-ocr page 1-
. ■»
n
0
c
$
P
1
\\
\'c*-\'
1 <**
tl
«5%i r
>•»*
1 J
cR
lf*JB F
<% /
H ♦ ■
-#«*:
.1 " \'
f\\
2/ //
M\\&1
rëVr
-° O ,XS
\'0.3 \'\'<->"*.
Q>ÊW-<> \'v •
9\'Y \\.
o *,\'
4* V" *
°;V^VS^
J.\'W il- \'■
O- O
y .: i^JA r<C) • co
cm e
\'eur« *>-,>■
,\'\'• ©■£> t>
. HO \\
\'60 5 >
-ocr page 2-
y^m (öZj$
Kast 210
Pl.D N°.13
I
-
\\
J. TE KIEFTE
Boekbinder ij
Utrecht.
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
.
A. C. KRUSEMAN
-ocr page 6-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000003165457B
0316 5457
-ocr page 7-
Uc.A/3.
A. C. KRUSEMAN
DOOR
J. W. ENSCHEDÉ
EEESTE DEEL
\\«* STUK.
Tijden en personen hebben dit met elkander
gemeen, dat men, hun dagelij kschen arbeid
half achteloos voorbijgaande, maar hun
werk overziende wanneer zij heen zijn,
soms versteld staat over hetgeen zij voort-
gebracht hebben.
Bouwstoffen Dl. II blz. 811.
AMSTERDAM
P. N. VAN KAMPEN & ZOON
1898
-ocr page 8-
»
GEDRUKT BIJ JOH. ENSCHEDÉ EN ZONEN TE HAARLEM.
-ocr page 9-
De grootste fout, die venveten kan worden aan Kruseinan\'s
Bouwstoffen, voor een geschiedenis van den Nederlandschen Boekhandel,
gedurende de halve eeuie
1830—1880 is wel, dat er te weinig in
wordt medegedeeld van de faits et gestes van den schrijver zelf.
Noch vóór, noch na het schrijven van dat werk is hij ooit te be-
wegen geweest zelf een ernstige poging te wagen in die leemte te
voorzien. Wat bij zijn leven door hein zelf niet gedaan werd, moest
na zijn dood door een ander ter hand genomen worden.
De Commissie voor de Bijdragen noodigde daarom in 1894 Mar- \'
tinus Nijhoft\' uit het beeld te ontwerpen van hem, die zoolang h\\j
in en voor den handel werkzaam was, daarin een hoofdpersoon, een
figuur was. Maar nauwelijks had Nijhofl\' zijn bakens uitgezet, titel-
aanteekeningen gemaakt van Kruseman\'s uitgaven, die in de Bouw-
stoffen
genoemd worden, of ook hem nam de dood de pen uit de hand.
Het voorstel kwam daarop in Januari 1895 tot mij Nijhoff\'s
arbeid over te nemen. Is het wonder, dat ik het met ingenomenheid
hoorde, maar ook met schroom aannam? Niet om het omvangrijke
van de taak, niet, omdat ik die niet met lust en liefde zou pogen
te volbrengen, maar wel, omdat ik, zoo véél jonger in jaren dan
Kruseman, die mijn grootvader kon wezen, zijn bloeitijd slechts bij
geruchte kende, en bovenal, omdat voor het beschrijven van een
-ocr page 10-
TT
handelszaak vóór alles een viikraan vereischt wordt. Al grenst het
beroep van mijn naaste familie aan het boekenbedrijf en al is de
maatschappelijke betrekking, die ik bekleed, verwant aan den boek-
handel, er is toch een te groot verschil dan dat niet op elke blad-
zijde zou moeten blijken in hoeveel opzichten mijn kennis, door geen
studie aan te vullen, te kort moest schieten.
De geschiedenis van een uitgever is die zijner uitgaven, die der
uitgaven voor een goed deel die der respectieve auteurs. Als van
zelf moet daarom een werk over Kruseman als uitgever vrij wat
behelzen over de auteurs aan zijn fonds verbonden.
De verleiding ook een kijkje te nemen in het intellectueele leven
dier auteurs of de literaire of wetenschappelijke zijde van hun wer-
ken te bespreken, heb ik streng vermeden; in een werk, dat onderde
auspicieën van de Vereeniging wordt uitgegeven, behoort zulks gansch
niet te huis. Alleen dan heb ik mij op dat terrein begeven, wan-
neer de boekhandelaarsgeschiedenis van een uitgaaf mij toescheen
een verklaring te kunnen vinden in den inhoud van het werk.
Waar mij zulks belangrijk voorkwam deed ik mededeelingen over
de typographie en de prentkunst der uitgaven.
Voor de indeeling der stof koos ik de chronologische. Bij de be-
handeling van een uitgever, wiens uitgaven zoo ten engste verbon-
den zijn met diens ontwikkelingsgang als mensch, was deze de aan-
gewezene.
Ondoenlijk was het elk der ruim 700 uitgaven te bespreken, die door
Kruseman en door Kruseman StTjeenk Willink tusschen den 1 Mei 1840
en den 31 December 1877 zijn uitgegeven. Ik moest mij bepalen tot die,
waaromtrent wat te vertellen viel, hetzij in betrekking tot de ont-
wikkeling van Kruseman, hetzij uit uitgevers- of typographisch oogpunt.
Als van zelf zou mijn werk daardoor worden een beschrijvende,
chronologisch gerangschikte bibliographie, een reeks monographieën
over boeken in Haarlem tusschen 1840 en 1877 verschenen, waar-
tusschen veelal geen ander verband bestaat dan dat die boeken
allen het adres van Kruseman of van Kruseman & ïjeenk Willink
vertoonen.
-ocr page 11-
ITI
Toch is het juist dat adres, dat de eene monographie logisch aan
de andere verbindt.
Als bronnenmateriaal in handschrift van Kruseman afkomstig ston-
den mij ten dienste:
1.    een aantal eigenhandige aanteekeningen over zijn nitgaven,
goeddeels reeds in de Bouwstoffen afgedrukt.
2.    de vijf folio foudsboeken, waarin op 723 folio\'s de gespeci-
ficeerde onkosten-rekening van elke uitgaaf geboekt is.
3.     de kasboeken, zoo van het huishouden als van het bedrijf, in
één doorloopende reeks.
4.     de kopy-boeken, waarin slechts zeer zelden andere dan finan-
cieele handelsbrieven opgenomen zijn.
5.     14 kwart folio\'s door Kruseman geschreven als Losse aantee-
keningen als voor begin van herinneringen aan eigen Jiandelsleven.
uit-
voerig voor de jaren 1840 tot 1843, voor de volgende jaren 1844
tot 1858 niet meer dan een schematische opzet, getrokken uit
eigen archief.
6.     een portefeuille met bewijzen van eigendom der fondswerken,
in de Bibliotheek der Vereeniging.
7.    de catalogussen der fondsveilingen met bijgeschreven prijzen
en aanteekeningen in handschrift.
8.     de brieven, ontvangen tusschen 1840 en 1881.
Deze laatste verzameling was het, die mijn keus bepaalde welke
werken door mij besproken moesten worden, omdcit mij daaruit dui-
delijk bleek, hoe Kruseman zelf deze taak opgevat zou gewenscht
hebben te zien.
Bij het rangschikken en sorteeren van zijn archief als boekhan-
delaar in ruste vernietigde Kruseman alle eigenlijk gezegde handels-
brieven. Die brieven, welke over een bepaalde uitgaaf handelen,
bond hij telkens in één band te zinnen, de overblijvende werden
chronologisch naar de jaren geschikt. De eerste reeks van 119 ban-
den, de correspondentie met auteurs, zal een blijvende plaats ver-
krjjgen in de Bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandsche
Letterkunde te Leiden; de tweede reeks, de particuliere correspon-
-ocr page 12-
IV
dentie, werd mij door Dr. J. Nieuwenhuijzen Kruseman ten gebruike
afgestaan.
Die beide reeksen moest ik in haar geheel lezen; van de tweede,
om de vele bijzonderheden daarin opgehoopt, bovendien regesten
maken.
Daar ik begreep, dat na mij niet spoedig iemand gevonden zou
worden, die dat omvangrijke werk opnieuw ter hand zou nemen,
meende ik daaruit ook dat te moeten inededeelen, wat slechts zijde-
lings met Kruseman verband houdt.
Wat mijn arbeid daardoor in omvangrijkheid — ook belangrijk-
heid ? — gewonnen heeft, verloor hij in vorm.
Hoewel een minder leesbaar geschrift niet overeenkomt met het-
geen Kruseman in zijn auteurs zoo gaarne zag, kon mij dat niet
doen besluiten van mijn stelsel af te wijken. Bij het schrijven van
een werk, dat als een historisch geschrift beschouwd wenscht te
worden, mocht ik in beginsel de eischen der historische wetenschap
niet ondergeschikt maken aan het onderwerp zelve.
Daarom ook drukte ik mijn aanhalingen af, zooals ik ze vond,
met, naar ik hoop, steeds nauwkeurige vermelding der vindplaats.
Tegenover het voortdurend wisselen van derde en eerste persoon,
staat het onmiskenbare voordeel, dat de onpartijdigheid van den
geschiedschrijver beter gewaarborgd blijft. Waar ik als bijfiguren
mij niet altijd sympathieke personen moest bespreken, kon ik boven-
dien zoodoende gemakkelijker objectief blijven.
Een noodwendig gevolg der gevolgde methode is, dat Kruseman
zelf door de uitvoerige behandeling der onderdeelen en het vele
bijwerk op den achtergrond treedt. In een wellicht te schrijven slot-
woord hoop ik hem zelf als in vogelvlucht te behandelen.
Nog een andere reden is er niettemin, waarom Kruseman zelf
niet voldoende vooruitspringt. Behalve de brieven aan Da Costa over
de Bilderdijh-uitgaaf, welke na de voltooiing daarvan door Da Costa
teruggegeven werden, is zoo goed als niets van Kruseman zelf in
zijn archief bewaard gebleven. Uit den aard der zaak bevatten de
ontvangen brieven kostelijke bouwstoffen voor de kennis van de
/
-ocr page 13-
auteurs dier brieven, bitter weinig voor die van den ontvanger.
Om die leemte zoo mogelijk aan te vullen moesten de Versla-
gen
en de Handelingen der Vereeniging, het Niemcsblad en het
Weekblad voor den Boekhandel geheel geexcerpeerd worden; tijdschrif-
ten en brochures raadpleegde ik zooveel ik kon; van de adverten-
ties zonder tal in de Oprechte Haarlemsche Courant nam ik zooveel
mogelijk kennis.
Daar de exemplaren der uitgaven in Kruseman\'s archief alle ge-
bonden en bij geen daarvan de omslagen bewaard gebleven zijn,
hadden zij slechts een betrekkelijke waarde voor mijn doel.
Evenzoo waren in het archief de prospectussen en circulaires zoo
goed als niet aanwezig. (Dat prospectussen en omslagen toch zuinig
bewaard worden; ze zijn voor de geschiedenis van het boek van
zulk een overgroot gewicht). Daaraan kwam de kleine verzameling
prospectussen in de Bibliotheek der Vereeniging mij eenigszins te
hulp en ook die collecties, welke de heeren H. Gr. Bom te Amster-
dain en Burgersdijk & Nierman» te Leiden mij toezonden.
Ten slotte was het met niet genoeg te roemen welwillendheid en
hulpvaardigheid, dat Dr. J. W. Muller te Leiden, mej. S. Potgieter
te Amsterdam, de heer J3. Gebhard te Haarlem en Mr. Florimond
van Dnyse te Gent mij de particuliere brieven van Krnseman aan
Fred. Muller, E. J. Potgieter, J. H. Gebhard en Prudens van Dnyse
voor een bescheiden gebruik afstonden. Evenzoo mocht ik voor mijn
geschrift inzage erlangen van mej. S. Potgieter van de door E. J.
Potgieter ontvangen brieven van Helvetius van den Bergh en van
mej. A. A. A. C. Koenen te Haarlem van de in 1854, 1855 en
1856 door Mr. H. J. Koenen ontvangen brieven.
Mijn hartelijke» dank voor die hulpvaardigheid, ook aan hen, van wien
ik zooveel steun mocht ondervinden, aan de heeren E. van der Meulen,
Louis D. Petit en E. W. P. de Vries, leden der Commissie voor de Bij-
dragen,
niet het minst, aan Kruseman\'s zoon vóór allen. Wanneer ik
bedenk met welk een groote genegenheid Dr. J. Nieuwenhuijzen Kru-
seman mij telkens weer te gemoet kwam, dan vereischt dat een op-
recht geineend woord van groote, zeer groote erkentelijkheid. De
-ocr page 14-
VI
talrijke uren, die ik sinds Februari 1895 heb doorgebracht in Kxu-
seman\'s woning, op zijn ruime studeerkamer, te midden van zijn boe-
ken, te midden van zijn kinderen en kleinkinderen, waarlijk onver-
getelijke, genotvolle uren, uren van piëteit en van wijding, uren
van verkwikkelijk genot.
Eindelijk nog een woord van dank aan zetters en drukkers van
mijn geschrift, aan wijlen mijn vriend Jan D. Brouwer, die zich ook
belast had met het critisch lezen der proeven en mij nog zulke
kostelijke inededeelingen deed.
Door de Commissie werd de Haarlemsche drukkerij van Joh.
Enschedé en Zonen belast met de typographie van mijn werk; in de
zelfde werkplaatsen, waar ruim tien jaar geleden de Bouwstoffen
gezet zijn, werden dat ook de volgende bladzijden. Mijn werk is een
Haarlemsch boek, geschreven door een Haarlemmer, over Haarlem-
sche boeken door een Haarlemmer uitgegeven.
In Juni 1895 schreef Hasebroek mij: //Zulk een werk in Costers-
stad ter eere van een Kruseman te zien uitvoeren door een Enschedé,
— er ligt voor mijn gevoel iets harmonisch in: het is of de namen
rijmen! Moge eeu deel van Kruseman\'s geest bij het stichten van
zijn monument u worden geschonken!"
Dat de verwachting van Jonathan, den vriend van Kruseman en
van Enschedé, niet beschaamd moge worden door de wjjze, waarop
ik mijn taak meen te moeten volbrengen.
J. W. E.
-ocr page 15-
I.
Jeugd- en jongelingsjaren. —- Omleiding tot het boekhandelaars-
en uitgeversbedrijf. — Vestiging.
1818—1840.
VRAAG.
Weet je waarom van den Bergh,
(Niet Helvetius \' maar Sampje °)
Om een heel klein wierookdampje,
Rijmt ten koste van zijn merg?
"Weet je waarom Hildebrand \'
Ons zijn adel heeft bewezen,
Kn ons zoo veel moois liet lezen,
Eer hij \'t luitjen heeft verbrand?
Weet je waarom Boudewijn "
Ook zijn neus heeft opgestoken?
En waarom zijn vingers joken,
Om een humorist te zijn ?
Weet je waarom \'t mooglijk is
Dat ook Jufvrouw Lauernesse 5,
NcPrlands proza-dichteresse,
Zulken kost schaft op haar disch?
Weet je waarom Jonathan l!
Zoo bedroefd in rijm kan spreken,
Dat gewis je hart zou breken,
Als een hart maar breken kan?
1    P. T. Helvetius van den Bergh (1799(?)—1873).
2    S. J. van den Bergh (1814—1868).
\'
   N. Beets (geb. 1814).
4    J. L. van der Vliet (1815—1851).
5    Mevr. A. L. Q. Bosboom-ïoussaint (1812—1886). Haar Hel Hui»
Lauernesse
verscheen in 1840 bij (i. J. A. Beijerinck te Amsterdam.
8   J. P. Hasebroek (1812—1896).
1
/
/
-ocr page 16-
2                                                  INLEIDING.
En waarom zijn zus Elise \',
Murwe schrijfster van te Laai,
Zich een trantje kon verkiezen,
Dat nu reeds op liquor staat?
Plegtig antwoord.
Hun wieg stond tusschen lauwerblaren,
En verschgeplukte myrthen in;
Omdat de vaders van \'t gezin,
Drogisten of Aptekers waren......
De geur van \'t roemverlokkend kruid
Steeg in het neusje van hun spruit
En is er altoos ingebleven,
Zoodat zij gruwen van een leven,
Waarin geen lauwren hen omgeven,
Als offers aan hun luitgeluid.
Wie heeft nooit van dit aardige verske gehoord dat afkom-
stig is van Boudewijn en te lezen staat in de liraga 3? Is het
niet geestig opgemerkt door den dichter, dat zoo velen van
hen, die in die dagen als het Jonge Holland de eerste lanwe-
ren begonnen in te oogsten van hun literaire werken, en hun
geest van verzet tegen de Jan Saliegeest en de lamzaligheid
van het nationale zelfbewustzijn in de kunst en in de let-
teren met zoo gunstig gevolg beloond zouden zien, dat zoo-
velen met Beets konden zeggen
Mijn wieg stond tusschen dorre bladen
En afgevallen bloemen in?
Maar is het tevens niet opmerkelijk, dat ook ,Bleeker, de
geleerde, die zooveel standaardwerken zou leveren over de fauna
van den Iudischen archipel, Beets datzelfde zou kunnen nazeg-
gen *; dat evenzoo Anne Dorothée van der Tholl, later mevrouw
Busken Huet, een schrijfster van zooveel gaven, de dochter
van een apotheker is en dat zij, die eenmaal door het huwe-
1    E. J. Hasebroek (1811—1887).
2    Nieuwe uitgave van A. Winklev Prins. Dev. 1883. blz. 344. — De
Brar/a begon met den 1 December 1842.
3    Vgl. Brieven van Multainli. Minnebrieventijd. 1861. Amst. 1892
blz. 8 vlg.
-ocr page 17-
.\'5
INLEIDING.
lijk verbonden zou worden met A. C. Kruseman haar aller-
eerste jeugd en meisjesjaren doorbracht ten huize van een
apotheker? Verdient liet daarbij niet opmerking, dat ook Abra-
ham Kuenen, later de man van Europeesche vermaardheid,
niet alleen een apotheker tot vader had, maar ook zelf een
tijdlang in den winkel van zijn moeder te Haarlem \', op de plaats
van Jacobus Leunis van der Vliet (Boudewijn), als apothekers-
bediende fungeerde 3? Eu trekt het dan ook niet de aandacht,
dat in datzelfde Haarlem, waar Beets, Kuenen, jutt\'r. van der
Tholl en juttï. Goteling Vinnis hun eerste jaren doorbrachten
„tusschen dorre bladen", dat in diezelfde stad den apotheker llen-
drik Dirk Kruseman den 11 October 1818 een zoon Arie Corne-
lis geboren werd, die als man den bloei en de ontwikkeling der
Nederlandsche letteren en wetenschap zoo met hart en ziel
zou bevorderen en als uitgever, als tusschenpersoon tusschen
schrijver en publiek, zoo vele en zoo tallooze vaderland-
sche werken zou weten te verspreiden en zijn kennis en
kunst dienstbaar zou inaken aan de verheffing van het Neder-
landsche volk? En waarlijk niet slechts als handelaar met de
kopy van anderen, niet louter uit winstbejag, zou hij de gaven
van zijn auteurs alleen tot eigen voordeel trachten te benut-
ten. Laat uw licht schijnen in de duisternis; laat ook anderen
de geestelijke vruchten genieten van het weten, dat gij U door
studie en door arbeid verworven hebt; helpt mede aan het
verhoogen van het peil van uw landgenooten, want
Niet daar en nut de Wetenschap,
Waar \'t hoofd beur kreits omsluit:
Ze moet door hart en ziele heen,
En in het leven uit. \'
Dat was de leuze, die Kruseman zou kiezen; dat was de
wimpel, waaronder hij zijn bootje de helling zou laten afloo-
pen; dat was de vaan, waarmede bij een veiligen weg zou weten
1 Koningstraat Wijk 5 N°. 27; het perceel vormt thans het zuide-
lijkste deel van de Roomsch-Katholieke Mariaschool voor meisjes.
1 A. Loosjes in Stemmen voor waarheid en vrede. 1894 blz. 246.
3 Motto van de PracHsche Volksalmanak lc Jaargang, door Kruse-
man voor 1854 uitgegeven.
1*
-ocr page 18-
4
INLEIDING.
te kiezen voor zijn schip tusschen de klippen en de branding;
dat was de banier, waaronder hij zijn vaartuig een veilige
haven zou kunnen binnenloodsen; dat was de vlag, waaronder
hij, de stuurman in ruste, zijn ervaring zou te boek stellen.
Eedle Geesten, en Beminders
Kloecke Vinders,
Van de Konst der Druckery:
Daer geen schoonder oyt sal leven,
Noch sal geven,
Meerder heerlijckheyd als ghy.
Door u staen de gulde lichten,
Die noch stichten,
En omschijuen al dit rond:
Door u Konst zijn voortgekomen,
Al de Vromen
Al de Wijsheyd diemen vond.\'
Een man van beteekenis op het gebied van het boekwezen
in Nederland ontsliep den 15 April 1894 te Haarlem. Hem
te schetsen in zijn betrekkingen tot schrijvers en tot boeken
is de aanlokkelijke taak mij opgedragen; aan de wordingsge-
schiedenis van een aantal boeken tusschen 1840 en 1877 in de
Spaarnestad, de bakermat der boekdrukkunst, verschenen en
bijzonderheden, die zich daaraan vastkuoopen, moeten de vol-
gende bladzijden gewijd zijn.
De tijd van ommekeer en woelingen op staatkundig en maat-
schappelijk gebied, die in de jaren na de omwenteling van
1795 plaats grepen, had een gansch nieuwe klasse van
menschen een sport van de maatschappelijke ladder hooger
doen beklimmen, die vroeger als keezen, den nieuwen stand
van zaken reeds hadden helpen voorbereiden. De teugel van
het bewind, zoo lang door de nazaten dier stoere mannen, die
ons volksbestaan hadden weten te vestigen, gevoerd, ontviel
aan de patriciërs: een lagere stand kwam in hun plaats. Ook
Haarlem, de Keezenstad bij uitnemendheid, was daarvan ge-
tuige, en zag mannen, geacht en gezien door de breede schaar
1 Lofsanyh ter eeren de Eedele konst der loflijcker Boeckdruckerye.
(D. P. Pers. Iconologia van Cesare Ripa. Amst. 1644 blz. 67.)
-ocr page 19-
5
ISA AC CORNELIS STERK.
der burgerij, aan het hoofd der stadszaken komen, die een tien-
tal jaren vroeger wel gehoopt, maar misschien niet gedacht
hadden, dat de verwezenlijking hunner wenschen zoo spoedig
oj) handen zoude zijn. Eén van die nieuwe namen, die op de
naamlijsten der stedelijke maclithebbenden met leden van de
geslachten Kuenen, Enschedé, Van Walré en Kops voorkomt,
was die van Isaac Cornelis Sterk; lid van de vroedschap en
later ontvanger der belastingen en adjunct-inaire, was hij een
man, die ten volle de plichten begreep, die van hem in de
uitoefening dier betrekkingen gevorderd werden; een man
van burgerlijke beteekenis in de Spaarnestad van die dagen.
Juist die nauwgezette plichtsvervulling van zijn openbare amb-
ten moest hem dubbel bezwaarlijk vallen, daar de tijd daaraan
besteed onttrokken moest worden aan het bestier van eigen
zaken, aan het drijven van zijn apotheek. Dat mag de reden
geweest zijn, dat hij een compagnon meende te moeten aanue-
men en dien vond in Hendrik Dirk Kruseman, geboren te
Haarlem den 14 November 1777.
Sinds den 1 Januari 1801, dat Hendrik Dirk Kruseman als
deelgenoot optrad in de bloeiende apotheek „De vergulde vijzel",
die tot op dat oogenblik door Sterk voor eigen rekening en
op eigen naam gedreven was, werd de firma Sterk en Kruse-
man, onder welken naam die firma tot op den huidigen dag in
dezelfde woning in de Groote Houtstraat over de Peuzelaar-
steeg, thans onder beheer van den kleinzoon van den nieuwen
compagnon. Dr. H. D. Kruseman, met roem en lof nog bestaat.
Kruseman betaalde voor zijn half aandeel in de zaak, den
voorraad daaronder begrepen, ƒ 3000; tevens moest hij
het woonhuis naast de apotheek voor vier jaar huren voor
f 300 in het jaar. De apotheek zelve, die mede het eigen-
dom\' van Sterk was, eischte als gebouw geen huur, de repara-
tiën echter kwamen voor rekening van beide firmanten.
In 1807 vermoedelijk \' hield deze compagnieschap op en
1 „Vermoedelijk", want 12 Juni 1807 verkocht I. C. Sterk de beide
perceelen in de Groote Houtstraat (in het eene waarvan nl. Wijk 4
N°. 30a „de apothecars affaire wordt geexerceerd") aan H. D. Kruseman
voor f 5000.—.
-ocr page 20-
6
HKNDUIK DIRK KIMTSKMAN.
ging de finnn geheel op Kruseman over. Waarschijnlijk ge-
schiedde dit hij wijze van uitkoop; althans Kruseinan nam op
zich aan Sterk en aan diens weduwe levenslang te betalen
een jaarlijksche uitkeering van f 450. In Maart 1824 zag
Sterk van alle verdere vergoeding af en stelde Krusenian in
den vollen en vrijen eigendom van zaak en gebouw.
Dat de keus van Sterk nu juist niet van de slechtste was,
mag daaruit voldoende blijken, dat ook Kruseman, zich tot
verschillende betrekkingen benoemd zag in stedelijke en Evan-
gelisch-Luthersche instellingen. Ook in zijn vak mocht hij
naar verdienste erkend worden, daar hij achtereenvolgens ge-
roepen werd een plaats in te nemen in de Provinciale Coin-
missie voor geneeskundig staatstoezicht en in de Commissie over
de Stads-Apotheek, terwijl hem door Koning Lodewijk den 80
September 1S09 liet praedicaat van Koninklijk Hof-Apotheker
verleend werd.
Hendrik Dirk Kruseman huwde kort na zijn optreden in de
apotheek den 2,1 Juin 1801 voor Schepenen een volbloed
llaarlemsche, Maria Mooy \'. De traditie, welke zich van hen
beide bewaard heeft, laat geen oogenblik twijfel over of zij
vormden, zonder nu juist in eenig opzicht buiten het eigenlijke
bedrijf uit te munten, een toonbeeld van een burgerlijk Haar-
lemsch huishouden, zocals Beets ons dat in de familie Stastok
geteekend heeft, een deftig, niet erg toeschietelijk, maar altijd
zeer vriendelijk gezin. Hun echt werd met zes kinderen geze-
gend, Jan Adam, Jacoba Jacomina, beide jong gestorven, Eli-
sabeth Frederika, gehuwd met Daniël Nicolaas van Elten,
Isaac Coruelis 3, gehuwd met Johauua Petronella Molkenboer,
1 Zij was geboren 14 November 1777, dochter van Jan Mooy en Ja-
comina Polman en overleed 17 Februari 1818. Jan Mooy was metselaar en
steenkooper (later de firma Meyer en Dyserinek) en bouwde o. a. liet
Teyler\'s Hofje en het huis van Hodson aan het Spaurne, het tegenwoor-
dige gebouw van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen.
1 Hij had zijn doopnamen gekregen naar den vroegeren compagnon
van zijn vader, werd eerst als deelgenoot van zijn vader in de apotheek
opgenomen en aanvaardde die geheel na diens overlijden in 1844.
-ocr page 21-
7
SCHOOIJAREN. 1\'. J. PRINSEN.
Hendrik Dirk, eerst gehuwd met Cornelia Loosjes, later met w\\h—1832.
Johanna Kerbert en Arie Cornelis, de persoon, die het onder-
werp van dit geschrift zal uitmaken.
Arie Cornelis Kruseman werd te Haarlem geboren in de
Cirootc Houtstraat den 11 October 1818, zijn doopnamen ont-
vangende naar zijn oom van moederszijde Arie Cornelis van
Eeden, die dan ook als peet fungeerde bij den huisdoop, welke
A. C. Kruseman den 1 November 1818 van Hendrik Mol-
kenboer, predikant bij de Luthersche gemeente te Haarlem
ontving.
Als van zelf doet zich de vraag voor: hoe waren zijn kin-
der ja ren, beloofde hij toen reeds voor de toekomst en waarom
werd voor zijn volgend maatschappelijk leven de keus geves-
tigd op liet boekhandelaarsbed rij f. Op deze vragen moet
ik een antwoord schuldig blijven. Bijkans geen enkel bericht of
traditie heb ik kunnen te weten komen, in weerwil van her-
haalde en zorgvuldige nasporingen. Ligt er waarheid ten grond-
slag aan de bewering, dat zijn ouders hem bestemd hadden
Luthersch predikant te worden en aan de overlevering, dat hij
in zich zelf een toekomstig dokter zag? Noch Mr. G. de Vries Az.,
noch Prof. Beets, zijn oudere tijdgenooten uit zijn kinder-
jareu, wisten mij daaromtrent zekerheid te geven. Slechts twee
gegevens heb ik ontdekt: de eerste zijn geboorteacte (11 Oc-
tober 1818), de andere zijn eigenhandige maar foutieve inschrij-
viug in het Album van de Latijnsche school in 18*32 \'.
Zeker is liet echter, dat hij een leerling geweest is van de
school van 1\'. J. Prinsen, van wien Smit Kleine ons in zijn
Meenter 2 zulk een alles behalve aanlokkelijk beeld schetst. In
weerwil toch dat het noch wordt tegengesproken noch wordt
bevestigd door de huishoudelijke uitgaafboekjes van den ouden
1 i) Januari 1832. Arie Cornelis Kruseman, geboren te Haarlem 11
October 1819. [sic].
De Madonna van Duinlust en andere verhalen door Piet Vluchtig.
(Guldens Editie N°. 139) blz. 59 vlg. — Vgl. Na vijftig jaar, door Hilde-
brand.
Haarl. 1887 blz. 38.
-ocr page 22-
SCHOOLJAREN. P. .1. PRINSEN.
1M8-1832. heer Kruseman —■ zij zwijgen er geheel en al over \' —, zijn er
voldoende gegevens oin dit met stelligheid te kunnen zeg-
gcn. Even zeker is het dat hij ook daar op diezelfde
school lustig zal mede gezongen hebben uit de Sc/ioolge-
zaugen,
welke door Prinsen, in overleg met Polman, onderwijzer
in de Bijbelserie geschiedenis en Zedekunde aan \'s Lands kweek-
school voor School-onderwijzers te Haarlem, op zijn inrichting
ingevoerd waren. Die liederen staan thans in geen al te besten
reuk; niet ten onrechte. Altegader zijn het liederen van god-
zaligen of stichtelijkcn inhoud over Het Onze Vader, Nadenken,
Mededoogen,
volmaakt ongeschikt naar de tegenwoordige moderne
begrippen voor het doel waartoe ze werden geschreven. Beets
noemde in 1S39 in zijn Kinderrampen het Zoo is liet schooluur dan
geslagen, Waarnaar elk edel kind verlangt,
om daarmede den
geheelen bundel te karakte risee ren. Er zijn loifelijke uitzonde-
ringen. Ik wil er hier een aanhalen, omdat Kruscinan\'s volgend
leven geheel in overeenstemming daarmede zou zijn. Het is
het 10e gezang2:
DE TIJD.
Ü
2
i
^
3-
3F
3F
Hoe snel ver-vliegt elk Ie-vens-uur! En\'t komt nooit
^omt dan ge-werkt aan on - ze taak! De Ie - vens-
$m^
±
^iH
m
3
i
tot ons weer. Hoe snel de gau - sclie Ie - vens - tijd! Hij
dag is kort. ü God! be - reid ons voor dien stand,Waar
m
i
is en is niet meer.
al - les eeu - wig wordt.
1 Mededeeling van Dr. H. D. Kruseman. — Evenmin blijkt er iets
uit liet archief van Prinsen zelf; de heer P. J. Prinsen Geerligs te
Amsterdam had de welwillendheid dat voor mij te onderzoeken.
SchooUjezarujen voor drie stemmen; dienende tot darjolijksch ge-
-ocr page 23-
9
SCHOOLJAREN. H. POLMAN.
Want bedrijvig en druk zou dat volgend leven voor hem I8i8-1832.
zijn, een woekeren met elk oogenblik.
Op de school van Prinsen zou hij, evenals Beets, nog in
een ander opzicht als door de Schoolgezangen kennis maken
met Hendrik Polman. Polman, een man van buitengewone
begaafdheid en genialiteit \', gaf daar onderricht in de Bijbel-
sche geschiedenis. Oorspronkelijk was dat niet het vak, waartoe
hij opgeleid was geworden. Geboren te Genemuiden in 1779,
zou hij een werkkring gevonden hebben in het metselaarsbedrijf,
maar eens op zekeren dag in de eenzaamheid zijnde, kreeg hij
een ingeving, die voor zijn volgend leven beslissend zou zijn:
Tolman vrees den Heer
Leg uw troffel en kalkbak neer
En ga tot God den Heer!
Hij werd voorlezer en voorzanger van de Nieuwe Kerk en cate-
chiseermeester, weldra de catechiseermeester bij uitnemendheid,
„gezocht ook buiten zijn verplichten arbeid in de Gemeente, niet
weinig gewaardeerd bij de kweekschool van onderwijzers, ten be-
hoeve van welke hij in 182Geene Christelijke geloofs- en zedeleer
uitgaf, nadat hij twee jaren vroeger, 1824 had getoond wat er in
zijn denkenden geest omging door Vier voorlezingen over den
mensch"
en in 1817 door zijn Handboek voor hel godsdienstig \'
onderwijs.
Het was een leermeester door zijn leerlingen hoo-
gelijk vereerd, die door de bijzondere aanschouwelijke wijze
bruik bij hel. aan- en uilgaan der school, en bij bijzondere gelegenheden.
Vierde en vermeerderde druk. Amsterdam. Johannes van der Hey. 1821
(Gedrukt te Haarlem bij Johannes Enschedé en Zonen), üc muziek in
drie stemmen (sopraan en altslcutel); maataanduiding de doorgestreepte
C. In het citaat heb ik met behoud der maatverdeeling de waarde der
noten tot de helft verkort. — In 1854 werden Prinsen\'s Rekenboek,
Taalkunde, Zielkunde en Taalblaadjes door de erven van den auteur bij
Kruseman verkrijgbaar gesteld {Nieuwsblad voorden Boekhandel\'24 Aug.
1854).
1 N. Beets. Dichtwerken Dl. II. blz. 172. (Aangehaald in J. ten
Brink. Geschiedenis der Noord-Nederlandsche letteren in de XIXB eeuw.
Amst. 1888. Dl. I blz. 328.
-ocr page 24-
10                                SCHOOLJAREN. II. POLMAN.
1818—is32. van onderricht geven in groote mate de gave van mededeelen
bezat en bij allen, welke zijn onderricht genoten, ineer dan één
andere docent, indrukken naliet. Daarvan zijn de getuigenissen
van Beets en van Loosjes welsprekende bewijzen. Polman wist
door zijn onderricht van de Bijbelsche geschiedenis, beter dan
een ander, een vaste basis te leggen voor liet latere onderwijs
in de christelijke religie. Daarom zij hier uitdrukkelijk gewe-
zen op dit onderwijs, omdat, naar ik alle reden heb te geloo-
ven, door hem bij Kruseinan de grondslag gelegd werd voor
zijn latere houding tegenover de protestantsche orthodoxie, en
hoe juist door zijne meer nauwkeurige kennis van de geschie-
denis van het Israëlitische volk, zooals ons die in de Bijbel
overgeleverd is, Kruseman als uitgever gemakkelijker dan een
ander zou kunnen overgaan tot de erkenning van de weten-
schappelijke waarde der moderne theologie en de ontwerper zou
kunnen zijn van de (lescfiiedenls der voornaamste godsdiensten.
Na het afloopen der lagere school en één der Frausche scholen
was de Latijnsche school aan de beurt. Denkelijk zal hij eerst op
die van Meester Koning 3 in de Zoetestraat geweest zijn en daarna
in lS.\'iiJ op de Latijnsche school en het daaraan verbonden
instituut van Stevens gekomen zijn tegelijk met Hendrik
Stroes, Jan Christiaan Coenraad Dettineijer, Jolumnes Sa-
mud van Staveren en Petrus Jacobus Evers Soer schreef
hij zijn naam in het Album. liet gebruik was, dat elk half
jaar leerlingen tot die inrichting toegelaten werden en zoo
kwam hij in een klasse te zitten waar reeds als leerling geze-
1 Zijn verdiensten, maar ook zijn eigenaardigheden, als catecheet
werden door A. Loosjes in het licht gesteld in het Haarlemsch Predik-
beurtenblad,
18%, N°. 44, 45. (Herdrukt in A. Loosjes. Voor ruim eena
halve eeuw.
Haarl. 1897. blz. 130 vlg.) Na zijn overlijden werd door drie
oprechte Haarlemmers, Joh. Enschedé Jr., H. Gerlings Cz. en N. Beets,
met goed gevolg een lijst rondgestuurd bij de ingezetenen van Haarlem om
gelden te zamelen tot het plaatsen van een gedenkteeken op zijn graf
^Advertentie in Haarlemsche Courant 30 Juni, 1 Aug. 1840 en 13
Maart 1841). — Zie ook over Polman en Prinsen: Th. Flicdner. Collels-
tenreise naclt Hollaml mul Emjeland.
Essen 1831 Bd. I S. G3 Bd. Il S. 290.
5 Mededeeling van Mr. O. de Vries Az. te \'s Gravenhage.
-ocr page 25-
SCHOOIJAUKN\'. LATIJNSCHE SCHOOL.                          11
ten waven: Hendrik Carel Michaëlis, Pierre Hubert Jean 1M8—1882.
Alexandre de Pooy, Simon Veen Davidszoon, Jacobus Alexau-
der Enschedé, Peter van Meurs, Jacobus Johannes Evers Soer,
Fredericus Petrus Henricus (Joelen en Jan Hendrik Jutting,
welke een half jaar te voren hun naam in liet Album geschre-
ven hadden. Slechts twee zijner medeleerlingen zouden nader-
hand een plaats komen vragen in zijn fondslijst: Michaëlis
al vrij spoedig na Kruseman\'s vestiging met een vertaling
van Bojesen\'s handboeken over de (irieksche en Romeinsche
antiquiteiten; Van Meurs in 1871 met een typisch Haar-
lemsch onderwerp: een werk over de uitvinding der boekdruk-
kunst.
Evenmin als van het lagere onderwijs kan ik iets mededee-
lcii over Kruseman\'s Latijnsche schooljaren, behalve dit, dat
hij in die dagen o. a. met (). de Vries Az., C. Kerbert en M.
Pakker ijverig verliandelde in een letterkundig kransje Legenda
cresc\'U humauitas
\'.
Het klassieke onderricht zou hij echter niet lang genieten.
Meer dan twee klassen kan Kruseman op de Latijnsche school
onder het rectoraat van Dr. J. Venhuizen Peerlkamp niet
afgeloopen hebben: de klasse van den praeceptor Dr. A. F.
Verburg, en die van den tweeden conrector Nic. Posthumus,
want in 1834 was zijn toekomstige loopbaan vastgesteld. In
1834 kwam hij in de leer in den boekhandel van de Erven
Bohn te Haarlem.
Kruseman was toen 15 jaar oud. Al opgroeiende was het
zijn ouders duidelijk geworden, dat in deze richting voor hem
wellicht een toekomst te scheppen zou zijn. Het is mij niet
gelukt een spoor, zelfs een kleine vingerwijzing te ontdekken,
hoe zich dat toegedragen kan hebben. Haarlem had echter in
\'die dagen een dichtlievend genootschap Democriet ■—■ Kruse-
man zelf werd er in 1843 met liet pseudoniem Dullaert lid
van —, dat ijverig de rijmkunst beoefende. In zijn jongelings-
jaren telde men op de ledenlijst namen als: Van Wcsterkap-
1 Mededeeling van M>. G. de Vries Az. te \'s Oravenhage.
-ocr page 26-
12                     HAARLEMSCHE LETTERKUNDIGEN.
1H34—is35. pel, Kucnen, Loosjes, Van der Willigen, allen lieden, welke
maatschappelijk behoorden tot den kring van de Krusemannen.
Kunnen zij indirect invloed geoefend hebben om bij den
jongeling eenigen lust op te wekken voor de vaderlandsche
belletrie? Of waren het Bilderdijk en Jan van Walré, beide zijn
stad- maar geen standgenooten, die door hun voorbeeld alleen
te weeg gebracht hebben, dat de neigingen van den leerling
van de Latijnsche school zich meer in een bepaalde richting
begonnen te bewegen? Het moet in het midden blijven,
daar slechts liet feit vast staat dat hij bij de Erven Bohn
kwam.
In 1834 en 1835 was hij daar werkzaam. Veel van het
bedrijf zal hij daar niet geleerd hebben. Zijn werk bestond in
het ophangen van afgedrukte en het tellen der vergaarde vel-
len, en in het innaaien van katerns, „zoo in een blauwen kiel
met een breeden band om zijn middel", in één woord het werk
van een loopjongen. Den eersten dag, dat hij er in dienst kwam,
was zijn werk een partij afgedrukte bladen met een kruiwagen
naar het pakhuis te rijden, en die tocht ging voorbij de Latijn-
sche school. Zijn schoolkennissen stonden buiten en hij aarzelde;.
„Jij of ik Kruseman!" vaarde Bohn uit. „Neen, dan ik,
meneer", was het antwoord En hoe treurig het resultaat was,
toen Bohn hem eens eenig kantoorwerk liet verrichten, vertelt
Kruseman zelf in zijn levensschets van Bohn.
Toch was de tijd, dien hij bij Bohn doorbracht hem lief, zijn
leven laug; dat getuigt liet warm geschreven In Memoriam
dat hij hem bij zijn overlijden in 1872 wijdde, maar boven
alles zijn herinnering aan die dagen. In een brief aan Potgie-
ter tocli schrijft hij 35 jaar later bij het terugzenden van eenige
geleende boeken (28 Juni 1871):
Ik mag de hierbij teruggaande boeken niet langer aan
de hen wachtende ruimte onthouden. Ze hebben mij —
behalve ten deele verzoend (?) met het grillig, droomerig
oud porselein — ja waarlijk een uur of wat verkwikt.
Dat is heuscli waar. Die oude gezellige Tafelkout, maar
-ocr page 27-
P. F. BOHN.                                         13
meer nog dat mozaiek van Ch. Lamb \', hebben mij als 1834-1835.
oude bekenden, lang vergeten, als een hand toegestoken
met het welverdiend verwijt dat ik ze uit oog en hart
verloren had. Met wat vriendelijke herinneringen zag ik
het jaartal LS36 onder liet steendrukje van Bakker! Hoe
schoot het mij weer zoo levendig voor de zinnen, hoe ik
in die dagen als leerling zat op den boekenzolder van de
Erven Bohn en hoe ik geregeld eiken dag mijn patroon
een anderhalf uur ontstal om te grasduinen in de rijen
„Commissiegoed" die zoo verleidelijk naast mij op de
planken stonden! Hoe ik met een boekje in een hoekje
tusschen de onopengesneden bladen gluurde, sentimenteel
zat te wezen [?] onder de melancholieke „Poezy" van Hase-
broek, droomde met Byroniaantjes van Beets, rilde bij de
bloedige romancen van Hofdijk, gierde — verbeeld u —
bij de luim van Van Oostcrwijk Bruyn en Storm van
\'s Gravesande, een half oog kreeg voor Pickwick, mij
vreemd, schemerig, maar toch prettig voelde bij de Proeven
van een Humorist —■ den Muzenalmanak de jaarlijksche
Heilige Schrift der literatuur achtte — en het eenmaal
uitgeven van een prachtboekske als de Tessehc/id mijn
hoogste idealen te boven zweefde ! — hoe ik in één woord
als aankomende Boekverkoopersjongen snoepte van alles,
met den honger van een 16-jarige mij te goed deed aan
rijp en groen, veel meer verslond dan proefde en deemoe-
dig geloofde in alles wat de pers publiek maakte. Er was
genot, er was weelde in die grasduinerij van bijna een vier
tientallen jaren geleden: „wij waren gelukkiger toen- wij
armer waren, maar wij waren jonger, lief nichtje". {Oud
Poreelein p. 212).
1 C. Lamb. Proeven van een Humorist, naar het Emjelscli door E.
J. Potgieter. Amsterdam. H. Frijlink. 1836. — De verschillende
titels in dit werk zijn vermeld door J. H. Groenewegen in De werken
van E. J. Potgieter.
Haarl. z. j. n°. 131—164.
-ocr page 28-
14                                      J. D. SYBIIAXDI.
1834-1835. Bij Bolni zou echter zoo doorgaande, op den duur weinig
van het vak te leercn zijn. Gaat thans een toekomstig boek-
handelaar-uitgever zijn kennis opdoen in het buitenland, in
die dagen was één onzer groote steden de aangewezen plaats.
Kruseman deed eerst zijn belijdenis; al vrijwel een\'Ap; gewor-
den, zooals hij zelf in later jaren verhaalde \', werd hij den 23
Maart 1 830 tot lidmaat van de Luthersche gemeente te Haar-
lem aangenomen door Ds. Sander, tegelijk o.a. met Benjamin
Jan Kruseman en Willem Frederik Weidner en den 27 Maart
d.a.v. door Ds. .1. G. Liernur ingezegend. Hij ging naar Amster-
dam; eerst van 1830 tot 1838 bij J. D. Sybrandi, daarna van
1888 tot ultimo December 1839 bij M. Westerinan & Zoon. Dat
hij juist bij Sybrandi kwam, is gemakkelijk te begrijpen; be-
lialve dat deze een debiet- en uitgeverszaak en drukkerij had,
was door zijn correspondentiezaak (liet ontvangen en verzenden
vaii pakken enz. van en voor debitanteu buiten de stad) bij
hem veel te lecren, dat een kijk kon geven op de organisatie
van de Nederlandsche boekhandelaarswereld; hij genoot een
zekere vermaardheid in het africhten van jongelui in het vak,
natuurlijk tegen betaling, hetgeen hem niet onwelkome inkom-
sten opleverde.
Waarom de verwisseling plaats had voor Westerinan, weet ik
niet; het denkbeeld, dat elke verandering een ruimer ontwikkeling
kon geven, zal er wel niet vreemd aan geweest zijn. De firma Wes-
terman & Zoon bestond in die dagen uit twee firmanten: sinds
den 15 September 1830 was Gcrardus frederik Westerinan 2 als
deelgenoot in den boekhandel van zijn vader Marten 3 opgeno-
1 Mededeeling van Ds. W. R. Poolman, Luthersch predikant te
Haarlem.
Dr. G. F. Westerman, de stichter van Artis, overleed in 1890. Zie
over hem C. Kerbert in Eigen Haard 1890, hlz. 348.
3 Aan Marten Westerman (overl. 1852) in zijn betrekking tot het
tooneel, bracht De Buil hulde in zijn Ken burger van den echten stern-
pel
(A. J. de Buil. Velerlei Schied. 1876 ül. I blz. 307). — In de
eerste uitgaaf van dezen bundel, in November 1802 bij Kruseman ver-
schenen, komt deze studie niet voor. Het fonds van tooneelstukken en
-ocr page 29-
M. WKSTERMAN & ZOON.
15
men. Het is bekend, dat hun uitgeversbedrijf zich voornamelijk 1836-1840.
bewoog op liet gebied der tooneelliteratuur; en dat is daarom
hier vooral der vermelding waard, omdat de eerste uitgaaf die
Kruseinan voor eigen rekening zou doen juist een tooneelspel
is van denzelfden auteur, wiens blijspel lh>. Neven in die dagen
met ongekenden bijval vertoond werd.
Bij Westerman was Kruseman intemleerling. Hij leerde er
natuurlijk wel een en ander op het boekhandelaarsgebied, maar
bovendien moest hij ook zijn diensten verleenen bij het be-
heeren der verzameling dieren, welke Westerman op zolder
herbergde. Er zijn verhalen, hoe Kruseman \'s nachts opgeroe-
pen werd om hulp te verleenen, wanneer een zieke; aap een
geneeskundige behandeling moest ondergaan; nu juist niet
bevordelijk tot aankweeking van kunstzin.
Ik meen echter redenen te helmen om aan te nemen, dat
zijn Amsterdamsche leermeesters niet veel bijgebracht zullen
hebben aan de vorming van Kruseman. Hoe anders te ver-
klaren, dat geen van allen door Kruseman een plaats waardig
gekeurd werd onder de Persoonlijke waardeering in zijn
Bouwstoffen? Het was doodgewoon werk, dat hij daar te
verrichten kreeg, wellicht wat meer zelfstandig dan bij Hobu
gedaan was. De oude heer Kruseman bleef ter wille van zijn
zoon de relatie met Bolin aanhouden en meermalen gebeurde
het, dat Kruseman, in tijden van vacantie, wanneer hij ter
besparing van reispenningen van Amsterdam naar Haarlem
was koineu wandelen, ter tijdpasseering wat van de werken
van Van Kampen, die in die dagen daar ter perse lagen, ter
innaaiing van Bohn te huis kreeg \'.
In een ander opzicht zou zijn verblijf in Amsterdam wel
balletten ging in Mei 1874 in eigendom over aan Kruseman\'s vroegeren
leerling G. L. Funke (Nieuwsblad voor den Boekhandel 19 Mei
en 30 Mei 1874).
1 Mededeeling van den heer H. Boerée, werkzaam ter binderij van
Joh. Enschedé en Zonen te Haarlem, die destijds bij Bohn werkzaam
was en Kruseman daar nog als leerjongen gekend heeft.
-ocr page 30-
16                                               K. FUHRI.
1836—1840. degelijke vruchten voor de toekomst hebben: de kanselredenen,
die hij van Abraham des Amorie van der Hoeven hoorde,
zijn kennismaking met Eduard Douwes Dekker, de vriend-
schapsbanden, die hij ging sluiten met Pi-ederik Muller. Vooral
deze laatste, die toen zijn leerjaren bij zijn oom Johannes
Muller doorbracht, zou blijken een groote plaats te gaan be-
slaan in Kruseman\'s leven. Wat al gesprekken over wetenschap
en kunst, over godsdienst en letteren, zullen die beide jonge
menschen daar gevoerd hebben. Wat al idealen en lucht-
kasteelen moeten zij gehad hebben. Een hechte, sterke band,
die nimmer bij hun leven verbroken, of ook maar even ge-
vierd zou M\'orden, werd daar gesmeed.
Kruseman was nu zes jaar in den handel werkzaam geweest;
hij was één en twintig jaar geworden, een leeftijd, waarop
eigen meeningen en eigen denkbeelden zich reeds flink doen
gelden en een zekere mate van eigen vasten wil zich met
goeden grond kenbaar maakt. Het zou mij dan ook niet
verwondereu, wanneer mijn vermoeden waarheid bleek te
zijn, dat Kruseman zelf begreep, dat zijn Amsterdamsche pa-
troons voor hem niet waren de leermeesters die hij wilde:
een groote uitgeverszaak en een actieve en voortvarende chef
moest voor hem het gewenschte zijn. Die persoon werd gevon-
den in Koenraad Fuhri te \'s Gravenhage, bij wien hij met
den 1 Januari 1840 in dienst trad. Denkelijk zullen het familie-
relaties geweest zijn, die Kruseman daartoe overgehaald hebben.
Kruseman\'s grootmoeder toch heette Polman van haar zelve,
terwijl de hierbovengenoemde Hendrik Polman, zooals Ds.
Loosjes mededeelt 3, een neef van Euhri was; Kruseman en Fuhri
waren dus, zooals men dat noemt, familie van familie. En
hoewel hij daar slechts drie en een halve maand zou blijven,
was dat kort verblijf bij dien nieuwen patroon alles behalve
verloren tijd. Integendeel, daar zou hij eerst van nabij zien
wat uitgeven, uitgeven in de beste beteekenis van het woord
eigenlijk was, maar ook daar, in \'s Gravenhage, zou hij kennis
1 Loosjes t. a. p. blz. 139.
-ocr page 31-
VESTIGING.                                                 17
maken met twee betrekkelijk nog jonge mannen, die voor i»w.
hem als vrienden, als auteurs vooral in de eerste jaren van
zijn bedrijf, zouden zijn, wat Muller voor hem als vriend
en confrater voor hem zou worden: Sainuel Johannes vanden
Bergh en Willem Josephus van Zeggelen.
Met dat al was Kruseman nu 21 jaar geworden en werd
hij geacht voldoende bekwaamheden opgedaan te hebben om
zelf te beginnen. Langzamerhand begon het tijd te worden om
de leerjaren te eindigen en zelf als „boekverkooper" op te tre-
den. Een welkome gelegenheid bood zich hiertoe aan, toen
in de lluarlewsche Courant van den 4 April 1S40 verscheen
de volgende
Algemeene Kennisgeving.
De Boekhandelaar J. J. Beets, te Haarlem, voornemens
zijnde, met den eersten Mei aanstaande zijne Boekdruk-
kerij, Boek- en Papierwinkel te kwiteren, bedankt zijne
geëerde Begunstigers, beneveus alle zijne Correspondenten
voor het vertrouwen dat hij, gedurende eene reeks van
jaren, in bovengemelde betrekking, heeft mogen onder-
vinden; — Hij verzoekt dat, na den eersten Mei, geene
Commissie Goederen meer aan hem gezonden worden,
maar zal gaarne, de nog met zijne confraters openstaande
Rekeningen, zoodra mogelijk likwideren, eu verwacht
daarop, (onder de couvert) de noodige opgave.
Zoo iemand intusschen genegen mogt zijn gemelde
Boekdrukkerij, Boek- en Papierhandel, boeken- en andere
kassen, gereedschappen enz. over te nemen, adressere
zich met franco Brieven, bij bovengemelde. — Zijnde het
door hem bewoond wordend Huis, niet onder de verkoop
begrepen.
De oude Heer Kruseman maakte hiervan onmiddellijk werk
ten behoeve van zijn zoon. Binnen 14 dagen was de koop der
2
-ocr page 32-
18                                             VESTIGING.
1840. debietzaak gesloten \'. Voor f 1900, waaronder voor boeken
ƒ1020 en voor stand ƒ400 betaald werd, werd Kruseman Sr.
eigenaar van de zaak. Het overbrengen van den winkelvoorraad
uit het perceel van I3eets in de Groote Houtstraat -, naar de kleine
uitgewoonde woning aan het Spaarne van den apotheker(!) H. E.
van Iteysen \', die daartoe gehuurd werd, kon, evenmin als de
opstelling en inrichting van den kleinen inventaris, veel tijd in be-
slag nemen, zoodat reeds in dezelfde maand April een advertentie
in het Nieuwsblad voor den Boekhandel 5 geplaatst kon worden,
die verkort opgenomen in de Haarlemsehe Courant 5 aan de
confraters en begunstigers van den nieuwen boekhandelaar ge-
zonden werd. Die circulaire was ontworpen door Kruseman,
maar door zijn vroegeren patroon 13ohn, die haar drukte, eenigs-
zins gewijzigd, omdat „zij in mijn oog wat al te nederig was" G.
Haarlem, den April 1840.
Mijnheer !
Door dezen heb ik de eer UEd. te berigten, dat ik
door aankoop eigenaar ben geworden van den Boekhandel
des Heeren .1. .1. Beets alhier, en het voornemen heb om
dien van af 1° Mei e. k. op mijnen naam en voor mijne
rekening voort te zetten.
1    In het Nieuwsblad voor den Boekhandel van 16 April 1840 toch
vraagt Euhri ten spoedigste voor bediende een jongmensch, die blijkbaar
de opengevallen plaats van Kruseman moest komen innemen. Op dion-
zelfden datum had Kruseman zijn intrek nog bij Fuhri. Vgl. de dagtee-
kening van den hieronder geciteerden brief van Bohn.
2    Thans plaatselijk geteekend No. 10. — In dit perceel woonde van
1735 tot zijn dood (17C1) Izaak Enschedé, de grondlegger van de firma
Joh. Enschedé en Zonen.
3    Thans plaatselijk geteekend No. 72. — Later woonde in dit per-
ceel A. L. Dyserinck, stichter van de Haarlemsche Kamer van Koop-
handel. Hij behoorde tot Kruseman\'s beste vrienden en had, schoon
indirect, een groot aandeel in de ontwikkeling van de uitgeverszaak.
\' 30 April 1840.
6 2 Mei 1840.
6 Brief van Bohn 10 April 1840.
-ocr page 33-
19
VESTIGING.
Gedurende bijna zeven jaren in onderscheidene vakken «wo.
van den Handel bij de Heeren Euven F. BoHN, J. D.
Sybrandi, M. Westerman kn Zoon en K. Führi werk-
zaam geweest zijnde, vlei ik mij genoegzame bekwaam-
bedeu verkregen te hebben, en te mogen hopen onder
UEds. Correspondenten te worden opgenomen. Door eene
ijverige behartiging der wederzijdsche belangen en eene
geregelde jaarlijksehe afrekening, zal ik trachten mij UEds.
vertrouwen waardig te maken.
Ik verzoek UEd. vriendelijk mij een paar Exemplaren
in Commissie te zenden van alle Boekwerken, welke in
den loop van het vorige en van dit jaar bij UEd. zijn
uitgekomen en voortaan zullen uitkomen, als ook de lijst
van UEds. Eondsartikelen, Inteekeulijsten, Prospectus en
Catalogi van Verkoopiugen, van welk een en ander ik
het debiet zooveel mogelijk zal zoeken te bevorderen. \'
De Heer J. D. Sybrandi te Amsterdam, heeft wel op
zich willen nemen om mijn Hoofdcorrespondent te wezen,
waarom ik UEd. verzoek, mij alles franco\'onder\'lust adres
van ZEd. te willen toezenden.
Mij aanbevelende in UEds. vriendschap, heb ik de eer
met hoogachting te teekenen
UEd. Dw. Dienaar
De vroegere patroons gaven toestemming dat op de binnen-
zijde der circulaire gedrukt werd:
1 Deze alinea werd in het Nieuwsblad voor den Boekhandel op raad
van Bohn vervangen door: „Daar de heer Beets zijne rekening met
TJEd. tot ultimo April liquideren zal, verzoek ik UEd. vriendelijk mij
een paar Exemplaren.... zal weten te bevorderen. De vervolg werken,
vroeger door den Heer Beets ontvangen, gelieven UEd. echter voortaan
provisioneel aan mijn adres af te zenden." (Vgl. t. a. p. 21 Mei 1840).
2*
-ocr page 34-
20                                                 VKSTIGING.
18*>.                                   Mijn Heer!
Het is ons aangenaam aan den Heer A. C. Kruseman
een bewijs te geven, hoezeer wij, gedurende den tijd dat
hij in onze onderscheidene zaken werkzaam was, met zij-
nen ijver en verrigtingen te vreden waren, waarom wij
dan ook niet aarzelen hem in Uwe welwillendheid aan te
bevelen, U verzoekende, hem als Uwen Confrater te be-
schouwen en met Uw vertrouwen te vereeren.
Wij vertrouwen dat hij steeds zal toonen onze aanbe-
veling waardig te zijn, en den Boekhandel, door oppas-
sendheid en stipte voldoening aan zijne beloften, tot
sieraad zal verstrekken.
Wij hebbeu de eer met achting te zijn
Uwe Dienstw. Dienaren,
De Erven F. BOHN.
J. D. SYBEANDI.
M. WESTEBMAN en Zoon.
K. FUHltl.
1 Mei 1840 werd de boekwinkel geopend aan het Spaarne
ten zuiden vau de Korte Veerstraat, Wijk 2 N°. 45.
-ocr page 35-
II.
Begin en uitbreiding van de uitgevcrsrclatics. —
Helvetius van den Bergh, De Nichten. — Huwelijk. — Vriendschap
met S. J. van den Bcrgh en W. J. van Zeggelen. —
Christelijk Album. — Dickcns, Dombey. —
Da Costa. — Aglaja. — Polichinel. — Aanschaffing
van een drukkerij..
1840—1851.
De winkel was geopend: Kruseman was, met eenige plan-
ken met boeken en een toonbank vol papier, Boekhandelaar. \'
Het was te verwachten, dat, als er van den kant van den
pas gevestigden boekverkooper geen pogingen tot verbetering
in het werk gesteld werden, de werkzaamheden zich wel zonden
blijven bepalen tot het gaande honden der verloopen debiet- en
uitgeverszaak 2 van Beets, en dat de aanraking met het publiek in
niet veel meer zou bestaan dan in het verkoopen van papier en
wat „roodspikkelde" boeken en commissiegoed, waarvan de
1 „Men noemt zich boekverkooper en men is het. De advocaat Tyde-
man, om aan de regters een denkbeeld te geven van onzen Boekhandel,
en wat die handel beteekent, zeide: „Och, Mijne Heeren! de Boek-
„bande! van vroegere dagen was geheel iets anders dan tegenwoordig;
„toen was er, om boekhandelaar te zijn, een aanzienlijk kapitaal noo-
„dig; nu is men, met eenige planken met boeken, een toonbank vol
„papier.... Boekhandelaar!"" (K. Fuhri. Adres aan de•■ boekverkoopers
in Nederland.
1846 blz. 82).
1 Er is mij slechts één uitgaafje van Beets onder de oogen geko-
men: Kort begrip der Christelijke religie, met du voornaamste bewijzen
uit de II. Schrift en een aanhangsel, behelzende den inhoud van de
wet des Heeren. Uitgegeven ten dienste der Hervormde gemeente te
Haarlem. Vijf en twintigste druk.
Naar de Copij te Haarlem, bij Jo-
hannes Jacobus Beets, boek- en papierverkooper. z. j. kl. 8°.
-ocr page 36-
22                               AANBEVELING ALS UITGEVER.
I8W. winkelplanken door vriendelijke hulp van Fuhri en van Bohn
voorzien waren. De 21-jarige leerling van Fuhri had andere
wenschen en verwachtingen van de toekomst. Nog deden
allerlei verhalen de ronde van Johannes Allart, hoe door zijn
stoute daden een halve eeuw vroeger aan den boekhandel hier
te lande ongekende banen gewezen waren, en die verhalen, zij
hadden op Kruseman hun invloed doen gelden; zij gaven hem
een prikkel te meer pogingen te doen zich als handelaar naar
voren te schuiven. De jonge boekverkooper en uitgever blaakte
van ijver en van liefde voor zijn vak: zich zelf een eereplaats
te verwerven in de statige rij der Nederlandsche boekverkoo- •
pers en zijn arbeid dienstbaar te maken aan de bevordering
en den bloei van de Nederlandsche letteren en de vaderlandsche
wetenschap was zijn ideaal. Dat was de taak, die hij zich
droomde, die hij met mannenmoed, zijn leven lang, zooveel in hem
zou bevorderen en die hij later zoo treffelijk in zijn boekverkoo-
porsboeken onder woorden zou weten te brengen. Als uitgever
vooral wilde hij zich de plaats veroveren, niet als debitant
alleen. Maar om daartoe te kunnen geraken, was het in
de allereerste plaats broodnoodig aanraking te krijgen met
schrijvers. En hoewel het aan hartelijke wenschen voor de toe-
komst bij de vestiging, ook van zijn vroegereu patroon Wes-
terman, niet ontbroken had, dienden nu toch de handen uit de
mouw gestoken te worden. Kruseman wachtte een paar maanden
op de dingen, die komen zouden. Er kwam natuurlijk niemand
zich bij hem aanmelden. Hoe kon dat anders, daar hij in werke-
lijkheid een onbekende grootheid was. Zelf diende hij wat te
doen, om zich bekend te maken in de schrijverswereld. De
stoute schoenen werden daartoe aangetrokken en bij Da Costa,
Geel, Bogaers, Tollens, Heldring en misschien meer anderen,
beval de jonge uitgever zich zelf aan tot het bekomen van
eenige. kopy. Die eerste i)0ging mocht geen gelukkigen uit-
slag beleven; van allen werd een weigerend antwoord ontvan-
gen: van den een, omdat hij geen tijd had (Tollens) \', van den
1 „Mijn schrijftafel ligt overdekt meteen menigte soortgelijke brieven,
waarvan ik verre het grootste gedeelte onbeantwoord moet laten. Het
-ocr page 37-
AANBEVELING ALS UITGEVER.                           23
ander, omdat hij uitgepraat, was in de Hollandsclie belletrie en 1840.
vooreerst geen aanleiding zag de Hollandsche pen weer op te
vatten (Geel) \', van een derde, omdat de uitnoodiging hem
ietwat aanmatigend voorkwam (Bogaers) 3, van een vierde, omdat
hij geen kopy in portefeuille had (da Costa) :i. Een eerste teleur-
stelling in het bedrijf, en dat juist van den kant van hen,
van wie hij zich zooveel beloofd had en die, zooals de ge-
schiedenis zou leeren, als schrijvers en als vrienden zulk een
breede plaats in zijn leven zouden gaan beslaan.
Kort daarna poogde hij kopy te bekomen van Siegenbeek;
zijn vriend Matthys de Yries, toen nog student te Leiden, nam
hij daartoe in den arm. Siegenbeek beloofde zijn Henige beden-
kingen oeer het lager onderwijs, in eeaeu brief\' aan den lieer
is mij onmogelijk, [aan| dergelijke aanzoeken, hoe vereerend anders,
gehoor te geven. Ik verzoek dus den Heer Kruseman mij te willen ver-
schoonen." (Brief van Tollens 27 Nov. 1840).
1     „Het spijt mij, dat ik UwEd. geen antwoord geven kan, zoo als het
door U als ijunstifj uitgelegd wordt. "Wat mij betreft, reken ik het niet
ongunstig, dat ik in de Holl. bellettrie waarschijnlijk alles uitge-
sproken heb, wat ik te spreken had, en in dit oogenblik niet berekenen
kan, wat mij aanleiding zou kunnen geven, om de Holl. pen nog eens
optevatten, anders dan tot het schrijven van kleine losse mededeelin-
gen of recensien." (Brief van Geel 4 Juli 1840).
2    „Meermalen heb ik soortgelijke aanzoeken, als dat van UWelEd.,
(ook van boekhandelaren, met welke ik lang bekend en bevriend ben)
ontvangen en mij steeds bij hen verontschuldigd. Ware het nu, dat ik
van mijn, tot heden volgehouden, besluit, meende te moeten afwijken,
dan zou ik denken aan de heuschheid te kort te doen, indien ik hunne
oudere aanspraken vergat." (Brief van Bogaers 18 Juli 1840).
3    „Waarom zoude ik het misduiden, dat UEd. er eenigen prijs op stelt,
een versbundel van mij uit te geven? Ware slechts het eerste vereischte
hier aanwezig, ik trad willig in nadere bespreking over het voorstel,
en twijfel niet of alles zoude, bij informatie en kennismaking aan den
goeden dunk beantwoorden, dien de Brief mij van zijnen schrijver geeft.
Doch ik heb in jaren geene verzen van ecnige beteekenis of uitgebreid-
heid gemaakt, en mijn portefeuille beantwoordt dus geheel niet aan uwen
wensch. Met leedwezen moet ik UWEd. dus onvoldaan laten ; maar
uwen naam en onderneming houde ik gaarne in mijn geheugen, om,
waar het te pas mocht komen, naar vermogen dienst te bewijzen." (Brief
van Da Costa 4 Juli 1840).
-ocr page 38-
u
SPECTATOR.
1840. Mr. Groen van Priusterer, voorgesteld bij Kruseman te zullen
uitgeven; in het begin van December 1840 moest De Vries
hem echter schrijven, dat Siegenbeek geen woord gehouden
had, want dat de brochure bij Du Mortier & Zoon te Leiden
reeds verschenen was.
Kruseman begreej) thans, dat een bloote aanbeveling niet
de aangewezen weg was om tot het doel te geraken, dat hij
wilde bereiken. Zoo hij zijn streven met succes bekroond wilde
zien, moest hij een bepaald plan hebben en dat aan den
één oi\' ander ter uitvoering voorstellen. Zijn gedachten
richtten zich naar de spectatoriale geschriften uit de achttiende
eeuw; een werk in den geest van Van Effen\'s De Hollandsche
Spectator
zou kans van slagen kunnen hebben. Een briefwis-
seling daarover o. a. met Geel en Heldring, beloofde het beste;
het bezwaar school echter vooral in het vinden van een redac-
teur en dat was voor Kruseman, uiterst weinig relaties als hij
had in die dagen, het moeielijke punt; in Helvetius van den
Bergh te Wijk bij Duurstede meende hij ten slotte den ge-
wenschten persoon te kunnen vinden en ter bespreking van liet
plan, ging hij hem persoonlijk bezoeken. Van den Bergh meende
dat een dergelijke onderneming moeielijk ten uitvoer gebracht
zou kunnen worden en oordeelde zich zelf ook niet den ge-
schikten man voor dergelijken arbeid. Hij deed hem Potgieter
aan de hand \'.
Maar Bohn, wien in vroegere jaren hetzelfde plan door
1 „Gij zult denkelijk reeds een bezoek gehad hebben van den Hr.
Kruseman, boekhandelaar te Haarlem. Verbeeld u dat die man met een
extra rijtuig naar Wijk is gekomen om mij de redactie van een Spec-
tator
optedragen. Ik was er verlegen mee en zond hem tot u, omdat
ik denk dat niemand meer dan Alberl voor zulk eene onderneming be-
rekend is. Geel zal nu en dan iets bijdragen. Lokt het u niet uit? Een
Spectator ontbreekt ons. Kruseman is een zeer geschikt, oppassend jonge-
ling, die mij bijzonder is aanbevolen." (Brief van Helvetius van den
Bergh aan Potgieter 15 Juni 1841).— Albert is een anonieme bijdrage
van Potgieter in De Gids van 1841. (Groenewegen N° 355). — Vgl.
Jo. de Vries in Vajen Haard. 1894 blz. 298.
-ocr page 39-
ENGKLBKH.TS GERRITS, GEDENKBOEK BEU INHULDIGING. 25
Kruseman wel eens geopperd was, kreeg er de lucht van en ism.
ging onder zijn duiven schieten, uit vrees, dat hij daar-
door in aanraking zou komen met de toen zoo gevierde
auteurs Hildehrand en Jonathan, beide uitsluitend aan zijn
uitgeverszaak verbonden; en hoewel later Bohn zijn voorstel
veranderde in Spectatoriale verhalen en schetsen, in den geest
van de Camera obttcura en de Waarheid eu droomen, wilden
Beets en Hasebroek, die zich om hun relatie tegenover Bohn
reeds vroeger verschoond liadden zich aan het hoofd der nieuwe
onderneming te stellen, daar niets van weten, terwijl de com-
binatie van dezelfde auteurs, tot wie Kruseman zich voor zijn
Spectator reeds gewend had, bij Bohn niet in goede aarde viel.
Beider plannen moesten in duigen vallen.
De familie kwam echter te hulp en bracht hem in kennis
met Gerrit Klaarhout van der Paauw, den zoon van den Leid-
schen Stads-architect, die zich te Alkmaar als uitgever geves-
tigd had; een mooie, aardige jongen, die met de eerste en
drukste jongelui omging en met een paar jaar naar den kelder
was. De inhuldiging van Willem II op den 2S November
1840 te Amsterdam, werd aanleiding tot een uitgave. Met
hem werd op touw gezet en uitgegeven het Gedenkboek der
Inhuldiging van Z. M. Willem, IL door
G. Engelberts Gerrits \';
„een niet ouvoordeelige onderneming, schreef Kruseman in later
jaren, maar welker winst grootendeels aan de maat en den
strijkstok van mijn alles behalve zuinigen deelgenoot bleef
hangen. Van der Paauw had in Haarlem zijn meisje en nam
elke gelegenheid te baat om, zoo het heette voor, en dien ten
gevolge voor rekening van het Gedenkboek, snoepreisjes naar
Haarlem te maken. Aan goeden sier ontbrak liet daarbij niet.
Elke nieuwe inteekenaar werd van te voren al verteerd; de
jolige vrijer was een slechte oeconoom."
liet boven verwachting groote debiet van dit werk2 maakte
1 Verschenen met het adres: A. C. Kruseman, te Haarlem. Vaader
Faauw & Co te Leijden. 1841.
\' De naamlijst van inteekenaren voor in het werk telt 1198 exem-
plaren waaronder 49 aan leesgezelschappen. De particuliere prijs van
het werk was ƒ3.50 voor den eersten druk; voor den tweeden druk
-ocr page 40-
26
BIBLIOGRAPHISCH LEESGEZELSCHAP.
18M. dat in Mei 1S41 inteekenlijsten voor een tweeden druk ver-
zonden werden \'; voor zoover ik weet, verscheen deze echter
niet. Later onttrok Van der Paauw zich aan de onderneming
en werd liet werk liet eigendom van Kruseman alleen -.
Met deze eerste onderneming had Kruseman een werk in het
licht gegeven, dat, niet als zoo vele andere uitgaven van die
dagen, in latere jaren waardeloos zou worden; een Fransche
antiquaar meent het thans nog te mogen rangschikken onder tic
TAores rare* et curieux *, een bewijs, dat van het begin af Kru-
seman aan zijn uitgaven een zeker cachet zou weten te geven.
Het uiterlijk van liet boek trouwens is niet buiten verdienste
voor die dagen: op den geplaatdrukten titel een vignet en daar-
tegenover het portret van Willem II, naar J. A. Kruseman,
beide door J. W. Kaiser gegraveerd en verder twee uitslaande
lithographiën door C. 0. A. Last naar II. Oaeyvanger *,
geven aan het werk geen onbehagelijk voorkomen.
[n datzelfde jaar 1841 werd voor het eerst in briefwisseling
getreden met Frederik Muller 5. Ken vraag aan Joh. Muller
of te Amsterdam ook de Presszeitutig gelezen werd, deed hem
van. diens neef de aanbieding ontvangen toe te treden tot een
bibliographisch leesgezelschap, waarin van Nederlandsche tijd-
was die, na het sluiten dei- inteekenlijsten, bepaald op /\'4.50. (Nieuws-
blad voor den Boekhandel
13 Mei 1841).
1    Nieuwsblad voor den Boekhandel 13 Mei 1841.
2    t. a. p. 1 December 1842.
\' 430« calalogue mensuel de livres d\'1 occasion rares el curieux... en
vente aux prix marqués a la librairie Alexandre llaillieu,
St.-Maur-les
Fossés (Seine). Mars 189G n°. 27G: Gerrits Gedenkboeck [etc.|... 8fr.
4 Intrede van Z. M. in de Willemspoort te Amsterdam, op den
27 November 1840. R. Craeijvanger, del. Steendr"\' van H. J.
Baeker. C. C. A. Last I.ith. (Muller N". 7021). Inhuldiging van Z. M. als
Koning der Nederlanden enz. enz. enz. in de Nieuwe kerk te Amsterdam,
den 28 November 1840. R. Craeij vanger, del. Steendr"\' van H. J.
Baeker. C. C. A. Last Lith. (Muller N°. 7028).
\' Hij zou in 1843 uitgeven De Referent, wetenschappelijk tijdschrift
„om de wetenschappelijke werken, hier te lande in den laatsten tijd
verschenen, aan te kondigen". Vgl. Nieuwsblad voor den Boekhandel 15
Augustus 1844, waar dit tijdschrift loffelijk besproken wordt; het hield
met 1845 op (t. a. p. 16 Jan. 1845).
-ocr page 41-
27
FEED. MULLER EN .1. H. GEBHARD.
schriften De Recensent en De Gids, een geschenk vaii Van i84t.
Kampen, circuleerden. „De leden zijn de IIH. S. J. Prins,
J. F. Schleijer, E. Croese (een in vele opzigten kundig, doch
niet genoeg gewaardeerd man), P. N. v. Kampen, E. ter Meer
(een Duitscher die hij mijnen oom op het kantoor-is), de Heer
C. M. Henny (vroeger bij den Heer Schonekat alhier, nu door
den dood zijns vaders in diens kruideniers affaire te Zutphen),
één der medeoprigters en ik" \'. Dit kringetje kwam eenmaal in
de maand bij elkaar tot onderlinge oefening en het voorlezen
van opstellen betreffende den boekhandel. Met beide handen
werd dit aanbod door Kruseman aangegrepen; in de brjeen-
komst van den 9 September 1841 werd hij, tegelijk met J.
II. Gebhard te Leiden en H. M. van Dorp te Utrecht als lid
aangenomen.2
In dat leesgezelschap zal Kruseman den grondslag, bij zijn
patroons gelegd, hechter gevestigd hebben; door dat verkeer
met Gebhard en Muller, beiden in later jaren in zoovele ge-
vallen zijn raadsman en hij omgekeerd hun beider raadsman, en
die lezing van binnen- en buitenlandsche vaktijdschriften ont-
wikkelde Kruseman zich theoretisch om in de practijk van die
theorie zulke schitterende resultaten te toonen. Het is mij niet
gebleken of Kruseman een trouw bezoeker der maandvergade-
ringen geweest is, evenmin hoelang deze vereeniging is blijven
bestaan. Maar wel is het mij duidelijk geworden, dat dit biblio-
graphisch leesgezelschap de aanleiding werd tot de vriendschaps-
banden met beide boekverkoopers. In Augustus lSél betitel-
den Muller en Kruseman elkaar nog als „Mijnheer en vriend",
een paar maanden later schreven zij aan elkaar als „Amice",
niet in den nietszeggenden, soms hatelijken zin, die De Gene-
stet in zijne causerie over dat woord geestig en ondeugend
daarin opmerkte 3, maar in waarheid als twee amici, die
1 Brief van Muller 20 Augustus 1841. ■
8 De boeken circuleerden onder de leden. Kruseman moest ze per
Sybrandi aan Sulpke zenden met een geschreven adres aan Gebhard te
Leiden. — Vgl. A. C. Kruseman. Frederik Muller. Haarl. 1881 blz. 21.
3 Brieven aan het publiek over de letterkundige „dingen van den
dag"
I, in Zondagsblad 22 April 1860, Maandelijksche uitgave Haarl.
1860 [Dl. I] blz. 26.
-ocr page 42-
28               VOORDRACHTEN TER DECLAMATIE. A. PETERS.
18V2. elkaar tot in lengte van dagen hou en trouw zouden blijven.
Hier leerde Kruseman vooral, wat omgang met vakgenooten
beteekcnde en welk een intellectueel gewin daaruit volgde; als een
terugslag, naar ik ineen, van liet daar geleerde vat ik dan ook
vooral zijn waardeering op van de Yereeniging van boekverkoopers
bedienden Tul uut en genoegen, in 1860 door K. II. Scbadd,
Jan ]). Brouwer en J. F. van Beuningen van Helsdingen
opgericht te Amsterdam \'.
Een aanbod van F. II. Greb te \'s Gravenhage, bet eerste
aanbod dat hem als uilgever gedaan werd, om een bundel uit
de dichterlijke nalatenschap van A. van der Hoop Jr. uit te geven,
kwam door misverstand in handen van Kijgh te Rotterdam 3.
Bij die aanbieding was alleen als voorwaarde gesteld, dat het
werk bij Giunta d\' Albani gedrukt moest worden.
Lettende echter op de teekcucn des tijds, waarin de Rede-
rijkerskamers zich in een vernieuwden bloei konden verheugen,
achtte Kruseman het raadzaam in zijn dehietzaak, een keus van
voordrachten voorhanden te hebben; want ook te Haarlem kwamen
die gezelschappen, en wel onder uitbundigen toeloop, weer aan
de orde. Hij wendde zich om inlichting tot den tooneelspeler
Peters, met wien hij vroeger te Amsterdam het voordragen
zoo wat beoefend had. Schoon het niet blijkt welk gevolg deze
correspondentie gehad heeft, is het antwoord, dat Peters hem
zond, kenmerkend voor diens persoon en voor den smaak van
het publiek.
Amsterdam, 13 January 1842.
WelEdele lieer A. C. Kruseman.
Mijnheer en Vriend! Het is nu eerst, dat ik in de ge-
legenheid gesteld ben, om uwe vriendelijke missive van
\' Bouwstoffen Dl. II blz. 79. — De daar gegeven voorstelling wijkt
af van hetgeen Kirberger schreef in het Nieuwsblad van den lloekhan-
del
een paar weken na de oprichting (10 Jan. 1861). .
= Brief van Greb 20 December 1841. — De dichtbundel verscheen in
1842 als Lenle en herfst. Nagelaten en verspreide yedichlen.
-ocr page 43-
VOORDRACHTEN TER DECLAMATIE. A. PETERS. 29
den vorigeu maand te beantwoorden. — Gij hebt U ech- 1**2.
ter aan een geheel verkeerd adres vervoegd om iets van
mij voor de declamatie te verlangen; ik, zwoegende onder
liet gewicht van een menigte bemoeijingen, gebukt gaande
onder een last van zware en elkander als het ware ver-
dringende tooneelwerkzaamheden, leef en sterf ik als het
ware aan het tooneel, en zelfs heden avond, zullen wij
voor het eerst De Nichten opvoeren; zoodat ik om u de
waarheid te zeggen, even zoo gesteld ben, alsof ik een
straf moet ondergaan, voor het een of ander crimineel
feit; gij ziet zelve hoe geheel prosaisch ik geworden ben,
en waarachtig geloof mij mijn goede vriend Kruseman,
een tooneelspeler is een recht prosaisch wezen. Zoodra
hij directeur wordt, en de kunst voor klinkende specie
moet laten zwichten ■—• enkele oogenblikken komen die
poeëtische denkbeelden nog wel eens boven; maar het ge-
zicht van één slecht bezochte schouwburg doet hem de
poëzy vergeten; en ziedaar: hij denkt en zegt: hadden
wij maar Aballino nog maar eens doorgespeeld; of: moesten
Julius van Sassen monteeren of de Kruisvaarders.
Doch ik wil u toch een bewijs geven, dat ik nog niet
al mijne poeëtische gedachten — neen ■— dat is het woord
niet, maar ik wil u bewijzen dat ik u zooveel mogelijk
raden wil. Wees zoo goed om eens de navolgende verzen
na te lezen, namentlijk: De stem, en de traan van Da Costa
— De dood van Claassens van Helmei\'s uit De Hollaud-
sclie Natie.
Een fragment van Van \'s Gravenweert\'s
Tasso beginnende met: »\'k Herinner mij een tijd, die tijd
is lang verstreken"
en eindigende met: nen vurig zong ik
dan van mijn Jeruzalem"
— Elegie aan een spelend kind
van B. ter Haar, te vinden in de Muzenalmanak van
1841 — Ada van Holland van Mr. W. Eilderdijk —
Meisjeseed van dezelfde in zijn Poëzy, 2 deelen — Kegulus
van de Baronesse de Lanoy [sic] — J)e Sterrenhemel van
Van Alphen ■— Het Vogelnestje van Spandaw — Het
Weesmeisje
— Winferlied, Liedje aan een gevallen meisje,
Heloize aan Abelard
van Tollens — J)ecemler, De
-ocr page 44-
80
HELVETIUS VAN DEN BE11GH, DE NICHTEN.
1842.                watervrees, Be tijd van C. G. Withuys, ook nog van
deze laatste: Slaapzang bij de wieg van een stervend kind
te vinden in zijn Poëzy eerste deel —■ van J. van Leu-
nep, ik meen: Donna Klara een romance in de Mn-
zenalmanak
van 1841. Met N. Beetz \\_sic~] ben ik
te weinig bekend, doch zijn Blaauw satijnen klissen
ken ik en is zeer goed voor de declamatie — De
Zangeres, Be Priester
van Potgieter en van eenige oude
dichters: Cats zijn: Vuur, geld, hoest, heete min, hoe
uaauio men die bewaakt, men houdt ze zelden
[»«] in zijn
Oude en nieuwe tijd te vinden — Yondel\'s Heilig, hei-
lig, driemaal heilig,
enz. Eei van Engelen in Lucifer — de
droom van Jozef te Bothan van dezelfde — Buinzang
van Mr. D. J. van Lennep — De Jochebed van Bogaers
is geheel geschikt om zang voor zang te declameeren —
De goede Piet van Weisman de Villig [#ïc] te vinden in
een werkje bij Immerzeel is zeer geschikt — ook van
Bilderdijk: Minerva. Ziedaar eenige dichtstukken, waarvan
ik de meeste gedeclameerd heb, en altijd veel pleizier
van gehad heb — ik maak mij sterk, dat hetzelfde van de-
zen gij ook kiest, gij genoegen daarvan zult hebben — Ik
zou u meerdere hebben kunnen opgeven, indien ik meer-
der tijd had.
En nu beste vriend UEd. verder alle heil wenschende
heb ik de eer mij met vriendschap te noemen
Mijnheer en Vriend
UEd. Bw. Bienaar en Vriend,
A. Peters.
In bovenstaanden brief wordt gewag gemaakt van de opvoe-
ring van Be Nichten. Deze lijdensgeschiedenis voor den auteur
en voor den uitgever dient tbaus nader besproken te worden.
De bemoeiingen over den voorgenomen Spectator hadden
Kruseman zooals bleek, in relatie gebracht met Helvetius van
den Bergh te Wijk bij Duurstede, den eeuige, die wel lust had
-ocr page 45-
• HELVETIUS VAN DEN BEROH, DE NICHTEN.                 31
in die uitgaaf, maar er \'bezwaar in zag, wanneer er niet op isw.
vaste hulp vau medewerkers te rekenen viel. Het nieuwe too-
neelspel J)e Nichten, door hem in het einde van 1840 begon-
nen, had, behoudens enkele wijzigingen in den tekst, hem door
Potgieter en Bakhuizen van den Brink aangeraden, reeds de
vuurproef doorstaan bij Commissarissen van den Stads Schouw-
burg te Amsterdam; een voorloopige rolverdeeling \' was hein
reeds in December van dat jaar door Van Lennep toegezon-
den. Van den Bergh wenschte zijn nieuw tooneelspel bij Frij-
link uit te geven, maar kon het met hem over het honorarium
niet eens worden. Hij wendde zich toen tot Van Stockum
te \'s Gravenhage. Schoon niet ongenegen het stuk uit
te geven, maakte deze echter bezwaren. Van den Bergh
bood het daarop in September 1841 ter uitgave aan aan
Kruseman. Aanlokkend was dit aanbod zeker. Vier jaar ge-
leden was zijn berijmd schouwspel De Neveu, waaraan de toen
aankomende Anton Peters, in de rol van August van Loon,
zijn eersten opgang als acteur dankte 2 en waarin Van Lennep
ook wel eens een rol vervuld had 3, met groot succes opge-
voerd 4; Hieronymm Jamaar, een kleiner berijmd blijspel in
één bedrijf, was eveneens met bijval ontvangen. Om met een
werk van een beroemd schrijver de uitgeversloopbaan te beginnen 5
was verleidelijk, in weerwil van de/\'3 00, die als honorarium
gevraagd werden; de 1(300 exemplaren in twee drukkeu van
De Neoen opgelegd, deden van dit werk het beste verwachten,
1 Van Heul-Engelman; Osbroek-Peters; Pimping-Stoete; Wilman-van
Ollefen; Grijpmaar-Rozenveldt; Kasper-Bredée; Loffers-van der Linden ;
Bomba-Roobol; Martha-Juffr. Adams; Amarante en Caroline-Mevr. Roo-
bol en Naret Koning. (Brief van Helvetius van den Bergh aan Potgie-
ter 28 Dec. 1840.)
■ De Tijd Dl. VI, \'sGravenh. 1847 blz. 344.
3    Kneppelhout in De Gids. 1878 Dl. IV. blz. 352.
4    Job. Hilman. Ons Tooneel. Amst. 1879 blz. 215.
\'" Het Gedenkboek van Engelberts Gerrits moet niet als eerste uit-
gaaf beschouwd worden, daar bet in vereoniging met een ander ge-
schiedde; bovendien nog komt het niet voor in de geschreven Fondsboe-
ken
van Kruseman, die daarentegen openen met De Nichten.
-ocr page 46-
32                   HBLVETIÜS VAN DEN BERGH, DE NICHTEN. •
W2. te meer nog daar de schrijver zelf goeden dunk van zijn penne-
vruclvt had en met zijn Nichten, De Neven, „zoo arm aan
vis comica", naar zijn oordeel, wilde doen vergeten. „Mijnheer de
enthousiast", zooals S. J. van den Bergh in een zijner brieven \'
Kruseman toen reeds kon noemen, aarzelde geen oogenblik het
aanbod aan te nemen en van de kopy 1500 exemplaren te
laten trekken. Met spoed werd er ter drukkerij van Westerman
te Amsterdam aan gewerkt, zoodat half November 1841 de
schrijver de goede ontvangst van een afgedrukt exemplaar (18\\
vel in klein 8°) kon berichten. Nog vóór de eerste opvoe-
ring echter verscheen er een pamflet tegen, onderteekend Lam-
mert Plat, dat, aan het pseudoniem van den schrijver getrouw,
een allerplatste beschimping mocht heeten van het nieuwe blij-
spel 2. Blijkbaar was het, meende Van den Bergh, dat zijn on-
bekende tegenstander hem verwarde met een naamgenoot, ambte-
naar aan één der ministeries te \'s Gravenhage. Als specimen
van den onbeschoften toon in dit jiamflet aangeslagen laat ik
hier een paar alinea\'s volgen:
Boven allen is echter de Ambtenaar Pimpino getroffen!
Nou, \'t is geen wonder! Je bent ummers zelven ook an
\'t laadje geweest? Doe je niet? \'t Is dan maar uit; geen
portret zoo gelijkend, als dat je je zelven in de spiegel
kijkt. Maar waar om stuur je hem naar de Belgen? Dat\'s
dom! Je mos hem na Duitland zenden. Dat was aardiger!
\'t Was dan zoon dubbelzinnige Equivoque, die je op
tweederlei wijs kon uitleggen. Bovendien, de vent verlaat
nou \'t land als schelm, zonder hoop op beterscharj achter
te laten. Was hij naar Diddand, dan kon men nog den-
ken, „De man komt tot inkeer! Hij zal naar den Aars-
bisschop van Keulen wezen, om volle absolutie te halen,
1    20 December 1841.
2    W. J. van Zeggelen. Levensbericht van Pieter Tltcotloor Helveliu»
van den Bergh (Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche
letterkunde.
1874 blz. 135).
-ocr page 47-
88
HELVETIITS VAN DEN BEUC1H, DE NICHTEN.
op afkorting van \'t door Nederlanders geschonken juwee- 1842.
len kruis." Nou, dat\'s maar bijzaak. Je Nichten blijft
evel een meesterstuk. Als je y.óóó voortgaat, dan wor je
nog een tweede Claas Albebs !
\'t Spijt me danig, dat je Poehaan bent an de Gids.
Je mot er nou je dingetjes zelve recenseeren; net als de
Liedekenskraaijer van BoNTEKOE \'; \'k zou je anders vra-
gen, om er miju lofblazerij in te lappen.
Verbitterd over dien persoonlijken aanval zond de schrijver een
paar regels tot antwoord aan het Handelsblad2. „ De Nichten
worden niet begrepen, schreef hij aan zijn uitgever. Men maakt
er aanmerkingen op, waarin geen tem commun ligt. Mijn groote
fout is, dat ik had moeten begrijpen, dat wij de eeuw der
Tartun\'es niet genoeg achter den rug hebben, om wat verach-
telijk en bespottelijk is zoo cordaat in het aangezigt te zien."
Tot Amsterdam alleen bleef de beweging niet beperkt, ook
in den Haag werd de zaak druk besproken, „waar men niet
anders wist dan dat De Nichten afschuwelijk waren. De directie
van \'t Haagsch tooneel walgt er van." 3 In den Amsterdamschen
schouwburg mislukte de eerste opvoering dan ook jammerlijk den
13 Januari 1842, toen het stuk ten tooneele gebracht werd ten
voordeele van de Weduwe Majofski en N. Vroombrouck c. s., de
overgebleven trekkende leden van het toen reeds niet meer bestaande
fonds tot pensionneering van tooneelkunstenaars *. In weerwil van de
goede zorgen daaraan door Peters en mevrouw Naret Koning be-
steed, werd deze eomedie de caractere — de kwalificatie is van
den auteur — in tegenwoordigheid van den jongen uitgever, die
zich van zijn eersteling gouden bergen voorgespiegeld had, uit-
genoten, de duidelijkste blijken van afkeuring van het publiek.
Maar daarbij was de zaak niet ten einde. Hoewel „iemand,
die zich de onbekende X noemt" in het Handelsblad van den 21
Januari 1842 den handschoen voor Van den Bergh opnam, lokte
1    Potgieter.
2    10 December 1841.
3    Brief van Van den Bergh 20 December 1841.
* Advertentie in het Handelsblad 12 Januari 1842.
3
-ocr page 48-
34                 HEI.VETIÜS VAN DEN BEItGH, DE NICHTEN.
1812. dit een: Waarom, zijn De Nichten uitgefloten ? (hor Tohias Jns-
tus Plompus
(Gerhard Thomas Mohrman?) uit, waarin Van den
Bergh wederom aangevallen werd. Van den Bergh begreep
zich te moeten verdedigen en poogde in een Gesprek over
De Nichten, \'medegedeeld door den schrijver van De Nich-
fen,
waarvan hij voor niet de kopy aan zijn uitgever aan-
bood, het goed recht van zijn blijspel te verdedigen. Teleur-
gesteld door een afloop, dien hij niet verwacht had, wendde hij,
in wien de critiek vroeger den Nederlandschen Molière begroet
had, zich van het tooneel af. „Aan den grooten weg wil ik
timmeren, niet aan een vuil moeras, waar een laag gespuis
zich gereed houdt mijn gebouw en mijn persoon met slijk te
werpen. Ook de monopolisten zijn mij te geducht. Ik laat hun
de ruimte. Het publiek vare er wel bij. Het heeft mij niet
begrepen. Misschien ligt de schuld daarvan aan mij. De tijd
leere het."
En welke waren nu de grieven, die de publieke opinie
had tegen dit tooneelspel, dat naar het oordeel van Huet \',
geheel in tegenstelling met De Neven, zich beter lezen dan
hooren laat? Aan te hooge ingenomenheid met eigen arbeid
was het zeker niet te wijten, daar Van den Bergh zijn blijspel
pseudoniem „door den schrijver van De Neven" uitgaf. Wei-
licht was het juist dat rechtmatig trotsch zijn op liet welslagen
van zijn eerste tooneelspel, dat de tegenpartij in deoogenstak;
daarbij de dagelijksche spreektaal met jij en jon vond
afkeuring2, maar vooral zagen zekere standen zich gekwetst
1    De Gids 1864 Dl. III blz. 588. Herdrukt LitteraiHsche fanla-
sirn. Arnh. 18(i8 1)1. II blz. 39; algemeene reeks. Haarl. H. D.
Tjeenk Willink z. j. Dl. II blz. 39 en 40.
2    Blijkbaar bad de schrijver dat wel eenigszins verwacht, want in
het Voorbcrigl schreef bij: „Hoe voortreffelijk de opvoering van <le
Neven
ook geweest zij, beeft ze mij echter in mijne meening bevestigd,
dat, voor het Hollandsche blijspel, proza boven verzen de voorkeur ver-
dient, omdat het minder verleidt tot een meestal geheel ongepast decla-
meren, en de taal van het dagelijksch leven natuurlijker voorstelt. Dit
bewoog mij dan ook om tic. Nichten in proza te kleeden. Bovendien heb
ik mij, de heeren Puristen mogen het mij vergeven of niet vergeven,
-ocr page 49-
HELVETIUS VAN DEN BERGH, DE NICHTEN.                 35
door de geteekende personen. Den auteur werd ontrouw ver- -istö.
weten aan zijn eigen beginsel, dat liet tooneel een spiegel dei-
waarheid moet zijn, en in de personen van Pimping en Os-
broek, die hij gechargeerd bedoeld had, daar, zoo hij meende,
in een blijspel slechts caricatureu op hun plaats zijn, wilde
men een afbeelding naar het leven zien.
Het was zijn laatste werk voor het tooneel.
Een paar jaar later werd hij afgebeeld op de schets van een
onuitgegeven prent: De levende en stervende dichters van Ne-
derland in JH\'i\'i,
met Da Costa, Tollens, Withuys, Beets, Greb,
Hasebroek, Hofdijk, Van Lennep, Jan de Bijmer (Goeverneur),
llobidé van der Aa, Ten Kate, S..1. van den Bergh, Van Someren,
Boudewijn (J. L. van der Vliet), Van Zeggelen, Dr. Wap, Klikspaan
(Kneppelhout), Heije, Potgieter, Van \'sGravenweert en Bakhuizen
van den Brink, als „een man met rouwfloers om den hoed en een
zakdoek in de hand, huilende met een spade in den arm, bij
een geopend graf, waarin een lijkkist met het opschrift: „De
„Nichten"." \'
Hoewel men veelal ziet gebeuren, dat een werk, dat druk
besproken wordt, hetzij dan in goed- of in af keurenden zin,
een flink debiet heeft, had de critiek zich hier zoo heftig doen
liooren, dat bijkans niemand het blijsjiel kocht. Gaandeweg
zag de uitgever de uitgezonden commissie-exemplaren weer op
zijn fondszolder terugkeeren. Van de oplaag van 1500 exem-
plaren van De Nichten en G00 exemplaren van Het Gesprek
over Be Nichten
gingen de restanten (1000 en 360 ex.) den 12
December 1849 op de auctie J. C. van Kesteren over aan J. C.
in taal en spelling, menige vrijheid veroorloofd, die ik tegen Hun Ed.
Achtbaren en Zeergeleerden moeijelijk zou kunnen verdedigen, maar
waarvoor de tooneelspeler mij welligt dank zal weten." Ook zij, die nog
voor het handschrift ter perse gelegd was, het blijspel gelezen hadden,
waren niet geheel ingenomen met den vorm. Boven noemde ik Potgie-
ter en Bakhuizen van den Brink; uit de correspondentie tusschen Van
den Bergh en Potgieter kan ik daar nog aan toevoegen Van Lennep en
Elise Schiötling. Vgl. ïen Brink, Geschiedenis der Noord-Nederland-
sche letteren in de
XlXe eeuw. Amst. 1889. Dl. III blz. 384.
1 De Tijd. Dl. IV \'sGravenh. 1846 blz. 275 vlg.
3*
-ocr page 50-
36                  HELVETIÜS VAN DEN BERGH, ÜE NICHTEN.
1842. Loman .Tr \'. En hoe "Van den Bergh thans aangesclireven staat in
den boekhandel, kan het best beoordeeld worden uit de fonds-
veiling van de firma S. E. van Nooten en Zoon, welke den
7 April 1897 te Amsterdam gehouden werd. De Neren (250
ex.), De Nichten (258 ex.) en liet Gesprek over Be Nichten
(•\'328 ex.) kwamen daarin veiling; de drie artikelen, waarop nog
slechts een paar jaar kopyrecht rust — Van den Bergh overleed
in 1873 — vonden een kooper in A. Versluys voor _/\'85.50,
een vrij aanzienlijk bedrag voor letterkundige werken, welke
voor heden, naar men zou zeggen, geen }>raktische waarde meer
kunnen hebben. De cijfers leeren echter het tegendeel en be-
wijzen, dat de letterkundige waarde van Van den Bergh\'s
tooneelarbeid, nu hij geen animositeit meer opwekt en De Guls
sedert lang geen blauwe beul meer is, een langzame neiging
tot stijgen schijnt te vertooncn. Dat bedrag trouwens, dat de
drie artikelen thans waard blijken te zijn, is vooral te danken
aan De Neven, want zooals de Heer Van Nooten op die vei-
ling mededeelde wordt dat tooneelspel in België nog geregeld
door rederijkers gebruikt.
Had deze eerste uitgaaf aan Kruseman alles behalve voor-
deel opgeleverd — de schrijver, die eerst geen cent van het
honorarium had willen aannemen, nam op aandringen van zijn
uitgever toch ƒ200 aan — een reden hetzelfde te duchten
van den bundel poëzij van Ten Kate, waarvan do drukproeven
toen liepen, mocht hierin niet gezocht worden. Het was de
tijd van Jaarboekjes en Almanakken:
De Moddergod was bang dat in ons Vaderland
Zijn rijk gevaar liep, en al \'t water weg zou zakken.
„Wat droogte!" riep hij uit: „Poëeten, op ter hand!"...
Hij wenkte en — \'t regende Almanakken.!
1 De prijzen waren 440 Neven a 30 ets., 1000 Nichten a 4J ets.,
benevens 360 Gesprek over De Nichten er gratis bij.
1 Braija. Nieuwe uitgave van A. Winkler Prins. Dev. 1883. blz. 74.
— Vgl. hiermede Ten Kate\'s meening in 1843 in zijne Stem uit de
woestijnen,
aangehaald door Huet. (LiIIa-arische Fantasten en Kritieken.
Haarl. z. j. Dl. VII blz. 4.)
-ocr page 51-
TEN KATE, MARIA MAGDAIJ5NA.                            37
Ook Krusemau werd door die richting medegesleept. Een 1842.
voorstel aan Ten Kate gedaan, om „jaarlijks een boudeltje
poëzij te leveren om uitgegeven te worden tot een bevallig
lettergescheuk aan de vaderlandsclie Schoonen", was bij
hem, toen nog student te Utrecht, (adres op den Steeuweg bij
Esseuberg, den kamerbehauger, waar hij in het volgend jaar
De Hoop Schetter als contubernaal zou krijgen \'), in goede aarde
gevallen. Het was een nieuwe vondst van Krusemau, om tel-
ken jare een dichtbundeltje te doen verschijnen tegen Sint Nico-
laas, en dit had kans, om buiten alle almanakkenconcurrentie
een geheel nieuwe rubriek in de letterkundige wereld te gaan
innemen. En zoo verscheen dan ook tegen den 5 December
van 1841: Maria Magdalena ; eu andere gedichten door
J. J. L. ten Kate. Maar ook hier bedroog de uitkomst wederom
de verwachtingen; de winst althans was niet van dien aard,
dat in een volgend jaar de voortzetting van deze onderne-
ming raadzaam geacht mocht worden. Hoewel in 1842 tegen
Sint Nicolaas wederom met dit boekje gewerkt werd, bleet\' het
bij dezen eersten en eenigen jaargang. „Dichter en uitgever wa-
ren wat al te naïef van stapel geloopen, schreef Krusemau
in veel latere jaren. De aanstaande predikant, die hier en
daar zijn jongste dichtstuk onder grooten bijval had voorge-
dragen — Ten Kate was ook van uiterlijk een knap jong man
en welsprekend declamator — had, evenals zijn uitgever voor-
bijgezien, dat een vers op de Boetvaardige Zondaresse, hoe
schoon van vorm ook, eigenlijk geen boekske was, dat een
jeugdige galant als een verrassing kon neerleggen op de kap-
tafel van een jonge dame. Ook een groot gedrukt Grieksch
motto2 deed daar geen goed aan, eu zelfs de aanhang van een
18-tal losse verzen onder den titel Gedachten en Zuchten, die
volgens den schrijver „alle één richting hadden en spreken
„moesten tot een gevoelvol vrouwenhart", was niet bij machte den
eersten indruk van schroomvalligheid voor cadeau weg te nemen."
1 t. a. p. b!z. XXXVI.
- Lukas VII. 47, gezet uït brevier Grieksch n". 3 over de volle
breedte van de pagina, (verso van den bijtitel.)
-ocr page 52-
;5s
KLEINE UITGAVEN.
1841.            Het was een alles behalve aanmoedigend begin van den uit-
gevers-loopbaan: één uitgave met schade de wereld ingebracht
en een ander, waarvan liet debiet niet van dien aard was, dat
het voor de toekomst beloofde. En evenmin hadden de tus-
schentijds uitgegeven kleine boekjes, alle drie van stadgenoo-
ten: Hartelijk woord aan alle mijne mede-israëliten \' / Opwek-
king tot eene verstandige handhaving van de voorregten der
Evangelische kerk door
J. G. Liernur, en De stemmen der
oudste, geloofwaardigste rabbijnen, over de Pijutim
\', veel
hoop gegeven, dat het den jongen handelsman gelukken zou
zich als uitgever een welgevestigden naam te verwerven. Het
was om met de handen in den schoot te gaan zitten. Bij de
schrijvers, die hij aan zijn fonds wilde verbinden, had hij te
vergeefs aangeklopt; geschriften, die hem ten uitgave beloofd
waren, verschenen bij een ander; concurrentie van zijn vroe-
geren patroon deed eigen plannen mislukken en de zeven uit-
gaven, die hij zelf nu in een paar jaar tijd gedaan had, waren
geen van alle met goed gevolg bekroond geworden.
Toch zou het blijken, dat dit jammerlijk begin slechts aan
een ongelukkigen samenloop van omstandigheden te wijten was,
want een derde grootere onderneming gaf gelukkig een betere
uitkomst. Op een ongebonden verkooping door «I. 0. van Keste-
ren den 24 Maart 1841 gehouden, werd Kruseman, uit het fonds
van Joh. van der Hey en Zoon, eigenaar van de kopy en de
overgeschoten exemplaren van Eriedrich Strauss\' Kerkkloks-
toonen, herinneringen -uit het leven van een jongen geestelijke,
in de Nederlandsche vertaling van 1818, door Vrouwe Kleyn,
geboren Ockerse. Het werk behoorde in Kruseman\'s jongelings-
jaren reeds tot zijn lievelingslectuur. Ken herdruk zou, bij de
gemoedelijke richting van het publiek, succes kunnen hebben;
echter was het wenschelijk de vertaling, die wel ecnigszins ver-
ouderd was, een herziening te doen ondergaan. Wie zoude beter
geschikt bevonden Avorden om deze omwerking ter hand te
nemen dan de gevierde schrijver van Waarheid en droomen,
1 Beide door A. van Lee geschreven.
-ocr page 53-
STRAUSS, KEUK.KLOKSTOONEN.                               39
de kleinzoon van de vertaalster. Kruseman wendde zich dus isv2.
tot Hasebroek en deed „een reisje naar de pastorie van Heilo,
het liefste, dichterlijkste plekje wellicht in die dagen in gansch
Nederland te vinden, [benijdenswaardig] om zijn heerlijke na-
tuur, om zijn vredige rust in het verborgene, om zijn gewijde
overlevering der eerste Christus-prediking, om zijn welsprekend
nederig kerkje, om zijn stille pastorie met haar beminnelijke
bewoners, om dat toonbeeld van broeder en zuster, Jonathan
eu Elise, twee door de muzen omkransde hoofden, twee door
Gods heiligen geest bezielde harten, twee door de nobelste aan-
drift gedreven kunstenaars, het middenpunt tevens van het
frissche, jonge Holland, dat gevoel, warmte, idealen kweekte
en er naar hunkerde zijn verschillende pennen dienstbaar te
maken aan de vertolking in woorden van wat er goed en
schoons en heiligs ontkiemde in hun priesterlijk gemoed." Jo-
uathan werd bereid gevonden het werk ter hand te nemen, in
de veronderstelling dat liet Kruseman vooral te doen was om
zijn naam aan de uitgave verbonden te zien en toog aan het
werk. Gemakkelijk ging hem die bearbeiding niet van de hand.
„Ik moet erkennen, schreef hij in Juni 1842, ik zelf had bij
\'t eerste overzigt Strauss niet geheel gevat, en daarom door de
beslagen bril der vertaalster gezien, nu echter meen ik den
zin beter gevat te hebben. Om de waarheid te zeggen, is
Strauss, ondanks al zijn talent, grooter denker dan schrijver en
heeft meer diepte dan stijl; hij worstelt onophoudelijk met den
vorm en is daardoor niet zoo gelukkig van zich overal helder
uit te drukken. Het is zeer gemakkelijk van Strauss iets, maar
zeer zwaar hem geheel te begrijpen. Die zwarigheid zou klei-
ner zijn, als ik zelf voor \'teerst de vertaling ontworpen had;
maar nu helpt gedurig de vorige vert[aling] mij op den ver-
keerden weg, en zoo wordt het dubbel lastig tiksch uit de
oogen te zien." — Strauss\' Kerkklokstooneu, opnieuw uitgegeten, en
aanbevolen door Jonathan
\', „dat voortreffelijk boek voor Kerst-
1 Hier even opgemerkt den lapsus calami van Hasebroek in zijn
Woord aan den lezer, waar hij spreekt van „Vrouwe Antoinette Ockerse,
geboren Kleyn".
-ocr page 54-
40
SÏRAUSS, KKRKKLOKSTOONEN.
1842. en Nieuwjaarsgeschenk bij uitstek geschikt" \', vond een gun-
stig onthaal bij het publiek; de meening van Hasebroek werd
niet bewaarheid, „dat de Schetsen uit de Pastori/ van Mastland
hem kwaad zouden doen: want mij dacht dat de bewonderaars
van den laatsten (zeker hoogst talentvollen en aclitenswaardi-
gen schrijver) zich moeijelijk met den eersten in zijn gemoe-
delijker opvatting van het herderlijk leven zouden vereenigen." 2
Zijn geloof, dat het boek ook nog in dien tijd een be-
hoefte zou kunnen vervullen *, werd niet gelogenstraft
en Kruseman zelf zag zich niet bedrogen in zijn verwachting,
dat deze onderneming een groot debiet zou hebben. Hij
toch begreep, dat iu commissie zending alleen van de Kerk-
Hokgfooneti
niet voldoende zou zijn en had daarom voor de
verschijning reeds bestellingslijsten uitgezonden 4. Een en ander
bleek juist gezien te zijn; binnen een paar jaar was de oplaag
van 705 exemplaren uitverkocht en kon er in 1845 een nieuwe
van 490 opgelegd worden, waarvan in Augustus 1852 nog 157
exemplaren over waren.
Krusemau\'s uitgaaf had aan de werken van dien auteur
hier te lande een nieuw leven gegeven 5, dat op den huidi-
gen dag nog nawerkt; in de fondsveiling toch, die den 4
April 1895 te Amsterdam gehouden werd, kon 1 exemplaar
van den 5en druk (1858) van dit werk, met 1 exemplaar van
1    Advertentie van Kruseman in Nieuwsblad voor den lioehhandel
6 November 1845.
2    Brief van Hasebroek 2 April 1845.
» KerhkloUstoonen Dl. I blz. XIII.
4    „Behalve om de reden op de lijst zelve voor deze verzending aan-
gewezen, deed ik dit om HH. Confraters eene ruimere gelegenheid open
te stellen tot het verkrijgen van koopers, dan wellicht het geval zoude
zijn door het zenden van een of twee Commissie-Exemplaren. Ik reken
dit bij een Werk als het uit te gevene van eenig belang. De voortreft\'e-
lijkheid van het boek zelf en de bekende naam van den hooggeachten
Aanbeveler en Corrector geven mij, bij Uwe vriendelijke hulp, gegronde
hoop op een groot debiet. Herinner u Jonathans eerste Prozawerk
Waarheid en droomen." (Advertentie in Nieuwsblad voor den Iioek-
handel
10 Februari 1842.)
5    liouwstoffen Dl. I blz. 160.
-ocr page 55-
41
STRAUSS, KERKKI.OKSTOONEN.
Hasebroek\'s De laatste Kerkklokstoon. Bene stem, uit Nederland ix\'»2.
bij het graf van Friedrich Strams, in 1864 dooi\' C. L. Brinkman
te Amsterdam uitgegeven, de vrij liooge som van,/51 opbrengen \'.
A. W. Sijthoff te Leiden werd toen kooper en gaf in Juli 1890 een
nieuwe geïllustreerde pracht uitgaaf met een kostelijke voorrede
van Jonathan, het laatste prozastuk van den gevierden predikant,
voor wien dit werk een eigenaardig getint cachet gekregen
had door de veelvuldige aanraking, die hij, van zijn prilste
jeugd tot zijn laten ouderdom, zijn heele leven door, met De
Kerkklokstooneu
gehad had. 2
Kruseman had met deze uitgaaf getoond een blik op zijn
tijd te hebben; hij zelf en ook Jonathan konden met voldoe-
ning op hun werk terugzien, maar niet minder de schrijver,
die den 12 Augustus 1843 zijn dank zou melden, met de
wensch: »für die Deutschen Glockeulöne einen so woekeren
Verleger gefnnden zu haben und einen, der
_/\'«> die neue Aus-
gabe eine so seJtr empfehlende Gestalt gewiihlt, wie diess für
die Hollündischen Glockentöne der Fall ist."
De handelscorrespondentie met de bewonars van de pastorie
van Heilo, bleef echter in 1842 niet alleen over Strauss\' Fr-
bauungsbuch
loo2>en. Jonathan\'s zuster, Elise Johanna Hasebroek,
had de bewerking op zich genomen van Frederika Bremer\'s Mor-
gonvdkter,
naar de Duitsche vertaling Morgenwaclien; Glau-
bensbekenutuiss.
De beminnelijke schrijfster van Te Laat had
in de schriften van haar Noordsche zuster den weerklank ge-
vonden van haar eigen gemoed 3 en had het voorstel van Kru-
seman als een welkom aanbod aangenomen, om eene vertaling
te bewerken van Bremer\'s geloofsbelijdenis; zij zou daarin een
aangename bezigheid en in de vereenzelviging van haar geest
1    Nieuwsblad voor den Boekhandel 12 April 1895. — Beide kopyen
waren in 1866 door Vau der Beek overgedaan aan Brinkman. (Nieuws-
blad voor den Boekhandel
6 September 1866.)
2    Zie het Voorbericht van den zesden druk. Leiden. Sijthoff (1896).
3    De Tijd. ül. I \'sGravenh. 1845 blz. 21 vlg. In datzelfde tijdschrift
(Dl. III \'söravenh. 1846 blz. 126) wordt de mogelijkheid geopperd, dat
Alexandre Dumas den roman Te Laat vertaald kan hebben als Amaury.
-ocr page 56-
42
BREMER, DE DAGHK11AUT.
1842. met dien eener vrouw, zoo oneindig boven haar begrip en ge-
voel verheven/ maar niettemin met beide verwant, even veel
genoegen als leering vinden \'. Lag het in den beginne in de
bedoeling, dat Jonathan hierbij hetzij aanteekeningen, hetzij
een voorrede zou schrijven, bij nader inzien zag hij hiervan af,
omdat „de godsdienstige opinie van de schrijfster al te veel
van de mijne verschilt om het boekje gaarne onder den ge-
avoueerden naam van mijn zuster te zien uitkomen." 3 Want
diep vereerde Jonathan zijn zuster:
.... [Te Heilo] wij woonden daar
In \'t huisje, omkranst door de iepenhoomen,
Waar God zijn heil ons toe deed stroomen,
Gelijk zijn hemel rein en klaar.
Daar leefden wij in zoeten lust,
Geweid aan wateren der rust. 3
Evenals het vorige werk, verscheen het werk als vertaling
dan ook pseudoniem eenvoudig als Be Dagheraut. Eenige ivoor-
den, naar aanleiding van het, geschrift: Strauss en de Kvau-
geliën.
— Geloofsbelijdenis van Frederika Bremer. Naar het
Hoogduitsch door\' de schrijfster van
Te Laat. Uitgever en
vertaalster mochten den dank ontvangen van de schrijfster 4.
De bijval, vooral in den eersten tijd, aan deze geschriften ge-
geven, — er werden van liet laatste in tien jaar 569 exem-
plaren geplaatst — deed Kruseman begrijpen, dat het vooral
protestantsch-stichtelijke lectuur moest zijn om flink debiet
voor nieuwe ondernemingen te vinden. De breede schaar
van onze burgerlijke huisgezinnen bleek dergelijke boeken
op prijs te stellen en hij had nog een andere aanleiding om
in die meening versterkt te worden.
1    De Dar/heraut blz. VII.
2    Brief van Hasehroek 26 October 1842.
3    J. P. Hasebroek. Winde-kelken. Gedichten. Amst. 1859. blz. 199
Aan [mijne zuster] Betsy.
4    Deze brieven zijn in vertaling medegedeeld door Boudewijn in De
Tijd.m.
I \'sGravenh. 1845 blz. 23 en Dl. II \'sGravenh. 1846blz. 123.
-ocr page 57-
RADIJS, GIDS OP DEN WEG DES EEUWIGEN LEVENS.         43
Nog vóór de verschijning van Ten Kate\'s Maria Magdakua ««•
had Kruseman ter vertaling vertoond Der Führer zu/n Reiche Oot-
les auf /Ie///, Wege den Glaubens und der Liebe.
Hij wendde zich
tot Radijs, predikant te Doesborgh, den redacteur van liet chris-
telijk jaarboekje Chrisfophilus om liet in Nederlandsch gewaad
te steken. Dat voorstel werd aangenomen, schoon door hem de
bewerking der gedichten aan een ander overgelaten moest wor-
den. De Gids op den weg des eeuwige//, levens. Godsdienstig
handboekjen voor allen,
zooals Kruseman den titel bepaalde,
verscheen in liet begin van 1843 een paar maanden na de
Kerkklokstoouen en had Hink succes. Evenals de Kerkkloksloo-
ueu
zou de uitgave jaren later als zoodanig nog eenige waarde
bezitten: één exemplaar ging in de fondsveiling den 10 Decem-
ber 1884 door G. L. Schleijer en Zoon gehouden in andere
handen over.
Radijs\' woonplaats, zooveel verder van Haarlem verwijderd
dan die van Hasebroek, was onder meer een beletsel om den
eerste boveu den laatste te blijven verkiezen: de predikant van
Heilo moest in velerlei opzicht verreweg bij Kruseman den
voorrang hebben.
Hij trachtte meer van Jonathan\'s hand in het licht
te geven, eu stelde hein een werk over liet Onze Vader
voor. Hasebroek\'s op handen zijnde verhuizing naar Breda,
waarheen hij een beroep had aangenomen, maar ook de
hem kenbaar gemaakte wenscli van Frijlink om Bunyan\'s
Chris! enreize in een nieuw gewaad te steken, „waarvoor ik
onbegrijpelijk veel sympathie voel", \' deed hem dit voor-
stel niet aannemen. Toch deed deze weigering Kruseman niet
van het denkbeeld zelf terugkomen; een briefwisseling hierover
in 1845 met C. W. van der Pot te Leiden 3, J. J. van Oos-
1 Brief van Hasebroek 7 December 1842.
5 „Ik ben tot een besluit gekomen, dat... niet aan UEd. verlangen
beantwoordt.. . Het is vooreerst de vreemde en onaangename houding,
die ik tegenover de Heeren Dumortier & Zoon [te Leiden] zou aanne-
men; terwijl ik met die Heeren bijzonder bevriend ben, en hun aanzoek
om mijne serie van preeken over het Onze Vader te mogen uitgeven,
heb afgeslagen." (Brief van Van der Pot 19 Mei 1845.)
-ocr page 58-
1.1.
HEEMSKERK, ONZE VADER.
terzee te Rotterdam \' en A. des Aniorie van der Hoeven Jr. te
Utrecht * gevoerd, leidde echter evenmin tot eenig resultaat, ter-
wijl hij in üctober 1848 weer opnieuw bij Hasebroek aanklopte.
H. Heemskerk, Remonstrantsch predikant te Amsterdam, vroeger
van 1839 tot 1847 in gelijke betrekking te Haarlem, echter zou in
1852 de schrijver zijn, wiens Onze Vader, die in de hemelen zijt!
liet gebed den Heeren bewerkt voor de gemeente,
tien korte toespra-
ken door hem in zijne gemeente gehouden, voornamelijk met het
doel haar tot rechte kennis en waardeering van het Gebed des
Ileeren op te leiden, een speculatief niet onwelkome plaats in
Kruseiuan\'s fonds zou kunnen innemen. In 1858 toch moest
er een tweede druk van verschijnen3, waarin de auteur op
verzoek van Kruseinan eenige wijzigingen aanbracht vooral in
den vorm, om daardoor de uitgaaf meer in overeenstemming te
brengen met de eischcn van een lezend publiek 4.
Maar ook van andere voorstellen aan of door Kruseman
gedaan, kwam niets. De wensch, dien De Vries had, dat Kruse-
man de uitgever zou zijn van zijn critische editie van Hooft\'s
Warenar mislukte door onderkruiping van een Amsterdam-
schen confrater 5; een voorstel van I1. II. Greb te \'s Gra-
venhage, om een bundel gedichten van zijn hand uit te ge-
1 „Juist de verhevenheid en rijkdom van het onderwerp gehiedt mij,
daaraan niet te denken, ten ware ik er tijd en krachten geheel, ten
minste grootendeels aan toewijden kan." (Brief van Van Oosterzee 8
Juni |18451.)
„Ik moet... op uwe vraag een weigerend antwoord geven, en ver-
lies bij die weigering meer dan gij. Uw boek zal ligt een anderen, wel
denkelijk een beteren, schrijver vinden; maar ik niet spoedig zulk een
sehoonen arbeid noch zulk een heuschen uitgever." (Brief van Des Amorie
van der Hoeven Jr. G Oetober 1845.)
3    Nieuwsblad voor den Boekhandel 25 November 1858.
4    Heemskerk. Onze. Vader, die in de hemelen zijt! 2« dr. Voorbe-
rigt blz. V en VI.
5    De dagteekening van den daarover handelenden brief meen ik te
lezen als 4 Juni 1843; door Kruseman werd dit schrijven echter ge-
voegd in het jaar 1842.
-ocr page 59-
BOJESEN, HANDBOEK DER ROMEINSCHE ANTIQUITEITEN. 45
ven \', werd afgewezen; een plan ter uitgave van Snippers
— het is mij niet recht duidelijk geworden wat dit was —
liep spaak; van een voornemen om de romans van Bulwer ter
vertaling te bekomen moest, waarschijnlijk om het gevraagde
hooge honorarium (20 guineas per deel of 50 guineas voor
een werk van drie deelen) afsjmngen 3; een aanbod van O. G.
Heldring, om ten voordeele van twee arme huisgezinnen uit
te geven zijn Mammon of de gierigheid, de zonde der ehriste-
lijke kerk van John Harris
werd afgeslagen; Hofdijk\'s be-
geerte om met den 6 December 1843 in de wereld te brengen
Een Psalm voor Nederland op den geboortedag des Kouings,
kon evenmin vervuld worden x.
Daarentegen kwamen tot een uitvoering de voorstellen van Kru-
seman aan J. L. van der Vliet om een bewerking te geven van
Dumas\' Causes célïhres — het in de goede beteekenis van het
woord typisch Pransch-romantisch werk verscheen geheel anoniem
onder den titel Merkwaardige misdaden van vroeger en later
tijd
— en aan H. C. Michaëlis, Rector van de Latijnsche school
te Enkhuizen, den zoon van G. J. Michaëlis, Conservator
van Teyler\'s stichting te Haarlem, om een vertaling te leve-
ren van Bojesen\'s Handbuch der Römischen Antiquiteiten
aus dem Danischen übersetzt von J. Hoffa.
Met dit laatste
1     Brief van Greb 3 Maart 1843. — Vgl. [Jonckbloet| Physiologie
van ilen Haag,
\'sGravenh. Fuliri 1843. blz. 41: „Niets is verveelender
dan een bezoek in zulk een museum |Mauiïtshuis|. — Ja wel, toch, het
lezen der gedichten van Greb."
2     In den brief, die hierover door C. H. "Wagner te Londen den 29 Mei
1843 aan Kruseman\'s broeder (Jlorist front Haarlem at f f uil) gericht
werd, komt een aardige beschrijving van Bulwer\'s persoon voor: „Mr.
Bulwer est un homme tres long, tres maigre, tres sec [f] et tres sourd
et ne parle nullemenl franpais.
— C\'est tout ce que fai trouvé de re-
marquable dans son extérieur; quant a son intérieur, il élait retnpli
de thee, d\\vufs, de jambon, etc, parcc que f en ai vu les bcaux resles
sur une lable qu\'il venail de quitler pour me recevoir."
3    Hofdijk bood dit werk eerst den 1 December 1843 Kruseman aan:
„Ik heb op 1 December een gewaagd voorstel. Maar omdat ge nog al
een rariteit in uw gilde zijt, meende ik, bij U zou \'t wellicht nog niet
te laat zijn."
-ocr page 60-
40
BREMER, EEN DAGBOEK.
1844. werk had Kruseman als uitgever groot succes zoodat er
van in zes jaar tijds drie drukken opgelegd moesten worden \\
In den tweeden druk bracht de schrijver belangrijke verbe-
teringen of aanvullingen in dat gedeelte, hetwelk het jus ro-
mauum
behandelde; hij werd op die leemten opmerkzaam ge-
maakt door Mr. J. Heemskerk Az. te Amsterdam en Mr. H.
Gerlings Cz. te Haarlem, terwijl hij daarbij ook nog enkele
wenken ter harte nam, welke Dr. J. T. Bergman en Dr. J. G.
F. Estré geuit hadden in hunne recensies van den eersten druk
in de Komt- en Letterbode 3 en in Be Gids 3.
Het werk bleef jaren lang zijn praktische waarde behouden;
althans nog iu 18(5.*} meende Voltelen te Arnhem per afzon-
derlijke advertentie in liet Nieuwsblad voor den Boekhandel de
aankoojj van dit artikel te moeten melden 4.
Ook een ander plan van Kruseman moest mislukken. Had
hij, bij minnelijke schikking met Euhri afgezien van zijn
aangekondigd plan ter uitgave van de Beschrijving en Af-
beelding van de Begrafenis-plegtigheden van Z. M. Koning
Willem Ih,
hem kwam in het laatst van 1843 ter oore, dat
Ten Kate te \'s Gravenhage eenzelfde plan trachtte te verwezen-
lijken als zijn tijdschrift {Snippers ?). Kruseman stelde zich hier-
over in verbinding met Ten Kate om beider plannen te doen
samensmelten: de Waggon onder redactie van Ten Kate scheen
te zullen slagen, maar een plotseling uittreden van Ten Kate
uit de redactie deed „het stoomtuig binnenshuis barsten".
Het welslagen van De Bagheraiit vestigde meer de aandacht
van onzen uitgever op de schrijfster daarvan. Hacke, de zoon
van den Haarlemschen predikant Gonrad Hacke, hielp in 1844
aan de vertaling van Frederika Bremer\'s Mn Tagebuch, nadat
1    2» dr. 184(5, 3« dr. 1852. Oplaag der drie drukken 3100 exemplaren.
*    1844 Dl. I blz. 313.
3    1845 Boekbeoordeelingen blz. 178.
*    26 •November 1863.
5    Nieuwsblad voor den Boekhandel 28 December 1843.
-ocr page 61-
47
BREMER, IN DALARNA.
Kruseman bij schikking met J. C. van Kesteren en G. Reim 1845.
het vertalingsrecht voor zich alleen verkregen had. Ook J\'Jeit
Dagboek
met eene oplaag van 550 exemplaren slaagde.
Van In Dalama van dezelfde schrijfster, in het volgende
jaar uitgegeven, werd een gelijk aantal exemplaren (537) ge-
plaatst. Schoon vertalingen van haar andere werken reeds bij
Bohn \' en Van Boekeren 3 het licht hadden gezien, scheen zij
in dezen tijd een zekere voorliefde opgevat te hebben voor
Kruseman als haar Nederlandschen uitgever; door bemiddeling
van haar uitgever C. A. Bagge te Stockholm \' ontving Kruse-
man de afgedrukte vellen nog voor de verschijning van liet
oorspronkelijke werk. Waren de vroegere werken uit een Duit-
sche vertaling in het Nederlandsen overgebracht, het vinden
van een persoon, die het Zweedsch machtig was, leverde eenige
bezwaren op. Hacke kon hierin niet behulpzaam zijn, maar
deed Mr. J. C. Bijsterbos, advocaat en archivaris van Kampen
aan de hand; evenmin was het verzoek aan Matthijs de Vries
te Leiden gedaan, aangenomen. „Een eenvoudig historisch ver-
haal zou heel wel gaan, schreef deze den 17 Januari 1845, maar
een romantisch stuk, waarin de taal nog al eens zeer moei-
lijk zijn kan, zou mij voorhands te veel moeite kosten, zonder
dat nog de vruchten daarvan aan uw verlangen zouden be-
antwoorden. Maar zou Potgieter u niet willen heljien?" Pot-
gieter bleek te willen helpen, al was het alleen maar om Kru-
seman het recht der vertaling te verzekeren. Hij vertaalde de
twee eerste vellen, maar zag er verder van af; Kruseman zelf
nam daarop de bewerking van het overige ter hand naar het
Duitsch, maar onderwierp zijn vertaling toch nog voor het
afdrukken aan de goedkeuring van Hacke 4.
1 Huiselijk geluk en huiselijk leed 1811; liet gezin van den overste
1842; Oorlog \'en Vrede 1842.
5 De buren 1842; De dochters van den President 1842; iVmre 1842.
Later was haar uitgever Adolf Bonnier (Nieuwsblad voor den
Boekhandel
9 Mei 1867.)
4 „\'t Is mij aangenaam de proeven te lezen, maar uwe vertaling
heeft mijne revisie niet van noode en waartoe dan dit voor u.lastige
oponthoud?" (Ongedateerde hrief van Hacke o. 15 Maart 1845.)
-ocr page 62-
48
BREMER, IN DALARNA.
ist5.            Op bladzijde 52, dus in het vierde vel, door Kruseman
zelf bewerkt, komt een gedichtje voor:
Wiegje der Liefde, ja schommel steeds voort!
Heelende woorden en troostende zangen!
Hoe wordt het harte van wellust bevangen,
Als het in de onrust des levens u hoort!
Wiegje der Liefde, ja schommel steeds voort!
Dommel des lijders erinnring in rust,
Streel hem door droomcn, o Wiegje der Liefde!
Iedere rimpel, dien onspoed hem griefde,
Worde door hoop van zijn voorhoofd gekust,
Hoop, zich een zalige toekomst bewust!
Handhaaf uw oude vermaardheid in \'t Noord,
Geestkracht, die Vrijheid waardeert en Verlichting!
Schiet er uw stralen in iedere rigting!
Maar boven alles weêrgalme het woord:
Wiegje der Liefde, ja schommel steeds voort!
In het exemplaar van Kruseman ligt daar een verbeter-
blaadje; ik noem dat een „verbeter"blaadje, omdat, naar me
voorkomt, de daar gedrukte vertaling veel beter geslaagd is
dan zooals ze ten slotte definitief afgedrukt werd. Het poëtisch
waas lijkt me daar beter bewaard gebleven, in weerwil dat er
tegen de techniek der versificatie nog al eens gezondigd
schijnt; niettemin is het geen verbeterblaadje in de gewone be-
teekenis van het woord, daar de druk veeleer wijst op een be-
waard gebleven proef blad. Wat er echter van te gelooven, blijft
in het midden. De daar afgedrukte variant luidt:
Wiegje der Liefde, ja schommel steeds voort!
Gij hebt een tooverkracht in uw gezangen!
Hoe wordt het harte van wellust bevangen,
Dat naar uw deining en slaapgezang hoort!
Wiegje der Liefde, ja schommel steeds voort!
Sluit Gij onze oogen voor \'t wee van deze aarde,
Geef hem de ruste, wien lijden bezwaarde,
Geef hem een droom, die zijn ziele bekoort!
Wiegel zijn boot op de golven der Liefde,
Doe hem zich droomen in vreugde en in lust;
En word\' de rimpel, dien Waarheid hem griefde,
Lagenend door Hoop naar zijn voorhoofd gekust!
-ocr page 63-
49
BREMER, IN DALARNA.
Edelste kracht van ons krachtige Noorden!                                 1845.
Geestkracht! Naar Vrijheid en Waarheid en Licht
Was steeds het doel van uw strijden gerigt!
Strijd!... Maar vóór alles — tot lieflijke akkoorden
Stem onze ziel en versmelt onze woorden!
Liefde verwint onze harten zoo ligt!
Nog voor de verschijning had Bondewijn in zijn De. Tijd
een fragment uit dezen nieuwen roman »In iïalekarlie"2
medegedeeld, waarvoor Kruseman blijkbaar in ruil van Van
der Vliet als uitgever van De Tijd de beschikking kreeg
over de steenteekening van Frederika Bremer\'s portret, dat de
laatste een paar maanden vroeger in de eerste aflevering van
zijn tijdschrift gebruikt had. In Dalarna verscheen met het
portret van de schrijfster in steendruk, door H. J. Backer,
tegenover den titel. De Gids 3 gaf van de hand van......q
(Mr. Gerrit de Clercq) een aanprijzing van het werk; de ver-
taling zelve kon zij echter niet van de beste noemen.
Dank al die uitgaven was deze Noordsche schrijfster een
geliefde verschijning geworden in onze huiskamers. Ons roman-
lezend publiek, dat vóór alles naar de strekking vraagt, had
door de gemoedelijke opvatting van het godsdienstig leven,
zooals Bremer dat weet te schetsen, gretig de handen uitgesto-
ken naar haar werken, en aan Kruseman als uitgever zijn bij-
val geschonken. De Kerkklokstoonen en de romans van Bremer
zijn in vergelijking van de kloeke, breede uitgaven, die Kru-
semau in vervolg van tijd zou doen, wel is waar vrij onbe-
teekeuend; niettemin gaven zij op zeer bescheiden schaal toch
reeds een voorspel van hetgeen de 25-jarige uitgever op rijpe-
ren leeftijd met forsche hand zou wagen en met ijzeren wil
en vastberadenheid zou weten te volbrengen.
Er was echter in het particuliere leven van Kruseman een
1    Dl. I \'s Gravenh. 1845 blz. 353 vlg.
2    Zooals blijkt uit een advertentie in het Nieuwsblad voor den Boek-
handel
(22 Mei 1845) verscheen In Dalarna in de Duitsche vertaling
onder den titel In Dalekarlien.
3    1845 Boekbeoordeeling blz. 732.
4
-ocr page 64-
50
HÜWELMk.
1844. groote verandering gekomen: hij was den 15 Mei 1844, een
halfjaar voor het overlijden van zijnen vader, in het huwelijk
getreden met Anna Maria Goteling Vinnis. Van moederszijde
een achterkleindochter van den stichter van het Nut, had zij
haar vader nimmer mogen zien. Jan lteinier Goteling Vinnis
was voor de geboorte van zijn eerste kind als zeeofficier naar
West-Indië vertrokken en was vandaar niet naar het vader-
land teruggekeerd. Jan Nieuwenhuijzen, een welgesteld apotheker
op de Eakenessergracht, die in ruime mate het vertrouwen ge-
noot zijner buren — we zijn nog in den tijd, dat voor lichte
ongesteldheden de hulp van den apotheker ingeroepen werd —
trok zich het lot zijner zuster aan; zelf ongetrouwd nam hij
de weduwe met haar jeugdige spruit bij zich in. En dat die
inwoning den besten invloed zou hebben op Anna, zou blijken.
Zij toch was het, die in het najaar van 1842 de briefwisseling
met Hasebroek en zijn zuster kon gaande houden over De Daghe-
raut,
toen haar aanstaande echtgenoot door ziekte verhinderd was
zulks zelf te doen; zij was het, die in later jaren haar man be-
hulpzaam zou zijn in het vertalen van den tekst der Aglaja voor
de ÏYansche editie; zij was het, die Kruseman het leven
zou verhelderen, hein een hart onder den riem zou steken,
wanneer handelszorgen en verdrietelijkheden een gelukkig
veelal voorbijgaande schaduw zouden werpen op zijn levens-
pad, en hem zou weten aan te sporen tot een excelsior; zij
eindelijk was het, die de aanleiding zou worden van de
voorliefde, die Kruseman zou krijgen voor de Maatschappij
tot Nut van \'t Algemeen, die hem zou aanmoedigen daarvoor
zijn gaven en zijn tijd beschikbaar te stellen en hem de ge-
legenheid zou verschaffen, die treffelijke regelen te schrijven
bij liet honderdjarig bestaan der Maatschappij \', waarin Kruseman
zijn gevoelens, die hij voor die Maatschappij koesterde, voor
een ieder zou wereldkundig maken 3. Als een persona grafa
1 Dr. Marlinus Nieuwcnhuyzen in Volksalmanak voor 1885. Uitgc-
geven door de Maatschappij tot Nut van H Algemeen
blz. 10 vlg.
5 Vgl. hiermede het oordeel van Douwes Dekker uit 1853, in een
brief aan zijn vrouw: „Ook mevrouw K. beviel my zeer goed. Zy heeft
een goeden toon en sprak o.a. over huishouden enz., juist zooals wy.
-ocr page 65-
51
W. 3. VAN ZEGGELEN.
zou zij opgenomen worden in den kring der vrienden en be- 1»«
kenden van Kruseman, niet alleen in Haarlem, maar ook bui-
ten die stad; ook S. J. van den Bergb en W. .1. van Zeggelen
te \'s Gravenhage, betoonden haar de hartelijkste vriendschap en
genegenheid.
Welk een trouwe vriendschap had Kruseman in die jaren met
beide Haagsche letterkundigen. Bijkans dagelijks werden uit
den Haag van hen brieven ontvangen, waarin de grootste har-
telijkheid en deelneming omtrent hem en zijn zaken doorstraalden.
Kruseman stelde die vriendschap op hoogen prijs, daar hij in
beide auteurs bij voorkeur de personen zag, die hem als uit-
gever van eigenlijk gezegde letterkundige ondernemingen
van dienst zouden kunnen zijn. Maar niet minder deden
zij het. „Kerel, schreef Van Zeggelen in 185S aan Kruseman,
toen hij de vroegere correspondentie eens begon te door-
loopen en eindigde met ze te lezen, wat hebben we met
elkaar gedweept, geïdealiseerd, gekeuveld, geleuterd, gekletst
en toch onder alle dwaze nuances door veel genoten; ik al-
thans veel! — Uw brieven zijn voor mij eene historie, zij om-
vatten voor mij eene belangrijke episode uit mijn leven, en,
waarlijk niet de minst bewogene. Ik kan er met gemengde
aandoeningen aan denken; vooral aan die dagen, toen we elkaar
twee, drie brieven daags verzonden. Dat is nu anders gewor-
den; er is voor mij eene andere periode aangebroken, een
periode van rust, kalmte, huisselijk geluk en vrede. O, mogt
die periode lang zijn en haar einde een zalige ontknooping
wezen! \' — Mijn waarde, ik word ernstiger dan ik meende te
zijn, maar uwe brieven bragten mij er toe; schrijven wij elkaar
„Als myn man het schraal had, zoude ik my niet schamen voor het
„minste werk, maar nu het niet behoeft, acht ik myn tyd beter te kun-
„nen besteden," etc." {Brieven van Midlaluli. Vervolg. Eerste periode
1846—1859. Amst. (1891) blz. 161).
1 Hij doelt hier op het overlijden van zijn eerste vrouw, zijn tweede
huwelijk in 1848 met Maria Loosjes, en zijn opneming als deelgenoot in
de zaken van zijn schoonvader Giunta d\'Albani.
4*
-ocr page 66-
52
W. .T. VAN ZEGGELEN.
1R44. niet zoo druk meer, laat liet in onze harten onverkoeld en on-
verdeeld blijven. Ik stel den grootsten prijs op uw vriend[scliap]
houdend hart. We gaan nog eens zamen buiten wonen, hoor,
twee huizen naast elkaar, met groote tuinen, en wij mot grootc
zuidwesters op." !
En niet minder genegenheid had Sam Jan voor KruseTnan.
Zij drieën hadden een trouwe vriendschap met elkaar gesloten.
Van den Bersrh was de eerste die overleed; Van Zeggelen
schreef een paar dagen later: „Ja ook ik ben nog gansch en
al ontdaan door den onverwachteu dood van onzen vriend. —
Onze kring wordt enger. O, laten wij ons naauwer aansluiten
naarmate de kring kleiner wordt; en laat ik \'t op nieuw zeg-
gen: Gij behoort tot mijne intiemste. Mijn hart heeft u altijd
in innige vriendschap toebehoord, en wat tal van blijken gaaft
gij mij niet van uw trouw hart" 3, met deze woorden bracht
hij, dien de buitenwereld alleen als comicus kende, ernstig
onder woorden hoe de dood, de nltima linea return, te vroeg
een einde gemaakt had aan een hechten vriendschapsband.
Want welk een innige gehechtheid in velerlei opzicht be-
stond er niet tusschen Kruseman en Van den Eergh. Aan
hem had hij het te danken, dat hij in 1842 als lid van
het Haagsch letterkundig genootschap Oefening kweekt kennis,
Van den Bergh\'s stichting *, was opgenomen, nadat Bosboom
daar vooraf, op den 7 Februari 1S42 Kruseman\'s Napoleon
had voorgedragen *.
1    Brief van Van Zeggelen 29 Maart 1858.
2    Brief van Van Zeggelen 2 Januari 1869.
3    Het is bekend dat Sam Jan op dat genootschap niet weinig prat
was; een enkel bewijs. Na de viering van het 25-jarig bestaan, schrijft
hij aan Kruseman (9 Maart 1859): „hij [ten Kate| heeft het heerlijke
feest van Oefening ook niet bijgewoond — 25 jaren. Mijn stichting! Ik
kan het niet begrijpen — zoo oud ! En toch zou men het willen be-
kennen, dat ik het heb gedaan boven velen, ook toen enkelen uit het
vaandel liepen, die nu zijn weergekeerd. Kruseman! de menschen zijn
|beesten|", Van den Bergh\'s gewone uitroep.
* Het is afgedrukt in de Mengelingen van het Genootschap. Poi\'zy
1842 blz. 129—141.
-ocr page 67-
58
S. J. VAN DEN BERGH.
Maar niet alleen, dat de correspondentie over huiselijke en Wi.
particuliere aangelegenheden liep, ook van elke letterkundige
gebeurtenis, die voor Kruseman als belangstellende in de Ne-
derlandsche belletrie eenig gewicht kon hebben, werd trouw ver-
slag gedaan en kondschap gegeven. Jaren lang uitte, over en
weer, de genegenheid, die de drie vrienden voor elkander koes-
terden, zich in hun briefwisseling; vrij wat aardige kijkjes op
de letterkundige wereld van die dagen geven vooral de brie-
ven van Van den Bergh te zien. Ik wil hier een dier brieven
mededeelen, zoowel omdat de schrijver hierin van zijn karakteris-
tiekeu kant uitkomt, als ook omdat de inhoud wellicht niet onaar-
dig is voor de kennis der daarin genoemde boeken en personen.
Waarde Vriend!
Uw algemeene zendbrief aan de Haagsche vrienden van
den ;jl9ten der vorige maand is ons in orde geworden: ik
had u reeds eerder daarop geandwoord, maar. . . Heb ik nu
van mijn leven ooit lammer begin gezien ? Bergh! Gelijk,
Kruseman, hebt ge en daarom op een anderen boeg: ik
weet zelf niet hoe ik zoo stinkend alledaagsch kon zijn,
ik. . . . maar mijn Hemel, wat een pedante praat, Bergh!
Alweer gelijk, ik zal dus zien liet voor den derden maal
anders te doen, in de hoop, dat liet u voldoen zal, mijn
vriend; want om u de waarheid te zeggen, ik walg van
de hierboven staande zeven regels.
Ter zake dus! Maar eerst een vloek voor mijn pen,
aan welke ik geloof mijn lamzalig begin verschuldigd te
wezen. Foei,
Foei! welk een zwaan mocht eenmaal zich beklagen,
Dat zij u in haar vleugelen mocht dragen,
Of een plaats, die wis de Vries niet\' noemt ?
Hoewel d<; Gids op die kwa namen roemt,
En met Boileau, dien paai van vroeger dagen,
Steeds schrijft je nonime un chat toujourt un chul!
De waarheid ligt ook hier in \'t midden, ja,
Al dwaal ik af van \'t donzen gat van \'t zwaantjen
Al wawel ik alsof ik onder \'t kraantjen
Een paar uur lag als zekere Profeet
Van onzen tijd, die nooit Schiedam vergeet.
-ocr page 68-
54
S. J. VAN DEN BERGH.
1844.                         En echter.... toch.... en niettemin blijft lijmen,
Dat Jonckbloet zelfs zijn schandelijke rijmen
In \'t geel pamflet, dat Fuhri riep in \'t licht l
Vernietigt voor het oog der aard en \'t dicht
Verguist gelijk hij zelf zich zag verguizen
Door een wiens naam ik geenszins uit mag pluizen
Maar die terecht dat ding gegeesseld heeft.2
En met één streek..............■
Bergli! je bent gek van avond, \'t Kan wel Kruseman
—    en dus tot morgen, in de hoop, dat ik zal kunnen
schrijven, wat ik zeggen wil en wensch. Van avond heb
ik geen kop. Ik ben vandaag loederlijk opgehouden —
en het dwarrelt mij door mijn hoofd als de chaotische
kennis het Jonckbloets hersenen doet. Voor heden avond
leg ik dus de zwanenveder neer; en ik bid u dit gewawel
te beschouwen als niet geschreven en voor de helft ont-
staan uit een humoristische (?) bui. —
Donderdagavond. Het is vrij wat rustiger dan gisteren
—   ik hoop dus dezen avond op mijn gemak af te schrij-
ven. Ophalen van vermoeienissen en lijken wil ik niet;
maar dat moet ik u toch zeggen, dat ge Sam Jan niet
in Haarlem zien zult, voor dat hij u met Anna in den
Haag zal hebben gezien: gij zijt.... ik zal nu eens
zien of ik u op die wijze krijgen kan uit een der liefste
plaatsen die mij bekend zijn. Na dien tijd kom ik op
uw dak — zeg dit ook aan Anne. De spoorwagen zal
nu haast tot hier rijden \' —■ ergo zijn die kosten weinig.
Gij vraagt mij wat ik u van den bundel van M. raad.
Ik moet beginnen met u meê te deelen, dat het een bon-
del verhalen op rijm is: ergo direkt geen verzameling
gedichten. Wat ik er van gezien heb, heeft mij voldaan.
Ik heb hem er over geschreven; want ik deed u die
vraag niet zonder authorizatie. Hij dacht met mij, dat gij
1 | \\V. J. A. Jonckbloet] Physiologie van den Haag, door een Hagenaar.
3 E. "VV. van Dam van Isselt?
3 De opening van de sectie Voorschoten-deh Haag had plaats den
6 December 1843.
-ocr page 69-
55
S. J. VAN DKN BERGH.
het niet direkt liadt afgeslagen. Wat is uw antwoord, ish
staat er in de formulieren onzer Hervormde Kerk, die
steenen des aanstoots van kenners en halfkenners, van
would be kenners en niet kenners.
Wij, dat is V[an] Zfeggelen] en ik hebben wel dege-
lijk plan in uw Snippers meê te doen. Wij moeten echter
verklaren, dat we gaarne eens een ju\'oef /agen van den
geest, waarin gij het verlangt — en houden ons dus aan-
bevolen om N°. 1 te zien. Er is altijd gal te veel in
een mensch, die naar buiten uit moet — de pen moet
dan gepunt enz., en dies hopen wij van tijd tot tijd wel
eens wat voor u te sjouwen. Wat aangaat het pekunieele,
dat zullen we wel eens bepraten of beschrijven. Kom ik
iets tegen dat bruikbaar is — ik zal \'t aanhouden, eu
Willem ook. Misschien trek ik te veld tegen een zotte
vraag van Den Recensent van Calisch gedichten, die ge-
vraagd heeft, waarom Helvetius v[an] d[eu] B[ergh] dien
niet heeft afgeraden, zijn Heemskerk te laten drukken na
de bekrooning van Bogaers. H. v. d. B. had NB. ge-
zegd, dat, zoo B. de gouden, C. ten minste de zilveren
verdiend had. Ik vraag niet naar namen, maar meld mij
eens wat gij van onderwerpen hebt.
Gisteren avond heb ik ook Van Zeggelen gesproken.
Deze verzocht mij in de eerste plaats u te groeten met
de u dierbaren en u tevens te melden, dat er een nieuwe
letter voor de erotiekers komt; hij zal daarmede nu in
Januari een aanvang maken \'. Denk gij nu nog eens over
een titelkijn. Eenvoudighehl enz. Liefst zag ik een dingjen
zonder vignet, maar koperen letters. De grootc huiler en
donderaar, zoo als de apologeet der Femmes libres Boude-
wijn noemt, hoorde dat ik u schrijven zou — en de in-
liggende is er het gevolg van. Die man neemt nog al
hooi op zijn vork.
Denkt ge nog wel eens, als gij iets te vertalen hebt
1 Van den Bergh\'s nieuwe dichtbundel Edmunds mandoline zou bij
Giunta d\'Albani te \'s Gravenhage gedrukt worden.
-ocr page 70-
56
S. J. VAN 1)KN BKItGH.
uit het Duitsch of Fransen aan dien armen drommel,
dien ik u heb aanbevolen? Houdt het eens in uw ge-
dachten, zoo ge kunt. (iaat het met Helon\'is Bedevaart \'
nog al? Wat blijven die Ned. Volksalmanak en die.
Schoone en goede, uit! De eerste interesseert mij meer dan
de laatste, die met ieder jaar een grooter vod wordt. Ik
geloof, dat ik er niet meer in werken zal. Trouwens wat
heeft men aan al die boekjens? Niets!
Ik geloof dat Fuhri mooi het land heeft met die
Fijziologie Laat hij er aan verdienen; zijn naam heeft er
meê geleden, al heeft .1 [onckbloet], wiens gelijkeiul por-
tret het hoofdstuk XVIII versiert (?) " den zijnen geknaauwd
voor ƒ 100 3.
Sint Kepie 4 is zeker een der beste vaersjens van de
Aurora. Ik vond mét u, dat ze niet uitsteekt, hoewel de
beschrijving van Malta door Jufvr. Toussaint de aankoop
van het boekjen waard is, al staat hare novelle De hcee-
lingen van Malta
ook onder haar model van dien Fran-
schen schilder Mignard in de Vergeet mij niet. Onder de
beste dingen daaruit rangschik ik Potgieter\'s Wmtertgens
schilderen.
Ten Kate\'s Nanr buiten en Kneppelhout\'s IVaau-
zinnig Truken.
Mag ik het restjen maar naar noemen? en
Heldring\'s gewawel met den weinig fiatteusen naam van
pispraat bestempelen. Waar ter waereld wordt een redak-
1    D. F. Strauss. llelon\'s bedevaart naar Jeruzalem. Uit hel Hoog-
duitsch rloor
.1. Kleyn, geb, Ockerse, mei eenc voorrede van J. II. van
der Palm en ophelderende aanteeheningen door J. Clarisse.
Amster-
dam. J. van der Hey & Zoon 1823. 2" uitgave De vertaling herzien
door N. Heels.
Amsterdam. P. Meijer Warnars en G. J. A. Beijerinck 1843.
2    [W. F. Gr. L. Frangois] Een achttiende hoofdstuk voor dePliy-
siologie van den Haag. Door een Hagenaar,
\'s Gravenh. 1843.
3    „Wel my deur, wat zegt gij van uw ouden Haagschen baas ? Dat
is eerst een furie van een uitgever. De residentie heeft in een soort van
letterkundig oproer verkeert bij de verschijning der phgsiologie en met
koortsig ongeduld verwachtte men het achttiende hoofdstuk." (Brief
van Van der Vliet 1G November 1843).
4    De Bron van Sint Keyne, door W. J. van Zeggelen (Aurora voor 1844
blz. 114).
-ocr page 71-
57
LEESINRICHTING.
teur gevonden, die zoo\'n ding zou willen opnemen als de «jm,
prul, die de V\\ergee(\\ «»[«?] n[iet\\ heeft geredigeerd. De
C/mui. Polk«almanak van Van Kampen ziet er niet kwaad
uit. De Tijdspiegel bevalt mij best. Hoeveel tijdschriften
krijgen wij toch wel ? —
Ik raak uitgestudeerd. Alleen nog dit. De Braga houdt
met December op. En misschien komt er een tweede
Hippokreen-ontzwareliug van Dr. Hecker, die ook de eerste
geschreven heeft. Sub rosa dit.
Mijn vrouwtjen en mijn kroost varen, Goddank, wel,
mijn zoon heeft twee tanden en schijnt er nog al aan te
lijden, want hij ziet soms fameus bleek. —
Ontfang dezen met uwe lieve Anna en uwe verdere
betrekkingen, zoo mede de hare in goeden welstand en
geloof mij als altijd
Uw Vriend
S. J. VAN DEN BeRGH.
Donderdag 16 Nov. 1843.
Tusschen al dergelijke bemoeiingen als uitgever, werd on-
derwijl het eigenlijke bedrijf, waar voorloopig althans de finan-
cieele basis in gevonden moest worden, de winkelzaak, niet uit het
oog verloren. De administratie van de leesinrichting, die onder
den koop van Beets begrepen was, nam een goed deel van
den tijd in beslag. Door aankoop van nieuw verschenen uitgaven
en van sommige oudere veel gezochte werken, trachtte hij
dien voorraad tot een uitgezochte verzameling te maken van
Hollandsche, Eransche, Engelsche en Hoogduitsche boeken.
Toch komt het mij voor, dat hij zich niet onderscheidde in ge-
halte van andere dergelijke inrichtingen; een doorlezing van
den catalogus en van vier daarop verschenen vervolgen, geeft mij
geen aanleiding er lang bij stil te staan. Alleen dit, dat Kruse-
man zijn inrichting uitbreidde door er aan toe te voegen
eenige maandwerken, en wel: Het Leeskabinet, Europa, Iris,
Be Gids, Vaderlandsche letteroefeningen
en Be Recensent en dat
hij op het omslag van den catalogus medewerking inriep tot het
-ocr page 72-
58
DEBIETZAAK.
oprichten van leesgezelschappen in bijzondere vakken van lite-
ratuur en wetenschap, zoo als van staat- en geschiedkunde,
taal- en dichtkunde, rechtsgeleerdheid, geneeskunde, godge-
leerdheid, enz. Op die wijze was hij als debitant werkzaam in
het begin van zijn loopbaan en hij trachtte daaraan grooter
vertier toe te brengen, door in zijn winkel te organiseeren
driemaandelijksche boekbeschouwingen van de nieuwste Hol-
landsche, Fransche, Engelsche en Hoogduitsche werken in alle
vakken van wetenschap en literatuur \'.
Er zullen dus, naar evenredigheid van de bekrompen ruimte
in zijn winkel, vrij wat boeken voor het lezend en koopend
publiek beschikbaar zijn geweest. Haarlem was niet alleen de
stad, die geestelijk voordeel kon genieten van den boekenvoor-
raad daarin opgeslagen; ook naar buiten — ik denk hier in
de eerste iilaats aan J. C. Hacke te Amersfoort, den lateren
vertolker van Dante\'s Uivina Comoedia en een Haarlemmer
van geboorte — werden de werken uitgezonden, waarvan
een onvermijdelijk gevolg was, dat de toestand der biblio-
tlieek bij het drukke gebruik, dat van de boeken gemaakt
werd gaandeweg achteruit ging en het aantal werken allengs
verminderde; een welkome aanvulling was een partijtje boe-
ken, meestal moderne lectuur, bijzonder geschikt voor een
Cabine t. de leeture, waarvan in 1841 wegens geldgebrek de
zanger W. P. de Chavonnes Vrugt, de propagator van het ons
opgedrongen Wien Neerlandsch bloed, zich ontdeed.
Maar daarbij bepaalde de neering zich niet alleen. Eoekver-
kooper, zooals Kruseman zich bij voorkeur in advertentiën en
brieven noemde, te zijn, en wel in de superieure beteekenis
van het woord, was steeds zijn streven. Aan de eischen door
hem aan den wetenschappelijken boekverkooper gesteld, kwam
ook hij — de mondelinge getuigenis van ouderen van dagen
is er ten bewijze voor — niet te kort, toen reeds doordron-
gen van zijn op latere jaren geschreven woorden. „Treed het
magazijn van den beschaafden assortiments-handelaar binnen en
verkwik allereerst uw oogen aan dien overvloed van keurig
Advertentie in Opregte Haarlemsche Courant 2 Augustus 1842.
-ocr page 73-
59
DEBIKTZAAK.
geschikte boeken en banden, naar rubriek en taal geordend. 1&44.
Loop de rijen langs en haal uw hart op aan dien veelzijdigen
rijkdom van geestesgaven, waarvan reeds de titels u toespre-
ken; aan die over de gansche wereld beroemde namen, wier
jongste arbeid in die bedrukte bladen u in de hand wordt ge-
legd; aan die weelde van uitvoering, waarmee allerlei vakken
van kunstnijverheid het boek weten te tooien. Benijd den han-
delaar, die te middeu van dien schat als tijdelijk eigenaar zich
beweegt. Zie hem gretig gluren tusschen de bladen, opdat hij
voor zich zelv\' een voorsmaak moge genieten van hetgeen ter
nauwernood de pers verlaten heeft en dat hij zoo straks zijn
bezoekers als verrassende nieuwheid zal voorleggen. Bespeur
hoe zijn handelstact elk boek zijn plaats en zijn rang geeft in
den omvang zijner bibliographische bekwaamheid, en hoe hij
•zich voorbereidt om met dat geoefend overzicht allen die zijn
boekenkennis begeeren te raadplegen zoo aanstonds te hulp te
wezen. Zie hem omringd van de aanzienlijksten en beschaafd-
sten zijner woonplaats, opvangende wat ieder uit zijn eigen
vak van studie of smaak hem meê te deelen heeft en zich
daarmee weer verrijkende ten eigen en anderer bate. Elke dag
doet hem aanwinnen in kennis, ruimer worden van blik, scher-
per van oordeel, fijner van smaak, een man zijn op zijn post
te midden der geestelijke en zedelijke bewegingen van zijn
tijd, een man zich voedende met het edelste dat de maat-
schappelijke wereld oplevert en wederkeerig in die maatschappij
bevorderend, wat haar beter en vruchtbaarder maakt." \' De
boekverkooper Kruseman was meer dan louter gewoon debitant;
hij was de bibliothecaris van zijn magazijn, die zijn steeds
wisselenden voorraad dienstbaar maakte aan de verbreiding van
wat goed en fraai en edel was.
Desniettegenstaande werd het bedrijf van boeken te plaatsen
niet verwaarloosd. Begonnen met een leverantie van jaarlijks
één riem schrijfpapier aan den Krijgsraad, de eenige betrekke-
lijk vaste post, die aan den winkel van Beets verbonden was,
had het debiet zich gaandeweg in zijn vaderstad uitgebreid; de
1 Bouwstoffen Dl. I blz. XXVII.
\'f
-ocr page 74-
60
DEBIETZAAK.
I8«. hulpvaardigheid in liet bedienen der klanten \', ook daar waar
iemand met meer eigendunk van zich zelf het aan zijn bediende
zou overgelaten hebben2, moest de goede uitwerking niet
missen. Zelfs Batavia maakte kennis met zijn werkzaamheid,
waar hij in 1846 door bemiddeling van zijn vriend Bleeker
de levering trachtte te bekomen aan het geneeskundig leesge-
zelschap, toen daar geklaagd werd over Kemink te Utrecht, aan
wien dat opgedragen was. De wijze toch, waarop in onze ko-
loniën in de behoefte aan boeken voorzien werd, voldeed aan
niemand; een eigenlijk gezegde boekbandel bestond er niet en
de bezorging der boeken, want handel mocht het niet heeten,
was overgelaten aan de welwillendheid van de Tloofd-opzieners
of directeuren van de Lands-Drukkerij en Postdirecteuren van
Batavia, altegader redenen, waarom E. J. L. Fuhri de
verantwoordelijke Hoofd-opziener bij de Drukkerij van het
Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, in
1848 besloot de j)roef te nemen om voor twee jaar een boek-
handel te Batavia te vestigen \'\\
In hoeverre Kruseman naar aanleiding van dien wensch van
Bleeker, in dezen eersten tijd opgetreden is als handelaar naar
lndië weet ik niet; ik vermoed echter, dat die handel, zoo hij
al tot stand gekomen is, inderdaad niet veel te beteekenen
gehad zal hebben. Trouwens Nederland in het algemeen en
Haarlem in het bijzonder was het veld dat in de eerste plaats
voor den debitant openlag en het was uit den aard der zaak
Nederland waaraan Kruseman vooral zijn aandacht boven lndië
zou schenken. Onder dat dagelijksch bedrijf van verkoop van
winkelvoorraad, werden ook af en toe commissies waargeno-
men op boekverkoopingen en hield hij zelf er een den 13 Juni
1843 in het Hof van Holland te Haarlem *.
1 Zie Jo. de Vries in Eigen Haard. 1894 blz. 299.
\' Dat Kruseman in den eersten tijd reeds een winkelknecht had vindt
zijn bevestiging in twee advertentiën in het Nieuwsblad voor den Boek-
handel
(21 Januari en 12 November 1841).
3    Nieuwsblad voor den Boekhandel 8 Juni 1848.
4    Wat hier in veiling kwam weet ik niet. Daar mij geen catalogus
der veiling onder de oogen is gekomen, kan ik niet mededeelenof Kruse-
man zich hier ook wellicht op het gebied van den ouden boekhandel begaf.
-ocr page 75-
RECENSEERENDE TIJDSCHRIFTEN.                            61
Overvloed van inkomsten gaven al die bemoeiingen niet; w».
het jonge huishouden moest nog zeer zuinig beheerd worden,
wilde de 70 gulden, die Kruseman daarvoor in de maand kon
afzonderen, geen deficit geven. Einancieele zorgen toch drukten
nog steeds den ijver en de voortvarendheid van den boekhan-
delaar-uitgever. En daarbij kwam nog, dat hij op weinig steun
kon rekenen van oudere Ejevestiijde boekhandelaars. Andere
grondbeginsels in den boekhandel als usance waren, brach-
ten hem toch somwijlen in moeielijkheden met de confraters.
Althans, ik wil dit tusschen de regels lezen in onderstaand
briefje:
Mijn Heer en Vriend!
Mij is een briefje van u, door den Heer Stemvers ge-
worden over een voor de LeH\\e,roefenïn(jen~\\ ter recensie
verkocht exemplaar van Annetje de St. Morin (roman>
die ik met de mijnen met veel genoegen las) \' en waarin
UEd. zich verschoont van het zenden, op grond van
eenige drukfouten, die wellicht U zouden geweten worden.
Die grond, houd het mij ten goede, komt mij zoo zwak
voor, dat ik onwillekeurig daarbij terugdenk aan hetgeen
verleden najaar plaats greep, toen ik UEd. reeds beleef-
delijk om een exemplaar ter huiselijke lectuur verzocht,
doch dat niet koude bekomen, en ook nooit bekomen heb,
ofschoon UEd. toen slechts eenig uitstel begeerde. Andere
confraters volgen ten dezen eene andere methode dan de
Heer Bohn en ook dan de firma Loosjes. Eerstgenoemde
maakt geene bedenking in het bedingen van een gunstige
recensie, of — betalen van het exemplaar! (Dit is nu
toch wat heel erg). — Laatstgemelde bezigt de Letter-
oeff[enmgen\\
als werktuig om het debiet weer wat op te
warmen als de trek over is, en zendt daarom eerst na
jaar en dag de boeken, en dan soms bij pakketten ter
beoordeeling in. Beiderlei manier van doen vind ik alles
1 ö. P. B. James. Annettc de St. Morin. Een verhaal uil den tijd
van Lodewijh XV.
-ocr page 76-
62
VERHUIZING.
behalve nobel, en heeft mij dikwijls, toen ik nog redac-
teur was, gestuit en belemmerd tevens. Eene liberaler,
minder kleingeestige denk- en handelwijs zie ik zoo gaarne
jonge confraters vormen; en ziedaar de reden, waarom ik
als oud-confrater U dit melde, vertrouwende dat UEd.
het zulk eenen, die U van heeler harte veel voorspoed in
uwe zaken toewenscht, niet ten kwade zult duiden, terwijl
hij zich, met alle achtiug gaarne noemt
Uwen Dienstv. Friend
J. W. IJntema.
Vaartzigt \', 1 Mei 1843.
Het bleek echter, dat de woning aan het Spaarne te klein
werd om het jonge huishouden een behoorlijke huisvesting te
kunnen geven. De oude heer II. D. Kruseman begreej) dat, en
kocht voor zijn zoon voor ƒ\'3781.09 een dubbelhuisje aan het
Sjjaarne aan de noordzijde van de Korte Veerstraat 3, waarheen
in April 1S44 de zaak overgebracht werd. Gesteund door een
trouwe gade, en aangemoedigd door een eigen huishouden, zou
daar aan de winkelzaak en aan het uitgeversbedrijf een nieuwe
Schwung gegeven worden.
Een geschiedkundige roman van J. van de Capelle (pseudo-
1 Een optrekje te Haarlem aan de Leidsche Vaart waar IJntema zomers
gedurende 15 jaar verblijf hield, en in 1838 (6 Juni) zijne echtgenoote
Sara Heslinga door den dood verloren had. In 1844 trok hij naar Am-
hem. IJntema was uitgever en redacteur van de Vaderlandse/ie lelteroefe-
ningen,
toen met De Boekzaal en het Algemeen letterlievend Maand-
schrift
de meestgezochte belletristische tijdschriften, waartegen het Jonge
Holland en De Gids de strijdvaan ophieven.
Een dikke burgerheer, in \'t bruin met kop\'ren knoopen,
Vol van den bon vieux temps en kunstgenootschapsbrij;
Een vader die zijn gal gestaag voelt overloopen,
Omdat zijn eigen kroost veel knapper is dan hij;
Een knorrige arrogant, wiens gunst ge alleen kunt koopen
Door oppervlakkigheid en domme vleierij. (lirana Dev. 1883. blz. 53.)
5 Thans plaatselijk geteekend No. 62.
-ocr page 77-
63
KLEINERE UITGAVEN.
niem van J. F. Bosdijk) te Schoonhoven, waarin de schrijver taw.
getracht had „in levendige kleuren te doen zien, hoe vooral
Haarlem in diepen ramp en verdrukking geketend lag, hoe
heilig de opstand was, hoe noodig en hoe begrijpelijk een
daarna gevolgde moedige en onbezwekene verdediging in het
beleg was," werd als „fabriekswerk" niet aangenomen \'j een
zelfde bescheid kreeg Ten Kate een paar dagen later, die aan-
bood De spiegel der volmaaktheid of gedachte over het ware,
schoone en goede,
uit het tweede deel van Joh. Friedr. von
Meyer\'s Hesperiden (29 Juli 1844). Behalve enkele kleinighe-
den als Be wedloopen en harddraverijen, gehouden nabij Zand-
voort, den
6den en 7den September J8\'i-\'i [door Boudewijn]2, „welk
werkje door zijn geestigen inhoud zijn koopers wel zou vinden," 3
verschenen in 1844 een paar romans van Flygare Carlèn,
Schoppe en Ingemann 4. Van deze drie romans maakte de uit-
gever een afzonderlijke aanbieding:
Haarlem,, December 1844.
Door een zamenloop van teleurstellingen heb ik eerst
in het laatst van dit jaar drie romans kunnen uitgeven,
1 Het is mij niet gebleken, dat deze roman evenwel het licht gezien
heeft daar Hel beleg en de verdediging van Haarlem reeds in 1843 te
Schoonhoven bij Van Nooten verschenen was. Dit werk was echter bij
Kruseman\'s letterkundige bentgenooten niet zoo ongunstig opgenomen,
daar Boudewijn er een fragment uit overdrukte in De Tijd (Dl. I
\'s Gravenh. 1845 blz. 257 vlg.) en dat versierde niet een gezicht in
Haarlem\'s Groote Kerk (steendruk). De Haagsche schilder Ehnle voelde
zich door de lezing van dezen roman geïnspireerd om een episode uit het
beleg met de Kleine Houtpoort als achtergrond op het doek te brengen.
(De Tijd Dl. IV \'s Gravenh. 1846 blz. 185).
8 Ten onrechte door Dr. Ekama (Catalogus van boeken, pamfletten,
enz. over Haarlem.
Haarl. 1874 n°. 989; toegeschreven aan Beets.
3    Advertentie in Nieuwsblad voor den Boekhandel 19 September
1844. — Ook Potgieter maakte een gedicht op deze Zand voortsche wed-
rennen. (Groenewegen no. 441).
4    Het laatste werk draagt het jaartal 1845, maar werd reeds vóór
12 December 1844 in commissie verzonden. (Advertentie in Nieuwsblad
voor den Boekhandel
12 December 1844).
-ocr page 78-
64
AANBIEDING VAN ROMANS.
184*.                 aan wier goed debiet ik overigens geene reden zou hebben
om te twijfelen. Ik bedoel:
N°. 1 Elygare Carlèn, Wie is de Bruidegom, ? 2 dln.
ƒ4.60 ƒ5.60.
N°. 2 Amalia Sch\'oppe, De Jodin. 2 dln., ƒ4.20 ƒ5.10.
N°. 3 Ingemann, Koning liric en de Bannelingen,
2 dn. ƒ5.75 ƒ6.90.
(dit laatste met het jaartal van 1845)
alle van auteurs wier werken mijne aanprijzing niet noodig
hebben. Niettemin vrees ik, dat ik in het voorjaar meer
Exemplaren terug zal krijgen, dan mij lief is, wanneer ik
niet door een extra rabat het verkoopen van dezelve in dit
jaar voordeeliger
maak, dan in het volgende, en getroost
mij liever deze betrekkelijk groote opoffering, dan de Ex.
. door het heen en weer reizen beschadigd, terug te zien en
ze op nieuw te moeten verzenden. Daarom doe ik het vol-
gend aanbod:
Wie van bovenstaande drie romans Ie zamen in dit jaar
één stel voor rekening neemt, sta ik tien percent extra
korting toe, behalve de gewone vijf percent bij de afre-
kening. De prijzen worden dan alzoo netto:
Van N°. 1 ƒ 3,93± Verk. ƒ 5.60
„ „ 2 „ o.o9^
           „ „ o.10
„ „ 3 „ 4.92             „ „ 6.90
Te zamen ... ƒ 12.45                    ƒ 17.60
hetwelk bijna zonder risico een aanzienlijke winst ople-
vert. Wie twee stellen neemt, ontvangt dezelve voor
ƒ12.00 netto elk.
Tevens geef ik de verzekering, dat in dit aanbod niet
de minste verandering behoeft te worden voorgesteld, en
dat enkele werken in geen geval voor minderen prijs dan
den bij de uitgave bepaalden, worden afgeleverd.
Ik behoef niet te melden, dat in dit voorstel op eene
ruime deelneming wordt gerekend. Maakt men van liet-
zelve gebruik, dan verzoek ik per Couvert antwoord.
-ocr page 79-
VAN DEN BERGH, EDMUNDS MANDOLINE. 05
Bij de aanstaande sluiting der rekeningen herinner ik is«.
H.H. confraters nog, dat ik, om verschillende redenen,
niets op een volgend jaar in Commissie kan laten, en ver-
zoek ik HEd. beleefdelijk vóór Mei terugzending van het
onverkochte.
A. C. Kiuiskman. \'
De boekhandel maakte flink gebruik van deze aanbieding:
ongeveer 400 exemplaren werden van elk dezer romans geplaatst.
Behalve De Nicht-en en Ten Kate\'s Maria Magdalena was
nog geen oorspronkelijk Nederlandsen belletristisch werk bij
Kruseinan verschenen; van beide was het debiet geheel onvol-
doende, zooals bleek, lidmuiuls mandoline, een verzameling van
een aantal tusschen 1835 en 1844 vervaardigde gedichtjes van
zijn vriend S. J. van den Bergh, dat in 1844 het licht zag,
bracht daarin verandering. De uitgave gaf aanleiding tot een
kleinen twist onder de Haagsche boekverkoopers 3, welke echter
1 Advertentie in Nieuwsblad voor den Hoek handel 12 en 27 Decem-
ber 1844.
- De uitgave van dezen bundel had een kleine boekverkooperstwist
ten gevolge, schoon Kvuseman daarin als uitgever slechts zijdelings be-
trokken was. J. A. A. van den Bergh, de bloeder van den dichter,
die sedert een paar jaar als boekverkooper te \'s (Iravenhage geves-
tigd was, had, zoodra hij van de voorgenomen uitgaaf kennis kreeg,
bestellingslijsten bij zijn klanten doen rondgaan, nog voordat aan de
andere boekverkoopers bestellingslijsten door den uitgever toegezonden
waren. Toen in 18-1C Van Zeggelen\'s Laeh en Luim stond uit te ko-
men, was het te verwachten, dat ook thans weer door hem hetzelfde
middel ter hand genomen zoude worden. J. M. van\'t Haatf, de uitgever
van het Nieuwsblad voorden Boekhandel, meende zich tegen deze praktijk
te moeten verzetten en betoogde in een ingezonden stuk in het Nieuws-
blad
van den 2G Februari 184G, dat deze „bijzondere activiteit (?)" hoogst
ongepast was tegenover de andere boekverkoopers, die daardoor achter
het net zouden moeten visschen. Dit stuk gaf aanleiding tot hevige
woordenwisselingen tusschen de betrokken personen in \'s Gravenhage;
een persoonlijke overkomst van Kruseman naar den Haag was noo-
dig om de gemoederen weer tot kalmte te brengen, terwijl hij in het
volgend nummer van het Nieuwsblad bekende, „hoe het hem leed heeft
5
-ocr page 80-
66                    WET OP DE GEDWONGEN GELDHEFFING.
184*. niet nadeelig terugwerkte op het debiet; in tegenstelling met
De Nichten en met de Maria Magdalena zou de onderne-
ming voor Kruseman geen schadepost zijn. Hoewel Sam Jan
voor honorarium niet onverschillig kon zijn, had hij het kopy-
recht om niet aan zijn vriend den uitgever afgestaan, en deze
zag hier voor het eerst zijn vertrouwen in een Nederlandsen
letterkundig werk niet beschaamd. Trouwens het werk werd door
geestverwanten gunstig besproken; op verzoek van Alberdingk
Thijin had Teii Kate zich belast met de recensie van Edmundê
mandoline
in Be Spektaior \' en zich daarvan vrijwel naar ge-
noegen van Sam Jan gekweten ".
Nog zijn er een paar uitgaven in dit jaar 1S44 geschied,
welke der vermelding waard zijn.
In Maart verscheen bij Kruseman een uitgave van de Wet
houdende vaststelling eener buitengewone belasting op de bezil-
fingeu,
de zoogenaamde Wet op de gedwongen geldheffing van
F. A. van Hall. Hiervan was de oplaag vastgesteld op 1000
exemplaren in groot octavo, terwijl Kruseman van de Erven
Bohn overnam de oplage in klein octavo voor f 24.70.
Aan de tweede uitgave, die hier nog vermelding verdient,
is evenzeer de naam Van Hall verbonden.
gedaan, dat dit bundeltje reeds vóór zijne uitgave aanleiding tot onaan-
genaamheden gegeven heeft tusschen Haagsche Confraters. Welke prak-
tijken daar ook mede gebruikt zijn, hij verzekert, dat hij er niet de
minste kennis van gedragen heeft, en dat hij meent bij de verzending
naar recht en billijkheid, en dus zoo hij hoopt ten genoegen van allen,
gehandeld te hebben."
1 Brief van Alberdingk ïhijm aan Ten Kate 18 Juli 1844, mede-
gedeeld door J. F. M. Sterck in Nederland. Amst. 1893 Dl. II blz. 202.
De recensie zelve verscheen in De Spektaior. Dl. Y \'s Gravenh. 1845
blz. 358 vlg. 401 vlg. Ten Kate onderteekent zijn recentie *.....?.
5 „\'t Is zoo moeilijk een vriend oprecht te recenseeren: vooral iemant
als den goeden Sam, die overgevoelig is voor lof en blaam, de waar-
heid niet altijd penetreert en aan vormen blijft hangen. Hij is redelijk
kontent; maar vindt mijn standpunt overdreven." (Brief van Ten Kate
aan Alberdingk Thijm 17 October 1845, medegedeeld door J. F. M.
Sterck in Nederland. Amst. 1893. Dl. II blz. 324.)
-ocr page 81-
VAN HALL, HANDLEIDING KENNIS VAN LOCOMOTIEVEN. G7
Den 20 September 1839 was de eerste spoorweglijn hier in ism.
Nederland, die tusschen Amsterdam en Haarlem, geopend. Vijf jaar
later, in October 1844, verscheen bij Kruseman, voor rekening
van den schrijver C. C. van Hall, adjunct-ingenieur-directeur
der Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij een Handlei-
ding tot de kennis van de verschillende soorten van locomotieven
benevens praatische voorschriften tot het geleiden van dezelve,
die met inbegrip van een atlas van dertig platen/" 10.—
(_/\'12.80 netto) kostte \'. De Maatschappij had den dienst aange-
vangen in 1839 met 4 locomotieven • en dat materieel gaande-
weg met 11 uitgebreid *, zoodat in 1844 hier te lande slechts
15 locomotieven en even zoo veel machinisten waren. Het lijkt
me daarom een financieel uiterst gewaagde onderneming geweest
te zijn een dergelijk kostbaar werk toen over zulk een speciaal
onderwerp in het licht te geven. „Bij de uitbreiding, die de Spoor-
wegen eerlang ook in ons Vaderland zullen verkrijgen, schreef
de auteur in zijn \\Voor\\berigt, is er eene noodzakelijke be-
hoefte aan die soort van werklieden, welke men gewoon is
Machinisten of wel Geleiders der Locomotieven te noemen.
Vele werklieden pogen zich te oefenen, ten einde zich hier-
toe bekwaam te maken, maar zij zoeken te vergeefs in onze
taal naar eene geschikte handleiding, die, gepaard met eene
dagelijksche practische oefening, hun daartoe den weg zoude
kunnen banen."
In hoeverre het werk aan de verwachting voldeed weet
ik niet, daar de oplaag mij niet bekend is. Ik vermoed echter,
dat de uitgaaf aan haar bestemming beantwoord heeft. In het
begin van September 1845 toch werd de kopy met de overige
exemplaren bij advertentie in het Nieuwsblad voor den Boek-
1 De schrijver was met zijn bloedverwant Adrien üesiré Teyler van
Hall op de locomotief, die den 10 Maart 1843 op de Leederbrug bij
Warmond verongelukte; Teyler van Hall verloor daarbij het leven.
5 Snelheid, Hoop, Arend, Leeuw.
* In 1840 met de Atnstel, in 1841 met de Vulcanus (deze beide
waren van Nederlandsch fabrikaat door C. Verveer), in 1842 met de
Komeet, de Vesta en de Orion, in 1843 met de Sirius, de Salamander,
de Phoenix en de Urariia, in 1844 met de Pegasus en de Aurora.
5*
-ocr page 82-
68 VAN HALL, HANDLEIDING KENNIS VAN LOCOMOTIEVEN.
1844. handel \' te koop aangeboden. Die verkoop kwam niet tot stand,
want in April 1848 werd Kruseman zelf kooper van de 89
vesteerende exemplaren met het kopyrecht voor f 125; in de
auctie J. G. van Kestereu en Zoon verkocht hij 12 December
1849 de overige 60 exemplaren met het kopyrecht aan Petit
& Cu. te Utrecht voor f 150, zoodat hij in ruim anderhalf
jaar omstreeks f 250 aan het bezit van dit artikel verdiend had.
Wanneer in onze dagen liet spoorwegwezen zoo iets alle-
daagsch is geworden, dat een locomotief een doodgewoon voor-
werp geacht wordt, dan is de verklaring van het woord „loco-
motief" in dit werk gegeven, belangrijk genoeg voor de ken-
nis van die dagen, om hier over te drukken 2.
Wanneer men eene Stoommachine, in de plaats van op
een\' onbeweegbaren grond, plaatst op een beweegbaar
werktuig, b.v. op eene boot, of een\' wagen, dan noemt
men dit werktuig een Locomotief.
Locomotief is een nieuw woord, waaronder gerangschikt
moet worden eene soort van werktuigen, alleen van elkan-
der verschillende door den aard van het werk, dat zij
moeten verrigten; zoo zijn er Locomotieven voor booten,
voor gewone wegen en spoorwegen.
Behalve deze algemeene beteekenis van het woord Loco-
motief, wordt hetzelve meer bepaaldelijk gebruikt voor de
werktuigen, welke op de spoorwegen dienst doen; en in
dit geval wordt hieronder verstaan niet alleen de machine
zelve, maar ook de ketel, de wagen waarop het werktuig
rust, in één woord, het geheele samenstel, hetwelk dient
om de treinen op de spoorwegen voort te slepen.
Uit lexicographisch oogpunt verdient hier genoemd te wor-
den het Engelseh en Hollandseh woordenboek der technische
1 11 September 1845.
; Van Hall, Handleiding enz. blz. [5] Inleiding. — De Haarlem-
sclie Courant
van den 11 Maart 1843 vertaalde in haar verslag van
het bovengemelde spoorwegongeluk het woord locomotief in stoomtrekker.
-ocr page 83-
VAN HALL, HANDLEIDING KENNIS VAN LOCOMOTIEVEN. 09
benamingen van de deden eeuer locomotief, dat Van Hall aan ism.
zijn arbeid toevoegde. Een opsomming van enkele vertolkingen,
hier en daar uit die lijst gegrepen, versterkt mij iii de meening,
dat werkelijk deze uitgaaf geenszins liet beoogde doel gemist
heeft. Ik noem: Axle gnides, vetpotgeleiders; cross schaft l,
stellingas; co f ton wiek, katoenpitje; cross gleeper, dwarslegger 2;
drivingwheels, drijfwielen; fianch of- the lires, flens der wiel-
banden; priming, pruimen :!; reversing gear, gangkruk K;smoke
bom,
rookkast; slafs, steunen; splasher,slikbord; wheelguage 5,
spoormal. Die Nederlandsche benamingen zijn nog heden ten dage
in die door Van Hall aangegeven beteekeuis gebruikelijk ", en
aangenomen dat de vertaling dier Engelscbe technische uit-
drukkingen ook aan Van Hall te danken is, dan bewijst dat den
invloed van zijn Handleiding en indirect daardoor het debiet.
Het jaar 1845 gaf niet A\'eel meer verscheidenheid dan het
vorige : alleen verdient vernield te worden, dat voor de uitgave van
Daniël Ramée Geschiedenis der bouwkunst bij d<\' oude volken,eene
vertaling door.). II. Muller van de Manwelde F histoire générale de
Varchitecture chez tous les penpfes,
en welke vertaling in Februari
1847 compleet kwam, te vergeefs getracht werd een subsidie
van /\'2500 te verkrijgen van Z. M. uit het fonds ter aan-
moediging van goede ondernemingen; hoewel de regeering op
het werk inteekende, bleek de onderneming dan ook ten slotte
met een nadeelig saldo te sluiten \'; dat er een plan gevormd
1 Lees: cross sim ft.
- Lees: dwarsligger.
:i Water uitwerpen tegelijk met den afgewerkten stoom.
* Grangkruk is ook wel de naam voor het handel aan de stoointoe-
laatpijp.
\' Lees: wheel gange.
" Mededeeling van den heer H. J. Abresch, adjunct-ingenieur aan
de centrale werkplaats der Hollandsclie IJzeren Spoorwegmaatschappij.
7 In de Alphabetische naamlijst van boeken enz. (Amst. Brinkman.
1858 bk. 539 i. e. Ramée) is de titel onjuist. Het is mij althans niet
gebleken dat Kruseman meer uitgaf dan de Geschiedenis der bouwkunst
hij de oude volken.
Bovendien komt zoo ook de titel voor in den cata-
logus der fondsveiling van 1852\'. Eveneens is het jaartal 184(5 door
-ocr page 84-
70                                      KORN, HAAKBOEKJE.
1845. werd de Kosmos van Von Humboldt in Nederlandsch gewaad
te steken; dat ten behoeve van J. ¥. van Druten te Sneek afge-
zien werd van de uitgave van een vertaling van Flygare Carlèn\'s
Paul IFarnuug \'; dat van Da Costa\'s Alfonsus de Eerste, waar-
van liet kopyrecht (2 ex.) door Kruseman in September van dat
jaar met dat van Prometheus (15 ex.) voor/\'50 gekocht was uit
het fonds van .1. II. den Ouden, een herdruk bezorgd werd 3 en
dat in het einde van het jaar verzonden werd M. Korn
llaak-boekje. Onderrigt en voorbeelden voor allerlei werk in hel
haken,
een vertaling van Mina Korn Bas weisse Hakelbueh.
Met dit werkje dat Kruseman persoonlijk vertaalde en dat
hij vermoedelijk in de wereld bracht om te voldoen aan de
aanvragen, die zijn vrienden tot hem richtten om patronen te
verkrijgen voor hun vrouwen, had hij groot succes. De eerste
druk met een oplaag van 2000 exemplaren, was binnen een
paar maanden uitverkocht; de tweede oplaag in een zelfde aan-
tal getrokken (Mei 1846) werd in Juni 1847 door een derde
vermeerderde oplaag van 2500 exemplaren gevolgd en gaf bo-
veudien in 1840 den prikkel tot de uitgave van V. Benedictus n
Haak-boekje. Onderrigt en voorbeelden voor allerlei gehaakte voor-
tcerpen in kleuren,
waartoe bij eene op dit gebied welbekende
schrijfster had aangezocht. Hiervan was de afzet echter aanmer-
kelijk minder, daar in (5 jaar 2554 exemplaren geplaatst werden.
Brinkman genoemd, onjuist. Op het titelblad staat 1847, overeenkomende
met de maand Februari van dat jaar, waarin de laatste (zesde) afleve-
ring verscheen.
1    Advertentie in het Nieuwsblad voor den Boekhandel lljuni 1845
onderteekend: „ J. F. van Druten, boekhandelaar te Sneek". Paul Wer-
ninq
verscheen in 184(! met het adres van Van Druten en Bleeker.
2    De Alfonsus de Eerste was kort te voren (23 Augustus 1845) voor
de tweede- maal — op het programma van de voorstelling staat echter,
naar het schijnt ten onrechte, „nooit vertoond" — in den Amsterdam-
schen Stadsschouwburg vertoond. De voorstelling had aan De Spektator
(Dl. V \'sGravenh. 1845 blz. 386) weinig voldaan. Wellicht dat daarin
een reden gezien kan worden waarom de eigenaar van het treurspel
zich liet vinden het kopyrecht over te doen.
3    Zij was onderwijzeres op de Nederl.-Israëlitische armenschool te
Amsterdam.
-ocr page 85-
71
CHRISTELIJK ALBUM.
Nog schijnt Kvuseman in dat jaar weer getornd te hebbeu
aan een oud plan: het uitgeven van een periodiek blad; althans
het kan opgemaakt worden uit enkele brieven, die in het
laatste halfjaar van 1845 door hem ontvangen werden. De
Polichinel van 1849 vond een voorganger in de Uilenspiegel,
zooals dat blad, naar me voorkomt, zou moeten heeten. Daar
voorloopig althans van de zaak niets kwam, is het eenige
merkwaardige dat zich hieraan vastknoopt een brief van Hof-
dijk, geschreven uit Alkmaar den 22 Juli 1845, waarin hij
schrijft dat „het getal couranten die door 11.II. Boekh. alhier
bezorgd worden is \' Haarl. 15S — llaudelsbl. 3(5 — Arnh. 9 —
Kamper 24 — Amst. Cour- 4 — Oi/eo. 7 — Rotterd. 3 —
Held. 8."
1S4(5 echter toonde een gausch anderen aanblik; dat jaar
zag Kruseman met een uitgave voor den dag komen, waarin
hij voor het eerst zijn volle kracht toonen zou, nl. met het
maandwerk het Christelijk Album, Woorden van stichting in
onze huiskamers.
De menigte preeken, welke; in die jaren het licht
zagen hadden aan Krusemau de overtuiging geschonken, dat
het publiek gesteld was op stichtelijke lectuur. Maar juist die
overvloed maakte, dat die vorm in discrediet geraakte; gods-
dienstige vertoogen in losser stijl en door verschillende handen
bijeen gebracht konden een welkomer lektuur zijn in den huise-
lijken kring. Kruseman stelde zich in verbinding met Adriaan
Loosjes, thans rustend doopsgezind leeraar te Amsterdam.
Schoon nog maar leerling van de llaarlemsche latijnsehe school
was door dien veelbelovenden scholier met October ls45
reeds compleet bij De Jong te Arnhem uitgegeven De paarlen
des Bijbels,
dat in maandelijksche afleveringen verschenen,
grootendeels door hem geschreven was. Hij bood zijn mede-
werking en met Kruseinan\'s hulp de zorg voor auderer kopy
aan, daar hij wegens zijn jeugdigen leeftijd als eigenlijk gezegd
redacteur niet kon optreden. Loosjes ging hulp zoeken bij zijn
1 Het postkantoor had hem geweigerd opgaaf te verstrekken. Zijn
zegslieden in deze waren de loopjongens van Coster en van Van Vloten.
-ocr page 86-
72                                       CHRISTELIJK ALBUM.
vrienden van de Latijnsche school, bij Utile Du/cl, bij dat
kringetje van Haarlemsche jongelui, wier namen in later tijd
zulk een voornamen klank zouden hebben, en waartoe o. a.
Kuenen, Kaïiwenhofl\' en Mirandolle behoorden \' en slaagde bij
Abraham Kuenen en bij Herman Broos Az., de eerste nog niet
weder, de laatste reeds sedert geruimen tijd niet meer gymna-
siast, maar beide apothekersleerlingen. De eerste en de tweede
aflevering waren verschenen en om de animo er voor op te
wekken liet de uitgever flink werken met deze beide eerste
afleveringen en een daarbij verzonden prospectus.
De Uitgever A. C. Kruseman, te Haarlem, acht het
in zijn belang en tot genoegen van velen gepast, om de
uitgave van het Christelijk Album zoo veel mogelijk
bekend te maken. Hij verspreidt daarom dit Prospectus,
ten geleide van de beide eerste afleveringen van het werk
zelve ter inzage, terwijl hij allen, welke zich het Album
wenschen aan te schaden, verzoekt, den naam on te geven
van eenen Boekhandelaar in hunne woonplaats, door
wiens bemiddeling en tot wiens voordeel zij het exemplaar
verkiezen te ontvangen.
Overigens verwijst hij, wat het werk zelf aangaat, naar
het onderstaande
PROSPECTUS
VAN DE JREDACTIE.
Aan u, geliefde Medechristenen, geleerd of eenvoudig,
rijk of\' minder vermogend, jong of\' oud, aan u allen, die
1 Over de Haarlemsche Latijnsche school na te zien vooral A. Loosjes.
Uil de jeugd van Abraham Kuenen in Stemmen voor waarheid en vrede.
Utr. 1894 blz. \'25 vgl. — Wanneer ik hierbij Mirandolle noem, is dat.
omdat het mijn moeder, Mirandolle\'s oudste zuster, levendig voor den
geest staat, dat hij in die dagen door Loosjes verzocht werd een
stukje te leveren: een vertaling van een opstel uit een Duitsche alma-
nak werd goedgekeurd. Het is mij echter niet gebleken, dat een der-
gelijk opstel door Kruseman in druk werd uitgegeven.
-ocr page 87-
73
CHRISTELIJK ALBUM.
met een warm gevoel beseft, dat wij op deze wereld zijn,
om opgeleid te worden voor eene hoogere, wenden wij ons
bij den aanvang van onzen arbeid, waarvan gij hier de
eerste afleveringen vóór u ziet. Wij willen ons voor u en
voor ons zelven nederzetten, en een rustig uur afzonderen
van de overige, om het te wijden aan datgene, wat ons
het naast aan het harte moet liggen: — om wijzer en
beter te worden.
Wie van ons, hoe veel of weinig geoefend hij ook
zijn moge, heeft niet vaak behoefte aan eene hartelijke,
stichtelijke toespraak? En waar gevoelen we die beboefte
levendiger, dan in ons huis, als wij uit onze maatschap-
pelijke beslommeringen zijn teruggekeerd, of de ons opge-
legde huiselijke bezigheden volbragt hebben? — Hetzij
ons leven kalm en gelukkig daarheen gaat, en ons hart
dankbaar is voor den zegen van boven, hetzij ons pad
inoeijelijk is en treurig, en er zich zorgen laden op ons
gemoed: wij gevoelen zoo menigmaal, in de stille huiskamer
ter neer gezeten, eenen aandrang, om ongestoord en ernstig
te denken over ons zelven en over Hem, Die ons op deze
aarde heeft geplaatst en Die in den Hemel onze Vader
wil zijn. Dan wordt ons het harte week voor goede in-
drukken, en wij nemen als van zelve onzen Bijbel ter
hand, als eenen goeden en getrouwen vriend, die ons
spreekt over datgene, wat ous hart gevoelt uoodig te
hebben.
