die luiwammessen! Ze willen niet
langer dan 8 uur per dag werken. En wat moeten ze dan met de
rest van den dag doen? In de kroegen liggen, te zwetsen en hun
geld te verzuipen in plaats van goed te werken en het loon te brengen
bij moeder de vrouw. Luieren willen ze; de lust om te werken gaat
er tegenwo>rtiig heelemaal uit!
Zoon — Maar, papa, werken ze dan niet den heelen dag? Als
zij \'s ochtends vroeg beginnen — en de fabriek is al aan den gang
als wij opstaan — en \'s avonds laat uitscheiden, dan hebben ze
toch geen tijd over om nog wat anders te doen.
Vader. — Dat is ook niet noodig. Maar zie je, daar heb jij zoo
geen verstand van. Er moet één de baas zijn in de fabriek, en dat
ben ik en dat wil ik blijven. Er is hier een beginsel in het spel. Bo-
vendien lijd ik er schade door, als zij korter werken.
Zoon. — Verlangen ze dan evenveel loon als zij 8 uur werken
als ze nu verdienen met io uur arbeid?
Vader. — Zeker en meer nog. Ze zeggen dat ze van minder niet
kunnen leven.
Zoon. — Kunnen ze dat dan wel, papa?
Vader. — Dat gaat mij niet aan. Ze moeten maar zien, hoe ze
rondkomen, daar heb ik niets mee te maken.
Zoon. — En welk beginsel is er bij in het spel?
Vader. — Het beginsel van het gezag. Wij, fabriekanten, kunnen
onmogelijk toelaten, dat de werklui ons voorwaarden stellen en zich
gaan mengen in onze zaken. Wij zijn de baas en dus wij hebben
te bevelen en zij hebben te gehoorzamen.
Zoon. — Zijn de arbeiders dan geen menschen?
Vader. — Zeker, dat zijn ze wel, maar dat heeft hier niets mee
te maken.
Zoon. — En zijn ze ook staatsburgers?
Vader. — Jawel, maar waarom vraag je dat zoo?
Zoon. — Wel, als zij ook menschen zijn en als ze ook staats-
burgers zijn, dan mogen zij toch wel voor zichzelven opkomen en
trachten voorwaarden te stellen, waardoor zij het beter krijgen.
6I3LIOTHEEK DEI
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT,
dia
-ocr page 2-
, Vader. — Welzeker, dat mankeert er nog maar aan!
Zoon. — Is het waar, papa, dat er zoo\'n boel menschen zonder
werk zijn in ons land en in alle landen?
Vader. — Men zegt het algemeen en het moet wel zoo wezen,
want dadelijk als er een plaats leeg komt, zijn er tal van liefhebbers.
Maar dat is goed ook. Wij, fabriekantec, hebben juist die werkeloozen
nu en dan noodig, als de arbeiders te brutaal worden en in verzet
trachten te komen door hooger loon en minder werktijd te eischen
en als ze dat niet krijgen, tot werkstaking over te gaan.
Zoon. — Dat begrijp ik niet. Hoe zit dat dan in mekaar ?J
Vader. — Wel, dan geven wij werk aan die anderen tot zoolang
de werkstakers het niet meer kunnen volhouden en uit honger weer
heel onderdanig en met hangende pootjes terugkomen om te vragen
of zij weer aan den arbeid mogen gaan. Wij staan dat dan toe en
die werkeloozen gaan er weer uit. Wij houden dus de werkenden
met de werkeloozen in bedwang. Verbeeld je dat die er niet waren,
dan zou het er leelijk met ons uit zien en dus wij moeten zorgen,
dat er altijd werkeloozen in massa zijn.
Zoon. — Maar dat is toch ongelukkig. De menschen wilten wel
werken en zij kunnen niet, omdat zij afgescheept worden. Nu zou
ik zeggen dat als allen 8 uren werkten, dan zou een groot deel der
tegenwoordige werkeloozen gelegenheid hebben werk te vinden. En
gij wilt de werkeloozen als een middeltje gebruiken om de andere
werklui in bedwang te houden. Zit het zoo in elkaar?
Vader. — Och, Jongen, dat zijn allemaal dwaze praatjes Wat
hebben wij ons te bemoeien met anderen? Wij koopen de arbeids-
kracht zoo goedkoop mogelijk op de markt en wij halen er uit zooveel
als we kunnen. En doe je dat niet, ga je wat filantropie doen, dan
kan je niet meer tegen de konkurrentie. Neen, die menschen willen
niet werken, het zijn luiaards en dat is alles.
Zoon- — Maar, papa, als ik Zondags met u naar de kerk ga,
dan hoor ik den dominee zeggen dat we allemaal broeders en zusters
zijn, dat we elkaar moeten helpen en wie dat niet doet, is een slecht
mensch. Als wij christenen zijn, dan moeten wij doen wat Christus
zei en die ging zoover, dat hij eens zei: als ge twee rokken hebt,
geef er dan een aan hem die er geen heeft. Is dat dan allemaal
niet waar ? Maar waarom gaat u dan naar de kerk en waarom stuurt
u mij naar de leering bij den dominee?
Vader. — Zeker doe ik dat, maar dat moet je niet zoo letterlijk
opnemen. Wat heeft dit hier nu mee te maken?