Maar, terwijl gij dien Bijbel vóór u hadt, hebt gij
zeker wel eens, ja dikwerf, nog naar een\' anderen vriend
gewenscht, een\' vriend, die met u spreken kon over al
het goede, dat er zoo lezende en denkende bij u omging;
die eveneens voelde als gij, maar die liet u in woorden
bragt en u helder maakte; die uwe gedachten regelde,
het gelezene toelichtte, Gods woord vergeleek met de
wereld om n heen, met uwe maatschappelijke en huise-
lijke verrigtingen, met u zelven, en die uw hart en uw
verstand zoodoende tot de vervulling van uwe bestem-
ming opwekte. Ziet! zulk een\' vriend wenschen wij u in
-ocr page 88-
74
CHRISTELIJK ALBUM.
ons Christelijk Album te geven. Wij willen met n
spreken over ons „beste deel": u en ons zelven trachten
op te leiden tot een waarachtig Christelijk leven in Geloof,
Hoop en Liefde, ü, uit die gewijde bladeren komt ons
telkens nieuwe stof tot onze gemoedelijke overdenkingen te
gemoet; liet beste Boek geeft ons zoo véél, dat nooit verou-
dert en nooit in waarde vermindert, dat nooit genoeg kan
overdacht en herlezen worden. Of wij verwijlen bij de
geschiedenis van Gods uitverkoren volk; of wij eerbiedig
stil staan bij de omwandelingen op aarde van onzen dier-
baren Heiland; of wij de vermaningen en lessen overwe-
geu, die onze Bijbel ons op iedere bladzijde toeroept —
overal, altoos vinden wij voedsel voor ons verstand, en
niet minder voor ons hart.
In dien geest willen wij korte opstellen verzamelen tot
een Album. Wat wij schrijven, zal niet gebonden zijn
aan een1 enkelen, ecu\' stijven vorm: het goede is goed
in iedere gedaante, en wij kiezen verscheidenheid naar den
verschillenden smaak onzer Christelijke Vrienden. Wij wil-
len niet geleerd schijnen, maar wij zullen eenvoudig zijn,
te verstaan en te gevoelen voor allen; gemoedelijk en
ernstig, willen wij als uit het hart tot het hart spreken.
Bijzondere leerstukken of meeningen raken wij niet aan;
wij laten ieder vrij in zijne wijze van denken: allen,
allen zonder onderscheid reiken wij de hand der broeder-
lijke liefde toe; allen, die maar Christenen heeten, welken
naam zij overigens dragen mogen. Ons is het slechts te
doen, om, wie er BEHOEFrE aan hebben toe te spreken
TOT VERHEFFING DES HARTEN EN OP TE WEKKEN TOT EEN
BLIJMOEDIG GELOOF, EENE WERK7.AME LIEFDE EN EENE
VERTROUWENDE HOOP, DIE ZICH OPENBAREN IN EENEN CHRIS-
TELIJKEN WANDEL.
Daartoe scheuke God ons Zijnen zegen!
Redactie.
De uitslag van deze onderneming beloofde bevredigend te zul-
-ocr page 89-
75
CHRISTELIJK ALBUM.
leii zijn: de uitgave werd in afleveringen a 25 cents voortgezet i»w.
en in December van 1846 verscheen de laatste aflevering van
den eersten jaargang van dit stichtelijk maandschrift, waarin de
onderstaande bijdragen opgenomen waren :
De verloren zoon
Gij zijt die man!            I . ,T t>            .
tt , a •• ■ ■ i ■ f o               door H. .Broos Az.
Hebt gij mij Lief f          i
Eene zaligspreking
Abrahams geloof, door A. Kuenen.
De rijke man en de arme Lazarus i
Elisabeth Fry                                               f , , ,. T,
n ,.., .             , ,         , , , ,,,s } door A.L.Jvrusemau.
De gelijkenis van net -mosterdzaad \\f) I
Het „Onze Vader" van Claudius            I
Werkend geloof in den Christen, door Boudewijn (Van der
Vliet).
Eene Pinkster vraag, door G. W. van der Pot, Remonstrantse!)
predikant te Leiden.
Pinkster, door S. J. van den Bergh.
Augustinns             I door C. Sepp, Doopsgezind leeraar te
Grietje-buur           j                             Westzaan.
Een avond van den predikant in zijne dorpskerk, door E.
Bennink Janssonius, Hervormd predikant te Roderwolde.
De overige bladzijden, waaronder Zondag-viering, dat is meer
dan ^/u van de 384 pagina\'s, waren van de hand van Loosjes \',
die daarvoor, zonder dat er afspraak of contract gemaakt
was, f\'200 honorarium ontving.
Voor een jaar ging het goed, dat het redacteurschap aan
zulke jeugdige handen was toevertrouwd. Maar toen het tijd-
schrift, dat niet bij alle theologen met instemming ontvangen
werd2, wat opgang maakte — in Augustus 1847 moest een
tweede oplaag van het eerste deel verschijnen, voor een groot
1 In een aanteekening schrijft Kruseman zelf echter uitdrukkelijk,
dat ook ltauwenhoff hehoorde tot de medewerkers van dezen eersten
jaargang; hij zegt evenwel niet welke artikelen van zijn hand zijn.
s „Aan uw verzoek om medewerking zal ik echter niet kunnen
voldoen, daar.. . ik geenszins deel in uwe meening, dat populaire gods-
dienstgeschriften ter verpoozing kunnen opgesteld worden. Degelijke
kost vordert behoorlijke bereiding. "Wat door velen in een boekwerk
-ocr page 90-
76
CHRISTELIJK ALBUM.
ïsni. deel te danken aau den colporteur P. Schmitz, die er in
1840 267 dagen voor werkte \' — kon het blijvend wei-
slagen van het debiet niet afhankelijk gesteld blijven wor-
den aan de bewaring van het geheim. Met een student van
het eerste jaar als redacteur kon Kruseman niet voor den dag
komen en zoodanig een was ongeschikt om een aantal bekende
en genoemde medewerkere voor het Albiun te winnen; er diende
omgezien te worden naar een bekend predikant om als vaste
redactie aan liet hoofd van het tijdschrift te staan.
Op dringend aanzoek der Haagsche vrienden werd Gerard
J)avid Steringa Knijper, toen hulpprediker te O pijnen in Gel-
derland, één van de Groningsche letterkundige club, waartoe
ook Hecker, de Hippocreeu-ontzwavelaar en Bennink Jans-
sonius behoorden, hiertoe bereid gevonden, tegen een kono-
rarium van f 250 ~. Schoon Knijper reeds enkele populaire
novellen geschreven had en daarom de rechte persoon be-
loofde te zullen zijn, logenstrafte de uitkomst dit gunstig
gevoelen. „De keus kon niet slechter: de redacteur, zieke-
lijk en zwaartillend deed niets, zoodat al de zorg voor kopy
en briefwisseling met de medewerkers op mij [Kruseman] neder
kwam \'"; de groote afstand tusschen redacteur en uitgever
moest een geregelden gang van zaken ook al niet in de hand
werken, zoodat met 1S49 naar een nieuwen redacteur omgezieu
moest «orden, welke gevonden werd in Willem Carel Mauve,
leeraar bij de Doopsgezinden te Haarlem. Wijziging of ver-
andering onderging het Albiun onder diens redactie niet; alleen
deze, dat terwijl de bijdragen in den eersten jaargang geheel
geleverd wordt, mist doorgaans ook die eenheid, waaraan men den naam
van bepaald karakter geeft, en dat mij wenschelijk voorkomt." (Brief
van F. J. Domela Nieuwenhuis 29 Mei 1816).
1 De eolportagekosten beliepen in 184G f 1291.45, voor de beide
eerste jaren /\' 2580.15.
s Voor den jaargang 1818 verminderd tot /\' 200.
3 Een voorbeeld: Van Herwerden schreef Welke is de kracht van het
Christetuiom in dezen lijd:\'
Schoon eerst aangenomen voor het Chrisle-
lijk Album
oordeelde de uitgever het daarvoor niet geschikt, maar niet-
temin belangrijk genoeg om afzonderlijk in brochurevorm bij hem het
licht te zien (1848).
-ocr page 91-
77
CHRISTELIJK ALBUM.
anoniem verschenen waren en in de beide volgende jaargangen 184<>-
slechts hier en daar initialen te lezen zijn, eerst met het op-
treden van Mauve de opstellen regelmatig van initialen voor-
zien werden. Ook werden eerst met dezen jaargang alle bij-
dragen gehonoreerd en kon dit goedkoope en godsdienstige
huisboek onder medewerking van in de tachtig predikanten
uit alle streken van het land reeds op ruim 4000 inteeke-
naren wijzen. Welbekende predikanten als J. G. Boekeuoogen
te Wormerveer, J. ab Utrecht Dresselhuis te Wolfaartsdijk, T.
van Duinen Jr. te Surhuisterveen, Prof. P. Hofstede de Groot
te Groningen, Dr. II. Heemskerk te Amsterdam, C. Hooijer
te Zalt-Bommel, J. C. Schultz Jacobi te Rotterdam, Dr. II.
Bennink Janssonius te \'s Gravenhage, J. J. L. ten Kate te
Middelburg, J. C. Kinderman te Edam, Dr. L. S. P. Meyboom
te Nijmegen, H. C. Millies te Amsterdam, Prof. W. Muurling
te Groningen, .1. G. de Hoop Scheller te Amsterdam en B.
T. Lublink Weddik te Amsterdam noemt de Naamlijst van
mede-arbeiders
afgedrukt in het Prospectus van den jaargang
1850. Die breede lijst van medewerkers, waaruit ik hier slechts
enkele bekende namen mededeel, is wel het beste bewijs, hoe
gunstig bij de toenmalige woordvoerders van het godsdienstig
leven hier te lande liet Christelijk Album, aangeschreven stond.
Het was een allergelukkigste greep geweest, dit stichtelijke
huisboek voor alle standen, dat aan andere uitgevers tot 7no-
del diende van dergelijke ondernemingen, zooals aan D. H.
Pikkert te Amsterdam voor zijn Christelijk museum, aan Ipen-
buur en Van Seldam te Amsterdam voor hun Christelijke ocer-
den kingen
onder redactie van J. J. L. ten Kate.
Een groote aanbeveling voor dit tijdschrift waren van den
beginne af de staalgravureu, in kwarto formaat, die bij wijze
van premieplaat telkens bij de eerste aflevering verzonden,
later bij het komplete deel als titelplaat konden worden bij-
gebonden. Niet alleen hierdoor, maar ook door gelukkige col-
portage en door het uitzenden van een overvloed van pros-
pectussen \' werd het debiet gevestigd. De goedkoope prijs
34 riem in 1847.
-ocr page 92-
78
CHRISTELIJK ALBUM.
van 25 cent voor een maandelijksche aflevering van omstreeks
drie en een half vel alleen was niet voldoende om in voldoende
mate een genoegzaam debiet op te wekken; daartoe was „«er-
ken" met de uitgaaf noodig geweest, maar ook dank daaraan
was het Christelijk Albnm, een treffelijk denkbeeld, een uit-
gave geworden, die de moeite en zorgen daaraan door den
uitgever besteed, ruimschoots beloonde;. Want dat het debiet
werkelijk niet onaanzienlijk was blijkt uit de volgende uit
de fondsboeken opgemaakte tabel.
1KW
Oplaag.
Debiet bij iuteekening.
1840
2500
herdruk 990
1S47
5500
1848
5500
1S49
4500
1850
4500
1851
4500
1S52
5000
J 853
5000
1854
4500
1855
4000
1850
3500
1857
3000
.\'3200
ex
3200
"
5000
»>
4200
>>
4000
>>
4050
»\'
4004
"
3592
3326
>)
2747
>>
2433
>>
2370
>}
(>X.
Ongeveer 100 exemplaren werden bovendien nog jaarlijks
geplaatst in gekartonneerde deelen, zoodra de jaargang kom-
pleet was.
Tot 1857 bleef Kruseman dit tijdschrift uitgeven, dat
steeds met waardeering in godsdienstige kringen ontvangen
werd \', maar een steen des aanstoots was in streng orthodoxe
\' „Het Christelijk Album of het Evangelisch Penningmagazijn; ach-
tenswaardige maandschriften, doch geen organen in den geest van Heine"
schreef Huet in 1864 (Litterarische Fantasie» en Kritieken Haarl. z. j.
Dl. XIV blz. 143.)
-ocr page 93-
79
CHRISTELIJK ALBUM.
huisgezinnen \'; veel goeds bracht het er aan toe om gezonder i*46-
en beter begrippen omtrent het innig godsdienstig leven te
verspreiden en aan te kweeken. In de eerste generale fonds-
veiling van 1S57 verscheen dit tijdschrift, dat met dat jaar
een nieuwe reeks en daarmee, ook doordat hier voor liet eerst
de bijdragen voluit door de schrijvers geteekend werden, als
\'t ware een nieuw bestaan ingetreden was: de 6771 deelen
in losse vellen en ongeveer .\'5(10 deelen gevouwen in afleverin-
gen en 70 in karton gingen in de veiling voor f 7309.55 3 in
eigendom over aan Joh. Noman & Zoon, die onmiddellijk met
de oude jaargangen ging werken 3 en uit de jaargangen bij
Kruseman verschenen, een Bloemlezing in het licht zond. De
redactie werd sinds 1858 in de plaats van Mauve voortgezet
door O. Hooijer, predikant te Zalt-Bommel, den stadgenoot
van den nieuwen eigenaar.
Tot 1865 bleef Joh. Noman & Zoon eigenaar van het
Album; de jaargangen 1865 tot 1869 verschenen te Arnhem
bij I). A. Thieme en J. Voltelen. In 1870 werd het door
G. H. van der Schuyt te \'s Hertogenbosch, den uitgever van de
Bibliotheek van moderne theologie en letterkunde, gecombineerd
met de Evangelie Spiegel tot een Godsdienstig Album, onder
redactie van J. P. de Keyser, predikant te Arnhem, en A. G.
van Hamel, Walsch predikant te Leeuwarden \', onder welken
titel de oude schepping van Kruseman met 1871 opnieuw haar
intree deed op de boekenmarkt.
Om vrij wat redenen moet de waarde van het Christelijk
Album
in de geschiedenis van de uitgeverszaak niet gering
geacht worden. Meer toch dan een andere uitgaaf tot nu toe
gedaan had, bracht deze onderneming Kruseman\'s naam onder
het publiek: circa 35006 afleveringen moesten jaarlijks verzon-
1 Brief van Elise Schitftling 6 Februari 1847, waarin zij het tooneel
beschrijft, dat ontstond bij het ontvangen van eene aflevering van het
Album in het huisgezin, waarin zij de betrekking van gouvernante be-
kleedde. De brief is niet geschikt ter openbaarmaking.
: De elf jaargangen hadden aan Kruseman f 58872.10 gekost.
3 Nieuwsblad voor den Boekhandel 5 November 1857.
* t. a. p. 23 November en 7 December 1870.
-ocr page 94-
80
DE VRIES, DE WETGEVENDE AfAOT.
wc. den worden. Dat maakte Kruseman als uitgever bekend. Omge-
keeid bracht liet Christelijk Album hein in aanraking met auteurs,
waarmede hij anders niet zoo spoedig in relatie gekomen zou
zijn; in elk ojjzicht was dus dit tijdschrift een voortreffelijke
onderneming te noemen, daar zij vooral de aanleiding bood
om de handelsrelaties van den uitgever naar verschillende zij-
den uit te zetten en op breeder basis te vestigen \'.
Maar daarbij bepaalde zich niet het jaar 1S46, waarin
Kruseman voor het eerst ten volle toonde wat hij was. Met
Mr. G. de Vries Az., destijds procureur bij de Arrondisse-
mentsrechtbank te Haarlem, werd een contract gemaakt over de
uitgave van De wetgevende magt der plaatselijke besturen naar
art. ./•)•>\' der Grondwet,
waarvan het kopyrecht met halve
winstrekening voor eiken druk aan den schrijver verbleef: twee
oplagen, waarvan 1089 exemplaren in den handel gebracht
werden, — de eerste druk was binnen zes maanden geplaatst ■—
werden in dat jaar uitverkocht; van een Natuurlijke aar dr ijks-
beschrijving
in twee deelen en een Algemeene statistiek voor
handel en nijverheid
in drie deelen, beiden door D. Buddingh,
leeraar aan de Koninklijke Academie te Delft, grootendeels
naar Hoogduitsche bronuen bewerkt, zagen de eerste afleverin-
gen liet licht, waarbij voor het laatste werk weer ijverig door
Van Os met A\'oldoenden uitslag gecolporteerd moest worden 3.
1 Ds. Loosjes had de welwillendheid mij vooral omtrent den eersten
jaargang van het Album uitvoerige mededeelingen te doen en daarbij
tevens te wijzen op enkele onjuistheden die door Kruseman in zijn
Bouwstoffen (UI. I blz. 102) hieraangaande vermeld worden. — Zie
ook Dr. Joh. Dyserinck in de Tijdspiegel, \'s Gravenh. 1897 Dl. I blz. 4.
= De eerste twee afleveringen van dit laatste werk waren bij A. ter
Ghinue te Deventer verschenen. Bij minnelijke schikking weiden die met
het kopyrecht door Kruseman gekocht (adv. in Nieuwsblad voor den
Boekhandel
28 Mei 1846). Deze uitgaven werden door Kruseman bij
tussebenpoozen tot ultimo 1857 voortgezet als Jaarberigten van alge-
meene statistiek voor landbouw, handel en nijverheid,
als Mededee-
lingen betreffende de algemeene statistiek voor landbouw, handel en
nijverheid
en als Nieuwe statistieke mededeelingen betreffende den land-
bouw, handel en nijverheid in Nederland.
Over dit laatste werk meende
-ocr page 95-
BUDDINGH, NATUURLIJKE AARDKIJKSBESCHHIJVING.          81
Buddingh was op dat oogenblik vrij wel de eenige, die zich i*w.
hier te lande aan de statistiek liet gelegen leggen. Door zijn
uitgaven echter vestigde hij weer de aandacht op het belang,
dat het gouvernement in de eerste plaats moest hebben, bij
een nauwkeurige kennis van den stottelijken, intellectueelen en
moreelen toestand van de maatschappij; hij zag dan ook
zijn streven met goed gevolg bekroond door het kort daarop
in 1847 naar Belgisch voorbeeld ingestelde Bureau voor de
statistiek aan het Departement van Binnenlandsche Zaken, de
uitgifte vanwege het Gouvernement van eeue Statistiek van den
handel en scheepvaart,
over 184(5 en 1S47, in 1851 gevolgd
door het officieele Statistisch jaarboekje voor het Koninkrijk
der Nederlanden
en in 1858 door de oprichting van een llijks-
conimissie voor statistiek en van Bureaux voor statistiek in
elke Provincie \'.
Ook verschenen bij Kruseman in 184(5 gedichten van zijn
vriend Van Zeggelen.
In het voorjaar van 1845 kwamen beide vrienden overeen,
dat Van Zeggelen zijn portefeuille met „rijmelarijen" zooals
hij het noemde, eens zou nasnurtelen om te zien \'of daar ook
M. M. von B[aumhauer| in De Gids (18;">8 Dl. II. blz. 274) een streng
vonnis te kunnen en te moeten vellen.
Uiterlijk zijn de titelbladen van de Altjemeenc statistiek niet onbe-
langrijk : onderling verschillen zij bij de drie deelen in indeeling dei-
regels. Die uitgaven zouden daarom geen hoogen dunk van de aesthe-
tische bekwaamheden van Kruseman kunnen geven. Of zijn die ver-
schillen toe te schrijven aan den auteur, of aan den drukker Ter Gunne,
van wien hij het kopyrecht tier eerste en tweede aflevering had overgeno-
men? En vervolgens zijn die titelbladen belangrijk, omdat daar nog een
ouden sleurgang gevolgd wordt, waartegen Kruseman reeds in die dagen
zeer gekant was; het adres luidt: Te Haarlem, bij A. C. Kruseman,
in plaats van Haarlem \\ A. C. Kruseman.
Wel is waar is die zijns inziens niet te verdedigen indeeling van
het adres ook te zien o.a. op den titel van het Christelijk Album ; ik kan
mij echter voorstellen, dat hij om zijn eerste tijdschrift te doen slagen
zijn denkbeeld daar heeft opgeoiferd aan zijn handelsgeest.
1 Staatsblad 1858 no. 75 en 76.
(i
-ocr page 96-
82
VAN ZEGGELEN, LACH EN LUIM.
1840. voldoende kopy in school om een bundel gedichten bij Kru-
seman uit te geven. Een vruchtbaar dichter als Van Zegge-
len had weinig moeite om de kop}r daartoe in korten tijd
te leveren; ruim een half jaar later was de bundel zelve reeds
zoo goed als gereed. Den 14 Augustus stond Van Zeggelen
echter aan het sterfbed van zijn huisvrouw Glaudiana Jacoba
Maria Giunta d\'Albani, zoodat het ten volle begrijpelijk was,
dat hij daarna niet veel lust had om een oog te werpen in
zijn eigen vroolijkheden \'. Want luimig en geestig zouden de op-
genomen versjes zijn. De keus van een passenden titel baarde
allerlei bezwaren: Lachjes, Luimen, Strikken en kwikken.
Poppen en prenten, Jok en luim, Olla podrida, Kool, en kren-
len, Kool en kwik, Krinkels en krullen, Kortswijl en scherts,
Klanken en kleuren,
waren achtereenvolgens door de céne of
door de andere partij voorgesteld. Uitgever en schrijver konden
het niet alleen niet eens worden, maar het verschil werd
zelfs van dien aard, dat het eenige verkoeling gaf\' in hun
beider vriendschap en op een verwijdering tusschen beiden
scheen te moeten uitloopen. Zoo ver kwam het echter niet:
integendeel. „Een handdruk van vriendschap; een handdruk
van trouw! schreef Van Zeggelen ten slotte den 27 Januari
1846. Daar heeft bij mij niet een oogenblik kwaad bloed ge-
zeten, dat verzeker ik u. We hebben een dieper blik in el-
kanders hart geworpen; onze kleine schermutseling heeft ons
nader tot elkander gevoerd. Laten wij er niet veel meer over
spreken: maar verdenk mij niet meer van koelheid jegens u;
of dat ik met anderen over u met zoo veel minachting zou
spreken of dit van anderen dulden zou, als ge u in die spleen-
bui verbeeld hebt. — Wil ik u eens wat zeggen: ge denkt te
bescheiden, te min over u zei ven. Geloof me, ge zijt meer
geacht en bemind dan ge u zelf verbeeldt. Te ver gedreven
nederigheid kan ook kwaad doen, vriend!" Lach en luim zou
de titel zijn: lach het bas-comique, luim de fijnere scherts.
Lach en luim. Losse dichtstnkjes van W. J. van Zeggelen vond
zijn debiet. Den 1 Maart 1846 werden de exemplaren in commis-
1 Brief van Van Zeggelen 27 Augustus 1845.
-ocr page 97-
88
DICKENS, DOMBEY EN ZOON.
sie verzouden, de oplaag (990 ex.) was spoedig uitverkocht; een 1S46.
tweede druk (740 ex.), die met een nieuwe letter in Engelsche
snee gezet werd, volgde in November van dat jaar; eenderde
goedkoopere druk in kleiner formaat (2000 ex.) kwam 5 jaar
later van de pers (1851), bijkans gelijktijdig met de Kijkjes
in \'t leven,
een dergelijke bundel, die door den auteur zelf
wel 100 percent hooger gewaardeerd werd \'. Ook toen weer
dezelfde moeielijkheid over een juisten titel: „die titels, die
titels! \'t kost mij \'t grootste hoofdbreken" 2 en Sam Jan moest
te hulp geroepen worden om een oplossing aan liet vraag-
stuk te geven; natuurlijk liet deze zich gereedelijk viuden een
beslissing te geven, waar hij zijn beide vrienden van dienst kon
zijn. Ook van deze verzameling moest in December 1853 een
nieuwe oplaag van 2050 exemplaren ter perse gelegd worden.
De romanliteratuur werd onderwijl niet verwaarloosd en een
uitgaaf op dat terrein zou Kruseman voor het eerst in moeie-
lijkheden brengen met de confraters.
De groote opgang, die aan de romans van Dickens in Euge-
land te beurt viel, had reeds verschillende uitgevers hier te
lande aangespoord vertalingen van zijn werken in het licht te
geven. Vooral Frijlink te Amsterdam, die zich o. a. Samuè\'l
Pickwick, Nicolaas Nickleby, Maar feu Chuzzlewit
en De toren-
klokkèn
ter vertaling had weten te verzekeren, was de uitgever,
die de voornaamste werken van dien auteur in zijn fonds
had opgenomen en daarom een soort van recht meende te
hebben op de nog te verschijnen werken van Dickens. De naam
van Dickens had echter een te goeden klank, dan dat ook niet
anderen zich in het bezit zouden trachten te stellen van het recht
ter vertaling van elke- nieuwe pcnnevrucht. Zoodra dan ook
bekend werd, dat er in Engeland een nieuw werk van dezen
gevierden auteur zou uitkomen, kondigde Van der Vliet te
\'sGravenhage in Mei 1846 de Dealings with the Jirm of Dom-
he;i fy Son
ter vertaling aan. Toen hij kort daarop echter be-
1 Brief van Van Zeggelen 6 Januari 1851.
= t. a. p.
6*
-ocr page 98-
84
DICKENS, DOMBEY EN ZOON.
18«5. speurde, dat ook zijn vriend Kruseman aan een zelfde plan
niet vreemd was, verbond hij zich met hem om dat werk te
zamen uit te geven, maar onder wederzijdsche afspraak, dat
zij liet vertalingsrecht van een ander zouden eerbiedigen, als
die hen vóór was geweest met het vertoonen aan het stadsbe-
stuur \'. Zij wisten van de plannen van Frijlink, hoe deze
eveneens zijn oog had laten vallen op dit werk en de verta-
ling ervan aan Mensing opgedragen had; van zijn kant trachtte
Frijlink echter met Boudewijn in een accoord te treden.
Van der Vliet en Kruseman namen dat voorstel niet aan,
daar zij door bijzondere omstandigheden — welke zal hieronder
blijken-— in staat waren, hun vertaling tegen minderen prijs
dan Frijlink de zijne aan de markt te brengen. Frijlink kon-
digde daarop ook van zijn kant in het Handelsblad 3 en in het
Nieuwsblad:1 in een vrij uitvoerige advertentie aan, dat hij
„binnen weinige dagen verzendt de Kerst-e. aflevering van ....
Handelsverkeer met de firma Dombej) en Zoon, Grossiers, Debi-
fanteu en Expediteurs."
In het volgend nummer van het Nieuws-
hlad *
plaatste Van der Vliet een stukje, geteekend C., met
het opschrift „\'t Is maar een vraag !" : Hoe is \'t mogelijk, dat
„de lieer Frijlink mij binnen weinige dagen een werk [zal] be-
zorgen, dat zelfs in Engeland eerst op den eersten October e.k.
verkrijgbaar zal zijn?", hetgeen weer een wederwoord uitlokte,
dat de redactie van het Nieuwsblad later verklaarde niet af-
komstig te zijn van de kant van Van der Vliet c. s., die
het zeggen van Frijlink doodeenvoudig charlatanisme noemde s.
Frijlink bleef echter een gevaarlijk concurrent en hem diende
de pas afgesneden te worden. Was hij de eerste, die de eerste
aflevering kon verzenden, Van der Vliet moest noodwendig
achter het net visschen. Het was haastig, gejaagd en zenuw-
1    Advertentie van Van der Vliet, Kruseman en Nijgh in Nieuws-
blad voor tien Boekhandel
8 October 1846.
2    8 September 1846.
:\' 10 September 1846.
4    17 September 1846.
5    Het ingezonden stuk in het Nieuwsblad voor den Boekhandel van
den 24 September 184(5 is onderteekend D—C.
-ocr page 99-
85
DICKENS, DOMBEY EN ZOON.
achtig werken dat Van der Vliet deed, om de vertaling — ws.
want hij zelf had die op zich genomen — het eerst gereed te
hebhen. Hij meende, dat reclame voor hun onderneming de
beste vruchten zou moeten afwerpen. „Hoe meer poeha!!!!
hoe beter" schreef hij aan Kruseman \'.
1 Brief van Van der Vliet 3 October 184G.
In levendige kleuren schetst Kruseman in zijn Bouwstoffen (Dl. 1 blz.
370 vlg.) ons een beeld van dezen letterkundigen boekverkooper en van
de voor dien tijd ongewone middelen, die hij te baat nam om zijn tijd-
Bchrift De Tijd opgang te doen maken. Hoe weinig de blufferige adver-
tenties, die hij ook in het Nieuwsblad plaatste bij de „eonfrèrie" een
gunstig onthaal vonden, mag blijken uit eene advertentie in het. Nieuw*-
blad
van den 25 Februari 1847 :
V. D. 105.) 120.) VL.
Tant va la cruche a 1\'eau, <[u\' a la fin elle se casse.
V. 107.) G.
Parturiunt montes et nascetur ridiculus mus.
De nummers 105 en 120 wijzen terug op advertenties van Van der
Vliet in het Nieuwsblad, terwijl onder n". 107 in het Nieuwsblad van den
11 Februari 1847 een advertentie voorkomt van H. V. van (iogh te liot-
terdani. — In verband met het versje uit de Braga, door mij op blz. 1
geciteerd, druk ik hier af een ander versje dat De Spectator (Dl. VIII
Utr. 1848 blz. 143) mededeelt over de door Van der Vliet geleverde cri-
tieken:
Antipathie en sympathie.
Men had gedacht, dat Boudewyn
Een beter Kecensent zou zyn.
En als een knap ap\'theker,
Vergulden zou het schoorsteenrbet
Der pillen, die hy slikken doet,
Qua kermismarktstoelspreker.
Maar wat de ap\'theker-charlatan
Voorbeeldig kan:
\'t Is purgatief klisteren.
De schryvers zyn hem veel verpligt:
Hy spnit ze flink in \'t aangezigt,
Om \'t werk niet af te leeren.
Doch wien hy nazitt\' met zijn spuit,—
Dit strekt zyn hart ter eeren —
Ap\'thekerskindren sluit hy uit.
Boudewijn overleed den 11 November 1851 in den ouderdom van slechts
-ocr page 100-
86
DICKENS, DOMBEY EN ZOON.
i84c.            Tocli scheen al hun ijveren op niets te moeten uitloopen.
Ook Nijgh te Rotterdam had zijn oog gevestigd op dit nieuwe
werk en kon, daar hij als Rotterdammer de Engelsche uitgaaf
eerder in zijn hezit had dan Van der Vliet, te \'s Gravenhage,
die de Engelsche uitgaaf betrok van Adolf Baedeker te Rotter-
dam, het werk reeds den 1 October, des namiddags ten half een
ure aan zijn stadsbestuur ter vertaling aanbieden, hetgeen Van
der Vliet, die het werk eerst \'s avonds laat ontving niet voor
den volgenden dag kon doen \'. In weerwil van liet smartelijke
van hun pogingen verijdeld te zien, meenden Van der Vliet
en Kruseman het recht van Nijgli te moeten eerbiedigen, die
hun eenige uren vóór was geweest. Zij begaven zich intusschen
naar Nijgh en stelden hein voor om van liet door hen erkende
recht oj) het werk afstand te doen. Het gevolg daarvan was,
dat daarop Nijgh zich bij hen aansloot. De firma Dombey en
Zoon, handelaars in \'t groot en klein naar
Charles Diekeus
door Boudewijn werd uitgegeven door Van der Vliet, Kru-
senian en Nijgh en de eerste aflevering, slordig van correctie,
een gevolg van het haastige wérken, zag het licht in een aar-
dig steendrukomslag door E. Spanier; expeditie en administra-
tie van de uitgave zou Kruseman behartigen, zooals op dat
omslag te lezen staat.
Niettemin zag Frijlink van zijn voornemen niet af, maar
zonder zich aan vertalingsrecht of iets hoegenaamd te storen,
gaf ook hij een eerste aflevering uit. Het driemanschap kon
echter gelijk reeds gezegd is, het werk goedkooper debitee-
ren dan Frijlink: * de Vereeniging voor den Boekhandel gaf
hun een subsidie tegen de concurrentie van Frijlink. Zoo als
Kruseman in zijn Bouwstoffen2 mededeelt, was Frijlink een
paar jaar te voren, in een geschil met Stemler over een ver-
taalde uitgaaf van de American uotes for general circutatiou
37 jaar. Van Schaick schreef in De Tijd (Dl. XV \'s Gravenh. 1852
blz. 4.r>) een necrologie bij zijn portret.
1 Zie de advertenties van Nijgh en van Van der Vliet in het Ilan-
ttelsblad
van den 3 October 1846.
- Dl. I blz. 324 vlg.
-ocr page 101-
DICKENS, DOMBEY EN ZOON.                               87
van Dickens bij rechterlijk vonnis in het ongelijk gesteld, i«*6.
waarop hij geineend had zijn ontslag te moeten nemen als lid
der Vereeniging. De Vereeniging van haar kant had, ook naar
aanleiding van meer andere moeielijkheden over liet vertal ings-
recht, in een buitengewone algemeene vergadering van den 17
November 18-45 een nieuwe bepaling gemaakt, waarbij de leden,
uitgaande van het beginsel, dat eeue vrije concurrentie in ons
land niet dan ten nadeele van den Boekhandel zou kunnen
strekken, zich onderling verbonden hadden om met de meeste
nauwgezetheid elkanders eigendom van kopyen te eerbiedigen
en te handhaven. Op grond van deze bepalingen, meende het
Bestuur der Vereeniging op verzoek van Kruseman hare leden
de hand boven het hoofd te moeten houden tegenover haar
vroeger lid, en stelde Kruseman c.s. in de gelegenheid „om
van hunne uitgave den boekverkoopersprijs te verminderen
met 10 cents per aflevering, onder toezegging van hun
van de verkochte exemplaren, hoogstens tot een bedrag
van 500, deze 10 cents te vergoeden uit de kas der Ver-
eeniging, met dien verstande, dat deze vergoeding zich bepale
tot 2/:), daar de Heer J. L. van der Vliet, als voor \'/.i
bij deze onderneming geïnteresseerd, geen lid is der Vereeni-
giug, en de schade, welke hij bij deze prijsvermindering zal
komen te lijden, alzoo niet door haar kan worden gedragen." \'
Bij circulaire van den 12 October 1846 meldde het Bestuur der
Vereeniging deze beslissing aan haar leden. Hoewel Frijlink,
die reeds de eerste aflevering van zijn vertaling in het licht
gegeven had 2, zich verongelijkt achtte, trok hij zijn uitgaaf
terug niet alleen, maar verklaarde zich bereid om met Kruse-
1     Verslag der algemeene vergader/m/ van de. Vereeniging 9 Aus^us-
tus 1847 blz. 23.
2    Zij verscheen onder den titel Zaken mei de firma Dombeg en
Zoon, groot-, klein- en expeditie-handelaars. Naar het Engelseh van
Charles Dickens. Door den vertaler van Satnuel Pickwick, Nicolaas
Nickleby, De Klok van Meester Humphrey, Maarten Chuzzlewit, enz.
|C. M. Mensing]. — De Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde
te Leiden kwam in 1890 in het bezit van een exemplaar dezer hoogst
zeldzame aflevering.
-ocr page 102-
88
DIOKENS, DOMBKY KN ZOON\'.
1846. man c.8. in ouderhaudeling te treden; ten hunne behoeve deed
hij afstand van zijn onderneming, wier kosten (ƒ\'£58,15) door
Kruseman werden overgenomen en Frijlink gaf zijn verlangen
te kennen opnieuw als lid der Vereeniging te worden voor-
gesteld, wier macht wederom gebleken was.
De genomen maatregel mocht echter niet aller goedkeuring ver-
werven. Toen in het volgend jaar het Bestuur der Vereeniging den
boekhandelaar Binger te Amsterdam, in zake eener aangekondigde
vertaling van de duitsche overzetting van Sue\'s hes nept, péchés
cajriiaux,
„dat misschien meer dan dat van Strauss, vernietigd
diende! te worden1\' \' de hand boven het hoofd hield, gaf Een vriend
thr V\'-reeuigiug
als zijne meening te, kennen dat door dergelijke
handelwijzen voor de knoeiers de wijde deur tot misbruiken
opengezet wordt, daar het niet aangaat, dat, terwijl de wet
het vertalingsrecht vrijlaat, de hoekverkoopers onderling elkaar
een dwang opleggen. „Wat baat dan de dwang als telkens de
middelen, om dien aan te wenden, vermeerderd, schier ver-
dubbeld moeten worden." 9 Een ander vriend der Vereeniging
\' Bedoeld wordt I). F. Strauss. Het leven van Jezus Christus, kri-
lisch bewerkt.
(Gron. 1841). l)e groote beweging, die dit boek in den
lande gaf, was oorzaak dat bet Bestuur der Vereeniging zich gerech-
tigd achtte, toen J. H. Bolt te Groningen in 183!) bet plan bekend
maakte dit werk in een Nederlandscb gewaad te steken, eerst bij cir-
culaire aan den Boekbandel de confraters uit te noodigen op dit werk
„als pogende de bechtste grondzuilen van de Christelijke Godsdienst te
ondermijnen", „geen inteekenaren aan te nemen, maar tevens alles aan
te wenden, wat strekken kan, om de verspreiding van dit kwade zaad
tegen te werken en zoo mogelijk te verhinderen", waartegen de uitge-
ver terecht opkwam, en later, toen het kopyrecht van het eerste deel
van deze vertaling op een ongebonden auctie in bet najaar van 1843
voorkwam, deze aan te koopen. Op voorstel van J. C. van Resteren be-
sloot de Vereeniging de exemplaren buiten den handel te houden. (Ver-
slmj der alijemeeae vergadering van de Vereeniging
12 Augustus 1844
blz. 4.) — Vgl. Kruseman Boawsto/fen Dl. 1 blz. 14, Dl. II blz. 310.
2 Nieuwsblad voor den Boekhandel 25 November 1847. — Vgl.
het advies van I. A. Nijhoff, uitgebracht aan de alg;jmeene vergadering
der Vereeniging, gehouden Augustus 1847, om te betoogen, „dat het
uitsluitend vertalingsregt niet alleen nadeclig, maar ook onregtvaardig,
het vrije regt niet alleen heilzaam maar ook billijk is."
-ocr page 103-
DICKENS, DOHBEY EN ZOON.                           89
kon zich met die berisping aan het adres der Vereeniging 1«46.
allerminst vereenigen. „De Steller schijnt ook zonder reden de
geprotegeerde uitgave van den Heer Binger te veroordeelen,
en dit moet almede een steen worden, die hij op de Vereeui-
ging werpt. Hij heeft daarbij ook het oog op de door de Ver-
eeniging beschermde uitgave van Dombeij en Zoon van Kru-
seman c.s. Maar weet hij wel uit welke vuile bron de veroor-
deeling dier vertaling is gekomen. Weet hij wel dat personele
haat tegen een Vertaler geen onpartijdige kritiek kan opleve-
ren. Reeds de eerste zinsnede van Krusemans vertaling staat
verre in sierlijkheid en fijnheid van opvatting van \'t humor
van Dickens, boven Krijlinks te niet gedane vertaling, \'t Was
geen wonder dat de uitgave van Kruseinan c.s. die het naar
regt en billijkheid won, van de vijanden uitgescholden moest
worden. Maar dat de Vereeniging dit nog tot haar last moest
krijgen is nog onedelmoediger" \'. liet werd een polemiek, waarin
ook Van der Vliet zicli meende te moeten mengen. „ . . . Nooit
zal ik ontkennen dat er in het begin van dit werk zouden zijn
tegen eene letterlijke vertaling; maar blijkbaar vijandschap en
haat hebben die gebreken te breed uitgemeten 3. Nooit heeft
1     Nieuwsblad voor den Boekhandel 2 December 1847. Kruseman
zelf werd voor den schrijver van dit stukje aangezien; hij achtte „het
uoodig te betuigen, dat hij aan het stellen of inzenden van dat artikel
ten eenenmale vreemd is." (Nieuwsblad voor den lioekhandel 16 Decem-
ber 1847.)
2    Blijkbaar doelt Van der Vliet hier op de vernietigende critiek
van zijn vertaling door Lindo, toen docent aan het gymnasium te Arnhem
in het Algemeen letterlievend Maandschrift (1847 n°. 6.) Jammerlijk
haalt deze in zijn Aan de vrienden van Charles Dickens in Nederland
Van der Vliet over den hekel, dien hij meent, dat te weinig Engelsen ver-
staat om Dombeij it- Son naar behooren te vertalen. Aangestipt moet
worden, dat dit tijdschrift verscheen bij J. Gr. Andriessen te Utrecht,
lid der Vereeniging, die er alles behalve malsch afkomt in de appre-
ciatie van Lindo. „Dit alles, nl. de bescherming van Boudewyn\'s ver-
taling geschiedde, om de genoemde heeren prulvertalers [.sic] te redden,
of misschien, om de belangen van den boekhandel te bevorderen. —
Wat de belangen van de wetenschappen betreft, die moesten natuurlijk
daaronder lijden. — Maar met de wetenschappen heeft de Vereeniging
niets te maken." — Een dergelijke uitval tegen de Vereeniging zou zich
-ocr page 104-
92
BIJBELSCHE VROUWEN.
18*7. den handel een voordeel te geven. „Ons voordeel, schreef hij den
4 Mei 184S aan het Bestuur der Vereeniging, evenwel moet
in dit geval op den achtergrond blijven; ik zou daarom de
weglating van artikel 2 niet verlangen, indien ik mij bewust
was iets onregtvaardigs ei\' mede te wenschen. Maar de wegla-
ting van dat artikel, ik herhaal het, doet niemand kwaad, en
staat er thans alleen: belangeloos voor de Vereeniging, voor-
deelig
voor den algemeeuen handel, dien \'t contract niet aan-
gaat, nadeelig voor ons, in wier belang liet Bestuur heeft ge-
wenscht te handelen. . . . Buiten dat artikel kan het contract
van onze zijde dadelijk geteekend worden."
In 1S49 ging liet restant (2S7 ex.) met het kopyrecht voor
/\'25S.«30 geheel in eigendom over aan Nijgh.
Een werk van gelijken titel als Bohn in 1816 had uitgege-
ven \', was een nieuwe onderneming, die in het volgend jaar
is 17 bij Kruseman compleet kwam: „een album van kunst
en poezy", de Bijbelsche vrouwen. Oude Verbond. Zeer toevallig
kwam dit werk de wereld in, zooals de overlevering luidt. Op een
zekeren dag komt bij Kruseman een hem onbekende Eransehinan
in den winkel, die zich bekend maakt als üelloye, uitgever te
Parijs en f 100 ter leen vraagt om naar Parijs te kunnen terug-
keeren. Toen in den loop van het gesprek bleek, dat de vrager
werkelijk op de hoogte was van het boekverkoopersbediïjf, ging
Kruseman, op diens eerlijk gezicht afgaande, vertrouwen in
hem stellen en gaf het gevraagde. Een paai weken later werd
Kruseman het bedrag uit Parijs geremitteerd en ontving
hij daarbij het aanbod een zeker aantal afdrukken van Bijbel-
sche voorstellingen te koopen, waarmede in het kerkelijk
Nederland buiten kijf te werken viel. Kruseman ging op dat
voorstel in, ongetwijfeld aangemoedigd door het debiet van"
1 öreiling\'s Bijbelsche vrouwen, het Hoogduitsch vrij gevolgd door
.s\'. A\'. S[ybrandi] lsto deel, adverteerde Bohn als verzonden wfoHaar-
lemsche Courant
van den 30 November 181(i; dezelfde titel, eveneens met
het jaartal 1816, wordt vermeld in Van Cleef\'s Alphabeiische naam-
lijst
niet het adres van J. Proost te Leeuwarden.
-ocr page 105-
9:5
BIJBEr,SCHE VROUWEN.
het Christelijk Album,: het was nog een tijd dat het publiek 1»V7.
nog hart had voor gemoedsleven en poëzie. Zoo bekwam Kru-
seman afdrukken van in Engeland gegraveerde staalgravnren
naar G. Staal, die gedrukt bij de firma Ghardon ainé et Aze te
Parijs \', terug gevonden worden in een stichtelijk fransch boek
anoniem uitgegeven door (Jeorge Darboy, destijds tweeden aal-
moezenier van het College llenri IV, als Les femmes de la Bilde,
eollection de porlraits des femmes remaruuables de t\'ancien et,
dn nouveau Testament avec texles ewplicalifs
bij Delloye en Gar-
nier frères te Parijs -. Uit die fransche gravures, in de oorspron-
kelijke editie 40 in getal voor het Oude en Nieuwe Testament
te zamen, zou Kruseman er tien uit liet Oude en tien uit het
Nieuwe Testament kiezen om te dienen voor hetgeen hij beoogde
met deze platen te doen: het uitgeven van een dichterlijk en
stichtelijk plaatwerk.
Een simpele vertaling van de fransche editie als bijschrift
te leveren, was uit den aard der zaak voor het Protestautsche
Nederland niet geraden en evenmin bleek de duitsche vertol-
kiug hiertoe geschikt. Toch kondigde hij Die Frauen der Hibel.
In Bilderu
in December l<S4t5 ter vertaling aan \'.
Eenmaal die beide denkbeelden verworpen zijnde, moest een
andere weg ingeslagen worden. Kruseman deed hetzelfde in
de eerste maand van 1847, wat hij ruim zes jaar vroeger ook
gedaan had; hij wendde zich rechtstreeks tot de auteurs, tot
Van Lennep, Bogaers, Bennink Janssonius, Ten Kate, Van
1 De prenten van den eersten druk der liijbelsclie vrouwen vertoo-
nen den naam van den drukker niet; sommige platen van de tweede
uitgaaf hebben „Imp. Chardon ainé, et Pils, 30 R. Hautefeuille, Paris."
! Darboy was in 1813 geboren en werd den 24 Mei 1871 als aarts-
bisschop van Parijs door de Commune gefusilleerd.
De eerste editie van Les femmes de la Bible verscheen van 1846
tot 1849 in 40 liviaisons, de tweede (38 gravures, 2 vol. gr. in- 8°) in
1858 voor fr. 40, eveneens bij Garnier frères, de derde (nouvelle
édition 2 vol. in- 12\') zonder de platen in 1867 bij Laplace voor fr. (J.
8 Deze duitsche editie verscheen in afleveringen bij Brockhaus te
Leipzig en bevatte al de 40 platen van de oorspronkelijke uitgaaf. Een
tweede druk, eveneens met de platen, verscheen in 1857.
-ocr page 106-
94
BMBELSCHE VROUWEN.
1S47. Groningen, Beets, Hasebroek, Ter Haar en anderen. Thans
zou hij een ander antwoord kunnen verwachten dan hem
vroeger gegeven was, toen hij nog een onbekende uitgever
was. De Kerkklokstooneu en het Christelijk Album hadden
hein alreeds eenigszins bekend gemaakt en deden daarom het
beste verwachten van zijn aanzoek. Met zijn verzoek om
een dichterlijk bijschrift bij een plaat, zond hij tevens afdruk-
ken van de geheele serie, voorshands alleen van het Oude Tes-
tament, aan de dichters om daaruit een keuze te doen tot het
leveren van een bijschrift, en daardoor opgewekt, zouden in
tegenstelling met de fransche prozatekst, dichterlijke meester-
stukken als Beets\' Koa \', Da Costa\'s Hagar2 en Ter Haar\'s
llanna ontstaan, die onze letterkunde niet zou bezitten 3, als
die dichters tot het schrijven er van niet opgewekt waren
geworden door de bezieling en het vuur, dat van den uitgever
uitging.
De eerste aflevering, Eva door Nicolaas Beets verscheen met
Mei 1847; de onderneming slaagde dadelijk naar wensch.
Wel is waar meende een anonymus in het Nieuwsblad * een be-
zwaar te moeten hebben tegen het naar zijne meening te lage
boekliandelaarsrabat van dit werk, hoewel het niet minder was
dan ook andere uitgevers voor dergelijke ondernemingen
gewoon waren te geven; het hield den kooplust van het pu-
bliek niet tegen; integendeel, dergelijke albums, gebonden
in prachtbanden met vergulde stempels, waren een gezocht
artikel. Binnen een paar jaar was de oplaag uitverkocht, zoo-
1 „Ik wil den zetter op doen merken: dat de y der Voornaamwoor-
den gy, hy, zy, my, van het voorzetsel by, en in \'t gemeen die dei-
uitgangen als in party, waardy, naar mijne spelling de y zonder punten
is, die in tijd, zijn, enz., altijd die met punten... Gaarne hel) ik ook
aan \'t begin der lettergrepen een lange s. (Brief van Beets 12 April
1847.)
1 In Taal en letteren, (hl. II blz. 307 en Dl. IV blz. G5) gaf de
Heer J. E. van den Bosch een uitvoerige tekstverklaring van dit dicht-
stuk. — Hetzelfde onderwerp behandelde Dr. A. C. C. de Jongh, predi-
kant te Waardenburg in het Christelijk Album 1853 blz. 14.
3    Kruseman Bouwstoffen Dl. I blz. 178.
4    8 Juli 1847.
-ocr page 107-
95
BIJBELSCHE VROUWEN.
dat er in 1850 van deu bundel over het Oude Testament een
herdruk verschijnen moest.
Dat dit welslagen overigens niet verkregen was zonder ijverige
pogingen van den kant van den uitgever hewijze o. a. de vol-
t^
ende circulaire:
Ik heb dit jaar dikwijls de droevige ondervinding ge-
had, dat gekartonueerde of gebonden Communie-Artikelen
meer of minder beschadigd en onbruikbaar terug kwamen.
Dat heeft mij, behalve het verdriet, vele kosten veroor-
zaakt, die uitgewonnen of beter besteed hadden kunnen
woiden.
Dien ten gevolge heb ik moeten besluiten, om vooral
mijne BijbeUche Vrouwen niet meer in Commissie te ge-
ven. Het geld, dat ik anders voor het herbinden moest
besteden, offer ik liever op ten dienste van H.H. Boek-
handelaren in een grooter rabat.
Ik behoef u niet te herinneren, dat de Bijbehche Vrou-
weu
een werk is, hetwelk voor een Boekgeschenk uitne-
mend geschikt is en vooral in het laatst van het jaar
véél gevraagd zal worden. Het is ééuig in zijne soort, en
geen boek, hetwelk in de eerste drie jaren uit de mode
zal wezen. Men behoeft het slechts (ik zoude bijna zeg-
gen: men behoort het zelfs) voorhanden te hebben om het
te verkoopen.
Terwijl nu St. Nicolaas en Nieuwjaar op handen zijn,
meen ik H.H. Confraters en mij zelven voordeel te doen,
door UEd. het volgende aau te bieden:
Het Prachtwerk Bijbehche Vrouwen, Vrouwen des Ouden
Verbonds, gebonden in prachtband, waarvan de prijs is
/\'8.80, netto verk. ƒ 10.00, lever ik u voor rekening:
7.30
Verk. ƒ 10.00
14.00
„ \'„ 20.00
24.50
„ „ 40.00
1 Ex. voor . . . f
* >> » \' • »
4 a 3£ „ „ ... „
betaalbaar bij afzonderlijke dispositie 13 Julij 1S49.
Na 1° December houdt deze (zoo ik meen waarlijk voor-
-ocr page 108-
<m;
BIJBELSCHE VROUWEN.
1847.                deelige!) aanbieding op en wordt de prijs onveranderlijk
als vroeger.
De Heer G. L. Koopman, die deze aanbieding op zijne
Najaarsreize mede zou nemen, maar plotseling daarin
door eene ernstige ongesteldheid verhinderd geworden is,
heeft in de ééne week, waarin hij met haar gewerkt heeft,
in de zeventig Exemplaren geplaatst.
Ik neem de gelegenheid waar, om UEd. te berigten,
dat de platen van liet nieuwe Verbond, volgens herhaald
schrijven, van den oorspronkelijker* Uitgever, onder han-
den zijn, maar dat de uitgave van dat tweede deel voor
als nog vertraagd wordt door de ongunstige omstandig-
heden van het Buitenland.
Met achting ben ik:
UEd. Dw. Dienaar,
A. C. Kruseman \'.
Het Oude Verbond werd in 1850 gevolgd door den in bo-
venstaande circulaire aangekondigden bundel over het Nieuwe
Verbond,
die eveneens in tien maandelijksche afleveringen ver-
scheen en waartoe hetzelfde tiental dichters wederom bijdragen
afstond \'2. Wederom verleende S. J. van den Bergh zijn hul])
in het nazien der proeven. Ook hiervan moest in 1>>55 een
herdruk opgelegd worden. Een goedkoope uitgaaf van beide bun-
1  "Nieuwsblad voor den Boekhandel 9 November 1848.
2    Onder den titel Moderne Hollandsche Bijbelpoeiie leverde P. Dek-
ker Jr. in De Tijd (ül. XIII \'sGravenh. 1851 blz. 433 vlg) een
Proeve eener beschouwing der „Bijbelsche Vrouwen"; hij noemde het
„een belangrijk verschijnsel op het gebied onzer litteratuur, daai*om
belangrijk, wijl het eene vernieuwde en in menigerlei opzigten uitne-
mend geslaagde proeve aanbiedt eener poëtische opvatting en bewerking
van Bijbelstoffen." — Minder voldaan was ïhijm over de gedichten in de
drie eerste afleveringen van het Oude Verband; „de platen — pacotille
goed — verdienen, dunkt me, geen kritiek", schreef hij daarentegen
aan Ten Kate. (Brief van Alberdingk ïhijm aan Ten Kate, medegc-
deeld door J. F. M. Sterck in Nederland Amst. 1893 1)1. III blü. <!3).
-ocr page 109-
BIJBEI.SCHE VROUWEN.                                     97
dels zonder platen zag in 1858 het licht, die binnen tien jaar wt.
oj) haar beurt uitverkocht was, en in 1859 en 1861 door
nieuwe drukken gevolgd werd. Op de fondsveiling van 1862
te hoog gelimiteerd, werd het restant (272 ex. en 000 ex.)
daarna voor f 1450 overgedaan aan J. J. H. Kernmer te
Utrecht \', die er in 1869 een derde goedkoope titeluitgaaf
van gaf -.
Kruseman had in 14 jaar van een godsdienstig werk 5 druk-
keu knnnen plaatsen waarvan sommige vrij kostbaar waren;
in Frankrijk verschenen van het oorspronkelijke in 21 jaar
slechts drie drukken. Bewijst ook dit voorbeeld niet opnieuw
welk eene naar verhouding aanzienlijke plaats bet kleine Neder-
land met zijn beperkt taalgebied Op de boekenmarkt inneemt?
Trouwens het onderwerp bracht mede, dat het werk in den
smaak zou vallen; destijds, maar eveneens ruim 40 jaar later
toen ook met goed gevolg de uitgaaf ondernomen zou kunnen
worden van De vrouw in den Bijbel door C. E. van Koetsveld.
Nog verbindt zich aan Kruseinan\'s uitgaaf ten opzichte van de
medewerking van Tollens een klein voorval. Het werd door Kru-
semau en zijn „adjunct-corrector", S. .). van den Bergh, zoodra
het plan van een oorspronkelijk Nederlandsch dichterlijk album
vaststond, gewenscht geacht ook Tollens\' hul]) in te roepen. „Bid-
der" Tollens dorst het voorstel niet aan te nemen, zonder toestem-
ming van zijn uitgever Suringar te Leeuwarden. Eenmaal diens
verlof bekomen hebbende, was het gewenschte honorarium niet
anders dan een exemplaar van Korn\'s Haak-boekje voor zijn doch-
ter. Natuurlijk dat Kruseman zich haastte een fraai gebonden
exemplaar naar Rijswijk te zenden. Maar toen het werk de wereld
in was, meende Kruseman het daarbij niet te moeten laten.
Behalve een honorarium vanf 75 (zonder kopyrecht), wilde Kru-
seman ook nog langs een anderen weg trachten Tollens voor zich
te winnen. Naar een ontwerp van den Haarlemschen schilder C.
Lieste werd een stoel vervaardigd, die in zijn lofwerk twee ban-
derolles vertoonde: op de eene stond te lezen „Jephtaas dochter",
1    Nietiwxblad roor den Boekhandel 7 Mei 18(>."5.
2    Nieuwsblad voor den Boekhandel 17 .luni 1869.
7
-ocr page 110-
98          AUEUBACH, 8CHWARZWALDER DOREGESCHICHTEN.
«847. de titel van Tollens\' vers \', de ander was oningevuld om na-
derhand te kunnen prijken met liet toekomstige vers uit het
Nieuwe Verbond. ï)e aanbieding hiervan viel in goede aarde;
Tollens was in het vervolg voor Kruseman gewonnen 2. „Waar-
lijk, schreef hij den 30 September 1S47, ik had iets derge-
lijks noch verlangd noch verwacht; en als het mijne intentie
geweest ware, mij voor mijne bijdrage te zien beloonen, dan
nog zou de onmatigste eisch niet tot de waarde van een der-
gelijk geschenk hebben kunnen klimmen."
Niettemin scheen Tollens er niet bijster mede ingenomen.
Eenigen tijd later toch bezocht Warnsinck den dichter; hij
maakte van den stoel geen gebruik. „De stoel was in de <;e-
wone huiskamer niet te vinden; en waarom niet? Tollens was
niet te bewegen, zich neder te zetten op eenen zetel, waarop
zijn naam, door eenen krans van lauwerbladeii omgeven, te
lezen stond s.
Iteeds meermalen was door andere confraters Auerbach\'s
Sc/iwarzioalder Dorjgesehichten ter vertaling aangekondigd;
ook Kruseman deed zulks in Februari 1S47. Goeverneur te
Groningen was de persoon tot wien Kruseman zich wendde
om dit werk ter hand te nemen. ,,/Aheb moed en lust, schreef
deze den 27 April 1S47 aan Kruseman, en vertrouw, spijt al
de moeijelijkheden, in eene vertaling genoeg van den geest van
\'t oorspronkelijke te behouden om een goed, leesbaar, ook voor
ons publiek interessant boek te leveren; — als speculatie
komt de zaak mij goei voor, ergo: wij willen het beproeven."
Er kwam voorshands echter niets van; was het omdat B. in
het Nieuwsblad \' gelijk had, met zijn bewering, „dat de Heer
Kruseman evenmin als de vorige vertooners, werkelijk tot de
Vgl. Huet. Litterarisclie Fantomen on Kritieken Haar], z. j. Dl.
XIV blz. 87.
Meuedeeling van den heer J. J. Weeveringh.
W. H. Warnsinck Bz. Hendrik Tollens, Caroluszoon, geschetst.
Amst. 1H57. blz. 14.
\' 11 Maart 1847.
-ocr page 111-
VAN DEE POT, LEEEEEDE OVER PSALM I,XXIX : 9«.        99
uitgave zal besluiten, aangezien het werk, zijns bedunkens, iw.
door vele daarin voorkomende naïviteiten, provincialismen enz.,
niet alleen voor eene goede vertaling niet vatbaar is, maar
buitendien hier te lande ook die waarde onmogelijk hebben
kan, als in Duitschland, en ook daarom hier nimmer, dien
algemeenen bijval zal verwerven, zoo als zulks het geval was
waar het tehuis behoort?"
Werd een aanbod van J. B. Christemeijer te Utrecht afge-
wezen om zijn Lach en luim in proza: vertellingen en anekdo-
ten voor vrienden van vrolijkheid,
een tegenhanger van Van
Zeggelen\'s bundel aan te koopen, een ander bescheid kreeg 1 )s.
van der Pot te Leiden, toen hij Kruseman den 4 Mei LS47 voor-
stelde om een door hein gehouden preek over Psalm LXXIX : 9a
uit te geven geheel ten voordeele van de noodlijdenden in den
Bommelerwaard. De firma 1). du Mortier &\' Zoon te Leiden
zag geen kans om, daar de hul]) spoedig uitgereikt moest
worden, tijdig het bedrag der verkochte exemplaren te kun-
nen opgeven. Kruseman, voortvarend maar toch bedacht-
zaam als een goed handelsman, dacht er anders over dan
zijn Leidsche confrater. H. 11. de Breuk te Leiden zag als
drukker eveneens kans spoedig gereed te zijn; binnen drie
weken was de zaak beklonken, de uitgave de wereld in en had
Kruseman ziel» zelf wederom opnieuw getoond de treifelijke uit-
gever, die langzaam maar stadig aan voortging op het pad,
dat hein over eenige jaren zou maken tot den voornaamsten
Nederlandscheh uitgever, tot den primus iuter pares. Den
4 Mei was hem de aanbieding eerst geworden; onder tlag-
teekening van den 18 Mei kon hij in het Nieuwsblad de a.s.
verzending aankondigen: „In naam der armen breng ik ieder,
die tot het debiet van deze Leerrede heeft bijgedragen, den
besten dank. Vele zijn er geweest, die groote blijken gegeven
hebben van medewerkende welwillendheid, liet getal VIER DUI-
ZEND Exemplaren, die ik voor rekening verzenden zal, bcwijsl
het!" Het volgende staatje bewijst, beter dan woorden kannen
zeggen, hoe royaal Kruseman zich in deze zaak betoonde!, en
welke warme sympathie hij voor deze onderneming had.
7*
-ocr page 112-
100 VAN DEE POT, LEEREEDE OVEE PSALM LXXTX : 9«
1847.
ïl 5 5 \'
-H* OS
OS t—
—|?l -<iei
M WO»
©J 10 r>l CO
i—i ©i
-f-
-f
I
Jl
73
b(.
C3 «
o
■^ S
ep 5
~* ai
ini,i
Ü 0)
—— .^_
— ■*■
S^
a
,1
o
-
3 «S
<J
*<! P
x
X
i
CJ
—i
l-H
»a
vO
—
-*
—
-*

co
os
o
CO
o
©j
3
e !
CJ
cS
es
o
"3
co
co
s !
s
dei
ere
aan
ZU1V
van
1
aald
de
ngst
^~
i^ K
1
03
o
CO
.2
1
00 £1*
J-H O
rH
\'3 83
9 fM
"K,
Ct
P ;^s
£
s
es
g
el .J3
-p
os -o
f S UI "
S
M
=
•    ->iei
•  ©i
QJ T3
-3 H
~ g
W-S
-S bc
§•&
«-IJ
2 ^3 .«3
11jïil:j<
M
illlll
O £p
—
PQ es:
-ocr page 113-
101
HERINNERINGEN.
Binnen twee maanden was deze uitgave besloten, gedaan, «tt.
uitverkocht en verrekend.
Ken andere leerrede op den algemeeneii dankdag van den 2(i
{September 1*47 gehouden doordien geliefden oiid-Haarleinschen
Remonstrantschen predikant, die in ls:jS van daar naar Leiden
vertrokken was, had niet dat groote succes, al was dit ook,
zooals men in Leiden zeide „op zijn Kruseinan\'s uitgegeven." \'
Niet omdat de uitgave zelve zoo bijzonder merkwaardig was,
zij hier nog een onderneming uit lS-17 medegedeeld; noch om
de personen, wier namen aan die uitgave verbonden zonden
kunnen zijn, evenmin omdat zich er eenig voorval op boek-
handelaarsgebied aan verbindt, maar wel omdat er uit blijkt
hoe Kruseman in de eerste 10-tal jaren van zijn uitgeversbe-
drijf niet afkeerig was van uitgaven, die inderdaad niet veel te
beteekenen hadden. Ik heb hier op het oog een uitgaaf, die hij
met December lS-17 deed onder den titel Herinneringen, een boekje
in klein octavo van XIV en 142 bladzijden, behalve de kalender
op de XIV eerste bladzijden grootendeels bestaande uit wit
papier, althans uit blanco pagina\'s met hoofdjes bedrukt. In
een prospectus, waarin Kruseman niet naliet er op te wijzen
hoe in Engeland van een dergelijk boekje zeventien aanzien-
lijke oplagen uitverkocht waren, zette hij uitvoerig uiteen het
nut, dat de gebruiker moest ondervinden van een geregelde
korte aanteekening van de dagelijksche ondervindingen -. Op-
gelegd in 1000 exemplaren verscheen het tegelijker tijd ook
als Aanteekenboekje voor J848 (oplaag 1100 ex.); in het
volgende jaar verscheen van beide soorten een tweede jaargang.
De onkosten werden niet gedekt, noch van den laatsten noch
van den eersten jaargang, noch van de eene noch van de andere
soort.
1 Brief van S. J. van den Bergh 11 November 1847.
; Montague\'s gezegde „Elke bladzijde des menschelijken levens is
waardig, dat men er een oplettend oog aan wijde. De wijzen onderrigten
ons, de vrolijken vermaken ons, de onbedaehtzamen leeren ons, wat wij
te vermijden hebben" is het motto van het boekje.
-ocr page 114-
102                                     AANTEEKENBOEKJ B.
1847.             Stond destijds een dergelijke uitgaaf vrij wel alleen in de
boekenlijsten, liet zoude eerst aan de jaren na 1870 voorbe-
liouden blijven een overstrooming te geven van allerlei soorten
van portefeuille-, portemonuaie-, brieveulasch- en schrij/\'ahna-
uakkeu
die door hun telken jare weder verschijnen in den han-
del bewijzen over het algemeen hun weg te vinden. Daaruit
behoeft echter niet te volgen, dat in 1S47 en 1848 een aan-
teekeningsboekje zijn weg niet had kammen vinden; de uiter-
lijke vorm is het, waarop Kruseman\'s denkbeeld als uitgave
schipbreuk leed, die te groot van formaat gekozen was om een
goed en blijvend debiet te kunnen vinden.
Anders was het met de dichtbundels van Da Costa.
Zooals reeds vroeger gezegd is was Da Costa één van die
dichters geweest bij wien Kruseman zich kort na zijn vestiging
aanbevolen had. Destijds had hij een niet geheel afwijzend
antwoord bekomen, dat echter toch niet aan zijn wenschen vol-
deed \'. De aankoop en de daarop gevolgde herdruk van Da Costa\'s
Al Jou mis de, Eerste in 1845 3 gaf aanleiding, dat Kruseman
zich opnieuw tot den dichter wendde met een voorstel. Dat
voorstel blijkt voldoende uit het antwoord, dat Da Costa gaf
in een brief „om de vriendschappelijke genegenheid van den
dichter tot mij [Kruseman] voor my van waarde, voor de ge-
schiedenis van den (later vruchtbaarder) dichter eveneens."
WdEdele Heer!
Ik ben U voor de attentie der toezending van een
exemp. der nieuwe uitgave van den Atfonsus nog mij-
nen vriendelijken dank schuldig.
Aangaande de uitgave, waarover wij onlangs vluchtig
spraken, van een bundeltje Verspreid:! Gedichten, ik moet
bekennen, dat mij dit plan, bij nadenken, minder bijviel,
dan ik in het eerst gedacht had. De opgave van de losse
1 Zie hiervoor blz. 23.
Zie hiervoor blz. 70.
-ocr page 115-
lO-\'i
DA COSTA, POfc/.Y.-
dichtstukken geplaatst zoo in de Mazen Almanak als in isi7.
de Nederlaiuhehe stemmen, bevat ook een /es- of zevental
stukjes, die niet van mij zijn, maar van de Heer Koenen
(in Laatstgemeld Tijdschrift). Bovendien, gelijk ik V rnon-
deling te kennen gaf, behoort het kopyrecht van alles, (op
een enkele uitzondering na) dat in de Ned. 81. en <S7. en
liesch.
\' gevonden wordt, aan den Boekverkooper Van l\'eur-
sem. Hetgeen mij voor deze geprojecteerde uitgave het
meest had gestemd, te weten eene noodig gewordene repro-
ductie
van de Fijf en twintig jaren, vervalt juist dezer
dagen door ecu aanzoek, dat ik van CJroebe, kort na ons
gesprek en zelfs na de ontfangst uwer letteren, ontfing,
om mijne toestemming tot een Vierde Druk\'1 van dat
Dichtstuk afzonderlijk. Ik kon hem dat, met reserve altoos
van mijn copyrecht voor het vervolg, thands moeilijk
weigeren. Maar hierdoor wordt dan ook de vvenschelijkheid
van een verzameling poëzy voor mij zelven wederom zoo
veel te minder, liet vers Aan Nederland in JH-\'i\'i bij Mul -
Ier geloof ik niet dat op verre na uitverkocht is. Wat ik
en portefeuille heb, is van zoo intiemen aart, met betrek-
king tot huiselijke, vriendschappelijke en andere relatiën
van vroeger en later tijd, dat het meeste daarvan wel
niet ongeschikt zoude zijn voor eene uitgave van na des
dichtei\'s overlijden vergaderde overblijfsels, maar minder
gepast, dunkt mij, voor eene uitgave zoo geheel zonder
bijzondere aanleiding. Het zou alleen, bij mijn leven of
na mijn dood, kunnen te pas komen voor een nieuwe
uitgave van mijne Poëzij der jaren 1SÜ0 en 1821.
Neen, geachte vriend! hoe meer ik de zaak overlegge,
des te minder vind ik er mij toe opgewekt. Hebt ge, niet-
tegenstaande deze weinig aanmoedigende rescriptie, lustom
er nog eens mondeling over te komen praten, uw bezoek
zal mij altijd welkom zijn; doch stel u van den uitslag
niet veel anders voor, dan hetgeen deze brief U meldt.
1    Welk werk l)a Costa hier bedoeld, weet ik niet.
2    Lees vijfde druk.
,
-ocr page 116-
104
OA COSTA, FOËZY.
18*7.                 In elk geval blijf ik zeer stellig aan U denken voor de
uitgave van het een of ander dat mij in prosa of poëzy
ontvallen mocht, (buiten het aan Luchtmans toegezegde
theologische,) en dat [van] uwe gading zou kunnen zijn.
In geval van expresse overkomst, waartoe ik U tot dat
einde anders n\'iet durf aanmoedigen, gelief het dan zoo
Ie schikken dat ge U ten mijnent bevindt tusschen 12 en
1 ure, het zij deze week, met uitzondering van den Za-
turdag, het zij de volgende van Maandag af. Maar ge
zult, verbeeld ik mij, liever op eene gelegenheid wachten.
Het zal in elk geval goed zijn, indien ik van uwe komst
met een lettertje een dag te voren kan vergewist worden.
Geloof mij met de gevoelens van achting en belang-
stelling die ik IJ meermalen uitdrukte, steeds oprechtelijk
Amsterdam                                   Uw Dv. Dienaar
den 9 Sept. 1845.                            I. da Costa.
Th weerwil van dit weinig aanmoedigend antwoord liet Kru-
seman zijn denkbeeld niet los den dichter Da Costa aan zijn
uitgeverszaak te verhinden. Een nieuwe gelegenheid daartoe
deed zich in 1847 voor.
Op een. fondsveiling in Augustus van dat jaar door Radink en
Krederik Muller gehouden, kocht Kruseman het kopyrecht van
Da Costa\'s Poezy, in twee deelen in 1821 en 1822 hij L. Ilcrdiugh
en Zoon te Leiden verschenen. Die bundels waren in vroeger
jaren tot stand gekomen in het tijdvak der drie deelen Krekel-
zangen
van Bilderdijk. Op verlangen van Kruseman belastte
Da Costa zich met een nieuwen druk in kleiner formaat bier-
van te bezorgen.
„Het is, adverteerde Kruseman na het verschijnen der
nieuwe uitgave in j)e Tijd \', een wensch van velen, om
1 Dl. VI. \'sGravenb. 1847 blz. 313. — Evenzoo op een pagina
achter de Wachter (18i.8): „Het uitgebreide debiet van dezen Twee-
den Druk is een bewijs, dat deze Goedkoope Uitgave aan liet ver-
langen vau velen voldoet. De Eerste Druk kostte /\' 7,20; het verschil
is dus aanmerkelijk."
-ocr page 117-
•
DA COSTA, ZANGEN UIT VERSCHEIDENEN LKEFTMD. 105
de Poëzy van Mr. Is. da Costa te bezitten. Maar de twee iw.
ouderwetsche Deelen kosten .ƒ7.20, e» die prijs is betrekkelijk
een groote opoffering. Daarom zal het die velen aangenaam
zijn, dat de Uitgever een\' herdruk bezorgde, die, zoo hij ver-
trouwt, voldoet aan de eischen van den tegenwoordigen tijd:
min kostbaarheid en netheid. F [et verschil van ./\'7.20 en/\'S,
is aanzienlijk: de tvpographische uitvoering is van de pers der
HH. C. A.\' Spin & Zoon".
Maar toen de Poezy herdrukt werd, kon aan den wensch van
Kruseinan gevolg gegeven worden, om, hetgeen van Da Costa
in tijdschriften en jaarboekjes verstrooid was, met één en ander
uit hetgeen nog onuitgegeven was, als een derde deeltje te
doen verschijnen. De Zangen uit verscheidenen leeftijd, — de
eerst gekozen titel was Dieldgalmeu — op dezelfde min kost-
bare wijze uitgevoerd als de tweede druk van de Poezy, openen
met de Lof der dichtkunst, uit 1812, het vers waardoor Da
Costa het eerst in kennis kwam met Bilderdijk en sluiten met
de Vijf en twintig jaren, een lied in JH\'iO, de zang die zoo
glansrijk het tweede tijdvak van \'s dichters dichterlijk leven
geopend had en dien de Vaderlandsehe letteroefeningen \' nog
bij deze hernieuwde editie critiseerde als „een bonte en brokke-
lige wildzang, even gebrekkig van vorm als van conceptie".
In 1826 was David Jacobus van Lennep met zijn Ilol-
landsche duinzang
na een lang tijdsverloop weer met een
gedicht opgetreden; in hetzelfde zangerige metrum van het
Kan het zijn, dat een sprank van den rorigen gloed, ver-
brak Da Costa ook na een lang tijdsverloop zijn dichterlijk en
poëtisch zwijgen. „Nederland bleek verrukt door alexandrijnen
als die der „Vijf en twintig jaren"; de eene druk volgde op
den anderen, en overal waar zin was voor het grootsche en
verhevene, werd de vraag gewisseld: hebt ge da Costa\'s „Vijf
en twintig jaren" gelezen? Een nieuw levenstijdperk bleek
voor den Dichter aangebroken." \'
1    1848. Boekbeschouwing blz. 83.
2    A. C. Kruseman. Tollens—üa Costa. Eene lezhnj (Haarl. 1800)
blz. 43. — Een uitgaaf met ophelderingen en aanteekeningen door
A. H. M. Ruyten verscheen in 1897 (2« druk).
-ocr page 118-
l()tf DA COSTA, WACHTER"! WAT IS EK, VAN DEN NACHT?
1848.            De Vijf en twintig jaren vond zeven jaar later een tegenhanger
in het beroemde JFachfer! wat i» er van den nacht? dat gedicht,
waarin Da Costa in poëtischen vonn eenige toestanden tracht
te schotsen van de eeuw, waarin hij leefde, in welker bewe-
ging allen eenigermate deelen, allen een hooger dan tijdelijk
en maatschappelijk belang hebben \'. Wachter, wat /\'* er van
(teu nacht,
had Dorbeck reeds in 1S41 gevraagd2; met dat-
zelfde bijbelwoord ?\', riep Da Costa angstig, trien de wilde
golven, die Europa sinds 1841 teisterden en zich meer en meer
verhieven, de toekomst aan ter ontsluieringharer geheimen; in
grootsche, verheven woorden schilderde, de dichter zijn peinzen
en droomen en verwachten, waarvan 1S70 eene verheven
verwezenlijking te zien zou geven: Italië vrij, Diiitschland
één, Frankrijk ondergegaan\'. Voor ƒ400 werd Krnseman
eigenaar van de kopy, die niet meer dan 2, vel druks in groot
octavo zou beslaan. Binnen een paar maanden moesten twee
drukken", te samen 450(5 exemplaren, opgelegd worden,
waarvan er hij slot van rekening slechts 89 overbleven. Dat
groote vertier was wel liet .beste bewijs hoeveel gewicht „de on-
berluidende en hij al den quasi lof onvoegzame recensie" (Da
Costa) in de Vadertandsche. letteroefeningen 6 in de schaal
legde. Tot eer van dat tijdschrift moet hier echter ook gezegd
worden, dat Alberdingk Thijm zich evenmin bijster ingenomen
1 Voorafspraak hij de voorlezing van liet lied des Wachters.
■ Nederkmdsche Muzenalmanak voor .1845.
Amst. 1844 blz. 23.
3    Jesaia XXI : 11, 12.
4    Deze voorstelling ontleend aan J. I\'. Heije. Een slem der toe-
komst uit lang verleden dagen.
Amst. 1870 [blz. 6].
5    De tweede druk moet niet in alle opzichten een simpele herdruk
zijn van de eerste oplaag, maar hier en daar veranderingen en kleine
tusschenvoegingen vertoonen. — In een brief van Da Costa van den 15
December zonder aanduiding van het jaar, maar die door Kruseman
gevoegd werd in liet dossier over de Wachter lees ik: „De titel, zooals
UEd. zien zal, is veranderd. Die van Chaos was noch welluidend, noch
gebeel juist." Een latere verandering in den titel was die van Een lied
(in plaats van een tang) bij de uilgangen van 1847. (Brief van Da
Costa 18 December 1847).
« 1848. Dl. I blz. 120.
-ocr page 119-
DA COSTA, 16 8 EN 1848.                          107
betoonde met dit dichtstede, maar zijn oordeel argumenteerde
door niet den dichter, maar wel het behandelde onderwerp daar-
van de schuld te geven. „Wij wijten het den dichter en zijnen
subjektieven theoriën minder dan den omstandigheden — maar
toch, het is te betreuren, niet voor een politikus, maar voor
een poëet, dat zijn onderwerp hem geen cene warme, gulle,
onvoorwaardelijke sympathie kan doen uitspreken, en hij, met
eene aan zijne waereldschildering kwalijk geëvenredigde sober-
heid, bij wijze van solutie het dogma ter neer schrijft:
„Op den bodem aller vragen
Ligt des werelds zondeschuld." \'
Reeds is met de bespreking van deze uitgaA\'e den aanvang
van het jaar 1848 overschreden. De geweldige gebeurtenissen
die Europa in Frankrijk zag geschieden, moesten ook Da Costa,
den ziener met profetische blik, diep aandoen en hem met ver-
nieuwde kracht aansporen tot onderworpenheid aan zijn Heer,
die alle deze dingen deed (Jes. XLV : (!, 7). De tweede klasse
van het Koninklijk Instituut was het gehoor, waaraan hij in
zijn J648enJ848 zijn denkbeelden blootlegde. Kruseman werd
eigenaar ook van deze kopy. „Lk verwacht een goed debiet. Ware
het onverhoopt anders, dan verlang ik dat het mij te zijner
tijd onbewimpeld door 11 gezegd wordt. Uw woord daaromtrent
onvoorwaardelijk vertrouwende, zou ik, in zulk een geval,
volgaarne, bij leven en welzijn, II op een andere wijze beter
dienst trachten te doen. Ik verlang de ruimte van het
honorarium niet [tot] uwe schade, maar tot uwen voor-
spoed." - Het gevraagde honorarium, _/\'80(), was Kruseman
te veel, en hij wist het daarheen te leiden, dat hij voor/\'150
eigenaar werd èn van Jto\'iHeu JH\'lHèu van De slem, den Heereu,
opgenomen in De Tijd 3. Uit het debiet bleek, dat het pu-
bliek dit stuk beneden de Wachter stelde s; hoewel in den
1 De Speklalor. Dl. VIII. ütr. 1848 blz. 107 en 198.
Brief van Da Costa 28 April 1848.
3 Dl. VIII \'süravenh. 1848 blz. 233.
Evenzoo Potgieter in De GUls (1848 Dl. I blz. 739) onder den
-ocr page 120-
108 HOFDIJK, KEN BEDE VOOR HET VOLK VAN NEDERLAND.
is*8. aanvang de financieele zijde van deze onderneming geen volle
zonneschijn was en Da Costa daarover zijn leed aan Krnseinan
betuigde \', herstelde het debiet van deze uitgaaf zich in later
jaren.
Er was een hechte band gekomen met Da Costa, die thans
ook gevoelde dat zijn poëzie in den regel bij Kruseman, als
eigenaar van zijn bundels en andere diehtstukken tehuis be-
hoorde 2.
(ielijk van zelf spreekt was Da Costa met dit lied en met
zijn De stem des Heeren niet de eenige, die door de geweldige
politieke gebeurtenissen van het jaar zich aangespoord gevoelde
tot dichterlijke ontboezemingen.; Hofdijk\'s Een bede voor liet
volk van Nederland, in de dagen van Europa\'s beroering
bij
Kruseman uitgegeven :t en Ten Kate\'s Parijs. Een lied dezer
dagen
bij llonieer te Gorinchem verschenen en zijn Hef Jnni-
oproer te Parijs. Nog een zang des li/ds,
waarvan hij de kopv
tegen een matig honorarium \\ aan Kruseman aanbood, waren
uitingen Aan dezelfde gevoelens. Ook Van den Bergh\'s Ome
Koning .1.1 Maart J848. Een lied
5 en zijn Dichtbundel voor
titel Hollandsche politieke poezij, die hier, als ik mij niet bedrieg
voor de eerste maal een uitgaat\' van Kruseman in dat tijdschrift
besprak.
1 Brief van Da Costa 3 Maart 1849.
1 Biief van Da Costa 21 September 1848
*    „Hierbij de proef van Hofdijk in revisie terug, \'k Heb er de ver-
anderingen van v. d. B. [van den Bergh] maar in doen veranderen. Wat
dunkt U van zijne distinctie met groot en klein kapitalen? \'t Staat
nooit mooi! en nu nog niet genoeg dat wij kapitalen van de eigen letter
(gelijk liet typograpiesch [sic] behoort) namen, nu moesten wij nogdik-
kere gebruiken." (Brief van Van Zeggelen 22 Junf 1848.)
*    Kruseman betaalde aan Ten Kate als honorarium voor dit\'half
vel druks f 20.
5 Onder den titel De uaerzen van den dag besprak Alberdingk
Thijm in De Spektalor (Dl. VIII Utr. 1848 blz. 193 vlg.) de Wachter 1
wal is er nut den nacht
door Da Costa, Parijs door Ten Kate, Gods-
oordeelen
door Beeloo en Onze Konimj door Van den Bergh. —■ Even-
zoo gaf De Clercq in De Gids (1848 Dl. 1 blz. 499) een beschouwing
ten beste over de gedichten van Da Costa en Van den Bergh.
-ocr page 121-
VAN DEN BERGH, DICHTBUNDEL VOOR MIJN VADERLAND. 109
mijn vaderland zullen wel aan dezelfde bron hun ontstaan te 1848.
danken hebben gehad \'. Kneppelhout vond in de verschijning
van dezen laatsten bundel aanleiding in een uitvoerig stuk Van
den Bergh te schetsen als een dichter uit het volk -, en gat\' van
hem een portret, waarmede de dichter zelf bijzonder ingenomen
was „tot zoo lang ik weet niet. welke guit, zeker belust een
loopje met den eem\'ondigeu man te nemen, hem aan het ver-
stand gebragt en overtuigd had, dat mijn artikel louter per-
sijflage
was, waartoe de dubbelzinnige ernst, die mij van nature
eigen is, eenige aanleiding kan gegeven hebben :t."
])e voorgenomen verdietsching van Auerbach deed Kruse-
man, toen de onderhandelingen hierover met Goeverneur tot
geen gevolg leidden ook aankloppen bij den „predikant van
Dwingeloo", bij Van Schaick, die zich als zulk een uitnemend
verteller van dorpsverhalen had doen kennen in De Tijd. Maar
daar was het kloppen aan doovemans deuren. „Was \'t vertalen
wat gij vraagt, \'k zei dadelijk, neen! dat valt niet in mijn
smaak, \'k Laat den schrijver schrijven en vertellen in zijn
land van \'t gene hij ziet en opmerkt en dat wil ik van \'t
mijne. In de voorrede van Geert 1 heb ik mijn meening uitge-
1 In De Gids 1849 Dl. I blz. 426. — Hier even medegedeeld een citaat
uit een brief van Van den Bergh (25 Maart 1848), waaruit zijn karakter
niet onaardig om den hoek komt gluren: „Van Jufvrouw Toussaint heb
ik een brief gehad a rauir, met verzoek een volkslied te schrijven—en
dat is er uit — en zoo ik geloof, om met Da Costa te spreken zeer
goed."
— Vgl. Van den Bergh\'s zeggen in de Voorrede van den Diclit-
bundel
door Huet geciteerd in de JJtlerarisclie Fantasten en Kritieken
(Dl. VII Haar], z. j. blz. 53): „Ik vermeen het den Koning, die de
geusurpeerde reputatie bezrt van de Groote, eenigszins gewijzigd te
mogen nazeggen: deze bundel — c\'est moi."
\' De Gids 1849 Dl. I blz. 427 vlg. — Vgl. het oordeel van Tlüjm
in een brief aan Ten Kate, medegedeeld door J. F. M. Sterck in Neder-
land.
Amst. 1893 Dl. II blz. 477.
3 Kneppelhout in Be Gids 1878 Dl. II blz. 350.
\' Geert. Een verhaal voor het volk, vooral ten platten lande. Het
Hoogduitsch gevolgd door
C. van Schaick. Amst. Gr. J. A. Beijerinck. 1847.
„Een boek, zoo echt populair, als wij er in onze taal geen tweede ken-
-ocr page 122-
110 VAN SCHAICK, TAFEREELEN TTIT HET DRENTSCH DORPSLEVEN.
is48. drukt. Gij vraagt me \'t werk van Auerbach te verhollandschen,
dat is alzoo iets anders en daardoor komt de zaak in over-
weging. .Drenthe is rijk aan stof, aan goede stof die aan de
vergetelheid moet ontrukt worden, omdat de geest des tijds en
der naiiping hier doordringt, \'k Heb in Geert een proeve ge-
geven en laten kijken wat hier te kijken is, dat beviel. Daarop
vormde ik plan schetsen eau ons dorpsleven etca. te geven en
begon er mêe." \' Het plan beviel Kruseman. De Tafereelen
uil het Dreutsch dorpsleven -,
die de schrijver, een „boeren-
domme", zooals hij zich in het Voorbericht noemde, opdroeg
aan David llagay :1 en een Hinken opgang maakte \' waren
er het gevolg van en vielen bij Kruseman zoozeer in gunstige
aarde, dat hij het voornemen koesterde, met dit werk een
reeks van geschriften te openen, die in aantrekkelijken en
boeienden vorm een schildering moest geven van alle provin-
ciale eigenaardigheden van ons vaderland 5. Voor de noorde-
nen. . . . Het is een boek, dat zoowel voegt in de hand die de pen, als in
die welke de spade voert (De Gids 1847 Boekbeoordeeling blz. 7%).
Ken tweede druk verscheen in October 1852 bij H. A. M. Roelants te
Schiedam.
1 Brief van 10 Febr. 1848.
\'\' Zie de reeensiën in De Recensent (1849 Dl. I. blz. 30) en in de
VadcfUmAsche letteroefeningen (1849 Dl. I bis. 364) van C. G. (Wit-
huys?), waar het werk geprezen wordt, maar sleehts de aanmerking mocht
ondervinden, dat de schrijver zijn personen in het gewestelijk dialect
laat spreken. Dr Tijd (\'s Gravenh. 1848 1)1. VIII blz. 297) drukte een
fragment met een zeer waardeerend voorwoord over.
\' „Het is geen huichelarij en stroopsmeerderij dat ik het dien bra-
ven grijsaard opdraag. Ik heb hem veel te danken en zou een smerige
rekel zijn als ik dat op mijne wijze niet vergold. Geld engoedenmagt
heb ik niet maar wat ik heb geef ik met hart en ziel aan vrienden en
weldoeners van vroeger en later dagen". {Brief van Van Schaick 23
Juni 1848).
In Het Leeskabinet (Amst. 1850 Bibliographiscli Album blz. 35)
adverteerde Kruseman: „Weinige boeken hebben in den laatsten tijd
zulk een opgang gemaakt, als aan dit werk te beurt gevallen is."
* Een tweede druk verscheen in 1858 bij Ten Brink te Meppel.
5 „Wij bewegen ons in de eeuw der dorpsvertellingen, het genre
dat in tijdsorde op den historischen roman gevolgd is," schreef Huet in
18(54. (Litterarisclte Fantasten en Kritieken Haarl. z. j. Dl. II blz. 176.)
-ocr page 123-
BREMER, BROEDERS EX ZUSTERS.                            111
lijke provinciën werd de voorlichting ingeroepen van Goever- f««.
neur, die daarvoor o. a. den naam van Th. van Duinen (Thi-
neus), predikant te Wijnjeterp in Friesland noemde.
Gloeverneur was in die dagen bezig voor Kruseman een
roman van Frederika Bremer te vertalen. De Broeders en zusters \'
met het oorspronkelijk tegelijk in een Engelsche vertaling bij
(Jolbum verschenen, had Kruseman in het Zweedsch ont-
vangen van den uitgever 0. A. Bagge te Stockholm. De
Engelsche uitgaaf kon echter aan Goeverneur niet beha-
gen. „Flygare-Carlèn, bij wie meest alles handeling, plaats-
en persoonsbeschrijving of verhaal is, kan men ligt even
goed uit het Engelsch vertalen, maar den vertrouwelijke!!,
huiselijken toon van Bremer en haar gekeuvel soms, niet1\' -.
Hij hoopte daarom alles van de Duitsche bewerking, maar
moest niettemin tot het besluit komen, „dat de duitsche ver-
taling mij bitter heeft teleurgesteld en prulwerk is bij de zeer
goede, van De bureu onder anderen, wat gij bij gelegenheid
aan Brockhaus, [den uitgever dier Duitsche vertaling] schrijven
inoogt \\ Nochthans deed hij zijn best en mocht het werk tot
stand brengen; op verlangen van Kruseman werd zijn naam
op den titel vermeld \'.
Een ander literair werk dat in dit en het volgend jaar bij
1 „De Broeders en Zusters is de laatste en zeker niet de minst
aantrekkelijke van de Romans de/er hoog begaafde schrijfster." (Adver-
tentie van Kruseman in Hel Leeskabinet Amst. 1850. Bibliographisch
Album
hl. 35.) — De uitgever cursiveerde het woord „laatste", omdat
de schrijfster in haar roman medegedeeld had, dat zij denkelijk wel
niet meer tooneelen uit het huiselijk leven zou schetsen.
*    Brief van Goeverneur 3 Juli 1848.
" Biief van Goeverneur 14 November 1848.
*    „Mijn naam op den titel; nooit heb ik dat nog vooreen vertaling
gedaan; doch rekent gij hem wezenlijk van eenig belang — uw wil
geschiede ditmaal, mits gij hem slechts met kleine dunne lettertjes
laat schrijven en dien van Fred. Bremer forsch en groot, zoodat ik met
diepe en behoorlijke onderdanigheid achteraan kom." (Brief van Goe-
verneur 5 Februari 1849).
-ocr page 124-
112                      MESSCHERT, »E GOUDEN BRUILOFT.
Kruseman het licht zag was do poëzie van don Rotterdnm-
schen \'boekhandelaar Willem Messchert, Da Costa\'s „hartelijke
vriend en getrouwe medestrijder in het Evangelie des Zoons
van God" \'.
In Mei 1848 werd hij door aankoop uit het fonds van R. .1.
Schierbeek eigenaar van De gouden bruiloft2; als hulde
zijner nagedachtenis toegewijd moest hiervan een geïllustreerde
uitgaaf verschijnen3. Tollens, een geestverwant van Messchert,
aan wien hij reeds bij zijn leven zijn hooge ingenomenheid
met dit dichtstuk had te kennen gegeven 4 en die in De Tijd 5
zich zelf reeds aanbevolen had een nieuwe uitgaaf van Mes-
schert\'s dichterlijke nalatenschap te bezorgen, zou over de
uitgave het opzicht houden, terwijl llochussen de illustraties
op hout zou teekenen.
Eenige zorg baarde het echter geschikte houtgraveurs te vin-
den ; noch aan Bal noch aan Aran Arum meende llochussen, dat
men dergelijk werk kon toevertrouwen ": Vermorcken te Brussel
werd er mede belast. De uitgave werd een sierlijk boekdeel,
dat vrijwel gewaardeerd zou worden bij het publiek al had
het fijn afdrukken der houtgravuren eenige moeite ingehad op
de drukkerij van Aran Zeggelen (Giunta d\'Albani) \'.
Dit bezwaar werd echter vrijwel overwonnen; maar wat allcr-
minst in goede aarde viel, was de voorrede die Tollens er aan
toevoegde, waarin hij opkwam tegen het naar zijn oordeel
duistere, koude diepzinnige der gedichten van zooveel van zijn
1    Brief van Da Costa 3 Maart 1849.
2    Nieuwsblad voor den Boekhandel 25 Mei 1848.
:\' Bouwstoffen Dl. I blz. 365.
4 Schotel. Tollens en zijn tijd. Tiel 1860 blz. 133.
r\' Dl. VII \'sGravenh. 1848 blz. 196 vlg.
" Brief van Van Zeggelen 22 Juni 1848.
\' „De prachtwerken van de Franschen en Engelsehen zijn wel op
zwaar papier, maar vergelijk dat over \'t algemeen eens met Uw papier.
Ge zult zien bij ben is \'t meestal zoo fijn van erf \\sic] of \'t postpapier is
(papier Angoulème) aan beide zijden zoo glad als een spiegel; dik en
zwaar, maar toch zacht en lijn op de bovenste oppervlakte aan beide,
zijden." (Brief van Van Zeggelen 28 September 1848.)
-ocr page 125-
MESSCHERT, DE GOUDEN BRTTIT,OFT.                      118
jongere tijdgenooten \'; tegen de richting van Beets en Ten ,84s
Kate; tegen de „phantastische mijmerijen en middeleeuwsche
kloosterlegenden, veelal in een zonderlingen vorm en een bar-
baarsche taal ingekleed", en de „poëzij onbereikbaar door
duistere, koude en raadselachtige diepzinnigheden, waarbij het
hart onaangeroerd blijft en het hoofd duizelt1\'; van één en
ander was naar zijn oordeel gebleken dat onze natie afkeerig
is. Het wekte in hooge mate de verontwaardiging op: hooren
we Alberdingk Thijin in een brief -, waarin hij den uitgever
dank zegde voor een present-exemplaar.
Daar is maar één man in ons landtjen, die zóó illu-
streeren kan — en dien man hebt gij getroffen voor de
teekening der houtsnecdtjens. . . . Het gedicht is ook al-
lerliefst. Het beeft natuurlijk de gebreken van de huiselijke
poëzij uit het tijdperk, dat hef tegenwoordige onmiddel-
lijk voorafging; ofschoon ik niel weet, of De gouden
bruiloft,
wel onder den Uuij dr, Vlaming is. De dichter
echter is van vroeger vorming. Eenvoudigheid, naïveteit
somwijlen — maar niet zonder een zekei: „/ie je wel
hoe eenvoudig ik maar hen!" Schilderachtigheid — maar
zich-zelve te veel bewust van het aangenaam elfekt, dat
ook de nietigste voorwerpen kunnen maken —- mids het
penseel van een meester ze behandele; en zoo, wel eens
iets overladens in de détails, bij den nog niet aan liet
keurslijf ontkomen stijl, die almede dat tijdperk ken-
nierkt.
Maar, in trouwe! het gedicht is in vele opzichten zeer
schoon, (ui verdient ruimschoots de eer, die uw kiesche
en vruchtbare smaak er in deze uitgaaf aan heeft laten
wedervaren.
Maar wat het gedicht niet verdient, uwe fraaie uit-
gave even min — dat is ontsierd te worden door de kregele
en schier hatelijke voorreden van Tollens — den ouden
Schotel. Tollenx en zijn lijil. Tiel 18G0 blz. 1!)7.
27 November 1848.
-ocr page 126-
14                      MES8CHERT, DE GOUDEN BRUILOFT.
man, wiens laatdunkende toon en afgunstige houding
tegenover de richting van een jonger geslacht, te onver-
draaglijker zijn, naar hij ze in bloemzoeter heuschheid
en geaffekteerder nederigheid tracht te verbergen. De stel-
ling, die Tollens, na een met roem doorloopen dichters-
leven, heeft aangenomen, is allerongelukkigst, en, ik vrees,
dat zij, hij de reaktie zijner tegenwoordige bemoeiingen,
hem niet voortdurend genoegen zal blijven opleveren. De
man irriteert in hooge mate een jong geslacht, dat, met
zoo veel vuur in het gemoed als eenmaal in Tollens\'
aderen wellicht gloeide, en met meer pit in den geest,
met serieuzer studie en solieder beginselen dan de zijnen,
ter gelegener tijd den ongeroepen en onbevoegden kritikus,
naar ik vrees, zal kastijden voor zijn grijzanrts onbezon-
nenheid; nadrukkelijker dan de humaniteit wellicht toe
zou laten. Zie! dat is altoos een slechte pozitie: na zoo
veel roems te hebben geoogst, als nimmer een Hollands
dichter ten deel viel — op zijn ouden dag niet alleen
met minachting neer te zien op de gemoedelijker pogin-
gen van jonge lieden, maar daar met het acharnement
van ecu of andere hartstocht bij iedere gelegenheid over
uit te vallen, en, al is het in onverschoonlijk mat proza,
het gewicht van zijn dichtemaam in de schaal te werpen,
die bewijzen moet, dat de jonger kunst geen waarde ter
waereld heeft, en hij de „eenvoudige", „ongekunstelde"
man eigenlijk alleen weet, waar het met de Kunst opstaat.
Men moest zich voor den schijn — zelfs van zoo iets
wachten. De man moge alles ter waereld zijn en kunnen
— een theorist is hij niet: hij heeft geen grein wijsgee-
rig genie, en geen grein wijsgeerigc studie — noch kunde,
noch opleiding.
Ziedaar, ruiterlijk, mijn gevoelen, \'t Spijt me, dat ge
geen onzer jongeren (Ten Kate, Heije, De Buil, Schim-
mei. . .) gevraagd hebt, om die voorrede te schrijven: dat
zijn alle minder en meer menschen van serieuae studie —
maar vooral van gemoedelijkheid. Het zuurdeesein van
de geïrriteerde kuustenaarsdrift heeft in de dagen, dat wij
-ocr page 127-
MESSCHERT, DE GOUDEN BRUILOFT.                      115
het krachtigst ademhalen, uitgegist; die tochten (wat onze isis.
gebreken zijn mogen!) die kennen wij niet. De gal van
Tollens is een vlek op uw voortreffelijke uitgave. En —
wat zeer van belang voor u is — ik mag u niet verhee-
len, dat ze vermoedelijk hoogst ongunstig op de beoor-
deelingen
van het geheel zal werken. Ik beloof u intus-
scheu — zoo ik gelegenheid vind het bundeltje» te
recenseeren - - zorgvuldig uw goede gedachte der geïllu-
streerde uitgave, van den faalgreep der Tollens-uitnoodiging
te onderscheiden. En — zoo als ik u zeg — het gedicht
is hoogst verdienstelijk en verdiende uw zorg in ruime
mate.
Toch mochten dergelijke oordeelvellingen — ook Van den
liergh te \'s Gravenhage „spuwde vuur en vlam" — Kruseman
niet noopen met zijn aan Tollens gegeven woord te breken,
over de verzameling van Messchert\'s Nagelaten gedichten, die in
het volgend jaar L849 bij hem het licht zag \'. Zes jaar later gaf
Kruseman, schoon de geïllustreerde editie nog niet uitverkocht
was, een goedkoopen herdruk in zeer klein kwarto formaat van
De gouden bruiloft in het licht, zonder de prentjes en niet een
uittreksel uit het voorbericht zonder de tirade van Tollens, die
de gemoederen zoo verbitterd had.
De gouden bruiloft is een belangrijke onderneming in de ge-
schiedenis van Krusemau\'s uitgeverszaak. Deze uitgaaf toch is de
eerste geïllustreerde editie, welke door Kruseman gedaan werd.
Wel is waar had hij vroeger ook reeds werken in het licht
gegeven, die met prenten voorzien waren, een geïllustreerde
editie in de engere beteekenis van het woord, was tot op dit
1 Geheel juist is de titel niet gekozen, daar Tollens de gedichten
van Mcsschevt slechts corrigeerde naar de spelling van Siegenheek en
die uitgaf als verzameld en uitgegeven door hem. — Bilderdijk had
indertijd hetzelfde gedaan met Van Haren. (Brief van Kruseman aan
Da Costa 0 Juni 1850.) — Kompleet was in zooverre de uitgaaf niet, daar
hetgeen van meer intiemen aard was, achterwege gelaten werd. (Brief
van Kruseman aan Prudens van Duyse 28 Februari 1849, mij welwil-
lend ter inzage verstrekt door den Heer Florimond van Duyse te Gent.)
8*
-ocr page 128-
11(5
AGLAJA.
1848. oogenblik door hem niet ondernomen. De wijze, waarop hij
deze poging tot een bevredigende oplossing had gebracht, kon
weinig doen vermoeden, dat hij enkele maanden later zulk een
mistasting zou doen met de Polichinel; trouwens voor het ééne
was- de hulp van een Zuid-Nederlander ingeroepen, voor het
andere zou Noord-Nederland alleen de houtgraveurs moeten
leveren. En dat De gouden, bruiloft, schoon ouderwetsch, nog
steeds eenige waarde heeft, wordt hieruit bewezen dat, terwijl
Schierbeek voor het kopyrecht en 100 exemplaren f 152 ont-
vaugen had, de geïllustreerde editie, in 570 exemplaren (5°
druk) f 50 mocht opbrengen in de fondsveiling van den 4
April 1895.
Behalve deze uitgaven was met den aanvang van 1848 nog
een ander werk ondernomen, dat Kruseman, wel is waar niet
zou doen noemen in de letterkundige, noch in de wetenschap-
pelijke wereld, maar dat niettemin veel, zeer veel heeft bijge-
dragen. tot bekendmaking van zijn naam in de uitgeverswereld:
de Aylaja [Tijdschrift voor] Danieshandwerken.
Al reeds dadelijk bij het eerste verschijnen had de Aglaja het
gewenschte succes. Voor een goed deel was dat te danken aan
hetzelfde middel als hetgeen Kruseman aangewend had bij het
Christel ijk Album.: colportage \' en overvloed van prospectussen.
Daarom zij hier medegedeeld dat van den tweeden jaargang.
Bij den nieuw ingetreden jaarkring en het verschijnen
van het eerste stukje des tweeden deels van ons werkje,
herhalen wij de woorden bij den aanvang van ons Maand-
schrift geuit: „dat wij aan den eenen kant niet be-
oogden een boek uit te geven, hetwelk hoog van prijs
en, bij slot van rekening, even weinig voor den middel-
als voor den hoogeren stand geschikt ware. Niet meer
lag het in ons plan, een boekje uit te geven, dat én
door inhoud, én door uitvoering, én door uiterlijk, uit-
1 /\' 200 en f 185.(55 werd in 1848 op de onkostenrekening hiervoor
gebracht.
-ocr page 129-
117
AGI.AJA.
sluitend voor den minderen stand berekend was. Ons i»4».
doel was de uitgave van een Tijdschriftje, dat door het
uitwendige, den inhoud en de uitvoering, zich een plaats
in de salons en op het toilet der hoogere standen kon
verzekeren, dat in het dameswerkdoosje plaats kon vinden
en toch, door den matigen prijs, onder, het bereik lag
van allen; dat, steeds eene keur van verschillende hand-
werken bevattende, door de periodike [sic] uitgave in staat
was op de hoogte van den tijd te blijven, en dat, door het
mededeelen der nieuwste, schoonste en smaakvolste hand-
werken, de lust voor deze gaande houden, den smaak
verfijnen en het vernuft scherpen zou, en onze landge-
nooten bij de vreemde dames niet achter zou doen
blijven".
Van daar dan ook, dat onze wensch is vervuld en ons
werkje inderdaad weerklank en ondersteuning bij liet be-
schaafde publiek heeft gevonden, liet voortdurende en,
met zelfvoldoening zeggen wij, het toenemende debiet,
van eenige duizend exemplaren — een getal, hetwelk
nog dagelijks aangroeit — strekt daarvan ten bewijze.
Met genoegen en zouder laatdunkendheid mogen wij dan
ook zeggen, dat ons Tijdschrift niet slechts ten opzigte
van het uitwendige maar ook van den ongelooflijk ge-
ringen prijs, hier te lande niet wordt overtroffen, ja zelfs
niet wordt geëvenaard, zoodat b. v. de prijs eener enkele
tapisserieplaat meer bedraagt dau de geheele daarmede
uitgegeven Aflevering. Ook komt hier nog bij, dat de
Lithograaf, door den Uitgever met de uitvoering der pla-
ten belast, heeft getoond het vertrouwen allezins te ver-
dienen, door onafgebroken en met inspanning alles aan
te wenden, wat de afbeeldingen kan doen wedijveren met
het beste, door den vreemdeling in dat vak geleverd.
Maar hebben wij ook meer gedaan dan wij hebben be-
loofd, dit zal ons niet doen insluimeren. Integendeel, \'t
legt ons nieuwe pligten op, welke wij met tevredenheid
en ijver hopen te vervullen, opdat wij in een volgend
jaar, met even veel genoegen op de afgelegde baan te-
-ocr page 130-
118
AGLAJA.
•1848.                rugzien en de bescherming des beschaafden publieks met
even veel gerustheid kunnen inroepen, als wij \'t thans
doen, met het oog op hetgeen wij in het volgende deel
hopen te leveren.
Uitgever en Eedactie.
Kruseman echter, die van zijn kant begreep, dat hij het bij
dat eerste welslagen niet moest laten om zijn onderneming
levensvatbaarheid te doen houden, wist met het Verkoophuis
te Amsterdam een overeenkomst aan te gaan over het in
den handel brengen van nieuwe naaldenmaten, haakpennen en
houders voor haakpennen, snijnaalden voor relief-tapisseriewerk,
een Aglaja-schaar en nog eenige andere soortgelijke voorwer-
pen. Het Verkoophuis had naar het schijnt hiermede het ge-
weuschte succes, want op verschillende plaatsen van ons land
vestigde hij depots van die voorwerpen.
Wat de redactie beloofd had in het prospectus bij de
eerste aflevering verzonden, bleek zij te kunnen volbrengen,
maar ook bleek dat, tot voordeel van den ontwerper, in den
geest der dameswereld, vooral der oudere dameswereld.
Het debiet klom bij inteekening in 1852 tot 5142 exem-
plaren. En de aanleiding tot deze onderneming? De her-
haalde aanvragen van Hacke en van Bleeker om modeprentjes
voor hun vrouwen zullen er ook wel een opwekking toe
gegeven hebben. Maar liooren wij Kruseman zelf.
„In 1845 trok het mijn aandacht, dat er in Duitschland en
Frankrijk een aantal kleine handleidingen voor vrouwelijke
handwerken, bijv. breijen, haken, kuoojien, borduren, het licht
zagen. Ik vertaalde er een, het Haakboekje van M. Kom,
en verkocht er weldra een menigte exemplaren van. Deze
goede speculatie bracht mij tot het plan om de voordeelen
duurzamer te maken door bet vestigen van een tijdschriftje,
voor welks redactie ik de familie A. van Lee te Amsterdam
aanzocht, onder controle van nawerking der voorwerpen door
de Gezusters Weeveringh te Haarlem. Deze uitgaaf, geheel nieuw
en oorspronkelijk, slaagde al dadelijk naar wensch. In [Augus-
-ocr page 131-
119
AGLAJA. ---- CENDRILLON.
tus] 1850 ging ik naar Parijs om een goede bron te vinden i««.
voor kleine modeplaten, die ik na lang tobben en ongeloofe-
lijke bezwaren, eindelijk vond in de medewerking van de firma
Adolphe Goubaud & C\'e, de uitgevers van het Journal des
demoiselles.
Met deze firma ging ik tegelijk een contract aan
tot het gezamenlijk uitgeven van een fransche vertaling van
de Aglaja, onder den titel van Cendrillon, revue enci/clopédiqne
de torn les travaux de dames
\'. De fransche tekst (door Van
Lee bewerkt 2) zou door mij uit Haarlem gratis geleverd worden,
en daarentegen zouden Goubaud &(!"\' de kleine modeplaten arran-
geeren, die wij zoowel voor Aglaja als Cendrillon zouden gebrui-
ken. Deze fransche editie, [waarvan overigens de geheele redactie-
arbeid in handen van Goubaud was, gaf behalve de modeplaatjes
en de dameshandwerken maandelijks nog een muziekstukje van
Camille Schubert, typographiseh uitgevoerd in procédés
Tantenstein et Gordel :!, welke niet in de Aglaja overgenomen
1    Agent voor Zwitserland van de Cendrillon was in 1851 Edmond
de La Fléchère te Grenève; voor liet Koninkrijk der Beide-Siciliën Be-
noit Pellerano te Napels.
2    De overlevering noemt hierin ook Mevrouw A. C. Kruseinan.
3    Deze wijze van muziekboekdruk is in hoofdzaak dezelfde als die,
■welke omstreeks 1755 door Breitkopf te Leipzig het eerst in praktijk werd
gebracht, en een paar jaar later door J. M. Fleiscbman, den stempel-
snijder van Johannes Enschede\' te Haarlem, „tot de hoogste Volkomen-
heyd gebragt is". (De lettergietery van Joh. Enschedé en Zonen. Ge-
denkschrift.
Haar]. (1893) blz. 23 vlg.). Dit stelsel bestond uit een \'250
teekens. Tantenstein en Cordel, twee Israëlieten te Parijs, slaagden er in
dit aantal tot 108 te verminderen en hadden hiervan in Juli 1835
reeds inuüiektvpen in drie verschillende grootten gesneden (.Journal fnr
Buehdruckerkunst.
1835 kol. 108). Die vermindering bracht echter te
weeg, dat somtijds het aansluiten der lijnen in den drukte wensehen over-
liet. Hun systeem schreef daarom voor van het zetsel een afgietsel te nemen
en de cliché uit de hand bij te werken (P. Dupont. Histoire de Cim-
primerie.
Paris 1854 tom. II pag. 375). Belinfante vermeldt in zijn
Iets over de verdiensten der Israëlieten als boekdrukkers (blz. 18), dat
zij op de tentoonstelling voor de nijverheid in Frankrijk voor hun uit-
vinding met een medaille bekroond zijn geworden. Vgl. Journal 1855 kol.
177. — Ook Schelter te Leipzig sneed destijds een muziekschrift van veel
minder, omstreeks 100 teekens (Journal 1844 kol. 148); het streven van
die dagen het aantal figuren te verminderen, slaagde niet, getuige o. a.
-ocr page 132-
120                     AGLAJA. ---- CENDRILLON. — BÏOU.
1848. werd \'; de combinatie] liep tot liet einde van 1854 2. Tntus-
schen hadden Goubaud en ik ook een duitsche uitgave be-
proefd, onder den titel yan Byou, die in November 184!)
verscheen, in \'t volgend jaar nog voortgezet werd, maar met
schade eindigde 3. In \'t zelfde jaar 1851 kwam Goubaud uit
de hedendaagschc muziekschriften, welke bestaan uit ruim 4f)() teekens.
Muziekboekdvuk is tegenwoordig veelal verdrongen door muziekplaat-
druk; specialiteit hierin is de firma C. G. Roder te Leipzig. Met behulp van
stempels worden de noten en de tekst in een plaat uit een alliage van
lood en tin bestaande geslagen. Een afdruk wordt op steen overge-
drukt en daarvan wordt op een soort steendruksnel pers de oplaag getrok-
ken (Typographische Jahrbucher herausgegeben uon J. Miisrr XVI11U
Jahrgaiig. Leipz. 1897. Heft III S. 18).
1    Alleen de Aglaja van 1857 heeft een muziekstukje nl. Donne moi ton
arur
muziek van J. J. Viotta, woorden van André van Hasselt. Het isuit-
gevoerd in steendruk.— Gedichten van Van Hasselt komen voor in Jour-
nol drs dames et des denwiselles. Journal de modes dirigé par
Ad. Gou-
band \\arer\\ la eollaboralion de M. Sajou 1855—185H. Bruxelles. Bruylant-
Christophe et C (Paris. Imprimerie de L. Martinet).
2    Een advertentie van Kruscman in de Haarlemsc/ie Courant van den
17 December 1850 — evenzoo in de advertenties in lic Tijd van 1851
— zegt: „het [is| eene vleijende hulde aan de zórgen, dat de Holland-
sche Aglaja tweemaal vertaald wordt in het Fransch, te. Parijs ver-
schijnende onder den titel van: Cendrillon. Journal encyclopédigue dr
tous les Iravan-c dr dames,
en te Brussel, in eene geheel verschillend •
uitgave, onder dien van: Recueil ntensuel dHnstructhns ei d,exeniples
d\'ouvrages de, nmins.
Beide Journalen zijn natuurlijk altijd een of twee
maanden bij de Aglaja ten achteren." Een gelijktijdige advertentie ver-
dient vertrouwen; ik heb echter van die Belgische editie geen spoor
gevonden in het materieel, dat mij voor dezen arbeid ten dienste staat,
terwijl de Heer J. J. Weeveringh, Kruseman\'s boekhouder in die dagen,
mij evenmin de gewensehte inlichtingen kon verstrekken. In de Aglaja
zelf van 1851 wordt die Brusselsche uitgaaf genoemd lïecuetl menxuel
des travaux de dames,
terwijl achter tome IV (185:2) van Kruseman\'s
exemplaar der Cendrillon is bijgebonden Les mosaiques de Cendrillon,
Irarail nouneau
s. a. met het adres: „Paris ehez Ad. Goubaud et C*\\,
Bruxelles ehez Périchon."
3    Byou verscheen te Parijs bij Goubaud & Comp. en te Weenen bij
Tendler und Comp., als eigendom van de administratie der Iris, een
sinds 1810 te Gratz verschijnend damestijdschrift. Inderdaad staat dan
ook op de omslagen der afleveringen Wignon-Begleiter dei\' Damen-
Zeitschrift Iris.
Het werd gedrukt te Parijs bij L. Martinet.
Vermelding verdient hetgeen op blz. 31 te lezen staat; de redactie
-ocr page 133-
AGI.AJA. ---- CBNDRILLON.                                121
Parijs en ik uit Haarlem te Londen /-amen om te trachten, <8w
ook daar een engelsche editie te vestigen, welk voornemen
nochtans geheel schipbreuk leed op het onverzettelijk not pos-
sihle
der engelsche uitgevers, die wij er toe aanzochten.
Mijn fnmsclie compagnon was een man naar mijn hart: vurig,
handig, kort van stof. Jammer, in 1854 merkte ik, dat hij mij
bedroog. Ik kreeg van zijne administratie — waar vrij wat
inlegkapitaal van mij inzat [4000 francs] — maar in \'t geheel
geen [nauwkeurige] rekening, niettegenstaande Cendrillou héél
goed bleek te gaan. Ik ging dus naar Parijs om de boeken na
te zien \', vond den boel in de war, verbrak liet contract en
liet Cendrillou aan Goubaud over, mij evenwel dekkende door
een voortdurend leveren der modeplaten, zoodat ik van deze
fransche speculatie voor \'t minst schadeloos afkwam en er het
voordeel van had goede modeplaatjes voor de Aglaja te hebben
gevonden."3 In 1855 vereenigde Kruscinan zijn uitgaaf met
het Toilet. Tijdschrift voor vrouwelijk? handwerken, dat hij
voor/\'1000 overnam van den uitgever N". de Zwaan te Utrecht,
denkelijk wel om de concurrentie daarvan te weeren.
De firma Goubaud had door Kruseinan\'s opwekking aan een
tak van haar fonds een niet onbelangrijke uitbreiding kunnen
geven; in de afdeeling damestijdschriften zou zij weldra spe-
cialiteit w\'orden. Bij besluit van den Ministre dn commerce dd.
2\'-i December 1 S!)(j werd benoemd een Comité\'d\'ad-mis»ionpour
la section franqaise a l\'Expositiun universelle de BntxeUe» J807
\',
comité XI, Imprimerie et industries dn JAvre. Onder de benoeiu-
den komt voor: „A. Goubaud, liöraire-édifeur, de la société
drs joumaux de mode réuuis\'11 \'\'.
klaagt daar over de moeielijkheden, die zij ondervindt met de technische
uitdrukkingen, want elke Duitsche stad heeft haar eigen terminologie:
„wollten wir dafür z. B. die Ausdrücke der Berliner Damen wahlen,
xo müszten wir befürchten, von den Wienerinncn nicht verstemden zu
werden, und so umgekehrt."
1    Kruscman\'s verblijf te Parijs kon slechts kort zijn; in den heer
L. Cabanis, ecu Nederlander, dien hij daarbij toeval ontmoette, vond hij
een voortreffelijk zaakwaarnemer.
2    Vgl. Bouwstoffen Dl. I blz. 194.
3    Bulletin de fimprimerie. Paris janvier 1897 pag. 1.
-ocr page 134-
] 22
AGLAJA.
18*8.            Thans nog iets over liet uiterlijk. De Aglaja kostte slechts
f 0.25 per «aflevering, werd afgeleverd met en zonder patro-
nen en gaf bij den tekst jaarlijks ongeveer acht en veertig
steeudrukplaten, gedrukt door O. D. Einrik te Haarlem, waar-
toe de patronen en platen rechtstreeks uit het etablissement
Sajou te Parijs ontvangen werden \'.
Met den jaargang 1852 onderging het maandwerkje uitbrei-
ding. Om het debiet aan te wakkeren verzond de uitgever bij
het Decembernummer van 1851 een Aglaja-almanak voor .i8Ü2,
hetgeen hij jaarlijks volhield, zoolang de Aglaja in zijn bezit was.
Voor het eerst werd hij dat nummer gevoegd een Parijsch
modeplaatje~, geteekend door A. Lacauchie of Jules David
en gedrukt te Parijs door Lnmoureux, waaronder af en
toe oj) aanvrage van II. K. lezeressen ook kleederdrachten
voor communicanten, terwijl het aan de beslissing van de
abonné\'s stond of zij tegen een jaarlijksche verhooging van
50 cents :1, ontvangen wilden fransche driemaandelijksche pa-
tronen tot het vervaardigen van dameskleeren. Sinds Decem-
ber 1853 werden deze; laatste, afgedrukt op nansouk of netel -
doek, ook verkrijgbaar gesteld in de depots der Aglaja-voor-
werpen. In dienzelfden jaargang 185:} komen ook voorliet eerst
korte boekbeschouwingea voor om „een overzigt te geven van
wat de beweging der litteratuur voor de vrouwen wereld be-
langrijks mogt opleveren". Maar met dat al bleven de band-
werken hoofdzaak, de modeplaten en patronen, die nimmer bij
nagevraagde exemplaren gevoegd werden, bijzaak.
Xa ruim zes jaar bestaan te hebben verheugde de Aglaja
zich in een algemeene bekendheid. Niet alleen toch, dat in
Nederland zelf wederrechtelijk stukken uit de Aglaja werden
overgenomen 5 en dat ook na het verbreken van het con-
1 Advertentie in De Tijd Dl. XI \'s Gravenh. 1850 blz. 295. •
\'\' t. a. p. Dl. XIII \'s Gravenh. 1851 blz. 41.
\'\' t. a. p. Dl. XV \'s Gravenh. 1852 blz. 12».
4 „Heeft men ons buitenslands de eer der vertaling waardig gekeurd,
in het binnenland heeft men ons die bewezen van ons eenvoudig na te
drukken, met juist zoo veel verandering als omtrent voldoende was, om
de zaak voor den onopmerkzamen bijna te bemantelen. Hoezeer nu de
wetten onzen Uitgever de middelen geven, zulke onwettige eerbewijzen —
-ocr page 135-
123
AGLAJA.
tract met Goubaud, de Cendrillon en daaruit weer de Bijou isw.
en Iris en het Journal des dames et des demoiselles ge-
regeld de handwerken bleven overnemen, ook andere bui-
tenlandsche damestijdschriften als het Toilet en het Journal
für moderne Stickerei
gingen op roof uit bij Kruseman\'s
onderneming; Kruseman beroemde zich daarop in het Bij-
blad
van het Meinummer van 1<S54<: „terwijl wij nu ook
van de handwerken uit den loopenden jaargang, een aantal
zoodanige overnemingen kunnen aantoonen, kan men ons, in
geheel den loop van ons zevenjarig bestaan, geen enkele door
ons gedane overname uit een dier tijdschriften aanwijzen. Die
feiten zijn, dunkt ons, welsprekend genoeg en wij vragen het
onze lezeressen, of die niet ten krachtigste sjjreken voor de
degelijkheid der zevenjarige Aglaja, die zich onafgebroken en
voortgaande in de gunst van het publiek harer duizende abon-
nées mag verheugen.\'"
De uitgaaf van deze „allerliefste verzameling van dames-
handwerken" \' vond een onverdeeldeu bijval in de dameswereld
en een flink debiet, zoodat dan ook ruimschoots gebruik ge-
maakt werd van de gelegenheid, die Kruseman sinds 1853,
vooral aan den boekhandelaars openstelde, om op inlegvelletjes
de zoogenaamde Aglaja-berigten te adverteeren2; blijkbaar
was dit laatste een navolging van hetgeen Van der Vliet eenige
jaren te voren met zijn De Tijd gedaan had en Kruseman had
hiermede onverdeeld succes, zoodat ik niet geloof, dat hij zich
aan grootspraak schuldig maakte, toen hij in het Nieuws-
blad 3
beweerde, dat deze advertenties, ook voor den boekhan-
die wij gerecdeiijk willen missen — te beletten, achten wij iiet echter
beter, in liet besef van ons goed regt en van ons standpunt, die dries-
beid [«iel voor dezen keer te laten doorgaan." (Bericht in Aglaja 1851.)
\' Aldus Droogstoppel in de Max Havelaar van Multatuli (3» dr.
Amst. 1871 blz. 35), toen Sjaalman met fatsoen de Aglaja op den grond
kon laten vallen. De eerste druk van de Max Havelaar verscheen in 1860.
• Zie b.v. een advertentie hierover in bet Weekblad mor den Boek-
handel
van den 20 November 1854 en een advertentie van Joh.
Noman & Zoon de toenmalige eigenaars in Nieuwsblad voor den Boek-
handel
van den 26 November 1857.
3 1 November 1855.
-ocr page 136-
124
AGLAJA.
1848. del vruchtbaarder waren dan die in eenige courant, welke ook.
De goedkoope aanbieding in September 185(5 aan den Boek-
handel — de acht kouipleete jaargangen (1848—1855) in
losse bladen in plaats van f 24 voor f 8.80 \' — die met
bijval begroet werd, was reeds een voorspel van de fondsveiling
van 1S57, die deze uitgave (3601 deeltjes) voor ƒ\'10408.75
zag overgaan in handen van Joh. Noinaii X: Zoon.
Met inbegrip van die som had de Aglaja aan zijn eigenaar
tusseben de f",35000 en ./40000 afgeworpen.
De nieuwe eigenaar schijnt een aantal oude afleveringen op-
geruimd te hebben. Drie centen het stuk, van de verknoping
■van den Heer
Krusew.au van Haarlem,; uu behoeft men geen
kwartje uwer te betalen in de winkels,
riep een jood aan een
kruiwagen te Amsterdam met de Agtaja, tot groote ergernis
van H. v. G. - die dat in liet Nieuwsblad mededeelde \'.
In 1864 ging de Aglaja voor f 2689 in eigendom over aan
Nijtholl\' te Leiden, die bet samensmolt met He Gracieuze, Tijd-
schrift voor dames
als De Gracieuze, Geïllustreerde, Aglaja 4.
Maar daarmede was de Aglaja zelve niet van het tooneel
verdwenen; er was te veel in wat een blijvende waarde had.
In 1 809 waren de restanten in handen van H. Altmann te llotter-
dam. Door hem werd in het Nieuwsblad, voor den Boekhandel
van den 10 Januari 1869 (het niet officieele Zondagsblad) bekend
gemaakt dat hij „verschillende jaargangen van het gerenomeerde
Dames-Tijdschrift Aglaja, door druk adverteeren in de dagbla-
den, dacht te gaan exploiteeren". „Alles evenwel, wat daaraan
een tijdelijk karakter verleende, zoo als modeplaten en modebe-
rigten, is uit deze deelen verwijderd en ieder werkje bevat niets
anders dan de bovengenoemde handwerken, met de daarbij
behoorende platen. Inzonderheid voor meisjes uit den burger-
stand is het eene welkome gelegenheid, om zich voor een beetje\'
1 Nieuwsblad voor den Boekhandel 2 October 1856. en 30 Octo-
ber  1856.
*    ü. v. H|eteren] ?
*    Nieuwsblad voor den Boekhandel 13 October 1859.
\' Van der Meuten. Een veertigjarige uitgeoersloopbaan. A. W. üijt-
/(o/f. Amst. 1891, blz. 61.
-ocr page 137-
125\'
VEETALING8RECHT.
geld datgene aan te schaffen, wat zij voor ƒ8.— a/\'4.— in
haak- en breiboekjes kunnen vinden. Het kan dus niet anders
of eene algeuieene vraag zal zich naar dit artikeltje doen hoo-
ren, zoodra mijne annonces verschijnen."
Al was het geen moeielijkheid, toch had Kruseman in 1N48
een kleine onaangenaamheid te verduren en weer was het naar
aanleiding van het vertalingsrecht, die bron van zooveel en
velerlei gehaspel.
De overeenkomst tusschen de leden der Vereeniging onder-
ling, het is voldoende bekend, handhaafde het eigendom der
vertaling aan dat lid, die bet oorspronkelijke werk het eerst
ter uitgaaf aan zijn Stadsbestuur vertoond bad. Het ligt voor
de hand, dat sommige minder consciëutieuse confraters, afgaande
o]) eene aankondiging in een buitenlandsch blad, wel eens een
boek zouden aankondigen als vertoond zonder zulks in werke-
lijkheid gedaan te hebben, en meenden zoodoende een ander
een vlieg te kunnen afvangen.
Ook Kruseman werd in het Nieuwsblad van den 17 Augustus
1848 van deze kwade praktijk verdacht gehouden, toen hij in
het Handelsblad van den £9 Juli Sinclair -The business of life
aankondigde. Met waardigheid toonde hij in het volgend
nummer van het Nieuwsblad daghelder de volslagen onge-
grondheid van deze „listige praktijk" aan, en betuigde „dat
door mij nooit eenig werk is geannonceerd, hetwelk in waar-
heid niet door mij vertoond was, dat ik nooit een vroegeren
datum heb opgegeven, en dat ik weusch ook nimmer anders,
dan op eene eerlijke en betamelijke wijze te handelen".
Maar deze kleine moeielijkheid zonk gansch en al in het
niet bij de grievende teleurstelling, die Kruseman in het vol-
gend jaar 1849 moest ondervinden; de grootste teleurstelling
wellicht in geheel zijn uitgeversloopbaan ondervonden, te smar-
telijker daar het een lievelingsplan gold, dat tot verwezen-
lijking kwam. Een caricatuurblad, dat zijn geeselroede
gansch onpartijdig, maar ook gansch onpersoonlijk, zou moe-
ten opheffen tegen maatschappelijke toestanden, door een gees-
-ocr page 138-
•126
POLICHINEL.
1849. tige redactie bestuurd, kou zeker spoedig een der populair-
ste bladen binnen onze grenzen worden \'. Hetgeen al eenige
jaren vroeger te vergeefs \'beproefd was, eerst met de Snippers,
later met den Waggon en den Uilenspiegel kwam in Januari 1S49
tot een uitvoering niet den Polichinel. Den raad aan Kruseman
indertijd gegeven door Van der Vliet, dat een dergelijk blad
vooral geïllustreerd moest zijn, nam hij ter harte; natuurlijk
evenwel, dat personaliteiten, die aan een dergelijke uitgave een
Hink debiet zouden kunnen bezorgen, bij hem op den index ston-
den -. De Polichinel, een eiken Zaterdag verschijnend caricatuur-
blad, dat behalve oorspronkelijke bijdragen zijn stof ontleende
aan de beste buitenlandsche bladen in dat genre, als Punch, Man
in the Moon, Charrivari, Illuslration, Lenchtkugeln, Vliegende
Blaller
en een menigte werken van dien aard meer *, ouder
de nooit bekend geworden redactie van S. J. van den Bergh
en W. J. van Zeggelen, bleek echter allerminst aan de ge-
koesterde verwachting te beantwoorden. Bedoeld als een Punch,
bleek het blad meer de richting te zullen uitgaan van den hui-
digen Uilenspiegel. Trouwens Kruseman had zich de uitwerking
van zijn denkbeeld gansch anders voorgesteld dan de krachten
zijner Haagsche vrienden toelieteu. Lezen, lezen en nog eens
lezen en bovendien een fijne, puntige opmerkingsgave werd van
hen vereischt; voor het eerste was bij hen de noodige tijd niet
beschikbaar en het tweede bleek niet in die mate bij hen aan-
wezig te zijn als noodig was voor de levensvatbaarheid van het
blad. Wel is waar trachtten zij aan deze bezwaren te geinoet
te komen door de hulp van anderen in te roepen, van Arnold
Ising, die o. a. in de Midderuachts-vlam in ds grafgewelven
1 Circulaire van den 1 Januari 1848 [sic],
s „Van Bohn heb ik het Prentenboek zonder prenten van Andersen
gekregen met verlof nog voor mij te mogen vertalen, wat hij zelf\' niet
in \'/ Leeskabinet heeft geplaatst. Hij heeft er evenwel het beste uit.
Doch wil ik er voor uwe Snippers nog eens de hand aan leggen. Voorts
zie ik kans uwe Snipper* een ongemeenen opgang te bezorgen; maar
alleen ten koste van letterkundige personaliteit en met behulp van
houtsneê-illustratie." (Brief van Van der Vliet 10 November 1843).
3 Advertentie in Haarlemsche Courant 1 Januari 1849.
-ocr page 139-
127
POLICHINEL.
van den Gnomenburg, of misdaad, bloed, vergif en boete of de isw.
doodsklok bij zonsondergang een charge leverde op de roman-
tiek, van H. Ilpsema Vinckers, van J. H. Burlage, die van een
dergelijke uitgave reeds maanden lang zwanger ging, van A. J.
de Buil en van .1. J. L. ten Kate \', het baatte niet, de uitgaat\'
leed volkomen schipbreuk. Nadat er acht wekelijksche nuni-
mers verschenen waren, staakte de uitgever het werk, dat reeds
vóór zijn verschijnen door Van Zeggelen een stout waagstuk
genoemd werd 2. Het laatste wat de Polichinel zou afdrukken
was zijn:
Bonjour la compagnie!
Polichinel, is met zijn baas aan den stok geweest.
Polichinel wou met zijn klompen op het ijs — dat is
te zeggen, op het politieke ijs — en zijn baas of uitzen-
der wou \'t niet hebben; want hij was bang, dat Policht-
nel in* zijn dolligheid soms den een of ander tegen \'t lijf
zou loopen en hem zou laten vallen, en zijn baas wilde
volstrekt niet op zijn geweten hebben, iemand te kwetsen
of zelfs daarvan gevaar te doen loopen. Polichinel bracht
hier wel tegen in, dat de menschen, die op den kant
stonden, zouden lagchen als zij zijn gekke kapriolen op
het ijs zagen, en het uit zouden gieren als hij iemand
vallen liet, en dat hij nou juist op zijn dreef was, oin
eens heel aardig te worden; maar de baas bleef bij zijn
stuk en verbood hem nadrukkelijk er op te komen. Nu
bleef Polichinel landerig in de rondte waren en zette
tusschenbeide een mooi zuur gezigt, omdat alle menschen
keken naar de ijsvlakte en dus bijna niemand keek naar
hein. .. En \'t einde van dat alles is, dat Polichinel
zijn slaapmuts over de ooren trekt, naar bed gaat, en dat
zijn baas al zijn gekheden gratis ten beste geeft en zich
o]) eene eervolle wijze retireert!
„Ten Kate is de jeune premier, neen, de Harlekijn onzer Poëzij",
schreef De Gids in 1842 (Boekbeoordeelingen blz. 106).
\' Brief van Van Zeggelen 23 December 1848.
-ocr page 140-
128
POLICHINEL.
inv.t.            „Het zou weinig achting verraden voor mijne haudelsgeuooten,
voor het publiek en voor mij zelven, zoo gaf Kruseman als uit-
gever bovendien nog verantwoording van zijn daad \', als ik L\' de
rekenschap achterhield van eene uitgave, die zoo weinig bijval
gevonden heeft en zoo spoedig ten einde is. Zonder mij zelven
eenigzins te willen verontschuldigen, kom ik er met innig leed-
wezen voor uit, dat ik mij in de rigting dezer ongelukkige
onderneming ten eenenmale te leur gesteld zie. Het Blad was
nog volstrekt niet, wat ik in liet plan bedoelde; ik heb te
laat de bezwaren ondervonden, om het te maken tot wat ik
wenschte, en toen mij eindelijk dezer dagen van alle kaïiten
\'werd toegefluisterd, dat alleen het belagchelijk maken van
binnenlandsche staatkundige gebeurtenissen en van bijzondere
personen den weg zoude banen tot een uitgebreid debiet,
heb ik geen oogenblik geaarzeld, om dien eisch bepaald te
weigeren, en liever mijne onderneming op te geven met schade,
dan ze voort te zetten met mogelijke schande!; het lustte mij
niet, uitgever te worden van een Blad, hetwelk drukken zou
o]) mijne zedelijke en maatschappelijke verantwoording.
„Voor de uitgegeven nommers wordt aan niemand iets in
rekening gebragt; de geabonneerden kunnen hunne exempla-
ren gratis behouden.
„Beleefdelijk verzoek ik U, de bladen, die nog bij 1! mogten
voorhanden zijn, even als het billet in uwen winkel, hunne
plaats te geven in den snipperbak; hoe minder overblijfselen
ik er van ontmoet, des te meer onaangename herinneringen
zullen mij bespaard worden." Door die circulaire haalde Kru-
senian een streep door zijn rekening a f 2098.91 i, waarvan
niets terecht kwam dan zorgen en grieven; te vergeefs trachtte
hij van den Minister eene gunstige beschikking te verkrijgen
tot restitutie van de zegelkosten (/\'451.95 voor 32750 zegels).
Tot „waarschuwing en leering van den vinder" bracht Kru-
semau een exemplaar in zijn archief; met de erkentenis dat
ziju blad een prul was, zag hij op zijne onderneming terug,
1 Circulaire van den 15 Februari 1849.
-ocr page 141-
129
POLICHINEL.
met schade en — schande voor zich zelv\', omdat hij zich niet
verontschuldigen kon van overijling en te lichtvaardig ver-
trouwen op auteurs en publiek.
Het is wel eenigszins bezwaarlijk over dit blad thans een
onpartijdig oordeel te vellen, verwend als we tegenwoordig zijn
door de voortreffelijk zoo literair als typographisch uitgevoerde
Punch en Vliegende Blaffer. Bij het verschijnen moest Kruse-
man reeds vrijwat aanmerkingen hooreu over zijn onderneming,
die, naar ik denk, vooral wel de letterkundige waarde der bijdra-
gen getroffen zullen hebben \'. Typographisch zal het blad toen
echter ook wel niet een goed figuur gemaakt hebben met zijn
veelal slecht gesneden houtsneden door C. Ie Blansch\'- te \'s Graven-
hage, Bouwmeester te Haarlem en die, welke door bemiddeling
van Euhri te \'s Gravenhage verkregen waren. Toch moet dat
ongunstig oordeel over de „verluchting" van de Polichinel
cum grano salis
opgevat worden. Artistieke houtgravures waren
destijds hier te lande niet te verkrijgen, zoodat Kruseman dan
1 Ik maak deze gevolgtrekking uit een schrijven van Van der Vliet
van den 18 Februari 1849: „In n". 7 van het „Zondenblad" heb ik u
nog wat trachten te redden." — Het geciteerde nummer van het Zon-
daijsblad
heb ik, ondanks vrijwat navraag, niet onder de oogen kunnen
krijgen. — Evenzoo schreef "Withuys den 16 Januari 1849 aan Van
Zeggelen: „De Polichinel is inderdaad wat flaauw; maar erger, dunkt
me, dat hij te duur is: 20 cents ieder nommer! De jaargang moest
hoogstens f 7.— kosten of \'t formaat moest grooter ziju."
1 Zijn merk is C)S . In 1850 verplaatsten Hendrikus en Chris-
tiaan Le Blansch hun werkplaats van den Haag naar Rotterdam (Ad-
vertentie in Nieuivsblad 2 Mei 1850), waar zij den 1 Mei 1851 een
vennootschap voor 7 jaar aangingen met Pieter Johannes Spaan „tot
het uitoefenen van het vak der kunsthoutgravuren met daarbijgaande
boek- en kantoordrukkerij onder de firma Le Blansch en Spaan." (Nieuics-
blad
8 Mei 1851). Vermoedelijk zullen zij daar in relatie gekomen
zijn met Tetterode, want in 1865 adverteert C. le Blansch, „Kunstgra-
veur in Hout, Koper en Staal, Nieuwe Leliestraat, M. M. 122 te Am-
sterdam, dat hij, na vele jaren voor de fabriek van den heer N. ïette-
rode werkzaam geweest te zijn, aan welke fabriek hij echter thans
niet meer is verbonden", een begin heeft gemaakt met de oprichting
eener graveerschool (Nieuwsblad 4 Mei 1865). In het volgende num-
mer van het Nieuwsblad deelde Tetterode mede, dat het ruim drie jaar
geleden was, dat Le Blansch niet meer voor hem werkte.
-ocr page 142-
130
POLICHINEL.
1849. ook op advies van Rochussen voor de houtjes van Be gouden
bruiloft
tot Zuid-Nederland zich had moeten wenden; de laatste
opflikkering van de houtgraveerkunst was met de Maatschappij
van Schoone Kunsten te niet gegaan en Fuhri, die na liqui-
datie der Maatschappij, de houtgraveerschool overnam, was er
evenmin in mogen slagen die artistieke instelling levensvat-
baarheid te geven. Toch bleef voor betere uitgaven behoefte
bestaan aan kunstboekdrukgra vuren; een goedkoopere methode
beproefde M. H. Binger te Amsterdam in het einde van 1848
hier te lande in te voeren door de oprichting van een glypho-
graphisch etablissement \'. Kruseman maakte, zooals gezegd is,
voor zijn weekblad van dit nieuwe procédé geen gebruik; hij
ging ter markt bij de Nederlandsche houtsnijders van den
ouden stempel, met bedroevenden uitslag.
En evenmin was de tekst — de uitkomst leerde het — wat
zij wezen moest, niet pittig noch puntig. Niettemin komen er
prijzenswaardige bijdragen in voor, waarvan wel bovenaan
staat Ten Kate\'s Een goudmijn is ontdektl Hoera!! Op! Op!
Naar Californial!
maar vooral „een echt Bragiaantje", zijn
bekende De Lazareth-poëet verliefd2.
Of meer dergelijke bijdragen de onderneming ingang had-
1 „Een glyphographisch etablissement, waarin worden vervaardigd
koperen relief gegraveerde platen, geschikt om door middel van de
gewone boekdrukpers alle soorten van afbeeldingen en figuren in de
manier van het fijne werk der kunstplaatdrukkerijen, althans beter dan
zelfs de keurigste Houtsneden, en tevens tot veel minderen prijs, te
kunnen voortbrengen." (Adv. van Binger in Nieuwsblad voor den Bock-
handel
4 Januari 1849). — In de Vondel uitgaaf door Van Lennep
maakte hij gebruik van dit procédé. — Een proeve van deze „reliefgra-
veerkunst" verscheen in Het Leeskabinet Amst. 1849 Dl. I teg. blz. 84;
de houtgraveur E. J. van Arum gaf (t. a. p. Dl. II blz. 53) een be-
scbouwing van de nieuwe Engelsche houtgraveerkunst en van dit nieuwe
procédé, terwijl in het volgend jaar bij Binger een Algemeen overzigt
en eerste proeven van ylyphography
verscheen. — Een jaar later vroeg
Gebhard Kruseman\'s oordeel over „op zink gegraveerde platen". (Brief
van Gebhard 25 Februari 1850.)
* Vijf jaar later nam Van Zeggelen dit geestig gedichtje op in zijn
Keur van scherts en luim, waarin het sedert met de oorspronkelijke
onderteekening Stne ira et studio een plaats behouden heeft.
-ocr page 143-
TEN KATE, DE DURGERDAMSCHE VISSCHERS.            131
den kunnen doen vinden, mag in het midden blijven; zeker 1849.
is het dat de vlieger niet opging, dat overvloed van bijdragen
achterwege bleef, dat medewerking van postdirecteuren en lees-
gezelschappen, vooral op kleinere plaatsen, uitbleef\', dat de
inteekeuaren zich niet aanmeldden, dat de kosten niet gedekt
werden en dat de onderneming een volkomen misrekening was \'.
Misschien ontmoedigde deze ongelukkige afloop Kruseman
wel eenigszins; althans, anders zoo vruchtbaar en actief in het
opzoeken van schrijvers en het voorstellen van nieuwe plannen
en ondernemingen, werden nu vooreerst alleen de loopende zaken
gaande gehouden en werd een afwachtende houding aangenomen
tegenover de schrijvers, die hem aanbiedingen kwamen doen.
Dat was vooreerst Ten Kate te Almkerk met zijn gedicht Be
J)urger(lam.$chfi visschem
„ten onderwerp hebbende de aller-
merkwaardigste zwerftocht van dat drietal gedurende veertien
dagen op eene ijsschots in de Zuiderzee, hunne wouderbaar-
1 Een aantal der houtgravuren uit de Polichinel vinden we terug in
de Opregte spiksplinternieuwe oastenavonds-gekheid, en het daarbij be-
hoorende Aanhangsel of postscriptum van de vaslenavonds-gekheid,
beide van „31 Februarij A° 5581", en met het adres „Amsterdam, G.
Theod. Bom, Kal verstraat, E. 10". Beide nummers kreeg ik door vrien-
delijke tusschenkomst van den Heer E. W. P. de Vries ter inzage.
Ze waren blijkbaar bestemd voor Vastenavond van 1855, en zullen niet
behoord hebben tot een dagelijksch of wekelijksch uitgegeven blad,
daar op de beide nummers, die ik gebruik het dagbladzegel gemist
wordt. Dat vermoeden vond ik bevestigd door het Nieuwsblad voor den
Boekhandel
van den 8 Februari 1855 en door de mededeeling van den
Heer Jan D. Brouwer, die in 1855 bij Bom leerling was, en zich
meent te herinneren, dat in de samenstelling van die beide gelijk-
tijdige nummers, de eenige die er verschenen, Schenkman een aandeel
gehad heeft. Ik vermeld ze hier niet alleen voor de curiositeit, maar
ook omdat er uit kan volgen, dat Kruseman de houtjes, die voor de
Polichinel gediend hadden, aan Bom overgedaan heeft. In werkelijkheid
vind ik dan ook in 1852 (Fondsboek fol. 320) een post: „verkocht 248
houtgravuren f 37.75". De 83 houtgravuren in de Polichinel hadden
gekost f 454.95. — Een ietwat gunstiger oordeel over de artistieke
waarde der gravures moet echter geveld worden over het Gezicht op
Californie
en de Optogt van het Califomiesch-Europèesch Staatsschicld
uitdelgend Vennootschap. De Nederlandsche maagd voorop tot dekking
van haar tekort,
beide naar Kochussen.
9*
-ocr page 144-
132 DE VRIES, DE NEDERLANDSCHE TAALKUNDE.
•1849. lijke redding, met een slotzang over den dood van twee hun-
ner" \', door hem blijkbaar in navolging van Ter Haar\'s SI.
Paulusrots
ontworpen en „met ongehoopt succes" in een Nuts-
vergadering te Gorinchem gelezen; dat was Prof. M. Siegen-
beek, die hem ter uitgave aanbood een Verslag van de verhoo-
ren, door Johan van Oldeubaruevelt ondergaan
2, alleen onder
voorwaarde dat het bij La Lau te Leiden gedrukt zou worden;
dat was de tweede praeceptor aan het stedelijk gymnasium
te Leiden Matthijs de Vries, die zich met zijn te Utrecht
gehouden voorlezing over De Nederlandsche taalkunde, be-
schouwd in hare vroegere geschiedenis, tegeniooordigen toestand
en eischen voor de toekomst
tot hem wendde met het verzoek
om er den glans van zijn naam als uitgever aan te willen
leenen; dat was Van Schaick met zijn leerrede De eerste
zonde,
die geheel uitgegeven werd ten voordeele van de armen
te Grafhorst3 en ƒ680.51 als zuiver bedrag opbracht*; dat
was een welbekend dienstdoend predikant, die Van den Bergh
zijn Eenvoudig middel om de cholera te genezen, waar die te
genezen is, verkrijgbaar voor arm en rijk
ter bezorging aan
Kruseman gaf. „Het moet een heilig geheim blijven, schreef
Sam Jan, dat het van een leek is, maar de auteur heeft het
aan zijn dagelijksch werk ook in deze week ontleend, en hij wilde
het spoedig, zeer spoedig in \'t licht hebben. Ik mocht U zelfs
zijn naam niet zeggen; maar gij kent zijne hand — ik noem
dan ook den naam niet. Maar hij moet onbekend blijven" 5; dat
1    Vgl. hiermede Authentiek verhaal der wonderbare reddinr/ van
Klaas Klaassen liording en zijne beide zonen, na een veertiendaansch
omzwerven op liet drijvend ijs in de Zuiderzee; uilijerjeven ten voor-
deele der (jeredde door eene Commissie te Vollenhove.
Gedrukt te
Zwolle, bij R. v. Wijk, Anthszoon 1849.
2    De Verhooren zelve werden het volgend jaar door het Historisch
genootschap te Utrecht uitgegeven, waaruit Kruseman aanleiding nam
zijn uitgaaf opnieuw aan te bevelen.
3    Grafhorst bij Kampen werd den 5 Mei 1849 door brand verwoest.
Een schildering van dat ongeval gaf Prof. G. Lauts in De Tijd (Dl.
IX \'sGravenh. 1849 blz. 4G0).
* Nieuwsblad voor den Boekhandel 11 October 1849.
3 Brief van Van den Bergh 21 Juli 1849. — Later werd de naam
van den schrijver bekend als die van Ds. C. E. van Koetsveld.
-ocr page 145-
138
DA COSTA , ROUW EN TROUW.
was Da Costa met zijn Rouw en trouw. Oj> verzoek van het 1849.
Handelsblad had Da Costa bij het sterven van Koning Willem II
dit gedicht geschreven, en onmiddellijk daarop kreeg hij een
aanbod van Tielkemeijer, den uitgever van zijn twee hymnen
Lijden en heerlijkheid (1848) om het afzonderlijk uit te geven;
Kruseman verdiende echter in elk geval de voorkeur, die zich dan
ook haastte het voorstel van een afzonderlijke uitgave aan te
nemen \'. In weerwil van de groote verspreiding, welke dit
lied reeds genoten had door het Handelsblad\'1, stelde Kruse-
man toch prijs op het kopyrecht van dit gedicht, dat hij om
niet van den dichter in eigendom kreeg; 2300 exemplaren van
deze afzonderlijke editie werden door Kruseman ervan ge-
plaatst.
Het ligt voor de hand dat Kruseman, die op zijn gebied
van zich had doen hooren bij de inhuldiging van Willem II,
den Boekhandel ook zoude verrijken met een werkje over diens
laatsten gang. Als debitant was o. a. bij hem te verkrij-
gen S. J. van den Bergh\'s Bij \'s Konings dood. Een zang
des tijds
3, als uitgever werd door hem een portret van den
overleden vorst, gegraveerd door J. W. Kaiser, in den handel
gebracht en schreef Arnold Ising den tekst bij een afbeelding
van de begrafenis.
Voor de kennis van Da Costa\'s vrienden is het niet onbelangrijk hier
mede te deelen, aan wie door hem present-exemplaren toegezonden werden;
ik neem die over uit een brief van den 12 April 1849 : „Ds. James te Breda,
Ds. Hasebroek te Middelburg, Ds. C. C. Callenbach te Nijkerk, Baron
Schimmelpenninck van der Oye, Gouverneur van Gelderland, Graaf van
Bylandt, Med. Doctor\'te \'s Hage, Ds. Secrétan te \'s Hage, Prof. H.
W. Tydeman te Leijden, Prof. van Assen te Leijden, Baron K. K. van
Thuijll van Serooskerken te Utrecht, de Heer J. J. D. Nepveu (de
Redacteur der Aurora) te Utrecht, Jonkheer Salvador (den luitenant
in garnisoen) te Haarlem, de heer D. Kemink, boekhandelaar te Utrecht,
Prof. J. van Hall te Utrecht, Ds. Heldring te Hemmen, de Heer Beijnen,
praeceptor aan het gymnasium te \'s Hage, Prof. Schröder van der Kolk
te Utrecht."
Het is afgedrukt in het nummer van den 5 April 1849.
Nieuwsblad voor den Boekhandel 29 Maart 1849.
-ocr page 146-
134             DE DOOD EN BEGRAFENIS VAN WILLEM TI.
1849.             Overhaast als die uitgaaf in de wereld gebracht werd, —
de plaat, op steen geteekend door C. C. A. Last, bestaat uit
vijf aan elkander geplakte stukken, samen lang M. 2.46, die
gelijktijdig gedrukt werden door Blommers, Desguerrois, Trap,
Slingeland en Betering — kon het niet falen of sommige exem-
plaren moesten, niet in de puntjes afgewerkt, in omloop komen.
Maar juist de afkeurende bespreking, die de \'* Gravenhaagsche
nieuwsbode
er van gaf \', mag een bewijs zijn, dat toen reeds
Kruseman\'s naam al een zekeren goeden klank in den lande had
en dat een boek met zijn adres daardoor al reeds een aanbe-
veling in zich droeg. De uitgaaf werd grif verkocht, waartoe
de ongehoord lage prijs van f 0.75, schoon niet evenredig aan
de kosten, het zijne bijdroeg: binnen ongeveer zes weken
moesten er 5 drukken, te zamen 7000 exemplaren opgelegd
worden.
Ie roi est mort, vive Ie roi! Ising\'s De dood en begrafenis
van Zijne Majesteit Koning Willem II
werd gevolgd door een
Gedenkschrift van de inhuldiging des Koning» Willem III, op
Kruseman\'s verzoek gesteld door jutt\'r. A. L. G. Toussaint,
versierd met twee prenten door C. C. A. Last op steen ge-
bracht naar teekeningen van Ehnle en van Eochussen, vervaar-
digd, onder toezicht der ceremoniemeesters en decorateurs van
de Nieuwe Kerk te Amsterdam en met de portretten van
Hunne Majesteiten naar Pieneman en Bosboom. De schrijfster
bood aan Hunne Majesteiten op het Loo eigenhandig een
prachtexemplaar aan en genoot de eer aan den vorstelijken disch
genoodigd te worden, hoewel het Boudewijn „voor de geschie-
denis onzer letteren en zoowel voor den Koning en de Koningin
als voor haar zelve, liever zou zijn geweest indien zij aan
die hooge plaatse was genoodigd, na de uitgave van haar
1 18 April 1849: „Een werkje waaruit niets nieuws te vernemen is,
en dat zich door slordige en onnauwkeurige uitvoering onderscheidt. De
andcis zoo zoi-gvuldige uitgever legt er geen eer meê in en stelt de zeer
talrijke inteekenaars al zeer te leur." Het Dar/blad van \'s Gvacenhage
gaf een door Ising zelf gesteld gunstiger oordeel (2 Mei 1849).
-ocr page 147-
TOUSSAINT, GEDENKSCHRIFT VAN DE INHULDIGING. 135
Huis Lauernesse [1840] en Lei/cester in Nederland" [LS46] \'. 1849-
„De jonge uitgever, bekend door zijn moed en smaak bij
letterkundige ondernemingen" had van alle gedrukte zaken die
bij deze gelegenheid geschreven en uitgegeven waren, wel het
sierlijkste en belangrijkste boek in de wereld gebracht 2 en zag
zich begiftigd door Hunne Majesteiten met een pendule. Over-
groote winsten wierp de onderneming echter niet af: de boek-
verkoopersprijs van fZ.20 toch was betrekkelijk te goedkoop. Om
de opofferingen goed te maken, wilde Kruseman van de uit-
gaaf trekken wat er van te trekken viel — het zijn zijne
eigen woorden in het Nieuwsblad 3 —, reden waarom hij alle
gedeelten van het werk ook afzonderlijk verkrijgbaar stelde:
den Tekst, de Portretten, de Platen en ieder uitnoodigde om,
in zijn belang, maar ook in dat van den debitant, met een en
ander te werken.
Als van zelf wil het Gedenkschrift van juffr. Toussaint ver-
geleken worden met het Gedenkboek van Engelberts Gerrits,
acht jaar te voren door Kruseman uitgegeven. Die vergelij-
king valt naar mijn oordeel in zeker oj)zicht niet ten voor-
deele uit van zijn jongere onderneming. De lichtroomkleurige
band, die in goud en kleuren de kroon, den rijksappel, de
schepter, vaandels en tropeëen en op de achterzijde daarbij nog
een opengeslagen boek, waarop „Grondwet" laat zien, is geens-
zins vrij te pleiten van opgedrildhéid en geeft geen al te hoo-
gen dunk van den smaak van den leverancier II. Mondt, terwijl
daarentegen Engelberts Gerrits1 geschrift veel soberder en daar-
door veel waardiger behandeld is: een éénkleurige, licht rosé
band vertoont en relief het rijkswapen omgeven door een ge-
figüreerden allegorischen rand, beide zonder kleuren. Ook de
artistieke behandeling der steendrukplaten door C. W. Mieling
staat achter bij hetgeen Backer vroeger geleverd had.
Evenzoo verschillen de beide werken in de innerlijke waarde.
Engelberts Gerrits bewerkte het onderwerp vóór alles geschied-
1 De Tijd Dl. X \'s Gravenh. 1849 blz. 255.
3 t. a. p.
* 23 Augustus 1849.
-ocr page 148-
136 TOÜSSAINT, GEDENKSCHRIFT VAN DE INHULDIGING.
1849. kundig met een breed historisch overzicht tot inleiding, de
eenige wijze waarop een „Gedenkboek", dat bouwstoffen wil
bewaren voor de kennis van de behandelde gebeurtenis ge-
schreven mag worden; juffr. Toussaint gaf meer een dichter-
lijke beschrijving in proza en een beschouwing, een subjec-
tieve opvatting van de plechtigheid, waarbij het Soli Deo Gloria,
het Koniug der Nederlanden „bij de gratie Gods" als grond-
toon doorklinkt. Haar arbeid staat daarom beslist verre ten
achteren als historische bron bij het Gedenkboek. Zeer zeker
had zij recht zulks te doen, waar Kruseman van haar niet
anders verwachtte. En juist dat maakt het belangrijk voor den
ontwikkelingsgang van den persoon van Kruseman, om even
bij dit punt stil te staan.
De stichtelijke en godsdienstige lectuur, die Kruseman nu
in zijn korten loopbaan als uitgever had uitgegeven, hadden
hem meer en meer in de richting van de gemoedelijke,
echt nationale kerkelijkheid van die dagen geleid. Door de
relatie, die hij met Da Costa had aangeknoopt, was die nei-
ging niet A\'erminderd. Zeer velen van de geschriften, welke bij
den 31-jarigen uitgever in die dagen het licht zagen, gaven,
hetzij er rechtstreeks aanleiding toe was, hetzij naar onze heden-
daagsche opvatting zulks bezwaarlijk er bij pastte, een bijbel-
woord als motto of in de voorrede een phrase, waarbij de
schrijver den zegen des Allerhoogsten op zijn arbeid inriep of
hoopte tot de stichting van zijn lezers te zullen bijdragen.
Daaruit kan gevoegelijk het besluit getrokken worden, dat ook
Kruseman destijds die richting toegedaan was en het is daarom
dan ook niet te verwonderen, dat, waar hij de inhuldiging van
Willem III wilde vereeuwigen, hij zich niet wendde tot een
zuiver objectief historicus alleen, maar wel tot eene auteur, die
in haar geschriften zich juist zulk een warme aanhangster dier
fijngevoelige kerkelijke orthodoxie betoond had en die daarbij niet
geheel ontbloot was van historischen zin. En te meer moest
hij zich aangetrokken gevoeld hebben dien arbeid aan juffr.
Toussaint op te dragen, daar zij als letterkundige ook al weer
behoorde tot dat jonge Holland, dat iu Kruseman zulk een
trouw propagator vond.
-ocr page 149-
VAN HEEL, DE BANKEN VAN LEENING. 137
De gewenschte en gepoogde bewerking van Auerbach kwam 1850.
door C. M. Mensing naar de vierde Hoogduitsche uitgave bewerkt
als Nords/elteu en zijne bewoners. Verhalen uit het dorpsleven
in het Schtoarzwald door
Berthold Auerbach \' tot stand, even-
eens als een geschrift van C. J. van Heel over Be banken
van leening in Nederland onderzocht, met het oog op den toe-
stand en de vorderingen dezer inrigtingen in andere landen.
Dit geschrift, dat in het volgend jaar gevolgd werd door
Iets over de banken van leening door F. Swart en in 1851
door een nieuw werk van Van Heel over De banken van leening
in Nederland nader onderzocht door
C. J. van Heel, was een
polemiek over een onderwerp, dat gevoegelijk een plaats kon
innemen in de fondslijst van den uitgever van Buddingh\'s
jaarboekjes en statistieken. Het was de ontluikende beoefening
der staathuishoudkunde hier te lande, die Kruseman, aange-
trokken als hij zich gevoelde tot elke uiting van het jonge
Holland, had kunnen overhalen ook aan dien tak van weten-
schap een plaats in zijn fondslijsten te ruimen.
Voor het eerst werd in 1849 een correspondentie begonnen,
die lange jaren zou duren, waarvan het onderwerp aan Kru-
seman veel zorgen en moeiten, veel beslommeringen en beinoei-
ingen, maar ook veel bekendheid en voordeel zou aanbrengen,
■over de Aurora, dat alom bekende jaarboekje, dat elk jaar
opnieuw concurrentie zou aandoen en zou ondervinden van
de vele dergelijke geschriften van dien aard, van den Almanak
Holland
in liet bijzonder. Het was een onderneming van Fuhri,
bij wien Kruseman kort na het verschijnen van den eersten jaar-
gang (1840) als leerling gekomen was. Waarom en hoe Fuhri
van deze onderneming afstand deed in dit jaar is niet geble-
ken; het vermoeden zal, dunkt me, wel niet gewaagd zijn, dat
de geldzorgeu, waarmede Fuhri toen reeds te kampen kreeg,
er het hunne wel toe zullen hebben bijgedragen en dat ƒ2000
1 „Dit werk is eene overbrenging van de beroemde Schwarzwiilder
Dovfgeschichten,
waarvan in Duitschland binnen zeer korten tijd ver-
scheidene uitgaven uitverkoebt zijn." (Advertentie van Kruseman in
Het Leeskabinet. Amst. 1850 Bibliographisch Album blz. 35.)
-ocr page 150-
138
AURORA.
1850. hem liever waren dan de vele zorgen, die een telken jare
wederkeerende uitgaaf met, zich mede bracht. Met het recht
van voorzetting werden in Januari 1849 de restant exemplaren
overgenomen.
Een aantal bijdragen van voor Kruseman als uitgever bekende
schrijvers, kreeg hij daarmede in zijn fonds: van Helvetius van
den Bergh, iiennink Janssonius, S. J. van den Bergh, Beets,
J. J. L. ten Kate, Van Zeggelen, J. van Lennep, Tollens,
Da Costa, Van der Pot, Hasebroek, maar ook nieuwe namen
kwamen in zijn administratie, als die van Kneppelhout, Hecker,
Van der Hoop Jr., De Kanter, J. Chr. Gewin, Withuys, Pot-
gieter, Heije, De Genestet, De Buil, juffr. A. L. G. Toussaint
en Alberdingk Thijm. Voor een goed deel behoorden die namen
ongetwijfeld te huis in de fondslijst van den uitgever van het
Christelijk Album. Wat een aantal jaren later de Haarlemmer
van geboorte onder liet pseudoniem „Cornelis Paradijs, oud-
makelaar in granen", ironisch zou in het licht stellen in zijn
Predikanten-lied\', hoe in 1885 zoovele malen predikant en
dichter in één persoon vereenigd was, was in verdubbelde
mate nog omstreeks 1850 het geval, en het kan daarom geen ver-
wondering baren, dat de uitgever van het Christelijk Album
de Aurora in eigendom zou wenschen te bezitten. En te min-
der is dat te verwonderen, daar de Aurora van het begin af
zijn medewerkers gezocht had juist onder dien kriug van letter--
kundigen, die zich gesteld had tegenover dien van den Mu-
zenalmauak,
een kring, waarbij Krusemaii zich van meet af
aangesloten had. Voeg daar nog bij, dat deze belletristische
uitgaaf een onderneming Avas van Fuhri, den leermeester van
Kruseman, dan moest dat jaarboekje, dat, zooals het motto
Aurora musis amica reeds aanduidde, de afspiegeling wilde zijn
van het gloren van een nieuwe zon aan den letterkundigen
hemel, als van zelf reeds op Kruseman een zekere aantrekkings-
kracht oefenen.
1 \\Yr. van Eeden.j Grassprietjes of liederen op het gebied van
deugd, godsvrucht en vaderland.... door Cornelis Paradijs.
Amst. 1885
blz.\' 49.\'
-ocr page 151-
139
AURORA.
Ik kan mij daarom voorstellen, hoe de aankoop van dit 1850.
artikel aan Kruseman alles behalve onwelkom was. Toch was
er een schaduwzijde aan verbonden, want met den aankoop,
kreeg hij tegelijk den redacteur Nepveu mede en dat was nu
juist niet de man, dien de nieuwe eigenaar de zorg voor een
dergelijke periodieke uitgaaf liefst opgedragen zag. Hem te be-
danken en met zoete woorden aan den dijk te zetten, strookte
gansch en al niet met de beleefde en welwillende manieren van
Kruseman. Kruseman behield hem dan ook. .. maar louter
en alleen voor den vorm: S. J. van den Bergh, zijn trouwe
Haagsche vriend, die gedeeltelijk reeds de uitgaaf van den jaar-
gang 1849 bezorgd had en op het titelblad van dien jaargang
voor het eerst zijn naam onder dien van Nepveu als redacteur
had zien prijken \', belastte er zich mede en Fuhri\'s druk-
kerij zag den nieuwen jaargang ook wederom in zijn wording.
Nepveu . kon echter die gedwongen fraaiigheid van alleen zijn
naam, zonder meer, aan de uitgave te leeuen, niet best zetten.
Op den duur zou dit niet gaan; de Julianus van Van Cronin-
geu, die vroeger Van der Pot reeds ontstemd had, werd de
aanleiding, dat aan den scheeven toestand een einde kwam. Over
de opname van dat stuk in de Aurora voor J854 had Sam Jan
in Augustus 1853 op de algemeene vergadering van het Nut
te Amsterdam een hoogst onaangename ontmoeting met
Schuller, die op gezag van Nepveu hem verweet daarin
gemeen gehandeld te hebben. Nepveu werd onmiddellijk
door Kruseman om inlichting gevraagd; het antwoord kwam
eerst in November: hij nam zijn ontslag als redacteur voor
den volgenden jaargang 1855. Daardoor kwam een wensch
van Kruseman en van Van den Bergh, van De Gids2
1 In een vóór de Aurora voor J849 afgedrukten brief van Tollens
aan Van den Bergh schrijft de eerste: „Gij zult kunnen opmaken, dat
mijne belangstelling in de Aurora niet verminderd is, sedert gij als
mederedacteur ervan zijt opgetreden."
* 1842. Boekbeoordeelingen blz. 104: „Wij gelooven, dat ook hij
alles doet, wat hij meent te kunnen en te moeten doen; maar of hij
genoeg overwoge hebben: Quid valeant, quid f er re recusent, Humeri\\
meenen wij.... te mogen betwijfelen.... Er is geen personaliteit be-
-ocr page 152-
140
AITRORA.
1850. en van J)e Tijdl tot vervulling. Dat aftreden was niet
tot schade, ook niet tot voordeel voor Kruseman\'s eigen-
dom: het was daarvoor gansch en al onverschillig. Sam Jan
alleen deed het werk en zou het blijven doen. Lang geen ge-
makkelijke taak ?l. „Mijn trouwe vriend Van den Bergh, de
ijverigste en nauwgezetste redacteur die er ooit geweest is,
deelde mijne bemoeiingen gelijk ik de zijne waardeerde en zoo
bleef de Aurora een voorwerp van wederzijdsche liefde en van
onderlinge vriendschappelijke zorg, jaren lang." 3 Niettemin
werd die heldere hemel af en toe ook wel eens bewolkt, en
bij uitzondering was het in 1850 Kruseman zelf, die daar aan-
leidiug toe gaf. Kruseman wilde de Aurora voor J852 ter
eigen drukkerij ter perse leggen en zelf het redactiewerk ter
hand nemen. In een „meesterlijken" — de appreciatie is van
Fuhri — brief gaf hij Van den Bergh van zijn voornemen
kennis; maar wel verre van daarover Kruseman verwijten te
doen, was deze daardoor in zijn eergevoel gekrenkt omdat hij
„ampart gezet is", omdat hij voor het publiek steeds de man
van de Aurora geweest was en thans niet meer zijn zou. Goede
raad van Fuhri * deed Kruseman van zijn onbezonnen besluit
doeld, zoo onze kritiek hier eerst en meest den Redacteur aan boord
klampt, om de vlag van de steng te halen."
1 In een bespreking van de Aurora voor 1851 zegt dat maandwerk
(Dl. XIII \'s-öravenh. 1851 blz. 23): „Wij verbeelden ons dat een Redac-
teur [Nepveu] alle aanleiding geeft hem van pedanterie te verdenken,
indien hij door zijne eigene bijdragen zich dien titel niet waardig toont.
Zijn mede-Redacteur |Van den Bergh] kan hem tot voorbeeld strekken!"
1 Bouwstoffen Dl. I. blz. 195.
*    Vgl. met deze uiting van Kruseman, hetgeen Van den Bergh hem
den 30 Octobcr 1862 schreef, toen de Aurora op de fondsveiling opgehou-
den was... „toch was ik er blijde om — ik zou huichelen als ik \'t
tegendeel zeide —■ dat de Aurora niet verkocht was. Gij vat de reden.
Wij verstaan elkaar — het is onze gemeenschappelijke band; wij heb-
ben het beide jaren verpleegd met liefde en met zorg, en nu zou daar
een ander hebben kunnen komen met wien ik niet sympathiseerde of
die mij niet zoo goed verstond als gij — sakkerloot! dat zou onaange-
naam werken zijn geweest — of geen .werken, en ik heb mijn halve
kind te lief om zonder diep smartgcvoel er van te scheiden."
*    Brief van Fuhri 24 November 1850.
-ocr page 153-
141
AURORA.
terugkomen en Van den Bergh, die niet zonder eigendunk van ■ isso.
zijn gaven als poëet was, liet zich gereedelijk vinden, het redactie-
werk te blijven behartigen. Sinds de harmonie hersteld, en redactie
en uitgever geen moeiten ontzagen, de één om literairen roem, de
ander om materieele vruchten te oogsten van hun werk, bleef deze
almanak met succes den kamp volhouden tegen de andere jaar-
boekjes. Wat vroeger de Muzenalmanak gedaan had, volgde Kru-
seman met zijn Aurora sinds 1S52 na; sedert dat jaar werd
elk volgend deeltje voorzien met een portret in staalgravure
van een Nederlandschen letterkundige \'. Behalve die toevoe-
ging bracht Kruseman nog deze kleine wijziging in Fuhri\'s
schej)ping, dat hij bij de gravures naar schilderijen den naam
van den schilder plaatste boven, in plaats van onder de gravure.
Is deze laatste verandering inderdaad van niet veel belang,
de eerste daarentegen hangt nauw samen met hetgeen Kruse-
man en Van den Bergh vóór alles wilden, dat de Aurora
zou zijn: een getrouwe beeltenis van de letterkundige wereld
in Nederland, en in dat opzicht wisten zij beiden het jaar-
boekje te maken tot een uitgaaf, die gemakkelijk b.v. de Ver-
geet mij niet
de loef zou kunnen afsteken en met succes den
kamp bleef volhouden met de Holland sinds deze zijn half-
provinciaal karakter opgegeven had. Om het tot dat resultaat
te kunnen brengen, was zoowel van de zijde van den redacteur als
van den uitgever veel zorg en inspanning noodig. „Tusschen
Holland en Aurora bestond jarenlang een vriendschappelijke
maar scherpe naijver. Met angstige spanning werd elk jaar
uitgezien, wie van beide de beste en bevalligste gravuren, den
fraaisten band zou geven2."
1 De portretten zijn beschreven door Van Someren in dl. I blz. 190
van zijn Besclirijoende Catalogus van gegraveerde portretten van Ne-
derlanders.
Amst. 1888—91. 3 dln.
1 Bouwstoffen Dl. I blz. 198. — De banden werden voor de ver-
schillende jaargangen geleverd door Mondt of Van den Heuvel te
\'s-Gravenhage, behalve die van den jaargang 1860, welke het adres van
De Erven Thierry & Mensing te \'s-Gravenhage vertoont, en die van
den jaargang 1855, welke rechtstreeks uit Parijs betrokken werd van
Haarhaus, eveneens den leverancier van den stempel voor den jaargang
1858, naar een ontwerp van den Haarlemschen schilder Striening.
-ocr page 154-
142
AURORA.
1850.             Maar ook was het samenbrengen van een dergelijken bundel
voor den redacteur geen .eenvoudig werk: telken jare weer
opnieuw gaf het nieuwe verdrietelijkheden, wanneer de auteurs
hunne beloofde bijdragen niet inleverden of deze op het uiterste
oogenblik eerst zonden. Het kon dan zoo af en toe wel eens
nijpen; Kruseman zelf, „die \'t schoone Heft en \'t lage haat" \',
moest ook eens de handen uit de mouw steken om zijn uit-
gave op tijd te doen verschijnen. Aan "\'t venster {met een
plaat) \\Naar eene schilderij van zijn neef J. A. Krusemaiï\\
in den jaargang 1855 2 was, nadat Sam Jan enkele wijzigingen
had aangebracht in dit dichtstuk, er het gevolg van.
Maar dat overigens het jaarboekje vooral in den beginne
met klimmenden bijval ontvangen werd, laat het volgende
staatje voldoende zien.
Jaargang.
Oplaag.
Debiet.
1850
1500
1284
1851
1500
1270
1852
1500
1300
1853
1500
1332
1854
1700
1530
1855
1700
1478
1850
1700 3
1450
1857
2000
1620
1858
1750
P
1859
1700
1470
1860
1750
1376
1861
1625
1310
1862
1600
1370
1863
1600
1235
1864
1600
1260
1865
1600
1110
1 S. J. van den Bergh in Aurora voor J8óó blz. 36.
" Blz. 271.
a In den catalogus der fondsveiling van 1857 wordt als oplaag van
den jaargang 1856 genoemd het cijfer 1750.
-ocr page 155-
143
AURORA.
In de laatste jaren was het debiet reeds achteruitgaande 18
geweest \', een onvermijdelijk gevolg van het meer en meer in
zwang komen van prachtwerken, die de „prachtjaarboekjes"
langzaam maar zeker deden verouderen 2. Het was daarom, maar
ook om de restant-exemplaren weer productief te doen zijn, dat
Kruseman besloot van de oude jaargangen met veranderde titels
aanbiedingen te doen als Proza en poez// van Nederlandsclte
auteurs. Met staalgravuren (Aurorabundel).
In hoever deze
titeluitgaaf succes had, weet ik niet; op het bestaan er van
werd ik opmerkzaam gemaakt door een aanteekeuing in de
gedrukte Fondslijst dd. 1 Januari 1863, maar ook daar alleen,
waar te lezen staat: „Van dit Jaarboekje zijn 9 verschillende
jaargangen van vóór 1859, voorzien van nieuwe titels en ban-
den, uitgegeven onder den titel van „Puoza EN Poezy" en
alléén voor rekening verkrijgbaar voor /* 1.75 netto per Exem-
plaar, of _/*1.5U per stel van minstens 4 bundels. De partik.
prijs dezer bundels is f 2.50." 3 Later zal Kruseman volgende
jaargangen evenzoo onder dien veranderden titel in den handel
1    „Het spijt mij dat de Aurora slapjes gaat". (Brief van Van den
Bergh 3 December 1863).
2    „Toch is, misschien, hun laatste uur niet zoo ver meer verwijderd.
Naast de prachtjaarboekjes zijn er andere ontstaan, die door hun dege-
lijken inhoud die vergulde, nuffige salonwerkjes ter zijde dringen, en door
hun geringen prijs ook zekerder bestaan hebben erlangd. Den Almanak,
uitgegeven van wege de maatschappij tot Kut van \'t Algemeen noemen
wij in de eerste plaats; wij stellen er den Praktiselten Volks-almanak
nevens, — al schijnt de tegenwoordige jaargang van zekere vermoeid-
heid van den redacteur te getuigen, — den Volks-almanak van De
Buil en den Gelderschen Volks-almanak. Dat viertal behoeft voor de
prachtjaarboekjes par excellence niet onder te doen, en zoo wij de oor-
zaak er van niet enkel willen zien in den ijver der redacteurs, die hunne
taak a coeur hebben genomen, dan vinden wij die voor een groot deel
in de rigting dier werkjes. Zij hebben eene bepaalde strekking, een
raison d\'être, die aan de prachtboekjes ontbreekt. Zij weten wat zij wil-
len, terwijl laatstgenoemde, wij herhalen het, slechts de voortzetting zijn
eener oude vertooning, eene doellooze speculatie op de vasthoudendheid
van het publiek." (De Kederlandsche Spectator 1860 blz. 9.)
3    Een gebonden exemplaar, van de Proza en poezy kostte /\' 2.50 par-
ticulier, van de Aurora ƒ4.90.
-ocr page 156-
144
AURORA.
1850. gebracht hebben, want naast de drie deelen, welke de Maat-
schappij der Nederlandsche Letterkunde in haar bibliotheek
bewaart en welke respectievelijk overeenkomen met de jaargan-
gen 1855, 1857 en 1858 van de Aurora, berust daar eveneens
een Aurorabundel welke gelijk is aan den jaargang 1800 van
liet Jaarboekje.
In den verkoop van de Aurora in 18(55 waren ze, althans
onder dien titel, niet begrepen; evenals zooveel andere titels
en serien welke na 1865 uit Kruseman\'s fonds onder de
hand in eigendom of in administratie overgingen aan ïunke,
aan Schadd of aan beide te zamen, kwamen deze Aurorabuu-
de/s
in banden van Schadd, die in 1868 van Hollands Muze.
Proza en poez/j van onze geliefdste auteurs
„eene nieuwe uit-
gaaf der door den heer Kruseman uitgegeven jaargangen Aurora"
een aanbieding bij circulaire deed \'.
Hoe het echter zij met deze Aurorabundels, het debiet van
het jaarboekje zelf ging gaandeweg achteruit; de inhoud bleef
wat gehalte betreft vrijwel zichzelf gelijk en zou daarom hoe
langer hoe minder op den duur aan het publiek voldoen, dat
langzaam aan andere behoeften kreeg en andere eischen zou
stellen. De genadeslag werd aan dit aan de Koningin opge-
dragen jaarboekje de prima inter pares 2 toegebracht door Busken
Huet in het Januari-nummer van De Gids van 1865 met zijn
Ken avond aan het Hof, December .186\'i (waarover later). Kruse-
man zou geen nieuwen jaargang meer uitgeven. De fondsveiling
1 Nieuwsblad voor den Boekhandel 21 Mei 1868: „Aardiger en aan-
lokkelijker bundels zijn in onze taal niet te vinden. Bijdragen van Mr.
J. van Lennep, P. A. de Genestet, Nicolaas Beets, Cd. Busken Huet,
Gerard Keiler, J. J. Cremer, Mevr. Bosboom Toussaint en alle overige
schrijvers van naam, staalgravuren naar teekeningen van Israèls,
Rochussen, Jamin, Hein Burgers, Bisschop, van Deventer, enz. enz. vor-
men bundels zoo onderhoudend, afwisselend en goedkoop als men ze te
vergeefs buiten deze serie zoude zoeken.
„Alle deelen zijn op nieuw in elegante bandjes gebonden, verguld op
snee, en van zes Staalgravuren voorzien. Alles wat aan het jaarboekje
herinnerde is zorgvuldig verwijderd."
\' Ten Brink. Geschiedenis der Noord-Nederlandsche letteren in de
XIX» eeuw.
Amst. 1888. Dl. I blz. 434.
-ocr page 157-
145
AURORA.
van den 25 April 1865 zag het kopyrecht en 3399 exemplaren isso.
voor ƒ 4418.70 overgaan aan J. H. Laarman \', den uitgever van
de Vergeet mij niet onder redactie van Ten Kate, die den titel
wijzigde in Aurora-Muzenalmanak. Hofdijk en later ook J. M. E.
Dereksen namen in plaats van Van den Bergh het redactie-
werk ter hand 2 en met 1878 eindigde dit jaarboekje zijn be-
\' „En Aurora nu in handen van L. Eerst K. toen L! Wijst dat op
een teruggang tot Z toe? Zal ze, wat ze in uwe handen was, Aurora
blijven of Luna worden? — De tijd zal het leeren. Toen ze aan L. werd
toegeslagen, prevelde er een: „dat \'s haar dood!" Daarvoor heb ik dade-
lijk geen vrees, maar tering, dat is mogelijk. Het verraadt werkelijk
veel talent om iets wat reeds voor 20 jaren op haar uiterste lag en met
zwakke stem alleen nog kon snikken:
„Kindren schuift wat bij elkaar
,,\'k Moet \'t je met tranen zeggen
„Dat je zuster \'t af gaat leggen
de Muzenalmanak — Venjeet mij niet, zóó lang op de been te hou-
den en werkelijk niet geheel te doen vergeten" (Brief van Gebhard
7 Juni 18G5).
Kruseman antwoordde hierop den 9 Juni 1865: „Ik had zoo gehoopt
dat de Aurora in jeugdige handen zou gekomen en een hernieuwd leven
zou ingegaan zijn! Thans — ik mag \'t niet ontveinzen, vrees ik, dat
ze er niet op verbeteren zal. „Almanak-muzen! vergeet mij niet!" zal
vrees ik de doodsklagt worden van de arme oude matrone. En ze was
te hervormen — ik heb er de volkomen bewustheid van."
1 Naar Van den Bergh\'s oordeel was de jaargang 18<><>, de eerste
die niet onder zijn redactie verscheen, aanmerkelijk minder van gehalte
dan de vorigen. Hij schreef aan Kruseman den 5 November 1805: „Als
zij dat ding zien, zullen zij moeten zeggen nu, dan deed V. d. B. het
toch anders! Er zijn vijf goede namen in, waaronder die van Van Len-
nep, wiens portret voor den titel staat en die een sonnet gaf!!! —
voorts maken Hasebroek, Hofdijk, Boswell en mijn persoontje dat goede
vijftal uit. Overigens onbekendheid en onbeduidendheid. Geen Beets, Ten
Kate, Ter Haar, De Buil, Westerman, Banck, Van Boekeren, Keiler,
Vosmaer, Westhreene, Molster, Gram, Pierson, Alberdingk Thijm, Ten
Brink, Dautzenberg, De Cort, Rosmade, Beeloo, Kok, Ds. Koetsveld,
Hertzveld! Gij kunt dus nagaan hoe het boekske is — en wat den
stempel betreft, gij kent den smaak van Laarman. De stempel is door
Item geleverd — waarschijnlijk uit Moffrika. Op den omslag staat
Aurora — Muzenalmanak. Ik heb Schadenfreude — en toch ook leed-
gevoel. Als men jaren zijne beste krachten aan iets heeft gegeven, en
10
-ocr page 158-
146
AURORA.
1850. staan, dat, een schepping van Fuhri, den man van zooveel
ondernemingsgeest en ondernemingskracht en van zooveel per-
soonlijkheid, aan zijn leerling A. C. Kruseman, in wien zijn
stoere geest, evenals in D. A. Thierne en in A. W. SijthoH\' \'
bleef leven, plus minus f 3000(1 winst had opgeleverd.
Toch bleek de Aurora een onderneming waardig ter navol-
ging te zijn. In het einde van 1S95 verscheen bij de firma
E. J. Brill te Leiden een Koningin Wil/telmina-album J800. Ouder
redactie van
Fiore della Neve [M. G. L. van Logchem], een jaar
later door den tweeden jaargang gevolgd; een nieuw pracht-jaar-
boekje komt in onze huiskamers de plaats vragen in vroeger jaren
zoo gaarne afgestaan aan Kruseinan\'s uitgaaf. Volgt daaruit,
dat er thans weer een publiek gevonden wordt, dat liefde heeft
voor belletrie, dat het publiek, voor een goed deel althans, zich
afgewend heeft van de materialistische levensbeschouwing, die
een 35-tal jaren geleden zooveel aanhangers maakte !J Of is het
een gevolg, juist van het te niet gaan dier vroegere letter-
kundige jaarboekjes, waardoor onze letterkundigen, niet ge-
dwongen jaarlijks aan tal van die periodieke bundels hun cijns
te betalen, een nieuw leven en een nieuwe kracht verkregen
hebben, zoodat een poging althans gewaagd kan worden tot
het uitgeven van een belletristisch jaarboekje gewijd en opge-
dragen aan de laatste Oranjetelg, ons vorstelijk Koningskind ?
J)e toekomst zal moeten leeren of, onder de Oranjevaan
onze huiselijke letterkunde en petit comité, die door overpro-
ductie haar eigen graf gegraven had, thans voldoende levens-
vatbaarheid heeft, en zoo ja, of zij voldoende erkenning zal
vinden, noodig tot het in stand houden van een periodiek
terugkeerend literair praclitalbum. Maar zal een dergelijke bun-
del in het leven kunnen blijven, zooveel is zeker, dat de
men ziet dit door anderen vernietigd, bloedt de ziel." — Even zoo ironisch
over den volgenden jaargang: „Wat ziet de Castuliu er goed uit — en
hoe heerlijk is de Aurora! Wat ben ik blijde dat ik met zoo\'n uitge-
ver niet heb te maken. Ik had nacht noch dag rust." (Brief van Van
den Bergh 12 November 18G6.)
1 Bouwstoffen Dl. I blz. 803.
-ocr page 159-
DA COSTA, DE CHAOS EN HET LICHT.                    147
bijdragen, in de Aurora in weerwil van de meeste kieskeurig- ïsso.
heid van Sam Jan en van Kruseman toch somtijds afgedaald
tot berijmd proza, aan vrij wat hoogere eischen zullen moeten
voldoen dan vroeger, waar het een algemeen bekend feit is,
dat poe/ie in onze dagen hier te lande een vrij wel incourant
artikel geworden is.
Het jaar 1850 bracht voldoende werkzaamheden aan om niet
met ledige handen te zitten: Christelijk Album, Aglaja, Aurora
bleven een voortdurende zorg vereischen Da Costa\'s Elisabeth
voor de Bijbelsche vrouwen. Nieuwe Verbond kwam in April
van dat jaar voor het eerst in proef, maar tegelijk daarmede
was ook door hem aan Kruseman de kopy aangeboden van
een nieuw politiek vers, De chaos en het licht; een halve-
eenw-lied,
door hem als vervolg op de Vijf en twintig jaren,
de Wachter en Jb-iiï en ./<W# den 27 Maart bij een openbare
gelegenheid voorgelezen. Den uitgever liet hij de bepaling van
het honorarium over. Was in het vorig jaar 1849 Kruseman
voor f 60 eigenaar geworden van zijn Uit Portugal l, voor
dit nieuwe gedicht, dat voor een deel zijn waarde ontleende
aan het actueele moest hooger prijs geboden worden. Het aan-
bod f 300 en kwiteering van nog openstaande boekverkoopers-
schulden waren echter van dien aard, dat Da Costa het als
huisvader verantwoorden kon dat aan te nemen2. Veertien
dagen later was het werk afgedrukt en vond het een debiet
van bijkans 3400 exemplaren. Als bij vroegere gelegenheden
werden de present-exemplaren van den schrijver door Kruseman
bezorgd, hoewel het Da Costa „bijzonder ten aanzien van die van
De Gids minder aangenaam [zou] zijn, indien zij die toezending
aan den schrijver toeschreef, daar er tusschen genoemde redactie
en mij eene nog niet herstelde verwijdering heeft plaats gehad" s.
1    Voor het eerst in druk verschenen in de Aurora voor d8ó() blz. 270.
2    Brief van Da Costa 1 April en 3 April 1850.
3    Brief van Da Costa [16 April 1850]. — Het is bekend, dat verschil-
lende van de handschriften van Kruseman\'s uitgaven na zijn overlijden
een plaats gevonden hebben in de Bibliotheek van de Maatschappij der
10*
-ocr page 160-
148
GOUVERNEUR, VERSTROOIDE RIJMEN.
istio. ■ Met Jan de Rijmer ging het als met Da Costa: de correctie
van de Broeders en Zusters gaf aanleiding tot de verzameling
van in verschillende periodieken verstrooide gedichtjes „voor een
goed deel slechts eenvoudige copiën, luchtige navolgingen";
Goeverneur wenschte de uitvoering van zijn boek typographisch
zoo eenvoudig mogelijk, zonder eenige pretentie, daar de inhoud
voor het overgroote deel zou bestaan uit vertalingen; „de heeren
dichters konden \'t kwalijk opnemen, als een niet eens originele
stukken leverend verzenmaker zich met hen in \'t zelfde pak
vertoonde". Kruseman bepaalde den titel van het boekje op
Verstrooide rijmen. Oud en nieuw, vreemd en eigen. Veel had
hij er echter niet mede op, wellicht omdat tegen het rythmus
en de zuiverheid van uitdrukking meer dan eens met slordig-
heid gezondigd was \' en het debiet niet fluks van de hand zou
gaan. Den schrijver daarentegen beviel zijn eigen werk wel,
„niet omdat ik er zelf de uitgever en berijmer van ben; maar
omdat ik in de manier van Chamisso en Bückert den eenigen
weg zie, om — wat wilt Gij ? het volk, de massa tot de poëzy
op te beuren, — of, om de poëzy bij \'t volk, bij de menigte
ingang en gehoor te doen vinden" 2. Toch was het in 1854
noodig een nieuwe uitgave hiervan te debiteeren.
Tegelijk trachtte Goeverneur Kruseman voor een ander plan
te winnen.
Het was geldverlegenheid, die hem er toe bracht voorschot
te vragen op een nog ongeschreven werk over den Belgischen
oorlog. „Ik heb als student-volontair bij \'t veldbataillon der
88te afdeeling (Derde divisie) — niet bij een studentencorps —
den tiendaagschen meegemaakt en het toeval heeft gewild, dat
Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Daaronder ook dat van Da Costa\'s
De chaos en hel licht. Dit handschrift heeft echter niet gediend als kopy
voor den zetter. Reeds was een gedeelte der kopy ter drukkerij van C. A.
Spin & Zoon te Amsterdam, rechtstreeks van Da Costa\'s woning bezorgd,
toen hij den 6 April 1850 aan Kruseman schreef: „Later hoop ik van
het geheel een eigenhandig afschrift voor uwe verzameling te maken."
1 Ue Tijd Dl. XII \'sGravenh. 1850 blz. 505.
* Brief van üoeverneur 12 Augustus 1850.
-ocr page 161-
149
NEALE, LAATSTE TOONEBLEN.
juist mijn bataillon, dat ook verreweg \'t meeste volk heeft isüo.
verloren, op de belangrijkste punten in België tegenwoordig
en meê handdadig is geweest, terwijl \'t mij ook al vroeger aan
interessante ontmoetingen niet had ontbroken. Hasselt, Bauter-
som \'s avonds en \'s morgens, twintig uren in Leuven, over-
gaaf van Tirlemont aan de Franschen en uittogt met de prin-
sen uit die stad, vervolgens Maastricht enz. behooren tot mijne
persoonlijke herinneringen en ik heb goede aanteekeningeu en
een goed geheugen. Lange jaren nu reeds was mijn stil plan
„Herinneringen en schetsen van een volontair uit de jaren\'30
„en \'81" te bewerken. . . want een boek zooals ik voorhad, is
onze alles rijke litteratuur tot heden nog altijd niet rijk. Don-
kersloot met zijne schetsen uit het cantonnementsleven is van
veel later datum en even onwaar als flaauw" \'. Kruseman kon,
als handelsman, op het voorstel deze niet bestaande kopy te
honoreeren natuurlijk niet ingaan, maar deed een tegenvoorstel,
welk blijkt niet, daar een kopyboek over deze jaren ontbreekt,
dat Goeverneur volmaakt goed en aannemelijk voorkwam en
dat hij met beide handen aannam.
Uok aan eigen initiatief dankte de fondslijst weer eenige
uitbreiding. Acht en zes jaar vroeger had Kruseman reeds een
paar officieele staatsstukken als publiek domein kunnen uitge-
ven, thans deed hij weer zoo. Een Postwet in plano, die geen
financieel gewin zou opleveren, werd uitgegeven te zamen met
Van Zeggelen (Gebr. Giunta d\'Albani), terwijl een bewerking
van Erskine Neale\'s The closing scène or chriitianity and
infidelity contrasted in the last honrs of remarhable persons
het
licht zag.
Betsy Hasebroek nam het aanbod van Kruseman aan uit de
beide series van dit werk een keuze te doen en die saam te garen tot
één band; haar zwager W. G. Brill, toen nog predikant te Zutpheu,
was behulpzaam in het nazien der proeven en haar broeder J. P.
Hasebroek te Middelburg gaf goeden raad in de keuze van den
titel, die zou luiden: Laatste tooneelen uit liet leven van ge-
1 Brief van Goeverneur 23 Mei 1850,
-ocr page 162-
150
RYAN, AVONTUREN IN CALIFORNIË.
1850.         loovigen en ongeloovigeu. Naar het Engelsch van Erskine Neale.
Vrij bewerkt door Elisabetli Johanna Hasebroek \'. In den be-
ginne ging liet debiet niet al te best, wellicht omdat het werk
bij afleveringen verscheen, wellicht ook omdat de afleveringen
niet in commissie verzonden werden; de onderneming bleek ech-
\'ter gewild genoeg om op de fondsveiling van 1857 een kooper
te vinden -, die er liet volgend jaar een nieuwe titeluitgaaf
van maakte.
Californië, liet land van belofte voor de gelukzoekers,
dat in de Polichinel reeds iets van zich had doen hoo-
ren, gaf natuurlijk aanleiding tot verschillende uitgaven in
die dagen. Ook Kruseman liet zich niet onbetuigd; G. Fran-
cken bewerkte op zijn verzoek A narrative of personal adven-
tures in Upper-and .hower California in J848 and ,18-ïO
van
William Redmond Ryan als Avonturen gedurende een tweejarig
verblijf in Californië en zijne mijnen,
de eerste uitvoerige
beschrijving van het goudland s, „met het doel zijn landgenoo-
ten aan te sporen zich derwaarts te begeven, niet met het
hersenschimmig doel om door goudgraven zich te verrijken,
maar om op echt Ilollandsche wijze voor de vaderlandsche
1    In de voorrede schreef de vertaalster: „Veel en menigvuldig was
de waarschuwing en de troost, door velen aan de overzijde des waters
uit deze bladen geschept. Mogten zij ook in ons vaderland, niet minder
dan in Engeland bekend wegens zijn Godsdienstzin en Godsdienstijver,
vriendelijk onthaal genieten. Mogten zij enkele dolenden op hunnen neder-
waartschen weg doen stilstaan, velen op hun rijzend pad met allen moed
doen voortgaan — dan ware een der hartewenschen vervuld eener mede-
reizigster op den weg naar de eeuwigheid."
2    H. de Hoogh te Amsterdam.
3    „Deze hoogst belangrijke beschrijving van Californië, zijne Beii\'o-
nern, Mijnen
en Bezoekers, vereenigt een zeer boeijenden vorm met een
degelijken inhoud. Terwijl de Auteur zijne eigene wederwaardigheden
los en geestig beschrijft, werpt hij den scherpsten blik op alles, wat
hem in de Nieuwe Wereld omringt. De platen, die het werk versieren,
zijn door den schrijver zelven naar de Natuur geteekend. Niemand zal
zeker deze Avonturen onvoldaan ter zijde leggen. \' (Advertentie van Ki\'u-
seman in Het Leeskabinet. Amst. 1850 Bibliographitsch Album blz. 122.)
-ocr page 163-
15]
TEN KATE, IN DEN BLOEMHOF.
scheepvaart een nieuwen handelsweg te openen, welke voor 1848.
Nederlands ingezetenen niet dan voordeelig wezen kan."
Ten Kate was echter ook weer in het begin van 1850 om
een dichtbundel verzocht; hij had schik in de taak, aanvaardde
die con amore en zond reeds in Januari eenige kopy. Zijne
verhuizing van Almkerk naar Middelburg was wel de groote
oorzaak, dat liet eerst Mei van het volgend jaar werd, voordat
zijn In den bloemhof. Beelden en (hoornen het licht zag,
maar ook werden door den auteur meer proeven verlangd dan
gewoonlijk, „vooral ook om de vele y\'s die door ij\'s vervangen
moeten, daar ik sedert geruiinen tijd die Bilderdijksche onder-
scheiding, die mij in zuiver Hollandsche woorden onuoodig
voorkomt, heb laten varen" \'.
In dat opzicht kwam hij niet overeen met Beets, die, zoo-
als we zagen bij de Bijbelsche vrouwen, een onderscheid maakte
tusschen beide letterteekens \'-. Het onderwerp bleef echter aan
de orde van den dag en werd belangrijk genoeg geacht door
Prof. Bormans van Luik om er over te spreken op het vierde
Nederlandsche taal- en letterkundig congres, dat den 20 Sep-
tember 1854 te Utrecht gehouden werd 3.
Wat echter Ten Kate\'s nieuwe schepping zelf aanbelangt,
een uitmuntend zomergeschenk voor dames, zooals de uitgever
J Brief van Ten Kate 12 Maart 1850.
J Zie hiervoor blz. 94 noot 1.
:\' Vgl. wat Kruseman den 8 October 1857 aan Da Costa schreef,
naar aanleiding der correctie van Bilderdijk\'s Dichtwerken: „Wat
UWEds vrees betreft voor vergissingen van uwentwege in de spelling
van Bilderdijksche eigenaardigheden — zoo zeer als iemand krimpt mij
liet hart bij iedere drukfout, waarvoor ik mij, zeer natuurlijk, alléén
aansprakelijk moet stellen; strenge naauwkcurigheid daarin is met volle
regt van mij als Drukker en Uitgever te eischen, en \'t is me alsof ik
de booze wenkbraauw van Bilderdijk zie zaïnent rekken bij elk erraat.
Toch hoot> ik correct te zijn geweest met de ij en y in \'t onderscheiden
gebruik. In de allereerste verzen, ook in de prijsverzen enz. zijn de per-
soonlijke voornaamwoorden met een ij geschreven; later consequent met
een y, behalve in de verstrooide stukjes, zooals in Almanakken, Muzen-
Album
en stukjes door vrienden bezorgd. Ik heb evenwel op eigener
bescheiden autoriteit daar steeds den ij met y verwisseld."
-ocr page 164-
152                     TEN KATE, IN DEN BLOEMHOF.
1851. oordeelde, het kleed, waarin zijn werk gestoken was, zou den
auteur maar matig voldoen: het bandje, evenals dat van het
Gedenkschrift van jun\'r. A. L. G. \'foussaint door H. Mondt
geleverd, scheen hem te bont en de prenten noemde hij rond-
weg leelijk \'. Dat oordeel onderschrijf ik geheel; de ontwerper
der steendrxikprentjes was in de opvatting om bloemen in
vrouwengestalten weer te geven achtergebleven bij hetgeen b.v.
in 1847 Grandville geleverd had in Les fle.urs animées. Aan
den anderen kant moet echter erkend worden, dat destijds in
Nederland bezwaarlijk een kunstenaar te vinden zou geweest
zijn, welke aan die opgaat\' artistiek had kunnen voldoen.
Maar al was Ten Kate dan ook minder tevreden over de
technische opluistering van deze „samenlezing van een hand-
vol versjens", het zou geen aanleiding worden tot een minder
gewenschte verhouding tusschen schrijver en uitgever, daar
beide te veel belang hadden elkaar te vriend te houden.
Was deze dichtbundel, waarvan ruim 800 exemplaren gede-
biteerd werd, reeds een eind in 1851 verschenen, het was
daarom niet de eenige uitgaaf, die behalve de loopende perio-
dieken aanhoudende zorg eischte. Ik denk hier in de eerste
plaats aan De Buli\'s De profeet van Florence voor de Aurora
voor JS5J2,
waarvan de kopy maar niet uit des schrijvers han-
den los te krijgen was; toch was het een stuk dat De Buil met
groot succes in verschillende steden voorlas en den nieuwen jaar-
gang van den Aurora in het debiet ten goede kwam. Diezelfde
jaargang bevat ook het vers Bij H kerkportael van Van 13eers,
dat op \'t laatste congres te Brussel met zooveel belangstelling
ontvangen werd 3 en een staalgravure door W. F. Wehmeijer
naar een schilderij van J. J. Cremer, waarbij Hofdijk als bij-
schrift dichtte een lichtend in \'t woud 4.
Als in vroegere jaren was het de buitenlandsche letterkunde, die
de aandacht bleef trekken. Pisistratus Caxton\'s (Bulwer) My
\'   Brief van Ten Kate 16 Mei 1851.
2    Blz. 152. — Het dichtstuk behandelt Savonarola.
3    De Tijd Dl. XIV \'sGravenh. 1851 blz. 480.
\'
   Aurora voor JS52 blz. 96.
-ocr page 165-
153
BULWER, MIJN ROMAN.
novel, or varieties in English life, overgenomen uit Blackwoods Ma- ism .
gazine for J850 werd ter vertaling uit dat tijdschrift aange-
boden aan S. J. van den Bergh; Van den Bergh nam liet aanbod
aan, om dit werk, vol diep gevoel en fijnen geest te vertalen,
maar omdat hij wegens de uitgebreidheid van het werk er
zeer tegen opzag, behield hij zich de medehulp van De Kan-
ter \' voor, opdat bij onverhoopt geval de pers niet zou behoeven
stil te staan: twee jaar later was het werk compleet in een ver-
taling, die naar Tollens\' oordeel een geoefende hand verraadde 2.
De uitgave van Mijn roman, of verscheidenheden uit het
leven in Engeland door Pisistratus Caxton (E. L. Bulwer),
die
een oplage had van 550 exemplaren in 5 stukken (4. deelen),
vond tegen een particulieren prijs van/\'21.20 een goed debiet
en werd uitverkocht \\ Trouwens het was hier te lande niet
anders als in Engeland, waar een belangrijke oplaag van een
afzonderlijke uitgave, eveneens in 4 deelen, in drie maanden
totaal uitverkocht werd, niettegenstaande de artikelsgewijze ver-
schijning in Blackwoods Magazine reeds een uitgebreiden kring
lezers had gehad eii het debiet van deze nieuwe editie door
de Tauchnitz-editie geheel tot Engeland zelve beperkt was 4.
Evenals daar een goedkoopere editie in 2 deelen de pers zou
verlaten, gaf Kruseman hiervan, in 1857/58 een goedkoope
1    Zie over zijn verhouding tot Van den Bergh Het Servetje door
Conviva [Gerard Keiler!. Leid. 1878 blz. 14.
2    Brief van Tollens 15 October 1851. — Vgl. Een huis te Rijswijk
[Ottoburg] door J.
Brester Az. Aan S. J. van den Bergh en W. .f. van
Zer/r/elen
in Aurora voor J848 blz. 272.
„Mijn Roman" van Bulwer, is een uitmuntend Bock, vol diep ge-
voel en fijnen geest, dat niet missen zal hier te lande denzelfden buiten-
gewonen bijval te vinden, die \'t ten deel valt in Engeland. Trouwens
Bulwers naam is genoegzame aanbeveling. (Advertentie in Haarlemsche
Courant-9
October 1851).
Weekblad voor den Boekhandel 9. Juli 1853. — „Toen een onzer
uitgevers — lees Kruseman — in 1853 persoonlijk bij de firma Black-
woord te Londen een exemplaar bracht van de vertaling van Bulwer,
My Novel, nam het hoofd van het kantoorpersoneel dat werk in han-
den met den uitroep: „Curious! A Dutch book! I have never seen a
„Dutch book." En liet er de vraag op volgen: „There are more publi-
„shers in your country ?" (Bouwstoffen Dl. II blz. 175.)
-ocr page 166-
154
FRY, BKIKKBN IN HET LEVEN.
18M. volkseditie in vier deelen voor ƒ 7.60 in het licht, waarvan
in 1859 een nieuwe titeluitgaaf bij hem verscheen.
Hetgeen Van den Bergh in zijn naschrift bij het einde van
zijn tweejarigen vertalingsarbeid in Februari 1853 anoniem
gehoopt had, „dat [dit verhaal] niet moge verzinken in den
zondvloed van onbeteekenende romans, die dagelijks de pers ver-
laten" \', bleek verwezenlijkt geworden te zijn, hetgeen Sam
Jan aan liet einde van den tweeden druk dankbaar erkende.
Ook Betsy Hasebroek was weder voor Kruseman aan den
arbeid. De vriendschappelijke relatie, die ontstaan was tusschen
Kruseman en Jonathan\'s zuster, deed haar gaarne met hem
samenwerken. Zoo lokte haar in het begin van 1851 The
listener
van Caroline Fry, „een allerliefst werk, een soort van
christelijke Hing van Gyges, [dat] de allerliefste en tevens
allertoepasselijkste tooneeltjes bevat" 2, ter vertaling aan. Veer-
tien dagen later vertoonde Kruseman het werk ter vertaling aan
het Stadsbestuur en in het volgend jaar kwamen de Blikken
in het leven. Godsdienstige en zede kundige schetsen
uit, alweer
niet zonder dat zich over de keuze van den titel eenige bezwa-
ren hadden voorgedaan. Geloovigen, een verdietsching van den
Franschen titel Softe ou l\'écouteur kwam wenschelijk voor,
maar de beslissing gaf ten slotte Jonathan met bovengenoem-
den titel.
Andere zuiver Nederlandsche werken werden ook op touw
gezet. Zij kwamen echter eerst in volgende jaren ter uitvoering,
maar behalve dat behooren zij ook tot een nieuwe periode in
Kruseinan\'s werken en streven. De 11-jarige uitgevers-loopbaan
toch had Kruseman reeds een vrij nbedeutende"" plaats doeu
innemen in de Nederlandsche boekenwereld; zelfs zij die nu
juist niet geacht konden worden persoonlijk in te stemmen
met Kruseman als vurig aanhanger van de reeds bijkans in
vollen bloei verkeerende nieuwe letterkundige richting, meenden
\' Mijn roman Dl. IV 2" stuk blz. 871.
2 Brief van E. J. Hasebroek \'21 Januari 1851.
-ocr page 167-
155
IJNTEMA, DE GOUDEN EEUW VOOR NEDERLAND.
in hem den uitgever te moeten begroeten, die bij voorkeur ïsni.
een zuiver literair werk ter perse moest leggen. Dat was b. v.
IJntema, die hem een kojjy ter uitgave aanbood bij een schrij-
ven, kenschetsend voor den steller.
Bhijnheuvel, bij Arnhem,
28 Mei 1851.
Mijnheer !
Ik heb hoogen dunk van den mij persoonlijk onbeken-
den Heer Van Zeggelen, houd hein voor een genie in zijne
soort, en stel hem noch met een\' Schenkman, wien ech-
ter ook geen vernuft te ontzeggen valt, noch met mijzel-
ven op ééne rij. En toch, in alle nederigheid (de tijd des
zelfsbedrogs is bij mij sinds eene kleine halve Eeuw voorbij),
verbeelde ik mij meermalen getoond te hebben ook eeni-
gen aanleg te bezitten voor dat genre, immers zoo vroegere
erkentenis des Publieks niet geheel bezijden is geweest.
Maar de mijns wetens ongeprovoceerde animositeit van
het jongere geslacht tegen den Oud-lledacteur der Vader-
landsche letter oefeningen
noopt mij sinds lange veelal
tot namelooze uitgave of verspreiding van zoodanige
Dichtstukjes als ik nog verlange eenigzins meer algemeen
ter sprake te brengen. Nu heb ik een gelegenheidsversje
liggen, dat ik wenschte dat gelezen Avierd. Bewust van
den bijval, dien deze en gene soortgelijke stukjes, door U
uitgegeven, hebben gevonden (een weinig annoncecenten
dienen gespendeerd) verbeeldde ik mij, dat ook dit wel
eenigen opgang zou maken. Laat, desverkiezende, de Heer
Van Zeggelen keurmeester zijn. Hiertoe inclinerende, ver-
lang ik niets dan eenige exemplaartjes, te uwer discretie,
\'t Stukje is GO regels lang, en kan dus wel voor 10 u 15
centen worden gedebiteerd. In afwachting van uwe rescrip-
tie, noem ik mij
Uw\' do. Oud-Confrater,
J. W. IJntema.
-ocr page 168-
] 56 BRIEF AAN DEN SCHRIJVER VAN : SPLITSING DER MAATSCHAPPIJ.
1851.             Hoewel Kruseman meende dat „„menige rederijkkamer haar
„met meer succes [zal] voordragen dan \'t klassiekste vers van
„Bilderdijk of van Da Costa" [Het klassieke van laatstge-
noemde (dit en passant) betwijfel ik nog eenigermate]" \', zag
hij in de uitgave van De gouden eeuw voor Nederland. Geen
kwalen meer! Leoe Goldberg, Holloway en de Revalenta
zijn
voordeel niet en wees het aanbod van de hand.
Hetzelfde bescheid kreeg ook de Amsterdamsche student aan het
Doopsgezinde Seminarie C. P. Tiele met zijn roman Augustus
Berneman en de zijnen. Losse btaadtjens uit zijn dagboek gescheurd
en uitgegeven met eene voorrede van
Dr. Pronius. Kruseman\'s stad-
genoot en confrater J. B. van Loghem Jr. ondernam echter de uit-
gave van den eersteling van den lateren Leidschen hoogleeraar.
A priori mocht echter W. H. Warnsinck te Willemsoord, \'s dich-
ters buitenverblijf aan den Bloeinendsialschen weg bij Haarlem,
reeds een ander antwoord verwachten, toen hij zich wendde tot
den aangehuwden achterkleinzoon van Jan Nieuwenhuijzen, met
de aanbieding van een Brief aan den schrijver van het stukje:
Splitsing der Maatschappij: tot Nut van
7 Algemeen. „Ten
einde u, schreef hij den 20 Augustus 1851, de zaak wel te
doen opvatten, diene, dat ik de valsche beweringen en beschul-
digingen des schrijvers, nopens het w/christelijke der M. t. N.
v. \'t A. wel met rondborstigheid, doch niet zonder eeuige on-
bescheidenheid, heb behandeld; en voorts, dat ik mijn geschrijf
als dat van „een lid der Maatschappij", zonder mijn naam
wenschte in \'t licht te geven. Ware ik geen lid des Hoofd-
bestuurs, dan bedacht ik mij geen oogenblik om mijn naam
onder den brief te plaatsen; maar, men zou alligt mijn persoon,
met mij[n] betrekking verwarren en mij het voorkomen geven
als ware ik een kampvechter voor het Hoofdbestuur — en dat
is in geenen deele \'t geval." Al mag aangenomen worden, dat
de echtgenoot van Anna Maria Goteling Vinnis op het voor-
stel ter uitgave zou ingaan, de uitgever zag slechts financieele
1 Brief van J. W. Untema c. 10 Juni 1851.
-ocr page 169-
157
RICHTING VAN DEN UITGEVER.
schade in de onderneming en de uitkomst leerde dat hij gelijk tsót.
had. De zaak veranderde echter geheel en al toen de schrijver
mogelijk geldelijk verlies voor zijne rekening nam; acht dagen
later werd de brochure reeds gedebiteerd.
Al correspondeerende met auteurs \' en debitanten, haastig en
gejaagd zijn zaken doende — Kees Vlieg was het epitheton
dat Van den Bergh zijn vriend gaf, in tegenstelling met Kees
Kies, waarmede Kruseman\'s ueef de schilder betiteld werd 2 —,
maar waarlijk niet al zoekende en tastende ouder welken wimpel
het bootje de helling moest afloopen, was reeds een vrij aan-
merkelijk fonds van een 180 titels verkregen, waaraan zelfs
een Frederik Muller zijn hulde moest brengen 3. Schoon niet
uitsluitend in één richting gestuurd, daar er evenzeer zuiver
letterkundige als strikt wetenschappelijke titels, geschiedkundige
studiewerken als damesboekjes * in voorkomen, is de totaalindruk
1 Onder die auteurs moet hier even genoemd worden Schenkman.
Behalve een Plakboek, dat deze voor Kruseman destijds in orde bracht,
had Kruseman hem ook opgedragen het maken van een A.B.C. Kin-
derboekje.
Zooals blijkt uit eenige posten in de kasboeken, werd dit
boekje op steen geteekend door C. C. A. Last. Omstreeks Augustus 1851
verschenen, verkocht Kruseman het restant in 1853 of 1854 aan G.
Theod. Bom. De posten, waaruit ik deze wetenschap put, zijn te wei-
nig uitvoerig geredigeerd om te kunnen determineeren hoe de titel van
dit kinderboekje was, terwijl ik elders niets ontmoet heb, dat eenig
nader licht zou kunnen geven. — Over beide uitgaven, althans over het
Plakboek had Kruseman den raad ingewonnen van Fuliri, die hem daar-
over den 9 Juli 1848 een uitvoerig advies gegeven had.
*
                 Kees Kees! olijke Kees!
\'k Wou ik je zag op een luchtige sjees,
Sjeezend je bluf en lawaai en spektakel,
Leggend voor spot en voor jongens mirakel,
Kees Kees! olijke Kees!
Schilder van eerzucht — maar ach zonder pees!
(kl est zenuw, ziel, kracht,...1
Brief van S. J. van den Bergh 4 Juli 1852.
3 „Voorts de 2 nieuwe boeken uit mijn fonds. Ik zal het nu eens
flink aanpakken en een fonds-maken nog beter en sierlijker dan Gij.
Ge weet, ik heb alle aanleg voor uitgeverij, \'t Is een juweel v[an] een
baantje". (Brief van Fred. Muller 2 October 1851.)
" Reeds was bladzijde 116—125 waar ik de Aglaja behandeld heb,
-ocr page 170-
158                    AANSCHAFFING VAN F.ÉN D1UTKKERIJ.
i85i. dien de simpele lezing dier titels maakt, allerminst verward.
De godsdienstige lectuur had in dit eerste tijdvak de overhand;
Ten Kate, Liernur, Fr. Strauss, Jonathan, Kadijs, Christelijk
Album,
Van der Pot, Van Schaick, Da Costa, juffr. Tous-
saint zijn de namen, die het meest in het oog vallen en het
best er zich toe leenen om tot een besluit hieromtrent te ko-
men. En dat oordeel kan niet anders zijn, dan dat ook hierin
Kruseman zich een kind van zijn tijd toonde en door het uit-
geven van stichtelijke lectuur trachtte voor zich en de zijnen
een bestaan te vinden. Daarin slaagde hij gelukkig naar wensch
en verwachting. Het bedrijf bloeide en gal\' aanleiding tot lang-
zame maar zekere uitbreiding.
Het eerste waarin zich dat voor de buitenwereld vertoonde,
was de reeds besproken verplaatsing van de winkelzaak in
1844. Maar ook daar werd na eenigen tijd de annexatiehand
uitgeslagen. De rustelooze werkzaamheid als uitgever deed het
besluit rijpen aan de zaak een eigen drukkerij te verbinden;
het gestadig heen- en weerzenden van proeven naar de druk-
kerijen van Westerman & Zoon, J. D. Sybrandi, G. A. Spin
& Zoon en C. Blommendaal te Amsterdam, H. 11. de Breuk
en J. G. La Lau te Leiden, Gebr. Giunta d\'Albani en
K. Puhri te VGravenhage, A. ter Gunne te Deventer en
P. Barghoorn te Groningen, maakte deze uitbreiding zeer
gewenscht. Wel is waar waren aan de Haarlemsche drukke-
rijen van de Erven E. Bohn, de Erven Loosjes en Joh.
Enschedé en Zonen ook af en toe opdrachten gegeven, aan een
eigen drukkerij moest echter de voorkeur gegeven worden, te
meer nog daar het zich niet liet aanzien, dat het aan die in-
richting in den eersten tijd aan werk ontbreken zou; maar ook
zou de uitgeverszaak voordeeliger gedreven kunnen worden,
wanneer drukker en uitgever in één persoon vereenigd waren.
Een achter het woonhuis gelegen brood bakkerij in de Korte
afgedrukt, toen de heeren Burgersdijk & Nierman s te Leiden mij zonden
het omslag van den eersten jaargang der Aglaja. Op dat omslag in
steendruk uitgevoerd door E. Spanier te \'s Gravenhage, staat als motto
Schiller\'s bekende Ehrel die Frauen, sie spinnen und weben Uns himtn-
lische Bosen in\'s irdische Leben.
-ocr page 171-
159
OPENING DEK, DRUKKERIJ.
Veerstraat, thans de winkel van Com. Dyserinck en Zoon, werd issi.
aangekocht en verbouwd, en spoedig daarop kon in de Haar-
lemsche Courant
van den 1 November gelezen worden:
Onder bescheidene aanbeveling geeft de ondergeteekende
bij deze berigt, dat hij bij zijnen boekhandel gevoegd heeft
eene Boekdrukkerij, Korte Veerstraat, Wijk 2, N°. 1072.
A. C. Kruseman.
Haarlem, 1 November 1850.
Het Christelijk Album, en Hofdijk\'s De laatste dag van Heems-
kerlcs beleg
\', uitgegeven voor rekening en als eigendom van de
Haarlemsche rederijkerskamer Lourens Janszoon Coster, waren
de eerste boekwerken die ter eigen drukkerij ter perse gelegd
werden, maar niet het eerste drukwerk; dat was een oorkonde,
die den 26 October 1S50 getrokken werd door zijn oudste
kind, den 8-jarigen Jan Nieuwenhuijzen Kruseman 2.
Wanneer de Heer Boele van Hensbroek in het Nieuwsblad
voor den Boekhandel*
zoo terecht schrijft: „Wie kende Kruse-
man\'s uitgaven niet, die uitgaven, niet de vrucht van een
nabootsenden geest, die het beste wat het buitenland bedenkt,
met eene sauce hollaudaise weet te bereiden; maar die uitga-
ven vol \'oorspronkelijkheid, met kennis voorbereid, met beleid
uitgevoerd, met koopmansgeest geëxploiteerd?", dan mag het
niet onbelangrijk geacht worden, na te gaan, welke inrichting
Kruseman aan zijn drukkerij gaf. Het is niet zoo zeer, dat ik
hier het oog heb op het administratieve deel daarvan, als wel
1 Het was Hofdijk\'s „eerste (struikelende) voetstap op het dramatiesch
terrein", zooals hij schreef in het voorwoord van den tweeden druk in
1857 hij de Erven Loosjes te Haarlem verschenen. — Bij de eerste opvoe-
ring van het stuk door de genoemde rederijkerskamer (18 Maart 1851
in den Nieuwen Schouwburg) vervulde Kruseman de rol van Aernout
van den Velde.
* 25 jaar later werd hiervan een nieuwen „herinneringsdruk" ge-
trokken.
3 20 April 1894.
-ocr page 172-
160
DRUKKERIJ. ---- LETTERVOORRAAD.
1851. o]) den aanwezigen lettervoorraad. Daarin toch weerspiegelt zich
de tvpographische smaak van den eigenaar eener drukkerij voor
eigen gebruik aangeschaft. Minder uitgebreid dan thans, nu de
verscheidenheid in stijl en in snee bij de letters nog hoe langer hoe
meer opgevoerd wordt, was de richting, die zich in het buitenland
omstreeks 1815 geopenbaard had met allerlei schriften, die zich
als égyptische, vette, compacte, antieke en gefigureerde soorten en
wat al niet meer aanprezen, van Frankrijk uit ook allengskens
hier te lande ingedrongen en waren de Nederlandsche lettergiete-
rijen zich gaan voorzien van meestal buitenlandsche afslagen om
ook hierin aan de heerschende concurrentie met het buitenland
liet hoofd te kunnen bieden. Als nu hieromtrent de letter-
voorraad van de nieuwe drukkerij bezien wordt, dan treft ons
al dadelijk, dat de lettervoorraad meer uitmuntte in hoeveel-
heid dan in verscheidenheid. Van al die verscheidenheid
in soorten wilde Kruseman niet veel weten. Zijn smaak
toch viel gansch niet op gefigureerde letters \', hetgeen
vooral uitkomt in de keuze van titelletters; de titels toch
moesten uit een zoo eenvoudig mogelijke letter gezet worden
zonder de minste versiering, „want een gewone boekletter met een
mooie schraveering staat altijd goed" hield Kruseman herhaalde
malen zijn zetters voor2. De zoogenaamde Elzeviersnede was
1 „Het spijt mij dat ik de proef van de inteekeningslijst voor de
Kerkklokstoonen niet naar mijn zin kan krijgen. Het hapert ons aan
de begeerde langwerpige zwarte kapitalen, die op de modellijst voorko-
men. De onzen zijn óf te groot öf te klein. Intusschen is dit mij weder
een spoorslag om te zorgen dat ik van die kapitalen voor ons een groo-
ter assortiment neem, en U in \'t vervolg in dit opzigt beter bedienen
kan. Hebt ge er evenwel nog tijd meè, dan zal ik nóg bestellen; maar,
wanneer ik ze van Parijs laat komen, dan zon er wel een week of vier
minstens meè wegloopen. — Onze zetter heeft er nu dat van gemaakt
wat hij kon. — Wat dunkt U er van? Het ziet er ook anders fatsoen-
lijk genoeg uit; maar ik beken dat het model meer spreekt. Grescha-
duwde of gefigureerde kapitalen hebben we genoeg, doch deze begeert ge
niet." (Brief van Van Zeggelen 8 October 1845).
1 Mededeeling van den Heer P. Elffers, thans als zetter werkzaam
bij Joh. Enschedé en Zonen, die voor een groot deel Bilderdijk\'s Dichl-
werken
voor Kruseman gezet heeft.
-ocr page 173-
101
DRUKKERIJ. ---- LETTERVOORRAAÜ.
destijds gewild \' en in hoeverre Kruseinan met die mode mede-
ging, waartegen in de laatste jaren weer geageerd wordt door
eene richting, die YVilliain Morris als geestelijken vader geacht
kan worden te hebben 2, kan het best gekend worden uit de
leveranties van de gieterij van Joh. Enschedé en Zonen, door
wie hij zich voor een deel(?) liet inrichten. Hoewel ik geen
zekerheid daaromtrent heb, mag aangenomen worden, dat de
posten, waarmede af en toe Laurent et Deberney en Ch. Derriey
te Parijs, en Tetterode te Amsterdam gecrediteerd werden,
eveneens betrekking zullen gehad hebben op leveranties van
drukletters. Die leveranties zullen, naar alle waarschijnlijkheid,
1 Brief van Van Zeggelen 30 October 1818: „Dat hoofdwoord: De
gouden bruiloft was met engelsdie letter gezet, die ook wel Elzevier-
snede genoemd wordt. Degeen daar gij naar verwijst, is een fransohe
snede. Dezelfde als in Bogaerts\' bundel staat, zou voor ons te groot
zijn; dewijl wij zulk een grooten regel hebben. De Elzeviersnede is
tegenwoordig de smaakletter. — Hebt ge nu evenwel geen zin in de
beide soorten.... wees dan zoo goed en bestel gij namens ons bij En-
schedé het woord De gouden bruiloft."
Tot recht verstand van hetgeen hier met „Elzeviersnede" bedoeld
wordt, kan ik het volgende opmerken.
De Engelsche lettei\'gieterij van V. & J. Figgens te Londen had tus-
schen de jaren 1840 en 1846 eenige seriën boekletter in den handel ge-
bracht, die zij gedoopt had naar bekende typographen als Baskerville
en Elzevir [sic]. Vooral de laatste serie verkreeg hier te lande een groote
vermaardheid en nog heden ten dage wordt die naam „Elzevierletter"
daaraan gegeven, zonder dat men maar eenigszins de bedoeling heeft
het karakter der 17" en 18\'\' eeuwsch Nederlandsche letter daarmede
te willen aanduiden; met een letter, vroeger door een Elzevier gebruikt,
de tegenwoordige mediaeval is geen enkel verband. De geheele serie van
deze zoogenaamde Elzevierletter komt voor in de Letterproef van Joh.
Enschedé en Zonen. (Haarl. 1895) Dl. I (Voorloopige proef) blz. 50 en
51 als serie 26.
3 In de Papier-Zeitung herausgegeben von C. Hoffmann van 6 Mai
1897 S. 1279 lees ik: „Ze/m Gebote", die Frank Colebrook ah Haupt-
inhalt der Gedanken William Morris, ktirzlich veröffentlicht hat.
—
Voor zoover het de aesthetische denkbeelden betreft, ben ik het daar-
mede geheel oneens; vooruitgang in de typographie moet niet gezocht
worden in een terugkeer tot den eersten tijd der boekdrukkunst, toen
de typographie nog in cunae was.
Over Morris\' beteekenis schreef o. a. L. Simons in De Gids. 1897
Dl. I blz. 126.
11
-ocr page 174-
102 DRUKKERIJ. — BESCHOUWING OVER DB TYPOORAPHIE.
1851. in het algemeen gesproken, denkelijk geen ander karakter in
stijl gehad hebben, dan die der Haarleinsche lettergieterij en zon-
den daarom wel geen wijziging in mijn oordeel te weeg kannen
brengen. Trouwens, het was in 1850 een gansch andere tijd
dan tegenwoordig, nu, vooral door den invloed van de
Duitsche vakbladen, zich het juiste beginsel heeft baan gebro-
ken, dat een drukwerk, dat op eenige hoogere aesthetische
waardeering aanspraak wil maken, van het begin tot het einde
een zekere eenheid in het gebruik der letters en der ornamen-
ten moet vertoonen, welke eenheid door denzelfden William
Morris weer gezocht werd in de drukwerken van omstreeks 1500.
Juist de tijd, waarin Kruseinan zijn drukkerij begon, maakt
dat zijn eigen drukwerken niet beoordeeld mogen worden naar
de eischen, die heden ten dage gesteld zouden mogen worden.
De hoogere eenheid daarin thans geeischt \', is bij hem niet te
vinden. Maar aan den anderen kant wijzen de bovenge-
uoemde oordeelvellingen van Kruseman zelf over de typographie,
dat hij reeds voelde, welke richting de boekdrukkunst een \'M)
jaar later uit zou gaan en uit dat oogpunt zijn de drukwer-
ken van hem, die later zulk een warm pleitbezorger zou wor-
den van de kunst, toegepast op nijverheid, niet van belang
ontbloot voor de kennis van de ontwikkeling der boekdrukkunst
hier te lande, ook in die afdeelingen der techniek, waarin hij niet
slaagde, het drukken van houtgravuren grooter dan vignetten.
Beter dan tot nu toe het geval was, toen hij schriftelijk
moest onderhandelen met de patroons van de drukkerijen, kon
hij thans onmiddellijk met den zetter, zijn werkman, de typo-
graphie van zijn uitgaven bespreken en behartigen, en reeds
één jaar na de opening van de drukkerij kon hij lezen, hoe
E. .1. Brill de typographie van de Bijbdsche vrouwen en van
de Aurora prees \'".
Begonnen werd het drukkerijtje met een pletpers door L.
Vaz 3 te Parijs voor/\'52S geleverd en met twee handpersen, van
1 Zie hierover Die Kunst im Buchdruck. Berichte fiber zehn Vor-
trage von Dr. P. Jennen. Sonderdbdruch aun der Papier-Zeitung J897.
\' Weekblad voor ilen Boekhandel
20 December 1851.
J Behalve leveranties van drukinkt door L. van Son, betrok Kruse-
-ocr page 175-
168
DRUKKERIJ.
----- PERSEN.
H. P. Holtz te \'s Gravenhage en van Van Heerde te Amsterdam. ïssi.
Maar toen de gestadige vermeerdering van eigen werk ver-
grooting ook van deze afdeeling wenschelijk maakte, werd
spoedig een derde liand])ers uit de fabriek van Giroudot te
Parijs aangeschaft \'. De twee laatste werden in 1S55, toen de
groote Bilderdijk-uitgaaf ter perse gelegd zou worden, door
tusschenkomst van Sijthotf te Leiden vervangen door een
suelpers uit de machinefabriek van C. Reichenbach te Augs-
burg 2 voor /\'1189.12, die kort daarop nog in \'t zelfde jaar
door een tweede gevolgd werd 3. De drukker sfclde roem op het
bezit van die machines, want stond vroeger op zijn uitgaven te
lezen dat ze gedrukt waren bij A. 0. Kruseman, thans drukte hij
op de verso van het titelblad „Snelpersdruk van A. (,\'. Kruseman\'1.
Waren zijn werklieden in den beginne nog niet Hink op de
hoogte met de behandeling dezer nieuwe werktuigen, in weer-
wil van Sijthoff\'s zeggen, dat de behandeling van deze ma-
ehines geen deskundig persoon vereischte, Kruseman hield
moed, dat die bezwaren weldra overwonnen zouden worden *,
een verwachting, die wat den boekdruk aanbelangt, niet be-
schnamd zou worden, toen Lleichenbach hem tijdelijk op zijn
verzoek een snel persdrukker had afgestaan.
Zoo was voor eigen gerief, want smoutwerk bleef geheel
man ook af en toe drukinkt van L. Vaz. Deze welbekende commissionair
te Parijs was in 1857 o. a. vertegenwoordiger van Marinoni voor diens
snclpcrsen [Nieuwsblad voor den Boekhandel 5 Maart 1857). In 1860
was N. Tetterode te Amstei\'dam uitsluitend belast met het leveren van
persen dier firma hier te lande (Nieuwsblad voor tien Boekhandel 19
Juli 1800). — Overigens komen in de kasboeken ook voor als leveran-
ciers van drukinkt: H. A. van Wijk en Fr. Neckhaus. Het andere
drukkersmaterieel (galeien, zethaken, enz.) betrok Kruseman van Bakels
te Amsterdam.
1 Nieuwsblad voor den Boekhandel 25 Oetober 1855.
1 t. a. p. 1 November 1855. Van der Heulen. Een veertigjarige uit-
fjeversloopbaan. A. W. Sijthoff.
Amst. 1801 blz. 295. Vgl. Nieuwsblad
1!) April en 9 Augustus 1872.
3 t. a. p. blz. 29(5. Nieuwsblad i\'oor den Boekhandel Mi Decem-
ber 1855.
* Attest van Kruseman in Nieuwsblad voor den Boekhandel
22 Mei 1856.
11*
-ocr page 176-
164 DRUKKERIJ. —• PRIJSBEREKENING VAN DRUKWERK.
1851. bijzaak \', een flinke typographische inrichting ontstaan, waar
geregeld ruim 20 man hun brood vonden 2 en kon Kruseman
samen met de Erven Loosjes bij gelegenheid van de typogra-
phische tentoonstelling te Haarlem in 1850 de afdeeling zetterij
en drukkerij 3 en gedeeltelijk ook binderij \'\' voor zijne reke-
ning nemen. En dat die uitbreiding werkelijk geen overdaad
was, blijkt voldoende wanneer later besproken zal worden
bet groot aantal periodieken, dat door den uitgever in de eerst
volgende 10 jaar op touw werd gezet en aan de persen tot
aan de voltooiing der Bilderdijk-uitgaaf overvloed van eigen
werk bezorgde.
In den beginne moet de boekhouderij van deze afdeeling wel
wat te wenschen overgelaten hebben en dat kan geen verwon-
dering baren. Een eigenlijke drukkers-opleiding bad Kruseman
nooit genoten en bij zijn vroegere patroons was bij slechts
vrij oppervlakkig bekend geworden met de techniek van de
typographie. Het onkosten-boek geeft in de eerste jaren dan
ook veelal een te boog bedrag voor de eigen drukwerken.
1 Er zijn mij, slechts uit andere bronnen, bekend als gedrukt bij
Krnseman voor rekening en ten behoeve van anderen eenige aanplak-
biljetten, jaarlijksche catalogussen van bloembollen voor de bloemisterijen
van Schertzer en Zoon (firmant Kruseman\'s tweede broeder), van E. H.
Krclage en Zoon en van A. C. van Eeden en Zoon, in 1855 een Ver-
slag van de eerste algemeene vergadering der Haarlemsche Jonge-
lings-vereeniging,
terwijl af en toe ook leveranties van drukwerk voor-
komen van plaatselijke instellingen als de Haarlemsche Hulpbank.
Geen van deze laatste drukwerken heb ik gezien.
Uit het Reglement, voor de boekdrukkerij van A. C. Kruseman,
neem ik hier alleen den slotzin over: „Stipte vervulling der pligten,
goede voortgang in het werk, maar tevens een wederkeerige goede ver-
standhouding en aangename verrigting van den arbeid worden door
den Patroon in allen opzigte gewenscht."
Wanneer Kruseman (Bouwstoffen Dl. II blz. 781) mededeelt, dat op
die tentoonstelling ook een snelpers uit zijn drukkerij ter werking te zien
was, speelt zijn geheugen hem hier parten. Zie Catalogus van de typo-
graphische tentoonstelling
(1856) blz. 47 en J. J. F. Noordziek. Gedenk-
boek der Costers-feesten.
Haarl. 1858 blz. 196.
Kruseman had voor eigen gerief een snoeimachine van John Gr.
Sherwin, 5 Cumberlandstreet, Curtain road, London, gekocht in 1854
voor £ 11,15.
-ocr page 177-
DRUKKERIJ. — PRIJSBEREKENING VAN DRUKWERK. 165
Maar ook hierin kwam allengs een juister toestand. Laat ik ism.
ten bewijze een aanhaling doen uit een brief van Fuhri, wiens
inrichting ook hierin wel voor een deel als voorbeeld gediend
zal hebben. Door de kennis opgedaan in eigen drukkerij meende
Kruseman in 1851 gegronde aanmerking te kunnen maken op
een factuur van zijn vroegeren patroon. Die aanmerkingen blij-
ken uit het volgende schrijven van Fuhri dd. 2(5 Juni 1851.
... Ik moet U met een enkel woord repliceren op Uwe
aanmerking betreffende mijne drukrekeuing.
Deze zijn inderdaad geheel en al ongegrond en hebben
mij niet doen bloozen. Het getuigde mij slechts dat gij
nog niet regt oj> de hoogte zijt van winstberekening op
drukwerk. . .
Voor de omslagen van het Christelijk Album en Aglaja,
is U meen ik f 3.— per duizend gerekend. Dat loopt
nu wel op maar al bedroeg het totaal ook een millioen
guldens liet blijft toch altijd slechts f 3.— per duizend.
Die omslagen waren daarenboven niet geheel en al stere-
otyp, maar vorderden maandelijks veranderingen vooral
door de advertentiën. Al wat gij U zelf minder dan
f 3.— per duizend in rekening brengt is verlies voor U.
Mijne prijsberekening voor een particulier zou f 5.—
per riem geweest zijn, of liever per 500 Exempl.
dat is duidelijker gesproken. Doorgaans is de verdubbeling
van het eigenlijke werkloon mijne maatstaf voor de prijs-
berekening. Iets dat mij f 1.50 kost moet mij f 3.—
o])breugen, die tweede daalder strekt dan voor gebruik
van pers, inkt, materieel, lokaal, vuur, licht, interest en
winst. . .
Voor pletten heb ik U 50 cents per 1000 stuks in
rekening gebragt en kan dat voor ieder verantwoorden.
In het geheel kan ik maar 2000 stuks op een dag piet-
ten. Mijn pletter kost mij f 3.— \'s weeks, en mijne piet-
pers en pletbladen wel /"1200.—, behalve het jaarlijk-
sche onderhoud. . .
Kortom mijn vriend! als gij, als drukker, uzelven, als
-ocr page 178-
166
RELATIE MET CONFRATERS.
is4o—1851.             uitgever minder in rekening brengt dan op mijne nota
staat, geeft ge U over aan zelfbedrog, en wat ge op die
wijze als uitgever profiteert, verliest ge als drukker. Ge
moet die twee persoonen in U scheiden. Beiden moeten
verdienen. Er blijft meer aan de maat en strijkstok han-
geu, dat men ligt over het hoofd ziet, dan oogenschijn-
lijk wel lijkt.
Maar al scheen Fuhri Krusemau\'s administratie niet geheel
in den haak, zoo meende hij in hem niettemin een afnemer
van zijn materieel te kunnen vinden. Zijn groote menigte
houtjes en buitenlandsche afgietsels 1). v. afkomstig van de
lloutgraveerschool of voor eigen uitgaven aangeschaft, plus mi-
nus 7000 stuks, bood hij in Mei 1851 tegen een ongehoord
prijsje ter overname en hloc aan. Maar de vlieger ging niet
op, zoodat hij op de fondsveiling van den 7 Augustus 1852, door
.). C. van Kesteren te \'s-Gravenhage gehouden, het restant,
ongeveer -1600 stuks in veiling bracht. Frederik Muller daar-
entegen kwam bij den drukker Kruseman om raad vragen over
de typographische uitvoering van zijn Portret-catalogus \\
Kruseman om raad gevraagd door een confrater! Dat tee-
kent meer dan woorden kunnen zeggen, hoe hij stond aan-
geschreven. En werd bij hein om inlichting aangeklopt over
een vak, waarin hij nu nog niet zoo geheel het naatje van de
kous wist, dan kan het allerminst verwonderen, dat al reeds
in vroeger jaren de boekhandelaar-uitgever aangezocht was ge-
weest om van advies te dienen. De eerste maal, dat dit voor
zoover ik weet voorkwam was in 1847, toen Sam Jan de be-
middeling van zijn llaarlemschen vriend inriep bij het van de
hand doen van zijn broeders boekwinkel te \'s-Gravenhage 2. Drie
jaar later verzocht jufl\'r. Toussaint aan Kruseman haar ge-
schil met Beijerinck bij te leggen, die meende dat haar uit-
gave van het Gedenkschrift van de inhuldiging van Willem III
bij Kruseman een inbreuk was op de overeenkomst met haar
1 Brief van Fred. Muller 22 November 1851.
\' Vgl. hiervoor blz. 65.
-ocr page 179-
I()7
RELATIE MET CONFRATERS.
gemaakt over de voltooiing van De vrouwen uit het Leyeester- tMO-itai.
sche tijdvak \' en Gebhard te Amsterdam meende het volgend
jaar niet beter te kunnen doen dan zich tot Kruseman te wenden
om te weten te komen, welke de geschiktste wijze was om iets ten
voordeele van ougelukkigen, in casu Gendringen uit te geven2.
Ook als persoon van wetenschap en van literairen smaak zag
hij zich reeds erkend 3. Fuhri verzekerde zich van het oordeel
van Kruseman over de nieuwe uitgaaf van Nieuwenhuis\'
Woordenboek van kunsten en wetenschappen en het Aanhangsel
daarop en was het in hoofdzaak met diens meening over de
keuze van medewerkers eens ! niet alleen, maar zag in hem
ook den uitgever, die de onderneming, als het moest zou kun-
neu vervolgen; op Fuhri\'s aandrang verbond Kruseman zich —
iu de Bouwstoffen Dl. I blz. 794 staat eenvoudig „een
ander" — bij circulaire van den 1 April 1S53 bij zijn onver-
hoopt overlijden de nieuwe uitgaaf voort te zetten; het bleek
echter een noodelooze verbintenis te zijn, daar het kopyrecht
het volgend jaar aan Sijthoff overging, en evenzoo riep Cre-
mer, met wien Kruseman in relatie was gekomen naar aanlei-
ding van een voorgenomen en tot stand gebrachte staalgravure
naar een van diens schilderijen op de Haagsche Tentoonstelling
voor de Aurora van J8i)2, zijn gevoelen in, toen hij hem zijn
oordeel vroeg over de Haagsche lelie s, zijn eersteling op
letterkundig gebied. Dat oordeel mag niet ongunstig uitgeval-
len zijn, althans Noordendorp te Amsterdam werd de uitge-
ver vau Cremer\'s De lelie van \'s-Gravenhage. Een verhaal.
Al te gader waren dit bemoeiingen, die feitelijk omgingen
buiten het materieele van het bedrijf aan den omzet van boe-
1    Brief van A. L. G. Toussaint G April 1850.
2    Brief van Gebhard 7 September 1851. Betreft: A. II. van der
Hoeve. Lotlden-Gendringen.
„U heb ik, waarom weet ik niet, van den begin aan onbepaald
vertrouwd, in U niet enkel den soliden uitgever, maar veelmeer een
welmeenend, onbaatzuchtig menseh gewaardeerd en dat doet mij zoo
vertrouwd en gulhartig met U redeneeren. (Brief van Elise Schiötling
zonder datum (1848)).
* Brief van Fuhri 24 December 1850 en 6 Januari 1851.
1 Brief van Cremer 21 September 1851.
-ocr page 180-
168
RELATIE MET PARTICULIEREN.
1840-18.M. ken, als debitant en als uitgever. Ongelukkig zijn er slechts
in vergelijking met de onderhandelingen met auteurs uiterst
weinig gegevens te mijner beschikking, die een gewenscht
licht zouden kunnen verspreiden over den handel. Niettemin
mag uit het somtijds aanzienlijke bedrag en ook uit de talrijke
door Haarlemmers betaalde posten liet gevolg getrokken
worden, dat de debitant wel niet achter gestaan zal heb-
ben bij den uitgever en dat ook de laatste in den eerste
een waardige evenknie gevonden zal hebben. Het verzoek
van April 1840 aan de confraters om commissiegoed te
mogen ontvangen had het gehoopte gevolg gehad en spoe-
dig na de vestiging kwamen reeds verzoeken in van parti-
culieren om zich met het debiet van een of ander werk
te belasten, van Ds. Badijs te Doesburg \', van P. Bleeker te
Batavia als lid vau de redactie van het Natuur- en gene.exkuu-
dig archief vau Neerlands-Indie,
toen de vroegere onderhan-
delingen over dit tijdschrift met Tjeenk Willink en Keinink
tot niets schenen te leiden -, van Prof. Siegenbeek om een
honderdtal exemplaren van zijn Geschiedenis der Leidsche Hoo-
geschool
te debiteeren, \'t geen Kruseinan echter meende te moe-
ten afslaan \\ Want evenzoo goed als uitgever was Kruseman
als boekhandelaar kieskeurig, reden waarom hij zijn handel
minder geschikt achtte om in te gaan op het plan van Withuys
om een tijdschrift met daaraan verbonden loterij uit te geven 4,
maar daarentegen onttrok hij zijn hulp niet aan zijn vriend
Van der Vliet, toen deze wenschte, dat de niet-prijs van Boude-
wijn\'s De Tijd in zijn winkel ter inzage zou liggen 5. Humaan
bij uitstek tegenover confraters, moest hij zich openlijk zien prij-
zen tegenover de firma Joh. Noman & Zoon te Zalt-Bommel
1 Brief van Radijs 14 Octobev 1842. Betreft A. Radijs. De Christe-
lijke echtgenoote in haren omgang met God, bij de verschillende be-
trekkingen en wisselingen van haar leven.
: Brief van Bleeker 28 April 1846.
3 Brief van Siegenbeek 1G Januari en 23 Januari 1849.
" Brief van Withuys 5 September 1849.
Advertentie van Van der Vliet in Nieuwsblad voor den Boekhan-
del
27 September 1849.
-ocr page 181-
1()9
MD DER VEREENIGING.
door den failleerenden debitant H. T. ten Bokkel te Amsterdam, 1840-1861.
dat „het [Kruseman\'s] voornemen niet [was] om een jong con-
frater den zedelij ken dolksteek toe te brengen" \'.
Het was anders een wonderlijke tijd in den Boekhandel, aan
den eenen kant firma\'s, die voortteerden op den eenmaal verkre-
gen roem en zich hielden aan de eenmaal aangenomen gebrui-
ken; aan den anderen kant jonge, voortvarende, stoere mannen,
die waar noodig verandering, verbetering, vooruitgang wensch-
ten. ünuoodig te zeggen dat Kruseman tot een dezer laatsten
behoorde en op handelsterrein zijn geestverwanten vond in
Puhri en Gebhard en kreeg in P. N. van Kampen, Fred.
Muller, .1. C. Loman Jr., D. A. Thieine, P. Kraay Jr. en
zooveel anderen. De vestiging viel in den tijd, dat de eerzame
„confrerie" van den Boekhandel bestookt werd, in den gerucht-
makenden tijd van Canongette, Nayler en Heim; al waren dat
stroopers die ongetwijfeld den gewonen boekhandel van die
dagen veel kwaad deden \'-, hun handelwijze had althans dat
voordeel, dat in den boezem der Vereeniging langzaam aan
stemmen vernomen zouden worden, of hun onbeschaamd op-
treden niet een kern van waarheid bevatte, of er niet wer-
kelijk verval of kwijning in den Boekhandel bestond s. Het
blijkt niet, hoe Kruseman over deze bewegingen dacht,
daar hij op de vergaderingen der Vereeniging — reeds dade-
lijk na zijne vestiging had hij zich als lid laten voorstellen en
1 Mededeeling van Ten Bokkel in Nieuwsblad voor den Boek/wintel
4 October 1849.
1 Bouwstoffen Dl. I blz. 228.
:\' Het is bekend, dat de Vereeniging in 1843 van dit onderwerp
een prijsvraag maakte, en dat Fuhri en Gebhard voor hun antwoord
bekroond werden. Hoe de meeningen van een mensch veranderen kun-
nen! In de Bibliotheek der Vereeniging berust het eigen exemplaar van
Gebhard met de aanteekening in handschrift:
„Ik lees het ding, dat ik reeds vergeten was, nog eens over.
„Gebhard van 1866 staat verbaasd over Gebhard van 1846! Of moet
de onzin op pag. 35 over de Vereeniging als gild, en op pag. 39 en
40 over allerlei niet minder onbekookts, een persiflage beteekenen? Ik
weet het niet meer maar wel dat in deze zoogenaamde „Beschouwing"
het goede niet zakelijk en het zakelijke niet goed is.
„Nov. 1866.                                                       „J. H. Gkbhaku."
-ocr page 182-
17(1
UU DER VEEEENIGING.
1840-1851. was in de Algemeene Vergadering van den 1 Augustus 1840 te
gelijk niet J. O. en W. AltorH\'er te Middelburg, J. B. Wol-
ters te Groningen en 11. van Wijk Anthz. te Zwartsluis aau-
genomen — aan de debatten geen deel nam. Een wonderlijke
tijd, vergeleken met den onze, van journalistiek en publiciteit
en reclame. Thans openbaarheid zooveel mogelijk om op het
publiek te werken en het debiet van de boeken te bevorderen,
toen tegenkanting van de redactie van het Nieuwsblad, dat dit
vakblad ook door anderen dan door de leden van het gilde gelezen
zou worden, die daardoor een ongeoorloofden blik zouden
kunnen werpen in den handel en het rabat, dat de uitgever
den debitant verleende, te weten zouden komen \'.
Ook daarover werd ouder de boekhandelaars heel wat strijd ge-
voerd : Kruseman sloot zich in 1851 aan bij hen, die den boekhan-
dclaars voortaan netto handels-prijzen zouden berekenen 2, hetgeen
samenhing met het vereffenen der jaarlijksche rekening. Dat
Kruseman zich bij die beweging aansloot kan niet verwonde-
ren, daar de Algemeene Vergadering van de Vereeniging (9
Augustus 1847) hein op voorstel van den voorzitter G. T. N.
Suringar met zichzelven, K. Fuhri, C. J. Borleffs, Fred. Muller,
S. E. van Nooten en H. V. van (iogh benoemd had in een com-
ïnissie „tot het ontwerpen van bepalingen, waarbij voor de.
leden der Vereeniging — zoo mogelijk in verband met de jaarlijk-
sche Algemeene Vergadering — een vaste tijd, plaats en wijze van
vereffening der jaarlijksche rekeningen werd beraamd", welke
commissie Kruseman op haar beurt tot rapporteur aanwees 3. Hij
begreep ten volle de lasten en de lusten die het lidmaatschap
van de Vereeniging met zich medebracht, dat die Vereeniging
hoe langer boe meer zou worden het middelpunt, waarom heen
de Boekhandel zich moest scharen, maar ook dat die Vereeni-
ging haar hulde en dank moest brengen aan hen, die de vaan
van de A\'ereeniging hoog hielden. Daarin was hij zijn mede-
leden verre vooruit. Dat ondervond M. des Amorie van der
1 Nieuwsblad voorden Boekhandel 21 Augustus 1845 en 1 Juli 1847.
1 t. a. p. 9 Januari 1851.
:\' Zie Bouwstoffen Dl. I blz. 587 vlg.
-ocr page 183-
171
MD DEE VKREENIGING.
Hoeven, practiserend advocaat te Amsterdam. Naar aanleiding imo-is&i.
van een uitgegeven leerrede van Dr. H. Heemskerk, predikant
bij de llemonstrantsche Gemeente in de Hoofdstad, was de
vraag gerezen of het volgens de vigeerende wet op het kopyrecht
van den 25 Januari 1817 geoorloofd was predikatiën tegen den
wil des redenaars af te schrijven en uit te geven, een quaestie die
tot veel polemiek aanleiding gaf en waarmede zich zelfs, toen
de rechter in drie instantiën tegen den uitgever S. de Greb-
der Sr. geen rechtsingang meende te kunnen verleenen *, op
voorstel van haar medelid Mr. J. van Lennep de tweede klasse
van het Koninklijk Nederlandsch Instituut bemoeide.
l)e "Vereeniging meende — en me dunkt terecht — dat in
dit geval, wel degelijk een ongeoorloofde daad te zien was,
erger dan louter nadruk; dat het een daad was „in strijd met
de aloude Vaderlandsche goede trouw, den gestrengen toets
der zedelijkheid niet kunnende doorstaan" 2. Onder de recht s-
geleerden, die zich schaarden aan de zijde der Vereeniging, be-
hoorde Mart. des Amorie van der Hoeven, en toen deze in
September 1850 op het tweede Nederlandsche letterkundig congres
te Amsterdam zich nogmaals ten gunste van de aangerande
eer der Vereeniging uitliet !, was het Kruseman, slechts aan
zijn overtuiging gehoorzamende, niet meer dan een gewoon lid,
1 Arrest van den Hoogen Raad dd. 22 Mei 1850. (Weekblad van
hel liegt
n°. 1136). O. m. leest men in dat arrest, dat hier geen sprake
kan zijn van nadruk, „vermits de woorden [naar den Franschen tekst]:
au profit du propriétaire du manuscrit ou de 1\'édition primitive veron-
dei\'stellen, dat er een handschrift of manuscript hestaan hcbbe, iets het-
welk geen noodzakelijk vercischte is voor eene leerrede, doordien dezelve
voor de vuist kan zijn uitgesproken." (Vgl. Nederlandsche rechtspraak
Dl. XXXV blz. 281). Zie over het verloop der zaak Kruseman. Bouw-
stoffen
Dl. 1 blz. 649 vgl. — In eenigszins gewijzigden vorm deed
dezelfde quaestie zich voor in 1872 over M. de Vries\' Nederlands be-
wijding. Toespraak bij de vaderlandsche feestviering te Brielle;
het
Weekblad van het liegt (n° 3441, 3446 en n° 3451) besprak de klacht
wegens nadruk, hierover door den uitgever A. W. SijthofF ingediend
tegen cenige dagbladen.
1 Circulaire van de Vereeniging d. d. 13 April 1850.
Vgl. liouwstoffen Dl. I blz. 737 vlg. en Handelhvjen van het
tweede Nederlandsche letterkundig Congres.
Amst. 1851 blz. 227.
-ocr page 184-
172
COMMISSIE-GOED.
1840-1861. die zich verplicht achtte den verdediger van den eerlijken en
openlijken Boekhandel van zijn erkentelijkheid te doen blijken \'.
Als boekhandelaar en uitgever, flink en fier, trouw en rond.
Hij was zich dat bewust en kon dan ook rekenen op de in-
stemming der boekhandelaars, toen hij hun zonder meer, een-
voudig weg verzocht wel te willen gelooveu, dat hij geheel
vreemd was aan de handelwijze van iemand, die te Leeuwar-
den, onder meer andere boeken, met Christelijke Albums en
haakboekjes langs de huizen liep en deze aanbood voor ver-
minderden prijs 2.
Dat ook de commissiehandel geen rozen zonder doornen was,
zou Kruseman ook moeten ondervinden, al mag hij hierin niet
minder ongelukkig geweest zijn dan anderen; de naam van
Sybrandi te Amsterdam, zijn hoofdcorrespondent, heeft een
te goeden klank, dan dat zelfs maar verondersteld mag worden,
dat van diens kant minder zorgvuldige behandeling aan
Krusemaii\'s pakketten ten deel viel; aan anderen moet dus de
schuld gelegen hebben, dat het teruggaand commissiegoed niet
altijd op tijd en in goeden toestand bij hem terugkwam. Het
in commissie zenden der Bijbefoche vrouwen had hij in 1848
om die reden reeds moeten staken en met den meesten nadruk
meende hij dan herhaaldelijk ook op voorzichtige en zorgvuldige
behandeling te moeten aandringen. „Men doet mij daar eene
wezenlijke dienst mede, omdat men mij het verdriet bespaart
van stapels gehavende en onbruikbare boekdeelen terug te zien" 3.
„Die ongelukkige pakken „teruggaand Commissiegoed1\' liggen
steeds onder eene hooge mate van minachting, tot zelfs bij de
loopjongens toe, die er meê sjouwen en omspringen, alsof \'t
ballast ware. De arme uitgever, die handen vol geld en maan-
den van zorg besteed heeft, om zijn goed er wat netjes te
doen uitzien, krijgt vlagen van wanhoop, als hij die balen en
kisten ontA\'angt, waaruit vaak zijn papieren kroost, gehavend
1 Brief van M. des Amorie van der Hoeven 23 September 1850.
* Advertentie in Nieuwsblad voor den Boekhandel G Juli 1848. —
Opgemerkt raag worden, dat uit deze aanbieding blijkt, de goede roep,
waarin deze uitgaven stonden. Vgl. hiervoor blz. 70.
3 Advertentie in Nieuwsblad voor den Boekliandel 20 Januari 1C48
-ocr page 185-
178
PERSONEEL.
en geschonden, hem reeds op den drempel van zijn huis te 1840-I85i.
gemoet rolt. Men bedenke toch, dat het voor hem nog geen
misdruk is, al wordt het op zijn zolder gestapeld" \'. Behalve
dergelijke onaangenaamheden, was de terugzending van onver-
kocht commissiegoed ook alles behalve goed geregeld door de
boekverkoopers onderling: men zond de pakketten terug, wan-
neer dat zoo eens in het rijm te pas kwam. Noorduijn & Zoon
te Gorinchein zagen echter de wenschelijkheid van een zekere
regelmaat hieromtrent in; Kruseman sloot zich in het einde
van 1851 aan bij den bond, door hen in het leven geroepen
om jaarlijks vóór Juni het commissiegoed van het vorige jaar terug
te zenden en stelde daarbij voor zich zelven nog de vaste en al-
gemeeue bepaling, om na Juli noch vervolgwerken noch nieuwe
artikelen te verzenden aan hen, die hem niet in staat gesteld
hadden de rekening op te maken 2.
De administratie was sinds 1840 ook allengs uitgebreider
geworden, zoodat Kruseman er in 1849 toe overging in de
plaats van Van Dijk, deurwaarder bij de belastingen, die
\'s avonds de boeken kwam bijhouden, een vasten boekhouder in
dienst te nemen en dien vond in den Heer J. J. Weeveringh,
den broeder van de trouwe en zorgvuldige medewerksters aan de
Atjlaja, om werkzaam te zijn in het beheer van de debiet- en
uitgeverszaak; steeds was voor de dagelijksche bezigheden ver-
meerdering van personeel noodig, zoodat, tegen één winkelknecht
bij de opening van den winkel in 1840, Kruseman tien jaar later,
in Juni 1850, reeds tien bedienden had. Die uitbreiding was
geen overdaad, want behalve nog de toenemende omvang
van den boekhandel, de beslommeringen verbonden aan het be-
stier van een eigen drukkerij, had het fonds zelve, behalve
door eigen plannen en door voorstellen van anderen, verschil-
leiule uitbreidingen ondergaan door aankoop op fondsveilingen
van verschillende werken van Lavater (1845), van Ter Haar\'s
Huibert en Klaartje (1849), Haafner\'s Reizen, Backer\'s Aard-
1 Advertentie in Weekblad voor den Boekhandel 15 Januari 1853
en in Nieutosblad voor den lloeklutndel 20 Januari 1853.
\' Advertentie in Weekblad voor den Boekhandel 12 Juni 1852.
-ocr page 186-
174
PONDSVEIIJNG.
18T.2. rijktkunde en eenige werken van Bilderdijk \' (allen in 1S50).
Vrij klein behuisd, moest het magazijn geen ruimte te over
kunnen bieden, en daarin mag wel de reden gezocht worden
tot twee daden, die Kruseman kort na 185L deed: de fonds-
veiliug van 1852 en de verhuizing in 1853.
Hetgeen de ongebonden verkooping, die den 7 Augustus 1852
door J. C. van Resteren te \'s-Gravenhage in de Maréchal de
Turenne
gehouden uit Kruseman\'s fonds in andere Iianden zag
overgaan, was niet van veel beteekenis; liet waren bijkans 30
titels, waaronder de Kerkklokstoonen van Strauss, drie bun-
deltjes van Ten Kate, het ILaakboehje van Benedictus, een
paar romans en de even te voren genoemde werken van Lava-
ter; verschillende daarvan had hij reeds vroeger, ook bij stel-
len tegen verminderden prijs verkrijgbaar gesteld 2. Toch was
■ het niet de eerste vermindering die het fonds onderging. .). C.
van Kesteren had reeds den 12 December 1849 Da Nichten
en het Gesprek daarover van Helvetius van den Bergh ver-
kocht en daar niet meer voor kunnen bedingen dan _/\'83.70,
terwijl zij hun uitgever f 809.40 gekost hadden.
Die opruiming van het magazijn, waardoor Kruseman con-
tanten in handen kreeg zal er ook wel iets toe hebben bij ge-
dragen, dat in het volgend jaar een nieuw perceel aangekocht
zou kunnen worden.
Sinds jareii was in het bovenste gedeelte van „inde vier
Heems-kinderen" aan het Spaarne een Roomsch-Katholieke huis-
kerk gevestigd. Maar toen bij de invoering der bisschoppelijke
hiërarchie de Statie van den H. Frauciscus bij Koninklijk Be-
sluit van den 11 November 1851 Nr. 35 opgeheven werd en
het kerkgebouw in publieke veiling kwam, werd „Jnn Hendrik
1    In de Haarlemsche Courant van den 28 December 1850 adver-
teerde Kruseman, dat hij door aankoop eigenaar geworden zijnde van
Bilderdijk\'s Taal- en dichtkundige verscheidenheden en diens Nieuwe
laai- en dichtkundige verscheidenheden,
„door eene tijdelijke Prijsver-
mindering,
alle letterkundigen in de gelegenheid [wilde] stellen om zich
dit hoogst belangrijke werk op eene min-kostbare wijze aan te schaffen."
2    Zie bv. de advertentie in Weekblad voor den Boekhandel van
den 10 Januari 1852: „Ik vertrouw dat deze Aanbieding attentie zal
trekken".
-ocr page 187-
•IndeVier» Hee/as*Kinderen«
-ocr page 188-
VERHUIZING NAAR „DE V[EIt HEEMS-KINDEREN".          175
Dyserinck, meester metselaar en steenkooper aan de Oude 1803.
Gracht te Haarlem, daartoe mondeling gemachtigd door Arie
Gornelis Kruseman, boekhandelaar en boekdrukker aan het
ISpaarne", voor f 8880 kooper van dit perceel. Onmiddel-
lijk na de aanvaarding (1 Mei 1853) werd de oude heilige
plaats tot boekwinkel en drukkerij ingericht \'. Op dezelfde plaats
waar in de zeventiende eeuw één der zes Haarlemsche Doops-
gezinde Gemeenten, het zoogenaamde Lucas Philipsvolk, haar
vergaderplaats had, wier leden zicli overeenkomstig de,oude
Doopsgezinde leer „grootelijks hielden aan de letter van de
Schrift, vooral van het Nieuwe Verbond -, onder hetzelfde
dak, waar in de volgende eeuw de priester zijn Credo in unum
Deum. Patrem omnipoteutem factoren), adi et terra, visibilium
omnium, et invisililium. Et in unum Dominum Jesum Chris-
tum, Filium, Dei unigenitum
gezongen had, onder datzelfde
dak zouden eerlang tal van vellen bedrukt worden, die den
eersten stoot zouden geven, waardoor het geloof aan den Bijbel
als onfeilbare en eenige bron voor de kennis van Gods woord
een geweldigen knak bij het groote publiek zou krijgen. De
eigenaar en gebruiker van „De vier Heems-kinderen" zou gelijk
1 De Haarlemsche teekenaar W. O. J. Nieuwenkamp ontwierp de
hier tegenovergeplaatstc afbeelding van „De vier Heems-kinderen", naar
een bouwkundige teekening, welke de tegenwoordige eigenaar en be-
woner van het perceel, Mr. Th. de Haan Hugenholtz, wethouder dei-
gemeente Haarlem, in 1884 vóór het sloopen van het huis liet maken.
De heer C. Verkruijsen, sinds 1856 werkzaam in Kruseman\'s zaak, gaf
goeden raad over enkele détails. Aan beide Heeren mijn dank voor hun
hulp en medewerking.
In 1883 verzonden de Gebr. Van Asperen van der Velde, destijds
eigenaars van Kruseman\'s drukkerij in „de vier Heems-kinderen" een
circulaire, waarbij gevoegd was een afbeelding van den gevel, geheel
uit typographisch materieel samengesteld. De vorm daarvan was gezet
door den Heer J. H. Warnier, den tegenwoordigen eigenaar der drukkerij.
Onder de vroegere Noord Nederlandsche boekdrukkers die hun be-
drijf uitoefenden in een „Dye vier Heems-kinderen" noem ik Jan
Zyvcrtsz. te Amsterdam c. 1530 (Moes. De Amsterdamselie boekdruk-
kers en uitgevers in de zestiende eeuw
2° afl. Amst. (18!)7) blz. 118).
Blaupot ten Cate. Geschiedenis der Doopsgezinden in Holland,
Zeeland, Utrecht en Gelderland.
Amst. 1846 Dl. I. blz. 138.
-ocr page 189-
170
VOORBODEN VAN EEN NIEUWE RICHTING.
1851. een tweede ros Beyaert in die woning als een fier strijdpaard
kampen voor alles wat hem dacht beschaving en kennis nader
te kunnen brengen tot het Nederla2idsclie volk op letterkundig,
op natuurwetenschappelijk, op godgeleerd terrein.
Een woning in de Kleine Houtstraat, belendend aan „De
vier Heems-kinderen" werd een jaar later in Juni 1853 als
woonhuis betrokken \'. En daar, in die nieuwe huizing zou het
vertier van den boekverkooper, het bedrijf van den drukker
en de handel van den uitgever weer tnet reuzenschreden voor-
uit gaan.
üe jaren 1851 tot 1856, het voorspel van den grooten
tijd 1856 tot 1863, stonden voor de deur: Buitenland se he
Klassieken,
Lindo, JStagère editie, Album der Natuur, Da
Costa, Buijs, Iluet, Praktische Volksalmanak, Dickeus,- Na-
fuurlijke historie van Nederland,
Bilderdijk, zouden achtcr-
eenvolgens de uitgaven en de personen zijn, die de uitgever
binnen den kring van zijn handelsondernemingen zou gaan trek-
ken. De verbintenissen in de eerste 10 jaar van het bedrijf
aangeknoopt, de kennis van den handel opgedaan ~, de pion-
niers met beleid en inet tact uitgezonden zouden hoe langer
hoe meer vruchten gaan afwerpen, de tijd naakte dat Kruse-
inan zich tot dat welbekende hooge, dat alom beroemde voor-
name standpunt zou opheffen, en de Boekhandel de bewijzen
voor het grijpen zou krijgen, dat de surculus van Beets de
arbor van Krusemau geworden was.
1    Thans plaatselijk geteekeud n°. 13.
2    „Een uitgever, zal hij ondervinding verkrijgen, moei verliezen;
voor een jong uitgever, die begint, is het wenschelijk, dat hij verliest.
Een uitgever, eenmaal nedergetuinield van de hoogte, waartoe hij zijne
verwachting had opgevoerd, een uitgever, eenmaal afgetrokken van het
ijdele droombeeld, \'t welk hij zich van een zijner troetelkinderen ge-
vormd had, zal als in eene andere wereld ontwaken, en de schellen zul-
len hem van de oogen vallen." (K. Fuhri. Adres aan de boekverkoopem
in Nederland.
1846 blz. 25).
-ocr page 190-
III.
Uitbreiding van do nitgeversrelaties. —
Boots, 1\'iinliis. — Van dor Pot, Julianus. — Biiiteiilandsche
Klassieken. — De Vforkon van Walter Scott. —
Etagrèro editie. — Album dor Natuur. —
Beecher Stowe, De iicgcrhut. —
Da Costa, Politieke noezy. — Practischo Volksalmanak.
— Do werken van Charles Dickens. —
Landbouw- en Nijverheids Bibliotheek. — Natuurlijke historie
van Nederland. — Costers-feesten.
1851-1856.
Gelijk alle geschiedkundige ontwikkeling van zaken als van
personen niet met plotselinge overgangen gaat, maar zich
daarin slechts voor den beschouwer uit de verte vrij duidelijk
afgebakende lijnen vertoonen, zoo moet de aan het einde van
het vorige hoofdstuk aangeduide kentering in de richting van
den uitgever, geenszins zoo opgevat worden, dat de uitgaven
wier bespreking thans aan de beurt zijn al reeds dadelijk zich
naast de richting van het afgesloten tijdperk van 1840—1851
zouden plaatsen. Het tegendeel daarvan is waarheid. De Paidm
van Beete, de Kijkjes in het leven van Van Zeggelen en de
Julianus ff e Afvallige van Van der Pot zijn van geen andere
12
-ocr page 191-
178
VOORBODEN VAN EEN NIEITWE RICHTING.
1851. soort als andere boeken, die in de vorige jaren• hun tocht door
Nederland uit het huis aan het Spaarne te Haarlem onder-
nomen hadden; hun wordingsgeschiedenis echter viel samen
met de voorbereiding van de Bibliotheek van Buitenlandse Jie
klassieken
en van het Album, der Natuur, waaraan zeker niet,
wat hun geest en streven betreft, een plaats aangewezen zou
mogen worden in het vorige tijdvak. De loutere beschouwing
dezer titels samen alleen reeds doet zeer duidelijk zien, dat in
1851 de oude richting door Kruseman wel niet geheel vaar-
wel gezegd werd, maar dat zich in dat jaar een nieuw element
bij liet oude kwam voegen, dat — het zij hier in het voor-
bijgaan opgemerkt — weldra de boventoon zou krijgen en
van den volgeling van den geest des tijds tot op zekere hoogte
zou maken den toongever, die de kunst en de wetenschap tot
liet publiek zou pogen te brengen.
Die kentering in den aard der uitgaven viel ongeveer samen
met andere verschijnselen, met de oprichting der drukkerij,
met de verplaatsing van den winkel en de uitgeverszaak. Om-
streeks 1851 valt die afscheiding, een jaar, dat direct en indirect
voor Kruseman gewichtige gevolgen zou hebben. In dat jaar
toch had te Londen plaats de eerste wereldtentoonstelling, die
Kruseman persoonlijk bezocht en op hem zulk een indruk
maakte, dat hij, een 30 jaar later, als „boekhandelaar in
ruste" niet ophield telkens en telkens weer als van de daken
te verkondigen, hoe van die tentoonstelling de eerste stoot
uitgegaan was tot de groote omwenteling op het gebied der
kunstnijverheid \'. De indrukken van kunst toegepast op nijver-
heid, te Londen verkregen, zou hij al heel spoedig na 1851
trachten toe te passen, maar veelal zou hij het in de eerste
tijden vooral, niet verder kunnen brengen dan de goede wil,
waar zelfs een bescheiden pogen om zijn denkbeelden tot een
uitvoering te zien komen, moest afstuiten op het volslagen ge-
1 Bouwstoffen Dl. I blz. 4G8 vlg.; Toespraak bij de opening van de
leekenscliool voor kans/nijverheid te Haarlem,
1879; Het teeken-onder-
wijs op de lagere scliool
(1880); Kunstnyverheids-opleiding.
-ocr page 192-
0OKNKAA1) BUSKEN HUET.                                179
bi\'ek hier te lande aan kunstvaardige handwerkslieden, aan 1851-
kunstgraveurs, aan artistiek ontwikkelde smoutzetters, aan
kunstboekbinders.
Maar nog een andere gebeurtenis van vrij wat kleiner be-
teekenis had in datzelfde jaar 1851 plaats, die voorshands
geen gevolg voor Kruseman zou hebben, maar wier invloed
zich eerlang op hem zou doen gevoelen, hem voor een goed
deel zoir beheerschcn, de indirecte oorzaak zou worden van
zijne grootste ondernemingen; den 5 April 1851 werd Coen-
raad Busken Huet, predikende over Phil. III, 13—10 door
zijn oom Daniël Théodove als pasteur de V Jiglise wallonne de
Haarlem
bevestigd. Nog een luttel aantal jaren en Kruse-
man zou door diens opwekking Kruseman worden. Want ik
heb den indruk gekregen, dat het in den beginne niet Kruse-
man was, die zich aangetrokken gevoelde tot Huet, maar dat
veeleer het omgekeerde het geval was. Huet opende al reeds
in zijn eerste Haarleinsche jaar een boekverkoopersrekening bij
Kruseman, en wist door hem ook voor het eerstvolgende jaar
eenige kleine leveranties te laten doen aan zijn kerkelijke ge-
nieente, terwijl de nadere intellectueele kennismaking in de
Haarleinsche Debating Society eerlang Huet in Kruseman deed
zien en zou doen vinden den uitgever, dien hij bij voorkeur zou
willen hebben voor zijn werken. He invloed, dien Kruseman van
Huet onderging, werd beslissend.
Omgekeerd ook zou Kruseman de groote gaven van Huet
als literator begrijpen. Zijn vriend Sam Jan zou door Huet
op den achtergrond gedrongen worden en Kruseman zou in de
eerste plaats niet meer om advies gaan over de letterkundige
waarde van een werk, dat hij wilde uitgeven of dat hem ter
uitgave aangeboden werd, bij zijn Haagschen vriend, waar hij
in Haarlem een zooveel beter, een zooveel grondiger oordeel
zou kunnen vinden. Die nauwe relatie met Huet en met Van
den Bergh vindt echter geen getrouwe weerspiegeling in het
materieel, dat mij ten dienste staat. De reden daarvan is ge-
ïnakkelijk te begrijpen. Met Van den Bergh moest veelal ge-
correspondeerd worden, met Huet werd, als stadgenoot alles mon-
deling behandeld. De plannen, die Kruseman met Huet besprak,
12*
-ocr page 193-
180                                 BEETS, PAULUS.
18M. het advies, dat Huet gaf, bitter weinig is daarvan tot mijn
kennis gekomen en het is daarom, dat ik er hier vooral op
druk, waar de mogelijkheid niet uitgesloten is, dat een lezing
der volgende bladzijden wellicht niet in voldoend licht zal
stellen den invloed, dien Huet op Kruseman oefende; hoe hij
hem opdreef en aanspoorde tot het uitvoeren van ondernemin-
gen, die Kruseman als uitgever tot voordeel van de intellec-
tueele ontwikkeling van ons Nederlaudsch publiek zou weten
en zou kunnen tot stand brengen. En dat bezwaar geldt niet
alleen Huet. Ook andere Haarlemmers, als Logeman, Lubach,
. Buijs, Naber, Egeling, Staring, Bergsma, T. C. Winkler, Hal-
bertsma, Quack, ook De Genestet door zijn veelvuldig verblijf
te Bloemendaal, zouden een plaats gaan innemen naast Huet
in Kruseman\'s dagelijksche gedachten. Ook hun omgang met
Kruseman bleef beperkt tot de plaats hunner inwoning en was
daarom slechts zelden schriftelijk, zoodat ook de geschiedenis
van die relatie slechts onvolkomen te reconstrueeren is en bij
gevolg maar al te oppervlakkig verhaald kan worden.
Paulus, in de gewichtigste oogeublikken van zijn leven en
werkzaamheid voorgesteld door
Nicolaas Beets Mas in beginsel
geen plan, dat van den auteur uitging. In het begin van 1850
werd door Baedeker te llotterdam ter vertaling aangekondigd
W. J. Conybeare and J. S. Howson The life and epislfes
of St. Paul;
de zes maanden, die de leden der Vereeniging
elkaar onderling verzekerd hadden, om elkanders recht op een
nog niet uitgekomen vertaling te eerbiedigen, verstreken zonder
eenig gevolg, zoodat, toen deze termijn afgeloopen was en
het vertalingsrecht weder vrijkAvam, Kruseman het werk in
Augustus 1850 ter vertaling kon laten aanreekenen. Dat Kru-
seman zulks deed, is te begrijpen. Ongetwijfeld had het succes
der Bijbelsche vrouwen hem wel eens aangespoord een derge-
lijk werk te geven over „Bijbelsche mannen\'". Dat nieuwe
werk echter in gelijken geest te geven als de Bijbelsehe vron-
wen
was niet geraden, daar P. H. Noordendorp te \'s-Graven-
hage reeds bezig was aan dat plan uitvoering te geven; in den
zomer van 1851 verscheen als eerste aflevering van de Aposle-
-ocr page 194-
18]
BEETS, PAULUS.
leu en profeten. Dichterlijk album,, Schimmel\'s Paulus \'. Kru- issi.
seman begon daarom, naar aanleiding van het Engelsche werk,
met een monographie in proza over Paulus. Het onderwerp was,
als vau ouds een aanlokkelijk sujet ter behandeling. Kruse-
man stond hierin gelijk met andere uitgevers, met de Gebr.
Muller te VHertogenbosch, die in ditzelfde jaar 1851 uitga-
ven een De bekeering van Saulus door A. ltutgers van der
Loeft\', met zijn stadgenoot J. 13. van Loghem Jr., die in Sep-
tember 1851 opgave verzocht van het getal inteekenaren op
Bijbellezing over Paulus en zijne brieven door Ds. A. Ci. Jans -
en met L. Veerman, die in 1852 uitgaf een leerrede van
C. W. Pape over Paulus afscheid van Efeze :\'.
Voor het leveren van den tekst kwamen twee personen in
aanmerking, Da Costa, die in 1847 en 1848 bij S. en J. Lucht-
mans te Leiden zijn Paulus, Hene schriftbeschouwing in liet
licht gegeven had, en Nicolaas Beets, sinds 1840 „herder" te
Heemstede i. De laatste bleek de gewenschte auteur te zullen
zijn. De predikant van Heemstede zette zich aan den arbeid,
zoodat in Februari 1851 De Weg naar Damashus. Saulus
en Jezus
als eerste aflevering kon verschijnen van zijn bij-
schriften bij de „reeks van prachtige Engelsche staalgravures" :\',
waarmede hij een poging waagde „tot eene zooveel mogelijk
aanschouwelijke voorstelling en van den man en van zijnen
tijd, maar waarvan „Gods weg met Paulus" meer dan eenige
andere de besturende en verbindende gedachte was" ". Buiten
1 Na het verschijnen der laatste aflevering van de Apostelen en )>ro-
feten
werden de afleveringen in een andere volgorde gebonden als ze
verschenen waren.
1 Advertentie in llaarlemsche Courant lü September 1851.
3 t.a.p. 7 Februari 1852.
* „Ik ging [in 1847] met een jongen vriend naar Heemstede om te
zien, of het zoo was, wat men verhaalde, dat aan de deur der pastorie
geschilderd of op eene koperen plaat uitgebeiteld stond: N. Veels, lier-
der!
Ongeloofelijke graad van antipathie tegen ieder die bezwaren tegen
den geest der eeuw had!" (A. Loosjes. Voor ruim een halve eeuw.
Haarl. 1897 blz. 152.)
5 Weekblad voor den Boekhandel 14 Februari 1852.
0 Paulus. Aan den lezer.
-ocr page 195-
182
BEETS, PAULUS.
1851.         Krusemans schuld had met de verzending van deze aflevering
eenige onregelmatigheid plaats en hij moest daar onaangenaain-
heden over hooien; hij hoopte echter te mogen vertrouwen, dat
zijne „doorgaande handelwijze [om aan (n)iemand eenig voor-
regt boven een concurrent te hebben toegekend] niemand reden
zal geven, om mij ook thans van onbilllijkheid of onregtvaav-
digheid te verdenken" \'.
De voortgang der uitgaaf moest echter telkens wachten
o]) het verschijnen van een aflevering in Engeland, zoodat de
Hollandsche afleveringen elkaar niet bijster vlug konden op-
volgen en het werk eerst in Maart 1S53 met de 10e afleve-
ring, Paulm en Home, compleet kwam, dat Beets opdroeg aan
de Synodale Commissie der Hervormde Kerk in Zuid-Afrika,
die in December 1852 een beroep op hem hadden uitgebracht
tot hoogleeraar aan een te stichten kweekschool voor Evangelie-
diennars. Elk der tien afleveringen bevatte „een tafereel uit
liet rijke leven des Apostels en was versierd met eene keurige
staalgravure, eene der menigvuldige plaatsen voorstellende,
welke in het Oosten en Westen door de geschiedenis van
Baulus, meer nog dan door eenige andere vermaardheid, en
ondanks alle verandering die zij sedert ondergaan hebben,
belangrijk zijn"
2 De prijs van ,/\'0,75 voor een aflevering
en van f 10 voor een gebonden exemplaar schrikte het pu-
bliek niet af om dit werk, „dat door smaakvolle en kostbare
uitvoering zijner waardig werd uitgegeven" :i, van den gevierden
schrijver der Stichtelijke uren te bezitten, en dat was dan ook
voor den uitgever een spoorslag om in 1855 naast deze roijaal
kwarto-editie een min kostbare uitgaaf zonder de platen in
octavo ter perse te leggen. Met deze uitgaaf, „die niet
enkel op het gebied van het schoone eene waardige plaats in-
neemt, maar daarbij een hooger en christelijk doel heeft" ",
1    Nieuwsblad voor den Bockl.awlel 27 Februari 1851.
"    Uit een prospectus verspreid na het verschijnen der vierde afleve-
ring  in 1852.
3     Weekblad voor den Boekhandel 24 Januari 1854.
4    Brief van Ter Haar 11 Maart 1851.
-ocr page 196-
183
BEETS, PAULUS.
had Kruseman zich opnieuw „den naam van letterlievend boek- issi.
handelaar waardig gemaakt" \', had hij weer getoond een blik
te hebben op den tijd; immers Kruseman\'s meening dat dit
prachtwerk bestemd zou zijn om een „sieraad der salons" te
worden 2, werd bewaarheid en weer zou opnieuw blijken, dat
critiek en publiek bijwijlen een gevoelen zouden hebben dat
lijnrecht tegenover elkaar staat \', want nadat Kruseman dit
artikel in 1857 verkocht had, verschenen er nog in 1858 een
derde en in 1865 een vierde titeluitgaaf, die in 1887 door
een vijfde door den schrijver herziene uitgaaf gevolgd werd.
Eu die opgang bleef tot Nederland alleen niet beperkt, daar
er in 1857 een Hoogduitsche en in 1858 een Deensche ver-
taling het licht zag. Het publiek bleek een stichtelijk werk
over den apostel Paulus buitengewoon op prijs te stellen en
van die gunstige stemming van het publiek werd in het einde
van 1851 gebruik gemaakt een portret van Beets door D. J.
Sluijter in staal gegraveerd naar een teekening van Einde in
den handel te brengen \', terwijl kort na het verschijnen van
de octavo-editie van de Paula» de Aurora voor J856 het licht
zag, welke eveneens gesierd was met een nieuw portret van
llildebrand.
De Aurora was, zooals reeds gezegd is, een onderneming,
die voortdurend zorg vereischte, van meet af. De eerste
jaargang, dien Kruseman zou uitgeven, bracht hem in het
begin van 1850 opnieuw in relatie met den afstammeling van
1    Brief van Bects 30 September 1851.
2    Advertentie in Haarlemsclie Courant 5 December 1853.
3    Zie de beoordeeling van H. de "Veer in Du Giils (1859. Dl. II
blz. 709), naar aanleiding van den derden druk in 1858 bij H. W. Weij-
tingh te Amsterdam verschenen.
* In het prospectus staat: „Dr. Nicolaas Beets is als Dichter, Kansel-
redenaar en Humorist te veel geacht, dan dat niet menigeen dit uit-
muntende portret zou wenschen te bezitten." — De staalplaat werd af-
gedrukt door J. P. Brugman. — Een herhaling van dit portret in
steendruk zonder naam van Ehnle komt voor in den jaargang 1852 van
het Album der schoone kunsten door Kruseman\'s stadgenoot J. J. van
Brederode uitgegeven.
-ocr page 197-
184 VAN DER POT, JULIANUS DE AFVALLIGE.
1851. den Loevesteinschen held Herman de Ruyter \', niet Ds. van der
Pot te Leiden, die daarvoor wilde afstaan zijn Julianus de Af-
vallige.
Toen echter Van den Bergh meende, dat het stuk wegens
zijn lengte voor dit jaarboekje ongeschikt was, werd dit voor
Kruseman aanleiding tot een afzonderlijke uitgave over te gaan.
Hij toch ging zwanger van een plan om jaarlijks een geïllus-
treerd dichtstuk te geven, en, terwijl Tollens tot medewerking
in beginsel bereid gevonden was 2, wenschte hij nu de reeks te
openen met dit dichtstuk van den Leidschen predikant. De
auteur, die nog al vrij wat met zijn werk ophad — de be-
sprekingen in de Vaderlandsehe letteroefeningen , en in
de Recensentk door Yan Groningen bevestigden zijn gevoe-
len — achtte het plan om de reeks met de Julianus te be-
ginnen Kruseman waardig en dacht dat het wel toejuiching
zou vinden bij het beschaafd publiek ". Hij ging vooraf met
het stuk uit „lezen", maar moest daarbij in 1851 onaangenaam
verrast worden door de tijding, dat ook Ds. A. P. van Groningen
van Ridderkerk een Julianus de Afvallige\'\' gedicht had en
besloten was dat in druk te doen verschijnen \'. Dat was na-
tuurlijk een spoorslag om spoed te maken met den druk.
Daarbij waren weer allerlei tegenspoeden, door vertragingen
in het ontvangen der houtgravuren en die vertraging had al
het onaangename gevolg voor den auteur, dat hij voor het
verschijnen van zijn dichtstuk kennis kreeg, dat reeds in
1849 de Palmbladen, van Ds. Vieholf\' verschenen was ",
1 J. Gr. R. Acquoy. Herman de Ruyter. \'s Hertogenb. 1870 blz. 3.
\' Brief van Tollens 5 Februari 1850.
3 1852. Dl. I blz. 449.
\' 1854. Dl. I blz. 254.
■ Brief van Van der Pot 1 Maart 1850.
De schildering van de vervolgingen van de Christenen door dezen
Romeinschen Keizer blijkt een aanlokkelijk onderwerp te wezen voor
dichters: uit latere jaren kan o. a. aangehaald worden een drama over
Juliaan de Afcalliije, dat Emants in 1874 bij De Graaff te Haarlem
het licht deed zien.
Zijn Julianus verscheen eerst later in de Aurora voor J854 blz. 60.
Vgl. hiervoor blz. 139.
" Een fragment De Joodsche tempelbouw onder Julianus den Afval-
ligen
is afgedrukt in den jaargang 1847 van den Muzenalmanak (blz. 196).
-ocr page 198-
VAN DER POT, JULIANUS DE AFVALLIGE.                 1S5
waarin een dichtstukje voorkwam, dat dezelfde gebeurtenis WM.
beliandelde, die het onderwerp van zijn tweeden zang uit-
maakte.
Kruseman echter, die met dit dichtstuk een inderdaad
voortreffelijk denkbeeld wilde ten uitvoer brengen, beijverde
zich alle krachten in te spannen een artistieke uitgave te
doen. Voor De gouden bruiloft had hij hulp moeten gaan
zoeken in Zuid-Nederland; zoude Noord-Xederland dan inder-
claad zoo arm blijken te zijn aan artistieke houtgraveurs, dat
een waarlijk nationale uitgaaf hier te lande alleen niet tot
stand gebracht zou kunnen worden? In de eerste plaats moest
een illustrator gevonden worden. Zijn neef C. Kruseman,
die met het gedicht kennis had gemaakt op een lezing
van Oefening kweekt kennis., raadde voor illustraties, be-
antwoordende aan de hooge, ernstige en godsdienstige waarde
van het gedicht, de stift van zijn vroegeren leerling A. II.
Bakker Korft\' te Gouda aan. Bij hem zou Kruseman echter
aan doove mans deuren kloppen; de weinige hulpbronnen in
Gouda beschikbaar, was een eerste reden voor die weigering,
maar het tweede punt was, „dat het onderwerp bij verschil-
lende composities paarden vereischt, eene studie waar ik mij
nimmer op toegelegd heb; hetwelk medebrengt, dat ik niin-
mer onderwerpen kies waar paarden bij de hoofdfiguren te pas
komen; zijn ze er slechts als accessoir bij dan laat ik ze door
een mijner vrienden, wiens fort paardenschilderen is, voor
mij teekenen.
„Het costuum hetwelk de tijd vereischt, waarin de hande-
ling van het gedicht voorvalt, is, dunkt mij niet zeer geschikt
voor eene illustratie. Het woord romeinsch is voor vele men-
schen al genoeg om een afkeer van het geheel te, Rijgen. En,
hoewel ik altijd veel heb op gehad met tunika\'s, toga\'s, euz.
enz. en ze heerlijk vind voor groote composities zoo kan ik
echter niet zeggen dat dit bij mij het geval is nu het in het
klein moet zijn en de onderwerpen dikwijls de dragt der krijgs-
lieden mede brengen. Dan zoude ik mij ook altijd een onder-
werp verkiezen waar een vrouw als hoofdpersoon in voorkomt,
dit toch geeft oneindig meer variatie en animo aan de com-
-ocr page 199-
186               VAN DKIl POT, JULIANUS DE AFVALLIGE.
1851. posities, tevens tegenstelling en verandering in de lijnen" \'.
Rochussen werd daarop aangezocht en, bereidvaardig als
altijd, leende hij zijn hulp en wist gemakkelijk in het gedicht
stof te vinden voor 20 vignetten, die door Best, Vermorcken
en Verveer2 in hout overgebracht werden; het werd met dat
al Maart 1852 eer het werk verscheen. En beantwoordde de
uitkomst aan de verwachting, zou deze uitgaaf, met de bijbe-
doeling ondernomen om verbetering in de houtgravuren te bren-
gen, door een tweede werk gevolgd worden? Van Zeggelen en
Van den Bergh bleken het maar al te zeer aan het rechte eind te
hebben, toen zij beweerden, dat de prijs f ;i,(S0 bet debiet in den
weg zou staan; de „kunstkeurige" Kruseman had een werk
in zijn fonds opgenomen, dat de een prees als een „juweeltje,
[waar] losheid van versificatie, zuiverheid van dicht, rijkdom
van denkbeelden, conceptie van \'t geheel bij zoovele schilder-
achtige details [om den voorrang streden] " :!, dat de ander laakte
als berijmd proza, waarin de oostersche gloed, zooals Da Cosla die
bezit ontbrak *; als handelsman deed hij geen voordcelige zaken;
de uitgever bleek een misrekening gedaan te hebben op de
kooplust van bet publiek voor een technisch fraai uitgevoerd
werk. Het Weekblad voor den Boekhandel meende voor dit
1 Brief van Bakker Korff 20 Mei 1851.
\' Terwijl Vermorcken en Verveer hun houtsneden voluit merkten,
teekend e Best WtrC, of Best, Hotelin et Cie.
In een advertentie van Kruseman in de Haarlemsche Courant van
den 6 November 1851, waarin hij de aanstaande verschijning van de
Julianitx aankondigde, noemt hij, naast bovengenoemde drie houtgraveurs
ook den naam van Leloir. Daar alle houtgravures in de Julianus ge-
merkt zijn, is er zekerheid, dat van dezen graveur geen werk in deze
uitgaaf voorkomt. AVellicht ook was hij de compagnon van Best, daar
gemelde advertentie spreekt van „Best et Leloir". In de Haarlemsche
Courant
van den 22 Maart 1852, waarin Kruseman het compleet ver-
schijnen adverteerde, wordt de naam van Leloir niet genoemd.
3 Brief van Tollens 22 Maart 1852. — Tot recht begrip van dit oor-
deel zij gezegd, dat Tollens in het nazien der proeven Van der Pot op
diens verzoek behulpzaam was geweest, en hem hier en daar verbetc-
ringen aan de hand had gedaan.
" De Tijd. Dl. XVI \'s-Gravenh. 1852 blz. 133.
-ocr page 200-
187
VAN DER ÏOT, JULIANUS DE AFVALLIGE.
werk een uitzondering te mogen maken toen het een aanprij-
ziufg er van gaf en vertrouwde, „dat ieder Boekhandelaar zich
beijveren zal, om het debiet daarvan te bevorderen, daardoor
openbarende dat hij prijs stelt op de verschijning van werken,
die den Nederlaudschen Boekhandel tot eere verstrekken en
onze nieuwe literatuur waardiglijk vertegenwoordigen. De Uit-
gever, die hiermede andermaal getoond heeft, en volgens zijn
uitgedrukt voornemen op de begeleidende factuur voor den
handel, ook verder toouen wil, dat hij niet schroomt alle stel-
sels te beproeven, die invloed kunnen hebben op het debiet
van dergelijke geschriften, op eigen grond ontloken of op
vreemden bodem geplukt, vinde in de ondersteuning der con-
frèrie de meeste voldoening en de beste aansporing" \'.
Die goed gemeende raad mocht echter niet de gehoorrtc uit-
werking hebben. De Julianus de Afvallige, of de strijd legen
hel Christendom. In drie zangen,
de eerstelinge van den dicli-
ter, afzonderlijk uitgegeven \'2, waarvan de uitgaaf in dezen vorm
uitgelokt was geworden door de opkomst der houtgravure-
drukkunst in België en Frankrijk en waarvan de uitvoering ont-
zaggelijk veel moeite gekost had, beloonde typografisch de
daaraan besteedde zorg, maar speculatief bleef zij de eerste
en eenige uitgaaf van de reeks Nieuwe Nederlandse/te geïl-
luslreerde dichtslnkken 3.
Evenals de Julianus had de Media-Noehe, die mevrouw
Bosboom bij Kruseman in 1S52 in liet licht gaf, zijn oor-
sprong aan de Aurora te danken. Het presentexemplaar van
de Aurora voor J85J, dat Kruseman aan juffrouw Toussaint
1 Weekblad voor den Boekhandel 27 Maart 1852.
„Aanvaard deze mijne eerstelinge op het gebied der poëzy, die
afzonderlijk onder de oogen van het publiek wordt gebragt, als een blijk
van kinderlijke liefde en dankbaarheid", schreef Van der Pot o. m. in
de opdracht aan zijne moeder.
"Waarschijnlijk lijkt het me, dat Kruseman eenige jaren later door
een nieuwe titeluitgaaf gepoogd heeft zijn onderneming nieuw leven
bij te zetten, althans liet Nieuwsblad voor den Boekhandel van den
5 Maart 1857 drukt den titel af onder de Jonysl verschenen boeken.
-ocr page 201-
188                 BOSBOOM-TOUSSAINT, MEDIA-NOCHE.
1851. toezond, bracht haar op liet denkbeeld, toen liet bleek dat het
schema, dat haar in het hoofd speelde, te omvangrijk was voor
den volgenden jaargang van dat jaarboekje, hiervan een roman
of novelle te bewerken, waarvan de stof ontleend zou zijn aan
den IVijmeegschen vredehandel en die in twee dunne deeltjes bij
Kruseman uit te geven \'. Dat plan lachtte Kruseman toe, maar
zoude het contract met Beijerinck over De vrouwen wit het
Lei] cesster se ke tijdvak
de uitvoering van dat plan niet in den
weg staan, te meer nog daar het Gedenkboek van de Inhuldi-
ging van Z. M. Willem, III
hetzelfde bezwaar opgeleverd had ?
Zoude Deijerinck er genoegen mee nemen, dat de schrijfster een
historischeu roman bij een anderen uitgever ter perse ging leggen,
terwijl haar arbeid hij hem begonnen, nog niet ten einde gebracht
was? De uitkomst leerde, dat hierin een modus viveudi gevon-
den werd; de Media-Noche. Een tafereel uit den Nijmeegschen
vredehandel. J678
verscheen in 1S52. Het werk bleek uit
een literarisch oogpunt verre beneden de andere geschriften van
onze eerste Nederlandsche romancière te staan; noch bij een
eerste, noch bij een tweede lezing kon het aan den beoordeelaar
in de Recensent\'1 voldoen. Was dat toe te schrijven aan den
zetter, die de schrijfster nauw achter de hielen gezeten had of
was het te wijten aan een geest van physieke lusteloosheid,
die der auteur tijdens het concipieeren van haar geschrift
overvallen was, of had het zijn oorzaak daarin, dat ge-
durende de wording van dezen roman juffrouw Toussaint hare
maatschappelijke positie had zien veranderen iu die van me-
vrouw Bosboom ?3 Hoe het zij, de leesgezelschappen gre-
pen met graagte naar dit nieuwe belletristische werk, zoodat
deu uitgever, die voor dezen roman van 43.^ vel druks/\'1700
honorarium betaald had, een klein winstje uit het debiet te
voorschijn kwam.
Zooals gezegd is zou de minder gunstige tinancieele uitslag
1    Brief van A. L. G. Toussaint 16 November 1850.
2    1853 Ie stuk blz. 689.
:\' Zij trad den 5 April 1851 te Alkmaar in het huwelijk.
-ocr page 202-
189
BTTITENLANDSCHE KLASSIEKEN.
van de Julianus de oorzaak zijn, dat dit werk het eerste en 1851.
het eenige deel zou blijven van die Nieuwe Nederlandsc/ie
geïllustreerde dichtstukken.
In 1851 was het debiet van dit
werk, dat eerst in 1852 verschijnen zou, natuurlijk bij
verre na niet te bepalen, en het kon daarom ook geen
reden zijn om over de uitgave van een andere dergelijke reeks
geschriften, eenig peil te trekken; de Nieuwe vertaling eau
schrijvers van het Buitenland
zoude echter blijken ook te
zullen behooren tot die ondernemingen, waarvan de ontvang-
sten de uitgaven lang niet zouden dekken. Toch was het plan
zelve geenszins verwerpelijk om betere bewerkingen van mees-
terstukken aan de markt te brengen dan de slechte vertalin-
gen, die daarvan in omloop waren en achtereenvolgens een
reeks van nieuwe, zuivere onverminkte Nederlandsche overzet-
tingen van de klassieken der nieuwere en der oudere literatuur
ter perse te leggen. Het prospectus, overgenomen in De Tijd \'
leert dat het plan gevormd werd op de overwegingen, „dat
liet al meer en meer behoefte wordt voor ieder, die op eenige
kennis en beschaving aanspraak wil maken, met de buiten-
landsche kunstschatten op \'t gebied der letteren bekend te zijn;
dat het niet ieders zaak is, om een. schrijver in de oorspron-
kelijke taal te lezen, goed te verslaan, en in al zijne verdien-
sten te waardeeren; dat er van velen dier meesterstukken geene,
of dikwijls slechts zeer gebrekkige overzettingen bestaan, en
anderen verouderd of uit den handel zijn; dat er in de voor-
naamste landen van Europa eene dergelijke reeks van vertalin-
gen, met de meest Tiaauwlettende zorg bijeengebragt, en door
het publiek naar waarde geschat, bestaat; dat, eindelijk, ook
Nederland hierin niet achter mag blijven en er prijs op zal
stellen, tegen geringe geldelijke opoffering zich in het bezit te
stellen van die werken van hooge waarde, die de proef van
den tijd hebben doorgestaan en tot modellen zijn geijkt." De
uitgave zou geschieden bij maandelijksche afleveringen van 9(5
bladzijden in duodecimo tegen f 0.60; bovendien zou elk werk
1 Dl. XV \'s-Gravenh. 1852 blz. 269. — Evenzoo in de Haarlem-
sclie Courant
van den 23 Maart 1852.
-ocr page 203-
190
BtTITENLANDSCHE KLASSIEKEN.
185-1- afzonderlijk te verkrijgen zijn. Niet minder door .liefde voor
het degelijke van zijn handel dan door hoop op eenig voor-
deel aanges])oord, begon Kruseman, zoo hij uitstek ontvanke-
lijk voor literatuur, die serie met groote voorliefde, die op een
ietwat ander terrein toch hetzelfde beoogde als de Etagère
editie
van Fuhri en liet Letterkundig Pantheon, dat Roelants het
volgend jaar 1852 zou beginnen; alles zoude hij in het werk
stellen om, zooals de Tijdspiegel \' het sarcastisch uitdrukte,
„het publiek — dat zevenhoofdig monsterdier — te bevredi-
gen met Haarlemsche honigkoeken" en het zou niet dan na
herhaald en hernieu\\vd pogen en tegenstribbelen zijn, dat de
letterkundige het onderspit zou delven voor den handelsman,
toen het bleek, dat hij zich vergist had in het te verwachten
debiet. Kruseman zelf geeft ons in zijn Bumvsfoffen 2 een over-
zicht van den gang dezer onderneming, hoe er in 1S57 00
iuteekenareu en twee jaar later in 1859, d. w. z. toen de uit-
gave reeds 7 jaar duurde en er reeds 40 afleveringen het licht
gezien hadden, niet meer dan 77 inteekenaren waren, hoe op de
fondsveiling van 1S57, toen de reeks uit S afgedrukte werken
bestond 3, evenmin als op de fonds veiling van 1862, toen de
geheele serie het getal van 13503 exemplaren of 18740 deelen
opleverde, zich tegen een voegzamen prijs geen kooper opdeed,
hoe het publiek, in weerwil van het ijverigste pogen zich
bitter weinig aan de onderneming gelegen liet leggen.
*
            Tien jaar lang bleef Kruseman zelf de exploitatie beharti-
gen. De nieuwe inteekening, welke, hij in 1857 en 1858 open-
stelde op de reeds verschenen deeltjes, thans tegen maande-
lijksche afleveringen van 5 vel h f 0.60, in plaats van 4 vel,
had bijkans geen resultaat gehad. In het prospectus schreef
1    1854. Dl. I blz. 267. — Vgl. hiermede Van den Bergh\'s aardige
vergelijking in een brief van den 24 Februari 1850: „Een uitgever is
gelijk aan den Nijl, die uit zijne oevers treedt om zijne boorden vrucht-
baar te maken en zelf later daarvan de vruchten tot zich te doen we-
derkeeren."
2    Dl. I blz. 421.
3    Onder die 8 deelen de Don Quichote (compleet in 4 deelen) slechts
met de beide eerste deelen.
-ocr page 204-
BUITENLANDSCHE KLASSIEKEN.                      191
liij: „De uitgever beveelt deze nieuwe inschrijviug aller be- 18M-
langstelling met eenig vertrouwen aan. Hij lioopt voor zich
zelv\', door nieuwen bijval aangemoedigd te worden, om zijne
zorgvolle onderneming ter overbrenging van klassieke auteurs
in onze taal krachtig te kunnen voortzetten, en tevens ieder
in de gelegenheid te stellen, tegen eene geringe geldelijke
opoffering zich in het bezit te stellen van die werken van hooge
waarde, die de proef van den tijd hebben doorgestaan en als
modellen zijn geijkt". In het Nieuwsblad \' maakte hij deze
nieuwe titeluitgaaf bekend; Potgieter besprak ze in De Gids -;
het baatte niet, het publiek wilde er niet aan.
In 1864 gaf hij het beheer der serie met nog eenige andere
uitgaven, die daar gevoegelijk toegerekend konden worden ",
over aan K. H. Schadd en aan zijn vroegeren bediende G. L.
Funke, die zich in 1868 te Amsterdam als boekhandelaar had
gevestigd. Eunke haalde er voor hem nog een paar duizend
gulden uit en nam met Schadd den 0 Maart 1807 het res-
tant voor ƒ3500 over.
Een jaar later behartigde Funke alleen de serie \'. Sedert mc-
dio 1868 bracht deze in afleveringen een nieuwe titel-uitgaaf in
de wereld als De meesterstukken der buiteulandsche letterkunde,
verklaard en opgehelderd door
Dr. I. C. van Deventer, Dr. II.
Kern, J. J. L. ten Kate, A. S. Kok, Dr. M. P. Lindo en
J. W. N. Mosselinans ;\' en De groote meesters der oudheid in
het Nederlandsch overgebracht en opgehelderd door
I. C. van
Deventer, J. van \'s Gravenweert, A. J. ten Brink en S. J. E. I.lau".
\' 30 April 1857 en 25 Maart 1858.
\' 1857. Dl. II blz. 819.
Nieuwsblad voor dun Boekhandel 21 April 1864.
" Nieuwsblad voor den Boekhandel 23 Juli 1868. — De correspon-
dentie over een en ander als ook de financieele regeling met Kruseman
werd alleen gevoerd door Funke; vandaar dat Kruseman in zijn aan-
teekeningen schreef, dat de serie overging aan Funke, zonder den naam
van Schadd te noemen.
5 Nieuwsblad voor den Boekhandel 8 October 1868.
" „Onder bovengenoemden titel worden uitgegeven eenige werken uit
de serie „Buiteulandsche klassieken", vroeger verschenen bij A. C.
Kruseman." (Nieuwsblad voor den Boekhandel 30 September 1869.)
-ocr page 205-
192                      BUITENI.ANDSCHE KLASSIEKEN.
1851. De volgorde door hem gekozen, waarlijk geen onderge-
sclrikt punt, was, Dante\'s JJivina commedia door A. S. Kok,
Tasso\'s Jeruzalem verlost door 3. J. L. ten Kate, Tesriiers\'s
Ftibhiof» naga van wijlen P. L. F. C. von Eichstorfl\' door
J. J. L. ten Kate, Wieland\'s Geschiedenis van de Abderiten
door
Dr. I. C. van Deventer, Goethe\'s Egmond door J. A. van
Eeden, Swift\'s Reizen van Lemuel Gnlliver door J. W. N.
Mosselmans, De Lamartine\'s Jocelijn door L. de Visser.
Alles en alles bij elkaar had deze onderneming/\' 27192 gekost.
Het is niet zoo heel gemakkelijk een reden te vinden, waarom
de serie der Buitenlandsehe klassieken zoo bitter slecht slaagde.
Aan de zorg daaraan besteed was dat zeker niet te wijten,
evenmin aan het uiterlijk. Kruseman toch koos een formaat,
dat slechts ietwat grooter was dan dat van zijn Aurora, al
moet aan den anderen kant toegegeven worden, dat de Aurora
zoowel wat zetsel als papier betreft, een behagelijker indruk
maakt. In October 1845 had Fuhri eeu Boekhandelaars-berigt
verspreid, waarin hij onder meer zeide:
Sedert geruimen tijd is er eene klagt aangeheven over
de duurte onzer Nederlandsche boeken, berjaaldelijk onzer
romans. Men beweerde dat liet buitenland goedkooper prijs
met bevalliger uiterlijk wist te vereenigen, en meende dat
een verminderde prijs ruimschoots zou opgewogen wor-
deu door zooveel aanzienlijker debiet. Schoon de onderg.
die beschouwing niet geheel en al deelen kan, vooral niet
kan toegeven, dat de boeken in den vreemde zooveel goed-
kooper zijn dan bij ons, wanneer men bepaaldelijk op de
oorspronkelijke uitgaven (niet op den nadruk) let, heeft
hij evenwel willen beproeven, in hoeverre eeu goedkoope
prijs en een bevallig formaat invloed op het debiet zouden
uitoefenen. Op dat oogenblik dat vele goedkoope leesiu-
rigtingen,
de leesbibliotheken en vooral de particuliere lees-
gezelschappen
veel nadeel toebrengen, zullen deze goedkoo-
pere uitgaven aan laatstgenoemden misschien zeer welkom
zijn, en eene geldelijke bezuiniging daarstellen. . . .
Het is den onderget. niet onbekend, dat reeds vele
-ocr page 206-
193
BUITENLANDSCHE KLASSIEKEN.
pogingen in dien geest mislukt zijn, en dat het groot octavo
formaat zijne regten telkens heeft weten te handhaven,
docli dit heeft hem niet kunnen afschrikken om het nog-
maals te beproeven met vermijding van datgene, waarover
dergelijke ondernemingen vroeger struikelden.
Te oordeelen naar hetgeen Kruseman in zijn Bouwstoffen \'
laat doorschemeren, had dit pogen van Fuhri succes -. En al
kon nu ook een plan als hij zelf beoogde met het uitgeven
van klassieken niet gelijk gesteld worden met Puhri\'s romans,
het mocht daarom nog geen reden wezen Euhri\'s serie tot op
zekere hoogte niet tot voorbeeld te nemen, Ik geloof daarom te
kunnen zeggen, dat ondanks het formaat de Buitenlandsche
klassieken
hun weg niet vonden.
Veeleer geloof ik de reden van het mislukken te kunnen
vinden in de wijze van uitgaaf in verband met het onderwerp.
Het publiek was destijds gesteld op poëzie, maar het proza,
wanneer het geen romans waren, was niet gewild. Zij, die
er werkelijk belang in stelden, hadden geen vertalingen, uit-
gegeven zonder commentaren, noodig, en het groote publiek
schrikte blijkbaar een uitgaaf bij afleveringen of bij deeltjes af,
die, zooals dus verwacht kon worden, vaii langen duur zon
zijn. Een en ander te zamen, van huis uit geen belangstelling
en een wijze van uitgaaf die wellicht niet geschikt was die
belangstelling op te wekken, maakte de Buitenlandsche klas-
gieken
tot een aanmerkelijken schadepost voor den ondernemer.
Het lag voor de hand dat toen Kruseman zijn voorberei-
dende maatregelen begon te nemen voor deze grootsch gedachte
uitgave, hij bij verschillende personen zijn licht eens zou gaan
opsteken en zoo ook in aanraking zou komen met Mark Prager
Lindo te Arnhem. In een uitvoerig schrijven zette Lindo zijn
meening uiteen, dat goede vertalingen van klassieke schrijvers,
1 Dl. I blz. 473.
\' In dit formaat verscheen o. a. bij Fuhri: Heniïette Maria L[an-
gelaan| Coquetterie (1846); Sue Lalréaumont (1846); Bfienennpier/el
van Punch
(1846) en juffr. Toussaint Mejonkvrouwe de Mauléon (1847).
18
-ocr page 207-
194
OERVANTES, DOX QÜICHOTE.
1851. mits zorgvuldig bewerkt en goedkoop verkrijgbaar gesteld, bun
weg wel zouden vinden; in de eerste plaats zouden daartoe
de. oudere Engelsche schrijvers in aanmerking komen \' en hij
stelde voor, dat, terwijl aan Da Costa de zorg voor de dich-
ters overgelaten werd, bij zich zou kunnen belasten met me-
dewerkers te vinden onder zijn vrienden voor bet proza. Had
tot nu toe Kruseman zich bijkans uitsluitend bewogen onder
literatoren, die behoorden tot den kring van het Haagscbe
Oefening kweekt kennis, thans kwamen door Lindo\'s toedoen
hem ook andere namen onder oogen: Dr. P. J. Costerus, rector
te Sneek, Ds. .1. F. C. Kronenberg, Fransch predikant te Arnhem \'-,
Mr. D. J. Scherer, griffier van de rechtbank te Almelo, Mr.
1). .1. van Stegeren, conrector te Arnhem en Mr. C. L. Schuller tot
Peursum te Utrecht. Deze laatste, die in 1S42 reeds van zich
bad doen hooren door een Voorlezing over Don Quichotte, was de
aangewezen man om dit Spaansche meesterstuk te verdietscben.
Voorloopig lokte een Cervantes, naar het schijnt, niet al te
zeer aan; maar hoewel Scott en Sterne de schrijvers zouden zijn, die
deze reeks zouden openen, maakte Kruseman toch gaarne gebruik
van Lindo\'s bemiddeling om Schuller tot dit plan te winnen.
Veel verwondering kon het niet baren, dat Schuller, in
weerwil van zijn voorliefde voor dit Spaansche meesterstuk,
betrekkelijk weinig voelde voor het bewerken van een vertaling.
Want hoeveel bestonden er niet in andere talen! Van 1605
tot 1S57 verschenen er niet minder dan 400 Spaansche uit-
gaven, naast 1GS Fransche, 200 Engelsche, 80 Portugeesche,
90 [taliaanscbe, 70 Duitsche, 4 Russische, 4 Grieksche, S Pool-
sehe, ö Deensche, 13 Zweedsche, 1 Latijnscbe, en tot op 1S54
(5 Nederlandsche vertalingen \\ Die breede reeks met nog een
1 „Geloof niet, dat ik zulks zeg, omdat ik als Engelschman bevoor-
oordeeld ben, maar ik verbeeld mij dat de. klassieke Engelsche schrij-
vers, vooral de ouderen, slechts weinig gekend zijn onder het Hollandsch
publiek." (Brief van Lindo 5 April 1851).
\'\' Later schreef hij onder het pseudouiem Jan Oly in Lindo\'s De
Nederlandsche Spectator (Hulletin dos Eylises wallonnes. Tomé
Vil
pag. 203.)
\' Mededeeling in het Nieuwsblad voor den Boekhandel 18 April 1867.
De Nederlandsche uitgaven zijn van 1G57, 16G9, 1699, 1707, 1732 en
-ocr page 208-
OERVANTES, DON QUTOHOTK.                             195
vertolking te vermeerderen, was niet uitlokkend, maar toch zou 1852.
Schuller zich laten overhalen.
Het Weekblad voor den Boekhandel van den 27 Maart 1852
gaf te lezen, dat Don Qnichofe ter perse was; eerst einde
1854 zou de eerste aflevering verschijnen. De eerste af-
deeling zou geen grooter debiet kunnen halen dan 45 exem-
plaren. „Welk eene onverschilligheid liet publiek verlamt —
ik weet het niet, schreef Kruseman den 1 Maart 1855 aan Schul-
ler, maar van al mijn ongelukkige klassieken draagt de. arme
IK Q. het ongelukkigst lot. . . . Onder uw goedvinden, waar
ik niet aan twijfel, zal ik dus de kopy van het tweede gc-
deelte. . . bewaren tot — tot ik moed heb voor de uitgave."
Langzaam, uiterst langzaam ging het ter perse leggen van het
vervolg daarom voort en het zou tot üctober 1859 duren
eer dit werk compleet was \'.
Ik zeidc dat Scott en Sterne de serie zouden openen: Scott\'s
Lvanhoe. Uit het Kngelsch vertaald. Nieuwe uitgave. Herzien
//oor M. P. lAndo
2, was de allereerste aflevering van deze
serie, waarmede het publiek in Maart 1852 :i kennis kon ma-
ken; hij opende de ouderafdeeling proza en zou aanleiding
worden tot het ontwerpen van een geheel nieuwe ouderafdeeling
der Buitenlandse/te klassieken, zooals straks zal blijken.
Het lag toen in Krusemau\'s bedoeling daarop te laten vol-
gen vertalingen van The vicar of Wakejield van Goldsmith, Le
mieprigioni
van Silvio Pellico, de Prosa Werke van.Claudius en
de Gerusalemme liberata van Tasso *. In weerwil van de slechte
18111. Volgens een bericht in het Zeitschrifl für Bücherfreunde (Leipz.
April 1897 S. 63) zijn er niet meer dan 40\'.) edities.
1 Een tweede druk die in 1879 compleet kwam, evenals de eerste
van 1000 ex., bezorgde D. Noothoven van Goor. Op diens fondsveiling
(12 December 1881) ging de uitgaaf over aan Scheltema & Holkema.
*    De eerste Hollandsche druk verscheen in 1824 bij W. van Boekeren
te Groningen in een vertaling van W. L. H. Koster Henke (2" dr.
aldaar 1833). — In 1872 verscheen Lindo\'s vertaling opnieuw bij S. C.
van Doesburgh te Leiden en Joh. Ykema te Delft met een opstel: Hel
eeuwgetijde van Sir Waller Scott, enz. door
Dr. N. Beets.
3 Advertentie in Haarlemse/te Courant 23 Maart 1852.
*    Advertentie Nieuwsblad noor den Uoek/iandel 27 Mei 1852.
13*
-ocr page 209-
196
TASSO, JERUZALEM VERLOST.
1852. ontvangst van de serie zouden ze, behalve de Prigioni alle ver-
schijnen, terwijl van Claudius alleen De Wandsbeeher Bode {Proza),
door I. C. van Deventer vertaald in 1853 en 1854 het licht zag.
Geen van die uitgaven zijn als zoodanig echter veel beteckenend,
behoudens één: Tasso\'s Jeruzalem, verlost, het eerste poëtische
werk in de serie, dat meesterlijk door Ten Kate vertolkt zou wor-
den en welke door die vertaling weer een nieuw bewijs zou leve-
ren van zijne heerschappij over zijne taal en poëtischen vorm \'.
In Mei 1851 gewerd Ten Kate het verzoek de geheele
Germalemme metrisch te vertalen. Dat die groote maar pok
grootsche arbeid velerlei moeielijkheid met zich zou medehren-
gen, ontveinsde de dichter zich geenszins. „Waarlijk om Tasso
weer te geven zoo \'t hoort, moet men wonderen doen met ons
stugge Xoordsch, dat, zoo ik meen, op een paar uitzonderingen
na, nog geheel vreemd is aan de harmonie der rima o/Java,
die hier behouden dient. Intusschen, juist daarom zou ik er
mijn kracht aan willen beproeven, indien ik anders niet geheel
ten onrechte een vaardig versificateur — tot walgens toe —:
geprezen ben" 2. Ten Kate ging aan het werk en zou een
meersterstuk leveren, dat zelfs door een Italiaansch geleerde
geprezen zou worden *, maar moest al spoedig hooren, dat zijn
arbeid Kruseman als speculatie niet zeer voordeelig was; de
vertaling vorderde veel te langzaam om de animo van het publiek
warm te houden, aangenomen, dat er zich in den beginne bij
de verschijning van de eerste aflevering (blz. 1—90, met voor-
werk) in October 1852 eenige animo vertoonde. Althans Ten
Kate meende zich te moeten verantwoorden jegens het publiek
en liet op de binnenzijde van het omslag der tweede afleve-
ring (blz. 97—192), verschenen in Juni 1853 1 drukken de
volgende mededeeling:
\' De Gids 1852 Dl. II blz. 63G.
*    Brief van Ten Kate 10 Mei 1851.
*    Ten Brink. Geschiedenis der Nederlandsche letteren in de XfJfe
eeuw. Amst. 1888 Dl. II blz. 28.
\' Die tweede aflevering wordt vermeld onder het hoofd Uitgekomen
Boekwerken in Nederland
28 Mei—2 Jurtij in het Weekblad voor den
Boekliandel
van den 4 Juni 1853; op het omslag van de aflevering staat
.
-ocr page 210-
197
TASSO, JERUZALEM VERLOST.
Tassooi Overzetter aan zijne Lezers.
Er zijn mij betrekkelijk mijnen Tasso uit verschillende
oorden des Vaderlands brieven toegezonden, zoowel naam-
loze als gcteekende, de laatste vaak versierd met een
naaincijfer, dat met eere geschreven staat in de Jaarboe-
ken onzer Letterkunde.
Die brieven behelsden velerlei lot\' en aanmoediging,
meer misschien dan ik ten dezen verdiend of noodig heb;
maar die mij in allen gevalle, als blijken van sympathie
en goedkeuring op mijn pogen, bijzonder aangenaam waren.
Intusschen ontbrak toch ook liet. dropjen citroenzuur
in den honig niet. Men verweet mij — soms op ietwat
minder bescheiden toon dan waarop men, mijn inziens,
wel recht had — „dat mijne uitgave niet met meerderen
spoed werd voortgezet."
liet is tegen dat onbillijk verwijt, dat ik op een hoekjen
van dezen omslag in alle vriendelijkheid profest wil aan-
teekenen.
Vooreerst wil ik erkend hebben, dat een Arbeid die
zooveel studie en inspanning eischt als eene reproductie
van het verlost Jeruzalem, welke het ïtaliaansche
Meesterstuk niet al te zeer tot schande strekt, een werk
is, dat niet wel gelijk is te stellen met het overzetten b.v.
van een roman van Sue of Dumas, die, bij inschrijving
aanbesteed, binnen weinige dagen kant en klaar de Ver-
taalfabriek verlaat.
Ten tweeden gelieve men in \'t oog te houden, dat deze
Arbeid, te midden van mijne veelvuldige ambtsbezigheden,
geen aanspraak heeft dan op de enkele vrije oogenblik-
ken die ik ter mijner beschikking mag houden: oogeu-
blikken, meer dan ééns aan de ruste des slaaps ontwoekerd.
En eindelijk heriiinere men zich, dat ik nimmer be-
gedrukt: J832. Een nauwkeurige vergelijking van de omslagen der ver-
schillende afleveringen laat echter zien, dat de omslagen dier eerste
twee afleveringen van hetzelfde zetsel getrokken zijn.
-ocr page 211-
198
TASSO, JERUZALEM VERLOST.
1852.                 loofd heb — gelijk ik dan ook bij geene mogelijkheid
doen kón — binnen eenen aangewezen\' tijd mijne Zangen
in \'t licht te zullen zenden, maar, integendeel, van ston-
deu af op den omslag de kennisgeving heb doen drukken,
dat de Afleveringen op onbepaalde tijden elkander zouden
volgen, zoo spoedig de zorgen, aan eene goede bewerking
te besteden, dit zouden toelaten \'.
Deze laatste verzekering herhaal ik gaarne bij dezen.
Ik voeg er bij, dat ik hoop in den loop des aanstaanden
zomers eene derde Aflevering te zullen doen volgen, waarin
het reuzenwerk tot over de helft gebracht wordt.
En hiermede, mijnen Lezereu heil!
Middelburg,                                   J. J. L. ten Katu.
21 April 1853.
Niettemin bleek het opnieuw na het verzenden van deze
tweede aflevering, dat de onderneming financieel niet beloofde
te zullen slagen, en Ten Kate gaf om die reden aan zijn uit-
gever te kennen dat, zoo hij met het eerste deel - wilde eindi-
gen, het hein goed zou zijn: maar daar wilde Kruseman „de
wakkere, smaakvolle uitgever, die zoo wel te waardeeren weet
wat hij zijnen pers heeft toevertrouwd" :!, niet van hooren, zoo-
dat de uitgave voortgezet zou worden en in 1S50 compleet
kwam met de zesde aflevering, gesierd met de portretten van
Tasso en van Ten Kate 4.
1    Op de laatste bladzijde van het omslag der eerste tot vijfde afle-
vering staat: „De uitgave van Tasso, Jeruzalem Verlost, door J. J. L.
ten Kate, zal kompleet zijn in ongeveer Zes Afleveringen, gelijk aan de
tegenwoordige, welke afleveringen op onbepaalden tijd, zoo spoedig de
zorgen aan de vertaling te besteden het toelaten, verschijnen zullen."
2    De derde en laatste aflevering van dit deel verscheen in het einde
van 1853 of begin van 1851.
3    Brief van Ten Kate 24 November 1853.
\' Bij geen der andere werken der Buitenlandsche klassieken werd
het portret van den vertaler gevoegd, wel een bewijs hoezeer Kruse-
man met deze vertolking, en dat terecht, ingenomen was.
-ocr page 212-
TASSO, JERUZALEM VERLOST.                             ] 99
Het was een zware taak geweest, die Ten Kate voltooid i«52.
had. Al was het debiet dan ook in het eerst alles behalve
schitterend en herstelde zich dat eerst in verloop van tijd \',
toen door de Kompleete dichtwerken door Sijthoff in 1861 en
1862 uitgegeven meer aandacht aan dien dichter geschonken
werd, het schrikte Kruseman niet af om te trachten hem ook over
te halen Milton\'s Paradise lost te bewerken. Ten Kate had er
eerst wel ooren naar, want het behandelde onderwerp was hem
sympathiek; in 1846 toch had hij reeds een vrij uitvoerig
gedicht onder den titel Het verloren Paradijs doen verschijnen
in zijn Let/enden en meiiyelpoezij. In weerwil van die aanvan-
kelijke geneigdheid deed hij liet ten slotte niet. „Het plan om
ook Het verloren Paradijs geheel over te zetten, heb ik voor
goed opgegegeven, schreef hij den 8 Februari 1>>59. Al wat ik er
van en portefeuille heb, plaats ik in de Engelsche muzen van
Van der Made te Amsterdam, en daarna is die zaak „opge-
„mimd". De inspanning aan de Tasso besteed gedurende zóó
veel tijd, heugt mij nog te levendig, om mij zoo licht tot een
nieuwe reuzentaak op dat gebied weer aan te gorden — te
meer, daar ik juist niet zeggen kan, dat men zich beijverd
heeft, mij die door hartelijke sympathie te doen vergeten.
Beets noemt mijn Tasso een „onvolprezen en toch zoo weinig
„geprezen boek"; ik ontmoette liefhebbers van poezy, die mij
met een soort van uaïve onbescheidenheid ronduit bekenden,
dat zij „geen moed" hadden om zich aan dit „lijvig gedicht"
te wagen. En nu is Tasso hier en daar nog lieflijk en vol
romantische aantreklijkheid: wat zou men van den ernstigen
Brit met zijn Engelen en Duivelen tegenover slechts twee
menschelijke natuurgeesten en zijn zwaargelaarsde alexandrijnen
zeggen? Geloof mij, waarde Vriend, gij zoudt er geen vijftig
exemplaren van verkoopeu" \'-.
1 De oplaag was 1500 exemplaren, waarvan er in 15 jaar 902 geplaatst
werden. In 18(54 vroeg Thijm of Kruseman geneigd zou zijn het boek
door prijsvermindering onder het bereik van liet roomsche publiek te
brengen. (Brief van Alberdingk Thijm 18 Juli 1864.)
1 Later in 1875 verseheen niettemin Ten Kate\'s vertaling van Mil-
ton bij Sijthoff te Leiden.
-ocr page 213-
200                            TASSO, JERUZALEM VERLOST.
1852.             Tasso\'s Jeruzalem, was dan geen gelukkige greep geweest;
in weerwil dat de jnijs van 60 cents voor een allevering „van
96 kompres gezette, pagina\'s, den inhoud bevattende van 150
gewoon gr. 8°. bladzijden" hoegenaamd geen beletsel voor een
flink debiet kou wezen. Toch was deze uitgaaf de aanleiding,
dat Tasso\'s meesterwerk meer bekend zou worden bier te lande.
Ook tengevolge van het exploiteeren der serie van de Buiten-
landsche klassieken,
dat Fnnke een 15 jaar later zou doen \',
komt het mij voor dat liet Jeruzalem verlost tot op zekere
hoogte zelfs populair werd. Die gevolgtrekking kan althans
gemaakt worden, wanneer ik in het Nieuwsblad van den 11
November 1S09 lees, dat J. van Egmond Jr. te Arnhem o. a.
zal verzenden
Torquato Tasso\'s Jeruzalem eerlost in een verhaal ge-
bragt. Naar het lloogduitsch. Met 4 Cbromolithographiën.
In linnen steinpelband.
Dit is een boekje voor Jongens en Meisjes van 14 jaar
en daarboven. Het Verlost Jeruzalem, van Tonj. Tasso is
overbekend; nu het voor jongelieden in proza bewerkt is,
zal het zeker de attentie niet ontgaan: de plaatjes zijn
onberispelijk en het bandje elegant.
Evenmin zou de toekomst leeren dat Tristram Shandy veel
winsten zou afwerpen, zoolang de ontwerper van de Bibliotheek
van Buitenlandsche klassieken
de exploitatie zelf meende te
moeten voeren en geen prijsvermindering kon toestaan.
Lindo had op zich genomen dit bekende werk van Sterne
in het Nederlandsch over te brengen; dat werk ging hem
echter niet vlot van de hand, daar er in de oorspronkelijke
1 In November 1869 verscheen bij hem een derde druk van de Tasso
met het jaartal 1870. (Nieuwsblad voor den Boekhandel 11 November
1869). Ik vermoed dat het slechts een nieuwe titeluitgaaf was. Even-
eens verkocht Sijthoff de Jeruzalem verlost afzonderlijk uit Ten Kate\'s
Kompleete dichtwerken, hetgeen eenige moeielijkheden veroorzaakte tus-
schen Funke en Sijthoff. (Verslag van hel Bestuur der Vereeniging
over J87J—J872
blz. 3.)
-ocr page 214-
DE WERKEN VAN WALTER SCO\'IT.                        201
taal passages voorkwamen, die zelfs voor hein als Bngelsch-
man schier onverstaanbaar waren \', terwijl de lange /innen
de lezing in het handschrift ook niet vergemakkelijkten. De
hulp werd daarom door hem ingeroepen van Ds. Kronen-
berg, die hem behulpzaam was in het nazien der proeven,
hetgeen Kruseman op vrij wat extra correctie te staan kwam.
Toch zou de vertaling geen zuiver Nederlandsch te lezen
geven; hoeveel moeite de vertaler zich daarvoor ook zou geven,
„kijkt toch tusscheu beide mij leelijk „de aap uit den mouw",
d. i. de Engelschman onder mijn hollandsch kostuum" 2.
Ook van dit werk zou het resultaat allerbedroevendst zijn,
zooals zou blijken. In het einde van het jaar 1S52 was Kru-
seman echter nog vol goeden moed, nog aan het begin der
onderneming staande en het gaf hem aanleiding in üctober :l
van dat jaar te verspreiden liet volgende
Berigt van uitgave.
Sinds de ondergeteekende in zijn nieuwe vertaling
van de Klassieke Schrijvers van het Buitenland ook
opnam de ivanhoe van Walter Scott is van ver-
schillende zijde de wensch tot hein gebragt: dat hij
toch ook eens een nieuwe, verbeterde en goedkoope
vertaling mogt geven van de overige meesterwerken van
den „Grooten Onbekende". — Immers, de Romans van
W. Scott zijn geene boeken van den dag; zij houden
hunne waarde, hoe de navolging ook tracht ze te ver-
dringen, en wie aanspraak wil maken op eenige letterkun-
digc belezenheid, mag niet onbekend zijn met een schrij-
ver, wiens werken in alle talen bij duizende exemplaren
over de geheele beschaafde wereld verspreid zijn.
1 Brief van Lindo 16 September \'1851.
* Brief van Lindo 25 Februari 1853.
3 De serie op deze „nieuw vertaalde zeer goedkoope uitgave" van
Walter Scott werd het eerst geadverteerd in de Haarlemsche Courant
van den 5 October 1852.
-ocr page 215-
20i>
DB WEKKEN VAN WALTER SCOTT.
Eene onderneming van dezen omvang mag niet roekeloos
worden begonnen. De Uitgever, die het zich eene eer zou
achten, in ons land eene goede, zuivere vertaling van
W. Scott het licht te doen zien, wil daaraan het zijne
doen door de stiptste zorg voor de twee eischen van onzen
tijd: degelijkheid en minkostbaarheid. Van de belang-
stelling des publieks, wacht hij de aanmoediging of ver-
werping van zijn voornemen.
Hij verwacht alzoo eene intcekening te openen op eene
reeks van de volgende Tien Werken van
WALTER SCOTT.
IK52.
DE BRUID VAN\' LAMMERMOOR,
DE VERLOOFDE,
DE TALISMAN,
KENILWORTH,
WOODSTOCK,
IVANHOE,
WAVERLEY,
DE OÜDHEIDSKENNEB,
HET HAKT VAN MIÜLOTHIAN,
QUENTIN DUKWARD,
welke alle zullen uitgegeven worden geheel op de wijze
als het heden bij alle soliede Boekhandelaren te ver-
krijgen Eerste Deel van ivamioe, waaruit men kan
oordeelen over de vertaling en de naauwkeurigheid, duide-
lijkheid en kompresheid van den druk. Omtrent deze laatste
zij aangemerkt, dat zulk een deeltje den tekst bevat vau
450 gewoon groot 8°. bladzijden, zoodat een roman van
W. Scott, die in de vroegere uitgave veelal drie zware
Hollandsche deelen besloeg en ongeveer /\' 9,— kostte, thans,
geheel kompleet en onverminkt, zal uitgegeven worden in
twee dergelijke deeltjes als de i van hoe, van ongeveer
ƒ1,20 of ƒ 1,50 elk.
J3ij genoegzame deelneming zal de uitgave plaats heb-
ben in jiaandelijksche deeltjes, en de geheele reeks van
tien Werken kompleet zijn in omstreeks anderhalf jaar.
De deeltjes, waarvan liet eene iets groofer of kleiner
moet wezen dan het andere, zullen berekend worden naar
den laagst mogelij keil prijs van 12^ cents voor het vel
-ocr page 216-
20.3
DB WERKEN VAN WAT/TER SOOTT.
druks van 24 bladzijden (of 40 bladzijden gewoon groot i*>2.
8°. druk). De deeltjes zullen ongeveer 10 of 12 vellen
druks beslaan en alzoo f 1,20 tot ƒ 1,50 kosten, welke,
des verkiezende bij maandelijksche kwitantie zullen worden
ontvangen; een prijs, die met de goedkoopste bulteiilaud-
sc/ie uitgaven kan wedijveren.
Voor ieder kompleet werk
komt een fraaije titel iu staal gegraveerd, waarvoor 10 cents
berekend wordt.
Op deze wijze kan men zich uiterst goedkoop, gemah-
kelijk
en geregeld, eene keurige verzameling aanschaffen
van de tien bovengenoemde Meesterstukken van Waltek
SCOTT.
Afzonderlijke werken worden niet dan tegen verhoog-
den prijs afgeleverd.
Mogt deze reeks genoeg/amen bijval vinden, dan wordt
na hare uitgave de inteekening op de overige werken van
den auteur geopend, zonder dat de vorige Inteekenaren
echter door de tegenwoordige inschrijving zicli verbinden
tot eene volgende.
Bovengenoemde uitgave, wier degelijkheid en minkost-
baarheid
wel buiten allen twijfel liggen, wordt bij deze
dringend aanbevolen in de belangstelling van ieder, die
eene goede zaak bevorderen wil. Hoe meu ook reden moge
hebben om op te zien tegen Inteekenen,, om verschillende
teleurstellingen daarbij ondervonden, de Uitgever mag bij
deze voor hem kostbare onderneming, haar niet anders
dan afhankelijk stellen van de vooruit gebleken belang-
stelling zijner Landgenooten; hij, aan zijne zijde, meent
zich met alle bescheidenheid te mogeu beroepen op zijne
vroegere uitgaven van verschillenden aard, ten waarborg,
dat hij het vertrouwen ook in deze zich niet onwaardig
zal betoonen.
Het antwoord dat Krusenmn op deze uitnoodiging ontving,
schijnt niet geheel onvoldoende geweest te zijn om de serie te
beginnen. Daar kwam bij, dat Van Boekeren te Groningen, van
wien Kruseman de eerste Nederlandsche uitgave gekocht had,
-ocr page 217-
204
DB WEKKEN VAN WALTEB SCOTT.
ik52. en die, juist daarom over de waarde van Scott als handelsarti-
kel een oordeel kon hebben, hem eens geschreven had, dat een
nieuwe uitgaaf ongetwijfeld een flink debiet zou hebben; „de
Lvanhoe vindt stellig bij inteek. wel 1000 liefhebbers \'" Op
dat oordeel afgaande voor een deel, begon Kruseman de serie
en zette die, in weerwil van het geldelijk verlies, voort. In de vol-
gende jaren verschenen lvanhoe (1852), De oudheidkenner (1854),
Het hart van Mid-Lothian (1853), Quenfin Durward (1854),
Het kasteel Kenihoorth (1854), Waverley, of zestig jaar geleden
(1857—1858), De bruid van Lammermoor (1861) en De abt
(1861). De onderafdeeling J)e werken van Watier Scott inde nieuwe
door M. P. Lindo, S. J. van den Bergh en door K. Sybrandi
herziene uitgaaf der Buiteidandsche klassieken bleef niettemin
geheel in het kader daarvan passen, daar zij op den duur
financieel al even ongelukkig zou blijken te zijn, als bijkans
elk der afzonderlijke titels der Klassieken zelf 2.
Al gaven deze uitgaven in den beginne het tegendeel van
geldelijk voordeel, zij brachten er zeer veel toe bij Kruseman
als uitgever hoe langer hoe meer te doen waardeereu, en
mochten in 1857 door Potgieter die aan de geheele reeks
een artikel wijdde :l geprezen worden als „eene gelukkige
gedachte van onzen verdienstelijken Kruseman."
„Uwe jongste uitgaven, schreef Is. Au. Nijhoff te Arnhem
hem den 18 Maart 1852 deden mij bij vernieuwing uwen moed en
ondernemingsgeest, maar niet minder uwen kunstsinaak in de keu-
rige uitvoering bewonderen ... Ik zelf wordt [sic] haast te oud,
om den Nederlandschen Boekhandel zóó te vereeren, als thans
door U en zeer enkele anderen geschiedt, een prachtuitgave
hebt gij waarschijnlijk van mij niet te wachten."
1 Brief van Van Boekereu 10 Augustus 1851.
a In het Nieuwsblad voor den Boekhandel van den 1 October 1872
wordt o. m. te koop aangeboden „Walter Scott\'s werken, door Dr.
Jjindo, voor zoover verschenen en met verplichte vervolging." Hier-
mede wordt niet bedoeld Kruseman\'s serie, maar wel Scott\'s Iionianti-
sche werken, opnieuw bewerkt door
Dr. M. 1\'. Lindo. Goedkoopc uitgave
waarvan S. C. van Doesburgh te Leiden en Ykema & Van Gijn te Delft
in December 1871 de eerste aflevering verzonden hadden.
3 De Gids. 1857 II blz. 808 vlg.
-ocr page 218-
205
ETAGEEE EDITIE.
Het is overigens opmerkelijk, dat Kruseman hier te lande 1802.
toen de eenige niet was, die de klassieken opnieuw onder de
oogen van het publiek trachtte te brengen en door het exploi-
teeren van dien ontwaakten geest zelf voordeel en gewin trachtte
te behalen. Niet alleen, dat deze onderneming in 1853 het
voorbeeld werd, waaraan Van Heyningen eenige nieuwere schrij-
vers in een gelijk kleed poogde te steken \', bijkans gelijktij-
dig dat het plan ontworpen werd van de Buitenlandsche klas-
gieken,
begon Roelants te Schiedam zijn Klassiek, letterkundig
Pantheon. Bevattende de belangrijkste werken in proza en poè\'zy,
die sedert de
17e eeuw [in Nederland] het licht zagen en
Fuhri zijn Nieuwe goedkoope uitgave van gezochte letterkundige
voortbrengselen uit vroegereu lijd van Nederland se heu bodem in
hedendaagsche spelling.
Oogenschijnlijk zoude men zeggen, dat
deze drie ondernemingen, vooral de beide laatste, gevaarlijke
concurrenten voor elkaar zouden zijn; bij nadere beschouwing
zou het echter blijken, dat ieder zijn eigen Aveg zou trachten
ti! zoeken onder een gansch ander publiek. Fuhri\'s boekjes,
„in hun bevallig gewaad gekleed, en naar de tegenwoordige
spelling ingerigt", zouden een plaats moeten vinden „in de
woonkamers der meer aanzienlijken, de werkmandjes der dames,
de étagères en boekenhangers der lieden van smaak te huis",
terwijl Roelants\' onderneming zou moeten geplaatst worden
bij den burgerman en op de scholen. Die oogenschijnlijke con-
curreutie mag dan ook de reden geweest zijn, dat het Week-
blad voor den Boekhandel
2 een hoofdartikel wijdde aan Be
jongste ondernemingen der heereu Fuhri, Moelauls en Kruseman:
„Goedkoope en goede uitgaven zullen meer en meer den koop-
lust aanwakkeren en ook daar opwekken, waar vroeger nooit
om boeken gedacht werd, en ziedaar hoofdzakelijk het voordeel
dat, naar onze meening in die nieuwe ondernemingen voor
den ganschen Boekhandel gelegen is. Zoowel de keurige en
smaakvolle edities van Fuhri, als de "nette goedkoope boekjes
van Ëoelants, en niet minder de uitlokkende, met oordeel ge-
1 Weekblad voor den Boekhandel 24 Januari 1854.
\' 27 Maart 1852.
-ocr page 219-
200                                    ETAGKR/K EDITIE.
1852. kozene vertalingen van Kruseman, zullen meer algemeenen lust
tot. lezen doen ontsta an, die, eens opgewekt, niet zoo spoedig
verzadigd wordt, en ook ter gunste onzer overige uitgaven
werken zal; ze zullen krachtig bijdragen, om velen aan te
sporen, eens een boek te koopen, die nooit iets anders lazen
dan uit leesgezelschappen of leesbibliotheken, en alzoo een
nieuw veld openen voor ons debiet en onze markt verruimen.
De geest des tijds laat zich niet aan banden leggen. Reeds lang
waren andere landen ons voorgegaan in het leveren van goede
vertalingen der beste buitenlandsche lettervruchten, zouder dat
daardoor, zoo wij gerust meenen te mogen verzekeren, aan den
goeden uitslag van nieuwe uitgaven eenige schade berokkend werd.
Ons land is klein, het is waar, maar bewijzen niet de vele boes-
ken, die er steeds uitkomen en die toch over het algemeen een
redelijk, zoo niet een goed debiet vinden, dat ons volk, meer
dan anderen, behoefte gevoelt aan voedsel voor den geest, en
zal dat gevoel van behoefte uiet toenemen, hoe meer het door
gemakkelijk aan te schallen lectuur geprikkeld wordt ?"
Mocht het al theoretisch waar zijn dat deze drie seriën naast
elkaar zouden gaan, in de praktijk zal het wel voorgekomen
zijn, dat zij maar al te zeer concurrenten bleken te wezen.
Wat zou voortreffelijker geweest zijn dan de vereeniging in
één hand? Dat denkbeeld zal buiten kijf Krusemau, den han-
delsman, wel eens door de gedachten zijn gegaan, maar als
onuitvoerbaar verworpen zijn. Onuitvoerbaar, en in zeker op-
zich ook ongewenscht; de Pantheon, „de uitgave van zooge-
naainde klassieke Nederlandsche auteurs, die iu hare wijze van
bewerking slechts te veel de oppervlakkigheid vleit en slechts
gebrekkig — zoogenaamd verkort, maar tevens al te dikwerf\'
verminkt — de uitneineudste gewrochten uit vroegere tijd-
perken onzer literatuur wedergeeft", zooals De Gids \' oordeelde,
zou om die reden nooit door den kieskeurigeii Krusemau ge-
wensebt worden. Eu hoe stond daar de serie van Fuhri tegen-
over? Haar formaat, blijkbaar een gewijzigde navolging van de
tusscheu 1820 eu 1827 door den Amsterdamschen tooneelspeler-
\' 1852. Ül. II blz. G3(i.
-ocr page 220-
ETAC.ÈRE
207
EDITIE.
boekhandelaar Mnrteu Westerman, Kruseman\'s vroegeren patroon, 1852.
ondernomen Keur van Nefarlaiuhclte letteren \', die overbekende
kleine boekjes in miniatuurformaat, goud op snee, in fraaien
rood linnen band, gaf haar den naam van Ktagère editie en
die naain toekent voldoende, hoe Kruseman\'s oude leermeester
nog allesbehalve onderdeed voor zijn leerling. Daarvan moest
het bezit ook Kruseman gewenscht zijn, en evenals bij de
Aurora waren het de nijpende tinancieele zorgen, die Euhri er
toe brachten deze geheele onderneming in Mei 1S52 aan Kruse-
man over te doen. Daardoor kwam een aantal werken van
Stijl, De Lannoy, Rotgans, Van Heemskerk, Bruno Daalberg,
Wolll\' en Deken, Van E Hen, Langendijk, Cats en Vondel Kru-
eeman\'s fonds van Klassieken aanvullen. ]^iet alleen dat Puhri
de eerste serie, die reeds gedebiteerd was overdeed, ook de
tweede serie, die voor een groot deel reeds afgedrukt maar nog
niet in den handel gebracht was, ging, ofschoon Puhri zelf het
aanstaande verschijnen van deze tweede serie reeds bij circulaire
dd. \'s Gravenhage, Maart 1852 aan den boekhandel gemeld had
zonder dat de nieuwe eigenaar vooraf er maar eenig werk aan had
gehad in diens handen over, zoodat in Juli 1S52 later de tweede
serie eveneens uit 10 auteurs bestaande door Kruseman gedebi-
teerd kon worden 2. Door vriendschappelijke schikking met zijn
vroegeren patroon wist Kruseman een uitgaaf aan zijn fonds te
verbinden, die ook thans nog een zekere vermaardheid bezit
1 Vgl. De Buil in De Tij,l. Dl. XVII. \'s-Gravenh. 1853 blz. 15.
* Weekblad voor den Boekhandel 10 Juli 1852 en Nieuwsblad voor
den Boekhandel
15 Juli 1852. Kruseman had, hoewel het contract be-
paalde dat de tweede serie in losse vellen zou overgaan, daarvan toch
blijkbaar klaargemaakte exemplaren ontvangen, hetgeen daaruit blijkt
dat van Haafner\'s Reizen Ie voet door Ceylon en van Poot\'s Minnedich-
len en mengelingen
mij exemplaren bekend zijn, zoowel met het adres
van Fuhri als met het adres van Kruseman, beide met 1852. De koop-
som van beide serieën was bepaald op /\' 14000.
Onder de werken uit de tweede serie moet hier afzonderlijk worden
Loosjes Het leven van Maurits Lijnslager. In Maart 1852 had Fuhri
deze kopy gekocht van A. Z weesaard en de bewerking van de verkor-
ting opgedragen aan Ds. A. Loosjes, te Rottevalle, den vroegeren redac-
teur van Kruseman\'s Christelijk Album.
-ocr page 221-
208
ETAGERE EDITIE.
1852. en nu wellicht meev dan bij de verschijning gewaardeerd wordt,
daar die boekjes met graagte gezocht worden door boekenlief-
hebbers om het smakelijke en sierlijke aanzicht dat zij hebben \'.
Door het aankoopen van die serie had Krusemau een reeks
werkjes in zijn fonds opgenomen, die in zeker opzicht een
pendant waren van de Buitenlandsehe klassieken en met ltoe-
lants\' Pantheon op de Parijsche tentoonstelling in 1855 de
eenige vertegenwoordigers zouden zijn van onze letterkundige
geschriften, algemeen erkend als meesterstukken. „Wie van onze
voorname Uitgevers zal zich toch eens geroepen voelen een
kotnpleete handige, smaakvolle serie te geven van onze klas-
sieke schrijvers", vroeg V. A. in het Nieuwsblad2, toen het
bleek, dat andere vaderlandsche Klassieken op de tentoonstel-
ling niet tegenwoordig waren?
Niettemin was de wijze van uitgaaf door Fuhri gevolgd
niet, zooals die door Kruseman gedaan zou zijn: duo cum fa-
dunt idem, saepe non est idem;
een uitgave bij deeltjes, op
geregelde tijden, zou veel grooter debiet hebben uitgelokt dan
de verschijning bij tien deeltjes tegelijk. De ondervinding leerde;
de juiste inzichten van Kruseman; veeltijds weifelde het pu-
bliek in zijn keuze en kocht daardoor soms in het geheel niet.
Kruseman was aan de door Fuhri gestelde voorwaarde gebon-
den tot Januari 1853, toen hij vrijheid meende te hebben met
deze serie een nieuwen maatregel te beproeven, die in zijn voor-
deel en in dat van den debitant beloofde te zijn. Hij stelde een
nieuwe inteekening open, bij maandelijksche aflevering van de
deeltjes, tegen betaling van elk deeltje h contant voor parti-
culieren, maar voor den boekverkooj)er op gewone jaarreke-
ning. Hielp de maatregel ? Stellige gegevens ontbreken mij liet
te beoordeelen; de getallen, die op de fondsveiling in 1857 in
veiling kwamen doen het tegendeel onderstellen, daar de 4725
deeltjes geen hooger bod konden behalen dan /\'0.28 3 door
1    De boekjes waren gebonden door Van den Heuvel te \'s-Gravenhage;
van sommige werkjes werden ook exemplaren in omslagen ingenaaid
afgeleverd.
2    Nieuwsblad voor den Boekhandel 1855. Mengelwerk blz. <5.
3    Denkelijk Kruseman\'s limiet.
-ocr page 222-
209
ALBUM DER NATUUR.
Van Kesteren, den verkooper; dat getal was in 1802 gedaald 1868.
tot 4040 toen elk deeltje voor/\'0,25 geveild werd aan Gebrs.
\'Koster, die er in het volgende jaar een goedkoope aanbieding
van deden, en wel niet groot succes, te oordeelen naar hun
bericht in het Nieuwsblad \'.
Reeds vele malen is met de bespreking der uitgaven, wier
voorbereiding in 1851 viel een kijkje genomen in latere jaren.
Een nieuwe uitgaaf, die met 1852 het publiek aangeboden
werd, was liet Album der Natuur.
Het plan was niet van den uitgever uitgegaan. De meer
en meer veldwinnende overtuiging, dat natuurkennis behoorde
opgenomen te worden onder die vakken, waarin een werkelijk
goed ontwikkeld en beschaafd persoon niet geheel vreemdeling
behoorde te zijn, bracht de beide Haarlemsche vrienden Loge-
niaii en Lubach op de gedachte een tijdschrift te stichten.
Nog denzelfden avond, dat dit plan besproken werd, werd een
bezoek afgelegd bij Kruseman; de mededeeling van het plan
en het inroepen van zijn medewerking, deed hem zonder eenig
bedenken er mede instemmen. Wat het Christelijk Album was
op godsdienstig terrein, moest het Album, der Natuur op natuur-
kundig gebied worden 2. „De Oneindige toch heeft zich iriet
enkel aan ons geopenbaard door Zijn geschreven Woord, maar
Hij openbaart zich nog dagelijks en voortdurend aan ons
door Zijn werk, de ons omgevende Natuur. Wie Hem wil
leeren kenneu, voor zoo ver het den zwakken mensen met
1 Nieuwsblad voor den Boekhandel 7 Mei 1863.
* Bouwstoffen Dl. I. blss. S\\)2. — „Dit Album, door de uitstekendste
vaderlandsche geleerden te Kamen gebragt, ten einde de kennis der Na-
luur
meer algemeen onder alle standen der Maatschappij te versprei-
den is bestemd om weldra zijne plaats te vinden in ieder Huisgezin,
waar kennis en beschaving worden op prijs gesteld en aangekweekt.
Het Al bain der Natuur worde beschouwd als een tegenhanger van het
Christelijk Album. Zooals het laatste zich beweegt op het gebied der
schriftelijke openbaring, rigt het eerste zijne beschouwingen naar het
Kijk der Natuur, opdat het zedelijke en zigtbare beide, dienstbaar mo-
gen worden tot opvoeding van verstand en hart." (Advertentie in llaar-
lemsche Courant
1 Januari 1852.)
14
-ocr page 223-
210                                   ALBUM DER NATUUK.
zijn beperkte geestvermogens gegeven is dit te doen, mag
geene dier beide openbaringen veronachtzamen; hij moet zich
zoowel de eene als de andere ten nutte trachten Ie maken;
want liet zigtbare leidt ons tot bet onzigtbare, bet schepsel
doet ons opklimmen tot den Schepper, en zoo wordt de Natuur
een voor ons opengeslagen boek, Maarvan de leesbaar ge-
worden inhoud ons de wijsheid, de goedheid en het alver-
mogen des grooten Makers verkondigt en doet eerbiedigen.\'1 \'
De onderneming lachte Kruseman toe als bepaald dienstbaar
aan de volksontwikkeling en speculatief tegelijk, en\' de uit-
komst leerde, dat kruseman\'s inzichten de juiste waren. Intus-
schen was reeds voor dien tijd de Redactie met een lid ver-
meerderd. De overweging, dat het zaak was zich ook te
verzekeren van de medewerking van een op het gebied der
natuurwetenschap algemeen gunstig bekend geleerde, deed ook
Dr. P. Harting, hoogleeraar te Utrecht, als redacteur toetreden.
Dat dit triumviraat de aangewezen personen voor dit werk
waren, wat bewijst dit beter dan dat zij alleen gedurende .\'5:5 ja-
ren het tijdschrift redigeerden; dat dank zij hun uitstekende leiding
noch Kruseman, noch de laten; eigenaars van het tijdschrift,
de Erven (!. M. van Bolhuis Hoitsema en Gebr. Hoitsema te
Groningen en H. I). Tjeenk Willink te Haarlem er ook maar
aan dachten zich van hun redacteuren los te maken en alleen
de dood, de onverbiddelijke, of de hooge ouderdom de hechte
banden kon losscheuren, die deze, warme volksvrienden aan dit
voortreffelijk tijdschrift verbond. Wat Harting voor het Album
was, wat Lubach gelukkig nog steeds daarvoor is, daarin op
het oogenblik o. a. gesteund door den zoon van den stichter
A. f!. Kruseman, de vele biografieën van die vaderlandsche ge-
leerden, maar nog meer de vele bladzijden door hen geschre-
Aren, doen het overvloedig den volke kond.
Bescheidener van maatschappelijke positie, was Logeman
\' Prospectus \\vonr den jaargany .18C>J\\; herdrukt voor den jaargang
18">4 en in het Voorherigt van den jaargang 1851. — Uittreksels uit
dit prospectus komen nog voor in advertenties in de Haarlenische Cou-
rant
van 1856, maar alleen in het eerste halfjaar. Waarom niet later,
zal blijken.
-ocr page 224-
211
ALBUM DER NATUUR.
eveneens vervuld van liefde om door opstellen in populairen
vorm een of ander onderwerp uit het ruime gebied der natuur-
kennis te behandelen. In L843 was hij uit Amsterdam, waar
zijn vader natuurkundig instrumentmaker was, als assistent van
Prof. .). .1. S. van Breda, den directeur van Teyler\'s natuur-
kundige verzameling, naar Haarlem gekomen, waar hij zich als
instrumentmaker gevestigd had \'. De keus om hem in 1850
als leeraar der wis- en natuurkunde aan het stedelijk Gymnasium
een plaats aan te wijzen, was geenszins ongelukkig, daar hij
zich reeds als een uiterst kundig elecMcien bekend gemaakt
had - door zijn methode om krachtige stalen magneten te ver-
vaardigen, daarin gesteund door Mr. Pieter Elias, toenmaals
kantonrechter te Haarlem, den uitvinder van den naar hem ge-
noemden ring, en door de werkplaatsen van gebroeders Van
Wetteren *. Die ontdekking was zijn geheim, waarover ik in
1S92 hem nog te vergeefs interpelleerde, die was zijn roem en
zijn glorie, en terecht, als de exemplaren in Teyler\'s Museum
en die bij Joh. Enschedé en Zonen, de grootste van alle ge-
maakt op initiatief van mijn vader, bewijzen. Wetenschappelijk
was hij dus zeer zeker op zijn plaats als redacteur van het
Album, als volksman niet minder, dat zoude bij als voorzitter
van „Weten cu Werken", die Haarlemse]»; vereeniging voor de
belangen van den handwerksstand, in later jaren getuigen.
Met dat drietal, dat, zooals een advertentie in de Haarlem-
sc/ie Courant *
leert, gesteund zou worden door een breede
schaar van de eerste krachten op dit gebied in ons land, kon
Kruseman gerust de uitgaaf van zijn. werk ter verspreiding van
natuurkennis onder beschaafde lezsrs van allerlei stand
de haven
laten uitloopen, te meer nog daar de prijs van f 0.30 voor
\' Advertentie ffaarlemsche Courant 23 Februari 1843. — Vgl.
t. a. p. 10 Maart 1843.
2 Vgl. b.v. een bericht in het Handelsblad van den 22 September 1840,
waarin vermeldt wordt, dat bij bij Kon. Besluit van lf> Juli 1840 n° 117
octrooi gekregen heeft op een verbeterde eleetro-magnetiscbe telegraaf.
Vgl. 1\'. Elias. Beschrijving eener nieuwe machina, enz. Haarl.
1842 2° dr. Arnh. 1882 en V. S. M. van der Willigen in Archives dn
Musée Teyler.
Vol. IV. Haarl. 1878 pag. 133 suiv.
\' 19 December 1851.
14*
-ocr page 225-
212
ALBUM DKIt NATUUR.
1852. elke maandelijksche aflevering vau twee vel druks, gelijk
staande aan ongeveer drie en half blad in groot octavo door
liaar minkostbaarheid wel geen beletsel voor een flinke ver-
spreiding zou kunnen zijn. Een debiet van 8080 exemplaren in
het eerste jaar was waarlijk een buitengewone bijval, zoodat
het Album even populair zou worden als het Christelijk
Album
\' / Kruseinan had uiet gedwaald met de meening, dat
meer algemeene verspreiding van natuurkennis een eisch des
tijds was, zooals daaruit o. a. bleek, dat tegelijkertijd met de
eerste aflevering in Buitschland de eerste aflevering Verscheen
van Die Natur, Zeitschrift sur Verbreittmg naturwissensckafl-
licher Keuntniss
onder redactie vau Carl Vogt en Rossmassler,
een tijdschrift, dat volkomen hetzelfde doel beoogde en dat door
Kruseman zelf weer dienstbaar gemaakt werd aan de degelijk-
heid van zijn praktische onderneming.
Met 1857 onderging het tijdschrift eenige wijziging; de
namen der redacteurs werden op den titel genoemd, een nieuwe
reeks werd met dezen zesden jaargang geopend en bovendien
werd er een kleine uitbreiding aan gegeven door de toevoeging
van een Wetenschappelijk Bijblad. Het doel van dit toevoegsel
was, en is nog steeds, de meer wetenschappelijke lezers maandelijks
door korte berichten, getrokken uit buiteulaudsche tijdschriften,
op de hoogte te houden van de vorderingen en toepassingen
op verschillend gebied der natuurwetenschap. De arbeid der
samenstelling daarvan kwam geheel neer oj> de redactie, waar-
van elk lid een afdeeling van het veld van wetenschap voor
zich hield. Zoo iets zou niet tot stand kunnen komen, ware
het niet dat er tusschen uitgever en redactie een even vriend-
schappelijke als welwillende verhouding bestond. Het moest
daarom den redacteuren wel ietwat onaangenaam zijn toen bij
de groote fondsveiling van 1857 Kruseman ook het Album in
andere handeu liet overgaan 2j ook Kruseman ging zulks ter
1 Advertentie in Haarlemsche Courant 8 Mei 1853.
1 Evenals bij de Aglaja was ook hier in het einde van 1856 een
goedkoope aanbieding van de eerste 5 jaargangen gedaan: „Het Album
der Natuur
is een boek van blijvende, onverminderde waarde; het is
-ocr page 226-
213
ALBUM DEll NATUUR.
harte, maar hij mocht ter wille vau een misjüaatst gevoel van 1852-
vriendschap niet ontrouw worden aan zijn besluit: schoon schip
te maken en zijn fonds te verkoopen, toen het in bloeienden
toestand was \'.
Toen in 1870 het eigendomsrecht weer in handen van den
stichter terugkeerde, was het debiet sterk achteruit gegaan en
vergoedde nauwelijks de kosten. In het einde van 1873 was
het zelfs bij Kruseman ernstig een punt van overweging
de uitgave er van te staken -; door kunstmiddelen als het
bijvoegen van portretten sinds 1875 zou het debiet wel weer
wat aanwakkeren, maar de dagen van vroeger zouden niet
meer terugkeereu: het laatste jaar, dat Kruseman uitgever
was (1877), was het debiet gedaald tot 1169 exemplaren.
Het tijdschrift had gedurende zijn bestaan en gaat daar nog
steeds op loffelijke wijze mede voort, ruimschoots het zijne er toe
bijgedragen de natuurkunde meer onder het bereik te brengen
van een ieder, en beter en gezonder begrippen te verspreiden
over exacte wetenschap en indirect over den godsdienst; het
dankte dat aan de voortreffelijke artikelen van zoovelen onzer
eerste geleerden, aan Harting in het bijzonder, wiens Bouwkunst
der dieren
een herdruk was van artikelen in het Album en
van wien eenige opstellen uit het Album onder toezicht van
Schleiden in het Duitsch vertaald onder den titel Skizzeu atis
der Nalwr
in twee bundels werden uitgegeven; het was in
waarheid geweest „een lichtbaak in zee, met een helder doch
zacht licht, den weg bestralende die naar den tempel der waar-
heid en der hoogere beschaving geleidt V
nooit voor een verlaagden prijs of extra rabat aan den Boekhandel
aangeboden; en de éénige reden waarom ik dit tijdelijk aanbod doe is,
om gehoor te geven aan verschillende aanzoeken en om welligt door
den verkoop dezer exemplaren Inteekenaren te winnen voor het ver-
volg." (Advertentie in Nieuwsblad voor den Boekhandel 30 October 1856.)
1 Op dat oogenblik was het debiet bij inteekening 2108 exemplaren
van het Album, en 187G exemplaren van het Bijblad, volgens de cijfers
genoemd in den Catalogus der fondsveiling van 1857.
1 Brief van Harting 22 September 1873.
\' Natuurkennis als opvoedingsmiddel [afscheidswoord] door P. Har-
ring. (Album der Natuur. 1885 blz. 398.)
-ocr page 227-
214                                         TIJDSCHRIFTEN.
1852.             1851 was een druk jaar geweest; vele nieuwe uitgaven,
vele ondernemingen van een ander karakter als een paar jaar
te voren, op gang brengen en inrichting van de nieuwe af-
deeling, de drukkerij en de dagelijksche steeds toenemende om-
zet van boeken; het volgend jaar zou kalmer verloop hebben,
maar het zou toch tegenover de buitenwereld in vergelijking
met het vorig jaar niet zoo weinig beteekenen als bier op het
papier oogenschijulijk moet schijnen: de chronologische behan-
deling toch der uitgaven, die ten gevolge; beeft, dat uitgaven,
die in werkelijkheid loopen over 2, <"i, 4 of meer jaren, besproken
worden in den regel op liet jaar waarop die uitgave voorge-
nomen of begonnen werd, kan onwillekeurig aanleiding geven
tot een eenigszins onjuiste voorstelling van bet bedrijf, van de
drukte en van de werkzaamheid, die Kruscinan in de jaren
van mannelijkeu leeftijd en van volle kracht zoo overvloedig
ten toon spreidde en die hem dan ook iu dit jaar 1852 deed
geroepen zien tot de post van voorzitter van de Vereeniging.
Het Christelijk Album, de Aglaja, de verschillende atleverin-
gen van de Buitenlandsche klassieken, het pas begonnen Album
der Natuur
zij moesten ongetwijfeld zijn naam, zij bet ook op
een ondergeschikte plaats, telkens onder de oogen van het pu-
bliek brengen, zijn naam als een naam van beteekenis lang-
zaain maar zeker doen rijzen en doen stijgen.
Elke maand werd nu talrijke malen Kruseinan\'s naam als
uitgever onder de oogen van het publiek gebnicht. J)e twee
periodieken Christelijk Album en Aglaja hadden samen in 1851
een debiet van 8475 exemplaren1; aannemende dat zij allen in
ïnaaudelijkscbc afleveringen geplaatst werden, brachten zij alleen
Kruseman\'s naam reeds 1000Ü0 maal onder de oogen der men-
1 Uit de getallen, die bij inteekening geplaatst werden van den jaar-
gang 1852 van het Christelijk Album en van de Aglaja kan de ge volg-
trekking gemaakt worden, dat de op blz. 215 afgedrukte circulaire niet liet
gewensehtc gevolg gehad heeft. Evenwel is het mogelijk, schoon ik het
niet waarschijnlijk acht, dat wisselingen onder de personen der intee-
kenaars de goede gevolgen van het werk der „goede en kwade engelen"
aan de waarneming onttrekken.
-ocr page 228-
215
TIJDSCHRIFTEN.
sclieu. Dut getal moest zoo mogelijk nog vergroot worden;
Kruseinan richtte daartoe aan den Boekhandel een circulaire dd.
Haarlem, 1 Januari] 1852.
M.
De eerste dagen van het jaar zijn uitmuntende dagen
tot het zamelen van Inteekeuaren op periodieke werken
van naam. In December worden wij overladen met aller-
lei boeken, die in \'t loopende jaar nog het licht móesten
zien; in Februarij worden wij bestormd door nieuwe on-
derneiningen, die gaarne een gansch jaar vóór zich willen
hebben om haar debiet te vinden; Januarij ligt daar tus-
schen als een tijd van verademing, zonder oude of nieuwe
artikelen aan te bieden, geschikt om op bcziens te wor-
den uitgezonden. En toch is in Januarij het publiek niet
het minst geneigd om nieuwe rekening te openen.
Ik wensch een beroep te doen op uwe welwillende
medehulp, om die maand in ons beider voordeel te be-
steden tot het vermeerderen van onze Inteekeuaren op
mijne drie Tijdschriften:
CHRISTELIJK ALBUM,
AGLAJA ,
ALBUM DER NATUUR,
die, zoo ik met alle bescheidenheid waag te zeggen, eeu
goeden naam hebben gekregen bij het publiek. Daartoe
wend ik mij vriendschappelijk tot u; maar, door u, ook
tot uw personeel, en wel voornamelijk tot de goede en
kwade engelen voor een Uitgever: uwe LOOPJONGENS. Onder
uwe goedkeuring,
doe ik hun het voorstel, om onder uwe
leiding
in deze maand Januarij nog eens duchtig voor de
drie bovengenoemde Tijdschriften te ijveren en met nieu-
wen moed er meê aan \'t werk te gaan. Ik heb er van
mijne zijde een ruime belooning voor over, en bied hun
voor ieder nieuwen Inteekenaar op elk dier Tijdschriften,
boven het op dit oogenblik bij u bestaande getal, 25
Cents Contant
tot premie. Het zou wel wonder wezen,
-ocr page 229-
21t>                     TEN KATE, CHRISTUS REMUNEBATOR.
1852.                  als zij inet deze buitenkans geen nieuwe broek of jas
wisten te verdienen voor zichzelven, en u en mij tevens
ten voordeele werkten. Hun eerste tijd zou besteed kuu-
uen worden in uwe woonplaats zelve; later seliiet er nog
een uitgebreid terrein over in de dorpen in uwen omtrek.
Doe met dit voorstel naar uw goedvinden; ik stel liet
geheel in uwe hand; en zie er, bid ik u, niets anders in,
dan een, naar mijn begrip, eerlijke en opeue aanmoedi-
ging, om wederzijdseh voordeel te behartigen.
Geloof mij met aeliting en groetc,
Uw Dv. JHeuaar,
A. C. Kruseman.
Het eerste werk, dat behalve de periodieken of\' de aileve-
ringen van vervolgwerkeu in 1852 door Kruseman uitgegeven
zou worden, was de Christus remunerator. Een harptoon door
J. J. L. ten Kate. Ary Scheller, de verfranschte Nederlandsche
schilder, dankte geheel afgescheiden van zijn begaafdheid als
kunstenaar, aan een zeer bijzonder talent de plaats die hij
innam, vooral in zijn laatste jaren onder Apelles\' gildebroeders.
// Talent si/teère, naturel, independanl, fidele a sa vocation, sans
souci de la mode, sans trouble du succes des" aulres, il avait
la fol de Partisfe, et ce u\'était pas lil sa moindre originalité.
Celte foi, qui déeline, et périt d\'keure en heure c/iez uos plus
jeunes el chez hos plus habiles, ehez lui ne J\'aisait que graudir
a mesure qu\'il prenait des aunees^
\'. Zijn roeping lag hooger
dan de heerschende romantische richting; van historie- en genre-
schilder werd hij een idealistisch kunstenaar; zijn poëtische
droombeelden gingen over in een christelijk idealisme, waarvan
de Christus cousolator en zijn tegenhanger de Christus remuue-
rator
de vruchten waren: de boetvaardige Magdalena, na kwijt-
schelding harer zonden, geheel verlost en gezaligd 2. Dat
laatste stuk dat Ds. W. Erancken zou schetsen als type van de
1    L. Vitet in Revue des deux momles. 1858 tom. XVII pag. 481.
2    L. R. Beijnen. Fantasten. Amst. 1876 blss. 2i)G en 322.
-ocr page 230-
TEN KATE, CHRISTUS KEMÜNEllATOE.                     217
verheerlijking den Christendom» door de kunst \' moest ook l)ij 1852.
Ten Kate, den dichterlijken evangelie-dienaar sensaties opwekken,
die hem zouden nopen Kruscnian\'s aanbod aan te nemen, hierbij
een vers te leveren. Da uitkomst zou echter naar Van den Uergh\'s
oordeel niet al te gelukkig geslaagd kunnen geheeten worden;
„ik heb en houd Ten Kate liever in \'t naïeve — hij gaat dunkt
me, te veel een bombastieken weg op" 2. Dat oordeel is te ver-
klaren. Van den Bergh\'s godsdienstige zienswijze was een andere
dan die van Ten Kate. Zooals Thijm in 1848 aan Ten Kate
schreef 3, ondergingen velen van het jonge Holland den in-
vloed der nieuwe denkbeelden, die zich zelf daarvan nog onbe-
wust protest aanteekeuden tegen elke geopenbaarde waarheid. Bij
hen die, evenals Ten Kate, in Jesus den echten Christus remune-
rator bleven zien, vond Ten Kate volle waardeering. „Gij hebt mij
diep getroffen door de tederheid, die in vele plaatsen uitkomt, en
die ik te hooger stel naar ik meer en meer inzie, dat die tederheid
het uitsluitend eigendom is van het in Christus levend gemoed"
schreef Thijm hem *. Zulk een indruk had het dichtstuk op
Thijm gemaakt, dat hij aan Ten Kate een sonnet op den Remiuie-
rator
zond, voor den dichter „een verkwikking, in dagen van
verguizing" 5. liet oordeel van Sam Jan bleek echter in hoofd-
zaak ook dat van het publiek te zijn; bij een netto-prijs van
slechts f 0.60 werden er in 5 jaar 733 exemplaren gedebiteerd,
die de uitschotten niet konden dekken.
Gelijktijdig met Ten Kate\'s arbeid verscheen het reeds ver-
melde Onze Vader van Heemskerk; een derde werk, dat in
\' Over dit schilderstuk o. a. te zien P. Hofstede de Groot. Ary
Scheffer.
Gron. 1872 blz. 19 vlg.
*    Brief van Van den Bergh 17 April 1852.
:\' Brief van Alberdingk Thijm aan Ten Kate 25 November 1818,
medegedeeld door J. F. M. Sterek in Nederland. Amst. 1893 Dl. II
blz. 478.
*    Brief van Alberdingk Thijm aan Ten Kate 22 April 1852. t. a.p.
1893 Dl. III blz. 236.
\' Brief van Ten Kate aan Alberdingk Thijm. t. a. p. blz. 237. —
Het sonnet is afgedrukt in de Aurora voor J853 blz. 267.
-ocr page 231-
218             K. J. HASEBltOEK, VERHALEN EN SCHETSEN.
1852 door Kvuseniiin uitgegeven werd, waren de Verhalen en
schetsen door
Elisabeth Johanna Ilasebroek, een verzameling
van in verschillende jaarboekjes, als de Almanak voor het schoone
en goede, Tesselschade, Muzenalmanak, Aurora
en Holland
verspreide stukken en een enkel onuitgegeven werk. De aan-
leiding daartoe was de door Kruseman, na het verschijnen van
de Blikken in hei leven van Fry, geuitte wensch nogmaals
niet haar saam te werken.
„Gelijk ik zeide, antwoordde zij den 2(i November 1851, er
is voor mijn gevoel iets in de overeenstemming onzer denkbeel-
den omtrent den letterarbeid dat daaraan een hooger belang
bijzet. Wat zal \'t echter wezen? Ook mijn broeder [.Jonathan]
meende, deze zomer hier [te Wijk bij Duurstede] zijnde, dat ik
zelf iets mogt beginnen. Ik beken echter dat ik nog niet ge-
heel en al niet inij zelf in \'t reine ben omtrent den aard van
een nieuw werk. Er zijn onderscheidene bezwaren tegen het
eigenlijk romantische in mijn gemoed opgerezen, die mij door
niemand nog geheel voldoende werden opgelost. Wat het door
u aangegeven cadre — eeue zeer schoone en rijke vorm zeker —
betreft, na Lauernesse zou het wel vermetel van mij wezen om
mij op een terrein te wagen, dat Toussaint zoo glorierijk be-
hoort. Ik geloof ook haast dat ik minder oogen heb voor
groote gebeurtenissen van buiten, dan wel voor den stiller
gang eener inwendige gewaarwording."
Die neiging om den stillen gang eener inwendige gewaarwor-
ding te boek te stellen, zou de verzameling van haar eigen
werken zijn \'.
Nog verdient hier vermeld te worden de Handleiding tot de
geschiedenis der staatsschulden door
.1. .1. Weeveringh, waarvan
een eerste gedeelte in dit jaar verscheen. Dit, zooals de vol-
gende afleveringen zouden leeren, uitgebreide geschrift over de
geschiedenis en den toestand onzer staatsfinanciën, dat binnen
een paar jaar gevolgd zou worden door een tweede deel over
1 Vgl. Huet. Lillerarisclie fantasieën en kritieken. Haarl. z. j. Dl.
X blz. 57.
-ocr page 232-
219
STAATSSCHULDEN.
WEEVERINCiH,
de Buitenlandse/ie staatsschuld, had een tamelijk onthaal bij 1852.
het publiek. Kruseinan\'s boekhouder zag zieli in zijn arbeid
een heftige concurrentie aangedaan door Dinger\'s Overzigt van
alle Ier beurze van Amsterdam verhandeld wordende binnen- en
buiteidandsehe effecten,
geheel onafhankelijk van zijn arbeid
geschreven en voor Kruseinan gansch onverwacht verschenen,
terwijl Wecveringh\'s Handleiding reeds voor een deel afgedrukt
was. Die kalme waardeering verdiende de Handleiding allerminst:
niemand minder dan Buijs zou het boek prijzen als een. „uit-
nemend werk", als „een boek dat van uitgebreide studie en
groote zaakkennis getuigt" \'.
Dat was dan alles, wat de buitenwereld in 1S52 van Kru-
semau\'s werkzaamheid in nieuwe werken zou zien. Ware het
niet dat de periodieken het bewijs bleven leveren, dat de
nieuwe geest niet uitgebluscht was, het zou kunnen schijnen,
alsof een teruggang tot de richting van het vorige tijdperk in-
getreden was; zelfs zou de gedeeltelijke verkoop van het fonds in
dat jaar een vingerwijzing van mogelijken achteruitgang kunnen
zijn. Op dat drukke jaar 1S51 moest wel eenige rust en kalmte
volgen, maar toch niet of elke gelegenheid zou te baat geno-
men worden een nieuw werk in het licht te geven. Die ge-
legenheid dacht Kruseinan te kunnen vinden in de onthulling
van Eembrandt\'s standbeeld te Amsterdam en hij noodigde Jacob
van Lennep uit daarover een Gedenkschrift saam te stellen.
Dat voorstel zou niet aangenomen worden, daar Van Lennep
„over het hooge belang van het feest nog niet met [zichjzelven
eens [en] nog niet overtuigd [was], dat Amsterdam, en be-
paaldelijk het Kaaspleintjen, met zijn stallen en plaatkoeke-
kramen, voor standbeelden geschikt is" 2.
liet jaar 1858 zou weer wat meer te kijk geven op het
gebied van nieuwe uitgaven; het zouden weer vooral letter-
1 Buijs. Uu Nederlandse/ie slaalsscliuid sedert JSJi. Haarlem. A. C.
Kruseman. 1857 blz. 6.
* Brief van Van Lennep 7 April 1852.
-ocr page 233-
220
BEECHER STOWE, DE
NEGERHUT.
1853. kundige werken zijn, die het Nederlandsche publiek aangeboden
zouden worden.
Beecher Stowe\'s Uncle Tom» Cabiu, or Negro li/\'e in the
S/ave States in America,
had Kruseman reeds geruimen tijd
op zijn schrijftafel liggen toen de berichten naar hier kwamen
van den grooten opgang dien liet hoek in Amerika \' maakte.
Eerst als feuilleton van een Washingtonsch blad, de National
Era
van Juni 1S51 tot Maart 1S52 verschenen, werd het spoe-
dig daarna door I. P. Jewett te Boston in twee deelen herdrukt.
Op den eersten dag van het verschijnen werden er reeds «JUUU
exemplaren omgezet2; einde November 1852 waren er reeds
1 Wel te verstaan in de Noordelijke Staten; in de Zuidelijke Sta-
ten wilde men er niet veel van weten. Althans Fuhri selircef den
9 Mei 18">0 uit Nieuw-Orleans aan Kruseman: „Eens dreef mijne
nieuwsgierigheid mij in een Slai\'e-yard (slaven-winkel of slaven-maga-
zijn), waar de mannen aan de eene kant en de vrouwen aan de andere
kant netjes aangekleed op eene rei langs de muur zaten. Een laag hou-
ten heschot in het midden van het vert ek, scheidde de mannen van
de vrouwen, \'t Was een winkel, als een andere winkel, en stond ook
tusschen andere winkels in. Daar was alleen maar geen toonhank noo-
dig. Ik was er toevallig alleen en de eigenaar wilde met alle geweld
aan mij verkoopen. Ik wist niet hoe ik van hem af zou komen, want
het stond te kinderachtig om te zeggen, dat ik maar eens uit nieuws-
gierigheid kwam. Toen ik zeide niets noodig te hehben, dacht hij dat
het maar voorgewende onverschilligheid was om goedkooper te kannen
koopen. Op eens stampte hij met zijn dikken stok op den grond en zeide
met forsche stem: „stand up!" Al de mannen rezen overeind en gingen
om mij heen staan, daar waren er 14. Ik nam de vlugt naar de andere
kant; „stand ui)!" gebood de dikke, stok en daar zag ik mij omringd
door 12 leelijke vrouwen. Ik ontsnapte gelukkig en trachtte daarbij nog
een beetje mijn fatsoen te bewaren; doch de slavenkoopman kon maar
niet begrijpen, dat ik mijn keus niet had kunnen vinden..... Ik heb
hier in een Boekwinkel eens naar eene goedkoope editie van Uncle
Tom\'s Cabin
gevraagd. Het antwoord, mij met verontwaardiging gege-
ven, omdat ik er naar durfde vragen, was kortaf: „We hare it nol at all."
De werken van Stowe vonden in de Zuidelijke Staten geen opgang;
den 7 September 1850 schreef Fuhri, dat Dred een nieuw werk van
die schrijfster in het geheel niet naar Nieuw-Orleans in commissie ge-
zonden werd. Ook dit werk gaf Kruseman later in vertaling uit, zooals
zal blijken.
\' The llliislrated London News 11 Juli 1890 pag. 40.
-ocr page 234-
BEECHER STOWE, DE NEGEBHUT.                        221
150000 exemplaren verkocht \', het Engelsche Athe.naeum van den 1853.
21 Januari 1854 zou van een debiet van 450000 exemplaren in
Amerika spreken -. Die verbazende opgang gaf Kruseman aanlei-
ding het boek eens in te zien. Eenmaal met de lezing begon-
nen, las hij het \'s nachts aan één stuk door en vertoonde het
onmiddellijk den volgenden dag ter vertaling (19 Mei 1852).
Bijkans tegelijkertijd had liet ook de aandacht van andere uit-
gevers getrokken; na hem vertoonden ook P. N. van Kampen,
Otto Petri en Kemink en Zoon, het werk ter vertaling. Kru-
seman had echter de prioriteit van dit werk, dat zulk een
ontzaggelijken opgang zou maken.
„Sedert lang, schreef liet Weekblad voor den Boekhandel van
den 9 üctober 1852, is er geen boek geweest, dat bij zijne ver-
schijning in Engeland een zoo verbazend opzien heeft verwekt
en eeue zoo ontzaggelijk spoedige verspreiding heeft gevonden
als Uucle Torns Cabin, or Negro life in America, van de
Amerikaausche schrijfster Harriet Beecher Stowe, hetwelk voor
eenige maanden in Boston verscheen, sedert dien tijd 20 druk-
ken beleefde, der schrijfster tot 10,000 Dollars opbragt, en in
Engeland veelvuldig is nagedrukt. Het boek is een negerroman,
vol gloeijende en deels meesterlijke Tafereelen uit het slavenleven.
„De buitengewoon spoedige verspreiding van dit boek is een
opmerkenswaardig teeken des tijds, en bewijst dat de abolitio-
nistische partij in Amerika d. i. die, welke voor de geheelc
afschaffing van het slavenleven ijvert, als de vallende sneeuw-
klomp aangroeit. Wij zullen het voor de kritiek overlaten, een
oordeel te vellen over de waarde van dit werk, als de Neder-
duitsche vertaling die gelijk wij meeiieu door den Heer Kru-
seman zal worden uitgegeven, het licht ziet. Wij willen hier
slechts kortelijk het lot van dit boek op Engelschen bodem
ondervonden, verhalen. Tegen het einde van April dezes jaars
werd een Exemplaar van het kort te voren in Amerika uitge-
geven boek naar Londen gezonden en den Boekhandelaar Gil-
pin tot de uitgave aangeboden. Deze wees het echter af, en de
1    The Edinburgh Review vol. Cl (April 1855) pag. 294 vlg.
2    Geciteerd in Weekblad voor den lioekliawlel 14 Februari 1854.
-ocr page 235-
XJiii                         BEECHER 8TOWE, DE NEGERHUT.
iar«3. Heeren Clarke en Comp. kochten het Engelsche kopijregt door
tusschenkomst van den Heer Vizetelli. Deze laatste had een
deel der Amerikaansche uitgave mede naar huis genomen om
te lezen, terwijl hij liet tweede deel aan den drukker Salisbury
leende om ook diens oordeel te vernemen; deze verhaalt liet
volgende: „Tot 4 ure in den ochtend zat ik geheel verdiept
„in de lezing van dit werk. Ik weende en lachte daarbij afwis-
„selend, en het was mij niet mogelijk het boek ter zijde te
„leggen. Ik dacht echter dat hierbij de; oorzaak meer in mijne
„eigene opgewondenheid dan in de verdiensten van de Schrijfster
„lag. Ik wekte derhalve mijne vrouw (iemand van een tamelijk
„sterk zenuwgestel) en gaf ook haar het boek te lezen; maar
„toen ook zij daarbij geheel het slapen vergat en, zoowel als
„ik, dan lachte en dan weende, toen was ik verzekerd dat men
„de uitgave van dit. boek niet gerustheid kon wagen. Reeds de
„daarop volgende week waren 5(100 Exempl. gereed, maar de
„verkoop ging niettegenstaande vele aankondigingen slechts zeer
„langzaam voort. Eerst in .luiiij begon het boek meer gezocht
„te worden \' en reeds in Julij verkochten wij daarvan wekelijks
„duizend Exemplaren. In Augustus vermeerderde de aanvraag
„zoodanig, dat wij van den 20c" af daaraan niet meer gereedc-
„lijk konden voldoen. Wij hebben tegenwoordig 400 menschen,
„17 snelpersen, en eene menigte hand persen daarvoor in het
„werk, en tot heden werden de volgende quantiteiten afgezet:
„van de geïllustreerde uitgave a 7 sh. 6 d. (/4,50) 5000 Ex.;
„van de eerste uitgave h SJ sh. 0 d. 1,50) .\'50,000; van de zoo-
genaamde spoorweg-uitgave ti 1 sh. (,/\'0,(i0) 95,000; en van de
„peiiny-edition (stuiversuitgave) in afleveringen •\'50,000 wekelijks,
„zoodat er reeds 150,000 Ex. in de handen van het Engelsch
„publiek zijn en daarenboven 100,000 Ex. a (i d. (ƒ0,30)
„aan de verschillende Couranten-dejiots werden afgestaan". Tot
zoover dit berigt van den Uitgever, die zijne uitgave de; eenig
regtmatige noemt, hetgeen echter volstrekt niet heeft belet,
dat het boek ook door verschillende andere Uitgevers in Lon-
den is gedrukt en verkocht geworden, züodat de Heeren
\' Kruseman had liet reeds in de vorige maand laten aanteekenen.
-ocr page 236-
BEECHER STOWE, DE NEGEttHUT.                         223
Clarke & Comp. zich waarschijnlijk van hun regt niet genoeg- ik>3.
saam verzekerd hadden. Het debiet van het Boek is nog altijd
vooruitgaande en het is ecu waarlijk merkwaardig gezigt, dat
sommige Boekwinkels dezer dagen in Londen opleveren, waar
Unele Toto\'s Cabin in de wiiikelkastcu zijn opgehoopt even als
het versche brood bij den bakker" \'.
Tegenover dergelijke cijfers schijnt het debiet van Kruse-
man\'s uitgaaf niet veel te beteekenen. Maar denkt inen aan
het betrekkelijk beperkt gebied, dat een bock in de Neder-
landsche taal uitteraard moet hebben, dan rijzen die cijfers
weer in onze appreciatie. In November 1852 verscheen de
eerste aflevering2 bij Krnseinan; in februari daaraanvolgende
kwam de eerste oplaag van De negerhnt {Uncle Touis (\'abin.)
Ken verhaal uit het slavenleven in Noord-Amerika, door
ITar-
riët Beecher Stowe. Naar den ~0\'\'H Amerikaanêchen druk. Uit
het Kngelsch vertaald door
C. M. Mensing, in groot octavo
in 2 deelen niet 1100 cxeniplarcn gereed (_/\'7.20); de 2C en
3e druk, minkostbare uitgaaf in klein octavo niet een oplaag
van 2100 exemplaren (ƒ2.00)3, verscheen in April. Zoo groot
was de vraag naar dit boek, dat van deze goedkoope uitgaaf
het eerste deeltje reeds uitverkocht was voor het verschijnen
van het tweede. „De aanvragen zijn zoo boven verwachting veel,
adverteerde Kruseman *, dat ik eenig geduld moet verzoeken
in het afleveren. De oplage van het tweede Deeltje heb ik
vergroot; het eerste wordt reeds herdrukt met den grootsten,
1 Vgl. met (leze cijfers het debiet in Duitschland van Freytag. Soll
und Haben,
Stolle. J8J3 en Hauff\'. Lichtenstein, medegedeeld in Nieuivs-
blad voor den Boekhandel
7 April 1859.
1 „Uncle Tom\'s Cabin is in Amerika en Engeland letterlijk het Boek
van den dag, ieder Grooten of Geringen spreekt over Uncle Tom\'s Ga-
bin.
In Engeland werden binnen drie maanden 150000 Exemplaren
verkocht en de eene Uitgave verdringt er de andere. Omtrent den ver-
bazenden opgang van dit werk, leze men het Blaadje: De Geschiedenis
van dit Boek,
dat bij de eerste aflevering verzonden is en dat tevens
tot Prospectus dient." (Advertentie in Haarlemsche Courant S Novem-
ber 1852.) — Bedoeld prospectus heb ik niet gezien.
3 De eerste klein octavo druk verscheen te gelijker tijd niet een
portret van Mevr. Stowe door C. W. Mieling.
* Advertentie in Haarlemsche Courant 29 April 1853.
-ocr page 237-
224.
BEECHKB STOWE, DE NEGERIIDT.
1853. maar ook naauwkeurigsten spoed." Ituiin een week later was
liet eerste deeltje opnieuw verkrijgbaar\'. Die groote oplaag
was oj) haar beurt spoedig uitverkocht en werd in Augustus
gevolgd door een volksuitgave in klein octavo, op de wijze
van de Engelsche Shilling-editie niet 0000 exemplaren - en
een tweede druk daarvan in December daaraanvolgende met
51)00 exemplaren (beide /\'0.90) 3. De negerhut werd in één
jaar in vier drukken, waarvan één met een oplaag van (iOOO
exemplaren uitverkocht; Kruseman had een uitgaat\', nog zonder
voorbeeld in ons land, gegeven en telt men de restanten
mee, — en dat mag, daar ook die later weer hun weg zouden
vinden 4 — dan heeft hij 14200 exemplaren, een respectabel
getal, van dit werk verspreid en er veel toe; bijgedragen, de
anti-slavernijbeweging ook hier te lande wakker te houden. Het
was dan ook niet te verwonderen, dat Ter Haar aan dit ge-
ruchtmakende werk zijn stof ontleende voor zijn Huizo1» vlugts.
Voor de schrijfster was het niets anders als streelend, dat
haar arbeid ook hier te lande zulk een sympathie ondervond
en, toen Kruseman haar van de vertaling een exemplaar aan-
bood, gaf zij daarvan met een kort woord blijk.
1 t. a. p. 7 Mei 1853.
1 Van deze volksuitgave, die zoowel iloor vorm als door prijs eene
uitgave voor het algemeen moest zijn, bood hij nog voor het verschijnen
tien exemplaren aan het Hoofdbestuur van de Maatschappij tot Nut van
\'t Algemeen aan, opdat dat lichaam die onderneming mocht onderateu-
nen en bij al haar leden zou aanbevelen.
3 In de circulaire dd. November 1853, waarin Krusenian van het
a.s. verschijnen van deze tweede editie der volksuitgaaf kennis gaf,
staat: „Op verlangen van velen evenwel zal ik die op tweeërlei wijze
verkrijgbaar stellen, en wel 1°: evenals de vorige, gekartonneêrd voor
/\'—.70 verk. ƒ—.90; en 2°: met in staal gegraveerd Vignet en Titel en
gebonden in keurig heel linnen band niet vergulde stempels, voor f 1.10
verk. /\' 1.50." In hoever aan dit voornemen gevolg gegeven is, weet
ik niet. Een advertentie in de Haarlemache Courant van den (J Deeem-
ber 1853 doet vermoeden, dat die gebonden editie verschenen is.
* Op de fondsveiling van 1857 ging dit artikel over aan J. C. de
Buisonjé, die \'t kort daarna overdeed aan J. F. K. Schwaebe. (Nieuws-
blml voor den Boekhandel
5 November 1857.)
\'" In Aurora voor JS/ii blz. 1.
-ocr page 238-
!>25
«EECHEU SÏOWK, DE NEGERHUT.
&yi <&c*.^ /&
I8.-.3.
-*^y £>----^y/^
Ï-
^
/"
j^zr
2~
t
y-
--ï—
0
15
-ocr page 239-
220
BKECHER STOWK, DB NEGEBHÜT.
18T>:!
CZ^^^-s^-*-,
-<-
"7
<^r^2^/^
*A/ J^
Het boek, een kostelijk hoek \', dat Sam Jan zon honden
voor een studieboek en een werk naast den Bijbel \'-, maakte
evenals overal elders ook hier te lande opzien; liet werd druk
verkocht, zóo zelfs dat er een oogenblik aan gedacht werd samen
met Gebhard een geïllustreerde editie uit te geven; het had een
levendig vertier, tot voordeel en gewin van den uitgever, die
er ongeveer ,/\'9000 aan verdiende, een waarlijk niet gering
fortuintje. Krusernan begreep dan ook het getij niet te mogen
laten verloopen en dat het zaak was hoe eer hoe beter A key
to Uncle Turn\'» Cabin ; presenting the original f acts and doeu-
ments, upon which the story is fomtded. Together wit// corro-
borative statements verifying the trnth of the ivork,
een vervolg
van De negerhut en dat tevens een sleutel moest zijn tot de
romantische inkleeding van dat werk, te kunnen dehiteeren.
Door tusschenkowst van ütto Petri te Rotterdam wist hij zich
den 2(5 Maart 1853 van het vertalingsrecht te verzekeren;
Brief van Lindo, 20 November 1852.
Brief van Van den Bergh, 1 Maart 185ÏJ.
-ocr page 240-
BEKCHKIt 8TOWE, DE NEGERHUT.                        227
liet werk werd, om geen tijd te verliezen, ter vertaling ver- i«."i3.
deeld onder Mensing, Van don Bergh, De Kanter en Rietstap, en
over di\' Haagschc drukkerijen van Bakels, Belinfautc en Giunta
d\'Albani. Een maand later word liet eerste deel verzonden en
elf weken later was De slavernij door llnrriüt Beecher Stowe.
Vervolg en sleutel op De neger\'hut eau dezelfde schrijfster ,
een boek van 45 i vel geheel vertaald, gedrukt en verzonden.
In weerwil van de hooge belangrijkheid van dit werk voor de
bezitters van De negerhut was het debiet aanmerkelijk minder:
ruim 60Ü exemplaren werden er gedebiteerd.