Zoon. — Wel, Christus heeft gezegd: wat gij wilt dat de menschen
u zullen doen, doet hun ook alzoo. Welnu, wij willen eten, kleeren,
woning, uitspanning, vrijen tijd, maar dan moeten wij dit ook aan
anderen trachten te bezorgen. Hij zei ook nog: wat gij den minste mijner
broederen hebt gedaan, dat hebt ge mij zelven gedaan. Dus als de arbeiders
onze broeders zijn, dan is al wat gij aan de arbeiders doet, gedaan
aan Christus.
Vader. — Och, jongen, dat was goed in vroegere tijden, want
toen had men de slavernij nog, maar in onzen verlichten tijd kun-
nen wij ons moeilijk inlaten met zulke oude vertelsels. De arbeiders
zijn in onzen tijd heelemaal vrij en dus zij kunnen doen en laten
wat ze willen.
Zoon. — En gij hebt daareven gepraat van een markt, waarop
-ocr page 3-
gij de arbeiden kondt koopen. Is dat dan wat anders dan een
slavenmarkt?
Vader. — Ja, dat is de markt van vraag en aanbod. De arbeider
hoert het immers niet aan te nemen, als hij te weinig krijgt.
Zoon. — Maar als hij het niet aanneemt, dan heeft hij niets en
dus hij moet wel, want een half ei is beter dan een leege dop.
Vader. — Neen, hij kan bij een ander gaan.
Zoon. — Geeft die dan meer? Maar dan zullen ze daar wel alle
maal naar toe gaan. Schelen de loonen dan veel bij den een of bij
den ander?
Vader. — Neen, dat komt vrij wel overeen.
Zoon. — Maar dan is de arbeider wel gedwongen om aan te
nemen wat men hem aanbiedt, anders krijgt hij heelemaal niets.
Vader, — Dan zijn ze toch vrij. Voel je dat niet?
Zook. — Vrij, ja, maar met een ketting aan hun been. Straks
zeidet gij dat de werklieden lui waren, waaruit blijkt dat?
Vader. — Omdat ze maar 8 uur willen werken.
Zoon. — Is dat dan niet lang genoeg?
Vader. — Neen, hoe minder ze werken, hoe liederlijker ze wor-
den Lediggang is des duivels oorkussen.
Zoon. — Maar u kunt toch niet zeggen dat menschen die 8 uur
werken, leegloopers zijnl
Vader. — Zeker zeg ik dat, want ze kunnen veel langer werken
en het is dus maar allemaal gekkigheid en luiheid om te vragen
naar korter werktijd.
Zoon. — Pa, hoeveel uur werkt u per der dag?
Vader. — Zooveel als ik lust heb. Soms een, twee of drie uur,
soms ook niet, als ik er geen lust in heb.
Zoon. — Maar dan werkt u toch minder dan die werklui!
Vader. — Dat is heel wat anders. Ik ben de baas en ik kan doen
en laten wat ik wil. Daar heeft niemand wat mee te maken.
Zoon. — Maar is het dan billijk om de arbeiders te dwingen
tot een langen werktijd?
Vader. — Als zij niet zoo lang werkten, waar zouden wij dan
van kunnen leven?
Zoon. — Dus zij moeten lang werken, opdat gij kort kunt werken
en bij slot van rekening hebt gij alles wat gij begeert, terwijl zij in
zorg en kommer leven. Is dat dan billijk?
Vader. — Dat is nu^ eenmaal zoo. Maar jij schijnt ook al den
kolder in je kop te hebben en hen voor te spreken.
Zoon. — Maar papa, wordt u door dien korten werktijd, dien gij
hebt of neemt, dan niet lui en liederlijk?
Vader. — Nu is het genoeg, kwajongen. Zwijg, jij hebt van zulke
dingen nog geen begrip.
-ocr page 4-
A ; :z
Achturen-marsch.
Wijze : Vooruit.
Acht uur! zoo klinkt door alle landen,
Acht uur zij onze arbeidstijd.
Acht uur aan d\'arbeid onzer handen
En ook aan onzen geest gewijd.
Wij willen flink en krachtig werken,
Maar \'t lichaam geven zijnen eisch!
Wij willen maag en geest versterken,
En vrijheid — zelfs tot eiken prijs.
, Acht uur! Acht uur!
Geen langer arbeidsduur!
Ten strijd! Komt allen op ten strijd
Ten strijd voor acht uur arbeidstijd!
De vrees is om het hart geslagen
Van vorst en heer en burgerman.
Maar wij, wij zullen niet versagen
En strijden tot den laatsten man.
Wij kampen voor \'t geluk van allen,
liet recht is steeds aan onze zij,
ünz\' eischen laten wij niet vallen,
Doch vordren frank en fier en vrij:
Acht uur! Acht uur!
Geen langer arbeidsuur!
Ten strijd! Komt allen op ten strijd!
Ten strijd voor acht uur arbeidstijd!
Komt allen in \'t gelid getreden,
Marcheeren wij nu onvermoeid.
Wij hebben lang genoeg gebeden,
\'t Geloof is in ons hart verschroeid.
Wij weten, niets te kunnen hopen
Van hen, die machtig zijn op aard\',
Doch zullen thans hun sterkte slopen,
En eischen krachtig onvervaard:
Acht uur! Acht uur!
Geen langer arbeidsduur!
Ten strijd! Komt allen op ten strijd!
Ten strijd voor acht uur arbeidstijd.