Evenals elders maakte ook hier te lande deze Anierikaanselie
slavenroman een buitengewoon grooten opgang; ook andere uit-
gevers brachten Stowe\'s werken in Nederlandsch gewaad in de
wereld. Tjeenk Willink te Zwolle, Van Draten en Bleeker te
Sneek, Höveker, Van Kampen, Kirberger, Wed. Ij. van Hulst, &
Zoon te Amsterdam, legden haar werken ter perse. N. de Zwaan
verzond „ten gebruike bij de twee eerste editiön van de Ilolland-
sche Uitgave", kort na het verschijnen der klein octavo uitgaat\',
een Album platen uit De neger/tul: bij de inuzijkale correspon-
dentie verscheen in April 1853 een Uncle Tom\'s Galop door
llevius -; Meijer te Amsterdam gat\' voor I 854 een Uncle Totns
\\_plalc]almanak
:! uit. Nederland met de geheele wereld \' was
1    „Dit\' hoogst belangrijke Boek wordt bewerkt met al den spoed, die
met de naanwkeuriijsle zorg bestaanbaar is en zal bier te lande ver-
krijgbaar zijn voor |dat| bet publiek welligt zich niet eenige verminkte
Fransclie Vertaling tevreden stelt." (Advertentie in I/aarlemsche Cou-
ranl
13 April 1853.)
2    Advertentie inHaarlemschc Courant <! Mei 1853. — „Rome eischt
van zijne volgelingen, dat zij „De Negerhut" niet zullen lezen, terwijl
het in Frankrijk een kerkelijk geijkten Oom Toni laat fabriceeren; en
de ligtzinnige wereld danst een Urn le-Toins-polka of galop. 0 dwaas-
heid der dwaasheden! Unele Tom.... en een galop!!" {Christelijk Al-
bum.
1854 blz. 310).
Nieuwsblad voor den Boekhandel 27 Oetober 1853.
* The Edinburgh Review (vol. Cl. April 1855 blz. 29-1) zegt, dat
voor het einde van 1852 het werk overgebracht was in liet Italiaanseb,
Spaansch, Deensch, Zweedsch, Nederlandsch, Vlaamsch, Hoogduitsch
(12 verschillende vertalingen), Poolsch en Magyaarsch. In Frankrijk
had de uitgever Eustace Barba het in 5 edities verspreid.
15*
-ocr page 241-
228                      BEECHEB STOWE, DE NEGEBItUT.
ix:>:t. vervuld van het lijden, dat in Amerika plaats had, zoozeer, dat
De neger hut zelfs in de kinderkamer geen onbekende meer
was \'. Te verwonderen is dat niet, daar de groote opgang van
De negerhut een weerklank vond in het debiet van het kin-
derwerkje Ken kijkje in de hul van Oom Tom., door Tante
Marie, voor haar neefjes eu nichtjes,
dat Van Druten en
Bleeker in April 1S5.\'5 uitgaven en, getuige de verschillende
drukken, eveneens een goed debiet vond.
Na dezen grooten opgang bij het verschijnen volgde een paar
jaar van rust; in 1856 werden slechts 150 exemplaren, van
Januari tot September 1*57 niet meer dan 1:34 exemplaren
nagevraagd.
In bezit van anderen zou zulks veranderen; een nieuw geslacht
van lezers was opgekomen. In 1863 bezorgde Brinkman nog een
nieuwen druk en wel met het meeste succes; de 1090 restant-exem-
plaren van de verschillende editiën, die in 1*57 door Kruseman
verkocht waren, hadden hun weg gevonden. „Bijzonder opmcr-
kelijk mag \'t wel heeten, schreef\' Funke in zijn jaaroverzicht in
het Nieuwsblad, dat van Stowe\'s Negerhut in 1868, zóó ver
hors de saison, nog een (ie druk een meer dan gewoon
debiet vond, nadat meer dan ] 2,000 exemplaren der vorige
vijf Hollandsche drukken meerendeels stuk gelezen waren. Waar
zulke feiten spreken, verwondert het niemand dat Fred. Bre-
mer dit boek het ideaal van een roman achtte" 2.
Binnen enkele jaren was bij Brinkman ook deze oplaag uitver-
kocht. In 1874 en 1879 verschenen bij hem nieuwe oplagen, van
8800 exemplaren ieder, telkens met zes gekleurde steendrukplaten
van Trap te Leiden. Zes jaar later, in April 1885 deed Brinkman
een 9\'" druk als volksuitgaaf het licht zien, thans met 8 houtsneden
door J. Walter3 naar Joh. Braakensick. Kostte deze volksuitgaaf,
1 Althans in het kinderwerkje Be mensch en de natuur. Een on-
derhoudend lees- en leerboek voor de Nederlandsche jeugd,
in 1855
door Fuhri uitgegeven, wordt (blz. 121) De negerhut als een hekend
hoek in die kleine wereld heschouwd. — Als schrijver van A he\\j
wordt daar genoemd de kwaker Isaak Hopper.
* Nieuwsblad roor dan Boekhandel 18 Maart 1809.
" Over Walter en zijn beteckenis voor de artistieke houtgraveer-
-ocr page 242-
BBECHER STOWE, DE NEGERHUT.                        229
die een oplaag had van 9000 exemplaren ƒ 1.80 en gebonden 1853
,/\'2.25, tegen f 1.80 waarop de vorige vier drukken voor ge-
bonden exemplaren geprijst waren, liet volgend jaar in Decem-
ber 18S(5 moest een nieuwe volksuitgaaf als tiende druk ver-
schijnen tegen het geringe bedrag van f 0.65. Van de 30000
exemplaren, waarin deze editie was opgelegd, waren vier jaar
later nog 242 1 exemplaren\' over, toen dit restant in de fonds-
veiling van den 25 November 1890 overging voor ƒ2888.95
aan Gebrs. E. & M. Gohen.
In 1S92 was dit restant op zijn beurt uitverkocht.
Naast een groote imperiaal-octavo editie met 200 platen in de
door Ds. Adama van Scheltema herziene vertaling van Mensiug
met een oplaag van 5000 exemplaren, die de Gebrs. Cohen in
1892 en 1893 in afleveringen gaven, verscheen nog bij hen
in het begin van 1893 een herdruk van de goedkoope editie
(/\'0.75, gebonden f 1.10) met 70 platen getrokken uit de
groote imperiaal-editie en met de platen van Braakensiek. T)e
oplaag van deze editie was in het einde van 1895 alweer ge-
heel uitverkocht en werd kort daarop gevolgd door weer een
even groote oplaag van 5000 exemplaren, welke thans zoover
verminderd is, dat, naar ik uit goede bron verneem, in 1898
opnieuw een oplaag van 5000 exemplaren gereed gemaakt
zal worden.
Door Kruseman waren 14200 exemplaren van De neger hut
verspreid; zelf debiteerde de firma G. L. Brinkman er nog
42500 en de Gebrs. Gohen brachten er nog ongeveer 15000
in omloop.
Is het niet een opmerkelijk verschijnsel, dat van een ver-
taalden roman in ruim veertig jaar bijna 72000 exemplaren ge-,
debiteerd werden, en dat nog wel, terwijl onder een zeker deel
der bevolking het boek als geplaatst op den index geen afzet
kon hebben \'? Moge de stand der lezers vau De negerhut in
kunst hier te lande vooral te lezen zijn necrologie in Eiaen Haard.
1895 blz. \'270.
1 Vgl. C. S. Adama van Sclieltcma. Harriet Beecher Stowe, in de
lijst van haar lijd.
Gouda (189G) blz. 19. — Zie ook blz. 227 noot 2.
-ocr page 243-
231)                      DA COSTA, POLITIEKE 1\'OEZY.
1853. het algemeen gesproken, thans een andere zijn als die van een
veertig jaar geleden, luit voortdurend debiet ervan bewijst beter
dan iets anders de waarde van het werk, niet alleen als feudenz
roman, maar voor alles als een geschrift van een hoog ernstige
strekking.
Van Zeggelen verrijkte in April ] >>5-ï Kruscman\'s fonds
met zijn Vrolijke, schetsen, thans een zeer zeldzaam bundeltje.
In Augustus verscheen de Proza en poëzg van llelvetius van
den Bergh, een vermeerderde herdruk van zijn .verspreide
stukjes in rijm en onrijm, waarvan hij de uitgave aan Kruse-
man had voorgesteld met den wensch, dat dit goed zou mogen
maken wat De Nichten Kruseinan te kort hadden gedaan; veer-
tien dagen later en in December volgden twee bundels van Da
Costa: Eschglus dramatische dichtst ukken: de Perzen en Pro-
metheus
\' en zijn zoogenaamde Politieke poezy, het eerste; een
herdruk vau de uitgaaf van 1816 en I SJJO, waarvan Kruseman
het kopyrechl in 1S15 uit het fonds van J. H. den Ouden ge-
kocht had, liet tweede een nieuwe uitgaat\' o. a. van de Wach-
ter
en de Vijf en twintig jaren. Veel meer leverde het jaar
]>53 niet op, ware het niet dat De uegerhut Kruseman\'s
naam weer luid had doen schallen in Nederland en dat nog
enkele namen van Haarlemmers een plaats zouden komen in-
\' „De vertaling van Escltylu» van Mr. I. da Costa zou zeker in
dienzclfden vorm |van de lliiili\'iiliiiitlsvlu\' lil/tunieken] zijn gebragt, in-
dien \'t niet eigenaardiger geweest ware, dat al de werken van den
Dichter, die l>ij mij zijn uitgekomen, hetzelfde, formaat hadden, en de
Eschylus daardoor een vervolg moest zijn op 31 r. I. da Costa\'s werken.
(Brief van Kruseman aan Van \'s (Jravenweert 27 September lsf>,\'}.)
Uit het voorbericht blijkt, dat Da Costa dezen herdruk in liet licht
gaf op verzoek van Kruseman. Da Costa\'s eerste denkbeeld in dezen her-
druk tevens verbeteringen aan te brengen, bleek hem onuitvoerbaar;
hij gaf een zoo goed als onveranderde nieuwe uitgaaf. Aan het einde
van den bundel plaatste hij een fragment uit De Perzen als Proeve van
overiverkiiig
om te laten zien, hoe hij in tegenstelling met zijn arbeid
uit 1816 en 1820 thans dien arbeid opgevat zou hebben en hoe hij zich
daarbij in elk geval in beginsel nader aan de letter van het oorspron-
kelijke gehouden zou hebben.
-ocr page 244-
2>il
BELYDÉNISVEÏH EID.
nemen in het fonds, van Haarlemmers, die voor den uitgever
en voor den persoon van Kruseman oen gansch bijzondere be-
teekenis zouden krijgen en in Nederland zulk een eerste plaats
zouden innemen: Logeman met zijn Beginselen der werktuig-
kennis,
op verzoek van Kruseman geschreven, Lubach met zijn
Wonderen van den dag, een geschrift gericht tegen den tafel-
dans en de klopgeesten, I5uijs met zijn De verordening op
veer- en benrtschepen,
geschreven op verzoek van vV. L. Dyse-
rinck, als lid van de Haarleinsche Kamer van Koophandel, en
zelf als handelsman een groot tegenstander van de toen vigee-
rende regeling der veeren en beurten, Busken Iluet met zijn
vertaling van Eeuss\' Geschiedenis der Christelijke godgeleerd-
heid gedurende het Apostolisch tijdvak
\', waarin hij naar het
oordeel van K[uene]n 2, die hij dit werk een voorrede schreef,
een onleesbare spelling volgde en zijn Belgdenisvrjjheid. Ken
straf geding in Pr nissen. Uit het If oogduifsch vertaald.
Een kleine drukkersgeschiedenis verbindt zich aan dit laat-
ste boekje. Drukfouten, wie kent ze niet, die kleine, geniepige
kwelgeesten, die den auteur soms gansch iels anders doen zeg-
gen als hij wil? „Ze zijn er eer men \'t vermoedt en ze blijven
er ondanks het ernstigste verzet. Meent men in goede trouw
ze uitgeroeid te hebben in de laatste; en nog eens laatste revi-
sie — als daar een blad ligt afgedrukt, pronken zij er in haar
kwaadaardige glorie, grijnzend alsof ze ons wilden toesnaau-
wen: „Ziet ge wel, dat ik er tóch sta?" 3 Een gesprek, dat Kra-
1    Het eerste stuk van Reuss wordt als verschenen reeds vermeld in
de Haarlemsche Courant van den 26 Februari 1853. De beide deelen
verschenen eerst compleet iu 1854 en 1855 volgens de exemplaren in
Kruseman\'s Archief, terwijl Brinkman\'s Alphabetische naamlijst alleen
het jaar 1855 noemt. Daarentegen wordt het tweede stuk als verschonen
reeds vermeld in het Weekblad voor den Boekhandel van den 1 Octo-
ber 1853.
2    Algemeene komt- en letterbode 1854 blz. 145. — Naber hielp
Huet in het corrigeeren der drukproeven. (Naber. Vier tijdgenooten.
Haarl. 1894 blz. 13).
3    Brief van Kruseman aan Potgieter 11 November 1874. — Ook in
de Bouwstoffen, (Dl. I blz. 402) vermeldt Kruseman dit voorval. Deze
vergissing in een naamval echter te bestempelen als drukfout, acht ik
-ocr page 245-
M-Z
ED. DOUWES DEKKER.
is». Beman hierover had met lluet, IJuijs en Naber, deed lien be-
sluiten om met dit kleine geschrift eens de proef te nemen
om het zonder een enkele drukfout in de wereld te sturen;
alle vier namen correctie en revisie op zich. Na liet afdrukken
bleek, dat op de laatste pagina aan het einde stond: „Daar-
voor allermeest beware ons den Memel!" ])e drukker had bij
ongeluk dezen regel in pastei laten vallen en onder het herstel-
len deze fout begaan.
Nog was er in dit jaar over andere uitgaven onderhandeld.
Om den persoon die het voorstel deed, dient hier genoemd
te worden Douwes Dekker, liet was nog uit zijn Amsterdain-
schen tijd, dat Kruseman den latereu schrijver van de Max
Havelaar
kende en reeds in 1S51 had Dekker hem uit Menado
een tooneelspel ter beoordeeling gezonden \'. Hij zijn verblijf
in Nederland in 1853 kwam hij bij Kruseman logeereu en
raadpleegde hem over zijn De eerlooze 2. Schoon Kruseman
voor dit werk niet gansch en al ongevoelig was, ondernam hij
de uitgaaf daarvan niet, want de handelingen, die Dekker zich
ten huize van zijn gastheer veroorloofde, waren oorzaak, dat
Kruseman hem in de letterlijke beteekenis van het woord op
straat zette en zich voornam nimmer weer met hem in aanra-
king te komen 3. Nadere bijzonderheden over zijn relatie in
te ver gezocht, Jaar ons woord drukfout veeleer dezelfde beteekenis
heeft als liet Pransche coquille.
1 Brieven rau Multatuli. Vervolg. Eerste periode JSiO—J859. Amst.
(ÏS\'.H) blz. 12-1 en 155.
\' t. a. p. blz. 1(11.
:\' Vgl. Briefen van Mullaluli 4801—.180.1. Amst. 1892 blz. 43. —
In April 1867 schreef Kruseman o. a. aan Potgieter, toen hij met be-
droevenden uitslag te Haarlem geld poogde te zamelen voor Mevr.
Dekker: „Ik heb hier gepwgd wat ik kon: helaas vruchteloos. Bij een
tiental vermogende menschen heb ik persoonlijk aangeklopt; maar alle
inspanning en goede woorden stuit af op de moreele persoonlijkheid van
Dekker, die alles behalve strookt met de conventie omtrent het geijkte
fatsoen. Ook bij [.■.......| is geen heil te vinden, zoolang Mevr. Pok-
ker toegeeft aan „haar caprice" om den man te blijven aanhangen, die
haar en hare kinderen overlaat aan gebrek, of aan particuliere welda-
digheid. Iets is daarvan aan. Maar een beetje appreciatie, een beetje
-ocr page 246-
2.33
WEST-INDIE.
dezen tijd met Dekker, die nog zelfs in 1891 hoogst oiiaan- t853.
gename gevolgen voor Kruseman en onrechtvaardige beoordee-
lingen van zijn i)ersoon had, blijven hier achterwege.
En in de tweede plaats zij vermeld, dat in üctober me-
vrouw Aran Calcar geboren Schiötliug met het plan kwam een
tijdschrift uit te geven voor vrouwen, geschreven door vrouwen.
De voorwaarden waren Kruseman niet aannemelijk, terwijl
hij daarbij weinig sympathie gevoelde voor een tijdschrift
voor vrouwen. „Zeer zeker, antwoordde hij den 6 October
1S5.*3, ontleent onze hedendaagsche vaderlandsche letterkunde
een hoogen glans aan de vrouwen, die het goede en schoone
beoefenen in den vorm der taal, [maar] evenmin als ik eenige
voorliefde: zou gevoelen voor een belletristisch tijdschrift
geschreven alleen door domino\'s of advocaten, evenmin lokt
mij een letteroogst aan, die alleen door vrouwen gezameld
is, hoe geëerd en hooggevierd haar namen ook zijn mogen."
Voorloopig bleef het daarbij. Maar mevr. van Calcar rustte
niet voor dat zij haar plan door Kruseman verwezenlijkt zag.
Tijd en toekomst zou het leeren, hoe Kruseman\'s inzichten
maar al te juist zouden blijken te zijn.
Anders ging het met Ds. Van Schaick. In 1852 was deze
vertrokken naar Paramaribo en reeds het volgend jaar vormde
hij daar het plan met Mr. II. 0. Focke, Dr. Ch. Landré, Jhr.
C. A. van Sypesteijn, le luitenant bij de artillerie en E. A. C.
Dumontier, ofticier van gezondheid 2e klasse, een Surinaamsch
Tijdschrift uit te geven. Geen gewin, behalve present-exempla-
ren, maar ook geen schade stond bij hen op den voorgrond en
medelijden is toch zoo heel véél niet gevraagd voor een vrouw die haar
man aanhangt en gebrek lijdt! Vraag geld voor een orthodoxen huiche-
laar — en \'t stroomt u om Gods wil toe; vraag het ten behoeve van
een kampioen voor de snerpende waarheid ■— \'t wordt u om Gods wil
hotaf geweigerd. — Ik heb bedroevende visites gebragt en mij geschaamd
dat ik zwak genoeg was mij niet boos te toonen. Evenwel — Dekker
is geen heilig boontje, voor wien men met een staal voorhoofd in de
bres kan staan. Dat is óók waar."
-ocr page 247-
234
WKST-INDIK.
op\' die voorwaarde stelde hij Kruseman de uitgave voor\'. In
goed vertrouwen op zijn ouden vriend Van Schaick waagde
hij een jaar de uitgave van West-Indie. Bijdragen tul de be-
vorderiug van de kennis d?r Nederlandse/ie West-Indische kolo-
uiiiu,
waarvan de typographische uitvoering en de correctie
geheel ten laste van Kruseman kwam. Dat hij zich niet bedroog
in zijn goed vertrouwen op Surinaainsch debiet 2 bewees de
uitkomst; de eerste allevering vond reeds dadelijk een gunstig
onthaal bij de critiek \'\', zoodat, daar het publiek met dat oor-
deel incdegiiig,- de uitgaaf voortgang had en er in liet geheel
twee deelcn (laatste deel in December 1857)4 verschenen, die
een aardig voordcel opleverden aan den uitgever. „Zoo is me
nog nooit een kopv in huis gegooid" was het antwoord dat
hij den 2(1 November 1853 aan Van Schaick gal\',. . . . Ook, ik
ben Goddank! geen speculant alleen, maar daar loopt ook een
droppeltjc Helde voor de wetenschap en literatuur door mijn
bloed"; dat toegeven aan zijn eigen lust, deed voordeel aan
den uitgever.
Dij het verschijnen van de eerste aflevering van den tweeden
jaargang gaf 1\'. M. N[etscher] een recensie in de Algemeene
konxl- en letterbode
°, waarvan ik de beide eerste alinea\'s
hier nog overneem, omdat zij gegevens behelzen over dit tijd-
schrift, welke ik elders niet vond.
„Op blz. .\'503 van onzen jaargang 1 S54, kondigden wij de
eerste allevering van dit, als toen nieuw opgerigte tijdschrift
aan en wel op niet zeer gunstige wijze. Wij gevoelen ons
beden om der waarheidswille genoopt, op dit naar aanleiding
\' Brief van Van Schaick 20 October 1853.
„Suriname moet zich kordaat houden, hier te lande zie ik geen
kans er tien van te verkoopen. Och verfrisch me toch spoedig met liet
bericht, dat ik een goede 300 inteekenaren hel» en daarop kan voort-
gaan", schreef\' Kruseman den 2 Augustus 1854 aan Van Schaick.
Vadeiiamteche letteroefeningen. 1855 1)1. 1 hlz. 255.
* li\\ 1855 had Van Schaick zich aan de redactie onttrokken; daar-
mcde was blijkbaar de band, die Kruseman als uitgever aan dit tijd-
schrift verbond, verbroken.
\'\' 1850. blz. 02.
-ocr page 248-
235
WEST-INDIB.
van die eerste aflevering uitgesproken oordeel terug te komen.
Vooreerst herinneren wij onzen lezers aan liet reeds on blz.
.-5i).\'5 van onzen jaargang I s5 1< vermelde berigt, dat al hetgeen
in die eerste aflevering voorkwam en wel bepaaldelijk een on-
belangrijk maar godsdienstig onverdraagzaam artikel over de
hervormde kerk in Suriname, daarin geplaatst was door den
predikant (\'. van Schaick, een der redacteuren, buiten weten
en geheel tegen den wil van de overige leden der redactie,
die zich allen in Suriname bevonden. De redactie heeft zulks
dadelijk bij advertentie in het Surinaamsclt weekblad publiek
gemaakt, en ten gevolge daarvan heeft de heer Van Schaick
gelukkig opgehouden lid der redactie te zijn.
„De drie volgende afleveringen van het eerste deel en de
eerste allevering van den jaargang 1 S5(i van „West-Indie"
beantwoordden volkomen aan het doel, dat de redactie zich
daarmede! voorgesteld heeft, „het verspreiden van meerdere
„kennis van de kolonie Suriname"."
Vergeleken met het vorige jaar is over L853 een vooruit-
gang in aantal, maar ook in gehalte der uitgaven op te nier-
ken. Indefessu» agenda. Tallooze brieven over allerlei boek-
haudelaars- en letterkundige aangelegenheden werden.gewisseld.
Onder de laatste is er één, dien ik hier wil afdrukken, liet
onderwerp staat wel is waar slechts zijdelings in verband niet
den persoon van Krusenian; de naam van den schrijver, en het
nog voor onze dagen actueele van het onderwerp moge echter
de opname wettigen. liet geldt de medewerking van Alberdingk
Tliijm als katholiek in letterkundige jaarboekjes zonder een
bepaalde godsdienstige kleur, maar die toch als de Aurora hun
debiet voornamelijk onder de protestanten hadden.
Door den schrijver was in de Aurora voor ./<S.\')J \' geplaatst
zijn Geertruide van Ooxleii, de historie van eene vroonie begijn
Blz. 1!);}. — Een herdruk, „met twee platen versierd door Ed.
Dujardin" verscheen.in 185."J bij C. L. van Langenhuysen te Amstcr-
dam. Op te merken valt liet verschil in interpretatie van den muziek-
tekst van Hel tiagltel in den Ooiten in beide uitgaven.
-ocr page 249-
2:36
J. A. ALBEB.DINGK THtJJI ION DB AURORA.
1853. uit de veertiende eeuw. „Wij begrijpen het niet, schreef De
Tijd
, hoe de lieer A. Thijm zoo iets aan Protestantsche
lezers, die liij weet, dat liet meereudeel uitmaken, kan opdis-
schen. . . . De eiseh zal toch niet te wreed zijn, als wij den
heer Thijm voor het vervolg verzoeken, veler smaak niet te
hinderen, door mededeeling van mirakelen.... De vraag rijst
natuurlijk op: hoc kan een helder hoofd in ongerijmdheden
en onmogelijkheid vrede vinden?" De redactie van de Aurora
uoodigde daarop Thijm niet uit ecu bijdrage voor den volgen-
den jaargang af te staan, vermoedelijk niet met goedvinden van
Kraseman, die maar al te goed moest begrijpen, hoe Thijm
als letterkundige te waardeeren viel. De uitgever niettemin
bood Thijm een exemplaar van den jaargang 1S51 aan, en
deze, die begreep, dat de wind niet woei van den kant_yau
Kruseman, legde hem openlijk en rond zijn meening bloot in
een allerbelangrijksten brief -.
l\'w aangenaam geschenk verraste en verheugde mij te
meer, naar ik tot\' meêwariger hoofdschudding en sehou-
derophaling was gestemd geworden door de Redaktie van
uw Jaarboekjen. Uit licht verklaarbaren eerbied voor het
woord der zich-noemende Protestantsche volksbladen, heeft
men mij, laf en onwaardig, ontweken, toen de uitnoodi-
gingen voor de Aurora gedaan zijn. Men meent, dat ik
in eene soort van ziekte vervallen ben, zoó, dat ik niets
anders dan pastoors en begijntjes beschrijven kan; en
daar is men bang voor, als voor den dood. Toen ik
Geer/ruide van Oosten in de Aurora had bijgedragen (een
stukjen, dat Gij de onpartijdige goedheid hadt met den
maatstaf der kunstsmaak, niet met dien der sekteantipa-
thiën te beoordeelen, en waarover Gij mij een vriendlijk
huldeblijk aanboodt), toen het Delftsch Begijntjen in de
waereld was — heb ik mijne vrienden Nepveu en Van
den Bergh om het hardst zien verbleeken. Ik heb ze ge-
1 1)1. XV. \'s-yravenh. 1852 bh. C8.
* 14 December 1853.
-ocr page 250-
237
.1. A. AT,BERUlN(iK TIIFJM KN 1)K AURORA.
rust gesteld, en gezegd, dat ik een volgenden keer geen ism.
begijntjen, maar misschien eens een modis/efjen behande-
len zou; maar de lleeren geloofden mij niet. „Mens van
die gevaarlijke begijnen — altijd, altijd begijnen, Gij
zult er niet in slagen II aan die manie te onttrekken."
ik heb geglimlacht; maar mij werd natuurlijk de deur
tot de Aurora voor LS54 gesloten, n Aurora mmis (unica\'1\'\'.
Gelukkig dat de muzen nog andere vrienden hebben, toe-
gaukelijker dan ditmaal mij de Aurora gebleken is; an-
ders was ik voor goed, door tle dichters van bet „gesloopt
wordend schip" en van „de twee moordenaars", buiten
het choor der negen zustertjens verstooten. Heer en vriend!
zand hierover! maar mij deert, dat de Hollandsche Bar-
bier
(volgends Potgieter) en de schrijver van bet Tioee-
geveeht
minder moed blijken te hebben dan eene tedere
vrouw; ik bedoel mevr. Bosboom, wier verzoek om toch
vooral niet op den bladwijzer van het Schoone en goede
voor 1854 te ontbreken, mij iu zeven bladzijden schrift,
met de eigenaardige gratie dier beminnelijke, hoewel dan
niet altoos even grondig historische romancière, gedaan werd.
Ziedaar, véél over niets. Maar ik kan geen lafheid
velen, en onrechtvaardigheid even min. Dat men een
„Gereformeerd Jaarboekjen" uitgeve — ik heb er niet
tegen, en zal niet vragen om mee te werken; maar op
het algemeen veld der Nederlandsche letteren, meen ik
la cape et Vépée op eerlijke wijze verworven te hebben,
en wensch daarvoor erkend te worden.
Ik geef u een bewijs van vertrouwen. Ik heb noch
Xepveu noch Van den Bergh de eer willen doen bun te
zeggen, hoezeer zij mij uit de hand zijn gevallen; maar
ik wil toch, dat Gij het «eten zult.
De menscben zijn ellendig zwak tegenwoordig. Jager
ontziet zich niet den Almanak van het schoone en goede
te adverteeren in — De Fakkel, De Fakkel die ten vorigen
jare mevr. Bosboom met de vuilste; smaadredenen heeft
vervolgd, omdat zij voortging mijne kollaboratie te vragen.
Nogmaals — dank voor uw presentexemplaar. Ik stel
-ocr page 251-
23S                           VAN LENNEP, TWDKAAllT.
1854.                 mij aangename oogenblikken uit, de lezing vooi\\ Het iiiter-
lijk is smaakvol gedacht.
Ik geef V volle vrijheid, zoo (iij verkiest, Van den
Bergh te /.eggen, dat ik zijn gedrag ten mijnen opzichte
niet loijaal vind.
Niettemin zou de Aurora geen bijdragen van Thijm meer
te. lezen geven.
In het jaar 1854, waarin de eerste aflevering van Van
Schaick\'s tijdschrift verscheen, kwam ook de Tijdkaart eau de
geschiedenis de.i vaderlands
door Mr. J. van Lennep met
illustraties naar llochussen tot stand. Kriiseinan was op het
denkbeeld gekomen van deze kaart, door een tijdkaart van de
geschiedenis van Engeland, die hij op de Londensche wereld-
tentoonstelling in 185] gezien had, en dacht denkelijk ecu goed
debiet te zullen vinden bij de bezitters van Van Leimep\'s
Vaderlandsehe geschiedenis. Het eerste blad was reeds in De-
cember 1852 afgedrukt, in het belang van den Boekhandel
meende kriisemau de verzending niet te moeten doen in de laatste
maand van het jaar, maar liever te wachten tot de allereerste
dagen van 185-*} \', opdat deze kaart op de nieuwe jaarrekening
gesteld zou kunnen worden. Door een ongeluk aan een der
steenen 2, en door allerlei verdrietelijkheden, door nonchalance
van den bewerker, verscheen het tweede blad eerst in het
tweede halfjaar van LS54.
liet vermoeden van Van Lennep, dat „dat fraaie ding van
Van Stockum otis niet zal benadeelen" *, was juist. In weer-
1 Advertentie in Nieuwsblad voor den Boekhandel 1G December 1852.
* Advertentie in Weekblad voor dim Boekhandel 25 Juli 1854 en
in Nieuwsblad voor den Boekhandel 27 Juli 1854.
3 Brief van Van Lennep 20 Juli 1854. — Bedoeld wordt de Tijd-
rekenkundige kaart of tijdstroom der vaderlandsehe geschiedenis, van
de vroegste lijden tot
o/> heden, ten r/ebruike bij de Geschiedenis van
Noord-Nederland van Mr. J. van Lennep;
deze kaart was een navol-
ging van den Stroom der tijden van Strass. De titel afgedrukt in Brink-
nian\'s Naamlijst .1850—J860 blz. i(i)3 doet ten onrechte vermoeden, dat
deze kaart door Van Lennep saamgesteld is.
-ocr page 252-
BÜSKEN HUKT, GROEN KN UYP.                         2-\'39
wil van de hooge kosten van aanmaak \' (ƒ4078.63 voorde 2 ihv».
bladen) en van den daaruit voortvloeienden hoogen prijs (/4.40
voor elk blad), vond deze uitgaaf haar weg. Niet te vergeefs
had krnseinaii de hulp ingeroepen van den Minister van Ko-
louiën oin liet debiet in Xederlandseli-lndië te bevorderen; want
in Maart 1856 was een tweede oplaag gereed, getrokken van
geheel op nieuw gegraveerde steenen ~, die alleen f J (>•"} kostten.
I)e eerste uitgaaf van 1854 was Groen en rjfp door Thra-
sybulus, de eersteling van (\'oenraad Busken lluet, die hier onder
den aan een twee jaren vroeger verschenen werkje ontleenden titel\'!
een vermeerderden herdruk gaf van zijn opstellen uit den l,eirf-
scAen Stuchnteu-almanak.
„Wie is toch Thmsylmlus, vroeg
Burlage aan Kruseman, die ine een gek figuur laat maken
toen ik \'t uit had en de vrouw van de piano opstond om de
avondboterham te smeeren? Stellig een getrouwd man en va-
der — en zeker een goeije ook, of je kan op de lui niet meer
an." \' Een niet erg gunstig getuigenis, dat De Gids ■\' geheel
beaamde.
„De auteur heeft alzoo geen bewijs geleverd van kritiek te
bezitten, toen hij al deze opstellen herdrukken liet, wel toen
hij ze in zijn voorberigt den weinig vleijeudeu naam van
grollen schonk.... Wij moesten tot dusverre door een bajert
heenwroeten, waarin de ongelijksoortigste elementen dooreen
warrelen; wij moesten worstelen tegen wanbegrip, valsch ver-
nuft en onzin, gehuld in dikwerf zeer behagelijke vormen,
1    Vgl. advertentie in Nieuwsblad voor den Boekltandel 15 Maait 1850.
2    Vgl. Catalogus der fondsveiling 1857 blz. 2.\'!.
1 Jn de lfaarleoi.se/ie Courant van den 23 October 1852 kondigden de
öebr. Abrahams de uitgave aan van /?//\'/> en groen, uil de portefeuille
van Severinuti,
" Brief van Burlage 30 December 1852. — Burlage was iemand,
die vooral in zijn brieven wel eens wat zonderling was: ,,\'4ï Heb van
Burlage een curieuse brief ontvangen. Je hebt een avond noodig om
hem door te worstelen. Kegt dwaas! \'t Is of \'t hem in den bol gaat
schemeren." (Brief van Van Zeggelen <> November 1854).
\'- 1854. Dl. II blz. 495.
-ocr page 253-
240                         BUSKEN HUET, fittOEN EN RYP.
1834. zoodat het schiften van wezen en schijn soms niet weinig be-
moeijelijkt werd. Wij hebben thans evenwel den schrijver niet
langer hij zijne onbekookte redeneringen te volgen.....Eene
idee in al have deelen te beschouwen en in al hare conse-
quenties door te voeren, ligt buiten zijn bereik.... Aroor als
nog schijnt ons zijn scherts meer uit redenering dan uit de
opwelling zijns binnensten verkregen, schijnt zij meer aan dan
in hem, schijnt zij meer om den wille zijner lezers te be»
staan dan uit eigen zin en behoefte; daardoor is ze zoo dik-
werf gewrongen en valsch vernuftig."
Dat oordeel moest den auteur niet zeer aangenaam zijn.
„Wanneer ik, schreef lluet in October L854 aan Kruseman, na
vergelijking der geïnerimineerde plaatsen uit den tekst (het citaat
uit „Ken dispuut op reis" zonder ik gaarne uit: zooals hetjlaar
staat maakt het, dat beken ik, een mal tiguur) mijn oordcel over
de recensie moet formuleeren, zou ik wenschen haar een meng-
sel te noemen van grofheid, kwade trouw en incompetentie.
Wanneer ik zelf mijne gebreken niet beter kende dan deze
onbekende, zou het zaak zijn, dat ik voor immer de pen aan
de kapstok hang — althans in de veronderstelling dat pennen
hangen kunnen. Zooals de zaken nu staan, zullen we trachten
zonder Gids door de letterkundige wereld heen te sukkelen."
Zoo oordeelde de latere schrijver van de Litlerarische fan-
tasten en kritieken,
de man die zulk een gewichtig en belangrijk
aandeel zou hebben in de geschiedenis van De (iids zelve.
En het publiek:1 Het debiet was voldoende, schoon niet over-
matig groot; Kruseman zelf kwam er althans niet met schade
van af.
Een andere uitgaaf in dit jaar was de vertaling van Ho-
merus\' Ilias door Aan \'s Gravenweert, een herdruk, die opge-
nomen werd in de liuilenlandsche klassieken. Yeel is van die
vertolking zelve niet te zeggen, daar de eerste druk in 1818
verschenen was en zij dus tot een vroegere periode behoort.
Een geschil over het kopyrecht hield een tijdlang het opnieuw
ter ]>crse leggen tegen, van deze vertaling, „wier alexandrijnen
onze aandacht niet altijd gespannen houden, maar wier ver-
-ocr page 254-
241
HOMERUS, ILIAS.
diensten toch van dien aard zijn, dat ze niet enkel noch lieden -1854.
[1870] onze eenige vertaling van Homerus zijn, maar een
vijftiental jaren geleden onder Kruseman\'s klassieken herdrukt
werden" \'.
In het begin van 1853 was door Kruseinan een herdruk
van de Ilias en de Odyssea voorgesteld aan Van \'s Gravenweert,
die daartoe gereedelijk te vinden was. De veeljarige goede
verstandhouding, die deze echter met zijn uitgever Van der Hey
had gehad, deed het hem gewenscht voorkomen den toenmaligeu
firmant G. van der Hey met Kruseman\'s aanbod bekend te
maken; Van der Hey echter meende zich te moeten verzetten.
Eene bepaling in het contract voor de eerste uitgaaf gemaakt-,
deed hem beweren, dat eerst als die eerste oplaag geheel uit-
verkocht was, het recht, van eigendom aan den schrijver terug-
keerde. Het plan moest op deze onverzettelijke weigering tot
medewerking afspringen.
Kruseman kwam daarop in relatie met Mr. G. Dornseiffen,
die hem tot schadevergoeding een nieuwe vertaling van Ho-
merus in rijmelooze verzen of in een prozavertaling voorstelde.
Kiesch als altijd deelde Kruseman dit voorstel aan Van\'s G ra-
venweert mede, die zich met het plan zelve als letterkundige
onderneming niet ingenomen betoonde: „prozavertalingeu van
dichters zijn voor mij onleesbaar" 3 en hem liever raadde de
onderhandelingen met Van der Hey weder aan te knoopen \'\'
en te pogen de resteerende exemplaren tegen boekhandelaars-
prijs (/\' 545.44 voor de Ilias alleen) over te nemen. Maar ook dat
ging niet; de quaestie scheen ingewikkeld te zullen worden.
Dan eens schreef Kruseman aan Van der Hey: „in gemoede
1 Aldus Vosmaer, die toen zijn vertalingen van Homerus nog niet
geschreven had, in Da Nederlandsche Spectator 1870 blz. 154.
„De uitgave, aldus voortgaande staat de contractant ter eerster zijde
[Van \'s Gravenweert] aan den contractant ter anderer zijde [Van der
Hey] af het volledig recht van eigendom of zoogenaamd kopyrecht, doch
alleen voor den eersten druk en verder niet."
3    Brief van Van \'s Gravenweert 27 Juli 1853.
4    De, vertaling van Dornseiffen „in de oorspronkelijke versmaat ver-
taald" verscheen in 1855 bij Kemink en Zoon te Utrecht.
10
-ocr page 255-
242
HOMERUS, ILIAS.
18M. geef ik UEd. in bedenking, om van. uwentwege een herdruk
voor te stellen aan Z.Ed. [Van \'s Gravenweert], opdat de kopy
blijve, waar ze zoo lang geweest is" \'; dan weer aan Van
\'s Gravenweert: „om des vredes wille: indien UWH.G. een her-
druk wilt voorslaan aan de Heeren Van der Hey —- ik zal er
geen rouw van hebben, omdat ik liever een speculatie opoffer,
dan tweedragt te brengen waar ik die zou hebben kunnen
voorkomen. Ook wanneer UWH.G. mijne handelwijze eenig-
zins, zelfs in \'t minste onkiesch of te veroordeelen zou achten,
retireer ik mij ten volle en wil gaarne schuld bekennen, indien
ik ze onwillekeurig hebben mogt. Dat is opregt gemeend, zon-
der de minste arrière pensee" 1.
De gewenschte minnelijke oplossing werd niet gevonden.
Van \'s Gravenweert en Kruseman meenende, dat zij ten volle
in hun recht waren over de kopy buiten Van der Hey om te
beschikken, besloten de nieuwe uitgaaf te doen. Nieuwe ver-
wikkeling. De voorwaarden van den schrijver, die nog altijd
het kopyrecht van zijne vertaling bezat en daar geen volledigen
afstand van wilde doen, kon Kruseman niet aannemen: „[het]
is een bepaald personeel principe [van mij], schreef Kruseman
den 9 September 1853, dat ik geen werk ter perse heb gelegd
of wensch te leggen, hetwelk niet zonder eenige reserve mijn
geheel eigendom is. Bij het vrij uitgebreid fonds, dat ik mij
verzameld heb, heb ik dit beginsel gemeend bepaald te moeten
aannemen, opdat ik bij leven en sterven de beschikking zou
hebben over alles wat onder mijne administratie ligt, en mijne
erven of regtverkrijgenden na mijnen dood niet zouden verlegen
staan in een chaos van allerlei contracten en verrekeningen,
die zoo ligt aanleiding geven tot min of meer ernstige ver-
wikkelingen. Ik heb om die reden nooit eenig werk uitgegeven
voor rekening van den auteur, nooit voor halve winst, zelfs
niet voor honorarium bij herdruk. In het begin mijner zaken
moge ik een dergelijk plan hebben aangenomen, ik heb er mij
later bepaald van ontdaan. Zoo geef ik dus niets in het licht
Brief aan Van der Hey 12 Augustus 1853.
Brief aan Van \'s Gravenweert 19 Augustus 1853.
-ocr page 256-
243
HOMERUS, ILIAS.
of ik doe het na geheele liquidatie met den auteur." Mnar Van 1854.
\'s Gravenweert wilde zijn eigendomsrecht niet loslaten en. . . .
Kruseman boog zich uit een bijzonder gevoel van hoogachting
voor diens poëtischen arbeid \', liet het recht van herdruk aan
den auteur en betaald»! hein aan honorarium voor de Ilias
f
200.
Onderwijl begreep Van der Hey, dat hij met zijn restant
exemplaren achter het net zou moeten vissclieu; al de exem-
plaren van Van \'s Gravenweert\'s werken deed hij op de fonds-
veiling, die den 13 en 14 Octoher 1858 door Van Kesteren
gehouden werd; met uitzondering van één artikel kocht Kru-
seman ze daar aan voor ƒ\'160.40. In de eerste week vau Mei
1S54 A\'erscheen het eerste deel en in Augustus het tweede
deel van de Ilias in zijn nieuw gewaad, met een nieuw voor-
bericht, maar overigens bijkans geheel gelijk aan de eerste
uitgaaf. Van \'s Gravenweert, die lang niet vrij was van inge-
nomenheid met eigen arbeid, verheugde er zich in, dat uit die
nieuwe oplaag bleek, dat de arbeid zijner jeugd niet geheel
vergeten was -.
Het debiet was klein, maar in verloop van jaren dekte de
uitgaaf toch meer dan de kosten. Kruseman kon er dus ook
toe overgaan in 1860 aan Van \'s Gravenweert voor te stellen
thans te besluiten tot een herdruk van de Odi/ssea, waarover
in der tijd een dergelijk contract als over de Ilias met Van der
Hey gesloten was. Dat voorstel moest natuurlijk de eigenliefde
van den vertaler streden, die dan ook onmiddellijk op het
voorstel inging en te meer nog juichte hij het voorstel toe,
omdat hij oordeelde, dat Homerus\' werk in vele gevallen een
meesterlijk klassiek werk was, „dat bij terugkeer tot beteren
smaak en minder oppervlakkige kennis op den duur waarde
behouden moet" 3. Aan den anderen kant meende hij Kruse-
man toch een wenk te moeten geven, het werk niet in de
Bnitenlaudscke klassieken op te nemen; het gezelschap van
1    Brief van Kruseman 14 September 1853.
2    Brief van Van \'s Gravenweert 2 Mei 1854.
3    Brief van Van \'s Gravenweert 3 April 1860.
16*
-ocr page 257-
2M
HOMERUS, ODYSSEA.
1854.         \'Don QuicAote en Tristram Shandy achtte hij te min voor
Homerus. Dat was echter een overweging, daar Krusemau
geen ooren naar had, want eenmaal de toestemming tot herdruk
bekomen hebbende, verkreeg hij over de kopy de vrije beschik-
king. De uitkomst was bedroevend, in (i jaar werden er nog
geen 100 exemplaren gedebiteerd; de rekening sloot dan ook
met een groot nadeelig saldo en dat nog wel, terwijl aan ho-
nonirium niets uitgekeerd was geworden.
De hoogst kiesche wijze, waarop Kruseman zich tegenover
Van \'s Ci ra ven weert had gedragen in de moeielijklleden met
Van der Hey over de Ilias, had geen finaneieele vruchten
gedragen; wel daarentegen had Kruseman bij Van \'s Graven-
weert vriendschappelijke gevoelens kunnen opwekken, want
alleen voor eenige present-exemplaren had de schrijver het Egcht
van dezen herdruk der Odi/ssea afgestaan.
Thans geheel overvleugeld en in de vergetelheid gebracht
door Vosmaer\'s vertolking, moet er geen al te gestreng oor-
deel geveld worden over deze eerste volledige verdietsching
Aan Homerus\' verzen. „Het is noch het geduld, noch de genie
gegeven, nieuwe volken in hun eigene taal Homerus in den
volsteu zin des woords te doen genieten, schreef Potgieter in
De Gids \'; immers Siegenbeek en Bilderdijk leverden ons
om strijd fragmenten, die hen zelven het eerst van allen on-
voldaan lieten. Mr. J. van \'s Graven weert heeft er niet minder
regt om op den dank van ons beschaafd publiek, dat alleen door
hem werd in staat gesteld een blik op het geheel dier grootsche
schepping te werpen, en hij wijle voor te gevoelen, hoe het
lied moet hebben geklonken, dat „dien volkomen menschen
„de hoogste lust des levens was", hoe verheven de Meöonsche
zwaan moet hebben gezongen, „zieltreffend stout, als de hand
„die Hector bedwingen konde, hartinueinend zacht als de traan
„der weduwe, die hem wachtte!"
„Zoo weinig over den grootste, — benijdenswaardiger geve
u meer."
1857. Dl. II blz. 825.
-ocr page 258-
DA COSTA, BRIEF AAN OKOKN VAN PRINSTERER.         245
Onder de kleinere geschriften, die in 1854 door Kruseinan ïssi-
in liet licht gegeven werden, moet in de eerste plaats genoemd
worden Da Costa\'s Brief aan Mr. G. Groen van Priusterer,
bij zijne aftreding uil de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
geschreven en openlijk ter lezing gegeven.
Groen was in Juni
1854 niet meer herkozen als lid van de Tweede Kamer voor
Zwolle; in deze nederlaag zag Da Costa echter een zegen met
betrekking tot de toekomst van Gods goede en heilige zaak \'.
De dood van zijne dochter Hanna, die juist in die dagen voor-
viel, versterkte Da Costa nog te meer in de juistheid van de
anti-revolutionuaire beginselen en deed hem afleiding zoeken in
een verblijf in De (ieleerde Man te Bennebroek, waar hij zicli
zette om deze brochure te schrijven. Op verzoek van den schrij-
ver werd met deu druk zeer grooten spoed gemaakt; binnen
een maand waren de 5 \'/2 vel in groot octavo afgedrukt en
was het geschrift de voorlaatste week van Augustus de wereld
in. De uitgever wilde den auteur, voor wiens dichterlijke ga-
ven hij zooveel achting en genegenheid had, ter wille zijn,
zoozeer zelfs, dat hij het werk reeds ter perse legde, voordat
een overeenkomst over het honorarium getroffen was. Da Costa,
maar ook Kruseman verwachtte, dat een tweede druk noodig
zou zijn, maar daarin bedrogen zij zich ; in een brief aan Groen,
deelt Da Costa mede 2, dat Kruseman meer dan 200 exempla-
ren van deze brochure alleen te Haarlem ter inzage zond, en
ze allen, op zes na, terug ontving n.
Het kon a priori ook wel verwacht worden, dat een" geschrift,
dat zoozeer de blijken zou dragen van de leerstellingen, die
1 Brieven van Mr. Imac da Costa. Amst. 1873. Dl. II blz. 195 vlg.
1 t. a. p. blz. \'279. — Uit de mededeeling van den uitgever (t. a. p.
blz. 206"), dat er in 1873 nog slechts één exemplaar over was, volgt
niet, dat het debiet later beter geweest zou zijn; denkelijk zal het restant
wel als misdruk beschouwd zijn geworden, te meer nog daar tusschen
1857 en 1862 door Kruseman slechts 5 exemplaren verkocht werden.
In 1873 werd de Brief herdrukt door Groen van Prinsterer in de
liricven van Mr. fsaac da Costa (Amst. Hóveker & Zoon. Dl. II blz. 206).
De drukfeil in de eerste editie op bladzijde 28, werd niet verbeterd op
bladzijde 231 van den herdruk.
-ocr page 259-
240
DEBATING SOCIETY.
1854. èn Da Costa èn Groen geineen hadden, de gemoederen warm
zon moeten maken. De tegenpartij maakte zich dadelijk op.
liet September-numiner van De Gids\' gaf reeds een bespreking;
in een „hoonend" (Da Costa) artikel, stelde dit tijdschrift in
het licht, dat Da Costa zeer wel in een oogenblik van geest-
vervoering een goed en schoon gedicht kon maken, maar gansch
en al onbevoegd was, veelmin op hoogen toon beslissen mocht, wat
der Nederlandsche Staatkunde voegt en niet voegt. Van een
gevierd dichter afkomstig, moest deze brochure wel de aandacht
trekken bij de pers als in besloten kringen, en den 30 üctober
1854 verdedigde Busken Huet in de Haarlemsche Debating
Society
stellingen over dit werk.
Een enkel kort woord over die vereeniging, die den .\'30 Januari
1853 opgericht werd door Bnsken Huet, Euijs en j\\Taber.~
De Amsterdamsche Vrijdagsche Vereeniging was het voor-
beeld, dat diende om ook te Haarlem eene vereeniging te stich-
ten tot oefening in ouderlingen redetwist door het bespreken
van onderwerpen uit alle vakken van kunst en wetenschap.
Hier vond Buijs, die dadelijk reeds tot voorzitter benoemd
werd, een practische oefenschool in een werkkring, waarin hij
in later jaren als voorzitter van de Leidsche Studenten J)eüa-
ling Society
zulk een overwegenden, alles bezieleuden invloed
zou oefenen. Een dorre opsomming der eerste leden Mr. J. T.
Buijs, Ds. C. Busken Huet, Mr. W. B. Bergsma, Dr. S. A.
Naber, J. G. Spanjaard, Dr. D. Lubach, A. C. Kruseman,
A. L. Dyserinek, W. M. Logeman, J. F. L. lleudler, Mr. C. J.
Enschedé, Mr. ¥. L. Willekes Macdonald, A. Beets en Dr. L. J.
Egeling, bijkans allen namen, die een voornamen klank in
Nederland hadden of zouden krijgen, is reeds voldoende oin
te doen zien, in welk een opmerkelijke omgeving Kruseman
zich in die dagen in zijn geboortestad bewoog. Huet als voor-
zitter van dien kring, verdedigde daar, terwijl Buijs als onder-
voorzitter fungeerde, den 30 üctober 1854 de volgende stel-
lingen.
1 1854. Dl. II blz. 336.
-ocr page 260-
247
UEBAÏING SOCIKTÏ.
1.     In den hoogst belangrijken Brief van Mr. Is. da ism.
Costa aan Mr. G. Groen van Prinsterer (Haarlem, A. C.
Kruseinan) komt blz. 6—11, eene ontvouwing voor
der antirevolutionnaire leerbegrippen, waardoor deze,
was zij juist, zouden worden opgeheven.
2.     De karakteristiek der Aprilbeweging aldaar, blz.
30—39, drukt geenszins het ware karakter dier bewe-
ging uit.
3.     De smaad, den Schrijver en zijne partij, vooral vol-
gens blz. 00—67, aangedaan, is deels denkbeeldig, en
wordt gedeeltelijk, zij het ook onder gewijzigde vormen,
door hemzelven vergolden.
De in 1857 door A. G. Kruseman in brochure-vorm bij elkaar
gedrukte Stellingen \', leeren, dat Ds. Ph. R. Hugenholtz, Buijs
en Mr. J. L. de Bruijn Kops uit \'s-Gravenhage, die als gast
daar tegenwoordig was, aan het debat deelnamen; liet voorstel
van Buijs om het woord hoogsf belangrij ken. uit de stelling te
lichten, werd met 0 tegen 3 stemmen (Naber, Logeman, Buijs)
verworpen; het amendement Buijs om de derde stelling te
roijeeren, werd aangenomen met 5 tegen 4> stemmen (De Bruijn
Kops, Huet, Bergsma en Spanjaard), terwijl de aldus gewijzigde
stellingen aangenomen werden met 7 tegen 2 stemmen (Hugen-
holtz en Huet).
Kruseman zelf woonde de vergadering niet bij; nauwgezet
als hij in alles was om een op zieh genomen taak met ijver
en zorg te behartigen, moest een gezette voorbereiding voor
het debat te veel tijd van hein vergen, zoodat hij reeds in het
einde van het eerste vereenigingsjaar (11 Augustus 1853) had bc-
dankt, niet zonder daar ook eens stellingen verdedigd te heb-
ben. Het was te verwachten, dat hij zijn onderwerp aan zijn
vak zou ontleenen, en dat hij de beteekenis daarvan in
korte, krachtige zinnen zou pogen te formuleeren. De zooeven
1 In de vergadering van den 28 Februari 1853 had Kruseman reeds
medegedeeld, dat hij de stellingen telkens tegen den kostenden prijs
zou drukken.
-ocr page 261-
24S                                  DBBATING SOCIETY.
1854. aangehaalde Stellingen, bevestigen dat en ik acht ze te merk-
waardig voor de kennis van den persoon van Kruseman, en ook
van hen, die daar met hem samen waren, om die bladzijden
hier niet letterlijk weer te geven.
ZESDE VERGADERING.
26 April 185:3.
Tegenwoordig: de hli. Mr. J. T. Buijs, Ds. C. Bus-
ken Iluct, Mr. F. L. Willekes Macdonald, Dr. L. J.
Egeling, G. de Vos, J. V. L. Reudler, Dr. S. A. Naber,
A. G. Kruseman, A. Beets en F. W. van Eeden.
Verdediger: de heer A. G. Kruseman.
Stellingen.                           ~*
1.      Het besef van nationale eigenwaarde is een krachtig
middel tot de zedelijke ontwikkeling eens volks.
2.      Het behoort niet tot de geringste pligten eener natie,
hare waarde te erkennen op het gebied der zoo ge-
noemde fraaije letteren.
•S. Nederland loopt meer dan eenig ander land gevaar
de handhaving dezer eigenwaarde uit het oog te verliezen.
4.      De laauwheid in dit opzigt is onvergefelijker, daar
Nederland boven de meeste landen zich verheffen mag
op letterkundige beschaving.
5.      liet past bovenal den Nederlandschen Boekhandelaar,
de letterkimdige eer zijns lands vóór te staan.
Sprekers: de heeren Naber, lluet, Buijs en Macdonald.
Amendement van den heer Buijs om de eerste stelling
te laten wegvallen en de tweede te lezen als volgt: Elke
natie behoort hare waarde te erkennen op het gebied der
fraaije letteren. Verworpen met algemeene stemmen.
Amendement van den heer Naber om in de eerste
stelling in plaats van besef te lezen: gevoel van nationale
eujemoaarde.
Verworpen met zes tegen twee stemmen, die
der hh. Egeling en De Vos.
-ocr page 262-
DEBATING SOCIETY.                                      249
Amendement van den lieer Huet, om de eerste stelling 1854.
te lezen: De opwekking van het besef van, enz. Verwor-
pen met algemeene stemmen.
Amendement van den heer Naber, om in de tweede stelling
te lezen: Het behoort tot de pligten eener Jiatie, enz. Aan-
genomen met zeven tegen ééne stem, die van den verdediger.
Amendement van den heer Huet, om in de tweede
stelling weg te laten het woord „zoogenaamde". Verwor-
pen met vijf tegen drie stemmen, die der hlu de Yos,
Naber en Buijs.
Amendement van den heer Huet, om in de derde stel-
ling de woorden meer dan in eenig ander land weg te
laten. Aangenomen met vijf tegen drie stemmen, die der
hh. Macdonald, Kruseman en Naber.
Amendement van den heer Huet, om in de vierde stel-
ling weg te laten de woorden: boven de meeste landen.
Verworpen met zes tegen twee stemmen, die der hh.
van Eeden en Buijs.
Amendement van den heer 1 Luet, om in de vierde stel-
stelling voor de woorden letterkundige beschaving te lezen:
ontwikkelde letterkunde. Bij staking der stemmen verwor-
pen. Vóór de hh. Egeling, de Vos, Naber en Buijs.
Amendement van den heer Naber, om in de vijfde stel-
ling het woord bovenal te veranderen in: ook. Verworpen
met zes tegen twee stemmen, die der hh. Huet en Buijs.
Amendement van den heer Buijs om de vijfde stelling
te lezen als volgt: Het past den Nederlandschen boek-
haudelaar, voor zooveel zulks met zijne belangen kan
worden overeengebragt, de letterkundige eer, enz. Verwor-
pen met zeven tegen één stem, die van den heer Huet.
De geamendeerde stellingen zijn aangenomen met zes
tegen twee stemmen, die der hh. Buijs en Huet. De heer
Beets heeft aan de stemming geen deel genomen.
Het heengaan van Kruseman moet ongetwijfeld bij de ach-
terblijvenden gevoeld zijn; een man, zoo wel ter tale, was
daar geheel op zijn plaats. Maar toen ook anderen zijn voor-
-ocr page 263-
250
DEBATING SOCIETY.
1854. beeld volgden en in Februari 1859 de kring tot op leden
geslonken was (Naber, Van Reysen, Krelage, Logeman, Egeling
en Busken Iluet), waardoor de toekomst van de Vereeniging
niet gewaarborgd bleek, werd hij opnieuw bereid gevonden,
zijn gaven beschikbaar te stellen om zich in het krijt te be-
geven en zich te meten met anderen over onderwerpen van
maatschappelijk of actueel belang. In de vergadering van den
24 December 1859 werd medegedeeld, dat A. L. Dyserinck,
A. C. Kruseman, Mr. (\'. J. van Vladeracken en Dr. J. B.
Wijuhoff zich hadden aangesloten. Waarschijnlijk zal\' het ook
nu hem weer niet voldaan hebben, dat de resultaten in dien
kleinen kring verkregen, zoo bitter weinig practisch waren; al-
thans in 1801 bedankte hij opnieuw voor zijn lidmaatschap,
echter niet zonder daar den 27 April 1800 nogmaals stellin-
gen verdedigd te hebben, thans over de Nederlandsche literaire
kritiek \'.
Die eerste stellingen teekenen Kruseman geheel en al in het
einde van het eerste en in het begin van het tweede tijdvak
van zijn handel, als den uitgever van de Bijbelsche vrouwen,
van de Aurora en van de gedichten van Da Costa, Ten Kate
en Van Zeggelen.
Deze laatste zou door Kruseman in 1854 weer aan den
arbeid gezet worden. In het vorig jaar 1853 had Kruseman
gekocht van C. F. Stemler, de Keur van scherts en luim, uit
onderscheidene Nederlandsche dichters verzameld,
in 1830 in
drie deelen te Amsterdam bij Kaal en Bakker verschenen; zijn
voornemen was hiervan een nieuwe uitgaaf te maken.
Van Zeggelen was de persoon tot wien hij zich wendde om
over deze nieuwe uitgaaf het oog te laten gaan. Een schif-
ting was het uitvloeisel van hun gezamenlijk overleg. Voor
het toekomstige eerste deeltje, dat uit een nieuwe keuze uit de
oude uitgaaf zou bestaan, viel deze zifting niet bijster in Van
Zeggelen\'s smaak; toch bracht hij het met goed gevolg tot
1 Deze stellingen zal ik mededeelen ter plaatse waar zulks be-
hoort.
-ocr page 264-
251
KEUR VAN SCHERTS EN IjUIM.
stand en het gaf hem nieuwen moed om het tweede deeltje te 1854.
bewerken, waarin een keur van sedert 1835 verschenen of ge-
heel nieuwe luimige poëzie opgenomen zou worden. Onder
die dichters in dat nieuwe tweede deel is er één, die hier
eene bijzondere vermelding verdient, nl. Staring. De wijze toch
waarop Van Zeggelen zich in het Voorberigt van het tweede deel
uitliet over de verdiensten van dien dichter \', is ongetwijfeld een
weerklank van Kruseman\'s denkbeelden en daarom is die uit-
spraak dubbel merkwaardig te lezen in een uitgaaf uit .1854 van
hem, die negen jaar later den stoot geven zou tot de grootere waar-
deering van dien Geldersche zanger in onze dagen. Het bewerken
van dit deeltje begon in Juni 1854; in November van het-
zelfde jaar werd het eerste deel (8 vel) gedebiteerd. De bloemlezing
vond een Hink debiet; bij een particulieren prijs van ƒ 2.(50 voor
de beide deelen werden er in nog geen 3 jaar tijd 1653 exem-
plaren verkocht; D. A. Thieine, die er in 1857 eigenaar van
werd, nam de beide bundels tweemaal in herdruk op in zijn
Guldens-editie2; liet debiet van deze door Kruseman ontwor-
pen onderneming bleef steeds naar wensch gaan, zoodat in 187!)
Roelants, die in 1873 a /\'2.SJ5 eigenaar van dit artikel ge-
worden was, er toe kon overgaan een vierden, vermeerderden
druk ter perse te leggen; Van Zeggelen was wederom bereid
om te schikken, te kiezen en de 43-jarige bundel gewijzigd en
vermeerderd opnieuw aan het publiek aan te bieden: „dat goede
voornemen mocht evenwel niet verwezenlijkt worden; — den
15 Februari jl. [1879] vernam men de treurige tijding dat
1 „Inzonderheid breng ik mijnen dank aan den.uitgever van Starings
gedichten [nl. Is. An. Nijhoff te Arnhem], die mij tot dit doel van den Gel-
derschen zanger een paar niet roem bekende geestvruchten en eenige
pittige puntdichtjes tot bladvullingen afstond. Dat Staring nug eens
plaats neemt under de dichters van een later geslacht zal zeker de
laatsten geen aanstoot geven — neen, ik vlei mij dat ze hem nog
gaarne als een waardig meester en voorganger in hun kring zullen zien
opgenomen. — Waar smaak en vorm al eens gewijzigd worden, Sta-
rings geest en dichtgave zullen frisch en kernachtig blijven zelfs ook
voor hen, die na ons op de baan komen."
\' 1860 en 1866.
-ocr page 265-
252
JOK EN ERNST.
i85i. Van Zeggelen overleden was; — de maatschappij telde op dien
dag een edel en braaf burger minder \'".
Andere uitgaven in dit jaar 1854, die der vermelding waard zijn,
staan naast Van Zeggelen\'s bloemlezing: Scotfs De oudheidkenner
en Het kasteel Kenilworih, Douglas Jerrold\'s De /caleidoscoop,
Frederika Breraer\'s De Nieuwe Wereld, de drie laatste vertaald
door S. J. van den Bergli en Jok en ernst, la brieven over de
welsprekendheid voor de balie
van Mr. Boudewijn van de Mer-
wede en Koenraad Breedspraak. Tot de uitgave van dit laatste
werkje werden W. H. Warnsinck en M. C\'. van Hall op-
gewekt door de kennismaking met de in bet vorige jaar ver-
scbeuen Brieven over de welsprekendheid van den Arnbemseben
predikant J. Steenmeijer, een herdruk van een twintig jaar te
voren in de Godgeleerde Bijdragen geplaatste opstellen; bet
was, zoo oordeelden de uitgevers Is. Au. Nijhoff en Zn., een
oorspronkelijk, eebt klassiek werk2. De 86-jarige Van Hall
herinnerde zich een aantal curieuse anecdoten uit vroege ren
tijd over de welsprekendheid der balie, in al bare nuances,
vooral in bare verwaarloozing en mishandeling. Onder een
pseudoniem wisselde hij daarover brieven met Warnsinck, die
hem van zijn kant beantwoordde met theologische dwaas-
beden. Haar zij wenschten zich zelven als auteurs van dat
boekje strikt geheim te houden, achtten zij bet minder raad-
zaam die brieven bij een Amsterdammer uit te geven en kwa-
men daarom bij Kruseman aankloppen. Warnsinck kende geen
Latijn, zoodat in de Latijnsche woorden vrij wat drukfouten
bleven staan. Van Hall maakte daarvan een lijst op, die Warn-
sinck verwerkte in een Open brief: „dat oude Arersletene „Druk-
„feilen" op de laatste bladzijde van het boeksken, vonden wij
te plat-prosaïsch" \'. De uitgever zou geen zijde bij deze uit-
gave spinnen; de helft der gemaakte onkosten werd nog niet
bereikt, om als credit te boeken.
1 Voorwoord van den uitgever H. A. M. Koelants dd. 20 October 1879.
\' Advertentie in Nieuwsblad voor den Boekhandel 29 September 1853.
:i Brief van Warnsinek 28 Juli 1854.
-ocr page 266-
VBESLAG DEK. REDACTIE VAN HET WOORDENBOEK.        253
Beter ging het met een andere uitgave; trouwens èn het
onderwerp èn de naam van den schrijver konden dat doen
verwachten. Prof. Matthijs de Vries had hij Kruseman reeds uit-
gegeven zijn heide inaugureele oraties, té Groningen en te Leiden
gehouden; een derde verhandeling nauw verwant aan de vorige
onderwerpen, liet Verslag der redactie van het Nederlandseh
Woordenboek
den 22 September 1S54 uitgesproken in de verga-
dering van het vierde Xederlandsche taal- en letterkundig
Congres te Utrecht had Kruseman zich ook ter uitgave weten
te verzekeren. Ook het Bestuur van de Yereeniging van den
Boekhandel had een uituoodigiug ontvangen, zich op dat Con-
gres te doen vertegenwoordigen; natuurlijk dat Kruseman, als
voorzitter, de aangewezen persoon was er heen te gaan. Zeer
tot verwondering van Tred. Muller, die echter in zijn plaats
ging, weigerde Kruseman zich die opdracht te laten welgeval-
len. liet helderde zich op. De voorzitter van het Congres,
Mr. II..). Koenen, vroeg dit allerbelangrijkste Verslag van De Vries
in de Handelingen te mogen opnemen; De Vries gaf de voor-
keur eerst aan een afzonderlijke uitgaaf en achtte het wensche-
lijk een inteekenlijst te doen rondgaan ten einde door het za-
melen van bijdragen de kleine kas van het Woordenboek niet
te bezwaren met de drukkosten van deze afzonderlijke uitgave.
Van de pauze maakte Ered. Muller gebruik dat te doen, te
meer nog daar hij meende, dat Kruseman of Belinfante mis-
schien wel bereid zou zijn het Verslag uit te geven. Het bleek
dat reeds vooraf bepaald was, dat Kruseman de uitgave zou
doen; daarom had Kruseman bezwaar op het Congres tegen-
woordig te zijn.
Dat uitvoerig gestelde verslag van den grondlegger van de
nieuwere Nederlandsche taalbeoefening deed weer overtuigend
zien op welke hechte grondslagen de voorbereiding van liet
Woordenboek gevestigd werd, en over welke verbazende werk-
kracht de Leidsche Hoogleeraar M. de Vries in die dagen be-
schikte. üvergroote drukte met het Woordenboek, het prepa-
reeren voor de colleges in het Nederlaudsch, een op handen
zijnde college over het Gothisch, en dan nog daarbij de Vader-
landsche Geschiedenis. Dat was te veel, zelfs voor een De Vries,
-ocr page 267-
254
PRAKTISCHE VOLKS-AI.MANAK.
1654. en hij klaagde daar dan ook over aan Mr. H. J. Koenen:
„Jammer maar, schreef hij den 17 November 1854, dat de Patria
altijd mijn halven tijd wegneemt, en daardoor, deels voor mijn
taalkundig onderwijs, deels voor het Woordenboek, mij op eene
bedroevende wijze belemmert, en dat juist nu in de kracht
mijner jaren en het volle vuur mijner geestdrift! Mogt onze
geachte Minister toch eens een einde maken aan die monster-
combinatie, die liet groote struikelblok is voor den vooruitgang
der beide wetenschappen".
Om de groote actualiteit en de gespannen verwachtingen
over den vooruitgang van liet woordenboek, is dat Verslag on-
getwijfeld de belangrijkste voordracht op dat congres geliou-
den. Door Kruseman afzonderlijk uitgegeven, moest dat schade
doen aan het debiet van de Handelingen van het Congres, en
dat mag dan ook wel een reden te meer zijn geweest, dat de
uitgevers eerst de uitgave daarvan niet dorsten te ondernemen \'.
J)e uitgaven, die in 1854 hadden plaats gehad, waren mee-
rendeels gewijd aan letterkunde; de nieuwe richting, die zich
zoo langzaam begon te vertoonen, het populariseeren van de
wetenschap en die op een vrij begrensd terrein reeds zulk een
voorname uitgaaf had zien ontstaan in het Album der Natuur,
had ook in dit jaar zich niet onbetuigd gelaten. In liet einde
van 1853 was verschenen de eerste jaargang van de Praktische
Volles-almanak. Jaarboekje ter verspreiding van kennis der
toegepaste wetenschappen onder alle standen der Maatschappij.
Wel is waar bestonden er reeds vele volksalmanakken, voor
zoover ze dien naam droegen; hun inhoud bestond grooten-
deels in gedichten, verhalen, soms in mededeelingen van ge-
schied- of oudheidkundigen aard. Buitenlandsche, vooral Duitsche
almanakken begrepen hun taak anders; tusschen dat mengelwerk
schoven zij ook in stukken van wetenschappelijken en practischen
aard, en verbonden zoo het aangename met het nuttige. Dat was het
1 Brief van L. C. Hora Siccaraa, voorzitter der plaatselijke Com-
missie aan M1\'. H. .1. Koenen dd. Utrecht 21 November 1854. —
De uitgave had plaats in 1855 door J. G. Broese te Utrecht.
-ocr page 268-
255
PRAKTISCHE VOI-KS-ALMANAK.
voorbeeld, maar om geen concurrentie aan te doen aan de bel- ism.
letristische en provinciale jaarboekjes, wilde deze nieuwe almanak
alleen het prnctische beoogen en dat was van den aanvang af
misschien reeds een fout. Op zeer karakteristieke wij/c gaf\' het
nieuwe jaarboekje van haar streven blijk door een motto, dat
geheel weergaf welk doel deze nieuwe uitgaaf beoogde \': popu-
lariseering van de wetenschap in haar geheel; want de kennis
door den arbeid van geleerden vergaard moest niet blijven
onder die kringen alleen, zij moest, en dat vooral, de geheele
maatschappij doordringen en het hare er toe bijdragen de
levensstandaard der menschen te verhoogeu.
Die opgaaf met succes tot stand te brengen had vele
moeielijkheden voor den uitgever. In de allereerste plaats
was de keuze van een redactie voor dien taak berekend
voor Kruseman niet zoo heel gemakkelijk: „ge valt in hen,
die niets met de redactie van een jaarboekje willen te doen
hebben, de hoog, diep en zeergeleerden, of in hen, die dade-
lijk zouden zeggen: hap! maar met wien gij niets te doen
wilt hebben," schreef Gebhard den 28 December 1853, bij wien
Kruseman om raad was gegaan voor den tweeden jaargang. De
redactie bleef dus zooals die van begin af geweest was: nl.
de Haarlemmers, Dr. Lubach eu Logeman, die echter eerst
met den zevenden jaargang (1860) in die kwaliteit op het
titelblad vermeld werden. Gesteund als zij werden door een
breede schaar van medewerkers, waaronder Buijs, Staring,
Bergsma, M. de Vries, H. C. van Hall, Harting en Vissering,
was het te verwachten, dat dit jaarboekje zijn weg wel zou vin-
den. Toch was dat niet in die mate het geval als wel verwacht
werd. De verwachting, dat het een volksboek zou worden2,
werd niet verwezenlijkt; het vermoeden van De Tijdspiegel:i
1 Het motto drukte ik af hiervoor op blz. 3.
! Advertentie in Nieuwsblad voor tien Boekhandel 15 December 1853
en Weekblad voor den Boekhandel 17 December 1853. — Evenzoo in
het Voorberigt van den eersten jaargang: „Die Almanak moet een
Volksboek worden."
3 1854. Dl. I.blz. 190 vlg.
-ocr page 269-
250
PRAKTISCHE VOLKS-ALMANAK.
1854. werd bewaarheid. In Januari 1854 was liet zelfs zeer twijfel-
achtig of de eerste jaargang zich wel zou weten te handhaven;
de uitgever verzond een circulaire:
Haarlem, Januarij 1854.
M.
Tu de maand December zond ik UEd. in Commissie
een goed getal Exemplaren mijner nieuwe oiiderneining
Praktische Volks-afmanak.
De uitkomst dezer verzending was al zéér verschillend.
Van sommige II.II. Confraters, wier namen ik zou kun-
nen noemen, kreeg ik aanvragen, zoo als ik ze niet had
durven verwachten: 20, 40, tot 80 zelfs toe; ik-zelf
verkocht er te Haarlem een goede honderd; van anderen,
wier debiet ik bij ondervinding als zeer uitgebreid ken,
weinig of niet. Mijn eigen voorbeeld en dat van anderen
leerde mij evenwel, dat er véél van te verkoopen is, en
bij een Vervolgwerkje als de Praktische Volks-ai-manak
is dit mij gansch niet onverschillig. Ook in het algemeen
belang acht ik eeu uitgestrekt debiet wenschelijk. Om die
redenen wend ik mij nogmaals vriendschappelijk tot UEd.,
met verzoek: verpligt mij om door hel uitzenden der
Exemplaren in de eerste dagen van dit jaar, uw debiet
te beproeven en schenk mij spoedig uwe navragen. 13e
uitgave voor het volgend jaar gaat stellig door.
Of deze circulaire veel uitgewerkt heeft, weet ik niet; ik
vermoed echter, dat zij aan het doel beantwoord heeft, daar
van de oplaag van 3500 exemplaren 11 jaar later niet meer
dan 494 exemplaren in veiling kwamen. Niettemin was de
Volks-almanak als serie niet gelukkig; „dat hij niet een bui ten-
gewonen opgang maakte, schreef Kruseman in veel later jaren,
had ik aan mij zelv\' te wijten: de inhoud had niet zoo eenzij-
dig moeten wezen en de uitvoering had wel netter, compresser
-ocr page 270-
PRAKTISCHE VOLKS-ALMANAK.                           257
kunnen zijn en goedkooper \'; veel, lioel goed en heel weinig. issh.
geld: dat was de aangewezen weg geweest".
()|) den duur zou de Almanak — De Gids2 vermoedde het
terecht — het niet kunnen uithouden, daar zij eer met verlies
dan met winst werkte; bovendien nog kreeg zij een gèvaarlij-
ken mededinger. Van het begin af wekte de Praktische Volks-
almanak
den naijver op van de Maatschappij tot Nut van \'t
Algemeen. Zoodra Kruseman hiervan eenig teeken meende te
bespeuren, trachtte hij dit onweder te bezweren, door de hulp
van het Hoofdbestuur in te roepen ter bekendmaking of ver-
spreiding van dit nieuwe jaarboekje"\'.
Maar ook Sijtholl\' te Leiden had de plannen van die Maat-
schappij begrepen. De Geïllustreerde almanak onder redactie
van Mr. "W. van de Poll, een uitgaaf eenigszins in den
geest van de Duitsche almanakken van Gubitz en Nieritz *,
voor het jaar 1850 door hem geprojecteerd, dacht hem, dat
kans zou hebben, door de Maatschappij tot haar almanak vérko-
zen te worden. Sijtholl\' kwam tot Kruseman met een voorstel
tot combinatie van hun almanakken, daar ook diens almanak
verluid werd de toekomstige Nutsalmanak te zullen worden, maar
stelde voor, omdat van beide kanten de voorbereidende maat-
regelen voor den jaargang 1856 reeds te vergevorderd waren,
ze wel is waar afzonderlijk, maar voor gezamenlijke rekening
uit te geven en den naastvolgenden jaargang 1857 te doen
verschijnen als de gehoopte Nutsalmanak, onder redactie van
Heije, Burlage, Lubach en Logeman. Sijtholl\' bleek zich vergist
te hebben. De nauwe relatie, waarin hij zoowel door zijn
kinderprenten als door den aankoop in 1855 uit het fonds van
D. du Mortier & Zoon van de werken van het Nut, stond tot
die Maatschappij, dacht hem enger dan werkelijk het geval
bleek te zijn: tegelijk met Kruseman\'s en met Sijthoff \'s alma-
nak, verscheen ook voor 1850 een Nutsalmanak.
\'   Elke jaargang kostte /\' 0.90.
2    185G. Dl. I blz. 749.
*    Brief van Kruseman 17 December 1853.
"    Advertentie in Nieuwsblad voor den Boekhandel 18 October 1855.
17
-ocr page 271-
258                            PRAKTISCHE VOT,KS-AT,MANAK.
48M.             Zoo waren ei\' dan voor 185(5 drie almanakkeu, die hun debiet
moesten vinden ouder hetzelfde publiek: de Praktische Vólks-
abnanak
van Kruseman, de Geïllustreerde almanak van Kruse-
man eu Sijthotf, en de Volks-almanak, uitgegeven door de Maat-
schappij tot Nut rat/ \'t Algemeen
van P. C. L. van Staden.
Buiten Sijthoff en Krusemau om bad de Maatschappij haar
begunstigden almanak, den Enkhuizer, naar het voorbeeld van den
Praktische hervormd en giug door haar Volies-almanak met een
verkoopsprijs van 40 cent een gevoelige concurrentie aandoen aan
Kruseman\'s uitgaat\'. Er was dus geen enkele reden vóór hein om
deze combinatie langer dan tot 1856 in stand te houden. Op
voorstel van Krusemau werd zij dan ook, na oplossing van eeltige
bezwaren door Fred. Muller, ontbonden en de kamp tegen het
Nut moest weer alleen gestreden worden \'. Van kunstmiddelen
als het bijvoegen van een afzonderlijken Kamerkalender- voor
deu jaargang 1858 werd het beste gehoopt: „de Praktische Volks-
almanak
moest al meer en meer wijken voor de krachtinspanning
van [die] veel vermogende mededinging, met wier opoffering hij
niet bij magte was te wedijveren"; medio 18(53 werd van de
staking aan de medewerkers kennis gegeven \'. Bij overdracht in
April 1865 bleken er nog 928] exemplaren van de 29500 exem-
plareu der verschillende jaargangen in magazijn te zijn.
Geen der verschillende jaargangen geeft aanleiding tot een
nadere bespreking met uitzondering van dien voor 1859. Door
Engelsche voorbeelden, in het bijzonder door het Stereoscopic
magazine
aangespoord, wenschte Krusemau, nog voor dat dit in
andere landen was nagevolgd in ons land een „photographie-
druk", als boekillustratie te doen verschijnen; hij begon met
het moeielijkste, met een „stereoskopische figuur", zooals
L[ogema]n het noemde. De photograaf P. Oosterhuis te Amstcr-
1 Vgl. Van der Meulen. Ken veertigjarige uitgevers loopbaan. Amst.
1891 blz. 57.
1 Een dubbel blad in royaal 4°. — De post: „Geb. van Staden, kalender
Prakt. Volks-almanak, de helft f 10" door Kruseman den 27 Septem-
ber 1854 in uitgaaf geboekt, weet ik voorshands niet te verklaren.
3 Circulaire 1 Juli 18CJ, van redacteuren en uitgever. Vgl. liouw-
stoffen
Dl. II blz. 445.
-ocr page 272-
259
PRAKTISCHE VOr.KS-ALAfA.NAK.
dam was de man wiens hulp hij inriep, en wel met vrij goed 1854
succes. Een thans bijkans geheel verbleekte photographisch-
stereoskopische plaat,
van het monument op den Dam te Ainster-
dam, werd als titelprent in den jaargang 1859 ingevoegd;
m. a. w. Kruseman was de eerste hier te lande, die in 1S5S
een poging deed photographische stereoscoop-prentjes dienstbaar
te maken aan boekillustratie en een eerste schrede zette op den
weg om dergelijke afbeeldingen in den Boekhandel verkrijg-
baar te doen zijn. Zoo althans meen ik\'liet bijschrift te moeten
verklaren, dat Logeman in de. Almanak bij de titelplaat gaf.
I5ij een eerste lezing wel is waar schijnt deze uitlegging niet
in die woorden opgesloten, maar in verband en samenhang
beschouwd met hetgeen de Economist \' naar aanleiding van
deze uitgaaf schreef, kan er bezwaarlijk een andere meening
aan toegekend worden. De stereoscoop van Brewster toch dag-
teekent van het jaar 184-*3; de photographie op papier, geno-
men naar een collodion negatief op glas werd reeds in 1851
bekend en het besluit ligt voor de hand, dat in Engeland de
nijverheid zich wel dadelijk zal hebben meester gemaakt van een
verbinding van beide ontdekkingen. Van Engeland naar hier
gekomen moeten photographische stereoscoop-plaatjes reeds be-
trekkelijk lang vóór 185S hier te lande bekend geweest zijn2.
Die afbeeldingen echter waren uitsluitend verkrijgbaar in na-
tuurkundige-instrumentwinkels. Ze van daar uit over te brengen
in den Boekhandel en daarbij dienst te laten doen als boek-
illustratie was dus hetgeen Kruseman met dezen jaargang van
zijn Praktische Volks-almavak beoogde.
Als speciaal op boekhandelaars-terrein vallende moet de jaar-
gang 18(52 genoemd worden, waarin van Ered. Muller voor-
\' Economist. Bijblad 1858 blz. 108.
* In het Album der Natuur (1855 blz. 129) had P. van der Burg
reeds geschreven over de inrichting van de stereoscoop, terwijl in het
einde van dat jaar verschenen\' was bij Gr. H. van Hattum te Wagenin-
gen een boekje van Gr. W. Boot Lzn. over De stereoscoop en zijne ver-
schillende inrig tingen verklaard, met aanwijzingen om zelf leekeningen
voor dal werk te vervaardigen.
17*
-ocr page 273-
260                    DE WERKEN VAN CHARLES DICKENS.
1854. komt Een enkel woord over Volksbibliotheken.- Volksletter kunde.-
Colportage
\'.
De overgang van liet jaar 1854 op 1855 vormen de romans
van Dickens. Evenals een paar jaar vroeger, in 1852, naast
de Buitenlandsehe klassieken een serie van een verbeterde ver-
taling van Walter Scott\'s Werken begonnen was, beproefde
Kruseman in \'t einde van 1854 de Werken van Charles Diekens
in een nieuwe of verbeterde vertaling en tegen geringen prijs
onder het publiek te verspreiden, daartoe misschien\' wel aan-
geinoedigd door de klacht, die Lindo geuit had in Fraser\'s
Magazine
van Januari 1854 over de slechte verdietschingen
van Dickens1 werken 2. De reeds bestaande vertalingen daarvan
werden van de verschillende eigenaars aangekocht; Frijlink, die
de meeste bezat stond zijn recht en exemplaren voor f 700
af en evenzoo kwam Dombey en Zoon uit handen van J. F. K.
Schwaebe weer in het bezit van zijn vroegeren eigenaar 3. De
Bouwstoffen 4 geven een overzicht van deze Dickens\' serie, hoe
zij als mislukt beschouwd moet worden. Het plan was Krusc-
man waardig. Uit hooge waardeering voor den auteur begon
hij er mede en zette hij dat door. Van\'rf Verlaten huis, waarvan
hij de voorhanden exemplaren van het eerste deel en het recht
tot verdere uitgaaf van Mieling overnam, was het eerste deel
reeds verschenen en beloofde succes. Toch was de vertaling
1     In het September nummer van de Economist van 18G1 had hij
naar aanleiding van het Rotterdamsche Leeskabinet eveneens het on-
derwerp der Free-Libraries behandeld.
2     Lindo schreef\' die reeks Researches in \'dutch literature anoniem,
met het doel om het buitenland met de Nederlandsche letterkunde be-
kend te maken (Algemeene Konsl- en Letterbode 1854 blz. 42).
\' Van de exemplaren van Frijlink overgenomen (Samuel Piekwick,
Xicolaas Nickleby, Maarten Clinzzleirit, De klok van meester Hum-
phrey, De torenklokken, Ken kerssprookje
en Hel krekeitje in den
schoorsteen,
samen 15 doelen) maakte Kruseman een allervoordeeligste
tijdelijke aanbieding voor /\'10 in plaats van ƒ42.— In de aanbie-
dings-circulaire schreef Kruseman : „\'t zal wel niet noodig zijn te wijzen
op de voortreffelijkheid van Dickens\' werken, op hunne onberispelijke
vertaling en keurige uitvoering in Frijlink\'s manier."
" Dl. I blz. 438.
-ocr page 274-
DE WERKEN VAN CHARLES DICKENS.                     261
van do verschillende werken, die C. M. Mensing zou bezorgen 1855.
lang niet te verwerpen, zelfs niet voor onzen tijd nu diezelfde
vertalingen bij duizenden verspreid zijn en nog steeds worden.
In de fondsveiling van 1857 werd de reeks, voor zoover toen
uitgegeven, voor ƒ3707.40 opgehouden, wellicht zooals het
Nieuwsblad \' opmerkte om de bezwarende voorwaarden aan de
overname verbonden (overname van niet afgedrukte deelen,
van kopyrechton van onuitgegeven deelen enz.) en Kruseman
zette de onderneming voort. Hij hield het vol tot 186,2 toen
bij de reeks besloot met Maarten Chuzzlewit, na nog in het
vorig jaar Kleine Dora en Slechte tijden van Van Kampen
overgenomen te hebben. Met uitzondering van Het, verlaten
huis,
waarvan twee uitgaven verschenen 2, ging de onderneming
slecht. In 1859 toen er reeds 40 afleveringen verschenen wa-
ren, werden er nog slechts 77 exemplaren bij inteekening ge-
plaatst, liet was een even groofsche en goed gedachte onder-
neming als de Buitenlandse he klassieken, maar ook een even
ongelukkige. Toen een onderhandeling met Schwaebe te Botter-
dam over de Dickeits afstuitte op den gevraagden prijs, gingen
de beide serien samen in 1804 in exploitatie over aan Schadd
en Funke, welke in Maart 1867 de geheele serie (2995 exem-
plaren) Iegelijk met de Ihiilenlandsehe klassieken overnam. Maar
in Funke\'s handen bleef Dickens niet lang; een paar maanden
later was de serie het eigendom van Roelants en deze zou eerst
de vruchten plukken van Kruseman\'s onderneming. In i\\ovem-
ber 1867 begon Roelants met Samuel Piek wiek een complecte
Dickens-edifie in duodecimo, en liet daarop in 1873 nog vóór
de laatste aflevering van die kleine uitgaaf verschenen was, een
geïllustreerde editie in kwarto met clichés van de karakteristieke
oorspronkelijke illustraties van Barnard volgen. „De Boekhandel,
schreef het Nieuwsblad 3, kan met deze nieuwe uitgaaf weder
1 15 October 1857.
\' NI. in 1855 de voortzetting der uitgaaf van Mieling in groot
octavo en in 1858 in de Dickens serie in klein octavo. — Als ik goed
zie zijn alleen deel 2 en ïi van de groot octavo editie door Mensing ver-
taald, niet deel één.
3 20 Juni 1873.
-ocr page 275-
262                    DE WERKEN VAN CHARLES DICKENS.
1853. aanzienlijke winsten behalen; de ondernemende uitgever dezer
kostbare editie heeft voor eene fraaie en degelijke uitvoering
gezorgd, de prijs is billijk gesteld, de belangstelling onzer
landgenooten in al wat van Dickens verschijnt is aan geen
twijfel onderhevig, — alleen een krachtige en algemeene werk-
zaamheid wordt gevorderd om aan deze uitgave dat succes te
bezorgen, \'t welk zij in zoo ruime mate verdient". En ook die
uitgaaf had succes. Roelants „trok van deze editie en haar
herdrukken de gouden vruchten, toen Dickens al meer en meer
de gevierde schrijver werd en vooral toen hij gestorven was,
maar in aller hart een blijvende plaats gevonden had \' ".
De Engelsche romanschrijvers, die Kruseman als klassieken in
het Nederlandsen aan zijn landgenooten wilde voorzetten, bleken
geen gewilde waar. Scott was misschien ietwat uit den tijd, voor
Dickens was het oogenblik van de groote waardeering en roem
hier te lande nog niet aangevangen en Kruseman\'s woorden op
één der tallooze circulaires, welke hij in deze jaren over Ne-
derland uitstrooide, zouden een goed debiet niet kunnen opwekken.
„Charles Dickens is een geliefde naam. De reeks van Romans,
die men aan dien Auteur te danken heeft, levert het zeldzame
voorbeeld op van eene onafgebroken en steeds toenemende
belangstelling in alle Landen en in alle klassen, liet talent
van Dickens, onuitputtelijk en altijd even frisch, maakt het
tot een onuitgeinaakte vraag, wat wel zijn Meesterstuk is. Hij
heeft eene reeks van Meesterstukken gegeven, die hunne waarde
elk op zich zclv handhaven, maar gezamenlijk de verdiensten
des schrijvers tot de zeer zeldzamen maken. De Werken van
Dickens mogen hunne loopbaan aanvangen in ecu Leesgezel-
schap, zij zoeken en vinden-zeer spoedig eene vaste plaats in
de Boekenkast van ieder die ook bij zijne uitspanning voedsel
zoekt voor verstand en hart."
Maar al bleek dan ook in de jaren vóór 1860 Kruseman
zijn tijd verre vooruit met deze onderneming, Dickens zelf
begreep wat Kruseman voor hem in Nederland deed. Als blijk
daarvan ontving Kruseman van hem nevenstaand schrijven.
1 Bouivsto/len Dl. I blz. 438.
-ocr page 276-
DE WERKEN VAN CHARLES DICKENS.                     263
1855.
h-neSy Xf-uf ï&ïoC *-Mfire*^6*-f /tfJÏ
<i--W>.
Lè oi---it-
^^ ^^^r^^L^^^^
-ocr page 277-
3
264                  DE WEKKEN VAN CHARLES DICKENS.
1855.             Het mag wellicht de moeite loonen een meening Ie opperen,
waarom deze ïHckens serie, geen succes had. Wat ongunstig
werkte op het debiet van de liuiteidandsche klasgieken, deed
zich hier in dubbele mate gelden: het formaat en de typogra-
phische uitvoering. Dickeus toch was in de schatting van het
publiek een romanschrijver en de vorm, die Kruseman gaf aan
zijn uitgaaf\', was niet die, waarin gewoonlijk romans uitgegeven
werden. Wal gewoonlijk aangeboden werd in roijaal octavo, een
meestal geïuterlinieerde dessendiaan met ongeveer 20 regels op
een bladzijde en een vignet in steendruk op den titel, verscheen
hier in klein octavo in een platgezette galjard met \'M) regels
op een bladzijde /onder lithographischen titel, en juist aan
die voor romans ongewonen vorm denk ik, dat het niet slagen
der serie eigenlijk te wijten was.
Kruseman echter zette niettemin zijn onvoordeelige onder-
neming eenige jaren voort, totdal een geestelijke gedruktheid
hem zou doen besluiten, zich er van te ontdoen.
Maar in 1S55 was nog alles behalve iets te merken van die
moedeloosheid, die zich acht jaar later zou openbaren, lulegen-
deel; nog steeds ging de aitgeversloopbnan omhoog om haar
hoogtepunt te bereiken in 1856. Dat uitzetten van nieuwe bakens
en aanknoopen van nieuwe relaties, die zich eerst aan het pu-
bliek in lS5li kenbaar zouden maken, veroorzaakt dat over het
daaraan voorafgaande jaar 1855 niet veel te vermelden valt.
liet eerste werk dat in dit jaar verscheen, was Hei droog-
leggen van landerijen door
Staring, het eerste deeltje van een
nieuwe reeks van Landbonw-boekjes, Het doel van deze kleine,
goedkoope, populaire geschriften, een voorlooper van \\\\ ol-
ters\' Geïllustreerde landbouw-biMiof-hee.k, was om degelijke be-
grippen te verspreiden onder de landbouwende klasse. Terwijl
het eerst in de bedoeling van Kruseman gelegen had, een ver-
taling te leveren van de geheele serie der Jiibliothèqwe rurale*,
bleek bij nader inzien die reeks toch minder geschikt voor Neder-
1 Hij liet althans de 20 deeltjes van die Bibliothèque den 2ï! Juni
1H54 ter vertaling aanteekenen.
-ocr page 278-
205
r.AN\'OBOUW-MHMOTHKEK.
land; liij besloot tot eene, wel naar (lat voorbeeld ontworpen, t855.
maar toch\' oorspronkelijke Bibliotheek. De reductie werd opge-
dragen aan Dr. W. (\'. II. Staring, die, naar ik gis, wel de
eigenlijke ontwerper van deze serie zal geweest zijn. De uitslag
echter was teleurstellend, daar de boekjes niet populair genoeg
bleken te zijn en niet gelezen werden. Achtereenvolgens ver-
schenen in deze reeks gescbriftjes van den redacteur \\\\ . (\'. II.
Staring en van E. (!. Enklaar, Vcnenia, Uilkeus, Von Liebig,
Borgesius, Te Gerapt, Havelaar en Snellen van Vollenhoven; bo ven-
dien nog had Ivruseman voor deze reeks bestemd Het sloomwerk-
tuig voor den landbouwer door
Prof. S. Bleekrode; Ocerzigt der
fandbouwstelgels door
(\'. E. de (\'lcrcq; Toepassing der meteorologie
door
Prof. \\V. A. Enschede; De kruidknnde op den landbouw
toegepast door
Prof. II. C. van Hall; De leer der bemesting
door
Prof. L. Mulder; Voedingsleer op de vee/wudei ij toegepast
door
Dr. S. Sarphati en He teelt van wort el gewassen door
Dr. .). Wttewaal; geen van deze laatste geschriften zag, voor
zoover ik weet, afzonderlijk hot licht \'. De geheele uitgaaf werd
na een paar jaar met vrij groote schade gestaakt. Te verwon-
deren is het niet, dat deze Bibliotheek niet beter ging. Hel
veld van wetenschappelijke geschriften over landbouw, groot
en klein, werd toch zeer afgejaagd in die dagen vooral door
W. E. J. Tjeenk Willink te Zwolle, en waar Kruseman\'s
boekjes niet beter, maar evenmin slechter waren dan de uit-
gaven van zijn confrater, moest er al een zeer toevallige ge-
beurtenis plaats vinden om zijn uitgaven een Ioonend debiet
te doen vinden.
Een evenzoo ongunstig verloop had de Nijverheids-biblio-
theek,
onder redactie van W. M. Logeman, met de vorige serie»
een navolging van de Bibliothègtie industrielle el d\'\' agrieulture,
waarin gescbriftjes verschenen van Prof. E. H. von Baumhauer,
Van Moorsel, Keer Ji\\, Hansen, Logeman en Gunning; met een
\' Het Nieuwsblad voor den Boekhandel van den 1 Maart 185") vermeldt
ze niettemin als reeds ter perse; een advertentie in de Haarlemscke
Courant
van den 1 Februari 1855 noemt deze titels met enkele anderen,
die inderdaad verschenen, als toegez,egd.
-ocr page 279-
266
NIJVERHEIDS-BIBLIOTHEEK.
1855. financieel slechten uilslag werden deze beide Bibliotheken, in
alle opzichten eikaars gelijken, twee maanden na-elkaar be-
gounen en gelijktijdig geëindigd \'. Waar zulks aan toe te schrij-
ven viel ? Wellicht aan de bestaande Volksbibliotheek, die door
Weijtingh en Van der Haart te Amsterdam uitgegeven werd.
Ku moge het al waar geweest zijn, dat Kvuseinan\'s onderneming
niet voor liet volk, maar speciaal voor industrieelen alleen be-
stemd was, de boekjes lijken mij voor deze laatsten niet zuiver
wetenschappelijk genoeg toe, dat zij door hen gekocht zouden
kunnen worden. Tusscheu beide partijen instaande, bleken zij
voor niemand geschikt en vonden hun weg niet.
Ietwat beter ging het met andere uitgaven op ditzelfde ge-
bied, waarvan hem de uitgave door den oud-Haarleinmer Dr.
AT. W. I\'. Rauwenhoir te Brummeu voorgesteld was: de Open-
bare roordragleu voor landbouwers, eau wege Z. M. den Koning,
in den winter van J8Ó3 en J85-Ï ten. platten lande, gehouden,
waarin in dit en het volgende jaar 16 werkjes van A. C.
Oudemaus .Ir., W. A. .1. van (ieuns, i\\T. W. 1\'. Rauweuhoff
en L. Mulder verschenen en in November 1 S56 als De natuur-
kundige grondslagen van den landbouw
gezamenlijk verkrijgbaar
gesteld werden -.
Evenmin gelukkig was Kruseman met twee andere uitgaven
van Ncderlandsche dichters, die in dit jaar hel licht zagen of
tot een begin van uitvoering kwamen; zij verdienen hier der ver-
melding, niet omdat zij grooten opgang maakten in den lande
of omdat zich een of ander voorval op boekverkoopers terrein
er aan vastknoopt, maar wel omdat de wordingsgeschiedenis van
de eerste een zee van ellende voor den uitgever medebracht,
en de tweede aanleiding werd tot een vernieuwde aanraking
met Potgieter.
1    Hiertegenover moet gesteld worden, dat deze beide seriën op de
fondsveiling van 1857 goede prijzen behaalden.
2    Op de fondsveiling van S. E. van Nooten en Zoon van den 7 April
1897 gingen de 142 exemplaren voor /\' 3 over aan Gebrs. Cohen.
-ocr page 280-
NEDERLANDS DICHTERS, DOOR OÜWER8LOOT.              267
In 1852 had Krusenian in zijn fonds oj)genoincn de Huudlei- ïsas
diuy tol hel onderwijs in de theorie van de rekenkunst van den
Amsterdamse-hen instituteur D. Ouwersloot. Deze deed oin-
sl reeks 1850 zijn zaken in de stad aan kant, ging te Heem-
stede bij Haarlem wonen, zette de tering niet naar de nering
en kon zijn schulden bij den debitant Krusenian niet betalen.
Toen trok hij uit oeeonoinie naar Doeticbein en gaf aan Kru-
seman zijn verlangen te kennen, dat bij voor zijn schuld liet
een of ander werken wilde. Krusenian nam dat aanbod aan en
meende dat hij, die zicli door zijn Bloemen van N\'derlandsche
dichtkunst
reeds vrij gunstig onderscheiden had, niet ongeschikt
zou zijn zulk een keur te maken op groote schaal en wel op
de wijze als Noël en De La Place, en Vinet in de Frausche
literatuur en (\'hambers in de Engelsche gedaan had. Evenwel
wilde Krusenian lussclien die allen het midden houden. Zijn
boek moest niet zijn een kritisch letterkundig werk, geen frag-
mentarisch schoolboek; hij beoogde een uitgaaf voor het groote
publiek, voor het volk, om op een eenvoudige en smakelijke
wijze met onze dichters kennis te maken. Daartoe wenschte
hij evenmin een konipleeten catalogus van heel e, halve en prul-
poeëten, zooals \\\\ itsen (ievsbeek\'s Woordenboek, geen bloem-
lezing van kunst-vormen, maar een bundel, waarin van de beste
dichters zouden worden opgenomen de beste stukken voor
geest en gemoed, terwijl een eenvoudig, kort levensbericht en
hun portretten in houtgravure in navolging van Iinmerzeel\'s
Schild e rsboek den lezer zouden inwijden in de meer intieme
kennis der auteurs \'.
Maar hoc bedroog hij zich in den verzamelaar, liet bleek,
dat die gewezen onderwijzer alles behalve genoeg smaak bezat
en genoeg op de hoogte was van de literatuur, er zelfs vrij
wat minder van af wist dan Krusenian zelf, geen bibliotheek
bezat en die in \'t afgelegen Doetichem ook niet tot zijn be-
schikking had. Kruseman\'s oude vriend S. J. vau den Bergh
werd in den arm genomen, ten einde de door Ouwersloot aangeduide
1 Een en ander geput uit een brief aan S. J. van den Bergh van
den 28 Januari 1852.
-ocr page 281-
268             NEDERLANDS DICHTERS, DOOR ODWERSLOOT.
1855. stukken aan een keuring te onderwerpen. Van den Bergh en
zijn factotum De Kanter hielpen Kruseman en konden, voor
Vondel met behulp van Aan Lennep eu van Bakhuizen
van den Brink, nog vrij wat stukken aanwijzen, die Ouwer-
sloot niet kende. Er kwam in 1 s5(i een werk ter uitgaaf, dat
wel niet aan de hoogste eischen voldeed, maar toch in aanmer-
kiug genomen de moeielijkheden, die Kruseman ondervonden
had met den smaak van den oorspronkelijke» verzamelaar, vrij
wel voldoende geacht kon worden.
Evenwel was, in weerwil der goede hulp van zijn Haagschen
vriend, Nederlands dichters tol op de helft der achttiende
eeuw, in herinnering geüragt
\' geenszins hetgeen in het oor-
spronkelijke plan gelegen had. Ken literatuur-overzicht op
poëtisch gebied, in denzelf\'den geest als de hoogleeraar N. (J.
van Kampen in lS."3~) in zijn Bloemlezingen, uit Nederlandsche,
prozaschrijvers van, de J(>1\'
—J9e eeuw gegeven had, was de
bedoeling geweest.
In Januari 1854 waren circulaires, door Van den Bergh,
Ouwersloot en Kruseman onderteekend, aan verschillende
vaderlandsehc dichters met verschillende vragen verzonden
en aan hen het plan kenbaar gemaakt om in liet toekom-
stige werk portretten, levensbeschrijvingen, een bibliographie
en een keurlezing uit hun verzen op te nemen, waardoor liet
werk te gelijker tijd en van zelve een geschiedenis der Neder-
landsche dichtkunst zou worden. Er zou van het plan niets
komen: het was te grootscheeps opgezet, liet verzamelen
1 Het werk kwam medio 1857 kompleet. Alleen de inteekenaren
hadden de laatste aflevering ontvangen, toen op Kruscman\'s fondsveiling
in October van dat jaar het werk gekocht weid door (j. Portielje &
Zoon
te Amsterdam. Vandaar dat er exemplaren voorkomen met het
jaar 1850 (Dl. I) en 1857 (1)1. II), zoowel met het adres van Kruseman
als met dat van Portielje. Het werk werd dadel ijk in gebruik genomen
door M. de Vries hij zijn universitair onderwijs te Leiden. (Catalogus
der fondsveiling van 1857 blz. 20; Nieuwsblad voor den Boekhandel 22
October 1857). — Spoedig reeds gaf de nieuwe eigenaar prijsvermin-
dering, omdat, velen meenden, dat de prijs door Kruseman gesteld
voor een meer algemeen debiet te hoog was. (iïieuicsblad voor den
Boekhandel
15 April 1858).
-ocr page 282-
ONZE MXTZE, DOOR VAN DEN BERGH.                    269
van gedichten uit het einde der 18° en uit de 19° eeuw zou
afstuiten op bezwaren van ecu klein aantal auteurs \' en op de
onverzettelijke vasthoudendheid van sommige eigenaars van
kopven, o. a. Hohn, Suringar en Xïjhofl\'. De dichters van
Nederland,
zooals Kruseman die zich had voorgesteld, moest
in duigen vallen en hij gaf daarvan bij circulaire dd. Octo-
ber 1854 kennis. „Ik ben tot inzien gekomen, dat ik al te
veel had gevraagd, en dat ik, hoewel onwillekeurig, onbeschci-
den had gehandeld. Ik ben het daarom aan mij zelv\' verschul-
digd oin te verklaren, dat het bekrimpen van eens anders eigen-
dom of het azen op een anders voordeel, nimmer eene gedachte
bij mij is geweest bij \'t overwegen van een plan, hetwelk
eenmaal bij mij gevestigd, met zooveel voorliefde en voor-
ingenoinenheid werd opgekweekt, dat ik over de bezwaren dei-
uit voering heen zag. . . . Alle regten ten volle eerbiedigende,
mag ik niet aandringen op de vervulling van mijn verzoek bij
hen, die mij hunne gegronde bezwaren hebben medegedeeld;
nog véél minder gebruik maken van de welwillendheid van
zulken, die, als een blijk van persoonlijke genegenheid, mij het
gevraagde niet hebben willen weigeren."
Het werk werd daarop gesplitst. Op naam van Ouwer-
sloot verscheen in 1850 het eerste deel van de genoemde bloein-
lezing der oudere dichters en in \'t vorig jaar 1855 werd Onze
muze. Album, van gemengde zangen onzer vaderlandse/te dichters
der J9e eeuw, verzameld door
S. J. van den Bergh, gedebiteerd -.
Voor een deel behelzen deze beide laatste deelen oorspronke-
lijkc bijdragen, maar voor een ander deel zijn het herdrukken
van dichtstukjes uit jaarboekjes en andere periodieke geschrif-
teu. Behalve letterkundige bijdragen leverde de Aurora voor
Onze muze nog twee plaatjes, in het eerste deel een reproduc-
1 De Gids 1855 Dl. II blz. 690.
* „Ter algemeene verspreiding heeft de Uitgever den prijs buitenge-
woon goedkoop
gesteld [ƒ0.60 per aflevering|. Als eene verzameling
van de meest geachte verzen onzer Vaderlandsche Dichters van den
laatsten tijd, belooft deze bundel teregt een Keur te wezen, die belang-
stelling zal vinden bij allen, die onze letterkunde beoefenen en waar-
deeren." (Advertentie in Hiutrlemsche Courant 4 Juni 1855.)
-ocr page 283-
27(1                       ONZE MTTKE, DOOK VAN OEN BERGH.
i(B5. tie naar een .schilderij van V. Willems uit den jaargang 1852,
in het tweede deel een afbeelding, uit denzelfden jaargang van de
Aurora, van een schilderij van .1. .). Creiner, die destijds zijn
eigen kunstenaarsnatuur als letterkundige nog niet begreep \'.
Het streven van Kruseman om een bloemlezing van Ne-
derlandsche dichters te geven was zeer zeker prijzenswaardig.
En hoewel hij zich niet beklagen kon de keuze der stukken
voor Onze muze toevertrouwd te hebben aan zijn Ilaagsehen
vriend, was de rangschikking der dichters toch alles behalve
zooals die had moeten zijn. Het was, naar "ik geloof de tweede
maal, dat Potgieter een van Kruseman\'s uitgaven in De Gids -
besprak, toen hij de alphabetische volgorde der dichters gispte.
Verontwaardigd als Potgieter was, die van zijn tijdschrift de
toongever der nieuwere letterkundige richting wilde maken
en dat daarvan ook maakte, kon hij de voltooiing der bloem-
lezing niet afwachten, maar gaf, toen er nog maar vijf afleve-
ringen verschenen waren, een waardige, maar toch\'van erger-
nis getuigende bespreking van deze, als letterkundig werk mis-
lukte onderneming. Ken voorbeeld te meer hoe kritiek, zelfs
ernstig gemeende kritiek, van geen invloed blijkt te zijn op
het publiek; zonder zich aan de meening van periodieken te
storen oordeelt en veroordeelt het voor zich zelf, tot schade
of gewin, tot eer of verguizing van schrijver en uitgever 3.
Het debiet van Onze muze was meer dan voldoende, zoo zelfs,
dat Itoelants er in 1808 een tweeden vermeerderden druk van
deed verschijnen.
Maar al had Potgieter op het verloop van deze uitgaaf dan
ook, zoo ik wil, geen invloed geoefend, toch was die kritiek
voor Kruseman zelf van onberekenbaar voordeel. He aandacht
1 In 18(55 verschenen bij H. B. Breyer te Arnhem twee drukken
van Frederik Hendrik Hendriks, de schilder van Wolflip.zon, geschetst
rlnnr zijn leerling
J. J. Cremer.
* 1855 Dl. II l)lz. G89 vlg. Vgl. t.a.p. 1890 1)1. IV blz. 308.
a „Elke uitgever van eenigc ervaring zal n verklaren, dat eene „be-
spreking", hetzij in gunstigen, hetzij in ongunstigen geest, zoowat niets
toe- of afdoet tot het debiet." [Brieven aan Nrcf Gerrit door Jan Hol-
land. Deventer 1881 bl. 48).
-ocr page 284-
ONZE MUZE, DOOR VAN DEN BEUC.H.                  271
door Potgieter geschonken aan een van zijn uitgaven, al was 1855.
die dan ook in ongunstigen zin, had ten gevolge dat de vluch-
tige, maar sedert afgebroken relatie in 1845 over Frederika
Bremer\'s Lu, Dalarna opnieuw aangeknoopt werd en wel eer-
lang hechter, sterker en onverbrekelijker dan ooit. De reeds
vermelde bespreking van de Buitentandsehe klassieken in 1857,
de kennismaking tusschen Potgieter en Iluet in 1 859, de steeds
volhardende kamp van Potgieter\'s orgaan voor den bloei en de
ontwikkeling van Xeerlands volk, zouden meer en meer aan
Potgieter een gewichtige plaats in Kruseman\'s leven geven,
zouden langzaam aan bij Potgieter een slechts voor korten tijd
verkoelde vriendschap opwekken voor Kruseinan, zouden on-
vermijdelijk moeten uitloopen op Huet\'s bloemlezing van Pot-
gieter\'s Proza bij Kruseman uitgegeven.
Er zouden nog heel wat jaren voorbij gaan eer dat beroemde
boek verscheen en in die jaren zouden nog vrij wat onder-
nemingen door Kruseman op touw gezet worden. Plet jaar
1855, waarin Onze muze, indirect het uitgangspunt van die
vriendschap uitkwam, was negen jaar an teneur aan den bundel
Proza en gaf voor de buitenwereld nog geen voorspel van die
innige relatie, die van zoo onberekenbaar veel invloed zou blij-
ken te zijn voor de letterkundige ontwikkeling van ons land.
Noch Onze muze noch de nieuwe werken van Da Costa en Van
Zeggelen, die Kruseman in dit jaar in het licht gaf, stonden
met Onze m,uze, Huet of Potgieter in verband.
In 1854 was Da Costa met het voorstel gekomen weer een
kleinen nieuwen bundel bij Kruseman uit te geven. Een onaan-
gename bekentenis moest hem van het hart; „gelijk ik wel
dacht volharden de tijdschriften bij het stelsel van ignoreeren
van hetgeen door mij, ook in poezy wordt uitgegeven. Ik kan
begrijpen dat ook hierdoor het debiet van mijne Politieke
poezy
niet beA\'orderd wordt; en dat mijn conditien aangaande
het honorair billijkerwijze steeds ongunstiger moeiten worden \'."
Terwijl de dichter voor Politieke poezy (10$ vcl)_/\'50 per vel
\' Brief van Da Costa 5 April 1854.
-ocr page 285-
272
DA COSTA, HESPERIDEN.
1855. luid genoten, inocst hij zich met f 1 00 voor geheel dezen
nieuwen bundel van 13 vel tevreden stellen. De opbrengst van
het debiet der Hesperiden, waarin Kruseman onder anderen
voor de vierde maal in negen jaar een herdruk leverde van
de Hagar, kwam de uitschotten nabij, maar dekte ze niet.
Had Da Costa daar een vermoeden van gehad? Begreep hij,
dat zijn zonne aan het ondergaan was, dat het werk van een
57-jarigen man niet sterk getinte, forsch aangegeven denkbeel-
den bij liet jongere geslacht, met andere denkbeelden niet dien
aftrek zou vinden als hij wensehte!J Da Costa meende zich
zelf op den avond van zijn levenspad: Hesperiden, de griek-
sehe naam van onze nachtviooltjes, bij avond — "\'On Trpo:
emrépav svrh
(Luc. XXIV, 29) staat als motto op het titel-
blad — geplukt, een titel en een motto van gedruktheid en
moedeloosheid blijk gevende, die spoedig voor een meer opgc-
wekte stemming zouden plaats maken bij de uitgave van Bil-
derdijk\'s Dichtwerken \'.
De Hesperiden verschenen in December 1855 \'2. Een week te
voren zag Van Zeggeleu\'s Hoofd cu hart. Dichtluimen het licht;
1 151) exemplaren werden in anderhalfjaar geplaatst. Van Zeggelen
en Da Costa, twee dichters van uiteenloopende richtingen,
vonden beiden vriendschap in Kruseman; beiden zagen in hem
den uitgever, die hun poëzie onder Xederland\'s volk moest ver-
spreiden ; beiden zagen en vonden in hem den persoon, door
wiens bemiddeling zij hun denkbeelden wilden verspreiden.
Maar waren er meer, die op letterkundig terrein den Haar-
lemschen uitgever hun gaven niet onthielden, op strikt weten-
1     Brieven van Mr. Isaav da Costa. Amst. 187;5. Dl. II blz. 397.
2    Xaar het schijnt nam Kruseman bij liet verschijnen der Hesperiden
niet alle formaliteiten in acht; althans den 2!> Maart 1872 schreef P.
van Santen, firma Van den Heuvell & Van Santen, te Leiden aan het
Bestaur der Verceniging, dat door den oorspronkelijken uitgever van de
Hesperiden niet of niet geheel voldaan was aan art. 6 der wet van 25
Januari 1817. Het gold een geschil over het kopyrecht van dien bun-
del met D. A. Thieme. Als voorzitter der Vereeniging had Kruseman
in 1872 die zaak te behandelen {Verslag der werkzaam-lieden van hel
Bestuur der VereenUjimj over
1871 —1872 blz. 4.)
-ocr page 286-
STARING, BE BODEM VAN NEDERLAND.                   273
schappelijk terrein was het niet anders. In Novernher 1855 1855.
verscheen de eerste aflevering van een boek, dat Kruseinan\'s
naam ook op dit gebied een voortreH\'elijken klank zou geven:
Staring\'s De bodem van Nederland.
De eerste aanleiding tot het plan dit boek te doen schrij-
ven, was een eenvoudige aanvraag voor prijsopgaaf, die Kru-
scinan in Juni 185:5 kreeg van de Commissie voor de geolo-
gischc kaart van Nederland voor het drukken en uitgeven van
hun Verhandelingen. In 1853 en 1854- verschenen deze bij
hem in twee deelen, tegen den zeer hoogen prijs van,/\'7.8(1
voor het eerste deel \'; een anonieme K. meende in het
Nieuwsblad, dat een dergelijke prijs liet debiet zou tegen-
werken, daar belangstellende particulieren zouden vragen of
dat niet naar afzetterij zweemde -. Zooals bekend is, was de
(jieologische Commissie na veel inspanning van den kant van
Prof. Van Breda te Haarlem, de eenige hier te lande, die zich
toenmaals aan dat onderwerp gelegen liet liggen, bij Koninklijk
Besluit van den 14 Maart 1852 in het leven geroepen. De
verzamelingen, langzaam aan door haar verkregen, vonden een
onderkomen in het Paviljoen te Haarlem, de zetel der Oom-
missie, en stonden onder het bijzonder toezicht van Van Breda\'s
leerling, W. C. H. Staring, den Secretaris der Commissie, die
in dat, Rijksgebouw een vrije woning kreeg.
Door die uitgaaf was Kruseman dan in aanraking gekomen
met dit lichaam, dat elk half jaar vrij aanzienlijke geldsommen
aan hem afdroeg :i. Slechts kort zou hij met die Commissie als
zoodanig omgaan, daar zij, na nog eerst bij Kruseman uitge-
geven te hebben De geologie in Nederland. Handleiding voor de
bezigtigers der verzameling op het Paviljoen te Haarlem
(1853), bij
Koninklijk Besluit van den 23 Juli 1855 weder ontbonden werd
en de zorg om de Geologische haart het licht te doen zien op
de schouders van Staring alleen gelegd werd. Maar was aan den
1 De beide, deelen samen kostten ƒ17.60.
* Niemi\'shlad voor den Boekhandel 1!) Januari 1854.
a De ontvangposten zijn niet nader omschreven dan alleen „de (ie-
ologische Commissie".
18
%
-ocr page 287-
274                STAKING, DE BODEM VAN NEDERLAND.
1855. eenen kant Staring niet de man om zich aan de hem opgedragen
taak te onttrekken, vooral niet waar liet zijn lievelingsvak gold,
aan den anderen kant was Kruseman geen persoon, die een
eenmaal aangeknoopte verbintenis zou laten glippen, wanneer
hij meende, dat voor hem als uitgever zaken te doen waren.
Nog daargelaten, dat hij 5 jaar later in 1S59 en 1861 door
het uitgeven van twee verhandelingen van Bosquet een mis-
lukte poging in het werk zou stellen een derde deel der Ver-
handelingen
in het leven te roepen, was de relatie, die hij ge-
kregen had met Staring van vérstrekkende gevolgen voor zijn
uitgeversbedrijf; in hem zag hij dadelijk een kracht, die hij
aan zijn zaken moest verbinden. Staring werd redacteur der
Landbouw-bibliotAeek. De ongelukkige uitsla» daarvan weet Kru-
seman in de verste verte niet aan zijn redacteur; hij poogde
hem veeleer te winnen tot het schrijven van een ernstig weten-
schappelijk, maar toch geen droog geleerd boek, ontleend aan
het veld zijner studie. Lang en breed besprak hij het met hem
en wist hem na veel moeite eindelijk over te halen Be bodem,
van Nederland
te schrijven, waartoe hij als Secretaris der op-
geheven Commissie en door zijn vereenigde kennis van de geo-
logie cii van den landbouw de aangewezen persoon was. Voor een
lofreden op deze publicatie, nog steeds het werk bij uitnemend-
heid, is het hier de plaats niet; het debiet van deze uitgaaf,
waarvan de eerste aflevering in November 1S55 verscheen \'
en in Augustus 1860 compleet kwam, bewijst dien goeden
roep voldoende, daar er in 11 jaar 978 exemplaren geplaatst
* In de Haarlemsche Courant van den 22 October 1855 werd het
a. s. verschijnen van de eerste aflevering aangekondigd. In die voorloo-
pige aankondiging luidt de titel De bodem van Nederland in zijne
zamenslelling en ontstaan, voor het algemeen bevattelijk voorgesteld.
Dat
denkbeeld van strenge jvipulariseering der wetenschap bleek echter niet
geheel geslaagd te zijn; de eerste aflevering kreeg tot titel De bodem
van Nederland. De zamenslelling en liet ontstaan der gronden van
Nederland., len behoeve van hel algemeen, beschreven.
(Advertentie in
Haarlemsche Courant 15 November 1855). Ten slotte werd van eiken
ondertitel afgezien. Het kompleete werk heet eenvoudig weg De bodem
van Nederland.
-ocr page 288-
natuurlijke historie van Nederland.              275
werden \'. Het werk zou het eerste moeten zijn van de reeks i*>55.
Natuurlijke historie van Nederland, een geheele serie haud-
boeken over land- en volkenkunde van Nederland. Krusernan
slaagde er in al vrij spoedig de vaste medewerkers voor de
onderdeelen te vinden en in het einde van November of be-
gin December 185(5 kon hij op een zijner strooibiljetten druk-
ken, dat zou behandeld worden de Geologie door Dr. W. C.
H. Staring, de Gewervelde dieren door Dr. H. Schlegel,
de Insect-en door Dr. [sic] S. C. Snellen van Vollenhoven,
de Weekdieren door Dr. J. A. Herklots, de Botanie door
Dr. C. A. J. A. Oudemans, de Meteorologie door Dr. F. W. C.
Krecke en de Anlhropologie door Dr. D. Lubach.
Daar Krusernan zelf deze serie uitvoerig in zijn Bouwstof-
Jen
2 behandelt, moge slechts een kleine aanvulling op boek-
verkoopersterrein hier volstaan.
Kort nadat de geheele serie voltooid was en Krusernan een
nieuwe inteekening op de geheele reeks had opengesteld 3, werd
hem door de firma J. B. Wolters te Groningen de vraag ge-
1 „Ik zou zoo gaarne eens een nieuwe editie van den Bodem en van
de haart tevens bewerken, maar vind er geen\' tijd meer voor; vooral
nu de tegenwoordige eigenaar van den Hndem het werk in \'t geheel
tegelijk wil uitgeven. Wilde hij \'t bij afleveringen geven, dan zou er
wellicht nog wat van komen." (Brief van Staring 1 Maart 1872).
1 Dl. I blz. 397.
3 Voor mij ligt het omslag van de 32" aflevering met het adres:
Haarlem, A. C. Krusernan. 1HG4. Op de achterzijde staat:
„Op verlangen van velen zoowel als in het belang der onderneming
stelt de uitgever een nieuwe inteekening open, waarbij men de kosten
van dit degelijke werk over twee en half jaar verdcelen en des noods
wekelijks of maandelijks betalen kan. Elke week ontvangt men \'t zij
drie bladen tekst met platen, of twee bladen tekst met drie platen,
waarvoor men 75 cents betaalt. Niet altijd zullen dan de teksten de platen
bepaald bij elkander behooren, noch ook de onderscheidene werken elkaar
geregeld volgen, maar daarentegen staat het voordeel over, dat men tel-
kens de afleveringen gereeder inziet en als van zelve reeds een over-
zigt krijgt van het geheel. Later voegt men tekst en platen tot dee-
len bijeen.
„Wie niet het gansche werk verlangt, kan op dezelfde wijze de af-
zonderlijke afdeelingen bekomen."
18*
-ocr page 289-
276
NATUURLIJKE HISTORIE VAN NEDERLAND.
ia55. daan den geheeleu voorraad met het kopyrecht over te doen.
Kruseman \' vroeg voor alles te /.amen, „zonder loven of bieden"
./\'15000, welk bedrag naar het schijnt veel te hoog geoor-
deeld werd: althans de Natuurlijke, historie ging niet in andere
handen over.
Het restant, 7851 deelen werd daarop in 1807 in auctie ge-
bracht. Het kon daar tot een tamelijken prijs geen kooper vin-
den, zoodat hij het in dat jaar ter exploitatie in administratie
overdroeg aan G. L. Funke, die haar voor Kruseman\'s reke-
ning bleef beheeren, voorloopig tegen dezelfde prijzen 2. Funke
zette al spoedig een nieuwe goedkoope titeluitgave op touw, be-
ginnende met het eerste gedeelte van De vogels van Nederland
door Schlegel3 en kondigde in Mei 1871 aan, dat de geheele
serie, met uitzondering van Oudemans\' Flora, waarvan een
nieuwe druk voorbereid werd, en Staring\'s Be bodem van Ne-
derland
in prijs verminderd was\'; jaarlijks deed Funke afre-
kening aan den eigenaar. Het was de laatste zijner uitgaven,
die Kruseman aan de uitgeverswereld bleef binden, want eerst
in 1880, d. w. z. drie jaar nadat Kruseman zich uit zijn zaken
terug getrokken had, ging de Natuurlijke historie in andere
handen over; op de fondsveiling van Funke, waar de Buiten-
landsche klassieken
gekocht werden door de Uitgevers-maat-
schappij „Elzevier", en de Werken van Busken Huet het eigen-
dom werden van H. D. Tjeenk Willink, werd Bolle eigenaar van
de geheele serie met de steeneu van 27(3 platen en de houtgra-
vures. Bolle verkocht den voorraad geheel uit en in October
1887 kwam het kopyrecht met de steeuen ojuiieuw in veiling.
Het kind keerde tot zijn ouderlijk huis terug: de Natuurlijke
historie
is thans het eigendom van H. D. Tjeenk Willink.
De geschiedenis der Natuurlijke historie is leerzaam, want
1    „De Natuurl. Historie van Nederland is mijne lievelingskopy. Had
ik een zoon die mij dacht op te volgen, er zou geene gedachte bij mij
opkomen om haar af te staan; in deze kopy steekt een gansche toe-
komst." (Brief aan E. B. ter Horst 5 November 1865).
2    Nieuwsblad i\'oor den Boekhandel 19 September 1867.
:\' t. a. p. 7 November 1867.
1 t.a. p. 19 Mei 1871. — /\'26 in plaats van / 54.50.
-ocr page 290-
277
BUITENLANDSCHE KLASSIEKEN.
zij levert een glansrijk en glanzend bewijs hoe de aanhouder 1855.
winnen kan, hoe een uitgever door het opzoeken en opwekken
van zijn auteurs een werk tot stand kan brengen, dat materieel
gewin aan zijn eigenaar en intellectueel voordeel aan geleer-
den en aan belangstellende lezers kan geven.
En juist dit aanhouden, dat oj) den langen duur bij de
Natuurlijke historie eau Nederland met zulk een goeden uit-
slag bekroond zou worden, was de aanleiding tot het uitzenden
in September van dit jaar van een circulaire, waarbij Krusc-
man poogde zijn Biiileiilaiidsche klassieken toch ingang te doen
vinden. De circulaire vindc hier een plaats, omdat er tevens
uit blijkt o]> welke wijze hij de debitanten te geinoct wilde
komen door eoininissiehandel of levering voor rekening.
Ik veroorloof mij, uwe belangstelling in te roepen voor
mijne bibliotheek van buitenlandsche klassieken. In de
drie jaren, sinds welke ik aan deze onderneming vrij wat
zorg en kosten besteed heb, is deze uitgave reeds uitge-
breid tot eene reeks van vijf en twintig gelijksoortige
boekdeeltjes, die, zoo ik vertrouw te mogen zeggen, dege-
lijkheid van inhoud aan netheid van uiterlijk en goed-
koopte paren, liet is mijn vaste voornemen met deze uit-
gavej waarvoor ik liefde heb, voort te gaan en de reeds
bestaande reeks met een aantal volgende deeltjes te ver-
meerderen.
Het zal u welligt opgevallen zijn, dat ik in de laatste
jaren mijne artikelen slechts hoogst zelden voor vaste re-
kening aangeboden, maar mij strikt gehouden heb aan den
Commissie-handel. Ieders gevoelen daaromtrent eerbiedi-
gendc, wensch ik dit ook voortaan zooveel mogelijk te
blijven doen, en mij liever wat opoffering meer te ge-
troosten, dan de bitter-zoete overtuiging te hebben, dat
een gedeelte mijner boeken bij de Confraters onverkocht
voor hunne rekening in de kasten staat. Voor den uit-
gever heeft deze Commissie-handel evenwel dit ontegen-
sprekelijke nadeel, dat de boeken slechts eenige weinige
-ocr page 291-
278
BTJ1TENLANDSCHE KLASSIEKEN.
1855.                 maanden in de wandeling blijven en daarna bij hem terug-
komen, om eene voor de wereld verborgen plaats te krij-
gen o]) zijnen zolder. Kunnen sommige werken door deze
korte uitzending genoegzaam fortuin maken, zeker is dit
niet het geval bij boeken zoo als mijne Buitenlanclsche
Klassieken. Ze hebben hunne erkende waarde sinds een
tal van jaren, en ze zullen die in de eerstvolgende nog
wel niet verliezen. Xogtans moeten ze gezien worden,
om te worden verkocht, en eene voortdurende plaats heb-
ben in ieder wèl gesorteerd Boeken-Magazijn.
Ten einde dit te bevorderen en u toch niet te nopen
of tot de bestelling voor vaste rekening, of tot het ge-
durig heen- en terugzenden, ieder jaar op nieuw, doe ik u
het voorstel, om u deze geheele reeks, welke gij inliggend
vindt, of enkelen daaruit, naar uwe verkiezing, in door-
loopende Commissie te geven, zonder jaarlijksche
terugzending. Bij de afrekening worde door u slechts het
verkochte opgegeven, bet overige in Commissie behouden
en het ontbrekende ter aanvulling aangevraagd. Het is
natuurlijk, dat u de terugzending vrij staat zoodra ze u
tot ballast mogten worden, en dat daarentegen de tcrug-
vrage inij veroorloofd is, zoodra ik gebrek mogt krijgen.
üp mijne jaarsrekening zal ik die artikelen eene afzonder-
lijk gemerkte plaats geven, terwijl bij iedere afrekening
door u slechts met name worde genoteerd, wat door u in
Commissie behouden wordt. Op die wijze kunnen wij we-
derkeerig elkanders voordeel bevorderen zonder veel moeite
of omslag.
Mogt gij van dit voorstel — waarbij ik ook mijne
Hollandsche Klassieken begrijp en mijne prachtwerken,
waarvan ik thans door het bijdrukken van eenige vellen
weer een kleinen voorraad heb — gebruik willen maken,
dan gelieve u op nevensgaand lijstje in te vullen wat door
u op dien voet begeerd wordt. Het spreekt van zelve, dat
ik dit aanbod slechts aan enkelen doe, in wier handel ik
deze artikelen het beste te huis acht.
-ocr page 292-
KERSTAVOND 1855.                                 279
Het resultaat van deze circulaire kan niet anders dan teleur- ihös.
stellend geweest zijn; de Builenlandsche klassieken waren en
bleven nu eenmaal een serie, waar het publiek niet aan wilde.
Het jaar spoedde ten einde, vol drukte over de loopende
uitgaven, vol zorgen door de tallooze bezwaren, die zich voor-
deden bij het uit den weg ruimen der moeielijkheden in de
voorbereiding der Bilderdijk-uitgaaf, maar scheen overigens
een geleidelijken overgang te zullen nemen naar het nieuwe jaar
185(5. ])e viering van het Kerstfeest stond voor de deur; den
21 December was Kruseman ten behoeve van een ander naar
Amsterdam geweest en was tegen den eten weer te huis geko-
men, niet vermoedende, dat daar iemand tot hem zou komen
met de bekentenis van willens en wetens van zijn goed hart
misbruik gemaakt te hebben. De katastrophe, zoo uiterst
kiesch en vol piëteit door Kruseman zelf niet aangeroerd, niet
aangewezen, enkel de simpele woorden: „in het laatst van IS55
naar Amerika verreist", wat schuilt daar niet een ontzettend
tragische geschiedenis achter. Maar ook, wat komt daar in
Krusemaifs gevoel van erkentelijkheid niet boven; zelfs nog
jaren, na die gebeurtenis, die tot een rechtsgeding aanleiding
gaf, wilde hij niet, dat er ook maar één woord ten nadeele
van dien persoon gezegd, veel minder gedrukt zou worden.
Toen enkele jaren voor zijn dood in een zeer klein aantal,
slechts voor familieleden gedrukt werk, de waarheid in al haar
naaktheid ter perse gelegd was, wist hij te bewerken, dat die
bladzijden bij een herdruk voor het publiek geroyeerd werden.
Anders zoo af keerig van dwang over een wetenschappelijk werk,
meende hij in dit geval als librorum censor op te moeten treden.
En bij de gebeurtenis zelve was hij vol mededoogen voor den
ongelukkige, die hij uit de handen der justitie wist te redden.
Hoe hij zich hierin gedroeg en zijn hulpvaardigheid zelfs maar
in grove en breede trekken, met weglating van bijzonderheden,
te boek te stellen, het zou tot niets dienen. Waartoe een fout
in kleuren en geuren verhaald van iemand, die zulke superieure
eigenschappen bezat? Quaudoque dormitat Me bonus Homerus.
Een verheerlijking van zich zelf ten koste van een ander, zij
-ocr page 293-
280                   UITING VAN DE NIEUWE RICHTING.
1855. die ook nog zoo volkomen naar waarheid, Krnaeman heeft er
voor gewaakt; bij zijn leven hield hij een sluier over dit voor-
val, na zijn dood moge in de eerste jaren niet anders gedaan
worden. Zondere nadere bewijsplaatsen moge hier gezegd zijn;
Kruseinan stond hier pal op het voetstuk der trouw, betoonde
zich als een man uit één stuk, als een helper in den nood, in
de uitgebreidste beteekenis van het woord.
In weerwil van de ongelukkige uitgevers-speculaties van de
laatste jaren, waren nu toeh de inoeielijkheden voorbij, onaf-
scheidelijk aan het begin van elk bedrijf verbonden; de uitge-
verszaak had een vasten broeden grondslag gekregen. I\'ïn bij hel
opbouwen van het fonds, dat zoo in deze vijftien jaren verza-
meld was, had zich ook allengs een ganseh andere richting in
de soort van uitgaven geopenbaard. Zooals we zagen had de
eerste periode zieli vooral kenbaar gemaakt door stichtelijke
lectuur zooals van Ds. Iladijs, Ds. Lieruur, Strauss en het
Christelijk Album, waarnaast de Aglaja en soortgelijke werkjes
zich als een tweede reeks was komen vertoouen. liet beginvan
het tweede tijdvak deed vooral de belletrie op den voorgrond
treden: Utagere editie, Saiteulandscfie klassieken, Walter Scolt,
Aurora, Charles Dickeus,
aan welke afdeeling in de eerste jaren
nog vrij wat ten koste gelegd zou worden, maar sinds een
paar jaar had zich daarnaast weer een nieuw terrein geopend,
het populair wetenschappelijke: Album, der Natuur, Praktische
Volks-almauak, Landbouw- en Nijverheids-bibliolheek
en de
Bodem, van Nederland. Ken verklaring van dit laatste ver-
schijnsel kan niet ver te zoeken zijn; de personen, waar-
mede Kruseman dagelijks in aanraking kwam in Oefening in
Wetenschappen
en in de Debating Society, moeten zijn denk-
beelden in die richting gestuurd hebben. Al mag dan ook
van vele uitgaven Kruseman het eigenlijke initiatief genomen
hebben, de frissche vooruitstrevende denkbeelden van die krach-
tige en intellectueel forsch, ontwikkelde jonge mannen, van
Bergsma, Buijs, Huet, Logeman, Lubach, Naber, Staring, iva-
ren feitelijk de prikkels, die hein tot het uitgeven van hun wer-
ken aanzetten en hem maakten tot een uitgever, die in deze
-ocr page 294-
DE WET VAN 1817 EN NADRUK VAN KAARTEN. 281
jaren alreeds onder de eerste van ons land geteld werd. Een i«
bewijs? (\'. Laarmau, diezelfde die in 1852 met zooveel succes
voor de Hoofdcommissie van liet Costerbeelcl gewerkt had \' en die
vijf jaar lang bij lieni als reiziger in dienst geweest was, meende
geen betere aanbeveling voor zich zelf te kunnen geven dan
door te zeggen dat hij „voor II. II. Uitgevers (onder anderen
voor den heer Kruseman)" gewerkt had\'-. Een voldingende
aanprijzing.
Die plaats had Kruseman niet ingenomen zonder de noodige
tegenkanting, zoo af en toe ondervonden te hebben.
In het einde van 1851 beklaagde hij zich bij het Bestuur
der Vereeniging over eene, voor rekening van het, He-
stuur der Anna-Paulowna-Maatschappij, uitgegeven kaart
van dien polder, volgens zijne meening blijkbaar, hoe-
wel in ander formaat, eene navolging der door hem vroeger
van dien polder uitgegeven kaart. Kruseman\'s uitgaaf, inet
zijn adres in 1848 verschenen heette: Kaart van den Anna
Paulowna Polder in Noord Holland, ingedijkt \'m dn jaren J845
en dH-\'i(>. Uit naauwkeurige slakken zamengesleld onder loezigt
van den ingenieur
[sic] der Anna Paulowna Maatschappij J.
C. de Leeuw, de gewraakte uitgaaf Kaart van den Anna Pan-
lowna Polder. Verdeeld in zoodanige kavels als waarin dezelve
In velling zal worden gebragl. Opgemaakt naar de kaart van het
kadaster en die van den heer Ingenieur van dien Polder:
beide
waren op dezelfde schaal geteekend en gaven in hoofdzaak
alleen verschil in de sedert bijgekomen werken, liet geschil
liep dus over de bekende quaestie of kaarten volgens de
vigeerende wet van 1817 vielen onder het begrip letter- en
kunstwerken, en zoo ja of van dit geval nadruk gepleegd was
in weerwil van het duidelijk uitgedrukte zeggen, dat de oudere
kaart wel degelijk tot voorbeeld gediend had en daaraan een
gedeelte van het materieel ontleend was. De vraag werd dus
te berde gebracht, hoever of het recht van citeeren uit het
eene typographische geschrift in het andere, toegepast kan
1 Nieuwsblad voor den Boekhandel 1 Juli 1852.
1 Advertentie in Nieuwsblad voor den lioekhandel 8 Maart 1855.
-ocr page 295-
282 DE WET VAN 1817 EN NADRUK VAN KAARTEN.
1851-ik>(;. worden op kaarten en andere uitgaven, die niet door de boek-
drukpers vermenigvuldigd werden.
Gegevens, die de houding der partijen zouden kunnen toe-
lichten, heb ik niet tot mijne beschikking; welke interpretatie
in het onderhavige geval aan de desbetreffende wetsartikelen
gegeven werd, kan ik dus niet medcdeelen. Kruseman wist
de zaak zelf te schikken, maar moest zich toch de aanmer-
king hooren toevoegen, „dat, eenmaal eene zaak in handen
des Bestuurs gegeven zijnde, het voorzeker niet ongepast \'
kan genoemd worden, het voornemen tot eigene schikking door
kennisgeving daarvan aan het Bestuur te doen voorafgaan, ten
einde het zich daarnaar kunne gedragen." 2 Dat was van
het Bestuur der Vereeniging niet geheel onjuist opgemerkt
en in zijn binnenste zal Kruseman die meening wel onderschre-
ven hebben.
Anders was de openlijke vraag, die in het Nieuwsblad van
den 14 April 1851$ tot hem gericht werd, door „een vriend
van woordhouden". „De lieer en geachte confrater K." kreeg
het verwijt te hooren, dat hij zich zelf alles behalve gelijk
bleef bij zijn aanbiedingen van vooruitbestellingen; de stellige
verzekering aan zijn reiziger Klinkenberg medegegeven in het
laatst van 1852, dat hij in het vervolg wenschte te breken
met deze ingewortelde kwaal, deed de vraag in de pen geven,
uu hij weder een vooruitbestellingscirculaire rond zond op
Van Zeggelen\'s Vrolijke, schetsen. ATiet alleen dit, maar meer
nog wekte het de bevreemding op, dat De ueger/ml dan
niet bij vooruitbestelling aangeboden was. „Het zij er echter
verre van daan den lieer K. te beschuldigen, dat hij juist al-
tijd onverkoopbare werken bij vooruitbestelling aangeboden
heeft, maar tevens veroorlooft X. zich bescheiden de vrijheid,
zijne bevreemding te kennen te geven, dat hij dan juist de
1 De Bestuur.snot uien der Vereeniging van den 16 September 1851
noemen Kruseman\'s handelwijze „minstens onkiesch".
Handelingen van de alijemeene veroudering der Vereeniging oe-
houden
9 Augustus 1852 blz. 22.
-ocr page 296-
283
VOORUITBESTELLING.
Negerhut (zoo geschikt voor Leesbibliotheken) niet bij vooruit- i85i-i856.
bestelling heeft aangeboden \'." Kruseman speelde open kaart
en wist zich te verdedigen; een dergelijke toezegging heb ik
nooit gedaan en moet uit een verkeerd verstaan voortkomen;
zelfs bij sommige werken als Van Lenncp\'s Tijdkaart en
Beets1 Patdus, die niet voor in commissie-zending geschikt
zijn, is het noodzakelijk en onvermijdelijk, en bovendien nog
bij de andere werkjes van Van Zeggelen deed ik hetzelfde. „Zou
men het niet in mij gelaakt hebben, indien ik op dit deeltje
niet dezelfde voordeden had toegestaan als op zijn voorgangers?
X. heeft mij verpligt met zijn ronde waag; ik dank er hein
opregt voor. Ik eer een twijfel, die liever openlijk vraagt, dan
in stilte het kwade denkt" 2.
De ruim tienjarige praktijk in het bedrijf zou doen ver-
wachten, dat de wetgeving op de drukpers geen geheimen voor
Kruseman bezat; een rechterlijke veroordeeling valt echter te
boeken. Tot waarschuwing vertelde hij het zelf in het Week-
blad voor de/e- Boekhandel 3.
In Mei 1.1. werd mij door een\' mijner principalen het
drukken opgedragen van een zeker aantal biljetjes, waarbij
aan de kiezers van Haarlem werd aanbevolen de kaudida-
tuur van Mr. P. P. van Bosse voor het Lidmaatschap
der Tweede Kamer. Deze aanbeveling was in een zeer
bescheiden vorm gesteld en bevatte niet het minste aan-
stootclijks voor eenig ander, maar was — zooals veelal
gebeurt — door den steller niet onderteekend. Ik aarzelde
natuurlijk niet, om dit „sinoutje" te drukken, zonder er
zelfs aan te deuken om het adres mijner drukkerij aan
den voet te plaatsen. Lenigen tijd daarna werd mij van
wege het Commissariaat van Politie gevraagd, of deze
biljetjes bij mij waren gedrukt, hetwelk ik beaamde. Latei-
werd ik voor deze zaak voor de regtbank geroepen, na
1 Nieuwsblad voor den Boekhandel 14 April 1853.
1 t. a. p. 21 April 1853.
\' 1 October 1853.
-ocr page 297-
284
WETGEVING OP DE DRUKPERS.
1831-1856.             eenige consideratien, schuldig verklaard aan de overtre-
ding van Art. 283 van liet Wetboek van Strafregt, aldus
luidende:
„Alle uitgaaf of verspreiding van gedrukte wer-
ken, geschriften, bekendmakingen, berigten, aanplak-
of uithangbilletten, dagbladen, tijdschriften of andere,
waarin de ware naain, het beroep en de woning van
den Schrijver of drukker niet uitgedrukt is, zal te
dier zake alleen met eene gevangenzetting van zes
dagen tot zes maanden gestraft worden; en zulks ten
aanzien van ieder, die met zijn weten, tot de uitgave
of verspreiding medegewerkt zal hebben."
en, onder verzachtende omstandigheden, verwezen tot eene
geldboete van Eene Gulden, met de kosten, zijnde totaal
/\'8.10. Later ben ik onderrigt, dat een dergelijke zaak
behandeld is voor de regtbank te Tiel, in Januarij dezes
jaars, waarbij niet de drukker, maar de verspreider, is
veroordeeld tot eene gevangenisstraf van zes dagen.
Ik ben er dus nogal goed afgekomen en heb mij ook
zouder eenige bedenking of tegenspraak onderworpen aan
de straf op eene misdaad, die ik onwillekeurig gepleegd
heb. Niettemin achtte; ik het mijn pligt, deze feiten aan
alle Boekdrukkers en Boekhandelaren bekend te maken,
opdat men zoo voorzigtig zij, om onder dergelijke biljetjes,
die zoo menigmalen voorkomen, den naam te plaatsen der
drukkerij waarop ze gedrukt zijn \'.
De persoon, die zich deze veroordceling op den hals haalde,
was A. (.\'. Kruseman, voorzitter van de Vereeniging ter be-
vorderiug van de belangen des Boekhandels.
In de algemeeiie vergadering van den i) Augustus 1852 was
Kruseman bij herstemming in het Eestuur der Vereeniging ge-
1 Dit voorval had plaats gedurende een der vele heete verkiezings-
strijden te Haarlem door en over Jhr. Salvador. De aandacht werd op
dit strooibiljet gevestigd door Salvador zelf, die den 17 Mei 1853 daar-
over een aanklacht indiende bij den Officier van Justitie.
-ocr page 298-
285
VOORZITTER VAN BE VEREENIGING.
kozen en tot het bekleeden van liet voorzitterschap aangewe- 1851-1856.
zen; die jjost bleet\' hij waarnemen tot 1855, toen in de ver-
gadering van den 13 Augustus 1855 Van Kampen in het
Bestuur kwam en Gebhard als voorzitter optrad. Het feit, dat
een 34-jarige boekverkooper erkend werd de bekwaamheid te
bezitten aan het hoofd van den Nederlaudschen Boekhandel te
staan, teekent de mate van waardeering, welke die persoon bij
de confraters genoot en het vertrouwen, dat in hein gesteld werd
om geschillen langs minnelijken weg met goed gevolg te kunnen
oplossen. De noodige kennis van het bedrijf zelve, lust tot
werken, en daarbij een groote mate van tact, handigheid en
ïnenschenkennis, zijn de noodzakelijke vereischten voor een
voorzitter van welke vereeniging ook, in het bijzonder Aan de
Vereeniging van den Boekhandel, in 1817 in het leven ge-
roepen door David du Mortier, Adriaan Loosjes Pz. en Joh.
van der Hey, om over en weer elkanders rechten te eerbiedi-
gen en bij oneenigheden de inoeielijkheden tot een minimum
terug te brengen. De moeielijkheden, waarbij partijen hun ver-
meend recht aan het Bestuur zouden blootleggen, zouden legio
blijken te zijn. Het Bestuur der Vereeniging stond en staat
dus altijd voor vragen, waarbij zij een beslissing heeft te ge-
ven na partijen gehoord te hebben, een beslissing, die geen
rechtsdwang heeft, maar alleen op innerlijke gronden van ge-
zond verstand en door kracht van redenen de in het ongelijk
gestelde partij, niet kan dwingen, slechts kan overhalen haar
ongelijk te erkennen en het veld te ruimen. Om het zoover te
kunnen brengen door schriftelijke adviezen en door mondelinge ge-
sprekken, daartoe behoort een vast vertrouwen in eigen meening,
meermalen een flink ontwikkeld juridisch denkvermogen, heel
wat macht en heerschappij over de taal om geregeld en logisch
een stelsel uiteen te zetten en ingang te doen vinden. Beter
dan aan Kruseman kon dit laatste niet opgedragen worden, wan-
neer de secretaris het aan hem meende te moeten overlaten \'.
1 „Telkens ligt mijn lessenaar zoo vol werk voor eigene zaken dat
ik mooi op weg ben die te verzuimen wat mij nog nimmer is gebeurd,
dat ik voor \'t oogenblik ten minste al wat de Vereeniging betreft ter
-ocr page 299-
286
VOORZITTER VAN DK VEREKNIGING.
1851-1856. Het archief der Vereeniging bevat menig concept, door hem
gesteld, dat een bewijs levert van zijn dringenden, overtuigen-
deii, maar ook tevens beleefden en helderen betoogtrant.
Geen der inoeielijkheden, in den Boekhandel gerezen tijdens
zijn praesidium, heeft meer dan een tijdelijk belang voor de
belanghebbenden gehad, hetgeen natuurlijk niet in zich sluit,
dat de beslommeringen aan de behandeling dier zaken verbon-
deu minder te beteekenen gehad zonden hebben. Midden in het
rumoer over den nadruk door Van Belle van Van Alphen\'s
Gedichten voor kinderen aanvaardde hij zijn post, even voor het
Koninklijk Besluit, waarbij aan Postdirecteuren het drijven van
boekhandel verboden werd \', trad hij af. Het lang gewenschte
letterkundig tractaat met Frankrijk kwam tijdens zijn praesidium
tot stand en eveneens was het onder Kruseman\'s voorzitter-
schap, dat het Weekblad voor den Boekhandel opgeheven werd
door het besluit der algeineene vergadering (7 Augustus
1S54) om het Nieuwsblad als het officieele orgaan der Ver-
eeniging te erkennen. Vooral maakte hij zich verdienstelijk bij
de Parijsche Wereldtentoonstelling van 1855. De vergadering
van den 7 Augustus 1854 had, op voorstel van het Bestuur,
het besluit genomen te pogen „den Hollandschen boekhandel
daar waardiglijk te vertegenwoordigen". De zorg voor het ver-
zamelen der boeken, die dikwerf zoowat afgebedeld moesten
worden van de uitgevers en het catalogiseeren, kwam bijkans
alleen neer op de schouders van de Ainsterdamsehe leden Fred.
zijde leg." (Brief van Gebhard, toen secretaris van de Vereeniging,
Juli 1855).
1 Het is uitvoerig in de Bouwstoffen (Dl. I blz. 494) verhaald, hoe door
dit Koninklijk Besluit een groote grief voor den Boekhandel werd weggeno-
men; voor het Bestuur der Vereeniging niet \'t minst, dat op hij kans elke ver-
gadering inoeielijkheden over den boekhandel, door postdirecteuren ge-
oefend, te behandelen had. Zoo b. v. op de bestuursvergadering van den 22
December 1854, toen de voorzitter Kruseman mededeeling deed, dat hij
een bestelling van het postkantoor te \'s-dravenhage ontvangen had op
het Christelijk Al hum en op het Album tier Natuur, bepaaldelijk, zoo-
als in de bestellingsinissive was uitgedrukt, ten behoeve van Z. M.den
Koning. Op advies van het Bestuur gedroeg hij zich in deze zaak over-
eenkomstig het reglement der Vereeniging.
-ocr page 300-
287
VOORZITTER VAN DE VEREENIGING.
Muller en Gebhard en hun bedienden Th. J. I. Arnold en ism—mög.
H. Altmaun \', maar toch ging na veel zorgen de verzameling
naar Parijs, waar Kemink en Zoon met 110, en onmiddellijk
daarna volgende Kruseman met 98 uitgaven zouden toonen, in
welke mate de geest der Elzeviers in hun nazaten vertegen-
woordigd was. De Commissie der tentoonstelling scheen niet
bijster gesteld te zijn op die inzending en keurde ze ongezien
ter expositie af.
Als voorzitter der Vereeniging verhaalde Kruseman zelf aan
de algemeene vergadering van den 18 Augustus 1855, dezelfde
vergadering waar hij als bestuurslid zou moeten aftreden, hoe
het bestuur ongelukkig geweest was in de poging om de
boeken te Parijs ten toon te stellen en hoe hij zelf het ver-
driet gehad had daarvan getuige te zijn. „Van de 1400 oor-
spronkelijke werken, door ons daarheen gezonden, waren er,
toen ik als bij toeval dezer dagen [Julij] Parijs bezocht\'-, slechts
een tiental hier en ginds neergelegd; de overige; varen ge-
bleven in de kisten, waarin ze gezonden waren. Het voegt
mij niet, en bovendien baat het niet, een oordeel uit te spreken
aan wien de schuld dezer nalatigheid moet geweten worden.
Zeker is het, dat de Hollandsche Oommissie ons doel niet be-
grepen heeft en dat zij de edelste van alle industrie, die ter
verspreiding van kennis en beschaving, niet waardig heeft ge-
acht hare plaats te nemen onder de nijverheidsproducten van
allerlei materiëele levensbehoeften, \'t Is mij gelukt, een weinig
te herstellen aan deze stiefmoederlijke behandeling. Overeen-
komstig de geringe ruimte, waarover nog te beschikken viel,
is onze drukpers op dit oogenblik ten minste vertegenwoor-
digd door de uitstalling van een driehonderd boekwerken, wier
opschrift [iïchantülon de J460 livres originanx, publiés dans
Ie dernier temp» eu Hollande. Voir Ie Catalogiie]
luidt, dat
dit slechts een zeer gering gedeelte is van hetgeen door
1 Handelingen van de algemeene vergadering der Vereeniging <je-
houden
13 Augustus 1855 blz. 9.
\' NI. voor de moeielijkheden niet Gouband over de Aglaju en de
Cendrillon (Vgl. hiervoor blz. 121).
-ocr page 301-
288                      VOORZITTER VAN DE VEREENIGING.
i85i-ia->(i. Nederland is ingezonden, terwijl onze Catalogus — welke
daar méér spreekt dan onze tentoonstelling — den belang-
hebbenden bezoeker genoegzaam blijk geeft, dat de Holland-
sche Boekhandel liet zijne heeft bijgedragen om te trachten
de nijverheid van ons vaderland op eene waardige wijze te
vertegenwoordigen\'1 \'.
Aan Kruseman, »le Directeur de, la Soeiét-ê pour les interets
de la librairie néerlaf/daise" \'l,
was het te danken, dat van de
Nederlandsche boekenwereld ter tentoonstelling althans nog iets
terecht kwam. De boekverkóopers voelden dat; in het Nieaws-
lihid
3 werd hem een kort woord van dank gebragt en na
afloop der vergadering aan den maaltijd overhandigde Fuhri
hem, onder levendige toejuiching, een medaille *, als bewijs van
hulde en erkentelijkheid van den geheelen Boekhandel voor
den belangeloozen en volhardenden ijver door hein te Parijs
in het belang van Neêrlands Letterkunde en Boekhandel in
zake de tentoonstelling aangewend \'\'.
Bij het dessert werd hem niet woorden van J. H. G[ebhard]
toegezongen:
ADIEU.
Wijze: Wie praalt aan H hoofd der heldenstoef, Ciiassé.
Er was eenmaal een President, Hoezee!
De man is bij een elk bekend, Hoezee!
Drie jaren stond bij aan ons roer
En lag bij nadruk op de loer,
Hoezee! Hoezee! Hoezee! (bis.)
1    Vgl. Bouwstoffen Dl. I blz. «29.
2    Brief van Adolpbe Seegers aan de Vereeniging dd. Paris 2 octo-
bre 185\') (Bouwstoffen Dl. I blz. 631).
" 9 Augustus 1855.
*    Avers: de uitstalkast ter tentoonstelling; randschrift: algemeenk
tentoonstelling van nijverheid tic parijs mdccclv *. Revers: dr | ne-
DERLANDSCHE | BOEKHANDEL | AAN | A. C. KRl\'SKMAN | te | HAARLEM | 1855.
|*|; randschrift: hulde aan volharding en belangloozen ijver.
Middellijn t>3 mM., verguld üilver, gietwerk.
*    Nieuwsblad eooe den Boekhandel 1G Augustus 1855.
-ocr page 302-
VOORZITTEB VAN DE VÉREENIGING.                      289
Wijze: Aeli mijn zusje is gestorven.                                -1851—1856.
Ocli ons waarde Presidentje,
Gaat na drie jaar heen in vree,
Laat ons snikken, laat ons hikken,
Snikt en hikt nu allen raeê.
Snikkoor: Oeh hé, ooh hé!
Een kapitale President, Hoezee!
Zijn werkzaamheid was zonder end, Hoezee!
Hij was zoo vriendelijk altoos,
Maar werd somwijlen Oome boos,
O ja, o wé, dan wee.
Och ons waarde Presidentje,
Gaat na drie jaar heen in vree.
Laat ons snikken, laat ons hikken,
Snikt en hikt toch allen meê.
Snikkoor: Oeh hé, och hé!
Parijs is óók met hem bekend, Hoezee!
Wat droeg de vent zich daar patent, Hoezee.\'
Daar was hij niet slecht Kr....man,
Maar Omnis Homo, timmerman,
Werd, schilder, watje wilt! {bis.) enz.
Zoo eindigde de eerste officieele betrekking van eeltige betee-
kenis, die Kruseman tot nog toe in zijn vak en naast zijn bedrijf
bekleed bad. De rust, die hij hierdoor verkreeg, was slechts kort;
het volgend jaar zag bij zicli opnieuw op voorstel van (jeb-
hard \' tot dezelfde post aangewezen; maar die korte rust, die bij
daardoor verkreeg buiten eigen zaken — en die gaven hem
voorwaar geen tijd te over — was niet onwelkom. Een huig
voorbereide zaak kwam eindelijk tot uitvoering; de gelden,
door velen lange jaren verzameld, zouden in een paar dagen
verbruikt worden bij de onthulling van het metalen Oosterbeeld
te Haarlem in Juli 1856.
Dat Kruseman ook bij de feestviering der onthulling zelve
een rol gespeeld beeft, spreekt bijkans van zelf. Het is uit
den aard der zaak hier niet de plaats een overzicht te geven
1 Besluursnolulen der Vereeniging 28 Juli 1856.
19
-ocr page 303-
290
HAARLEM.
COSTERS-FEESTEN TE
iar>6. noch van het geschilstuk van de uitvinding der boekdrukkunst
noch van den loop van zaken, die, toen eenmaal de beweging
begonnen was, de onthulling van het beeld voorafgingen, waar-
door een lievelingsdenkbeeld van den Haarlemschen voorvechter
der Costerzaak, ])s. A. de. Vries, tot een verwezenlijking
kwam \'. Zonder zich eigenlijk veel met de wetenschappelijke
zijde van het geschil in te laten, was Kruseinan de pogingen, die
in het werk gesteld werden om een nieuw beeld ter eere van
den eersten boekdrukker in zijn geboortestad op te richten,
hartelijk genegen, en zette financieel met kracht zijn schouders
onder de zaak. Hij toch was met hart en ziel Gosteriaan, niet
zoo/eer als resultaat van eigen onderzoekingen, als wel uit over-
tuiging, als echo van zijn Haarlemsche vrienden. Hem ontbrak
de veelzijdige en uitgebreide kennis, die vereischt worden om
het vraagstuk der uitvinding te overzien. Historische zin, een in-
zicht in middeleeuwsche maatschappelijke toestanden, kennis van
de praktijk en van de technische geschiedenis der lettergieterij
en der boekdrukkunst zijn al ongeveer de hoofdvereischten, die
nootlig zijn oin met kennis van zaken een zelfstandig oordeel
te kunnen vellen over dit hoogst ingewikkelde historische
onderwerp en Kruseinan, die zich altijd en vóór alles getoond
heeft een man van de praktijk, had niet den aanleg medege-
k regen, noodig tot het vormen van een eigen oordeel in deze
teclinisch-geschiedkundige quaestie. Trouwens ik wil het dan
ook niet verhelen, dat in de uitgebreide literatuur over de
uitvinding, voor zoover ik weet, eigenlijk nog geen geschrift
voorkomt, dat het onderwerp anders dan eenzijdig en daardoor
onvolledig behandelt.
Krusemau, die zich in deze dagen als uitgever veelal op bel-
1 In zijn Persoonlijke licrinnerinaen aan Polgieter schrijft Huet
(Lilterarisclte fantasten en kritieken. Haarl. z. j. Dl. XIII blz. 28),
ter plaatse waar hij zulk een aantrekkelijk beeld ontwerpt van mijn
grootvader Mr. Joh. Enschedé : „in de zaak der Coster-overlevering heeft hij
[Enschedé| nog uit zijn graf tegen kunstmatige rekonstruktie der geschie-
denis gewaarschuwd en gewaakt." Wat hiermede bedoeld wordt is te
lezen in een brief van Mr. A. .1. Enschedé aan Dr. A. van der Linde
afgedrukt in De Nederlandsclie Spectator, \'s Gravenh. 1870 blz. 121.
-ocr page 304-
291
OOSTERS-FEESTEN TE HAARLEM.
letristiscli gebied bewoog en daarbij een open oog bad vofir ïsrse.
maatschappelijke en natuurwetenschappelijke onderwerpen, be-
vorderde tocli zooveel bij kon de voorgenomen oprichting; als
uitgever door A. de Vries\' Bewijzen voor de. echtheid en ge-
lijkenis der oude afbeeldingen, van Cos/er
(1847), Noordziek\'s
Het geschilstuk betrekkelijk de uitvinding der boekdrukkunst,
geschiedkundig uiteengezet
(1843) en A. de Yries\' Lotgevallen
van. Oosters woning
(1851), de beide eerste ten voordeele van
het beeld; als Haarlemmer door reeds in Augustus 1847 met
Mr. G. de Vries Az., Mr. P. Mabé Jr., J. A. van Eeden, Mr.
J. F. T. van Valkenburg en Mr. Joh. Enschedé Jr. als secretaris
op te treden in de Haarlemsche Commissie; als privaat persoon
door pogingen in het werk te stellen gelden te zamelen voor
het beeld \' en door in één van de letterkundige jaarboekjes
een opwekking te plaatsen om het bijeenbrengen der gelden
te doen slagen.
ALLEENSPRAAK VAN LAURENS COSTER.
Voor mij een standbeeld in \'t verschiet!
Gij meent: ik ben verheugd?
Een groote naam? — och \'t is liet niet!
\'t Geeft vaak meer last, dan vreugd!
Gij weet, ik wandelde in den Hout,
Mijn jongens aan mijn zij —
Het toeval heeft me er toevertrouwd
\'t Geheim der Drukkerij.
Ik zet, ik druk, mijne oogen dof,
Ik zwoeg een jaar of twee....
Daar komt zoo\'n bovenlandsche mof,
En pakt mijn boeltje meê!
„\'t Is jammer!" roept het heele la«d,
„Het was zoo\'n mooije zaak!"
Maar ja — geen ziel verroert een hand
En attakeert den snaak! —
Toen \'k dood was, dood was van verdriet,
Daar komt men op \'t idee:
„Die Costkr was een heele Piet!
Een wonder, wat hij deè!"
1 Handelingen van de algemeene vergadering der Vereeniging ge-
houden 1
Augustus 1848 blz. 19.
19*
-ocr page 305-
292
COSTERS-FEESTEN TE HAARLEM.
4S56.          *                     Men hakt mijn tronie uit in steen,
En zet mij in een tuin....
De jongens dansen om mij heen,
En gooijen me met puin!
\'t Bestuur van Haarlem keek mij aan,
En vond me nog al mooi;
„Hij kan oi> onze markt wel staan;
Dat geeft de Stad wat tooi!"
Ik krijg een verf-kwast op het lijf,
Men lapt mij weer wat op,
En met een feestlijk vreugdbedrijf
Verhuist mijn steenen pop.
Was me eerst een plantentuin bereid,
En rook ik bloemengeur.
Nu ruik ik niets dan vuiligheid,
Vlak naast de visehbank-deur \'.
Nu sta \'k „ter eer", zoo als het biet,
In alle weer en wind,
En ieder vreemde, die me ziet,
Zegt____dat hij \'t leelijk vindt!
Maar met dat al — ik kreeg een nnam !
Ik werd een wigtig man !
Ik was dan wonderlijk bekwaam....
Daar was geen voorbeeld van !
En Holland schreeuwde en kraaide \'t uit:
„Beschaving, deugd en licht!
Dat kwam van mij tot Noord en Zuid;
Zijn Louw had die gesticht!"
Vier eeuwen was ik reeds van de aard,
Daar kwam een Costersfeest!
Een feest, de gaaf der Drukkunst waard,
Een hulde voor mijn Geest.
1 Het Costerbeeld, in 1722 naar een ontwerp van Romeijn de Hooghe
door Geriït van Heerstal gebeiteld op last van Commissarissen van den
Hortus medicus en in dien kruidtuin geplaatst, werd in 1801 overge-
bracht naar de Groote Markt te Haarlem. (Zie hierover Ekama. Bomeyn
tle Hooghe en de Horlus Medicus.
Haarl. 18C8.) In 18ö(J werd dit beeld
vervangen door het metalen Costerbeeld en teruggebracht naar zijn oude
standplaats, waar het tegenover de Haarlenisehe Stads-Bibliotheek uit-
nemend op zijn plaats is.
-ocr page 306-
293
COSTERS-FEESTEN TE HAARLEM.
Een monument moest opgerigt                                                 1856.
In Haarlems roemrijk woud,
Waar de eerste letter kwam aan \'t licht,
Gesneden in het hout;
Met trommelslag en feestgebaar
Liep heel het Land schier uit,
En vóór de luistervolle schaar
Werd \'t monument gekruid.
Daar stond de troep, daar zweeg de trom,
\'t Hield al den adem in,
\'t Was als het graf, zoo plegtig, stom.. ..
De onthulling nam begin!
Een Burgemeester trok aan \'t kleed,
\'t Viel weg bij maatgeluid....
En — weet ge wat de menigt deed?
Het lachte \'t hartlijk uit!
Ik heb gehoord, daar broeit een plan
Voor weer een ander beeld,
\'t Is bij een \'s Gravenhaagschen man
Ter mijner eer geteeld \'.
Hij stuurde in \'t land zijn lijsten rond,
In dezen tijd! — om — geld!....
Maar of het wel veel bijval vond,
Dat is me niet verteld.
Men gaf — met tronies, o, zoo zuur,
\'t Billet gevuld weerom....
Maar zei: „Die Louw wordt lastig, duur,
Loop met den vent rondom!"
Een groote Heer met groot verstand
Werd boos om \'t nieuwe plan
En schreeuwde luid door heel het land:
„Komt, geeft den wip er van!
Geen standbeeld voor dien dooden Louw,
Of ook den mof er bij !
\'k Weet dat hij niet gelijken zou —
En \'t plan.... is niet van MIJ."1 —
1 Schoon Noordziek de Oproeping voor een nieuw beeld ondertee-
kende, heb ik niettemin redenen om aan te nemen, dat de eigenlijke
ontwerper van de beweging Mr. L. Metman was, die daarmede een po-
litiek doel beoogde.
3 Bedoeld wjrdt Van Westreenen van Tiellandt en zijn geschrift
-ocr page 307-
294
COSTERS-FEESTEN TE HAARLEM.
18.%.                               Maar hoe men schreeuwt of hoe men raast
Men heeft mij toch gezegd:
„Louw wacht je heurt, dan komt ten laatst
De boel nog wel te regt.|"|
De wereld is in rep en roer,
En \'t geld is naar de maan
De droes is bezig met zijn moer
Veel kort en klein te slaan;
Maar is men ginds het vechten moê
En wordt de troep wat stil,
Dan komt u toch een standbeeld toe:
Als \'t volk maar ijeven wil!
Dus, lieve menschen hier in \'t land,
In dorpen en in steen,
Och, kan het, geeft met ruime hand,
Ik bidje! — goed — of geen!
Ik maakte binnen Haarlems muur
Op velerlei manier
Zoo\'n langen tijd een mal figuur;
(ieef niets — of met pleizier!
Zet ge eens voor mij een standbeeld neer
Van marmer of metaal,
Denkt dan ook om uw eigen eer,
Om eigen zegepraal.
Zoo zegg\' de vreemde, die het ziet,
Met eerbied voor ons land:
„AVie ziet hier \'t oude holland niet!
„Nu \'t weer werd aangerand!
„Als \'t eens zijn regtcn openbaart —
„\'t Neemt daden dan ten tolk;
„De Natie was haar Coster waard,
En Coster was \'t zijn volk!" \'
Iets over de afbeeldingen van Laurens Janszoon Koster. \'s-Gravenh.
1847. Zijn meening, dat er geen authentieke afbeeldingen bestaan, werd
wederlegd door De Vries. (Zie hiervoor blz. 291).
1 Dit gedicht staat afgedrukt in den Almanak voor Hol tand srlie blij-
geestigen voor het jaar .iSi\')
blz. 17;J. Het is daar anoniem geplaatst;
in den inhoud is de schrijver alleen K., en dat zich hierachter Kruse-
man verschuilt, blijkt uit de verzameling stukken over de Oostcrs-feesten,
afkomstig van Ds. A. de Vries, waarin een overdruk van dit gedicht
berust door Kruseman\'s handteekening met potlood aan het einde ge-
waarmerkt.
-ocr page 308-
COSTERS-FEESTEN ÏE HAARLEM.                       295
Bij de onthulling zelve trad hij op uitnoodiging van het 1856.
Gemeentebestuur als lid van de feestcommissie op en had ook
in die qualitcit denkelijk wel aanleiding te over te verrichten,
wat er bij dergelijke gelegenheden te doen valt. De llaarlcm-
mer Coster, de pruim» artis ii/pograpkiae iuveidor, zag zich
gehuldigd in het beeld, in Enschedé en in Kruseman. De
waardeering aan de leden van mijn geslacht bij die gelegen-
\'heid bewezen, kan uit den aard der zaak hier niet vermeld
worden, wel daarentegen, dat Kruseman\'s tact en handigheid
om in het openbaar op te treden schitterend uitkwam, toen hij
op den avond van de onthulling de orde wist te herstellen op
den Doelen onder de paar honderd afgevaardigden der typo-
graphische vereenigingen \', toen daar groote ontevredenheid en
gemor heerschten over de slechte bediening en consumptie \'-.
Te zijnen huize in de Kleine Houtstraat werd op Kruseman\'s
uitnoodiging \' de 84-jarige A. de Vries, in het bijzijn van zijn
beide zonen, door den optocht dei1 typographen gehuldigd als
de groote voorvechter der Costerzaak op wiens werk thans
de kroon gezet was. Maar evenzoo goed als in deze feestelijke
dagen Ds. luidopen in de Janskerk uitsprak een „Loof den
Heere mijn ziel! en al wat binnen in mij is, zijnen heiligen
naam" * en de Enschedé\'s ", De Vries en Schinkel, alle op-
rechte Costerianeu in dichtmaat bezongen werden in liedjes,
die bij Kruseman gedrukt werden, evenzoo goed maakte Pru-
dens van Duyse ° op den avond voor de onthullingsdag, terwijl
1 Noordziek. Gedenkboek der Cantors-feesten. Haar]. 1858 blz. 209
C. Mommaas. liet onthaal der lypographische vereenigingen. Utr.
1856 blz. 19. Vgl. Bouwstoffen 1)1. I blz. 631.
3 Noordziek. Gedenkboek der Costers-feesten. Haarl. 1858 blz. 276.
He uituinding der boekdrukkunst, cene oorzaak van Godsverheer-
lijking.
Haarlem. A. C. Kruseman. 1856.
*    Noordziek. Gedenkboek der Oosters-feesten. Haarl. 1858 blz. \'292 vlg.
*    Zie over Van Duyse\'s verblijf in Haarlem, J. Micheels. Prudens
van Duyse, zijn teven en zijne werken.
Gent. 1893 blz. 94 vlg. — üe
relatie met Van Duyse dagteekende van 1819, toen Kruseman zich wendde
tot Van Duyse over de verspreide gedichten van Messehert: „Al is het
een onbekende, die tot U komt om Uwe hulp, die onbekende vertrouwt
niet te min op Uwe ondersteuning, want hij kent Uwe welwillendheid
-ocr page 309-
296
OOSTERS -FEESTEN TE HAARLEM.
1856. de watermuziek \' op liet, Spaarne voor Kruseman\'s drukkerij
stil hield, een extempore 2 op zijn gastheer, „aan wiens haarde
hij als een kunst-pelgrim was gezeten" \'.
Aan A. C. Kruseman.
Zie de maan is opgerezen
.
              in haai\' Goddelijke pracht,
Zij verzilvert \'t heerlijk Spaarne
Zij bestrijdt den sombren nacht.
Ja, — zij wil den dag verlengen,
Die ons \'t heerlijkst heil mocht brengen,
Waarvan Neêrland heeft gedroomd.
Zie dat vuur, dat heerlijk flonkert
Op den vloed, die niet verdon kert,
En U davrend tcgenstroomt.
bij name. En dat vertrouwen is des te grooter, omdat zijn verzoek
een zaak geldt, die ook U na aan het harte ligt: Hollandsche poezij.
Daarvoor heeft zeker nooit iemand te vergeefs de linlp ingeroepen van
den warmen voorstander onzer letterkunde: I\'rudens van Duyse!" (Brief
van Kruseman aan Frudens van Duyse 1 September 18-18, mij welwil-
lcnd ter inzage verstrekt door den Heer Florimond van Duyse te Gent).
1    Sommige leden der hoofdcommissie keurden de naam watermuziek
af, alsof dat zou moeten beteekenen muziek van of door water veroor-
zaakt. „In dien zin kan het gebruikt worden, schreef de vader van
Prof. M. de Vries, maar die is niet de eenige, de meest gewone, even-
zeer gewettigde. Veldmuzijk is immers geen muzijk van een veld, dat
door een veld wordt te weeg gebragt, maar dat gespeeld wordt of ge-
schikt is, om op een veld gespeeld te worden. Waterdier is geen dier
van water, maar dat leeft op of in het water, aardmuis geen muis van
aarde, maar die leeft in de aarde, theebanket geen banket van thee,
maar dat geschikt is om bij de thee gebruikt te worden, ö Wat zou
onze rijke en vrije taal arm en slaafsch worden onder zulke taalmeesters!
Hoe zou Thijs zich over hen boos maken of hen uitlachen!"
2    Ik ontleen dit extempore aan een handschrift van Ered. Muller,
blijkbaar door hem op het oogenhlik van het uitspreeken, uit \'s dich-
ters mond opgevangen. Het stuk is door verschillende personen eigen-
handig onderteekend en berust in de verzameling stukken over de
Costers-feesten door Kruseman in 1887 aan de Stads-Bibliotheek te
Haarlem geschonken.
■ Brief van Van Duyse aan het Boekverkoopers College L. J. Coster
4 Juni 1858.
-ocr page 310-
297
COSTERS-FEESTEN TE HAARLEM.
Hoor dat juichen, hoor dat woelen,                                      1856.
Hoor dat vaderlandsche lied! —
Zoudt gij U niet grootsch gevoelen,
Gij, die over de aard\' gehiedt!
Haarlem, aangebeden wallen,
Die het schoonste lied doet schallen,
Dat, na d\'ouden vrijheidskreet,
\'t Dierbaar Ncêrland hier mogt hooren,
Coster, zingen all\' de kooren,
Wee het volk, dat U vergeet!
Coster schittert voor uw woning
Met een liclltkrans rond omstraald,
Krusenian, dat \'s uw belooning,
Dat elk hart uw\' naam herhaalt.
Dat all\' de oogen helder blinken,
Dat de volle bekers klinken,
Waar het Uw gezondheid geldt!!
En dat langs het juichend Sparen
Elke der bezielde ooien,
Uw geliefden naam vermeldt!
Morgen als de zon zal blozen,
Waarop \'t beeld van Coster prijkt,
Zaai\' de dag u milde rozen,
Vriend, met zooveel Kunst verrijkt!
En bij \'t eerste licht, gerezen
Aan de kimmen, moogt gij lezen,
Wie U hartelijk bemint
Gaat ze na de waarde namen,
Die zich strcnglen hier te zamen,
Elk is Krnseman een vriend !
Kniedicht                                       Prudkns van Duysk.
15 Julij 111/, ure
\'s avonds.
Ex tempore.
Dichterlijke (?) ontboezemingen bij de vleet. Ieder, die maar
ietwat met de literaire wereld in verband stond, intellectueel
als materieel, en in staat was twee woorden op elkaar te kun-
nen doen rijmen — denk aan Witsen Geysbeek\'s Rgmwoorden-
boek
— meende zijn uil een valk en maakte een vers, toe-
-ocr page 311-
298
VAN ZEGGELEN, COSTEIILIEDJES.
1856. passelijk op die dagen \'. Veel poëtische waarde kan aan die
gelegenheidspoëzie niet toegekend worden; de CosterMedjes.
Souvenir aan Haarlem\'s J ulij feesten in ./S.~>6
een paar weken
na de onthulling verschenen, steken boven allen uit. Te ver-
wonderen is zulks niet. Van een uitgaaf door den dichter-
typograaf W. J. van Zeggelen bezorgd bij Kruseman, kan
niet veel anders verwacht worden; liet is een aardig boekske,
zoowel uitwendig door het omslag door Last geteekend als om
zijn inhoud. Speculatief ging het flink van de hand; op de
fondsveiling van den 7 October 1857 waren van de 2500
exemplaren nog 1054 over.
De Cos/erliedjes sloten op een waardige wijze de werken van
Van Zeggelen, die Kruseman in liet licht had gegeven. De twee
vrienden, die beiden hun bestaan vonden in de boekenwereld,
de één als drukker en uitgever, de ander als drukker en dichter,
hadden als Costerszonen elkaar voorloopig voor het laatst de
hand gereikt bij de onthulling van het Costerbeeld, om later
slechts als ter loops voor de Aurora of dichterlijke albums
elkaar weer in handelsrelaties te ontmoeten; voor de zesde
maal hadden ze eikaars belangen voorgestaan en behartigd
door een vroolijke, maar toch goed gemeende herdenking der
Costers-feesten, één van de vele punten van aanraking tusschen
beide letterkundige tvpographen. Kruseman, in de eerste jaren
van zijn loopbaan homogeen met de beginselen gehuldigd in
Oefening kweekt kennis, had zich reeds van den beginne af
aangetrokken gevoeld tot Van Zeggelen en begrepen, dat er
met hein „zaken" te doen waren. En.hij had zicli daarin niet
bedrogen. De werken van Van Zeggelen, „een verbeterde en
sterk gemoderniseerde Oosterwijk Bruyn" 2 vonden bij hun ver-
1 Onder geschriften naar aanleiding van de Costers-feesten versehe-
nen, dient afzonderlijk gemeld te worden de geestige parodie, welke
Bnsken Huet schreef\' in den vijfde van zijn Brieven van een kleinstede-
ling
onder het pseudoniem Lodewijk en met het gefingeerde adres Mon-
talte in den Nederlandsche Spectator. Weekblad van den ottden lieer
Smits.
Arnh. 18ÓG bl/.. 23G.
* Ten Brink. Geschiedenis der Noord-Nederlandsche letteren in de
XIX" eeuw.
Amst. 1889 Dl. III blz. 356.
-ocr page 312-
299
DE WERKEN VAN VAN ZEGGELEN.
schijnen reeds dadelijk goeden aftrek en ik kan mij begrijpen, i*"*-
dat bij het vele waarvan Kruseinan in 1857 afstand deed, liet
hein als vriend van dien auteur wel eenigszins aan het hart
gegaan moet zijn ook deze artikelen te verkoopen \'.
Een opmerking moge hieraan toegevoegd worden.
In 1877 schreef Smit Kleine 2: „Het tijdvak van 1834.—1860
omvat de dichterlijke werkzaamheid van Van Zeggelen; de
eerste zestien jaren zijn daarvan verweg de vruchtbaarste; inliet
laatste negental wordt de ras verworven populariteit bestendigd,
maar het levert bijna geen andere dan geringe werken op."
Het einde der productiviteit van Van Zeggelen valt dus onge-
veer samen met het oogenblik, waarop zijn bundels Kruseinan\'s
fonds verlieten en zicli bij Kruseman zelf door een gansch
veranderde richting van geest en gemoed en door de gewijzigde
tijdsomstandigheden geen neiging meer zou vertoonen zich, als
vroeger, toe te leggen op het uitgeven van poëzie. Waar
de opwekking van Kruseman zich niet meer liet liooren, werd
zijn vriend Van Zeggelen niet meer geprikkeld tot het samen-
stellen van nieuwe dichtbundels. In het verdwijnen van Van
Zeggelen\'s naam na 1856 als dichter van nieuwe bundels in
de boekenlijsten ligt een vingerwijzing, waaruit, hier negatief,
dus ook de invloed gekend kan worden door Kruseman op
Van Zeggelen geoefend.
Kruseman toch had groote genegenheid voor Van Zegge-
leu, als persoon en als dichter. Ik kan mij daarom voorstel-
len, dat het hein geenszins onverschillig was geweest, in veler-
lei opzicht, toen hij in 1846 den eersten bundel van dien
dichter in zijn fonds had kunnen opnemen. In weerwil, dat er
over de Lach en luim een klein geschil met Van Zeggelen
was geweest, dat de vriendschapsband echter te hechter zou
toehalen, was Kruseman met dien bundel zeer ingenomen. On-
der het afdrukken van deze bladzijden, kocht ik op een boel-
huis hier in Haarlem het exemplaar van de Lach en luim,
1 Van Zeggelen\'s Werken gingen gecombineerd voor /\' 1604.58 over
aan D. Noothoven van Goor. Vgl. Bouwstoffen Dl. I blz. 432.
1 Smit Kleine. Kritische schetsen. 2° uitg. Utr. z. j. biz. 101.
-ocr page 313-
300
DE WERKEN VAN VAN ZEGGELEN.
1836. dat Kruseman aanbood aan het Haarlemsche gezelschap De-
moeriet,
en waarin hij eigenhandig op liet schutblad schreef:
Kers verscu
Komt hij Dnllaêit\' van de pers,
Door d\' autheur van Pieter Spa,
„Lach en luim" et cetera.
Is \'t iets vreemds in onze dagen,
Nu de Muze, zoo het schijnt,
Steeds een stemmig pak moet dragen
En in haar corset verkwijnt,
I)at slechts één van al die hceren,
Die publiek de lier handteren,
Wie er ook wat kwaads in ziet
Uitlacht met zijn vrolijk lied —
Wis zal dit papieren kind
In den kring der Democrieten,
Waar zijn naam famielje vindt,
Broederlijk onthaal genieten.
\'t Steekt 11 daarom hl ij te moe,
Pas ontwaakt, zijn handjes toe;
En verzoekt een neediig hoekje
In uw huisselijke kast,
Naast een ander vrolijk hoekje,
Dat in zijn gezelschap past.
Wil het vriendlijk accepteren
Als een luttel souvenir,
Dat voor \'t eerste Dullaêrt hier
Democriet mogt regaleren.
18 Aug. 184(5.
Er straalt in deze opdracht van Van Zeggeleu\'s eersten
bundel een ingenomenheid door met zijn werk, die de aan-
dacht verdient. Die ingenoinendheid zou bij Kruseman blijven,
zoolang hij diens bundels bleef\' uitgeven; niet ten onrechte,
waar in elf jaar niet minder dan ruim 10000 exemplaren ge-
debiteerd werden van zes dichtbundels, wier prijzen vielen
tusschen ƒ 1.80 en ƒ0.60.
1 Dullaêrt was Kruseman\'s pseudoniem ia Democriet (zie hiervoor
hlz. 11).
-ocr page 314-
BOEKVEKKOOPERS-VEREENIGING F,. J. COSTER.             301
De OoaterUedjea van Van Zeggelen zouden echter niet de ira».
eenige uitgaaf zijn, waarover Kruseman naar aanleiding der
feesten zijn goede zorgen zou laten gaan.
Fn het begin van 1856 ontvingen de Haarlemsche boekver-
koo pers, met uitzondering van de firma Joh. Enschedé en Zonen,
een uitnoodiging van hun confrater J. J. van Brederode om,
in navolging van de bestaande vereenigingen te Amsterdam,
\'s-Gravenhage, Groningen en Rotterdam, een boekverkoopers-
vereeniging op te richten; de voorsteller ging uit van liet
denkbeeld, dat het wenschelijk was de lokale handelsbelangen
te bespreken en kwam juist met het voorstel om langs dezen
weg een zekere eenheid tusschen de confraters te bereiken bij
het aanstaande Costers-feest. De Vereeniging constitueerde zich
kort daarop en zag op voorstel van J. F. van Dobben ook
Mr. Joh. Enschedé en zijn zoon Mr. Joh. Enschedé Jr. als
leden in haar midden verschijnen.
De Costers-feesten maakten reeds spoedig een punt van be-
raadslaging uit; in de vergadering van den 7 April 1S5(! stelde
Kruseman voor om het feest ook practisch nuttig te doen zijn
voor de bezoekers door het houden eener tentoonstelling van
typographie. De vergadering ging mede en benoemde den voor-
steller met Mr. Joh. Enschedé Jr. en den secretaris Vincent
Loosjes in een commissie om de werkzaamheden daarvoor te
aanvaarden. Het plan slaagde volkomen door het bijeenbren-
gen van incunabelen een beeld te geven van de drukkunst
van Goster en zijn onmiddellijke navolgers hier te lande, en
door het vertoonen van uitgaven van Plautijn, Elsevier, Bleau,
\\\\ etstein, Luchtmans en andere vroegere Nederlandsche groote
drukkers-uitgevers, een overgang te vormen tot de geleende exein-
plaren van de kapitaalste uitgaven der levende uitgevers, en
daarnaast de technische vervaardiging van een boek, van het
gieten der letters af tot het binden der vellen toe, te laten zien.
Dank zij de inzendingen van de gemeente Haarlem, van Teyler\'s
Stichting en van Enschedé, die een voortretfelijken kern vorm-
deu voor hetgeen A. de Yries, Frederik Muller, Schinkel, Bodel
Jiijenhuis en anderen afstonden, werd voor het historische deel een
schat tijdelijk bijeengegaard, waarvan het te betreuren is dat
-ocr page 315-
302                   TYPOGRAPHISCHE TENTOONSTELLING.
185C. sedert zooveel voor goed ons land verlaten heeft. De weten-
schappelijke hulp van Fred. Muller, die op Kruseman\'s aan-
drang zich ook met de voorbereiding der tentoonstelling inliet,
kan alleen nog gekend worden uit den bij de Erven Bohn
gedrukten catalogus, die wat het antiquarische deel aanbelangt,
door de goede zorgen van Muller\'s bediende Arnold en Mr. C. J.
Enschedé \' van de verzameling opgemaakt werd. Krnseman zelf
bemoeide zich niet veel niet die afdeeling; het zou hem, geen
geboren bibliograaf en boekenliefhebber als Muller, ook slecht
van de hand gegaan zijn, maar zooveel te meer maakte hij
werk van het praktische deel, waar, naast de gieterij van
Enschedé een zetterij van Kruseman, twee snelpersen uit de
fabriek van Reichenbaeh door Sijthoff ingezonden - en de
1 Mr. C. J. Enschedé, zoon van Mr. Joh. Enschedé, was meer in
het bijzonder heiast met het helieerder bibliotheek Enschedé. (Vgl. Aug.
Bernard in Bulletin du Bibli-ophile beige 2e serie, torn Ier. (1854) pag.
108.)
1 Er was in 185G een vrij heftige concurrentie tusschen G. J. ïhieme
te Arnhem en Sijthoff te Leiden, de eerste als agent voor de snelpersen
uit de machinefabriek van Klein, Forst & Bohn te Johannesberg, de
laatste voor de persen van Reichenbaeh (Zie o. a. de advertenties in
Nieuwsblad voor den Boekhandel 8 Mei 185G). Ook Thieme had een
snelpers ingezonden op de tentoonstelling en verspreidde daar, thans
vrij zeldzaam geworden, lithographische afbeeldingen van zijn pers. Die
pers werd daar aangekocht, naar ik vermoed op aanraden van Bohn, door
Joh. Enschedé en Zonen (t. a. p. 31 Juli 1856), een goede aanbeveling
voor de deugdelijkheid van het fabrikaat (advertentie van ïhieme
t. a. p. 2 Februari 1857). Voor de buitenwereld openbaarde zich die
strijd door Sythoff\'s uitgave: A. Albert. De machine-meester aan de
snelpers. Een handboekje voor boekdrukkers, machine-meesters en werk-
tiiiijkundincn,
waarin de persen van Klein, Forst & Bohn zeer ter-
loops en ietwat ongunstig besproken werden. Het Nieuwsblad (6 No-
vember en 20 November 185(1) laakte dat, en meende, dat het alleen
toe te schrijven kon zijn aan een be vooroordeel ing van den schrijver,
die zelf in 1853 als monteur aan de fabriek van Reichenbaeh verbon-
den was geweest. — Bovendien werd op één der Reichenbachsche per-
sen ter typographische tentoonstelling een door Albert vervaardigd
hoogduitscb gedicht op de onthulling van het Costerbeeld gedrukt en
schreef hij nog een kort opstel over de snelpers in Sijthoff\'s Lectuur
voor de huiskamer
(185G) UI. II blz. 47, waaruit ik aanhaal: „Wij
willen het aangevoerde met eeue afbeelding van eene der beste [snel-
-ocr page 316-
TYPOfiltAPHISCHE TENTOONSTELLING.                      30.3
kleinste, „zoo klein als er nog geene in ons land is" \' door i«f«.
Krnseman\'s werkvolk bediend in volle werking te zien wa-
ren 2; ook als commissaris der tentoonstelling moest hij af en
toe ter plaatse aanwezig zijn :i en bovendien rustte de gelieele
iinancieele administratie op zijn schouders. Tn weerwil van
het zuinige beheer en het kosteloos afstaan van een lokaal
door het Gemeentebestuur, de school aan de Smalle Oude
Gracht, de vroegere bandweverij van Quarles van Ufford, sloot
de tentoonstelling met een nadeelig saldo voor de Verceiiiging.
Dat waren echter niet de eenige geldelijke naweeën van het
feest voor het College. Als navolging van Loosjes1 Gedenk-
sehrifteti wagens het vierde eeuwgetijde van de uitoindiiig der
boekdrukkunst gevierd te Haarlem,
\\_in~] JS2.I deed Kruse-
man in de boekverkoopers-vereeniging voorstellen, voor reke-
ning van het College een dergelijk geschrift te doen samenstellen
over de dagen van 1S50 en door alle persoonlijke speculatiën
te laten varen, te trachten met onbekrompen middelen iets
persen|, die van C. Reichenbaoh te Augsburg, toelichten, opdat men
zich van zulk een werktuig eenig denkbeeld zou kunnen vormen en de
lezer wete op welke wijze de Lectuur voor de Huiskamer gedrukt
wordt, als ook eene der oorzaken kenne waardoor de prijs van dit ge-
ïllustreerd Boekwerk zoo buitengewoon goedkoop kan zijn." — Zooals ik
op blz. 103 mededeelde had Kruseman zelf reeds in 1855 door tusschen-
komst ven Sijthoff twee snelpersen van Reichenbach aangeschaft.
1 Advertentie van Sijthoff in Nieuwsblad voor den Boekhandel 10
Julij 1856.
\' Op die pers werd gedrukt o. a. Proeve van letters, gegalvaniseerd
door W. A. Hazen te Haarlem
— Hazeu was apotheker in de Koning-
straat in de apotheek van Beets. Op het veld der „letterkunde" bleven
apothekers en apothekers-kinderen nog maar steeds met succes werkzaam!
Dat het galvanisee.\'en van letters, op een ander terrein hetzelfde
wat nadruk is op uitgeversgebied, juist in 1850 praktische toepassing
vond blijkt uit het medegedeelde in De lettere/ieterij van Joh. Enschedé
en Zonen. Gedenkschrift
Haarl. (1893) blz. 144 en door een uitgaaf van
Van Resteren in 1863; in De yalianoplastie en hare verschillende
toepassingen
wordt een afzonderlijk hoofdstuk gewijd aan het „welhaast
gewichtigste gedeelte van dit werkje, namelijk de aanwending der gal-
vanoplastie bij het gieten van letters voor de boekdrukkunst."
3 Zie over zijn kennismaking daar met Jacob Bouwstoffen Dl. II
blz. 322.
-ocr page 317-
304       NOOR.DZIEK, GEDENKBOEK DER C08TER8-FEESTEN.
1856. degolijks en fraais tot stand te brengen. De Commissie voor
de typographische tentoonstelling kreeg de opdracht ook hiervoor
te zorgen, en het was alweer Kruseman, die het heft in han-
den nam, de correspondentie voerde met Noordziek, den Secre-
taris der Hoofdcommissie, die op zijn voorstel de samenstelling
van het werk op zieli genomen had, gegevens daartoe in het
Nieuwsblad \' vroeg, met Vincent Loosjes de verzending naar bui-
ten behartigde en eigenhandig de afrekeningstateu opmaakte. Na-
tuurlijk, dat hij dan ook de aangewezen persoon was liet werk
ter perse te leggen, maar hoewel daartoe bereid, „wenschte hij
echter liever te zien, zoowel om de deftigheid der zaak als
voor de uitvoering, dat dit werd opgedragen aan de firma
Enschedé" -. De oudste. Haarlemsche drukkerij belastte zich met
de typographische uitvoering van het werk, maar kreeg later
een onverkwikkelijk gehaspel met de Boekverkoopers-vereeniging
over de drukkersrekening, waaraan door de particuliere goed-
geefschheid van een der firmanten van Joh. Enschedé en Zonen
een einde gemaakt werd \'\\
Is Noordziek\'s Gedenkboek nu werkelijk zooveel deftiger in
zijn uiterlijk nu het van de persen van Enschedé kwam, dan
het zou geweest zijn wanneer Kruseman\'s drukkerij het gemaakt
had \'? De betrekkelijk korte tijd, die achter ons ligt sedert
1 18 September 1850.
*    Notuien der Boekverkoapersvereeniging L. J. Coster 2 Juni 185.6
sub n° XV.
3 „De Haarlemscbe Boekverkoopers-vereeniging „Lourens Jansz.
„Coster", geeft bij deze kennis dat bet kopijregt en de overige Ex.
van J. J. F. Noordziek, Gedenkboek der Costersfeesten, zijn overge-
gaan aan den Heer Job. Enschedé, Senr. alhier". (Advertentie in
Nieuwsblad voor den Boekhandel 1G Februari 18(50).
*    „Heb dank, mijn vriend, voor dat zeer fraaie boek van Coster.
Weergaas! wat is dat netjes!" (Brief van Fred. Muller 21 April 1858).
„Bit werk een boekdeel in royaal 8°. van bijna 400 bladzijden, ge-
drukt bij Job. Enschedé & Zonen te Haarlem, is als zoodanig reeds
een gedenkboek van den toestand der boekdrukkunst in Nederland in
het midden der 19" eeuw. Be fraai je lettervorm, de zuivere en vrij ge-
lijkmatige druk, de keuze van het papier bewijzen voldoende dat aan
de materiëele uitvoering meer dan gewone zorg is besteed." (Xieuws-
blad voor den Boekhandel
29 April 1858).
-ocr page 318-
NOORDZIEK , GEDENKBOEK DER COSTERS-EEESTEN.        305
dit boek verscheen, maakt dat een aesthetisch oordeel over de 1856.
Nederlandsche typographie van Kruseman\'s dagen vrij onge-
makkelijk valt; het toppunt van den berg, om met den Doctor
Maiïanus in Goethe\'s Famt te kunnen zeggen «Hier ht die
Aussic/d fret*
is voor ons nog niet aangebroken en daarom
nog veel minder, omdat van de Nederlandsche typographie,
uit welken tijd ook, nog nimmer een deskundige, /aakrijke be-
spreking als zoodanig gegeven is. Kruseman zelf stelde de pers
van Enschedé boven de zijnen en dat toegegeven, omdat Kru-
seman naar me voorkomt zelf zoo geoordeeld zou hebben, bet-
geen hij zelf produceerde, was typographisch zeer voldoende,
speculatief doorgaans voordeelig, intellectueel zoo hoog verheven,
dat zeer zeker Nederland in 1 S5(> geen tweeden uitgever kon
aanwijzen, die hem gelijk kwam. Kruseman bereikte in bet jaar
1856 het hoogtepunt van zijn uitgeversloopbaan. In 16 jaar
tijd bad bij zich opgewerkt tot den persoon, die waardig ge-
keurd zou worden in deze Bijdragen beschreven te worden en
hij toonde dat in dit jaar door twee klinkende uitgaven, de
Wetenschappelijke liladen. en Ihlderdijk\'s Dicht/werken, de eerste
een nieuwe poging om wetenschap in voor ieder begrijpelijken
vorm onder het publiek te verspreiden, de tweede de letterkun-
dige richting ten top gevoerd, de eerste een uitgaaf, die nog
op den huidigen dag luister bijzet aan Kruseman\'s firma, de
tweede een onderneming, die Kruseman\'s naam in de uitge-
verswereld op aller lippen bracht.
„Wij hebben te arbeiden eer wij rusten" bad hij gesproken
in de toespraak, waarmede hij de algeineene vergadering van
de Arereeniging in 1S55 geopend had; hij zou toonen, dat liet
hem ernst was met die woorden, dat hetgeen hij van anderen
wenschte in volle waarheid door hem zelf in toejjassing ge-
bracht zou worden.
20
-ocr page 319-
IV.
Begin van den Grooten Tijd. —
Wetenschappelijke Blaadjes. — Wetenschappelijke
Bladen. — La senle cliose nécessaire. — Faiiiilie-niagrazijn.
Bilderdijk, Dichtwerken. — Busken Hnet en Da Costa. —
Fondsveiling 1857. — Voordrachten in Felix. —
Verkoop der debietzaak.
1855—1857.
Een nieuw tijdperk opende zich in de uitgeversloopbaan
in het jaar 1855. Naast Huet zou een ander persoon een
plaats komen innemen in Kruseman\'s omgeving. Buijs zou wel
is waar dien invloed niet verkrijgen als Huet op Kruseman
oefende, maar niettemin zouden vrij wat uitgaven aan diens
persoonlijken omgang te danken zijn. De oorzaak daarvan ligt
voor de hand, waar Buijs zich vooral bewoog op staatsrechte-
lijk en oeconomisch gebied, terwijl Huet\'s kracht op theologisch
en literair terrein lag. Beide laatste vakken hadden voor
Kruseman veel meer aanlokkelijks dan de beide eersten en de
vertegenwoordigers dier faculteiten moesten dan ook een daar-
raede evenredige plaats innemen bij Kruseman, als persoon,
maar ook als uitgever.
Daar komt nog iets bij. Huet bleef veel langer inwoner
van Haarlem dan Buijs. Evenals Naber haddeu beiden in
-ocr page 320-
WETENSCHAPPELIJKE BLAADJES.                          307
1851, het jaar dat van zooveel gewicht voor Kruseman\'s i855.
ontwikkeling als uitgever was, zich in de Spaarnestad ge-
vestigd en waar de één met Kruseman in dagelijksche aan-
raking zou zijn tot liet najaar van 18(54, bracht de ver-
huizing van den ander in 1857 naar Leiden als van zelf
mede, dat de groote invloed, dien hij zou kunnen oefenen
op Kruseman achterwege moest blijven. Met dit voorbehoud
dat hun beider studievakken niet in gelijke liefde bij Kruse-
man deelden, stond de een niet achter bij den ander in
zijn schatting. Hun beider invloed begon zich met kracht
in 1855 te doen gevoelen en slechts hun beider maatschappe-
lijke loopbaan zou in meer dan één opzicht te weeg brengen,
dat Kruseman in de eerstvolgende jaren meer werkte met Huet
dan met Buijs. Slechts dan, als in 1861 met het Zondagsblad,
wanneer een uitgaaf aan beide; gelijkelijk gelegenheid gaf zich
te uiten, zou Buijs niet bij Huet en Huet niet bij Buijs
achter staan.
Het Album, der Natuur en de Praktische Volles-almanak waren
uitgaven, die zich, zooals we zagen, bij voorkeur tot de breede
schaar der burgerij wendden om daaronder wetenschap en
daardoor beschaving te verspreiden; de klasse der nijvere am-
bachtslieden, van de gebruikmakers der Nutsbibliotheken, be-
reikten die uitgaven niet. Om ook hun dergelijke lectuur te
kunnen bieden, begon Kruseman met den 15 November 1854
een nieuw volkstijdschriftje, de Wetenschappelijke Blaadjes, dat,
wekelijks verschijnende \', voor /\' 3.90 (part.) jaarlijks beknopte,
uiterst populair gehouden opstelletjes zou leveren, goeddeels
gekozen uit een menigte dergelijke Amerikaansche, Engelsche,
Pransche en Duitsche volksschriften. De uitgever hoopte op
een uitgebreid debiet - en voor een eerste jaar was dat vrij
1    Desvovkiezende kon men de Blaadje» ook bij vierwekelijksche
afleveringen ontvangen. Uie maandelijksche afleveringen werden afgele-
verd in een omslag, geïllustreerd met een zeer verdienstelijke houtgra-
vure door Vermorcken naar Cli. Rochussen.
2    Advertentie in Haarlemse/ie Courant 14 November 1854.
20*
-ocr page 321-
•SOS                            WETENSCHAPPELIJKE BLADEN.
1856. voldoende, althans niet van dien aard om een nieuwen jaargang
niet met moed te beginnen. De beide deeltjes met een vignet
op den titel, waarin de uitvinding der boekdrukkunst door
Ooster gehuldigd werd, waren alles behalve slecht uitgevallen
en kunnen, naar me lijkt, Hink een critische toetsing doorstaan.
Toch zou Kruseman het bij dien eenen jaargang laten blij-
ven. In weerwil dat hij in Lubach en Logeman een voortref-
felijke redactie gevonden had, voldeed het hem niet; het was
niet wat hij wenschte. Daarenboven nog vermoed ik, dat Kru-
seman zich zelf niet de rechte persoon achtte om eigenlijke
volksliteratuur, in de goede beteekenis van het woord, uit te
geven. Hoe het zij, de onderneming werd gestaakt, alleen omdat
zij voor een gedeelte in plan zou overgaan iu een andere
uitgaaf. Dit denkbeeld zou wel niet geheel gevolgd worden \',
maar de wetenschappelijke richting der Blaadjes bleef in we-
zen. Voor het eene deel werd aan de berichten uit de Blaadjes
een onderkomen gegeven in het Album der Natuur, dat sedert
IS57 met een Wetenschappelijk Bijblad zou verschijnen, voor
het andere deel werden de Blaadjes hervormd in een degelijker,
veel breeder uitgaaf, in de Wetenschappelijke Bladen 2. Terwijl
de tweede helft van den eersten jaargang der Blaadjes loopeude
was, besprak Kruseman zijn voornemens met Buijs, toen nog
ambtenaar ter provinciale griffie van Noord-Holland. Het her-
vonningsplan om, in navolging van The Kdinburgh Review, een
bloemlezing te geven uit de buitenlandsche tijdschriften op
het gebied der staat- en letterkunde en natuurwetenschap vond
bijval. Als van zelf sprak het, dat Buijs de eerste, Logeman
de tweede afdeeling als redacteur zou behartigen, ieder tegen
een toelage van ƒ 200, behalve hetgeeu zij zelven zouden
1 „Met deze Wetenschappelijke Blaadjes, een goed volksboek, is
kompleet, nog niets gewerkt. Zij zijn als Tijdschrift alleen opgehouden,
omdat zij voor een gedeelte in plan (hetwelk evenwel niet gevolgd is)
zouden overgaan in de Wetenschappelijke bladen." (Noot in den Catalo-
<jiis
der fondsveiling 1857 blz. 30).
* Mededeeling van den heer J. J. Weeveringh.
-ocr page 322-
309
WETENSCHAPPELIJKE
BLADEN.
willen vertalen. Als de onderneming opging dan zou zij tevens ia
vast werk geven aan de drukkerij, en met Januari lS5ti ver-
scheen de eerste aflevering van het nieuwe tijdschrift, beginnende
met een artikel over De slavernij in de Vereenigde Staten,
een uitvoerige beschouwing over dat onderwerp naar aanleiding
van Beecher Stowe\'s /Je negerhut, ontleend aan The Hdinburgh
Review
\', en in het Bijblad met een boekaankondiging door
Buijs van het Eerste rapport der Staatscommissie tul liet Voor-
stellen van maatregelen feu aanzien eau de slaven in de Neder-
landsehe koloniën.
De slavenquaestie bleef nog altijd, hier als
elders, aan de orde van den dag.
Het eerste jaar (IS50) van de Wetenschappelijke Maden.
Bene bloemlezing van dergelijke werken nit het buitenland, voor
Nederland bewerkt onder toezigt van
Mr. J. T. Buijs en W. M.
Logeman - kostte f .\'5397.30 en gaf bij een debiet van 306
exemplaren bij inteekening daardoor een deticit van/\' 1102.30.
De onderneming op te geven en de persen van geregeld werk
berooven was ongewenscht en daarom nog te minder, omdat
de degelijkheid van het tijdschrift gegronde hoop gaf op
grootere waardeering.
Buijs was niet de man om een opgevatte taak niet ijverig
voor te staan; met hart en ziel redigeerde hij het tijdschrift
eigenlijk alleen, „tiij weet, schreef Buijs eens aan Kruseman, toen
door een samenloop van omstandigheden er kopy te kort was om
een aflevering vol te krijgen, ik zie niet op tegen wat werk meer
of minder, en verlang allerminst dat men den arbeid tusschen
twee redacteuren als met den passer gelijkelijk afmete; maar
die inschikkelijkheid heeft toch hare grenzen en gaat niet zoo-
ver dat ik mij louter met een nominale hulp wil tevreden
stellen, wanneer ik althans slechts het halve loon geniet. Het
nazien van de copy en van de proeven kost mij elke maand
vele avonden; ik heb er die voor over, ook al verrigt ik dit
1 Vgl. hiervoor blz. 221 noot 1.
\'\' Met 1862 werd de bijtitel veranderd in Eene bloemlezing uit bui-
tenlandsche tijdschriften, voor Nederland bewerkt onder toezigt van
Mr.
J. T. Buijs.
-ocr page 323-
310
WETENSCHAPPELIJKE BLAUEN.
1856. werk alleen, maar dan moest Logeman, dunkt mij, zorgen dat
hij in het lïijblad althans gelijkelijk met mij deelde. Gij inoogt
hein gerustelijk mijn gevoelen op dit punt openbaren, want
langer wensch ik op den tegeuwoordigen voet niet voort te
gaan. Wij moeten of het loon naar den arbeid regelen, óf een
van beiden terugtreden; tot elk dier beide schikkingen ben ik
bereid, maar niet tot het voortzetten van de tegenwoordige." \'
De ontwarring van dezen knoop gaf moeielijkheden, te meer
daar de Bladen, zooals ze bestonden, voor de wetenschappen,
die Logeman vertegenwoordigde niet geschikt waren. Het einde
van het geschil was, dat Logeman zich terug trok; zijn naam
komt niet meer voor op het titelblad van den vierden jaar-
gang 185!). „Van 1859—64 had Mr. Buijs de redactie alleen.
Hij redigeerde niet alleen, hij vertaalde meest alle stukken zelf
(met Dr. v. Deventer zijn opvolger in 1865 [en liaarda]), hij
werkte om, hij verbeterde liet werk van anderen; hij was de
trouwde voogd die er zijn kon. Het was een genot, een voor-
recht, een jonge man als Buijs schier dagelijks bij zich te
zien" 2.
En was de wijze waarop Buijs het redactiewerk behartigde
Kruseman zeer naar den zin, voor 13uijs zelf was de arbeid hoogst
aangenaam; zijn benoeming in 1857 tot Secretaris van Eijnland
te Leiden en zijn verplaatsing van die Academie-stad naar
Amsterdam, waar hij in 1862 als hoogleeraar optrad, vermin-
derde zijn ijver niet. „Met groot genoegen nam ik kennis van
de gunstige berigten die gij omtrent het toenemend debiet van
de bladen aan uw abonné\'s mededeelt, schreef hij den 2 No-
vember 1862. Mijn wensch om voortdurend aan de redactie
van dat tijdschrift verbonden te blijven, is er niet weinig door
versterkt." Veilig mag dan ook aangenomen worden, dat het hein
leed deed door toenemende ambtsbezigheden, ten gevolge zijner
benoeming in 1864 tot hoogleeraar in het staatsrecht te Leiden,
1    Brief van Buijs 25 Januari 1858.
2    Brief van Kruseman aan Mr. R. Macalester Loup 1 Juli 1898, mij
welwillend ter inzage verstrekt. Kruseman vergist zich hier wel ietwat,
daar Buijs reeds in 1857 Haarlem verlaten had.
-ocr page 324-
311
WETENSCHAPPELIJKE BLADEN.
genoopt te zijn zich verder aan de onderneming te onttrekken. 1856.
Zijn opvolger werd met 1805 Dr. I. C. van Deventer, de zwager
van Busken Huet, die vooral in de eerste jaren van zijn re-
dactenrschap trouw ter zijde gestaan werd door Oort, destijds
nog predikant te Santpoort.
Ook Huet had zijn arbeid af en toe in dit tijdschrift gepu-
bliceerd gezien; samen met Buijs kwam het Bijblad, waarin
naar Kruseman\'s denkbeeld ook boekbescliouwingen opgenomen
werden en dat tot en met den jaargang 1861 aan de liladen
toegevoegd werd, meestal voor hun rekening, en sinds 1859
vonden zij daarin ook hulp bij anderen, als bij Allard Pierson.
Pierson toch had een bijzondere voorliefde opgevat voor
deze afdeeling van oorspronkelijke Nederlandsche boekaankondi-
gingen. Zij behandelden hun onderwerp geheel anders dan tot
hiertoe, in welk tijdschrift ook, gebruikelijk was. Die nieuwe op-
vatting nader te omschrijven is voor mij onnoodig, wanneer
ik slechts mededeel, dat hier de eerste literaire kritieken van
Huet verschenen, wier richting hem zou maken tot den
Nederlandschen essayist bij uitnemendheid. Het was in de
vierde aflevering van den eersten jaargang, dat Huet voor het
eerst als criticus in dit tijdschrift optrad met een beschouwing
over Pierson\'s in 1855 bij Kemink en Zoon verschenen Bespie-
geling, gezag en ervaring,
en daarin, als ik mij niet vergis, voor
het eerst openlijk uitsprak, hoezeer Pierson\'s denkbeelden ook
voor een goed deel de zijne waren. Pierson begreep het spoe-
dig, dat die literarische fantasiën en kritieken een meer dan
tijdelijk belang hadden en om die reden was het dan ook, dat hij
Kruseman in 1861 voorsloeg, de Bijbladen ook afzonderlijk uit te
geven, bij elkaar gebonden onder den titel Essays and Reviews
of iets dergelijks \', het eerste denkbeeld van de Litterarische
fantasiën en kritieken
van Huet.
Hoewel in de eerste jaren steeds met grooter schade wer-
kende, breidde het tijdschrift zich toch allengs uit. Met\' 1861
werd de maandelijksche aflevering van 6 tot 7 en in 1869 tot
10 vel uitgebreid, de laatste maal met prijsverhooging van
1 Brief van Allard Pierson 10 December 1861.
-ocr page 325-
312
WETENSCHAPPELIJKE BLADEN.
1856. ƒ9.60 tot/\'14.40; te gelijk werd toen een nieuw aanhangsel
er bij gegeven onder den titel Ken overzicht van binnen- en
buitenland
en Nieuw uitgekomen boeken in Nederland, Frank-
rijk, Engeland, Duitse hl and.
Acht jaar moest het duren eer het debiet de kosten dekte \',
maar toen ook was het volkomen waai\', wat het prospectus van
1S57 reeds vermeldde, dat de Wetenschappelijke Bladen eene
plaats hebben ingenomen onder de lectuur van den dag en hun
artikelen behoorden tot die opstellen, die men moest gelezen
hebben, om te kunnen mede spreken.
Een dor staatje van het debiet besluite dit overzicht van
Buijs\' schepping.
Oplaag.
Debiet.
1856
750
306
1857
500
223 2
1858
400
206
1859
400
210
1860
400
280
1861
400
306
1862
400
365
1863
450
378
1864
500
442
1    Bouwstoffen Dl. I blz. 444.— „Met genoegen hoor ik dat het debiet van
de Bladen vooruitgaat, al is het dan ook maar langzaam, \'t Wordt hoog
tijd dat wat gij voor het Tijdschrift hebt opgeofferd beloond worde,
want de gedachte dat ik u reeds zooveel jaren lang op vrij aanzienlijke
kosten heb gejaagd, is mij lang niet aangenaam. Ik wil maar hopen
dat als eens de winsten beginnen die ook zullen stand houden." (Brief
van Buijs 2!) November 1803.) Denkelijk zal de benoeming van Buijs
in 18(52 tot hoogleeraar te Amsterdam het hare wel toe hebben bijge-
bracht om dit tijdschrift, thans geredigeerd door een hoogleeraar, in de
schatting van het publiek te doen stijgen.
2    In den Catalogus van de fondsveiling in October 18f>7 drukte Kru-
seman als noot: „De Wetenschappelijke Bladen worden uitgegeven in
maandelijksche afleveringen van G vel druks. Zij vormen drie boekdee-
len \'sjaars, welke afzonderlijk verkrijgbaar zijn voor ƒ2.50 elk deel.
In 1856 opgerigt tellen zij nu reeds 221 inteekenaren".
-ocr page 326-
313
WETENSCHAPPELIJKE BLADEN.
Oplaag.
Debiet.
1865
550
?
1866
550
495
1867
550
475
1868
550
466
1869
550
p
1870
550
492
1871
575
516
1872
600
538
1873
600
526
1874
600
526
1875
650
512
1876
650
512
1877
650
523
De Wetenschappelijke, Bladen was een publicatie in de eerste
jaren voor den uitgever onvoordeelig, van meet af voor den
ondernemer eervol. Trouwens, bet vertrouwen in iemand als
Buijs gesteld, moest, — a, posteriori is bet gemakkelijk dat te be-
weren — niet misplaatst zijn. Het vertrouwen door Kruseman
als uitgever gesteld in lluet, in bet, Haarlem van die dagen
de waardige evenknie van Buijs, werd bescbaamd.
Huet was predikant in de Walscbe gemeente te Haarlem
en bekleedde zijn eerste en eenige standplaats sinds 1851. De
meer beschaafde vormen, waarin bet kerkelijk leven zich in
het Walsch ressort, openbaart tegenover dat der Noderduitscbe
Kerk, zou Huet, langer kunnen doen berusten in het bekleeden
van een ambt \', waarin bij zich op den duur niet op zijn
plaats zou bevinden. Met de beiligste voornemens bezield, een
oprecbte pasteur walton te zijn, was bij zijn predikantendienst
begonnen en bad door de vertaling van Reuss\' Geschiedenis der
Christelijke godgeleerdheid,
bet scbrijven van De Nederlandsche
G ustaaj-Adolf Vereeniging en hare bestrijding
en Jacanes Sauriu
en Théodore Huet. Proeoe van kerkgeschiedkimdige kritiek
2,
1 A. G. van Hamel in Mannen van beteekenh. 1886 (blz. 13).
* Mr. lt. H. J. Gallandat Huet, cousin germain van Cd. Busken
-ocr page 327-
314
LA SEULE CHOSE NECESSAIRE.
1856. alle bij Kruseman uitgegeven, er het zijne toe pogen bij te
dragen, .wat van hem als zoodanig gevorderd kon worden.
Het is voldoende bekend, hoe zijn godsdienstige zienswijze zich
meer en meer van de orthodoxie ging afwenden. „In onze
dagen kan de Verhandeling over de Noodleugen — er is
sprake van een der Discours van Saurin — alleen nog deze
waarde hebben, dat men er uit leere hoe onhoudbaar, hoe on-
vereenigbaar met het [sic] de christelyke waarheidsliefde, de
verouderde leer omtrent de Schrift en hare ingeving is" \'. Huet
sloot zich nauwer aan bij de modernen, bij Chavannes, Van
Goeris en Itévillc. Modern predikant en leeraar in de Hervormde
Kerk is, naar een zekere richting thans wil, onvereenigbaar.
lluet dacht er niet zoo over, althans in 1856, toen hij nog niet
door omstandigheden gedrongen was den schijn steun te geven,
dat beide begrippen zich niet laten vereenigen. Abeeleer poogde
hij, oprecht gemeend, de volle en eenig juiste beteekenis van
de moderne schriftbeschouwing voor het godsdienstig leven in
het licht te stellen. Hij was en bleef pasteur tcallou en
evenals in vorige eeuwen Walsche predikanten van Neder-
land uit zooveel licht hadden laten schijnen over theologi-
sche vraagstukken en er in geslaagd waren nieuwe denkbeel-
den van Nederland uit over gansch Europa te verbreiden,
Huet, deelde mij mede, dat dit werk eigenlijk de arbeid is van hun
beider oom ]). T. Huet, Walscli predikant te Rotterdam en dat Bus-
ken Huet\'s taak zich feitelijk alleen bepaalde tot bet overgieten in een
anderen vorm. Daniel Tbéodore Huet, die in vroegere jaren voor modern
gehouden werd, toen bij te Eotterdam naast zijn Walseben dienst ook
een tijdlang hulpprcdiker was in do Kemonstrantsehe gemeente — zijn
daar gehouden toespraken zijn uitgegeven in 1837 en 1839 — was
sedert op dat dogmatisch standpunt blijven staan. Door het voortgaan
der denkbeelden waren de orthodoxen van later tijd daardoor langzaam
tot zijn denkwijze genaderd. Dit zij daarom gezegd, omdat D. T. Huet
op theologisch gebied als de mentor en de tutor van den proponent en
van den pasteur Huet in diens eersten tijd aangezien kan worden.
Tot op zekere hoogte is Huet\'s geschrift een weerlegging van het
kort te voren verschenen geschrift van Van Oosterzee over Jacques
Saurin.
1 Busken Huet. Jacques Saurin en Théoiiore Huet. Haarlem. A. C.
Kruseman. 1855 blz. 6.
-ocr page 328-
315
LA SEÜLJS CHOSE NECESSAIRE.
wilde hij thans hetzelfde trachten en een eerste poging wagen I8T>6.
door het uitgeven van stichtelijke lectuur, de godgeleerde
vraagstukken, die feitelijk nog niet rijp waren om buiten de
collegekamers van Prof. Schuiten gehoord te worden, over
de geheele wereld te doen uitgaan. Hij koos als voertuig
van zijn denkbeelden een in het fransch gesteld godsdien-
stig tijdschrift \'. Besprekingen niet Chavannes leidden er
toe, dat Iluet aan Kruseman zou voorstellen een maandschrift
in dien geest op te richten, liet tijdschrift met den aan Lucas
X, 42 ontleenden titel La xeule ckose nécessaire. Jiecueil men-
suel d\'édi/iealiou chrétienne [public sous la direcliou de
M. C.
Buskeu Iluet] 2, was er het gevolg van; sinds April 1S5(>
gedurende één jaar in maandelijksche afleveringen van 72 blad-
zijde n verschijnende zou het zijn medewerkers moeten vinden
onder de bekendste Protestantsche Fransche Evangeliedienaars
van dien tijd als Athanase Coquerel tils, Etienne Coquerel,
Edmond Scherer, Chavannes, Cellérier, Eéville en ïrottet 3.
De vraag doet zich als van zelf voor hoe Kruseman er toe
kon komen dit voorstel van Iluet aan te nemen. Met het oog
op de uitgaven, die in de naastvolgende jaren zouden ge-
schieden, ligt de gevolgtrekking voor de hand er toe te be-
sluiten, dat Kruseman hier de moderne theologie in het
buitenland wilde propageeren. Toch was dit geenszins het
geval; een uitgevers-speculatie lag er van zijn kant aan ten
grondslag. Aan het aandeel, dat hij in 1855 als Voorzitter
der Yereeniging gehad had in het sluiten van het letterkundig
tractaat met Frankrijk, wilde hij thans de kroon opzetten door
1 Vgl. zijn in 18G4 geschreven woord {Littcravische fantasten en
kritieken.
Haar], z. j. 1)1. Vil blz. 103) „wij vermogen niets tegenover
de vreemdelingen, indien wjj ons niet met vaardigheid en waardigheid
weten uit te drukken in het fransch".
Hetgeen tusschen teksthaakjes staat komt niet voor op den titel,
wel in de verschillende advertenties in de Haarlemsche Courant waarbij
Kruseman het verschijnen der afleveringen aankondigde.
De drie eersten worden als medewerkers genoemd in een adver-
tentie hij het verschijnen der eerste aflevering in de Haarlemsche
Courant
van den 7 April 185G; zij leverden echter geen bijdragen.
-ocr page 329-
316
LA SEOLE CHOSE NECESSAIRE.
1854. een publicatie, die in beide landen debiet zou kunnen hebben
en dat die meening inderdaad de juiste is, blijkt uit een
enkele alinea, die hij slechts éénmaal als bij ongeluk ter aan-
prijzing van zijne onderneming in de Haarlemsche Courant \'
liet afdrukken. De exploitatie van zijn uitgaaf in het buiten-
land zou dan ook anders zijn dan Kruseman vóór 1855 ge-
daan zou hebben. Terwijl hij vóór dat jaar in het buitenland
een bekend uitgever zou hebben zoeken te winnen om zich met
het debiet te belasten, meende hij thans het zelf te kunnen
doen en, zooals zal blijken, rekende hij hier te veel op eigen
kracht.
Met reden mag betwijfeld worden of Kruseman wel ooit de
eigenlijke waarde van dit werk begrepen heeft; in de Bouwstoffen2
noemt hij het zelf een don-quichot-achtige onderneming, die
natuurlijk mislukken moest en weldra eindigde met belangrijke
schade. Getuigt de eerste uitspraak van geen groote ingeno-
menheid met eigen werk, het zeggen van belangrijke schade is
niet geheel juist, daar bij een kostenden prijs van _/\\\'5£.\'59.0.\'5r\' de
schadepost niet meer dan omstreeks f 500 beliep. Het niet sla-
gen van de onderneming lag aan den uitgever zelf, of juister
uitgedrukt aan den aard van zijn handel. Zelf oordeelt Kruse-
man de bijdragen uitmuntend; buitenlandsche theologen als Ed.
Hcuss te Straatsburg, Trottet te; Stockholm en ü. Douen te Parijs
waren geen andere meening toegedaan; De Lamartine voegde zich
daarbij\'1; het fransch-protestantsch blad Le. tien had met ingeno-
menheid het prospectus besproken \'\' en lléville te Rotterdam wist
1 „De Uitgever acht dit Tijdschrift een geheel eigenaardige onder-
neming. Na de sluiting van het traktaat met Frankrijk heeft hij ge-
tracht daarvan partij te trekken en in ons Land een Tijdschrift te
vestigen, hetwelk bijdragen zou bevatten van de beroemdsche |s/c|
Fransche Evangelie-dienaren uit verschillende oorden van Europa: Hol-
land, Frankrijk, Zwitserland, Duitschland en dat zich alzoo bewoog
op een ruimer gebied, dan ons beperkt land alleen." (Advertentie in
H\'xarlemsche Courant 9 Juli 1856).
1 Dl. I blz. 407.
3 Brief van De Lamartine 1 décembre 1856.
* Mars 1856 pag. 44.
-ocr page 330-
••317
LA SEUXE CHOSB NECESSAIRE.
zelfs te verhalen, hoe deze uitgaaf in de Hervormde Kerk van i85f>.
Frankrijk als een hoogst gewichtige gebeurtenis, een névénemenf*
beschouwd werd \'. Het nieuwe tijdschrift had het dus niet aan
zich zelf te wijten, dat het gehoopte succes uitbleef; de han-
delswegen om zich het debiet in het buitenland te verzekeren,
want vandaar moest de groote tinancieele steun komen, wist de
uitgever niet te openen en Kruseman erkende dat zelf, toen
hij reeds in April 1856 de firma Williams & Norgate te Londen,
Treuttel Wuertz te Straatsburg - en Cherbuliez te Parijs in
den arm nam om het debiet in het buitenland te bcvorde-
ren, en aan den laatsten zelfs in 1862 het geheele restant
(448 ex. ,1) poogo^ over te doen. Bij de bespreking van de
Cendrillon is het reeds aangeduid, dat de buitenlandsche han-
del voor Kruseman moeielijkheden had, die, als ze al over-
wonnen werden, geen gewin zou geven; thans nu het er op
aankwam, niet door tusschenkoinst van één of anderen Pa-
rijschen uitgever, maar zelf zijn kanalen te vinden, zat Kru-
seinan met de handen in het haar. Wel werden er exem-
plaren in commissie gezonden aan Cherbuliez te Parijs, na
eenige jaren in Frankrijk de uitgever van Réville\'s theologi-
sche geschriften, de hoofdzaak zocht Kruseman voor het bui-
tenlandsch debiet in de medewerkers zelf van het tijdschrift; die
moesten de buitenlandsche boekverkoopers trachten te bewegen
het debiet te bevorderen. Het kon voorspeld worden, dat dit
middel een bijkans negatief resultaat zou hebben; een her-
nieuwde circulaire in September 1857 naar liet buitenland ver-
zonden om adressen en om hulp ter vergrooting van het debiet
1    Brief van Réville 10 juin 1856.
2    iiJe vous prie de vouloir bien avoir la bonlc de favorUer cel Ie
édition avec tous les moyens possibles.. . . Peu connu avec les usances
du commerce en VAllemagne, je me confie complétenient d vos con-
ditiont".
3    Twee jaar later was dit restant verminderd met 7 exemplaren.
Echter moet uit deze cijfers niet opgemaakt worden, dat er tusschen
185G en 18G5 560 exemplaren tegen ƒ5.30 netto gedebiteerd werden.
De exemplaren toch, die Kruseman naar het buitenland in commissie
zond, bleven onverrekend weg.
-ocr page 331-
T.A 8EÜXE (\'HOSK NECESSAIRE.
318
1856. had evenmin het gewenschte gevolg, want de circulaire ging
blijkbaar den weg van elk ander los gedrukt stuk: zij werd ter
zijde gelegd.
Kn evenmin had de hernieuwde uitgifte van de vier afzon-
derlijke deelen in één hand in 1857 iriet den veranderden bijti-
tel Recueil de méditatiovs chrétiennes en met weglating der
hij elke maandelijksche aflevering gevoegde C/irovique mensuelle,
toen de Brieven over den Bijbel voor een deel geschreven, zoo
niet al en cours de publication waren, het gewenschte gevolg.
Trouwens door de Brieven moest de moderne theologie nog
gemeengoed worden. Een coufessiou als de volgende, die
Huet in zijn A vos lecteurs hij deze titel-uitgaaf voegde, moest
hij de menigte niet in goede aarde vallen, ik citeer h. v.
iichaqne inspiration de nolre nature superieure a pour nous la
vuleur d\'mie promesse de Dieu. Nous acceplons Ie C/irisl histo-
rii/ne comme l\'accomplissemeul de toutes ces promesses ré/mis,
toutes ayavt étê failes oui en lui el amen en lui. Nous crayons
en C/irisl parce que nous crayons en son Dieu, en la voix du
Père //ui nous pousse vers Ie /\'\'i/s. Kn souiue/lavl nolre dme a
C/irisf, nous obéissons a uu mouvement irresis/ible de nolre
conscieuce. Jesns-C\'hrist est pour nous comme Ie nom-propre de
nolre mei/leur
nous-mhn.es. Aussi, bieu loin que la wie religi-
ense, lelie que nous la concevons, serail en état de se soutenir
par elle-me\'me on pourrait au besoin repudier Ie seconrs de la
révélalion evaugélique, il n?y a, se/uu nous, de piélé réelle que
celle i/ni travaille a réaliser la pensee de Christ, a se regier
sur la parate de Chrisl, a se nourrir de la vie de Chrisl, on
s\'il faut employer Ie laugage du Seigneur lui-méme, na manger
Ie chair du Fils de Vhomme et a boire son sang.\'"
Dit citaat druk ik met opzet af. Vergelijkt men het, en
zooveel meer als Huet daar schreef, met zijn A vos lecteurs
voor het eerste deel der oorspronkelijke uitgave geschreven,
dan blijkt daar uit, hoe juist gedurende het redactiewerk van
La seule c/iose necessaire het wetenschappelijk denkbeeld, dat
aan Brieven over den Bijbel ten grondslag ligt, zich bij Huet
meer en meer begon te ontwikkelen. Daarom acht ik het, als
tegenstelling, niet onbelangrijk hier ook af te drukken een
-ocr page 332-
319
hk SEULE CHOSE NECESSAIRE.
deel van die eerste voorrede, waarin hij denzelfden bijbeltekst \' i«50.
toeliclit als in het bovenstaande citaat. ȣa pareu f-e fondamen-
tale des couvictions ehrétieunes positives avec les besoins de
notre nature supérieure, nest pas une hypothese, taats un fa!/.
La vie de Jésus-Christ a été V\'expression suprème de ce fait.
Fm lui, la nature humaine, ses infirmités et sa noblesse, ses
faiblesses et sa grandeur se sont trouvces réunies a la plus intime
communion avec Dieu, a l\'unilé avec Ie. Père, a la plénitude
de la vie éternelle. Connaitre cMe vie du Sauveur, Féludier,
la rêproduire, nous Fassimiler, comme la subs/ai/ce de la
nourrilure que nous prenons s\'assimile a notre organisation
physique, nmanger la chair du Fils de FHomtne et boire sou
i/sang," comme il Ie dit lui-méme, toute la piété est la. En pré-
sence de eet intérét palpitaut, de cetie quesfiou de vie ou de
mort, de salut on de perdition, les qnestions de dog me se trou-
vent réduites aux proportions équitables de priblèmes puremeul
théologiques. Rendons a FFcole ce qui est a FEcole, et a Dien
ce qui est a Die.u.
De ontwikkelingsgang van Huet\'s theologie deed dus in
LS5(J een snelle schrede voorwaarts. Die ommekeer bracht er,
naar ik denk ook wel wat toe bij, dat Kruseman het tijdschrift
zou wenschen te staken, want al ging hij meer overhellen naar
het standpunt der moderne theologie, een beslist aanhanger dier
richting werd hij in dit jaar nog niet.
Dat weinig succes op zijn werk moest Huet wel wat out-
moedigen, vooral toen hem door Kruseman, in wien hij en te-
recht het volle vertrouwen stelde, de mededeeling gedaan werd,
dat de uitgaaf niet meer geschieden zou; maar met Kéville
zal hij zich getroost hebben met de gedachte, dat het Fransche
tijdschrift Le disciple de Jésus Christ wel in de plaats zou tre-
den van dit gestaakte werk, wat de richting aanbelangt2. Althans
Kruseman wilde in die richting mede werken en belastte zich
met het debiet van dat blad en het daarbij behoorende bijblad
1 Johannes VI, 53.
* Brief van Réville 9 avril 1857. — Vgl. de noot bij den titel in
Brinkman\'s Naamlijst J8Ó2—J862 blz. 187.
-ocr page 333-
320
FAMILIE-MAGAZIJN.
Plcfé et cliarité. Onvoldoende deelneming denkelijk deed hem
besluiten zich ook hieraan met Januari 1859 te onttrekken \'.
Maar toch was er, naar ik wil, nog een andere reden als de
ontoereikende handelsrelatie met, het buitenland, die de staking
van dit tijdschrift ten gevolge had. De ontluikende moderne
richting, die in deze uitgaaf haar hoofd opstak, stond tegen-
over den geest van het Christelijk Album, dat, zooals Kruseman
terecht adverteerde -, „tot een Volksboek geworden was, zoo-
als weinig andere landen zullen kunnen aanwijzen" en een
wenschelijk tegenwicht bleef vormen voor andere schadelijke
ondernemingen. Twee uitgaven, beide op betzelfde terrein tegen
elkaar inwerkende, gelijkelijk te behartigen, is voor.niemand
mogelijk. Kruseman, wien eigenlijk de uitgave van La seule
chose
opgedrongen was en in die dagen van huis uit meer
nog voelde voor het religieuze gemoedsleven, zooals zicli dat
uitte in zijn Album dan voor de koele verstaudsredeneering
over ethische vraagstukken van Huet, kwam er dan ook ge-
makkelijker toe het Walsche tijdschrift te staken. De iinan-
ciën speelden daarbij natuurlijk ook een rol, want liet Album
toch stond nog bij voortduring in de voorste rijen van zijn
uitgaven. Al was dit gaandeweg in liefderijke behartiging ook
door andere uitgaven verdrongen, het was een basis voor de
financieele operatien en er moest tot allen prijs getracht wor-
den het dat te doen blijven. De aankoop van bet Familie-
magazijn
was een gevolg van die overweging.
De ware toedracht van zaken ten opzichte van dit werk is
geheel anders als Kruseman zelf zich in later jaren voorstelde,
toen hij aanteekende, dat het tijdschrift door hem „in een on-
bezonnen oogenblik werd overgenomen om te hervormen en
zoo mogelijk te maken tot een goed geïllustreerd tijdschrift,
op mijne eigen drukkerij goed te drukken". De zaak was, dat
Höveker de uitgave hem persoonlijk kwam aanbieden en dat
Kruseman het aanbod dadelijk aannam, omdat hij niet wilde
1 Advertentie in Nieuwsblad voor den Boekhandel 6 Januari 1859.
* Uaat\'lemsche Courant 5 Januari 1856.
-ocr page 334-
321
FAMILIE-MAGAZIJN.
dat een ander het kocht. Blijkbaar deed Höveker het aanbod isse.
juist aan hem, omdat hij van hem vroeger, juist in deze uitgave
de meest mogelijke bclangloosheid en welwillendheid had onder-
vonden, toen Krusemau hem het recht ter vertaling van S/m-
tlay at home, a FamMy- Magazine for Sabbath reading
had
afgestaan \'.
Onder Höveker\'s administratie was het een bepaald orgaan
der Engelsche en Hollandsche orthodoxie; al de stukken, die
er in stonden waren meer of min o r t h o tl o x-godsdienstige ver-
halen en meditatieën, hetgeen trouwens wel niet anders te ver-
wachten was van een uitgave van Höveker, onder redactie van
T. M. Looman en L. van Erpecum, en als b.v. Van Kampen
of Frijlink of welke uitgever van liberaler richting het kocht,
dan zouden de stukken liberaa 1-godsdienstig worden, er zouden
predikanten mee gemoeid worden en — liet Christelijk Album
zou een geweldigen mededinger gekregen hebben.
Als tegenstelling van hetgeen Kruseman wenschte dat het
Familie-magazipt, m zijn handen niet zou zijn, volge hier
wat Höveker bedoelde met zijn onderneming, zooals zijn redac-
tie dat geformuleerd had in het
PROSPECTUS
van het
EAMILIE-MAGAZIJN.
LECTUUli VAN UITSPANNING
tot
VEKSPBEIDING VAN NUTTIGE KUNDIGHEDEN.
Terwijl de meening nog bij velen gehuldigd wordt dat
wetenschappen en kundigheden met de godsdienst in wei-
nig of geen verband staan en zij op deze ook geene oflut-
1 Nieuwsblad mor tlett Boekhandel 28 September 18f>4.
21
-ocr page 335-
322
FAMILIE-MAGAZIJN.
•1856.                tele betrekking heeft, waardoor degenen, die daaraan be-
hoefte hebben, ze buiten de godsdienst om zoeken, en daar
wel bevrediging te dien opzigte, docli vaak ten nadcele
van hunne godsdienstige; opleiding en ontwikkeling vinden,
is het waarlijk hoog noodzakelijk deze meening te bestrij-
den en door dadelijke proeven het dwalende daarvan aan
te toonen. Kunsten en wetenschappen behoeven de gods-
dienst zoo min uit te sluiten, als de godsdienst haar uit-
sluit; integendeel: de godsdienst moet én kunst én weten-
schap heiligen, en als bezielend element alles, geheel het
leven, het dagelijksche leven doordringen. De drukpers
moet en kan hierin gewigtige diensten bewijzen. Velen heb-
ben dit reeds sints lang gevoeld en hieraan, ook naar hunne
wijze en naar hun beste weten, getracht mede te werken.
Ook hebben wij er grootendeels dat aantal godsdienstige
verhalen aan te danken, waarvan sommige — \'t valt niet
te ontkennen, al is men in gemoede ook niet onbepaald
voor deze soort van lektuur, — in zekere gevallen we-
zenlijk voortreffelijke uitwerkingen hebben gehad. Maar
er is meer behoefte dan waarin door verhalen, door voor-
stellingen uitliet dagelijksche leven alleen zou kunnen worden
voorzien. Geschiedenis, wetenschap, kunst, gelijk zij door de
godsdienst geheiligd, verlicht, bezield worden, zij heb-
ben haar oorsprong uit God, zij moeten hebben tot
einddoel de verheerlijking van God. Deze weinig gekende,
minder nog erkende, en toch voor velen in liet oog sprin-
gende waarheid moet aan het licht gebragt, moot door
geloovige beschouwing en behandeling van al wat ons
noodig is te weten, ook in geschriften den volke voor
oogen gesteld en zóó duidelijk worden voorgedragen, dat
het zelf tot de erkentenis dier waarheid komt.
Ook hebben degenen die liefhebbers zijn van lezen,
niet alleen behoefte aan eigentlijk gezegde stichtelijke lek-
tuur; zij verlangen ook iets tot uitspanning te lezen. Maar
die uitspanning, die hun geene inspanning kost, mag
daarom geene uitbanning zijn, van wat waarachtig is, wat
lieflijk is, wat wel luidt, geene uitbanning van wat de
-ocr page 336-
FAMILIE-MAGAZIJN.                                      323
stichting bevordert. Uitspannende en opbouwende lektuur isr>6.
kunnen hand aan hand gaan.
\' De bewustheid daarvan heeft het Engelsche Traktaat-
genootschap doen besluiten tot de uitgave van een week-
blad, dat geheel dit tweeledige doel beoogt; — toepassing
van de godsdienst op het dagelijkschc leven, beschouwing
en voortplanting van wetenschap en kunst uit het stand-
punt des geloofs, en daardoor vereeniging van stichtelijke,
onderwijzende en opleidende, met uitspannende lektuur.
Door dat tijdschrift tracht het, in aangenamen vorm en
op populaire wijze, zich op het gebied van elke weten-
schap bewegend, haar te bezielen, het verstand te verhel-
deren, maar ook tevens het harte voor het onvergankelijke
en eeuwig blijvende te gewinnen.
Dat ook de Nederlandsche drukpers eene uitgave be-
proeve, om op gelijke wijze met het aangename en nut-
tige het één noodigc te vereenigen, onder den beziclendeu
adem van het levend Woord Gods, kan niet anders dan
welgevallig zijn in de oogen van Hem, uit wicn, en door
wien, en tot wien alle dingen zijn; en zulk eene onder-
neming zal gewisselijk, hier zoowel als in Engeland onder
de welgezindcn bijval vinden; ook vooral omdat langs dien
weg menigeen tot nadenken kan gebragt worden, die uit
onkunde en natuurlijke afkeerigheid, de waarheid die uit
God is, niet zoekt.
De redaktie hoopt dat doel te bereiken door in navol-
ging van bovengenoemd Engelsch tijdschrift zoodanig een
werk te schrijven, waarin al wat wetenswaardig mag liee-
ten en onder het lezen eene aangename en tevens nuttige
ontspanning oplevert, zal worden opgenomen. Dat werk
nu zal op onderstaande voorwaarden, onder den titel van
Familie-Magazijn, Lektuur van uitspanning, lol versprei-
ding van nuttige kundigheden,
het licht zien; terwijl het
eerste nommer, om te beter, althans eenigermate, over den
inhoud te kunnen oordeelen, met dit prospectus verschijnt.
Even als dit eerste zal vervolgens elk nommer met één
of meer platen worden voorzien, die de geschiedverhalen
21*
-ocr page 337-
324
FAMILIE-MAGAZIJN.
18;i6-                 of merkwaardige voortbrengselen en ontdekkingen op ge-
bied van natuur, wetenschap en kunst aanschouwelijk
voorstellen. En zoo hopen Uitgever en Redaktie in be-
hagelijken vorm eene keur van nuttige en aangename,
voor verstand en hart deugdelijke spijze aan te bieden,
ter wering van nuttelooze, zoo niet schadelijke lektuur,
waarnaar anders menig weetgierige zich al te begeerig
uitstrekt.
15 November 1S54.                             de redaktie.
Ziedaar een prospectus van een tijdschrift, zooals Kruseman
liet niet wenschte. Juist omdat de hervorming door hem aan
dit tijdschrift gegeven een belangrijke bijdrage is voor de
keimis van de wijziging, die zich in dezen tijd bij hein
in zijn godsdienstige opvattingen begon te openbaren, meende
ik liet van gewicht dit prospectus, hoewel het direct geen
uitgaaf van Kruseman geldt, hier in zijn geheel op te nemen.
De richting, waarin het Familie-magazijn zicli bewoog, popu-
lariseering van de wetenschap, was de zijne; de geest, waarin
de artikelen geschreven waren, tegen dien, welke zicli bij hem
onder den invloed van Huet en den kring van de Ilaarlemsche
Debating Society langzaam begon te ontwikkelen.
Behalve nog, dat die verandering in zijn kerkelijke denkwijze
zich in de hervorming van liet Familie-magazijn openbaarde,
had zich dat ook nog op een andere M\'ijze aan liet publiek
kenbaar gemaakt.
Zooals ik vroeger mededeelde, stelde het Album der Natuur
zich in den beginne geheel op het standpunt van een verbin-
ding tusschen de heerschende kerkleer en natuurwetenschap, en
had Kruseman als uitgever het prospectus van het Album,
waarin die gevoelens met ronde woorden beleden werden,
kunnen onderschrijven in het einde van 1851. Sedert was bij
hem door den directen invloed van Huet twijfel ontstaan of de
nieuwere natuurwetenschap en de kerkelijke orthodoxie niet
lijnrecht tegen elkander over stonden, en toen eenmaal die twij-
fel, wel is waar nog geen zekerheid, maar toch hoe langer hoe
-ocr page 338-
.525
KA MI LIE-MAGAZIJ N.
meer zich oj) den voorgrond begon te dringen, was hij ook in 1856.
diezelfde mate zich minder ingenomen gaan betoonen met, dat
prospectus, waarin een beginsel .gehuldigd werd, dat hem onjuist
was gaan voorkomen. Waar hij in zijn advertenties van liet
Album in 1852 en 1853 telkens met citaten uit het prospectus
wees op dat kerkelijk-orthodoxe karakter van zijn natuurkundig
tijdschrift, liet hij het medio 1855 \' na op dat denkbeeld te
wijzen: sinds dien tijd werd dat prospectus niet meer aan-
gehaald.
Het Familie-magazijn, opgevat zooals Höveker dat deed,
kon daarom in 1855 zijn instemming niet hebben. Om te be-
letten, dat een ander het kocht en daarmede zou optreden
als concurrent van het Christelijk Album, was het zaak zelf het
tijdschrift te bezitten om het onschadelijk te kunnen maken. Krn-
seman kocht op grond van die overwegingen het recht van
uitgave met het restant (.3880 exemplaren) en de cliché\'s van
het eerste deel voor ,/\'400 in contant geld en ./\'44-t in boeken
uit zijn fonds tegen boekverkoopersprijs. De nieuwe eigenaar
toog dadelijk aan het hervormen, voor zoover liet den tekst
zelf, niet wat den uiterlijken vorm gold; het zou alles vertaling
zijn uit het Engelsch, met Engelsche gravures, maar niet altijd
godsdienstig, afwisselend, een allerlei, onder redactie van Van
den Bergh en Logeman. In plaats van lectuur vau uitspan-
niug tot verspreiding van nuttige kundigheden,
werd de bij-
titel zedelijke lectuur van uitspanning tevens tot verspreiding van
nuttige kundigheden,
sinds 1857 — en de volgende eigenaar
H. A. Tjeenk Willink te Arnhem behield dat — „onder toezicht
van S. J. van den Bergh en W. M. Logeman."
Weinig dacht hij daarmee als concurrent te zullen optreden van
Sijthoff\', die zijn Lectuur voor de huiskamer bedreigd zag en
dat deze hem van laakbare concurrentie zou beschuldigen.
De even geslagen wonde werd gelukkig echter spoedig geheeld2.
\' Zie hiervoor blz. 210.
1 Deze rectificatie en één en ander ontleend uit een gelijktijdigen brief
van Krnseman aan Sijthoff, mij welwillend ter inzage gegeven door den
Heer C. Gr. Frentzen te Leiden.
-ocr page 339-
826
FAMILIE-MAGAZIJN.
1856.             Niet alleen dat Kruseinan zich den aankoop van dit tijd-
schrift gansch verkeerd voorstelde, ook zijn appreciatie kan ik
niet onderschrijven, „\'t Was mij een ergernis te minder, toen
ik \'t ding in 1857, met aanzienlijk verlies verkocht \'". Erger-
lijk mag de tekst geweest zijn, het valt buiten mijn oordeel,
maar zoo dadelijk in die uitspraak berusten kan ik niet.
Want is het aan te nemen, dat Logeman, die zich zoo goed
op zijne plaats betoonde in de redactie van het Album der
Natuur,
van de Wetenschappelijke Blaadjes en van de Weten-
xc/iappelijke Bladen
als leider van het Familie-mayaziju zoo
geheel misplaatst was? En zou Sam Jan, de ijverige, trouwe
voogd van de Aurora nu plotseling in dit tijdschrift iets
leveren, dat inderdaad beneden alle critiek bleek? Ik kan
het, zonder bewijs, niet zoo voetstoots gelooven. En even-
zoo kan ik voor een deel niet medegaan met zijn veroordee-
ling van deze uitgaaf als drukwerk; zijn zeggen toch dat de
cliché\'s, uit Engeland ontboden 2, verre beneden het middel-
matige en dien ten gevolge de afdrukken ontoonbaar slecht
waren, kan alleen een gevolg zijn van min juiste kennis
van typographie en houtgraveerkunst. De cliché\'s der hout-
gravuren waren, althans te oordeelen naar de afdrukken in
liet tijdschrift, alles behalve fraai en beslist van minder
gehalte dau die, welke Höveker voor \'het eerste deel ge-
bruikte; behalve nog dat liet, naar me voorkomt, cliché\'s
van cliché\'s waren, wijzen de menigvuldige witte stippen in
de afdrukken op geoxydeerde plekken. Kruseman liet zich
vrij onbruikbaar materieel in de handen stoppen. Toch zou
er nog vrij wat beters van te maken zijn geweest, wan-
neer Krusemau\'s drukkerij beter op illustratiedruk ingericht
was geweest. Ik weet wel, dat een uitgaaf van 185(5 niet be-
1 Het tijdschrift gaf /\' 2724.63 verlies in 22 maanden, waarvan de
helft ongeveer door den verkoop van het artikel in 1857 gedekt zou
worden; een prijsvermindering voor 1857 had niet het gewenschte ge-
volg tot vergrooting van het debiet.
3 De AUjemeene Kunst- en Letterbotte (1856 blz. 129) vermeldde als
iets nieuws, dat de platen in The Tllustrated Lomlon News van cliché\'s
gedrukt waren.
-ocr page 340-
327
FAMILIE-MAGAZIJN.
keken en beoordeeld mag worden met onze oogen, verwend als isö6.
we zijn door de hedendaagsclie Eransche en Duitsche pers,
welke haar uitgaven met eenkleurige houtgravuren zoo kun-
s\'Jg weet te sieren; een voortreffelijk punt van vergelijking is
hetgeen Sijthoff in deze jaren aan geïllustreerde werken uitgaf.
De Maatschappij ter bevordering van Nijverheid had in 1851
onder n°. 365 een prijsvraag uitgeschreven op houtgravuren,
die met de beste buitenlandsche zouden kunnen wedijveren.
Sijthoff als directeur der Leidsche Houtgravecrschool kreeg in
1853 het accessit, niet de uitgeloofde gouden medaille, omdat
hij eenige bijkomende omstandigheden van de vraag niet be-
grepen had. Hij maakte van de houtjes Het gulden boekske voor
lieve kleinen,
dat het Nieuwsblad1 reeds dadelijk prees: „De druk
van \'t gulden Boekske is krachtig, zwart, zuiver, vereischten
die men niet altijd ziet vereenigd en daar toch niet genoeg
op kan worden gelet; — zwart drukken is niet altijd zuiver
drukken."
En nog beter kan over het uiterlijk van het Familie-
magazijn
een oordeel gevormd worden, wanneer het vergeleken
wordt met Sijthoff\'s Lectuur voor de huiskamer, dat zooals
de titel leert, werd geïllustreerd met oorspronkelijke houtgravuren,
vervaardigd door en ouder leiding van
E. J. van Arum. Erken-
nende, dat deze gravuren als kunst ten achteren staan bij de
Engelsche, die Kruseman betrok, zijn zij aanmerkelijk beter
dan die uit Het gulden boekske. Voor het oogenblik niet in
aanmerking nemende, dat de Engelsche cliché\'s geen zuivere
afdrukken meer konden geven, blijft alleen de typographie van
beide uitgaven ter beschouwing overig, en daarin is het Familie-
magazijn
buiten kijf de mindere van de Lectuur voor de huiska-
mer,
maar ook van het Familie-magazijn onder Höveker\'s lei-
ding. Niet zuiver, noch zwart afgedrukt en bovendien op vele
plaatsen slecht toegesteld, maken die cliché\'s geen bijster gun-
stigen indruk. Dat het Familie-magazijn aan Kruseman geld
kostte, had hij dus voor een deel aan zich zelf te wijten,
wanneer hij zijn drukkerij een opdracht gaf, die ze niet in
1 10 November 1853.
-ocr page 341-
.\'52 S                                 FAMILIE-MAGAZIJN.
185C. staat was naar beliooren te vervullen. In zoover had hij ge-
lijk, toen hij, al was het ook om een andere reden dan hij
zelf dacht, schreef, dat de afdrukken ontoonbaar slecht waren.
Toch vond in weerwil daarvan Höveker\'s onderneming in haar
nieuwe richting vrij wel haar weg, want een debiet van
080 en van 743 exemplaren bij inteekening is voor een van
richting geheel veranderd tijdschrift, dat slechts 9 cent per weke-
lijksch blad kostte \', niet ten eeuenmale hopeloos. Destijds had
het publiek nog bitter weinig kijk op beeldende kunsten. Niet
dat daarmee gezegd is, dat onze dagen in dat opzicht een
Eldorado zouden zijn, maar dank zij de steeds herhaalde pogin-
gen in de laatste jaren en de kunstvolle methoden van repro-
ductie in het boekdrukkersbediïjf, is Nederland toch geluk-
kig niet meer zoo „Holland op zijn Smalst"
2 als dat 40 jaar
geleden het geval was. Geen ernstig uitgever onzer dagen zon
van goed gesneden houtgravuren onzuivere cliché\'s aankoopen
en dan nog de kans wagen om ze zoo aan het publiek voor
te zetten als Kruseman dat in zijn goed bedoelde, maar typo-
graphisch middelmatig uitgevoerde onderneming deed. Het
geldelijk verlies, dat het Familie-magazijn, meer misschien dan
de gevreesde concurrent van zijn Christelijk Album, hem op-
leverde, had hij zich zelf te wijten; het tijdschrift zou hem
daarom altijd als een voorbeeld voor den geest blijven zweven,
\' In het Aglaja-berigt (185(3 blz. 26) drukte Kruseman, dat „thans"
ter Koninklijke steendrukkerij van Mieling „eene groote keurige premie-
plaat" uitsluitend ten behoeve van liet Familie-mar/azijn aangemaakt
wordt. In de Haarlemsche Courant (19 Februari 185G) adverteert Kru-
seman dat deze premieplaat zelfs gereed ligt. Het is mij niet gebleken,
dat hieraan gevolg gegeven werd.
1 In de verte doelende op dit bekende Gidsartikel van De Stuers
schreef Fred. Muller o. m. in het Nieuwsblad voor den Boekhandel (20
Januari 1874) : „Kunst is niet alleen eene regeeringszaak, ze is evenzeer
eene volkszaak. Welke reden zal er voor eene regeering zijn zich de
belangen der kunst, ten bate van het volk, aan te trekken als het volk
zelf er onverschillig voor is, en zij, aan wie door hunne maatschappe-
lijke positie en in hun eigenbelang de kunstzaken worden toevertrouwd,
blinde leidslieden der blinden zijn, en den treurigen toestand steeds
verergeren ?"
-ocr page 342-
:129
FAMILIE-MAGAZIJN.
hoe ook hij uit ovcrgroote zucht om zijn uitgaven productief ix>u-
te doen blijven, het beoogde doel voorbijstreefdc.
[n 1847 had Kruseinan een geïllustreerde uitgaaf gegeven
in De gouden bruiloft; de aesthetische uitvoering was niet ge-
gehecl naar wensch geslaagd door het gebruik van geen gc-
scliikt papier; twee jaar later was de Polichinel verschenen en
verdwenen; de derde geïllustreerde uitgaaf, de Julianus de Af-
vallige
was financieel niet gelukt en deze vierde geïllustreerde
onderneming had evenmin het gewenschte succes. Werkelijk
scheen liet of op geïllustreerde uitgaven een fatum, rustte.
liet Familie-magazijn gaat dus naast het Christelijk Album,
hetgeen een oppervlakkige beschouwing niet zou doen ver-
moeden. Het jaar 1856 opende met de Wetenschappelijke lila-
den,
een onderneming op een ander terrein van gelijke strek-
king als het Album, der Natuur. Aan het oud-j\\Tederlandschc
gemoed, dat voor alles nuttige wetenschap en ethische bespie-
geling vraagt \', was Kruseman niet ontrouw. La seule chose
nécessaire
en het Christelijk Album, waren uitgaven van de laatste
soort, en daarnaast kwam zich in hetzelfde jaar 1856 een
nieuwe onderneming vertoonen, de uitgaaf van Kruseman
bij uitnemendheid, zijn reuzentaak, zijn grootste, zijn meest
grootsche werk, de kompleete Dichtwerken van Bilderdijk, uit-
gegeven door Da Costa.
Kruseman had zijn handel begonnen met het uitgeven van
een citaat uit Bilderdijk 2; van meet af was het zijn vurigste
wensch geweest door het uitgeven van al de gedrukte gedichten
van Bilderdijk in één doorloopende reeks, een poging te wagen
dezen dichterlijken heros van de 19.° eeuw nader tot het publiek
te brengen; Da Costa stelde hij reeds in 1841, dat is nog
geen jaar na zijn vestiging, een nieuwe uitgaaf van De Ou-
1 Ten Brink. Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Amst.
18i)7 blz. 280.
* NI. met een motto ontleend aan Bilderdijk\'s Uilboezeming bijdegc-
boor te van Zijne Majesteit in het jaar J792
vóór Gedenkboek der in-
huldiging van
/?. M. Willem II door (t. Engelberts Gerrits.
-ocr page 343-
330
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
1S56. dergaug der eerde loareld \' voor. Schoon Suringar Da Costa voor
fle geprojecteerde uitgaaf wist te behouden, verhinderde het
niet, dat Kraseman zijn oog altijd door in die richting geves-
tigd bleef houden en steeds beslag legde op Bilderdijk\'s kopyen,
die in veiling kwamen om althans, mocht het er ooit van
kunnen komen, over eeuige gedichten te kunnen beschikken.
Een verklaring van die voorliefde te vinden is vrij eenvou-
dig. Dat Kruseinan aan Bilderdijk\'s letterkundige nalatenschap
als complex een waarde toekende, die hooger was dan ze
wellicht verdiende, kan een gereede oplossing vinden in zijn
neiging, die, vooral nog in de eerste 15 jaren van zijn uitge-
vers-loopbaan, zich bij voorkeur wendde naar de belletrie en
bij uitbreiding daarvan naar de letterkunde, naar het letter-
kundig kunstwerk, en hein noopte zijn hulde en veneratie te
brengen aan den schepper zelven van het kunstwerk. Zoo kan
gemakkelijk een reden gevonden worden, waarom hij, Neder-
lander in merg en been, den grootsten Nederlandschen dich-
ter van latere tijden boter wilde doen waardeeren door het
Dietsch sprekende volk. In een gansch anderen tijd leefde
Kruseman dan uu, toen in huiselijke kringen de poëzie nog
goeddeels de plaats innam, die zij sedert heeft moeten over-
laten aan de muziek en avondpartijtjes als bij de familie Sta-
stok nog in vele huisgezinnen in eere gehouden werden. De
werken van een groot dichter uit te geven en daarbij een
goede speculatie te doen, het was Kruseman een ideaal. En
wie kwam daarvoor meer in aanmerking dan juist Bilderdijk,
wiens werk nog te recent was om tot de letterkunde van een
vorig, geheel afgesloten tijdperk te behooren; dan juist Bil-
derdijk, wiens groote naam een zekere luister bijzette aan
zijn geboortestad Haarlem, de stad, waar hij zelf zoo met hart
en ziel wetenschap en letteren poogde te kweekeu en te bren-
gen tot zijn Nederland?
Kan daarom ook voor die veneratie voor Bilderdijk hebben
bijgedragen een liefde voor zijn geboorteplaats, voor Haarlem,
waar Bilderdijk ontsliep in 1831, in hetzelfde jaar als Walter
\' Brief van Da Costa 12 Mei 1841.
-ocr page 344-
:j:3]
BILDERDIJ K , DICHTWERKEN.
Scott eu Goetlic begraven werden? Kan zijn begrafenis, die ««>•
door Kruseman als jongen van 12 jaar werd\' bijgewoond, en
die „al was het met een vaag besef van de grootheid van den
overledene, die daar ter grave daalde, en met een half onbe-
wuste eerbied voor de aanzienlijke mannen om die baar ge-
schaard\'1 \', een diepen indruk op hem gemaakt had, zulke in-
drukken bij hem achtergelaten hebben, dat de wensch naar de
kompleete Diehtwerheti daarvan noodwendig het gevolg geweest
moet zijn? Of kan hij ook als kind eenige aanraking gehad
hebben met Bilderdijk zelf en van hem wellicht een invloed
ondervonden hebben, dien hij zich verplicht zou achten met
woeker terug te geven ? Kruseman\'a ouders verkeerden niet in
den kring van J. C. Sibinacher en mevr. de Wed. J. A. Hoorn
geb. Van der Laan, met wien Bilderdijk in zijn laatste jaren
nog wel omging2 en evenmin waren zij meer intiem bekend
met den kring van mijn overgrootvader Jan van Walré, tot
wien Bilderdijk, een eenzelvig mensch, zich nog eenigszins aan-
getrokken gevoelde s. De bovengestelde vraag moet daarom
ontkennend beantwoord worden. Maar hoe het zij, de plannen
bestonden bij Kruseman van meet af. De uitvoering er van
dorst hij vooreerst niet te beginnen, want de financieele operatie-
basis, waarop het gebouw opgetrokken moest worden, moest
hij veel breeder en hechter kunnen leggen dan hij in liet eerste
decennium, van zijn bedrijf ook maar bij machte was met grove
lijnen zich te denken.
Niet onwillig, maar onmachtig. Het jaar 1S47 kwam. Het-
geen Kruseman zich voorspiegelde na \'s dichters dood te vol-
brengen, waarover reeds in de vorige eeuw tijdens zijn leven
gesproken was \', bleek ook in Vlaanderen overdacht te zijn.
Onder dagteekening van den 15 Juli verspreidde de firma ¥. en
E. Gyselinck, boek- en steendrukkers te Gent, een prospectus
1 Brief aan Da Costa 14 Augustus 1859.
1 Kollewijn. Bilderdijk, Zijn leven en zijn werken. Amst. 1891 Dl.
II blz. 331.
3 Gerlings. Te Haarlem vóór vijftig jaren. Haarl. 1884 blz. 15,
* Brief van Da Costa 26 Februari 1856.
-ocr page 345-
M2
BILDERDIJK , DICHTWERKEN.
isöti. voor een Imc/in/ving op BiHerdijWs volledige werken, \'. „\\\\rie
kent dat wonder onzer eeuw in zyne volle grootheid ? De meer
dan honderd vyftig boekdeelen, waeriu Bilderdijk zyn\' geest
en vernuft verspreid heeft, zyn niet alleen een schier onover-
winnelyke hinderpael voor wie in België de vaderlandsche
letterkunde aenkleeft, maer zelfs in Noord-Nederland is eene
volledige verzameling zyner werken allerzeldzaemst en slechts
het deel van enkele vermogende lieden." Het was een loffelijk
denkbeeld van die firma een goedkoopen herdruk te geven,
maar loffelijk tot op zekere hoogte. Het streven, dat Koning
Willem I uit eigen middelen aangemoedigd had door het o\\y-
richten der Normale Drukkerij en Gieterij te Brussel om op
groote schaal nadruk te plegen van Fransche boeken 2, had zich,
na de officieele afscheiding tusschen Noord- en Zuid-Nederland,
ook gericht tegen Noord-Nederland: Vlaanderland leefde voor
een deel van nadruk van Nederlandsche auteurs. Het was een
euvel, waartegen reeds lang de Vereeniging haar stem verheven
had en getracht had door een letterkundig tractaat met België
een wettelijk beletsel op te werpen. De firma Gyselinck wist
zeer goed, dat zij nadruk ging plegen en dat haar toe-
komstige uitgaaf in Noord-Nederland geconfisceerd zou worden.
1    Vgl. Bouwstoffen Dl. I blz. 304.
2    Over de Normale Drukkerij en Gieterij van Weemaels & Plaisant
te lezen Bouwstoffen Dl. Iblz. 532, L|ibri]B[agnano]. De Vautocratie de
la presse.
La Have 1834 pag. 100, 110, 304 en 479 en De lettergieterg
fan Joh. Enschede\' &• \'Zonen. Gedenkschrift.
Haarl. (1803) blz. 105 vlg.
en 133. Het vermoeden (t. a. p. blz. 135), dat Molé jeune de graveur van
de bekende serie boekletter in 20 soorten van 3 tot 22 punten was, wordt
weerlegd door een vergelijking met bet Specimen des nouveaax carac-
tères de la fondeue et de Viniprimerie de P. Didot, Valné.
Paris 1819,
waar Vibert als de stempelsnijder dier letters genoemd wordt.
Dat deze Brnsselscbe drukkerij, althans na de scheiding tusschen
Noord en Zuid, hier te lande geen instemming vond, blijkt uit hetgeen
Jonckbloet schrijft in zijn Physiologie van den Haai/, (\'sGravenh. 1843
blz. 26): „In het Koninklijk Paleis te \'s Gravenhage is een verzame-
ling oude schilderijen, wier beschrijving ik u niet zal geven, omdat er
een uitvoerige Catalogus bestaat, die — hetgeen u misschien vreemd
voorkomt — in het Fransch en te Brussel gedrukt is, maar waarschijn-
lijk voor Hollandsen geld wel zal te krijgen zijn."
-ocr page 346-
333
BILBERTJIJK , DICHTWERKEN.
Waren aan den eenen kant hare kosten van aanmaak zooveel t«6.
geringer clan bij welken Noord-Nedcrlandschen uitgever ook,
omdat, zij de wettige eigenaars der kopyen ging bestelen, aan
den anderen kant was het duidelijk genoeg, dat België alleen geen
voldoend debiet zou opleveren voor deze uitgaaf, waarvan de
prijs op omtrent f 45 geraamd werd; Noord-Nederland moest
aan het debiet niet onttrokken worden. Er moest gesmokkeld
worden, en het was naar ik geloof een Amsterdamsche firma,
lid der Vereeniging, — ik noem den naam van deze nog
bestaande firma niet, omdat ik geen volkomen zekerheid voor
meening heb — die de alles behalve fraaie opdracht aan-
vaardde om de Gentsehe firma in de gelegenheid te stellen
naar waarheid op haar prospectus te kunnen drukken: „De
uitgevers waerborgen de bestelling buiten \'s lands der exem-
plaren, en geven de verzekering dat er geene lyst van holland-
sche inteekenaren zal gedrukt worden." Daar er hier te lande
uitgevers zouden zijn, die door die uitgave benadeeld zouden
kunnen worden, — in 1855 bleek dat het er omstreeks 25
waren — trok het Bestuur der Vereeniging zich terecht de
zaak aan. Op de algemeene vergadering van den 9 Augustus .
1847 hoorde Kruseman de mededeeling van den voorzitter
Suringar, dat het, Bestuur zoo even kennis gekregen had van
het prospectus en daartegen zoodanige maatregelen zou nemen
als geschikt en uitvoerbaar zouden zijn. Het Bestuur wendde
zich tot de ministers van Justitie, Binnenlandsche Zaken en
Financiën, met verzoek om de verspreiding dier prospectussen
met kracht te weeren. De landsregeering verleende krachtige
medewerking; de minister van Justitie schreef bij resolutie van
den 25 Augustus de arrondisseinents-directeuren der belastin-
gen, in- en uitgaande rechten en accijnsen aan, om de aandacht
hunner ambtenaren te vestigen op den mogelijk aanstaanden
ongeoorloofden invoer van deze uitgaaf; die bij voorkomende
gelegenheid aan te houden en de plaatselijke politie daarvan
in kennis te stellen, alles overeenkomstig de resolutiën van den
14 Februari 1844 n°. 64 en van den 16 Juni 1845 \'.
1 Bericht in Hnarlemschti Courant 14 September 1847. — De minister
-ocr page 347-
334                          BILÜERDIJK, DICHTWERKEN.
1856.             De Belgische nadruk werd daardoor onmogelijk gemaakt.
De Vereeniging liet het daarbij niet. Onder dagteckening
van den 14 Augustus 1847 \', nog voordat de besluiten van
de ministeriën gevallen waren, verzond het Bestuur een circu-
lairc aan de leden om hen „indachtig te maken aan het hoogst
gevaarlijk/!
(om niet te spreken van het onzedelijke) van elke;,
zij liet dan ook zijdelingsche medewerking\'1, daarbij den wensch
te kennen gevende, dat de verschillende eigenaars der kopyen
hier te lande onverwijld zich zouden vereenigen „tot eene uit-
gave van Bilderdijks werken, die in volledigheid van inhoud,
naauwkeurigheid van redactie en netheid van uitvoering voor
geeuen nadruk zal behoeven te wijken; eene onderneming, die
ongetwijfeld zal worden toegejuicht door allen, die waarlijk
prijs stellen op de eer onzer letterkunde en den daaraan ver-
boiulen bloei van onzen handel; eene onderneming, die, zoo wij
vertrouwen, door onze natie krachtig genoeg ondersteund zal
worden, om de uitgevers eene billijke vergoeding te geven voor
de kosten en opoH\'eringeu, daaraan verbonden."
Die stem vond weinig weerklank. Wie toch zou de persoon
zijn, die de hoogst bezwaarlijke taak op zich zou nemen de
verschillende eigenaars, gesteld al dat zij te ontdekken zouden
zijn, tot eenstemmigheid te brengen ? Zooveel hoofden, zooveel
zinnen, en onttrok zich één van hen gedurende de voorbe-
reidende werkzaamheden aan de onderneming, clan moest het
plan in duigen vallen.
Niettemin was er één persoon, die een poging ging wagen,
nl. Dr. H. H. Kemink te Utrecht. Gerugsteund als hij werd
door uitgebreide handelsrelatiën, moest de uitgever-redacteur
van de Jaarboeken, voor wetenschappelijke theologie en de uit-
gever van stichtelijke lectuur door Erancken en door Doedes
en van Van Oosterzee\'s liet leven, van Jezus zich aangetrokken
van Binnenlandsche Zaken berichtte aan het Bestuur, dat de aankon-
diging in de Staatscourant van den 13 Mei 1844 in hetzelfde blad
zou worden herhaald.
1 De Handelingen van it<: algemeene vergadering tier Vereeniging
1848 blz. 21 drukken ten onrechte 17 Augustus.
-ocr page 348-
335
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
gevoelen tot de conservatief-religieuse richting van Bilderdijk. 1856.
De firma Keinink en Zoon toog aan den arbeid. Vele bock-
handelaars verklaarden zich bereid aandeelen in de onder-
neming te nernen; in het Nieuwshhid \' juichte Kruscrnnn met
een hartelijk gemeend bravo, „beter laat dan nooit" de onder-
neming toe, maar de antwoorden van de verschillende eigenaars
lieten op de schriftelijke uitnoodiging van Kemink op zich
wachten. Een los gerucht, dat men nog een ander plan mocht
verwachten, werkte die besluiteloosheid in de hand \'l. Na vier
maanden van geschrijf en gewrijf, van overleggiiigen en be-
sprekingen, maar van bitter weinig handelen, liepen de plannen
op niets uit; met toewijding begonnen, ontmoette Kemink zoo-
veel moeielijkheden, die hij niet uit den weg kon ruimen en
overwinnen, dat liet uitgeven van een kompleeten Bilderdijk
een onbegonnen werk scheen te zijn.
Het Bilderdijk-monument liet niet meer van zich hooren.
In den Boekhandel werd na deze beide pogingen voorshands
geen stem meer vernomen. Op het taal- en letterkundig Congres
in September 1854 te Utrecht gehouden zou het blijken, dat
andere plannen in de lucht hingen.
In aansluiting met een geschenk van den Koning aan het
Congres, van een volledig exemplaar van Bilderdijk\'s werken \'\',
hield Dr. Wap, een vurige en heftige Bilderdijkiaan, een rede-
voering om de sympathie der aanwezigen op te wekken om
op Bilderdijk\'s aanstaanden honderdjarigen geboortedag (7 Sep-
tember 1S56) een monument in de hoofdstad des Rijks op te
richten; het ontwerp op zijn verzoek door lloyer geboetseerd,
met de zwaan van den Meander in top 4, was in afgietsel ter
vergadering aanwezig 6.
\' 8 September 1847.
*    Bericht van Kemink in Nieuwsblad voor den Boekhandel 8 Octo-
ber 1847.
Handelingen van het vierde Nederlandse!) laai- en letterkundig
Congres.
Utr. 1855 blz. 243.
*    Toespeling op Bilderdijk\'s Afscheid (1811.)
\' Teekeningen berusten in de Bilderdijk-verzameling van Dr. Wap
in de Bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde.
-ocr page 349-
336
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
1856.             Een heftige tegenstand openbaarde zich, denkelijk wel om
den persoon van den voorsteller, die als Katholiek door som-
mige andersdenkenden niet recht vertrouwd werd.
„Men wil een monument oprigten ter eere van Bilderdijk,
sj)rak Prof. Vreede, maar ik vraag u, waar staat het monu-
inent ter eere van Oldenbarneveld, waar het monument voor
Johan de Witt, waar het monument voor Simon van Slinge-
landt, waar dat voor Van de Spiegel, waar het monument voor
Heinsius, allen mannen, die door den onverbiddelijken geest
van reactie, welke doorstraalt in de geschiedenis des vaderlands
van Bilderdijk zijn beschimpt en verguisd. De schim van Olden-
barneveld zou om wraak roepen, indien deze vergadering er
toe kon besluiten eenige de minste waarde te hechten aan het
oprigten van een dergelijk monument; men zou protest
moeten aanteekenen tegen dergelijk monument ter eere van
Bilderdijk, zoolang niet aan Oldenbarneveld, ik zou er nog
kunnen bijvoegen, omdat deze ook door de pers van Bilderdijk
beschimpt is, ook aan Hugo de Groot van wege de natie een
gedenkteeken zou zijn opgerigt....." \'.
De voorzitter, Mr. H. J. Koenen, kreeg de lastige taak de
orde te handhaven in het debat, waaraan, allen in af keureuden
zin, ook Da Costa2, Van Hall en Prudens van Duyse deelna-
ïnen en eindigde met een overgaan tot de orde van den dag.
Wap liet echter zijn plan niet varen en poogde op eigen
wieken drijvende het noodige bedrag bijeen te krijgen. Hij
1 Handelimjen van het vierde Nederlandsch taal- en letterkundig
Congres.
Utr. 1855 blz. 252.
Vgl. tle natuurlijk niet onpartijdige voorstelling der zaak in de Le-
vensschets van G. W. Vreede, naar zijn eigen handschrift uitgegeven.
Leid. 1883 blz. 448. — In zijn Levensbericht van M. C. van Hall
{Handelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde
185\'J
blz. 45) vermeldt Koenen, dat Van Hall althans het verlangen koesterde,
dat het ontworpen model door de vergadering in oogenschouw zou wor-
den genomen.
* „Ik ben er niet rouwig over, dat het monument van Royer weinig
weerklank heeft gevonden. Het gaat aan onderscheidene vitia (ook niis-
schien een vitium ingenii) mank." (Brief van Da Costa aan Mr. H. J.
Koenen 27 September 1854.)
-ocr page 350-
337
BIIiDEttDTJK, DICHTWERKEN.
moest ten lange leste ook die poging opgeven, toen hem ter 1856.
oore kwam, dat men te Amsterdam wel geen plekje gronds
zou willen inruimen voor een „huldeblijk der Natie aan den
grootsten Genie van Stad en Land" \'. Hij was niettemin naar
eigen oordeel met het beste gevolg werkzaam geweest en had
in verschillende plaatsen personen aangezocht de financieele taak
gedeeltelijk over te nemen. Voor Haarlem was, op aanraden
van A. de Vries, zijn keus gevallen op Kruseman 2, die zich
die opdracht had laten welgevallen, van harte gaarne daarvoor
bereid door de achting, die hij voor den kolossalen Bilderdijk
in zijn hart ronddroeg :i.
Dat plan mislukte dan ook \', om in een anderen vorm het
hoofd weer op te steken. Kruseman zou zich Bilderdijk aan-
trekken.
Even, terloops, had Prudens van Duyse op het Congres 5
liet plan om een volledigen Bilderdijk saam te stellen als be-
staande aangeroerd en als de wensch van de gansche verga-
dering kunnen zeggen, dat een hulde aan Bilderdijk lang geen
onverschillige zaak was. „Bilderdijk. Hij was da poëzy!"
\' Brief van Wap aan Koenen 8 December 1854.
*    „De eenige persoon, die, mijns oordeels, hiertoe de noodige vereiseh-
ten bezit, van ijver, geestdrift, en, indien ik het zoo noemen mag, de
rechte Bilderdijks gezindheid, is de Boekverkooper A. C. Kruseman,
een bekwaam, jeugdig man, vol van vuur, geest en kracht, en die de
commissie, zoo die hem opgedragen wordt, naar ik geloof, niet van de
hand wijzen zal." (Brief van De Vries aan Wap, geciteerd in een brief
van Wap aan Kruseman 26 November 1854.)
\' Brief aan Wap 28 November 1854.
*    In 1856 werd opnieuw aan het denkbeeld van een standbeeld ge-
tornd. „Men heeft er zelfs in couranten-artikels van gesproken, en men
heeft Bilderdijk gebruikt om de oude Waag op de Westermarkt |te Am-
sterdam] leelijk te doen vinden en te doen afbreken. Dat laatste is ge-
lukt; het oude, leelijke, vervallen en onaanzienlijke gebouwtje, zonder
historische herinneringen, zal ons aesthetisch gevoel niet lang meer
schokken; het plan, om het aan zijn verdedigers in koop aan te bie-
den, is niet tot rijpheid gekomen; men heeft ook niet voorgesteld om
er voor die heeren een koffijhuis van te maken. — Het gebouwtje gaat
weg, maar het standbeeld komt niet." (De Gids 1856 Dl. II blz. 686.)
5 Handelingen van het vierde Nederland/teil taal- en letterkundig
Congres.
Utr. 1855 blz. 260.
22
-ocr page 351-
388                          BILDERDIJK , DICHTWERKEN.
185C.            De opgewondenheid in do uitgeverswereld over de plannen
van 1847 was voorbij; de gemoederen waren tot kalmte gekomen
over den wensch van Wap. Het ijzer was niet meer gloeiend,
maar nog niet zoover afgekoeld, dat het onder een voor-
zichtigc, bedachtzame hanteering niet meer handelbaar zoude
zijn. Het leek Kruseman, „een Kruseman", zooals De Tijd-
spiegel
\' liem veelzeggend noemde, het juiste oogenblik een
poging te wagen ter verwezenlijking van zijn lang begeerden
wensch. Het publiek was in de laatste jaren voldoende be-
werkt om speculatief de onderneming, waarmede duizcnde gul-
dens gemoeid zouden zijn, te beproeven. En aan den anderen
kant, moest het Kruseman niet een prikkel te meer wezen
zijn krachten te wagen aan de oplossing van een probleem,
dat anderen vruchteloos gepoogd hadden op te lossen? Zoude
het hem, den voorzitter van de Vereeniging, niet inderdaad
tot den primus inier paren maken en een krachtige stoot zijn
om het uitgeversbedrijf in de schatting van het publiek te
doen stijgen? Met ernst, met toewijding, met liefde begon hij
zelf de voorarbeid, want mocht het plan hem gelukken, dan
zou hij ten minste meenen in zijn boek ver koopersle ven een
feit gedaan te hebben 2.
Het moge hier de plaats zijn om, vóór verder te gaan met
liet beschrijven van hetgeen Kruseman in deze moeitevolle,
maar glorierijke onderneming zou doen, even stil te staan bij
de verhouding tusschen Kruseman in 1855 en den gestorven
Bilderdijk.
Was, zooals ik zeide, het tijdstip tegenover het publiek
gunstig gekozen om een kompleeten Bilderdijk te beproe-
ven, voor den persoon van Kruseman zelve was het, van ach-
tercn bezien, wel bijkans het laatste oogenblik, waarop hij
zich zou aangespoord kunnen gevoelen dezen arbeid te onder-
nemen. Voor Bilderdijk\'s dichterschat moest hij als persoon
toch groote voorliefde hebben, wilde hij dien als uitgever pro-
1 „De heer Kruseman, aan wien onze letterkunde dure verpligting
heeft...." {Do Tijdspiegel 1850 Dl. I blü. 3(53.)
1 Brief aan Fred. Muller 9 September 1855.
-ocr page 352-
Bir,T)RR.T)T.TK , DICHTWERKEN.                               339
dnctief laten zijn. En al zou hij nu Bilderdijk vóór alles wil- is."*-
len huldigen als literair kunstenaar, niet als ethisch persoon,
mensch en dichter waren in den overleden dichter toch te
nauw aan elkander verwant en te eng verbonden dan dat het
mogelijk zoude zijn den één volledig van den ander te schei-
den. Onwillekeurig en als van zelf zou een monument aan
den dichter Bilderdijk tot op zekere hoogte ook huldigen den
onverdrnagzainen orthodoxen menschenhater. In 1855 zou de
laatste bij Kruseman geen onoverkomelijke hinderpaal opwer-
pen voor den eerste. De invloed van Huet deed zich wel is
waar op zijn godsdienstige denkwijze alreeds sterk gelden, maar
nog had die invloed niet zoo gewerkt, dat hij beslist naar de
moderne richting overgegaan was. In 1854 had hij nog met
zekere voorliefde een dichtstuk als Koenen\'s Be Chriêten-zen-
deling
\' kunnen uitgeven, een half jaar later was hij twijfe-
lende; het prospectus uit 1851 van het Album der Natuur
droeg zijn instemming niet meer weg. Wat hij twee jaar later
als uitgever van de Brieven over den Bijbel zich zelf niet zou
hebben kunnen verantwoorden te doen, kon hij nog onderne-
men in dit jaar zonder met zich zelf in tweespraak te komen.
Als uitgever van de Dichtwerken van een kerkelijk onver-
draagzaam man zou hij niet in conflict komen met zich zelf.
Het was als gevoelde hij zelf dat nu voor hem de tijd ge-
komen was en dat eigen godsdienstige opvattingen hem wei-
licht later niet meer zouden veroorloven de hulde aan Bilder-
dijk te brengen, die hij sinds jaren gehoopt had hem te kun-
non te betoonen. Eenmaal het besluit genomen zelfde handen aan
de ploeg te slaan, die anderen vruchteloos gepoogd hadden te
besturen, ging hij zelf de bakens met ijver uitzetten om zoo
1 „De Christen-zendeling" was een prijsvraag van de Maatschappij
van fraaie Kunsten en Wetenschappen, waarvan het onderwerp door
Tollens was opgegeven. De ingekomen antwoorden werden, na beoor-
deeling door Tollens, allen afgekeurd. Koenen\'s dichtstuk behoorde niet
tot de antwoorden en viel in Tollens\' geest (Brief van Tollens aan Kee-
nen 30 Mei 1854). — In 1855 deed Kruseman er een nieuwe titel-
uitgaaf van verschijnen om liet debiet te bevorderen, waarin hij niet
slaagde.
■zz*
-ocr page 353-
340
BtLDEEDUK , DICHTWERKEN.
1856. spoedig als mogelijk zou blijken de eerste aflevering te kun-
nen verzenden, nog voor dat een geheele ommekeer in zijn
ethische denkwijze zijn beslag had gekregen.
A. C. Krusernan begon dan in het voorjaar van 1855 met
ingenomenheid zijn omvangrijk plan uit te werken.
Drie vragen waren achtereenvolgens tot oplossing te bren-
gen: wat heeft Bilderdijk geschreven, waar is het verschenen
en wie is de tegenwoordige eigenaar. Een terreinverkenning
viel niet moeielijk. De bibliographieën van Glinderman (1833),
en van Klinkert \', waren evenals de Aanwijzing en de Nale-
zing
van Pan de hulpmiddelen om tot de wetenschap te gera-
ken van Bilderdijk\'s letterkundige nalatenschap. Maar bezwaar-
lijker was het te weten te komen wie de eigenaars der kopyen
waren. Natuurlijk dat Van Kesteren, die sinds het jaar 1822
waarin hij de eerste verkooping van ongebonden boeken gehou-
den had 2, zooveel kopyen van eigenaar had doen verwisselen,
de aangewezen persoon was bij wien Krusernan in de aller-
eerste plaats om inlichting ging aankloppen; ook Fred. Mul-
Ier, boekverkooper in merg en been en geboren bibliograaf en
Jaeobus Kadink, voor wien een boek een doodgewoon handels-
artikel, meer niet, was, maar die dan ook in zijn geheugen
zooveel te meer wist van de materieele geschiedenis van de
boeken uit zijn tijd en uit vroegere perioden, werden door
Krusernan geïnterpelleerd. Zoo doende, al vragende en verne-
mende, al speurende en zoekende, kon hij vrij wat kopyen op
het spoor komen en aankoopen, en kon hij als eerste post van
deze onderneming den 24 Mei 1855 als betaald aan J. F. K.
Schwaebe een bedrag van ./\'570 boeken. Bij lange na waren
toen nog niet alle eigenaars bekend, veel minder van de be-
kende eigenaars de kopyen aangekocht. Om voortgang in het
werk te brengen, verzond Krusernan in April of\' Mei een cir-
culaire, die hij in het Nieuwsblad van den 31 Mei 1855 liet
ojmemen en twee maanden later opnieuw verzond. Die circu-
laire „even krachtig als rond en royaal" naar het oordeel
\' Gratis bijvoegsel van de Navorsclter .1853.
1 Levensschetsen en verspreide slakken. Amst. 1H84 blz. 104.
-ocr page 354-
BILDEllDI.IK, DICHTWERKEN.                                 34J
van F red. Muller \' druk ik hier in de laatste redactie in extenso !«■"*•
af, om liet belang dat dit stuk heeft als eerste oflicieele open-
bariiig van Kruseman\'s ])lan.
Haarlem, Julij 1S55.
M.
Eenigen tijd geleden heb ik onderstaande circulaire in
het Nieuwsblad van den Boekhandel geplaatst, die alzoo
welligt ter uwer kennis gekomen is, maar die ik ten over-
vloede de vrijheid neem hier te herhalen.
«M. Sinds zoolang ik in den Boekhandel was bestond
bij mij, even als bij zoo velen, de wensch, dat eindelijk
toch eens de zoo verspreide werken, van onzen Bilderdijk
bijeengebragt, en door een kompresser druk algemeen
verkrijgbaar gesteld mogten worden. Ik juichte daarom
van ganscher harte de beweging toe, die er in den IIol-
landschen handel ontstond, toen in 1847 op eens uit
België van de Gebr. Gyseunck het plan uitging, om
Bilderdijk na te drukken, en daardoor onze Yaderland-
sche Uitgevers wakker werden gemaakt, om die uitgave
te voorkomen door zelve de handen aan den arbeid te
slaan. Het is mij ter ooren gekomen, dat er toen, be-
halvc het plan van associatie van de H.H. Keiiink, ook
door anderen over een dergelijk voornemen is gedacht.
Het is natuurlijk, dat ik, bij die bemoeijiug van zoo
geachte Uitgevers als de bovenbedoelden, mij zeer beschei-
den op den achtergrond hield, en de behartiging der zaak
gaarne aan zooveel betere zorgen overliet dan de mijne.
Maar die beweging van ijver en opgewektheid eindigde
weder in eene normale kalmte, en Bilderdijk kwam noch
in België, noch in ons Vaderland. Hoe langer die onver-
1 Brief van Fred. Muller 1 Juni 1855.
-ocr page 355-
:512
BJ LDJ5RDIJ K , DICHTWERKEN.
1856.                 schilligheid of werkeloosheid aanhield, des te sterker otit-
waakte hij mij de lust, om te trachten te doen, wat een
ander toonde te laten varen. Thans, na weder verloop van
niet minder dan acht jaren, meen ik tijd in overvloed
gelaten te hebben aan ieder ander, om de uitgave te bc-
proeven, en inij vrij te kunnen achten van alle laakbare
concurrentie, wanneer ik zelf de zaak weder aanvat. Af-
ziende van het uitgebreider plan om alle werken, ook de
prozaïsche, van den auteur te verzamelen, heb ik het mij
tot taak gesteld om te trachten ten minste de Dichtwerken,
van onzen Bildeudijk uitgegeven te krijgen, en zonder
eenige achterhoudendheid veroorloof ik mij, U daarvan
bij deze kennis te geven, een beroep doende op uw wei-
gezinde medehulp.
\'t Is er nogtans verre van af, dat ik ook in dit ojizigt
onbillijk of ter kwader trouw zou begeeren te handelen.
Zonder eenig misbruik te willen maken van het verjaarde
eigendomsregt, en met de erkenning van alle — hoewel
niet onoplosbare — bezwaren, die er verbonden zijn aan
de reproductie van de uitgaven tusschen 1S03 en 1S17,
wensch ik alleen langs den breedsten en openlijksteu weg
te geraken tot het doel, dat ik mij met eenige warmte
heb voorgesteld. Ik kom daarom ruiterlijk met dezen brief
tot U en andere eigenaars van Bilderdijksche kopijen, met
de vraag, of gij mij tegen billijke vergoeding het regt
tot herdruk wilt afstaan, hetzij met of zonder de voorhan-
dene exemplaren.
üp dien voet wil ik ze voor mij zelven pogen te ver-
zamelen ; maar ik erken even rond, dat ik ook aan f of
aan ieder ander de geheele onderneming wil afstaan, zoo
Gij die thans nog voor u zelven begeeren mogt, U daar-
toe mijne kopijen aanbiedende tegen den prijs, dien ik er
zelf voor heb besteed. Ik meen dit den kordaatsten voor-
slag, dien iemand zou kunnen vergen, en daardoor blijk
te geven, dat ik alleen wensch te ijveren zooveel ik kan,
dat er een Bildeedijk kome (en wel thans, nu er gevaren
dreigen, die ik mij niet geroepen reken hier te ontwikke-
-ocr page 356-
:J4:5
BILDEKDIJ K , DICHTWERKEN.
len), onverschillig of die bij mij of bij een ander het licht 18ü6.
zoude zien.
Wilt Gij mij toestaan gebruik te maken vau Uwe
kopijen, dan vraag ik U om een billijk voorstel, een
voorstel dat aanneembaar is, en niet zoo uit de hoogte,
dat er aan geene bereiking te denken valt. Ik bid II
daarbij in aanmerking te nemen:
1.      Welk voordeel U heden de fouds-artikelen van
Bilderdijk opleveren;
2.      Wat uwe kopijen schade zouden kunnen lijden
door een kompleeten en uit den aard der zaak kost-
baren herdruk;
•\'5. Wat door U zelven betaald zou kunnen en willen
worden, indien deze vraag vau U tot mij, in plaats
van vau mij tot U uitging; — en eindelijk in ge-
moede te overwegen:
4. Wat er toch te winnen valt bij eene onverzette-
lijke vasthoudendheid aan onze wederkeerige kopijen,
die steeds eene verschijning van Bilderdijks werken,
tot oneer en grieve van den Boekhandel, in den weg
blijft staan.
Wil de uitgave thans nog door U of door een ander
worden ondernomen — ik herhaal het — \'t zal mij even
lief zijn en mijne kopijen zijn op genoemde voorwaarde
tot uwe dienst. Ik wil er gaaf afstand van doen, zelfs
zonder eenig voorbehoud van deel in de onderneming,
daar ik voor mij zelven, indien de uitgave mij verleend
werd, ongaarne deelgenooten zou hebbeu, en ik mij even-
min aan een ander zou begeeren op te dringen. Wil eene
onderneming, naar mijn bescheiden oordeel, met warmte
worden behartigd, dan moet ze in handen van één en
niet van meerderen zijn.
Behoef ik het U, na het boveugezegde, te herhalen,
dat ik in deze poging meer door eenige letterliefde en
door Uitgevers-conscientie gedreven worde, dan door eigen-
belang ? Bij eene uitgave als deze, is het welslagen of het
-ocr page 357-
.\'544                          BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
18S6.                 mislukken zelfs in de verte niet te berekenen. Maar \'t zij
voor mij zelven, \'t zij ten behoeve van een ander, ik
maak het mij tot een pligt, om met al mijn vermogen
het mijne te doen, ten einde te trachten aan onze litte-
ratuur niet langer te onthouden de uitgave der werken
van onzen zoogenoemden Eersten Dichter, wiens bezit —
waarlijk niet onze nationale eer! — eene zeldzaam-
heid is, en waarvan laauwheid en onwil in onzen Boek-
handel hoe langer hoe meer de schuld en de schande
zouden dragen.
Breng het uwe toe tot het waardigste monument voor
Bilderdijk, de uitgave zijner werken, en vereer mij met
Uw welberaden en welwillend antwoord."
Van verschillende kanten heb ik hierop de meest be-
langelooze, vriendschappelijke antwoorden en aanbiedingen
ontvangen, die ik met alle erkentelijkheid waardeer. Hij
een zoo uitgebreid plan evenwel als de verzameling van
BiLüKitDUKS werken, is het nog steeds een zoeken in den
blinde, waar alle de kopijen zich bevinden; en toch is
het weten hiervan een hoofdvercischte tot verdere be-
moeijingen. Ik acht mij daarom verpligt mij persoonlijk
te wenden tot allen, van wien ik reden heb te vcronder-
stellen, dat zij iets van Bildkudijk in hun fonds bc-
zitten.
Indien ik wèl onderrigt ben, berust bij U het kopij-
recht van:
Mogt dit zoo zijn en wilt gij mij helpen in mijne be-
doelingen, dan verzoek ik U beleefdelijk eenig berigt,
voor welken prijs gij mij het kopijregt met of zonder
(liefst zuuder) de exemplaren wilt afstaan. Ik bid u daarbij
nogmaals zoo billijk mogelijk te zijn, daar ik u niet be-
hoef te zeggen, hoe bij de menigte van Bii,derduks wer-
ken, de opofferingen spoedig wel zóó zouden kunnen zijn,
-ocr page 358-
345
lilLDKUDIJK , DICHTWERKEN.
dat er voor nu noch ooit aan eene verwezenlijking van is«>-
\'t voornemen te denken zou wezen.
Mij met Uw welwillend antwoord vleijende, ben ik met
achting en groete
UEd. Dw. Dienaar
A. C. Kruseman.
De gevolgen van deze circulaire bleven niet uit; nieuwe aan-
biedingen kwamen in, en was eenmaal één kopy aangekocht, de
resteerende moesten tot allen prijs bemachtigd zien te worden;
want ontbrak er één kopy aan Kruseman\'s Bilderdijk, er zou
geen sprake kunnen zijn van kompleet en het plan zou niet
alleen onherroepelijk in duigen moeten vallen, maar de be-
steede gelden zouden reddeloos verloren zijn, daar het niet
denkbaar was dat een eventueele verkoop der verkregen kopyen
de uitgeschoten onkosten zouden dekken. Er zou misbruik
gemaakt worden van de wetenschap, dat hij tegen eiken prijs
sommige kopyen in zijn bezit moest zien overgaan, Ongeluk-
kig voor Kruseman was één der voornaamste bezitters van
Bilderdijk\'s kopyen Radink te Amsterdam, die -12 titels
van den dichter in zijn fonds had. Ongelukkig, want hij
toonde zich weinig bereid tot medewerking. Kruseman wist
van dien „onbuigzamen bestrijder" zijn „vriendelijken mede-
helper" te maken, en tegen betaling van de som, waarvoor
Radink zelve de kopyen gekocht had, vermeerderd met 5 per-
cent rente, te zanten f 2S46.445 en een exemplaar op best
papier der kompleete uitgave, kreeg hij de kopyen in zijn bezit.
Op een dergelijken voet deed ook Suringar te Leeuwarden, die
zelf in vroegere jaren ook eens een poging in deze richting
gewaagd had \', zijn eigendom over. Andere eigenaars volgden;
Groebe, Wansleven, Ten Brink en De Vries, Jacob, Muller,
om de voornaamsten te noemen, waren tot afstand te vinden.
Moeielijkheden, die uit den weg geruimd moesten worden, deden
zich natuurlijk voor; kopyen waarvan de eigenaar niet te vin-
1 Brief van Suringar 8 Juli 1855.
-ocr page 359-
346
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
1K56. den was \', of anderen, waarvan verschillende personen als eige-
naars zich gedroegen. Op De muis- en kikoorschkrijg meenden
Van Boekeren en Van der Post beiden recht te hebben; van
beiden kocht Kruseman het recht, terwijl later, nadat deze
kopy reeds afgedrukt en in den handel was, Bilderdijk\'s zoon
kwam vertellen, dat dit werk altijd door den dichter zelve als
privaat eigendom beschouwd was en aan de verkoopers het
recht van eigendom betwistte 2; evenzoo handelde hij later met de
Wed. G. Goossens en Weddepohl over Dr. moord van Woerden.
van Vrouwe Bilderdijk. Itoelants te Schiedam bleef onverzet-
telijk zijn Bilderdijk-kopyen, die hij kort te voren uitsluitend
ter opname in zijn Pantheon van C. van der Post .Ir. en
Sehwaebe gekocht had, aan Kruseman over te doeu; die kopyen
moest Kruseman wel overnemen, om ze vroeg of laat in liet Pau-
t/ieou
te zien verschijnen. Principieele bezwaren deden zich voor
met Van der Post over de Mengelpoëzy en de Poëzij verschenen
in 1799 onder het decreet van 179b\' en in 1808—1807 onder
de wet van 1803, die het eeuwigdurend kopyrecht gedecreteerd
had. Maar aan den anderen kant ook de meest mogelijke wel-
willendheid, wanneer de Erven Bohn, de familie Kesteloot
te Gent en Joh. Enschedé en Zonen kosteloos kopy-afstand of
liet recht ter overname aanboden. Bilderdijk werd langzaam
saamgebraelit; een groote uitbreiding werd aan de drukkerij
gegeven met het oog op de nieuwe groote onderneming. De
handpersen werden vervangen door twee snelpersen; de lettervoor-
raad kreeg aanmerkelijke versterking, vooral in de boekletter\'1;
nieuwe letterzetters werden gevraagd * en met een zolder vol
onverkoopbaar goed, met het recht van hernieuwde uitgaaf, dat
Kruseman zich voor ƒ7095 en 12 present-exemplaren had we-
ten te verzekeren, kon zee gekozen worden.
Een dergelijk bedrag, feitelijk zonder vasten grond als eerste
1 Nieuwsblad ooor den Boekhandel 4 en 18 October 1855.
\' Brieven van Da Costa 8 Maart en 11 Maart 1850.
3 O. a. werd hem door de lettergieterij van Joh. Enschedé en Zonen
den 21) November 1855 afgeleverd 311.50 pond garmond romein n°. 22.
" Nieuwsblad ooor den Boekhandel 20 December 1855.
-ocr page 360-
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.                             34-7
som in de onderneming gestoken, werd door menigeen, al was
hem dan ook het juiste bedrag niet bekend, voor een roekeloos
waagstuk gehouden. En ook Kruseman zelf moet zich wel eens
beklemd hebben gevoeld. Want hoe zou de onderneming ont-
vangeu worden ? Zou zij opgang maken bij het publiek ? Zou
het Dietsche volk Neerlands zoogenaamden eersten dichter ge-
noeg willen waardeereu om prijs te stellen op het bezit van
zijne kompleete Dichtwerken? Het zou een gouden of een
ijzeren ketting wezen voor den uitgever. „Aanvangen is bij
mij — ik streef er ten minste naar — voortgaan en afmaken,
schreef Kruseman eens vol zelfbewustheid van zijn kracht aan
Da Costa; ik ben opgegroeid onder \'t leggen van spoorweg-
rails" \', en het zou blijken, dat zijn zelfvertrouwen niet inis-
plaatst was; het zou blijken, dat Kruseman geen misrekening
gedaan had, toen hij het plan op touw zette, en dat hij de
aangewezen persoon was om den lang verwachten Bilderdijk
uit te geven.
Het welslagen van een uitgave, welke ook, hangt, afgeschei-
den van de inwendige waarde en van de meer of mindere mate
van medewerking van den Boekhandel en van kooplust van
het publiek van twee gegevens af: van de activiteit van den
uitgever, het materieele deel en van de geschiktheid van den
redacteur, het intellectueele deel. De Bilderdijk-kopven waren,
zooals zij zich opstapelden op de lïaarlemsche zolders, een on-
geordende hoop; er moest orde in gebracht worden; er moest
een persoon gevonden worden, die het werk zou regelen en
wiens bezielende geest, door het vinden van een logische op-
eenvolging der dichtstukken deze doode massa ten leven zoude
weten te wekken en den weg zou weten te wijzen tot een
studie van den mensch en den dichter Bilderdijk, zooals die zich
in zijn dichterlijke nalatenschap vertoont. Die persoon moest
zijn eeu geestverwant van Bilderdijk, een dichter als hij, zoo
mogelijk iemand, die Bilderdijk gekend en met hem omgegaan
had, die in hem zijn meester erkende; die persoon moest en
kou geen ander zijn dan Da Costa, Da Costa, de kweekeling,
1 Brief aan Ua Costa 28 Octuber 185G.
-ocr page 361-
348
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
1856. de navolger en de wederga van Bilderdijk. Want Bilderdijk,
lioe had hij in de laatste van zijn jaren zich in Da Costa
verjongd gezien en hem als zijn evenknie voor den toekomst
begroet:
Niet door Natuur verknocht, maar Geestelijker banden,
Zijt gy me een evenbeeld, en wordt het eens geheel.
Uw geest was Poëzy, smolt samen met den mijnen
In \'t bovenmenschelijk vuur uit hooger kring dan de Aard \'.
Reeds één jaar na zijn vestiging had Kruseman gepoogd Da
Costa te winnen voor het plan een nieuwe uitgaaf van Bilder-
dijk\'s De ondergang der eerste wareld te bezorgen 2, thans, nu voor
literairen arbeid Kruseman uitsluitend de uitgever van Da
Costa geworden was, was één woord van Kruseman voldoende
om Da Costa tot de grootsche taak te bewegen, de rang-
schikking der gedichten van Bilderdijk, zijn „dierbaren Vader
in het geloof\' :l op zich te nemen en zijn beste krachten in
te spannen om de vergetelheid, waarin Bilderdijk bij het pu-
bliek allengs scheen te zullen geraken te doen wijken.
Geen\' Bilderdijken bij hun leven
Wordt de eerekrans naar eisch gegeven,
En worstelaren zoo als hij,
Valt vaderland en volk eerst na hun uitgang bij! 4
had Da Costa 12 jaar te voren, in September 1843, gezegd: hij
ging zicli opmaken de eer, die het jonge Holland Bilderdijk\'s kunst,
maar meer nog aan zijn doel verschuldigd was 5, naar ver-
1    Bilderdijk. Aait, Mr. Isaac da Costa (Krekelzanyen. Rott. 1823
Dl. III blz. 56). In De dicht werken (Dl. XI blz. 253) geteekend
1821, in den oorspronkelijken druk 1820.
2    „Doch hetzij met de uitgave van het Bilderdijksche heldendicht,
hetzij met eenigen anderen letterarbeid, zal het mij altijd aangenaam
zijn UEd. zoo veel de zaak moge medebrengen, eenigen voorkeur te be-
wijzen, zoo als ik van den beginne UEd. te kennen gaf." (Brief van
Da Costa 22 Mei 1841.)
3    Brieven van Mr. Isaac da Costa. Amst. 1873 Dl. III blz. 185.
1 Da Costa in Muzen-almanak voor d8ii blz. 17.
5 Brieven van Mr. Isaac da Costa. Amst. 1873 Dl. III blz. 18.
-ocr page 362-
349
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
mogen aan den gestorven zanger te bewijzen en het vooruit- 1856.
zicht alleen van dien taak was hem onuitsprekelijk bemoedi-
gend. „Men kent Bilderdijk hier nog niet, schreef hij aan
Groen \', dan fragmentarisch, eenzijdig, accidenteel. Nu gaat hij
verschijnen in den rijkdom van dat ensemble der zeldzaam-
ste poëtische grootheid en schoonheid. Nu zal men het, om
dus te zeggen, aanschouwen en tasten wat in Bilde r d ij k
aan Nederland gegeven werd." „Sedert nu bijna een eeuw,
schreef Da Costa na de voltooiing van den arbeid aan Kruseman 2,
is Bilderdijk en zijn dankbare kweekeling na hem, werkzaam
geweest voor den dichterlijken roem van het vaderland. Welk
is tot hier toe voor hem[?] \'t meest de openbare weerklank in
dat vaderland geweest? Miskennen, schelden, verguizen, igno-
reeren (het ergste van alles!)"
Da Costa ging zich dan aan de taak wijden Bilderdijk aan .
Neerlands volk terug te geven. Maar toen hij eenmaal het
aanbod van Kruseman aangenomen had, begon hij te wanke-
len. Overleg met Groen deed hem echter volharden in zijn een-
maal genomen besluit; „ook zonder mijne medewerking komt de
editie tot stand, die Kruseman geheel onafhankelijk van mij
heeft ondernomen, die hij geheel zonder mij zou kunnen tot
stand brengen. Alles is er op ingericht om den compleete-n
Bilderdijk als dichter te geven. Onttrek ik mij, dan geven wij
juist het antidotum, dat met mijne inleiding enz. bedoeld is,
prijs. Dan komt Bilderdijk in deze geheel nieuwe kracht on
gestalte geheel in \'s vijands hand en macht; Dr. van Violen,
bijv., of de ltoomscheu, of wie weet welke andere van de maii-
nen der eeuw, bij wie in deze laatste tijden het crediet van
Bilderdijk zeer gerezen schijnt" 3.
Het was dus de heimelijke hoop, dat de nieuwe uitgaaf\'
vooral dienstbaar zou zijn aan een stuiting der liberale denk-
beelden op kerkelijk en op politiek terrein en een weuschelijk
tegenwicht zou kunnen aankweeken tegen de Katholieken, die
\' t. a. p. Dl. II blz. 397.
1 11 Februari 1859.
3 Brieven i<an Mr. fsaac du Costa. Amst. 1873 Dl. III lilz. 4.
-ocr page 363-
350
BILTJERDIJK , DICHTWERKEN.
1856. door de invoering der Bisschoppelijke Hiërarchie in 1.853, hoe
langer hoe meer een vast aaneengesloten partij gingen uitina-
ken, dat Da Costa meende zieh niet te mogen onttrekken. De
apologie, die hij beoogde aan zijn vereerden leermeester te
wijden, w;is zijnerzijds liet zwaartepunt van zijn arbeid, de
toekomstige De mengelt en de dichter Willem Bilderdijk.
De toekomst zou lecren of zijn hoop bewaarheid zou worden,
en Kruseinan\'s onderneming werkelijk een schrede vooruit zou
zijn tot grootere en betere waardeering van Bilderdijk onder het
grootc publiek in de richting die hij wenschte. Er viel voors-
liands vrij wat werk te verrichten voor het eerste vel ter perse
gelegd kon worden; over velerlei vraagpunten moest een be-
slissing genomen worden, voor velerlei moeielijkhcden en be-
zwaren moest een uitweg gevonden worden. De komplecte
Die ^/werken — want de prozawerken had Kruseman reeds van
begin af buiten zijn onderneming gehouden — waar bestaan
die in? Moeten daar ook onder begrepen worden, de tallooze
gedichtjes, die na het overlijden van den dichter, meer curio-
siteitshalve in verschillende jaarboekjes opgenomen werden?
Neen was de beslissing; slechts dat wat door Bilderdijk zelf
in het licht gegeven is of daarvoor bestemd was moet een
plaats vinden; wat door hem niet voor het publiek bestemd
was, moet onherroepelijk uitgesloten worden, al wordt dan
ook door deze en gene een onuitgegeven gedicht gepubliceerd \'
\' Brieven van Mr. Isaac da Cosla. Amst. 1873 Dl. III blz. 10.
„Als ik mij wèl herinner, is door UWEd. tot beginsel aangeno-
nien en mij voorgeschreven, om op te nemen in onze uitgave wat van
B. in druk bestaat, onder voorbehoud nogtans om zulke weg te laten,
die (gelijk het Wasclinumdverye) uit geen enkel oogpunt eenige waarde
hebben. Wierd toch door ons niets anders gedrukt dan \'t geen door den
Dichter-zelven ter uitgave bestemd was, dan kwamen ook onderscheidene
verzen uit de Nalezingen in twijfel. Wat later in Muzen-almanak, Lel-
leebodc
of\' waar ook, als bepaald van Bilderdijk was medegedeeld, kon
als een vervolg op die Nalezingen gedacht worden. Onze komulcete
uitgave is met die opname beter te verdedigen, dan met weglating van
alles \'t geen hier en elders verspreid is." (Brief aan Da Costa 2Ü
Augustus 18f)7).
-ocr page 364-
351
BTIiDEIlDTJK , DICHTWERKEN.
„Zulke onhandige vereerders, meende Kruseman, zijn toch waar- isse.
lijk plagen voor ieder, die een beroemden naam draagt." \'
Evenzoo viel de beslissing over twijfelachtige gedichten, waar-
van de echtheid niet als een paal boven water stond, als de
Galante dichtluimen van Riemsnijder 2; zoodoende werd aan
de verzameling een wettige en billijke grens gesteld, die aan
den eisch der onderneming zou voldoen.
Hoe moet de indeeling der gedichten zijn, zuiver chronolo-
gisch, een herdruk der bundels, of systematisch? Hetgeen Van
Lennep bezig was te doen voor Vondel, die door een chrono-
logischen herdruk van diens werken daardoor tevens een beeld
ontwierp van liet leven van dezen „vader der nieuwe Neder-
landsche Dichtkunst" en dat Kruseman ook voor Bilderdijk
wilde navolgen, werd door Da Costa voor Bilderdijk niet wen-
schelijk geacht 3. Vier hoofdafdeelingen, historische, didactische,
lyrische en gemengde poëzie \', met hun onderafdeelingen,
werden voor systematische indeeling aangenomen 5. En een-
maal deze beide hoofdpunten vastgesteld, kon met ijver de
intellectueele voorarbeid een aanvang nemen. De bibliogra-
1    Brief aan Da Costa 12 November 1857.
2    De quaestie van de authenticiteit van dezen bundel is reeds zoo-
veel maal elders besproken, dat ik e;- hier van kan zwijgen. Alleen
hier medegedeeld, dat de uitgever Mulder II (A. H. van Crorcum) te
Amsterdam, de uitgever van de Asmodée, in Maart 185!) na het ver-
schijnen van de kompleete Bilderdijk in het Nieuwsblad (17 Maart
1859) onverwacht mededeelde, dat hij uitgegeven had de „Galante dicht-
luimen van Mr. "W. B.....dijk..... Tot wederlegging van het bewe-
ren des Heeren Kruseman als zoude hij de compleete dichtwerken van
Mr. W. Bilderdijk hebben uitgegeven, is aan elk exemplaar een auto-
graphisch certificaat van den dichter H. Tollens, Czn toegevoegd." —
„Hoe veler hart, dat nog rein was, is er misschien niet door ontvlamd
in onreinen gloed, en hoe véél verderf is er alzoo niet reeds door ge-
zaaid, vooral in jeugdige harten," klaagde J". de Vries over die uitgaaf\'.
(Brief 25 Maart 1857.) — Vgl. Bouwstoffen Dl. I blz. 431.
3     Brieven van Mr. Tsaac da Costa. Amst. 1873. Dl. III blz. 31.
* M. a. w. de afdeeling, waarin die gedichten geplaatst zouden
worden, die in geen der andere afdeeling te huis behoorden; de gewone
moeiclijkheid bij eiken bibliographischen systematischen arbeid.
3 Dl. XV blz. G00.
-ocr page 365-
352
BIT,r>EnnT.TK, DICHTWERKEN.
1850. phieën van Glinderman en Klinkert werden onder Kruseman\'s
toezicht bewerkt, gecollationeerd, onderling en met de eerste
drukken der dichtbundels vergeleken, het resultaat voorloopig
door hein vastgesteld en definitief gearresteerd door Da Costa
en zijn zoon Mr. A. da Costa, zijn trouwen, niet minder ijve-
rigen hulp en raadsman.
Schijnbaar zou op dezen vasten grondslag rustig voortge-
werkt kunnen worden en zouden de drukproeven onvermoeid
en zonder tusschenpoozen als een stortvloed elkander kunnen
opvolgen, toen ook een formaat in navolging van de Aurora
en de Buitenlandsche klassieken aangenomen was \'. Er riepen
1 „Het oordeel over den vorm is geheel onderscheiden. De liefheb-
bers, de mannen van bibliotheken, de orthodox-klassieke literatoren zijn
verontwaardigd over het corset, dat ik de werken des Dichters heb aan-
gesnoerd: het 12° formaat. Zij hadden den Bildcrdijk willen zien op
het groote, wigtige Zaansche mediaan-papier uit onzen gouden tijd, lie-
ver in vijftig of zeventig dikke deelen, dan in tien, liever van /\' 200.—
dan van /\'40.—; Bilderdijk, in een woord, als een kolossale figuur, met
den oud-deftigen mantel in breede plooijen. Zou ik dan debiet gehad
hebben? — Anderen — óók vereerders van den Dichter! — begeerden
den minst mogelijk kostbaren vorm, een twce-kolommen-editie, de helft
goedkooper, om driemaal meer koopers en Bilderdijk alzoo driemaal
meer gepopulariseerd te hebben. — Weer anderen kozen twintig andere
formaten — ik heb, bij dat verschil, vollen vrede met het tegenwoor-
dige, en verzoek de beoordeelaars te wachten tot onzen Bilderdijk daar
staat in zijn tien lijvige, ferme deelen, die ik voor mijn oog reeds ge-
reed zie, zooals ze daar, deftig gebonden, in een boekenkast zoo wel
als op eene étagère van de huiskamer hunne plaats kunnen vinden."
(Brief aan Da Costa 8 Maart 1850). — Zooals blijkt uit een bewaard
gebleven proefblad was Kruseman\'s allereerste denkbeeld Bilderdyk te
herdrukken in twee kolommen van 69 regels in een platgezctte bre-
vier. In het prospectus dd. Februari) 185(5 schreef hij aangaande het
formaat:
„Al bekleedt ook de uiterlijke vorm slechts een zeer ondergeschikte plaats
in de zorgen eener uitgave, zoo heeft niettemin ook deze, bij eene onderne-
ming van eenen omvang als de tegenwoordige, eenig overleg gekost tot
voorbereiding eener bepaalde keuze. Indien de werken van Bii.DKitrn.iK her-
drukt werden in het oude en weelderige groot-80, zou de kostbaarheid een
bezwaar geweest zijn voor de algemeene verspreiding; werden zij ge-
drongen in het zuinige en kompresse eener twee-kolommen-editie, de
lezing zou voor velen ligt vermoeijend geworden zijn. Zoo heeft dan de
-ocr page 366-
353
BILDERDIJK , DICHTWERKEN.
weer nieuwe vragen om beslissing. Orthographie, drukfouten, 1836.
varianten, verscheidenheid in zetsel, Oostersche talen, ophel-
derende aanteekeningen en wat al niet van meer of minder
ondergeschikt belang, de uitgebreide correspondentie tusschen
Da Costa en Kruseman — ik schat het aantal gewisselde brie-
ven op ruim 700 — is overrijk in allerlei bijzonderheden, die
het overwaard zouden maken de vele bouwstoffen hierin op-
gehoopt omstandig te behandelen. Ik bepaal me hier, al is
het noode, tot een vluchtig overzicht der door mij genoemde
punten.
De orthographie was al een van de eerste quaesties; want
Bilderdijk was, en hoe kon het anders, in spelling en inter-
punctie zich zelf niet altijd gelijk gebleven in het lange tijds-
verloop van ruim 50 jaar, dat door hem de proeven zijner
poëzie gecorrigeerd werden en had meestal bij herdruk van zijn
eigen werk den eersten druk niet letterlijk gevolgd. De laatste
druk, aldus viel de beslissing, zou gevolgd worden, wanneer
althans met eenigen redelijken grond aangenomen kon worden,
dat de dichter dien zelf gecorrigeerd had en onveranderd werd
dus de spelling overgenomen zooals Bilderdijk zelf die in ver-
schillende tijdperken zijns levens gegeven had.
Ophelderende aanteekeningen door Da Costa te schrijven, zooals
Prof. David te Leuven gedaan had voor Be ziekte der geleerden
in 1S4S tot 1854 verschenen \', zouden achterwege blijven; Bil-
derdijk, niets minder, maar ook niets meer was de richtsnoer, die
den weg aanwees en bleef aanwijzen, ook in een onderdeel,
waarop de geheele onderneming een oogenblik scheen te stranden.
Het waren de onkieschhedeu in Bilderdijk\'s werk, die Da Costa
er een oogenblik ernstig over deden denken zijn ontslag te
vragen als behartiger der uitgaaf -; hij vond echter volkomen
Uitgever besloten tot eenen groot-12° druk, die duidelijk en gemakke-
lijkheid paart aan min kostbaarheid en die overeenkomt met den smaak
onzer dagen."
1 Brieven van Mr. Isaac da Costa. Amst. 1873 Dl. III blz. 131.
Die Belgische herdrukken waren in Nederland niet in den handel ver-
krijgbaar en werden hier te lande als nadruk beschouwd.
\' Vgl. t. a. p. Dl. III blz. 6.
23
-ocr page 367-
354
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
vrede en overtuiging in de meening, dat dergelijke uitingen
wel degelijk opgenomen behoorden te worden. „Mijn eigen ge-
moed verzet er zich tegen, schreef Kruseman aan Da Costa als
zijn eigen meening \', wanneer ik ze onder \'t oog krijg in de
eerste proeven. Toch geloof ik, dat liet — hoe zedelijk ook
beter — een literaire misdaad zou wezen ze in deze eerste
kompleete editie weg te laten of ze in een hoek te schuiven.
Bilderdijk behoort tot de historie, en daar mag geen tittel of
jota van worden verduisterd. De waarheid en alléén de waar-
beid moet hier, evenals overal elders worden gestand gedaan.
Zou men geen reden hebben om liet voortreffelijke in Bilder-
dijk te ontkennen of te miskennen, indien er zelfs een enkele
regel verduisterd werd van zijne fouten? De verantwoordelijk-
beid is noch aan U noch aan mij van de vlekken die wij
kopieeren zullen, en ik voor mij ten minste acht mijne conscientie
of mijn zedelijk gemoed gansch onbezwaard, door Bilderdijk
te geven, zooals hij is. Bilderdijk is zoo veelzijdig, dat alle
partijen, alle rigtingen hein zouden kunnen wenschen en geven
op hart\', manier, en ieder zou kunnen zeggen: zie, dat is mijn
Bilderdijk. Maar zoo zou hij de Bilderdijk niet wezen. En
dien toch moeten wij geven, onvervalscht, onverschrokken en
kordaat. Zelfs al moest ik er een groot gedeelte van mijn
debiet door verliezen, dan toch zou ik geen anderen Bilderdijk
willen geven — tegenover mijne letterlievende verpligting —
dan den auteur zooals hij reilt en zeilt." Kruseman\'s argumen-
tatie, volkomen homogeen met die van Groen van Prinsterer,
wieu Da Costa hierover eveneens geraadpleegd had, overtuigde
hem bijkans geheel 2, maar niettemin bleef het hem toch
voortdurend en herhaaldelijk een bron van ietwat verdrietelijks
bij dat hoogst belangrijke werk.
Die huldiging der historische waarheid, die ik niet in Kru-
seman verwacht had en vooral niet hier, waar het denkbeelden
gold, die met zijn karakter in heftigen tweestrijd waren, moest
echter niet tot de alleruiterste consequentie doorgedreven wor-
1 Brief aan Da Costa 4 Maart 1856.
\' Brieven van Mr. lsaac da Cos/a. Amst. 1873 Dl. III blz. 21.
-ocr page 368-
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.                             355
den; uniformiseering van het zetsel \', het in- en uitspringen 1S56.
der regels, het gebruik van klein kapitalen voor eigennamen -,
de nieuwe Bilderdijk zou hierin geen trouwe navolging worden
van de edüiones principes.
Evenzoo werd in den ouden tekst, en te recht, ingegrepen,
bij aperte drukfouten; een enkele maal kwam de vraag voor of
hetgeen het gedrukte voorbeeld te lezen gaf een drukfout was,
al dan niet. Is in Koekeloer\'» bekenden regel
Hier hangt hy, met het hoofd hem benglende uit den hek 3
het woord hoofd niet een drukfout voor tong, zooals Da Costa
meende ? Kruseman\'s technische kennis der poëzie, geholpen door
zijn goeden smaak, zag het anders in *. „Ten volle toestemmende
dat Bilderdijk of zijn drukker zich daar kan vergist hebben,
en dat uwe verbetering alle voorkeur verdient, zou ik toch —
om de consequentie—Bilderdijk Bilderdijk laten ook daar,
waar hem een vlek aankleeft, behalve in ontegensprekelijke
drukfouten. Wij zijn met strikte vasthouding aan ons beginsel
ganteh verantwoord; niet door eene correctuur als de onder-
havige, al zou \'t ook bij uitzondering geschieden. En ik ge-
loof (met alle discretie) dat de mikroskopisehe vitters den regel
van Bilderdijk zouden kunnen verdedigen, uit het oogpunt van
consonanten-spel, waarvan Bilderdijk soms zulk een groot lief-
hebber was:
Hier /tangt Aij met /iet Aoofd hem Benglende uit den Bek.
waar de aspiratie van de menigvuldige A\'s en de herhaling van
de b wel iets hangends en bengelends, iets schilderachtigs heeft.
„Misschien zie ik geheel fout; \'t is slechts een inval, \'t Zou
kunnen zijn, dat Bilderdijk zich juist door deze consonanten-
caprice had laten verleiden om er wat duidelijkheid aan op
te offeren."
\'    Brief van Da Costa 6 October 1856.
2    Brief van Da Costa 25 September 1857.
3    Dichtwerken Dl. I blz. 452.
1    Brief aan Da Costa 22 Maart 185C.
23*
-ocr page 369-
356
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
1836.             Tallooze dergelijke oj)merkingen van dien aard zijn in de
correspondentie te vinden. Eén van die conjecturen werd door
Da Costa zelf merkwaardig genoeg geacht om in zijn Reken-
schap
\' aangehaald te worden als een gelukkige vondst van
Kruseman2 en terecht, want naderhand kwam Buser in de
Navorscher 3 vertellen, dat Kruseman het wel degelijk aan het
rechte eind gehad had.
Een ander bezwaar, dat ik hier even wil aanstippen, is de
vraag of Bilderdijk\'s omwerkingen van Spieghel\'s Hertspiegel,
van Van Haren\'s De geuzen en dergelijkeu wel een plaats
moesten vinden onder Bilderdijk\'s Werken en evenzoo doe ik
met de correctie van de Oostersche talen, dit laatste alleen om
te kunnen mededeelen, dat het Arabisch uagezien werd door
Dr. Bergman te Leiden, die zich daartoe had aangeboden *,
terwijl het Grieksch verzorgd werd door Huet 5. Het over het
hoofd zien door dezen laatste van een paar fouten, deed Da
Costa opstuiven over Huet „die in de theologie zoo hoog een
toon voert." c Later zal nog meermalen de gelegenheid gevonden
1 Dl. XV blz. 610.
1 „Uwe correctie in de Tyrtaeus, bl. G10 doet uw vernuft eer aan.
Ik ben er jaloers van." (Brief van Pan 30 October 1858).
3 1859 blz. 95.
*    Brief van Bergman c. 15 Mei 1856. — Da Costa behield het He-
breeuwsch voor zich.
*    In de Dietsche warande (Dl. X 1872 blz. 384) schreef Thijm:
„Het komt werkelijk in den smaak over Bilderdijk de schouders op te
halen. Zelfs als dichter beduidt hij niet veel. Toen Huet, onder het
korrigeeren van Krusemans uitgave, alle zwakke of bedenkelijke plaat-
sen uit de honderdduizenden vaerzen, die Bilderdijk geschreven heeft,
opteekende, en deze distel-lezing in den Spectator had laten drukken, zei-
den vele lieden — zelfs waren er koopers van den kompleeten Bilderdijk
onder — „God dank, dat het zoo min is: nu behoeven wij Bilderdijk
niet te lezen!" Als dichter was Bilderdijk gevonnist; men kon er zich
te gereeder bij nederleggen, om dat men Da Costa (ondanks zijn chris-
telijk geloof) zoo hoog opvijzelde: er kon hier dus geen sprake van
vooroordeel zijn."
Ik geloof niet, dat de meening hier geuit, onjuist is, dat Huet alle
proeven gelezen heeft.
\' Brief van Da Costa 11 April 1857.
-ocr page 370-
357
BILDEEDIJK , DICHTWERKEN.
worden mede te deelen, hoe Huet hoe langer hoe meer een «se.
gruwel en een ergernis voor Da Costa werd en hoe Da Costa
Kruseman er zijn ongenoegen over te kennen zou geven, dat
hij de uitgever vau een dusdanig schrijver zou willen zijn.
Het nam niet weg, dat beiden, Kruseman en Da Costa, een
hoog literair genot hadden bij het lezen der proeven. „Hier
bij proef van blad 15 \'. Mag ik voor den Ondergang een
naauwkeurig oog te meer vergen ? Om dat niet als een machine
te lezen is een heele kunst! Men wordt zoo ligt verleid om
meer op den zin te hangen, dan aan een omgekeerde komma,"
schreef Kruseman 2; en een jaar later toen de erotieke verzen
in correctie kwamen 3: „Daargelaten, dat B. zich nu en dan
heeft laten verleiden tot wat al te sterk gekleurde en onkie-
sche détails, die vau onzen tijd uit beschouwd des te aanstoo-
telijker, maar in zijne dagen vergefelijker zijn, kan ik toch
niet nalaten te zeggen, dat mij de lectuur van die beide eerste
bladen der Erotica een genot geweest is. Ik had Mijn verlus-
tiging
nimmer gelezen, omdat \'t genre minder aantrekt, ja eer
stuit. Maar nu ik ze thans gelezen heb — wat juweelen van
vorm, wat magt van taal! Ik heb nooit malscher Hollandsch
onder de oogen gehad; onder \'t stijve corrigeeren heb ik die
verzen half gezongen" 4.
Hetgeen Da Costa voor dezen inspannenden, maar niet min-
der verheffenden arbeid genoot, stond feitelijk niet in evenredig-
heid met de vele moeite en zorgen, het somtijds eindeloos
getob en het afmattende corrigeeren van deze 16 deelen. Aan
Kruseman echter allerminst de schuld; hij bood wat van hem,
„den voortreffelijken boekhandelaar" 5, bij het hoogst kostbare
der onderneming en bij de nog altijd onzekere kans van sla-
gen ook maar gevergd kon worden. Beperkt taalgebied, zie-
daar de oorzaak, en Da Costa begreep dat dan ook. Niet al-
\'   Van Dl. II.
2    Brief aan Da Costa 17 Juni 1856.
3   In Dl. X.
\'   Brief aan Da Costa 29 Juli 1857.
5   Brieven van Mr. Isaac da Costa. Amst. 1873. Dl. III blz. 17.
-ocr page 371-
358
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
1856. leen dat hij dan ook genoegen nam met de overeengekomen
som, al was het alleen maar om het hoogere, christelijke denk-
beeld, dat aan de toekomstige uitgaaf bij hem ten grondslag
lag en de ])iëtistische neiging, die hem het werk deed aan-
vaarden, maar hij sloeg de handen aan den arbeid en een klein
deel van het werk zou reeds in het licht verschenen zijn, voor-
dat het contract geteekend was.
De Ondergeteekende A. C. Kruseman te Haarlem, heeft
den tweeden Ondergeteekende, Mr. I. da Costa ss. tt.,
te Amsterdam, verzocht op zich te willen nemen de rang-
schikking van en het toezigt over de uitgave van Bilder-
dijk\'s kompleete Dichtwerken, onder bijvoeging van eene
levensbeschouwing des Dichters, de aanvulling door regis-
ters en wat ter kompletering der editie noodig zou worden
geacht, ZEd. daarvoor als honorarium aanbiedende eene
som van Een duizend Guldens.
Deze overeenkomst aangegaan zijnde, wordt de voldoe-
ning dier som bepaald als volgt:
1.      Met 1 December 1856............. ƒ 300.—
2.      Zoodra (vóór of na die dagteekening) het
plan der rangschikking van al den voor-
raad door Mr. I. da Costa op schrift ge-
bragt is, eene som van...............    „ 150.—
3.      Bij de levering van het handschrift der
eerde afdeeling van Bilderdijk\'s Levensbe-
schrijving, hetzij in 1856 of \'1857......
     „ 150.—
4.      Bij de levering van de tweede afdeeling
bevattende het overzicht van de werken. .
     „ 150.—
5.      Met 1 December 1857.............     „ 150.—
6.      Bij het besluit des geheels t. w. den af-
druk van het laatste vel.............. „ 100.—
ƒ 1000.—
Haarlem, April 1856.
A. C. Kruseman.
Is. da Costa.
-ocr page 372-
359
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
Er werd niet strikt de hand gehouden aan deze overeen- 1856.
komst. Da Costa\'s Redevoering over Bilderdijk, den 11 Octo-
ber 1856 gehouden op het feest dat te Amsterdam georgani-
seerd was ter herdenking van den honderdsten geboortedag van
den dichter \', wist Kruseman zich voor zijn fonds te verzekeren
voor _/\'200. De uitgave daarvan zou, wel is waar, geheel onaf-
hankelijk van de Bilderdijk geschieden, toch waren èn schrijver
èn uitgever èn het onderwerp zelve te nauw aan elkander ver-
want, dat het één in het debiet geen invloed zou oefenen op het
ander. Er was meer: er waren andere plannen in de lucht. De
Dichtwerken van Bilderdijk, besloten door Da Costa\'s De Mensch
en de dichter Willem, Bilderdijk,
zouden eerst dan een vol-
komen afgerond geheel kunnen vormen, wanneer de dichterlijke
werken van mevrouw Bilderdijk zich aansloten aan den poëti-
schen arbeid van haar man. En Da Costa, die zich ook met
de redactie van die gedichten zou belasten, maakte van die
gelegenheid gebruik om voor zich een hooger honorarium te
bedingen dan feitelijk in evenredigheid stond tot het vermelde
in bovenafgedrukt contract. Kruseman, die de waarde van Da
Costa voelde en begreep, wilde medewerken en bracht het
honorarium voor de 19 deelen op f 2000.
Hij voelde eti begreep de waarde van Da Costa; hij wilde
medewerken en hij kon dat: het debiet stelde hem er toe in
staat. Nadat van de op handen zijnde verschijning eerst mede-
deeling gedaan was aan de Koninklijke Akademie van Weten-
schappen, verscheen in de laatste week van Februari 1S56 de
eerste aflevering der Dichtwerken; te gelijk werd de Boekhandel
en het publiek.met 40000 prospectussen2 en 7000 groote aan-
plakbiljetten bewerkt.
1 Bilderdijk herdacht kwam eerst in November 1856 afzonderlijk
uit en dekte ruim de kosten; het werd later herdrukt in de Diehtwer-
ken.
(Dl. XV blz. 555.)
Als advertentie overgedrukt in de Haarlemsche Courant van den
25 Februari 1856. — In de Bouwstoffen (Dl. I blz. 429) noemt Kruse-
man dit cijfer van 40000; het is echter niet juist, naar ik geloof. Onder
dit cijfer toch zullen, voor een deel ook begrepen zijn de prospectussen,
circulaires enz. later nog verspreid, samen 68620 exemplaren.
-ocr page 373-
360
BILDEEDIJK, DICHTWERKEN.
1856.                     De ondergeteekende acht het zich een bijzonder voorregt
de boven omschreven uitgave te kunnen aankondigen.
Menigeen, die zijn vaderland lief heeft en belang stelt in
zijne letterkunde, betreurde het sinds lang, dat de werken
van Bilderdijk niet alleen te weinig gekend werden, maar
dat zelfs hun meer of minder volledig bezit tot de zeld-
zaamheden behoorde. Nederland, gewoon als bij histo-
risch geruchte zijnen Bilderdijk te stellen tegenover
Duitschlands Goethe, scheen het genot en de verdediging
dier overtuiging te moeten overlaten aan enkele bevoor-
regten, die zich beroemen mogten den arbeid des Dichters
te kunnen overzien in een reeks van meer dan twee
honderd deelen en deeltjes, waarin die poëzy voor het
oog der meesten verborgen lag, en die volledig slechts
voor honderden van guldens te bekomen waren.
Na dat, sinds Bilderdijks dood, herhaalde malen de
pogingen waren mislukt, zoowel in België als in Neder-
land, om dezen schat te verzamelen, ten einde dien, in
gelijken vorm herdrukt, voor billijken prijs verkrijgbaar
te stellen, heeft de ondergeteekende er in mogen slagen,
zij het dan ook door meer dan gewone inspanning en
opoffering van zijnen kant, mitsgaders door de welwil-
lende medewerking van de zijde der verschillende eigena-
ren, om door aankoop al de kopij-regten magtig te wor-
den, die noodig waren tot volvoering van zijn uitgebreid
plan. Hij is daardoor thans in staat, den zoo lang ge-
koesterden wensch te vervullen naar eene kompleete
uitgave der Poëtische werken van Bilderdijk.
De leiding van deze belangrijke onderneming heeft hij
mogen opdragen aan Mr. Is. da Costa, die deze taak,
met medehulp van zijnen zoon Mr. A. da Costa, belang-
stellend heeft aanvaard.....
Aan het slot van deze korte aankondiging heeft de
Uitgever nog alleen een beroep te doen op de medewerking
van allen, die prijs stellen op eene degelijke letter-
kundige onderneming. Hij heeft die onderneming gewenscht
en aanvaard, zich de groote opofferingen wel bewust die
-ocr page 374-
BILDERDIJK , DICHTWERKEN.                       361
ze kosten moest. Hij geeft haar thans met moed en ver- 1856.
trouwen over aan de ondersteuning zijner landgenooten,
overtuigd, dat de opgave van inteekenaren, waarvan het
werk zal worden vergezeld, een blijk zal opleveren zoo
van den nationalen zin als der waardeering van het echte
kunst- en taalschoon, die in Nederland nog gevonden
worden, en van welke de hoogschatting van den in zoo
vele opzigten e e n i g e n Bilberdijk op den duur niet
te scheiden is.....
In weerwil van dien overvloed van prospectussen ging de
onderneming in den beginne niet. Om de voorwaarden kon het
publiek niet afgeschrikt worden; zij waren matig genoeg gesteld,
zooals kan blijken uit hetgeen op de achterzijde van het omslag
te lezen stond \'.
WIJZE VAN UITGAAF.
De kompleete Dichtwerken van Bilderdijk
zullen in dezen vorm beslaan omstreeks tien 2 deelen
van ongeveer 700 3 bladzijden elk, en verschijnen in
maandelijksche afleveringen van zeven vel druks of 168
bladzijden, voor den prijs van slechts 90 cents 4 de afle-
vering. Vier5 afleveringen vormen een deel van 700 ° pa-
gina\'s, tegen /\' 3.60 7 over welke som na de uitgave van
ieder deel zal beschikt worden. — Een klein getal exem-
1 Ik dank de kennismaking van een exemplaar in afleveringen aan
de welwillendheid van den heer H. Gr. Bom te Amsterdam.
1 Op het omslag van de derde aflevering veranderd in veertien.
!i i)         i)           nu n              n                    n           n OW.
n i) n          n n i)            n                  n          n <° cents. In
een advertentie in de Haarlenische Courant van den 9 Februari 1857
wordt gezegd, dat aflevering 80 cent kost; de volgende advertentiën
noemen weer den ouden prijs, 90 cent.
5 Op het omslag van de derde aflevering veranderd in drie.
H h           r             » » i»                 n                        ii              n 0"O.
n ii           n             il n n                n                        n             n / *• \'"■
-ocr page 375-
362
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
1856.                 plaren, op zwaar velijn papier gedrukt, is te verkrijgen
tegen verhooging van/\'l.— per deel.
De geheele uitgave zal zich gelijkmatig verdeelen over
een tijdvak van vier jaren en van nu af aan geregeld
tot den einde toe worden voortgezet.
A. C. Kruseman.
Toch Avas het debiet in het allereerst niet zeer aanmoedigend
en scheen de kloek opgezette onderneming geen succes te hebben.
Natuurlijk liet Kruseman van dat minder welslagen aan de
buitenwereld niets blijken. Het tegendeel was uit speculatieve
doeleinden aangewezen en zoo verscheen dan ook op de binnen-
zijde van het omslag der tweede aflevering het volgende
B E R I G T.
De Ondergeteekende acht zich verpligt, in antwoord
op eene aan hem gerigte vraag, maar tevens ter alge-
rneene kennisgeving, te melden, dat de Voorredenen van
Bilderdijk, vóór zijn onderscheide Bundels, alle hunne
plaats zullen vinden in of achter de Levensbeschouwing
des Dichters, waarmede Mr. I. da Costa zich bezighoudt.
Tevens heeft hij de groote voldoening van te kunnen
mededeelen, dat binnen den tijd van slechts vier weken,
na de eerste aankondiging der uitgave van de kompleete
dichtwerken van Bilderdijk, reeds meer dan ACHT
HONDERD INTEEKENAREN
bij hem opgegeven waren,
terwijl dit getal dagelijks aanzienlijk vermeerderd wordt
door de bestellingen, die hij van de Boekhandelaren uit
de verschillende oorden des llijks ontvangt.
Bij dezen buitengewonen bijval in dit korte tijdsbestek
mag hij zich overtuigd houden, dat de te drukken
Naamlijst van Inteekenaren bij het einde van het werk
een schitterend blijk zal opleveren van de waardeering
van Bilderdijk en van den nationalen zin en de letter-
lievendheid onzer landgenooten.
Ten einde ook deze Naamlijst zoo naauwkeurig moge-
-ocr page 376-
363
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
lijk te doen zijn, zal hij telkens bij iedere aflevering de 1856.
namen doen drukken van een gedeelte der Inteekenaren,
opdat elk, bij eenige verkeerde ojjgave of drukfout, de
gelegenheid hebbe, zich met een franco berigt wendende
aan den Uitgever, zulks in de generale alphabetische
Naamlijst te doen verbeteren.
Zooals gezegd is, het allereerste begin liet zich niet gunstig
aanzien. Een reis naar Vlaanderen en persoonlijke bezoeken bij
David, Pierson, Xolet de Brauwere van Steeland, Prudens van
Duyse, St. Genois, Snellaert, Heremans, Van Beers, Mertens en
bij anderen literatoren, deed Kruseman al reeds dadelijk in het
begin van Maart in het belang van de zaak \'. „\'t Debiet gaat
tamelijk, tamelijk. De locomotief moet er nog voor! \'t Moet
beter worden"2. En de locomotief kwam er voor; veertien
dagen later ging het al beter, er kwam kans van te zullen
slagen 3, uitgebreide colportage, advertentiën in dag- en week-
bladen en telkens en telkens uitzending van prospectussen en
circulaires brachten er het hunne toe bij.
Het hielp; van de tweede aflevering werden reeds omstreeks
800 exemplaren verkocht. „Voorloopig heb ik de meeste vol-
doening van mijn uitgave van Bildkrdijk, drukte Kruseman
in een zijner circulaires aan den Boekhandel \'. Het aantal
exemplaren, dat van de eerste aflevering nagevraagd wordt,
en de opgave van Inteekenaren, mij nu reeds van verschillende
1 Brief aan Da Costa 4 Maart 1856. — In het volgend jaar 1857
dacht Kruseman er over een dergelijke reis naar Duitschland te doen
ter bevordering van het debiet, maar liet dat na op aanraden van Fred.
Muller. „Indien gij naar Duitsch[land] wilt gaan alleen voor zulke
Hollandsche zaken, en te trachten Bilderdijk of dergel. daar in te
brengen, zoo geloof ik, dat ik niets beters, niets spoedigers te doen heb,
dan u te zeggen: Blijf thuis, blijf thuis! Mijns inziens, is uw tijd en
geld weggesmeten, en uw verdriet onoverzienbaar! Met Holl. boeken
komende staat men U naauwelijks te woord, en ik vreeze of eene reis
daarvoor het geschikte middel is." (Brief van Fred. Muller 27 April 1857).
1 Brief aan Da Costa 8 Maart 1856.
3 Brief aan Da Costa 22 Maart 1856.
* 7 Maart 1856.
-ocr page 377-
364
BILDERDIJK , DICHTWERKEN.
1858. kanten medegedeeld, gaat mijne verwachting waarlijk ver te
boven. Er zijn er, die nu reeds meldden in de twintig, één in
de dertig, exemplaren geplaatst te hebben. — Door aanhou-
dend met de eerste aflevering en met de prospectussen te
werken (het is de moeite wel waard voor zulk een langdurige
uitgave) heb ik hoop op de schoonste uitkomst." — De Boek-
handel werkte mede, en reeds betrekkelijk spoedig, in Juni 1856,
toen het eerste deel compleet was en er reeds 1400 exempla-
ren geplaatst werden was het zeker dat de onderneming geen
schadepost zou opleveren. Het financieel slagen der uitgaaf
was verzekerd \' en met gerustheid kon Kruseman een kleine
wijziging in de uiterlijke wijze van uitgeven maken.
BIBIGT
BIJ DE VERSCHIJNING VAN HET EERSTE DEEL
VAN DE
KOMPLEETE DICHTWERKEN
VAN
BILDERDIJK.
Nadat de eerste aflevering van Bilderdijks Dichtwer-
ken, begeleid van het prospectus der uitgave, verschenen
en met waarlijk opmerkenswaardigen bijval ontvangen
was, werd den Uitgever van verschillende zijden de be-
denking medegedeeld, dat de voorgestelde deelen van 28
vellen druks of vier afleveringen menigeen te zwaar en
onhandelbaar voorkwamen, om zonder vermoeijing gelezen
1 „Nu dit eerste deel kompleet is, doe ik een nieuw en dringend
beroep op aller hulp. Een aantal vereerders van Biluerdijk begeerde
de uitgave éérst eenigzins gevorderd, voor zij zich aan inschrijving
waagden. Zij kunnen thans zien, dat de onderneming bepaald door-
gaat en aan geen mislukken meer bloot staat." (Circulaire in Nieuwsblad
voor den Boekhandel
12 Juni 1856.)
-ocr page 378-
365
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
te worden. Van de gegrondheid dier aanmerking over- 1856.
tuigd, acht hij zich verpligt daaraan gehoor te geven en
de deelen uit drie, in plaats van vier afleveringen te
doen bestaan. Hij meent zich nogtans aan deze verdeeling
niet zóó strikt te moeten houden, dat niet soms een enkel
vel meer of minder tot een deel zou mogen hehooren,
wanneer dit beter uitkomt met de gepaste afscheiding van
den inhoud.
Het behoeft wel niet gezegd te worden, dat deze wij-
ziging in den uiterlijken vorm geen den minsten invloed
heeft op het getal der afleveringen zelve, of op deu prijs
van het geheele werk, zooals die beiden in het prospectus
begroot zijn.
Bij de afsluiting, met deze derde aflevering, van het
Eerste deel, dient ter kennisgeving, dat er een eenvoudige,
degelijke linnen band voor de deelen vervaardigd is. De
koopers, die hun exemplaar ingebonden begeeren, hebben,
nu of later, de afleveringen slechts te doen bezorgen bij
hunnen Boekverkooper, waar de Uitgever losse banden \' zal
verkrijgbaar stellen tegen 40 Cents voor eiken band.
Tevens veroorlooft zich de Uitgever, met alle beschei-
denheid te berigten aan hen, die te regt hunne aandacht
op drukfeilen vestigen, dat de correctie der proeven door
zoo vele oogen en zoo zorgvuldig geschiedt, als gewacht
kan worden van de naauwgezette begeerte, om den tekst
in allen opzigte zuiver weder te geven. Men zie echter
niet voorbij, dat ten beginsel is genomen, om Biluekdijk
te herdrukken geheel zoo als hij-zelf zijne werken bezorgd
heeft, zonder de minste afwijking of wijziging van \'t
oorspronkelijke (behalve bij blijkbare vergissing), en dat
alzoo geen ander aansprakelijk blijft voor de vaak onge-
1 In de hiervoor aangehaalde circulaire (blz. 364 noot) staat: „Indien
de Inteekenaren hunne Exemplaren gebonden begeeren, verzoek ik mij
daarvoor losse bandjes aan te vragen. Ik heb, in navolging van
de Heeren Binder, van Goor, van den Heuvel, Brinkman en anderen,
losse banden laten maken, waarin ieder zijn Exemplaar zelf kan
doen binden."
-ocr page 379-
366
BILDERDIJK , DICHTWERKEN.
1836.                 lijke spelling en schrijfwijze zijner woorden. — Waar
hier of daar in deze uitgave een drukfeil schuilen mogt —
gelijk deze gewoon zijn als met tergenden moedwil te
sluipen in schier alle boeken — daar vraagt de Uitgever-
Drukker, bij gereede bekentenis van schuld, verschooning
en zal hij gaarne zijne fout herstellen door een verbeter-
blad, gelijk hij zich reeds genoodzaakt ziet te geven in de
tweede aflevering, waar een tweemaal gezet aan op blad-
zijde 312 onbegrijpelijk genoeg aan aller aandacht bij het
corrigeren ontsnapt is.
Eeetls is den vereerders van Bilderdijk te kennen ge-
geven, dat de Voorredenen der oorspronkelijke bundels
later in deze uitgave hare plaats zullen vinden. Aan het
slot namelijk des geheels zal eene Opgave in chronologi-
sche orde volgen van al de onderscheidene Deelen dei-
oorspronkelijke uitgaven met de Titels, Voorred e-
n e n en 1 n li o u d e n.
Ten slotte betuigt de Uitgever zijne erkentelijkheid voor
de buitengewone belangstelling, die zijne van zoovele be-
zwaren en kosten verzelde onderneming bij ons letterlie-
vend publiek zoowel in België als in ons Vaderland tot
heden toe vinden mogt. Het hierbij kosteloos gevoegde
portret, geteekend en gegraveerd onder toezigt van den
Heer Roijér, naar zijne eigene buste des Dichters, moge
als een klein blijk van waardering niet ongevallig zijn
aan de vele Inteekenaren, die den ondergeteekende zoo
krachtig schragen in zijne poging om de kompleete uit-
gave van Bilderdijk» Dichtwerken tot stand te brengen.
A. C. KRUSEMAN.
Het debiet bleef klimmende en bereikte ten slotte het cijfer
van 16S1 exemplaren bij inteekening, voor toen zeker een aan-
zienlijk getal van inteekenaren op een dergelijk werk. „Toen Bil-
derdijk zijn bundels voor een karig [sic] loon afstond aan ieder
dien hij maar vinden kon, zou noch hij zelf noch iemand an-
ders hebben kunnen droomen, dat de uitgever van zijn volle-
-ocr page 380-
367
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
dige dichterlijke nalatenschap, veel jaren na \'s dichters dood, 1856.
daaraan een betrekkelijk aanzienlijk kapitaal verdienen zou,"
zou Kruseman zelf later moeten erkennen \'. Bij de plechtige
viering van liet eeuwfeest der geboorte van Bilderdijk in Oc-
tober 1856 was die zekerheid van welslagen verkregen, en
Kruseman greep deze gelegenheid aan om te verspreiden in
8000 exemplaren een in groot-kwarto van 16 bladzijden ge-
drukt Nader prospectus der kompleet e uitgave.
De plegtige viering van het Eeuwfeest der geboorte van
Bilderdijk, dezer dagen in Amsterdam uitgegaan van de
Rederijkerskamer opgerigt in 1844 en bijgewoond door
eene aanzienlijke sclnire van vaderlandsche letterkundigen,
heeft een merkwaardig blijk gegeven der steeds klimmende
waardeering van den grooten Dichter.
De ondergeteekende, die het zich een voorregt acht,
te hebben mogen slagen in zijne poging om Bilderduks
in meer dan twee honderd bundels verspreide Poëzy tot
zijn eigendom te, maken en te verzamelen tot een lang be-
geerde, minkostbare en kompleete uitgave, neemt uit het
gevierde feest aanleiding, om andermaal te wijzen op zijne
uitgebreide onderneming. Hij doet dit nogtans niet als een
bloote herhaling. Eerst nu toch, bij de schifting van
\'s Dichters bundels, en bij de regeling van al die verzen
onder de rubrieken, waartoe zij behooren — een arbeid,
dien hij dankt aan de welwillende leiding van Mr. Is. da
Costa en zijnen zoon Mr. A. da Costa — ontwikkelt
zich de rijkdom van den voorhanden schat met iederen dag
al meer en meer, en treedt Bilderdijk hoe langer des te
scherper in het licht als die Dichter bij uitnemendheid, dien
ons Vaderland tot hiertoe alleen uit de schemerachtige
kennis zijner bundels op meerder of minder grond in hem
vermoeden of erkennen mogt. Hier aanschouwt men hem
regt als den Meesterzanger \'t zij op het gebied van de
Romance, van den Epos, van het Drama, van de Ode
Bouwstoffen Dl. I blz. XXVIII.
-ocr page 381-
368
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
1856.                 of van het Leerdicht, \'t zij op dat van Godsdienstige uit-
storting des harten; \'t zij hij zich vermaakt met de Ero-
tische of de Satirische pen, of zich doet bewonderen in
den overvloed zijner vaderlandsche, politieke, of eigen
huis en leven betredende gelegenheids-verzen, mitsgaders
in al dien verderen rijkdom, die bezwaarlijk ouder eene
andere rubriek dan die van Mengelingen te bren-
gen is.
Om reeds voorloopig eenig, zij het ook zeer algemeen
Overzigt te geven van deze schier ongeloofelij ke verschei-
denheid en overvloed, doet de Uitgever zijn tegenwoordig
Prospectus vergezeld gaan van een titel-opgave van den
inhoud, zoo als die voorshands geordend en ter uitgave
gereed ligt. Hij beoogt hiermede drieërlei doel. In de
eerste plaats wenscht hij allen, die zijne onderneming zoo
krachtig hebben ondersteund, reeds nu een oog te doen
slaan op de stukken welker uitgave nog te wachten is;
ten anderen verlangt hij dezulken, die zich Bildeudijks
werken nog niet aanschaften uit twijfel, of de uitgave
welligt gestaakt zou worden, de verzekering te geven,
hoe geen mislukken van den voortgang te vreezen valt
en hoe zelfs reeds de orde is aangenomen, waarin de uit-
gave zal plaats hebbeu; terwijl hij eindelijk deze voor-
loopige schets openbaar maakt, om haar te kunnen wijzi-
gen, verbeteren, volmaken door de heusche aanmerkingen,
die hij met alle bescheidenheid inroept van ieder, wiens
belangstelling hem met eenige teregtwijziug zou willen
verpligten. Zoo berigt hij dus, dat zijne Uitgave van den
Bilberuijk bevatten zal \'s Dichters:
[Volgt de uitgebreide systematische inhoudsopgaaf].
Aan het slot van deze aankondiging heeft de Uitge-
ver nogmaals een beroep te doen op de medewerking van
allen, die prijs stellen op eene degelijke letterkundige
onderneming. Hij heeft die onderneming gewenscht en
aanvaard, zich de groote opofferingen wel bewust, die ze
kosten moest, maar zijn vertrouwen op de ondersteuning
-ocr page 382-
869
BI^DERDIJK, DICHTWERKEN.
zijner landgenooten is niet, te leur gesteld. Reeds een getal !«*•
van 1500 namen bevat de lijst der Inteekeuaren. Zij zal,
wanneer ze bij liet laatste deel gedrukt is, een blijk ople-
veren van den nationalen zin zoowel, als der waardeering
van het echte kunst- en taalsehoon, die in Nederland nog
gevonden worden, en van welke de hoogschatting van den
grooten Bildebdijk op den duur niet te scheiden is.
De tevredenheid over het welslagen der onderneming, waar-
van Kruseman in deze prospectussen en circulaires deed blij-
ken, vond natuurlijk weerklank bij hen, die geen materieel
belang bij de onderneming hadden, en enkel en alleen die uit-
gaal\' begroetten als een kloeke daad, die alle steun en waar-
deering moest ondervinden. Vlaanderen ging vooraan; lleie-
mans in het heesmuseum \', de redacties van de Gazelte van Geul\'\'-,
van de Antwerpsche Le précurseur ?\', van de Antwerpsche J)e
broedermin
4, van Het handelsblad van Au/werpen ", van Le
messager de Gand
\' en van De eeudragt \' gaven korte aan-
kondigingen; in het laatste tijdschrift schreef Yan Duyse waar-
deerende woorden over de uitgaaf \'", maar...... de Noord-
JVederlandsche bladen bleven achter. Wel gaven een paar cou-
ranten enkele regels over de uitgaaf ten beste 8 — destijds een
veel ongewoner verschijnsel dan thans — maar met uitzonde-
ring van het Nieuwsblad voor den Boekhandel\'°, dat de onder-
1 Gent Maert 1856 blz. \'221.
15 Maert, 5 April, 23/2-1 Juny, 11 July. 4/5 Augustus en 28 De-
eember 18ÓG.
\' 7 mars 1856.
\' 26 Maert 1856.
1 20 Meert en 4 April 1856. Gesteld door Van Duyse. (Brief van
Van Duyse 23 Maart 1856.)
° 13 mars 1856.
7 6 Maert 1856.
" De eendragt 16 Maert, 28 September 1856, 15 February, 1 Maert,
13 September 1857, 3 January, 11 April, 23 Mei 1858 en 28 Augusty 18f>9.
Dagblad van Zuidholland en \\i Gravenhage 26 Februari 18f>6, en
Nieuwe Rotterdamtsche Courant 1 Maart 1856.
" 28 Februari 1856.
24
-ocr page 383-
370
ISlLDERDIJK, DICHTWERKEN.
I85fi. neming natuurlijk lioogelijk prees, en van De Tijdspiegel\', van
Be Gids 2 en van De Dietsche warande 3 kwamen de Neder-
landsche tijdschriften een paar jaar later vertellen, dat voor de
uitgaaf en voor den vorm, waarin het werk voltooid was alle
lof toekomt aan „den uitstekenden" Kruseman, „die daardoor
meer dan ooit, getoond heeft, hoezeer hij de roeping begrijpt
van die weinigen, die de pers meeneu dienstbaar te moeten
maken aan de bevordering van hooger belangen dan die van
een geldzuchtigen handel of eene materiëele tijdsrichting 4",
dat Da Costa als Bilderdijk in zijn De mensch en de dichter ge-
toond had dat hij wist wat lijden en strijden is, „strijden niet
alleen voor de eer en de nagedachtenis van zijnen leermeester
en vader (in geestelijken zin), maar vooral voor de beginselen,
door Bilderdijk verdedigd" :\'; toen de uitgaaf voltooid was, en
het te berekenen viel, dat de besprekingen, weinig of geen
invloed op het debiet konden oefenen — aangenomen namelijk,
dat dit het geval kan zijn — en eventueele steekhoudende
opmerkingen niet meer gebruikt zouden kunnen worden, toen
kwam Nederland laconisch vertellen, dat er een Bilderdijk ver-
schenen was ouder redactie van Mr. Is. da Costa, onder re-
dactie van den man, wiens poëtische werken in de laatste jaren
van zijn leven stelselmatig doodgezwegen werden 8.
Maar bleef Nederland ten achteren in de waardeering voor
den arbeid van Da Costa tegenover Vlaanderen, waar Bilder-
dijk als een afgod vereerd werd, in het debiet zelve was het
eveneens, betrekkelijk altijd.
Aardige ontdekkingen moest Kruseman daarbij doen, hoe hij
medewerking ondervond waar hij het niet verwachtte, hoe
Groen van Prinsterer voor vijf, zegge vijf exemplaren inteekende
1 185(5 Dl. I blz. 361. — Volgens een brief van S. ,1. van den
Bergh van den 4 April 1856 was dit artikel gesteld door Janssonius.
*    1856 Dl. II blz. 668 door D. Wetan (Job. C. Zimmerman).
3 Dl. II blz. 276.
*    Ten Kate in Boekzaal der geleerde wereld van Januari 1860
blz. 6.
*   Is. C[apadosel in De Heraut 17 Februari 1860 kol. 105.
*    Vgl. hiervoor blz. 271.
-ocr page 384-
371
MLDERDIJK, DICHTWERKEN.
en omgekeerd hoe b.v. Jeronimo de Vries, de zoon van Bilder- 1856.
dijk\'s vriend en bezitter van diens Bilderdijk-verzameling zich
de kompleete Dichtwerken niet aanschafte \'.
Ten bewijze van die betrekkelijk groote voorliefde in Vlaan-
deren strekke het getal exemplaren, dat door den Boekhandel
genomen werd, zooals dat te vinden is in de Naamlijst der
inteekeuaren
in het 15e deel2. Bovenaan staat de firma Van
Gogh en Oldenzeel te Rotterdam met 50 exemplaren3 en
wordt gevolgd door J. P. van Dieren te Antwerpen met 53
en W. liogghé te Geut met 47 exemplaren om met D. Post
Uiterweer en Coinp. te Utrecht (45 exemplaren) en Jac. Hazen-
berg Cz. te Leiden (43 exemplaren) de getallen boven de 40
te besluiten. Ongetwijfeld volgt hieruit, dat naar evenredigheid
België veel meer deelnam in de onderneming, maar ook blijkt
zulks uit de houding van de llegeeriug: in België nam de Koning
uit eigen beweging voor zich een exemplaar, behalve nog bij
uitzondering de 5 exemplaren voor het ministerie en voor alle
openbare bibliotheken in België \' — in Nederland teekende
Z. M. voor één exemplaar ■\', maar op ordinair papier. „De
vingers joken mij, schreef Kruseman aan Da Costa ", toen de
Naamlijst der inteekenareu in proef was, om achter den naam
1 „Dit is nu, het eenige, dat ik mij niet mag aanschaften: — alles
van B. hebbende, en dit, na mijns vaders overlijden, met vele kosten
gecompleteerd hebbende, is het mij pligtsltalve, als \'t ware verboden
geweest uwe uitgave mij aan te schaffen; daar dit toch alles in mijne
verzameling gevonden wordt. Ik herhaal U dat was mij, gelijk ieder
zijn eigen gevoel moet volgen een zeker verbod." (Brief van J°. de Vries
17 Augustus 1858). — De verzameling J°. de Vries werd in 1895 aan
de Universiteits-Bibliotheek to Amsterdam geschonken.
*    Achter blz. 013 vlg.
3 Den 10 Haart 1856 schreef S. J. van den Bergh nog het tegen-
overgestelde: „Ik hoor tot mijn innige spijt, dat ze in Rotterdam zoo
erg on-happig zijn: dat is God geklaagd."
*    Die inteekening geschiedde, omdat het hier gold «Votuvre d\'un grand
éerivain néerlandais, donl il ri\'est permis a aucun de ceuu: qui ciilfi-
venl les lettres flamandes, de négliger rélude",
zoo als de otticieele
missive van den 19 avril 1856 het uitdrukt.
5 Missive van den 29 Maart 1850.                                                                            •
" 5 Juui 1858.
24*
-ocr page 385-
372                             BILDERDIJK, DICHTWEEKEN.
isr<G. van Belgiens koning, halt\' uit erkentelijkheid aan (lézen, half —
ja, ik moet het tot mijn schande bekennen — ook uit wraak-
gierige geraaktheid over de laauwheid van de raadslieden onzer
Kroon — de vingers joken mij om achter den naam van
Belgiens Koning met gespatieerde letters te doen drukken:
"Mede twintig [sic] exemplaren voor de ope/iöare bibliotkehm
van België"."
Het had zich anders in den allereerste beginne niet laten
aanzien, dat Vlaanderen zich zoo \'aan de onderneming gelegen
zou laten liggen. „Ik heb tot heden een tiental inschr. op
Bildeid.", was de vcelbeteekenende kantteekening van den
redacteur \'-uitgever ltogghé te Gent, die in het bijzonder met
het debiet in België belast was, bij de toezending van zijn
Gazelle eau Geut van den 15 Maert 1S5Ö, waarin de eerste
aflevering besproken werd.
De Bilclerdijk\'s kompleete \'Dichtwerken kwamen in betrekkelijk
korten tijd gereed; in de tijden, dat zetters, correctoren, druk-
kers, binders en uitgever zich niet grooten ijver aan hun taak
wijdden, werden geregeld 8 vel druks ieder van 24 bladzijden
per week afgeleverd. De 14 deelen (275 vel druks van 24
bladzijden) werden compleet, gebonden en wel, reeds in Maart
LS5S, d. w. z. twee jaar na het verschijnen van de eerste afle-
vering, gedebiteerd.
B E B,1G T
aan de Inteekenaren op
BILÜERDIJKS KOMPLEETE DICHTWERKEN.
De ondergeteekende heeft het genoegen te kunnen be-
rigten, dat hij met inspanning van alle krachten en door
de onvermoeide medehulp van de HH. Mr. Is. da costa
en Mr. A. da costa er in heeft mogen slagen, om reeds
thans den druk van BJLDERDIJKS KOMPLEETE
DICHTWERKEN ten einde te brengen. Het geheele
1 Zie brief van Van Duyse 1 Juli 1858.
-ocr page 386-
;i7;3
BILDKRDIJK.,
DICHTWERKEN.
werk, veertien doelen vormende en naar liet in het Pros- isse.
pectus aangegeven plan geregeld, ligt afgedrukt.
Alleen blijven nog te drukken over: de Voorred e-
nen der bundels, de Aanwijzingen van Mr. .r.
pan en van wijlen den lieer GUNDerman, de Al ge-
me en e Registers, benevens een korte Rekenschap
van het plan en de indeeling dezer uitgave, welke alle te
zaïnen het laatste deel zullen uitmaken; terwijl eindelijk
Mr. Is. da costa\'s toegezegde arbeid over het,leven
en de werken des groot en Dichters het geheel,
volgens het Prospectus, zal voltooijen. Deze beide deelen
zullen in den loop, welligt reeds in de eerste helft, van
dit jaar 185S gereed zijn.
De Inteekenaren die verlangen mogten reeds nu bun
exemplaar van Bilderdijk kompleet te bezitten, gelieven
daarvan slechts te doen blijken door de onderteekening
van ommestaand biljet en de inzending daarvan aan den
Boekverkooper van wien zij gewoon zijn hun exemplaar
te ontvangen. De overige deelen worden hun dan weldra
toegezonden en op rekening van lSób gebragt.
Yoor de overige Inteekenaren blijft de toezending baar
gewonen geregelden gang gaan.
Behalve dat de oudergeteekende voor zich zelven ge-
wenscht heeft zijn lievelingstaak, de uitgave van Bi ld er-
dij ks kompleet e Dichtwerken, zoo spoedig ten
einde te brengen als met de naauwgezetste behartiging
bestaanbaar was, heeft hij zich van de middelen voorzien
om aan die uitgave toe te voegen wat gerekend mag
worden daarmede in het allernaauwst verband te staan:
de verzameling ook der Dichtwerken van A7rouwe
KATHARINA WILHELMINA BILDERDIJK.
BILDKHDIJKN geest en leven zijn aan de werken en
het leven zijner Gade te innig verwant geweest en vloeijeu
daarmede te zeer zaïnen, dan dat de arbeid der Dichteres
niet zou behooren op dien des Dichters te volgen.
Mr. Is. da costa heeft de regeling ook van dezen
-ocr page 387-
374                    VROUWE BILDERDIJK;
18S6.                 bundel O]) zich genomen, op geheel dezelfde wijze als die
van bilderduks dichtwerken. De verzameling zal zich
alzoo splitsen in de volgende onderdeelen : T r e u r s p e-
len. — Southey\'s Rodrigo de Goth. — Verha-
len en Romancen. — Stichtelijke Poëzy.— Ge-
dichten voor Kinderen. — Gelegenheidsver-
zcn.— Vaderlandsche Poëzy. — Oden en Men-
gelingen; alles vervat in hoogstens zes afleveringen of
twee deelen, in vorm en prijs gelijk aan de overige.
De uitgever, die ook met den druk van die verzame-
ling zich wenscht te spoeden, mag vertrouwen dat eeue
algemeene belangstelling hem in deze vervollediging van
cene zorgvolle en kostbare uitgave schragen zal, te meer,
daar de uitgave van Bilderdijk één deel minder is uit-
gevallen dan in den aanvang geraamd was en de Intee-
kenaren alzoo met eene niet noemenswaardige geldelijke
bijdrage de werken van Vrouwe K. W. Bilderdijk
zullen kunnen plaatsen nevens die van haren Echtgenoot.
Hij verzoekt met alle kieschheid, dat men dit toone
door de invulling van het tweede hier bijgaand biljet en
de toezending ook daarvan aan zijn gewonen Boekver-
kooper.
Haarlem,                                   a c K|IUSEMAN
l\'ehriianj 1868.
Een vijftiende deel, waarin de Ui-els, inhoud, voor-redenen en
berigten der oorspronkelijke ediiiëii,
een algemeene inhoud, de
Aanwijzing der oude en nieuwere dichters door Mr. W. Bilder-
dijk en Vrouwe K. W. Bilderdijk overgébragt en nagevolgd \\
voor deze uitgave door Mr. .). Pan bewerkt, een herdruk van
Da Costa\'s Redevoering van den 1.1 October 1S50, een lieken-
1 De wensch naar een dergelijke aanwijzing was Kruseman kenbaar
gemaakt door W. Everts, professor aan het Seminarie te Roldac: „Het
betaamt niet, dunkt mij, dat een vreemdeling bij het lezen van Neer-
lands- grootsten dichter, met een glimlach van verachting kanne zeggen :
„Kraai, dat „zijn paaawvederen"." (Brief 15 Mei 1856).
-ocr page 388-
VROUWE BILDERDIJK, DICHTWERKEN.                    375
schap der opvatting en uitvoering van het plan dezer editie en 1856.
de Naamlijst, der inteekenaren besloot de grandiooze reeks \'. Ook
dat deel werd gedebiteerd en Kruseman kreeg eenige exempla-
ren terug van de inteekenaars, op grond, dat het prospectus
sprak van veertien deelen of veertig afleveringen en zij daarom
niets meer dan dat wilden aanvaarden. „Die stoffels koopen
alzoo een huis, maar weigeren de sleutels" 2.
Nauw sloot zich bij die kompleete Bilderdijk aan de koin-
pleete Dichtwerken van Vrouwe Bilderdijk; het werd op geheel
dezelfde wijze als De Lichtwerken van Bilderdijk uitgegeven
en zou, volgens belofte bij de verschijning van de eerste af-
levering in Januari 1839 nog dat jaar compleet verschijnen.
Evenals bij de Bilderdijk, maar in tegenovergestelden zin,
bleek ook hier de oorspronkelijke raming verkeerd uit te
komen, daar De dichtwerken van Vrouwe Bilderdijk drie
deelen zouden beslaan. En ook in een ander opzicht bleek
dat het geval. De Bilderdijk gaf een aanzienlijke winst, de
Vrouwe Bilderdijk niet. Het publiek was vrij wel blijkbaar
verzadigd van Bilderdijk\'s muze \'. Kruseman\'s vertrouwen
werd niet bewaarheid, dat algemeene belangstelling zijn pogen
zou blijven ondersteunen. Zoo b.v. zond Buijs de eerste afle-
vering terug, daar hij niet hoog kon loopen met die verzen 4.
De uitgave van deze drie deelen (oplaag 1500 exemplaren op
1 In vele exemplaren komt nog voor Da Costa\'s feestelijk klokken-
lied, dat hij na de voitooiing van den arbeid als een gelukwensen aan
meester en arbeiders ter drukkerij op het Spaarne toezond, kennelijk
een herinnering aan Schiller\'s Das Lied von der Glocke, wiens 100-jarig
geboortefeest in die dagen in Duitschland gevierd werd.
1 Brief aan Da Costa 10 September 1859.
3 „Na rijpe overweging ben ik, onder uwe goedkeuring besloten, om
in December niets van Vr. B. af te leveren, maar liever te wachten
tot Januarij. Ik heb hoop, dat bij het openen van versche rekeningen
het publiek ligter over te halen zal zijn om ook Vrouwe B. te koopen,
dan wanneer ik nu nog met zulk eene vrij kostbare suppletie aan kom.
Speculatief acht ik dit verstandig en ééne maand wachtens is voor de
belangstellende inteekenaren toch zoo véél opoffering niet." (Brief aan
Da Costa JJO November 1858).
* Brief van Buijs c. 2 Februari 1859.
-ocr page 389-
876
BILDERDIJK , DICHTWERKEN.
isr.ti. gewoon en 200 exemplaren op best papier) dekte de kosten,
meer niet \'.
Onder vrienden werd echter destijds reeds gezegd, wat later in
LS()7 \'- door Van Vloten in de Bloemlezing %it de dichtwerken
van Mr. Willem. Bilderdijk, naar tijdsorde gerangschikt,
in
1 S(i9 bij Ter Gunne verschenen, bevestigd zou worden, dat
de kompleete Bilderdijk van Kruseman niet zou voldoen aan
het publiek. De herdruk van alle poëtische werken van Bilder-
dijk niets minder, maar ook niets meer, moest een sleutel
zijn tot de kennis van den dichter; het moest wezen een
legger en een goudmijn voor hein, die zich met Bilderdijk als
mensch en als dichter wilde gaan bezighouden; het zou moeten
blijven een studiewerk voor den geleerde, geen uitspanningslec-
111111\' voor het publiek :t. De inteekenaars hadden zich laten
verschalken door Kruseman\'s exploitatie-middelen en Bilder-
dijk\'s grooten naam; veelal gingen de afleveringen onopenge-
1 „Als ik voor mijne uitgave niet wat óver had en alleen te rade
ging met mijn belang, zou ik als een dwaas handelen door nog de min-
ste kosten te maken voor De dichtwerken van Vrouwe Bilderdijk, die,
met moeite uit de handen der oorspronkelijke eigenaars gebroken en op
dezelfde goedkoope wijze verkrijgbaar gesteld, tot heden toe zóó weinig
koopers vinden, dat mijne bestellingen nog geen 150 exemplaren tedra-
gen. Dat is eene teleurstellende waarheid van het oogenblik en door
mijne wat onhandige haast welligt mede veroorzaakt, maar niettemin
voor \'t, moment eene waarheid en eene hoogst schadelijke ondervinding
tevens." (Brief aan Da Costa 9 Maart 1859).
* Het prospectus op deze Bloemlezing wordt genoemd in het Nieuws.
blad voor den Boekhandel
van den 20 September 18G7.
1 In De aids (1869 Dl. IV blz. 487) sprak Gorter dit uit, naar
aanleiding van Van Vloten\'s uitgaaf: „De Kompleete Werken zijn en
blijven met de bundels brieven het groote, deftige magazijn, welgeordend
van binnen, statig van buiten, onmisbaar voor wie Bilderdijk bestudee-
ren wil en uit den rijken, opgestapelden voorraad trekken wat hem past.
De Bloemlezing, gevolgd als het kan door een dozijn andere onder
allerlei formaat en voor allerlei spotprijs te koop, zij de komenij, waar
wij burgerlui ons voorzien, niet in het groot, maar voor onze centen in
het klein, de waar ons netjes en draagbaar ingepakt en met een vrien-
delijk woord van raad en inlichting overgebracht wordt." Een tegen-
schrift vond dit artikel in Simon Gorter1» beoordeeling van Mr. Willem
Bilderdijk. Een ivoord van teregtwüzing door
J. D. van der Plaats.
-ocr page 390-
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.                             377
sneden in de kast \'. „Van de drie en twintig honderd [sic] 1**.
inteekenaren hebben minstens twee duizend — wij zouden er
op duwen zweven — de vier en veertig laatste afleveringen
van Bilderdijks kompleete dichtwerken [de Dichtwerken zelve
verschenen in vijf en veertig afleveringen] — wrevelig en zon-
der opensnijden in hunne boekenkast te slapen gezet, regt
overeind. En de eerste aflevering ? Zij lazen haar en getuigden:
Goed voor eens, maar nooit weder \'-." En zelfs zij, die al die
gedichten doorworsteld hadden, zij moesten er voor uitkomen,
dat zij toen eigenlijk nog niet wisten waarom Bilderdijk den
naam van zulk een groot dichter gegeven werd \'\'.
Aanleiding was er zeer zeker voor den gewonen lezer om
den persoon van Bilderdijk als dichter niet te doen uitkomen
in zijn ontwikkelingsgang door de systematische indeeling zijner
gedichten, zooals die door Da Costa ontworpen en doorgevoerd
was. j)e stemmen, die zich eerst fluisterend onder vrienden had-
den doen hooren, zouden na Da Costa\'s dood (28 April 1860)
aan Kruseman zelf\' kenbaar gemaakt worden. „Ik ried u aan,
schreef b. v. Alberdingk Thijm \', Bilderdijk\'s poëzie niet van
zijn proza schriften te scheiden, en hem c/mnologiseh te
1 Mededceling van een inteekenaar, die thans een goede plaats in de
letterkundige wereld inneemt. Vgl. een advertentie in Nieuwsblad voor
den Boekhandel
2 Februari 1800, waar een onoperïgesneden exemplaar
van de Bilderdijk (15 dln.) te koop wordt aangeboden, en Zimmerman
in De Culu 18G1 Dl. I blz. 135.
Een debitant, die met den ganschen toestand in den Hoek handel on-
tevreden was, schreef in het Nieuwsblad van den 7 Mei 1875 o. a. de
volgende woorden, geheel toepasselijk op de Bilderdijk: „De boekenrekken
of étagères zijn volgestopt met ongelezen werken, die afleveringswijze
verschenen, bij den binder te logeeren zijn geweest, die de onhebbelijke
massa, door ze in een paar banden te zetten, wat in fatsoen heeft ge-
bracht, zóó, dat ze nu ten minste dat nut opleveren, dat ze dienen als
ornement, evenals een stuk porcelein." (Vgl. Bouwstoffen Dl. II blz. 437.)
1 Huet in De Nederlandsche Spectator 18G0 blz. 11, herdrukt Litle-
rarische fantasien en kritieken.
Haart. (1888) Dl. XXV blz. 2.
3 Mededeeling van een ongenoemde aan Mr. A. da Costa. (Brief
van Da Costa li» Juli 1859.) Vgl. Schimmel in De Gids 18G0 Dl. I
blz. 19 en 20.
* Brief van Alberdingk Thijm 15 Juni 1860.
-ocr page 391-
378
BILDERDIJ K , DICHTWERKEN.
isr,(i. publiceeren. (Jij weest op de groote geldelijke bezwaren. Later
lachte mij het overzicht in verband van hetgeen de Meester
in ieder bizonder genre geleverd had eenigszins toe en ik be-
val uw moedige onderneming aan \'; maar ik heb daarna de
ondervinding moeten opdoen, dat het beter geweest ware geen
kompleete Bilderdijk uit te geven, dan een zoodanige. Ik heb
het stilzwijgen bewaard, wijl ik uw begonnen en met kracht
doorgezet werk niet verstoren wilde — maar ik ben U thands
schuldig, U aan te kondigen, dat ik, hulde blijvende doen aan
Uwe intentiën, beschouwingen over Bilderdijk zal hebben in
te stellen, waarbij (ofschoon het gebruik van uw werk aanbe-
velende) ik tegen het klassifikatie-systeem nadrukkelijk moet
opkomen."
Een paar maanden later kwam A. S. Kok zich zelf voor
het samenstellen van een Bloemlezing aanbevelen 2, maar trok
zich terug, toen hij van Van. Vloten vernam, dat De Génestet
dezen arbeid reeds ondernomen zou hebben. Kok herhaalde zijn
bezwaar openlijk in 1804 \' en Kruseman moest hem gelijk
geven \'.
Maar ook Alberdingk Thijm bleef denken over een bloein-
lezing. In weerwil dat een paar door hein bezorgde proefdeel-
tjes niet het gewenschte succes gehad hadden, kwam omstreeks
nieuwejaar 1867 Schadd tot hem met een bepaald voorstel. Dat was
aaideiding voor Thijm om de kompleete Dichtwerken nog eens
in zijn geheel door te lezen en thans, 7 jaar later, was zijn
indruk van de door Da Costa gevolgde methode geheel gewij-
\' Zie hiervoor blz. 370.
1 Brief van Kok 17 Augustus 1860.
s TAetsehe warande Dl VI blz. 573. Vgl. Dl. X blz. 384.
4 „Ja, Kok heeft gelijk: een bloemlezing uit Bilderdijk zou niet alleen
een voordeelige, maar ook een goede onderneming zijn. Ik bid U, wie
heeft moed om uit de achttien dikke deelen naar het beste te zoeken ?
En sinds Huet in De Spectator den poeët mishandeld heeft, twijfelt er
zelfs menigeen aan of B. wel de lectuur waard is. Een kenrlezing van
de prachtigste onder de vele prachtige meesterstukken is tegenover
\'s Dichters schim en het wankelend publiek pligt geworden. Wie mijn
Bilderdyk koopen zal kan liet doen. Ik voor mij pas er voor." (Brief aan
Fred. Muller 27 Februari 18til).
-ocr page 392-
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.                             379
zigd. „Ik doorlees nog eens uw gelieele verzameling, schreef hij 18
aan Kruseman, en kan u verklaren, dat ik meer en meer
ingenomen raak met de gevolgde methode van bewerking en
uitgaaf. Ik hel) u vroeger wel eens gezegd dat ik eene vol-
strekt chronologische rangschikking den voorkeur zou gegeven
hebben; maar ik zou toch ook deze klassifikatie nu voor niets
ter waereld willen missen, en ik kan u niet zeggen, hoe veel
genot het mij oplevert, die vroeger Bilderdijk zoo in een ge-
heel ander formeel verband, maar toch ook volledig heb lee-
ren kennen, hem nu in zulke geheel nieuwe rapporten zich
voor mij te zien ontrollen" \'.
Als handelsman zou Krusenian zelf aan dezen wensch geen
gehoor kunnen geven; zelfs zou hij zich er tegen verzetten
dat door een ander zonder zijn toestemming gedichten uit de
komnleete Bilderdijk voor een Bloemlezing overgenomen zonden
worden en een confrater zijn kopy zou bestelen.
Eerst de nieuwe eigenaar zou voor een Bloemlezing een
derde geen moeielijkheden meer in den weg leggen. Zoodra
was na de fondsveiling van Juli 1S67 het artikel niet afgele-
verd, of twee maanden later werd door Ter Gunne reeds een
prospectus op een chronologisch geschikte Bloemlezing verzon-
den. Wat Da Costa gehoopt had, dat niet gebeuren zou, was
geschied: Bilderdijk was gevallen in handen van Van Vloten,
en het is dan ook niet te verwonderen, dat Koenen, Da Costa\'s
trouwe vriend, klaagde, dat die uitgaaf een voor Bilderdijk
zeer vijandigen geest ademde 2.
Bilderdijk\'s vereerders meeiiden daarom, dat de zaken, zooals
ze destijds stonden, alleen gered kouden worden door een nieuwe
editie der kompleete Dichtwerken, maar dan zuiver chronolo-
gisch gerangschikt; het was Beets, de eenige nog levende
van de oudere generatie, die daarvoor na den dood van Koenen
en Groen van Prinsterer in aanmerking kon komen en die zich
omstreeks 1880 bereid verklaarde het gansche werk in tijdre-
1 Brief van Alberdingk Thijiu 23 Februari 1867.
1 Brief van Koenen 8 Juli 1873.
-ocr page 393-
•\'380 DA COSTA, DB MENSCH KN DK DICHTER BILDERDIJK.
1856. kenkundige orde te verschikken, toen een latere eigenaar der
kopy over een herdruk begon te deuken \'.
Toch was de systematische orde door Da Costa na rijp be-
raad aangenomen, al had Kruseman van den beginne af aan
wel vermoed, naar ik denk, dat de aangenomen indeeling niet
voldoende zou zijn.
Voor Da Costa toch was het herdrukken der poëzie van
Bilderdijk niet het eigenlijke doel alleen geweest, waarom hij
die taak op zich genomen had; voor hein was een wijsgeerige
levensbeschrijving de hoofdzaak, die hij al zeer subjectief zou
meenen op te moeten vatten. Even zoo goed als de rangschik-
king der gedichten door hun ontworpen was, niet streng weten-
schappelijk, maar geheel en al met apologetische bijooginerken,
zou het zwaartepunt der geheele uitgaaf bij hem liggen in een
door hem te schrijven deel, dat de sluitsteen van het gansche
gebouw moest worden, dat Kruseman bezig was op te trekken,
in De meusck eu de dichter Willem Bilderdijk.
Het was dan ook al reeds vrij kort na het begin van het
werk dat het plan gevormd werd, dat Da Costa die in 1844
reeds een Ocerziehl eau het leven en de werken van W. Bil-
derdijk en. Vrouwe K. W. Bilderdijk, geb. Schweickhart
in het
licht gegeven had en aan wiens pen de uitgever Van Brederode
het artikel Bilderdijk in Van der Aa\'s Biographisch woordett-
Ijoek
verschuldigd was, ook een overzicht zou geven van den
persoon van Bilderdijk als afsluiting van zijn kompleete Wer-
keu,
door een apologetisch-biographische proeve 2, waarin noch
de tijdgenooten van Bilderdijk, noch de ondankbaren van zijn
eigen tijd zouden gespaard worden, en Da Costa zelf bekende
die inderdaad zeer onwetenschappelijke opvatting reeds voordat
er één letter van dat levensbericht op papier stond. „Mocht
1 „Dr. Nic. Beets heeft zich niet ongenegen verklaard op nader over-
een te komen voorwaarden eene nieuwe uitgave van Bilderdijk\'s Wer-
ken in chronologische en alzoo afwijkende orde van de tegenwoordige
uitgave te bewerken." (Aanteekening hij den titel van Bilderdijk\'s Dicht-
werken
in den Catalogus der fondsveiling W. H. Kirberger 20 Novem-
ber 188a blz. 8).
* Briefen, van Mr. Isaac da Costa. Anist. 1873 Dl. lil blz. 228.
-ocr page 394-
DA COSTA, DE MENSCH EN DE DICHTER BILDERDIJK. 381
het werk nog op één enkel hart invloed hebben, en tot naden- 1856-
ken brengen, hoe de verwerping van het positive, dat is Jh\'jlml-
sche Christendom,
ook tot wansmaak noodwendig leidt; — en
ware liet nog slechts tot wansmaak" 1.
Blijkbaar had Da Costa zich moeten inspannen om dit werk
te schrijven en had hij door het oprichten van een eerzuil voor
zijn geliefden leermeester, de naakte historie geweld moeten
aan doen. Het geleerde en kritische vulgus duchtte hij niet,
„waar het de onfeilbare waarheid, — geen feilbare ineusclien,
arme zondaars — geldt" 2. Hoe anders te verklaren Da Costa\'s
mededeeling aan Groen: „Ik gevoel dat de uitvoering zich
ressenteert van strijd, die mij het werk gekost heeft, en schoon
ik dien in zoo ver, wat de zaken betreft te boven kwam, ■—
de vorm heeft er mijns inziens zeker bij geleden, en een zekere
meer dan gewone stroefheid hinderde mij telkens bij het lezen
van proef en revisie. Nu, dit zij dan zoo als het is, toch
verblijd ik mij in Hem, die wederom tot zoo ver hielp" "".
Het geschrift kwam den 1U November 1859 ongeveer tegelijk
met de laatste aflevering van J)e dichtwerken van Vrouwe
Bilderdijk van de pers; op den dag, waarop in schier alle
lauden van Europa feestelijk gevierd werd de honderdjarige
geboortedag van Duitschland\'s dichter Eriedrich Schiller, ont-
ving de landgenoot de thans geheel voltooide uitgave van zijn
Willem Bilderdijk \'. Dankbaar, beschaamd en bevend legde Da
Costa zijn laatsteu arbeid, een rehabilitatie van den man, die den
stempel van zijn machtig genie diep in zijn leerling gedrukt
had, voor den voeten van den eenigen Meester, Heiland en
Koning neer \'"\'. Da Costa\'s levenstaak was volbracht: „Ik kan
nu heengaan; het werk van mijn leven, mijn Bilderdijk is af",
waren zijn woorden op zijn laatste ziekbed b: zijn laatste uiting
1    Brief van Da Costa 19 Juli 1859.
2     Brieven van Mr. Isaac da Costa. Anist. 1873 1)1. III blz. 222.
a t. a. p. blz. 239.
* Advertentie in Haarlemsche Courant 10 November 1859.
\'" Da Costa. De mensch en de dichter Willem Bilderdijk. Haarl.
1859 blz. 477.
" Brief van De Génestet 22 December 1859.
-ocr page 395-
382 DA COSTA, DE MENSCH EN DE DICHTER BILDERDIJK.
is:*;, was een uiting van dank en erkentelijkheid aan Bilderdijk:
„Indien ik u vergete — — (Ps. 137 : 5a)." \'
Zijn arbeid zou geen sucees hebben; zijn vrees, dat hij door
eigen onhandigheid de goede zaak, die hij dienen wilde eigen-
lijk benadeeld had -, zou blijken maar al te gegrond te zijn.
In November 1S59 was het werk Voltooid; in Januari 1860
werden de grondslagen van het kunstig door hem opgetrokken
gebouw voor goed ondermijnd door Huet; de schitterende,
onvoltooid gebleven studie over Bilderdijk in De Neder-
luiuhche Spectator
toonde maar al te zeer aan, hoe ook hier
de oude waarheid bevestigd werd, dat een opzettelijk onjuiste
samenvoeging van gegevens het tegendeel uitwerkt van hetgeen
beoogd wordt. Waar Da Costa het had laten voorkomen alsof
de miskenning van Bilderdijk geweten moest worden aan de
vooroordeelen zijner natie, stelde Huet daghelder in het licht,
dat Bilderdijk\'s impopulariteit wel degelijk op rekening van
dien dichter zelve te stellen was. Gelukkig voor Da Costa, dat
hij van deze vernietigende kritiek geen kennis meer kon nemen\';
zijn toestand belette hem elke werkzaamheid.
De onderneming was ten einde en stond op het punt om
tot de geschiedenis te gaan behooren; en het eindigen van
het werk gaf Kruseman een leegte. Want werkelijk niet ïnin-
der dan Da Costa had Kruseman zelf den literairen kant van
zijn onderneming mee behartigd: de editinnes principes opge-
zocht, drukproeven gecorrigeerd, tekstcritiek geoefend; tallooze
1 Motto van De mensch en de dichter.
* Da Costa. De mensch en de dichter Willem Bilderdijk. Haarl.
1859 blz. 47iS.
3 „Het doet mij genoegen, dat Papa dat (hoe zal ik het noemen?)
stuk in den N. Spectator van Ds. (?) Busken Huet niet kan lezen, terwijl
ik hein de Moorlezing sparen zal. Ik zette daar een :\' omdat men hier
algemeen verhaalt, dat Z.AVel Eerw. in de rechten is gaan studeeren
en van toga wil verwisselen." (Brief van Mr. A. da Costa 22 Januari
1800.) — „AVat moet men van het betaineiijkheidsgevoel eens auteurs ver-
waehten, die zijn naam durft zetten onder de artikelen als die over
Bilderdijk in den Spectator, en die daar niet voor bloost, bij de herin-
nering hóe hij aan die schijnbare belezenheid in Bilderdijk gekomen is."
(Brief van Alberdiugk Thijin 15 Juni lötiO.)
-ocr page 396-
383
UILDERDUK , DICHTWERKEN.
malen was Kruseman naar Amsterdam geweest om met Da
Costa zelf mondeling te raadplegen over allerlei moeielijkheden
en bezwaren, die weggenomen moesten worden. Het waren ge-
weest „voor den uitgever vijf jaren van dagelijksch, stoffelijk
en geestelijk genot: vijfjaren van klimmend voordeel, vijfjaren
van gedurig gesprek en briefwisseling met den grooten, den
nobelen Da Costa". Hebreet\' Kruseman zoo in 1 SS(J \', niet anders
was zijn indruk onmiddellijk na de voltooiing. „Behalve dat [mijn
groote onderneming] mij speculatief gesproken alle reden geeft
tot erkentelijkheid, waren zijn woorden tot Jeronimo de Vries -,
betuig ik van beeler hart, dat zij in mijn leven als uitgever, in on-
dersebeiden opzigt de liefste zaak geweest is die ik ooit heb
trachten te volbrengen :!. Het is mij een smartelijke leegte, dat
hare bemoeijingen voorbij zijn." Die smartelijke leegte, waar
Kruseman hier van spreekt, ik geloof niet dat bij hierin te veel
zeide, of dat hij ter wille van een zekere, hier alleszins gerecht-
vaardigde ijdelheid, zich schuldig maakte aan een pralen op eigen
werk, dat anderen veel malen beproefd, maar nimmer tot stand
hadden kunnen brengen. „Ik verlang naar de algeheele vol-
einding der uitgave, waren zijn woorden aan Da Costa \', toen
de druk nog verre van voltooid was"\', al zal \'t mij ook eene
ondenkbare en zeker pijnlijke leegte geven, wanneer de taak
eenmaal is afgedaan. Behalve dat onder mijne véle dagelijksche
bemoeijingen en zorgen de gedurige inspanning over den Bil-
derdijk,
eigenaardig verbonden aan de bijeenbrenging, controle,
driedubbele correctie, herbaalden nagang van alle de bundels,
enz. enz. wat héél te vermoeijend is — den ganschen dag loop
ik met de zorg voor den B. in hoofd en hart — vrees ik zoo
1 Bouwstoffen Dl. I blz. 427.
J Brief aan .1". de Vries 27 November 1859, mij in afschrift medege-
deeld door den heer E. W. Moes te Amsterdam.
3    Elders noemde hij het „mijn kloekste en gelukkigste onderneming".
4    Ook Da Costa verlangde naar het einde, omdat hij vreesde, dat
de taak zijn physieke kracht op den duur zou hlijken te hoven te gaan.
In een hrief, dien hij daarover aan Kruseman richtte (0 Decemher 1858)
wees hij Koenen tot zijn eventueelen opvolger aan.
5    Brief aau Da Costa 21 Januari 1858.
-ocr page 397-
384
«ILDERDIJK, ÜICHTVVKltKEN.
is.m;. voor abuizen, stoorenissen of wat al meer rampen, indien de
uitgave niet in vollen geanimeerden gang blijft, zoo als ze tot
lieden toe bij mij en mijne zetters gegaan is. Bijna twee jaren
lang is mijne halve zaak voor B. ingerigt, en er wordt schier
aan niets anders gedacht dan daaraan. — Is het ook mijner
voorliefde euvel te duiden, dat ik haak naar het uur, waarop
ik die vrij groote taak zal voleindigd hebben en alle deelen
als een afgesloten geheel vóór mij zie? Mijn arbeid moge
gansch materieel zijn, toch zal het voor mijn gevoel een feest-
ilag zijn, wanneer ik in mijne betrekking moge volbragt heb-
ben wat ik — \'t is u bekend — jaren en jaren lang gewenscht
en getracht heb te mogen volvoeren," Het laatste vel ging
eindelijk in proef en kwam van Da Costa terug met ziju im-
primalur,
en een gelukwensch richtte hij daarbij „Aan Meester
en Arbeiders ter drukkerij aan het Spaarne". Zijn klokkelied,
waarin dezelfde gedachte, die in Kruseinau\'s eerste goed ge-
slaagde uitgave, in Strauss\' Kerkklokatoimeu leidde tot de neven-
elkander-stelling van klok en boek, deed hier den boekhande-
laar-klokkengieter samengaan met zijn boek \'.
Zoo was dan het groote werk afgeloopen; „de koene onder-
neming van den ijvervollen en begaafden uitgever van Bilder-
dijks gezamenlijke Dichtwerken, die van maand tot maand
als ware het in geregelden optocht deze schatten der hoogste
JNederduitsche Poëzy voor de Nederlandsche natie-" bekend
zou maken, was voltooid. Dat volvoeren van zijn lang ge-
wenscht plan had aan Kruseman veel intellectueelen arbeid
gekost :1, al gaf hij daarvan ook alle eer aan Da Costa maar
1 Voorbericht van Jonathan voor den zesden druk van Strauss\'
Kerkklokstoonen. Leiden. Sijthoft\' (1896). — Bij het verschijnen van dit
vers waren er die Van Zeggelen voor den maker hielden: „Van wie is
het vers van den corrector? Moogt gij het zeggen? Ik heb iemand be-
streden dat het van Van Zeggelen wezen zou!!" vroeg Van den Bergh.
. (Brief 14 November 185!».)
* Da Costa. Bilderdijk herdacht. Haarlem. A. 0. Kruseman. 18f><>
blü. 11; herdrukt: in Dichtwerken Dl. XV bist. 5(54.
3 „Kene uitgave als die van den Bilderdijk vergt bij mij eengeheel
hoofd en persoon en stelt zich niet te vredeu met veipoozingsniomenten.
\'t Is een laak, die afgedaan hehooit, eer er vacantie kan gegeven
-ocr page 398-
385
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
niet minder materieele zorg. De geheele uitgaaf van Bilderdijk\'s isö6.
en vrouwe Bilderdijk\'s Werken kostte f 57187.3S5, een be-
drag, dat Kruseman door een andere uitgaaf, Ons voorge-
slacht
van Hofdijk nog zou overtreffen. Is liet bedrag van
./\'116007.935 geen cijfer om eerbied in te boezemen voor den
ondernemingsgeest van Kruseman, wanneer bij gedurende 8
jaar in slechts twee uitgaven, waarvan de een gedebiteerd
werd voor/\'6S.15 (Bilderdijk \') de andere voor f 59.10 (Hof-
dijk 2) een dergelijk bedrag durfde wagen, maar getuigt dat ook
niet van Kruseinan\'s kloeken zin, van zijn handelsgeest, van zijn
blik op tijden en op menseben, die voor dergelijke uitgaven de
juiste auteurs en bet juiste tijdstip ter uitgave wist te kiezen?
Om het belang van deze uitgaaf schrijf ik dan ook hier af de
bladzijde uit Kruseinau\'s Fondsboeken, waar geboekt staat de
REKENING DER KOSTEN VAN
BILDERDIJK\'S
KOMPLEEÏE DICHTWERKEN,
in 12° formaat, uitmakende in alles 343\'/> vellen druks; waar-
van de oplaag, na aftrek der proeven en defecten uitlevert:
2000 exemplaren op gewoon papier
200
           „           „ best dito.
Aan Honorarium Da Costa3....... a /\'                  f 2000.—
„ Uitschotten Da Costa.........                          „ GG. 20
343j „ Zet- en drukloon per blad, met
extra loon................ „„30.—        „ 10208.62«
Transporteeren..... f 12274.82 \'\'
worden — ten minste wat hier onze meer materiële bemoeijing betreft."
(Brief aan Da Costa 19 Februari 1858.)
1 De Dichtwerken van Bilderdijk, Vrouwe Bilderdijk met Da Costa\'s De
mensch en de dichter,
gebonden exemplaar in 19 deelen op gewoon papier.
1 Gebonden exemplaar op gewoon papier.
3 Hieronder ook begrepen redactiekosten voor de Dichtwerken van
Vrouwe Bilderdijk en het honorarium voor De mensch en de dichter.
25
-ocr page 399-
386
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
f 12274.82"
,, 477.35
„ 155.30
„ 324.30
„  14227.50
„    1794.-
„      395.50
„      450.-
„ 302.-
„ 201.50
49.05
1856.                                                                     Transport...
Aan Buitengewone correctie, verbe-
terbladen en herdrukken.....
„ Drukken van Inhoud en Naam-
lijst der inteekenaren
.......
„ Drukken van Omslagen enz.
70125 aflev. )
30517 deels \\.............
1807 Riem ordinair drukniediaan \'...... & f 7,
150 „ best schrijfmediaan.......... „ „ 11,
Aan papier voor diversen.........
30 Riem gekleurd omslagpapier....... „ „ 15.
Voor het graveren en het koper van
2 stuks portret \'................
Plaatdrukloon van 3000 platen :\'... .
Voor het lithographeeren van 1 plaat *
met drukloon en papier, oplage
2825 ex........................
Voor het lithographeeren van 1 sterre-
kaart 5 met drukloon en papier,
oplage 2800 ex.................
Voor hot lithographeeren van 1 facsi-
Transporteeren...
50
50
07.
/\' 30718.32"
1    Geleverd door Charro.
2    NI. Bilderdijk\'s buste, staalgravure door D. J. Sluijter naar Louis
van Erven Dorens in Dl. I, en Is. da Costa, staalgravure door D. J.
Sluijter naar J. Gr. Schwartze in De mensch en de dichter. — Vgl. de
hieronder volgende noot 3.
3    Het cijfer 3000 lijkt me onjuist, daar Bilderdijk\'s buste en het
portret in verschillende staalplaten gegraveerd waren. Elders toch vind
ik, in 1856:
Sluijter, voor de buste van Bilderdijk, met de letter....... /\' 102.—
2900 afdrukken, 25 groot papier en 725 voor |inteeken|biljet. „ 96.—
in 1858:
Portret Mr. I. da Costa (Sluijter)........................ „ 200.—
en in 1859:
3050 portret Da Costa, 1700 facsimile Bilderdijk [in Dl. IX|. „ 119. — .
4    NI. de Kaart van de eerste waereld, steendruk door O. D. Emrik
naar W. Bilderdijk, in Dl. II.
6 NI. Nemelplanisfeer, of kaart van den noordelijken sterrenhemel,
steendruk door Emrik & Binger, in Dl. IV.
-ocr page 400-
387
BILDERDIJK , DICHTWERKEN.
f 30718.32"
79.50
„ 120.-
„ 500.-
„ 1566.385
„ 580.77s
„ 150.-
„ 500.—
Transport
mile \' met drukloon en papier.. . .
Banden * om de 2 present-exemplaren a, f
Exemplaren gevelineerd, zijnde
10OO0OO vellen, de 5000......... „ „
Exemplaren ingenaaid, 67657 aflev.. „ „
„
                 „         85(!7 deelen. „ „
Vracht voor het papier en de port
der proeven....................
Advertentiën in onderscheiden dag-
hladen.......................\'.
Divers drukwerk: 2500 bestellings-
lijsten, prospectussen (27500 in 8°,
8000 in 4"), 7500 biljetten en circul.,
23120 berigten, 25500 quit., 25625
kruisbanden....................
Reiskosten.......................
Verzendkosten, porten en frankeren.
Onkosten (administratie, vuur en
licht).........................
Colportage.......................
9495 ex. gebonden................ „ „
447 best ex. gebonden........... „ „
5193 losse handen................ „ „
187 „         „ best p.p......... „ „
Mr. J. Pan, honorarium Overxigt. . .
Schrijf- en collatieloon............
Koop-kopijen3....................
[Later kwam, na de voltooiing der
uitgaaf er nog bij :
1860  Bindwerk___...............
1861          „         ..................
Colportage.......................
1856.
3.75
2.50
2.20
6.50
11
409.60
n
300.—
■■
500.-
n
1000.—
p
3790.—
3155.53
311.20
1046.19
64.20
150.—
250.—
n
7095.—
V
285.41
33.03
n
14.—
f
52619.14"
0.33
0.65
0.20
0.34
1862  140 losse banden f 29.40
1863  160 „         „ „ 36.65.
*    NI. veertien regels uit het Afscheid, in Dl. IX. — Vgl. blz. 386
noot  3.
2    De bindstempels betrok Kruseman uit Londen.
3    Hieronder begrepen de DiclUwevken van Vrouwe Bilderdijk.
25*
-ocr page 401-
388                          BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
■1856.            Kruseman behield het werk in zijn fonds tot 1867, toen de
Dichtwerken van Bilderdijk en vrouwe K. W. Bilderdijk met
Da Oosta\'s De mensch en de dichter (211 en 740 exemplaren)
benevens een aantal losse deelen der eerste uitgaven en Mr. J.
Pan\'s Aanwijzing (A°. 1839) voor de „belangrijke som" \' van
f 3863.70 overging in handen van D. Noothoven van Goor te Lei-
den, die het artikel in 1876 voor/\'755 overdroeg aan W. H. Kir-
berger te Amsterdam. Op diens fondsveiling (20 November 1883)
waar H. A. M. lloelants te Schiedam voor/\'1075 eigenaar van het
artikel werd, waren de restanten respectievelijk gedaald tot 5 en
24 exemplaren 2. De achtereenvolgende eigenaars hadden de
innerlijke waarde van hun kopy-eigendom begrepen. Van Goor
stelde een nieuwe inteekeuing voor ƒ 1.25 per deel (in plaats van
_/\'2.70) open,omdat er zeer velen waren, „die ook gaarne een hulde
aan de nagedachtenis van Bilderdijk hadden willen brengen en zich
den toegang tot die wereld zijner edelste gedachten en gewaar-
wordiugen openen, maar die — treurige doch onomstootelijke
waarheid — den inteekenprijs te hoog moesten vinden en
hoopten, dat eenmaal ook voor hen de gelegenheid om ze zich
aan te schaffen zou zijn aangebroken *" en Kirberger had nog
gedacht over een herdruk, zij het ook met gewijzigde rang-
schikking der gedichten te geven, Avant hij achtte blijkbaar de
tijd voor een geheele Bilderdijk nog niet afgesloten *. Maar
thans, nu de dichtkunst, in het bijzonder die van een vorig
— ik gebruik hier met opzet niet het woord vroeger — tijd-
perk, bij verre na niet meer de plaats inneemt onder het pu-
bliek als 40 jaar geleden, en de kring van lezers van zeer
1 Nieuwsblad voor den Boekhandel 11 Juli 1867.
\' Hij had 9 en 19 exemplaren gekocht.
\' [Prospectus op] Bilderdijk\'s Dichtwerken, Leiden, D. Noothoven
van Goor, z. j. steendruk-titel met portret van Bilderdijk door P. Weis-
senhruch.
• Als een klein hewijs voor de betrekkelijke populariteit van Bil-
derdijk in 1863 moge gelden de verschijning van de Rotsgalmende rekel-
zang, minnezang uitgeboezemd door [Spiritus lenis] een ridder van den
domper
[J. Moulin] (Nieuwsblad voor den Boekhandel 16, 23 Juli en
27 Augustus 1863); de titel toch is een kennelijke herinnering aan twee
dichtbundels van Bilderdijk.
-ocr page 402-
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.                          389
subjectieve gedichten zich geheel verplaatst heeft, zou een on- 1856.
derneming als Kruseman met Bilderdijk waagde tot de onmo-
gelijkheden behooren. Hoewel mij uit den aard der zaak een
ook maar ietwat gezond inzicht in de zaak ontbreekt, zoo komt
het mij toch voor, dat de uitgave van een koinpleete Büder-
dijk
thans met het volste recht bestempeld zou moeten worden
als een roekelooze daad, die de uitgever tegenover zichzelf,
zijn huisgezin en zijn handel allerminst zou kunnen verdedi-
gen \'. En zoo veel te meer zou dat huidige oordeel te recht-
vaardigen zijn, daar zelfs over Kruseman in zijn tijd, in 1856
bij het begin van zijn onderneming, in dit opzicht niet anders
gedacht werd. Het was de Boekhandel, die den oud-voorzitter
van de Vereeniging zoo, zij het niet openlijk, besprak, het
waren Fred. Muller en Gebhard, die hein, onverbloemd en
onverholen, hun vrees te kennen gaven. Het welslagen der
onderneming, niet verwacht, deed de publieke opinie kee-
ren. Wat Pan 2, C. des Amorie van der Hoeven \', G.
1 De kompleete Bilderdijk in Januari 1896 door Gebis. Cohen be-
gonnen is slechts een door D. bijgewerkte herdruk van Van Vloten\'s
BloemUting.
1 „Uw onderneming is grootsch. Gelukt zij, zal steeds uw naam in
de geschiedenis onzer letterkunde met eere genoemd worden." (Brief van
Pan 9 Januari 1856).
„Ook Uw naam zal aan dien van Bild[erdijk] voor altijd verbonden
blijven, en in de geschiedenis onzer letterkunde eervol prijken. Door U
toch is aan onze letterkunde eene onwaardeerbare dienst bewezen, door
nu eerst de poezij van Bild[erdijk) in haar geheel voor onze natie toe-
gankelijk te stellen, al is het beste voor gewone lezers niet genietbaar.
In mijn lang leven heb ik betrekkelijk maar weinigen ontmoet die het
ware gevoel voor poezij en ook voor de kunst hadden." (Brief van Pan
21 November [1859].)
3 „Schoon wij elkander van aangezigt onbekend zijn, gevoel ik mij,
als Nederlander en als vereerder onzer nationale Letterkunde gedron-
gen, U mijne innige sympathie te betuigen voor de door U met zoo-
veel opgewektheid voorgenomene en aangekondigde uitgave van Bilder-
dijk\'s kompleete Dichtwerken. Gij voorziet daardoor op waardige wijze
in een reeds veel te lang gevoelde behoefte, gij toont daardoor uwen
tijd te begrijpen, gij verheft daardoor U zelven en den geheelen boek-
handelsstand. De geheele Nederlandsche natie moet zich voor Uwen
ijver aan U verpligt rekenen, en het Uwe zoetste belooning zijn voort-
-ocr page 403-
390
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
1856. Keiler \', Prudens van Duyse 2, Groen van Prinsterer 3, Busken
Huet %, Elout van Soeterwoude 5, "W. J. van Zeggelen ", M. de
Vries ~\', Bilderdijk\'s zoon de kapitein L. W. Bilderdijk 8 hem
aan uw naam onafscheidelijk aan dien van den grooten Bilderdijk ver-
bonden te zien .....
„Niemand mag voortaan meer onder eenig voorwendsel zijne onbe-
kendheid met Neèrlands Dichter vorst zoeken te regt vaardigen. Waar-
diger monument dan van hout of steen, moet hem worden opgerigt in
het hart des volks. Daartoe strekke uwe uitgave. En daarom bid ik U
van harte toe, dat gij die tot een gelukkig einde brengen en er véél
zegen op ondervinden moogt." (Brief van Des Amorie van der Hoeven
28 Februari 1856).
1    „Uwe voortreffelijke uitgave stel ik op zoo hoogen prijs." (Brief
van Keiler 14 Augustus 1856).
2    „Als vast ieder Nederlander, staan wij verstomd over uwen hercu-
lischen arbeid! Gij zijt onder de uitgevers wat die verduivelde Bilderdijk
(vergeef het vlaamsche woord) onder de dichters was: onvermoeibaar."
(Brief van Prudens van Duyse 1 Juli 1858).
„Noord en Zuid zijn het over uwe wakkerheid eens." (Brief van
Prudens van Duyse 25 Augustus 1858).
„Men zal [Bilderdijk] eeuwig bewonderen, en u dank wijten van hem
de onvergankelijkste zuil te hebben gesticht." (Brief van Prudens van
Duyse 2 Augustus 1859).
3    „Een onderneming waar door ook uw naam, bij al wie de eer van
letterkunde en vaderland lief heeft, onvergetelijk zal zijn." (Brief van
Groen van Prinsterer 27 October 185!)).
* „Geluk met Bilderdijk\'s voltooijing! Moge de onderneming naar
wensch en verdienste gedije." (Brief van Busken Huet 1 November 1859).
„Vergun mij u geluk te wenschen met het volbrengen der schoone
uitgave van Bilderdijk\'s Dichtwerken, U te danken voor de hulde daar-
door den grooten man gebragt en de weldaad der letterkundige wereld
bewezen." (Brief van Elout van Soeterwoude 17 November 1859).
" „Heb met do eer ook veel materieel geluk bij dien reuzenarbeid,
en zij het U en de Uwen tot in verre toekomende dagen, een krachtigen
hoeksteen van Uw fortuin." (Brief van Van Zeggelen 17 November 1859.)
„Ontvang bovenal mijnen hartelijken gelukwensch met de vol-
tooijing van dezen grooten arbeid, waardoor gij het vaderland in hoogen
mate aan U verpligt hebt, en die altijd een roemrijk gedenkteeken zal
blijven van hetgeen ijver en volharding vermogen, wanneer eene edele
geestdrift ze bezielt. Dat is mijne innige overtuiging, en daarom stel ik er
prijs op U die mede te deelen." (Brief van M. de Vries 18 Januari 1860).
„Ontvang. ... mijn gelukwensch met den bezwaarlijke, door U
ondernomene, maar boven verwachting geslaagde taak. Gij hebt bij de
-ocr page 404-
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.                             391
. schreven, werd door anderen gedrukt. Zoo Ten Kate in zijn reeds 1856.
aangehaalde bespreking in de Boekzaal, zoo Schimmel en
Zimmerman in De Gids, zoo Hasebroek in zijn Winde-kelken\'
in een „versje, waaro]) ik meen dat gij nog al eenige betrek-
king hebt, of wilt gij liever dat betrekking heeft op u" 2.
Op de
Nieuw voltooide uitgave
van al de
Dichtwerken van Bilderdijk.
Ik geloof hier niets te veel te zeggen, wan-
neer ik mijne overtuiging te kennen geef, dat,
op welke goedkeuring of sympathie ook eenig
eereblijk, aan Bilderdijk toegebracht of nog te
brengen, zou mogen rekenen, het gedenkteeken,
hem opgericht, door middel der persen van de
Nerferlandsclte bakermat der drukkunst, in ge-
pastheid en waarde voor geen ander ligt wijken zal.
Bilderdijk herdacht door Mr. Is. da Costa. bl. 11.
Sticht een zuil voor den Held,
Die uw legers op \'t veld
Met zijn degen ter zege geleidde!
ïoone een marmeren naald,
Waar zijn eernaam op praalt,
Dien aan aarde en hemelen beide!..
zelfvoldoening van te hebben durven wagen, en bij de genoegdoening
van te hebben kunnen volbrengen, U de erkentelijkheid verworven van
alle de liefhebbers, (minnaars is de hedendaagsche term) der dichtwer-
ken van Mr. W. B[ilderdijk] met de toejuiching van allen die gevoel,
smaak en kennis hebben van Nederlandsche taal en poezij !\'\' (Brief van
L. "W. Bilderdijk 21 Januari 1860).
1    Amsterdam 1859 blz. 155.
2    Brief van Hasebroek 6 Maart 1859.
-ocr page 405-
392                          BILDERDIJK , DICHTWERKEN.
1856.                                     Neen, uw marmer gespaard!
\'t Dient geen Man van liet zwaard,
Wien de vanen des oorlogs omwapperen !
Xeem het ijzren kanon,
Dat hij strijdend verwon,
En giet daaruit het beeld van den Dapperen!
Daalde op Bilderdijks graf
De eigen zonnestraal af,
Die zijn wieg vóór een eeuw heeft beschenen,
Uit wat marmer, wat goud,
Een trofee hem gebouwd,
Wien nog steeds al de Kunsten beweenen?
Wilt ge eens grafteekens praal ?
Neem zijn eigen metaal!.. . .
Breng de zwervende blaadren te zamen.
Waarop \'s Hoofddicliters stift
Zang op zang heeft gegrift,
En zijn eerzuil zal alle beschamen!
11 Octobcr 1856.
En uitten zich zoo de letterkundigen, die slechts van ter zijde
eenige Ahnung konden hebben van de mateiïeele mocielijkhe-
den, die Kruseman te overwinnen had gehad, bij den Boekhan-
del, uit den aard der zaak beter op de hoogte van de bezwa-
ren, die uit den weg geruimd hadden moeten worden voor de
uitgaaf verzekerd was, werd geen andere stem gehoord.
Bij een kleine feestviering van liet Amsterdamsche Boekver-
koopers-College werd den 20 December 1850 onder meer
andere verzen en toosten ook een lied gezongen op
BILDERDIJKS UITGAVE.
Wijze: Is \'t u bekend, getrouwe burr/erseharen.
Schoon is het vak, dat wij ons uitverkoren,
Schoon menigeen zijn roeping soms miskent,
En voor belang de stem van pligt durft smoren,
En Oosters gaaf en de eer van \'t gilde schendt;
Schoon is ons vak, wie dan ook waag \'t te schennen,
\'t Kweekt kunde en deugd, het is aan weidaan rijk,
Dit, Kruseman ! dit moeten wij erkennen
Bij d\' eerzuil, die gij sticht voor Bildkrdijk.
-ocr page 406-
BILDEHDIJK, DICHTWERKEN.                          393
Een sieraad moogt gij van ons gilde heeten,                                    1856.
En Nederland is veel aan u verpligt.
Wat zonder u veracht was of vergeten,
Bragt gij met vlijt en oordeel aan het licht!
Hoe velen kondt ge aan deeglijkheid gewennen,
Wat is uw pers aan smaak en kieschheid rijk,
Leef, Krijseman! wiens hand wij weer herkennen,
In \'t monument voor Vader Bh.derdijk ! — \'
Fred. Muller schreef een brief vol van lof, van bewondering
voor het werk door zijn vriend tot stand gebracht, een echte
boekverkoopersbrief, vol van onvervalschten koopmansgeest 2.
„Van harte, van heeler harte geluk ! Amicissime! met uw volbragt
werk, nu ik het 16e deel 3 van Bilderdijk van U ontvang.
Nu, dat is een merkpaal op uw leven, een monument, wat ge
U zelven hebt opgerigt *. Waarlijk, — indien ik bedenk hoe
de algemeene opinie was toen Gij voor 10?? jaren die onder-
neming begont, en meer dan 10000 gl. hadt opgeofferd vóór
eene letter stond, wat moeijelijkheden en onaangenaamheid Gij
te overwinnen hadt, éér Ge kondt zeggen: nu begin ik! dan
bewonder ik uw moed, uw standvastigheid, uw sagaciteit, uw
mercantiele geest. — Krusemau, gij hebt er eer van, en ik
verheug mij dat Gij tot de onzen behoort!
„Maar vriend! niet om U lof toe te zwaaijen (waarlijk niet,
Gij zelf zult weten wat er aan ontbreekt, hoe dit anders, en
dat beter moest zijn), maar om U vurig en hartelijk geluk te
wenschen, daarom schrijf ik U....... Ik vind het eene ge-
beurtenis ! die uitgave!
„. . . . Het is niet te ontkennen beiden [Bilderdijk eu Da
Costa] zijn genieën; de uitgave v. Da C. is een brok uit zijn
leven, een stuk levens van een geniaal man. En wij, Hollan-
1    Een goud- en zilverdruk van dit vers werd Kruseman door het
College toegezonden. De vervaardiger was L. F. J. Hassels.
2    Brief van Fred. Muller 15 November 1859.
3    Da Costa\'s De mensch en de dichter.
" Vgl. hiermede Moltzer\'s Bilderdijk en het Nederlandsche volk. Aan
ivien de schuld der verwijdering.
Gron. 1873 blz. 14, waar hij de
Dichtwerken „Krusemans meesterstuk" noemt.
-ocr page 407-
394
BILDERUIJK , DICHTWERKEN.
1856. ders, wij mogen er trotsch op zijn, zulke genieën gehad te
hebben en te bezitten...."
Eveneens meende J. C. Altorffer te Middelburg, een boek-
verkooper, die zich ook veel aan de geschiedenis van zijn vak
gelegen liet liggen, reeds in 1850 een dichterlijk woord te
moeten wijden aan de onderneming en daaraan voegde hij na
de voltooiing een woord van hulde aan Kruseman toe.
Na \'T LEZEN VAN BlLDERDIJKS EPOS AAN
DEN HEER A. C. KRUSEMAN.
Hier volgen wij met vonklende oogen
Uw geest in zijn ontvouwbre vlugt.
W. de Clercq. Improvisatie bij Bilderdijks graf.
Volheerlijk kunstgewrocht! ach, waarom niet voltogen?
Gij zoudt, zoo \'t mooglijk waar, nog \'s Dichters roem verhoogen.
Nu maakt ge een ïantalas van ieder die u kent
En \'t onvolprezen schoon in ziel en zinnen prent.
Wat vinding, welk een toon, wat beelden, naar het leven
Natuur en krijg ontleend, bezield teruggegeven,
Of door verbeeldingskracht geroepen uit het niet;
Wat rijkdom onzer taal voert er alom gebied!
Hier: krachtig en vol vuur, daar: zacht en lieflijk vloeijend,
Doch steeds oorspronklijk, altijd waardig, immer boeijend.
Het zij \'t de huwlijksmin in Zilfaas weeklagt maalt; —
Dea I\'aradijsmensch schetst, uit eedier oord gedaald; —
Elpincs zielelced, haar schrikbaar wanhoopklagen
— Der liefde lust en smart — ons meegevoel komt vragen,
Haar kreet profetisch klinkt in \'t vreeslijk afscheidsuur; —
Door wien en waar geuit, \'t zijn tolken der Natuur!
Of wen \'t ons Segol schetst als Vader, meer dan Koning
Zijns volks; of in den krijg, vo- heldenmoedbetooning
Of in het eenzaam uur, vol boezemsmart, in beè
Om Zilfaas droeve ramp on gruwbaar zielewee
Den onbekenden God zijn lot beveelt en lijden ; —
Dan weer de ruwe teelt der Reuzen maalt in \'t strijden,
Bealdars, Argebars en zulk verdierlijkt volk,
Dat langs de velden strijkt gelijk een sprinkhaanwolk.
-ocr page 408-
395
BILDERDIJK, DICHTWERKEN.
Maar hoe ooit lof gebragt, ooit naar waardij bezongen                           1856.
Die schepping van een geest, wiens glorie is voldongen?
Daar van den Tors\' elk deel zijn luister hel verbreidt
Gelijk dien \'t eêlgesteent in eiken korrel spreidt
Wanneer de ruwe kracht het deed in gruizels spatten.
Bewondren wij dan \'t Schoon ! Genieten wij de schatten
Aan Nederland vermaakt door hem, wien \'t nooit iets gaf
Dan ondank, laster, dan miskenning en... .een graf!
1856.
Maar neen — een dankbre zoon, een jongre van zijn gaven
Bezield door \'t zelfde vuur, heeft schittrend mogen staven
Dat Neêrlands volk genie toch nog waardeeren kan:
Dat tuigt Da Costaas moed en die van Kruseman!
1860.
Lof genoeg vond Kruseman dus door zijn grootschen arbeid
en te verwonderen is liet dan ook niet, dat hij steeds betrok-
ken zou worden in alles wat met Bilderdijk\'s nagedachtenis in
verband stond.
Dat was het geval in het najaar van 1861. Dr. Wan, de
ontwerper van het Bilderdijk-monument in 1854, kwam zijn
hulp inroepen voor Leonard Schweickhardt, den eeuigen broe-
der van Katharina Wilhelmina Bilderdijk. Deze, die tot 1856
werkzaam was geweest als graveur voor de kaarten van het
ïopographisch Bureau, verkeerde in zeer behoeftige omstandig-
heden; met het doel hem eenig soulaas te brengen, belastte
Kruseman zich op voorstel van Wap met de aflevering van
medaillon-portretten van Bilderdijk en zijn tweede echtgenoote,
waarvan de matrijzen, in het begin dezer eeuw door Jacob
Hagbolt vervaardigd, bewaard gebleven waren en voor deze
gelegenheid door Karel Wiener, medailleur en beeldhouwer van
Z. M. den Koning geretoucheerd werden. Het resultaat was al
zeer teleurstellend; van de 200 circulaires door Wap en door
Kruseman uitgezonden, kwamen er niet meer dan een twaalftal
ingevuld terug \'.
1 Onder de personen, die een exemplaar bestelden, was ook Alber-
dingk ïhijm. Omdat ik het volgende briefje van Thijm geestig gesteld
-ocr page 409-
396
SCHRIFTELIJKE RELATIE MET AUTEURS.
1856.             Naast den lof, die Krusemari toegebracht werd voor het tot
stand brengen van de lang gehoopte Dichtwerken vond hij
eveneens erkenning, ook toen hij nog aan het begin der on-
derneming stond; een paar maanden na het verschijnen dei-
eerste aflevering nam de Maatschappij der Nederlandsche Let-
terkunde te Leiden hem in haar ledenvergadering van 1856 in
haar midden op. Dat op prijs stellen van zijn verdienste als tus-
schenpersoon tusschen letterkundigen en publiek zou rijpe
vruchten dragen. Wie toch zou anders de persoon zijn ge-
weest, die Frederik Muller in de Levensberichten zoo zou kun-
nen waardeeren, en daarin die merkwaardige woorden druk-
ken, geheel op den schrijver zelf toepasselijk: „Erederik Mul-
Ier was boekverkooper." En bovendien, door die benoeming
opende in de toekomst de Maatschappij in de door Kruseman
ontvangen brieven van de auteurs, waarmede hij in relatie
stond, zich een bron, die onuitputtelijk zal blijken te zijn
voor de geschiedenis der letterkunde van 1840 tot 1876. Die
kostelijke serie brieven, die mij met meer andere bescheiden
voor het schrijven van dit werk ten dienste staat, werd door
Kruseman na zijn overlijden gedeeltelijk voor de Bibliotheek
der Maatschappij bestemd en geeft alreeds bij een zeer opper-
vlakkige, vluchtige inzage overtuigend blijk van de inerk-
waardige plaats, die hij, vooral tusschen 1856 en 1865
innam, in de letterkundige en somtijds ook in de wetenschap-
pelijke wereld; welk een invloed, welk een kracht er kan uit-
gaan van een uitgever, die in zijn uitgaven nog iets anders
ziet dan koopwaar, die, zonder de handelskant van zijn bedrijf
te verwaarloozen, er van overtuigd is dat boeken een onbere-
kenbaren invloed kunnen oefenen op het publiek en die, door-
acht, druk ik hier af wat hij den 17 April 1862 aan Kruseman schreef:
„Dr. Waps arme kunstenaar verdient geen hon voor zijn stukjes koper-
draad, in de gijpsgietsels van de bareliefs Bi Menlijk gehecht. Ik heb
eigenhandig de beide medalions aan ronde gladde koperen pennetjens
gehangen, en zie, gisteren lag Mev. Bilderdijk aan diggelen: het kar-
kasjen was gebroken. En het was zoo\'n goed gietseltjen! Ik had de
lijstjens laten zwarten en vernissen en de binnenrandjens eikenhouten!
Dat... loog allerliefst."
-ocr page 410-
397
BUSKEN HUET EN DA COSTA.
drongen van die wetenschap, de macht, die hij kan oefenen "isne.
over zijn medemenschen, in de goede richting leidt en zijn
handel dienstbaar maakt aan de verheffing en ontwikkeling van
de lezers.
Wijsheyt is de beste schat;
Werelts goet maeokt niemant sadt.
Toch zou Kruseman niet over de Bilderdijk, maar wel naar
aanleiding daarvan onaangename brieven te ontvangen hebben
van Da Costa.
Het lag in den aard der zaak, dat die dagelij ksche corres-
pondentie met Da Costa en de veelvuldige bezoeken bij hem
afgelegd, ik wil niet zeggen een intimiteit tusschen Da Costa
en Kruseman in het leven riepen — het verschil in leeftijd
sloot dat reeds in de eerste plaats uit —, maar het gaf toch
een zekeren vertrouwelijken band, die veroorzaakte, dat Da Costa
zoo gaarne gezien zou hebben, dat Kruseman als uitgever van
letterkundige, maar vooral van theologische werken uitsluitend
uitgaven gedaan zou hebben, die in den kring van Da Costa
en zijn partijgenooten met graagte ontvangen zouden kunnen
worden. Da Costa bedroog zich daarin. Bij voorkeur richtte
Kruseman het monument voor Bilderdijk op als letterkundige,
niet als partijman. Er was dan ook geen enkele reden voor
hem, die vóór alles de vaan der letterkundige kunst hoog
wilde houden, zijn persen te sluiten voor anderen, die op dat
gebied als kunst wat te presteeren zouden hebben en waarvan het
te verwachten stond, dat de ééne of andere richting aanstoot
zou kunnen nemen; voor mannen die op sociaal of godsdienstig
terreiu lijnrecht tegenover Da Costa stonden, voor Huet en
Pierson.
Het is reeds vroeger gezegd hoe Huet, die hoe langer meer
ging overhellen naar het punt, dat symmetrisch het andere
uiterste was van de door Da Costa met hart en ziel toegedane
begrippen, allengskens een persoon zou worden, die Da Costa\'s
laatste levensjaren meer en meer zou vergallen. Het verschij-
nen der Aurora voor J858, waarin het laatste gedicht door
Tollens, weinige dagen voor zijn dood vervaardigd, verscheen,
-ocr page 411-
398              LANOS HET KERKHOF, DOOR. THRASYBUUJS.
veroorzaakte een uitbarsting van Da Costa\'s gemoed. In dat
jaarboekje schreef Thrasybulus, als bijschrift bij een gravure
door "W. Steelink naar Tsraels\' bekend schilderij, zijn Lang» het
kerkhof,
een opstel, waarin geteekend werd hoe een eenvoudige
Scheveningsche visscher na het overlijden zijner jonge vrouw, een
kroeglooper werd, de kerk vermeed, door den predikant bij zijn
huisbezoek op het goede pad teruggebracht werd en zijn onder-
worpenlieid en gelatenheid, zijn godsdienstige berusting terugvond
door Job, door den Bijbel \'. De opzet van dat verhaal gaf
Huet aanleiding verschillende gezegden in den mond zijner
personae, dramatis te leggen, die een allesbehalve bijbelsche of
christelijke kleur hadden, en dat ergerde Da Costa, dat maakte
zijn heiligen toorn gaande, dien hij onverbloemd aan Kruseman
schreef -.
En nu nog iets dat mij op het hart ligt. Mijnt» vriend-
schap en hoogachting voor II maakt mij het terughouden
schier onmogelijk. De lezing van de Aurora heeft een
pijnlijken indruk gemaakt! Ik mag niet ontveinzen dat
het stukje van Thrasybulus mij niet alleen geërgerd maar
verontwaardigd heeft. Wat laffe en vooral onbetamelijke
spotternij met heilige zaken! Wat tekst op het kunst-
werk van een Israëliet 3 door (gelijk algemeen gedacht
wordt) een Predikant! Ik maak er voor niemand een
geheim van, hoe ik over dien Predikant denk; maar ge-
lijk hij nu schrijft en wroet, gaat alle schaamte te buiten.
Dat de Aurora met zulk een stuk bezoedeld, gedragen
moet worden door de kiesche oden en hymnen van uwe
Biltlerdijk, smart mij. ik geloof, dat de orthodoxen de
eenigen niet zullen zijn, die zich aan dat vuile product
van Tbr. stooten; mij is zijn fransch en zijn hollandsch
even stuitend en bedroevend. — Ik zou nu aan den
1 Herdrukt in Ooerdnikjes. Schetsen en verhalen door Cd. Busken
Huet. Haaid. 1858 blz. 105 en in Schetsen en verhalen door Cd. en Anne
Busken Huet. Arnh. 18(53 blz. 249.
1 Brief van Da Costa 8 December 1857.
\' Israels.
-ocr page 412-
LANGS HET KERKHOF, DOOR THRASYBUMJS.              399
heer S. v. d. Bergh schrijvende geen verschooning aan- *856.
bieden, maar veeleer mijne blijdschap te kennen geven,
dat ik aan dit zijn Jaarboekje niet medegewerkt heb. —
Het zon mij innig leed doen, indien deze mijne ontboe-
zeming U krenkte. Ik weet,\' dat men geenen Uitgever
verantwoordelijk kan stellen in den regel, voor alles wat
van zijne persen of boekhandel uitgaat. En toch! ik
mocht, ik kou niet zwijgen. — Veroorlooft men zich ooit
in de Aurora gelijksoortige spotternijen b.v. met de dwa-
lingen en dwaasheden der II. Kerk ? En hier heeft zich
Tbr. wederom de onedelste spotternijen veroorloofd met
eene leer, die bij de kerk waartoe hij zelf behoort, heilig
en dierbaar is.
Het lezen van die woorden wekte mijn nieuwsgierigheid
maar Kruseman\'s antwoord. Moe zou hij zich tegenover Da Costa
kunnen verdedigen, dat hij naast hem ook lluet als auteur
in zijn fonds wilde opnemen !J Hoe zou hij aan den eenen kant
Huet de hand boven het hoofd kunnen houden en daarbij niet
tegelijkertijd een verwijdering, een breuk wellicht, in het leven
roepen met Da Costa, die hij, Kruseinen, zeker nimmer zou
wenschen, maar thans allerminst nu de Bilderdijk in volle
actie was? Hoe zou hij zich kunnen rechtvaardigen, zonder
aan één van beide partijen te kort te doen en beiden zoo moge-
lijk nog nauwer aan zich weten te verbinden? Dat antwoord
bleek voor Krusenian niet moeielijk; als man van beginsel was
zijn antwoord dadelijk gereed. Onmiddellijk na de lezing van
Da Costa\'s grieven, werd denzelfden dag, den 9 December — die
datum staat op Da Costa\'s brief afgestempeld als postinerk —
een verwering gericht tot Da Costa. Is Da Costa\'s brief be-
langrijk, hetgeen Krusenian hem antwoordde is niet minder
merkwaardig en dat nog te meer, omdat, hetgeen Krusenian
op papier zou stellen, zijn geloofsbelijdenis als uitgever zou
zijn, omdat hij zou gaan formuleeren de plaats, de eenige
plaats, die naar zijn inzicht een uitgever in de maatschappe-
lijke boekenwereld mag, kan en moet innemen. Krusenian zond
aan Da Costa een proef blad van de Bilderdijk.
-ocr page 413-
400
GELOOFSBELIJDENIS ALS UITGEVER.
1856.                      „Ook komt in dat blad voor, \'t reeds zoo vaak bespro-
ken, en altoos als struikelblok gevreesde puntdicht op de
Schandelijke koningin \'. Naar het nader vastgesteld be-
ginsel, en ook volgens uw geëerd schrijven van 25 Nov.
1.1. dient dit vers nu; even als later "\'t Jacoba kannetje,
opgenomen. Mij zal \'t evenwel geene ergernis zijn zoo
\'t weg valle. Uw oordeel bepale. Om der kompleetheid wille
en om getrouw te blijven aan de taak om te geven wat
als echt erkend en gedrukt is, kan ik \'t behoud wenschen;
om aanstoot te vermijden zou ik \'t kunnen zien verdwij-
nen. Litterair is \'t geven een pligt; naar eigen gevoel is
\'t een crime. Al is er aan de stem van den pligt tot
hiertoe gehoor gegeven, wat wonder, dat bij ieder strijd,
of aanleiding daartoe, \'t gemoed er weer tegen opkomt.
Die strijd tusschen persoonlijk oordeel en maatschappe-
lijke onzijdigheid is een telkeus wederkeerende beproeving
in \'t leven van een uitgever. Ik verheug er mij over, dat
ik eeue aanleiding in uw rond schrijven vind, om mij
hieromtrent even onverholen en gemoedelijk te uiten, al
doet het mij in \'t harte leed, dat door u de staf over
mijne Aurora gebroken wordt. Verschoon het, ik bid het
U, als ik, onder al den eerbied U verschuldigd, en U
toegedragen ongeveinsd, eerlijk en met heel mijn gemoed,
het wage mij zelven te verdedigen, zelfs daar, waar uwe
welwillendheid mij zelfs van zeer ter zijde en altijd met
de tegemoetkoming van eenige genegenheid beschuldigt.
Juist uwe goedheid jegens mij en mijne innige hoogach-
ting jegens U maken het mij tot behoefte bescheiden te
spreken waar uw wenkbraauw een oogenblik tegen mij
fronst. In het algemeen, en niet alleen in betrekking tot
Aurora, acht ik het mijn maatschappelijken pligt, op het
gebied van geloof, wetenschap en kunst, als uitgever, als
middenpersoou, gansch onzijdig te zijn en te blijven.\' Zoo
zéér en zoo innig als ik er naar tracht te streven om als
persoon een karakter te hebben en aan te kweeken, ook
Dichtwerken Dl. XIII blz. 297.
-ocr page 414-
GELOOFSBELIJDENIS ALS UITGEVER.                       401
aan te kweeken bij en na te laten aan mijne kinderen, 1856.
het liefste! en heiligste wat ik op de wereld bezit of in
leven heb; zoo zéér als ik alle dwalingen en twijfelingen
in gevoelen en denken bij mij zelv\' en de mijnen zoek
terug te brengen tot positiviteit — even zeer acht ik mij
in mijne handels-betrekking te moeten gewennen aan een
laissez aller, waar ik, hoe onbescheiden ook, in den auteur
of redacteur eene daad van eigen conscientie erkennen
moet. Ik zal wel niet noodig hebben te betuigen, dat ik
niet- alleen langs eerlijke, maar ook langs eervolle of voor
\'t minst reine wegen wensch te geraken aan mijn dage-
lijkscli brood; dat ik tracht naar het goede en schoone,
naar eigen hartelust. Maar om als middenpersoon en uit-
gever zóó eenig persoonlijk gevoelen te laten gelden —
ik herhaal \'t op welk gebied van kennis of kunst ook —
dat de verantwoording des auteurs ook die der machine
zijn zou, is een ideaal, waartoe ik den sleutel niet vinden
kan en wat ik ook, met onderzoek des gewetens, niet tot
mijn maatschappelijk streven reken. Veeleer de vrije uiting
des geestes, waar die eerlijk en gemoedelijk mijne pers
zoekt tot middel.
Wat nu de Aurora speciaal betreft, het grieft me, méér
dan ik zeggen kan, dat de lezing U geërgerd heeft. Waar-
lijk, ik treed niet op als kampioen voor Huet, noch
hierin, noch elders. Ook matig ik mij niet de uiting van
eenig oordeel aan, \'t geen mij niet past en ook in mijne
betrekking niet te pas komt. Alleen betuig ik, dat mij uw-
oordeel in goinoede grieft mij [sic] en dat ik wenschte daar-
toe, ook zelfs niet onwillekeurig, aanleiding gegeven te
hebben! Wanneer de redacteur (en met hem de uitgever)
ontwaart, dat hij eene bijdrage geplaatst heeft van Thra-
sybulus, ten koste van uwe welwillende belangstelling, is
\'t verlies gevoelig, in dubbelen zin. Bij volle eerbiediging
van uwe beweegredenen, die ik, al zij \'t tot mijne schade,
niet zou begeeren te kort te doen of om te buigen, treft
mij uwe litteraire ongenade ditmaal vrij hard, al is ze
ook nog zoo natuurlijk en tegen uwe vriendelijke geziud-
26
-ocr page 415-
402                  GELOOFSBELIJDENIS ALS tnTOEVEIt.
is:*.                heid in. Uw naam on sympathie te verliezen, ja uwe
tegeningenoraenheid te. wokken voor [do] Aurora, en
daarenboven Uw naam niet te zien op [den] bundel
Historische, vrouwen, waar die wel en gelijktijdig gegeven
wordt aan eene andere verzameling van historische sujet-
ten \', is mij eene knagende zekerheid. Toch, hoop ik, in
betrekking tot dit laatste, zal \'t L\' om mijns peisoons
wille en in belang van het degelijke, niet onaangenaam
zijn te vernemen, dat ook de Heeren Beets (wien ik lier-
stellend mogt ontmoeten) en Ter Haar hunne ïnedewer-
king hebben toegezegd. Aan zulk eene editie, even als
aan Bilderdijk, waar ik zelf eenigerrnate de verbreiding
en uitbreiding van hel, schoone, al is \'t nog zoo gering,
werkdadig bevorderen kan, hangt mijn uitgevers- en ook
mijn persoonlijk hart.
Kostelijk, voortreffelijk en voornaam. De 40-jarige uitgever
was op de middaghoogte van zijn loophaan gekomen; de sur-
cnlus
van Beets was de arbor van Kruseman geworden. De
vaan van den handel werd fier omhoog gestoken en aan een
ieder en een iegelijk getoond, in woorden en in daden, in han-
del en in wandel. Groote werkkracht werd ontwikkeld; het papier,
bedrukt met het beste, wat Nederland kon geven op literair
gebied, overstroomde het Luid van de Spaarne-stad uit: „Van
Haarlem ging het licht uit over de aarde", was de spreuk op
het huldeblijk van Haarlem\'8 burgerij bij de Costers-feesten;
in het jaar der Costers-feesten besteeg Kruseman het hoogte-
punt van zijn loopbaan. Evenals het Oosterbeeld fier en frank
zijn gevleugelde A opheft om symbolisch te toonen wat macht
er van de drukpers kan uitgaan, evenzoo bracht Kruseman
in datzelfde jaar datzelfde denkbeeld in al zijn volheid en
rijpheid in praktijk als Haarlemmer, als (Josterszoon, als uit-
gever, als man van karakter.
                                                 ,
1 NI. aan Kruseman\'s stadgenoot Van Brederode voor de Tien blad-
zijrfen uit de geschiedenis ran Neérlanda roem en grootheid.
-ocr page 416-
IN 1857.
40:3
KONDSVKILING
Kruseman was in de volle overgroote drukte van zijn handel 1857.
gekomen en het gaf hem overvloed van werk, meer dan hij
feitelijk af kon. De periodieken kostten voortdurende zorg, en
voor vele kon die zorg niet- meer zijn, wat zij vroeger geweest
was, nu hij langzaam, maar zeker zieh in een andere richting
ontwikkelde en zieh zelf als het ware ontwies aan zijn geesteskinde-
ren. Periodieken als een Christelijk Album, een Aglaja konden
bezwaarlijk meer met dezelfde liefderijke angstvalligheid behartigd
worden, als een Album der Natuur, een Wetenschappelijke lila-
den,
een Natuurlijke historie van Nederland. Het vrij uitge-
breide fonds van ruim 000 titels, dat langzaam aan verzameld
was, bleef voortdurend klimmende bemoeiingen vereisehen, \'die
vele fondsartikelen uit vroegere jaren tot een vrij wel dood
kapitaal maakten; voor Kruseman, omdat hij door niet voort-
durend de aandacht van den handel er op te vestigen, er geen
debiet meer voor had, voor het lezend publiek, omdat het de
hoeken niet meer onder de oogen kreeg. Een voor zijn dagen
ongehoord plan rijpte; Puhri werd al in 1S55 om raad ge-
vraagd \', toen de voorbereidende werkzaamheden voor de Bilder-
dij\'k-uitgaaf
\'meer en meer aan Kruseman de overtuiging gaven,
dat er slechts één middel was om het hoofd hoven water te
houden en zijn hoeken, waarin een deel van zijn eigen intel-
lectueel (huiken verscholen was, weer ten nieuw leven te wek-
ken: de geheele verkoop van zijn fonds.
Het was een breken met een ouden sleurgang en gewoonte
in den handel. „De boeken moesten met hun uitgevers als het
ware vergroeien en kwamen nooit vrij, tenzij hij die ze ter
perse gelegd had door een niet te keeren ongeval hun ontval-
len was. Dan eerst kwamen zij ter markt en konden, ten uit-
verkoop of ten herdruk, in andere handen overgegaan" -. Kru-
seman wilde als man van beginsel, breken met die gewoonte en
ging naar Van Kesteren, den aangewezen persoon om den ver-
koop te leiden. Hij klopte aan doove mans deuren. „Hebt ge
geldgebrek — de gedachte aan Büderdijk was blijkbaar in
1 Brief van Fuhri 5 September 1855.
1 Bouwsto/fen Dl. I blz. 95.
26*
-ocr page 417-
404                          FONDSVEITJNG IN 1857.
1857. het spel, — kom er dan roucl voor uit, ik zal U helpen, lie-
ver dan tot die ongehoorde daad mee te werken en hulp te
leenen tot die onvermijdelijke prijsvermindering van uw arti-
kelen ? Waar moet het heen met onzen degelijken boekhan-
del, wanneer gij de hand reikt aan die schandelijke prijsver-
mindering en den opkomenden tweede-hands-handel, dien kanker
voor ons bedrijf?" Het kostte Kritseman vrij wat moeite Van
Kesteren aan zijn verstand te brengen, dat geldgebrek bij hem
de aanleiding niet was, dat prijsvermindering, evenals tweede-
hauds-haiulel, mits goed geleid, eer aangewakkerd dan tegen-
gegaan moest worden. Van Kesteren zwichtte en nam de lei-
ding der veiling op zich. Niettemin was dat breken met usan-
ces en costumen een stout stuk; een besluit, dat volgens Puhri
getuigde van meer grootheid van ziel dan menig waagstuk,
op het veld der staatkunde of van den oorlog ondernomen \'
en juist daarom meende Kruseman zich verplicht in ecu eir-
culaire
daarvan rekenschap te moeten geven aan den handel.
Haarlem, 15 Julij 1S57.
M.
Voor zoo ver dit nog niet door u mogt gedaan zijn,
verzoek ik ten vriendelijkste om mij vóór 15 Augustus
e. k. te willen terugzenden het overige Commissiegoed van
A° P°, benevens datgene, van vroeger datum uitgegeven,
wat door u op rekening van dit jaar in Commissie mogt
gehouden of aangevraagd zijn.
Ik zal niet noodig hebben dit verzoek aan te dringen,
wanneer ik u bij dezen kennis geef, dat het mijn voor-
nemen is, om in September aanstaande mijn geheel e
Fonds, tot ultimo December toe, in veiling te brengen,
en dat ik daartoe mijn voorloopigen Catalogus in handen
van den Heer J. C. Van Resteren gesteld heb. — Zoo
welligt dit berigt mijne handels vrienden, die wel zoo
\' Brief van Fnhri 26 Augustus 1857.
-ocr page 418-
FONDSVEILING IN 1857.
405
goed willen zijn eenig belang in mij te stellen, eeniger- i857.
mate verrassen mogt, ben ik bereid van dit besluit reken-
schap te geven. Geen enkele reden heeft mij daartoe
gebragt, dan alleen de ondervinding van de op den duur
al te zeer vermoeijende werkzaamheden aan de exploitatie
van zoo vele en zoo uiteenloopende uitgaven, als waar-
van ik mij al meer en meer omringd zie, verbonden.
Niettegenstaande de ijverigste zorg en de beste bedoeling,
zou het ten kosten zoowel mijner goede Fonds-artikelen
als van mijne eigene gezondheid komen, indien ik voort-
ging mijne zaken — het zij met alle bescheidenheid ge-
zegd — uit te breiden, zoo als ik dit gedurende de zeven-
tien jaren dat ik den handel drijf, onder het genot van
grooten zegen, heb mogen doen. In de handen van ver-
schillenden, kunnen, om slechts enkele te noemen, onder-
nemingen als Christelijk Album, Aglaja, Album
der Natuur, "We te n s c h appe 1 ij k e BI a de n, Fa m i-
lie-Magazijn, Aurora, Praktische Volks-Al-
m a n a k, 1) i c k e n s\' en W a 11 e r S c o 11 s W e r k e n,
Buitenla ndsche en Hollandsche Klassieken,
L a n d b o u w b o e k j e s en N ij ver heids-Bibliotheek
uitmuntende speculatiën blijven, op de schouders van een
enkelen, ten minste op de mijne, drukt hun bestuur, bij
zoo véél anders, dat zijne eischen en belangen heeft, op
den langen weg te zwaar. Opdat men niet meenen zou,
dat ik de mindere te koop gaf en de betere voor mij
zelven behield, heb ik begrepen, niet alleen afstand te
moeten doen van sommige, maar van alle, en een kor-
daten maatregel te nemen, wilde ik voor mij zelven rust
en ruimte en voor mijne artikelen vastheid en voordeel
winnen. Aan nieuwe handen toevertrouwd, wenscht niemand
liever dan ik-zelf mijnen 1\'ondswerken frisscher krachten
toe, dan ik, door overmaat van arbeid, er aan kan toewijden.
Nog eene andere verandering zal er in mijne zaken
plaats hebben. Mijn W in kei debiet, Leesinrigt ing
en al wat daaraan verbonden mag blijven, heb ik over-
gedaan aan den Heer C. van Asperen van der Velde
-ocr page 419-
FONDSVEILING IN 1857.
406
1857.                 alhier, die daarmede zijn eigen Boekhandel, van 1° Augustus
af, zal uitbreiden. Terwijl de Tijdschriften enz., mij door
o geleverd, het geheele jaar voor mijne rekening blijven,
verzoek ik u mij na bovengenoeinden datum geen Coin-
missiegoed meer te zenden, maar den lieer van Asperën
van der Velde daarvan dubbel te voorzien.
Voor mij zelven blijf ik alleen als Uitgever op wat
rustiger voet in den Boekhandel werkzaam. Ik lieb daar-
toe voor \'s bands aan de Bil der dijk, Natuurlijke
Historie van Nederland, eene aanstaande nieuwe
uitgave van De Jonge, Zeewezeu en al wat dit jaar
bij mij ter perse gelegd is, genoeg. Van mijne eerlijkheid
zal men wel willen vertrouwen, dat ik mij nimmer schul-
dig zal maken aan eene onedele concurrentie met de
eventuele koopers mijner ka pi taaiste ondernemingen.
Ik beveel mij voortdurend in u-aller goedgunstige en
door inij hooggewaardeerde vriendschap aan, en betuig
met achting en vriendschap te zijn
\\]\\v Dw. Dienaar,
A. C. Kruseman.
Zoo kwam dan in October 1857, op weinige uitzondering
na, alles in veiling wat Kruseman van 1840 tot het einde van
1856 had uitgegeven, en om het ongehoorde van het feit gaf
het Nieuwsblad voor den Boekhandel \' na bet houden der ver-
kooping er een beschouwing over ten beste.
„In afwachting dat wij den uitslag mededeelen van de ver-
kooping der fondsartikelen van den Heer A. C. Kruseman te
Haarlem, die op (i en 7 (Jet. 1.1. te Amsterdam plaats had,
kunnen wij niet nalaten den indruk mede te deelen welken die
verkooping in haar geheid op ons maakte. Het was een tot
dusverre in Nederland uniek feit, dat een uitgever, nog in de
kracht zijns levens, en volstrekt niet van plan om den Boek-
handel vaarwel te zeggen, bijna geheel zijn fonds ter markt
15 Octuber 1857.
-ocr page 420-
fonusveilinc; in 1857.
407
bragt. Het feit mogt gewaagd heeteu tegenover zijne auteurs, 18&7-
tegenover het publiek en tegenover den Boekhandel. Het wel-
begrepen baudelsbelaug van den uitgever had liier een grooten
strijd te strijden met zoogenaamde handels-usantiën uit inge-
wortelde vooroordeelen ontstaan. Het boekenkoopend publiek
hield samenscholingen, en ieder (zoo meende men) wist wel
de reden waarom de uitgever van het Christelijk Album, en
de Aglaja zijn fonds verkocht, maar wilde den man sparen,
„omdat hij toch zoo actief was geweest." Yele auteurs die den
uitgever met hunne copijen „begunstigd hadden" vonden die
handelwijze onbegrijpelijk, zoo niet onvergeefelijk. Maar even-
min als de Heer KttUSKMAN ooit terug deinsde voor eene on-
derneming, waarvan het plan hem een goeden uitslag beloofde,
ook al waren de grootste bezwaren aanwezig, zoo liet hij zich ook
hier niet afschrikken door die vele en ijdele op- en aanmerkingen,
welke hij zeker vóór de uitvoering van zijn plan wist, dat
door auteurs, publiek en boekhandel zouden gemaakt worden.
„De nieuwheid van het feit droeg niet weinig bij eene meer
dan gewone belangstelling daarvoor op te wekken; zelden za-
gen wij op eene dergelijke verkooping een grooter aantal
Boekhandelaren vereenigd. De uitslag mag daaraan geëvenre-
digd heeten. Bijna al de voornaamste artikelen vonden koo-
l>ers; het Christelijk Album, en de Aglaja werden gekocht door
J. Noman & Zoon, het Album der natuur door de Erven
van Bolhuis Hoitsejia, en bragten de Werken van DlCKENS
en W. Scorr, en de linileutandsche Klassieken niet den prijs
op waarvoor de verkooper ze gelimiteerd had, de reden hier-
van kan gezocht worden in de bezwarende conditiën hieraan
verbonden, de overname van nog niet afgedrukte deelen, van
kopieregten van onuitgegeven werken, enz. Van de kleinere
arts [sic] waren het vooral de Landbouio- en Nijcerheidsboek-
jes,
het liaakboekje, de V oordragteu voor Landbouwers, die
goede prijzen haalden, niet minder de Handboeken, van Bo.ii:-
skn en Stoll, en Weeveringh\'s Staatsschulden. Intusschen,
de belangstelling der aanwezenden duurde van het begin tot
het einde der verkooping, waartoe niet weinig de eenigzins wil-
lekeurige inrigting van den catalogus meewerkte, v. Zkggelen\'s
-ocr page 421-
408
FONDS VEILING IN 1857.
1857. Keur van sc/ierfs en luim, bragt den boekverk. prijs op,
maar liet getal ex. was clan ook onbeduidend, v. Zeg-
gelen\'s Werken bijna de helft van den boekverk. prijs
maar het getal ex. was aanzienlijk. De geringe getallen
van ter IIaar\'s Huiberl en Klaar/je, Hofdijk/s Griffo de
Saliè\'r
werden betrekkelijk duur verkocht; ook vele romans
vonden koopers voor meer dan den gewonen prijs. — De ge-
heele opbrengst der verkochte art. was circa f 50,000.—, der
niet verkochte c. f 25,000.—.
„De uitslag mag dus, naar het ons voorkomt, zeer bevre-
digend heeten, vooral wanneer in aanmerking genomen wordt
het groot aantal belangrijke copijcn die hier te koop werden
aangeboden en de aanzienlijke veilingen die in de laatste jaren
plaats hadden.
„Maar nog een ander punt mag onze aandacht hier niet
ontgaan. Behalve voor den heer Kruseman heeft deze verkoo-
ping voor onzen Boekhandel een gunstig resultaat opgeleverd.
Wij zagen hier eenc belangrijke verzameling f\'ondsartikelen in
den korten tijd van ](i jaren in het licht gegeven, waarvan
de meesten de vrucht waren van den vindingrijken geest des
uitgevers. Wij zagen hier tevens wat onvermoeide zorg en vol-
hardende inspanning nog op het kleine gebied van den Neder-
landschen Boekhandel kan uitvoeren,hoe ook op dit terrein kapitaal
kan worden voortgebragt indien met juisten blik van de tijds-
omstandigheden en de behoeften des volks wordt gebruik ge-
maakt. Dit zelfde mag reeds vroeger uit andere fondsfeilingen
\\*\')ê\\ gebleken zijn, nimmer kwam dit zoo voor den dag als
thans, nu ieder in de gelegenheid was gesteld, bekend te wor-
den met den omvang der verschillende uitgaven, met de on-
kosten der tezamenstelling, met het debiet, enz. Al deze opga-
ven waren door den Heer Kruseman gedeponeerd bij den Heer
van Kesteuen of werden bij den verkoop bekend gemaakt.
Velen daarvan waren zeker hoogst verrassend, allen droegen
het kenmerk van de grootste loyaliteit, van de vrijgevigste be-
ginselen. Zij losten het vraagstuk op van den goeden uitslag
van Kruseman\'s handelsondernemingen in het algemeen en
van zijn voorspoed bij het ontdekken van nieuwe bronnen tot
-ocr page 422-
FONDSVEILING IN 1857.                             409
voedsel van zijn handelsgeest, üe fondsver kooping, gelijk die isöi.
door Kr. is geschied kan onder deze laatsten gerekend worden.
Wij wenschen van harte dat aan al de plannen die hij voor
de toekomst gevormd heeft, dien zelfden uitslag moge te beurt
vallen."
Een goed handelswoord van het orgaan van den Boekhandel
aan den Voorzitter van de Verecniging, die zijn geheele fonds
van de hand deed en alleen wilde behouden die konyen, als
Collot d\'Escury\'s Holland\'n roem, de Apostelen en profeten, die
hij kort te voren had aangekocht en daarom ook de Bijbel-
sc/te vrouwen,
en die, waarvan hij een herdruk gereed had lig-
gen of die, waarvan hij bij overeenkomst met de auteurs, bezig
was een herdruk voor te bereiden.
Aldus staat in het [Voorbericht] van den Catalogus te lezen,
hoewel Zwaardemaker te Haarlem kooper werd van Ter Haar\'s
Huibert en Klaar/je, waarvan juist een herdruk voorbereid
werd onder goedkeuring des dichters \' en waartoe om te gemoet
te komen aan de vroegere afkeurende bespreking in De Gids 2
reeds vijf houtblokjes, ter vervanging van minder verkieslijke
door d\'Arnaud Gerkens beteckend waren 3.
Eveneens ging aan Van Gessel over de Hislorixehe land-
«c happen door
Hofdijk, die bekende reeks „expozitie van kar-
to7is, niet van schilderijen"\'1, waarin Hofdijk, met zijn
eigenaardige kunst, hem alleen eigen, in negen opstellen schetste
„zulke tafreelen uit de natuur rondom ons hee7i, die door den
oorspronkelyken toestand waarin zy zich nog bevinden, wyzen
op een tyd, die reeds tot de geschiedenis behoort; of vooral
ook zulke, waarin achtergebleven monumenten van natuur of
1    De eerste maal verscheen dit diehtstuk in de Aurora voor JSi.i
blz. 24(> en werd met houtsneedjes het volgend jaar herdrukt door
Fuhri, van wien Krnseman in 1841) liet restant (3G4 exemplaren) met
het kopyrecht overnam. Volgens de titel uitgaaf, die Kruseman van
deze oplaag gaf waren de houtgravuren gesneden door Van Hove, Kachel
en Weissenbnich naar teekeningen van R. Craeyvanger.
2    1845. Jioekbeoordeelhirjeii blz. 147.
\' Catalogus der Fondsveiling 1857 blz. lij.
" Historische landschappen, toelichting.
-ocr page 423-
410                       VOORLEZINGEN IN FELIX MEEITIS.
1857. kunst, zoodanig met het landschap een geworden, dat zy er
een natuurlyk bestanddeel van schijnen uit te maken, den geest
in een bepaald tijdvak der geschiedenis te rug voeren" \'. De
nieuwe, eigenaar maakte er dadelijk een nieuwe titel-uitgaaf
van in afleveringen.
Vele van Kruseman\'s artikelen werden opgehouden; was dat,
omdat zij uit den tijd waren of was dat, omdat hij ze te hoog
gelimiteerd had, hetzij ter goeder trouw, hetzij opzettelijk? -
Om slechts de seriën en vervolgwerken te noemen: Aurora, Weleu-
schappelijke Bladen, Praktische Voltas-almanak, Dickens1
en Wal-
Ier Scott\'s werken, Bnitenlandsche klassieken. Etagère editie,
ble-
ven bij hun uitgever en daaronder ook voor het ïneercndecl de af-
zonderlijke titels van de Voorlezingen in de a/deeling Koophandel
gehouden in Felix Meri/is,
waarin destijds de eerste krachten oj)
staathuishoudkuiidig gebied over economische onderwerpen voor-
drachten kwamen honden en met de aanwezigen een gemeen-
zaani onderhoud,
hadden. Daar hield Koenen Voorlezingen over
de geschiedenis der nijverheid in Nederland\'\'
en over He vroegere
en latere Nederlandsche handelspolitiek,
Bauinliauer Voorlezin-
gen over de Nederlandsche nijverheid en de middelen om haar
te ontwikkelen,
Mr. J. Heemskerk Az. Voordraglen over den
eigendom van voortbrengselen van den, geest,
5, daar sprak Buijs
over Be Nederlandsche staatsschuld sedert ./#./-£ 5 en hield hij
1 t. a. i>. Inleiding blz. 10. — Het werk was in 1856 gedrukt bij
Bakels te Amsterdam en maakte naar het schijnt niet dien opgang dien
Kruseman verwacht had, want afleveringsgewijs verschenen, werden er
van hlad 1—4 1500 exemplaren en van de overige 5—22 slechts 750
exemplaren getrokken.
1 Welke ik hier op het oog heb zal later blijken.
\' Üp blz. 71 vlg. is genotuleerd het debat tusschen Koenen en Fred.
Muller over de uitvinding der boekdrukkunst.
* Op blz. .\'19 vlg. behandelt Heemskerk bet kopyrecht en de wet
van 1817; aan het debat werd ook deel genomen door Gebhard, die als
bestuurslid van de Vereeniging uitgenoodigd was de voordracht bij te
wonen. Vlg. Bouwstoffen 1)1. II blz. 580. In 186!) verscheen bij J. Beeren-
donk een volgens den titel vermeerderden druk van dit geschrift.
5 Noothoven van Goor gaf\' hiervan in 1863 een nieuwe titeluitgaaf.
(Nieuwsblad ooor den Boekhandel 22 Januari 1863.)
-ocr page 424-
411
VOORLEZINGEN IN\' EELIX MERITIS.
Voorlezingen over de circulatie-banken, meer bijzonder in Frank- 1857.
rijk, Groot-Briltaunië en de Vereeuigde Staten van Noord-
Amerika,
Voorthuysen sprak over Werkverschaffing en deed
Voorlezingen over de duurte der levensmiddelen, van Itoorda
van Eysinga hoorde men Voorlezingen over kolonisatie door Ne-
derlauders in Nederlandse/i [ndiii; en gedeeltelijke vergelijking
van de Indische Maatschappij met die van Nederland,
Wijnne
gaf Iels over de scheepvaart en afwateringskanalen in de. pro-
vincie G-rottingen
en Amersfoordt een beschouwing over Hel
Haarlemmermeer,
Meijboom en Vrolik behandelden in drie
redevoeringen over de Vraagpunten des lijds, den invloed, die
de natuurkunde en de godgeleerde wetenschap over en weer op
elkaar oefenen, Molster deed Voorlezingen over de neutraliteit,
vooral in verband met de scheepvaart der onzijdige volkeu,
Bake
besprak De doorgraving der landengte van Suez, en hare ge-
volgen, voor Nederland en zijne koloniën
en J. Th. Liotard
Het handelscongres Ie Brussel, {September J856) in zijne strek-
kiug en uil komsten beschouwd.
De uitgaaf van die serie was door Kruseman ondernomen,
zooals hij schrijft in zijn aauteekeningen, „op voorstel en onder
de schoonste beloften van den secretaris van Felix Meritis
Amesholl\' \'. Van die voorspiegeling is niets gekomen. Mijn
-goede trouw is twee jaren lang volkomen misleid, en de on-
verschillige hoogheid van de zijde van Mr. Amesholl\' heeft
mijne belangrijke schade des te bitterder gemaakt" -. Het blijkt
1 ])<• Gids (1856 Dl. I blz. 088) laat hot. voorkomen, alsof het plan
van Kruseman uitging, wat ik inderdaad niet onwaarschijnlijk acht.
* De voordracht evenals het debat werd telkens genotuleerd doot
den secretaris der afdeeling R. N. L. Mirandolle, die zijn conceptnotulen
vóór de arresteering aan de sprekers moest rondzenden. Natuurlijk dat
die in de concepten hun bedoeling verkeerd meenden weergegeven te
zien en daarover lnet den opsteller correspondeerden. Kruseman belastte
Mirandolle met de redactie van dit gemeenzaam onderhoud, en deze
kreeg voor zijn moeielijken arbeid een pluimpje in de Vadevlandsche letter-
oefeningen
(1857 Dl. I blz. 455). Die concepten met de daarover ge-
voerde correspondentie zijn daarom voor de kennis van het verhandelde
en de bedoeling van de sprekers niet onbelangrijk en ik acht mij dan
-ocr page 425-
412                     VOORLEZINGEN IN FELIX MEEITIS.
1857. niet uit, deze woorden, in welk opzicht eigenlijk Kruseman
„volkomen misleid" is, maar zooveel is zeker, dat de voor-
spellingen hein gedaan door den secretaris, verkeerd uitkwamen,
daar bijkans al die uitgaven een groot deficit opleverden en
gemiddeld geen grootcr debiet konden behalen dan 150 a 200
exemplaren \'; de meening van den uitgever, dat vooral lees-
gezelschappen deze brochures zouden koopen 2, werd niet be-
waarheid.
In de fondsveiling van 1862 werd ook weer een groot deel
der afzonderlijke werken opgehouden: niet echter of een
maand te voren had hij een aanbieding gekregen de geheele
serie van de hand te doen: de door Kruseman gevraagde/\' 1000
werd blijkbaar te hoog gevonden. En in datzelfde schrijven,
waarin Kruseman zijn voorwaarde stelde, geeft hij tevens een
reden op voor het slechte onthaal. „Ik heb in der tijd aan de
editie, waaromtrent mij door den Heer Mr. Amcshoff\' de gun-
stigste vooruitzigten «aren voorgespiegeld, ik moet zeggen ook
tot ZEds. eigene te leur stelling duizenden guldens schade ge-
leden. Waarschijnlijk heeft de vorm van Voorlezing er eenige
schuld van gedragen dat deze brochures over zoo gewigtige
onderwerpen en van bekende letterkundige en wetenschappelijke
autoriteiten zoo wanhopig laauw door het publiek zijn ontvan-
gen geworden" \'\'. Bij een dergelijk onthaal was het dan ook
niet te verwonderen geweest, dat hij de voortzetting gestaakt
had en de auteurs andere uitgevers moesten zoeken, dat b.v.
Bake zijn Verhandeling over den hede.udaagsclien opxland in
lirifuch-Indië
bij Susan te \'s Gravenhage uitgaf. Slechts die
voorlezingen, welke tusschen Mei 185f> en April 1857 gehou-
den werden, zagen bij Kruseman het licht.
ook gelukkig hier te kunnen mededeelden, dat die dossiers uit de na-
latenschap van mijn grootmoeder in mijn bezit zijn overgegaan.
1 In aanmerking moet hierbij genomen worden, dat van de meeste
voorlezingen 500 exemplaren als honorarium ten behoeve van Felix
werden afgestaan.
* Advertentie in Haarlemsche Courant 8 November 1856.
:\' Brief aan een ongenoemde d.d. 17 September 1862, overgenomen
in het kopyboek.
-ocr page 426-
418
TWEEDE-H ANDS-HAN DEL.
De fondsveiling van 1857, een daad, die Kruseman\'s naam 1857
oj) aller boekverkoopers tongen deed zweven \', liej) dus over
het algemeen niet onvoordeelig af, en Kruseman ontving daar-
over een gelukwensen van zijn vroegeren patroon Westerman.
De vruchten van zijn ondernemeiiden geest, onverdroten ijver
en geestrijke schepping, werden voor een groot deel met graagte
aangenomen -. De prijzen, die over het algemeen besteed wer-
den, waren doorgaans vrij voldoende 3, en dat mag daarom des
te meer gezegd worden, omdat het vele belangrijke kopyen
waren, die in veiling kwamen en de veiling zelve, daarom
„belangrijk" was \'. Was het daarom, was het enkel en alleen
als een hulde aan Van Kesteren, die hier met zijn 77° ver-
kooping weer getoond had, hoeveel invloed hij als auctionaris op
liet welslagen der auctie kon oefenen, of was het als een blijk
van vriendschap jegens Kruseman, dat (!. van der Post .Ir.
op den eersten dag der verkoopiug aan Van Kesteren, in naam
van de meeste tegenwoordig zijnde confraters, een voltaire aan-
bood en dat Van Zeggelen, Kruseman\'s trouwe vriend, er toe
bracht, op die fonds veiling een exfempore te wijden aan den
auctionaris? 5 Zooveel is zeker, dat het Kruseman aangenaam
was, toen hij van dat e&lempore een afdruk ontving van C. L.
Brinkman.
Deze eerste generale opruiming van fondsartikelen bij het
leven van hun eigenaar, gaf aanleiding tot heel wat gewrijf
en gepraat. Langzamerhand zouden andere uitgevers Kruse-
ïnan\'s voorbeeld gaan volgen. Tien jaar later was het ge-
bruik zoo algemeen geworden, dat de oude heer P. Meijer
Wamars in zijn toespraak bij het 50-jarig bestaan van de
Vereeniging in 1807, sterk zijn leedwezen moest te kennen
geven over de openlijke aankondigingen tot zoo verminderde
prijzen van goede en soms kort geleden uitgekomen boekeu,
1    Brief van Van Zeggelen 29 September 1857.
\'    Brief\' van Westerman 9 October 1857.
*    De geheele opbrengst was ƒ50118.15\'.
4    Het epitheton is van Kruseman zelf. (Bouwstoffen Dl. II blz. 300.)
3    Afgedrukt in Bouwstoffen t. a. p.
-ocr page 427-
414
TWEEDE-HANDS-HANDEL.
en in Nieuwsblad voor den Boekhandel van den 6 Augustus
1SCS verder daarover schreef:
„ïk heb altijd naar den oorzaak daarvan gezocht, maar kon
mij dien dikwijls niet verklaren, nog minder goedkeuren, daar
ik er bij blijf, dat het een klad op onzen handel in het alge-
meen werpt en dien bij het publiek in minachting brengt.
„lieden met het opruimen van oude boeken en papieren
bezig zijnde, meen ik echter daarvoor eene oorzaak gevonden
te hebben, waarvan de bekendmaking misschien hare goede
zijde hebben kan.
„Die veranderingen schrijf ik grootendecls toe aan het ont-
aarden van de verkoopingen van fonds- en gebonden boeken.
Voor 40 of 50 jaren geleden, en mij heugt van nog vroeger,
van de tijden van mijnen vader, den ouden Drcx Hengst,
Gartman, Allart, v. o. Helt, den ouden Bohn, v. Cleep, v. Kes-
terex, Schleijer en anderen, werden er zelden, ja zoo ver ik mij
herinner, nimmer fondsen geveild dan bij overlijden, en men
zocht zich niet van zijn copijen te ontdoen, om weder op
nieuw voort te gaan om de wereld met nieuwe boeken en ver-
talingen te voorzien. Men had gelijk nu jaarlijks verkoopingen
van ongebonden boeken, maar de copijen die daarop voor-
kwamen waren meestal van weinig belang. Het voordeel dat
zij gaven, bestond doorgaans in het zoogenaamd teekenen voor
verminderde prijzen,
dat dikwijls zeer aanzienlijk was. Ik heb
zelve verkoopingen gehouden en ook bijgewoond, inzonder-
lieid als jongeling, dat er voor 80, 40 ja 50 duizend gulden
getcekend werd, en heb zelve aan voorname fondshouders dik-
werf aanzienlijke\'*sommen van 4, 6 of 8 duizend gulden uit-
betaald, alleen voor geteekende exemplaren van onderschei-
dene werken; de copij bleef dan in het bezit van den eigenaar;
ja, inzonderheid in den tijd van Allart, staat mij zeer goed
voor, dat, wanneer er eene soliede copij verkocht werd, de
kooper die dadelijk voor verminderde prijzen liet teekenen,
en zonder er zelfs een exemplaar van in huis te krijgen, er
duizend of twaalfhonderd gulden winst van in zijn zak stak.
Onder anderen herinner ik mij, om maar één voorbeeld te
noemen, dat dit het geval is geweest met Hollix en Tailliek,
-ocr page 428-
415
VERKOOP DEll DEBIETZAAK.
Geschiedenis der wereld. Ik weet wel, men zal mij tegen- 1857.
werpen: „toen was liet een anderen tijd!" maar wanneer men alles
nagaat, geloof ik dat er nu meer Wordt gelezen en Aerkocht,
dan toen het geval was. Er werd echter ook minder ge-
schagcheld" \'.
Tot zoover dit ingezonden stuk. In weerwil van den allesbe-
halve rooskleurigen toestand naar Meijer Warnars\' meening, moest
hij toch erkennen, dat in vergelijking met een halve eeuw ge-
leden er vrij wat meer gelezen werd, dat er vrij wat meer
handel was gekomen. AYaaraan dat toe te schrijven, vroeg
hij? Aan het ontaarden der ongebonden aucties. En aan
wien dat „ontaarden" te wijten, vraag ik ? Aan Kruseman,
die in 1S57 dorst te breken met een oud, ingeworteld han-
delsgebruik. De eerste groote fondsveiling van Kruseman
opende oj> zijn initiatief nieuwe banen voor den nederlandsehen
Boekhandel.
Die verkoop van zijn fonds, gevoegd bij het aan kant doen
van zijn debietzaak aan P. A. Van Asperen van de Velde,
die haar in Augustus verplaatste naar de Groote Houtstraat -
gaf aan Kruseman een wenschelijke ruimte van geld, die hoog
noodig was daar de uitstaande posten van de Bilderdijlc, hoe-
wel deze door het debiet verzekerd was, slechts betrekkelijk lang-
zaam binnen kwamen; maar het gaf ook meer tijd om al
zijn krachten en al zijn gaven te wijden aan nieuwe onder-
nemingen, nu hij die niet. meer behoefde te versnipperen tus-
schen de verflauwende exploitatie van artikelen, waarvoor de
rechte animo was gaan ontbreken en het bedrijf van den debi-
1 Vgl. hiermede wat hij nog nader schreef in dit verband over een paar
kopyen van de Wed. Allart [1828] in liet Nieuwsblad voor den Boekhandel
van den 14 Januari 18(59. Over het „modern-antiquariaat" van Sehadd,
over welke slechts schijnbare contradictio in terminis Fred. Muller zoo
verbolgen was te lezen Bouwstoffen. Dl. II. blz. 479 vlg.
\' Met 1 Januari 1870 nam J. M. Schalekainp den boek-, kunst- en
muziekhandel over en zette dien voort onder de firma Van Asperen v. d.
Velde en Co. (Nieuwsblad voor den Boekhandel 10 Januari 1870). Thans
wordt deze debietzaak gedreven onder den naam De Haarlemsehe boek-
en muziekhandel (J. M. Stap).
-ocr page 429-
A. C. KRUSEMAN
DOOK
J. W. ENSCHEDÉ
EEESTE DEEL
2J\' STUK
Tijden en personen hebben dit met elkander
gemeen, dat men, hun dagelijkschcn arbeid
half achteloos voorbijgaande, maar hun
werk overziende wanneer zij heen zijn,
soms versteld staat over hetgeen zij voort-
gebracbt hebben.
Bouwstuffen Dl. II blz. 8H.
AMSTERDAM
P. N. VAN KAMPEN & ZOON
1899
-ocr page 430-
410
VERKOOP DER DBBIETZAAK.
1857. tant; hij hoopte een nieuw fonds te kunnen maken, beter,
kleiner, maar reiner en in zijn maatschappelijke betrekking ie
blij ven werken zoo goed en zoo lang als hem naar lust en
leven te arbeiden gegeven zou worden \'.
liet eerste groote tijdperk werd afgesloten; tien jaren waren
besteed om de grondslagen van het gebouw te vestigen; inde
zeven daarop volgende waren de muren opgetrokken en een
begin gemaakt dat te bekronen met de Bilderdijk. Gezuiverd,
nagezien en van overtollige uitwassen ontdaan, zou het gedu-
rende eenige jaren in vollen luister schitteren en liet bewijs
leveren, dat de grondslagen goed, dat het geheel hecht, sterk
en wel doortimmerd was. En de bewoner, de ziel van het
bnis zou zich geheel, met hart en ziel blijven en opnieuw gaan
wijden aan zijn betrekking, aan zijn taak als uitgever. De
boekverkooper Kruseman behoorde tot de geschiedenis; de uit-
gever Kruseman bleef en zou blijven toonen, dat niet ten on-
rechte hem de eereplaats toekwam onder de vakgenooteu.
1 Brief aan Potgieter 4 December 1857.
-ocr page 431-
V.
Midden periode van den Grooten Tijd. —
Husken Hnet, Brieven over den Bijbel. — Bosboom-Toussaint,
Historische novellen. — Historische vrouwen. —
De Jonge, Geschiedenis van het Neder-
landsche zeewezen. — Hofdijk,
Ons voorgeslacht. — Scheffer-album. —
Bnsken Hnet, Stichtelijke lectnnr. — Adam Bode, door
George Eliot. — Zondagsblad. — Christelijke Yolks-alnianak.
— De Génestet, Leekedichtjens. — De Lamar-
tine, Jocelijn. — Da Costa,
Kompleete dichtwerken.
1856—1860.
Hoewel de voorbereiding en het begin der uitvoering van
de Bilderdijh nog vielen in het eerste groote tijdvak, behoort
die uitgave in werkelijkheid toch inderdaad tot de aera, waar-
van de beschrijving thans ondernomen moet worden. De be-
handeling van deze periode is niet het gemakkelijkste deel
van mijn taak: het geldt hier een overzicht te geven van
relaties met Bogaers, Busken Huet, Hofdijk, Potgieter, van
uitgaven als de Brieven over den Bijbel, Ons voorgeslacht, het
Zondagsblad. Voor een goed deel zou die tijdkring, ik wil
niet zeggen beheerscht, maar toch wel geïnfluenceerd worden
door Da Costa. Terwijl in dezen tijd door den omgang met
27
-ocr page 432-
418
BOflAERS, HET METALEN KRUIS.
1856. Huet en zijn geestverwanten een volslagen ommekeer plaats
greep in het gemoedsleven van Kruscinan en hij beslist modern
zou worden, hield hij zijn eenmaal aan Da Costa gedane woord
gestand en verbrak hij niet de banden, die vroeger tusschen hen
gelegd waren, en ik wijs daar hier bij den aanvang van dit
hoofdstuk des te nadrukkelijker op, omdat de indeeling der
stof, die ik mij gekozen heb, allicht tot een andere gevolg-
trekking zou kunnen leiden. Dit geheele deel van Kruseman\'s
leven, dat een aanvang nam omstreeks 185(3 en eindigde kort
na 1803, werd geopend door Da Costa\'s uitgaaf van Bilder-
dijk\'s en Vrouwe Bilderdijk\'s lYiclilmerke.it, en werd besloten
door Da Costa\'s Kompleete dichtwerken, uitgegeven door Hase-
hroek. Maar naast die relatie met Da Costa en de bijna dage-
lijksche correspondentie met, en na zijn verscheiden, over hem,
bleef, nu door den verkoop van fonds en winkelzaak vrij wat
meer tijd beschikbaar gekomen was, nog ruimte genoeg over
voor andere plannen.
De systematische indeeling der stof in chronologische tij cl -
vakken, die ik zooveel mogelijk volg, is oorzaak, dat, voor dit
nieuwe tijdperk in oogenschouw zal genomen worden, eerst nog
een teruggang tot 1850 gedaan moet worden: ik acht mij des te
meer gerechtigd zulks te doen, daar de liilderdijk, die feitelijk
tot dit tijdperk behoort in een vroeger jaar voorbereid werd,
en ook omdat over 1856 nog enkele kleinigheden te boeken
vallen en een schrijver te vermelden is, die thans voor liet
eerst bij Krusemau optrad met een dichtstuk en jarenlang een
hartelijke vriendschap voor hem zou opvatten: Mr. Adriauus
Bogaers, de dichter van Jochébed en Be tocht van Heemskerk
naar Gibraltar.
Het dichtstukje Het metalen kruis {20 Augus-
tm .IX.ïb.),
dat Kruseman in Augustus voor rekening van den
schrijver uitgaf is overigens uit boekhandelaars oogpunt be-
zien in geen enkel opzicht merkwaardig en liet moet dus hier
alleen genoemd worden als eerste uitgaaf van Bogaers bij Kru-
seman, wien de uitgaaf daarvan aangeboden werd, omdat de
auteur dan wist met „een fatsoenlijk man" te onderhandelen \'.
1 Brief van Bogaers 13 Augustus 1856.
-ocr page 433-
[a. ver huell], üit het huishouden.
419
Hetgeen Kruseman in 1840 al gewenscht had \' was thans geschied, issg.
hij had een begin gemaakt Bogaers aan zijn fonds te verbinden.
Vrij drukke briefwisseling werd er nog in 1850 gehouden over
en met Mr. A. Ver Huell. Steeds waren acht jaar lang, Ver Huell\'s
plaatwerken uitgegeven door Gebhard, toen een geschil tusschen
beiden Ver Huell een anderen uitgever deed zoeken; hij kwam
daarop tot Kruseman, die hem aanraadde Gebhard als uitgever
niet te verlaten; geen beteren noch voortrellelijker behartiger
van zijn belangen zou hij kunnen vinden, meende Kruseman 2.
Maar Ver Huell was doof aan dat oor. Kruseman zou en
moest zijn nieuw plaatwerk uitgeven. Nauwgezet als altijd,
vroeg Kruseman Gebhard verlof diens werk te mogen voortzet-
ten en de voorarbeid der nieuwe uitgaaf nam een aanvang. Last
teekeude de steenen; proeven werden door Blommers getrokken
en afgekeurd; opnieuw werdeu de steenen beteekend, opnieuw
1 Zie hiervoor blz. 23.
1 Den 22 Januari 1856 schreef Kruseman o. a. aan Ver Huell:
„Vijand als ik ben van jokken en achterhoudendheid veroorloof ik mij
TJ kordaat mede te declen, dat ik heden een bezoek heb gebragt aan
mijn vriend Gebhard.... Al vond ik den Heer Gebhard, zooals ik ge-
wacht had, bij het volle bewustzijn van eerlijk en goed te hebben ge-
handeld, hooghartig genoeg om de zaak te beschouwen als afgedaan,
zonder éénig berouw of grieve jegens zich zelv\', sprak hij toch over TJ
met zooveel waardering, met zooveel achting en met zooveel hart, dat
ik het mij ten pligt maak, om — op eigener autoriteit en op die
alléén — tot U te komen en U te zeggen, hoe jammer, hoe doodjammer
ik het vinden zou, dat UwEd. G. van uitgever veranderen zoudt. Met
zooveel zorg en liefde als Gebhard Uwe uitgaven bezorgd heeft, kan ik
het nooit doen en een degelijker naam als uitgever op het titelblad
uwer werken wordt door U hier te lande niet gevonden. Geef, bid ik U,
mij de voldoening, dat UwEd. G. aan Gebhard, al het gepasseerde
daarlatende en er zelfs niet van gewagende, uw cahier aanbiedt ter
uitgave op kordate, royale, billijke voorwaarde, als of \'t uwe eerste
uitgave ware en begin met uw ouden uitgever een nieuw leven!"
Als een bewijs van hoeveel minder artistiek gehalte Ver Huell\'s
uitgaven zijn, die niet bij Gebhard zijn uitgegeven, zij hier medegedeeld,
dat de 16 artikelen (2214 exemplaren), die in Maart 1873 in fondsvei-
ling kwamen niet meer dan f 850 konden opbrengen. {Nieuwsblad voor
de Boekhandel
11 Maart 1873).
27*
-ocr page 434-
420             [A. VER HTJETx], TUT HET HUISHOUDEN.
1856. werden proeven getrokken en na lang sukkelen kwamen eenige
afdrukken van het nieuwe werk gereed. Toch kwam er niets van
een uitgaaf en waren kosten, waaronder ƒ\' 200 aan honorarium l,
en moeiten te vergeefs gegeven. Tusschen uitgever en auteur
kwam een geschil dat verder samenwerken onmogelijk maakte.
De zes afgedrukte kwarto-oblong platen van de Geest en stof
zooals de titel eerst bepaald was -, zagen voor zoover ik weet
nimmer het licht *. Uit het huishouden. Potloodse fietsjes in ver-
loren oogenblikken door een man van ondervinding
geeft het
gesteendrukte, blijkbaar niet door Last geteekende, omslag te
lezen van het exemplaar in mijn bezit.
In hoever deze teekeningen oorspronkelijke scheppingen van
Ver Huell zijn, blijve in het midden; in Kruseman\'s biblio-
theek toch berusten twee kwarto-oblong deelen ieder met 6
steendrukprenten Jhmestic bliss en Domestic miseries, beide
met het adres Loudon, D. Bogue, Fleetstreet, waarin vrij wat
herhalingen voorkomen van voorstellingen uit Ver HuelFs
werk; het ontbreken van jaartallen op de omslagen van deze
Engelsche uitgaven geeft echter geen criterium aan de hand
om te bepalen of zij anterieur aan Kruseman\'s onderneming
zijn of wel, dat het omgekeerde het geval is.
Met een aanbod van Jhr. E. van Heemskerck van Beest te
VGravenhage om uit te geven reproducties van zijn teekenin-
gen over Oost-Indië, door hem aldaar gedurende zijn 5-jarig
verblijf als marine-officier, gemaakt *, dat niet werd aangenomen,
met de uitgave van De Vries1 Verslag der redactie van het
Nederlandseh woordenboek
\\J854—.1856~) en Van den Bergh\'s
en De Kanter\'s vertaling van Longfellow\'s Evangeline eindigde
het jaar der Costers-feesten en het begin der Bilderdijk-uitgaaf.
1 In uitgaaf gebracht 22 Januari 1856.
1 Brief van Ver Huell 22 Februari 1856.
3 Noch in het Nieuwsblad voor den Boekhandel noch in de Haar-
lemsclie Courant,
waarin Kruseman voortdurend adverteerde, vond ik
iets; evenmin wordt de titel genoemd in Brinkman\'s Alphabetisclie
naamlijst J8Ó0—J862.
* Brief van Van Heemskerck van Beest 2 Februari 1856.
-ocr page 435-
421
BEECHER STOWE, DRED.
Het jaar 1857 komt iii vergelijking met het vorige wat 1857.
grootschheid van ondernemingen betreft daarbij in de schaduw.
De redenen liggen voor de hand; de stortvloed van Bilderdijk\'s
proeven en de voorbereiding der reeds besproken fondsveiling.
Niettemin was het Kruseman waardig. Mevrouw Bosboom\'s
Historische novellen, en Huet\'s Brieven over den Bijbel zijn
klinkende namen.
De eerste titel, die het Nieuwsblad echter vermeldt in 1857
is de vertaling van Beecher Stowe\'s Dred, a tale of, the great
dismal swamp
\', samen uitgegeven met Van Druten en Bleeker
en de vermelding daarvan is daarom niet onbelangrijk, omdat,
zooals vroeger reeds aangeduid is, de uitgaaf hiervan onder-
nomen werd op aanraden van Fuhri; het blijkt daaruit, dat
Kruseman, hoe zelfstandig hij ook al was, toch nog gaarne
goeden raad aannam En waarom ook zou hij niet door met
een scherp oog uit te kijken, pogen gebruik te maken van
datgene, wat anderen hem ineenden aan de hand te kunnen doen ?
Toch zou ook hij een gelegenheid zoo lateii voorbijgaan een
werk in zijn fonds op te nemen, dat groote en blijvende waarde
zou blijken te hebben, toen hij in het vorige jaar niet meende
te kunnen ingaan op een verzoek van Koorders te Utrecht om
een vertaling uit te geven van Motiey\'s The rise of the Batch
Jtepublic
2.
De eerste maanden van 1857 gaven weinig nieuws; Bud-
dingh\'s Jaarberigfen, afleveringen van Bilderdijk, deeltjes van
de Laudbouwboekjes, van de Voorlezingen in Feli.v, een herdruk
1 Binnen één maand na het verschijnen werden hiervan 100000
exemplaren in Groot-Britannië verkocht (The Illustrated London Xews
11 Juli 1896 pag. 46). Kruseman\'s vertaling was gedeeltelijk bewerkt
door J. Lion Iz. (Zie zijn Mijn staatkundig leven, \'s Gravenh. 1865
hlz. 45), gedeeltelijk door P. van Os.
* Brief van Koorders 27 Maart 1856. De vertaling verscheen in
1857 bij Van Stockum. Wist Kruseman wellicht dat op Nijhoff\'s aan-
raden Dr. van der Wulp reeds de vertaling voor Van Stockum onder
handen had?
-ocr page 436-
422
BÜITENLANDSCHE KLASSIEKEN.
1857. van Van der Pot\'s Julianus en van Bulwer\'s Mijn roman, die
slechts ongeveer een derde van den ouden prijs zou kosten.1,
een nieuwe poging om de Buitenlandsehe klassieken op gang
te brengen door een nieuwe goedkoope uitgaaf van Sterne\'s
Tristram Shandy, Claudius\' De Wandshecker Bode, Goldsmith\'s
I)e predikant van Wakejield, Cervantes\' Don Quic/tote, Tasso\'s
Jeruzalem verlost, Homerus1 Ilias en Longfellow\'s Kvangeline 2,
die eerlang gevolgd zoude worden door Shakespeare\'s Othello
en Maebeth (1858), beide laatste in de vertaling van J. Moulin
en waarvan Kruseman het kopyrecht op aandrang van Van
Vloten, die over den nieuwen druk zijn waakzaam oog liet gaan,
voor f 25 en f 42.80 overnam van Ter Gunne. Dat alles
maakte dat de eerste 5 maanden van 1857 historisch niet zeer
belangwekkend zijn, evenmin als de, naar het schijnt, niet met
goed gevolg bekroonde tijdelijke prijsvermindering van de Prak-
tische Volks-almanak
3.
Toch gebeurde er iets, dat zeer de vermelding waard is en
1    Advertentie in Haarlemsdie Courant 9 April en 9 November 1857.
2    Uit het prospectus van deze nieuwe inteekening afgedrukt als
advertentie in Haarlemsche Courant 21 April 1857: „Nogtans is deze
reeks, bij elkander genomen, en vooral ook door de daaraan toegevoegde
platen en portretten en banden, van zelve vrij kostbaar geworden en
gestegen tot eene som van ongeveer veertig gulden...... De onderge-
teekende stelt zich voor, deze [reeks] opnieuw uit te geven in maande-
lijksche afleveringen van vijf vellen of 120 pagina\'s, in een omslag, en
wel voor den zeker door niemand te wraken prijs van 60 cents de afle-
vering, mits men zich voor de gansclie reeks verbinde..... De afzon-
derlijke werken.... behouden onveranderd hun ouden prijs..... De
geestige platen bij den Claudius behoorende en daarvan onafscheidelijk
ontvangen de inschrijvers gratis..... De uitgever beveelt deze nieuwe
inschrijving aller belangstelling met eenig vertrouwen aan. Hij hoopt
voor zich zelv\', door nieuwen bijval aangemoedigd te worden, om zijne
zorgvolle onderneming ter overbrenging van klassieke auteurs in onze
taal krachtig te kunnen voortzetten, en tevens ieder in de gelegenheid
te stellen, tegen eene geringe geldelijke opoffering zich in het bezit te
stellen van die werken van hooge waarde, die de proef van den tijd
hebben doorgestaan en als modellen zijn geijkt."
\' „De Uitgever wenscht dezen almanak voortaan te maken tot een
waar Volksboekje met een debied \\sic] van vele duizend exemplaren,
-ocr page 437-
NADRUK VAN IN HOT BUITENLAND VERSCHENEN WERKEN. 423
dat is de verschijning van het Nieuwsblad voor den Boekhandel 1857.
van den 14 Mei 1857, waarin een ingezonden stuk staat af-
gedrukt van Krusemau ovev een typische uitgevers-kwestie,
over het geoorloofde van nadruk van buitenlandsche werken
in Nederland. Een uiteenzetting van dit geschil kan hier ach-
terwege blijven daar de Bouwstoffen \' er een uitvoerig over-
zicht van geven; eveneens van het ingezonden stuk zelf, om-
dat Kruseman het met verzwijging van zijn naam in zijn ge-
heel, maar met weglating der noten, in zijn verhaal overge-
drukt heeft 2. Er zij daarom hier alleen gezegd, dat hij zich
geheel onafhankelijk van Muller schaarde aan diens zijde, die
het eerst den strijd tegen Binger aangebonden had, toen die
firma in 1850 een nadruk publiceerde van Motiey\'s The rhe of
the JJutch Republic.
Kruseman kwam, hoewel mij voorkomt
niet zeer grondig en welbcslagen, toch fier voor de meening
uit, dat dergelijke handelsondernemingen streng afgekeurd
moesten worden en dat vrijheid van handel niet ontaarden
moet in losbandigheid en in roof „Vrije Handels-Concurrentie!
Ik hoop, in alle bescheidenheid, genoegzaam mede te gaan
met den tijd om in eenige opzigten niet blind te wezen voor
de onhoudbaarheid van tal van beschermingen en privilegiën.
Maar hoe ruimer de vrijheden worden der maatschappelijke
belangen, des te strikter wikke en wege de regtvaard igheid,
opdat niet onder den verlokkendcn schijn van dienst te bewij-
zen aan vrijheid, wetenschap of maatschappij, aan de moraliteit
ontfutseld worde wat haar eigendom is voor eens en voor altijd".
en daartoe degelijkheid met minkostbaarlieid te vereenigen zooveel
slechts in zijn vermogen is.
„In afwachting van den jaargang voor 1858 wil hij, als een aanbod
voor ééns en tijdelijk,
allen, die dit Volksboekje nog niet mogten be-
zitten, in de gelegenheid stellen om zich de verschenen jaargangen te
zamen aan te schaffen, opdat zij het voortaan kompleet zouden hebben.
Hij heeft daarom gelijke omslagen doen maken en biedt de reeds ver-
schenen Vier deeltjes aan voor ƒ1,80 te zamen."
(Advertentie in Uaarlemsehe Courant 17 November 1857).
1 Dl. I blz. 558 vlg.
1 t. a. p. Dl. I blz. 563.
-ocr page 438-
424            BUSKEN HUET, BRIEVEN OVEB, DEN BIJBEL.
1857.             Dat medegaan met zijn tijd op het gebied van wetenschap
vond uiting in Huet\'s Vragen en antwoorden. Brieven over
den Bijbel,
een werk, waarin Huet een populair overzicht gaf
van de vruchten der Bijbelsche critiek gedurende de laatste
vijftig jaren en een poging waagde den Bijbel geschiedkundig
en bevattelijk te verklaren als gewrocht van- het godsdienstig
leven der Hebreeën en van het eerste christengeslacht; juist
dat, wat hij bijna 30 jaar later, in 1885 zou loven in de
methode van llenan, den aanstaanden schrijver van La vie de
Jésus
(1863), zou hij hier, zes jaar voor het verschijnen van
dat boek, schitterend in praktijk brengen: „Een kwanswijs
diepzinnig spraakgebruik, hetwelk onder een schijn van weten-
schap onkunde verbergt of misverstand kweekt, wordt als on-
wijsgeerig door hem verworpen. Hij spreekt de taal van het
gemeene leven, en is voor een ieder onverstaanbaar" \'. Die
methode ging Huet toepassen in een werk over den Bijbel en
tot welk resultaat dat moest leiden was duidelijk voor hem,
die de volle beteekenis begrepen had van Huet\'s Pensee van
een jaar te voren: „ hen auteurs de la Bible ont été des cchos
du Saint-Esprit, mats des ee/tos inlelligents
2."
Een stoute daad, die aan Huet misschien weinig, aan Kruse-
man zeker wel moeite kostte te doen. Kruseman was toen nog,
wat men pleegt te noemen, geloovig 3, waartoe ongetwijfeld
1 Litterarische fantasten en kritieken. Haarl. z.j. Dl. XXIII blz. 103
La seule cliose nécessaire pag. 00.
* Vgl. hetgeen Kruseman een jaar te voren (30 Ootober 1856) aan
Da Costa schreef: „Den geheelen Gids van twee jaren heb ik doorge-
loopen, om te\'zoeken naar het stuk over Heine of ten minste naar het
opstel, waarin daar over hem gesproken wordt. Ik weet, dat ik het ge-
lezen heb; ik weet dat uit een gevoel van ergernis dat mij in herinne-
ring is bijgebleven, omdat daar de genialiteit van Heine zelfs van zijne
satanieke immoraliteit hulde werd bewezen. (En van dien Heine ver-
schijnt hier te lande een kompleete nadruk, en eene Hollandsche verte-
ling bovendien)."— En dat een half jaar later de ommekeer in zijn denk-
wijze nog haar beslag niet gekregen had, blijkt daaruit dat hij den
16 Februari 1857 opnieuw ter vertaling vertoonde Wetherell\'s (pseu-
doniem van Miss Swan Warner) The liills of\' the Shatemuc. Evenals
Drcd verscheen dit werk in 1858 voor gezamelijke rekening met Van
Druten en Bleeker (Haarlemsche Courant 20 Januari 1858).
-ocr page 439-
BUSKEN HU ET, BRIEVEN OVER DEN BIJBEL.           425
liet dagelijksche verkeer en de veelvoudige omgang met Da 1857.
Costa het hare bleef toebrengen, maar het verstand zegde hein,
dat zijn gemoed zieh op een dwaalweg moest bevinden.
In de zestiende eeuw had een Amsterdamsche uitgever, bewoner
van een „De vier Heeins-kinderen" het eerst in die stad kettersche
boeken gedrukt en in omloop gebracht en die stoute daad met
den gerechtelij ken dood moeten bekoopen \'; de drukker, eige-
naar en gebruiker van de Haarlemsche „De vier Heems-kinderen",
zou ook oj) zijn beurt protest aanteekenen tegen dogmatischen
dwang der kerkelijke zijde en in opstand komen, waar het
gezond verstand hem overtuigde, dat de orthodoxie niet
alleen een gezaghebbend leerstelsel zou kunnen zijn; de koele
verstandsredeneering van Huet scheen, al was het clan ook
schoorvoetend, de zegepraal te zullen behalen over zijn a
priorisfhch
geloof. Kruseman voerde hevigen strijd; mocht hij
medewerken met het verspreiden van een kennis, niet in over-
eenstemming met de begrippen, die de rechtzinnige partij meende
zich te moeten vormen omtrent Gods wezen en werken, maar
die in openlijken strijd waren inet de wetenschap van zijn tijd \'1
Er moest licht voor hem zelven komen, en dat licht moest
ook aan anderen medegedeeld worden 2. Met Huet besproken,
was de eeuige uitweg, dat de eerste eeu populair werk zou
schrijven, waarin de Bijbel en de negentiende-eeuwsche weten-
schap tegen elkander overgesteld en aan elkander getoetst
zouden worden. „Na ernstige en gemoedelijke overwegingen
en gesprekken is tot het schrijven en uitgeven van dit boek
overgegaan. Het was te wachten, dat een verschijning van dien
aard, in een tijd toen ieder denkend protestant zijn twijfel
alleen fluisterend durfde uiten, verbazing en ergernis zou wek-
ken, en dus een ondankbare daad van moed zou zijn. Zoo
gebeurde ook. De eerste aflevering [half Mei 1857 verschenen]
werd met zekeren afschuw ontvangen en had een debiet van
nog geen 100 exemplaren. Verscheidene boekverkoopers zonden
1    Vgl. hiervoor blz. 175 noot 1.
2   In de Fondsboekiui teekent Kruseman uitdrukkelijk aan: „Eigen
plan, met Huet ter eerste verspreiding der moderne ideeën."
-ocr page 440-
426           BUSKEN HUKT, BRIEVEN OVER DEN BIJBEL.
1857. ze terug \' en weigerden ze in hun winkel te hebben. Er werd
tegen de verschijning van dit goddelooze boek gemord, ge-
schreven, gepreekt en — ik was er zelf getuige van — door
den Bisschop van Haarlem in de Katholieke Kathedraal tegen
gebeden" 2.
In hoeverre deze aanteekening van Kruseman juist is, dat
tegen dit boek geschreven werd, weet ik niet wel te formuleeren.
Het aantal tijdschriften, welke dadelijk of zeer kort na het
verschijnen van dit werk, er boekbeschouwingen over leverde,
bleef verre beneden mijn verwachting; Kruseman\'s wensch, dat
de W\' etenschappelijke Bladen een aankondiging zouden geven,
raadde Buijs als redacteur af :!, en alleen Het Leeskabinet4,
Harting in de Nieuwe, jaarboeken voor wetenschappelijke theo-
logie
B en Waarheid in liefde, Godgeleerdheid tijdschrift ° zijn
mij onder de oogen gekomen. Noemde alleen het eerste tijd-
schrift het een „uitmuntend geschrift"; oordeelde de prcdikanten-
vereeniging in de provincie Groningen, „dat het boek te veel
waars bezat, om niet eeuig nut te doen, en in allen gevalle
tot nadenken brengen zal, en daardoor de zaak der waarheid
dienen" 7, de beide laatste aangehaalde bronnen gingen geheel
mede met de algemeene meening, die het boek rondweg als
een gevaarlijk geschrift bestempelde.
1    Kruseman\'s eigen bedienden zelfs hielpen schoorvoetend mee aan
de verspreiding. (Brief van Buijs 19 Januari 1858.)
2    Vermoedelijk doelt Huet hierop wanneer hij schrijft (Brieven van
Cd. Busken Huet.
Haarl. 1890 Dl. I blz. 43): „En wat is die pastoor
in de Janstraat een allergruwelijkste uil!"
3    „Met een aankondiging van de Brieven over den Bijbel zou ik
althans willen wachten tot de jaargang compleet was. \'t Werk is moeije-
lijk genoeg, èn om den aard van het geschrift, èn om reden dat de
schrijver onze mede-ai\'beider is. Eene apologie komt mij even ongewenscht
voor als ecne strenge veroordeeling, en onpartijdigheid op dit gebied wordt
niet ligt gevonden, althans niet onder de mannen van het vak. (Brief
van Buijs 25 Januari 1858.)
                                                               »
1858. Bibliographisch album blz. 171.
5 Utrecht 1858. Dl. I. blz. 312. Harting de redacteur van de Jaar-
boeken
was predikant te Enkhuizen.
* Groningen. Jaargang 1858 blz. 115, Jaargang 1859 blz. 111.
7 Kerkelijke Courant 10 Juli 1858, aangehaald in Leeskabinet t. a. p.
-ocr page 441-
BUSKEN HUET, BUIEVEN OVER DEN BIJBEI,.              427
Heviger aanvallen zou Huet te verduren hebben van den 1857.
Groningschen Hoogleeraar Hofstede de Groot, die in zijn onder
den titel Brieven over den Bijbel\' verschenen werk met klein
opkwam tegen de strekking van Huet\'s geschrift2. „Zeker een
opmerkelijk verschijnsel! Twee godgeleerden, wien het noch
aan geleerdheid, noch aan heiligen ernst ontbreekt, noch aan
gelukkige gave om hunne gedachten met duidelijkheid en
juistheid voor het algemeen bloot te leggen, beide tot de vrij-
zinnige rigting behoorende, en nogthans in het fundamenteele
stuk over de schrift eikanderen bestrijdende, oneens zelfs bij de
vraag: wat is openbaring van God aan de mensehen\'". Aldus
schreef Poelman m De bijbelvriend 3. Kuenen behandelde de
verschillende geschriften in de Godgeleerde Bijdragen * en hij
schaarde zich niet aan de zijde van De Groot, evenmin als
E. .t in Het Leeskabinet 5, die van oordeel was, dat De Groot
1    Uit het prospectus van De Groot\'s Brieven:
„Deze Brieven naar aanleiding var de Brieven over den Bijbel van
Busken Huet geschreven en voor den bezitter van deze onmisbaar,
vormen echter een zelfstandig werk over den Bijbel en zijn zeer ter
lezing aan te bevelen, ook aan hen, die Busken Huet\'s geschrift niet
kennen." (Aankondiging van den uitgever J. B. Huber te Groningen
in C. P. Hofstede de Groot\'s Het zelfstandig oordeel en der gemeente over
Bijbel en Christendom.
Gron. 1862.)
2    In 1870 schreef Hofstede de Groot in zijn De moderne theologie
in Nederland
(blz. 11): „De moderne theologie is voor tien jaar in
Nederland geboren en op eens populair geworden door een boek, Brieven
over den Bijbel
getiteld, geschreven door Cd. Busken Huet, toen Waalsch
predikant te Haarlem. Nieuws behelsde dit geschrift niet; maar de
auteur is een uitnemend stilist en had met talent de bezwaren tegen de
geschiedenis, in den Bijbel vervat, welke sedert eeuwen worden herhaald,
weten bijeen te brengen en daaraan voor het volk, als aan uitspraken
van diepe wijsheid, gewigt weten te geven. Het is een werk, in den geest
en met den tact van een Uhlich of Heinrich Lang gesteld", enz.
3    Vierde jaargang. Nijmegen 1859 blz. 12Ü.
4    Vier en dertigste deel. Tweede stuk. Amst. 18G0 blz. 705. Het
supranaturalisme en de geschiedenis van Israël.
Onder het drukken
van zijn opstel verscheen een deel van de tweede uitgave van De Groot\'s
Brieven.
* 1861. Bibliographisch album blz. 162. — Onder de geschriften,
nog naar aanleiding van Huet\'s publicatie verschenen, wil ik nog noe-
-ocr page 442-
■42S              BUSKEN HUKT, BHIEVEN OVEB 1)KN BIJBEL.
1857. zich in vorm en stijl, maar vooral iu wetenschappelijke kennis
verreweg de mindere van lluet toonde. Tegen al die niet altijd
even liefelijke recensies en beschouwingen verdedigde Huet zich
in 1 859 uitvoerig in de voorrede van zijn Stichtelijke lectuur
en 0 jaar later drukte Bronsveld in zijn Rijmpjes *:
„Brieven over den Bijbel" zoo noemt gij uw boekjen met reen,
AV\'ant met tuchtigen tred loopt z\'er over heen.
welke „mededeeling" lluet in De Gids2 weer noemde „de sle-
pende toon van iemand, die gaarne eene onbeleefdheid zeggen
zou, maar het regte woord niet vinden kan."
liet Consistorie der Walsche Gemeente te Haarlem, waar
Huet als pasteur fungeerde, hield zich onzijdig, maar achtte
niettemin de zaak van genoegzaam gewicht om van de ver-
schijning aanteekening te doen houden in de notulen. Nauwe-
lijks een enkel punt wordt in de Brieven aangetroffen, dat lluet
hetzij bij de Zondagsche Godsdienstoefening of later in eene
opzettelijk daartoe bestemde weekbeurt niet ter sprake had
gebracht 3. De Gemeente wist, wat, zoo men pleegt te zeggen,
voor vleesch zij in de kuip had en opdat men niet zoude
kunnen zeggen dat het Consistorie een dergelijke ruchtbare
zaak zich niet zou hebben aangetrokken, verzocht dat lichaam,
"ijardii\'iis de la sainle doctrine\'\'\'\' \', aan lluet, haar voorzitter en
secretaris, in de Actes op te nemen, f/que te College reuui des
men de Wenken opzigtelijk moderne theologie, dat in de eerste plaats
heeft medegewerkt, om de uitdrukkingen moderne theologie en moderne
theologen in den thans algemeen gebruikelijken zin burgerrecht te doen
verkrijgen. (J. I. Doedes. Biografische herinneringen. Utr. 1894 blz.
114). Van deze brochure, die in 1858 twee oplagen beleefde, maakte
zich de emeritus pasteur D. ï. Huet als auteur bekend in de Kerkelijke
Courant
van den 9 April 1859, en wel naar aanleiding van een pole-
miek over zijn geschrift tusschen W. Scheffer, predikant te Enschede
en C. I\', Kits van Heyningen.
1 Rott. 1804 blz. 65.
\' 1864. Dl. IV blz. 185. Herdrukt Litterarische fantaaien en kri-
lieken.
Haar], z. j. Dl. XV blz. 27.
\' Voorrede dd. Haarlem, 15 April 1858 blz. VIII.
\' Brieven van Cel. Busken lluet. Haarl. 1890 Dl. I blz. 47.
-ocr page 443-
BtTSKEN HUET, BRIEVEN OVER DEN BIJBEL.              429
anciens et des diacres, aijant pris connaissance (Ftine publication 1857.
kollandaise du président („Brieven over den Bijbel"), tient a faire
connaitre que eet te publication a été remarquépar eux avec iuté-
rét et quils continueront de la. suivre avec intéref
\'. De Haar-
lemschc Walsche Consistorie had destijds de r/esprit walton" 2.
De vorm, dien Huet gekozen had voor zijn publicatie was
de briefvorm, omdat geen andere letterkundige fictie de wer-
kelijkheid zoo nabij komt als deze; over en weer scbreven
Machteld en Keinout elkaar brieven 3 en behandelden daarin
de dogmatisebe vraagstukken van bet Christelijk geloof, zoo
als de lieden van „bet geloof" dat meenden te kunnen bewij-
zen uit de Bijbelboeken; Reinout, de man van koele verstands-
redeneering, bebield bet veld en De Génestet liet bein het veld
behouden ook tegenover de Leonard uit De Groot\'s Brieven,
die als orthodoxe minnaar van Machteld was komen opdagen *,
Reinout juicht als overwinnaar:
Machteld is een beter minnaar,
Is een Leidsch professor waard!
zeide de dichter van de Leekedickfjens •\', die uit uaam van na-
tuur en kunst protesteerde tegen een dergelijke wijze van the-
ologiseeren. Die Leidsche professor, waar hij op doelde, was
Scholten. Bij zijn collega Kuenen, den schrijver van de Crili-
cae et hermeneuticae librorum Novi Foederis liueamenta in
auditorum usum
was Huet echter zijn licht gaan opsteken om
voor de verschijning van zijn werk zijn arbeid de vuurproef
1    „Les ternes de eetle demande ont élé choisis de maniere que
Vidée d\'un jugement proprement dit sur la publication en queslion, soit
complêtement écarlée." (Actes du
28 juin 1857).
2    Vgl. Bulletin des Églises ivallonnes. torn. VII pag. 29.
:\' Met „Machteldjelief" betitelde Huet in die dagen zijn aanstaande.
{Brieoen van Cd. Busken Huet. Haarl. 1890 Dl. I blz. 42.)
\' Vgl. Van Hamel in Mannen van beteekenis 1887 blz. 17.
5 De Génestet. Leekedichtjens blz. 31 (geteekend 1859). Vgl. den brief
van De Génestet aan ïiele i.d. 29 April 1859 in facsimile medegedeeld
in De Génestet. Diclitiverken uitgegeven onder toezicht van C. P. ïiele.
Amst. 1869 Dl. II blz. 361.
-ocr page 444-
430              BUSKEN HUKT, BRIEVEN OVER DEN BIJBEL.
is>57. te laten ondergaan; „van wege de geleerdheid" \' zond Huet
hein de proeven ter goedkeuring en hij deed dat op aanspo-
ring van zijn vrienden. De vrees toch was geuit, dat Huet\'s
wijze van doen zulk een tal van bezwaren tegen de Bijbel-
verhalen zoo eenvoudig weg achter elkaar te hooren opsom-
ïnen, wel eens nadeelig zonden kunnen zijn juist voor liet doel
dat de schrijver beoogde. Vooral de 2e en 3e aflevering {Over
de waarde der Bijbelsche wonderverhalen
en Over hel zedelijk
ideaal des Ouden Testaments)
deden Kuenen iets meer dan louter
goedkeurend optreden 2; naast liet fortiter in re paste hij het
suaviter in modo toe : een vergelijking van Huet\'s handschrift,
dat in de Bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandsche
Letterkunde te Leiden berust met het gedrukte werk zal
Kuenen\'s aandeel in dezen arbeid in het licht kunnen stellen.
Het werk verscheen in afleveringen en reeds dadelijk met
de eerste aflevering schijnt er iets gebeurd te zijn, nog voor
dat zij onder de oogen van het publiek gekomen was: althans
kan zulks opgemaakt worden uit het feit dat in twee num-
iners van het Nieuwsblad voor den Boekhandel 3, die eerste af-
le vering, beide keeren met verschil in de pagineeriug onder
het hoofd Jongsl verschenen boeken opgenomen is. Maar even
goed is het mogelijk, dat men hier alleen te doen heeft met
een herplaatsing wegens misstelling en dat acht ik bij nader
inzien waarschijnlijker, omdat ik bij deze uitgaaf geen spoor
heb ontdekt van een dergelijk voorval als later gebeuren zou
met Huet\'s Aan J. II. Gunning.
Zooals uit de collatie van de tweede titel-opgaaf in het
Nieuwsblad blijkt, bestond die eerste aflevering uit VI en 3(5
bladzijden, d. w. z. aan den eigenlijken tekst ging onder meer
een Voorberigt vooraf, dat, daar er in het vervolg nog twee
andere lezingen verschenen, wel tot de uiterste zeldzaamheden
zal belmoren. Ik acht mij daarom gelukkig dat hier te kunnen
mededeelen, daartoe in staat gesteld door den heer J. H. Krelage
\' Brieven van Cd. Busken Huet. Haarl. 1890 Dl. I blz. 43.
2    Mededeeling van Ds. J. J. L. Luti.
3    21 Mei 1857 en 4 Juni 1857.
-ocr page 445-
BUSKEN HUET, BRIEVEN OVER DEN BIJBEL.           431
te Haarlem, in wiens exemplaar door een gelukkig toeval het 1807.
eerste Voorberigt naast de derde Voorrede, bewaard is gebleven.
Men vrage niet allereerst of de/e brieven echt, maar
of zij geloofwaardig zijn. liet geheim hunner uitwendige
herkomst, door geen geslachtsnaam, door geen postmerk
verraden, kan vrijelijk blijven wat het is; zoo slechts
lezers en lezeressen kennis gelieven te nemen van den in-
houd; vooral, zoo zij na kennisneming slechts niet in het
onzekere verkeeren omtrent den Geest, aan wien deze pa-
pieren kinderen het aanwezen zijn verschuldigd.
Noch Machteld, noch Reinout schijnen zich in deze
eerste Vragen en Antwoorden aan bet uiten van gewaagde
meeningen te hebben bezondigd. Mogten zij later onwil-
lekeurig tot dit kwaad vervallen, zoo zullen wij niet na-
laten, van ons regt als uitgever gebruik makende, aan den
voet der bladzijden aauteekening te doen van ons geinoe-
delijk protest
Haarlem,                                                   r, „ TT
-Kt ■ loew                                                  CD. B. II.
Mei 185 7
Volgt uit dit Voorberigt, dat de titel van het begonnen
werk het liet voorkomen alsof Huet hier slechts optrad als
editor, niet als auctor? De titels, zoowel der straks te noemen
omslagen der afleveringen, als van de verschillende titelpagina\'s
van deze eerste uitgaaf, spreken alle van „uitgegeven door
Cd. Busken Huet", eu de vraag mag daarom wel geopperd
worden of Huet op grond biervan als eigenlijk gezegd
schrijver van de Vragen en antwoorden wel wenschte aangezien
te worden. Ik moet hierop echter het antwoord schuldig blij-
ven; daar Kruseman en Huet elkanders stadgenooten waren, kon
deze uitgaaf tusschen beiden geheel mondeling behandeld wor-
den, zoodat er zoo goed als geen correspondentie over gevoerd
werd en mij daardoor al bitter weinig bronnen ten dienste
staan, die licht kunnen geven over deze uitgaaf, die zooveel
opspraak in den lande A7erwekte. Hoe het echter zij, de uit-
-ocr page 446-
432              BUSKEN HUET, BRIEVEN OVEll DEN BIJBEL.
1857. gaaf zelve ging afleveringsgewijs voort en in November 1S57
kwam liet eerste deel met de zesde aflevering compleet \'; titel
en omslag, beide met „Eerste deel", „Haarlem, A. C. Krusc-
man 1857", een inhoud en een nieuw Voorberigt werden tege-
lijkertijd verzonden. Het debiet was echter niet van dien aard,
dat liet bij slot van rekening aan Kruseman geraden voor-
kwain, nog een tweede deel van dezelfde uitgebreidheid te
laten volgen; de volgende afleveringen in de maand Decem-
ber verschenen -, sluiten bij de zesde aan (blz. 213—284).
.luist die wijziging in liet eerste plan, zoodat het werk slechts
uit éen deel met doorloopende pagineering bestaat, is oorzaak,
dat de titel en de beide Voorberigten van dat eerste deel in
verreweg de meeste exemplaren ontbreken en vervangen zijn door
de laatste en derde Voorrede i. d. 15 April 1858. Ik neem
daaruit aanleiding hier ook dat tweede Voorberigt af te druk-
ken naar het exemplaar in bezit van de Eemonstrantsche Bi-
bliotlieek te Leiden.
Men vrage niet allereerst of deze brieven echt, maar
of zij geloofwaardig zijn. Het geheim hunner uitwendige
herkomst, door geen geslachtsnaam, door geen postmerk
verraden, kan vrijelijk blijven wat het is. Zoo slechts
lezers en lezeressen kennis gelieven te nemen van den
inhoud. Vooral, zoo zij na kennisneming slechts niet in
het onzekere verkeeren omtrent den Geest, aan wien deze
papieren kinderen het levenslicht verschuldigd zijn.
Van ons regt als uitgever gebruik makende, zijn en
1 Onder het hoofd Jom/st verschenen boeken in het Nieuwsblad voor
den Boekhandel
van den 19 November 1857 komt voor:
Huet, C». Busken, Vragen en antwoorden. Brieven over den bijbel.
6o afl. Post 8°. (bl. 179—212). Haarlem, A. C. Kruseman..... ƒ 0.30
lo dl. compl....................................... „ 1.80.
„Met nog een deeltje van gelijke dikte, zal dit boek compleet zijn."
(Advertenties in Haarlemsche Courant van den 17 November 1857 tot
den 1 Mei 1858).
\' Nieuwsblad voor den BoeUliandel 24 December 1857.
-ocr page 447-
BUSKEN HUKT, BRIEVEN OVER DEN BIJBEL.              433
blijven wij voornemens aan den voet der bladzijden 1857.
aanteekening te doen van ons bedachtzaam protest tegen
elke gewaagde meening waaraan of Machteld of Reinout
zich mogten bezondigd liebben. Tot hiertoe scheen zoo-
danige terogtwijzing wel is waar overbodig, doch het is\'
er zeer ver vandaan dat wij daarom afstand zouden doen
van onze aanspraken op de toekomst.
Wij vragen onzen lezers vergiffenis dat in deze Brie-
ven over den Bijbel geen enkele tekst wordt aangehaald ;
of liever, dat bij de hier aangehaalde teksten nergens vers
of hoofdstuk wordt vermeld. De schuld ligt aan ons, niet
aan Reinout of Machteld. Met voorbedachten rade werden
alle cijfers, romcinsche zoowel als arabieschc, door ons in
beider handschrift geschrapt. Hoe zoo? Niets vermogende
zonder de gunst van het publiek, meenden wij dat deze
zijdelingsche hulde aan zijne Bijbelvastheid een middel
wezeu zou om, zij bet ook langs den weg der gestreelde
eigenliefde, datgene te winnen waarom het ons allermeest
te doen is: een luisterend oor en een genegen hart.
Haarlem,
                                                     r, 0 tI
November 1857.
Door het niet verschijnen van een „tweede deed" in de eigen-
lijke beteekenis werd de geheele uitgaaf denkelijk minder om-
vangrijk dan eerst in de bedoeling gelegen had : in Mei 1S5S
kwamen de Brieoen met de D\'5 tot 15 aflevering (2e dl. [sic] bl.
421—5.*52\') compleet. Omslag, titel en inhoud van dat tweede
1 Nieuwsblad foor dr Boekhandel ü Mei 1858.
Daar het hier één van de meest gerucht makende uitgaven geldt van
Krusenian en daarenboven één, die voor liet godsdienstig leven van de Pro-
testantsche leeken in Nederland van onberekenbaar veel invloed is ge-
wecst, was het voor mij dringend noodzakelijk voor de juiste geschie-
denis van bet boek een ongebonden exemplaar te zien. Een advertentie
daarover geplaatst in bet Nieuwsblad van den 16 October 18517 bezorgde mij
slechts de zevende, achtste, tiende, elfde en twaalfde aflevering. Op de
achterzijde van die omslagen staat o. a. in et de dagteekening Mei, 1857:
„Voorloopig wordt het getal [atieveringen| op twaalf bepaald, die een
28
-ocr page 448-
434            BUSKEN HUKT, BRIEVEN OVEIt DEN BIJBEL.
i«ï7. deel waren daarbij gevoegd \' en tegelijkertijd (?) verscheen ook een
algemeene titel en een inhouds-opgaaf der beide deeleu als door-
loopende reeks; als een compleet werk in één deel kondigde
kriisenian thans de verschijning aan -. II net bad al schrijvende
aan zijn geschrift een veel grooter uitgebreidheid gegeven
dan oorspronkelijk door rvruseman geraamd was; luit aantal
der te behandelen onderwerpen had hij, door het vervallen van
een eigenlijk gezegd tweede deel, moeten inkrimpen; in de be-
sprcking der onderwerpen zelve was hij, naar me voorkomt,
veel wijdloopiger geweest dan oorspronkelijk in zijne bedoeling
gelegen had, door het vele en belangrijke dat hij te zeggen had \'.
liet debiet in den beginne zoo geheel onvoldoende nam
gaandeweg toe; de flinke oplaag van 1500 exemplaren raakte
uitverkocht. Door de nieuwe titeluitgaven, die in 1861 en
18(52 verspreid werden bij den hernieuwden strijd over het
vraagstuk (üi een tweede, herziene \' druk kwam in het volgend
op zich zelf staand Boekdeel vormen." Dit bericht klopt niet met liet
hierboven geciteerde uit liet Xii\'uivsblml: bij gebrek aan andere bronnen
weet ik aan deze tegenstrijdigheid geen verklaring te geven.
1     Bewaard gebleven in het exemplaar van Prof. Reitsma leGronin-
gen, mij welwillend door den eigenaar ten gebruike afgestaan.
2    Advertentie in Ifanrlemsche Courant 2(i Mei 1S5S. Mier tegenover
moet weer gesteld worden, dat de Catalogus der fondsveiling in 1865
weder spreekt van een tweede deel van den eersten druk.
Ik maak dat op uit hetgeen Huet in een ongedateerden brief\'
omstreeks Februari 1.S58 aan Kruseman voorstelde op het omslag van
de tiende aflevering te drukken. „Ten einde de onevenredigheid te doen
verdwijnen, daardoor ontstaan dat verreweg de meeste afleveringen van
dit werk de bepaalde uitgebreidheid van twee vel druks aanmerkelijk
te boven gingen, zullen de beide volgende nonimers, waarmede het werk
tevens zal zijn voltooid, den inteekenaren niet voor twee, maar voor drie
worden berekend. De omvang dier nonimers zal de inteekenaren overtuigen
dat de uitgever hun door het nemen van dezen maatregel in geen op-
zigt te kort doet." — Daar mij geen ongebonden exemplaar, evenmin
een prospectus onder de oogen gekomen is. laat ik de juistheid van zijn
zeggen geheel in het midden; op het omslag der tiende aflevering echter
staat niets anders dan op de zevende en achtste te lezen is.
* „Mijn Zondagmorgen heb ik besteed aan het herlezen, met de pen
in de hand, van Ma< htelds eerste Vraag, en Keinouts eerste Antwoord.
Oordeel nu zelf of deze correcties, die enkel en alleen betrekking heb-
-ocr page 449-
BUSKEN HUET, BRIEVEN OVElt DEN BIJBEL.              435
jaar \' in het licht met een oplaag vau 1550 exemplaren. Die 1857.
herziening had — Hnet vertelt het zelf in de voorrede —
bestaan in doorhalen en achterwege laten, het eigenlijke werk
was onveranderd gebleven, maar een aantal bladzijden, half van
poleinischeii, half van apologetische!! aard hieven achterwege;
voor die herziening genoot de auteur, die als honorarium voor
den eersten druk f 500 ontvangen had, f 100.
Wat Krusenian door de uitgaaf van een dergelijk werk
gedaan had voor II net, en hij zou nog op hetzelfde theologisch
terrein nog zoo veel meer voor hem doen, was een daad,
waarvoor zijn persoonlijk oordeel en maatschappelijke onzijdig-
heid weer den strijd gestreden hadden-. Iluet verhond hij aan
zijn fonds, Krusenian kwam en bleef met hein in nauwe betrek-
king, totdat in I 8G4 zijn in het publiek uitgesproken oordeel over
zijn besten vriend Van den Bergh dien hand zou komen ver-
breken en Huet\'s werken niet langer hun geruchtmakende plaats
konden blijven innemen in de fondslijsten van den llaarlcinschcii
uitgever. \\hn 25 April 1805 verwisselde de Brieven over den
Bijbel
van eigenaar, na den vorigen eigenaar ongeveer f 8000
winst afgeworpen te hebben. Voor /\' Hó werd Ter Gunne te
Deventer eigenaar van het kopvrecht en de restaut-exeniplareii,
welke hij onmiddellijk door nieuwe omslagen als een nieuwe
titel-uitgaaf deed verschijnen :!.
Belangrijke uitgaven kwamen in 1857 niet meer in het licht,
maar waren wel in voorbereiding; de ophanden zijnde fonds-
veiling was daarvan de oorzaak. Enkele minder omvangrijke
of geruchtmakende geschriften dan lluet\'s Uneven vermeerder-
den het fonds.
Op de fondsveiling den 18 April 1S57 door Van Kesteren
ben op den stijl (aan de zaken l.nn ik niets veranderen), gewigtig ge-
noeg zijn om een eventuëlen tweeden druk te bestempelen met den
naam van herzien. Laat ons, voor ik verder ga, daar eens ernstig over
nadenken." (Brief van Muet 29 Maart |1863]).
\' Oetober 1863.
\' Vgl. den vroegeren brief aan l)a Costa blz. 41)0.
" Nieuwsblad voor den Boekhandel 8 Juni 18liö.
28*
-ocr page 450-
43(!
DK HVI.h, KKN BKKI.D 1>KK. TOKKOMST.
1857. gehouden, werd Kruseman eigenaar voor f 559.50 van ])e
Buli\'s Ken beeld der toekomst en van den tweeden druk van zijn
Verspreide gedichten, beide werken vroeger door Noordendorp
uitgegeven. De Buil verheugde zich uitermate in die lotswisse-
ling van zijn geschriften. „Ik zegen liet, dat (iij mijn man
wordt, want vooreerst kan er hij mij geen tweestrijd, de minste
aarzeling zelfs niet bestaan hij wien ik voortaan zid aankloppen
als er wat uit te geven is; maar ook ten andere (iij kunt op
den auteur een machtigen invloed ten goede uitoefenen, als U
een uwer vele goede gedachten invalt, en hem tot arbeid op-
wekken. Duizend gedachten kruissen zich door mijn hoofd,
(jij kunt het nieuwe leven dat weer in mij is, krachtig bevor-
deren. (Jij kent mijn geschiedenis als auteur:.... En nu, zet
gij, door Uw vertrouwen in mijn werk en naam de kroon op
de gelukkige omwenteling in het diepst van mijn gemoed tot
stand gekomen. Kruseman! ik zou je de handen kunnen kussen,
want je hebt een goed werk aan mij gedaan" \'.
Een paar maanden later verscheen Een beeld der toekomst
bij zijn nieuwen uitgever in herdruk. Dit llomantiesch gedicht,
ontleend aan de geschiedenis der kerkhervorming en die der
onbeslotene gemeente te Utrecht, tijdens Hiiiberl Duif huis,
getooid als het was met acht houtgravures door Vermorckcn
naar Ch. Bochussen, had een vrij goed onthaal en versterkte
door de zorg, die Kruseman er aan ten koste gelegd had, den
trouwen band tusschen hem en den dichter.
In Juni 1857 verscheen een bundel Historische uorellen door
Mevrouw Bosboom-Toussaint, een herdruk van vroeger in jaar-
boekjes verschenen opstellen. Als uitgave valt er niet veel van
te verhalen, of het moest zijn, dat Kruseman van deze uitgaaf
nu niet zoo heel veel verwachtte; 750 exemplaren is geen
bijster hoog getal voor een werk van „onze begaafde roman-
cière". Toch noem ik die uitgaaf, omdat mij uit de correspon-
dentie daarover gevoerd bleek, welk een eensgezindheid en
samenwerking er valt op te merken tusschen den schilder Bos-
1 Brief van De Buil 22 April 1857.
-ocr page 451-
-ocr page 452-
TIJD EN TOEKOMST.                                     437
boom en zijn vrouw, hoc hij wenken gaf over liet illuslreeren W57.
van de penuevrucht van zijn echtgenoote, daartoe bij een
zijner brieven een schetsteekening voegende, die Rochussen bij-
kans geheel zou volgen voor het ontwerpen der titelprent.
Uitvoerige correspondentie werd in 1857 gehouden met
Mevrouw Van Calcar, die terugkwam op liet haar in 1853
door Kroseman afgeslagen verzoek over een nieuw tijdschrift.
.Mevrouw Van Calcar wensebte „een blad [geschreven door
vrouwen] dat niet, als Heldring\'s vereeuiging pleeg te zijn,
bepaald door de orthodoxen wordt bemagtigd, en toch het
])ositive Christendom ademt en van de werkzaamheden van het
(iodsrijk getuigt vooral in opzigt tot de werkzaamheid der
vrouwen in ons land en buitens lands" \'. Kruseman had voor-
eerst geen tijd een nieuw tijdschrift te beginnen en op gang
te brengen en hield het plan aan tot na zijn fondsveiling. De
ontwerpster bepaalde toen den titel op Tijd en tof komst, in het
licht eau geloof en koop. Lome bladen
en zond eeuigc kopy
Ier beoordeeling. Kruseman zond daarop een brief tot antwoord.
Haarlem, 5 November 1S57.
Mevrouw.
Liever had ik gewacht met U te antwoorden totdat ik
de kopij zou ontvangen hebben, die mij door U bij eene
volgende zending beloofd wordt. Maar uw brief oerlangt
eenig berigt van ontvangst, en wel een breed. Alzoo ver-
oorloof ik \'t mij, op \'t gevaar af dat ik de plank mis sla
en een beschainenden brief terug krijg.
Met groote belangstelling heb ik dit; allereerste kopij
te gemoet gezien. Heeft ze aan mijne hoop beantwoord?
Neen. Ik ga l in alle bescheidenheid zeggen waarom
niet. — Toen ik in Maart j.1. uw voorstel ter uitgave
van eenig periodiek werk ontving, zocht ik in dat plan
te vergeefs naar eene gedetailleerde uiteenzetting wat dat
1 Brief van Mevrouw Van Calcar 10 Maart 1857.
-ocr page 453-
438                                      TIJD EN TOEKOMST.
•tarn.                Tijdschrift toch wel eigenlijk worden moest. Die opgaven
vond ik niet, maar ik vond ze eenigszins meer vaag neer-
gelegd in uwe bekentenis; „ik wil een orgaan hebben;
ik ben van hart en hoofd vol van de vragen en belangen
des Tijds, en daarover wil ik meespreken. Vraag inij niet
wat. Opvoeding, huiselijk en maatschappelijk belang; ook
het zedelijke en het ernstige, alles wat het schoone en goede
bevorderen of ontwikkelen kan, zweeft mij voor de ge-
dachten."
Ik had geen tijdschrift noodig; ik had er te veel en ik
dacht er meer aan om mij van eenige te ontdoen, dan
nieuwe op mijne verantwoording te zien. Maar zulk een
warmte, zulk eeue behoefte mij aangedrongen door de
auteur van Hermiue, van Taüitha, van de bekroonde ver-
handeling in het Nut, van De dartiende, — dat beloofde
mij eene onderneming, die wat beteekenen zou, die wat
zijii en wat werken zou in den lande;. Ik bukte mij voor
mijne eigene belangstelling en voor uw zeer vleijend aan-
bod. — Later trachtte ik, \'t zij in mijne brieven, \'t zij
bij mijn persoonlijk bezoek, wat meer licht te krijgen in
de details, in de rigting en het streven van uwc plannen;
ik nam de vrijheid lï dit beleefdelijk te betuigen en her-
haaldelijk te zeggen; liever wat langer gewacht, maar dan
ook met alle degelijkheid en eigenwaarde voor den dag
gekomen. Zelfs eindelijk, toen die toestand van vaagheid
bleef aanhouden, veroorloofde ik mij de ruimte wat te
beschrijven door een titel als „Tijd en Toekomst", en II
voor te stellen al uwe volheid over de ernstige belanden
des Tijds en der Toekomst uit te spreken in een vorm
al ware het die van de Brieven en. antwoorden van Huet:
dat is, maandelijks ééne of twee bepaalde onderwerpen te
behandelen op uwe wijze of die der eventueele mede-
arbeiders.
liet blijkt thans, dat onze plannen en bedoelingen uit
een liepen. De ontvangene kopij heeft geen zweem van
wat ik hoopte. De bijtitel: Bladen, toegewijd aan het
ware, goede en schoone,
bevat het heelal der literatuur;
-ocr page 454-
439
TUD KN TOEKOMST.
het voorberigt: wat ik wenscheii zou, spreekt alleen van i«57.
volksopvoeding dooi- middel van geestbeschaving, terwijl
het overigens vraagt een blind vertrouwen in allen op/.igte
zonder iets te zeggen wat het maandblad geven wil. Blijft
alzoo over de kopij-zelve, gezonden voor het proefnuin-
iner, met de kopij in \'t vooruitzigt. ])e gezondene bestaat
voor liet meerendeel uit een stuk (onmiskenbaar vertaald
uit het Duitsch) getiteld : Hef, dorp op de helde, een stuk,
dat ik tweemaal gelezen heb om te beproeven, of ik mij
ook vergiste, maar dat ik — mij niet vermetende over
de litteraire waarde te twisten — voor ons tijdschrift
ten eenenmale ongeschikt acht, in allen gevalle niet kan
accepteren, als koopman. — Daarom had ik zoo gaarne
U geantwoord na de ontvangst van de overige stukken
mij door Uwe hand beloofd: De zelfstandig Jieid van den
Christen.
— Constances eerste blad. — Wat dunkt U van,
den Bijbel.
— enz. enz. opdat deze stukken mijne eerste
opinie besehamen mogten en ik dus niet zou antwoorden
wclligt ongegrond en onuoodig. Ik blijf geduldig wachten,
gaarne alle uiting verschuivende tot wij eene ruime keuze
in portefeuille hebben.
Het zou kunnen zijn, Mevrouw, dat de vrije uitspreking
van een half gemotiveerd gevoelen door een boekverkooper
en uitgever als ik ben U ongepast, zelfs onbescheiden
voorkwam. J)at ongepaste en onbescheidene bedoel ik in
de verste verte niet. Waar ik over de gezondene kopij
spreek, doe ik het van mijn standpunt. Duizend guldens
is een heele som gelds voor 3(5 vel druks, en voor een
land als het onze. Ik mag in alle billijkheid kopij verlan-
gen die wat baar degelijkheid en ook speculative waarde
betreft, daarmede equivaleert, en die mij in de gelegen-
heid stelt eene goede handelszaak te doen. Dat uitzigt
wordt mij niet geopend door een tijdschrift, al zij het ook
onder uwen hooggewaardeerde!! naam, hetwelk niet iets
anders geeft, dan de menigte tijdschriften die elkander
reeds omverloopen. Een bloot belletristisch maandschrift,
gewijd aan het ware, goede en schoone in dien onbegreus-
-ocr page 455-
44U
TIJD EN TOEKOMST.
1857.                 den uuiverselen zin is inderdaad niet noodig en belooft
mij, bij de overvoeriug der markt, niets (hui schade. Ook
zon ik liet niet wensclien uit te geven, al spiegelde \'t mij
voordcel voor. Ons tijdschrift moet, behalve de gevierde
namen reeds door li aangewonnen, een karakter dragen,
ecu feit zijn en eene kracht worden in onzen tijd. Dat
kan en dut zal liet, wanneer het de vragen des tijds en
de belangen der toekomst niet de frischheid der opvatting
en de warmte der bezieling uit uwe en uwer mede-arbeidere
pen gevloeid, behartigd en behandeld ziet. En als liet dat
belooft te zijn en er de teekenen van draagt, dan zal ik
het niet voorliefde ter perse leggen en er een eer in stellen
\'t te brengen onder liet publiek zoo véél mogelijk.
Ik bid u dus, bescheiden maar vrijmoedig, om rijp
beraad, 0111 verdere of andere kopij en ecu positiever voor-
berigt; zoo mogelijk ook om daarin de openbaarmaking
der namen die tot hetzelfde positieve doel, al zij het in
onderscheidene vormen, willen medewerken. Nogmaals
herhaal ik: ik heb liever geduld, dan gevaar. Mij, en
nog veel meer U, zal liet voldoening zijn in uwe maan-
delijksche afleveringen neer Ie leggen eene taal van wikken
en wegen, een woord der overtuiging, des harten en des
gewetens, ingrijpende, waar vaste grepen noodig en nuttig
zijn. Veel méér voldoening, dan een tijdschrift, dat plan
noch doel heeft dan alleen liet vage „schoone" en dat
alleen zou zijn — vergeef mij de uitdrukking — de cache-
désordre
van eene beroemde portefeuille.
Met achting ben ik
Mevrouw
Uw l)w. Dienaar
A. (!. Krusuman.
De verdere geschiedenis van dit tijdschrift, waarvan in 185S
slechts -\'3 afleveringen verschenen en bijkans geheel tot misdruk
geteld werd, kan achterwege blijven. De brief van Kruseman
is echter zeer merkwaardig, vooral wanneer daarmede vergeleken
-ocr page 456-
BOGAERS, ANTWERPENS KASTEEL.                        441
wordt het vroeger medegedeelde antwoord aan Da Costa, waarin i«-">7.
Kruseman zijn geloofsbelijdenis als uitgever deed. Heide brieven
leekenen ons Kruseman als een man van persoonlijke overiui-
ging met een breeden blik, die ook aan inzichten, die tegen
de zijne indruischten, gaarne gehoor verleende. Maar voor alles:
hetgeen hij als uitgever zon willen helpen verspreiden, het
moest van den auteur een vrije uiting des geestes zijn, die op
zijn werk de stempel van zijn persoonlijkheid en karakter ge-
drukt heeft, daardoor de aandacht van het publiek zou trek-
ken en den uitgever hand aan hand zou doen gaan met den
koopman.
Dat mislukte tijdschrift, hoewel eerst in 1858 verschenen,
behoor! feitelijk nog geheel tol hut jaar 1S57, omdat, zooals
gezegd is, de drukten aan de foudsveiling verhouden een vroe-
gere verschijning in den weg stonden. Maar eenmaal die fonds-
veiling achter den rug, de verkochte artikelen aan de respective
koopers afgeleverd \', en de debietzaak aan Van Asperen van
de Velde overgedaan zijnde -, had Kruseman weer meer tijd
om zich met hart en ziel te wijden aan zijn uitgeverszaak en
daaraan alleen al zijn krachten te besteeden.
Dat hij nu aan zijn voortvarendheid geen remmen meer be-
hoefde aan te leggen bleek uit Bogaers1 vraag hem dm 25 No-
vember Is") 7 gedaan, zijn pas voltooide jubelzang Aait de verih\'-
digers van Antwerpen» kanteel \'m J832
ter perse te leggen en uit
te geven, zoodat er den \'M) November tl. a. v., den dag der
feesten, reeds eenige exemplaren te Amsterdam zouden kunnen
zijn. Al zou de kopv slechts :i/., vel beslaan, in I dagen — er viel
een Zondag tusschen — de zaak klaar te spelen, bij de vrij
trage postverbinding met Rotterdam was een heele deun. Toch
gelukte het, maar de snelle wijze van werken was oorzaak dal
vrij wat drukfouten waren blijven staan, zoodat -\'5^0 exempla-
reu herdrukt werden. Bogaers stelde het uitermate op prijs, dal
Advertentie d.d. 14 November 1857 in Nieuwsblad voor tien Boek
handel
1!( November 1857.
\' t. a. p.
-ocr page 457-
44-2
APOSTELEN EN PROFETEN.
Kruseman hom had willen, maar ook liatl kunnen helpen. ,,fn
de kunsten des Vredes ook niet voor den vreemde te wijken,
maar in het vaderland van Laurens Coster zijne uitvinding op
de hoogte des lijds te honden en te helpen volmaken, behoort
tot onzen nationalen roem. De verdienstelijke pogingen van
hen, die, zoo nis 1 w E. (J., daartoe volijverig medewerken
worden [door] elk waar vaderlander gewaardeerd en geprezen."
Ken week luier verscheen de eerste aflevering van de Apox-
l-elen en profeten.
In IS52 was dit Dichterlijk album verschc-
nen bij Noordendorp. Op de fonds-veiling van den 4 Novem-
ber IS56 door Van Kesteren gehouden ging het in eigendom
over aan J. II. van der Beek en zeer spoedig werd Kruseman
eigenaar van deze kopy, die voor den uitgever der Bijbehche
vrouweti,
zeer zeker begeerlijk was in eigendom te bezitten.
Voor f 223 werd hij eigenaar van den bundel in zijn geheel,
edoch met de clausule, dat het afzonderlijk eigendom van de
bijdragen van Tollens, Ter Haar en Da Costa aan de respec-
tieve auteurs bleef behooren \'. De nieuwe eigenaar toonde zich
1 Het eigendom van Da Costa (Dauld en EzecltiH) was reeds vroeger
van Noordendorp gekocht. — De volgende advertentie in het Nieuwsblad
(5 November 1857) is mij niet duidelijk.
„De. aanbieding der prochtuitgave van N. Beets, l\'aulus. en: Apostelen
en profeten, volgens circulaiien van 15 October jl. algemeen verzonden.
zal stellig doorgaan en de verzending der bestelde Exempl. den 15cn
November geschieden. Van bestellingen na dien datum gedaan wordt
geen notitie genomen ; daar ik deze werken fiks zal aankondigen, zal er
niemand mede blijven zitten.
Amsterdam, 1 Nov. 1857.                          J. H. van DER Bkek."
Op dat tijdstip bad Van der Beek bet kopyrecht reeds overgedaan.
Daar uit geen der gegevens mij ten dienste, iets blijkt, vermoed ik dat
Kruseman alleen het kopyreebt en recht van herdruk gekocht bad en
dat Van der Beek op deze wijze het restant der prachtuitgaaf poogde
van de hand te doen.
Kenc dergelijke moeielijkheid doet zich voor mij eveneens voor met de
Paulux van Bects. In de llaaiiemsche Courant va.i den 25 November
1857 biedt Van der Beek de qtiarto prachtuitgaaf tegen verminderden
prijs aan ; veertien dagen later (t. a. p. 8 December 1857) adverteert
Kruseman zelf de goedkoope editie van dit werk.
-ocr page 458-
HISTORISCHE VROUWEN.                                  443
onbekrompen en gaf ook aan de andere auteurs vergunning 1858.
om hun bijdragen iu bun bundels op te nemen, terwijl hij zelf
ter eigen drukkerij een nieuwe oplaag in klein octavo zonder
de platen ter perse legde;, waarvan (i I 1 exemplaren gedebiteerd
werden.
Ken gelijksoortige uitgaaf was Histor•Ue/ie vrouwen, liet denk-
beeld was oorspronkelijk uitgegaan van II. M. C. van Oosterzee te
Oirschot, die den 25) September 1857 aan Kruseinan schreef:
Vergun mij een paar oogenblikken audiëntie; ik wilde
u een denkbeeld onder de aandacht brengen, met welks
verwezenlijking IJ — zie ik niet geheel verkeerd — eer
inleggen en een betamelijk „stoffelijk doel" bereiken kunt.
Ik zal maar aanstonds met de deur in huis vallen.
Uwe Bijbelsche vrouwen zijn naar verdienste toege-
juicht en gezocht geworden. Ik houd het er voor dat het eene
uitgave is, van welke u „pleizier gehad hebt." Het schijnt
mij toe, dat het denkbeeld van een dergelijk plaatwerk:
Vaderlandsche vrouwen, wel overweging verdient. Mij dunkt
dat zulk een museum van beroemde Nedcrlandsche vrou-
wen in onderscheidene opzigten doel kon treffen. Als men
ze in eene chronologische orde nam, gaf het plaatwerk
eene serie van historische toiletten-voorstelling, en als
men zich in den tekst niet bepaalde tot poezy alleen (ook
omdat zulks de zaak tot uaaperij van de liijheluc/ie
maken zou), maar deels deze, deels een flink geschreven
proza-tafereel appliceerde, zou, dunkt me, er toch wel
iets goeds van te maken zijn; vooral als men figuren
koos, onder welke zich of belangvolle bijzonderheden uit
de vad[erlandsche] geschiedenis] of meer algeineene be-
schouwingen over verdiensten van ?\\ederl[andsche] vrou-
wen brengen laten. Zoo leent zich b.v. Keizerin Margare-
tha uitnemend tot een woord of wat — altijd voor het
„publiek" van \'t plaatwerk — over de Hoeksche en Ka-
beljaauwsche twisten; Rachel Buysch (of C. S. Troost) om
de Nederl[andsche] schilderessen te vermelden enz.
-ocr page 459-
*
444                                 HISTORISCHE VROUWEN.
1858.                        Ziehier een ruwe schets voor een dozijn:
I.     Vellcda. lleidensche priesteres. Zeker Poëzy.
£. Ada vmm Holland (Poëzy, waarbij de dichter zich op
Texel verplaatse).
.\'}. Keizerin Margaretha. Proza. Hoeksche en K[abel-
jaauwsche] twisten. Zie boven.
I. .lacoba van Heijercn. Voor de Poezv wanhopig, na
Van Lennep\'s Weeklacht. Dus een Hink stuk proza.
5. Maria van Bourgondië. Proza of poëzv.
II.     Kenau Hasselaar. Bepaald proza, en om haar gegroe-
pcerd Trijn van Leeinput enz. Zij pretcert zich goed
tot eene „novelle".
7. Maria van lleigersbergen. Poëzy.
S. A. M. van Schuurman. Proza of poëzy.
9. Margarethn Godewijk. Poëzv of proza.
II). \'Kachel Rnvsch. Om haar gegroepeerd de Nederl[and-
sehc] schilderessen.
11.     ^1. S. Merinn. Kort proza.
12.     L. W. van .Merken of I. (.\'. de Lannoy of K. \\V.
Bilderdijk altijd om de hoofdpersone gegroepeerd de
Ned[erlandsche] dichteressen, althans sommige. Proza
dus.
Indien u dit plan, behoudens wijziging, inkrimping of
uitbreiding heilaagt, sla ik u gaarne onder nader te be-
palen voorwaarden ten dienste en wil wel een of twee
dames op mij nemen.
Het plan lokte Krnsenian aan, wat de kern van het denk-
beeld betrof. Hij breidde het uit, betrok van dezelfde firma, die
de gravures voor de Bvjbelsche. vrouwen geleverd had, afdruk-
ken van de IVansche staalplaten, „schudde door de bezieling,
die er van hem uitging, de half dommelende poëten wakker" \'
een keuze te doen uit eenige onderwerpen en het dichterlijk
album, de Historische vrouwen, die bij afleveringen verschenen
en in 1864 in twee, elk afzonderlijk verkrijgbare bundels,
1 Schimmel in De Guts 1858 Dl. Il blz. 58.\'J.
-ocr page 460-
HISTORISCHE VROUWEN.                                  445
compleet kwamen, was er liet gevolg van \'. De dichters, die isós.
hun bijdragen plaatsten, waren dezelfde, die oude bekenden
waren voor de lezers van de Aurora: De Buil, Hofdijk, Schim-
mei, Withuys, Beets, De Génestet, Aan den Bergh, Bogaers,
Ten Kate, Van Zeggelen, Winkler Prins, Estclla Hert/veld,
Lesturgeon, en W. Marten Westerman, maar niet Da (\'osta. Want
Da Costa had, zooals vroeger gebleken is, een tegen-ingeno-
menheid tegen den uitgever van Huet\'s Brieven gekregen, en
had, hoewel hij vroeger gezegd had Kruseman uitsluitend voor zijn
uitgever van zijn literaire werken te zullen houden, zijn De slag
hij Nieuwpoort
afgestaan aan Kruseman\'s stadgenoot .1. .). van
Brederode voor diens Tien bladzijden uit de geschiedenis eau
Nederlands roem, en grootheid,
gansch en al tegen eiken wenscli
en begeerte van Kruseman in. Maar daarover later.
De Historische vrouwen vonden ondanks den hoogen prijs
van _/\' 17 voor een Dichterlijk album een gewcnscht onthaal
en zouden voor Kruseman lang geen onvoordeelige speculatie
blijken te zijn.
De eerste aflevering, Florence Nigfdingale,7s\\,gmk\\rn\\. IS5S
liet licht; de voorbereiding er van viel nog geheel in het vorig
jaar, evenals het eerste; door Kruseman uitgegeven deel van
Nederlands opstand tegen Spanje over de jaren 15(57 tot 1572
door Van Vloten -. Oorspronkelijk was dit geweest een reeks
voorlezingen door den Deventerschcii hoogleeraar in den winter
van 1856 op 1857 voor een gemengd gehoor gehouden, voor
het samenstellen waarvan hij zich had bediend van velerlei
nog ongebruikte stukken en brieven te Brussel in depot, zoo-
1 Terwijl deze uitgaaf aan Kruseman kostte f 4809.90, kon elf jaar
later op de fondsveiling van I). A. Thieme één exemplaar nog /\' 18<i
opbrengen (Nieuipxhlatl voor den lloekhaiulel 11 Maart 1873); en als een
bewijs van ile gewildheid van dit artikel zij nog medegedeeld, dat een
paar maanden later het kopvreelit onder de hand weer overging van
Binger & (^hitz te Haarlem aan H. C. Dröse te Zwolle, (t. a. p. 20
Juni 1S7.-}).
* Het eerste deel, dat de jaren 1Ó64 tot 1507 besprak, was in 1856
bij de Erven Bohn verschenen.
-ocr page 461-
44(5                    VAN VLOTEN, NEDERLANDS OPSTAND.
^858. als hij schreef. In Maart 1857 bood hij de kopy aan Kruse-
man ten uitgave aan voor f 15 per vel, en werkte zijn arbeid
om, zoodat liet boek bij de uitgave geheel den vorm van voor-
lezingen verloren had. in November was liet deel afgedrukt.
Kruseman stelde de uitgave echter uit tot Januari 1858, om-
dat hij meende, dat er dan beier financieel resultaat zou te
behalen zijn; liet debiet zou de kosten niet dekken, wellicht
door den prijs van ,/\'3.50 voor 21 vel. Voor de volgende serie
voorlezingen, die op dezelfde wijze in December 1858 verscheen
en de jaren 1572 tot 1575 behandelde, kon Van Vloten dan
ook niet meer dan f 10 per vel bedingen; het laatste deel,
dat in 1800 het licht zag, had Kruseman zouder honorarium
gekregen, daar het hem niet mogelijk bleek te zijn iets te
bieden voor de verkrijging van deze kopy, die de verdere ge-
schiedeuis van den opstand tot 1577 beschreef.
Door dit zuiver geschiedkundig werk had Kruseman een
nieuwe rubriek in zijn fonds gemaakt: de scientia historica.
Ken maand na de verschijning van het eerste deel verscheen
de eerste; alle vering van liet eerste deel van Jhr. Mr. .). (\'.
de Jonge\'s Geschiedenis van haf, Nederlandsche Zeewezen. Ver-
meerderd en uitgegeven onder toezicht van Jhr. Mr.
•/. A*. J.
de Jonge.
De vroegere archivaris der Rijksarchieven had dit stan-
daard werk over den nationalen roem en glorie en kracht en
macht tusschen 183.\'} en 1848 in het licht gegeven bij de Ge-
broeders van Cleef te \'s-Gravenhage en Amsterdam, en daar-
mede een eerste hand geslagen aan de wetenschappelijke
schifting en bewerking van het sedert in 1844 door brand
vernietigde marine-archief. Op een verkooping van het fonds
van wijlen Pieter van (\'leef \' den 11 Juni 1850 door Van
Kesteren te Amsterdam gehouden, werd Kruseman eigenaar van
de kopy voor f 2051.00 en al heel spoedig wendde hij zich
tot den zoon van den overleden auteur om een nieuwen ver-
\' In 1851 hadden de uitgevers het reeds in prijs verminderd. (Ad-
vertentie in Haarlemsche Courant ü Mei 1851).
-ocr page 462-
DE JONGE, NEDEBIiANDSCHE ZEEWEZEN.                447
beterden druk te bezorgen. Kruseman\'s plan eene omwerking 1858.
te geven vond geen bijval. „Hij [d. i. J. K. .). de Jonge\'s
broeder, W. A. C. de Jonge] deelde volkomen mijn gevoelen,
schreef de zoon, dat eene bijvoeging te maken aan het Xee-
wezen,
door men ook, niet alleen voor zijne betrekkingen
hoogst onaangenaam zou zijn, daar wil ik zelfs niet van spre-
ken, maar dat het aan het werk zou sehaden. U heeft het
Zetwezen gekocht, u wenscht daarvan eene tweede uitgave te
bezorgen, maar zoo men in het werk gaat bijlappen en aan-
pleistcren, dan wordt het niet eene tweede uitgave, maar een
nieuw werk, een rompslomperig gebouw niet uitstekjes en op-
getrokken verdiepingen hier en daar, maar het geheel zal zijn
verbroken, in één woord liet wordt knoei werk. . . .
„Ik zal u kortelijk mededeelen wat mijn plan is. ])e bc-
zorging van den 2C" druk neem ik op mij; dat is ik zal liet
algemeen toezigt van de zaak hebben, ik deel u mede de aan-
teekeningen mijns vaders, voor zoover zij voor publicatie vat-
baar zijn, en plaats die in nooten, ik voeg er zoo mogelijk
nog eeltige onuitgegeven stukken achter die reeds door mijn
vader over het zeewezen na de 1° uitgave waren bijéénge-
bragt. Bij het eerste deel, dat naar het oordeel zelf van mijn
vader het minst volledige was, doe ik bij wijze van nooten
of nalezingen eenige bijvoegingen, naar aanleiding van eene
onuitgegevene bron, vermeld in de manutscripl aanteekeningen
mijns vaders.
„Overigens blijft het werk in zijn geheel zoo als het is.
Eene bijvoeging van handelingen door sehepen van de O. I.
C. zal geen plaats vinden. Dit behoort tot de marine mar-
chande armee,
het plan des werks is de marine militaire,
zoodra staatssehepen verrigtingen in de Indien deden, wordt
in het Zeewezen daarvan gesproken" \'.
Behalve die bijvoegingen veranderde Kruseman zelf hier en
daar de woordkeus, in het bijzonder het woordeken dezelve, waar
het kon, zonder aan de duidelijkheid te schaden. Zorgvuldig,
nauwlettend en vol piëteit werkten uitgever en ed/\'lor samen
1 Brief van De Jonge 21 December 1856.
-ocr page 463-
448                  DB .TONfïE, NEDERLANDSCHK ZEGWEZEN.
1858. om de nieuwe uitgaaf tot een standaardwerk in den overtref-
fenden trap te maken, üe schetsteekening b. v., die Kruse-
man door d\'Arnand Clerkeus liet maken voor liet vignet beviel
alles behalve aan De .Jonge. „Onder ons gezegd en gebleven
was die teekening zoo banaal en onbeduidend, hoe goed anders
op zich zelve, dat ik te rade ben geworden, mijn vriend Slin-
germeijer te verzoeken, een vignet te maken. Wij hebben za-
men al zoowat afgesproken, wat het zijn zal.... een schoon
type van een Nederl. matroos met de sabel in de vuist ver-
dedigende het nationale vaandel, liet Nederl. wapen en het
Nederl. geschut, omringd van een tropliée van maritieme krijgs-
attributen, en in het verschiet het kanaal waarin de vloot van
Tromp zeilende overstag met den bezem in den mast" \'. In
hoofdzaak kwam dat denkbeeld dan ook op het vignet tot uit-
voering.
Kosten noch moeite spaarde Kruseman om het werk, dat
meer dan de helft goedkooper zou zijn dan de eerste uitgave,
er smakelijk en aanlokkelijk te doen uitzien en de aantrekkelijk-
lieid te verhoogen door afbeeldingen van Neerlands zeehelden.
Geven de eerste deelen slechts herhalingen van oude gra-
vuren te zien, in de volgende deelen verschenen op aandrang
van Fred. Muller en van zijn zoon, den huidigen liijksarchi-
varis van Utrecht ook portretten van die zeehelden, wier
beeltenis slechts in teekening of schilderij bewaard was geble-
ven. Die afbeeldingen slaagden uitstekend.
De keurige portretten, door F. II. Weissenbruch en F.
Waanden geteekend en door J. D. Steuerwald en (!. W. Mie-
ling gedrukt, belmoren tot de laatste sieraden van de meer en
meer in verval gerakende kunst der eenkleurige lithographie
hier te lande -, en de uitgever zelve stelde ze zoo hoog als
prentkunst, dat hij er over dacht bij het compleet komen van
het werk ze afzonderlijk verkrijgbaar te stellen :!.
1 Brief van De Jon^e 3 Juli 1857. — Potgieter die liet eerst weer
de aandacht vestigde op de uitdrukking „de bezem in de mast", had zijn
Rijksmuseum in 1844 geschreven. (/><• Gids 1844. Mengelingen blz. 17).
5 Vgl. Bouwstoffen Dl. I blz. 411.
3 Brief van Bodel Nijenhuis 6 Mei 1862.
-ocr page 464-
DE JONGE, NEDEE.LANDSCHE ZEEWEZEN.                  449
Het was niet te verwonderen dat Fred. Muller groote belang- 1858.
stelling toonde in deze nieuwe uitgaaf van liet Zeewezen en
hij toonde dat door Leupe\'s hulp in te roepen voor het samen-
stellen van een uitvoerigen klapper. Muller stond in zijn be-
langstelling vrij wel alleen. „Bij de 20e aflevering werden eerst
elf exemplaren verkocht. Een schier wanhopige uitslag! Door
krachtige colportage evenwel en door wassende waardeering
groeide allengs het debiet tot een goede 500 exemplaren aan"
en iets meer dan de kosten (ƒ 18548.50, waaronder/\'4557.] 0
voor platen en gravures) werden gedekt. Prospectussen in
ruime mate verspreid en circulaires door bemiddeling van
het ministerie van marine aan alle in actieven dienst zijnde
marine-officieren in Nederland en in de Indien verzonden, ble-
ven gansch en al zonder gevolg en dat was De Jonge alles
behalve aangenaam. Bij het compleet verschijnen van het werk
in December 1861 kreeg hij van Kruseman inzage van de
lijst van inteekenaars en hij was verontwaardigd, „dat noch
de Koning, noch de Prins van Oranje, noch eenig departement
van algemeen bestuur aan de onderneming een blijk van sym-
pathie heeft geschonken. Niet om den wil van het werk, want
wat goed is, vindt zijn weg, en zal langer duren dan nietige
vorsten, maar ter wille van den geest die het verraadt, betreur
ik dat verschijnsel. Men voelt niet meer voor de grootheid
van vroeger, het verleden is dan ook een verwijt, en de voor-
ouders zijn te groot voor de verbasterde nakomelingen. De
teugels der marinezalen zijn ontglipt aan de handen van een
De Witt om in de spierlooze kinderhandjes van een Katten-
dycke te worden gelegd."
Kruseman behield de kopy in zijn fonds tot 1867, toen de
378 exemplaren overig van de oplaag (1000) voor f 1695.45
overgingen in handen van Van Hoogstraten en Gorter te Zwolle.
Terwijl Kruseman\'s uitgaaf (5 deelen met register) f 54.25
gekost had, maakten zij er een „3de buitengewoon goedkoope
(titel)-uitgaaf\' van voor ƒ21.60 als Neetland» roem ter zee.
Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen.
Die titelverande-
1 Bouwstoffen Dl. I blz. 411.
29
-ocr page 465-
450                  DE JONGE, NEDEREANDSCHE ZEEWEZEN.
1858. ring was aan De Jonge alles behalve naar zin. „Zoodanige
daad is niet alleen onkiesch, maar in Frankrijk zelfs strafbaar
bevonden. Welligt dat de fransche jurisprudentie ook hier in-
gang vinden zal.
„De Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen is door mijn
vader geschreven, dat is de geschiedenis niet alleen van den
roem maar ook van de schande der vaderen, hij heeft boven
alles
de waarheid gezocht, maar hij heeft geen boek gemaakt
met humbug, of met humbug-titel, hij heeft de geschiedenis
van het Nederl. Zeewezen, niet de apologie er van ter neer
gesteld" \\ Kruseman vond die daad nu zoo heel erg niet en
dat is wel niet te verwonderen, daar hij als uitgever, als
koopman op een geheel ander standpunt stond dan de zoon
van den overleden auteur, die voor alles naast de wetenschap-
pelijke zijde der zaak, in de nieuwe uitgaaf een daad van pie-
teit zag en daarom voor zijn moeitevollen arbeid geen honora-
rium had willen hebben. Trouwens, de omzetting die de nieuwe
eigenaars gaven aan het Zeewezen en het Neêrlands roem ter
zee
doopten, ik geloof dat Kruseman zelf daarvoor in 1858
bij de uitgaaf ook wel wat gevoeld heeft. Raadplegers van het
werk toch weten, dat het, schoon op een ander gebied natuur-
lijk, toch vrij wel gelijk staat als bronnenwerk met Collot
d\'Escury\'s Hollands roem in kunsten en wetenschappen en ook
daarvan had Kruseman in 1S56 het eigendom gekocht voor
ƒ\'812 op dezelfde auctie, waarop hij ook het Zeewezen verkreeg.
De aankoop van dit artikel was geschied met het plan om
op het voetspoor van dat werk, een geheel nieuwe Nederlandsche
geschiedenis te geven van kunsten en wetenschappen, in een
reeks van monografieën onder een algemeenen titel en wel te
laten bewerken:
I.         De bouw- en beeldhouwkunst, schilder-, graveer- en
penningkunde door D. van der Keilen Jr. en C. Kramm.
II.         De kunst dienstbaar aan de eer van \'s lands geschie-
\' Brief van De Jonge 20 October 1868.
-ocr page 466-
HOFDIJK, ONS VOORGESLACHT.                           451
denis door W. J. Hofdijk, J. A. Bakker (Rotterdam) isss.
en A. Beeloo.
III.          De taal- en letterkunde, Oostersche letteren door
L. A. te Winkel en H. C. Millies.
IV.   1. De klassieke letterkunde door E. Mehler en E. J. [?]
Brill.
De vaderlandsche letterkunde door P. Leendertz.
IV. 2. De dichtkunst en welsprekendheid door W. J.
Hofdijk.
V.
         De godgeleerdheid door D. Harting.
De bespiegelende wijsbegeerte door J. A. Bakker.
VI. 1. De wiskunde, sterre-, aardrijks- en zeevaartkunde
door E. M. Beima.
VI. 2. De vestingbouw door J. P. de Bordes.
De waterbouw door D. J. Storm Buysing.
VIL
         De natuurkundige wetenschappen door E. M. Beima.
Van dit plan kwam niets. Het prospectus lag klaar; met de
schrijvers was Kruseman al een heel eind ver, maar bij de
meesten stuitte hij af op het bezwaar, dat er te groote bron-
nenstudie voor noodig zou zijn, waartoe zij niet genoeg tijd
beschikbaar hadden \'. Door prijsvermindering trachtte Kruse-
man daarop de exemplaren van Collot d\' Kseury op te ruimen 2.
Niettemin liet Kruseman het denkbeeld zelve niet los.
Naast het groote omvangrijke werk van De Jonge in 5
royaal-octavo deelen, dat het leven van ons voorgeslacht ter
zee besprak, ging Kruseman eveneens in 1858 een werk be-
ginnen, dat een schildering zou geven van ons voorgeslacht
in al de uitingen van zijn huiselijk, maatschappelijk en intel-
lectueel leven: Ons voorgeslacht door Hofdijk.
1 Brief aan Fred. Muller 1 Juni 1878. — Vgl. Muller\'s voorstel aan de
Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde in dat jaar. {Handelingen
blü. 65.)
* Voor f 16 inplaats van ƒ 43.60. (Advertentie in Haarlemsche
Courant
6 October 1858.)
29*
-ocr page 467-
452                        HOFDIJK, ONS VOORGESLACHT.
1858.             De aanleiding tot het schrijven van dit werk is bekend: een
tentoonstelling van oudheden, die in April en Mei 1858 te
Amsterdam gehouden zon worden gaf Kruseman het plan in
een „Volksgeschrift of Magazijn, in maandelijksche afleveringen
voor een groot publiek" \' te doen schrijven door Hofdijk
2 over
de geschiedenis van het Nederlandsche volk in zijn maatschappe-
lijke verhoudingen. Den 19 Februari stelde hij het hem voor en
Hofdijk nam het onmiddellijk\'1 aan den tekst te leveren voor/\'2 5
per vel. Het prospectus gewaagt van die eerste schreden op
dit tot nog toe geheel onontgonnen veld van de „vaderlandsche
geschiedenis." De geschiedenis onzer vaderlandsche staatkundige
gebeurtenissen is zeer zeker belangrijk, „maar de kring onzer natio-
nale herinneringen sluit nog iets anders, vaak veel aantrek kelij-
kers, in, hetwelk hoc langer hoe meer met voorliefde gezocht, met
gretigheid verzameld en met de eerbiedige waardeering eener
vaderlijke nalatenschap bewaard en bewaakt wordt: het stille,
in firn e, innerlijke, huiselijke en maatschappelijke leven onzer
voorouders, des te hooger voor ons gevoel in waarde stijgende,
naar mate de vermeerderende middelen van gemeenscha]) en
vermenging der onderscheidene Europesche afdeelingen de na-
tionale zeden en gewoonten, de eigenaardigheden van elk volks-
leven wijzigen, zoo niet voor een groot deel doen verdwijnen.
Van die liefde tot hetgeen van ouder tot ouder als bij uit-
sluiting het onze was, getuigen zoo vele bijzondere histori-
sche nasp"oringen, zoo veel behandeling van schijnbaar nietige
onderdeden van ons volksbestaan, maar bovenal ook de ten-
toonstellingen van Vaderlandsche antiquiteiten, zooals ook we-
der dezer dagen van alle oorden des Rijks in de zalen van het
kunst-genootschap Arfi el Amicitia, als een vervolg op vroe-
gere dergelijke, zijn bijeen gebragt.
„Deze eerwaardige oorkonden te bewaren, te beschrijven, op
te helderen, te verbinden in tafereelen, die aan de geschiedenis
1    Advertentie in Zondagsblad 1 April 1860.
2    nouwslo/1\'en Dl. I blz. 411.
3    Aldus Kruseman; Hofdijk spreekt in de 2e oplaag (Voorbericht
Dl. I blz. VI) van „eindelp."
-ocr page 468-
453
HOFDIJK, ONS VOORGESLACHT.
volkomen getrouw zijn, en, waar \'t rtoodig is, af te beelden, 1858.
is het doel van het werk O/m voorgeslacht in zijn huiselyk
en openbaar laven;
een arbeid, strekkende om ook dit gedeelte
der wetenschap uit de studiekamer van den geleerde tot
een eigendom des gebeelen volks te maken, en zeker ten volle
berekend voor de pen van den lieer Hofdijk, die in onder-
scheidene werken, zijne Historische Landschappen, Het, Neder-
landsche Volk,
enz. enz., reeds zoo vele vruchten zijner lieve-
lings-studie heeft neergelegd" \'. Wat op een enger begrensd
terrein David van der Keilen in liet vorig jaar streng we-
tenschappelijk begonnen was met zijn Nednlaudn-oudlieden,
moest Hofdijk op breeden voet degelijk en grondig voor het
groote, beschaafde en ontwikkelde publiek behandelen. Kruse-
man wenschte daarom al dadelijk aan „dit werk een vorm te
geven geschikt ter verspreiding onder een groot publiek, op-
dat liet niet alleen zijn plaats zou vinden in de Bibliotheek
van den meer geletterden, maar tevens gelezen zouden kunnen
worden in de Huiskamer van ieder, die prijs stelt op de her-
innering van zijn voorouders. Middelen daartoe zijn: min-
kostbaarheid en de uitgave bij afleveringen." En in dezelfde
uitvoerige aankondiging, die hij nog voor de verschijning van
de eerste aflevering in de HaaHemse/te Courant2 plaatste,
drukte hij ook af het schema, dat Hofdijk voorloopig ontwor-
peu had van het te schrijven werk; het beloofde een degelijk
populair-wetenschappelijk geschrift te zullen worden.
Dit streng en zuiver historisch programma volgde de auteur
niet strikt: zijn dichterlijke natuur verzette zich daartegen:
zijn weten, uit boeken gegaard, vervormd door indrukken al
mijmerende en denkende plotseling verkregen en fluks opge-
schreven werd als wetenschappelijk geschrift het publiek voor-
gezet. „Ik geef de tafereelen, schreef Hofdijk, zooals ze my
by het gezet en ernstig bestudeeren der bronnen van zelf en
levendig onder het oog zijn gekomen, en my geheel hebben
1 Prospectus afgedrukt in Het Leeskabinet. 1858. Bibliographisch
Album
blz. 243.
1 27 April 1858.
-ocr page 469-
454-
HOFDIJK, ONS VOORGESLACHT.
1858. verplaatst in de tijden, „si longtemps avant nous". Ik geef alzoo
aan anderen, wat ik, aan de hand der strenge Wetenschap, zelf
heb aanschouwd. Tk geef de uitkomst en het genot mijner
studie, zonder den last der moeite en der inspanning die het
heeft gekost, zouder de dorheid, die de meesten aan de mede-
deeling dier uitkomsten verbinden, en die — daar zy de slagboom
van alle populariteit is — voor mijn doel onvruchtbaar blijft" \'.
„Men zal my, als gij ziet, niet kunnen verwijten dat ik
het „op de hoogte van den tijd zijn" opoffer aan mijn
voorliefde om de zaken in een levendigen, populairen stijl
voor te stellen; eigendlijk eene beschuldiging van drooge
apen....., die niet in staat zijn om de vruchten van hun half bak -
ken onderzoek dienstbaar te maken aan de weetlust (of wilt
ge des noods — nieuwsgierigheid) van ons beschaafd publiek" 2.
Zelf raakte Hofdijk al arbeidende en schrijvende hoe langer
hoe meer ingenomen met zijn werk. „Het tweede deel, was
zijn eigen meening, staat, wat de platen betreft, in \'t geheel
nog vrij wat hooger dan het eerste. Over den text spreek ik
niet, en [hoor] daarover liever een onbevangen oordeel van U,
want het spreekt van zelf, dat ik, die met ambitie heb ge-
schreven, zelf moeielijk kan oordeelen, of mijn boek misschien
niet lijdt aan „pedanterie, pretentie en vertoon van geleerd-
„heid", ofschoon dit laatste mij wat meer dan afgedwongen is" 3.
Ook om dien schijn van drooge geleerheid te vermijden, citeerde
Hofdijk zijn bronnen slechts in enkele gevallen aan den voet
van de bladzijde, zeer tot schade van het boek als pseudo-weten-
schappelijk geschrift, dat als zoodanig zou blijken nu niet zoo
hoog verheven te zijn als door Kruseman gewenscht werd.
Hofdijk verviel in het andere uiterste van hetgeen hij juist wilde
vermijden, het droge en dorre, dat aan Nederlandsche zuiver
wetenschappelijke geschriften veelal zoo eigen is 4. De hoeveel-
heid stof, die hij moest bewerken om volkomen au fait te zijn,
1 Voorbericht 2« druk.
* Ongedateerde brief van Hofdijk.
\'. Ongedateerde brief van Hofdijk.
In zijn Heidelbergsche periode schrijft Pierson in De Gids (1873
-ocr page 470-
455
HOFDIJK, ONS VOORGESLACHT.
zou blijken hem te machtig te zijn en onwillekeurig verviel hij 1858.
daardoor in fouten, hetzij door als positieve wetenschap te boek
te stellen, waar de fautaisie slechts spel had, hetzij door onjuist-
heden te schrijven. Van dit laatste ten bewijze een aanhaling uit
een brief van M. de Vries. „Ik ben er iu geslaagd, Amice, de
Cwênen te ontdekken! Het was een Filmische volksstam, die
in \'t Noorden van Zweden en in Lapland, langs de Bothnische
golf woonde. Hoe, lieve hemel! heeft vriend Hofdijk ze naar
ons land getooverd? Tk geloof op \'t spoor te zijn. De naam
Cwênen verklaart men uit \'t Finsch, als bewoners der lage
landen, als wonende aan de lage kusten der Bothnische golf.
Zeuss, de groote man in dit vak, vertaalt liet door Nieder-
lüiider.
Heeft dat misschien aanleiding gegeven, ze naar ons
Nederland te troonen ? Ik heb er vrede meê, mits ze maar gaauw
weer oprukken, want zij zien er mij veel te bar uit" \'.
Een aantrekkelijkheid niet alleen, maar een integreerend deel
van het werk waren de prenten, die, ook al weer niet streng
wetenschappelijk, oude Voorwerpen en toestanden, moesten af-
beelden 2. Bij contract tusschen uitgever en schrijver, had de
laatste zich voorbehouden de prenten steeds te moeten goed-
keuren voor ze ter afdruk aan den lithograaf gegeven werden,
en de teekenaars Springer, Kochussen, Van der Keilen, Kru-
seman van Elten, Bombled, B. te Gempt, Karsen en J. Hil-
verdink vonden een alles behalve gemakkelijken rechter in Hofdijk,
die zelf dan ook in enkele gevallen de teekeningen leverde.
Die prenten maken de uitgaaf, wat het eindbedrag der uit-
Dl. I blz. 421) een opstel over Wetenschappelijk Nederlandscli, naar
aanleiding van drie academische redevoeringen.
\' Brief van De Vries 16 November 1858. Het geldt de eerste plaat
in het eerste deel: Koenen, oudste bewoners van Nederland. Het onder-
schrift bleef behouden in den tweeden druk, hoewel de prenten daar van
nieuw beteekende steenen getrokken zijn. — Dezelfde opmerking met
nog zooveel andere wetenschappelijk afkeurende aanmerkingeu werd
gemaakt door L. J. F. Janssen in de Algemeene Konst- en Letterbode.
(1859 blz. 4 en 12).
\' Zij werden gemiddeld voor 10 cents den kooper in rekening ge-
bracht ; voor elke maandelijksche aflevering van twee vel zou 40 cent
gerekend worden.
-ocr page 471-
456
HOFDEJK, ONS
VOOllO ESI, ACHT.
schotten betreft, tot Kruseinan\'s kostbaarste onderneming. Van-
daar hier de gespecificeerde onkosteulijst.
18D8.
Oplaag 2500 exemplaren.
Oplaag half blad 1-—4 3000 exemplaren.
Aan Honorarium................. a /\'
„ Zet- en drukloon, per blad.... „ „
„ Buitengewone correctie en her-
druk 109 blad.............. „ „
„ Drukken van 68275 omslagen,
enz........................
782 Riem ordinair drukmediaan........ „ „
Papier voor diversen..............
35 Riem gekleurd omslag-papier......
Voor het teekenen en lithographee-
ren van 219 stuks platen, oplage
2525 ex. met papier............
Voor houtgravuren |door E. Vermor-
cken], 1 stuk, omslag en lithogr..
Exemplaren gebonden, de 6000 deelen
en 3300 losse banden.........
3800.—
4394.90
720.—
561.20
7883.—
81.90
471.60
16.—
6.75
10.-
25224.45
95.-
6626.60
683.30
100.-
500.—
0.80
0.52"
Exemplaren ingenaaid, de 76000 af-
le veringen.....................
Vracht voor het papier en de port
der proeven....................
Advertentiën in onderscheiden dag-
bladen........................
Divers drukwerk, 1650 bestelling-
lijsten, 21000 prospectussen, 1000
biljetten, met papier............
Reiskosten.......................
Verzendkosten en porten..........
Onkosten (administratie, vuur, licht,
enz.)..........................
Colportagekosten..................
Bibliotheek......................
Aandeel in photographiën.........
„      295.10
„     100.-
„      250.-
„    1000.—
„    6568.50
„      225.-
„      140.-
f  59720.55
1865. Bijdrukken platen en papier f 56.—
„ Banden................... „ 74.75
„ 119 Banden............... „ 75.07
-ocr page 472-
457
HOFDIJK , ONS VOORGESLACHT.
In vele opzichten was de onderneming voor Kruseman een 1858
marteling. Naast een beschuldiging van ongeoorloofden nadruk \',
had hij telkens en telkens moeielijkheden met Hofdijk over de
kopy; maandelijks zou eene aflevering verschijnen en maande-
lijks moest de kopy letterlijk uit handen van Hofdijk gescheurd
worden2, die dan onder den indruk van het oogenblik zijn
kopy half onleesbaar opkladde met potlood in spoortrein of
op wandeling op sigarenzakjes, op vodjes papier, op alles wat
maar eenigszins beschrijfbaar was, zeer tot belemmering van
de regelmatige voortgang van het werk.
Het debiet hield in het begin geen gelijken tred met de
noodige uitschotten; begonnen werd het werk met 102 intee-
kenaren, maar het klom\' door de ijverige colportage van Calisch
tot circa 1200 \'. Geraamd was het werk op 4 deelen a/\'0.70
(part.) de aflevering: het geheel werd 76 afleveringen in 6
deelen, door de overmatige uitdijing, die Hofdijk aan de ro-
mantische schildering der middeleeuwen gegeven had. Hofdijk
gevoelde al schrijvende, dat de stof hem te omvangrijk werd;
in de Voorrede van het derde deel, dat in Mei 1861 compleet
kwam, moest hij dan ook de bekentenis neerschrijven, dat de
verplichting van den uitgever tegenover de inteekenaren hem
in de noodzakelijkheid bracht samen te trekken, waar hij zoo
gaarne had willen schilderen; want het werk op de eerst be-
gonnen schaal voortgezet, zou een omvang verkrijgen, die den
aanvankelijk geraamde verreweg overschrijden moest; de oneven-
redige korte behandeling der 17e en 18e eeuw waren er het
gevolg van; „naarmate de belangstelling van den lezer klimt
wordt die tevens niet bevredigd" 4.
1 De beschuldiger was C. Sfuquardt te Brussel, die hem betichtte
van ongeoorloofd uit de bij hem uitgegeven Monumcnls de la Belgique
overgenomen te hebben de prent Altaar .15e eeuw, opgenomen in de
52« aflevering van Ons voorgeslacht. (Dl. V tegenover blz. 10). (Brief
aan C. Muciuardt 16 September 1862.)
1 Aldus Kruseman in de Bouwstoffen (Dl. I blz. 412). De regelma-
tige verschijning der afleveringen zou het anders niet doen vermoeden.
3 Brief aan Ferd. Claassen te Brussel 22 Februari 1862.
* Vgl. C. P. [Tiele| in Het Leeskabinet 1861. Bibliographisch Album
blz. 244.
-ocr page 473-
458
HOFDIJK, ONS VOORGESLACHT.
1858.             In een ander opzicht was het werk later een teleurstelling
voor Kruseman: de platen zouden hem op den duur niet
voldoen. „Schilders zijn niet allen «tewteekenaars en hadden
de kunstenaars mij teekeningen geleverd, die door bekwame
handen op steen waren overgebracht, clan had ik beter platen
en te gelijk eene verzameling van teekeningen gehad, die de
kosten dubbel en dwars waard zouden geweest zijn."
Zooals gezegd is klom het debiet door colportage. In 1867,
3 jaar na het kompleet komen van het werk, dat „den band
van vriendschap tusschen uitgever en schrijver wel eens gera-
feld, maar niet [had] kunnen doen breken", ging het eigen-
dom en het restant (290 exemplaren van de 2500) voor
/\'27S4 over aan P. van Santen te Leiden.
De firma Van den Heuvell & Van Santen besloot vijf jaar
later tot een nieuwe oplaag. „Vertrouwende te mogen rekenen
oj) de sympathie van den Boekhandel, waar het geldt een zoo
populaire onderneming als deze" \', werd door haar in December
1872 de eerste aflevering verzonden. Acht dagen later had
zij reeds 1783
2 en veertien dagen daarna 3600 inteekenaren 3,
voorzeker een groot succes. Maar zij had dat niet te dan-
ken aan het werk zelf, wel aan haar wijze van exploitatie.
Door haar werd op groote schaal gedreven een sedert in zwang
gekomen gebruik, het premie-stelsel; een door de hof-lithografen
Tresling & Co. aangemaakte kleurendruk naar Van der Helst\'s
Schuttersmaaltijd 4 was het lokaas, dat het publiek hier voor-
gezet werd.
Die kunstmatige overproductie in boeken was een doorn in
het oog voor Pred. Muller, die zicli daarover onbewimpeld in
het Nieuwsblad uitte *. Die aanval bleef niet onbeantwoord.
Van Santen schreef in het Nieuwsblad terug ° en dat antwoord
1    Nieuwsblad voor den Boekhandel 24 December 1872.
*    t. a. p. 7 Januari 1873.
1    t. a. p. 24 Januari 1873.
4    t. a. p. 3 Januari 1873.
5    t. a. p. 6 Augustus 1875.
•    t. a. p. 7 September 1875.
-ocr page 474-
HOFDIJK, ONS VOORGESLACHT.                           459
neem ik hier over, omdat er aardige bijzonderheden in 1858.
voorkomen over Kruseman en zijn opvatting als handels-
man in 1858, tegenover den geest van 1875 onder de jongere
confraters.
„Toen vriend Kruseman Hofdijk\'s Voorgeslacht uitgaf, was
een oplage van 2500 exemplaren zeker kolossaal te noemen,
en omdat \'t een fraai boek was, verdiende \'t in veler handen
te komen. Misschien was juist het bewustzijn, dat een fraai
boek goed verkocht moet worden, de hoofdreden waarom een
voor dien tijd betrekkelijk groot getal ex. werd opgelegd. Maar
die tijd scheen niet rijp voor een zoo ruim debiet, met kunst- en
vliegwerk moest het debiet bevorderd worden en de heer Kruseman
zal zeker de eerste ziju om te erkennen, dat de heer Calisch met
de colportage van den eersten druk van Ons Voorgeslacht zijn
gouden sporen verdiend heeft. Alzoo de eerste druk is er al
kunstmatig ingeduwd (altijd volgens F. M[uller]). Ik zou zeg-
gen, dat de eerste proeven van het colportage-systeem, door
vriend Kruseman op grooter schaal toegepast, tamelijk goede
resultaten hebben opgeleverd en hem aangespoord dat systeem
ook met vrucht op andere uitgaven te blijven toepassen.
„Maar de eerste druk van Ons Voorgeslacht kon er niet
geheel ingeduwd worden. Het fondsartikel kwam in andere han-
den. De verkoop tegen verminderden prijs bracht den kooper
een niet onaardig voordeel aan en deze legde, nadat de voorraad
uitgeput was, een nieuwen druk ter perse.
„De uitgave daarvan heeft bewezen dat van een goed boek,
van een populair geschiedkundig werk van een gevierden auteur,
als de prijs laag gesteld wordt, een ruim debiet verzekerd is,
ook al is de premieplaat niet gelukkig uitgevallen. Ware de
j)laat fraaier geweest, het debiet zou nog grooter geweest zijn.
Dat boek heeft verdiend, dat \'t „dwingt ze om in te gaan"
er op werd toegepast."
En verder: „Zoo de eerste uitgever eene nieuwe wijze tot
bevordering van het debiet van zijn papieren kind in praktijk
bracht, is dan de latere nieuwigheid van den tweeden uitgever,
de toevoeging van eene premie-oleographie, zoodanig af te
keuren, als zou ze voor den boekhandel eerloos zijn?___
-ocr page 475-
4(50
HOFDIJK, ONS VOORGESLACHT.
1858.             „Hoe komt \'t dat Ons Voorgc.nlacht in ons Nieuwsblad tel-
kens gevraagd en nooit aangeboden wordt? Hoe komt \'t dat
\'t debiet nog steeds toeneemt? Zou \'t ook zijn omdat \'t een
boek is dat verdient gekocht en gelezen te worden?
„Overproductie.... maar kan er van een goed volksboek te
veel verkocht worden?___ Is een deel van het nationaal ver-
ïnogen dan zoo slecht besteed aan liet Voorgeslacht, of aan
ieder ander goed volksboek of tijdschrift, dat ten deele door
middel van die nieuwmodische colportage verkocht wordt? Is
de boekhandel dan zoo benadeeld door een omzet met Ons
Voorgeslacht
van ongeveer f 175.000, waar van hem als rabat
weinig minder dan f 50.000 overbleef?
„Overproductie___Is \'t niet een heuchelijk teeken des tijds,
dat ons volk meer en meer zin begint te krijgen voor lectuur?
En als die lectuur goed en leerzaam is, mag dan daarop niet
eer de colportage worden aangewend dan op zoo menig geest-
doodend en nietswaardig tractaatje, al ware \'t maar bij wijze
van tegengif?"
Ons vasthoudende aan Muller\'s meening, dat in 1875 reeds
voor het enorme getal van 7800 exemplaren ingeteekend was \',
kan de oplaag van dezen tweeden druk op 10000 gesteld wor-
den; op de fondsveiling, die na Van Santen\'s overlijden in
December 1877 gehouden werd, waren er nog 100 exemplaren
van deze oplaag over, welke a f 7.65 overgingen in handen
van Gebr. Koster en Bolle.
Evenals de Bilderdijk is Ons voorgeslacht thans het eigen-
dom van H. A. M. Eoelants, die in de fondsveiling van den
18 December 1895 één exemplaar met het kopyrecht kocht
voor ƒ 300.
Een ander geschiedkundig werk, maar van een gansch anderen
aard en naar onze opvatting evenmin streng wetenschappelijk,
kwam eveneens in 1858 in het licht: Het getuigenis der ge-
sleenteu. De geologie in betrekking lot den Bijbel en het geopen-
baarde scheppingsverhaal door
Hugh Miller. Met eena inleiding
1 t. a. p. 6 Augustus 1875.
-ocr page 476-
STARINO, GEOLOGISCHE KAART VAN NEDERLAND.         46]
en een levensberigt van den schrijver door Dv. I). Lubach, een i^8-
soortgelijk werk als de vertaling van Het scheppingswonder
van dienzelfden schrijver, dat Kruseman 7 jaar vroeger in 1851
eveneens in een vertaling van Dr. Lubach had uitgegeven. De
geologie en de landbouw toch bleven, dank zij Staring\'s ver-
blijf in Haarlem, voortdurend in Kruseman\'s gedachten en zoo
verscheen dan ook bij Kruseman Staring\'s Voormaals en thans.
Opstellen over Neêrlands grondgesteldheid
en het 14de blad van
de bekende Geologische kaart van Nederland, uitgeroerd door
het lopographisch bureau van het Departement van Oorlog. Uit-
gegeven op last van Z. M. den Koning
\', naast Koenen\'s De
Nederlandsche boerenstand historisch beschreven
2 en de tweede
druk vau Enklaar\'s Handboek voor den houder van rundvee *
(in de serie der Landbouivboekjes). Dit laatste werk was al één
der onspeculatiefste uitgaven van die serie en uit dat oogpunt
stond het vrijwel gelijk met twee hoog wetenschappelijke andere
uitgaven, die thans een kostelijke historische bron zijn: Scherer\'s
Algemeene geschiedenis van den wereldhandel en Buijs\' üe
volken van onzen tijd.
Het ligt voor de hand, dat die appreciatie vooral toepasselijk
is op den laatsten titel; had Kruseman dim moed gehad de uit-
gaaf hiervan door te zetten, dan zouden deze Bijdragen tot de ken-
1 Dit 14" blad was het eerste blad, dat verscheen. „Prijs f 1.—. De
geheele Kaart zal beslaan uit 28 Bladen, en omstreeks /\' 20.— kosten.
Deze Kaart wordt niet in Commissie gezondi-n, maar is op aanvrage
bij alle Boekhandelaren in het Rijk voor rekening te ontbieden." (Adver-
tentie in Hanrlemsche Courant 2 September 1858).
* Zooals uit het Voorbericht blijkt was ook dit werk een voorlezing
geweest in de Maatschappij Felix Meritis; het verscheen echter niet in
de serie der Voorlezingen, die op dit oogenblik door Kruseman reeds
gestaakt was.
3 De eerste druk was verschenen voor rekening van de Gelder-
sche Landbouwmaatschappij, van wie Kruseman in 1856 deze kopy
tegelijk met Snellen van Vollenhoven\'s De insecten u-elke den landbouwer
schaden,
Havelaar\'s De vlasbouw in Nederland, W. C. H. Staring\'s
Handleiding tot het vloeijen van liooilanden voor Nederland en Het
boekhouden voor den kleinen landbouwer
en W. Staring\'s De Belgische
kempen
voor f 230 had overgenomen.
-ocr page 477-
462
DE VOLKEN VAN ONZEN TIJD.
i8f>8. nis van den toestand der voornaamste staten in de tweede helft
van de negentiende eeuw
een voortreffelijk standaardwerk gewor-
den zijn. Wat in de vorige eeuw Tirion ondernomen had met
zijn Tegenwoordige stael van alle volkeren, wilde Kruseman
op grootscher, breeder schaal voor zijn tijd van vrijen
handel en snelle gemeenschap doen en een werk in het licht
geven, dat heldere begrippen omtrent land- en volkenkunde,
en een juiste waardeering van den gemeenschappelijken toestand
der verschillende volken en van de bronnen hunner welvaart
zou behelzen \'. De compresse druk in aanmerking genomen,
was de gevraagde prijs inderdaad niet hoog. „Het plan was
degelijk en de aanleg uitmuntend. Maar het publiek wilde er
niet aan. Alleen de afdeelingen België en Groot-Brittanniën
verschenen en mochten nauwelijks 100 inteekenaren en koopers
hebben." Bij een kostenden prijs van ƒ1771.50 voor de 2000
exemplaren van beide afdeelingen samen, kon Kruseman voor het
restant (827 exemplaren) niet meer bedingen dan f 891, voor
welk bedrag H. G. Koster eigenaar werd.
Zooals uit die aanteekening van Kruseman blijkt, behan-
delde het eerste deel, dat verscheen België. Het had echter
in de bedoeling van Buijs gelegen met Frankrijk te beginnen,
maar later was hij daarvan teruggekomen. De voornaamste
bron, die hij voor de bewerking gebruikte, was de Annuaire
du, Revue des deux mondes
en het bleek hem dat die Annuaire
„voor geen land minder bruikbaar [is] dan juist voor Prank-
rijk; het heeft eene bepaalde kleur, die mij weinig aanstaat
en niet gemakkelijk weg te maken is, terwijl het overigens ten
aanzien van vele zaken buitensporig lang en ten aanzien van
andere, die men voor de landslieden bekend veronderstelt, veel
te beknopt is. Ik kan nu eerst bij de behandeling van België
eenige ondervinding opdoen en dan met beter gevolg het grootere
aanvatten" 2. Zoo begon hij met België en ondervond veel hulp
van Baarda, die de critische lezing der drukproeven op zich ge-
nomen had. Toen het deel zijn einde naderde, baarde de juiste
1 Advertentie in Haarlemsche Courant 29 October 1858.
* Brief van Bugs 2 Maart 1858.
-ocr page 478-
SCHERER, GESCHIEDENIS VAN DEN WERELDHANDEL. 463
titelkeuze weer zorg aan uitgever en schrijver en toen ook gaf 1858.
Buijs te kennen dat hij liever zijn anonymiteit wilde bewaren
als schrijver van het werk, om redenen, die hij in zijn voor-
bericht zou ontwikkelen \'. Voor de benaming gaf Buijs zelf
de gewenschte oplossing door den titel vast te stellen; aan Buijs\'
begeerte, het bewaren der anonymiteit, moest Kruseman toe-
geven en dat kwam hem te onpas. Want hoewel hij het niet
gezegd had, was de hoop toch levendig bij hem, dat de naam
alleen van Buijs koopers van het werk zou lokken en de uit-
komst leerde maar al te wel, dat dit anonieme werk een gansch
mislukte speculatie bleek te zijn, dat ook bij de critiek een
alles behalve gunstig onthaal ondervond. M. [P. N. Muller?]
in De Gids2 b. v. meende, dat Kruseman een weldaad aan
het publiek zou doen met het tweede deel van de afdeeling
Engeland niet te doen verschijnen, wanneer de bewerking daar-
van even onvolledig en gebrekkig zou zijn als het eerste deel.
De secretaris van Rijnland had met dit werk geen dadelijk
gelukkigen arbeid verricht; zijn aandeel in de vertaling van
Scherer\'s Algemeeue geschiedenis van den wereldhandel zou voor
het succes van dit laatste werk evenmin veel bij brengen. Integen-
deel, niet daarom, maar ondanks hetgeen Buijs er toe bij
bracht om N. S. Calisch ter zijde te staan in het vertalen
van dit voor 6 jaar in Duitschland verschenen werk, en dat
reeds in één jaar in twee oplagen in het Fransch verschenen
was, kon „dit keurige boek" bij inteekening niet meer dan 34
exemplaren halen. Het uit den aard der zaak loftuitende
prospectus 3, waarin Kruseman op de hooge belangrijkheid van
het werk wees, had niet gebaat om het debiet aan te wakke-
ren, want, beweerde Vissering in zijn recensie over de eerste
acht afleveringen 4, hoe geleerd het werk ook zijn moge, het
1 Brief van Baijs 21 Augustus 1858. — In het voorbericht getee-
kend „de Redactie" staat daarover echter niets te lezen.
\' 1860 Dl. II blz. 159.
\' Gedeeltelijk afgedrukt in Het Bijblad van de Economist 1860
blz. 61.
\' t. a. p.
-ocr page 479-
464 DA COSTA, KERST- EN NIEUWJAAR8INTREÊZANGEN.
1858. onderwerp waaraan Scherer zijn krachten wijdde, de beschrij-
ving van den handel der volkeren in de oudheid, wat weten
wij er eigenlijk Aan af? En dan nog, heeft die „wetenschap"
voor onze dagen wel practische waarde?
Met een oplaag van 750 exemplaren en een kostenden prijs
van f 2805.75, gingen in de fondsveiling van 1807 600
exemplaren voor f 380 in andere handen over. En de reden
dat ook deze onderneming, hoewel zij door P. N. Muller in
De Gids was aangeprezen, voorbeeldeloos slecht ging, vertelt
Kruseman in zijn Bouwstoffen \'. Het zou zich hebben kunnen
redden en zeker gewaardeerd geworden zijn, indien de Duitsche
auteur zijn werk bij het tweede deel niet had laten steken.
Het bleef incompleet.
Naast deze uitgaven, die van een geheel ander soort waren dan
hetgeen in vroeger jaren door Kruseman uitgegeven was, naast
de steeds in dichten drom elkander opvolgende afleveringen van
de Bïlderdijk, die in September 1858 met de 45e aflevering
(1)1. XV) een einde nam, van de Brieven, over den Bijbel, van
de Wetenschappelijke Bladen, van de nieuwe uitgaaf van Bul-
wer\'s Mijn roman, van nieuwe deeltjes of nieuwe titel-uitga-
ven van de Bniteulandsche klassieken, werd de eigenlijke let-
terkundige richting, Kruseman\'s eerste kweekeliug, niet geheel
voorbij gezien; getuige de in dit jaar verschenen vijfde druk
van Borger\'s Nagelaten gedichten, met voorbericht van S. J.
van den .Bergh \'-, de tweede druk van Da Costa\'s Kerst- en
nieuwjaarsintreézangen,
ruim een maand na de kopy-aankoop
daarvan van Tielkemeijer en de tweede druk van Ernst en
boert uit den Hollandscheu Spectator
van J. van Efl\'en 3.
Belangrijker, zoo men wil, dan deze uitgaven was het
1 Dl. I blz. 409.
* Op den titel wordt deze editie den „vijfden" druk genoemd; in
zijn voorbericht spreekt Van den Bergh echter alsof dit de „vierde"
druk is.
a De eerste druk was in 1851 verschenen bij Fuhri in de Etagère
editie
en als zoodanig in Kruseman\'s fonds gekomen.
-ocr page 480-
465
SCHEFFER-ALBUM.
Sc heffer-album., waarvan de eerste aflevering, Dante en Beatrice isss.
door Beijnen, in November verscheen.
Bij het overlijden van dezen voor zijn tijd ongeëvenaarden
kunstenaar \' rijpte bij den uitgever van Ten Kate\'s Christus
remunerator
het plan ter eere van Ary Schetter, wiens toe-
komstige grootheid juist als christelijk kunstenaar indertijd
reeds door Bilderdijk in 1809 voorspeld was 2, een breed op-
gevat In memoriam te stichten \\ Van Westhreene, de redacteur
van de Kwistkroniek, werd bereid gevonden voor f 700 de
redactie en het leveren der kopy, door hem en anderen te
schrijven, op zich te nemen. De uitvoering van het werk was een
aaneenschakeling van allerlei moeielijkheden, die opgelost moesten
worden. Eerst de vraag of het letterkundig tractaat in 1855
tusschen Nederland en Frankrijk gesloten de voorgenomen uit-
gaaf van het Scheff\'er-album wel toestond en of er geen ge-
gronde vrees zou moeten bestaan, dat de navolging in steendruk
van in Frankrijk uitgegeven gravuren als nadruk beschouwd zou
moeten worden. Mr. Aug. Philips, de rechtsgeleerde raadsman
van de Vereeniging, adviseerde aan Kruseman, dat, naar zijn
oordeel, hiertoe geen redelijke vrees bestond. „Het tractaat —
hetgeen inderdaad een uitbreiding der strafwet is — moet
strikt tot zijn onderwerp blijven beperkt. De regten van een
auteur op de voortbrengselen van zijn geest verschillen naar
den aard van het voortbrengsel. Bij letterkundige werken heet
dat regt propriété littéraire, bij kunstvoortbrengselen (platen,
beeldhouw-werk, schilderkunst, muzijk) is het propriété arti-
stique,\'
bij industriële voortbrengselen, (patronen voor weefsels,
étiquetten enz. enz.) heet het propriété industrielle. Het trac-
taat nu spreekt uitsluitend van het eerste; van de overige regten
1 15 Juni 1858 te Argenteuil bij Parijs. — The Illustrated London
News
van den 14 Juli 1858 (pag. 41) gaf een portret met een kort levens-
bericht van den overleden schilder.
1 Dichtwerken Dl. XI blz. 68.
3 Een afbeelding van de Christus remunerator werd als premieplaat
gevoegd door D. Noothoven van Goor te Leiden bij den vierden jaargang
(1860) van zijn De Christelijke huisvriend. — Buijs noemde Kruseman\'s
plan een kostelijken inval. (Brief van Buijs 27 Juli 1858).
80
-ocr page 481-
466
SCHEFFER-ALM7M.
1858. wordt volstrekt niet gerept. Men kan hier evenzeer fransche
platen uitgeven, of platen naar fransche schilderijen, als men
vrijheid heeft om statuettes of afgietsels naar fransche beelden,
aria\'s en zangwijzen voor een of ander instrument of couplet
te arrangeeren, fransche dessins na te weven, en étiquetten te
bezigen" \'.
Met die zekerheid kon veilig voortgegaan worden. Natuurlijk —
want bij welk werk ook zou dat van een leien dakje gaan —
hielden sommige auteurs, die bijschriften bij de platen toegezegd
hadden, zich of slecht of in het geheel niet aan hun woord 2
en vertraagde zulks aanmerkelijk de geregelde verschijning van
de afleveringen. Maar ernstiger was het, dat de steenteekenaars
niet opgewassen bleken te zijn tegen de taak dragelijke tee-
keningen te maken naar de hun voorgelegde modellen \\ Met
uitzondering van de schilderijen van Schetter in bezit van
.1. A. Nottebohm te Rotterdam, S. van Walcheren van Wade-
noijen te Amersfoort en .). Wittering te Amsterdam, waren het
fransche gravures, die hun tot model dienden.
Zoowel naar het oordeel van redacteur als van uitgever
begrepen zij geenszins het christelijk poëtische waas \'en de ge-
dachte, die Schett\'er in zijn schilderijen had neergelegd; een
oogenblik zelfs werd er aan gedacht Belgische teekenaars te hul])
te roepen, maar financieele overwegingen deden dit denkbeeld ver-
werpen. „O! wat zou ik vurig wensehen U het middel te helpen
vinden om het zonder de gebrekkige en onzekere hulpmid-
delen van onze lithographie te stellen, schreef Van Westh-
reene" *. Het debiet bleek dan ook zeer, zeer middelmatig te zijn,
\' Brief van Philips 5 Juli 1858.
2 De Génestet, die op zich genomen had een bijschrift te leveren bij
De honing van Thule werd vervangen door Allard Pierson,en Hofdijk,
die Clovis in den slag bij Tolbiac zou behandelen, schreef een opstel
over Calvijn.
\' „Mij dunkt, de smaakvolle uitgever van zooveel goeds, zal met leede
oogen op dat werk neerzien". (Brief van De Génestet 4 Mei 1859). —
Die verzuchting meermalen geuit tijdens het verschijnen van het werk,
mag in geen geval toegepast worden op de laatste prent Wignon door
Aug. Allebé.
* Brief van Van Westbreene 22 Januari 1859.
-ocr page 482-
467
SCHEFFER-A.LBUM.
reden waarom dan ook in 18(iü een nieuwe uitgave \' met ver- 1858.
anderde rangschikking der afleveringen2, op touw gezet werd, die
liet, naar het schijnt, niet verder dan de eerste aflevering bracht3.
In velerlei opzicht is deze uitgaaf een merkwaardige ver-
schijning; niet alleen om het niet slagen van de onderneming
en de misrekening van Kruseman, niet alleen als een teeken
van de steeds dieper en dieper zinkende kunst van Nederland-
sche artistieke prenten. Hoewel het Scheffer-album niet op één
lijn gesteld kan worden met de Bijbelsche vrouwen en de
Apostelen en profeten, ook omdat het geheel in proza geschre-
ven is, is het uit een godsdienstig oogpunt daar toch .wel
ietwat aan verwant en uit dat oogpunt bezien sloot die uit-
gaaf bij Kruseman de reeks van godsdienstige prentwerken af,
maar tevens opende zij een nieuwen kring in Kruseman\'s uit-
gevers-werkzaamheid: Moll, Vosmaer, Pierson, Opzoomer, nieuwe
namen, maar ook nieuwe denkbeelden, nieuwe, ruimere begrip-
pen in Kruseman\'s fonds. l)e strijd tusschen geloof en weten-
schap, door de Brieven over den Bijbel aangewakkerd, ging
beslecht worden ten voordeele van de wetenschap. Eerlang de
nauwe relatie met Pierson, eerlang een uitgever van een gausch
andere orde dan tot nu toe het geval was geweest.
Niet lang zoude het meer duren of die strijd tusschen ge-
loof en wetenschap was inderdaad voor Kruseman beslist.
1    Brief van Van Westhreene 7 Juni 1861.
2    Vgl. Nieuwsblad voor den Boekhandel 11 Oetober 1860.
* De nieuwe uitgifte van 1860 begon met de Fausl, van Opzoomer.
Bracht die het verder dan de eerste aflevering? Ik vond van volgende
afleveringen geen spoor, maar het mag opgemaakt worden uit den boven-
aangehaalden brief van Van Westhreene, waar hij schrijft „dat gij mij....
niets hebt gemeld van een tweede uitgave van \'t Sclie/f\'er-albiim met
veranderde rangschikking der afleveringen." — Collationeering van ver-
schillende exemplaren zou misschien licht kunnen verschaffen, maar
daarop alleen moet ook al weer niet te vast vertrouwd worden, daar de
afleveringen zonder pagineering verschenen en fouten van de binders dus
meer dan gewoonlijk tot de mogelijkheden gerekend kunnen worden.
Nog zij vermeld, dat op de omslagen voorkomt een portret van
Scheffer in houtgravure door W. Stam, dat niet teruggevonden wordt
in het werk zelve.
30*
-ocr page 483-
468
SCHEFFElt-ALBUM.
1858. Gelijktijdig, dat het Scheffer-album werd voorbereid, was dat
ook liet geval met de Stichtelijke lectuur van Huet, die uiting
zou geven aan het voldongen feit van zijn overgang tot de
moderne richting. En ook uit dat oogpunt bezien verdient het
Sclieffer-album de aandacht; de bijschriften zijn van een geheel
ander gehalte dan de vroegere prachtwerken, niet uitsluitend
kerkclijk-godsdienstig, maar niettemin wel degelijk berekend
te werken op het bewustzijn, dat in elk mensch leeft, dat hij
toch nog een andere roeping hier op aarde te vervullen heeft,
waaraan het materieele levensgenot alleen onmachtig is te vol-
doen. Zoo is het Sclteffer-album, dan ook een uitgaaf van een
hoog ernstige richting, die daarom misschien niet ten volle be-
antwoordt aan de christelijke roeping, die Schetter zelf in zijn
leven als kunstenaar voorgestaan had.
In het Scheffer-album loopen als het ware samen de dra-
den van Kruseman\'\'s eerste en laatste uitgevers-werkzaamheid.
Chronologisch ongeveer in het midden staande van zijn maat-
schappelijke loopbaan, staat het daar tevens als het einde van
het begin en het begin van het einde.
Die geleidelijke overgang in de richting der uitgaven, die
zich nu sinds een jaar of anderhalf vertoonde, ging gelijk
mede met een verandering in het personeel van Kruseman\'s
zaak. Een nieuwe machinemeester werd gevraagd \'; Kruse-
man\'s rechterhand, .1. J. Weeveringh, die tien jaar lang met
lust en liefde werkzaam was geweest voor zijn belang, vestigde
zich als uitgever te Haarlem2, en ongeveer gelijktijdig met
deze verandering ontving Kruseman een hartelijk huldebetoou
van een zijner confraters.
Na zijn uittreden als voorzitter uit het Bestuur der Ver-
eeniging in 1855 was hij in het daarop volgende jaar 1856,
een paar dagen voor de onthulling van het Costerbeeld, weer
opnieuw als Bestuurslid gekozen, tegelijk met P. Kraay en
A. Belinfante, en had achtereenvolgens als voorzitter en onder-
\' Nieuwsblad voor den Boekhandel 5 Augustus 1858.
1 t. a. p. 10 Juni 1858.
-ocr page 484-
469
VOORZITTER VAN DE VEREENIGING.
voorzitter zitting gehad. In de zitting der algemeene verga- -1859.
dering van 1859 moest hij aftreden en wat Gebhard vier jaar
vroeger had gedaan, deed hij ook thans: hij bracht zijn vriend
Kruseman en de andere aftredenden aan den gemeenschappe-
lijken maaltijd een hartelijk gemeenden
GROET EN WENSCH.
Wu/k: Wij teven vrij, wij leven blij.
O Sparenstad, o Spai-enstad !
Hef vrij liet hoofd omhoog!
Uw schild met starren, kruis en zwaard,
Vertoon ze frank en vrij aan de aard,
Ontplooi uw vlag, gij zijt het waard:
Vertoon ze aan aller oog! (bis.)
O Sparenstad, o Sparenstad!
Uw wapen, \'t is uw beeld:
Het kruis, het teekent hoe gij leedt,
Het zwaard, hoe gij voor vrijheid streedt,
Uw starren, wat de Drukkunst deed
Door licht, aan de aard bedeeld, (bis.)
Maar Sparenstad! voelt gij wat \'t meest
Ons tot u trekken kan? —
Wel schonkt ge aan \'t Vaderland, \'t is waar,
Een Kenau Simons Hasselaar,
Aan de aard een Lourens Coster — maar
Ons schonkt ge een Kruseman! (bis.)
Omhoog het glas voor Kruseman !
Bestraal hem \'s Hemels gunst!
Slechts vreugde en vree keer bij hem in,
Woon met hem in zijn huisgezin,
En kweekt\' bij hem den eedlen zin
Voor Wetenschap en Kunst! (bis.) enz.
Nog ondervond Kruseman een kleine erkenning van zijn
verdienste: klein, maar rein. H. M. de Koningin vereerde hem
met twee porceleinen vazen wegens de opdracht aan H. M.
van de Aurora voor .1859 \\
1 Nieuwsblad voor den Boekhandel 30 December 1858.
-ocr page 485-
470
OUDEMANS, DE FLORA VAN NEDERLAND.
1859.             Zoo had zich dan gaandeweg de uitgeverszaak ontwikkeld
en was meer en meer Kruseman\'s naam een gevierde gewor-
den. In het Haarlem van zijn dagen — en het zoude tot zijn
dood toe zoo blijven — was het noemen zijner voorletters A. C.
alleen reeds voldoende om aan te duiden, wie hiermede bedoeld
werd \'; confraters, wier handelsbegrippen niet volmaakt over-
eenkwameu met de zijne, namen zijn uitgaA\'en tot voorbeeld
om eigen ondernemingen aan den man te brengen2; Kruseman
werd een „coryphae" van den Boekhandel genoemd :\', wiens
uitgaven alleen door zijn adres een gewild handelsartikel gewor-
deu waren in alle rangen van den handel, van het Bestuur
der Yereeniging af tot aan de uitventers van boekeu aan de
kruiwagens te Amsterdam. „Drie centen het stuk van de ver-
kooping van den heer Kruseman" 4.
Die ontwikkeling zou zich in 1859 vooral uiten door het
flink aanvatten der reeds in het einde 1855 met Staring\'s De bodem
van Nederland
begonnen serie van de Natuurlijke, historie
van Nederland.
Terwijl van dit populaire leesboek voor den
beschaafden stand nog steeds afleveringen in het licht kwamen,
verschenen in dit jaar eveneens de eerste afleveringen van Be
flora van Nederland door
Oudemans, en van het Overzigt der
gelede diereu door
Snellen van Vollenhoven. De toekomst, het
heden zou leeren, dat Kruseman zijn doel volledig bereikte om
in het huisgezin een uitmuntend werk te brengen ten behoeve
1    „[De proeven] terug aan mij s.v.p., niet aan A. C." schrijft Huet
in 1859. {Brieven van Cd. Busken Huet. Haarl. 1890 Dl. I blz. 82).
2    J. H. van der Beek te Amsterdam, die het eerst op groote schaal
tweede-hands-handel dreef (Bouwstoffen. Dl. II blz. 484) adverteerde
in 1859 (Haarlemsche Courant 12 Maart 1859) Het boek om te lag-
chen:
„De Boeken in Nederland zijn over het geheel veel te duur en
slechts weinige liggen binnen het bereik van hen, waarvoor zij bestemd
zijn, vooral is zulks het geval met humoristische en luimige lectuur,
ja zelfs de goedkoope uitgave van Dickens werken, vereischt nog eene
aanmerkelijke som om er eigenaar van te worden en wat heeft echter
het Volk, vooral het Nederlandsche, dat onder zooveel lasten en afpersing
gebukt gaat, meer noodig dan vrolijke en opgeruimde Lectuur." enz.
3    Nieuwsblad voor den Boekhandel 13 October 1859.
* t. a. p. — Vgl. hiervoor blz. 124.
-ocr page 486-
471
OUDEMANS, DE FLORA VAN NEDERLAND.
van eigen onderzoek of ter mededeeling aan kinderen of kwee- 1859.
kelingen, welks waarde en nut niet in verhouding staan zou
tot de geldelijke opoffering l.
Al reeds dadelijk in 1855 had liet in zijne bedoeling gelegen
naast de geologie ook de botanie, de zoölogie, de meteoro-
logie en de anthropologie van Nederland in de Natuurlijke
historie
op te nemen en had hij in het begin van 1850 tegen
een honorarium van ƒ 15 voor het vel, Schlegel voor de zoölogie,
Snellen van Vollenhoven voor de insekten, Herklots voor de
schulpdiereu, Lubach voor de anthropologie en Krecke voor
de meteorologie weten te vinden. De Flora werd aangeboden
eerst aan Dr. Van den Bosch, den voorzitter der in 1845 op-
gerichte Vereeniging voor de Flora van Nederland, die de op-
dracht niet aannam, omdat hij den tijd daartoe nog niet geko-
men achtte, daarop aan Dr. Kerbert te Zaandijk, Kruseman\'s
ouden schoolkameraad. De ziekelijke gezondheidstoestand van
dezen geleerde deed hem het aanbod van de hand wijzen, waarop
Dr. C. A. J. A. üudemans, toen nog lector aan de klinische
school te Rotterdam hetzelfde verzoek2 kreeg en deze nam het
aanbod aan. De uitgever had echter nog te veel omvangrijke
loopende uitgaven om vooreerst aan de exploitatie van een
dergelijke nieuwe onderneming te denken. Niettemin zette hij
zijn bakens uit; de groote opruiming van 1857 en het ten einde
spoeden der Bilderdijk gaf den gewenschten tijd en de eerste
aflevering van De fora verscheen in Januari 1859, ander-
halfjaar na de 5C aflevering van De bodem van Nederland.
Geraamd werd De flora o\\) twee gewone deelen \'1 en een atlas
van omstreeks 80 platen; de grondige en veelzijdige behandeling
van den schrijver — tijdens zijn arbeid werd hij hoogleeraar
te Amsterdam — deed het uitdijen tot 10 afleveringen (3
deelen) en een atlas van 91 platen. Een grondige, maar tege-
lijk voor een ieder verstaanbare en bevattelijke studie werd ge-
1 Prospectus van de Bodem van Nederland dd. Mei 1859, van de
Gewervelde dieren dd. April 1860 en advertentie in Uaarlemsche Cou-
rant
van den 30 Mei 1859.
1 Brief aan Oudemans (?) 25 Januari 1856.
3 Advertentie in Haarlemsche Courant 25 Januari 1859.
-ocr page 487-
472               OUDEMANS, DE FLORA VAN NEDERLAND.
1859. schreven over Nederland\'s plantenschat, leerzaam voor den lezer,
maar tevens ook leerzaam voor den hoogleeraar zelve, die be-
kemien moest, dat zijn eigen kennis gedurende de langzame
voltooiing van zijn arbeid een niet geringen aanwas ondervon-
den had \'. Door de menigte platen, in houtsnede als in steen -
druk, was De flora de kostbaarste afdeeling der Natuurlijke
historie.
Om die reden zij hier de onkosten daarvan een plaats
gegeven 2.
Oplaag 1000 exemplaren. le afl. (XII en 80 blz.) 1500 ex.
Aan Honorarium.................. a f 15.-
„ Zet- en drukloon, per blad..... „ „ 12.-
„ Buitengewone correctie........
„ Drukken van 9000 omslagen met
papier......................
185 Riem ordinair drukmediaan......... „ „ 5.30
Voor het teekenen van 92 stuks platen,
en overteekenen................. „ „ 25.—
Drukloon van 92 platen, oplage 650 ex.
Voor het drukken met kleuren van
plaat 1—10, 1100 ex.............
35 Riem voor het papier der platen.... ,, „ 12.50
Voor het kleuren van 500 stellen pla-
ten, met o verkleuren............. „ „ 0.O45
Voor het teekenen op hout.........
„ houtgravuren, 327 stuks.......
Exemplaren ingenaaid, de 400 ex. in
afleveringen.....................
Exemplaren ingenaaid, de 500 ex. in
deelen..........................
Vracht voor het papier en de port der
proeven ........................
Advertentiën in onderscheiden dag-
bladen........................
Divers drukwerk, 500 bestellingslijs-
Transporteeren.....
f    1300.-
„    1083.90
„     362.40
„     980.50
„    2353.50
„     643.75
„      278.-
„      437.50
„    2200.-
„      305.-
„     439.72
„       96.-
41.50
„       50.-
„      150.-
/\'  10721.77
1 Brief van Oudemans 1 December 1861.
s Het kwam compleet in Januari 1862 en kostte particulier met den
atlas van 91 gekleurde platen /\' 27.85.
-ocr page 488-
473
NATUURLIJKE HISTOUtE VAN NEDEKLAND.
f
10721.77
V
85.—
V
50.—
0
100.—
150. —
245.25
11
25.—
11
137.50
f
11514.52
Transport
ten, 5000 prospectussen, biljetten,
met papier......................
Reiskosten........................
Verzendkosten en porten...........
Onkosten (administratie, vuur, licht,
enz.)...........................
91 Stecnen.......................... a ƒ
Kleuren van 10 modelplaten........
1—5 bedorven.............
185».
2.75
1802 Platen kleuren  /\' 158.76 (3735 platen)
18G4 „           „        „ 131.83 (3100 „ )
1865 „           „        „ 62.48s
1867 „           „        „ 114.-
„        „           „        „ 93.42 (kleuren).
De andere monographieën van deze serie zouden dit eind-
cijfer niet halen.
Staring. De bodem van
Nedsi land............ (2 dln. f 11.75 opl. 1000 ex
Oudemans. De flora van
Nederland... (3 dln. met atlas, „ 27.85 „ 1000 „
Snellen van Vollenlioven.
Ouerzigt der gelede dieren (2 dln. „ 9.40 „ 1000 „
Schlegel. De vogels van-
Nederland
___(1 dl. „11.90 „ 1000,,
—    De visschen van
Nederland.......(1 „ „ 4.70 „ 1000 „
De zoogdieren van
Nederland....... (1 „ „ 4.— „ 1000 „
—    De kruipende die-
ren van Nederland
(1 „ „ 2.35 „ 1000 „
Hei klots. Weekdieren en
lagere dieren van Ne-
derland..............(2 dln. ,, 9.60 „ 1000 ,,
Lubaeh. De bewoners van
Nederland............ (1 dl. „ 5.40 „ 1000 „
Krecke. Het klimaat van
Nederland............ (2 dln. „ 7.05 „ 1000 „
3879.45
11514.52
3555.40
4744.60
1689.70
1449.30
960.30
3799.70
1989.37
2582.85
f 36165.19
-ocr page 489-
474
NATUURLIJKE HISTORIE VAN NEDERLAND.
1859.             Het totaal bedrag, dat de Natuurlijke historie, aan kapitaal
in de onderneming belegd, gaandeweg zou eischen, was niette-
min belangrijk genoeg om een waardige plaats te gaan innemen
naast Ons voorgeslacht en de Dichtwerken van Bilderdijk.
Bijzonderheden over deze serie, de laatste der uitgaven, die
Kruseman aan den handel zou verbonden houden, zooals vroe-
ger reeds gezegd is, zijn niet op te merken, of het moest zijn,
dat het debiet in de eerste jaren alles behalve aan de verwach-
ting voldeed en eerst langzaam aan voldoende zou worden.
Kruseman oogstte echter den dank in van de geleerde wereld in
binnen- en buitenland — het citaat uit de Göttingische gelehrte
Auzeigen
l in de JlouicstojJ\'en is er een bewijs voor — maar
natuurlijk ook van zijn auteurs, die in de gelegenheid waren
geweest de vruchten van hun studie beter toegankelijk te maken
voor het grootere meer ontwikkelde publiek. „Het doet mij zeer
leed, schreef Snellen van ATollenhoven 2, dat ik door mijne
onbescheiden navraag naar de meerdere of mindere satisfactie,
die UEd. als uitgever van de Nat. hist. genoot, u onwille-
keurig genoopt heb om nogmaals te overzien en te berekenen
hoeveel opofferingen, vooral geldelijke schade, hoeveel zorgen
en teleurstelling u die uitgaaf heeft bereid. Geloof mij dat het
mij hartelijk leed doet, die slechte uitkomst van u te moeten
vernemen. Wat is ons land achteruitgegaan in dit opzigt bij
\'t geen het vroeger was. Hoe zou het mogelijk geweest zijn
dat men vroeger die lijvige werken van 10, VI folio deelen
met gegraveerde platen NB. in het Hollandsch geschreven
uitgaf, indien niet ieder welopgevoed en gefortuneerd man het
tot zijne pligt gerekend had van al die werken een exemplaar
te bezitten. En nu! — Tk geloof dat het getal al zeer gering
is van personen, die op zoodanig werk inteekenen alleen om
de uitgave mogelijk te maken.
„U blijft ondertusschen de voldoening van een werk in \'t
licht geroepen te hebben, dat die wetenschappelijke beschrij-
1    1862 Stiick 31 S. 1229. De bespreking geldt daar de Weekdieren
en lagere dieren door
Dr. J. A. Herklots.
2    Brief van Snellen van Vollenhoven 25 November 1861.
-ocr page 490-
NATUURLIJKE HISTORIE VAN NEDERLAND.                475
ving vaii ons land ten minste op de hoogte van zijn tijd be-
handelt, want werkelijk zonder uw initiatief zou nooit een werk
van dat ensemble een werk dat de nat. historie van ons land
in alle opzigten behandelde, liet licht hebben gezien en dat u
daarvan de eere toekomt moge dan het opkomende geslacht
erkennen, als de tijdgenoot daarvoor nog te weinig ontwik-
keld is."
Het oj)komende geslacht erkende het, ten deele althans. De
bodem van Nederland, De jlora van Nederland
en De vogels van
Nederland
beleefden onder Funke\'s administratie herdrukken en
vooral met De Jlora had hij succes: in 1874 werd hij door de
hoofd-commissie van de internationale tentoonstelling van tuin-
bouw te I\'lorence met de gouden medaille bekroond voor de
inzending van dit werk en van de Pornot/a van Nederland1.
En thans? De Natuurlijke historie, schoon wetenschappelijk
wel wat verouderd, staat nog ongeëvenaard in de boekenkasten
van onze bibliotheken en van onze geleerden. De firma Mar-
tinus Nijhofi\' schijnt echter pogingen in het werk te stellen
een nieuwe reeks in het leven te roepen, wanneer althans dat
gevolg getrokken mag worden uit de verschijning in 1890 van
de eerste aflevering van De Nederlandsche insecten door Dr.
J. Th. Oudemans 2, welke uitgaaf sedert geregeld wordt voor-
gezet.
Niet alleen dat Krusemau dan een serie standaardwerken
in zijn fonds had opgenomen, hij had door zijn humane
en welwillende wijze van omgang voor de toekomst nieuwe
krachten aan zich verbonden, die allen als om strijd zich bij
hem aanbevolen hielden voor nieuwe en hernieuwde samenwer-
king. De tijd zou leeren iu hoever hij gebruik zou kunnen
maken van die voorkomende genegenheid. In 1859 bij het
begin van de groote actie der Natuurlijke historie waren er
ook nog andere onderwerpen, die zijn krachten eischten, zijn
1 Nieuwsblad voor den Boekhandel 5 Juni 1874.
Vgl. G. C. J. Vosmaer in De Nederlandsche spectator 1896
blz. 354.
-ocr page 491-
476
BRIEVEN OVER WETEN EN GELOOVEN.
1859. krachten als uitgever, als handelsman, zijn krachten als mensen,
als christen.
De beweging toch, die Huet in het vorig jaar met zijn
Brieven over den Bijbel in Nederland had opgewekt, was
geenszins tot rust gekomen. Integendeel; de gemoederen waren
nog steeds warm; heftig en fel werd het Bijbelsch vraag\'
stuk besproken. Een onpartijdig en tevens bezadigd oordeel
was gewenscht, en Kruseman zelf, die in die dagen nog steeds
geslingerd werd tusschen geloof en wetenschap en in wiens
binnenste hoe langer hoe meer „ongeloof en revolutie" werd,
meende dien gewenschten persoon gevonden te hebben in den
Leidschen hoogleeraar in de zoölogie en mineralogie, Jan van
der Hoeven, van wien af en toe vroeger reeds bijdragen versche-
nen waren in het Album, der Natuur. Het aanbod, dat de hoog-
leeraar hem deed een klein opstel over het twistpunt uit te
geven, nam Kruseman aan. In de Brieven over weten en geloo-
ven
een geschriftje van slechts VII en 38 bladzijden met
het aan Baco ontleende motto: » Ex Divinorum et Humanorum
matesana admixtioue non solum educitur Pfiilosophia phautastica
sed etiam lieligio hteretica. Itaque salutare admodum est, si
meute sobria fidei tantum deutur qum Jidei sunf
\', waagde de
schrijver, die volstrekt onbekend wilde blijven 2, de materialis-
tische levensbeschouwing en de daarbij hand in hand gaande
„wetenschappelijke11 verklaring van God, Godsdienst en Bijbel,
niet te ontzenuwen, evenmin te verdedigen, maar enkel, in
afwachting van een te verwachten nieuwe wijsgeerige school
enkele denkbeelden bloot te leggen 3, welke nu juist niet geschikt
bleken den storm over de Brieven van Huet opgestoken te bezwe-
ren. En bovendien nog, er werd weinig aandacht aan geschonken.
Bestemd om bij de verschijning dadelijk flink verkocht te wor-
den, werden er in 6 jaar tijds niet meer dan 279 exemplaren
geplaatst. Dat geringe debiet deed den auteur leed, want hij
\' Baco Verularaius. Nov. Organ. Lib. I 65.
* Bij schrijven van den 18 Februari 1862 gaf hij Kruseman verlof zijn
naam als schrijver der Brieven te noemen.
3 Vgl. Eigen Haard 1897 blz. 29.
-ocr page 492-
BUSKEN HUET, STICHTELIJKE LECTUUR.                  477
meende, dat bij de vele stemmen die zich ongehinderd en stout- 1859.
moedig in tegenovergestelden zin deden hooren, ook zijne be-
scheidene bedenkingen wel verdienden gehoord te worden en
iets tot beter beoordeeling van de strijdvragen zouden bijdra-
gen. „De heerschende theologische rigting, hoezeer vrijzinnig
afwijkende van liet kerkelijke,
is even onverdraagzaam als de
vroegere orthodoxie. Zij zal dus gaarne zien dat mijn boekje
onopgemerkt blijft" \'.
In Januari verschenen, kwam in October 1859 bij Kruseman
in het licht de Stichtelijke lectuur, door Cd. Busken Huet.
Overgedrukt uit r/de Gids" 2 en vermeerderd met een antwoord,
aan de Redactie van »Waarheid in liefde"
\'1. Dat antwoord
aan Waarheid in liefde was een verdediging van zijn in de
Brieven over den Bijbel geuitte meening tegen den aanval
van dat tijdschrift. In dat antwoord van CXVIII bladzijden
gaf Huet in beknopter en logischer vorm zijn modern-theo-
logische denkbeelden weer dan hij in de Brieven gedaan had,
en juist daarom werd wellicht de aandacht nog meer daarop
gevestigd dan anders het geval geweest zou zijn. Waarheid in
liefde
liet zich opnieuw niet onbetuigd * en daarmede is de
eenige bespreking genoemd, die mij bekend is geworden.
Niettemin mag met grond aangenomen worden, dat de
Stichtelijke lectuur, zij het ook niet even druk als de Brieven,
die de primeur hadden gehad, besproken werden en ergernis
wekten bij de „geloovigen". Zoo was het bij voorbeeld de titel,
die al dadelijk aanstoot gaf. Er waren er, die het alles behalve
„stichtelijke" lectuur vonden en daarin zelfs ironie meenden
1    Brief van Van der Hoeven 1 Mei 1859. — Een bespreking door
Herderschee verscheen in de Godgeleerde Bijdragen Dl. XXXIV (1860)
blz. 597.
2    1859. Dl. I blz. 372, 469 en 642.
:l In 1875 werd de Stichtelijke lectuur, „zooals men weet, uit den besten
tijd van den gevierden criticus"^ tegen 50, netto 40 cents door T. Kouwc-
naar aangeboden. (Nieuwsblad voor den Boekhandel 8 Januari 1875.)
\' 1860. N°. 1.
-ocr page 493-
478
BUSKEN HUET, STrOHTEUJKE LECTUUR.
1839. te zien \'. Trouwens de titel was onjuist gekozen of beter
gezegd ten onrechte zoo overgenomen uit De Gids. Waar in
dat tijdschrift de drie artikelen eigenlijk boekbesprekingen
waren van door anderen geschreven werken en de opschriften
dus dadelijk terugsloegen op de besproken werken, sprong dat
verband bij dezen herdruk niet zoo dadelijk vooruit.
Maar vooral was het de Voorrede, die het boek maakte tot
een steen des aanstoots bij de behoudende partij. Zij, die voor
Kruseinan geen hartsgeheimen hadden, spraken er dan ook on-
verholen hun ergernis over uit. Fred. Muiier behoorde ouder
hen en hetgeen Kruseman hem op zijn vragen antwoordde, is
in velerlei opzicht belangrijk, als kenschetsing van den schrij-
ver zelf, maar bovenal, omdat uit deze brief mij voor liet eerst
bleek, dat Kruseman zich aangesloten had bij de moderne
richting. Met de uitgave der Stichtelijke lectuur had Kruseman
als persoon en als uitgever een daad gedaan, die van onbe-
rekenbnar veel invloed zou blijken te zijn voor zijn verdere
geschiedenis en het is daarom, dat zijn antwoord aan Fred.
Muller hier ten volle een plaats verdient.
27 October 1859.
Amice.
Wat een brief! Toen ik Maandag-morgen, bij den aan-
val op de werkzaamheden van de vcrsche week, uwen
epistel van acht brcede bladzijden opensloeg en met een
enkelen oogopslag gewaar werd dat hij ditmaal geen han-
delsbelangen, maar veel edeler en hooger gold, lei ik hem
stil in een lade om hem te lezen zoodra ik daartoe een
rustig oogenblik vinden kon. Toen dat momentje — waar-
lijk onder véél te veel jagt en beslommering van onze
woelige betrekking! — eindelijk gekomen was, wat had
ik u toen gaarne tegenover mij gewenscht! Niet om
strijdlustig te disputeren en te debatteren, neen waarlijk
\' „Hoe jammer dat het bundeltje „stichtelijk" heet, is dat ironie?"
(Brief van Mevr. Van Calcar 28 October 1859.)
-ocr page 494-
BUSKEN HUET, STICHTELIJKE LECTUUR.                  479
niet! Maar om te sympathisei-en in de behoefte naar een i8.">9.
leidsman \'t zij in de schemering \'t zij in verblinding van
die wetenschap, die wel de populairste mogt wezen onder
al wat gepopulariseerd wordt, omdat ze de belangen geldt
van ons beste deel. Zelfs al uit zich die sympathie in
den vorm van een debat, wanneer gij en ik, en ieder die
met ons mee wil praten, maar op den voorgrond houden
dat we niet redeneren om op ons standpunt koning te
kraaijen, maar dat het ons aller streven is om wat hel-
derder te worden bij zooveel twijfel, waarom zou dan
ook het vurigste debat niet geoorloofd en wenschelijk
zijn. Dat redeneeren en wrijven gaat voor menschen die
zoo véél bemoeijens hebben als wij beiden, véél beter in
ongedwongen gesprek, dan in geregelde briefwisseling, die
een tijd kost welken we waarlijk niet hebben. Als ik u
dus in deze weinige en vlugtige regelen voorloopig
schriftelijk begeer te antwoorden, is dat niet omdat ik
van zins ben om met u eene christologische correspon-
dentie te openen — voor mijne stupiditeit een dwaas-
heid! — maar bloot om u te zeggen dat ik uw brief
met innige belangstelling gelezen heb en er naar verlang
dat wij op een wandeling of in onze huishoudkamer be-
spreken wat wel telken dag overdacht en wel véél vaker
in gemoede tusschen huisgenooten en vrienden mogt be-
sproken worden. We bemoeijen ons met onze zaken zoo
angstvallig, dat we er eene gewetenszaak van maken om
een gulden uit te zuinigen of een anderen te verdienen;
we mengen ons in bestuur van stad en lande met al den
ijver van een maatschappelijken pligt; we trekken partij
voor elke nieuwe ontdekking op \'t gebied van wetenschap
en historie — en we zouden schouderophalend, onver-
schillig of kleingeestig den hedendaagschen strijd aanzien
op het terrein van ons hoogste belang, van ons reinste
maatschappelijk leven, van onze heiligste wetenschap en
gewijdste historie? Neen, waarlijk niet! Al zijn we kin-
deren in de school, kinderen van de laagste klasse, we
willen luisteren, gretig en leerzaam wat de meesters ons
-ocr page 495-
480
BUSKEN HIJET, STICHTELIJKE LBCTUÜE.
^859-                 te zeggen hebben en er over nadenken of \'t tot onzen
voordeel en tot onzen vrede kan zijn.
Twee punten voorloopig voorop: gij vreest dat de
historische kritiek baldadig te werk gaat; en gij beschul-
digt mij, dat ik u eens glimlagcheud aanzag omdat gij
in uw gezin den Bijbel leest.
De h. kritiek baldadig. Ik geef\' u véél gewonnen. Dat
Huet in zijne Brieven en vooral in zijne kritieken den
humorist of nog erger ten toon wil hangen, \'t stuit me
tegen \'t hart gelijk \'t u doet. Dat het jonge Holland dat
voorbeeld volgt en (//tand même spiritueel wil Mezen, \'t
jammert me, ja \'t walgt me. Een doctor, die met de wei-
ligt half gefingeerde kwalen van zijn patiënt lacht, is geen
goed geneesheer; zijn woord zij een woord van ernst en
liefde, \'t zal goed doen en genezing wekken; zijn spot-
ternij zal verbitteren en pijn doen. Maar om de ligtzin-
nigheid der mannen die de vlag voeren, behoeft ge daar-
om niet te zeggen dat de strijd zelf onedel, roekeloos,
gevaarlijk is. Zie, ik zeg met u, dat de orthodoxie te
benijden is omdat ze gelooft aan onwrikbaarheid en omdat
ze achter het schild van supernaturalisme alle pijlen op
zich laat aandrijven. Maar wanneer ik nu toch, onbe-
vangen en vrij, met de oogen zie en als met de handen
tast, dat aan regtstreeksche goddelijke autoriteit niet te
te denken valt bij liet onmiskenbare verschil dat er in
de onderscheidene mededeelingen van feiten bestaat; wan-
neer ik door het aannemen van het ééne evangeliedeel
het andere per se moet verwerpen of loslaten of er de
oogen voor sluiten, waar gaat het dan met een gezond
menschenhoofd heen! — En waarom zou ook déze we-
tenschap en deze historie geene kritiek, geen onderzoek,
geene ontdekkingen dulden, waar God alles in de schep-
ping, zoowel de zedelijke als de stoffelijke aan \'s menschen
streven naar waarheid heeft onderworpen! Da Costa zeide
mij eens: „de Bijbel is uit zulk metaal gesmeed, dat hij
wel een hamerslag velen kan" — waarom zou de kritiek,
in algemeenen zin baldadig moeten heeten omdat ze de
-ocr page 496-
BUSKEN HUET, STICHTELIJKE LECTUUR.                  481 .
proef wil aanwenden. Laat een brok er van afsplinte-
ren — \'t zal zeker van het erts, maar nooit van \'t me-
taal zijn!
Neen, met allen en wie ook, schat ik den Bijbel van
zuiver goud ■— het erts er afgerekend. En leugen ver-
klaar ik, dat ik ooit een glimlach in mijn hart zou gehad
hebben bij ons gesprek over dat heerlijkste en heiligste
aller Boeken! Zie, ik ben overtuigd dat ik mij diep en diep
ongelukkig zou voelen, indien de invloed der jongste ge-
schriften over den Bijbel mij iets van den eerbied zouden
hebben geroofd die mij van kindsbeen voor die Heilige
Schrift is ingeprent. En, geloof me, in ernstigen gemoede
vraag ik \'t vaak mij zelf af, of ik bij \'t luisteren naar
de mannen der nieuwere rigting ook op den weg ben om
mij te bezondigen aan dien Heiligen Christus, dien de
liefde Gods aan de wereld ten Verlosser en Zaligmaker
gegeven heeft. Ik hoop niet te dwalen — en ik bid er
God om hulp toe! — als ik meen, dat de Christus niets
voor mij verloren heeft, al zie ik Hem niet in \'t myste-
rieuse schemerlicht van een bovennatuurlijken aureool,
al ga ik al die wonderfeiten eerbiedig voorbij, waarmee
de Evangelisten den Heiland hebben omstuwd. In d/ie
feiten: Christus Gods eigen Zoon, Christus geboren uit
eene maagd, Christus wandelende op zee, verzocht door
Satan in de woestijn, verheerlijkt op den berg, gestorven
en levend geworden, ligchamelijk opgevaren ten hemel —
neen, daarom buig ik het hoofd zoo diep niet, daarom
klopt mijn gemoed niet zoo eerbiedig voor dien reinen
Zoon des menschen. Maar dtiarom véél meer, omdat ik
mij Christus denken mag als Een van \'t zelfde maaksel
als wij allen, ondergeschikt aan dezelfde bewegingen, strij-
dend tegen gelijke verzoekingen van zonde en wereld,
maar die overwonnen heeft niet de helft, niet het grootste
deel, maar alle verleidingen ten kwade; die daarenboven
zich geoefend en betoond heeft als vervullende alle idealen
van wijsheid, van zedelijke kracht en magt, van liefde in
hare meest heilige en hoogste volheid, en die — bij dat
31
-ocr page 497-
482
BUSKEN HUET, STICHTELIJKE LECTUUR.
1839.                 alles! — gesmaad en gehaat door zijne tijdgenooten en
van wie hem nog aanhingen slechts half begrepen, toch
niet bezweken is, maar de proeve Gods ten volle, ten
algeheele heeft vervuld, door te sterven den dood des
misdadigers en te bidden en te zegenen op zijn kruis!
Gij en ik, en de gansche wereld met ons, die weten hoe
zwaar het is niet telkenmale in iets te overtreden, die
weten hoe zwak en onverstandig wij zijn, die weten hoe
veel wrevel er in ons over staat tegen een klein weinig
liefde, hoe zwaarder ons egoïsme weegt dan onze opoffe-
ring, hoe spoedig wij moede worden op den weg ten
goede — ik bid u, zouden we niet de oogen eerbiedig sluiten
en de handen ootmoedig vouwen voor dien Eenigen Christus,
die was van gelijke bewegingen als wij, maar die getoond
en bewezen heeft hoe heerlijk de mensch zijn kan, die
het ideaal van Gods gedachte begeert ter verwezenlijking.
En daar er maar Eenen rein was, onder de millioenen
van Adams tijd af, aanbidden we dan ook Gods onbe-
grensde Liefde niet, die — ons ten voorbeeld, ons ten
zegen — heeft toegelaten, dat die Eéue moest uitroepen
in zijne stervensure: „Mijn God, mijn God, hebt Gij me
verlaten!" ü neen, de Bijbel die, bij zoo véél anders, ook
ons dat tastbare voorbeeld heeft gegeven, is een boek, dat
gij en ik zult liefhebben, al haalt de historische kritiek
er nog zoo veel af. Starend op en in ons, opnemend dien
Christus wordt Hij onze Zaligmaker voor tijd en toekomst!
Ik wou wel voortschrijven, den ganschen nacht wel;
nog liever praten opgewonden en warm en met ernst, hoe
ongedwongen ook. Maar \'t is elf ure geworden met allerlei
in te vallen [sic], en ik raak tocli nooit goed op gang.
Kom eens een middag eten op een mooijen najaarsdag en
we gaan loopen, loopeii in Gods vrije natuur, de duinen
op, het bosch in, en we willen redeneren over al wat ons
voor \'t hoofd komt. Ook over handelszaken, dat spreekt.
Maar laten we ons best doen en er ons toe opwekken om
nooit zulke materiele machines te worden, dat we daar-
onder geheel vergeten hoe we op de wereld zijn ook om
-ocr page 498-
483
BUSKEN HUET, STICHTELIJKE LECTUUR.
iets anders dan om papier te verkwanselen. Als wij ons isso.
in onze boeken begraven, zullen de boeken ons eindelijk
begraven en we worden stof en nssche dat met den wind
verwaait.
Adieu!
t. t.
A. C. Kruseman.
Lees — ik beveel \'t u aan — Le Christ et la conscience
par
Pelix Pécaut. Paris. Cherbuliez 1859.
Als eigen geloofsbelijdenis van Kruseman is dit schrijven
een kostelijke bijdrage voor zijn gemoed en Christelijke over-
tuiging, die de conscientie van den persoon en van den uitgever
schraagde om de moderne Bijbelleer en Christus-beschouwing
den beschaafde en ontwikkelde Protestaiiten voor te stellen
als een tijdperk van overgang in afwachting van de dingen
die komen zouden. Want met de beste theologen van zijn
tijd, was hij er van overtuigd, dat de historische beschouwing
op de Bijbelboeken toegepast, evenmin als het critische tekst-
onderzoek, de Christelijke waarheden zelf in het hart zou kunnen
aantasten. Evengoed toch als zij aangewend mogen worden bij
het bestudeeren van welke teksten of overblijfselen van de oud-
heid ook om de kern van waarheid, daarin omhuld en omsluierd
door allerlei fouten van afschrijvers en legendarische opvattin-
gen van de autore» principes, aan het licht te brengen, was het
historisch-critisch tekstonderzoek naar zijn oprechte meening ook
bij den Bijbel volkomen op zijn plaats om tot beter verstand
te geraken van de bronnen, waaruit de xpiisri: gekend moet
worden. De twijfeling, die zich bij hem geopenbaard had aan het
bovennatuurlijke der Bijbelverhalen, eerst in 1853 doorliet niet
meer aanhalen van het eerste prospectus van het Album der
Natuur
en drie jaar later door de hervorming aan het Fami-
lie-magazijn
gegeven, was kort daarna hoe langer hoe meer
toegenomen. De Brieven over de Bijbel hadden hem zoo goed
als geheel kunnen overhalen zich aan te sluiten bij de nieuwe
31*
-ocr page 499-
484
BUSKEN HUET, STICHTELIJKE LECTUUR.
1859. richting, de Stichtelijke lectuur had de overwinning gegeven.
Noch Da Costa, noch Fred. Muller, noch Van der Hoeven,
noch wie ook van zijne vrienden of intieme bekenden, die in
alle oprechtheid zich zelve wijs maakten wetenschappelijk met
de oude opvatting vollen vrede te kunnen hebben, hadden te-
gcnwicht kunnen oefenen tegen Huet\'s dagelijksch wederkee-
renden invloed. De geruchtmakende geschriften van lluet, ge-
voegd bij de persoonlijke zedelijke uitwerking, die hij oefende,
hadden een beslissing gegeven en Kruseman, die zoo gaarne, ook
als persoon, zich aansloot bij elke nieuwe beweging waarmede
hij van huis uit kon sympathiseeren en vóór alles op de hoogte
van zijn tijd wilde blijven, had zich, als was het niet dan na
een strijd van ruim zes jaren, gewonnen moeten geven. En
evenals in andere vakken van wetenschap, zou hij ook hier van
dat nieuw ingenomen standpunt als het ware de toekomst be-
spieden om die dienstbaar te maken aan de ontwikkeling van
zijn maatschappelijke betrekking. Kruseman was en bleef tot
het einde toe een Christen, die, al was hij als Lutheraan niet
groot gebracht met den Stateu-Bijbel, met hart en ziel de
grootsche, verhevene door Jezus gepredikte leeringen bleef
onderschrijven en daardoor en daarom met volle gewetensvrij-
lieid uitgever kon blijven van geschriften, die, hoewel niet
modern in den sterk sprekenden zin van Huet\'s leer, niettemin
de Christelijke leer in verschillende maatschappelijke kringen
zouden kunnen verspreiden, schragen of aanwakkeren: ik bedoel
de in het volgend jaar aan te vangen uitgaaf van den Christelijke
Volks-ahnanak
en van de Kompleete dichtwerken van Da Costa.
Kruseman was echter te veel handelsman om zich uitslui-
tend tot één enkele afdeeling te bepalen, vooral in deze jaren,
waarin hij zijn grootste kracht als uitgever ontwikkelde en het
devies Indefessus agendo zoo op en top ook het zijne zou geweest
hebben kunnen zijn. Het kwam voor de buitenwereld wel niet
zoozeer aan het licht door de quantiteit der nieuwe uitgaven,
de qualiteit daarentegen vergoedde het; zoowel de voortzetting
van reeds begonnen ondernemingen als een paar nieuwe spe-
culaties getuigde het. Naast de afleveringen van de Weten-
-ocr page 500-
485
BOGAERS, GEDICHTEN.
schappelijke Bladen, Ons voorgeslacht, Historische vrouwen, *859.
Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen, De dichtwerken
van
Trouwe Bilderdijk, Scheffer-album, Bijbelsche vrouwen,
Copperfield, Flora, Gelede dieren
en Weekdieren van Neder-
land, De volhen van onzen tijd, Mijn roman
van Bulwer, Ge-
schiedenis van den wereldhandel
en Don Quichote verschenen
in 1859 als nieuwe werken Da Costa\'s De meusch en dichter
Willam, Bilderdijk,
De Bull\'s Naar de natuur, verspreide no-
vellen en schetsen,
de eerste afleveringen van "Wiigner\'s Hellas,
het land en volk der oude Grieken, bewerkt voor alle vrienden
der klassieke oudheid, uit het Hoogduilsch door
I. C. van
Deventer \', Wat Parijs mij te zien en te denken gaf door
Mevr. Elise van Calcar geb. Schiötling2, een niet onvoordee-
lige onderneming, die Kruseman wel eeuigs/ins tegen zijn zin
begonnen was, en Gedichten van Mr. A. Bogaers.
Deze laatste uitgaaf ging uit van den auteur, die in Januari
1S58 Kruseman voorstelde een aantal verzen van hem uit te
geven :\'. „Als hoofdvoorwaarde zou bovenaan staan, dat, indien
de uitgave schade mogt opleveren, die geheel ten mijnen laste
moest komen, daarentegen zoude ik wenschen te weten, hoe,
ingeval de uitslag voordeelig ware, de zuivere winst zou wor-
den gerepartiteerd." Het aanpakken der uitgaaf traineerde een
jaar lang alvorens Kruseman de zaak aanving en toen ook weer
herhaalde Bogaers, maar met een kleine wijziging, „dat, indien
de uitgave schade mogt opleveren, die voor mijne rekening
komt, doch ik voeg er gaarne dit nog bij, dat, zoo zij niet
die winst opbrengt, die UWEG. voor uwe zorgen en moeite
met regt toekomt, ik ook die weusch goed te maken" 4. „Itui-
mer, royaler auteur dan Mr. A. Bogaers was, is niet denk-
1 De prenten zijn afdrukken van cliché\'s, denkelijk van Otto Spa-
nier te Leipzig gekocht; niet opgeslagen ontvangen kostten zij f 553.38.
Zij werden voor ƒ 77 opgeslagen door den houtgraveur Bouwmeester te
Haarlem.
3 Het boek behelst de ethische en aesthetische blikken van de
schrijfster op Parijs.
3 Brief van Bogaers 10 Januari 1858.
" Brief van Bogaers 29 Januari 1859.
-ocr page 501-
486
BOGAERS, GEDICHTEN.
1859. baar", oordeelt Kruseman \', en omgekeerd schreef Bogaers,
b. v.: „Gaarne doe ik volle regt wedervaren aan uwe kiesche
bedoelingen, die niemand meer waardeert dan ik." Zoo gaf
Kruseman dan de Gedichten in 1859 eerst uit, na een gunstig
oogenblik daarvoor afgewacht te hebben te midden van de
oorlogsberichten, die aller gemoederen in beslag namen. Hij
gaf het uit zonder de eigendom van de kopy te bezitten, een
uitzondering oj> zijn vasten regel en leed daarbij aanmerkelijke
schade, waarvan hij echter nimmer iets aan den auteur liet
blijken.
In afwijking van hetgeen Bogaers met zijn vroegere dicht-
bundels had gedaan, wenschte hij deze verzameling niet buiten
den handel gehouden te zien 2, alleen omdat daar zoo dikwijls
tegen geprutteld was en hij ook meermalen naderhand spijt
gehad had, dat hij door onbekendheid met de personen, lief-
hebbers van poezij en hein toegenegen „letterminnaars" geen
exemplaren had aangeboden. Maar juist door dat buiten den
handel houden „was zijn talent niet-alleen niet onderworpen
geweest aan de heilzame vuurproef der publiciteit, maar had-
den ook ongetwijfeld een aantal beleefde en zwakke vrienden
hem door hunne ijverige dankbetuigingen in den waan gebragt,
dat hij den mond slechts behoefde te openen om goden-taal
te spreken" 3.
Thans bracht hij zijn gedichten in den handel, en daarmee
\' Bouwstoffen Dl. I blz. 431.
2    „De gevierde Dichter, wiens Bundels tot heden toe alleen aan
enkele bevoorregten als Present-Exemplaren werden aangeboden, is er
eindelijk toe overgegaan om zijne Poëzij door middel van de Boekhan-
del verkrijgbaar te stellen voor ieder. Het aanvankelijk zeer uitgebreide
debiet bewijst genoegzaam hoe des dichters gaven in den lande worden
op prijs geteld." (Advertentie in Haarleimche Courant 24 November
1859).
3    Huet. Litlerarisehe fantasten en kritieken. Haar], z. j. Dl. VII
blz. 18. — Vgl. hiermede het schrijven van Van Someren aan Bogaers
uit 1835 na het verspreiden van zijn Jochébed: „Gij vermijdt door de
niet-verkrijgbaarstelling van hetzelve, wel is waar, eenige giftige angel-
steken, welke de kunstwespen aan de beste vruchten bij voorkeur
toedienen; doch wat schaadt het miergewriemel aan een frisch opge-
-ocr page 502-
487
BOGAERS, GEDICHTEN.
beging hij in 1859 dan ook de groote fout, zijn werk voor 1859
het publiek eerst verkrijgbaar te stellen, toen dat publiek door
oververzadiging, of door een andere richting des geestes, voor de
zangerige uiting der poëzie den smaak verloren had \'. Vandaar
het zeer onvoldoende debiet van een dichtbundel in 1859, die,
ware hij twintig jaar vroeger uitgekomen wellicht goeden aftrek
had kunnen vinden 2.
De Gedichten in de uitgave van 1859 komen in twee soor-
ten voor. Toen Bogaers zijn wenschen aan Kruseman bloot
legde, had hij reeds een vignet laten graveeren door Steelink
naar Rochussen. Kruseman echter, „op wiens kompas als uit-
gever hij gaarne zeilde", bepaalde het formaat anders als Bogaers
gedacht had en liet een kleiner vignet naar dezelfde teekening
aanmaken. Om echter de eerst vervaardigde gravure toch te
benutten, werd die afgedrukt op de 98 exeinjnaren overdruk
op groot papier, die de dichter als present-exemplaren gewenscht
had; op die exemplaren, waarvan het zetsel nog bovendien
meer interlinie heeft, is het vignet hoog 13,2 c.M., op de
exemplaren in den handel 10 c.M. (beide buitenwerks).
Kruseman liet, zooals gezegd is, nimmer aan Bogaers blij-
ken, dat zijn werken hun kosten niet dekten. De togt van
Heemskerk naar Gibraltar,
waarvan in het volgend jaar 1SG0
een nieuwe editie van Kruseman\'s pers kwam, werd een delicate
quaestie voor den uitgever. Bogaers toch stelde dat werk in
een herziene editie algemeen verkrijgbaar alleen om aan een halve
belofte aan Tollens gedaan te voldoen en het zuiver profijt,
later gewijzigd in de helft van het voordeel, aan het Tollens-
schoten Eikenstam? wat het gif eener spin aan den weligen Laurier?"
(J. Cr. Gleichman. Hel leren van Mr. A. Bogaers. (Siet in den handel)
z. pi. 1875 blz. 84).
1    Bouwstoffen Dl. I blz. 432.
2    „Ware talenten banen ziehzelven den weg, en al de partijen ver-
eenigen zich in het bewonderen van hetgeen schoon is. Bewijs: de Heer
Mr. A. Bogaers, die tot geen club behoort en wiens tocht naar Gibral-
tar, wiens Jochebed en wiens Adams eerstgeborene door allen wordt
geroemd." (De Plnjsiologie van den Haag bekeken door een\'\' buitenman.
Te Amsterdam: by J. C. van Kesteren 1843 blz. (J4 en 05).
-ocr page 503-
488                           STERNE, SENTIMENTEELE REIS.
1859. fonds te schenken. Het debiet was als dat der Gedichten:
onvoldoende \'. Om Bogaers niet te leur te stellen getroostte
Kruseman zich de opoffering \'van f 150, en zond hem dat
als mogelijke winst van de uitgave.
Ook van deze editie komen evenals bij de Gedichten twee
soorten voor: een in klein-octavo in 1500 exemplaren gedrukt
als uitgaaf van Kruseman, de ander in royaal-octavo in 160
exemplaren opgelegd ten koste van Bogaers.
Eén uitgave uit de Buitenlandse he klassieken dient nog ge-
noemd te worden die in 1859 in het licht kwam, de herdruk
van de Sentimenteele reis door Frankrijk en Italië van Sterne,
in de vertaling van Geel, waarmede indertijd in 1838 Be
Eeceuse/it
zich zoo deerlijk vergist had, als ook de aanbiedin-
gen van Alb. Steenbergen (pseud. P. J. Petersou) te Hooge-
veen een vertaling van Goethe\'s Faust te geven 2, van P. II.
Hugenholtz Jr. te Hoenderloo een vertaling van het werk van
Gervinus over Shakespeare te bewerken x, van Withuys van
hem een bundel verhalen en romancen in dichtmaat ter perse
te leggen 4 en van Kneppelhout een vertaling in de wereld te
sturen van Eric or little by little bij Fan-ar 5. Hoewel Kruse-
man er een oogenblik over dacht op dit laatste voorstel in te
gaan en het werk ter vertaling daarom liet aanteekenen ° maakte
hij van al die aanbiedingen maar geen gebruik, van de laatste
1    Bogaers voelde misschien wel ietwat, dat hij „uit den tijd" was;
althans hij schreef den 20 Mei 1860: „Ik geloof dat het gedicht
[Heemskerk] nog meer bewonderend bekeken, dan gelezen wordt."
2    Brief van Steenbergen 15 Februari 1859.
3    Brief van Hugenholtz 2 Maart 1859.
*    Brief van Withuys 8 September 1859.
5 Brief van Kneppelhout 27 November 1859. — „Niets liever zou
ik doen dan de vertaling van Eric, op mij te nemen en had er zelfs
reeds over gedacht, maar ik vrees er niet goed genoeg Engelsch voor
te kennen, want eene conscientieuse overbrenging is geheel iets anders
dan aangenomen werk \'t zij bij de el of bij \'t vel, en de jongenstaal is
zeer moeijelijk, om niet bij de termen en den loop van het cricketspel
stil te staan." (Brief van Kneppelhout 2 December 1859).
*    Nieuwsblad voor tien Boekhandel 15 December 1859.
-ocr page 504-
4,89
ADAM BEDE, DOOR GEORGE ELIOT.
niet op aanraden van Lindo \'; andere uitgevers gaven Farrar\'s 1859.
werken in het licht2.
Ook Buijs deed een roman ter vertaling aan de hand.
„Maar a propos van de Quarterlies, schreef hij eens 3, beide
die ik ontving maken met eene opgewondenheid waarvoor ik
een Engelscli Reviewer niet vatbaar achtte, melding van een
nieuwen roman van George Elliot 4, (schrijver van Scènes of
clerical lifé)
getiteld Adam Bede (Blackwood, Edinburgh).
Beide roemen deze roman geheel hors ligne en een van de
beste producten van dien aard welke Engelands literatuur
bezit. Ik weet niet of de verschijning van genoemd boek in
Nederland reeds bekend is, maar zoo niet dan wilde ik er toch
uwe attentie op vestigen, om, zoo het nog tijd is en de zaak
u mogt aanstaan, uwe concurrenten vooruit te zijn". Die
1 „Het (boek| is onnoemelijk saai, vervelend en — niets beteeke-
nend! Het bevat letterlijk niets dan de zeer, zeer gerekte geschiedenis
van een scliooljongensleven in Engeland, — van een jongen, die allerlei
kattenkwaad uitvoert, uit zwakheid, de mal en pire vervalt, en einde-
lijk vroom wordt— en sterft. En dit 400 bldz. lang! Het ontbreekt ook
niet aan brave Hendrikken in \'t boek, die, naar den aard van die
wezens, ontzettend vervelend zijn, die uiterst stichtelijk over de zonden
van vloeken en — tabakrooken spreken.....Daarbij mist de beschrij-
ving van het Engelsche schoolleven alle aantrekkelijkheid voor het
publiek hier; — en (altijd naar mijn oordeel) bezit de schrijver geene
enkele gave dan die van afgemeten „gepast" te zijn in al zijne vormen
en boven alle beschrij ving langdradig en sententieus daarbij ! — Het is,
met één woord een boek dat veel te nietig is voor volwassenen en veel
te didaktisch en doodsch voor jongelieden. Ik geloof, dat als ge \'t uit-
geeft ge er treurige uitkomsten van beleven zoudt. Als het publiek het
„slikte" — dan zou het er aan stikken." (Brief van Lindo 24 Ja-
nuari 1860.)
1 Kirberger o. a. in 1862 Farrar\'s Een schooljongen of van kwaad
tot erger.
— 465 ex. van den 4™ druk met 244 ex. van den 2<>» druk
van Een student of een loopbaan met hindernissen van denzelfden
schrijver werden met de cliché\'s op de fondsveiling van den 20 Augus-
tu3 1896 voor f 722.63 verkocht aan de Gebr. E. & M. Cohen. (Nieuws-
blad voor den Boekhandel
25 Augustus 1896.)
3 9 April 1859.
* Pseudoniem van Mary A. Evans.
-ocr page 505-
490
ADAM BEDE, DOOR GEORGE EIJOT.
1859. aansporing was onnoodig, want reeds zes weken te voren was
het recht ter vertaling bij de desbetreffende commissie ten
behoeve van Kruseman ingekomen \', terwijl vijf maanden later
ook Van Stockum het werk ter vertaling voor zich begeerde 2.
De vertaling werd gevraagd aan mejuffrouw Anne Dorothéa van der
Tholl, weldra Mevrouw Cd. Busken Jluet, die het met eenige
schroom aannam 3. En terwijl zij de proeven nazag van
Huet\'s Stichtelijke, lectuur, corrigeerde hij haar vertaling van
Adam Bede. „\\l\\ve vertaling is uitmuntend. . . . niet alleen
goed en vloeijend, maar dikwerf zeer gelukkig. Vooral heeft
mij getroffen de superioriteit van uw stijl" schreef hij haar
eens 4. Vlug van stapel schijnt de vertalingsarbeid niet
geloopen te zijn, want eerst in Mei 1800 verscheen het
werk, versierd met gravuren door J. H. ltennefeld naar
Israels ° en de uitgaaf ging dank — of moét ik zeggen on-
danks — de voorrede van Pierson „den lande door, nut
stichtende en zegenende als een goede engel in hagelblank
gewaad" °. Toch was het debiet niet zoo groot als de tegen-
woordige bekendheid van het werk zou doen verwachten;
wellicht was de prijs " daarvan de oorzaak, want in ruim twee
jaar tijd werden er slechts bijkans 500 exemplaren van omge-
zet. Huet had en bleef zijn volle sympathie behouden voor
het boek a, en hoeveel te meer moest hij het voor deze Neder-
1    Nieuwsblad voor den Boekhandel 24 Februari 1859.
2    t. a. p. 7 Juli 1859.
3    In een ongedateerd briefje schrijft Huet aan Kruseman: „Zoo gij
tijd hebt, loop dan dezer dagen eens aan bij Jufvrouw Van der Tholl.
Ik heb haar Adam Bede ter inzage gestuurd; zij heeft het boek voor
een groot deel gelezen; en zie, nu huivert zij om de vertaling op zich
te nemen, omdat zij het boek Ie mooi vindt en vreest dat de vertaling
te min zal zijn. Tracht haar s. v. p. tot andere gedachten te brengen."
" Brieven van Cd. Busken Huet. Haarl. 1890 Dl. I blz. 83.
* „Ik meen te durven beweeren dat onze vriend Rennefeld zich kapi-
taal gehouden heeft." (Brief van Israels 31 Januari 18(30).
" Brief W. Harten Westerman 17 Augustus 1800.
\' ƒ 9.15 tegen thans /\' 2.50 ing.
" Bij den dood van George Eliot in 1881 schreef hy : Ik houd Adam
Bede
voor een onsterfelijk boek; een der werken waarnaar het volgend
-ocr page 506-
ADAM BEDE, DOOR GEORGE ELIOT.                    491
landsche editie liebben nu zijn vrouw als vertolkster een verta- -1859.
ling geleverd had, „die het voorregt bezit van zich niet te
onderscheiden door hetgeen in ons vaderland vertaalde romans
te dikwerf kenmerkt" \'. „liet lijdt geen twijfel, of dit bock
zal wel eens herdrukt moeten worden, scheef C. P. [Tiele] in
Het Leeskabinet2. "W akkere Kruseman, geef ons dan eene goed-
koope uitgave, eene volksuitgave, opdat het in veel ruimeren
kring verspreid kan worden dan nu het geval is." Dat deed
Kruseman echter niet, want twee jaar later verkocht hij het
restant; de nieuwe eigenaars Van Druten en Jileeker te Sueek
namen het in 18(33 op in hun Goedkoope bibliotheek voor alle
standen. Af tl. II. Geschiedenis, reizen, werken voor jongelieden,
romans en verhalen enz.
en gaven er tot heden zes nieuwe
drukken van.
Nog op een ander gebied trad Kruseman in 1859 op: als
drukker voor anderen. Nu de fiilderdijk baar einde naderde
en daardoor voor de drukkerij een regelmatig vloeiende bron
van werk uitgedroogd was, beval hij in het begin van dat jaar
bij circulaire zijn drukkerij aan en Gebhard en Fred. Muller
maakten daarvan gebruik, de laatste met de Schetsen eeuer mail-
reize van Batavia naar Maastricht op reis en thuis
door
Brumund.
Van Kruseman zelf gingen natuurlijk ook weer nieuwe plan-
nen\' en denkbeelden uit; hoe kon dat anders? Behalve de
ruilhandel met zijn fondsartikelen, die hij op touw zette met
verschillende schilders, om daardoor in het bezit te komen
van schilderijen geschikt ter afbeelding in de Aurora, telken
geslacht de tweede helft der 19<I(\' eeuw beoordeelen zal. Eene bewon-
derenswaardige theorie der onzienlijke wereld ligt er als te sluimeren
op den bodem van een vollen en digten menschelijken plantengroei".
(Litterarische fantasten en kritieken. Haarlem, z. j. UI. XXI blz. 68.)
1    Pierson in Voorrede blz. I. — In de voorrede weet Pierson niet
of hij van „de" auteur of „den" auteur moet spreken; hij voor zich
twijfelt echter niet of een vrouw heeft het werk geschreven.
2    1860 Dl. IV. blz. 376.
-ocr page 507-
492
ZONDAGSBLAD.
1860. jare een bron van zorgen, zij een enkel plan genoemd omdat
het niet verwezenlijkt werd, het uitgeven van berichten over
den oorlog tusschen Italië en Frankrijk tegen Oostenrijk \'.
Daartegenover stond de aankoop in 1859 van twee periodieken,
de Christelijke voltes-almanak en het Zondagsblad, aan welke
kopyen, de een zoowel als de ander, aan het laatste niet het
minst, Kruseman nieuwen gloed, nieuw leven, maar ongelukkig
geen nieuwe levenskracht wist in te blazen. Door de aankoop
van die artikelen haalde Kruseman zich weer meer zorgen en
moeite op de hals; periodiek — een op vasten geregelden tijd
en bij stukken of afleveringen verschijnend werk, — wat kost
het niet een hoofdbreken en beslommeringen om op tijd klaar
te zijn. Kruseman dorst in dit opzicht de uitgave aan naast de
Aurora, de Wetenschappelijke Bladen en de Praktische volks-
almauak;
trouwens het afloopen van de Bilderdijk gaf meer
ruimte van tijd, maar vooral ook zou het Zondagsblad weer
vast werk aan de drukkerij kunnen geven, waaraan die afdee-
ling nu zoo dringend behoefte had.
De eerste geschiedenis van liet Zondagsblad wordt door Kru-
seman verhaald in de Bomostojj\'en 2. Niet om de wijze van re-
clame, die de uitgever-redacteur Boudewijn er voor maakte,
maar wel om diens persoon en het werkelijke goede, dat er in het
blad stak had Kruseman van begin af aan misschien wel eenige
sympathie voor die courant3. Na Boudewijn\'s on verwachten dood
in November 1S51 ging het in andere handen over, niet echter
1 „In deze laatste [National quarlerly] vindt ge iets, maar veel zal
het niet zijn, omdat de schandelijke oorlog dien wij zien beginnen
er een is zonder andere oorzaak dan de eerzucht van twee Keizers,
vooral van hem die eens het Keizerrijk als het regenbad van den vrede
heeft genoemd. Diplomatische verwikkelingen bestaan er eigenlijk niet.
Moge de oorlogsberigten die gij wilt uitgeven met eene tweede verval-
len-verklaring van de Napoleontische dynastie besluiten; zoolang dat
niet gebeurt is er geen rust meer in Europa." (Brief van Buijs c. 25
Augustus 1859).
1 Dl. I blz. 380.
3 Vgl. een advertentie over het Zondagsblad van Van der Vliet in
de Haarlemsche Courant van den 4 October 1851.
-ocr page 508-
ZONDAGSBLAD.                                           498
of Kruseman zou een aanbieding gedaan hebben. Zijn bod werd i860.
te gering geacht en niet aangenomen. „Ik kom er gul voor
uit, dat het mij rustiger zal zijn, wanneer UEd. het voor
liooger prijs aan een ander hebt verkocht, dan wanneer UEd.
mijn bod van duizend guldens aanneemt. Ik herhaal het, de
zaak is voor mij letterlijk een koop van fortuin, die ik meer
waag om mijne drukkerij vast werk te bezorgen, dan uit eenige
voordeelige speculatie. In gemoede vraag ik u: welke waarde
ik er voor koojj; en of dan een bod van duizend guldens
niet ten volle onbekrompen en roijaal is? UEd. moet even-
wel geheel uw eigen belang bevoordeelen. Kunt UEd. het
Zondagsblad voor méér verkoopen aan een ander — ik laat
er u natuurlijk volle vrijheid toe\'," waren zijn woorden aan
W. E. Hagedoorn te \'s-Gravenhage, Van der Vliet\'s zwager\'.
Het kwam in handen van C. H. Susan Jr., die de courant
reeds voor Van der Vliet gedrukt had; eerst o. a. in de Haar-
lemsche Courant
2 en het volgend jaar in het Nieuiosblad 3 ves-
tigde deze de aandacht op het blad als advertentieblad. Kruse-
man kreeg toen eenig berouw over zijn vroeger bod en nam in
1855 Fuhri in den arm om het blad voor hem van Susan te
koopen. De condities waren f 1500 en de bepaling, dat hij
drukker zou blijven *. Dat lachte Kruseman niet toe, maar
waarschijnlijk zouden de onderhandelingen wel tot eenig resultaat
zijn gekomen, waren de omstandigheden gunstiger geweest.
Susan bleef echter niet lang meer eigenaar. In 1857 werkte
Noothoven" van Goor te Leiden er mede 5; twee jaar later
verkocht hij het aan Kruseman voor/\'1000 °. Thans waren
de onderhandelingen met Van Goor gevoerd door Van Zegge-
len, die dan ook niet naliet Kruseman met zijn aanwinst ge-
\' Brief aan Hagedoorn 21 October 1853.
* 9 Januari 1854, 17 Januari 1855 en 26 December 1856.
\' Nieuwsblad voor den Boekhandel 12 Juli 1855. — Evenals in
Boudewijn\'s tijd kostten de advertentiën slechts 5 cents per gewonen
regel, buiten het zegel.
4 Brief van Fuhri 26 November 1855.
s Nieuwsblad voor den Boekhandel 5 November 1857.
0 De eisch was /\' 1200.
-ocr page 509-
494
ZONDAGSBLAD.
1860. luk te wenschen: „ik hoop dat gij er genoegen van zult heb-
ben. — Nu, gij zult er wel een stoot aan geven" \\
Vier dagen na het tot stand komen van de koop adverteerde
Kruseman zijn aanwinst reeds in de Haarlemsehe Courant2.
De ondergeteekende door aankoop eigenaar geworden
van Het Zondagsblad, hetwelk te beginnen met Januarij
18(>0 geregeld wekelijks bij hem zal verschijnen. Alle
middelen zullen worden aangewend om dit Blad eene
waardige plaats te geven onder de beste Nederlandsche
Journalen.
Haarlem, November 1859.               A. C. Krüseman.
Onmiddellijk kreeg hij een aanbod voor redacteur van Mr.
C. 0. E. d\'Engelbronner, advocaat bij den Hoogen llaad
der Nederlanden, te \'s-Gravenhage. Dat voorstel kon in geen
geval aangenomen worden. Krnseman wilde van het blad geen
eigenlijk gezegd politiek blad maken, al zou het zeer zeker
kleur bekennen in zijn artikelen over de meest uiteenloopende
onderwerpen. Om diezelfde reden kon evenmin Lion als redac-
teur van Van Goor overgenomen worden, hetgeen op vrij wat
verwikkelingen tusschen Van Goor en Lion te staan kwam •\\
De richting of nauwkeuriger gezegd de geest en de leidende
gedachten van het blad zouden geen andere zijn dan die, welke
het aanzien geschonken hadden aan het Album der Natuur, aan
de Praktische f \'olies-almanak, aan de Brieven over den Bijbel, aan
de Wetenschappelijke Bladen, aan deze laatste vooral. Buijs was
daarom met Logeman de aangewezen persoon om de redactie
op zich te nemen. Beiden werden bereid gevonden en het
Zondagsblad deed met Januari 1860 zijn intree in de wereld
onder de redactie van Buijs, die voor de bezorging der hoofd-
1 Brief van Van Zeggelen 21 November 1859.
\' 25 November 1859.
:\' Brief van Van Zeggelen 13 December 1859. — In later jaren was
Lion redacteur van het Batavmasch Handelsblad.
-ocr page 510-
495
ZONDAGSBLAD.
artikelen, buiten zijn honorarium als auteur, ƒ300 zou ge- 1860.
nieten, en van Logeman, voor de wetenschappelijke berichten,
die daarvoor f 250 bedong. Met twee personen is een redac-
tie-personeel niet voltallig. Aan P. J. van Baarda, werd op
Kruseman\'s kantoor een plaats gegeven voor de administratieve
redactie en het gemengd, kerk-, academie- en onderwijs-nieuws
en de advertentiën \'; Busken Huet kreeg het redactiewerk van
het feuilleton voor zijn rekening; Jac. van Gigch te \'s Gra-
venhage zou de afdeeling rechtsgeleerdheid behartigen 2; Van
Limburg Brouwer, De Génestet, P. J. van de Kasteele,
W. C. H. Staring, Prof. Veth, Pierson, Naber, üudemans, Lewe
van Middelstum, eigeidijk de meest bekende letterkundige en
wetenschappelijke jongere mannen van gezag gaven hun mede-
werking. Het beloofde.
Het eerste nummer in zijn nummering (n°. 575) aanslui-
tende aan het laatste door Noothoven van Goor uitgegeven,
was van den eersten dag van het nieuwe jaar 1860 \\ Een
overzicht te geven van de verschillende opstellen, die in het
blad onder Kruseman\'s beheer opgenomen werden, is hier
niet op zijn plaats, maar ook onnoodig. Want wie weet
niet — ik zal de vraag van kennen maar in het midden
laten — hoe Buijs hier allerlei vraagpunten uit het actueele
staatsrecht behandelde en beschouwingen ten beste gaf over
de binnenlandsche politiek van den dag4; hoe Vissering staat-
1 Een enkele correspondentie over advertentiën zij hier aangestipt.
Onder dagteekening van Londres Ie 4 février 1860 stuurde H. Hollo-
way, p. p. J. Holloway een nieuwe redactie van zijn advertentiën over
"let pilules et Vonguent"; tegelijkertijd zond hij "52 petits paragra-
phes relatifs aux infirmités pour les quelles men medicina
[sic] sont
plus particuliérement efficaces."
Het papier, waarop de hrief geschre-
ven is, heeft als watermerk: „T. Holloway 244 Strand London".
1 Brief van Van Gigch 8 December 1859.
3 Omdat het een firma is, die sinds het einde der 17<lc eeuw hier
te lande gevestigd was, zij vermeld, dat het papier van het Zondags-
blad
betrokken werd van L. van Gerrevink Dz.
* „Ik ben onder meer anderen iJi/Asambtenaar, en behoef met mijne
oppositie tegen het Ministerie niet zoo bepaald aan den weg te tim-
meren." (Brief van Buijs c. Juni 1860).
-ocr page 511-
496
ZONDAGSBLAD.
1860. huishoudige quaesties toelichtte; hoe beurtelings Van Limburg
Brouwer en Quack boekbesprekingen leverden; hoe Be Génestet
in zijn Brieven aan het Publiek, over de letterkundige ndin-
gen van den dag",
wat de dames thans zoo karakteristiek
„gezellig" noemen met zijn lezer causeerde; hoe Alberdingk
Thijm hier overzichten, neen zelfstandige literaire beschou-
wingen \', ten beste gaf van de voorlezingen over de nieuwe
Nederlandsche letterkunde en de wordingsgeschiedenis der toen-
malige literatuur2, die Busken Huet sinds November 1860 in de
Concertzaal te Haarlem hield3; hoe Zimmerman, hoe Pierson,
hoe Eobidé van der Aa, hoe Jacobi, hoe Hengst, hoe Den
Tex, hoe Egeling, hoe P. A. Tiele, hoe Staring, hoe Loge-
man, hoe..... maar waar zoude ik eindigen? Het Zondags-
blad was weer een van die schitterende, van die onovertroffen
concepties als alleen Kruseman kon hebben en kon uitvoeren;
hij wenschte een weekblad, dat voor Nederland zou zijn, wat
de Courier de dimanche voor Frankrijk was en hij gaf dat;
hij beloofde het publiek en den Boekhandel een orgaan dat
wekelijks een overzicht zou geven van het belangrijkste, dat
o]) maatschappelijk en wetenschappelijk gebied voorviel, en
hij wist dat tot stand te brengen in ongeevenaarden vorm, in,
voor dergelijk soort lectuur, ongewonen stijl. Bij Yan Goor een
blad van zeer alledaagsch allooi, werd het Zondagsblad bij
Kruseman een model waarnaar de ideale journalistiek zich hier
te lande zou moeten hervormen.
Toch had bij zooveel voortreffelijke en superieure eigen-
schappen van zijn blad Kruseman zich vergist en ging het
debiet onder zijn bestier hals over kop, met snelle schreden
achteruit. Al in September 1860 werd er over redmiddelen ge-
dacht 4; de maatregel, met November d. a. v. ingevoerd, om,
1 „De stukken van Alberdingk acht ik waarlijk nog scherper gedacht,
doch minder aangenaam, hoe zeer welligt beter van gehalte, dan die
van Huet." (Brief van Fred. Muller 12 Maart 1861.)
*    Litterarische fantasten en kritieken. Haarl. z.j. Dl. XXIV blz. 52.
3 Vgl. t.a.p. Dl. II blz. 140.
*    Brief van Bugs c. 1 September 1860.
-ocr page 512-
497
ZONDAGSBLAD.
ten gerieve der abonné\'s, het blad reeds Vrijdagavond te ver- i8f>o.
zenden, baatte niet. Slechts anderhalf jaar bleef het bestaan,
met April 1861 eindigde het; de voortzetting ging Kruseman\'s
financieele draagkracht te boven.
De ondergeteekende geeft bij dezen berigt dat hij met
het einde van deze maand de uitgave van
Het Zondagsblad
denkt te staken. Mogt iemand haar willen overnemen,
die vervoege zich, liefst persoonlijk, om inlichtingen bij
Haarlem.                                       A. C. Kruseman \'.
Er kwam geen aanbod 2: het blad was in de oogen van het
publiek en van den Boekhandel van nul en geender waarde.
En hij staakte zijn uitgave met het volgende
BERIGT.
De ondergeteekende, die bij zijn overneming van het
Zondagsblad gepoogd heeft dit Blad te wijzigen overeen-
komstig de naar zijne meening degelijker eischen van een
staat- en letterkundig Weekblad, geeft bij deze onder
leedgevoel kennis, dat zijne poging gedurende vijftien
maanden te weinig bijval bij het algemeen heeft onder-
vonden, om de voortzetting der uitgave mogelijk te ma-
ken. Het Zondagsblad houdt alzoo op te bestaan.
De Uitgever mag evenwel dit laatste Nommer niet
verzenden, zonder eene opregte dankbetuiging aan lledac-
tie, Medewerkers en Geabonneerden voor de van hen ge-
noten ondersteuning en belangstelling.
<n ST^i                            A. C. Kruseman ».
31 Maart 1861.
1    Advertentie in Nieuwsblad voor den Boekhandel 21 Maart 1861.
2    Ik vond althans geen brieven hierover.
3    Op de binnenzijde van het omslag der maandelijksche uitgave.
(Maart 1861.)
32
-ocr page 513-
498
ZONDAGSBLAD.
1860.             Was die achteruitgang te wijten aan den prijs, ƒ 12.GO franco
per post? Van (ioor had hetzelfde bedrag gesteld. Aan den
inhoud? Neen, maar toch eigenlijk wel. Lion, de latere hoofd-
redacteur van het Dagblad van Znidkollated en \'# Uravenhage,
beweert, dat de Thorbeckiaansche richting die Kruseman aan
het weekblad wilde geven en waartoe hij de redactie opdroeg
aan eenige corypheeëu van die richting er de oorzaak van was \'.
Dat oordeel laat ik geheel voor rekening van uiijii zegsman,
want ik zie niet in hoe alleen een politieke richting van een
blad zijn te gronde gaan zon kunnen teweeg brengen. Daarvoor
moeten vele en veelsoortige oorzaken samenwerken, die den inhoud
van een blad, als geheel beschouwd, lezenswaardig en vooral
aantrekkelijk moeten maken voor het verkrijgen van een ruim
debiet. Een politieke kleur mag en moet vertoond worden, en
daarbij een Elck wat wils. En juist dat laatste bood het
Zondagsblad niet. Hetgeen het blad te lezen gaf, was geheel
in den geest zooals Kruseman het wenschte: de uitvoering van
dat denkbeeld, zonder daarbij ook te geinoet te komen niet
aan denkbeelden, maar aan wenschen van anderen, bleek in de
practijk, als speculatie, zoo onpractisch mogelijk. Kruseman
ontnam gaandeweg aan het blad al wat men burgerlijk zou
kunnen noemen, de nietszeggende klets verhaaltjes, sinds Novem-
ber 1800, raadsels 2, alles wat een courant aantrekkelijk maakt
in de oogen van het groote publiek en substitueerde daarvoor
artikelen en bijdragen van de bovenste plank, waarvan dat-
zelfde groote publiek niet gediend wilde wezen :!; de oude
1 „Ik verloor het Zondagsblad, waarvan met 1 Januarij 18G0 de
eigendom was overgegaan op den lieer A. C. Kruseman te Haarlem, die,
aan dat weekblad een Thorbeckiaansche rigting wenschende te geven,
de redactie opdroeg aan eenige corypheë\'n van die rigting, met bet ge-
volg, dat liet Zondagsblad zeer spoedig daarna te niet is gegaan." (Iz. J.
Lion. Mijn staatkundig leven, \'s Gravenh. 1865 blz. 75).
De schaakproblemen werden geleverd door W. L. Verbeek te
Wijk (Kasboek 2 Juni en 16 Juli 1860), de raadsels door D. A. Keus-
kamp (t. a. p. 28 December 1860).
3 „Waarom ziet ge \'t Zondagsblad niet ook een paar amusante rubrieken
te laten behouden, b.v.b. modes, chemische of pliys. kunstjes, enz.? zooals
v. d. Vliet dit vroeger had. Of wilt ge er een deftig politiek |orgaan| van
-ocr page 514-
499
ZONDAGSBLAD.
abonné\'s bedankten en nieuwe kwamen niet in voldoend aantal isao.
in de plaats, „het voortreffelijk Zondagsblad werd gestaakt,
dewijl de jonge redacteur [en uitgever] zijn publiek te verre
vooruit was" \', en tallooze advertenties van Kruseman in
de Haarlemsche-, de Groningse/ie-, de Nieuwe Rotterdamse/ie-,
de Drentsehe-, de Dordtsche- en de Leeuwarder Courant en de
Indiër gaveu niet de minste hoop op vermeerdering van debiet.
Niettemin waren de bijdragen niet altijd naar den zin van
den uitgever. In De Gids 2 verhaalt Prof. Quack, die met No-
vember j 1860 de leiding van het blad op zich genomen had,
om Buijs, die als secretaris van Rijnland en van het College
der zeevisscherijen overkropt was met werk, wat te ontlasten,
welk een grooten steun hij ondervond in Huet. En juist Huet
maken dat een partij vertegenwoordigt? \'t Zij zoo, maar dan zult ge er
naar mijn inzien niet veel genoegen van hebben. Men heeft mij wel
eens gezegd (ik geloof Boudewijn zelf) dat Instituten het voor hunne
kostleerlingen aanschaften omdat ze er van alles in vonden. Die lief-
boom is niet te verwerpen. Neem secundo de Dames in den arm (altijd
figuurlijk gesproken, gij zijt man en vader) en bevalt het hen, wees
verzekerd dat het moeite in heeft een abonnement afgezegd te krijgen.
Ik zie het aan de Duitsche Bazar bij mijne familie; de papa\'s kunnen
zich onmogelijk een denkbeeld vormen dat het ding eenige waarde heeft
en roepen telkens: „schaf er iets nuttigers voor aan!" Mooi praten.de
Bazar overwint." (Brief van Grebhard 27 Januari 1860).
„En Gij geeft het Zondagsblad op?! \'t Spijt mij razend voor U, maar
geloof toch niet dat het ooit mogelijk zou zijn voor zulke waarlijk uit-
muntende, doch zeer exceptioneele lectuur genoegzaam getal lezers te
krijgen, noch hier noch elders, tenzij in de maandelijksche afleveringen
van Uw Zondagsblad. Eigenlijk waarin ligt het? Want ook dat maan-
delijksche hebt ge beproefd." (Brief van Fred. Muller 12 Maart 1861).
1 Potgieter. Leven van Bakhuizen van den Brink 2° dr. Haarl.
1890 blz. 56. — Evenzoo Buijs: „Voor het overige heeft eene persoon-
lijke kennismaking met den Heer Quack mij bevestigd in mijn vertrou-
wen, dat gij een uitmuntend hoofdredacteur gekregen hebt; voor zijn
degelijkheid sta ik u nu borg en zou veeleer vreezen, dat hij wat hoog
timmert voor ons publiek. Ik heb hem dan ook sterk aangeraden te
dezen aanzien zeer voorzigtig te zijn.\'\' (Brief van Buijs 2i) October
1860) en later: „Ik heb gemeend hem te moeten waarschuwen voor al
te veel geleerdheid." (Brief van Buijs 11 November 1860].
1 1886 Dl. IV blz. 400.
32*
-ocr page 515-
500
ZONDAGSBLAD.
18G0. ging af en toe naar Kruseman\'s oordeel wel eens de paden
der welvoegelijkheid te buiten. Met name griefde hem hetgeen
het Zondagsblad in bedekte termen te lezen gaf over Da Costa,
na zijn overlijden in April 18G0. Later kom ik nader terug
op dit artikel, en vermeld hier alleen, dat de medewerking van
Huet aan het Zondagsblad geen gunstig onthaal vond bij zijn
antagonisten op kerkelijk terrein, getuige daarvan het epigram
door Koenen aan Kruseman geschreven:
De geestige leeraar.
Een jeugdig leeraar had berret en toga vaardig,
Maar was, niet ambtsgewaad en al, toch niet eerwaardig.
Hij was niet geestlijk, al zijn pogen bleef gemist;
Maar geestig? dat nog wel: hij werd een Journalist1.
Een dergelijk stuk behoorde gelukkig tot de uitzonderingen,
maar liet deed toch ongetwijfeld geen goed aan het debiet.
Voeg daarbij dat juist de medewerking van Huet, Pierson en
De Génestet, de toongevers op het gebied der populaire moderne
theologie, een grooten kring van lezers afkeerig moest maken
van het blad, dat onder zijn vorigen eigenaar ook al een
zekeren kerkelijken kring van lezers ontstemd had 2 en er kan
daarin, gevoegd bij het hooge gehalte der andere bijdragen,
1 Door Koenen den 5 Februari 1861 aan Kruseman gezonden.
\' De Kerkelijke Courant van den 15 Januari 1859 had o. a. geschre-
ven: „De journalistiek in ons vaderland heeft met den aanvang van dit
jaar eenige wijziging ondergaan. De voornaamste mag welligt heeten,
dat het Zondagsblad onder eene andere redactie is gebragt en terugge-
treden uit de rijen der strijders tegen den ongeest van het Jezuïtismus.
Zoo althans meenen wij het programma van de nieuwe redactie te moe-
ten opvatten, \'t Doet ons leed. Menigmaal hebben wij het Zondagsblad,
dat, uit den aard zijner inrigting, voor stukken van zeer gemengden
inhoud plaatsing had, krachtig en stout in het strijdperk gezien. Eene
terugtreding in de tegenwoordige oogenblikken is vooral te betreuren,
wijl de ultramontaansche pers er reeds gebruik van maakte, als bewijs,
dat de ministeriëele kastijding aan de protestantsche bladen toegediend,
gezegende vruchten droeg. Er zijn altijd menschen, die dergelijke dwaas-
heden gelooven."
-ocr page 516-
501
ZONDAGSBLAD.
een reden gevonden worden tot verklaring van het steeds achter- ïwso.
uitgaande debiet.
De uitgever erkende dat destijds echter niet. Een weekblad
van zoo uitnemend gehalte moest opgang maken. Wellicht,
dacht hij, ligt het aan den vorm, is de inhoud te degelijk voor
een periodiek weekblad; daarom, maar ook om de stukken eenig
langer leven te geven dan te verwachten was van een vluchtige
courant, liet hij sinds Mei 18(>0 de kolommen tot octavo-vor-
men overslaan. Zoo werden elke maand de belangrijkste bij-
dragen uit het weekblad, waartoe te beginnen met November
ook de „Verpoozings-lectuur" gerekend werd, tot een bundel
van omstreeks 10 vel vereenigd en konden de lezers de keus
aan zich houden van de wekelij ksche of de maaudelijksche
editie; beide waren gelijk in prijs.
Maar ook in dezen vorm mislukte het Zondagsblad geheel;
noch in maandelijksch octavo-formaat, noch in wekelijksch
imperiaal folio-formaat was Nederland gediend van hetgeen
Kruseman het als klokspijs meende te moeten geven.
Mocht Kruseman dan ook al niet den gewenschten steun van
het publiek ontvangen (c. 200 abonnc\'s tegen c. 800 noodig
om debet en credit te doen sluiten); was de onderneming
zooals hij zelf schreef „voor den tijd waarin zij werd opge-
zet — 1t is geen grootspraak —■ te degelijk van gehalte,"
ik voeg er bij te exclusief degelijk; al bood het blad, tot
schade van het debiet geen gewenschte lectuur aan het groote
publiek, toch werd het blad bij de eersten in den lande —- voor
den handelsman ongelukkig een bijkans onzichtbaar getal — wel
degelijk gewaardeerd. Wellicht tengevolge van de vage geruchten,
die er al in Augustus 1800 liepen, dat het blad vereenigd
zou worden met De nieuwe Spectator \' — waarlijk geen
gunstig teekeu voor het bloeien van beide ondernemingen 2 —
kreeg hij meermalen van politieke partijmannen, onder andere
van de kant vau Thorbecke, vrij hooge aanbiedingen om het
1 Het orgaan van Lindo, de huidige Nederlandsche Spectator.
1
Brief van Fred. Muller 17 Augustus 1860.
-ocr page 517-
502
ZONDAGSBLAD.
1860. blad te verkoopen \'. „Maar dau waren mij natuurlijk mijne
meewerkers ontvallen, resumeert Kruseman 25 jaar later, en
zou ik bloot een werktuig geweest zijn in de handen van een
eigenaar. Dat verbood mij mijn mogelijk als handelaar kwa-
lijk geplaatst eergevoel, en liever verkoos ik het Zondagsblad
met glorie te laten sterven, en met opoffering van véél geld,
dan den ernst en de degelijkheid van het plan prijs te geven
voor eenig winstbejag.\'" „Arm Zondagsblad, klaagt hij aan Pot-
gieter, dat ik, onbeduidend als het was, met medehulp van
goede vrienden en krasse pennen, tot een degelijk blad heb
willen vervormen, maar dat na 1| jaar tobbens mij alleen een
belangrijk deficit ter nagedachtenis liet" 2.
De geheele uitgave, 5 kwartalen, kostte aan uitschotten
f 1094S.34, waaronder /\'29(55.43 aan honoraria — de mede-
werkers ontvingen f 10 per kolom — en f 1435.085 aan
zegelkosten :!.
In velerlei opzichten is het Zondagsblad een allermerkwaar-
digste verschijning geweest: in de eerste plaats natuurlijk om
den voortreffelijken inhoud, maar in de tweede plaats, en daarop
zij hier de aandacht gevestigd, om zijn kortstondig bestaan.
Een poging om de journalistiek te verbeteren en een ernstig
orgaan te hebben was de bedoeling van den uitgever. Het was
de tweede maal dat Kruseman zich met een weekblad tot het
publiek wendde: de Polichinel had hij moeten staken, omdat
de redactie den smaak van het publiek te gering schatte, het
Zondagsblad ging te niet door te groote degelijkheid. In de
Valkesteeg te Haarlem is een gevelsteen met de spreuk:
„Ilovt maet, want het is een wisman die maet hovden can."
Opmerkelijk, Kruseman, die in zijn Bilderdijk tot stand ge-
bracht had, wat anderen vóór hem vruchteloos hadden ge-
1    Aldus Kruseman zelf in een aanteekening: ik heb geen bewijs van
die aanbiedingen gevonden.
2    Blief aan Potgieter 7 October 1868.
3    Een klein staaltje van Kruseman\'s royaliteit in zake de honoraria.
Den 10 Januari 18(50 schrijft Van Gigh: „Honorarium voor het nictge-
plaatste kan en mag ik niet aannemen."
-ocr page 518-
503
ZONDAGSBLAD.
poogd, voor wien werken als Ons voorgeslacht en de Weten- 1860.
schappelijke Bladen geen onoverkomelijke bezwaren hadden,
vergiste zich ten tweede male, nu hij, niet bij het beschaafde,
maar bij het meer ontwikkelde deel van ons volk, om gehoor
vroeg. Le juste milieu wist hij niet te treilen; hij gaf of te
veel of te weinig; hij wist geen „maet" te houden. Was dat
bij de Polichinel te verklaren, door de keuze van een redactie
aan wie de gestelde taak te boven ging, bij het Zondagsblad
is het te vergoelijken. Uitgaande van het denkbeeld, dat in
Kruseman als uitgever ongetwijfeld de juiste kern aanwezig
was, die degelijke ephemere literatuur in onze huiskamers zou
hebben kunnen brengen, zoo was hij als persoon, vooral in
deze dagen, dat hij vervuld was van de modern-theologische
vraagstukken, dat ])a Costa overleed, dat hij in nauwere relatie
kwam met Pierson en met Zimmerman en dat hij Potgieter
had ontmoet in hun gemeenschappelijke vereering voor het
dichterlijk genie van Da Costa, zoozeer vervuld van de
idealen, die zijn vrienden hem op het gebied van literaire
kunst en wetenschap voorhielden, dat de berekenende uitgever
onderging in den enthousiastischen persoon. Zoo is dan eigen-
lijk het Zondagsblad niet te stellen op de rekening van den
handelsman, maar wel op die van den bevorderaar van dege-
lijke en goedkoope lectuur. En het zal den eerste een harden
strijd gekost hebben, na 15 maanden op den laatste de over-
winning te behalen; „der wetenschap dienst te doen, is des
uitgevers plicht; zich haar ten believe uit te kleeden, is
een maatschappelijke zonde,.... een wetenschappelijke onder-
neming op te geven, die. ... uw naam met. . loftuiting ver-
melden zal, maar die zeer zeker uw kapitaal schromelijk be-
dreigt, is. . een harde strijd, die niet onbedachtzaam aange-
gaan mag worden" \'. Die strijd was daarom des te bezwaarlijker,
omdat Kruseman den grootsten lof op zijn onderneming kreeg.
Enkele citaten mogen daarvan ten bewijze strekken:
„Niet vele nommers zagen het licht of het Zondagsblad voor
1860 werd reeds door velen geacht eene eervolle plaats in de
1 Jiouwslo/lea 1)1. 1 blz. XVIII vlg.
-ocr page 519-
504
ZONDAGSBLAD.
1860. journalistiek van ons land te verdienen, en zijn inhoud waar-
dig om niet geheel het lot te deelen van dag- en weekbladen
een vlugtig bestaan" \'.
„No. 10 Zondagsblad is voortreffelijk; verreweg het beste
geloof ik" 2.
„\'t Blad krijgt of heeft reeds naam" 3.
„Wat is uw Zondagsblad toch een mooi blad! . . . . Maar
het is te goed om veel vogue te hebben. Het is zoowat het
midden tusschen K. en L. Bode, Spectator, Ji\'?ig. Athenaeum —
en de gewone couranten. Maar \'t is mooi" 4.
„Ik betreur het lot van het Zondagsblad en nog meer den
prijs dien het u kost. Maar er is toch een troost: de fout ligt
niet aan de Redactie, want deze was in den laatsten tijd uit-
muntend, getuige het laatst verschenen nummer, dat inderdaad
voortreffelijk is" 5.
„De Heer Thijin doet wakker zijn best contra Huet, den op-
pervlakkigen Neoloog. De stijl dier opstellen in het „Zondags-
blad\'"1
is, echter wel wat al te zwaar, om te verduwen. Intus-
schen, „elke vogeV enz" °.
„Ik kan U de verzekering geven dat het ^Zondagsblad^ meer
en meer wordt geëstimeerd en dat door de meest competente
beoordeelaars. Nog dezer dagen hoorde ik in een kring van
professoren met den meesten lof van het blad gewagen; \'t zou
waarachtig jammer zijn dat het moest bezwijken" \'.
Thans is het Zondagsblad vrij wel vergeten; maar zij die
er kennis van namen zijn nog steeds vol van lof voor deze
grootsche schepping. Eén oordeel uit den laatsten tijd wil ik hier
afdrukken en wel daarom ■— ik moet mij er om verdedigen,
omdat de schrijver Joh. Enschedé mij zoo na in den bloede
bestaat — omdat Kruseman zelf blijkbaar gewicht hechtte aan
1    Europa. ïioekbeoordeelinijen en aankondiyincjen. Arast.1860. blz.160.
*    Brief van Buijs Februari 1860.
\'    Brief van Van Limburg Brouwer 3 Juli 1860.
\'    Brief van Fred. Muller 28 Januari 1861.
5    Brief van Buijs 2 Februari 1861.
0    Brief van Dr. Wap 27 Februari 1861.
\'    Brief van Buijs 2 Maart 1861.
-ocr page 520-
505
ZONDAGSBLAD.
die appreciatie. Onderstaande brief is het eenige geschreven isoo.
stuk, dat Kruseman in. zijn eigen exemplaar, zijn ooilam, zoo
als hij het noemde \', legde.
Haarlem 18 Februari 1889.
Geachte Heer Kruseman.
Tengevolge van een paar dagen afwezigheid uit de stad
voldoe ik eerst nu aan uw verzoek om terugzending van
het exemplaar Zondagsblad. Reeds te lang hield ik het
onder mij. Thans lag het in onze redactie-kamer omdat
ik er op gesteld was dat de Heeren redacteuren [der Op-
rechte Haarlemsche Courant]
er kennis van namen. Ik zelf
had het geheel doorgezien en grootendeels gelezen. Want
het „doorzien" werd van zelf „lezen". Welk eene keur
van degelijke pennen hadt ge ter beschikking. En met
welk oen blijkbare lust en ijver zetten zij zich aan den
arbeid! Evenmin als men het zich verklaren kan dat in
dien tijd een Amsterdamsche Omnibus Maatschappij geen
bestaan kon vinden, evenmin kan men zich nu voorstel-
len, dat een blad, dat in menig opzicht aan het weekblad
„de Amsterdammer" als voorbeeld kan gesteld worden,
in die dagen geen geschikte lectuur geacht werd. Ge
hebt mij gezegd dat het „aan zijn degelijkheid is gestor-
ven." Van naakte degelijkheid is men ook thans niet ge-
diend: gij en ik ook niet; maar wanneer die degelijkheid,
zooals bij het Zondagsblad, in zoo sierlijk kleed is gesto-
ken, dan is het zeer opmerkelijk, dat een uitgever, zoo
als gij destijds waart, er niet in kondt slagen het tijd-
schrift ingang te doen vinden.
Dergelijke gunstige uitingen waren uit den aard der zaak
niet te verkrijgen geweest zonder veel zorg, en zelfs met die
zorg kan het, waar vele personen moeten samenwerken tot één
doel, niet uitblijven of moeielijkheden zich zouden voordoen. Het
1 Brief aan Joh. Enschedé 3 Mei 1887.
-ocr page 521-
506
ZONDAGSBLAD.
1860. was vooral onder den nieuwen redacteur, dat die moeielijkhe-
den kwamen. Quack verbond nieuwe krachten aan het blad;
hetgeen in enkele nummers over de binnenlandsche politiek
geschreven werd in Haagsch gekeuvel, berokkende onaarige-
naainheden aan Van Limburg Brouwer. De bedoelde stukken
toch, waarvoor hij ten onrechte als de schrijver werd aangezien,
noopten hem zijn medewerking aan het blad op te zeggen,
wilde hij protesteereu bij zijn politieke vrienden tegen het
loopeude gerucht en zijns ondanks was Kruseman verplicht om
een polemiek — en een heftige aanval was te verwachten — in
de Amliemselie Courant tegen het Zondagsblad te vermijden in
het nummer van den 30 December af te drukken, dat Van Lim-
burg Brouwer „voorloopig niet meer als medewerker aan het
„Zondagsblad" wenscht te worden aangemerkt."
En meer van soortgelijke quaesties zouden aan te stippen
zijn, die het orgaan al meer en meer achteruit hielpen, niet om
de personen, die door een ander vervangen werden, maar wel om
het eenigszins weifelend karakter dat het blad daardoor kreeg.
Dat innerlijk weifelend karakter vond een formeel kenteeken
in het uiterlijk van het blad. Eerst een breede zwarte lijn
over de geheele breedte van de eerste pagina, waardoor deze
in twee deelen gescheiden .was; het bovenste deel van een
leading-artïkel, het onderste voor feuilleton bestemd; later de
geheele eerste bladzijde voor artikelen bestemd; daarna weer
terugkeer tot den eersten vorm; en wellicht zou een geduldige
vergelijking meer dergelijke veranderingen aan het licht kun-
nen brengen. Maar ook de maandelijksche uitgave moet juist
om de aangekondigde reden van haar verschijnen er niet toe
medegewerkt hebben, een indruk te geven van een met vaste
hand gestuurd schip. Ieder op zich zelf kleinigheden, maar in
verband en samenhang beschouwd te samen belangrijk genoeg
om geen al te vast vertrouwen in het blad te geven. Dat ver-
trouwen althans wist Kruseman niet op te wekken en zulks werkte
natuurlijk ongunstig op het debiet. En al konden de tijdge-
nooten de reden van achteruitgang formuleeren, hetgeen zeer
te betwijfelen is, Kruseman en de redactie zouden dat natuur-
lijk tegenover de buitenwereld niet hebben willen noch mogen
-ocr page 522-
507
ZONDAGSBLAD.
bekennen. In tegenspraak met hetgeen de geschiedenis leerde i»6o.
in het ontstaan van couranten als het Handelsblad en de
Nieuwe Rotterdamsehe Courant kreeg het dagbladzegel de
schuld en Itobidé van der Aa luidde als Robrecht van Peene
in zijn Haagsch gekeuvel op dien grond het Zondagsblad in het
laatste nummer uit: \'
„De onmogelijkheid voor een gewoon particulier, om in
Nederland een dag- of weekblad op te rigten, is op nieuw
bewezen door het mislukken van het Zondagsblad. De tegen-
woordige uitgever daarvan, wiens naam in onzen vaderland-
schen boekhandel door menige koene onderneming gunstig
bekend is, had zich, sedert hij door aankoop eigenaar van dit
blad geworden was, ten doel gesteld dit in een orgaan te her-
scheppen waarin letterkundigen van vrijzinnige beginselen en
vooruitstrevenden geest vrij en zelfstandig hunne meening kon-
den uiten. Aanvankelijk mogt die poging goed gelukt heeten;
na eeiiige weifeling wist het Zondagsblad zich te midden der
reeds bestaande bladen een nog niet behandelde taak uit te
kiezen; in die kringen waar het bekend was, wekte het meer
en meer belangstelling; na vijftien maanden waren de onkosten
der onderneming echter zoo hoog gestegen, dat de uitgever
zich zijns ondanks wel verpligt zag die te staken. Had de
zegelbelasting niet bestaan, hij had met dezelfde geldelijke op-
otl\'ering de proef minstens eens zoolang kunnen voortzetten,
vooral door ruime kostelooze verspreiding de nieuwe onderne-
ming meer algemeen bekend kunnen maken. Ware het Zon-
dagsblad
dan nog geene voldoende belangstelling van het pu-
bliek ten deel gevallen, dan eerst zoude men naar waarheid
de onderneming mislukt kunnen noemen; nu is haar onder-
gang slechts te wijten aan eene belasting die alle ontwikkeling
eener naar waarheid onafhankelijke dagbladpers tegenhoudt. Of
zoude men in een industrieel de zelfstandigheid misprijzen, die
slechts eigen zaken drijven wil en niet als zaakgelastigde eener
of andere vennootschap op wil treden? Zoo zulk een gemeen-
* 31 Maart 1861.
-ocr page 523-
508
ZONDAGSBLAD.
••«HO. schappelijk eigendom ergens nadeelig Merken kan, moet dit
bij een politiek dagblad het geval zijn."
Achttien maanden later stelde de Minister van Financiën de
afschaffing der gewraakte belasting in het uitzicht \'.
De andere nieuwe periodieke uitgaaf die met 1860 voor het
eerst bij Kruseman verscheen was de Christelijke Volks-
almanak;
daarvan moet het debiet niet noemenswaardig afwij-
1 „In de redevoering door den Minister van Financiën 1.1. Zaturdag
uitgesproken bij het aanbieden der begrootings-wetten over 1863, komt
de volgende belangrijke mededeeling voor, die zeker door den boekhan-
del met belangstelling zal vernomen worden.
„„De mededeeling zal u ongetwijfeld niet verrassen, dat een nieuw
ontwerp van wet op het regt van zegel is in gereedheid gebragt. Be-
halve toch verbeteringen, die de tegenwoordige wet noodig heeft, komen
daarin beginselen voor, die niet langer kunnen blijven voortbestaan, en
die althans in lijnregten strijd zijn met de beginselen, door dit Gouver-
nement gehuldigd.
„„Ik heb hier het oog op het zegelregt voor gedrukte stukken en voor
advertentiën. Wanneer ik hier van gedrukte stukken spreek, bedoel ik
niet enkel de buiten- en binnenlandsche dagbladen, maar ik bedoel ge-
drukte stukken in die ruime beteekenis, waarin art. 23 der wet van 3
October 1843 ze heeft aangeduid, namelijk: „Alle dagbladen, couranten,
„nieuwspapieren, nieuwstijdingen, periodieke werken of tijdschriften, cata-
„logussen of notitie van hoeken, kunstvoorwerpen, meubelen en andere
„goederen, prijscouranten, prospectussen, aankondigingen en berigten uit-
„gegeven, ter lezing gelegd, aangeplakt, rondgevent of verspreid, of op
„eenige andere wijs in omloop gebragt wordende, van welken aard, in-
„houd of bestemming ook, zelfs in den vorm van brieven of circulaires;
„en wijders alle adressen van woning of woonplaats."
„„Ik vertrouw, Mijne Heeren, dat gij met de Regering zult willen
medewerken, om eene zoodanige weldaad aan Nederland te schenken en
de pers te bevrijden van banden, waaronder zij te lang reeds gezucht
heeft."
„"Wij mogen dus binnen kort een wets-voordragt van den Minister
verwachten, waarbij het zegelregt op al de bovenstaande riedrukte stuk-
ken
wordt afgeschaft. (Nieuwsblad voor den Boekhandel 2 October
1862, vgl. t. a. p. 13 November 1862).
Vgl. hiermede het oordeel van de Asmodée (1864 n°. 10 overgenomen\'
in het Xieuiesblad voor den Boekhandel 14 April 1864), dat voor de
verheffing van de Nederlandsche journalistiek allerminst heil zag in de
voorgestelde afschaffing.
-ocr page 524-
509
CHRISTELIJKE VOLKS-ALMANAK.
ken bij hetgeen zij den vorigen eigenaar Van Kampen had 1880.
opgebracht, omdat Kruseman er eigenlijk geen verandering in
bracht en dezelfde redactie behield. Het was met goedvinden
van de redacteurs De Génestet en C. P. Tiele en van
den uitgever zelf, dat hij dit jaarboekje in September 1859
van P. N. van Kampen overnam; in de laatste jaren toch
lagen zij telkens met elkaar overhoop, wegens minder ge-
slaagde steendrukplaten. Onder voorwaarde van Kruseman
van het aanblijven der redactie nam hij het aanbod van voort-
zetting aan voor f 400 met ongeveer 1900 overige verschil-
lende deeltjes. Veel verandering bracht Kruseman er niet in:
alleen in den almanak vervielen op Tiele\'s verzoek de namen der
heiligen en de gedenkdagen. De omstandigheden zouden echter
niet medewerken om dit jaarboekje een blijvende plaats te geven
in Kruseman\'s waardeering. „In plaats van karakteristiek „chris-
„telijk" — welken titel Kruseman nochtans behield — werd de
almanak bijna geheel belletristisch, schrijft Kruseman. Overigens
leverde De Génestet aan dezen en den volgenden jaargang
[1800 en 1861] eenige zijner fraaiste en later zoo populair ge-
worden verzen. Na De Génestet\'s dood [1861] ging de redac-
tie op C. P. Tiele alleen over en verflauwde de medewerking.
In 1862 trok Tiele zich terug en werd de redactie toever-
trouwd aan Dr. E. Laurillard. Het gehalte, hoewel toenemende
in gemoedelijkheid, daalde in letterkundig peil en mijne inge-
nomenheid met het jaarboekje verkoelde evenzeer." In Juni
1864  kwam Schadd met het voorstel den Almanak te koopen;
hiervan kwam echter niets, want op dezelfde fondsveiling in
1865    waar de Aurora in andere handen overging, kocht de
Wed. J. G. van Kesteren en Zoon voor f 950 het recht van
voortzetting met omstreeks 9000 deeltjes vroegere jaargangen.
De geheele uitgaaf had aan Kruseman een niet noemenswaar-
dige winst opgeleverd.
Van de zes jaargangen, die bij Kruseman verschenen is on-
getwijfeld de eerste, die voor 1860 de belangrijkste. Niet
zoozeer om de bijdrage Werken door P. [A. Tiele]\' of omdat
1 Brief van C. P. Tiele 24 Januari 1860. Het opstel is geteekend P.. .r.
-ocr page 525-
510
CHRISTELIJKE VOLKS-ALMANAK.
i86o. daarin voor het laatst voorkomt een bijdrage van Ina (Anna
Dorothée van der Tholl, eerlang Mevr. Busken Huet) Alle
zeven,
„dat stukje gloeiend mooi ■— en melankoliek" naar De
Génestet\'s oordeel \', maar vooral om de voorrede die De
Génestet bij dien jaargang schreef. In die voorrede toch zette
De Génestet, die door het lezen van Huet\'s Brieven over den
Bijbel
zich beslist bij il e modernen aangesloten had2, zijn
denkbeeld uiteen over christelijke lectuur voor het volk. Het
was daarom, dat die voorrede als van zelf een eenigszins
polemisch, apologetische tint verkreeg, die, al werd er nog vrij
wat in het handschrift geschrapt, niettemin als het ware de
richting van den Christelijke Folks-almanak zou meenen te
moeten verontschuldigen. Als speculatie van den uitgever kon
die voorrede dan ook aan het debiet van den jaargang eer na-
dan voordeel doen en met „bittere scherts" werd hij clan ook
in de Europa 3 besproken.
Het debiet van deze en volgende jaargangen was niettemin
vrij wel, zooals uit onderstaand staatje ten besluite blijkt.
Oplaag.
Kosten.
Debiet.
1800
3000
ƒ 1442.05
1700
1801
3500
\'„ 1744.64
2080
18(52
3000
„ 1048.12
1760
1868
3700
„ 1693.85
2600
1864
3700
„ 1804.—
2400
1805
3035
„ 1825.10
2300
In dat jaar 1805 ging de almanak op de fondsveiling over
in eigendom van de Wed. J. G. van Resteren en Zoon; de
volgende jaargang werd uitgegeven door K. H. Schadd, echter
slechts één jaar, daar deze als een gevolg van zijn sinds den
1 Brief van De Génestet 10 October 1859. Herdrukt in Schetsen
en verhalen van
Cd. en Anne Busken Huet. Arnhem 1863 blz. .\'569.
1 P. A. De Génestet. Dichtwerken verzameld en uitgegeven door
C. P. Tiele. Amst. 186!) Levensschets Dl. I blz. 47 vlg.
3 1860. Boekbeoordeelingen en aankondigingen blz. 22.
-ocr page 526-
511
DE GlONESTET, LEEKEDICHTJENS.
1 Januari 1866 ingevoerde maatregel zijn fondsartikelen alleen isbo.
voor rekening te leveren en zich geheel van commissiehandel
te onthouden, zich er van wenschte te ontdoen en een opvolger
moest vinden in de firma Loman en Verster, die sinds 1S71
vervangen werd door 1). B. Centen.
Bij al hetgeen, dat op den duur dit jaarboekje voor Kru-
seman minder aangenaam zou maken, was het overnemen van
het artikel zelf hem tot gewin: het zette zijn uitgevers-bakens
uit. Beide de redacteuren, Tiele zoowel als De Génestet waren
wel is waar geen onbekenden voor Kruseman, met beiden had
hij reeds meermalen briefwisseling gehouden, de Christelijke
Volks-almanak
echter gaf met hen een nauwere relatie, met
Tiele, die over eeuige jaren De godsdienst van Zarathustra zou
schrijven, met De Génestet, dien hij als medewerker voor het
Zondagsblad wist te winnen.
Had met De Géuestet de relatie tot nu eigenlijk in hoofd-
zaak \' geloopen over bijdragen in verzamelwerken als het
Scheffer-album; in de Aurora waren reeds meermalen bijdra-
gen van zijn hand verschenen en reeds de jaargang 1855 had
zijn portret gegeven. Die afbeelding was echter allesbehalve
fraai uitgevallen. Taurel had er gansch wat anders van gemaakt
dan de gecorrigeerde photographie, waarnaar hij moest werken,
te zien gaf. De Génestet kreeg de proef te zien van zijn beelte-
nis en was er geenszins mede ingenomen. „Naar mijn oordeel en
dat van mijn vrouw en vrienden, schreef hij den 24 October
1854 aan Kruseman, is de proef ongelukkig, heel ongelukkig,
\'k Heb er terstond een vaersjen bij gemaakt, \'t geen ik u
1 In hoofdzaak. In 1848 waren Krusema,n en De Génestet echter
reeds vermoedelijk met elkander bekend, want in het dossier brieven
van dat jaar zijn eenige ongedateerde brieven van De Génestet betreffende
het uitleenen van de gedichten van Hasebroek en van Beets\' vertalin-
gen van liijron. De Génestet was al dadelijk in de gratie bij Kruse-
man\'s letterkundige vrienden gekomen: den 2 October 1847 schrijft
Van Zeggelen: „Ik heb dezer dagen P. A. de Génestet bij mij gehad.
Een aardige jongen! Hij heeft gepasseerde Maandag met veel succes
eene bijdrage op \'t Genootschap gedaan".
-ocr page 527-
512
DE GÉNESTET, LEEKEDICHTJENS.
18C0. proponeer — als de laatste proef niet beter is, niet geheel
anders, er onder te plaatsen:
P. A. de Génestet — is \'t niet
Goddank, dien ge op dit plaatjen ziet.
Die kijkt, bij gratie der Natuur,
Wat minder scheel, wat minder zuur;
Dié heeft in \'t leven nog wel schik,
Ook zijn \'s mans lippen niet zoo dik.
Vooral hangt, nooit of nimmermeer,
Zijn onderlip zoo pruilend neer.
Zegt Kruseman: „Nu ja — maar t\' is
Toch zijn portret, zijn beeldtenis" —
Dan liegen hij en \'t plaatjen saam,
Slechts daarvoor teeken ik mijn naam \'.
„Met dit „grapjen" bedreig ik de Aurora."
Die bedreiging was natuurlijk niet ernstig gemeend, hoewel
Sain Jan zulks meende; De Génestet was er dan ook gansch
de man niet naar om onaangenaamheden te zeggen, en Kruse-
man, die dat heel wel wist, begreep dat het voor hem als
uitgever gewenscht kon zijn De Génestet zooals men dat pleegt
te zeggen aan het lijntje te houden. Een bepaald aanzoek om
een bundel verzen van hem ter perse te leggen kon moeielijk
van Kruseman uitgaan. Gebr. Kraay toch te Amsterdam waren
de uitgevers van De Génestet en de hevige concurrentie, die
jaar op jaar, de Aurora en de Almanak Holland elkaar aan-
1 NI. zijn handteekening onder het portret. — Het versje werd met
veranderingen afgedrukt door Van Vloten in zijn Nederlandsch dicht
en ondicht.
Deventer 1862 Dl. II blz. 607. In verband met de moeie-
lijkheden tusschen Kruseman, en Ter Gunne en Van Vloten over
het eerste deel van deze bloemlezing, weet ik geen verklaring te
geven, hoe Van Vloten aan dit gedicht van De Génestet kwam.
Wellicht heeft Kruseman het hem eens getoond in de dagen, toen hij
zijn uitgever nog had kunnen zijn; na 1860 zal hij het hem on-
getwijfeld niet afgeschreven hebben. — Het porlret is verkleind gere-
produceerd in Ten Brink. Gexchiedenis der Nederlnnduche letterkunde.
Amst. 1897 blz. 647.
-ocr page 528-
DE GÉNESTET, LEEKEDICHTJENS.                         513
deden, moest zelf niet den schijn aannemen te willen overgaan *880.
in onedele mededinging tusschen de uitgevers Kruseman en
Kraay. Niettemin bleef de wensch levendig bij Kruseman
ook dien dichter aan zijn fonds te verbinden en dat nog te
meer, omdat zoovele van De Génestet\'s gedichten juist hun
ontstaan te danken hadden aan Haarlem\'s omstreken \', de aan-
koop van den Christelijken Volks-almanak moest hem uit dat
oogpunt alleen reeds aangenaam zijn. Het was dan ook geens-
zins af te keuren tegenover Kraay, die voor het laatst 4 jaar
te voren kopy van De Génestet ter perse gelegd had, dat Kru-
seman in 1800 aan De Génestet de toestemming verzocht en
verkreeg zijn uitgever te mogen zijn, wanneer hij er toe over-
ging zijn verspreide gedichten te verzamelen, en te minder was
dat te laken, daar de meeste dier gedichten juist in de Aurora
en in den Christelijken Volks-almanak verschenen waren. In een
oogenblik van onbedaclitzaamheid gaf De Génestet ze toch aan
Kraay, zijn Laatste der eerste 2. Als een pleister op de wonde
werd aan Kruseman aangeboden een aantal losse rijmpjes, die
voor het meerendeel reeds in De Gids en den Christelijken Volks-
almanak
verschenen waren, „modern-theologische sneldichten3,"
die bij Kruseman als uitgever van de Brieven over den Bijhei
wel op zijn plaats waren. „Hoe men zich vergissen kan, zegt
Kruseman 4. Met eenig tegenstribbelen nam ik dit aanbod
aan; op de andere verzen had ik prijs gesteld; met die „snip-
„pers" was ik evenmin ingenomen als tevreden en raadde hem
de verzameling daarvan zelfs af." Kruseman nam het aanbod
dan maar aan en De Génestet, die destijds door allerlei om-
1 „Geheel Bloemendaal behoort aan den dichter. Daar is schier elke
plek de geboortegrond van een vers of van een dichterlijken inval....
Het is meer dan een spel der fantasie, wanneer wij den dichter aan zijn
Bloemendaal teruggeven." (A. Pierson. Intimis. Vierde druk. Arnhem.
D. A. Thieme. 1873 blz. 639 vlg.) — In de vorige drukken van Intimis
komt dit hoofdstuk Langs het kerkhof natuurlijk niet voor.
1 Zij verschenen in April 1861, vier maanden na de Leekedichtjens,
drie maanden voor De Génestet\'s overlijden.
\' Ten Brink. Geschiedenis der Noord-Nederlandsche letteren in de
XIX" eeuw.
Amst. 1889. Dl. III blz. 111.
4 Bouwstoffen Dl. II blz. 43.
83
-ocr page 529-
514                      DE GÉNESTET, LEEKEDICHTJENS.
1800. standigheden nu juist niet in een zeer opgewekte stemming
verkeerde, ging zijn arbeid van vroegere jaren verzamelen
en met haast aanvullen met rijmpjes van hem zelf, met
versjes van Potgieter en van Allard Pierson \'; „ik moet pro-
fiteeren van mijn goeden luim — en maak dus maar wat
voort/\' schreef hij eens. Natuurlijk, dat Huet, die den grooten
stoot er aan gegeven had om Kruseman voor het voorstel te
winnen, zijn scherpen blik ook nog eens over ieder regeltje
liet gaan 2 en, naar ik denk, zal juist de bespreking met Huet
over de Leekedichfjens Kruseman\'s eersten tegenzin in warme in-
genomenheid hebben doen overgaan nog voor het ter perse leg-
gen van het eerste vel. Ik trek die conclusie uit de oplaag van
den eersten druk (1500 exemplaren). Een uitgever toch, die
slechts matig ingenomen is met een kopy en zelfs, zooals Kru-
seman het hier wil doen voorkomen, hoegenaamd geen sym-
pathie er voor heeft, verwacht natuurlijk diezelfde stemming
eveneens bij het publiek. Want meent hij, dat het publiek er
ingenomen mede zal zijn en zich dus kooplustig zal betoonen,
dan zal hij, behoudens enkele gevallen, als handelsman zeer
1    Dat N°. 63 (Sticlilelijke uren) van Potgieter afkomstig is, staat
zoo goed als vast door de daaromtrent gekoesterde meening van De
Génestet\'s naaste familiebetrekkingen. Evenzoo wordt N°. 69 (Voor
schrift verklaarders)
door De Génestet zelf aan Allard Pierson toegc-
schreven: in het handschrift der Leekedicliljeits schrijft hij:
„69 ---- VOOU SCHRIFTVERKLAARDERS.
„Een vaersjen van A. Pierson in den Chriitelijken voor
58
beginnende:
O Heeroom, wat smart
Die noot is zoo hard etc.
t"
Beide dichtjes zijn in den eersten druk gemerkt met een kruisje. Om
dezelfde reden moet ook N°. 68 (In nomine Dei) niet aan De Génestet
toegeschreven worden, al is de kopy daarvan, evenals van N°. 63 door
De Génestet eigenhandig geschreven. Twijfel aan de echtheid is om
dezelfde reden geoorloofd omtrent N°. 12 (Geloof en Kritiek) en de
door Dr. Dyserinck in De Tijdspiegel (1897 blz. 22) uitgegeven Unie.
2    Brief van De Génestet 28 September 1860.
-ocr page 530-
515
DE GÉNESTET, LEEKEDICHTJENS.
zeker gesteld zijn op het bezit van de hem aangeboden «oo.
kopy. Hier, waar Kruseman 1500 exemplaren van een kopy
laat trekken verwacht hij groot debiet; hij zelf moet dus reeds
lang vóór het verschijnen der Leehedichtjens de overtuiging ge-
kregen hebben, dat zijn nieuwe uitgaaf een zeer geschikt
artikel zou kunnen worden. Hij bedroog zich daarin niet en
in December 1860 verschenen de Leekedichfjens, versierd met
een „geestig" vignetje door Steelink naar Kochussen. Onmid-
dellijk bijkans gaf de MiddelburgseJie Courant er een buiten-
gemeen waardeerende bespreking van; zij noemde De Génestet,
zooals hij zich hier toonde „een waar poëet, verscholen onder
een troep opgeschroefde en onnatuurlijke rijmelaars" \'. De
eerste oplaag (1500 exemplaren) was spoedig uitverkocht, een
tweede (1000 exemplaren) volgde in December 1861, een derde
(1200 exemplaren) in Januari 1863, een vierde (1000 exempla-
ren) in Maart 1864, en daarvan waren nog slechts 2 exempla-
ren overig, toen op de fonds veiling van den 9 Juli 1867 het
kopyrecht voor ƒ565 overging in handen van Gebr. Kraay.
Wel een bewijs van het pakkende dat in die korte en kern-
achtige spreuken en dichten gelegen was; letterlijk dagelijks wer-
den er in de eerstvolgende jaren exemplaren bij Kruseman
aangevraagd 2. En in hoeveel handen bracht eerst Kraay ze
nog, die er in 1867 een vijfden druk van ter perse legde,
ze opnam in De Dichtwerken van De Génestet, waarvan in
1873 een volks-editie van ƒ 2.50 3 en 1893 bij de Uitgevers-
maatschappij „Elsevier" weer een achtste druk het licht zag,
en in onze dagen Wolters te Groningen, die ze in zijn Biblio-
1 20 December 1860. — De Leekediehtjens werden eveneens in twee
uitgaven van Kruseman besproken, door Bern. Koster Jr. (pseudoniem
van Joh. C. Zimmerman) in het Zondagsblad van den 16 December
1860 en door A. Pierson in de Wetenschappelijke Bladen. (1861 Dl. I
Boekaankondiging blz. 65).
1 Nieuwsblad voor den Boekhandel 11 Februari 1864.
3 „De Génestet is zeker populair, en men vindt zijne dichtwerken
in twee keurig gebonden groot of klein 8° boekdeelen, op bijkans elke
etagère en in elke mahonyhouten boekenkast achter glas. Maar iedereen
behoort een De Génestet te kunnen bezitten; — hij zong zijne wellui-
33*
-ocr page 531-
516
DE GÉNESTET, LEEKEDJCHTJENS.
1860. theek voor Nederlanchche letterkunde opnam, waarvan ook weer
twee uitgaven uitkwamen.
Het is in het bijzonder deze uitgaaf, die voor heden de
aandacht verdient. De Leehedichtjeus, „wonderaardig" \' als ze
zijn, vonden hun grooten aftrek door het hekelen van actueele
onderwerpen, vooral van die welke in verband stonden met den
strijd tusschen de moderne en de supranaturalistische godsdienst-
leer; Mihi constat van Prof. Doedes 2, Jan Rap 3 — een popu-
laire uitdrukking, zij het ook in gewijzigde beteekenis aan dit
dichtje verschuldigd —, De man van 7 ware midden *, ze
werden als zoovele anderen toen door ieder begrepen; door ieder
werd gevoeld waar de pointe school. En te verwonderen is dat
niet, daar het vooral de moderne theologie was, welke in die
dagen hier te lande de gemoederen beroerde van allen, die
er prijs op stelden, zij het ook als belangstellenden, deel te
nemen aan het intellectueele leven van hun tijd. Bijkans veer-
tig jaar na hun verschijnen, zijn voor het jongere geslacht vele
onverstaanbaar geworden en het is om daaraan te gemoet te
komen, dat Dr. H. U. Meyboom de kostelijke, maar moeielijke
taak oudernam, de uitgaaf van Wolters van een critische com-
mentaar te voorzien, die al het gewenschte licht ontsteekt5.
dende liederen voor het gansche Nederlandsche volk, voor oud en jong,
en voor de laatsten bij uitnemendheid.
„Een lang gekoesterde wensch wordt dus nu vervuld met de uitgave
eener volks-editie van De Génestet\'s Dichtwerken.....
„Waarlijk, wij voorspellen de uitgevers, Gebroeders Kraay, een buiten-
gewoon succes op deze nieuwe onderneming, welke een van Ncerlands
meest geliefde Dichters onder het bereik brengt van al zijn landgenoo-
ten." (Nieuwsblad voor den Boekhandel 21 Maart 1873).
1 Alberdingk Thijm in De Dietsche Warande Dl. V (1860) blz.
512. — Vgl. N°. 47.
1 N°. 29. — Vgl. J. I. Doedes. J843—J8\').\'}. Biografische herinne-
ringen.
Utr. 1894 blz. 132 vlg.
\' N°. 10.
4    N°. 45.
5   Ook de in de tweede uitgaaf (1896) van deze critische editie ge-
citeerde verhandelingen van Ber^sma (1894), Mieras (1895) en Mulder
(1895) verdienen de lezing bij de verklaring der Leekcdichtjens zelve.
Orthographisch is de spelling gevolgd, voor zoover ik die naging, van de
-ocr page 532-
DE GÉNESTBT, LEEKEÜICHTJENS.                        517
De Leekedichtjens, eerst door den uitgever verworpen, waren 1860
populair geworden; ze vonden waardeering, maar ook aanstoot:
waardeering bij de modernen, aanstoot bij de orthodoxen. In
Juli 1864 verscheen bij E. H. Tassemeycr te Rotterdam een
klein boekje liij-mpjens door A. W. Bronsveld, Theol. Dr. en
Pred. te Ophemert.
Uiterlijk is het geheel een pendant van De
Génestet\'s boekje, in zijn geest lijnrecht het tegendeel. De
Génestet stak hier en daar geestig den draak met de moderne
leer in hare buitensporigheden, zonder tegen het beginsel
zelf op te komen, de Rijmpjens gaan slag op slag bruusk
tegen beiden in „Al het poëtische van-De Génestet is bij den
heer Bronsveld proza geworden, oordeelde Huet \'. Waar De
Génestet ondeugend is, is zijn navolger grof." De juistheid
van deze critiek geheel voor rekening van Huet latende, blijkt
er echter voldoende uit, dat De Génestet met zijn dichtjes een
plaats in tallooze harten veroverd had. Waarom anders zou
de confessioneele partij juist met een gelijksoortige uitgaaf zich
er tegen verzet hebben \'i
Twee uitgaven als twee antipoden. Kruseman\'s oude stadge-
noot A. A. Deenik MLz., Doopsgezind leeraar te Ternaard was
doordrongen van De Génestet\'s gulden woorden de aurea me-
diocritas
te bewandelen en daarbij toch partij te kiezen.
Wat verschijne,
Wat verdwijne,
\'t Hangt niet aan een los geval.
In \'t voorleden
Ligt \'t heden,
In het nu, wat worden zal.
Kompleete Dichtwerken. (Amst. 1869). Terwijl de door Krusenian uitge-
geven drukken spellen schooltjes, vliegje», leekedichtjens, is die n in
de uitgaaf van 1869 verdwenen. Daarentegen drukt Meyboom evenzoo
leekedichtjens, in plaats van leekedichtjes (Tiele).
1 Da Gids 1864 Dl. IV blz. 184. — Herdrukt in Litlerarische fan-
tasien en kritieken.
Haarl. z. j. Dl. XV bl. 25. In zijn critische
editie zegt Meyboom, dat met Dr. Humanus (N°. 106) Allard Pierson
bedoeld is: De Nederlandsche spectator van 1866 (blz. 167) dat hier
Kuenen „zoo naar \'t leven geteekend" wordt.
-ocr page 533-
518                         DE GEÏiESTET, LEEKEDICHTJENS.
1860.             „Men meene nietj schreef hij in Een woord vooraf van zijn
zoo straks te noemen uitgaaf, dat ik onze dichters van de
XVIde, XVIIde en XVIIIae eeuw voor Leekedichters wildoen
doorgaan. Ik geloof niet, dat er in ons vaderland, in die tij-
den één laat staan zoo velen aan de hooge eischen van dien
naam heeft kunnen voldoen. In onze dagen, welker teekenen
zooveel gunstiger zijn, is er nog maar één geweest, die zich
zoo noemen mogt, en \'t laat zich niet voorzien, dat de door
dezen opengelaten plaats spoedig zal worden bezet." Bij Van
Baerle, J. C. de Laimoy, Bredero, Anna Roemers, Margaretha
van Godewijck, Constantijn Huygens, bij dezen vooral waren
reeds sporen te vinden van De Génestet\'s leekegeest en om
dat in het licht te stellen, en daardoor zonder zich partij te
stellen toch partij te kiezen, liet hij bij S. E. Schaafsma te
Dokkum verschijnen zijn verzameling Leekedichtjens van ouden
datum.. Verzen en rijm.en van Nederlandse/ie dichters l.
In tegenspraak met zijn eersten indruk had Kruseman toch
volkomen in toepassing gebracht het honderdste leekedichtje:
Praktisch.
Ik zeg maar wees geleerd, dat \'s mooi! maar wees verstandig,
Dat\'s mooier nog! en mensch, vooral wees niet onhandig.
Was Kruseman dan in den beginne niet zeer ingenomen
geweest met deze kopy, als uitgever bracht hij niet in prak-
tijk het honderd en derde leekedichtje:
Vrome raad.
Neem alles aan; dat \'s \'t beste deel —
Ook financieel.
Nu eenmaal Huet in Kruseman den uitgever gevonden had,
die hem bekend had gemaakt in den lande als een persoon
van buitengewone talenten en bekwaamheden, had weder-
keerig Huet zijn invloed op Kruseman geoefend en hem bin-
1 Aangekondigd in Nieuwsblad voor den Boekhandel 29 Juni 1865.
-ocr page 534-
519
MAC AULA Y, SCHETSEN.
nengeleid in den kring van De Génestet en Pierson, en eerlang ïseo.
in kennis gebracht met Potgieter. Zeker, oude letterkundige
uitgevers-relaties Kruseman hield ze aan, al waren die auteurs
als letterkundigen, vergeleken bij de nieuwe namen in zijn
fonds ook van den tweeden rang: Bogaers met zijn De togt van
Heemskerk naar Gibraltar
\', Ten Kate met de voortzetting van
zijn Panpoê\'ticon, bloemlezing uit de werken der voornaamste
Ewopesche dichters. In Nederduitselie vaerzen overgebracht
2,
De Buil met zijn novellen onder den titel Binneuhuisjens s,
zagen in 1860 het licht, maar zijn letterkundige neigingen
en gedachten gingen zich meer en meer uitsluitend bewegen
in den kring van Huet en de zijnen. Eén van hen moest een
vertaling van Macaulay\'s Crilical and historical essays ter hand
nemen en reeds 7 dagen, nadat Kruseman het ter vertaling had
laten registreeren, was het toestemmend antwoord van Allard
Pierson gekomen.
Schoon met geen afzonderlijken titel nog in Kruseman\'s fonds
vertegenwoordigd, was hij toch voor hein als persoon noch als
uitgever een onbekende *, daar de Wetenschappelijke Bladen reeds
meermalen boekbeschouwingen van zijn hand had opgenomen
1 Verschenen Mei 18ti0.
1 Verschenen September 1860. — Kruseman had op de auctie van
de Wed. J. C. van Kesteren (14 Juni 1860) de afgedrukte eerste drie
afleveringen en de kopy van de drie volgende voor f 270 gekocht; in
October 18G2 verkocht hij liet kopyrecht aan Sijthoff om te gebruiken
in diens kompleete editie van Ten Kate, te zamen met dat van Tasso
Jeruzalem verlost voor f 300. — Zie Van der Meulen\'s Een veertig-
jarige uitgevers-loopbaan
(blz. 103).
3 Verschenen December 1860 met het jaartal 1861. — Uit de cor-
respondentie met den auteur gevoerd stip ik aan, dat De Buil onder
het pseudoniem Jan Rentenier in den Volks-almanak voor 1860 schreef
De kunst in onze woningen. (Brief van De Buil 21 November 1860)
en zich ook bediende van den schuilnaam Dr. Wesp. (Brief van De
Buil 10 Juni 1862) en van \'t B.\'
* De kennismaking met Pierson dateert van 1856, toen Kruseman,
om het debiet van zijn Bilderdijk te bevorderen een reis door België
ondernam en met een introductie van Da Costa een bezoek aflegde bij
den predikant van Leuven. (Brief van Da Costa 21 December 1855 en
26 Februari 1856.)
-ocr page 535-
520
MACAULAY, SCHETSEN.
1&6O. en hij den uitgever van de moderne theologie zelfs een voorstel
gedaan had een theologisch tijdschrift uit te geven \'. De uitgave
van Lord Macaulay\'s Historische en letterkundige schetsen. In het
Hollandsch
\\_met eene inleiding] overgebragt door Dr. A. Pierson,
welke, naar het schijnt, opgenomen werden in de serie der Buiten-
landsche klassieken
en waarvan de voortgang bij de eerste af-
leveriug afhankelijk gesteld werd van de ontvangst bij het pu-
bliek, had een gewoon verloop behoudens een quaestie met den
uitgever H. ten Brink te Meppel, lid der Vereeniging 2. De eerste
aflevering verscheen in October 1860, een jaar later kwam het
eerste deel compleet, de slotaflevering zag in Maart 1865 het
licht en vond een debiet van 042 exemplaren. Pierson zelf, die
door dezen arbeid meer nauwkeurig kennis gemaakt had met
Macaulay, hield den 10 Februari 1867 over hem een voor-
dracht in de groote zaal van het Museum te Heidelberg3.
Het ligt voor de hand, dat niet alleen in deze laatst ge-
noemde uitgaven zich die meer voorname letterkundige rich-
ting van Kruseinan openbaarde; feitelijk was die richting met
meer beslistheid dan vroeger reeds een paar jaar te voren op-
getreden, toen aan de Buitenlandsehe klassieken te vergeefs
gepoogd was vernieuwd leven in te blazen met het uitgeven
van Shakespeare\'s Othello (1857), Macbeth (1858), De storm
en Romeo en Julia (1858). In 1860 werden drie nieuwe
1    „Wanneer voor ons theologisch tijdschrift U vooreerst nog geen
copij gewordt, is dit niet omdat ik het plan heb opgegeven, maar omdat
de tweede editie van mijn Pastorie mij meer werk kost dan ik mij aan-
vankelijk had voorgesteld". (Brief van Pierson 29 Augustus 1860.)
2    Kruseman schreef hem den 17 December 1862: „Gij hebt volkomen
regt om U te verwonderen dat de biographie van W. Temple opge-
nomen is onder Dr. Pierson\'s vertalingen van Macaulay. Ik zal U niet
behoeven te zeggen, dat het nooit in mijn plannen ligt om op onedele
wijze te concureren met de belangen van anderen. Ik beken even gul,
dat ik had moeten weten en herinneren, dat Temple was opgenomen in
uw driemanschap; maar eerlijk en opregt belijd ik dat ik er geen oogen-
blik aan gedacht heb en alzoo zonder bewustheid van kwaad Dr. Pier-
son\'s kopy gedrukt en uitgegeven heb."
3    Brief van Pierson 15 Februari 18G7.
-ocr page 536-
521
SHAKESPEARE-VERTALINGEN DOOR KOK.
deeltjes aan die serie toegevoegd, Shakespeare\'s Hamlet en Or- 18G0.
lando en Rosalinde (As you like it), Homerus\' Odysséa door
Van \'s Gravenweert, en De Lamartine\'s Joceliju. Van de twee
laatste titels van Shakespeare, maakte Kruseman met de Jo-
celijn
en de werken van Scott een tweede reeks der Biiiten-
landsche klassieken
\\
Werd met het tweede van die deeltjes geen nieuwe auteur in
het fonds opgenomen, bij de drie andere uitgaven was dat wel
het geval. Den 20 Augustus 1858 kreeg Kruseman een brief
van Zimmerman, waarbij deze A. S. Kok als Shakespeare-ver-
taler bij Kruseman introduceerde. De vertalingen werden on-
derworpen aan het oordeel van Van Vloten en gesterkt door
diens gunstig oordeel werden achtereenvolgens de Hamlet en de
Orlando en Rosalinde ter perse gelegd. Meer vertalingen van
Shakespeare door denzelfden uit te geven leden schipbreuk: er
kwam over het honorarium van die beide eerste vertolkingen
een gehaspel tusschen Kruseman en Kok. De laatste weigerde
het honorarium aan te nemen en hoewel het geschil werd bij-
gelegd, kon Kruseman geen Shakespeare-vertalingen van hem
aannemen; de Koning Richard III verscheen in 1861 te Am-
sterdam bij J. C. Loman Jr.
Beide uitgaven dekten hun kosten niet en gingen in 1864
met de andere deelen der Buitenlandse/ie klassieken in admi-
uistratie over aan Schadd en Punke. Nadat deze serie aan hen
in 1807 in eigendom was overgegaan, namen zij ze op in een
serie Shakespeare\'s Meesterstukken 2, waartoe zij achtereenvol-
gens verschillende titels hadden aangekocht en nog zouden
overnemen van Nolet en Zoon te Utrecht, Willem Thieme te
Zutphen, en J. G. Loman Jr. te Amsterdam, terwijl Funke vijf
jaar later in October 1872 opnieuw in afleveringen uitgaf Sha-
kespeare\'s Dramatische werken, vertaald en toegelicht door
A. S. Kok 3. Blijkbaar in navolging van Eoelants, die voor 1876
1 Advertentie in Huarlemsclte Courant 3 Januari 1801.
*    De eerste titel Othello als nieuw verschenen aangekondigd in het
Nieuwsblad voor den Boekhandel van den 4 April 1807.
*    Nieuwsblad voor den Boekhandel 4 October 1872.
-ocr page 537-
522
DE LA.MARTINE, JOCELIJN.
•1860. een JDickens\' scheurkalender bewerkt door Ernestine Moitzer
uitgaf, welke twee drukken beleefde \' en het volgende jaar
herhaald werd, wilde Jan Leendertz hetzelfde doen met deze
kopy, evenals de andere oorspronkelijk van Kruseman afkomstig
en liet voor 1877 eveneens een W. Shakespeare scheurkalen-
der door
A. S. Kok verschijnen.
Een ongeveer evenzoo geldelijk onvruchtbaar resultaat werd
verkregen niet De Visser\'s vertaling van De Lamartine\'s Jocelyn.
Die kopy, die in begin Mei 1860 verscheen, was reeds lang
een oude kennis van Kruseman, waarvan hij reeds jaren te
voren de literaire waarde, maar ook de financieele schade be-
grepen had.
fteeds had De Yisser eenige fragmenten van zijn vertaling
gepubliceerd in de Vaderlandseke letteroefeningen 2 en in het
Muzen album, toen hij in Juni 1854 de geheele uitgave ter
vertaling aan Kruseman voorstelde3: Kruseman dorst specula-
tief de uitgaaf niet aan en De Visser overleed in Januari van
het volgend jaar zonder zijn werk gedrukt te zien. Het hand-
schrift kwam in handen van Potgieter, die aan Kruseman
voorstelde het dichtstuk in de reeks der Buitenlandsche klas-
siekeu
op te nemen \'4. „De vertaling van Jocelijn, die UwEd.
de goedheid heb mij ter opname in de reeks der Klassieken
aan te bieden, was zijn antwoord 5, heb ik in handen gehad;
ik weet dat ze goed is. Toch schroom ik er voor om ze aan
te nemen. Het debiet dier vertalingen is zóó gering, dat ik als
koopman een dwaasheid doe door ze te vervolgen. Wat ik be-
gonnen heb geef ik trouwens niet gaarne op, en ik begrijp,
dat ik een gedeelte van \'t geen ik verdien aan de uitgave van
boekjes als Onze muze en „dergelijk tuig" — zooals \'t ge-
noemd is — moet opofferen om wat degelijker boeken in
1   Nieuwsblad voor den Boekhandel 3 en 14 December 1876.
1   1847 Mengelwerk blz. 757; 1848 Mengelwerk blz. 408.
3   Brief van De Visser 12 Juni 1854.
*   Brief van Potgieter 17 Februari 1856.
5   Brief aan Potgieter 19 Februari 1856.
-ocr page 538-
523
DE LAMARTINE, JOCELIJN.
de wereld te helpen. Indien \'t mij maar niet al te moeijelijk isgo.
wordt gemaakt! — Vroeger heb ik voor \'t vel der klassieke
vertalingen een honorarium aangeboden van f 20.—. Dat kan
ik nu met den besten wil van de wereld niet meer doen. Moet
de Jocelijn gehonoreerd worden dan waag ik de uitgave niet.
Wil men de kopy voor den druk afstaan, dan zal \'t mij een
genoegen zijn haar den vorm te geven van de Klassieken."
Ten tweede male mislukte de uitgaaf: drie jaar later werd
het handschrift weer aan Kruseman ter uitgave voorgesteld.
„Een hooggeachte hand, zegt het voorwoord, bood het mij
ter uitgave aan; zij begeerde er eene hulde mede te brengen
aan de nagedachtenis van den afgestorvene." Z.E. de Com-
missaris des Konings in de Provincie Noord-Holland Jhr. Mr.
W. Poreel van Hogelanden, wilde een daad van dankbaar-
heid doen jegens De Visser\'s nagedachtenis, die als gouverneur
in zijne familie zijn opvoeder en leermeester geweest was; hij
wenschte bij Kruseman het handschrift voor eigen rekening ter
jierse leggen. Kruseman, getrouw aan zijn beginsel nimmer
iets uit te geven waarover hij niet de volle eigendom had,
weigerde het op die voorwaarde te doen; als zijn kopy-eigendom
verscheen het en.... 183 exemplaren werden in 7 jaar gede-
biteerd. Zelfs zonder betaling van honorarium was de Jocelijn
een schadepost voor den uitgever: de gunstige recensie door
Potgieter in De Gids \', door Huet in Nederland1 bleken, als
gewoonlijk van geen invloed op het debiet.
Naast deze letterkundige uitgaven werd de populaire weten-
schap, één van Kruseman\'s geliefkoosde terreinen, geenszins
verwaarloosd in 1860, in \'t jaar van het Zondagsblad en van
de Leekedichtjens. Naast afleveringen van Hofdijk\'s Ons voor-
gedacht,
dat een eindweg in het derde deel vorderde en De
Jonge\'s Zeewezen, verschenen de eerste afleveringen van Be
gewervelde dieren [Vogels)
door Schlegel in de Natuurlijke
\' 18G2. Dl. I blz. 480.
1 1864 Dl. I blz. 123 herdrukt in Littemrische fantasten en kritie-
ken.
Haarl. z. j. Dl. I blz. 212.
-ocr page 539-
524                 DARWIN, HET ONTSTAAN DER SOORTEN.
1860. historie van Nederland, van Darwin\'s On the origin of species
by means of natural selection
door T. C. Winkler vertaald
als Het ontstaan der soorten van dieren en planten door middel
van de natuurkeus, of het bewaard blijven van bevoorregte rassen
in den strijd des levens 1,
Hopkins\' Over natuurkundige theorien
omtrent de verschijnsels van het leven, en bepaaldelijk over
Darwin\'s theorie, aangaande het ontstaan der soorten. Uit het
Fmgelsch vertaald door
J. van der Hoeven en gericht tegen
de beweringen van Darwin 2, van Wagner\'s Hellas. Het land
en volk der oude Grieken,
vertaald door Dr. I. C. van Deven-
1 Hetgeen Winkler in de Voorrede schreef, werd ten volle bewaar-
heid: „Het is een boek, dat bestemd is om aanleiding te geven tot
strijd en wisseling van gedachten: tot hartstogtelijke aanvallen van den
eenen kant en onverschrokken verdediging van den anderen. Het is
een boek dat een licht zal ontsteken in de wetenschap der natuur, zoo
schitterend, dat het velen zal verblinden, zoodat zij de oogen zullen
sluiten om zijnen gloed niet te zien; maar ook zoo zuiver, dat het
anderen zal dienstig zijn om een diepen blik te werpen in de geheimen
der bewerktuigde natuur, die ons omringt." In weerwil van de ver-
wachting, die omtrent het debiet hier tusschen de regels te lezen staat,
was de aandacht, welke hier te lande aan deze vertaling gegeven werd
niet van dien aard, dat Kruseman de uitgave van andere van Darwin\'s
geschriften op zich dorst te nemen. (Brief van Oudemans 1 Juni 1862).
Toch werd de verwachting van Kruseman niet beschaamd, dat het werk
„weldra erkend zal worden als eene hoogstbelangrijke wetenschappelijke
bijdrage tot eene heldere kennis van de natuur en haar leven" (Adver-
tentie in Haarlemsdie Courant 28 Maart 1860) en is de invloed van
deze uitgaaf, waarvan niet meer dan een 200 exemplaren gedebiteerd
werden, niet te loochenen. Na het overlijden van Winkler schreef het
Album der Natuur (1897 blz. 321):
„Wie weet niet, dat Winkler de eerste krachtige voorvechter van
Darwin\'s leer in ons vaderland was. Toen Van der Hoeven\'s machtige
stem zich van Leiden uit tegen deze nieuwe leer verzette, was er een
heldere overtuiging en een groote moed noodig, om zich vóór de af-
stammingsleer te verklaren. In latere jaren was Winkler met recht
er trotsch op, dat het vooral aan zijne bemoeiingen te danken was, dat
deze leer by ons allengs ingang gevonden heeft......en met groote
warmte kon hij dan uitweiden over het voorrecht, dat hem te beurt
gevallen was, de eerste aanhanger van Darwin\'s leer in Nederland
te zijn."
* Oorspronkelijk verschenen in Fraser\'s Magazine for lown and
country
N°. 366 en 367 (Juni en Juli 1860).
-ocr page 540-
525
LEWES, ONS LEVEN.
ter met behulp van S. J. van den Bergh voor de gedichten \',
Staring\'s Huisboek voor den landman in Nederland"1 en zijn
Schoolkaart voor de natuurkunde en de volksvlijt van Neder-
land
(15 bladen voor f 10.50; opgeplakt met rollen f 16) 3
en de eerste aflevering van Lewes\' Ons leven. Handleiding tot
de kennis van het metischeiijk licjchaam, zijne behoeften en
krachten. Voor Nederland bewerkt door
Dr. H. van Capelle.
Kruseman had dit laatste werk den 13 Januari 1859 ter ver-
taling laten registreeren en den 13 Juli 1859 zes maanden verlen-
ging aangevraagd. Die termijn verstreek; midden in overgroote
drukte verzuimde Kruseman opnieuw verlenging aan te vragen
en den 13 Januari 1860 werd het voor Van Druten en Bleeker
aangeteekend. Dat was een streep door Kruseman\'s rekening: de
eerste aflevering toch lag op het einde van 1859 reeds ter ver-
zending gereed, doch het min gunstig tijdstip van de wisseling
des jaars voor het exploiteeren van een nieuwe uitgaaf had
hem doen besluiten de verzending van die eerste aflevering uit
te stellen tot den 1 Februari 1860. Over en weer beweerden
1 „Dit boek, in zeer onderhoudenden stijl geschreven en geïllustreerd
met circa drie honderd houtgravuren, is uitnemend geschikt voor cadeau
voor jongelieden on prijs op gymnasien." (Advertentie in Nieuwsblad
voor den Boekhandel
18 October 1860). In 1865 werd D. Noothoven
van Goor te Leiden eigenaar van de kopy, die in dat jaar van het
restant een nieuwe titel-uitgaaf verspreidde.
1 De bij de 5° en 6" aflevering behoorende [Zaklijst van Nederland-
sche landbouwproducten]
(1861) en de Lijnt van alle binnen- en biiilen-
landsche malen, gewigten en munten, met de onderdeelen en licrlei-
dinncn
werden afzonderlijk in den handel gebracht. (Nieuwsblad voor
den Boekhandel
7 Maart 1861 en 20 November 1862).
3 „Van vele confraters ontvang ik terug de in losse bladen geleverde
Ex. van Staring\'s Schoolkaart voor de natuurkunde, ten einde die op
linnen te doen plakken.
„Ik meen echter in bedenking te moeten geven, dat men genoemde
kaart, tot den prijs van f 5.— netto, dien ik bereken, gemakkelijk bij
eiken binder kan doen opplakken, en daar ik minder tot dat werk ben
ingerigt, bleef ik liever van die aanvragen verschoond." (Advertentie
in Nieuwsblad voor den Boekhandel 31 Januari 1861). — In een vol-
gend nummer bevalen Van Egmond & Zoon, boekbinders te Utrecht
zich voor het opplakken aan.
-ocr page 541-
526
LEWES, ONS LEVEN.
ibco. Kruseman en Van Druten en Bleeker in hun recht te zijn, de
eerste omdat hij de overtuigendste bewijzen kon overleggen, dat
zijn vertaling ter verzending gereed lag en hij een contract had
met zijn vertaler voor het geheele werk waaraan hij behoorde
te voldoen, de ander op grond van het reglement der Ver-
eeniging. Kruseman bracht de quaestie voor het bestuur der
Vereeniging, dat met het oog op het reglement niet anders
kon doen dan Kruseman in het ongelijk stellen: het Bestuur
bood zijn bemiddeling aan om te beproeven of de zeer belang-
rijke schade voor Kruseman niet voorkomen kon worden, in
geval hij zijn uitgave zou moeten intrekken. L\'union fait la
force.
Van Druten en Bleeker traden in een schikking en lieten
zonder eenige vergoeding Kruseman in het rustig bezit der
betwiste uitgaaf \\
Wat deze uitgaaf „dit belangrijk volksboek" beoogde, stond
uitvoerig te lezen in het door den vertaler H. van Capelle
onderteekende
PROSPECTUS.2
In de rij der wetenschappen, die door den volhardenden
ijver van het menschelijk verstand van dag tot dag wor-
den beoefend en allengs tot meerdere klaarheid worden
gebragt, is er zeker geene, die meer verdient door ieder
mensch gekend te worden dan de wetenschap van ons
eigen leven. Het „ken u zei ven," dat in gouden letteren
op den tempel van Apollo te Delphi prijkte, moge al in
den meest uitgestrekten zin de menschelijke krachten te
boven gaan, het gedeelte van die zelfkennis, dat zich tot
de verrigtingen van ons ligchaam bepaalt, waardoor wij
leven en handelen, is meer toegankelijk voor ons beperkt
verstand. Zonder die kennis van ons ligchaam blijft ook
1 Een en ander uit het Verslag van het Bestuur der Vereeniging
over d859—ö860
blz. 4.
1 Afgedrukt in Zondagsblad 6 Mei 1860 N". 593.
3 Advertentie in Haarlemsche Courant 4 Augustus 1860.
-ocr page 542-
LEWES, ONS LEVEN.                                 527
het overige gedeelte van onze zelfkennis in diepe duister- im».
nis gehuld; zij behoort aan deze vooraf te gaan. Zonder
die kennis is ons streven naar gezondheid en naar een
lang leven een tasten in den blinde, en het zaad, dat door
gezondheidspredikers in kwistigen overvloed wordt uitge-
strooid, zal eerst dan regt goede vruchten voortbrengen,
zoo het in een bodein valt die op deze wijze is voorbe-
reid. Hoe beter wij den aard van onze levensverrigtingeu
leeren kennen, hoe dieper blik wij leeren slaan in hetgeen
er omgaat in het gezonde menschelijke ligchaarn, des te
minder moeite zal het ons kosten de gevaren te vermijden,
die ons leven en onze gezondheid elk oogenblik bedreigen.
De wetenschap, die ons daarmede bekend maakt, verdient
dus waarlijk wel algemeen beoefend te worden; en hij mag
voorwaar gezegd worden een nuttig werk verrigt te hebben,
die de uitkomsten van die wetenschap in duidelijk ver-
staanbaren vorm voor ieder mensch bereikbaar maakt.
Zulk een werk heeft Geokge Henuy Lewes verrigt door
de uitgave van zijne Physiology of Common Life, waarin
hij op onderhoudende en duidelijke wijze de levensverrig-
tingen, behoeften en krachten van het mcnschelijk ligchaarn
beschrijft. Dat geschrift ook voor onze landgciiooten alge-
meen verstaanbaar te maken heeft zich de ondergeteekende
tot taak gesteld door eene Nederduitsche bewerking er
van in het licht te geven onder den titel van: ONS
LEVEN, Handleiding tot de kennis van het mensche-
lijk ligchaarn, zijne behoeften en krachten. Moge het
gezonde denkbeelden verspreiden over een onderwerp, onder
ons nog zoo weinig bekend en waaromtrent nog zoo vele
dwaalbegrippen heerschen!
De uitgaaf schijnt, in weerwil van de gunstige beoordeelin-
gen in De schat der gezondheid i, het Leeskabinet2 en de Ge-
1861 N". 4.
1861 N°. 9 en 11.
-ocr page 543-
528
LEWES, ONS LEVEN.
neeskundige Courant \', slechts matig succes gehad te hebben;
een nieuwe inteekening in 1862 geopend2 had het gewenschte
resultaat; er werden in het geheel bijna 000 exemplaren ge-
plaatst; een volgende eigenaar 3 moest er in 1869 een derden
druk van bezorgen.
Die goede uitslag was natuurlijk een spoorslag om meer op
dit terrein van wetenschap te doen: Lewes was een voorlooper
van Macé.
Bijkans al deze wetenschappelijke werken dekten hun kosten
niet. Kruseman poogde, nu hij eenige jaren te voren met het
Album, der Natuur zijn orgaan verloren had, waarin hij op
dit gebied werkzaam kon zijn, op breeder en grootscher schaal
zijn vleugels uit te slaan; al waren het dan ook plannen, die
niet verwezenlijkt zouden worden, de enkele opsomming van
de werken, die hij in 1860 op dit veld van wetenschap ter vertaling
liet registrecren, bewijst overtuigend, dat hij kracht voldoende
in zich voelde om ook met dit nieuwe decennium in grootere
mate zijn uitgeversgaven dienstbaar te blijven maken aan de ver-
spreiding van juistere natuurkundige begrippen. Reeds in 1859
was een klein voorspel gegeven door het ter vertaling laten regis-
treeren van Lardner C/iemistry for schools (13 Januari), Mint
A practical treatise of grasses and forage plants en Goadby
A text-book of vegetable and animal physiology (9 Mei) en Our
farm o f f our acres
(15 September) van den betrekkelijk grooten
stortvloed, waarmee hij de Commissie tot regeling van het
vertalings-recht in 1860 lastig viel. Ik laat hier een volledige
opgave volgen, getrokken uit de wekelijksche opgaven in het
Nieuwsblad.
Fr. W. Farrar. Julian Home. Edinburg 1859. (6 Januari 1860.)
Ch. Darwin. On the origin of species by means of nalural
selection.
Fifth thousand. London 1860. (26 Januari 1860.)
H. Pösche. Das Leben der Natur int Kreislaufe des Jahres.
Braunschweig 1860. (28 Januari 1860.)
1 1861 N°. 45.
* Nieuwsblad voor den Boekhandel 20 Maart 1862.
3 De "Wed. J. C. van Kesteren en Zoon te Amsterdam.
-ocr page 544-
WERKEN TER VERTALING AANGETEEKEND.                529
W. H. Wills. Old leaves gathered from Household Wcrds. isco.
London 1800. (8 Februari 1860.)
J. B. Friedreich. Symbolik und Mythologie der Nalur. Würz-
burg 1859. (15 Februari 1860.)
Dr. A. E. Wollheim da Fonseca. Mythologie des alten Indien.
Berlin 1856. (15 Februari 1860.)
A. Trollope. Castle Richmoud. 3 vols. Londou 1860. (14 Mei
1860 voor A. C. Kruseman. — Vol. I. 19 Mei 1860 voor
Gebrs. Binger. —■ Verlengd voor A. C. Kruseman 13 Novem-
ber 1860.)
Fr. Halm. Der Fechter von Ravenna. Wien 1857. (26 Mei
1860.)
Dr. H. Klencke. Swatiimerdam oder die Offenbarung der Natur.
3 Bde. Leipzig 1860. (26 Mei 1860.)
Fr. Halm. Der Sohn der Wïldniss. 4e Auflage. Wien 1845.
(2 Juni 1860.)
Mrs. Ellis. Chapters on wives. London 1860. (11 Juni 1860.)
Ch. Dickens. The uncommercial traoeller. Uit All the year
round.
1860 May London. (12 Juni 1860.)
Th. Babington Macaulay. Critical and historical essays. 5
vols. Tauchnitz edition. Leipzig 1850. (9 Juli 1860) om daaruit
te vertalen alle stukken, waarvan nog geene Nederduitsche
vertaling het licht zag.
Lord Macaulay. Miscellaneons writings. 2 vols. London 1860.
(31 Juli 1860.)
Ch. Dickens. The unco?nmercial traveller. Uit All the year
round.
1860 January and follow. London. (1 Augustus 1860.)
Studies of animal life. Uit The CornhilVè Magazine. Jan.
1860 London. (8 September 1860.)
Th. Mundt. Graf Mirabeau. 4 Thle. 2e Auflage. Berlin 1860.
(18 September 1860.)
Die Trachten der Völker vom Jieginn der Geschichte bis zum
.19 Jahrhnndert von
A. Kretschmer und Carl Rohrbach. Ie
Lfg. Leipzig 1860. (24 October 1860.)
Fr. Bremer. Li/vet i Gamla Verlden. V. Band. Stockholm.
(22 November 1860.)
Ch. Dickens. Great expectations. Chapt. I. Uit AU the year
34
-ocr page 545-
530
DA COSTA, KOMPLEEÏE DICHTWERKEN.
1860. round N°. 4S 1 December 1SG0. (29 November 1860 voor
J. C. Gaade. — 29 November 1860 voor de Wed. Krap &
Van Duym. — 30 November 18(50 voor Kemink en Zoon. —
1 December 1860 voor A. C. Kruseman en voor G. T. N.
Suringar \'.)
Een nauwgezette lezing van deze opgaaf voor zoover bet
wetenscbappelijke onderwerpen betreft, doet duidelijk in het
oog springen, boezeer Kruseman er in die dagen op uit was
de Nederlandsche boekenmarkt op de hoogte van zijn tijd te
houden. Nog iets anders springt evenzoo in het oog: het zijn
alle werken die de moderne natuurwetenschap huldigen, en
met de onomstootelijke waarheid voor oogen hoe natuimveten-
schap en Bijbel met elkander in lijnrechte tegenspraak zijn,
volgt uit deze titelopgaaf ook al weer hoezeer Kruseman zich
met hart en ziel aangesloten had bij de moderne theologie,
hoezeer hij onder den invloed gekomen was van Huet. Oogen-
schijnlijk mag het dan ook wel bevreemding wekken dat juist
de Inatste uitgaaf die in 1800 verscheen lijnrecht tegenover
die richting staat, de eerste aflevering van de Kompleele. dichl-
werkeu
van Da Costa. Doch gereedelijk kan daarvan een ver-
klaring gevonden worden.
Vervuld met de dankbare herinneringen aan zijn leermeester
Bildcrdijk, was Da Costa den 28 April 1800 tot hooger leven
ojigegaan. In het bijzijn van velen, waaronder Schimmel, Pot-
gieter en Alberclingk Thijin 2 was hij in de Nieuwe Kerk te
Amsterdam ter ruste geleid onder het orgelspel van Psalm 42,
in zijn hedendaagschen verwaterden, lamlendigen vorm nog
steeds omgeven door een glans van hetgeen Bourgeois met die
verheven melodie bedoeld had.
1 Het werk verscheen in 1862 bij Van Kampen, vertaald door C.
M. Mensing.
\' „Denk eens, sommigen hadden er zich over geformaliseerd, dat
Alb. een R. K. in de kerk geweest was!! Moet de kerk met die be-
grippen niet vallen??" schreef Fred. Muller aan Kruseman den 4
Mei 1860.
-ocr page 546-
DA COSTA, KOMPLEETE DICHTWERKEN.                 531
Gij, hijgend hert aan de jacht nu ontkomen,                              18G0.
Dorst nu niet langer in brandende smart:
Ziet gij het "Water des Levens niet stroomen?
Rust gij niet uit aan het Vaderlijk hart? \'
Zooals bekend is liet Da Costa zijn naaste betrekkingen in
minder gunstige omstandigheden achter. De redactie van T)e
Gids
als zoodanig, niet als bijzondere personen, wendde zich
onder dagteekening van den 3 Mei 1800 met een rekwest tot
den Koning, eerbiedig verzoekende, dat aan zijn weduwe, uit
hoofde van de groote verdienste van den overledene op letter-
kundig gebied en hoe hij daardoor medegeholpen had aan den
roem van Nederland, een jaargeld zou worden verleend 2.
Het kon wel niet anders of deze buitengewoon begaafde
dichter met zijn streng afgebakende politieke en godsdieu-
stige begrippen zou na zijn dood op vele en velerlei
wijze uitgcluid worden. „Da Costa had iets universeels: iets
dat — de menschelijke zwakheden er af gerekend — hem
meer dan één mensch, een flaauw afbeeldsel deed zijn van den
Heer en Meester, dien hij liefhad en bovenal iets algemeen-
meusclielijks, iets Hoogepriesterlijk-medelijdens en medegevoe-
lends, dat hem ieder terstond deed begrijpen, aanvatten, in
hem ingaan, dat hem een type deed zijn van het beroemde
woord: Tout comprendre serail tont pardonner. Zoo was er
ook in hein een element dat hem de vragen van De Génestet
in zijn binnenste beter deed begrijpen, meer waardeeren, ja,
tot op zekere hoogte meer deelen, dan men uit de verschijning
en het woord van den publieken persoon en protesterenden
geloofsgetuige zou vermoeden" \'. Er verschenen vlugschriften
van een ongenoemde4\', van Alberdingk Thijm, van Chantepie de La
Saussaye, van Van Oosterwijk Bruyn, Potgieter schreef in De Gids,
1 J. J. L. ten Kate. De Nieuwe Kerk van Amsterdam 2° dr. Am-
sterdam 1889 blz. 94. De dichter roept daar de schimmen van Vondel
en van Da Costa aan.
*    Brief van Fred. Muller 4 Mei 1860.
*    Brief van Hasebroek 18 Juni 1862.
\' Ter gedachtenis aan Is. da Costa. Amst. H. de Hoogh.
84*
-ocr page 547-
532                   DA COSTA, KOMPLEETE DICHTWERKEN.
1860. Thijm in de JHetsehe Warande, Tiele in De Nederlandsclie specla-
for
(1861) en ook Kruseman\'s Zondagsblad liet zich niet onbetuigd.
Had Buijs eerst gewenscht, dat Kruseman zelf een woord van hulde
in zijn weekblad zou schrijven, per slot van rekening was het
Busken Huet die het deed, misschien wel de meest ongeschikte
persoon, die gevonden kon worden om Da Costa, den streng en
heftig orthodoxe naar waarde te schatten in de in die richting
veelzijdige talenten door hem zoo overvloedig aan zijn geest-
verwanten ten toon gespreid. Het stuk staat te lezen in het
nummer van 8 Juni 1800.
Den 28 Mei van dat jaar had de bekende Pinksterstorm
zijn verwoestingen over Neerlands bosscheu en dreven, dorpen
en steden aangericht.
Wat ons ontbreekt op dit Pinxter, mijn vrind,
Niet de geweldig gedrevene wind! *
meende De Génestet. Naar aanleiding daarvan schreef de pasteur
der Haarlemsche "Walsche gemeente een artikel, dat Kruseman
gedwongen het uit te geven, alles behalve beviel en dan ook
niet opgenomen werd in de maandelijksche uitgave.
Haarlemmerhout, 3de Pinksterdag.
Na den storm. — Onfeestelijker Pinksterweder dan giste-
ren en eergisteren — en ook heden nog is er geen plekje
blaauw, geen zonnestraal, aan den hemel — heeft onder
onze tijdgenooten niemand tot hiertoe beleefd. Welk ge-
plas en geblaas! En hoe aschgraauw zag alles er uit!
Doch onverhoeds overvallen heeft ons dit booze weder
niet gansch en al. Een klein opstel in het laatste nom-
mer van den Heraut, onder het opschrift „Extra-treinen",
had ons reeds vrijdag te voren op het ergste gewapend
en voorbereid. „De Kerk viert feest, omdat op den Pink-
sterdag de buitengewone, extra mededeeling des Geestes
plegtig herdacht en de herhaling daarvan afgesmeekt
1 Brief van De Génestet 28 Mei 1860.
-ocr page 548-
DA COSTA, KüMPLEEÏE DICHTWERKEN. \'               533
wordt": dus luidde het ééne lid der antithese. En het ïseo.
andere lid: „Op den Pinksterdag worden extra pogingen
gedaan om de zielen te verwoesten, door allerlei ver-
strooijingen iedereu guustigen indruk uit te wisschen, en
het arme volk niet vol des Heiligen Geestcs, maar vol
sterken drank te doen zijn." Het slot was eene vraag
aan het geweten des lezers: „Welke extra pogingen doet
gij om aan het arme volk een redelijk, een zedelijk ge-
not te bezorgen?" Die extra-smakelooze stijl, wij hadden
er een voorgevoel van, die miserabele onnatuur, kon
door de natuur niet ongewroken blijven. Dat zij, altoos
blind in hare woede, in plaats van haar ongelijk te ver-
halen op de redactie van den schuldigen Heraut, al haren
toorn heei\'t doen nederkomen op de hoofden van haar
eigen kroost, op de liiulebooinen achter ons huis, oj) de
popels onzer bolwerken, op de beuken en eiken van
onzen onnoozelen Hout. De Dreef ontgroend, tot zwarte
thee verschroeid, de Spanjaardslaan ontbladerd, met stam-
men overkruist, door afgescheurde takken versperd, ach
welk eene verwoesting!
Eeeds Zondagmorgen, op den eersten dag van het feest,
spelde alles onheil en mistroostigheid. Het piasregende,
en wij woeijen naar de kerk: parapluie op schouder en
de beenen onderuit. De ochteudtrein was aangekomen;
doch uit de straten naar het spoorwegstation stroomde
ons niet als naar gewoonte eene netgekleede menigte te
gemoet. Niet één enkel groepje zulker blij moedigen; ner-
gens een zomerpakje, een pinksterbloernpje, regts noch links.
Onze Mei-tempelgang geleek een begrafenistogt in Octo-
ber of November. Meer dan twee derden der zitplaatsen
in het kerkgebouw — oj> het kerkhof, hadden wij bijna
geschreven — waren onbezet. Het orgel kuchte, de ge-
meente had het op de borst. Wij baden den plaatsbe-
waarder om een pinksterkooltje, doch te vergeefs: de
stoven waren sints Paschen opgeruimd. De pinksterliederen
kwijnden, mat en dof, en slechts de opstekende stormwind,
buiten op het plein om de kerk, deed zijne loeijende bas-
-ocr page 549-
534
DA COSTA, KOMPLEETE DICHTWERKEN.
1860.                 stem hooren. Halverwege de dienst kwam eene houten
schutting, tijdelijk tegen een der hooge ramen in het koor
gespijkerd en nu losgewrongen door den wind, met daverend
geweld naar beneden storten. De planken sprongen op en
dreunden op den steenen vloer; zoo dreunden en sprongen
ook de harten der toehoorders op in hunne lijven. Het
was de éénige emotie tijdens de gansche dienst. De pre-
ker zweeg voor een poos; en terwijl de ingebroken storm
door het veroverd raam thans vrij naar binnen golfde, en
door het koor zich een uitweg zocht naar het schip en
naar de halzen der aldaar vergaderde gemeente, werd de
leerrede hervat en zonder verdere storenis voortgezet. De
wind kwam een weinig tot bedaren, en boette thans alleen
zijn moedwil aan de gordijnen der regeringsbanken: het
groene dundoek wuifde, woei op, en gunde den gemeenen
man een anders zeldzainen blik in het allerheilige der
magistratuur. Wij verlieten het bedehuis, koud aan het
hart, koud om de boenen, en met een stijven nek. Aan
de kerkdeur, waar wind en regen de vertrekkende gemeente
opwachtten en reeds de vuisten balden, stond een diaken
met een zakje voor liet Zendelinggenootschap. Een ongun-
stig oogenblik voorwaar. De Zendelingen op Java, hadden
zij het dezer dagen niet warmer dan wij ?
Doch eerst gisteren, op den tweeden Pinksterdag — en
wij schrijven deze regels op het slagveld-zelf, in de
Spanjaardslaaii, met een omgewaaiden prachtboom tot les-
senaar, helaas! — eerst gisteren is de groote slag ons toe-
gebragt. De weemoedige kerkhofgang van zondagmorgen
was slechts een voorspel geweest. En met dien zwaren
slag, o mijne stadgenooten, bedoel ik niet het vervaarlijk
gedruisch waarmede de kappen uwer keukensehoorsteenen,
ongenoode gasten, op het uur des middagmaals uwe eet-
kameren zijn komen binnentuimeien. Ook niet het gerinkel
van gebroken vensterglas langs uwe trappen naar omlaag
en op het marmeren plaveisel uwer gangen en voorhuizen
beneden. Grootscher, dichterlijker, indrukwekkender, en ach
ook onherstelbaarder is het verlies waarvan ik spreek. Zij
-ocr page 550-
>
DA COSTA, KOMPLEEÏE DICHTWERKEN.                535
kunnen er niet bij halen, liet proza uwer aangebrande spijzen, 1860.
de hoekige wonden uwer stukgewaaide daken, de gruizels
uwer alledaagsche pannen. Daar liggen ze neder, bij tweeën,
bij drieën en vieren tegelijk, de ontwortelde koningen des
wouds! Sommige zijn blijven staan met den voet in den
grond, als vastgenageld, en hebben zich de armen van het
ligchaam laten scheuren, hebben hunne kroonen prijs ge-
geven, liever dan te wijken voor den vijand. Doch geen
is er, zelfs onder de gansch en al verslagenen niet, die
niet in zijnen val alles heeft medegesleept wat hij konde.
Het kwaadaardigst hebben zij zich gewroken aan den grond
waarin zij wortelden. Met ijzeren klaauwen hebben zij
zich aan hem vastgeklemd, vele schreden gaans in den
omtrek. Tot bedekking hunner schande hebben zij zich
onder het vullen eene borstwering van hem gemaakt, vele
ellen hoog. En nog predikt de kuil dien zij in hem uit-
groeven, door zijne wijdte en diepte, hoe noode zij den
strijd hebben opgegeven en hoe wanhopig de worsteling
is geweest. In een dier kuilen, vooraan in den Herten-
kamp, met hunne ruggen naar den gevallen boom en zijne
wijduitges])reide takken, houden thans de reebokjes Zand-
voortsche kermis, en springen er haasje-over, de witte over
de bruine, de dochter over de moeder, zeer indecent, zeer
grappig, en niettemin innig melankoliek om aan te zien.
Want ach, het was bij zijn leven zulk een schoone boom;
en hij ligt daar zoo vernederd thans, zoo diep beschaamd,
met het aangezigt voorover op den rijzenden grond!
En gij, mijn Beuk, mijn grootvorst onder de boomen
hier, sieraad van den schoonsten viersprong in deze won-
derschoone dreven; gij onder wiens armen door ik den
weg en de weide, de regtlijnige vaart met de sierlijke
brug, en aan den horizont het ongelijke duin; boven
wiens hoofd ik den uitgespannen hemel; aan wiens voet
ik het mos en de bloemen zoo menig keer heb bespied
en als om strijd geprezen — zult ook gij op een onzo-
ïnerschen Pinksterdag eenmaal, door een gewetenloozen
stormwind, terwijl de bedompte kroegen volgepropt zitten
-ocr page 551-
53(5                   DA. COSTA, KOMPLEETK DICHTWERKEN.
1860.                 met teleurgestelde handwerkslieden en wandelaars, en de
moeders thuis de kinderen trachten zoet te houden wier
feestdag hun bedorven werd, zult gij op uwe beurt, ge-
lijk ditmaal zoovelen uwer jongere broeders, in de borst
gegrepen en jammerlijk geschud en ter aarde worden ge-
worpen? Nog staat gij pal, en ridderlijk hebt gij u gis-
teren gekweten. Gelijk een held met de spaanders zijner
wapenen en wapenrusting, zoo hebt gij met uwe bladeren,
met uw jeudig groen van nog geen veertien dagen oud,
het slagveld overstrooid en bedekt. Doch mogt vroeger of
later ook gijzelt door den storm worden aangetast en ge-
veld, gelijk ik vau den bloeddorstigen tiran die ons al
onze lievelingen van het harte scheurt eerlang verwacht,
ik zal uit erkentelijkheid, dit beloof ik u jdegtig, en om
de vele schoone oogenblikken die ik u aanschouwende heb
doorgebragt, u eene uitvaart bereiden gelijk nooit aan
éénigen gevallen boom op deze aarde wedervoer. Een
rondgaande brief, ook in de dagbladen openbaar gemaakt,
zal de treurmaar van uw afsterven alom verbreiden. Bij-
zondere uitnoodigingen zullen worden toegezonden aan
alle regtgeloovige vereerders van Bouddha in Nederland,
om het feest van uwe begrafenis met hunne tegenwoor-
digheid te vereereu. Geen natuurgodendienaar, geen naauw-
gezet pantheïst, zal bij deze plegtigheid mogen ontbreken.
Wij zullen haar verhelfen tot eene demonstratie van het
Bouddhisme in deze gewesten. Daartoe zullen wij onder
de Staadsraden, onder de Burgemeesters, en evenzoo
onder de Braminen hier te lande, eene goede keuze van
afgevaardigden trachten te doen. Wij zullen zorgen dat
het bij uwe ter aarde bestelling aan geene lijkredenaars
ontbreke. Ikzelf, op mijne beurt het woord nemend, zal
mijne hand leggen op uw omgehouwen stam, en met iu-
drukwekkeude plegtigheid, met tooneelmatige opgewonden-
hei d bijna: Rust zacht, zal ik zeggen, o gij ruischende
zoon van het westen, bezielde zanger, ootmoedig belijder,
weemoedig strijder, geduldig lijder, getrouwe getuige der
naturerende natuur! En alle natuurdienaars om mij henen,
-ocr page 552-
DA COSTA, KOMPLEETE DICHTWERKEN.               537
de gansche schaar der pantheïsten en bouddhisten, een 1S60.
ieder zal getroffen wezen door mijne bedrevenheid in de
alliteratie. Oningewijden zullen tot dit begrafenisfeest niet
worden toegelaten, tenzij als stomme toeschouwers. Niet
slechts bedelaars en rijfelaars, gelijk meestal op de dorps-
kermissen, maar ook en inzonderheid alle niet-bouddhisti-
sche letterkundigen en dichters, zullen met de meeste
zorg van deze plegtigheid worden geweerd. Aan niemand
hunner zal de gelegenheid tot spreken of aangeboden of
gelaten worden. Daarentegen zal er een stenograaf aanwe-
zig en in werking zijn. Deze zal al onze eigen redevoe-
ringen aanstonds opteekenen. En door de tegenwoordig-
heid van dien éenen man, mede een bouddlni-genoot, zal
het mogelijk zijn de geschiedenis uwer uitvaart, o Beuk,
door de duizendarmige drukpers gekneed en vermenigvul-
digd, in rouwgewaad te verspreiden over het gansche
land. Wacht den nadereuden storm dus rustig\' en gelaten
af. Valt gij, men zal u wreken.
Cd. B. H.
Schoon Buijs als redacteur van het Zondagsblad Krusernan
betoogde, dat eigenlijk wel niemand de toespeling zou begrij-
pen, griefde het hem toch hevig, dat in één zijner uitgaven zoo
over dien dichter gesproken kon worden \'. „Het spijt mij,
schreef Krusernan den 11 Juni 1860 aan Potgieter, dat ik U
een exemplaar van het Zondagsblad heb kunnen toezenden,
waarin die verdorrende stormvlaag van C. P>. H. giert. Dat
nommer — waarom zou ik \'t mij verhelen — is mij een
doorn in \'t vleesch. Als uitgever — helaas zoo vaak lijdzame
machine! — heb ik moeten drukken wat eene officieële redac-
tie mij van eene bekende en zich teekenende hand te plaatsen
gaf; als vrij man begeer ik te zeggen open en kordaat dat
een dergelijke caprice, te meer in een orgaan van mijne pers,
mij pijn doet. De hooge achting en waardeering die ik den
1 „Wat akelig stuk van Huet Na den storm, en dat voor eeu dominé
foei!!" (Brief van S. J. van den Bergh 17 Juni 1860.)
-ocr page 553-
538
DA COSTA, KOMPLEETE DICHTWERKEN.
1860. auteur even onverholen overigens toedraag, zal mij er nooit
toe brengen om stilzwijgend of vergoelijkend en ontwijkend,
adhaesie te geven aan dergelijk opstel. Wat afstand tusschen
déze kwaadaardigheid en het nobel proza uit De Gids van Mei V
En dat die woorden werkelijk gemeend waren, daartoe
strekke ten bewijze, hetgeen Kruseman in zijn voorlezing over
Tollens. — Da Costa\'1 in December 1860 gehouden sprak:
„Uit dat graf [van Da Costa] rijst een magtige stem. Zij
gewaagt van een Vorstelijken Zoon der Kunst, op wien het
Nederland van volgende geslachten roem zal dragen als op
zijnen Vondel en Bilderdijk; maar ze spreekt nog ernstiger
van een ootmoedigen Zoon des Christendoms, die, altoos met
de waarheid op het wezen, van wat voor hem de hoogste en
heiligste waarheid was getuigde tot der dood toe. Ze dwingt
tot ontzag, niet bij sommigen, niet bij velen, maar bij allen,
die, hoe ook langs onderscheiden weg en streven, zoeken naar
het hoogere. En zij wordt verstaan en gehoorzaamd. Want
wie, aristocratie en armoede, liberaal en orthodox, katholiek en
protestant, verouderd Holland en jong Holland, geestverwant
of openlijk tegenstrever, thans een lauwer vindt om aan te
dragen, ze worden alle, nu da Costa\'s strijd volstreden is, op
zijn graf neergelegd in diepgevoelde en onverholen hulde."
Kruseman zou „een lauwer aandragen op Da Costa\'s graf."
Een oogenblik dacht hij er over, op de jaarvergadering van
de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde (1860) een
voorstel te laten doen tot oprichting van een gedenkteeken,
bij nader inzien achtte hij dat tocli onpractisch. Hij zou een
ander plan verwezenlijken.
Zooals bij de bespreking der fondsveiling van 1857 gezegd
is, had Kruseman toen zijn geheele fonds in veiling gebracht
met uitzondering van die kopyen, waarvan hij een herdruk in
voorbereiding had of die, welke hij kort te voren had aangekocht:!.
\' „Een eenvoudig maar hartelijk woord." (Brief aan Gebhard 14
Mei 1861.)
2    Kruseman. Tollens. — Da Costa. Eene lezing. (Haarl. 1861)
blz. 46.
3    Zie hiervoren blz. 403 vlg.
-ocr page 554-
DA COSTA, KOMPLEET!) DICHTWERKEN.                   539
Die strikte waarheid is metterdaad toch onjuist. Zoo gaande- isoo.
weg toch was hij op liet oogenblik van die auctie, ook door
aankoop op verschillende fondsveilingen, in het vrij volledig
eigendom gekomen van al de dichtwerken van Da Costa. Op
de veiling waren ze niet in andere handen overgegaan: „\'t is
nooit mijn plan geweest, waren zijn woorden aan Da Costa \',
uwe werken te verkoopen, al moesten ze ook voorkomen op
mijn universeelen catalogus. Ware er nooddwang geweest, dan
had ik ze moeten laten varen. Maar zulk eene onverschilligheid
jegens UwEd. en uw poezy zult u mij toch wel niet toedeh-
ken, dat ik met een kalm hart zou laten gaan wat ik nu be-
kennen mag dat mij innig liet\' is. Uwe Poezij te bezitten naast
en met die van Bilderdijk is mij een eer en een trots, en \'t is
geen vleijerij als ik betuige, dat ik aan uwe werken mij te
vaster gebonden voel naar mate ik u met heel mijn gemoed
heb mogen leeren waardeeren en liefhebben. Ik dank u, dat
UwEd. mij nooit in verzoeking hebt willen brengen-om vóór
het feit van den verkoop mij te uiten zooals ik nu doe uit volle
hart. Geen oogenblik hebt u mij van den afstand willen terug-
houden, al begreep ik ligt, dat ik bij u onder verdenking
moest komen van eenige koelheid voor uwe werken. Des te
vaster blijven zij mijn eigendom, een eigendom waaraan ik
méér hecht dan de materieele waarde alléén."
En dat het Kruseman ernst was met zijn zeggen, dat het
hem een trots en een eer was Da Costa\'s poëzie te bezitten,
bewees wel de aankoop voor f 300 van Tielkeineijer in No-
vember 185S van Da Costa\'s Lijden en heerlijkheid, Zit aan
mijn rechterhand, Feestliederen, Dichterlijke krijgsmuziek, De
leeuw tuin Jnda
en Kerst- en nieuuojaar sint/reêzangen. In Da Costa
vereerde Kruseman boven alles den dichter, niet den partijman.
„Het verraadt eene aan waanzin grenzende aanmatiging, schreef
Schaepman, die als levend dichter wellicht het naast staat bij
Da Costa, dat men Da Costa wil maken tot den zanger die
uitsluitend aan de richting der genoemde organen - behoort.
1 Brief aan Da Costa 6 October 1857.
* Kerkelijke Courant en Standaard.
-ocr page 555-
540               DA COSTA, KOMPLBJSTB DICHTWERKEN.
1800. Dat is den dichter neerwerpen van het voetstuk, waarop zijn
poëzie hem plaatste, een hervatting van het roemruchtig en
even vroom als beschaafd bedrijf der Beeldstormers. Wie daar
eere in zien kan, hij hebbc zijne eere" \'.
Door dien aankoop in 1858 had Kruseman den gelieelen dich-
terlijken schat van Da Costa, zoo ver als verschenen, in zijn
bezit. Toch zou het laatste groote gedicht, dat Da Costa zou
maken en waarlijk niet ziju minste, hem ontgaan.
Kruseman\'s medestadgenoot, de uitgever J. J. van Brede-
rode, had Tien bladzijden uit de geschiedenis van Neérlands
roem en grootheid
oj) touw gezet, en daarvoor van Da Costa
gekregen zijn Jh slag bij Nieuwpoort. De redenen waarom Da
Costa ontrouw werd aan zijn eens aan Kruseman gegeven
woord hem voortaan als de uitgever van ziju letterkundige wer-
ken te zullen beschouwen, moeten voor een deel hier verzwegen
worden; alleen zij gezegd, dat Da Costa nog vóór het verschij-
nen van- het gedicht er zijn leed over betuigde en het aan
Kruseman zooveel mogelijk wilde goed maken. Hij schreef den
13 Februari 1859:
Zeer geachte vriend!
Volgens belofte gaat hierbij het 1IS. van mijn Nieuw-
poorf,
dat tot overmorgen (Dingsdag) tot uwe dispositie is,
dat is met vrijheid oin het wieu gij wilt (docli altijd in
uwe handen en in een bejjerkteu kring) voor te dragen —
of ook alleen met uwe waarde Echtgenoote te lezen. — Mis-
schieu zal het weder den onvruchtbaren lof van dat jon-
gere geslacht wegdragen voor een vluchtig oogenblik. Gij
weet hoc weinig prijs ik op dergelijke goedkeuring stelle
(maak daar voor niemand een geheim van), die als en
cachetfe
gegeven wordt, en vooral (zoo ik vrees) zonder
sympathie voor de bron waaruit mijne verzen vloeien, en
het doel waarvoor zij mij gegeven werden.
Aan den Hf. Bilderdijk schrijft u, bij welzijn eerlang
over het portret. Vergun mij evenwel bij herhaling nog
1 De Wachter. Tweede jaargang, tweede deel. Uaarl. enz. 1872 blz. 180.
-ocr page 556-
541
DA COSTA, KOMPLEETE DICHTWERKEN.
een woord over het niet geheel onbillijke gevoel, dat zich -isro.
bij dergelijke gelegenheden ook bij hem manifesteert. Voor
W. Büderdijh, voor mij (indien ik mij op betamelijken
afstand er mag bijvoegen), is de miskenning van het groote
publiek, de koudheid en ondankbaarheid van meer bevoeg-
den eigenlijk een stof van blijdschap en eer. Wij weten
waarom en voor wiens zaak zij ons te beurt valt. Maar
voor de kinderen van den behandelden Dichter is er een
groote hardheid in; — om hunne vaders zaak en roeping
achteruitgezet, vergeten, miskend bij een ondankbare natie,
hebben zij gedeeld in de vernedering, ja (wat Bk. betreft)
de ontbeering en schier armoede des Dichters, en zien nu
elk materieel voordeel insgelijks van hen afvloeien. Ik
geef hiermede aan Bk. den zoon geen recht hoegenaamd,
om de zaken van den uitgever na te rekenen, veel min
daarvan rekenschap te vragen. Maar ik breng voor den
nooit goed te keuren onwil, door onzen kapitein betoond,
eene verontschuldiging in. — Ik voor mij herhaal het
vrijmoedig: de Dichter zelve wordt, door dergelijk uitge-
ven als b. v. van mijn Nieuwpoort, niet alleen in zijn
materieel belang (dat ik er duizendmaal voor over heb)
niet gebaat, maar ook in zijn dichterlijk succes benadeeld,
vooral door liet verzuim van de uitgevers om het hunne
te doen tot het doen waardeeren van onze schriften; ik spreek
hier beide van proza en van poezy. — Zoo gul sprekende,
gevoelt gij, waarde vriend, dat elke poging om hetgeen
ik een verzuim noemde, goed te maken, mij thans eerder
beleedlgend dan streelend zou zijn. Gode zij dank, wij heb-
ben (wij, die gelooven zeg ik) een beter troost dan het:
mild et Musis der Ouden, wanneer wij zingen Voor God
en ons geweten.
Den volgenden dag antwoordde Kruseman:
14 Februarij 59.
WelEd. Gestrenge Heer!
Van de buitengewone en hooggewaarde gelegenheid om
het handschrift van uw Nieuwpoort te lezen en voor te
-ocr page 557-
542                   DA COSTA, KOMPLEETE DICHTWERKEN.
lezen, heb ik Zondag-avond in de huiskamer, met mijn
vrouw alleen, een erkentelijk gebruik gemaakt. Vergun
mij u te mogen zeggen, dat ik u daarvoor opregt dank;
voor die vriendelijke onderscheiding en voor de genotrijke,
lectuur beide en evenzeer. Maar vergun mij tevens te
verzwijgen, wat ik anders behoefte zou hebben om te zeg-
gen, ten blijke dat ik tracht uwe poezy, voor zoo ver
mijne bevatting reikt, te appreciëren — uw brief (ik wil
de opregtheid niet te kort doen om den wille eener klein-
moedige beleefdheid) uw brief verbiedt het mij zelfs ten
halve, waar UwEd. alle onvruchtbare waardeering en
cachette
van u afweert.
Die laatste woorden — ik voel het al schrijvende —
zullen voor u den schijn hebben als voort te vloeijen uit
een min of meer verdrietige stemming. En waarom zou
ik het verhelen, dat ik mij smartelijk voel aangedaan.
Het is ligt mogelijk, dat ik met eene zeer ongepaste
prikkelbaarheid een gedeelte van uw schrijven gansch
misverstaan heb — mogt het zoo zijn, hoe gaarne, hoe
van harte gaarne leg ik bij u het hoofd in den schoot!
Maar behalve uwe uiting, dat uw dichterrang niet be-
geert erkend te worden en peut comité waar de publieke
organen zicli schuldig maken aan de misdaad der igno-
rering, schijnt mij uwe grieve meer op den man af te
worden daar, waar een deel dier schuld op uwe uitgevers
wordt geladen en waar UwEd. — altijd gul en vriend-
schappelijk sprekende — mij persoonlijk toefluistert, dat
een thans nog goedmaken van dit verzuim u eer beleedi-
gend dan streelend zijn zou.
Ik heb mij zelven afgevraagd, in conscientie, naauwge-
zet beproevend afgevraagd, of ik mij dit jegens UwEd.
te verwijten had? \'t Zou mij nog meer pijn doen in
\'t hart, dan drukken op \'t geweten; scherper grieven dan
veroordeelen! Indien ik minder grooten prijs stelde op
eene meer intime betrekking met u — die ik mij wei-
ligt\' al te aanmatigend zoo gaarne droom — indien ik
alleen als handelaar in uw kring mijne plaats had en niet
-ocr page 558-
DA COSTA, KOMPLEETE DICHTWERKEN.                   543
tevens — mag ik het zeggen? — als dilettant, waarlijk
ik zou mij die halfgefluisterde uiting niet zoo aantrekken.
Maar ik kan het niet helpen, dat ik welligt dwaas genoeg
ben om tegenover mijne respective auteurs iets fijners te
gevoelen dan alleen een materieel makelaarsschap, dan
eene betrekking van cijfers, dan een liaison d\'argent; en
dat ik mij daarom aantrek uw woord van verzuim jegens
uw hoogen literaireu rang. Zoo er ooit voorliefde in mij
werkzaam was, \'t was in de bezorging der uitgave van
uwe en Bilderdijk\'\' s werken, welker waarde ik bewust ben
te kennen, en te erkennen, intiem en openbaar, eerbiedig
en warm, ook bij onderscheiden opvoeding in dogmatisch-
kerkelijke (het zij in éénheid van behoefte naar religieuse!)
rigting, een onderscheid, dat ik met alle ondergeschikt-
heid, met alle eerlijkheid tevens, vrij en onbevangen, niet
verhelen mag. Ik heb eerbied en liefde voor uw arbeid,
zooals ik heb voor dien van Bilderdijk, en voor den uwen
te méér en te inniger, omdat ik het mij een voorregt
schat met den Dichter ook den Mensch te mogen lief-
hebben en eerbiedigen. Heb ik alzoo verzuim gepleegd —
verbied mij, bid ik u, niet, het te herstellen; veeleer, ver-
pligt mij door mij den weg te wijzen, dien ik voorbij-
gezien heb ter waardeering in den lande van uw regtma-
tigen naam.
Voor de eer van Bilderdijk heb ik — ook in hoop op
een voordeelige handelsonderneming — een krachtigen
coup
gedaan, dien zelfs \'s Dichters eigen zoon roekeloos
en half-onzinnig genoemd heeft; bij tienduizenden heb ik
mijne prospectussen, met duizende guldens mijne colpor-
teurs in den lande gezonden — en Bilderdijk\'s ignoreriug
is nobel gewroken en mijne handelsoperatie daarbij met
gunstigen uitslag gekroond: mijn pogen is geslaagd.
Wat kan ik voor u doen, om uw regt gehandhaafd te
zien? Om. dat te kunnen doen, heb ik, met groote op-
offeringen, al uwe dichterlijke werken in kopyregt verza-
meld — dat was voor \'t oogeublik alles, meende ik,
waardoor uw uitgever zijne voorliefde toonen kon.
-ocr page 559-
544
DA COSTA, KOMPLEETE DICHTWERKEN.
1860.                      Welligt heb ik, met de beste bedoelingen eene dwaas-
heid gedaan en tegen uw wensch gehandeld. Het hooge
woord moet er uit — het zou zonder deze pijnlijke aan-
leiding anders nooit er uitgekomen zijn. Oj> de verkoo-
ping van mijn fonds had ik uwe kopyen zoo hoog geli-
miteerd, dat er geen kooper voor zou te vinden zijn. Ik
wist dit en begeerde niet anders. Maar na den afloop der
auctie werd mij zijdelings een véél minder, maar lang
niet verwerpelijk bod gedaan door Höveker. Dat heeft
me een moeijelijken strijd gekost. Een voorstel van dien
kant kon door u-zelv\' geprovoceerd wezen. Maar als dat
eeus niet zoo ware — wat zoudt u van mij gedacht
hebben, indien ik na mijne geuite voldoening dat ik
eigenaar uwer werken gebleven was, met Höveker hadde
onderhandeld? — Ik hield mij aan de betuiging uwer
eigene tevredenheid en bleef eigenaar.
Maar nu — nu verbind ik het een met het ander,
het voorstel van Höveker met uwe klagt, en doe de ronde,
goedgemeende,
ernstige vraag: acht UwEd. uwe werken
in andere handen beter en begeert gij ze liever daar —
onverschillig om welke reden — welnu, vrij en vrank,
dan wil ik mijne achting voor u ook door dien afstand
toonen en stel ik uwe kompleete dichtwerken disponibel;
niet, waarlijk niet uit mindere appreciëring, maar wel
degelijk om te toonen, dat ik mij op geenerlei wijze, hoe
dan ook, zou willen vergrijpen aan uw regtmatige eer of
erkenning, maar ruim baan geven aan alles wat uwe vol-
doening zou kunnen vergrooten en mijne waardeering
metterdaad bewijzen.
Heb ik u te bidden om dit antwoord aan de beste be-
doelingen toe te schrijven? Die bedoeling is de betuiging
van eene onveranderlijke hoogachting jegens U van
Uwen Dv. Dien1\'.
A. C. Kiuiseman.
-ocr page 560-
DA COSTA, KOMPLEET*: DICHTWERKEN.                   545
Da Costa\'s antwoord was een terugnemen zijner woorden; \'TOI-
vreezende zich niet goed uitgedrukt te hebben, of niet goed ver-
staan te zijn geworden, betuigde hij steeds Kruseman\'s hoogach-
ting en vriendschap te blijven waardeeren. De slag bij Nieuwpoort
verscheen. Huet leverde er een schitterend opstel over in de
Wetenschappelijke Bladen 1 en, zooals bijkans van zelf spreekt,
zou Da Costa zijn oordeel aan Kruseman daarover te kennen
geven. Schoon Be slag bij Nieuwpoort op dat oogenblik geen
uitgaaf van Kruseman was, maar het eerlang wel zou worden,
meen ik het niettemin van zeer veel belang hier in extenso af te
drukken wat Da Costa naar aanleiding van deze recensie schreef 2.
Voor Kruseman zelf toch was De slag bij Nieuwpoort één der
hoogste uitingen van de Nederlandsche dichtkunst, die hij zijn
leven lang niet moede werd telkens en telkens weer te lezen
en te genieten. Waar twee van zijn beste bekenden met hem
zelf als tusschenpersonen in schermutseling geraakten over de
inwendige waarde van dat dichtstuk, behoort de mededeeling
daarvan buiten kijf te huis in een geschrift, dat Kruseman
zelf wil behandelen.
Ik ben aan die beoordeeling zeer gevoelig, allereerst
om het loyale van zoo welwillende waardeering uit een
overigens zoo volstrekt opjrosiet kamp. Maar clan ook
voor het gemotiveerde van den toegekenden lof, die èn
van den nkscheu vorm, èn van de kritiek als schaduwzijde
voor mij des te meer waarde ontleent. Ik heb geen plan,
ook niet in dit vertrouwlijk schrijven op een antikritiek
of verdediging. Uit een geheel objectief standpunt alleen-
lijk het een en ander tot opscherping en oefening.
Het oordeel over den Slotzang zou ik schier volkomen
1 1859 Dl. II lioekaankondiging blz. 1. — Met veranderingen her-
drukt in Huet\'s Lliterarische fantasten en kritieken. Haarl. z. j. Dl.
XIV blz. 66.
: Brief van Da Costa 6 Juni 1859. — Daar een mij onbekende hand
eenige potloodaanteekeningen bij dezen brief heeft geschreven, ben ik niet
zeker, dat deze geheel ongebruikt of onuitgegeven is.
85
-ocr page 561-
546                 DA COSTA, KOMPLEETE DICHTWERKEN.
1800.                 kunnen onderschrijven \'. Ik zou alleenlijk eene gunstige
uitzondering voor enkele coupletten kunnen vragen, als
b. v. de twee laatsten. Maar wat het geheel, als zoodanig
1 „De slotzang, een dier lyriesche einduitboezemingen op de zangmaat
van het aloud Wilhelmus van Nassouwe, waaraan de lezers van Mr.
da Costa\'s politieke gezangen zich gaarne door hem, en reeds vóór hem
door Bilderdijk, hebben laten gewennen, laboreert — het woord moet
er uit — aan gedachteloosheid, in den zin van armoede van denkbeel-
den. „\'t Geheim van allen zegen," lezen wij aldaar in de zevende
strophe, en dit is tevens het geheim of de heerschende gedachte van
het gansche lied:
\'t Geheim van allen zegen
(Oranje en Neêrland ! hoor \'t)
Is in Gods vrees gelegen,
Zijn dienst, Zijn gunst, Zijn woord!
Is dit denkbeeld, ik wil zeggen deze gemeenplaats, is zij rijk genoeg
om er tien coupletten behoorlijk mede te stofferen? Ja, zal men zeggen,
op het standpunt des dichters. Want het is bekend genoeg dat het
denkbeeld der „vreeze Gods" in verband met staatkunde en geschiedenis
alles behalve volgens hem eene gemeenplaats, dat deze veeleer bij hem
de bezielende gedachte is van een volledig stelsel van historiesche en
politieke beschouwingen. Niet onmogelijk; doch is hiermede de gemeen-
plaats verheven tot den rang van poësie? Dat de vreeze Gods het be-
ginsel der wijsheid is: niemand ontkent het; allerminst de schrijver
dezer aankondiging; en aan het slot of in den loop van een zedekundig
geschrift, gelijk het Bijbelsche boek der Spreuken of van den Prediker,
zal deze gedachte in ieders oog op hare plaats zijn en in hare volle schoon-
heid uitkomen. Niet alzoo evenwel in een dichtstuk. Wat een gedicht
bezielt, wat uitdrukking en beteekenis geeft aan de taal waarin het is
vervat, behoort geene verklaring noodig te hebben uit de bijzondere mee-
ningen van den dichter in zake van geschiedenis of politiek, maar moet
in zichzelf veelbeteekenend en gewigtig zijn. En wanneer nu de slotzang
van Mr. da Costa\'s „Slag by Nieuwpoort" aan gedachten geen anderen
inhoud heeft als dezen: Laten en Nederland en Oranje zich herinneren
dat het geheim van allen zegen voor vorst zoowel als voor vaderland
gelegen is in de vreeze Gods — dan staat, om reden dat deze verma-
ning uit hoofde van hare algemeenheid tevens alles en niets beteekent,
\'s lezers dichterlijk gevoel hiertegen op. Of laat mij liever zeggen: aan
het einde gekomen van een slotlied welks vinding hij bewonderd [sic] en
waarvan hij zich daarom groot genot had voorgesteld, is aanmerkelijke
teleurstelling \'s lezers deel." (Saamgesteld uit blz. 7, 12 en 13 der We-
tenschappelijke Bladen.
Vgl. blz. 78 der Fantasien.)
-ocr page 562-
DA COSTA, KOMPLEETE DICHTWERKEN.                   547
betreft, ik acht met den Heer B. EL, dat het in de uit- isgo.
voering aan het denkbeeld niet voldoet. Niet omdat de
heerschencle gedachte te arm zou zijn om er tien couplet-
ten mede te bezielen, maar omdat de waarheid daarvan
met enkele fiksche trekken in bijzonderheden uit de latere
geschiedenis
(desnoods in contrast gebracht met onzen
eigenen tijd) had kunnen en moeten bezongen of wilt ge
poëtisch gedemonstreerd worden. Dit heeft de Heer B. II.
uitnemend gevoeld.
Niet ten gevalle mijner poezy, maar ten gevalle van
de poezy, als kunst, moet ik daarentegen protest aantee-
kenen op enkele punten van eenig gewicht. le Het Ver-
slag
kon misschien een betere keus gedaan hebben voor
citaten. B. v. de catalogus heroum, die velen als mij
zelven als proeve van epische schildering geïnteresseerd
heeft; — of het ruitergevecht en het gevaar met het
straks gevolgde ontzet van Gr. Lodewijk Gualthe. Ik heb
evenwel vrede met de aanhaling van de plaats: Philips
Willem.
2e Moet ik opkomen tegen de miskenning van
den éénheid van het dichtstuk. Het verwondert mij, bij
den fijnen smaak en ruimen blik van den referent, dat
hij van den dichter heeft kunnen vorderen eene beschrij-
ving
van den slag, en daarin dan de eenheid van liet stuk
gewenscht kan hebben. Wij bewegen ons hier toch niet
op het verouderde genre van descriptive poezy, maar op
historisch of, wilt ge, episch terrein. En op dat terrein
ligt de éénheid èn hooger èn dieper. Heeft de Heer B. H.
dan niet gemerkt, dat de dichter den slag bij Nieuwpoort
heeft opgevat, en op dat terrein opvatten moest; als een
groot verschijnsel in het middelpunt (niet chronologisch
bloot, maar pragmatisch beschouwd!) van geheel den tach-
tigjarigen kamp? Heeft hij niet gemerkt, dat voor mij
het hart der gebeurtenis, de ziel van het dichtstuk wel
degelijk boven, buiten, of liever achter dat oogenblik der
bataille moest liggen ? dat het dichtstuk, tot omtrek heb-
bende geheel den vereenigden strijd van Nederland en
Oranje zich eindelijk concentreert op den dag van 2 Julij
35*
-ocr page 563-
548
DA COSTA , KOMPLEETE DICHTWERKEN.
int».                 1600? Mij is toch de plaat slechts de aanleiding tot het
vers en zijne conceptie; en dat kon toch mijne gedachte
niet zijn de geheele bataille, bij wijze van toelichting der
gravure, ab ovo ad rnalum te beschrijven. Daarom dan
ook waren nevens de dubbele wapenschouwing, twee of drie
greepen in de bataille zelve genoeg j het ruiterijgevecht,
de worsteling in de duinen, de laatste worsteling. Meer
te geven ware geweest als Voltaire zegt Ie secret (Ten-
uuyer est celui de toul dire.
Mij dunkt, de schrijver van
bladz. 4 \' der aankondiging kan dit gevoelen, ja moet dit
toestemmen. (In het voorbijgaan: een diergelijke eenheid
heeft ook mijn Hagar, die niet moest zijn eene beschrij-
viug van Hagar\'s personeele geschiedenis, maar de prophe-
tisch-historische voorstelling van de belofte aan haar zaad,
haren Ismaël en men heeft mij, zeer ten onrechte, die gedwon-
gen herhaling: de moeder Israëls, verweten. Maar daarin
ligt juist de sleutel der éénheid. In de Nieuiopoort zijn de
overgangen meer geleidelijk. Maar ook daar is het woord
van de tekst, slechts de aanduiding van een groot geheel
daarbuiten en daarboven, maar ten slotte daarin gecon-
centreerd.) 3e. Ik mag ook den .geëerden referent niet toe-
geven het verwijt van duisterheid. Die duisterheid ligt in
de onbekendheid met feiten, die zeker! niet ieder lezer gehou-
den is te weten, maar die daarom de dichter niet uit de sfeer
zijner inspiratie kan of mag verbannen. Ik protesteer ten
sterkste
tegen den grondregel bl. 10. r. 24 en volg 2. Die
1 [Helmers als dichter der „Hollandsche Natie"] toont aan de poësie
reeds daardoor de dienst te hebben opgezegd, dat hij door overdreven
forschheid zijner uitdrukkingen onze verbeelding op non-activiteit stelt,
haar niets te doen overlaat, en aldus dien liefelijken demi-jour onmo-
gelijk maakt, die de eigenaardige lichtgloed is van het tooverland der
poësie. Om waarlijk dichter te zijn moet men als Groethe ontvangen
hebben:
Aus Morgenduft geivebt und Sonnenklai\'heit,
Der Dichtung Schieter aus der Hand der Wahrheit."
\' „In den regel maakt elke dichterlijke zinspeling op feiten wier
kennis niet ligt binnen den kring der algemeene beschaving, elke zin-
-ocr page 564-
DA COSTA, KOMPLEETE DICHT WEKKEN.               549
regel zou — van wege de subjective onbekendheid van den 1860.
lezer, Homerus, Virgilius, Milton, Shakespeare, ja wien
niet? met een vonnis van ondichterlijk! slaan. — De dich-
ter mag de feiten, die hij opneemt, bekend onderstellen, of
vorderen dat zich de lezer daarmede bekend make. Daarin
komt hij gaarne met aantekeningen (hier waarlijk nog al
uitvoerig!) ten aanzien van min algemeen notoire bijzonder-
lieden den lezer te hulp. Maar dan ook nog geen lezer meer
klagen over de hem vreemde feiten, waarop gezinspeeld
wordt. De dichter heeft recht op een tweede lezing, na
kennisneming van de toelichting. Heeft ook de schilder,
heeft ook de componist niet op dezelfde nadere beschou-
wing of kennismaking recht? En waar zou het met ons
genot van de klassieke poëzy heen, indien men de man-
nen, die ik zoo even noemde, maar zoo bij een eerste
lezing kon verstaan en smaken, als of het b. v. het volks-
lied van Tollens, het Britsche God save the King, of de
Eransche Marseillaise gold? 4e Mendoza moest uitvoerig
geschilderd worden, als de in alle opzichten eminenste
persoon van de tegenpartij, een allezins merkwaardig man,
wiens gevangenneming een keerpunt in de bataille is ge-
weest en ook overal in de schilderstukken op den voor-
grond staat. Zijn persoon, maar ook zijne genealogie is
hoog poëtisch; ik mag geen berouw hebben over geheel,
of gedeelte, van geheel deze partij, tot waar zij over het
oudste en nieuwste Spanje heen terugkeert in de zanden
van Nieuwpoort. 5e In de regels: Ontzachlijk gulden
jaar
is, met een weinig [???] in de overlevering met het
oog op de geschiedenissen van 1500, 1517, 15G6 niet
speling derhalve tot wier regt verstand eene opzettelijke aanteekening
noodig is, op mij den indruk van te zijn ondichterlijk, onbestaanbaar
met de eischen der poësie. In den regel — met toelating dus van een
zeker aantal uitzonderingen — moeten alle bestanddeelen, alle bijzon-
derheden van een gedicht als de „Slag by Nieuwpoort", verklaard
kunnen worden of uit die mate van kennis aan de vaderlandsche ge-
schiedenis die aan geen beschaafde ontbreekt, of uit den loop van het
dichtstuk-zelf."
-ocr page 565-
550
DA COSTA, KOMPLEETE DICHTWERKEN.
1860.                 Sibyttgnisch. Doch meer dan genoeg ter bescheiden res-
contre van bedenkingen, met zooveel smaak en talent door
den hier zoo gantsch onpartijdigen referent geopperd.
Als gezegd is, gij hebt volle vrijheid aan dien heer deze
mijne (leesbare of sibyllynsche ?) bladzijden mede te dee-
len. Wij blijven overigens op vroegere distantie ten aan-
zien van de hoogste en gewichtigste aller quaestien. Distan-
tie ? neen! want zoo ergens dan is het hier: les extrémes
se tonchent,
en ik wanhoop niet (met God!) dat een stap
verder op het gebied van zijne rede hem nog eens voe-
ren zal tot mijn geloof! Dan moge hij niet Da Costa\'s
Muze, maar Da Costa\'s eenige hoop in leven en sterven
liefhebben, en, om Diens wille, ook den dichter en zijn
streven.
De lezer moge mij deze uitweiding over een werk, dat niet
bij Krusemau verscheen ten goede houden; het hooge belang
van dezen brief van Da Costa wettigt een mededeeling daarvan
alleszins. Het is toch bekend, dat Da Costa in zijn brieven
zeer terughoudend was en hier, hier vertoont hij zich in zijn
volle kracht als literair kunstenaar, die open en nobel de op-
merkingen van zijn heftigen tegenstander op theologisch gebied
waardeert en — voor een deel zelfs huldigt. Da Costa en Huet,
de empirische en de theoretische dichter in tweegevecht over
de bedoeling der poëzie in de technische doorwerking van een
dichterlijk denkbeeld!
Ook daarom echter mag deze uitweiding gewettigd zijn,
omdat De Slag bij Nieuwpoort wel is waar Krusemau\'s eigen-
dom niet was, maar wel degelijk werd. De lauwer toch, dien
hij voornemens was aan te dragen op Da Costa\'s graf, zou
geen andere zijn als die, welken hij Bilderdijk betoond
had, en was bij de Bilderdijk Da Costa de behartiger der
nalatenschap, voor de Da Costa werd Hasebroek, de vriend
des dichters bereid gevonden de treurige maar gewijde taak op
zich te nemen, de nagelaten dichterschat van den zanger naar
tijdsorde te regelen, van de noodige aantcekeningen te voorzien
en het algemeen toezicht te houden over de uitgaaf van de
-ocr page 566-
BA COSTA, KOMPLEETE DICHTWERKEN.                   551
Kompleete dichtwerken. Mr. A. da Costa, de zoon van den ïseo.
gestorven zanger, werkte van harte mede, stelde voor f 500
nog onuitgegeven gedichten ter beschikking van Kruseman, den
bezitter van de geheele gedrukte dichterlijke nalatenschap \';
„geheel", want door een coup d\'état had Kruseman in Augus-
tus 1860 2 van Van Brederode voor_/\'2000 aangekocht de 350
exemplaren van de zeven eerste afleveringen en 500 platen van
de drie laatste afleveringen der Tien bladzijden, alleen om
de Nieuwpoort te bezitten. Acht en twintig April 1860 was
Da Costa overleden en nog voor het einde van het jaar ver-
scheen de eerste aflevering (04 bladzijden) van Da Costa\'s
Kompleete dichtwerken [uitgegeven ouder toezigt van J. P. Hase-
broek], ongeveer te gelijker tijd dat het Nederlandsche volk,
den 24 December 1800, zijn dichter Tollens in een metalen
afbeelding en een feestcantate door Bogaers huldigde; „met
eerbiedigen weemoed" 3 zag de uitgever die eerste aflevering
voor zich liggen.
In tweeërlei opzicht moet de aandacht gevestigd worden op
het feit, dat acht maanden na \'s dichters begrafenis die eerste
aflevering verscheen en wel in de eerste plaats om den spoed,
waarmede de voorbereidende maatregelen, het verzamelen en
voorloopig chronologisch rangschikken geschiedden; dat getuigt
1 Brief van Mr. A. da Costa ö September 1860.
Deze voorstelling vau de zaak stelde ik uit verschillende gegevens
saam; daarmede klopt echter niet het Nieuwsblad van den 3 Januari
1861, waar onder de „Jongst verschenen boeken" voorkomt: ,,ïien
bladzijden enz. 2° Bladzijde. De Watergeuzen door J. J. L. ten Kate.
Haarlem. J. J. van Brederode (A. C. Kruseman)", en van den 4 Juli
18G1, waar ouder hetzelfde hoofd vermeld wordt: „Tien bladzijden enz.
10" Bladzijde. Oranje bij Bautersem. Door "W. J. Hofdijk. Haarlem.
J. J. van Brederode." In overeenstemming daarmede is een exemplaar
in mijn bezit in afleveringen met de gesteendrukte omslagen, welke
allen het adres van Van Brederode vertoonen.
Deze mededeelingen strooken niet met mijn andere bronnen; ik
houd mij echter vast aan het aangehaalde schrijven van Mr. A. da
Costa van den 5 September 1860, waaruit blijkt dat toen reeds de ge-
heele serie van de Tien bladzijden inderdaad Kruseman\'s eigendom was
door aankoop van Van Brederode.
3 Brief aan Potgieter 19 December 1860.
-ocr page 567-
552
DA COSTA, K.OMPLEETE DICHTWERKEN.
1860. van ijver en in de tweede plaats op het feit, dat Kruseman het
waagde de eerste aflevering op zulk een ongunstig tijdstip uit te
geven als het einde van een jaar: dat getuigt van zelfvertrou-
wen, van geloof\' in het publiek, dat Bilderdijh gekocht had en
nu zijn leerling Da Costa wel niet ontrouw zou worden. Maar
daarin zou Kruseman zich bedriegen; de uitdrukkelijke mede-
deeling op de bijgevoegde factuur, dat de boeking op rekening
van het volgende jaar 1861 zou geschieden \', zou blijken niet
het gewenschte tegenwicht te leveren.
Dat Kruseman zich juist tot Hasebroek wendde, kan geen
bevreemding wekken. Of hij of Beets waren tot dien arbeid de
aangewezen personen en in gemeen overleg met Da Costa Jr.
viel de keus op den Amsterdamschen predikant. „En nu, waren
Jonathan\'s woorden 2, wat zal ik antwoorden op de vriendelijke
en warme woorden die uw jongste schrijven bevat? Ook ik
herinner mij regt goed onze eerste relatie bij de uitgave van
de Klohhentooneu. Sedert verloren wij elkaar wat uit het oog.
Gij vervuldet met eere uwen loop, en kwaamt op de uitstekende
plaats, die gij als aan het hoofd van den Vaderlandschen
boekhandel inneemt. Ik kwam in mijn weg daar waar ik nu
ben. Daar komende ontmoette ik, o hoe menigmaal! uw naam
op de lippen van onzen Da Costa, die niet uitgesproken was
van het genoegen dat bij in de relatie en omgang met u vond.
In hem naderden wij reeds eenigszins elkander, en zie! nu
komt het eindelijk zóó uit, dat zijn diep betreurd afsterven
ons nog wederom, en wel zeer nabij elkander plaatst. Met
genoegen ook van mijn kant hernieuw ik nu de oude betrek-
king thans geheiligd door ons beider liefde tot den grooten
en braven man, dien Avij beide èn betreuren èn wenschen te
vereeren, ook in zijn graf."
Moeielijkheden als bij de kompleete Bilderdijk waren hier
niet te overwinnen, liet verschijnen der afleveringen kon regel-
matig zijn voortgang hebben zonder telkens bezwaren van
letterkundigen of poctischen aard te bieden, welke een vrij
1    Advertentie in Nieuwsblad voor den Boekhandel 28 Februari 1861.
2    Brief van Hasebroek G November 1860.
-ocr page 568-
ÜA COSTA, KOMPLEETE DICHTWERKEN.                   553
omvangrijk onderzoek vorderden; de dichter toch, wiens ge-
heele dichterlijke nalatenschap hier uitgegeven werd, was te
goed hekend aan den uitgever en aan de verzorgers dan dat
zij bijkans niet reeds a priori zouden weten hoe bij voorko-
mende bezwaren te moeten handelen.
Het eenige punt dat even vermelding verdient is dat, anders
als bij de Jiilderdijk, niet de systematische maar de chrono-
logische rangschikking gekozen werd \' en het niet aange-
nomen aanbod van Ising 2, die voor de Kompleete dichtwerken
wilde afstaan twee improvisaties van Da Costa over Lukas II
vs. 40—50, en Lukas I vs. 1—4, waarvan hij stenographisch
verslag had gehouden 3.
Het is aan twijfel onderhevig aan wien de palm moet toe-
gekend worden in de mate van waardeering der uitgaaf, aan
Kruseman of aan Hasebroek. Het tweede deel was voltooid en
Hasebroek schreef *: „Uwe zorg voor het dichterlijk overblijfsel,
de letterkundige nalatenschap des onvergetelijken is zelve een
schoone bloem op zijn graf geplant. Het beste monument:
"Wilt ge eens grafteekens praal ?
Neem zijn eigen metaal!.....
Breng de zwervende blaadren te zamen! *
„Het geschiedt voor den leerling, wat voor den Meester ge-
schiedde, en weer doen het „de persen van de Nederlaudsche
„bakermat der drukkunst!" Eere aan die persen! Eere aan de
hand die de bladeren zamenbrengt, dat zij waarlijk een gedenk-
stuk zijn." En evenzoo bij het voltooien van het derde en laatste
deel . „Ik hoop dat meester en arbeiders die ook deze wel-
\' i>Wij gelooven, dat zij verre de voorkeur verdient boven eene syste-
matische classificatie der verschillende genres." (Zimmerman in De Gids
1861 Dl. I blz. 135.)
2    Brief van Ising 24 Maart 1861.
3    Verkort afgedrukt in De Tijdstroom. Tiel 1859 blz. 139—146 en
245—258.
4    Brief van Hasebroek 2 Mei 1862.
s Vgl. hiervoor blz. 392.
" Brief van Hasebroek 31 October 1862.
-ocr page 569-
554                   DA COSTA, KOMPLEETE DICHTWERKEN.
1860. luidende klok met het Soli Deo gloria op het voorhoofd ge-
goten hebben, haren galm luide en vrolijk over alle hoofden
heen mogen hooren klinken en er zich verheugen als die galm
bij velen een weergalm in de harten verwekt."
Evenzoo uitte Kruseman zich bij het voltooien der uitgaaf
aan Da Costa\'s zoon \'. „Zie hierbij het laatste deel. Zooals ik
in der tijd met een gemengd gevoel van voldoening en weemoed
het laatste deel van Bilderdijk\'s Dichtwerken in de handen van
uwen vereerden vader legde, zoo klopt me op dit oogenblik
het hart, nu ik het laatste deel van de zijnen aan u en uwe
moeder toereik. Ik ben er dankbaar voor, dat ik ook dit werk
van eerbied heb mogen volbrengen: ik heb mijn offer gebragt
aan een ontslapene, wiens nagedachtenis ik met liefde en eer-
bied in \'t hart draag!
„En daarmede is onze taak, hierin, afgeloopen. Wij hebben
een gewijd werk gedaan, en ik behoud de aangenaamste her-
inneringen van ons gemeenschappelijk en vriendschappelijk
arbeiden. Onze betrekking is er eenigszins naauw en innig
door geworden. Gun het mij dat ze blijve! Sinds achttien
jaren heb ik van tijd tot tijd den drempel van uw huis be-
treden; ik heb er lieve herinnering liggen; er afscheid van te
nemen met het laatste blad van het werk uws vaders — liet
zou me bitterder vallen dan ik uiten wil. Aan de groote mo-
menten op die studeerkamer beleefd gedurende dat groote tijd-
vak van jaren, heb ik aandeel; ik geef dat regt niet op, want
het is een deel van mijn leven dat me innig lief is."
Evenals de Bilderdijk gesierd werd met een portret van den
dichter, deed de kompleete Da Costa in Januari 1863 haar
intree in de wereld met de afbeelding van dien zanger. Daarbij
waren bezwaren te overwinnen. Een absoluut goed portret van
Da Costa bestond niet. Kruseman wendde zich tot Israels, die
de taak aanvaardde uit de voorhanden afbeeldingen een com-
pilatie te maken, waarin hij naar wensch slaagde. Op verzoek
van den artist belastte llennefeld zich met liet gravceren.
En bij die overeenkomst met de Bilderdijk ook nog deze,
1 Brief van Kruseman November 1862.
-ocr page 570-
DA COSTA, KOMPLEETE DICHTWERKEN.                   555
dat Avaar Da Costa een afzonderlijk deel wijdde aan dien dich- 1860.
ter, ook Hasebroek in een Overzigl vnu het leven en de werken
des dichters
een appreciatie leverde van Da Costa.
Behalve met deze kompleete editie trad Kruseman, als han-
delaar, ook nog anders op in zijn waardeering van Da Costa.
Na het overlijden van Da Costa hadden Van Lennep, Potgie-
ter, Schimmel, Alberdingk Thijm, lloyer en Zimmerman zich
tot een commissie vereenigd om op het graf van den overle-
dene een eenvoudig en bescheiden monument te plaatsen. De
Kerkeraad der Nederduitsch Hervormde Gemeente van Amster-
dam verleende haar toestemming, maar trok die vergunning
in October 1861 weer in \'. Onderwijl was lloyer reeds aan het
modelleeren van een buste geweest; een pleister-model daarvan
werd ten toon gesteld en Kruseman belastte zich kosteloos
met de aflevering van afgietsels a f 25 per stuk, waartoe hij
in April 1864 in een kleinen kring circulaires verzond.
Wat nu de eigenlijke handelszijde der uitgaaf aanbelangt, in
vele opzichten de evenknie van de Bilderdijk was zij het niet
als speculatie. Integendeel, bij inteekening werden er slechts
421 exemplaren d. i. een vierde van het getal der Bilderdijk-
inteekenaars, geplaatst; de helft der kosten werden nog niet
gedekt. Een nieuwe inteekemng in Januari 1864 opengesteld,
schijnt niet veel succes gehad te hebben.
De Dichtwerken bleven Kruseman\'s eigendom tot 1867. Op
de fondsveiling van den 9 Juli 1867 — dezelfde waar ook de
Bilderdijk van eigenaar verwisselde — gingen de 780 restant
exemplaren, 6394 exemplaren van de afzonderlijke dichtbun-
dels met het kopyrecht van een en ander voor/\'3120 over
aan Schadd en Koster2. Die verkoop, later betreurde Kruse-
1 Vgl. J. ten Brink. Geschiedenis der Noord Nederlandsche letteren
in de XIXe eeuw.
Amst. 1888 Dl. I blz. 135. Hasebroek, daar als lid der
Commissie genoemd, komt niet voor op het afschrift van het request
aan den Kerkeraad in het archief van Kruseman.
* Op de fondsveiling van den 17 Februari 1870 ging deze kopy van
Schadd over in handen van D. A. Thieme, die drie jaar later de 133
resteerende exemplaren van de ro ij aal-octavo editie in 3 deelen en 1264
exemplaren van de post-octavo uitgaaf in 4 deelen, met nog 5 andere
-ocr page 571-
556                 DA COSTA, KOMPLEETE DICHTWERKEN.
1860. man haar innig. „Mijn verkoop van deze heerlijke kopy is een
misdaad geweest, gejdeegd aan de mij zoo dierbare nagedach-
tenis van den Dichter en een vergrijp aan mijn eigen belang.
Ik had deze nalatenschap niet mogen en moeten vervreemden
en tevens begrepen hebben, dat Da Costa eenmaal zou moeien
gewaardeerd worden, gelijk uit den verkoop van latere editiën
gebleken is" \'.
Die waardeering van het geniale talent van den dichter bleef
Kruseman heel zijn leven bij en het kan dan ook geen ver-
wondering wekken, dat hij op verzoek van de Vereeniging
„Da Costa" met Beets, Hofdijk, Ten Kate, Pierson, Schaep-
man en Alberdingk Thijm zitting nam in eene eere-comitée
om den 25jarigen sterfdag van den dichter te herdenken en in
die qualiteit den 28 April 1885 in Felix Meritis tegenwoor-
dig was bij de georganiseerde huldetooning 2.
Zijn vereering voor Da Costa evenals voor Bilderdijk bleef
onverminderd 3 en het is dan ook wel de moeite waard hier
er op te wijzen, hoe merkwaardig het verschijnen van hun
kompleete Dichtwerken samenviel met het groeien en bloeien
van het uitgeversbedrijf. De groote periode, die, waaraan Kru-
seman zijn eigenlijke beroemdheid ontleent, ving aan met de
Bilderdijk en eindigde vrijwel met de Da Costa, want in
1803, kort na het voltooien der Da Costa, trof den uitgever
de huiselijke ramp, die hem den moed ontnam om plannen
aan te durven, waar hij vroeger niet zou tegen opgezien heb-
titels van Da Costa (samen 1143 exemplaren) voor de voor die dagen
aanzienlijke som van ƒ 3870 weer terugverkocht aan Schadd. (Nieuws-
blad voor den Boekhandel
7 en 11 Maart 1873.) Schadd begon er een
half jaar later een nieuwe uitgaaf van in 28 afleveringen van 3 vel a
ƒ0.121.
1    liouwslo/fen Dl. II blz. 44.
2    Haarlemsche Courant 30 April 1885.
* Met Mr. H. Gerlings Cz., den Haarlemschen stadsbibliothecaris en
"W". van Walré, den zoon van Jan van Walré, Bilderdijk\'s dichtervriend
uit zijn laatste jaren, komt Kruseman\'s naam als derde Haarlemmer
voor op de oorkonde, die vervaardigd werd van de plaatsing van een
gedenksteen in Bilderdijk\'s woning te \'s-Cfravenhage in 1867.
-ocr page 572-
MEVR. BOSBOOM-TOUSSAINT, NEDEKL. GELOOFSHELDEN. 557
ben, ja, waarvan hij zich vroeger als wetenschappelijk uitgever -i^o.
roem en eer had voorgespiegeld, de uitgave van het Woorden-
boek.
En nog in dit jaar 1860 was het zijn vaste voornemen,
de verborgen schatten van de Nederlandsche taal met zijn adres
het Nederlandsche volk te vertoonen, daarvan getuigde hij ten
derde male door het uitgeven van het door De Vries ge-
stelde Verslag der redactie van liet Nederlandseh woordenboek
(J856
—J860) waaraan hij twee jaar later in 1862 het vierde
Verslag (J860—J862) zou toevoegen.
Een paar briefwisselingen uit 1860 verdienen nog vermel-
ding. In de eerste plaats het volgende ongedateerd schrijven
van mevrouw Bosboom:
Zoo als ik U beloofde, heb ik gedaan. In ernst over-
wogen of ik er licht in zag te volvoeren het werk dat
U mij wenschte op te dragen. Maar — hoe zeer ik er ook
tegen op zie, het U te belijden, hoe pijnlijk het mij ook
is U iets te moeten weigeren wat in mijne magt schijnt
te staan, ik durf, ik mag dit wigt niet op mij nemen. Ik
ben bijna zeker dat mijn geest niet minder dan mijn
ligchaam buigen zoude onder dien last als ik dien eens
op mij genomen had. De hervorming met haar begin,
voortgang en uitkomsten tot op onzen tijd, dien tijd in-
gesloten, te schetsen, hetzij dan in historische tafereelen
of in anderen minder aanschouwelijken vorm, zou het
werk zijn voor een man, geen [?] vrouw. Een jeugdig
krachtig menschenleven. En ik heb zeker reeds meer dan
de helft van het mijne gebruikt. Ik heb maar precies
krachten genoeg om af te doen wat ik reeds eenmaal heb
op mij genomen. Is dat voorbij — voel ik mij dan wel
en opgewekt — dan — o! — laat mij dan in rijpte [?]
een plan volvoeren dat ik gevonden heb sinds ik mijn
Oideon had voltooid. Dan zult gij hebben al wat ik kan
en het beste wat ik vermag. Dat andere te belooven zou
overmoed zijn, en in dien strik der ijdelheid zal ik niet
vallen.
-ocr page 573-
558 MEVR. BOSBOOM—TOUSSAINT, NEDERL. GELOOFSHELÜEN.
ïsco.                   Ik schrijf U als aan een vriend, niet als aan een ge-
wonen uitgever, wien ik zulke blikken in mijn hoofd en
hart niet zou gunnen, maar — waarlijk, het zou trots zijn
die mij verleidde met zóo behendige en Avetenschappelijke
woordvoerders der verschillende rigtingen mij op eeue lijn
te scharen ter volbrenging van zoo belangrijke taak,
waarvan mij, de zwakste op iedere wijze, bijna het zwaarste,
althans het veelzijdigste zou zijn toebedeeld. Ik voelde een
oogenblik dat het juist dit was, wat mij aantrok —: maar
om te gelijk te besellen dat wijsheid als bescheidenheid
en voorzigtigheid mij raadden er van af te zien. Gij zelve
zult het mij instemmen als gij den omvang dier taak
overziet, en even deukt aan die allen in deze en de vroe-
gere eeuwen, die er hun opzettelijke studie van hebben
gemaakt. Om van de oudste Heeren niet te spreken —
Merle d\'Aubigné, Hagenbacb, ltanke — allen zijn er drie
uit dezen tijd, die ons zeer weinig te doen overlaten.
Hagcnbach vooral die vertaald is (slecht dat is waar).
Daarbij komen nog de tafreelen uit de hervorming door
B. ter Haar, wel niet zoo frisch en krachtig als ik ze
wenschen zoude, maar toch te recent en te populair om
ze zoo spoedig als over te doen. U ziet, waarde Heer en
vriend, ik althans zie er geen licht in; Dr. Gunning wien
ik er van sprak, zeide, dat hij het eene taak achtte boven
zijn vermogen zoowel wat tijd als studie aanging. Mij
dunkt zoo zou het vermetelheid zijn, als ik er mij aan
waagde. Vergeef mij dus, dat ik zelfs voor U niet doe
wat ik weet niet te kunnen.
Blijkbaar was deze briefwisseling een uitvloeisel van den
wensch, dien Winkler Prins aan Kruseman te kennen had ge-
geven, dat er een werk zou verschijnen over Nederlandsche
geloofshelden en martelaren \'. Mevr. Bosboom durfde de be-
werking niet aan en van het denkbeeld kwam niets.
1 Brief van Winkler Prins 3 Februari 1860.
-ocr page 574-
G. L. FUNKE.                                       559
Evenzoo verging het Cremer in Juli van dat jaar. Uit naam isgo.
van een derde, die later zich bekend maakte als S. F. W.
Roorda van Eysinga, bood hij aan Kruseman, die „mede be-
hoort tot de echt liberale partij ia het godsdienstige, die vast
houdt aan de beide hoofdgeboden van den Eenigen onder de
menschen: Hebt God lief boven al en den naaste als uzelf" \'
ter uitgave aan Een woord tegen de Bij beloergoding van de
orthodoxie en de Bijbelverguizing van de Dageraad\' door Fer-
guson.
Kruseman was met den inhoud wel ingenomen; de uit-
gave stuitte af op het vaste besluit geen anonieme of pseudo-
nieme geschriften uit te geven: een man een man, een woord
een woord! 2.
Evenmin zag Cohen Stuart te Utrecht zijn wensch vervuld,
dat Kruseman de uitgever zou worden van de nagelaten ge-
dichten van C. des Amorie van der Hoeven.
Ook greep met Mei 1860 een wisseling plaats in het per-
soneel der uitgeverszaak. Een jonge man van 23 jaar adver-
teerde in het Nieuwsblad, dat hij een plaats als bediende
zocht, en bood zijn diensten Kruseman aan. Eunke kwam in
de plaats van Weeveringh, die zich met 1 Mei 1858 als uit-
gever te Haarlem gevestigd had 3; Eunke bleef slechts twee jaar
bij zijn nieuwen patroon, maar die twee jaar waren voldoende
om tusschen beiden een band te vormen dien eerst de dood
verbreken zou. „Mijn jonge vriend, onder kransen heeft men
u begraven. Bonter schaar van aanzienlijken en geringen stond
er zelden om eenige lijkbaar. Uit het hart van velen stroomden
verheerlijkende woorden tot uw lof, omdat zij er behoefte aan
hadden u te loven; uit het oog van allen glipte een traan
om uw heengaan, omdat ze voelden u te missen en niet mis-
1    Brief van Cremer 19 Juli 1860.
2    Het geschrift verscheen in 1861 bij W. G. van Heusden te \'s-Herto-
genhosch in de serie Stemmen voor waarheid en godsdienst, en werd met het
pseudoniem Ferguson afzonderlijk in den handel gebracht als Eene
schriflbeschouwing.
(Brief van Roorda van Eysinga 14 April 1863.)
3    Nieuwsblad voor den Boekhandel 10 Juni 1858.
-ocr page 575-
500
G. L. VUNKE.
t860. sen   wilden" \'. Dat schreef Kruseman nog onder den indruk
van  liet verscheiden van den man, die hem door de exploitatie
van  eenige zijner fondsartikelen, na zijn uittreden uit den han-
del,  nog aan de boekenmarkt gebonden had.
Glansrijke ondernemingen had Kruseman tot stand gebracht.
De langen tijd gehoopte Dichtwerken van Bilderdijk waren &&nfait
accompli
geworden; in dicht aaneengesloten statige rijen ston-
dcn de declen in de boekenkasten van ons Nederlandsche volk;
van zijn kweekeling Da Costa waren eveneens de koinpleete
dichtwerken en cour de publication; Ons voorgeslacht had een
nieuwe bron van genietingen doen vloeien voor een daarmede
gansch onbekend publiek; het Zondagsblad had Kruseman\'s
naam doen eeren als dien van een kloek ernstig vooruitstre-
vend uitgever; de Leekedichtjens hadden aller oogen getrok-
ken door de pikante zeggingskracht, waarmede zij op de nio-
derne theologie de aandacht vestigden; de Brieven over den
Bijbel
was van Kruseman\'s kant een daad van beteekenis ge-
weest. Waarlijk, de uitgever van zooveel klinkende titels had
reden zich zelf te prijzen, dat door zooveel ondernemingsmoed
en zooveel geestkracht dat alles door hem tot stand gebracht
had kunnen worden.
Die roeping zou hij getrouw blijven. Waar graan voor hem
te maaien viel, zou hij oogsten, om koren te geven aan zijn
Nederland.
1 Bouwstoffen Dl. II blz. 672.
-ocr page 576-
VI.
Einde van «len Grooten Tijd. —
Hellas en Latiuin. — Beets, De kinderen der zee. —
Staring-, Gedichten. — Fondsreilingr 1862. —
Hofdijk, De klooster-ordcn in Nederland. — Bnsken IInet.
Onze bede. — Macé, Geschiedenis van een hapje
brood. — Pierson, De oorsprong der
moderne rigting. — Familie-bijbel. — De bouwwerken van
den architekt F. J. H. Cuypers.
1861—1863.
Die uitgaven van 1800, ze klinken als een klok; de arbei-
der aan het Spaarne ging steeds voort helder en rein klinkende
klanken over Nederland te doen hooren. Zou het jaar 1801
daaraan gelijk zijn? Of zou er eeuige verslapping intreden?
De toekomst zou leereu of en zoo ja in hoever het jaar
1S00 overtroffen kon worden. Aan begonnen uitgaven die
langzaam haar voltooiing te gemoet gingen — de Jonge\'s
Zeewezen, Hofdijk\'s Ons voorgeslacht, Lewes\' Ons leven, Da
Costa\'s Dichtwerken, de Natuurlijke historie — zou het even-
min ontbreken als aan periodieken — Aurora, Wetenschappe-
lijke Bladen, Praktische-
en Christelijke Volks-almanak, Zon-
dagsblad
— en aan nieuwe plannen die niet tot uitvoering
kwamen, van den uitgever zelf uitgaande of door anderen hem
aangeboden.
30
-ocr page 577-
562
DE NAVORSCHER.
1861.             Tot die welke niet tot uitvoering kwamen, behoort Prof.
Hofstede de Groot met een redevoering over Ary Scheffer\'s
eigenaardigheid als schilder \' en Prof. Lauts met een reis-
verhaal van de laatste ontdekkingen der Nederlanders langs
de kusten van Nieuw-Guinea in 1858 2.
Evenmin kregen een gunstig bescheid Allard Pierson, die
den wensch te kennen gaf, dat Kruseman de door het overlij-
den van Kemink opengevallen plaats zou innemen en voortaan
de uitgever van zijn zuiver wetenschappelijke geschriften zou
willen zijn 3, waartoe hij hem, gansch onafhankelijk van Yan
Vloten een toelichting en beoordeeling van Spinoza\'s Ethica
voorstelde 4, en Pred. Muller, die in een bui van moedeloos-
heid eu gedruktheid zich van Be navorscher wilde ontdoen,
meenende dat hij zelf niet de geschikte man als uitgever van
dat tijdschrift was (!) "\'. Natuurlijk dat Kruseman, zelfs na
herhaalden aandrang van Muller\'s kant niet in dat voorstel
trad °, ook omdat hij thans geen nieuwe ondernemingen er bij
wilde nemen; hij was toch bezig aan zijn Geschiedenis der
Godsdiensten
en scheen daarbij kans van slagen te zullen be-
komen. Daarover echter later.
Onder de eerste onderafdeeling — niet geslaagde pogingen
1 Brief van Hofstede de Groot 10 Februari 1861.
\' Brief van Lauts 24 Juli 1861.
3    Brief van Pierson c. 1 December 1861.
4    Brief van Pierson 16 December 1861.
5    Brief van Muller 26 October 1861.
" „Neen, De Navorscher mag niet van U van daan! Uw naam is
er te lang aan verbonden geweest en een te solide ijk op dat tijdschrift,
dan dat ge uw pleegkind een weeskind zoudt mogen laten worden. Ook
is de gansche administratie te veel bij U te huis, en de Redactie te
zeer met uw manier van doen eigen, dan dat een ander in uwe plaats
en in uw regten zou kunnen treden. Ik heb met aandacht en belang-
stelling kennis genomen van uwe cijfers. De speculatie gaat achteruit,
bepaald achteruit; maar ik heb allen moed, dat gij het debiet er weer
boven op zult halen, wanneer gij er de middelen maar voor te baat
neemt. Die zijn, naar mijn idee: een nieuwe serie openen met 1862,
ruim eerste afleveringen in commissie zenden en een tijd lang adver-
teeren." (Brief aan Fred. Muller 5 November 1861).
-ocr page 578-
MEVU. BOSBOOM-TOUSSAINT, KOMPLEETE WERKEN.      503
van Kruseman — moet melding gemaakt worden van het 1861.
eenige plan, dat ik in 18(51 ontmoette, de kompleete werken
van mevrouw Bosboom-Toussaint. Schoon mevr. Bosboom
zelve beweerde er niet zeer op gesteld te zijn dat een kom-
pleete uitgave harer werken nog bij haar leven verscheen, was
echter het feit, dat Kruseman de poging wilde doen haar bij-
zonder aangenaam \'; de vasthoudendheid van enkele eigenaars
der kopyen — Kraay werd hiervan bij name uitgezonderd —
maakte het plan onuitvoerbaar, vooreerst althans: eerstin 1869
en volgende jaren zou het plan verwezenlijkt worden door
D. A. Thieme te Arnhem, als onderafdeeling van zijn serie
Nederlandsche autheurs.
Die vriendschappelijke band, die thans hechter gelegd was
tusschen mevr. Bosboom en Kruseman, zal dan ook wel de
reden geweest zijn, dat het voor Kruseman onmogelijk zou zijn
een geschrift tegen haar uit te geven. Deze verdediging van
de moderne theologie door Huet tegen mevrouw Bosboom zou
echter bij Kruseman wat het wetenschappelijk deel van het
onderwerp betreft voortreffelijk tehuis geweest zijn; thans gaf
Weeveringh Huet\'s Aan Mevr. Bosboom Toussaint (1862)
uit, niet voordat Kruseman op Huet\'s verzoek zijn oordeel
over de kopy had gezegd en, daartoe verzocht, op vele plaat-
sen scherpe woorden en minder welgepaste uitdrukkingen ge-
schrapt of verzacht had.
Het niet slagen van de hulde, die hij aan de auteur der
Leycester-romans wilde brengen was teleurstellend; de moeie-
lijkheden in 1861 met Ter Gunne en Prof. van Vloten, waren
ergerlijk.
In November 1860 verscheen te Deventer bij Ter Gunne
Nederlaudsch dicht en ondicht der negentiende eeuw. Bijeen-
verzameld en gerangschikt door
Dr. J. van Vloten . . . le deel.
Bilderdijk-Vosmaer.
Die uitgaaf kreeg Kruseman, omdat hij
1 Brief van mevr. Bosboom-Toussaint 14 September 1861. — Vgl.
Bouwstoffen Dl. II blz. 68 en 69.
36*
-ocr page 579-
564
l\'ROÏ. DR. J. VAN VLOTEN.
1861. geen debitant meer was, niet onmiddellijk onder de oogen en
hem gewerd dan ook eerst op den laatsten dag van 1860 de
mededeeling van de zoons van Mr. A. C. W. Staring, dat
in die Bloemlezing vele gedichten van dien Gelderschen zanger,
met veranderde spelling, samenvoeging van coupletten en ver-
schikking der regels waren overgedrukt. Die mededeeling was
Kruseinau zeer onaangenaam. Hij toch was reeds geruimeu
tijd bezig een nieuwe editie van Staring\'s gedichten voor te
bereiden, waartoe hij zich reeds van den eigendom verzekerd had.
Toch zou tegen dezen nadruk, als men wil, niet veel te doen
zijn, daar volgens de vigeerende auteurswet van 1817 het
kopyrecht op de werken van dien dichter verjaard was. Maar
erger was de ontdekking dat behalve deze 40 bladzijden van
Staring, er 116 voorkwamen die aan zijn Bïlderdijk ontleend
waren. Noch voor het een, noch voor het ander had hij zijn
toestemming verleend, en al kon hij ook geen recht laten gel-
den oj) die gedichten van Bilderdijk, die na 1817 verschenen
waren, op die welke vóór dat jaar het licht gezien hadden
onder de wet, die een eeuwigdurend kopyrecht erkende, meende
hij zeer zeker zijn recht te moeten handhaven en dat te meer,
daar hij aan ïhieme, den eersten uitgever van de Bloemlezing
slechts vergunning gegeven had een „aanhaling" te mogen
doen uit Van VGravenweert en Borger. Ter Gunne, om in-
lichtingen gevraagd, beweerde er niet van te weten, daar hij
het werk eerst gezien had, toen hij het op het voorwerk na ge-
heel afgedrukt overgenomen had van W. Thieme te Zutphen.
Na veel geschrijf, waarbij Kruseman het geschil voor het Be-
stuur der Vereeniging bracht, maar later aan dat lichaam ver-
zocht aan de aanklacht geen gevolg te willen geven, omdat
hij de zaak liever persoonlijk wilde behandelen uit vrees, dat
het gezag van de Vereeniging wellicht zou lijden, wanneer
zij in dit geschil een bekentenis van onvermogen zou moeten
doen, bleek, dat Thieme aan Prof. van Vloten de vrije hand
had gelaten in het kiezen der kopyen en dat hij, bespeurende
in welke richting zulks geschiedde en zich als lid van de Veree-
niging niet aan moeielijkheden willende blootstellen, aan Ter
Gunne, geen lid der Vereeniging, de gansche oplaag had over-
-ocr page 580-
565
E. ÜOUWES JJEKKElt.
gedaan. Het werd daardoor aan den eenen kant moeielijk den 18M.
eigenlijken schuldige, die wettelijk geheel in zijn recht, inaar
niettemin zeer unfair gehandeld had, te vinden, en aan den
anderen kant ook weer bezwaarlijk hein te treilen. Juist daarom
had de geheele geschiedenis geen verder verloop. Alleen dit,
dat Kruseman Prof. van A7loten ging houden voor den persoon,
die zoo tegen alle usances van den Boekhandel gehandeld had;
en te meer reden had hij daarvoor door den woesten aanval,
dien Van Vloten in de voorrede van de Dicht en ondicht
tegen de Vereeniging deed. Hoe het zij, in zijn achting was
de auteur van Het Nederlandsche kluchtspel en van Neder-
lands opstand legen Spanje
aanmerkelijk gedaald en Ter Gunne
zou dan ook om die reden in 1864 geen gunstig antwoord
kunnen erlangen op zijn vraag om eenige kopy-eigendommen
van Kruseman te mogen overdrukken \'j in Kruseman\'s fonds-
lijsten zou voortaan geen titel van dien Deventerschen hoog-
leeraar kunnen voorkomen. Ter Gunne en Van Vloten hadden
het aan zich zelf te wijten, dat het derde deel, de bundel
Proza zoo onvolledig zou zijn 2.
Voor echter over te gaan tot de nieuwe uitgaven, die in
186\'1 het licht zagen, moet de naam van Multatuli genoemd
worden.
Na de ontmoeting in 1853 \'1 was Dekker wel eenigszins uit
Kruseman\'s gedachten geraakt. Zijn terugkeer naar Nederland
deed de oude vroegere verhouding weer terug keeren en al
heel spoedig na het verschijnen van de Max Havelaar ging
in 1861 het gerucht rond, dat hij met Kruseman een contract
zou hebben gesloten om bij hem uit te geven en daarop
voorschot zou hebben ontvangen. Dekker verzocht Kruseman
dit tegen te spreken om vrij te zijn tegenover derden en
„Aan zijne houding tegenover mij en anderen worde doorugewe-
ten dat ik tegen mijn aard en gewoonte, evenzeer als tegen mijne
wenschen, u iets moet weigeren." (Brief aan Ter Gunne 4 Juni 1864.
Vgl. de Bloemlezing uil het Nederlandsch proza. Deventer A. Ter
Gunne 18G5. Voorrede blz. 6.
\' Vgl. hiervoor blz. 232.
-ocr page 581-
566
E. DOUWES DEKKEK.
1861. Kruseman schreef aan Multatuli, die toen verblijf hield in het
Poolsche Koffiehuis te Amsterdam, onder dagteekening van den
25 September 1861:
Waarde Dekker!
Gaarne voldoe ik aan Uw verlangen door, ter tegen-
spraak van alle mogelijke praatjes, getuigenis af te leg-
gen, dat er tusschen U en mij geen schemer van con-
tract bestaat, van welken aard ook. Evenmin, dat gij
van mij voorschot zoudt hebben genoten voor eenig werk
dat bij mij zou uitkomen. Noch van Uwe zijde, noch
van de mijne is ooit de minste onderhandeling gevoerd
of eenige stap gedaan tot het schrijven of uitgeven van
een boek.
Onze eenige betrekking die ik mij gaarne herinneren
wil, is die van een jeugdige, een warme, ik geloof nobele
vriendschap. Gebeurtenissen van later tijd zullen mij het
aangename herdenken van dien tijd nooit ontnemen. Maar
daarbij blijve het ook. Onze rigting in denken en doen
loopt veel te wijd uiteen, dan dat er, evenmin bij U als
bij mij, als fiere mannen, idee zou kunnen zijn van
intieme ontmoeting. Geen onzer zou \'t begeeren.
Maar al schrijf ik U dit, zwart op wit, en met al de
kordaatheid waarmee we elkander altijd in de oogen heb-
ben gezien, even rond verklaar ik U van mijnen kant,
dat ik U nooit zal ontwijken waar het toeval ons zaïnen
mogt brengen. Ook zonder sympathie kan er waardeering
zijn. Ja hartelijkheid in sommig opzigt.
Staande in onze vrijheid en strevende voor wat we
goed achten, zullen we elkaar in \'t oog houden met be-
langstelling.
Met de beste wenschen reik ik U de hand \'.
1 Vgl. Brieven van Multatuli [De Havelaar verschenen]. Amst. 1890
blz. 120. — Na de verschijning van de Havelaar werd Dekker van alle
kanten door de uitgevers om kopy aangezocht; onder hen behoorde
Kruseman niet.
-ocr page 582-
567
13UITENLANDSCHE
KLASSIEKEN.
Zooals ik zeide zou 1861 alleen reeds voldoende zorg op- 1861.
leveren voor de behartiging der periodieken en vervolgwerken.
Onder die laatste groep vallen de Buitenlandsche klassieken,
die vermeerderd werden met Van \'s-Gravenweert\'s vertaling van
de Odysséa \', een herdruk van Esaias Tegner\'s Frithiofs saga.
Uit het Zweedsch vertaald door wijlen
P. L. F. C. von Eich-
storff. Nieuwe uitgave, herzien door J. J. L. ten Kate2,
Young\'s Nachtgedachten. Gevolgd naar het Bngelsch door A. C.
Schenk. Berde druk, onder toezicht van J. J. L. ten Kate,
Lindo\'s verdietsching van Tom Jones door Fielding, Longfel-
low\'s Gedichten, nagezougen door S. J. van den Bergh 3 en
Jean Paul\'s Gedachten, met eene inleiding door J. A. Weiland.
Deze laatste uitgave was slechts een tweede titeluitgaaf van de
restant-oplaag, die Kruseman in September van het vorig jaar
op de fondsveiling van de Gebr. Muller te \'s-IIertogenbosch
gekocht had. Al die aanvullingen van de Buitenlandsche klas-
siekeu
zouden weer even zooveel bewijzen blijken te zijn van
de bitter weinige levensvatbaarheid van die serie; alle gaven
aanmerkelijke schadeposten.
Eén deel van de Klassieken van 1861 moet nog afzonderlijk
genoemd worden, zoowel omdat het plan tot uitgave er van
in tegenstelling met de andere niet van Kruseman uitging, als
om de gewaande letterkundig-historische merkwaardigheid van
de vertaling.
In Februari 1861 kreeg Kruseman een brief van den hem
onbekenden Dr. Kern, toen leeraar in het Grieksch aan het
Athenaeum te Maastricht. Kern was opgewekt geworden door
de studiën van Van Limburg Brouwer in Be Gids van 1860
* Met het jaarmerk 1861 werd de uitgaaf echter reeds in December
1860 gedebiteerd.
2  Deze herziening werd aanleiding dat Ten Kate in 1872 bij Höve-
ker & Zoon te Amsterdam uitgaf zijn Esaia Tcgnèr als godgeleerde
en dichter.
— In 1876 verscheen bij Funke de derde [titel ?|-uitgaaf
der vertaling zelve.
3  Den 27 Maart 1861 boekte Kruseman in uitgaaf: „Longfellow Ge-
dichten
aan B. Tauchnitz voor 1000 portretten /\'35.30".
-ocr page 583-
KALIDilSA, OAKUNTAT,?!.
568
1861. over „de lettervoortbrengselen van een volk, dat niet alleen
de oudste aller heilige overleveringen bezit, maar ook onder
de deukende natiën der wereld eene eerste plaats heeft iuge-
nomen" en bood hem ter opname in de Buitenlandsche klassieken
aan een vertaling van het Indische drama Cakuntald van
Kalidasa, in de overtuiging verkecrende, dat het voor de
eerste maal was, dat er een sanskrit werk in het Nederlandsch
was overgebracht. Zonder uitkeering van honorarium nam
Kruseman de uitgave aan, nadat de vertaling nog eerst me-
trisch omgewerkt was in overeenstemming met het origineel.
Die prioriteit van een Nederlandsche vertaling uit het sanskrit
zou echter blijken ten onrechte gemeend te zijn. Matthias
de Vries, van wien eerst sprake was geweest dat hij bij de
vertaling een inleiding of voorrede zou schrijven maakte de
opmerking, dat in 1792 bij A. Loosjes Pz. te Haarlem reeds
een Nederlandsche vertaling het licht had gezien, bewerkt
naar de Hoogduitsche van Eorster \'. Behalve dat die recensie
merkwaardig is voor de kennis van de philologie der Indische
literatuur daarin door De Vries ten toon gespreid, is zij tevens
ook een bewijs van zijn groote belangstelling in die vertaling;
het boek was toch nog geen vier weken de wereld in, of de
Leidsche hoogleeraar in de Nederlandsche taal begroette de
verschijning er van met vreugde en meende zonder verwijl de
aandacht zijner landgenooteu er op te moeten vestigen. In weer-
wil daarvan was het debiet slecht: 180 exemplaren weiden er
in ruim 0 jaar gedebiteerd.
Nog met andere deeltjes zou Kruseman zijn Buitenlandsche
klassieken
vermeerdereu: de Homerus van Van VGravenweert
in het einde van het vorig jaar compleet verschenen gaf het
denkbeeld aan de hand onder den titel Hellas en Latium. Ver-
taling van de meest beroemde modellen uit de klassieke oudheid
als titel-uitgaaf een onderafdeeling te vormen van vertaalde Griek-
sche en Latijnsche classici; zij verschenen in maandelijksche
afleveringen van ongeveer vijf vellen voor/\'0.75 de aflevering.
\' AU/emeene Komt- en letterbode. 1861 blz. 412.
-ocr page 584-
HELLAS EN LATIUM.                                     509
Drie werken verschenen in deze afdeeling in 1861,1862 en 1863, 1861.
welke geen van allen hun kosten dekten, nl. ïerentius\' Blijspelen.
In het Nederduitse A overgebragt door
Dr. I. C. van Deventer\',
Sophocles\' Anligóue. Uit het GriekscA in llollandsche vaerzen ver-
taald door
A. J. ten Brink. Met eene verhandeling over het Atheen-
sche tooneel en verklarende aanteekeningen
en Virgilius\' Helden-
dicht de Enéis. Naar eigen critische beschouwing, in Nederduü-
sche metrische versmaat overgebracht, door
Mr. S. J. E. llau.
Bij deze laatste vertaling verleende Mr. J. ï. Bodel Xijenhuis, op
verzoek van den auteur zijn hulp in liet nazien der proeven.
Eerst twintig jaar later in 18S-\'3 besprak Huet de Enéis
door llau vertaald, een vuurproef die zij glansrijk doorstond \'-,
terwijl Funke van deze onderafdeeling in 1869 een nieuwe
titeluitgaaf in afleveringen begon als De groote meesters der
oudheid. Uit de oorspronkelijke talen in het Nederlandsch over-
gebracht en opgehelderd
en het belangrijk genoeg achtte bij de
verschijning van de eerste aflevering in het Nieuwsblad te doen
aanteekenen dat „onder bovengenoemden titel worden uitgegeven
eenige werken uit de serie „ Buitenlandsehe klassieken", vroeger
verschenen bij A. G. Kruseman" :!.
Evenzoo werd de reeks der Natuurlijke historie vermeerderd
met de eerste afleveringen van Lubach\'s De bewoners van Neder-
land
— zij hadden tot titel Grond/rekken eener ethnologie van
Nederland
4 —- en Krecke\'s Het klimaat van Nederland, waarin
de schrijver de resultaten, getrokken uit meer dan een millioen
waarnemingen door hem zelf gedaan, wenschte neer te leggen 5;
beide werken zouden de reeks der Natuurlijke historie van
1 De verschijning gaf aanleiding dat P. J. Veth een uitvoerige
studie wijdde aan Terentius en het oude llomeinsche blijspel in De Gids
(1862 Dl. II blz. 606 en 697).
Litterarische fantasten en kritieken. Haarl. z. j. Dl. XXI blz. 45 vlg.
Nieuwsblad voor den Boekhandel 30 September 1869.
Nieuwsblad voor den Boekhandel 7 Februari 1861. Het werk kwam
met de 6e aflevering in Juni 1863 compleet, met den ondertitel Grund-
trekken eener vaderlandsche ethnologie.
\'\' Brief van Krecke 25 Mei 1862.
-ocr page 585-
BOGAERS, JOCHÉBEÜ.
570
1861. Nederland, afsluiten. Zouden zij dat doen omdat er geen onder-
afdeelingen meer te behandelen waren, of was het debiet zoo
ontmoedigend dat een voortzetting onverantwoordelijk zou zijn ?
Geen van beide schijnt mij het geval; de eigenlijke reden was
het gebrek aan veerkracht, dat Kruseman binnen kort zou
krijgen, dat hem met moed aangevangen en volgehouden seriën
als de Buitenlandse/te klassieken en de Natuurlijke historie
uit de handen zou doen leggen en hem de zoo noodige opge-
wektheid zou benemen auteurs te zoeken en aan te sporen, tot
het behandelen van andere onderafdeelingen.
Daaraan moet uit den aard der zaak niet toegeschreven
worden dat 1S61 overigens weinig belangrijk was; veeleer aan
een armbreuk die hij in Januari van dat jaar kreeg, en aan
de groote drukte die hem in den zomer te wachten stond als
directeur van de Nederlandsche maatschappij ter bevordering
van nijverheid tijdens de tentoonstelling te Haarlem gehouden.
Een herziene herdruk van de Jochébed van Bogaers kwam
in October in het licht, versierd met nieuwe afdrukken van de
steeneu, die in 1835 voor den eersten druk door Madou be-
teekend waren. In tegenstelling van de • andere gedichten van
Bogaers dekte deze uitgaaf op den langen duur de kosten, evenals
Bogaers1 Balladen \', welke in April daaraanvolgende verschenen.
Het slechte onthaal, dat over het algemeen aan de gedich-
teu van Bogaers ten deel viel, had de dichter aan zich zelf te
wijten. Door in den beginne zijn uitgaven buiten den handel
te houden, had hij zich buiten den loutereuden en heilzamen
invloed van de critiek gehouden 2 en bovendien nog stelde hij
1    „Deze uitmuntende bundel, even als de vorige nooit in den handel
geweest, bevat, behalve een aantal nieuwe gedichten, ook al die naïve
en gevoelvolle stukken, die in den lande reeds zooveel naam hebben
gemaakt. Ik stel mij daarom voor dat het debiet van dezen dat der
vroeger uitgegeven bundels verre zal overtreffen." (Advertentie in Nieuivs-
blad voor den Boekhandel
20 Maart 1862).
2    Huet. Idtterarische fantasten en kritieken. Haarl. z. j. Dl. VII
blz. 18.
-ocr page 586-
571
BOGAERS, JOCHEBED.
zijn gedichten voor het publiek verkrijgbaar toen het getij isoi.
verloopen was. Mededeeling daarvan te moeten doen aan den
auteur was een pijnlijk iets; op zijn verzoek was Kruseman
echter gedwongen hem in 1862 rekening-courant van den staat
van zaken te geven en hij schreef hem den 9 September 1862:
Volgens uw geëerd verlangen heb ik U een volledige
rekening te geven van de editiën die uwe goedheid mij
wel heeft willen toevertrouwen. Ik heb bij deze de eer
daaraan te voldoen. Ik kan nogtans niet ontveinzen dat
mij deze pligt eenigzins zwaar valt en dat ik met een
gevoel van weemoedigen schroom tot die openlegging
over ga. Bij de beroemdheid van uw geëerden naam;
bij de hulde en liefde die men sinds jaren uwe verzen
pleegt toe te dragen, en bij de onovertrefbare ruim-
heid van U als auteur jegens mij als uitgever, had ik
zoo van harte gaarne U een rekening wenschen over
te leggen die blijk gaf van de meest verblijdende uit-
komsten. Als tusschenpersoon tusschen den Dichter en
het Publiek zou het mij een voldoening geweest zijn U
te kunnen verklaren, dat uwe bundels schier waren uit-
verkocht. Dat genot moet ik missen en ik mij de vrees
niet ontveinzen, dat U dit als zij het slechts eenigzins
zal te leur stellen. Onze praktische tijd is voor alles wat
kunst is alles behalve voordeelig, en terwijl tien jaren
geleden en vroeger het bezit van een poëtische bibliotheek
tot de manieren der beschaafde maatschappij behoorde,
blijkt men zich in onze dagen te spenen met de voor-
dragt van Eederijkers, maar overigens zijn geld liever te
besteden aan voorwerpen van weelde, behalve boeken.
Mag ik U uit eigen ondervinding een voorbeeld noemen?
Van de groote editie der BijbehcJic vrouwen verkocht
ik twaalf jaar geleden ruim 2000 exemplaren; van der-
gelijke bundels van den jongsten tijd is niet het \'/,„ ge-
deelte geplaatst kunnen worden, en terwijl ik bij den dood
van Da Costa met den besten moed de uitgave der Kom-
pleete dichtwerken
ondernam, moet ik thans tot mijn
-ocr page 587-
572                                  BOGAEltS, JOCHEBED.
1861-                   grieve bekennen, dat de onbegrijpelijke laauwheid van liet
publiek tot heden toe nog bij lange na niet de kosten
der onderneming heeft gedekt.
Bij dien tegenwoordigen geest is het debiet voor al [van]
uwe Gedichten buitengewoon groot geweest \' en weegt
dit tegen het min gunstige van de Jocliébed en De togt
van Gibraltar
ruim op. Dat de Jochébed - niet ruimer
verkocht is heeft eene natuurlijke reden in de meer kost-
bare wijze van uitvoering en de betrekkelijke duurte van
het boek, terwijl tevens reeds éen aantal present-exempla-
ren van vroegeren tijd in handen uwer vereerders waren.
Maar dat De togt van Heemskerk
3 tot op heden toe niet
oneindig méér gevraagd is, dat wekt mijne bitterste ver-
bazing.
Tegen het Sint-Nicolaasfeest verscheen De kinderen der zee.
Schetsen naar het leven aan onze Uollandsche stranden door
Jozef Israëls. Gravuren van J. H. llennefeld. Gedichten van
Nicolaas Beets, een werk, dat behoudens den verouderden band
van J. van den Heuvel te VGravenhage, nog niets van zijn
aantrekkelijkheid verloren heeft. De relatie die Kruseman met
Israëls in 1859 en lbCO had aangekno\'ojit over het illustree-
ren van Adam Bede, had zijn wakker oog meer in het bij-
zonder doen vestigen op dezen kunstenaar en den lust bij hein
doen ontwaken het een of ander ook van hem in zijn fonds
o}) te nemen. In overleg met Israëls kocht hij daartoe voor
/\'800 van Bufia de twaalf stalen platen, die llennefeld naar
even zooveel composities van dien schilder onder handen had,
en Israëls verheugde zich in het denkbeeld dat Beets de man
zou zijn, die bij de prenten dichtstukjes zou leveren *.
De uitgave had slechts een matig succes 5; de verkoop van
1 Volgens de bijgevoegde rekening-courant 945 ex. in 1859, GO en 61.
„
         „          „                         „              368 „ „ 1861.
728 „ „ 1860 en 1861.
\' Brief van Israëls April 1861.
\' De particuliere prijs voor een exemplaar in den linnen band met
vergulde titels en verguld op snede was ƒ 8.50.
-ocr page 588-
BEETS, DE KINDEREN DEK ZEE.                         573
het artikel op de fondsveiling van 1865 dekte de uitschotten i86i.
nog niet ten volle. Ten onrechte, naar ik meen. Deze uitgaaf
komt me voor uit artistiek oogpunt het voortreffelijkste te
zijn, wat Kruseman als uitgever tot op dat oogenblik gegeven
had. Gezet uit de mediaan romein N°. 17 met 9 punt inter-
linie, elke pagina omgeven door een fijne lijn, wordt elk vers
voorafgegaan door een franschen titel uit paragon geschaduwde
fantaisie kapitalen gezet. Ter eigen drukkerij gedrukt op
kwarto papier door De Charro geleverd, was het eene der
laatste werken, die Kruseman op zijn eigen typbgraphische
inrichting zou doen drukken; maar dat werk is in mijn oog
dan ook een overtuigend bewijs van de artistieke richting
zijner drukkerij, van het zeggen van Kruseman\'s tijdgenooten,
dat hij een „smaakvol en kunstminnend" uitgever was. Het
verwondert mij dan ook geenszins, dat er in 1866 sprake was
van een Engelsche editie. Mr. Richard Pigot te Londen, die
reeds een vertaling geleverd had van de Simie-beelden van Cats,
was daarover in briefwisseling met 13eets, en ik denk dat in
de eerste plaats de prenten hem aangelokt zullen hebben, maar
niet minder de tekst.
Over dien tekst een enkel woord. Hij was alleen het eigen-
dom van Kruseman, onder den titel De kinderen der zee;
Beets had zich voorbehouden, om deze verzen later, zonder
eenige vergoeding, op te nemen in een bundel. Twaalf ge-
dichtjes waren geïnspireerd door Israëls1 talent; naast Langs
moeders graf,
waarbij indertijd ook Huet een bijschrift had ge-
leverd in de Aurora — het opstel dat in zoo hooge mate de
verbolgenheid van Da Costa had opgewekt \', — was ook liet
breistertjen,
dat overbekende, guitige stukje, in het licht geko-
men. Het geheel was een uitgaaf geworden, waarmede Kruse-
man zelf hoog wegliep, en terecht zeide hij dan ook o. a. in
het prospectus: „De fijngevoelde tafereelen, die wij aan liet
eenige penseel van onzen Israëls te danken hebben, hebben
niet alleen hier te lande, maar ook in het buitenland eene
welverdiende vermaardheid. De graveerstift van Eennefeld
1 Zie hiervoor Hz. 398 vlg.
-ocr page 589-
574
MOZAÏEK.
1*6* • heeft die in dezen bundel teruggegeven op eene wijze, die
van groot kunsttalent getuigt. De Dichter Beets heeft de wel-
willendheid gehad, daarbij zijne dichterlijke bijdragen te voe-
gen. Alzoo is dit een echt nationale bundel van teeken-, gra-
veer- en dichtkunst.\'"
Een ander prachtwerkje, dat eveneens bestemd om voor
Sint-Nicolaas te dienen, te gelijk met Be kindereu der zee
uitkwam en bij debiet een paar honderd gulden winst gaf,
was Mozaïek. Kunst-album. De verschillende auteurs, die reeds
meermalen aan de Aurora hadden medegewerkt, stonden onder
voorbehoud van de bijdragen later in hun bundels op te nemen,
hun arbeid voor dit prachtwerk aan Sam Jan af; voor der-
gelijk werk bleef Van den Bergh dan toch nog altijd de rechte
man, en het is dan ook best te begrijpen, dat Kruseman zich
voor soortgelijken arbeid tot zijn trouwen en ijverigen vriend
wendde. Slechts zeer kort bleef het bij Kruseman; op de
fondsveiling in October van het volgende jaar werd Van der
Beek kooper van dit artikel, die den particulieren prijs terug-
bracht van ƒ7.50 op _/\'5.25, over welke prijsvermindering in
het Nieuwsblad \' een klaaglied aangeheven werd.
Heel veel meer dat de aandacht thans nog verdient, gaf
18G1 niet te kijk. Kruseman haalde door hard werken den
tijd weer in, dien de tentoonstelling van het vorig jaar hem
ontroofd had 2 en gaarde blijkbaar nieuwe krachten om na de
ontmoedigende resultaten van het Zondagsblad, de poging om
levensvatbaarheid te geven aan zijn Buitenlandsehe klassieken
en het op gang brengen van de Ba Costa, andere grootsche
en oorspronkelijke plannen ten uitvoer te brengen. Hij zon
daarop in dat jaar niet alleen, hij zette zijn bakens er voor
uit en de toekomst zou leeren, dat ook dit jaar, schoon voor
de buitenwereld ten achter staande bij vroegere, geen verloren
jaar zou geweest zijn.
1 8 Januari 1863.
\' Brief aan Fred. Muller 27 Juli 1862.
-ocr page 590-
STARING, OKDICHTKN.                                    575
Eén van die uitgaven was het eerste stuk van de Gedichten 1«<>2.
van A. C. W. Staring. . . ., met eene inleiding uitgegeven door
Nicolaas Beets.
Die uitgaaf maakt een ietwat zonderling figuur in de ricli-
ting, waarvan 1861 en 1862 vooral getuigde; niet omdat,
geheel op zich zelf beschouwd zij niet in het fonds van Km-
seman op haar plaats zou zijn, maar wel, omdat de richting
langzaam aan een anderen kant opgegaan was. Men zou ge-
neigd zijn haar veeleer vroeger te plaatsen, en dat denk-
beeld zou per slot van rekening blijken juist te zijn.
Reeds in 1854 had een uitgaaf van Kruseman zich in zeer
sympathieke woorden geuit over dien Gelderschen dichter \' en
het vermoeden ligt voor de hand, dat toen reeds de lust be-
stoud door een nieuwe uitgaaf van Staring\'s gedichten aan
diens poëzie nieuw leven te geven.
De bodem van Nederland en de redactie der Landbouw-
boehjes,
waardoor Kruseman een zeker soort van verplichting
jegens den zoon van den zanger van den Wildenborch gekre-
gen had, wakkerde het denkbeeld aan ook van zijn kant iets
te doen jegens hem en zijn broeder.
Het ligt voor de hand, dat een nieuwe uitgaaf van de ge-
dichten van dien Gelderschen dichter hen aangenaam zou
kunnen zijn, en dat denkbeeld strookte volkomen met het punt
van uitgang dat ook aan de kompleete Bilderdijk het aanzijn
bezig was te geven. In 1858 besprak Kruseman het met de
beide Staringen en zij juichten het toe, dat Kruseman pogingen
in het werk wilde stellen de dichterlijke nalatenschap vau hun
vader uit een sluimerenden slaap tot hernieuwd leven te wek-
ken. Zij knoopten onderhandelingen aan met Is. An. Nijhoff
te Arnhem, den bezitter van de kopy, die de 125 nog voor-
hauden exemplaren met het kopyrecht voor /\'200 afstond2;
zij voerden briefwisseling met literatoren om het toezicht over
den nieuwen druk te houden en wisten, na eerst te vergeefs
1 Zie hiervoor blz. 251.
* Deze som boekte Kruseman als betaald aan Staring reeds den 5
Februari 1858.
-ocr page 591-
576
STAKING, GEDICHTEN.
1862. aangeklopt te hebben bij Matthias de Vries, Beets voor het
plan te winnen.
Eenmaal zoover gekomen in het einde van 1859, waren
allerlei omstandigheden oorzaak, dat Beets verhinderd werd den
eigenlijken arbeid te ondernemen, de nieuwe rangschikking te
bepalen en zijn oordeel te zeggen over de correcties, die Sta-
ring in zijn handexemplaren had aangebracht. Het duurde tot
het tweede halfjaar van 1862 eer er een gedeelte van het licht
zag. Ontmoedigend resultaat. „De uitslag was, dat ik van
dezen uitmuntenden dichter 39 exemplaren bij inteckeuing
verkocht. De schuld hiervan lag gedeeltelijk bij Dr. J. van
Vloten, die, mijn voorgenomen uitgaaf kennende, zich niet
ontzag het grootste deel van Staring\'s verzen — [37 bladzij-
den] — in zijn Dicht en ondicht na te drukken" \'. De
prijs — ƒ1.40 voor het eerste deeltje — stond dat waarlijk
niet in den weg; wellicht werd het debiet wat aangewakkerd
door de bespreking die Huet van die nieuwe uitgaaf gaf in
De Gids 2, het bleef niettemin flauwtjes en eerst de verkoop
van het artikel in 1867 zou de rekening-courant van deze
uitgaaf althans niet met een deficit doen sluiten, maar ook
toen eerst zouden de Gedichten op haar waarde geschat wor-
den: in Juni 1896 verscheen er een 7C druk (volksuitgave)
van bij W. J. Thieme te Zutphen 3.
Achteraf valt dat geringe debiet van deze uitgaaf onder
Krusemaifs beheer nu wel eenigszius te verklaren. De rechte
1 „Evenzeer als hij [Van Vloten] de goede bedoeling en de kosten
van de uitgevers niet ontzag, toen er onder leiding van prof. Beets een
nieuwe uitgaaf van Staring het licht zag, of toen da Costa\'s Bilderdijk
verschenen was, maar hij van heiden, in het publiek belang zoo het
heette, een goedkoope verkorting bezorgde, evenzoo moest van Lennep\'s
Vondel er aan gelooven, zelfs toen deze uitgaaf het nauwelijks gebracht
had tot het midden van haar omvang." {Bouwstoffen Dl. II blz. 188).
1 1863 Dl. II blz. 127. Met verschillen herdrukt in Litterarische
fantasten en kritieken.
Haarl. z. j. Dl. I blz. 129.
\' Nieuwsblad voor den Boekhandel 19 Juni 1896. — Uit een brief
van Ver Huell dd. 25 April 1869 blijkt, dat hij eenige gedichten van
Staring illustreerde; de teekeningen werden door Sluijter en Van
Resteren gegraveerd.
-ocr page 592-
577
VERKOOP DER DRUKKERIJ.
auimo ontbrak bij hein er voor, want ontworpen in 1857 zag 1862.
de eerste aflevering eerst 5 jaar later het licht in een tijd,
dat een andere richting zich bij hem ontwikkelde; eeu half
jaar later zou hem alle veerkracht, allen moed ontnomen wor-
den, waardoor hij, vooral van uitgaven uit vroegere dagen,
vrijwel afkeerig zou worden.
Wat meer in 1862 verscheen als gevolg van nieuwe ont-
werpen, had over het algemeen niet die hooge belangrijk-
heid, welke bovenal het jaar 1860 gekenmerkt had. Dat was
van den kant van Kruseman gewild. Opnieuw had zich bij
hem het plan gevormd zich te ontdoen van het overtollige
om zich door die mindere zorgen des te beter te kunnen
wijden aan de uitvoering van nieuwe ])lannen, die hem
sinds lang voor den geest zweefden en langzaam aan een
vasteren vorm zouden aannemen: in het bijzonder heb ik hier
het oog op De voornaamste godsdiensten. Het zou echter blij-
ken, dat de groote tijd ten einde ging loopen en dat de vrij-
heid, die hij zich voorspiegelde te zullen krijgen, niet meer
de gewenschte vruchten zou opleveren.
Door de uitbreiding, die zijn zaken gaandeweg genomen
hadden, waren deze hem te zwaar geworden. Om die reden
was het, dat hij reeds in 1857 zijn debietzaak had overgedaan
aan C. van Asperen van der Velde \'; om diezelfde reden, maar
ook omdat het, na de fondsveiling van 1857, op den duur
moeielijk bleek te zijn de drukkerij geregeld van werk te
voorzien, bood hij reeds in December 1858 bij advertentie in
het Nieuwsblad2 die inrichting te koop aan en beval te gelijker
tijd, zonder veel succes, bij circulaire zich aan voor het drukken
van werken zijner confrater-uitgevers.
Het Zondagsblad, van Noothoven van Goor overgenomen,
deels met de bedoeling aan de drukkerij vast werk te ver-
schatten, had zich niet staande kunnen houden en kort na de
opheffing dier courant, deden zich koopers voor de drukkerij
1 Nieuwsblad voor den Boekhandel 19 November 1857.
\' 10 Februari 1859.
:57
-ocr page 593-
FONDSVEIUNG IN 1862.
578
1862. voor. Met September 1861 ging zijn typographische inrichting
met den inventaris voor ƒ\'\'25000 over aan de Gebrs. C. en
L. A. van Asperen van der Velde \'.
Maar ook geen andere oorzaak dan de begeerte om zieh
zooveel mogelijk van zorgen te ontlasten, had de fondsveiling
van den 22 üctober 1862. In den Catalogus der veiling gaf
Kruseman rekenschap van dien voorgenomen verkoojo en de
motieven die hem daartoe bewogen.
Op nieuw ben ik er toe overgegaan om een veiling te
houden van mijn fonds. Bij de verkooping in 1857 heb
ik zoo veel overgehouden en in de laatste jaren is de voor-
raad weder dermate aangegroeid, dat ik naar ruimte ver-
lang. Ik acht het bovendien een niet onpraktischen maat-
regel om na verloop van eenigen tijd fondsartikelen in
de tweede hand te doen overgaan: de Uitgever kan zich
daardoor te vrijer toerusten tot nieuwe ondernemingen,
de Auteur ziet in de verspreiding van zijn werk herle-
vende beweging, en de Handel in \'t algemeen kan zich
gebaat vinden, zoo na verloop van tijd een boek welligt
voor een goedkooper prijs te verkrijgen is dan voor dien,
waartoe de oorspronkelijke Uitgever zich verbonden had.
Wat ik vroeger deed heb ik ook thans gedaan: op
den catalogus is alles te vinden wat ik tot 1862 heb
uitgegeven, zonder achterhouding van het beste.
Alleen mijne uitgave van Bilderdijk en die werken,
welke nog niet kompleet, of van Auteurs zijn met wie
ik in doorgaande betrekking sta, breng ik niet in veiling.
Er is nieuwe keus, en ik durf zeggen ruime kans van
1 C. van Asperen van der Velde associeerde zich te gelijker tijd
met Kruseman\'s oud-bediendej. J. Weeveringh; zij zetten de door eerstge-
noemde gedreven boek-, kunst- en muziekhandel voort onder de firma
Weeveringh & Comp. (Niemvsblad voor den Boekhandel 8 Augustus
1861). Weeveringh bleef voor eigen rekening en op eigen naam
als uitgever werkzaam. De vennootschap duurde slechts 16 maanden
en werd met den 1 Januari 1863 weer ontbonden, (t. a. p. 18 Decem-
ber 1862).
-ocr page 594-
FONDSVEIMNG IN 1862.
579
voordeel. Vooral tegen \'t najaar — ik heb met het oog 1862.
op deze verkooping nog geene najaars-aanbieding gedaan —
is er met mijne artikelen veel te doen.
De veiling liep naar wensch; 99 titels, te samen in 53550
exemplaren werden verkocht, waaronder de Apostelen en pro-
feten,
de Paulus van Beets, de Historische novellen van mevr.
Bosboom-Toussaint, In Dalarna van Bremer, werken van Buijs,
van Van \'s-Gravenweert, van Van der Pot en Walter Scott
(voor ƒ 14-60 a ƒ0.25 per deeltje aan J. E. K. Schwaebe),
Nederlands opstand tegen Spanje door Van Vloten, de tijd-
schriften Wetenschappelijke Blaadjes en IFest-Indie, en de ge-
heele serie der Bibliotheek van klassieke Nederlandsche auteurs
(Magere editie).
Als van zeil\' komt hier een vergelijking tusschen de fonds-
veiling van 1857 met die van 1862 zich voordoen. Het
groote punt van verschil is de naam van den auctionaris; de
laatste veiling werd gehouden door de Wed. J. C. van Kes-
teren & Zoon, H. J. van Kesteren en J. W. Schleijer, de
eerste door J. C. van Kesteren. J. C. van Kesteren was in
Januari 1860 overleden; bij zijn begrafenis in de Oude Kerk
te Amsterdam was het Kruseman, die daar aan de geopende
groeve eenige hartelijke, diepgevoelde woorden gesproken had.
Met die groote opruiming, die in het begin van 1862 op-
handen was, en de kort te voren plaats gehad hebbende over-
dracht van de drukkerij, zijn de belangrijkste handelingen van
Kruseman in 1862 genoemd. De uitgaven, welke het licht
zagen waren wetenschappelijk hoogst belangrijk, voor zoover
ze zich aansloten aan vroegere; het waren goeddeels voort-
zettingen van reeds vroeger begonnen werken of kleinere
uitgaven, welke zich bij oudere werken aansloten; onder de
eerste soort reken ik De zoogdieren, De kruipende dieren,
beide onderafdeelingen van de Gewervelde dieren van Schlegel
in de Natuurlijke historie, een vertaling van Swift\'s Reizen
van Lemuel Gnlliver
door Mosselmans, van Eielding\'s Tom,
J~on.es door Lindo, Terentius\' Blijspelen door Van Deventer
37*
-ocr page 595-
580
HOFDIJK, DE KI.OOSTER-ORDEN.
1862. in de Buitenlandsehe klassieken, Dickens\' Chuzzlewit door
Mensing, het vierde en laatste Verslag der redactie van het
Nederlandse/t woordenboek,
de laatste afleveringen van Oude-
rnans1 De fora van Nederland en De «Jonge\'s Zeewezeu;
tot de laatste afdeeling behooren twee oudheidkundige werken:
Kleine opstellen over de geschiedenis, oudheden en het bijgeloof
in Drenthe, door
Mr. J. Pan, in zeker opzicht een vervolg op
van Schaick\'s werk over Drenthe in 1848 bij hem uitgege-
ven, en het eerste stuk van De klooster-ordeu in Nederland,
historiesch onderzocht en geschetst door
W. J. Hofdijk, en af-
gebeeld door
D. van der Keilen .Tr.
Het schrijven van dat werk was een onmiddellijk uitvloeisel
van Ons voorgeslacht. De uiterst omslachtige behandeling der
stof door Hofdijk, deed het Krusemau onraadzaam achten dat
werk nog meer te doen uitdijen; hij kwam daarom met hem
overeen de klooster-orden liever afzonderlijk te behandelen.
Het plan vond bijval, niet bij Fred. Muller, die den tijd voor
een dergelijk werk nog niet gekomen achtte, wel bij De Bosch
Keinper en Alberdingk Thijm, welke juist van een tegenover-
gesteld gevoelen waren \'. Het gevraagde honorarium deed
Hofdijk en Van der Keilen omzien naar een ander uitgever
als Kruseman; ten slotte kwamen zij toch bij hem terecht.
Al arbeidende kreeg Hofdijk de overtuiging lang geen over-
bodig werk te doen en dat het bekende werk van Schoone-
beek, „de zoolang gevierde", een prul was. „\'t Is weer de
oude zaak, waar het oude, zeer oude zaken geldt: tegenspraak,
verwarring, duisterheid, schreef Hofdijk eens. Ik spreek van
de monniken. Toch boeit het onderwerp mij zeer, en niet-
tegenstaande de inspanning die het weer kost, om uit de ver-
spreide leden een goed geheel, uit de chaos een geordend
samenstel te vormen, ben ik er met het grootste genot aan
bezig. De platen brengen daar het hare toe bij. Waarom
intusschen door u die misselijke tint gekozen, die aan niets
dan aftreksel van gedroogde koemest doet denken, en die ten
eenenmale de wezendlijke fraaie teekeningen bederven, terwijl
\' Brief van Hofdijk c. 1 December 1861.
-ocr page 596-
HOFDIJK., DE KLOOSTEB-OBDEN.                      58J
nog daarenboven de bruine kleur, die op deze wijze alle pla- 186-2.
teu een viesch aanzien geeft, sleehts een zeer enkele maal
voorkomt". Aangekondigd als een werk dat in een beknopt
bestek de geschiedenis zou bevatten van het ontstaan der zicli
hier te lande gevestigd hebbende klooster-orden en een kort
overzicht van de door haar bewoonde gestichten, kwam de
eerste en tweede aflevering zich als een meermalen gewenschte
uitgave in Februari 1862 tusschen de 45e en 46e aflevering
van Ons voorgeslacht aan het publiek aanbieden. Het koopend
publiek liet zich niet geheel onbetuigd; liet debiet was in liet be-
gin wel is waar niet schitterend (329 exemplaren in 14 jaar), even-
min als bij de nieuwe exploitatie in 1867 \'. De groote opgang,
die ten deel viel aan den tweeden druk van Ons voorgeslacht,
door Van den Heuvell en Van Santen in het einde van 1872
begonnen, deed Kruseman echter besluiten opnieuw in 1873
een poging te wagen met Be klooster-orden. Stelde hij bij de
eerste uitgifte den prijs op ƒ0.45 per aflevering, thans kostte de
aflevering slechts ƒ0.25 2, en aan die prijsvermindering ver-
moed ik dat het te danken is, dat thans denkelijk het debiet
wat vlotter is gegaan. Toch zou het debiet alleen niet vol-
doende zijn het in dit artikel gestoken kapitaal terug te win-
nen; slechts de verkoop van het artikel op de fondsveiling
van 1876 bracht de uitschotten x en inkomsten op ongeveer
gelijke hoogte, toen M. Nijhofl\' voor ƒ496.54 kooper werd.
Terwijl deze de 675 resteerende exemplaren a ƒ0.75 gekocht
had, verkocht hij het volgende jaar 668 exemplaren a ƒ0.68
aan E. G. Coheu 4.
De overige hier te noemen uitgaven van 18(52 hebben een
zeer eigenaardig karakter: zij scharen zich bijkans alle om
1 Nieuwsblad voor den Boekhandel 7 November 1807.
1 t. a. p. 20 September 1873.
3 f 3836.90, waaronder f120 aan honorarium voor den tekst, /\'(i20
voor het teekenen der 31 platen en f 910.50 voor het steendrukken
daarvan.
1 Nieuwsblad voor den Boekhandel \'20 Februari 1877.
-ocr page 597-
582
CD. BUSKKN HUET.
1862. één onderwerp: de moderne theologie; om één punt: het af-
treden van Huet als predikant.
De redenen, waarom Huet ontslag nam als pasteur wallou,
worden veelal gansch verkeerd voorgesteld. Een hervormd
predikant, die de mededeelingen in den Bijhei niet grif en
gaaf voor onomstootelijke waarheid aanneemt, zulk één, een
ongeloovige en op den duur een atheïst,\' kan geen vrede
hehhen met de Christelijke leer; hij moet, wil hij eerlijk blijven,
zijn ontslag nemen.
Die redeneering mist inderdaad alle logisch verband en eerst
in deu allerlaatsten tijd is het, voor zoover ik weet, scherp ge-
formuleerd, dat kerkleer en Christelijk geloof inderdaad weinig
verband met elkander hebben.
Door Prof. Dr. P. J. Muller, den opvolger van Huet in
de Haarleinsche Walsche gemeente werd in de Conférence
coaugélique walloune,
die in October 1897 gehouden werd,
helder uiteengezet \', hoe „orthodoxie" slechts een formuleering
is van het „christelijk geloof", zooals de Kerk dat op een ge-
geven oogenblik onder woorden gebracht heeft, hoe, terwijl het
„geloof" als zoodanig onveranderlijk is, de formuleering daar-
van, m. a. w. de kerkleer onvermijdelijk onderhevig is aan den
invloed van het voortgaan der denkbeelden en hoe dus de
orthodoxie, die zich vasthoudt, hetzij dan met of zonder „geloof"
aan voor een paar eeuwen opgestelde geschriften, niet meer in
overeenstemming kan blijven met de opvatting van de leer
door Jezus gepredikt.
Die invloed der wetenschap had zich hoe langer hoe meer
op Huet doen gevoelen en waar hij zich terecht in zijn volle
recht bleef gevoelen Hervormd predikant en Evangelie-dienaar
te blijven, oordeelt het profanum vulgus van toen en van nu,
dat hij door ontrouw te worden aan een kerkleer van voor drie-
honderd jaar, geen recht meer mocht hebben op het bekleeden
van een ambt, dat hij gebruikte om een streng Christelijke
leer te verkondigen, die in strijd was met de officieele en
1 Een referaat van deze conférence gaf de Walsche predikant van
Amsterdam S. J. Kichard in Le refuge 5 novembre 1897 pag. 85 suiv.
-ocr page 598-
583
CD. BITSKEN HUKT.
officieuse opvattingen van vroegere eeuwen. Een prediker die 1862.
niet de kerkleer verkondigt, behoort van den kansel geweerd
te worden.
Aldus zegt men en past dat ook toe op Huet. Allerminst
werd Huet aan de Kerk ontrouw, maar wel omgekeerd de Kerk
aan hem. Zijn moderne predikaties, hoe ook gewaardeerd door
de omgeving, waar hij geestelijk en literair mede sympathi-
seerde, der Haarlemsche Walsche gemeente ergerden zij; „het
kleine kerkgebouw dreigde ledig te loopen" \'. Er gingen
langzaam aan geruchten loopen, dat hij niet langer pasteur
zou blijven en de Amsferdamsche Courant van den 11 Februari
1SG0 had reeds zeer voorbarig zijn ontslag gemeld. Huet
echter meende zich en zijn Evangelie-verkondiging volkomen
op zijn plaats in de hervormde keik. Waarom ook niet wan-
neer hij zag bij zijn optreden in de Haarlemsche Sint-Bavo, dat
zijn woorden nog steeds de oude aantrekkingskracht hadden - ?
Toch kwam zoo nu en dan als ter sluiks de vraag wel
even bij hem boven, of de tegenpartij niet inderdaad wel
eenigszins gelijk had; niet wanneer zij beweerde, dat een
modern theoloog alreeds om zijn standpunt geen Evangelie-
verkondiger mocht zijn, maar wel, met haar zeggen, dat een
modern theoloog geen ambtelijke bediening mocht bekleeden
in het oud-vaderlandsche kerkgenootschap. Het bewijs daarvan
lees ik in de vijfde alinea van eenige stellingen, die Huet in
October 1860 in de Haarlemsche Debathig Society verdedigde.
De vraag of een leeraar der Nederlandsche Hervormde
Kerk, wegens vermeende ouregtzinnigheid, dat kerkgenoot-
schap uit eigen beweging behoort te verlaten, is eene
gewetensvraag. Regtens kan zij dus ook alleen door dien
leeraar zelven beantwoord worden.
Opmerkelijk is het, dat Huet hier sprak van „Nederlandsche
Hervormde Kerk". Van het Walsche ressort, een andere loot
1 Naber. Vier Tijdgenooten. Haar], 1894 blz. 27.
1 t. a. p. blz. 28.
-ocr page 599-
58-4
CD. BITSKEN HUET.
1862. van denzelfden stam, die met de Nederduitsch Hervormde Kerk
onder hetzelfde kerkverband staat, sprak bij niet. Mag daaruit
de gevolgtrekking gemaakt worden, dat hij een modern theo-
loog co ipso daar wel op zijn plaats achtte? Het is mogelijk,
maar de ondervindig in eigen gemeente opgedaan, was dan
toch alles behalve van dien aard om hem in de juistheid van
die meening te versterken.
Als pasteur toalloii maakte hij hoe langer hoe meer een
volslagen fiasco.
De geringe vruchten van zijn kanselredenen ging hij toe-
schrijven aan de taal, waarvan hij zich als pasteur wallou
moest bedienen en het voorstel werd door hem gedaan af en
toe ook in het Dietsch in de Walsche kerk te preeken. Dit
voorstel werd met groote meerderheid van stemmen verworpen
en dit échec noopte hem zijn ontslag in te dienen \'. Bespeu-
1 Ofschoon de missive, waarbij Huet zijn ontslag indiende Lij het
Consistorie, niet in rechtstreeksch verband met Kruseman staat, acht
ik het niettemin van veel belang hier dat schrijven letterlijk af te
drukken.
Messieurs, tres honorés el tres chers frères.
At/ant obtenu dans ces derniers temps la plus enliére certiiude ijue
ition ministère a cessé de répondre aux vuux de la majorité des mem-
bres les /iliis influenls du troupeau, je crois de mon devoir de re\'signer
entre les mains dn Consistoire, ainsi tjue f ai Vlionneur de faire par
la présente, mes fonctions comme pasteur dans l\'Eijlise wallonne de
Harlem.
Vainement f ai consenti, au prix de ma dignité et pour l\'amour de
la paix, a me faire régulièrement remplacer dans la suite par des
prédiealenrs d\'une autre tendance que la mienne. Dés les premières
démarches, il a paru que ce remede était, sinon pire que Ie mal, du
moins aussi grave.
Plus vainement encore, afin de réparer Ie tort que mon ministère
fait aux interets matériels de volre Église, fai proposé d\'adopter
Vintage partiel de la longue nationale. LSespoir que je nourrissais
d-\'allirer par ld au temple un public nouveau, et de qui la présence
reguliere put en quélque sorte compenscr la retraite
rf\'un cerlain nom-
bre d\'anciens membres, a été démontré n\'étre qu\'une illusion plus ou
moius généreuse.
Comme dans eet état de choses il ne me veste plus qu\'a me retirer,
-ocr page 600-
585
CD. BUSKEN HUET.
rende, dat de weg, dien hij aanwees om zich in liet Walsche isfi*-
ressort binnen de perken der Hervormde Kerk een zuiveren
toestand te schepjjen, en zijn richting en ambt dienstbaar te
blijven maken aan de hem voorgeschreven plichten, niet ge-
wenscht werd door zijn gemeente; ziende, thans door een ofti-
cieele stemming, dat zijn gemeente hem ontrouw werd, wilde
hij zijn uitnemende gaven niet langer daaraan besteden, en
hij deed dien stap \'. In weerwil van een dringenden brief aan
het Consistorie gericht door Pierson en Kéville, twee van Huet\'s
Rotterdamsche ambtgenooten, werd het ontslag verleend.
Maar meenden o. a. de Enschedé\'s als leden van het
Consistorie, niet anders te kunnen handelen, waar zij de
geestelijke belangen der aan hun zorgen toevertrouwde ge-
meente moesten behartigen, als particulieren hadden en ble-
ven zij hooge achting en eerbied koesteren voor de letterkuu-
dige bekwaamheden en uitnemend stylistische eigenschappen
van Huet. Het had toch reeds bij de eigenaars van de Opregte
ie désire Ie faire dans Ie méme esprit de réciproque estime qui
a toujours, niessieurs, caractórisës nos rapports. Les convenances
exi(jent que Ie fait de ma démission soit par vous-mémes porté d la
connaissance du secrétaire de la Commission wallonne; mats il est
inutile de vous dire que si duns les autres détails administratifs de la
vacance je puis vous ëlre de quelque utilité, mes services sonl entière-
ment d volre disposition.
Veuillez recevoir mes plus sincëres remerciements pour la confiance
dont vous et vos deoanciers m\'ont honoré durant tout Ie temps de mon
ministère et me croire, invariablement
Votre bien aimé frére et seruiteur
Harlem                                                          Busken Huet.
J.ï janvier J862.
1 Pierson poogde Huet persoonlijk tot terugneming van het verzoek
te bewegen. (Brief van Pierson 16 Januari 1862). — Vgl. over de
verhouding van Pierson en Huet, zoowel onderling als tegenover de
theologie als wetenschap, de belangrijke beschouwing daaraan gegeven
door Naber in zijn Allard Pierson. Haarl. 1897 blz. 171 vlg.; met
groote scherpzinnigheid wordt daar, bij hoeveel uiterlijke overeenkomst,
gewezen op veel verschil in beider persoonlijken aanleg, die beslissend
zou zijn voor den verderen loop van beider leven.
-ocr page 601-
5SÖ
CD. BIJSKEN HUBT.
1862. Haarlemsche. Courant een punt van overweging uitgemaakt
Huet aan het redactiewerk van dat dagblad te verbinden.
Mr. A. J. Enschedé, lid van de firma Joh. Enschedé en Zonen en
destijds diacre van de Eglise wallonne, van wien dat denkbeeld
was uitgegaan, kreeg in opdracht daarover met Huet te gaan
spreken. Maandagmorgen, den 13 Januari 1802, ging hij, geheel
onbekend met Huet\'s besluit, naar diens woning en kwam daar
als „een reddende engel": de vorige avond had Huet de
missive geschreven waarin hij zijn ontslag als pasteur nam,
zooals Huet\'s echtgenoote hem mededeelde, aan wie het blijde
voorstel gedaan werd. Tot den 1 Mei 1868 bleef hij werk-
zaam bij de firma Joh. Enschedé en Zonen.
De eerste, aan wien Huet zijn ingediend ontslag als pasteur
mededeelde, was Kruseman.
Waarde Vriend.
ik heb, niet zonder smart doch tevens met een gerust
geweten en een volkomen vertrouwen, heden mijn ont-
slag bij den kerkeraad ingediend als predikant der Walsche
Gemeente.
Hetgeen tot dezen, voor mij hoogst gewigtigen stap
aanleiding gaf, daarover spreken wij te zamen bij onze
eerstvolgende ontmoeting. Thans meld ik u alleen het
feit; en doe dit zelf, omdat uwe getrouwe vriendschap u
regt geeft deze tijding allereerst te vernemen uit mijn
eigen mond.
Aangezien hoofdzakelijk litterarische arbeid voorloopig
in mijn onderhoud zal moeten voorzien, behoef ik u niet
te zeggen dat ik mij bij dezen zeer ernstig bij u aanbe-
veel in „de gunst en recommandatie".
Geheel de Uwe,
Maandagavond.                                Busken Huet.
Wat Kruseman hierop antwoordde kan ik niet letterlijk mede-
deelen, maar het blijkt voldoende uit het volgende schrijven:
-ocr page 602-
587
BUSKEN HUET, ONZE BEDE.
Waarde Vriend.                                                                 1802.
Dank voor uw briefje; een briefje dat van alle briefjes
die gij mij ooit of immer scbreeft zeker wel bet minst
op mij den indruk beeft gemaakt afkomstig te zijn van
een bandelaar of uitgever. De publicatie waarvan gij
spreekt kan ongetwijfeld door de omstandigbeden dringend
gevorderd worden, en niets belet mij haar in gereedheid
te brengen. Doch alvorens ik baar overgeef aan de pers,
moeten er magtiger motieven geboren worden dan ik tot
hiertoe bij mijzelven waarneem. Zoo gaarne wenschte ik
in deze zaak enkel met daden te handelen; te meer om-
dat mijne woorden, al zijn ze nog zoo gematigd, nood-
weudig grievend zouden moeten zijn voor de verdedigers
en instandhouders onzer Walsche kerken. Blijkt mij dat
ik moet, dan zal ik schrijven.
Uw getrouwe
Vrijdagavond.                                          Busken Huet.
De daden, die Huet beoogde, waren de toespraken in de
Concertzaal. Op den 25 Maart 1802 verscheen bij Kruseman Onze
bede. Toespraak gehouden in de Concertzaal te Haarlem, door
Cd. Busken Huet, een brochure van _/0.50 particulier, waar-
van de schrijver het kopyrecht voor /\'4<0 aan den uitgever
had verkocht, die er 1059 exemplaren van omzette. Huet
toch, zijn taak als wettig predikant niet meer kunnende voort-
zetten, bleef zich niettemin geroepen gevoelen als prediker,
lidmaat van de hervormde Kerk \' te blijven optreden en te
blijven medewerken aan „de opbeuring van het peil des ge-
loofslevens overeenkomstig het waterpas van de beschaving
onzer eeuw" 2; als „godsdienstleeraar" 3 bleef hij werkzaam.
1 Dit geconcludeerd uit het feit, dat hij tot tekst van zijn toe-
spraak op den 27 Juli 1862 koos den 38°n Zondag van den Heidelherg-
schen Catechismus.
* Kanselredenen hlz. 337.
\' Algemeen adres-boek der stad Haarlem, J862—J863 i. v.
-ocr page 603-
588                         IHJSKEN HUKT, KANSKLKEDENEN.
1862. Sinds Februari 1802 was hij als particulier persoon begou-
nen theologische voordrachten te houden \', of zooals het
Haarlemsche Weekblad2 liet noemde predikdiensteu in de
Nederduitsche taal te vervullen in de Concertzaal te Haarlem.
Daar vond hij een aandachtig en trouw gehoor, dat hem een
paar jaar lang aanhing. Door een samenloop van allerlei om-
standigheden, mislukte die proefneming om een „Vrije Ge-
meente" 3 te stichten.
De dogmatische richting van Huet trok opnieuw de aandacht
in geen geringe mate. Tegen Onze bede schreef Liernur, Luthersch
Predikant te Haarlem, een Opeit brief; en al gingen zijn
in het Eransch uitgesproken en thans op verzoek van den uit-
gever in de moedertaal vertaalde en omgewerkte Kanselredenen
in December 18(51 bij Kruseman verschenen ", zooals Prof.
Naber zegt, zoo goed als onopgemerkt voorbij 5 — het debiet
802 exemplaren a ƒ2.90 zou het niet doen vermoeden, te
meer nog daar het werk druk werd aangevraagd ° — hetgeen
van Iluet meer in 1802 op modern-theologisch gebied ver-
scheen, werd ruchtbaar genoeg; zijn vlugschrift Aan Mevr.
Bosboom, Toussainf,
dat Weeveringh uitgaf, omdat hij wel be-
1 Zie hierover Herinnering aan de „Concertzaal" te Haarlem door
A. de L., de doorzichtige voorletters van de pseudonieme Geertruide
Carelsen in Los en Vast. Jrg. 188(S blz. 117.
" 25 Januari 1862.
:\' Naber. Vier tijdgencoten. Haarl. 1894 blz. 36.
* „Eéne nietigheid heb ik gisteren verzuimd u te vragen; dit heeft
mij de Haarlemmer van dezen morgen herinnerd. Te weten, of gij,
bij het adverteren mijner Kanselredenen, van de tweede helft van
mijn onsierlijken naam (Huet) dien zekeren „revolutionnairen trema"
(zou Da Costa gezegd hebben) wilt weglaten, dien ik heden ochtend in
de advertentie van Herders en schapen aantrof. De zaak is zoo aller-
schrikkelijkst onbeduidend dat ik haar bijna niet onder woorden durf
brengen; doch wat zal ik er aan doen ? ik heet nu eenmaal Huet
zonder trema." (Brief van Huet c. 1 December 1861.) — Zie over de
opdracht der Kanselredenen aan Prof. Scholten Brieven van Cd. Busken
Huet
Dl. I blz. 105.
5 Naber. Vier lijdgenooten. Haarl. 1894 blz. 20.
" Nieuwsblad voor den Boekhandel 6 Februari 1862.
-ocr page 604-
WHITE, DB ACHTTIEN EEUWEN DBE CHRISTENHEID. 589
greep dat Kruseman zulks wel niet zou willen doen \', beleefde 1802.
in korten tijd drie drukken2; M. Cohen Stuart schreef
Een woord aan Cd. Busken Iluet; W. van der Jagt een Aan
Mevr. Bosboom Tomsaint;
de aangevallene zelve haar be-
keude De terugkeer van Go/gofha, een overdrukje, voorafgegaan
van een woord aan Cd. Buskeu lluet:
Huet was de hete noire,
eeu berucht persoon in den lande. Zijn photographisch portret
werd door Weeveringh in den handel verkrijgbaar gesteld ?\',
en tusschen al die polemiek, nog aangewakkerd door de titel-
uitgaven in 1861 en 1862 van de Brieven over dsn Bijbel en
den tweeden druk daarvan in het volgend jaar 1863, bleef Huet
zelf nog oprecht en eerlijk getrouw aaii zijn moderne begin-
selen en literairen arbeid.
In 1861 diende hij Kruseman van advies over een eventueele
aankoop van Gebrs. Binger te Amsterdam van de door Dr. J.
J. Bergsma geleverde vertaling van White\'s De achttien eeuwen
der Christenheid
en op zijn advies kocht Kruseman de geheele
onuitgegeven oplaag (556 exemplaren) o\\> de auctie van Van
Kesteren en Schleijer van den 12 September 1861. Schoon het
een onvoordeelige speculatie zou blijken, is het advies van
Huet belangrijk genoeg hier af te drukken.
1    In een ongedateerden brief schrijft Huet: „Ik heb (dit was de
reden dat ik u heden zocht) eene kleine brochure geschreven tegen
Mevr. Bosboom, en wenschte u te verzoeken (niet dit pamfletje uit te
geven; dit zal Weeveringh doen, en daar zult gij niet tegen hebben,
hoop ik) maar mij behulpzaam te zijn in de correctie. Hoe zorgvuldig
ik ook tegen de verzoeking daartoe gewaakt heb, het kan zijn dat mij
hier en daar ongepaste uitdrukkingen zijn ontsnapt; en ofschoon ik
Mevr. Bosboom vast niet minder hoogacht dan gij, gij kent haar langer
dan ik en kunt beter oordeelen over hare plaatselijke gevoeligheden."
(Vgl. Brieven van Cd. Bushen lluet Dl. I blz. 111 vlg.)
2    lc druk aangekondigd in Nieuwsblad voor den Boekhandel 2
Januari 1862; 3° in Haarlemsche Courant 21 Maart 1862. — Vgl.
hiervoor blz. 563.
1 Vgl. Nieuwsblad voor den Boekhandel 26 Juni 1862.
-ocr page 605-
590 WHITE, DE ACHTTIEN EEUWEN DER CHRISTENHEID.
Waarde Heer.
Met het grootste genoegen heb ik vijf uren aan één
stuk in het boek van James White zitten lezen. De tijd
is te kort, en mijne historische kennis veel te weinig,
dan dat ik nu reeds wagen zou een eigenlijk gezegd
oordeel uit te spreken. Doch wilt gij den algemeenen
indruk kennen dien ik ontving, dan zeg ik: gebruik al
uw krediet om dit boek zoo veel mogelijk bekend te ma-
ken. Het is een pendant van Heinrich Lang\'s Wandeling
door de christelijke wereld,
u bekend. Wat Lang om-
trent den gang der ideeën gedaan heeft, doet White met
de feiten. Lang is welsprekender, White rijker en veel-
zijd iger; Lang is beter dogmaticus, White meer zuiver
historicus. Ik zou niet weten welk van beide boeken
ik liever zou geschreven hebben, of liever in staat zou
zijn te schrijven. White is vlugtig, ja, en dit kan niet
anders binnen zulk een kort bestek; doch ik vind hem
alles behalve oppervlakkig. Oppervlakkig noem ik een
boek als Bosscha\'s armzalige Schets der algemeene ge-
scJiiedsnis.
Yergeleken bij deze schets, en bij meer andere
geschriften van dien aard, is het boek van White een
meesterstuk, een rijke mijn van feiten en beschouwingen.
Doch herinner u: ik ben niet bevoegd om over het
gehalte van het boek te oordeelen. Gedoogt de tijd niet
dat gij den een of ander onzer historici van professie
raadpleegt (Ds. Delprat te Eotterdam, Mr. Mees aldaar,
Prof. Dozy, Prof. Êruin, Lodewijk Mulder enz.), vraag
dan of Quack u zijn meening zeggen wil. Diens histo-
rische kennis is vrij wat grooter dan de mijne, en hij is
even digt bij de hand.
Wat de vertaling betreft, deze is verrassend goed.
Zonder doorgaans puntig te zijn, is de stijl op menige
plaats uitmuntend. Lompe fouten heb ik nergens ont-
moet. De correctie laat niets te wenschen overig. Zigt-
baar is deze overzetting met zorg en cou amore bearbeid.
Alleen heb ik déze bedenking tegen den titel dat „des
-ocr page 606-
WHITE, DE ACHTTIEN EEUWEN DER CHRISTENHEID. 591
Christendoms" behoorde veranderd te worden in „der 1S62.
Christenheid \'. Het boek is geene Christelijke kerkge-
schiedenis, maar eene Christelijke wereldhistorie. Of zijt
gij niet met mij eens dat „Christendom\'\'1 (in objectieve
zin) gelijkluidend is met „Christelijke kerk" ?
»L\'\'histoire est tovjours a faire", zegt Villemain; en zoo
zal ook het boek van White, zelfs al wordt het door de
mannen van het vak proef houdend bevonden, over eenigen
tijd verouderd zijn en plaats moeten maken voor een
ander. Doch mij komt het vóór dat gij op dit oogen-
blik aan het groote publiek bezwaarlijk eene degelijker
of onderhoudender algemeene geschiedenis in handen kunt
geven clan deze.
Neem deze aanmerkingen voor hetgeen zij zijn, en
geloof mij
t. t.
Busken Huet.
En dat hij in 1862 nog volbloed aanhanger van zijn leer,
zij het dat die de moderne theologie was, bewijst de korte
briefwisseling over de Geschiedenis van een hapje brood van
Macé.
Het Fransche boekje van de eerste uitgaaf van dit beroemde
geschriftje had Kruseman in Augustus 1861 onmiddellijk na
het verschijnen ter vertaling laten aanteekenen 2 en hij ging
bij Huet, zijn letterkundigen raadsman op advies uit: „Ik ben,
was zijn antwoord 3, al lezende, bijna geheel en al van meening
veranderd. Wel te verstaan, niet wat betreft de geschiktheid
1 Dit advies werd opgevolgd. De Engelsche titel luidde The eighteen
christian centuries;
de vertaling zooals die op de fondsveiling van
Binger voorkwam: De achttien eeuwen des Christendoms. (Nieuwsblad
voor den Boekhandel
22 Augustus 1861).
1 De voor mij liggende eerste geïllustreerde Fransche editie in 1865
bij Hetzel et Cie. verschenen heeft nog een deuxiënie partie: les ani-
maux,
dat niet in de Nederlandsche uitgaven voorkomt.
3 Brief van Huet 8 December 1861.
-ocr page 607-
592           MACE, GESCHIEDENIS VAN EEN HAPJE BROOD.
1862. van de vertelseltjes en tooneelstukjes voor ons hollandscli
publiek, maar wat aangaat hunne letterkundige waarde. Vooral
de vertelseltjes of sprookjes vind ik voor het meerendeel be-
wonderenswaardig." Met de vertaling belastte zich mevrouw
Busken Huet en zooals van zelf sprak, liet Huet zelf zijn
oog ook gaan over de proeven. De laatste zin van de voor-
laatste alinea was Kruseman niet naar den zin; hij zag er een
bewijs in dat de schrijver een pantheïst was; ten onrechte
oordeelde Huet, die bovendien ook niet wilde medewerken om
een ander slot aan de vertaling toe te voegen. Huet\'s meening
hield de overhand, maar Krusemaii\'s ingenomenheid met de
uitgaaf was verdwenen, hij zag er geen heil meer in. De uit-
komst logenstrafte zijn vermoeden; het debiet was lang niet
om over te klagen, wellicht een gevolg van den bijval, dien het
boekje in ÏYankrijk vond. In April 1862 verschenen, bleek
het op de fondsveiling van April 1865 dat er 593 exem-
plaren verkocht waren.
Die korte briefwisseling over de godsdienstige waarde van
Macé\'s boekje bewijst Huet\'s goede trouw, en laat tevens zien
welk een nauwgezetheid Kruseman betrachtte bij zijn uitgaven.
Negentig jaar vroeger was in een Nederlandsch weekblad
de stelling verkondigd, dat in het algemeen gesproken een
uitgever niet verantwoordelijk behoeft te zijn voor de boeken
die bij hem uitkomen, want in verreweg de meeste geval-
len zou het hem aan tijd moeten ontbreken de hem aangebo-
den handschriften te lezen en te beoordeelen \'. Nimmer zou
Kruseman die stelling onderschrijven, veel minder toepassen
als gevolg van de daar gestelde praemisse. Aan Da Costa
had hij indertijd zijn standpunt uiteengezet hoe hij als uit-
gever stond tegenover de denkbeelden van zijn auteur; hoe
hij, zelfs bij principieel verschil toch een werk kon uitge-
ven dat een gevoelen tegen het zijne indruischende verkon-
digde2; het verhinderde natuurlijk geenszins dat de subjec-
tieve persoon en de objectieve uitgever liefst hand aan hand
1 De onderzoeher. Dl. IV (23 Maart 1772) Mz. 171.
* Zie hiervoor blz. 400.
-ocr page 608-
MACE, GESCHIEDENIS VAN EEN HAPJE BROOD.           593
gingen. En die objectieve uitgever, hoe langer hoe meer 1862.
verdween die, waar de uitgaven zich reeds nu in de laatste
jaren meer en meer in een bepaalde richting bewogen. De
godsdienst als zoodanig mocht niet ondermijnd worden en
homogeen zal hij dan ook wel geweest zijn met de door den-
zelfden schrijver verkondigde eerste stelling: „Een Boekverkoper,
die wetens een werk drukt waarin de grondvesten van den
Godsdienst of de Zedekunde met een boosaardig opzet of op
eene honende en spotagtige wys worden aangetast, is aansprake-
lyk voor zyn boek" \'.
Vier jaar na liet verschijnen was er een oogenblik kans,
dat Macé\'s werkje aanleiding zou worden tot een principieel
geschil. Nederland en Frankrijk hadden in 1855 een overeen-
komst gesloten over het letterkundig eigendomsrecht2. Onge-
lukkig was in artikel 1 geen nadere omschrijving gegeven,
hoe de eigendom van vertalingen op te vatten was; de op-
vatting van den Minister bij de verdediging van het ontwerp
was echter, dat een Fransche uitgever geen recht kon doen
gelden op Nederlandsche vertalingen van zijn uitgaven in
Nederland gedebiteerd, buiten zijn toestemming uitgegeven.
In Augustus 1866 nu ontving Kruseman een schrijven van
Hetzel te Parijs, waarin hij gedreigd werd met een gerechtelijke
vervolging wegens het uitgeven van die vertaling. Na eenige
briefwisseling met Hetzel, werd van de zaak verder niets
meer vernomen. Trouwens Kruseman zelf zou er weinig last
van gehad hebben: de algemeene vergadering der Vereeniging
toch had vroeger reeds besloten om de eerste vervolging, die
er ter zake van een vertaling uit het Fransch naar aanlei-
ding van het gesloten tractaat met Frankrijk mocht worden
ingesteld, voor rekening der Vereeniging te nemen s, en zoo
waren dan ook de door Kruseman verzonden brieven opge-
maakt, en hier en daar gewijzigd, in overleg met het Bestuur
der Vereeniging.
1 De onderzoeker. Dl. IV (23 Maart 1772) blz. 171.
1 Bouwstoffen. Dl. I blz. 545.
a Handelingen der algemeene vergadering 8—9 October 186G.
88
-ocr page 609-
594 PIEUSON, DE OORSPRONG DER MODERNE RIGTING.
1862.             Kruseman was door die uitgaven nu sinds 1S57 geheel de
uitgever van de populaire moderne theologie geworden; in
1802 kwam dat zeer sterk uit. Naast de besproken werken
van Huet zag een geschrift van Allard Pierson het licht.
De oorsprong der moderne rigting, dat in Februari zou ver-
schijnen, was geschreven naar aanleiding en ter beantwoording
van twee redevoeringen, die door Prof. Doedes gehouden
waren tegen de zoogenaamde moderne theologie \'. Hoe den titel
van dit werk te kiezen? Over de empiriaelie methode in betrek-
king tot gewijde geschiedenis en dogmatiek
2, of iets dergelijks,
meende de auteur. Twee dagen later schreef hij: „Ik geloof
een korter titel gevonden te hebben. . . . Nadenkende over
den inhoud van mijn geschrift, kom ik tot de slotsom, dat al
wat ik gezegd heb in onmiddellijk verband staat met slechts
twee vragen, de vraag van de immanentie en van het determi-
nisme. Ik besj)reek de wijsgeerige of logische beginselen enkel
voor zoover ze de wonderkwestie raken, d. i. de leer van Gods
immanentie; het Godsbegrip alleen in zoover het door de
leer der immanentie geaffecteerd wordt; de moderne theologie
en orthod. en daarbij wordt eigenlijk alleen op de affirmatie
ter eene en de negatie ter andere zijde van het determinisme
de aandacht gevestigd. Zou het nu niet \'t eenvoudigste zijn
den titel aldus op te geven: Over immanentie en delermi-
nisme?"
Tegen die vreemde woorden had Kruseman bezwaar;
de titel werd zooals gezegd is. De 850 exemplaren der oplaag
waren spoedig uitverkocht; in hetzelfde nummer van het Nieuws-
blad
3 waar de titel van het werk onder de Jongst verschenen
boekeu
voorkomt moest de uitgever reeds een dringend verzoek
om terugzending der onverkochte exemplaren jjlaatsen. Een
maand later kreeg Pierson al een uitnoodiging om een tweeden
druk persklaar te maken. Deze verscheen in Mei en was 222
1 Modern of apostolisch Christendom? Toespraak gehouden.... d8
September .1860.
Utr. 1860 — De zoogenaamde moderne theologie
eenigszins toegeliclit. Openingsrede gehouden...... September .186J.
Utr. 1861.
\' Brief van Pierson 14 Januari 1862.
3 6 Februari 1862.
-ocr page 610-
595
PIERSON, ZWAKHEID EN KRACHT.
bladzijden groot, terwijl de eerste er 180 telt. Het polemische 1862.
deel was zeer ingekort en de toon der polemiek belangrijk
verzacht; meer eenheid had Pierson in zijn geschrift gebracht
en daardoor ook meer verband tusschen al de deelen en den
algeineenen titel \'. In de plaats van die inkorting verscheen
een nieuw vierde hoofdstuk, dat de roeping van den dogma-
ticus in die dagen ten onderwerp heeft -. Op verzoek van den
schrijver verscheen dat nieuwe hoofdstuk ook afzonderlijk als
Zwakheid en kracht. Terwijl voor den eersten druk f 170
honorarium gegeven was, kreeg de auteur voor die bijvoeging
,/\'C0. Zwakheid en kracht werd flink verkocht en trok evenals
De moderne rigting zeer de aandacht\'1; van de 850 exemplaren
zette Kruseman er 650 om tegen 205 exemplaren van den
tweeden druk van De moderne rigting.
Een maand na het verschijnen kwam Pierson met het ver-
zoek zijn redevoering over De beteekenis der kunst voor het
zedetijk leven,
den 18 Juni 1SG2 in de Akademie van beeldende
kunsten en technische wetenschappen te Rotterdam uitgespro-
keu, in het licht te geven. In Juli daaraanvolgende verschenen,
gaf deze brochure van /\'0.40 part. omstreeks ƒ15 deficit.
Door dien theologischen omgang met den Rotterdamschen
pasteur loallon Pierson, hoorde Kruseman meer dan vroeger
het geval was, den lof van zijn plaatselijken ambtgenoot Réville.
Met Huet was hij der Dritte im Bunde in het Walsche res-
sort in het propageeren der moderne theologie; volkomen be-
grijpelijk is het dan ook dat Kruseman inging op het voorstel
van Réville een Nederlandsche vertaling van zijn Mauuet d\'in-
structiou religieuse
te geven; de voorgeschiedenis dier uitgaaf
1 Brief van Pierson 18 Maart 1862.
1 Brief van Pierson 13 Maart 1862.
* [Gr. Barger] Christendom en empirisme. Teregtwijzing aan Dr. A.
Pierson, naar aanleiding van zijn geschrift „De oorsprong der moderne
rigting" door Anastasio.
Utr. Kemink en Zoon verscheen er tegen en
lokte weer antwoord van een ander uit. Prof. Dr. A. D. Loman behan-
delde dien strijd in De Gids 1862 Dl. II blz. 361.
38*
-ocr page 611-
596
FAMILIE-BIJBEL.
1862. valt echter geheel in 1863, en moet daarom eerst in liet vol-
geude deel besproken worden.
De moderne theologie evenals de orthodoxie gaat uit van
het Bijbelsch standpunt; het is slechts een verschil van op-
vatting, waar de eene richting het Boek der boeken critisch en
rationeel zoekt te beoordeelen, de andere een veel ruimer plaats
geeft aan gevoel, verbeelding en geloof; waar de eene richting
meent, dat de „waarheid" nog gezocht moet worden in het
toekomstige en de andere van oordeel is, dat zij ligt in het
verledene. Voor beide partijen blijft de Bijbel zelf in hun
theologischen strijd het voornaamste geschilpunt. En al moge
dan ook de authentieke waarde van den Bijbel, geschiedkundig
en wijsgeerig voor hen ongelijk zijn, als bron van den aller-
eersten rang is zij bij beiden in gelijksoortig aanzien: de Bijbel
is voor beiden de eerste en beste bron. Eén der laatste uit-
gaven van Kruseman in 1862 was de eerste aflevering (56 blz.)
van een geillustreerden {Familie-Bijbel bevattende al de boeken
van het oude en nieuwe Testament colgeus de Stal en-overzetting.
Met ophelderende geographiscJie en topographische aauteeheuingen.
De onderneming van de firma Cassell, Petter & Galpiu te
Londen had navolging opgewekt bij Nijgh te Ilotterdam Cas-
seVs Illustrated famil// Bible
in Nederlandsch gewaad te steken;
den 28 December 1860 was het werk voor hem ter vertaling
geregistreerd. Hoewel het hem in weerwil van vlijtige col-
portage door A. H. M. Andrea, P. de Leeuw, A. Calisch
e. a. niet gelukte voldoend aantal teekenaars te verkrijgen \',
werd het recht ter vertaling den 13 December 1861 voor hem
verlengd. Blijkbaar geschiedde dit, omdat hij reeds onder-
handelingen had aangeknoopt met Kruseman tot overname van
de uitgaaf. Voor ,/\' 400, voor gemaakte onkosten en opge-
geven inteekenaren ging het recht ter vertaling over en Kruse-
mau trad in onderhandeling met de Engelsche uitgevers om
cliché\'s der houtgravuren te verkrijgen. Daarin slaagde hij
1 Hoewel zekerheid mij ontbreekt, komt het mij voor dat Kemink
en Zoon te Utrecht nog het grootste getal exemplaren debiteerde.
-ocr page 612-
FAMILIE-BIJBEL.                                         597
naar wensch en verkreeg cliché\'s der prenten, waarvoor hij 1862.
met inbegrip van de kosten voor het opslaan/\'9502.65 moest
betalen \'. Van de eerste aflevering werden 4500 exemplaren
getrokken, en al dadelijk was het duidelijk, dat, in weerwil
van den goedkoopen prijs van ./\'0.90 per aflevering, de uitgaaf
niet gemakkelijk zou slagen-. De kaartjes liet hij in steen bren-
gen door Bal te Delft en wel die uit de Engelsche editie,
welke daartoe door Huet aangewezen waren. De volgende af-
leveringen hadden een oplaag van 2000 exemplaren. Uitgebreide
hoogst kostbare colportage moest ter hand genomen worden;
in tien jaar legde Kruseman hieraan /\'432S.30 ten koste.
Waaraan dit vrijwel mislukken der uitgaaf toe te schrijven in
weerwil dat zij bij een nieuw prospectus werd aanbevolen door
de Amsterdamsche en Eotterdamsche predikanten en door ar-
tisten als Bosboom, Van de Laar en ltochussen!J
,,lk liet de orthodoxe aanteekeningen meer wetenschappelijk
bewerken door Mr. J. J. Bergsma, tevens Theol. doctor, schreef
Kruseman later. Ware ik 3 toen beter op de hoogte geweest
van de eischen van houtsueedruk, dan zou de uitvoering vrij
wat fraaier hebben kunnen zijn. Het debiet beantwoordde niet
aan de verwachting; de moderne of liever niet-orthodoxe geest
der aanteekeningen werkte dit tegen11.
De geheele aanmaak van liet werk kostte aan Kruseman,
zonder hetgeen hij in later jaren er aan ten koste legde om
het debiet te bevorderen, zooals sinds November 18(55 een volks-
uitgaaf in wekelijksche afleveringen van twee kwarto-vellen
(10 blz.) a_/\'0.25, ƒ\'31172.50; de particuliere prijs van den
* Vier jaar later maakte N. Tetterode te Amsterdam bekend, „dat hij
een engagement getroffen heeft, met de beroemde firma Cassel, Petter &
Galpin te Londen, en daardoor in de gelegenheid is, van al de geïllu-
streerde werken van dat huis cliché\'s in galvanisch koper te bezorgen,
tegen den prijs van 4°/I0 cents per vierk. duim. Uitgevers van geïllu-
streerde werken, kunnen den Catalogus bestaande in 5 folianten tijdelijk
ter inzage krijgen." (Advertentie in Nieuivsblad voor den Boekhandel
2 Augustus 1866).
1 Drie maanden na het verschijnen van de eerste aflevering van zeven
vel telde de uitgaaf nog geen 300 inteekenaren.
3 Lees Van Asperen van der Velde, die het werk gedrukt heeft.
-ocr page 613-
598
FAMILIE-BIJBEL.
1862. Bijbel was f 37.05 voor een exemplaar door J. V. van den
Heuvel te \'s-Gravenhage, gebonden in heel leer, verguld op snee.
Evenals het Scheffer-album in 1858 de reeks der godsdiens-
tige prentwerken in Kruseinan\'s fonds had afgesloten, maar
daarbij tevens als het ware een nieuwe richting in zijn fonds
opende \', is dat ook het geval met den Familie-bijbel. liet
was de laatste uitgaaf die Kruseman zou doen op het terrein
der theologie; met het boek bij uitnemendheid besloot hij zijn
godsdienstige uitgaven, maar tegelijk ontgon hij daarmede een
voor de Nederlandsche boekenmarkt nieuw ongekend veld, de
met tal van houtsneden (cliché\'s) geïllustreerde werken. Wel
is waar had hij reeds in 1849 met de Polichinel een uitgaaf
gedaan, welke door haar rijke houtsnee-illustreering met den
Familie-bijbel vergeleken zou kunnen worden, het volkomen
mislukken van deze onderneming is echter voor mij een reden,
dat zij in dit verband beschouwd mag worden als hoogstens
een niet geslaagde proefneming in een tijd, dat de groote uit-
geversvlucht zich wel reeds begon te ontwikkelen, maar nog
alles behalve tot \\ollen wasdom gekomen was. Toch zou
Kruseman, zooals de toekomst zou leeren, op dat terrein, als
o]) zooveel andere, baanbreker zijn; anderen ten voorbeeld
strekken en daardoor van onberekenbaar veel invloed zijn op
de ontwikkeling en beschaving van ons Nederlandsche volk.
Naast al die zorgen die Kruseman in 1862 had en de
moeiten, die hij zich als uitgever getroostte voor de moderne
theologie, was er nog een ander religieus terrein, waarop
hij zich bewoog: moderne theologie naast christelijk-kerkelijke
kunst, gebaseerd op de middeleeuwsehe begrippen, naast de
ontkenning der Bijbelsche wonderverhalen en een natuurlijke
uitlegging van de Schrift, de erkenning van den Christus, als
alleen Zaligmaker, belichaamd en geïdealiseerd in den Eoomsch-
Katholieken kerkbouw.
Van het werk dat ik hier op het oog heb, verscheen de
eerste aflevering wel is waar in Maart 1863; een jaar te voren.
1 Zie hiervoor blz. 407.
-ocr page 614-
BROUWERS, DE BOUWWERKEN VAN P. J. II. CUYPERS. 599
waren reeds de besprekingen aangevangen over de uitgave van
een boek, dat zou moeten behandelen
DE BOUWWERKEN
van
Den Architect \' P. J. II. Cuypers.
Met toelichtenden tekst
van
Prok. .1. W. Brouweus, 11. K. P. -
Kid\'ler van de Orde der Eikenkroon.
1862.
Les Constuuotions retjgieuses et civiles 3
,1e
L\'architecte P.-J.-H. Cuypers; *
Texte de
M. i/abbé J. W. Brouw kus.
Professenr au College épiscopal de Ruremunde *,
chevalier de 1\'Ordre de la Cotironne de ehêne.
De oudergeteekende
wenscht de uitgave te on-
derneineu der voornaam-
ste bouwwerken van den
heer Cuypers, meestal be-
stemd om binnen het
koninkrijk der Neder-
landen te worden vol-
Le soussigné a 1\'hon-
neur de porter 11 la con-
naissance de tous les amis
de 1\'art, qu\'il a entrepris
la publication des con-
structions reeigieuses
et civiees , notamment
des Eglises, composées
1 Op den titel-omslag van de eerste en cenigste aflevering • „ Architekt."
1 „Prof." niet op den titel, omdat er na de uitgifte van het prospectus en
voor het verschijnen van de eerste aflevering spraak was, dat Brouwers
van het Bisschoppelijk Collegie af zou gaan. (Brief van Alberdingk
Thijm 21 Januari 1863.)
\' Oeuvres d\'architecture.
* M. P.-J.-H. Cuypers.
-ocr page 615-
600\' BROUWERS, DB BOUWWERKEN
trokken en gedeeltelijk
reeds uitgevoerd.
De kunstenaar, wiens
werken hij meestendeels
in keurig bewerkte hout-
sneêplaten, met den noo-
digen tekst voorzien,
wenscht uit te geven, be-
lioort tot de zoodanigen,
wier voortbrengselen niet
zijn de vruchten der wil-
lekeurige opgaven van
verschillende bouwheeren,
maar veeleer de uitingen
der kunstbeginselen, der
overtuigingen op het ge-
bied van konstruktie en
eesthetiek, die zich gedu-
rende eene lange reeks
van studie- en arbeids-
jaren in den geest van
den architekt hebben ge-
vestigd. Uit is een waar-
borg voor de eenheid van
doel en rigting, en daar-
meê welligt voor de
vruchtbaarheid, ter be-
oefening, die men in deze
werken zal vinden neêr-
gelegd. De meeste werken
van den heer Cuypers zijn
Kerken; niet te min zal
men, in de verzameling,
ook andere Stichtingen,
als Kasteelen, Scholen,
Raadhuizen, enz. enz.
aantreffen.
VAN 1». .1. H. CUYPERS.
et, en grande partie,
déja, exécutées dans Ie
royaume des Pays-bas, par
rarchitecte M. P. - J. - H.
Cuypers a Ruremonde.
Ces travaux se publie-
ront, la plupart, en xylo-
graphie et sero\'nt accom-
pagnés d\'un texte tres
succint, mettant en évi-
dence non-seulement les
qualités de chaque ccuvre,
mais encore les rapports
existant entre Ie but pra-
tique qui devait être atteint
et les moyens par les-
quels on a travaillé a sa
réalisation. Ces moyens,
du reste, ne se trouveront
jamais être les expressions
des exigences souvent ar-
bitraires et bizarres de
tel et tel propriétaire;
mais répondront toujours
a cette unité de principe,
a ces préceptes impérieux
de Thistoire de 1\'architec-
ture et de la science du
gout, hors desquels nulle
oeuvre d\'art chrétien ne
semble désormais viable.
Ceci, comme nous Ie
croyons, est la meilleure
garantie que ces travaux
pourront être consultés en
toute sécurité, par qui-
conque est fatigué de la
-ocr page 616-
BROUWERS, DE BOUWWERKEN VAN L». J. H. CUYPERS. 601
confusion qu\'un éclectis-
me inconsciencieux a jeté
dans les esjmts.
Les constructionsciviles
de M. Cuypers, telle que
CHflTEA-UX, MAISONS DE
vir.LE, écoi.es, etc. trou-
veront également leur
place dans ce receuil [*/<?].
Des églises on entend
publier non-seulement les
plans, coupes, élévations
etc. mais encore des dé-
tails, a une échelle suffi-
samment grande. On y
ajoutera les cartons des
})eintures murales et des
vitraux, qui s\'exécutent
dans ces églises, d\'après
les dessins de rarchitecte;
ainsi que les dessins des
statues, des vases et des
meubles qui, pour ainsi
dirc, font partie intégrante
des projets.
Comme une grande
variété de besoins a rem-
plir a donné lieu a une
série de constructions de
différentes dimensions,
meublées et ornées en
proportion de la situation
des paroisses, on trouvera
dans la présente publica-
tion un recueil assez com-
plet d\'églises avec leurs
appendices et garnitures,
De Kerken enz. zullen
niet alleen geleverd worden
in plan, doorsneden, op-
standen, enz.; maar daar
zullen worden bijgevoegd
de noodige detailteekenin-
gen van de konstruktie en
ornamentatie; voorts kar-
tons van liet schilder- en
beeldwerk; ook van de
glasscliilderingen, enz. Het
verband tusschen den toe-
stand en de behoeften
der kerken en gemeenten
met de uitvoering en stof-
feering van den bouw,
zal in den bij te voegen
tekst worden aangewezen,
en op die wijze wordt
hier eene verzameling van
ekkleziologische modellen
bij een gebragt, die tot
leiddraad zal kunnen die-
nen bij de pogingen van
verschillende II. K. se-
meenten tot herbouw, ver-
betering, of versiering
harer kerken. Meubeling,
bekleeding, schier alle
bijzonderheden der toe-
rusting tot de Dienst zul-
len beurtelings in dit werk
worden behandeld. Ter-
wijl de studiën, in Enge-
land en Duitschland door
den architekt op de nieuw-
ste en beste stichtingen
-ocr page 617-
602 BROUWERS, ÜE BOUWWERKEN
1862.                 der Engelsche staatskerk
zoowel als op die der
Duitsche Evangelische ge-
maakt, het vertrouwen
wettigen, dat er, ook
voor Protestantachen kerk-
bouw hier te lande, veel
vrucht uit dit werk zal
zijn te trekken.
Prof. Brouwers, die op
het kunstkongres te Ant-
werpen en in de Maat-
schappij Eelix Meritis te
Amsterdam blijk heeft
gegeven zoo diep van de
ernstige beteekenis der
kunst doordrongen en zoo
gemeenzaam te zijn met
de ^esthetische beschou-
wingen, heeft, wat het
kerkelijk gedeelte betreft,
de afbeeldingen wel met
zijnen toelichtenden tekst
willen bevoorregten.
Het werk verschijnt in
4°. formaat.
Alle twee maanden ont-
vangt men eeue aflevering
van 4 platen met tekst.
De prijs van elke af-
levering is ,/\'1.80.
Haarlem, Jan. 1863.
A. C. Kruseman.
VAN P. J. H. CUYPEltó.
en rapport avec des lo-
calités et des positions
tres différentes. Ajoutez
h cela que notre archi-
tecte a fait une étude
spéciale des églises de
différente dimension, que
1\'Kglise anglicane, depuis
une vingtaine d\'aunées, a
érigées a, Loudres et ail-
leurs, comme aussi des
travaux entrepris en Alle-
magne pour 1\'Eglise évan-
gélique: de sorte qu\'il est
permis de croire que eet
ouvrage pourra, en même
temps, être cousulté avec
profit par ceux qui out a
construire des églises pour
Ie culte protestant.
M. 1\'Abbé Brouwers
a eu la bienveillance
de promettre, pour la
description des plauches,
Ie concours de sa plume
éloquente.
L\'ouvrage paraitra tous
les deux mois; format
grand in-4°.
Chaque livraison con-
tiendra 4 planches, avec
texte.
Prix, la livraison att\'ran-
chie, 4 francs.
Harlem, Janv. 1863.
A. C. Kruseman.
-ocr page 618-
BKOUWERS, DE BOUWWEEK EN VAN P. J. H. OUYPERS. (503
Bleek uit de briefwisseling niet, wie bij dit werk eigenlijk i**2.
achter de schermen zat, de orthographie als „konstruktie1\' en
„ekkleziologisch" is reeds voldoende oin Alberdingk Thijm te
verraden. Van hem Mas dan ook het plan uitgegaan de be-
ginselen in de kunst en de aesthetische beschouwingen, zoo
vele malen door hem reeds jaren lang gepredikt, opnieuw in
een afzonderlijke uitgaaf gedrukt te zien. Tn 1849 had hij
over „kunst11 in den kerkebouw een behartigenswaardig woord
geschreven aan Jhr. van Kijckevorsel te Rijsenburg \'. Tien
jaar later was inderdaad in de heerschende richting nog geen
wijziging gekomen; nog altijd werd de bouw van kerken en
gestichten, het onderhoud van onze historische monumenten
opgedragen aan timmerlieden en aan personen zonder eenig
gevoel van piëteit of kennis van de geschiedenis der architec-
tuur. Er was hier te lande in die dagen een jonge man,
een kunstenaar bij de gratie Gods, die zich verzette tegen de
1 „Gewoonlijk laat men door een vreemd architect de teekeningen
maken voor het Ioniesch of Korinthiesch geordend gebouw, dat men tot.
Katholieke Kerk in Nederland bestemt, en vervolgens wordt dat pro-
jekt dan door een onintelligenten aannemer hoogst gebrekkig en vaak
met willekeurige verbeteringen (!!) of amplificatie uitgevoerd. Eene
tweede manier is, dat men den timmerman of metselaar, die niets ter
waereld van de historische ontwikkeling der architectuur, niets van
haar charakteristiek in de verschillende tijdvakken, niets van hare
voornaamste regelen weet, en derhalve ook niets van de tegenwoordige
behoeften en haar verband met den te volgen stijl begrijpt, de teeke-
ningen tot een would-be gothieke of zelfs semi-byzantijnsche kerk, laat
leveren, en diensvolgens exekuteeren. Dat verschijnsel smart mij diep:
dieper dan het voegzaam zou zijn in dezen brief aan UwWelEerw.
uit te drukken; het smart mij als katholiek; het smart mij als lief lieb-
ber van de kunst; het smart mij om den wil der schoonheid, die ver-
ontheiligd wordt, en om der wille van de offers der Geloovigen, die
misbruikt worden tot de oprichting van ongerijmdheden, waar men
Gode verheerlijkende meesterstukken van kunstrecht had te eischen;
het smart mij, om het jammerlijk figuur, dat wij er meê maken en om
den smaad, die men der Godsdienst vaak aandoet, ten gevolge der
ineptie van hare belijders." (Brief van J. A. Alberdingk Thijm aan Jhr.
van Rijekevorsel, te Rijsenburg 14 Augustus 1849. Medegedeeld in Jos.
Alb. Alberdingk Thijm in zijne brieven geschetst door
C. Alberdingk
Thijm. Amst. 1896 blz. 56).
-ocr page 619-
604) BROUWERS, DE BOUWWEKKEN VAN P. J. H. CUYPERS.
1862. lieerschende mode en in zijn bouwwerken reeds een gezonde,
logische opvatting verkondigde van een bouwkunst als bouw-
kunde gebaseerd op de constructieve behandeling van het
bouwwerk. Toute forme qni n\'est pas indiquée par la struc-
ture, doit être repoussée.
Die gulden woorden van den Franschen
architect Viollet Le Duc had ook deze Nederlandsche bouw-
meester tot de zijne gemaakt. Die persoon was Thijm\'s zwager
Cuypers. . Met hem bracht hij een bezoek bij Kruseman om
hem voor het plan te winnen. Kruseman stemde toe, Pastoor
Brouwers zou den tekst leveren en Thijm zou als corrector der
proeven de tusschenpersoon tusschen den kunstenaar, den auteur
en den uitgever zijn.
Om te beginnen werd de keus bepaald op de O. L. Vrouwe
Kerk te Vechel, waarvan de bouw in 1857 aangevangen was
en weldra voltooid zou wezen; het bijgevoegde bijschrift be-
spreekt alleen den toren „omdat hij werkelijk het voorspel is
van den drie maal heiligen hymnus, waarbij men de kerk ver-
gelijkt." Dat bijschrift was echter niet, zooals Brouwers dat oor-
spronkelijk opgesteld en in proef gebracht had; het had,
naar Thijm\'s oordeel, een veel te kerkelijk, polemisch en apo-
logetisch karakter, en zou, naar hij meeude, veeleer kwaad dan
goed doeu aan de beoogde zaak: verheffing en loutering van
een gezond ontwikkelden kunstsmaak \'. „Ik zie er geen bezwaar
in, dat het werk wat u noemt „objectief" wordt. Integendeel
— de (met verlof) stomheid van het „geëerde publiek" in
aanmerking genomen — dunkt mij dit een voordeel. Men
vindt nu gelegenheid ze ongemerkt bij het lange oor te nemen
1 „De vraag is bij mij gerezen, of er ook uitdrukkingen in voorko-
men, die door haar kerkelijk charakter de populariteit der uitgave in
den weg zouden staan. AVij willen, op het gebied der germaansohe
bouwkunst, de lieden voor het goede winnen, voor de zaak van logika
en smaak; en toevallig wordt deze zaak architektonisch het best ge-
diend door de stijlen der XIII° en XIV0 Eeuw; die stijl toegepast op
kerken, ademt natuurlijk het kerkelijk leven — maar het pleidooi daar-
voor moet in de teekeningen, door hare schoonheid geleverd worden»
minder in den text, door zijne polemische kracht." (Brief van Alberdingk
Thijm 27 Juli 18G2).
-ocr page 620-
BROUWERS, DE BOUWWERKEN VAN P. J. H. CUYPERS. 605
en met hun neus op de platen en de aesthetische waarheden
te duwen, zonder dat ze \'t merken, veel minder, kwalijk
nemen" \'.
De grootste zorg moest besteed worden aan de platen; daarin
vooral moest de waarde en de kracht van het werk liggen.
Met de levering daarvan belastte zich Thijm of Cuypers zelf,
althans niet Kruseman. Aan Kruseman werd toegezonden 1000-
stel afdrukken van afbeeldingen van de Kerk te Vechel, van
een kruispijler en van het Sint-Thomasbeeld van dat gebouw,
en van een gevel-afbeelding van het huis Aerwinckel te Pos-
terholt bij Roermond. De platen waren „uitmuntend. Er is in
Holland tot heden niets verschenen tot zulk een lagen prijs,
dat uit de verte met dit werk van Brend\'amour 2 kan wed-
ijveren, meende Thijm. Mij dunkt — wij behoeven niet te
zeggen, waar deze heerlijke houtsneden gedrukt zijn" s.
De uitslag van die eerste atie vering was allerbedroevenst.
Reeds in 1856 had Van Lennep in zijn Mijmeringen in en
over Amsterdam
4 den staf gebroken over de moderne „bouw-
kunst" van dien tijd. \'/Simplex sigillum veri — „het eenvou-
„dige is het zegel van het ware", is de spreuk, welke [onze
nieuwerwetsche timmerlieden] gekozen hebben; en die hen in-
derdaad ontslaat van de moeite om eenigen kunstzin ten toon
te spreiden of om iets te vervaardigen, waaraan een bouwkun-
stig denkbeeld te herkennen is. En daarom vertoont de voor-
gevel van het gemodernizeerd (?) gebouw eenvoudig een naak-
ten muur, met eene vierkante deur, en voorts, naar gelang
der breedte, twee, drie, vier of meer ramen nevens elkander
op de eerste verdieping: even zooveel op de tweede, op de
derde enz. tot op de bovenste toe: — en, boven dat alles een
geel geschilderde kroonlijst, aan de beide zijden rechthoekig
afgezaagd, opdat men toch niet de illuzie zou hebben, dat zy
om \'t huis heen liep, maar wel goed bemerken, dat zy alleen
1   Brief van Alberdingk Thijm 18 November 1862.
1   De welbekende houtgraveerinrichting te Dusseldorf.
3   Brief van Alberdingk Thijm 18 November 1862.
*   Almanak Holland voor JSól blz. 21.
-ocr page 621-
606 BROUWERS, DE BOUWWERKEN VAN P. t. H. CUYPERS.
dient om het daarachter loopend dak te bemanteleu." Die
„bouwstijl" was maar al te veel heerschende om waarachtige
kunst ook maar ietwat in tel te doen zijn. De vrees, die
Kruseman had, dat zijn onderneming niet zou slagen \', bleek
alles behalve voorbarig te zijn geweest; van de /\'256.86 in
de onderneming gestoken, kwam, behalve de f 20, die het
artikel op de fondsveiling van 1867 behaalde, zoo goed als
niets terecht. Slechts zeer enkelen waren nog in staat de sar-
castische artikelen Museum Willem I van J. Gosschalk in De
Nederlandsehe spectator
2 te begrijpen in zijne bespreking over
de „erkende talenten des heeren Cuypers."
En dat nog wel terwijl de eerste proefaflevering ruim ver-
zonden was aan pastoors, kerkbesturen, genootschappen, ar-
chitecten, aan ieder, van wien verwacht kon worden, dat hij
belang bij christelijke kunst zou hebbeu, en een bericht in het
Nieuwsblad* nog eenige animo had pogen te wekken. Den 17
1 Die vrees volgt uit een bij de eerste aflevering gevoegd Berigl:
„Indien de inteekening genoegzaam blijkt om de uitgave voort te zetten,
zal aan het einde van het werk eene opgave gevoegd worden omtrent
de volgorde der afgebeelde en beschreven bouwwerken. De innaaijing,
gelijk in deze aflevering, is alzoo slechts voorloopig."
1 1864 blz. 130, 148 en 104.
:\' „De heer A. C. Kruseman te Haarlem heeft de eerste aflevering
rondgezonden van een architektonisch en ekklesiologisch werk, waarvan
hij de uitgave heeft voorgenomen. Het is de beschrijving en afbeelding
der bouwwerken van den architekt P. J. H. Cuypers, wiens uitgebreide
kunstwerk plaatsen te Roermond gevestigd zijn. De tekst, bevattende
eene beschrijving zoowel uit bouwkundig als lithurgisch oogpunt (waar
dit laatste bij de verklaring van kerkgebouwen wordt gevorderd), wordt
geleverd door Prof. Brouwers. De afbeeldingen zijn voor zooveel de ter
proef gezonden eerste aflevering doet zien, zeer goede houtsneden, die
met genoegzame scherpte en zuiverheid de vormen en onderdeelen te
zien geven. De eerste aflevering bevat de afbeelding en beschrijving
van de fraaije, in een ernstigen en soberen gothischen stijl uitgevoerde,
O. L. Vrouwe-kerk te Vechel; een detail in opstand en doorsnede van
een harer kruispijlers; een der beelden (St. Thomas) welke de galerij
boven den ingang versieren; en den westgevel van het kasteel Aer-
winckel bij Roermond.
„Wij vestigen de aandacht op deze aangevangen uitgave, die strekken
moge om de verdiensten van des heeren Cuypers kunst door een grooter
-ocr page 622-
BROUWERS, DE BOUWWERKEN VAN P. .1. H. CUYPERS. 607
Augustus 1863 meldde Kruseinan aan Guypers, dat hij geen 1862.
moed had de onderneming voort te zetten. Terwijl omstreeks
133 exemplaren verkocht moesten worden om de kosten goed
te maken, waren er slechts 43 exemplaren van de eerste afle-
vering geplaatst. „Dat is al een zeer sober resultaat en op
nieuw doe ik de droevige ervaring op, dat de klassieke zin in
ons arm klein landje al zeer traag ontwikkeld blijkt."
Nederland bleek niet rijp te zijn voor dergelijke onderne-
miugen. „\'t Is altijd iets nieuws en derhalve in Holland
(helaas!) iets hachelijks", meende ook Thijm \'. De eerste stap,
dien Kruseman als uitgever deed op het gebied der kunst, mis-
lukte volkomen en Thijm zette zijn plan alleen voort in een
reeks artikelen over Be herken van den archilekt Petr. Jos.
Hub. Cui/pers
in De Bietsche warande 2.
Dat theologische en kerkelijk aesthetisch karakter, dat een
groot deel der uitgaven van 1862 vertoont, wordt natuurlijk
geenszins weggenomen door de kleinere uitgaven van dat jaar,
die geheel afzonderlijk staan, maar toch even genoemd moeten
worden: Gerlings\' Verscheidenheden van Haarlems bodem, zon-
der kopy-eigendoin geheel uitgegeven ten voordeele van het
Gereformeerde weeshuis te Haarlem, Prederika Bremer\'s Italië
in zijn natuur en volksleven, geschetst,
evenals het in het vorig
jaar verschenen In het Zuiden en het Oosten van Europa van
dezelfde schrijfster vertaald door den Haarleinschen predikant
W. C. Mauve, de redevoering over Het wezen van den cousfi-
tutiouelen regeringsvorm,
die Buijs den 13 October 1862 hield
bij de aanvaarding van het hoogleeraarsambt in de Staatsweten-
schappen aan het Athenaeum te Amsterdam en Eeuige mede-
deelingen omtrent de voorwaarden tot verkrijging der bevoegdheid
tot uitoefening der geneeskunde, die buitenslands vereischt worden,
publiek te doen kennen, en eene bijdrage zal opleveren ter kennis van
de bouwkunst in ons vaderland." (Nieuwsblad voor den Boekhandel
1
Mei 1863.)
1 Brief van Alberdingk Thijm 18 November 1862.
1 Dl. VI (1864) blz. 102 vlg.
-ocr page 623-
608 VAN DER HOEVEN\', MEDEDEEIJNGEN OMTRENT ÜE GENEESK.
1802. door J. van der Hoeven, door den schrijver samengesteld naar
aanleiding van de aan de Kamers aangeboden wetsontwerpen
over de geneeskunde; alleen de laatste van deze uitgaven
dekte haar kosten niet.
Onder de voorstellen, welke aan Kruseman gedaan werden,
was een plan van mevr. Van Calcar, een levensbericht van
Fröbel uit te geven \', wat eerst niet onaannemelijk leek \'-, en
van C. A. J. A. Oudemaus om een vertaling te leveren van
Darwin\'s Ou the various contrioances by w/dck Brilish and
foreign Orchids are fertiüsed by Insects
\'.
Had 1862 dus geen uitgaven opgeleverd, die men pleegt
te bestempelen met het epitheton „kapitaal", maar daaren-
tegen wel kleinere geschriften van meer dadelijk en actneel
belang, waartoe Kruseman als van zelf gekomen was door
zijn persoonlijke relaties en den kerkelijken strijd, waarin hij als
uitgever deelnam, de verkoop van zijn drukkerij en zijn fonds-
verkooping van dit jaar hadden hem voldoende ruimte gege-
ven voor nieuwe ondernemingen niet alleen, hij voelde zelfs
de lust in zich opkomen nog andere bezigheden van intellec-
tueelen aard op zich te nemen en dacht er over te dingen naar
het bibliothecariaat van de Haarlemsche Stads-Bibliotheek in
plaats van wijlen A. de Vries, den voorvechter der Costerzaak.
1 Brief van mevr. Van Calcar 26 Augustus 1862.
1 Den 8 October 1862 werd voor Kruseman ter vertaling aangeteekend
Aus FröbeVs Leliën und erstem Si reben, om daaruit te vertalen Aulo-
biographie und kleinere Schriften, herausg. van
Dr. Wiehard Lange.
Berlin 1862. (Nieuwsblad voor den Boekhandel 16 October 1862.)
\' „Het is in zooverre een vervolg op de Naluurzelfkeus van den-
zelfden S. als men hier de bewijzen vindt voor eene in dat werk door
hem uitgesprokene maar niet verder toegelichte stelling, dat er, zoowel
bij de planten als bij de dieren, twee individuen (hier bloemen) noodig
zijn om eene copulatie (vruchtbare) te bewerkstelligen. Darwin negeert
dus dat eene tweeslachtige bloem zich zelve genoegzaam is, en komt
dus op tegen eene tot nog toe algemeen gehuldigde meening." (Brief
van Oudemans 30 Mei 1862.)
-ocr page 624-
MODEKNE THEOLOGIE.                            t>09
Raadpleging met Fred. Muller deed hem van het plan «afzien \'. 1837-I8G3.
Zijn ijver, zijn voortvarendheid, zijn lust tot werken, zijn be-
geerte steeds nieuwe en groote ondernemingen op touw te
zetten werd niet verminderd door het voornemen, dat zijn eerste
bediende Punke al sinds eenigen tijd had zich te gaan vestigen,
hetgeen dan ook in het volgend jaar geschiedde 2.
Ultimo December lS(i£ stond Kruseman onbetwist in dealler-
voorste rijen van de Nederlandsche uitgevers. In het derde tijd-
vak van zijn bedrijf, in de jaren 1857 tot 1SU2, waarin hij alleen
als uitgever en drukker optrad, had hij door zijn arbeid en zijn
werk zich met groote energie door de rijen van zijn vakgenooten
vooruitgeschoven; had hij door geruchtmakende, maar tevens
ernstige en hecht geargumenteerde geschriften zich bij het Neder-
landsche publiek zien aanwijzen als den uitgever van een tak van
wetenschap door de eerste woordvoerders. Ituet en de zijnen met
hun geschriften over de moderne theologie waren in de plaats
gekomen van de Kerkkloksfouneu van Strauss, J)e Dagheraut
van Frederika Eremer, de Pa/dus van Beets, het Onze Vader
van Heemskerk. Godsdienstwetenschap in modern-wetenschap-
pelijke opvatting van het woord was zijn vooruaamsten tak ge-
worden, naast populair-wetenschappelijke geschriften, als de
Natuurlijke historie van Nederland en Het ou\'slaan der soor-
ten.
In die uitgaven uitte zich de theologische denkwijze van
den uitgever evenzeer; want het is voldoende bekend, hoe juist
de „redelijke" godsdienstbeschouwing haar basis vindt in de
juistere natuurkundige begrippen 3, het wijsgeerig denken sedert
de vorige eeuw en de uitkomsten van de onderzoekingen op het
gebied der natuur- en sterrekunde en andere exacte wetenschap-
pen en van het geschiedkundig onderzoek 4. De supra-natura-
1 „Wat? wilt gij te Haarlem Bibliothecaris worden en uwe vrijheid
voor /\' 200 verkoopen, gezwegen van het werk!! Doe dat toch niet."
(Brief van Fred. Muller 24 November 18(52.)
1 Kieuwsblad voor den Boekhandel 12 Maart 1863.
3 Vgl. De Génestet\'s Moderne wereldbeschouwing. (Leekedichtje n°. 72.)
* „De natuurwetenschappen, met. de historische de meest eigenaar-
dige van onzen tijd", schreef Huet in 1864. (Litterarisclte fantasien en
kritieken.
Haarl. z. j. Dl. VII blz. 101.)
:5«)
-ocr page 625-
610
MODERNE THEOLOGIE.
18J7-18G3. listiscbe verhalen van den Bijbel werden daardoor met een
strijd op leven en dood bedreigd. Het is daarom dubbel
merkwaardig hier er nog even op te wijzen hoe Kruseman
na, door het uitgeven van Pluet\'s Briecru over den Bijbel
in Mei 1S57 den twistappel uit de studeervertrekken der ge-
leerden midden onder liet groote publiek geworpen te hebbeu,
één maand daarna, nog vóór het verschijnen van de tweede afle-
vering der Brieven, een tegenwicht zocht te geven in een ethisch-
irenisch geschrift: Het getuigenis der gesteenten van Hugh
Miller \', een geschrift van een schotsch geoloog en verdediger
der protcstantsche orthodoxie, gestorven in 1856, waarin ge-
poogd wordt een harmonische oplossing te geven aan den strijd
tusschen het bijbelsch scheppingsverhaal en de toenmaals weten-
schappelijke slotsom aangaande de formering der aarde 2.
Het moge in hetgeen ik hier boven schreef\' vreemd klinken,
dat ik de moderne theologie een „redelijke" godsdienstbe-
schouwing noem, omdat zich bij het hooren van het woord
„redelijk" in dit verband al dadelijk de gedachte op den
voorgrond dringt aan het welbekende werk van den Eotter-
damscheu predikant Wilhelmus a Brakel uit de achttiende
eenw. Deze bedienaar des Goddelijken woords toch legde zijn
piëtistische en mystieke beschouwingen neer in zijn .Aoyixvj
/.xrpsiz, dat is redelijke godtsdienst
3, en aangezien nu juist
deze schrijver nog steeds in hoog aanzien staat bij de streng
confessioneelen en hij zelf reeds bij zijn leven geacht werd
een steunpilaar te zijn van de Voetianeu, de zwaar gewapende
protestautsche scholastieken, schijnt het zonderling liet woord
„redelijk" als epitheton te kiezen voor een godsdienstige leer,
welke lijnrecht staat tegenover de Voetiaansche uitlegkunde.
1 Hij vertoonde nl. de Engelsehe uitgaaf (Edinburgh 1857) in de
week van den 18 tot den 25 Juni 1857 ter vertaling, tegelijk met een
soortgelijk werk van Hitchcock over The religion of geology; de eerste
aflevering der vertolking verscheen medio Januari 1858.
1 Huet. Litlerarisclie fantasten en kritieken. Haar!, z. j. Dl. VII
blz. 47 vlg.
3 Ik gebruik den achttienden druk in 1767 verschenen bij de Weduwe
Hendrik van der Aak en Zoon te Rotterdam.
-ocr page 626-
Gil
MODERNE THEOLOGIE.
Toch kan ik mij verdedigen. Schuilt er in liet bestreden woord -1857-1803.
een andere zin, dan die, welke verband houdt met het woord
rede, met logische verstandsredeneering ? Immers neen. Daarom
juist is de moderne theologie, welke zich niet laat leiden door
eenige vooraf aangenomen begrippen, maar zich enkel en
alleen grondvest op resultaten, door redeneerkuude verkregen,
voor alles een „redelijke" godsdienstbeschouwing.
Hoewel Kruseman steeds vol was van allerlei idealen, was
hij toch geenszins een persoon om ongevoelig te blijven voor
den zoo bij uitstek logischen gedachtegang van Huct en de
zijnen. Al werd Huet dan ook als predikant verketterd, op
wien ten volle van toepassing was wat dezelfde Ji Brakel op
zijn dogmatisch standpunt schreef, nl.: „Een ondeugend Pre-
dikant is het grouwelykste ende schadelykste schepsel dat de
wereldt draegt, hij is een\' schandtvlek in de Kerke, een
struykelblok waer over vele vallen in het eeuwigh verderf, en
is eene oorsake van de verdoemenisse veler zielen", op Kruse-
man had hij — bijkans op elk der voorafgaande bladzijden is
een bewijs te vinden — zijn volle zedelijk overwicht geoefend
en achteraf is het dan geenszins te verwonderen, dat Kruseman,
na eerst schoorvoetend de Briereu over dan Bijbel uitgegeven
te hebben, als het ware zijns ondanks er als van zelf toe
moest komen eerst een volbloed aanhanger, daarna, met behoud
van zijn onafhankelijk standpunt als tusschenpersoon tusschen
auteur en publiek, een warme propagator te worden van de
godsdienstovertuiging van Huet en van Pierson, van de moderne
theologie. Beslist ging hij in de onmiddellijk daarop volgende
jaren tot het kamp der modernen over.
Evenzeer als de godsdienstige lectuur in zijn fonds geheel
van karakter veranderd was, zouden ook allengs de letterkundige
titels een wijziging ondergaan. In de eerste 15 jaar waren Van
den Eergh en Van Zeggelen zijn letterkundige raadslieden ge-
weest; had hij een onderneming als de Aurora kunnen o ver-
nemen; had hij de serie der Buitenlandse he klassieken kunnen
aanvangen en vertalingen van Dickens en Scott kunnen op
touw zetten — let op het rijzen van de aesthetische waarde
dezer uitgaven; — de beide oprichters van Oefening kweekt
39*
-ocr page 627-
612 NADRUK VAN BUITENLANDSCHE WERKEN.
isö7-i8eü. kennis hadden hun plaats moeten inruimen aan Huet, wiens
voorlichting hij alle belangrijke letterkundige plannen gevraagd
werd; Adam Bede, LeekedicJdjens van De Génestet, Gesc/rie-
deuis van een hapje brood
van Macc. Huet is de man, wien hij
in dit derde tijdvak van zijn bedrijf bij voorkeur raadpleegt.
])e nauwgezetheid waarmede hij zijn zaken dreef \' en de
plaats, die hij onder zijn confraters innam, maakte hem den
aangewezen persoon opnieuw een plaats in het Bestuur der
Vereeniging in te nemen; de beide malen, dat de algemeene
vergadering (14 Augustus lSöü en 12 Augustus 1S62) na
zijn aftreden als voorzitter haar keus op hem vestigde, was het
een vruchteloos uitgebracht votum geweest. Daarentegen liet hij
zich in die laatste vergadering welgevallen een op hem uitge-
brachtc verkiezing tot lid van een commissie van vijf leden
tot liet instellen van een onderzoek over de wenschelijkheid
om iu te gaan op een voorstel van Fred. Muller en in het
reglement der Vereeniging op te nemen de bepaling, dat ieder
die zich aan den nadruk schuldig maakt van een in het \'bui-
tenland verschenen werk, dat hier te lande de bescherming
der wet niet geniet, daardoor het lidmaatschap der Vereeniging
zou verliezen. Aan die benoeming kon hij zich moeilijk ont-
trekken, omdat hij de verdediging van het voorstel ter A\'erga-
dering op verzoek van Fred. Muller, die niet tegenwoordig
kon zijn, op zich genomen had en hij zelf een paar jaar te
voren door een ingezonden stuk in het Nieuwsblad zich in de
quaestie gemengd had 2.
Zijn verdiensten werden dus bij de vakgenooten wel degelijk
1    „Ware het niet wcnschelijk, dat H.H. Uitgevers de artikelen die
tnsschentijds teruggevraagd zijn, toch op de gewone jaarrekening ver-
meldden? maar daarbij tevens opgave deden wat terug ontvangen was,
zooals dit zoover wij weten alleen door den Heer A. C. Kruseman te
Haarlem wordt gedaan. Dit zou naar ons inzien minder geknoei in de
boeken geven en de afrekening gemakkelijker maken", werd in het
Nieuwsblad voor den Boekhandel van den 21 Mei 1862 gevraagd.
2    Zie hiervoor blz. 423.
-ocr page 628-
TENTOONSTELLING VAN NIJVERHEID IN 1861.            613
gewaardeerd; evenzoo bij andere lichamen, waarmede hij door 1857-1863.
zijn bedrijf\' en als Haarlemmer in aanraking kwam.
In den zomer van 1859 was te Amsterdam gehouden een
tentoonstelling van provinciale Noordhollandsche nijverheid; de
inzending van een aantal zijner fondsartikelen tusschen 1845
en 1858 gedrukt, was „een belangrijke verzameling en ge-
tuigde van \'s mans ijver en ondernemenden geest." Aldus
rapporteerde de daartoe benoemde Commissie aan de Alge-
meene Vergadering der Nederlandsche Maatschappij ter bevor-
dering van Nijverheid.
Dit oordeel over „\'s mans ijver en ondernemenden geest"
vond weerklank in den boezem van de Maatschappij van Nijver-
heid zelve. Tijdens de algemeene nationale tentoonstelling van
nijverheid in den zomer van 1861 te Haarlem gehouden, was
Kruseman, als Haarlemmer, directeur dier Maatschappij. Een
twintigtal jaren later zou eerst zijn krachtige belangstelling
voor dat lichaam gaan blijken en zou hij, met goed gevolg,
pogingen iu het werk gaan stellen een werkkring voor de maat-
schappij te vinden, welke meer overeenkomstig de tijdsomstan-
digheden zou zijn dan wanneer zij zich uitsluitend bleef vast-
houden aan de taak welke haar naam haar alleen scheen aan
te wijzen: ik heb hier het oog op het Museum en de School
voor Kunstnijverheid nu een twintig jaar geleden gesticht.
Voor het welslagen der tentoonstelling van 1861 werkte hij
van zijn kaut mede als directeur, als voorzitter der commissie
voor de loterij, waarin hij zitting had met Dr. C. Ekama,
Mr. A. J. Enschedé en J. van der Vlugt, allen mannen, die
met meer of minder goeden uitslag naast hun eigenlijk bedrijf
ook werkzaam waren of zouden zijn op het gebied der biblio-
graphie, en als eigenlijk uitgever. Onder N°. 1170 van den Cata-
locjm
wordt zijn inzending \' genoemd: „a. Boeken bij hem
uitgegeven en voor het meerendeel op zijne drukkerij gedrukt;
h. Proeven van typographie." Daar stelde hij een compleet
exemplaar van zijn fonds ten toon, van hetgeen hij in eigen-
dom bezeten had en van hetgeen waarvan hij op dat oogen-
Vgl. n°. 920.
-ocr page 629-
614
TENTOONSTELLING VAN NIJVERHEID IN 1861.
1857-1863. blik als uitgever nog eigenaar was, samen 358 titels, een
teekenend getal; echter is mij niet gebleken, welke proeven van
typographie hij vertoonde. Hij zag zich er echter door de jury
een 2e (bronzen) medaille, evenals Sijthoff en Gebrs. Binger
toegewezen, terwijl de firma Joh. Enschedé en Zonen een eerste
(zilveren) medaille in de klasse bekwam \\
Hoewel mij dan feitelijk de gegevens ontbreken om ook
maar uit de verte een oordeel te mogen hebben over die be-
krooning, wil ik aannemen dat zij verdiend was: de korte
bespreking, die het Tentoonsfelliugs-nieuws - bij Kruseman\'s
vroegereu bediende "VVeeveringh uitgegeven er van geeft, wèt-
tigt de juistheid er van.
Maar bovendien is daar nog een kleine mededeeling te vin-
den, die licht geeft over de middelen door Kruseman te baat
genomen om het debiet zijner uitgaven te bevorderen: „voorts
vindt ge nog op deze zaal twee of drie van die kolossale, fraaije
aanplak- of winkelbiljetten, zoo groot als Kruseman alleen ze
geeft." Commentaar hierbij is overbodig, te minder iiog, daar
juist in de aanplakbiljetten door Kruseman, naast het op uitge-
breide schaal adverteereu en waar noodig colportage, reeds sinds
lang het middel gezocht en gevonden werd oin debiet aan zijn
koopwaar te geven. Laat ik ten bewijzen van dit „sinds lang"
aanhalen wat Buskeu Huet schreef in 1855 3. „Van boven tot
1 Dezelfde inrichting was eveneens door de hoofd-jury voorgedra-
gen voor de tweede gouden medaille; van die voordracht weken Direc-
teuren af. „De Heer Mr. Joh. Enschedé Jr., — die, als Directeur der
Maatschappij, mede over de toekenning der tweede gouden medaille te
beslissen had, — meende, dat zijne hetrekking tot de firma Joh. Enschedé
en Zonen deze van zoodanige bekrooning moest uitsluiten, naar den
geest der bepaling van § 14 van de Regeling der werkzaamheden van
de Jury van Deskundigen.
Deze kieschheid van hun geacht medelid
eerbiedigende, waren Directeuren genoodzaakt, voor de Zesde Hoofd-afdee-
ling van het voorstel der Hoofd-Jury af te wijken."(Verslag uitgebragt
door de Jury van Beoordeeling.
Haarl. z. j. blz. IX.)
1 blz. 35.
3 Herdrukt in Cd. Busken Huet\'s Overdrukjes. Haarl. 1858 blz. 20
en Cd. en Anne Busken Huet\'s Schetsen en verhalen. Arnh. 1863
blz. 222.
Hier nog even gewezen op dit opstel Hansje en Leenlje in verband
-ocr page 630-
AANPLAK- EN WINKELBILJETTEN.                         615
beneden waren de muren behangen met aanplakbilletten, met 1857-1863
adreskaarten, met afbeeldingen, gekleurd en zwart, van mode-
winkels en juweliersmagazijnen, met fraai gedrukte berigten
der jongst uitgekomen boeken van A. C. Kruseman." Uit
dezen beide berichten, onafhankelijk van elkaar met een tus-
sehenruimte van zes jaar verschenen, blijkt, dunkt me, o ver-
tuigend, dat in zijn grooten tijd Kruseman veel meer dan
eenig ander uitgever destijds hier te lande deed, zijn boeken
aan de markt zocht te brengen door de sedert zoo in zwang
gekomen aanplak- en winkelbiljetten.
Evenzoo heb ik reden om aan te nemen, dat hij in dezen
zelfden tijd veel meer dan zijn confraters liet koopend publiek
zocht te bewerken door prospectussen.
Zooals ik op bladzijde lil medegedeeld heb, behooren tot
het bronnenmateriaal van dit werk o. a. de foudsboeken, ge-
drukte tabellen, waar de gespecificeerde onkosten van elke
uitgaaf ingevuld zijn. Het eerste deel, loopende van 1840 tot
1852, heeft slechts een afzonderlijk hoofd voor „advertentiën
in onderscheiden dagbladen1\', niet voor ander bijkomend druk-
werk. Waar een dergelijke uitgaaf geboekt moest worden, als
bij EaméVs Geschiedenis der bouwkunst in 1844, toen voor het
eerst 2000 prospectussen verspreid werden, werd deze post in
handschrift bijgeschreven. De volgende deelen, beginnende met
1852 daarentegen, hebben daarbij een afzonderlijk gedrukten
post voor „divers drukwerk, bestellinglijsten, prospectus, billet-
ten met papier". Er volgt hieruit onmiddellijk, dat Kruseman
in zijn eerste jaren had leereu begrijpen de waarde, die toege-
kend moet worden aan de verspreiding van dergelijke drukwerken
om debiet aan zijn uitgaven te verschaffen. En dat hij hiervan
een ruim gebruik maakte, bewijst wel het feit, dat er sinds
1852 bijkans geen folio in de fondsboeken te vinden is of
deze post is van een cijfer voorzien.
Zoo blijkt het, dat ongeveer tegelijker tijd, dat zijn groote
met den vierde van Huet\'s Brieven van een kleinstedeling: Over de
Zondagstreinen. (Nederlandsche spectator. Weekblad van den ouden
Heer Smits.
Arnh. 1856 blz. 203.)
-ocr page 631-
616                        AANPLAK- EN WIXKELBILJKTTEX.
1807-18G3. tijd zoa beginnen, hij ook in de goede beteekenis van het
woord meer reclame ging maken. Dat hij liet echter meer dan
anderen deed, is bloot gissing mijnerzijds. Niettemin is die
gissing niet geheel zonder grond. Waar toch Knisemaii in
zijn Bilderdijk een uitgaaf had kunnen tot stand brengen,
waartegen zijn vakgenooteu het hoofd gestooten hadden; waar
hij uitgaven gedaan had als Huet\'s Brieven, die, het mag
aangenomen worden, in handen van anderen hun debiet wel
niet gevonden zouden hebben; waar hij in deze jaren alreeds
door het publiek beschouwd werd als de eerste Nederlandsche
uitgever, daar is het duidelijk, dat hij tot op zekere hoogte
anders gedaan moet hebben dan de meesten in den Boekhandel
destijds deden. Aanplak- en winkelbiljetten werden bij name
genoemd, en ik geloof, op grond van bovenstaande beschou-
wiug, dat er evenzeer reden is om aan te nemen, dat
door hem meer dan gebruikelijk was met prospectussen ge-
werkt werd.
Daarmede is, voor zoover ik weet, alles gezegd wat de
eigenlijke tentoonstelling aangaat. De uitreiking der eereblij-
ken aan de bekroonden, welke den 14 November 1861 in de
Groote Kerk te Haarlem plaats had, werd opgeluisterd door
een Cantate van Ten Kate, met muziek door Heinze. Die op-
luistering der plechtigheid was ■weer geheel Kruseman\'s werk ge-
weest, die den dichter, met wien hij op dat oogenblik in rela-
tie was over diens Panpoëlicon, voor die taak had weten te
bewegen, en als directeur-deskundig uitgever de voorgcschie-
denis daarvan geheel had behartigd.
Daarbij was hij nog op ander gebied werkzaam. Op verzoek
van Van Westhreene, toenmaals verbonden aan het redactie-
bureau van de (oude) Rolterdamsche Courant (gedrukt en uit-
gegeven bij G. C. A. van lieyn, te ltotterdam), was hij cor-
respondent voor dat blad van de Haarlemsche feesten.
Weinig is van die tentoonstelling overgebleven behalve de
herinnering aan die dagen; alleen het Tentooustelliugs-nieuws,
-ocr page 632-
617
SOUVENIR AAN SPAARN-HOVE.
programma\'s, circulaires en gelegenheidsdichtjes. Daaronder is 1857—1888.
er één dat genoemd moet worden.
Tot een der plaatsen van publieke vermakelijkheid was ook
bestemd de buiten plaats Spaamhoven, aan den Schoterweg, welke
vóór aan de handen der sloopers overgegeven te worden, door
de feestcommissie afgehuurd was voor feestterrein; dat punt
was de great atlractiou voor de feestvierenden. Een Souvenir
aan Spaarn-Hove
ligt voor mij, een klein boekje in 24° for-
niaat, bestaande uit losse blaadjes door een zijden koord saam-
gebonden. Elk blaadje bevat een versje op een bloem: roode
geranium, erica, witte lelie
enz. enz. Naar beweerd wordt was
het geheele boekje afkomstig van Kruscinan, en zulks schijnt
niet onwaarschijnlijk, want er zijn inwendige aanwijzingen, die
op zijn persoon zouden kunnen wijzen.
Hoewel deze poëtische uitspraken weinig geven voor de
kennis van hemzelf, deel ik er een drietal mede. De eerste is:
Oranje-bloesem.
Oranje boven is de leus,                       •
Die ieder Nederlander uit,
Oranje-bloesem is de keus
En \'t zinnebeeld der reine Bruid....
O ! dat de koninklijke vlag
Haar vlekloosheid bewaren mag,
En blink\' de Nederlandsche Bruid
In kuiseli heid boven allen uit.
de tweede:
Zonnebloem.
Rijk aan geld en rijk aan goed
Is geen rijkdom, die u baat;
Wat u zegen achterlaat,
Is, dat ge in een rein gemoed
Rijke bron van deugden voedt....
Zonnebloem! uw klatergeel
Toont ons \'t eerste en zegt niet veel.
Laurier.
Wacht u voor \'t bejag naar glorie,
Het ontstelt het gloeijend hoofd;
En de lauwer der victorie
Is zoo ras van glans beroofd....
en de derde:
-ocr page 633-
618                        SOUVENIR AAN SPAARN-HOVE.
1857-18Ü3.                                Maar wilt ge u den schedel sieren
Met een krans die zegen spreidt;
Kies dan boven de eerlaurieren,
U de kroon der ncdrigheid.
Nederigheid, dat was de grondtoon van Kruseman\'s karakter
zooals het zich nu sinds zijn vestiging uitte. Vijftien jaar
vroeger had te ver gedreven nederigheid hem bijkans een veete
berokkend met zijn trouwen vriend Aran Zeggelen \'; gedurende
het geheele tijdvak, waarin hij zijne volle kracht als uitgever
ontwikkelde, was de grondtoon van zijn wijze van doen nog
geenszins gewijzigd: door zichzelf op den achtergrond te houden
en, met gepaste behartiging van eigen materieele belangen,
alleen onpartijdig en onbevooroordeeld op te treden als tus-
schenpersoon tusschen auteur en publiek, wilde hij zich een
eerkrans om het hoofd vlechten, llceds waren de lijnen daar-
van in hoofdzaak getrokken en kon hij zich als de eerste uit-
gever van Nederland beschouwen; plannen, grootsche schep-
pingen zouden afronding en omlijsting daaraan geven. Zoude
hij er in blijven slagen zich op het eenmaal veroverde stand-
punt te handhaven? De toekomst zou het leeren.
1 Zie hiervoor hlz. 82.
-ocr page 634-
INHOUD VAN HET EERSTE DEEL.
I. Jeugd- en jongelingsjaren. — Opleiding tot het
boekhandelaars- en uitgeversbedrijf. — Vesti-
ging. — 1818—1840......................         1
Handteekening van Kruseman in 1840............ 1!>
II. Begin en uitbreiding van de uitgevers-relaties. —
Helvetius van den Bergh, De nichten. — Huwe-
lijk. — Vriendschap met S. J. van den Bergh en
W. J. van Zeggelen. — Christelijk Album. — Dickens,
Dombey. — Da Costa. — Aglaja. — Polichinel. —
Aanschaffing van een drukkerij. — 1840—1851. 21
Merk van den houtgraveur C. Ie Blansch.......... 120
Gevel van den boekwinkel „Inde vier Heems-kinderen"
tegenover 175
III. Uitbreiding van de uitgevers-relaties. — Beets,
Paulus. — Van der Pot, Julianus. — Buiteulaud-
sche klassieken.
— De werken van Walter Scott. —
Magere editie. ■— Album der Natuur. — Beecher
Stowe, De neger hut. — Da Costa, Politieke poezy. —
Praktische Volks-almanak. — De werken van
Charles Dickens. — Landbouw- en Nijverheids-
bïbliotheek.
— Natuurlijke historie van Neder-
land. — Costers-feesten. — 1851—1856....... 177
Merk van de houtgraveurs Best, Hotelin et C\'e.... 186
Brief van Mevr. Beecher Stowe, 24 September 1856 225
Brief van Charles Dickens, 3 November 1857...... 2G3
-ocr page 635-
INHOUD.
IV. Begin van den grooten tijd. — Wetenschappelijke
Blaadjes.
— Wetenschappelijke Bladen. — J/a seule
chose nécessaire.
— Familie-magazijn. — Bilder-
dijk, Dichtwerken. — Busken Huet en Da Costa. —
Fondsveiling 1857. — Voordrachten in Felix.—
Verkoop der debietzaak. — 1S55—1857....... 806
V. Midden periode van den grooten tijd. — Busken
Huet, Brieven over den Bijbel. — Bosboom-Touè-
saint, Historische novellen. — Historische vrou-
icen.
— De Jonge, Geschiedenis van hel Neder-
landsche Zeewezen.
— Hofdijk, Ons voorgeslacht. —
Schejf\'er-album. — Busken Huet, Stichtelijke lec-
luur.
— Adam Bede, door George Eliot. —
Zondagsblad. — Christelijke Volks-almanak. — De
Génestet, Leekedichtjens. — De Lamartine, Joce-
lyn.
— Da Costa, Kompleete dichtwerken. —
1850—1800............................. 4,17
Titelprent van Mevr. Bjsboom-Toussaint\'s Historisclie
novellen
naar Roelius3en, met ontwerp door Bosboom
tusschen 4ÜG en 437
VI. Einde van den grooten tijd. — Hellas en Lalium. —
Beets, Üe kinderen der zee. — Staring, Gedichten. —
1\'ondsveiling 1802. — Hofdijk, De klooster-orden
in Nederland.
— Busken Huet, Onze bede. —
Macé, Geschiedenis van een hapje brood. — Pierson,
\'De oorsprong der moderne rigling. — Familie-
bijbel.
— De bouwwerken van den architekt
P. J. H. Cni/pers.
— 1861—1803........... 501
eJVy